diff options
| author | nfenwick <nfenwick@pglaf.org> | 2025-02-05 05:15:30 -0800 |
|---|---|---|
| committer | nfenwick <nfenwick@pglaf.org> | 2025-02-05 05:15:30 -0800 |
| commit | 07c6694c3140c944dc244d7159752f244f03c4b7 (patch) | |
| tree | 1f3d0db23779cf842ecf032d40ba9626274bd159 /old/50789-0.txt | |
| parent | 7071cae8f76b3428597e9f6532650e98d7a5c57d (diff) | |
Diffstat (limited to 'old/50789-0.txt')
| -rw-r--r-- | old/50789-0.txt | 6691 |
1 files changed, 0 insertions, 6691 deletions
diff --git a/old/50789-0.txt b/old/50789-0.txt deleted file mode 100644 index a726701..0000000 --- a/old/50789-0.txt +++ /dev/null @@ -1,6691 +0,0 @@ -The Project Gutenberg EBook of De Geest van China, by Henri Borel - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most -other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of -the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have -to check the laws of the country where you are located before using this ebook. - -Title: De Geest van China - -Author: Henri Borel - -Release Date: December 29, 2015 [EBook #50789] - -Language: Dutch - -Character set encoding: UTF-8 - -*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE GEEST VAN CHINA *** - - - - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg. - - - - - - - - - HENRI BOREL - - DE GEEST VAN CHINA - - MET EENIGE ILLUSTRATIES - - - - - - - - Opgedragen aan de Nagedachtenis van mijn’ - eenvoudigen, ouden Chineeschen leermeester - - TIO SIAO HOEN - - die mij het eerst inwijdde in de Chineesche - filosofie, en den Geest van China over mij - deed komen, in de jaren 1892–1894. - - - - - - - -De vertalingen van de citaten in andere talen kan de lezer vinden -achterin het werk. - - - - - - - -INLEIDING - - -Toen ik het merkwaardige werk van Okakura-Yoshisaburo gelezen had „De -Geest van Japan” [1] kwam het denkbeeld in mij op, een boek te -schrijven: „De Geest van China”. Hierbij kwamen de woorden mij in -de gedachte uit een aan mij gerichten brief van mijn Chineeschen vriend -Dr. Lim Boon King: „We want sinologues in Europa who understand the -spirit of our culture, not only the literalism of our books”. - -Over den geest van de Chineesche beschaving zijn nog maar weinig boeken -geschreven, terwijl er boekenplanken te vullen zijn met werken over -Chineesche „folklore” en Chineesch bijgeloof. Schrijvende over -Chineesche cultuur hebben de meeste sinologen de fout begaan, die zij -ook bij het schrijven over Chineeschen godsdienst gemaakt hebben, zij -hebben namelijk de uitwassen en verwordingen voor de oorspronkelijke -cultuur aangezien. - -Wanneer men werken leest over China en de Chineezen als b. v. het -verscheidene dikke folio’s groote „Religuous System of China” van -Prof. Dr. J. J. M. de Groot, kan men niet anders denken dan dat de -Chineezen een volk van barbaarsche, domme, bijgeloovige heidenen zijn, -onvatbaar voor ontwikkeling, zonder eenige werkelijke beschaving. Deze -sinoloog, eene officieele autoriteit van wereld-reputatie, noemt de -Chineezen zonder blikken of blozen „semi-civilized”, hij vergelijkt -ze zelfs met „most barbarous and semi-civilized peoples”, hij noemt -het Chineesche ras „for ever stamped with the total incapacity to -rise to a higher level of mental culture”, ja, hij wijst er op, hoe -hij godsdienstige gebruiken en ceremoniën onder hen heeft gevonden -„which one would scarcely expect to find anywhere, except amongst -savages in a low state of culture”. - -De groote fout van de meeste schrijvers over China, van de groote -sinologen ook die daaronder waren, is geweest dat zij gemeend hebben, -de cultuur van een groot Oostersch volk als het Chineesche, eene -cultuur, waarvan de geest intuïtief, filosofisch, poëtisch, en zelfs -metaphysisch is van kern en wezen, op eene nuchtere, -westersch-europeesche, wetenschappelijke manier, met westersche denk- -en observatie-methoden te kunnen doorgronden. Nergens spreekt de Geest -van China zich zoo karakteristiek uit als in zijn godsdienst, zijn -filosofie en zijn kunst. Wie den godsdienst, de filosofie en de kunst -van een volk kent, kent de Geest van dat volk tot in zijn diepste -wezen. Dat heeft ook Okakura-Yoshisaburo zoo goed begrepen in zijn -werk: „De Geest van Japan”. Ik zal dan ook vooral den godsdienst en -de filosofie der Chineezen in dit werk in hun essentieele wezen -trachten duidelijk te maken voor den lezer, en mij bij de behandeling -daarvan op het Oostersche, Chineesche standpunt stellen, om vervolgens -het kernwezen der Chineesche kunst, doordrongen als die is van de -Chineesche wereld-beschouwing der wijsbegeerte, bloot te leggen. Mocht -ik hierin geslaagd zijn, zoo heb ik dáármede reeds van zelf ook doen -gevoelen, wàt de eigenlijke „Geest van China” is. - -In de voortreffelijke werken van Prof. Fenollosa [2] en van Raphaël -Petrucci [3], vooral in die van dezen laatsten sinoloog, die tevens een -groot wijsgeer en poëet is, en die in zijn standaardboek over -Chineesche kunst een onvergankelijk monument stichtte, waarin de Geest -van China is vereeuwigd, is deze arbeid reeds gedaan, maar toch -eigenlijk meer voor sinologen of voor een kleine élite van zijn -kunstkenners. Een populair boek, voor het groote, beschaafde publiek -bestemd, ontbrak tot nu toe over China. - -Ik moet er vooraf even den nadruk op leggen, dat mijn werk geenszins -eene navolging, in precies denzelfden trant zal zijn, van Okakura’s -„Geest van Japan”. Het maken van een nauwkeurig z.g. „pendant” -van andermans werk lijkt mij te gevaarlijk en ook wat onkiesch. Ik zal -daarom in dit boek geheel mijn eigen, aparte methode volgen, en het ook -anders indeelen, zooals ik zooeven heb uiteengezet. - -Mijne bedoeling is, dien Geest voor den lezer uit China’s godsdienst, -filosofie en kunst als ’t ware vanzelf te doen oprijzen, zoodat de -lezer hem, bij de behandeling daarvan, ongemerkt over zich zal voelen -komen. Dit leek mij de beste, want meest suggestieve methode. - -Ik schrijf daar, in westersche termen, van godsdienst en filosofie, -alsof deze twee verschillende dingen waren, maar reeds dadelijk -vertoont de Geest van China zich, wanneer ik zeg, dat deze twee in -China eigenlijk één zijn. - -Zooals terecht door Raphaël Petrucci in zijn hierboven aangehaald -meesterwerk is gezegd, heeft de Chineesche gedachte eigenlijk nooit de -godsdienstige phase gekend. Haar eerste poging is direct tot filosofie -geworden. Het godsdienstige element en de filosofie zijn nooit -gescheiden. Daarom is de studie van de Chineesche filosofie tegelijk -die van den Chineeschen godsdienst. Die twee hebben zich vermengd en -zijn ineengevloeid. Wat nu de Chineesche kunst aangaat, ook deze is -onafscheidelijk van godsdienst en filosofie, waarvan zij de uiting in -schoonheid is, en hier komt nog bij, dat de literatuur één is met de -filosofie. Godsdienst, filosofie, kunst, literatuur, zij zijn geen -aparte, verschillende zaken in China, als in het Westen, maar zij zijn -één. Onder Literatuur, in den allerhoogsten zin, wordt in China niets -anders verstaan dan de in volmaakt schoonen vorm geschreven Wijsheid. -De Chineesche Literatuur, dat is: de geschreven Wijsheid van Confucius, -van Mencius, van Lao Tsz’, van Choe Hie, van de „Yih-King” en de -andere „Kings”, die ik in de volgende hoofdstukken zal behandelen, -in den volmaakt schoonen vorm. Want dit is wel een der -karakteristiekste eigenschappen van den Geest van China, dat de -filosofie in China haar uiting heeft gevonden in den hoogsten -literairen vorm. De Wijsheid en de Schoonheid zijn hier één, en -daarin openbaart zich het goddelijke. Lectuur, die in China slechts -voor amusement, spanning of verstrooiing dient, wordt niet tot de -Literatuur gerekend, maar wordt aangeduid met de benaming „siao -shwoh”, d.i. klein (inferieur) gepraat. Alléén de goddelijke -Wijsheid, uitgedrukt in Schoonheid, is in China de Literatuur. Hiermede -heb ik eigenlijk den Geest van China reeds gekarakteriseerd. - -Dit boek zal den lezer een geheel anderen Geest van China doen voelen -dan hij zoo dikwijls over zich heeft voelen komen uit -reisbeschrijvingen van nuchtere Europeanen, die in dezen Geest nooit -zijn doorgedrongen. - -Het is al eens door een groot Chineesch schrijver, Ku Hung Ming, -gezegd, in zijn „Story of a Chinese Oxford Movement”, hoe weinig de -Europeanen, en dus ook de Engelschman, tegen wien hij dit schreef, ooit -in de ziel der Chineezen is doorgedrongen. - -„Voor den Engelschman uit de aristocraten-klasse”, zoo schreef Ku -Hung Ming, en dit geldt ook voor de meeste Europeesche geleerden en -zoogenaamde „China-kenners”, „is een Chinees met smerige -kleederen, met een staart en gele huid alleen maar een Chinees met een -staart en een gele huid en anders niets. De Engelschman kan niet door -die gele huid heen het innerlijke zien, het moreele wezen, en de -geestelijke waarde der Chineezen. Als hij het kon, zou hij zien wat -voor een feeënwereld eigenlijk in het innerlijk der Chineezen -verborgen ligt. Hij zou dan o.a. de dingen van het Taoïsme zien, met -beelden van feeën en genieën, die niet onderdoen voor de goden van -Griekenland. Hij zou er het Boeddhisme vinden met zijn zang van -oneindig lijden, medelijden en genade, zoo zoet-treurig en diep als de -mystieke, oneindige zang van Dante. En ten slotte zou hij er het -Confucianisme vinden, met zijn „Weg van den Edelen Mensch”, die, -hoe weinig de Engelschman hier ook een voorgevoel van heeft, op een -goeden dag nog eens de maatschappelijke orde van Europa veranderen en -zijne beschaving vernietigen zal”. - -Ook ik geloof hier stellig aan. Ik geloof dat de ware Geest van China -nog eenmaal tot Europa zal doordringen, en onze geheele maatschappij, -onzen godsdienst, onze kunst, onze gansche wereldbeschouwing zal -wijzigen. En dit is een der voornaamste redenen, waarom ik het nuttig -en noodig vond, dit boek te schrijven. - - -H. B. - - - - - - - -DE GEEST VAN CHINA - - -De Geest van China!.... - -Ik heb hem gevoeld in het trotsche berglandschap van het Noorden; in de -roze muren van de Verboden Stad van Peking; in de wijde eenzaamheid van -de eindelooze Yang Tsz’ rivier, in den ouden, gebogen man, steunende -op zijn staf, dien ik in de rotsige heuvelen om Amoy zijn eigen graf -zag zoeken; in de licht-schitterende bloemen-booten vol -zijde-ruischende „sing-song” meisjes op de Canton-rivier; in het -klagende fluit-lied van den sampan-roeier, vèr beneden op zee, dat ik -’s nachts, leunende op de balustrade van mijn hooge rots-bungalow, -hoorde, op dat droom-eiland van Ku-Lang-Su, waar ik de twee schoonste -jaren leefde van mijn leven. - -Ik heb hem gevoeld in de statige kameelen-karavanen, uit de grimmige -wal-poorten van Peking trekkend, naar de zand-woestijn; in den deftigen -Chinees in lang blauw zijden gewaad, die zijn leeuwerikje in ’t -kooitje laat genieten van het zonnige landschap, en met hem wandelen -gaat; in de kleine sampans, die onbevreesd door hoog-deinende zee -roeien; in de arme duivels van koelies, dravend met hun zweetende, -kaneel-gele huid voor ratelende ricksha’s; in mijn ouden, eerwaarden -leermeester Tio, wiens grootste genot het was, eenzaam op een rots -boven de zee te zitten staren naar verre horizonnen, en die dat „siao -iao”, „zweven” noemde.... - -Ik heb hem gevoeld in het stijlvolle, statige arm- en handgebaar, -waarmede twee Chineezen elkaar groeten, in het steunen van een ouden, -ouden grootvader, een harden rotsweg moeizaam strompelend, op zijn -kleinkind, dat stapje voor stapje, voorzichtigjes gaat, als een symbool -van „Hiao”, Liefde voor de Ouders; in de reverentie van ’t -gansche volk voor al wat oud, en dus wijs is; in het sierlijke penseel, -waarmede de heilige schriftteekens worden geschreven, en in de ranke -pagode, oprijzend als een bloem, waarvan de bellen rinkelen in de -wind.... - -Ik heb hem gevoeld in den ontzaglijken eerbied voor de Literatuur en de -Filosofie; in den geur van de thee, die in broze porseleinen kopjes -dampt; in de kleuren van de chrysanten, die ik zag in den toover-tuin -van een hoogen mandarijn; in de doodkist, die zonen, als een kostbaarst -geschenk, aan hun nog levenden vader geven; in de scharen van -zwoegens-moede, naakte koelies, ’s avonds doodstil, ademloos -luisterend naar de sprookjes van den ouden straat-verteller, die de -schoone beelden toovert in hun kinderlijke fantazie; in het eenzame, -witte zeil van een jonk, verloren in de groote, groote Chineesche zee, -en in den vetten, huid-glimmenden, half naakten vleesch-verkooper in -een nauwe straat-steeg vol Rembrandtiek licht. - -Ik heb hem gevoeld in de deftige, stijlvolle Chineesche binnenkameren, -in gedempt licht, waar de zieletabletten der afgestorvenen tronen op -het heilige familie-altaar; in de somber-majestueuze monolithen in de -geesten-allée op den grandiozen weg naar de Ming-graven; in de -grimmige, grauwe muren om Nanking, in de zeilschuit met het groote -gouden zeil, waarmede ik de wijde, sombere Drakenrivier opvoer van Amoy -naar Chang Chow; in de immenze, babylonische steden, die ik in de -verte, als in droom, zag opdoemen, op mijn spoor-reis van Peking naar -Hankau; in de van rood en goud flonkerende gewaden der Chineesche -bruiden, en in de lange, sidderende veeren op den helm van den -glorieuzen held op het Chineesche tooneel. - -Ik heb hem gevoeld in de melodieuze, mysterieuze Chineesche taal; in de -magische, pictorale schriftteekens; in de doods-sombere, snerpende -klarinet van het klagelijk orchestje der begrafenis-stoeten; in de -wijde neerhangende mouwen der zijden gewaden, in de woest-gierende -tyfoen, die over de Chineesche zeeën huilt; in de blauwe -ijsvogelveeren in het donker-glanzende haar van frêle kind-vrouwtjes, -en in de theehuizen van Foochow-Road in Shanghai, vol bloemen en -tinkel-tokkelende muziek.... - -Ik heb hem gevoeld in de genadevolle Kwan-Yin beelden in rood-en-gouden -tempels, waarvoor vrouwen knielend bidden om een kindje in haren -schoot; in de heerlijke „Shan Shui”, de landschappen van „bergen -en water”, waarin de kosmische oer-principes Yang en Yin te zamen -harmonisch het Rythme van schoonheid vormen; in de witte graven die als -mysterieuze bloemen de somber-zwarte rotsen om Amoy bedekken; in het -glorieuze Hemel-Altaar bij Peking, dat als een wonder symbool van de -drie-rythmige Kosmische Orde aan de opperste God-Macht Shang Ti gewijd -is; in den grooten, komisch-deftigen bril van den literator; in de als -ranke booten in de luchte-zeeën-drijvende daken der huizen; in de -somber gonzende gongen der kloosters, waar gulden Boeddha-beelden -donker-gloeiend in ’t mysterieuze licht van roode kaarsen staan, en -in de hand van den literator-mandarijn, die op zijn sterfbed, in -streng-klassieken stijl, zijn doodsbericht eerbiedig aan den keizer -schrijft.... - -Ik heb hem gevoeld in de stille wierook-spiraal, die plechtig opstijgt -voor de ziele-tablet der vaderen in de voorvaderlijke hal; in de -deftige, zijde-bekleede draagstoel van den mandarijn, die daar statig -in gezeten is als een mensch in Gods-rust; in den blinden bedelaar in -drukke straat, waar stoeten ratelende rijtuigen en dravende ruiters -behoedzaam voor uitwijken; in de vlammen van de vuren, waar goud-papier -en poppen in verbranden, om geld en dienaren te zijn voor dierbare -dooden in het Ongeziene; in den klagelijken roep, waarmede de zoon op -het dak van ’t vaderlijke huis de ziel van zijn gestorven vader -terugroept; in den statigen os, die droomerig den kop opheft, als hij -met glimmend-grijzen rug boven ’t water uitkomt waar hij koelte -vindt; in het grappige kuifje boven op ’t gladgeschoren hoofd van een -klein jongetje; in den rustigen, blauwen vijver van het Zomerpaleis, -waar keizers in gouden gondels droomden, en in de glanzende -rijst-velden waar boven het schitterend groen de gele hoed opkleurt van -den rustigen landman. - -Maar o! hoe heb ik hem gevoeld, den Geest van China, in de wereld-wijze -filosofie der groote Chineesche denkers, in hun strenge, statige -schriftteekens vol symbool en suggestie, in hun rustig oprijzen tot die -hoogste goddelijke hoogten van het T’ai Kie’ de Uiterste Grens, -waartoe hel menschelijk denken komen kan, en waarachter het goddelijk -Mysterie trilt. - -Hoe is hij te vinden ook in de Chineesche kunst, die kunst, die -geestelijk van wezen is, die niet de uiterlijke vormen zoekt der -wisselende verschijningen, maar de onzichtbare, geestelijke essence van -het goddelijke, dat achter alle zichtbare vormen eeuwig leeft! - -Het is de Geest van China, die mij behouden heeft in het leven, die -Geest, die zóó sterk en machtig is, dat bijna alle Europeesche -diplomaten, lang in Peking wonend, Chineesch worden in hun denken en -voelen, en niet meer hun Westersche rijk maar, zonder het te weten, -China als hun vaderland gaan voelen. Het is de Geest van China, die -mij, Hollander, tot een Chinees gemaakt heeft, die voelt als China’s -groote Wijzen, en die zijn fel-bewogen leven slechts kan dragen door de -sterkte en de Rust—o ja, vooral de Rust!—die den Chineeschen -kunstenaar-wijsgeer telkens weer het groote Evenwicht doet houden in de -wilde wisseling van sensaties en emoties en gedachten. Het is de Geest -van China, het wondere Rijk van het Midden, die Confucius de heilige -Leer deed uitzeggen van de „Choeng Yoeng”, van het onveranderlijke -Midden, waarin de mensch zich concentreert om het Goddelijke te vinden -en zich onsterfelijk te weten.... - -Het is de Geest van China, die mijn Pad door het leven gebaand heeft, -dat Pad, dat Confucius Tao noemde, leidend naar het Goddelijke -mysterie, dat Lao Tsz’ óók Tao noemde, er bij verklarend dat het -géén Naam kan hebben, die „Uiterste Grens”, dat „Tai’ Kie”, -waarvoor het menschelijk denken stilstaat, en waar alleen dat andere, -allerhoogste intellect toe reiken kan, dat de goddelijke Intuïtie -is.... - -O! Geest van China! Niet het scherpe, doch ontoereikende intellect der -Westerlingen, maar enkel de Intuïtie, die mysterieuze voelhoren van -het Oosten, kan u ooit aanraken.... - - - - - - - -DE TAAL VAN CHINA - - -Het is in de taal van China dat zijn Geest zich reeds dadelijk -openbaart. De voornaamste karaktertrek van de Chineesche taal is dat -zij éénlettergrepig is, en dat die éénlettergrepen in verschillende -tonen worden uitgesproken. De Chineesche taal is: Io Éénlettergrepig, -d.w.z. ieder stamwoord bestaat uit één syllabe. IIo Isoleerend, -d.w.z. de stamwoorden zijn onveranderlijk, losse samenstellingen en -hulpwoorden vervangen in de Chineesche taal onze middelen van -woordvorming en grammatische vormen. Volgens sommige geleerden is dit -niet juist. Deze beweren n.l. dat alleen de geschreven taal -éénlettergrepig is maar de gesprokene niet, omdat in die gesproken -taal zooveel hulpbijwoorden en bijvoegsels zouden voorkomen om de -beteekenis van een woord te bepalen, dat zij eigenlijk polysyllaben -vormen. De bewijzen van dat polysyllabisch karakter acht ik nog niet -voldoende geleverd. - -De Chineesche taal is oorspronkelijk een taal van den Indo-Chineeschen -stam, en als zoodanig verwant aan het Thibetaansch, Birmaansch, -Siameesch en eene menigte andere talen van Achter-Indië, Nepal en -Annam. Zij wordt, behalve door de Chineezen, door de Japaneezen, -Koreanen en Annamieten als literatuur-taal gebruikt. Zij reikt, wat de -literatuur aangaat, tot 3000 jaar vóór onze tijdrekening en is dus -een der oudste levende talen, zoo niet de oudste. Er zijn geleerden -geweest—o.a. Prof. Max Müller in zijn „Origin of -Languages”—die, vooral met het oog op het éénlettergrepig -karakter, de afwezigheid van tijden en wijzen, conjugatie en -declinatie, welke afwezigheid zou wijzen op een lageren levensvorm, -verklaard hebben dat de Chineesche taal een primitief stadium -vertegenwoordigt in de evolutie der talen. Zij zagen er een taal in, -gecristalliseerd als ’t ware in haar eerste stadia, en onveranderd -overgeleverd. Een feit is, dat de onveranderlijke Chineesche -éénlettergrepen door niets worden aangetast; tijd noch wijze, -enkelvoud noch meervoud, conjugatie noch declinatie bestaan, die ze -zouden kunnen veranderen. De Chineesche taal bezit ook geen afleidende -krachten. Zij kan, zooals Prof. Max Müller zoo juist zegt, b.v. niet -van „ferrum”, ijzer, een nieuw substantief „ferrarius”, -ijzersmid, maken, óók niet „ferraria”, ijzermijn, en daar weer -van „ferrariarius”, een werker in die mijn. Deze dingen zijn -mogelijk in buigzame talen, niet in de onbuigzame Chineesche. - -Van die éénlettergrepige stamwoorden, waaruit de Chineesche taal -bestaat, zijn er maar heel weinig. In ’t Noordelijke -Mandarijn-Chineesch b.v. maar ± 436, in ’t Zuidelijke Canton-dialect -maar ± 707. Hoe is dat mogelijk, zal men zeggen, zijn gedachten uit te -drukken in maar 436 woorden! De armoede der Chineesche stamwoorden -wordt echter in zekeren zin vergoed door de verschillende tonen of -modulaties—„shing” genaamd—waarop zij kunnen worden -uitgesproken, of misschien ware beter gezegd: geneuried, of gezongen. -Elk woord behoort n.l. met eene bepaalde modulatie, die er bij behoort, -te worden uitgesproken. Eene andere modulatie maakt een ander woord, -eene andere beteekenis. Deze modulaties of tonen zijn in verschillende -taal-dialecten van China niet dezelfden, maar ondergaan locale -veranderingen, evenals de klinkers in westersche talen die ondergaan. -De Chineesche taal wordt dus eigenlijk niet enkel gesproken, maar -geneuried, gezongen bijna. - -Het Pekingsche of Noordelijke mandarijn-dialect heeft vier van die -„shing” of tonen, het Nankingsche of Zuidelijke Mandarijn-dialect -vijf, het Canton-dialect acht. - -Er worden in verschillende provincies en onderdeelen van provincies in -China verschillende dialecten gesproken, die men, al zijn ze verwant, -bijna talen zou kunnen noemen. Het verschil in die dialecten is n.l. -zóó sterk, dat b.v. een Chinees uit Amoy volstrekt onverstaanbaar is -voor een Chinees uit Canton, dat een Chinees uit Shanghai niets -verstaat van wat een Chinees uit Swatow zegt en een Chinees uit Amoy -ook niets begrijpt van wat een Chinees uit Peking tegen hem zou zeggen. -Zelfs verstaat een Chinees uit Fuhchau, de hoofdstad der -Fuhkien-provincie, niet wat een Chinees uit Amoy, dat toch in diezelfde -provincie ligt, spreekt. Ten Zuiden van de Yang Tsz’ rivier zijn die -verschillen het sterkste, ten Noorden worden ze minder. De oudste, -tevens die met de meeste „shing” of tonen, zijn de Zuidelijke. - -De groote band, die het Chineesche volk altijd bij elkaar heeft -gehouden als één geheel, is de geschreven taal. Die taal, ofschoon -overal verschillend uitgesproken, wordt over geheel China hetzelfde -geschreven. Men krijgt hier een denkbeeld van als men denkt om de -Romeinsche cijfers die, in de verschillende landen van Europa anders -uitgesproken, toch overal hetzelfde worden geschreven. B.v. X is: tien, -dix, ten, zehn, dieci enz. Is de gesproken Chineesche taal betrekkelijk -arm, de geschrevene is rijker dan eenige andere taal der wereld. Zij is -in den waren zin een literaire luxe, zooals geen andere taal der wereld -bezit, en zij behoort dan ook aan een volk toe, dat het meest literaire -ter wereld is. - -De Chineesche geschreven taal kent geen alphabet. Er kunnen geen -woorden gevormd worden met behulp van alphabet-letters, maar ieder -woord, ieder begrip heeft een apart schriftteeken, en wel een -schriftteeken, dat onveranderlijk blijft, en door enkelvoud noch -meervoud, declinatie noch conjugatie, tijd noch wijze wordt aangetast. -Een Chineesch woord kan nù eens substantief, dàn adjectief, nu eens -werkwoord dàn weer bijwoord, en zelfs voornaamwoord zijn. Zóó kan -b.v. ’t schriftteeken „ta” beteekenen: „groot”, -„grootte”, „grootheid” en „veel”, „erg”. Het hangt van -de positie in den zin af wat het beteekenen moet. De syntaxis doet -alles in den Chineeschen zin. De Chineesche schrifttekens worden -gewoonlijk „karakters” genoemd. Die schriftteekens zijn, dit versta -men wel, niet het alphabet van de taal, maar de substantie van de -Chineesche taal zelve. De zoo ingewikkeld lijkende Chineesche -schriftteekens zijn allen eigenlijk terug te brengen tot een systeem -van slechts zeven verschillende streepjes en puntjes, in allerlei -combinaties en variaties. In de beroemde dictionaire van keizer Khang -Hsi staan bijna 40000 verschillende karakters. Men schrikke hier niet -te veel van. Als men er 3 à 4000 kent komt men al een heel eind. - -De Chineesche karakters zijn niet teekens als in onze Europeesche -talen, die voorstellingen zijn van door letters gevormde woorden, maar -ze zijn meer symbolen van ideeën. Hun oudste karakter was symbolisch -en ideografisch. Het is volstrekt niet verwonderlijk dat zulk een -schrift werd uitgevonden, want, zooals de sinoloog Wells Williams -terecht zeide: „de eerste gedachte van iemand, die een idee tracht -uit te drukken, is veel waarschijnlijker om het uit te teekenen, dan om -te trachten, de klanken uit te drukken waarin het wordt -uitgesproken”. - -De alleroudste Chineesche karakters waren hiëroglyphische teekeningen. -De Chineesche taal wordt eigenlijk meer geteekend dan geschreven [4]. -De teekenkunst en schilderkunst zijn dan ook van de calligraphie -afgeleid. Dat de oudste karakters teekeningen waren wordt al aangeduid -door den naam „wên” (lijnen, omtrekken van een voorwerp) die aan -karakters, en ook aan literatuur, en zelfs aan beschaving in ’t -algemeen wordt gegeven. Die oudste karakters waren afbeeldingen—b.v. -van een zon, een maan, een boom, een kindje, een berg enz. enz.—en -symbolen, b.v. een puntje boven een streep was: boven, een puntje -beneden een streep: onder, een doormidden gedeeld rondtetje: midden -enz. enz. Later kwamen symbolische samenstellingen, van twee of meer -afbeeldingen of symbolen naast elkaar. B.v. een mondje met een vogel er -naast is: zingen, een dakje met een vrouw er onder is: rust; een vrouw -met een kindje er naast is: houden van, goed, mooi; een man, leunend -tegen een boom: rusten, ophouden; een mensch met een woord er naast: -waarheid, oprechtheid; een boom, met een zon er in (die boven den boom -opkomt): Oosten; een vogel op een nest: Westen (als de zon ondergaat). -Door de eeuwen heen zijn die afbeeldingen veel van ’t oorspronkelijke -afgeweken en daardoor thans moeilijk te herkennen, althans voor den -leek. Het laatste hulpmiddel was eene vereeniging van twee deelen, -waarvan het eene de begrips-categorie, het andere min of meer (niet -precies) den klank aanduidt, dus een combinatie van een algemeen idee -en een phonetisch element. Tot deze soort ideo-phonetische behoort het -overgroote meerendeel der Chineesche karakters. Er zijn in ’t -Chineesch 214 van die teekens, radicalen of klassenhoofden genaamd, die -zulke begripscategorieën uitdrukken. B.v. met ’t radicaal „hart” -zullen alle karakters geteekend zijn, die gemoeds- en -geestesaandoeningen uitdrukken (vreugde, toorn, droefheid, melancholie, -bezorgdheid, weemoed enz.), met „water” alle karakters, die op -water betrekking hebben (baden, vloeien, gieten, stroomen, -besprenkelen, overstroomen enz.), met „hand” alle, die met handen -in verband staan (wijzen, grijpen, opnemen, wegnemen, neerleggen enz.) - -Men kan zich hier een denkbeeld van vormen door eens te denken b.v. aan -het Fransche woord „chaîne”, ketting, indien wij ons dit als een -phonetisch-element denken. Men zou—op de Chineesche wijze—dan het -karakter voor: „eik (chêne)” kunnen krijgen, door een ketting -(chaîne) te teekenen en daarnaast een boom. Die boom zou dan ’t -radicaal zijn; de begripscategorie aangevend, die ketting zou het -phonetische element zijn. Zóó zou men, door naast de ketting een hart -te teekenen verkrijgen „gêne”, verlegenheid (de klank van ’t -phonetische element niet precies, maar ongeveer), en zelfs door er -water bij te teekenen (de rivier) Seine. - - -Voorbeeld hoe vroegere afbeeldingen later veranderd zijn: - - - júúh yué tsz’ shan móe - vroeger: - thans: 日 月 子 山 木 - zon maan kind berg boom - - -Voorbeeld van z.g. symbolische karaktersamenstelling: - - - Sháng hsiá choeng yí érh saan - vroeger: - thans: 上 下 中 一 二 三 - boven onder midden 1 2 3 - - -Voorbeeld van z.g. ideographische karakters: - - - 口 k’où, Mond. 鳥 niaò, Vogel. 鳴 mîng, zingen. - 人 jên, Mensch. 言 yên, Woord. 信 sin, oprecht. - - -Ook in ’t Egyptisch, en in ’t Assyrisch komt het voor dat zekere -klassen van woorden een teeken er vóór of na hebben dat het algemeen -karakter er van aangeeft. - -Verder dan tot dit ideo-phonetische karakter is de Chineesche taal -nooit gekomen. De sprong naar een alphabetische taal, die ten laatste -zelfs de Japanners deden, is nooit gedaan. Dit ideo-phonetische was de -laatste expansie, waarna de Chineesche taal onveranderlijk is stil -blijven staan. En toch, zooals Prof. Max Müller er eens terecht van -zeide: „iedere schaduw van gedachte die uitdrukking vindt in ’t -hoog geacheveerde en schoon gebalanceerde systeem der Grieksche tijden -en wijzen kan uitgedrukt worden, en is uitgedrukt, in die taal in haar -kindschheid door woorden, die noch vóór- noch achterzetsels hebben, -en geen einduitgangen om getal, naamval, tijd, wijze of persoon aan te -duiden”. - -De syntaxis, zeide ik reeds, doet in de Chineesche taal alles. - -In den breede heeft zij vijf groote, primordiale grondregelen, waaruit -alle andere kunnen worden afgeleid [5]: - -I. In den regel staat het onderwerp vóór het gezegde, het werkwoord -of het voorzetsel vóór het voorwerp. - -II. Woorden, die wij door „en” of „of” coördineeren, staan -naast elkaar, meest in vaste volgorde, het vroegere, gewichtigste of -betere vóóraan. - -III. Het attribuut, zij het adjectief, genitief, bijwoord of telwoord, -staat vooraan. - -IV. Is een ander zindeel als ’t grammatische onderwerp het onderwerp -van den zin—psychologisch onderwerp—zoo treedt het uit het -zinverband aan ’t begin van den zin. Tijd en plaatsopgaven nemen -gewoonlijk deze plaats in. - -V. Voor de functies of betrekkingen van een woord is het onverschillig: - - a. Of een woord in ’t begin van een zin staat, dan wel of het - wordt voorafgegaan door een absoluut staand zin-deel, een - conjunctie, een bijwoord, of een tusschenwerpsel. - b. Of het aan ’t eind aan een zin staat, of dat het wordt gevolgd - door een slotpartikel, een conjunctie, een bijwoord of een - tusschenwerpsel. - -VI. Voor de plaatsing der zin-deelen is het in den regel onverschillig: - - a. Of deze uit een enkel woord dan wel uit meerdere woorden - bestaan. - b. Of de zin een mededeelende, vragende, uitroepende, bevelende - enz., en of hij een enkelvoudige dan wel een deel van een - samengestelden zin is. - -Ofschoon ik hierboven eenige grondregelen der Chineesche grammatiek heb -aangehaald, komt men eigenlijk met de geheele grammatiek der geleerde -heeren niet zoo heel veel verder om Chineesche klassieken te kunnen -lezen en doorgronden. De verschillende schrijvers verschillen hiervoor -te veel van elkaar, en het is niet zoozeer hun wijze van uitdrukking, -als hun wijze van denken, die de lezer uit hun werken moet trachten te -naderen. Niet wat een Chineesche schrijver schrijft zoozeer, maar wat -hij denkt is de hoofdzaak. - -Geen wonder, dat mijn leermeester Prof. Dr. G. Schlegel eens in zijn -tijdschrift „T’oung Pao” aan jeugdige studenten der Chineesche -taal de les gaf: „Lisez! Lisez! Jetez vos grammaires au feu!” Ik -moet hier ook onwillekeurig aan de schoone woorden van Confucius -denken: - - - „tsch’û tâ êrh yì” - - -d. i. „De taal moet (de bedoeling) bekend stellen en daarmede uit”. - -Het is de bedoeling, de gedachte, waar het in de Chineesche taal om -gaat, niet de grammatische finesse. Daarom is zoogenaamd „letterlijk -vertalen” uit het Chineesch absurd. Ook al omdat de Chineesche -ideografische karakters iets gehéél anders zijn dan letters. De -meeste geleerde Europeesche sinologen willen dit niet aannemen. - -De Chinees is van zijn jeugd af gewend om ideeën te associeeren met -geteekende symbolen, zooals wij, Europeanen, die ideeën associeeren -met letter-combinaties, die woorden voorstellen. - -De Chineesche geschreven (beter: geteekende) karakters zijn geen -weêrgevingen van woorden, maar zijn, zooals de sinoloog Prof. Legge -het zeer juist heeft uitgedrukt, meer „symbolen van ideeën”, en de -combinatie van Chineesche karakters in een boek „is niet zoozeer de -representatie van wat de schrijver (in woorden) wilde spreken, maar van -wat hij denkt.” Zéér terecht zegt Legge van vertalingen uit het -Chineesch: „In a study of Chinese classical books there is not so -much an interpretation of the characters employed by the writer as a -participation of the thoughts; there is the seeing mind to mind”. -Inderdaad geeft een Chineesch boek—hoe vreemd dit ook voor -westerlingen moge klinken—niet zoozeer weêr hetgeen een Chineesch -schrijver wil zeggen, spreken, maar vooral hetgeen hij denkt. - -Hieruit volgt al dat de Chineesche geschreven taal een ideaal voertuig -is voor filosofie. De ontoereikendheid van het woord om begrippen -zuiver uit te drukken, waarover o.a. door lady Welby zulk een mooi boek -is geschreven [6] wordt lang niet zoo gevoeld in de Chineesche taal, -waarin gedachten als ’t ware symbolisch geteekend kunnen worden. - - -Voor een Chineesch literator is het ondenkbaar dat de Chineesche -filosofie ooit op eenige andere wijze kan uitgedrukt worden dan door -Chineesche schriftteekens. Men begrijpt ook, al het bovenstaande -lezend, hoe moeilijk—somtijds zelfs onmogelijk—de vertaling is van -de ideografische en symbolische Chineesche taal in eene alphabetische -Europeesche. Vandaar, dat de vertalingen van verschillende, zelfs van -eerste rangs Europeesche sinologen van één en denzelfden tekst zoo -hemelsbreed kunnen verschillen. Ziehier b.v. één tekst uit de „Tao -Teh King”, vertaald door twee Europeesche vertalers: - - - „Daarvan komt het dat de Wijze altijd op het rechte Pad gaat en - zich nooit verwijdert van de rust en den ernst” (Stanislas - Julien). - - „Daarom verlaat de Wijze mensch, zelfs al reist hij maar een dag, - zijn bagagewagens niet, zoodat, als een mooi gezicht zich voor hem - uitspreidt, hij even rust en dan zijn reis voortzet”. (G. G. - Alexander). - - -De hoofdzaak bij eene vertaling is: het in direct contact komen met den -geest, en den gedachtengang van den schrijver. - -Het klinkt vreemd, maar tóch is het zoo: de onzichtbare gedachten van -den schrijver zijn van meer belang er bij dan de zichtbare -schriftteekens zelven. - -De uiterste eenvoud van den stijl der Chineesche filosofie is oorzaak -geweest, dat de meest eenvoudige teksten dikwijls niet begrepen zijn, -en er allerlei breedsprakige, pompeuze vertalingen gekomen zijn, waarin -de oorspronkelijke gedachte verdronk. De Amerikaansche geleerde Samuel -Johnson [7] zegt terecht: „Het is een groote fout, deze -schrift-teekens, zooals zij (in Europeesche vertalingen) in -alphabetische zinnen omgezet zijn, verantwoordelijk te stellen voor een -pompeuze taal, geheel tegenovergesteld aan den genius van het -Chineesch, welks specialiteit is gekuischte en zelfs elliptische -uitdrukking. De Chineesche stijl is niet alleen een product van de -practische kwaliteiten van den nationalen geest, maar volgt direct uit -de natuur der schriftteekens, wier betrekking tot elkander in groote -mate moet geleverd worden door over-en-weêr begrijpen, als de -conversatie van vrienden.” - -Het korte, gecondenseerde, geconcentreerde, oer-eenvoudige, als van -gedachten, die na véél zuivering en geestelijke filtreering bezonken -zijn in kern-vorm, is de karakteristiek van den Chineeschen klassieken -stijl, waarin de Chineesche filosofie zich uitte. - -Zooals ik reeds zeide, wordt het onveranderlijke Chineesche schrift, -overal hetzelfde, in verschillende deelen van China verschillend -uitgesproken. - -Uit al het hierboven duidelijk gemaakte zal de lezer begrijpen dat de -Chineezen niet een alphabetisch volk zijn maar een groot ras van -ideographen, hun nadrukkelijke expressie vloeit naar vormen in stede -van naar klanken. Hun geschreven taal is, zooals Samuel Johnson in zijn -boek „China” eens terecht opmerkte, het symbool van -generaliseerende en synthetische kwaliteiten van geest, zooals -alphabetische talen van een analytischen geest getuigen. Ook in de -Chineesche filosofie zal men dien synthetischen geest als kenmerk -terugvinden. - -De afwezigheid van natuurlijke relatie tusschen teeken en geluid, en de -voortdurende symbolische afbeelding maken het Chineesche ideologische -schrift een geschikt medium van omgang tusschen Aziatische rassen. Niet -verbonden aan eenig speciaal vocalisme, heeft het niet alleen één -algemeen schrift geleverd voor al de zoozeer verschillende dialecten -van China zelf, maar heeft het Korea, Japan, Anam en Mantsjoerije van -uniforme teekens voorzien voor hun toch zoozeer verschillende -spraakvormen. Deze aangepastheid voor over en weer begrijpen en verkeer -is een teeken van universeelheid, zooals Samuel Johnson terecht -opmerkt, dat reeds op zichzelf de zoogenaamde isolatie van China altijd -heeft tegengesproken. De rigide, onveranderlijke Chineesche -ideografische karakters zijn, in de ras-grenzen, even unifieerend als -een natuurproces. Feitelijk is de geschreven Chineesche taal voor -honderden millioenen Chineezen, Koreanen, Japanners enz. als een soort -Volapuk of Esperanto, waarin zij elkaars gedachten kunnen lezen en -inwisselen. De Rosny, in de „Archives Paléographiques” heeft eens -in allen ernst de Chineesche geschreven taal als geschikt voor een -universeele wereld-taal aanbevolen. Ik ken geen Koreaansch b.v. en geen -Japansch, maar zou met een ontwikkelden Koreaner of Japanner, op papier -Chineesch schrijvend, van gedachten kunnen wisselen. Jammer alleen dat -de groote moeilijkheid om al die duizenden Chineesche karakters of -schriftteekens te leeren, de verspreiding van zoo’n universeele -wereld-taal in den weg staat. - -Men mag de Chineesche geschreven taal moeilijk vinden—en zij is dit -zonder twijfel—maar zij is de schoonste taal der wereld. Geen wonder, -dat nergens de eerbied voor de taal zoo groot is als in China. - -Zóó als de Hebreeër niet op papier wilde treden, omdat misschien de -naam „Jehovah” er op geschreven kon zijn, zóó is voor den Chinees -elk geschreven woord heilig. Een geletterde Chinees zal een beschreven -vod papier oprapen en in een der urnen deponeeren, die daarvoor in de -straten aanwezig zijn. Op deze urnen staat meestal geschreven: „Hebt -eerbied voor beschreven papier.” - -Evenals de Noorsche runen dat waren, zijn vele Chineesche -karakters—b.v. die voor geluk, lang leven, en anderen—heilig, en de -schriftteekens worden „de oogen van den Wijze” genoemd. Een goed -kenner van China heeft eens gezegd: „China is één groot open -boek”. Bijna alles wordt met karakters bedrukt. Muren, deuren, -pilaren dragen gelukaanbrengende motto’s en spreuken. Aan de muren -der huizen hangen rollen, in kakemono-vorm, in paren, met -correspondeerende spreuken of wijze woorden er op, in sierlijk -getrokken karakters. Rotsen zelfs, vooral bij tempels, zijn er mede -beschreven. Mantels en gewaden worden niet alleen gedragen, maar ook -gelezen, geornamenteerd als zij zijn met karakters. Op een huisdeur van -een literator zag ik eens in stijlvolle karakters: „Moge ik zoo -geleerd worden dat ik 10000 boekdeelen in mijn gedachten heb.” -Veelvuldig las ik in China boven een deurpost de schoone woorden: -„Door de Literatuur wordt een volk groot”. - -In Peking zag ik alle boeken der Chineesche klassieken in steenen -tafelen van massief graniet gegrift, in de „Hal der Klassieken”. - -Waaiers, kopjes, borden, schotels, op al deze dingen worden meestal -spreuken of klassieke teksten of verzen geteekend. Het dragen van -sommige karakters op het lijf—b.v. het karakter „shau”, -eeuwigdurend, lang leven—heeft het karakter van het dragen van een -amulet. - -Voorwerpen om mede te schrijven zijn in China volmaakt tot in de -perfectie. Typografie werd voor ruim 1500 jaar in China uitgevonden, er -bestaan uitgebreide, oude werken over het maken van inkt, en folio’s -verhandelingen over de structuur en het stijlvol trekken der karakters. -Door de uitvinding van het drukken en van goed materiaal om druk te -verspreiden, overtrof China verre Rome, dat nog gebonden was aan het -gebruik der palimpsesten, waardoor véél is verloren moeten gaan. - -Ik moet hier nog even bij vermelden, dat, zooals Raphaël Petrucci -terecht opgemerkt heeft [8], oorspronkelijk het schrijven—en dit -beteekent iets anders dan schrijven in ’t Westen, want het wil -zeggen: teekenen—van Chineesche karakters, als ’t ware eene -magische handeling was. Het primitieve idee er van was namelijk, dat de -teekening een mysterieus leven verleent aan het afbeeldsel van ’t -geteekende voorwerp. Teekenen was dus in zekeren zin eene mystieke -creatie. Alle kunst, niet alleen teekenen, maar ook schilderen, en -plastiek, heeft oorspronkelijk een magisch karakter. - -Het eigenaardige wezen der Chineesche schriftteekens geeft aan de -Chineesche poëzie nog eene aparte schoonheids-bekoring, die westersche -poëzie niet heeft. De Europeesche letters zijn namelijk op zichzelf -doode dingen, de Chineesche schriftteekens hebben een aparte -aesthetische en symbolische schoonheid. Zooals Hans Bethge terecht -zegt. [9]. „Diese Dichtung wendet sich an Ohr und Auge in gleicher -Weise”. Bij ons, in ’t Westen, is het alleen het oor, dat poëzie -opneemt, in China is het ook het oog, daar de schriftteekens, in welke -zij is uitgedrukt, op zich zelf teekeningen zijn. Vooral wanneer de -poëzie niet gedrukt, maar door den dichter met eigen hand geschreven -is, komt deze aparte schoonheid naar voren. Ieder groot dichter in -China was ook een groot teekenaar van schriftteekens, zooals hij ook -meestal een groot schilder was. In de sierlijke omtrekken zijn -karakters vol lichte en soepele toetsen, met plotselinge halten en -bevallige bochten, stijgende accenten en langzamerhand wegkwijnende -lijnen, openbaarde zich de ziel van den dichter-teekenaar. De -ornamentale Chineesche schriftteekens, door een dichter neergeteekend -in zijn poëzie, bevatten somtijds zijn innigste intimiteiten. - -Geen wonder, dat in China het schrijfgereedschap aangeduid wordt met de -uitdrukking: „sz’ pao” d.i. „de vier kostbaarheden”, n.l. het -penseel, het inktstaafje, de inktsteen (om de inkt op te wrijven), en -het papier. - -En inderdaad zijn het dan ook deze vier kostbaarheden, waardoor de -Geest van China zich op het schoonste heeft geuit. - - - - - - - -CONFUCIUS - -(Kh’ oeng-Foe-Tsz’) - - -Meer dan twee duizend jaren geleden is het, dat zijn lichaam gestorven -is, maar nog altijd leeft de geest van Confucius in iedere Chineesche -woning. - -Kort voor zijn dood, toen hij zich ziek voelde worden, zeide hij tot -zijn discipel Tsz’ Koeng: „De groote berg valt in puin. De stutbalk -breekt. De Wijze sterft weg als een plant”, maar dit doelde slechts -op zijn stoffelijk omhulsel, waarin zijn groote geest tijdelijk op -aarde woonde. - -Zijn geest, die onsterfelijk is, heeft sedert over geheel China -getrild, en er is geen Geest van China denkbaar zonder den Geest van -Confucius. - -„Mijn Leer is een Eenheid, die Alles samenhoudt,” zeide hij eens -tot zijn leerling Ts’an. Het is die Synthese, die het groote gebouw -van godsdienst, filosofie, literatuur, wetenschap en staatkunde van -China bij elkaar heeft gehouden, in kosmische Eenheid. - -Er is eigenlijk niets in het leven der Chineezen, waarin de geest van -Confucius zich niet openbaart. Geen enkele gewichtige handeling, geen -enkele familie-, liefde-, of vriendschapsband, geen enkele literaire of -filosofische arbeid, geen enkele godsdienstige of wijsgeerige gedachte, -geen enkele beleefdheids-ceremonie, geen enkele maatschappelijke orde, -geen enkel levens-ding van de Chineezen is eigenlijk denkbaar, waarbij -de geest van Confucius hun niet beïnvloedt. - -Wèl zeer terecht schreef de Chineesche literator Cheng Chang Loo in -1909 in een Engelsch blad: - -„In China hebben wij gedurende de laatste 2500 jaar gewerkt op het -geaccumuleerde kapitaal van onze voorvaderen, wier illustere -herinneringen en onsterfelijke volmakingen voor ons zijn bewaard door -de vooruitziendheid en de wijsheid van onzen grooten Wijze Confucius. -Zonder Confucius zou het Verre Oosten—China, Korea, Annam en zelfs -het nu machtige Japan—gezonken zijn in de diepten van barbarisme”. - -Al ware het alléén reeds om de twee door hem, honderden jaren vóór -zijn grooten mede-Leeraar der menschheid, Jezus Christus uitgesproken -gulden woorden: - -„Alle menschen binnen de vier zeeën zijn broeders” - -en - -„Wat gij niet wilt dat aan U zelven gedaan wordt, doe dat aan anderen -niet” - -zou hij reeds den titel verdiend hebben, die boven den inbouw van den -tempel van Confucius in Peking staat: - - - „Wan Shi Sh’ Piao” - - („Het Voorbeeld der Meesters van Tienduizend Eeuwen”) - - -en die de groote, literaire keizer Khang Hsi, de keizerlijke -literator-filosoof, met eigen penseel heeft neergeschreven. - -De geest van Confucius heeft geleefd, en leeft nog altijd, in het -penseel van iederen Chineeschen literator, en in de geheele, hooge -Literatuur van China is het die geest geweest, die de Schoonheid er in -deed stralen. - -Het eerste werk van de voornaamste literaire revolutionnairen van -1911–1912 was, om over het geheele land redevoeringen en voordrachten -te houden, om de leer van Confucius duidelijk te maken, zooals is -voorgeschreven in een der heilige Vier Boeken, de „Ta Hioh”, de -Groote Leering. Mijn vriend Dr. Lim Boon King zond mij, in ’t begin -van 1912, eene kleine serie Confucianistische teksten, door hem -opgesteld, die het onderwerp zouden vormen zijner „yen shwoh” -(voordrachten, ten doel hebbend, de nieuwe maatschappij op den -grondslag van Confucius’ leer op te trekken.) - -Ik begin daarom de filosofie van China, waarin China’s Geest leeft, -te behandelen met de leer van China’s populairste Wijze K’hoeng Foe -Tsz’. Gelatinizeerd is deze naam Kh’oeng Foe Tsz’, die beteekent -den Meester Kh’oeng, Confucius geworden. - -Confucius werd, volgens geloofwaardige commentators, geboren in ’t -jaar 552 v. C., doch door China’s grooten historieschrijver Sz’ Ma -Ch’ien is abusievelijk het jaar 551 v. C. opgegeven. - -Om een denkbeeld te hebben van den tijd, waarin Confucius leefde, -moeten wij ons het China in die periode vooral niet denken als het -China van de laatste eeuwen. Het was een geheel ander China, waarin -alles, tot haardracht en kleeding toe, anders was dan nu. - -De Chineesche geschiedenis verliest zich in de verre Oudheid. De -precieze datum van het begin dier geschiedenis is onbekend, maar het is -zeker, dat China als eene natie reeds 6000 jaar bestaat. De eerste -legendaire keizer, Pao Hsi of Fu Hsi, leefde 2402 jaar vóór de -geboorte van Confucius, alzoo omstreeks 2953–2839 v. C. Het was -gedurende de z.g. Chow-dynastie (1022–255 v. C.) dat de Chineesche -oude beschaving tot haar volle ontwikkeling kwam. Confucianisme, de -nieuwe godsdienst of juister misschien: de nieuwe filosofie van -Confucius, was daarom niet de godsdienst van een primitief volk, maar -van een volk met hooge, door eeuwen heen ontwikkelde beschaving. - -Tijdens Confucius’ leven was de Chow-dynastie al aan het vervallen, -de keizers waren practisch al zonder werkelijke macht, en China leefde -in een verval-tijdperk van feudalisme. Iedere feudale staat was -eigenlijk een onafhankelijke natie, iedere vorst van zulk een natie -vocht om de oppermacht en de macht van die feudale vorsten was -eigenlijk grooter dan die van een keizer. Gedurende Confucius’ tijd -was de macht van die vorsten alweer gaandeweg in de handen van eenige -adellijke families gevallen en heerschte er een soort oligarchie. -Wanorde was door de regeerende klasse over het geheele rijk gebracht, -terwijl het volk, niet genoeg ontwikkeld om voor zich zelf te zorgen, -geheel verwaarloosd werd. Toch bestond er een midden-klasse, die zich -zelf had opgevoed, en ontwikkeld genoeg was voor nieuwe ideeën. Die -midden-klasse was het product van een reeds eeuwenoude beschaving. En, -ondanks die oligarchie, en die verwarring had iedereen vrijheid van -beweging en van spreken, zooals Dr. Chen Huan Cheng terecht opmerkt. - -In 522 werd Confucius geboren in den staat Loe, den staat van den -hertog van Chow, ongeveer in ’t tegenwoordige Shantung. Loe was het -centrum der toenmalige Chineesche beschaving. In militaire kracht was -het de mindere van de oudere staten, maar in kunst, literatuur, -filosofie en moraliteit de meerdere. Confucius’ vader was een hoog -ambtenaar, zooiets als bij ons in een groote residentiestad een -burgemeester. Confucius’ familienaam was K’oeng, zijn persoonlijke -naam Ch’iu, en zijn puberteits-naam Chung Ni (een Chinees krijgt bij -zijn puberteit een nieuwen naam). Later werd hij meestal met den -eerenaam Meester, Leeraar aangeduid, in ’t Chineesch Foe Tsz’, dus -Kh’oeng de Meester, d.i. Kh’oeng Foe Tsz’. - -Ik zal in dit hoofdstuk niet te lang over het leven van Confucius -uitweiden, méér over zijn werken. Bijzonderheden over zijn leven kan -men o.a. vinden in mijn 15 jaar geleden bij van Kampen uitgegeven werk: -De Chineesche Filosofie, toegelicht voor niet-sinologen. Deel I -Confucius, waarnaar ik hierbij verwijs. - -Ik volsta hier dus met te zeggen, dat hij, diep getroffen door de -verwarring en ontaarding, die in zijn tijd in China heerschten, zijn -leven lang werkte en streed, om door rede en wijsheid de regeering en -het volk te hervormen. Op 52-jarigen leeftijd, na allerlei -teleurstellingen en wederwaardigheden, werd hij magistraat van de stad -Chung Tu in den staat Loe. Zijn administratie en rechtspraak waren -zóó rechtvaardig, dat de vorsten der naburige staten haar als model -namen. Toen hij 53 jaar was werd hij benoemd tot Minister van -Binnenlandsche Zaken, en later van Justitie, en toen hij 56 was, tot -Eersten Minister. Zijn moreele invloed werd zóó groot, en de door hem -aangebrachte hervormingen zóó verreikend, dat de naburige staten -jaloersch werden, en vreesden dat de staat Loe hen allen zou -overvleugelen. De vorst van den naburigen staat Ch’i zond toen, echt -Oostersch, tachtig van de mooiste meisjes, die maar te vinden waren, -met een geschenk van 120 prachtige paarden naar hertog Ting van den -staat Loe, om deze van de wijs te brengen en van Confucius te -vervreemden. - -De wijsheid moest toen wijken voor de schoonheid, de hertog en zijn hof -dachten om niets meer dan om de mooie vrouwen, het volk, dat onder -Confucius’ regeering zoo sterk en trouw en kuisch was geworden, begon -door dit voorbeeld te ontaarden, en Confucius kon niets anders doen dan -den staat verlaten, waar de zinnelijke schoonheid de wijsheid -verdrongen had. - -Van toen af werd zijn leven, als dat van Dante, één zwerftocht buiten -zijn vaderland. Hij zwierf door al de feudale staten van China, waar -hij overal zijn diensten aanbood tot hervorming van regeering en volk, -nù eens tijdelijk aangenomen, en later weer afgewezen, voortdurend -uitgestooten, en zelfs nu en dan gevangen genomen. Zijn vele reizen -waren echter óók eenigszins in den geest van zendingswerk. Overal -verspreidde hij zijn leer, kreeg discipelen, en stichtte scholen van -zijn levensleer. Op het laatst had hij wel drieduizend discipelen. Na -veertien jaar verguisd in den vreemde te hebben gezworven, werd hij -door zijn geboorte-staat Loe teruggeroepen, maar kreeg daar toch geen -ambt meer. Hij was toen 69 jaar. Confucius was, als zoo vele groote -mannen, niet bestemd om zijn eigen onmiddellijke tijden te dienen, maar -om de eeuwen van de toekomst te beïnvloeden. - -Al vroeger, toen hij 48 jaar was, had hij de oude heilige geschriften -van China, overgeleverd door eeuwenlange beschaving, verzameld, herzien -en toegelicht. - -Ik moet hier zeggen, dat China in Confucius’ tijd heilige boeken -bezat, die werden geacht, door hoogere geestelijke machten -geïnspireerd te zijn, evenals gedacht wordt van onze Heilige Schrift. -Deze geschriften werden genaamd King (in ’t Peking-Mandarijnsch: -Ching.) Confucius wordt door de Chineezen geacht een door hoogere macht -gezondene en aangewezene te zijn geweest, om goddelijke wijsheid te -verkondigen en ook om die Heilige Geschriften, de King’s, te ordenen -en te regelen, zoodat zij, in den door hem geordenden vorm, zouden -bewaard blijven. De Chineesche geleerde Chen Huan Chang in zijn -onlangs, door de Columbia-University uitgegeven werk „The Economic -Principles of Confucius and his School” zegt dat het woord King door -de Europeesche sinologie „mistranslated” (verkeerd vertaald) is -met: Classics, Klassieken. Prof. Legge, een groot sinoloog, maar als -zendeling bevooroordeeld, spreekt voortdurend van de door hem vertaalde -Kings als van Chinese Classics. De juiste vertaling is volgens Dr. -Chen: Chineesche Heilige Schriften, een soort Chineesche Bijbels dus. -Bijbel, zegt hij, ware de rechte vertaling voor King, en wordt ook als -zoodanig gebruikt door moderne hedendaagsche Confucianisten. Of dit -juist is zou ik echter niet durven verzekeren. - -Deze Chineesche Kings nu, zooals zij thans bewaard zijn, zijn -gedeeltelijk eigen werk van Confucius, al bevatten zij wijsbegeerte, -poëzie en geschiedenis van de vroegste eeuwen af. - -Er waren oorspronkelijk 6 van die Chineesche Heilige Schriften, waarvan -er één, die der Muziek, in de Han-dynastie (ongeveer 85 n. C.) -verloren is gegaan, zoodat er nu nog 5 over zijn, door Confucius -verzameld, geredigeerd, en ook gedeeltelijk geschreven. - -De eerste is de Shi King, of Bijbel der Poëzie. Hij bevat 305 -Gedichten en Odes die door verschillende dichters eeuwen vóór -Confucius geschreven zijn, maar door Confucius volgens zijn eigen -principes uitgegeven. Zeer mooi is door Confucius het wezen van dezen -King en ook het wezen der Poëzie gekarakteriseerd toen hij eens tot -zijn discipelen zeide: „De Shi King heeft 300 stukken, maar alles kan -worden vervat in één zin: Hebt géén lage gedachten.” - -De tweede is de Shoe-King, de Bijbel der Geschiedenis, die de -geschiedenis bevat van China, vanaf 2357 j. v. C.–621 v. C. De -documenten hiervoor zijn geschreven door verschillende auteurs, maar -door Confucius uitgegeven. Geheele, belangrijke hoofdstukken ervan, -herkenbaar aan hun zelfden, van de anderen verschillenden stijl worden -door bevoegde Chineesche geleerden aan Confucius zelf toegeschreven. - -De derde is de Li Ki of de Annalen van den Ritus en het Decorum. Hij -bevat alweder zéér oude geschriften, over zeden en gewoonten, maar -verzameld en geredigeerd door Confucius. - -De vierde is de Yih King, de Bijbel der Transformaties, beter en -juister: de Bijbel der Evolutie, het diepzinnigste boek der Chineesche -filosofie. Ofschoon hier de acht triagrammen van keizer Foe Hsi -(2953–2839 v. C.) de grondslag van zijn en ook de daaruit afgeleide -64 hexagrammen van Wen Wang, is volgens sommige Chineesche geleerden -het grootste deel tekst van Confucius. Confucius heeft eens gezegd dat -hij een overleveraar en geen maker was. Hij heeft dan ook zéér veel -oude wijsheid die reeds bekend was overgeleverd. Maar overigens moet -dit gezegde betracht worden als eene uiting van de bekende Chineesche -bescheidenheid. Confucius heeft niet enkel overgeleverd, maar ook zeer -veel zelf gemaakt. - -De vijfde is de z.g. Ts’oen Ts’ioe (lett: Lente en Herfst), een -boek, dat geheel en al door Confucius geschreven is, het éénige -geheel van hèm alléén. Het bevat de geschiedenis van China van -722–481 v. C. Om dit boek te kunnen vervaardigen, zond Confucius 14 -zijner leerlingen uit om de heilige geschriften van 120 volken voor hem -te halen en deze te bestudeeren, aldus Dr. Chen Huan Chang. - -Ik heb vroeger, o.a. toen ik, nu 15 jaar geleden, mijn Hollandsch werk -over Confucius uitgaf, gedacht, dat dit boek Ts’oen Ts’ioe een -exclusief geschiedkundig karakter had, en daarom van niet zooveel -beteekenis was voor zijn filosofie. Dit is ook het oordeel van de -meeste Europeesche sinologen. Sedert echter hebben Chineesche geleerde -vrienden mij er op gewezen, dat dit niet juist is. Het zou n.l. niet -zuiver historisch van karakter zijn, volgens hun oordeel. Zooals Dr. -Chen Huan Chang er van zegt: „De woorden, uit de geschiedenis -aangehaald, zijn slechts de beelden, waarmede Confucius zijn principes -illustreert”. „Ik zou mijn ideeën als pure theorieën willen -verkondigen”, zeide Confucius er zelf van, „maar het is dieper, -waarder, helderder, glanzender, ze te representeeren door de daden van -menschen”. Hij critizeert er de keizers in, verlaagt er de vorsten -in, valt de hooge ambtenaren aan en vestigt zijn ideale koninkrijk, een -republiek op aarde door de Ts’oen Ts’ioe. Confucius was dus, als -trouwens alle groote mannen, een revolutionnair. Confucius heeft zelfs -gezegd: (zie de Loen Yü): „Het is alleen de Ts’oen Ts’ioe die -mij bekend zal maken bij de menschen, en ’t is alleen de Ts’oen -Ts’ioe die zal maken dat de menschen mij veroordeelen.” - -Van de 5 daar zooeven door mij opgenoemde boeken zijn de Yih King de -Bijbel der Evolutie, en de Ts’oen Ts’ioe de voornaamste, volgens -sommige Chineesche geleerden. - -De Yih King is deductief, beginnende met abstracte principes en -voortgaande tot hun practische toepassing; de Ts’oen Ts’ioe is -inductief, en komt door de analyse van feiten uit de historie tot -algemeene theorieën. - -Voor degenen onder mijn lezers, die mijn in 1898 verschenen boekje over -Confucius mochten gelezen hebben, zou ik er hier gaarne even op wijzen, -dat het mij nù zéér spijt, daarin niet meer van deze twee Chineesche -Kings te hebben gezegd, die zoo veel van Confucius zelf en zijn -godsdienstige wijsbegeerte bevatten. Ik schaam mij niet te zeggen, dat -ik in de 16 jaar, die na de publiceering van dat werkje verloopen zijn, -wat dieper in de Chineesche filosofie ben doorgedrongen, en er wat -méér van geleerd heb. Ik ben dan ook bezig aan een vollediger werk er -over, waarin ik het vroeger te weinig gegevene hoop in te halen. - -Bij zijn terugkomst in Loe, toen hij 69 jaar oud was, voltooide hij de -Yih King, en hij was 72, toen hij de Ts’oen Ts’ioe schreef. In 479 -v. C. stierf hij 74 jaar oud, 8 jaar vóór de geboorte van Socrates. - -Ik heb Confucius’ leven hier maar even zéér beknopt behandeld, -omdat ik liever gauw op zijn leer wilde neerkomen. - -Wat wij van Confucius’ Wijsheid over hebben is (behalve wat ik -zooeven aanhaalde, de Ts’oen Ts’ioe en de bewerking der 5 Kings) -alles overlevering zijner discipelen, dus niet door hem zelf geschreven -werk. Deze overleveringen, werken van discipelen over Confucius en zijn -leer, de Choeng [10] Yoeng, de Ta Hioh en de Loen Yü worden, met de -werken van den filosoof Mêng Tsz’ of Mencius, de z.g. Sz’ Shoe -d.i. Vier Boeken genoemd, naast de vijf Kings de literaire en -filosofische schatten van China. - -Ik zal nu beginnen met de Choeng Yoeng, door Confucius’ kleinzoon -K’oeng Kei geschreven, die gewoonlijk bij zijn studeernaam Tsz’ -Sz’ wordt genoemd. De Choeng Yoeng is de zuivere, overgeleverde leer -van Confucius, door Tsz’ Sz, zijn kleinzoon en discipel, uit den mond -van den Wijze opgeteekend, omdat hij vreesde, dat ze anders wellicht -later verkeerd zou worden overgebracht. Confucius’ discipelen waren -gewoon, belangrijke woorden van hun Meester op tabletten aan te -teekenen om ze te onthouden. - -Ik zal den eersten tekst geheel opschrijven om een idee te geven van -den uitersten eenvoud en kortheid van Chineesche filosofie. - - -(van boven naar beneden te lezen, van rechts naar links, te beginnen -met kolom A) [11] - - - C B A - - Siu Shwaai Th’ien - Tao Sing Ming - Chü Chü Chü - Wei Wei Wei - Kiao Tao Sing - - 修 率 天 - 道 性 命 - 之 之 之 - 謂 謂 謂 - 教 道 性 - - -Dit zijn in ’t geheel maar 15 schriftteekens of karakters, maar er -zijn geheele boekdeelen te schrijven, en die zijn dan ook geschreven, -over de uitlegging van dezen tekst. - -Nu is ’t gemakkelijk om, zooals wel eens enkele sinologen gedaan -hebben, voor ieder der Chineesche karakters een equivalent te nemen in -een Europeesche taal, en er dan een paar Europeesche zinnen van te -maken. Ik moet er echter nog eens op wijzen dat een Chineesche tekst -niet is een representatie van woorden, maar een opeenvolging van -ideeën en dat de combinatie van die symbolen niet is een representatie -van wat de schrijver wilde zeggen, maar vooral van wat hij denkt. Een -woordelijke versie is daarom onmogelijk. - -Prof. Legge, de groote, erkende sinoloog van de Chinese Classics heeft -den eersten zin vertaald met: - -„What Heaven has conferred is called the Nature” (wat de Hemel -heeft verleend wordt genaamd de Natuur). En hij zegt er in een -commentaar bij: „By Sing of Nature is to be understood the Nature of -Man”. (Onder Sing of natuur is te verstaan de Natuur van den Mensch). - -Er zit echter véél meer aan vast, en ik zeg dit, behalve uit eigen -overtuiging, op gezag van Chineesche geleerden. Wij moeten dus dezen -tekst eens wat nader beschouwen. Ten eerste: Wat wordt hier bedoeld met -Hemel? - -In de alleroudste Chineesche godsdienst en geschiedenisboeken lezen wij -van één, alleroppersten God, oneindig en in-zich-zelf bestaande, die -genaamd werd Shang Ti letterlijk vertaald met: Opperste Macht of Heer. -(In de Bijbelvertaling is God dan ook met dit Shang Ti vertaald). Voor -dit abstracte begrip Shang Ti is later een meer concreet, Th’ien, de -Hemel, in de plaats gekomen. Trouwens, ook wij spreken dikwijls in -volkstaal van de Hemel, waar wij God bedoelen. Shang Ti en Th’ien -zijn daarom in de oude Chineesche Heilige Schriften één en hetzelfde, -het eerste alleen abstracter, het tweede wat concreter uitgedrukt. De -alleroudste Chineesche godsdienst spreekt niet van goden of afgoden, -maar van één Opperwezen, Shang Ti, later ook wel Th’ien, Hemel, -genaamd. - -Het karakter Ti bestaat uit een combinatie van twee, waarvan het eene: -Boven, en het andere: Doordringen beteekent, dus: het Opperste dat -alles doordringt. - -Het woord „ming” is samengesteld, ideografisch, uit „mond”, en -„bevelen” of „ordonneeren”, en beteekent niet alleen bevel, -order, maar ook het bevel zelf, het z.g. mandaat, en ook: de wil, die -het bevel gaf. Zoo wordt de Regeering beschouwd te zijn als een -mandaat, bevel van den Hemel, en ook dat, wat van den Hemel verkregen -is bij Hemelsche beschikking. Al deze beteekenissen te zamen liggen -opgesloten in ’t karakter ming, en het is onmogelijk, die met een -Hollandsch woord weer te geven. Omschrijvend, zou het hier zijn: -„Dat, wat de Hemel, beschikt heeft, te bevelen en te verleenen, en -ook dàt, wat van den Hemel verleend is krachtens deze beschikking”. -Meer vrij-Europeesch: dat wat de Hemelsche Wijsheid geordonneerd heeft -dat zoo zij. (Het karakter Chü duidt een soort genitief aan, hier meer -dat wat.) Dit nu, wordt genaamd, Sing, een karakter, samengesteld uit -hart, en geboren worden. Dus geboren zijn van het hart. Dit karakter -hart beteekent in ’t Chineesch ook geest, mind, niet alleen ’t -physieke hart. We moeten nu den zin niet letter-alphabetisch, maar -symbolisch lezen, zooals alle Chineesche filosofie. We zien, hier, -ideografisch gelezen, staan: dat, wat de Hemel beschikt, bevolen heeft -en ook: dat, wat van den Hemel krachtens die beschikking ontvangen is, -heet (wei) „hart geboren”. - -In de Europeesche, alphabetische taal moeten die symbolen worden -omschreven, die in ’t Chineesch niet gespeld in letters en -geconstrueerd in zinnen, maar gedacht worden en als gedachten -ideografisch voorgesteld. De Chineesche tekst wordt daardoor als ’t -ware op een ander gebied overgebracht, want hij is meer op -gedachte-gebied dan op taal-gebied. - -We krijgen dan, véél uitvoeriger en met véél meer omhaal: - - - Dat, bij wat ’t geboren worden van het hart, (den geest) - verkregen is door beschikking van den Hemel (van ’t Opperwezen) - heet Sing. - - -De groote Chineesche filosoof Choe Hie, die van 1129–1201 v. C. -leefde, noemt deze Sing „het goddelijke principe (li)”. - -Er staat volstrekt niet bij, dat deze Sing alleen aan den mensch -gegeven zou zijn. Integendeel, zoowel Choe Hie als andere groote -Chineesche wijsgeeren en commentators zeggen er uitdrukkelijk bij, dat: -Alle myriaden dingen (wan woe) deze Sing in zich hebben. De Sing is dus -volstrekt niet alleen de natuur van den mensch, maar veel universeeler, -het goddelijke principe van Shang Ti, het Opperwezen, in zijne -openbaring in het Heelal daaraan gegeven. Men kan dit polytheisme -noemen, men kan ’t echter ook monotheisme noemen, want het neemt -één God aan, al is ’t geen persoonlijke God, niet buiten het Heelal -staande, maar in ’t geheele Heelal gemanifesteerd, en er dus één -mede. Voor zoover ’t op menschen betrekking heeft, in beperkter zin, -kan men het de Hemelsche natuur van den mensch noemen. - -De volgende tekst luidt: - -Het volgen van den (leider) Sing heet Tao. - -Het karakter 率 „shwaai” (zie B) beteekent hier: - -het volgen van een leider, het medegaan met, het gehoorzaam zijn aan, -en tegelijk het den vrijen loop laten aan. - -Dit Tao—een van de beteekenisvolste karakters in de Chineesche -filosofie—is dus hier in Confucius ongeveer als het Pad, de Weg, mits -men dan altijd in ’t oog houde: Een geestelijke Weg, een geestelijk -Pad, en niet aan afstand of ruimte hierbij denke. Het volgen van den -leider Sing, het goddelijke principe in ons, is alzoo de geestelijke -Weg, of het geestelijke Levens-bewegen. - -De derde tekst luidt: - -Het regelen, cultiveeren (siu 修 zie C beteekent beide) van de Tao -(den spiritueelen Weg) heet Kiao. - -Kiao is een Chineesch karakter dat Onderwijs, Leering beteekent, maar -dat ook in zekeren zin Godsdienst beteekent. Het karakter voor -godsdienst is ook: Kiao. In den godsdienstigen zin beteekent Kiao: -moreele lessen, somtijds sluit het het geheel der beschaving in. Daarom -is wat de Chinees onder godsdienst verstaat niet alleen spiritueel, -maar ook moreel, sociaal en filosofisch. - -Kiao is zoowel gewoon onderwijs als godsdienst. En dat is zoo vreemd -niet als ’t wel lijkt, want de Chinees beschouwt godsdienst als de -moreele les leerend 道 Tao, den spiritueelen Weg, (het volgen van den -leidenden Sing) te begaan. Een opvoedende instelling is in China -daardoor kerk en school beiden. De eigenlijke priesters van ’t -Confucianisme, dat geen priesters heeft, zijn dan ook de literati, die -de hoogere literatuur, d.i. de Confucianistische filosofie, -onderwijzen. - -Ik heb deze teksten hier neergeschreven, om een denkbeeld te geven, -hoeveel er aan die aparte Chineesche karakters vastzit, en hoe moeilijk -het is, er equivalenten voor te krijgen in Europeesch alphabetisch -schrift. - -Ik wijs er nog even op dat het karakter Tao, de spiritueele Weg of het -geestelijk Pad, bestaat, ideografisch, uit: bewegen, of rondgaan, en -hoofd, hier dus in den zin: spiritueele hoofd, geestelijk -hoofdprincipe, dat beweegt, of rondgaat in ’t Heelal. In de nog -oudere filosofie, en in Lao Tsz’, beteekent ditzelfde Tao niet het -spiritueele Pad, maar de suprême Geest zelf, die zich in ’t Heelal -openbaart en daarin zijn Weg gaat en dat is de oorspronkelijke -beteekenis van Tao. - -Het zou te lang duren en ook voor een publiek van niet sinologen wat te -moeilijk worden, als ik nu ook alle andere teksten in ’t Chineesch -zou neerschrijven, dus de volgende geef ik daarom in mijne vertaling: - -„Welnu, Tao mag geen oogenblikje verlaten worden. Kon het verlaten -worden, dan zou het Tao niet zijn. Daarom is de Superieure Mensch -waakzaam over wat hij niet ziet, en in vreeze over wat hij niet hoort. -Wat men niet ziet is verborgen, wat niet zichtbaar geopenbaard is, is -subtiel. Daarom is de Superieure Mensch waakzaam over zijn -eenzaamheid.” - -Dus niet op de zichtbare en hoorbare dingen, door de zinnen -waarneembaar, moet de Superieure Mensch enkel letten, maar over de -verborgen, subtiele, geestelijke dingen, diep in zich zelf, behoort hij -te waken en er voor in reverente vreeze te zijn. Daarom is hij waakzaam -over zijn eenzaamheid. (Een karakter „toe”, door den filosoof Choe -Hie omschreven met: „de plaats die andere menschen niet weten, maar -die wij alleen weten”). In die plaats juist, in onze diepste -binnenste, kunnen wij van den geestelijken Weg, van Tao, afwijken. En -Tao mag geen oogenblikje verlaten worden, anders zou het niet Tao, het -volgen van den leider Sing, ’t Hemelsche principe zijn. - -Nu komen weer twee belangrijke teksten: - -„Als vreugde, toon, smart, of geluk nog niet bewegen, heet dat Choeng -(Midden, Centrum); als zij wèl bewegen, maar in den juisten maat, heet -dat Ho (Harmonie). Dit Choeng (Centrum) nu, is de groote oorsprong van -het geopenbaarde, deze Ho (Harmonie) is de manifestatie van Tao (den -Spiritueelen Weg). - -„Als men het uiterste Choeng en de uiterste Harmonie bereikt heeft, -zijn Hemel en Aarde gevestigd en al het geopenbaarde ligt gevoed en -gekoesterd”. - -De geestelijke portée van de laatste teksten is niet altijd volledig -door Europeesche vertalers begrepen. - -Confucius’ filosofie is hier verwant aan de oude Indische, n.l. de -Brahmaansche en Hindoesche filosofie. Het Choeng, Midden, Centrum, is -verwant aan wat in die oude wijsbegeerten bedoeld wordt met het -goddelijke, onpersoonlijk Zelf, dat Zelf, dat, als ongeopenbaard in -’t Heelal, volkomen rustig, stil onbewegelijk is. Als de mensch die -goddelijke rust in zich zelf, in zijn goddelijke Zelf, heeft bereikt, -bewegen geenerlei aandoeningen van vreugde of toorn, smart of geluk. Is -men in dit Choeng, Midden, geconcentreerd dan voelt, zegt een -Chineesche commentator er bij, men zijn Sing één met de Sing van alle -menschen en dingen, van al ’t door ’t Opperwezen geopenbaarde, en -voelt men hoe Hemel en Aarde en al dat geopenbaarde gevestigd zijn in -’t goddelijke en dus gevoed en gekoesterd liggen in dat goddelijke, -Choe Hie zegt in een commentaar: „Is mijn hart recht, dan is dat van -Hemel en Aarde óók recht”. - -Als de aandoeningen vreugde, toorn, smart of geluk wèl bewegen, maar -in de juiste middenmaat, dan is er Harmonie in den Mensch, een bewijs, -dat Tao, ’t Geestelijke Pad, gevolgd wordt, dat zich manifesteert in -Harmonie. Choeng slaat dus meer op ’t hóógste als ongeopenbaard, Ho -op het geopenbaarde, want Tao is de Weg van ’t geopenbaarde. - -Choeng is dus het einde van dat Pad, het einde van Tao, dat, waartoe -Tao leidt, en waarna alle menschelijke aandoeningen, vreugde, toorn, -geluk, smart, zwijgen en ophouden, als de groote Rust is -binnengetreden. Harmonie, Ho, in die aandoeningen is ’t bewijs, dat -men in Tao, het Pad gaat, dat daartoe leidt. - -Het zou voor een sinoloog een loonend werk zijn, eens eene studie te -schrijven over de, totnutoe nog veel te weinig opgemerkte overeenkomst -van deze Confucianistische bespiegelingen, met oude Indische -wijsbegeerte, ook het Boeddhisme. - -De concentratie in het van den Hemel gegeven zelf, het vrij worden van -aandoeningen en hartstochten, den geest geconcentreerd in het -Hemelsche; het inwendige, spiritueele leven, vrij van de uitwendige -verschijnselen, dit alles zou voor een Brahmaan en een Boeddhist -volkomen begrijpelijk zijn. - -De titel van het werk waarvan ik zooeven den eersten tekst opschreef, -is Choeng Yoeng. - -Onder Choeng (het schriftteeken is: Midden) is te verstaan het zonder -overneiging naar een of andere zijde zijn, dus: stabiel, in rust, -eeuwig zijn; onder Yoeng het nooit veranderen, altijd hetzelfde -blijven. Choeng is het doel van de rechte Tao, het rechte spiritueele -Pad, dat altijd stabiel ’t zelfde is, en niet neigt naar een of -andere zijde, Yoeng is het vaste principe van al ’t Geopenbaarde, de -onveranderlijke kern van al de veranderlijke dingen. - -De voorreden van de Choeng Yoeng zegt van het eerste hoofdstuk, dat ik -zooeven behandelde: „Het spreekt eerst van het ééne principe (de -Sing n.l.) dan spreidt het dit uit, en het omvat alle dingen, ten -laatste keert het terug en vereenigt ze weer onder het eene principe. -Ontrol het, en het vult het Heelal, rolt het (weer) op en het verbergt -zich in mysterie”. - -M.a.w. het Hemelsche principe doordringt het Heelal, en is in alle -dingen gemanifesteerd, de Eenheid is in de Veelheid, maar alle Veelheid -kan teruggebracht worden tot Eenheid. En die Eenheid, het goddelijke, -ligt voor ons verborgen in mysterie. - -In de Loen Yü, eene verzameling gezegden van en over Confucius, door -zijne discipelen opgeteekend, komt het volgende gezegde van den Meester -voor: „Mijn leer is een Eenheid die alles samenhoudt”. Met deze -Eenheid bedoelde hij het universeele van het goddelijke principe, dat -het Heelal, en dus ook de menschen, doordringt, de Sing, door den Hemel -of het Opperwezen in Zijne Wijsheid, zijn Wil gegeven, toen Hij zich -openbaarde, en waarvan het volgen heet Tao, het spiritueele Pad, dat -alzoo is als het bewegen van de zich openbarende Godheid in het Heelal, -dat Hij openbaarde. - -Met betrekking op de menschen vindt dit Eenheids-Idee óók haar -uiting, in een ander karakter uit de Confucianistische filosofie, n.l. -„Shoe”, ideografisch samengesteld uit „evenals”, „gelijk -aan” en „hart”, dus: „gelijk aan mijn hart”. - -In de Loen Yü lezen wij: Tsz’Koeng (een van Confucius’ discipelen) -vroeg eens: „Is er één woord, dat als een regel van gedrag voor -’t geheele leven kan gelden?” De Meester zeide: „Is niet Shoe -zulk een woord? Wat gij niet wilt van anderen gedaan zijn, doe dat ook -aan anderen niet”. - -Deze tekst, bijna eender door Jezus Christus later geuit, is -karakteristiek voor Confucius’ filosofie. Dit karakter „shoe” is -moeilijk te vertalen, ideografisch leest de Chinees er al in: gelijk -mijn hart is het hart der menschen. Prof. Legge vertaalde het door -„reciprocity”. - -We zouden het ook, in Hollandsche termen gelijkheid of broederschap -kunnen noemen. Het groote principe van Confucius nu is: de eigen Sing -rein houden en volmaakt doen blijven, maar ook: de Sing van anderen, -van onze broeders, rein houden en volmaken, en dit laatste geschiedt -door Kiao, dat èn onderricht en godsdienstleer beteekent. De Hemel, of -Shang Ti, gaf ons bij onze geboorte de Sing, en is dus onze Vader. Onze -medemenschen, die immers dezelfde Sing hebben als wij, zijn onze -broeders. Dr. Chen Huan Chang noemt dat in westersche termen: De leer -van ’t vaderschap van God en de broederschap der menschen. - -Als de zoon van Shang Ti, later beschouwd van Th’ien, Hemel, werd in -latere eeuwen erkend de Keizer, wien dan ook de eerenaam Th’ien -Tsz’, d.i. Zoon van den Hemel, werd gegeven. Met betrekking tot het -menschelijk leven op de aarde—dus niet in hóógeren metaphysischen -zin hier—werd een ander Drietal als heilig, van hooger hand -vastgesteld, aangenomen, n.l. Th’ien-Ti-Jên, Hemel-Aarde-Mensch. De -hooge wetten, die den Hemel, Th’ien regeeren, zijn dezelfde als die, -welke de aarde, en ook de menschheid regeeren. Al die wetten, die de -menschheid regeeren, en die met bepaald ceremonieel worden -samengehouden en uitgevoerd, openbaren zich in wat in de Chineesche -taal „Li” heet, een onvertaalbaar begrip, waar decorum nog het -dichtste bij komt, mits begrepen als: door hoogere machten en wetten -vastgesteld, die ook den Hemel regeeren. De vaste wetten, die het -geheele planeet-stelsel zijn baan aangeven, zijn dezelfde als die de -z.g. betrekkingen der menschen regelen. Men houde dit goed in ’t oog, -want de geheele inrichting van den Chineeschen staat en van de -Chineesche familie (die de staat in ’t klein is), werd beschouwd als -een goddelijke instelling. - -Wat nu de Orde der dingen aangaat in de menschheid, het voornaamste -hiervan was volgens Confucius het onderhouden der z.g. Woe Loen, d.i. -Vijf Betrekkingen, n.l. die tusschen Vorst en Onderdaan, Vader en Zoon, -Man en Vrouw, Ouderen Broeder en Jongeren Broeder, en Vriend en Vriend. -Deze betrekkingen worden beschouwd als te zijn ingesteld door -goddelijke wet, en eigenlijk als eene voortzetting in de menschheid der -kosmische wetten. - -Een van de allereerste deugden van den Mensch is de Hiao, uitgedrukt, -zeer treffend, door een ideografische combinatie van ’t karakter oud -en ’t karakter kind, waarin ’t kind, onderaan geplaatst, het oude -steunt. - -Dit Hiao wordt meestal door Filial Pity, Ouderliefde, vertaald, maar -heeft een veel wijdere strekking dan algemeen geacht wordt. Hiao is -n.l. niet alleen ouderlijke liefde, maar in ’t algemeen een geheele -wijsbegeerte, gebaseerd op de regelende harmonieën der Natuur, op de -wederzijdsche verplichtingen tusschen die bovenaan staan in de wereld -en die onderaan staan, en op de kracht van het voorbeeld. De Hiao is, -in ’t maatschappelijke leven der Chineezen, wat de orde der hemelsche -bewegingen en de onuitputtelijke vruchtbaarheid van de aarde is ten -opzichte van het zichtbare heelal. - -In de Hiao King, door een van Confucius’ discipelen gecompileerd, -maar van onbekende afkomst, is alles over deze deugd te vinden. Hier -volgen eenige teksten er uit, waaruit men ziet, dat het méér is dan -enkel liefde voor de ouders. - -„Van de Hiao is het eerste principe om, in zuiverheid en kracht, het -lichaam te behouden, dat wij van onze ouders hebben gekregen. Zijn -volmaaktheid ligt in de beoefening van de deugd en in ’t verwerven -van een naam, die hun herinnering eer aandoet.” - -„Zijn voorbeeld is de regelmatigheid der hemelsche lichamen in ’t -verschaffen wat noodig is voor de aarde, en in ’t regelen van de -daden der menschen.” - -„De koningen, van oudsher af, in ’t betrachten van Hiao, zouden -niet een oude van dagen of een weduwe durven verachten, noch iemand, -beroemd om zijn deugd en wijsheid.” - -„Eén deugdzame koning trekt een heel volk met zich mede. Laat de -vrees om de herinnering aan Uw ouders te kwetsen de eerste gedachte -zijn van Uw droomen, en laat de slaap ze niet verdrijven”. - -Hiao is dus méér dan ouderliefde, het is ook eerbied voor den koning, -eerbied voor deugd en wijsheid, voor ouden van dagen, ja, we kunnen -gerust zeggen, voor al wat schoon en edel is, en zelfs de koning en de -keizer hebben alleen dan Hiao, als zij rechtvaardig en wijs regeeren. - -De eerste aller deugden zegt Confucius, ’t zij in een zoon of in een -onderdaan, is Hiao. Het is dit wat de mensch van ’t redelooze dier -onderscheidt, het is dit, hetgeen de erkentenis is van de ware relatie -tusschen kind en vader, tusschen vader en Hemel, en door de beoefening -van Hiao is het, dat de harmonie van ’t Heelal wordt bewaard. - -Dat Hiao nog véél verder gaat dan alléén liefde en gehoorzaamheid -aan de ouders kan blijken uit een tekst uit de Li Ki, die luidt: -„Iedere boom heeft zijn bepaalden tijd om te vergaan en ieder beest -om te sterven, en hij, die een boom omhakt vóór zijn tijd, of een -beest doodt vóór diens tijd is schuldig aan een gebrek aan Hiao”. - -Zeer treffend is het feit, dat onder de vijf Betrekkingen ook -Vriendschap is opgenomen. - -De liefde tusschen broeders is even heilig als de liefde tusschen -vrienden. Vriendschap is in China een even heilige zaak als nauwe -bloedverwantschap. Van den keizer af moeten allen vrienden hebben, zegt -Confucius. - -Vriendschap is de eerste van alle sociale relaties en mag niet voor -één dag verwaarloosd worden. Niemand mag een vriend hebben, die niet -minstens zijn gelijke is. Vrienden zijn weelde voor de armen, kracht -voor de zwakken, medicijn voor de zieken. Zij moeten altijd de slechte -dingen van hun vriend vergeven en om hun deugden blijven denken. De -schoonste vriendschap is die, welke door den band der literatuur is -gemaakt. Confucius zeide: Sluit vriendschap met de deugdzaamsten onder -de literatoren. De hoofdplicht tusschen vrienden is: sin, een -ideografisch karakter, samengesteld uit „mensch” en „woorden” -of „spreken”. - -„Sin” beteekent dan ook waarheid, oprechtheid, geloof. Geraaktheid, -twijfel, wantrouwen tusschen vrienden is een gebrek aan sin. - -Confucius onderscheidt nu drie soorten van menschen. De eerste, maar -héél zeldzame, zijn de Shêng Jên, de Heilige Menschen, Wijzen, en -dat zijn de uitverkorenen, die vanzelf de hoogste Wijsheid zonder -inspanning bezitten, en die daarom van zelf Tao, het spiritueele Pad -begaan, zonder dat daartoe ontwikkeling door Kiao, onderricht, leering, -noodig is. Hun Sing, hun goddelijke principe, wordt nooit, door wàt -ook van menschelijken aard, verduisterd, en verkeert van zelf in den -staat van volkomen volmaking, die Confucius uitdrukt met het -schriftteeken: Ch’ing, een karakter, bestaande uit „woord”, en, -„volmaakt”. - -Ch’ing is de volmaakt reine, door niets verduisterde, -oorspronkelijke, en dus goddelijke staat van de Sing. Zij, die in den -staat Ch’ing zijn, hebben het al-Weten en doorgronden de goddelijke -dingen. - -Zij zijn in zekeren zin één met Th’ien, den Hemel, of, abstracter -gesproken, met Shang Ti, het Opperwezen. - -Confucius zelf is door het nageslacht als zulk een Shêng Jên -beschouwd. - -De tweede soort is wat Confucius noemt de Kiün Tsz’, de Vorstelijke, -Koninklijke Mensch, we zouden ook kunnen zeggen: De Superieure Mensch. -Dr. van Deventer heeft er mij eens op gewezen dat deze Kiün Tsz’, -zooals hij er in mijn vertaling van Confucius over las, veel heeft van -wat in de Grieksche Platonische filosofie heet kalokágathos. Er is -misschien ook iets in, maar dan zonder het conventioneele dat er aan is -gaan kleven, en meer in ’t hoogere, ideale, van ’t Engelsche -„gentleman”. - -De derde soort is de Siao Jên, de Kleine Mensch. De meeste sinologen, -en ik vroeger ook, hebben dit opgevat in den zin van de verachtelijke -mensch, maar volgens de moderne Confucianisten beteekent het meer de -mindere, nog niet ontwikkelde mensch, de armere mensch die, omdat hij -nog uitsluitend om zijn voedsel moet denken en tobben, het hoogere -ethische leven nog niet kent. Het zou dan veel hebben, van wat in -Europa met eene klasse-aanduiding de proletariër heet. - -Het wonderschoone in Confucius’ leer is dat hij het bereiken der -hoogste Deugd binnen ieders vermogen stelt en verzekert, dat -„Ch’ing”, den staat van volmaakte helderheid der Sing, dien de -Wijze Heilige, de „Shêng Jên” reeds bij de geboorte bezit, ook -door andere, gewone menschen door onderricht („Kiao”) en oefening -kan verkregen worden. Dit wordt duidelijk gezegd in den tekst uit de -„Choeng Yoeng”: - -„Sommige worden met de kennis (der plichten en deugden) geboren; -sommigen leeren haar later; sommigen kennen haar (eerst) na een -smartelijk besef van hun onwetendheid. Maar als ze haar eenmaal weten -is het ’t zelfde.” - -Men behoeft alzoo niet als heilige geboren te worden om den volmaakten -staat „Ch’ing” te bereiken. Ieder kan dit „Ch’ing” -verkrijgen, hetzij door studie, hetzij door de loutering en verheffing -van de smart. - -Ik zal nu eerst eens nader de menschelijke betrekkingen der „Woe -Loen” toelichten. - -Men houde vooral in het oog, dat de „vijf betrekkingen” als een -orde van dingen in de menschheid beschouwd worden, die eene -voortvloeiing zijn van de groote Orde der Dingen van het heelal. Zij -zijn dus niet enkel een maatschappelijke, maar eigenlijk een heilige, -kosmische orde. De ritueele of formeele orde, die het gedrag der -menschen in die betrekkingen regelt is wat in China „Li” heet. In -een der heilige boeken, de „Li Ki” is al het daaraan verbonden -ceremonieel omschreven. De „Li” is echter niet enkel ceremonieel en -ritueel van menschen onderling, maar ook van menschen tegenover de -hoogere, goddelijke machten. Voor zoover de formaliteiten onder -menschen aangaat is dit ceremonieel door oningewijde Westerlingen -veelal voor overdreven conventie, en zelfs affectatie aangezien. Deze -„Li” is echter niet—als de Westersche begrippen decorum, -beleefdheid, fatsoen enz.—afgescheiden van ethica en geloof in China, -maar is er identiek mede. De ceremoniën van de „Li” zijn „een -symbool van den mensch in zijn veelvuldige verwantschappen”, en wel -niet enkel menschelijke, maar ook kosmische en goddelijke -verwantschappen. Uit het hoofdstuk in dit werk over de „Yih King” -zal men gewaar worden, dat kosmisch en goddelijk in ’t Chineesch zeer -na verwante, zoo niet identieke begrippen zijn, daar de gansche kosmos -goddelijke openbaring is. - -De Chineesche familie is, zooals ik reeds zeide, niet enkel een -maatschappelijke, maar een kosmische orde. Eerbied voor de familie is -eerbied voor de kosmische orde, voor de goddelijke orde. De Chineesche -familie is de georganiseerde uitdrukking van den staat. Vandaar dat de -absolute keizerlijke macht over het rijk afgespiegeld is in de absolute -„patria potestas” in de familie. Het godsdienstige ideaal is in de -inrichting der familie zichtbaar gemaakt in patriarchale vormen. De -familie is èn een religieuze, èn een kosmische, èn een sociale -instelling. Het begrip „familie” weerspiegelt ook het hoogere -„creatie”, onafgebroken vorming en voortbrenging van leven. Samuel -Johnson heeft terecht den innigen samenhang tusschen de leden eener -Chineesche familie verklaard uit hetgeen hij noemt „the religion of -the seed”. Deze is zóó veelomvattend dat hij verwantschap berekent -in negen geslachten, en dat de oudere broeder den zoon van zijn -jongeren broeder als zijn eigen zoon beschouwt, en volle neven worden -gerekend broeder te zijn. - -Zóó als de keizer verantwoordelijk is voor het welzijn van zijn volk, -is de familievader verantwoordelijk voor dat zijner familie. Hij heeft -een onbeperkte „patria potestas” maar hij is dan ook de waker, de -hoeder over alles en allen in de familie, hij moet voor haar zorgen en -werken, en zelfs is hij aansprakelijk voor het gedrag der familieleden. -Volgens de „Shêng Yü”, het Heilige Edict, uitgevaardigd door -keizer Kh’ang Hsi, is hij zelfs strafbaar voor de vergrijpen en -misdaden der kinderen. Dit Heilige Edict vergelijkt de familie met een -stroom, die vele takken en zijarmen heeft, waarin, hoe vèr ook van den -oorsprong, hetzelfde water is. - -De noodzakelijkheid, het leven altijd door te verlengen, als een -heilige plicht, geeft aan het huwelijk als eerste doel het verwekken -van kinderen. Te sterven zonder zonen na te laten is een bewijs van -oneerbiedigheid tegenover de ouders en voorouders, een gebrek aan -„Hiao”, en daarom is voor een man zonder zonen adoptie—mits van -een agnatischen verwant—plicht en is, zelfs nà zijn dood, voor de -familie-oudsten posthume adoptie voorgeschreven. Door dit verlangen -naar zonen heeft het patriarchale concubinaat, gegrond op voortzetting -van het heilige leven, in China niet een enkel zinnelijk motief, maar -is het oorspronkelijk godsdienstig. De patriarch is het moreele en -sociale hoofd van de familie, wiens priester hij in zekeren zin is. -Naar beneden vloeit de patriarchale idee zóó uit, dat de oudere -broeder macht heeft over den jongere, en tevens den plicht, hem te -steunen en te leeren. Als twee broeders twisten, zegt het Heilige -Edict, is dit alsof de linkerhand de rechter slaat. - -De „patria potestas” is een absolute macht, evenals de keizerlijke -autoriteit, maar steeds getemperd en begrensd door recht, door de -plicht ook om te onderwijzen en liefderijk te helpen en te steunen. - -In zekeren zin is Ouderdom óók een patriarch in China. - -De „Li Ki” zegt, dat eerbied voor den Ouderdom even oud is als het -menschelijk geweten. - -De geheele Chineesche godsdienst is wel eens genoemd eene ontwikkeling -uit de „Hiao”, die de liefde en de eerbied tot de ouders niet -alleen is, maar de ondergeschiktheid, in reverentie, van ’t lagere in -de orde der dingen tot het hoogere in die orde. In elken Chineeschen -vorm van godsdienst is de basis patriarchaal. - -De patriarch in de Chineesche familie heeft ook niet zijn autoriteit -als alleenstaand persoonlijk individu, maar als een schakel in de -kosmische orde der dingen, als constitueerend deel der geheele Familie, -de doode voorvaderen medegerekend, en deze familie weer mede -constitueerend den staat, met aan ’t hoofd de keizer, die weer boven -zich heeft zijn vader Shang Ti (of, meer concreet: Th’ien, den -Hemel). - -Wij moeten dus den voor ons, Westerlingen, overdreven lijkenden -samenhang der Chineesche familie, en den eerbied der Chineezen voor hun -familiebetrekkingen—een eerbied, zóó groot, dat een volwassen, -veertigjarig man niets van belang doen zal vóór zijn ouden vader -eerst om raad, en vergunning te vragen—niet beschouwen als een -maatschappelijke conventie, maar als eerbied voor de kosmische en -goddelijke Orde der dingen. Het Pad, Tao, kan niet begaan worden zonder -eerbied voor en in standhouding van de familiebetrekkingen. Een tekst -uit de „Choeng Yoeng” zegt dan ook: „De Tao van den Kiün Tsz’ -begint met (den gewonen omgang van) mannen en vrouwen. Maar aan het -opperste er van gekomen strekt Tao zich uit over Hemel en Aarde”. - -Zooals ik reeds gezegd heb, werd de Sing door Confucius beschouwd als -de bron van alle menschelijke deugden. Was deze Sing dus in den -toestand van Ch’ing, Volmaaktheid, dan waren alle deugden in den -mensch ook volmaakt. De mensch wordt, volgens Confucius, dus niet -geboren met zonde, maar met Deugd. Er is geen Duivel en geen Hel, die -hem wachten, omdat hij (waar hij toch moeilijk iets aan doen kon) met -erfzonde geboren werd, maar door zijn Deugd, indien hij zich slechts -aan de Sing hield, en deze in Ch’ing, den volmaakten staat bleef, kan -hij worden als zijn Vader, den Hemel, Shang Ti. Niet met een soort -boeman, die Satan heette, noch met een brandend vuurtje, de Hel, moeten -de menschen bang gehouden worden, om hun des te beter te kunnen -regeeren, maar door de kracht van zijn eigen Wijsheid, die de Deugd -insluit, moet de regeerder het volk regeeren. Regeert hij niet met de -Deugd en de Wijsheid, dan wordt het Ming, het mandaat van den Hemel hem -ontnomen. - -575 jaar voor Confucius werd de tiran keizer Chow door den -revolutionnair Wen Wang, die later een zeer goed, wijs koning werd, -onthoofd, omdat hij zijn macht in wreedheid misbruikte, en deze Wen -Wang wordt in de Shoe King als een van China’s deugdzaamste groote -mannen verheerlijkt en door Confucius telkens als moreel voorbeeld -gesteld. - -De „Sing” is het uitgangspunt van het geheele leven, zoowel in de -familie als in den staat. En hier komen wij nu tot het schoone -beginsel, waarin de Geest van China zich op zijn heerlijkst openbaart, -en dat het geheele Westen, dat zijn staatkundige inrichting op het -oogenblik in haar grondvesten geschokt ziet, hoog noodig van het Oosten -behoort over te nemen, namelijk dit: dat regeeren berust op het -zelf-karakter, dus op de cultivatie van de Sing, van den regeerder of -de regeerders. Niet op enkel kunde, intellect, knapheid van de -regeerders behoort de staat te berusten, maar op hun karakter. - -Ik haal, om dit te illustreeren, eenige teksten van Confucius hieronder -aan: - - - -„Daarom mag (de Vorst die een Kiün Tsz’ is) niet verzuimen zijn -eigen karakter te verzorgen. Wil hij zijn eigen karakter verzorgen, dan -mag hij niet verzuimen, zijn ouders te dienen. Wil hij zijn ouders -dienen, dan mag hij niet verzuimen de menschen te kennen. Wil hij de -menschen kennen, dan mag hij niet verzuimen, den Hemel te kennen”. -[12] - - - -„De instellingen en wetten van den (Vorst die een) Kiün Tsz’ (is) -hebben hun oorsprong in zijn eigen karakter, en de bevestiging er van -gebeurt door de groote massa van het volk”. [13] - - - -„Alleen hij, die de opperste Wijsheid heeft onder den Hemel kan -voldoende vlug van bevatting, helder van doorzicht, van vèr-reikende -intelligentie, àlomvattend van kennis zijn om de regeering uit te -oefenen”. [14] - - - -„Alleen hij, die de opperste „Ching” heeft onder den Hemel, kan -de hoogste, natuurlijke betrekkingen der menschen onder den Hemel -regelen, kan de groote, oorspronkelijke deugden van den Hemel -grondvesten, kan de transformeerende en voedende acties van den Hemel -weten. Hoe zou hij iets buiten zichzelf kunnen hebben om op te -steunen?” [15] - - - -„De Ouden, die de schitterende Deugd door het geheele keizerrijk -wilden heldermaken, regeerden eerst hun rijk goed. Wilden zij hun rijk -regeeren, dan regelden zij eerst hun families. Wilden zij hun families -regelen, dan verzorgden zij eerst hun Zelf. Wilden zij hun Zelf -verzorgen dan maakten zij eerst hun wil en gedachten oprecht, wilden -zij hun wil en gedachten oprecht maken, dan voerden zij hun kennis tot -het allerhoogste op. De kennis tot het allerhoogste opvoeren bestaat in -het doorgronden van de dingen”. [16] - - - -„Van den Keizer af tot de massa van het volk toe moeten allen het -verzorgen van het Zelf als de Oorsprong beschouwen.” [17] „Wordt de -Oorsprong verward dan kan niets wat daaruit voortkomt tot goede orde -worden gebracht”. [18] - - - -„Wat bedoeld wordt met „Om het rijk te regeeren moet men eerst -zijne familie regelen” beteekent: als men zijne familie niet kan -leeren, kan men andere menschen niet leeren. Daarom behoeft de Kiün -Tsz’ niet buiten zijne familie te gaan om zijn leer voor den staat te -volmaken. De Hiao, daarmede moet men zijn vorst dienen. De Ti (liefde -voor ouderen broeder) daarmede moet men zijn superieuren dienen. De -Ts’z’ (mededoogen) daarmede moet men de menigte behandelen”. [19] - - - -„Daarom moet (de Vorst die een Kiün Tsz’ is) alles (eerst) zelf -hebben en daarna van het volk verlangen, dat het zelf (ook) heeft, en -moet alles (eerst) zelf niet hebben en daarna van het volk verlangen, -dat het dit zelf (ook) niet heeft. Een mensch, die zichzelf wegcijfert -en (alles) niet wederkeerig op zichzelf doet slaan, en (toch) het volk -vermocht te leeren, heeft nog niet bestaan”. [20] - - - -„Daarom zal de Vorst allereerst zorg dragen voor (eigen) deugd. Als -hij de deugd heeft, heeft hij ook de menschen. Als hij de menschen -heeft, heeft hij het grondgebied. Als hij het grondgebied heeft, heeft -hij bezittingen. Heeft hij bezittingen dan heeft hij middelen voor zijn -uitgaven.” [21] - - - -„De deugd is de Oorsprong. De bezittingen zijn het einde.” [22] - - - -„De Vorst die den Oorsprong bijzaak maakt, en het einde hoofdzaak, -zal met het volk in strijd komen, en maken dat er roof gebeurt”. [23] - - - -„Daarom heeft de (Vorst die een) Kiün Tsz’ (is) een groote Tao -(Weg) te volgen. Met zelfvolmaking en waarachtigheid verkrijgt hij het. -Met hoogmoed en buitensporigheid verliest hij het.” [24] - - - -Bovenstaande teksten illustreeren genoegzaam de bedoeling, dat het de -Wijsheid is, die alleen recht en bevoegdheid geeft om te regeeren. - -Uit den schoonen, en zoo eenvoudigen tekst: „De Deugd is de -oorsprong, de bezittingen zijn het einde” volgt de oplossing van het -moeilijke raadsel, waardoor de wereld thans in zulk eene schromelijke -verwarring is, namelijk het raadsel, hoe de groote economische strijd -is op te lossen. Die oplossing zal namelijk eerst daar zijn, wanneer -Economie en Ethica één zijn. - -Om een en ander goed uit te leggen is het echter noodig, eerst iets te -vertellen van een toekomst-droom, door Confucius in een grandioze -zieners-vizie gedroomd. - - - - - - - -DE TOEKOMST-DROOM VAN CONFUCIUS - - -Wanneer wij de Confucianistische zedeleer en sociale verordeningen -beschouwen, met hun oude tradities en hun vastgesteld decorum, dan zou -het ons licht kunnen voorkomen, alsof wij hier te doen hebben met een -leer van star conservatisme, die geen ontwikkeling zou kennen, en dus -op den duur vooruitgang zou tegenhouden. Al die zorgvuldig -voorgeschreven familieverhoudingen, waarin een heilige Orde werd -gezien, als een onderdeel van de groote kosmische Orde, dat angstvallig -vasthouden aan familiebanden en verplichtingen, de bijna kinderachtige -angst, het decorum te schenden, en te kort te komen aan -maatschappelijke verhoudingen, dat alles zou in staat zijn, de figuur -van Confucius, ondanks zijn groote wijsheid, voor ons kleiner te maken. - -Confucius, als alle groote wereld-Wijzen, wist echter zeer goed, dat de -gansche kosmos in een voortdurend proces van evolutie is, en dat dus -ook de menschheid, in die kosmische orde begrepen, niet altijd dezelfde -zal blijven, maar verschillende stadia van evolutie zal doorloopen. De -zedewetten, de sociale orde-bepalingen, de verschillende menschelijke -verhoudingen en relaties, die hij met zooveel zorg en nadruk als noodig -voorschreef en leeraarde, waren berekend op het stadium van -ontwikkeling waarin toen het volk verkeerde. - -Dat Confucius echter geen star conservatief was, maar wel degelijk, in -een schoonen zieners-droom door den mist der tijden heen, helder in -komende eeuwen zag, wordt duidelijk bewezen door een gedeelte uit zijn -geschiedkundig-filosofisch werk „Ts’oen Ts’oe”, waarin hij -aangeeft de „Drie Stadia van Ontwikkeling der Menschheid”. Wij -kunnen hieruit zien, dat de droom van den Wereldvrede reeds honderden -jaren vóór Christus door den grooten Chineeschen Wijze gedroomd is. - -Ik laat hieronder volgen, gedeeltelijk aan de hand van Chen Huan Chang: - - -De Drie Stadia van Confucius. - -In het eerste, het Wanordelijke Stadium, is de primitieve beschaving -juist uit den chaos ontstaan, en de sociale geest is nog zeer ruw. Er -is een scherpe afscheiding tusschen het eigen land en alle andere -landen. Daarom wordt meer gelet op de toestanden in eigen land, dan in -den vreemde, en behalve machtige rijken, die worden gevreesd, worden -kleine landjes verwaarloosd en over ’t hoofd gezien. - -In het tweede, het z.g.: Vooruitgaande Vrede-Stadium, is er enkel -onderscheid tusschen beschaafde landen en de onbeschaafde, de -barbarenvolken. De grens der beschaving is breeder en de vriendschap -der naties is nauwer. Door gelijke rechten kunnen kleine landen bij -groote hun vertegenwoordiger hebben. - -Maar in ’t derde, ’t Stadium van den Uitersten Vrede, genaamd Ta -T’oeng, de Groote Gelijkheid, is er in ’t geheel geen -onderscheiding meer. De barbaren zijn beschaafde volken geworden, en -hebben gelijke rechten met andere volken. - -Al zijn de naties ver vanelkaar, of dichtbij, klein of groot, de heele -wereld is een Eenheid, en ’t karakter der menschheid is tot zijn -hoogste ontwikkeling gekomen. - -Ik zal nu eens aanhalen met Confucius’ eigen woorden, uit zijn werk -„Lente en Herfst” „Ts’oen Ts’ioe”, hoe hij zich dat 3e -stadium Ta T’oeng voorstelt. - -„Als het groote principe van Ta T’oeng regeert, wordt de geheele -wereld één Republiek. Men kiest menschen van talent, deugd en kunde, -deze spreken over ernstige overeenkomst en samenwerking, en bevorderen -algemeenen wereld-vrede. De menschen beschouwen hun ouders niet enkel -meer als hun eigen ouders of hun kinderen als hun eigen kinderen. Er -wordt een practische voorziening getroffen voor ouden van dagen tot aan -hun dood, werkverschaffing voor den middelbaren leeftijd en opvoeding -voor de jeugd. De weduwnaars, weduwen en weezen en kinderlooze oude -menschen, en zij, die door ziekte niet meer in staat zijn te werken, -worden allen behoorlijk onderhouden. Iedere man heeft zijn rechten en -de individualiteit van iedere vrouw is gewaarborgd. De menschen -produceeren goederen en weelde, omdat zij niet willen, dat die -verwaarloosd zullen worden, maar niet voor hun eigen pleizier alleen. -Ledigheid hatende, werken zij, maar niet met het oog op eigen voordeel. -Op die manier worden zelfzuchtige plannen onderdrukt of kunnen zij niet -opkomen. Roovers, inbrekers en moordenaars bestaan niet. Vandaar dat de -huisdeuren open kunnen blijven en niet gesloten worden. Dat is wat ik -het stadium van „Groote Gelijkheid” noem. - -„Nu dit groote principe nog niet ontwikkeld is, wordt in de wereld -geërfd, door de familie. Ieder beschouwt zijn ouders enkel als zijn -eigen ouders en behandelt zijn kinderen enkel als zijn eigen kinderen. -De welvaart van ieder, en zijn werk, zijn enkel voor zijn eigenbelang. - -„Groote mannen verbeelden zich, dat het regel is, dat hun bezittingen -overgaan op hun familie. Hun doel is om de muren van hun steden en -voorsteden sterk te maken en hun grachten en slooten secuur. - -„Ritus en justitie worden beschouwd als de draden, door welke zij in -haar correctheid de betrekking tusschen vorst en onderdaan zien te -handhaven, in haar edelmoedige zorg die tusschen vader en zoon, in hare -harmonie die tusschen ouderen broeder en jongeren, en in een -gemeenschap van sentiment die tusschen man en vrouw, en in -overeenstemming daarmede regelen zij het verbruik, en distribueeren -land en huizen, onderscheiden mannen van militaire bekwaamheid en -knapheid, en volvoeren hun arbeid met het oog op eigen voordeel. Zóó -komt het, dat zelfzuchtige plannen en ondernemingen voortdurend -oprijzen, en daar is altijd oorlog het gevolg van.” - -Tot zoover Confucius, voor zoover ik hem letterlijk aanhaal, ik zal er -nu een en ander uitlichten. Ieder sinoloog weet, dat Confucius de 5 -z.g. „sociale betrekkingen” (die tusschen vorst en onderdaan, vader -en kind, man en vrouw, ouderen broeder en jongeren broeder, vriend en -vriend), hoofdzaak in de sociale en moreele orde vond. Hij beschouwde -die echter van tijdelijken aard in de evolutie der Menschheid, en ze -waren alleen in die evolutie noodig en van kracht voor ’t 2e Stadium -waarin hij leefde, en waarin wij nu nog leven. In ’t 3e Stadium, de -„Groote Gelijkheid”, is de gehééle wereld de eenige sociale -organisatie, en het individu is de onafhankelijke eenheid; zoowel de -sociale als de individueele karakters bereiken hun hoogste -ontwikkeling. Er is geen nationale staat, zoodat er geen oorlog is, -geen defensie-noodzakelijkheid, en er ook geen menschen van militaire -kunde en talenten noodig zijn. Mannen van deugd, talent en bekwaamheid, -worden door het volk gekozen, zoodat het volk zelf souverein is, en de -betrekking tusschen vorst en onderdaan bestaat dus niet meer. Man en -vrouw zijn niet langer gebonden door den band van ’t huwelijk, en de -betrekkingen: vorst en onderdaan, man en vrouw, vader en zoon, oudere -en jongere broeder bestaan niet meer. - -De eenige betrekking die bestaat is: vriendschap. - -Er is geen familie, dus er is ook geen erfenis, geen privaat eigendom, -geen zelfzuchtig plan. Er bestaan ook geen klassen, zoodat de eenige -classificatie, die men kan maken is die van ouderdom of sekse, maar of -iemand oud, middelbaar leeftijd of jong is, man of vrouw, ieder kan -voorzien in zijn behoeften. Het groote Principe van Ta T’oeng -regeert, zoodat iedereen evengoed is als ieder ander, en de -onderscheiding der z.g. moreele constanten: liefde, justitie, ritus, -wetenschap en eerlijkheid niet meer noodig zijn. Iedereen heeft van -zelf liefde voor alle anderen, dus artificieele ritus en justitie zijn -overbodig. - -Men ziet: Confucius geloofde in een ontwikkeling, een evolutie der -menschheid en heeft—zij het in een verre, verre toekomst—den -Wereld-Vrede geprofeteerd, lang voor Carnegie en ’t Vredespaleis. - -Door de geheele leer van Confucius loopt trouwens de leer van den -Vrede, en ook door de leer van een Wijze, die nà hem kwam, Mêng -Tsz’ (Mencius). Mencius zeide eens, en ’t was of hij de politieke -toestanden van vóór dezen oorlog besprak: - -„Zij, die zeggen, dat wij, om onzen souverein, allianties moeten -sluiten met andere staten, opdat onze veldslagen dan succesvol zullen -zijn, worden tegenwoordig goede ministers genoemd, maar vroeger werden -zij genoemd: de pest van het volk.” - -Confucius veroordeelde niet alleen den oorlog, maar ook de -voorbereidingen er voor. Hij noemde dat verspilling van weelde en -welvaart en een zwaren last voor ’t volk. Ook economisch veroordeelde -hij daarom den oorlog. - -Zijn ideaal was: oorlog afschaffen en de militaire maatschappij -veranderen in een industrieele. Toen Confucius eens met zijn discipelen -Tsz’ Loe, Tsz’ Koeng en Yen Yuän op een berg stond, vroeg hij hun -eens hun individueele wenschen op te noemen. - -Tsz’ Loe zei, dat hij wenschte een leger te vormen, den vijand aan te -vallen en duizenden mijlen grondgebied te veroveren. - -Tsz’ Koeng zei, dat hij een wit kleed wenschte aan te doen en een -witte kap opzetten om de oorlogvoerenden tot rede te brengen en te -verzoenen. Maar Yen Yuän zeide: „Mijn eenige wensch is, een vrijen -koning of andere wijze regeering te hebben en daaronder minister te -worden. Ik zou dan maken, dat de wallen der steden niet meer noodig -waren, en ook geen grachten, want geen vijand, die er over wilde komen, -en dat ik de zwaarden en lansen kon laten smelten om er -landbouwwerktuigen van te maken. Ik zou voor duizend jaren een oorlog -onmogelijk maken.” - -Confucius viel hem bij. Tsz’ Loe sprak als een militair, Tsz’ Koeng -als een diplomaat, maar Yen Yuän en Confucius als de hoogste -staatsman, met ’t hoogste ideaal, als de Wijze, die den Vrede wil. -Het meest belangrijke is hier: ’t smelten van zwaarden en lansen om -er landbouwwerktuigen van te maken. Soldaten zouden hierdoor tot -vreedzame landbouwers worden. Plato’s ideaal-staat was nog altijd een -kleine goed begrensde staat, tot den oorlog zoo noodig gereed. -Confucius’ ideaal ging verder de toekomst in. Hij heeft voorgevoeld -den Wereld-Vrede, in het derde stadium, de Groote Gelijkheid. Het -eerste Vredespaleis, een geestelijk, is opgetrokken door de Oostersche -gedachte van Confucius, en was vrij wat eerlijker en reëeler dan het -stoffelijke luxe-paleis op den Scheveningschen Weg, met heel wat minder -vertoon en koude drukte er omheen. - -De geheele Confucianistische filosofie is steeds gericht op: ten eerste -zelf-volmaking, maar deze niet egoïstisch bedoeld doch steeds leidende -tot het door eigen deugd volmaken van de medemenschen, de broeders. -Alle menschelijke deugden beschouwt Confucius als te zijn vervat in -één hoofddeugd, ideographisch uitgedrukt door een karakter -„Jên”, samengesteld uit twee andere, waarvan het eene „mensch” -en het andere „twee” beteekent. Alzoo: „twee menschen in één -vereenigd.” - -Prof. Legge en vele andere sinologen vertalen het met -„benevolence”, Dr. Chen Huan Chang noemt het „Love”, Liefde. De -Confucianistische hoofddeugd is alzoo liefde voor den medemensch, -Broederschap, en wel omdat (men denke hier aan het te voren behandelde -karakter „shoe”) „mijn hart is evenals het hart van andere -menschen”. - -Een andere Confucianistische deugd wordt genoemd „Yi”, ideografisch -geschreven met een karakter, waarvan het eene deel beteekent „ik, -ikzelf”, en het andere waarschijnlijk eene samentrekking is van -„goed”. Alzoo beteekende: „ik zelf goed”. Alzoo „Jên”, -Broederschap, slaat op de anderen, de medemenschen, en „Yi” is een -aspect van het zelf. Wij hebben anderen lief, maar wij maken ons zelven -rechtvaardig. - -Als men den toekomst-droom van Confucius goed in het oog blijft houden, -dien droom, waarin de „Groote Gelijkheid” der menschen bereikt zal -zijn, maar tevens niet vergeet, dat thans, in het z.g. „Tweede -Stadium” waarin de menschheid nog verkeert, de groote verschillen -bestaan tusschen den „Shêng Jên”, den „Kiün Tsz” en den -„Siao Jên”, dan begrijpen wij, hoe Confucius, van het Zelf -uitgaande het ethische leven boven het economische stelde, maar de -maatschappij in dat nog onvolmaakte tweede stadium beschouwend, het -economische nog moest stellen boven het ethische. - -Een treffende illustratie hiervan is te geven uit de „Loen Yü”, de -Verspreide Gezegden van Confucius. Toen Confucius eens in zijn wagen -uitreed, zeide hij tot zijn wagenmenner Yan Yu: „Hoe talrijk is het -volk!” - -Toen zeide Yan Yu: „Als ze dan zoo talrijk zijn, wat moet er dan nog -méér voor hun gedaan worden?” - -„Geef hun welvaart” was het antwoord—„En als zij welvaart -hebben, wat dan nog meer?”—En Confucius zeide: „Onderwijs hen!” - -En hier sprak hij een universeel principe uit. Vóór het volk te -onderwijzen moet men het voedsel en welvaart geven. In de „Shi -King”, den Bijbel der Poezie, staat: „Geef hun eten en geef hun -drinken (dus dit eerst. H. B.) Onderwijs hen en leer hen”. - -Er moet goed onderscheiden worden dat Confucius twee principes gaf, -voor twee klassen menschen, superieure menschen en kleine menschen. De -hóógste, Heilige of Wijze menschen hebben geen aparte principes -noodig, daar deze de wijsheid reeds hebben. Voor de superieure menschen -is het ethische leven hoofdzaak; voor de mindere menschen het -economische. Confucius zeide ook nog (zie de „Loen Yü”) „De -geest van den superieuren mensch is gericht op Rechtvaardigheid; de -geest van den minderen mensch is gericht op voordeel”. - -Voor den minderen mensch, die nog niet onderwezen is, en die ’t -allereerst nog voor zijn dagelijksch brood heeft te zorgen, is voordeel -’t voornaamste. - -In Mencius lezen wij: „De man van volmaakte deugd is aldus: strikt -volgende rechtvaardigheid, maar niet om het voordeel; grondig principes -overwegende, maar niet met de verwachting van succes”. - -Confucius verbood aan vorsten en aan superieure menschen over -„voordeel” te spreken, maar daarom zeide hij nog volstrekt niet dat -het volk niet om voordeel mocht denken. De begrippen „Li”, -voordeel, winst, en „Yi” rechtvaardigheid, van Confucius, zijn, ook -door sommige Chineesche Confucianisten, vooral in de Soeng dynastie, te -veel als tegenstellingen genomen. - -De moderne Confucianisten, aldus Chen Huan Chang, houden ze voor -hetzelfde, maar in verschillende termen, voor verschillende klassen van -menschen. Zij harmonieeren economie en ethica en identificeren -Rechtvaardigheid met voordeel. Zij zeggen: het wàre Voordeel, dat -tegen Rechtvaardigheid ingaat zal, op den langen duur, blijken géén -Voordeel te zijn. Het onmiddellijk Voordeel te verkiezen boven Recht is -zelfmoord-politiek. - -Dat Confucius de woorden Voordeel en Rechtvaardigheid toch nog als -verschillend gebruikte, is omdat hij steeds drie stadia van evolutie -der menschheid voor oogen had, en hij wist, nog maar in het tweede te -leven. - -Als hij steeds het woord „Voordeel” in plaats „Recht” gebruikte -zou dat, in het tweede Stadium, dat der z.g. „Kleine Rust” -aanleiding tot verwarring kunnen geven. Dan zou misschien meer om geld -dan om karakter worden gedacht. Ook in onze Europeesche geldmakende -maatschappij van thans zou dit zoo zijn. - -Hoewel ten slotte de economische principes harmonieeren met de -ethische, kan onder sommige omstandigheden economisch leven niet -bestaan naast ethisch leven. - -Een mooie illustratie hiervan geeft het volgende: [25] - -„Tsz’ Koeng (een discipel) vroeg eens Confucius een en ander over -Regeering: - -„De vereischten voor eene Regeering”, zeide Confucius, „zijn dat -er voldoende voedsel zij, voldoende soldaten, en het geloof -(oprechtheid, eerlijkheid) van het volk”. Tsz’ Koeng zeide: „Als -het nu eens niet anders kón, en een van deze dingen moest weg, welke -moest dan het eerste weg?”—„De soldaten” antwoordde -Confucius.—„En als het nu eens niet anders kón maar een van de -twee overblijvende moest weg?” was nu de vraag weer.—En Confucius -antwoordde: „Doe dan afstand van het voedsel. Van oudsher af is de -dood het lot van alle menschen, maar als er geen geloof (oprechtheid, -eerlijkheid) in de harten der menschen is, is de Staat niet -gevestigd.” - -Het woord voedsel moet hier worden opgevat als te omvatten alle -economische leven; het woord soldaten alle militaire krachten; het -woord geloof alle godsdienstige en ethische leven. Zelfs in dèze -woorden noemt Confucius het voedsel, het economische, het eerste, -vóóraan, als antwoord op een vraag omtrent Regeering. Maar tóch -concludeert hij, als òf ’t economische òf ’t ethische leven moet -worden opgeofferd, tot opoffering van ’t economische. Dit schijnt -tegenstrijdig aan zijn eigen principe dat economisch moet harmonieeren -met ethisch, maar tòch is er hier harmonie. In het éérste Stadium -der Evolutie, het z.g. Primaire, Wanordelijke, weten de menschen nog -niet van ethica, hun onmiddellijke behoefte is voedsel, en als ge tegen -hun spreekt over ethica en godsdienst—zooals nù nog in Europa zoo -veel gebeurt—terwijl ze honger en gebrek lijden, luisteren ze daar -niet naar. - -Maar in de gulden toekomsteeuwen der „Ta T’oeng”, der Groote -Gelijkheid, zal dit alles anders zijn, dan zullen Ethica en Economie -niet meer in botsing komen omdat ze een zullen zijn. - -Ik kom thans aan het einde van mijn hoofdstuk over Confucius, den -grooten Wijze, in wien de Geest van China het meest belichaamd is. Die -geest is de geest van den staat, de familie, en het individu van China -tegelijk. - -De Confucianistische Staat is eene evolutie van moreele Orde, schreef -Johnson. De integriteit van de politieke sfeer is er afhankelijk van -het zelf-respect en de beschaving van haar leden. De familie is de -sociale eenheid van den staat, en ieder is gehouden, die sociale -eenheid zoo edel en moreel mogelijk te maken. Verder wordt het recht om -anderen te regeeren gebaseerd op de macht om zich zelf te regeeren. In -de „Loen Yü” staat: „De cultiveering van het Zelf is de wortel -van alles”. - -De geheele wereld en ook het geheele Heelal worden bijeengehouden door -één „alles-omvattende Eenheid”. Die Eenheid is het universeele -van alle principes, en omvat onder één Wet de Persoon, de Familie, -den Staat en het Heelal. Eenheid, dat hoogste doel van alle -godsdienstige filosofie, rust voor Confucius op puur ethische en -practische gronden en hun toepassing op iedere sfeer. Zooiets als zonde -of zondeval is in de geheele Chineesche filosofie onbekend, en, zooals -ik reeds zeide, zooiets geraffineerd kwaads als b. v. de Satan-idee -eveneens. Ieder mensch kan volgens Confucius de Deugd bereiken, omdat -de Deugd zijn innerlijke natuur is en zijn onveranderlijke betrekking -tot het Heelal. Zóó als het Christendom het Vaderschap van God -erkent, zóó is het Confucianistische geloof een erkentenis van de -Wijsheid, Orde, Goedheid en Rechtvaardigheid van kosmische wetten, door -Shang Ti, het opperwezen voorgesteld en van ’s menschen Eenheid -daarmede. De natuur van den mensch is, volgens Confucius niet, zooals -’t Christendom aanneemt, door een oorspronkelijken zondeval -„zondig”, maar zóó als de natuur van goud hardheid is, en de -natuur van vuur hitte, zóó is de natuur van den mensch „Jên” -d.i. tegelijk liefde, rechtvaardigheid, getrouwheid, wijsheid, -zedelijkheid. De Hemel—Th’ien—heeft den mensch géén zonde -medegegeven, maar de opperste goedheid en deugd, en de geheele kunst -van het leven is, deze rein te houden, en zich te concentreeren in wat -het hart—hier ook: de geest—van den Hemel medekreeg bij zijn -geboorte. Men kan, dit in ’t oog houdende begrijpen, hoe moeilijk een -Chinees het Christendom met zijn idee van zondeval, aanneemt. - -Gebed is in dit systeem onnoodig, omdat de Hemel zich niet met ieder -mensch apart bemoeit. De Hemel, Th’ien, [26] helpt niet speciaal -dezen of genen. Th’ien op zich zelf, absoluut zijnde, staat ook boven -de relatieve begrippen goed of kwaad, want het probleem, wat Th’ien -is, is transcendent aan alle betrekkelijkheden. Goed en kwaad bestaan -alleen ten opzichte der evolutie van wereld en mensch. - -In een Appendix van de „Yih King” staat te lezen: - -„De kosmische processen geven hun stimulans aan alle dingen, maar -hebben niet de bezorgdheid van den Wijze”. - -Th’ien representeert kosmische processen, de Wijze ethische. Maar wel -heeft Th’ien bij de geboorte den mensch—en trouwens al het -bestaande—de Sing medegegeven, waarin alle deugd en goedheid inherent -zijn, en de mensch heeft de bewustheid, om die volmaakt in hem te doen -blijven, als hij de Sing maar in den volmaakten staat „Ch’ing” -houdt. En dat kan hij door oefening en studie, en leert hij ook door -smart. - -Zulk een leer geeft den mensch zelf-respect, zelf-bewustheid, -waardigheid. Die waardigheid, met een sereene kalmte en voorname rust -zijn dan ook het kenmerk van den beschaafden, ontwikkelden Chinees. -Heftigheid, grofheid en drift, die groote gebreken van den Westerling, -zijn in China bewijzen van onbeschaafdheid, ongeletterdheid, en gebrek -aan evenwicht, middenmaat. Rust, kalmte, worden ze niet den Chinees -geleerd in die wonderwijze leer van „Choeng Yoeng”, en zijn -evenwicht en middenmaat niet het bewijs dat er Harmonie is in het -leven? Het is die waardige kalmte, die stijlvolle rust, die zich in al -de gebaren van het Chineesche ceremonieel, de Li, uitdrukt, die Li, die -het uiterlijke rythme is van het innerlijke evenwichtige, harmonieuze -leven. De gebruikelijke wensch en groet der Chineezen: „ts’ing -ngan” („ik wensch, ik verzoek voor u Rust”) drukt dit al reeds -uit. Men wenscht elkaar geen vermaak, of amusement, maar Rust, die -immers het hoogste levensgeluk is. - -En Rust is tegelijk „Midden”, want zij is te vinden in -„Choeng”, het geestelijk centrum van al ’t geopenbaarde. - -In dezen groet „ts’ing ngan” weerspiegelt zich de Geest van China -zeker wel het schoonste. - -Alvorens dit hoofdstuk te eindigen over Confucius en over zijn Leer, -waarin de Geest van China bijna geheel bevat is, wensch ik even eenige -regelen aan te halen, die ik in mijn werk „Het Daghet in den -Oosten” [27] in het hoofdstuk „Confucius en de Hal der -Klassieken” aan dezen grooten Wijze gewijd heb: - -„Het is wèl zeer merkwaardig, en zoover ik weet eenig in de -wereld-geschiedenis, dat niet een of andere Godheid, maar een Wijze, -die nooit bepaald gedeïfieerd is, al is hij een Heilig Mensch -verklaard, dus altijd mensch is gebleven, als het voorbeeld van het -nageslacht, zoowel van keizeren als van het volk, is vereerd. Niet de -een of andere buitengewone krijgsman of veroveraar, maar een Wijze, is -het groote, zoowel moreele als politieke voorbeeld, het voorwerp der -diepste vereering van het Chineesche volk geweest, en dit feit is zóó -veelzeggend, dat het voor China’s toekomst de schoonste mogelijkheden -van wijsheid, schoonheid en rechtvaardigheid bevat. Een volk, dat niet -de brute kracht van den geweldenaar, noch het enkele keizer- of -koningschap zonder meer, maar de Wijsheid als hoogste goed beschouwt, -en in een Wijze zijn voorbeeld ziet, zulk een volk kan aan de spits der -beschaving komen te staan, als het de moeilijkheden en strubbelingen -zijner hervorming eenmaal te boven is gekomen”. - -„Denkt niet, gij Europeanen, mijn blanke broeders, al is het -brieschende stoompaard Peking binnen gedaverd, al blinken de -telephoon-draden boven de Verboden Stad, al trillen de westersche, -moderne ideeën boven de Chineesche volksziel, en al breekt de -hervorming haar glorieuze baan, spoken van duisternis, bijgeloof en -onkunde verjagend, dat daarom ooit de geest van den grooten Meester -Kh’oeng uit het Chineesche volk zal worden verdreven, want de kern -van Waarheid die hij, naast veel nu overtollige bespiegeling over -eertijds onontbeerlijke ceremonieel blootlegde, is een goddelijke gift, -niet van de tijden, maar van de eeuwigheid. De uiterlijkheden zullen -veranderen, nieuwe stroomingen van gedachten zullen door het Chineesch -brein gaan, nu de vensters naar een nieuwe toekomst reeds wijd zijn -opengewaaid, maar onvernietigbaar zal door het Chineesche volk de -Wijsheid van den Meester Kh’oeng in haar innigste kern, ontdaan van -wat tijdelijk was en niet eeuwig, als zijn grootsten en heiligsten -schat worden bewaard.” - -„De hooge Literatuur, die de schoone vorm is, waarin de hooge -Wijsheid zich openbaart, zal ook voor het moderne, hervormde China het -hoogste bezit blijven, niet de macht van geld, pantserschepen en -kanonnen”. - -„Een volk, dat de Wijsheid, de hooge Literatuur boven alles vereert -en liefheeft, is het Volk van de toekomst, en als de liefde voor -Confucius—de innerlijke, niet die der uiterlijkheden—het blijft -bezielen, en niet breekt door den samenstoot met het onafwendbare -moderne, dan heeft het in zich een macht, grooter dan legers en -vloten....” - -Men moet vooral in het moderne, dat China thans in sommige opzichten -aanneemt, geen algeheele reactie zien tegen het oude. Zelfs de -republikeinsche revolutie van 1911–1912 was dit niet. Mijn vriend Dr. -Lim Boon Keng, die te Nanking in het gevolg van Dr. Sun Yat Sen was, -schreef mij: - -„We have dethroned a dynasty that had lost the spirit of antiquity, -and amidst the ruins of revolution, I hope, we shall reconstruct a new -temple upon the wisdom of the sages.” Dit is nooit goed ingezien, dat -de revolutiemannen van 1911, dat dus ook hun leider Dr. Sun Yat Sen, -wèl hoognoodige westersche hervormingen wilden, maar niet den ouden -Geest van China wenschten te verjagen. Integendeel, zij wenschten dien -Geest terug te krijgen, dien zij in gevaar zagen, onder de -Mandsjoe-dynastie verloren te gaan, en wel wilden zij een nieuw China -opbouwen, maar op de oude grondvesten: de Wijsheid der Ouden. - - - - - - - -MENCIUS - - -In het jaar 371 v. C., ruim honderd jaar na den dood van Confucius, -werd in denzelfden staat Loe, waarin Confucius ter wereld kwam, de -Chineesche wijsgeer Mêng geboren, later Mêng Tsz’ genoemd -(gelatinizeerd: Mencius), die op den geest van het Chineesche volk, -evenals zijn groote voorganger dit deed, een invloed zou uitoefenen, -dien tweeduizend jaren niet konden doen verminderen. - -De revolutie van 1911–1912 zou wellicht nooit ontstaan zijn, indien -de ideeën van Mencius niet zoo diep in den Chineeschen geest waren -doorgedrongen. Immers, Mencius was vóor alles de echte volkstribuun, -die steeds geleerd heeft, dat het volk het recht en zelfs den plicht -heeft, den souverein van den troon te stooten, die niet met Wijsheid -regeert en wien het belang van ’t volk niet vóór alles gaat. - -Mencius leefde in een tijd, toen Confucius’ geschriften en -overgeleverde leerstellingen reeds algemeen verspreid waren, en -ontwikkelde zich geheel en al door den invloed, dien Confucius’ geest -op hem uitoefende. Evenals zijn’ voorganger beleefde hij een tijd van -uiterste verwarring, en zag hij vorsten van verschillende feudale -staten met elkaar om den voorrang strijden, en precies als Confucius -ging hij rond bij de verschillende vorsten om hun raad te geven en te -vermanen. Behalve hertog Wan van den Staat Th’ang, die met ijver -trachtte, zijn plannen voor sociale verbetering en volksopvoeding ten -uitvoer te brengen, luisterde echter geen dier vorsten ernstig naar -hem, en hij ondervond dezelfde teleurstellingen als Confucius, al kwam -het bij hem niet tot een zoo ongelukkig lot van verbanning en -uitstooting. - -De filosofische beginselen van Mêng Tsz’ zijn in hoofdtrekken -dezelfde als die van Confucius, maar terwijl Confucius meer den nadruk -legde, in wijsgeerige politiek, op de centrale monarchie, en de -zedelijke kracht, die van den vorst behoort uit te gaan, zocht Mencius -het gewicht van den staat vooral in de rechten van het volk. Mencius is -dan ook de groote democraat, de echte volksman van China geweest, die -openlijk het recht uitsprak van het volk, om iederen vorst, die het -verdrukte, te verjagen en desnoods te dooden. Deze leerstellingen sprak -hij zelfs onomwonden uit tegenover de vorsten, die hij ontmoette, en -zijn geheele leven door heeft hij de onafhankelijke, onbevreesde, -fiere, zelfbewuste houding tegenover vorsten aangenomen, die den echten -volkstribuun kenmerken. In dat opzicht was Confucius altijd meer een -hoveling, ofschoon men hierbij niet moet vergeten, dat deze in koningen -en prinsen een boven hem geplaatste macht zag in de kosmische Orde der -Dingen. - -Ik meen, den geest van Mêng Tsz’ niet beter te kunnen aanduiden dan -door eenige fragmenten te geven uit zijn werken. De tekst van -Mencius—een der „Vier Boeken” (waarvan Confucius’ „Choeng -Yoeng”, „Ta Hioh” en „Loen Yü” de andere drie zijn) van -China—wordt door de literair-filosofische autoriteiten uit de Oudheid -aan hemzelf toegeschreven, maar latere deskundigen meenen, dat een -zijner discipelen hem heeft geschreven. - - - -„Als iemand door (brute) kracht menschen onderwerpt, onderwerpen zij -zich niet aan hem in hun hàrt, maar omdat hun kracht niet er tegen -opgewassen is. Als iemand hun onderwerpt door Deugd, zijn zij -vergenoegd in hun innerlijkste hart, en zij onderwerpen zich ernstig, -zooals het geval was met de 70 discipelen van Confucius”. - - - -„Er is een weg om het Keizerrijk te verkrijgen: krijg het volk en ge -hebt het keizerrijk. Er is een weg om het volk te verkrijgen: krijg hun -harten en ge hebt het. Er is een weg om hun harten te verkrijgen: het -is eenvoudig door bijeen te zamelen wat zij wenschen en hun niet op te -leggen wat zij niet wenschen. Het volk keert zich naar een liefderijk -regeerder zooals water benedenwaarts stroomt en zooals wilde beesten -naar de wildernis loopen.” - - - -„Mencius zeide: „Van al de deelen die in een mensch zijn is de -oogpupil het uitstekendste. De oogpupil kan zijn slechtheid niet -verbergen. Is (alles in) de borst in orde dan is de pupil ook in orde, -als (alles in) de borst niet in orde is, dan is de pupil dof. Luister -naar iemands woorden en kijk naar zijn pupil. Hoe kan iemand zijn -karakter verbergen?” - - - -„Diè man is groot, die niet zijn hart verliest van toen hij een kind -was”. - - - -„Ofschoon een mensch slecht kan zijn, tóch, àls hij zijne gedachten -betert, vast, en zich (schoon) baadt, mag hij aan Shang Ti offeren.” -[28] - - - -„Ik heb nog nooit gehoord van iemand, die zelf boog, en toch anderen -recht maakte.” - - - -Mencius zeide: „Ik houd van visch en ik houd van berenklauwen. Als ik -ze niet beide kan hebben doe ik afstand van de visch en neem de -berenklauwen. Zóó houd ik van leven en ik houd van rechtvaardigheid. -Als ik ze niet beide kan hebben doe ik afstand van het leven en neem de -rechtvaardigheid. Ik houd ook van leven, maar er is iets waar ik meer -van houd dan van leven, en daarom wil ik het niet bezitten door -oneerlijkheid. Ik haat ook den dood, maar er is iets wat ik meer haat -dan den dood, en daarom zijn er gelegenheden, waarin ik hem niet wil -vermijden.” - - - -„Hier is een klein mandje rijst en een schotel soep, en het geval -doet zich voor dat het krijgen daarvan leven beteekent en het ontberen -dood; als zij worden aangeboden met een beleedigende stem zal zelfs een -landlooper ze niet willen hebben, en als ge er eerst op trapt zal een -bedelaar zich niet bukken om ze op te rapen”. - - - -„Sommige deelen van het lichaam zijn edel en anderen verachtelijk. -Het groote mag niet geschaad worden voor het kleine, het edele niet -voor het verachtelijke. Hij, die het kleine in zich voedt is een klein -mensch, hij die het groote in zich voedt, is een groot mensch”. - - - -„De Discipel Koeng Too zeide: „Wij zijn allen menschen, maar -sommigen zijn kleine menschen en anderen groote, hoe zit dat nu?” - -„Mencius zeide: „Zij, die het groote, in hun belichaamd, volgen -zijn groote menschen, zij die het kleine, in hun belichaamd, volgen -zijn kleine menschen.” - - - -„Laat een mensch eerst gevestigd staan in het groote dat hij heeft, -dan kan het kleine dat hij heeft het niet van hem wegnemen”. - - - -Mencius zeide: „Hij, die zijn Geest uitgeput heeft kent zijn Sing. -[29] Kent hij zijn Sing dan kent hij Th’ien”.[29] - - - -Mencius zeide: „Alle dingen zijn (reeds) compleet in ons”. - - - -Mencius zeide: „De lichamelijke vormen en de begeerten behooren (ook) -tot onze Sing van den Hemel. Maar men moet een Shêng Jên (Heilig -Mensch) zijn eer men ze op de rechte plaats kan ordenen.” - - - -Mencius zeide: „De bekwame kunstenaar zal niet van zijn weg afwijken -om een dommen werkman”. - - - -Mencius zeide: „Er zijn menschen die zeggen: „Ik kan goed troepen -drillen, ik kan goed veldslagen leveren”, maar dat zijn groote -misdadigers”. - - - -Mencius zeide: „Het volk is het meest belangrijke element, de geesten -van het land en het graan het tweede, de vorst het minste.” - - - -(Mencius zeide): „De Kiün Tsz’ betracht de Wet (van het Recht), -wacht op wat over hem beschikt is door den Hemel, [30] en daarmede -uit.” - - - -(Mencius zeide): „Ik heb nog nooit gehoord dat principes afhankelijk -zouden zijn van hun uitwerking op andere menschen.” - - - -Mencius zeide: „In de Ts’oen Ts’ioe [31] komen geen rechtvaardige -oorlogen voor. Er zijn wèl voorbeelden van één oorlog die beter was -dan een ander”. - - - -„Het is een oude wet dat de verdrukker zonder waarschuwing ter dood -gebracht mag worden”. - - - -„Groote veldheeren zijn groote misdadigers. De harten der menschen -onderwerpen zich niet aan kracht, maar aan Deugd”. - - - -„Den Hemel dienen bestaat in het voeden van de ware constitutie van -ons wezen, bezorgd noch om dood, noch om leven.” - - - -„Door deugd alleen in zichzelf krijgt men nooit macht over andere -harten. Men moet zijn deugd tot steun voor anderen maken.” - - - -„De eer, dien de mensch verleent, is geen ware eer”. - - - -„Van de eigenschappen van den Wijze is er geen grooter dan die van -een helper der menschen te zijn tot een goed leven. Er is geen grooter -genot dan bewust te zijn van Recht in ons. Als men streeft om anderen -te behandelen zooals men door hen zou willen behandeld worden, is men -niet ver van het volmaakte leven.” - - - - - - - -DE „YIH KING” - - -De „Yih King” of, zooals het door de sinologie vertaald is, het -„Boek der Transformaties” is de basis eigenlijk der gansche -Chineesche filosofie, en ik durf wel zeggen dat al dieper en dieper in -den Geest van China doordringende, men het essentieele wezen er van -eerst vindt in de „Yih King”. De Chineesche autoriteiten op -literair en filosofisch gebied beschouwen het dan ook als de bron, -waaruit alle andere klassieken gevloeid zijn. - -Zeer juist noemt Samuel Johnson de „Yih King” het boek, waarin, in -symbolische voorstellingen, in een soort filosofisch Algebra, „de -identiteit van het abstracte met het concrete” wordt gedetermineerd. - -Ik kan in dit werk „De Geest van China”, dat eenigszins populair -bedoeld is, althans voor een publiek van niet-sinologen, niet eene fijn -uitgesponnen, geleerde verhandeling over de „Yih King” leveren, -maar wèl kan ik er de hoofdgedachte van aan trachten te geven. - -Ik zeide reeds dat de Chineesche wijsbegeerte zich nooit heeft -vermeten, de allerhoogste Godheid te definieeren, of tot een -persoonlijkheid te beperken. In de „Yih King„sche filosofie wordt -dit onbeschrijfelijke, ondenkbare, voor het menschelijk begrip -onbenaderbare goddelijke „primum mobile” principe aangeduid met de -karakters „T’ai Kie”, waarvan „Tai” beteekent: „groot, en -grootsch” en „Kie” „uiterste, het uiterste van”. Alzoo: -„het Groote Uiterste”. Het is ook wel vertaald met „het Groote -Absolute”, maar ik zal liever de Chineesche term „T’ai Kie” -behouden, en daarbij denken aan zooiets als een abstract principe als -Monade, de primordiale oorzaak van al het geopenbaarde, het uiterste -dat het menschelijk denken kan bevatten. - -Dit wordt, evenals in andere filosofische systemen, wel eens symbolisch -voorgesteld door een cirkel, leeg van binnen. - -Wij zouden dit „T’ai Kie” dus ons kunnen denken als het -Ongeopenbaarde, zéér veel overeenkomst hebbende met het Tao van Lao -Tsz’. Door dit T’ai Kie, symbolisch voorgesteld door een’ cirkel, -werden twee oer-principes in en uit zich gevormd, in de „Yih King” -gesymboliseerd door een rechte geheele lijn en een rechte gebroken -lijn. Op de volgende wijze is dit gesymboliseerd, in een commentaar van -een mijner edities der „Yih King”. - - - ------- -FIGURE ------- - - - -Met lette hierbij vooral op dat beide, èn de geheele lijn, èn de -gebroken lijn, door en uit de „T’ai Kie” zijn gevormd. De -mystieke principes nu, voorgesteld door deze geheele en deze gebroken -lijn, zijn, volgens de „Yih King” de principes van als het -Geopenbaarde. In de „Yih King” zelve werden oorspronkelijk deze -termen niet gebruikt, maar de latere filosofen noemden het eerste, de -gehééle lijn, het principe „Yang”, het tweede, de gebroken lijn, -het principe „Yin”. Het eerste ook wel genaamd het principe van -Licht, van Beweging, van ’t Mannelijke, het tweede dat van Duister, -van Rust, van ’t Vrouwelijke. - -Deze twee principes ———— en —— —— combineerden zich, -van diagram, in een groep van (op een rythmus van) telkens drie tot de -z.g. acht (= 23) „kwa”, waarvan iedere „kwa” alzoo een drietal -is, in de volgende triagrammen voorgesteld: - - - 1 2 3 4 5 6 7 8 - ☰ ☱ ☲ ☳ ☴ ☵ ☶ ☷ - - -Zooals men ziet zijn deze triagram-figuren, alternatief bestaande uit -heele en gebroken lijnen, terug te brengen tot vier oorspronkelijke -symbolen: - - - ⚌ ⚍ ⚎ ⚏ - - -en deze weer tot twéé - - - ⚊ ⚋ - - -die voorstellen de allereerste divisie of ontwikkeling van Yin en Yang -uit en ook in de Eénheid T’ai Kie. Uit deze twee, deze vier, en ten -slotte de acht triagrammen zijn weer 64 hexagrammen ontstaan, waarvan -ik er hier twee als voorbeeld aangeef: - - - ䷀ ䷻ - - -Een zesvoudige vermenigvuldiging geeft weer 384 anderen, en door -verdere processen van vermenigvuldiging is eene serie van tot op -16777216 (= 224) door geleerden berekend, die natuurlijk weer voor -expansie tot in ’t oneindige vatbaar is. Maar—de hoofdzaak van -alles—die gansche, het verstand tartende Veelheid is toch terug te -brengen tot de absolute in-zich-zelf terugkeerende Eenheid, en alle -verscheidenheden zijn dus op mystieke wijze identiek. - -De triagrammen worden verondersteld te zijn ontwikkeld door den -legendarischen keizer Fuh Hi (2852–2738 v. C.), en de eerste -verklarende studiën der dia- en triagrammen door hertog Wen, later -gecanoniseerd als koning Wên, stichter der Chow dynastie (1231–1135 -v. C.). - -Een onophoudelijk proces van evolutie en revolutie is voortdurend aan -het werk, in den loop waarvan de verschillende oer-elementen of -elementaire krachten der natuur, door de dia- en triagrammen aangeduid, -elkaar wederkeerig uitdooven en doen geboren worden, en zóó de -phenomena van ’t bestaan voortbrengen. Want op deze primitieve, maar -diepzinnige manier trachtte deze Chineesche bespiegeling het stoute -stuk uit te voeren—in geen enkel ander filosofisch systeem -bekend—om de rythmische openbaring van het Goddelijke („T’ai -Kie”) in het Heelal tot in haar oer-elementen en principes na te -vorschen. Ik kan mij, in de beperkte ruimte van dit hoofdstuk, niet -begeven in het op den voet volgen van deze acht „kwa” en hun -vermeerdering tot vier en zestig dubbele „kwa” (hexagrammen dus, -van zes elk), maar wil vooral de aandacht blijven vestigen daarop, dat -zij allen gevormd zijn uit de oorspronkelijke geheele lijn ———— -en de gebroken lijn —— —— en dat deze beide geproduceerd -werden door en uit het „T’ai Kie”. Het schijnbare dualisme van de -geheele en de gebroken grondlijnen der „kwa”, van ’t principe -„Yang” dus en ’t principe „Yin” berust dus—dit onthoude men -wel—op een Eénheid. (Men denke hier ook aan de „Eenheid” van -Confucius). [32] - -Het geheele geopenbaarde Heelal bestaat uit verbindingen, in eindelooze -combinaties en permutaties van deze „kwa”, uit verbindingen alzoo -van die mysterieuze oer-principes, symbolisch voorgesteld door de -geheele lijn ———— en de gebroken —— ——, maar—ik -kan hier nooit genoeg op wijzen—die beide zijn uit Eén, het T’ai -Kie geopenbaard, en dus eigenlijk op geheimzinnige wijze identiek. De -geheele constitutie van de Natuur en ook van den mensch ligt in -essentie in deze twee symbolen van gehéélheid en van verdeeling. - -Het gansche Heelal is eene ontwikkeling, een evolutie, in steeds -wisselende „transformaties”, van alle wezens en dingen uit de -oer-elementen „Yang” en „Yin”, totdat ééns, als de adem, die -deze wisselingen bezielt, ophoudt, alles weer tot het oneindige, -onbegrijpelijke, onuitsprekelijke „T’ai Kie” terug is gekeerd, -aan het einde dezer cyclische evolutie. - -Het eerste triagram - - - ☰ - - K’ien - - -van drie gehééle lijnen wordt genaamd „K’ien”, en symboliseert -„de Hemel”, en ook „de energie, de werking van den Hemel”. (Het -karakter „K’ien” is ideografisch samengesteld, en men lette op de -diepe beteekenis hiervan, uit twéé, waarvan het eene beteekent „de -kracht der natuur” en het andere „zonlicht”), het achtste -triagram: - - - ☷ - - Kw’oen - - -van drie gebroken lijnen wordt genaamd „Kw’oen”, en symboliseert -„de Aarde”, in haar ondergeschiktheid aan den Hemel. (Het ééne -karakter „kw’oen” is ideografisch samengesteld uit twéé, -waarvan het eene „aarde” en het tweede „zich uitstrekken” -beteekent). - -Men neme hier „Hemel” en „Aarde” niet zoozeer in de meer -concrete beteekenis van „uitspansel” en „grond”, maar in meer -abstracte, symbolische. K’ien, of Hemel, wordt ook wel „Yang” -genoemd (oorspronkelijk echter is „Yang” gesymboliseerd door één -enkele, en niet drie geheele lijnen), en Kw’oen, of Aarde, is dan -„Yin”, terwijl overeenkomstig met deze twee de Zon en Maan als -symbolen worden genomen, als de eerste mannelijk, de tweede vrouwelijk. -Zóó wordt weer de Man als personifieerend Yang, en de Vrouw als -personifieerend Yin aangenomen. - -Tusschen de uitersten K’ien en Kw’oen in evolueert het geheele -Heelal, in een millioenen cyclus, terug te brengen tot de 64 -hexagrammen en deze weer tot de 8 triagrammen, in eindelooze „Yih”, -d. i. transformaties, besloten in de Eenheid „T’ai Kie”. - -In een commentaar van Lai Th’ang in een mijner „Yih King” edities -staat: „K’ien en Kw’oen zijn het Mannelijke en Vrouwelijke van de -„tienduizend dingen” [33] (maar) het Mannelijke en Vrouwelijke zijn -het K’ien en Kw’oen van één ding”. Verder „Het Mannelijke en -Vrouwelijke staan in onderlinge verhouding van hun contrasten, en -daartusschen in beweegt de „ch’i”” (waarover straks). - -Als men zich blind staart op de hierboven gereproduceerde triagrammen, -en er slechts een spel van streepjes in ziet, zooiets als wichelstokjes -van heidenen en barbaren, wordt de „Yih King” natuurlijk niet veel -meer dan een mystificatie, een soort kinderachtig tooverboek van -hocus-pocus. Als men dan nog de legende er bij overweegt, dat deze -geheimzinnige „kwa” zouden zijn ontdekt op den rug van een -draakachtig paard, dan wordt die mystificatie nog onzinniger. - -Wij kunnen—en moeten—echter dergelijke mystieke teekens trachten te -doorgronden enkel als symbolen in hun diepe geheime beteekenis, en -iedere serieuze Chineesche filosoof leest er in, zooals Samuel Johnson -het zoo treffend heeft uitgedrukt: „the simplicity and university of -natural laws”. Nergens als in Samuel Johnson heb ik zoo duidelijk het -begrip uitgedrukt gezien van wat de eigenlijke beteekenis dezer -„kwa” is, en als een bescheiden hulde haal ik hier de volgende -regelen van hem aan: - -„Welke occulte meeningen ook mogen zijn toegeschreven aan deze -diagrammen van Fuh Hi, in de Chineesche gedachte hebben zij altijd -voorgesteld de Eenvoud en Universeelheid aan natuurlijke wetten. Door -te lezen het grootste in het kleinste, het complexe in het eenvoudige, -het gehéél in het atoom, het ééne in het verscheidene, de wet in -het phenomeen, in het proces van wetenschap en godsdienst, is dat -proces zeker vóórgevoeld in een physisch, moreel, filosofisch en -politiek systeem, afgeleid van een gehééle en een gebroken lijn, als -symbolen van alles-doordringende principes. In ’t eerst gekozen als -natuurlijke typen van de contrasten tusschen even en oneven, licht en -schaduw, mannelijk en vrouwelijk, hemel en aarde, hooger en lager, -droog en vochtig, hard en zacht, compleet en incompleet, is hun -substantieele bedoeling geweest de relatie tusschen eenheid en -verscheidenheid als basis van die compositie van elementen, door welke -ieder wezen en ding wordt wat het is. Vanuit deze relatie zouden de -Chineezen best hun geheele filosofie en geloof kunnen opbouwen”. - -Het dualistische of polaire principe, waarvan de Yih-King eene -ontwikkeling is, is dan ook niet van enkel physieken, maar van -metaphysieken oorsprong. - -Dit is wel een der grootste leeringen die wij, Oosterlingen, nù nog -uit de „Yih King” kunnen trekken: dat alle physica ten slotte -uitloopt in metaphysica, en in ruimer zin: dat alle wetenschap ten -slotte eindigt in goddelijk, ondoorgrondelijk mysterie. De allerlaatste -westersche ontdekkingen op het gebied der verschillende stralen, der -electronen enz. enz. wijzen hier reeds duidelijk op. En het zou wel -eens kunnen zijn, dat in de veel gesmade, door vele sinologen voor -nonsens en mystificatie uitgekreten „Yih King” oplossingen worden -gevonden—zij ’t in mystieke symbolen-taal—van meer dan één tot -nu toe onopgelost geheim der westersche wetenschap. - -Zooals ik reeds terloops bij de behandeling der Confucianistische -filosofie gezegd heb, de wetten, die den Kosmos regeeren, evolueeren, -volgens de Chineesche filosofie, over de menschheid door, en zijn -dezelfde als die, welke de ethica, de moraal, en de wetten der menschen -bestemmen. Zóó zijn ook de diagrammen, triagrammen en hexagrammen van -de „Yih King” een soort „algebra van ethische en politieke -wetten” geworden voor de Chineezen, en zóó zijn, zooals Johnson -terecht zegt „zuiver moreele en politieke interpretaties gevoegd bij -de cosmico-ethische en mythische”. De triagrammen zijn ook emblemen -geworden, waarin de relatieve positie van geheele en gebroken lijnen -voorstellen de stadiums van menschelijk leven, de vormen van het -noodlot, de tegenstellingen van karakter, enz. enz. - -Zóó kan b. v. het triagram van „berg”, geplaatst onder het -triagram van „aarde” voorstellen: „groote mannen, die zich uit -nederigheid onder inferieure anderen plaatsen”. Al deze -interpretaties zijn natuurlijk van eeuwen en eeuwen later dan de runen -der triagrammen van de „Yih King”, die oorspronkelijk metaphysisch -en mystiek bedoeld waren. - -Aan de acht „kwa’s” (zie de voorafgegane teekening met nummers) -zijn later ook beteekenissen gegeven van de resultaten daarvan. Zoo -werd: [34] - - - I: Hemel, Yang, hemelsche voortbrenger, ether, vocht. - II: Water, opstijgende dampen, fonteinen, lichtheid. - III: Vuur, licht, leven, schoonheid, hitte gevend, warmte. - IV: Donder, vurige exhalaties, beweger van dingen, stijfheid. - V: Wind, damp, energie van expansie, flexibiliteit. - VI: Water, vloeistof, elementen, rigiditeit, koude. - VII: Bergen, soliditeit, dat wat motie onderhoudt, rust, graviteit. - VIII: Aarde, Yin, de aardsche ontvanger van corruptie, droogte. - - -In de „Yih King” staat, uit alle teekenen, duidelijk te lezen, dat -ten slotte het geheele Heelal samengesteld is uit twee polaire -principes, beide uit Eén (het „T’ai Kie”) gevormd. De eindelooze -verscheidenheid van alle phenomenen, alle wezens, alle dingen in het -Heelal ontstaat enkel door de combinaties en permutaties van die twee -principes, te symboliseeren door een eindelooze verscheidenheid van -„kwa’s”. - -Men heeft het eene „Yang” wel eens in westersche termen „Geest” -en het andere „Yin” „stof” willen noemen, maar hierbij dient -men bizonder op te passen, daar zooiets als wat in westersch -materialisme „doode stof” heet voor den Chinees niet bestaat. Als -wij het idee „stof” in westerschen zin op „Yin” zouden -toepassen zouden wij geheel buiten den geest van China geraken. Dit zou -indruischen tegen hetgeen Samuel Johnson zoo terecht den karaktertrek -der Chineesche filosofie noemt: „de Éénheid van Essence met -Manifestatie”. De stof—in Chineeschen, niet-westerschen zin—is -één met den Geest die de essence van het Heelal is. Stof als een -dood, vreemd, buitenstaand ding, onderscheiden van Geest, bestaat in de -Chineesche gedachte niet. Er bestaan „Yang” en „Yin”, beide -door en uit het „T’ai Kie” gevormd, en dus op mysterieuze wijze -één van oorsprong. Deze twee „Yang” en „Yin” worden genoemd -de beide „Ie” (metaphysisch kosmische krachten). - -De verhouding—let wel, de rythmische verhouding—tusschen de in -diepste mystiek eigenlijk identieke contrasten „Yang” en „Yin” -wordt genaamd „Shoe”, d. i. het Getal. Inderdaad, als men de acht -„kwa” diagrammen aanziet, is het duidelijk dat deze symbolen op -getallen berusten, dat dus de elementaire samenstelling van den Kosmos, -door het „T’ai Kie” geopenbaard, op eene verhouding van getallen -berust. (Wie denkt hier niet aan Plato?) De suprême, heerschende Wet -of Orde, die deze getallen-verhoudingen vaststelt en regelt, wordt -genoemd „Li”. De „Li” is dus de vaststeller, de regelaar der -mathematische principes van het Heelal. De energie, die het „vloeien -en bewegen” (zooals het in een commentaar mijner „Yih King” -editie luidt) van „Yang” en „Yin” animeert, wordt genaamd -„Ch’i”, het beste m. i. te vertalen door den „Adem” van ’t -Heelal. [35] Die „Ch’i”, die Adem, trilt door den ganschen -Kosmos, en het is die „Ch’i” die in stand houdt, hetgeen de -sinoloog Eitel zoo treffend noemt: „a golden chain of spiritual life -running through every form of existence and binding together, as in one -living body, everything that subsists in heaven above and on earth -below”. - -Indien wij maar oppassen, bij het begrip „stof” vooral niet te -denken aan het westersche begrip „doode stof” als apart van en -tegenovergesteld aan geest, kunnen wij Choe Hie begrijpen, die van -„Yang” en „Yin” spreekt als van „Primaire Kracht” en -„Primaire Stof”. Maar die „Primaire Kracht” acht hij -onbestaanbaar zonder de „Primaire Stof”, omdat zij zonder deze niet -kan werken en ageeren. Er is ook volgens Choe Hie, geen kwestie van, -dat deze „Primaire Kracht” zou bestaan hebben vóór de „Primaire -Stof”, want deze beide zijn in constante interfusie en onderlinge -afhankelijkheid, het eene is ondenkbaar zonder het andere. - -Ik kan mij niet weerhouden, hier nog even het volgende mystieke symbool -wêer te geven uit een mijner beste „Yih King” edities, dat in zijn -eenvoud zulk eene treffende voorstelling geeft van de productie of -misschien beter vorming van „Yang” en „Yin”, niet uit (want -niets kan er immers buiten treden) maar in het „T’ai Kie”. Het is -overgenomen uit de „T’ai Kie T’u”, de filosofische -encyclopaedie van Chow Tsz’: - -[FIGUUR] - -De volgende voor zich zelf sprekende commentaar staat onder deze -„T’ai Kie T’u” (kaart van Tai Kie): - -„Het witte is de „Ie” (het kosmische principe) „Yang”, het -zwarte is de „Ie” (het kosmische principe) „Yin”. Het zwart en -het wit (vormen) twee wegen. Het uiterste Yang baart Yin, het uiterste -Yin baart Yang. Toen hun Adem-Motie nog niet voortdurend ademde was het -„T’ai Kie”. Als er in ’t midden nog geen cirkel is, is dat de -oorspronkelijke vorm van „T’ai Kie”. - -Het Oneindige heeft zichzelf begrensd toen het zich openbaarde. - -Is er ooit met grooter durf en eenvoud de formatie van den Kosmos in -het Absolute symbolisch grafisch voorgesteld dan in deze Chineesche -filosofie? Men lette op den cirkel, die het al omvat. Hier is geen -creatie uit T’ai Kie maar vorming in T’ai Kie. De cirkel -symboliseert het zonder begin en zonder einde zijn. - -Deze T’ai Kie T’u van Chow Tsz’ zegt, dat de „Yang” en -„Yin”, tot Eenheid samengebracht, dan ook het T’ai Kie -samenstellen. Een andere tekst uit dit werk luidt: „Ieder ding heeft -zijn aparte natuur, maar de Eenheid van het geheel is het T’ai -Kie”, en weer een andere: „De T’ai Kie is zóó, dat Het in de -principes Yang en Yin is, en er niet van gescheiden kan worden”. - -Uit dezen laatsten tekst blijkt nog eens duidelijk, hoe „Yin” nooit -„doode stof” kan zijn. - -De moraal van de Chineesche filosofie is op deze kosmische -beschouwingen gebaseerd. Er bestaat voor den geest van China geen -erfzonde, geen absoluut goed, of absoluut kwaad, maar de moraal is -gebaseerd op een Rythme, een Verhouding, een Getal. Het „Yang” en -„Yin” verklaard in de Chineesche wijsbegeerte de -tweevoudigheid—die, wijs doorpeild, een Éénvoudigheid, een mystieke -Identiteit is—van Subject en Object, van uiterlijk en innerlijk, van -Ik en Niet-Ik, van positief en negatief, van goed en kwaad. Goed en -kwaad, geluk en ongeluk bestaan alleen als een verhouding. Als Yang en -Yin in de rechte verhouding zijn, is alles goed. Er is alleen kwaad als -de verhouding van Yang en Yin, als het Getal, het Rythme, niet juist -is. Het Leven is een evenwicht van polaire krachten, die -„tegenheden” (maar, in diepste mystiek één, want formatie in en -door Één) zijn. De „Yang” en „Yin” bepalen in den mensch het -evenwicht in harmonie van hartstochten en krachten. Slecht is slechts -een gebrek aan evenwicht, goed is het juiste evenwicht tusschen -„Yang” en „Yin”. Het geheim van het leven ligt in het juiste -Getal, het juiste Rythme. - -Nergens uit de Geest van China zich meer dan in dezen eerbied voor het -heilige Rythme van het Heelal. De eeuwige strijd tusschen Geest en -Stof, de oorzaak van zooveel groote tragedies in het denken en voelen -van ’t Westen, is in deze Chineesche filosofie vermeden, of liever -van zelf onmogelijk gemaakt. Immers, stof als geheel afgescheiden, en -zelfs in contrast met geest, zooals in westerschen zin, wordt in de -Chineesche filosofie niet aangenomen. Stof en geest zijn in één -conceptie omsloten. Er zijn in deze wijsbegeerte geen strijdende -contrasten, er zijn rythmische verhoudingen, er is geen goed of kwaad, -er is harmonische of onharmonische verhouding. Het geheim van het Leven -is het volgen van het juiste Getal, het bewegen op het juiste Rythme. - -De „Yang en Yin” bepalen in den mensch het goddelijk -Evenwicht—het hoogste goed van Confucius’ ideaal-mensch. De -„T’ai Kie T’u” zegt: „In den mensch is de vorm van Yin, de -geest van Yang” en „De beweging en de rust van die twee -constitueeren de rechte Orde”. - -Hoe dicht naderen deze Chineesche filosofische beschouwingen de oude -Indische filosofie, wanneer wij regelen lezen als van Choe Hie: -„Alles is van één essence; er bestaat niets zonder het mysterie van -Dat, hetwelk geen anderen grond heeft dan zichzelf, en tóch in ieder -ding aanwezig is”! - -Het prachtige werk, inhoudende eene vergelijkende studie van de -filosofie der Yih King, van Confucius, van Choe Hie en van Lao Tsz’ -met de oude hindoesche en brahmaansche filosofie moet nog geschreven -worden. Dan zou ook een hoofdstuk te wijden zijn aan de vergelijkende -studie van Yang en Yin aan de eene zijde, en Purusha en Prakriti aan de -andere. - - - -Volgens Choe Hie, den „Aristoteles van China”, die van 1129–1201 -n. C. leefde, en wiens commentaren op de klassieken in China groote -autoriteit hebben, is het „T’ai Kie” slechts de uiterste grens -van het menschelijk denken omtrent de primordiale oorzaak van alle -bestaan, maar moet dit „T’ai Kie” óók weer geopenbaard zijn -door—of liever: in—een nòg onbegrijpelijker, mysterieuzer wezen, -dat hij „het Absolute Niets” noemde. - -Choe Hie neemt aan het „ademen” van T’ai Kie. - -Toen T’ai Kie voor ’t eerst ademde bracht die etherische adem, als -’t ware stollende, het „Yang” voort, en toen dit ademen het -toppunt bereikt had en „T’ai Kie” daarvan weêr rustte, bracht -het „Yin” voort. - -Nadat het tot het uiterste gerust had, bewoog, d.i. ademde het weder, -en zóó door, afwisselend bewegende en rustende, nadat hetgeen boven -was de Hemel, en hetgeen beneden was, de Aarde had gevormd, volgden -telkens combinaties en permutaties van „Yang” en „Yin” waardoor -alle „tienduizend dingen” (later mineralen, planten, dieren, -menschen) werden gevormd. - -Dezelfde vitale energie, die beweging en rust vormt, gaat stééds -door, en door de twee oorspronkelijke oorzaken, „Yang” en „Yin” -héén ageert deze energie zonder ophouden, en laat deze twee -oer-principes „vloeien en bewegen” in alle dingen van ’t Heelal. - -Deze vitale energie, de mysterieuze „ch’i”, die ik reeds -„adem” noemde, zal ik in het hoofdstuk over „De Chineesche -Kunst” nader releveeren, want de eerste wet van de Chineesche -kunst—die alweer dezelfde wetten ondergaat als, want immers één is -met den kosmos—is, dat de „Ch’i” het kunstwerk moet doordringen -en doorvloeien, en er in rond moet gaan. Zonder „Ch’i” is geen -waar leven bestaanbaar. Dit „Ch’i” is wel een van de mystiekste -begrippen dezer Chineesche filosofie, een geheimzinnige, fluïdische -Adem, die het geheele Heelal bezielt, en er de vitale kracht van is. In -een der commentaren van mijne groote „Yih King” editie staat, zóó -duidelijk dat het geen twijfel overlaat, vermeld, dat de Oorsprong van -alle „ch’i” de Zon is „waarvan het Getal is Één”. In de -zonne-energie zou dus de oorsprong van alle „ch’i” te zoeken -zijn, en de „ch’i” zou dan ten slotte niets anders zijn dan het -ondoorgrondelijke mysterie van vitale fluïdische energie, dat de -moderne westersche wetenschap thans als één vermoedt achter Licht, -Warmte, en Electriciteit, die er verscheidenheden van zijn. De -Chineesche wetenschap, zoo arm en gebrekkig in de empirische studie der -zichtbare verschijnselen, zoo onbeholpen in de physica, zou dan toch in -hare hoogste uiting, de filosofische metaphysica, een der groote -mysteriën geweten hebben, het mysterie van deze „ch’i”, waar de -westersche wetenschap eeuwen en eeuwen niets van vermoedde. Ook het -z.g. „oer-atoom” volgt direct uit de filosofie van de „Yih -King”, dat mysterieuze oer-atoom, waar alle andere atomen en -elementen uit ontstaan zijn, door eindelooze permutaties en -combinaties, door verhoudingen, en dus getallen, Rythme. Alzoo ook -Wiskunde, in hoogsten zin, is Filosofie, en evenzoo Natuurkunde en -Scheikunde. - -De energie, die de twee oer-principes „Yang” en „Yin” animeert, -dooreen doet vloeien en bewegen, de „ch’i”, moet ééns voor ’t -eerst in actie zijn getreden, of „geademd” hebben, zooals de -Chineesche wijsgeer het noemt, zoodat de „ch’i” door zijn adem -het geheele Heelal leven inblies. De „ch’i” deed dit toen niet -zóó maar in ’t wilde, en doet dit ook thans zoo maar niet, maar -volgde vaste, ondoorgrondelijke wetten, die onveranderlijk zijn. Deze -wetten, die de Orde der Dingen vaststellen, heeten in ’t Chineesch de -„Li”, [36] en die wetten of eigenlijk die Wet, want allen tot één -terugkeerend, was er reeds vóór het eerste ademen der „ch’i”. - -De oude Chineesche Wijzen, deze Wet, en deze Orde van ’t Heelal -beschouwend, merkten op, dat al de verschillende wetten der natuur, en -al de werkingen, de ademingen van de „ch’i”, die de vitale adem -van den kosmos is, in strikte overeenstemming zijn met zekere -mathematische principes. Deze mathematische principes kunnen -gesymboliseerd worden door triagrammen, en diagrammen, die de numerieke -proporties van het Heelal, genaamd „Shu”, het Getal, uitdrukken. -Deze drie, de „Ch’i”, de Vitale Adem, de „Li”, de Wet, en de -„Shu”, het Getal, zijn niet direct kenbaar door de zinnen, maar -manifesteeren zich aan onze zinnen door stoffelijke vormen en omtrekken -van fysieken aard. Daarom vormen de phenomena der natuur, haar -uitwendigen vorm alzoo, een vierde tak van filosofische beschouwing, -die der z. g. „Hing”, natuurvormen. De „ch’i” heeft in de -natuur grenzen in de „Hing”. Achter die „Hing”, die uiterlijke -vormen, zoekt de oosterling echter het verborgen geestelijk mysterie. -Hier komen wij tot het groote principe der Chineesche Kunst, dat ik in -het hoofdstuk „Chineesche Kunst” nader zal behandelen. Het -geestelijke mysterie te benaderen door de stoffelijke vormen heen, de -innerlijke onzichtbare Schoonheid, het Rythme van mystiek in-wezen uit -te drukken, ziehier het doel der groote Chineesche kunstenaars van alle -tijden. - -Met het oog op de wetenschap zij hierbij nog gezegd, dat voor den -wijsgeerigen Chinees physica slechts een middel is, een weg, die tot -metaphysica leidt, en deze metaphysica is eigenlijk tegelijk weer èn -filosofie èn godsdienst. Enkel empirische „matter of fact” -wetenschap, materialistisch, kent China, en trouwens het geheele Oosten -niet. Het Oosten zoekt verder dan de zichtbare „Hing” natuurvormen. - -Degenen der lezers van dit boek, die de laatste studies van Becquerel, -Curie enz. over de electronen gevolgd hebben en de laatste geschriften -van Lorentz over de graviteit, zullen begrijpen, hoe de moderne -Europeesche empirische wetenschap hoe langer hoe meer de mysteriën, -verborgen achter de symbolen der „Yih King” nadert. - -Ook in Europa, al zullen de geleerden het met tegenzin later moeten -bekennen, naderen physica en chemie reeds hoe langer hoe meer tot -metaphysica. Het mag vreemd klinken, maar de oude Chineesche Wijzen van -de symboliek der „Yih King”, duizenden jaren vóór Christus, zijn -eigenlijk daar begonnen, waar de westersche empirische wetenschap hoe -langer hoe meer in gaat eindigen. - -Reeds is de Westersche theorie van de doode stof door de laatste -ontdekkingen der chemie onhoudbaar geworden. - -Het is heel gemakkelijk om, zooals al te veel materialistische -Europeesche sinologen gedaan hebben, de Chineezen voor bijgeloovig uit -te maken, omdat zij aan mystieke krachten en wezens gelooven, -onzichtbaar voor de zintuigen; maar ik vestig de aandacht op de gulden -woorden van den sinoloog Eitel: - -„God gave, dat onze eigen wetenschappelijke menschen in hun -laboratoria, observatoria en lezing-lokalen denzelfden kinderlijken -eerbied voor de levende krachten der natuur hadden, dien heiligen -eerbied en vreeze voor de mysteriën van het ongeziene, dat vaste -geloof in de werkelijkheid der onzichtbare wereld en haar voortdurende -communicatie met het zichtbare en tijdelijke, die de Chineesche -tastingen en zoekingen naar de natuurwetten kenmerken”. - -Dat de mystieke filosofie van de „Yih King” langzamerhand -verbasterd is, en ontaard in een populair bijgeloof als b.v. dat van -„Fung Shui” doet niets tot haar innerlijke waarde en diepte af. Als -wij den „Geest van China” beschouwen, moeten wij den -oorspronkelijken geest voor oogen hebben, in zijn zuiveren vorm, niet -de ontaardingen onder het volk. - -Nog een enkel woord ten slotte over de Westersche begrippen goed en -kwaad, en de reden, waarom die in China zoo geheel anders opgevat -worden. - -Choe Hie leert, dat goed en kwaad geen positief autogonisme zijn, maar -„noodig voor elkaar”. Door kwaad wordt goed gesuggereerd, ook aan -de kwaden. Het is niet in de afwezigheid van goed, maar in de verbroken -subordinatie van het hoogere tot het lagere dat het kwaad zelf bestaat. - -Deugd, Goedheid, is noch Yin noch Yang, maar is hun rechte, juiste -verhouding, als gelijk noodige elementen. „Als zij in de juiste orde -zijn is alles goed, in de onjuiste is alles slecht.” - -Door de lijnen der „kwa” zijn de grenzen van vooruitgang en -teruggang, begin en einde, bepaald. M.a.w. rechtvaardigheid, rede, -puurheid, maat, bestaan in ’t juiste betrachten van grenzen. - -Er is dus geen absoluut kwaad. Het moreele heelal is geen strijd van -ongelijke, vijandelijke principes. Kwaad is de noodzakelijkheid -begrepen in Veelheid, Verscheidenheid, de grond van vooruitgang en -ontwikkeling, de disproportie van elementen, die nog niet in de juiste -relatie en symmetrie zijn gebracht. - -Om de Chineesche symbolen te gebruiken: de Yin als lagere is kwaad, -maar alleen als ’t zich niet houdt bij zijn ware functie van lager, -van ’t hoogere te dienen in zijn medewerking aan de universeele Orde. -Het Yang als hooger is goed, maar enkel als de grenzen erkennend -tusschen zich zelf en Yin als lagere die zijn eigen souvereiniteit -bewaren. M.a.w. hier is de psychologie, die ook Plato kende, dat alle -menschelijke eigenschap goed is en alleen dàn kwaad in onjuiste -proportie en verkeerde orde van vóórrang. Zooals ik al bij de -behandeling van Confucius zeide: de conceptie van een Satan, een -positieve entiteit van kwaad is voor de Chineesche gedachte een -onmogelijkheid. - -Aan het slot van deze beschouwingen, en men gelieve zich die over -Confucius en Lao Tsz’ hierbij te herinneren, wil ik er nog even de -aandacht op vestigen, hoe ongegrond de beweringen van vele schrijvers -over China, waaronder beroemde sinologen zijn, als zou de geest van -China’s filosofie eene materialistische wezen. Terecht heeft Samuel -Johnson hiervan gezegd: „Het is merkwaardig te constateeren hoe vele -christelijke schrijvers over Chineesche filosofie gefaald hebben in te -zien dat de inherentie van essentie in manifestatie geenszins -materialisme in zich sluit, in dien hoogeren zin die de concrete wereld -verheft tot de reëele activiteit van alle ideeën, waarheden en -krachten. [Wij hebben gezien dat in al de voornaamste werken van -Chineesche speculatie en practische opvoeding het immaterieele -vóórgaat voor het materieele.]” - -En verder: - -„Als wij onder „materialisme” verstaan wat ik opvat als zijn ware -beteekenis, namelijk dat geest het product is van de laagste vormen van -bestaan, dan is de Chineesche filosofie, zooals getoond is door haar -verschillende scholen, in géén zin materialistisch. Zij doet den -mensch en al zijn vermogens voortkomen uit den Kosmos, als de -vereeniging van actieve en passieve principes, in zich zelf rationeel, -en voortschrijdende binnen de Ondoorgrondelijke Substantie en de -Universeele Rede. Met andere woorden: geest is het product van het -Geheel, niet van het láágste, maar van hetgeen tegelijkertijd het -hóógste en het meest universeele is. Dit is een klaar voorgevoelen -van de essentieele harmonie van evolutie en godsdienst. Het is in het -overbrengen van zijn „principes” op aspiraties naar ideale deugden -dat het spiritualisme van deze oude kosmische conceptie het meest -blijkt. Op te rijzen van de observatie van haar voorbijgaande phenomena -tot het idee van cyclische eenheden van wet, en deze te reduceeren tot -één enkele goddelijke substantie als de „T’ai Kie” of de -„Tao” is achter uiterlijke vormen gaan naar hun onzichtbare -essence. Niets is meer karakteristiek voor het Chineesche volk dan deze -interpretatieve gewoonte: het stellen van het ongeziene achter het -geziene, van de beteekenis achter het symbool”. - -Tot zoover de voortreffelijke karakteriseering van Samuel Johnson. - -En ziehier tevens, waarom de Geest van China in den waren zin des -woords een Geest is. - - - - - - - -LAO TSZ’ EN DE TAO TEH KING - - -De meest populaire Wijze van China is zonder twijfel Kh’oeng Foe -Tsz’, en hij is het, die het meeste ingedrongen is in het sociale -leven der Chineezen, al is de diepere, esoterische bedoeling van werken -als de „Choeng Yoeng” stellig geen gemeen goed van alle Chineezen -uit het volk kunnen worden. - -Er is dikwijls de fout gemaakt—ook ik heb die vroeger gemaakt, totdat -Chineesche literatoren mij haar aanwezen—Confucius voor een minder -diepzinnig wijsgeer te houden, juist om zijne populariteit, en om zijn -nadrukkelijk wijzen op de noodzakelijkheid van allerlei ceremonies en -maatschappelijke conventies. - -De filosoof Lao Tsz’ werd dan voor den meer diepzinnigen wijsgeer -gehouden, ook door mij vroeger. - -Hierbij werd over het hoofd gezien, dat Confucius’ bewerking en -ordening van mystiek-diepzinnige klassieken als de „Yih King” het -tegendeel reeds aantoont, en dat zijn sociale voorschriften en -conventies alléén betrekking hadden op het z.g. „Tweede Stadium”, -en wel speciaal de tijden daarvan, waarin hij leefde. - -De wijsgeer Lao Tsz’ heeft zich nooit tot dat Tweede Stadium bepaald, -en maakte zich niet druk over de maatschappelijke en politieke -instellingen en regelingen, die Confucius zoo noodzakelijk vond. - -Hij is de Wijze der metaphysische bespiegelingen en der transcendente -speculaties, die slechts door een kleine uitzondering intuïtieve -denkers en voelers, maar niet door de groote massa van het volk kunnen -begrepen worden. - -Toch is, misschien juist daarom, de zéér fijne essence van den Geest -van China in dezen mysterieuzen droomer en denker het subtielste te -vinden. - -Zijn leer is neergelegd in zijn eenige werk, de „Tao Teh King”. -Daar wij met zijn leven eigenlijk weinig te maken hebben—immers hij -liet de „Tao Teh King” achter als het wezenlijkste -daarvan—vermeld ik hier alleen, dat hij in 604 v. C. werd geboren in -den staat Ch’u, dat hij een tijd lang bewaarder van de archieven was -in de hoofdstad van dat rijk, en, toen hij zag dat alles in dien staat -in wanorde en verval geraakte, zijn ambt neerlegde, en verdween, zooals -de geschiedschrijver zegt „Naar het Westen”. Volgens sommigen zou -dit naar Thibet geweest zijn. - -Toen hij de grenzen van den Westelijken bergpas overschreed, die naar -de vreemde rijken leidde, vroeg de grenswachter I Hie hem: „Nu gij u -in de eenzaamheid gaat terugtrekken moet ge me toch een boek geven, dat -tot leering kan zijn”. Hierop gaf Lao Tsz’ hem een kort werk in 2 -deelen, dat later „Tao Teh King” werd genoemd. Daarna ging hij -heen, op een os gezeten, en verdween voor goed. Latere filosofen -noemden dit dat hij „in de verborgenheid ging”. Zijn graf is -onbekend. Dit onbekende van zijn persoon, en van zijne stoffelijke -overblijfselen, en dit, geheel los van zijn persoon, overblijven van -zijn werk, is precies in overeenstemming met zijn leer. - -De „Tao Teh King”, een zeer bescheiden boekje, bevat niet een -logische op enkel Rede gebaseerde uiteenzetting van Lao Tsz’s -wijsheid, maar is geschreven in zeer compacten stijl, met -schriftteekens, zóó uit hun gewone sfeer gehaald om aparte, -spiritueele dingen aan te duiden, dat het voor niet-intuïtief -aangelegden duister, en op vele plaatsen onbegrijpelijk is. Lao Tsz’ -werkt er niet in met logische redeneeringen, maar met donkere -aanduidingen, en de methode er in is, om den lezer als ’t ware tot -voorgevoelens, tot „Ahnungen” te brengen, die hem voeren naar over -de grenzen van het enkel door gedachte vatbare, naar het -„Jenseits”, waar de hoogste intuïtie enkel toe leiden kan. Klare -formuleering is in dit systeem uitgesloten, en een vertaling uit het -schrift van Chineesche symbolieke teekens in eene meer nuchtere, -alphabetische Europeesche taal zal altijd zeer gebrekkig moeten -blijven. Een gewone taal-geleerde, die zulke mystieke, duistere, -suggestieve symboliek vertalen gaat, krijgt wel eens de onzinnigste -nonsens. Hij die den Geest van China niet heeft doorvoeld, welke zich -nergens zoo karakteriseert als in de intuïtieve, schijnbaar-duistere -uitings-methoden der Chineesche filosofie, staat voor de „Tao Teh -King” als voor een onbegrijpelijk raadsel, en vreest zelfs eene -mystificatie. - -Lao Tsz’ schreef niet voor geleerden, maar voor gevoelige -intuïtieven. Hij zegt dit zelf in een tekst: „Zij die Tao kennen -zijn niet geleerd, zij die geleerd zijn kennen Tao niet”. - -De Chineesche filosofie zoowel als de Chineesche kunst maken de hoogste -aanspraak op medewerking en aanvulling van den beschouwer of -toehoorder. Zij zijn, zooals dr. Glaser zeer terecht gezegd heeft -„Beschränkung” en geen „Entfaltung”. Hij, die er van geniet, -„breitet nicht eine Fülle vor sich aus”, maar „zieht sich -zurück auf das Eine, in das er sich ganz versinkt”. - -Confucius heeft verder eens tot zijne discipelen gezegd: „Als ik -één hoek van een zaak heb aangetoond en men er dan niet (vanzelf) de -andere drie uit grijpt, herhaal ik mijn les niet”. - -Men zal dan ook in de geheele Chineesche filosofie tevergeefs zoeken -naar een zoo klaren, logischen gedachtengang, waarin het eene bijna -wiskunstig zeker uit het vorige volgt, als b.v. in Plato. (Ik denk hier -b.v. aan zijn „Phaedon”, waarin logisch redeneerend de -onsterfelijkheid van ’s menschen geest wordt bewezen.) De Chineesche -methode is daarom geen mindere of inferieure, zij is alleen een andere. -Er wordt meer in gerekend op intuïtie dan op logisch denken, er wordt -meer aangeduid met symbolen—en dit volgt al uit het symbolieke -Chineesche schrift—dan bewezen met redeneeringen al wijder en wijder, -het is eene verzinking, een concentratie. In dit opzicht is de -Chineesche filosofie—ik bedoel hier vooral die van Lao -Tsz’—verwanter aan de Vedanta-filosofie der Upanishads. - -Lao Tsz’ nam zich nergens de moeite, zijn korte, suggestieve teksten -uit te leggen. Zijn werk is een wonder van véél-zeggen in zoo weinig -mogelijke schriftteekens. Ik zeg niet: woorden, omdat de Chineesche -„karakters” eigenlijk meer symbolen van ideeën dan woorden zijn. -Hij schreef ook maar zéér zelden in gelijkenissen, omdat zijn teksten -meestal in de Eenheid, Tao, zijn geconcentreerd, en gelijkenissen in de -Veelheid werken. - -Ongeveer 250 jaar na Lao Tsz’ leefde een wijsgeer, Chuang Tsz’ -geheeten, die de leer van de „Tao Teh King” in een veel -uitgebreider werk, de „Nan Hwa King” heeft verduidelijkt, en wel -grootendeels door gelijkenissen in korte verhalen, meest fictie, al -komen er historische personen in voor. Wel is waar heeft ook Chuang -Tsz’ niet met strenge logica gewerkt en verduidelijkt, want ook zijn -boek is vol vage, veelal duistere suggesties, maar tóch wordt het -uiterst geconcentreerde en essentieele uit de „Tao Teh King” er in -wijder ruimte door geïllustreerd. - -Ik zou gerust durven zeggen: er valt over de „Tao Teh King” -eigenlijk niet te redeneeren. Ik kan dan ook niet beter in -overeenstemming met den Geest van China handelen in dit boek dan door -eenige teksten er uit in vertaling te geven, teksten, die het -Chineesche begrip Tao suggereeren (niet definieeren). Die teksten -worden intuïtief begrepen, òf zij worden het niet. - -Ik zal hier en daar een zoo kort mogelijke commentaar geven, maar te -lang redeneeren zou juist hoe langer hoe verder van Tao afbrengen. Wie -niet op de Chineesche manier, intuïtief en suggestief, Chineesche -filosofie direct áánvoelt, begrijpt haar tòch nooit. Want die -filosofie werkt op een hooger gebied dan het enkel intellectueele. De -Geest van China kan nooit enkel intellectueel begrepen worden, zonder -het véél zekere intuïtieve voelen, dat weten is. - -Ik merkte te voren op, dat de enkele teksten, die ik zal aanhalen—ze -zijn kort—niet onmiddellijk logisch met elkaar in verband schijnen te -staan, of op elkaar dóór redeneeren, want zóó is de Chineesche -methode niet. Het zijn aanduidingen, vage toespelingen, in de -verborgenheid van eenzaamheid en concentratie eerder gefluisterd dan -gesproken, die meer op intuïtie dan op verstand berekend zijn, om den -lezer of hoorder te doen voorgevoelen het Godsbegrip Tao, een begrip -dat niet in woorden is uit te drukken. Een tekst in de „Tao Teh -King” luidt: - -„Zij die Tao kennen spreken er niet over, zij, die er over spreken -kennen Tao niet”. - -Als wij dit letterlijk opvatten zou dus elke mededeeling te dezen -opzichte uit den Booze zijn, maar zóó letterlijk is het zeker niet -bedoeld en ik meen dus geen al te groote heiligschennis te begaan door -het werk „Tao Teh King” van Lao Tsz’ te bespreken. - -Hier ga de opmerking vooraf, dat, waar Lao Tsz’ met Tao trachtte aan -te geven de Godheid als ongemanifesteerd, in zich zelf, hij met -Teh—letterlijk: Deugd beteekenend, maar hier met een geheel aparte, -mystieke beteekenis—bedoelde „de wijze van bestaan eigen aan Tao in -zijne manifestaties in ’t Heelal”. - -Er is nog al eens verwarring ontstaan, omdat in Confucius Tao meestal -(niet altijd) met „het Pad, de Weg” (the Way, the Path in Prof. -Legge’s „Chinese Classics”) vertaald kan worden. In zekeren zin -beteekent het in Confucius veelal ook „Het Pad”, mits men hieronder -een spiritueel Pad versta, en niet aan Tijd en Ruimte er bij denke. -Wanneer wij echter de symboliek van het Chineesche karakter -(schriftteeken) beschouwen, dat het begrip Tao afbeeldt—de symboliek -der Chineesche filosofie is tusschen twee haakjes door de vertalers -altijd veel te veel over het hoofd gezien—dan bevinden we dat Tao -bestaat uit twee deelen, waarvan het tweede oók uit twee bestaat n.l. -uit Io „Het Hoofd”, en uit IIo Gaan, Bewegen. Prof. Chavannes, in -zijn „Mémoires Historiques de Sse-Ma-Tsien” heeft hier óók -terecht de aandacht op gevestigd. Hij heeft hierbij echter vergeten te -releveeren, dat dit tweede, n.l. „Gaan, Bewegen” ook weer uit twee -deelen bestaat, n.l. Io „loopen” (gaan) en IIo „stilstaan”, en -juist dit kan een groote mystieke beteekenis hebben, waarover ik hier -echter niet kan uitweiden. Van „Het Hoofd” dat „beweegt”, dat -„gáát”, naar een geestelijk hoofd, een geestelijk principe, dat -in het Heelal rondgaat, is in mystieke filosofie vol symboliek de -sprong niet zoo heel ver. De oorspronkelijke symboliek der Chineesche -schriftteekens is afgebeeld door zeer diepzinnige menschen, die wel -precies wisten wat ze er mede bedoelden, en vooral in oude Chineesche -filosofie is het zaak, goed te letten op de schriftteekens, die de -filosoof voor zijn begrippen gebruikt. Uit de symboliek van het -schriftteeken voor „Tao” volgt vanzelf al, dat het oorspronkelijk -geen „Pad” of „Weg” kan beteekend hebben, maar het „Hoofd”, -het Principe zelf, dat in het Heelal rondgaat, en Zijn eeuwigen Weg -gaat. Later is die Weg in de plaats van het Principe zelf gekomen, -zooals dat wel meer gaat. Er is echter geen kwestie van of, reeds -eeuwen vóór Confucius was bij de Chineezen een begrip Tao bekend, -niet als een Weg, maar hoe vaag en duister ook, als een Godsbegrip, en -zelfs Prof. Legge, de vertaler der „Chinese Classics” erkent na -speciale en grondige studie hierover tot de wetenschap gekomen te zijn -dat lang voor Lao Tsz’ „there was a Taoïsm earlier than this”. - -Ik laat thans eenige teksten volgen, in mijne eigen vertaling. - -Hoofdstuk I. - -„1. Kon Tao uitgezegd worden, dan zou het de eeuwige Tao niet zijn: -kon de Naam genoemd worden, zoo zou het de eeuwige Naam niet zijn. - -„2. Als Niet-Zijn kan men Het noemen het Begin van Hemel en Aarde; -als Zijn kan men Het noemen de Moeder aller Dingen. - -„3. Daarom (als men) voortdurend Niet (Niet-Begeerte) is, kan (men) -Zijn verborgen geheimenis zien, (als men) voortdurend (Begeerte) is, -kan (men) er enkel den (Vorm) grens van zien. - -„4. Deze beiden, Zijn en Niet-Zijn, komen uit hetzelfde voort en -hebben verschillenden naam. Beiden zijn zij geheimzinnig. Het -geheimzinnige ervan is wederom geheimzinnig. Het is de Poort van het -Geheimenis”. - - - -Lao Tsz’ beschouwt alzoo Tao als in zich zelf, ongemanifesteerd, dus -voor ons, die aan alle Zijn een zichtbaren vorm verbinden, als -Niet-Zijnde—dit relatieve Niet-Zijn is echter juist het absolute -Zijn—en aldus, ongemanifesteerd beschouwd is het ’t Begin van -alles, van Hemel en Aarde. Verder beschouwt hij Het als gemanifesteerd -in ’t Heelal, als voor ons Zijnde dus, en als zóódanig is Het als -de Moeder, die baarde alle dingen, waaruit dus alle dingen voortkomen. - -Als men „Niet-Is”, dat wil zeggen: niet in de uiterlijke wereld van -de uiterlijke phenomena levend, niet misleid door de wereld van -relatieve dingen en tegenstellingen, maar geconcentreerd in de Eenheid, -in Tao (hierover later uitvoeriger) dan kan men ’t verborgen -Geheimenis van Tao in-zich-zelve, als ongemanifesteerd aanschouwen. Als -men wèl „Is”, ziet men alleen de manifestatie van Tao in ’t -Heelal, den begrensden vorm dus. Toch komen Zijn en Niet-Zijn beide uit -hetzelfde, uit Tao voort; ze zijn dus beide op geheimzinnige wijze -identiek. En dat geheimzinnige is dubbel geheimzinnig, omdat—zooals -de commentator van mijn editie, Peh Yü Shen, zoo terecht zegt: „In -’t voor ons onreëele is ’t Reëele verborgen, in het Niets ligt -juist het echte Iets”. Wat wij relatief Niet-Zijn noemen, omdat we -’t niet vatten kunnen is juist het éénige, absolute Zijn. Dit -doorgronden is aan de Poort staan van het Geheimenis. - -De bespiegelingen over Zijn en Niet-Zijn vinden wij evenzoo in de -Upanishads. - -Het Niet-Zijn of Niets is vermoedelijk door Lao Tsz’ als hetzelfde -gedacht als wat Choe Hie ook aanneemt als nog vóór het „T’ai -Ki”, als dát, wat het „Tai Ki” voortbracht. - - -Hoofdstuk II. [37] - -„1. Allen onder den Hemel weten dat mooi mooi is, dan spijt het in -(de tegenstelling van) leelijk; allen weten zoo dat goed goed is, dan -spijt het in (de tegenstelling van) slecht. - -„2. Daarom, Zijn en Niet-Zijn brengen elkander voort. Moeilijk en -Gemakkelijk zijn elkaars gevolg, Lang en Kort strijden met elkaar, Hoog -en Laag wedijveren met elkaar, de Toon en het Geluid harmonieeren met -elkaar, Vóór en Achter volgen elkaar. - -„3. Daarom doet de Wijze het werk van Wu Wei en begaat de Leer zonder -woorden. - -„5. Als het werk volbracht is blijft hij er niet aan hangen, en -daarom juist gaat het (Tao) niet van hem weg.” - -Dit hoofdstuk is een treffend bewijs met hoe weinig woorden Lao Tsz’ -veel kan zeggen. Hij neemt de moeite niet het uitvoerig uit te leggen, -hij schreef enkel voor verwante zielen, die het woord „Daarom” (ad -3) direct begrijpen. - -Hij zegt in deze korte woorden, dat deze wereld een relatieve is, van -tegenstellingen, die alzoo niet in zich zelf bestaan, en zegt dat -„Daarom” de Wijze zich niet bezig houdt met werk in die -tegenstellingen maar met „Wu [38] Wei”. Letterlijk vertaald is dit -„Niet Doen”, en niet-filosofisch aangelegde sinologen hebben hierin -gezien een lui „laissez-aller” een lui niets-doen, een luie -onverschilligheid. - -In waarheid echter beduidt Wu Wei heel iets anders. Het staat tot Wei, -Doen, zooals Niet-Zijn staat tot Zijn, in ’t vorige hoofdstuk. Het -relatieve Niet-Doen, voor ons, die ’t niet bevatten kunnen, is het -absolute Doen. Wu Wei is het doen in de Eenheid, in Tao, niet in de -Veelheid der tegenstellingen. - -Zeer mooi is dit uitgedrukt in een drie jaar geleden verschenen werk -van Martin Buber „Reden und Gleichnisse des Tschuang Tse”. Hij -noemt daarin Wu Wei (lett. vertaald Niet-Doen) „Wirken aus -ungeschiedener, gegensatzloser, umfriedeter Einheit”. - -Deze „Niet-Doen”-Actie is ons reeds welbekend uit andere Oostersche -filosofische werken, en indien de sinologen, die het „Wu Wei” voor -een lui niets-doen aanzagen dit maar begrepen hadden, zouden ze Lao -Tsz’ meer recht hebben gedaan. Lao Tsz’ duidt het nog éven aan -door te spreken van „niet aan ’t werk te blijven hangen (lett. -staat er „in blijven wonen”) als het volbracht is”. - -In de Upanishads wordt een zelfde leer van geestelijk werken genoemd -„the doctrine of action without attachment to result” (vairagya). - -In dit korte hoofdstuk II is, in zoo weinig mogelijke schriftteekens -uitgesproken, dat er geen eigenlijke erkentenis is in de wereld van de -tegenstellingen en van het gescheidene. Zooals Dr. Martin Buber het zoo -juist uitdrukt in zijn „Gleichnisse des Tschuang Tse”: „slechts -in wien geen scheiding is, die is niet van de wereld gescheiden en kan -de wereld erkennen. Niet in de contrasten, niet in de dialektiek van -Subject en Object, maar slechts in de Eenheid met het Al is Erkenning. -Die Eenheid is trouwens de Erkenning.” - -Alzoo: die Erkenning is geen Weten, maar Zijn. - - -Hoofdstuk IV. - -1. Tao is ledig, en (toch) hoe zou Het in zijn actie niet vol zijn? - -2. O! Hoe afgrond-diep is Het! Het is de Oer-Vader aller dingen. - -3. Het verstompt zijn scherpte, ontwart zijne ingewikkeldheid, tempert -zijn (verblindende) schittering, en maakt zich gelijk aan zijn stof. - -4. O! Hoe stil is het! Het lijkt wel eeuwig te blijven bestaan. - -5. Ik weet niet van wien Het kind is. Het was vóór Shang Ti (de -opperste God-Macht) [39]. - - -Hoofdstuk VII. - -1. Hemel en aarde duren eeuwiglijk. Hemel en Aarde kunnen dáárom -eeuwiglijk duren, omdat zij niet voor zich zelf leven. - -2. Daarom stelt de Wijze zijn zelf achter de anderen, en dan wordt zijn -Zelf (juist) de eerste. - -3. Hij maakt zich los van zijn zelf, en dan is zijn Zelf (juist) -blijvend. - -4. Is dit niet, omdat hij geen ik heeft? - -5. En (toch) wordt dan zijn (hoogere) Ik volmaakt. - - -Hoofdstuk VIII. - -1. De opperste Goedheid is als water. - -2. Water is goed, doet goed aan alle dingen, en twist niet. - -3. Het woont in plaatsen, die de menschen verachten. - -4. Daarom komt het dicht bij Tao. - - -Hoofdstuk IX. - -1. De dertig spaken van een wiel vereenigen zich om een naaf. Op de -ledige ruimte berust het gebruik van het wiel. - -2. De vaas is uit klei gekneed tot een voorwerp, op de ledige ruimte -berust het gebruik van het voorwerp. - -3. Men boort deuren en vensters uit om een huis te bouwen. Op de ledige -ruimte berust het gebruik van het huis. - -4. Daarom, het Zijn (het materieele) is er het voordeel van maar op het -Niet-Zijn (het immaterieele) berust het (eigenlijke) gebruik er van. - - -Hoofdstuk XIII. - -1. In de oudheid waren de goede filosofen die zich aan Tao wijdden -(als) gering, subtiel, duister en ver doordringend. - -3. Zij verdwenen, als het ijs dat gaat smelten. Zij waren simpel, als -onbewerkt hout. Zij waren ledig, als een vallei. - - -Hoofdstuk XXXVII. - -1. Tao is eeuwig Wu Wei (Niet Doende), en toch is er niets, wat Het -niet doet. - -4. Het simpele wezen dat geen naam heeft bevrijdt ons van begeerte en, -vrij van begeerte, komen wij tot de Rust. - -In deze (zie I) fijne woordspeling, waarbij ik even stil wil blijven -staan, ligt ook opgesloten: Door geestelijke actie brengt Tao het -concrete Heelal voort, op mystieke wijze. - -In de Ishopanishad vinden wij hetzelfde: „Hij, die doet bewegen en -(toch) zelf niet beweegt”. - - - -Meister Eckehart zegt nog: „God is rust, en toch als God ook maar een -oogenblik ophield te scheppen zou de heele wereld ten gronde gaan”. - - -Hoofdstuk XLII. - -1. Tao baarde één, één baarde twee, twee baarde drie, drie baarde -alle dingen (de creatie). - -2. Alle dingen laten de Duisternis (de Stof) achter zich (waaruit zij -gekomen zijn) om te omhelzen het Licht (den Geest), en worde in -harmonie gebracht door het Fluïde der Leegte. - -In dezen tekst hebben sommigen een analogie gezien met de Drieëenheid -uit de H. Schrift. Men moet echter verder gaan, en evenzeer de -Drieëenheid uit alle andere oude godsdiensten er mede vergelijken. Het -„Fluïde der Leegte”—waarvan wij in andere oude mystieke boeken -ook analogieën vinden—is in deze Chineesche filosofie een term, -aanduidend „alles wat primair agent is in ’t voortbrengen en -modifieeren van beweging”. - - -Hoofdstuk LI. - -1. Tao baart de dingen, Teh brengt ze groot, de Materie vormt ze, de -Kracht volmaakt ze. - -2. Daarom, onder alle wezens is er geen, dat niet Tao vereert en Teh -hoogacht. - -3. Die majesteit van Tao en die eerwaardigheid van Teh zijn niet aan -hen gegeven, zij bezitten die eeuwig uit zichzelven. - -4. Daarom, Tao baart ze, Teh brengt ze groot, bestendigt ze, onderhoudt -ze, beschut ze, bederft ze (weer), voedt ze, en werpt ze (weer) omver. - -5. Te baren, en toch niet als eigendom te beschouwen, te formeeren, en -dat toch niet als glorie te beschouwen, te regeeren, en toch vrij te -laten,—dit noem ik de mysterieuze Deugd. - - -Hoofdstuk LV. - -6. Van het toppunt van kracht af worden de dingen oud, dat wil zeggen, -zij zijn niet gelijk aan Tao, en wat niet gelijk is aan Tao neemt een -spoedig einde. [40] - - -Hoofdstuk XI. - -1. De beweging van Tao is terugkeer (tot zichzelf). Zachtheid is Zijn -functie. - -2. Alle bestaan op de wereld is uit Zijn. Alle Zijn is uit Niet-Zijn. - - -Hoofdstuk XLIII. - -1. Het allerzachtste in de wereld overwint het allerhardste. - -2. Het Niet-Zijn dringt binnen in waar geen opening is. - -3. Vandaar dat ik het nut weet van Wu Wei. - - -Hoofdstuk XLVII. - -1. Zonder mijn deur uit te gaan ken ik de wereld, zonder uit mijn -venster te kijken zie ik den Weg des Hemels. - -2. Hoe verder men uitgaat, hoe verder men wordt voortgedreven, hoe meer -men weet hoe minder men weet. - -3. Daarom de Wijze weet zonder iets te doen, noemt de dingen zonder te -zien, en volmaakt zich zonder actie. - - -Hoofdstuk LXXVI. - -1. Als de mensch geboren wordt is hij zacht en zwak, als hij sterft is -hij stijf en sterk. Als het gras en de boomen geboren worden zijn zij -soepel en teer, als zij sterven zijn zij droog en schraal. - -2. Stijfheid en sterkte zijn de volgelingen van den dood, zachtheid en -zwakheid zijn de volgelingen van het leven. - -3. Daarom, als een leger sterk is overwint het niet, als de boom sterk -is wordt hij omgehakt. - -4. Wat sterk en groot is is inferieur, wat zacht en zwak is is -superieur. - - -Hoofdstuk LXXVIII. - -1. Niets in de wereld is zachter en zwakker dan het water, en toch is -er niets, dat het overtreft in het breken van wat hard is. Daarom is er -niets, dat water evenaart. Het zachte overwint het harde, het zwakke -overwint het sterke. - - -Hoofdstuk LXXXI. - -1. Ware woorden zijn niet mooi; mooie woorden zijn niet waar. - -2. Zij, die goed zijn, zijn niet welsprekend, zij, die welsprekend -zijn, zijn niet goed. - -3. Zij, die (Tao) kennen zijn niet geleerd; zij die geleerd zijn kennen -(Tao) niet. - -Men ziet en voelt, hoe al deze verschillende teksten volstrekt niet in -westerschen zin logisch op elkaar volgen. Iedere tekst is als ’t ware -het bezonkene van een lange, diepe meditatie, en is ook, omgekeerd, een -onderwerp, om uren en uren over na te denken, en zich in te verdiepen. -M.a.w.: de studie van zulke teksten moet op oostersch meditatieve wijze -plaats hebben, niet op enkel westersch mentale. - -Het is duidelijk, dat deze diepzinnige bespiegelingen geen gemeengoed -voor de groote massa konden worden, en dat zij niet zulk een invloed op -het gewone, maatschappelijke leven konden uitoefenen, als de leeringen -van Confucius. Zijn teksten waren zulke, die „half reveal and half -conceal the thought within”, zooals Douglas er terecht eens van -gezegd heeft. [41] Het bekende - - -„Ch’ú Pi Tsch’ù Tsch’ù” - - -d.i. „Verwerp Dit (van buiten), Grijp Dàt (van binnen)” uit het -12e Hoofdstuk der „Tao Teh King” is geen op te volgen voorschrift -voor de menigte, maar enkel voor een élite intuïtieve denkers. - -Het latere geslacht heeft dan ook gedaan, wat steeds met groote, -diepzinnige leeren van denkers gedaan is, het heeft Lao Tsz’ zeer -vervormd, en er de zonderlingste hocus-pocus formules in meenen te -zien, zoo dat de „Tao Teh King”, die voor hooge, fijne Chineesche -geesten een bijbel is gebleven, het uitgangspunt is geworden van een -verward systeem van alchemie en magie, en van een afgoden-dienst, -gewoonlijk Taoïsme genaamd, die eigenlijk niets met de mystieke, -verheven leer van Tao meer te maken heeft. [42] - -Daar ik dit boek aan den zuiveren, onvervalschten Geest van China wijd, -en niet aan verwordingen en verbasteringen, kunnen beschouwingen over -dit ontaarde Taoïsme achterwege blijven. - -Het is eigenaardig, dat zooveel sinologen van naam, zich bij voorkeur -met de degeneraties en verwordingen hebben opgehouden, en hun leven -hebben besteed aan het schrijven van dikke folio’s hierover, terwijl -de oorspronkelijke, sublieme Wijsheid van China, waarin de Geest van -China in puren onbevlekten staat bewaard is gebleven, aan hun aandacht -gansch is ontsnapt. Een van de voornaamste redenen hiervan is, dat zij -de intuïtie, en het „spiritual insight” misten om in dien Geest -door te dringen. - -Het is ook de aandacht van de meeste sinologen voorbijgegaan, dat er -ten huidigen dage in China nog vele, zoogenaamde „esoterische” -scholen bestaan, waarin de oorspronkelijke filosofie van Lao Tsz’ -zuiver bewaard wordt, en het onderwerp is van de meest serieuze -meditatieve bespiegelingen. Eene studie dier scholen zou van het -hoogste belang zijn, en groote schatten van oostersche wijsheid aan het -licht brengen. - - - - - - - -CHUANG TSZ’ - - -Ik kan niet nalaten, hieronder een en ander te laten volgen uit de -„Nan Hwa King”, het mystieke werk van Lao Tsz’s grooten discipel -Chuang Tsz’, die 250 jaar na hem leefde en, grootendeels door -gelijkenissen in korte verhalen en parabelen, de leer van de „Tao Teh -King” geïllustreerd heeft. - -Men verwachte ook hier geen logische uiteenzetting, want dezelfde -intuïtieve, suggestieve methode wordt er in gevolgd, die niet voor -enkel intellectueelen, maar voor intuïtief aangelegden begrijpelijk -zijn. - -Ik zal mij aan die methode houden, en dus enkele korte verhalen uit de -„Nan Hwa King” hier in vertaling geven, om ten slotte eene korte -beschouwing er over te houden: - - -(Uit Hoofdstuk II) - -„Als er een begin was, was er ook een tijd dat dat begin nog geen -begin was. En dan was er ook een tijd vóór den tijd, die was vóór -den tijd van dat begin. - -„Als er Zijn was, was er ook Niet-Zijn. En als er een tijd was dat -Niets bestond, moest er ook een tijd geweest zijn dat Niets niet -bestond. - -„Plotseling was er Niets, maar ik weet nog niet of dit nu iets is dat -bestaat of niet bestaat”. - - -(Uit Hoofdstuk II) - -Er bestaat geen ding dat niet objectief is, er bestaat geen ding dat -niet subjectief is. Als wij van het objectieve uitgaan dan zien wij -niets. Alleen van ’t eigen (subjectieve) weten uit kunnen wij weten. -Daarom zegt men: het objectieve komt uit het subjectieve voort. -Objectief en subjectief is een theorie (spraak) van alternatie. En -toch, als ’t eene wordt geboren is ’t andere gestorven, als ’t -eene sterft wordt ’t andere geboren, als ’t eene kan kan ’t -andere niet, als ’t eene niet kan kan ’t andere, omdat ’t eene -positief is is ’t andere negatief, omdat ’t eene negatief is is -’t andere positief. - -Daarom, de Wijze bekijkt niet uit deze standpunten. Hij plaatst zich in -den Hemel [43] en is dan vanzelf in het (groote) Subjectieve standpunt, -waar subjectief ook objectief is en objectief ook subjectief, en waar -de tegenstellingen niet-onderscheidbaar tot één vermengd zijn. -Daarom, kunnen we (eigenlijk) wel zeggen dat subjectief en objectief -bestaan of niet-bestaan? - -Waar subjectief en objectief niet (meer) hun correspondeerende -tegenstelling hebben daar is Tao in zijn inwezen [44]. - - -(Uit Hoofdstuk XII) - -Ten eerste: De vijf kleuren verwarren het oog, en maken dat het niet -helder meer ziet. - -Ten tweede: De vijf geluiden verwarren het oor en maken dat het niet -duidelijk meer hoort. - -Ten derde: De vijf geuren verwarren den neus en maken dat de reuk -belemmerd wordt. - -Ten vierde: De vijf smaken verzadigen het verhemelte en maken het -smaakgevoel ziek. - -Ten vijfde: Lust en afkeer verduisteren het hart en maken dat de -oorspronkelijke natuur vervliegt. - -Deze vijf zijn de gevaren van het leven, en toch beschouwden Yang en -Mih [45] die als het hoogste goed. - -Ik noem dit niet het hoogste goed verkrijgen. Want als in zulke ellende -opgesloten te zijn het hoogste goed verkrijgen moet heeten, dan kunnen -duiven en uilen in hun kooien ook het hoogste goed verkregen hebben. - -Buitendien, zichzelf van binnen vol te stoppen met neigingen en -afkeeren en geluiden en kleuren, en zich van buiten mooi te maken met -bonte mutsen, veêren hoeden, tabletten en gordels, (vanbinnen -volgepropt met allerlei overbodigs en vanbuiten piekfijn van pracht) en -dan nog te praten van ’t hoogste goed te hebben verkregen.... op die -manier kunnen een misdadiger met zijn armen op zijn rug gebonden en -zijn vingers in de duimschroef, of een tijger of een luipaard in hun -kooi óók het hoogste goed hebben verkregen. - - -(Uit Hoofdstuk XVIII) - -Toen Chuang Tsz’s vrouw stierf kwam Hui Tsz’ om hem rouw te -betoonen. Chuang Tsz’ was toen juist bezig, op den grond met rechtuit -gespreide beenen op een schaal te trommelen, terwijl hij er bij zong. - -Hui Tsz’ zeide: „Met een vrouw te leven, Uw oudsten zoon te zien -opgroeien en dan als haar lichaam sterft niet te weenen, dat is al -genoeg, naar ik meen, maar dan nog op een schaal te trommelen en te -zingen, is dat niet àl te erg?” - -Chuang Tsz’ antwoordde: „Zóó is ’t niet. Toen zij pas gestorven -was en ik alleen bleef, hoe kon ik toen anders dan bedroefd zijn? Maar -toèn ben ik gaan nadenken dat zij vroeger geen leven had, niet alleen -geen leven, maar (zelfs) geen vorm, niet alleen geen vorm, maar (zelfs) -geen fluïde. In dien oer-toestand werd, door de kosmische -transformaties fluïde gegeven, toen vorm, en toen geboorte. Thans, -door wederom transformatie, stierf zij. Dit is gelijk de gang der vier -jaargetijden, lente, zomer, herfst, winter. - -„En nu, terwijl zij rustigjes slaapt in het Groote Huis (van Tao) te -gaan huilen en jammeren, zou zijn het niet begrijpen van deze -goddelijke wet. Daarom onthoud ik mij.” - - -(Ibid.) - -Lieh Tsz’, toen hij op reis was, zat te eten langs den weg, toen hij -een eeuwenoud doodshoofd zag. Hij plukte een rietje af en zeide, het -aanwijzende: „Alleen gij en ik weten hoe nog nooit bewezen is dat -dood of leven bestaan”. - - -(Uit Hoofdstuk XXII) - -Schitterend Licht vroeg Niet-Zijn „Bestaat gij, Meester, of bestaat -gij niet?” Schitterend Licht kreeg geen antwoord en trachtte de -gedaante van Niet-Zijn te zien. - -.... Diepte.... Leegte.... - -Den ganschen dag keek hij uit maar zag niets, luisterde maar hoorde -niets, greep er naar maar kreeg niets. - -„Dat is ’t toppunt” zei Schitterend Licht. „Wie kan hier aan -toe komen? Ik kan er in komen dat er Niet-Zijn is, ik kan er niet in -komen dat Niet-Zijn er niet is. Als Niet-Zijn bestaat, hoe kan het dan -tot het bestaan van dit (Niet Niet-Zijn) komen? - - -(Uit Hoofdstuk XII) - -De Gele Keizer reisde ten Noorden van het Roode Water en besteeg de -K’un Lun bergen. Naar het Zuiden terugkeerende verloor hij zijn -mystieke parel. - -Hij gebruikte Weten om haar terug te vinden, maar kreeg haar niet. Hij -gebruikte Magie om haar terug te vinden maar kreeg haar niet. Hij -gebruikte Uiterste Kracht om haar terug te vinden maar kreeg haar niet. - -Toen gebuikte hij Niets [46]. En Niets kreeg haar. - -En de Gele Keizer zeide: „Hoe vreemd! Niets kreeg haar terug!” - - -(Uit Hoofdstuk XX) - -(De filosoof I Liao zeide tot den vorst van Lu:) - -Het is ons mensch-zijn dat ons belemmert, het is het mensch-zijn in -anderen dat ons verdriet geeft. Daarom had (keizer) Yau dit mensch-zijn -niet en zag het niet in anderen. Ik zou wenschen die belemmering en dat -verdriet van U weg te hebben en U eenzaam in Tao in het oneindige rijk -aan Niets te doen zweven. - -Veronderstel dat een boot een rivier oversteekt en een leege boot komt -er mede in botsing. Zelfs een prikkelbaar man zou dan niet boos worden. -Maar als er iemand in die boot was zou het geschreeuw geven om uit te -wijken. Als de andere ’t niet hoorde zou er voor de tweede en voor de -derde maal geschreeuwd worden en dan zouden er stellig woedende woorden -vallen. In ’t eerste geval was er geen boosheid, maar nù wel; omdat -in ’t eerste geval de boot ledig was maar nù was er iets in. Als de -mensch óók ledig kan zijn en zóó door de wereld zweven, wie kan hem -dan schaden? - - -(Uit Hoofdstuk XXII) - -(Over concentratie:) - -Toen Confucius naar (den staat) Ch’u ging kwam hij door een bosch -waar hij een bochel krekels zag vangen alsof hij ze zóó maar met zijn -hand greep. - -Confucius zeide: „Wat is dat knap! Is daar een Weg voor?” De bochel -antwoordde: „Ik heb er een Weg voor. In de 5e en 6e maand oefen ik -mij door twee ballen op elkaar in evenwicht te houden. Als zij niet -vallen mis ik niet veel krekels. Als ik er drie op elkaar in evenwicht -houd mis ik er maar één op de tien, en als ik er vijf zoo kan houden -kan ik ze als ’t ware zóó met mijn handen pakken. Ik rust dan in -mijn lichaam alsof ’t een boomstam was, en mijn armen doode takken. -Al zijn Hemel en Aarde om mij, en de Veelheid der dingen, ik weet -alleen maar van krekel-vleugels af. Ik keer mij niet om, ik ga niet -terzijde, ik heb niets met de duizenderlei transformaties der dingen te -maken, en hoe kan ’t dan anders of ik moet die krekel-vleugels -pakken?” - -Confucius zag om en zeide tot zijne discipelen: „Richt Uw Wil op -één ding en Uw geest wordt geconcentreerd. Hierdoor komt het succes -van dezen bochel”. - - -(Uit Hoofdstuk XXII) - -Weten reisde noordwaarts, over het Mysterieuze Water, en over den -Duister-Diepen Berg en ontmoette Doe-Niets Zeg-Niets, dien hij vroeg: - -„Ik zou U gaarne vragen, door welke gedachten, door welke -overpeinzingen kan men Tao weten? Door wáárin te rusten, door waar -naar te richten kan men in Tao toeven. Door wàt te volgen, door welken -weg kan Tao verkregen worden?” - -Op deze drie vragen antwoordde Doe-Niets Zeg-Niets niets. Niet omdat -hij niet antwoorden wilde, maar omdat hij ’t niet wist. - -Toen Weten geen antwoord kreeg keerde hij om, ging hij zuidelijk van -het Witte Water den Ku-Chuëh berg op, en zag Dolleman-Stotteraar, wien -hij hetzelfde vroeg. - -„O!” zeide Dolleman-Stotteraar, „Ik weet het. Ik zal ’t U -zeggen....” - -Maar juist toen hij wilde spreken vergat hij het wat hij zeggen wilde. - -Toen Weten geen antwoord kreeg keerde hij terug naar het keizerlijk -paleis. Hij ging op audiëntie bij den Gelen Keizer en vroeg het dezen. - -De Gele Keizer zeide: „Door géén overpeinzingen kan men Tao weten. -Niet door ergens in te rusten, noch door zich ergens naar te richten -kan men in Tao toeven. Door niets te volgen, door géén Weg kan men -Tao verkrijgen.” - -Toen vroeg Weten den Gelen Keizer: „Gij en ik weten dit nu. Maar van -die twee van zooeven, wie heeft daarvan gelijk?” - -De Gele Keizer zeide: „Die Doe-Niets Zeg-Niets heeft in waarheid -gelijk en Dolleman-Stotteraar ook bijna. Gij en ik zijn er verre van -af. [47] Zij die (Tao) kennen spreken er niet over, zij die er over -spreken kennen (Tao) niet. Daarom begaat de Wijze de Leer zonder -woorden”. - - -(Uit Hoofdstuk XXXII) - -Toen Chuang Tsz’ op het punt was van te sterven wilden zijn -leerlingen hem met staatsie begraven. Chuang Tsz’ zeide: „Ik heb -Hemel en Aarde voor mijn doodkist en mijn sarcophaag, Zon en Maan -zullen mijn edelsteenen, de Sterren zullen mijn paarlen zijn, en de -geheele creatie de rouwenden bij mijn uitvaart. Is dus alles niet reeds -gereed?” - -De leerlingen zeiden: „Wij vreezen dat de aasgieren onzen Meester -zullen opeten”. - -En Chuang Tsz’ antwoordde: „Boven den grond ben ik voedsel voor de -aasgieren, onder den grond voor de krekels en mieren. Waarom den een te -berooven om den andere te voeden?” - - - -Ook uit deze weinige fragmenten van Chuang Tsz’ naderen wij uit de -verte het begrip Tao—bereiken doen we het natuurlijk niet—evenzoo -als uit de Tao Teh King van Lao Tsz’. - -Tao, wordt herhaaldelijk gezegd, kan niet uitgevorscht of uitgelegd -worden. Het heeft ook geen Bestaan in den zin dien wij aan Bestaan -geven. Als wij Tao in Hemel en Aarde, in Ruimte en Tijd zoeken vinden -we Het niet, en toch hebben al deze in Tao hun grond. Er is maar één -Weg om Tao (niet te kennen of te weten maar) te Zijn, en dat is in het -innerlijke leven. Dan heeft men Tao niet zijn eigendom of bezit, maar -is men Tao, één met het Al. Tao is de Eenheid in de Veelheid, de -Eeuwigheid in den Tijd. - -Dat zoowel de Tao Teh King als de Nan Hwa King meestal in paradoxalen -vorm geschreven zijn is een gevolg dáárvan, dat de hoogste waarheid -altijd paradoxaal is als zij in termen van óns bewustzijn wordt -uitgedrukt, dat zèlf gebonden is door relativiteit en tegenstellingen. -Westersch definieerende zouden wij kunnen zeggen „Tao is de Eenheid -in Veelheid van God, Teh is de Veelheid in Eenheid van de Natuur in den -Geopenbaarden Kosmos”. - -De leer, dat de objectieve en subjectieve werelden niet scheidbaar, -maar één zijn, en dat Eén Alles is, is een der grondprincipes van -deze Chineesche wijsbegeerte. Alle schijn van het tegendeel is maar -schijn als gevolg van het zich identificeren met een of ander -standpunt. Chuang Tsz’ noemt zulk een identifieeren het „Drie in -den Morgen standpunt” en geeft daar het volgende, zéér treffende -voorbeeld van: - -„Een baas die apen hield zeide met betrekking tot hun rantsoen van -kastanjes dat iedere aap er „drie in den morgen” zou krijgen en -„vier in den nacht”. Toen werden de apen erg boos en daarom zeide -de baas dat ze er vier in den morgen zouden krijgen en drie in den -nacht, en dezen maatregel vonden ze toen allen prachtig. Het werkelijke -getal bleef hetzelfde, maar er was een aanpassing aan de neiging en den -afkeer van de betrokkenen.” - -Alzoo is het principe van het zich zelf met uitwendige dingen in -subjectieve betrekking stellen. „Waarom de ware Wijze, -tegenstellingen als identiek beschouwend, zich aanpast aan de wetten -van den Hemel”. - -Chuang Tsz’ wijst in zijn werk ook herhaaldelijk op het foutieve en -gebrekkige van wat wij kennen, of eigenlijk erkennen noemen. Er is geen -erkentenis in de Ruimte, omdat we enkel relatieve ruimte kennen. Een -grashalm is eigenlijk even groot als een toren. Een krekel begrijpt de -vlucht niet van een adelaar. Een berg is een zandkorrel. Dit -illustreert hij in verscheiden voorbeelden. - -Er is geen erkentenis in den tijd omdat voor ons duur alleen een -verhouding is. Geen wezen heeft een hoogeren ouderdom dan een -eendagsvlieg of een kindje dat in den wieg sterft. - -Er is geen erkentenis in Waarde omdat wij geen absoluut richtsnoer -hebben, waaraan te onderscheiden wat mooi en leelijk, goed en slecht -is. Goed en slecht bestaan niet in wezenlijk, zijn relatieve begrippen. - -Er is evenmin erkentenis in Leven omdat alle leven relatief is en er -geen criterium is wat absoluut Leven is. Zelfs tusschen leven en droom -onderscheiden is moeilijk. Chuang Tsz’ vertelt dit in een parabel, -n.l. dat hij eens droomde, een vlinder te zijn, zalig-fladderend, met -allerlei vlinder-emoties, geheel onbewust van zijn mensch-zijn. -Plotseling werd hij wakker en kreeg weêr ’t idee „ik, zelf”. En -toen vroeg hij zich af: „Ben ik nu een mensch die gedroomd heeft dat -hij een vlinder is, of een vlinder die op ’t oogenblik droomt dat hij -een mensch is?” - -Alzoo: er bestaat geen erkentenis in de wereld van de tegenstellingen -en het Gescheidene. - -Drie jaar geleden is te Leipzig (Insel-Verlag) een boek verschenen -„Reden und Gleichnisse des Tschuang Tse,” door een Duitschen -filosoof, Dr. Martin Buber, die zelf geen Chineesch kent, maar met een -Chineeschen, ongenoemden literator gewerkt heeft aan deze uitgave. -Jammer genoeg geeft hij daarin maar een zeer klein uittreksel -fragmenten uit de groote „Nan Hwa King” maar wat zuiver begrip en -volkomen „Verständnis” aangaat, is dit het beste, dat ooit over -deze Chineesche filosofie is verschenen, vooral door het schitterende -„Nachwort” dat het besluit. - -Een bizonder mooi gedeelte hieruit, mooi namelijk om het zuivere begrip -van Tao zooals Het zich openbaart in ons menschenleven, en om de -heldere manier, waarop het de valsche meening te niet doet als zou Tao -medebrengen een monotoon leven zonder veranderingen, laat ik even hier -volgen in vertaling: - -„Ieder ding openbaart Tao door den Weg van zijn Bestaan, door zijn -Leven; want Tao is de Eenheid in de Verandering, de Eenheid die zich, -evenals in de Veelheid dingen, ook in de Veelheid der op elkander -volgende oogenblikken in het leven in stand houdt. Daarom is niet de -mensch, wiens weg zonder veranderingen verloopt, de volkomen openbaring -van Tao, maar de mensch, die met de sterkste verandering de zuiverste -Eenheid vereenigt. Er zijn twee soorten van leven. Het eene is het -gewone àf-leven, de afslijting tot het uitdooven; de andere is de -eeuwige verandering en hare Eenheid in den Geest. Wie zich in ’t -leven niet laat verteren, maar zich onophoudelijk vernieuwt en juist -dáárdoor, in de verandering, en dóór haar, zijn Zelf in stand -houdt—dat niet een star Zijn, maar juist een Weg, Tao [48] is—die -gewint de eeuwige Verandering en instandhouding”. - - - - - - - -DE VOORVADEREN-DIENST - - -Zeer terecht heeft Samuel Johnson gezegd: „Zóó huiselijk is de -godsdienst der Chineezen dat hun voorvaderlijke ritueelen eenvoudig een -uitbreiding zijn van hun huis-associaties; en dit is zóó compleet -verdaadwerkelijkt dat het graf zijn verschrikking verloren heeft en aan -vreugde is gewijd”. - -Dit is inderdaad weêr een der schoone trekken van den Geest van China: -de vreezeloosheid voor den Dood, en niet alleen deze vreezeloosheid, -maar de vertrouwelijkheid er mede. - -De Europeaan, over ’t algemeen, is bang voor den dood, hij wil er -niet aan denken, moffelt het denkbeeld er van in zijn dagelijksche -leven weg, en een graf is voor hem een donker, vunzig gat van -verschrikking en verrotting. - -In China is het doodgaan geen ding van angst en vreeze, want de -voorvaderendienst en het familie-altaar hebben over de grimmigheid van -het sterven den glans der eeuwigheid gelegd. - -Ik heb in China ouden van dagen met een rustig, vredig gezicht buiten, -in de rotsbergen om Amoy, meermalen hun eigen graf zien uitzoeken, ik -heb kinderen aan hun bejaarden vader een doodkist zien cadeau geven, -die als een kostelijk geschenk werd aanvaard, en ik heb, vóór de -begrafenis, maandenlang, zooals het gebruik is, een doodkist met een -lijk in een Chineesche woning zien staan, met kinderen spelend er vlak -bij, zonder een schijn van vrees of huivering. - -Dit komt omdat „dood zijn” van een familielid in China heel iets -anders beteekent dan in Europa. Het doode familielid is in China niet -„weg” als het begraven is, het is eenvoudig „teruggekeerd” naar -de groote voorvaderen-familie aan gene zijde van het graf, in die -ongeziene sfeer, die eene voortzetting is van de zichtbare sfeer waarin -de overlevenden nog zijn. - -De „Hiao”, waarover ik het in mijn hoofdstuk over Confucius had, -sluit niet enkel in het liefhebben en eeren der levende vaderen, maar -ook der doode voorvaderen. De dooden-vereering in China is niet een -bijgeloof, zonder meer, maar eenvoudig eene uitbreiding, in de -ongeziene sferen, van de aardsche familie-betrekkingen. De doode -vaderen in China zijn eigenlijk niet dood, maar leven nog steeds het -huiselijke leven mede, nemen kennis van alle gewichtige gebeurtenissen -in de familie, doen mede aan alle feesten en feestjes, worden in alle -beraadslagingen over familiezaken gekend, enz. enz. - -Zéér juist en schoon zegt Okakura Yoshisaburo in zijn „Geest van -Japan”, en dit is ook geheel en al op de Chineezen van toepassing: - -„De afgestorvene wordt, ofschoon onzichtbaar, geacht zijn -schimmenbestaan in dezelfde wereld en in vrijwel denzelfden staat voort -te zetten, als hij dat op aarde placht te doen. Evenmin als het kleine -kind, waarvan Wordsworth zoo treffend verhaalt, kunnen wij inzien, dat -wij de zoogenaamde dooden niet meer onder de bestaanden hebben mede te -rekenen. Het onderscheid ligt in de tastbaarheid en de zichtbaarheid, -maar dan ook in niets meer”. - -Zeer terecht zegt Samuel Johnson, dat de Familie in China niet bevoegd -zou zijn om eene beschaving te scheppen, als zij niet de oplossende -macht van den dood kon overwinnen. Het is aan het graf, of bij de -voorvaderlijke „ziele-tablet”, waar de gestorven familie-leden -onzichtbaar maar onveranderd voortleven, „dat de vroege vormen van de -„Hiao” een godsdienstige ritus worden.” - -De dooden zijn voor den Chinees niet „weg”, zooals voor den -Europeaan. De doode is er nog steeds. Ook voor den Japanner. Zooals -Okakura-Yoshisaburo het treffend uitdrukt: „De essentie van zijn -individualiteit is, schoon onzichtbaar, steeds aanwezig”. - -Een Europeaan, die nooit in het Oosten geweest is, kan zich geen -voorstelling maken van de absolute realiteit, die voor den Chinees de -aanwezigheid der onzichtbare dooden heeft, en van de intimiteit, -waarmede de doode familieleden nog aan het huiselijk leven deelnemen. - -Voor het Europeesche begrip ligt het doode familielid op het kerkhof, -voor het Chineesche is hij ook in huis steeds aanwezig. - -Op het familie-altaar in huis staat de mystieke „zieletablet” -(„shên-tjoe”), waarin iets van de ziel van den afgestorvene wordt -verondersteld te wonen, en waarop in de stijlvolle Chineesche karakters -zijn naam en geboorte- en sterfdag vermeld staan benevens de namen -zijner kinderen en kleinkinderen. De Europeaan brengt, nu en dan, -bloemen voor den afgestorvene naar het kerkhof. De Chinees zet ook -geregeld bloemen en offeranden, in zijn eigen huis, voor het altaar met -de zieletabletten, al vergeet hij het graf buiten niet. - -De doode neemt nog steeds deel aan alles, wat de familie-leden, die hem -overleven, betreft. - -De aanbidding en de offering van wierook en vruchten zijn het symbool -van den eerbied voor huiselijk geluk, reinheid van huwelijks-zeden, -tradities van liefde en plicht. Achter elke offering, door oningewijde -Westerlingen voor afgoderij aangezien, ligt een symbool van waarheid en -religieus gevoel. In de „Li Ki” staat „dat de zoon offert met -zijn geest gevestigd op zijn ouders, alsof zij nog leefden, droevig in -den winter, dat zij zijn als het vallende blad, maar vreugdevol in de -lente, om te denken dat hij ze spoedig terug zal zien.” - -Woont een zeer groote familie in één groot vóórvaderlijk huis te -zamen, zooals zoo dikwijls in China het geval is, dan is de z.g. -„Voorvaderlijke Hal”, waar dan de ziele-tabletten der voorvaderen -staan, het heilige der heiligen, en het centrum der familie, ook der -verre, buitenwonende bloedverwanten, zonder onderscheid van stand of -rang. In deze „Voorvaderlijke Hal” worden alle gewichtige -familiegebeurtenissen afgekondigd, de jeugd krijgt er het teeken van -mannelijkheid, geslaagde examens worden gevierd, de huwelijken worden -er afgekondigd, de mandarijnen (ambtenaren) worden er met hun ambt -bekleed, ja, nog sterker, er wordt aan de onzichtbare dooden om raad -gevraagd in moeilijke gevallen. In een Chineesch huis wonen niet alleen -de levende familieleden, maar ook, schoon onzichtbaar, de doode. De -dooden zijn niet verdwenen uit de familie, maar blijven er eeuwig in. -„Terugkeeren tot zijn familie” is een der Chineesche uitdrukkingen -voor sterven, zooals ik zooeven reeds zeide. - -Dood zijn is niet voor de Chineezen, zooals voor de Europeanen, iets -„griezeligs”. Een lijk, een doodkist, zijn heel vertrouwde, -familiaire dingen. Ik herinner mij nog goed, hoe vaak ik in Amoy met -mijn ouden Chineeschen schrijver Chao in diens huis kwam, toen het lijk -van zijn vader nog in de kist boven de aarde stond, wachtende op den -gunstigen astrologischen dag voor de begrafenis. De doodkist stond -daar, als een heel intiem, vertrouwd ding in een kamer, en kleine -kinderen speelden er vreezeloos om heen. Er stonden wel eens -schoteltjes eten en kopjes drinken om heen, delicatessen, waar de doode -tijdens zijn leven veel van hield, en waarvan zijn geest nu de -onzichtbare essence proefde. - -Ik herinner mij ook nog zoo goed den ouden, ouden Chineeschen literator -in Chang Chow, dien ik eens bezig vond met zelf in sierlijke karakters -het grafschrift neer te penseelen, dat ééns op zijn graf zou worden -gebeiteld. - -En was het niet de literaire, eerwaardige onderkoning Chang Chih Tung, -het lid van den „Grand Council”, die in October 1909, toen hij -stervende was, zelf in prachtig-klassieke taal zijn eigen doodsbericht -schreef voor den keizer? - -Een Chinees, als hij sterft, heeft niet het idee, dat hij uit zijn -familie heengaat, maar juist, dat hij er in „terugkeert”; -terugkeert namelijk tot de voorvaderen aan wie hij zijn geheele leven -eerbied bewezen en offeranden gebracht heeft. Hij weet ook, dat zijn -kinderen hem niet vergeten zullen, dat hij nog steeds in alle -gewichtige familie-aangelegenheden gekend en geraadpleegd zal worden, -dat hij, onzichtbaar, maar daarom niet minder werkelijk, bij alles -tegenwoordig zal zijn, wat in de familie gebeurt, en dat hem dezelfde -eer en dezelfde offeranden zullen geschonken worden, die hij, tijdens -zijn leven, zijn voorvaderen wijdde. De roem, en de onderscheidingen, -die een Chinees gedurende zijn leven van regeeringswege mocht -ontvangen, slaan terug op zijn voorvaderen, die er in deelen. - -Het ergste, wat een Chinees kan overkomen, is te sterven zonder zonen, -die hem een graf schenken en die, aan zijn graf, of voor zijn -ziele-tablet, hem eerbewijzen en offeren. Te sterven zonder een zoon na -te laten is niet alleen een ramp voor zichzelven in China, maar ook een -gebrek aan „Hiao”, een oneerbiedigheid, tegenover de voorvaderen. -Daarom is, zoo zeide ik reeds, voor een man zonder zonen adoptie van -een zoon—mits steeds agnatische verwanten, en volgens vaste volgorde, -te beginnen met een zoon van een oudsten broeder—plicht, en zelfs na -zijn dood is deze adoptie, posthuum, door de familie-oudsten, -voorgeschreven. Baart de hoofdvrouw geen zonen, zoo is concubinaat -vanzelf sprekend, om het leven van den echtgenoot voort te zetten. Dit -concubinaat in China heeft daarom oorspronkelijk geen zinnelijk, maar -een heilig, godsdienstig motief. Het dient om de voorvaderen voort te -zetten. - -De familie, waarin de voorvaderen inbegrepen, wordt in het bekende -„Heilig Edict” van keizer Khang Hsi (1662–1723) vergeleken met -één stroom, die vele zijtakken en armen heeft, maar waarin, hoe ver -ook van den oorsprong, altijd hetzelfde water is. - -Een van de karaktertrekken van China, waarin zijn Geest zich het -treffendst uit, is de eerbied voor het Verleden en den Ouderdom, een -eerbied, die niet alleen naar de levenden onder de Ouden uitgaat, maar -ook naar de dooden, naar de voorvaderen. In de „Li Ki” staat dat -eerbied voor den Ouderdom even oud is als het menschelijk geweten. Deze -eerbied voor Ouderdom vindt men trouwens terug in ’t oude Egypte, -’t oude Griekenland, ’t oude Rome. De schoone woorden van -Epaminondas dat het vreugdevolste wat hem ooit overkomen was, hierin -bestond dat hij de overwinning bij Leuctra had behaald toen zijn vader -en moeder nog leefden, zouden door iederen Chinees gewaardeerd en -begrepen worden. - -Het is heel gemakkelijk om, zooals zooveel Westersche schrijvers over -China gedaan hebben, te glimlachen over de vereering voor den Ouderdom, -en vooral de vereering voor de voorvaderen in China, maar, wanneer men -al de ceremoniën beschouwt, die, vooral aan de laatste, zijn -verbonden, behoort men de oorspronkelijke symboliek er van te voelen en -te begrijpen, om er een helder oordeel over te kunnen hebben. - -De voorvaderen-dienst draagt, zooals Samuel Johnson zoo juist heeft -gezegd, het „home” over in de ongeziene sferen. Daar die ongeziene -sferen niet tot het gebied der Europeesche empirische wetenschap -behooren, is al gauw de neiging tot spot en ridiculiseering aanwezig -bij nuchtere Westerlingen. - -Sommige sinologen hebben het voorvaderlijke altaar afgoderij en -bijgeloof genoemd, Johnson noemde het, en ik ben van dezelfde meening, -„the open conscience of the people, where all duties are laid bare to -the wisdom and order of the world, enshrined in these honoured ones”. - -Het groote sentiment der Chineezen in hun voorvaderen-dienst zou door -de oude Egyptenaren beter begrepen zijn dan door de moderne Europeanen. - -In elk geval mag wel eens bedacht worden, hoe klein en onwijsgeerig in -Europa over ’t algemeen de vrees voor den dood is, en hoe de -voorvaderen-dienst der Chineezen al het angstige en „griezelige” -aan den dood ontnomen heeft, door de dooden in dezelfde vertrouwelijke -intimiteit van den familie-kring opgenomen te denken als de levenden. - -Mijn leerling en vriend Yap Hong Tjoen, die te Leiden het artsexamen -heeft afgelegd, en een westersche opvoeding heeft gehad, wijst mij er -op, dat ook bij westersch opgevoede Chineezen de eerbied en liefde voor -de voorvaderen in de ziel bewaard blijft. - -„Het mooie er van is”, zeide hij mij, „dat bij deze vereering het -slechte, zoo dit er mocht geweest zijn, van de afgestorvenen verdwijnt -voor de overlevenden, en alleen het goede overblijft. Alleen het beste -en edelste van de dooden blijft over voor het nageslacht, hun mooie en -groote daden”. - -„Als ik kniel voor de ziele-tablet van mijn vader” zegt mijn -leerling Yap, „dan is dit geen afgoderij, maar dan zie ik al zijn -mooie daden voor mij. Ook zoo, als ik kniel voor de tablet van mijn -grootvader”. - -Dit is, wat de meeste Westerlingen niet kunnen begrijpen als zij van -Chineeschen of Japanschen voorvaderen-dienst lezen. - -„Als ik hier in Europa” zegt Yap, die thans bezig is van mij de -taal van China te leeren, die hij door zijn westersche studie heeft -moeten verwaarloozen, „als ik hier in Europa op ’t oogenblik -onbezorgd kan leven, en overal nuttige en schoone dingen zien en -leeren, dan dank ik dit aan den arbeid van mijn vader en grootvader. Ik -vergeet dit geen oogenblik. Zelfs als ik met mijn vrouw in een loge zit -in de komedie denk ik: het is mijn overleden vader, die mij hiertoe in -staat stelde. Ik zie mijn vader en mijn grootvader steeds vóór mij in -al hun goedheid en grootheid, en ik weet dat ik niets zou zijn zonder -hen”. - -Zonder dit sentiment te begrijpen kan niemand over den Chineeschen -voorvaderen-dienst oordeelen. - -Voor alle begrijpen, vooral van oostersche gebruiken en zeden, is in de -eerste plaats reverentie noodig. Zeker, er is in den loop der eeuwen in -den voorvaderen-dienst heel wat bijgeloof en ontaarding ingeslopen. -Maar dáármede heb ik niet te maken als ik over den zuiveren oorsprong -er van schrijf. - -Ik zou dit hoofdstuk willen sluiten met de aanhaling van de roerende -opdracht, vóór aan het bewonderenswaardige werk van Dr. Chen Huan -Chang „The Economic Principles of Confucius”: - - -This Book as a Token of Gratitude and Affection I Dedicate to the -Memory of my Father Chen Chin Ch’üan Who suffered Poverty, Adversity -and Many bitter Disappointments In Order that his Son Might lead the -Scholars Life - - -In deze opdracht van een zoon aan zijn gestorven vader trilt weer iets -van de edelste essentie van den Geest van China. - - - - - - - -CHINEESCHE KUNST - - -Er is van Chineesche kunst veel te weinig bekend, en dit is de schuld -van de sinologen, of eigenlijk ook weer niet hun schuld, omdat er zoo -veel werkelijk heel groote geleerden, en zoo uiterst weinig artistieke, -wat de Grieken zouden noemen „musische” menschen onder hen waren. -Toch is het een heel groote dwaling als men zich verbeeldt, een volk te -kennen zonder zijn kunst te begrijpen, en dit beteekent: te doorvoelen; -want het is juist in de kunst dat de cultuur van een volk, de hoogste -bloei ook van de volksziel, zich uit. Wij kunnen ons de Grieken b.v. -niet denken zonder hun prachtige beeldhouwkunst en hun poëzie, wij -kunnen de Egyptenaren niet begrijpen zonder hun pyramiden, hun -Sphinxen, hun kolossale beelden, en evenmin is het mogelijk, de -Romeinen te kennen zonder hun kunst. Juist in de kunst vond de cultuur -dier volken haar hoogste uiting. - -Maar nu heeft zich het merkwaardige geval voorgedaan, eigenlijk eenig -in de studie van een oud volk, dat men tot voor kort gemeend heeft, -China en de Chineezen wèl te kunnen begrijpen zonder hun kunst. Dit is -zelfs zóó sterk, dat een sinoloog, die wèl artistiek voelt, en die -juist in de kunst der Chineezen de eigenlijk diepste studie -zoekt—want immers de studie van de innerlijke ziel van het -volk—door de sinologen wel eens niet voor „vol” wordt aangezien, -en in géén geval voor een geleerde. Dit is nu weer juist dáárom zoo -eigenaardig, omdat men zich in China geen geleerde kan voorstellen, die -géén kunstenaar is. Een geleerde, een z.g. „poh sz” is in China -altijd iemand die ook een „musisch” mensch is en die, behalve in de -geleerdheid, óók nog, en voorál zelfs, doorgedrongen is in de -poëzie, de literatuur, de schilderkunst en andere kunsten. Zelfs in de -meest diepzinnige filosofie, b.v. die der „Yih King”, in de meest -moeilijk te bevatten beschouwing over abstracties, als b.v. de -primordiale oorzaken van al het bestaan in ’t Heelal, in de -wiskunstige verhoudingen zelfs van alle mystieke z.g. „principes en -ademen” in den Kosmos, kwamen de Chineezen altijd tot een leer van -getallen tot de z.g. „Shoe”, die in den grond niets anders is als -de leer van het groote Rythme, dat de bron is van alle kunst en -poëzie. Het Rythme van de Poëzie, van de kunst, is tenslotte -hetzelfde als het mathematische rythme van den Kosmos, en ook van de -wetenschap in China. Wiskunde, sterrekunde, physica, chemie, muziek, -literatuur en alle kunsten hebben dit Rythme. Hoe vreemd dit ook moge -klinken voor een Westerling, voor een ontwikkelden, beschaafden, -geleerden Chinees zijn juist wetenschap en poëzie en kunst één en -hetzelfde, mits die wetenschap niet tot de uiterlijke phenomena beperkt -wordt, maar beschouwd tot in het ondoorgrondelijk geheim waarop ten -slotte alle wetenschap stuit (en hier gaat het tegenwoordig -onvermijdelijk naar toe met de verschillende stralen, de electronen en -zoo). In mijn hoofdstuk over de „Yih King” toonde ik dit reeds aan. - -Achter alle kunst, als achter alle wetenschap, weet de Chinees het -Rythme; het Rythme, dat als een dans van getallen door al ’t -geopenbaarde gaat (ook Plato kende dit) en waardoor alle verschijnselen -en alle uitingen, zichtbaar en onzichtbaar, worden bewogen. Dit Rythme -is altijd het hoogste goed geweest van den geleerde, en ook van den -kunstenaar in China. De Geest van China is van dat Rythme doordrongen. - -Zoowel de Chineesche filosofie als de Chineesche literatuur, zoowel de -Chineesche kunst als de Chineesche wetenschap—hoe gebrekkig deze ook -moge zijn voor zoover het de studie der zichtbare, uiterlijke -verschijnselen betreft—zijn altijd geweest een niet uitsluitend -logische geleerdheid (want voor de diepste wereldraadselen staat de -logica ten slotte machteloos) maar óók een suggestieve intuïtie, een -zich omhoog doen rijzen boven de grens van het met gedachten vatbare, -een bewustworden in het, wat de Duitschers noemen -„Jenseits”,—Gene zijde—boven het Diesseits—Déze zijde—van -tastbare, zichtbare dingen, een verzinking in het groote „Niets” -van filosofen als Lao Tsz’ en Choe Hie, alléén mogelijk voor wie -musisch genoeg is, om zich op het groote Rythme er toe op te laten -stijgen. Zooiets als dorre geleerdheid, boeken-geleerdheid, enkel -nuchter verstandelijke uitpluizing van verschijnselen, zonder het -musische, rythmische—dat altijd ook in den grond mystiek is—is in -China onbekend. De groote Chineesche geleerden en de groote Chineesche -filosofen—in China zijn dit geen tegenstellingen—waren ook altijd -musische menschen of poeëten. Een van de hoogst geschatte middelen van -opvoeding en onderwijs was dan ook in de Chineesche Oudheid de Muziek, -de kunst bij uitnemendheid, die tóch in haar diepsten grond van -trillingen één is met de wetenschap van getallen, met alle Wiskunde. - -En nu is het juist het groote ongeluk geweest in de Europeesche studie -van China en de Chineezen, dat de sinologen, op enkele zeldzame -uitzonderingen na, gemeend hebben met enkel droge geleerdheid en -philologie—hoe uitnemend en eerbiedwaardig die op zich zelve ook -mogen zijn—niet alleen de taal, maar ook de filosofie en de -literatuur, en zelfs de eigenlijke cultuur van dit wonderbare oude land -te kunnen doorgronden, die met énkel verstand, hoe eminent dit ook -zij, niet te doorgronden zijn, als het rythmische en musische er niet -bij komt. Is over literatuur en filosofie nog veel geschreven en -bestudeerd—hoewel bijna altijd op een droge, enkel westersch-geleerde -manier—over Chineesche kunst hebben tot voor kort zelfs de grootste -sinologen zich nooit druk gemaakt en als ze eens bij uitzondering hier -en daar er hun aandacht aan schonken, dan was het van uit een -archeologisch, maar niet van uit een kunstoogpunt, terwijl het uit -beide zijn moet. Ik zeide zooeven al: Griekenland, en ’t Romeinsche -rijk zijn ondenkbaar zonder hun kunst, die er één mede is. Welnu, -China is dit evenzeer, maar toch bemoeide de sinologie zich tot voor -weinig jaren zoo goed als niet met de Chineesche kunst, en zij -verbeeldde zich, China zonder die kunst te kennen en haar cultuur te -begrijpen. - -De ware geschiedenis van China’s hooge cultuur staat voor ons te -lezen in schilderijen, poëzie en plastiek, in bronzen, porselein en -lakwerk, dáárin is de ware cultuur in haar fijnste volkomenheid -weerspiegeld, en zonder deze kan niemand, ook de grootste geleerde -niet, de Chineesche volksziel begrijpen. - -De Schoonheid is ten alle tijde voor den ontwikkelden Chinees een -toevlucht geweest, die hem openstond voor alle ellende en verdriet in -het leven en hem er boven verhief. - -Een groot Chineesch dichter heeft eens gezegd dat geen verdriet op -aarde de artistieke bekoring weerstaan kon van een mooi stuk gele -zijde. In dit gezegde ligt een karakteristiek van de Chineesche -volksziel opgesloten. De schoone kunsten zijn in China onafscheidelijk -van beschaving. Er is een Chineesch woord „Shih” dat door de -sinologen meestal met „geleerde” wordt vertaald, en met de -bijvoeging dat het in oude tijden ook „krijgsman” beteekende, maar -Chineesche sinologen—die zijn er heusch óók—hebben mij uitgelegd -dat het èn „geleerde” en „dappere”, „ridderlijke” -beteekent en tevens onafscheidelijk hiermede een voor kunst diep -voelende, wat de Grieken een „musisch mensch” noemden. - -In de laatste jaren doet zich het gelukkig verschijnsel voor, dat er -ook sinologen opstaan, al zijn het er nog niet veel, die besef toonen -van hoeveel gewicht de Chineesche kunst is voor de studie van China, en -die er eene studie van maken, niet enkel uit een oudheidkundig maar ook -uit een kunst-oogpunt. Hier en daar verschijnen er werken over, en in -China worden de laatste jaren, vooral in Shanghai, lezingen over -Chineesche kunst gehouden, en tentoonstellingen van Chineesche kunst. -Zoowel het „International Institute” te Shanghai als de Noord-China -tak van de „Royal Asiatic Society” maken zich in dit opzicht -verdienstelijk. Dat vroeger nooit tentoonstellingen van kunst in China -werden gehouden is daaraan toe te schrijven, dat een Chinees, en over -’t algemeen elke oosterling, zijn mooie dingen, die hem heilig zijn, -juist verbergt, en alleen aan heel intieme vrienden laat zien, om er -dan samen, meer zwijgend dan sprekend, van te genieten. Mooie, heilige -dingen voor het publiek ten toon stellen is òn-oostersch. Thans, nu de -invloed van het Westen hoe langer hoe meer door dringt komen Chineezen -er eerder toe, hun kunstschatten voor eene tentoonstelling af te staan -en zóó zijn de laatste jaren tentoonstellingen in Shanghai, Tientsin -en andere steden kunnen gehouden worden van bronzen, porseleinen en -schilderingen. Het is een verblijdend teeken dat zelfs een -wetenschappelijk genootschap als de „Royal Asiatic Society” thans -de Chineesche kunst, niet alleen uit een archeologisch maar ook uit een -kunst-oogpunt onder zijn vleugelen heeft genomen. Prof Ernest -Fenollosa, eertijds hoogleeraar in de filosofie aan de Universiteit te -Tokio, heeft er eindelijk in zijn boek „Epochs of Chinese and -Japanese Art” (1912) op gewezen, dat al hetgeen tot nu toe over -Chineesche kunst is geschreven, meer een studie van antiquarischen en -archeologischen aard is geweest dan van kunst zelf. - -Tot voor kort meende de oningewijde Europeaan de hoogste uitingen van -Chineesche kunst te zien in porseleinen borden, vazen en pullen, in -lakwerk en grillige „curios” of „bibelots”, maar het is nu tijd -geworden dat het Westen eindelijk eens wete, hoe de allerschoonste -uiting van den Geest van China in kunst de Chineesche schilderkunst -geweest is. - -In China is onder alle kunsten de schilderkunst altijd het hoogste in -aanzien geweest, en zij nam de plaats in van de muziek bij ons in -Europa, De wel-opgevoede Chinees was altijd min of meer schilder, -zooals bij ons een wel-opgevoed mensch gewoonlijk piano speelt of zingt -of aan andere muzikale kunst doet. Schilderingen zien was voor een -Chinees wat voor ons is het gaan naar een opera of concert. Een Chinees -bekijkt een oude schildering uit de Soeng-dynastie in denzelfden geest -als een echte Germaan in Bayreuth naar Wagner gaat luisteren. - -De Chineesche schilderkunst is eigenlijk afgeleid van de calligrafie. -Calligrafie was een schoone kunst omdat ze niet, als in ’t Westen, -een enkele reproductie was van klanken, maar van ideeën. Chineesche -schriftteekens, of zooals men ze gewoonlijk noemt: karakters, waren -immers oorspronkelijk symbolisch en ideographisch, het werd zóó -beschouwd dat het daarin uitgedrukte idee iets van de schoonheid in -zich had van de kleine teekening, die haar voorstelde. - -Daarom was een literair mensch trotsch op zijn calligrafie, en dit is -nòg zoo in China. Een literair mensch is altijd óók een beetje een -schilder. Schilderen was vroeger geen apart beroep, ieder ontwikkeld -mensch schilderde. De hoogste beschaving werd het in China geacht de -gevoelens uit te kunnen drukken zoowel in poëzie als met penseel op -zijde. Teekenen werd geleerd zooals bij òns schrijven. Hét -schriftteeken voor teekenen, in ’t Chineesch „hoá”, in ’t -Japansch „kaku” is ’t zelfde als voor schrijven, zeide ik reeds. - -De vroegste Chineesche karakters waren teekeningen van voorwerpen of -voorstellingen. Dit wordt al aangeduid door het karakter voor -schriftteeken: „wên”, d.i. lijnen, omtrekken van een voorwerp. De -schilderachtige natuur van ’t Chineesche schrift eischt een -langdurigen studie-cursus, en dezelfde fijne oefening van oog en hand -als de studie van het teekenen. Het schrijven van Chineesche karakters -wordt in China bepaald als een echte, edele kunst beschouwd, even -verdienstelijk als het maken van een mooie teekening. Men ziet dan ook -in China veel kakemono’s met niets dan één of zeer weinige -karakters er op, waarvan de lijnen en bogen, het rythme, evenzeer -bewonderd worden als die in eene schildering of teekening. In de -Chineesche schilderkunst is de lijn altijd van veel gewicht, van méér -gewicht dan de kleur. - -De natuur van het gebruikte materiaal, zooals lichtelijk absorbeerend -papier, gebleekte zijde en dunne waterkleuren geven aan het Chineesche -schilderen een apart karakter. Men stelle zich de enorme moeilijkheid -voor, die een Europeaan zou hebben, om een teekening te maken op een -soort vloeipapier met een penseel met dunne, waterige Chineesche -kleuren. Er is daarbij geen kwestie van overdoen, wat er staat is met -één penseelstreek gedaan, en moet blijven staan. Het is alles „aus -einem Gusz” neêrgepenseeld, niets kan overgedaan of uitgevlakt -worden. De Chineesche schilder denkt en voelt eerst een schildering -dagen of maanden uit, dát is het groote werk, en als het rijp -voldragen is, eerder niet, penseelt hij het neer, dikwijls in zéér -korten tijd. - -De kleur is in een goede Chineesche schildering niet voldoende voor de -waardebepaling, al kan zij er een zekeren glans aan geven, maar het -lijnen-rythme maakt de schildering tot een kunstschepping. In den -grootsten bloeitijd der Chineesche schilderkunst werden voornamelijk -monochrome schilderijen geschilderd. - -Wanneer wij Chineesche of Japansche schilderkunst zien—deze twee zijn -zeer na aan elkander verwant—moeten wij ons verplaatsen in de ziel -van den Oosterling, en niet alles van een Westersch standpunt blijven -beschouwen. - -Raphaël Petrucci heeft de onsterfelijke verdienste gehad, om de -geheele Chineesche kunst te verklaren uit de Chineesche filosofie. Zijn -prachtig werk „La Philosophie de la Nature dans l’Art d’Extrême -Oriënt” is het monument daarvan. De magische visie van den Kosmos, -de diepste beschouwingen over de kosmische wetten en verschijnselen, -vinden wij weerspiegeld in de Chineesche kunst. - -„On part d’un bibelot très accessible”, schrijft Petrucci, -„où l’attitude, le mouvement, la structure, dégagent un charme -pénétrant, et l’on finit par découvrir, derrière l’œuvre -peinte ou sculptée, la vision magique de l’univers”. - -Zonder de filosofie van de „Yih King”, die van Lao Tsz’, en -zonder het Boeddhisme is de Chineesche kunst niet te begrijpen. - -Ik heb in dit boek „de Geest van China” het Boeddhisme niet apart -behandeld, omdat het een godsdienst—juister: een wijsbegeerte—is, -die niet oorspronkelijk in China ontstaan is, maar van buiten in China -is gekomen. Aparte behandeling van het Boeddhisme zou dit werk te -lijvig maken; ik moet dus de voornaamste leerstellingen er van bij den -lezer bekend veronderstellen. [49] - -Met een enkel woord zal ik hier enkel den invloed van het Boeddhisme op -de Chineesche kunst aangeven. - -Het Boeddhisme heeft op het leven en dus ook op de kunst—de hóógste -uiting van dat leven—in China en Japan een invloed gehad, die -overweldigend groot als hij is, nog nooit ten volle beschreven is -geworden. Al te veel Europeesche geleerden die over China schreven -hebben, zooals terecht door Prof. Fenollosa in zijn in 1912 verschenen -werk „Epochs of Chinese and Japanese Art” is opgemerkt, den indruk -gekregen en in hun geschriften gegeven, alsof het Boeddhisme in China -een ontaarde en verachte godsdienst is, die geen vat heeft op de -ontwikkelde klassen en die genegeerd kan worden in ’t beschrijven van -de Chineesche maatschappij. - -Nu is het zeker waar dat de Chineezen niet zulke zuivere, devote -Boeddhisten zijn als b.v. de bewoners van Ceylon, en ook, dat de echte -Confucianistische literatoren, waartoe ook het geheele hoogere -mandarijnendom zoowat behoort, dikwijls—en vooral van de 8e eeuw -af—zeer vijandig tegen het Boeddhisme geageerd hebben. Maar toch is -het even waar, dat een belangrijk deel van de schoonste gedachten en -zelfs van de levensstandaarden in China, en een zeer belangrijk, ja het -allerschoonste deel van de geheele Chineesche kunst zéér sterk getint -is met Boeddhistische invloeden. Over Chineesche kunst te spreken en -’t Boeddhisme er buiten laten, zou een even onmogelijk te maken fout -zijn, als over Europeesche kunst te spreken zonder ’t Christendom. - -Het Chineesche Boeddhisme behoort bijna geheel, zoo verklaren de -geleerden, tot het z.g. „Grootere Voertuig”, het Mahayana. Onze -meeste informatie over ’t Boeddhisme komt uit Zuidelijke bronnen, in -Pali-geschriften en de geheele Ceyloneesche informatie, en die wordt -geacht dichter te liggen bij de oorspronkelijke bron van Shakyamuni. -Daarom wordt Noordelijk Boeddhisme, Mahayana, meestal gedacht eene -revolutionnaire ontaarding en corruptie daarvan te zijn. Men vergeet -hierbij te veel dat het Boeddhisme—evenals trouwens het -Christendom—een godsdienst (juister ware eigenlijk eene religieuze -wijsbegeerte) is met evolutionair karakter, die niet hardnekkig aan oud -formalisme vasthoudt, maar zich steeds aanpast, adapteert en -re-adapteert aan de behoeften van de natuur der verschillende volken -waarmede het in contact komt. Zóó paste het oorspronkelijke, -Zuidelijke Boeddhisme zich aan de sterkere Noordelijke rassen van N.W. -Indië, en werd het meer positie, sociaal en humaan onder de groote, -practische rassen van China en Japan. Deze aanpassing is daarom echter -volstrekt nog geen ontaarding. - -De introductie van ’t Boeddhisme in de Chineesche kunst is bovendien -langzaam gegaan, en liep over eeuwen, samengaande met eene reeks -revolutionnaire hervormingen in ’t universeele Boeddhisme. Er wordt -wel eens aangenomen dat reeds in 120 v. C. de Chineesche keizer Woe Ti -van de Han dynastie, van Chang Ch’ien, een zijner gezanten en -generaals, die de z.g. Yueh Chi, de Hunnen, in ’t Westen bezocht, een -gouden beeld medegebracht kreeg, 3 M. hoog, dat een Boddhisattva zou -hebben voorgesteld, maar, indien dit al zoo was, werd hiermede toch nog -niet het Boeddhisme ingevoerd. Eerst in ’t jaar 61 n. C., onder -keizer Ming Ti, kan met zekerheid eene missie worden getraceerd die -hij, tengevolge van een droom, naar ’t Westen zond om daar -inlichtingen en boeken te gaan zoeken over Boeddha. - -Deze missie kwam tot Magadha, in Centraal-Indië, N. van de Ganges en -kwam terug met reliquien en boeken, en met 2 boeddhistische leeraars -uit Indië. Van dien tijd af werd het Boeddhisme in China bestudeerd en -werden boeddhistische werken vertaald, maar het was niet vóór de -Th’ang-dynastie, dat de eigenlijke expansie van ’t Boeddhisme in de -Chineesche kunst op werkelijk groote schaal begon, die toen al eeuwen -geleden nu en dan sporadisch de aanraking had gevoeld van de Indische -kunst. Deze Indische kunst was gedeeltelijk eene Greco-Boeddhistische, -waarin Perzische invloeden zich met Helleensche elementen vermengd -hadden. - -Het was deze Greco-Boeddhistische kunst, oorspronkelijk uit de verte -dateerende van de veroveringen van Alexander den Groote, die ook in -China zijn intrede deed, later in Korea, en in Japan, en het eerste -karakter gaf aan de Chineesche Boeddhistische kunst. Het klink wel wat -vreemd dat de Grieksche kunst, zij ’t vermengd met andere, werkelijk -doorgedrongen is tot China en Japan, vooral als men zoo dikwijls -Chineesche en Japansche kunst als e.g. „romantisch” heeft hooren -noemen in tegenstelling met het Grieksche klassicisme. De bekende -versregels van Rudyard Kipling: - - - - „East is East and West is West - And never the twain will meet” - - - -lijken dit ook wel tegen te spreken, maar in de kunst hebben Oost en -West elkaar al lang ontmoet, want de Boeddhistische kunst van China en -Japan heeft nog altijd voor een deel westersche invloeden in zich die -er zich in hebben opgelost. Er zijn zelfs Boeddha- en -Boddhisattva-beelden in China en Japan, waarvan niet alleen de draperie -van het gewaad volkomen Grieksch is, maar waarvan het gezicht een -beslist klassieke Helleensche schoonheid heeft. De oprijzing van de -Chineesche en Japansche Boeddhistische kunst onder die verre -Grieksch-klassieke invloeden uit het Westen ging opmerkelijker wijze -gepaard met de volkomen depressie van die klassieke kunst in Europa. De -specifiek christelijke kunst van de gothiek, die uit de ruïnen van het -Helleensche klassicisme in Europa ontstaan is, kwam veel later dan de -specifiek Boeddhistische kunst onder invloeden van dat Hellenisme in -China en Japan. - -Het is in de kunst, de Boeddhistische kunst, dat Oost en West elkaar -reeds eeuwen en eeuwen hebben ontmoet, en te zamenkomend schoonheid -hebben geschapen. [50] Het is een huwelijk geweest, dat zeer mooie -kinderen heeft voortgebracht, en die kinderen, scheppingen van -Boeddhistische kunst in China, Japan en ook Korea, zijn dus eigenlijk -geestelijke kleurlingen, halfbloeden, uit een Griekschen voor-vader en -een Aziatische moeder, of althans verre Grieksche voor-vaderen, daar -eerst die Helleensche invloeden weer door Perzische en Bactrische kunst -waren gegaan. - -Men wachte zich wel, die Graeco-Boeddhistische invloeden te -overschatten. Terecht hebben kunstkenners als Strzygowski, Fenollosa en -Petrucci er op gewezen, dat de Graeco-Boeddhistische strooming maar -kort van duur was, door den Saracenen-inval, die er kort op volgde. Een -zekere nobele gratie, aan verren Griekschen invloed toe te schrijven, -is in de geheele later volgende Boeddhistische kunst blijven bestaan, -maar zoowel uit het verleden, vooral de Han-dynastie, als in de -volgende eeuwen der Th’ang-dynastie kwamen groote spiritueele, echte -Chineesche elementen de kunst beïnvloeden, en, evenals het Boeddhisme -zelf zich adapteerde aan den geest van het Chineesche volk, kwamen in -de Chineesche Boeddhistische kunst echt Chineesche elementen, invloeden -en proportiën, die deze kunst tot iets echt, geheel apart Chineesch -maakten. Dat nu en dan hier en daar sporadisch een Helleensche -karaktertrek weer doorbrak, doet tot dat feit niets af. - -Om nu tot het begrijpen en genieten van Chineesche kunst te komen, -waarin zich China’s Geest zoo schoon openbaart, moeten wij, alvorens -een Chineesche kunstschepping te gaan beschouwen, eerst onze geheele -exclusief westersche levensbeschouwing en aesthetica ter zijde zetten, -en ons in de ziel verplaatsen van den Chineeschen kunstenaar. Deze ziet -de wereld en de dingen geheel anders aan dan een nuchtere, in de -empirische wetenschap—maar ook niets meer—opgevoede Europeaan. - -Het „gek” of „vreemd” vinden van Oostersche, en dus ook -Chineesche kunst, berust meestal daarop, dat we haar vanuit onze -Westersche ziel aanzien. - -Neem een gewoon geval: een bloem, of een vogel. Die ziet een westerling -over ’t algemeen nogal nuchter, als iets buiten zijn eigen leven om, -al vindt hij ze mooi of merkwaardig. Zelden voelt hij iets voor ’t -innerlijk geheimzinnige leven er in. De Chineesche Taoïst, de -Chineesche Boeddhist en ook de Japansche Shintaoïst ziet de Natuur -overal gelijkmatig door één Al-Ziel bezield. Hij vergelijkt zelfs -niet eens een dier met een mensch, zooals Dr. Curt Glaser in zijn -„Ost-Asiatische Kunst” zoo juist zegt, maar ook zal hij geen -menschenziel in een dierenlijf zoeken, of geen elf uit een bloem laten -komen, want dier en mensch en bloem en de geheele schepping zijn hem -één. Het „Seelenhafte”—ik weet er geen mooi Hollandsch woord -voor,—het „Seelenhafte” in het dier, in de bloem te begrijpen, -hun lichaamsvorm niet als lagere mogelijkheid van openbaarwording van -de levens-stof, maar als onmiddelbaar deelachtig aan de Al-bezieldheid, -van welke de mensch óók een deel is, dàt vast te leggen is het doel -van een groot deel der Chineesche en Japansche kunst. De plant is voor -zoo’n kunstenaar geen ornamentaal vormbeeld, ook niet een bonte -kleurenvlek, maar een levend wezen, het is niet „nature morte”, ook -niet stil-leven, maar juist héél innig leven, zinnebeeld van leven en -bezield leven, een stuk van de ál-bezieling, die ook in ons, menschen -is. Het begrip „doode stof” kent het Oosten eigenlijk niet. - -In een zéér mooi boek over Japan, van André Bellesort „La -Société Japonaise” heb ik eens gelezen: „Het kleine Japansche -meisje dat een vlinder naloopt en dit mooie stukje licht aanlokt om op -haar hand te komen zitten, ziet daar niet, als onze kinderen, een stuk -speelgoed in, teerder en brozer dan het andere, maar zij sympathiseert -al op naïeve wijze met dat geheimzinnige leven, waar zij ook maar een -deeltje van is.” De ziel van den Oosterling is als ’t ware maar een -droppel in den maalstroom van zielen, die in het leven wemelt. - -De Oost-Aziaat verlost niet een Dryade uit een boom, de boom zèlf is -een verheven wezen voor hem, waard om vereerd te worden. - -De Grieksche dichter of ander kunstenaar leende, zegt Dr. Glaser -terecht, als ’t ware een ziel aan een boom en gaf die ziel dan -tegelijk een menschelijke gestalte, hij schildert dus een wezen af, dat -tijdelijk een thuis in den boom vindt. De stam wordt dan behuizing voor -een wezen dat van buiten is gekomen. Maar voor den Oost-Aziaat is de -boom en zijn ziel hetzelfde. De groote Chineesche schilders, beeldden -niet af uit enkel vreugde over den schoonen schijn der dingen, het -oppervlak van een bloem, het toevallige licht op een landschap of een -koeienrug. Zij drukten de ziel dezer dingen, een stuk der -àl-bezieldheid met hun kunstwerk uit. - -Nu wil ik nog even verwijzen naar een prachtig artikel van Yoshio -Markino in de „Fortnightly Review” van Juli 1910 j.l. Deze Yoshio -Markino haalt o. a. een’ brief aan van één zijner goede vrienden, -die een zéér bekend Japansch schilder is van den tegenwoordigen tijd, -Busho Hara. In dezen brief noemt Busho Hara, die jarenlang in Londen -Europeesche kunst heeft bestudeerd, de Oostersche kunst, tenminste de -oùde Oostersche kunst, subjectief, en de westersche objectief en hij -legt dit op de volgende wijze uit: „De oude Japansche kunst—en dit -geldt ook voor Chineesche—is de zuiverste „Subjectieve”. Dat wil -zeggen, de artiesten hadden diepe sympathie met de Natuur, zij -bestudeerden zorgvuldig hoe alles bestond in deze wereld en, na véél -beschouwing en vele verbeeldingen, probeerden de kunstenaars te voelen -of ze zélf beesten, bloemen, of wàt ook, dat zij probeerden te -schilderen, waren. Al de schilderingen werden alleen dán gemaakt als -de artiesten deze hoogte bereikt hadden. Daarom waren noch achtergrond, -noch perspectief voor hun schilderingen noodig. Oók het kleuren was -zéér simpel, en zij hadden niet zulke ingewikkelde plannen voor -kleuren noodig als de Westersche kunst. De lijn, niet de kleur, was -eigenlijk altijd hoofdzaak in China en Japan. - -De Westersche kunst, zooals ge weet, is geheel verschillend van de -Japansche kunst. Dat wil zeggen, de Westersche artiesten schilderen -alles, zooals het hun toeschijnt. Daarom moet de Westersche kunstenaar -studeeren over licht en schaduw, perspectief en tonen en allerlei -wetenschappen. - -We zien dan ook dikwijls in de Westersche kunst te veel techniek, en -zij verliest het sympathieke gevoel voor de Natuur, hetgeen de fout is -van het „Objectieve”, terwijl Japansche kunst de fout heeft van het -„Subjectieve” en de uitwendige vormen der natuur wel eens uit het -oog verliest. - -Aan den anderen kant, als deze Westersche „objectieve” artiesten -het hóógste punt van uitstekendheid bereiken, moeten zij vanzelf op -dezelfde plaats aankomen als deze Oostersche „subjectieve” -artiesten, dat Tenturiki is. - -Tenturiki is een Japansch woord-begrip voor „het ideale verkeer met -de Natuur”. - -Yoshio Markino zegt, na deze aanhaling van zijn’ vriend Busho Hara, -zélf nog: „Ik zeg altijd dat de Westersche beschaving -wetenschappelijk is, terwijl de Oostersche beschaving poëtisch is. -Inderdaad, de Westersche beschaving is zéér hoog, maar zij is net als -de Eiffeltoren. Zij heeft de trappen en de liften, die ik de -wetenschappen noem, zoodat iedereen den top kan bereiken, als hij -gebruik maakt van die trappen en die liften. De Oostersche beschaving -is anders. Zij is als een berg, half verborgen in wolken; er zijn vele -afgronden, maar geen trappen. Alleen zij, die naar boven kunnen klimmen -bereiken den top.” - -Hij vergelijkt ook de opvoeding van de kinderen in Japan met die van -kinderen in Europa. Als kinderen in Europa met hun vader of hun -leermeester wandelen, en zij vragen: „wat is dat voor een bloem” of -„wat is dat voor een beest”, dan krijgen zij een wetenschappelijk -antwoord, die en die soort, die en die klasse, enz, Maar de eerste les -voor Japansche kinderen is het opzeggen van de „Hiaknin shoe” of -honderd beste gedichten, en ’t geliefkoosde gedicht van kinderen is -van Saru Marudaya, uit het Chineesch vertaald, dat luidt: „O! Als wij -de herten hooren schreeuwen en op de vallende bladeren hooren stappen -in de diepe berg, dan voelen we, hoe droef de Herfst is.” - -De droefheid van de herten was alzoo dezelfde als de droefheid in de -menschenziel. - -Ikzelf, zegt Yoshio Markino, hield erg veel van dit gedicht, toen ik -een kind was, en ik dacht heusch, dat de herten precies hetzelfde -gevoel hadden als wij, menschen. - -Of neen, niet alleen dieren en vogels, maar ook de boomen, de steenen, -de bergen en de rivieren werden gedacht zielen te hebben. Er is een -ander beroemd Chineesch vers, waar al de Japansche kinderen veel van -hielden: „Al de vogelen zijn hóóg boven weggevlogen, en een -gespikkelde witte wolk verlaat mij nu ook. Maar o! gij berg van Keitei! -Gij en ik worden het nooit moe, elkander aan te zien!” - -Na zúlk een opvoeding werden de Japansche- en de Chineesche artiesten -natuurlijk „subjectief”. Zij trachtten gemeenschap te krijgen met -de „zielen” der Natuur, en dan hun gevoelens uit te schilderen. -Maar ’t eerst van alles oefenden zij de behandeling van hun -penseelen. Deze oefening was de gewichtigste voor hun. De Japanneezen -en Chineezen zijn daar het handigste in, omdat zij letters en karakters -schrijven met penseelen, en van hun vierde of vijfde jaar af oefenen de -kinderen zich allen in ’t behandelen van penseelen. Er is een -voorgeschreven, formeele manier, hoe de penseel vast te houden, en hoe -te teekenen. Als Chineezen en Japanneezen dit heelemaal meester zijn, -voelen zij de punt van het penseel als een stuk van hun eigen hand. En -dan is hun ambitie om de „zielen” van de natuur op de zijde of op -het papier te brengen. - -Als men de zooeven aangehaalde woorden van Yoshio Markino goed -begrijpt, voelt men dat een goede Chineesche of Japansche schilder niet -enkel den schoonen, uitwendigen vorm van een bloem, een vogel, of een -mensch, of een berg wil geven, maar dat hij dien vorm slechts gebruikt -voor zoover hij middel is om het inwendige leven, dát wat hij noemt -„de ziel der dingen” te geven, of juister, niet de persoonlijke, -individueele ziel, maar meer den „Geest” (the Spirit), den -Al-Geest, die in alles en allen één is. - -Een zéér groote invloed op de Chineesche wereldbeschouwing, en dus -ook de Chineesche kunst, heeft gehad de Boeddhistische „Shên” (in -’t Japansch geheeten „Zen”) sekte. In 520 n. C. was deze sekte -gesticht door een patriarch uit Indië, genaamd Boddhidarma (in ’t -Chineesch „Ta Mo” geheeten), en die tijdens de regeering van keizer -Woe Ti in China was gekomen. Deze sekte leerde de leer van -„Dhyani”, van contemplatie en meditatie. Zij verkondigde, dat de -absolute Waarheid transcendent is aan de begrippen goed en kwaad, dat -de ware Boeddha zelfs buiten de begrippen kennis en onwetendheid ligt, -en dat noch door woord, noch door boeken, de Waarheid ooit kan worden -erkend, maar alleen door meditatieve verzinking in zich zelf en in de -natuur. Niet het handelen in de wereld, maar het geestelijke inzicht in -zichzelf en in den kosmos leidt tot de erkentenis der Waarheid, zoo -leerde deze secte, en dus ook tot de oplossing van den eigen Geest in -den universeelen Geest. Deze leer kwam de leer van Lao Tsz’ en Chuang -Tsz’ al zéér naderbij. - -De contemplatie van en de meditatieve verzinking in de natuur, zooals -geleerd door deze „Shên” sekte, welker invloed op de schilderkunst -onder keizer Huän Tsung (713–743 n. C.) der Th’ang-dynastie begon, -maar die in de latere Soeng-dynastie eerst haar hoogsten bloei zou -bereiken, is het innige wezen van de schoonste Chineesche -landschap-schilderingen. Onder de grootste Chineesche -landschapschilders waren priesters en monniken van de Shên-sekte van -’t Boeddhisme. De door hun geschilderde landschappen ademen allen -deze contemplatie, het zich verzinken in de natuur, die zij identiek -voelden met het eigen zelf. Eigenlijk is hun levensbeschouwing, zich -uitend in hun kunst, eene samenvloeiing van het Boeddhisme met het -Taoïsme van den Chineeschen wijsgeer Lao Tsz’. Ook hier is weer een -voorbeeld van de aanpassing van ’t Boeddhisme aan inheemsche -wereldbeschouwing. - -De groote Chineesche landschap-schilderkunst is niet eene -impressionistische, ook niet eene naturalistische weergeving van -landschappen, maar eene geestelijke, de weergeving van de innerlijke, -geestelijke essence der natuur achter de uiterlijke verschijning. - -Om Boeddhistische kunst, ook de landschap-schilderkunst te doorgronden -moet men zich altijd goed bewust zijn van de Boeddhistische -levensbeschouwing. Het Boeddhisme, ook het Chineesche Boeddhisme, -gelooft niet aan de werkelijkheid der zichtbare wereld. Het heelal is -eene illusie, eene begoocheling, ontstaan door den z.g. sluier van -Maya, en alle vormen zijn transitoir. In de z. g. zes werelden der -begeerten (de werelden der dieren, der menschen, der dewas’s, der -asuras of reuzen, der prêtas, dwalende geesten-monsters, en der -hellen) evolueeren de schepselen en dingen van de smart en den dood. De -zielen doorloopen een cyclus in de schijn-werkelijkheid onder -verschillende vorm-verschijningen. Een steen, een plant, een insect, -een mensch, een dewa, zijn maar illusoire verschijningen met—zooals -Raphaël Petrucci het uitdrukt in zijn „Les Peintres Chinois”—een -„identieke ziel” (juister ware „een identieken Geest”) die naar -de bevrijding dier illusie heen evolueert door de gevangenissen heen -van dwalingen en begeerten. Alle levensvormen zijn gevangenissen, -waarin de pure geest-essence is opgesloten, die bevrijd moet worden. De -deernis van de Boeddhistische levensbeschouwing strekt zich niet enkel -uit tot de menschen, maar tot de totaliteit van alle schepselen en -dingen. Het innerlijke karakter van alle schepselen en dingen is -hetzelfde, hun noodlot en hun toekomst óók. Achter de wisselende -vormen en verschijningen van het Heelal is dezelfde reden van bestaan, -dezelfde zuivere essence van geest, die ieder schepsel, ieder ding in -zich draagt. De natuur is voor den „Shên”-artiest de suggestie van -een geestelijk beeld achter het stoffelijke uiterlijk. Daardoor geeft -dit Boeddhisme een zekere vertrouwelijkheid, een familiariteit en -verwantschap met al het bestaande zooals géén andere godsdienst, -gelijk Raphaël Petrucci zoo schoon opmerkt. - -In de kunst, zoowel de schilderkunst als de plastiek, is dit sentiment -van verwantschap óók doorgedrongen. De natuur-weergave zelfs, in deze -kunst, heeft iets innig intiems en verwants. - -Ik heb zooeven de „Shên” sekte genoemd, en ook het Boeddhisme in -’t algemeen, die invloed uitoefenden op deze grootste Chineesche -schilderkunst, welke tevens—dit zullen de komende jaren uitmaken—de -allergrootste, diepst geestelijke der geheele wereld is, maar men moet -zich daarbij vooral niet wegdenken den invloed van de in China vóór -de intrede van ’t Boeddhisme reeds bestaande filosofische, echt -Chineesche systemen vooral die van de „Yih King” en van Choe Hie. - -Eeuwen vóór ’t Boeddhisme kwam hadden zich in China filosofische -systemen ontwikkeld, gedeeltelijk langs zuiver intellectueelen weg, -gedeeltelijk b. v. dat van Lao Tsz’, ook langs metaphysische en -intuïtieve. - -Er bestonden reeds zeer diepzinnige Chineesche leerstellingen en -systemen over de structuur van het Heelal. Het Taoïsme b. v. van Lao -Tsz’ zag, in de wisselende veelheid der verschijningen de transitoire -vormen van een universeelen Geest Tao. Aan al die reeds bestaande -Chineesche intellectueele en metaphysische beschouwingen, en systemen -kwam het Boeddhisme toevoegen, zegt Petrucci zoo terecht, wat er tot nu -toe aan ontbroken had: de deernis, de chariteit voor al het bestaande. - -Zeer schoon zegt Petrucci „Aan de wellust van het intellect, zich -verlustigend in haar eigen natuur, voegt het Boeddhisme toe die cultuur -aan het hart, die in zekere perioden van de menschelijke geschiedenis -noodig is en die, in ons Westen, het fortuin heeft gemaakt van het -Christendom. Maar de groote religie van Azië (’t Boeddhisme H. B.) -zou geenszins de verovering der gedachte verduisteren; zij kon enkel -eenigen van haar karaktertrekken doen afwijken en de zielen medevoeren -tot een meer emotioneel begrip van de uiterlijke wereld. Menigen der -principes van het Taoïsme zijn de hare, en de goden van de populaire -godsdiensten adopteerende, en in zijn pantheon opnemende, wemelend van -nieuwe beelden, heeft het Boeddhisme een weg gevolgd, evenwijdig aan de -evolutie van het Taoïsme dat langzamerhand een godsdienst werd”. - -Indien men de Taoïstische werken, b.v. Lao Tsz’ en Chuang Tsz’ -bestudeert, zal men telkens getroffen worden door vele zuiver -Boeddhistische karaktertrekken van hun wijsbegeerte. Aan deze kwam het -Boeddhisme nu toevoegen wat er aan ontbrak: de eindelooze deernis met -al het bestaande, zich uitstrekkend tot de totaliteit der dingen, de -plicht om alle mede-schepselen van de bestaans-ellende te verlossen, -een Boeddhistisch geloof „dat in een universeele liefde de -faculteiten van het intellect zoo wel als van ’t hart doet -verzinken”. En tegelijkertijd was de Boeddha-figuur volkomen in -overeenstemming met den „Shêng Jên, den Heiligen, volmaakten Mensch -van Confucius en Choe Hie, in wien al de goddelijke, hemelsche -eigenschappen van den mensch tot de perfectie ontwikkeld zijn, en dien -deze filosofen steeds als ideaal-mensch in hun filosofie -verheerlijkten. - -De Boeddhistische filosofie paste zich aan, vermengde zich met de -oorspronkelijk Chineesche, met wie zij al veel punten van verwantschap -had; de Boeddhistische kunst paste zich aan de oud-Chineesche aan, die -al sinds eeuwen bloeide, en voegde er nieuwe elementen aan toe. - -Totdat eindelijk in de Zuidelijke Soeng-dynastie, in de 12e en 13e -eeuw, in de filosofie, en ook in de kunst, zelfs volbracht werd wat -Prof. Fenollosa in zijn standaardwerk: „Epochs of Chinese and -Japanese Art” terecht noemt „het grootste intellectueele feit, door -de Chineesche gedachte volbracht gedurende de 5000 jaar van haar -bestaan”, n.l. het doen samenvloeien van Confucianisme, Taoïsme en -Boeddhisme (vooral de „Shên”-sekte daarvan) in één systeem. Dit -was, zegt hij, „alsof een Leibnitz, een Kant, en een Hegel opstonden -om droge Europeesche formules te reduceeren met wetenschappelijke en -idealistische oplossingsmiddelen.” - -In de Chineesche kunst is deze geheele filosofische evolutie -weerspiegeld. - -Ik kan in dit hoofdstuk geen volledige geschiedenis van de ontwikkeling -der Chineesche kunst, zelfs niet alleen van de Chineesche schilderkunst -geven; hiervoor zou een apart, dik folio noodig zijn. Ik verwijs hier -dus voor een meer uitvoerige studie naar de reeds meermalen door mij -genoemde werken van Petrucci en Fenollosa. In het voortreffelijke -„Ost-Asiatische Zeitschrift” [51] kan men tevens veel schoons en -leerrijks op dit gebied vinden, en in het door Goloubew uitgegeven -tijdschrift „Ars Asiatica”. [52] Het in Japan uitgegeven -„Kokka” bevat op dit gebied ook onschatbare publicatie en -reproducties. - -De bloeitijd van de Chineesche schilderkunst was onder de -Soeng-dynastie (960–1280 n. C.), en aan ’t einde der voorafgaande -Th’ang-dynastie. - -Ik wil er nog even op wijzen, dat in dezen bloeitijd van China’s -kunst, evenmin trouwens als tegenwoordig, de verschillende kunsten niet -angstvallig als ’t ware in vakjes verdeeld werden, zooals thans in -Europa. - -Een schilder was niet uitsluitend schilder, een dichter niet -uitsluitend dichter en meer niet, het kunstenaar zijn berustte in het -Oosten meer op een algemeene cultuur, en zoo goed als alle groote -kunstenaars waren filosofen en geleerden. De groote Chineesche kunst -staat in onverbreekbaar verband met de Chineesche filosofie. - - - ------- -FIGURE - -De drie Stichters der drie in China beleden Leeren, Lao Tsz’ (de -kleinste figuur, vooraan), Confucius (in ’t midden) en de Boeddha -Shakyamuni. Samen broederlijk één. - -(door den Japanschen schilder Kano Motonobu, geb. 1480) ------- - - - -Dit moet vooral goed in ’t oog worden gehouden, dat het begrip -„kunstenaar” voor den ontwikkelden Chinees tevens eene algemeene -filosofische cultuur in zich sluit. In Europa, zooals Petrucci zoo -terecht heeft opgemerkt, zijn de kunstenaars die zich—zooals b.v. -Leonardo da Vinci—door hun cultuur hebben opgeheven tot den rang van -geleerde en wijsgeer, zeldzaam, maar in China, in den bloeitijd der -kunst, waren alle groote schilders tevens geletterden en filosofen. Er -is bijna geen groot Chineesch schilder bekend, die niet tevens was -filosoof, of dichter, of staatsman, of Boeddhistisch dan wel -Taoïstisch priester. Er waren zelfs astronomen onder, en onder de -grootste schilders waren ook keizers. - -De schilder die voor een landschap in contemplatie was gezeten, had -niet enkel oog voor het zoogenaamd „mooie” van het geval, voor -toevallige licht-effecten of bizondere kleurnuances, maar hij trachtte, -door den toover van den schijn heen de twee kosmische oer-principes, -Yang en Yin, met zijn geest aan te raken, en het rythme, waarop zij -zich verhielden en samenvloeiden—door de „ch’i”—in zijn -schildering te doen trillen. Hoe vreemd het ook klinke, het -onzichtbare, geestelijke, in het kunstwerk, is van meer belang dan het -zichtbare van kleur en vorm en lijn. Het is het „Niets”—men denke -hier aan Lao Tsz’ in zijn Tao Teh King—dat den vorm voortbrengt. - -Shên Kua, een schilder en criticus uit de 11e eeuw heeft eens -geschreven: „In de calligraphie zoowel als in de schilderkunst -beteekent de ziel (de Geest) meer als de vorm. De goede luitjes, die -een schildering bekijken, kunnen meestal wel foutjes in vorm, -compositie en kleur ontdekken, maar verder komen zij niet. Tot de -diepere principes dringen maar weinigen door”. - -Die diepere principes zijn te vinden in den Geest van het landschap, -het mystieke Wezen van het onzichtbare, dat zich in de vormen van het -zichtbare openbaart. - -Geen wonder, dat ten slotte in deze geestelijke schilderingen de kleur, -als nog te stoffelijk, verworpen werd, en het ideaal een schilderen in -zwart en wit werd. De diepste geestelijke kunst uit de Soeng-dynastie -is, zooals Dr. Glaser het zoo terecht zegt „een taal der -ingewijden”. Hare werking „gaat niet in de breedte, maar in de -diepte”. Haar ontwikkeling is geen ontvouwing, maar verzinking, -concentratie. „Voltooien” werd in dezen zin „terugvoeren”, op -het alleressentieelste, beperken tot het allerinnigste en wezenlijkste. -Precies zooals het met den stijl ging van groote filosofen als Lao -Tsz’, die niet hun breed-logisch uit-ontwikkelde filosofie gaven, -maar de essentie, het in de diepste diepten bezonkene. - -Ik heb zooeven het mystieke woord „Ch’i” genoemd, dat ik in mijn -hoofdstuk over de „Yih King” heb trachten te omschrijven, en thans -gebruik ik dit kosmische begrip met betrekking op de kunst. - -In dat Hoofdstuk over de filosofie der „Yih King” heb ik op het -mysterieuze kosmische fluïde, de „Ch’i” gewezen, die als ’t -ware de vitale adem is van al het levende, en die, door zijn kracht de -beide kosmische principes Yang en Yin doet vloeien en bewegen. - -Het verheven karakter der Chineesche kunst, en daardoor ook alweer van -den Geest van China kan niet beter aangetoond worden dan door die -alleréérste vereischte voor een Chineesch kunstwerk die „Ch’i -Yün” heet, d.i. „het Rondgaan” (er in) van de „Ch’i”. - -Ik heb reeds doen uitkomen, dat dit kosmische begrip „Ch’i” -eigenlijk onvertaalbaar is, al kunnen wij het met „Vitale Adem” of -„Vitaal Fluïde” eenigszins benaderen. Raphaël Petrucci in zijn -juweel van een werkje over Chineesche schilderkunst: „Kie Tseu Yuan -Houa Tchouan” [53] vertaalt het met „Esprit” en „Ch’i Yün” -met „La Révolution de l’Esprit”, maar dit vind ik niet geheel -correct, omdat men immers Tao zoowel als T’ai Ki ook „Esprit” zou -kunnen noemen. Het is daarom voorzichtiger, het onvertaald te laten. - -Evenals geen enkel schepsel of ding in het Heelal kan leven zonder die -mystieke adem-fluïde „ch’i”, die de beide kosmische principes er -in doet vloeien en bewegen, evenzoo is een waar kunstwerk, volgens de -Chineesche ethische aesthetica onmogelijk bestaanbaar zoo deze -„ch’i” er niet in rondgaat. - -De beroemde schilder Sië Ho (479–501 n. C.) heeft indertijd de -„Zes Wetten” der schilderkunst vastgesteld, die oorspronkelijk -enkel betrekking hadden op figuurschilderen, maar die later, met eenige -veranderingen, ook op landschapschilderen van toepassing zijn gemaakt. - -Ik zal, aan de hand van Petrucci, maar met voorbehoud om niet, als hij -het „ch’i” door „esprit” te vertalen, en om dus te dien -opzichte mijn eigen opvatting hieromtrent te volgen, deze wetten -hieronder nader omschrijven. [54] - - -I. Het Rondgaan van de „Ch’i” doet het Leven bewegen. - -De circulatie van de „ch’i” is het trillen, door het kunstwerk -heen, van den goddelijk-kosmischen Adem, die het kosmische principe, of -juister de beide kosmische principes, die geopenbaard zijn uit het -opperste, raadselachtige, onvatbare en ondenkbare goddelijke -Geest-Wezen, dat met T’ai Ki en Tao vaag aangeduid wordt, doen -„vloeien en bewegen”. De reusachtige, periodieke circulatie van de -„ch’i” doet dien Geest in het Heelal, en dus ook in elk schepsel -en ding van de natuur bewegen. Die eeuwige vervloeiing van den -goddelijk-kosmischen Geest, door middel van de „ch’i” is het -Rythme, waarop alles klopt en ademt. - -De schilder—en over ’t algemeen elke kunstenaar—moet dus vóór -alles, door de bewegingen van de vormen heen, dit Rythme openbaren, het -kosmische principe—dat, zooals we uit de „Yih King” weten -eigenlijk twee op mystieke wijze identieke kosmische principes -zijn—dat het door hem geschilderde openbaart. Boven den uiterlijken -schijn, of liever er achter door, moet hij den Zin van ’t Universeele -vatten en uitdrukken. - -Alleen zij, die het Genie hebben, kunnen dit. Men wordt er mee geboren, -het wordt niet aangeleerd. De Japansche kunstkenner Kakasu Okakura in -zijn „Ideals of the East” zegt: „In de Zes Wetten van de -Schilderkunst komt het trouwe afbeelden van de natuur pas in de derde -plaats, de éérste is het „Ch’i Yün”, de levende beweging van -den Geest door het Rythme der Dingen. Want kunst is hier de groote -stijl van het Heelal, her- en derwaarts bewegende te midden van die -harmonische wetten der natuur, die Rythme zijn.” - -Indien in een kunstwerk „Ch’i Yün” d.i. het „ch’i -circuleert,” dan volgt van zelf dat „Shêng tung” d.i. „het -leven beweegt”. Het eerste slaat dus meer op den geest van den -kunstenaar, en het tweede is daar de uiterlijke realiteit van. De -scheppende geest daalt neder in het kunstwerk en doet er het leven in -bewegen. Een kunstwerk maken wordt hierdoor dus eene magische, mystieke -creatie. - -„Ch’i Yün” slaat meer op de ziel, den geest van den schilder, en -„shên tung” (’t leven beweegt) is daar de uiterlijke realiteit -van en slaat op de schildering zelve. De scheppende geest daalt neder -in de pictorale conceptie en doet er het leven in bewegen. - - -II. De wet der beenderen door middel van het penseel. - -Als de schilder het principe van Geest gegrepen heeft door het fluïde -te doen trillen, dat de vormen bezielt, onzichtbaar er achter, moet hij -doordringen in de plooien en schuilhoeken waarin die geest, Tao, zich -verbergt. Hij moet dan de essentieele structuur bepalen, die aan ’t -ding of ’t wezen den transitoiren vorm geeft waarin die eeuwige Geest -zich tijdelijk uitdrukt. Het gaat hier dus niet enkel om de anatomische -structuur maar om iets hoogers waarin men nog een reflex voelt van de -oude magische conceptie van een teekening. Het penseel, de wet van de -inwendige structuur oproepende, leent een zeker mystiek leven aan den -vorm. Het resultaat van ’t penseel dat teekent of schildert moet niet -een geleerde, exacte voorstelling of imitatie zijn, maar geeft een -diepere werkelijkheid en openbaart den algemeenen, eeuwigen zin van het -voorgestelde. - - -III. Conform aan de dingen (of wezens) de vormen teekenen. - -Na alzoo de beteekenis van de verschijningen te hebben ontdekt in den -band die ’t Rythme van den Geest bindt aan de Beweging van ’t -leven, na het essentieele van de inwendige structuur ook te hebben -ontdekt, moet de schilder de vormen voorstellen, conform aan de dingen -of wezens die deze wereld bevolken. Deze formule correspondeert met een -zeer oude conceptie der Chineesche filosofie. De volmaakte conformiteit -van een wezen met zijn natuur, of met het principe van universeele orde -dat in hem is stelt, als het zich toepast op den mensch, het Chineesche -idee van Heiligheid daar. - -Het is door deze conformiteit dat de geschilderde vorm meer waarde -heeft dan een enkele representatie. Zij wordt daardoor een werkelijke -creatie en realiseert in een kunstwerk het principe van Tao. Want als -ieder wezen of ding dat voorgesteld is in een kunstwerk, conform is aan -zijn eigen natuur, wordt dit werk het beeld van een volmaakte wereld -waar de essentieele principes in evenwicht zijn in eene harmonieuze -proportie. Men ziet hier dus in philosophischen zin de oude opvatting -van de magische waarde van een teekening, die de ontwikkeling der -Chineesche schilderkunst kenmerkt, en de grondwetten der Chineesche -esthetiek. - -Door zulke ideeën kwam de schilder er toe niet den onmiddellijken -uiterlijken schijn te imiteeren maar om de synthese los te maken van de -vormen, en met één schematischen penseelstreek somtijds te -suggereeren dát, wat het diepe, innerlijke karakter van den -natuurlijken vorm is waardoor de wetten dier synthese zich uitdrukken. -Dit genie van de synthese karakteriseert trouwens de geheele kunst van -het Oosten. - - -IV. Volgens de gelijksoortigheid (der dingen en wezens) de kleuren -verdeelen en verschikken. - -Dit principe is eene voortzetting van het vorige, en brengt het idee -mede, van de werkelijke kleuren der voorwerpen te „propageeren” -door hun te transporteeren op den geteekenden vorm. Hier is weer -opnieuw het idee van de magische waarde van pictorale voorstellingen. -De kleur van de schildering is even levend als de dingen; zij wordt -gedistribueerd volgens de essentieele gelijkvormigheid van de wezens of -de dingen; zij bekleedt met haar eigen leven een structuur, waarvan -reeds de eeuwige principes en de actie van Tao uitstralen. De kleur -voltooit de diepe operatie van den schilder en brengt hem dichter bij -de oppervlakkige verschijningen, waaraan het oog gewoon is. - - -V. De lijnen distribueeren en hun hiërarchische plaats toebedeelen. - -Als al de vorige principes in acht genomen zijn komt de compositie van -het ensemble. Men moet dit echter niet te veel beschouwen van het -standpunt onzer westersche esthetiek. Dit 5e principe is n.l. verbonden -aan het principe van de calligraphie dat een bizonder leven en een -bepaalden zin toekent aan de streek van het penseel; het identifieert -deze streek met de sentimenten of ideeën die het vertolkt; dit -principe stelt een band daar tusschen de streek die iets uitdrukt en -den algemeenen zin der schildering, waarin die streek zich beweegt. De -lijnen, die de geschilderde oppervlakte bedekken, moeten ook de -immanente wetten van Tao in acht nemen. Er is een philosofische -ondergeschiktheid van de eene lijn tot de andere in de compositie van -’t geheel; één zekere plaats en géén andere past aan een gegeven -uitdrukking van den Geest. En die posities van de penseelstreken of de -vormen die zij uitdrukken, worden noodzakelijk opgelegd volgens de -relaties, die de elementen van het ensemble aan elkander ondergeschikt -maken. Hierdoor wordt eene hiërarchie bepaald, die niets anders is dan -de uitdrukking van het principe van Harmonie in het Heelal. - - -VI. De vormen zich doen ontwikkelen onder het aanbrengen in de -teekening. - -De schilder-kunstenaar, die een waar werk doet van creëeren, van -scheppen, en den Geest, Tao, realiseert in zijn werk, doet de vormen -der wereld zich propageeren, ontwikkelen, in zijn kunstwerk, en hij -werkt mede aan de algemeene beweging van ’t heelal naar de -volmaaktheid toe, door aan de gerealiseerde dingen nog volmaakter -beelden toe te voegen, die er ’t principe van doen zien en de -mysterieuze essence er van loslaten. De teekening of ’t schilderij -krijgen hierdoor een hoogere waarde dan een enkel plastische. Zij -krijgen er iets verhevens, gewijds door. Zij leveren een beeld van de -wereld op, zooals men zich die in een zin van ideale volmaaktheid zou -denken. - -Als wij de 6 principes van Sië Ho nader beschouwen, zien we dat zij -geen technischen voorrang beteekenen in hun volgorde, maar een -filosofische conceptie. - -Als wij ze van achteren naar voren nemen, van VI naar I zien we dat het -VIe toepasselijk is op ’t feit dat de schilder een gegeven werk -uitvoert, het toont aan ’t werkelijk karakter van zijn werk, dat hij -de vormen ontwikkelt, propageert van een ideale, volmaakte wereld. Het -Ve principe bepaalt de algemeene compositie op de schildering waarin de -schilder zich uitdrukt en geeft de noodzakelijkheid aan, om zijn groote -systematische verdeelingen in acht te nemen. Het IVe leidt ons verder -dan die algemeene, voorbereidende voorwaarden en loopt (in een -mystieken, magischen zin van creatie) over de transpositie van de -kleur, zooals het IIIe loopt over de transpositie van de vormen. Het -IIe principe doet ons doordringen in de inwendige structuur, in ’t -geheime principe van die vormen, waarvan we zooeven maar de uiterlijke -verschijning hadden, en het Ie principe, het „Ch’i Yün” in die -mystieke, geestelijke structuur, die het in-wezen betreft van het -Eeuwige Principe van Geest, het Tao. Zóo de principes van VI achteruit -naar I nemende komen wij dus van de véélvormige verschijningen tot -den Eénen Geest, en als we de volgorde van I naar VI van Sië Ho nemen -komen wij van den Eénen Geest uitgaande tot de véélvormige dingen, -die de werken van den schilder zijn. - -Zooals ik al zeide: de principes II tot en met VI kunnen geleerd -worden; het eerste, „Ch’i Yün”, niet. Dit is nl. wat het genie -bepaalt, dat mysterieuze, machtige genie, waarmede de kunstenaar wordt -geboren, het goddelijke. Zonder dat „Ch’i Yün” is geen ware -kunst mogelijk. - -Er valt hier nog iets bij te zeggen, dat alweder teekenend is voor den -Geest van China. Als eenige vrienden samen komen om een mooie -schildering te bekijken, zullen zij wel ’t een en ander opmerken over -de schoone techniek, de bizonder goed geslaagde kleur-verdeeling of -lijnen-harmonie, of iets dergelijks, maar over het „Ch’i Yün” -mag niet gesproken worden. Dat is te heilig om iets over te durven -zeggen. Ieder neemt het zwijgend in zich op. - -Wat aangaat de kwaliteiten, die aan kunstenaars in China worden -toegekend, het zijn twee dier hoedanigheden, genaamd „Yi” en -„Shên”, die slechts aan de groote genieën worden gegeven. -„Yi” beteekent in ’t algemeen ongeveer: „weg gaan, vèr -gaan”, maar hier meer: „wat vèr gaat van ’t gewone”, en -„Shên” is het mystieke Chineesche schriftteeken voor „goddelijke -geest” dus hier „wat van de Goden is,” een soort goddelijke -inspiratie. Dit „Yi” en dit „Shên” is wat het genie bij de -geboorte medekrijgt. - -Al het andere is niet meer dan „Nêng”, d.i. „kunnen”, dat wat -aangeleerd kan worden, de knapheid van techniek enz. - -Zooals Petrucci terecht opmerkt zijn het juist de werken uit het Oosten -op welke het „Nêng” toepasselijk is, die door het grootste deel -der Europeanen het hoogste geapprecieerd worden. Alles, wat voor -zoogenaamde „export voor het Westen” in China en Japan opzettelijk -gemaakt wordt, is slechts „Nêng”. De soort reverente angst, -waarmede de kunstkennende Chinees zijn zorgvuldig weggehouden heilige -kunstvoorwerpen voor den Europeaan verborgen houdt, wordt veroorzaakt -door het weten, dat de doorsneê-Europeaan wèl het „Nêng” erkent, -maar niet het „Yi” en het „Shên”. Het is slechts op het -oogenblik dat hij den Europeaan hoog genoeg schat om het „Ch’i -Yün” van een kunstwerk te doorvoelen, dat hij het hem durft toonen. - -Inderdaad, mogen wij, Westerlingen, het niet van den Chinees leeren, -dat een kunstwerk zonder „Ch’i Yün” onmogelijk een kunstenaar -zijn kan? - -Zoo noemt de Chineesche literator, zooals ik reeds in mijn hoofdstuk -over de taal zeide, ook alle literatuur, waardoor niet de adem der -Goddelijke Wijsheid gaat „siao shwoh”, d.i. „klein gepraat”. De -Wijsheid, die zich rythmisch uit in Schoonheid, het literaire -kunstwerk, waardoor „Ch’i Yün”, d.i. de kosmische Adem rondgaat, -op het goddelijke rythme, dát alleen is Literatuur. En àl het andere -is in China „siao shwoh”.... - -Ik heb in dit hoofdstuk speciaal de Chineesche schilderkunst behandeld, -omdat in deze de Geest van China zich zoo zuiver en schoon afspiegelt, -evenals hij dit deed in de Chineesche filosofie van de „Yih King”, -van Confucius, en Choe Hie, en Lao Tsz’, en Chuang Tsz’. Wellicht -behandel ik, in een ander werk, de Chineesche schilderkunst -uitvoeriger, en dan ook de andere Chineesche kunsten, de poëzie, de -plastiek, de porseleinkunst, de architectuur. - -Ik heb in dit hoofdstuk er den nadruk op willen leggen, dat men den -Geest van China, en dus ook China’s cultuur, niet kan doorvoelen en -begrijpen, zonder China’s kunst te kennen. Kan men over de cultuur -van Europa schrijven zonder de namen Rembrandt, Leonardo da Vinci, -Michel Angelo, Botticelli, van der Weyden, Dürer, en andere grooten te -noemen? En komt het dan te pas, zooals bekende sinologen als b.v. Prof. -de Groot gedaan hebben, het Chineesche volk voor „half-barbarous” -en „semi-civilised” uit te maken, zonder een flauw denkbeeld te -hebben van de grootheid der kunstenaars, die dit volk voortbracht, van -begenadigde filosofen-dichters-schilders als Wu Tao Tsz’, Wang Wei, -Hui Tsung, Ku K’ai Chih, Ma Yuan, Mu Ch’i, Ch’ao Meng Fu, Li Lung -Mien, Yen Li Pen en zooveel anderen? Het feit, dat deze in geheel China -en Japan beroemde namen bij het groote publiek in Europa nog geheel -onbekend zijn, bewijst reeds, hoezeer de Europeesche sinologie tot voor -enkele jaren te kort geschoten is in het begrijpen en verklaren der -ware Chineesche cultuur. - -Kunsthistorici van naam in Europa hebben, zooals o.a. André Michel, -Professeur à l’Ecole du Louvre in zijn „Histoire de l’Art” -durven verklaren: „l’Histoire de l’Art laisse également de -côté les arts extra-européens, art musulman, art chinois, art -japonais”, en M. Reinach, Membre de l’Institut, schrijft in zijn -„Apollo (1904): „Si je ne dis rien ici de l’Art de l’Inde ni de -celui de la Chine, c’est que la haute antiquité qu’on leur -attribue est une illusion. L’Inde n’a pas eu d’art avant -l’époque d’Alexandre le Grand et quant à l’art chinois, il -n’a commencé à produire ses chefs d’oeuvre qu’au cours du -moyen-âge européen”. - -Dit klinkt wel zeer merkwaardig in een werk, dat met de quaternaire -periode begint, en tot Whistler en Manet loopt, zooals Herbert A. Giles -terecht opmerkt [55], er bijvoegend, dat vóór in de 19e eeuw het -naturalisme, impressionisme en „plein-airisme” in ’t Westen hun -intrede deden, en wel minstens 1000 jaar vroeger, nadat de groote -geestelijke kunst der Soeng-tijden reeds weer vervallen was, deze drie -in China reeds hun propagandisten hadden gevonden. - -Gelukkig, dat in de laatste jaren mannen als Petrucci, Goloubew, -Fenollosa en enkele anderen de hooge waarde der Chineesche kunst zijn -gaan verkondigen, die kunst, waarin de Geest van China zich zoo subliem -heeft geuit. Er zal spoediger dan men denkt een tijd komen, dat Europa -in verrukking staat voor deze kunst. - -Ik moet nog even waarschuwen tegen het verkeerde gebruik, dat door -vele, in de laatste jaren in de mode gekomen Chineesche kunsthandels -van bet begrip „Chineesche kunst” wordt gemaakt. Er is, door den -invloed dier kunsthandels, een zeker taaltje ontstaan, dat men -„collectie-jargon” zou kunnen noemen. Men hoort tegenwoordig -menschen, die geen flauw idee van de Chineesche Geschiedenis hebben, -praten van „Soeng”, „Ming”, „Khang Hsi”, „Kien Lung” -enz., zonder dat zij ook maar ’t minste weten van de cultuur van -China in die tijden. - -De fijne Chineesche kunstkenner Bernard Laufer, in een artikel in den -2en jaargang van het „Ost-Asiatische Zeitschrift” over de collectie -Pierpont Morgan, schreef hierover zeer juist: - -„Het ruwe en holle barbarisme van onze beschaving kon niet beter -geïllustreerd worden dan door het feit, dat wij de gelegenheid -verzuimd hebben, de Chineesche ziel te grijpen in de keramische -meesterstukken. Géén verzamelaar, jagend naar deze stukken, heeft -ooit de moeite genomen, studie te maken van hun bedoeling, hun -artistieke en sociale functie. De verzamelaars zijn tevreden als zij -den naam weten van een dynastie, waartoe een voorwerp behoort, en -kunnen een soort collectioneurs-jargon spreken over glazuren en zoo, -maar de kostbaarste beteekenis der stukken weten zij niet. Wat is nu -eigenlijk wijsheid waard, die determineert b.v. dat een stuk porselein -niet tot de Kien Lung- maar tot de Khang Hi-periode behoort? De -gedachte, en dikwijls het symbool voelen achter een porseleinen -kunstvoorwerp kunnen maar weinigen”. - -Ook in de porseleinkunst, evenals in trouwens geheel de oude Chineesche -kunst openbaart zich hetgeen Laufer zoo terecht noemt „the triumph of -spirit over matter”. Ik wil hier nog even de woorden aanhalen, die de -kunst-gevoelige Edmond de Goncourt [56] over het Chineesche porselein -schreef: - -„Het porselein van China! dat porselein, superieur aan alle -porseleinen van de aarde! dat porselein, dat sedert eeuwen, en op den -ganschen aardbol krankzinniger „passionnés” heeft gemaakt dan al -de andere takken bij elkaar der verzamelwoede van „curiosités”! -Dat porselein, waarvan de Chineezen het volmaakte welslagen toeschreven -aan een god van den oven, die het baksel beschermde van de -porselein-bakkers, voor wien hij liefde gevoelde! Dat flauw -doorschijnende porselein, vergeleken met Jaspis! Dat blauwe porselein, -dat volgens de uitdrukking van den dichter „blauw als de hemel, dun -als papier, schitterend als een spiegel” was! Dat porselein van Chow, -waarvan een ander dichter, Tan Chao Ling zeide, dat zijn glans dien van -de sneeuw overtrof, en waarvan hij de klagende sonoriteit roemde, dat -product van een industrieele kunst, door de poëzie van het uiterste -Oosten bezongen, zooals men bij ons een mooi landschap bezingt, een -stuk goddelijke creatie, kortom, een aarde-achtige stof, door -menschelijke handen vervormd tot een voorwerp van licht, van zacht -coloriet, in een schittering van edelsteen! Ik ken niets dat daarmede -vergeleken kan worden, om op een wand betoovering te hangen voor de -oogen van een kleurenliefhebber.... En wáár heeft ooit de keizer -geregeerd, die genoeg artiest was om eens, zooals keizer Chi Tsung te -zeggen: „dat in de toekomst het porselein in gebruik in ’t paleis -blauw zij als de hemel, dien men na regen ziet, in de tusschenruimten -tusschen wolken? En waar is ooit, na zulk een mensch en zulk een bevel, -een pottenbakker gevonden, die dadelijk daarop het porselein leverde: -„Yü kwo thien ts’ing” (hemel-blauw na den regen)?” - -Zelfs al ware nog niets van die grootste aller Chineesche kunsten, de -schilderkunst, bekend geweest, dan ware de toch reeds eeuwen bekende -Chineesche porselein-kunst reeds voldoende geweest om de minachtende -qualificatie van halve barbaren en heidenen te logenstraffen, die vele -beroemde sinologen op de Chineezen hebben toegepast. - -De Geest van China is door de meeste Sinologen niet gevoeld, omdat hij, -te subtiel om door het gewone intellect alléén te worden aangevat, -dat véél fijnere hoogere intellect, dat intuïtie heet, behoeft om -zich kenbaar te maken. Nog eens: de intuïtie is het, die naast het -intellectueele, ook het geestelijke inzicht geeft. - - - - - - - -NABETRACHTING - - -Ik heb in dit boek, dat geen ethnografisch en ethnologisch werk wil -zijn, niet uitgeweid over den oorsprong en de geschiedenis van het -Chineesche volk. Over den allereersten oorsprong ligt trouwens de -geschiedenis in het duister. Door vele geleerde sinologen zijn -theorieën en verhandelingen over dien oorsprong geschreven, maar -wetenschappelijk zèker is hij nooit aangetoond kunnen worden. Het is -in het bekken van de Yang-Tsz’ rivier, dat de geschiedenis der -Chineezen voor het eerst onder onze aandacht wordt gebracht, maar waar -zij vandaan kwamen vóór ze daar verschenen, is nooit met zekerheid -uitgemaakt, al wordt verondersteld dat ze van het Noord-Westen kwamen. -Er is eene aanwijzing in het Chineesche karakterschrift, die een -afkomst uit het Westen bevestigt, namelijk deze, dat het ideografische -schriftteeken voor „willen” bestaat uit eene symbolische -samenstelling van twee karakters, waarvan het eene het schriftteeken -voor „westen” en het andere dat voor „vrouw” is. Wàt is het -voornaamste, dat een emigrant wil als hij in den vreemde is, waarhéén -gaat dan zijn hoogste verlangen? Naar een vrouw uit zijn eigen land. En -zóó is het Chineesche karakter voor „willen” onafscheidelijk -geworden van een vrouw uit het Westen. - -Het is de „Shoe King”—het heilige Boek der Geschiedenis, dat van -2357–621 v. C. loopt—die ons voor het eerst konde doet van het -bestaan van het Chineesche volk in het bekken van de Yang Tsz’, maar -het is wel zeker, dat een ontzachelijk groote periode verloopen is -tusschen de eerste verschijning daar van het volk uit het Westen en het -tijdstip, bedoeld in de „Shoe King”. - -Duidelijk is het, dat, hetgeen men verstaat onder „de Chineezen” -van thans, géén puur, onvermengd volk is. Daarvoor is hun innerlijke, -constructieve kracht ook te geweldig. Het is de vermenging der volken, -die de krachtige rassen maakt. Pure, onvermengde rassen, dit heeft de -wetenschap uitgemaakt, blijven niet zóó lang krachtig bestaan als het -Chineesche. - -Er is eene voortdurende vermenging geweest van Aziatische, voornamelijk -Mongoolsche stammen, wier trekken nog steeds duidelijk zijn op te -merken in de verschillende variëteiten van het Chineesche karakter, en -toch heeft dit niet belet, dat als een geheel, zooals Samuel Johnson -zoo terecht opmerkt, het Chineesche ras-type het meest distinct -individueele is van alle andere volkeren der wereld. - -Sommige oude gewoonten, waarover ik in dit werk niet speciaal kan -uitweiden, wijzen op een uit de grijze oudheid dateerende nomadische -afkomst der Chineezen. - -Als een groot geheel worden de Chineezen tot het z.g. Turanische ras -gerekend, waartoe ook de Finnen, en misschien zelfs de oude Etruscische -en Dravidische stammen van Indië behooren. - -De verre afkomst van de Chineezen als een oorspronkelijk slechts -betrekkelijk klein getal emigranten uit het Westen wordt ook eenigszins -aangeduid door de bekende uitdrukking „pai sing” voor „volk”, -en „pai sing” beteekent hier „de honderd familie-namen”. -Oorspronkelijk zouden er dus slechts honderd families hebben bestaan, -waarvan het Chineesche volk afstamt. - -Ook thans zijn er, op dit volk van ruim 400 millioen menschen, nog maar -een zeer gering aantal familie-namen. In keizer Khang Hsi’s -dictionaire zijn ze allen vermeld, en wel 408 z.g. „enkele” en 30 -„dubbele” (uit twee bestaande), alzoo in ’t geheel slechts 438. -Chineesche geschiedvorschers hebben deze namen nagespeurd tot de verst -bereikbare oudheid, sommigen zelfs tot meer dan 3000 jaar geleden, en -zóó vast is het geloof aan de heilige verwantschap van afstamming, -door tientallen eeuwen heen, dat nog steeds elkaar geheel onbekende -Chineezen van denzelfden familienaam elkaar als verre bloedverwanten -beschouwen, en dat een huwelijk tusschen een man en vrouw van -denzelfden familienaam ongeveer als bloedschande zou worden beschouwd, -en bij de wet verboden is. - -Ik heb in de vorige hoofdstukken trachten uit te doen komen, hetgeen -ik, in een ruim vijf-en-twintigjarige studie van China en de Chineezen, -na een jarenlangen dagelijkschen omgang met Chineezen, als den Geest -van China heb aangevoeld. - -Nu moet men niet aanmerkend vragen: „is elk van de ruim 400 millioen -Chineezen nu van al, wat in die hoofdstukken beschreven is, -doortrokken?” of „hoe komt het dat China, met zulk een Geest, niet -het machtigste en meest ontwikkelde rijk der wereld is?” want dan -komt men op geheel andere kwesties, die niet aan de orde van dit boek -zijn. - -China, als het meerendeel der Oostersche rijken en volken, is, voor -zoover het de aethische, aesthetische en filosofische, zoowel als de -kunst-beschaving aangaat, wel degelijk een der eerste rijken van de -wereld, maar omdat zijn wetenschappelijke en economische beschaving -daarmede geen gelijken tred gehouden heeft, is het op ’t oogenblik -achterlijk. Het heeft van ’t Westen de wetenschap en de economische -orde hard noodig, maar al het andere heeft het, nù nog in zich zelf en -daarvan behoeft het niets van het Westen. - -Binnen de lijn van dit werk ligt niet eene verhandeling over de -moderniseering van China en de Chineezen. Ik heb elders hier reeds een -en ander over geschreven. [57] - -Ik zeide hierboven, dat ik in dit boek heb trachten te geven—niet -uitsluitend voor geleerden en sinologen, maar voor het groote, -ontwikkelde publiek, en alzoo in den vorm, die daaraan geëigend -was—hetgeen ik voor mij zelf steeds heb aangevoeld als te zijn de -Geest van China. Nu kan er morgen een ander komen en zeggen: dat is de -Geest van China niet, de Geest van China is: onkunde en bijgeloof, de -superstitieuze gebruiken bij begrafenissen, het geloof aan weerwolven -en weertijgers en demonen, het opgeblazen idee der superioriteit van -alles wat Chineesch is en der inferioriteit van alles, wat niet -Chineesch is, de vuilheid en onreinheid der steden en bewoners, het -verminken, tot voor kort, der vrouwenvoeten, het verkoopen van -kinderen, het gebrek aan hygiëne, het conservatisme, de geslotenheid -en de onoprechtheid in ’t spreken (tegenover Europeanen), de vele -„heidensche” zeden, enz. enz. En dan kan die iemand dikke -boekdeelen vol getuigenissen aanhalen tot staving zijner beweringen. - -Maar toch is mijn antwoord dan: wat ge daar opnoemt is alles waar, ik -ontken het niet, maar dat is de verwording, in deze tijden, van den -Geest van China, en gedeeltelijk ook in vroeger tijden, maar niet die -Geest zelve. - -Voor mij spreekt de ware Geest van een volk in hetgeen zijn denken en -voelen voortbracht in zijn Filosofie, zijn Literatuur, zijn Kunst. En -dit heb ik in mijn boek trachten te geven, uit den aard der zaak hier -beknopt—de Chineesche beschaving loopt over duizenden jaren—maar -toch in de kern, de essentie er van. - -Er is ook wel veel gezegd, dat de Chinees uit het volk zijn eigen -literatuur—en dit is tevens de filosofie—niet kan lezen. In mijn -hoofdstuk over de Chineesche taal heb ik reeds doen uitkomen, hoe de -groote moeilijkheden, aan het Chineesche karakter-schrift verbonden, en -de overwegende rol, die de syntaxis speelt, beletsels zijn voor het -volk, om zich in schrift uit te drukken en boeken te lezen, vooral die -in klassieken stijl. - -Het aantal personen in China, die met gemak de geheele literatuur van -de vroegste perioden af kunnen volgen, is, in verhouding tot het aantal -inwoners (op ruim 400 millioen geschat) zeker gering. Toch werd door -Medhurst dit aantal nog op 2 millioen getaxeerd. Hetgeen niet belet, -dat de invloed dier literatuur-filosofie op het staats- en familieleven -der Chineezen zóó overweldigend groot is geweest, dat ook Chineezen, -die haar niet kunnen lezen, er, zonder het te weten, in hun denken en -voelen van doortrokken zijn. Terecht schreef Von der Gabelentz: [58] -„Er is bijna géén ander mensch, die als Confucius, in zijn eigen -persoon al de constitueerende elementen van het Chineesche type -belichaamde, en al wat aanwezig is in ’t wezen van zijn volk. Want -zelfs in den tegenwoordigen tijd, na meer dan 2000 jaar, ondergaat nog -steeds het moreele, sociale en politieke leven van ongeveer een derde -deel der menschheid den vollen invloed van zijn geest”. - -Het is volkomen juist hetgeen Alfons Paquet heeft gezegd: [59] „Ook -de allerlaatste onder deze gele-bruine menschen draagt bij zich het -bewustzijn en de instincten van zijn volk, als een amulet. Cultuur is -daar, waar gecompliceerde geestelijke dingen zich ingenesteld hebben. -Achter dit volk staat een rijk, een overal tegenwoordige volheid van -eigenaardige gebruiken, van wijze inrichtingen. Daarin voelt zich de -minste nog op den grond van een onwankelbare, reusachtige pyramide, -wier top met den hemel spreekt”. - -Ik heb precies hetzelfde opgemerkt, zelfs in den minsten koelie heb ik -tóch nog den Geest van China teruggevonden. - -Wat nu aangaat de Chineesche literatuur, ondanks de groote -moeielijkheid, die de Chineesche schriftteekens opleveren, is China -toch in alle opzichten het land van de gansche wereld, waar, als in -geen enkel ander, de Literatuur steeds in de hoogste eere is gehouden. - -De opeenhooping van boeken in bibliotheken is fabelachtig. De klassieke -collectie van keizer Kien Lung (1736–1796) bevatte alleen 105.000 -werken, en de catalogus er van geeft 1450 commentaren op de „Yih -King” en 303 encyclopaedieën. De bekende „Catalogus der Vier -Bibliotheken” bestaat uit 112 octavo deelen, van elk 300 paginas, en -bevat een overzicht van 20.000 werken. Zooals Samuel Johnson terecht -zegt van de ontzachelijke hoeveelheid Chineesche boeken in beroemde -bibliotheken: „It is Chinese immortality, this Phoenix of letters. It -is the analogue of Western science, as entire persistence of force”. -Vijf groote brand-catastrophes hebben de literaire schatten van 3000 -jaar niet kunnen vernietigen. Keizer Chi Hwang Ti (259–210 v. C.) gaf -last, om alle klassieke boeken te verbranden, ten einde met hèm een -nieuwe geschiedenis en een nieuwe literatuur te doen beginnen, en -vervolgde met de vreeselijkste straffen hen, die tóch nog boeken in -hun bezit hadden. Desniettegenstaande is er nog een schat van die oude -literatuur overgebleven. Chineesche encyclopaedieën hebben een omvang, -waar de groote Europeesche klein bij gelijken. Een der beroemdste bevat -uittreksels van 1700 werken en bestaat uit 1500 deelen. - -Keizer Khang Hsi (1662–1723), die de groote standaard-dictionaire der -Chineesche taal uitgaf, schreef 176 boeken „Literaire Uitspanning” -en 289 gedichten. Keizer Kien Lung compileerde eene verzameling van -34000 gedichten uit werken, enkel loopende over het tijdvak zijner -eigen regeering. Om de bovengenoemde dictionaire te kunnen uitgeven -zette keizer Khang Hsi 80 geleerden-literatoren aan ’t werk gedurende -zeven jaren. - -Wij kunnen ons in Europa geen denkbeeld maken van de overgroote eer, -die in China aan de literatuur en aan groote literatoren wordt bewezen. -Terecht vergelijkt een Amerikaansche schrijver dat met een godsdienst. -Het is een feit dat, nù nog, in China literaire ontwikkeling meer op -waarde wordt geschat dan rijkdom, en dat een groot literator er, ook in -socialen zin, veel hooger in eere staat dan een millionair. In zekeren -zin is de literator in China wat de Brahmaan in ’t oude Indië was, -hoewel in maatschappelijken zin anders. - -Een der grondvesten voor universeele opvoeding is een werk van keizer -Khang Hsi „Shêng Yü”, het Heilig Edict, dat om de 14 dagen, met -de commentaren daarop van keizer Yung Ching, in ’t openbaar in de -steden wordt voorgelezen. [60] - -Hoewel de zeer groote hoeveelheid Chineesche karakters, waarvan de -kennis noodig is om alle klassieke werken te lezen, zooals ik zeide, -een beletsel is dat voor de groote massa van het volk die werken -ontoegankelijk maakt, kan toch zoo goed als iedere Chinees wel degelijk -die karakters lezen, die te pas komen bij zijn handel of -levensonderhoud. In dat opzicht staat het Chineesche volk uit de -laagste kringen zelfs hooger dan dat uit de laagste Europeesche. Het is -veelvuldig in Europeesche consulaten in China voorgekomen, dat, bij het -afleggen van verklaringen, Europeesche matrozen, analphabeten zijnde, -met een kruisje moesten teekenen, terwijl Chineesche zonder moeite hun -naam in ’t Chineesch konden teekenen. En—óók geheel anders dan -bij de laagste standen van Europeesche volken—tot in de laagste lagen -der Chineesche maatschappij is bij het volk de eerbied voor literaire -ontwikkeling ingeworteld. - -Het is een zeer gewoon verschijnsel dat een eenvoudige sampan-roeier of -ricksha-koelie met groote opoffering van zijn zuur verdiende penningen -spaart om toch maar zijn zoon een literaire opvoeding te kunnen geven. - -Trouwens het feit dat het Chineesche karakter „wên”, dat -„schriftteeken” beteekent, tevens het begrip „beschaving” -uitdrukt, spreekt al voor de hooge eer, waarin de literatuur in China -staat. Beschaving is er zonder literaire en filosofischen aanleg niet -denkbaar. - -Dat zóó China’s toekomstige cultuur van aard blijve is de hoofdzaak -en véél gewichtiger dan dat zij westersche economie en wetenschap -aanvaardt. - -Zeer terecht heeft Rev. Paul Bergen geschreven: [61] „Het is te hopen -dat de tegenwoordige generatie niet door de fascinatie van het nieuwe -ertoe zal geleid worden om hun oude literatuur te veronachtzamen, daar -ze hun grootste glorie is, streng in stijl, verheven van toon, een pure -zedelijkheid leerende en idealen ophoudende van politieke wijsheid en -van heiligheid van het familieleven”. - -In het jong-Chineesche tijdschrift „The Republican Advocate” las ik -het volgende: „The danger in China to day is not that she will lack -the proper quota of men to develop her agriculture or mines, but the -tendency to lose the higher and divine religious instincts”. - -Men vervalle niet in de dwaling te denken, dat de zoogenaamde -„hervorming” in China, het aanleeren der westersche wetenschap en -toepassen van westersche uitvindingen, voor China per se moet -beteekenen het wegwerpen van haar oude wijsheid en levensbeschouwingen. -Dit zal evenmin met China het geval worden als het met Japan het geval -geweest is. Dr. Chen Huan Chang, in zijn reeds meermalen aangehaalde -boek „The Economic Principles of Confucius and his School” zegt -uitdrukkelijk, hoe dit boek bedoeld is „as a manual for Modern China -in its struggle with the Occident, showing how it must revive the old -ways of the most ancient ancients”. Men begrijpe dit goed: dit alles -met aanpassing aan de moderne tijden, en met beoefening van westersche -wetenschap, toepassing, voor zoover mogelijk van westersche economische -systemen, staatkundige instellingen, enz. enz. - -Ik durf het met zekerheid voorspellen: ook in het moderne China van -over honderden jaren, dat géén onzer zal beleven, zal de Geest van -China dezelfde zijn gebleven als die, waarvan ik in dit boek de -schoonheid en wijsheid heb trachten te geven. - -Ik kan niet nalaten hier even aan te halen, wat Ku Hung Ming zegt van -de nooden van China: - -„Daarom behoeven dingen, zooals Yuan Shih Kai en Dr. Morrison ze voor -China willen: zooals kolen, ijzer, goedkoope zeep, goedkoope tramwegen, -draadlooze telegrafie—dingen die Goethe het „nuttige” -noemt—geen bizondere bevordering. Maar dingen, zooals de gestorven -Keizerin-Weduwe ze voor China wilde: de schoonheid van haar -zomerpaleis, de gesprekken („Loen Yü”) van Confucius, de -Chineesche poëzie en zelfs de „achtdeelige opstellen” [62], dingen -die Goethe „het schoone” noemt, moeten bevorderd worden. Zonder dat -schoone bestaat er geen voornaamheid van karakter en de arbeidskracht -van een volk wordt zooals wij gezien hebben, misbruikt tot gemeen en -verkwistend gebruik. Als de arbeidskracht zoo misbruikt wordt, dan zijn -comfort, pracht en luxe van het leven van iedere gemeenschap en iederen -staat als de appelen van het doode meer van Sodom en Gomorrha, glanzend -van buiten, maar achter de huid vol van bitterheid, verwezenheid en -dood”. - -Dit is de reden, waarom China zich zoo lang niet aangetrokken kon -voelen tot de zoogenaamde beschaving van Europa, wier hoogste doel haar -toeleek te zijn: materieele welvaart, leidend tot wat Ku Hung Ming -noemt: eene onvoorname en verkwistende verbruiksaanwending, de -productie van luxe-voorwerpen en middelen tot gemak en leegen schijn. -De nieuwe maatschappelijke wetenschap van Europa leek dezen Chinees toe -te leeren, dat de grond-voorwaarde voor een mensch succes in het leven -was, en dat de grootte van een natie lag in ’t hebben van rijkdom, -macht en materieel geluk. Dit was in flagranten strijd met de leer van -Confucius, dat menschen en naties hun hart niet op rijkdom, macht en -materieele welvaart zullen vestigen. - -De Confucianistische principes zijn niet alleen verplichtend voor het -leven van den enkelen mensch maar ook voor volken. - -Ook het zoo hooggeroemde „intellect”, dat soort althans, wat Ku -Hung Ming zoo treffend „vossen-verstand” noemt „zonder fijnheid -en teederheid”, waarop het Westen in zijn materieele cultuur zoo -trots is, kon geen aantrekking hebben voor den Chinees, die het fijne -en teedere hooger stelde dan de luxe en het gemak. - -Voor de Chineezen is de „Europeaniseering” van China geruimen tijd -gelijkduidend geweest met het instroomen van gemeenheid en leelijkheid, -en zij vonden de ethische en aesthetische armoede van Europa véél -erger dan de materieele armoede en de economische wanorde van China. Ik -heb een Chinees onlangs van den tegenwoordigen wereld-oorlog hooren -zeggen: ziehier nu de uitkomst van uw hooggeroemde economische -„Orde!” - -De Geest van China voelt intuïtief dat hij zou ondergaan, en dat dus -China zou ondergaan, als enkel materieele welvaart het hoogste doel van -China’s beschaving zou worden. Want de kostbaarste schatten van -China, van de grijze oudheid af, zijn geestelijke, en geen materieele -geweest. En wat de economie aangaat, zooals ik al in het hoofdstuk over -Confucius heb aangegeven, China kan de zoo hooggeroemde economische -toestanden en wetenschappen van Europa niet onverdeeld bewonderen, -zoolang economie er niet synoniem is met ethica. Ook de territoriale -expansie is geen ideaal van China. Er is geen ander volk dan het -Chineesche in de wereld-geschiedenis bekend dat zulk een overwicht -heeft gehad in stoffelijke kracht zonder den schrik te worden van -zwakkere naties. Zooals Johnson zoo terecht opmerkt, China heeft er de -voorkeur aan gegeven Arbeid en Literatuur te onderwijzen, en haar eigen -overwinnaars, als b.v. de Mandsjoes, te bekeeren tot vreedzame -ondernemingen. - -Het met de geschiedenis van China onbekende publiek verkeert over ’t -algemeen in de meening, dat de Geest van China een isoleerende is, dat -China altijd huiverig is geweest voor aanraking met vreemde landen en -volken, en als een slak in zijn huis kroop bij de minste aanraking van -buiten. - -Precies het tegendeel is waar. De Chineezen hebben juist meer aanraking -en omgang met vreemde naties gehad dan eenig ander Aziatisch ras. -Zooals Mc Culloch schreef zijn de Chineezen „een uiterst commercieel -volk, en het idée van hun verachting voor vreemdelingen is ten zeerste -ongegrond. Nergens kunnen scheepsladingen met meer business-like -activiteit worden gekocht en verkocht, ingeladen en uitgeladen als in -Canton”. Ampère constateert, dat, duizend jaar geleden, de uiterste -lijn van hun aanrakingsgrenzen de westelijke grenzen van Azië -bereikte. Pauthier verhaalt, hoe in Fransche archieven diplomatieke -bescheiden gevonden worden van den kleinzoon van den Mongoolschen -Dzjengis Khan aan Philips den Schoone. Gedurende de Tartaren-dynastie -bezochten aanzienlijke Mongolen Rome. - -Peter de Groote zond agenten naar Peking om daar de wetenschap van -regeerings-systemen te leeren, en de kunst van bouwen, zooals Pollas en -Klaproth [63] vermelden. In Tartarije leefden eeuwen geleden Russen, -Hongaren en zelfs Vlamingen, en een Tartaar was contractant voor helmen -in het Fransche leger. Ampère verhaalt, hoe Mongoolsche cavalerie werd -aangeboden voor de verovering van het Heilige Graf gedurende de -kruistochten, en bewoners van Genua, Pisa en Venetië hebben eeuwen -geleden door Chineesch Centraal-Azië gereisd. Er is geen enkele -oostersche godsdienst of filosofie, die niet onbelemmerd in China haar -intrede gedaan heeft, en geen naburige taal, waaruit geen vertalingen -in ’t Chineesch zijn gemaakt. Een schat van Boeddhistische -literatuur, waarvan de origineelen in het Pali en Sanskriet verloren -zijn gegaan, is in ’t Chineesch bewaard gebleven, en men kan gerust -zeggen, dat zonder deze Chineesche vertalingen volledige studie van het -Boeddhisme onmogelijk zou zijn geweest. Omgekeerd is er geen naburige -taal, waarin de Chineezen hun eigen taal niet vertaald hebben. - -Het is eerst sedert de agressie van Europeesche zijde, eene agressie, -waaraan de christelijke zending groote schuld heeft, dat de -geslotenheid voor het Westen begonnen is. Het waren zijn heiligste -goederen, die China er mede tegen de indringende -materieel-intellectueele westersche beschaving verdedigde, en het -isolement is eerst begonnen in de latere jaren der Mandsjoe-dynastie. -Tegen het Christendom als zoodanig heeft China nooit vijandig gestaan, -enkel tegen het agressieve drijven en de bemoeizucht van zendelingen, -dien zij, niet geheel ten onrechte, als de geheime politieke agenten -beschouwde van hebzuchtige vreemde regeeringen, tuk op annexatie en -exploitatie. - -Ik heb in dit boek, dat aan een’ zekeren omvang gebonden is, niet de -gelegenheid, uitvoerig te behandelen de groote „up and down” -bewegingen in de Chineesche gedachte en het Chineesche voelen, -gedurende de eeuwen van China’s beschaving, die ten duidelijkste het -in Europa ingeroeste idee weerspreken, als zou de Chineesche cultuur -altijd conservatief dezelfde, en als een stagneerend water zijn -geweest. Zeer aan te raden, om van dit absoluut verkeerde denkbeeld te -genezen, is de lezing van Prof. E. Fenollosa’s „Epochs of Chinese -and Japanese Art”, waarin de verschillende tijdperken en stroomingen -van de Chineesche kunst niet alleen, maar ook de in onverbreekbaar -daarmede in verband staande Chineesche gedachten en gevoelens op -schitterende wijze zijn beschreven. Ik haal hier kortheidshalve de -volgende woorden van Fenollosa aan: - -„Het zal zeker een vreemd ding zijn voor Europeesche geleerden en een -publiek, dat gewoon is Chineesche cultuur gedurende drie duizend jaren -als een Doode Zee-niveau van uniformiteit te beschouwen, om de woorden -te lezen van mannen, die onder de Noordelijke Soeng-dynastie hoopvolle -woorden schreven als die van den artiest-criticus Kuo-Hsi, die beweerde -dat: „het is de echte natuur van den mensch om al wat oud is te -verafschuwen en zich vast te klemmen aan wat nieuw is”. De geheele -omvang van de Soeng-cultuur is een immens pakhuis vol documenten, die -aantoonen dat de Chineesche menschheid die drie eeuwen lang gebouwd -heeft op wat wij geneigd zijn laag te schatten als zijnde -niet-Chineesch”. - -Dit klinkt eenigszins anders dan de uitspraak van Prof. J. J. M. de -Groot, die openlijk de enormiteit durfde doen drukken, dat het -Chineesche ras „is stamped for ever with the total incapacity to rise -to a higher level of mental culture”. - -Het bijna tragische in de droevige figuur van dezen geleerden -sinoloog—geleerd hier vooral te nemen in den zin van -taal-geleerd—is dat hij, zonder eenigen filosofischen aanleg, en -zonder de minste intuïtie voor metaphysiek, aan de sereene, -diepzinnige Wijsheid van China is voorbijgegaan als een kruidenier -voorbij een tempel vol symbolen, die hij „gek” en „casueel” -vindt, zonder een vaag idee van de geweldige beteekenis. Het dolzinnige -idee, dat een geleerde, die een bolleboos is in een Oostersche taal, -enkel daardoor ook per se bevoegd is, over oostersche filosofie mede te -spreken, zal helaas nog wel een tijd lang in onze academische -faculteiten ingeroest blijven. [64] - -Hetgeen men uit Fenollosa’s boek leeren kan, is de stijging en daling -der Chineesche beschaving gelijktijdig met de Chineesche kunst. Die -kunst—en ook die cultuur—maakt haar eerste, nog in ’t duister -liggende stijging in het eerste gedeelte van het derde millenium vóór -Christus, rijst tot haar eersten golf van kracht met de Shang-dynastie, -omstreeks 1800 v. C., tot haar tweeden met de Chow-dynastie, omstreeks -1100 v. C., zij doet haar derde en krachtiger scheppende poging met de -Han-dynastie in de 2e eeuw vóór Christus, dan, na een tusschenpauze, -stijgt zij langzaam en machtig tot haar hoogtepunt onder de -Th’ang-dynastie in de 8e eeuw, en later weer tot een niet minder -verheven glorie-periode onder de Soeng-dynastie, in de 11e en 12e eeuw, -om dan weder langzamerhand te dalen en te dalen, tot den tegenwoordigen -toestand van zwakheid. - -Men ziet, ik erken hiermede, dat de Chineesche cultuur van tegenwoordig -op een aanmerkelijk lager niveau is gekomen dan in de Oudheid. De -ontaarding en het bijgeloof, in Prof. De Groots dikke folio’s zoo -fijn uitgeplozen, zijn kenteekenen van deze daling. - -Maar daarmede is de Geest van China niet uitgedoofd, hij leeft nog -steeds, en de tegenwoordige hervorming, de groote beroeringen, die -thans plaats hebben, wijzen op een nieuwe periode van stijging. Een -nieuwe tempel zal in China in de komende tijden, na groote stormen en -beroeringen, worden opgetrokken, maar de grondslag van dien tempel zal -de Oude Wijsheid zijn, waarin de Geest van China eeuwig leeft. - - -Scheveningen, 6 April 1916. - - - - - - - -LIJST VAN DE VOORNAAMSTE WERKEN DOOR MIJ GERAADPLEEGD BIJ HET SCHRIJVEN -VAN „DE GEEST VAN CHINA”: [65] - - -Dr. Chen Huan Chang. The Economic Principles of Confucius and his -School. - -Ku Hung Ming. Chinas Verteidigung gegen Europäische Ideen. - -Prof. E. Fenollosa. Epochs of Chinese and Japanese Art. - -Raphaël Petrucci. La Philosophie de la Nature dans l’Art -d’Extrême Orient. - -Raphaël Petrucci. Kie Tseu Yuan Houa Tchouan. - -Dr. Curt Glaser. Die Kunst Ost-Asiens. - -Samuel Johnson. Oriental Religions and their Relation to Universal -Religion. China. - -Herbert A. Giles. Introduction to the History of Chinese Pictorial Art. - -E. J. Eitel. Fung Shui. - -Martin Buber. Reden und Gleichnisse des Tschuang Tse. - -Lafcadio Hearn. Gleanings in Buddha Fields. - -Ost-Asiatische Zeitschrift (l’Extrême Oriënt—The Far East.) - - - - - - - -VERTALINGEN - - -blz. 22. „Bij de studie van Chineesche klassieke boeken is het niet -zoozeer de vertaling van de karakters, door den schrijver gebruikt, die -er op aankomt, als wel het aandeel in de gedachten; er is het zien van -geest tot geest”. - -blz. 27. „Deze dichtkunst richt zich tot oor en oog op gelijke -wijze”. - -blz. 70. „Wij hebben een dynastie onttroond, die den Geest der -Oudheid verloren had, en te midden van de ruïnen der revolutie, zullen -wij, hoop ik, een nieuwen tempel weder opbouwen op de Wijsheid der -Ouden”. - -blz. 76. „De eenvoud en universeelheid van natuurlijke wetten”. - -blz. 80. „een gouden ketting van geestelijk leven loopende door -iederen vorm van bestaan en, als in één levend lichaam, samenbindend -alles dat bestaat in den hemel boven en op de aarde beneden”. - -blz. 90. „Ahnungen” = voorgevoelens. - -blz. 91. „Jenseits” = generzijds. - -blz. 97. „Wirken aus ungeschiedener, gegensatzloser, umfriedeter -Einheit” = Werken uit ongescheiden, tegenstelling-looze, van vrede -omgeven Eenheid. - -blz. 97. „the doctrine of action without attachement” = de Leer van -handeling zonder er zich aan te hechten. - -blz. 121. „het open geweten van het volk, waar alle plichten bloot -worden gelegd voor de Wijsheid en Orde der wereld, opgesloten in deze -Vereerden.” - -blz. 130. „met één streek”. - -blz. 131. „Men gaat uit van een heel gemakkelijk bereikbare -étagère-curiositeit, van welker houding, beweging, bouw zich een -doordringende bekoring losmaakt, en men eindigt met, achter het -geschilderde of gebeeldhouwde werk, de magische visie van het heelal te -ontdekken”. - -blz. 154. „De Geschiedenis der Kunst laat eveneens ter zijde liggen -de buiten-europeesche kunsten, de Mohammedaansche kunst, de Chineesche -kunst, de Japansche kunst”. - -blz. 154. „Als ik niets zeg, noch van de kunst van Indië, noch van -die van China, dan is dat omdat de hooge oudheid die men haar -toeschrijft een illusie is. Indië heeft geen kunst gehad vóór het -tijdvak van Alexander den Groote en wat de Chineesche kunst betreft, -zij is pas begonnen haar meesterstukken voort te brengen in den loop -der Europeesche middeneeuwen”. - -blz. 155. „De triomf van den Geest over de Stof”. - -blz. 163. „Het is Chineesche onsterfelijkheid, deze Feniks van -Letteren. Het is de analogie van Westersche wetenschap, als algeheele -overblijving van kracht.” - -blz. 165. „Het gevaar in China van heden is niet dat het de juiste -hoeveelheid mannen zal missen om zijn landbouw en mijnen te -ontwikkelen, maar de neiging om de hoogere en hemelsche godsdienstige -instincten te verliezen”. - -blz. 165. „Als een handleiding voor Modern China in zijn strijd met -het Westen, toonende hoe het de oude wegen van de oudste ouden weer -moet doen herleven”. - -blz. 170. „voor altijd gebrandmerkt is met de totale onbekwaamheid om -tot een hooger niveau van verstandelijke beschaving op te rijzen.” - - - - - - - -INHOUD - - - Bladz. - - INLEIDING V - DE GEEST VAN CHINA 1 - DE TAAL VAN CHINA 6 - CONFUCIUS 20 - DE TOEKOMSTDROOM VAN CONFUCIUS 50 - MENCIUS 64 - DE „YIH KING” 70 - LAO TSZ’ EN DE TAO TEH KING 90 - CHUANG TSZ’ 106 - DE VOORVADEREN-DIENST 116 - CHINEESCHE KUNST 124 - NABETRACHTING 158 - LIJST VAN GERAADPLEEGDE WERKEN 173 - - - ILLUSTRATIES: - - Confucius 19 - De drie Stichters 144 - - - - - - - -AANTEEKENINGEN - - -[1] Verschenen in de „Wereld-Bibliotheek”. - -[2] „Epochs of Chinese and Japanese Art”. London. W. Heinemann. -1912. - -[3] „La Philosophie de la Nature dans l’Art d’Extrême-Orient”. -Paris. H. Laurens. - -[4] Het Chineesche woord „hoá” evenals ’t Japansche „kaku” -beteekent dan ook zoowel teekenen als schrijven. - -[5] Uit Prof. G. von der Gabelentz: „Anfangsgründe der Chinesischen -Grammatik”. - -[6] Language and Significs, by Lady Welby. - -[7] Zie zijn „Oriental Religions, and their relation to Universal -Religion. China”. - -[8] In zijn „Kie Tseu Yuan Houa Tchouan” Leiden E. J. Brill. - -[9] Hans Bethge: „Die Chinesische Flöte”. Leipzig. Insel-Verlag. - -[10] Uit te spreken „Tsoeng”. - -[11] Zie bladz. 30. - -[12] „Choeng Yoeng” Hoofdstuk XX 7. - -[13] „Choeng Yoeng” Hoofdstuk XXIX 3. - -[14] „Choeng Yoeng” Hoofdstuk XXXI 1. - -[15] „Choeng Yoeng” Hoofdstuk XXXII 1. - -[16] Ta Hioh Inleiding 4. - -[17] Ta Hioh Inleiding 5. - -[18] Ta Hioh Inleiding 6. - -[19] Ta Hioh Inleiding 7. - -[20] Ta Hioh Hoofdstuk IX. 1. - -[21] Ta Hioh Hoofdstuk IX. 4. - -[22] Ta Hioh Hoofdstuk X 6. - -[23] Ta Hioh Hoofdstuk X 7. - -[24] Ta Hioh Hoofdstuk X 8. - -[25] Dit voorbeeld wordt ook door Dr. Chen Huan Chang aangehaald in -zijn „The Economic Principles of Confucius and his School”. - -[26] Th’ien overal in dit werk uit te spreken als: Th’jen. - -[27] L. J. Veen, Amsterdam, en als „The New China” bij Fisher -Unwin, London. - -[28] De Chineesche wet staat alleen den Keizer toe, op het Hemel-Altaar -aan Shang Ti te offeren. Men herkent alzoo in dit gezegde van Mencius -den echten volksman. - -[29] Zie het Hoofdstuk over Confucius. - -[30] In den tekst staat „wacht op zijn Ming”. Zie Confucius’ -„Choeng Yoeng”. - -[31] Zie het Hoofdstuk over Confucius. - -[32] Ik stel mij voor, later een apart werk over de „Yih King” en -dus de ontwikkeling der „kwa’s” te geven. In één hoofdstuk is -dit onmogelijk. - -[33] „Tienduizend” is hier eene uitdrukking voor „alle”. - -[34] Uit „S. Wells Williams: A Syllabic Dictionary of the Chinese -Language”. - -[35] Okakura in zijn „Geest van Japan” vertaalt het door -„stof-element”, m. i. ten onrechte, en tot verwarring aanleiding -gevend. Eitel, in zijn „Fung Shui” noemt het „the breath of -nature”. - -[36] Dit „Li” wordt op dezelfde wijze uitgesproken als het „Li” -dat decorum en ceremonieel beteekent, maar met een ander schriftteeken -geschreven. - -[37] Niet alle hoofdstukken zijn hier in hun geheel door mij gegeven -doch fragmenten er uit. - -[38] Uit te spreken: Woe. - -[39] Dit is zeer belangrijk daar het Tao erkent als over en vóór den -God van dit geopenbaarde Heelal. - -[40] Hoe zuiver boeddhistisch deze taoïstische tekst is zal een ieder -opmerken. - -[41] R. K. Douglas: Confucianism and Taoism. - -[42] Ook op eene verwording der „Yih King”-leer is dit Taoïsme -gebaseerd. - -[43] Evenals voor Shang Ti, ’t opperwezen, abstract, later, in meer -concreet begrip, ook door Confucius, Th’ien, de Hemel gebruikt wordt, -gebruikt hier Chuang Tsz’ voor Tao ’t meer concrete begrip -Th’ien, Hemel, hetgeen juist in dezen tekst jammer is. - -[44] Wij denken hier aan Herbert Spencer: „De antithese van subject -en object, waar wij nooit boven uit komen zoolang ons bewustzijn duurt, -maakt onmogelijk alle wetenschap van de opperste Realiteit, waarin -subject en object vereend zijn” (Principles of Psychology, p. 272). - -[45] Figuren uit de Chineesche Oudheid. - -[46] Men merke op dat er alleen staat dat hij „Niets gebruikte”, -maar dat er dit keer niet bij staat „om haar terug te vinden”. - -Met de mystieke parel wordt bedoeld Tao. - -[47] Doe-Niets Zeg-Niets had gelijk in zóó ver dat hij het niet wist; -Dolleman-Stotteraar was er dichtbij, had dus bijna gelijk omdat hij -’t vergeten had. De groote fout ligt in ’t weten. Tao moet men niet -weten maar zijn. Alleen in zijn ligt de erkentenis van Tao. Het weten -dat geen Zijn is, is geen eigenlijk weten. - -[48] Tao hier even in de Confucianistische beteekenis „Weg”, bij -wijze van woordspeling, genomen. - -[49] Men zie het werkje van Kern-Mannoury over Boeddhisme, in de -„Wereld-Bibliotheek” verschenen. - -[50] Eerder dan ’t populaire versje van Kipling is het woord van -Goethe waar: „Orient und Occident sind nicht mehr zu trennen”. - -[51] Verlag Oesterheld & Co. Berlijn. - -[52] Bij Van Oest, Brussel, uitgegeven. - -[53] Leiden. E. J. Brill. - -[54] Uit Vetrucci’s „Kie Tseu Yuan Houa Tchouan”. Leiden. E. J. -Brill. - -[55] H. A. Giles: Introduction to the History of Chinese Pictorial Art. - -[56] Edmond de Goncourt: La Maison d’un Artiste. - -[57] Zie mijn „Het Daghet in den Oosten” (L. J. Veen, Amsterdam) en -mijn artikel „De Nieuwe Banen der Sinologie” (in „De Gids” van -1 Nov. 1911). - -[58] Prof. G. von der Gabelentz: Confucius und seine Lehre. - -[59] In zijne inleiding tot Ku Hung Mings „Chinas Verteidigung gegen -Europäische Ideeën.” - -[60] In het werk „De Geest van Japan” van Okakura-Yoshisaburo -(Uitg. Wereldbibliotheek) vindt men op blz. 39 en 40 uittreksels uit -dit Heilig Edict. - -[61] In zijn „Shantung, the Sacred Province of China”. - -[62] Een zekere vorm van literaire opstellen, vereischt bij de—thans -afgeschafte—literaire staats-examens. - -[63] „Mémoires relatives à l’Asie”. - -[64] Men zie voor bizonderheden mijn artikel „De Nederlandsche -Sinologie” in „De Gids” van 1 Augustus 1912. - -[65] De oorspronkelijke Chineesche werken zijn hierbij niet opgenoemd. - - - - - - -End of the Project Gutenberg EBook of De Geest van China, by Henri Borel - -*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE GEEST VAN CHINA *** - -***** This file should be named 50789-0.txt or 50789-0.zip ***** -This and all associated files of various formats will be found in: - http://www.gutenberg.org/5/0/7/8/50789/ - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg. - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United -States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive -specific permission. If you do not charge anything for copies of this -eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook -for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports, -performances and research. They may be modified and printed and given -away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks -not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the -trademark license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country outside the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you'll have to check the laws of the country where you - are located before using this ebook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm web site -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The -Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm -trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - - - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the -mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its -volunteers and employees are scattered throughout numerous -locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt -Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to -date contact information can be found at the Foundation's web site and -official page at www.gutenberg.org/contact - -For additional contact information: - - Dr. Gregory B. Newby - Chief Executive and Director - gbnewby@pglaf.org - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide -spread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works. - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our Web site which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. - |
