summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/50789-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
authornfenwick <nfenwick@pglaf.org>2025-02-05 05:15:30 -0800
committernfenwick <nfenwick@pglaf.org>2025-02-05 05:15:30 -0800
commit07c6694c3140c944dc244d7159752f244f03c4b7 (patch)
tree1f3d0db23779cf842ecf032d40ba9626274bd159 /old/50789-0.txt
parent7071cae8f76b3428597e9f6532650e98d7a5c57d (diff)
NormalizeHEADmain
Diffstat (limited to 'old/50789-0.txt')
-rw-r--r--old/50789-0.txt6691
1 files changed, 0 insertions, 6691 deletions
diff --git a/old/50789-0.txt b/old/50789-0.txt
deleted file mode 100644
index a726701..0000000
--- a/old/50789-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,6691 +0,0 @@
-The Project Gutenberg EBook of De Geest van China, by Henri Borel
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
-other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of
-the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have
-to check the laws of the country where you are located before using this ebook.
-
-Title: De Geest van China
-
-Author: Henri Borel
-
-Release Date: December 29, 2015 [EBook #50789]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: UTF-8
-
-*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE GEEST VAN CHINA ***
-
-
-
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg.
-
-
-
-
-
-
-
-
- HENRI BOREL
-
- DE GEEST VAN CHINA
-
- MET EENIGE ILLUSTRATIES
-
-
-
-
-
-
-
- Opgedragen aan de Nagedachtenis van mijn’
- eenvoudigen, ouden Chineeschen leermeester
-
- TIO SIAO HOEN
-
- die mij het eerst inwijdde in de Chineesche
- filosofie, en den Geest van China over mij
- deed komen, in de jaren 1892–1894.
-
-
-
-
-
-
-
-De vertalingen van de citaten in andere talen kan de lezer vinden
-achterin het werk.
-
-
-
-
-
-
-
-INLEIDING
-
-
-Toen ik het merkwaardige werk van Okakura-Yoshisaburo gelezen had „De
-Geest van Japan” [1] kwam het denkbeeld in mij op, een boek te
-schrijven: „De Geest van China”. Hierbij kwamen de woorden mij in
-de gedachte uit een aan mij gerichten brief van mijn Chineeschen vriend
-Dr. Lim Boon King: „We want sinologues in Europa who understand the
-spirit of our culture, not only the literalism of our books”.
-
-Over den geest van de Chineesche beschaving zijn nog maar weinig boeken
-geschreven, terwijl er boekenplanken te vullen zijn met werken over
-Chineesche „folklore” en Chineesch bijgeloof. Schrijvende over
-Chineesche cultuur hebben de meeste sinologen de fout begaan, die zij
-ook bij het schrijven over Chineeschen godsdienst gemaakt hebben, zij
-hebben namelijk de uitwassen en verwordingen voor de oorspronkelijke
-cultuur aangezien.
-
-Wanneer men werken leest over China en de Chineezen als b. v. het
-verscheidene dikke folio’s groote „Religuous System of China” van
-Prof. Dr. J. J. M. de Groot, kan men niet anders denken dan dat de
-Chineezen een volk van barbaarsche, domme, bijgeloovige heidenen zijn,
-onvatbaar voor ontwikkeling, zonder eenige werkelijke beschaving. Deze
-sinoloog, eene officieele autoriteit van wereld-reputatie, noemt de
-Chineezen zonder blikken of blozen „semi-civilized”, hij vergelijkt
-ze zelfs met „most barbarous and semi-civilized peoples”, hij noemt
-het Chineesche ras „for ever stamped with the total incapacity to
-rise to a higher level of mental culture”, ja, hij wijst er op, hoe
-hij godsdienstige gebruiken en ceremoniën onder hen heeft gevonden
-„which one would scarcely expect to find anywhere, except amongst
-savages in a low state of culture”.
-
-De groote fout van de meeste schrijvers over China, van de groote
-sinologen ook die daaronder waren, is geweest dat zij gemeend hebben,
-de cultuur van een groot Oostersch volk als het Chineesche, eene
-cultuur, waarvan de geest intuïtief, filosofisch, poëtisch, en zelfs
-metaphysisch is van kern en wezen, op eene nuchtere,
-westersch-europeesche, wetenschappelijke manier, met westersche denk-
-en observatie-methoden te kunnen doorgronden. Nergens spreekt de Geest
-van China zich zoo karakteristiek uit als in zijn godsdienst, zijn
-filosofie en zijn kunst. Wie den godsdienst, de filosofie en de kunst
-van een volk kent, kent de Geest van dat volk tot in zijn diepste
-wezen. Dat heeft ook Okakura-Yoshisaburo zoo goed begrepen in zijn
-werk: „De Geest van Japan”. Ik zal dan ook vooral den godsdienst en
-de filosofie der Chineezen in dit werk in hun essentieele wezen
-trachten duidelijk te maken voor den lezer, en mij bij de behandeling
-daarvan op het Oostersche, Chineesche standpunt stellen, om vervolgens
-het kernwezen der Chineesche kunst, doordrongen als die is van de
-Chineesche wereld-beschouwing der wijsbegeerte, bloot te leggen. Mocht
-ik hierin geslaagd zijn, zoo heb ik dáármede reeds van zelf ook doen
-gevoelen, wàt de eigenlijke „Geest van China” is.
-
-In de voortreffelijke werken van Prof. Fenollosa [2] en van Raphaël
-Petrucci [3], vooral in die van dezen laatsten sinoloog, die tevens een
-groot wijsgeer en poëet is, en die in zijn standaardboek over
-Chineesche kunst een onvergankelijk monument stichtte, waarin de Geest
-van China is vereeuwigd, is deze arbeid reeds gedaan, maar toch
-eigenlijk meer voor sinologen of voor een kleine élite van zijn
-kunstkenners. Een populair boek, voor het groote, beschaafde publiek
-bestemd, ontbrak tot nu toe over China.
-
-Ik moet er vooraf even den nadruk op leggen, dat mijn werk geenszins
-eene navolging, in precies denzelfden trant zal zijn, van Okakura’s
-„Geest van Japan”. Het maken van een nauwkeurig z.g. „pendant”
-van andermans werk lijkt mij te gevaarlijk en ook wat onkiesch. Ik zal
-daarom in dit boek geheel mijn eigen, aparte methode volgen, en het ook
-anders indeelen, zooals ik zooeven heb uiteengezet.
-
-Mijne bedoeling is, dien Geest voor den lezer uit China’s godsdienst,
-filosofie en kunst als ’t ware vanzelf te doen oprijzen, zoodat de
-lezer hem, bij de behandeling daarvan, ongemerkt over zich zal voelen
-komen. Dit leek mij de beste, want meest suggestieve methode.
-
-Ik schrijf daar, in westersche termen, van godsdienst en filosofie,
-alsof deze twee verschillende dingen waren, maar reeds dadelijk
-vertoont de Geest van China zich, wanneer ik zeg, dat deze twee in
-China eigenlijk één zijn.
-
-Zooals terecht door Raphaël Petrucci in zijn hierboven aangehaald
-meesterwerk is gezegd, heeft de Chineesche gedachte eigenlijk nooit de
-godsdienstige phase gekend. Haar eerste poging is direct tot filosofie
-geworden. Het godsdienstige element en de filosofie zijn nooit
-gescheiden. Daarom is de studie van de Chineesche filosofie tegelijk
-die van den Chineeschen godsdienst. Die twee hebben zich vermengd en
-zijn ineengevloeid. Wat nu de Chineesche kunst aangaat, ook deze is
-onafscheidelijk van godsdienst en filosofie, waarvan zij de uiting in
-schoonheid is, en hier komt nog bij, dat de literatuur één is met de
-filosofie. Godsdienst, filosofie, kunst, literatuur, zij zijn geen
-aparte, verschillende zaken in China, als in het Westen, maar zij zijn
-één. Onder Literatuur, in den allerhoogsten zin, wordt in China niets
-anders verstaan dan de in volmaakt schoonen vorm geschreven Wijsheid.
-De Chineesche Literatuur, dat is: de geschreven Wijsheid van Confucius,
-van Mencius, van Lao Tsz’, van Choe Hie, van de „Yih-King” en de
-andere „Kings”, die ik in de volgende hoofdstukken zal behandelen,
-in den volmaakt schoonen vorm. Want dit is wel een der
-karakteristiekste eigenschappen van den Geest van China, dat de
-filosofie in China haar uiting heeft gevonden in den hoogsten
-literairen vorm. De Wijsheid en de Schoonheid zijn hier één, en
-daarin openbaart zich het goddelijke. Lectuur, die in China slechts
-voor amusement, spanning of verstrooiing dient, wordt niet tot de
-Literatuur gerekend, maar wordt aangeduid met de benaming „siao
-shwoh”, d.i. klein (inferieur) gepraat. Alléén de goddelijke
-Wijsheid, uitgedrukt in Schoonheid, is in China de Literatuur. Hiermede
-heb ik eigenlijk den Geest van China reeds gekarakteriseerd.
-
-Dit boek zal den lezer een geheel anderen Geest van China doen voelen
-dan hij zoo dikwijls over zich heeft voelen komen uit
-reisbeschrijvingen van nuchtere Europeanen, die in dezen Geest nooit
-zijn doorgedrongen.
-
-Het is al eens door een groot Chineesch schrijver, Ku Hung Ming,
-gezegd, in zijn „Story of a Chinese Oxford Movement”, hoe weinig de
-Europeanen, en dus ook de Engelschman, tegen wien hij dit schreef, ooit
-in de ziel der Chineezen is doorgedrongen.
-
-„Voor den Engelschman uit de aristocraten-klasse”, zoo schreef Ku
-Hung Ming, en dit geldt ook voor de meeste Europeesche geleerden en
-zoogenaamde „China-kenners”, „is een Chinees met smerige
-kleederen, met een staart en gele huid alleen maar een Chinees met een
-staart en een gele huid en anders niets. De Engelschman kan niet door
-die gele huid heen het innerlijke zien, het moreele wezen, en de
-geestelijke waarde der Chineezen. Als hij het kon, zou hij zien wat
-voor een feeënwereld eigenlijk in het innerlijk der Chineezen
-verborgen ligt. Hij zou dan o.a. de dingen van het Taoïsme zien, met
-beelden van feeën en genieën, die niet onderdoen voor de goden van
-Griekenland. Hij zou er het Boeddhisme vinden met zijn zang van
-oneindig lijden, medelijden en genade, zoo zoet-treurig en diep als de
-mystieke, oneindige zang van Dante. En ten slotte zou hij er het
-Confucianisme vinden, met zijn „Weg van den Edelen Mensch”, die,
-hoe weinig de Engelschman hier ook een voorgevoel van heeft, op een
-goeden dag nog eens de maatschappelijke orde van Europa veranderen en
-zijne beschaving vernietigen zal”.
-
-Ook ik geloof hier stellig aan. Ik geloof dat de ware Geest van China
-nog eenmaal tot Europa zal doordringen, en onze geheele maatschappij,
-onzen godsdienst, onze kunst, onze gansche wereldbeschouwing zal
-wijzigen. En dit is een der voornaamste redenen, waarom ik het nuttig
-en noodig vond, dit boek te schrijven.
-
-
-H. B.
-
-
-
-
-
-
-
-DE GEEST VAN CHINA
-
-
-De Geest van China!....
-
-Ik heb hem gevoeld in het trotsche berglandschap van het Noorden; in de
-roze muren van de Verboden Stad van Peking; in de wijde eenzaamheid van
-de eindelooze Yang Tsz’ rivier, in den ouden, gebogen man, steunende
-op zijn staf, dien ik in de rotsige heuvelen om Amoy zijn eigen graf
-zag zoeken; in de licht-schitterende bloemen-booten vol
-zijde-ruischende „sing-song” meisjes op de Canton-rivier; in het
-klagende fluit-lied van den sampan-roeier, vèr beneden op zee, dat ik
-’s nachts, leunende op de balustrade van mijn hooge rots-bungalow,
-hoorde, op dat droom-eiland van Ku-Lang-Su, waar ik de twee schoonste
-jaren leefde van mijn leven.
-
-Ik heb hem gevoeld in de statige kameelen-karavanen, uit de grimmige
-wal-poorten van Peking trekkend, naar de zand-woestijn; in den deftigen
-Chinees in lang blauw zijden gewaad, die zijn leeuwerikje in ’t
-kooitje laat genieten van het zonnige landschap, en met hem wandelen
-gaat; in de kleine sampans, die onbevreesd door hoog-deinende zee
-roeien; in de arme duivels van koelies, dravend met hun zweetende,
-kaneel-gele huid voor ratelende ricksha’s; in mijn ouden, eerwaarden
-leermeester Tio, wiens grootste genot het was, eenzaam op een rots
-boven de zee te zitten staren naar verre horizonnen, en die dat „siao
-iao”, „zweven” noemde....
-
-Ik heb hem gevoeld in het stijlvolle, statige arm- en handgebaar,
-waarmede twee Chineezen elkaar groeten, in het steunen van een ouden,
-ouden grootvader, een harden rotsweg moeizaam strompelend, op zijn
-kleinkind, dat stapje voor stapje, voorzichtigjes gaat, als een symbool
-van „Hiao”, Liefde voor de Ouders; in de reverentie van ’t
-gansche volk voor al wat oud, en dus wijs is; in het sierlijke penseel,
-waarmede de heilige schriftteekens worden geschreven, en in de ranke
-pagode, oprijzend als een bloem, waarvan de bellen rinkelen in de
-wind....
-
-Ik heb hem gevoeld in den ontzaglijken eerbied voor de Literatuur en de
-Filosofie; in den geur van de thee, die in broze porseleinen kopjes
-dampt; in de kleuren van de chrysanten, die ik zag in den toover-tuin
-van een hoogen mandarijn; in de doodkist, die zonen, als een kostbaarst
-geschenk, aan hun nog levenden vader geven; in de scharen van
-zwoegens-moede, naakte koelies, ’s avonds doodstil, ademloos
-luisterend naar de sprookjes van den ouden straat-verteller, die de
-schoone beelden toovert in hun kinderlijke fantazie; in het eenzame,
-witte zeil van een jonk, verloren in de groote, groote Chineesche zee,
-en in den vetten, huid-glimmenden, half naakten vleesch-verkooper in
-een nauwe straat-steeg vol Rembrandtiek licht.
-
-Ik heb hem gevoeld in de deftige, stijlvolle Chineesche binnenkameren,
-in gedempt licht, waar de zieletabletten der afgestorvenen tronen op
-het heilige familie-altaar; in de somber-majestueuze monolithen in de
-geesten-allée op den grandiozen weg naar de Ming-graven; in de
-grimmige, grauwe muren om Nanking, in de zeilschuit met het groote
-gouden zeil, waarmede ik de wijde, sombere Drakenrivier opvoer van Amoy
-naar Chang Chow; in de immenze, babylonische steden, die ik in de
-verte, als in droom, zag opdoemen, op mijn spoor-reis van Peking naar
-Hankau; in de van rood en goud flonkerende gewaden der Chineesche
-bruiden, en in de lange, sidderende veeren op den helm van den
-glorieuzen held op het Chineesche tooneel.
-
-Ik heb hem gevoeld in de melodieuze, mysterieuze Chineesche taal; in de
-magische, pictorale schriftteekens; in de doods-sombere, snerpende
-klarinet van het klagelijk orchestje der begrafenis-stoeten; in de
-wijde neerhangende mouwen der zijden gewaden, in de woest-gierende
-tyfoen, die over de Chineesche zeeën huilt; in de blauwe
-ijsvogelveeren in het donker-glanzende haar van frêle kind-vrouwtjes,
-en in de theehuizen van Foochow-Road in Shanghai, vol bloemen en
-tinkel-tokkelende muziek....
-
-Ik heb hem gevoeld in de genadevolle Kwan-Yin beelden in rood-en-gouden
-tempels, waarvoor vrouwen knielend bidden om een kindje in haren
-schoot; in de heerlijke „Shan Shui”, de landschappen van „bergen
-en water”, waarin de kosmische oer-principes Yang en Yin te zamen
-harmonisch het Rythme van schoonheid vormen; in de witte graven die als
-mysterieuze bloemen de somber-zwarte rotsen om Amoy bedekken; in het
-glorieuze Hemel-Altaar bij Peking, dat als een wonder symbool van de
-drie-rythmige Kosmische Orde aan de opperste God-Macht Shang Ti gewijd
-is; in den grooten, komisch-deftigen bril van den literator; in de als
-ranke booten in de luchte-zeeën-drijvende daken der huizen; in de
-somber gonzende gongen der kloosters, waar gulden Boeddha-beelden
-donker-gloeiend in ’t mysterieuze licht van roode kaarsen staan, en
-in de hand van den literator-mandarijn, die op zijn sterfbed, in
-streng-klassieken stijl, zijn doodsbericht eerbiedig aan den keizer
-schrijft....
-
-Ik heb hem gevoeld in de stille wierook-spiraal, die plechtig opstijgt
-voor de ziele-tablet der vaderen in de voorvaderlijke hal; in de
-deftige, zijde-bekleede draagstoel van den mandarijn, die daar statig
-in gezeten is als een mensch in Gods-rust; in den blinden bedelaar in
-drukke straat, waar stoeten ratelende rijtuigen en dravende ruiters
-behoedzaam voor uitwijken; in de vlammen van de vuren, waar goud-papier
-en poppen in verbranden, om geld en dienaren te zijn voor dierbare
-dooden in het Ongeziene; in den klagelijken roep, waarmede de zoon op
-het dak van ’t vaderlijke huis de ziel van zijn gestorven vader
-terugroept; in den statigen os, die droomerig den kop opheft, als hij
-met glimmend-grijzen rug boven ’t water uitkomt waar hij koelte
-vindt; in het grappige kuifje boven op ’t gladgeschoren hoofd van een
-klein jongetje; in den rustigen, blauwen vijver van het Zomerpaleis,
-waar keizers in gouden gondels droomden, en in de glanzende
-rijst-velden waar boven het schitterend groen de gele hoed opkleurt van
-den rustigen landman.
-
-Maar o! hoe heb ik hem gevoeld, den Geest van China, in de wereld-wijze
-filosofie der groote Chineesche denkers, in hun strenge, statige
-schriftteekens vol symbool en suggestie, in hun rustig oprijzen tot die
-hoogste goddelijke hoogten van het T’ai Kie’ de Uiterste Grens,
-waartoe hel menschelijk denken komen kan, en waarachter het goddelijk
-Mysterie trilt.
-
-Hoe is hij te vinden ook in de Chineesche kunst, die kunst, die
-geestelijk van wezen is, die niet de uiterlijke vormen zoekt der
-wisselende verschijningen, maar de onzichtbare, geestelijke essence van
-het goddelijke, dat achter alle zichtbare vormen eeuwig leeft!
-
-Het is de Geest van China, die mij behouden heeft in het leven, die
-Geest, die zóó sterk en machtig is, dat bijna alle Europeesche
-diplomaten, lang in Peking wonend, Chineesch worden in hun denken en
-voelen, en niet meer hun Westersche rijk maar, zonder het te weten,
-China als hun vaderland gaan voelen. Het is de Geest van China, die
-mij, Hollander, tot een Chinees gemaakt heeft, die voelt als China’s
-groote Wijzen, en die zijn fel-bewogen leven slechts kan dragen door de
-sterkte en de Rust—o ja, vooral de Rust!—die den Chineeschen
-kunstenaar-wijsgeer telkens weer het groote Evenwicht doet houden in de
-wilde wisseling van sensaties en emoties en gedachten. Het is de Geest
-van China, het wondere Rijk van het Midden, die Confucius de heilige
-Leer deed uitzeggen van de „Choeng Yoeng”, van het onveranderlijke
-Midden, waarin de mensch zich concentreert om het Goddelijke te vinden
-en zich onsterfelijk te weten....
-
-Het is de Geest van China, die mijn Pad door het leven gebaand heeft,
-dat Pad, dat Confucius Tao noemde, leidend naar het Goddelijke
-mysterie, dat Lao Tsz’ óók Tao noemde, er bij verklarend dat het
-géén Naam kan hebben, die „Uiterste Grens”, dat „Tai’ Kie”,
-waarvoor het menschelijk denken stilstaat, en waar alleen dat andere,
-allerhoogste intellect toe reiken kan, dat de goddelijke Intuïtie
-is....
-
-O! Geest van China! Niet het scherpe, doch ontoereikende intellect der
-Westerlingen, maar enkel de Intuïtie, die mysterieuze voelhoren van
-het Oosten, kan u ooit aanraken....
-
-
-
-
-
-
-
-DE TAAL VAN CHINA
-
-
-Het is in de taal van China dat zijn Geest zich reeds dadelijk
-openbaart. De voornaamste karaktertrek van de Chineesche taal is dat
-zij éénlettergrepig is, en dat die éénlettergrepen in verschillende
-tonen worden uitgesproken. De Chineesche taal is: Io Éénlettergrepig,
-d.w.z. ieder stamwoord bestaat uit één syllabe. IIo Isoleerend,
-d.w.z. de stamwoorden zijn onveranderlijk, losse samenstellingen en
-hulpwoorden vervangen in de Chineesche taal onze middelen van
-woordvorming en grammatische vormen. Volgens sommige geleerden is dit
-niet juist. Deze beweren n.l. dat alleen de geschreven taal
-éénlettergrepig is maar de gesprokene niet, omdat in die gesproken
-taal zooveel hulpbijwoorden en bijvoegsels zouden voorkomen om de
-beteekenis van een woord te bepalen, dat zij eigenlijk polysyllaben
-vormen. De bewijzen van dat polysyllabisch karakter acht ik nog niet
-voldoende geleverd.
-
-De Chineesche taal is oorspronkelijk een taal van den Indo-Chineeschen
-stam, en als zoodanig verwant aan het Thibetaansch, Birmaansch,
-Siameesch en eene menigte andere talen van Achter-Indië, Nepal en
-Annam. Zij wordt, behalve door de Chineezen, door de Japaneezen,
-Koreanen en Annamieten als literatuur-taal gebruikt. Zij reikt, wat de
-literatuur aangaat, tot 3000 jaar vóór onze tijdrekening en is dus
-een der oudste levende talen, zoo niet de oudste. Er zijn geleerden
-geweest—o.a. Prof. Max Müller in zijn „Origin of
-Languages”—die, vooral met het oog op het éénlettergrepig
-karakter, de afwezigheid van tijden en wijzen, conjugatie en
-declinatie, welke afwezigheid zou wijzen op een lageren levensvorm,
-verklaard hebben dat de Chineesche taal een primitief stadium
-vertegenwoordigt in de evolutie der talen. Zij zagen er een taal in,
-gecristalliseerd als ’t ware in haar eerste stadia, en onveranderd
-overgeleverd. Een feit is, dat de onveranderlijke Chineesche
-éénlettergrepen door niets worden aangetast; tijd noch wijze,
-enkelvoud noch meervoud, conjugatie noch declinatie bestaan, die ze
-zouden kunnen veranderen. De Chineesche taal bezit ook geen afleidende
-krachten. Zij kan, zooals Prof. Max Müller zoo juist zegt, b.v. niet
-van „ferrum”, ijzer, een nieuw substantief „ferrarius”,
-ijzersmid, maken, óók niet „ferraria”, ijzermijn, en daar weer
-van „ferrariarius”, een werker in die mijn. Deze dingen zijn
-mogelijk in buigzame talen, niet in de onbuigzame Chineesche.
-
-Van die éénlettergrepige stamwoorden, waaruit de Chineesche taal
-bestaat, zijn er maar heel weinig. In ’t Noordelijke
-Mandarijn-Chineesch b.v. maar ± 436, in ’t Zuidelijke Canton-dialect
-maar ± 707. Hoe is dat mogelijk, zal men zeggen, zijn gedachten uit te
-drukken in maar 436 woorden! De armoede der Chineesche stamwoorden
-wordt echter in zekeren zin vergoed door de verschillende tonen of
-modulaties—„shing” genaamd—waarop zij kunnen worden
-uitgesproken, of misschien ware beter gezegd: geneuried, of gezongen.
-Elk woord behoort n.l. met eene bepaalde modulatie, die er bij behoort,
-te worden uitgesproken. Eene andere modulatie maakt een ander woord,
-eene andere beteekenis. Deze modulaties of tonen zijn in verschillende
-taal-dialecten van China niet dezelfden, maar ondergaan locale
-veranderingen, evenals de klinkers in westersche talen die ondergaan.
-De Chineesche taal wordt dus eigenlijk niet enkel gesproken, maar
-geneuried, gezongen bijna.
-
-Het Pekingsche of Noordelijke mandarijn-dialect heeft vier van die
-„shing” of tonen, het Nankingsche of Zuidelijke Mandarijn-dialect
-vijf, het Canton-dialect acht.
-
-Er worden in verschillende provincies en onderdeelen van provincies in
-China verschillende dialecten gesproken, die men, al zijn ze verwant,
-bijna talen zou kunnen noemen. Het verschil in die dialecten is n.l.
-zóó sterk, dat b.v. een Chinees uit Amoy volstrekt onverstaanbaar is
-voor een Chinees uit Canton, dat een Chinees uit Shanghai niets
-verstaat van wat een Chinees uit Swatow zegt en een Chinees uit Amoy
-ook niets begrijpt van wat een Chinees uit Peking tegen hem zou zeggen.
-Zelfs verstaat een Chinees uit Fuhchau, de hoofdstad der
-Fuhkien-provincie, niet wat een Chinees uit Amoy, dat toch in diezelfde
-provincie ligt, spreekt. Ten Zuiden van de Yang Tsz’ rivier zijn die
-verschillen het sterkste, ten Noorden worden ze minder. De oudste,
-tevens die met de meeste „shing” of tonen, zijn de Zuidelijke.
-
-De groote band, die het Chineesche volk altijd bij elkaar heeft
-gehouden als één geheel, is de geschreven taal. Die taal, ofschoon
-overal verschillend uitgesproken, wordt over geheel China hetzelfde
-geschreven. Men krijgt hier een denkbeeld van als men denkt om de
-Romeinsche cijfers die, in de verschillende landen van Europa anders
-uitgesproken, toch overal hetzelfde worden geschreven. B.v. X is: tien,
-dix, ten, zehn, dieci enz. Is de gesproken Chineesche taal betrekkelijk
-arm, de geschrevene is rijker dan eenige andere taal der wereld. Zij is
-in den waren zin een literaire luxe, zooals geen andere taal der wereld
-bezit, en zij behoort dan ook aan een volk toe, dat het meest literaire
-ter wereld is.
-
-De Chineesche geschreven taal kent geen alphabet. Er kunnen geen
-woorden gevormd worden met behulp van alphabet-letters, maar ieder
-woord, ieder begrip heeft een apart schriftteeken, en wel een
-schriftteeken, dat onveranderlijk blijft, en door enkelvoud noch
-meervoud, declinatie noch conjugatie, tijd noch wijze wordt aangetast.
-Een Chineesch woord kan nù eens substantief, dàn adjectief, nu eens
-werkwoord dàn weer bijwoord, en zelfs voornaamwoord zijn. Zóó kan
-b.v. ’t schriftteeken „ta” beteekenen: „groot”,
-„grootte”, „grootheid” en „veel”, „erg”. Het hangt van
-de positie in den zin af wat het beteekenen moet. De syntaxis doet
-alles in den Chineeschen zin. De Chineesche schrifttekens worden
-gewoonlijk „karakters” genoemd. Die schriftteekens zijn, dit versta
-men wel, niet het alphabet van de taal, maar de substantie van de
-Chineesche taal zelve. De zoo ingewikkeld lijkende Chineesche
-schriftteekens zijn allen eigenlijk terug te brengen tot een systeem
-van slechts zeven verschillende streepjes en puntjes, in allerlei
-combinaties en variaties. In de beroemde dictionaire van keizer Khang
-Hsi staan bijna 40000 verschillende karakters. Men schrikke hier niet
-te veel van. Als men er 3 à 4000 kent komt men al een heel eind.
-
-De Chineesche karakters zijn niet teekens als in onze Europeesche
-talen, die voorstellingen zijn van door letters gevormde woorden, maar
-ze zijn meer symbolen van ideeën. Hun oudste karakter was symbolisch
-en ideografisch. Het is volstrekt niet verwonderlijk dat zulk een
-schrift werd uitgevonden, want, zooals de sinoloog Wells Williams
-terecht zeide: „de eerste gedachte van iemand, die een idee tracht
-uit te drukken, is veel waarschijnlijker om het uit te teekenen, dan om
-te trachten, de klanken uit te drukken waarin het wordt
-uitgesproken”.
-
-De alleroudste Chineesche karakters waren hiëroglyphische teekeningen.
-De Chineesche taal wordt eigenlijk meer geteekend dan geschreven [4].
-De teekenkunst en schilderkunst zijn dan ook van de calligraphie
-afgeleid. Dat de oudste karakters teekeningen waren wordt al aangeduid
-door den naam „wên” (lijnen, omtrekken van een voorwerp) die aan
-karakters, en ook aan literatuur, en zelfs aan beschaving in ’t
-algemeen wordt gegeven. Die oudste karakters waren afbeeldingen—b.v.
-van een zon, een maan, een boom, een kindje, een berg enz. enz.—en
-symbolen, b.v. een puntje boven een streep was: boven, een puntje
-beneden een streep: onder, een doormidden gedeeld rondtetje: midden
-enz. enz. Later kwamen symbolische samenstellingen, van twee of meer
-afbeeldingen of symbolen naast elkaar. B.v. een mondje met een vogel er
-naast is: zingen, een dakje met een vrouw er onder is: rust; een vrouw
-met een kindje er naast is: houden van, goed, mooi; een man, leunend
-tegen een boom: rusten, ophouden; een mensch met een woord er naast:
-waarheid, oprechtheid; een boom, met een zon er in (die boven den boom
-opkomt): Oosten; een vogel op een nest: Westen (als de zon ondergaat).
-Door de eeuwen heen zijn die afbeeldingen veel van ’t oorspronkelijke
-afgeweken en daardoor thans moeilijk te herkennen, althans voor den
-leek. Het laatste hulpmiddel was eene vereeniging van twee deelen,
-waarvan het eene de begrips-categorie, het andere min of meer (niet
-precies) den klank aanduidt, dus een combinatie van een algemeen idee
-en een phonetisch element. Tot deze soort ideo-phonetische behoort het
-overgroote meerendeel der Chineesche karakters. Er zijn in ’t
-Chineesch 214 van die teekens, radicalen of klassenhoofden genaamd, die
-zulke begripscategorieën uitdrukken. B.v. met ’t radicaal „hart”
-zullen alle karakters geteekend zijn, die gemoeds- en
-geestesaandoeningen uitdrukken (vreugde, toorn, droefheid, melancholie,
-bezorgdheid, weemoed enz.), met „water” alle karakters, die op
-water betrekking hebben (baden, vloeien, gieten, stroomen,
-besprenkelen, overstroomen enz.), met „hand” alle, die met handen
-in verband staan (wijzen, grijpen, opnemen, wegnemen, neerleggen enz.)
-
-Men kan zich hier een denkbeeld van vormen door eens te denken b.v. aan
-het Fransche woord „chaîne”, ketting, indien wij ons dit als een
-phonetisch-element denken. Men zou—op de Chineesche wijze—dan het
-karakter voor: „eik (chêne)” kunnen krijgen, door een ketting
-(chaîne) te teekenen en daarnaast een boom. Die boom zou dan ’t
-radicaal zijn; de begripscategorie aangevend, die ketting zou het
-phonetische element zijn. Zóó zou men, door naast de ketting een hart
-te teekenen verkrijgen „gêne”, verlegenheid (de klank van ’t
-phonetische element niet precies, maar ongeveer), en zelfs door er
-water bij te teekenen (de rivier) Seine.
-
-
-Voorbeeld hoe vroegere afbeeldingen later veranderd zijn:
-
-
- júúh yué tsz’ shan móe
- vroeger:
- thans: 日 月 子 山 木
- zon maan kind berg boom
-
-
-Voorbeeld van z.g. symbolische karaktersamenstelling:
-
-
- Sháng hsiá choeng yí érh saan
- vroeger:
- thans: 上 下 中 一 二 三
- boven onder midden 1 2 3
-
-
-Voorbeeld van z.g. ideographische karakters:
-
-
- 口 k’où, Mond. 鳥 niaò, Vogel. 鳴 mîng, zingen.
- 人 jên, Mensch. 言 yên, Woord. 信 sin, oprecht.
-
-
-Ook in ’t Egyptisch, en in ’t Assyrisch komt het voor dat zekere
-klassen van woorden een teeken er vóór of na hebben dat het algemeen
-karakter er van aangeeft.
-
-Verder dan tot dit ideo-phonetische karakter is de Chineesche taal
-nooit gekomen. De sprong naar een alphabetische taal, die ten laatste
-zelfs de Japanners deden, is nooit gedaan. Dit ideo-phonetische was de
-laatste expansie, waarna de Chineesche taal onveranderlijk is stil
-blijven staan. En toch, zooals Prof. Max Müller er eens terecht van
-zeide: „iedere schaduw van gedachte die uitdrukking vindt in ’t
-hoog geacheveerde en schoon gebalanceerde systeem der Grieksche tijden
-en wijzen kan uitgedrukt worden, en is uitgedrukt, in die taal in haar
-kindschheid door woorden, die noch vóór- noch achterzetsels hebben,
-en geen einduitgangen om getal, naamval, tijd, wijze of persoon aan te
-duiden”.
-
-De syntaxis, zeide ik reeds, doet in de Chineesche taal alles.
-
-In den breede heeft zij vijf groote, primordiale grondregelen, waaruit
-alle andere kunnen worden afgeleid [5]:
-
-I. In den regel staat het onderwerp vóór het gezegde, het werkwoord
-of het voorzetsel vóór het voorwerp.
-
-II. Woorden, die wij door „en” of „of” coördineeren, staan
-naast elkaar, meest in vaste volgorde, het vroegere, gewichtigste of
-betere vóóraan.
-
-III. Het attribuut, zij het adjectief, genitief, bijwoord of telwoord,
-staat vooraan.
-
-IV. Is een ander zindeel als ’t grammatische onderwerp het onderwerp
-van den zin—psychologisch onderwerp—zoo treedt het uit het
-zinverband aan ’t begin van den zin. Tijd en plaatsopgaven nemen
-gewoonlijk deze plaats in.
-
-V. Voor de functies of betrekkingen van een woord is het onverschillig:
-
- a. Of een woord in ’t begin van een zin staat, dan wel of het
- wordt voorafgegaan door een absoluut staand zin-deel, een
- conjunctie, een bijwoord, of een tusschenwerpsel.
- b. Of het aan ’t eind aan een zin staat, of dat het wordt gevolgd
- door een slotpartikel, een conjunctie, een bijwoord of een
- tusschenwerpsel.
-
-VI. Voor de plaatsing der zin-deelen is het in den regel onverschillig:
-
- a. Of deze uit een enkel woord dan wel uit meerdere woorden
- bestaan.
- b. Of de zin een mededeelende, vragende, uitroepende, bevelende
- enz., en of hij een enkelvoudige dan wel een deel van een
- samengestelden zin is.
-
-Ofschoon ik hierboven eenige grondregelen der Chineesche grammatiek heb
-aangehaald, komt men eigenlijk met de geheele grammatiek der geleerde
-heeren niet zoo heel veel verder om Chineesche klassieken te kunnen
-lezen en doorgronden. De verschillende schrijvers verschillen hiervoor
-te veel van elkaar, en het is niet zoozeer hun wijze van uitdrukking,
-als hun wijze van denken, die de lezer uit hun werken moet trachten te
-naderen. Niet wat een Chineesche schrijver schrijft zoozeer, maar wat
-hij denkt is de hoofdzaak.
-
-Geen wonder, dat mijn leermeester Prof. Dr. G. Schlegel eens in zijn
-tijdschrift „T’oung Pao” aan jeugdige studenten der Chineesche
-taal de les gaf: „Lisez! Lisez! Jetez vos grammaires au feu!” Ik
-moet hier ook onwillekeurig aan de schoone woorden van Confucius
-denken:
-
-
- „tsch’û tâ êrh yì”
-
-
-d. i. „De taal moet (de bedoeling) bekend stellen en daarmede uit”.
-
-Het is de bedoeling, de gedachte, waar het in de Chineesche taal om
-gaat, niet de grammatische finesse. Daarom is zoogenaamd „letterlijk
-vertalen” uit het Chineesch absurd. Ook al omdat de Chineesche
-ideografische karakters iets gehéél anders zijn dan letters. De
-meeste geleerde Europeesche sinologen willen dit niet aannemen.
-
-De Chinees is van zijn jeugd af gewend om ideeën te associeeren met
-geteekende symbolen, zooals wij, Europeanen, die ideeën associeeren
-met letter-combinaties, die woorden voorstellen.
-
-De Chineesche geschreven (beter: geteekende) karakters zijn geen
-weêrgevingen van woorden, maar zijn, zooals de sinoloog Prof. Legge
-het zeer juist heeft uitgedrukt, meer „symbolen van ideeën”, en de
-combinatie van Chineesche karakters in een boek „is niet zoozeer de
-representatie van wat de schrijver (in woorden) wilde spreken, maar van
-wat hij denkt.” Zéér terecht zegt Legge van vertalingen uit het
-Chineesch: „In a study of Chinese classical books there is not so
-much an interpretation of the characters employed by the writer as a
-participation of the thoughts; there is the seeing mind to mind”.
-Inderdaad geeft een Chineesch boek—hoe vreemd dit ook voor
-westerlingen moge klinken—niet zoozeer weêr hetgeen een Chineesch
-schrijver wil zeggen, spreken, maar vooral hetgeen hij denkt.
-
-Hieruit volgt al dat de Chineesche geschreven taal een ideaal voertuig
-is voor filosofie. De ontoereikendheid van het woord om begrippen
-zuiver uit te drukken, waarover o.a. door lady Welby zulk een mooi boek
-is geschreven [6] wordt lang niet zoo gevoeld in de Chineesche taal,
-waarin gedachten als ’t ware symbolisch geteekend kunnen worden.
-
-
-Voor een Chineesch literator is het ondenkbaar dat de Chineesche
-filosofie ooit op eenige andere wijze kan uitgedrukt worden dan door
-Chineesche schriftteekens. Men begrijpt ook, al het bovenstaande
-lezend, hoe moeilijk—somtijds zelfs onmogelijk—de vertaling is van
-de ideografische en symbolische Chineesche taal in eene alphabetische
-Europeesche. Vandaar, dat de vertalingen van verschillende, zelfs van
-eerste rangs Europeesche sinologen van één en denzelfden tekst zoo
-hemelsbreed kunnen verschillen. Ziehier b.v. één tekst uit de „Tao
-Teh King”, vertaald door twee Europeesche vertalers:
-
-
- „Daarvan komt het dat de Wijze altijd op het rechte Pad gaat en
- zich nooit verwijdert van de rust en den ernst” (Stanislas
- Julien).
-
- „Daarom verlaat de Wijze mensch, zelfs al reist hij maar een dag,
- zijn bagagewagens niet, zoodat, als een mooi gezicht zich voor hem
- uitspreidt, hij even rust en dan zijn reis voortzet”. (G. G.
- Alexander).
-
-
-De hoofdzaak bij eene vertaling is: het in direct contact komen met den
-geest, en den gedachtengang van den schrijver.
-
-Het klinkt vreemd, maar tóch is het zoo: de onzichtbare gedachten van
-den schrijver zijn van meer belang er bij dan de zichtbare
-schriftteekens zelven.
-
-De uiterste eenvoud van den stijl der Chineesche filosofie is oorzaak
-geweest, dat de meest eenvoudige teksten dikwijls niet begrepen zijn,
-en er allerlei breedsprakige, pompeuze vertalingen gekomen zijn, waarin
-de oorspronkelijke gedachte verdronk. De Amerikaansche geleerde Samuel
-Johnson [7] zegt terecht: „Het is een groote fout, deze
-schrift-teekens, zooals zij (in Europeesche vertalingen) in
-alphabetische zinnen omgezet zijn, verantwoordelijk te stellen voor een
-pompeuze taal, geheel tegenovergesteld aan den genius van het
-Chineesch, welks specialiteit is gekuischte en zelfs elliptische
-uitdrukking. De Chineesche stijl is niet alleen een product van de
-practische kwaliteiten van den nationalen geest, maar volgt direct uit
-de natuur der schriftteekens, wier betrekking tot elkander in groote
-mate moet geleverd worden door over-en-weêr begrijpen, als de
-conversatie van vrienden.”
-
-Het korte, gecondenseerde, geconcentreerde, oer-eenvoudige, als van
-gedachten, die na véél zuivering en geestelijke filtreering bezonken
-zijn in kern-vorm, is de karakteristiek van den Chineeschen klassieken
-stijl, waarin de Chineesche filosofie zich uitte.
-
-Zooals ik reeds zeide, wordt het onveranderlijke Chineesche schrift,
-overal hetzelfde, in verschillende deelen van China verschillend
-uitgesproken.
-
-Uit al het hierboven duidelijk gemaakte zal de lezer begrijpen dat de
-Chineezen niet een alphabetisch volk zijn maar een groot ras van
-ideographen, hun nadrukkelijke expressie vloeit naar vormen in stede
-van naar klanken. Hun geschreven taal is, zooals Samuel Johnson in zijn
-boek „China” eens terecht opmerkte, het symbool van
-generaliseerende en synthetische kwaliteiten van geest, zooals
-alphabetische talen van een analytischen geest getuigen. Ook in de
-Chineesche filosofie zal men dien synthetischen geest als kenmerk
-terugvinden.
-
-De afwezigheid van natuurlijke relatie tusschen teeken en geluid, en de
-voortdurende symbolische afbeelding maken het Chineesche ideologische
-schrift een geschikt medium van omgang tusschen Aziatische rassen. Niet
-verbonden aan eenig speciaal vocalisme, heeft het niet alleen één
-algemeen schrift geleverd voor al de zoozeer verschillende dialecten
-van China zelf, maar heeft het Korea, Japan, Anam en Mantsjoerije van
-uniforme teekens voorzien voor hun toch zoozeer verschillende
-spraakvormen. Deze aangepastheid voor over en weer begrijpen en verkeer
-is een teeken van universeelheid, zooals Samuel Johnson terecht
-opmerkt, dat reeds op zichzelf de zoogenaamde isolatie van China altijd
-heeft tegengesproken. De rigide, onveranderlijke Chineesche
-ideografische karakters zijn, in de ras-grenzen, even unifieerend als
-een natuurproces. Feitelijk is de geschreven Chineesche taal voor
-honderden millioenen Chineezen, Koreanen, Japanners enz. als een soort
-Volapuk of Esperanto, waarin zij elkaars gedachten kunnen lezen en
-inwisselen. De Rosny, in de „Archives Paléographiques” heeft eens
-in allen ernst de Chineesche geschreven taal als geschikt voor een
-universeele wereld-taal aanbevolen. Ik ken geen Koreaansch b.v. en geen
-Japansch, maar zou met een ontwikkelden Koreaner of Japanner, op papier
-Chineesch schrijvend, van gedachten kunnen wisselen. Jammer alleen dat
-de groote moeilijkheid om al die duizenden Chineesche karakters of
-schriftteekens te leeren, de verspreiding van zoo’n universeele
-wereld-taal in den weg staat.
-
-Men mag de Chineesche geschreven taal moeilijk vinden—en zij is dit
-zonder twijfel—maar zij is de schoonste taal der wereld. Geen wonder,
-dat nergens de eerbied voor de taal zoo groot is als in China.
-
-Zóó als de Hebreeër niet op papier wilde treden, omdat misschien de
-naam „Jehovah” er op geschreven kon zijn, zóó is voor den Chinees
-elk geschreven woord heilig. Een geletterde Chinees zal een beschreven
-vod papier oprapen en in een der urnen deponeeren, die daarvoor in de
-straten aanwezig zijn. Op deze urnen staat meestal geschreven: „Hebt
-eerbied voor beschreven papier.”
-
-Evenals de Noorsche runen dat waren, zijn vele Chineesche
-karakters—b.v. die voor geluk, lang leven, en anderen—heilig, en de
-schriftteekens worden „de oogen van den Wijze” genoemd. Een goed
-kenner van China heeft eens gezegd: „China is één groot open
-boek”. Bijna alles wordt met karakters bedrukt. Muren, deuren,
-pilaren dragen gelukaanbrengende motto’s en spreuken. Aan de muren
-der huizen hangen rollen, in kakemono-vorm, in paren, met
-correspondeerende spreuken of wijze woorden er op, in sierlijk
-getrokken karakters. Rotsen zelfs, vooral bij tempels, zijn er mede
-beschreven. Mantels en gewaden worden niet alleen gedragen, maar ook
-gelezen, geornamenteerd als zij zijn met karakters. Op een huisdeur van
-een literator zag ik eens in stijlvolle karakters: „Moge ik zoo
-geleerd worden dat ik 10000 boekdeelen in mijn gedachten heb.”
-Veelvuldig las ik in China boven een deurpost de schoone woorden:
-„Door de Literatuur wordt een volk groot”.
-
-In Peking zag ik alle boeken der Chineesche klassieken in steenen
-tafelen van massief graniet gegrift, in de „Hal der Klassieken”.
-
-Waaiers, kopjes, borden, schotels, op al deze dingen worden meestal
-spreuken of klassieke teksten of verzen geteekend. Het dragen van
-sommige karakters op het lijf—b.v. het karakter „shau”,
-eeuwigdurend, lang leven—heeft het karakter van het dragen van een
-amulet.
-
-Voorwerpen om mede te schrijven zijn in China volmaakt tot in de
-perfectie. Typografie werd voor ruim 1500 jaar in China uitgevonden, er
-bestaan uitgebreide, oude werken over het maken van inkt, en folio’s
-verhandelingen over de structuur en het stijlvol trekken der karakters.
-Door de uitvinding van het drukken en van goed materiaal om druk te
-verspreiden, overtrof China verre Rome, dat nog gebonden was aan het
-gebruik der palimpsesten, waardoor véél is verloren moeten gaan.
-
-Ik moet hier nog even bij vermelden, dat, zooals Raphaël Petrucci
-terecht opgemerkt heeft [8], oorspronkelijk het schrijven—en dit
-beteekent iets anders dan schrijven in ’t Westen, want het wil
-zeggen: teekenen—van Chineesche karakters, als ’t ware eene
-magische handeling was. Het primitieve idee er van was namelijk, dat de
-teekening een mysterieus leven verleent aan het afbeeldsel van ’t
-geteekende voorwerp. Teekenen was dus in zekeren zin eene mystieke
-creatie. Alle kunst, niet alleen teekenen, maar ook schilderen, en
-plastiek, heeft oorspronkelijk een magisch karakter.
-
-Het eigenaardige wezen der Chineesche schriftteekens geeft aan de
-Chineesche poëzie nog eene aparte schoonheids-bekoring, die westersche
-poëzie niet heeft. De Europeesche letters zijn namelijk op zichzelf
-doode dingen, de Chineesche schriftteekens hebben een aparte
-aesthetische en symbolische schoonheid. Zooals Hans Bethge terecht
-zegt. [9]. „Diese Dichtung wendet sich an Ohr und Auge in gleicher
-Weise”. Bij ons, in ’t Westen, is het alleen het oor, dat poëzie
-opneemt, in China is het ook het oog, daar de schriftteekens, in welke
-zij is uitgedrukt, op zich zelf teekeningen zijn. Vooral wanneer de
-poëzie niet gedrukt, maar door den dichter met eigen hand geschreven
-is, komt deze aparte schoonheid naar voren. Ieder groot dichter in
-China was ook een groot teekenaar van schriftteekens, zooals hij ook
-meestal een groot schilder was. In de sierlijke omtrekken zijn
-karakters vol lichte en soepele toetsen, met plotselinge halten en
-bevallige bochten, stijgende accenten en langzamerhand wegkwijnende
-lijnen, openbaarde zich de ziel van den dichter-teekenaar. De
-ornamentale Chineesche schriftteekens, door een dichter neergeteekend
-in zijn poëzie, bevatten somtijds zijn innigste intimiteiten.
-
-Geen wonder, dat in China het schrijfgereedschap aangeduid wordt met de
-uitdrukking: „sz’ pao” d.i. „de vier kostbaarheden”, n.l. het
-penseel, het inktstaafje, de inktsteen (om de inkt op te wrijven), en
-het papier.
-
-En inderdaad zijn het dan ook deze vier kostbaarheden, waardoor de
-Geest van China zich op het schoonste heeft geuit.
-
-
-
-
-
-
-
-CONFUCIUS
-
-(Kh’ oeng-Foe-Tsz’)
-
-
-Meer dan twee duizend jaren geleden is het, dat zijn lichaam gestorven
-is, maar nog altijd leeft de geest van Confucius in iedere Chineesche
-woning.
-
-Kort voor zijn dood, toen hij zich ziek voelde worden, zeide hij tot
-zijn discipel Tsz’ Koeng: „De groote berg valt in puin. De stutbalk
-breekt. De Wijze sterft weg als een plant”, maar dit doelde slechts
-op zijn stoffelijk omhulsel, waarin zijn groote geest tijdelijk op
-aarde woonde.
-
-Zijn geest, die onsterfelijk is, heeft sedert over geheel China
-getrild, en er is geen Geest van China denkbaar zonder den Geest van
-Confucius.
-
-„Mijn Leer is een Eenheid, die Alles samenhoudt,” zeide hij eens
-tot zijn leerling Ts’an. Het is die Synthese, die het groote gebouw
-van godsdienst, filosofie, literatuur, wetenschap en staatkunde van
-China bij elkaar heeft gehouden, in kosmische Eenheid.
-
-Er is eigenlijk niets in het leven der Chineezen, waarin de geest van
-Confucius zich niet openbaart. Geen enkele gewichtige handeling, geen
-enkele familie-, liefde-, of vriendschapsband, geen enkele literaire of
-filosofische arbeid, geen enkele godsdienstige of wijsgeerige gedachte,
-geen enkele beleefdheids-ceremonie, geen enkele maatschappelijke orde,
-geen enkel levens-ding van de Chineezen is eigenlijk denkbaar, waarbij
-de geest van Confucius hun niet beïnvloedt.
-
-Wèl zeer terecht schreef de Chineesche literator Cheng Chang Loo in
-1909 in een Engelsch blad:
-
-„In China hebben wij gedurende de laatste 2500 jaar gewerkt op het
-geaccumuleerde kapitaal van onze voorvaderen, wier illustere
-herinneringen en onsterfelijke volmakingen voor ons zijn bewaard door
-de vooruitziendheid en de wijsheid van onzen grooten Wijze Confucius.
-Zonder Confucius zou het Verre Oosten—China, Korea, Annam en zelfs
-het nu machtige Japan—gezonken zijn in de diepten van barbarisme”.
-
-Al ware het alléén reeds om de twee door hem, honderden jaren vóór
-zijn grooten mede-Leeraar der menschheid, Jezus Christus uitgesproken
-gulden woorden:
-
-„Alle menschen binnen de vier zeeën zijn broeders”
-
-en
-
-„Wat gij niet wilt dat aan U zelven gedaan wordt, doe dat aan anderen
-niet”
-
-zou hij reeds den titel verdiend hebben, die boven den inbouw van den
-tempel van Confucius in Peking staat:
-
-
- „Wan Shi Sh’ Piao”
-
- („Het Voorbeeld der Meesters van Tienduizend Eeuwen”)
-
-
-en die de groote, literaire keizer Khang Hsi, de keizerlijke
-literator-filosoof, met eigen penseel heeft neergeschreven.
-
-De geest van Confucius heeft geleefd, en leeft nog altijd, in het
-penseel van iederen Chineeschen literator, en in de geheele, hooge
-Literatuur van China is het die geest geweest, die de Schoonheid er in
-deed stralen.
-
-Het eerste werk van de voornaamste literaire revolutionnairen van
-1911–1912 was, om over het geheele land redevoeringen en voordrachten
-te houden, om de leer van Confucius duidelijk te maken, zooals is
-voorgeschreven in een der heilige Vier Boeken, de „Ta Hioh”, de
-Groote Leering. Mijn vriend Dr. Lim Boon King zond mij, in ’t begin
-van 1912, eene kleine serie Confucianistische teksten, door hem
-opgesteld, die het onderwerp zouden vormen zijner „yen shwoh”
-(voordrachten, ten doel hebbend, de nieuwe maatschappij op den
-grondslag van Confucius’ leer op te trekken.)
-
-Ik begin daarom de filosofie van China, waarin China’s Geest leeft,
-te behandelen met de leer van China’s populairste Wijze K’hoeng Foe
-Tsz’. Gelatinizeerd is deze naam Kh’oeng Foe Tsz’, die beteekent
-den Meester Kh’oeng, Confucius geworden.
-
-Confucius werd, volgens geloofwaardige commentators, geboren in ’t
-jaar 552 v. C., doch door China’s grooten historieschrijver Sz’ Ma
-Ch’ien is abusievelijk het jaar 551 v. C. opgegeven.
-
-Om een denkbeeld te hebben van den tijd, waarin Confucius leefde,
-moeten wij ons het China in die periode vooral niet denken als het
-China van de laatste eeuwen. Het was een geheel ander China, waarin
-alles, tot haardracht en kleeding toe, anders was dan nu.
-
-De Chineesche geschiedenis verliest zich in de verre Oudheid. De
-precieze datum van het begin dier geschiedenis is onbekend, maar het is
-zeker, dat China als eene natie reeds 6000 jaar bestaat. De eerste
-legendaire keizer, Pao Hsi of Fu Hsi, leefde 2402 jaar vóór de
-geboorte van Confucius, alzoo omstreeks 2953–2839 v. C. Het was
-gedurende de z.g. Chow-dynastie (1022–255 v. C.) dat de Chineesche
-oude beschaving tot haar volle ontwikkeling kwam. Confucianisme, de
-nieuwe godsdienst of juister misschien: de nieuwe filosofie van
-Confucius, was daarom niet de godsdienst van een primitief volk, maar
-van een volk met hooge, door eeuwen heen ontwikkelde beschaving.
-
-Tijdens Confucius’ leven was de Chow-dynastie al aan het vervallen,
-de keizers waren practisch al zonder werkelijke macht, en China leefde
-in een verval-tijdperk van feudalisme. Iedere feudale staat was
-eigenlijk een onafhankelijke natie, iedere vorst van zulk een natie
-vocht om de oppermacht en de macht van die feudale vorsten was
-eigenlijk grooter dan die van een keizer. Gedurende Confucius’ tijd
-was de macht van die vorsten alweer gaandeweg in de handen van eenige
-adellijke families gevallen en heerschte er een soort oligarchie.
-Wanorde was door de regeerende klasse over het geheele rijk gebracht,
-terwijl het volk, niet genoeg ontwikkeld om voor zich zelf te zorgen,
-geheel verwaarloosd werd. Toch bestond er een midden-klasse, die zich
-zelf had opgevoed, en ontwikkeld genoeg was voor nieuwe ideeën. Die
-midden-klasse was het product van een reeds eeuwenoude beschaving. En,
-ondanks die oligarchie, en die verwarring had iedereen vrijheid van
-beweging en van spreken, zooals Dr. Chen Huan Cheng terecht opmerkt.
-
-In 522 werd Confucius geboren in den staat Loe, den staat van den
-hertog van Chow, ongeveer in ’t tegenwoordige Shantung. Loe was het
-centrum der toenmalige Chineesche beschaving. In militaire kracht was
-het de mindere van de oudere staten, maar in kunst, literatuur,
-filosofie en moraliteit de meerdere. Confucius’ vader was een hoog
-ambtenaar, zooiets als bij ons in een groote residentiestad een
-burgemeester. Confucius’ familienaam was K’oeng, zijn persoonlijke
-naam Ch’iu, en zijn puberteits-naam Chung Ni (een Chinees krijgt bij
-zijn puberteit een nieuwen naam). Later werd hij meestal met den
-eerenaam Meester, Leeraar aangeduid, in ’t Chineesch Foe Tsz’, dus
-Kh’oeng de Meester, d.i. Kh’oeng Foe Tsz’.
-
-Ik zal in dit hoofdstuk niet te lang over het leven van Confucius
-uitweiden, méér over zijn werken. Bijzonderheden over zijn leven kan
-men o.a. vinden in mijn 15 jaar geleden bij van Kampen uitgegeven werk:
-De Chineesche Filosofie, toegelicht voor niet-sinologen. Deel I
-Confucius, waarnaar ik hierbij verwijs.
-
-Ik volsta hier dus met te zeggen, dat hij, diep getroffen door de
-verwarring en ontaarding, die in zijn tijd in China heerschten, zijn
-leven lang werkte en streed, om door rede en wijsheid de regeering en
-het volk te hervormen. Op 52-jarigen leeftijd, na allerlei
-teleurstellingen en wederwaardigheden, werd hij magistraat van de stad
-Chung Tu in den staat Loe. Zijn administratie en rechtspraak waren
-zóó rechtvaardig, dat de vorsten der naburige staten haar als model
-namen. Toen hij 53 jaar was werd hij benoemd tot Minister van
-Binnenlandsche Zaken, en later van Justitie, en toen hij 56 was, tot
-Eersten Minister. Zijn moreele invloed werd zóó groot, en de door hem
-aangebrachte hervormingen zóó verreikend, dat de naburige staten
-jaloersch werden, en vreesden dat de staat Loe hen allen zou
-overvleugelen. De vorst van den naburigen staat Ch’i zond toen, echt
-Oostersch, tachtig van de mooiste meisjes, die maar te vinden waren,
-met een geschenk van 120 prachtige paarden naar hertog Ting van den
-staat Loe, om deze van de wijs te brengen en van Confucius te
-vervreemden.
-
-De wijsheid moest toen wijken voor de schoonheid, de hertog en zijn hof
-dachten om niets meer dan om de mooie vrouwen, het volk, dat onder
-Confucius’ regeering zoo sterk en trouw en kuisch was geworden, begon
-door dit voorbeeld te ontaarden, en Confucius kon niets anders doen dan
-den staat verlaten, waar de zinnelijke schoonheid de wijsheid
-verdrongen had.
-
-Van toen af werd zijn leven, als dat van Dante, één zwerftocht buiten
-zijn vaderland. Hij zwierf door al de feudale staten van China, waar
-hij overal zijn diensten aanbood tot hervorming van regeering en volk,
-nù eens tijdelijk aangenomen, en later weer afgewezen, voortdurend
-uitgestooten, en zelfs nu en dan gevangen genomen. Zijn vele reizen
-waren echter óók eenigszins in den geest van zendingswerk. Overal
-verspreidde hij zijn leer, kreeg discipelen, en stichtte scholen van
-zijn levensleer. Op het laatst had hij wel drieduizend discipelen. Na
-veertien jaar verguisd in den vreemde te hebben gezworven, werd hij
-door zijn geboorte-staat Loe teruggeroepen, maar kreeg daar toch geen
-ambt meer. Hij was toen 69 jaar. Confucius was, als zoo vele groote
-mannen, niet bestemd om zijn eigen onmiddellijke tijden te dienen, maar
-om de eeuwen van de toekomst te beïnvloeden.
-
-Al vroeger, toen hij 48 jaar was, had hij de oude heilige geschriften
-van China, overgeleverd door eeuwenlange beschaving, verzameld, herzien
-en toegelicht.
-
-Ik moet hier zeggen, dat China in Confucius’ tijd heilige boeken
-bezat, die werden geacht, door hoogere geestelijke machten
-geïnspireerd te zijn, evenals gedacht wordt van onze Heilige Schrift.
-Deze geschriften werden genaamd King (in ’t Peking-Mandarijnsch:
-Ching.) Confucius wordt door de Chineezen geacht een door hoogere macht
-gezondene en aangewezene te zijn geweest, om goddelijke wijsheid te
-verkondigen en ook om die Heilige Geschriften, de King’s, te ordenen
-en te regelen, zoodat zij, in den door hem geordenden vorm, zouden
-bewaard blijven. De Chineesche geleerde Chen Huan Chang in zijn
-onlangs, door de Columbia-University uitgegeven werk „The Economic
-Principles of Confucius and his School” zegt dat het woord King door
-de Europeesche sinologie „mistranslated” (verkeerd vertaald) is
-met: Classics, Klassieken. Prof. Legge, een groot sinoloog, maar als
-zendeling bevooroordeeld, spreekt voortdurend van de door hem vertaalde
-Kings als van Chinese Classics. De juiste vertaling is volgens Dr.
-Chen: Chineesche Heilige Schriften, een soort Chineesche Bijbels dus.
-Bijbel, zegt hij, ware de rechte vertaling voor King, en wordt ook als
-zoodanig gebruikt door moderne hedendaagsche Confucianisten. Of dit
-juist is zou ik echter niet durven verzekeren.
-
-Deze Chineesche Kings nu, zooals zij thans bewaard zijn, zijn
-gedeeltelijk eigen werk van Confucius, al bevatten zij wijsbegeerte,
-poëzie en geschiedenis van de vroegste eeuwen af.
-
-Er waren oorspronkelijk 6 van die Chineesche Heilige Schriften, waarvan
-er één, die der Muziek, in de Han-dynastie (ongeveer 85 n. C.)
-verloren is gegaan, zoodat er nu nog 5 over zijn, door Confucius
-verzameld, geredigeerd, en ook gedeeltelijk geschreven.
-
-De eerste is de Shi King, of Bijbel der Poëzie. Hij bevat 305
-Gedichten en Odes die door verschillende dichters eeuwen vóór
-Confucius geschreven zijn, maar door Confucius volgens zijn eigen
-principes uitgegeven. Zeer mooi is door Confucius het wezen van dezen
-King en ook het wezen der Poëzie gekarakteriseerd toen hij eens tot
-zijn discipelen zeide: „De Shi King heeft 300 stukken, maar alles kan
-worden vervat in één zin: Hebt géén lage gedachten.”
-
-De tweede is de Shoe-King, de Bijbel der Geschiedenis, die de
-geschiedenis bevat van China, vanaf 2357 j. v. C.–621 v. C. De
-documenten hiervoor zijn geschreven door verschillende auteurs, maar
-door Confucius uitgegeven. Geheele, belangrijke hoofdstukken ervan,
-herkenbaar aan hun zelfden, van de anderen verschillenden stijl worden
-door bevoegde Chineesche geleerden aan Confucius zelf toegeschreven.
-
-De derde is de Li Ki of de Annalen van den Ritus en het Decorum. Hij
-bevat alweder zéér oude geschriften, over zeden en gewoonten, maar
-verzameld en geredigeerd door Confucius.
-
-De vierde is de Yih King, de Bijbel der Transformaties, beter en
-juister: de Bijbel der Evolutie, het diepzinnigste boek der Chineesche
-filosofie. Ofschoon hier de acht triagrammen van keizer Foe Hsi
-(2953–2839 v. C.) de grondslag van zijn en ook de daaruit afgeleide
-64 hexagrammen van Wen Wang, is volgens sommige Chineesche geleerden
-het grootste deel tekst van Confucius. Confucius heeft eens gezegd dat
-hij een overleveraar en geen maker was. Hij heeft dan ook zéér veel
-oude wijsheid die reeds bekend was overgeleverd. Maar overigens moet
-dit gezegde betracht worden als eene uiting van de bekende Chineesche
-bescheidenheid. Confucius heeft niet enkel overgeleverd, maar ook zeer
-veel zelf gemaakt.
-
-De vijfde is de z.g. Ts’oen Ts’ioe (lett: Lente en Herfst), een
-boek, dat geheel en al door Confucius geschreven is, het éénige
-geheel van hèm alléén. Het bevat de geschiedenis van China van
-722–481 v. C. Om dit boek te kunnen vervaardigen, zond Confucius 14
-zijner leerlingen uit om de heilige geschriften van 120 volken voor hem
-te halen en deze te bestudeeren, aldus Dr. Chen Huan Chang.
-
-Ik heb vroeger, o.a. toen ik, nu 15 jaar geleden, mijn Hollandsch werk
-over Confucius uitgaf, gedacht, dat dit boek Ts’oen Ts’ioe een
-exclusief geschiedkundig karakter had, en daarom van niet zooveel
-beteekenis was voor zijn filosofie. Dit is ook het oordeel van de
-meeste Europeesche sinologen. Sedert echter hebben Chineesche geleerde
-vrienden mij er op gewezen, dat dit niet juist is. Het zou n.l. niet
-zuiver historisch van karakter zijn, volgens hun oordeel. Zooals Dr.
-Chen Huan Chang er van zegt: „De woorden, uit de geschiedenis
-aangehaald, zijn slechts de beelden, waarmede Confucius zijn principes
-illustreert”. „Ik zou mijn ideeën als pure theorieën willen
-verkondigen”, zeide Confucius er zelf van, „maar het is dieper,
-waarder, helderder, glanzender, ze te representeeren door de daden van
-menschen”. Hij critizeert er de keizers in, verlaagt er de vorsten
-in, valt de hooge ambtenaren aan en vestigt zijn ideale koninkrijk, een
-republiek op aarde door de Ts’oen Ts’ioe. Confucius was dus, als
-trouwens alle groote mannen, een revolutionnair. Confucius heeft zelfs
-gezegd: (zie de Loen Yü): „Het is alleen de Ts’oen Ts’ioe die
-mij bekend zal maken bij de menschen, en ’t is alleen de Ts’oen
-Ts’ioe die zal maken dat de menschen mij veroordeelen.”
-
-Van de 5 daar zooeven door mij opgenoemde boeken zijn de Yih King de
-Bijbel der Evolutie, en de Ts’oen Ts’ioe de voornaamste, volgens
-sommige Chineesche geleerden.
-
-De Yih King is deductief, beginnende met abstracte principes en
-voortgaande tot hun practische toepassing; de Ts’oen Ts’ioe is
-inductief, en komt door de analyse van feiten uit de historie tot
-algemeene theorieën.
-
-Voor degenen onder mijn lezers, die mijn in 1898 verschenen boekje over
-Confucius mochten gelezen hebben, zou ik er hier gaarne even op wijzen,
-dat het mij nù zéér spijt, daarin niet meer van deze twee Chineesche
-Kings te hebben gezegd, die zoo veel van Confucius zelf en zijn
-godsdienstige wijsbegeerte bevatten. Ik schaam mij niet te zeggen, dat
-ik in de 16 jaar, die na de publiceering van dat werkje verloopen zijn,
-wat dieper in de Chineesche filosofie ben doorgedrongen, en er wat
-méér van geleerd heb. Ik ben dan ook bezig aan een vollediger werk er
-over, waarin ik het vroeger te weinig gegevene hoop in te halen.
-
-Bij zijn terugkomst in Loe, toen hij 69 jaar oud was, voltooide hij de
-Yih King, en hij was 72, toen hij de Ts’oen Ts’ioe schreef. In 479
-v. C. stierf hij 74 jaar oud, 8 jaar vóór de geboorte van Socrates.
-
-Ik heb Confucius’ leven hier maar even zéér beknopt behandeld,
-omdat ik liever gauw op zijn leer wilde neerkomen.
-
-Wat wij van Confucius’ Wijsheid over hebben is (behalve wat ik
-zooeven aanhaalde, de Ts’oen Ts’ioe en de bewerking der 5 Kings)
-alles overlevering zijner discipelen, dus niet door hem zelf geschreven
-werk. Deze overleveringen, werken van discipelen over Confucius en zijn
-leer, de Choeng [10] Yoeng, de Ta Hioh en de Loen Yü worden, met de
-werken van den filosoof Mêng Tsz’ of Mencius, de z.g. Sz’ Shoe
-d.i. Vier Boeken genoemd, naast de vijf Kings de literaire en
-filosofische schatten van China.
-
-Ik zal nu beginnen met de Choeng Yoeng, door Confucius’ kleinzoon
-K’oeng Kei geschreven, die gewoonlijk bij zijn studeernaam Tsz’
-Sz’ wordt genoemd. De Choeng Yoeng is de zuivere, overgeleverde leer
-van Confucius, door Tsz’ Sz, zijn kleinzoon en discipel, uit den mond
-van den Wijze opgeteekend, omdat hij vreesde, dat ze anders wellicht
-later verkeerd zou worden overgebracht. Confucius’ discipelen waren
-gewoon, belangrijke woorden van hun Meester op tabletten aan te
-teekenen om ze te onthouden.
-
-Ik zal den eersten tekst geheel opschrijven om een idee te geven van
-den uitersten eenvoud en kortheid van Chineesche filosofie.
-
-
-(van boven naar beneden te lezen, van rechts naar links, te beginnen
-met kolom A) [11]
-
-
- C B A
-
- Siu Shwaai Th’ien
- Tao Sing Ming
- Chü Chü Chü
- Wei Wei Wei
- Kiao Tao Sing
-
- 修 率 天
- 道 性 命
- 之 之 之
- 謂 謂 謂
- 教 道 性
-
-
-Dit zijn in ’t geheel maar 15 schriftteekens of karakters, maar er
-zijn geheele boekdeelen te schrijven, en die zijn dan ook geschreven,
-over de uitlegging van dezen tekst.
-
-Nu is ’t gemakkelijk om, zooals wel eens enkele sinologen gedaan
-hebben, voor ieder der Chineesche karakters een equivalent te nemen in
-een Europeesche taal, en er dan een paar Europeesche zinnen van te
-maken. Ik moet er echter nog eens op wijzen dat een Chineesche tekst
-niet is een representatie van woorden, maar een opeenvolging van
-ideeën en dat de combinatie van die symbolen niet is een representatie
-van wat de schrijver wilde zeggen, maar vooral van wat hij denkt. Een
-woordelijke versie is daarom onmogelijk.
-
-Prof. Legge, de groote, erkende sinoloog van de Chinese Classics heeft
-den eersten zin vertaald met:
-
-„What Heaven has conferred is called the Nature” (wat de Hemel
-heeft verleend wordt genaamd de Natuur). En hij zegt er in een
-commentaar bij: „By Sing of Nature is to be understood the Nature of
-Man”. (Onder Sing of natuur is te verstaan de Natuur van den Mensch).
-
-Er zit echter véél meer aan vast, en ik zeg dit, behalve uit eigen
-overtuiging, op gezag van Chineesche geleerden. Wij moeten dus dezen
-tekst eens wat nader beschouwen. Ten eerste: Wat wordt hier bedoeld met
-Hemel?
-
-In de alleroudste Chineesche godsdienst en geschiedenisboeken lezen wij
-van één, alleroppersten God, oneindig en in-zich-zelf bestaande, die
-genaamd werd Shang Ti letterlijk vertaald met: Opperste Macht of Heer.
-(In de Bijbelvertaling is God dan ook met dit Shang Ti vertaald). Voor
-dit abstracte begrip Shang Ti is later een meer concreet, Th’ien, de
-Hemel, in de plaats gekomen. Trouwens, ook wij spreken dikwijls in
-volkstaal van de Hemel, waar wij God bedoelen. Shang Ti en Th’ien
-zijn daarom in de oude Chineesche Heilige Schriften één en hetzelfde,
-het eerste alleen abstracter, het tweede wat concreter uitgedrukt. De
-alleroudste Chineesche godsdienst spreekt niet van goden of afgoden,
-maar van één Opperwezen, Shang Ti, later ook wel Th’ien, Hemel,
-genaamd.
-
-Het karakter Ti bestaat uit een combinatie van twee, waarvan het eene:
-Boven, en het andere: Doordringen beteekent, dus: het Opperste dat
-alles doordringt.
-
-Het woord „ming” is samengesteld, ideografisch, uit „mond”, en
-„bevelen” of „ordonneeren”, en beteekent niet alleen bevel,
-order, maar ook het bevel zelf, het z.g. mandaat, en ook: de wil, die
-het bevel gaf. Zoo wordt de Regeering beschouwd te zijn als een
-mandaat, bevel van den Hemel, en ook dat, wat van den Hemel verkregen
-is bij Hemelsche beschikking. Al deze beteekenissen te zamen liggen
-opgesloten in ’t karakter ming, en het is onmogelijk, die met een
-Hollandsch woord weer te geven. Omschrijvend, zou het hier zijn:
-„Dat, wat de Hemel, beschikt heeft, te bevelen en te verleenen, en
-ook dàt, wat van den Hemel verleend is krachtens deze beschikking”.
-Meer vrij-Europeesch: dat wat de Hemelsche Wijsheid geordonneerd heeft
-dat zoo zij. (Het karakter Chü duidt een soort genitief aan, hier meer
-dat wat.) Dit nu, wordt genaamd, Sing, een karakter, samengesteld uit
-hart, en geboren worden. Dus geboren zijn van het hart. Dit karakter
-hart beteekent in ’t Chineesch ook geest, mind, niet alleen ’t
-physieke hart. We moeten nu den zin niet letter-alphabetisch, maar
-symbolisch lezen, zooals alle Chineesche filosofie. We zien, hier,
-ideografisch gelezen, staan: dat, wat de Hemel beschikt, bevolen heeft
-en ook: dat, wat van den Hemel krachtens die beschikking ontvangen is,
-heet (wei) „hart geboren”.
-
-In de Europeesche, alphabetische taal moeten die symbolen worden
-omschreven, die in ’t Chineesch niet gespeld in letters en
-geconstrueerd in zinnen, maar gedacht worden en als gedachten
-ideografisch voorgesteld. De Chineesche tekst wordt daardoor als ’t
-ware op een ander gebied overgebracht, want hij is meer op
-gedachte-gebied dan op taal-gebied.
-
-We krijgen dan, véél uitvoeriger en met véél meer omhaal:
-
-
- Dat, bij wat ’t geboren worden van het hart, (den geest)
- verkregen is door beschikking van den Hemel (van ’t Opperwezen)
- heet Sing.
-
-
-De groote Chineesche filosoof Choe Hie, die van 1129–1201 v. C.
-leefde, noemt deze Sing „het goddelijke principe (li)”.
-
-Er staat volstrekt niet bij, dat deze Sing alleen aan den mensch
-gegeven zou zijn. Integendeel, zoowel Choe Hie als andere groote
-Chineesche wijsgeeren en commentators zeggen er uitdrukkelijk bij, dat:
-Alle myriaden dingen (wan woe) deze Sing in zich hebben. De Sing is dus
-volstrekt niet alleen de natuur van den mensch, maar veel universeeler,
-het goddelijke principe van Shang Ti, het Opperwezen, in zijne
-openbaring in het Heelal daaraan gegeven. Men kan dit polytheisme
-noemen, men kan ’t echter ook monotheisme noemen, want het neemt
-één God aan, al is ’t geen persoonlijke God, niet buiten het Heelal
-staande, maar in ’t geheele Heelal gemanifesteerd, en er dus één
-mede. Voor zoover ’t op menschen betrekking heeft, in beperkter zin,
-kan men het de Hemelsche natuur van den mensch noemen.
-
-De volgende tekst luidt:
-
-Het volgen van den (leider) Sing heet Tao.
-
-Het karakter 率 „shwaai” (zie B) beteekent hier:
-
-het volgen van een leider, het medegaan met, het gehoorzaam zijn aan,
-en tegelijk het den vrijen loop laten aan.
-
-Dit Tao—een van de beteekenisvolste karakters in de Chineesche
-filosofie—is dus hier in Confucius ongeveer als het Pad, de Weg, mits
-men dan altijd in ’t oog houde: Een geestelijke Weg, een geestelijk
-Pad, en niet aan afstand of ruimte hierbij denke. Het volgen van den
-leider Sing, het goddelijke principe in ons, is alzoo de geestelijke
-Weg, of het geestelijke Levens-bewegen.
-
-De derde tekst luidt:
-
-Het regelen, cultiveeren (siu 修 zie C beteekent beide) van de Tao
-(den spiritueelen Weg) heet Kiao.
-
-Kiao is een Chineesch karakter dat Onderwijs, Leering beteekent, maar
-dat ook in zekeren zin Godsdienst beteekent. Het karakter voor
-godsdienst is ook: Kiao. In den godsdienstigen zin beteekent Kiao:
-moreele lessen, somtijds sluit het het geheel der beschaving in. Daarom
-is wat de Chinees onder godsdienst verstaat niet alleen spiritueel,
-maar ook moreel, sociaal en filosofisch.
-
-Kiao is zoowel gewoon onderwijs als godsdienst. En dat is zoo vreemd
-niet als ’t wel lijkt, want de Chinees beschouwt godsdienst als de
-moreele les leerend 道 Tao, den spiritueelen Weg, (het volgen van den
-leidenden Sing) te begaan. Een opvoedende instelling is in China
-daardoor kerk en school beiden. De eigenlijke priesters van ’t
-Confucianisme, dat geen priesters heeft, zijn dan ook de literati, die
-de hoogere literatuur, d.i. de Confucianistische filosofie,
-onderwijzen.
-
-Ik heb deze teksten hier neergeschreven, om een denkbeeld te geven,
-hoeveel er aan die aparte Chineesche karakters vastzit, en hoe moeilijk
-het is, er equivalenten voor te krijgen in Europeesch alphabetisch
-schrift.
-
-Ik wijs er nog even op dat het karakter Tao, de spiritueele Weg of het
-geestelijk Pad, bestaat, ideografisch, uit: bewegen, of rondgaan, en
-hoofd, hier dus in den zin: spiritueele hoofd, geestelijk
-hoofdprincipe, dat beweegt, of rondgaat in ’t Heelal. In de nog
-oudere filosofie, en in Lao Tsz’, beteekent ditzelfde Tao niet het
-spiritueele Pad, maar de suprême Geest zelf, die zich in ’t Heelal
-openbaart en daarin zijn Weg gaat en dat is de oorspronkelijke
-beteekenis van Tao.
-
-Het zou te lang duren en ook voor een publiek van niet sinologen wat te
-moeilijk worden, als ik nu ook alle andere teksten in ’t Chineesch
-zou neerschrijven, dus de volgende geef ik daarom in mijne vertaling:
-
-„Welnu, Tao mag geen oogenblikje verlaten worden. Kon het verlaten
-worden, dan zou het Tao niet zijn. Daarom is de Superieure Mensch
-waakzaam over wat hij niet ziet, en in vreeze over wat hij niet hoort.
-Wat men niet ziet is verborgen, wat niet zichtbaar geopenbaard is, is
-subtiel. Daarom is de Superieure Mensch waakzaam over zijn
-eenzaamheid.”
-
-Dus niet op de zichtbare en hoorbare dingen, door de zinnen
-waarneembaar, moet de Superieure Mensch enkel letten, maar over de
-verborgen, subtiele, geestelijke dingen, diep in zich zelf, behoort hij
-te waken en er voor in reverente vreeze te zijn. Daarom is hij waakzaam
-over zijn eenzaamheid. (Een karakter „toe”, door den filosoof Choe
-Hie omschreven met: „de plaats die andere menschen niet weten, maar
-die wij alleen weten”). In die plaats juist, in onze diepste
-binnenste, kunnen wij van den geestelijken Weg, van Tao, afwijken. En
-Tao mag geen oogenblikje verlaten worden, anders zou het niet Tao, het
-volgen van den leider Sing, ’t Hemelsche principe zijn.
-
-Nu komen weer twee belangrijke teksten:
-
-„Als vreugde, toon, smart, of geluk nog niet bewegen, heet dat Choeng
-(Midden, Centrum); als zij wèl bewegen, maar in den juisten maat, heet
-dat Ho (Harmonie). Dit Choeng (Centrum) nu, is de groote oorsprong van
-het geopenbaarde, deze Ho (Harmonie) is de manifestatie van Tao (den
-Spiritueelen Weg).
-
-„Als men het uiterste Choeng en de uiterste Harmonie bereikt heeft,
-zijn Hemel en Aarde gevestigd en al het geopenbaarde ligt gevoed en
-gekoesterd”.
-
-De geestelijke portée van de laatste teksten is niet altijd volledig
-door Europeesche vertalers begrepen.
-
-Confucius’ filosofie is hier verwant aan de oude Indische, n.l. de
-Brahmaansche en Hindoesche filosofie. Het Choeng, Midden, Centrum, is
-verwant aan wat in die oude wijsbegeerten bedoeld wordt met het
-goddelijke, onpersoonlijk Zelf, dat Zelf, dat, als ongeopenbaard in
-’t Heelal, volkomen rustig, stil onbewegelijk is. Als de mensch die
-goddelijke rust in zich zelf, in zijn goddelijke Zelf, heeft bereikt,
-bewegen geenerlei aandoeningen van vreugde of toorn, smart of geluk. Is
-men in dit Choeng, Midden, geconcentreerd dan voelt, zegt een
-Chineesche commentator er bij, men zijn Sing één met de Sing van alle
-menschen en dingen, van al ’t door ’t Opperwezen geopenbaarde, en
-voelt men hoe Hemel en Aarde en al dat geopenbaarde gevestigd zijn in
-’t goddelijke en dus gevoed en gekoesterd liggen in dat goddelijke,
-Choe Hie zegt in een commentaar: „Is mijn hart recht, dan is dat van
-Hemel en Aarde óók recht”.
-
-Als de aandoeningen vreugde, toorn, smart of geluk wèl bewegen, maar
-in de juiste middenmaat, dan is er Harmonie in den Mensch, een bewijs,
-dat Tao, ’t Geestelijke Pad, gevolgd wordt, dat zich manifesteert in
-Harmonie. Choeng slaat dus meer op ’t hóógste als ongeopenbaard, Ho
-op het geopenbaarde, want Tao is de Weg van ’t geopenbaarde.
-
-Choeng is dus het einde van dat Pad, het einde van Tao, dat, waartoe
-Tao leidt, en waarna alle menschelijke aandoeningen, vreugde, toorn,
-geluk, smart, zwijgen en ophouden, als de groote Rust is
-binnengetreden. Harmonie, Ho, in die aandoeningen is ’t bewijs, dat
-men in Tao, het Pad gaat, dat daartoe leidt.
-
-Het zou voor een sinoloog een loonend werk zijn, eens eene studie te
-schrijven over de, totnutoe nog veel te weinig opgemerkte overeenkomst
-van deze Confucianistische bespiegelingen, met oude Indische
-wijsbegeerte, ook het Boeddhisme.
-
-De concentratie in het van den Hemel gegeven zelf, het vrij worden van
-aandoeningen en hartstochten, den geest geconcentreerd in het
-Hemelsche; het inwendige, spiritueele leven, vrij van de uitwendige
-verschijnselen, dit alles zou voor een Brahmaan en een Boeddhist
-volkomen begrijpelijk zijn.
-
-De titel van het werk waarvan ik zooeven den eersten tekst opschreef,
-is Choeng Yoeng.
-
-Onder Choeng (het schriftteeken is: Midden) is te verstaan het zonder
-overneiging naar een of andere zijde zijn, dus: stabiel, in rust,
-eeuwig zijn; onder Yoeng het nooit veranderen, altijd hetzelfde
-blijven. Choeng is het doel van de rechte Tao, het rechte spiritueele
-Pad, dat altijd stabiel ’t zelfde is, en niet neigt naar een of
-andere zijde, Yoeng is het vaste principe van al ’t Geopenbaarde, de
-onveranderlijke kern van al de veranderlijke dingen.
-
-De voorreden van de Choeng Yoeng zegt van het eerste hoofdstuk, dat ik
-zooeven behandelde: „Het spreekt eerst van het ééne principe (de
-Sing n.l.) dan spreidt het dit uit, en het omvat alle dingen, ten
-laatste keert het terug en vereenigt ze weer onder het eene principe.
-Ontrol het, en het vult het Heelal, rolt het (weer) op en het verbergt
-zich in mysterie”.
-
-M.a.w. het Hemelsche principe doordringt het Heelal, en is in alle
-dingen gemanifesteerd, de Eenheid is in de Veelheid, maar alle Veelheid
-kan teruggebracht worden tot Eenheid. En die Eenheid, het goddelijke,
-ligt voor ons verborgen in mysterie.
-
-In de Loen Yü, eene verzameling gezegden van en over Confucius, door
-zijne discipelen opgeteekend, komt het volgende gezegde van den Meester
-voor: „Mijn leer is een Eenheid die alles samenhoudt”. Met deze
-Eenheid bedoelde hij het universeele van het goddelijke principe, dat
-het Heelal, en dus ook de menschen, doordringt, de Sing, door den Hemel
-of het Opperwezen in Zijne Wijsheid, zijn Wil gegeven, toen Hij zich
-openbaarde, en waarvan het volgen heet Tao, het spiritueele Pad, dat
-alzoo is als het bewegen van de zich openbarende Godheid in het Heelal,
-dat Hij openbaarde.
-
-Met betrekking op de menschen vindt dit Eenheids-Idee óók haar
-uiting, in een ander karakter uit de Confucianistische filosofie, n.l.
-„Shoe”, ideografisch samengesteld uit „evenals”, „gelijk
-aan” en „hart”, dus: „gelijk aan mijn hart”.
-
-In de Loen Yü lezen wij: Tsz’Koeng (een van Confucius’ discipelen)
-vroeg eens: „Is er één woord, dat als een regel van gedrag voor
-’t geheele leven kan gelden?” De Meester zeide: „Is niet Shoe
-zulk een woord? Wat gij niet wilt van anderen gedaan zijn, doe dat ook
-aan anderen niet”.
-
-Deze tekst, bijna eender door Jezus Christus later geuit, is
-karakteristiek voor Confucius’ filosofie. Dit karakter „shoe” is
-moeilijk te vertalen, ideografisch leest de Chinees er al in: gelijk
-mijn hart is het hart der menschen. Prof. Legge vertaalde het door
-„reciprocity”.
-
-We zouden het ook, in Hollandsche termen gelijkheid of broederschap
-kunnen noemen. Het groote principe van Confucius nu is: de eigen Sing
-rein houden en volmaakt doen blijven, maar ook: de Sing van anderen,
-van onze broeders, rein houden en volmaken, en dit laatste geschiedt
-door Kiao, dat èn onderricht en godsdienstleer beteekent. De Hemel, of
-Shang Ti, gaf ons bij onze geboorte de Sing, en is dus onze Vader. Onze
-medemenschen, die immers dezelfde Sing hebben als wij, zijn onze
-broeders. Dr. Chen Huan Chang noemt dat in westersche termen: De leer
-van ’t vaderschap van God en de broederschap der menschen.
-
-Als de zoon van Shang Ti, later beschouwd van Th’ien, Hemel, werd in
-latere eeuwen erkend de Keizer, wien dan ook de eerenaam Th’ien
-Tsz’, d.i. Zoon van den Hemel, werd gegeven. Met betrekking tot het
-menschelijk leven op de aarde—dus niet in hóógeren metaphysischen
-zin hier—werd een ander Drietal als heilig, van hooger hand
-vastgesteld, aangenomen, n.l. Th’ien-Ti-Jên, Hemel-Aarde-Mensch. De
-hooge wetten, die den Hemel, Th’ien regeeren, zijn dezelfde als die,
-welke de aarde, en ook de menschheid regeeren. Al die wetten, die de
-menschheid regeeren, en die met bepaald ceremonieel worden
-samengehouden en uitgevoerd, openbaren zich in wat in de Chineesche
-taal „Li” heet, een onvertaalbaar begrip, waar decorum nog het
-dichtste bij komt, mits begrepen als: door hoogere machten en wetten
-vastgesteld, die ook den Hemel regeeren. De vaste wetten, die het
-geheele planeet-stelsel zijn baan aangeven, zijn dezelfde als die de
-z.g. betrekkingen der menschen regelen. Men houde dit goed in ’t oog,
-want de geheele inrichting van den Chineeschen staat en van de
-Chineesche familie (die de staat in ’t klein is), werd beschouwd als
-een goddelijke instelling.
-
-Wat nu de Orde der dingen aangaat in de menschheid, het voornaamste
-hiervan was volgens Confucius het onderhouden der z.g. Woe Loen, d.i.
-Vijf Betrekkingen, n.l. die tusschen Vorst en Onderdaan, Vader en Zoon,
-Man en Vrouw, Ouderen Broeder en Jongeren Broeder, en Vriend en Vriend.
-Deze betrekkingen worden beschouwd als te zijn ingesteld door
-goddelijke wet, en eigenlijk als eene voortzetting in de menschheid der
-kosmische wetten.
-
-Een van de allereerste deugden van den Mensch is de Hiao, uitgedrukt,
-zeer treffend, door een ideografische combinatie van ’t karakter oud
-en ’t karakter kind, waarin ’t kind, onderaan geplaatst, het oude
-steunt.
-
-Dit Hiao wordt meestal door Filial Pity, Ouderliefde, vertaald, maar
-heeft een veel wijdere strekking dan algemeen geacht wordt. Hiao is
-n.l. niet alleen ouderlijke liefde, maar in ’t algemeen een geheele
-wijsbegeerte, gebaseerd op de regelende harmonieën der Natuur, op de
-wederzijdsche verplichtingen tusschen die bovenaan staan in de wereld
-en die onderaan staan, en op de kracht van het voorbeeld. De Hiao is,
-in ’t maatschappelijke leven der Chineezen, wat de orde der hemelsche
-bewegingen en de onuitputtelijke vruchtbaarheid van de aarde is ten
-opzichte van het zichtbare heelal.
-
-In de Hiao King, door een van Confucius’ discipelen gecompileerd,
-maar van onbekende afkomst, is alles over deze deugd te vinden. Hier
-volgen eenige teksten er uit, waaruit men ziet, dat het méér is dan
-enkel liefde voor de ouders.
-
-„Van de Hiao is het eerste principe om, in zuiverheid en kracht, het
-lichaam te behouden, dat wij van onze ouders hebben gekregen. Zijn
-volmaaktheid ligt in de beoefening van de deugd en in ’t verwerven
-van een naam, die hun herinnering eer aandoet.”
-
-„Zijn voorbeeld is de regelmatigheid der hemelsche lichamen in ’t
-verschaffen wat noodig is voor de aarde, en in ’t regelen van de
-daden der menschen.”
-
-„De koningen, van oudsher af, in ’t betrachten van Hiao, zouden
-niet een oude van dagen of een weduwe durven verachten, noch iemand,
-beroemd om zijn deugd en wijsheid.”
-
-„Eén deugdzame koning trekt een heel volk met zich mede. Laat de
-vrees om de herinnering aan Uw ouders te kwetsen de eerste gedachte
-zijn van Uw droomen, en laat de slaap ze niet verdrijven”.
-
-Hiao is dus méér dan ouderliefde, het is ook eerbied voor den koning,
-eerbied voor deugd en wijsheid, voor ouden van dagen, ja, we kunnen
-gerust zeggen, voor al wat schoon en edel is, en zelfs de koning en de
-keizer hebben alleen dan Hiao, als zij rechtvaardig en wijs regeeren.
-
-De eerste aller deugden zegt Confucius, ’t zij in een zoon of in een
-onderdaan, is Hiao. Het is dit wat de mensch van ’t redelooze dier
-onderscheidt, het is dit, hetgeen de erkentenis is van de ware relatie
-tusschen kind en vader, tusschen vader en Hemel, en door de beoefening
-van Hiao is het, dat de harmonie van ’t Heelal wordt bewaard.
-
-Dat Hiao nog véél verder gaat dan alléén liefde en gehoorzaamheid
-aan de ouders kan blijken uit een tekst uit de Li Ki, die luidt:
-„Iedere boom heeft zijn bepaalden tijd om te vergaan en ieder beest
-om te sterven, en hij, die een boom omhakt vóór zijn tijd, of een
-beest doodt vóór diens tijd is schuldig aan een gebrek aan Hiao”.
-
-Zeer treffend is het feit, dat onder de vijf Betrekkingen ook
-Vriendschap is opgenomen.
-
-De liefde tusschen broeders is even heilig als de liefde tusschen
-vrienden. Vriendschap is in China een even heilige zaak als nauwe
-bloedverwantschap. Van den keizer af moeten allen vrienden hebben, zegt
-Confucius.
-
-Vriendschap is de eerste van alle sociale relaties en mag niet voor
-één dag verwaarloosd worden. Niemand mag een vriend hebben, die niet
-minstens zijn gelijke is. Vrienden zijn weelde voor de armen, kracht
-voor de zwakken, medicijn voor de zieken. Zij moeten altijd de slechte
-dingen van hun vriend vergeven en om hun deugden blijven denken. De
-schoonste vriendschap is die, welke door den band der literatuur is
-gemaakt. Confucius zeide: Sluit vriendschap met de deugdzaamsten onder
-de literatoren. De hoofdplicht tusschen vrienden is: sin, een
-ideografisch karakter, samengesteld uit „mensch” en „woorden”
-of „spreken”.
-
-„Sin” beteekent dan ook waarheid, oprechtheid, geloof. Geraaktheid,
-twijfel, wantrouwen tusschen vrienden is een gebrek aan sin.
-
-Confucius onderscheidt nu drie soorten van menschen. De eerste, maar
-héél zeldzame, zijn de Shêng Jên, de Heilige Menschen, Wijzen, en
-dat zijn de uitverkorenen, die vanzelf de hoogste Wijsheid zonder
-inspanning bezitten, en die daarom van zelf Tao, het spiritueele Pad
-begaan, zonder dat daartoe ontwikkeling door Kiao, onderricht, leering,
-noodig is. Hun Sing, hun goddelijke principe, wordt nooit, door wàt
-ook van menschelijken aard, verduisterd, en verkeert van zelf in den
-staat van volkomen volmaking, die Confucius uitdrukt met het
-schriftteeken: Ch’ing, een karakter, bestaande uit „woord”, en,
-„volmaakt”.
-
-Ch’ing is de volmaakt reine, door niets verduisterde,
-oorspronkelijke, en dus goddelijke staat van de Sing. Zij, die in den
-staat Ch’ing zijn, hebben het al-Weten en doorgronden de goddelijke
-dingen.
-
-Zij zijn in zekeren zin één met Th’ien, den Hemel, of, abstracter
-gesproken, met Shang Ti, het Opperwezen.
-
-Confucius zelf is door het nageslacht als zulk een Shêng Jên
-beschouwd.
-
-De tweede soort is wat Confucius noemt de Kiün Tsz’, de Vorstelijke,
-Koninklijke Mensch, we zouden ook kunnen zeggen: De Superieure Mensch.
-Dr. van Deventer heeft er mij eens op gewezen dat deze Kiün Tsz’,
-zooals hij er in mijn vertaling van Confucius over las, veel heeft van
-wat in de Grieksche Platonische filosofie heet kalokágathos. Er is
-misschien ook iets in, maar dan zonder het conventioneele dat er aan is
-gaan kleven, en meer in ’t hoogere, ideale, van ’t Engelsche
-„gentleman”.
-
-De derde soort is de Siao Jên, de Kleine Mensch. De meeste sinologen,
-en ik vroeger ook, hebben dit opgevat in den zin van de verachtelijke
-mensch, maar volgens de moderne Confucianisten beteekent het meer de
-mindere, nog niet ontwikkelde mensch, de armere mensch die, omdat hij
-nog uitsluitend om zijn voedsel moet denken en tobben, het hoogere
-ethische leven nog niet kent. Het zou dan veel hebben, van wat in
-Europa met eene klasse-aanduiding de proletariër heet.
-
-Het wonderschoone in Confucius’ leer is dat hij het bereiken der
-hoogste Deugd binnen ieders vermogen stelt en verzekert, dat
-„Ch’ing”, den staat van volmaakte helderheid der Sing, dien de
-Wijze Heilige, de „Shêng Jên” reeds bij de geboorte bezit, ook
-door andere, gewone menschen door onderricht („Kiao”) en oefening
-kan verkregen worden. Dit wordt duidelijk gezegd in den tekst uit de
-„Choeng Yoeng”:
-
-„Sommige worden met de kennis (der plichten en deugden) geboren;
-sommigen leeren haar later; sommigen kennen haar (eerst) na een
-smartelijk besef van hun onwetendheid. Maar als ze haar eenmaal weten
-is het ’t zelfde.”
-
-Men behoeft alzoo niet als heilige geboren te worden om den volmaakten
-staat „Ch’ing” te bereiken. Ieder kan dit „Ch’ing”
-verkrijgen, hetzij door studie, hetzij door de loutering en verheffing
-van de smart.
-
-Ik zal nu eerst eens nader de menschelijke betrekkingen der „Woe
-Loen” toelichten.
-
-Men houde vooral in het oog, dat de „vijf betrekkingen” als een
-orde van dingen in de menschheid beschouwd worden, die eene
-voortvloeiing zijn van de groote Orde der Dingen van het heelal. Zij
-zijn dus niet enkel een maatschappelijke, maar eigenlijk een heilige,
-kosmische orde. De ritueele of formeele orde, die het gedrag der
-menschen in die betrekkingen regelt is wat in China „Li” heet. In
-een der heilige boeken, de „Li Ki” is al het daaraan verbonden
-ceremonieel omschreven. De „Li” is echter niet enkel ceremonieel en
-ritueel van menschen onderling, maar ook van menschen tegenover de
-hoogere, goddelijke machten. Voor zoover de formaliteiten onder
-menschen aangaat is dit ceremonieel door oningewijde Westerlingen
-veelal voor overdreven conventie, en zelfs affectatie aangezien. Deze
-„Li” is echter niet—als de Westersche begrippen decorum,
-beleefdheid, fatsoen enz.—afgescheiden van ethica en geloof in China,
-maar is er identiek mede. De ceremoniën van de „Li” zijn „een
-symbool van den mensch in zijn veelvuldige verwantschappen”, en wel
-niet enkel menschelijke, maar ook kosmische en goddelijke
-verwantschappen. Uit het hoofdstuk in dit werk over de „Yih King”
-zal men gewaar worden, dat kosmisch en goddelijk in ’t Chineesch zeer
-na verwante, zoo niet identieke begrippen zijn, daar de gansche kosmos
-goddelijke openbaring is.
-
-De Chineesche familie is, zooals ik reeds zeide, niet enkel een
-maatschappelijke, maar een kosmische orde. Eerbied voor de familie is
-eerbied voor de kosmische orde, voor de goddelijke orde. De Chineesche
-familie is de georganiseerde uitdrukking van den staat. Vandaar dat de
-absolute keizerlijke macht over het rijk afgespiegeld is in de absolute
-„patria potestas” in de familie. Het godsdienstige ideaal is in de
-inrichting der familie zichtbaar gemaakt in patriarchale vormen. De
-familie is èn een religieuze, èn een kosmische, èn een sociale
-instelling. Het begrip „familie” weerspiegelt ook het hoogere
-„creatie”, onafgebroken vorming en voortbrenging van leven. Samuel
-Johnson heeft terecht den innigen samenhang tusschen de leden eener
-Chineesche familie verklaard uit hetgeen hij noemt „the religion of
-the seed”. Deze is zóó veelomvattend dat hij verwantschap berekent
-in negen geslachten, en dat de oudere broeder den zoon van zijn
-jongeren broeder als zijn eigen zoon beschouwt, en volle neven worden
-gerekend broeder te zijn.
-
-Zóó als de keizer verantwoordelijk is voor het welzijn van zijn volk,
-is de familievader verantwoordelijk voor dat zijner familie. Hij heeft
-een onbeperkte „patria potestas” maar hij is dan ook de waker, de
-hoeder over alles en allen in de familie, hij moet voor haar zorgen en
-werken, en zelfs is hij aansprakelijk voor het gedrag der familieleden.
-Volgens de „Shêng Yü”, het Heilige Edict, uitgevaardigd door
-keizer Kh’ang Hsi, is hij zelfs strafbaar voor de vergrijpen en
-misdaden der kinderen. Dit Heilige Edict vergelijkt de familie met een
-stroom, die vele takken en zijarmen heeft, waarin, hoe vèr ook van den
-oorsprong, hetzelfde water is.
-
-De noodzakelijkheid, het leven altijd door te verlengen, als een
-heilige plicht, geeft aan het huwelijk als eerste doel het verwekken
-van kinderen. Te sterven zonder zonen na te laten is een bewijs van
-oneerbiedigheid tegenover de ouders en voorouders, een gebrek aan
-„Hiao”, en daarom is voor een man zonder zonen adoptie—mits van
-een agnatischen verwant—plicht en is, zelfs nà zijn dood, voor de
-familie-oudsten posthume adoptie voorgeschreven. Door dit verlangen
-naar zonen heeft het patriarchale concubinaat, gegrond op voortzetting
-van het heilige leven, in China niet een enkel zinnelijk motief, maar
-is het oorspronkelijk godsdienstig. De patriarch is het moreele en
-sociale hoofd van de familie, wiens priester hij in zekeren zin is.
-Naar beneden vloeit de patriarchale idee zóó uit, dat de oudere
-broeder macht heeft over den jongere, en tevens den plicht, hem te
-steunen en te leeren. Als twee broeders twisten, zegt het Heilige
-Edict, is dit alsof de linkerhand de rechter slaat.
-
-De „patria potestas” is een absolute macht, evenals de keizerlijke
-autoriteit, maar steeds getemperd en begrensd door recht, door de
-plicht ook om te onderwijzen en liefderijk te helpen en te steunen.
-
-In zekeren zin is Ouderdom óók een patriarch in China.
-
-De „Li Ki” zegt, dat eerbied voor den Ouderdom even oud is als het
-menschelijk geweten.
-
-De geheele Chineesche godsdienst is wel eens genoemd eene ontwikkeling
-uit de „Hiao”, die de liefde en de eerbied tot de ouders niet
-alleen is, maar de ondergeschiktheid, in reverentie, van ’t lagere in
-de orde der dingen tot het hoogere in die orde. In elken Chineeschen
-vorm van godsdienst is de basis patriarchaal.
-
-De patriarch in de Chineesche familie heeft ook niet zijn autoriteit
-als alleenstaand persoonlijk individu, maar als een schakel in de
-kosmische orde der dingen, als constitueerend deel der geheele Familie,
-de doode voorvaderen medegerekend, en deze familie weer mede
-constitueerend den staat, met aan ’t hoofd de keizer, die weer boven
-zich heeft zijn vader Shang Ti (of, meer concreet: Th’ien, den
-Hemel).
-
-Wij moeten dus den voor ons, Westerlingen, overdreven lijkenden
-samenhang der Chineesche familie, en den eerbied der Chineezen voor hun
-familiebetrekkingen—een eerbied, zóó groot, dat een volwassen,
-veertigjarig man niets van belang doen zal vóór zijn ouden vader
-eerst om raad, en vergunning te vragen—niet beschouwen als een
-maatschappelijke conventie, maar als eerbied voor de kosmische en
-goddelijke Orde der dingen. Het Pad, Tao, kan niet begaan worden zonder
-eerbied voor en in standhouding van de familiebetrekkingen. Een tekst
-uit de „Choeng Yoeng” zegt dan ook: „De Tao van den Kiün Tsz’
-begint met (den gewonen omgang van) mannen en vrouwen. Maar aan het
-opperste er van gekomen strekt Tao zich uit over Hemel en Aarde”.
-
-Zooals ik reeds gezegd heb, werd de Sing door Confucius beschouwd als
-de bron van alle menschelijke deugden. Was deze Sing dus in den
-toestand van Ch’ing, Volmaaktheid, dan waren alle deugden in den
-mensch ook volmaakt. De mensch wordt, volgens Confucius, dus niet
-geboren met zonde, maar met Deugd. Er is geen Duivel en geen Hel, die
-hem wachten, omdat hij (waar hij toch moeilijk iets aan doen kon) met
-erfzonde geboren werd, maar door zijn Deugd, indien hij zich slechts
-aan de Sing hield, en deze in Ch’ing, den volmaakten staat bleef, kan
-hij worden als zijn Vader, den Hemel, Shang Ti. Niet met een soort
-boeman, die Satan heette, noch met een brandend vuurtje, de Hel, moeten
-de menschen bang gehouden worden, om hun des te beter te kunnen
-regeeren, maar door de kracht van zijn eigen Wijsheid, die de Deugd
-insluit, moet de regeerder het volk regeeren. Regeert hij niet met de
-Deugd en de Wijsheid, dan wordt het Ming, het mandaat van den Hemel hem
-ontnomen.
-
-575 jaar voor Confucius werd de tiran keizer Chow door den
-revolutionnair Wen Wang, die later een zeer goed, wijs koning werd,
-onthoofd, omdat hij zijn macht in wreedheid misbruikte, en deze Wen
-Wang wordt in de Shoe King als een van China’s deugdzaamste groote
-mannen verheerlijkt en door Confucius telkens als moreel voorbeeld
-gesteld.
-
-De „Sing” is het uitgangspunt van het geheele leven, zoowel in de
-familie als in den staat. En hier komen wij nu tot het schoone
-beginsel, waarin de Geest van China zich op zijn heerlijkst openbaart,
-en dat het geheele Westen, dat zijn staatkundige inrichting op het
-oogenblik in haar grondvesten geschokt ziet, hoog noodig van het Oosten
-behoort over te nemen, namelijk dit: dat regeeren berust op het
-zelf-karakter, dus op de cultivatie van de Sing, van den regeerder of
-de regeerders. Niet op enkel kunde, intellect, knapheid van de
-regeerders behoort de staat te berusten, maar op hun karakter.
-
-Ik haal, om dit te illustreeren, eenige teksten van Confucius hieronder
-aan:
-
-
-
-„Daarom mag (de Vorst die een Kiün Tsz’ is) niet verzuimen zijn
-eigen karakter te verzorgen. Wil hij zijn eigen karakter verzorgen, dan
-mag hij niet verzuimen, zijn ouders te dienen. Wil hij zijn ouders
-dienen, dan mag hij niet verzuimen de menschen te kennen. Wil hij de
-menschen kennen, dan mag hij niet verzuimen, den Hemel te kennen”.
-[12]
-
-
-
-„De instellingen en wetten van den (Vorst die een) Kiün Tsz’ (is)
-hebben hun oorsprong in zijn eigen karakter, en de bevestiging er van
-gebeurt door de groote massa van het volk”. [13]
-
-
-
-„Alleen hij, die de opperste Wijsheid heeft onder den Hemel kan
-voldoende vlug van bevatting, helder van doorzicht, van vèr-reikende
-intelligentie, àlomvattend van kennis zijn om de regeering uit te
-oefenen”. [14]
-
-
-
-„Alleen hij, die de opperste „Ching” heeft onder den Hemel, kan
-de hoogste, natuurlijke betrekkingen der menschen onder den Hemel
-regelen, kan de groote, oorspronkelijke deugden van den Hemel
-grondvesten, kan de transformeerende en voedende acties van den Hemel
-weten. Hoe zou hij iets buiten zichzelf kunnen hebben om op te
-steunen?” [15]
-
-
-
-„De Ouden, die de schitterende Deugd door het geheele keizerrijk
-wilden heldermaken, regeerden eerst hun rijk goed. Wilden zij hun rijk
-regeeren, dan regelden zij eerst hun families. Wilden zij hun families
-regelen, dan verzorgden zij eerst hun Zelf. Wilden zij hun Zelf
-verzorgen dan maakten zij eerst hun wil en gedachten oprecht, wilden
-zij hun wil en gedachten oprecht maken, dan voerden zij hun kennis tot
-het allerhoogste op. De kennis tot het allerhoogste opvoeren bestaat in
-het doorgronden van de dingen”. [16]
-
-
-
-„Van den Keizer af tot de massa van het volk toe moeten allen het
-verzorgen van het Zelf als de Oorsprong beschouwen.” [17] „Wordt de
-Oorsprong verward dan kan niets wat daaruit voortkomt tot goede orde
-worden gebracht”. [18]
-
-
-
-„Wat bedoeld wordt met „Om het rijk te regeeren moet men eerst
-zijne familie regelen” beteekent: als men zijne familie niet kan
-leeren, kan men andere menschen niet leeren. Daarom behoeft de Kiün
-Tsz’ niet buiten zijne familie te gaan om zijn leer voor den staat te
-volmaken. De Hiao, daarmede moet men zijn vorst dienen. De Ti (liefde
-voor ouderen broeder) daarmede moet men zijn superieuren dienen. De
-Ts’z’ (mededoogen) daarmede moet men de menigte behandelen”. [19]
-
-
-
-„Daarom moet (de Vorst die een Kiün Tsz’ is) alles (eerst) zelf
-hebben en daarna van het volk verlangen, dat het zelf (ook) heeft, en
-moet alles (eerst) zelf niet hebben en daarna van het volk verlangen,
-dat het dit zelf (ook) niet heeft. Een mensch, die zichzelf wegcijfert
-en (alles) niet wederkeerig op zichzelf doet slaan, en (toch) het volk
-vermocht te leeren, heeft nog niet bestaan”. [20]
-
-
-
-„Daarom zal de Vorst allereerst zorg dragen voor (eigen) deugd. Als
-hij de deugd heeft, heeft hij ook de menschen. Als hij de menschen
-heeft, heeft hij het grondgebied. Als hij het grondgebied heeft, heeft
-hij bezittingen. Heeft hij bezittingen dan heeft hij middelen voor zijn
-uitgaven.” [21]
-
-
-
-„De deugd is de Oorsprong. De bezittingen zijn het einde.” [22]
-
-
-
-„De Vorst die den Oorsprong bijzaak maakt, en het einde hoofdzaak,
-zal met het volk in strijd komen, en maken dat er roof gebeurt”. [23]
-
-
-
-„Daarom heeft de (Vorst die een) Kiün Tsz’ (is) een groote Tao
-(Weg) te volgen. Met zelfvolmaking en waarachtigheid verkrijgt hij het.
-Met hoogmoed en buitensporigheid verliest hij het.” [24]
-
-
-
-Bovenstaande teksten illustreeren genoegzaam de bedoeling, dat het de
-Wijsheid is, die alleen recht en bevoegdheid geeft om te regeeren.
-
-Uit den schoonen, en zoo eenvoudigen tekst: „De Deugd is de
-oorsprong, de bezittingen zijn het einde” volgt de oplossing van het
-moeilijke raadsel, waardoor de wereld thans in zulk eene schromelijke
-verwarring is, namelijk het raadsel, hoe de groote economische strijd
-is op te lossen. Die oplossing zal namelijk eerst daar zijn, wanneer
-Economie en Ethica één zijn.
-
-Om een en ander goed uit te leggen is het echter noodig, eerst iets te
-vertellen van een toekomst-droom, door Confucius in een grandioze
-zieners-vizie gedroomd.
-
-
-
-
-
-
-
-DE TOEKOMST-DROOM VAN CONFUCIUS
-
-
-Wanneer wij de Confucianistische zedeleer en sociale verordeningen
-beschouwen, met hun oude tradities en hun vastgesteld decorum, dan zou
-het ons licht kunnen voorkomen, alsof wij hier te doen hebben met een
-leer van star conservatisme, die geen ontwikkeling zou kennen, en dus
-op den duur vooruitgang zou tegenhouden. Al die zorgvuldig
-voorgeschreven familieverhoudingen, waarin een heilige Orde werd
-gezien, als een onderdeel van de groote kosmische Orde, dat angstvallig
-vasthouden aan familiebanden en verplichtingen, de bijna kinderachtige
-angst, het decorum te schenden, en te kort te komen aan
-maatschappelijke verhoudingen, dat alles zou in staat zijn, de figuur
-van Confucius, ondanks zijn groote wijsheid, voor ons kleiner te maken.
-
-Confucius, als alle groote wereld-Wijzen, wist echter zeer goed, dat de
-gansche kosmos in een voortdurend proces van evolutie is, en dat dus
-ook de menschheid, in die kosmische orde begrepen, niet altijd dezelfde
-zal blijven, maar verschillende stadia van evolutie zal doorloopen. De
-zedewetten, de sociale orde-bepalingen, de verschillende menschelijke
-verhoudingen en relaties, die hij met zooveel zorg en nadruk als noodig
-voorschreef en leeraarde, waren berekend op het stadium van
-ontwikkeling waarin toen het volk verkeerde.
-
-Dat Confucius echter geen star conservatief was, maar wel degelijk, in
-een schoonen zieners-droom door den mist der tijden heen, helder in
-komende eeuwen zag, wordt duidelijk bewezen door een gedeelte uit zijn
-geschiedkundig-filosofisch werk „Ts’oen Ts’oe”, waarin hij
-aangeeft de „Drie Stadia van Ontwikkeling der Menschheid”. Wij
-kunnen hieruit zien, dat de droom van den Wereldvrede reeds honderden
-jaren vóór Christus door den grooten Chineeschen Wijze gedroomd is.
-
-Ik laat hieronder volgen, gedeeltelijk aan de hand van Chen Huan Chang:
-
-
-De Drie Stadia van Confucius.
-
-In het eerste, het Wanordelijke Stadium, is de primitieve beschaving
-juist uit den chaos ontstaan, en de sociale geest is nog zeer ruw. Er
-is een scherpe afscheiding tusschen het eigen land en alle andere
-landen. Daarom wordt meer gelet op de toestanden in eigen land, dan in
-den vreemde, en behalve machtige rijken, die worden gevreesd, worden
-kleine landjes verwaarloosd en over ’t hoofd gezien.
-
-In het tweede, het z.g.: Vooruitgaande Vrede-Stadium, is er enkel
-onderscheid tusschen beschaafde landen en de onbeschaafde, de
-barbarenvolken. De grens der beschaving is breeder en de vriendschap
-der naties is nauwer. Door gelijke rechten kunnen kleine landen bij
-groote hun vertegenwoordiger hebben.
-
-Maar in ’t derde, ’t Stadium van den Uitersten Vrede, genaamd Ta
-T’oeng, de Groote Gelijkheid, is er in ’t geheel geen
-onderscheiding meer. De barbaren zijn beschaafde volken geworden, en
-hebben gelijke rechten met andere volken.
-
-Al zijn de naties ver vanelkaar, of dichtbij, klein of groot, de heele
-wereld is een Eenheid, en ’t karakter der menschheid is tot zijn
-hoogste ontwikkeling gekomen.
-
-Ik zal nu eens aanhalen met Confucius’ eigen woorden, uit zijn werk
-„Lente en Herfst” „Ts’oen Ts’ioe”, hoe hij zich dat 3e
-stadium Ta T’oeng voorstelt.
-
-„Als het groote principe van Ta T’oeng regeert, wordt de geheele
-wereld één Republiek. Men kiest menschen van talent, deugd en kunde,
-deze spreken over ernstige overeenkomst en samenwerking, en bevorderen
-algemeenen wereld-vrede. De menschen beschouwen hun ouders niet enkel
-meer als hun eigen ouders of hun kinderen als hun eigen kinderen. Er
-wordt een practische voorziening getroffen voor ouden van dagen tot aan
-hun dood, werkverschaffing voor den middelbaren leeftijd en opvoeding
-voor de jeugd. De weduwnaars, weduwen en weezen en kinderlooze oude
-menschen, en zij, die door ziekte niet meer in staat zijn te werken,
-worden allen behoorlijk onderhouden. Iedere man heeft zijn rechten en
-de individualiteit van iedere vrouw is gewaarborgd. De menschen
-produceeren goederen en weelde, omdat zij niet willen, dat die
-verwaarloosd zullen worden, maar niet voor hun eigen pleizier alleen.
-Ledigheid hatende, werken zij, maar niet met het oog op eigen voordeel.
-Op die manier worden zelfzuchtige plannen onderdrukt of kunnen zij niet
-opkomen. Roovers, inbrekers en moordenaars bestaan niet. Vandaar dat de
-huisdeuren open kunnen blijven en niet gesloten worden. Dat is wat ik
-het stadium van „Groote Gelijkheid” noem.
-
-„Nu dit groote principe nog niet ontwikkeld is, wordt in de wereld
-geërfd, door de familie. Ieder beschouwt zijn ouders enkel als zijn
-eigen ouders en behandelt zijn kinderen enkel als zijn eigen kinderen.
-De welvaart van ieder, en zijn werk, zijn enkel voor zijn eigenbelang.
-
-„Groote mannen verbeelden zich, dat het regel is, dat hun bezittingen
-overgaan op hun familie. Hun doel is om de muren van hun steden en
-voorsteden sterk te maken en hun grachten en slooten secuur.
-
-„Ritus en justitie worden beschouwd als de draden, door welke zij in
-haar correctheid de betrekking tusschen vorst en onderdaan zien te
-handhaven, in haar edelmoedige zorg die tusschen vader en zoon, in hare
-harmonie die tusschen ouderen broeder en jongeren, en in een
-gemeenschap van sentiment die tusschen man en vrouw, en in
-overeenstemming daarmede regelen zij het verbruik, en distribueeren
-land en huizen, onderscheiden mannen van militaire bekwaamheid en
-knapheid, en volvoeren hun arbeid met het oog op eigen voordeel. Zóó
-komt het, dat zelfzuchtige plannen en ondernemingen voortdurend
-oprijzen, en daar is altijd oorlog het gevolg van.”
-
-Tot zoover Confucius, voor zoover ik hem letterlijk aanhaal, ik zal er
-nu een en ander uitlichten. Ieder sinoloog weet, dat Confucius de 5
-z.g. „sociale betrekkingen” (die tusschen vorst en onderdaan, vader
-en kind, man en vrouw, ouderen broeder en jongeren broeder, vriend en
-vriend), hoofdzaak in de sociale en moreele orde vond. Hij beschouwde
-die echter van tijdelijken aard in de evolutie der Menschheid, en ze
-waren alleen in die evolutie noodig en van kracht voor ’t 2e Stadium
-waarin hij leefde, en waarin wij nu nog leven. In ’t 3e Stadium, de
-„Groote Gelijkheid”, is de gehééle wereld de eenige sociale
-organisatie, en het individu is de onafhankelijke eenheid; zoowel de
-sociale als de individueele karakters bereiken hun hoogste
-ontwikkeling. Er is geen nationale staat, zoodat er geen oorlog is,
-geen defensie-noodzakelijkheid, en er ook geen menschen van militaire
-kunde en talenten noodig zijn. Mannen van deugd, talent en bekwaamheid,
-worden door het volk gekozen, zoodat het volk zelf souverein is, en de
-betrekking tusschen vorst en onderdaan bestaat dus niet meer. Man en
-vrouw zijn niet langer gebonden door den band van ’t huwelijk, en de
-betrekkingen: vorst en onderdaan, man en vrouw, vader en zoon, oudere
-en jongere broeder bestaan niet meer.
-
-De eenige betrekking die bestaat is: vriendschap.
-
-Er is geen familie, dus er is ook geen erfenis, geen privaat eigendom,
-geen zelfzuchtig plan. Er bestaan ook geen klassen, zoodat de eenige
-classificatie, die men kan maken is die van ouderdom of sekse, maar of
-iemand oud, middelbaar leeftijd of jong is, man of vrouw, ieder kan
-voorzien in zijn behoeften. Het groote Principe van Ta T’oeng
-regeert, zoodat iedereen evengoed is als ieder ander, en de
-onderscheiding der z.g. moreele constanten: liefde, justitie, ritus,
-wetenschap en eerlijkheid niet meer noodig zijn. Iedereen heeft van
-zelf liefde voor alle anderen, dus artificieele ritus en justitie zijn
-overbodig.
-
-Men ziet: Confucius geloofde in een ontwikkeling, een evolutie der
-menschheid en heeft—zij het in een verre, verre toekomst—den
-Wereld-Vrede geprofeteerd, lang voor Carnegie en ’t Vredespaleis.
-
-Door de geheele leer van Confucius loopt trouwens de leer van den
-Vrede, en ook door de leer van een Wijze, die nà hem kwam, Mêng
-Tsz’ (Mencius). Mencius zeide eens, en ’t was of hij de politieke
-toestanden van vóór dezen oorlog besprak:
-
-„Zij, die zeggen, dat wij, om onzen souverein, allianties moeten
-sluiten met andere staten, opdat onze veldslagen dan succesvol zullen
-zijn, worden tegenwoordig goede ministers genoemd, maar vroeger werden
-zij genoemd: de pest van het volk.”
-
-Confucius veroordeelde niet alleen den oorlog, maar ook de
-voorbereidingen er voor. Hij noemde dat verspilling van weelde en
-welvaart en een zwaren last voor ’t volk. Ook economisch veroordeelde
-hij daarom den oorlog.
-
-Zijn ideaal was: oorlog afschaffen en de militaire maatschappij
-veranderen in een industrieele. Toen Confucius eens met zijn discipelen
-Tsz’ Loe, Tsz’ Koeng en Yen Yuän op een berg stond, vroeg hij hun
-eens hun individueele wenschen op te noemen.
-
-Tsz’ Loe zei, dat hij wenschte een leger te vormen, den vijand aan te
-vallen en duizenden mijlen grondgebied te veroveren.
-
-Tsz’ Koeng zei, dat hij een wit kleed wenschte aan te doen en een
-witte kap opzetten om de oorlogvoerenden tot rede te brengen en te
-verzoenen. Maar Yen Yuän zeide: „Mijn eenige wensch is, een vrijen
-koning of andere wijze regeering te hebben en daaronder minister te
-worden. Ik zou dan maken, dat de wallen der steden niet meer noodig
-waren, en ook geen grachten, want geen vijand, die er over wilde komen,
-en dat ik de zwaarden en lansen kon laten smelten om er
-landbouwwerktuigen van te maken. Ik zou voor duizend jaren een oorlog
-onmogelijk maken.”
-
-Confucius viel hem bij. Tsz’ Loe sprak als een militair, Tsz’ Koeng
-als een diplomaat, maar Yen Yuän en Confucius als de hoogste
-staatsman, met ’t hoogste ideaal, als de Wijze, die den Vrede wil.
-Het meest belangrijke is hier: ’t smelten van zwaarden en lansen om
-er landbouwwerktuigen van te maken. Soldaten zouden hierdoor tot
-vreedzame landbouwers worden. Plato’s ideaal-staat was nog altijd een
-kleine goed begrensde staat, tot den oorlog zoo noodig gereed.
-Confucius’ ideaal ging verder de toekomst in. Hij heeft voorgevoeld
-den Wereld-Vrede, in het derde stadium, de Groote Gelijkheid. Het
-eerste Vredespaleis, een geestelijk, is opgetrokken door de Oostersche
-gedachte van Confucius, en was vrij wat eerlijker en reëeler dan het
-stoffelijke luxe-paleis op den Scheveningschen Weg, met heel wat minder
-vertoon en koude drukte er omheen.
-
-De geheele Confucianistische filosofie is steeds gericht op: ten eerste
-zelf-volmaking, maar deze niet egoïstisch bedoeld doch steeds leidende
-tot het door eigen deugd volmaken van de medemenschen, de broeders.
-Alle menschelijke deugden beschouwt Confucius als te zijn vervat in
-één hoofddeugd, ideographisch uitgedrukt door een karakter
-„Jên”, samengesteld uit twee andere, waarvan het eene „mensch”
-en het andere „twee” beteekent. Alzoo: „twee menschen in één
-vereenigd.”
-
-Prof. Legge en vele andere sinologen vertalen het met
-„benevolence”, Dr. Chen Huan Chang noemt het „Love”, Liefde. De
-Confucianistische hoofddeugd is alzoo liefde voor den medemensch,
-Broederschap, en wel omdat (men denke hier aan het te voren behandelde
-karakter „shoe”) „mijn hart is evenals het hart van andere
-menschen”.
-
-Een andere Confucianistische deugd wordt genoemd „Yi”, ideografisch
-geschreven met een karakter, waarvan het eene deel beteekent „ik,
-ikzelf”, en het andere waarschijnlijk eene samentrekking is van
-„goed”. Alzoo beteekende: „ik zelf goed”. Alzoo „Jên”,
-Broederschap, slaat op de anderen, de medemenschen, en „Yi” is een
-aspect van het zelf. Wij hebben anderen lief, maar wij maken ons zelven
-rechtvaardig.
-
-Als men den toekomst-droom van Confucius goed in het oog blijft houden,
-dien droom, waarin de „Groote Gelijkheid” der menschen bereikt zal
-zijn, maar tevens niet vergeet, dat thans, in het z.g. „Tweede
-Stadium” waarin de menschheid nog verkeert, de groote verschillen
-bestaan tusschen den „Shêng Jên”, den „Kiün Tsz” en den
-„Siao Jên”, dan begrijpen wij, hoe Confucius, van het Zelf
-uitgaande het ethische leven boven het economische stelde, maar de
-maatschappij in dat nog onvolmaakte tweede stadium beschouwend, het
-economische nog moest stellen boven het ethische.
-
-Een treffende illustratie hiervan is te geven uit de „Loen Yü”, de
-Verspreide Gezegden van Confucius. Toen Confucius eens in zijn wagen
-uitreed, zeide hij tot zijn wagenmenner Yan Yu: „Hoe talrijk is het
-volk!”
-
-Toen zeide Yan Yu: „Als ze dan zoo talrijk zijn, wat moet er dan nog
-méér voor hun gedaan worden?”
-
-„Geef hun welvaart” was het antwoord—„En als zij welvaart
-hebben, wat dan nog meer?”—En Confucius zeide: „Onderwijs hen!”
-
-En hier sprak hij een universeel principe uit. Vóór het volk te
-onderwijzen moet men het voedsel en welvaart geven. In de „Shi
-King”, den Bijbel der Poezie, staat: „Geef hun eten en geef hun
-drinken (dus dit eerst. H. B.) Onderwijs hen en leer hen”.
-
-Er moet goed onderscheiden worden dat Confucius twee principes gaf,
-voor twee klassen menschen, superieure menschen en kleine menschen. De
-hóógste, Heilige of Wijze menschen hebben geen aparte principes
-noodig, daar deze de wijsheid reeds hebben. Voor de superieure menschen
-is het ethische leven hoofdzaak; voor de mindere menschen het
-economische. Confucius zeide ook nog (zie de „Loen Yü”) „De
-geest van den superieuren mensch is gericht op Rechtvaardigheid; de
-geest van den minderen mensch is gericht op voordeel”.
-
-Voor den minderen mensch, die nog niet onderwezen is, en die ’t
-allereerst nog voor zijn dagelijksch brood heeft te zorgen, is voordeel
-’t voornaamste.
-
-In Mencius lezen wij: „De man van volmaakte deugd is aldus: strikt
-volgende rechtvaardigheid, maar niet om het voordeel; grondig principes
-overwegende, maar niet met de verwachting van succes”.
-
-Confucius verbood aan vorsten en aan superieure menschen over
-„voordeel” te spreken, maar daarom zeide hij nog volstrekt niet dat
-het volk niet om voordeel mocht denken. De begrippen „Li”,
-voordeel, winst, en „Yi” rechtvaardigheid, van Confucius, zijn, ook
-door sommige Chineesche Confucianisten, vooral in de Soeng dynastie, te
-veel als tegenstellingen genomen.
-
-De moderne Confucianisten, aldus Chen Huan Chang, houden ze voor
-hetzelfde, maar in verschillende termen, voor verschillende klassen van
-menschen. Zij harmonieeren economie en ethica en identificeren
-Rechtvaardigheid met voordeel. Zij zeggen: het wàre Voordeel, dat
-tegen Rechtvaardigheid ingaat zal, op den langen duur, blijken géén
-Voordeel te zijn. Het onmiddellijk Voordeel te verkiezen boven Recht is
-zelfmoord-politiek.
-
-Dat Confucius de woorden Voordeel en Rechtvaardigheid toch nog als
-verschillend gebruikte, is omdat hij steeds drie stadia van evolutie
-der menschheid voor oogen had, en hij wist, nog maar in het tweede te
-leven.
-
-Als hij steeds het woord „Voordeel” in plaats „Recht” gebruikte
-zou dat, in het tweede Stadium, dat der z.g. „Kleine Rust”
-aanleiding tot verwarring kunnen geven. Dan zou misschien meer om geld
-dan om karakter worden gedacht. Ook in onze Europeesche geldmakende
-maatschappij van thans zou dit zoo zijn.
-
-Hoewel ten slotte de economische principes harmonieeren met de
-ethische, kan onder sommige omstandigheden economisch leven niet
-bestaan naast ethisch leven.
-
-Een mooie illustratie hiervan geeft het volgende: [25]
-
-„Tsz’ Koeng (een discipel) vroeg eens Confucius een en ander over
-Regeering:
-
-„De vereischten voor eene Regeering”, zeide Confucius, „zijn dat
-er voldoende voedsel zij, voldoende soldaten, en het geloof
-(oprechtheid, eerlijkheid) van het volk”. Tsz’ Koeng zeide: „Als
-het nu eens niet anders kón, en een van deze dingen moest weg, welke
-moest dan het eerste weg?”—„De soldaten” antwoordde
-Confucius.—„En als het nu eens niet anders kón maar een van de
-twee overblijvende moest weg?” was nu de vraag weer.—En Confucius
-antwoordde: „Doe dan afstand van het voedsel. Van oudsher af is de
-dood het lot van alle menschen, maar als er geen geloof (oprechtheid,
-eerlijkheid) in de harten der menschen is, is de Staat niet
-gevestigd.”
-
-Het woord voedsel moet hier worden opgevat als te omvatten alle
-economische leven; het woord soldaten alle militaire krachten; het
-woord geloof alle godsdienstige en ethische leven. Zelfs in dèze
-woorden noemt Confucius het voedsel, het economische, het eerste,
-vóóraan, als antwoord op een vraag omtrent Regeering. Maar tóch
-concludeert hij, als òf ’t economische òf ’t ethische leven moet
-worden opgeofferd, tot opoffering van ’t economische. Dit schijnt
-tegenstrijdig aan zijn eigen principe dat economisch moet harmonieeren
-met ethisch, maar tòch is er hier harmonie. In het éérste Stadium
-der Evolutie, het z.g. Primaire, Wanordelijke, weten de menschen nog
-niet van ethica, hun onmiddellijke behoefte is voedsel, en als ge tegen
-hun spreekt over ethica en godsdienst—zooals nù nog in Europa zoo
-veel gebeurt—terwijl ze honger en gebrek lijden, luisteren ze daar
-niet naar.
-
-Maar in de gulden toekomsteeuwen der „Ta T’oeng”, der Groote
-Gelijkheid, zal dit alles anders zijn, dan zullen Ethica en Economie
-niet meer in botsing komen omdat ze een zullen zijn.
-
-Ik kom thans aan het einde van mijn hoofdstuk over Confucius, den
-grooten Wijze, in wien de Geest van China het meest belichaamd is. Die
-geest is de geest van den staat, de familie, en het individu van China
-tegelijk.
-
-De Confucianistische Staat is eene evolutie van moreele Orde, schreef
-Johnson. De integriteit van de politieke sfeer is er afhankelijk van
-het zelf-respect en de beschaving van haar leden. De familie is de
-sociale eenheid van den staat, en ieder is gehouden, die sociale
-eenheid zoo edel en moreel mogelijk te maken. Verder wordt het recht om
-anderen te regeeren gebaseerd op de macht om zich zelf te regeeren. In
-de „Loen Yü” staat: „De cultiveering van het Zelf is de wortel
-van alles”.
-
-De geheele wereld en ook het geheele Heelal worden bijeengehouden door
-één „alles-omvattende Eenheid”. Die Eenheid is het universeele
-van alle principes, en omvat onder één Wet de Persoon, de Familie,
-den Staat en het Heelal. Eenheid, dat hoogste doel van alle
-godsdienstige filosofie, rust voor Confucius op puur ethische en
-practische gronden en hun toepassing op iedere sfeer. Zooiets als zonde
-of zondeval is in de geheele Chineesche filosofie onbekend, en, zooals
-ik reeds zeide, zooiets geraffineerd kwaads als b. v. de Satan-idee
-eveneens. Ieder mensch kan volgens Confucius de Deugd bereiken, omdat
-de Deugd zijn innerlijke natuur is en zijn onveranderlijke betrekking
-tot het Heelal. Zóó als het Christendom het Vaderschap van God
-erkent, zóó is het Confucianistische geloof een erkentenis van de
-Wijsheid, Orde, Goedheid en Rechtvaardigheid van kosmische wetten, door
-Shang Ti, het opperwezen voorgesteld en van ’s menschen Eenheid
-daarmede. De natuur van den mensch is, volgens Confucius niet, zooals
-’t Christendom aanneemt, door een oorspronkelijken zondeval
-„zondig”, maar zóó als de natuur van goud hardheid is, en de
-natuur van vuur hitte, zóó is de natuur van den mensch „Jên”
-d.i. tegelijk liefde, rechtvaardigheid, getrouwheid, wijsheid,
-zedelijkheid. De Hemel—Th’ien—heeft den mensch géén zonde
-medegegeven, maar de opperste goedheid en deugd, en de geheele kunst
-van het leven is, deze rein te houden, en zich te concentreeren in wat
-het hart—hier ook: de geest—van den Hemel medekreeg bij zijn
-geboorte. Men kan, dit in ’t oog houdende begrijpen, hoe moeilijk een
-Chinees het Christendom met zijn idee van zondeval, aanneemt.
-
-Gebed is in dit systeem onnoodig, omdat de Hemel zich niet met ieder
-mensch apart bemoeit. De Hemel, Th’ien, [26] helpt niet speciaal
-dezen of genen. Th’ien op zich zelf, absoluut zijnde, staat ook boven
-de relatieve begrippen goed of kwaad, want het probleem, wat Th’ien
-is, is transcendent aan alle betrekkelijkheden. Goed en kwaad bestaan
-alleen ten opzichte der evolutie van wereld en mensch.
-
-In een Appendix van de „Yih King” staat te lezen:
-
-„De kosmische processen geven hun stimulans aan alle dingen, maar
-hebben niet de bezorgdheid van den Wijze”.
-
-Th’ien representeert kosmische processen, de Wijze ethische. Maar wel
-heeft Th’ien bij de geboorte den mensch—en trouwens al het
-bestaande—de Sing medegegeven, waarin alle deugd en goedheid inherent
-zijn, en de mensch heeft de bewustheid, om die volmaakt in hem te doen
-blijven, als hij de Sing maar in den volmaakten staat „Ch’ing”
-houdt. En dat kan hij door oefening en studie, en leert hij ook door
-smart.
-
-Zulk een leer geeft den mensch zelf-respect, zelf-bewustheid,
-waardigheid. Die waardigheid, met een sereene kalmte en voorname rust
-zijn dan ook het kenmerk van den beschaafden, ontwikkelden Chinees.
-Heftigheid, grofheid en drift, die groote gebreken van den Westerling,
-zijn in China bewijzen van onbeschaafdheid, ongeletterdheid, en gebrek
-aan evenwicht, middenmaat. Rust, kalmte, worden ze niet den Chinees
-geleerd in die wonderwijze leer van „Choeng Yoeng”, en zijn
-evenwicht en middenmaat niet het bewijs dat er Harmonie is in het
-leven? Het is die waardige kalmte, die stijlvolle rust, die zich in al
-de gebaren van het Chineesche ceremonieel, de Li, uitdrukt, die Li, die
-het uiterlijke rythme is van het innerlijke evenwichtige, harmonieuze
-leven. De gebruikelijke wensch en groet der Chineezen: „ts’ing
-ngan” („ik wensch, ik verzoek voor u Rust”) drukt dit al reeds
-uit. Men wenscht elkaar geen vermaak, of amusement, maar Rust, die
-immers het hoogste levensgeluk is.
-
-En Rust is tegelijk „Midden”, want zij is te vinden in
-„Choeng”, het geestelijk centrum van al ’t geopenbaarde.
-
-In dezen groet „ts’ing ngan” weerspiegelt zich de Geest van China
-zeker wel het schoonste.
-
-Alvorens dit hoofdstuk te eindigen over Confucius en over zijn Leer,
-waarin de Geest van China bijna geheel bevat is, wensch ik even eenige
-regelen aan te halen, die ik in mijn werk „Het Daghet in den
-Oosten” [27] in het hoofdstuk „Confucius en de Hal der
-Klassieken” aan dezen grooten Wijze gewijd heb:
-
-„Het is wèl zeer merkwaardig, en zoover ik weet eenig in de
-wereld-geschiedenis, dat niet een of andere Godheid, maar een Wijze,
-die nooit bepaald gedeïfieerd is, al is hij een Heilig Mensch
-verklaard, dus altijd mensch is gebleven, als het voorbeeld van het
-nageslacht, zoowel van keizeren als van het volk, is vereerd. Niet de
-een of andere buitengewone krijgsman of veroveraar, maar een Wijze, is
-het groote, zoowel moreele als politieke voorbeeld, het voorwerp der
-diepste vereering van het Chineesche volk geweest, en dit feit is zóó
-veelzeggend, dat het voor China’s toekomst de schoonste mogelijkheden
-van wijsheid, schoonheid en rechtvaardigheid bevat. Een volk, dat niet
-de brute kracht van den geweldenaar, noch het enkele keizer- of
-koningschap zonder meer, maar de Wijsheid als hoogste goed beschouwt,
-en in een Wijze zijn voorbeeld ziet, zulk een volk kan aan de spits der
-beschaving komen te staan, als het de moeilijkheden en strubbelingen
-zijner hervorming eenmaal te boven is gekomen”.
-
-„Denkt niet, gij Europeanen, mijn blanke broeders, al is het
-brieschende stoompaard Peking binnen gedaverd, al blinken de
-telephoon-draden boven de Verboden Stad, al trillen de westersche,
-moderne ideeën boven de Chineesche volksziel, en al breekt de
-hervorming haar glorieuze baan, spoken van duisternis, bijgeloof en
-onkunde verjagend, dat daarom ooit de geest van den grooten Meester
-Kh’oeng uit het Chineesche volk zal worden verdreven, want de kern
-van Waarheid die hij, naast veel nu overtollige bespiegeling over
-eertijds onontbeerlijke ceremonieel blootlegde, is een goddelijke gift,
-niet van de tijden, maar van de eeuwigheid. De uiterlijkheden zullen
-veranderen, nieuwe stroomingen van gedachten zullen door het Chineesch
-brein gaan, nu de vensters naar een nieuwe toekomst reeds wijd zijn
-opengewaaid, maar onvernietigbaar zal door het Chineesche volk de
-Wijsheid van den Meester Kh’oeng in haar innigste kern, ontdaan van
-wat tijdelijk was en niet eeuwig, als zijn grootsten en heiligsten
-schat worden bewaard.”
-
-„De hooge Literatuur, die de schoone vorm is, waarin de hooge
-Wijsheid zich openbaart, zal ook voor het moderne, hervormde China het
-hoogste bezit blijven, niet de macht van geld, pantserschepen en
-kanonnen”.
-
-„Een volk, dat de Wijsheid, de hooge Literatuur boven alles vereert
-en liefheeft, is het Volk van de toekomst, en als de liefde voor
-Confucius—de innerlijke, niet die der uiterlijkheden—het blijft
-bezielen, en niet breekt door den samenstoot met het onafwendbare
-moderne, dan heeft het in zich een macht, grooter dan legers en
-vloten....”
-
-Men moet vooral in het moderne, dat China thans in sommige opzichten
-aanneemt, geen algeheele reactie zien tegen het oude. Zelfs de
-republikeinsche revolutie van 1911–1912 was dit niet. Mijn vriend Dr.
-Lim Boon Keng, die te Nanking in het gevolg van Dr. Sun Yat Sen was,
-schreef mij:
-
-„We have dethroned a dynasty that had lost the spirit of antiquity,
-and amidst the ruins of revolution, I hope, we shall reconstruct a new
-temple upon the wisdom of the sages.” Dit is nooit goed ingezien, dat
-de revolutiemannen van 1911, dat dus ook hun leider Dr. Sun Yat Sen,
-wèl hoognoodige westersche hervormingen wilden, maar niet den ouden
-Geest van China wenschten te verjagen. Integendeel, zij wenschten dien
-Geest terug te krijgen, dien zij in gevaar zagen, onder de
-Mandsjoe-dynastie verloren te gaan, en wel wilden zij een nieuw China
-opbouwen, maar op de oude grondvesten: de Wijsheid der Ouden.
-
-
-
-
-
-
-
-MENCIUS
-
-
-In het jaar 371 v. C., ruim honderd jaar na den dood van Confucius,
-werd in denzelfden staat Loe, waarin Confucius ter wereld kwam, de
-Chineesche wijsgeer Mêng geboren, later Mêng Tsz’ genoemd
-(gelatinizeerd: Mencius), die op den geest van het Chineesche volk,
-evenals zijn groote voorganger dit deed, een invloed zou uitoefenen,
-dien tweeduizend jaren niet konden doen verminderen.
-
-De revolutie van 1911–1912 zou wellicht nooit ontstaan zijn, indien
-de ideeën van Mencius niet zoo diep in den Chineeschen geest waren
-doorgedrongen. Immers, Mencius was vóor alles de echte volkstribuun,
-die steeds geleerd heeft, dat het volk het recht en zelfs den plicht
-heeft, den souverein van den troon te stooten, die niet met Wijsheid
-regeert en wien het belang van ’t volk niet vóór alles gaat.
-
-Mencius leefde in een tijd, toen Confucius’ geschriften en
-overgeleverde leerstellingen reeds algemeen verspreid waren, en
-ontwikkelde zich geheel en al door den invloed, dien Confucius’ geest
-op hem uitoefende. Evenals zijn’ voorganger beleefde hij een tijd van
-uiterste verwarring, en zag hij vorsten van verschillende feudale
-staten met elkaar om den voorrang strijden, en precies als Confucius
-ging hij rond bij de verschillende vorsten om hun raad te geven en te
-vermanen. Behalve hertog Wan van den Staat Th’ang, die met ijver
-trachtte, zijn plannen voor sociale verbetering en volksopvoeding ten
-uitvoer te brengen, luisterde echter geen dier vorsten ernstig naar
-hem, en hij ondervond dezelfde teleurstellingen als Confucius, al kwam
-het bij hem niet tot een zoo ongelukkig lot van verbanning en
-uitstooting.
-
-De filosofische beginselen van Mêng Tsz’ zijn in hoofdtrekken
-dezelfde als die van Confucius, maar terwijl Confucius meer den nadruk
-legde, in wijsgeerige politiek, op de centrale monarchie, en de
-zedelijke kracht, die van den vorst behoort uit te gaan, zocht Mencius
-het gewicht van den staat vooral in de rechten van het volk. Mencius is
-dan ook de groote democraat, de echte volksman van China geweest, die
-openlijk het recht uitsprak van het volk, om iederen vorst, die het
-verdrukte, te verjagen en desnoods te dooden. Deze leerstellingen sprak
-hij zelfs onomwonden uit tegenover de vorsten, die hij ontmoette, en
-zijn geheele leven door heeft hij de onafhankelijke, onbevreesde,
-fiere, zelfbewuste houding tegenover vorsten aangenomen, die den echten
-volkstribuun kenmerken. In dat opzicht was Confucius altijd meer een
-hoveling, ofschoon men hierbij niet moet vergeten, dat deze in koningen
-en prinsen een boven hem geplaatste macht zag in de kosmische Orde der
-Dingen.
-
-Ik meen, den geest van Mêng Tsz’ niet beter te kunnen aanduiden dan
-door eenige fragmenten te geven uit zijn werken. De tekst van
-Mencius—een der „Vier Boeken” (waarvan Confucius’ „Choeng
-Yoeng”, „Ta Hioh” en „Loen Yü” de andere drie zijn) van
-China—wordt door de literair-filosofische autoriteiten uit de Oudheid
-aan hemzelf toegeschreven, maar latere deskundigen meenen, dat een
-zijner discipelen hem heeft geschreven.
-
-
-
-„Als iemand door (brute) kracht menschen onderwerpt, onderwerpen zij
-zich niet aan hem in hun hàrt, maar omdat hun kracht niet er tegen
-opgewassen is. Als iemand hun onderwerpt door Deugd, zijn zij
-vergenoegd in hun innerlijkste hart, en zij onderwerpen zich ernstig,
-zooals het geval was met de 70 discipelen van Confucius”.
-
-
-
-„Er is een weg om het Keizerrijk te verkrijgen: krijg het volk en ge
-hebt het keizerrijk. Er is een weg om het volk te verkrijgen: krijg hun
-harten en ge hebt het. Er is een weg om hun harten te verkrijgen: het
-is eenvoudig door bijeen te zamelen wat zij wenschen en hun niet op te
-leggen wat zij niet wenschen. Het volk keert zich naar een liefderijk
-regeerder zooals water benedenwaarts stroomt en zooals wilde beesten
-naar de wildernis loopen.”
-
-
-
-„Mencius zeide: „Van al de deelen die in een mensch zijn is de
-oogpupil het uitstekendste. De oogpupil kan zijn slechtheid niet
-verbergen. Is (alles in) de borst in orde dan is de pupil ook in orde,
-als (alles in) de borst niet in orde is, dan is de pupil dof. Luister
-naar iemands woorden en kijk naar zijn pupil. Hoe kan iemand zijn
-karakter verbergen?”
-
-
-
-„Diè man is groot, die niet zijn hart verliest van toen hij een kind
-was”.
-
-
-
-„Ofschoon een mensch slecht kan zijn, tóch, àls hij zijne gedachten
-betert, vast, en zich (schoon) baadt, mag hij aan Shang Ti offeren.”
-[28]
-
-
-
-„Ik heb nog nooit gehoord van iemand, die zelf boog, en toch anderen
-recht maakte.”
-
-
-
-Mencius zeide: „Ik houd van visch en ik houd van berenklauwen. Als ik
-ze niet beide kan hebben doe ik afstand van de visch en neem de
-berenklauwen. Zóó houd ik van leven en ik houd van rechtvaardigheid.
-Als ik ze niet beide kan hebben doe ik afstand van het leven en neem de
-rechtvaardigheid. Ik houd ook van leven, maar er is iets waar ik meer
-van houd dan van leven, en daarom wil ik het niet bezitten door
-oneerlijkheid. Ik haat ook den dood, maar er is iets wat ik meer haat
-dan den dood, en daarom zijn er gelegenheden, waarin ik hem niet wil
-vermijden.”
-
-
-
-„Hier is een klein mandje rijst en een schotel soep, en het geval
-doet zich voor dat het krijgen daarvan leven beteekent en het ontberen
-dood; als zij worden aangeboden met een beleedigende stem zal zelfs een
-landlooper ze niet willen hebben, en als ge er eerst op trapt zal een
-bedelaar zich niet bukken om ze op te rapen”.
-
-
-
-„Sommige deelen van het lichaam zijn edel en anderen verachtelijk.
-Het groote mag niet geschaad worden voor het kleine, het edele niet
-voor het verachtelijke. Hij, die het kleine in zich voedt is een klein
-mensch, hij die het groote in zich voedt, is een groot mensch”.
-
-
-
-„De Discipel Koeng Too zeide: „Wij zijn allen menschen, maar
-sommigen zijn kleine menschen en anderen groote, hoe zit dat nu?”
-
-„Mencius zeide: „Zij, die het groote, in hun belichaamd, volgen
-zijn groote menschen, zij die het kleine, in hun belichaamd, volgen
-zijn kleine menschen.”
-
-
-
-„Laat een mensch eerst gevestigd staan in het groote dat hij heeft,
-dan kan het kleine dat hij heeft het niet van hem wegnemen”.
-
-
-
-Mencius zeide: „Hij, die zijn Geest uitgeput heeft kent zijn Sing.
-[29] Kent hij zijn Sing dan kent hij Th’ien”.[29]
-
-
-
-Mencius zeide: „Alle dingen zijn (reeds) compleet in ons”.
-
-
-
-Mencius zeide: „De lichamelijke vormen en de begeerten behooren (ook)
-tot onze Sing van den Hemel. Maar men moet een Shêng Jên (Heilig
-Mensch) zijn eer men ze op de rechte plaats kan ordenen.”
-
-
-
-Mencius zeide: „De bekwame kunstenaar zal niet van zijn weg afwijken
-om een dommen werkman”.
-
-
-
-Mencius zeide: „Er zijn menschen die zeggen: „Ik kan goed troepen
-drillen, ik kan goed veldslagen leveren”, maar dat zijn groote
-misdadigers”.
-
-
-
-Mencius zeide: „Het volk is het meest belangrijke element, de geesten
-van het land en het graan het tweede, de vorst het minste.”
-
-
-
-(Mencius zeide): „De Kiün Tsz’ betracht de Wet (van het Recht),
-wacht op wat over hem beschikt is door den Hemel, [30] en daarmede
-uit.”
-
-
-
-(Mencius zeide): „Ik heb nog nooit gehoord dat principes afhankelijk
-zouden zijn van hun uitwerking op andere menschen.”
-
-
-
-Mencius zeide: „In de Ts’oen Ts’ioe [31] komen geen rechtvaardige
-oorlogen voor. Er zijn wèl voorbeelden van één oorlog die beter was
-dan een ander”.
-
-
-
-„Het is een oude wet dat de verdrukker zonder waarschuwing ter dood
-gebracht mag worden”.
-
-
-
-„Groote veldheeren zijn groote misdadigers. De harten der menschen
-onderwerpen zich niet aan kracht, maar aan Deugd”.
-
-
-
-„Den Hemel dienen bestaat in het voeden van de ware constitutie van
-ons wezen, bezorgd noch om dood, noch om leven.”
-
-
-
-„Door deugd alleen in zichzelf krijgt men nooit macht over andere
-harten. Men moet zijn deugd tot steun voor anderen maken.”
-
-
-
-„De eer, dien de mensch verleent, is geen ware eer”.
-
-
-
-„Van de eigenschappen van den Wijze is er geen grooter dan die van
-een helper der menschen te zijn tot een goed leven. Er is geen grooter
-genot dan bewust te zijn van Recht in ons. Als men streeft om anderen
-te behandelen zooals men door hen zou willen behandeld worden, is men
-niet ver van het volmaakte leven.”
-
-
-
-
-
-
-
-DE „YIH KING”
-
-
-De „Yih King” of, zooals het door de sinologie vertaald is, het
-„Boek der Transformaties” is de basis eigenlijk der gansche
-Chineesche filosofie, en ik durf wel zeggen dat al dieper en dieper in
-den Geest van China doordringende, men het essentieele wezen er van
-eerst vindt in de „Yih King”. De Chineesche autoriteiten op
-literair en filosofisch gebied beschouwen het dan ook als de bron,
-waaruit alle andere klassieken gevloeid zijn.
-
-Zeer juist noemt Samuel Johnson de „Yih King” het boek, waarin, in
-symbolische voorstellingen, in een soort filosofisch Algebra, „de
-identiteit van het abstracte met het concrete” wordt gedetermineerd.
-
-Ik kan in dit werk „De Geest van China”, dat eenigszins populair
-bedoeld is, althans voor een publiek van niet-sinologen, niet eene fijn
-uitgesponnen, geleerde verhandeling over de „Yih King” leveren,
-maar wèl kan ik er de hoofdgedachte van aan trachten te geven.
-
-Ik zeide reeds dat de Chineesche wijsbegeerte zich nooit heeft
-vermeten, de allerhoogste Godheid te definieeren, of tot een
-persoonlijkheid te beperken. In de „Yih King„sche filosofie wordt
-dit onbeschrijfelijke, ondenkbare, voor het menschelijk begrip
-onbenaderbare goddelijke „primum mobile” principe aangeduid met de
-karakters „T’ai Kie”, waarvan „Tai” beteekent: „groot, en
-grootsch” en „Kie” „uiterste, het uiterste van”. Alzoo:
-„het Groote Uiterste”. Het is ook wel vertaald met „het Groote
-Absolute”, maar ik zal liever de Chineesche term „T’ai Kie”
-behouden, en daarbij denken aan zooiets als een abstract principe als
-Monade, de primordiale oorzaak van al het geopenbaarde, het uiterste
-dat het menschelijk denken kan bevatten.
-
-Dit wordt, evenals in andere filosofische systemen, wel eens symbolisch
-voorgesteld door een cirkel, leeg van binnen.
-
-Wij zouden dit „T’ai Kie” dus ons kunnen denken als het
-Ongeopenbaarde, zéér veel overeenkomst hebbende met het Tao van Lao
-Tsz’. Door dit T’ai Kie, symbolisch voorgesteld door een’ cirkel,
-werden twee oer-principes in en uit zich gevormd, in de „Yih King”
-gesymboliseerd door een rechte geheele lijn en een rechte gebroken
-lijn. Op de volgende wijze is dit gesymboliseerd, in een commentaar van
-een mijner edities der „Yih King”.
-
-
-
-------
-FIGURE
-------
-
-
-
-Met lette hierbij vooral op dat beide, èn de geheele lijn, èn de
-gebroken lijn, door en uit de „T’ai Kie” zijn gevormd. De
-mystieke principes nu, voorgesteld door deze geheele en deze gebroken
-lijn, zijn, volgens de „Yih King” de principes van als het
-Geopenbaarde. In de „Yih King” zelve werden oorspronkelijk deze
-termen niet gebruikt, maar de latere filosofen noemden het eerste, de
-gehééle lijn, het principe „Yang”, het tweede, de gebroken lijn,
-het principe „Yin”. Het eerste ook wel genaamd het principe van
-Licht, van Beweging, van ’t Mannelijke, het tweede dat van Duister,
-van Rust, van ’t Vrouwelijke.
-
-Deze twee principes ———— en ——  —— combineerden zich,
-van diagram, in een groep van (op een rythmus van) telkens drie tot de
-z.g. acht (= 23) „kwa”, waarvan iedere „kwa” alzoo een drietal
-is, in de volgende triagrammen voorgesteld:
-
-
- 1 2 3 4 5 6 7 8
- ☰ ☱ ☲ ☳ ☴ ☵ ☶ ☷
-
-
-Zooals men ziet zijn deze triagram-figuren, alternatief bestaande uit
-heele en gebroken lijnen, terug te brengen tot vier oorspronkelijke
-symbolen:
-
-
- ⚌ ⚍ ⚎ ⚏
-
-
-en deze weer tot twéé
-
-
- ⚊ ⚋
-
-
-die voorstellen de allereerste divisie of ontwikkeling van Yin en Yang
-uit en ook in de Eénheid T’ai Kie. Uit deze twee, deze vier, en ten
-slotte de acht triagrammen zijn weer 64 hexagrammen ontstaan, waarvan
-ik er hier twee als voorbeeld aangeef:
-
-
- ䷀ ䷻
-
-
-Een zesvoudige vermenigvuldiging geeft weer 384 anderen, en door
-verdere processen van vermenigvuldiging is eene serie van tot op
-16777216 (= 224) door geleerden berekend, die natuurlijk weer voor
-expansie tot in ’t oneindige vatbaar is. Maar—de hoofdzaak van
-alles—die gansche, het verstand tartende Veelheid is toch terug te
-brengen tot de absolute in-zich-zelf terugkeerende Eenheid, en alle
-verscheidenheden zijn dus op mystieke wijze identiek.
-
-De triagrammen worden verondersteld te zijn ontwikkeld door den
-legendarischen keizer Fuh Hi (2852–2738 v. C.), en de eerste
-verklarende studiën der dia- en triagrammen door hertog Wen, later
-gecanoniseerd als koning Wên, stichter der Chow dynastie (1231–1135
-v. C.).
-
-Een onophoudelijk proces van evolutie en revolutie is voortdurend aan
-het werk, in den loop waarvan de verschillende oer-elementen of
-elementaire krachten der natuur, door de dia- en triagrammen aangeduid,
-elkaar wederkeerig uitdooven en doen geboren worden, en zóó de
-phenomena van ’t bestaan voortbrengen. Want op deze primitieve, maar
-diepzinnige manier trachtte deze Chineesche bespiegeling het stoute
-stuk uit te voeren—in geen enkel ander filosofisch systeem
-bekend—om de rythmische openbaring van het Goddelijke („T’ai
-Kie”) in het Heelal tot in haar oer-elementen en principes na te
-vorschen. Ik kan mij, in de beperkte ruimte van dit hoofdstuk, niet
-begeven in het op den voet volgen van deze acht „kwa” en hun
-vermeerdering tot vier en zestig dubbele „kwa” (hexagrammen dus,
-van zes elk), maar wil vooral de aandacht blijven vestigen daarop, dat
-zij allen gevormd zijn uit de oorspronkelijke geheele lijn ————
-en de gebroken lijn ——  —— en dat deze beide geproduceerd
-werden door en uit het „T’ai Kie”. Het schijnbare dualisme van de
-geheele en de gebroken grondlijnen der „kwa”, van ’t principe
-„Yang” dus en ’t principe „Yin” berust dus—dit onthoude men
-wel—op een Eénheid. (Men denke hier ook aan de „Eenheid” van
-Confucius). [32]
-
-Het geheele geopenbaarde Heelal bestaat uit verbindingen, in eindelooze
-combinaties en permutaties van deze „kwa”, uit verbindingen alzoo
-van die mysterieuze oer-principes, symbolisch voorgesteld door de
-geheele lijn ———— en de gebroken ——  ——, maar—ik
-kan hier nooit genoeg op wijzen—die beide zijn uit Eén, het T’ai
-Kie geopenbaard, en dus eigenlijk op geheimzinnige wijze identiek. De
-geheele constitutie van de Natuur en ook van den mensch ligt in
-essentie in deze twee symbolen van gehéélheid en van verdeeling.
-
-Het gansche Heelal is eene ontwikkeling, een evolutie, in steeds
-wisselende „transformaties”, van alle wezens en dingen uit de
-oer-elementen „Yang” en „Yin”, totdat ééns, als de adem, die
-deze wisselingen bezielt, ophoudt, alles weer tot het oneindige,
-onbegrijpelijke, onuitsprekelijke „T’ai Kie” terug is gekeerd,
-aan het einde dezer cyclische evolutie.
-
-Het eerste triagram
-
-
- ☰
-
- K’ien
-
-
-van drie gehééle lijnen wordt genaamd „K’ien”, en symboliseert
-„de Hemel”, en ook „de energie, de werking van den Hemel”. (Het
-karakter „K’ien” is ideografisch samengesteld, en men lette op de
-diepe beteekenis hiervan, uit twéé, waarvan het eene beteekent „de
-kracht der natuur” en het andere „zonlicht”), het achtste
-triagram:
-
-
- ☷
-
- Kw’oen
-
-
-van drie gebroken lijnen wordt genaamd „Kw’oen”, en symboliseert
-„de Aarde”, in haar ondergeschiktheid aan den Hemel. (Het ééne
-karakter „kw’oen” is ideografisch samengesteld uit twéé,
-waarvan het eene „aarde” en het tweede „zich uitstrekken”
-beteekent).
-
-Men neme hier „Hemel” en „Aarde” niet zoozeer in de meer
-concrete beteekenis van „uitspansel” en „grond”, maar in meer
-abstracte, symbolische. K’ien, of Hemel, wordt ook wel „Yang”
-genoemd (oorspronkelijk echter is „Yang” gesymboliseerd door één
-enkele, en niet drie geheele lijnen), en Kw’oen, of Aarde, is dan
-„Yin”, terwijl overeenkomstig met deze twee de Zon en Maan als
-symbolen worden genomen, als de eerste mannelijk, de tweede vrouwelijk.
-Zóó wordt weer de Man als personifieerend Yang, en de Vrouw als
-personifieerend Yin aangenomen.
-
-Tusschen de uitersten K’ien en Kw’oen in evolueert het geheele
-Heelal, in een millioenen cyclus, terug te brengen tot de 64
-hexagrammen en deze weer tot de 8 triagrammen, in eindelooze „Yih”,
-d. i. transformaties, besloten in de Eenheid „T’ai Kie”.
-
-In een commentaar van Lai Th’ang in een mijner „Yih King” edities
-staat: „K’ien en Kw’oen zijn het Mannelijke en Vrouwelijke van de
-„tienduizend dingen” [33] (maar) het Mannelijke en Vrouwelijke zijn
-het K’ien en Kw’oen van één ding”. Verder „Het Mannelijke en
-Vrouwelijke staan in onderlinge verhouding van hun contrasten, en
-daartusschen in beweegt de „ch’i”” (waarover straks).
-
-Als men zich blind staart op de hierboven gereproduceerde triagrammen,
-en er slechts een spel van streepjes in ziet, zooiets als wichelstokjes
-van heidenen en barbaren, wordt de „Yih King” natuurlijk niet veel
-meer dan een mystificatie, een soort kinderachtig tooverboek van
-hocus-pocus. Als men dan nog de legende er bij overweegt, dat deze
-geheimzinnige „kwa” zouden zijn ontdekt op den rug van een
-draakachtig paard, dan wordt die mystificatie nog onzinniger.
-
-Wij kunnen—en moeten—echter dergelijke mystieke teekens trachten te
-doorgronden enkel als symbolen in hun diepe geheime beteekenis, en
-iedere serieuze Chineesche filosoof leest er in, zooals Samuel Johnson
-het zoo treffend heeft uitgedrukt: „the simplicity and university of
-natural laws”. Nergens als in Samuel Johnson heb ik zoo duidelijk het
-begrip uitgedrukt gezien van wat de eigenlijke beteekenis dezer
-„kwa” is, en als een bescheiden hulde haal ik hier de volgende
-regelen van hem aan:
-
-„Welke occulte meeningen ook mogen zijn toegeschreven aan deze
-diagrammen van Fuh Hi, in de Chineesche gedachte hebben zij altijd
-voorgesteld de Eenvoud en Universeelheid aan natuurlijke wetten. Door
-te lezen het grootste in het kleinste, het complexe in het eenvoudige,
-het gehéél in het atoom, het ééne in het verscheidene, de wet in
-het phenomeen, in het proces van wetenschap en godsdienst, is dat
-proces zeker vóórgevoeld in een physisch, moreel, filosofisch en
-politiek systeem, afgeleid van een gehééle en een gebroken lijn, als
-symbolen van alles-doordringende principes. In ’t eerst gekozen als
-natuurlijke typen van de contrasten tusschen even en oneven, licht en
-schaduw, mannelijk en vrouwelijk, hemel en aarde, hooger en lager,
-droog en vochtig, hard en zacht, compleet en incompleet, is hun
-substantieele bedoeling geweest de relatie tusschen eenheid en
-verscheidenheid als basis van die compositie van elementen, door welke
-ieder wezen en ding wordt wat het is. Vanuit deze relatie zouden de
-Chineezen best hun geheele filosofie en geloof kunnen opbouwen”.
-
-Het dualistische of polaire principe, waarvan de Yih-King eene
-ontwikkeling is, is dan ook niet van enkel physieken, maar van
-metaphysieken oorsprong.
-
-Dit is wel een der grootste leeringen die wij, Oosterlingen, nù nog
-uit de „Yih King” kunnen trekken: dat alle physica ten slotte
-uitloopt in metaphysica, en in ruimer zin: dat alle wetenschap ten
-slotte eindigt in goddelijk, ondoorgrondelijk mysterie. De allerlaatste
-westersche ontdekkingen op het gebied der verschillende stralen, der
-electronen enz. enz. wijzen hier reeds duidelijk op. En het zou wel
-eens kunnen zijn, dat in de veel gesmade, door vele sinologen voor
-nonsens en mystificatie uitgekreten „Yih King” oplossingen worden
-gevonden—zij ’t in mystieke symbolen-taal—van meer dan één tot
-nu toe onopgelost geheim der westersche wetenschap.
-
-Zooals ik reeds terloops bij de behandeling der Confucianistische
-filosofie gezegd heb, de wetten, die den Kosmos regeeren, evolueeren,
-volgens de Chineesche filosofie, over de menschheid door, en zijn
-dezelfde als die, welke de ethica, de moraal, en de wetten der menschen
-bestemmen. Zóó zijn ook de diagrammen, triagrammen en hexagrammen van
-de „Yih King” een soort „algebra van ethische en politieke
-wetten” geworden voor de Chineezen, en zóó zijn, zooals Johnson
-terecht zegt „zuiver moreele en politieke interpretaties gevoegd bij
-de cosmico-ethische en mythische”. De triagrammen zijn ook emblemen
-geworden, waarin de relatieve positie van geheele en gebroken lijnen
-voorstellen de stadiums van menschelijk leven, de vormen van het
-noodlot, de tegenstellingen van karakter, enz. enz.
-
-Zóó kan b. v. het triagram van „berg”, geplaatst onder het
-triagram van „aarde” voorstellen: „groote mannen, die zich uit
-nederigheid onder inferieure anderen plaatsen”. Al deze
-interpretaties zijn natuurlijk van eeuwen en eeuwen later dan de runen
-der triagrammen van de „Yih King”, die oorspronkelijk metaphysisch
-en mystiek bedoeld waren.
-
-Aan de acht „kwa’s” (zie de voorafgegane teekening met nummers)
-zijn later ook beteekenissen gegeven van de resultaten daarvan. Zoo
-werd: [34]
-
-
- I: Hemel, Yang, hemelsche voortbrenger, ether, vocht.
- II: Water, opstijgende dampen, fonteinen, lichtheid.
- III: Vuur, licht, leven, schoonheid, hitte gevend, warmte.
- IV: Donder, vurige exhalaties, beweger van dingen, stijfheid.
- V: Wind, damp, energie van expansie, flexibiliteit.
- VI: Water, vloeistof, elementen, rigiditeit, koude.
- VII: Bergen, soliditeit, dat wat motie onderhoudt, rust, graviteit.
- VIII: Aarde, Yin, de aardsche ontvanger van corruptie, droogte.
-
-
-In de „Yih King” staat, uit alle teekenen, duidelijk te lezen, dat
-ten slotte het geheele Heelal samengesteld is uit twee polaire
-principes, beide uit Eén (het „T’ai Kie”) gevormd. De eindelooze
-verscheidenheid van alle phenomenen, alle wezens, alle dingen in het
-Heelal ontstaat enkel door de combinaties en permutaties van die twee
-principes, te symboliseeren door een eindelooze verscheidenheid van
-„kwa’s”.
-
-Men heeft het eene „Yang” wel eens in westersche termen „Geest”
-en het andere „Yin” „stof” willen noemen, maar hierbij dient
-men bizonder op te passen, daar zooiets als wat in westersch
-materialisme „doode stof” heet voor den Chinees niet bestaat. Als
-wij het idee „stof” in westerschen zin op „Yin” zouden
-toepassen zouden wij geheel buiten den geest van China geraken. Dit zou
-indruischen tegen hetgeen Samuel Johnson zoo terecht den karaktertrek
-der Chineesche filosofie noemt: „de Éénheid van Essence met
-Manifestatie”. De stof—in Chineeschen, niet-westerschen zin—is
-één met den Geest die de essence van het Heelal is. Stof als een
-dood, vreemd, buitenstaand ding, onderscheiden van Geest, bestaat in de
-Chineesche gedachte niet. Er bestaan „Yang” en „Yin”, beide
-door en uit het „T’ai Kie” gevormd, en dus op mysterieuze wijze
-één van oorsprong. Deze twee „Yang” en „Yin” worden genoemd
-de beide „Ie” (metaphysisch kosmische krachten).
-
-De verhouding—let wel, de rythmische verhouding—tusschen de in
-diepste mystiek eigenlijk identieke contrasten „Yang” en „Yin”
-wordt genaamd „Shoe”, d. i. het Getal. Inderdaad, als men de acht
-„kwa” diagrammen aanziet, is het duidelijk dat deze symbolen op
-getallen berusten, dat dus de elementaire samenstelling van den Kosmos,
-door het „T’ai Kie” geopenbaard, op eene verhouding van getallen
-berust. (Wie denkt hier niet aan Plato?) De suprême, heerschende Wet
-of Orde, die deze getallen-verhoudingen vaststelt en regelt, wordt
-genoemd „Li”. De „Li” is dus de vaststeller, de regelaar der
-mathematische principes van het Heelal. De energie, die het „vloeien
-en bewegen” (zooals het in een commentaar mijner „Yih King”
-editie luidt) van „Yang” en „Yin” animeert, wordt genaamd
-„Ch’i”, het beste m. i. te vertalen door den „Adem” van ’t
-Heelal. [35] Die „Ch’i”, die Adem, trilt door den ganschen
-Kosmos, en het is die „Ch’i” die in stand houdt, hetgeen de
-sinoloog Eitel zoo treffend noemt: „a golden chain of spiritual life
-running through every form of existence and binding together, as in one
-living body, everything that subsists in heaven above and on earth
-below”.
-
-Indien wij maar oppassen, bij het begrip „stof” vooral niet te
-denken aan het westersche begrip „doode stof” als apart van en
-tegenovergesteld aan geest, kunnen wij Choe Hie begrijpen, die van
-„Yang” en „Yin” spreekt als van „Primaire Kracht” en
-„Primaire Stof”. Maar die „Primaire Kracht” acht hij
-onbestaanbaar zonder de „Primaire Stof”, omdat zij zonder deze niet
-kan werken en ageeren. Er is ook volgens Choe Hie, geen kwestie van,
-dat deze „Primaire Kracht” zou bestaan hebben vóór de „Primaire
-Stof”, want deze beide zijn in constante interfusie en onderlinge
-afhankelijkheid, het eene is ondenkbaar zonder het andere.
-
-Ik kan mij niet weerhouden, hier nog even het volgende mystieke symbool
-wêer te geven uit een mijner beste „Yih King” edities, dat in zijn
-eenvoud zulk eene treffende voorstelling geeft van de productie of
-misschien beter vorming van „Yang” en „Yin”, niet uit (want
-niets kan er immers buiten treden) maar in het „T’ai Kie”. Het is
-overgenomen uit de „T’ai Kie T’u”, de filosofische
-encyclopaedie van Chow Tsz’:
-
-[FIGUUR]
-
-De volgende voor zich zelf sprekende commentaar staat onder deze
-„T’ai Kie T’u” (kaart van Tai Kie):
-
-„Het witte is de „Ie” (het kosmische principe) „Yang”, het
-zwarte is de „Ie” (het kosmische principe) „Yin”. Het zwart en
-het wit (vormen) twee wegen. Het uiterste Yang baart Yin, het uiterste
-Yin baart Yang. Toen hun Adem-Motie nog niet voortdurend ademde was het
-„T’ai Kie”. Als er in ’t midden nog geen cirkel is, is dat de
-oorspronkelijke vorm van „T’ai Kie”.
-
-Het Oneindige heeft zichzelf begrensd toen het zich openbaarde.
-
-Is er ooit met grooter durf en eenvoud de formatie van den Kosmos in
-het Absolute symbolisch grafisch voorgesteld dan in deze Chineesche
-filosofie? Men lette op den cirkel, die het al omvat. Hier is geen
-creatie uit T’ai Kie maar vorming in T’ai Kie. De cirkel
-symboliseert het zonder begin en zonder einde zijn.
-
-Deze T’ai Kie T’u van Chow Tsz’ zegt, dat de „Yang” en
-„Yin”, tot Eenheid samengebracht, dan ook het T’ai Kie
-samenstellen. Een andere tekst uit dit werk luidt: „Ieder ding heeft
-zijn aparte natuur, maar de Eenheid van het geheel is het T’ai
-Kie”, en weer een andere: „De T’ai Kie is zóó, dat Het in de
-principes Yang en Yin is, en er niet van gescheiden kan worden”.
-
-Uit dezen laatsten tekst blijkt nog eens duidelijk, hoe „Yin” nooit
-„doode stof” kan zijn.
-
-De moraal van de Chineesche filosofie is op deze kosmische
-beschouwingen gebaseerd. Er bestaat voor den geest van China geen
-erfzonde, geen absoluut goed, of absoluut kwaad, maar de moraal is
-gebaseerd op een Rythme, een Verhouding, een Getal. Het „Yang” en
-„Yin” verklaard in de Chineesche wijsbegeerte de
-tweevoudigheid—die, wijs doorpeild, een Éénvoudigheid, een mystieke
-Identiteit is—van Subject en Object, van uiterlijk en innerlijk, van
-Ik en Niet-Ik, van positief en negatief, van goed en kwaad. Goed en
-kwaad, geluk en ongeluk bestaan alleen als een verhouding. Als Yang en
-Yin in de rechte verhouding zijn, is alles goed. Er is alleen kwaad als
-de verhouding van Yang en Yin, als het Getal, het Rythme, niet juist
-is. Het Leven is een evenwicht van polaire krachten, die
-„tegenheden” (maar, in diepste mystiek één, want formatie in en
-door Één) zijn. De „Yang” en „Yin” bepalen in den mensch het
-evenwicht in harmonie van hartstochten en krachten. Slecht is slechts
-een gebrek aan evenwicht, goed is het juiste evenwicht tusschen
-„Yang” en „Yin”. Het geheim van het leven ligt in het juiste
-Getal, het juiste Rythme.
-
-Nergens uit de Geest van China zich meer dan in dezen eerbied voor het
-heilige Rythme van het Heelal. De eeuwige strijd tusschen Geest en
-Stof, de oorzaak van zooveel groote tragedies in het denken en voelen
-van ’t Westen, is in deze Chineesche filosofie vermeden, of liever
-van zelf onmogelijk gemaakt. Immers, stof als geheel afgescheiden, en
-zelfs in contrast met geest, zooals in westerschen zin, wordt in de
-Chineesche filosofie niet aangenomen. Stof en geest zijn in één
-conceptie omsloten. Er zijn in deze wijsbegeerte geen strijdende
-contrasten, er zijn rythmische verhoudingen, er is geen goed of kwaad,
-er is harmonische of onharmonische verhouding. Het geheim van het Leven
-is het volgen van het juiste Getal, het bewegen op het juiste Rythme.
-
-De „Yang en Yin” bepalen in den mensch het goddelijk
-Evenwicht—het hoogste goed van Confucius’ ideaal-mensch. De
-„T’ai Kie T’u” zegt: „In den mensch is de vorm van Yin, de
-geest van Yang” en „De beweging en de rust van die twee
-constitueeren de rechte Orde”.
-
-Hoe dicht naderen deze Chineesche filosofische beschouwingen de oude
-Indische filosofie, wanneer wij regelen lezen als van Choe Hie:
-„Alles is van één essence; er bestaat niets zonder het mysterie van
-Dat, hetwelk geen anderen grond heeft dan zichzelf, en tóch in ieder
-ding aanwezig is”!
-
-Het prachtige werk, inhoudende eene vergelijkende studie van de
-filosofie der Yih King, van Confucius, van Choe Hie en van Lao Tsz’
-met de oude hindoesche en brahmaansche filosofie moet nog geschreven
-worden. Dan zou ook een hoofdstuk te wijden zijn aan de vergelijkende
-studie van Yang en Yin aan de eene zijde, en Purusha en Prakriti aan de
-andere.
-
-
-
-Volgens Choe Hie, den „Aristoteles van China”, die van 1129–1201
-n. C. leefde, en wiens commentaren op de klassieken in China groote
-autoriteit hebben, is het „T’ai Kie” slechts de uiterste grens
-van het menschelijk denken omtrent de primordiale oorzaak van alle
-bestaan, maar moet dit „T’ai Kie” óók weer geopenbaard zijn
-door—of liever: in—een nòg onbegrijpelijker, mysterieuzer wezen,
-dat hij „het Absolute Niets” noemde.
-
-Choe Hie neemt aan het „ademen” van T’ai Kie.
-
-Toen T’ai Kie voor ’t eerst ademde bracht die etherische adem, als
-’t ware stollende, het „Yang” voort, en toen dit ademen het
-toppunt bereikt had en „T’ai Kie” daarvan weêr rustte, bracht
-het „Yin” voort.
-
-Nadat het tot het uiterste gerust had, bewoog, d.i. ademde het weder,
-en zóó door, afwisselend bewegende en rustende, nadat hetgeen boven
-was de Hemel, en hetgeen beneden was, de Aarde had gevormd, volgden
-telkens combinaties en permutaties van „Yang” en „Yin” waardoor
-alle „tienduizend dingen” (later mineralen, planten, dieren,
-menschen) werden gevormd.
-
-Dezelfde vitale energie, die beweging en rust vormt, gaat stééds
-door, en door de twee oorspronkelijke oorzaken, „Yang” en „Yin”
-héén ageert deze energie zonder ophouden, en laat deze twee
-oer-principes „vloeien en bewegen” in alle dingen van ’t Heelal.
-
-Deze vitale energie, de mysterieuze „ch’i”, die ik reeds
-„adem” noemde, zal ik in het hoofdstuk over „De Chineesche
-Kunst” nader releveeren, want de eerste wet van de Chineesche
-kunst—die alweer dezelfde wetten ondergaat als, want immers één is
-met den kosmos—is, dat de „Ch’i” het kunstwerk moet doordringen
-en doorvloeien, en er in rond moet gaan. Zonder „Ch’i” is geen
-waar leven bestaanbaar. Dit „Ch’i” is wel een van de mystiekste
-begrippen dezer Chineesche filosofie, een geheimzinnige, fluïdische
-Adem, die het geheele Heelal bezielt, en er de vitale kracht van is. In
-een der commentaren van mijne groote „Yih King” editie staat, zóó
-duidelijk dat het geen twijfel overlaat, vermeld, dat de Oorsprong van
-alle „ch’i” de Zon is „waarvan het Getal is Één”. In de
-zonne-energie zou dus de oorsprong van alle „ch’i” te zoeken
-zijn, en de „ch’i” zou dan ten slotte niets anders zijn dan het
-ondoorgrondelijke mysterie van vitale fluïdische energie, dat de
-moderne westersche wetenschap thans als één vermoedt achter Licht,
-Warmte, en Electriciteit, die er verscheidenheden van zijn. De
-Chineesche wetenschap, zoo arm en gebrekkig in de empirische studie der
-zichtbare verschijnselen, zoo onbeholpen in de physica, zou dan toch in
-hare hoogste uiting, de filosofische metaphysica, een der groote
-mysteriën geweten hebben, het mysterie van deze „ch’i”, waar de
-westersche wetenschap eeuwen en eeuwen niets van vermoedde. Ook het
-z.g. „oer-atoom” volgt direct uit de filosofie van de „Yih
-King”, dat mysterieuze oer-atoom, waar alle andere atomen en
-elementen uit ontstaan zijn, door eindelooze permutaties en
-combinaties, door verhoudingen, en dus getallen, Rythme. Alzoo ook
-Wiskunde, in hoogsten zin, is Filosofie, en evenzoo Natuurkunde en
-Scheikunde.
-
-De energie, die de twee oer-principes „Yang” en „Yin” animeert,
-dooreen doet vloeien en bewegen, de „ch’i”, moet ééns voor ’t
-eerst in actie zijn getreden, of „geademd” hebben, zooals de
-Chineesche wijsgeer het noemt, zoodat de „ch’i” door zijn adem
-het geheele Heelal leven inblies. De „ch’i” deed dit toen niet
-zóó maar in ’t wilde, en doet dit ook thans zoo maar niet, maar
-volgde vaste, ondoorgrondelijke wetten, die onveranderlijk zijn. Deze
-wetten, die de Orde der Dingen vaststellen, heeten in ’t Chineesch de
-„Li”, [36] en die wetten of eigenlijk die Wet, want allen tot één
-terugkeerend, was er reeds vóór het eerste ademen der „ch’i”.
-
-De oude Chineesche Wijzen, deze Wet, en deze Orde van ’t Heelal
-beschouwend, merkten op, dat al de verschillende wetten der natuur, en
-al de werkingen, de ademingen van de „ch’i”, die de vitale adem
-van den kosmos is, in strikte overeenstemming zijn met zekere
-mathematische principes. Deze mathematische principes kunnen
-gesymboliseerd worden door triagrammen, en diagrammen, die de numerieke
-proporties van het Heelal, genaamd „Shu”, het Getal, uitdrukken.
-Deze drie, de „Ch’i”, de Vitale Adem, de „Li”, de Wet, en de
-„Shu”, het Getal, zijn niet direct kenbaar door de zinnen, maar
-manifesteeren zich aan onze zinnen door stoffelijke vormen en omtrekken
-van fysieken aard. Daarom vormen de phenomena der natuur, haar
-uitwendigen vorm alzoo, een vierde tak van filosofische beschouwing,
-die der z. g. „Hing”, natuurvormen. De „ch’i” heeft in de
-natuur grenzen in de „Hing”. Achter die „Hing”, die uiterlijke
-vormen, zoekt de oosterling echter het verborgen geestelijk mysterie.
-Hier komen wij tot het groote principe der Chineesche Kunst, dat ik in
-het hoofdstuk „Chineesche Kunst” nader zal behandelen. Het
-geestelijke mysterie te benaderen door de stoffelijke vormen heen, de
-innerlijke onzichtbare Schoonheid, het Rythme van mystiek in-wezen uit
-te drukken, ziehier het doel der groote Chineesche kunstenaars van alle
-tijden.
-
-Met het oog op de wetenschap zij hierbij nog gezegd, dat voor den
-wijsgeerigen Chinees physica slechts een middel is, een weg, die tot
-metaphysica leidt, en deze metaphysica is eigenlijk tegelijk weer èn
-filosofie èn godsdienst. Enkel empirische „matter of fact”
-wetenschap, materialistisch, kent China, en trouwens het geheele Oosten
-niet. Het Oosten zoekt verder dan de zichtbare „Hing” natuurvormen.
-
-Degenen der lezers van dit boek, die de laatste studies van Becquerel,
-Curie enz. over de electronen gevolgd hebben en de laatste geschriften
-van Lorentz over de graviteit, zullen begrijpen, hoe de moderne
-Europeesche empirische wetenschap hoe langer hoe meer de mysteriën,
-verborgen achter de symbolen der „Yih King” nadert.
-
-Ook in Europa, al zullen de geleerden het met tegenzin later moeten
-bekennen, naderen physica en chemie reeds hoe langer hoe meer tot
-metaphysica. Het mag vreemd klinken, maar de oude Chineesche Wijzen van
-de symboliek der „Yih King”, duizenden jaren vóór Christus, zijn
-eigenlijk daar begonnen, waar de westersche empirische wetenschap hoe
-langer hoe meer in gaat eindigen.
-
-Reeds is de Westersche theorie van de doode stof door de laatste
-ontdekkingen der chemie onhoudbaar geworden.
-
-Het is heel gemakkelijk om, zooals al te veel materialistische
-Europeesche sinologen gedaan hebben, de Chineezen voor bijgeloovig uit
-te maken, omdat zij aan mystieke krachten en wezens gelooven,
-onzichtbaar voor de zintuigen; maar ik vestig de aandacht op de gulden
-woorden van den sinoloog Eitel:
-
-„God gave, dat onze eigen wetenschappelijke menschen in hun
-laboratoria, observatoria en lezing-lokalen denzelfden kinderlijken
-eerbied voor de levende krachten der natuur hadden, dien heiligen
-eerbied en vreeze voor de mysteriën van het ongeziene, dat vaste
-geloof in de werkelijkheid der onzichtbare wereld en haar voortdurende
-communicatie met het zichtbare en tijdelijke, die de Chineesche
-tastingen en zoekingen naar de natuurwetten kenmerken”.
-
-Dat de mystieke filosofie van de „Yih King” langzamerhand
-verbasterd is, en ontaard in een populair bijgeloof als b.v. dat van
-„Fung Shui” doet niets tot haar innerlijke waarde en diepte af. Als
-wij den „Geest van China” beschouwen, moeten wij den
-oorspronkelijken geest voor oogen hebben, in zijn zuiveren vorm, niet
-de ontaardingen onder het volk.
-
-Nog een enkel woord ten slotte over de Westersche begrippen goed en
-kwaad, en de reden, waarom die in China zoo geheel anders opgevat
-worden.
-
-Choe Hie leert, dat goed en kwaad geen positief autogonisme zijn, maar
-„noodig voor elkaar”. Door kwaad wordt goed gesuggereerd, ook aan
-de kwaden. Het is niet in de afwezigheid van goed, maar in de verbroken
-subordinatie van het hoogere tot het lagere dat het kwaad zelf bestaat.
-
-Deugd, Goedheid, is noch Yin noch Yang, maar is hun rechte, juiste
-verhouding, als gelijk noodige elementen. „Als zij in de juiste orde
-zijn is alles goed, in de onjuiste is alles slecht.”
-
-Door de lijnen der „kwa” zijn de grenzen van vooruitgang en
-teruggang, begin en einde, bepaald. M.a.w. rechtvaardigheid, rede,
-puurheid, maat, bestaan in ’t juiste betrachten van grenzen.
-
-Er is dus geen absoluut kwaad. Het moreele heelal is geen strijd van
-ongelijke, vijandelijke principes. Kwaad is de noodzakelijkheid
-begrepen in Veelheid, Verscheidenheid, de grond van vooruitgang en
-ontwikkeling, de disproportie van elementen, die nog niet in de juiste
-relatie en symmetrie zijn gebracht.
-
-Om de Chineesche symbolen te gebruiken: de Yin als lagere is kwaad,
-maar alleen als ’t zich niet houdt bij zijn ware functie van lager,
-van ’t hoogere te dienen in zijn medewerking aan de universeele Orde.
-Het Yang als hooger is goed, maar enkel als de grenzen erkennend
-tusschen zich zelf en Yin als lagere die zijn eigen souvereiniteit
-bewaren. M.a.w. hier is de psychologie, die ook Plato kende, dat alle
-menschelijke eigenschap goed is en alleen dàn kwaad in onjuiste
-proportie en verkeerde orde van vóórrang. Zooals ik al bij de
-behandeling van Confucius zeide: de conceptie van een Satan, een
-positieve entiteit van kwaad is voor de Chineesche gedachte een
-onmogelijkheid.
-
-Aan het slot van deze beschouwingen, en men gelieve zich die over
-Confucius en Lao Tsz’ hierbij te herinneren, wil ik er nog even de
-aandacht op vestigen, hoe ongegrond de beweringen van vele schrijvers
-over China, waaronder beroemde sinologen zijn, als zou de geest van
-China’s filosofie eene materialistische wezen. Terecht heeft Samuel
-Johnson hiervan gezegd: „Het is merkwaardig te constateeren hoe vele
-christelijke schrijvers over Chineesche filosofie gefaald hebben in te
-zien dat de inherentie van essentie in manifestatie geenszins
-materialisme in zich sluit, in dien hoogeren zin die de concrete wereld
-verheft tot de reëele activiteit van alle ideeën, waarheden en
-krachten. [Wij hebben gezien dat in al de voornaamste werken van
-Chineesche speculatie en practische opvoeding het immaterieele
-vóórgaat voor het materieele.]”
-
-En verder:
-
-„Als wij onder „materialisme” verstaan wat ik opvat als zijn ware
-beteekenis, namelijk dat geest het product is van de laagste vormen van
-bestaan, dan is de Chineesche filosofie, zooals getoond is door haar
-verschillende scholen, in géén zin materialistisch. Zij doet den
-mensch en al zijn vermogens voortkomen uit den Kosmos, als de
-vereeniging van actieve en passieve principes, in zich zelf rationeel,
-en voortschrijdende binnen de Ondoorgrondelijke Substantie en de
-Universeele Rede. Met andere woorden: geest is het product van het
-Geheel, niet van het láágste, maar van hetgeen tegelijkertijd het
-hóógste en het meest universeele is. Dit is een klaar voorgevoelen
-van de essentieele harmonie van evolutie en godsdienst. Het is in het
-overbrengen van zijn „principes” op aspiraties naar ideale deugden
-dat het spiritualisme van deze oude kosmische conceptie het meest
-blijkt. Op te rijzen van de observatie van haar voorbijgaande phenomena
-tot het idee van cyclische eenheden van wet, en deze te reduceeren tot
-één enkele goddelijke substantie als de „T’ai Kie” of de
-„Tao” is achter uiterlijke vormen gaan naar hun onzichtbare
-essence. Niets is meer karakteristiek voor het Chineesche volk dan deze
-interpretatieve gewoonte: het stellen van het ongeziene achter het
-geziene, van de beteekenis achter het symbool”.
-
-Tot zoover de voortreffelijke karakteriseering van Samuel Johnson.
-
-En ziehier tevens, waarom de Geest van China in den waren zin des
-woords een Geest is.
-
-
-
-
-
-
-
-LAO TSZ’ EN DE TAO TEH KING
-
-
-De meest populaire Wijze van China is zonder twijfel Kh’oeng Foe
-Tsz’, en hij is het, die het meeste ingedrongen is in het sociale
-leven der Chineezen, al is de diepere, esoterische bedoeling van werken
-als de „Choeng Yoeng” stellig geen gemeen goed van alle Chineezen
-uit het volk kunnen worden.
-
-Er is dikwijls de fout gemaakt—ook ik heb die vroeger gemaakt, totdat
-Chineesche literatoren mij haar aanwezen—Confucius voor een minder
-diepzinnig wijsgeer te houden, juist om zijne populariteit, en om zijn
-nadrukkelijk wijzen op de noodzakelijkheid van allerlei ceremonies en
-maatschappelijke conventies.
-
-De filosoof Lao Tsz’ werd dan voor den meer diepzinnigen wijsgeer
-gehouden, ook door mij vroeger.
-
-Hierbij werd over het hoofd gezien, dat Confucius’ bewerking en
-ordening van mystiek-diepzinnige klassieken als de „Yih King” het
-tegendeel reeds aantoont, en dat zijn sociale voorschriften en
-conventies alléén betrekking hadden op het z.g. „Tweede Stadium”,
-en wel speciaal de tijden daarvan, waarin hij leefde.
-
-De wijsgeer Lao Tsz’ heeft zich nooit tot dat Tweede Stadium bepaald,
-en maakte zich niet druk over de maatschappelijke en politieke
-instellingen en regelingen, die Confucius zoo noodzakelijk vond.
-
-Hij is de Wijze der metaphysische bespiegelingen en der transcendente
-speculaties, die slechts door een kleine uitzondering intuïtieve
-denkers en voelers, maar niet door de groote massa van het volk kunnen
-begrepen worden.
-
-Toch is, misschien juist daarom, de zéér fijne essence van den Geest
-van China in dezen mysterieuzen droomer en denker het subtielste te
-vinden.
-
-Zijn leer is neergelegd in zijn eenige werk, de „Tao Teh King”.
-Daar wij met zijn leven eigenlijk weinig te maken hebben—immers hij
-liet de „Tao Teh King” achter als het wezenlijkste
-daarvan—vermeld ik hier alleen, dat hij in 604 v. C. werd geboren in
-den staat Ch’u, dat hij een tijd lang bewaarder van de archieven was
-in de hoofdstad van dat rijk, en, toen hij zag dat alles in dien staat
-in wanorde en verval geraakte, zijn ambt neerlegde, en verdween, zooals
-de geschiedschrijver zegt „Naar het Westen”. Volgens sommigen zou
-dit naar Thibet geweest zijn.
-
-Toen hij de grenzen van den Westelijken bergpas overschreed, die naar
-de vreemde rijken leidde, vroeg de grenswachter I Hie hem: „Nu gij u
-in de eenzaamheid gaat terugtrekken moet ge me toch een boek geven, dat
-tot leering kan zijn”. Hierop gaf Lao Tsz’ hem een kort werk in 2
-deelen, dat later „Tao Teh King” werd genoemd. Daarna ging hij
-heen, op een os gezeten, en verdween voor goed. Latere filosofen
-noemden dit dat hij „in de verborgenheid ging”. Zijn graf is
-onbekend. Dit onbekende van zijn persoon, en van zijne stoffelijke
-overblijfselen, en dit, geheel los van zijn persoon, overblijven van
-zijn werk, is precies in overeenstemming met zijn leer.
-
-De „Tao Teh King”, een zeer bescheiden boekje, bevat niet een
-logische op enkel Rede gebaseerde uiteenzetting van Lao Tsz’s
-wijsheid, maar is geschreven in zeer compacten stijl, met
-schriftteekens, zóó uit hun gewone sfeer gehaald om aparte,
-spiritueele dingen aan te duiden, dat het voor niet-intuïtief
-aangelegden duister, en op vele plaatsen onbegrijpelijk is. Lao Tsz’
-werkt er niet in met logische redeneeringen, maar met donkere
-aanduidingen, en de methode er in is, om den lezer als ’t ware tot
-voorgevoelens, tot „Ahnungen” te brengen, die hem voeren naar over
-de grenzen van het enkel door gedachte vatbare, naar het
-„Jenseits”, waar de hoogste intuïtie enkel toe leiden kan. Klare
-formuleering is in dit systeem uitgesloten, en een vertaling uit het
-schrift van Chineesche symbolieke teekens in eene meer nuchtere,
-alphabetische Europeesche taal zal altijd zeer gebrekkig moeten
-blijven. Een gewone taal-geleerde, die zulke mystieke, duistere,
-suggestieve symboliek vertalen gaat, krijgt wel eens de onzinnigste
-nonsens. Hij die den Geest van China niet heeft doorvoeld, welke zich
-nergens zoo karakteriseert als in de intuïtieve, schijnbaar-duistere
-uitings-methoden der Chineesche filosofie, staat voor de „Tao Teh
-King” als voor een onbegrijpelijk raadsel, en vreest zelfs eene
-mystificatie.
-
-Lao Tsz’ schreef niet voor geleerden, maar voor gevoelige
-intuïtieven. Hij zegt dit zelf in een tekst: „Zij die Tao kennen
-zijn niet geleerd, zij die geleerd zijn kennen Tao niet”.
-
-De Chineesche filosofie zoowel als de Chineesche kunst maken de hoogste
-aanspraak op medewerking en aanvulling van den beschouwer of
-toehoorder. Zij zijn, zooals dr. Glaser zeer terecht gezegd heeft
-„Beschränkung” en geen „Entfaltung”. Hij, die er van geniet,
-„breitet nicht eine Fülle vor sich aus”, maar „zieht sich
-zurück auf das Eine, in das er sich ganz versinkt”.
-
-Confucius heeft verder eens tot zijne discipelen gezegd: „Als ik
-één hoek van een zaak heb aangetoond en men er dan niet (vanzelf) de
-andere drie uit grijpt, herhaal ik mijn les niet”.
-
-Men zal dan ook in de geheele Chineesche filosofie tevergeefs zoeken
-naar een zoo klaren, logischen gedachtengang, waarin het eene bijna
-wiskunstig zeker uit het vorige volgt, als b.v. in Plato. (Ik denk hier
-b.v. aan zijn „Phaedon”, waarin logisch redeneerend de
-onsterfelijkheid van ’s menschen geest wordt bewezen.) De Chineesche
-methode is daarom geen mindere of inferieure, zij is alleen een andere.
-Er wordt meer in gerekend op intuïtie dan op logisch denken, er wordt
-meer aangeduid met symbolen—en dit volgt al uit het symbolieke
-Chineesche schrift—dan bewezen met redeneeringen al wijder en wijder,
-het is eene verzinking, een concentratie. In dit opzicht is de
-Chineesche filosofie—ik bedoel hier vooral die van Lao
-Tsz’—verwanter aan de Vedanta-filosofie der Upanishads.
-
-Lao Tsz’ nam zich nergens de moeite, zijn korte, suggestieve teksten
-uit te leggen. Zijn werk is een wonder van véél-zeggen in zoo weinig
-mogelijke schriftteekens. Ik zeg niet: woorden, omdat de Chineesche
-„karakters” eigenlijk meer symbolen van ideeën dan woorden zijn.
-Hij schreef ook maar zéér zelden in gelijkenissen, omdat zijn teksten
-meestal in de Eenheid, Tao, zijn geconcentreerd, en gelijkenissen in de
-Veelheid werken.
-
-Ongeveer 250 jaar na Lao Tsz’ leefde een wijsgeer, Chuang Tsz’
-geheeten, die de leer van de „Tao Teh King” in een veel
-uitgebreider werk, de „Nan Hwa King” heeft verduidelijkt, en wel
-grootendeels door gelijkenissen in korte verhalen, meest fictie, al
-komen er historische personen in voor. Wel is waar heeft ook Chuang
-Tsz’ niet met strenge logica gewerkt en verduidelijkt, want ook zijn
-boek is vol vage, veelal duistere suggesties, maar tóch wordt het
-uiterst geconcentreerde en essentieele uit de „Tao Teh King” er in
-wijder ruimte door geïllustreerd.
-
-Ik zou gerust durven zeggen: er valt over de „Tao Teh King”
-eigenlijk niet te redeneeren. Ik kan dan ook niet beter in
-overeenstemming met den Geest van China handelen in dit boek dan door
-eenige teksten er uit in vertaling te geven, teksten, die het
-Chineesche begrip Tao suggereeren (niet definieeren). Die teksten
-worden intuïtief begrepen, òf zij worden het niet.
-
-Ik zal hier en daar een zoo kort mogelijke commentaar geven, maar te
-lang redeneeren zou juist hoe langer hoe verder van Tao afbrengen. Wie
-niet op de Chineesche manier, intuïtief en suggestief, Chineesche
-filosofie direct áánvoelt, begrijpt haar tòch nooit. Want die
-filosofie werkt op een hooger gebied dan het enkel intellectueele. De
-Geest van China kan nooit enkel intellectueel begrepen worden, zonder
-het véél zekere intuïtieve voelen, dat weten is.
-
-Ik merkte te voren op, dat de enkele teksten, die ik zal aanhalen—ze
-zijn kort—niet onmiddellijk logisch met elkaar in verband schijnen te
-staan, of op elkaar dóór redeneeren, want zóó is de Chineesche
-methode niet. Het zijn aanduidingen, vage toespelingen, in de
-verborgenheid van eenzaamheid en concentratie eerder gefluisterd dan
-gesproken, die meer op intuïtie dan op verstand berekend zijn, om den
-lezer of hoorder te doen voorgevoelen het Godsbegrip Tao, een begrip
-dat niet in woorden is uit te drukken. Een tekst in de „Tao Teh
-King” luidt:
-
-„Zij die Tao kennen spreken er niet over, zij, die er over spreken
-kennen Tao niet”.
-
-Als wij dit letterlijk opvatten zou dus elke mededeeling te dezen
-opzichte uit den Booze zijn, maar zóó letterlijk is het zeker niet
-bedoeld en ik meen dus geen al te groote heiligschennis te begaan door
-het werk „Tao Teh King” van Lao Tsz’ te bespreken.
-
-Hier ga de opmerking vooraf, dat, waar Lao Tsz’ met Tao trachtte aan
-te geven de Godheid als ongemanifesteerd, in zich zelf, hij met
-Teh—letterlijk: Deugd beteekenend, maar hier met een geheel aparte,
-mystieke beteekenis—bedoelde „de wijze van bestaan eigen aan Tao in
-zijne manifestaties in ’t Heelal”.
-
-Er is nog al eens verwarring ontstaan, omdat in Confucius Tao meestal
-(niet altijd) met „het Pad, de Weg” (the Way, the Path in Prof.
-Legge’s „Chinese Classics”) vertaald kan worden. In zekeren zin
-beteekent het in Confucius veelal ook „Het Pad”, mits men hieronder
-een spiritueel Pad versta, en niet aan Tijd en Ruimte er bij denke.
-Wanneer wij echter de symboliek van het Chineesche karakter
-(schriftteeken) beschouwen, dat het begrip Tao afbeeldt—de symboliek
-der Chineesche filosofie is tusschen twee haakjes door de vertalers
-altijd veel te veel over het hoofd gezien—dan bevinden we dat Tao
-bestaat uit twee deelen, waarvan het tweede oók uit twee bestaat n.l.
-uit Io „Het Hoofd”, en uit IIo Gaan, Bewegen. Prof. Chavannes, in
-zijn „Mémoires Historiques de Sse-Ma-Tsien” heeft hier óók
-terecht de aandacht op gevestigd. Hij heeft hierbij echter vergeten te
-releveeren, dat dit tweede, n.l. „Gaan, Bewegen” ook weer uit twee
-deelen bestaat, n.l. Io „loopen” (gaan) en IIo „stilstaan”, en
-juist dit kan een groote mystieke beteekenis hebben, waarover ik hier
-echter niet kan uitweiden. Van „Het Hoofd” dat „beweegt”, dat
-„gáát”, naar een geestelijk hoofd, een geestelijk principe, dat
-in het Heelal rondgaat, is in mystieke filosofie vol symboliek de
-sprong niet zoo heel ver. De oorspronkelijke symboliek der Chineesche
-schriftteekens is afgebeeld door zeer diepzinnige menschen, die wel
-precies wisten wat ze er mede bedoelden, en vooral in oude Chineesche
-filosofie is het zaak, goed te letten op de schriftteekens, die de
-filosoof voor zijn begrippen gebruikt. Uit de symboliek van het
-schriftteeken voor „Tao” volgt vanzelf al, dat het oorspronkelijk
-geen „Pad” of „Weg” kan beteekend hebben, maar het „Hoofd”,
-het Principe zelf, dat in het Heelal rondgaat, en Zijn eeuwigen Weg
-gaat. Later is die Weg in de plaats van het Principe zelf gekomen,
-zooals dat wel meer gaat. Er is echter geen kwestie van of, reeds
-eeuwen vóór Confucius was bij de Chineezen een begrip Tao bekend,
-niet als een Weg, maar hoe vaag en duister ook, als een Godsbegrip, en
-zelfs Prof. Legge, de vertaler der „Chinese Classics” erkent na
-speciale en grondige studie hierover tot de wetenschap gekomen te zijn
-dat lang voor Lao Tsz’ „there was a Taoïsm earlier than this”.
-
-Ik laat thans eenige teksten volgen, in mijne eigen vertaling.
-
-Hoofdstuk I.
-
-„1. Kon Tao uitgezegd worden, dan zou het de eeuwige Tao niet zijn:
-kon de Naam genoemd worden, zoo zou het de eeuwige Naam niet zijn.
-
-„2. Als Niet-Zijn kan men Het noemen het Begin van Hemel en Aarde;
-als Zijn kan men Het noemen de Moeder aller Dingen.
-
-„3. Daarom (als men) voortdurend Niet (Niet-Begeerte) is, kan (men)
-Zijn verborgen geheimenis zien, (als men) voortdurend (Begeerte) is,
-kan (men) er enkel den (Vorm) grens van zien.
-
-„4. Deze beiden, Zijn en Niet-Zijn, komen uit hetzelfde voort en
-hebben verschillenden naam. Beiden zijn zij geheimzinnig. Het
-geheimzinnige ervan is wederom geheimzinnig. Het is de Poort van het
-Geheimenis”.
-
-
-
-Lao Tsz’ beschouwt alzoo Tao als in zich zelf, ongemanifesteerd, dus
-voor ons, die aan alle Zijn een zichtbaren vorm verbinden, als
-Niet-Zijnde—dit relatieve Niet-Zijn is echter juist het absolute
-Zijn—en aldus, ongemanifesteerd beschouwd is het ’t Begin van
-alles, van Hemel en Aarde. Verder beschouwt hij Het als gemanifesteerd
-in ’t Heelal, als voor ons Zijnde dus, en als zóódanig is Het als
-de Moeder, die baarde alle dingen, waaruit dus alle dingen voortkomen.
-
-Als men „Niet-Is”, dat wil zeggen: niet in de uiterlijke wereld van
-de uiterlijke phenomena levend, niet misleid door de wereld van
-relatieve dingen en tegenstellingen, maar geconcentreerd in de Eenheid,
-in Tao (hierover later uitvoeriger) dan kan men ’t verborgen
-Geheimenis van Tao in-zich-zelve, als ongemanifesteerd aanschouwen. Als
-men wèl „Is”, ziet men alleen de manifestatie van Tao in ’t
-Heelal, den begrensden vorm dus. Toch komen Zijn en Niet-Zijn beide uit
-hetzelfde, uit Tao voort; ze zijn dus beide op geheimzinnige wijze
-identiek. En dat geheimzinnige is dubbel geheimzinnig, omdat—zooals
-de commentator van mijn editie, Peh Yü Shen, zoo terecht zegt: „In
-’t voor ons onreëele is ’t Reëele verborgen, in het Niets ligt
-juist het echte Iets”. Wat wij relatief Niet-Zijn noemen, omdat we
-’t niet vatten kunnen is juist het éénige, absolute Zijn. Dit
-doorgronden is aan de Poort staan van het Geheimenis.
-
-De bespiegelingen over Zijn en Niet-Zijn vinden wij evenzoo in de
-Upanishads.
-
-Het Niet-Zijn of Niets is vermoedelijk door Lao Tsz’ als hetzelfde
-gedacht als wat Choe Hie ook aanneemt als nog vóór het „T’ai
-Ki”, als dát, wat het „Tai Ki” voortbracht.
-
-
-Hoofdstuk II. [37]
-
-„1. Allen onder den Hemel weten dat mooi mooi is, dan spijt het in
-(de tegenstelling van) leelijk; allen weten zoo dat goed goed is, dan
-spijt het in (de tegenstelling van) slecht.
-
-„2. Daarom, Zijn en Niet-Zijn brengen elkander voort. Moeilijk en
-Gemakkelijk zijn elkaars gevolg, Lang en Kort strijden met elkaar, Hoog
-en Laag wedijveren met elkaar, de Toon en het Geluid harmonieeren met
-elkaar, Vóór en Achter volgen elkaar.
-
-„3. Daarom doet de Wijze het werk van Wu Wei en begaat de Leer zonder
-woorden.
-
-„5. Als het werk volbracht is blijft hij er niet aan hangen, en
-daarom juist gaat het (Tao) niet van hem weg.”
-
-Dit hoofdstuk is een treffend bewijs met hoe weinig woorden Lao Tsz’
-veel kan zeggen. Hij neemt de moeite niet het uitvoerig uit te leggen,
-hij schreef enkel voor verwante zielen, die het woord „Daarom” (ad
-3) direct begrijpen.
-
-Hij zegt in deze korte woorden, dat deze wereld een relatieve is, van
-tegenstellingen, die alzoo niet in zich zelf bestaan, en zegt dat
-„Daarom” de Wijze zich niet bezig houdt met werk in die
-tegenstellingen maar met „Wu [38] Wei”. Letterlijk vertaald is dit
-„Niet Doen”, en niet-filosofisch aangelegde sinologen hebben hierin
-gezien een lui „laissez-aller” een lui niets-doen, een luie
-onverschilligheid.
-
-In waarheid echter beduidt Wu Wei heel iets anders. Het staat tot Wei,
-Doen, zooals Niet-Zijn staat tot Zijn, in ’t vorige hoofdstuk. Het
-relatieve Niet-Doen, voor ons, die ’t niet bevatten kunnen, is het
-absolute Doen. Wu Wei is het doen in de Eenheid, in Tao, niet in de
-Veelheid der tegenstellingen.
-
-Zeer mooi is dit uitgedrukt in een drie jaar geleden verschenen werk
-van Martin Buber „Reden und Gleichnisse des Tschuang Tse”. Hij
-noemt daarin Wu Wei (lett. vertaald Niet-Doen) „Wirken aus
-ungeschiedener, gegensatzloser, umfriedeter Einheit”.
-
-Deze „Niet-Doen”-Actie is ons reeds welbekend uit andere Oostersche
-filosofische werken, en indien de sinologen, die het „Wu Wei” voor
-een lui niets-doen aanzagen dit maar begrepen hadden, zouden ze Lao
-Tsz’ meer recht hebben gedaan. Lao Tsz’ duidt het nog éven aan
-door te spreken van „niet aan ’t werk te blijven hangen (lett.
-staat er „in blijven wonen”) als het volbracht is”.
-
-In de Upanishads wordt een zelfde leer van geestelijk werken genoemd
-„the doctrine of action without attachment to result” (vairagya).
-
-In dit korte hoofdstuk II is, in zoo weinig mogelijke schriftteekens
-uitgesproken, dat er geen eigenlijke erkentenis is in de wereld van de
-tegenstellingen en van het gescheidene. Zooals Dr. Martin Buber het zoo
-juist uitdrukt in zijn „Gleichnisse des Tschuang Tse”: „slechts
-in wien geen scheiding is, die is niet van de wereld gescheiden en kan
-de wereld erkennen. Niet in de contrasten, niet in de dialektiek van
-Subject en Object, maar slechts in de Eenheid met het Al is Erkenning.
-Die Eenheid is trouwens de Erkenning.”
-
-Alzoo: die Erkenning is geen Weten, maar Zijn.
-
-
-Hoofdstuk IV.
-
-1. Tao is ledig, en (toch) hoe zou Het in zijn actie niet vol zijn?
-
-2. O! Hoe afgrond-diep is Het! Het is de Oer-Vader aller dingen.
-
-3. Het verstompt zijn scherpte, ontwart zijne ingewikkeldheid, tempert
-zijn (verblindende) schittering, en maakt zich gelijk aan zijn stof.
-
-4. O! Hoe stil is het! Het lijkt wel eeuwig te blijven bestaan.
-
-5. Ik weet niet van wien Het kind is. Het was vóór Shang Ti (de
-opperste God-Macht) [39].
-
-
-Hoofdstuk VII.
-
-1. Hemel en aarde duren eeuwiglijk. Hemel en Aarde kunnen dáárom
-eeuwiglijk duren, omdat zij niet voor zich zelf leven.
-
-2. Daarom stelt de Wijze zijn zelf achter de anderen, en dan wordt zijn
-Zelf (juist) de eerste.
-
-3. Hij maakt zich los van zijn zelf, en dan is zijn Zelf (juist)
-blijvend.
-
-4. Is dit niet, omdat hij geen ik heeft?
-
-5. En (toch) wordt dan zijn (hoogere) Ik volmaakt.
-
-
-Hoofdstuk VIII.
-
-1. De opperste Goedheid is als water.
-
-2. Water is goed, doet goed aan alle dingen, en twist niet.
-
-3. Het woont in plaatsen, die de menschen verachten.
-
-4. Daarom komt het dicht bij Tao.
-
-
-Hoofdstuk IX.
-
-1. De dertig spaken van een wiel vereenigen zich om een naaf. Op de
-ledige ruimte berust het gebruik van het wiel.
-
-2. De vaas is uit klei gekneed tot een voorwerp, op de ledige ruimte
-berust het gebruik van het voorwerp.
-
-3. Men boort deuren en vensters uit om een huis te bouwen. Op de ledige
-ruimte berust het gebruik van het huis.
-
-4. Daarom, het Zijn (het materieele) is er het voordeel van maar op het
-Niet-Zijn (het immaterieele) berust het (eigenlijke) gebruik er van.
-
-
-Hoofdstuk XIII.
-
-1. In de oudheid waren de goede filosofen die zich aan Tao wijdden
-(als) gering, subtiel, duister en ver doordringend.
-
-3. Zij verdwenen, als het ijs dat gaat smelten. Zij waren simpel, als
-onbewerkt hout. Zij waren ledig, als een vallei.
-
-
-Hoofdstuk XXXVII.
-
-1. Tao is eeuwig Wu Wei (Niet Doende), en toch is er niets, wat Het
-niet doet.
-
-4. Het simpele wezen dat geen naam heeft bevrijdt ons van begeerte en,
-vrij van begeerte, komen wij tot de Rust.
-
-In deze (zie I) fijne woordspeling, waarbij ik even stil wil blijven
-staan, ligt ook opgesloten: Door geestelijke actie brengt Tao het
-concrete Heelal voort, op mystieke wijze.
-
-In de Ishopanishad vinden wij hetzelfde: „Hij, die doet bewegen en
-(toch) zelf niet beweegt”.
-
-
-
-Meister Eckehart zegt nog: „God is rust, en toch als God ook maar een
-oogenblik ophield te scheppen zou de heele wereld ten gronde gaan”.
-
-
-Hoofdstuk XLII.
-
-1. Tao baarde één, één baarde twee, twee baarde drie, drie baarde
-alle dingen (de creatie).
-
-2. Alle dingen laten de Duisternis (de Stof) achter zich (waaruit zij
-gekomen zijn) om te omhelzen het Licht (den Geest), en worde in
-harmonie gebracht door het Fluïde der Leegte.
-
-In dezen tekst hebben sommigen een analogie gezien met de Drieëenheid
-uit de H. Schrift. Men moet echter verder gaan, en evenzeer de
-Drieëenheid uit alle andere oude godsdiensten er mede vergelijken. Het
-„Fluïde der Leegte”—waarvan wij in andere oude mystieke boeken
-ook analogieën vinden—is in deze Chineesche filosofie een term,
-aanduidend „alles wat primair agent is in ’t voortbrengen en
-modifieeren van beweging”.
-
-
-Hoofdstuk LI.
-
-1. Tao baart de dingen, Teh brengt ze groot, de Materie vormt ze, de
-Kracht volmaakt ze.
-
-2. Daarom, onder alle wezens is er geen, dat niet Tao vereert en Teh
-hoogacht.
-
-3. Die majesteit van Tao en die eerwaardigheid van Teh zijn niet aan
-hen gegeven, zij bezitten die eeuwig uit zichzelven.
-
-4. Daarom, Tao baart ze, Teh brengt ze groot, bestendigt ze, onderhoudt
-ze, beschut ze, bederft ze (weer), voedt ze, en werpt ze (weer) omver.
-
-5. Te baren, en toch niet als eigendom te beschouwen, te formeeren, en
-dat toch niet als glorie te beschouwen, te regeeren, en toch vrij te
-laten,—dit noem ik de mysterieuze Deugd.
-
-
-Hoofdstuk LV.
-
-6. Van het toppunt van kracht af worden de dingen oud, dat wil zeggen,
-zij zijn niet gelijk aan Tao, en wat niet gelijk is aan Tao neemt een
-spoedig einde. [40]
-
-
-Hoofdstuk XI.
-
-1. De beweging van Tao is terugkeer (tot zichzelf). Zachtheid is Zijn
-functie.
-
-2. Alle bestaan op de wereld is uit Zijn. Alle Zijn is uit Niet-Zijn.
-
-
-Hoofdstuk XLIII.
-
-1. Het allerzachtste in de wereld overwint het allerhardste.
-
-2. Het Niet-Zijn dringt binnen in waar geen opening is.
-
-3. Vandaar dat ik het nut weet van Wu Wei.
-
-
-Hoofdstuk XLVII.
-
-1. Zonder mijn deur uit te gaan ken ik de wereld, zonder uit mijn
-venster te kijken zie ik den Weg des Hemels.
-
-2. Hoe verder men uitgaat, hoe verder men wordt voortgedreven, hoe meer
-men weet hoe minder men weet.
-
-3. Daarom de Wijze weet zonder iets te doen, noemt de dingen zonder te
-zien, en volmaakt zich zonder actie.
-
-
-Hoofdstuk LXXVI.
-
-1. Als de mensch geboren wordt is hij zacht en zwak, als hij sterft is
-hij stijf en sterk. Als het gras en de boomen geboren worden zijn zij
-soepel en teer, als zij sterven zijn zij droog en schraal.
-
-2. Stijfheid en sterkte zijn de volgelingen van den dood, zachtheid en
-zwakheid zijn de volgelingen van het leven.
-
-3. Daarom, als een leger sterk is overwint het niet, als de boom sterk
-is wordt hij omgehakt.
-
-4. Wat sterk en groot is is inferieur, wat zacht en zwak is is
-superieur.
-
-
-Hoofdstuk LXXVIII.
-
-1. Niets in de wereld is zachter en zwakker dan het water, en toch is
-er niets, dat het overtreft in het breken van wat hard is. Daarom is er
-niets, dat water evenaart. Het zachte overwint het harde, het zwakke
-overwint het sterke.
-
-
-Hoofdstuk LXXXI.
-
-1. Ware woorden zijn niet mooi; mooie woorden zijn niet waar.
-
-2. Zij, die goed zijn, zijn niet welsprekend, zij, die welsprekend
-zijn, zijn niet goed.
-
-3. Zij, die (Tao) kennen zijn niet geleerd; zij die geleerd zijn kennen
-(Tao) niet.
-
-Men ziet en voelt, hoe al deze verschillende teksten volstrekt niet in
-westerschen zin logisch op elkaar volgen. Iedere tekst is als ’t ware
-het bezonkene van een lange, diepe meditatie, en is ook, omgekeerd, een
-onderwerp, om uren en uren over na te denken, en zich in te verdiepen.
-M.a.w.: de studie van zulke teksten moet op oostersch meditatieve wijze
-plaats hebben, niet op enkel westersch mentale.
-
-Het is duidelijk, dat deze diepzinnige bespiegelingen geen gemeengoed
-voor de groote massa konden worden, en dat zij niet zulk een invloed op
-het gewone, maatschappelijke leven konden uitoefenen, als de leeringen
-van Confucius. Zijn teksten waren zulke, die „half reveal and half
-conceal the thought within”, zooals Douglas er terecht eens van
-gezegd heeft. [41] Het bekende
-
-
-„Ch’ú Pi Tsch’ù Tsch’ù”
-
-
-d.i. „Verwerp Dit (van buiten), Grijp Dàt (van binnen)” uit het
-12e Hoofdstuk der „Tao Teh King” is geen op te volgen voorschrift
-voor de menigte, maar enkel voor een élite intuïtieve denkers.
-
-Het latere geslacht heeft dan ook gedaan, wat steeds met groote,
-diepzinnige leeren van denkers gedaan is, het heeft Lao Tsz’ zeer
-vervormd, en er de zonderlingste hocus-pocus formules in meenen te
-zien, zoo dat de „Tao Teh King”, die voor hooge, fijne Chineesche
-geesten een bijbel is gebleven, het uitgangspunt is geworden van een
-verward systeem van alchemie en magie, en van een afgoden-dienst,
-gewoonlijk Taoïsme genaamd, die eigenlijk niets met de mystieke,
-verheven leer van Tao meer te maken heeft. [42]
-
-Daar ik dit boek aan den zuiveren, onvervalschten Geest van China wijd,
-en niet aan verwordingen en verbasteringen, kunnen beschouwingen over
-dit ontaarde Taoïsme achterwege blijven.
-
-Het is eigenaardig, dat zooveel sinologen van naam, zich bij voorkeur
-met de degeneraties en verwordingen hebben opgehouden, en hun leven
-hebben besteed aan het schrijven van dikke folio’s hierover, terwijl
-de oorspronkelijke, sublieme Wijsheid van China, waarin de Geest van
-China in puren onbevlekten staat bewaard is gebleven, aan hun aandacht
-gansch is ontsnapt. Een van de voornaamste redenen hiervan is, dat zij
-de intuïtie, en het „spiritual insight” misten om in dien Geest
-door te dringen.
-
-Het is ook de aandacht van de meeste sinologen voorbijgegaan, dat er
-ten huidigen dage in China nog vele, zoogenaamde „esoterische”
-scholen bestaan, waarin de oorspronkelijke filosofie van Lao Tsz’
-zuiver bewaard wordt, en het onderwerp is van de meest serieuze
-meditatieve bespiegelingen. Eene studie dier scholen zou van het
-hoogste belang zijn, en groote schatten van oostersche wijsheid aan het
-licht brengen.
-
-
-
-
-
-
-
-CHUANG TSZ’
-
-
-Ik kan niet nalaten, hieronder een en ander te laten volgen uit de
-„Nan Hwa King”, het mystieke werk van Lao Tsz’s grooten discipel
-Chuang Tsz’, die 250 jaar na hem leefde en, grootendeels door
-gelijkenissen in korte verhalen en parabelen, de leer van de „Tao Teh
-King” geïllustreerd heeft.
-
-Men verwachte ook hier geen logische uiteenzetting, want dezelfde
-intuïtieve, suggestieve methode wordt er in gevolgd, die niet voor
-enkel intellectueelen, maar voor intuïtief aangelegden begrijpelijk
-zijn.
-
-Ik zal mij aan die methode houden, en dus enkele korte verhalen uit de
-„Nan Hwa King” hier in vertaling geven, om ten slotte eene korte
-beschouwing er over te houden:
-
-
-(Uit Hoofdstuk II)
-
-„Als er een begin was, was er ook een tijd dat dat begin nog geen
-begin was. En dan was er ook een tijd vóór den tijd, die was vóór
-den tijd van dat begin.
-
-„Als er Zijn was, was er ook Niet-Zijn. En als er een tijd was dat
-Niets bestond, moest er ook een tijd geweest zijn dat Niets niet
-bestond.
-
-„Plotseling was er Niets, maar ik weet nog niet of dit nu iets is dat
-bestaat of niet bestaat”.
-
-
-(Uit Hoofdstuk II)
-
-Er bestaat geen ding dat niet objectief is, er bestaat geen ding dat
-niet subjectief is. Als wij van het objectieve uitgaan dan zien wij
-niets. Alleen van ’t eigen (subjectieve) weten uit kunnen wij weten.
-Daarom zegt men: het objectieve komt uit het subjectieve voort.
-Objectief en subjectief is een theorie (spraak) van alternatie. En
-toch, als ’t eene wordt geboren is ’t andere gestorven, als ’t
-eene sterft wordt ’t andere geboren, als ’t eene kan kan ’t
-andere niet, als ’t eene niet kan kan ’t andere, omdat ’t eene
-positief is is ’t andere negatief, omdat ’t eene negatief is is
-’t andere positief.
-
-Daarom, de Wijze bekijkt niet uit deze standpunten. Hij plaatst zich in
-den Hemel [43] en is dan vanzelf in het (groote) Subjectieve standpunt,
-waar subjectief ook objectief is en objectief ook subjectief, en waar
-de tegenstellingen niet-onderscheidbaar tot één vermengd zijn.
-Daarom, kunnen we (eigenlijk) wel zeggen dat subjectief en objectief
-bestaan of niet-bestaan?
-
-Waar subjectief en objectief niet (meer) hun correspondeerende
-tegenstelling hebben daar is Tao in zijn inwezen [44].
-
-
-(Uit Hoofdstuk XII)
-
-Ten eerste: De vijf kleuren verwarren het oog, en maken dat het niet
-helder meer ziet.
-
-Ten tweede: De vijf geluiden verwarren het oor en maken dat het niet
-duidelijk meer hoort.
-
-Ten derde: De vijf geuren verwarren den neus en maken dat de reuk
-belemmerd wordt.
-
-Ten vierde: De vijf smaken verzadigen het verhemelte en maken het
-smaakgevoel ziek.
-
-Ten vijfde: Lust en afkeer verduisteren het hart en maken dat de
-oorspronkelijke natuur vervliegt.
-
-Deze vijf zijn de gevaren van het leven, en toch beschouwden Yang en
-Mih [45] die als het hoogste goed.
-
-Ik noem dit niet het hoogste goed verkrijgen. Want als in zulke ellende
-opgesloten te zijn het hoogste goed verkrijgen moet heeten, dan kunnen
-duiven en uilen in hun kooien ook het hoogste goed verkregen hebben.
-
-Buitendien, zichzelf van binnen vol te stoppen met neigingen en
-afkeeren en geluiden en kleuren, en zich van buiten mooi te maken met
-bonte mutsen, veêren hoeden, tabletten en gordels, (vanbinnen
-volgepropt met allerlei overbodigs en vanbuiten piekfijn van pracht) en
-dan nog te praten van ’t hoogste goed te hebben verkregen.... op die
-manier kunnen een misdadiger met zijn armen op zijn rug gebonden en
-zijn vingers in de duimschroef, of een tijger of een luipaard in hun
-kooi óók het hoogste goed hebben verkregen.
-
-
-(Uit Hoofdstuk XVIII)
-
-Toen Chuang Tsz’s vrouw stierf kwam Hui Tsz’ om hem rouw te
-betoonen. Chuang Tsz’ was toen juist bezig, op den grond met rechtuit
-gespreide beenen op een schaal te trommelen, terwijl hij er bij zong.
-
-Hui Tsz’ zeide: „Met een vrouw te leven, Uw oudsten zoon te zien
-opgroeien en dan als haar lichaam sterft niet te weenen, dat is al
-genoeg, naar ik meen, maar dan nog op een schaal te trommelen en te
-zingen, is dat niet àl te erg?”
-
-Chuang Tsz’ antwoordde: „Zóó is ’t niet. Toen zij pas gestorven
-was en ik alleen bleef, hoe kon ik toen anders dan bedroefd zijn? Maar
-toèn ben ik gaan nadenken dat zij vroeger geen leven had, niet alleen
-geen leven, maar (zelfs) geen vorm, niet alleen geen vorm, maar (zelfs)
-geen fluïde. In dien oer-toestand werd, door de kosmische
-transformaties fluïde gegeven, toen vorm, en toen geboorte. Thans,
-door wederom transformatie, stierf zij. Dit is gelijk de gang der vier
-jaargetijden, lente, zomer, herfst, winter.
-
-„En nu, terwijl zij rustigjes slaapt in het Groote Huis (van Tao) te
-gaan huilen en jammeren, zou zijn het niet begrijpen van deze
-goddelijke wet. Daarom onthoud ik mij.”
-
-
-(Ibid.)
-
-Lieh Tsz’, toen hij op reis was, zat te eten langs den weg, toen hij
-een eeuwenoud doodshoofd zag. Hij plukte een rietje af en zeide, het
-aanwijzende: „Alleen gij en ik weten hoe nog nooit bewezen is dat
-dood of leven bestaan”.
-
-
-(Uit Hoofdstuk XXII)
-
-Schitterend Licht vroeg Niet-Zijn „Bestaat gij, Meester, of bestaat
-gij niet?” Schitterend Licht kreeg geen antwoord en trachtte de
-gedaante van Niet-Zijn te zien.
-
-.... Diepte.... Leegte....
-
-Den ganschen dag keek hij uit maar zag niets, luisterde maar hoorde
-niets, greep er naar maar kreeg niets.
-
-„Dat is ’t toppunt” zei Schitterend Licht. „Wie kan hier aan
-toe komen? Ik kan er in komen dat er Niet-Zijn is, ik kan er niet in
-komen dat Niet-Zijn er niet is. Als Niet-Zijn bestaat, hoe kan het dan
-tot het bestaan van dit (Niet Niet-Zijn) komen?
-
-
-(Uit Hoofdstuk XII)
-
-De Gele Keizer reisde ten Noorden van het Roode Water en besteeg de
-K’un Lun bergen. Naar het Zuiden terugkeerende verloor hij zijn
-mystieke parel.
-
-Hij gebruikte Weten om haar terug te vinden, maar kreeg haar niet. Hij
-gebruikte Magie om haar terug te vinden maar kreeg haar niet. Hij
-gebruikte Uiterste Kracht om haar terug te vinden maar kreeg haar niet.
-
-Toen gebuikte hij Niets [46]. En Niets kreeg haar.
-
-En de Gele Keizer zeide: „Hoe vreemd! Niets kreeg haar terug!”
-
-
-(Uit Hoofdstuk XX)
-
-(De filosoof I Liao zeide tot den vorst van Lu:)
-
-Het is ons mensch-zijn dat ons belemmert, het is het mensch-zijn in
-anderen dat ons verdriet geeft. Daarom had (keizer) Yau dit mensch-zijn
-niet en zag het niet in anderen. Ik zou wenschen die belemmering en dat
-verdriet van U weg te hebben en U eenzaam in Tao in het oneindige rijk
-aan Niets te doen zweven.
-
-Veronderstel dat een boot een rivier oversteekt en een leege boot komt
-er mede in botsing. Zelfs een prikkelbaar man zou dan niet boos worden.
-Maar als er iemand in die boot was zou het geschreeuw geven om uit te
-wijken. Als de andere ’t niet hoorde zou er voor de tweede en voor de
-derde maal geschreeuwd worden en dan zouden er stellig woedende woorden
-vallen. In ’t eerste geval was er geen boosheid, maar nù wel; omdat
-in ’t eerste geval de boot ledig was maar nù was er iets in. Als de
-mensch óók ledig kan zijn en zóó door de wereld zweven, wie kan hem
-dan schaden?
-
-
-(Uit Hoofdstuk XXII)
-
-(Over concentratie:)
-
-Toen Confucius naar (den staat) Ch’u ging kwam hij door een bosch
-waar hij een bochel krekels zag vangen alsof hij ze zóó maar met zijn
-hand greep.
-
-Confucius zeide: „Wat is dat knap! Is daar een Weg voor?” De bochel
-antwoordde: „Ik heb er een Weg voor. In de 5e en 6e maand oefen ik
-mij door twee ballen op elkaar in evenwicht te houden. Als zij niet
-vallen mis ik niet veel krekels. Als ik er drie op elkaar in evenwicht
-houd mis ik er maar één op de tien, en als ik er vijf zoo kan houden
-kan ik ze als ’t ware zóó met mijn handen pakken. Ik rust dan in
-mijn lichaam alsof ’t een boomstam was, en mijn armen doode takken.
-Al zijn Hemel en Aarde om mij, en de Veelheid der dingen, ik weet
-alleen maar van krekel-vleugels af. Ik keer mij niet om, ik ga niet
-terzijde, ik heb niets met de duizenderlei transformaties der dingen te
-maken, en hoe kan ’t dan anders of ik moet die krekel-vleugels
-pakken?”
-
-Confucius zag om en zeide tot zijne discipelen: „Richt Uw Wil op
-één ding en Uw geest wordt geconcentreerd. Hierdoor komt het succes
-van dezen bochel”.
-
-
-(Uit Hoofdstuk XXII)
-
-Weten reisde noordwaarts, over het Mysterieuze Water, en over den
-Duister-Diepen Berg en ontmoette Doe-Niets Zeg-Niets, dien hij vroeg:
-
-„Ik zou U gaarne vragen, door welke gedachten, door welke
-overpeinzingen kan men Tao weten? Door wáárin te rusten, door waar
-naar te richten kan men in Tao toeven. Door wàt te volgen, door welken
-weg kan Tao verkregen worden?”
-
-Op deze drie vragen antwoordde Doe-Niets Zeg-Niets niets. Niet omdat
-hij niet antwoorden wilde, maar omdat hij ’t niet wist.
-
-Toen Weten geen antwoord kreeg keerde hij om, ging hij zuidelijk van
-het Witte Water den Ku-Chuëh berg op, en zag Dolleman-Stotteraar, wien
-hij hetzelfde vroeg.
-
-„O!” zeide Dolleman-Stotteraar, „Ik weet het. Ik zal ’t U
-zeggen....”
-
-Maar juist toen hij wilde spreken vergat hij het wat hij zeggen wilde.
-
-Toen Weten geen antwoord kreeg keerde hij terug naar het keizerlijk
-paleis. Hij ging op audiëntie bij den Gelen Keizer en vroeg het dezen.
-
-De Gele Keizer zeide: „Door géén overpeinzingen kan men Tao weten.
-Niet door ergens in te rusten, noch door zich ergens naar te richten
-kan men in Tao toeven. Door niets te volgen, door géén Weg kan men
-Tao verkrijgen.”
-
-Toen vroeg Weten den Gelen Keizer: „Gij en ik weten dit nu. Maar van
-die twee van zooeven, wie heeft daarvan gelijk?”
-
-De Gele Keizer zeide: „Die Doe-Niets Zeg-Niets heeft in waarheid
-gelijk en Dolleman-Stotteraar ook bijna. Gij en ik zijn er verre van
-af. [47] Zij die (Tao) kennen spreken er niet over, zij die er over
-spreken kennen (Tao) niet. Daarom begaat de Wijze de Leer zonder
-woorden”.
-
-
-(Uit Hoofdstuk XXXII)
-
-Toen Chuang Tsz’ op het punt was van te sterven wilden zijn
-leerlingen hem met staatsie begraven. Chuang Tsz’ zeide: „Ik heb
-Hemel en Aarde voor mijn doodkist en mijn sarcophaag, Zon en Maan
-zullen mijn edelsteenen, de Sterren zullen mijn paarlen zijn, en de
-geheele creatie de rouwenden bij mijn uitvaart. Is dus alles niet reeds
-gereed?”
-
-De leerlingen zeiden: „Wij vreezen dat de aasgieren onzen Meester
-zullen opeten”.
-
-En Chuang Tsz’ antwoordde: „Boven den grond ben ik voedsel voor de
-aasgieren, onder den grond voor de krekels en mieren. Waarom den een te
-berooven om den andere te voeden?”
-
-
-
-Ook uit deze weinige fragmenten van Chuang Tsz’ naderen wij uit de
-verte het begrip Tao—bereiken doen we het natuurlijk niet—evenzoo
-als uit de Tao Teh King van Lao Tsz’.
-
-Tao, wordt herhaaldelijk gezegd, kan niet uitgevorscht of uitgelegd
-worden. Het heeft ook geen Bestaan in den zin dien wij aan Bestaan
-geven. Als wij Tao in Hemel en Aarde, in Ruimte en Tijd zoeken vinden
-we Het niet, en toch hebben al deze in Tao hun grond. Er is maar één
-Weg om Tao (niet te kennen of te weten maar) te Zijn, en dat is in het
-innerlijke leven. Dan heeft men Tao niet zijn eigendom of bezit, maar
-is men Tao, één met het Al. Tao is de Eenheid in de Veelheid, de
-Eeuwigheid in den Tijd.
-
-Dat zoowel de Tao Teh King als de Nan Hwa King meestal in paradoxalen
-vorm geschreven zijn is een gevolg dáárvan, dat de hoogste waarheid
-altijd paradoxaal is als zij in termen van óns bewustzijn wordt
-uitgedrukt, dat zèlf gebonden is door relativiteit en tegenstellingen.
-Westersch definieerende zouden wij kunnen zeggen „Tao is de Eenheid
-in Veelheid van God, Teh is de Veelheid in Eenheid van de Natuur in den
-Geopenbaarden Kosmos”.
-
-De leer, dat de objectieve en subjectieve werelden niet scheidbaar,
-maar één zijn, en dat Eén Alles is, is een der grondprincipes van
-deze Chineesche wijsbegeerte. Alle schijn van het tegendeel is maar
-schijn als gevolg van het zich identificeren met een of ander
-standpunt. Chuang Tsz’ noemt zulk een identifieeren het „Drie in
-den Morgen standpunt” en geeft daar het volgende, zéér treffende
-voorbeeld van:
-
-„Een baas die apen hield zeide met betrekking tot hun rantsoen van
-kastanjes dat iedere aap er „drie in den morgen” zou krijgen en
-„vier in den nacht”. Toen werden de apen erg boos en daarom zeide
-de baas dat ze er vier in den morgen zouden krijgen en drie in den
-nacht, en dezen maatregel vonden ze toen allen prachtig. Het werkelijke
-getal bleef hetzelfde, maar er was een aanpassing aan de neiging en den
-afkeer van de betrokkenen.”
-
-Alzoo is het principe van het zich zelf met uitwendige dingen in
-subjectieve betrekking stellen. „Waarom de ware Wijze,
-tegenstellingen als identiek beschouwend, zich aanpast aan de wetten
-van den Hemel”.
-
-Chuang Tsz’ wijst in zijn werk ook herhaaldelijk op het foutieve en
-gebrekkige van wat wij kennen, of eigenlijk erkennen noemen. Er is geen
-erkentenis in de Ruimte, omdat we enkel relatieve ruimte kennen. Een
-grashalm is eigenlijk even groot als een toren. Een krekel begrijpt de
-vlucht niet van een adelaar. Een berg is een zandkorrel. Dit
-illustreert hij in verscheiden voorbeelden.
-
-Er is geen erkentenis in den tijd omdat voor ons duur alleen een
-verhouding is. Geen wezen heeft een hoogeren ouderdom dan een
-eendagsvlieg of een kindje dat in den wieg sterft.
-
-Er is geen erkentenis in Waarde omdat wij geen absoluut richtsnoer
-hebben, waaraan te onderscheiden wat mooi en leelijk, goed en slecht
-is. Goed en slecht bestaan niet in wezenlijk, zijn relatieve begrippen.
-
-Er is evenmin erkentenis in Leven omdat alle leven relatief is en er
-geen criterium is wat absoluut Leven is. Zelfs tusschen leven en droom
-onderscheiden is moeilijk. Chuang Tsz’ vertelt dit in een parabel,
-n.l. dat hij eens droomde, een vlinder te zijn, zalig-fladderend, met
-allerlei vlinder-emoties, geheel onbewust van zijn mensch-zijn.
-Plotseling werd hij wakker en kreeg weêr ’t idee „ik, zelf”. En
-toen vroeg hij zich af: „Ben ik nu een mensch die gedroomd heeft dat
-hij een vlinder is, of een vlinder die op ’t oogenblik droomt dat hij
-een mensch is?”
-
-Alzoo: er bestaat geen erkentenis in de wereld van de tegenstellingen
-en het Gescheidene.
-
-Drie jaar geleden is te Leipzig (Insel-Verlag) een boek verschenen
-„Reden und Gleichnisse des Tschuang Tse,” door een Duitschen
-filosoof, Dr. Martin Buber, die zelf geen Chineesch kent, maar met een
-Chineeschen, ongenoemden literator gewerkt heeft aan deze uitgave.
-Jammer genoeg geeft hij daarin maar een zeer klein uittreksel
-fragmenten uit de groote „Nan Hwa King” maar wat zuiver begrip en
-volkomen „Verständnis” aangaat, is dit het beste, dat ooit over
-deze Chineesche filosofie is verschenen, vooral door het schitterende
-„Nachwort” dat het besluit.
-
-Een bizonder mooi gedeelte hieruit, mooi namelijk om het zuivere begrip
-van Tao zooals Het zich openbaart in ons menschenleven, en om de
-heldere manier, waarop het de valsche meening te niet doet als zou Tao
-medebrengen een monotoon leven zonder veranderingen, laat ik even hier
-volgen in vertaling:
-
-„Ieder ding openbaart Tao door den Weg van zijn Bestaan, door zijn
-Leven; want Tao is de Eenheid in de Verandering, de Eenheid die zich,
-evenals in de Veelheid dingen, ook in de Veelheid der op elkander
-volgende oogenblikken in het leven in stand houdt. Daarom is niet de
-mensch, wiens weg zonder veranderingen verloopt, de volkomen openbaring
-van Tao, maar de mensch, die met de sterkste verandering de zuiverste
-Eenheid vereenigt. Er zijn twee soorten van leven. Het eene is het
-gewone àf-leven, de afslijting tot het uitdooven; de andere is de
-eeuwige verandering en hare Eenheid in den Geest. Wie zich in ’t
-leven niet laat verteren, maar zich onophoudelijk vernieuwt en juist
-dáárdoor, in de verandering, en dóór haar, zijn Zelf in stand
-houdt—dat niet een star Zijn, maar juist een Weg, Tao [48] is—die
-gewint de eeuwige Verandering en instandhouding”.
-
-
-
-
-
-
-
-DE VOORVADEREN-DIENST
-
-
-Zeer terecht heeft Samuel Johnson gezegd: „Zóó huiselijk is de
-godsdienst der Chineezen dat hun voorvaderlijke ritueelen eenvoudig een
-uitbreiding zijn van hun huis-associaties; en dit is zóó compleet
-verdaadwerkelijkt dat het graf zijn verschrikking verloren heeft en aan
-vreugde is gewijd”.
-
-Dit is inderdaad weêr een der schoone trekken van den Geest van China:
-de vreezeloosheid voor den Dood, en niet alleen deze vreezeloosheid,
-maar de vertrouwelijkheid er mede.
-
-De Europeaan, over ’t algemeen, is bang voor den dood, hij wil er
-niet aan denken, moffelt het denkbeeld er van in zijn dagelijksche
-leven weg, en een graf is voor hem een donker, vunzig gat van
-verschrikking en verrotting.
-
-In China is het doodgaan geen ding van angst en vreeze, want de
-voorvaderendienst en het familie-altaar hebben over de grimmigheid van
-het sterven den glans der eeuwigheid gelegd.
-
-Ik heb in China ouden van dagen met een rustig, vredig gezicht buiten,
-in de rotsbergen om Amoy, meermalen hun eigen graf zien uitzoeken, ik
-heb kinderen aan hun bejaarden vader een doodkist zien cadeau geven,
-die als een kostelijk geschenk werd aanvaard, en ik heb, vóór de
-begrafenis, maandenlang, zooals het gebruik is, een doodkist met een
-lijk in een Chineesche woning zien staan, met kinderen spelend er vlak
-bij, zonder een schijn van vrees of huivering.
-
-Dit komt omdat „dood zijn” van een familielid in China heel iets
-anders beteekent dan in Europa. Het doode familielid is in China niet
-„weg” als het begraven is, het is eenvoudig „teruggekeerd” naar
-de groote voorvaderen-familie aan gene zijde van het graf, in die
-ongeziene sfeer, die eene voortzetting is van de zichtbare sfeer waarin
-de overlevenden nog zijn.
-
-De „Hiao”, waarover ik het in mijn hoofdstuk over Confucius had,
-sluit niet enkel in het liefhebben en eeren der levende vaderen, maar
-ook der doode voorvaderen. De dooden-vereering in China is niet een
-bijgeloof, zonder meer, maar eenvoudig eene uitbreiding, in de
-ongeziene sferen, van de aardsche familie-betrekkingen. De doode
-vaderen in China zijn eigenlijk niet dood, maar leven nog steeds het
-huiselijke leven mede, nemen kennis van alle gewichtige gebeurtenissen
-in de familie, doen mede aan alle feesten en feestjes, worden in alle
-beraadslagingen over familiezaken gekend, enz. enz.
-
-Zéér juist en schoon zegt Okakura Yoshisaburo in zijn „Geest van
-Japan”, en dit is ook geheel en al op de Chineezen van toepassing:
-
-„De afgestorvene wordt, ofschoon onzichtbaar, geacht zijn
-schimmenbestaan in dezelfde wereld en in vrijwel denzelfden staat voort
-te zetten, als hij dat op aarde placht te doen. Evenmin als het kleine
-kind, waarvan Wordsworth zoo treffend verhaalt, kunnen wij inzien, dat
-wij de zoogenaamde dooden niet meer onder de bestaanden hebben mede te
-rekenen. Het onderscheid ligt in de tastbaarheid en de zichtbaarheid,
-maar dan ook in niets meer”.
-
-Zeer terecht zegt Samuel Johnson, dat de Familie in China niet bevoegd
-zou zijn om eene beschaving te scheppen, als zij niet de oplossende
-macht van den dood kon overwinnen. Het is aan het graf, of bij de
-voorvaderlijke „ziele-tablet”, waar de gestorven familie-leden
-onzichtbaar maar onveranderd voortleven, „dat de vroege vormen van de
-„Hiao” een godsdienstige ritus worden.”
-
-De dooden zijn voor den Chinees niet „weg”, zooals voor den
-Europeaan. De doode is er nog steeds. Ook voor den Japanner. Zooals
-Okakura-Yoshisaburo het treffend uitdrukt: „De essentie van zijn
-individualiteit is, schoon onzichtbaar, steeds aanwezig”.
-
-Een Europeaan, die nooit in het Oosten geweest is, kan zich geen
-voorstelling maken van de absolute realiteit, die voor den Chinees de
-aanwezigheid der onzichtbare dooden heeft, en van de intimiteit,
-waarmede de doode familieleden nog aan het huiselijk leven deelnemen.
-
-Voor het Europeesche begrip ligt het doode familielid op het kerkhof,
-voor het Chineesche is hij ook in huis steeds aanwezig.
-
-Op het familie-altaar in huis staat de mystieke „zieletablet”
-(„shên-tjoe”), waarin iets van de ziel van den afgestorvene wordt
-verondersteld te wonen, en waarop in de stijlvolle Chineesche karakters
-zijn naam en geboorte- en sterfdag vermeld staan benevens de namen
-zijner kinderen en kleinkinderen. De Europeaan brengt, nu en dan,
-bloemen voor den afgestorvene naar het kerkhof. De Chinees zet ook
-geregeld bloemen en offeranden, in zijn eigen huis, voor het altaar met
-de zieletabletten, al vergeet hij het graf buiten niet.
-
-De doode neemt nog steeds deel aan alles, wat de familie-leden, die hem
-overleven, betreft.
-
-De aanbidding en de offering van wierook en vruchten zijn het symbool
-van den eerbied voor huiselijk geluk, reinheid van huwelijks-zeden,
-tradities van liefde en plicht. Achter elke offering, door oningewijde
-Westerlingen voor afgoderij aangezien, ligt een symbool van waarheid en
-religieus gevoel. In de „Li Ki” staat „dat de zoon offert met
-zijn geest gevestigd op zijn ouders, alsof zij nog leefden, droevig in
-den winter, dat zij zijn als het vallende blad, maar vreugdevol in de
-lente, om te denken dat hij ze spoedig terug zal zien.”
-
-Woont een zeer groote familie in één groot vóórvaderlijk huis te
-zamen, zooals zoo dikwijls in China het geval is, dan is de z.g.
-„Voorvaderlijke Hal”, waar dan de ziele-tabletten der voorvaderen
-staan, het heilige der heiligen, en het centrum der familie, ook der
-verre, buitenwonende bloedverwanten, zonder onderscheid van stand of
-rang. In deze „Voorvaderlijke Hal” worden alle gewichtige
-familiegebeurtenissen afgekondigd, de jeugd krijgt er het teeken van
-mannelijkheid, geslaagde examens worden gevierd, de huwelijken worden
-er afgekondigd, de mandarijnen (ambtenaren) worden er met hun ambt
-bekleed, ja, nog sterker, er wordt aan de onzichtbare dooden om raad
-gevraagd in moeilijke gevallen. In een Chineesch huis wonen niet alleen
-de levende familieleden, maar ook, schoon onzichtbaar, de doode. De
-dooden zijn niet verdwenen uit de familie, maar blijven er eeuwig in.
-„Terugkeeren tot zijn familie” is een der Chineesche uitdrukkingen
-voor sterven, zooals ik zooeven reeds zeide.
-
-Dood zijn is niet voor de Chineezen, zooals voor de Europeanen, iets
-„griezeligs”. Een lijk, een doodkist, zijn heel vertrouwde,
-familiaire dingen. Ik herinner mij nog goed, hoe vaak ik in Amoy met
-mijn ouden Chineeschen schrijver Chao in diens huis kwam, toen het lijk
-van zijn vader nog in de kist boven de aarde stond, wachtende op den
-gunstigen astrologischen dag voor de begrafenis. De doodkist stond
-daar, als een heel intiem, vertrouwd ding in een kamer, en kleine
-kinderen speelden er vreezeloos om heen. Er stonden wel eens
-schoteltjes eten en kopjes drinken om heen, delicatessen, waar de doode
-tijdens zijn leven veel van hield, en waarvan zijn geest nu de
-onzichtbare essence proefde.
-
-Ik herinner mij ook nog zoo goed den ouden, ouden Chineeschen literator
-in Chang Chow, dien ik eens bezig vond met zelf in sierlijke karakters
-het grafschrift neer te penseelen, dat ééns op zijn graf zou worden
-gebeiteld.
-
-En was het niet de literaire, eerwaardige onderkoning Chang Chih Tung,
-het lid van den „Grand Council”, die in October 1909, toen hij
-stervende was, zelf in prachtig-klassieke taal zijn eigen doodsbericht
-schreef voor den keizer?
-
-Een Chinees, als hij sterft, heeft niet het idee, dat hij uit zijn
-familie heengaat, maar juist, dat hij er in „terugkeert”;
-terugkeert namelijk tot de voorvaderen aan wie hij zijn geheele leven
-eerbied bewezen en offeranden gebracht heeft. Hij weet ook, dat zijn
-kinderen hem niet vergeten zullen, dat hij nog steeds in alle
-gewichtige familie-aangelegenheden gekend en geraadpleegd zal worden,
-dat hij, onzichtbaar, maar daarom niet minder werkelijk, bij alles
-tegenwoordig zal zijn, wat in de familie gebeurt, en dat hem dezelfde
-eer en dezelfde offeranden zullen geschonken worden, die hij, tijdens
-zijn leven, zijn voorvaderen wijdde. De roem, en de onderscheidingen,
-die een Chinees gedurende zijn leven van regeeringswege mocht
-ontvangen, slaan terug op zijn voorvaderen, die er in deelen.
-
-Het ergste, wat een Chinees kan overkomen, is te sterven zonder zonen,
-die hem een graf schenken en die, aan zijn graf, of voor zijn
-ziele-tablet, hem eerbewijzen en offeren. Te sterven zonder een zoon na
-te laten is niet alleen een ramp voor zichzelven in China, maar ook een
-gebrek aan „Hiao”, een oneerbiedigheid, tegenover de voorvaderen.
-Daarom is, zoo zeide ik reeds, voor een man zonder zonen adoptie van
-een zoon—mits steeds agnatische verwanten, en volgens vaste volgorde,
-te beginnen met een zoon van een oudsten broeder—plicht, en zelfs na
-zijn dood is deze adoptie, posthuum, door de familie-oudsten,
-voorgeschreven. Baart de hoofdvrouw geen zonen, zoo is concubinaat
-vanzelf sprekend, om het leven van den echtgenoot voort te zetten. Dit
-concubinaat in China heeft daarom oorspronkelijk geen zinnelijk, maar
-een heilig, godsdienstig motief. Het dient om de voorvaderen voort te
-zetten.
-
-De familie, waarin de voorvaderen inbegrepen, wordt in het bekende
-„Heilig Edict” van keizer Khang Hsi (1662–1723) vergeleken met
-één stroom, die vele zijtakken en armen heeft, maar waarin, hoe ver
-ook van den oorsprong, altijd hetzelfde water is.
-
-Een van de karaktertrekken van China, waarin zijn Geest zich het
-treffendst uit, is de eerbied voor het Verleden en den Ouderdom, een
-eerbied, die niet alleen naar de levenden onder de Ouden uitgaat, maar
-ook naar de dooden, naar de voorvaderen. In de „Li Ki” staat dat
-eerbied voor den Ouderdom even oud is als het menschelijk geweten. Deze
-eerbied voor Ouderdom vindt men trouwens terug in ’t oude Egypte,
-’t oude Griekenland, ’t oude Rome. De schoone woorden van
-Epaminondas dat het vreugdevolste wat hem ooit overkomen was, hierin
-bestond dat hij de overwinning bij Leuctra had behaald toen zijn vader
-en moeder nog leefden, zouden door iederen Chinees gewaardeerd en
-begrepen worden.
-
-Het is heel gemakkelijk om, zooals zooveel Westersche schrijvers over
-China gedaan hebben, te glimlachen over de vereering voor den Ouderdom,
-en vooral de vereering voor de voorvaderen in China, maar, wanneer men
-al de ceremoniën beschouwt, die, vooral aan de laatste, zijn
-verbonden, behoort men de oorspronkelijke symboliek er van te voelen en
-te begrijpen, om er een helder oordeel over te kunnen hebben.
-
-De voorvaderen-dienst draagt, zooals Samuel Johnson zoo juist heeft
-gezegd, het „home” over in de ongeziene sferen. Daar die ongeziene
-sferen niet tot het gebied der Europeesche empirische wetenschap
-behooren, is al gauw de neiging tot spot en ridiculiseering aanwezig
-bij nuchtere Westerlingen.
-
-Sommige sinologen hebben het voorvaderlijke altaar afgoderij en
-bijgeloof genoemd, Johnson noemde het, en ik ben van dezelfde meening,
-„the open conscience of the people, where all duties are laid bare to
-the wisdom and order of the world, enshrined in these honoured ones”.
-
-Het groote sentiment der Chineezen in hun voorvaderen-dienst zou door
-de oude Egyptenaren beter begrepen zijn dan door de moderne Europeanen.
-
-In elk geval mag wel eens bedacht worden, hoe klein en onwijsgeerig in
-Europa over ’t algemeen de vrees voor den dood is, en hoe de
-voorvaderen-dienst der Chineezen al het angstige en „griezelige”
-aan den dood ontnomen heeft, door de dooden in dezelfde vertrouwelijke
-intimiteit van den familie-kring opgenomen te denken als de levenden.
-
-Mijn leerling en vriend Yap Hong Tjoen, die te Leiden het artsexamen
-heeft afgelegd, en een westersche opvoeding heeft gehad, wijst mij er
-op, dat ook bij westersch opgevoede Chineezen de eerbied en liefde voor
-de voorvaderen in de ziel bewaard blijft.
-
-„Het mooie er van is”, zeide hij mij, „dat bij deze vereering het
-slechte, zoo dit er mocht geweest zijn, van de afgestorvenen verdwijnt
-voor de overlevenden, en alleen het goede overblijft. Alleen het beste
-en edelste van de dooden blijft over voor het nageslacht, hun mooie en
-groote daden”.
-
-„Als ik kniel voor de ziele-tablet van mijn vader” zegt mijn
-leerling Yap, „dan is dit geen afgoderij, maar dan zie ik al zijn
-mooie daden voor mij. Ook zoo, als ik kniel voor de tablet van mijn
-grootvader”.
-
-Dit is, wat de meeste Westerlingen niet kunnen begrijpen als zij van
-Chineeschen of Japanschen voorvaderen-dienst lezen.
-
-„Als ik hier in Europa” zegt Yap, die thans bezig is van mij de
-taal van China te leeren, die hij door zijn westersche studie heeft
-moeten verwaarloozen, „als ik hier in Europa op ’t oogenblik
-onbezorgd kan leven, en overal nuttige en schoone dingen zien en
-leeren, dan dank ik dit aan den arbeid van mijn vader en grootvader. Ik
-vergeet dit geen oogenblik. Zelfs als ik met mijn vrouw in een loge zit
-in de komedie denk ik: het is mijn overleden vader, die mij hiertoe in
-staat stelde. Ik zie mijn vader en mijn grootvader steeds vóór mij in
-al hun goedheid en grootheid, en ik weet dat ik niets zou zijn zonder
-hen”.
-
-Zonder dit sentiment te begrijpen kan niemand over den Chineeschen
-voorvaderen-dienst oordeelen.
-
-Voor alle begrijpen, vooral van oostersche gebruiken en zeden, is in de
-eerste plaats reverentie noodig. Zeker, er is in den loop der eeuwen in
-den voorvaderen-dienst heel wat bijgeloof en ontaarding ingeslopen.
-Maar dáármede heb ik niet te maken als ik over den zuiveren oorsprong
-er van schrijf.
-
-Ik zou dit hoofdstuk willen sluiten met de aanhaling van de roerende
-opdracht, vóór aan het bewonderenswaardige werk van Dr. Chen Huan
-Chang „The Economic Principles of Confucius”:
-
-
-This Book as a Token of Gratitude and Affection I Dedicate to the
-Memory of my Father Chen Chin Ch’üan Who suffered Poverty, Adversity
-and Many bitter Disappointments In Order that his Son Might lead the
-Scholars Life
-
-
-In deze opdracht van een zoon aan zijn gestorven vader trilt weer iets
-van de edelste essentie van den Geest van China.
-
-
-
-
-
-
-
-CHINEESCHE KUNST
-
-
-Er is van Chineesche kunst veel te weinig bekend, en dit is de schuld
-van de sinologen, of eigenlijk ook weer niet hun schuld, omdat er zoo
-veel werkelijk heel groote geleerden, en zoo uiterst weinig artistieke,
-wat de Grieken zouden noemen „musische” menschen onder hen waren.
-Toch is het een heel groote dwaling als men zich verbeeldt, een volk te
-kennen zonder zijn kunst te begrijpen, en dit beteekent: te doorvoelen;
-want het is juist in de kunst dat de cultuur van een volk, de hoogste
-bloei ook van de volksziel, zich uit. Wij kunnen ons de Grieken b.v.
-niet denken zonder hun prachtige beeldhouwkunst en hun poëzie, wij
-kunnen de Egyptenaren niet begrijpen zonder hun pyramiden, hun
-Sphinxen, hun kolossale beelden, en evenmin is het mogelijk, de
-Romeinen te kennen zonder hun kunst. Juist in de kunst vond de cultuur
-dier volken haar hoogste uiting.
-
-Maar nu heeft zich het merkwaardige geval voorgedaan, eigenlijk eenig
-in de studie van een oud volk, dat men tot voor kort gemeend heeft,
-China en de Chineezen wèl te kunnen begrijpen zonder hun kunst. Dit is
-zelfs zóó sterk, dat een sinoloog, die wèl artistiek voelt, en die
-juist in de kunst der Chineezen de eigenlijk diepste studie
-zoekt—want immers de studie van de innerlijke ziel van het
-volk—door de sinologen wel eens niet voor „vol” wordt aangezien,
-en in géén geval voor een geleerde. Dit is nu weer juist dáárom zoo
-eigenaardig, omdat men zich in China geen geleerde kan voorstellen, die
-géén kunstenaar is. Een geleerde, een z.g. „poh sz” is in China
-altijd iemand die ook een „musisch” mensch is en die, behalve in de
-geleerdheid, óók nog, en voorál zelfs, doorgedrongen is in de
-poëzie, de literatuur, de schilderkunst en andere kunsten. Zelfs in de
-meest diepzinnige filosofie, b.v. die der „Yih King”, in de meest
-moeilijk te bevatten beschouwing over abstracties, als b.v. de
-primordiale oorzaken van al het bestaan in ’t Heelal, in de
-wiskunstige verhoudingen zelfs van alle mystieke z.g. „principes en
-ademen” in den Kosmos, kwamen de Chineezen altijd tot een leer van
-getallen tot de z.g. „Shoe”, die in den grond niets anders is als
-de leer van het groote Rythme, dat de bron is van alle kunst en
-poëzie. Het Rythme van de Poëzie, van de kunst, is tenslotte
-hetzelfde als het mathematische rythme van den Kosmos, en ook van de
-wetenschap in China. Wiskunde, sterrekunde, physica, chemie, muziek,
-literatuur en alle kunsten hebben dit Rythme. Hoe vreemd dit ook moge
-klinken voor een Westerling, voor een ontwikkelden, beschaafden,
-geleerden Chinees zijn juist wetenschap en poëzie en kunst één en
-hetzelfde, mits die wetenschap niet tot de uiterlijke phenomena beperkt
-wordt, maar beschouwd tot in het ondoorgrondelijk geheim waarop ten
-slotte alle wetenschap stuit (en hier gaat het tegenwoordig
-onvermijdelijk naar toe met de verschillende stralen, de electronen en
-zoo). In mijn hoofdstuk over de „Yih King” toonde ik dit reeds aan.
-
-Achter alle kunst, als achter alle wetenschap, weet de Chinees het
-Rythme; het Rythme, dat als een dans van getallen door al ’t
-geopenbaarde gaat (ook Plato kende dit) en waardoor alle verschijnselen
-en alle uitingen, zichtbaar en onzichtbaar, worden bewogen. Dit Rythme
-is altijd het hoogste goed geweest van den geleerde, en ook van den
-kunstenaar in China. De Geest van China is van dat Rythme doordrongen.
-
-Zoowel de Chineesche filosofie als de Chineesche literatuur, zoowel de
-Chineesche kunst als de Chineesche wetenschap—hoe gebrekkig deze ook
-moge zijn voor zoover het de studie der zichtbare, uiterlijke
-verschijnselen betreft—zijn altijd geweest een niet uitsluitend
-logische geleerdheid (want voor de diepste wereldraadselen staat de
-logica ten slotte machteloos) maar óók een suggestieve intuïtie, een
-zich omhoog doen rijzen boven de grens van het met gedachten vatbare,
-een bewustworden in het, wat de Duitschers noemen
-„Jenseits”,—Gene zijde—boven het Diesseits—Déze zijde—van
-tastbare, zichtbare dingen, een verzinking in het groote „Niets”
-van filosofen als Lao Tsz’ en Choe Hie, alléén mogelijk voor wie
-musisch genoeg is, om zich op het groote Rythme er toe op te laten
-stijgen. Zooiets als dorre geleerdheid, boeken-geleerdheid, enkel
-nuchter verstandelijke uitpluizing van verschijnselen, zonder het
-musische, rythmische—dat altijd ook in den grond mystiek is—is in
-China onbekend. De groote Chineesche geleerden en de groote Chineesche
-filosofen—in China zijn dit geen tegenstellingen—waren ook altijd
-musische menschen of poeëten. Een van de hoogst geschatte middelen van
-opvoeding en onderwijs was dan ook in de Chineesche Oudheid de Muziek,
-de kunst bij uitnemendheid, die tóch in haar diepsten grond van
-trillingen één is met de wetenschap van getallen, met alle Wiskunde.
-
-En nu is het juist het groote ongeluk geweest in de Europeesche studie
-van China en de Chineezen, dat de sinologen, op enkele zeldzame
-uitzonderingen na, gemeend hebben met enkel droge geleerdheid en
-philologie—hoe uitnemend en eerbiedwaardig die op zich zelve ook
-mogen zijn—niet alleen de taal, maar ook de filosofie en de
-literatuur, en zelfs de eigenlijke cultuur van dit wonderbare oude land
-te kunnen doorgronden, die met énkel verstand, hoe eminent dit ook
-zij, niet te doorgronden zijn, als het rythmische en musische er niet
-bij komt. Is over literatuur en filosofie nog veel geschreven en
-bestudeerd—hoewel bijna altijd op een droge, enkel westersch-geleerde
-manier—over Chineesche kunst hebben tot voor kort zelfs de grootste
-sinologen zich nooit druk gemaakt en als ze eens bij uitzondering hier
-en daar er hun aandacht aan schonken, dan was het van uit een
-archeologisch, maar niet van uit een kunstoogpunt, terwijl het uit
-beide zijn moet. Ik zeide zooeven al: Griekenland, en ’t Romeinsche
-rijk zijn ondenkbaar zonder hun kunst, die er één mede is. Welnu,
-China is dit evenzeer, maar toch bemoeide de sinologie zich tot voor
-weinig jaren zoo goed als niet met de Chineesche kunst, en zij
-verbeeldde zich, China zonder die kunst te kennen en haar cultuur te
-begrijpen.
-
-De ware geschiedenis van China’s hooge cultuur staat voor ons te
-lezen in schilderijen, poëzie en plastiek, in bronzen, porselein en
-lakwerk, dáárin is de ware cultuur in haar fijnste volkomenheid
-weerspiegeld, en zonder deze kan niemand, ook de grootste geleerde
-niet, de Chineesche volksziel begrijpen.
-
-De Schoonheid is ten alle tijde voor den ontwikkelden Chinees een
-toevlucht geweest, die hem openstond voor alle ellende en verdriet in
-het leven en hem er boven verhief.
-
-Een groot Chineesch dichter heeft eens gezegd dat geen verdriet op
-aarde de artistieke bekoring weerstaan kon van een mooi stuk gele
-zijde. In dit gezegde ligt een karakteristiek van de Chineesche
-volksziel opgesloten. De schoone kunsten zijn in China onafscheidelijk
-van beschaving. Er is een Chineesch woord „Shih” dat door de
-sinologen meestal met „geleerde” wordt vertaald, en met de
-bijvoeging dat het in oude tijden ook „krijgsman” beteekende, maar
-Chineesche sinologen—die zijn er heusch óók—hebben mij uitgelegd
-dat het èn „geleerde” en „dappere”, „ridderlijke”
-beteekent en tevens onafscheidelijk hiermede een voor kunst diep
-voelende, wat de Grieken een „musisch mensch” noemden.
-
-In de laatste jaren doet zich het gelukkig verschijnsel voor, dat er
-ook sinologen opstaan, al zijn het er nog niet veel, die besef toonen
-van hoeveel gewicht de Chineesche kunst is voor de studie van China, en
-die er eene studie van maken, niet enkel uit een oudheidkundig maar ook
-uit een kunst-oogpunt. Hier en daar verschijnen er werken over, en in
-China worden de laatste jaren, vooral in Shanghai, lezingen over
-Chineesche kunst gehouden, en tentoonstellingen van Chineesche kunst.
-Zoowel het „International Institute” te Shanghai als de Noord-China
-tak van de „Royal Asiatic Society” maken zich in dit opzicht
-verdienstelijk. Dat vroeger nooit tentoonstellingen van kunst in China
-werden gehouden is daaraan toe te schrijven, dat een Chinees, en over
-’t algemeen elke oosterling, zijn mooie dingen, die hem heilig zijn,
-juist verbergt, en alleen aan heel intieme vrienden laat zien, om er
-dan samen, meer zwijgend dan sprekend, van te genieten. Mooie, heilige
-dingen voor het publiek ten toon stellen is òn-oostersch. Thans, nu de
-invloed van het Westen hoe langer hoe meer door dringt komen Chineezen
-er eerder toe, hun kunstschatten voor eene tentoonstelling af te staan
-en zóó zijn de laatste jaren tentoonstellingen in Shanghai, Tientsin
-en andere steden kunnen gehouden worden van bronzen, porseleinen en
-schilderingen. Het is een verblijdend teeken dat zelfs een
-wetenschappelijk genootschap als de „Royal Asiatic Society” thans
-de Chineesche kunst, niet alleen uit een archeologisch maar ook uit een
-kunst-oogpunt onder zijn vleugelen heeft genomen. Prof Ernest
-Fenollosa, eertijds hoogleeraar in de filosofie aan de Universiteit te
-Tokio, heeft er eindelijk in zijn boek „Epochs of Chinese and
-Japanese Art” (1912) op gewezen, dat al hetgeen tot nu toe over
-Chineesche kunst is geschreven, meer een studie van antiquarischen en
-archeologischen aard is geweest dan van kunst zelf.
-
-Tot voor kort meende de oningewijde Europeaan de hoogste uitingen van
-Chineesche kunst te zien in porseleinen borden, vazen en pullen, in
-lakwerk en grillige „curios” of „bibelots”, maar het is nu tijd
-geworden dat het Westen eindelijk eens wete, hoe de allerschoonste
-uiting van den Geest van China in kunst de Chineesche schilderkunst
-geweest is.
-
-In China is onder alle kunsten de schilderkunst altijd het hoogste in
-aanzien geweest, en zij nam de plaats in van de muziek bij ons in
-Europa, De wel-opgevoede Chinees was altijd min of meer schilder,
-zooals bij ons een wel-opgevoed mensch gewoonlijk piano speelt of zingt
-of aan andere muzikale kunst doet. Schilderingen zien was voor een
-Chinees wat voor ons is het gaan naar een opera of concert. Een Chinees
-bekijkt een oude schildering uit de Soeng-dynastie in denzelfden geest
-als een echte Germaan in Bayreuth naar Wagner gaat luisteren.
-
-De Chineesche schilderkunst is eigenlijk afgeleid van de calligrafie.
-Calligrafie was een schoone kunst omdat ze niet, als in ’t Westen,
-een enkele reproductie was van klanken, maar van ideeën. Chineesche
-schriftteekens, of zooals men ze gewoonlijk noemt: karakters, waren
-immers oorspronkelijk symbolisch en ideographisch, het werd zóó
-beschouwd dat het daarin uitgedrukte idee iets van de schoonheid in
-zich had van de kleine teekening, die haar voorstelde.
-
-Daarom was een literair mensch trotsch op zijn calligrafie, en dit is
-nòg zoo in China. Een literair mensch is altijd óók een beetje een
-schilder. Schilderen was vroeger geen apart beroep, ieder ontwikkeld
-mensch schilderde. De hoogste beschaving werd het in China geacht de
-gevoelens uit te kunnen drukken zoowel in poëzie als met penseel op
-zijde. Teekenen werd geleerd zooals bij òns schrijven. Hét
-schriftteeken voor teekenen, in ’t Chineesch „hoá”, in ’t
-Japansch „kaku” is ’t zelfde als voor schrijven, zeide ik reeds.
-
-De vroegste Chineesche karakters waren teekeningen van voorwerpen of
-voorstellingen. Dit wordt al aangeduid door het karakter voor
-schriftteeken: „wên”, d.i. lijnen, omtrekken van een voorwerp. De
-schilderachtige natuur van ’t Chineesche schrift eischt een
-langdurigen studie-cursus, en dezelfde fijne oefening van oog en hand
-als de studie van het teekenen. Het schrijven van Chineesche karakters
-wordt in China bepaald als een echte, edele kunst beschouwd, even
-verdienstelijk als het maken van een mooie teekening. Men ziet dan ook
-in China veel kakemono’s met niets dan één of zeer weinige
-karakters er op, waarvan de lijnen en bogen, het rythme, evenzeer
-bewonderd worden als die in eene schildering of teekening. In de
-Chineesche schilderkunst is de lijn altijd van veel gewicht, van méér
-gewicht dan de kleur.
-
-De natuur van het gebruikte materiaal, zooals lichtelijk absorbeerend
-papier, gebleekte zijde en dunne waterkleuren geven aan het Chineesche
-schilderen een apart karakter. Men stelle zich de enorme moeilijkheid
-voor, die een Europeaan zou hebben, om een teekening te maken op een
-soort vloeipapier met een penseel met dunne, waterige Chineesche
-kleuren. Er is daarbij geen kwestie van overdoen, wat er staat is met
-één penseelstreek gedaan, en moet blijven staan. Het is alles „aus
-einem Gusz” neêrgepenseeld, niets kan overgedaan of uitgevlakt
-worden. De Chineesche schilder denkt en voelt eerst een schildering
-dagen of maanden uit, dát is het groote werk, en als het rijp
-voldragen is, eerder niet, penseelt hij het neer, dikwijls in zéér
-korten tijd.
-
-De kleur is in een goede Chineesche schildering niet voldoende voor de
-waardebepaling, al kan zij er een zekeren glans aan geven, maar het
-lijnen-rythme maakt de schildering tot een kunstschepping. In den
-grootsten bloeitijd der Chineesche schilderkunst werden voornamelijk
-monochrome schilderijen geschilderd.
-
-Wanneer wij Chineesche of Japansche schilderkunst zien—deze twee zijn
-zeer na aan elkander verwant—moeten wij ons verplaatsen in de ziel
-van den Oosterling, en niet alles van een Westersch standpunt blijven
-beschouwen.
-
-Raphaël Petrucci heeft de onsterfelijke verdienste gehad, om de
-geheele Chineesche kunst te verklaren uit de Chineesche filosofie. Zijn
-prachtig werk „La Philosophie de la Nature dans l’Art d’Extrême
-Oriënt” is het monument daarvan. De magische visie van den Kosmos,
-de diepste beschouwingen over de kosmische wetten en verschijnselen,
-vinden wij weerspiegeld in de Chineesche kunst.
-
-„On part d’un bibelot très accessible”, schrijft Petrucci,
-„où l’attitude, le mouvement, la structure, dégagent un charme
-pénétrant, et l’on finit par découvrir, derrière l’œuvre
-peinte ou sculptée, la vision magique de l’univers”.
-
-Zonder de filosofie van de „Yih King”, die van Lao Tsz’, en
-zonder het Boeddhisme is de Chineesche kunst niet te begrijpen.
-
-Ik heb in dit boek „de Geest van China” het Boeddhisme niet apart
-behandeld, omdat het een godsdienst—juister: een wijsbegeerte—is,
-die niet oorspronkelijk in China ontstaan is, maar van buiten in China
-is gekomen. Aparte behandeling van het Boeddhisme zou dit werk te
-lijvig maken; ik moet dus de voornaamste leerstellingen er van bij den
-lezer bekend veronderstellen. [49]
-
-Met een enkel woord zal ik hier enkel den invloed van het Boeddhisme op
-de Chineesche kunst aangeven.
-
-Het Boeddhisme heeft op het leven en dus ook op de kunst—de hóógste
-uiting van dat leven—in China en Japan een invloed gehad, die
-overweldigend groot als hij is, nog nooit ten volle beschreven is
-geworden. Al te veel Europeesche geleerden die over China schreven
-hebben, zooals terecht door Prof. Fenollosa in zijn in 1912 verschenen
-werk „Epochs of Chinese and Japanese Art” is opgemerkt, den indruk
-gekregen en in hun geschriften gegeven, alsof het Boeddhisme in China
-een ontaarde en verachte godsdienst is, die geen vat heeft op de
-ontwikkelde klassen en die genegeerd kan worden in ’t beschrijven van
-de Chineesche maatschappij.
-
-Nu is het zeker waar dat de Chineezen niet zulke zuivere, devote
-Boeddhisten zijn als b.v. de bewoners van Ceylon, en ook, dat de echte
-Confucianistische literatoren, waartoe ook het geheele hoogere
-mandarijnendom zoowat behoort, dikwijls—en vooral van de 8e eeuw
-af—zeer vijandig tegen het Boeddhisme geageerd hebben. Maar toch is
-het even waar, dat een belangrijk deel van de schoonste gedachten en
-zelfs van de levensstandaarden in China, en een zeer belangrijk, ja het
-allerschoonste deel van de geheele Chineesche kunst zéér sterk getint
-is met Boeddhistische invloeden. Over Chineesche kunst te spreken en
-’t Boeddhisme er buiten laten, zou een even onmogelijk te maken fout
-zijn, als over Europeesche kunst te spreken zonder ’t Christendom.
-
-Het Chineesche Boeddhisme behoort bijna geheel, zoo verklaren de
-geleerden, tot het z.g. „Grootere Voertuig”, het Mahayana. Onze
-meeste informatie over ’t Boeddhisme komt uit Zuidelijke bronnen, in
-Pali-geschriften en de geheele Ceyloneesche informatie, en die wordt
-geacht dichter te liggen bij de oorspronkelijke bron van Shakyamuni.
-Daarom wordt Noordelijk Boeddhisme, Mahayana, meestal gedacht eene
-revolutionnaire ontaarding en corruptie daarvan te zijn. Men vergeet
-hierbij te veel dat het Boeddhisme—evenals trouwens het
-Christendom—een godsdienst (juister ware eigenlijk eene religieuze
-wijsbegeerte) is met evolutionair karakter, die niet hardnekkig aan oud
-formalisme vasthoudt, maar zich steeds aanpast, adapteert en
-re-adapteert aan de behoeften van de natuur der verschillende volken
-waarmede het in contact komt. Zóó paste het oorspronkelijke,
-Zuidelijke Boeddhisme zich aan de sterkere Noordelijke rassen van N.W.
-Indië, en werd het meer positie, sociaal en humaan onder de groote,
-practische rassen van China en Japan. Deze aanpassing is daarom echter
-volstrekt nog geen ontaarding.
-
-De introductie van ’t Boeddhisme in de Chineesche kunst is bovendien
-langzaam gegaan, en liep over eeuwen, samengaande met eene reeks
-revolutionnaire hervormingen in ’t universeele Boeddhisme. Er wordt
-wel eens aangenomen dat reeds in 120 v. C. de Chineesche keizer Woe Ti
-van de Han dynastie, van Chang Ch’ien, een zijner gezanten en
-generaals, die de z.g. Yueh Chi, de Hunnen, in ’t Westen bezocht, een
-gouden beeld medegebracht kreeg, 3 M. hoog, dat een Boddhisattva zou
-hebben voorgesteld, maar, indien dit al zoo was, werd hiermede toch nog
-niet het Boeddhisme ingevoerd. Eerst in ’t jaar 61 n. C., onder
-keizer Ming Ti, kan met zekerheid eene missie worden getraceerd die
-hij, tengevolge van een droom, naar ’t Westen zond om daar
-inlichtingen en boeken te gaan zoeken over Boeddha.
-
-Deze missie kwam tot Magadha, in Centraal-Indië, N. van de Ganges en
-kwam terug met reliquien en boeken, en met 2 boeddhistische leeraars
-uit Indië. Van dien tijd af werd het Boeddhisme in China bestudeerd en
-werden boeddhistische werken vertaald, maar het was niet vóór de
-Th’ang-dynastie, dat de eigenlijke expansie van ’t Boeddhisme in de
-Chineesche kunst op werkelijk groote schaal begon, die toen al eeuwen
-geleden nu en dan sporadisch de aanraking had gevoeld van de Indische
-kunst. Deze Indische kunst was gedeeltelijk eene Greco-Boeddhistische,
-waarin Perzische invloeden zich met Helleensche elementen vermengd
-hadden.
-
-Het was deze Greco-Boeddhistische kunst, oorspronkelijk uit de verte
-dateerende van de veroveringen van Alexander den Groote, die ook in
-China zijn intrede deed, later in Korea, en in Japan, en het eerste
-karakter gaf aan de Chineesche Boeddhistische kunst. Het klink wel wat
-vreemd dat de Grieksche kunst, zij ’t vermengd met andere, werkelijk
-doorgedrongen is tot China en Japan, vooral als men zoo dikwijls
-Chineesche en Japansche kunst als e.g. „romantisch” heeft hooren
-noemen in tegenstelling met het Grieksche klassicisme. De bekende
-versregels van Rudyard Kipling:
-
-
-
- „East is East and West is West
- And never the twain will meet”
-
-
-
-lijken dit ook wel tegen te spreken, maar in de kunst hebben Oost en
-West elkaar al lang ontmoet, want de Boeddhistische kunst van China en
-Japan heeft nog altijd voor een deel westersche invloeden in zich die
-er zich in hebben opgelost. Er zijn zelfs Boeddha- en
-Boddhisattva-beelden in China en Japan, waarvan niet alleen de draperie
-van het gewaad volkomen Grieksch is, maar waarvan het gezicht een
-beslist klassieke Helleensche schoonheid heeft. De oprijzing van de
-Chineesche en Japansche Boeddhistische kunst onder die verre
-Grieksch-klassieke invloeden uit het Westen ging opmerkelijker wijze
-gepaard met de volkomen depressie van die klassieke kunst in Europa. De
-specifiek christelijke kunst van de gothiek, die uit de ruïnen van het
-Helleensche klassicisme in Europa ontstaan is, kwam veel later dan de
-specifiek Boeddhistische kunst onder invloeden van dat Hellenisme in
-China en Japan.
-
-Het is in de kunst, de Boeddhistische kunst, dat Oost en West elkaar
-reeds eeuwen en eeuwen hebben ontmoet, en te zamenkomend schoonheid
-hebben geschapen. [50] Het is een huwelijk geweest, dat zeer mooie
-kinderen heeft voortgebracht, en die kinderen, scheppingen van
-Boeddhistische kunst in China, Japan en ook Korea, zijn dus eigenlijk
-geestelijke kleurlingen, halfbloeden, uit een Griekschen voor-vader en
-een Aziatische moeder, of althans verre Grieksche voor-vaderen, daar
-eerst die Helleensche invloeden weer door Perzische en Bactrische kunst
-waren gegaan.
-
-Men wachte zich wel, die Graeco-Boeddhistische invloeden te
-overschatten. Terecht hebben kunstkenners als Strzygowski, Fenollosa en
-Petrucci er op gewezen, dat de Graeco-Boeddhistische strooming maar
-kort van duur was, door den Saracenen-inval, die er kort op volgde. Een
-zekere nobele gratie, aan verren Griekschen invloed toe te schrijven,
-is in de geheele later volgende Boeddhistische kunst blijven bestaan,
-maar zoowel uit het verleden, vooral de Han-dynastie, als in de
-volgende eeuwen der Th’ang-dynastie kwamen groote spiritueele, echte
-Chineesche elementen de kunst beïnvloeden, en, evenals het Boeddhisme
-zelf zich adapteerde aan den geest van het Chineesche volk, kwamen in
-de Chineesche Boeddhistische kunst echt Chineesche elementen, invloeden
-en proportiën, die deze kunst tot iets echt, geheel apart Chineesch
-maakten. Dat nu en dan hier en daar sporadisch een Helleensche
-karaktertrek weer doorbrak, doet tot dat feit niets af.
-
-Om nu tot het begrijpen en genieten van Chineesche kunst te komen,
-waarin zich China’s Geest zoo schoon openbaart, moeten wij, alvorens
-een Chineesche kunstschepping te gaan beschouwen, eerst onze geheele
-exclusief westersche levensbeschouwing en aesthetica ter zijde zetten,
-en ons in de ziel verplaatsen van den Chineeschen kunstenaar. Deze ziet
-de wereld en de dingen geheel anders aan dan een nuchtere, in de
-empirische wetenschap—maar ook niets meer—opgevoede Europeaan.
-
-Het „gek” of „vreemd” vinden van Oostersche, en dus ook
-Chineesche kunst, berust meestal daarop, dat we haar vanuit onze
-Westersche ziel aanzien.
-
-Neem een gewoon geval: een bloem, of een vogel. Die ziet een westerling
-over ’t algemeen nogal nuchter, als iets buiten zijn eigen leven om,
-al vindt hij ze mooi of merkwaardig. Zelden voelt hij iets voor ’t
-innerlijk geheimzinnige leven er in. De Chineesche Taoïst, de
-Chineesche Boeddhist en ook de Japansche Shintaoïst ziet de Natuur
-overal gelijkmatig door één Al-Ziel bezield. Hij vergelijkt zelfs
-niet eens een dier met een mensch, zooals Dr. Curt Glaser in zijn
-„Ost-Asiatische Kunst” zoo juist zegt, maar ook zal hij geen
-menschenziel in een dierenlijf zoeken, of geen elf uit een bloem laten
-komen, want dier en mensch en bloem en de geheele schepping zijn hem
-één. Het „Seelenhafte”—ik weet er geen mooi Hollandsch woord
-voor,—het „Seelenhafte” in het dier, in de bloem te begrijpen,
-hun lichaamsvorm niet als lagere mogelijkheid van openbaarwording van
-de levens-stof, maar als onmiddelbaar deelachtig aan de Al-bezieldheid,
-van welke de mensch óók een deel is, dàt vast te leggen is het doel
-van een groot deel der Chineesche en Japansche kunst. De plant is voor
-zoo’n kunstenaar geen ornamentaal vormbeeld, ook niet een bonte
-kleurenvlek, maar een levend wezen, het is niet „nature morte”, ook
-niet stil-leven, maar juist héél innig leven, zinnebeeld van leven en
-bezield leven, een stuk van de ál-bezieling, die ook in ons, menschen
-is. Het begrip „doode stof” kent het Oosten eigenlijk niet.
-
-In een zéér mooi boek over Japan, van André Bellesort „La
-Société Japonaise” heb ik eens gelezen: „Het kleine Japansche
-meisje dat een vlinder naloopt en dit mooie stukje licht aanlokt om op
-haar hand te komen zitten, ziet daar niet, als onze kinderen, een stuk
-speelgoed in, teerder en brozer dan het andere, maar zij sympathiseert
-al op naïeve wijze met dat geheimzinnige leven, waar zij ook maar een
-deeltje van is.” De ziel van den Oosterling is als ’t ware maar een
-droppel in den maalstroom van zielen, die in het leven wemelt.
-
-De Oost-Aziaat verlost niet een Dryade uit een boom, de boom zèlf is
-een verheven wezen voor hem, waard om vereerd te worden.
-
-De Grieksche dichter of ander kunstenaar leende, zegt Dr. Glaser
-terecht, als ’t ware een ziel aan een boom en gaf die ziel dan
-tegelijk een menschelijke gestalte, hij schildert dus een wezen af, dat
-tijdelijk een thuis in den boom vindt. De stam wordt dan behuizing voor
-een wezen dat van buiten is gekomen. Maar voor den Oost-Aziaat is de
-boom en zijn ziel hetzelfde. De groote Chineesche schilders, beeldden
-niet af uit enkel vreugde over den schoonen schijn der dingen, het
-oppervlak van een bloem, het toevallige licht op een landschap of een
-koeienrug. Zij drukten de ziel dezer dingen, een stuk der
-àl-bezieldheid met hun kunstwerk uit.
-
-Nu wil ik nog even verwijzen naar een prachtig artikel van Yoshio
-Markino in de „Fortnightly Review” van Juli 1910 j.l. Deze Yoshio
-Markino haalt o. a. een’ brief aan van één zijner goede vrienden,
-die een zéér bekend Japansch schilder is van den tegenwoordigen tijd,
-Busho Hara. In dezen brief noemt Busho Hara, die jarenlang in Londen
-Europeesche kunst heeft bestudeerd, de Oostersche kunst, tenminste de
-oùde Oostersche kunst, subjectief, en de westersche objectief en hij
-legt dit op de volgende wijze uit: „De oude Japansche kunst—en dit
-geldt ook voor Chineesche—is de zuiverste „Subjectieve”. Dat wil
-zeggen, de artiesten hadden diepe sympathie met de Natuur, zij
-bestudeerden zorgvuldig hoe alles bestond in deze wereld en, na véél
-beschouwing en vele verbeeldingen, probeerden de kunstenaars te voelen
-of ze zélf beesten, bloemen, of wàt ook, dat zij probeerden te
-schilderen, waren. Al de schilderingen werden alleen dán gemaakt als
-de artiesten deze hoogte bereikt hadden. Daarom waren noch achtergrond,
-noch perspectief voor hun schilderingen noodig. Oók het kleuren was
-zéér simpel, en zij hadden niet zulke ingewikkelde plannen voor
-kleuren noodig als de Westersche kunst. De lijn, niet de kleur, was
-eigenlijk altijd hoofdzaak in China en Japan.
-
-De Westersche kunst, zooals ge weet, is geheel verschillend van de
-Japansche kunst. Dat wil zeggen, de Westersche artiesten schilderen
-alles, zooals het hun toeschijnt. Daarom moet de Westersche kunstenaar
-studeeren over licht en schaduw, perspectief en tonen en allerlei
-wetenschappen.
-
-We zien dan ook dikwijls in de Westersche kunst te veel techniek, en
-zij verliest het sympathieke gevoel voor de Natuur, hetgeen de fout is
-van het „Objectieve”, terwijl Japansche kunst de fout heeft van het
-„Subjectieve” en de uitwendige vormen der natuur wel eens uit het
-oog verliest.
-
-Aan den anderen kant, als deze Westersche „objectieve” artiesten
-het hóógste punt van uitstekendheid bereiken, moeten zij vanzelf op
-dezelfde plaats aankomen als deze Oostersche „subjectieve”
-artiesten, dat Tenturiki is.
-
-Tenturiki is een Japansch woord-begrip voor „het ideale verkeer met
-de Natuur”.
-
-Yoshio Markino zegt, na deze aanhaling van zijn’ vriend Busho Hara,
-zélf nog: „Ik zeg altijd dat de Westersche beschaving
-wetenschappelijk is, terwijl de Oostersche beschaving poëtisch is.
-Inderdaad, de Westersche beschaving is zéér hoog, maar zij is net als
-de Eiffeltoren. Zij heeft de trappen en de liften, die ik de
-wetenschappen noem, zoodat iedereen den top kan bereiken, als hij
-gebruik maakt van die trappen en die liften. De Oostersche beschaving
-is anders. Zij is als een berg, half verborgen in wolken; er zijn vele
-afgronden, maar geen trappen. Alleen zij, die naar boven kunnen klimmen
-bereiken den top.”
-
-Hij vergelijkt ook de opvoeding van de kinderen in Japan met die van
-kinderen in Europa. Als kinderen in Europa met hun vader of hun
-leermeester wandelen, en zij vragen: „wat is dat voor een bloem” of
-„wat is dat voor een beest”, dan krijgen zij een wetenschappelijk
-antwoord, die en die soort, die en die klasse, enz, Maar de eerste les
-voor Japansche kinderen is het opzeggen van de „Hiaknin shoe” of
-honderd beste gedichten, en ’t geliefkoosde gedicht van kinderen is
-van Saru Marudaya, uit het Chineesch vertaald, dat luidt: „O! Als wij
-de herten hooren schreeuwen en op de vallende bladeren hooren stappen
-in de diepe berg, dan voelen we, hoe droef de Herfst is.”
-
-De droefheid van de herten was alzoo dezelfde als de droefheid in de
-menschenziel.
-
-Ikzelf, zegt Yoshio Markino, hield erg veel van dit gedicht, toen ik
-een kind was, en ik dacht heusch, dat de herten precies hetzelfde
-gevoel hadden als wij, menschen.
-
-Of neen, niet alleen dieren en vogels, maar ook de boomen, de steenen,
-de bergen en de rivieren werden gedacht zielen te hebben. Er is een
-ander beroemd Chineesch vers, waar al de Japansche kinderen veel van
-hielden: „Al de vogelen zijn hóóg boven weggevlogen, en een
-gespikkelde witte wolk verlaat mij nu ook. Maar o! gij berg van Keitei!
-Gij en ik worden het nooit moe, elkander aan te zien!”
-
-Na zúlk een opvoeding werden de Japansche- en de Chineesche artiesten
-natuurlijk „subjectief”. Zij trachtten gemeenschap te krijgen met
-de „zielen” der Natuur, en dan hun gevoelens uit te schilderen.
-Maar ’t eerst van alles oefenden zij de behandeling van hun
-penseelen. Deze oefening was de gewichtigste voor hun. De Japanneezen
-en Chineezen zijn daar het handigste in, omdat zij letters en karakters
-schrijven met penseelen, en van hun vierde of vijfde jaar af oefenen de
-kinderen zich allen in ’t behandelen van penseelen. Er is een
-voorgeschreven, formeele manier, hoe de penseel vast te houden, en hoe
-te teekenen. Als Chineezen en Japanneezen dit heelemaal meester zijn,
-voelen zij de punt van het penseel als een stuk van hun eigen hand. En
-dan is hun ambitie om de „zielen” van de natuur op de zijde of op
-het papier te brengen.
-
-Als men de zooeven aangehaalde woorden van Yoshio Markino goed
-begrijpt, voelt men dat een goede Chineesche of Japansche schilder niet
-enkel den schoonen, uitwendigen vorm van een bloem, een vogel, of een
-mensch, of een berg wil geven, maar dat hij dien vorm slechts gebruikt
-voor zoover hij middel is om het inwendige leven, dát wat hij noemt
-„de ziel der dingen” te geven, of juister, niet de persoonlijke,
-individueele ziel, maar meer den „Geest” (the Spirit), den
-Al-Geest, die in alles en allen één is.
-
-Een zéér groote invloed op de Chineesche wereldbeschouwing, en dus
-ook de Chineesche kunst, heeft gehad de Boeddhistische „Shên” (in
-’t Japansch geheeten „Zen”) sekte. In 520 n. C. was deze sekte
-gesticht door een patriarch uit Indië, genaamd Boddhidarma (in ’t
-Chineesch „Ta Mo” geheeten), en die tijdens de regeering van keizer
-Woe Ti in China was gekomen. Deze sekte leerde de leer van
-„Dhyani”, van contemplatie en meditatie. Zij verkondigde, dat de
-absolute Waarheid transcendent is aan de begrippen goed en kwaad, dat
-de ware Boeddha zelfs buiten de begrippen kennis en onwetendheid ligt,
-en dat noch door woord, noch door boeken, de Waarheid ooit kan worden
-erkend, maar alleen door meditatieve verzinking in zich zelf en in de
-natuur. Niet het handelen in de wereld, maar het geestelijke inzicht in
-zichzelf en in den kosmos leidt tot de erkentenis der Waarheid, zoo
-leerde deze secte, en dus ook tot de oplossing van den eigen Geest in
-den universeelen Geest. Deze leer kwam de leer van Lao Tsz’ en Chuang
-Tsz’ al zéér naderbij.
-
-De contemplatie van en de meditatieve verzinking in de natuur, zooals
-geleerd door deze „Shên” sekte, welker invloed op de schilderkunst
-onder keizer Huän Tsung (713–743 n. C.) der Th’ang-dynastie begon,
-maar die in de latere Soeng-dynastie eerst haar hoogsten bloei zou
-bereiken, is het innige wezen van de schoonste Chineesche
-landschap-schilderingen. Onder de grootste Chineesche
-landschapschilders waren priesters en monniken van de Shên-sekte van
-’t Boeddhisme. De door hun geschilderde landschappen ademen allen
-deze contemplatie, het zich verzinken in de natuur, die zij identiek
-voelden met het eigen zelf. Eigenlijk is hun levensbeschouwing, zich
-uitend in hun kunst, eene samenvloeiing van het Boeddhisme met het
-Taoïsme van den Chineeschen wijsgeer Lao Tsz’. Ook hier is weer een
-voorbeeld van de aanpassing van ’t Boeddhisme aan inheemsche
-wereldbeschouwing.
-
-De groote Chineesche landschap-schilderkunst is niet eene
-impressionistische, ook niet eene naturalistische weergeving van
-landschappen, maar eene geestelijke, de weergeving van de innerlijke,
-geestelijke essence der natuur achter de uiterlijke verschijning.
-
-Om Boeddhistische kunst, ook de landschap-schilderkunst te doorgronden
-moet men zich altijd goed bewust zijn van de Boeddhistische
-levensbeschouwing. Het Boeddhisme, ook het Chineesche Boeddhisme,
-gelooft niet aan de werkelijkheid der zichtbare wereld. Het heelal is
-eene illusie, eene begoocheling, ontstaan door den z.g. sluier van
-Maya, en alle vormen zijn transitoir. In de z. g. zes werelden der
-begeerten (de werelden der dieren, der menschen, der dewas’s, der
-asuras of reuzen, der prêtas, dwalende geesten-monsters, en der
-hellen) evolueeren de schepselen en dingen van de smart en den dood. De
-zielen doorloopen een cyclus in de schijn-werkelijkheid onder
-verschillende vorm-verschijningen. Een steen, een plant, een insect,
-een mensch, een dewa, zijn maar illusoire verschijningen met—zooals
-Raphaël Petrucci het uitdrukt in zijn „Les Peintres Chinois”—een
-„identieke ziel” (juister ware „een identieken Geest”) die naar
-de bevrijding dier illusie heen evolueert door de gevangenissen heen
-van dwalingen en begeerten. Alle levensvormen zijn gevangenissen,
-waarin de pure geest-essence is opgesloten, die bevrijd moet worden. De
-deernis van de Boeddhistische levensbeschouwing strekt zich niet enkel
-uit tot de menschen, maar tot de totaliteit van alle schepselen en
-dingen. Het innerlijke karakter van alle schepselen en dingen is
-hetzelfde, hun noodlot en hun toekomst óók. Achter de wisselende
-vormen en verschijningen van het Heelal is dezelfde reden van bestaan,
-dezelfde zuivere essence van geest, die ieder schepsel, ieder ding in
-zich draagt. De natuur is voor den „Shên”-artiest de suggestie van
-een geestelijk beeld achter het stoffelijke uiterlijk. Daardoor geeft
-dit Boeddhisme een zekere vertrouwelijkheid, een familiariteit en
-verwantschap met al het bestaande zooals géén andere godsdienst,
-gelijk Raphaël Petrucci zoo schoon opmerkt.
-
-In de kunst, zoowel de schilderkunst als de plastiek, is dit sentiment
-van verwantschap óók doorgedrongen. De natuur-weergave zelfs, in deze
-kunst, heeft iets innig intiems en verwants.
-
-Ik heb zooeven de „Shên” sekte genoemd, en ook het Boeddhisme in
-’t algemeen, die invloed uitoefenden op deze grootste Chineesche
-schilderkunst, welke tevens—dit zullen de komende jaren uitmaken—de
-allergrootste, diepst geestelijke der geheele wereld is, maar men moet
-zich daarbij vooral niet wegdenken den invloed van de in China vóór
-de intrede van ’t Boeddhisme reeds bestaande filosofische, echt
-Chineesche systemen vooral die van de „Yih King” en van Choe Hie.
-
-Eeuwen vóór ’t Boeddhisme kwam hadden zich in China filosofische
-systemen ontwikkeld, gedeeltelijk langs zuiver intellectueelen weg,
-gedeeltelijk b. v. dat van Lao Tsz’, ook langs metaphysische en
-intuïtieve.
-
-Er bestonden reeds zeer diepzinnige Chineesche leerstellingen en
-systemen over de structuur van het Heelal. Het Taoïsme b. v. van Lao
-Tsz’ zag, in de wisselende veelheid der verschijningen de transitoire
-vormen van een universeelen Geest Tao. Aan al die reeds bestaande
-Chineesche intellectueele en metaphysische beschouwingen, en systemen
-kwam het Boeddhisme toevoegen, zegt Petrucci zoo terecht, wat er tot nu
-toe aan ontbroken had: de deernis, de chariteit voor al het bestaande.
-
-Zeer schoon zegt Petrucci „Aan de wellust van het intellect, zich
-verlustigend in haar eigen natuur, voegt het Boeddhisme toe die cultuur
-aan het hart, die in zekere perioden van de menschelijke geschiedenis
-noodig is en die, in ons Westen, het fortuin heeft gemaakt van het
-Christendom. Maar de groote religie van Azië (’t Boeddhisme H. B.)
-zou geenszins de verovering der gedachte verduisteren; zij kon enkel
-eenigen van haar karaktertrekken doen afwijken en de zielen medevoeren
-tot een meer emotioneel begrip van de uiterlijke wereld. Menigen der
-principes van het Taoïsme zijn de hare, en de goden van de populaire
-godsdiensten adopteerende, en in zijn pantheon opnemende, wemelend van
-nieuwe beelden, heeft het Boeddhisme een weg gevolgd, evenwijdig aan de
-evolutie van het Taoïsme dat langzamerhand een godsdienst werd”.
-
-Indien men de Taoïstische werken, b.v. Lao Tsz’ en Chuang Tsz’
-bestudeert, zal men telkens getroffen worden door vele zuiver
-Boeddhistische karaktertrekken van hun wijsbegeerte. Aan deze kwam het
-Boeddhisme nu toevoegen wat er aan ontbrak: de eindelooze deernis met
-al het bestaande, zich uitstrekkend tot de totaliteit der dingen, de
-plicht om alle mede-schepselen van de bestaans-ellende te verlossen,
-een Boeddhistisch geloof „dat in een universeele liefde de
-faculteiten van het intellect zoo wel als van ’t hart doet
-verzinken”. En tegelijkertijd was de Boeddha-figuur volkomen in
-overeenstemming met den „Shêng Jên, den Heiligen, volmaakten Mensch
-van Confucius en Choe Hie, in wien al de goddelijke, hemelsche
-eigenschappen van den mensch tot de perfectie ontwikkeld zijn, en dien
-deze filosofen steeds als ideaal-mensch in hun filosofie
-verheerlijkten.
-
-De Boeddhistische filosofie paste zich aan, vermengde zich met de
-oorspronkelijk Chineesche, met wie zij al veel punten van verwantschap
-had; de Boeddhistische kunst paste zich aan de oud-Chineesche aan, die
-al sinds eeuwen bloeide, en voegde er nieuwe elementen aan toe.
-
-Totdat eindelijk in de Zuidelijke Soeng-dynastie, in de 12e en 13e
-eeuw, in de filosofie, en ook in de kunst, zelfs volbracht werd wat
-Prof. Fenollosa in zijn standaardwerk: „Epochs of Chinese and
-Japanese Art” terecht noemt „het grootste intellectueele feit, door
-de Chineesche gedachte volbracht gedurende de 5000 jaar van haar
-bestaan”, n.l. het doen samenvloeien van Confucianisme, Taoïsme en
-Boeddhisme (vooral de „Shên”-sekte daarvan) in één systeem. Dit
-was, zegt hij, „alsof een Leibnitz, een Kant, en een Hegel opstonden
-om droge Europeesche formules te reduceeren met wetenschappelijke en
-idealistische oplossingsmiddelen.”
-
-In de Chineesche kunst is deze geheele filosofische evolutie
-weerspiegeld.
-
-Ik kan in dit hoofdstuk geen volledige geschiedenis van de ontwikkeling
-der Chineesche kunst, zelfs niet alleen van de Chineesche schilderkunst
-geven; hiervoor zou een apart, dik folio noodig zijn. Ik verwijs hier
-dus voor een meer uitvoerige studie naar de reeds meermalen door mij
-genoemde werken van Petrucci en Fenollosa. In het voortreffelijke
-„Ost-Asiatische Zeitschrift” [51] kan men tevens veel schoons en
-leerrijks op dit gebied vinden, en in het door Goloubew uitgegeven
-tijdschrift „Ars Asiatica”. [52] Het in Japan uitgegeven
-„Kokka” bevat op dit gebied ook onschatbare publicatie en
-reproducties.
-
-De bloeitijd van de Chineesche schilderkunst was onder de
-Soeng-dynastie (960–1280 n. C.), en aan ’t einde der voorafgaande
-Th’ang-dynastie.
-
-Ik wil er nog even op wijzen, dat in dezen bloeitijd van China’s
-kunst, evenmin trouwens als tegenwoordig, de verschillende kunsten niet
-angstvallig als ’t ware in vakjes verdeeld werden, zooals thans in
-Europa.
-
-Een schilder was niet uitsluitend schilder, een dichter niet
-uitsluitend dichter en meer niet, het kunstenaar zijn berustte in het
-Oosten meer op een algemeene cultuur, en zoo goed als alle groote
-kunstenaars waren filosofen en geleerden. De groote Chineesche kunst
-staat in onverbreekbaar verband met de Chineesche filosofie.
-
-
-
-------
-FIGURE
-
-De drie Stichters der drie in China beleden Leeren, Lao Tsz’ (de
-kleinste figuur, vooraan), Confucius (in ’t midden) en de Boeddha
-Shakyamuni. Samen broederlijk één.
-
-(door den Japanschen schilder Kano Motonobu, geb. 1480)
-------
-
-
-
-Dit moet vooral goed in ’t oog worden gehouden, dat het begrip
-„kunstenaar” voor den ontwikkelden Chinees tevens eene algemeene
-filosofische cultuur in zich sluit. In Europa, zooals Petrucci zoo
-terecht heeft opgemerkt, zijn de kunstenaars die zich—zooals b.v.
-Leonardo da Vinci—door hun cultuur hebben opgeheven tot den rang van
-geleerde en wijsgeer, zeldzaam, maar in China, in den bloeitijd der
-kunst, waren alle groote schilders tevens geletterden en filosofen. Er
-is bijna geen groot Chineesch schilder bekend, die niet tevens was
-filosoof, of dichter, of staatsman, of Boeddhistisch dan wel
-Taoïstisch priester. Er waren zelfs astronomen onder, en onder de
-grootste schilders waren ook keizers.
-
-De schilder die voor een landschap in contemplatie was gezeten, had
-niet enkel oog voor het zoogenaamd „mooie” van het geval, voor
-toevallige licht-effecten of bizondere kleurnuances, maar hij trachtte,
-door den toover van den schijn heen de twee kosmische oer-principes,
-Yang en Yin, met zijn geest aan te raken, en het rythme, waarop zij
-zich verhielden en samenvloeiden—door de „ch’i”—in zijn
-schildering te doen trillen. Hoe vreemd het ook klinke, het
-onzichtbare, geestelijke, in het kunstwerk, is van meer belang dan het
-zichtbare van kleur en vorm en lijn. Het is het „Niets”—men denke
-hier aan Lao Tsz’ in zijn Tao Teh King—dat den vorm voortbrengt.
-
-Shên Kua, een schilder en criticus uit de 11e eeuw heeft eens
-geschreven: „In de calligraphie zoowel als in de schilderkunst
-beteekent de ziel (de Geest) meer als de vorm. De goede luitjes, die
-een schildering bekijken, kunnen meestal wel foutjes in vorm,
-compositie en kleur ontdekken, maar verder komen zij niet. Tot de
-diepere principes dringen maar weinigen door”.
-
-Die diepere principes zijn te vinden in den Geest van het landschap,
-het mystieke Wezen van het onzichtbare, dat zich in de vormen van het
-zichtbare openbaart.
-
-Geen wonder, dat ten slotte in deze geestelijke schilderingen de kleur,
-als nog te stoffelijk, verworpen werd, en het ideaal een schilderen in
-zwart en wit werd. De diepste geestelijke kunst uit de Soeng-dynastie
-is, zooals Dr. Glaser het zoo terecht zegt „een taal der
-ingewijden”. Hare werking „gaat niet in de breedte, maar in de
-diepte”. Haar ontwikkeling is geen ontvouwing, maar verzinking,
-concentratie. „Voltooien” werd in dezen zin „terugvoeren”, op
-het alleressentieelste, beperken tot het allerinnigste en wezenlijkste.
-Precies zooals het met den stijl ging van groote filosofen als Lao
-Tsz’, die niet hun breed-logisch uit-ontwikkelde filosofie gaven,
-maar de essentie, het in de diepste diepten bezonkene.
-
-Ik heb zooeven het mystieke woord „Ch’i” genoemd, dat ik in mijn
-hoofdstuk over de „Yih King” heb trachten te omschrijven, en thans
-gebruik ik dit kosmische begrip met betrekking op de kunst.
-
-In dat Hoofdstuk over de filosofie der „Yih King” heb ik op het
-mysterieuze kosmische fluïde, de „Ch’i” gewezen, die als ’t
-ware de vitale adem is van al het levende, en die, door zijn kracht de
-beide kosmische principes Yang en Yin doet vloeien en bewegen.
-
-Het verheven karakter der Chineesche kunst, en daardoor ook alweer van
-den Geest van China kan niet beter aangetoond worden dan door die
-alleréérste vereischte voor een Chineesch kunstwerk die „Ch’i
-Yün” heet, d.i. „het Rondgaan” (er in) van de „Ch’i”.
-
-Ik heb reeds doen uitkomen, dat dit kosmische begrip „Ch’i”
-eigenlijk onvertaalbaar is, al kunnen wij het met „Vitale Adem” of
-„Vitaal Fluïde” eenigszins benaderen. Raphaël Petrucci in zijn
-juweel van een werkje over Chineesche schilderkunst: „Kie Tseu Yuan
-Houa Tchouan” [53] vertaalt het met „Esprit” en „Ch’i Yün”
-met „La Révolution de l’Esprit”, maar dit vind ik niet geheel
-correct, omdat men immers Tao zoowel als T’ai Ki ook „Esprit” zou
-kunnen noemen. Het is daarom voorzichtiger, het onvertaald te laten.
-
-Evenals geen enkel schepsel of ding in het Heelal kan leven zonder die
-mystieke adem-fluïde „ch’i”, die de beide kosmische principes er
-in doet vloeien en bewegen, evenzoo is een waar kunstwerk, volgens de
-Chineesche ethische aesthetica onmogelijk bestaanbaar zoo deze
-„ch’i” er niet in rondgaat.
-
-De beroemde schilder Sië Ho (479–501 n. C.) heeft indertijd de
-„Zes Wetten” der schilderkunst vastgesteld, die oorspronkelijk
-enkel betrekking hadden op figuurschilderen, maar die later, met eenige
-veranderingen, ook op landschapschilderen van toepassing zijn gemaakt.
-
-Ik zal, aan de hand van Petrucci, maar met voorbehoud om niet, als hij
-het „ch’i” door „esprit” te vertalen, en om dus te dien
-opzichte mijn eigen opvatting hieromtrent te volgen, deze wetten
-hieronder nader omschrijven. [54]
-
-
-I. Het Rondgaan van de „Ch’i” doet het Leven bewegen.
-
-De circulatie van de „ch’i” is het trillen, door het kunstwerk
-heen, van den goddelijk-kosmischen Adem, die het kosmische principe, of
-juister de beide kosmische principes, die geopenbaard zijn uit het
-opperste, raadselachtige, onvatbare en ondenkbare goddelijke
-Geest-Wezen, dat met T’ai Ki en Tao vaag aangeduid wordt, doen
-„vloeien en bewegen”. De reusachtige, periodieke circulatie van de
-„ch’i” doet dien Geest in het Heelal, en dus ook in elk schepsel
-en ding van de natuur bewegen. Die eeuwige vervloeiing van den
-goddelijk-kosmischen Geest, door middel van de „ch’i” is het
-Rythme, waarop alles klopt en ademt.
-
-De schilder—en over ’t algemeen elke kunstenaar—moet dus vóór
-alles, door de bewegingen van de vormen heen, dit Rythme openbaren, het
-kosmische principe—dat, zooals we uit de „Yih King” weten
-eigenlijk twee op mystieke wijze identieke kosmische principes
-zijn—dat het door hem geschilderde openbaart. Boven den uiterlijken
-schijn, of liever er achter door, moet hij den Zin van ’t Universeele
-vatten en uitdrukken.
-
-Alleen zij, die het Genie hebben, kunnen dit. Men wordt er mee geboren,
-het wordt niet aangeleerd. De Japansche kunstkenner Kakasu Okakura in
-zijn „Ideals of the East” zegt: „In de Zes Wetten van de
-Schilderkunst komt het trouwe afbeelden van de natuur pas in de derde
-plaats, de éérste is het „Ch’i Yün”, de levende beweging van
-den Geest door het Rythme der Dingen. Want kunst is hier de groote
-stijl van het Heelal, her- en derwaarts bewegende te midden van die
-harmonische wetten der natuur, die Rythme zijn.”
-
-Indien in een kunstwerk „Ch’i Yün” d.i. het „ch’i
-circuleert,” dan volgt van zelf dat „Shêng tung” d.i. „het
-leven beweegt”. Het eerste slaat dus meer op den geest van den
-kunstenaar, en het tweede is daar de uiterlijke realiteit van. De
-scheppende geest daalt neder in het kunstwerk en doet er het leven in
-bewegen. Een kunstwerk maken wordt hierdoor dus eene magische, mystieke
-creatie.
-
-„Ch’i Yün” slaat meer op de ziel, den geest van den schilder, en
-„shên tung” (’t leven beweegt) is daar de uiterlijke realiteit
-van en slaat op de schildering zelve. De scheppende geest daalt neder
-in de pictorale conceptie en doet er het leven in bewegen.
-
-
-II. De wet der beenderen door middel van het penseel.
-
-Als de schilder het principe van Geest gegrepen heeft door het fluïde
-te doen trillen, dat de vormen bezielt, onzichtbaar er achter, moet hij
-doordringen in de plooien en schuilhoeken waarin die geest, Tao, zich
-verbergt. Hij moet dan de essentieele structuur bepalen, die aan ’t
-ding of ’t wezen den transitoiren vorm geeft waarin die eeuwige Geest
-zich tijdelijk uitdrukt. Het gaat hier dus niet enkel om de anatomische
-structuur maar om iets hoogers waarin men nog een reflex voelt van de
-oude magische conceptie van een teekening. Het penseel, de wet van de
-inwendige structuur oproepende, leent een zeker mystiek leven aan den
-vorm. Het resultaat van ’t penseel dat teekent of schildert moet niet
-een geleerde, exacte voorstelling of imitatie zijn, maar geeft een
-diepere werkelijkheid en openbaart den algemeenen, eeuwigen zin van het
-voorgestelde.
-
-
-III. Conform aan de dingen (of wezens) de vormen teekenen.
-
-Na alzoo de beteekenis van de verschijningen te hebben ontdekt in den
-band die ’t Rythme van den Geest bindt aan de Beweging van ’t
-leven, na het essentieele van de inwendige structuur ook te hebben
-ontdekt, moet de schilder de vormen voorstellen, conform aan de dingen
-of wezens die deze wereld bevolken. Deze formule correspondeert met een
-zeer oude conceptie der Chineesche filosofie. De volmaakte conformiteit
-van een wezen met zijn natuur, of met het principe van universeele orde
-dat in hem is stelt, als het zich toepast op den mensch, het Chineesche
-idee van Heiligheid daar.
-
-Het is door deze conformiteit dat de geschilderde vorm meer waarde
-heeft dan een enkele representatie. Zij wordt daardoor een werkelijke
-creatie en realiseert in een kunstwerk het principe van Tao. Want als
-ieder wezen of ding dat voorgesteld is in een kunstwerk, conform is aan
-zijn eigen natuur, wordt dit werk het beeld van een volmaakte wereld
-waar de essentieele principes in evenwicht zijn in eene harmonieuze
-proportie. Men ziet hier dus in philosophischen zin de oude opvatting
-van de magische waarde van een teekening, die de ontwikkeling der
-Chineesche schilderkunst kenmerkt, en de grondwetten der Chineesche
-esthetiek.
-
-Door zulke ideeën kwam de schilder er toe niet den onmiddellijken
-uiterlijken schijn te imiteeren maar om de synthese los te maken van de
-vormen, en met één schematischen penseelstreek somtijds te
-suggereeren dát, wat het diepe, innerlijke karakter van den
-natuurlijken vorm is waardoor de wetten dier synthese zich uitdrukken.
-Dit genie van de synthese karakteriseert trouwens de geheele kunst van
-het Oosten.
-
-
-IV. Volgens de gelijksoortigheid (der dingen en wezens) de kleuren
-verdeelen en verschikken.
-
-Dit principe is eene voortzetting van het vorige, en brengt het idee
-mede, van de werkelijke kleuren der voorwerpen te „propageeren”
-door hun te transporteeren op den geteekenden vorm. Hier is weer
-opnieuw het idee van de magische waarde van pictorale voorstellingen.
-De kleur van de schildering is even levend als de dingen; zij wordt
-gedistribueerd volgens de essentieele gelijkvormigheid van de wezens of
-de dingen; zij bekleedt met haar eigen leven een structuur, waarvan
-reeds de eeuwige principes en de actie van Tao uitstralen. De kleur
-voltooit de diepe operatie van den schilder en brengt hem dichter bij
-de oppervlakkige verschijningen, waaraan het oog gewoon is.
-
-
-V. De lijnen distribueeren en hun hiërarchische plaats toebedeelen.
-
-Als al de vorige principes in acht genomen zijn komt de compositie van
-het ensemble. Men moet dit echter niet te veel beschouwen van het
-standpunt onzer westersche esthetiek. Dit 5e principe is n.l. verbonden
-aan het principe van de calligraphie dat een bizonder leven en een
-bepaalden zin toekent aan de streek van het penseel; het identifieert
-deze streek met de sentimenten of ideeën die het vertolkt; dit
-principe stelt een band daar tusschen de streek die iets uitdrukt en
-den algemeenen zin der schildering, waarin die streek zich beweegt. De
-lijnen, die de geschilderde oppervlakte bedekken, moeten ook de
-immanente wetten van Tao in acht nemen. Er is een philosofische
-ondergeschiktheid van de eene lijn tot de andere in de compositie van
-’t geheel; één zekere plaats en géén andere past aan een gegeven
-uitdrukking van den Geest. En die posities van de penseelstreken of de
-vormen die zij uitdrukken, worden noodzakelijk opgelegd volgens de
-relaties, die de elementen van het ensemble aan elkander ondergeschikt
-maken. Hierdoor wordt eene hiërarchie bepaald, die niets anders is dan
-de uitdrukking van het principe van Harmonie in het Heelal.
-
-
-VI. De vormen zich doen ontwikkelen onder het aanbrengen in de
-teekening.
-
-De schilder-kunstenaar, die een waar werk doet van creëeren, van
-scheppen, en den Geest, Tao, realiseert in zijn werk, doet de vormen
-der wereld zich propageeren, ontwikkelen, in zijn kunstwerk, en hij
-werkt mede aan de algemeene beweging van ’t heelal naar de
-volmaaktheid toe, door aan de gerealiseerde dingen nog volmaakter
-beelden toe te voegen, die er ’t principe van doen zien en de
-mysterieuze essence er van loslaten. De teekening of ’t schilderij
-krijgen hierdoor een hoogere waarde dan een enkel plastische. Zij
-krijgen er iets verhevens, gewijds door. Zij leveren een beeld van de
-wereld op, zooals men zich die in een zin van ideale volmaaktheid zou
-denken.
-
-Als wij de 6 principes van Sië Ho nader beschouwen, zien we dat zij
-geen technischen voorrang beteekenen in hun volgorde, maar een
-filosofische conceptie.
-
-Als wij ze van achteren naar voren nemen, van VI naar I zien we dat het
-VIe toepasselijk is op ’t feit dat de schilder een gegeven werk
-uitvoert, het toont aan ’t werkelijk karakter van zijn werk, dat hij
-de vormen ontwikkelt, propageert van een ideale, volmaakte wereld. Het
-Ve principe bepaalt de algemeene compositie op de schildering waarin de
-schilder zich uitdrukt en geeft de noodzakelijkheid aan, om zijn groote
-systematische verdeelingen in acht te nemen. Het IVe leidt ons verder
-dan die algemeene, voorbereidende voorwaarden en loopt (in een
-mystieken, magischen zin van creatie) over de transpositie van de
-kleur, zooals het IIIe loopt over de transpositie van de vormen. Het
-IIe principe doet ons doordringen in de inwendige structuur, in ’t
-geheime principe van die vormen, waarvan we zooeven maar de uiterlijke
-verschijning hadden, en het Ie principe, het „Ch’i Yün” in die
-mystieke, geestelijke structuur, die het in-wezen betreft van het
-Eeuwige Principe van Geest, het Tao. Zóo de principes van VI achteruit
-naar I nemende komen wij dus van de véélvormige verschijningen tot
-den Eénen Geest, en als we de volgorde van I naar VI van Sië Ho nemen
-komen wij van den Eénen Geest uitgaande tot de véélvormige dingen,
-die de werken van den schilder zijn.
-
-Zooals ik al zeide: de principes II tot en met VI kunnen geleerd
-worden; het eerste, „Ch’i Yün”, niet. Dit is nl. wat het genie
-bepaalt, dat mysterieuze, machtige genie, waarmede de kunstenaar wordt
-geboren, het goddelijke. Zonder dat „Ch’i Yün” is geen ware
-kunst mogelijk.
-
-Er valt hier nog iets bij te zeggen, dat alweder teekenend is voor den
-Geest van China. Als eenige vrienden samen komen om een mooie
-schildering te bekijken, zullen zij wel ’t een en ander opmerken over
-de schoone techniek, de bizonder goed geslaagde kleur-verdeeling of
-lijnen-harmonie, of iets dergelijks, maar over het „Ch’i Yün”
-mag niet gesproken worden. Dat is te heilig om iets over te durven
-zeggen. Ieder neemt het zwijgend in zich op.
-
-Wat aangaat de kwaliteiten, die aan kunstenaars in China worden
-toegekend, het zijn twee dier hoedanigheden, genaamd „Yi” en
-„Shên”, die slechts aan de groote genieën worden gegeven.
-„Yi” beteekent in ’t algemeen ongeveer: „weg gaan, vèr
-gaan”, maar hier meer: „wat vèr gaat van ’t gewone”, en
-„Shên” is het mystieke Chineesche schriftteeken voor „goddelijke
-geest” dus hier „wat van de Goden is,” een soort goddelijke
-inspiratie. Dit „Yi” en dit „Shên” is wat het genie bij de
-geboorte medekrijgt.
-
-Al het andere is niet meer dan „Nêng”, d.i. „kunnen”, dat wat
-aangeleerd kan worden, de knapheid van techniek enz.
-
-Zooals Petrucci terecht opmerkt zijn het juist de werken uit het Oosten
-op welke het „Nêng” toepasselijk is, die door het grootste deel
-der Europeanen het hoogste geapprecieerd worden. Alles, wat voor
-zoogenaamde „export voor het Westen” in China en Japan opzettelijk
-gemaakt wordt, is slechts „Nêng”. De soort reverente angst,
-waarmede de kunstkennende Chinees zijn zorgvuldig weggehouden heilige
-kunstvoorwerpen voor den Europeaan verborgen houdt, wordt veroorzaakt
-door het weten, dat de doorsneê-Europeaan wèl het „Nêng” erkent,
-maar niet het „Yi” en het „Shên”. Het is slechts op het
-oogenblik dat hij den Europeaan hoog genoeg schat om het „Ch’i
-Yün” van een kunstwerk te doorvoelen, dat hij het hem durft toonen.
-
-Inderdaad, mogen wij, Westerlingen, het niet van den Chinees leeren,
-dat een kunstwerk zonder „Ch’i Yün” onmogelijk een kunstenaar
-zijn kan?
-
-Zoo noemt de Chineesche literator, zooals ik reeds in mijn hoofdstuk
-over de taal zeide, ook alle literatuur, waardoor niet de adem der
-Goddelijke Wijsheid gaat „siao shwoh”, d.i. „klein gepraat”. De
-Wijsheid, die zich rythmisch uit in Schoonheid, het literaire
-kunstwerk, waardoor „Ch’i Yün”, d.i. de kosmische Adem rondgaat,
-op het goddelijke rythme, dát alleen is Literatuur. En àl het andere
-is in China „siao shwoh”....
-
-Ik heb in dit hoofdstuk speciaal de Chineesche schilderkunst behandeld,
-omdat in deze de Geest van China zich zoo zuiver en schoon afspiegelt,
-evenals hij dit deed in de Chineesche filosofie van de „Yih King”,
-van Confucius, en Choe Hie, en Lao Tsz’, en Chuang Tsz’. Wellicht
-behandel ik, in een ander werk, de Chineesche schilderkunst
-uitvoeriger, en dan ook de andere Chineesche kunsten, de poëzie, de
-plastiek, de porseleinkunst, de architectuur.
-
-Ik heb in dit hoofdstuk er den nadruk op willen leggen, dat men den
-Geest van China, en dus ook China’s cultuur, niet kan doorvoelen en
-begrijpen, zonder China’s kunst te kennen. Kan men over de cultuur
-van Europa schrijven zonder de namen Rembrandt, Leonardo da Vinci,
-Michel Angelo, Botticelli, van der Weyden, Dürer, en andere grooten te
-noemen? En komt het dan te pas, zooals bekende sinologen als b.v. Prof.
-de Groot gedaan hebben, het Chineesche volk voor „half-barbarous”
-en „semi-civilised” uit te maken, zonder een flauw denkbeeld te
-hebben van de grootheid der kunstenaars, die dit volk voortbracht, van
-begenadigde filosofen-dichters-schilders als Wu Tao Tsz’, Wang Wei,
-Hui Tsung, Ku K’ai Chih, Ma Yuan, Mu Ch’i, Ch’ao Meng Fu, Li Lung
-Mien, Yen Li Pen en zooveel anderen? Het feit, dat deze in geheel China
-en Japan beroemde namen bij het groote publiek in Europa nog geheel
-onbekend zijn, bewijst reeds, hoezeer de Europeesche sinologie tot voor
-enkele jaren te kort geschoten is in het begrijpen en verklaren der
-ware Chineesche cultuur.
-
-Kunsthistorici van naam in Europa hebben, zooals o.a. André Michel,
-Professeur à l’Ecole du Louvre in zijn „Histoire de l’Art”
-durven verklaren: „l’Histoire de l’Art laisse également de
-côté les arts extra-européens, art musulman, art chinois, art
-japonais”, en M. Reinach, Membre de l’Institut, schrijft in zijn
-„Apollo (1904): „Si je ne dis rien ici de l’Art de l’Inde ni de
-celui de la Chine, c’est que la haute antiquité qu’on leur
-attribue est une illusion. L’Inde n’a pas eu d’art avant
-l’époque d’Alexandre le Grand et quant à l’art chinois, il
-n’a commencé à produire ses chefs d’oeuvre qu’au cours du
-moyen-âge européen”.
-
-Dit klinkt wel zeer merkwaardig in een werk, dat met de quaternaire
-periode begint, en tot Whistler en Manet loopt, zooals Herbert A. Giles
-terecht opmerkt [55], er bijvoegend, dat vóór in de 19e eeuw het
-naturalisme, impressionisme en „plein-airisme” in ’t Westen hun
-intrede deden, en wel minstens 1000 jaar vroeger, nadat de groote
-geestelijke kunst der Soeng-tijden reeds weer vervallen was, deze drie
-in China reeds hun propagandisten hadden gevonden.
-
-Gelukkig, dat in de laatste jaren mannen als Petrucci, Goloubew,
-Fenollosa en enkele anderen de hooge waarde der Chineesche kunst zijn
-gaan verkondigen, die kunst, waarin de Geest van China zich zoo subliem
-heeft geuit. Er zal spoediger dan men denkt een tijd komen, dat Europa
-in verrukking staat voor deze kunst.
-
-Ik moet nog even waarschuwen tegen het verkeerde gebruik, dat door
-vele, in de laatste jaren in de mode gekomen Chineesche kunsthandels
-van bet begrip „Chineesche kunst” wordt gemaakt. Er is, door den
-invloed dier kunsthandels, een zeker taaltje ontstaan, dat men
-„collectie-jargon” zou kunnen noemen. Men hoort tegenwoordig
-menschen, die geen flauw idee van de Chineesche Geschiedenis hebben,
-praten van „Soeng”, „Ming”, „Khang Hsi”, „Kien Lung”
-enz., zonder dat zij ook maar ’t minste weten van de cultuur van
-China in die tijden.
-
-De fijne Chineesche kunstkenner Bernard Laufer, in een artikel in den
-2en jaargang van het „Ost-Asiatische Zeitschrift” over de collectie
-Pierpont Morgan, schreef hierover zeer juist:
-
-„Het ruwe en holle barbarisme van onze beschaving kon niet beter
-geïllustreerd worden dan door het feit, dat wij de gelegenheid
-verzuimd hebben, de Chineesche ziel te grijpen in de keramische
-meesterstukken. Géén verzamelaar, jagend naar deze stukken, heeft
-ooit de moeite genomen, studie te maken van hun bedoeling, hun
-artistieke en sociale functie. De verzamelaars zijn tevreden als zij
-den naam weten van een dynastie, waartoe een voorwerp behoort, en
-kunnen een soort collectioneurs-jargon spreken over glazuren en zoo,
-maar de kostbaarste beteekenis der stukken weten zij niet. Wat is nu
-eigenlijk wijsheid waard, die determineert b.v. dat een stuk porselein
-niet tot de Kien Lung- maar tot de Khang Hi-periode behoort? De
-gedachte, en dikwijls het symbool voelen achter een porseleinen
-kunstvoorwerp kunnen maar weinigen”.
-
-Ook in de porseleinkunst, evenals in trouwens geheel de oude Chineesche
-kunst openbaart zich hetgeen Laufer zoo terecht noemt „the triumph of
-spirit over matter”. Ik wil hier nog even de woorden aanhalen, die de
-kunst-gevoelige Edmond de Goncourt [56] over het Chineesche porselein
-schreef:
-
-„Het porselein van China! dat porselein, superieur aan alle
-porseleinen van de aarde! dat porselein, dat sedert eeuwen, en op den
-ganschen aardbol krankzinniger „passionnés” heeft gemaakt dan al
-de andere takken bij elkaar der verzamelwoede van „curiosités”!
-Dat porselein, waarvan de Chineezen het volmaakte welslagen toeschreven
-aan een god van den oven, die het baksel beschermde van de
-porselein-bakkers, voor wien hij liefde gevoelde! Dat flauw
-doorschijnende porselein, vergeleken met Jaspis! Dat blauwe porselein,
-dat volgens de uitdrukking van den dichter „blauw als de hemel, dun
-als papier, schitterend als een spiegel” was! Dat porselein van Chow,
-waarvan een ander dichter, Tan Chao Ling zeide, dat zijn glans dien van
-de sneeuw overtrof, en waarvan hij de klagende sonoriteit roemde, dat
-product van een industrieele kunst, door de poëzie van het uiterste
-Oosten bezongen, zooals men bij ons een mooi landschap bezingt, een
-stuk goddelijke creatie, kortom, een aarde-achtige stof, door
-menschelijke handen vervormd tot een voorwerp van licht, van zacht
-coloriet, in een schittering van edelsteen! Ik ken niets dat daarmede
-vergeleken kan worden, om op een wand betoovering te hangen voor de
-oogen van een kleurenliefhebber.... En wáár heeft ooit de keizer
-geregeerd, die genoeg artiest was om eens, zooals keizer Chi Tsung te
-zeggen: „dat in de toekomst het porselein in gebruik in ’t paleis
-blauw zij als de hemel, dien men na regen ziet, in de tusschenruimten
-tusschen wolken? En waar is ooit, na zulk een mensch en zulk een bevel,
-een pottenbakker gevonden, die dadelijk daarop het porselein leverde:
-„Yü kwo thien ts’ing” (hemel-blauw na den regen)?”
-
-Zelfs al ware nog niets van die grootste aller Chineesche kunsten, de
-schilderkunst, bekend geweest, dan ware de toch reeds eeuwen bekende
-Chineesche porselein-kunst reeds voldoende geweest om de minachtende
-qualificatie van halve barbaren en heidenen te logenstraffen, die vele
-beroemde sinologen op de Chineezen hebben toegepast.
-
-De Geest van China is door de meeste Sinologen niet gevoeld, omdat hij,
-te subtiel om door het gewone intellect alléén te worden aangevat,
-dat véél fijnere hoogere intellect, dat intuïtie heet, behoeft om
-zich kenbaar te maken. Nog eens: de intuïtie is het, die naast het
-intellectueele, ook het geestelijke inzicht geeft.
-
-
-
-
-
-
-
-NABETRACHTING
-
-
-Ik heb in dit boek, dat geen ethnografisch en ethnologisch werk wil
-zijn, niet uitgeweid over den oorsprong en de geschiedenis van het
-Chineesche volk. Over den allereersten oorsprong ligt trouwens de
-geschiedenis in het duister. Door vele geleerde sinologen zijn
-theorieën en verhandelingen over dien oorsprong geschreven, maar
-wetenschappelijk zèker is hij nooit aangetoond kunnen worden. Het is
-in het bekken van de Yang-Tsz’ rivier, dat de geschiedenis der
-Chineezen voor het eerst onder onze aandacht wordt gebracht, maar waar
-zij vandaan kwamen vóór ze daar verschenen, is nooit met zekerheid
-uitgemaakt, al wordt verondersteld dat ze van het Noord-Westen kwamen.
-Er is eene aanwijzing in het Chineesche karakterschrift, die een
-afkomst uit het Westen bevestigt, namelijk deze, dat het ideografische
-schriftteeken voor „willen” bestaat uit eene symbolische
-samenstelling van twee karakters, waarvan het eene het schriftteeken
-voor „westen” en het andere dat voor „vrouw” is. Wàt is het
-voornaamste, dat een emigrant wil als hij in den vreemde is, waarhéén
-gaat dan zijn hoogste verlangen? Naar een vrouw uit zijn eigen land. En
-zóó is het Chineesche karakter voor „willen” onafscheidelijk
-geworden van een vrouw uit het Westen.
-
-Het is de „Shoe King”—het heilige Boek der Geschiedenis, dat van
-2357–621 v. C. loopt—die ons voor het eerst konde doet van het
-bestaan van het Chineesche volk in het bekken van de Yang Tsz’, maar
-het is wel zeker, dat een ontzachelijk groote periode verloopen is
-tusschen de eerste verschijning daar van het volk uit het Westen en het
-tijdstip, bedoeld in de „Shoe King”.
-
-Duidelijk is het, dat, hetgeen men verstaat onder „de Chineezen”
-van thans, géén puur, onvermengd volk is. Daarvoor is hun innerlijke,
-constructieve kracht ook te geweldig. Het is de vermenging der volken,
-die de krachtige rassen maakt. Pure, onvermengde rassen, dit heeft de
-wetenschap uitgemaakt, blijven niet zóó lang krachtig bestaan als het
-Chineesche.
-
-Er is eene voortdurende vermenging geweest van Aziatische, voornamelijk
-Mongoolsche stammen, wier trekken nog steeds duidelijk zijn op te
-merken in de verschillende variëteiten van het Chineesche karakter, en
-toch heeft dit niet belet, dat als een geheel, zooals Samuel Johnson
-zoo terecht opmerkt, het Chineesche ras-type het meest distinct
-individueele is van alle andere volkeren der wereld.
-
-Sommige oude gewoonten, waarover ik in dit werk niet speciaal kan
-uitweiden, wijzen op een uit de grijze oudheid dateerende nomadische
-afkomst der Chineezen.
-
-Als een groot geheel worden de Chineezen tot het z.g. Turanische ras
-gerekend, waartoe ook de Finnen, en misschien zelfs de oude Etruscische
-en Dravidische stammen van Indië behooren.
-
-De verre afkomst van de Chineezen als een oorspronkelijk slechts
-betrekkelijk klein getal emigranten uit het Westen wordt ook eenigszins
-aangeduid door de bekende uitdrukking „pai sing” voor „volk”,
-en „pai sing” beteekent hier „de honderd familie-namen”.
-Oorspronkelijk zouden er dus slechts honderd families hebben bestaan,
-waarvan het Chineesche volk afstamt.
-
-Ook thans zijn er, op dit volk van ruim 400 millioen menschen, nog maar
-een zeer gering aantal familie-namen. In keizer Khang Hsi’s
-dictionaire zijn ze allen vermeld, en wel 408 z.g. „enkele” en 30
-„dubbele” (uit twee bestaande), alzoo in ’t geheel slechts 438.
-Chineesche geschiedvorschers hebben deze namen nagespeurd tot de verst
-bereikbare oudheid, sommigen zelfs tot meer dan 3000 jaar geleden, en
-zóó vast is het geloof aan de heilige verwantschap van afstamming,
-door tientallen eeuwen heen, dat nog steeds elkaar geheel onbekende
-Chineezen van denzelfden familienaam elkaar als verre bloedverwanten
-beschouwen, en dat een huwelijk tusschen een man en vrouw van
-denzelfden familienaam ongeveer als bloedschande zou worden beschouwd,
-en bij de wet verboden is.
-
-Ik heb in de vorige hoofdstukken trachten uit te doen komen, hetgeen
-ik, in een ruim vijf-en-twintigjarige studie van China en de Chineezen,
-na een jarenlangen dagelijkschen omgang met Chineezen, als den Geest
-van China heb aangevoeld.
-
-Nu moet men niet aanmerkend vragen: „is elk van de ruim 400 millioen
-Chineezen nu van al, wat in die hoofdstukken beschreven is,
-doortrokken?” of „hoe komt het dat China, met zulk een Geest, niet
-het machtigste en meest ontwikkelde rijk der wereld is?” want dan
-komt men op geheel andere kwesties, die niet aan de orde van dit boek
-zijn.
-
-China, als het meerendeel der Oostersche rijken en volken, is, voor
-zoover het de aethische, aesthetische en filosofische, zoowel als de
-kunst-beschaving aangaat, wel degelijk een der eerste rijken van de
-wereld, maar omdat zijn wetenschappelijke en economische beschaving
-daarmede geen gelijken tred gehouden heeft, is het op ’t oogenblik
-achterlijk. Het heeft van ’t Westen de wetenschap en de economische
-orde hard noodig, maar al het andere heeft het, nù nog in zich zelf en
-daarvan behoeft het niets van het Westen.
-
-Binnen de lijn van dit werk ligt niet eene verhandeling over de
-moderniseering van China en de Chineezen. Ik heb elders hier reeds een
-en ander over geschreven. [57]
-
-Ik zeide hierboven, dat ik in dit boek heb trachten te geven—niet
-uitsluitend voor geleerden en sinologen, maar voor het groote,
-ontwikkelde publiek, en alzoo in den vorm, die daaraan geëigend
-was—hetgeen ik voor mij zelf steeds heb aangevoeld als te zijn de
-Geest van China. Nu kan er morgen een ander komen en zeggen: dat is de
-Geest van China niet, de Geest van China is: onkunde en bijgeloof, de
-superstitieuze gebruiken bij begrafenissen, het geloof aan weerwolven
-en weertijgers en demonen, het opgeblazen idee der superioriteit van
-alles wat Chineesch is en der inferioriteit van alles, wat niet
-Chineesch is, de vuilheid en onreinheid der steden en bewoners, het
-verminken, tot voor kort, der vrouwenvoeten, het verkoopen van
-kinderen, het gebrek aan hygiëne, het conservatisme, de geslotenheid
-en de onoprechtheid in ’t spreken (tegenover Europeanen), de vele
-„heidensche” zeden, enz. enz. En dan kan die iemand dikke
-boekdeelen vol getuigenissen aanhalen tot staving zijner beweringen.
-
-Maar toch is mijn antwoord dan: wat ge daar opnoemt is alles waar, ik
-ontken het niet, maar dat is de verwording, in deze tijden, van den
-Geest van China, en gedeeltelijk ook in vroeger tijden, maar niet die
-Geest zelve.
-
-Voor mij spreekt de ware Geest van een volk in hetgeen zijn denken en
-voelen voortbracht in zijn Filosofie, zijn Literatuur, zijn Kunst. En
-dit heb ik in mijn boek trachten te geven, uit den aard der zaak hier
-beknopt—de Chineesche beschaving loopt over duizenden jaren—maar
-toch in de kern, de essentie er van.
-
-Er is ook wel veel gezegd, dat de Chinees uit het volk zijn eigen
-literatuur—en dit is tevens de filosofie—niet kan lezen. In mijn
-hoofdstuk over de Chineesche taal heb ik reeds doen uitkomen, hoe de
-groote moeilijkheden, aan het Chineesche karakter-schrift verbonden, en
-de overwegende rol, die de syntaxis speelt, beletsels zijn voor het
-volk, om zich in schrift uit te drukken en boeken te lezen, vooral die
-in klassieken stijl.
-
-Het aantal personen in China, die met gemak de geheele literatuur van
-de vroegste perioden af kunnen volgen, is, in verhouding tot het aantal
-inwoners (op ruim 400 millioen geschat) zeker gering. Toch werd door
-Medhurst dit aantal nog op 2 millioen getaxeerd. Hetgeen niet belet,
-dat de invloed dier literatuur-filosofie op het staats- en familieleven
-der Chineezen zóó overweldigend groot is geweest, dat ook Chineezen,
-die haar niet kunnen lezen, er, zonder het te weten, in hun denken en
-voelen van doortrokken zijn. Terecht schreef Von der Gabelentz: [58]
-„Er is bijna géén ander mensch, die als Confucius, in zijn eigen
-persoon al de constitueerende elementen van het Chineesche type
-belichaamde, en al wat aanwezig is in ’t wezen van zijn volk. Want
-zelfs in den tegenwoordigen tijd, na meer dan 2000 jaar, ondergaat nog
-steeds het moreele, sociale en politieke leven van ongeveer een derde
-deel der menschheid den vollen invloed van zijn geest”.
-
-Het is volkomen juist hetgeen Alfons Paquet heeft gezegd: [59] „Ook
-de allerlaatste onder deze gele-bruine menschen draagt bij zich het
-bewustzijn en de instincten van zijn volk, als een amulet. Cultuur is
-daar, waar gecompliceerde geestelijke dingen zich ingenesteld hebben.
-Achter dit volk staat een rijk, een overal tegenwoordige volheid van
-eigenaardige gebruiken, van wijze inrichtingen. Daarin voelt zich de
-minste nog op den grond van een onwankelbare, reusachtige pyramide,
-wier top met den hemel spreekt”.
-
-Ik heb precies hetzelfde opgemerkt, zelfs in den minsten koelie heb ik
-tóch nog den Geest van China teruggevonden.
-
-Wat nu aangaat de Chineesche literatuur, ondanks de groote
-moeielijkheid, die de Chineesche schriftteekens opleveren, is China
-toch in alle opzichten het land van de gansche wereld, waar, als in
-geen enkel ander, de Literatuur steeds in de hoogste eere is gehouden.
-
-De opeenhooping van boeken in bibliotheken is fabelachtig. De klassieke
-collectie van keizer Kien Lung (1736–1796) bevatte alleen 105.000
-werken, en de catalogus er van geeft 1450 commentaren op de „Yih
-King” en 303 encyclopaedieën. De bekende „Catalogus der Vier
-Bibliotheken” bestaat uit 112 octavo deelen, van elk 300 paginas, en
-bevat een overzicht van 20.000 werken. Zooals Samuel Johnson terecht
-zegt van de ontzachelijke hoeveelheid Chineesche boeken in beroemde
-bibliotheken: „It is Chinese immortality, this Phoenix of letters. It
-is the analogue of Western science, as entire persistence of force”.
-Vijf groote brand-catastrophes hebben de literaire schatten van 3000
-jaar niet kunnen vernietigen. Keizer Chi Hwang Ti (259–210 v. C.) gaf
-last, om alle klassieke boeken te verbranden, ten einde met hèm een
-nieuwe geschiedenis en een nieuwe literatuur te doen beginnen, en
-vervolgde met de vreeselijkste straffen hen, die tóch nog boeken in
-hun bezit hadden. Desniettegenstaande is er nog een schat van die oude
-literatuur overgebleven. Chineesche encyclopaedieën hebben een omvang,
-waar de groote Europeesche klein bij gelijken. Een der beroemdste bevat
-uittreksels van 1700 werken en bestaat uit 1500 deelen.
-
-Keizer Khang Hsi (1662–1723), die de groote standaard-dictionaire der
-Chineesche taal uitgaf, schreef 176 boeken „Literaire Uitspanning”
-en 289 gedichten. Keizer Kien Lung compileerde eene verzameling van
-34000 gedichten uit werken, enkel loopende over het tijdvak zijner
-eigen regeering. Om de bovengenoemde dictionaire te kunnen uitgeven
-zette keizer Khang Hsi 80 geleerden-literatoren aan ’t werk gedurende
-zeven jaren.
-
-Wij kunnen ons in Europa geen denkbeeld maken van de overgroote eer,
-die in China aan de literatuur en aan groote literatoren wordt bewezen.
-Terecht vergelijkt een Amerikaansche schrijver dat met een godsdienst.
-Het is een feit dat, nù nog, in China literaire ontwikkeling meer op
-waarde wordt geschat dan rijkdom, en dat een groot literator er, ook in
-socialen zin, veel hooger in eere staat dan een millionair. In zekeren
-zin is de literator in China wat de Brahmaan in ’t oude Indië was,
-hoewel in maatschappelijken zin anders.
-
-Een der grondvesten voor universeele opvoeding is een werk van keizer
-Khang Hsi „Shêng Yü”, het Heilig Edict, dat om de 14 dagen, met
-de commentaren daarop van keizer Yung Ching, in ’t openbaar in de
-steden wordt voorgelezen. [60]
-
-Hoewel de zeer groote hoeveelheid Chineesche karakters, waarvan de
-kennis noodig is om alle klassieke werken te lezen, zooals ik zeide,
-een beletsel is dat voor de groote massa van het volk die werken
-ontoegankelijk maakt, kan toch zoo goed als iedere Chinees wel degelijk
-die karakters lezen, die te pas komen bij zijn handel of
-levensonderhoud. In dat opzicht staat het Chineesche volk uit de
-laagste kringen zelfs hooger dan dat uit de laagste Europeesche. Het is
-veelvuldig in Europeesche consulaten in China voorgekomen, dat, bij het
-afleggen van verklaringen, Europeesche matrozen, analphabeten zijnde,
-met een kruisje moesten teekenen, terwijl Chineesche zonder moeite hun
-naam in ’t Chineesch konden teekenen. En—óók geheel anders dan
-bij de laagste standen van Europeesche volken—tot in de laagste lagen
-der Chineesche maatschappij is bij het volk de eerbied voor literaire
-ontwikkeling ingeworteld.
-
-Het is een zeer gewoon verschijnsel dat een eenvoudige sampan-roeier of
-ricksha-koelie met groote opoffering van zijn zuur verdiende penningen
-spaart om toch maar zijn zoon een literaire opvoeding te kunnen geven.
-
-Trouwens het feit dat het Chineesche karakter „wên”, dat
-„schriftteeken” beteekent, tevens het begrip „beschaving”
-uitdrukt, spreekt al voor de hooge eer, waarin de literatuur in China
-staat. Beschaving is er zonder literaire en filosofischen aanleg niet
-denkbaar.
-
-Dat zóó China’s toekomstige cultuur van aard blijve is de hoofdzaak
-en véél gewichtiger dan dat zij westersche economie en wetenschap
-aanvaardt.
-
-Zeer terecht heeft Rev. Paul Bergen geschreven: [61] „Het is te hopen
-dat de tegenwoordige generatie niet door de fascinatie van het nieuwe
-ertoe zal geleid worden om hun oude literatuur te veronachtzamen, daar
-ze hun grootste glorie is, streng in stijl, verheven van toon, een pure
-zedelijkheid leerende en idealen ophoudende van politieke wijsheid en
-van heiligheid van het familieleven”.
-
-In het jong-Chineesche tijdschrift „The Republican Advocate” las ik
-het volgende: „The danger in China to day is not that she will lack
-the proper quota of men to develop her agriculture or mines, but the
-tendency to lose the higher and divine religious instincts”.
-
-Men vervalle niet in de dwaling te denken, dat de zoogenaamde
-„hervorming” in China, het aanleeren der westersche wetenschap en
-toepassen van westersche uitvindingen, voor China per se moet
-beteekenen het wegwerpen van haar oude wijsheid en levensbeschouwingen.
-Dit zal evenmin met China het geval worden als het met Japan het geval
-geweest is. Dr. Chen Huan Chang, in zijn reeds meermalen aangehaalde
-boek „The Economic Principles of Confucius and his School” zegt
-uitdrukkelijk, hoe dit boek bedoeld is „as a manual for Modern China
-in its struggle with the Occident, showing how it must revive the old
-ways of the most ancient ancients”. Men begrijpe dit goed: dit alles
-met aanpassing aan de moderne tijden, en met beoefening van westersche
-wetenschap, toepassing, voor zoover mogelijk van westersche economische
-systemen, staatkundige instellingen, enz. enz.
-
-Ik durf het met zekerheid voorspellen: ook in het moderne China van
-over honderden jaren, dat géén onzer zal beleven, zal de Geest van
-China dezelfde zijn gebleven als die, waarvan ik in dit boek de
-schoonheid en wijsheid heb trachten te geven.
-
-Ik kan niet nalaten hier even aan te halen, wat Ku Hung Ming zegt van
-de nooden van China:
-
-„Daarom behoeven dingen, zooals Yuan Shih Kai en Dr. Morrison ze voor
-China willen: zooals kolen, ijzer, goedkoope zeep, goedkoope tramwegen,
-draadlooze telegrafie—dingen die Goethe het „nuttige”
-noemt—geen bizondere bevordering. Maar dingen, zooals de gestorven
-Keizerin-Weduwe ze voor China wilde: de schoonheid van haar
-zomerpaleis, de gesprekken („Loen Yü”) van Confucius, de
-Chineesche poëzie en zelfs de „achtdeelige opstellen” [62], dingen
-die Goethe „het schoone” noemt, moeten bevorderd worden. Zonder dat
-schoone bestaat er geen voornaamheid van karakter en de arbeidskracht
-van een volk wordt zooals wij gezien hebben, misbruikt tot gemeen en
-verkwistend gebruik. Als de arbeidskracht zoo misbruikt wordt, dan zijn
-comfort, pracht en luxe van het leven van iedere gemeenschap en iederen
-staat als de appelen van het doode meer van Sodom en Gomorrha, glanzend
-van buiten, maar achter de huid vol van bitterheid, verwezenheid en
-dood”.
-
-Dit is de reden, waarom China zich zoo lang niet aangetrokken kon
-voelen tot de zoogenaamde beschaving van Europa, wier hoogste doel haar
-toeleek te zijn: materieele welvaart, leidend tot wat Ku Hung Ming
-noemt: eene onvoorname en verkwistende verbruiksaanwending, de
-productie van luxe-voorwerpen en middelen tot gemak en leegen schijn.
-De nieuwe maatschappelijke wetenschap van Europa leek dezen Chinees toe
-te leeren, dat de grond-voorwaarde voor een mensch succes in het leven
-was, en dat de grootte van een natie lag in ’t hebben van rijkdom,
-macht en materieel geluk. Dit was in flagranten strijd met de leer van
-Confucius, dat menschen en naties hun hart niet op rijkdom, macht en
-materieele welvaart zullen vestigen.
-
-De Confucianistische principes zijn niet alleen verplichtend voor het
-leven van den enkelen mensch maar ook voor volken.
-
-Ook het zoo hooggeroemde „intellect”, dat soort althans, wat Ku
-Hung Ming zoo treffend „vossen-verstand” noemt „zonder fijnheid
-en teederheid”, waarop het Westen in zijn materieele cultuur zoo
-trots is, kon geen aantrekking hebben voor den Chinees, die het fijne
-en teedere hooger stelde dan de luxe en het gemak.
-
-Voor de Chineezen is de „Europeaniseering” van China geruimen tijd
-gelijkduidend geweest met het instroomen van gemeenheid en leelijkheid,
-en zij vonden de ethische en aesthetische armoede van Europa véél
-erger dan de materieele armoede en de economische wanorde van China. Ik
-heb een Chinees onlangs van den tegenwoordigen wereld-oorlog hooren
-zeggen: ziehier nu de uitkomst van uw hooggeroemde economische
-„Orde!”
-
-De Geest van China voelt intuïtief dat hij zou ondergaan, en dat dus
-China zou ondergaan, als enkel materieele welvaart het hoogste doel van
-China’s beschaving zou worden. Want de kostbaarste schatten van
-China, van de grijze oudheid af, zijn geestelijke, en geen materieele
-geweest. En wat de economie aangaat, zooals ik al in het hoofdstuk over
-Confucius heb aangegeven, China kan de zoo hooggeroemde economische
-toestanden en wetenschappen van Europa niet onverdeeld bewonderen,
-zoolang economie er niet synoniem is met ethica. Ook de territoriale
-expansie is geen ideaal van China. Er is geen ander volk dan het
-Chineesche in de wereld-geschiedenis bekend dat zulk een overwicht
-heeft gehad in stoffelijke kracht zonder den schrik te worden van
-zwakkere naties. Zooals Johnson zoo terecht opmerkt, China heeft er de
-voorkeur aan gegeven Arbeid en Literatuur te onderwijzen, en haar eigen
-overwinnaars, als b.v. de Mandsjoes, te bekeeren tot vreedzame
-ondernemingen.
-
-Het met de geschiedenis van China onbekende publiek verkeert over ’t
-algemeen in de meening, dat de Geest van China een isoleerende is, dat
-China altijd huiverig is geweest voor aanraking met vreemde landen en
-volken, en als een slak in zijn huis kroop bij de minste aanraking van
-buiten.
-
-Precies het tegendeel is waar. De Chineezen hebben juist meer aanraking
-en omgang met vreemde naties gehad dan eenig ander Aziatisch ras.
-Zooals Mc Culloch schreef zijn de Chineezen „een uiterst commercieel
-volk, en het idée van hun verachting voor vreemdelingen is ten zeerste
-ongegrond. Nergens kunnen scheepsladingen met meer business-like
-activiteit worden gekocht en verkocht, ingeladen en uitgeladen als in
-Canton”. Ampère constateert, dat, duizend jaar geleden, de uiterste
-lijn van hun aanrakingsgrenzen de westelijke grenzen van Azië
-bereikte. Pauthier verhaalt, hoe in Fransche archieven diplomatieke
-bescheiden gevonden worden van den kleinzoon van den Mongoolschen
-Dzjengis Khan aan Philips den Schoone. Gedurende de Tartaren-dynastie
-bezochten aanzienlijke Mongolen Rome.
-
-Peter de Groote zond agenten naar Peking om daar de wetenschap van
-regeerings-systemen te leeren, en de kunst van bouwen, zooals Pollas en
-Klaproth [63] vermelden. In Tartarije leefden eeuwen geleden Russen,
-Hongaren en zelfs Vlamingen, en een Tartaar was contractant voor helmen
-in het Fransche leger. Ampère verhaalt, hoe Mongoolsche cavalerie werd
-aangeboden voor de verovering van het Heilige Graf gedurende de
-kruistochten, en bewoners van Genua, Pisa en Venetië hebben eeuwen
-geleden door Chineesch Centraal-Azië gereisd. Er is geen enkele
-oostersche godsdienst of filosofie, die niet onbelemmerd in China haar
-intrede gedaan heeft, en geen naburige taal, waaruit geen vertalingen
-in ’t Chineesch zijn gemaakt. Een schat van Boeddhistische
-literatuur, waarvan de origineelen in het Pali en Sanskriet verloren
-zijn gegaan, is in ’t Chineesch bewaard gebleven, en men kan gerust
-zeggen, dat zonder deze Chineesche vertalingen volledige studie van het
-Boeddhisme onmogelijk zou zijn geweest. Omgekeerd is er geen naburige
-taal, waarin de Chineezen hun eigen taal niet vertaald hebben.
-
-Het is eerst sedert de agressie van Europeesche zijde, eene agressie,
-waaraan de christelijke zending groote schuld heeft, dat de
-geslotenheid voor het Westen begonnen is. Het waren zijn heiligste
-goederen, die China er mede tegen de indringende
-materieel-intellectueele westersche beschaving verdedigde, en het
-isolement is eerst begonnen in de latere jaren der Mandsjoe-dynastie.
-Tegen het Christendom als zoodanig heeft China nooit vijandig gestaan,
-enkel tegen het agressieve drijven en de bemoeizucht van zendelingen,
-dien zij, niet geheel ten onrechte, als de geheime politieke agenten
-beschouwde van hebzuchtige vreemde regeeringen, tuk op annexatie en
-exploitatie.
-
-Ik heb in dit boek, dat aan een’ zekeren omvang gebonden is, niet de
-gelegenheid, uitvoerig te behandelen de groote „up and down”
-bewegingen in de Chineesche gedachte en het Chineesche voelen,
-gedurende de eeuwen van China’s beschaving, die ten duidelijkste het
-in Europa ingeroeste idee weerspreken, als zou de Chineesche cultuur
-altijd conservatief dezelfde, en als een stagneerend water zijn
-geweest. Zeer aan te raden, om van dit absoluut verkeerde denkbeeld te
-genezen, is de lezing van Prof. E. Fenollosa’s „Epochs of Chinese
-and Japanese Art”, waarin de verschillende tijdperken en stroomingen
-van de Chineesche kunst niet alleen, maar ook de in onverbreekbaar
-daarmede in verband staande Chineesche gedachten en gevoelens op
-schitterende wijze zijn beschreven. Ik haal hier kortheidshalve de
-volgende woorden van Fenollosa aan:
-
-„Het zal zeker een vreemd ding zijn voor Europeesche geleerden en een
-publiek, dat gewoon is Chineesche cultuur gedurende drie duizend jaren
-als een Doode Zee-niveau van uniformiteit te beschouwen, om de woorden
-te lezen van mannen, die onder de Noordelijke Soeng-dynastie hoopvolle
-woorden schreven als die van den artiest-criticus Kuo-Hsi, die beweerde
-dat: „het is de echte natuur van den mensch om al wat oud is te
-verafschuwen en zich vast te klemmen aan wat nieuw is”. De geheele
-omvang van de Soeng-cultuur is een immens pakhuis vol documenten, die
-aantoonen dat de Chineesche menschheid die drie eeuwen lang gebouwd
-heeft op wat wij geneigd zijn laag te schatten als zijnde
-niet-Chineesch”.
-
-Dit klinkt eenigszins anders dan de uitspraak van Prof. J. J. M. de
-Groot, die openlijk de enormiteit durfde doen drukken, dat het
-Chineesche ras „is stamped for ever with the total incapacity to rise
-to a higher level of mental culture”.
-
-Het bijna tragische in de droevige figuur van dezen geleerden
-sinoloog—geleerd hier vooral te nemen in den zin van
-taal-geleerd—is dat hij, zonder eenigen filosofischen aanleg, en
-zonder de minste intuïtie voor metaphysiek, aan de sereene,
-diepzinnige Wijsheid van China is voorbijgegaan als een kruidenier
-voorbij een tempel vol symbolen, die hij „gek” en „casueel”
-vindt, zonder een vaag idee van de geweldige beteekenis. Het dolzinnige
-idee, dat een geleerde, die een bolleboos is in een Oostersche taal,
-enkel daardoor ook per se bevoegd is, over oostersche filosofie mede te
-spreken, zal helaas nog wel een tijd lang in onze academische
-faculteiten ingeroest blijven. [64]
-
-Hetgeen men uit Fenollosa’s boek leeren kan, is de stijging en daling
-der Chineesche beschaving gelijktijdig met de Chineesche kunst. Die
-kunst—en ook die cultuur—maakt haar eerste, nog in ’t duister
-liggende stijging in het eerste gedeelte van het derde millenium vóór
-Christus, rijst tot haar eersten golf van kracht met de Shang-dynastie,
-omstreeks 1800 v. C., tot haar tweeden met de Chow-dynastie, omstreeks
-1100 v. C., zij doet haar derde en krachtiger scheppende poging met de
-Han-dynastie in de 2e eeuw vóór Christus, dan, na een tusschenpauze,
-stijgt zij langzaam en machtig tot haar hoogtepunt onder de
-Th’ang-dynastie in de 8e eeuw, en later weer tot een niet minder
-verheven glorie-periode onder de Soeng-dynastie, in de 11e en 12e eeuw,
-om dan weder langzamerhand te dalen en te dalen, tot den tegenwoordigen
-toestand van zwakheid.
-
-Men ziet, ik erken hiermede, dat de Chineesche cultuur van tegenwoordig
-op een aanmerkelijk lager niveau is gekomen dan in de Oudheid. De
-ontaarding en het bijgeloof, in Prof. De Groots dikke folio’s zoo
-fijn uitgeplozen, zijn kenteekenen van deze daling.
-
-Maar daarmede is de Geest van China niet uitgedoofd, hij leeft nog
-steeds, en de tegenwoordige hervorming, de groote beroeringen, die
-thans plaats hebben, wijzen op een nieuwe periode van stijging. Een
-nieuwe tempel zal in China in de komende tijden, na groote stormen en
-beroeringen, worden opgetrokken, maar de grondslag van dien tempel zal
-de Oude Wijsheid zijn, waarin de Geest van China eeuwig leeft.
-
-
-Scheveningen, 6 April 1916.
-
-
-
-
-
-
-
-LIJST VAN DE VOORNAAMSTE WERKEN DOOR MIJ GERAADPLEEGD BIJ HET SCHRIJVEN
-VAN „DE GEEST VAN CHINA”: [65]
-
-
-Dr. Chen Huan Chang. The Economic Principles of Confucius and his
-School.
-
-Ku Hung Ming. Chinas Verteidigung gegen Europäische Ideen.
-
-Prof. E. Fenollosa. Epochs of Chinese and Japanese Art.
-
-Raphaël Petrucci. La Philosophie de la Nature dans l’Art
-d’Extrême Orient.
-
-Raphaël Petrucci. Kie Tseu Yuan Houa Tchouan.
-
-Dr. Curt Glaser. Die Kunst Ost-Asiens.
-
-Samuel Johnson. Oriental Religions and their Relation to Universal
-Religion. China.
-
-Herbert A. Giles. Introduction to the History of Chinese Pictorial Art.
-
-E. J. Eitel. Fung Shui.
-
-Martin Buber. Reden und Gleichnisse des Tschuang Tse.
-
-Lafcadio Hearn. Gleanings in Buddha Fields.
-
-Ost-Asiatische Zeitschrift (l’Extrême Oriënt—The Far East.)
-
-
-
-
-
-
-
-VERTALINGEN
-
-
-blz. 22. „Bij de studie van Chineesche klassieke boeken is het niet
-zoozeer de vertaling van de karakters, door den schrijver gebruikt, die
-er op aankomt, als wel het aandeel in de gedachten; er is het zien van
-geest tot geest”.
-
-blz. 27. „Deze dichtkunst richt zich tot oor en oog op gelijke
-wijze”.
-
-blz. 70. „Wij hebben een dynastie onttroond, die den Geest der
-Oudheid verloren had, en te midden van de ruïnen der revolutie, zullen
-wij, hoop ik, een nieuwen tempel weder opbouwen op de Wijsheid der
-Ouden”.
-
-blz. 76. „De eenvoud en universeelheid van natuurlijke wetten”.
-
-blz. 80. „een gouden ketting van geestelijk leven loopende door
-iederen vorm van bestaan en, als in één levend lichaam, samenbindend
-alles dat bestaat in den hemel boven en op de aarde beneden”.
-
-blz. 90. „Ahnungen” = voorgevoelens.
-
-blz. 91. „Jenseits” = generzijds.
-
-blz. 97. „Wirken aus ungeschiedener, gegensatzloser, umfriedeter
-Einheit” = Werken uit ongescheiden, tegenstelling-looze, van vrede
-omgeven Eenheid.
-
-blz. 97. „the doctrine of action without attachement” = de Leer van
-handeling zonder er zich aan te hechten.
-
-blz. 121. „het open geweten van het volk, waar alle plichten bloot
-worden gelegd voor de Wijsheid en Orde der wereld, opgesloten in deze
-Vereerden.”
-
-blz. 130. „met één streek”.
-
-blz. 131. „Men gaat uit van een heel gemakkelijk bereikbare
-étagère-curiositeit, van welker houding, beweging, bouw zich een
-doordringende bekoring losmaakt, en men eindigt met, achter het
-geschilderde of gebeeldhouwde werk, de magische visie van het heelal te
-ontdekken”.
-
-blz. 154. „De Geschiedenis der Kunst laat eveneens ter zijde liggen
-de buiten-europeesche kunsten, de Mohammedaansche kunst, de Chineesche
-kunst, de Japansche kunst”.
-
-blz. 154. „Als ik niets zeg, noch van de kunst van Indië, noch van
-die van China, dan is dat omdat de hooge oudheid die men haar
-toeschrijft een illusie is. Indië heeft geen kunst gehad vóór het
-tijdvak van Alexander den Groote en wat de Chineesche kunst betreft,
-zij is pas begonnen haar meesterstukken voort te brengen in den loop
-der Europeesche middeneeuwen”.
-
-blz. 155. „De triomf van den Geest over de Stof”.
-
-blz. 163. „Het is Chineesche onsterfelijkheid, deze Feniks van
-Letteren. Het is de analogie van Westersche wetenschap, als algeheele
-overblijving van kracht.”
-
-blz. 165. „Het gevaar in China van heden is niet dat het de juiste
-hoeveelheid mannen zal missen om zijn landbouw en mijnen te
-ontwikkelen, maar de neiging om de hoogere en hemelsche godsdienstige
-instincten te verliezen”.
-
-blz. 165. „Als een handleiding voor Modern China in zijn strijd met
-het Westen, toonende hoe het de oude wegen van de oudste ouden weer
-moet doen herleven”.
-
-blz. 170. „voor altijd gebrandmerkt is met de totale onbekwaamheid om
-tot een hooger niveau van verstandelijke beschaving op te rijzen.”
-
-
-
-
-
-
-
-INHOUD
-
-
- Bladz.
-
- INLEIDING V
- DE GEEST VAN CHINA 1
- DE TAAL VAN CHINA 6
- CONFUCIUS 20
- DE TOEKOMSTDROOM VAN CONFUCIUS 50
- MENCIUS 64
- DE „YIH KING” 70
- LAO TSZ’ EN DE TAO TEH KING 90
- CHUANG TSZ’ 106
- DE VOORVADEREN-DIENST 116
- CHINEESCHE KUNST 124
- NABETRACHTING 158
- LIJST VAN GERAADPLEEGDE WERKEN 173
-
-
- ILLUSTRATIES:
-
- Confucius 19
- De drie Stichters 144
-
-
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN
-
-
-[1] Verschenen in de „Wereld-Bibliotheek”.
-
-[2] „Epochs of Chinese and Japanese Art”. London. W. Heinemann.
-1912.
-
-[3] „La Philosophie de la Nature dans l’Art d’Extrême-Orient”.
-Paris. H. Laurens.
-
-[4] Het Chineesche woord „hoá” evenals ’t Japansche „kaku”
-beteekent dan ook zoowel teekenen als schrijven.
-
-[5] Uit Prof. G. von der Gabelentz: „Anfangsgründe der Chinesischen
-Grammatik”.
-
-[6] Language and Significs, by Lady Welby.
-
-[7] Zie zijn „Oriental Religions, and their relation to Universal
-Religion. China”.
-
-[8] In zijn „Kie Tseu Yuan Houa Tchouan” Leiden E. J. Brill.
-
-[9] Hans Bethge: „Die Chinesische Flöte”. Leipzig. Insel-Verlag.
-
-[10] Uit te spreken „Tsoeng”.
-
-[11] Zie bladz. 30.
-
-[12] „Choeng Yoeng” Hoofdstuk XX 7.
-
-[13] „Choeng Yoeng” Hoofdstuk XXIX 3.
-
-[14] „Choeng Yoeng” Hoofdstuk XXXI 1.
-
-[15] „Choeng Yoeng” Hoofdstuk XXXII 1.
-
-[16] Ta Hioh Inleiding 4.
-
-[17] Ta Hioh Inleiding 5.
-
-[18] Ta Hioh Inleiding 6.
-
-[19] Ta Hioh Inleiding 7.
-
-[20] Ta Hioh Hoofdstuk IX. 1.
-
-[21] Ta Hioh Hoofdstuk IX. 4.
-
-[22] Ta Hioh Hoofdstuk X 6.
-
-[23] Ta Hioh Hoofdstuk X 7.
-
-[24] Ta Hioh Hoofdstuk X 8.
-
-[25] Dit voorbeeld wordt ook door Dr. Chen Huan Chang aangehaald in
-zijn „The Economic Principles of Confucius and his School”.
-
-[26] Th’ien overal in dit werk uit te spreken als: Th’jen.
-
-[27] L. J. Veen, Amsterdam, en als „The New China” bij Fisher
-Unwin, London.
-
-[28] De Chineesche wet staat alleen den Keizer toe, op het Hemel-Altaar
-aan Shang Ti te offeren. Men herkent alzoo in dit gezegde van Mencius
-den echten volksman.
-
-[29] Zie het Hoofdstuk over Confucius.
-
-[30] In den tekst staat „wacht op zijn Ming”. Zie Confucius’
-„Choeng Yoeng”.
-
-[31] Zie het Hoofdstuk over Confucius.
-
-[32] Ik stel mij voor, later een apart werk over de „Yih King” en
-dus de ontwikkeling der „kwa’s” te geven. In één hoofdstuk is
-dit onmogelijk.
-
-[33] „Tienduizend” is hier eene uitdrukking voor „alle”.
-
-[34] Uit „S. Wells Williams: A Syllabic Dictionary of the Chinese
-Language”.
-
-[35] Okakura in zijn „Geest van Japan” vertaalt het door
-„stof-element”, m. i. ten onrechte, en tot verwarring aanleiding
-gevend. Eitel, in zijn „Fung Shui” noemt het „the breath of
-nature”.
-
-[36] Dit „Li” wordt op dezelfde wijze uitgesproken als het „Li”
-dat decorum en ceremonieel beteekent, maar met een ander schriftteeken
-geschreven.
-
-[37] Niet alle hoofdstukken zijn hier in hun geheel door mij gegeven
-doch fragmenten er uit.
-
-[38] Uit te spreken: Woe.
-
-[39] Dit is zeer belangrijk daar het Tao erkent als over en vóór den
-God van dit geopenbaarde Heelal.
-
-[40] Hoe zuiver boeddhistisch deze taoïstische tekst is zal een ieder
-opmerken.
-
-[41] R. K. Douglas: Confucianism and Taoism.
-
-[42] Ook op eene verwording der „Yih King”-leer is dit Taoïsme
-gebaseerd.
-
-[43] Evenals voor Shang Ti, ’t opperwezen, abstract, later, in meer
-concreet begrip, ook door Confucius, Th’ien, de Hemel gebruikt wordt,
-gebruikt hier Chuang Tsz’ voor Tao ’t meer concrete begrip
-Th’ien, Hemel, hetgeen juist in dezen tekst jammer is.
-
-[44] Wij denken hier aan Herbert Spencer: „De antithese van subject
-en object, waar wij nooit boven uit komen zoolang ons bewustzijn duurt,
-maakt onmogelijk alle wetenschap van de opperste Realiteit, waarin
-subject en object vereend zijn” (Principles of Psychology, p. 272).
-
-[45] Figuren uit de Chineesche Oudheid.
-
-[46] Men merke op dat er alleen staat dat hij „Niets gebruikte”,
-maar dat er dit keer niet bij staat „om haar terug te vinden”.
-
-Met de mystieke parel wordt bedoeld Tao.
-
-[47] Doe-Niets Zeg-Niets had gelijk in zóó ver dat hij het niet wist;
-Dolleman-Stotteraar was er dichtbij, had dus bijna gelijk omdat hij
-’t vergeten had. De groote fout ligt in ’t weten. Tao moet men niet
-weten maar zijn. Alleen in zijn ligt de erkentenis van Tao. Het weten
-dat geen Zijn is, is geen eigenlijk weten.
-
-[48] Tao hier even in de Confucianistische beteekenis „Weg”, bij
-wijze van woordspeling, genomen.
-
-[49] Men zie het werkje van Kern-Mannoury over Boeddhisme, in de
-„Wereld-Bibliotheek” verschenen.
-
-[50] Eerder dan ’t populaire versje van Kipling is het woord van
-Goethe waar: „Orient und Occident sind nicht mehr zu trennen”.
-
-[51] Verlag Oesterheld & Co. Berlijn.
-
-[52] Bij Van Oest, Brussel, uitgegeven.
-
-[53] Leiden. E. J. Brill.
-
-[54] Uit Vetrucci’s „Kie Tseu Yuan Houa Tchouan”. Leiden. E. J.
-Brill.
-
-[55] H. A. Giles: Introduction to the History of Chinese Pictorial Art.
-
-[56] Edmond de Goncourt: La Maison d’un Artiste.
-
-[57] Zie mijn „Het Daghet in den Oosten” (L. J. Veen, Amsterdam) en
-mijn artikel „De Nieuwe Banen der Sinologie” (in „De Gids” van
-1 Nov. 1911).
-
-[58] Prof. G. von der Gabelentz: Confucius und seine Lehre.
-
-[59] In zijne inleiding tot Ku Hung Mings „Chinas Verteidigung gegen
-Europäische Ideeën.”
-
-[60] In het werk „De Geest van Japan” van Okakura-Yoshisaburo
-(Uitg. Wereldbibliotheek) vindt men op blz. 39 en 40 uittreksels uit
-dit Heilig Edict.
-
-[61] In zijn „Shantung, the Sacred Province of China”.
-
-[62] Een zekere vorm van literaire opstellen, vereischt bij de—thans
-afgeschafte—literaire staats-examens.
-
-[63] „Mémoires relatives à l’Asie”.
-
-[64] Men zie voor bizonderheden mijn artikel „De Nederlandsche
-Sinologie” in „De Gids” van 1 Augustus 1912.
-
-[65] De oorspronkelijke Chineesche werken zijn hierbij niet opgenoemd.
-
-
-
-
-
-
-End of the Project Gutenberg EBook of De Geest van China, by Henri Borel
-
-*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE GEEST VAN CHINA ***
-
-***** This file should be named 50789-0.txt or 50789-0.zip *****
-This and all associated files of various formats will be found in:
- http://www.gutenberg.org/5/0/7/8/50789/
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg.
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
-States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive
-specific permission. If you do not charge anything for copies of this
-eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook
-for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports,
-performances and research. They may be modified and printed and given
-away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks
-not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the
-trademark license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country outside the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you'll have to check the laws of the country where you
- are located before using this ebook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm web site
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The
-Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm
-trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the
-mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its
-volunteers and employees are scattered throughout numerous
-locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt
-Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to
-date contact information can be found at the Foundation's web site and
-official page at www.gutenberg.org/contact
-
-For additional contact information:
-
- Dr. Gregory B. Newby
- Chief Executive and Director
- gbnewby@pglaf.org
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
-spread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works.
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our Web site which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
-