diff options
Diffstat (limited to 'old/50771-8.txt')
| -rw-r--r-- | old/50771-8.txt | 13677 |
1 files changed, 0 insertions, 13677 deletions
diff --git a/old/50771-8.txt b/old/50771-8.txt deleted file mode 100644 index 31176d7..0000000 --- a/old/50771-8.txt +++ /dev/null @@ -1,13677 +0,0 @@ -The Project Gutenberg EBook of Slechte Tijden, by Charles Dickens - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most -other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of -the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have -to check the laws of the country where you are located before using this ebook. - - - -Title: Slechte Tijden - -Author: Charles Dickens - -Illustrator: H. French - -Translator: C.M Mensing - -Release Date: December 26, 2015 [EBook #50771] - -Language: Dutch - -Character set encoding: ISO-8859-1 - -*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK SLECHTE TIJDEN *** - - - - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg. - - - - - - - - - SLECHTE TIJDEN - - DOOR - - CHARLES DICKENS. - - - VERTALING VAN C. M. MENSING. - MET 19 HOUTGRAVUREN NAAR TEEKENINGEN VAN H. FRENCH - - - Achtste, geheel herziene druk. - NIJMEGEN--GEBR. E. & M. COHEN--ARNHEM. - - - - - - - - -SLECHTE TIJDEN. - -EERSTE BOEK. ZAAIEN. - - -I. - -HET ÉÉNE NOODIGE. - - -"Al wat ik vraag, zijn feiten. Leer die jongens en meisjes niets anders -dan feiten. Dat is alles wat men in de wereld noodig heeft. Plant niet -anders, en roei alle andere dingen uit. Door feiten alleen kunt gij -den geest van met rede begaafde dieren ontwikkelen; niets anders zal -hun ooit van eenig nut wezen. Dit is de stelregel, waarnaar ik mijne -eigene kinderen grootbreng, en het is ook de stelregel, waarnaar ik -deze kinderen opvoed. Houd u aan feiten en blijf daarbij, mijnheer!" - -Het tooneel was een hol, eentonig schoolvertrek, met vier kale witte -muren, en des sprekers recht uitgestoken voorvinger gaf nadruk aan -zijne woorden, door elk gezegde met eene lijnrechte beweging over des -schoolmeesters mouw te onderstrepen. Die nadruk werd nog versterkt -door des sprekers voorhoofd, dat naar een vierkant opgebouwden muur -geleek, die zijne wenkbrauwen tot grondslag had, terwijl zijne oogen -in twee naar keldergaten zweemende donkere holen, door dien muur -overschaduwd, verscholen lagen; en verder door des sprekers mond, die -breed en recht ingesneden was, met dunne, strakke lippen--en verder -door des sprekers stem, die stroef, eentonig en gebiedend was--en -verder door des sprekers haar, dat borstelig om den rand van zijn kaal -hoofd oprees, als ware het een dennenplantsoen, bestemd om den wind -van de blinkende oppervlakte af te weren, die overal met knobbels was -bedekt, alsof het hoofd nauwelijks ruimte had voor al de dorre feiten, -die daarin lagen opgestapeld. Des sprekers geheele onverbiddelijke -houding, zijn rechthoekig gesneden rok, zijn rechthoekige beenen, -zijne rechthoekige schouders--ja zelfs zijne das, gewend om hem met -een onverbiddelijken greep, als een hardnekkig feit, bij de keel te -pakken--alles versterkte nog dien nadruk. - -"In deze wereld hebben wij niets anders dan feiten noodig, mijnheer; -niets anders dan feiten." - -De spreker, de schoolmeester en de derde aanwezige volwassene persoon, -stapten een weinig achteruit en lieten toen hunne oogen gaan over het -hellende vlak van kleine kruikjes, daar in orde geschikt, en gereed -om zich emmers vol feiten te laten ingieten tot zij ten boorde toe -vol waren. - - - - - - - -II. - -DE KINDERMOORD. - - -Thomas Gradgrind, mijnheer. Een man van het positieve en -materieele. Een man van feiten en cijfers. Een man, die zich aan den -regel vasthoudt, dat tweemaal twee vier is en niets meer, en die zich -niet laat bepraten om iets daarboven in te willigen. Thomas Gradgrind, -mijnheer--Thomas en niets anders--Thomas Gradgrind. Met eene liniaal en -een goudschaaltje en de tafel van vermenigvuldiging altijd in zijn zak, -gereed om ieder staaltje van het menschdom te meten en te wegen, en u -precies te zeggen wat het uitmaakt. Dit is iets, waarbij het alleen -op cijfers aankomt, eene eenvoudige rekensom. Het zou u misschien -kunnen gelukken, om een George Gradgrind, of een Augustus Gradgrind, -of een John Gradgrind, of een Jozef Gradgrind (allen hersenschimmige, -denkbeeldige personen) daaromtrent een ander begrip, dat maar een -dwaas vooroordeel is, in het hoofd te brengen, maar Thomas Gradgrind, -mijnheer--onmogelijk! - -Met dergelijke bewoordingen in zijne gedachten, was mijnheer Gradgrind -gewoon zich zelven voor te stellen, hetzij in een gesloten kring -van bekenden, of bij het publiek in het algemeen, en zonder twijfel -was het ook met die gedachten--behalve dat hij het woord "mijnheer" -in de woorden "jongens en meisjes" veranderde, dat Thomas Gradgrind -zich thans naar de kleine kruikjes keerde, die zoo vol feiten moesten -gegoten worden. - -Waarlijk, terwijl hij hen uit de bovengemelde keldergaten aanflikkerde, -scheen hij een soort van kanon te zijn, tot aan den mond met feiten -geladen, en gereed om hen met één schot geheel uit de gewesten -der kindsheid te doen verstuiven. Hij scheen ook wel een galvanisch -toestel, geladen met een bijtend scheikundig mengsel, dat de teedere, -jeugdige verbeelding haar spel moest beletten door haar met eene -harde korst van feiten te overdekken. - -"Meisje nommer twintig," zeide mijnheer Gradgrind, lijnrecht met zijn -voorvinger wijzende. "Ik ken dat meisje niet. Wie is dat meisje?" - -"Sissy Jupe, mijnheer," antwoordde het meisje nommer twintig, blozende, -opstaande en nijgende. - -"Sissy is geen naam," zeide mijnheer Gradgrind. "Gij moet geen Sissy -zeggen, maar Cecilia." - -"Vader noemt mij altijd Sissy, mijnheer," antwoordde het meisje met -eene bevende stem en nogmaals nijgende. - -"Dat moet hij dan niet doen," hervatte mijnheer Gradgrind. "Zeg hem, -dat hij het niet meer doen moet, Cecilia Jupe. Laat eens zien. Wat -is uw vader?" - -"Hij behoort bij de paardrijders, als het u belieft, mijnheer." - -Mijnheer Gradgrind trok zijne wenkbrauwen samen en wuifde het -aanstootelijke beroep als het ware met zijne hand weg. - -"Wij willen hier niets daarvan weten. Gij moogt hier volstrekt niet -daarvan spreken. Uw vader dresseert paarden, niet waar?" - -"Ja wel, mijnheer, zij dresseeren ook wel paarden in de manege, -als zij ze krijgen om te dresseeren, mijnheer." - -"Gij behoeft ons hier niets van de manege te vertellen. Welnu -dan. Zeg dus maar, dat uw vader paarden dresseert. Hij zal ook wel -zieke paarden cureeren, zou ik denken?" - -"O ja wel, mijnheer." - -"Welnu, dan is hij pikeur en paardendokter. Laat mij eens uwe definitie -van een paard hooren." - -Sissy Jupe ontstelde zichtbaar over dezen eisch en zweeg. - -"Dat meisje nommer twintig is buiten staat om eene definitie van een -paard te geven," zeide mijnheer Gradgrind tot algemeene waarschuwing -van al de kleine kruikjes. "Dat meisje nommer twintig is onbekend met -de feitelijke eigenschappen van een der gewoonste dieren. Laat een van -de jongens mij eens eene definitie van een paard geven. Bitzer, gij!" - -De rechthoekige vinger bleef, na hier en daar gedwaald te hebben, -op Bitzer wijzen, misschien omdat deze toevallig in denzelfden straal -van zonlicht zat, die door een der vensters van het in het oog loopend -helder witte vertrek vallende, ook Sissy bescheen. Want de jongens en -meisjes zaten op het hellende vlak van banken in twee dichte drommen, -in het midden door eene smalle tusschenruimte gescheiden; en Sissy, -op den hoek eener rij aan den zonkant gezeten, werd door het begin van -een zonnestraal beschenen, waarvan Bitzer, aan den anderen kant, eenige -rijen verder op een hoek zittende, het einde opving. Maar terwijl het -meisje zulke donkere oogen en lokken had, dat zij door de zon, die haar -bescheen, nog krachtiger en glanziger gekleurd schenen te worden, had -de jongen zoo lichte haren en oogen, dat dezelfde stralen het weinigje -kleur, dat hij bezat, geheel schenen te doen verschieten. Zijne koude -oogen zouden haast geene oogen zijn geweest zonder de korte wimpers, -die, daar zij de appels tegen iets nog bleekers dan zij zelven waren -deden afsteken, de teekening er van zichtbaar maakten. Zijn kort -geknipt haar kon maar eene voortzetting wezen van de geelachtige -sproeten op zijn voorhoofd en zijn gezicht. Zijne ongezonde huid was -zoodanig van natuurlijke vleeschkleur ontbloot, dat het scheen alsof -hij wit zou bloeden als hij zich sneed. - -"Bitzer," zeide mijnheer Gradgrind, "geef mij eens uwe definitie van -een paard." - -"Een graanetend viervoetig dier, met veertig tanden, namelijk vier en -twintig kiezen, vier hoektanden en twaalf snijtanden. Laat in de lente -zijne haren vallen; in moerasachtige streken ook zijne hoeven. Heeft -harde hoeven maar die met ijzer moeten beslagen worden. Zijn ouderdom -is te zien aan sommige teekenen in den bek." - -Dit en nog veel meer, zeide Bitzer. - -"Nu, meisje nommer twintig," hervatte mijnheer Gradgrind, "nu weet -gij wat een paard is." - -Zij neeg weder en zou nog hooger gebloosd hebben, indien het mogelijk -geweest was dit nog sterker te doen dan zij al dien tijd gedaan -had. Bitzer wierp snel een blik naar mijnheer Gradgrind, zijne -oogen opslaande, zoodat hij het licht op de trillende wimpers ving, -die daarbij naar de voelhorentjes van spartelende insecten geleken, -duwde toen zijne kneukels tegen zijn met sproeten bezaaid voorhoofd -en ging weder zitten. - -Thans trad de derde heer vooruit, een man wien men een moreelen -kampvechter zou kunnen noemen, altijd gereed om tegen iedereen -te boksen en zich liever dood te vechten dan zich overwonnen te -bekennen. Vooral wanneer het gezond verstand hem in den weg kwam, -ontwaakte zijn strijdlust, en hij gaf het niet op voordat hij die -ongelukkige tegenpartij buiten adem had gebracht. Hij bekleedde een -gouvernements-post en achtte zich daarom geroepen het duizendjarig -rijk der ambtenaren te helpen stichten, waarin de geheele aarde door -commissarissen zou geregeerd worden. - -"Heel goed," zeide deze heer met een lachje, terwijl hij zijne armen -over elkander sloeg, "dat is een paard. Laat ik u nu eens iets vragen, -jongens en meisjes. Zoudt gij wel eene kamer willen behangen met -afbeeldsels van paarden?" - -Na eene korte pauze riep de eene helft der kinderen: "Ja, -mijnheer!" waarop de andere helft, aan het gezicht des vragers ziende -dat "ja" het verkeerde antwoord was, in koor "neen, mijnheer," riep, -gelijk het bij zulk een examen gewoonlijk gaat. - -"Immers neen. Maar waarom zoudt ge niet?" - -Eene pauze. Een dikke, botte jongen waagde het te antwoorden: "omdat -hij de kamer geheel niet wilde behangen, maar liever schilderen." - -"Maar als de kamer nu moet behangen worden?" hernam de vrager tamelijk -driftig. - -"Gij moet hem behangen, of gij wilt of niet," viel mijnheer Gradgrind -hierop in. "Spreek van geen niet willen. Dat komt hier niet te pas." - -"Ik zal het u dan verklaren," zeide de vrager, na eene andere drukkende -pauze; "ik zal u zeggen waarom gij eene kamer niet met afbeeldingen -van paarden moet behangen. Ziet gij ooit wezenlijke paarden tegen de -wanden eener kamer op- en afloopen? Is dat een werkelijk feit?" - -"Ja, mijnheer," riep de eene helft; "neen, mijnheer," riepen de -anderen. - -"Immers neen," zeide de vrager, met een blik van verontwaardiging op -de helft, die misgeraden had. "Welnu dan, men moet nergens iets zien, -wat men daar niet wezenlijk ziet; men moet nergens iets hebben, wat -men daar niet wezenlijk heeft--wat niet werkelijk is. Wat men smaak -noemt, is maar een andere naam voor het feitelijk bestaande." - -Thomas Gradgrind gaf met een hoofdknik zijne goedkeuring te kennen. - -"Dit is een nieuw ontdekt grondbeginsel, en eene groote ontdekking," -hernam de spreker. "Nu zal ik u nog eens op de proef stellen. Onderstel -eens, dat gij een tapijt in eene kamer moest leggen, zoudt gij dan -een tapijt nemen met eene afbeelding van bloemen daarop?" - -Daar men zich thans algemeen overtuigd hield, dat "neen" altijd het -rechte antwoord was op de vragen van dezen heer, was het koor van -"neen!" zeer sterk. Slechts eenige zwakke stemmen zeiden "ja", en -daaronder was de stem van Sissy Jupe. - -"Meisje nommer twintig," zeide de vreemde heer, glimlachende in de -kalme bewustheid zijner wetenschap. - -Sissy bloosde en stond op. - -"Dus zoudt gij uwe kamer--of uw mans kamer, als gij volwassen waart -en een man hadt--beleggen met een tapijt met afbeeldingen van bloemen -daarop, niet waar? En waarom dat?" - -"Als 't u belieft, mijnheer, ik houd zooveel van bloemen," antwoordde -het meisje. - -"En daarom zoudt gij er stoelen en tafels op zetten en er menschen -met zware laarzen overheen laten loopen?" - -"Dat zou ze geen kwaad doen, mijnheer. Zij zouden niet gekneusd worden -en er niet van verwelken. Zij zouden maar afbeeldingen wezen van iets, -dat mooi en aardig is, en ik zou mij verbeelden..." - -"Ja, ja, ja! maar gij moet u nooit iets verbeelden," riep de -ondervrager uit, opgetogen dat hij zoo gelukkig op zijn stokpaardje -kwam. "Dat is het juist; gij moet u nooit iets verbeelden." - -"Neen, dat moet gij nooit, Cecilia Jupe," herhaalde mijnheer Gradgrind -met plechtigen ernst, "nooit, niets van dien aard!" - -"Het feitelijke, het feitelijk bestaande," hernam de vreemde heer. - -"Het feitelijk bestaande alleen," herhaalde mijnheer Gradgrind. - -"Men moet zich in alle opzichten door feiten laten leiden en besturen," -sprak de vreemde heer. "Wij hopen, dat de regeering zich eerlang die -zaak zal aantrekken en commissarissen benoemen, die het volk zullen -dwingen om zich uitsluitend aan het feitelijke te houden. Men moet het -woord verbeelding geheel afschaffen. Niemand heeft iets daarmede te -maken. Men moet voor geen voorwerp tot gebruik of sieraad iets bezigen, -dat strijdig met de werkelijkheid zou zijn. In de werkelijkheid -loopt men niet over bloemen; men mag dus niet over bloemen op een -tapijt loopen. Men ziet nooit, dat vreemde vogels en vlinders op ons -aardewerk komen zitten; men mag dus geen vreemde vogels en vlinders -op ons aardewerk schilderen. Men ziet geene viervoetige dieren tegen -de muren op- en afloopen, en dus moet men geene viervoetige dieren -op de muren afbeelden. Men moet voor al die dingen," vervolgde de -spreker, "slechts combinatiën en modificatiën van mathematische -figuren gebruiken, die gedemonstreerd en bewezen kunnen worden, en -ook geene andere kleuren dan de primaire daarbij aanwenden. Dit is -de nieuwe ontdekking. Dit is werkelijke smaak." - -Het meisje neeg en ging weder zitten. Zij was nog zeer jong en zag -er uit alsof het feitelijke vooruitzicht, dat de wereld haar aanbood, -haar had doen schrikken. - -"Indien nu mijnheer Mac Choakumchild," hervatte de vreemde heer, -"eens beginnen wil met zijne eerste les hier te geven, mijnheer -Gradgrind, dan zal ik, op uw verzoek, zeer gaarne zijne manier van -onderwijzen waarnemen." - -Mijnheer Gradgrind was zeer verplicht. - -"Mijnheer Mac Choakumchild, wij wachten alleen op u." - -Mijnheer Mac Choakumchild begon dus zoo goed hij kon. Hij en nog in de -honderd veertig andere schoolmeesters waren sedert kort tegelijkertijd, -in dezelfde inrichting en op dezelfde wijze gedresseerd, men had -kunnen zeggen gelijk zoovele tafel- of stoelpooten op dezelfde -draaibank afgedraaid. Men had hem eene oneindige verscheidenheid -van kunstjes geleerd, en hij had boeken vol hoofdbrekende vragen -beantwoord. Orthographie, etymologie, syntaxis en prosodie, biographie, -astronomie, geographie, cosmographie, algebra, het landmeten, de -zangkunst en het teekenen naar modellen, dat alles kende hij op -zijn duimpje. Hij had zelfs den room afgeschept der hoogere takken -van mathematische en natuurkundige wetenschappen, op de tabel B van -Harer Majesteits Privy Council vermeld, en met het Fransch, Duitsch, -Latijn en Grieksch kennis gemaakt. Hij kende de Waterstreken van -de geheele wereld (wat die dingen dan ook mogen zijn) door en door, -benevens alle geschiedenissen van alle volken, alle namen van alle -rivieren en bergen, alle voortbrengselen, zeden en gebruiken van -alle landen, en al hunne grenzen en betrekkelijke liggingen ten -opzichte van andere landen naar al de twee en dertig streken van -het kompas. Mijnheer Mac Choakumchild was slechts een weinigje al te -geleerd. Als hij maar wat minder had geweten, hoe oneindig beter en -meer had hij dan kunnen onderwijzen! - -In deze voorbereidende les handelde hij omtrent eveneens als Morgiana -in de vertelling van de Veertig Dieven, en keek in al de voor hem -gerangschikte kruikjes een voor een, om te zien wat er in was. Zeg eens -goed, mijnheer Mac Choakumchild: als gij uit uw kokenden voorraad ieder -kruikje straks boordevol schenkt, denkt gij dan, dat gij den dief, -die er in verscholen zit, de verbeelding, zult hebben gedood--of maar -eenigszins verminkt en misvormd? - - - - - - - -III. - -EEN KIJKGAATJE. - - -Mijnheer Gradgrind stapte in eene zeer weltevredene stemming van de -school naar huis. Het was zijne school, en hij wilde haar tot eene -model-school maken. Hij wilde, dat ieder kind een model-kind zou wezen, -evenals de jeugdige Gradgrind's allen model-kinderen waren. - -Er waren vijf jeugdige Gradgrind's en zij waren ieder hoofd voor -hoofd een model-kind. Zij hadden van hunne teederste jaren af -lessen en verhandelingen moeten hooren--en waren als kleine hazen -afgejaagd. Bijna zoodra zij konden loopen, moesten zij hunne kleine -voetjes naar de verhandelzaal richten. Het eerste voorwerp, waarvan -zij herinnering hadden, was een groot zwart bord, met een uitgedroogden -menschenvreter er voor, die er met krijt akelige figuren op teekende. - -Niet dat zij iets van een menschenvreter wisten--van zulk een -onbestaanbaar persoon mochten zij den naam zelfs niet hooren. Ik -gebruik het woord slechts om een monster aan te duiden, dat een -verhandel-kasteel bewoont, een aantal, de hemel weet hoeveel, -tot-een-gekneede koppen heeft, en de kindsheid gevangen neemt om haar -bij de haren in het sombere hol der wetenschap te slepen. - -Geen kleine Gradgrind had ooit een menschengezicht in de maan gezien; -hij wist reeds wat de maan was eer hij duidelijk spreken kon. Geen -kleine Gradgrind had ooit het onnoozele rijmpje geleerd: - - - Flikker, flikker, sterretje klein, - Ik ben verbaasd wat gij moogt zijn. - - -Hij had nooit eenige verbazing daaromtrent ontwaard, daar hij, toen -hij pas vijf jaren oud was, den grooten Beer kon ontleden zoo goed -als professor Owen. Geen kleine Gradgrind had ooit bij het zien eener -koe in de weide aan die vermaarde koe gedacht van zeshonderd pond, -die omhoog smeet den hond, die wegjoeg de kat, die pakte de rat, -die at van het graan, dat lag in het huis van Adriaan--of aan die nog -meer vermaarde koe, die Klein Duimpje had opgeslokt. Hij had nooit van -die dingen gehoord, en eene koe was niet anders aan hem voorgesteld -dan als een herkauwend viervoetig dier met verscheidene magen. - -Naar dit bij uitstek feitelijke en prozaïsche huis, dat Stone Lodge -genoemd werd, richtte mijnheer Gradgrind nu zijne schreden. Hij had -een handel in ijzerwaren gedreven en dien aan kant gedaan eer hij Stone -Lodge bouwde, en zag nu uit naar eene gelegenheid om met zijne kennis -van feiten in het Parlement figuur te maken. Stone Lodge lag op eene -heide, op een paar mijlen afstands van eene groote stad, die in het -laatste zeer getrouwe handboek voor reizigers Coketown genoemd wordt. - -Een zeer regelmatig sieraad van het landschap was Stone Lodge. Geene -de minste vermomming verzachtte de prozaïsche feitelijkheid van -het gebouw. Een groot vierkant huis, met eene overdekte galerij, -die de voornaamste vensters verdonkerde, gelijk het zware voorhoofd -van den meester diens oogen overschaduwde. Het was een huis, waaraan -alles te voren afgemeten, afgeteld, berekend en bewezen was, met zes -vensters aan den eenen kant van de deur, en zes aan den anderen, in -juiste verhouding tot de vensters op zijde en aan den achterkant--met -een grasperk, een tuin en eene pas geplante laan, alles met rechte -lijnen, gelijk een blad uit een boek van botanische statistiek--met -toestellen voor gas en ventilatie en inrichtingen tot aan- en afvoer -van water in de beste orde--met ijzeren balken en bouten, brandvrij -van onder tot boven, met mechanieke toestellen om de werkmeid met -bezems en schuiers naar de vliering te hijschen--met alles, in één -woord, wat iemands hart kon begeeren. - -Alles? Dat zou ik denken. De kleine Gradgrind's hadden ook kabinetjes -voor verschillende vakken van wetenschap. Zij hadden een kabinetje -met horens en schulpen, een kabinetje met mineralen en metalen; en -al de voorwerpen daarin waren in volmaakte orde gerangschikt, en bij -ieder stukje steen en erts lag een papiertje met een naam, die zeer -moeielijk was uit te spreken. Zoodat, om de woorden van een dwaas -kindersprookje te bezigen, dat echter nooit tot de kinderkamer van -dit huis was doorgedrongen: Indien de ontevredene kleine Gradgrind's -nog meer dan dit alles wilden hebben, wat zou er bij mogelijkheid te -bedenken geweest zijn, dat de ontevredene kleine Gradgrind's nog meer -konden willen hebben? - -Hun vader stapte zeer welgemoed en voldaan voort. Hij was op zijne -manier een liefhebbend vader; maar als hij zich gedwongen had -gezien om eene definitie van zich zelven te geven (gelijk Sissy -Jupe van een paard), zou hij waarschijnlijk gezegd hebben, dat hij -een "uitnemend practisch" vader was. Hij was zeer ingenomen met de -phrase: "uitnemend practisch," welke hij begreep, dat op hem bijzonder -toepasselijk was. Bij alle openbare vergaderingen, die te Coketown -werden gehouden, om welke reden het ook was, kon men zeker zijn, -dat een of ander Coketowner de gelegenheid waarnam om melding te -maken van zijn uitnemend practischen vriend, mijnheer Gradgrind, -en altijd gevoelde die uitnemend practische vriend zich daardoor -gestreeld. Hij wist wel, dat men dezen lof aan hem verschuldigd was, -maar het was hem toch zeer aangenaam dien te hooren. - -Hij had nu den neutralen grond in de nabijheid der stad bereikt, -die eigenlijk noch tot de stad noch tot het land behoorde, maar een -onbehaaglijk mengelmoes van beide was, toen hem de tonen van muziek -in de ooren klonken. Het luidruchtig schetterende en dreunende -orchest van een paardenspel, dat zich hier in een houten paviljoen -had gevestigd, was aan den gang. Eene vlag, die op den top der tent -wapperde, verkondigde aan het menschdom, dat het de "Rijschool van -Sleary" was, die om de gunst van het publiek verzocht. Sleary zelf, -een zwaarlijvig modern standbeeld met een geldbakje naast zich, -stond in eene nis, waarvan de stijl aan een gothiek kerkgebouw was -ontleend, om het geld aan te nemen. Miss Josephine Sleary, gelijk een -zeer lang en smal gedrukt biljet aankondigde, had juist de voorstelling -begonnen met haar gracieusen Tyroler bloemendans te paard. Onder andere -verrukkelijke, maar altijd streng moreele wonderen, welke men zien -moest om ze te gelooven, zou Signor Jupe dien namiddag de vermakelijke -toeren van zijn kunstig gedresseerden hond Merrylegs vertoonen, en -zijne verbazende kracht en behendigheid ten toon spreiden door vijf -en zeventig gewichten van honderd pond zoo snel achtereenvolgend -over zijn hoofd te werpen, dat zij eene fontein van massief ijzer -in de lucht vormden, "een kunststuk, nog nooit te voren in dit -of eenig ander land beproefd, en dat, daar het steeds met zooveel -geestdrift door het verrukte publiek wordt toegejuicht, bij elke -voorstelling wordt uitgevoerd." Dezelfde Signor Jupe zou de geheele -voorstelling van tijd tot tijd afwisselen en verlevendigen door zijne -echt Shakespeariaansche snakerijen en kwinkslagen. Eindelijk zou hij -het geheel besluiten door op te treden in zijne algemeen beroemde rol -van mijnheer William Button van Tooley-Street, in de geheel nieuwe en -hoogst koddige hippo-comedietta: De kleermaker op reis naar Brentford. - -Thomas Gradgrind sloeg geen acht op deze ellendige nietigheden, -maar stapte voort gelijk een practisch man behoorde, en verbande die -luidruchtige insecten uit zijne gedachten, of wel verwees ze naar het -huis van correctie. Doch eene bocht van den weg voerde hem achter het -spel om, en aan den achterkant van het spel was een troep kinderen -verzameld, die in verschillende gebogen houdingen door een gaatje -of reet de verborgene heerlijkheden van het paardenspel poogden -te begluren. - -Dit bracht hem tot stilstaan. "Welk eene schande," riep hij uit, -"dat die vagebonden, dat jonge gepeupel uit mijne model-school houden!" - -Dewijl er nog eene plek vertrapt gras en puin tusschen hem en het jonge -gepeupel in lag, haalde hij zijn lorgnet uit zijn vestzakje, om te zien -of er onder die kinderen niet een was, dat hij kende en door zijn bevel -kon wegjagen. Welk een bijna ongeloofelijk, hoewel duidelijk zichtbaar -verschijnsel zag hij daar! Zijne eigene met feiten en kundigheden -opgepropte Louisa stond met alle macht door een gaatje in eene plank -te gluren, en zijn eigen mathematische Thomas vernederde zich tot op -den grond, om maar een enkelen paardenhoef te kunnen zien, terwijl -Miss Josephine Sleary den gracieusen Tyroler bloemendans uitvoerde. - -Stom van verbazing stapte mijnheer Gradgrind naar de plek waar zijn -kroost zich zoodanig schandvlekte, pakte met iedere hand een zijner -verdoolde kinderen aan en zeide: - -"Louisa!! Thomas!!" - -Beiden stonden op, zeer rood en ontsteld; maar Louisa zag haar vader -toch met meer stoutmoedigheid aan dan Thomas: Thomas zag hem eigenlijk -geheel niet aan, maar gaf zich met volkomene lijdzaamheid over om -zich naar huis te laten brengen. - -"In den naam van alles wat verbazend, nutteloos en dwaas is," zeide -mijnheer Gradgrind, aan elke hand een zijner kinderen voortleidende; -"wat doet gij hier?" - -"Ik wilde eens zien waar dat op geleek," antwoordde Louisa kortaf. - -"Waar dat op geleek?" - -"Ja, vader!" - -Beide kinderen hadden zekere gemelijke verveelzucht in hun voorkomen, -inzonderheid het meisje; maar door het verdrietige van haar gezicht -schemerde een licht heen, dat niets vond om te beschijnen, een vuur, -dat niets te branden had, eene uitgehongerde verbeeldingskracht, die -toch op eene of andere wijs het leven hield en de uitdrukking harer -trekken verhelderde; niet met die natuurlijke helderheid, welke de -vroolijke jeugd eigen is, maar met onzekere, driftige, weifelende -opflikkeringen, die iets pijnlijks hadden en naar de afwisselingen -geleken, welke men op het gezicht van een blinde ziet, die op den -tast naar zijn weg zoekt. - -Zij was nu een kind van vijftien of zestien jaren, maar eerlang -zou zij geheel op eens het voorkomen eener jonge vrouw krijgen. Zoo -dacht haar vader, terwijl hij haar aanzag. Zij was bevallig. Zij zou -eigenzinnig geweest zijn (dacht hij op zijne uitnemend practische -manier), als zij niet zóó was opgevoed. - -"Thomas! hoewel ik het feit vóór mij heb, is het mij moeielijk te -gelooven, dat gij, met uwe opvoeding en uwe gelegenheid om uw tijd -beter te besteden, uwe zuster naar zulk een schouwspel zoudt gebracht -hebben." - -"Ik heb hem gebracht, vader!" zeide Louisa snel. "Ik vroeg hem om -mee te gaan." - -"Het spijt mij dit te moeten hooren. Het spijt mij zeer dit te moeten -hooren. Het maakt Thomas niet beter, en het maakt u slechter, Louisa." - -Zij zag haar vader wederom aan, maar geen traan rolde over hare wang. - -"Thomas en gij, voor wie de kring der wetenschappen openstaat. Thomas -en gij, die men mag zeggen dat met feiten gevoed zijt, Thomas en -gij, die met mathematische stiptheid zijt opgevoed, Thomas en gij -hier!" riep mijnheer Gradgrind uit. "In deze vernederende positie! Ik -ben er verbaasd over!" - -"Ik verveelde mij, vader. Ik heb mij al lang verveeld," zeide Louisa. - -"Verveeld? "Wat verveelt u dan?" vroeg de verbaasde vader. - -"Ik weet niet wat. Alles, geloof ik." - -"Spreek geen woord meer," antwoordde mijnheer Gradgrind. "Gij zijt -kinderachtig. Ik wil niets meer hooren." - -Hij sprak niet weder voordat zij een heel eind ver in stilte hadden -voortgestapt, en toen zeide hij ernstig: - -"Wat zouden uwe beste vrienden wel zeggen, Louisa? Hecht gij dan geene -waarde aan hunne goede meening? Wat zou mijnheer Bounderby wel zeggen?" - -Op het hooren van dien naam wierp zijne dochter tersluiks een blik op -hem, waarvan het scherpe en uitvorschende zeer opmerkelijk was. Hij -zag echter niets daarvan, want eer hij haar aankeek, had zij hare -oogen weder neergeslagen. - -"Wat," herhaalde hij weldra, "zou mijnheer Bounderby wel zeggen?" En -terwijl hij met een gezicht vol ernstige verontwaardiging de twee -misdadigers naar huis bracht, herhaalde hij telkens den geheelen weg -over: "Wat zou mijnheer Bounderby wel zeggen?" - - - - - - - -IV. - -MIJNHEER BOUNDERBY. - - -Wie was die mijnheer Bounderby? - -Wel, mijnheer Bounderby was in zooverre mijnheer Gradgrind's -boezemvriend, als een man, geheel ontbloot van gevoel, met iemand -anders, die evenzeer van gevoel ontbloot is, in eene dergelijke -betrekking kan staan. Zoo nauw--of, indien de lezer dit liever -wil,--zoo ver verwijderd was de betrekking tusschen die twee. - -Hij was een rijk man: een bankier, een koopman, een fabrikant en wat -niet al. Een zwaarlijvig man, met eene luide stem, starende oogen, en -een lach, die een metaalklank had; een man met een groot opgezwollen -hoofd, uitpuilende aderen aan de slapen, en zulk een gespannen vel -over zijn gezicht, dat het zijne oogen scheen open te houden en zijne -wenkbrauwen op te trekken; een man, wiens geheele voorkomen aan een -gevulden ballon deed denken, op het punt om op te stijgen; een man, -die er nooit genoeg op kon pochen dat hij zich zelven tot "een man" -had gemaakt; een man, die door de koperen spreektrompet zijner stem -altijd zijne oude onwetendheid en zijne oude armoede verkondigde; een -man, die het toppunt van hoogmoedig bluffende nederigheid had bereikt. - -Hoewel hij een paar jaar jonger was dan zijn uitnemend practische -vriend, zag mijnheer Bounderby er toch ouder uit; bij zijne zeven of -acht en veertig had hij nog zeven of acht meer kunnen tellen, zonder -dat het iemand zou verwonderd hebben. Hij had niet veel haar. Men had -zich kunnen verbeelden, dat het van zijn praten was uitgevallen, en -dat het weinige, dat hij overhad, zoo verward overeindstond omdat het -onophoudelijk door zijn winderig snoeven heen en weder werd geblazen. - -In het sombere salon van Stone Lodge stond mijnheer Bounderby zich -op het haardkleedje voor het vuur te warmen en onderhield mevrouw -Gradgrind met eenige opmerkingen over de omstandigheid, dat die dag -zijn geboortedag was. Hij stond voor het vuur, gedeeltelijk omdat het -een koude lentedag en tegen den avond was, hoewel de zon nog scheen, -gedeeltelijk omdat in de schaduw van Stone Lodge altijd een spook -van vochtige kalk omwaarde; gedeeltelijk omdat hij aldus een deftige -houding had, die mevrouw Gradgrind ontzag moest inboezemen. - -"Ik had geene schoenen aan de voeten; en wat kousen aangaat, ik kende -zulke dingen niet eens bij naam. Ik sleet den dag in eene sloot en -den nacht in een varkenshok. Zoo bracht ik mijn tienden verjaardag -door. Niet dat eene sloot iets nieuws voor mij was, want ik was in -eene sloot geboren." - -Mevrouw Gradgrind--een klein, mager, bleek wezentje, met roode oogen -en altijd in eenige shawls gewikkeld, ongeloofelijk zwak naar het -lichaam en den geest--die altijd medicineerde zonder dat het haar -iets baatte, en wanneer zij eenigen zweem van herleving vertoonde, -telkens weder versuft en verdoofd werd door een zwaar blok van een -feit, dat haar op het lijf tuimelde;--mevrouw Gradgrind hoopte, -dat het eene droge sloot was. - -"Neen. Zoo nat als een vaatdoek. Een voet water er in," zeide mijnheer -Bounderby. - -"Genoeg om een pasgeboren kind kou te doen vatten," was de opmerking -van mevrouw Gradgrind. - -"Kou? Ik werd geboren met eene ontsteking van de long, en van alle -andere dingen, geloof ik, die voor ontsteking vatbaar waren," -antwoordde mijnheer Bounderby. "Jarenlang, mevrouw! was ik een -van de ellendigste schepseltjes, die men ooit heeft gezien. Ik was -zoo ziekelijk, dat ik altijd steunde en kermde. Ik was zoo vuil en -haveloos, dat ge mij met geen tang zoudt hebben aangeraakt." - -Mevrouw Gradgrind keek flauw naar de tang om, als het beste waaraan -zij in hare sufheid kon denken. - -"Hoe ik er mij doorheen worstelde, weet ik zelf niet," hervatte -Bounderby. "Ik was cordaat, denk ik. Ik ben in later tijd altijd -cordaat geweest, en dat zal ik toen ook wel geweest zijn. Evenwel, -hier sta ik, mevrouw Gradgrind, en ik behoef er niemand dan mij zelven -voor te bedanken dat ik zoo sta." - -Mevrouw Gradgrind gaf zeer zachtzinnig en flauw hare hoop te kennen, -dat zijne moeder.... - -"Mijne moeder? Zij liep weg, mevrouw!" zeide Bounderby. - -Mevrouw Gradgrind, overbluft gelijk doorgaans, bleef bedeesd zwijgen. - -"Mijne moeder liet mij bij mijne grootmoeder," zeide Bounderby, -"en als ik mij wel herinner, was mijne grootmoeder het slechtste en -ondeugendste oude wijf dat er ooit leefde. Als ik door een bijzonder -toeval een paar schoentjes kreeg, nam zij ze mij af en verkocht ze -voor drank. Ja, ik heb die grootmoeder van mij, terwijl zij nog in -bed lag, veertien glaasjes drank zien drinken voor haar ontbijt." - -Mevrouw Gradgrind, met haar flauw glimlachje en zonder eenig ander -teeken van leven, geleek nu (gelijk zij altijd deed) naar een tamelijk -slecht geschilderd transparant vrouwenportretje, dat van achteren -niet genoeg verlicht was. - -"Zij hield een komenijswinkel," vervolgde Bounderby, "en stopte mij -in een eierenkist. Dat was de wieg van mijne kindsheid--eene oude -eierenkist. Zoodra ik groot genoeg was om weg te loopen, liep ik -natuurlijk weg. Toen werd ik een jonge vagebond; en in plaats dat één -oud wijf mij klappen gaf en honger liet lijden, gaven alle menschen -van allerlei ouderdom mij klappen en lieten mij honger lijden. Zij -hadden gelijk; zij behoefden niets anders te doen. Ik was een overlast, -eene pest in de maatschappij. Dat weet ik--zeer wel." - -Hij kon zijn trots, dat hij in zijne kindsche jaren een overlast en -pest in de maatschappij geweest was, niet genoeg lucht geven, of hij -moest zijn snoeven daarop nog driemaal volmondig herhalen. - -"Ik was bestemd om mij omhoog te werken, zou ik denken, mevrouw -Gradgrind. Maar, hetzij ik er voor bestemd was of niet, ik deed -het, hoewel niemand mij hielp. Vagebond, loopjongen, pakhuisknecht, -kantoorknecht, klerk, eerste boekhouder, compagnon, en eindelijk -Josiah Bounderby van Coketown. Dit zijn de antecedenten en de -culminatie. Josiah Bounderby van Coketown heeft leeren lezen van -uithangborden boven winkels, mevrouw Gradgrind, en heeft op de -klok leeren zien, door den toren der St. Gilleskerk te Londen te -bestudeeren, met hulp van een kreupelen dronkaard, die een veroordeelde -dief en onverbeterlijke landlooper was. Spreek Josiah Bounderby van -uwe district-scholen en uwe model-scholen en uwe kweekeling-scholen -en uw geheelen poespas van scholen; en Josiah Bounderby van Coketown -zegt u ronduit: dat is alles goed en wel--hoewel hij zulke voorrechten -niet had--als wij maar menschen krijgen met harde koppen en stevige -vuisten. De opvoeding, die hem tot een man heeft gemaakt, zou niet voor -iedereen deugen, dat weet hij wel; maar zoo en zoo is zijne opvoeding -toch geweest, en gij moogt hem dwingen om kokende olie te drinken, maar -gij zult hem nooit dwingen om de feiten van zijn leven te verbloemen." - -Josiah Bounderby van Coketown, die onder het spreken zeer warm -geworden was, hield nu op; en juist toen hij zweeg trad zijn uitnemend -practische vriend, door de twee jeugdige misdadigers vergezeld, de -kamer binnen. Zijn uitnemend practische vriend bleef staan toen hij -hem zag en wierp Louisa een verwijtenden blik toe, die duidelijk zeide: -"Ziedaar nu, mijnheer Bounderby." - -"Wel, wat is er te doen?" zeide mijnheer Bounderby driftig en -luidruchtig. "Hoe kijkt Thomas zoo verslagen?" - -Hij sprak van Thomas, maar hij zag naar Louisa. - -"Wij stonden bij het paardenspel naar binnen te kijken," mompelde -Louisa stuursch, zonder hare oogen op te slaan, "en vader betrapte -ons daar." - -"En, mevrouw Gradgrind," zeide de echtgenoot dezer dame op statelijken -toon, "ik zou evengoed verwacht hebben, dat ik mijne kinderen verzen -zou vinden lezen." - -"Och Heere," zeide mevrouw Gradgrind jammerend. "Hoe kunt ge toch zoo -doen, Louisa en Thomas? Ik ben er verbaasd over. Ge zijt waarlijk in -staat om het iemand te doen spijten, dat hij ooit kinderen had. Ik heb -grooten lust om te zeggen, dat ik wenschte dat ik ze nooit had gehad; -en wat zoudt ge dan gedaan hebben, dat zou ik wel eens willen weten." - -Mijnheer Gradgrind scheen niet zeer gesticht over deze treffende -aanmerking, en trok ongeduldig zijne wenkbrauwen samen. - -"Hadt ge, terwijl mijn hoofd zoo duizelt en klopt, niet naar de -schulpen en mineralen kunnen gaan kijken en al de andere dingen, die -voor u zijn aangeschaft, in plaats van naar het paardenspel?" zeide -mevrouw Gradgrind. "Gij weet evengoed als ik, dat jongelieden geen -paardenspel-meester hebben, of paardenspel-kabinetjes houden of -paardenspel-verhandelingen hooren. Wat kunt ge dan van paardenspellen -willen weten? Gij hebt immers bezigheid genoeg, als ge naar bezigheid -verlangt. Terwijl mijn hoofd zoo dof is, zou ik de namen niets eens -kunnen noemen van de helft der feiten, die ge alleen te onthouden -hebt." - -"Dat is juist de reden," bromde Louisa. - -"Zeg mij niet, dat dit de reden is, want dat kan het onmogelijk -zijn," antwoordde mevrouw Gradgrind. "Ga terstond aan de eene of -andere ologie." Mevrouw Gradgrind had niet gestudeerd, en als zij -hare kinderen tot hunne studiën aanmaande, was het gewoonlijk met -zulk een algemeen gezegde. - -Om de waarheid te zeggen, mevrouw Gradgrind's voorraad van feiten -was ellendig schraal, maar toen mijnheer Gradgrind haar tot haar -hoogen echtelijken rang verhief, had hij zich door twee redenen -laten besturen. Vooreerst was zij in een financieel opzicht eene -zeer goede partij, en ten tweede wist zij van geene malligheden af, -waarmede hij zeggen wilde, dat zij geene de minste overhelling tot het -romaneske of poëtische had; en inderdaad was hare verbeeldingskracht -zoo weinig werkzaam, als dit bij een menschelijk wezen, dat niet -geheel verstandeloos is, maar eenigszins mogelijk is. - -De eenvoudige omstandigheid, dat zij met haar echtgenoot en mijnheer -Bounderby alleen bleef, was voldoende om deze goede dame wederom -te versuffen. Zij verzonk dus in eene wezenlooze dofheid en niemand -lette verder op haar. - -"Bounderby," zeide mijnheer Gradgrind, een stoel naar het vuur -schuivende, "gij hebt altijd zooveel belang gesteld in mijne -jongelieden--vooral in Louisa--dat ik geene verontschuldiging noodig -meen te hebben als ik u zeg, dat deze ontdekking mij zeer verdrietig -maakt. Ik heb mij systematisch toegewijd, gelijk gij weet, om bij -mijne kinderen het redeneervermogen te ontwikkelen. De rede is, gelijk -men weet, het eenige vermogen, waarop men de opvoeding behoort te -richten. En toch, Bounderby, zou het uit deze onverwachte omstandigheid -van vandaag, hoewel op zichzelf beuzelachtig, schijnen te blijken, -dat er bij Thomas en Louisa iets in het gemoed is geslopen, dat--of -liever, dat niet--ik weet niet hoe ik mij beter kan uitdrukken dan -door te zeggen--iets dat ik nooit bedoeld had bij hen te ontwikkelen -en waaraan het redeneervermogen geen deel heeft." - -"Er bestaat zeker geene reden om met belangstelling naar een troep -vagebonden te kijken," antwoordde Bounderby. "Toen ik zelf een vagebond -was, keek niemand met belangstelling naar mij; dat weet ik wel." - -"Dan komt de vraag," zeide de uitnemend practische vader, met de -oogen op den haard gevestigd, "waaruit die gemeene nieuwsgierigheid -ontstaan is?" - -"Dat zal ik u wel zeggen. Hunne verbeelding heeft loopen spelen." - -"Ik hoop van neen," zeide de uitnemend practische man, "schoon ik -beken, dat op weg naar huis die vrees ook wel bij mij is opgekomen." - -"Een ijdel spelen der verbeelding, Gradgrind," herhaalde Bounderby: -"iets zeer slechts voor iedereen, maar iets vervloekt slechts voor een -meisje als Louisa. Ik moet mevrouw Gradgrind verschooning verzoeken, -dat ik zulke sterke uitdrukkingen gebruik; maar zij weet zeer wel, -dat ik niet gepolijst ben. Wie dat van mij verwacht, zal zich toch -teleurgesteld vinden. Ik heb geene gepolijste opvoeding gehad." - -"Of," zeide mijnheer Gradgrind, terwijl hij met de handen in de zakken -stond te peinzen, en zijne holle oogen in het vuur staarden, "of zou -een onderwijzer of eene dienstbode haar iets in het hoofd hebben -gebracht? Zou Louisa of Thomas misschien iets gelezen hebben? Zou -er, in weerwil van alle voorzorgen, een boek met malle sprookjes in -huis gekomen zijn? Want bij kinderen, die van hunne wieg af naar de -strengste regelen practisch gevormd zijn, is dit anders zoo zonderling, -zoo onbegrijpelijk." - -"Wacht eens even!" riep Bounderby uit, die ondertusschen bij den -haard was blijven staan, zoo vol hoogmoedige nederigheid dat hij -bijna barstte. "Gij hebt een van die landlooperskinderen op school?" - -"Cecilia Jupe heet zij," antwoordde mijnheer Gradgrind, met een blik, -bijna alsof hij zijn doodvonnis te gemoet zag. - -"Wacht nu eens even!" riep Bounderby wederom uit. "Hoe is zij daar -gekomen?" - -"Wel, om de waarheid te zeggen, ik zelf heb het meisje daar straks -pas voor de eerste maal gezien. Zij is hier aan huis om toelating -komen verzoeken, daar zij eigenlijk niet tot de stad behoorde, en--ja, -gij hebt gelijk, Bounderby,--gij hebt gelijk." - -"Wacht nu eens even!" riep Bounderby nogmaals uit. "Louisa heeft haar -gezien toen zij hier kwam?" - -"Louisa heeft haar zeker gezien, want zij heeft mij de boodschap van -haar aanzoek overgebracht. Maar Louisa heeft haar toch zonder twijfel -alleen in het bijzijn van hare moeder gezien." - -"Eilieve, mevrouw Gradgrind," zeide Bounderby, "wat is er toen -omgegaan?" - -"Och, mijn arm hoofd!" antwoordde mevrouw Gradgrind. "Het meisje -wilde op school komen, en mijnheer Gradgrind wilde meisjes op school -hebben, en Louisa en Thomas zeiden allebei, dat het meisje op school -wilde komen en dat mijnheer Gradgrind meisjes op school wilde hebben, -en hoe kon ik hun tegenspreken, daar het toch een feit was?" - -"Nu zal ik u eens wat zeggen, Gradgrind," zeide Bounderby. "Jaag dat -meisje weg, en daarmee is het uit." - -"Ik hel sterk naar uwe meening over." - -"Doe het terstond," zeide Bounderby, "is van kindsbeen af altijd -mijne spreuk geweest. Toen ik er aan dacht om van mijne eierenkist -en mijne grootmoeder weg te loopen, deed ik het ook terstond. Handel -gij eveneens. Doe dit terstond." - -"Gaat ge nog wandelen?" vroeg zijn vriend. "Ik heb het adres van den -vader. Misschien zoudt ge er niet tegen hebben, om met mij naar de -stad te gaan?" - -"Niet het minste," antwoordde Bounderby, "als gij het maar terstond -doet." - -Zoo smeet mijnheer Bounderby zijn hoed op--hij smeet dien altijd -op, om aan te duiden dat hij iemand was, die het veel te druk gehad -had met zich zelven tot een man te maken, om te leeren hoe hij zijn -hoed moest opzetten--en kuierde met de handen in de zakken naar het -voorhuis. "Ik draag nooit handschoenen," was hij gewoon te zeggen. "Ik -ben niet met handschoenen de ladder opgeklommen. Ik zou niet zoo hoog -zijn gekomen als ik ze gedragen had." - -Daar hij een paar minuten in het voorhuis moest wachten, terwijl -mijnheer Gradgrind naar boven ging om het adres te halen, opende -hij de deur van de leerkamer, en keek in dat vroolijke vertrek -binnen, dat met het kleed van geverfd zeildoek op den vloer, in -weerwil van de boekenkasten en kabinetjes en eene verscheidenheid -van wetenschappelijke toestellen, grootelijks het voorkomen had -alsof het aan de kunst van haarsnijden was toegewijd. Louisa stond -lusteloos tegen de vensterbank te leunen en naar buiten te kijken, -zonder naar iets te zien, terwijl Thomas wrevelig druilende bij het -vuur stond. Adam Smith en Malthus, twee jongere Gradgrind's, waren -uit om eene verhandeling te hooren, terwijl kleine Jane, nadat zij -haar gezicht rijkelijk met griftjes-schrapsel en tranen had bemorst, -over de gewone breuken in slaap was gevallen. - -"Alles is nu terecht, Louisa, alles terecht, Thomas," zeide -Bounderby. "Doe het maar niet meer. Ik sta er voor in, dat het bij uw -vader over is. Wel, Louisa, dat is wel een kusje waardig, niet waar?" - -"Gij kunt er een nemen, mijnheer Bounderby," antwoordde Louisa, nadat -zij zich zeer koel eene poos had bedacht, kwam daarna langzaam naar -hem toe en bood hem onvriendelijk hare wang, terwijl zij haar gezicht -van hem afkeerde. - -"Altijd mijn liefje, niet waar, Louisa?" zeide Bounderby. "Goedendag, -Louisa." - -Hij ging zijns weegs, maar zij bleef op dezelfde plek staan en wreef -de wang, die hij gekust had, met haar zakdoek tot zij gloeiend rood -was. Vijf minuten later was zij nog aan het wrijven. - -"Wat doet gij toch, Louisa?" vroeg haar broeder met knorrige -verwondering. "Ge zult een gat in uw gezicht wrijven." - -"Gij moogt het stuk met uw pennemes uitsnijden als ge wilt, Tom. Ik -zal niet schreeuwen." - - - - - - - -V. - -COKETOWN. - - -Coketown, waarheen de heeren Bounderby en Gradgrind nu wandelden, -was de triomf van het feitelijke en prozaïsche; het was evenmin met -het romaneske en poëtische besmet, als mevrouw Gradgrind zelve. Laten -wij, eer wij verder gaan, eene korte beschrijving van Coketown geven. - -Het was eene stad van rooden baksteen, of van baksteen, die rood -zou geweest zijn, als rook en roet dit maar hadden toegelaten; -thans echter was het eene stad van onnatuurlijk rood en zwart, -gelijk het beschilderde gezicht van een wilde. Het was eene stad -van machines en hooge schoorsteenen, waaruit oneindige rookslangen -eeuwigdurend opkropen, zonder zich ooit te ontwarren. Zij had eene -zwarte stadsgracht, en eene rivier, purper gekleurd door walgelijk -riekende verfstoffen, en uitgestrekte groepen van gebouwen vol -vensters, waarbinnen het den geheelen dag ratelde en dreunde en de -zuiger eener stoommachine eentonig op en neer ging, gelijk de kop -van een olifant in een staat van zwaarmoedige razernij. Zij bevatte -verscheidene groote straten, die allen sterk op elkander geleken, -bewoond door menschen, die eveneens op elkander geleken, die allen op -dezelfde uren uitgingen en binnenkwamen, om hetzelfde werk te doen, -en voor wie elke dag eveneens was als gisteren en morgen, en ieder -jaar het evenbeeld van het vorige en het volgende. - -De eigenschappen van Coketown waren grootendeels onafscheidbaar van -het werk, waardoor de stad in wezen werd gehouden, en waardoor er -een aantal geriefelijkheden de geheele wereld door verspreid werden, -en een aantal sieraden die, wij willen niet vragen hoeveel, deel -uitmaakten van de schoonheid der jonge dames, welke het nauwelijks -konden uitstaan, de stad te hooren noemen. Een aantal andere -eigenschappen waren vrijwillig aangenomen, en deze waren de volgende: - -Men zag in Coketown niets wat niet nuchter prozaïsch was. Indien de -leden eener godsdienstige gezindte daar eene kerk bouwden (gelijk de -leden van achttien godsdienstige gezindten gedaan hadden), maakten zij -een godsdienstig pakhuis van rooden baksteen daarvan, somtijds (maar -dit alleen bij zeer sierlijke gebouwen) met eene klok in een soort -van vogelkooi er bovenop. De eenige uitzondering was de Nieuwe Kerk, -een wit gepleisterd gebouw, met een vierkanten toren boven de deur, -en vier korte spitsen er op, die naar met lofwerk versierde houten -beenen geleken. Al de openbare opschriften in de stad waren eveneens -geschilderd, met vierkante letters zwart op wit. De gevangenis had het -gasthuis kunnen zijn en het gasthuis de gevangenis; het stadhuis had -een van beide kunnen wezen, of allen hadden geheel iets anders kunnen -zijn, voor zooveel men aan den bouwtrant kon zien. Het feitelijke en -prozaïsche beheerschten geheel Coketown zoowel in het materieele als -het immaterieele. De school van Mac Choakumchild was geheel prozaïsch -en practisch, en zoo was de teekenschool, en zoo waren de betrekkingen -tusschen meester en dienaar, en zoo was alles tusschen het gasthuis -voor kraamvrouwen en het kerkhof; en wat men niet met cijfers kon -berekenen of op de markt of de beurs kon koopen en verkoopen, was -hier niet, en zou er in alle eeuwigheid niet wezen. - -Eene stad, zoo geheel aan het prozaïsch nuttige gewijd en waar het -feitelijke zoo zegepralend heerschte, moest natuurlijk welvarend en -voorspoedig wezen? Neen, niet zoo geheel. Niet? Hoe is het mogelijk! - -Neen. Coketown kwam niet in alle opzichten uit zijne eigene -fornuizen gelijk goud, dat het vuur doorgestaan had. Vooreerst -was het een onoplosbaar raadsel, wie tot de achttien gezindten -behoorden--omdat, wie dit ook deden, de arbeidslieden zeker tot geene -daarvan behoorden. Het was zonderling, als men op zondagochtend -langs de straten wandelde, te moeten opmerken hoe weinigen van -die lieden door het barbaarsche gebengel van klokken, dat zieken -en zenuwachtigen razend maakte, uit hunne eigene benauwde kamers, -uit hunne eigene wijk, of van de hoeken hunner eigene straten werden -geroepen, waar zij lusteloos bleven staan dralen en onverschillig -naar de kerkgangers keken, alsof het kerkgaan iets was, dat hun -volstrekt niet aanging. Het was niet alleen de vreemdeling, die dit -opmerkte, want er bestond binnen Coketown zelfs eene vereeniging, -welker leden in elke zitting van het Huis der Gemeenten van zich -liet hooren, door met verontwaardigden ijver te petitioneeren, dat -er wetten zouden uitgevaardigd worden om deze lieden met geweld -godsdienstig te maken. Dan kwam ook het Afschaffing-Genootschap, -hetwelk klaagde dat deze lieden zich volstrekt dronken wilden -drinken, en door statistieke tabellen bewees hoeveel zij dronken, en -op theegezelschappen betoogde, dat geene goddelijke of menschelijke -middelen (behalve eene afschaffing-medaille) hen konden bewegen om -hunne gewoonte van drinken na te laten. Dan kwamen ook de chemisten -en drogisten met andere statistieke tabellen, bewijzende dat zij, -als zij niet dronken, opium gebruikten. Dan kwam ook de kapelaan -der gevangenis, een man van ondervinding, met andere statistieke -tabellen, die alle vorige statistieke tabellen in de schaduw stelden -en bewezen, dat diezelfde lieden gemeene schuilhoeken bezochten, -voor het oog des publieks verborgen, waar zij slechte liedjes -hoorden en slechte dansen zagen en misschien daarin medededen, en -waar A. B., oud vier en twintig jaren op zijn volgenden verjaardag, -en veroordeeld tot achttien maanden eenzame opsluiting, zelfs gezegd -had (hoewel hij zich nooit bijzonder geloofwaardig had getoond), -dat zijn ongeluk was begonnen, terwijl hij vast en zeker geloofde -dat hij anders een voorbeeld van zedelijkheid zou zijn geweest. Dan -kwamen ook mijnheer Gradgrind en mijnheer Bounderby, de twee heeren, -die op het oogenblik naar Coketown wandelden, en die desnoods -nog meer statistieke tabellen konden verschaffen, uit hunne eigene -ervaring opgemaakt en toegelicht door gevallen, die zij zelven hadden -bijgewoond, en waaruit duidelijk bleek--kortom, dit was het eenige dat -van de zaak duidelijk was--dat die lieden een slechte troep waren; -dat zij, wat men ook voor hen deed, nooit dankbaar daarvoor waren; -dat zij onrustig waren; dat zij zelven niet wisten wat zij wilden; -dat zij aten en dronken van het beste, versche boter en mokka-koffie -kochten en geen ander vleesch wilden gebruiken dan de vetste stukken, -en toch altijd ontevreden en onhandelbaar waren. Kortom, het was de -moraal van het oude kindersprookje, waarin van het oude wijf wordt -gezegd, dat zij van niets anders leefde dan van eten en drinken en -toch zich nooit wilde stilhouden. - -Is het mogelijk, dit zou mij benieuwen, dat er eenige overeenkomst -bestond tusschen de omstandigheden der bevolking van Coketown en die -der kleine Gradgrind's? Zekerlijk zal men niemand van ons, die bij ons -gezond verstand en met cijfers bekend zijn, nu nog willen zeggen, dat -men een der voornaamste behoeften der werklieden van Coketown sedert -eene lange reeks van jaren onvoldaan had gelaten--dat er eene neiging -tot het poëtische en romaneske bij hen bestond, die op eene gezonde -en heilzame wijs bevredigd moest worden, in plaats van zich door -stuiptrekkend worstelen lucht te geven--dat zij, juist dewijl zij zoo -lang en eentonig werkten, een klagend verlangen, een kwellenden honger -gevoelden naar eene of andere verpoozing, eene of andere uitspanning, -die hen tot opgeruimdheid en vroolijkheid opwekte en tevens daaraan -lucht gaf--naar een erkenden feestdag, al ware het maar met een -eenvoudigen, schuldeloozen dans, bij het hooren eener opwekkende -muziek--een taartje nu en dan waarin mijnheer Mac Choakumchild geen -vinger stak--en dat die honger op de rechte wijze moest bevredigd -worden, of dat hij onvermijdelijk eene verkeerde richting zou nemen, -zoolang de wetten der schepping niet waren herroepen? - -"De man woont in Pod's End, en ik weet niet recht waar Pod's End is," -zeide mijnheer Gradgrind. "Weet gij het ook, Bounderby?" - -Bounderby wist, dat het ergens aan dien hoek van de stad was, maar meer -wist hij er niet van. Zij bleven dus een oogenblik staan en keken rond. - -Bijna op hetzelfde oogenblik kwam er om den hoek der straat, met -snelle schreden en een verschrikt gezicht, een meisje aanloopen, -dat mijnheer Gradgrind herkende. - -"Hei daar!" riep hij. "Sta! Waar loopt gij naar toe? Sta!" - -Het meisje nommer twintig bleef bevende voor hem staan en neeg. - -"Waarom rent gij zoo langs de straat op zulk eene onvoegzame -manier?" zeide mijnheer Gradgrind. - -"Ik werd--ik werd nageloopen, mijnheer," antwoordde het meisje -hijgende, "en wilde wegloopen." - -"Nageloopen?" herhaalde mijnheer Gradgrind. "Wie zou u naloopen?" - -Deze vraag werd plotseling en zeer onverwacht voor haar beantwoord -door den kleurloozen jongen, Bitzer, die met zulk eene blinde vaart en -zoo weinig op eene verstopping van den weg bedacht, den hoek omkwam, -dat hij tegen mijnheer Gradgrind aanliep met eene kracht, die hem -weder achteruit deed stuiven. - -"Wat moet dat, jongen?" zeide mijnheer Gradgrind. "Hoe durft ge zoo -tegen--tegen iemand aanloopen?" - -Bitzer raapte zijne pet op, die door den schok was afgevlogen, -maakte een schrapvoet, duwde zijne kneukels tegen zijn voorhoofd en -antwoordde verontschuldigend dat het een ongeluk was. - -"Heeft deze jongen u nageloopen, Jupe?" vroeg mijnheer Gradgrind. - -"Ja, mijnheer!" antwoordde het meisje schoorvoetend. - -"Neen, dat heb ik niet, mijnheer!" riep Bitzer; "niet voordat zij -voor mij wegliep. Maar die paardrijders bedenken nooit wat zij -zeggen, mijnheer! daar zijn zij bekend voor. Gij weet zelf wel, -dat de paardrijders nooit bedenken wat zij zeggen," hierbij keerde -hij zich naar Sissy. "Dat is in de stad zoo goed bekend, mijnheer, -als de tafel van vermenigvuldiging aan de paardrijders onbekend -is." Hiermede poogde Bitzer mijnheer Bounderby voor zich te winnen. - -"Hij maakte mij zoo bang," zeide het meisje, "met zijne leelijke -gezichten." - -"O!" riep Bitzer. "Zijt gij niet evengoed als de anderen? Zijt ge ook -niet een paardrijdster? Ik heb haar niet eens aangekeken, mijnheer! Ik -heb haar maar gevraagd of zij morgen eene definitie van een paard zou -kunnen geven, en wilde haar die nog eens zeggen, en toen liep zij weg, -mijnheer, en ik liep haar na, om haar te leeren hoe zij antwoorden -moest als zij gevraagd werd. Gij zoudt er niet aan gedacht hebben om -kwaad van mij te spreken, als gij geene paardrijdster waart geweest." - -"Haar beroep schijnt tamelijk wel bekend," merkte mijnheer Bounderby -aan. "Gij zoudt binnen eene week gezien hebben, dat de geheele school -op eene rij stond te kijken." - -"Dat denk ik waarlijk ook," antwoordde zijn vriend. "Bitzer, keer om -en ga naar huis. Jupe, blijf eens even. Laat ik hooren dat gij weer -zoo loopt, jongen, en ge zult van mij hooren door den meester van de -school. Gij begrijpt wel wat ik meen. Marsch, zeg ik." - -De jongen, hierdoor in zijn knipoogen gestuit, drukte weder zijne -kneukels tegen zijn voorhoofd, wierp een blik naar Sissy, keerde zich -om en ging. - -"Meisje," zeide mijnheer Gradgrind, "breng nu dezen heer en mij -naar uw vader. Wij wilden juist naar hem toe. Wat hebt ge daar in -dat fleschje?" - -"Jenever," zeide Bounderby. - -"Wel Heere neen, mijnheer. Het is de negen-olie!" - -"De wat?" riep Bounderby uit. - -"De negen-olie, mijnheer! om vader mee te wrijven." - -"Uw vader met negen-olie wrijven! Waar drommel doet ge dat voor?" zeide -mijnheer Bounderby met een korten, luiden lach. - -"Die gebruiken onze lieden altijd, mijnheer," antwoordde het meisje, -"als zij zich in de manege bezeeren. Zij krijgen somtijds heel erge -kneuzingen." - -"Goed zoo," zeide mijnheer Bounderby. "Dat hebben zij dan voor hun -leegloopen." - -Zij zag met eene mengeling van verbazing en angst naar zijn gezicht op. - -"Waarachtig," hervatte mijnheer Bounderby, "toen ik vier of vijf -jaren jonger was dan gij, had ik erger kneuzingen, dan tien-olie of -twintig- of veertig-olie zou hebben uitgewreven. Ik kreeg ze niet -van het kunsten maken, maar van het afranselen. Ik danste niet op -de koord voor mijn pleizier; ik danste op den blooten grond, op de -muziek van een eindje touw." - -Mijnheer Gradgrind, schoon hardvochtig genoeg, was lang zoo ruw -niet als mijnheer Bounderby. Hij had, alles in aanmerking genomen, -geen onvriendelijk karakter; het had zelfs zeer vriendelijk kunnen -worden, als hij jaren geleden maar eene gelukkige fout gemaakt had in -de becijfering, waarnaar hij het geregeld had. Toen zij een smal pad -insloegen, zeide hij op een toon, dien hij geruststellend wilde maken: -"En dit is nu Pod's End, niet waar, Jupe?" - -"Ja, mijnheer--als 't u belieft, mijnheer--dit is het huis." - -Zij bleef staan voor de deur van een gemeen herbergje, waaruit, want -het was nu schemeravond, een flauw rood licht scheen. Het herbergje -zag er zoo ellendig uit, alsof het, bij gebrek aan klandizie, zelf -aan het drinken was geraakt en denzelfden weg was gegaan, dien alle -dronkaards gaan, zoodat het nu dicht bij zijn eind was. - -"Gij behoeft maar het voorhuis door te gaan, mijnheer, en de trap op, -als ge zoo goed wilt zijn, en daar een oogenblik wachten tot ik licht -haal. Als gij een hond mocht hooren, mijnheer, dat is Merrylegs, -en hij blaft maar." - -"Merrylegs en negen-olie!" zeide mijnheer Bounderby, die het laatst -binnentrad, met zijn klinkenden lach. "Het is hier nogal aardig voor -iemand, die zich zelven tot een man gemaakt heeft." - - - - - - - -VI. - -SLEARY'S RIJKUNST. - - -De naam van het herbergje was De Pegasus, welk woord op het uithangbord -onder een gevleugeld paard te lezen stond, en onder dit woord had de -schilder op een golvend lint nog de volgende regels gezet: - - - "Goede mout maakt goed bier, - Kom maar binnen, dat tapt men hier. - Goede wijn maakt goeden cognac, - Kom maar binnen en neem uw gemak." - - -In lijst en glas, achter de smalle, morsige toonbank, hing nog een -Pegasus--een theatrale Pegasus, met vleugelen van gaas op zijn rug -geplakt, overal met gouden sterren bezaaid, en met een tuig van -roode zijde. - -Daar het buiten te donker was geworden om het uithangbord te zien, -en binnen nog niet licht genoeg om het schilderijtje te onderscheiden, -gaven deze ideale kunstvoortbrengselen de heeren Gradgrind en Bounderby -geen aanstoot. Zij volgden het meisje een steil trapje van eenige -treden op, zonder iemand te ontmoeten, en bleven in het donker staan, -terwijl zij licht ging halen. Zij verwachtten ieder oogenblik, dat -Merrylegs zich zou laten hooren, maar die wonderbaar gedresseerde -hond had nog niet geblaft toen het meisje reeds met eene kaars aankwam. - -"Vader is niet in onze kamer, mijnheer," zeide zij met een zeer -verwonderd gezicht. "Als gij zoolang wilt binnengaan, zal ik hem -dadelijk gaan opzoeken." - -Zij stapten binnen, en nadat Sissy twee stoelen voor hen had -gezet, ging zij haastig weder heen. Het was eene armoedig, karig -gemeubileerde kamer, waarin een bed stond. De witte slaapmuts, met -twee pauwenveeren en een rechtopstaand staartje versierd, die Signor -Jupe had opgehad, toen hij dienzelfden namiddag de voorstelling door -zijne Shakspeariaansche snakerijen en kwinkslagen verlevendigde, hing -aan een spijker, maar geen ander stuk van zijne garderobe of eenig -ander spoor van hem zelven of zijn beroep was ergens te zien. Ook -van Merrylegs was zoo weinig te bespeuren, alsof de voorouders van -dat wonderbaar gedresseerde dier, die in de ark waren geweest, er -toevallig buiten waren gebleven. - -Men hoorde boven de deuren van kamers openen en sluiten, terwijl -Sissy van de eene naar de andere liep om haar vader te zoeken; -en weldra hoorde men ook stemmen, die verwondering uitdrukten. Zij -kwam in groote haast weder naar beneden springen, opende een ouden, -erg gehavenden koffer, vond dien ledig, en zag met gevouwene handen -en een blik vol ontzetting om zich heen. - -"Vader moet naar de tent zijn gegaan, ik weet niet waarom, maar hij -moet daar wezen. Ik zal hem in een oogenblik bij u brengen." - -Zij was terstond weder heengeloopen, zonder hoed, terwijl hare -lange, donkere haren, die zij als een kind in krullen liet hangen, -haar nazwierden. - -"Wat meent zij?" zeide mijnheer Gradgrind. "In een oogenblik terug? Het -is meer dan een kwartier ver." - -Eer mijnheer Bounderby kon antwoorden, vertoonde zich voor de -deur een jonkman, die, nadat hij zich met de woorden: "Met uw -verlof, heeren!" had geïntroduceerd, met de handen in de zakken -binnentrad. Zijn gladgeschoren, mager en bleek gezicht werd beschaduwd -door eene groote hoeveelheid donker haar, boven het voorhoofd -gescheiden en in eene gladde rol om zijn hoofd opgemaakt. Zijne beenen -waren sterk gespierd, maar korter dan beenen van goede evenredigheid -moesten zijn. Zijne borst en rug waren evenveel te breed, als zijne -beenen te kort waren. Hij was gekleed in een rokje met korte panden en -eene spanbroek, had een dikken, gekleurden doek om den hals gewikkeld, -rook naar lampolie, stroo, oranje schillen, paardenvoer en zaagsel, -en scheen een zonderling soort van Centaurus te zijn, uit den stal en -het theater samengesteld. Waar de eene begon en het andere ophield, -had niemand nauwkeurig kunnen zeggen. Deze heer werd in de biljetten -van den dag vermeld als mijnheer E. W. B. Childers, zoo met recht -vermaard door zijne vermetele voltigeurs-kunsten als de Wilde Jager -der Noord-Amerikaansche Prairiën, bij welke algemeen bewonderde -kunstverrichtingen een kleine jongen met een oud gezichtje, die hem -thans vergezelde, de rol van zijn jeugdig zoontje speelde, daar hij, -bij één voet vastgehouden, het onderste boven over zijn vaders schouder -werd gehangen, en op zijn hoofd, met de hielen omhoog, op de palm van -zijn vaders hand werd rondgedragen, volgens de hardhandige manier, -waarop men wilde jagers hunne kinderen ziet liefkoozen. Met krullen, -kransen, vleugels, witsel en karmijn opgesierd, veranderde deze -veelbelovende knaap in een innemend Cupidootje, dat het grootste -genot van het moederlijke gedeelte der toeschouwers uitmaakte; maar -als privaat persoon, wanneer een overdreven uitgesneden rokje en eene -zeer grove stem zijne voornaamste kenmerken waren, behoorde hij geheel -tot de aarde en den stal. - -"Met uw verlof, heeren," zeide mijnheer E. W. B. Childers, in de kamer -rondziende. "Gij zijt het, geloof ik, die naar Jupe hebt gevraagd?" - -"Ja," antwoordde mijnheer Gradgrind. "Zijne dochter is hem gaan halen, -maar ik kan niet wachten, en zal u dus, met uw verlof, eene boodschap -voor hem geven." - -"Gij ziet wel, vriend," liet mijnheer Bounderby hierop volgen, -"wij zijn van die menschen, die de waarde van den tijd kennen, en -gij zijt van die menschen, die de waarde van den tijd niet kennen." - -"Ik heb de eer niet van u te kennen," antwoordde mijnheer Childers, -nadat hij hem van het hoofd tot de voeten had opgenomen; "maar als -gij meent, dat gij meer geld voor uw tijd kunt krijgen dan ik voor den -mijnen, zou ik aan uw voorkomen zeggen, dat gij wel haast gelijk hebt." - -"En als gij het geld gekregen hebt, kunt gij het wel bewaren ook, -zou ik denken," zeide Cupido. - -"Kidderminster, houd uw mond!" zeide mijnheer Childers. Cupido's -aardsche naam was Kidderminster. - -"Wat komt hij ons dan hier critiseeren?" riep de jongeheer -Kidderminster, die zeer oploopend bleek te zijn. "Als gij ons -critiseeren wilt, betaal dan uw geld aan de deur en neem er uw -pleizier voor." - -"Kidderminster," zeide mijnheer Childers, zijne stem verheffende, -"houd uw mond. Mijnheer," vervolgde hij, zich naar mijnheer Gradgrind -keerende, "ik sprak tegen u. Gij zult wel weten, of mogelijk ook niet -(want misschien zijt ge niet veel bij onze representatiën geweest), -dat Jupe sedert eenigen tijd zeer dikwijls zijn slag heeft gemist." - -"Wat heeft gemist?" vroeg mijnheer Gradgrind, met een blik naar den -machtigen Bounderby, alsof hij dezen te hulp riep. - -"Zijn slag gemist." - -"Verleden avond viermaal voor de linten is blijven steken," zeide de -jongeheer Kidderminster, "en ook zijn slag heeft gemist bij de vanen, -en met zijn zwaaien heeft geknoeid." - -"Niet gedaan heeft wat hij doen moest. Zijne sprongen te kort heeft -genomen en slecht heeft gebuiteld," vertolkte mijnheer Childers. - -"O, is dat de slag?" zeide mijnheer Gradgrind. - -"In het algemeen gesproken is dat zijn slag missen," antwoordde -mijnheer Childers. - -"Negen-olie, Merrylegs, slag missen, linten, vanen en zwaaien!" zeide -Bounderby met zijn eigenaardigen lach. "Een vreemd soort van gezelschap -voor iemand, die zich in de hoogte heeft gewerkt." - -"Verlaag u dan maar wat," zeide Cupido hierop. "Als gij u zoo hoog -hebt opgewerkt, dat ge daarboven uitkijkt, laat u dan maar wat zakken." - -"Dat is een zeer impertinente knaap," zeide mijnheer Gradgrind, -zich omkeerende en hem met saamgetrokken wenkbrauwen aanziende. - -"Wij zouden een jongenheer hier verzocht hebben om u op te wachten, als -wij hadden geweten, dat ge komen zoudt," antwoordde Cupido, volstrekt -niet verlegen. "Het is jammer, dat ge het niet zoo besteld hebt, -als ge zoo precies zijt. Gij zijt zeker op de stijve jeff, niet waar?" - -"Wat meent die ongemanierde jongen daarmee?" zeide mijnheer Gradgrind, -hem met een soort van wanhoop aanziende. - -"Kom, ga maar heen!" zeide mijnheer Childers, zijn jongen vriend -tamelijk hardhandig de kamer uitduwende. "Stijve jeff of slappe jeff -heeft niet veel te beduiden; het wil stijve koord en slappe koord -zeggen. Gij woudt mij eene boodschap voor Jupe geven?" - -"Ja, dat wilde ik." - -"Dan ben ik van gedachte," hervatte mijnheer Childers snel, "dat hij -ze nooit zal krijgen. Kent gij hem wel?" - -"Ik heb den man nooit in mijn leven gezien." - -"Ik twijfel of gij hem dan wel ooit zien zult. Ik houd het voor -tamelijk zeker, dat hij weg is." - -"Meent gij, dat hij zijne dochter zou verlaten hebben?" - -"Ja," antwoordde mijnheer Childers met een knikje, "ik meen, dat hij -zich uit de voeten heeft gemaakt. Hij werd gisteravond uitgejouwd, en -hij werd eergisteravond uitgejouwd, en hij werd vandaag uitgejouwd. Hij -werd sedert eenigen tijd telkens uitgejouwd, en dat kan hij niet -verdragen." - -"Waarom is hij--zoo erg--uitgejouwd?" vroeg mijnheer Gradgrind, -dit woord met groote deftigheid en zichtbaren tegenzin uitbrengende. - -"Omdat zijne gewrichten stijf worden en hij versleten raakt," -antwoordde mijnheer Childers. "Hij heeft nog zijne goede eigenschappen -als kakelaar, maar daarvan kan hij niet leven." - -"Kakelaar!" herhaalde Bounderby. "Daar hebben wij alweer zoo iets." - -"Als prater, indien dit mijnheer beter bevalt," zeide mijnheer -E. W. B. Childers, deze verklaring met minachting over zijn schouder -werpende, terwijl hij zijne lange haren schudde. "Nu is het iets -opmerkelijks, mijnheer, dat die man het zich al te veel aantrok, -dat zijne dochter wist dat hij uitgejouwd werd, om langer zoo te -kunnen voortgaan." - -"Mooi!" viel Bounderby hierop in. "Dat is mooi, Gradgrind. Een man, -die zooveel van zijne dochter houdt, dat hij van haar wegloopt. Dat -is drommels mooi, ha, ha! Nu zal ik u eens wat zeggen, jonkman. Ik -heb niet al mijn leven mijn tegenwoordigen stand in de maatschappij -bekleed. Ik weet wat zoo iets is. Het zal u misschien verbazen het -te hooren, maar mijne moeder is ook van mij weggeloopen." - -E. W. B. Childers antwoordde stekelig, dat het hem geheel niet -verbaasde dit te hooren. - -"Heel goed!" zeide Bounderby. "Ik werd in eene sloot geboren en mijne -moeder liep van mij weg. Verschoon ik haar nu? Neen. Heb ik haar ooit -verschoond? Volstrekt niet. Wat noem ik haar daarom? Ik noem haar -waarschijnlijk het slechtste wijf, dat ooit op de wereld geleefd heeft, -behalve mijne dronken grootmoeder. Ik weet van geen familietrots; -ik weet van geene sentimenteele, romaneske kwezelarij. Ik noem een -kat een kat; en ik noem de moeder van Josiah Bounderby van Coketown, -zonder eenigen schroom of eenige partijdigheid, gelijk ik haar noemen -zou al ware zij de moeder van Dick Jones van Wapping geweest. En zoo -is het met dezen man. Hij is een weggeloopen schelm en een vagebond, -dat is hij in het Engelsch." - -"Het is mij eveneens wat hij is of wat hij niet is, in het Engelsch -of in het Fransch," antwoordde mijnheer E. W. B. Childers, zich -omkeerende. "Ik zeg u, vriend, wat de waarheid is. Als gij het niet -gaarne hooren wilt, kunt ge gebruik maken van de opene lucht. Gij laat -u hard genoeg hooren; maar doe het ten minste in uw eigen huis. Laat -u niet hier in huis hooren voordat men er u om vraagt. Gij zult wel -een eigen huis hebben, zou ik denken?" - -"Misschien wel," antwoordde mijnheer Bounderby lachende, en liet het -geld in zijn zak rammelen. - -"Laat u dan in uw eigen huis hooren, als het u belieft," zeide -Childers, "want dit huis is niet sterk, en als gij u hier zoo hard -laat hooren, zou het wel kunnen invallen." - -En mijnheer Bounderby nog eens van het hoofd tot de voeten opnemende, -keerde hij zich van hem af, als van iemand met wien hij geheel had -afgedaan, naar mijnheer Gradgrind. - -"Jupe heeft zijne dochter een uur geleden om eene boodschap gezonden, -en toen heeft men hem zelf zien heensluipen, met zijn hoed in de oogen -en een pakje in een zakdoek gebonden onder den arm. Zij zal het nooit -van hem gelooven, maar hij is voortgegaan en heeft haar verlaten." - -"En waarom zou zij het nooit van hem gelooven?" zeide mijnheer -Gradgrind. - -"Omdat die twee één waren. Omdat zij nooit van elkander af waren. Omdat -hij tot op dezen tijd zoo machtig veel van haar scheen te houden," -antwoordde Childers, een paar schreden voorwaarts doende om in den -ledigen koffer te kijken. Childers en Kidderminster hadden beiden -een zeer zonderlingen gang; zij stapten veel meer wijdbeens dan men -doorgaans doet en alsof zij stijf in de knieën waren. Dezen gang hadden -al de mannelijke leden van den troep van Sleary zich aangewend, hetwelk -moest beduiden, dat zij in hunne verbeelding altijd te paard zaten. - -"Arme Sissy! Hij had haar liever in de leer moeten doen," zeide -Childers, nogmaals zijne haren schuddende, terwijl hij in den ledigen -koffer keek. "Nu laat hij haar zonder iets waaraan zij zich houden -kan." - -"Het strekt u, die nooit bij een beroep in de leer zijt gedaan, -tot eer dat gij zoo denkt," merkte mijnheer Gradgrind goedkeurend aan. - -"Ik nooit in de leer gedaan? Dat werd ik al toen ik zeven jaar -oud was." - -"Ei zoo!" hervatte mijnheer Gradgrind eenigszins knorrig, omdat hij -zich met zijne goede meening had vergist. "Ik wist niet, dat men -kinderen in de leer deed..." - -"Om ze te leeren leegloopen," viel mijnheer Bounderby met een luiden -lach hierop in. "Neen, waarachtig, ik ook niet." - -"Haar vader had altijd in zijn hoofd," hervatte Childers, zich houdende -alsof hij niets van het bestaan van mijnheer Bounderby bespeurde, -"dat zij eene opvoeding moest hebben en allerlei dingen leeren. Hoe -hij dat in zijn hoofd kreeg, weet ik niet; ik weet alleen maar te -zeggen, dat het er nooit weer uitging. Hij heeft haar in de laatste -zeven jaren hier een beetje lezen, en daar een beetje schrijven, -en daar weer een beetje cijferen laten leeren." - -Mijnheer E. W. B. Childers haalde een van zijne handen uit den zak, -waarin zij school, streek er mede over het gezicht en de kin, en -keek mijnheer Gradgrind aan met tamelijk veel twijfel en een weinigje -hoop. Van het begin af had hij, ter wille van het verlatene meisje, -gepoogd dezen heer met zich te verzoenen. - -"Toen Sissy hier op de school kwam," vervolgde hij, "was haar vader zoo -blij als malle Piet. Ik voor mij kon niet recht begrijpen waarom, daar -wij overal toch maar komen en gaan, en hier ook niet zouden blijven. Ik -geloof nu evenwel, dat hij toen dien streek al van zins was--hij was -altijd half simpel--en dacht dat zij dus bezorgd zou zijn. Als het -misschien het geval mocht zijn, dat gij van avond juist hier gekomen -waart om te zeggen, dat gij haar wat zoudt willen voorthelpen," zeide -mijnheer Childers, wederom de hand over zijn gezicht strijkende, -en met eene herhaling van dien blik, "zou het heel gelukkig zijn en -wel van pas--heel gelukkig en wel van pas." - -"Integendeel," antwoordde mijnheer Gradgrind, "ik kwam om hem te -zeggen, dat hare betrekkingen eene reden waren om haar de school -te ontzeggen en zij niet moest terugkomen. Maar als haar vader -haar werkelijk heeft verlaten, zonder dat zij iets daarvan heeft -geweten--Bounderby, laat ik eens een woordje met u spreken." - -Hierop gaf mijnheer Childers zich zeer beleefd, met zijn -paardrijdersstap, naar het portaal buiten de deur, en bleef daar -staan, gedurig met de hand over het gezicht strijkende en zachtjes -fluitende. Terwijl hij zoo bezig was, kon hij eenige gezegden van -mijnheer Bounderby beluisteren, zooals: "Neen. Ik zeg neen. Ik -raad het u niet. Volstrekt niet, zeg ik." Terwijl hij van mijnheer -Gradgrind op den veel zachter toon, waarmede deze sprak, de woorden -hoorde: "Maar zelfs als een voorbeeld voor Louisa, om haar te toonen, -waarop het leven, dat het voorwerp harer nieuwsgierigheid geweest is, -uitloopt. Overweeg het eens, Bounderby, uit dat oogpunt." - -Ondertusschen kwamen de verschillende leden van Sleary's troep -langzamerhand van de bovenkamers, waar zij in kwartier lagen, -naar het portaal, bleven eerst een poosje onder elkander en met -mijnheer Childers staan praten, en drongen zachtjes aan zich -zelven en hem de kamer in. Er waren onder deze groep twee of drie -bevallige jonge vrouwen, met hare twee of drie mannen en hare twee -of drie moeders, en hare acht of negen kinderen, die als het noodig -was voor engeltjes speelden. De vader van een dier huisgezinnen -was gewoon den vader van een ander huisgezin op de punt van een -hoogen staak te laten balanceeren; de vader van een derde huisgezin -maakte dikwijls een piramide met de twee eerstgemelde vaders en den -jongenheer Kidderminster, die op den top stond; al de vaders konden -op rollende tonnen loopen, op flesschen staan, messen en ballen -opgooien en vangen, waschkommen laten tollen, op alles rijden en -over alles heen springen. Al de moeders konden op de stijve en de -slappe koord dansen en gevaarlijke kunsten maken op den blooten rug -van een paard; zij waren geen van allen bijzonder beschaamd om hare -beenen te laten zien, en een van haar reed geheel alleen in eene -Romeinsche kar met zes paarden, die zij uit de hand mende, wanneer -de troep eene stad binnentrok. Zij hielden zich allen alsof zij zeer -luchtig en zeer slim waren, maar waren niet zeer net in hunne gewone -kleeding, geheel niet ordelijk in hunne huishouding, en de vereenigde -letterkundige bekwaamheden van den geheelen troep hadden slechts een -zeer armoedigen brief, over welk onderwerp het ook wezen mocht, kunnen -samenstellen. Evenwel hadden deze lieden iets opmerkelijk weekhartigs -en kinderlijks over zich, waren zij bijzonder ongeschikt om op eene -hardvochtige manier hun eigen voordeel te bejagen, en onvermoeid in -hunne bereidvaardigheid om elkander te helpen en te troosten; waardoor -zij dikwijls evenveel achting waardig waren en altijd met dezelfde -edelmoedige zachtheid verdienden beoordeeld te worden, als eenige -andere klasse van menschen door hare alledaagsche deugden verdient. - -Het laatst van allen verscheen mijnheer Sleary, een zwaarlijvig man, -gelijk reeds gemeld is, die één strakstaand en één beweeglijk oog had, -en eene stem (indien het stem mocht heeten), welke naar het stenende -zuchten van een ouden defecten blaasbalg geleek. Zijne huid hing in -slappe plooien over zijn gezicht, en zijn hoofd was altijd beneveld, -daar hij nooit recht nuchter en nooit geheel dronken was. - -"Jonker!" zeide mijnheer Sleary, met zijne heesche stem en eenigszins -belemmerde spraak. "Ik ben uw dienaar. Dat is eene leelijke historie, -niet waar? Gij hebt wel gehoord, dat mijn clown en zijn hond denkelijk -zijn weggeloopen?" - -Hij richtte het woord tot mijnheer Gradgrind, en deze antwoordde: "Ja!" - -"Wel, jonker," hervatte hij, terwijl hij zijn hoed afnam en de voering -daarvan afwreef met een zakdoek, dien hij tot dat einde in den hoed -bewaarde; "is het uw voornemen om iets voor dat arme meisje te doen, -jonker?" - -"Ik denk haar iets voor te slaan als zij terugkomt," zeide mijnheer -Gradgrind. - -"Daar ben ik blij om, jonker. Niet dat ik het kind wil kwijt zijn, -evenmin als ik haar wil in den weg staan. Ik ben bereid haar in de -leer te nemen, hoewel het op haar ouderdom wat laat is. Mijne stem is -wat schor, jonker, en niet gemakkelijk te verstaan als iemand niet aan -mij gewoon is; maar als gij zoo dikwijls als ik hadt moeten gloeien -en rillen, rillen en gloeien, gloeien en rillen, onder het oppassen -van dat jonge goed in de manege, zou uwe stem het ook niet hebben -uitgehouden, jonker, evenmin als de mijne." - -"Dat geloof ik ook wel," zeide mijnheer Gradgrind. - -"Wat zult ge gebruiken, jonker, terwijl ge moet wachten? Zal het -sherry zijn? Zeg maar op, jonker!" zeide mijnheer Sleary, met gastvrije -vrijpostigheid. - -"Voor mij niets, ik dank u," antwoordde mijnheer Gradgrind. - -"Dat is al heel weinig, jonker. Wat zegt uw vriend? Als ge nog niet -gegeten hebt, neem dan een glaasje bitter." - -Zijne dochter Josephine, een bevallig blond meisje, dat, toen zij twee -jaren oud was, reeds op een paard was gebonden, en op haar twaalfde -jaar een testament had gemaakt, dat zij altijd bij zich droeg, -en waarin zij haar stervenden wensch te kennen gaf om door de twee -bonte hitjes naar het graf te worden getrokken, riep op dit oogenblik: -"Stil, vader! daar komt zij terug." - -Daarop kwam Sissy Jupe de kamer weder ingeloopen evenals zij was -heengeloopen, en toen zij allen daar verzameld vond en zag hoe -zij haar aankeken en geen vader ontdekte, barstte zij uit in een -allerjammerlijkst geschrei, en verschool zich aan den boezem eener -talentrijke koorddanseres, die zich juist in gezegende omstandigheden -bevond, en op den grond knielde om het meisje te liefkoozen en met -haar te schreien. - -"Het is eene gloeiende schande, bij mijne ziel, dat is het," zeide -Sleary. - -"O, mijn lieve vader, mijn goede, lieve vader, waar zijt ge naar -toe? Gij zijt heengegaan om te beproeven iets goeds voor mij te -doen, dat weet ik wel. Gij zijt om mijnentwil heengegaan, dat weet -ik zeker. En hoe ongelukkig en hulpeloos zult ge zonder mij zijn, -arme, arme vader, totdat ge terugkomt." - -Het was zoo aandoenlijk, haar aanhoudend zulke gezegden te hooren -uiten, terwijl zij, met een naar boven gekeerd gezichtje, hare -armen uitstak alsof zij zijne dierbare schim in het verdwijnen wilde -tegenhouden en omhelzen, dat niemand een woord sprak, totdat mijnheer -Bounderby, die ongeduldig werd, de zaak aanvatte. - -"Hoort eens, goede lieden," zeide hij. "Dit is niet anders dan -tijdverspillen. Het meisje moet de waarheid begrijpen, en als ge wilt, -zal ik ze haar wel aan het verstand brengen, daar mijne eigene moeder -ook wel is weggeloopen. Nu dan--hoe heet gij ook weer?--Uw vader is -voortgegaan--heeft u laten zitten--en gij moet maar denken, dat gij -hem uw leven lang niet zult weerzien." - -Maar de omstanders hielden zoo weinig van de onbewimpelde waarheid, -dat zij, in plaats van des sprekers gezond verstand en rondborstigheid -te bewonderen, die integendeel ten uiterste kwalijk namen. De mannen -mompelden, dat het schande, en de vrouwen, dat hij een beest van -een kerel en een barbaar was; en Sleary, nu vrij haastig sprekende, -gaf mijnheer Bounderby ter zijde den volgenden wenk: - -"Laat ik u eens wat zeggen, jonker. Om ruiterlijk te spreken, geloof ik -dat ge best zoudt doen, als gij u maar stil- en er buiten hieldt. Mijne -luidjes zijn heel goedhartig, maar zij zijn gewoonlijk wat driftig -in hun doen; en als ge mijn raad niet volgt, mag ik verd...d wezen -als ik niet geloof dat zij u uit het venster zullen smijten." - -Toen mijnheer Bounderby door deze vriendelijke kennisgeving tot zwijgen -was gebracht, vond mijnheer Gradgrind gelegenheid voor zijne uitnemend -practicale beschouwing van de zaak. - -"Het is van geen gewicht," zeide hij, "of die persoon te eeniger tijd -terug te wachten is of niet. Hij is vertrokken, en het is niet te -denken dat hij zoo terstond zal terugkomen. Daaromtrent is men het -eens, geloof ik." - -"Dat is zoo, jonker, daarin zijn wij het eens, geloof ik." - -"Welnu dan. Ik, die hier ben gekomen om den vader van dat arme meisje, -Jupe, te onderrichten, dat zij niet meer in de school kon worden -toegelaten, uithoofde van practische bezwaren (waarover ik thans niet -behoef uit te weiden) tegen de toelating van kinderen van lieden met -zulk een beroep, ben onder deze veranderde omstandigheden bereid om -een voorstel te doen. Ik ben genegen om u te mijnen laste te nemen, -Jupe, u op te voeden en voor u te zorgen. De eenige voorwaarde, die -ik maak (boven en behalve uw goed gedrag), is, dat gij nu terstond -beslist of gij met mij wilt medegaan of hier blijven; en, indien gij -met mij medegaat, dat het aangenomen wordt dat gij geen gemeenschap -meer zult hebben met iemand van uwe vrienden, die hier tegenwoordig -zijn. Deze opmerkingen omvatten de geheele zaak." - -"Ondertusschen moet ik nog een woordje zeggen, jonker," zeide Sleary -nu, "om allebei de kanten van de vlag evengoed te laten zien. Als gij -bij ons in de leer wilt komen, Cecilia, gij kent den aard van het werk -en gij kent uwe kameraden. Emma Gordon, in wier schoot gij nu ligt, -zou eene moeder voor u zijn, en Josephine eene zuster voor u wezen. Ik -weet wel, dat ik zelf juist geen engel ben, en ik wil niet zeggen, -dat gij, als gij uw slag mocht missen, niet ondervinden zoudt, dat ik -geducht kan uitvaren, en ik u niet een paar vloeken naar den kop zou -smijten. Maar wat ik zeggen wil, jonker, is dit: ik mag dan in een -goed of in een slecht humeur zijn, ik heb nog nooit een paard meer -kwaad gedaan dan een beetje uitgescholden, en ik geloof niet, dat ik -op mijne jaren mijne rijders anders zal gaan behandelen. Ik ben nooit -een kakelaar geweest, jonker, en ik heb gezegd wat ik te zeggen had." - -Dit laatste gedeelte zijner rede was tot mijnheer Gradgrind gericht, -die het met eene deftige buiging van zijn hoofd beantwoordde en -daarop hervatte: - -"De eenige opmerking, die ik u nog wil voorhouden, Jupe, ten einde -eenigen invloed op uw besluit uit te oefenen, is, dat het hoogst -wenschelijk is eene degelijke, practicale opvoeding te ontvangen, -en dat zelfs uw vader, naar ik verneem, dit ten uwen opzichte schijnt -geweten en gevoeld te hebben." - -Deze laatste woorden maakten een zichtbaren indruk op haar. Zij -bedwong haar heftig schreien, maakte zich eenigszins van Emma Gordon -los en keerde zich met haar gezicht geheel naar haar aanstaanden -beschermer. Het geheele gezelschap gevoelde de kracht dezer -verandering, en men hoorde bij allen eene lange en diepe ademhaling, -die duidelijk zeide: "Zij zal gaan!" - -"Pas op dat gij zelf goed bedenkt wat gij wilt, Jupe," zeide mijnheer -Gradgrind waarschuwend. "Anders zeg ik niet. Pas op dat ge zelf weet -wat ge wilt." - -"Als vader terugkomt," riep het meisje na eene poos stilzwijgens uit, -en begon wederom te schreien, "hoe zal hij mij dan ooit vinden als -ik heenga?" - -"In dat opzicht kunt ge volkomen gerust wezen, Jupe," antwoordde -mijnheer Gradgrind zeer bedaard; want hij werkte de geheele zaak uit -alsof het eene som was. "In zulk een geval zal uw vader, denk ik, -naar u zoeken bij mijnheer...." - -"Sleary. Dat is mijn naam, jonker. Ik schaam er mij niet voor. Door -geheel Engeland bekend en overal eerlijk betaald." - -"Zal uw vader bij mijnheer Sleary naar u zoeken, die hem dan wel -zeggen zal waar gij gebleven zijt. Ik zou de macht niet hebben om u -tegen uw zin te houden, en het zal hem nooit moeielijk wezen mijnheer -Thomas Gradgrind van Coketown te vinden. Ik ben welbekend." - -"Welbekend," zeide mijnheer Sleary toestemmend en liet zijn beweeglijk -oog rollen. "Gij zijt een van die soort, jonker, die ons eene macht -van geld uit de kas doet blijven. Maar dat doet er nu niet toe." - -De vrouwen gingen nu met zekere treurige drukte aan het werk om Sissy's -kleeren bijeen te halen--hetgeen spoedig gedaan was, want zij waren -niet veel--en ze in eene mand te pakken, waarin zij reeds dikwijls -gereisd hadden. Sissy zat al dien tijd op den grond te schreien -met hare handen voor de oogen. Mijnheer Gradgrind en zijn vriend -Bounderby stonden bij de deur gereed om haar mede te nemen. Mijnheer -Sleary stond in het midden van het vertrek, met de mannelijke leden -van den troep om hem heen, juist gelijk hij in het midden der manege -zou gestaan hebben, terwijl zijne dochter Josephine hare kunsten -verrichtte. Niets ontbrak hem dan zijne zweep. - -Toen de mand in stilte gepakt was, brachten zij Sissy haar hoed, en -zetten haar dien op het hoofd, nadat zij hare verwarde haren hadden -gladgestreken. Toen drongen zij om haar heen, bukten zich over haar in -zeer natuurlijke houdingen, en kusten en omhelsden haar, en brachten -de kinderen bij haar om afscheid te nemen, kortom, gedroegen zich -geheel als een troepje teerhartige, onnoozele, malle vrouwen. - -"Nu, Jupe," zeide mijnheer Gradgrind, "als ge nu uw besluit hebt -genomen, kom dan." - -Maar zij moest nog van de mannelijke leden van den troep afscheid -nemen, en elk van dezen moest haar in zijne uitgespreide armen -sluiten (want onder de oogen van mijnheer Sleary namen zij altijd een -theatrale houding aan) en haar een afscheidskus geven. Zij deden dit -ook allen behalve de jongeheer Kidderminster, wiens jeugdig gemoed -iets misanthropisch had, en die ook in de verte reeds uitzichten op -een huwelijk had gekoesterd;--hij droop in eene sombere stemming -af. Mijnheer Sleary werd tot het laatst bewaard. Zijne armen wijd -uitspreidende, vatte hij haar bij de beide handen, en zou haar op en -neer hebben laten springen, op de manier waarop een pikeur gewoonlijk -eene jonge dame feliciteert, wanneer zij na haar laatsten toer van -het paard wipt; maar Sissy gaf niet op en bleef maar schreiende voor -hem staan. - -"Vaarwel, lief kind!" zeide Sleary. "Gij zult fortuin maken, hoop ik, -en niemand van ons arme lieden zal u ooit lastig vallen, daar sta ik u -voor in. Ik wenschte wel dat uw vader zijn hond niet had meegenomen; -het is onpleizierig dat de hond niet op de biljetten kan staan. Maar -als ik mij wel bedenk, zou hij toch zonder zijn meester geene kunsten -willen doen, en dus is het even breed als het lang is." - -Daarna staarde hij haar met zijn strakstaand oog oplettend aan, overzag -zijn gezelschap met het beweeglijke, gaf haar een kus, schudde zijn -hoofd en reikte haar aan mijnheer Gradgrind over, alsof hij haar op -een paard wilde zetten. - -"Daar is zij, jonker," zeide hij, haar met een pikeursblik opnemende, -als om te zien of zij wel goed zat, "en zij zal haar best doen. Dag, -Cecilia!" - -"Dag, Cecilia! Dag, Sissy! God zegen u, kindlief!" klonk het met -verschillende stemmen door de geheele kamer. - -Doch de pikeur had het fleschje met negenolie in hare borst gezien -en zeide nu: - -"Laat mij dat fleschje, kindlief; het is te lastig om mee te nemen -en komt u nu toch niet meer te pas. Geef het mij." - -"Neen, neen," antwoordde zij, nogmaals in tranen uitbarstende. "Och -neen! Laat het mij voor mijn vader bewaren, tot hij terugkomt! Hij -zal het wel noodig hebben als hij komt. Hij dacht er zeker niet aan om -heen te gaan toen hij mij uitzond. Ik moet het voor hem bewaren. Och, -laat het mij toch houden." - -"Nu, goed dan, liefje. Gij ziet wel hoe het is, jonker. Vaarwel, -Cecilia! Mijn laatste woord aan u is dit: Houd u trouw aan uw -accoord, wees den jonker gehoorzaam en vergeet ons. Maar als gij -groot geworden en getrouwd en in goeden doen zijt, en dan ooit een -paardenspel tegenkomt, veracht het dan niet, en werk het niet tegen, -maar neem een abonnement als gij kunt, en denk dat gij er niet veel -kwaad aan doet. De menschen moeten zich vermaken, jonker, op de eene -of andere manier," vervolgde Sleary, nog heescher geworden dan ooit -door zooveel te spreken; "zij kunnen ook niet altijd leeren. Denk het -beste van ons en niet het ergste. Ik heb al mijn leven met paardrijden -den kost gewonnen, dat weet ik wel; maar ik geloof toch dat ik het -bij het rechte eind heb, als ik zeg: Denk het beste van ons en niet -het ergste." - -Hij zeide dit op de trap, terwijl men naar beneden ging; en terwijl -hij de drie gedaanten en de mand zoowel met zijn beweeglijk als met -zijn strakstaand oog bleef staan nakijken, verdween zij op de donkere -straat weldra uit zijn gezicht. - - - - - - - -VII. - -MEVROUW SPARSIT. - - -Daar mijnheer Bounderby ongehuwd was, had hij eene bejaarde dame -bij zich wonen, die uit aanmerking van zekere jaarlijksche som zijn -huishouden bestuurde. De naam dezer dame was mevrouw Sparsit, en zij -was eene zeer in het oog vallende gedaante onder den stoet, die den -triomfwagen van mijnheer Bounderby vergezelde, terwijl deze, met dat -model van hoogmoedige nederigheid daarin, zegepralend voortrolde. - -Want mevrouw Sparsit had niet alleen geheel andere dagen gezien, -maar was ook van aanzienlijke familie. Zij had nog eene oudtante -in leven, die Lady Scadgers heette. De overledene mijnheer Sparsit, -die haar als weduwe had achtergelaten, was van moeders zijde, gelijk -mevrouw Sparsit het altijd noemde, "een Powler" geweest. Vreemdelingen, -die weinig wereldkennis en geen vlug begrip hadden, schenen somtijds -niet te weten wat een Powler was en zelfs onzeker te zijn of daarmede -een beroep, eene politieke partij of eene godsdienstige gezindte -werd bedoeld. Menschen van meer ontwikkelden geest behoefden echter -niet onderricht te worden, dat de Powler's een oude stam waren, die -men zoo ver moest nasporen, dat het niet te verwonderen was dat men -hen somtijds uit het oog verloor--gelijk dan ook eenige stamhouders -nu en dan tengevolge van omstandigheden, die met weddenschappen, -geldleeningen en executiën in verband stonden, voor geruimen tijd -onzichtbaar waren geworden. - -De overledene mijnheer Sparsit dan, die van moeders zijde een Powler -was, trad in het huwelijk met deze dame, die van vaders zijde eene -Scadgers was. Lady Scadgers (eene verbazend dikke vrouw, met een -ontzaglijken eetlust en een geheimzinnig been, dat nu veertien jaren -lang niet uit het bed had willen stappen) had dit huwelijk bekuipt -op een tijd toen Sparsit juist meerderjarig was en hoofdzakelijk -gekenteekend werd door een mager lichaam, door twee dunne stutten -onderschraagd en bekroond met een hoofd, waarvan het niet de moeite -waard is eenige melding te maken. Hij erfde van een oom een zeer -aanzienlijk vermogen, maar was, eer hij dit kreeg, reeds eene -evengroote som schuldig, en verteerde terstond daarop nog eens het -dubbele daarvan. Toen hij dus op vier-en-twintigjarigen ouderdom stierf -(de plaats van zijn overlijden was Calais en de aanleidende oorzaak het -brandewijn drinken), liet hij zijne weduwe, van welke hij kort na de -wittebroodsweken gescheiden was, in geene zeer gunstige omstandigheden -achter. Deze weduwe, vijftien jaar ouder dan hij, geraakte weldra in -doodelijke vijandschap met haar eenige bloedverwante, Lady Scadgers, -en gedeeltelijk om deze dame verdriet aan te doen, gedeeltelijk -om zich een bestaan te verschaffen, ging zij in eene conditie. En -hier zat zij nu op haar ouden dag, met haar spitsen arendsneus en de -gitzwarte wenkbrauwen, die Sparsit eens hadden bekoord, voor mijnheer -Bounderby thee te schenken, terwijl deze heer zijn ontbijt gebruikte. - -Indien Bounderby een veroveraar ware geweest en mevrouw Sparsit eene -gevangene prinses, welke hij ter opluistering zijner zegepralende -intochten medevoerde, had hij niet meer met haar kunnen pronken dan -hij thans gewoon was te doen. Gelijk het tot zijne manier van snoeven -behoorde zijne eigene afkomst te verachten, behoorde het er toe, -de afkomst van mevrouw Sparsit te verheffen. Terwijl hij niet wilde -toegeven dat zijne eigene jeugd met eene enkele gunstige omstandigheid -vergezeld ging, verhelderde hij de jeugdige dagen van mevrouw Sparsit -met alle mogelijke voorrechten, en strooide hij wagenvrachten vol rozen -over het geheele pad dezer dame. "En toch, mijnheer," zeide hij dan, -"hoe is het eindelijk met haar afgeloopen? Daar zit zij nu met honderd -pond 's jaars (ik geef haar honderd pond, en zij is wel zoo goed om -dat mild te noemen) en bestuurt het huishouden van Josiah Bounderby -van Coketown!" - -Hij trompette het bezit eener huishoudster, die zijn aanzien zoodanig -verhoogde, zoo geweldig uit, dat ook anderen er van begonnen te -spreken en er bij sommige gelegenheden openlijk over uitweidden. Het -was een der hatelijkste eigenschappen van Bounderby, dat hij niet -alleen zijn eigen loflied zong, maar ook anderen verleidde om dit te -zingen. Zijne manier van snoeven had iets besmettelijks. Vreemdelingen, -overal elders bescheiden genoeg, konden bij een openbaren maaltijd -te Coketown somtijds opstaan en op Bounderby snoeven alsof zij -razend waren geworden. Als men hem hoorde, zou men geloofd hebben, -dat hij alles, wat bij zulke gelegenheden gewoonlijk werd opgehemeld -en te pronk gesteld--het koninklijke wapen, de Britsche zeevlag, -het groot Charter, John Bull en het Habeas Corpus, "een Engelschmans -huis is zijn kasteel," Kerk en Staat, en God save the queen--in zijn -persoon vereenigde; en zoo dikwijls (en dit gebeurde zeer dikwijls) -een redenaar van deze soort in het slot zijner aanspraak de regels -te pas bracht: - - - "Laat Vorstendommen, Gravenhuizen - Op aarde bloeien of vergaan: - Een enkel woord kan hen weer scheppen, - Gelijk zij vroeger zijn ontstaan," - - -hield men het onder het gezelschap voor zoo goed als zeker, dat hij -van mevrouw Sparsit had gehoord. - -"Mijnheer Bounderby," zeide mevrouw Sparsit, "ge zijt van morgen -bijzonder langzaam met uw ontbijt, mijnheer." - -"Ja, juffrouw," antwoordde hij, "ik zit te denken over die gril van -Tom Gradgrind." Dit "Tom Gradgrind" zeide hij met eene manhaftigheid, -alsof iemand gedurig beproefde hem met ontzaglijke sommen om te -koopen om "Thomas" te zeggen en hij toch niet wilde; "die gril van -Tom Gradgrind, juffrouw, om dat kunstenmakerskind groot te brengen." - -"Het meisje staat nog te wachten," zeide mevrouw Sparsit, "om te weten -of zij rechtstreeks naar de school of eerst naar het buiten moet gaan." - -"Zij moet wachten, juffrouw, tot ik het zelf weet," antwoordde -Bounderby. "Wij zullen Tom Gradgrind zoo meteen wel hier hebben, denk -ik. Als hij wenschen mocht, dat zij nog een paar dagen hier bleef, -kan dat natuurlijk wel geschikt worden." - -"O ja zeker, als gij het zoo verkiest, mijnheer Bounderby." - -"Ik zeide hem gisteravond, dat ik haar hier een kermisbed zou geven, -om hem tijd te laten om er zich eens op te beslapen, eer hij er toe -besloot om haar eenige gemeenschap met Louisa te laten hebben." - -"Inderdaad, mijnheer Bounderby, dat was zeer oplettend van u." - -Mevrouw Sparsit's spitse neus werd een weinig breeder door het -uitzetten der neusgaten en hare zwarte wenkbrauwen trokken zich samen, -terwijl zij een teugje thee slurpte. - -"Het is voor mij tamelijk duidelijk," zeide mijnheer Bounderby, -"dat zulk een gezelschap het kleine nest heel weinig goed kan doen." - -"Bedoelt gij de jongejuffrouw Gradgrind, mijnheer Bounderby?" - -"Ja, juffrouw, ik meen Louisa." - -"Daar uw gezegde alleen op een "klein nest" betrekking had," zeide -mevrouw Sparsit, "en er twee kleine meisjes in de zaak betrokken -waren, wist ik niet wie van de twee door die uitdrukking kon worden -aangeduid." - -"Louisa," herhaalde mijnheer Bounderby, "Louisa, Louisa." - -"Gij zijt volkomen een tweede vader voor Louisa, mijnheer." - -Mevrouw Sparsit nam nog een teugje thee; en toen zij hare wederom -saamgetrokkene wenkbrauwen over haar kopje boog, had haar klassiek -gelaat eene uitdrukking alsof zij de onderaardsche goden aanriep. - -"Als gij gezegd hadt een tweede vader voor Tom--den jongen Tom meen -ik, niet mijn vriend Tom Gradgrind--zoudt gij er dichter bij zijn -geweest. Ik zal Tom op mijn kantoor plaatsen. Ik zal hem onder mijne -vleugelen nemen, juffrouw." - -"Inderdaad? Nog wel wat jong daarvoor, is hij niet, mijnheer?" Mevrouw -Sparsit's "mijnheer", wanneer zij mijnheer Bounderby aansprak, -was eene uitdrukking van beleefdheid, waarmede zij veeleer zekere -onderscheiding voor zich zelve eischte, omdat zij die gebruikte, -dan wel hem eenige eer bewees. - -"Ik zal hem niet zoo terstond nemen. Hij moet eerst nog wat meer -nuttige kundigheden slikken," zeide mijnheer Bounderby. "Waarachtig, -hij zal er genoeg van krijgen. Wat zou hij oogen opzetten, die jongen, -als hij wist hoe weinig geleerdheid ik in mijne maag had toen ik zoo -oud was als hij." Hetgeen de jongen, terloops gezegd, waarschijnlijk -zeer wel wist, want hij had er dikwijls genoeg van gehoord. "Maar -het is zonderling, hoe moeielijk het mij dikwijls ook valt om mij in -een gesprek met iemand op gelijken voet te plaatsen. Daar heb ik u -nu van morgen over kunstenmakers gesproken. Wel, wat weet gij van -kunstenmakers? In den tijd toen het voor mij een fortuintje, een -prijs uit de loterij zou zijn geweest, als ik een kunstenmaker op -straat geweest ware, waart gij in de Italiaansche opera. Gij kwaamt -uit de Italiaansche opera, juffrouw, prachtig opgesierd met satijn -en juweelen, toen ik geen stuiver had om eene flambouw te koopen om -u te lichten." - -"Ik ben zeker al zeer vroeg met de Italiaansche opera bekend geweest, -mijnheer," antwoordde mevrouw Sparsit met eene deftigheid, die iets -treurig berustends had. - -"Voor den drommel, juffrouw, ik ook," zeide Bounderby, "maar met -den verkeerden kant er van. Een hard bed plachten de steenen van de -colonnade te wezen, dat verzeker ik u. Menschen gelijk gij, juffrouw, -van hunne kindsheid af gewoon op donzen pluimen te slapen, hebben er -geen denkbeeld van, hoe hard de straatsteenen zijn, als zij het niet -beproeven. Neen, neen, het is gekheid, dat ik u van kunstenmakers -spreek. Ik moest van vreemde danseressen en het West-End van Londen, -May Fair, en lords en lady's spreken." - -"Ik vertrouw, mijnheer," antwoordde mevrouw Sparsit met edele -gelatenheid, "dat het niet noodig is dat gij zoo iets doet. Ik hoop, -dat ik mij naar de wisselingen des levens heb leeren voegen. Indien -ik mijne belangstelling heb voelen ontwaken bij het luisteren naar -de leerrijke ondervinding van uw leven, en nu haast nooit genoeg -daarvan kan hooren, kan ik mij dit niet tot verdienste rekenen, -daar ik geloof dat die belangstelling eene algemeene aandoening is." - -"Wel, juffrouw," hervatte haar begunstiger, "misschien belieft het -sommige menschen te zeggen, dat zij Josiah Bounderby van Coketown -gaarne op zijne eigene ongepolijste manier hooren vertellen wat hij -al zoo heeft doorgestaan. Maar gij moet toch bekennen, dat gij zelve -in den schoot der weelde geboren zijt. Kom aan, juffrouw, gij weet -immers wel, dat ge in den schoot der weelde geboren zijt." - -"Dat ontken ik niet, mijnheer," antwoordde mevrouw Sparsit en schudde -daarbij haar hoofd. - -Mijnheer Bounderby was genoodzaakt van de tafel op te rijzen en met -zijn rug naar het vuur bij den haard te gaan staan om haar op dien -afstand aan te zien, zoo heerlijk deed zij door hare contrasteerende -nabijheid zijne verdiensten uitkomen. - -"En gij kwaamt ook in aanzienlijke kringen--in verduiveld hooge -kringen," zeide hij, terwijl hij zijne beenen warmde. - -"Dat is waar, mijnheer," antwoordde mevrouw Sparsit, met eene -affectatie van nederigheid, die zoo hemelsbreed van de zijne -verschilde, dat zij daardoor geen gevaar liepen om elkander ooit in -den weg te komen. - -"En gij waart ook midden in de modewereld en alle drukte en pleizier," -zeide mijnheer Bounderby. - -"Ja, mijnheer," antwoordde mevrouw Sparsit, op den toon eener -gezellige, volkomen getrooste weduwe; "dat is niet te ontkennen." - -Mijnheer Bounderby liet zijne knieën doorbuigen, omhelsde in de -overmaat zijner zelfvoldoening zijne eigene beenen en lachte hardop. - -Nu werden mijnheer Gradgrind en zijne dochter Louisa aangediend, -en mijnheer Bounderby ontving den eersten met een handdruk en de -laatste met een kus. - -"Mag Jupe hier geroepen worden, Bounderby?" vroeg mijnheer Gradgrind. - -"Wel zeker," en Jupe werd geroepen. Toen zij binnenkwam neeg zij -voor mijnheer Bounderby en zijn vriend Tom Gradgrind, en ook voor -Louisa; maar ongelukkig sloeg zij in hare verlegenheid mevrouw Sparsit -over. Dit opmerkende, achtte de manhaftige Bounderby zich verplicht -het volgende te zeggen: - -"Eerst moet ik u eens wat vertellen, meisje. De naam van die juffrouw -bij den trekpot is mevrouw Sparsit. Die juffrouw is hier zoo goed -als meesteres van het huis, en zij is eene dame van aanzienlijke -afkomst. Als ge dus ooit weder hier in huis in eene kamer komt, -zult gij er maar kort in blijven, indien gij deze juffrouw niet allen -eerbied bewijst, dien gij maar kunt. Het kan mij niet schelen hoe gij -u jegens mij gedraagt, omdat ik mij niet voor iemand van eenig aanzien -wil uitgeven. In plaats van eene aanzienlijke familie te hebben, heb -ik geheel geene familie; ik ben van het uitvaagsel der maatschappij -afkomstig. Maar het kan mij wèl schelen hoe gij u jegens die dame -gedraagt; en gij zult u jegens haar fatsoenlijk en eerbiedig gedragen, -of gij zult niet meer hier komen." - -"Ik hoop, Bounderby," zeide mijnheer Gradgrind op een bevredigenden -toon, "dat het maar een onwillekeurig verzuim was." - -"Mijn vriend Tom Gradgrind vermeent, mevrouw Sparsit," hervatte -mijnheer Bounderby, "dat het maar een onwillekeurig verzuim was. Zeer -waarschijnlijk. Maar gelijk gij wel weet, juffrouw, ik wil ten uwen -opzichte zelfs geen onwillekeurig verzuim dulden." - -"Gij zijt waarlijk zeer goed, mijnheer," antwoordde mevrouw Sparsit, -met hare staatsie-nederigheid haar hoofd schuddende. "Het is niet de -moeite waard om er van te spreken." - -Sissy, die zich al dien tijd met eene angstige stem en tranen in -de oogen had gepoogd te verontschuldigen, werd nu door den heer -des huizes met een enkel wuiven zijner hand naar mijnheer Gradgrind -verwezen. Thans sprak deze heer haar aan, terwijl Sissy hem aandachtig -in de oogen zag, en Louisa, onverschillig naar den grond kijkende, -daarbij stond. - -"Jupe," zeide mijnheer Gradgrind, "ik ben tot het besluit gekomen om u -bij mij in huis te nemen, en u, als gij niet naar de school zijt, ter -oppassing van mevrouw Gradgrind te bezigen, die eenigszins ziekelijk -is. Ik heb Miss Louisa--dit is Miss Louisa--den jammerlijken maar -natuurlijken afloop uwer vroegere loopbaan duidelijk gemaakt; en gij -moet uitdrukkelijk weten, dat die zaak geheel en al voorbij is en er -nooit weder van gesproken moet worden. Van dezen tijd af begint uwe -nieuwe geschiedenis. Gij zijt nog zeer onkundig, dat weet ik." - -"Ja, mijnheer," antwoordde zij nijgende. - -"Ik zal de zelfvoldoening smaken van u met de uiterste stiptheid te -laten opvoeden; en gij zult voor allen, die met u in aanraking komen, -een levend bewijs zijn van de voordeelen der opleiding, die gij -ontvangen zult. Gij zult verbeterd en gevormd worden. Gij zijt tot -nog toe gewoon geweest om voor uw vader en de menschen, onder welke -ik u gevonden heb, te lezen, niet waar?" zeide mijnheer Gradgrind, -maar eer hij dit zeide, wenkte hij haar om naderbij te komen en liet -toen zijne stem dalen. - -"Alleen voor vader en Merrylegs, mijnheer. Tenminste, ik meen voor -vader, terwijl Merrylegs er bij was." - -"Zwijg maar van Merrylegs, Jupe," zeide mijnheer Gradgrind, voor -een oogenblik zijn voorhoofd fronsende. "Ik vraag niet naar hem. Ik -begrijp dus, dat gij gewoon waart uw vader voor te lezen?" - -"O ja, mijnheer. Wel duizendmaal heb ik dat gedaan. Dat waren de -genoeglijkste--o, de genoeglijkste van al de genoeglijke uren, die -wij samen gehad hebben, mijnheer." - -Het was nu eerst, toen hare smart uitbarstte, dat Louisa haar aanzag. - -"En wat," vroeg mijnheer Gradgrind, nog zachter sprekende, "wat hebt -gij voor uw vader gelezen, Jupe?" - -"Van de Toovergodinnen, mijnheer, en den Dwerg, en den Bultenaar en -de Geesten," snikte zij uit. - -"Zoo!" zeide mijnheer Gradgrind. "Dat is genoeg. Spreek nooit een -enkel woord meer van die verderfelijke zotheden. Bounderby, hier -zal de proef genomen worden, wat eene strenge opvoeding vermag, -en ik zal het geval met belangstelling gadeslaan." - -"Wel," antwoordde Bounderby, "ik heb u reeds mijne meening gezegd, -en ik zou niet doen wat gij doet. Maar het is heel goed. Daar gij er -op gesteld zijt, heel goed!" - -En zoo namen mijnheer Gradgrind en zijne dochter Cecilia Jupe mede -naar Stone Lodge, en onderweg sprak Louisa geen enkel woord, goed of -kwaad; en mijnheer Bounderby ging aan zijne dagelijksche bezigheden; -en mevrouw Sparsit verschool zich achter hare wenkbrauwen en zat in -de duisternis van dien schuilhoek den geheelen morgen te peinzen. - - - - - - - -VIII. - -ZICH NOOIT TE VERWONDEREN. - - -Wij moeten een enkelen blik achterwaarts werpen, eer wij met de -geschiedenis voortgaan. - -Toen zij nog een half dozijn jaren jonger was, had men Louisa eens -een gesprek met haar broeder hooren beginnen met de woorden: "Tom, -ik verwonder mij;" waarop mijnheer Gradgrind, die hen had beluisterd, -voor den dag kwam en zeide: "Louisa, gij moet u nooit verwonderen." - -Hierin lag het voorname geheim der mechanische kunst van opvoeding, -welke het verstand wilde ontwikkelen, zonder zich te vernederen om het -gevoel of de neigingen te raadplegen. Verwonder u nooit. Gij moet alles -door middel van optelling, aftrekking, vermenigvuldiging en deeling op -de eene of andere manier beslissen, en u nooit verwonderen. Breng mij, -zegt mijnheer Mac Choakumchild, een kind, zoodra het pas kan loopen, -en ik sta er u voor in dat het zich nooit zal verwonderen. - -Nu waren er juist in Coketown, behalve zeer vele kleine kinderen, -die pas konden loopen, ook aanmerkelijk veel kinderen, die reeds -twintig, dertig, veertig, vijftig jaren en langer naar de eeuwigheid -hadden gewandeld; en daar het gezicht van zulke kinderen, die aldus -in eene maatschappij rondliepen, dreigend en onrustbarend was, waren -de achttien gezindten onophoudelijk met elkander aan het plukharen, om -het zoodoende eens te worden over de maatregelen, welke ter opvoeding -en verbetering dier groote kinderen moesten genomen worden--zonder -het echter ooit eens te worden; eene verbazende omstandigheid, -wanneer men in aanmerking neemt hoe gelukkig middel en doel met -elkander overeenstemden. Evenwel, schoon zij in alle andere punten, -begrijpelijke en onbegrijpelijke (maar vooral onbegrijpelijke), -onder elkander verschilden, waren zij het tamelijk wel eens over -dit punt, dat die ongelukkige groote kinderen zich nooit moesten -verwonderen. Genootschap nommer een zeide, dat zij alles op geloof -moesten aannemen. Genootschap nommer twee zeide, dat zij alles uit de -staathuishoudkunde moesten leeren. Genootschap nommer drie schreef -voor hen kleine boekjes, zoo zwaar als lood, waarin werd aangetoond -hoe het zoete volwassene kind onfeilbaar geld in de spaarbank kreeg -en het stoute even onfeilbaar gedeporteerd werd. Genootschap nommer -vier plaatste hier en daar, met een akelige poging om comisch te -zijn (die op zichzelf reeds zeer naargeestig was), op eene uiterst -onhandige manier verborgene vallen, waarin de groote kinderen zich -moesten laten lokken, om, zonder dat zij het wisten, in een hoop -kennis te tuimelen. Maar al die genootschappen kwamen daarin overeen, -dat zij zich nooit moesten verwonderen. - -Er bestond in Coketown eene bibliotheek, waartoe iedereen gemakkelijk -toegang kon verkrijgen. Mijnheer Gradgrind kwelde er zijn geest -geweldig over, wat de menschen in die bibliotheek lazen, een punt, -waarover op gezette tijden riviertjes van statistieke tabellen in de -woelende zee van statistieke tabellen vloeiden, waarin geen duiker -ooit tot eenige diepte kon dalen en met zijn gezond verstand weder -bovenkomen. Het was een ontmoedigende omstandigheid, maar tevens -eene treurige daadzaak, dat zelfs deze lezers volhardden met zich -te verwonderen. Zij verwonderden zich over het menschelijk gemoed, -over menschelijke hartstochten, menschelijke hoop en vrees, over den -worstelstrijd, de zegepraal en de nederlaag, de zorgen, genoegens en -smarten, het leven en den dood van gewone mannen en vrouwen. Somtijds, -nadat zij vijftien uren gewerkt hadden, gingen zij verhalen zitten -lezen, die niets meer dan fabeltjes waren, van mannen en vrouwen meer -of minder gelijk zij zelven, en kinderen meer of minder gelijk hunne -eigene. Zij drukten De Foe aan hunne borst, in plaats van Euclides, -en schenen over het geheel meer opgebeurd te worden door Goldsmith -(den romanschrijver), dan door Cocker (den rekenmeester). Mijnheer -Gradgrind was onophoudelijk met die lastige som aan het werk, en kon -nooit ontdekken wat de reden was dat zij zoo geheel fout uitkwam. - -"Ik ben van mijn leven verzadigd, Louisa. Ik heb er een hekel aan, -en ik heb een hekel aan iedereen behalve u," zeide eens op een -schemeravond de onnatuurlijke jonge Thomas Gradgrind, terwijl hij -met zijne zuster alleen in de haarsnijkamer was. - -"Gij hebt toch geen hekel aan Sissy, Tom?" - -"Ik heb er een hekel aan, dat ik haar Jupe moet noemen; en zij heeft -een hekel aan mij," zeide Tom met sombere stroefheid. - -"Neen, Tom, dat heeft zij niet, daar ben ik zeker van." - -"Zij moet wel," hervatte Tom. "Zij moet onzen geheelen troep haten -en verfoeien. Zij zullen haar nog doodplagen, denk ik, met al dat -leeren. Zij wordt al zoo bleek als een doek en zoo suf als--als -ik ben." - -De jonge Thomas uitte deze woorden terwijl hij schrijdelings op -een stoel voor het vuur zat, met zijne armen op de leuning en zijn -hoofd op zijne armen. Zijne zuster zat in het donkere hoekje naast -den schoorsteen, nu haar broeder aanziende, dan naar de schitterende -vonken kijkende, die door den haardrooster vielen. - -"Wat mij betreft," zeide Tom, op alle manieren met zijne handen door -zijn haar woelende, "ik ben een ezel, dat weet ik. Ik ben zoo koppig -als een ezel en nog dommer dan een ezel; ik heb evenveel pleizier -als een ezel, en ik zou wel als een ezel willen schoppen." - -"Mij niet, hoop ik, Tom." - -"Neen, Louisa. U zou ik geen zeer willen doen. Ik heb in het begin al -eene uitzondering voor u gemaakt. Ik weet niet wat dit oude--geelzieke -gasthuis"--Tom had zich een oogenblik bedacht om een naam voor -het ouderlijke huis te vinden, die vleiend en krachtig genoeg was, -en scheen door deze satirieke geestigheid zijn gemoed eenigszins -verlicht te hebben--"zonder u zou wezen." - -"Waarlijk, Tom? Zegt ge dat met waarheid en oprecht?" - -"Wel zeker. Maar wat helpt het er over te praten?" antwoordde Tom, en -wreef met zijne mouw over zijn gezicht, als ware het om zijn vleesch -te pijnigen en aldus in overeenstemming met zijn geest te brengen. - -"Omdat ik, Tom," antwoordde zijne zuster, nadat zij eene poos -stilzwijgend naar de vonken had gekeken, "nu ik ouder wordt en haast -groot zal zijn, mij hier dikwijls zit te verwonderen en te denken hoe -ongelukkig het is, dat ik niet beter in staat ben om u met dit huis -te verzoenen. Ik versta niets van wat andere meisjes verstaan. Ik kan -niet voor u zingen of voor u spelen. Ik kan niet zoo met u praten, -dat ik uw gemoed verlicht, want ik zie nooit iets vermakelijks en ik -lees nooit een vermakelijk boek, waarover ik met u zou kunnen praten, -om u op te ruimen, als gij verdrietig zijt." - -"Wel, ik ook niet. Ik ben er in dat opzicht even slecht aan toe -als gij; en ik ben bovendien een ezel, wat gij niet zijt. Als vader -voorgenomen heeft mij een wijsneus of een ezel te maken, en ik geen -wijsneus ben, wel dan spreekt het vanzelf, dat ik een ezel moet -zijn. En dat ben ik ook," zeide Tom met wanhopige heftigheid. - -"Het is wel jammer, Tom," zeide Louisa, na nog eene poos van stilte, -op een peinzenden toon uit haar donker hoekje. "Het is wel jammer. Het -is zeer ongelukkig voor ons allebei." - -"O, gij zijt een meisje, Louisa," zeide Tom hierop, "en een meisje -komt daar beter doorheen dan een jongen. Ik zou niets meer in u -verlangen. Gij zijt het eenige genoegen dat ik heb--gij kunt zelfs -dit huis opvroolijken--gij kunt altijd van mij gedaan krijgen wat -gij wilt." - -"Gij zijt een lieve broeder, Tom; en als gij denkt, dat ik zoo iets -doen kan, trek ik het mij zoo niet aan, dat ik wel beter weet. Maar -ik weet wel beter en dat spijt mij zeer." Zij kwam naar hem toe, -gaf hem een kus en ging toen weder naar haar hoekje. - -"Ik wenschte," zeide Tom, wrevelig zijne tanden op elkander klemmende, -"dat ik al de feiten, waarvan wij zooveel hooren, op een hoop -kon smijten, met al de cijfers, en al de menschen, die ze hebben -uitgevonden, en er duizend vaten kruit onder zetten, en alles te -zamen in de lucht laten vliegen. Maar als ik bij den ouden Bounderby -ga inwonen, zal ik mij wel wreken." - -"Wreken, Tom!" - -"Ik meen, ik zal dan wel maken dat ik wat pleizier heb. Ik zal dan -wel uitgaan en wat anders te zien en te hooren krijgen. Ik zal mij -vergoeding verschaffen voor de manier waarop ik ben grootgebracht." - -"Pas maar op, dat gij u zelven geene teleurstelling berokkent, -Tom. Mijnheer Bounderby denkt eveneens als vader en is veel ruwer en -niet half zoo zachtzinnig." - -"O," antwoordde Tom lachende, "daar geef ik niet om. Ik weet wel, -hoe ik den ouden Bounderby naar mijne hand moet zetten en vriendelijk -maken." - -Hunne schaduwen waren duidelijk op den muur geteekend, maar daarboven -en tegen de zoldering vereenigden zich die der hooge kasten, die in de -kamer stonden, alsof broeder en zuster in een donkere grot zaten. Eene -rijke verbeelding--indien zulk een verraderlijk ding daar aanwezig -kon zijn--had dit schijnsel voor eene schaduw van hun onderwerp en -het verband daarvan met eene dreigende toekomst kunnen houden. - -"En wat kan het middel wezen om hem naar uwe hand te zetten en -vriendelijk te maken, Tom? Of is het een geheim?" - -"Och," antwoordde Tom, "als het een geheim is, is het niet ver te -zoeken. Gij zijt het zelf. Gij zijt zijn liefje, zijne gunsteling, -hij zal alles voor u doen. Als hij mij iets zegt, dat mij niet bevalt, -zal ik hem zeggen: "Het zal mijne zuster Louisa wel bevreemden en -spijten, mijnheer Bounderby. Zij placht mij te zeggen, dat zij zeker -was dat gij vrij wat gemakkelijker zoudt zijn." Dat zal hem tot rede -brengen, of anders weet ik het niet." - -Nadat hij eene poos naar antwoord op dit gezegde had gewacht, zonder -er een te bekomen, verzonk Tom weder in een naargeestig gepeins over -het tegenwoordige; hij kromde zich geeuwende al meer en meer over -zijn stoel, en bracht zijn haar al meer en meer in de war, tot hij -eensklaps opzag en vroeg: - -"Zijt gij in slaap gevallen, Louisa?" - -"Neen, Tom. Ik kijk in het vuur." - -"Gij schijnt daar meer in te kijken te vinden dan ik er ooit in vinden -kon," zeide Tom. "Dat is alweder een van de voorrechten, geloof ik, -die een meisje heeft." - -"Tom," zeide zijne zuster langzaam en op een zonderlingen toon, alsof -zij, hetgeen zij vroeg, in het vuur las en het niet zeer duidelijk -daarin geschreven stond. "Ziet gij die verandering bij mijnheer -Bounderby met eenig genoegen te gemoet?" - -"Wel, er is ten minste dit van te zeggen," antwoordde Tom, zijn stoel -wegschuivende en opstaande, "ik zal dan het huis uit zijn." - -"Er is ten minste dit van te zeggen," herhaalde Louisa op haar vorigen -zonderlingen toon, "ik zal dan het huis uit zijn. Ja." - -"Maar toch zal het mij zeer verdrieten, zoowel dat ik u moet verlaten, -Louisa, als dat gij hier moet blijven. Maar ik moet wel gaan, dat -weet ge, of het mij bevalt of niet; en het is beter, dat ik ergens -kom waar ik eenig voordeel van uw invloed kan medenemen, dan waar ik -dien geheel zou verliezen. Begrijpt gij dat niet?" - -"Ja, Tom." - -Het duurde zoolang eer dit antwoord kwam, schoon het toch niet op een -aarzelenden toon gegeven werd, dat Tom intusschen naar haar toe gekomen -was, om, over haar stoel leunende, van haar gezichtspunt uit naar het -vuur te kijken, waarop hare aandacht zoo onverdeeld gevestigd was, -en te zien wat hij er uit kon maken. - -"Behalve dat het een vuur is," zeide Tom, "ziet het er voor mij even -flauw en vervelend uit als alle andere dingen. Wat ziet gij er in? Toch -geen paardenspel?" - -"Ik zie er niets bijzonders in, Tom. Maar sedert ik er in zit te -kijken, heb ik mij verwonderd, hoe het met u en mij zal gaan, als -wij eens groot zijn." - -"Alweer verwonderd!" zeide Tom. - -"Mijne gedachten zijn zoo woelig," antwoordde zijne zuster, "dat ik -mij wel gedurig moet verwonderen." - -"Dan verzoek ik u, Louisa," zeide mevrouw Gradgrind, die zonder gehoord -te worden de deur geopend had, "om dat voortaan om 's Hemels wil na -te laten, gij loszinnig meisje, of ik zal er gedurig van uw vader van -moeten hooren. En gij, Thomas, het is inderdaad schandelijk, terwijl -ik zooveel met mijne hoofdpijn te stellen heb, dat een jongen, die zoo -is grootgebracht als gij, en wiens opvoeding zooveel gekost heeft, -er op betrapt moet worden, dat hij zijne zuster aanmoedigt om zich -te zitten verwonderen, terwijl hij weet dat zijn vader uitdrukkelijk -gezegd heeft, dat zij het niet mag doen." - -Louisa ontkende Tom's medeplichtigheid aan het misdrijf; maar hare -moeder stopte haar den mond met het afdoende antwoord: "Zeg mij dat -niet, Louisa, mij, die zoo met mijne gezondheid te sukkelen heb; -want als gij er niet toe aangemoedigd waart, is het eene moreele en -physieke onmogelijkheid, dat gij het kondt gedaan hebben." - -"Ik ben er door niets toe aangemoedigd, moeder, dan door het kijken -naar de roode vonken, die uit het vuur vielen, en dan verbleekten en -stierven. Dat deed mij denken, hoe kort misschien mijn eigen leven -zou zijn, en hoe weinig ik er van kon hopen en in kon doen." - -"Malligheid!" zeide mevrouw Gradgrind, bijna in vuur -gebracht. "Malligheid! Sta mij daar toch niet zulke zotternijen te -vertellen, terwijl gij zeer wel weet, dat ik er nooit het einde van -zou hooren, als uw vader er ooit iets van ter oore kwam. En dat na al -de moeite, die men zich met u heeft gegeven! Na al de voorlezingen, die -gij hebt bijgewoond, en al de proefnemingen, die gij hebt gezien. Nadat -ik u zelfs, toen ik aan mijne geheele rechterzijde lam was, met -uw meester heb hooren doorslaan over calcinatie en colorificatie, -en allerlei atiën mag ik wel zeggen, waarmede men eene arme zieke -razend kan maken. Dat ik u nu nog op zulk eene ongerijmde manier -over vonken en asch moet hooren praten. Ik wenschte," vervolgde zij -met eene schreiende stem, terwijl zij op een stoel neerzonk, om, -voordat zij onder haar leed bezweek, nog het ergste te zeggen wat -zij zeggen kon, "ja, ik wenschte waarlijk, dat ik nooit kinderen had -gehad, en dan zoudt gij eens gezien hebben hoe gij het buiten mij -hadt kunnen stellen." - - - - - - - -IX. - -SISSY'S VORDERINGEN. - - -Sissy Jupe had bij mijnheer Mac Choakumchild en mevrouw Gradgrind -geene gemakkelijke dagen, en in de eerste maanden van haar proeftijd -kwam zij dikwijls in groote verzoeking om weg te loopen. Den geheelen -dag hagelde het feiten, en het leven, dat voor haar geopend werd, -geleek zoozeer naar een hoofdbrekend cijferboek, dat zij zeker zou -zijn weggeloopen, indien er niet eene gedachte was geweest, die -haar terughield. - -Het is bedroevend om er aan te denken, maar deze gedachte was geenszins -de slotsom eener nauwkeurige berekening; zij was zelfs vlak strijdig -met alle berekening, en had alle kansen van waarschijnlijkheid, welke -men in de zaak kon vinden, vlak tegen zich. Het meisje geloofde, -dat haar vader haar niet verlaten had; zij leefde in de hoop, dat -hij zou terugkomen, en in het troostende vertrouwen, dat het hem -verblijden zou indien zij bleef waar zij was. - -De jammerlijke onkunde, waarmede Sissy zich aan dezen troost vastklemde -en de hoogere geruststelling afwees van op goede rekenkunstige -gronden te weten dat haar vader een onnatuurlijke vagebond was, -vervulde mijnheer Gradgrind met medelijden. Maar wat was er aan te -doen? Mijnheer Mac Choakumchild zeide, dat zij een zeer slecht hoofd -voor cijfers had; dat zij niet eens een algemeen denkbeeld van den -aardbol bezat, en geen het minste belang in de juiste afmetingen -daarvan stelde; dat zij zeer moeielijk datums onthield, of er moest -juist eene of andere beuzelachtige gebeurtenis aan gehecht zijn; -dat zij in tranen uitbarstte toen men haar vroeg om uit het hoofd -te zeggen hoeveel tweehonderd zeven en veertig neteldoeksche mutsjes -tegen veertien en een halven stuiver het stuk moesten kosten; dat zij -op de school zoo achterlijk bleef als maar mogelijk was; dat zij acht -weken, nadat zij aan de gronden der staathuishoudkunde was begonnen, -door een kleuter van drie voet lengte werd terechtgewezen, daar zij op -de vraag: "Wat is het eerste beginsel der wetenschap?" het ongerijmde -antwoord had gegeven: "Dat ik anderen doe gelijk ik wensch dat zij -mij zouden doen." - -Mijnheer Gradgrind schudde zijn hoofd en zeide, dat dit al zeer erg -was; dat het de noodzakelijkheid bewees om haar zonder ophouden -in den molen der kennis te laten malen, volgens de rapporten en -systematische tabellen A tot Z; en dat Jupe gedurig aan het werk -moest worden gehouden. Jupe werd dus aan het werk gehouden, en werd -zeer neerslachtig, maar niet wijzer. - -"Het zou een geluk voor mij wezen als ik naar u geleek, Miss -Louisa!" zeide zij eens op een avond, toen Louisa haar best had gedaan -om haar de onbegrijpelijkheden van de les, die zij den volgenden dag -moest kennen, eenigszins duidelijker te maken. - -"Denkt gij dat?" - -"Dan zou ik zooveel weten, Miss Louisa. Al wat nu moeielijk voor mij -is, zou mij dan zoo gemakkelijk zijn." - -"Dat zou u toch misschien niet veel helpen, Sissy." - -Na eene korte poos aarzelens waagde Sissy de bedenking te uiten: -"Ik zou er toch zeker niet erger aan toe zijn, Miss Louisa." Waarop -Miss Louisa antwoordde: "Dat weet ik nog niet." - -Deze twee hadden zoo weinig omgang met elkander gehad--zoowel dewijl -het leven op Stone Lodge zoo eentonig rondliep als een raderwerk, -waarbij geene menschelijke bemoeiing noodig was, als uithoofde van -het verbod om over Sissy's vroegere loopbaan te spreken--dat zij -elkander bijna nog vreemd waren. Sissy, die hare donkere oogen met -verwondering op Louisa hield gevestigd, wist niet of zij nog iets -zou zeggen of stilzwijgen. - -"Gij zijt mijne moeder van meer dienst en veel pleizieriger voor haar -dan ik ooit wezen kan," hervatte Louisa. "Gij hebt het pleizieriger -voor u zelve dan ik het heb." - -"Maar als ik het zeggen mag, Miss Louisa," bracht Sissy hiertegen -in. "Ik ben--o zoo dom." - -Louisa antwoordde haar, met een vroolijker lach dan gewoonlijk, -dat zij wel spoedig wijzer zou worden. - -"Gij weet niet," hervatte Sissy half schreiende, "welk eene domme meid -ik ben. Zoolang de schooltijd duurt, maak ik gedurig fouten. Mijnheer -en mevrouw Choakumchild roepen mij telkens op om antwoord te geven, -en altijd heb ik het mis. Ik kan het niet helpen. Het is alsof die -domheid mij aangeboren is." - -"Mijnheer en mevrouw Choakumchild zelven hebben het toch nooit mis, -zou ik denken, Sissy?" - -"Wel neen," antwoordde zij snel. "Zij weten alles." - -"Vertel mij eens een paar van uwe vergissingen." - -"Ik schaam er mij bijna voor," antwoordde Sissy aarzelend. "Maar -vandaag, bij voorbeeld, verklaarde mijnheer Choakumchild ons wat -volkrijke welvaart is." - -"Volkswelvaart zal het, denk ik, geweest zijn," merkte Louisa aan. - -"Ja, dat was het ook. Maar is dat dan niet hetzelfde?" vroeg Sissy -schroomvallig. - -"Gij moest liever maar volkswelvaart zeggen, daar hij het zoo genoemd -heeft," antwoordde Louisa met hare droge achterhoudendheid. - -"Volkswelvaart dan. En hij zeide: "Nu is deze school een volk. En bij -dat volk is vijftig millioen geld aanwezig. Is dat nu een welvarend -volk? Meisje nommer twintig, is dit geen welvarend volk, en zijt gij -niet in een welvarenden toestand?"" - -"En wat hebt ge daarop gezegd?" vroeg Louisa. - -"Ik zeide, dat ik het niet wist. Ik dacht, dat ik niet weten kon of -het een welvarend volk was en of ik in een welvarenden toestand was -of niet, of ik moest weten wie het geld had, en of ik er wat van -bezat. Maar dat had er niets mede te maken. Dat deed niets aan de -cijfers," zeide Sissy en veegde hare oogen af. - -"Dat hadt ge dan erg mis," merkte Louisa aan. - -"Ja, Miss Louisa, dat weet ik ook wel. En toen zeide mijnheer -Choakumchild, dat hij het nog eens met mij wilde probeeren. En hij -zeide: "Deze school is eene groote stad, die een millioen inwoners -heeft, en maar vijf en twintig van dat getal sterven in den loop van -het jaar van honger? Wat is uwe gedachte van die evenredigheid?" En -mijne gedachte was--want ik kon op niets beters komen--dat ik het -even erg vond voor de menschen, die van honger stierven, of de anderen -een millioen waren of een millioen millioenen. En dat was ook mis." - -"Natuurlijk." - -"En toen zeide mijnheer Choakumchild, dat hij het nog eens -wilde probeeren. En hij zeide: "Hier zijn de statistieke lijsten -van ongelukken op zee. Ik vind er in, dat in een zekeren tijd -honderdduizend personen verre zeereizen hebben gedaan, en maar -vijfhonderd daarvan verdronken of verbrand zijn. Hoeveel percent -is dat?" En ik zeide," hier begon Sissy hardop te snikken, terwijl -zij met grievend berouw hare grootste dwaling bekende, "ik zeide, -dat dit niets uitmaakte..." - -"Niets uitmaakte, Sissy?" - -"Niets uitmaakte voor de vrienden en betrekkingen van de menschen, -die zoo waren omgekomen. Ik zal nooit leeren," zeide Sissy. "En het -ergste is nog, dat, hoewel mijne arme vader zoo gaarne zou willen -dat ik leerde, en ik zoo gaarne zou willen leeren, om hem genoegen -te geven--dat ik toch bang ben, dat ik er geen lust in heb." - -Louisa stond het bevallige gezichtje aan te zien, dat met verlegenheid -en schaamte naar den grond keek, tot het weder werd opgeheven om haar -aan te kijken; en toen vroeg zij: - -"Wist uw vader zelf zooveel, Sissy, dat hij daarom wenschte dat gij -ook goed onderwezen zoudt worden?" - -Sissy aarzelde eer zij antwoord gaf en toonde zoo duidelijk hare -bewustheid, dat zij op verboden grond kwamen, dat Louisa vervolgde: -"Niemand hoort ons; en al hoorde ons iemand, dan zou men toch zeker -geen kwaad kunnen vinden in zulk eene onschuldige vraag." - -"Neen, Miss Louisa," antwoordde Sissy op deze aanmoediging, en schudde -tegelijk haar hoofdje, "mijn vader weet al heel weinig. Hij kan maar -eventjes schrijven, en de meeste menschen zijn niet in staat om zijn -schrift te lezen,--hoewel het voor mij duidelijk is." - -"En uwe moeder?" - -"Vader zegt, dat zij zoo goed kon lezen en schrijven als iemand. Zij -stierf toen ik geboren werd. Zij was," Sissy deed deze schrikkelijke -bekentenis met zenuwachtig bevende lippen, "zij was eene danseres." - -"Had uw vader haar lief?" Louisa deed deze vragen met de driftige, -onrustige belangstelling, die haar eigen was, eene belangstelling, die -als een balling moest omdwalen en zich op eenzame plaatsen verschuilen. - -"O ja. Hij had haar even lief als mij. Hij had mij eerst om harentwil -lief. Hij droeg mij overal mede rond, toen ik nog een klein kind was, -dat niet loopen kon, en wij zijn van dien tijd af nooit van elkander -geweest." - -"En toch laat hij u nu aan uw lot over, Sissy?" - -"Zeker tot mijn bestwil. Niemand begrijpt hem zoo goed ais ik; niemand -kent hem zoo goed als ik. Toen hij mij tot mijn bestwil verliet--tot -zijn eigen bestwil zou hij het nooit gedaan hebben--weet ik wel, -dat hem het hart bijna daaronder gebroken is. Hij zal geen vergenoegd -oogenblik hebben eer hij terugkomt." - -"Vertel mij meer van hem," zeide Louisa. "Ik zal u nooit weer zoo -vragen. Waar hebt gij gewoond?" - -"Wij reisden het land door en hadden geene vaste plaats waar wij -woonden. Vader is een," Sissy sprak het geduchte woord fluisterend uit, -"een clown." - -"Om de menschen te doen lachen?" zeide Louisa met een knikje, hetwelk -aanduidde dat zij de zaak wel begreep. - -"Ja, maar zij wilden somtijds niet lachen, en dan schreide mijn -vader. Op het laatst wilden zij in 't geheel niet meer lachen, en -dan placht hij wanhopig thuis te komen. Vader is niet als de meeste -andere menschen. Zij, die hem niet zoo goed kenden als ik en niet -zooveel van hem hielden, moesten wel denken dat hij niet recht bij -zijn verstand was. Somtijds speelden zij hem streken; maar zij wisten -niet hoe hij dat gevoelde en er voor huiverde als hij met mij alleen -was. Hij was veel, veel bedeesder dan zij dachten." - -"En gij waart bij dat alles zijn eenige troost?" - -Zij knikte, terwijl de tranen over hare wangen rolden. - -"Dat hoop ik, en vader zeide dat ik het was. Het was omdat hij zoo -schichtig en beverig was, en omdat hij zich zulk een arm, zwak, -onkundig, hulpeloos man gevoelde (zoo placht hij te zeggen), dat hij -zoo verlangde, dat ik veel zou leeren en geheel anders worden dan -hij. Ik placht hem voor te lezen om hem wat op te beuren, en daarvan -hield hij heel veel. Het waren boeken, die niet deugden--ik mag er -hier nooit van spreken--maar wij wisten niet dat er kwaad in stak." - -"En bevielen zij hem?" zeide Louisa, die al dien tijd een -uitvorschenden blik op Sissy hield gevestigd. - -"O, bijzonder! Zij hielden hem dikwijls van iets af, dat hem wezenlijk -kwaad deed. En heel dikwijls placht hij des avonds al zijn verdriet -te vergeten in zijn nieuwsgierigheid of de sultan zijne vrouw hare -vertelling zou laten vervolgen, of dat hij haar het hoofd zou afhakken -eer zij uit was." - -"En uw vader was altijd goed en vriendelijk voor u? Tot het laatste -toe?" vroeg Louisa, vlak tegen den grooten grondregel handelende en -zich zeer verwonderende. - -"Altijd, altijd!" antwoordde Sissy, hare handen vouwende. "Goediger -en vriendelijker dan ik u zeggen kan. Op één avond alleen werd hij -eens boos, en dat was niet op mij, maar op Merrylegs. Merrylegs"--dit -geduchte feit fluisterde zij--"is zijn hond, dien hij kunstjes laat -vertoonen." - -"Waarom werd hij boos op dien hond?" vroeg Louisa. - -"Kort nadat vader van de vertooning thuis kwam, commandeerde hij -Merrylegs om op de leuningen van twee stoelen te springen en er dwars -over te gaan staan--dat een kunstje van hem is. Hij keek vader aan -en deed het niet dadelijk. Alles was vader dien avond tegengeloopen -en hij had het publiek geheel niet voldaan. Toen riep hij uit, dat -zelfs de hond wist dat hij tot niets meer deugde en geen medelijden -met hem had. En toen sloeg hij den hond, en ik ontstelde er van en -zeide: "Vader, vader, doe toch het beest geen kwaad, dat zooveel van u -houdt. Vader, om 's Hemels wil, houd toch op." Toen hield hij ook op, -en de hond was bebloed, en vader ging op den grond liggen schreien -met den hond in zijne armen, en de hond likte zijn gezicht." - -Louisa zag dat zij snikte; en naar haar toegaande, gaf zij haar een -kus, nam haar bij de hand en trok haar naast zich op een stoel. - -"Vertel mij nog voor het laatst hoe uw vader u verlaten heeft, -Sissy. Nu ik u zooveel gevraagd heb, moet ge mij ook maar het einde -vertellen. Het kwaad, als er eenig kwaad in steekt, komt voor mijne -rekening, niet voor de uwe." - -"Lieve Miss Louisa," antwoordde Sissy, met de handen voor de oogen -en nog snikkende. "Ik kwam dien achtermiddag van de school thuis, -en vond vader, die ook pas van het spel naar huis gekomen was. Hij -zat over het vuur heen en weer te wiegelen, alsof hij pijn had. En -toen zeide ik: "Hebt gij u bezeerd, vader?" (gelijk hij wel eens -deed en zij allen deden); en hij zeide: "Een beetje, lieveling." En -toen ik bij hem bukte en naar zijn gezicht opkeek, zag ik dat hij -schreide. Hoe meer ik tegen hem sprak, des te meer hield hij zijn -gezicht weg; en eerst zat hij maar te beven en zeide niets anders dan: -"Mijn lief kind! Mijn lief kind!"" - -Hier kwam Tom binnenkuieren en bleef de twee staan aanstaren met eene -onverschilligheid, die zeer weinig belangstelling in iets anders dan -zijn eigen persoon aanduidde, terwijl zelfs deze op het oogenblik -niet sterk scheen te zijn. - -"Ik vraag Sissy naar eenige dingen, Tom," zeide zijne zuster. "Gij -behoeft niet heen te gaan; maar laat ons een oogenblikje ongestoord, -beste Tom!" - -"O, heel goed!" antwoordde Tom. "Maar vader heeft ouden Bounderby -mee naar huis gebracht, en ik wou dat ge mee naar de voorkamer -kwaamt. Omdat, als ge komt, er kans is dat oude Bounderby mij te eten -vraagt, en als gij niet komt, niet." - -"Ik zal dadelijk komen." - -"Ik zal op u wachten," zeide Tom, "om er zeker van te zijn." - -Sissy vervolgde, zachter sprekende: "Eindelijk zeide mijn arme -vader dat hij weer geen genoegen had gegeven, dat hij tegenwoordig -nooit genoegen gaf, dat hij eene schande voor den troep was, en dat -ik het altijd beter zonder hem zou gesteld hebben. Ik zeide zooveel -vriendelijks als mij maar in het hart kwam, en spoedig werd hij stil, -en toen ging ik bij hem zitten en vertelde hem van de school en -van alles wat ik daar gehoord en gezien had. Toen ik niets meer te -vertellen had, sloeg hij zijne armen om mijn hals en kuste mij heel -dikwijls. Toen vroeg hij mij om wat van dat goed te halen, dat hij -noodig had om de kleine kwetsuur, die hij gekregen had, te verbinden; -ik moest het gaan halen waar het best te krijgen was, geheel aan het -andere eind van de stad; en toen kuste hij mij nog eens en liet mij -gaan. Toen ik onder aan de trap gekomen was, ging ik terug, om hem -nog een oogenblikje langer gezelschap te houden, en zeide: "Vaderlief, -zal ik Merrylegs meenemen?" Vader schudde zijn hoofd en zeide: "Neen, -Sissy; neem niets mede, dat men weet dat van mij is, liefje;" en toen -liet ik hem bij het vuur zitten. En toen moet de gedachte hem zijn -ingevallen, arme, arme vader, om mij tot mijn bestwil te verlaten -en te beproeven of hij op eene andere plaats iets voor mij kon doen; -want toen ik terugkwam, was hij er niet meer." - -"Louisa, pas toch op ouden Bounderby," viel Tom er nu op in. - -"Er is niets meer te vertellen, Miss Louisa. Ik bewaar de negen-olie -voor hem, want ik weet dat hij zal terugkomen. Elke brief, dien -ik mijnheer Gradgrind in de hand zie hebben, beneemt mij den adem -en verblindt mijne oogen, want ik denk dan dat hij van vader komt, -of van Sleary over vader. Mijnheer Sleary heeft beloofd, dat hij zou -schrijven zoodra hij iets van vader hoorde, en ik geloof het wel van -hem, dat hij zijn woord zal houden." - -"Pas dan toch op ouden Bounderby, Louisa," zeide Tom ongeduldig. "Hij -zal al weg wezen, als gij u niet haast." - -Wanneer Sissy naderhand in tegenwoordigheid der familie voor mijnheer -Gradgrind neeg--en met eene haperende stem zeide: "Neem mij niet -kwalijk, mijnheer, als ik u lastig val--maar--maar hebt gij nog geen -brief voor mij gekregen?" staakte Louisa het werk, waaraan zij bezig -was, wat het ook wezen mocht, en zag even ernstig naar het antwoord uit -als Sissy zelve. En wanneer mijnheer Gradgrind regelmatig antwoordde: -"Neen, Jupe, niets van dien aard," zag men Louisa's lippen eveneens -beven als die van Sissy, en volgden hare oogen Sissy met een blik vol -medelijden naar de deur. Mijnheer Gradgrind nam zulk eene gelegenheid -doorgaans waar om, wanneer Sissy de kamer uit was, aan te merken, -dat indien Jupe van hare vroegste jaren af behoorlijk was opgebracht, -zij zich zelve van de ongegrondheid dezer hersenschimmige hoop zou -overtuigd hebben. En toch scheen het (hoewel niet voor hem, want hij -zag niets daarvan) alsof eene hersenschimmige hoop zich even vast -bij iemand kan vestigen als een feit. - -Het was zijne dochter alleen, die deze opmerking maakte. Wat Tom -aangaat, deze begon eene rekenmachine te worden, die gewoonlijk aan -sommen over nommer een aan het werk was; en wat mevrouw Gradgrind -betreft, indien zij iets van de zaak zeide, kwam zij als een -menschelijke marmot een klein weinigje uit hare omslagdoeken, en -zeide dan: - -"Och Heere, wat heeft mijn arm hoofd toch eene plagerij uit te -staan, dat dat meisje, die Jupe, zoo onophoudelijk naar hare akelige -vervelende brieven blijft vragen. Op mijn woord en mijne eer, ik -schijn bestemd, verwezen en gedoemd te zijn om altijd onder dingen -te leven, waarvan ik nooit het einde zal hooren. Het is waarlijk -iets wonderlijks, maar het schijnt alsof ik nooit het einde van iets -mag hooren!" - -Als zij omtrent zoover gekomen was, trof haar een blik van mijnheer -Gradgrind, en onder den invloed van dat ijskoude feit verzonk zij -weder in hare verdooving. - - - - - - - -X. - -STEPHEN BLACKPOOL. - - -Ik koester het zonderlinge denkbeeld, dat de bevolking van Engeland -even zwaar moet werken als de bevolking van eenig land, dat door de -zon wordt beschenen. Ik kom voor dit belachelijke vooroordeel uit, -als eene reden waarom ik die bevolking wat meer spel zou willen geven. - -In dat gedeelte van Coketown, waar de zwaarst werkende bevolking -woonde; in de binnenste verschansingen dier leelijke citadel, waar de -natuur even stevig was buitengemetseld, als er doodelijke dampen waren -binnengemetseld; in het hart van een doolhof van benauwde straten -en smalle steegjes, die bij stukken en brokken het aanzijn hadden -gekregen, waarvan ieder stuk in geweldige haast tot een of ander -oogmerk moest dienen, en die te zamen eene onnatuurlijke familie -uitmaakten, welke elkander doodkneep, doodperste en dooddrukte; -in het benauwdste hoekje van dien grooten luchtledigen ontvanger, -waar de schoorsteenen, uit gebrek aan lucht om ze te doen trekken, -in eene oneindige verscheidenheid van kromme, misvormde fatsoenen -waren opgebouwd, alsof ieder huis een teeken uitstak van de soort -van menschen, welke men verwachten kon dat daarin moest geboren -worden; onder die menigte van Coketowners, die met de soortbenaming -van "de Handen" is bestempeld--een geslacht van menschen, die bij -sommige menschen meer gunst zouden vinden, indien de Voorzienigheid -had goedgevonden hen alleen handen, of, gelijk sommige zeedieren, -alleen handen en magen te maken--woonde ook zekere Stephen Blackpool, -veertig jaren oud. - -Stephen zag er uit alsof hij ouder was, maar hij had ook een -onaangenaam leven gehad. Men zegt, dat ieder leven zijne rozen -en doornen heeft; doch er scheen met Stephen een ongeluk of eene -vergissing te hebben plaats gehad, waardoor iemand anders in het bezit -van zijne rozen was gekomen, terwijl hij de doornen van dien iemand -anders boven en behalve zijne eigene had gekregen. Hij had bijna -niets dan wederwaardigheden gekend. Gewoonlijk werd hij oude Stephen -genoemd--eene soort van ruwe hulde, welke men aan zijn uitzicht bewees. - -Hij ging eenigszins gebukt, had een voorhoofd vol diepe rimpels, eene -zwaarmoedig peinzende uitdrukking in zijn gezicht, en een tamelijk -groot hoofd, met lange grijzende haren spaarzaam bedekt. Men had -den ouden Stephen op zijn uitzicht af voor een bijzonder schrander -man in zijne soort kunnen houden; maar dit was hij toch niet. Hij -behoorde niet onder die opmerkenswaardige fabrieksarbeiders, die, -door eene reeks van jaren alle afgebrokene stukjes vrijen tijd aaneen -te knoopen, moeielijke wetenschappen weten meester te worden en zich -eene kennis van de onwaarschijnlijkste dingen verschaffen. Evenmin -behoorde hij onder de fabrieksarbeiders, die redevoeringen kunnen -houden en in discussiën het woord voeren. Duizenden zijner makkers -konden veel beter spreken dan hij. Hij was een goed werkman, en een -door en door eerlijk mensch. Wat hij meer was, of wat er anders in -hem stak, indien er iets in hem stak, zal hij zelf moeten toonen. - -De lichten in de groote fabrieken, die, wanneer zij verlicht waren, -naar tooverpaleizen geleken--zoo zeiden ten minste reizigers, die met -den expressetrein over den spoorweg kwamen--waren allen uitgedaan;--de -klokken, om voor dien avond het werk te staken, hadden geluid; en -de arbeiders, mannen en vrouwen, jongens en meisjes, draafden naar -huis. Oude Stephen stond op straat, met dat zonderlinge gevoel, dat het -ophouden der machinerie altijd bij hem voortbracht--het gevoel alsof -zij in zijn eigen hoofd had gewerkt en daarin nu alles ook stilstond. - -"Maar ik zie Rachel toch nog niet," zeide hij. - -Het was een regenachtigen avond, en vele troepjes jonge vrouwen gingen -hem voorbij, met haar doek over het bloote hoofd getrokken, en onder -de kin dicht gebonden, om den regen af te weren. Hij kende Rachel wel, -want een enkele blik op een van die troepjes was genoeg om hem te doen -zien, dat zij niet daaronder was. Eindelijk moesten er geen meer komen; -en toen keerde hij zich om en zeide op een toon vol teleurstelling: -"Wel, dan heb ik haar gemist." - -Maar hij was nog geen drie straten ver, of hij zag nog eene gedaante -met een doek over het hoofd voor zich uit, en lette zoo scherp -daarop, dat misschien de enkele schaduw, die onduidelijk op de -natte straatsteenen viel--indien hij deze had kunnen zien zonder -de gedaante zelve, die van lantaren tot lantaren verder ging en zoo -telkens helderder en donkerder werd--genoeg zou zijn geweest om hem -te doen weten wie daar was. Zijne schreden versnellende en tegelijk -verzachtende, haastte hij zich voort tot hij dicht bij die gedaante -was, nam toen zijn vorigen stap weder aan en riep: "Rachel!" - -Zij keerde zich om, vlak bij een lantaren, en den doek, die haar -hoofd als eene kap bedekte, een weinig oplichtende, vertoonde zij een -stemmig ovaal gezichtje, donker van kleur en tamelijk fijn besneden, -verhelderd door een paar zeer vriendelijke oogen, en verder versierd -door de netheid harer glanzig zwarte haren. Het was een gezichtje niet -meer in den eersten bloei; zij was eene vrouw van vijf en dertig jaren. - -"Ha, jongen! zijt gij het?" en toen zij dit gezegd had, met een -glimlach, waarvan men de geheele uitdrukking zou hebben opgemerkt, -al had men niets anders van haar gezien dan hare vriendelijke oogen, -liet zij haar doek weder vallen en stapten zij te zamen voort. - -"Ik dacht dat gij achter mij waart, Rachel." - -"Neen." - -"Vroeg van avond, meid?" - -"Somtijds ben ik wat vroeg, Stephen, somtijds wat laat. Er is nooit -op te rekenen wanneer ik naar huis ga." - -"En den anderen weg ook niet, naar het mij voorkomt, Rachel?" - -"Neen, Stephen." - -Hij zag haar aan met zekere teleurstelling in zijn blik, maar tevens -met zeker eerbiedig geduld, alsof hij overtuigd was dat zij, wat zij -ook doen mocht, altijd wèl deed. Die blik bleef niet onopgemerkt; -zij legde hare hand voor een oogenblik licht op zijn arm, als ware -het om hem daarvoor te danken. - -"Wij zijn zulke trouwe vrienden, jongen, en zulke oude vrienden, -en worden al zulke oude lui tegenwoordig." - -"Neen, Rachel, gij zijt nog zoo jong als gij ooit geweest zijt." - -"Een van ons beiden zou er toch verlegen mee zijn, Stephen, hoe oud -hij zou worden zonder dat de ander het ook werd, terwijl wij beiden -blijven leven," antwoordde zij lachende; "maar zeker, wij zijn zulke -oude vrienden, dat het zonde en jammer zou zijn als wij elkander -eene klaarblijkelijke waarheid wilden verbergen. Het is beter dat -wij niet te veel samen gaan. Somtijds wel! Het zou te hard zijn als -het geheel niet mocht gebeuren," zeide zij met eene opgeruimdheid, -die zij hem poogde mede te deelen. - -"Het is altijd hard, Rachel." - -"Doe uw best om het maar niet zoo te vinden en dan zal het beter -schijnen." - -"Ik heb er al lang mijn best toe gedaan, en het is toch niet beter -geworden. Maar gij hebt gelijk, het zou de menschen maar aan het -praten helpen, zelfs over u. Gij zijt zoovele jaren lang zooveel -voor mij geweest, Rachel; gij hebt mij zooveel goed gedaan, en mij -met dat vroolijke gezicht zoo dikwijls moed gegeven, dat uw woord -eene wet voor mij is. Ja meid, en eene goede, duidelijke wet, beter -dan sommige wezenlijke wetten." - -"Breek u daar het hoofd niet mee, Stephen," antwoordde zij snel, -en niet zonder eenige bekommering in haar blik. "Laat de wetten -maar blijven." - -"Ja," zeide hij en knikte een paar malen langzaam met het hoofd. "Laat -ze maar blijven. Laat alles maar blijven. Het is een warboel, en -daarmee uit." - -"Altijd een warboel?" zeide Rachel, en raakte nogmaals zacht zijn -arm aan, als wilde zij hem opwekken uit het gepeins, waaronder hij -al voortstappende op de lange slippen van zijne los omgeknoopte das -beet. Die aanraking deed eene oogenblikkelijke werking. Hij liet de -slippen los, zag haar met een verhelderd gezicht aan, en zeide met -een goedhartigen lach: - -"Ja, Rachel, altijd een warboel, waarvoor ik moet blijven staan. Al -zoo dikwijls ben ik aan dien warboel geweest, maar nooit kan ik -er overheen." - -Zij hadden een eind ver met elkander gegaan en waren nu dicht bij -de streek waar zij woonden. Het eerst kwam men aan de woning der -vrouw. Deze stond in een dier smalle straatjes, voor welke de meest -beklante aanspreker (die aan de eenige plechtigheid--eene armoedige, -akelige plechtigheid--welke ooit in deze buurt plaats had, eene goede -som in het jaar verdiende) zich eene zwarte ladder had aangeschaft, -om hen, die met hun dagelijks op- en afklimmen der donkere, smalle -trappen gedaan hadden, de werkende wereld door een venster te laten -uitglijden. Zij bleef op den hoek staan, reikte hem de hand en wenschte -hem goedennacht. - -"Goedennacht, lieve meid, goedennacht!" - -Zij ging, met haar net figuurtje en haar stemmigen tred, de donkere -straat in, en hij bleef haar staan nakijken tot zij een der huisjes -binnenging. Er was geene plooi in haar groven, wuivenden doek, welke -niet iets belangwekkends in de oogen van dien man had; geen toon -harer stem, die geen weerklank vond in het binnenste van zijn hart. - -Toen zij uit zijn gezicht was verdwenen, vervolgde hij zijn weg -naar huis, nu en dan naar de lucht opziende, door welke de wolken -met woeste snelheid voorbijdreven. Zij waren nu echter gebroken; -de regen had opgehouden, en de maan scheen--zij zag langs de hooge -schoorsteenen van Coketown op de diepe fornuizen daaronder neer, en -wierp reusachtige schaduwen van rustende stoommachines op de muren, -waartusschen zij gehuisvest waren. De man scheen onder het voortgaan -evenzeer opgehelderd te zijn als het weder was. - -Zijne woning, in juist zulk eene straat als de eerste, maar nog -smaller, was boven een winkeltje. Hoe het kwam, dat iemand het -de moeite waard vond de ellendige stukjes speelgoed, die tusschen -goedkoope nieuwsbladen en spek (er zou den volgenden avond eene ham -verloot worden) voor het venster lagen, te koopen of te verkoopen, -is iets waarmede wij ons nu niet behoeven op te houden. Hij nam zijn -eindje kaars van eene plank, en na het aan een ander eindje kaars, -dat op de toonbank stond te branden, te hebben aangestoken, ging -hij de trap op naar zijne kamer, zonder de eigenares van den winkel, -die in haar kamertje zat te slapen, te storen. - -Het was eene kamer, die onder verschillende bewoners had kennis gemaakt -met de zwarte ladder, maar tegenwoordig zoo net als zulk eene kamer -wezen kon. Eenige boeken en papieren lagen op een oud bureau in een -hoek, de meubelen waren fatsoenlijk en voldoende, en hoewel er eene -benauwde lucht heerschte, was het vertrek zindelijk. - -Toen hij naar den haard ging om de kaars op een tafeltje, dat daar -stond, neer te zetten, struikelde hij over iets. Hij deinsde terug, -keek naar omlaag, en nu hief het voorwerp, dat op den grond lag, -zich op in de gedaante eener vrouw in eene zittende houding. - -"Barmhartige Hemel!" riep hij uit, nog verder achteruit -deinzende. "Zijt ge daar weer terug, vrouw?" - -Welk eene vrouw! Een afzichtelijk schepsel, zoo dronken, dat zij -zich nauwelijks overeind kon houden door zich met de eene morsige -hand op den grond te steunen, terwijl de andere, waarmede zij hare -verwarde haren uit hare oogen wilde strijken, zich zoo ongeschikt -bewoog, dat zij zich met het vuil, dat er aan kleefde, slechts -des te meer verblindde. Een schepsel, zoo afschuwelijk met hare -havelooze met moddervlekken en spatten bedekte vodden, maar nog -zooveel afschuwelijker in haar zedelijk verderf, dat men zich voor -de menschheid schaamde als men haar aanzag. - -Na een paar ongeduldige vloeken, en eene poos onbesuisd heen en weder -vegen met de hand, die zij niet tot steun behoefde, kreeg zij hare -haren genoeg uit hare oogen om hem te kunnen aanzien. Toen bleef zij -met het bovenlijf heen en weder zitten zwaaien en maakte gebaren met -haar krachteloozen arm, waarmede zij scheen te willen aanduiden dat -zij schaterde van lachen, hoewel haar gezicht strak en slaperig bleef. - -"Zoo jongen! Ei, zijt ge hier?" Eenige schorre klanken, die dit moesten -zeggen, kwamen eindelijk spottend uit hare keel, en toen zonk haar -hoofd voorover op hare borst. - -"Weer terug?" krijschte zij na eenigen tijd, alsof hij dit zoo op het -oogenblik gezegd had. "Ja! En alweer terug. Alweer terug, en nog eens -alweer, altijd alweer. Terug? Ja, terug. Waarom niet?" - -Opgewakkerd door de zinnelooze drift, waarmede zij dit had -uitgeschreeuwd, krabbelde zij overeind en bleef toen staan, met hare -schouders tegen den muur leunende, terwijl een hoed, die van een -mesthoop scheen te zijn opgeraapt, bij het lint aan hare eene hand -bengelde en zij haar best deed om hem hoonend aan te zien. - -"Ik zal u nog eens afkoopen, en ik zal u nog eens afkoopen, en ik -zal u nog twintigmaal afkoopen!" riep zij, met iets dat tegelijk -naar een woedend dreigement en eene poging tot een uitdagenden dans -geleek. "Ga van het bed vandaan." Hij had zich daarnaast neergezet, -met zijn gezicht in zijne handen verborgen. "Ga er vandaan. Het hoort -aan mij, en ik heb er recht op." - -Toen zij waggelend er naar toe kwam, ging hij haar huiverend uit -den weg en--altijd met zijne handen voor zijn gezicht--naar het -andere eind der kamer. Zij wierp zich log op het bed en lag spoedig -te snorken. Hij zonk op een stoel neer en bewoog zich dien geheelen -nacht slechts eene enkele maal. Het was om een dek over haar te werpen, -alsof zijne handen niet genoeg waren om haar, zelfs in de duisternis, -voor zijne oogen te verbergen. - - - - - - - -XI. - -GEEN UITWEG. - - -De schitterende verlichting der Tooverpaleizen maakte voor het -aanbreken van den dag de reusachtige rookslangen zichtbaar, die zich -over Coketown voortkronkelden. Daarop volgde een gekletter van houten -overschoenen over de straatsteenen, een gebengel van klokken; en al -de tot stille razernij vervallene olifanten, voor het eentonige leven -van dien dag opgepoetst en geolied, waren weder in logge beweging. - -Stephen boog zich over zijn getouw, stil, waakzaam en oplettend. Een -opmerkenswaardig contrast vormde hij aldus--gelijk ieder man -deed in dat woud van weefgetouwen, waarin Stephen werkte--met de -kletterende, ratelende, als ijlhoofdig voortjagende machine, waaraan -hij werkte. Weest niet bang, goede, zwaartillende lieden, dat de kunst -de natuur in vergetelheid zal brengen. Plaatst, waar gij ook wilt, het -werk van God en het werk des menschen naast elkander, en het eerste, -al is het slechts een troep zeer gering geachte fabriekarbeiders, -zal door die vergelijking in waarde winnen. - -Vierhonderd en meer arbeiders in die fabriek; tweehonderd vijftig -paardekrachten stoom. Men weet, op de kracht van een enkel pond -gewicht af, wat de machine kan doen; maar al de berekenaars der -nationale schuld zijn met hun allen niet in staat om te zeggen, welke -vatbaarheid voor goed en kwaad, voor liefde en haat, voor vaderlandsmin -en weerspannigheid, voor den overgang van deugd tot ondeugd of het -tegendeel, er ieder oogenblik bestaat in de ziel van een dezer stille -dienaren der machine, met hunne bedaarde gezichten en geregelde -bewegingen. In de machine ligt geen geheim; in de laagste harer -dienaren ligt voor eeuwig een onpeilbaar geheim verscholen. Indien -wij dan eens onze rekenkunst voor stoffelijke voorwerpen bewaarden, -en die ontzaglijke onbekende grootheden op eene andere wijs poogden -te behandelen! - -De dag werd helderder en vertoonde zich van buiten, zelfs tegen de -vlammende lichten van binnen. De lichten werden uitgedraaid en het -werk ging voort. De regen viel, en de rookslangen, onderworpen aan den -vloek van geheel dat geslacht, sleepten zich over den grond. Buiten -op de fabriekwerf waren de stoom uit de ontlaatbuis, de stapels vaten -en oud ijzer, de blinkende hoopen steenkool en de overal verspreide -asch onder een sluier van mist en regen verborgen. - -Het werk ging voort totdat de middagklok luidde. Wederom kletterde -het over de straatsteenen. De getouwen, de raderen en de arbeiders -waren allen voor een uur van werk ontslagen. - -Stephen kwam uit de heete fabriek in den vochtigen wind en op de -koude, natte straat, en gevoelde zich afgemat en ongesteld. Hij -keerde zich van zijne eigene klasse en woonplaats af, en ging, -niets anders gebruikende dan een broodje, dat hij al voortstappende -opat, naar den heuvel, waar de voornaamste zijner patronen woonde, -in een rood huis met zwarte luiken van buiten, groene valgordijnen -van binnen, eene zwarte deur boven eene stoep met twee witte treden, -den naam Bounderby (met letters, die aan den man zelf deden denken) -op eene koperen plaat, en een ronde koperen deurknop daaronder, -gelijk een koperen sluitteeken. - -Mijnheer Bounderby zat aan zijn twaalf-uurtje. Dit had Stephen -verwacht. Wilde de knecht hem zeggen, dat een zijner arbeiders hem -verlangde te spreken? Eene boodschap terug om naar den naam van dien -arbeider te vragen. Stephen Blackpool. Er was niets ten nadeele van -Stephen Blackpool bekend; ja, hij mocht binnenkomen. - -Stephen Blackpool trad de voorkamer binnen. Mijnheer Bounderby (wien -hij ternauwernood van aanzien kende) zat eene karbonade met een glas -sherry te gebruiken. Mevrouw Sparsit knoopte een net en zat bij -den haard, in eene houding alsof zij op een vrouwenzadel te paard -zat, met den eenen voet in een katoenen stijgbeugel. Het behoorde -tot de deftigheid en den dienst van mevrouw Sparsit, dat zij geen -twaalf-uurtje gebruikte. Zij woonde in hare officieele betrekking -dien maaltijd bij, maar hare statigheid moest aanduiden, dat zij het -voor eene zwakheid hield op dien tijd te eten. - -"Wel, Stephen," zeide mijnheer Bounderby, "wat moet gij hebben?" - -Stephen antwoordde slechts met eene buiging--geene slaafsche -buiging--dat willen die arbeiders nooit doen. Waarachtig, mijnheer, -dat zult ge nooit van hen zien, al zijn zij twintig jaren bij u -geweest!--Maar als ware het uit galanterie voor mevrouw Sparsit, -verbeterde hij zijn toilet, door de punten van zijne das in zijn vest -te stoppen. - -"Komaan," hervatte mijnheer Bounderby, nadat hij een teugje uit zijn -glas had genomen, "ik weet wel, dat wij nog nooit moeite met u gehad -hebben, en dat gij nooit onder de onredelijken hebt behoord. Gij -verwacht niet, dat men u eene koets met zes paarden zal laten houden, -en alle dagen schildpadsoep en wildbraad zal laten eten met gouden -lepel en vork, zooals velen doen." Mijnheer Bounderby wilde het altijd -doen voorkomen alsof dit het eenige en onmiddellijke doel was van -iederen arbeider, die niet volkomen tevreden was, "en dus weet ik -dat gij niet hier komt om klachten te doen. Daarvan ben ik vooraf -al zeker." - -"Neen, mijnheer, om iets van dien aard ben ik ook niet hier gekomen." - -Mijnheer Bounderby scheen aangenaam verrast, niettegenstaande zijne -vroegere overtuiging. - -"Goed," antwoordde hij. "Gij zijt een ordentelijk werkman, en ik -vergiste mij dus niet. Maar laat mij nu hooren waarover het is. Als -het dat niet is, laat mij hooren wat het dan is. Wat hebt gij te -zeggen? Kom er maar mede voor den dag." - -Stephen keek even naar mevrouw Sparsit om. - -"Ik kan wel heengaan, mijnheer Bounderby, als gij het verlangt," zeide -deze nederige dame en deed alsof zij haar voet uit den stijgbeugel -wilde halen. - -Mijnheer Bounderby stuitte haar door een hapje karbonade een oogenblik -tegen te houden eer hij het doorzwolg, en zijne linkerhand uit te -steken. Daarna trok hij zijne hand terug, slikte het hapje door en -zeide tot Stephen: - -"Gij moet weten, deze goede dame is eene geborene dame, eene -hooggeborene dame. Gij moet niet denken, omdat zij voor mij huishoudt, -dat zij daarom niet van hooge afkomst zou zijn--zij is integendeel -van zeer hooge afkomst. Als gij nu iets te zeggen hebt, dat niet voor -eene geborene dame kan gezegd worden, zal deze dame de kamer uitgaan; -maar als gij iets te zeggen hebt, dat voor eene geborene dame kan -gezegd worden, zal deze dame blijven waar zij is." - -"Mijnheer, ik hoop, dat ik nooit iets te zeggen heb gehad, dat eene -geborene dame niet mocht hooren, sedert ik zelf geboren werd," was -het antwoord, van een lichten blos vergezeld. - -"Ik ben hier gekomen," begon Stephen, toen hij na een oogenblik -bedenkens zijne oogen van den grond opsloeg, "om u raad te vragen. Ik -ben er erg om verlegen. Het is op Paaschmaandag negentien jaren -geleden dat ik getrouwd ben. Zij was toen een jong meisje--tamelijk -mooi--en dat een goeden naam had. Maar zij ging een slechten weg -op--al spoedig. Niet door mijne schuld. God weet, dat ik geen kwaad -man voor haar ben geweest." - -"Dat alles heb ik al gehoord," zeide mijnheer Bounderby. "Zij kreeg -ander gezelschap, geraakte aan den drank, werkte niet meer, verkocht -de meubelen, bracht de kleeren naar den lommerd en speelde den beest." - -"Ik had geduld met haar." - -"Des te grooter gek zijt ge daarom, naar mij dunkt," zeide mijnheer -Bounderby in vertrouwen tot zijn wijnglas. - -"Ik had veel geduld met haar. Dikwijls heb ik geprobeerd er haar -af te brengen. Ik probeerde dit en dat en allerlei. Dikwijls ben -ik thuis gekomen, en heb ik al wat ik in de wereld bezat verdwenen -gevonden en haar buiten besef op den grond. Dat is niet ééns gebeurd, -niet tweemaal, maar wel twintigmaal." - -De rimpels in zijn gezicht werden dieper toen hij dit zeide en gaven -eene aandoenlijke getuigenis van het verdriet dat hij geleden had. - -"Het ging van kwaad tot erger en nog erger. Zij liep van mij -weg. Zij maakte zich zelve op alle manieren te schande, gruwelijk en -ijselijk. Zij kwam terug, en nog eens terug, en nog eens terug. Wat -kon ik doen om het haar te beletten? Ik heb wel nachten lang op straat -gezworven, eer ik naar huis kon gaan. Ik ben naar de brug gegaan, met -voornemen om er af te springen, om er niet meer van te hooren. Ik heb -zooveel uitgestaan, dat ik oud ben geworden terwijl ik nog jong was." - -Mevrouw Sparsit, die hare knooppennen op haar gemak liet voorthuppelen, -trok hare klassieke wenkbrauwen op en schudde haar hoofd, als -wilde zij zeggen: "Grooten ondervinden zoowel wederwaardigheden als -geringen. Wees zoo goed om uwe nederige oogen eens naar mij te wenden." - -"Ik heb haar betaald om van mij weg te blijven. Nu vijf jaren lang -heb ik haar betaald. Ik heb weer ordentelijke kleeren en meubelen -gekregen. Ik heb een droevig en moeielijk leven gehad, maar ik -behoefde toch niet ieder oogenblik van mijn leven beschaamd en -angstig te zijn. Gisteravond ging ik naar huis. Daar lag zij voor -mijn haard. Daar is zij weder terug." - -In het gevoel van zijn ongeluk en het hartstochtelijke van zijne -spijt, kwam hij voor een oogenblik in vuur en nam hij eene trotsche -houding aan. Een oogenblik later stond hij daar weder gelijk hij al -dien tijd had gestaan, met zijn gewonen gebogen rug, en zag mijnheer -Bounderby peinzend aan met eene zonderlinge uitdrukking in zijn -blik, half schrander, half verbijsterd, alsof hij zijn denkvermogen -inspande om iets te ontraadselen, dat hij zeer moeielijk vond; met -zijn hoed in zijne linkerhand gekneld, die op zijne heup rustte, -terwijl zijn rechterarm ruwe en krachtige, maar welgepaste gebaren -maakte om den indruk van hetgeen hij zeide te versterken; en die arm -gaf zelfs nadruk aan zijn zwijgen, wanneer hij hem, terwijl hij zich -even bedacht, niet terugtrok, maar een weinig gebogen opgeheven hield. - -"Ik was met dat alles al bekend, zooals gij weet," zeide mijnheer -Bounderby, "behalve met die laatste omstandigheid. Het is een leelijk -geval, dat is het. Gij hadt maar liever tevreden moeten zijn zooals -gij waart, en niet moeten trouwen. Maar het is nu te laat om dat -te bedenken." - -"Was het een ongelijk huwelijk, mijnheer, wat hunne jaren -betrof?" vroeg mevrouw Sparsit. - -"Gij hoort wat die dame vraagt. Was het een ongelijk huwelijk wat -uwe jaren betrof, die ongelukkige historie van u?" zeide mijnheer -Bounderby. - -"Dat juist niet. Ik zelf was een en twintig en zij nagenoeg twintig." - -"Ziet gij wel, mijnheer?" zeide mevrouw Sparsit met bijzondere -zelfvoldoening tot haar patroon. "Daar dit huwelijk zoo ellendig was, -had ik al begrepen, dat het met opzicht tot hunne jaren waarschijnlijk -ongelijk moest zijn geweest." - -Mijnheer Bounderby zag de goede dame ter zijde aan, op eene manier, -die eene comische verlegenheid uitdrukte. Hij versterkte zich met -nog een weinigje sherry. - -"Wel, waarom gaat gij niet voort?" hervatte hij, zich eenigszins -verstoord naar Stephen Blackpool keerende. - -"Ik ben hier gekomen om u te vragen, mijnheer, hoe ik van die vrouw -kan afkomen." - -Het oplettende gezicht van Stephen, waarop zich zulk eene mengeling van -uitdrukkingen vertoonde, werd nog ernstiger toen hij dit zeide. Mevrouw -Sparsit liet eene zachte uitroeping hooren, die aanduidde, dat zij -een zedelijken schok had gekregen. - -"Wat meent gij?" zeide mijnheer Bounderby, opstaande om met zijn -rug tegen den schoorsteenmantel te gaan staan leunen. "Wat praat gij -toch? Gij hebt haar immers genomen, of zij mee- of tegenviel?" [1] - -"Ik moet van haar afkomen. Ik kan het zoo niet langer uithouden. Ik -had er niet zoolang onder kunnen leven, als ik het medelijden en de -troostwoorden niet had gehad van het beste meisje, dat er leeft of -dood is. Zonder haar zou ik misschien razend en dol zijn geworden." - -"Hij wenscht weder vrij te zijn, om de vrouw te kunnen trouwen van wie -hij spreekt, vrees ik, mijnheer," zeide mevrouw Sparsit binnensmonds, -zeer terneergeslagen door de onzedelijkheid van die menschen. - -"Dat doe ik. Die dame heeft gelijk. Dat doe ik. Daar wou ik juist -opkomen. Ik heb in de courant wel gelezen, dat groote lui (mag het hun -welgaan, ik wensch hun geen kwaad) niet zoo vast getrouwd zijn, of zij -kunnen van een ongelukkig huwelijk worden vrijgemaakt, en mogen dan -weer trouwen. Als zij zich niet met elkander kunnen verdragen, omdat -hunne karakters niet overeenkomen, hebben zij allerlei verschillende -kamers in huis, en kunnen elkander uit den weg blijven. Lieden zooals -wij hebben maar ééne kamer en kunnen dat dus niet. Als dat ook niet -aangaat, hebben zij goed en geld, en kunnen zeggen: "dit voor u en dat -voor mij," en kunnen ieder gaan waar het hun belieft. Dat kunnen wij -niet. In spijt van dat alles kunnen zij toch weder vrijgemaakt worden -voor kleiner ongelijk dan door honderden van ons geleden wordt--door -vrouwen veel meer dan door mannen--zij kunnen vrijgemaakt worden voor -veel kleiner ongelijk dan ik geleden heb. Ik moet dus van die vrouw -afkomen, en ik wil maar weten op welke manier." - -"Er is geen manier," antwoordde mijnheer Bounderby. - -"Als ik haar doodsla, mijnheer, is er dan eene wet om mij te straffen?" - -"Dat spreekt van zelf." - -"Als ik van haar wegloop, is er dan ook eene wet om mij te straffen?" - -"Dat spreekt van zelf." - -"Als ik dat andere goede meisje trouw, is er dan ook eene wet om mij -te straffen?" - -"Dat spreekt van zelf." - -"En als ik met haar leefde zonder haar te trouwen--om nu eens te -zeggen, dat zoo iets gebeuren kon, dat toch nooit kan of zal gebeuren, -want zij is veel te braaf--is er dan ook eene wet om mij te straffen -in ieder onschuldig kind, dat mij toebehoort?" - -"Dat spreekt van zelf." - -"Maar in Gods naam," zeide Stephen Blackpool, "wijs mij nu de wet om -mij te helpen." - -"De verbintenis, waarvan gij spreekt, is heilig," zeide mijnheer -Bounderby, "en--en moet in eere gehouden worden." - -"Neen, neen, zeg dat niet, mijnheer. Zij wordt zóó niet in eere -gehouden. Zóó niet. Zij wordt zoo te schande gemaakt. Ik ben een wever, -ik ben van kind af in eene fabriek geweest, maar ik heb toch oogen om -mee te zien en ooren om mee te hooren. Ik lees in de courant ieder -vierendeeljaars als de gerechtshoven zitting houden--en gij leest -dat ook, dat weet ik, met ontzetting--hoe de onmogelijkheid om ooit, -op eenigerlei manier, weder van elkander los te worden, bloed over -het land brengt, en vele getrouwde lieden onder den geringen stand -tot vechterijen, moord en doodslag doet komen. Daartegen moet toch -een middel wezen. Mijn geval is een ellendig geval, en ik wil--als -gij zoo goed wilt zijn--de wet van u weten, die mij helpen kan." - -"Welnu, ik zal het u zeggen," antwoordde mijnheer Bounderby, zijne -handen in zijne zakken stekende; "er is zulk eene wet." - -Stephen knikte, nam zijne vorige bedaarde houding weder aan en bleef -oplettend luisteren. - -"Maar daar hebt gij toch niet aan. Dat kost geld--een schat van geld." - -"Hoeveel zou het wel wezen?" vroeg Stephen met bedaardheid. - -"Wel, gij zoudt naar Doctors' Commons moeten gaan met een proces, en -dan naar een Hof van Common Law met een proces, en naar het Huis der -Lords met een proces, en gij zoudt eene Parlements-akte moeten hebben -om weer te mogen trouwen, en dat zou u (als het eene heel gemakkelijke -zaak was) denkelijk tusschen de duizend en de vijftienhonderd pond -kosten," zeide mijnheer Bounderby, "en misschien nog eens zooveel." - -"Is er geen andere wet?" - -"Neen, zeker niet." - -"Wel dan, mijnheer," zeide Stephen, verbleekende, en terwijl hij -met de rechterhand eene beweging maakte alsof hij alles aan de vier -winden overgaf, "dan is het toch een ellendige warboel. Het is een -warboel heelemaal, en hoe gauwer ik dood ben, hoe beter." - -Mevrouw Sparsit werd weder terneergeslagen door de goddeloosheid van -die menschen. - -"Kom, kom! praat geene malligheden, mijn goede man," zeide mijnheer -Bounderby, "over dingen, die gij niet verstaat; en noem de instelling -van uw vaderland geen warboel, of gij zult u zelven op een fraaien -ochtend in een wezenlijken warboel steken. De instellingen van uw -vaderland zijn uw werk niet, en alles wat gij te doen hebt, is op uw -werk te letten. Gij hebt uwe vrouw niet genomen om haar te probeeren, -maar om haar te houden, hetzij zij mee- of tegenvalt. Als zij nu -slecht is uitgevallen--ja, al wat wij dan kunnen zeggen is, dat zij -ook beter had kunnen uitvallen." - -"Het is een warboel," zeide Stephen, zijn hoofd schuddende terwijl -hij naar de deur ging. "Het is niets dan een warboel." - -"Laat ik u eens wat zeggen," zoo begon mijnheer Bounderby zijne -afscheidsrede. "Met uw aanstootelijke gezegden hebt gij deze dame -geërgerd, die, gelijk ik u reeds gezegd heb, eene geborene dame is, -en die, gelijk ik u nog niet gezegd heb, hare eigene huwelijksrampen -heeft gehad, ten bedrage eener schade van tienduizenden van -ponden--tienduizenden van ponden," herhaalde hij met welbehagen. "Gij -zijt tot nog toe een ordentelijk werkman geweest; maar ik ben van -gevoelen, en dat zeg ik u ronduit, dat gij den verkeerden weg -opgaat. Gij hebt naar een of anderen kwaadwilligen vreemdeling -geluisterd--die loopen hier altijd rond--en het beste wat gij doen -kunt, is daarvan terug te komen. Gij moet weten," hier nam zijn gezicht -eene uitdrukking van verwonderlijke slimheid aan, "ik kan even diep in -een slijpsteen zien als iemand anders, dieper dan menigeen misschien, -omdat ik er dikwijls met mijn neus opgeduwd ben toen ik jong was. Ik -zie hier duidelijk sporen van de schildpadsoep, het wildbraad en -den gouden lepel. Ja, dat doe ik," riep mijnheer Bounderby uit, -en schudde met geduchte slimheid zijn hoofd, "waarachtig, dat doe ik." - -Met een geheel ander hoofdschudden en een zwaren zucht zeide Stephen: -"Ik dank u, mijnheer, en ik wensch u goedendag." - -En zoo liet hij mijnheer Bounderby staan voor zijn eigen aan den -wand hangend portret, zwellende alsof hij bersten zou, en mevrouw -Sparsit nog met haar voet in den stijgbeugel op en neer wippende en -een gezicht, hetwelk aanduidde dat de ondeugden van die menschen haar -zeer hadden terneergeslagen. - - - - - - - -XII. - -DE OUDE VROUW. - - -Oude Stephen ging de twee treden van de witte stoep af, en trok -de zwarte deur met het koperen plaatje dicht, met behulp van het -koperen sluitteeken, dat hij, eer hij verder ging, nog eens met zijn -mouw afveegde, daar hij opmerkte, dat zijne heete hand het had doen -beslaan. Hij stak de straat over met zijne oogen op den grond geslagen, -en zoo stapte hij treurig heen, toen hij eene hand op zijn arm voelde. - -Het was niet die hand, waaraan hij op zulk een oogenblik de meeste -behoefte had--niet de hand, die de woeste golven van zijn gemoed kon -doen bedaren, gelijk de opgehevene hand der verhevenste, geduldigste -liefde het woeden der zee kon stillen--maar het was toch ook de -hand eener vrouw. Het was eene oude vrouw, nog rijzig en welgemaakt -(hoewel de tijd haar had doen verwelken), die voor zijne oogen stond -toen hij omkeek. Zij was zeer zindelijk en hoogst eenvoudig gekleed, -had slijk van buiten de stad aan hare schoenen en was zoo pas van eene -reis gekomen. De schuwheid van haar uitzicht bij het ongewone rumoer -op straat; de losse omslagdoek, dien zij over haar arm had gehangen; -de zware paraplu en het kleine sluitmandje; de wijde handschoenen met -lange vingers, waaraan hare handen ongewoon waren, alles kenteekende -eene oude vrouw van het land, in hare eenvoudige zondagskleeding, -die bij eene zeer zeldzame gelegenheid naar Coketown was gekomen. De -scherpzinnigheid aan zijn stand eigen deed Stephen dit met den eersten -blik opmerken, en hij boog zich naar haar over met zijn oplettend -gezicht--dat gezicht, hetwelk, gelijk bij de meesten van zijn stand -het geval was, door zoolang te midden van een vervaarlijk gedruisch -met oogen en handen te werken, dien blik van strakke inspanning had -verkregen, waaraan men bij dooven gewoon is--om des te beter te kunnen -hooren wat zij hem vroeg. - -"Zeg eens, mijnheer," zeide de oude vrouw, "heb ik u daar niet -uit dat huis zien komen?" en zij wees naar het huis van mijnheer -Bounderby. "Ik geloof, dat gij het waart, of ik moet bij ongeluk een -verkeerden hebben nageloopen." - -"Ja wel, juffrouw," antwoordde Stephen, "dat was ik." - -"Hebt gij--neem het niet kwalijk, dat eene oude vrouw nieuwsgierig -is--hebt gij den heer, die daar woont, gezien?" - -"Ja, juffrouw." - -"En hoe zag hij er uit, mijnheer? Was hij goed in het vleesch, forsch, -hartelijk en ferm in zijn spreken?" - -Terwijl zij zelve hare gestalte oprichtte en haar hoofd ophield, -om hare houding in overeenstemming met hare woorden te brengen, -kwam bij Stephen het denkbeeld op, dat hij die oude vrouw vroeger -had gezien en zij hem toen niet best was bevallen. - -"O ja," antwoordde hij, haar met meer oplettendheid aanziende; -"hij was dat alles." - -"En gezond," zeide de oude vrouw, "zoo gezond als de frissche wind?" - -"Ja," antwoordde Stephen. "Hij was aan het eten en drinken--hij was -zoo dik en zwaar als een olifant." - -"Dank je wel," zeide de vrouw uiterst vergenoegd, "dank je wel." - -Hij had die vrouw zeker nog nooit gezien; en toch kwam hem eene flauwe -herinnering voor den geest, alsof hij eens van zulk eene oude vrouw -had gedroomd. - -Zij stapte naast hem voort, en zich vriendelijk naar hare -gemoedsstemming voegende, vroeg hij, of zij niet vond, dat Coketown -eene drukke stad was. "Ja zeker, schrikkelijk druk," antwoordde -zij. Toen gaf hij vragenderwijs te kennen, dat hij wel zag dat zij -van buiten kwam, waarop zij bevestigend antwoordde. - -"Ik ben van morgen met den eersten spoortrein gekomen," zeide -zij. "Veertig mijlen ver ben ik van morgen gekomen, en ik ga van -middag dezelfde veertig mijlen ver terug. Ik heb van morgen negen -mijlen ver naar het station gewandeld, en als ik onderweg niemand vind, -die mij een eindje laat mederijden, zal ik van avond weder die negen -mijlen moeten terugwandelen. Dat is tamelijk wel op mijne jaren, -mijnheer!" zeide de spraakzame oude vrouw, terwijl hare oogen van -genoegen glinsterden. - -"Dat is het zeker. Maar dat doet gij toch niet dikwijls, juffrouw?" - -"Neen, maar eens in het jaar," antwoordde zij, haar hoofd -schuddende. "Eens in het jaar verteer ik zoo mijn spaargeld. Dan kom -ik geregeld over, om door de straten te kuieren en de heeren te zien." - -"Alleen om te zien?" hervatte Stephen. - -"Dat is genoeg voor mij," antwoordde zij met grooten ernst en alsof het -onderwerp van het gesprek haar bijzonder belang inboezemde. "Ik vraag -niet meer. Ik ben aan dezen kant van de straat blijven wachten, om dien -heer" (daarmede keek zij weder naar het huis van mijnheer Bounderby) -"te zien buitenkomen. Maar hij blijft laat in huis dit jaar, en ik heb -hem nog niet gezien. Gij zijt buitengekomen in plaats van hem. Als -ik nu weder vertrekken moet, zonder hem even te hebben gezien--ik -wil hem maar even te zien krijgen--welnu, dan heb ik u gezien, en -gij hebt hem gezien, en daarmede moet ik mij maar vergenoegen." Dit -zeggende zag zij Stephen aan, alsof zij zijne gelaatstrekken in haar -geheugen wilde prenten, en hare oogen waren zoo helder niet meer als -zij geweest waren. - -Met alle inschikkelijkheid voor het verschil van smaak, en met alle -onderdanigheid voor de patriciërs van Coketown, kwam de belangstelling -der oude vrouw hem toch zoo zonderling voor, dat hij niet wist wat hij -van haar moest denken. Doch zij kwamen nu eene kerk voorbij, en toen de -wijzerplaat der klok hem in het oog viel, versnelde hij zijne schreden. - -Hij ging zeker naar zijn werk, zeide de oude vrouw, en verhaastte -insgelijks haar tred, hetgeen haar geene moeite scheen te kosten.--Ja, -zijn tijd was bijna om. Toen hij haar zeide waar hij werkte, werd de -oude vrouw nog zonderlinger dan te voren. - -"Zijt ge niet gelukkig?" vroeg zij hem. - -"Wel, juffrouw, er is bijna niemand of hij heeft zijn verdriet," -antwoordde hij ontwijkend, dewijl de oude vrouw het er voor scheen te -houden, dat hij zeer gelukkig moest wezen en hij het hart niet had -om haar teleur te stellen. Hij wist, dat er verdriet genoeg in de -wereld was; en indien de oude vrouw zoo lang geleefd had en er toch -op rekenen kon, dat hij zoo weinig verdriet had--wel, des te beter -voor haar, en hij was er daarom ook niet erger aan toe. - -"Ja, ja! Gij hebt uw verdriet thuis, meent gij?" zeide zij. - -"Somtijds. Nu en dan," antwoordde hij flauwtjes. - -"Maar als gij onder zulk een heer werkt, volgt het u toch niet in -de fabriek?" - -Neen, het volgde hem daar niet, zeide Stephen. Daar was alles naar -behooren. Hij ging zoover niet, om ten haren genoegen te zeggen, dat -daar een soort van Goddelijk recht heerschte; maar ik heb in de laatste -jaren bijna even hooge aanspraken voor de fabrieken hooren maken. - -Zij waren nu in een smal, zwart berookt straatje dicht bij het -fabriekgebouw en de arbeiders kwamen bij troepen aan. De klok -luidde, en de slang kronkelde zich door de lucht en de olifant stond -gereed. Zelfs de klank der klok scheen de oude vrouw in verrukking te -brengen. Het was de mooiste klok die zij ooit gehoord had, zeide zij, -en zij klonk zoo deftig. - -Zij vroeg hem, toen hij haar goedhartig de hand gaf eer hij binnenging, -hoelang hij daar gewerkt had. - -"Twaalf jaren," antwoordde hij. - -"Ik moet de hand kussen," zeide zij, "die twaalf jaren lang in die -mooie fabriek gewerkt heeft!" En hoewel hij dit wilde verhinderen, -tilde zij zijne hand op en bracht die aan hare lippen. Welke harmonie, -behalve haar ouderdom en hare eenvoudigheid, haar eigen was, wist hij -niet; maar zelfs in dit zonderlinge bedrijf lag iets, dat op dien tijd -en die plaats niet ongepast scheen te wezen; iets, waardoor het scheen -alsof niemand anders dit zoo ernstig of op zulk eene natuurlijke en -treffende manier had kunnen doen. - -Hij had een half uur bij zijn weefgetouw gestaan, gedurig over die oude -vrouw denkende, toen hij, om zijn getouw heen gaande, ten einde iets in -orde te brengen, door een venster keek, en zag dat zij daar nog stond -en in bewondering verzonken naar het gebouw opzag. Zonder aan den rook, -de modder en het natte weder, of aan hare twee verre reizen te denken, -stond zij het aan te staren, alsof het dreunende stampen, dat uit -elk der vele verdiepingen klonk, eene heerlijke muziek voor haar was. - -Later verdween zij en de dag volgde haar voorbeeld, en de lichten -werden weder aangestoken, en de laatste spoortrein snorde dicht bij -het Tooverpaleis over de bogen eener brug, weinig gevoeld onder het -dreunen der machinerie, en bijna niet gehoord onder het kletteren en -ratelen. Lang voor dien tijd waren zijne gedachten weder teruggekeerd -naar die akelige kamer boven het winkeltje en naar de afschuwelijke -gedaante, die zoo zwaar op zijn bed, maar nog zwaarder op zijn -hart lag. - -De machinerie werd trager; zij stampte nog maar flauw, alsof er een -bezwijkende pols klopte, en bleef stilstaan. Wederom luidde de klok; -de gloed van licht en hitte werd uitgedoofd; de fabriekgebouwen stonden -als zwarte klompen in den donkeren, regenachtigen nacht, en de hooge -schoorsteenen verhieven zich in de lucht gelijk wedijverende torens -van Babel. - -Hij had Rachel pas den vorigen avond gesproken, dat was waar, en -een eind met haar medegegaan; maar hij had zijn nieuw ongeluk op het -hart, waaronder niemand anders hem een oogenblik verademing kon geven, -en daarom, en omdat hij wist dat hij behoefte had aan eene stem, die -zijne gramschap kon verzachten, hetgeen geene andere stem dan de hare -kon doen, begreep hij dat hij, in weerwil van wat zij den vorigen -avond had gezegd, wel weder naar haar mocht wachten. Hij deed dit, -maar zij was hem reeds ontsnapt. Zij kwam niet meer. Op geen anderen -avond in het jaar had hij haar gezichtje vol zachtaardig geduld zoo -slecht kunnen missen. - -O, beter geen thuis te hebben waar hij zijn hoofd kon neerleggen, -dan een thuis te hebben en om zulk eene reden bevreesd te zijn er -naar toe te gaan. Hij at en dronk, want hij was uitgeput, maar hij -wist bijna niet wat hij at en dronk, hij dacht er niet eens aan, -en hij bleef ronddwalen in den kouden regen, al denkende en morrende. - -Geen woord over een nieuw huwelijk was ooit tusschen hen gewisseld; -maar Rachel had reeds jaren geleden innig medelijden met hem gekregen, -en voor haar alleen had hij in al dien tijd zijn gesloten hart geopend -en van de oorzaak zijner ellende gesproken; en hij wist zeer wel, -dat zij hem zou hebben genomen, indien hij haar had kunnen vragen. Hij -dacht aan het thuis, dat hij op dat oogenblik met trotsche blijdschap -had kunnen opzoeken; hij dacht welk een geheel ander mensch hij dien -avond had kunnen geweest zijn, hoe licht zijne nu zwaar beladene borst -had kunnen wezen, hoe hij zijne eer, zijne achting voor zich zelven, -zijne rust, die hij nu allen had verloren, had kunnen terugkrijgen. Hij -dacht hoe het beste gedeelte van zijn leven verspild was, welk eene -nadeelige verandering zijn karakter daardoor in alle opzichten had -ondergaan, en hoe schrikkelijk en akelig zijn toestand was, zoo met -handen en voeten aan eene doode vrouw gebonden en door een boozen geest -in hare gedaante gepijnigd. Hij dacht aan Rachel, hoe jong zij waren -toen zij elkander onder die omstandigheden voor het eerst ontmoetten, -en hoe zij nu tot rijpen leeftijd waren gekomen en spoedig oud zouden -worden. Hij dacht aan het aantal meisjes en vrouwen, dat zij had zien -trouwen, hoeveel huisgezinnen met kinderen zij om zich heen had zien -opgroeien, en hoe zij toch weltevreden haar eigen eenzaam pad was -blijven bewandelen--om zijnentwil--en hoe hij somtijds eene schaduw -van zwaarmoedigheid op haar hemelsch gezichtje had gezien, die hem -met wroeging en wanhoop vervulde. Hij plaatste hare beeltenis naast -het afschuwelijke beeld van den vorigen nacht, en peinsde er over, -hoe het wezen kon, dat de geheele aardsche levensloop van een wezen, -zoo goed, zoo zachtaardig en vol zelfverloochening, aan zulk eene -rampzalige ondergeschikt moest wezen. - -Vol van zulke gedachten--zoo vol, dat hij een zonderling gevoel -had, alsof hij zelf grooter werd en in eene nieuwe, onnatuurlijke -betrekking werd geplaatst tot de voorwerpen welke hij voorbijging, en -alsof de stralenkrans om ieder beneveld licht eene roodachtige kleur -aannam--begaf hij zich naar zijne woning om schuilplaats te zoeken. - - - - - - - -XIII. - -RACHEL. - - -Een flauw kaarslicht brandde voor het venster, waartegen dikwijls -de zwarte ladder was opgezet, om alles wat voor eene radelooze vrouw -en een troep hongerige kinderen het dierbaarste in deze wereld was, -te laten wegglijden; en bij Stephen's andere gepeinzen kwam nog de -wrevelige gedachte, dat van alle wisselvalligheden van dit aardsche -leven geene met grilliger hand en ongelijker werd uitgedeeld dan de -dood. De ongelijkheid van geboorte was nog niets daarbij; want indien -bij voorbeeld het kind van een koning en dat van een wever dien nacht -op hetzelfde oogenblik geboren werden, wat was die ongelijkheid bij -den dood van een menschelijk wezen, dat voor een ander nuttig of -dierbaar was, terwijl deze losbandige vrouw bleef voortleven! - -Zoo dacht hij terwijl hij, buiten staande, naar zijne kamer opzag, -en met ingehouden adem en langzamen tred ging hij naar binnen. Hij -klom de trap op, opende zijne deur en kwam zoo de kamer in. - -Stilte en rust heerschten daar. Rachel was daar en zat bij het bed. - -Zij keerde haar hoofd naar hem om en het licht van haar aangezicht -scheen in den middernacht van zijn gemoed. Zij zat bij het bed en -waakte bij zijne vrouw. Dat is te zeggen, hij zag dat er iemand in -het bed lag en wist maar al te wel dat zij het moest wezen; maar -Rachel's handen hadden eene gordijn opgehangen, zoodat zij voor zijne -oogen verborgen was. Hare afzichtelijke kleeren waren weggeruimd, -en er lagen eenige kleeren van Rachel in de kamer. Alles was op zijne -plaats en in orde, gelijk hij het altijd gehouden had; het vuur was pas -bijgelegd en de haard was pas aangeveegd. Het kwam hem voor, dat hij -dit alles in Rachel's gezicht zag en naar niets anders omkeek. Terwijl -hij haar aanzag, werd haar beeld beneveld door de weemoedige tranen, -die zijne oogen vulden, maar niet voordat hij gezien had hoe ernstig -zij hem aanzag en hoe hare eigene oogen ook vol tranen stonden. - -Zij keerde zich weder naar het bed, en na zich overtuigd te hebben dat -alles daar stil was, sprak zij met eene zachte, kalme, heldere stem: - -"Ik ben blij, dat gij eindelijk komt, Stephen. Gij komt heel laat." - -"Ik heb wat op en neer gewandeld." - -"Dat dacht ik wel. Maar het is van avond te slecht weer daartoe. Het -regent aanhoudend en de wind is opgestoken." - -De wind? 't is waar, het waaide hard. Hoor maar naar dat bulderen -in den schoorsteen en dat geloei. Dat iemand in zulk een wind buiten -was geweest en niet eens wist dat het waaide! - -"Ik ben hier vandaag al eens geweest, Stephen. De juffrouw hier uit -het huis kwam in het etensuur naar mij toe. Er was iemand hier, die -noodig had dat er naar haar omgekeken werd, zeide zij. En zij had -wel gelijk. Geheel buiten besef, Stephen; en ook gekwetst en gekneusd." - -Hij ging langzaam naar een stoel, zette zich neer en liet het hoofd -hangen. - -"Ik ben hier gekomen om het weinigje te doen dat ik kon; vooreerst, -omdat ze met mij gewerkt heeft toen wij beiden nog jonge meisjes waren, -en omdat gij haar gevrijd en getrouwd hebt toen ik hare vriendin was--" - -Hij liet zijn gerimpeld voorhoofd in zijne hand zinken en slaakte -een kermenden zucht. - -"En vervolgens omdat ik uw hart kende en zeker weet, dat gij veel -te barmhartig zijt om haar hulpeloos te laten sterven, of ook maar -gebrek te laten lijden. Gij weet wel wie gezegd heeft: "Laat hij, -die onder u zonder zonde is, den eersten steen op haar werpen." Er -zijn er genoeg geweest om dat te doen; maar gij zijt de man niet om -den laatsten steen te werpen, Stephen, nu zij zoo diep ellendig is." - -"O Rachel, Rachel!" - -"Gij hebt schrikkelijk geleden, de Hemel loone het u," zeide zij -op medelijdenden toon. "Ik ben uwe arme vriendin, met al mijn hart -en ziel." - -De kwetsuren, waarvan zij gesproken had, schenen aan den hals -der ellendige te zijn, die zich zelve uit de maatschappij had -verstooten. Rachel verbond ze nu, maar nog zonder haar zichtbaar te -laten worden. Zij doopte een linnen lap in eene kom, waarin zij zeker -vocht uit een flesch had gegoten, en legde die met zachte hand op de -gekwetste en ontstokene plek. Het ronde tafeltje was dicht bij het -bed geschoven, en twee flesschen stonden daarop;--deze was de eene. - -Zij zat niet zoo ver af, of Stephen, die hare handen met zijne oogen -volgde, kon het woord lezen, dat met groote letters op de flesch -stond. Hij werd doodsbleek, en eene plotselinge huivering van afgrijzen -scheen hem te bevangen. - -"Ik zal hier blijven, Stephen," zeide Rachel, terwijl zij stil weder -ging zitten, "tot de klok drie slaat. Om drie ure moet het nog eens -gedaan worden, en dan kan zij zoo blijven tot morgenochtend." - -"Maar gij moet toch rust hebben om morgen te kunnen werken, beste -Rachel." - -"Ik heb van nacht goed geslapen. Ik kan nachten achtereen waken, als -het van mij gevergd wordt. Gij zijt het, die rust noodig hebt: gij ziet -er zoo bleek en vermoeid uit. Beproef eens of gij daar op dien stoel -kunt slapen, terwijl ik waak. Gij hebt verleden nacht geen slaap gehad, -dat kan ik wel gelooven, en morgen moet gij zwaarder werken dan ik." - -Hij hoorde het bulderen en loeien buiten de deur, en het was hem alsof -zijne vorige toornige stemming daar rondwaarde en beproefde om weder -bij hem te komen. Zij had die weggedreven en zou haar van hem afhouden; -hij verliet zich op haar, om hem tegen zich zelven te verdedigen. - -"Zij kent mij niet, Stephen. Zij kijkt mij maar slaperig aan en -mompelt verwarde woorden. Ik heb meer dan eens tegen haar gesproken, -maar zij let er niet op. Het is zóó wèl zoo goed. Als zij weder bij -hare zinnen komt, zal ik gedaan hebben wat ik kan en zij behoeft er -niets van te weten." - -"Hoelang, Rachel, is het te denken dat zij zoo blijven zal?" - -"De dokter zeide, dat zij misschien morgen weder bij hare zinnen -zou komen." - -Zijne oogen vielen weder op de flesch en eene siddering liep door -al zijne leden. Zij dacht, dat hij van koude verkleumd was. "Neen," -zeide hij, "dat was het niet. Hij had een schrik gehad." - -"Een schrik?" - -"Ja, toen ik binnenkwam. Toen ik zoo ronddwaalde. Toen ik aan het -denken was. Toen ik--" - -Het tastte hem weder aan; en hij stond op, zich aan den -schoorsteenmantel vasthoudende, terwijl hij zijne koude, klamme haren -gladstreek met eene hand, die beefde alsof hij de koorts had. - -"Stephen!" - -Zij kwam naar hem toe, maar hij strekte zijn arm uit om haar tegen -te houden. - -"Neen! Och neen, doe dat niet. Laat ik u maar bij het bed zien -zitten. Laat ik u maar zien, zoo goed en barmhartig. Laat ik u zien -zooals ik u zag toen ik binnenkwam. Ik kan u nooit beter zien dan -zoo. Nooit, nooit, nooit!" - -Hij begon nog sterker te beven en zonk toen op zijn stoel neder. Na -eene poos bedwong hij zich, en kon, met den eenen elleboog op eene -knie en zijn hoofd op die hand, naar Rachel opzien. Met zijne vochtige -oogen voorbij het flauwe kaarslicht gezien, was het alsof zij een -blinkenden stralenkrans om het hoofd had. Hij had kunnen gelooven, -dat het zoo was. Hij geloofde het werkelijk, toen het gerucht van -buiten het venster schudde, de deur beneden deed klapperen en huilend -door het huis gierde. - -"Als zij beter wordt, Stephen, is het te hopen, dat zij u weder -alleen zal laten en u niet meer plagen. In allen gevalle, wij willen -nu zoo maar hopen. En nu zal ik mij stilhouden, want ik zou u gaarne -zien slapen." - -Hij sloot zijne oogen, meer om haar genoegen te geven dan om zijn -vermoeid hoofd te laten rusten; maar terwijl hij naar het geloei van -den wind luisterde, hoorde hij dit langzamerhand niet meer, of het -kwam hem voor, dat het overging in het geraas van zijn weefgetouw, -of in de stemmen, welke hij dien dag had gehoord (zijne eigene -ingesloten), en die weder zeiden wat er werkelijk gezegd was. Zelfs -deze onvolkomene bewustheid verdween eindelijk, en hij droomde een -langen, onrustigen droom. - -Hij dacht, dat hij en eene vrouw, op welke hij lang zijn hart had -gezet--maar het was Rachel niet en dit verwonderde hem, zelfs te -midden van zijn ingebeeld geluk--in de kerk stonden om zich te laten -trouwen. Terwijl de plechtigheid verricht werd, en terwijl hij onder -de getuigen sommige menschen herkende, die hij wist dat nog leefden, -en velen, die hij wist dat reeds dood waren, kwam er eene duisternis, -opgevolgd door den glans van een schrikkelijk licht. Dit licht straalde -van een regel in de tafel der tien geboden af en verspreidde den glans -dier woorden door de geheele kerk. Zij klonken door het gebouw, alsof -elk dier vurige letteren eene stem had gekregen. Daarop veranderde -alles om hem heen en niets bleef gelijk het geweest was, behalve hij -zelve en de geestelijke. Zij stonden in het daglicht voor een volkshoop -zoo groot, dat, naar hij dacht, indien alle menschen in de wereld op -ééne plek bij elkander hadden gestaan, het getal hem niet grooter had -kunnen voorkomen, en zij allen verafschuwden hem, en er was geen enkel -medelijdend of vriendelijk oog onder al de millioenen, die op zijn -gelaat gevestigd waren. Hij stond op eene verhevene stellage onder -zijn eigen weefstoel; en toen hij opzag naar de gedaante, welke de -weefstoel aannam, en duidelijk den lijkdienst hoorde lezen, begreep -hij, dat hij daar was om den dood te ondergaan. In een oogenblik zonk -datgene, waarop hij stond, onder hem weg en hij was dood. - -Uit welken geheimzinnigen toestand hij tot het gewone leven en de hem -bekende plaatsen terugkeerde, kon hij niet nagaan; maar hij keerde -op eene of andere wijze daarheen terug, met dezen vloek beladen, -dat hij nooit, in deze wereld of de volgende, door alle eeuwen der -eeuwigheid heen, het aangezicht van Rachel weder zou zien of hare stem -hooren. Zonder rust en zonder hoop heen en weder dwalende, en zoekende -naar hij wist niet wat (hij wist alleen dat hij gedoemd was het te -zoeken), werd hij gekweld door een onbeschrijfelijken, gruwelijken -angst, eene doodelijke vrees voor zekere bijzondere gedaante, welke -alle dingen aannamen. Al wat hij aanzag, herschiep zich vroeger of -later in dat voorwerp. Het doel van zijn ellendig aanzijn was, te -verhoeden dat dit voorwerp aan een der verschillende personen, welke -hij ontmoette, bekend werd. Hopelooze arbeid! Indien hij het uit de -kamer bracht waar het was, indien hij de kas sloot waar het stond, -indien hij de nieuwsgierigen van de plaats verwijderde waar hij wist -dat het verborgen was, en hen buiten op straat voerde, namen zelfs -de schoorsteenen der fabrieken die gedaante aan, en was het gedrukte -woord daaromheen te lezen. - -De wind loeide weder, de regen kletterde, en de uitgestrekte ruimte, -door welke hij had omgedwaald, kromp ineen tot de plek tusschen de -vier muren zijner kamer. Behalve dat het vuur was uitgegaan, was zij -nog eveneens als toen hij zijne oogen had gesloten. Rachel scheen op -den stoel voor het bed te zijn ingesluimerd. Zij zat in haar omslagdoek -gewikkeld onbeweeglijk stil. De tafel stond op dezelfde plaats, dicht -naast het bed, en daarop, in hare werkelijke grootte en met alle -werkelijke eigenschappen, stond het voorwerp dat hij overal had gezien. - -Hij meende de gordijn te zien bewegen. Hij keek nog eens en was er nu -zeker van dat zij zich bewoog. Hij zag eene hand te voorschijn komen -en zoekend rondtasten. Toen bewoog de gordijn zich nog duidelijker; -eene vrouw, die in het bed lag, sloeg haar open en kwam overeind. - -Met hare jammervolle oogen, zoo woest en wanhopig, zoo groot en zoo -dof, zag zij in de geheele kamer rond, en haar blik gleed over den -hoek heen waar hij op zijn stoel zat te slapen. Hare oogen keerden -naar dien hoek terug, en zij hield hare hand als een scherm er boven, -terwijl zij er in tuurde. Nogmaals dwaalden zij door de kamer rond, -maar zonder bijna op Rachel te letten, en keerden weder naar dien hoek -terug. Terwijl zij zoo weder met de rechterhand boven de oogen zat te -turen--niet zoozeer hem aanziende, als wel naar hem zoekende, met een -dierlijk instinct dat hij daar wezen moest--dacht hij bij zich zelven, -dat er in die misvormde trekken en in den geest, dien ze afspiegelden, -geen spoor meer bestond van de vrouw, die hij achttien jaren geleden -getrouwd had. Indien hij haar niet stap voor stap zoover had zien -komen, had hij nooit kunnen gelooven dat zij dezelfde was. - -Al dien tijd bleef hij als door een toovermacht geboeid, roerloos -en machteloos zitten, zonder iets anders te kunnen doen dan op haar -te letten. - -Dof suffende of mijmerende, zonder zelve te weten waarom, bleef zij -eene poos met het hoofd tusschen de handen zitten. Daarna begon zij -weder starend in de kamer rond te kijken, en nu vielen hare oogen -voor het eerst op de tafel met de twee flesschen daarop. - -Aanstonds keerde zij hare oogen weder naar zijn hoek, met den -uitdagenden blik van den vorigen nacht, en zeer langzaam en voorzichtig -stak zij hare gretige hand uit. Zij haalde eerst een tinnen beker naar -zich toe, en bedacht zich toen eene poos, welke van de twee flesschen -zij zou kiezen. Eindelijk greep hare verstandelooze hand de flesch, -die een snellen, onvermijdelijken dood bevatte, en voor zijne oogen -trok zij met hare tanden de kurk er af. - -Het mocht een droom of werkelijkheid zijn, hij had geene stem en -geen vermogen om zich te bewegen. Als dit eene werkelijkheid, en haar -bestemde tijd nog niet gekomen is, ontwaak dan, Rachel, ontwaak! - -Zij dacht ook daaraan. Zij keek naar Rachel en schonk zeer langzaam -en voorzichtig den inhoud der flesch in den beker. Zij had het vocht -aan hare lippen. Nog een oogenblik, en zij was buiten bereik van alle -hulp, al ontwaakte ook de geheele wereld om haar met alle macht bij -te staan. Maar op dat oogenblik sprong Rachel met een gesmoorden gil -overeind. Het schepsel worstelde, sloeg naar haar, greep haar bij de -haren; maar Rachel had den beker. - -Stephen ontrukte zich aan zijn stoel. - -"Rachel, ben ik wakker of ben ik dezen ganschen akeligen nacht aan -het droomen?" - -"Het is alles wel, Stephen. Ik ben zelf in slaap geweest. Het is -haast drie ure. Stil, ik hoor de klok." - -De wind voerde hun den klank der kerkklok toe. Zij luisterden en het -sloeg drie. Stephen keek haar aan en zag hoe bleek zij was, lette -op de wanorde harer haren en de roode sporen van vingers op haar -voorhoofd, en was nu overtuigd, dat zijn gehoor en gezicht wakker -waren geweest. Zij had zelfs den beker nu nog in hare hand. - -"Ik dacht wel, dat het bij drieën moest wezen," zeide zij, terwijl -zij met bedaardheid het vocht uit den beker in de kom schonk en het -linnen daarin doopte. "Ik ben blij dat ik zoolang ben gebleven. Het -is nu gedaan, als ik er dit heb opgelegd. Daar! En nu is zij weer -stil. Ik zal het weinigje, dat nog in de kom is, weggieten, want het -is gevaarlijk goed om te laten staan, al is het nog zoo weinig." En -zoo sprekende goot zij de kom in de asch ledig en sloeg de flesch op -het haardijzer aan stukken. - -Zij had toen niets meer te doen dan zich met haar omslagdoek te dekken, -eer zij in den regen en wind naar buiten ging. - -"Gij zult mij toch met u mee laten gaan nu het zoo laat is, Rachel?" - -"Neen, Stephen. Ik ben in een oogenblik thuis." - -"Gij zijt niet bang," zeide hij met eene zachte stem, toen zij de -kamerdeur uitgingen, "om mij met haar alleen te laten?" - -Zij zag hem aan en zeide: "Stephen!" - -Hij zonk op zijne knie voor haar neer, op de morsige trap, en bracht -een tip van haar omslagdoek aan zijne lippen. - -"Gij zijt een engel! God zegene u!" - -"Ik ben, gelijk ik u gezegd heb, Stephen, uwe arme vriendin. Engelen -gelijken niet naar mij. Tusschen hen en eene arme vrouw vol gebreken -is nog eene diepe kloof. Mijn zusje is onder de engelen, maar zij -is veranderd." - -Zij sloeg hare oogen even naar omhoog toen zij dit zeide; en toen -werden zij, met al hunne vriendelijkheid en zachtmoedigheid, weder -op hem gevestigd. - -"Rachel! gij verandert mij van kwaad in goed. Gij doet mij nederig -verlangen om meer naar u te gelijken, en vreezen om u te verliezen -als dit leven voorbij is en die geheele warboel is opgeruimd. Gij zijt -een engel; het kan wel zijn dat gij mijne levende ziel behouden hebt." - -Zij zag hem aan, gelijk hij daar voor haar op zijne knie lag met een -tip van haar doek in zijne hand, en de woorden van berisping stierven -op hare lippen, toen zij in zijne trekken zijne ontroering opmerkte. - -"Ik kwam wanhopig naar huis. Ik kwam naar huis zonder eenige hoop, en -dol van de gedachte, dat ik voor een onredelijk onvergenoegd mensch -werd gehouden, als ik maar een enkel woord klaagde. Ik zeide u, dat -ik een schrik had gehad. Dat was de flesch met vergif op de tafel. Ik -heb nog nooit een levend wezen kwaad gedaan; maar toen ik dat zoo kort -daarop zag, dacht ik: Hoe kan ik zeggen wat ik mij zelven, of haar, -of ons beiden had kunnen doen?" - -Zij legde, met een gezicht vol schrik, hare beide handen op zijn -mond om hem te beletten iets meer te zeggen. Hij vatte hare handen -met de hand, die hij vrij had, en terwijl hij nog den rand van haar -doek vasthield, vervolgde hij haastig: - -"Maar ik zag u zoo bij het bed zitten, Rachel. Ik heb u dezen geheelen -nacht gezien. In mijn onrustigen slaap wist ik toch, dat gij daar nog -waart. Altijd zal ik u daar zoo zien. Nooit zal ik haar meer zien of -om haar denken, of gij zult naast haar wezen. Ik zal nooit iets zien -of om iets denken, dat mij kwaad maakt, of gij, die zooveel beter -zijt dan ik, zult er naast wezen. En zoo zal ik mijn best doen om te -wachten naar den tijd, en op dien tijd vertrouwen, wanneer gij en ik -eindelijk vereenigd zullen zijn ver van hier, aan den overkant van -die diepe kloof, in het land waar uw zusje nu al is." - -Hij kuste nog eens den rand van haar doek en liet haar gaan. Zij -wenschte hem met eene haperende stem goedennacht en ging de straat op. - -De wind waaide met kracht van den kant waar spoedig de dag zou -aanbreken. De lucht was aan dien kant opgehelderd, en de regenwolken -hadden zich geledigd of waren verder gedreven. Hij stond blootshoofds -op straat en zag haar na tot zij verdween. Gelijk de helder blinkende -sterren bij de duister brandende kaars voor het venster, zoo was -Rachel, voor de onbeschaafde verbeelding van dien man, bij de gewone -ervaring van zijn leven. - - - - - - - -XIV. - -DE GROOTE FABRIKANT. - - -De tijd liep te Coketown voort gelijk eene machine in eene -fabriek:--zóóveel grondstof verwerkt, zóóveel brandstof verteerd, -zóóveel kracht versleten en zóóveel geld gewonnen. Doch minder -onbarmhartig dan ijzer, staal en koper, bracht die tijd ook de -afwisselende jaargetijden mede, zelfs in die woestenij van rook -en baksteenen, en hij alleen bestond den kamp tegen de akelige -eentonigheid, die de stad beheerschte. - -"Louisa wordt haast een volwassen meisje," zeide mijnheer Gradgrind. - -De tijd, met zijne onberekenbare paardekracht, werkte voort, zonder -er zich aan te storen wat iemand zeide, en weldra bleek het dat de -jonge Thomas een voet langer was dan de laatste maal toen zijn vader -bijzonder op hem had gelet. - -"Thomas," zeide mijnheer Gradgrind, "wordt haast een volwassen -jongmensch." - -De tijd werkte aan Thomas voort, terwijl zijn vader er over dacht, -en daar stond hij, met zijn rok met lange panden en stijve boordjes. - -"Waarlijk," zeide mijnheer Gradgrind, "het is tijd geworden dat Thomas -naar Bounderby behoort te gaan." - -De tijd bleef met Thomas bezig, schoof hem voort in Bounderby's -kantoor, maakte hem een bewoner van Bounderby's huis, noodzaakte hem -tot het koopen van zijn eerste scheermes en oefende hem vlijtig in -zijne berekeningen betrekkelijk nommer een. - -Dezelfde groote fabrikant, altijd met eene ontzaglijke verscheidenheid -van werk onderhanden, bleef ook met Sissy bezig en maakte haar waarlijk -tot een heel aardig dingetje. - -"Ik vrees, Jupe," zeide mijnheer Gradgrind, "dat het nutteloos zou -zijn u langer te laten schoolgaan." - -"Dat vrees ik ook, mijnheer," antwoordde Sissy, voor hem nijgende. - -"Ik kan het u niet ontveinzen, Jupe," hervatte mijnheer Gradgrind, -zijn voorhoofd fronsende, "dat de uitslag van uw proeftijd op school -mij teleurgesteld heeft--mij grootelijks teleurgesteld heeft. Gij -hebt onder mijnheer en mevrouw Choakumchild lang niet zoovele -nuttige kundigheden verkregen als ik verwacht had. Gij zijt nog zeer -achterlijk in de kennis van feiten, en uwe wetenschap van cijfers is -zeer beperkt. Gij zijt over het geheel zeer achterlijk en staat lang -niet met anderen gelijk." - -"Het spijt mij zeer, mijnheer," antwoordde zij; "maar ik weet wel, dat -het de waarheid is. En toch heb ik mij veel moeite gegeven, mijnheer." - -"Ja," zeide mijnheer Gradgrind, "ja, ik geloof wel dat gij u veel -moeite hebt gegeven. Ik heb op u gelet en ik kan in dat opzicht niet -over u klagen." - -"Ik dank u wel, mijnheer. Maar ik heb wel eens gedacht" (Sissy sprak -nu zeer schroomvallig) "dat ik misschien al te veel poogde te leeren, -en dat, als ik vergunning had gevraagd om het met wat minder te -beproeven, ik misschien..." - -"Neen, Jupe, neen," zeide mijnheer Gradgrind, op zijne diepzinnigste -en stelligste manier zijn hoofd schuddende. "Neen. De cursus, dien gij -hebt gevolgd, was naar het systeem ingericht--naar het systeem--en -daarop is dus niets te zeggen. Ik kan alleen onderstellen, dat de -vroegere omstandigheden van uw leven al te ongunstig waren voor de -ontwikkeling uwer redelijke vermogens, en dat wij te laat begonnen -zijn. Maar toch, gelijk ik reeds gezegd heb, ik ben teleurgesteld." - -"Ik wenschte, dat ik meer erkentelijkheid had kunnen bewijzen, -mijnheer, voor uwe goedheid voor een arm, ongelukkig, meisje, dat -geene aanspraak op uwe bescherming had." - -"Schrei maar niet," zeide mijnheer Gradgrind. "Schrei maar niet. Ik -klaag niet over u. Gij zijt een goed, ijverig en hartelijk meisje, -en--en daarmede moeten wij maar tevreden zijn." - -"Ik dank u wel, mijnheer, dat ge dit zegt," zeide Sissy met werkelijke -dankbaarheid en ootmoedig voor hem nijgende. - -"Gij zijt nuttig bij mevrouw Gradgrind, en gij zijt ook (zoo in het -algemeen) aan de familie van dienst; zoo hoor ik van Miss Louisa, en -ik heb het ook zelf opgemerkt. Ik hoop dus," ging mijnheer Gradgrind -voort, "dat gij u in deze betrekkingen kunt tevreden stellen en -vergenoegd zijn." - -"Ik zou niets meer te wenschen hebben, mijnheer, als..." - -"Ik begrijp u," zeide mijnheer Gradgrind, "gij doelt weer op uw -vader. Ik heb van Miss Louisa gehoord, dat gij nog altijd dat fleschje -bewaart. Nu, als uwe opleiding in de redeneerkunde beter geslaagd was, -zoudt gij in dit opzicht wijzer zijn geweest. Ik wil er niets meer -van zeggen." - -Hij hield inderdaad te veel van Sissy om verachting voor haar te -koesteren; anders hield hij haar redeneervermogen voor zoo uiterst -gering, dat hij tot die gevolgtrekking had moeten geraken. Hij was, -hoe dan ook, op het denkbeeld gekomen, dat dit meisje iets in zich had, -dat moeielijk in eene tabel gebracht kon worden. Hare vatbaarheid -voor definitiën kon men gemakkelijk als zeer gering opgeven; hare -mathematische kundigheden als nul; en toch twijfelde hij er aan, of -hij, indien hij haar bij voorbeeld in de kolommen eener statistieke -opgaaf had moeten becijferen, wel recht zou geweten hebben, onder -welke hoofden hij haar moest verdeelen. - -Op sommige trappen van zijn fabriekarbeid met den mensch werkt de tijd -zeer snel voort; en daar de jonge Thomas en Sissy zich juist op zulk -een trap bevonden, werden deze snelle veranderingen in een jaar of twee -bij hen tot stand gebracht, terwijl mijnheer Gradgrind zelf op zijne -baan scheen te blijven stilstaan en geene verandering onderging--ééne -uitgezonderd, die echter met zijne overige noodzakelijke bewerking -in de fabriek des tijds in geen verband stond. De tijd stopte hem in -eene kleine, veel gerucht makende en tamelijk smerige machine, die -in een hoek achteraf stond, en maakte hem tot lid van het Parlement -voor Coketown: tot een der hooggeachte vertegenwoordigers van maten, -gewichten en cijfers, een dier honourable gentlemen, die voor alle -andere dingen doof, stom, blind, lam en dood zijn. Waarvoor leven -wij ook anders in een Christelijk land, achttienhonderd en ettelijke -jaren na onzen Meester? - -Al dien tijd was Louisa blijven voortleven zoo stil en afgetrokken, -zoo gewend om in de schemering naar de gloeiende vonken te turen, die -door den haardrooster vielen en in de asch wegstierven, dat zij van -den dag af, toen haar vader had gezegd, dat zij haast een volwassen -meisje werd--en dit scheen pas gisteren te zijn geweest--nauwelijks -zijne aandacht wederom getrokken had, tot hij bevond dat zij geheel -een volwassen meisje was geworden. - -"Geheel een volwassen meisje," zeide mijnheer Gradgrind -peinzende. "Wel, wel!" - -Kort na deze ontdekking werd hij eenige dagen lang meer nadenkend dan -gewoonlijk, en scheen hij zich geheel in één onderwerp te verdiepen. Op -zekeren avond toen hij uitging en Louisa vóór zijn vertrek goedennacht -kwam zeggen--daar hij eerst laat zou thuis komen en zij hem niet voor -den volgenden ochtend zou terugzien--sloot hij haar in zijne armen, -zag haar op zijne vriendelijkste manier aan, en zeide: - -"Mijne lieve Louisa, gij zijt nu eene volwassene vrouw." - -Zij antwoordde met den scherpen, uitvorschenden blik van dien avond, -toen zij bij het paardenspel werd betrapt. Daarna sloeg zij hare -oogen neer en zeide: "Ja, vader." - -"Kindlief," hervatte mijnheer Gradgrind, "ik moet eens alleen en -ernstig met u spreken. Kom morgenochtend na het ontbijt in mijne -kamer. Zult gij?" - -"Ja, vader." - -"Uwe handen zijn eenigszins koud, Louisa. Zijt gij niet wel?" - -"Heel wel, vader." - -"En vroolijk?" - -Zij zag hem weder aan en glimlachte op hare eigenaardige manier. "Ik -ben zoo vroolijk, vader, als ik gewoonlijk ben, of gewoonlijk ben -geweest." - -"Dat is goed," zeide mijnheer Gradgrind. - -Zoo gaf hij haar een kus en ging heen, en Louisa keerde terug naar het -vroolijke vertrek, dat zoo naar de kamer van een haarsnijder geleek, -liet haar elleboog in hare hand rusten en tuurde weder naar de vonken, -die zoo kort leefden en zoo spoedig tot asch werden. - -"Zijt gij daar, Louisa?" zeide haar broeder, zijn hoofd binnen de -deur stekende. Hij was nu een echte lichtmis geworden en niet zeer -innemend van voorkomen en manieren. - -"Beste Tom!" antwoordde zij, terwijl zij opstond en hem -omhelsde. "Hoelang is het geleden, dat ge mij niet eens hebt -opgezocht?" - -"Och, 's avonds heb ik andere dingen te doen, en over dag houdt oude -Bounderby mij tamelijk vast. Maar ik maak hem bang met u, als hij te -lastig wordt, en zoo blijven wij op een goeden voet. Zeg eens! Heeft -vader u vandaag of gisteren iets bijzonders gezegd, Louisa?" - -"Neen, Tom. Maar van avond heeft hij mij gezegd, dat hij dat -morgenochtend wilde doen." - -"Juist! Dat is het wat ik meen," zeide Tom. "Weet gij wel waar hij -van avond heen is?" En daarbij zette hij een zeer slim gezicht. - -"Neen!" - -"Dan zal ik het u zeggen. Hij is naar ouden Bounderby. Zij hebben -eene ernstige onderhandeling aan het kantoor. En waarom aan het -kantoor zoudt ge denken? Wel, dat kan ik u ook zeggen. Om de ooren -van mevrouw Sparsit op een goeden afstand te houden, geloof ik." - -Met hare hand op haar broeders schouder bleef Louisa in het vuur staan -turen. Haar broeder zag haar met meer belangstelling dan gewoonlijk -in de oogen, sloeg zijn arm om haar middel en trok haar liefkoozend -naar zich toe. - -"Gij houdt veel van mij, niet waar, Louisa?" - -"Dat doe ik waarlijk, Tom, hoewel gij zulk een langen tijd laat -verloopen, zonder mij eens te komen zien." - -"Wel, zusje," hervatte Tom, "als gij dat zegt, zijt ge niet ver van -mijne gedachten. Wij zouden veel meer bij elkander kunnen wezen, -niet waar? Het zou mij veel goed doen, als gij besluiten kondt tot -iets dat ik weet, Louisa. Het zou een heerlijk ding voor mij zijn. Het -zou allerpleizierigst voor mij wezen." - -Haar peinzenden blik verijdelde zijne listige nasporing. Hij kon uit -haar gezicht niets opmaken. Hij drukte haar in zijn arm en gaf haar -een kus op de wang. Zij beantwoordde den kus, maar bleef nog naar -het vuur staren. - -"Zeg eens, Louisa. Ik dacht dat ik eens moest aankomen en u even -een wenk geven van wat er omgaat; hoewel ik dacht, dat gij het wel -raden zoudt, al wist gij het niet zeker. Ik kan niet blijven, omdat -ik van avond afspraak heb met eenige vrienden. Gij zult niet vergeten -hoeveel gij van mij houdt?" - -"Neen, lieve Tom, dat zal ik niet vergeten." - -"Gij zijt een best meisje," zeide Tom. "Goedennacht, Louisa." - -Zij wenschte hem hartelijk een goedennacht en ging met hem naar de -deur, waar men de fornuizen van Coketown kon zien, die den hemel in -de verte met een rooden gloed kleurden. Zij bleef daar staan, strak -naar dat licht starende en naar zijne voetstappen luisterende. Zij -verwijderden zich snel, alsof hij blijde was dat hij Stone Lodge -achter den rug had; en zij bleef nog daar staan toen zij niets meer -hoorde. Het scheen alsof zij, eerst in het vuur in haar eigen huis, en -toen in den vurigen nevel in de verte, poogde te ontdekken, welk soort -van webbe de oude Tijd, de grootste en langst gevestigde fabrikant van -allen wel weven zou van de draden, die hij reeds tot eene volwassene -vrouw gesponnen had. Maar zijne fabriek is eene geheime plaats, -zijn werk maakt geen gerucht en zijne arbeiders zijn stom. - - - - - - - -XV. - -VADER EN DOCHTER. - - -Hoewel mijnheer Gradgrind niet naar Blauwbaard aardde, had men zijne -kamer toch wel de blauwe kamer mogen noemen, zulk eene menigte van -blauwe boeken (de welbekende Parlements-rapporten met hunne blauwe -omslagen) lag daar altijd voor de hand. Wat deze blauwe boeken maar -konden bewijzen (en gewoonlijk is dit al wat men maar wil), bewezen zij -daar in een leger, dat gedurig door de aankomst van nieuwe recruten -werd versterkt. In dat betooverde vertrek werden de ingewikkeldste -maatschappelijke quaestiën becijferd, tot juiste totale sommen gebracht -en voorgoed afgedaan--als zij, die er in betrokken waren, het maar -hadden willen gelooven. Alsof men een sterrenkundig observatorium -zonder vensters had gemaakt, en de sterrenkundige daarbinnen het -sterrenheelal enkel met pen, papier en inkt naar zijn zin in orde -had gebracht, zoo behoefde mijnheer Gradgrind in zijn observatorium -(en er zijn vele dergelijke) geen oog te werpen op de door elkander -wemelende millioenen van menschelijke wezens om hem heen, maar kon -al hunne aangelegenheden op een lei uitcijferen en al hunne tranen -met een vochtig stukje spons wegvegen. - -Naar dit observatorium dus--een sombere kamer, met eene doodelijke -statistieke klok er in, die elke seconde aftelde met een tik, -alsof men op het deksel eener doodkist klopte--begaf zich Louisa op -den bepaalden ochtend. Het venster zag naar Coketown uit; en toen -zij zich aan de tafel van haar vader neerzette, zag zij de hooge -schoorsteenen en de lange rookwimpels, die in de benevelde lucht -zwaarmoedig voortkronkelden. - -"Lieve Louisa," zeide haar vader, "ik heb er u gisteren op voorbereid -om mij uwe ernstige aandacht te verleenen onder het gesprek, dat wij nu -met elkander zullen houden. Gij zijt zoo wel onderwezen, en gij doet, -tot mijn genoegen, zooveel eer aan de opvoeding, die gij ontvangen -hebt, dat ik het volste vertrouwen stel in uw gezond verstand. Gij -zijt niet hartstochtelijk, gij zijt niet romanesk; gij zijt gewend om -alles uit het onpartijdig en onbevooroordeeld oogpunt van redeneering -te beschouwen. Uit dat oogpunt alleen, weet ik wel, dat gij datgene, -wat ik u nu ga mededeelen, zult beschouwen en overwegen." - -Hij wachtte alsof hij gaarne had gewild dat zij iets zeide; maar zij -sprak geen woord. - -"Louisa, kindlief, gij zijt het onderwerp van een huwelijksvoorstel, -dat mij gedaan is." - -Wederom wachtte hij, en wederom antwoordde zij geen enkel -woord. Dit verraste hem zoozeer, dat hij zachtjes herhaalde: "Een -huwelijksvoorstel, kindlief." Waarop zij, zonder eenige zichtbare -aandoening hoegenaamd, antwoordde: - -"Ik hoor u wel, vader. Ik luister met aandacht, dat verzeker ik u." - -"Wel!" zeide mijnheer Gradgrind, tot een glimlach overgaande, -nadat hij een oogenblik verlegen had gestaan, "gij zijt nog minder -hartstochtelijk dan ik verwacht had, Louisa. Of misschien zijt gij -niet onvoorbereid op het bericht, dat ik belast ben u te geven?" - -"Dat kan ik niet zeggen, vader, eer ik het hoor. Voorbereid of niet, -ik wensch het alles van u te hooren. Ik wensch het u te hooren -uiteenzetten, vader." - -Hoe vreemd het luidde, mijnheer Gradgrind was op dit oogenblik niet zoo -bedaard als zijne dochter. Hij nam een papiermes in de hand, draaide -het om en om, legde het neer, nam het weer op, en moest het toen nog -een poos bekijken, terwijl hij zich bedacht hoe hij zou voortgaan. - -"Wat gij zegt, Louisa, is volkomen redelijk en billijk. Ik heb op -mij genomen u te doen weten, dat--dat mijnheer Bounderby mij kennis -heeft gegeven, dat hij uwe ontwikkeling langen tijd met bijzondere -belangstelling en genoegen heeft gadegeslagen, en lang gehoopt heeft, -dat eindelijk de tijd zou komen, wanneer hij u zijne hand ten huwelijk -zou kunnen aanbieden. Die tijd, dien hij zoolang, en voorzeker met -groote standvastigheid, heeft afgewacht, is nu gekomen. Mijnheer -Bounderby heeft mij zijn huwelijksvoorstel gedaan, en hij heeft -mij verzocht het u mede te deelen en zijne hoop te kennen te geven, -dat gij het in gunstige overweging zult nemen." - -Beiden zwegen--het tikken der doodelijk-statistieke klok klonk luid -en hol--de rook in de verte dwarrelde woest en zwart. - -"Vader," zeide Louisa, "denkt gij, dat ik mijnheer Bounderby liefheb?" - -Mijnheer Gradgrind werd door deze onverwachte vraag zeer uit het -veld geslagen. - -"Wel, mijn kind," antwoordde hij, "dat zou ik--waarlijk niet durven -zeggen." - -"Vader," hervatte Louisa, met juist dezelfde stem als te voren, -"eischt ge van mij, dat ik mijnheer Bounderby zal liefhebben?" - -"Neen, lieve Louisa, neen, ik eisch niets." - -"Vader," hernam zij weder, "eischt mijnheer Bounderby, dat ik hem -zal liefhebben?" - -"Inderdaad, melieve," antwoordde mijnheer Gradgrind, "het is moeielijk -die vraag te beantwoorden..." - -"Moeielijk om er ja of neen op te antwoorden, vader?" - -"Zeker, melieve, omdat" (hier was iets te demonstreeren en dit hielp -hem weder op weg) "omdat het antwoord geheel afhangt, Louisa, van den -zin waarin men die uitdrukking gebruikt. Nu doet mijnheer Bounderby u -zooveel onrecht niet aan, en ook zich zelven niet, om iets romanesks -of hersenschimmigs, of (ik gebruik die woorden als synoniemen) -of sentimenteels van u te verlangen. Mijnheer Bounderby zou u met -zeer weinig nut onder zijne oogen hebben zien opgroeien, indien hij -zoo ver kon vergeten wat hij aan u, om niet te zeggen aan zijn eigen -gezond verstand, verschuldigd is, om u op zulk een voet aan zich te -willen verbinden. Derhalve zal misschien de uitdrukking zelve--ik -geef u dit maar in bedenking, lieve--een weinig misplaatst wezen." - -"Welk woord zoudt ge mij raden, in plaats daarvan te gebruiken, vader?" - -"Wel, mijn lieve Louisa," zeide mijnheer Gradgrind, die zich nu -geheel hersteld had, "daar ge mij dit vraagt, zou ik u raden om dit -onderwerp eenvoudig in het licht van een tastbaar feit te beschouwen, -gelijk ik u alle andere dingen heb leeren beschouwen. Onkundige en -ijlhoofdige jongelieden mogen zulke onderwerpen met onwezenlijke -hersenschimmen en andere ongerijmdheden, die geen werkelijk bestaan -hebben, verdonkeren, maar het is geen compliment u te zeggen, dat gij -beter weet. Wat zijn nu de feiten in dit geval? Gij zijt, wij zullen -maar een rond getal nemen, twintig jaren oud; mijnheer Bounderby, -wij nemen wederom maar een rond getal, is vijftig. Er bestaat eenige -ongelijkheid in uwe jaren, maar in uwe positie en middelen bestaat -deze ongelijkheid niet; integendeel, daarin past alles zeer wel bij -elkander. Dan komt de vraag: Is zulk eene ongelijkheid genoegzaam, om -een beletsel voor zulk een huwelijk uit te maken? Bij het beschouwen -dezer vraag is het niet ongewichtig, de statistiek van het huwelijk, -gelijk men die in Engeland en Wallis heeft opgemaakt, in overweging te -nemen. Ik vind, wanneer ik de cijfers naga, dat een groot getal dezer -huwelijken wordt aangegaan tusschen personen van zeer ongelijke jaren -en dat bij meer dan drie vierden dezer voorbeelden de oudste der twee -contracteerende partijen de bruidegom is. Het is opmerkelijk--daar het -de uitgebreide heerschappij van dezen regel aantoont--dat de beste -middelen van berekening, die ons nog door reizigers zijn geleverd, -ook onder de inboorlingen der Engelsche bezittingen in Indië, in een -aanzienlijk gedeelte van China, en bij de Kalmukken in Tartarije, -dergelijke uitkomsten geven. De ongelijkheid, die ik vermeld heb, -houdt dus bijna op eene onmogelijkheid te zijn, is om zoo te zeggen -als verdwenen. - -"Wat raadt gij dan, vader," zeide Louisa, zonder dat hare strakke -bedaardheid in het minst door die streelende uitkomsten werd geschokt, -"dat ik in de plaats zal stellen voor de woorden, die ik zoo even -heb gebruikt--voor die misplaatste uitdrukking?" - -"Louisa," antwoordde haar vader, "het komt mij voor, dat niets -duidelijker kan wezen. Als gij u stiptelijk bij de feiten bepaalt, -is het feitelijke, dat gij u zelve afvraagt, dit: Vraagt mijnheer -Bounderby mij om hem te trouwen? Ja, dat doet bij. De eenige -overblijvende vraag is dan: Zal ik hem trouwen? Mij dunkt, dat niets -duidelijker kan zijn dan dit." - -"Zal ik hem trouwen?" herhaalde Louisa met groote bedaardheid. - -"Juist. En het is eene gerustheid voor mij, als uw vader, mijne lieve -Louisa, te weten, dat gij die vraag niet in overweging gaat nemen -met die dwaze aanwensels van denk- en levenswijze, die vele jonge -vrouwen eigen zijn." - -"Neen, vader," antwoordde zij, "dat doe ik niet." - -"Ik laat u nu voor u zelve oordeelen," hervatte mijnheer Gradgrind. "Ik -heb de zaak voorgesteld, gelijk zulke zaken gewoonlijk tusschen -practische menschen voorgesteld worden; ik heb ze voorgesteld, gelijk -de zaak tusschen uwe moeder en mij indertijd voorgesteld werd. Het -overige, mijne lieve Louisa, staat aan u te beslissen." - -Van het begin af had zij hem strak zitten aanzien. Terwijl hij nu in -zijn stoel achterover leunde en op zijne beurt zijne diepliggende -oogen op haar vestigde, had hij misschien een weifelend oogenblik -bij haar kunnen waarnemen, waarin zij eene aandrift gevoelde om zich -aan zijne borst te werpen en het opgekropte vertrouwen van haar hart -voor hem uit te storten. Maar om dit te zien, had hij zich met een -sprong over de kunstmatige scheidsmuren moeten heenzetten, welke -hij sedert vele jaren tusschen zich zelven en de fijne roerselen -van het menschelijk gemoed, die alle rekenkunst teleurstellen, had -opgericht. De scheidsmuren waren te veel en te hoog voor zulk een -sprong. Hij zag het niet. Met zijn strak rekenaarsgezicht verhardde -hij haar weder; en het oogenblik snelde voorbij en stortte in de -peillooze diepte van het verledene, om zich te vermengen met al de -verlorene gelegenheden, die daar verdronken liggen. - -Hare oogen van hem afwendende, zat zij zoo lang in stilte naar de stad -te turen, dat hij eindelijk zeide: "Raadpleegt gij de schoorsteenen -van de fabrieken te Coketown, Louisa?" - -"Daar schijnt niets te wezen dan trage, eentonige rook. En toch, -wanneer de nacht komt, barst het vuur uit, vader," antwoordde zij, -zich snel naar hem omkeerende. - -"Dat weet ik waarlijk wel, Louisa. Ik zie het toepasselijke van die -aanmerking niet." Om hem recht te doen, hij deed het waarlijk niet. - -Zij wuifde even met hare hand, alsof zij daarmede van de zaak wilde -afstappen, en wederom hare aandacht op hem vestigende, zeide zij: - -"Vader, ik heb dikwijls gedacht, dat het leven zeer kort is." - -Dit punt was zoo bepaald een der onderwerpen zijner studie, dat hij -er dadelijk op inviel: - -"Het is kort zonder twijfel, melieve. Maar toch is het bewezen, -dat de duur van het menschelijk leven over het algemeen in de -laatste jaren verlengd is. De berekeningen van verschillende -levensverzekerings-maatschappijen en kantoren van lijfrenten, onder -andere cijfers, die niet kunnen missen, hebben dat feit bevestigd." - -"Ik spreek van mijn eigen leven, vader." - -"Ei zoo?" zeide mijnheer Gradgrind. "Maar ik zal u toch niet behoeven -te zeggen, Louisa, dat dit beheerscht wordt door dezelfde wetten, -die het leven in het algemeen beheerschen." - -"Zoolang het duurt, zou ik wenschen dat weinige te doen wat ik kan -en waartoe ik geschikt ben. Wat maakt het uit?" - -Mijnheer Gradgrind scheen niet wel te weten hoe hij de vier laatste -woorden moest verstaan, en antwoordde: "Hoe uitmaken? Wat uitmaken, -kindlief?" - -"Mijnheer Bounderby," vervolgde zij op hare strakke, stroeve manier, -zonder hierop te letten, "vraagt mij ten huwelijk. De vraag, die ik -mij zelve te doen heb, is: Zal ik hem trouwen? Zoo is het, vader, -niet waar? Gij hebt mij zoo gezegd, vader, hebt ge niet?" - -"Zekerlijk, kindlief." - -"Laat het dan zoo zijn. Daar het mijnheer Bounderby behaagt mij te -nemen, ben ik genegen om zijn voorslag te aanvaarden. Zeg hem, vader, -zoo spoedig als het u belieft, dat dit mijn antwoord was. Breng het -hem woord voor woord over, als ge kunt, want ik had gaarne dat hij -wist wat ik zeide." - -"Het is zeer goed, kindlief," antwoordde haar vader weltevreden, -"zeer goed om nauwkeurig te zijn. Ik zal uw zeer gepast verzoek in -acht nemen. Hebt gij eenig verlangen, mijn kind, wat den tijd van -het huwelijk betreft?" - -"Neen, vader. Wat maakt dat uit!" - -Mijnheer Gradgrind had zijn stoel een weinig naderbij geschoven en -haar bij de hand gevat; maar de herhaling dezer woorden scheen hem -wanluidend in het oor te klinken. Hij zag haar met bevreemding aan, -en haar nog steeds bij de hand houdende, zeide hij: - -"Louisa, ik heb het niet van belang geacht u ééne vraag te doen, omdat -de mogelijkheid, die zij vooronderstelde, mij al te ver verwijderd -voorkwam. Maar misschien behoor ik haar toch te doen. Hebt gij ooit -in het geheim eenig ander voorstel aangenomen?" - -"Vader," antwoordde zij, bijna met verachting, "welk ander voorstel -kon mij gedaan zijn? Wie heb ik gezien? Waar ben ik geweest? Welke -ervaring heeft mijn hart gehad?" - -"Mijne lieve Louisa," hervatte mijnheer Gradgrind gerustgesteld en -tevreden, "gij hebt gelijk, dat ge mij zoo terecht wijst. Ik wenschte -alleen aan mijn plicht te voldoen." - -"Wat weet ik, vader," zeide Louisa op haar bedaarden toon, "van -smaak en verbeelding, van verlangens en neigingen, van eene plaats -in mijn gemoed, waar zulke beuzelachtige dingen konden aangekweekt -zijn? Wanneer ben ik ooit vrij geweest van problema's, die men -demonstreeren, en werkelijkheden, die men tasten kan?" Terwijl zij -dit zeide, sloot zij onwillekeurig hare hand, alsof zij een tastbaar -voorwerp greep, en opende ze weder langzaam, alsof zij er stof en -asch uit liet vallen. - -"Zeer waar, kindlief, zeer waar," zeide haar uitnemend practische -vader. - -"Wel, vader," vervolgde zij, "welk eene zonderlinge vraag dan om -mij te doen! Zelfs de kinderlijke voorkeur, die ik gehoord heb dat -bij kinderen gewoon is, heeft nooit hare onschuldige rustplaats in -mijne borst gehad. Gij hebt zoo goed op mij gepast, dat ik nooit een -kinderhart gehad heb. Gij hebt mij zoo goed onder tucht gehouden, -dat ik nooit een kinderdroom heb gedroomd. Gij hebt zoo verstandig -voor mij gezorgd, vader, dat ik, van mijne wieg af tot op dit uur, -nooit kinderlijk geloof of kinderlijke vrees heb gekend." - -Mijnheer Gradgrind was opgetogen en aangedaan over den gelukkigen -uitslag van zijn opvoedingsstelsel en deze getuigenis daarvan. - -"Mijne lieve Louisa," zeide hij, "gij beloont mij rijkelijk voor al -mijne zorg. Geef mij een kus, meisjelief." - -Zijne dochter gaf hem een kus. En haar in zijne armen houdende, -vervolgde hij: - -"Ik mag u nu verzekeren, mijn geliefkoosd kind, dat het verstandige -besluit, waartoe gij gekomen zijt, mij gelukkig maakt. Mijnheer -Bounderby is een uitstekend man: en welke kleine ongelijkheid men -ook tusschen u kan vinden--indien er eenige bestaat--zij wordt meer -dan opgewogen door de stemming, die uw gemoed heeft verkregen. Het -is altijd mijn doel geweest u zoo op te voeden, dat gij, terwijl -gij nog in uwe prille jeugd waart (als ik mij zoo mag uitdrukken) -bijna stokoud zoudt wezen. Geef mij nog een kus, Louisa. En laten -wij nu uwe moeder gaan opzoeken." - -Zij gingen naar het salon, waar de achtenswaardige dame, die van -geene malligheid wist, volgens gewoonte op eene sofa lag, terwijl -Sissy bij haar zat te werken. Toen zij binnenkwamen, gaf zij eenige -flauwe teekenen van herleving, en weldra kwam het schemerachtige -damesportret overeind. - -"Mevrouw Gradgrind," zeide haar echtgenoot, die met eenig ongeduld -naar het volbrengen van dit kunststuk had gewacht, "laat ik u mevrouw -Bounderby mogen presenteeren." - -"Zoo!" zeide mevrouw Gradgrind; "dus hebt gij het in orde gebracht? Nu, -Louisa, ik hoop, dat gij eene goede gezondheid moogt houden; want als -uw hoofd begint te splijten zoodra gij getrouwd zijt, gelijk met het -mijne gebeurd is, kan ik u niet benijdenswaardig vinden, hoewel gij -dat nu zeker doet, evenals alle meisjes. Evenwel, ik feliciteer u, -kindlief,--en ik hoop, dat gij nu nut zult hebben van al uwe ologische -studiën, dat doe ik. Ik moet u een felicitatie-kus geven, Louisa; -maar raak mijn rechterschouder niet aan, want het is mij al den -geheelen dag alsof er ik weet niet wat langs loopt. En nu, ziet ge," -vervolgde zij op een jammerenden toon, terwijl zij na den afloop -der aandoenlijke plechtigheid hare shawls weder terecht schikte, -"zal ik mij zelve nacht en dag, ochtend en avond moeten martelen, -om te weten hoe ik hem zal moeten noemen!" - -"Mevrouw Gradgrind," zeide haar echtgenoot op plechtigen toon, -"wat meent gij?" - -"Hoe ik hem zal moeten noemen, mijnheer Gradgrind, als hij met -Louisa getrouwd is. Ik moet hem toch iets noemen. Het is onmogelijk," -vervolgde mevrouw Gradgrind, met eene mengeling van beleefdheid en -wreveligheid, "hem gedurig aan te spreken en hem nooit een naam -te geven. Ik kan hem geen Josiah noemen, want die naam is mij -onuitstaanbaar. Gij zoudt niet van Joe willen hooren, dat weet ge -zelf wel. Zal ik mijn eigen schoonzoon dan mijnheer moeten noemen? Ik -geloof van neen, of de tijd moet gekomen zijn, dat ik als eene arme -zieke door mijne betrekkingen vertrapt moet worden. Hoe zal ik hem -dan moeten noemen?" - -Daar geen der aanwezigen in deze buitengewone verlegenheid eenigen -raad had aan te bieden, liet mevrouw Gradgrind zich voorshands weder -in hare levenloosheid verzinken, nadat zij bij het reeds gezegde nog -het volgende codicil had gevoegd: - -"Wat de bruiloft betreft, Louisa, is al wat ik vraag--en dat vraag -ik met eene hartklopping, die ik tot in mijne teenen voel--dat zij -spoedig mag plaats hebben. Anders weet ik wel, dat zij weder een van -die dingen zal zijn, waarvan ik nooit het einde zal hooren." - -Toen mijnheer Gradgrind zijne dochter als mevrouw Bounderby -presenteerde, hief Sissy eensklaps haar hoofd op en zag Louisa met -eene mengeling van aandoeningen aan--verwondering, medelijden, spijt -en twijfel. Louisa had dit opgemerkt zonder haar aan te zien. Van -dit oogenblik af was zij stug, koud en trotsch--hield zij Sissy op -een afstand--en was voor deze geheel veranderd. - - - - - - - -XVI. - -MAN EN VROUW. - - -De eerste ongerustheid, die mijnheer Bounderby kwelde, nadat hij zijn -geluk had vernomen, was de noodzakelijkheid om dit geluk aan mevrouw -Sparsit mede te deelen. Hij kon het met zich zelven niet eens worden -hoe hij dit zou doen en welke gevolgen die stap zou kunnen hebben. Of -zij oogenblikkelijk met pak en zak zou opbreken en naar Lady Scadgers -gaan, of dat zij hardnekkig weigeren zou het huis te verlaten; of zij -zou jammeren en schelden, schreien of uitvaren; of het haar het hart -zou breken, dan of zij den spiegel zou stuk slaan; mijnheer Bounderby -was niet in staat om er iets van te berekenen. Evenwel, daar het -moest gedaan worden, bleef hem geene andere keus dan het maar te doen: -en nadat hij verscheidene malen had beproefd een brief te schrijven -en dit hem telkens mislukt was, besloot hij het mondeling te wagen. - -Onderweg naar huis, op den avond die tot dat gewichtig doel was -uitgekozen, nam hij de voorzorg van bij een apotheker aan te gaan en -een fleschje allersterkste spiritus te koopen. "Waarachtig," dacht -mijnheer Bounderby, "als zij aan het flauwvallen verkiest te gaan, -zal ik haar toch het vel van den neus branden." Doch, niettegenstaande -hij zich aldus had gewapend, trad hij met eene alles behalve moedige -houding zijn huis binnen, en verscheen voor het voorwerp van zijn -vreesachtig wantrouwen met het voorkomen van een hond, die bewust is -dat hij zoo pas uit de etenskast komt. - -"Goedenavond, mijnheer Bounderby." - -"Goedenavond, juffrouw, goedenavond." - -Hij schoof zijn stoel bij, en mevrouw Sparsit schoof den haren -achteruit, als wilde zij zeggen: "Het is uw haard, mijnheer. Dat -geef ik gewillig toe. Gij kunt hem geheel in beslag nemen, als het -u zoo belieft." - -"Verhuis maar niet naar de noordpool, juffrouw," zeide mijnheer -Bounderby. - -"Wel verplicht, mijnheer," antwoordde mevrouw Sparsit en schoof weder -bij, hoewel niet zoo dicht als te voren. - -Mijnheer Bounderby bleef naar haar zitten kijken, terwijl zij met de -punt eener scherpe, spitse schaar gaatjes in een lap kamerdoek stak, -die op eene of andere onverklaarbare manier tot sieraad moest dienen; -een werk, dat met de donkere oogen en den arendsneus in verband -gebracht, aan een havik deed denken, die een klein vogeltje de oogen -uitpikte. Zij vestigde zoozeer hare aandacht op deze bezigheid, dat -er vele minuten verliepen eer zij van haar werk opkeek; toen zij dit -eindelijk deed, verzocht mijnheer Bounderby, met eene zenuwachtige -beweging van zijn hoofd, om hare opmerkzaamheid. - -"Mevrouw Sparsit," zeide mijnheer Bounderby, zijne handen in zijne -zakken stekende, en zich met zijne rechterhand verzekerende of de kurk -van het fleschje gemakkelijk losging. "Ik behoef u niet te zeggen, -dat gij niet alleen eene geborene dame, maar ook eene drommels -verstandige vrouw zijt." - -"Mijnheer," antwoordde de dame, "het is waarlijk de eerste maal niet, -dat ge mij met dergelijke uitdrukkingen van uwe goede meening hebt -vereerd." - -"Mevrouw Sparsit," hervatte mijnheer Bounderby. "Ik zal u eens doen -verbazen." - -"Zoo, mijnheer?" antwoordde mevrouw Sparsit vragenderwijs en op den -bedaardst mogelijken toon. Zij droeg gewoonlijk mofjes, en legde nu -haar werk neer en streek die mofjes glad. - -"Juffrouw," vervolgde mijnheer Bounderby, "ik zal met Tom Gradgrind's -dochter gaan trouwen." - -"Zoo, mijnheer?" antwoordde mevrouw Sparsit. "Dan hoop ik dat gij -gelukkig zult wezen. Waarlijk, ik hoop, dat gij gelukkig zult wezen, -mijnheer!" Zij zeide dit met zooveel nederbuigende goedheid en zooveel -medelijden voor hem, dat mijnheer Bounderby--veel meer ontsteld, -dan wanneer zij haar werkdoosje naar den spiegel had gesmeten, of op -het haardkleedje was flauw gevallen--de kurk van het fleschje in zijn -zak stijf vastduwde en dacht: - -"Dat drommelsche wijf! Wie zou gedacht hebben, dat zij het zóó zou -opnemen?" - -"Ik wensch met al mijn hart, mijnheer," zeide mevrouw Sparsit, op -een toon van hooge meerderheid (want zij scheen, hoe dan ook, in een -oogenblik het recht te hebben verkregen om hem voortaan ten diepste -te beklagen), "dat gij in alle opzichten zeer gelukkig zult zijn." - -"Wel, juffrouw," antwoordde mijnheer Bounderby, met zekere geraaktheid -in zijn toon, die echter, hoewel zijns ondanks, aanmerkelijk lager -werd; "ik ben u zeer verplicht. Ik hoop het ook." - -"Doet ge, mijnheer?" zeide mevrouw Sparsit met buitengemeene -vriendelijkheid. "Maar dat is natuurlijk. Het spreekt vanzelf, dat -gij het doet." - -Er volgde eene stilte, die voor mijnheer Bounderby zeer lastig -was. Mevrouw Sparsit nam zeer bedaard haar werk weder op en liet -nu en dan een kuchje hooren, waaruit de bewustheid van overmacht en -goedertierenheid scheen te klinken. - -"Wel, juffrouw," hervatte mijnheer Bounderby, "onder deze -omstandigheden verbeeld ik mij, dat het voor iemand van uw karakter -niet aangenaam zou zijn om hier in huis te blijven, hoewel gij hier -zeer welkom zoudt zijn." - -"O Heere, neen, mijnheer, daaraan zou ik nooit kunnen denken!" - -Mevrouw Sparsit schudde zeer deftig haar hoofd en veranderde het -kuchje een weinig--nu zóó kuchende alsof de geest der profetie in -haar opsteeg, maar liever gesmoord moest worden. - -"Evenwel, juffrouw," zeide mijnheer Bounderby, "er zijn aan het kantoor -nog kamers open. Eene geborene dame daar tot huishoudster te hebben, -zou eene soort van recommandatie zijn; en als dezelfde condities..." - -"Ik verzoek wel verschooning, mijnheer. Gij zijt zoo goed geweest mij -te beloven, dat gij altijd de uitdrukking van jaarlijksch compliment -zoudt bezigen." - -"Welnu dan, juffrouw, jaarlijksch compliment. Als hetzelfde -jaarlijksche compliment u voldoende mocht zijn, dan zie ik geene -reden waarom wij zouden scheiden, of gij moest dat willen." - -"Mijnheer," antwoordde mevrouw Sparsit, "dat is een voorstel, waarin -ik uwe gewone manier van handelen herken; en als de positie, die ik -aan het kantoor zal verkrijgen, zoodanig is, dat ik die kan aannemen -zonder tot een lager trap in de maatschappij te dalen..." - -"O, dat spreekt vanzelf," zeide Bounderby. "Als het zoo niet was, -juffrouw, denkt gij dan dat ik ze zou aanbieden aan eene dame, die -in de kringen heeft verkeerd, waarin gij verkeerd hebt? Niet dat ik -om zulke kringen geef, dat weet gij. Maar gij doet het wel." - -"Ge zijt zeer beleefd, mijnheer Bounderby." - -"Gij zult uwe eigene kamers hebben, en uwe steenkolen en kaarsen -en dat alles, en gij zult eene meid hebben om u te bedienen, en een -kantoorknecht, die in huis slaapt tot uwe veiligheid, en gij zult een -leventje hebben, dat ik zoo vrij ben voor een heerlijk, gemakkelijk -leventje te houden," zeide Bounderby. - -"Zeg niets meer, mijnheer," hervatte mevrouw Sparsit. "Als ik mijn -post hier verlaat, zal ik niet bevrijd zijn van de noodzakelijkheid -om het brood der afhankelijkheid te eten;" zij had wel mogen zeggen -de bestellen der afhankelijkheid, want dat fijne gebak met eene -lekkere bruine saus was haar geliefkoosd avondmaal; "en ik wilde dat -liever uit uwe hand ontvangen, dan uit eene andere. Ik neem dus uw -aanbod met dankbaarheid aan, mijnheer, en betuig u mijne oprechte -erkentelijkheid voor uwe vroegere gunsten. En ik hoop, mijnheer," -zoo besloot zij op een deftig medelijdenden toon, "ik hoop hartelijk, -dat Miss Gradgrind alles mag wezen wat gij verwacht en verdient!" - -Niets was verder in staat om mevrouw Sparsit uit deze stemming te -brengen. Het was vruchteloos, dat mijnheer Bounderby snoefde of -zich op zijne opvliegende manier liet gelden; mevrouw Sparsit had -zich voorgenomen medelijden met hem te hebben als een ongelukkig -slachtoffer. Zij was beleefd, oplettend, opgeruimd en gemoedelijk; -maar hoe beleefder, oplettender, opgeruimder en gemoedelijker zij -was, des te ongelukkiger slachtoffer was hij. Zij had zulk een teeder -medelijden met zijn droevig lot, dat zijn groot rood gezicht in een -koud zweet uitbrak als zij hem maar aanzag. - -Intusschen werd er bepaald, dat het huwelijk over acht weken zou -worden voltrokken, en elken avond ging mijnheer Bounderby als -erkend minnaar naar Stone Lodge. Zijne vrijage had den vorm van -braceletten, en nam gedurende de bruidsdagen bij alle gelegenheden -een fabriekmatig voorkomen aan. Er werden kleedjes gefabriceerd, -kleinooden gefabriceerd, taarten en handschoenen gefabriceerd, -huwelijksvoorwaarden gefabriceerd--een geheel assortiment van feiten -deed het contract eene gepaste eer aan. De zaak was geheel prozaïsch -van het begin tot het einde. De uren maakten geen van die rooskleurige -kunstjes, welke dwaze poëten hun in zulke dagen hebben toegeschreven; -en de klokken liepen, ook niet sneller of langzamer dan in ieder -ander tijdperk. De statistieke tijdmeter in het observatorium van -mijnheer Gradgrind bleef elke seconde, die geboren werd, met zijne -gewone regelmatigheid op den kop tikken en begraven. - -Zoo kwam de dag, gelijk alle andere dagen komen voor menschen, die -zich maar bij het gezond, verstand houden; en toen hij kwam, werden -in de kerk met de geornamenteerde houten beenen Josiah Bounderby -Esquire van Coketown, en Louisa, oudste dochter van Thomas Gradgrind -Esquire van Stone Lodge, lid van het Parlement voor genoemde stad, -met elkander getrouwd. En toen zij in den heiligen echt vereenigd -waren, begaven zij zich naar Stone Lodge om te ontbijten. - -Er was bij die heilspellende gelegenheid een gezelschap van wel -onderwezen lieden verzameld, die wisten waarvan alles wat zij te eten -en te drinken kregen gemaakt was, en hoe het ingevoerd of uitgevoerd -werd, in welke hoeveelheden én welke bodems, en of het inlandsch of -buitenlandsch product was, en zoo voorts. De speelnootjes der bruid, -zelfs tot aan de kleine Jane Gradgrind toe, hadden gevoeglijk met den -vermaarden kleinen rekenmeester, die een jeugdig wonder van aangeboren -rekentalent was, gepaard kunnen worden; en niemand van het gezelschap -had eenige malligheid over zich. - -Na het déjeuné sprak de bruidegom de gasten met de volgende woorden -aan: - -"Heeren en dames, ik ben Josiah Bounderby van Coketown. Daar gij -mijne vrouw en mij de eer hebt bewezen van op onze gezondheid en geluk -te drinken, vermeen ik u daarvoor te moeten dankzeggen; hoewel gij, -die mij allen kent en weet wie ik ben, geene mooie redevoering zult -verwachten van een man die, als hij een paal ziet, zegt: "dat is een -paal," en als hij eene pomp ziet, zegt: "dat is eene pomp," en er niet -toe te krijgen is om den paal eene pomp of de pomp een paal, of een van -beide een tandenstoker te noemen. Als gij van morgen eene redevoering -wilt hebben, mijn vriend en schoonvader, Tom Gradgrind, is lid van het -Parlement, en dus weet gij waar gij terecht kunt komen. Ik ben uw man -niet. Evenwel, als ik mij eenigszins onafhankelijk gevoel, wanneer ik -vandaag deze tafel rondzie, en bedenk hoe weinig ik er aan dacht om Tom -Gradgrind's dochter te trouwen, toen ik nog een havelooze straatjongen -was, die nooit zijn gezicht waschte of het was op straat aan eene pomp, -en dat niet meer dan eens om de veertien dagen, hoop ik dat men mij -verontschuldigen zal. Ik hoop dus dat het u niet mishaagt, dat ik mij -onafhankelijk gevoel; zoo ja, dan kan ik het niet helpen. Ik gevoel -mij toch onafhankelijk. Nu heb ik er van gesproken, en gij hebt er van -gesproken, dat ik vandaag met Tom Gradgrind's dochter ben getrouwd. Ik -ben zeer blij, dat het zoo is. Het is lang mijn wensch geweest dat het -eens zoo wezen zou. Ik heb hare opvoeding gadegeslagen, en ik geloof, -dat zij mijner waardig is. Tegelijkertijd--om er maar geen doekjes -om te winden--geloof ik, dat ook ik harer waardig ben. Ik dank u dus -in ons beider naam voor de welwillendheid, die gij ons bewezen hebt, -en de beste wensch, dien ik voor het ongetrouwde gedeelte van het -aanwezige gezelschap kan uitbrengen, is deze: ik hoop, dat ieder -ongetrouwd vrijer zulk eene goede vrouw mag vinden als ik gevonden -heb. En ik hoop, dat elke ongetrouwde vrijster zulk een goed man mag -vinden als mijne vrouw heeft gevonden." - -Kort na deze redevoering--want men zou een bruiloftstoertje naar -Lyons doen, dewijl mijnheer Bounderby de gelegenheid wilde waarnemen, -om te zien hoe de fabrieksarbeiders het in die streken maakten, -en of zij ook met gouden lepels wilden gevoerd worden--begaf het -gelukkige paar zich naar den spoorweg. Toen de bruid, voor de reis -gekleed, de trap afkwam, vond zij Tom naar haar staan wachten, met -een gloeiend rood gezicht, hetzij van aandoening of van den wijn, -dien hij onder het déjeuné had gedronken. - -"Welk eene cordate meid zijt ge toch, en welk eene allerbeste zuster, -Louisa!" fluisterde Tom. - -Zij sloot hem in hare armen, gelijk zij dien dag een wezen van veel -beter aard in hare armen had moeten sluiten, en voor de eerste maal -scheen hare strakke bedaardheid eenigszins geschokt te worden. - -"Oude Bounderby is al klaar," zeide Tom. "Het is tijd. Goedendag. Ik -zal naar u staan uitkijken, als ge terugkomt. Zeg eens, lieve Louisa, -is dat nu niet razend prettig!" - - - - - - - - -TWEEDE BOEK, MAAIEN. - - -XVII. - -KANTOORZAKEN. - - -Een zonnige zomerdag. Zoo iets had men somtijds zelfs te Coketown. - -Bij zulk weder, op een afstand gezien, lag Coketown in een -eigenaardigen damp verscholen, die voor de zonnestralen ondoordringbaar -scheen. Men wist alleen dat de stad daar lag, omdat men wist dat -er zonder stad niet zulk een vuile vlek op het vergezicht had -kunnen zijn--een veeg van roet en rook, die ongeregeld nu naar den -eenen, dan naar den anderen kant afdreef, nu eerzuchtig naar het -hemelgewelf opsteeg, dan groezelig langs de aarde kroop, naarmate de -wind aanwakkerde of verflauwde, of naar eene andere streek omliep; -eene dichte, vormlooze dwarrelwolk, met flikkerende lichtstralen er -dwars doorheen, die echter niets dan massa's van duisternis zichtbaar -maakten.--Zóó deed Coketown zich op een afstand herkennen, al was er -nog geen steen van te zien. - -Het verwonderlijkste was, dat de stad nog bestond. Zij was reeds zoo -dikwijls geruïneerd, dat men zich moest verbazen, hoe zij zoovele -schokken had doorgestaan. Zeker was er nooit brozer porselein dan dat, -waarvan de fabrikanten van Coketown gemaakt waren. Men behoefde hen -maar even aan te tasten, en zij vielen zoo gemakkelijk in stukken, dat -men wel vermoeden kon dat zij vroeger al gekraakt waren. Zij werden -geruïneerd, als men van hen vorderde dat zij de arbeidende kinderen -naar school zouden zenden; zij werden geruïneerd als er inspecteurs -werden aangesteld om toezicht in hunne fabrieken te houden; zij werden -geruïneerd, wanneer zulke inspecteurs het voor twijfelachtig hielden of -de eigenaars wel recht hadden om menschen tusschen hunne machinerie te -laten klein-malen; zij werden geheel in den grond geboord, als men er -een wenk van gaf, dat zij misschien niet altijd zooveel rook behoefden -te maken. Behalve mijnheer Bounderby's gouden lepel, waaraan men in -Coketown algemeen geloofde, was nog eene andere fictie daar zeer in -zwang. Deze had den vorm van een dreigement. Wanneer een Coketowner -fabrikant begreep, dat hij mishandeld werd--dat is te zeggen, wanneer -men hem niet geheel en al zijn eigen weg liet gaan en er over sprak -om hem voor de gevolgen van sommige zijner bedrijven verantwoordelijk -te stellen--kwam hij steeds met het geduchte dreigement voor den dag, -dat hij "veel liever al zijn eigendom in de zee wilde smijten." Dit had -den minister van binnenlandsche zaken bij verschillende gelegenheden -een doodschrik op het lijf gejaagd. - -Evenwel waren de Coketowners toch zoo vaderlandslievend, dat zij -nog nooit hun eigendom in de zee hadden gesmeten, maar integendeel -vriendelijk genoeg waren geweest om er zeer goed op te passen. Zoo lag -daar nog de stad in gindschen damp; en zij werd al grooter en grooter. - -De straten waren op dien zomerdag heet en stofferig, en de zon was zoo -helder, dat zij zelfs door den dikken nevel, die over Coketown hing, -heen scheen en men haar niet strak kon aanzien. De stokers kwamen -uit lage deuren onder den grond de fabriekwerven op, en zaten op -trappen, palen en staketsels hunne zwarte gezichten af te vegen en -naar de hoopen steenkool te turen. De geheele stad scheen in olie te -braden. Overal heerschte een verstikkende reuk van heete olie. De -stoommachines blonken er van, de kleederen der arbeiders waren er -mede besmeerd, en door al de talrijke verdiepingen der fabriekgebouwen -sijpelde en druppelde zij heen. De dampkring dier Tooverpaleizen geleek -naar den adem van den Simoum; en hunne bewoners, smeltende van hitte, -sloofden in de woestijn kwijnend voort. Doch geen warmtegraad maakte -de zwaarmoedige olifanten razender of stiller. Hunne vervelende koppen -gingen, in warm en koud, in nat en droog, in fraai en slecht weder, -op dezelfde maat op en neer. De afgemetene beweging hunner schaduwen op -de muren was het surrogaat, dat Coketown voor de schaduw van ritselende -boschjes kon vertoonen; terwijl het voor het zomergegons der insecten, -het geheele jaar door, van den dageraad van maandag tot den avond -van zaterdag, het snorren van spillen en raderen kon aanbieden. - -Droomerig snorden zij dien geheelen dag door, en maakten den -voorbijganger nog warmer en slaperiger als hij de brommende muren -der fabrieken genaakte. Zonneblinden en watersprenkelen verkoelden -de voornaamste straten en winkels een weinig; maar de fabrieken, -de steegjes en hofjes werden tot eene gloeihitte geblakerd. Op de -rivier, zwart en dik van opgeloste stoffen, waren eenige jonge knapen -aan het pleizier hebben--een zeldzaam gezicht aldaar--en roeiden eene -wrakke boot voort, die een schuimachtig spoor op het water naliet, -terwijl elke indompeling van een roeiriem een vuilen stank deed -oprijzen. De zon zelve, hoe weldadig ook in het algemeen, was minder -vriendelijk voor Coketown dan eene harde vorst, en tuurde zelden met -aandacht in de dichtst bevolkte wijken, zonder meer dood dan leven -voort te brengen. Zoo wordt het oog des Hemels zelfs een boos oog, -wanneer er onbekwame of onreine handen worden gehouden tusschen dat -oog en datgene, wat het met zijn blik wil zegenen. - -Mevrouw Sparsit zat in hare namiddagkamer in het kantoor, aan de -schaduwzijde der bradende straat. De kantooruren waren voorbij, en op -dien tijd van den dag vereerde zij meestal de bestuurskamer, boven het -eigenlijke kantoor, met hare hoogst fatsoenlijke tegenwoordigheid. Hare -eigene zitkamer was eene verdieping hooger en daar was zij elken -morgen op haar observatiepost voor het venster, gereed om mijnheer -Bounderby, als hij de straat overstapte, met het medelijdende knikje, -dat een ongelukkig slachtoffer toekwam, te begroeten. Hij was nu een -jaar getrouwd, en mevrouw Sparsit had hem nooit een oogenblik van -haar vastberaden medelijden ontslagen. - -Het bankierskantoor van Bounderby en Comp. deed de heilzame -eentonigheid der stad geen geweld aan. Het was insgelijks een van -roode baksteenen gemetseld huis, met zwarte luiken van buiten, -groene rolgordijnen van binnen, eene zwarte straatdeur met eene -witte stoep van twee treden, een koperen naamplaatje en een koperen -deurknop als een sluitteeken. Het was een soort grooter dan het -woonhuis van mijnheer Bounderby, gelijk andere huizen van een tot -zes soorten kleiner waren; in alle andere opzichten was het strikt -volgens het patroon. - -Mevrouw Sparsit was er zich van bewust dat zij, door in den avond -tusschen de lessenaars en het schrijfgereedschap te komen zitten, -het kantoor eene vrouwelijke, om niet te zeggen aristocratische, -elegantie mededeelde. Met haar naai--of knoopwerk bij het venster -gezeten, streelde haar het gevoel, dat zij door hare damesachtige -houding het onbehaaglijk kantoorachtige voorkomen van het vertrek veel -verbeterde. Met deze bewustheid van haar veredelenden invloed, hield -zij zich zelve eenigermate voor de Fee van het kantoor. De lieden uit -de stad, die haar in het voorbijgaan zagen zitten, beschouwden haar -als den draak van het kantoor, die de wacht hield over de schatten -der mijn. - -Waarin die schatten bestonden, wist mevrouw Sparsit evenmin als -deze voorbijgangers. Gouden en zilveren munt, kostbare papieren, -geheimen die, als zij ontdekt werden, zekere onbestemde personen -(maar zij dacht meestal aan menschen die haar mishaagden) met een -onbestemd ongeluk zouden overstelpen, waren de voornaamste artikelen -op hare denkbeeldige lijst daarvan. Voor het overige wist zij, dat -zij na den kantoortijd de opperheerschappij over alle kantoormeubelen -voerde, en ook over de geslotene ijzeren kamer met drie sloten, tegen -welker deur de kantoorlooper elken avond zijn hoofd neerlegde op een -kermisbed, dat met het hanengekraai weder verdween. Verder was zij -opperheerscheres over zekere gewelven in de kelderverdieping, die door -een hekwerk met scherpe pennen van alle gemeenschap met de diefachtige -wereld waren afgescheiden; en over de overblijfselen van het loopende -kantoorwerk, bestaande uit inktspatten, afgesletene pennen, gebrokene -ouwels en stukjes papier, zoo klein gescheurd dat zij er, als zij dit -beproefde, niets van eenig aanbelang op kon ontcijferen. Eindelijk -was zij voogdesse over een klein arsenaal van sabels en karabijnen, -dreigend boven een der schoorsteenmantels opgehangen, en over die door -de overlevering eerwaardige voorwerpen, welke de verbeelding nimmer van -een rijk bankierskantoor kan afscheiden--eene rij brandemmers, dingen, -die bij geene gelegenheid van eenig nut kunnen zijn, maar die men -waarneemt dat op de meeste beschouwers een krachtigen moreelen invloed -uitoefenen, bijna gelijk staande met dien van het gemunt metaal. - -Eene doove schoonmaakster en de kantoorlooper voltooiden het gebied -van mevrouw Sparsit. Van de doove schoonmaakster zeide het gerucht dat -zij rijk was; en jarenlang had onder de lagere klasse te Coketown de -voorspelling rondgeloopen, dat zij eens op een avond, als het kantoor -gesloten was, om haar geld zou vermoord worden. Men hield het er -zelfs algemeen voor, dat haar tijd reeds om was en zij al voorlang -had moeten ontsnappen; maar zij behield haar leven en haar post met -eene koppigheid, die veel ergernis en teleurstelling veroorzaakte. - -Het theegoed van mevrouw Sparsit was juist voor haar gereed gezet op -een nuffig tafeltje, met zijne drie pootjes in een zeer geaffecteerde -houding, dat zij na den kantoortijd in het gezelschap der stugge, -lange, met leer bekleede bestuurstafel inschoof, die het midden van -het vertrek besloeg. De kantoorlooper plaatste het theeblad daarop, -en drukte als bewijs van hulde zijne kneukels tegen zijn voorhoofd. - -"Dankje, Bitzer," zeide mevrouw Sparsit. - -"Ik bedank u, juffrouw," antwoordde de kantoorlooper, die er nog even -flauw en kleurloos uitzag als toen hij voor het meisje Nommer Twintig -eene definitie van een paard gaf. - -"Alles gesloten, Bitzer?" zeide mevrouw Sparsit. - -"Alles gesloten, juffrouw." - -"En wat nieuws is er vandaag?" hervatte mevrouw Sparsit, terwijl zij -een kop thee voor zich inschonk. "Is er iets?" - -"Wel, juffrouw, ik kan niet zeggen dat ik iets bijzonders gehoord -heb. Ons volkje is een slechte troep, juffrouw; maar dat is ongelukkig -geen nieuws." - -"Wat zijn die onrustige kerels nu weer doende?" vroeg mevrouw Sparsit. - -"Zij gaan hun gang maar op de oude manier, juffrouw, maken -vereenigingen en verbonden en beloven elkander bij te staan." - -"Het is zeer te beklagen," zeide mevrouw Sparsit, met eene strengheid, -die haar arendsneus nog krommer en hare wenkbrauwen nog zwaarder -deed worden, "dat de gezamenlijke meesters zulke vereenigingen van -die klasse toelaten." - -"Ja, juffrouw," zeide Bitzer. - -"Daar zij zelven vereenigd zijn, moesten zij beletten dat er iemand -als werkman aangenomen werd, die zich met iemand anders vereenigde," -zeide mevrouw Sparsit. - -"Dat hebben zij ook gedaan, juffrouw," antwoordde Bitzer; "maar het -lukte niet heel goed." - -"Ik wil niet beweren, dat ik verstand van die zaken heb," zeide mevrouw -Sparsit met deftigheid, "daar het lot mij door mijne geboorte in een -geheel andere sfeer had geplaatst, en mijnheer Sparsit, als een Powler, -insgelijks buiten den kring van zulke geschillen was. Ik weet alleen, -dat die lieden tot rede gebracht moeten worden, en dat het hoog tijd -is dat dit voor eens en voor altijd gedaan wordt." - -"Ja, juffrouw," antwoordde Bitzer, met een vertoon van grooten eerbied -voor het gezag der orakelspreuken van mevrouw Sparsit. "Gij zoudt -het iemand niet duidelijker kunnen doen begrijpen, juffrouw." - -Daar dit het gewone uur voor hem was, om een vertrouwelijk praatje met -mevrouw Sparsit te hebben, en hij reeds aan hare oogen had gezien dat -zij hem iets wilde vragen, hield hij zich eene poos bezig met linialen, -inktkokers en zoo al meer in orde te schikken, terwijl de dame haar -kop thee uitdronk en door het opene venster naar de straat keek. - -"Is het een drukke dag geweest, Bitzer?" vroeg mevrouw Sparsit. - -"Geen heel drukke dag, mevrouw. Zoo wat een gewone dag." Nu en dan -liet hij zich het woord "mevrouw" in plaats van "juffrouw" ontglippen, -als eene onwillekeurige erkentenis van het deftige voorkomen der dame -en haar recht op eene eerbiedige bejegening. - -"De klerken," zeide mevrouw Sparsit, terwijl zij zorgvuldig een -onmerkbaar broodkruimpje van haar linkermofje veegde, "zijn natuurlijk -trouw en ijverig?" - -"Ja, juffrouw, dat schikt nogal. Met de gewone uitzondering." - -Hij bekleedde den vereerenden post van spion en aangever-generaal -op het kantoor, voor welken vrijwilligen dienst hij met Kerstmis een -douceur ontving, boven en behalve zijn wekelijksch loon. Hij was een -buitengemeen schrander, berekenend en voorzichtig jonkman geworden, -die onfeilbaar in de wereld zou vooruitkomen. Zijne opvoeding had zijn -gemoed zoodanig onder bedwang gebracht, dat hij nu geene neigingen -of hartstochten meer had. Al zijne bedrijven waren uitkomsten van -de fijnste en koelste berekening; en het was niet zonder reden, -dat mevrouw Sparsit gewoon was van hem te zeggen, dat zij nooit een -jongmensch met vaster beginselen had gekend. Toen hij zich, na den -dood van zijn vader, had verzekerd, dat zijne moeder te Coketown -recht tot onderstand had, had deze uitmuntende jeugdige beoefenaar -der staathuishoudkunde dat recht zoo krachtig voor haar doen gelden, -dat zij sedert in een werkhuis was opgesloten. Het is echter niet -te ontkennen, dat hij haar een half pond thee in het jaar toestond, -hetgeen eene zwakheid van hem was; vooreerst omdat alle giften de -onvermijdelijke strekking hebben om den ontvanger tot een bedelaar te -maken, en ten tweede omdat het eenige, wat hij redelijkerwijze met die -waar had kunnen doen, zou geweest zijn, ze voor zoo weinig mogelijk -te koopen en voor zooveel als hij maar met mogelijkheid krijgen kon -te verkoopen, daar het thans door zekere schrijvers duidelijk is -bewezen, dat hierin de geheele plicht des menschen begrepen is--niet -een gedeelte van des menschen plicht, maar het geheel. - -"Dat schikt nogal, juffrouw; met de gewone uitzondering," herhaalde -Bitzer. - -"Ah ah!" zeide mevrouw Sparsit, schudde haar hoofd boven haar theekopje -en nam toen een langen slok. - -"Mijnheer Thomas, juffrouw. Ik twijfel zeer aan mijnheer Thomas. Zijne -manieren bevallen mij gansch niet." - -"Bitzer," zeide mevrouw Sparsit op een zeer nadrukkelijken toon, -"weet gij niet wat ik u eens gezegd heb over het noemen van namen?" - -"Ik verzoek u verschooning, juffrouw. Het is waar dat gij mij -gewaarschuwd hebt tegen het noemen van namen, en dat het ook het best -is dit te vermijden." - -"Wees zoo goed om te bedenken, dat ik hier een post van vertrouwen -bekleed," zeide mevrouw Sparsit zeer statelijk. "Ik heb hier een post -van vertrouwen, Bitzer, onder mijnheer Bounderby. Hoe onwaarschijnlijk -mijnheer Bounderby en ik zelf het zou gevonden hebben, dat hij mijn -patroon zou worden, kan ik hem, die mij een jaarlijksch compliment -maakt, niet anders dan in dat licht beschouwen. Ik heb van mijnheer -Bounderby alle erkentenis van mijn maatschappelijken rang en mijne -afkomst genoten, die ik met mogelijkheid kon verwachten--meer, veel -meer zelfs. En daarom wil ik mijn patroon met nauwgezette stiptheid -getrouw zijn. En ik houd het er niet voor, ik wil het er niet voor -houden," zeide mevrouw Sparsit, die een zeer grooten voorraad van -eer en zedelijkheid in magazijn had, "dat ik hem met nauwgezette -stiptheid getrouw zou zijn, indien ik toeliet dat er onder dit dak -namen genoemd worden, die ongelukkig--zeer ongelukkig--daaraan is -niet te twijfelen--met den zijnen in betrekking staan." - -Bitzer drukte zijne kneukels nog eens tegen zijn voorhoofd en verzocht -nog eens verschooning. - -"Neen, Bitzer," vervolgde mevrouw Sparsit, "zeg: "een persoon," en -ik zal u aanhooren; maar als gij "mijnheer Thomas" zegt, moet gij -mij verontschuldigen." - -"Met de gewone uitzondering, juffrouw," zeide Bitzer, den aangewezen -uitweg inslaande, "van een persoon." - -"Ah-h!" mevrouw Sparsit herhaalde dien uitroep, en tevens haar -hoofdschudden over haar kopje en den langen slok, alsof zij het -gesprek weder opnam op het punt waar het gestoord was geworden. - -"Één persoon, juffrouw," zeide Bitzer, "is nooit geweest wat hij had -moeten zijn, zoolang hij hier is. Hij is een losbandige knaap, een -verkwister en een luiaard. Hij is zijn zout niet waard, juffrouw; -en hij zou dat ook niet krijgen, als hij geene vriendin uit zijne -familie aan het hof had, juffrouw." - -"Ah-h!" zeide mevrouw Sparsit, nogmaals treurig haar hoofd schuddende. - -"Ik hoop maar, juffrouw," vervolgde Bitzer, "dat die vriendin hem de -middelen niet zal verschaffen om zoo voort te gaan. Anders, juffrouw, -weten wij wel uit wiens zak dat geld komt." - -"Ah-h!" zuchtte mevrouw Sparsit alweder en schudde nogmaals treurig -het hoofd. - -"Hij is te beklagen, juffrouw. De laatste persoon, dien ik meende, -is te beklagen, juffrouw," zeide Bitzer. - -"Ja, Bitzer," antwoordde mevrouw Sparsit, "ik heb altijd zijne -verblinding beklaagd--altijd." - -"Wat den eersten persoon betreft, juffrouw," zeide Bitzer, terwijl hij -zijne stem liet dalen en naderbij kwam, "hij heeft zoo weinig overleg -als iemand van de lieden hier in de stad. En gij weet wel hoe weinig -overleg zij hebben. Niemand zou kunnen wenschen dat beter te weten, -dan eene dame van uwe afkomst het weet." - -"Zij zouden wèl doen," antwoordde mevrouw Sparsit, "als zij aan u -een voorbeeld namen, Bitzer." - -"Wel verplicht, juffrouw. Maar daar gij zoo goed zijt om van mij -te spreken, zie mij dan eens aan, juffrouw. Ik heb al een weinigje -opgespaard, juffrouw. Dat douceur, dat ik met Kerstmis krijg, -juffrouw--ik raak er nooit aan. Zelfs mijn weekgeld verteer ik niet -geheel, hoewel het niet hoog is, juffrouw. Waarom kunnen zij niet -doen zooals ik gedaan heb, juffrouw? Wat de eene mensch kan doen, -kan de ander ook." - -Dit behoorde insgelijks onder de fictiën van Coketown. Een -kapitalist, die een halven schelling tot zestien duizend pond had -doen aangroeien, veinsde zich altijd te verwonderen, waarom de zestig -duizend fabriekarbeiders om hem heen dit ook niet deden, en rekende -het elk van hen min of meer tot verwijt, dat ook hij dit kunststukje -niet volbracht. "Wat ik gedaan heb, kunt gij ook doen. Waarom gaat -gij dan niet heen en doet het?" - -"Wat hunne behoefte aan uitspanning betreft, juffrouw," hervatte -Bitzer, "dat is maar onzin en gekheid. Ik heb geene behoefte aan -uitspanningen; die heb ik nooit gehad, en zal ze nooit hebben; ik houd -er niet eens van. En wat hunne vereenigingen aangaat, ik twijfel niet, -of er zijn velen van hen, die door op elkander te letten en aan te -geven, nu en dan eene kleinigheid, hetzij in geld of gunst, konden -verdienen en zoo hun bestaan verbeteren. Waarom verbeteren zij het -dan niet, juffrouw? Dat is de eerste zorg van een redelijk schepsel, -en dat is het juist wat zij voorgeven te wenschen." - -"Ja, wèl voorgeven," zeide mevrouw Sparsit. - -"Onophoudelijk, juffrouw, zoodat wij er waarlijk een walging van -krijgen, hooren wij hen van hunne vrouwen en kinderen spreken," zeide -Bitzer. "Zie mij dan eens aan, juffrouw. Ik verlang niet naar vrouw -en kinderen. En waarom doen zij het dan?" - -"Omdat zij onoverleggend zijn," antwoordde mevrouw Sparsit. - -"Ja, juffrouw," hervatte Bitzer, "daar zit het juist. Als zij meer -overleg hadden en minder koppig waren, juffrouw, wat zouden zij dan -doen? Zij zouden zeggen: terwijl mijn hoed--of terwijl mijne pet, -al naar het uitkomt, juffrouw--mijn geheele huisgezin bedekt, heb -ik er maar één den kost te geven, en dat is de persoon, dien ik het -liefst den kost geef." - -"Juist," zeide mevrouw Sparsit en hapte in een gebakje. - -"Ik ben u wel verplicht, juffrouw," zeide Bitzer, wederom zijne -kneukels tegen zijn voorhoofd duwende, tot dank voor de gunst van -mevrouw Sparsit's leerzaam onderhoud. "Moet ge ook nog wat heet water -hebben, juffrouw, of is er iets anders dat ik voor u kan halen?" - -"Op het oogenblik niet, Bitzer." - -"Wel verplicht, juffrouw. Ik zou u niet gaarne onder den maaltijd -willen storen, juffrouw, vooral niet onder de thee, waarop ik weet dat -gij bijzonder gesteld zijt," zeide Bitzer, zijn hals uitrekkende om -van de plek waar hij stond op straat te zien; "maar ik zie daar een -heer, die al eene poos voor het huis naar boven heeft staan kijken, -en nu is hij de straat overgestoken alsof hij wilde aankloppen. Dat -is hij zeker, die daar klopt, juffrouw." - -Hij stapte naar het venster, stak zijn hoofd daarbuiten, en nadat hij -het weder had binnengehaald bevestigde hij zijne gissing met een: "Ja, -juffrouw. Zoudt ge willen, dat die heer werd binnengelaten, juffrouw?" - -"Ik weet niet wie het zijn kan," antwoordde mevrouw Sparsit, haar -mond afvegende en hare mofjes gladstrijkende. - -"Het is duidelijk een vreemdeling, juffrouw." - -"Wat een vreemdeling op dezen tijd van den avond aan het kantoor kan -noodig hebben, of het moet om zaken zijn, waarvoor het toch te laat -is, begrijp ik niet," zeide mevrouw Sparsit: "maar ik bekleed hier -een post van vertrouwen, en ik zal mij nooit daaraan onttrekken. Als -het een gedeelte van den plicht is, dien ik op mij heb genomen, om -hem te spreken, dan zal ik met hem spreken. Doe gelijk gij zelf het -best oordeelt, Bitzer." - -Hier herhaalde de vreemdeling, die de grootmoedige woorden van mevrouw -Sparsit niet hooren kon, zijn kloppen met zooveel kracht, dat Bitzer -naar beneden snelde om de deur te openen; terwijl mevrouw Sparsit de -voorzorg nam van haar tafeltje met al wat er op stond in eene kast -te bergen, en zich toen naar boven haastte, om, zoo het noodig was, -met des te grooter deftigheid voor den dag te komen. - -"Met uw verlof, juffrouw, mijnheer zou u willen spreken," zeide -Bitzer, met zijn oog voor het sleutelgat van mevrouw Sparsit's -kamerdeur. Mevrouw Sparsit, die van deze tusschentijd gebruik -gemaakt had om hare muts terecht te zetten, ging nu met klassieke -gelaatstrekken weder de keldertrap af, en trad de bestuurskamer -binnen in de houding eener Romeinsche matrone, die zich buiten de -poort begeeft om met een aanrukkenden vijand te onderhandelen. - -Daar de vreemdeling naar het venster was gekuierd en nu onverschillig -naar buiten keek, maakte deze statige intrede zeer weinig indruk -op hem. Hij stond zoo koelbloedig als men zich maar verbeelden kan -bij zich zelven te fluiten, met zijn hoed nog op het hoofd en zeker -uitzicht van afmatting en lusteloosheid, gedeeltelijk een gevolg van -de buitengewone warmte, gedeeltelijk van zijn buitengewoon fatsoen; -want met een half oog kon men al zien dat hij een echte gentleman was, -volkomen naar het laatste patroon gemaakt, wien alles verveelde en -die aan even weinig geloofde als Lucifer zelf. - -"Ik hoor, mijnheer," zeide mevrouw Sparsit, "dat ge mij verlangt -te spreken." - -"O, neem mij niet kwalijk," zeide hij, zich omkeerende en zijn hoed -afnemende, "ik verzoek wel verschooning." - -"Hm!" dacht mevrouw Sparsit, terwijl zij eene statige buiging -maakte. "Vijf en dertig, goed uitzicht, goed postuur, goede tanden, -goede stem, welgemanierd, welgekleed, donker haar, levendige -oogen." Dit alles merkte mevrouw Sparsit met hare vrouwelijke -schranderheid op--gelijk de sultan die zijn hoofd in den emmer -met water stak--in het oogenblikje terwijl zij dook en zich weder -oprichtte. - -"Wees zoo goed om plaats te nemen, mijnheer," zeide mevrouw Sparsit. - -"Wel verplicht. Laat mij maar zoo staan." Hij zette een stoel voor -haar, maar bleef zelf achteloos tegen de tafel staan leunen. "Ik heb -mijn knecht aan het station gelaten om voor de bagage te zorgen--een -bijzonder zware trein en een aantal koffers in den goederenwagen--en -ben maar voortgewandeld om eens rond te kijken. Eene zonderlinge -plaats, deze stad. Mag ik wel vragen of het hier altijd zoo zwart is?" - -"Doorgaans veel zwarter," antwoordde mevrouw Sparsit op hare niets -vergoelijkende manier. - -"Is het mogelijk! Excuseer mij--gij zijt hier niet geboren zou -ik denken?" - -"Neen, mijnheer," antwoordde mevrouw Sparsit. "Het is mijn geluk -of mijn ongeluk geweest--ik weet niet hoe ik het noemen zal--om, -eer ik weduwe werd, mij in een geheel anderen kring te bewegen. Mijn -man was een Powler." - -"Neem mij niet kwalijk," zeide de vreemdeling; "was een..." - -"Een Powler," herhaalde mevrouw Sparsit. - -"Van de familie Powler?" zeide de vreemdeling, nadat hij een oogenblik -had nagedacht. Mevrouw Sparsit gaf door een knikje hare toestemming -te kennen, en de vreemdeling scheen een weinigje meer afgemat dan -te voren. - -"Gij moet u hier zeer vervelen!" was de gevolgtrekking, die hij uit -het ontvangen bericht opmaakte. - -"Ik ben de nederige dienares der omstandigheden, mijnheer," antwoordde -mevrouw Sparsit, "en ik heb mij zelve sedert lang onderschikt aan de -macht, die mijn leven bestuurt." - -"Zeer philosophisch," hernam de vreemdeling, "en zeer loffelijk -en voorbeeldig en..." Het scheen hem niet de moeite waardig dit -gezegde ten einde te brengen, en dus speelde hij verstrooid met zijn -horlogeketting. - -"Mag ik zoo vrij zijn u te vragen, mijnheer," zeide mevrouw Sparsit, -"waaraan ik de eer te danken heb van..." - -"Wel zeker," antwoordde de vreemdeling. "Zeer verplicht dat gij er mij -aan herinnert. Ik heb een brief van introductie aan mijnheer Bounderby, -den bankier, bij mij. Onder het wandelen door deze buitengemeen -zwarte stad, terwijl men in mijn hotel het diner gereedmaakte, vroeg -ik iemand wien ik ontmoette--een van de werklieden, die een stortbad -van iets slibberigs scheen genomen te hebben, dat waarschijnlijk -onder de materialen zal behooren..." - -Mevrouw Sparsit boog haar hoofd. - -"Waar mijnheer Bounderby, de bankier, woonde, en hij, waarschijnlijk -niet beter wetende, wees mij naar het kantoor. Ik vermeen evenwel, -dat mijnheer Bounderby niet woonachtig is in het gebouw, waar ik de -eer heb deze opheldering aan te bieden." - -"Neen, mijnheer," antwoordde mevrouw Sparsit, "dat doet hij ook niet." - -"Wel verplicht. Ik had juist geen oogmerk om nu mijn brief te -overhandigen, maar om den tijd te korten, kuierde ik toch maar eens -naar het kantoor, en toen ik het geluk had van u voor dat venster te -zien," en met eene lichte buiging wuifde hij even met de hand naar het -venster, "eene dame van zulk een deftig en innemend voorkomen, begreep -ik niet beter te kunnen doen dan de vrijheid te nemen van die dame -te vragen, waar mijnheer Bounderby, de bankier, eigenlijk woont. En -dit waag ik dus thans, met alle gepaste verontschuldigingen, te doen." - -De achteloosheid en onverschilligheid zijner manieren werden, -naar het gevoelen van mevrouw Sparsit, genoegzaam vergoed door -zekere ongedwongene galanterie, waarmede hij haar tegelijk zijne -hulde bewees. Daar stond hij bij voorbeeld tegen de tafel te leunen, -zoodat hij er bijna op zat, maar tegelijk boog hij zich zachtjes aan -naar haar over, alsof hij eene aantrekkingskracht in haar erkende, -die haar op hare manier bekoorlijk maakte. - -"Een bankierskantoor, dat weet ik, is altijd wantrouwig; officieel -moet het dat ook zijn," vervolgde de vreemdeling, met eene losheid en -vlugheid van spraak, die insgelijks innemend waren, en zijne woorden -een klank gaven, alsof er iets veel meer verstandigs of geestigs in -school dan inderdaad het geval was--hetgeen misschien eene schrandere -vinding was van den stichter dezer talrijke secte, wie die groote -man dan ook mag zijn geweest--"en daarom mag ik wel aanmerken, -dat mijn brief--hier is hij--van het Parlementslid voor deze stad -komt--Gradgrind,--wien ik in Londen het genoegen heb van te kennen." - -Mevrouw Sparsit herkende de hand, zeide dat zulk eene bevestiging -geheel onnoodig was, en gaf daarop het adres van mijnheer Bounderby -met alle vereischte terechtwijzingen. - -"Duizendmaal dank," zeide de vreemdeling. "Natuurlijk zult gij den -bankier zeer wel kennen?" - -"Ja, mijnheer," antwoordde mevrouw Sparsit. "In mijne afhankelijke -betrekking tot hem heb ik hem tien jaren lang gekend." - -"Eene gansche eeuwigheid! Ik meen, dat hij met Gradgrind's dochter -getrouwd is?" - -"Ja, mijnheer, zeide mevrouw Sparsit, eensklaps hare tanden -samenklemmende. "Hij heeft--die eer." - -"Die dame is eene groote philosofe, heeft men mij gezegd?" - -"Inderdaad, mijnheer," zeide mevrouw Sparsit. "Zou zij dat?" - -"Excuseer mijne onbescheidene nieuwsgierigheid," hervatte de -vreemdeling, op een verzoenenden toon, die mevrouw Sparsit's -wenkbrauwen deed ophelderen, "maar gij kent de familie en gij kent -de wereld. Is die dame wezenlijk zoo geducht? Haar vader geeft haar -den naam van zoo vervaarlijk verstandig, dat ik brand van verlangen -om het rechte te weten. Is zij volkomen ongenaakbaar? Zoo knap, dat -men er van versteld staat en voor terugschrikt? Ik zie wel, aan uw -geheimzinnig lachje, dat gij zoo niet denkt. Gij hebt balsem in mijne -angstige ziel gegoten. En nu hare jaren. Veertig? Vijf en dertig?" - -Mevrouw Sparsit begon hardop te lachen. - -"Nog half een kind," zeide zij. "Nog geen twintig toen zij trouwde." - -"Ik verzeker u op mijne eer, mevrouw Powler," zeide de vreemdeling, -zich van de tafel losrukkende, waaraan hij eerst scheen vastgeplakt, -"dat ik nooit in mijn leven zoo verbaasd ben geweest." - -Het scheen waarlijk een geweldigen indruk op hem te maken. Hij zag -haar, die hem dit bericht had gegeven, ruim eene halve minuut lang aan, -en scheen al dien tijd die verrassing voor zijn geest te hebben. - -"Ik verzeker u, mevrouw Powler," zeide hij toen zeer afgemat, "dat -de gezegden van haar vader mij eene gerimpelde, steenharde rijpheid -hadden doen verwachten. Ik ben u zeer verplicht, dat gij zulk eene -ongerijmde vergissing hebt terecht gebracht. Ik bid u, verschoon -mijne indringendheid. Duizendmaal dank. Goedenavond." - -Hij ging buigende heen; en mevrouw Sparsit, achter het venstergordijn -verborgen, zag hem langzaam de straat aan den schaduwkant afkuieren, -door alle voorbijgangers opgemerkt. - -"Wat denkt gij van dien heer, Bitzer?" zeide zij, toen de kantoorlooper -kwam om het theegoed weg te halen. - -"Hij moet veel geld aan zijne kleeren besteden, juffrouw." - -"Dat moet erkend worden," zeide mevrouw Sparsit, "maar hij is ook -keurig gekleed." - -"Ja, juffrouw, als dat het geld waard is." - -"Buitendien, juffrouw," hervatte Bitzer, terwijl hij de tafel wat -opwreef; "hij ziet er mij uit alsof hij speelde." - -"Hazardspelen is onzedelijk," antwoordde mevrouw Sparsit. - -"Het is belachelijk, juffrouw," antwoordde Bitzer, "want de kansen -zijn altijd ten nadeele der spelers." - -Hetzij de warmte mevrouw Sparsit hinderde, of wat er anders de reden -van was, zij werkte dien avond niet. Zij zat nog voor het venster -toen de zon achter den rook begon weg te zinken; zij zat nog voor het -venster toen de rook gloeiend rood werd, toen hij zijne kleur weder -verloor, en toen de duisternis langzaam uit den grond scheen op te -rijzen en al hooger en hooger op te kruipen naar de daken der huizen, -naar de kerktorens, naar de toppen der fabriekschoorsteenen en zoo -tot aan de lucht. Zonder licht te laten brengen, bleef mevrouw Sparsit -voor het venster zitten, met de handen in den schoot, en zonder veel -op de geluiden van den avond te letten: het schreeuwen van jongens, -het blaffen van honden, het rammelen van wagens, de voetstappen en -stemmen van voorbijgangers, het schelle geroep van kooplieden op -straat, het kletteren van houten overschoenen, toen het tijd werd -dat deze voorbijkwamen, en eindelijk het opzetten der luiken voor de -winkelvensters. Niet voordat de kantoorlooper haar kwam waarschuwen, -dat haar eenvoudig avondmaal gereed stond, wekte mevrouw Sparsit zich -zelve uit haar gepeins, en bracht zij hare zwarte wenkbrauwen--zoo -gerimpeld alsof er een strijkijzer noodig zou zijn om ze weder glad -te krijgen--naar boven. - -"O hoe zot!" zeide mevrouw Sparsit toen zij alleen aan haar soupertje -zat. Wat zij eigenlijk meende zeide zij niet; zij kan toch bezwaarlijk -hare bestellen gemeend hebben. - - - - - - - -XVIII. - -MIJNHEER JAMES HARTHOUSE. - - -De partij van Gradgrind had helpers noodig om de Gratiën te -vermoorden. Zij zocht overal recruten te werven; en waar kon -zij gemakkelijker recruten vinden dan onder die overbeschaafde -gentlemen, die, daar zij ontdekt hadden, dat alles even weinig--dat -is niets--waardig is, daarom voor alles gereed waren? - -Bovendien hadden de edele geesten, die zich tot deze trotsche hoogte -hadden verheven, iets aantrekkelijks voor velen uit de school van -Gradgrind. Deze bewonderden die overbeschaafde gentlemen; zij hielden -zich alsof zij het niet deden, maar het was toch zoo. Om hen na te -bootsen, werden zij ook flauw en traag; zij kauwden hunne woorden -evenals zij, en dischten met hetzelfde voorkomen van lustelooze -onverschilligheid de beschimmelde portietjes staathuishoudkunde op, -waarop zij hunne leerlingen onthaalden. Nooit voorheen had men op -de wereld zulk een wonderlijk tweeslachtig ras gezien, als aldus -werd voortgebracht. - -Onder de overbeschaafde gentlemen, die niet geheel tot de school -van Gradgrind behoorden, was er een van goede familie en nog beter -voorkomen, met een gelukkig talent voor het luimige, waarmede hij -eens een ontzaglijken indruk op het Huis der Gemeenten had gemaakt, -bij gelegenheid dat hij dit onthaalde op het verslag van een ongeluk -op een spoorweg, uit zijn oogpunt en dat van den Raad van Toezicht -beschouwd, waarbij de zorgvuldigste beambten, die men ooit gekend -had, aangesteld door de onbekrompenste directie, waarvan men ooit -had gehoord, geholpen door de fraaiste mechanische toestellen, -die hem ooit had uitgevonden, alles gebezigd op de beste baan, -die ooit was aangelegd, vijf menschen om hals geholpen en twee en -dertig gekwetst hadden, door eene toevalligheid zonder welke het -uitmuntende van het geheele stelsel eigenlijk incompleet zou zijn -geweest. Onder de verslagenen was eene koe en onder de gevondene en -ongeëigende voorwerpen eene weduwe-rouwmuts; en de achtingswaardige -volksvertegenwoordiger had, door deze muts aan de koe op te zetten, -den lachlust van het Huis (dat een fijn gevoel voor het luimige heeft) -zoodanig geprikkeld, dat het niet meer ernstig van de lijkschouwing -kon hooren spreken, en onder gelach en gejuich de spoorwegdirectie -van alle verantwoording vrijsprak. - -Nu had deze heer een broeder van nog beter voorkomen dan hij, die eerst -een proefje van het leven had genomen als kornet bij de dragonders, en -het vervelend had gevonden, toen nog een proefje er van in het gevolg -van een Engelsch minister buitenslands, en het weder vervelend had -gevonden; toen naar Jeruzalem was gereisd en zich daar verveeld had; -en toen met een jacht door de wereld had omgedwaald en zich overal had -verveeld. Tegen dezen heer zeide het bovengemelde achtingswaardige -en luimige Parlements-lid eens op een broederlijken toon: "Jem, er -is goede kans onder de mannen van feiten en cijfers. Zij hebben nog -helpers noodig. Waarom zoudt gij u niet door de statistiek in het -Parlement laten brengen?" Jem, eenigszins ingenomen met het nieuwe -van dit denkbeeld en zeer verlegen om eene verandering, was evenzeer -gereed voor de statistiek als voor iets anders. Hij keek dus een paar -boeken door, en zijn broeder bazuinde het uit onder de mannen van -feiten en cijfers, en zeide: "Als gij voor de eene of andere plaats -een jongen in het Parlement wilt brengen, die er knap uitziet en eene -drommels mooie redevoering kan houden, neem dan mijn broeder Jem, want -hij is uw man." Na eenige proefnemingen in openbare vergaderingen, -werd Jem door mijnheer Gradgrind en een raad van politieke wijzen -goedgekeurd, en men besloot hem naar Coketown te zenden, om zich -daar en in den omtrek bekend te maken. Zoo kwam Jem aan den brief, -dien hij den vorigen avond aan mevrouw Sparsit had laten zien en dien -mevrouw Bounderby nu voor zich had, met het adres: "Josiah Bounderby, -Esquire, Bankier te Coketown. Tot bijzondere introductie van James -Harthouse, Esquire. Thomas Gradgrind." - -Binnen een uur na het ontvangen dezer dépêche en het kaartje van -mijnheer James Harthouse, zette mijnheer Bounderby zijn hoed op en ging -naar het hotel. Daar vond hij mijnheer Harthouse, die uit het venster -stond te kijken, in zulk eene jammerlijk neerslachtige stemming, -dat hij reeds half genegen was om maar van de zaak af te zien. - -"Mijn naam, mijnheer," zeide de binnenkomende, "is Josiah Bounderby -van Coketown." - -Mijnheer James Harthouse was zeer verheugd (hoewel men het hem niet -kon aanzien) over een genoegen, dat hij zoolang had verwacht. - -"Coketown, mijnheer," zeide Bounderby, zich stevig op een stoel -zettende, "is de soort van plaats niet waaraan gij gewoon zijt. Als gij -het mij dus wilt veroorloven--of hetzij gij wilt of niet, want ik ben -een rondborstig man--zal ik er u iets van zeggen eer wij verder gaan." - -Mijnheer Harthouse zou verrukt wezen. - -"Houd u daar niet al te zeker van," zeide Bounderby. "Ik beloof het -u niet. Vooreerst, gij ziet onzen rook. Die is eten en drinken voor -ons. Hij is het gezondste ding op de wereld in alle opzichten en vooral -voor de long. Als gij een van hen zijt, die willen dat wij hem zullen -laten verteren, ben ik uw tegenstander. Wij zullen de bodems onzer -stoomketels niet sneller gaan verslijten dan wij nu doen, voor alle -sentimenteele kwezelpraat in Groot-Brittannië en Ierland." - -"Mijnheer Bounderby," antwoordde mijnheer Harthouse, "ik verzeker u, -dat ik geheel en volkomen van uwe gedachten ben--volgens overtuiging." - -"Ik ben blij dit te hooren," zeide Bounderby. "Nu hebt gij ook zonder -twijfel een boel hooren praten over het werk in onze fabrieken, niet -waar? Heel goed! Ik zal u de zaak doen kennen gelijk zij is. Het is -het pleizierigste werk, en het lichtste werk, en het best betaalde -werk dat er bestaat. Nog meer dan dat; wij zouden de fabrieken zelven -niet meer kunnen verbeteren, of wij zouden Smirnasche tapijten op -den grond moeten leggen--en zóó ver zullen wij niet gaan." - -"Gij hebt volkomen gelijk, mijnheer Bounderby." - -"Ten laatste," zeide Bounderby, "wat onze arbeiders betreft. Er is -geen hand in deze stad, mijnheer, man, vrouw of kind, of hij heeft -maar één voornaam doel in het leven. Dat doel is, schildpadsoep, en -wildbraad te eten en met een gouden lepel gevoerd te worden--maar geen -van allen zullen zij ooit schildpadsoep en wildbraad eten of met een -gouden lepel gevoerd worden, dat beloof ik u. En nu kent gij de stad." - -Mijnheer Harthouse betuigde, dat hij dit kort begrip der geheele -quaestie van Coketown uiterst leerzaam had gevonden en er geheel door -opgebeurd was. - -"Ja, ziet gij," hervatte Bounderby, "het ligt in mijn karakter, dat ik -tot volle verstandhouding met iemand wil komen, vooral met een publiek -persoon, als ik met hem kennis maak. Nu heb ik u nog maar één ding meer -te zeggen, mijnheer Harthouse, eer ik u verzeker, van het genoegen, -waarmede ik aan den aanbevelingsbrief van mijn vriend, Tom Gradgrind, -zal beantwoorden. Gij moet u zelven niet bedriegen door u een oogenblik -te verbeelden, dat ik een man van afkomst ben. Ik ben eene echte -spruit van het janhagel, van het uitvaagsel der maatschappij." - -Indien iets nog Jem's belangstelling in mijnheer Bounderby had kunnen -verhoogen, zou het dit zijn geweest--zoo zeide hij tenminste. - -"Zoo geven wij elkander dus op gelijken voet de hand," zeide -Bounderby. "Ik zeg op gelijken voet, omdat ik, hoewel ik weet wat -ik ben, en beter dan iemand zeggen kan hoe diep de modderpoel was -waaruit ik mij heb omhoog gewerkt, even trotsch ben als gij. Ik -ben even trotsch als gij. En nu ik mijne onafhankelijkheid op eene -behoorlijke manier heb doen gelden, mag ik er toe overgaan om te -vragen, hoe gij vaart, en ik hoop, dat ge tamelijk wel zijt." - -"Nog beter dan anders," gaf mijnheer Harthouse te verstaan, "door de -gezonde lucht van Coketown," en mijnheer Bounderby nam dit antwoord -zeer gunstig op. - -"Misschien weet gij," zeide hij, "of misschien weet gij niet, dat ik -met Tom Gradgrind's dochter getrouwd ben. Indien gij niets beters te -doen hebt dan eens met mij door de stad te wandelen, zal ik u gaarne -bij Tom Gradgrind's dochter introduceeren." - -"Mijnheer Bounderby," antwoordde Jem, "gij voorkomt mijne dierbaarste -wenschen." - -Zij gingen zonder meer te spreken op weg en mijnheer Bounderby -geleidde zijn nieuwen bekende, die zoo sterk bij hem afstak, naar -het huis van rooden baksteen, met de zwarte luiken van buiten, de -groene rolgordijnen van binnen en de zwarte deur boven de witte -stoep van twee treden; en in de voorkamer van dat huis trad hun -weldra het zonderlingste vrouwelijk wezen te gemoet, dat mijnheer -James Harthouse nog ooit gezien had. Zij was zoo gedwongen en toch -zoo achteloos, zoo stroef en toch zoo wakker, zoo koel en trotsch en -toch zoo pijnlijk beschaamd over de snoevende nederigheid van haar -echtgenoot--waarvan zij huiverde alsof ieder blijk daarvan een slag -of een dolksteek was--dat het waarnemen van zulk eene vrouw hem een -geheel nieuwe aandoening gaf. Haar gezicht was niet minder opmerkelijk -dan hare manieren. Hare trekken waren bevallig, maar hun natuurlijk -spel werd onder zulk een strakheid bedwongen, dat het onmogelijk -was de ware uitdrukking daarvan te raden. Volkomen onverschillig, -geheel zeker van zich zelve, nooit verlegen, en toch nooit op haar -gemak, naar het lichaam in gezelschap met hen, terwijl haar geest -blijkbaar geheel alleen was, kon het hem vooralsnog niet baten, -dat hij zijne scherpzinnigheid inspande om deze vrouw te begrijpen, -want zij stelde alle scherpzinnigheid teleur. - -Van de vrouw des huizes wierp de vreemdeling een blik op het huis -zelf. Geen stilzwijgend blijk van de aanwezigheid eener vrouw was in -de kamer te bespeuren. Geen klein maar bevallig sieraad, geen aardig -uitgedacht voorwerp tot gebruik of gemak duidde ergens haar invloed -aan. Met brallenden rijkdom, maar zonder smaak gemeubileerd, evenmin -vroolijk als gemakkelijk, staarde de kamer de aanwezigen aan, zonder -door het minste spoor van eenige vrouwelijke bezigheid verlevendigd -of verzacht te worden. Gelijk mijnheer Bounderby te midden zijner -huisgoden stond, zoo besloegen die ongenadige godheden hare plaatsen -om mijnheer Bounderby heen; zij waren elkander waardig en wel gepaard. - -"Dit, mijnheer," zeide Bounderby, "is mijne vrouw, mevrouw -Bounderby. Tom Gradgrind's oudste dochter. Louisa, mijnheer James -Harthouse. Mijnheer Harthouse heeft zich op de monsterrol van uw -vader laten zetten. Als hij niet eerlang Tom Gradgrind's collega is, -geloof ik dat wij toch weldra uit een van onze naburige steden van -hem zullen hooren. Gij merkt wel op, mijnheer Harthouse, dat mijne -vrouw jonger is dan ik. Ik weet niet wat zij bijzonders in mij gezien -heeft om mij te trouwen; maar zij moet toch iets in mij gezien hebben, -denk ik, of zij zou mij niet getrouwd hebben. Zij heeft een hoop -kostbare kundigheden verzameld, mijnheer, politieke en andere. Als -gij u spoedig in het een of ander op de hoogte wilt brengen, kan ik -u geene betere raadgeefster aanraden dan Louisa Bounderby." - -Mijnheer Harthouse was overtuigd, dat hem geene meer beminnelijke -raadgeefster kon worden aanbevolen, of eene waarvan hij zooveel kans -had om te leeren. - -"Komaan," zeide zijn gastheer. "Als gij hier in complimenten wilt gaan -handelen, zult ge wel voortkomen, want gij zult geene concurrentie -vinden. Ik heb nooit gelegenheid gehad om complimenten te leeren, -en ik versta de kunst niet om ze te maken. Om de waarheid te zeggen, -ik veracht ze. Maar uwe opvoeding is geheel anders geweest dan de -mijne; de mijne was er eene van stavast, dat zeg ik u. Gij zijt -een gentleman, en ik wil mij daarvoor niet uitgeven. Ik ben Josiah -Bounderby van Coketown, en dat is genoeg voor mij. Evenwel, schoon -manieren en stand op mij geen indruk maken, mogen zij dat wel op Louisa -Bounderby doen. Zij heeft mijne voordeelen niet gehad--nadeelen zoudt -gij ze noemen, maar ik noem ze voordeelen--en dus zult gij uw kruit -niet verspillen, dat durf ik wel zeggen." - -"Mijnheer Bounderby," zeide Jem, zich met een glimlach naar Louisa -keerende, "is een edel ros in den natuurstaat, geheel vrij van het -tuig der maatschappelijke vooroordeelen, waarin een knol gelijk ik -moet loopen." - -"Gij hebt zeer veel achting voor mijnheer Bounderby," antwoordde zij -koel, "en dat is niet meer dan natuurlijk." - -Voor iemand die zooveel van de wereld gezien had, was hij schandelijk -uit het veld geslagen en dacht: "Hoe moet ik dat opvatten?" - -"Gij zult u, naar ik begrijp uit hetgeen mijnheer Bounderby gezegd -heeft, aan den dienst van uw vaderland toewijden," zeide Louisa, -nog voor hem staande waar zij het eerst was blijven staan--terwijl -hare zelfbeheersching zonderling in strijd was met hare duidelijk -zichtbare onrustigheid. "Gij hebt u voorgenomen om de natie den weg -uit al hare moeielijkheden te wijzen." - -"Neen, mevrouw Bounderby, op mijne eer, dat niet," antwoordde hij -lachende. "Ik wil bij u zoo iets niet voorwenden. Ik heb hier en daar -het een en ander gezien, en ik heb bevonden dat alles even nietig is, -gelijk iedereen gedaan heeft, hoewel sommigen het bekennen en anderen -niet; ik zal nu in het Parlement pogen te komen als voorstander der -meeningen van uw geachten vader, omdat ik inderdaad geene keus van -meeningen heb, en deze dus even goed kan voorstaan als iets anders." - -"Hebt gij dan geene eigene meeningen?" zeide Louisa. - -"Ik heb zelfs de geringste voorkeur niet meer over. Ik verzeker u, dat -ik aan geene meeningen hoegenaamd eenig gewicht hecht. Het gevolg der -verscheidenheden der verveling, die ik ondergaan heb, is de overtuiging -(of overtuiging moest een te krachtig woord zijn voor het flauwe -gevoel dat de zaak mij inboezemt), dat het eene systeem van begrippen -evenveel goed en evenveel kwaad zal doen als het andere. Er is eene -Engelsche familie met een fraai Italiaansch motto; "Wat gebeuren moet -zal gebeuren." Dat is de eenige waarheid, die nog leeft." - -Deze huichelachtige vertooning van eerlijkheid bij oneerlijkheid--eene -zoo gevaarlijke, zoo doodelijke en zoo gewone ondeugd--scheen, naar hij -opmerkte, een weinig gunstiger voor hem te stemmen. Hij vervolgde zijn -voordeel door op zijn luchtigsten toon--een toon waaraan zij zooveel -of zoo weinig beteekenis kon hechten als zij verkoos--te zeggen: -"De partij, die alles, wat het ook zijn mag, met eene rij cijfers -kan bewijzen, mevrouw Bounderby, komt mij voor de meeste grappen te -beloven en iemand de meeste kans te geven. Ik ben er evenzeer aan -gehecht alsof ik er aan geloofde. En wat zou ik met mogelijkheid meer -kunnen doen, als ik er aan geloofde!" - -"Gij zijt al zeer zonderling in uwe politiek," zeide Louisa. - -"Ik verzoek wel verschooning; ik heb zelfs die verdienste niet. Wij -zouden de grootste partij in den staat uitmaken, mevrouw Bounderby, -dat verzeker ik u, als wij allen uit de door ons gekozene gelederen -stapten en te zamen gemonsterd werden." - -Mijnheer Bounderby, die gevaar had geloopen door zijn stilzwijgen te -barsten, viel er nu op in met een voorstel om het diner tot halfzeven -uit te stellen en mijnheer James Harthouse intusschen eenige bezoeken -te laten afleggen bij de notabiliteiten van Coketown en den omtrek. De -bezoeken werden afgelegd, en door een voorzichtig gebruik van zijne -in den laatsten tijd van buiten geleerde kundigheden kwam mijnheer -James Harthouse er zegepralend doorheen, hoewel met een aanmerkelijken -aanwas van verveling. - -Des avonds vond hij de tafel voor vier gedekt, hoewel zij slechts -met hun drieën plaats namen. Dit was eene geschikte gelegenheid voor -mijnheer Bounderby om uit te weiden over den smaak van den halven -stuiver gestoofde paling, die hij, toen hij acht jaren oud was, -op straat had gekocht, en ook over het slechte water, meer in 't -bijzonder bestemd om de straat te begieten, waarmede hij dien maaltijd -naar beneden had gespoeld. Onder de soep en de visch onthaalde hij -zijn gast insgelijks op de berekening, dat hij, Bounderby, in zijne -jeugd ten minste drie paarden, als rookworst of andere dingen vermomd, -had opgegeten. Deze verhalen beantwoordde Jem nu en dan met een flauw -"verrukkelijk!" en waarschijnlijk hadden zij hem doen besluiten om -den volgenden ochtend weder naar Jeruzalem te gaan, indien hij minder -nieuwsgierig ten opzichte van Louisa ware geweest. - -"Is er dan niets," dacht hij, haar aanziende, terwijl zij aan het -hoofd der tafel zat, waar hare jeugdige gestalte, klein en tenger, -maar gracieus, zich even bevallig als misplaatst vertoonde; "is er -dan niets, dat eenige beweging in dat gezichtje kan brengen?" - -Ja, er was iets; daar kwam het, in eene onverwachte gedaante! Tom -verscheen. Hare trekken veranderden toen de deur openging, en een -heldere glimlach blonk op haar gelaat. - -Een schoone glimlach. Maar mijnheer James Harthouse zou er toch niet -zooveel in gevonden hebben, als hij zich niet zoolang over haar -strak gezicht had verwonderd. Zij stak hare hand uit--een fraai, -zacht handje; en hare vingers sloten zich om die van haar broeder, -alsof zij ze aan hare lippen had willen brengen. - -"Ha, ha!" dacht de gast. "Die hondsvot is het eenige schepsel waarom -zij iets geeft. Zoo, zoo!" - -De hondsvot werd gepresenteerd en nam plaats. De benaming was hard, -maar niet onverdiend. - -"Toen ik zoo oud was als gij, Tom," zeide Bounderby, "paste ik op -mijn tijd, of ik kreeg geen eten." - -"Toen gij zoo oud waart als ik," antwoordde Tom, "hadt gij geene -verwarde rekening terecht te brengen en u dan naderhand nog te -kleeden." - -"Zwijg daar nu maar van," zeide Bounderby. - -"Wel, begin dan ook niet met mij," bromde Tom. - -"Mevrouw Bounderby," zeide Harthouse, die dit gemompel duidelijk -hoorde, "uw broeders gezicht komt mij zeer bekend voor. Kan ik hem -buitenslands hebben gezien? of aan eene openbare school misschien?" - -"Neen," antwoordde zij met zeer veel belangstelling, "hij is -nooit buitenslands geweest, en hij is hier thuis opgevoed. Tom, -lieve broeder, ik zeg daar aan mijnheer Harthouse, dat hij u niet -buitenslands kan gezien hebben." - -"Nooit zulk een fortuintje gehad, mijnheer," zeide Tom. - -Er was weinig genoeg aan hem te zien om haar gezicht te doen -ophelderen, want hij was lomp, stug en onvriendelijk in zijne manieren, -zelfs voor haar. Des te grooter moest de eenzaamheid van haar hart -zijn geweest, en hare behoefte om het aan iemand weg te schenken. "Des -te meer is die hondsvot het eenige schepsel, waarom zij ooit gegeven -heeft," dacht mijnheer James Harthouse, al mijmerende, "des te meer, -des te meer." - -Zoowel in het bijzijn zijner zuster, als nadat zij de kamer verlaten -had, gaf de hondsvot zich geene moeite om zijne minachting voor -mijnheer Bounderby te verbergen, wanneer hij die, zonder dat dit -onafhankelijk personage het opmerkte, kon aan den dag leggen door -een scheef gezicht te trekken of met een oog te knippen. Zonder -deze telegrafische mededeelingen te beantwoorden, moedigde mijnheer -Harthouse hem echter in den loop van den avond zooveel mogelijk aan -en toonde eene bijzondere ingenomenheid met hem.--Toen hij eindelijk -opstond om weder naar zijn hotel te gaan en eenigen twijfel te kennen -gaf, of hij bij den avond den weg wel zou weten te vinden, bood de -hondsvot dadelijk zijn dienst als gids aan en ging met hem de straat -op om hem daarheen te geleiden. - - - - - - - -XIX. - -DE HONDSVOT. - - -Het was zeker opmerkelijk, dat een jong heer, die onder zulk een -stelsel van onnatuurlijk bedwang was opgevoed, juist een huichelaar -zou worden; maar toch was dit het geval met Tom. Het was zeker -vreemd, dat een jong heer, die nooit vijf minuten lang aan zijn eigen -bestuur was overgelaten, eindelijk geheel buiten staat zou zijn om -zich zelven te besturen, maar zoo was het evenwel met Tom. Het was -geheel onverklaarbaar, dat een jong heer, wiens verbeelding in de -wieg was gesmoord, nog door het spook daarvan, in de gedaante eener -grove zinnelijkheid zou worden lastig gevallen; maar zulk een monster -was toch Tom. - -"Rookt gij?" zeide mijnheer James Harthouse, toen zij aan het hotel -kwamen. - -"Dat zou ik denken," antwoordde Tom. - -Hij kon niet minder doen dan Tom boven verzoeken; en Tom kon niet -minder doen dan met hem naar boven gaan. Onder den invloed van een -verkoelenden drank, geschikt voor zulk een weder, maar niet zoo flauw -als koel, en van fijner sigaren dan daar in de stad te koop waren, -zat Tom spoedig en op zijn gemak aan zijn kant van de sofa, meer dan -ooit genegen om zijn nieuwen vriend aan den anderen kant te bewonderen. - -Na een poosje gerookt te hebben, blies Tom den rook op zijde, om zijn -vriend eens op te nemen. - -"Hij schijnt zich niets om zijne kleeren te bekreunen," dacht Tom, -"en hoe heerlijk kleedt hij zich toch. Wat een gepoetste klant is hij!" - -Mijnheer James Harthouse, die toevallig den blik van Tom opving, -merkte nu aan, dat hij niet dronk, en schonk zijn glas met achtelooze -hand opnieuw vol. - -"Wel bedankt," zeide Tom. "Wel bedankt! Nu, mijnheer Harthouse, hoop -ik, dat ge van avond omtrent uw bekomst van ouden Bounderby hebt -gekregen." Terwijl Tom dit zeide, kneep hij zijn eene oog dicht en -keek met het andere schalkachtig over den rand van zijn glas heen. - -"Een heel goede kerel, inderdaad," antwoordde mijnheer James Harthouse. - -"Ei zoo, vindt ge dat?" zeide Tom en kneep weder zijn oog dicht. - -Mijnheer James Harthouse glimlachte, stond van de sofa op, kuierde -naar den schoorsteen en bleef met zijn rug tegen den mantel staan -rooken. Zoo vlak voor Tom staande en op dezen neerziende, merkte -hij aan: - -"Welk een comisch schoonbroeder zijt gij toch!" - -"Welk een comisch schoonbroeder is oude Bounderby, meent gij, naar -ik denk," zeide Tom. - -"Ge zijt bijtend scherp, Tom," liet mijnheer James Harthouse hierop -volgen. - -Er lag iets zoo streelends in, zoo goede vrienden met zulk een vest -te wezen, door zulk eene stem Tom genoemd te worden, zoo spoedig op -zulk een familiaren voet met zulk een bakkebaard te zijn, dat Tom -ongemeen met zich zelven in zijn schik was. - -"Och, ik geef niet om ouden Bounderby, als ge dat meent," zeide -hij. "Ik heb hem altijd ouden Bounderby genoemd als ik van hem sprak, -en ik heb altijd op dezelfde manier over hem gedacht. Ik zal nu niet -gaan beginnen met naar beleefde woorden te zoeken, als ik van ouden -Bounderby spreek. Dat zou nu wat laat wezen." - -"Om mij behoeft ge niet te geven," hervatte James; "maar pas op als -zijne vrouw er bij is, weet ge." - -"Zijne vrouw?" zeide Tom. "Mijne zuster Louisa? O ja!" Hij lachte en -nam nog een slok van den verkoelenden drank. - -James Harthouse bleef op dezelfde plek en in dezelfde houding op zijn -gemak zijne sigaar staan rooken en zag den hondsvot genoeglijk aan, -alsof hij wist dat hij zelf een booze geest in de gedaante van een -innemend gentleman was, die slechts over hem behoefde te zweven om -hem te dwingen zijne geheele ziel aan hem over te geven. Het scheen -te blijken, dat de hondsvot voor dien invloed zwichtte. Hij zag zijn -makker eerst benepen, toen met bewondering, toen met onbeschaamde -stoutheid aan, en trok zijn eene been op de sofa. - -"Mijne zuster Louisa?" zeide Tom. "Zij heeft nooit om Bounderby -gegeven." - -"Dat is de verledene tijd, Tom," hervatte mijnheer James Harthouse, -en sloeg met zijn pink de asch van zijne sigaar. "Wij zijn in den -tegenwoordigen tijd." - -"Onzijdig werkwoord: niet om geven. Aantoonende wijs, tegenwoordige -tijd. Eerste persoon enkelvoud, ik geef niet om hem; tweede persoon, -gij geeft niet om hem; derde persoon, zij geeft niet om hem," -antwoordde Tom. - -"Aardig! Heel aardig!" zeide zijn vriend. "Maar gij meent het toch -niet." - -"Of ik het meen!" riep Tom uit. "Op mijne eer! Wel, gij wilt mij toch -niet zeggen, mijnheer Harthouse, dat gij werkelijk denkt, dat mijne -zuster om ouden Bounderby geeft." - -"Lieve vriend," antwoordde James, "wat ben ik anders verplicht te -denken, als ik twee getrouwde lieden vind, die tevreden en vergenoegd -met elkander leven?" - -Tom had nu zijne beide beenen op de sofa. Indien zijn tweede been niet -reeds daarop ware geweest, toen hij zoo "lieve vriend" genoemd werd, -zou hij het in dit gewichtig oogenblik van het gesprek er op hebben -getrokken. Daar hij het noodig gevoelde iets te doen, rekte hij zich -meer in de lengte uit, liet zijn achterhoofd op den kant der sofa -zinken, en zoo met eene matelooze affectatie van onbekommerdheid -voortrookende, keerde hij zijn gemeen gezicht en zijne twee niet al -te nuchtere oogen naar dat gelaat, dat zoo onverschillig en toch met -zulk een machtigen invloed op hem neerzag. - -"Gij kent onzen oude, mijnheer Harthouse," zeide Tom, "en dus behoeft -het u niet te verwonderen, dat Louisa met ouden Bounderby trouwde. Zij -had nooit een vrijer gehad, en de oude stelde haar Bounderby voor, -en toen nam zij hem." - -"Zeer gehoorzaam van uwe interessante zuster," zeide mijnheer James -Harthouse. - -"Ja, maar zij zou zoo gehoorzaam niet zijn geweest, en het zou niet -zoo gemakkelijk gegaan zijn," antwoordde de hondsvot, "als het niet -om mij geweest ware." - -De verzoeker trok slechts zijne wenkbrauwen op, maar de hondsvot was -genoodzaakt voort te gaan. - -"Ik overreedde haar," zeide hij met een zeer stichtelijk voorkomen van -meerderheid. "Ik was bij ouden Bounderby op het kantoor geplakt--waar -ik nooit had willen wezen--en ik wist wel, dat ik daar in moeite zou -komen als zij ouden Bounderby den zak gaf; en zoo zeide ik haar wat -ik van haar wenschte, en zij deed het. Zij zou alles voor mij gedaan -hebben. Het was heel mooi van haar, niet waar?" - -"Het was verrukkelijk, Tom!" - -"Niet dat het voor haar van zooveel gewicht was als voor mij," -vervolgde Tom koeltjes, "omdat mijne vrijheid, mijn pleizier en -misschien mijn vooruitkomen er van afhingen; zij had toch geen -anderen vrijer, en thuisblijven was zoo goed als in de gevangenis -zitten--vooral toen ik weg was. Het ware nog wat anders geweest als -zij een anderen vrijer voor ouden Bounderby had laten loopen; maar -het was toch goed van haar." - -"Het was heerlijk gedaan. En nu leeft zij weltevreden voort." - -"O," antwoordde Tom met eene mengeling van lof en minachting, "zij -is een meisje. Een meisje kan zich overal in schikken. Zij heeft nu -eene vaste positie en zij geeft er niet om. Dat leven is voor haar -evengoed als ieder ander leven. Bovendien, al is Louisa een meisje, -zij is toch geen gewoon meisje. Zij kan zich in zich zelve opsluiten -en een uur achtereen zitten denken, gelijk ik haar dikwijls naar het -vuur heb zien zitten kijken." - -"Zoo, zoo? Zij weet zich zelve dus bezig te houden," zeide Harthouse -al rookende. - -"Niet zooveel als gij wel denken zoudt," antwoordde Tom, "want onze -oude heeft haar met allerlei droge studiën laten volproppen. Dat is -zijn systeem." - -"Hij heeft dus zijne dochter naar zijn eigen model gevormd," merkte -Harthouse aan. - -"Zijne dochter? Ja, en iedereen dien hij maar kon. Hij heeft mij ook -op die manier gevormd," zeide Tom. - -"Onmogelijk!" - -"Ja zeker," zeide Tom en schudde zijn hoofd. "Ik kan u zeggen, mijnheer -Harthouse, dat ik, toen ik pas de deur uitkwam en naar ouden Bounderby -ging, zoo droog was als een stokvisch en niet meer van het leven wist -dan eene oester." - -"Kom, kom, Tom! Dat kan ik haast niet gelooven. Gekheid is gekheid." - -"Bij mijne ziel," zeide de hondsvot, "ik spreek in ernst. Dat doe ik -waarlijk." Hij rookte een poosje met groote deftigheid en vervolgde -toen met buitengemeene zelfvoldoening: "Ik heb sedert een beetje -geleerd, dat ontken ik niet. Maar daarvoor heb ik zelf gezorgd; -dat heb ik mijn vader niet te danken." - -"En uwe schrandere zuster?" - -"Mijne schrandere zuster is omtrent waar zij voorheen was. Zij placht -mij te klagen dat zij niets had om zich bezig te houden, gelijk de -andere meisjes hebben, en ik begrijp niet hoe zij dat sedert te boven -is gekomen. Maar zij geeft daar niet om," voegde hij er scherpzinnig -bij, en trok weder aan zijne sigaar. "Een meisje kan altijd haar tijd -klein krijgen." - -"Toen ik gisteravond aan het kantoor aanging, om het adres van -mijnheer Bounderby te vragen, vond ik daar eene oude dame, die eene -bijzondere hoogachting voor uwe zuster scheen te koesteren," merkte -mijnheer James Harthouse aan, terwijl hij het stompje van de sigaar, -die hij opgerookt had, wegwierp. - -"Moeder Sparsit?" zeide Tom. "Wat, hebt gij haar al gezien?" - -Zijn vriend knikte. Tom nam zijne sigaar uit den mond, om zijn oog, -dat eenigszins weerbarstig begon te worden, te beter te kunnen -dichtknijpen, en eenige malen met zijn vinger tegen zijn neus te -tikken. - -"Moeder Sparsit gevoelt voor Louisa veel meer dan achting, zou ik -denken," zeide Tom. "Zeg liever: liefde en dankbaarheid. Moeder -Sparsit heeft zelve nooit naar Bounderby gehengeld toen hij nog -vrijgezel was. Wel neen!" - -Dit waren de laatste woorden, die de hondsvot sprak, eer hem eene -duizeligheid en slaperigheid overvielen, die door eene volkomene -vergetelheid werden gevolgd. Hij werd uit dezen laatsten toestand -opgewekt door te droomen van een onaangenaam gevoel, alsof hij met -eene laars werd geschopt, en tegelijk hoorde hij eene stem, die zeide: -"Kom, het wordt laat. Maak je nu weg!" - -"Wel," zeide hij, van de sofa opkrabbelende, "dan zal ik afscheid -van u moeten nemen. Zeg eens. Gij hebt heel goede sigaren, maar ze -zijn wat al te licht." - -"Ja, ze zijn al te licht," antwoordde zijn gastheer. - -"Het is zot, zoo licht als ze zijn," zeide Tom. "Waar is de -deur? Goedennacht." - -Hij had nog een zonderlingen droom van een knecht, die hem voorttrok -door een nevel, welke, nadat hij hem vrij wat moeite had veroorzaakt, -in zooverre optrok, dat hij de straat kon zien, waarop hij alleen was -blijven staan. Toen ging hij tamelijk gemakkelijk naar huis, hoewel -niet vrij van een gevoel, alsof zijn nieuwe vriend nog bij hem was -en invloed op hem uitoefende--alsof hij nog hier of daar in dezelfde -achtelooze houding stond te leunen en hem met denzelfden blik aanzag. - -De hondsvot ging naar huis en naar bed. Indien hij er eenige bewustheid -van had gehad wat hij dien avond had gedaan, en wat minder van een -hondsvot en wat meer van een broeder had gehad, zou hij misschien -onderweg omgekeerd en naar de stinkende, zwart geverfde rivier geloopen -zijn, om daarin voorgoed ter ruste te gaan en zijn hoofd voor altijd -onder het gordijn van haar modderig water te verschuilen. - - - - - - - -XX. - -MANNEN EN BROEDERS. - - -"O, mijne vrienden, gij werklieden van Coketown, die in het stof -vertreden wordt! O, mijne vrienden en landgenooten, slaven eener -dwingelandij, die u met ijzeren vuist verplettert! O, mijne vrienden, -medemenschen, die met mij arbeidt en met mij lijdt! Ik zeg u, dat -het uur gekomen is, waarin wij met elkander moeten pal staan als eene -vereenigde macht, en de onderdrukkers tot stof vergruizen, die zich -maar al te lang hebben vetgemest met den roof onzer huisgezinnen, -met het zweet onzer aangezichten, met den arbeid onzer handen, met de -kracht onzer spieren, met de heerlijke, door God geschonkene rechten -der Menschheid en de heilige en eeuwige aanspraken der Broederschap!" - -"Goed zoo! Hoort, hoort, hoort! Hoera!" en andere dergelijke -kreten rezen met luide stemmen op uit alle hoeken der volgepropte en -stinkend benauwde zaal, waarin de redenaar, op eene stellage staande, -zich van dezen en meer anderen wind en damp, dien hij in zich had, -ontlastte. Hij had zich met zijn declameeren tot eene geweldige hitte -gebracht, en was even schor als warm. Door onder eene flikkerende -gasvlam uit alle macht te staan schreeuwen, zijne vuisten dicht te -knijpen, zijn voorhoofd te fronsen, zijne tanden opeen te klemmen en -met zijne armen te schermen, had hij zijne krachten zoozeer uitgeput, -dat hij nu moest ophouden en om een glas water vragen. - -Terwijl hij daar stond en zijn vurig gezicht met eene teug water -poogde te blusschen, was de vergelijking tusschen den redenaar en -de menigte, die met aandachtige gezichten naar hem stond te turen, -geweldig in zijn nadeel. Op de getuigenis der natuur afgaande, was -hij door weinig meer, dan door de stellage, waarop hij stond, boven -de massa verheven. In vele opzichten was hij beneden de lieden, die -zijn gehoor uitmaakten. Hij was niet zoo eerlijk, niet zoo mannelijk, -niet zoo welgezind; slimheid verving bij hem hunne eenvoudigheid, -en hartstochtelijkheid hun degelijk gezond verstand. Met zijne bijna -mismaakte gestalte, zijne hooge schouders, zijn overhangend voorhoofd, -zijne trekken, waarin eene uitdrukking van wreveligheid tot eene -gewoonte was geworden, stak hij, zelfs met zijne zwierige kleeding, -ongunstig af bij de meerderheid zijner hoorders in hun eenvoudig -werkpak. Zoo vreemd als het altijd is eene vergadering zich lijdzaam -te zien onderwerpen aan de langdradigheid van een vervelenden en -verwaanden redenaar, hetzij een lord of een ongetiteld burger, -zóó diep beneden drie vierde zijner toehoorders in den poel zijner -geesteloosheid verzonken, dat zij hem door geene menschelijke middelen -tot hunne eigene intellectueele hoogte konden verheffen, was het zelfs -bijzonder treurig en treffend, die menigte van ernstige aangezichten -te zien, aan wier eerlijkheid over het geheel door geen bevoegd en -onbevooroordeeld waarnemer kon getwijfeld worden, en die door zulk -een leidsman tot zulk eene opgewondenheid werden gebracht. - -"Goed zoo! Hoort, hoort! Hoera!" Het vuur zoowel van aandacht als -van wil, dat van al die aangezichten straalde, maakte ze tot een -zeer indrukwekkend schouwspel. Hier was geene verveling, geene -lusteloosheid, geene ijdele nieuwsgierigheid, geene van die vele -trappen van onverschilligheid, welke men in alle andere vergaderingen -ziet, voor een oogenblik zichtbaar. Dat ieder zijn toestand in -een of ander opzicht erger vond dan die zijn moest; dat ieder zich -verplicht achtte om zich met de anderen te vereenigen ten einde dien -toestand te verbeteren; dat ieder gevoelde dat zijne eenige hoop -daarin gelegen was, dat hij zich met de makkers, die hem omringden, -verbond; en dat in dit geloof, het mocht dan het ware of onware zijn -(ongelukkig was het toen het onware), die geheele menigte ernstig en -oprecht was, dit had iedereen, die zich daar bevond en maar verkoos te -zien wat er gebeurde, even duidelijk moeten wezen als de ongeverfde -balken van den zolder en de gewitte muren van het vertrek. Ook had -zulk een toeschouwer niet kunnen missen in zijn hart te gevoelen, -dat deze lieden zelf door hunne dwalingen toonden, dat zij groote -eigenschappen bezaten, vatbaar om tot het beste en gelukkigste doel -te worden aangewend; en dat het voorgeven (op grond van algemeene -beweringen, hoe stout en meesterachtig ook geuit), alsof zij geheel -zonder reden en alleen uit hun eigen onredelijken wil dien dwaalweg -opgingen, hetzelfde was, als te beweren dat er rook kon zijn zonder -vuur, dood zonder geboorte, oogst zonder zaad, of iets wat het ook -wezen mocht, dat uit niets voortkwam. - -Toen de redenaar zich verfrischt had, veegde hij zijn gerimpeld -voorhoofd af, door er verscheidene malen van den linker- naar den -rechterkant met zijn tot een kussentje opgevouwen zakdoek overheen -te strijken, en spande toen al zijne verlevendigde krachten in om -een hoonenden glimlach vol smaad en bitterheid voort te brengen. - -"Maar, mijne vrienden en broeders! Mannen en Engelschen, vertrapte -werklieden van Coketown! Wat zullen wij zeggen van dien man, dien -werkman--dat ik het noodig moet bevinden om dien roemrijken naam -zoodanig te verguizen!--die, bij ondervinding bekend met het onrecht -en het leed, dat gij te lijden hebt, gij, hoe ook miskend, de kracht -en het merg van dit eiland, en die gehoord heeft hoe gij met eene -edele en grootsche eenstemmigheid die dwingelanden zult doen beven, -besloten hebt tot de fondsen van het Vereenigd Gezamenlijk Tribunaal -bij te dragen, en u te houden aan de voorschriften, welke zij ook -mogen zijn, door dat lichaam tot uw welzijn uitgevaardigd--wat, -vraag ik u, zult gij zeggen van dien werkman, wien ik tot mijne -spijt als zoodanig moet erkennen, die op zulk een tijd zijn post -verlaat en zijne vlag verkoopt; die op zulk een tijd een verrader, -een lafhartige en een afvallige wordt; die op zulk een tijd zich -niet schaamt u de schandelijke en vernederende bekentenis te doen, -dat hij op zichzelf wil blijven en niet een van de vereenigden zijn, -die dapper voor de Vrijheid en het Recht pal staan?" - -De vergadering was op dit punt verdeeld. Er werd wel gebromd en -gefloten, maar het algemeen gevoel van eer was veel te sterk om -iemand ongehoord te veroordeelen. "Pas op, dat gij het recht -hebt, Slackbridge."--"Laat hij voor den dag komen."--"Laten -wij hem hooren!"--Zulke dingen werden van verschillende kanten -geroepen. Eindelijk riep eene krachtige stem: "Is de man hier? Als de -man hier is, Slackbridge, laten wij dan den man zelf hooren, in plaats -van u," en dit voorstel werd met algemeene toejuiching ontvangen. - -Slackbridge, de redenaar, zag met een verdelgenden glimlach om zich -heen, en zijne rechterhand op armslengte uitstekende (gelijk de -manier van alle Slackbridge's is), om de bulderende zee te stillen, -wachtte hij tot er eene diepe stilte was ontstaan. - -"O, mijne vrienden en medemenschen!" zeide Slackbridge toen, met -geweldige verontwaardiging zijn hoofd schuddende, "ik verwonder mij -niet, dat gij, de mishandelde zonen des arbeids, ongeloovig zijt aan -het bestaan van zulk een man. Maar hij, die zijn geboorterecht voor een -schotel moes verkocht, heeft bestaan, Judas Iscarioth heeft bestaan, -Castlereagh heeft bestaan, en die man bestaat!" - -Nu volgde eene korte verwarring en een gedrang naar de stellage, -daarmede eindigende, dat de man zelf naast den redenaar voor de -vergadering stond. Hij was bleek en zijn gezicht duidde eenige -ontroering aan, die vooral aan zijne lippen zichtbaar was; maar hij -stond daar rustig, met de linkerhand aan de kin, wachtende om gehoord -te worden. Er was een voorzitter om de handelingen der vergadering -te besturen, en deze persoon nam nu de zaak in handen. - -"Mijne vrienden," zeide hij, "uit kracht van mijn post als uw -president, verzoek ik onzen vriend Slackbridge, die in deze zaak -misschien een weinigje al te ver gaat, om te gaan zitten, terwijl -deze man, Stephen Blackpool, gehoord wordt. Gij allen kent dezen man, -Stephen Blackpool. Gij kent hem sedert lang door zijne ongelukken en -zijn goeden naam." - -Daarmede drukte de president hem hartelijk de hand en ging weder -zitten. Slackbridge zette zich insgelijks en veegde zijn gloeiend -voorhoofd af, altijd van den linker- naar den rechterkant en nooit -andersom. - -"Mijne vrienden," begon Stephen, te midden eener doodsche stilte, -"ik heb gehoord wat er van mij gezegd is, en het is waarschijnlijk, -dat ik het niet verbeteren zal. Maar ik heb liever, dat gij de waarheid -over mij zelven uit mijn eigen mond hoort, dan uit die van een ander, -hoewel ik nooit voor zoovelen kon spreken zonder in de war te raken -en verlegen te worden." - -Slackbridge schudde in zijne bitterheid zijn hoofd alsof hij het -wilde afschudden. - -"Ik ben de eenige werkman in de fabriek van Bounderby, van al de -werklieden daar, die niet tot de voorgestelde bepalingen toetreed. Ik -kan er niet in toetreden. Mijne vrienden, ik twijfel of zij u eenig -goed zullen doen. Denkelijk zullen zij u kwaaddoen." - -Slackbridge lachte, sloeg zijne armen over elkaar en zette met een -gefronst voorhoofd een spottend gezicht. - -"Maar het is niet zoozeer daarom, dat ik er buiten blijf. Als dat -alles was, zou ik wel met de anderen meedoen. Maar ik heb mijne -redenen--mijne eigene redenen, ziet ge--die mij verhinderen; niet -alleen nu, maar altijd--altijd--mijn leven lang." - -Slackbridge stond op, knarste op zijne tanden en plaatste zich met -woeste gebaren naast hem. - -"O, mijne vrienden," riep hij uit, "wat anders dan dit heb ik u -gezegd? O, mijne landgenooten, welke andere waarschuwing dan deze -heb ik u gegeven? En hoe staat zulk eene lafhartigheid aan een man, -op wien men weet dat ongelijke wetten zoo zwaar hebben gedrukt? O, -gij Engelschen, ik vraag u, hoe staat zulk een verraad aan een van -uw eigen volk, die aldus bewilligt in zijn eigen verderf en het uwe, -en in dat van uwe kinderen en kindskinderen?" - -Sommigen applaudisseerden, anderen riepen "foei!" en "schande!" maar -de meesten van het gehoor hielden zich stil. Zij zagen naar Stephen's -uitgeteerd gelaat, nog roerender door de oprechte aandoening, die -het vertoonde, en in de goedheid van hun hart waren zij meer bedroefd -dan verontwaardigd. - -"Het ambacht van dezen afgevaardigde is het spreken," zeide -Stephen. "Hij wordt er voor betaald en hij verstaat zijn werk. Laat -hij er zich maar bij houden. Laat hij niet letten op alles wat ik te -dragen heb gehad. Dat gaat hem niet aan. Dat gaat niemand aan dan mij." - -Er lag eene gepastheid, om niet te zeggen eene deftigheid in -deze woorden, die zijne hoorders nog stiller en aandachtiger deed -worden. Dezelfde krachtige stem riep: "Slackbridge, laat de man -gehoord worden en houd je bek!" Toen werd alles verwonderlijk stil. - -"Mijne broeders," zeide Stephen, wiens zachte stem men duidelijk -hoorde, "mijne medearbeiders--want dat zijt ge van mij, hoewel niet, -zoover ik weet, van dezen afgevaardigde hier,--ik heb maar één woord -te zeggen, en ik zou niet meer kunnen zeggen, al mocht ik spreken tot -den jongsten dag. Ik weet wel wat ik voor mij heb. Ik weet wel, dat -gij allen besloten hebt om niets meer te doen te hebben met iemand, -die in deze zaak niet met u meedoet. Ik weet wel, als ik stervende aan -den weg lag, zoudt gij het voor recht houden om mij als een vreemdeling -voorbij te gaan. Maar ik moet er mij in schikken zooals het is." - -"Stephen Blackpool," zeide de president opstaande, "denk er nog eens -over. Bedenk het nog eens, jongen, eer gij door alle oude vrienden -wordt gemeden." - -Er volgde een algemeen gebrom, dat dezelfde beteekenis had, hoewel -niemand een woord sprak. Aller oogen waren op Stephen gevestigd. Als -hij van zijn besluit terugkwam, zou ieder een pak van het hart worden -genomen. Hij zag om zich heen en gevoelde dat het zoo was. Geen zweem -van gramschap tegen hen kwam in hem op; hij kende hen en doorzag hen, -ver beneden hunne oppervlakkige zwakheden en wanbegrippen, gelijk -niemand dan een makker kon doen. - -"Ik heb er over gedacht, meer dan een beetje, mijnheer. Ik kan -eenvoudig niet toetreden. Ik moet den weg gaan, die voor mij ligt. Ik -moet van allen hier afscheid nemen." - -Hij maakte een soort van afscheidsgebaar, door zijne armen op te -houden, en bleef een oogenblik in die houding staan, niet sprekende -voordat zij langzaam weder neerzakten. - -"Menig pleizierig woord hebben sommigen hier met mij gesproken; -menig gezicht zie ik hier, dat ik het eerst gezien heb toen ik nog -jong was en een lichter hart had dan nu. Ik heb nog nooit zoolang -ik leef ongenoegen gehad met iemand van mijns gelijken; en God weet, -het ongenoegen dat ik nu heb is mijne schuld niet. Gij hebt mij een -verrader en zoo al meer genoemd--gij, wil ik zeggen," hierbij keerde -hij zich naar Slackbridge, "maar het is gemakkelijker zoo iets ze -zeggen, dan het te bewijzen. Laat het dus maar blijven." - -Hij had een paar schreden gedaan om zich van de stellage te -verwijderen, toen hij zich iets herinnerde dat hij nog niet gezegd had, -en daarom terugkwam. - -"Misschien," zeide hij, zijn gerimpeld gezicht langzaam heen en weder -keerende, als wilde hij zijn geheel gehoor hoofd voor hoofd aanspreken; -"misschien, als er over mijn geval gehandeld is, zal er een dreigement -komen om het werk te staken, als men mij onder u laat werken. Ik hoop, -dat ik sterven zal eer dat gebeurt, maar zoolang het niet gebeurt, -zal ik in eenzaamheid onder u blijven werken--want waarlijk, ik moet -dat doen, mijne vrienden, niet om u te sarren, maar om te leven. Ik -heb niets dan mijn werk om van te leven; en waar kan ik heengaan, ik, -die van klein kind af hier in Coketown heb gewerkt? Ik klaag er niet -over, dat ik van nu af in den ban gedaan en niet meer aangezien word, -maar ik hoop, dat men mij zal laten werken. Als er iets is, waarop -ik recht heb, mijne vrienden, dan is het, geloof ik, dat." - -Er werd geen woord gesproken. Geen geluid werd in het geheele -gebouw gehoord, behalve een zacht geschoffel langs het midden der -zaal, waar de toehoorders een weinig opschoven, om een vrij pad te -laten voor den man, met wien zij voortaan alle gemeenschap zouden -verzaken. Niemand aanziende en langzaam voortstappende, met eene -mengeling van nederigheid en standvastigheid, evenmin smeekend als -uitdagend, ging oude Stephen, met al zijne rampen en bezwaren beladen, -zijns weegs. - -Slackbridge, die, terwijl Stephen heenging, zijn oratorischen arm -uitgestrekt had gehouden, alsof hij met oneindige bekommering en door -een wonderbaar zedelijk vermogen de geweldige hartstochten der menigte -in bedwang hield, aanvaardde nu de taak om de vergadering weder op te -beuren. "Heeft niet de Romeinsche Brutus, mijne Britsche landgenooten, -zijn zoon ter dood veroordeeld; en hebben niet de Spartaansche moeders, -o mijne weldra zegevierende vrienden, hare vluchtende kinderen in de -spitsen der vijandelijke zwaarden gedreven? Is het dan niet de heilige -plicht der mannen van Coketown, met hunne voorvaderen voor zich, met -eene bewonderende wereld in hun gezelschap en een nakomelingschap, -die achter hen zal komen, de verraders uit de tenten te slingeren, -die zij in eene heilige en Godgewijde zaak hebben opgeslagen? De winden -des hemels antwoorden ja, en voeren dat ja naar het oosten en westen, -het noorden en zuiden. En daarom driemaal hoera voor het Vereenigd -Gemeenschappelijk Tribunaal!" - -Slackbridge speelde voor voorzanger en gaf de maat aan. De menigte -van twijfelachtige gezichten (wier geweten eenigszins knaagde) -verhelderde op dat geluid en stemde er mede in. Ieders bijzonder -gevoel moest voor de algemeene zaak zwichten. Hoera! De zoldering -dreunde nog van het gejuich toen de vergadering uiteenging. - -Zoo gemakkelijk kwam Stephen Blackpool tot het eenzaamste leven dat -men bedenken kan, een leven van eenzaamheid onder eene menigte van -gemeenzame bekenden. De vreemdeling in het land, die onder tienduizend -gezichten naar een blik zoekt, welke den zijnen beantwoordt, en dien -niet vindt, is nog in vroolijk gezelschap, vergeleken bij hem, die -dagelijks tien afgewende gezichten voorbijgaat, welke voorheen de -gezichten van vrienden waren. Zoo iets ondervond Stephen nu in ieder -wakend oogenblik van zijn leven, aan zijn werk, op weg daarheen en -naar huis, aan zijne deur, voor zijn venster en overal. Bij algemeene -afspraak vermeed men zelfs dien kant der straat waarlangs hij gewoon -was te gaan, en liet dezen, voor zoover de werklieden betrof, voor -hem alleen over. - -Hij was vele jaren lang een stil, eenzelvig mensch geweest, die -weinig met anderen verkeerde en gewoon was zijne eigene gedachten tot -gezelschap te hebben. Hij had nooit te voren geweten, welke sterke -behoefte er in zijn hart woonde aan het gedurig beantwoorden van een -hoofdknik, een blik, een enkel woord, of welk eene onberekenbare mate -van verademing door zulke geringe middelen hem droppel voor droppel in -de ziel was gestort. Het was zelfs moeielijker dan hij voor mogelijk -had gehouden, zijne verbanning van al zijne makkers, in zijn eigen -geweten, van een ongegrond gevoel van schande en schaamte afgezonderd -te houden. - -De eerste vier dagen zijner volharding waren zoo lang en drukkend, -dat hij zich begon te ontzetten voor het uitzicht dat voor hem -lag. Niet alleen had hij Rachel in al dien tijd niet gezien, maar -hij had zelfs alle gelegenheid om haar te zien vermeden: want hoewel -hij wist, dat het verbod zich niet eigenlijk tot de vrouwen, die in -de fabrieken werkten, uitstrekte, bevond hij toch, dat sommige van -die, met welke hij bekend was, voor hem veranderd waren, en vreesde -hij met anderen de proef te nemen, terwijl hij beducht was, dat ook -Rachel door hare gezellinnen mocht worden uitgebannen, indien men -haar in zijn gezelschap zag. Zoo was hij dan die vier dagen lang -geheel alleen geweest en had hij met niemand een woord gewisseld, -toen hij des avonds, van zijn werk terugkomende, op straat door een -jonkman werd aangesproken, die zich door zijne bijzondere lichte -kleur onderscheidde. - -"Gij heet Blackpool, niet waar?" zeide de jonkman. - -Stephen kleurde toen hij er zich op betrapte, dat hij uit dankbaarheid -voor die toespraak, of uithoofde van het onverwachte daarvan, of wel -om beide redenen tegelijk, met zijn hoed in de hand stond. Hij hield -zich alsof hij iets aan de voering deed en antwoordde: "Ja." - -"Gij zijt de werkman, dien zij in den ban gedaan hebben, naar ik -meen?" zeide Bitzer, de jonkman met de lichte kleur. - -"Ja," antwoordde Stephen wederom. - -"Dat dacht ik wel, omdat zij zich allen van u schijnen af te -houden. Mijnheer Bounderby wil u spreken. Gij weet zijn huis wel, -niet waar?" - -"Ja," herhaalde Stephen. - -"Ga dan dadelijk daarheen, zult ge?" zeide Bitzer. "Ge wordt gewacht, -en hebt de meid maar te zeggen, dat gij het zijt. Ik behoor tot het -kantoor; als ge dus dadelijk zonder mij daarheen gaat--ik ben gezonden -om u te halen--haalt gij mij eene wandeling uit." - -Stephen, die den anderen kant opging, keerde om en begaf zich, gelijk -hem gelast was, naar het roode kasteel van den reus Bounderby. - - - - - - - -XXI. - -MANNEN EN MEESTERS. - - -"Wel, Stephen," zeide Bounderby op zijne winderige manier, "wat heb -ik gehoord? Wat hebben die pesten der maatschappij met u gedaan? Kom -binnen en spreek op." - -Het was het salon, waar hij dus verzocht werd binnen te treden. De -theetafel stond gereed, en mijnheer Bounderby's jeugdige vrouw, en -haar broeder, en een groot heer uit Londen waren aanwezig. Voor al -deze personen maakte Stephen eene buiging, sloot de deur en bleef -met den hoed in de hand daarbij staan. - -"Dit is de man, van wien ik u zoo even gesproken heb, Harthouse," -zeide mijnheer Bounderby. - -De heer, tot wien hij het woord richtte en die met mevrouw Bounderby -op de sofa zat te praten, stond op, zeide op een slependen toon: -"Ei zoo!" en kuierde onverschillig en dralend naar het haardkleedje, -waar mijnheer Bounderby stond. - -"Komaan," zeide Bounderby, "spreek nu maar op." - -Na de vier verloopene dagen klonk deze toespraak Stephen rauw en -wanluidend in de ooren. Behalve dat zijn gewond gemoed daardoor onzacht -werd aangetast, scheen men ook te onderstellen, dat hij werkelijk uit -eigenbelang zijne makkers had verlaten, gelijk men hem verweten had. - -"Wat was het, mijnheer," zeide Stephen, "dat het u beliefde van mij -te willen hebben?" - -"Wel, dat heb ik u gezegd," antwoordde Bounderby. "Spreek op als -een man, daar gij een man zijt, en vertel ons van u zelven en die -combinatie." - -"Met uw believen, mijnheer," zeide Stephen Blackpool, "ik heb er -niets van te zeggen." - -Mijnheer Bounderby, die altijd meer of min naar den wind geleek en -nu iets in zijn weg vond staan, begon er terstond tegen te blazen. - -"Zie nu eens hier, Harthouse," zeide hij, "daar hebt gij nu een van -hen. Toen deze man vroeger eens hier was, heb ik hem gewaarschuwd -voor de kwaadwillige vreemdelingen, die altijd rondloopen--en die, -waar men ze vond, behoorden opgehangen te worden--en ik heb dien -man toen gezegd, dat hij een verkeerden weg opging. Zoudt gij het nu -gelooven, dat hij, hoewel zij hem zoo geteekend hebben, nog zulk een -slaaf van hen is, dat hij bang is om zijn mond over hen open te doen!" - -"Ik heb gezegd, dat ik niets te zeggen had, mijnheer; niet dat ik -bang was om mijn mond open te doen." - -"Zegt gij zoo? Ja, ik weet wel wat gij gezegd hebt, en nog meer; ik -weet ook wat gij meent, begrijpt ge! Dat is waarachtig niet altijd -hetzelfde. Dikwijls geheel iets anders. Gij moest ons liever maar -zeggen, dat die kerel, Slackbridge, niet in de stad is om het werkvolk -tot muiterij op te stoken; en dat hij geen volksleider van de echte -soort, dat wil zeggen een doortrapte schobbejak is. Gij moest ons dat -liever maar dadelijk zeggen; gij kunt mij toch niet bedriegen. Gij -wilt ons dat immers zeggen? Waarom doet gij het dan niet?" - -"Het spijt mij evenzeer als u, mijnheer, als het volk slechte -leidslieden heeft," antwoordde Stephen, zijn hoofd schuddende. "Zij -nemen maar degenen, die zich voordoen. Misschien is het niet het -kleinste van hunne ongelukken, dat zij geen betere kunnen krijgen." - -De wind begon onstuimig te worden. - -"Gij vindt dit zeker al tamelijk wel, Harthouse," zeide mijnheer -Bounderby; "gij vindt dit zeker al vrij sterk. Gij zult wel zeggen, -bij mijne ziel, dat is een aardig staaltje van de soort van lieden -waarmede mijne vrienden moeten omspringen; maar dit is nog niemendal, -mijnheer. Gij zult mij dien man eene vraag hooren doen. Zeg eens, -mijnheer Blackpool,"--de wind stak al meer en meer op--"mag ik zoo -vrij zijn van u te vragen hoe het komt, dat gij geweigerd hebt tot -die combinatie toe te treden?" - -"Hoe het komt?" - -"Ja," zeide mijnheer Bounderby, met zijne duimen in de mouwen van zijn -rok, terwijl hij met zijn hoofd knikte en zijne oogen dichtkneep, als -ware het in vertrouwen tegen den muur aan den overkant, "hoe het komt." - -"Ik had er liever niet van willen spreken, mijnheer; maar daar gij het -mij vraagt, en ik niet ongemanierd wil zijn, zal ik toch antwoorden: -ik had mijn woord gegeven." - -"Niet aan mij, dat weet gij wel," zeide Bounderby. (Stormachtig weer, -met bedrieglijke tusschenpoozen van kalmte, waarvan er nu juist -een heerschte). - -"O neen, mijnheer, niet aan u." - -"Wat mij aangaat, alle betrekking tot mij heeft er volstrekt geen -deel aan," zeide Bounderby, nog in vertrouwen tegen den muur. "Als -het alleen om Josiah Bounderby van Coketown ware te doen geweest, -hadt gij zeker medegedaan en er geen been in gevonden?" - -"Ja wel, mijnheer, dat is waar." - -"Ofschoon hij weet," zeide mijnheer Bounderby, nu in eene stormvlaag -uitbarstende, "dat die kerels een troep rebellen en schelmen -zijn, voor wie het nog te weinig zou zijn als zij gedeporteerd -werden! Nu, mijnheer Harthouse, gij hebt eenigen tijd in de wereld -rondgezworven. Hebt gij buiten dit gezegende land ooit iets gevonden, -dat naar dien man geleek?" En mijnheer Bounderby wees naar hem met -een van gramschap trillenden vinger. - -"Neen, mevrouw," zeide Stephen Blackpool, in manhaftig protest tegen -de gebezigde woorden, en zich onwillekeurig tot Louisa richtende, -nadat hij haar even in de oogen had gezien. "Geene rebellen of -schelmen. Niets van dien aard, mevrouw, niets van dien aard. Zij -hebben mij niet vriendelijk behandeld, mevrouw, dat weet en gevoel ik -wel. Maar er zijn er geen twaalf onder hen, mevrouw--geen twaalf?--geen -zes, of ieder gelooft dat hij zijn plicht heeft gedaan jegens de -anderen en zich zelven. God verhoede dat ik, die al mijn leven deze -menschen gekend heb en ondervinding van hen heb gehad--ik, die met -hen gegeten en gedronken heb, en bij hen gezeten en met hen gewerkt -en hen liefgehad heb, zou nalaten om de waarheid van hen te getuigen, -al hadden zij mij nog zooveel kwaad gedaan." - -Hij sprak met den stroeven ernst van zijn stand en zijn karakter, -misschien nog verhoogd door de trotsche bewustheid, dat hij zijne -klasse, onder al haar wantrouwen, getrouw was gebleven; maar hij -herinnerde zich volkomen waar hij was en verhief zelfs zijne stem niet. - -"Neen, mevrouw, neen. Zij zijn elkander trouw en zijn liefderijk -voor elkander, zelfs tot in den dood. Wees onder hen arm, wees onder -hen ziek, wees onder hen bedroefd, om een van de vele oorzaken, die -den armen man droefenis in huis brengen, en zij zullen goed voor u -zijn, zacht voor u zijn, troostrijk voor u zijn, christelijk voor u -zijn. Daarvan kunt gij zeker wezen, mevrouw. Zij zouden aan stukken -geplukt moeten worden, eer zij anders werden." - -"Kortom," zeide mijnheer Bounderby, "het is zeker omdat zij zoo vol -deugden steken, dat zij u hebben weggejaagd. Ga er maar mede voort, -nu gij er toch aan begonnen zijt. Spreek maar op." - -"Hoe het komt, mevrouw," hervatte Stephen, die nog zijne natuurlijke -toevlucht in Louisa's gezicht scheen te vinden, "dat juist datgene, -wat in onze lieden het beste is, het meest tot ons nadeel en ongeluk -schijnt uit te loopen en ons het meest op een dwaalweg schijnt te -brengen, weet ik niet. Maar het is zoo. Ik weet dat het zoo is, -evengoed als ik weet, dat er een hemel boven mij is achter den -rook. Wij zijn toch ook geduldig en willen over het geheel doen wat -recht is. Ik kan niet denken, dat de schuld geheel bij ons ligt." - -"Nu, mijn vriend," zeide mijnheer Bounderby, wien Stephen niet méér -had kunnen vertoornen, hoewel hij daarvan geheel onbewust was, dan door -zich naar het scheen op iemand anders te beroepen, "als ge mij nu een -halve minuut uwe aandacht wilt verleenen, heb ik een paar woorden met -u te spreken. Gij hebt zoo even gezegd, dat gij ons niets over die zaak -te zeggen hadt. Zijt ge daarvan geheel zeker, eer wij verder gaan?" - -"Ja, mijnheer, daarvan ben ik zeker." - -"Hier is een heer uit Londen,"--mijnheer Bounderby wees achterwaarts -met zijn duim naar mijnheer James Harthouse--"een heer van het -Parlement. Ik zou gaarne hebben, dat hij een kort gesprek tusschen u -en mij aanhoorde, in plaats van den inhoud daarvan--ik weet al vooruit -wat die zijn zal; niemand weet dat beter dan ik, onthoud dat wel--op -goed vertrouwen uit mijn mond te moeten aannemen." - -Stephen boog zijn hoofd voor den heer uit Londen en toonde zich -wat meer ontrust en verlegen dan gewoonlijk. Onwillekeurig zochten -zijne oogen zijne vorige toevlucht, maar op een wenk van dien kant -(nadrukkelijk, hoewel oogenblikkelijk) vestigde hij ze weder op -mijnheer Bounderby. - -"Zeg nu eens, waarover klaagt gij?" vroeg mijnheer Bounderby. - -"Ik ben niet hier gekomen om te klagen, mijnheer," antwoordde -Stephen. "Ik kom omdat ik geroepen ben." - -"Wel," hervatte mijnheer Bounderby, zijne armen over elkander slaande, -"waarover klaagt gijlieden dan in het algemeen?" - -Stephen zag een oogenblik eenigszins weifelend om zich heen en scheen -toen tot een besluit te komen. - -"Mijnheer, ik ben nooit heel knap geweest om dat te zeggen, al -heb ik van het gevoel er van zoo goed mijn deel gehad als iemand -anders. Inderdaad, wij zitten in een warboel, mijnheer. Zie maar -eens rond in deze stad--zoo rijk als zij is--en zie dan de menigte -van menschen, die hier in de stad zijn gekomen om voor hun brood te -weven, te kaarden en zoo al meer, altijd eenerlei, van hunne wieg tot -aan het graf. Zie hoe wij leven en waar wij leven, en in welk eene -menigte, en hoe eentonig ons leven en hoe wisselvallig ons bestaan -is; en zie hoe de fabrieken altijd aan het werk blijven, en hoe -zij ons met dat werk nooit nader tot iets brengen--behalve alleen -aan den dood. Zie hoe gij over ons denkt, en over ons schrijft, en -over ons praat, en met uwe deputaties naar ministers over ons gaat, -en hoe gij altijd gelijk hebt en hoe wij altijd ongelijk hebben, -en er nooit iets redelijks en verstandigs in ons te vinden is. Zie -hoe dit is toegenomen, mijnheer, al grooter en grooter geworden, -al zwaarder en zwaarder, en al harder en harder, van jaar tot jaar, -van geslacht tot geslacht. Wie kan dat aanzien, mijnheer, en dan nog -goedsmoeds zeggen, dat dit geen warboel is?" - -"Natuurlijk," zeide mijnheer Bounderby, "En nu zult gij misschien -dien heer ook wel laten weten, hoe gij dien warboel (gelijk gij het -zoo gaarne noemt) terecht zoudt willen brengen?" - -"Dat weet ik niet, mijnheer. Dat is niet van mij te wachten. Ik ben -het niet, van wien dat gevergd moet worden. Dat zijn diegenen, die -over ons gesteld zijn en over al de rest van ons. Waarvoor zijn zij -anders, mijnheer, als zij dat niet doen?" - -"Dan zal ik u iets zeggen, wat er ten minste aan te doen is," -antwoordde mijnheer Bounderby. "Wij zullen een voorbeeld maken van -een half dozijn Slackbridge's. Wij zullen die schavuiten voor de -rechtbank brengen en naar de straf-koloniën zenden." - -Stephen schudde ernstig zijn hoofd. - -"Zeg mij niet van neen, man," vervolgde mijnheer Bounderby, en nu -waaide het een orkaan, "want dat zullen wij, zeg ik u." - -"Mijnheer," antwoordde Stephen, met de kalme vastheid eener -onwankelbare overtuiging, "al zoudt ge honderd Slackbridge's -nemen--allen die er maar zijn, zelfs tienmaal zooveel--en ze ieder in -een zak naaien, en in de diepste zee laten zinken, die er ooit geweest -is eer er nog droog land was, dan zoudt gij toch den warboel eveneens -laten als hij is. Opruiende vreemdelingen!" vervolgde Stephen met een -glimlach, "wanneer, zoolang wij ons kunnen herinneren, hebben wij -niet van opruiende vreemdelingen gehoord! Het is niet door hen dat -er onrust komt, mijnheer. Het is niet bij hen dat het begint. Ik ben -geen vriend van hen--ik heb geen reden om hun vriend te zijn--maar -het is hopeloos en nutteloos, die lieden voor hun handwerk te willen -straffen, in plaats van dat handwerk zelf te beletten. Allen die nu -hier in de kamer om mij heen zijn, waren hier eer ik kwam, en zullen -nog hier zijn als ik weg ben. Breng die klok aan boord van een schip -en zend ze weg naar het eiland Norfolk, en de tijd zal toch eveneens -voortgaan. Zoo is het ook met Slackbridge." - -Zich voor een oogenblik naar zijne vorige toevlucht keerende, -nam hij eene waarschuwende beweging harer oogen naar de deur -waar. Terugtredende sloeg hij zijne hand aan de kruk. Maar hij had -niet uit eigen wil en verlangen gesproken, en hij gevoelde in zijn -hart, dat het eene edele vergelding van het geledene onrecht zou -zijn, indien hij hun, die hem zoo verzaakt hadden, tot het laatste -toe getrouw bleef. Hij bleef dus staan om geheel te zeggen wat hij -nog op het gemoed had. - -"Mijnheer, ik kan met mijn beetje kennis en mijne gemeene manier -van spreken dezen heer niet zeggen, wat dit alles zou kunnen -verbeteren,--hoewel sommige werklieden hier in de stad het wel konden -doen, veel beter dan ik; maar ik kan hem toch wel zeggen wat ik weet -dat nooit baten zal. De sterke hand zal het nooit doen. Overwinning -en zegepraal zullen het nooit doen. Eene afspraak om den eenen kant op -eene onnatuurlijke manier altijd gelijk te geven, en den anderen kant -altijd ongelijk, zal het nooit, nooit doen. En ze zoo maar hun gang -te laten gaan, zal het ook nooit doen. Laat duizenden bij duizenden -zoo maar hun gang gaan, allen hetzelfde leven leiden en altijd in -denzelfden warboel blijven, en zij zullen aan den éénen kant blijven -staan, en gij aan den anderen, met eene zwarte, onoverkomelijke -diepte tusschen u, juist zoo lang en zoo kort als zulk eene ellende -kan duren. Nooit met die menschen meer eigen te willen worden, door -goedheid en geduld en opbeurende manieren, die hen zoo aan elkander -hechten onder hunne vele bezwaren en elkander zoo doen bijstaan in -hun nood met wat zij zelven wel konden gebruiken--gelijk ik nederig -geloof dat door geen volk, dat die heer op zijne reizen gezien heeft, -ooit kan overtroffen worden--ook dat zal het nooit doen, voordat de -zon in ijs verandert. En voor het laatst, hen maar in rekening te -brengen als zooveel stoomkracht, en te behandelen alsof zij cijfers -van eene som of doode machines waren, zonder liefde of voorkeur, -zonder geheugen of neigingen, zonder zielen, die moede kunnen worden -en zielen die kunnen hopen; als alles rustig is, hen maar te laten -voortzwoegen alsof zij niets van dien aard bezaten, en als alles -onrustig is, hun te verwijten, dat zij in hunne betrekking tot u -geen menschelijk gevoel toonen,--dat zal het nooit doen, mijnheer, -eer de menschen geheel anders worden dan God hen geschapen heeft." - -Stephen stond met de hand aan de opene deur te wachten of er nog iets -meer van hem verlangd werd. - -"Blijf nog een oogenblikje," zeide mijnheer Bounderby met een bloedrood -gezicht. "Ik heb u gezegd, toen gij de laatste maal met eene klacht -hier kwaamt, dat gij liever moest omkeeren en u daarvan afhouden. En -ik heb u ook gezegd, als gij het nog weet, dat ik het wel begreep -als men den gouden lepel in het oog had." - -"Ik zelf heb nooit zoo iets in het oog gehad, mijnheer, dat verzeker -ik u." - -"Nu is het mij duidelijk geworden," vervolgde mijnheer Bounderby, -"dat gij een van die snaken zijt, die altijd grieven hebben, en dat -gij rondloopt om die grieven uit te zaaien en voort te planten. Dit -is het werk van uw leven, mijn vriend." - -Stephen schudde zijn hoofd,--een zwijgende betuiging dat hij wel -ander werk had. - -"Gij zijt zulk een netelige, hatelijke, onverdraaglijke kerel," -vervolgde mijnheer Bounderby, "dat zelfs uwe eigene vereeniging, de -menschen die u het best kennen, niets met u te doen willen hebben. Ik -had nooit gedacht dat die knapen in iets gelijk konden hebben. Maar -ik zal u eens wat zeggen. Voor de aardigheid zal ik hen nu eens zoo -ver gelijk geven, dat ik ook niets meer met u te doen wil hebben." - -Stephen sloeg snel zijne oogen op om hem aan te zien. - -"Gij kunt afmaken waaraan gij bezig zijt," zeide mijnheer Bounderby -met een veelbeduidend knikje, "en dan ergens anders heen gaan." - -"Mijnheer, gij weet wel," zeide Stephen met nadruk, "dat ik, als ik -bij u geen werk kan krijgen, het ook nergens anders krijgen kan." - -"Wat ik weet, dat weet ik," luidde het antwoord, "en wat gij weet, -dat weet gij. Ik heb er niets meer over te zeggen." - -Stephen zag nog eens naar Louisa om, maar hare oogen waren niet meer -naar de zijne opgeslagen; hij slaakte dus een zucht, en met de woorden: -"De Hemel helpe ons allen in deze wereld," die hij maar weinig harder -dan fluisterend uitsprak, ging hij heen. - - - - - - - -XXII. - -STEPHEN BLACKPOOL VERDWIJNT. - - -Het was tusschen licht en donker toen Stephen bij mijnheer Bounderby -de deur uitkwam. De nachtelijke schaduw was zoo snel neergedaald, -dat hij, toen hij de deur had toegetrokken, niet eens om zich heen -zag, maar met loomen tred rechtuit de straat langs ging. Niets was -verder uit zijne gedachten dan de zonderlinge oude vrouw, die hij -bij zijn vorig bezoek aan hetzelfde huis had ontmoet, toen hij een -voetstap achter zich hoorde dien hij kende, en zich omkeerende, -die vrouw wederzag, thans in gezelschap van Rachel. - -Hij zag Rachel het eerst, gelijk hij haar alleen had gehoord. - -"Ha, Rachel, mijn beste! Gij bij haar, juffrouw!" - -"Ja, gij zijt zeker wel verwonderd, en dat met reden, moet ik zeggen," -antwoordde de oude vrouw. "Daar ben ik alweer, ziet ge." - -"Maar hoe zoo met Rachel?" zeide Stephen, terwijl hij zijn stap naar -dien der vrouwen schikte en tusschen de twee in ging, nu naar de eene -en dan naar de andere omkijkende. - -"Wel, ik ben omtrent eveneens aan dit goede meisje gekomen als ik -aan u gekomen ben," antwoordde de oude vrouw, op vroolijken toon het -woord opvattende. "Ik kom hier dit jaar wat later dan gewoonlijk, -want ik ben eenigszins met kortademigheid gekweld, en heb dus mijne -reis uitgesteld tot wij warm en mooi weer hadden. Om dezelfde reden -doe ik nu mijne reis niet geheel op één dag, maar neem er twee dagen -toe, en slaap van nacht in het Reizigers-Koffiehuis bij den spoorweg -(een knap, zindelijk huis) en ga morgenochtend om zes uur met den -eersten trein weer heen. Maar wat heeft dat met dit goede meisje te -doen, zult gij zeggen. Dat zal ik u vertellen. Ik heb gehoord, dat -mijnheer Bounderby getrouwd is. Ik heb het in de courant gelezen, -waar het wat heerlijk in stond--machtig mooi!" De oude vrouw zeide -dit met eene zonderlinge opgetogenheid. "En nu wilde ik zijne vrouw -zien. Ik heb haar nog nooit gezien. Zoudt ge nu gelooven, zij is -sedert van middag twaalf uur de deur niet uitgekomen. Om het dus nu -niet te licht op te geven, bleef ik voor het laatst nog een beetje -wachten, en toen ging ik dit goede meisje twee- of driemaal voorbij; -en daar zij zulk een vriendelijk gezichtje had, sprak ik haar aan, -en zij bleef met mij aan de praat. Daar," zeide de oude vrouw tot -Stephen, "nu kunt ge al de rest wel zelf raden, veel korter dan ik -het vertellen kan, mag ik wel zeggen." - -Wederom had Stephen moeite om een onwillekeurigen afkeer van die oude -vrouw te overwinnen, hoewel haar uitzicht en toon zoo eerlijk en -eenvoudig waren als zij maar konden zijn. Met eene goedwilligheid, -welke hem even natuurlijk was als hij wist dat zij dit Rachel was, -bleef hij bij het onderwerp, dat haar in haar ouderdom nog zooveel -belang inboezemde. - -"Wel, juffrouw," zeide hij, "ik heb die dame gezien, en zij was jong -en mooi. Met heerlijke, donkere, peinzende oogen, en zulk eene stille -manier, Rachel, als ik nog nooit iemand anders gezien heb." - -"Jong en mooi. Zoo zoo!" riep de oude vrouw vol blijdschap -uit. "Bloeiend als eene roos! En zeker eene gelukkige vrouw!" - -"O ja, juffrouw, dat zou ik wel denken," zeide Stephen, maar met een -twijfelachtigen blik naar Rachel. - -"Zoudt gij denken? Dat moet zij wel wezen. Zij is immers uw meesters -vrouw?" hervatte de oude vrouw. - -Stephen knikte toestemmend. "Hoewel wat dat meester aangaat," zeide -hij, wederom met een blik naar Rachel, "hij is nu mijn meester niet -meer. Het is alles gedaan tusschen hem en mij." - -"Hebt gij voor zijn werk bedankt, Stephen?" vroeg Rachel angstig -en snel. - -"Wel, Rachel," antwoordde hij, "of ik voor zijn werk heb bedankt, -of hij mij afdankte, komt op hetzelfde neer. Zijn werk en ik zijn -gescheiden. Het is ook al goed zoo--het beste misschien, dacht ik, -juist toen ik u mij achterop hoorde komen. Het zou maar allerlei -moeite veroorzaakt hebben als ik daar gebleven was. Misschien is het -een geluk voor velen, dat ik heenga, misschien een geluk voor mij -zelven; in allen gevalle het moet nu zoo wezen. Ik moet Coketown den -rug toekeeren en mijn fortuin zoeken, beste, met opnieuw te beginnen." - -"Waar zult ge naar toe gaan, Stephen?" - -"Dat weet ik van avond nog niet," zeide hij, zijn hoed afnemend en -zijne dunne haren met de vlakke hand gladstrijkende. "Maar ik ga -van avond nog niet, Rachel, en morgen ook nog niet. Het is niet heel -gemakkelijk te verzinnen waar ik naar toe zal gaan; maar ik zal wel -moed houden." - -In dit opzicht hielp hem de bewustheid, dat hij niet slechts -onbaatzuchtig handelde, maar zelfs onbaatzuchtig dacht. Eer hij nog -mijnheer Bounderby's deur had toegetrokken, had hij overwogen, dat -het ten minste voor haar goed was, dat hij genoodzaakt was om heen -te gaan, dewijl zij dan geen gevaar meer zou loopen van insgelijks -verdacht te worden, omdat zij zich niet van hem afzonderde. Hoewel -het hem veel kosten zou haar te verlaten, en hoewel hij geene stad -bedenken kon waar zijn vonnis hem niet volgen zou, was het misschien -toch eene verademing voor hem, dat hij met geweld van het leed der -vier laatste dagen werd ontheven al was het zelf om onbekende rampen -en bezwaren tegemoet te gaan. - -Hij zeide dus naar waarheid: "Ik ben er kalmer onder, Rachel, dan ik -had kunnen denken." - -Het was hare taak niet zijn last te verzwaren; zij antwoordde dus -met haar opbeurenden glimlach, en het drietal wandelde te zamen voort. - -Oude lieden, vooral wanneer zij hun best doen om vroolijk te zijn -en anderen niet tot last te wezen, worden onder de armen algemeen -geacht en geëerd. De oude vrouw had zulk een fatsoenlijk voorkomen, -was zoo vergenoegd, en nam hare zwakheden, hoewel zij sedert haar vorig -onderhoud met Stephen waren toegenomen, zoo licht op, dat beiden eene -welwillende belangstelling voor haar begonnen te gevoelen. Zij was -te vlug om te willen toelaten, dat men om harentwil langzamer ging, -maar zij was zeer dankbaar dat men met haar praatte, en zelve zeer -genegen om te praten; zoodat zij, toen men aan dat gedeelte der stad -gekomen was, waar hare geleiders woonden, levendiger en luchtiger -was geworden dan ooit. - -"Kom bij mij binnen, juffrouw," zeide Stephen, "en drink een kopje -thee. Rachel zal dan ook binnenkomen en u naderhand veilig naar uw -logement brengen. Het zal misschien lang duren, Rachel, eer ik weder -eens kans heb op uw gezelschap." - -Men bewilligde, en de drie gingen verder naar het huis waar hij -woonde. Toen men de smalle straat insloeg, keek Stephen naar zijn -venster op met een angst, die hem altijd kwelde als hij naar huis ging; -maar het venster stond open gelijk hij het gelaten had, en niemand -was daar. De booze geest van zijn leven was maanden geleden weder -verdwenen; en hij had sedert niet meer van haar gehoord. De eenige -blijken harer laatste terugkomst waren thans het kariger huisraad in -zijne kamer en het grijzere haar op zijn hoofd. - -Hij stak eene kaars aan, zette zijn theeblad gereed, haalde heet -water van beneden, en brood, boter en eene kleine portie thee en -suiker in den naasten winkel. Het brood was versch en bros van korst, -de boter niet lang geleden gemaakt en de suiker wit, natuurlijk--om -de standvastige getuigenis der magnaten van Coketown te bewaarheden, -dat die menschen leefden als prinsen, mijnheer. Rachel zette thee -(zulk een groot gezelschap maakte het noodzakelijk een kopje te -leenen), en de vreemde oude vrouw was machtig in haar schik. Het was -de eerste zweem van gezelligheid, dien de gastheer in vele dagen had -gehad. Ook hij, met de wereld als eene barre, uitgestrekte heide voor -zich, genoot dezen maaltijd--wederom ter bevestiging van de getuigenis -der magnaten--als een voorbeeld van het volslagen gebrek aan overleg -bij die menschen, mijnheer. - -"Ik heb er nog niet aan gedacht om naar uw naam te vragen, juffrouw," -zeide Stephen. - -De oude vrouw maakte zich bekend als "juffrouw Pegler." - -"Eene weduwe, denk ik?" zeide Stephen. - -"O, vele jaren lang!" - -Juffrouw Pegler's echtgenoot (een van de beste mannen, die er ooit -geweest waren) was, volgens hare berekening, reeds dood toen Stephen -geboren werd. - -"Het was wel een ongeluk, zoo'n goed man te verliezen. En kinderen?" - -Het kopje van juffrouw Pegler, dat tegen het schoteltje rinkelde, -duidde eenige zenuwachtigheid bij haar aan. "Neen," zeide zij. "Nu -niet, nu niet." - -"Dood, Stephen," fluisterde Rachel hem zachtjes toe. - -"Het spijt me dat ik er van gesproken heb," zeide Stephen. "Ik had -moeten bedenken, dat ik eene pijnlijke plek kon treffen. Ik--ik had -beter moeten weten." - -Terwijl hij zich zoo verontschuldigde, rinkelde het kopje der -oude vrouw al meer en meer. "Ik heb een zoon gehad," zeide zij met -eene zonderlinge aandoening, welke niets van de gewone teekenen van -droefheid had, "en het ging hem goed, verbazend goed. Maar laat er niet -meer van hem gesproken worden als het u belieft. Hij is,"--zij zette -haar kopje neer en maakte eene beweging met hare handen, alsof zij -er met dat gebaar wilde bijvoegen: "dood!" Daarna zeide zij overluid: -"Ik heb hem verloren." - -Stephen was het onaangename gevoel nog niet te boven gekomen, dat -hij de oude vrouw leed had gedaan, toen zijne huiswaardin de smalle -trap kwam opstommelen, hem naar de deur riep en hem iets in het oor -fluisterde. Juffrouw Pegler was lang niet doof, want zij ving een -der zacht gesprokene woorden op. - -"Bounderby!" riep zij met eene gesmoorde stem, van haar stoel bij de -tafel opspringende. "O, verberg mij! Laat ik toch om 's Hemels wil -niet gezien worden. Laat hij niet boven komen eer ik weg ben. Ik bid u, -ik bid u!" - -Zij beefde van ontroering, kroop achter Rachel, toen deze haar poogde -gerust te stellen, en scheen niet te weten wat zij deed. - -"Maar luister, juffrouw, luister toch!" zeide Stephen verbaasd. "Het -is mijnheer Bounderby niet; het is zijne vrouw. Gij zijt toch niet -bang voor haar. Nog geen uur geleden waart ge zoo machtig blij iets -van haar te hooren." - -"Maar weet ge wel zeker, dat het mevrouw en niet mijnheer is?" vroeg -zij nog bevende. - -"Zoo zeker als iets." - -"Wel, als ik u bidden mag, spreek dan toch niet tegen mij, en let -maar geheel niet op mij," zeide de oude vrouw. "Laat ik maar stil in -dit hoekje blijven zitten." - -Stephen knikte en zag Rachel aan alsof hij van haar eene opheldering -verlangde, die zij buiten staat was hem te geven. Hij nam vervolgens -de kaars, ging naar beneden, kwam weldra terug, en liet Louisa binnen, -die door haar broeder Tom gevolgd werd. - -Rachel was opgestaan en stond met haar hoed en doek in de hand, toen -Stephen, zelf ten hoogste verbaasd over dit bezoek, de kaars weder -op tafel zette. Toen bleef hij ook staan, met zijne geslotene hand -op de tafel leunende, en wachtte tot men hem zou aanspreken. - -Voor de eerste maal in haar leven was Louisa in de woning van een -fabriek-arbeider gekomen; voor de eerste maal in haar leven was -zij in iets getreden, dat naar persoonlijke betrekking met een -van die lieden zweemde. Zij wist van hun bestaan bij honderden en -duizenden. Zij wist welk eene hoeveelheid arbeids zeker getal van hen -in zekeren tijd kan voort brengen. Zij had hen bij troepen gelijk -mieren of wespen zien voorbijgaan, als zij hunne nesten verlieten -of daarheen terugkeerden. Maar zij wist door hare lectuur oneindig -meer van de levenswijs dier ijverige insecten, dan van deze nijvere -mannen en vrouwen. - -Zij waren iets dat zóóveel moest werken en zóóveel loon krijgen, -en daarmede gedaan; iets dat onfeilbaar door dezelfde wetten -werd beheerscht, welke de aanvraag en den toevoer op elke markt -beheerschen; iets dat domme misslagen tegen die wetten maakte en -dan in moeielijkheden kwam; iets dat zich wat bekrimpen moest als -het koren duur was, en zich overat als het goedkoop was, en dat zich -in zekere evenredigheid vermenigvuldigde, dat zekere evenredigheid -van misdaden en zekere evenredigheid van pauperisme opleverde; iets -waarmede, als kapitaal gebruikt, groote fortuinen werden gemaakt; -iets dat somtijds in woeling kwam evenals de zee, en eenig kwaad deed -(voornamelijk zich zelven), en dan weder bedaarde. Dit wist zij van de -fabriek-arbeiders. Maar zij had er bijna evenmin aan gedacht om deze -massa in eenheden te verdeelen, als om de zee zelve in de droppels -af te zonderen, waaruit zij is samengesteld. - -Zij stond eene poos in de kamer rond te zien. Van de weinige stoelen, -de weinige boeken, de gemeene schilderijtjes en het bed liet zij haar -blik naar de twee vrouwen en naar Stephen dwalen. - -"Ik ben hier gekomen om eens met u te spreken over wat daar straks -voorgevallen is. Ik zou u gaarne van dienst willen zijn, als ge mij -dat wilt toelaten. Is dit uwe vrouw?" - -Rachel sloeg hare oogen op en liet ze weder neerzinken; die blik -zeide duidelijk genoeg: "Neen." - -"Ik bedenk mij," zeide Louisa, blozende over hare vergissing. "Ik -herinner mij nu dat ik van uwe huiselijke rampen heb hooren spreken, -hoewel ik toen niet op de bijzonderheden lette. Het was mijne meening -niet eene vraag te doen, die hier iemand onaangenaam kon wezen. Als ik -weer eene vraag mocht doen, die dat gevolg kon hebben, verontschuldig -mij dan daarmede, verzoek ik u, dat ik niet recht weet hoe ik met u -behoor te spreken." - -Gelijk Stephen zich eene poos geleden onwillekeurig tot haar gericht -had, zoo richtte zij zich nu onwillekeurig tot Rachel. Hare manier -van spreken was kort en stroef, en toch aarzelend en schroomvallig. - -"Hij heeft u gezegd wat er tusschen hem en mijn man is -voorgevallen? Gij zult wel de eerste geweest zijn, bij wie hij troost -gezocht heeft, denk ik?" - -"Ik heb het voornaamste er van gehoord, mevrouw," antwoordde Rachel. - -"Heb ik het wel verstaan, dat hij, door één fabrikant afgedankt, nu -waarschijnlijk door allen zal worden afgewezen? Ik meende hem dit te -hooren zeggen." - -"De kans is heel gering, mevrouw--bijna geheel geene kans meer--voor -iemand, die een slechten naam onder hen krijgt." - -"Wat moet ik begrijpen, dat gij meent met een slechten naam?" - -"De naam van lastig te wezen." - -"Dus zou hij evenzeer door de vooroordeelen zijner eigene klasse als -die der andere in den ban gedaan worden? Zijn die twee in deze stad -door zulk een diepte gescheiden, dat er tusschen in geheel geene -plaats voor een eerlijk werkman is?" - -Rachel schudde zwijgend haar hoofd. - -"Hij kwam bij zijne makkers in verdenking," hervatte Louisa, "omdat -hij eene belofte gedaan had om niet met hen mede te doen. Ik denk dat -gij het moet geweest zijn aan wie hij die belofte had gedaan. Zou ik -u mogen vragen waarom hij die gedaan heeft?" - -Rachel barstte in tranen uit. - -"Ik heb het niet van hem gevergd, arme man! Ik heb hem gebeden tot zijn -eigen bestwil zich niet in moeite te steken, weinig denkende dat hij er -door mij in zou komen. Maar ik weet dat hij liever honderd dooden zou -willen sterven dan ooit zijn woord te breken. Dat weet ik wel van hem." - -Stephen was stil en aandachtig blijven staan in zijne gewone peinzende -houding, met de hand aan zijne kin. Hij sprak nu met eene stem, -die eenigszins minder vast was dan gewoonlijk: - -"Niemand, behalve ik zelf, kan weten hoeveel achting, liefde en eerbied -ik Rachel toedraag, of met hoeveel reden. Toen ik die belofte gaf, -heb ik met waarheid gezegd, dat zij de engel van mijn leven was. Het -was eene plechtige belofte. Ik heb haar gegeven voor altijd." - -Louisa keerde zich naar hem om en boog haar hoofd voor hem met eene -eerbiedigheid, die bij haar geheel iets nieuws was. Zij zag van -hem naar Rachel, en hare trekken werden zachter. "Wat zult gij nu -doen?" vroeg zij hem; en hare stem was ook zachter geworden. - -"Wel, mevrouw," antwoordde Stephen, met een glimlach om zich goed -te houden, "als ik mijn werk af heb, moet ik hier vandaan en het -ergens anders gaan probeeren. Gelukkig of ongelukkig, iemand moet -maar probeeren; er is niets te doen zonder probeeren--behalve te gaan -liggen en te sterven." - -"Hoe zult gij reizen?" - -"Te voet, lieve mevrouw, te voet." - -Louisa kleurde, en eene beurs vertoonde zich in hare hand. Het -ritselen eener banknoot was hoorbaar, terwijl zij die openvouwde en -op de tafel legde. - -"Rachel, wilt gij hem zeggen--want gij weet het best hoe dat te doen -zonder hem te beleedigen--dat dit hem volgaarne gegeven wordt om hem -voort te helpen? Wilt gij hem bidden om het aan te nemen?" - -"Dat kan ik niet doen, mevrouw," antwoordde zij, haar hoofd -omkeerende. "God zegene u, dat gij zoo liefderijk over den armen man -denkt. Maar hij moet zelf zijn hart kennen, en weten of het hem zegt, -dat het recht is." - -Louisa zag ten deele ongeloovig, ten deele verschrikt, ten deele -ontroerd door medelijdend gevoel, naar dien man, die eerst zooveel -zelfbeheersching bezat, die onder het jongste gesprek zoo kalm en -standvastig was gebleven, en die nu in een oogenblik zijne bedaardheid -verloor, en met zijne hand voor zijn gezicht voor haar stond. Zij -stak hare hand uit alsof zij hem wilde aanraken, maar bedwong zich -toen en hield zich stil. - -"Zelfs Rachel," zeide Stephen nadat hij zijn gezicht weder ontbloot -had, "zou geene woorden kunnen bedenken om zulk een vriendelijk aanbod -vriendelijker te maken. Om te toonen, dat ik geen mensch zonder -verstand en dankbaarheid ben, zal ik twee pond aannemen. Ik zal ze -leenen om ze terug te geven. Het zal het pleizierigste werk zijn -dat ik ooit gedaan heb, als ik eens iets doen kan om mijne blijvende -dankbaarheid voor deze hulp te bewijzen." - -Zij was genoodzaakt de banknoot terug te nemen en de veel kleinere -som, die hij genoemd had, daarvoor in de plaats te stellen. Hij was -in geenerlei opzicht een hoffelijk, behaaglijk of schilderachtig -personage, en toch had de houding, waarmede hij dit geld aannam en -zonder meer te spreken zijne dankbaarheid aanduidde, een gratie, -die Lord Chesterfield zijn zoon in geene eeuw had kunnen leeren. - -Tom was op het bed blijven zitten, onverschillig met zijn eene been -heen en weer zwaaiende en aan zijn rottingknop zuigende, tot hij zijne -zuster gereed zag om weder te vertrekken. Toen stond hij eenigszins -haastig op en nam het woord. - -"Wacht nog eventjes, Louisa. Eer wij weggaan, zou ik hem een oogenblik -willen spreken. Er valt mij daar iets in. Als gij even op het portaal -wilt komen, Blackpool, zal ik het u zeggen. Neem maar geen licht -mede." Tom werd bijzonder ongeduldig toen Stephen naar de kast ging -om eene kaars te krijgen. "Er is geen licht bij noodig." - -Stephen volgde hem naar buiten. Tom sloot de kamerdeur en hield zijne -hand aan het slot. - -"Zeg eens," fluisterde hij, "ik geloof dat ik u een goeden dienst kan -doen. Vraag mij niet wat het is, want het kan nog wel op niemendal -uitloopen. Maar het kan toch geen kwaad als ik het probeer." - -Zijn adem sloeg als de vlam van een vuur tegen Stephen's oor aan, -zoo heet was hij. - -"Dat was onze kantoorlooper," vervolgde Tom, "die u van avond de -boodschap bracht. Ik zeg onze kantoorlooper, omdat ik ook op het -kantoor ben." - -"Wat heeft hij een haast!" dacht Stephen. Hij sprak zoo onduidelijk. - -"Nu," zeide Tom, "wacht eens. Wanneer gaat gij heen?" - -"Vandaag is het maandag," antwoordde Stephen, zich bedenkende. "Wel, -mijnheer, zoo wat vrijdag of zaterdag." - -"Vrijdag of zaterdag," zeide Tom. "Let nu eens op. Ik ben er niet -zeker van, of ik u den dienst kan doen, dien ik meen--dat is mijne -zuster, weet ge, daar in de kamer--maar misschien zal ik er toe in -staat zijn, en zoo niet, dan kan het toch geen kwaad. Ik zal u dus -eens wat zeggen. Gij zoudt onzen kantoorlooper wel weerom kennen?" - -"O ja zeker," antwoordde Stephen. - -"Heel goed," hervatte Tom. "Als gij tusschen vandaag en den dag -waarop ge heengaat, des avonds met werken uitscheidt, kuier dan een -uurtje of zoo voor het kantoor heen en weer. Doe niet alsof dat iets -beduidde, als hij u daar zien mocht, want ik zal hem niet zeggen u -aan te spreken, of ik moet begrijpen dat ik u den dienst kan doen, -dien ik meen. In dat geval zal hij een briefje of eene boodschap voor -u hebben, maar anders niet. Let wel daarop. Hebt ge mij goed begrepen?" - -Hij had in het donker een vinger door een knoopsgat van Stephen's -rok gewrongen, en draaide nu die punt van dat kleedingstuk al om en -om en dicht in elkander, op eene zeer buitengewone manier. - -"Ik heb het heel wel begrepen, mijnheer," antwoordde Stephen. - -"Pas dan op dat gij het niet vergeet en u niet vergist," zeide Tom. "Ik -zal mijne zuster onder het naar huis gaan zeggen wat ik op het oog -heb, en ik weet zeker dat zij het zal goedkeuren. Pas op nu. Gij -hebt alles onthouden, niet waar? Gij hebt het wel begrepen? Heel goed -dan. Komaan, Louisa!" - -Terwijl hij haar riep, stiet hij de deur open, maar hij kwam de kamer -niet weder binnen en wachtte ook niet tot men hem de smalle trap -aflichtte. Hij was al beneden toen zijne zuster pas de deur uitkwam, -en al op straat eer zij hem bereiken kon. - -Juffrouw Pegler bleef in haar hoekje zitten tot broeder en zuster -vertrokken waren en Stephen met de kaars in de hand terugkwam. Zij was -onuitsprekelijk opgetogen over mevrouw Bounderby, en schreide--die -onbegrijpelijke oude vrouw!--"omdat zij zulk een lief hartje -was." En toch was juffrouw Pegler zoo angstig dat het voorwerp -harer bewondering bij toeval zou terugkomen, dat het voor dien avond -met hare vroolijkheid gedaan was. Het was ook laat voor menschen, -die vroeg opstonden en zwaar werkten. Het gezelschap scheidde dus, -en Stephen en Rachel brachten hunne geheimzinnige bekende tot aan de -deur van het Reizigers-Koffiehuis, waar zij afscheid van haar namen. - -Zij gingen te zamen terug tot aan den hoek van de straat waar Rachel -woonde, en toen zij deze nader kwamen, werden zij al stiller en -stiller. Toen zij aan den donkeren hoek kwamen, waar hunne zeldzame -samenkomsten altijd afgebroken werden, bleven zij stilstaan en zwegen -geheel, alsof beiden bevreesd waren om te spreken. - -"Ik zal mijn best doen om u nog eens te zien, Rachel, eer ik ga, -maar zoo niet..." - -"Dat zult ge niet, Stephen, dat weet ik wel. Het is beter dat wij -maar besluiten om openhartig voor elkander te zijn." - -"Ja, gij hebt altijd gelijk. Dat is moediger en beter. Ik heb -dus gedacht, Rachel, dat het, daar ik nog maar een paar dagen hier -blijf, beter voor u zou zijn, beste, dat ge niet meer met mij gezien -werdt. Het zou u in moeielijkheid kunnen brengen, zonder eenig nut." - -"Het is niet daarom, Stephen, dat ik er tegen heb. Maar gij weet onze -oude afspraak. Het is om die reden." - -"Ja," zeide hij. "Het is op alle manieren beter." - -"Gij zult aan mij schrijven, Stephen, en mij alles zeggen wat er met -u gebeurt?" - -"Ja. Wat kan ik nu anders zeggen dan: de Hemel zij met u, de Hemel -zegene u, de Hemel danke u en beloone u!" - -"Moge Hij u ook zegenen, Stephen, in al uw zwerven, en u eindelijk -rust en vrede zenden!" - -"Ik heb u gezegd, beste," zeide Stephen Blackpool, "ik heb u dien -nacht gezegd, dat ik nooit iets zien of aan iets denken zou dat -mij driftig maakte, of gij, die zooveel beter zijt dan ik, zoudt -daarnaast staan. Gij staat nu daarnaast. Gij doet het mij met betere -oogen zien. God zegene u! Goedennacht en vaarwel!" - -Het was maar een haastig afscheid op den hoek eener gemeene straat, -maar het bleef eene heilige herinnering voor die twee gemeene -lieden. Gij bekrompene staathuishoudkundigen, gij geraamten -van schoolmeesters, gij mannen van feiten en cijfers, gij fijn -beschaafde, geblazeerde ongeloovigen, gij kakelende predikers van -allerlei kleingeestige stelsels, de armen zult gij altijd met u -hebben. Kweekt bij hen, terwijl het nog tijd is, alle schoonheden -van gevoel en verbeelding aan, om hun leven, dat dit zoo grootelijks -behoeft, tot sieraad te strekken; of in het oogenblik uwer zegepraal, -wanneer al het romaneske geheel uit hunne ziel verdreven is, en zij -en de prozaïsche werkelijkheid elkander recht in de oogen zien, zal -de werkelijkheid een wolvenaard aannemen, zich tegen u omkeeren en -een eind aan u maken. - -Stephen werkte de twee volgende dagen zonder ooit door iemand met een -enkel woord te worden opgebeurd; bij zijn komen en gaan ontweek men -hem gelijk te voren. Aan den avond van den tweeden dag zag hij land; -aan den avond van den derden stond zijn weefgetouw ledig. - -Op de twee vorige avonden was hij langer dan een uur op de straat voor -het kantoor blijven heen en weer dwalen, en er was niets gebeurd, -goed noch kwaad. Om van zijn kant niets te verzuimen, besloot hij -dezen derden en laatsten avond twee uren lang te blijven wachten. - -Hij zag de dame, die eens bij mijnheer Bounderby had huisgehouden, -voor het venster eener bovenkamer zitten gelijk hij haar te voren -had gezien; en hij zag den kantoorlooper, die somtijds daar met haar -praatte en somtijds beneden over het horretje keek waarop het woord -"kantoor" te lezen stond en somtijds naar de deur kwam en op de stoep -een luchtje bleef staan scheppen. Toen hij het eerst buiten kwam, -dacht Stephen dat hij misschien naar hem zocht en ging hem dicht -voorbij; maar de kantoorlooper zag hem met zijne lichte, knippende -oogen slechts even aan en zeide niets. - -Twee uren waren een lange tijd om zoo rond te drentelen na een lang -dagwerk. Stephen ging eens op eene stoep zitten, of tegen een muur -of onder eene poort staan leunen, wandelde een eind heen en weder, -luisterde naar het slaan der klok, en bleef dan weder staan om -naar de op straat spelende kinderen te kijken. Een of ander doel -te hebben is voor iedereen iets zoo natuurlijks, dat iemand, die -ergens doelloos ronddwaalt, altijd iets opmerkelijks heeft en dit -zelf gevoelt. Toen het eerste uur om was, begon Stephen zelfs eene -onaangename gewaarwording te krijgen, alsof hij voor het oogenblik -een verdacht persoon was. - -Toen kwam de lantaarnaansteker en zag men langs het geheele -verschiet der straat twee lange lichtstrepen flikkeren, tot zij -zich in de verte met elkander vereenigden. Mevrouw Sparsit sloot het -venster, liet het gordijn zakken en ging de trap op, eene verdieping -hooger. Weldra ging een licht haar na naar boven; het scheen eerst -door het halfronde venster boven de deur en vervolgens door de twee -trapvenstertjes. Spoedig werd van het gordijn voor een venster op de -bovenste verdieping een hoekje opgetild, alsof mevrouw Sparsit daar -haar oog hield, en ook aan den anderen kant, alsof de kantoorlooper -daar zijn oog hield. Maar nog ontving Stephen taal noch teeken. Hij -was blijde toen de twee uren eindelijk om waren, en ging met snelle -schreden heen om zich zelven zulk een langen tijd van drentelen -te vergoeden. - -Hij had nog maar van zijne huiswaardin afscheid te nemen en zich -dan neer te leggen op een op den vloer gespreid kermisbed; want hij -had zijn goed reeds gepakt en alles voor zijn vertrek in gereedheid -gebracht. Hij wilde den volgenden ochtend zeer vroeg de stad uit zijn, -eer de fabriek-arbeiders op straat waren. - -De dag begon pas aan te breken, toen hij, een afscheidsblik in zijne -kamer om zich heen werpende, en treurig bij zich zelven denkende, of -hij die ooit zou wederzien, naar buiten ging. De stad was zoo stil, -alsof al de inwoners haar verlaten hadden, uit vrees van gemeenschap -met hem te houden. Alles zag er op dat uur even bleek en ziekelijk -uit. Zelfs de rijzende zon maakte slechts eene bleeke plek in de lucht, -gelijk eene treurig stille zee. - -Voorbij het huis waar Rachel woonde, hoewel die straat niet in -zijn weg lag; langs de met roode steenen bezoomde straten; langs -de groote stille fabriekgebouwen, die nog niet trilden en dreunden; -langs den spoorweg, waar de seinlichten voor het toenemende daglicht -verbleekten; langs de woestenij om den spoorweg, met half afgebrokene -en half opgebouwde huizen; langs verspreide roode buitentjes, waar -de berookte heesters met vuil poeier waren bestrooid, gelijk morsige -snuivers; langs paden van kolenstof en allerlei verscheidenheden van -leelijkheid, kwam Stephen op den top van den heuvel en keek toen om. - -Het daglicht bescheen nu de stad met heldere stralen en de klokken -luidden voor het ochtendwerk. De keukenvuren waren nog niet aangelegd, -en de hooge schoorsteenen hadden de lucht alleen. Het zou niet lang -duren, of zij zouden haar door het uitblazen hunner giftige rookwolken -verbergen; maar voor een half uur flikkerden sommige der talrijke -vensters, welke de lieden van Coketown, door de berookte glazen heen, -de zon lieten zien, alsof zij in eene eeuwigdurende eclips verkeerde. - -Hoe vreemd was het, zich van de schoorsteenen naar de vogelen te -wenden! Hoe vreemd het stof van den buitenweg in plaats van het -kolengruis op zijne schoenen te zien! Hoe vreemd, zoo oud te zijn -geworden en toch dien zomerochtend te beginnen alsof hij nog een knaap -was. Met zulke gepeinzen in zijn gemoed en zijn pak onder den arm, -stapte Stephen met zijn oplettend gezicht langs den buitenweg voort: -en de boomen welfden zich over hem en fluisterden, dat hij een trouw -en liefderijk hart achterliet. - - - - - - - -XXIII. - -BUSKRUIT. - - -Mijnheer James Harthouse begon bij zijne aangenomene partij spoedig -opgang te maken. Met nog wat meer van buiten leeren voor de politieke -wijshoofden, nog wat meer gepolijste flauwheid en lusteloosheid voor -beschaafde gezelschappen, en een tamelijk behendig gebruik van de -geveinsde eerlijkheid der oneerlijkheid--de schitterendste en meest -gevierde der beschaafde doodzonden--kwam hij weldra zoo ver, dat -men hem voor iemand hield van wien veel te verwachten was. Dat hij -bijna niets in de wereld ernstig opnam, was zeer in zijn voordeel, -want daardoor was hij in staat om zich zoo gemakkelijk met de mannen -van feiten te verbroederen, alsof hij onder hunne partij geboren was, -en alle andere partijen voor opzettelijke bedriegers uit te maken. - -"Niemand van ons gelooft ze, mijne lieve mevrouw Bounderby, en zij -gelooven zich zelven niet. Het eenige verschil tusschen ons en de -voorvechters van deugd, menschenliefde of philanthropie--de naam -komt er niet op aan--is, dat wij weten dat die dingen woorden zonder -beteekenis zijn, en dat wij dit zeggen; terwijl zij het evengoed weten, -maar het nooit willen zeggen." - -Waarom zou zij zich aan zulke herhaalde verklaringen ergeren, of er -zich door laten waarschuwen? Deze leer verschilde niet zooveel van haar -vaders grondbeginselen, die haar als kind waren ingeprent, om er van -te moeten schrikken. Waarin bestond het groote onderscheid tusschen de -twee scholen, daar beide haar aan het stoffelijke en werkelijke boeiden -en haar geen geloof aan iets anders inboezemden? Was er iets in hare -ziel, in haar staat van onschuld, door Thomas Gradgrind aangekweekt, -dat James Harthouse nu had kunnen verwoesten? - -Het was thans zelfs des te erger voor haar, dat in haar gemoed -eene worstelende neiging om aan eene grootere en hoogere bestemming -des menschen te gelooven--daarin geplant, voordat haar uitstekend -practische vader het begon te vormen--onophoudelijk met twijfeling -en wrevelige gedachten kampte: met twijfelingen, omdat die neiging -in hare jeugd zoo was gesmoord; met wrevelige gedachten, over het -onrecht dat men haar had aangedaan, indien die fluisterende stem -de waarheid sprak. Voor een gemoed, lang gewoon om zichzelf onder -pijnlijk bedwang te houden, en aldus verscheurd en verdeeld, bracht -de door Harthouse gepredikte philosophie eene verademing mede, dewijl -zij haar voor zichzelve leerde rechtvaardigen. Daar alles even ledig -en nietig was, had zij niets gemist en niets opgeofferd. Wat maakte -het uit? had zij tot haar vader gezegd, toen hij haar dat huwelijk -voorsloeg. Wat maakte het uit? zeide zij nog. Met alles verachtend -zelfvertrouwen vroeg zij zichzelve: Wat maakte iets op de wereld -uit?--en zoo ging zij al voort en voort. - -Waarheen? Stap voor stap, al verder en verder, altijd benedenwaarts, -naar een zeker einde, maar toch zoo langzaam, dat zij zich verbeeldde -te blijven stilstaan. Wat mijnheer Harthouse aangaat, waarheen -hij zijne schreden richtte, had hij nooit bedacht en het was hem -ook geheel onverschillig. Hij had geen bijzonder plan of oogmerk; -geene krachtige opwelling van booze neigingen verstoorde ooit zijne -kwijnende flauwheid. Hij was voor het oogenblik zoozeer geamuseerd -en geïnteresseerd, als zulk een fijn beschaafd gentleman voegde, -misschien meer dan hij, voor zijne reputatie, had kunnen bekennen. Kort -na zijne aankomst schreef hij aan zijn broeder, het achtbare en luimige -Parlementslid, dat de Bounderby's heel amusant waren, en verder, dat de -vrouwelijke Bounderby, in plaats van eene Medusa, gelijk hij verwacht -had, jong en bijzonder mooi was. Naderhand schreef hij niet meer over -hen, en bracht toch het grootste gedeelte van zijn ledigen tijd in -hun huis door. Bij zijn omzwerven door het district van Coketown kwam -hij hen dikwijls bezoeken, en werd door mijnheer Bounderby zeer daarin -aangemoedigd. Het was geheel in mijnheer Bounderby's winderige manier, -er bij iedereen op te snoeven, dat hij niet om lieden van voorname -familie gaf, maar dat als zijne vrouw, Tom Gradgrind's dochter, -dit deed, zij vrij gezelschap met hem mocht houden. - -Mijnheer James Harthouse begon te denken, dat het hem eene nieuwe -aandoening zou geven, indien het gezichtje, dat voor "dien hondsvot" -zoo treffend veranderde, eens voor hem wilde veranderen. - -Hij was vlug genoeg in het doen van waarnemingen; hij had een -uitmuntend geheugen en hij vergat geen woord van de openbaringen, -die haar broeder hem gedaan had. Hij bracht die in verband met alles -wat hij van de zuster zag, en nu begon hij haar te begrijpen. Wel -is waar lag het betere en diepere gedeelte van haar karakter niet -binnen den kring van zijn begrip; want in zielen, gelijk in zeeën, -roept de diepte tot de diepte; maar spoedig begon hij het overige -met vorschende oogen te lezen. - -Mijnheer Bounderby was eigenaar van een landgoed geworden, dat omtrent -vijftien mijlen van de stad gelegen was, en tot een paar mijlen -afstands genaakbaar langs een spoorweg, die over vele bogen door eene -woeste streek lands liep, door verlatene kolengroeven ondermijnd en des -nachts met vuren en de zwarte gedaanten van machines overzaaid. Deze -streek, die bij het naderen van Bounderby's buitengoed langzamerhand -vriendelijker werd, ging daar in een bevallig landschap over, in de -lente verguld met heidebloesems en besneeuwd met bloeiende haagdoornen, -en den geheelen zomer door bedekt met trillend loover en schemerende -schaduwen. Het kantoor had op dit zoo vermakelijk gelegen buitengoed -eene hypotheek gehad, door een der magnaten van Coketown genomen, die, -verlangend om langs een korter weg dan den gewonen schatrijk te worden, -ongeveer tweemaal honderdduizend pond te hoog had gespeculeerd. Zulke -ongelukjes gebeurden somtijds in de deftigste en geregeldste familiën -van Coketown, hoewel de bankroetiers in geene de minste betrekking -stonden met die klasse, welker gebrek aan overleg en voorzichtigheid -zoo dikwijls ter sprake kwam. - -Het was voor mijnheer Bounderby een uitstekend genoegen dit bekoorlijke -landgoedje in bezit te nemen en met pralende nederigheid den bloemtuin -met kool te laten beplanten. Het was een genot voor hem, onder de -elegante meubelen huis te houden alsof hij in eene kazerne was, en -zelfs de schilderijen moesten veracht worden om op zijne lage afkomst -te kunnen snoeven. "Ja, mijnheer," zeide hij zoo tegen een gast, -"ik heb gehoord, dat Nickits" (de vorige eigenaar) "zevenhonderd pond -voor dat zeestrand heeft gegeven. Nu, om rondborstig te zijn, als ik -er in geheel mijn leven zevenmaal naar kijk, tegen negenhonderd pond -voor iederen keer, zal het al wel zijn. Neen, waarachtig, ik vergeet -niet, dat ik Josiah Bounderby van Coketown ben. Jaar op jaar waren -de eenige schilderijen in mijn bezit, of die ik zonder te stelen in -mijn bezit had kunnen krijgen, de prentjes van een man, die zich in -eene laars den baard schoor, op de schoensmeerflesschen, waarmee ik -machtig blij was dat ik laarzen mocht poetsen, en die ik, als ze leeg -waren, voor een farthing het stuk verkocht; en dan was ik weer blij, -dat ik er nog zóóveel voor kreeg." - -Tegen Harthouse zeide hij eens in denzelfden trant: - -"Harthouse, gij hebt hier een paar paarden. Laat er nog een half -dozijn meer komen, als ge wilt, wij zullen er wel plaats voor -vinden. Er is hier stalling voor wel twaalf paarden, en als mij -Nickits niet beliegt, moet hij ook een vol dozijn hebben gehouden. Een -vol dozijn, mijnheer. Toen die man een jongen was, ging hij naar de -Westminster-school. Hij ging naar de Westminster-school, mijnheer, -terwijl ik voornamelijk van groentenafval leefde en op de markt in -eene ledige mand sliep. Wel, als ik twaalf paarden wilde houden--dat -ik niet doe, omdat één genoeg voor mij is--zou ik ze nooit op stal -kunnen zien staan, zonder er om te denken hoe ik zelf eens placht -te wonen. Ik zou ze niet onder mijne oogen kunnen velen, mijnheer, -maar ze moeten wegdoen. Maar zoo komen de dingen toch terecht. Gij -ziet dit buiten, gij weet wat voor een buiten het is; gij weet, -dat er voor zijne grootte geen completer buiten bestaat, hier in -het land of ergens op de wereld--het kan mij niet schelen waar--en -hier in het midden daarvan, gelijk een oorwurm in eene okkernoot, zit -Josiah Bounderby; terwijl Nickits (dit heeft mij iemand, die gisteren -op het kantoor kwam, verteld) Nickits, die op de Westminster-school -in Latijnsche komedies placht mee te spelen, waar de adel van het -land hem applaudisseerde tot ze bek af waren, op dit oogenblik half -gek--half gek, mijnheer--te Antwerpen in een donker achterstraatje -op de vijfde verdieping zit te mijmeren." - -Het was onder de looverschaduwen van dit buitengoed, in de lange, -zoele zomerdagen, dat mijnheer Harthouse begon te beproeven, of het -gezichtje, waarover hij zich, toen hij het voor de eerste maal zag, -zoozeer had verwonderd, ook voor hem zou willen veranderen. - -"Mevrouw Bounderby, ik houd het voor een zeer gelukkig toeval, dat -ik u hier alleen vind. Ik heb reeds eenigen tijd bijzonder verlangd -om u eens te spreken." - -Het was geen zeer zonderling toeval, dat hij haar vond, daar zij op -dien tijd van den dag altijd alleen, en dat plekje hare geliefkoosde -rustplaats was. Het was eene opening in een donker bosch, waar eenige -gevelde boomen lagen, en waar zij naar de afgevallen bladeren van het -vorige jaar zat te turen, gelijk zij thuis naar de vallende vonken -had getuurd. - -Hij zette zich naast haar neer en zag haar zijdelings in het gezicht. - -"Uw broeder, mijn jonge vriend Tom...," - -Hare kleur werd hooger en zij keerde zich met een blik vol -belangstelling naar hem om. - -"Ik heb nooit in mijn leven," dacht hij, "iets zoo opmerkelijks en -bekoorlijks gezien als het ophelderen van die trekken." - -Zijn gezicht verried zijne gedachten--misschien zonder hem te verraden, -want het kon wel met voordacht geschied zijn, dat het die uitdrukking -teekende. - -"Excuseer mij. De uitdrukking uwer zusterlijke belangstelling is -zoo schoon--Tom moest er zoo trotsch op wezen--ik weet wel, dat het -onverschoonlijk is, maar mijne bewondering was onwillekeurig." - -"Gij zijt altijd zoo naïef," zeide zij bedaard. - -"Neen, mevrouw Bounderby, gij weet wel, dat ik voor u niet veinzen -wil. Ik weet wel, dat ik een alledaagsch, baatzuchtig mensch ben, -altijd gereed om mij zelve voor eene billijke som te verkoopen, -en geheel onvatbaar voor alle Arcadisch gevoel." - -"Ik wacht," antwoordde zij, "wat gij verder van mijn broeder te -zeggen hebt." - -"Gij zijt stug tegen mij, en ik verdien het. Ik ben zulk een -nietswaardig schepsel als er een op de wereld is, behalve dat ik -niet valsch ben. Maar gij hebt mij door verrassing van mijn onderwerp -afgebracht--uw broeder namelijk. Hij interesseert mij." - -"Is er dan nog iets dat u interesseert, mijnheer Harthouse?" zeide zij, -half ongeloovig en half dankbaar. - -"Als ge mij dat gevraagd hadt toen ik pas hier kwam, zou ik gezegd -hebben "neen." Nu moet ik "ja" antwoorden--zelfs op het gevaar af, dat -ge mij van veinzerij zult verdenken en mij niet zult willen gelooven." - -Zij maakte eene geringe beweging, alsof zij wilde spreken, maar geene -stem had. Eindelijk zeide zij: "Mijnheer Harthouse, ik wil wel van -u gelooven, dat gij u voor mijn broeder interesseert." - -"Ik dank u. Ik zal pogen dat vertrouwen te verdienen. Gij weet wel -op hoe weinig ik aanspraak maak, maar zoo ver wil ik toch gaan. Gij -hebt zooveel voor hem gedaan, gij zijt zoo liefderijk voor hem; in -geheel uw leven straalt zulk eene bekoorlijke zelfverloochening om -zijnentwil door--nog eens excuseer mij--ik dwaal weder ver van mijn -onderwerp af. Ik interesseer mij voor hem om zijn eigen wil." - -Zij had de geringst mogelijke beweging gemaakt alsof zij haastig -wilde opstaan en heengaan. Op hetzelfde oogenblik had hij echter zijn -gezegde eene andere wending gegeven en zij bleef zitten. - -"Mevrouw Bounderby," hervatte hij op een luchtiger toon, maar tegelijk -liet hij duidelijk de inspanning zien, die het hem kostte om dien toon -aan te nemen, en versterkte daardoor den gemaakten indruk; "het is -geen onherstelbaar misdrijf bij een jongmensch van uw broeders jaren, -als hij zorgeloos en onbedacht is, wat veel geld verteert--kortom, -met de gewone uitdrukking, een weinigje losbandig is. Is hij dat niet?" - -"Ja." - -"Veroorloof mij eens rondborstig te zijn. Denkt gij dat hij speelt?" - -"Ik geloof, dat hij wedt," en daar Harthouse bleef wachten, alsof -dit nog niet haar geheele antwoord was, voegde zij er bij: "Ik weet, -dat hij dat doet." - -"Natuurlijk verliest hij?" - -"Ja." - -"Iedereen, die wedt, verliest. Mag ik de waarschijnlijkheid wel -aanroeren, dat gij hem somtijds voor die liefhebberijen van geld -voorziet?" - -Zij had voor zich neergezien; maar bij deze vraag sloeg zij hare -oogen op en zag hem uitvorschend en met eenige verstoordheid aan. - -"Ik hoop, dat ge mij van alle onbescheidene nieuwsgierigheid -zult vrijspreken, lieve mevrouw Bounderby. Ik geloof, dat Tom zich -langzamerhand in moeielijkheden wikkelt, en ik wensch hem uit de diepte -mijner ondeugende ervaring eene helpende hand toe te reiken. Zal ik -nog eens zeggen, om zijnentwil? Is dat noodig?" - -Zij scheen te willen antwoorden, maar er kwam niets van. - -"Om u openhartig alles te bekennen wat mij wel eens in het hoofd -is gekomen," vervolgde Harthouse, wederom met dezelfde zichtbare -inspanning zijn luchtigen toon aannemende, "wil ik u zeggen, dat ik -er zeer aan twijfel of hij wel veel in zijn voordeel heeft gehad, of -het--verschoon mijne lompheid--wel waarschijnlijk is, dat er groote -vertrouwelijkheid tusschen hem en zijn waardigen vader kan bestaan." - -"Dat houd ik niet voor waarschijnlijk," zeide Louisa, blozende bij -hare eigene gewichtige herinnering in dit opzicht. - -"Of tusschen hem--ik vertrouw, dat gij mijne meening volkomen zult -begrijpen--of tusschen hem en zijn hooggeachten schoonbroeder." - -Zij bloosde al hooger en hooger, en was gloeiend rood toen zij met -eene flauwe stem antwoordde: "Dat acht ik ook niet waarschijnlijk." - -"Mevrouw Bounderby," zeide Harthouse, na eene korte poos van stilte, -"zou er niet meer vertrouwelijkheid tusschen u en mij kunnen zijn? Tom -heeft eene aanmerkelijke som van u geleend, niet waar?" - -"Gij moet wel begrijpen, mijnheer Harthouse," antwoordde zij, na een -oogenblik van besluiteloosheid--zij was gedurende dit geheele gesprek -min of meer onrustig en verlegen geweest, maar had toch over het -geheel hare zelfbeheersching bewaard--"gij moet wel begrijpen, dat, -als ik u zeggen zal wat gij mij dringt te zeggen, het niet bij wijze -van klacht of uitdrukking van spijt is. Ik zou nooit over iets willen -klagen, en van hetgeen ik gedaan heb, heb ik geen de minste spijt." - -"Hoe fier ook!" dacht James Harthouse. - -"Toen ik trouwde, bevond ik dat mijn broeder toen reeds zwaar in -schulden zat. Zwaar voor zijn doen, meen ik. Zwaar genoeg om mij -tot het verkoopen van eenige sieraden te noodzaken. Dit was geene -opoffering. Ik verkocht ze zeer gewillig. Ik hechtte er geene waarde -aan. Voor mij waren zij niets waard." - -Zij zag aan zijn gezicht, of haar geweten deed het haar vreezen, dat -hij begreep dat zij van geschenken sprak, die haar man haar gegeven -had. Indien hij dit nog niet begrepen had, zou hij het nu hebben -gedaan, al was hij veel dommer geweest dan hij was. - -"Sedert heb ik mijn broeder van tijd tot tijd zooveel geld gegeven -als ik missen kon, kortom zooveel geld als ik had. Als ik u vertrouw, -omdat ik geloof aan de belangstelling, die gij voor hem betoont, -wil ik het niet ten halve doen. Sedert gij gewoon zijt hier te komen, -heeft hij in eens om eene som van honderd pond gevraagd. Ik was niet -in staat om hem die te geven. Ik ben wel ongerust geweest over de -gevolgen, die het hebben kon, als hij om dat geld verlegen bleef, -maar ik heb het geheim bewaard tot op dit oogenblik, nu ik het aan uwe -eer toevertrouw. Ik heb niemand in mijn vertrouwen genomen, omdat--gij -hebt zoo even zelf de reden aangeduid." En hier brak zij eensklaps af. - -Het ontbrak hem niet aan gevatheid, en hij nam terstond de gelegenheid -waar om haar, onder den schijn van over haar broeder te spreken, -haar eigen beeld voor te houden. - -"Mevrouw Bounderby, hoewel ik een man van de wereld en volstrekt niet -sentimenteel ben, kan ik u toch verzekeren, dat het mij aandoet wat -gij daar zegt. Het is mij niet mogelijk uw broeder hard te vallen. Ik -begrijp de verstandige inschikkelijkheid, waarmede gij zijne dwalingen -beschouwt, en stem geheel daarmede in. Met alle mogelijke hoogachting, -zoowel voor mijnheer Gradgrind als mijnheer Bounderby, meen ik te -bespeuren, dat zijne opleiding niet gelukkig is geweest. Door zijne -opvoeding onbekend gebleven met de samenleving, waarin hij toch eene -rol moest spelen, stort hij zich nu moedwillig in die uitersten, omdat -de tegenovergestelde uitersten hem--zonder twijfel met de allerbeste -oogmerken--zijn opgedwongen. Mijnheer Bounderby's rondborstige, echt -Engelsche onafhankelijkheid, hoewel een allerinnemendste karaktertrek -van hem, lokt toch--daarover zijn wij het eens geworden--niet tot -vertrouwen uit. Als ik het durfde zeggen, zou ik meenen, dat het hem, -naar het mij voorkomt, wel zeer weinig, maar toch eenigermate ontbreekt -aan die kieschheid, tot welke een jongmensch, die op een dwaalspoor is -geraakt, wiens karakter men van zijne kindsheid af niet heeft begrepen, -en wiens talenten daardoor eene verkeerde richting hebben genomen, -zich zou willen wenden om hulp en bestuur te zoeken." - -Terwijl zij recht voor zich uit zat te staren naar de afwisselende -lichtspelingen op het gras en in de duisternis van het bosch, las hij -in hare trekken de toepassing zijner woorden, die hij met de meest -mogelijke duidelijkheid uitsprak. - -"Men moet hem veel toegeven," vervolgde hij. "Maar ik vind in Tom -toch één groot gebrek, dat ik hem niet vergeven kan, en hem als eene -zware schuld aanreken." - -Louisa sloeg hare oogen op en vroeg hem welk gebrek dit was. - -"Misschien heb ik genoeg gezegd," antwoordde hij. "Misschien zou -het over het geheel beter zijn geweest als er mij geen woord van -ware ontsnapt." - -"Gij maakt mij ongerust, mijnheer Harthouse. Zeg mij toch wat het is." - -"Welnu, om u van noodelooze bezorgdheid te ontheffen--en daar wij, -wat uw broeder aangaat, tot eene vertrouwelijkheid zijn gekomen, -waarop ik boven alles prijs stel--zal ik u gehoorzamen. Ik kan het -hem niet vergeven, dat hij zich in al wat hij zegt of doet niet -meer gevoelig toont voor de genegenheid zijner beste vriendin--voor -hare onbaatzuchtigheid, hare zelfopoffering en zelfverloochening. De -belooning, welke hij haar daarvoor geeft, is, zooveel ik heb opgemerkt, -al zeer gering. Wat zij voor hem gedaan heeft, moest met standvastige -liefde en dankbaarheid, niet met opvliegendheid en kwade luimen -vergolden worden. Welk een loszinnig schepsel ik ook wezen moge, ik -ben niet zoo onverschillig, mevrouw Bounderby, dat ik deze ondeugd -in uw broeder over het hoofd kan zien of genegen ben die voor een -verschoonlijken misstap te houden." - -Het bosch werd in een schemerenden nevel gehuld, want hare oogen -stonden vol tranen. Zij ontsprongen uit eene diepe, lang verborgene -bron, maar de kwellende smart, die haar hart vervulde, vond geene -verlichting daarin. - -"Kortom, het zou mijn hoogste wensch zijn, mevrouw Bounderby, dat ik -uw broeder in dit opzicht kon verbeteren. Mijne meerdere bekendheid -met zijne omstandigheden, en mijn raad en bijstand om hem daaruit te -redden--van eenige waarde, hoop ik, daar zij van iemand komen, die -een deugniet op veel grootere schaal is geweest--zullen mij eenigen -invloed op hem geven, en allen invloed, dien ik op hem verkrijg, -zal ik zekerlijk tot dat oogmerk aanwenden. Ik heb genoeg gezegd, en -meer dan genoeg. Het zou kunnen schijnen, dat ik mij wilde voordoen -als een goedhartig mensch, terwijl ik, op mijne eer, geen het minste -voornemen daartoe heb en openlijk verklaar, dat ik niets van dien aard -ben. Daar onder de boomen," vervolgde hij, nadat hij had opgekeken -en rondgezien, want tot nog toe had hij scherp op haar gelet, "is uw -broeder zelf, die zeker zoo pas is hier gekomen. Daar hij dezen kant -schijnt heen te dwalen, zal het misschien niet kwaad zijn als wij naar -hem toe wandelden en hem in den weg zochten te komen. Hij is sedert -eenigen tijd zeer stil en verdrietig. Misschien is zijn broederlijk -geweten getroffen--als er zulk een ding als een geweten is; want, -op mijne eer, ik hoor er veel te dikwijls van om er aan te gelooven." - -Hij hielp haar opstaan, zij nam zijn arm, en zij gingen den hondsvot te -gemoet. Tom sloeg al voortslenterende met zijn rotting tegen de takken, -en bleef tusschenbeide stilstaan om met zekere kwaadaardigheid het -mos van de boomen te schrappen. Hij schrikte en verschoot van kleur, -toen zij hem onder dit laatste tijdverdrijf onverwacht nabij kwamen. - -"Holla ho!" zeide hij stotterend. "Ik wist niet, dat gij hier waart." - -"Wiens naam, Tom," zeide Harthouse, hem de hand op den schouder -leggende en hem zoodanig omdraaiende, dat zij nu alle drie naar het -huis wandelden, "hebt gij daar op de boomen gesneden?" - -"Wiens naam?" antwoordde Tom. "O, gij meent welken meisjesnaam?" - -"Uw voorkomen brengt u onder sterke verdenking, Tom, dat ge juist -bezig waart met den naam eener schoone op de schors te schrijven." - -"Wel neen, mijnheer Harthouse, of eene schoone met een goed fortuin -tot hare vrije beschikking moest eens zin in mij krijgen. Zij mocht -zoo leelijk zijn als zij rijk ware, zij zou toch niet bang behoeven -te wezen om mij te verliezen. Ik zou haar naam schrijven zoo dikwijls -als zij maar wilde." - -"Ik vrees dat gij zeer zelfzuchtig zijt, Tom." - -"Zelfzuchtig," herhaalde Tom. "Wie is niet zelfzuchtig. Vraag mijne -zuster maar." - -"Hebt gij zoo ondervonden, Tom, dat dit een gebrek van mij was?" zeide -Louisa, zonder op andere wijze hare gevoeligheid over zijne norschheid -en wreveligheid te toonen. - -"Gij moet zelf maar weten of de schoen u past, Louisa," antwoordde -haar broeder stuursch. "Zoo ja, trek hem dan maar aan." - -"Tom is vandaag misanthropisch, gelijk alle menschen, die zich -vervelen, nu en dan zijn," liet Harthouse hierop volgen. "Geloof hem -maar niet, mevrouw Bounderby; hij weet wel beter. Als hij niet wat -vriendelijker wordt, zal ik u laten hooren, hoe hij mij eens heimelijk -heeft gezegd, wat hij eigenlijk denkt." - -"In allen gevalle, mijnheer Harthouse," zeide Tom, door de schertsende -gemeenzaamheid van zijn voornamen vriend eenigszins verzacht, maar -toch nog wrevelig zijn hoofd schuddende, "kunt gij haar niet zeggen, -dat ik haar ooit geprezen heb omdat zij zelfzuchtig was. Misschien heb -ik haar wel eens voor het tegendeel geprezen, en dat zou ik weder doen, -als ik er evengoede reden toe had. Maar dat komt er nu niet op aan: -het is voor u niet zeer belangrijk, en mij verveelt de zaak al lang." - -Zij wandelden voor naar het huis, waar Louisa den arm van haar -geleider losliet en binnenging. Hij stond haar na te kijken terwijl -zij de stoep opwipte en in de schaduw van het portaal verdween; daarna -legde hij zijne hand weder op haar broeders schouder en noodigde hem -met een gemeenzaam, hoofdknikje tot eene wandeling in den tuin. - -"Tom, mijn beste jongen, ik heb een woordje met u te spreken." - -Zij bleven staan tusschen een warboel van rozen--het behoorde tot -mijnheer Bounderby's nederigheid om de rozen van Nickits in het wild -te laten groeien--en Tom zette zich op de balustrade van een terras, -en begon de knoppen af te plukken en in stukjes te trekken; terwijl -zijn geleigeest bij hem stond, met zijn eenen voet op de balustrade -en het overgebogene bovenlijf rustende op den arm, welke door die knie -werd ondersteund. Zij waren uit haar venster juist zichtbaar. Misschien -zag zij hen. - -"Tom, wat scheelt er aan?" - -"Och, mijnheer Harthouse," antwoordde Tom met een zucht, "ik zit er -zoo in; ik word half doodgeplaagd." - -"Ik ook, mijn beste jongen." - -"Gij?" hervatte Tom. "Gij zijt zoo onafhankelijk als iemand wezen -kan. Ik zit schrikkelijk in het nauw, mijnheer Harthouse. Gij kunt -u niet verbeelden, in welk een toestand ik mij gebracht heb--een -toestand, waaruit mijne zuster mij had kunnen redden, als zij maar -gewild had." - -Hij begon nu de rozeknoppen aan stukken te bijten, en scheurde ze -tusschen zijne tanden uit, met eene hand, welke beefde als die van -een afgeleefd oud man. Na hem eerst met een zeer opmerkzamen blik te -hebben aangezien, nam zijn makker zijn luchtigsten toon aan. - -"Maar, Tom, ge zijt onredelijk. Ge wilt al te veel van uw zuster -hebben. Gij hebt immers reeds geld van haar gehad, gij, rekel--dat -weet ik." - -"Ja, mijnheer Harthouse, dat weet ik ook wel. Hoe zou ik er anders -aan komen? Daar is oude Bounderby, die er altijd op snoeft dat hij, -toen hij zoo oud was als ik, van een dubbeltje 's maands leefde, -of zoo iets van dien aard. Daar is mijn vader, die eene lijn trekt, -zooals hij zegt, en mij van een kind af met handen en voeten daaraan -vastbindt. Daar is mijne moeder, die nooit iets te veel heeft, -behalve klachten. Wat zal iemand dan doen om aan geld te komen, -en van wie heb ik iets te wachten, als het niet van mijne zuster is?" - -Hij huilde bijna en strooide de rozeknoppen bij dozijnen om zich heen. - -Harthouse pakte hem met vriendelijke overredingskracht bij zijn rok. - -"Maar, beste Tom, als uwe zuster het nu niet heeft...." - -"Het niet heeft, mijnheer Harthouse? Ik zeg niet dat zij het heeft. Ik -had misschien meer noodig dan zij waarschijnlijk had. Maar dan moest -zij maken dat zij het kreeg. Zij kan het wel krijgen. Ik behoef nu -geen geheim van de zaak meer te maken, na alles wat ik u al gezegd -hebt. Gij weet wel dat zij ouden Bounderby niet om harentwil heeft -getrouwd, noch om zijnentwil, maar om mijnentwil. Waarom maakt zij -dan niet om mijnentwil, dat zij van hem krijgt wat ik noodig heb? Zij -behoeft niet te zeggen wat zij er mee doen zal; zij is slim genoeg; -zij kon het wel met wat flikflooien van hem krijgen, als zij maar -wilde. Waarom wil zij dan niet, als ik haar zeg van hoeveel belang -het voor mij is? Maar neen. Daar zit zij bij hem als een stuk steen, -in plaats van zich aangenaam te maken en het zoo met gemak van hem -te krijgen. Ik weet niet hoe gij dit noemt, maar ik noem het een -onnatuurlijk gedrag." - -Vlak aan den anderen kant der balustrade was eene diepe vijver, -en mijnheer James Harthouse had grooten lust om mijnheer Thomas -Gradgrind Junior daarin te smijten, gelijk de mishandelde fabrikanten -van Coketown dreigden hun eigendom in zee te zullen werpen. Maar hij -bewaarde zijne achtelooze houding, en er viel niets over de steenen -balustrade, dan nog een hoop rozeknoppen, die nu met de anderen een -drijvend eilandje vormden. - -"Beste Tom," zeide Harthouse, "laat ik eens beproeven uw bankier -te zijn." - -"Om 's Hemels wil," antwoordde Tom verschrikt, "spreek toch niet van -bankiers!" En in contrast met de rozen scheen hij geheel wit te worden. - -Harthouse, als een welopgevoed man, aan beschaafden omgang gewoon, liet -zich niet verbazen--hij had zich evengoed kunnen laten ontroeren--maar -hij opende zijne oogen een weinigje meer, alsof de leden door een -flauwen zweem van verwondering werden opgetrokken, hoewel het evenzeer -tegen de regelen zijner school streed zich over iets te verwonderen, -als tegen de leer die Gradgrind predikte. - -"Hoeveel komt er op het oogenblik te kort, Tom? Drie cijfers? Voor -den dag er mee! Zeg, hoe groot is de som?" - -"Och, mijnheer Harthouse," antwoordde Tom nu werkelijk schreiende; -en welk eene jammerlijke figuur hij ook maakte, stonden zijne tranen -hem toch beter dan zijne norschheid; "het is te laat. Het geld kan -mij nu toch niet meer baten. Ik had het vroeger moeten hebben om mij -van nut te wezen. Maar ik ben u toch zeer verplicht. Gij zijt een -oprecht vriend." - -Een oprecht vriend! "O, hondsvot!" dacht Harthouse, op zijne trage -en flauwe manier, "welk een ezel zijt ge toch!" - -"En ik houd uw aanbod voor eene zeer groote vriendelijkheid," vervolgde -Tom, zijne hand vattende, "eene zeer groote vriendelijkheid." - -"Wel," hervatte de ander, "het zal u later misschien van meer nut -kunnen zijn; en, mijn goede jongen, als ge mij uwe ongelegenheden wilt -openbaren, wanneer ze u beginnen te overstelpen, zal ik u misschien een -beter weg kunnen wijzen om er uit te komen dan gij zelf kunt vinden." - -"Ik dank u," zeide Tom, naargeestig zijn hoofd schuddende en -rozeknopjes kauwende. "Ik wenschte wel, dat ik u vroeger had gekend, -mijnheer Harthouse." - -"Gij moet weten, Tom," zeide Harthouse tot slot, zelf een paar rozen -over de balustrade werpende, als eene bijdrage tot het eilandje, dat -steeds naar den muur bleef drijven, alsof het zich aan het vasteland -wilde vasthechten: "alle menschen zijn zelfzuchtig in al wat zij doen, -en ik ben eveneens als de rest van mijne natuurgenooten. Ik ben er -razend op gesteld,"--de kwijnende flauwheid zijner razernij kon wel een -gevolg der groote hitte zijn--"dat gij vriendelijker voor uwe zuster -wordt--en dat zou u wel passen;--dat gij een beter en pleizieriger -soort van broeder wordt--en dat zou wel zoo behoorlijk zijn." - -"Dat zal ik, mijnheer Harthouse." - -"Geen tijd zoo goed als de tegenwoordige, Tom. Begin dus terstond." - -"Dat zal ik zeker; en mijne zuster Louisa zal het u zeggen." - -"En nu wij dit accoord hebben gemaakt, Tom," zeide Harthouse, hem -nogmaals op den schouder kloppende op eene manier, die hem volle -vrijheid liet te meenen--gelijk hij ook deed, arme dwaas--dat deze -voorwaarde hem slechts uit goedhartigheid werd opgelegd, om zijn -gevoel van verplichting te verminderen, "zullen wij ons tot etenstijd -van elkander losrukken." - -Toen Tom aan tafel kwam, scheen zijn gemoed nog wel bezwaard, maar -zijn lichaam was toch vlugger, en hij kwam vóór mijnheer Bounderby. - -"Ik meende het niet toen ik zoo stuursch was, Louisa," zeide hij, -haar de hand en een kus gevende. "Ik weet wel, dat gij veel van mij -houdt, en gij weet ook wel, dat ik veel van u houd." - -Later op dien dag had Louisa's gezichtje een glimlach voor iemand -anders. Helaas, voor iemand anders! - -"Des te minder is die hondsvot de eenige om wien zij iets geeft," -zeide James Harthouse bij zich zelven, de gedachte omkeerende, die op -den eersten dag, toen hij met haar bevallig gezichtje kennis gemaakt -had, bij hem was opgekomen. "Des te minder, des te minder." - - - - - - - -XXIV. - -DE UITBARSTING. - - -De volgende morgen was te helder om te blijven slapen, en -James Harthouse stond dus vroeg op en zette zich voor het opene -uitstekvenster zijner kleedkamer met een dier fijne sigaren in den -mond, die zulk een heilzamen invloed op zijn jongen vriend hadden -gehad. In den zonneschijn rustende, terwijl de geur van het edele kruid -hem omhulde en de droomerige rookwolkjes in de lucht opstegen, reeds -vervuld met de welriekende uitwasemingen der zomerbloemen, telde hij -zijne reeds behaalde voordeelen op, gelijk een onverschillig speler -zijne winsten optelt. Voor het oogenblik was niemand hem lastig, -en kon hij zich ongestoord daarmede bezighouden. - -Hij was tot eene vertrouwelijkheid met haar gekomen, waar haar -echtgenoot buitengesloten bleef. Hij was tot eene vertrouwelijkheid met -haar gekomen, die juist uit hare onverschilligheid voor haar man en -het gebrek aan overeenstemming tusschen dit paar was ontsproten. Hij -had haar op eene behendige manier, maar toch duidelijk, te verstaan -gegeven, dat hij haar hart tot in de geheimste schuilhoeken kende; hij -was juist door het teederste gevoel van dat hart haar nabijgekomen, -en de ijskorst, die het als een muur omringde, was gesmolten. Alles -zeer vreemd, en zeer streelend. - -En toch had hij, zelf nu nog, geene ernstige slechte voornemens. In -het openbare en bijzondere leven zou het voor onze eeuw veel beter -zijn, dat hij en het legioen zijner gelijken opzettelijk slecht waren, -dan zoo onverschillig en doelloos. Het zijn de drijvende ijsbergen, -met elken stroom overal heen zwalkende, die de schepen doen vergaan. - -Wanneer de duivel rondgaat gelijk een brullende leeuw, gaat hij -rond in eene gedaante, waardoor weinigen dan wilden en jagers zich -laten verlokken om hem te naderen. Maar wanneer hij naar de mode -is opgekleed en opgepolijst; wanneer deugd en ondeugd hem evenzeer -vervelen; wanneer hij den zwavelpoel en de zaligheid evenzeer moede -is, dan is hij eerst de echte duivel. - -Zoo bleef James Harthouse voor het venster zitten, op zijn gemak -rookende en de schreden tellende, welke hij gedaan had op den weg, -dien hij toevallig had ingeslagen. Het einde, waartoe die weg voerde, -lag vrij duidelijk voor hem, maar daarom bekommerde hij zich niet -het minste. Wat gebeuren moet, moet gebeuren. - -Daar hij dien dag een tamelijk verren weg te rijden had--want er zou -ergens eene openbare vergadering plaats hebben, die hem gelegenheid -zou geven om stemmen te winnen--kleedde hij zich vroeg en ging toen -naar beneden om te ontbijten. Hij was verlangend om te zien, of zij -sedert den vorigen avond weder verkoeld was. Neen. Hij kon weder -beginnen waar hij het gelaten had. - -Er was weder een blik vol vriendelijke belangstelling voor hem gereed. - -Hij kwam zoozeer (of zoo weinig), naar zijn genoegen door den dag heen, -als onder de omstandigheden, die zulk eene vermoeienis van hem vergden, -te wachten was, en kwam tegen zes ure terugrijden. De laan tusschen -de portierswoning en het huis, die eene sierlijke bocht maakte, -had eene tamelijke lengte, en hij reed stapvoets daarlangs voort, -toen mijnheer Bounderby op eens het heesterplantsoen uitkwam, zoo -driftig en onverwacht, dat het paard schichtig terugdeinsde. - -"Harthouse!" riep mijnheer Bounderby luidkeels. "Hebt gij het gehoord?" - -"Wat gehoord?" zeide Harthouse, zijn paard streelende om het te -bedaren, onder het heimelijk uiten van een wensch, die niet veel -goeds voor mijnheer Bounderby bevatte. - -"Dus hebt gij niets gehoord?" - -"Ik heb u gehoord, en dat heeft dit beest ook. Anders niets." - -Mijnheer Bounderby, die gloeiend rood was, plaatste zich midden op -den weg, vlak voor het paard, om zijne bom met meer effect te laten -springen. - -"Het kantoor is bestolen!" - -"Dat meent ge toch niet in ernst!" - -"Van nacht bestolen, mijnheer! Op een buitengewone manier bestolen! Met -een valschen sleutel bestolen!" - -"Is het verlies groot?" - -Het scheen Bounderby, bij zijn verlangen om zooveel mogelijk gerucht -van de zaak te maken, inderdaad te spijten, dat hij genoodzaakt was te -antwoorden: "Neen, niet heel groot. Maar dat had het wel kunnen zijn?" - -"Hoe groot is het?" - -"O, wat de som betreft--als gij bij de som blijft--niet meer dan -honderd vijftig pond," antwoordde Bounderby wrevelig. "Maar het is -de som niet; het is het feit. Het feit, dat het kantoor bestolen is, -dat is eigenlijk het gewichtige. Het verwondert mij, dat gij dit -niet begrijpt." - -"Mijn beste Bounderby," zeide James, terwijl hij van zijn paard stapte -en de teugels aan zijn knecht overgaf, "dat begrijp ik zeer wel, en ik -ben zoo erg, als gij maar verlangen kunt, ontsteld van het schouwspel, -dat zich voor de oogen van mijn geest vertoont. Evenwel hoop ik, -u te mogen feliciteeren dat gij geen grooter verlies hebt geleden, -en ik verzeker u, dat doe ik met al mijn hart." - -"Dank je," antwoordde Bounderby op een stroeven toon. "Maar laat ik -u eens wat zeggen. Het had ook twintig duizend pond kunnen zijn." - -"Wel te denken." - -"Wel te denken? Het is waarachtig wel te denken," zeide Bounderby, -gramstorig knikkende. "Het had tweemaal twintig kunnen zijn. Het -is niet te zeggen hoeveel het had kunnen zijn, of niet kunnen zijn, -als de kerels niet gestoord waren." - -Louisa was nu aangekomen, tegelijk met mevrouw Sparsit en Bitzer. - -"Daar is Tom Gradgrind's dochter, die tamelijk wel weet hoeveel het -had kunnen zijn, als gij het niet weet," hervatte Bounderby op zijn -winderigsten toon. "Zij viel neer, alsof ze doodgeschoten was, toen -zij het hoorde. Ik heb nooit te voren zoo iets van haar gezien. Het -strekt haar onder deze omstandigheden tot eer, naar mijne gedachten." - -Zij zag er nog bleek en ontsteld uit. James Harthouse bood haar zijn -arm aan, en terwijl zij zeer langzaam voortwandelden, vroeg hij, -hoe de diefstal gepleegd was. - -"Wel, dat wilde ik u juist vertellen," zeide Bounderby, korzelig zijn -arm aan mevrouw Sparsit gevende. "Als ge niet zoo machtig precies op -de som waart geweest, zou ik daarmee begonnen zijn. Gij kent deze dame -(want zij is eene geboren dame), mevrouw Sparsit?" - -"Ik heb reeds de eer gehad..." - -"Heel goed. En dit jonge mensch, Bitzer, hebt gij ook bij dezelfde -gelegenheid gezien?" - -Mijnheer Harthouse knikte toestemmend, en Bitzer duwde zijne kneukels -tegen zijn voorhoofd. - -"Heel goed. Zij wonen aan het kantoor. Gij weet misschien al, dat zij -daar wonen? Heel goed. Gisteravond na den kantoortijd werd alles naar -gewoonte geborgen en gesloten. In de ijzeren kamer, waarvoor die jongen -slaapt, was--het doet er niet toe hoeveel. In het ijzeren kistje in -de kamer van Tom, het kistje dat voor kleine sommen wordt gebruikt, -was honderdvijftig pond of wat meer." - -"Honderd vier en vijftig, zeven en een," zeide Bitzer. - -"Pas op!" voer Bounderby uit, stilstaande om zich naar hem toe te -keeren. "Val gij mij niet in de rede. Het is al genoeg bestolen te -worden terwijl gij ligt te snorken, omdat gij het al te goed hebt, -zonder dat gij mij in de rede behoeft te vallen om mij in een beuzeling -terecht te zetten. Ik snorkte niet, toen ik zoo oud was als gij, -laat ik u dat zeggen. Ik kreeg geen eten genoeg om te snorken. En ik -viel iemand niet met beuzelingen in de rede, al wist ik er van." - -Bitzer duwde op eene kruiperige manier zijne kneukels tegen zijn -voorhoofd en scheen vooral door het laatste gezegde van zijn patroon -zeer getroffen en verslagen. - -"Honderd vijftig pond ongeveer," hervatte mijnheer Bounderby. "Die som -had Tom in zijne geldkist gesloten; geen heel sterke kist, maar dat -doet er nu niet toe. Alles was in orde toen men heenging. Op zekeren -tijd van den nacht, toen die knaap lag te snorken--mevrouw Sparsit, -gij zegt immers, dat gij hem hebt hooren snorken?" - -"Mijnheer," antwoordde mevrouw Sparsit, "ik kan niet zeggen, dat -ik hem eigenlijk heb hooren snorken, en daarom mag ik zoo iets niet -verklaren. Maar 's avonds, in den winter, als hij op zijn stoel in -slaap viel, heb ik hem wel eens een geluid hooren maken, om zoo te -zeggen alsof hij half geworgd werd--het was omtrent hetzelfde geluid -dat men somtijds in eene houten klok hoort. Niet," vervolgde zij, -met de verhevene bewustheid dat zij de waarheid huldigde door eene -streng onpartijdige getuigenis te geven, "dat ik eenige blaam op -zijn zedelijk karakter zou willen werpen. Ver van daar. Ik heb Bitzer -altijd voor een jongmensch van de standvastigste beginselen gehouden, -dat verzoek ik te mogen zeggen." - -"Welnu," hernam de vergramde Bounderby, "terwijl hij dan snorkte, -of half geworgd werd, of een geluid maakte als eene houten klok, -of iets van dien aard--terwijl hij lag te slapen, kortom--zijn -eenige kerels--of zij te voren in huis verscholen waren of niet, -staat nog te bezien--op eene of andere manier bij het geldkistje van -Tom gekomen, hebben het opengebroken en weggepakt wat er in was. Toen -gestoord wordende, hebben zij zich voortgemaakt, zich zelven de deur -uitgelaten, en die weer op het nachtslot gedraaid--zij was op het -nachtslot, en mevrouw Sparsit had den sleutel onder haar kussen--met -een valschen sleutel, dien men vandaag tegen twaalf uur op straat, -dicht bij het kantoor, heeft opgeraapt. Er werd geen alarm gemaakt, -voordat deze knaap, Bitzer, des morgens opstond en de kamer in orde -ging brengen. Toen ziet hij de deur van Tom's kamer aanstaan, vindt -het kistje opengebroken en het geld weg." - -"A propos, waar is Tom?" vroeg Harthouse, in het rond kijkende. - -"Hij heeft de politie geholpen," antwoordde Bounderby, "en is nog -aan het kantoor. Ik wou, dat die kerels geprobeerd hadden om mij te -bestelen toen ik zoo oud was als hij. Zij zouden er bij verloren -hebben, al hadden zij maar achttien stuivers onkosten voor het -karreweitje gemaakt, dat kan ik hun zeggen." - -"Wordt er niemand verdacht?" - -"Verdacht? Dat zou ik denken!" antwoordde Bounderby, den arm -van mevrouw Sparsit loslatende om zijn gloeiend voorhoofd af te -vegen. "Waarachtig, Josiah Bounderby van Coketown zal niet bestolen -worden, zonder dat er iemand verdacht werdt. Neen, wel verplicht!" - -Mocht mijnheer Harthouse vragen wie er verdacht werd? - -"Wel, dat zal ik u zeggen," antwoordde Bounderby, stilstaande en zich -omdraaiende om al de anderen aan te zien. "Maar het moet niet verder -verteld worden. Niemand moet er iets van hooren, om de schelmen, die er -in betrokken zijn--het is eene geheele bende--niet te waarschuwen. Dit -dus in vertrouwen. Wat zoudt gij zeggen," barstte hij geweldig uit, -"als er een van mijne werklieden in betrokken was?" - -"Ik hoop niet onze vriend Blackpot?" zeide Harthouse op een -onverschilligen, slependen toon. - -"Zeg Pool in plaats van Pot, mijnheer," antwoordde Bounderby, -"en het is de man." - -Louisa liet een flauwen uitroep van verwondering en ongeloof hooren. - -"O ja, dat weet ik wel," zeide Bounderby, hierop terstond vuur -vattende. "Daaraan ben ik gewend. Dat ken ik alles van buiten. Zij zijn -de braafste menschen van de wereld, dat volk. Zij kunnen machtig mooi -praten. Zij willen maar hebben dat men hun verklaart welke rechten -zij hebben. Maar ik zal u eens wat zeggen. Wijs mij een onvergenoegd -werkman, en ik zal u iemand wijzen, die tot alle slechtheid in staat -is, onverschillig welke." - -Dit was weder een der algemeenheden van Coketown, welke men met -tamelijk veel moeite had verspreid, waaraan sommige menschen werkelijk -geloofden. - -"Maar ik ken die knapen," hervatte Bounderby. "Ik kan hen lezen als een -boek. Mevrouw Sparsit, ik beroep mij op u. Welke waarschuwing heb ik -dien kerel gegeven, de eerste maal toen hij een voet bij mij in huis -zette, en zijn uitdrukkelijk oogmerk was te komen vragen, hoe hij de -godsdienst en de gevestigde Kerk zou kunnen overhoop smijten? Mevrouw -Sparsit, wat aanzienlijkheid van betrekkingen aangaat, staat gij -gelijk met de aristocratie--heb ik toen niet tegen dien kerel gezegd: -"Gij kunt de waarheid niet voor mij verbergen; gij zijt geen man die -mij bevalt en het zal niet goed met u afloopen?" - -"Zeer zeker, mijnheer," antwoordde mevrouw Sparsit, "gij hebt hem op -eene zeer nadrukkelijke manier eene vermaning van dien aard gegeven." - -"Toen hij u zoo geërgerd en uw gevoel zoo gekwetst had, -juffrouw?" zeide Bounderby. - -"Ja, mijnheer," antwoordde mevrouw Sparsit en schudde met zachtaardige -treurigheid haar hoofd, "dat had hij wèl gedaan. Hoewel ik niet wil -tegenspreken, dat mijn gevoel op zulke punten teerder is--overdrevener, -als men die uitdrukking beter vindt--dan het wezen zou, indien ik -altijd mijne tegenwoordige betrekking had bekleed." - -Bijna barstende van hoogmoed, staarde Bounderby zijn vriend aan, als -wilde hij zeggen: "ik ben de eigenaar van die vrouw, en zij is uwe -aandacht wel waardig, zou ik denken?" Daarop hervatte hij zijne rede. - -"Gij zult u wel herinneren, Harthouse, wat ik tegen hem zeide -toen gij hem zaagt. Ik wond er volstrekt geen doekjes om. Ik ben -nooit zoetsappig met hen. Ik ken ze. Heel goed, mijnheer. Drie dagen -naderhand liep hij weg--ging voort, niemand weet waarheen--gelijk mijne -moeder gedaan heeft toen ik een kind was, alleen met dit verschil, -dat hij zoo mogelijk nog slechter was dan mijne moeder. En wat heeft -hij nu gedaan eer hij heenging? Wat zegt gij er van,"--met zijn hoed -in de hand, gaf de spreker bij elke afdeeling zijner rede een tik op -den bol, alsof het eene tamboerijn was--"dat men hem avond op avond -bij het kantoor op de wacht heeft gezien--dat hij na den donker daar -bleef loeren--dat het mevrouw Sparsit dadelijk inviel, dat hij met -geen goed oogmerk zoo loeren kon--dat zij Bitzer opmerkzaam op hem -maakte en zij hem alle twee in het oog hielden--en dat het vandaag -door navraag gebleken is, dat ook de buren op hem gelet hebben?" Tot -dit toppunt zijner welsprekendheid gekomen, zette Bounderby, gelijk -een Oostersche danser, zijne tamboerijn op het hoofd. - -"Dat luidt zeker verdacht," zeide James Harthouse. - -"Dat dunkt mij ook, mijnheer," hervatte Bounderby, met een uitdagend -knikje. "Dat dunkt mij ook. Maar er zijn er nog meer in betrokken. Er -is eene oude vrouw. Men hoort nooit van die dingen eer het kwaad -gebeurd is; men vindt allerlei gebreken aan de staldeur als het paard -gestolen is. Nu komt er een oud wijf voor den dag, een oud wijf, dat -naar het schijnt, van tijd tot tijd op een bezemstok naar de stad is -komen vliegen. Zij houdt een geheelen dag de wacht voor het kantoor -eer die kerel begint, en op den avond toen gij hem gezien hebt, -sluipt zij met hem heen om overleg met hem te houden--denkelijk om -rapport te doen eer zij haar post verliet--dat duivelsche wijf." - -Er was dien avond zulk eene vrouw in de kamer, en zij scheen zich te -willen schuilhouden, dacht Louisa. - -"Dit zijn ze nog niet eens allen, zooveel wij nu reeds weten," zeide -Bounderby, verscheidene malen geheimzinnig knikkende. "Maar ik heb voor -het oogenblik genoegd gezegd. Gij zult wel zoo goed zijn om het stil te -houden en er niemand over te spreken. Het zal misschien tijd kosten, -maar wij zullen hen wel krijgen. Het is voorzichtig hen niet ongerust -te maken, en het kan geen kwaad, dat zij vrij spel schijnen te hebben." - -"Natuurlijk zullen zij met de grootste strengheid der wet gestraft -worden, gelijk de publicaties zeggen," antwoordde James Harthouse, -"en dat is goed ook. Kerels, die kantoren bestelen, moeten de gevolgen -maar ondervinden. Als er geene gevolgen waren zou iedereen kantoren -gaan bestelen." - -Hij had Louisa zacht hare parasol uit de hand genomen en voor haar -opgezet; en zij wandelden onder dier schaduw, hoewel de zon daar -niet scheen. - -"Vooreerst, Louisa Bounderby," zeide haar echtgenoot, "moet er om -mevrouw Sparsit gedacht worden. Hare zenuwen hebben door die historie -een schok gekregen, en zij zal een paar dagen hier blijven. Maak dus, -dat zij het hier naar haar genoegen heeft." - -"Ik dank u wel zeer, mijnheer," zeide deze bescheidene dame hierop, -"maar ik bid u, laat mijn genoegen niemand bekommeren. Voor mij is -alles goed genoeg." - -Het bleek spoedig, dat, indien mevrouw Sparsit in het huiselijke -verkeer één gebrek had, het dit was, dat zij buitengemeen weinig -werk van zich zelve en zooveel van anderen maakte, dat zij daardoor -zeer onaangenaam en lastig werd. Toen men haar hare kamer wees, -was zij zoo schrikkelijk gevoelig voor het comfortable daarvan, -dat zij niet nalaten kon te zeggen, dat zij liever op den mangel -in de strijkkamer den nacht had willen doorbrengen. 't Was waar, -de Powler's en de Scadgers' waren aan weelde gewoon; "maar het is -mijn plicht te onthouden," merkte mevrouw Sparsit gaarne met deftige -minzaamheid aan, inzonderheid als er dienstboden bij waren, "dat ik -niet meer ben wat ik was. Inderdaad," zeide zij, "als ik geheel en al -de herinnering kon uitwisschen, dat mijnheer Sparsit een Powler was, -en dat ik zelf met de familie Scadgers vermaagschapt ben; of als ik -zelf dat feit kon herroepen en mij zelve tot een persoon van gemeene -afkomst en burgerlijke betrekkingen maken, zou ik het zeer gaarne -doen. Ik zou onder de bestaande omstandigheden denken, dat ik daaraan -wèl zou doen." Dezelfde ootmoedige nederigheid deed haar aan tafel -alle kunstmatig toebereide schotels afwijzen en voor wijn bedanken, -totdat mijnheer Bounderby haar ronduit gebood om er van te gebruiken; -waarna zij zeide: "Gij zijt waarlijk wel goed, mijnheer," en daarmede -haar openlijk met vrij veel deftigheid aangekondigd besluit verzaakte -"om op den eenvoudigen schapebout te wachten." Zij verzocht ook met -diepe nederigheid verschooning als zij het zout verlangde; en zich -verplicht achtende, om de getuigenis, die mijnheer Bounderby van hare -zenuwen had gegeven, ten volle te bekrachtigen, liet zij zich nu en -dan op haar stoel achteroverzakken om stil te schreien, en dan kon -men (of liever moest men, want de zaak drong zich met geweld aan de -aandacht op) een traan, zoo groot als eene kristallen oorbel, langs -haar Romeinschen neus zien afrollen. - -Hare grootste kracht evenwel, van het begin tot het einde, lag in -de hardnekkigheid van haar medelijden met mijnheer Bounderby. Het -gebeurde dikwijls dat zij, als zij hem aanzag, onwillekeurig haar hoofd -moest schudden, alsof zij wilde zeggen: "Helaas, arme Job." Nadat zij -zich tot zulk een blijk van aandoening had laten verleiden, dwong zij -zich tot eene opflikkering van vroolijkheid, en zeide dan met in het -oog loopende opgeruimdheid: "Gij zijt altijd nog frisch en vroolijk, -mijnheer; ik ben hartelijk blijde dit te zien;" en het scheen dan, -dat zij het voor een soort van wonder hield dat mijnheer Bounderby zoo -gezond en welgemoed bleef. Eén zwak, waarvoor zij dikwijls verschooning -verzocht, vond zij bijzonder moeielijk te verwinnen. Zij had eene -zonderlinge neiging om mevrouw Bounderby Miss Gradgrind te noemen, en -liet zich vijftig- of zestigmaal op een avond daardoor verrassen. De -gedurige herhaling van dat verspreken overstelpte haar met verlegenheid -en schaamte; maar, zeide zij, het was haar zoo gewoon en natuurlijk, -Miss Gradgrind te zeggen, terwijl het haar bijna onmogelijk was zich -te overreden, dat de jongejuffer, die zij het geluk had gehad van -een kind af te kennen, nu waarlijk en werkelijk mevrouw Bounderby kon -wezen. Eene verdere bijzonderheid van dit opmerkelijk geval was, dat -het haar, hoe meer zij er over nadacht, des te onmogelijker voorkwam, -"want het verschil," zeide zij, "was toch zoo verbazend groot." - -Na den maaltijd begon mijnheer Bounderby in het salon zelf aan het -proces over den diefstal, verhoorde de getuigen, vond de verdachte -personen schuldig, en veroordeelde hen tot de strengste straf welke -de wet toeliet. Dit gedaan zijnde, werd Bitzer naar de stad gezonden, -om Tom met den laatsten spoortrein naar huis te doen komen. - -Toen er licht was binnengebracht, prevelde mevrouw Sparsit: "Wees nu -niet neerslachtig, mijnheer. Ik bid u, laat ik u weer zoo opgeruimd -zien als gij placht te zijn." - -Mijnheer Bounderby, bij wien deze troostredenen teweegbrachten dat -hij op eene botte, stommelige manier sentimenteel begon te worden, -slaakte een zucht als een groot zeemonster. - -"Ik kan u zoo niet zien, mijnheer," zeide mevrouw Sparsit. "Ga eens -een spelletje triktrak spelen, gelijk gij placht te doen toen ik de -eer had van onder uw dak te wonen." - -"Ik heb sedert geen triktrak meer gespeeld, juffrouw," antwoordde -Bounderby. - -"Neen, mijnheer, dat weet ik wel," hervatte mevrouw Sparsit -troostend. "Ik herinner mij, dat Miss Gradgrind geene liefhebberij -heeft in dat spel. Maar ik zou het zeer gaarne nog eens willen doen, -als gij zoo goed woudt zijn." - -Zij zaten te spelen bij een venster, dat op den tuin uitzag. Het was -een heerlijke avond, wel zonder maneschijn, maar zoel en geurig. Louisa -en mijnheer Harthouse wandelden door den tuin, waar men in stilte -hunne stemmen kon hooren, hoewel niet verstaan wat zij zeiden. Mevrouw -Sparsit, voor het bord gezeten, spande gedurig hare oogen in om door -de duisternis daar buiten heen te boren. - -"Wat is er, juffrouw?" zeide Bounderby. "Gij ziet toch geen brand?" - -"O Heere neen, mijnheer," antwoordde mevrouw Sparsit. "Ik dacht aan -den dauw." - -"Wat hebt gij met den dauw te maken, juffrouw?" hervatte Bounderby. - -"Het is niet voor mij zelve, mijnheer," was het antwoord, "maar ik -ben bang, dat Miss Gradgrind kou zal vatten." - -"Zij vat nooit kou," zeide Bounderby. - -"Inderdaad, mijnheer?" zeide mevrouw Sparsit hierop, en kreeg toen -een kuchje. - -Toen het tijd werd om naar bed te gaan, nam mijnheer Bounderby een -glas water. - -"O, mijnheer!" zeide mevrouw Sparsit, "niet uw warmen wijn met -citroenschillen en muskaat?" - -"Och, dat ben ik tegenwoordig afgewend, juffrouw," antwoordde -Bounderby. - -"Dat is wèl jammer, mijnheer," hervatte mevrouw Sparsit. "Gij verliest -al uwe goede oude gewoonten. Kom, beur u wat op, mijnheer! Als Miss -Gradgrind het mij vergunt, zal ik een glas voor u klaarmaken, zooals -ik dikwijls gedaan heb." - -Daar Miss Gradgrind bereid was om mevrouw Sparsit alles te vergunnen -wat haar maar beliefde, maakte die bedachtzame dame een glas van den -bedoelden smakelijken drank gereed en gaf het aan mijnheer Bounderby. - -"Het zal u goeddoen, mijnheer. Het zal uw hart verwarmen," zeide -zij. "Het is juist wat gij noodig hebt en altijd moest gebruiken." - -En toen mijnheer Bounderby zeide: "Uwe gezondheid, juffrouw," -antwoordde zij met diep gevoel: "Dank u, mijnheer. Ik wensch u -hetzelfde, en ook dat gij gelukkig moogt zijn." - -Eindelijk wenschte zij hem met buitengemeene aandoening goedennacht; -en mijnheer Bounderby ging naar bed met eene benevelde bewustheid, -dat hij in een of ander opzicht ongelukkig was, hoewel hij, al ware -het om zijn leven te doen geweest, niet had kunnen zeggen wat hem -eigenlijk scheelde. - -Lang nadat Louisa zich had ontkleed en te bed begeven, bleef zij -wakend naar de thuiskomst van haar broeder liggen wachten. Hij kon -niet wel vroeger komen, dit wist zij, dan een uur na middernacht; -maar in de landelijke stilte, die het onrustige harer gedachten veeleer -vergrootte dan bedaarde, ging de tijd zeer langzaam om. Eindelijk toen -de duisternis en de stilte, die elkander wederkeerig nog drukkender -maakten, uren lang schenen geduurd te hebben, hoorde zij de schel -aan het hek. Het was haar of zij blijde zou zijn geweest, als die -schel tot aan den dageraad was blijven luiden; maar het hield op, -de kringen van den laatsten klank breidden zich al verder en flauwer -in de lucht uit, en alles was weder doodstil. - -Zij wachtte nog een kwartier uurs naar hare gissing. Toen stond zij -op, trok een los kleed aan, en ging in het donker hare kamer uit en -de trap op naar haar broeders vertrek. Daar de deur gesloten was, -opende zij die en sprak om hem te waarschuwen dat zij het was, -terwijl zij op de teenen naar zijn bed kwam. - -Zij knielde daarbij neer, sloeg haar arm om zijn hals en trok zijn -gezicht naar het hare toe. Zij wist wel, dat hij slechts veinsde te -slapen, maar zeide nog niets. - -Weldra maakte hij eene beweging alsof hij toen pas ontwaakte, en -vroeg wie daar was en wat er te doen was. - -"Tom," zeide zij, "hebt gij mij niet iets te zeggen? Als gij mij ooit -in uw leven liefgehad hebt, en iets hebt, dat gij voor alle andere -menschen verborgen houdt, zeg het mij dan." - -"Ik weet niet wat gij meent, Louisa. Gij moet gedroomd hebben." - -"Lieve broeder,"--zij liet haar hoofd op zijn kussen zinken, en -hare haren golfden over hem heen, alsof zij hem voor iedereen wilde -verbergen--"is er niets, dat gij mij te zeggen hebt? Is er niets, -dat ge mij zeggen kunt, als gij wilt? Gij kunt mij niets zeggen, -dat mij voor u zal doen veranderen. O Tom, zeg mij de waarheid." - -"Ik weet niet wat gij meent, Louisa." - -"Gelijk gij daar alleen ligt, lieve broeder, in den akeligen nacht, -zoo moet gij eens in een anderen nacht ergens liggen, wanneer zelfs -ik, als ik dan nog leef, u zal verlaten hebben. Gelijk ik hier naast -u ben, blootsvoets, ongekleed, onherkenbaar in de duisternis, zoo -moet ik liggen door den ganschen nacht mijner ontbinding, totdat ik -stof ben. In den naam van dien tijd, Tom, zeg mij nu de waarheid." - -"Wat is het, dat gij weten wilt?" - -"Gij kunt zeker zijn," en in het vuur harer liefde drukte zij hem -aan hare borst alsof hij een kind was, "dat ik u geen verwijt zal -doen. Gij kunt zeker zijn, dat ik medelijden met u zal hebben en u -trouw zal zijn. Gij kunt zeker zijn dat ik u zal redden, wat het ook -mag kosten. O Tom, hebt ge mij niets te zeggen? Fluister het maar -heel zacht. Zeg maar "ja," en ik zal u verstaan." - -Zij keerde haar oor naar zijn mond, maar hij bleef stug stilzwijgen. - -"Geen woord, Tom?" - -"Hoe kan ik ja zeggen, of hoe kan ik neen zeggen, als ik niet weet -wat gij meent? Louisa, gij zijt eene goede, brave meid, en een beter -broeder waard dan ik ben, begin ik nu te denken. Maar ik heb niets -meer te zeggen. Ga naar bed, ga naar bed." - -"Gij zijt vermoeid," fluisterde zij nu, meer op haar gewonen toon. - -"Ja, ik ben geheel afgemat." - -"Gij hebt vandaag zooveel onrust en gewoel gehad. Zijn er nog nieuwe -ontdekkingen gedaan?" - -"Alleen die, waarvan gij gehoord hebt, van--hem." - -"Tom, hebt gij iemand gezegd, dat wij die menschen hebben opgezocht, -en dat wij die drie bij elkander hebben gezien?" - -"Neen. Hebt ge mij zelve niet uitdrukkelijk verzocht om het stil te -houden, toen ge mij vroegt om met u daarheen te gaan?" - -"Ja. Maar ik wist toen niet wat er gebeuren zou." - -"Ik ook niet. Hoe zou ik het geweten hebben?" - -Hij gaf dit antwoord zeer snel en eenigszins bits. - -"Zou ik, na hetgeen er gebeurd is, behooren te zeggen, dat ik daar -geweest ben?" zeide zijne zuster, bij het bed staande--zij had zich -langzamerhand teruggetrokken en was overeind gaan staan. "Zou ik het -zeggen? Moet ik het zeggen?" - -"Goede Hemel, Louisa," antwoordde haar broeder, "ge zijt niet gewoon -mij om raad te vragen. Zeg wat gij wilt. Als gij het voor u zelve -houdt, zal ik het ook voor mij zelven houden. Als gij het openbaart, -is het mij ook wel." - -Het was te donker dan dat zij elkanders gezicht konden zien; maar -beiden schenen zeer oplettend te zijn en zich te bedenken eer zij -spraken. - -"Tom, gelooft gij, dat de man, aan wien ik dat geld gegeven heb, -werkelijk in deze misdaad betrokken is?" - -"Dat weet ik niet. Ik zie niet in waarom niet." - -"Hij kwam mij toen een eerlijk man voor." - -"Iemand anders kan u oneerlijk voorkomen en het toch niet zijn." - -Er volgde eene poos van stilte, want hij had gehaperd toen hij verder -wilde spreken, en daarna gezwegen. - -"Kortom," hervatte hij, alsof hij zijn besluit had genomen, "als gij -daarop komt, was ik er misschien zoo ver van af om volkomen gunstig -over hem te denken, dat ik hem buiten de deur nam om hem in stilte -te zeggen, dat hij er, naar mijne gedachten, zeer wel afkwam met nog -zulk een buitenkansje van mijne zuster te krijgen, en dat ik hoopte, -dat hij er een goed gebruik van zou maken. Ik zeg evenwel niets tegen -den man. Hij mag een heel brave kerel zijn, voor zooveel ik weet. Ik -hoop, dat hij het is." - -"Was hij beleedigd door dat zeggen van u?" - -"Neen, hij nam het tamelijk wel op; hij was beleefd genoeg. Waar zijt -ge, Louisa?" Hij kwam in het bed overeind en kuste haar. "Goeden nacht, -lieve, goedenacht!" - -"Gij hebt mij niets meer te zeggen?" - -"Neen. Wat zou ik te zeggen hebben? Of zoudt ge willen, dat ik eene -leugen vertelde?" - -"Van nacht vooral zou ik dat niet willen, Tom, onder al de nachten -van uw leven, hoevelen en hoeveel gelukkiger ik ook hoop dat zij -zijn zullen." - -"Dank u, lieve Louisa. Ik ben zoo moe, dat ik mij haast verwonder -dat ik niet alles zeg wat gij wilt, om maar te kunnen gaan slapen. Ga -naar bed, ga naar bed." - -Hij gaf haar nog een kus, keerde zich toen om, trok het dek over -zijn hoofd, en bleef zoo stil liggen alsof de tijd, waarbij zij hem -bezworen had, reeds gekomen was. Zij bleef nog eene poos bij het bed -staan, eer zij langzaam heenging. Bij de deur bleef zij weder staan, -keek nog eens om toen zij die reeds geopend had, en vroeg of hij haar -had geroepen. Maar hij bleef stil liggen, en zij sloot zachtjes de -deur en ging weder naar hare kamer. - -Toen keek de rampzalige voorzichtig op, en ziende dat zij weg was, -kroop hij zijn bed uit, draaide de deur op het nachtslot, en wierp -zich weder op zijn leger. Daar lag hij zijne haren uit te trekken, -schreiende van wrevelige spijt, vol wangunstige liefde voor haar, -zich zelven verwenschende en verachtende, met bitterheid, maar zonder -boetvaardig berouw, en vervuld van haat en wrok tegen al het goede -op de wereld, dat hij in zijne verblinding even nietswaardig noemde -als hij zelf was. - - - - - - - -XXV. - -DE LAATSTE WOORDEN. - - -Terwijl mevrouw Sparsit in de haar door mijnheer Bounderby verleende -schuilplaats voor anker bleef liggen, om de aan hare zenuwen geledene -schade te herstellen, hield zij onder hare zwarte wenkbrauwen dag -en nacht zulk eene scherpe wacht, dat hare oogen, gelijk een paar -vuurbakens op eene rotsige kust, alle voorzichtige zeelieden zouden -gewaarschuwd hebben om zich niet te dicht bij het steile voorgebergte -van haar Romeinschen neus en het nabijgelegene donkere en klippige -gewest te wagen, indien de zachtzinnigheid harer manieren daarentegen -niet zoo geruststellend ware geweest. Hoewel het moeielijk te gelooven -was, dat zij zich des avonds niet maar pro forma naar bed begaf, zoo -wakker bleven altijd hare klassieke oogen, en zoo onmogelijk scheen het -dat haar scherpe neus voor eenigen verzachtenden invloed kon zwichten, -was toch de manier, waarop zij hare ruige, om niet te zeggen raspige -mofjes (want zij schenen wel van ijzerdraad gebreid te zijn) gladstreek -of met haar voet in haar katoenen stijgbeugel naar onbekende plaatsen -van bestemming galoppeerde, zoo uitnemend vreedzaam en vriendelijk, -dat de meeste waarnemers haar voor eene duif moesten houden, die door -eene of andere luim der natuur in den aardschen tabernakel van een -vogel van het valkengeslacht was gehuisvest. - -Het was verbazend, welk eene bijzondere gaaf zij bezat om overal in -huis rond te loeren. Hoe zij van de eene verdieping naar de andere -kwam, was een geheim dat niemand kon oplossen. Men kon niet wel -vermoeden, dat eene deftige dame, die zulke aanzienlijke betrekkingen -had, over de leuning van de trap zou naar beneden springen, of zich -daarlangs laten afglijden, en toch moest hare buitengemeene vlugheid -iemand op dat ongerijmde denkbeeld doen komen. Eene andere opmerkelijke -eigenschap van mevrouw Sparsit was, dat zij zich nooit haastte. Zij -vloog met de uiterste snelheid van de vliering naar het voorhuis, -en was toch op het oogenblik, dat zij dien tocht volbracht had, -in het volle bezit van haar adem en hare deftigheid. Ook zag nooit -eenig menschelijk oog haar hard loopen. - -Zij hield zich voor mijnheer Harthouse zeer vriendelijk, en had -kort na hare aankomst een genoeglijk gesprek met hem. Op een ochtend -voor het ontbijt ontmoette zij hem in den tuin en zeide, statig voor -hem nijgende: - -"Het is alsof het pas gisteren was, mijnheer, dat ik de eer had u aan -het kantoor te ontvangen, toen gij zoo goed waart om naar het adres -van mijnheer Bounderby te willen vernemen." - -"Eene kennismaking, dit verzeker ik u, die ik zelf in geene eeuwen -zal vergeten," antwoordde mijnheer Harthouse, met eene buiging zoo -flauw en traag als men zich maar verbeelden kan. - -"Wij leven in eene zonderlinge wereld, mijnheer," hervatte mevrouw -Sparsit. - -"Ik heb eens de eer gehad, door eene toevalligheid, waarop ik bijna -trotsch ben, eene aanmerking van bijna denzelfden inhoud te maken, -hoewel niet met zulk eene puntige kortheid uitgedrukt." - -"Eene zonderlinge wereld, wilde ik zeggen, mijnheer," vervolgde -mevrouw Sparsit, nadat zij voor het compliment had bedankt door -hare zwarte wenkbrauwen te laten zakken, die niet geheel zulk eene -vriendelijke uitdrukking hadden als de fleemende tonen harer stem, "wat -de gemeenzame betrekkingen aangaat, die wij op den eenen tijd vormen -met lieden, welke wij op een anderen tijd nog geheel niet kenden. Ik -herinner mij, mijnheer, dat gij bij die gelegenheid zelfs zoover zijt -gegaan om te zeggen, dat gij werkelijk bang waart voor Miss Gradgrind." - -"Uw geheugen bewijst mij meer eer dan mijne onbeduidendheid -verdient. Ik heb van uwe vriendelijke wenken partij getrokken om mijne -schroomvalligheid te boven te komen, en het is noodeloos te zeggen, dat -gij volkomen gelijk hadt. Uw talent, mevrouw Sparsit, voor--voor alles, -kortom, waarbij het op nauwkeurige waarneming aankomt--natuurlijk -vereenigd met uwe kracht van geest--en uwe aanzienlijke afkomst--blinkt -altijd te duidelijk uit om ooit betwijfeld te kunnen worden." Hij -viel bijna in slaap onder dit compliment, zoolang duurde het eer hij -er doorheen kwam, en zoozeer dwaalden zijne gedachten af terwijl hij -het uitbracht. - -"Gij hebt zeker gevonden, dat Miss Gradgrind--het is een zonderling -zwak van mij, maar ik kan haar onmogelijk mevrouw Bounderby noemen--zoo -jeugdig is als ik haar beschreven had?" zeide mevrouw Sparsit met -zoetsappige vriendelijkheid. - -"Gij hebt een volmaakt portret van haar geschilderd," antwoordde -Harthouse; "een trouw beeld van haar gegeven." - -"Zeer innemend, niet waar, mijnheer?" hervatte mevrouw Sparsit, -terwijl zij hare mofjes om elkander liet ronddraaien. - -"Buitengemeen." - -"Men placht het er voor te houden, dat Miss Gradgrind niet levendig -genoeg was," zeide mevrouw Sparsit, "maar ik moet bekennen, dat het -mij voorkomt alsof zij in dat opzicht aanmerkelijk verbeterd is. O, -daar is waarlijk mijnheer Bounderby!" riep zij uit, verscheidene -malen knikkende alsof zij aan niemand anders gedacht en van niemand -anders gesproken had. "Hoe bevindt gij u van morgen, mijnheer? O, -laten wij u toch eens weer vroolijk zien, mijnheer." - -Deze aanhoudende pogingen om zijne ellende te verzachten en zijn -last te verlichten begonnen reeds ten gevolge te hebben, dat mijnheer -Bounderby vriendelijker dan gewoonlijk voor alle andere menschen werd, -zoowel voor zijne vrouw als voor ieder ander. Toen dus mevrouw Sparsit -met zichtbaar gedwongene luchthartigheid zeide: "Gij zult wel naar uw -ontbijt verlangen, mijnheer; maar ik denk ook wel, dat Miss Gradgrind -spoedig hier zal zijn om zich aan het hoofd van de tafel te plaatsen," -antwoordde Bounderby: "Als ik wilde wachten tot mijne vrouw voor mij -zorgde, juffrouw, geloof ik, zooals gij tamelijk wel weet, dat ik tot -den jongsten dag zou kunnen wachten, en dus zal ik u lastig vallen om -den post aan den trekpot waar te nemen." Mevrouw Sparsit gehoorzaamde -en hernam hare oude plaats aan de tafel. - -Dit deed de uitmuntende vrouw wederom zeer sentimenteel worden; -maar zij bleef met dat al toch zoo nederig, dat zij, zoodra Louisa -verscheen, opstond en betuigde, dat zij er niet aan denken kon om -onder deze omstandigheden daar te blijven zitten, hoe dikwijls zij -ook de eer had gehad van mijnheer Bounderby's ontbijt gereed te -maken, eer Miss Bounderby--zij verzocht wel verschooning, zij wilde -zeggen mevrouw Gradgrind--zij hoopte, dat men haar zou excuseeren, -maar zij kon waarlijk nog niet met den naam terecht, hoewel zij -vertrouwde, dat zij er zich door den tijd wel aan zou gewennen--hare -tegenwoordige positie had verkregen. Het was alleen, merkte zij aan, -omdat Miss Gradgrind toevallig een weinigje laat kwam, en mijnheer -Bounderby's tijd zoo kostbaar was, en zij vanouds wist van hoeveel -belang het voor hem was, dat hij op de minuut af kon ontbijten, -dat zij de vrijheid had genomen van aan zijn verzoek te voldoen; -zoo lang toch was zijn wil haar eene wet geweest. - -"Blijf maar zitten waar gij zit, juffrouw," zeide Bounderby, "blijf -gerust zitten. Mevrouw Bounderby zal heel blij wezen, geloof ik, -als gij haar van dien last ontheft." - -"Zeg dat niet, mijnheer," antwoordde mevrouw Sparsit, bijna met -strengheid, "want dat is heel onvriendelijk voor mevrouw Bounderby, -en onvriendelijkheid ben ik niet van u gewend, mijnheer." - -"Wees maar gerust, juffrouw.--Gij kunt het heel bedaard opnemen, -niet waar, Louisa?" zeide Bounderby op zijn winderigsten toon tot -zijne vrouw. - -"O ja, natuurlijk. Het is van geen belang. Waarom zou het van eenig -gewicht voor mij zijn?" - -"Waarom zou het van eenig gewicht voor iemand zijn, mevrouw -Sparsit?" zeide Bounderby, eene hooge borst zettende met het gevoel -van gekrenkte waardigheid. "Gij hecht veel te veel gewicht aan die -dingen, juffrouw. Waarachtig, sommige begrippen van u zullen hier -wel terechtgebracht worden. Gij zijt nog ouderwetsch, juffrouw. Bij -de kinderen van Tom Gradgrind zijt ge heel ver ten achteren." - -"Wat scheelt u?" vroeg Louisa met koele verwondering. "Wat heeft u -aanstoot gegeven?" - -"Aanstoot!" herhaalde Bounderby. "Denkt gij, als iets mij aanstoot -gaf, dat ik het niet zou zeggen en verzoeken het te veranderen? Ik -ben een rondborstig man, geloof ik. Ik wind nergens doekjes om." - -"Ik geloof, dat niemand ooit gelegenheid heeft gehad om u voor al te -bedeesd of al te kiesch te houden," antwoordde Louisa zeer bedaard. "Ik -heb u dat nooit ten laste gelegd, noch als kind noch als vrouw. Ik -begrijp niet wat gij hebben wilt." - -"Hebben wilt?" hervatte Bounderby. "Niets. Weet gij anders niet heel -goed, Louisa Bounderby, dat ik, Josiah Bounderby van Coketown, het -ook hebben zou?" - -Met deze woorden gaf hij een slag op de tafel, die de kopjes deed -rinkelen. Zij zag hem aan met eene trotsche kleur in haar gezicht, -die, gelijk mijnheer Harthouse dacht, eene nieuwe verandering was. - -"Gij zijt van morgen onbegrijpelijk," zeide Louisa. "Maar geef u geene -verdere moeite om u te verklaren; ik ben volstrekt niets nieuwsgierig -naar uwe meening. Wat maakt het uit!" - -Er werd niets meer over de zaak gesproken, en mijnheer Harthouse -was weldra met luchtige vroolijkheid over onverschillige onderwerpen -aan het praten. Maar van dien dag af bracht de invloed van mevrouw -Sparsit op mijnheer Bounderby Louisa en James Harthouse meer bij -elkander en vergrootte zoowel hare gevaarlijke verwijdering van haar -man als hare vertrouwelijkheid met een ander, waartoe zij met zoo -geringe schreden gekomen was, dat zij die, al had zij het beproefd, -niet weder had kunnen herdoen. Maar of zij dit ooit beproefde of niet, -lag in haar eigen gesloten hart verborgen. - -Mevrouw Sparsit was bij het zoo even verhaalde voorval zoodanig -ontroerd, dat zij, toen zij mijnheer Bounderby na het ontbijt zijn hoed -aangaf en toen juist met hem alleen in het voorhuis was, een kuischen -kus op zijne hand drukte, de woorden, "mijn weldoener!" prevelde, -en zich overstelpt van smart verwijderde. Evenwel is het een -ontwijfelbaar feit, waarvan deze geschiedenis melding moet maken, -dat vijf minuten nadat hij met denzelfden hoed het huis had verlaten, -dezelfde afstammelinge der Scadgers' en aanverwante der Powler's haar -rechtermofje dreigend tegen zijn portret ophief, eene verachtelijke -grimas tegen dat kunstwerk maakte en daarbij zeide: "Het is uw -verdiende loon, gij domkop, en ik ben er blij om." - -Mijnheer Bounderby was nog niet lang vertrokken, toen Bitzer -verscheen. Met den spoortrein, die gillend en ratelend over de -bogen vloog door de woeste landstreek van gewezene en tegenwoordige -kolenmijnen, was Bitzer met eene haastige boodschap van Stone Lodge -gekomen met een briefje namelijk, om Louisa te berichten dat hare -moeder zeer ziek lag. Zij was, zoolang hare dochter heugde, nooit -recht gezond geweest; maar in de laatste dagen was zij zeer verzwakt -en in dien nacht zoo verminderd, dat zij thans werkelijk zoo nabij -den dood scheen te zijn als zij zich dit zoovele jaren lang dagelijks -had verbeeld. - -Vergezeld door den kleurloozen kantoorlooper, door zijne bleekheid -wel geschikt voor de rol van bode des doods, snorde Louisa naar -Coketown. Binnen de berookte stad gekomen, liet zij haar bode -vrijheid om zijn eigen weg te gaan en nam een rijtuig om haar naar -haar ouderlijk huis te brengen. - -Zij was sedert haar huwelijk zelden daar geweest. Haar vader was -doorgaans in Londen aan het ziften van zijn parlementairen aschhoop -(zonder dat men ooit vernam dat hij veel kostbaars daarin vond) -en nu nog druk met dien arbeid bezig. Hare moeder had het altijd -eenigszins als eene lastige stoornis opgenomen, wanneer hare dochter -haar, terwijl zij op de sofa lag, kwam bezoeken; voor den omgang met -kinderen gevoelde Louisa zich geheel ongeschikt; voor Sissy was zij -nooit weder vriendelijk geworden sedert dien avond toen het kind van -den armen kunstenmaker hare oogen had opgeslagen om de aanstaande vrouw -van mijnheer Bounderby aan te zien. Er was niets dat haar uitlokte -om het ouderlijke huis te bezoeken, en zij deed dit dus zelden. - -Thans, nu zij het naderde, ontwaarde zij ook niets van dien -gezegenden invloed, welken het ouderlijke huis in latere jaren -nog kan blijven uitoefenen. De droomen der kindsheid met hunne -hersenschimmen en fabelen, die de nog vergelegene wereld met zoovele -schoone onmogelijkheden versieren--zoo heilzaam, dat men ze zich nog -herinnert als men ze ontwassen is, want dan openen zij het hart weder -voor zachte aandoeningen bij de gedachte, hoe kleine kinderen met -reine handjes een bloemenhof planten in het midden der steenachtige -wereld, waarin het voor alle kinderen van Adam goed zou zijn zich -nog dikwijls, met eenvoudig geloof en zonder wereldsche wijsheid, te -komen verlustigen--wat had zij met die droomen te doen? Herinneringen, -hoe zij langs de betooverde paden eener hoop en verbeelding, die -duizend onschuldige kleinen met haar deelden, tot het weinige dat zij -wist gekomen was; hoe zij, door het zachte licht der fantasie tot -het verstand gevoerd, dit eene weldadige godheid had bevonden, die -andere even machtige goden naast zich plaats gunde, geen gruwelijken -afgod, wreed en koud, die zijne slachtoffers aan handen en voeten -laat boeien, en wiens reusachtige stomme gedaante, altijd voor zich -starende zonder ooit iets te zien, nooit door iets te bewegen is dan -door een hefboom van welberekende materieele kracht--wat had zij met -zulke herinneringen te doen? Wat zij zich van het ouderlijke huis en -hare kindsheid herinnerde, was het opdrogen van alle springbronnen -en fonteinen, die in haar jeugdig hart opwelden. De levende wateren -vloeiden daar niet meer. Zij vloeiden ter bevochtiging van het land, -waar men druiven van doornen en vijgen van distelen plukt. - -Zij ging met eene doffe smart in het hart, die haar veeleer verhardde -dan verteederde, het huis en de kamer harer moeder binnen. Sedert -haar vertrek had Sissy met de overigen van het gezin op gelijken voet -geleefd. Sissy was bij hare moeder, en Jane, hare zuster, nu tien of -twaalf jaren oud, was insgelijks in de kamer. - -Men had veel moeite eer men mevrouw Gradgrind kon doen begrijpen, dat -hare oudste dochter daar was. Zij lag, door kussens overeind gehouden, -omdat zij dit zoo gewoon was, op eene sofa, zoo nabij mogelijk in hare -gewone houding als men een zoo geheel hulpeloos wezen kon houden. Zij -had volstrekt niet naar bed gebracht willen worden, omdat zij, als -zij dit liet doen, nooit het eind ervan zou hooren. - -Hare zwakke stem klonk onder haar hoop omslagdoeken zoo uit de verte, -en de klank eener andere stem, die haar aansprak, scheen zooveel -tijd noodig te hebben om door die doeken tot hare ooren te komen, -dat zij evengoed op den bodem van een put had kunnen liggen. De arme -vrouw was inderdaad dichter bij de waarheid op den bodem van haar put, -dan zij nog ooit geweest was, en dit had veel met de zaak te maken. - -Toen men haar zeide, dat mevrouw Bounderby daar was, verstond zij dit -maar half en antwoordde verkeerd, dat zij hem nooit bij dien naam had -genoemd zoolang hij met Louisa getrouwd was; dat zij, terwijl zij zich -bedacht op een naam, waartegen niet het een of ander was in te brengen, -hem maar J. had genoemd, en dat zij, daar zij nog niets beters had -gevonden, niet van dien regel kon afgaan. Louisa had reeds eene poos -bij haar gezeten en verscheidene malen tegen haar gesproken, eer zij -duidelijk begreep wie er was. Toen scheen zij er in eens op te komen. - -"Wel, melieve," zeide mevrouw Gradgrind, "ik hoop dat het u wel naar -uw zin gaat. Het was alles uw vaders bedrijf. Hij had er zijn hart -op gesteld. En hij moest het weten." - -"Ik wilde van u hooren, moeder, niet van mij zelve." - -"Gij wilt van mij hooren, melieve? Dat is waarlijk wel iets nieuws, -dat iemand van mij hooren wil. Lang niet wel, Louisa. Heel flauw -en duizelig." - -"Hebt gij ergens pijn, lieve moeder?" - -"Ik geloof wel dat er pijn ergens in de kamer is," antwoordde mevrouw -Gradgrind, "maar ik zou niet stellig kunnen zeggen dat ik ze heb." - -Na dit zonderlinge gezegde bleef zij eenigen tijd stil liggen. Louisa, -die hare hand vasthield, kon geen pols voelen; maar toen zij er een -kus op drukte, zag zij een dun draadje levens in trillende beweging. - -"Gij ziet uwe zuster zeer zelden," zeide mevrouw Gradgrind. "Zij -begint veel naar u te gelijken. Gij moest haar eens aanzien. Sissy, -breng haar hier." - -Het kind werd gehaald, gaf hare zuster de hand en bleef zoo -staan. Louisa had haar met haar arm om Sissy's hals gezien en gevoelde -het verschil dezer toenadering. - -"Ziet gij de gelijkenis, Louisa?" - -"Ja, moeder. Ik vind wel dat zij naar mij gelijkt, maar..." - -"He? Ja, dat zeg ik ook altijd," riep mevrouw Gradgrind met -onverwachte vlugheid uit. "En dat doet mij bedenken--ik moet u spreken, -melieve. Sissy, goed meisje, laat ons een oogenblik alleen." - -Louisa had hare hand losgelaten, had gedacht, dat het gezichtje harer -zuster schooner en helderder was dan het hare ooit geweest was; had -daarna, niet zonder eene opwelling van wrevel, zelfs daar en op dat -oogenblik, iets gezien van de zachtheid die het andere gezichtje in de -kamer eigen was--het lieve gezichtje met de oprechte, vertrouwelijke -oogen, dat door het glanzige donkere haar nog bleeker scheen, dan -het door droevig medelijden en nachtwaken was geworden. - -Met hare moeder alleen gebleven, zag Louisa eene akelige kalmte op haar -gelaat, gelijk die van een drenkeling wezen zou, die, zonder eenigen -tegenstand meer te bieden, zich met den stroom liet wegdrijven. Zij -bracht de uitgeteerde hand, slechts de schim eener hand, weder aan -hare lippen, en poogde haar zoo tot bezinning te brengen. - -"Gij hadt mij willen spreken, moeder?" - -"He? O ja zeker, melieve. Gij weet wel, uw vader is tegenwoordig -haast altijd weg, en ik moet er hem dus over schrijven." - -"Waarover, moeder? Ontrust u maar niet. Waarover?" - -"Gij moet nog wel weten, kind, dat ik, als ik ooit iets over iets -zeide, er nooit het eind van hoorde, en dat ik dus al sedert lang -nooit meer iets over iets gezegd heb." - -"Ik hoor u wel, moeder." Maar het was alleen door laag te bukken en -tegelijk oplettend naar de lippen der kranke te zien, dat zij zulke -flauwe afgebrokene klanken tot eenigen samenhang kon brengen. - -"Gij hebt veel geleerd, Louisa, en uw broeder ook. Ologies van allerlei -soort, van den ochtend tot den avond. Als er nog eene ologie over is, -van wat soort ook, die hier in huis niet is afgezaagd, kan ik er niets -meer van zeggen, dan dat ik hoop, dat ik ze nooit zal hooren noemen." - -"Ik kan u wel hooren, moeder, als gij kracht hebt om voort te -spreken." Dit diende slechts om haar te verhinderen nog verder af -te dwalen. - -"Maar er is toch iets--geen ologie, gansch niet--dat uw vader gemist -of vergeten heeft, Louisa! Ik weet niet wat het is. Ik heb er dikwijls -over gedacht, terwijl Sissy bij mij zat. Ik zal er nu wel niet meer -opkomen. Maar uw vader misschien. Dat maakt mij zoo rusteloos. Ik -wil hem schrijven, dat hij om 's Hemels wil poogt te vinden wat het -is. Geef mij eene pen, geef mij eene pen." - -Zelfs het vermogen om rusteloos te zijn was verdwenen, behalve uit -het arme hoofd, dat zich nog even heen en weder kon keeren. - -Zij verbeeldde zich echter, dat er aan haar verzoek voldaan was en -zij de pen, die zij niet had kunnen vasthouden, in de hand had. Het -is van weinig belang, welke verwonderlijke figuren zonder beteekenis -zij op haar dek begon te schrijven. Weldra hield hare hand te midden -daarvan stil; het licht, dat altijd zoo flauw en zwak had gebrand, -ging uit; zelfs mevrouw Gradgrind, uit die schaduw gekomen waarin de -mensch wandelt en zich vruchteloos ontrust, verkreeg een voorkomen zoo -statig en ontzagwekkend als dat van een der oude wijzen en patriarchen. - - - - - - - -XXVI. - -DE GROOTE TRAP. - - -Daar de zenuwen van mevrouw Sparsit zich slechts zeer langzaam -herstelden, werd het verblijf dezer brave vrouw op het buiten van -mijnheer Bounderby tot verscheidene weken gerekt, en in weerwil van -hare zucht tot een streng en treurig kluizenaars-leven, schikte zij -zich met eene edele grootheid van ziel naar de noodzakelijkheid, -om zich als het ware in eene klaverweide te legeren en zich met het -vette des lands de voeden. In dit geheele tijdperk der schorsing van -hare verantwoordelijkheid als voogdes van het kantoor, bleef mevrouw -Sparsit zich in haar gedrag zoo volkomen gelijk, dat zij in dit -opzicht tot een voorbeeld kon gesteld worden; bij voortduring bewees -zij mijnheer Bounderby in zijn gezicht zulk een medelijden als maar -zelden iemand bewezen wordt, en bleef zij hem voor het geschilderde -gezicht van zijn portret met de bitterste verachting een domkop noemen. - -Nu mijnheer Bounderby eens was gewaar geworden, dat mevrouw Sparsit -eene hoog begaafde vrouw moest wezen, om zoo te ontdekken dat hij -niet naar verdienste werd gewaardeerd en in een of ander opzicht -bitter teleurgesteld was (in welk opzicht had hij nog niet met zich -zelven uitgemaakt) en verder dat Louisa zich zeker tegen haar zoo -lang gerekt verblijf zou verklaard hebben, indien zijne grootheid had -geduld, dat zij zich tegen iets verklaarde wat hij verkoos te doen, -besloot hij, zijne vroegere huishoudster niet licht weder geheel uit -het oog te verliezen. Toen zij dus hare zenuwen sterk genoeg voelde -om weder in eenzaamheid bestellen te gaan eten, zeide hij, terwijl -men daags voor haar vertrek aan tafel zat: - -"Ik zal u eens wat zeggen, juffrouw. Gij moet, zoolang het mooi weer -blijft, alle zaterdagen hier komen en tot maandag blijven." - -En mevrouw Sparsit, hoewel zij niet tot de Mahomedaansche religie -behoorde, antwoordde daarop met een duidelijk gebaar: "Hooren is -gehoorzamen." - -Nu had mevrouw Sparsit geene poëtische verbeelding, maar toch kreeg -zij een denkbeeld in het hoofd, dat veel van een allegorisch tafereel -had. Haar gedurig bespionneeren van Louisa en het waarnemen van -de ondoordringbare terughouding dezer jonge dame, moet haar vernuft -gescherpt en haar eene soort van inspiratie hebben gegeven. Zij schiep -in haar geest eene reusachtige trap, met een donkeren afgrond van -schande en ongeluk aan den voet daarvan; en langs die trap zag zij -van dag tot dag en van uur tot uur Louisa al verder en verder naar -beneden dalen. - -Het werd nu de hoofdzaak van haar leven naar die trap te staren en -acht te geven hoe Louisa die afdaalde--somtijds langzaam en - -somtijds snel, somtijds verscheidene treden op eens, somtijds -stilstaande, maar nooit terugkeerende. Als zij ooit ware omgekeerd, -had mevrouw Sparsit het van spijt en kwaadheid kunnen besterven. - -Tot aan dien dag en zelfs op dien dag, toen mijnheer Bounderby de -bovengemelde wekelijksche noodiging uitvaardigde, was Louisa steeds -lager en lager afgedaald; en mevrouw Sparsit was dus zeer opgeruimd -en had lust tot een gezellig praatje. - -"Ei, mijnheer," zeide zij, "als ik het wagen mag iets te vragen -aangaande eene zaak waarover gij het stilzwijgen schijnt te bewaren--en -dat zou ik waarlijk haast niet durven, want ik weet wel, dat gij eene -reden hebt voor al wat gij doet--hebt gij ook al nadere inlichtingen -aangaande dien diefstal gekregen?" - -"Neen, juffrouw, nog niet. Onder de bestaande omstandigheden had ik -het ook nog niet verwacht. Rome is niet op één dag gebouwd, juffrouw." - -"Wel waar, mijnheer," antwoordde mevrouw Sparsit, haar hoofd -schuddende. - -"En niet in ééne week, juffrouw." - -"Neen, waarlijk niet, mijnheer," antwoordde mevrouw Sparsit op een -droevigen toon. - -"Dus kan ik ook wel wachten, weet ge," hervatte Bounderby. "Als Romulus -en Remus konden wachten, kan Josiah Bounderby ook wel wachten. Zij -waren er evenwel in hunne jeugd beter aan toe dan ik. Zij hadden eene -wolvin tot voedster; ik had maar eene wolvin tot grootmoeder. En zij -gaf geene melk; zij gaf stompen en stooten. In dat opzicht stond ze -met de beste koe gelijk." - -"Ach!" zuchtte mevrouw Sparsit en huiverde. - -"Neen, juffrouw," vervolgde Bounderby, "ik heb er nog niets meer van -gehoord. Maar het blijft onderhanden; en de jonge Tom, die tegenwoordig -tamelijk wel op zijne zaken past--dat is iets nieuws voor hem; hij -is niet zoo gedresseerd als ik--helpt daaraan mee. Ik zeg maar, houd -het stil en laat het schijnen als ware het overgewaaid. Doe wat gij -wilt onder de roos, maar laat niet blijken waar gij het op toelegt, -of honderd van dat volk zullen zich combineeren en dien kerel, die -zich te zoek heeft gemaakt, geheel buiten bereik helpen. Houd het -stil en de dieven zullen langzamerhand brutaal worden, en zoo zullen -wij hen krijgen." - -"Zeer schrander overlegd, mijnheer," zeide mevrouw Sparsit, "en zeer -interessant. De oude vrouw, van wie gij gesproken hebt, mijnheer..." - -"De oude vrouw, van wie ik gesproken heb, juffrouw," viel Bounderby -er op in, de zaak kort afbrekende, daar zij geene gelegenheid gaf -om te snoeven, "is nog niet gepakt, maar zij mag er wel op zweren -dat zij het zal worden, als dat zulk eene kwaadaardige heks eenig -pleizier doet. Ondertusschen, juffrouw, ben ik van gevoelen, als gij -naar mijn gevoelen vraagt, dat het best is maar zoo weinig mogelijk -van haar te spreken." - -Dienzelfden avond zat mevrouw Sparsit, nadat zij haar goed had gepakt, -voor het venster harer kamer van haar arbeid uit te rusten en zag -Louisa steeds lager en lager afdalen. - -Deze zat bij mijnheer Harthouse in een priëeltje in den tuin. Hij -stond, terwijl zij te zamen fluisterden, zoo laag over haar heen -gebukt, dat zijn gezicht bijna hare haren aanraakte. "Zoo het dat niet -werkelijk doet!" zeide mevrouw Sparsit, terwijl zij hare valkenoogen -zooveel mogelijk inspande. Zij zat te ver af om een woord van hun -gesprek te hooren, of zelfs te kunnen weten, dat zij zacht met elkander -spraken, als zij het niet aan de beweging hunner lippen had gezien; -maar wat zij zeiden, was dit: - -"Gij herinnert u dien man wel, mijnheer Harthouse?" - -"O ja, volkomen." - -"Zijn gezicht, zijne manieren en wat hij zeide?" - -"Volkomen, en ik vond hem een schrikkelijk vervelend personage. Zoo -langdradig en temerig als maar mogelijk was. Het was heel slim van -hem zoo te declameeren alsof hij de nederige deugd in eigen persoon -was; maar ik verzeker u, ik dacht toen al bij mij zelven: "Goede man, -gij overdrijft uwe rol." - -"Het is mij zeer moeielijk geweest van dien man kwaad te denken." - -"Lieve Louisa--gelijk Tom zegt," (hij zeide dit nooit) "gij weet toch -geen goed van den man?" - -"Neen, dat zeker niet." - -"Of van een van die lieden." - -"Hoe kan ik," antwoordde zij, met meer van haar vroegeren toon dan -hij in den laatsten tijd bij haar had waargenomen, "als ik geheel -niets van hen weet?" - -"Waarde mevrouw Bounderby, wees dan zoo goed om naar de onderdanige -meening van uw getrouwen vriend te luisteren, die wel iets van de -verschillende variëteiten zijner brave medemenschen weet--want braaf -zijn zij, daaraan twijfel ik niet, in spijt van hunne kleine zwakheden, -bijv. die van altijd te nemen wat zij maar kunnen krijgen. Die man -praat. Welnu, iedereen praat. Dat hij zich voor zoo gemoedelijk -uitgeeft, verdient slechts daarom een oogenblik in aanmerking te -worden genomen, omdat het eene zeer verdachte omstandigheid is. Alle -soorten van bedriegers geven zich voor gemoedelijk uit, zij mogen -in het huis der gemeente of het huis van correctie zitten, behalve -onze lieden, en dat is juist de uitzondering, die onze lieden zoo -onderhoudend maakt. Gij hebt de zaak gezien en gehoord. Het was een -gemeen man, buitengewoon kort gehouden door mijn hooggeachten vriend, -mijnheer Bounderby--die, gelijk wij weten, niet in het bezit is van -die kieschheid, welke hem zijn forschen greep eenigszins zou leeren -verzachten. De gemeene man was gekrenkt, verbitterd, gaat brommend -de deur uit, ontmoet iemand, die hem voorstelt om op eene of andere -manier aan het karreweitje in het kantoor deel te nemen, doet mede, -steekt iets in zijn zak, die eerst leeg was, en gevoelt zijn gemoed -buitengemeen verlicht. Hij zou inderdaad een ongemeen, in plaats van -een gemeen man zijn geweest, als hij zulk eene gelegenheid niet had -waargenomen. Of hij mag die ook geheel en al zelf uitgevonden hebben, -als hij daartoe knap genoeg was. Even waarschijnlijk!" - -"Het is mij bijna alsof ik er kwaad aan doe," antwoordde Louisa, -nadat zij eene poos had zitten peinzen, "dat ik zoo gereed ben u -toe te stemmen wat gij daar zegt en dat ik mijn hart daardoor zoo -verlicht gevoel." - -"Ik zeg maar wat redelijk is en niets meer. Ik heb er meer dan -eens met mijn vriend Tom over gepraat--ik blijf natuurlijk op den -vertrouwelijksten voet met Tom--en hij is volkomen van mijn gevoelen, -en ik van het zijne. Wilt gij eens wandelen?" - -Zij dwaalden door de lanen om, die reeds door de schemering verdonkerd -werden. Zij leunde op zijn arm, en weinig dacht zij, hoe zij de trap -van mevrouw Sparsit al verder en verder afdaalde. - -Nacht en dag hield mevrouw Sparsit die trap in het oog. Wanneer -Louisa aan den voet gekomen en in den afgrond verdwenen was, mocht -zij instorten en op haar nedervallen, maar tot zoolang moest zij daar -blijven staan, als een onwankelbaar gebouw voor mevrouw Sparsit's -oogen. En altijd zag zij Louisa daarop, telkens al verder en verder -afdalende. - -Mevrouw Sparsit zag James Harthouse komen en gaan, zij hoorde van -hem hier en daar; zij zag de veranderingen in het gezichtje, dat hij -bestudeerd had; ook zij merkte met de uiterste nauwkeurigheid op, -wanneer en hoe liet bewolkte, wanneer en hoe het ophelderde; zij hield -hare zwarte oogen wijd open, zonder eenigen zweem van mededoogen, -zonder eenigen zweem van leedwezen, geheel in het belangrijke -schouwspel verdiept, van haar, zonder dat eenige hand haar stuitte, al -nader en nader bij den voet van deze nieuwe Reuzentrap te zien komen. - -Met al hare eerbiedige gehechtheid aan mijnheer Bounderby, wel te -onderscheiden van zijn portret, had mevrouw Sparsit niet het geringste -voornemen, om die afdaling te stuiten. Gretig om die volbracht te -zien, en toch geduldig, wachtte zij naar den laatsten val, als naar -de rijpheid en volheid van den oogst harer hoop. Met stille aandacht -hield zij haar bespiedenden blik op de trap gevestigd, en slechts -zelden schudde zij haar dreigend rechtermofje, met hare vuist er in, -tegen de nederdalende gedaante. - - - - - - - -XXVII. - -AL LAGER EN LAGER. - - -De gedaante daalde de groote trap af, steeds lager en lager -aangetrokken, naar het scheen, gelijk een zwaar gewicht in diep water, -door den zwarten afgrond beneden. - -Mijnheer Gradgrind onderricht van het overlijden zijner vrouw, kwam van -Londen over en begroef haar naar behooren. Daarna keerde hij met allen -spoed naar de nationale aschbelt terug en ging weder aan het ziften, -om de nesterijen, die hij zocht, er uit te halen, en andere lieden, die -andere nesterijen zochten, het stof in de oogen te strooien--kortom, -begaf zich weder aan de vervulling zijner parlementaire plichten. - -Ondertusschen hield mevrouw Sparsit onvermoeid de wacht. Hoewel zij de -geheele week door zoo ver van hare trap verwijderd was, als de geheele -lengte van den spoorweg tusschen Coketown en het buitengoed bedroeg, -bleef zij toch door haar man, door haar broeder, door James Harthouse, -door het adres van brieven en pakjes, door alles wat nu en dan naar de -trap ging, eene katachtige waakzaamheid over Louisa uitoefenen. "Uw -voet op de laatste trede, mevrouwtje," zeide mevrouw Sparsit, de -nederdalende gedaante aansprekende en met haar mofje dreigende, -"en al uwe kunsten zullen mij niet verblinden." - -Doch het mocht kunst of natuurlijke aanleg zijn--de oorspronkelijke -aard van Louisa's karakter, of de wijziging welke de omstandigheden -daaraan hadden gegeven--hare zonderlinge achterhoudendheid stelde -toch mevrouw Sparsit met al hare schranderheid teleur, terwijl hare -nieuwsgierigheid daardoor nog te meer werd geprikkeld. Er waren -dagen wanneer zelfs James Harthouse niet zeker van haar was. Er waren -dagen, wanneer hij het gezichtje, dat hij zoo lang had bestudeerd, -niet lezen kon, en die eenzame jonge vrouw een geheimzinniger raadsel -voor hem was, dan eenige vrouw uit de groote wereld, door een kring -van satellieten bijgestaan. - -Zoo verliep de tijd, tot het gebeurde dat mijnheer Bounderby van -huis werd geroepen door zaken, die voor drie of vier dagen zijne -tegenwoordigheid elders vorderden. Het was op een vrijdag dat hij -dit aan mevrouw Sparsit op het kantoor mededeelde, en erbijvoegde: -"Maar gij gaat morgen toch maar eveneens naar buiten, juffrouw. Gij -gaat maar even alsof ik er ware. Dat zal geen verschil voor u maken." - -"O, mijnheer," antwoordde mevrouw Sparsit, "laat ik u mogen verzoeken -om dat niet te zeggen. Uwe afwezigheid zal een groot verschil voor -mij maken, mijnheer, gelijk ik denk dat gij zeer wel weet." - -"Wel, juffrouw, dan moet gij het in mijne afwezigheid maar zoo goed -maken als gij kunt," zeide Bounderby lang niet misnoegd. - -"Mijnheer Bounderby," hervatte mevrouw Sparsit, "uw wil is mij een -wet; anders zou ik wel genegen zijn mij tegen uw vriendelijk bevel -te verzetten, daar ik mij niet zeker acht, of mijne komst wel zoo -aangenaam voor Miss Gradgrind zal wezen, als zij voor uwe eigene milde -gastvrijheid altijd geweest is. Maar ik zal er niets meer van zeggen, -mijnheer. Op uwe uitnoodiging zal ik gaan." - -"Wel, juffrouw," zeide Bounderby, met wijd geopende oogen, "als ik -u bij mij aan huis noodig, zou ik toch denken, dat gij geene andere -uitnoodiging behoeft." - -"Neen, waarlijk niet, mijnheer," antwoordde mevrouw Sparsit, "ik zou -ook wel denken van neen. Zeg niets meer, mijnheer. Ik wenschte maar, -dat ik u weder vroolijk kon zien." - -"Wat meent ge, juffrouw?" viel Bounderby uit. - -"Mijnheer," antwoordde zij, "gij placht eene levendigheid van geest -te hebben, die ik nu met leedwezen mis. Gij moest u wat opbeuren, -mijnheer!" - -Op dezen raad door een medelijdenden blik aangedrongen, wist mijnheer -Bounderby niets anders te doen dan op eene flauwe, belachelijke manier -zijn hoofd te krabben, en naderhand zijn gevoel van eigenwaarde te -handhaven, door den geheelen ochtend tegen alle ondergeschikten, -die hem in den weg kwamen, uit te bulderen. - -"Bitzer," zeide mevrouw Sparsit dien namiddag, toen haar patroon -zijne reis had aanvaard, eer het kantoor gesloten werd, "ga eens mijn -compliment doen aan den jongen heer Thomas, en vraag hem of hij wil -bovenkomen en eene lamskarbonade met een glas oude ale gebruiken?" - -De jongeheer Thomas, die doorgaans voor zoo iets te vinden was, -liet een gunstig antwoord terugbrengen en volgde dit zelf op de hielen. - -"Mijnheer Thomas," zeide mevrouw Sparsit, "daar ik deze kleinigheid -juist op tafel had, dacht ik dat ge misschien trek zoudt hebben." - -"Zeker, dank je wel, mevrouw Sparsit," antwoordde de hondsvot, en -ging met sombere gretigheid aan het eten. - -"Hoe vaart mijnheer Harthouse, mijnheer Tom?" vroeg mevrouw Sparsit. - -"O, heel wel," antwoordde Tom. - -"Waar zou hij tegenwoordig zijn?" vroeg mevrouw Sparsit, op een toon -alsof zij maar een gezellig praatje zocht, nadat zij bij zich zelve den -hondsvot, om zijn gebrek aan spraakzaamheid, aan de Furiën had gewijd. - -"Hij is in Yorkshire aan het jagen," antwoordde Tom. "Hij heeft Louisa -gisteren eene mand met wild gezonden zoo groot als eene halve kerk." - -"Hij is juist iemand," zeide mevrouw Sparsit zeer vriendelijk, "van -wien men wel zou durven wedden dat hij een knap schutter moest wezen." - -"Duivelsch knap," zeide Tom. - -Sedert langen tijd was Tom gewoon meestal voor zich op den grond te -kijken, maar sedert kort was deze gewoonte zoozeer toegenomen, dat -hij nooit meer iemand drie seconden lang in het gezicht zag. Mevrouw -Sparsit had dus ruim gelegenheid om zijn uitzicht waar te nemen, -indien zij daartoe genegen was. - -"Ik vind mijnheer Harthouse een heel pleizierig man," zeide zij, -"gelijk ook inderdaad de meeste menschen hem vinden. Zouden wij mogen -hopen hem binnenkort hier te zien, Tom?" - -"Wel, ik denk hem morgen te zien," antwoordde de hondsvot. - -"Goed nieuws!" zeide mevrouw Sparsit zeer zoetsappig. - -"Ik heb afspraak met hem gemaakt, om hem tegen den avond hier aan -het station op te wachten," hervatte Tom, "en zal dan met hem gaan -dineeren, geloof ik. Hij zal nog in geene week op het buiten komen, -want hij is ergens anders gevraagd. Hij zegt zoo ten minste, maar -het zou mij niet verwonderen als hij zondag hier overbleef en dan -eens naar buiten ging." - -"Dat doet mij ergens aan denken," zeide mevrouw Sparsit. "Zoudt gij -eene boodschap aan uwe zuster kunnen onthouden, mijnheer Tom, als ik -er een meegaf?" - -"Wel, ik zal het probeeren," antwoordde de onwillige hondsvot, -"als de boodschap niet te lang is." - -"Het is alleen mijn eerbiedig compliment," hervatte mevrouw Sparsit, -"en dat ik vrees dat ik haar deze week niet met mijn gezelschap zal -lastig vallen, daar ik nog wat zenuwachtig ben en misschien beter in -mijne eenzaamheid blijf." - -"O, als dat alles is," merkte Tom aan, "zou het er niet veel op -aan komen, al vergat ik het, want als Louisa u niet ziet, zal zij -waarschijnlijk niet eens aan u denken." - -Nadat hij zijn onthaal met dit vleiende compliment had betaald, -verzonk hij weder in zijne norsche stilte, tot de gebottelde ale op -was, en toen zeide hij: "Wel, mevrouw Sparsit, nu moet ik voort." En -daarmede vertrok hij. - -Den volgenden dag, zaterdag, zat mevrouw Sparsit den geheelen dag -voor haar venster naar de beweging op straat te kijken, inzonderheid -acht gevende op de brievenbestellers en allen die het kantoor uit- -en ingingen, terwijl zij ondertusschen hare gedachten over allerlei -dingen liet gaan, maar hare aandacht vooral op de trap gevestigd -hield. Toen de avond naderde, zette zij haar hoed op, sloeg haar doek -om, en ging stil uit, daar zij hare redenen had om, zich zooveel -mogelijk schuilhoudende, om het station heen te dwalen, waar een -passagier uit Yorkshire zou aankomen, en liever achter een pilaar, -uit een hoekje of uit het venster eener dames-wachtkamer te gluren, -dan zich openlijk daar te laten zien. - -Tom was op zijn post en bleef heen en weder kuieren tot de verwachte -trein aankwam. Deze bracht geen mijnheer Harthouse mede. Tom wachtte -tot de menigte zich verstrooid had en het gewoel voorbij was, bekeek -toen de aangeplakte lijst der treinen en raadpleegde de kruiers; -en dit gedaan hebbende, stapte hij dralend heen, bleef nu en dan op -straat staan om heen en weer te kijken, nam zijn hoed af en zette dien -weder op, geeuwde en rekte zich uit, en vertoonde al de verschijnselen -van doodelijke verveling, welke men van iemand verwachten kon, die -nog moest blijven rondslenteren tot de volgende trein over een uur -en veertig minuten zou aankomen. - -"Dit is een streek om hem uit den weg te houden," zeide mevrouw -Sparsit, van het doffe kantoorvenstertje opstaande, waarvoor zij het -laatst had wacht gehouden. - -Deze gedachte was eene ingeving, en zij snelde heen om die ingeving -te volgen. Het station van den spoorweg, die naar het buiten voerde, -was aan het andere eind der stad; de tijd was kort, de weg niet -gemakkelijk; maar zij was zoo vlug om eene nog ledige koets in -beslag te nemen, er weder uit te springen, haar geld te passen, -haar plaatsbriefje te grijpen en een rijtuig van den trein binnen -te stommelen, dat zij over de bogen door het land van gewezene en -tegenwoordige kolenmijnen vloog, alsof zij door eene wolk opgenomen -en weggevoerd was. - -Zoolang de reis duurde, ontwaarde zij onbeweeglijk in de lucht, maar -toch nooit verflauwende, ja, even duidelijk voor de scherpe oogen -van haar geest als de electrieke draden, welke de avondlucht als -een kolossale strook muziekpapier linieerden, voor de oogen van haar -lichaam zichtbaar waren, hare trap en de afdalende gedaante--thans -zeer dicht bij den voet, op den rand van den afgrond. - -Een betrokken September-avond zag, juist bij het vallen van den nacht, -onder zijne half gelokene oogleden, mevrouw Sparsit uit haar rijtuig -stappen; de houten trap van het kleine station af- en den puinweg -opgaan, een laantje inslaan en tusschen de takken en bladeren van -het zomerloof verdwijnen. Een of twee nog laat wakkere vogeltjes, -die slaperig in hun nestje zaten te tjilpen, eene vleermuis, die -met logge vlucht om haar heen fladderde, en het schoffelen van haar -eigen tred in het dikke stof, dat op het gevoel naar fluweel geleek, -waren al wat mevrouw Sparsit hoorde of zag, totdat zij zeer zacht -een hek achter zich sloot. - -Zij sloeg den weg naar het huis in, tusschen het heesterplantsoen -blijvende en ging er omheen, om door de vensters der benedenverdieping -binnen te kijken. De meesten daarvan stonden open, gelijk met zulk warm -weder doorgaans het geval was, maar er was nog geen licht en alles -was stil. Zij doorzocht den tuin met geen beter gevolg. Toen dacht -zij aan het bosch, en sloop daarheen zonder zich aan het lange gras -en struiken, of aan de wormen, slakken en allerlei andere kruipende -dingen te storen. Met hare donkere oogen en haar haakneus voorzichtig -vooruit, drong zij behoedzaam door de dichte struweelen, zoo geheel -vervuld van haar doel, dat zij waarschijnlijk eveneens zou gedaan -hebben al ware het bosch vol adders geweest. - -Luister! - -De vogeltjes hadden wel uit hunne nestjes kunnen tuimelen, betooverd -door het glinsteren van mevrouw Sparsit's oogen in de duisternis, -toen zij bleef stilstaan om te luisteren. - -Zachte stemmen dichtbij. Zijne stem en de hare. De afspraak om hem -op te wachten was dus inderdaad eene list om den broeder weg te -houden! Daar ginds waren zij, bij dien gevelden boom! - -Laag bukkende tusschen het bedauwde gras, kroop mevrouw Sparsit -dichter naar hen toe. Zij richtte zich op en bleef achter een boom -staan, gelijk Robinson Crusoë in zijne hinderlaag tegen de wilden; -zoo dichtbij, dat zij met een sprong, en dat geen grooten, beiden had -kunnen aanraken. Hij was daar heimelijk gekomen en had zich niet aan -huis vertoond. Hij was te paard gekomen, en moest door de naburige -velden zijn gereden, want zijn paard was op weinige schreden afstands -buiten aan het staketsel gebonden. - -"Mijn liefste lief," zeide hij, "wat kon ik doen? Toen ik wist dat -gij alleen waart, was het toen mogelijk dat ik kon wegblijven?" - -"Ja, gij moogt uw hoofd wel laten hangen om u meer aantrekkelijk -te maken; ik weet niet wat zij aan u zien als gij het ophoudt," -dacht mevrouw Sparsit, "maar gij denkt weinig, mijn liefste lief, -wie u in het oog houdt!" - -Dat zij haar hoofd liet hangen, was zeker. Zij drong hem om heen te -gaan; zij beval hem heen te gaan; maar zij keerde haar gezicht niet -naar hem toe, hief het zelfs niet op. En toch was het opmerkelijk, -dat zij zoo stil zat als de goede vrouw in de hinderlaag haar ooit -had zien zitten. Hare handen lagen in elkander, gelijk de handen van -een steenen beeld; en zelfs hare manier van spreken was niet haastig. - -"Kindlief," zeide Harthouse (mevrouw Sparsit zag met verrukking, -dat hij zijn arm om haar heen sloeg), "wilt ge dan mijn gezelschap -niet een kort poosje dulden?" - -"Hier niet." - -"Waar dan, Louisa?" - -"Hier niet." - -"Maar wij hebben zoo weinig tijd om ons ten nutte te maken, en -ik ben zoo ver gekomen, en ben zoo onrustig en verlangend. Nooit -werd een slaaf, zoo getrouw en onderdanig, zoo door zijne meesteres -mishandeld. Uwe vroolijke welkomst te verwachten, die mij levenswarmte -heeft gegeven, en zulk eene ijskoude ontvangst te vinden, is -hartverscheurend." - -"Moet ik nog eens zeggen, dat ik hier alleen gelaten moet worden?" - -"Maar wij moeten elkander wederzien, dierbare Louisa. Waar zullen -wij elkander spreken?" - -Beiden schrikten. De luisteraarster schrikte insgelijks, want -zij dacht, dat er nog iemand anders tusschen de boomen stond te -luisteren. Het was slechts de regen, die met zware droppels begon -te vallen. - -"Zal ik zoo straks naar het huis rijden, in de eenvoudige meening, -dat de meester thuis en verheugd zal zijn mij te zien?" - -"Neen." - -"Uwe wreede bevelen moeten onvoorwaardelijk gehoorzaamd worden; hoewel -ik, naar mij dunkt, de ongelukkigste man van de wereld ben, dat ik voor -alle andere vrouwen ongevoelig ben gebleven, en eindelijk neergevallen -ben voor en onder den voet van de schoonste, de innemendste en de -heerschzuchtigste van allen. Dierbare Louisa, ik kan niet heengaan, -of u laten gaan, terwijl gij uwe macht zoo onbarmhartig misbruikt." - -Mevrouw Sparsit zag hoe hij haar met den arm, die haar omringde, -vasthield, en hoorde hoe hij voor hare (mevrouw Sparsit's) gretig -luisterende ooren verklaarde dat hij haar beminde, en dat zij de -prijs was, waarvoor hij vurig verlangde al wat hij op de wereld bezat -en het leven hem aanbood te verspelen. Het doel, waarnaar hij in den -jongsten tijd had gestreefd, verloor, bij haar vergeleken, alle waarde; -de zegepraal, die bijna in zijn bereik was, wierp hij om harentwil -als eene ellendige beuzeling weg. Evenwel, dat doel te vervolgen, -als het hem in hare nabijheid hield, of er van af te zien als het -hem van haar verwijderde, of de vlucht, wanneer zij daarin deelde, -of geheimhouding, wanneer zij hem die gebood, of welk lot het ook -wezen mocht, alles was hem onverschillig, als zij hem maar trouw -bleef--den man, die gezien had hoe eenzaam zij was en hoe weinig -gewaardeerd, wien zij bij hunne eerste ontmoeting eene bewondering -en belangstelling inboezemde, waartoe hij zich zelven buiten staat -had geacht, wien zij in haar vertrouwen had genomen, die geheel aan -haar was toegewijd en haar aanbad. Dit alles en meer, haastig en zacht -gesproken, hoorde mevrouw Sparsit aan in de bedwelming harer bevredigde -boosheid, onder den indruk der vrees van ontdekt te worden, en onder -het toenemende gedruisch van den regen tusschen het gebladerte en van -eene naderende onweersbui; en zoo verward en onduidelijk moest alles -daardoor voor haar worden, dat zij, toen hij eindelijk het staketsel -overklom en zijn paard aan de hand heenleidde, niet zeker wist waar -zij elkander zouden opwachten of wanneer, behalve dat hij gezegd had -dat het dien nacht zou zijn. - -Doch een van hen bleef nog binnen haar bereik in de duisternis, -en zoolang zij deze in het oog hield, moest zij op den rechten weg -zijn. "O mijn liefste lief," dacht mevrouw Sparsit, "weinig denkt -gij hoe goed er op u gepast wordt." - -Mevrouw Sparsit volgde haar het bosch uit en zag haar het huis -binnengaan. Wat verder te doen? Het stortregende nu. Mevrouw Sparsit's -witte kousen hadden allerlei kleuren aangenomen, waaronder het groen -den boventoon had; er waren stekelige dingen in hare schoenen geraakt; -rupsen hingen in hangmatten van eigen maaksel aan verschillende deelen -harer kleeding te wiegelen; beekjes liepen langs haar hoed en haar -Romeinschen neus af. In zulk een toestand stond mevrouw Sparsit in het -dichtst van het heesterplantsoen verborgen en overwoog wat nu te doen. - -Zie, daar komt Louisa het huis uit. Haastig, in een mantel gewikkeld, -sluipt zij heen. Zij neemt met haar minnaar de vlucht! Zij valt van -de laagste trede en wordt door den afgrond verzwolgen! - -Onverschillig voor den regen en met snelle en vaste schreden -voorstappende, sloeg zij een zijpad in, dat evenwijdig met de oprijlaan -liep. Mevrouw Sparsit volgde haar tusschen het geboomte op zeer korten -afstand; want het was niet gemakkelijk eene gedaante, die zich snel -door de beschaduwde duisternis bewoog, in het oog te houden. - -Toen zij bleef stilstaan om het zijhekje zonder gerucht te sluiten, -stond mevrouw Sparsit ook stil. Toen zij weder voortstapte, stapte -mevrouw Sparsit insgelijks voort. Louisa volgde den weg, dien mevrouw -Sparsit gekomen was, ging het groene laantje door, den puinweg over -en de houten trap van het station op. Een trein naar Coketown zou -spoedig voorbijkomen, dit wist mevrouw Sparsit, en zij begreep dus, -dat Coketown hare eerste plaats van bestemming was. - -Druipnat en gehavend als zij was, behoefde mevrouw Sparsit geene -uitgebreide voorzorgen aan te wenden om haar gewoon voorkomen te -veranderen; maar zij bleef toch bij den muur van het station in -de schaduw staan, trok haar doek op eene vreemde manier over hare -schouders en sloeg hem over haar hoed. Zoo vermomd, was zij niet -bevreesd herkend te zullen worden, toen zij insgelijks de houten trap -opging en in het kantoortje haar geld betaalde. Louisa bleef in een -hoek zitten wachten, mevrouw Sparsit in een anderen hoek. Beiden -luisterden naar de zware donderslagen en naar den regen, die over -het dak stroomde en kletterend over de goten stortte. Twee of drie -lantarens waren uitgeregend en uitgewaaid, en zoo konden beiden -den bliksem, die over de ijzeren sporen heen en weder speelde, zeer -voordeelig zien uitkomen. - -Het trillen van het station, langzamerhand in een dreunend schokken -overgaande, kondigde de nadering van den trein aan. Vuur, stoom, rook -en rood licht; een gesis, een gekraak, een klokgelui en een gillend -fluiten; Louisa stapte in een rijtuig, mevrouw Sparsit in een ander, -en het kleine station was weder eene eenzame plek in den donderstorm. - -Hoewel de vochtige koude haar deed klappertanden, verheugde mevrouw -Sparsit zich bovenmate. De gedaante was van de steilte afgestort, -en zij hield als het ware de wacht bij het lijk. Kon zij, die zoo -werkzaam was geweest om een statelijke begrafenis aan te leggen, minder -doen dan inwendig juichen? "Zij zal lang vóór hem te Coketown zijn," -dacht mevrouw Sparsit, "al heeft hij nog zulk een goed paard. Waar -zal zij hem wachten? Geduld. Wij zullen zien." - -De geweldige regen veroorzaakte eene geduchte verwarring, toen de -trein op de plaats zijner bestemming stilhield. Goten en waterpijpen -waren gebarsten, riolen waren overgeloopen en straten stonden onder -water. Terwijl zij afstapte, richtte mevrouw Sparsit hare verbijsterde -oogen naar de wachtende koetsen, waarvan men zich om strijd meester -wilde maken. "Zij zal in een daarvan stappen," dacht zij, "en voort -zijn eer ik haar met eene andere kan narijden. Al zou ik overreden -worden, ik moet het nommer zien en hooren wat zij tegen den koetsier -zegt." - -Doch mevrouw Sparsit maakte eene verkeerde berekening. Louisa -stapte niet in eene koets en was reeds weg. De zwarte oogen, die het -spoorrijtuig, waarmede zij gekomen was, bewaakten, hadden zich een -oogenblik te laat daarop gevestigd. Daar het portier na verloop van -verscheidene minuten niet geopend werd, ging mevrouw Sparsit het een -paar malen voorbij, zag niets, keek binnen en vond het ledig. Door -en door nat, terwijl het water met elken stap, dien zij deed, uit -hare doorweekte schoenen spoot, en de regen nog steeds hare classieke -trekken bleef bekletteren; met een hoed, die naar eene onrijpe vijg -geleek; met al hare kleederen bedorven; met vochtige indrukselen van -elken knoop, ieder bandje, elk haakje en oogje op haar aanzienlijk -geparenteerden rug; met een schimmelig groen, gelijk zich op een -oud staketsel langs een vochtig laantje aanzet, over geheel haar -uitwendigen mensch--had mevrouw Sparsit geene andere toevlucht meer dan -in bittere tranen uit te barsten en te jammeren: "Ik ben haar kwijt!" - - - - - - - -XXVIII. - -ONDERAAN. - - -De nationale aschlieden waren, na zich met een groot aantal -luidruchtige maar weinig beduidende vechtpartijtjes onder elkander -te hebben vermaakt, voorloopig uiteengegaan, en mijnheer Gradgrind -was voor de vacantie naar huis gekomen. - -Hij zat in de kamer met de statistieke klok te schrijven, zonder -twijfel om het een of ander te bewijzen--waarschijnlijk dat de -barmhartige Samaritaan een slecht staathuishoudkundige was. Het gerucht -van den regen stoorde hem niet veel; maar het trok toch genoeg zijne -aandacht om hem tusschenbeide zijn hoofd te doen opheffen, alsof hij -de elementen eenigszins wilde berispen. Bij een zeer zwaren donderslag -keek hij eens naar Coketown, dewijl het hem in de gedachten kwam, -dat wel eens een van de hooge schoorsteenen door den bliksem kon -worden getroffen. - -De donder rolde nog in de verte, en de regen stortte als een zondvloed -neer, toen de deur zijner kamer geopend werd. Hij keek om de lamp heen, -die op de tafel stond, en zag met verbazing zijne oudste dochter. - -"Louisa!" - -"Vader, ik moet u spreken." - -"Wat is er gebeurd? Hoe vreemd ziet gij er uit! En goede Hemel," -zeide mijnheer Gradgrind, zich al meer en meer verwonderende, "zijt -ge door dat noodweer te voet hier naar toe gekomen?" - -Zij sloeg hare handen aan hare kleeren, alsof zij het bijna zelve -niet wist, en antwoordde: "Ja!" Daarna ontdekte zij haar hoofd, liet -mantel en kap maar vallen waar zij wilden, en bleef hem staan aanzien, -zoo kleurloos, met zoo verward hangende haren, zoo trotsch en wanhopig, -dat hij bang voor haar werd. - -"Wat is het? Ik bezweer u, Louisa, zeg mij wat is er gebeurd?" - -Zij liet zich op een stoel vallen, die bij hem stond, en legde hare -koude hand op zijn arm. - -"Vader, gij hebt mij van mijne wieg af opgebracht en onderwezen." - -"Ja, Louisa." - -"Ik vloek het uur, waarin ik tot zulk eene bestemming geboren werd." - -Hij zag haar vol angst en twijfel aan en herhaalde verbijsterd: -"Vloek het uur? Vloek het uur?" - -"Hoe waart gij in staat mij het leven te geven, en mij te berooven -van al die onschatbare gaven, die het leven boven een toestand van -zelfbewusten dood verheffen? Waar is al het edele mijner ziel? Waar -is het gevoel van mijn hart? Wat hebt gij gedaan, vader, wat hebt -gij gedaan met den tuin, die eens in deze groote woestijn hier had -moeten bloeien?" - -Zij sloeg zich zelve met beide handen op de borst. - -"Als die hier maar eens bestaan had, zou zelfs zijne asch alleen mij -bewaren voor de ledigheid, waarin geheel mijn leven verzinkt. Ik had -dit niet willen zeggen, vader; maar gij herinnert u wel de laatste -maal toen wij in deze kamer met elkander spraken?" - -Hij was zoo geheel onvoorbereid op hetgeen hij nu hoorde, dat hij -slechts met moeite kon antwoorden: "Ja, Louisa." - -"Wat mij nu op de lippen is gekomen, zou mij toen op de lippen gekomen -zijn, als gij mij maar even hadt geholpen. Ik doe u geen verwijt, -vader. Wat gij nooit bij mij hebt aangekweekt, hebt gij nooit bij u -zelven aangekweekt; maar o, als gij dit lang geleden hadt gedaan, -of als ge mij maar hadt verwaarloosd, hoeveel beter en gelukkiger -zou ik dan nu zijn geweest!" - -Toen hij dit hoorde, na al zijne zorg, liet hij zijn hoofd op zijne -hand zinken en slaakte een kermenden zucht. - -"Vader, als gij, toen wij hier de laatste maal bij elkander waren, -datgene geweten hadt, wat zelfs ik vreesde terwijl ik er tegen -worstelde--gelijk ik van mijne kindsheid af heb moeten worstelen -tegen elke natuurlijke neiging, die in mijn hart opkwam; als gij -geweten hadt, dat er nog aandoeningen en verlangens in mijne borst -woonden, zwakheden, die tot kracht konden worden opgekweekt, die alle -berekeningen moesten tarten, welke de mensch ooit gemaakt heeft, en -waarvan zijne rekenkunst even weinig weet als zij van zijn Schepper -weet--zoudt ge mij dan aan den man hebben gegeven, dien ik nu zeker -weet dat ik haat?" - -"Neen, neen, mijn ongelukkig kind," antwoordde hij. - -"Zoudt ge mij dan ooit gedoemd hebben tot de ijskoude en de verveling, -die mij verhard en bedorven hebben? Zoudt ge mij beroofd hebben--om -er niemand mede te verrijken--alleen om deze wereld des te armer te -maken--van het onstoffelijke deel van mijn leven, de lente en den -zomer van mijn geloof, mijne toevlucht voor al wat laag en slecht -was in de werkelijkheid die mij omringde, mijne school waarin ik zou -geleerd hebben nederiger te zijn en anderen meer te vertrouwen, en in -mijn kleinen kring de hoop te koesteren, dat ik hen beter kon maken?" - -"O neen, neen, Louisa." - -"En toch, vader, indien ik stekeblind ware geweest; indien ik op -den tast naar mijn weg had moeten zoeken, en mij maar vrijheid was -gelaten; wanneer ik de oppervlakkige gedaante der dingen kende, om -mijne verbeelding eenigszins met hen bezig te houden, zou ik millioenen -malen wijzer, gelukkiger, liefderijker, tevredener, onschuldiger en -in een goeden zin menschelijker zijn geweest, dan ik nu ben met de -oogen die ik heb. Hoor nu wat ik ben komen zeggen." - -Hij maakte eene beweging om haar met zijn arm te ondersteunen. Zij -rees op toen hij dit deed, en zoo bleven zij dicht bij elkander staan, -zij met hare hand op zijn schouder en hem strak in de oogen ziende. - -"Door een honger en dorst gekweld, vader, die nooit voor een -oogenblik bevredigd zijn; door een vurig verlangen gejaagd naar een -of ander gewest, waar regels, cijfers en definitiën geene volstrekte -heerschappij voerden, ben ik opgegroeid onder gedurigen zelfstrijd -en onrust." - -"Ik heb nooit geweten dat gij ontevreden waart, kind." - -"Ik heb altijd geweten dat ik ongelukkig was, vader. In dien zelfstrijd -heb ik mijn goeden engel bijna van mij verdreven en in een boozen -geest doen veranderen. Wat ik geleerd heb, heeft mij met ongeloovige -minachting, en toch met spijt over mijn geest, doen twijfelen aan wat -ik niet geleerd heb; en mijn ellendig redmiddel is geweest te denken, -dat het leven spoedig voorbij zou zijn, en dat niets daarin de smart -en de moeite van een strijd waardig kon wezen." - -"En dat zoo jong, Louisa!" zeide hij met medelijden. - -"Ja, zoo jong als ik was. In dien toestand was ik, vader--want ik -toon u nu, zonder vrees of verschooning, den gewonen toestand van -mijn gemoed: een levende dood--toen ge mij het voorstel van dat -huwelijk deedt. Ik trouwde dien man, maar ik veinsde nooit voor u of -voor hem, dat ik hem liefhad. Ik wist, en gij wist, vader, en ook -hij wist, dat ik het niet deed. Ik was niet geheel onverschillig, -want ik hoopte, dat ik Tom nuttig zou kunnen zijn en hem het leven -aangenaam zou maken. Ik deed zulk eene ijdele poging om mijn hart -en mijne verbeelding met iets te vervullen, en ik heb langzamerhand -bevonden hoe ijdel dit was. Maar Tom was het eenige voorwerp geweest -van zooveel liefde en teederheid als ik had; en misschien werd hij dat -omdat ik maar al te wel wist, hoeveel medelijden hij verdiende. Dit -is nu van weinig belang, behalve dat het u misschien kan overhalen -om zachter over zijne misstappen te denken." - -Terwijl haar vader haar in zijn arm hield, legde zij hare hand op zijn -anderen schouder, en zoo, hem steeds strak aanziende, ging zij voort: - -"Toen ik onherroepelijk getrouwd was, kwam de oude zelfstrijd weder -bij mij op en dreef mij tot weerspannigheid tegen dien band, nog -drukkender gemaakt door al die oorzaken van oneenigheid, die uit -onze twee verschillende karakters ontstaan, en die geene algemeene -regelen ooit zullen bepalen of beheerschen, vader, voordat zij een -ontleedkundige kunnen leeren om met zijn mes de geheimen mijner ziel -te treffen." - -"Louisa!" zeide hij, en zijn toon was smeekend, want maar al te -wel herinnerde hij zich wat er bij hun vorig gesprek tusschen hen -was omgegaan. - -"Ik doe u geen verwijt, vader, en ik klaag niet. Ik ben met een ander -doel hier gekomen." - -"Wat kan ik doen, kind? Vraag mij wat gij maar wilt." - -"Daar zal ik terstond toe komen. Vader, het toeval plaatste toen een -nieuwe bekende in mijn weg; een man, gelijk ik nog nooit had gezien; -een man van de wereld, luchtig, gepolijst en ongedwongen, die niet -wilde veinzen, die openlijk bekende dat hij alle dingen zoo gering -schatte, als ik dat nauwelijks heimelijk durfde doen; die mij bijna -oogenblikkelijk, hoewel ik niet weet hoe of waardoor, te kennen gaf, -dat hij mij begreep en mijne gedachten las. Ik kon niet vinden, dat -hij erger was dan ik. Er scheen eene nauwe verwantschap tusschen -ons te bestaan. Het verwonderde mij alleen, dat het hem, die zich -anders om niets bekommerde, de moeite waardig was zich zooveel om -mij te bekommeren." - -"Om u, Louisa!" - -Misschien zou haar vader haar onwillekeurig hebben losgelaten, indien -hij niet gevoeld had, dat hare krachten haar begaven, en een woest -vuur had gezien in de wijd geopende oogen, die hem aanstaarden. - -"Ik zeg niets van de reden waarom hij op mijn vertrouwen aanspraak -maakte. Het is van weinig belang hoe hij het won. Hij won het, -vader. Wat gij van de geschiedenis van mijn huwelijk weet, wist hij -spoedig evengoed." - -Haar vaders gezicht was vaalbleek geworden, en hij hield haar met -beide armen vast. - -"Ik heb niets ergers gedaan; ik heb u niet onteerd. Maar als gij -mij vraagt of ik hem heb liefgehad, of ik hem nog liefheb, zeg ik u -ronduit, vader, dat het wel zoo kan zijn. Ik weet het niet." - -Zij nam hare handen eensklaps van zijne schouders en drukte ze beide -tegen hare zijde; terwijl in hare trekken (zij geleek zich zelve niet -meer), in hare houding, terwijl zij zich oprichtte, met het besluit -om met eene laatste poging nog alles te zeggen wat zij te zeggen had, -hare lang gesmoorde aandoeningen losbarstten. - -"Dezen avond, terwijl mijn echtgenoot afwezig was, is hij bij mij -geweest en heeft zich als mijn minnaar verklaard. Op dit oogenblik -verwacht hij mij bij zich, want ik kon mij op geene andere wijs van -zijn bijzijn ontslaan. Ik weet niet of het mij berouwt, ik weet niet -of ik mij schaam, ik weet niet of ik in mijne eigene achting gedaald -ben. Al wat ik weet is, dat uwe geleerdheid en uwe lessen mij niet -zullen redden. Gij, vader, hebt mij hiertoe gebracht. Red mij nu door -andere middelen." - -Hij klemde haar nog tijdig vast om te verhinderen, dat zij op den -grond neerzonk; maar zij riep met eene schrikkelijke stem: "Ik zal -sterven als ge mij zoo vasthoudt. Laat mij op den grond vallen!" En -hij liet haar zinken, en zag den trots van zijn hart en den triomf van -zijn stelsel als een bewusteloozen hoop stof voor zijne voeten liggen. - - - - - - - - -DERDE BOEK. INZAMELEN. - - -XXIX. - -NOG IETS NOODIGS. - - -Toen Louisa uit hare bezwijming ontwaakte en kwijnend hare oogen -opsloeg, lag zij thuis in haar eigen bed, in hare oude gewone -kamer. Het was haar in 't eerst, alsof al wat er gebeurd was, sedert -den tijd toen die dingen haar gemeenzaam waren, slechts een verwarde -droom was geweest; maar langzamerhand, naarmate de werkelijkheid -dier voorwerpen duidelijker werd, kwam ook het werkelijk gebeurde -haar duidelijker voor den geest. - -Haar hoofd was zoo zwaar en pijnlijk, dat zij het nauwelijks kon -oplichten; hare oogen gloeiden, en zij gevoelde zich zeer zwak. Zekere -zonderlinge lijdzame achteloosheid had zich zoozeer van haar meester -gemaakt, dat de tegenwoordigheid harer jeugdige zuster in het vertrek -een tijdlang hare aandacht niet eens trok. Zelfs toen hare blikken -elkander ontmoet hadden, en het meisje bij het bed kwam, lag Louisa -haar nog een poos stilzwijgend aan te zien, en liet haar schroomvallig -hare machtelooze hand vasthouden, eer zij vroeg: - -"Wanneer ben ik hier in de kamer gebracht?" - -"Gisteravond, Louisa." - -"Wie heeft dat gedaan?" - -"Sissy, geloof ik." - -"Waarom gelooft gij dat?" - -"Omdat ik haar van morgen hier heb gevonden. Zij kwam niet bij mij aan -bed om mij wakker te maken, gelijk zij altijd doet, en ik ging daarom -naar haar zien. Zij was ook niet in hare eigene kamer, en ik ging het -geheele huis door naar haar zoeken, tot ik haar hier vond, bezig met -u op te passen en uw hoofd koel te houden. Wilt gij vader zien? Sissy -heeft mij gezegd, dat ik hem roepen moest als ge wakker werdt." - -"Welk een lief vriendelijk gezichtje hebt gij toch, Jane!" zeide -Louisa, toen hare zuster nog schroomvallig, zich over haar heen boog -om haar een kus te geven. - -"Heb ik? Ik ben blij, dat ge dat zoo vindt. Dat moet ik zeker aan -Sissy te danken hebben." - -De arm, dien Louisa om den hals harer zuster wilde slaan, werd weder -teruggetrokken. - -"Gij kunt het vader gaan zeggen, als ge wilt," zeide zij; en toen -haar nog even terughoudende, vervolgde zij: "Gij zijt het zeker, -die mijne kamer zoo vroolijk hebt gemaakt, om mij te laten zien, -dat ik welkom was." - -"O neen, Louisa, dat was al gedaan eer ik hier kwam. Het was..." - -Louisa keerde zich om, drukte haar hoofd in haar kussen en hoorde -niet meer. Toen hare zuster heengegaan was, keerde zij zich weder om -en bleef met haar gezicht naar de deur liggen, totdat haar vader die -opendeed en binnentrad. - -Zijn uitzicht gaf angst en afmatting te kennen, en zijne hand, -gewoonlijk zoo vast, beefde in de hare. Hij zette zich naast het bed -neer, vroeg met teedere bezorgdheid hoe zij zich bevond, en sprak -over de noodzakelijkheid om zich, na de aandoeningen van den vorigen -avond, zeer stil te houden. Hij sprak met eene zwakke, haperende stem, -zeer verschillend van zijn gewonen gebiedenden toon, en moest dikwijls -naar woorden zoeken. - -"Mijne lieve Louisa, mijne arme dochter..." Hier was hij zoo in de war, -dat hij geheel bleef steken. Hij beproefde het nog eens. - -"Mijn ongelukkig kind!" Het was zoo moeielijk over dat begin heen te -komen, dat hij het nog eene derde maal moest beproeven. - -"Het zou vruchteloos zijn, Louisa, als ik u poogde te zeggen, hoe -die onverwachte ontdekking van gisteravond mij getroffen heeft en -nog aandoet. De grond, waarop ik sta, is niet vast meer onder mijne -voeten. De eenige steun waarop ik leunde, en waarvan de kracht niet te -betwijfelen scheen en nog schijnt, is in een oogenblik bezweken. Ik ben -bedwelmd en versuft door die ontdekkingen. Het is niet uit eigenliefde, -dat ik zoo spreek; maar ik gevoel dat de slag, die mij gisteravond -heeft getroffen, waarlijk zeer zwaar is." - -Zij kon hem in dit opzicht geen troost geven. Geheel haar levensgeluk -had schipbreuk geleden op de rots, waarop het zijne nu had gestooten. - -"Ik wil niet zeggen, Louisa, dat het beter voor ons beiden zou zijn -geweest als ge mij door een gelukkig toeval vroeger uit den droom hadt -geholpen--beter voor uwe gemoedsrust, beter voor de mijne; want ik -weet wel, dat het niet tot mijn systeem behoorde een vertrouwen van -dien aard uit te lokken. Ik heb mij voor mij zelven van de waarheid -van mijn systeem overtuigd en mij gestreng daaraan gehouden; en de -verantwoordelijkheid van het valsche daarvan moet ik nu ook dragen. Ik -bidt u alleen, mijn geliefkoosd kind, geloof toch dat ik gedacht heb -wèl te doen." - -Hij zeide dit zeer ernstig en hij sprak ook de waarheid. Toen hij de -grondelooze diepte met zijn ellendig maatstokje had willen peilen, -en zijn roestigen, stroeven passer waggelend over het gansche heelal -liet stappen, had hij gemeend groote dingen te doen. Binnen de grenzen -van het korte touw, waarmede hij aan zijn systeem gebonden was, -had hij rondgetrappeld en met grooter oprechtheid van bedoeling, -dan vele der blatende wezens, met welke hij verkeerde, de bloemen -des levens verwoest. - -"Daarvan houd ik mij wel verzekerd, vader. Ik weet dat ik uw -geliefkoosd kind ben geweest. Ik weet dat ge mij gelukkig hebt willen -maken. Ik heb u nooit iets verweten en zal dat ook nooit doen." - -Hij vatte hare toegereikte hand en hield die in de zijne. - -"Kindlief, ik ben den geheelen nacht aan mijne tafel blijven zitten, -onophoudelijk nadenkende over de smartelijke ophelderingen, die er -tusschen ons hebben plaats gehad. Als ik uw karakter beschouw, als ik -overweeg, dat hetgeen ik nu sedert eenige uren weet, jarenlang door -u is verborgen gehouden; als ik bedenk, door welken onmiddellijken -drang het u eindelijk is afgeperst, kom ik tot het besluit, dat ik -niet anders doen kan dan mij zelven wantrouwen." - -Hij had er nog meer dan dit alles kunnen bijvoegen, toen hij bemerkte -hoe zijne dochter hem nu aanzag; en hij deed dit misschien metterdaad, -toen hij hare hangende haren zacht van haar voorhoofd streek. Zulke -kleine bedrijven, bij een ander onbeduidend, waren bij hem iets -opmerkelijks; en zijne dochter nam dit van hem aan, als ware het eene -betuiging van het diepste naberouw geweest. - -"Maar," zeide mijnheer Gradgrind langzaam en aarzelend, en tevens -met een rampzalig gevoel van hulpelooze verlegenheid; "als ik reden -zie, mij zelven ten opzichte van het verledene te wantrouwen, moet -ik dat ook voor het tegenwoordige en de toekomst doen. Om zonder -achterhoudendheid met u te spreken, doe ik dat ook waarlijk. Ik gevoel -mij thans verre van overtuigd, hoe geheel anders ik gisteren ook -daarover mag gedacht hebben, dat ik geschikt ben om het vertrouwen, -dat gij in mij stelt, te beantwoorden; dat ik zal weten te voldoen -aan den rechtmatigen eisch, dien gij mij zijt komen doen; dat ik -het rechte instinct heb--om voor een oogenblik te vooronderstellen, -dat er eene eigenschap van dien aard bestaat--om u te helpen en den -rechten weg te wijzen, mijn kind." - -Zij had zich op haar kussen omgekeerd en lag met haar gezicht -op haar arm, zoodat hij het niet zien kon. Al hare woestheid en -hartstochtelijkheid was verdwenen; maar hoewel haar gemoed was -verzacht, kon zij nog niet tot tranen komen. De grootste verandering, -die er bij haar vader was voorgevallen, bestond daarin, dat hij nu -blijde zou geweest zijn als hij haar had zien schreien. - -"Sommigen beweren," vervolgde hij, nog aarzelende, "dat er eene -wijsheid van het hoofd en ook eene wijsheid van het hart is. Ik heb -zoo niet gedacht; maar, gelijk ik gezegd heb, ik wantrouw nu mij -zelven. Ik heb ondersteld, dat het hoofd alleen voor alles voldoende -was. Misschien is het dat niet; want hoe zou ik dezen morgen durven -zeggen, dat het voor alles voldoende is? Indien eens die andere soort -van wijsheid juist datgene mocht zijn wat ik verzuimd heb, juist het -instinct, dat mij ontbreekt, Louisa..." - -Hij zeide dit zeer weifelend, als ware hij zelfs nu nog half onwillig -om het toe te stemmen. Zij gaf geen antwoord, en bleef voor hem op -het bed liggen, nog half gekleed, bijna gelijk hij haar den vorigen -avond in zijne kamer op den grond had zien liggen. - -"Louisa," hervatte hij, en zijne hand rustte weder op haar hoofd, "ik -ben in den laatsten tijd veel van huis geweest, en schoon de opvoeding -uwer zuster volgens het--het systeem is ingericht"--hij scheen thans -dit woord telkens met grooter tegenzin uit te spreken--"is zij toch -noodwendig gewijzigd geworden door den invloed van een dagelijkschen -omgang, die bij haar reeds op vroeger jaren begonnen is. Ik vraag -u--nederig en als een onkundige, mijne dochter---denkt gij, dat dit -tot haar bestwil zou zijn geweest?" - -"Vader," antwoordde zij zonder zich te bewegen, "als er in hare -jeugdige borst eene harmonie is opgewekt, die in de mijne stom is -gebleven tot zij in wanklanken veranderde, laten wij dan den hemel -daarvoor danken, haar stil op haar gelukkigen weg laten voortgaan, -en het den grootsten zegen voor haar achten, dat zij mijn weg heeft -vermeden." - -"O, mijn kind, mijn kind!" zeide hij, met wanhopige neerslachtigheid -in zijn toon; "ik ben een ongelukkig man, dat ik u zoo zie! Wat -baat het mij, dat gij mij niets verwijt, als ik mij zelven zulke -bittere verwijten doe!" Hij boog zijn hoofd, en vervolgde, zeer zacht -sprekende: "Louisa, ik twijfel er aan, of er niet hier in huis en -om mij heen langzamerhand eene verandering is bewerkt, alleen door -liefde en dankbaarheid; of niet datgene, wat het hoofd ongedaan heeft -gelaten en niet kan doen, stilzwijgend door het hart is verricht. Zou -het zoo kunnen zijn?" - -Zij gaf hem geen antwoord. - -"Ik ben niet te trotsch om het te gelooven, Louisa. Hoe zou ik nog -eigenwijs kunnen zijn, terwijl gij daar zoo voor mij ligt! Kan het -zoo zijn? Is het werkelijk zoo, kindlief!" - -Hij zag haar nog eens aan, gelijk zij daar als weggeworpen lag, en -zonder een woord verder te spreken, ging hij de kamer uit. Hij was -niet lang heengegaan, of zij hoorde een lichten tred bij de deur en -begreep, dat er iemand anders bij haar gekomen was. - -Zij hief haar hoofd niet op. Eene wrevelige gramschap, dat zij in hare -zielesmart gezien werd, en dat de onwillekeurige blik, die haar eens -zoo verstoord had, tot zulk eene vervulling moest komen, smeulde in -haar gelijk een dreigend vuur. Alle kracht, in een kerker opgesloten, -wordt verwoestend. De lucht, die heilzaam voor de aarde zou zijn, het -water dat haar vruchtbaar zou maken; de hitte, die haar zou koesteren, -rijten haar vaneen, wanneer zij in enge holen besloten blijven. Zoo was -het ook nu in haar hart; de krachtigste eigenschappen, die zij bezat, -lang tegen zich zelven gekeerd, sloegen tot eene hardnekkigheid over, -die wrokkend tegen eene vriendin opstond. - -Het was gelukkig, dat eene zachte hand om haar hals geslagen werd, -en dat zij begreep, dat men haar voor slapend hield. Die medelijdende -hand tergde haar wrevel niet. Zij mocht daar blijven. - -Zoo bleef zij daar, en deed door hare koesterende warmte een aantal -zachtere aandoeningen langzamerhand het leven ontvangen; en Louisa -bleef steeds stil liggen. Terwijl de stilte en de bewustheid van -zoo bewaakt te worden haar zachter stemden, welden er eenige tranen -in hare oogen op. Het gezichtje raakte het hare aan, en zij wist, -dat ook daarop tranen stonden en dat zij die deed vloeien. - -Toen Louisa veinsde te ontwaken en overeind kwam, trad Sissy achteruit -en bleef stil bij het bed staan. - -"Ik hoop, dat ik u niet gestoord heb. Ik kom maar eens vragen, of -gij hebben wilt dat ik bij u blijf." - -"Waarom zoudt gij bij mij blijven? Mijne zuster zal u missen. Gij -zijt alles voor haar." - -"Ben ik dat?" antwoordde Sissy, haar hoofdje schuddende. "Maar ik -zou ook zoo gaarne iets voor u willen zijn, als ik mocht." - -"Wat voor mij zijn?" zeide Louisa bijna stuursch. - -"Wat gij het meest noodig hebt, indien ik daartoe in staat ben. In -allen gevalle zou ik gaarne willen beproeven om daar zoo nabij te komen -als ik kan. En hoe ver ik er ook vandaan mag blijven, ik zal nooit -moede worden om opnieuw mijn best te doen. Wilt ge mij dat toelaten?" - -"Mijn vader heeft u zeker gezonden om mij dat te vragen?" - -"Neen, zeker niet," antwoordde Sissy. "Hij heeft mij nu gezegd, -dat ik mocht binnenkomen, maar van morgen heeft hij mij uit de kamer -gezonden--of ten minste..." Zij aarzelde en zweeg. - -"Ten minste--wat?" zeide Louisa, haar gewonen uitvorschenden blik op -haar vestigende. - -"Ik hield het zelf voor best dat ik weggezonden werd, want ik was -geheel onzeker of ge mij wel gaarne hier zoudt vinden." - -"Heb ik u altijd zoozeer gehaat?" - -"Ik hoop van neen, want ik heb u altijd liefgehad, en altijd gewenscht -dat gij dat weten zoudt. Maar kort voordat gij het huis uitgingt, -zijt ge een weinigje voor mij veranderd. Niet dat ik mij daarover -verwonderde. Gij wist zooveel en ik zoo weinig, en het was om vele -redenen zoo natuurlijk, daar gij toen onder andere vrienden zoudt -komen, dat ik over niets te klagen had en mij ook geheel niet gekrenkt -gevoelde." - -Zij kreeg eene hoogere kleur terwijl zij dit bedeesd en haastig -zeide. Louisa begreep die liefderijke geveinsdheid en haar hart gaf -haar een scherp verwijt. - -"Mag ik het beproeven?" zeide Sissy, moed vattende om hare hand op -te heffen, naar den hals, die onwillekeurig naar haar werd overgebogen. - -Louisa vatte den arm, die gereed was om haar te omhelzen, en Sissy's -hand in de hare sluitende, antwoordde zij: - -"Eerst nog dit, Sissy: weet gij wel wat ik ben? Ik ben zoo trotsch -en zoo verhard, zoo verward en verbijsterd, zoo vol wrevel en -onbillijkheid voor iedereen en mij zelve, dat alles in mijn binnenste -even donker, woest en ellendig is. Schrikt u dat niet af?" - -"Neen!" - -"Ik ben zoo ongelukkig, en alles wat mij anders moest gemaakt hebben -is zoo verwoest, dat, al was ik tot op dit oogenblik geheel zonder -eenige kennis gebleven, en al moest ik, in plaats van zoo geleerd te -zijn, als gij mij acht, nu eerst de eenvoudigste waarheden beginnen -te leeren, ik geen jammerlijker gebrek kon hebben aan een gids tot -zielevrede, vergenoegdheid, eergevoel, aan een gids naar al het goede -dat mij geheel ontbreekt. Schrikt dat u niet af?" - -"Neen!" - -In de onschuld harer onverschrokkene liefde, in den rijkdom van haar -edel gemoed schitterde het eens verachte meisje als een heerlijk licht, -dat de duisternis der andere verhelderde. - -Louisa beurde nu zelve Sissy's hand op, om haar hals te omvatten. Toen -viel zij op hare knieën, en zich aan de dochter van den potsenmaker -vastklemmende, zag zij bijna met eerbied naar haar op. - -"Vergeef mij, heb medelijden met mij, help mij. Heb barmhartigheid -met mijn grooten nood, en laat ik mijn hoofd tegen uw liefdevol hart -mogen te rust leggen!" - -"O, leg het hier," riep Sissy uit, "leg het hier te rust!" - - - - - - - -XXX. - -ZEER BELACHELIJK. - - -Mijnheer James Harthouse sleet een geheelen nacht en dag in zulk een -toestand van opgewondenheid, dat de wereld met haar beste lorgnet -voor de oogen, hem in dat tijdperk van waanzin bezwaarlijk voor Jem, -den broeder van het achtbare en luimige parlementslid, had kunnen -herkennen. Hij was werkelijk in heftige gemoedsbeweging, en sprak -verscheidene malen met een nadruk, die naar de manier van gemeene -lieden geleek. Hij liep op eene onverklaarbare manier uit en in, -als iemand die een werkelijk doel had. Hij reed alsof hij gejaagd -werd. Kortom, de omstandigheden verveelden hem zoo schrikkelijk, dat -hij vergat op de manier van fijn beschaafde gentlemen zijne verveling -te toonen. - -Nadat hij door den storm naar Coketown was gerend, bleef hij den -geheelen nacht opzitten, van tijd tot tijd met de grootste woede aan -de schel trekkende en den knecht, die de wacht had, beschuldigende, -dat hij brieven of boodschappen achterhield, die zeker voor hem -bestemd waren, en die hij nu eischte dat hem terstond zouden worden -overgeleverd. Toen de dageraad kwam, de morgenstond kwam en de dag -kwam, en geen van deze drie brief of boodschap medebracht, begaf -hij zich naar het buiten. Daar vernam hij, dat mijnheer Bounderby -op reis en mevrouw Bounderby naar de stad was. Zij was gisteravond -onverwacht daarheen vertrokken. Men had dit niet eens geweten, voordat -men eene boodschap had ontvangen, dat men haar vooreerst niet terug -moest verwachten. - -Onder deze omstandigheden schoot hem niets anders over dan haar naar de -stad te volgen. Hij ging naar het huis in de stad. Mevrouw Bounderby -was er niet. Hij bezocht het kantoor. Mijnheer Bounderby was weg, -en mevrouw Sparsit was weg. Mevrouw Sparsit weg? Hoe is het mogelijk, -dat iemand plotseling het gezelschap van dat serpent noodig had! - -"Ja, dat weet ik niet," antwoordde Tom, die zijne eigene redenen had -om zich in dit opzicht ongerust te maken. "Zij is van morgen eer de -dag nog aankwam vertrokken; niemand weet waarheen. Zij is altijd zoo -geheimzinnig. Ik heb een hekel aan haar, en ook aan dien vlasharigen -kerel, die iemand met zijne knippende oogen overal nakijkt." - -"Waar zijt gij gisteravond geweest, Tom?" - -"Waar ik gisteravond geweest ben!" zeide Tom. "Wel, nu nog mooier! Ik -heb naar u staan wachten, mijnheer Harthouse, tot het begon te -stortregenen zooals ik het nog nooit in mijn leven had zien doen. Waar -ik was! Gij zult meenen: waar gij gebleven zijt?" - -"Ik werd verhinderd, Tom--opgehouden." - -"Opgehouden!" mompelde Tom. "Dan werden wij allebei opgehouden. Ik -werd opgehouden met naar u te wachten, tot alle treinen voorbij waren -behalve de posttrein. Het zou een aardig karreweitje zijn geweest in -zulk weer daarmede te rijden en dan door een vijver heen naar huis -te moeten kuieren. Ik moest dus wel in de stad blijven slapen." - -"Waar?" - -"Waar? Wel in mijn eigen bed bij Bounderby." - -"Hebt gij uwe zuster gezien?" - -"Hoe drommel," antwoordde Tom, hem verwonderd aanstarende, "kon ik -mijne zuster zien, die vijftien mijlen hier vandaan was?" - -Met een vloek over de bitse antwoorden van den jongenheer, van wien -hij zulk een trouw vriend was, maakte mijnheer Harthouse met de minst -mogelijke plichtplegingen een einde aan het gesprek, en overdacht voor -de honderdste maal wat dit alles kon beteekenen. Slechts één ding werd -hem duidelijk, dat hij namelijk, hetzij ze in de stad of uit de stad -was, hetzij hij bij eene vrouw, die zoo moeielijk te begrijpen was, -te voorbarig was geweest, of dat zij den moed had verloren, of dat men -hen ontdekt had, of dat er eene voor het oogenblik onbegrijpelijke -misvatting of vergissing had plaats gehad--dat hij evenwel zijn lot -moest blijven afwachten, hoe dat dan ook wezen mocht. Het hotel, -dat hij gewoonlijk betrok, wanneer hij tot dat gewest van kolenzwart -was verwezen, was de martelpaal waaraan hij was vastgebonden. Voor -het overige--wat gebeuren moest, moest gebeuren. - -"Of ik dus hier wacht naar eene gramstorige boodschap, of een -rendez-vous, of een teerhartig berouw, of eene vechtpartij met mijn -vriend Bounderby--hetgeen in den tegenwoordigen staat van zaken -even waarschijnlijk is als iets anders--ik wil dineeren," zei James -Harthouse. "Bounderby heeft het voordeel van zwaarder te zijn dan -ik: en als er iets van echt Engelschen aard tusschen ons moet plaats -hebben, zal het wel goed zijn mij een beetje te versterken." - -Hij trok dus aan de schel, en zich achteloos op een sofa werpende, -bestelde hij een diner tegen zes uur, "onverschillig wat, maar een -beefsteak er bij;" en daarna sleet hij den tusschentijd zoo goed -hij kon. Dit gelukte hem niet bijzonder goed; want hij bleef nog -in de grootste verbijstering, en terwijl de uren verliepen en hij -geenerlei opheldering ontving, vergrootte zich die verbijstering als -een kapitaal, dat interest op interest is uitgezet. - -Hij nam echter de zaak zoo koelbloedig op als het maar iemand mogelijk -zou zijn geweest, en vermaakte zich met het koddige denkbeeld om zich -op eene vechtpartij met Bounderby voor te bereiden. "Het zou niet kwaad -zijn," dacht hij al geeuwende, "den knecht vijf schellingen te geven -en mij te oefenen om hem op den grond te werken." En daarna viel het -hem in: "of men zou ook een kerel van behoorlijke zwaarte bij het uur -kunnen huren." Deze aardigheden droegen echter niet veel van aanbelang -bij om den namiddag te verkorten of zijne onrust te verminderen, -en om de waarheid te zeggen, beiden duurden hem schrikkelijk lang. - -Zelfs nog vóór den maaltijd kon hij onmogelijk nalaten dikwijls over -de bloemen van het tapijt rond te stappen, uit het venster te kijken, -bij de deur naar voetstappen te luisteren, en nu en dan eenigszins heet -te worden als die voetstappen de kamer naderden. Maar na den maaltijd, -toen de dag in schemering, en de schemering in duisternis overging, en -hij nog niets nieuws vernam, begon het, gelijk hij zelf het uitdrukte, -"naar de Inquisitie en een langzaam doodmartelen te gelijken." Evenwel -nog getrouw aan zijne overtuiging, dat onverschilligheid het kenmerk -van fijne beschaving was (de eenige overtuiging die hij had), nam hij -deze crisis waar als eene gelegenheid om zich licht en eene courant -te laten brengen. - -Hij had een half uur gesleten met vruchtelooze pogingen om deze -courant te lezen, toen er een knecht van het hotel verscheen en op -een tegelijk geheimzinnigen en bedremmelden toon zeide: - -"Neem mij niet kwalijk, mijnheer. Er wordt met uw welnemen naar -u gevraagd." - -Eene flauwe herinnering, dat dit de uitdrukking was, die de politie -tegen een gauwdief bezigde, deed mijnheer Harthouse den knecht met -verontwaardiging toebijten, "wat duivel hij daarmede meende." - -"Ik verzoek wel verschooning, mijnheer. Eene jongejuffrouw daar buiten -vraagt u te spreken." - -"Daar buiten? Waar?" - -"Hier buiten de deur, mijnheer." - -Den knecht als een domkop, die niet beter waardig was, naar den zoo -pas genoemden persoon heenzendende, stond Harthouse haastig op en ging -naar de gang. Daar stond een meisje, dat hij nog nooit had gezien, -eenvoudig gekleed, zeer zedig van uitzicht en zeer bevallig. Toen -hij haar in de kamer bracht en een stoel voor haar zette, zag hij -bij het licht der kaarsen, dat zij nog bevalliger was dan hij in -het eerst had gedacht. Haar gezichtje was onschuldig en jeugdig, -en de uitdrukking daarvan buitengemeen innemend. Zij was niet bang -voor hem en volstrekt niet verlegen; haar gemoed scheen geheel vol te -zijn met het oogmerk van haar bezoek, zoodat daardoor alle gedachte -aan zich zelve werd bedwongen. - -"Ik spreek immers met mijnheer Harthouse?" zeide zij toen zij alleen -waren. - -"Ja," antwoordde hij, en voegde er in gedachten bij: "En gij spreekt -tegen hem met de vertrouwelijkste oogen die ik ooit gezien heb, en -de zachtste stem, al is de toon zoo zonderling ernstig, die ik ooit -heb gehoord." - -"Hoewel ik niet weet of begrijp," zeide Sissy, "waartoe uwe eer als -gentleman u in andere opzichten verbindt," en het bloed steeg haar -naar de wangen toen zij met deze woorden begon, "zal ik er toch zeker -op mogen vertrouwen, dat gij mijn bezoek geheim zult houden, en ook -geheel verzwijgen wat ik u verder zeggen wilde. Als gij mij belooft, -dat ik u zoover vertrouwen mag, zal ik er mij op verlaten." - -"Dat kunt gij, dit verzeker ik u." - -"Ik ben jong, gelijk gij ziet; en ik ben alléén, gelijk gij ziet. Om -zoo bij u te komen, mijnheer, heeft niets mij geraden of aangemoedigd -behalve eene stille hoop die ik voed." - -"Maar die moet zeer sterk zijn," dacht hij, toen hij haar voor -een oogenblik hare oogen naar boven zag richten. "Dit is een -allerwonderlijkst begin," dacht hij verder. "Ik begrijp niet waar -dat heen moet." - -"Ik denk," zeide Sissy, "dat gij al raadt wie ik zoo even verlaten -heb." - -"Ik ben vier en twintig uren lang--die mij zoo lang zijn gevallen -alsof het jaren waren--zeer ongerust geweest ten opzichte van zekere -dame," antwoordde hij. "De hoop, die ik meende te mogen opvatten, -dat gij van die dame komt, heeft mij niet bedrogen, naar ik vertrouw." - -"Ik ben nog geen uur geleden van haar weggegaan!" - -"Waar?" - -"Bij haar vader in huis." - -In spijt van zijne koelbloedigheid werd het gezicht van mijnheer -Harthouse veel langer en zijne verbijstering veel grooter. "Nu begrijp -ik volstrekt niet waar het heen moet," dacht hij. - -"Zij is gisteravond in groote ontsteltenis daar gekomen en heeft den -geheelen nacht in flauwte gelegen. Ik woon bij haar vader en ben bij -haar gebleven. Gij kunt zeker zijn, mijnheer, dat gij haar nooit zult -wederzien zoolang gij leeft." - -Harthouse haalde diep adem; en indien iemand zich ooit in de positie -bevond van niet te weten wat hij zeggen moest, maakte hij buiten kijf -thans de ontdekking, dat hij in zulke omstandigheden verkeerde. De -kinderlijke openhartigheid, waarmede het meisje sprak, hare bescheidene -onbeschroomdheid, hare oprechtheid, die alle omwegen vermeed, hare -volkomene zelfvergetelheid, die haar met ernstige kalmte rechtstreeks -deed afgaan op het doel waartoe zij gekomen was, dit alles met haar -ernstig vertrouwen op zijne losweg gegevene belofte--waarmede zij -hem alleen reeds beschaamde--was iets, waarvan hij nog in het geheel -geene ondervinding had gehad, en waartegen hij begreep dat al zijne -gewone wapenen zoo machteloos zouden zijn, dat hij geen woord kon -bedenken om zich te helpen. - -Eindelijk zeide hij: - -"Zulk een onverwacht bericht, met zooveel zekerheid en door zulke -lippen gegeven, is inderdaad zeer verrassend. Mag ik vragen of de -dame, van wie wij spreken, u belast heeft om mij dat bericht in die -hopelooze bewoordingen over te brengen?" - -"Zij heeft mij niets belast." - -De drenkeling grijpt zich aan een stroohalm. - -"Zonder uw oordeel te willen wantrouwen of uwe oprechtheid te -verdenken, vertrouw ik te mogen zeggen, dat ik meen nog te mogen -hopen, dat de bewuste dame mij niet voor altijd uit hare oogen zal -willen verbannen." - -"Er is geene de minste hoop. Het eerste doel van mijne komst, mijnheer, -is u te verzekeren dat gij gelooven moet, dat er even weinig hoop -voor u bestaat om haar ooit weder te spreken, als er bestaan zou -indien zij terstond gestorven was, toen zij gisteravond thuis kwam." - -"Gelooven moet? Maar als ik niet kan--of als ik ongelukkig wat -stijfhoofdig van karakter ben en niet wil?" - -"Het is toch waar. Er is geene hoop." - -James Harthouse zag haar aan met een ongeloovigen glimlach op de -lippen; maar de oogen van haar geest zagen verder en hooger, dan -naar den man die voor haar stond, en die glimlach werd dus nutteloos -verspild. - -Hij beet op zijne lippen en nam een poosje tijd om zich te bedenken. - -"Welnu," zeide hij, "als het ongelukkig mocht blijken, nadat ik alles -heb gedaan wat van mij gevergd kan worden, dat ik zoo ongelukkig ben -om aldus in ballingschap te worden gezonden, zal ik die dame niet -verder lastig vallen. Maar gij zegt, dat gij geen bericht voor mij -van haar hebt. Welk recht of volmacht hebt gij dan om in hare plaats -te spreken?" - -"Ik heb geen ander recht dan dat van mijne liefde voor haar en -hare liefde voor mij--geene andere volmacht, dan dat ik bij haar -ben geweest sedert zij thuis is gekomen en zij haar hart voor mij -heeft geopend--geene andere verantwoordelijkheid, dan dat ik met -haar karakter en haar huwelijk vertrouwd ben. O, mijnheer Harthouse, -ik geloof dat die verantwoordelijkheid ook op u rustte!" - -Dit verwijt trof hem in de ledige holte waar zijn hart had moeten zijn. - -"Ik ben geen moreel mensch," zeide hij, "en ik maak er nooit aanspraak -op, om voor een moreel mensch gehouden te worden. Ik ben zoo immoreel -als maar iemand behoeft te wezen. Maar toch moet ik zeggen, als ik de -dame, die het onderwerp van ons gesprek is, eenig leed heb veroorzaakt, -of haar ongelukkig op eenigerlei manier heb gecompromitteerd, of mij -zelven bij haar heb gecompromitteerd door uitdrukkingen, die niet -geheel en al met den eerbied voor--voor den huiselijken haard waren -overeen te brengen; of als ik er eenigszins partij van heb getrokken, -dat haar vader eene machine, haar broeder een hondsvot en haar -man een beer is, dan verzoek ik u te mogen verzekeren, dat ik geene -bepaalde booze oogmerken had, maar van den eenen stap tot den anderen -ben gekomen, zoo zacht en geleidelijk, dat ik mij volstrekt niet -verbeeldde, dat de roman al zoo lang was, eer ik ze eens begon over te -lezen--en nu vind ik waarlijk, dat zij al verscheidene deelen beslaat." - -Hoewel hij dit alles op zijn luchtigsten toon zeide, scheen hij voor -deze enkele maal wel bewust te zijn, dat die toon slechts dienen moest -om iets te verbloemen dat een zeer leelijk aanzien had. Hij zweeg -een oogenblik en vervolgde toen met meer schijn van zelfvertrouwen, -hoewel nog met sporen van verdrietelijkheid en teleurstelling, die -hij niet kon uitwisschen: - -"Na hetgeen mij zoo even is voorgehouden, op eene manier, die mij het -twijfelen onmogelijk maakt--ik weet waarlijk haast niet, uit welke -andere bron ik het zoo gereedelijk had kunnen aannemen--gevoel ik -mij verplicht u te zeggen, dat ik niet weigeren kan ernstig aan de -mogelijkheid te denken--hoe onverwacht mij dit ook wezen mag--dat -ik die dame niet meer zien zal. Ik alleen ben er voor te laken, dat -de zaak zoover gekomen is--en--en ik kan niet zeggen," vervolgde -hij, zeer verlegen om een passend slot voor zijne rede te vinden, -"dat ik veel hoop heb om ooit een moreel mensch te worden, of dat ik -eenigszins aan moreele menschen geloof." - -Sissy's gezichtje duidde genoegzaam aan, dat zij hem nog meer te -zeggen had. - -"Gij hebt," hervatte hij, toen zij hare oogen naar hem opsloeg, -"van een eerste doel uwer komst gesproken. Ik mag dus aannemen dat -gij nog een tweede hebt." - -"Ja." - -"Wilt gij dan zoo vriendelijk zijn van mij dat te zeggen?" - -"Mijnheer Harthouse," antwoordde Sissy, met eene mengeling van -zachtheid en stroefheid, die hem geheel uit het veld sloeg, en met -een zoo naïef vertrouwen, dat hij verplicht was om te doen wat zij -eischte, dat het weigeren hem daardoor uiterst moeielijk werd, "de -eenige herstelling, die er voor u overschiet, is, dat gij terstond en -voorgoed van hier vertrekt. Ik ben volkomen zeker, dat gij op geene -andere wijs het kwaad en het leed, hetwelk gij veroorzaakt hebt, -kunt verzachten. Ik ben volkomen zeker, dat dit de eenige vergoeding -is, die gij in uw vermogen hebt. Ik zeg niet dat het veel is, of dat -het genoeg is; maar het is toch iets en het is noodzakelijk. En dus, -zonder andere volmacht te hebben dan die ik u genoemd heb, en zelfs -buiten weten van iemand behalve u en mij, verzoek ik, dat gij dezen -avond nog van hier vertrekt en u verbindt om nooit terug te komen." - -Indien zij eenigen invloed op hem had willen doen gelden behalve -haar eenvoudig geloof aan de waarheid van hetgeen zij zeide en de -rechtmatigheid van haar eisch; indien zij heimelijk den minsten -twijfel had gekoesterd, of zelfs met het beste doel iets had willen -achterhouden of veinzen; indien zij den minsten zweem van vrees had -getoond voor zijne bespotting, zijne verbazing of eenige tegenspraak, -die hij mocht beproeven, dan zou hij nu zeker de overhand op haar -hebben gewonnen. Maar het zou hem even mogelijk zijn geweest eene -heldere lucht te doen betrekken door verwonderd daarnaar op te zien, -als eenigen indruk op dit meisje te maken. - -"Maar weet gij wel," zeide hij, geheel verlegen, "wat het is dat -gij vraagt? Het is u zeker niet bekend, dat ik om zoo te zeggen om -staatszaken hier ben, die op zichzelf wel dwaas genoeg zijn, maar -waaraan ik mij toch verbonden heb, waarvoor ik eeden heb gedaan, -en waaraan men denkt dat ik wanhopig verkleefd ben? Gij weet dat -waarschijnlijk niet, maar ik verzeker u, het is een feit." - -Het maakte geen indruk op Sissy, het mocht een feit wezen of niet. - -"Bovendien," hervatte Harthouse, nadat hij een paar malen, altijd nog -twijfelende, de kamer op en neer had gestapt, "het is zoo geweldig -absurd. Het zou iemand zoo belachelijk maken, als hij zich eerst met -die kerels verbond en zich dan op zulk eene onbegrijpelijke manier -terugtrok." - -"Ik weet zeker," herhaalde Sissy, "dat dit de eenige herstelling is, -die gij in uwe macht hebt, mijnheer. Ik ben daarvan volkomen verzekerd, -of ik zou niet hier zijn gekomen." - -Hij zag haar aan, stapte nog wat op en neer en zeide: "Bij mijne ziel, -gij weet niet wat gij vraagt. Zoo schrikkelijk absurd!" - -Het was nu zijne beurt om geheimhouding te bedingen. - -"Als ik iets zoo belachelijks deed," zeide hij, weder stilstaande en -tegen den schoorsteenmantel leunende, "zou het alleen kunnen zijn in -het onschendbaarste vertrouwen..." - -"Ik zal u vertrouwen, mijnheer," antwoordde Sissy, "en gij zult -mij vertrouwen." - -Terwijl hij zoo tegen den schoorsteenmantel leunde, herinnerde hij -zich den avond met den hondsvot. Het was dezelfde schoorsteenmantel, -en hoe het kwam wist hij niet, het was hem eenigszins alsof hij nu -de hondsvot was. Hij wist zich volstrekt niet te helpen. - -"Ik geloof haast, dat nog nooit iemand zich in zulk eene gekke positie -heeft bevonden," zeide hij, nadat hij naar omhoog en naar omlaag had -gekeken, had gelachen en zuur gezien, naar het andere eind der kamer -was gestapt en weer was teruggekomen; "maar ik weet er toch niet -uit te komen. Wat gebeuren moet, moet gebeuren; en dit moet dan maar -gebeuren, zou ik haast denken. Ik zal mij dan maar moeten wegmaken, -verbeeld ik mij--kortom, ik beloof het." - -Sissy stond op. Zij was niet verwonderd over den afloop, maar zij -was verblijd en haar gezichtje blonk van genoegen. - -"Gij zult mij veroorloven te zeggen," hervatte James Harthouse, -"dat ik twijfel, of een ander ambassadeur of ambassadrice wel zoo -goed geslaagd zou zijn. Ik moet mij niet alleen in eene belachelijke -positie schikken, maar ook bekennen, dat ik van alle kanten uit het -veld geslagen ben. Wilt ge mij het voorrecht vergunnen van den naam -mijner vijandin te mogen onthouden?" - -"Mijn naam?" vroeg de ambassadrice. - -"De eenige naam, die mij van avond ten minste kan schelen." - -"Sissy Jupe." - -"Verschoon mijne nieuwsgierigheid bij het afscheid. Zijt gij van -de familie?" - -"Ik ben maar een arm meisje," antwoordde Sissy. "Ik werd van mijn -vader gescheiden--hij was maar een kunstrijder--en toen had mijnheer -Gradgrind medelijden met mij. Sedert ben ik bij hem in huis gebleven." - -Zij was verdwenen. - -"Dit alleen ontbrak er nog aan om mijne nederlaag te voltooien," -zeide James Harthouse, en liet zich met een gezicht vol neerslachtige -berusting op de sofa zinken, nadat hij eene poos als versteend was -blijven staan. "Ik ben nu zoo goed als vernietigd. Maar een arm -meisje--maar een kunstrijder--James Harthouse maar tot niemendal -gemaakt--James Harthouse maar eene Groote Piramide van mislukking." - -De Groote Piramide bracht hem in het hoofd om naar den Nijl te -gaan. Hij nam dadelijk eene pen op en schreef het volgende briefje -(in voegzame hieroglyphische teekenen) aan zijn broeder: - - - "Waarde Jack. Alles afgedaan in Coketown. Door verveling - weggejaagd. Ik ga naar de kameelen. Uw liefhebbende - - Jem." - - -Hij schelde. - -"Laat mijn knecht hier komen." - -"Hij is naar bed, mijnheer." - -"Zeg hem dan, dat hij moet opstaan en mijn goed pakken." - -Hij schreef nog twee briefjes, een aan mijnheer Bounderby, om dezen -te berichten dat hij vertrok en op te geven waar hij de eerstvolgende -veertien dagen zou te vinden zijn, en een ander, van dergelijken -inhoud, aan mijnheer Gradgrind. Bijna zoodra de inkt der adressen -droog was, had hij de hooge schoorsteenen van Coketown reeds achter -zich en zat hij in een der rijtuigen van een spoortrein, die hem met -vliegende vaart door de duisternis heenvoerde. - -Moreele menschen zullen misschien denken, dat deze snelle aftocht -van James Harthouse hem naderhand stof gaf tot eenige troostrijke -gedachten, als een zijner weinige bedrijven, waardoor hij ooit -iets kwaads had vergoed, en als een blijk, dat-hij eens aan het -allerergste van eene zeer slechte zaak was ontsnapt. Maar dit was -volstrekt het geval niet. Een geheim gevoel, dat hij zich door eene -mislukte onderneming belachelijk had gemaakt, en de vrees, wat andere -heeren van zijn stempel wel van hem zouden zeggen als zij het wisten, -waren hem zoo onaangenaam, dat de beste daad van geheel zijn leven -juist diegene was, welke hij voor geene schatten had willen bekennen, -en de eenige, waarover hij zich voor zich zelven schaamde. - - - - - - - -XXXI. - -ZEER BESLISSEND. - - -De onvermoeibare mevrouw Sparsit, die nu eene geweldige verkoudheid -in het hoofd had, zoodat zij niet harder dan fluisterend kon spreken, -en haar onophoudelijk niezen hare deftige gestalte in gevaar scheen te -brengen van in stukken uiteen te vallen, joeg haar patroon zoolang na, -tot zij hem in de hoofdstad gevonden had; en daar trad zij hem toen -in zijn logement in St. James' Street met dreigende statigheid onder -de oogen, legde de lont aan de brandstof, waarmede zij geladen was, -en liet hare mijn springen. Aldus hare taak met onbeschrijfelijke -zelfvoldoening volbracht hebbende, liet de edelaardige vrouw haar -hoofd op mijnheer Bounderby's schouder zinken en viel in zwijm. - -Het eerste wat mijnheer Bounderby deed, was mevrouw Sparsit van zich -af te schudden, en haar op den grond, zoo goed zij dit alleen kon, de -verschillende trappen van een zenuwtoeval te laten doorgaan. Vervolgens -begon hij eenige krachtige opwekkende middelen aan te wenden, wrong -de lijderes de duimen open, sloeg haar in de handen, goot haar een -overvloed van water in het gezicht en stak haar zout in den mond. Toen -deze hulpmiddelen haar hadden doen bekomen (hetgeen zij trouwens -spoedig deden), pakte hij haar, zonder haar eenige andere verkwikking -aan te bieden, in eene koets en bracht haar met den eersten spoortrein, -meer dood dan levend, naar Coketown terug. - -Op het eind harer reis bood mevrouw Sparsit, als eene klassieke -ruïne beschouwd, een belangwekkend schouwspel aan; maar uit elk ander -oogpunt bezien, was zij sterk beschadigd geworden en hare aanspraak -op bewondering zeer verminderd. Zonder zich om de slijtage harer -kleederen en van haar gestel te bekommeren, en zoo gevoelloos als een -keisteen voor haar zielroerend niezen, pakte Bounderby haar terstond -weder in eene koets en voerde haar verder naar Stone Lodge. - -"Tom Gradgrind," zeide Bounderby, laat in den avond de kamer van zijn -schoonvader binnenstuivende, "hier is eene dame--mevrouw Sparsit--gij -kent mevrouw Sparsit wel--die u iets te zeggen heeft, dat zal u doen -verstomd staan." - -"Gij hebt dan mijn brief niet ontvangen!" riep mijnheer Gradgrind uit, -verrast door deze verschijning. - -"Een brief van u ontvangen!" grauwde Bounderby hem toe. "Het is nu -geen tijd van brieven. Als Josiah Bounderby van Coketown in zulk een -humeur is als nu, moet niemand hem van brieven spreken." - -"Bounderby," zeide mijnheer Gradgrind op een misnoegden maar gematigden -toon, "ik spreek over een zeer gewichtigen brief, dien ik u geschreven -heb en die Louisa betrof." - -"Tom Gradgrind," antwoordde Bounderby, verscheidene malen met de -vlakke hand op de tafel slaande, "ik spreek van eene zeer gewichtige -boodschap, die mij iemand van Louisa is komen brengen. Mevrouw Sparsit, -spreek op, juffrouw!" - -De ongelukkige dame poogde nu hare getuigenis af te leggen, maar daar -het haar geheel aan stem ontbrak, en hare keel van binnen rauw scheen -te zijn, kon zij weinig anders doen dan pijnlijke gebaren maken en -leelijke gezichten trekken, waarover Bounderby zoo driftig werd, -dat hij niet kon nalaten haar bij den arm te vatten en te schudden. - -"Als gij het niet kunt uitbrengen, juffrouw," zeide hij, "laat mij -het dan uitbrengen. Het is nu geen tijd voor eene dame, al is zij -van nog zoo voorname afkomst, om onverstaanbaar te fluisteren en te -doen alsof zij knikkers slikte. Tom Gradgrind, mevrouw Sparsit heeft -toevallig gelegenheid gehad om een gesprek in de opene lucht tusschen -uwe dochter en uw kostbaren voornamen vriend, mijnheer James Harthouse, -te beluisteren." - -"Inderdaad!" zeide mijnheer Gradgrind. - -"Ja inderdaad," beet Bounderby hem toe. "En in dat gesprek..." - -"Het is niet noodig mij den inhoud er van te zeggen, Bounderby. Ik -weet wat er is voorgevallen." - -"Doet ge?" zeide Bounderby, zijn zoo bijzonder stillen en zoetsappigen -schoonvader met groote oogen aanstarende. "Misschien weet gij dan -ook waar uwe dochter tegenwoordig is?" - -"Zonder twijfel. Zij is hier." - -"Hier?" - -"Mijn beste Bounderby, laat ik u toch mogen bidden om die luidruchtige -uitbarstingen te bedwingen. Louisa is hier. Zoodra zij zich van dat -gesprek met den persoon, van wien gij spreekt, en wien het mij zeer -spijt dat ik bij u geïntroduceerd heb, kon afmaken, is Louisa met -allen spoed hierheen gekomen om bescherming te zoeken. Ik was zelf nog -maar weinige uren thuis geweest, toen ik haar hier zag komen--hier in -deze kamer. Zij was met den spoortrein naar de stad gekomen, door den -woedenden storm van de stad hier naar huis geloopen, en toen zij hier -kwam, was zij buiten zich zelve van ontsteltenis en angst. Natuurlijk -is zij sedert hier gebleven. Laat ik u, om uw eigen en om harentwil, -mogen bidden meer bedaard te zijn." - -Mijnheer Bounderby zag eene poos naar alle kanten om zich heen, behalve -naar den kant van mevrouw Sparsit, en zich toen eensklaps naar de -nicht van Lady Scadgers keerende, zeide hij tot die rampzalige vrouw: - -"Nu, juffrouw, zullen wij gaarne hooren wat gij tot uwe verschooning -moogt goedvinden te zeggen, dat gij zoo met de vaart van een koerier -door het land vliegt, zonder andere bagage dan een zot vertelseltje." - -"Mijnheer," fluisterde mevrouw Sparsit, "mijne zenuwen zijn op het -oogenblik al te zeer geschokt en mijne gezondheid heeft in uw dienst -al te veel geleden, om mij toe te laten iets anders te doen dan mijne -toevlucht tot tranen te nemen." - -En dit deed zij ook. - -"Wel, juffrouw," zeide Bounderby, "zonder u iets te zeggen wat men niet -met voegzaamheid tegen eene vrouw van goede afkomst zou mogen zeggen, -wil ik er alleen maar bijvoegen, dat er, naar het mij voorkomt, nog -iets anders is, waarin gij toevlucht kunt nemen, namelijk in eene -koets. En daar de koets, waarin gij gekomen zijt, nog voor de deur -staat, zult gij mij wel vergunnen om u daarin te zetten en naar het -kantoor te laten brengen; en daar gekomen, zult ge niet beter kunnen -doen, dan uwe voeten in het heetste water te steken dat ge verdragen -kunt, en als ge in het bed zijt een glas kokend heete rum met eene -kluit boter er in te drinken." - -Met deze woorden reikte Bounderby de schreiende dame zijne rechterhand -toe, en bracht haar, onder een jammerlijk niezen, naar het bedoelde -rijtuig. Spoedig kwam hij alleen terug. - -"Daar ik aan uw gezicht kan zien, Tom Gradgrind," hervatte hij, "dat -ge mij woudt spreken, ben ik hier teruggekomen. Maar ik ben in geen -pleizierig humeur, dat zeg ik ronduit; want de zaak, zooals ze nu is, -bevalt mij nog maar volstrekt niet, en ik vind niet, dat ik ooit door -uwe dochter met zooveel gehoorzaamheid en onderdanigheid behandeld ben, -als Josiah Bounderby van Coketown door zijne vrouw behandeld moest -worden. Gij hebt uwe eigene meeningen, kan ik wel denken; ik heb de -mijne, dat weet ik. Als gij mij van avond iets zoudt willen zeggen, -dat met deze oprechte verklaring in strijd is, zoudt ge beter doen -het maar te zwijgen." - -Daar Gradgrind, gelijk men zal hebben opgemerkt, veel zachter was -dan gewoonlijk, gaf Bounderby zich bijzondere moeite om zich zooveel -mogelijk te verharden. Dat lag zoo in zijn beminnelijk karakter. - -"Mijn lieve Bounderby," begon mijnheer Gradgrind tot antwoord. - -"Neem mij niet kwalijk," zeide Bounderby, "maar ik wil niet al te -lief zijn. Dat om te beginnen. Als ik voor iemand lief begin te -worden, vind ik doorgaans dat hij voornemens is mij te bedotten. Ik -spreek niet beleefd tegen u; maar, gelijk ge wel weet, ik ben ook -niet beleefd. Als ge veel van beleefdheid houdt, weet ge waar gij -ze krijgen kunt. Gij hebt fatsoenlijke en voorname vrienden genoeg, -en zij zullen u van dat artikel zooveel leveren als ge maar hebben -wilt. Ik houd het er niet op na." - -"Bounderby," hervatte mijnheer Gradgrind dringend; "alle menschen -kunnen dwalen." - -"Ik dacht, dat gij het niet kondt," viel Bounderby hem in de rede. - -"Misschien dacht ik ook zoo. Maar ik zeg nu, alle menschen kunnen -dwalen; en ik zou gevoelig en dankbaar voor uwe kieschheid zijn, als -gij mij die toespelingen op Harthouse woudt besparen. Ik zal in ons -gesprek geene melding van hem maken, alsof ik hem voor uw vriend en -vertrouwde hield, en ik verzoek u niet voort te gaan met te spreken -alsof hij de mijne was." - -"Ik heb zijn naam niet eens genoemd," zeide Bounderby. - -"Goed, goed!" antwoordde mijnheer Gradgrind op een toon van -geduld, zelfs van onderwerping, en bleef toen eene korte poos -peinzen. "Bounderby, ik heb reden om er aan te twijfelen of wij Louisa -wel ooit recht begrepen hebben." - -"Wie meent ge met dat wij?" - -"Laat mij dan ik zeggen," antwoordde hij op die smalend uitgestootene -vraag. "Ik twijfel er aan, of ik Louisa wel ooit begrepen heb. Ik -twijfel er aan, of ik de rechte manier van opvoeding wel voor haar -heb gekozen." - -"Daar hebt gij het aan 't rechte eind," antwoordde Bounderby. "Dat geef -ik u toe. Dat hebt gij nu eindelijk ontdekt, niet waar? Opvoeding!--Ik -zal u eens zeggen wat opvoeding is--dat is, hals over kop de deur te -worden uitgesmeten, en op kort rantsoen te worden gesteld van alles -behalve klappen. Dat noem ik opvoeding." - -"Ik geloof, dat uw gezond verstand wel zal zien," bracht mijnheer -Gradgrind met alle nederigheid hiertegen in, "dat, welke verdiensten -zulk een stelsel ook hebben mag, het bij meisjes bezwaarlijk van -algemeene toepassing zou kunnen zijn." - -"Dat zie ik geheel niet in," antwoordde de stijfkoppige Bounderby. - -"Wel," hervatte mijnheer Gradgrind met een zucht, "wij zullen die -vraag maar niet onderzoeken. Ik verzeker u, dat ik niet naar een -woordenstrijd verlang. Ik zoek alleen maar te herstellen wat er -bedorven is, als ik dat met mogelijkheid kan doen; en ik hoop, dat -ge mij in dat goede voornemen zult bijstaan, Bounderby, want ik heb -groote droefheid gehad." - -"Ik versta u nog niet," antwoordde Bounderby, met onverzettelijke -koppigheid, "en daarom wil ik niets beloven." - -"In weinige uren tijds, mijn beste Bounderby," vervolgde mijnheer -Gradgrind, op denzelfden treurigen en verzoenenden toon, "schijn -ik beter met Louisa's karakter bekend te zijn geworden dan in al -de vorige jaren. Die inlichting is mij smartelijk opgedwongen, en -de ontdekking is mijn bedrijf niet. Ik geloof, dat er--Bounderby, -ge zult wel verwonderd zijn mij dit te hooren zeggen--ik geloof, dat -er eigenschappen in Louisa schuilen, die--die op eene harde manier -verwaarloosd zijn en--zóó eenigszins eene verkeerde richting hebben -genomen. En--en ik wilde u doen opmerken, dat het--dat het, als gij mij -vriendelijk helpen woudt in de nu nog tijdige proefneming om haar een -tijdlang aan haar beteren geest over te laten--en dien door zachtheid -en inschikkelijkheid aan te moedigen en te ontwikkelen--het--het voor -ons aller geluk beter zou zijn. Louisa," vervolgde hij, zijne hand -voor zijn gezicht houdende, "is altijd mijn geliefkoosd kind geweest." - -Bij het hooren dezer woorden werd de driftige Bounderby zoo rood en -zwol zoo geweldig op, dat hij op het punt scheen, en waarschijnlijk ook -was, om eene beroerte te krijgen. Maar hoewel zelfs zijne ooren eene -donkere purperkleur aannamen, bedwong hij toch zijne verontwaardiging -en zeide slechts: - -"Gij zoudt haar dan wel een tijdlang hier willen houden?" - -"Ik--ik had u willen aanraden, mijn beste Bounderby, dat ge Louisa -zoudt vergunnen om hier wat te blijven logeeren en zich door Sissy te -laten oppassen (ik meen natuurlijk Cecilia Jupe), die haar begrijpt -en in wie zij vertrouwen stelt." - -"Tom Gradgrind," antwoordde Bounderby, met het hoofd in den nek en de -handen in de zakken, "ik maak uit dit alles op, dat gij van meening -zijt, dat er zoo iets is wat de menschen incompatibiliteit noemen -tusschen Louisa Bounderby en mij." - -"Ik vrees, dat er vooralsnog eene algemeene incompatibiliteit bestaat -tusschen Louisa en--en bijna alle omstandigheden waarin ik haar -geplaatst heb," gaf de vader treurig ten antwoord. - -"Luister nu eens, Tom Gradgrind," zeide de bloedroode Bounderby, -zich vlak tegenover hem plaatsende, met de beenen wijd van elkander, -de handen nog dieper in de zakken en een hoofd met haar, dat naar -een hooiveld in een onstuimigen wind geleek. "Gij hebt uitgesproken, -en nu zal ik spreken. Ik ben een Coketowner. Ik ben Josiah Bounderby -van Coketown. Ik ken de steenen van de stad, ik ken de machines van -de stad, ik ken de schoorsteenen van de stad, ik ken den rook van de -stad, en ik ken de werklieden van de stad. Ik ken ze allen tamelijk -wel. Zij zijn geene ingebeelde dingen, en als iemand mij van ingebeelde -hoedanigheden vertelt, zeg ik dien man altijd, wie hij ook wezen mag, -dat ik wel weet wat hij meent. Hij meent schildpadsoep en wildbraad, -met een gouden lepel, en dat hij eene koets met zes paarden wil -houden. Dat is het wat uwe dochter zou willen; en daar gij van meening -zijt, dat zij zou moeten hebben wat zij wil, raad ik u het haar te -bezorgen, want van mij zal zij het nooit krijgen, Tom Gradgrind." - -"Bounderby," antwoordde mijnheer Gradgrind, "ik had na mijn dringend -verzoek gehoopt, dat gij een anderen toon zoudt hebben aangeslagen." - -"Wacht nog eens even," hervatte Bounderby; "ik heb u laten uitspreken, -geloof ik. Hoor mij nu ook ten einde, als het u belieft. Maak -u zelven niet tot een voorbeeld van onbillijkheid, zoowel als -van inconsequentie, want hoewel het mij spijt, Tom Gradgrind zoo -laag gezonken te zien als hij nu al is, zou het mij dubbel spijten -hem zóó laag te zien dalen. Er is, geeft ge mij te verstaan, eene -incompatibiliteit van eene of andere soort tusschen uwe dochter -en mij. Ik zal u tot antwoord daarop te verstaan geven, dat er -ontwijfelbaar eene incompatibiliteit van de eerste grootte bestaat, -die met deze enkele woorden kan worden verklaard: dat uwe dochter de -verdiensten van haar man niet behoorlijk kent, en niet zooveel gevoel -heeft als wel passen zou, waarachtig, voor de eer der verbintenis -met hem. Dat is rond en duidelijk gesproken, zou ik hopen." - -"Bounderby," zeide mijnheer Gradgrind dringend; "dat is onredelijk." - -"Is het?" zeide Bounderby. "Ik ben blij u dat te hooren zeggen; -want als Tom Gradgrind met zijn nieuw licht mij zegt, dat, wat ik -zeg onredelijk is, ben ik terstond overtuigd, dat het duivelsch -verstandig moet wezen. Met uw verlof zal ik nu voortgaan. Gij kent -mijne afkomst; en gij weet, dat ik een goed getal jaren van mijn -leven geene laarzentrekkers noodig had, omdat ik geene laarzen had -en schoenen evenmin. En toch moogt gij het gelooven of niet, zooals -het u goeddunkt, dat er dames zijn--geborene dames--die tot familiën -behooren--familiën!--die den grond haast aanbidden, waarover ik ga." - -Hij wierp dit gezegde als een vuurpijl zijn schoonvader naar het hoofd. - -"Terwijl uwe dochter," vervolgde Bounderby, "lang geene geborene dame -is--dat weet gij zelf wel. Niet dat ik het minste om zulke dingen -geef, dat weet gij heel goed; maar het is zoo, en gij, Tom Gradgrind, -kunt dat niet veranderen. Waarom zeg ik dit nu?" - -"Niet om mij te sparen, vrees ik," merkte mijnheer Gradgrind zachtjes -aan. - -"Hoor mij ten einde," zeide Bounderby, "en neem mij het woord niet -uit den mond eer gij weer aan de beurt komt. Ik zeg dit omdat vrouwen -van voorname familie zich verbaasd hebben over de manier, waarop -uwe dochter zich gedragen heeft, en verstomd hebben gestaan over -hare gevoelloosheid. Zij hebben zich verwonderd hoe ik dat verdroeg; -en ik zelf verwonder er mij nu over en wil het niet langer verdragen." - -"Bounderby," zeide mijnheer Gradgrind, nu opstaande, "hoe minder wij -van avond zeggen, des te beter, geloof ik." - -"Integendeel, Tom Gradgrind, hoe meer wij van avond zeggen, des te -beter, geloof ik. Dat is"--deze bedenking stuitte hem--"totdat ik alles -gezegd heb wat ik op mijn hart heb, en dan kan het mij niet schelen hoe -gauw wij ophouden. Ik kom tot eene vraag, die de zaak zal bekorten. Wat -meent gij met het voorstel, dat gij zoo even gedaan hebt?" - -"Wat ik meen, Bounderby?" - -"Met dat logeer-voorstel," zeide Bounderby, het hoofd in den nek -werpende. - -"Ik voedde de hoop, dat gij u op eene vriendelijke manier zoudt laten -bewegen om Louisa hier een tijd van rust en nadenken te vergunnen, -die in vele opzichten tot eene trapsgewijze verandering en verbetering -der omstandigheden zal kunnen strekken." - -"Die de incompatibiliteit, zooals gij ze opvat, wat zal moeten -verhelpen?" zeide Bounderby. - -"Als gij het zoo wilt uitdrukken." - -"Wat heeft u daaraan doen denken?" zeide Bounderby. - -"Ik heb reeds gezegd, ik vrees dat Louisa niet begrepen is geworden. Is -het te veel gevergd, Bounderby, dat gij, die zooveel ouder zijt, -behulpzaam zoudt wezen tot eene poging om haar terecht te brengen. Gij -hebt met haar eene groote verantwoordelijkheid op u genomen. Gij hebt -haar genomen of zij mee- of tegenviel..." - -Misschien klonk deze herhaling der woorden, die hij Stephen Blackpool -had toegevoegd, Bounderby onaangenaam in de ooren; hij viel er ten -minste met eene beweging van schrik en gramschap op in: - -"Daarover behoeft mij niets gezegd te worden. Ik weet waarvoor ik -haar genomen heb, evengoed als gij. Waarvoor ik haar genomen heb, -gaat u niet aan, dat is mijne zaak." - -"Ik wilde alleen maar aanmerken, Bounderby, dat wij mogelijk allen -meer of minder verkeerd gedaan hebben, gij niet uitgezonderd; en -dat eenige inschikkelijkheid van uw kant, als gij bedenkt welk eene -verantwoordelijkheid gij aanvaard hebt, misschien niet alleen een -bewijs van ware genegenheid zou zijn, maar mogelijk ook een plicht, -dien gij Louisa verschuldigd zijt." - -"Ik denk er anders over," zeide Bounderby, op zijne winderigste manier; -"en ik zal de zaak afdoen zooals ik ze begrijp. Ik wil er geene -ruzie met u over maken, Tom Gradgrind. Om u de waarheid te zeggen, -ik geloof niet dat het bij mijne reputatie zou passen, over zulk een -geval ruzie te maken. Wat uw fatsoenlijken en voornamen vriend betreft, -hij mag heenloopen waar hij maar wil. Als hij mij in den weg komt, -zal ik hem zeggen hoe ik over hem denk; als hij mij niet in den weg -komt, zal ik het niet doen, want dan zou het niet de moeite waard -zijn. Wat uwe dochter aangaat, die ik tot Louisa Bounderby gemaakt -heb, en misschien liever maar Louisa Gradgrind had moeten laten -blijven, als zij morgenmiddag om twaalf uur niet thuis is, zal ik -het er voor houden, dat zij liever wegblijft, en zal ik hare kleeren -en andere dingen hier aan huis zenden, en dan kunt gij voortaan op -haar passen. Wat ik de menschen over het algemeen zal zeggen over de -incompatibiliteit, die mij haar zoo de wet heeft doen stellen, zal dit -wezen: Ik ben Josiah Bounderby, en ik heb mijne opvoeding gehad; zij -is de dochter van Tom Gradgrind, en zij heeft hare opvoeding gehad; -en die twee paarden willen niet samen trekken. Ik ben hier tamelijk -wel bekend als een man, die buitengemeen is, geloof ik; en de meeste -menschen zullen gauw genoeg begrijpen, dat eene vrouw ook eenigszins -van eene buitengemeene soort moet wezen, om het mij op den duur naar -mijn zin te maken." - -"Laat ik u ernstig mogen verzoeken, Bounderby, om dit nog eens -te overwegen," zeide mijnheer Gradgrind, "eer gij tot zulk eene -beslissing overgaat." - -"Ik beslis altijd dadelijk," antwoordde Bounderby, zijn hoed op -het hoofd smijtende, "en wat ik doe, doe ik terstond. Het zou mij -verwonderen, Tom Gradgrind zoo iets tegen Josiah Bounderby van Coketown -te hooren zeggen, daar ik toch weet, dat hij hem wel kent, als ik mij -nog kon verwonderen over iets, dat Tom Gradgrind doet, nadat hij zich -met sentimenteele lorrendraaierij begint op te houden. Ik heb u mijn -besluit gemeld en heb niets meer te zeggen. Goedenavond!" - -Aldus ging Bounderby naar zijn huis in de stad en naar bed. Des anderen -daags vijf minuten over twaalven gaf hij last om het goed van mevrouw -Bounderby zorgvuldig op te pakken en naar Tom Gradgrind te zenden, -adverteerde in de couranten dat zijn buitengoed uit de hand te koop -was, en hervatte zijne levenswijs als vrijgezel. - - - - - - - -XXXII. - -VERLOREN. - - -De zaak van den diefstal in het kantoor was intusschen niet uit het oog -verloren en hield ook nu niet op eene eerste plaats in de aandacht van -den voornaamsten deelhebber aan dat etablissement te beslaan. Om als -een uitstekend man, die zich zelven tot een man gemaakt had, als een -commercieel wonder, meer bewonderenswaardig dan Venus, daar hij uit -het slijk in plaats van uit de zee was opgerezen, een brallend bewijs -van zijne voortvarendheid en werkzaamheid te geven, wilde hij toonen -hoe weinig zijne huiselijke aangelegenheden zijn ijver voor zijne -beroepszaken konden verzwakken. In de eerste weken na de scheiding van -zijne vrouw was hij dus nog woeliger, luidruchtiger en ongeduldiger dan -gewoonlijk, en dagelijks maakte hij zooveel beweging over het onderzoek -naar den diefstal, dat de politiebeambten, wien hij de zaak in handen -had gegeven, bijna wenschten, dat zij maar nooit gepleegd was. - -Bovendien waren zij geheel van het spoor en wisten niet wat te -doen. Hoewel zij zich sedert lang zoo stil hadden gehouden, dat de -meeste menschen dachten dat zij de zaak als hopeloos hadden laten -varen, was er niets nieuws voorgevallen. Niemand, die in het geval -betrokken was, vatte ontijdig moed tot een stap, waardoor hij zich -zelven verried, en wat nog opmerkelijker was, men kon niets van Stephen -Blackpool vernemen, en de geheimzinnige oude vrouw bleef een raadsel. - -Nu de zaken zoover waren gekomen en het scheen, dat men op deze -manier niet verder zou vorderen, kwam Bounderby tot het besluit om -een stouten maatregel te wagen. Hij liet een aanplakbiljet drukken, om -eene belooning van twintig pond uit te loven voor den aanbrenger van -Stephen Blackpool, verdacht van medeplichtigheid aan den diefstal, -die in het kantoor was gepleegd. Hij beschreef den genoemden -Stephen Blackpool--zijne kleeding, kleur, lengte (naar gissing) en -voorkomen--zoo nauwkeurig mogelijk, vermeldde wanneer hij de stad had -verlaten en waar men hem het laatst had gezien en liet het reusachtige, -met groote zwarte letters bedrukte blad in het holle van den nacht -overal aanplakken, zoodat het de geheele bevolking op eens onder de -oogen moest komen en met verbazing vervullen. - -De werkklokken der fabrieken moesten dien ochtend veel harder luiden -dan anders, om de groepen werklieden te verstrooien, die bij deze -plakkaten bleven staan en ze met gretige oogen verslonden. Niet de -minst gretigen van die vergaderde oogen waren de oogen van hen, die -niet konden lezen. Terwijl deze lieden naar de vriendschappelijke -stem luisterden, die hardop voorlas--en zulk eene hulp was overal -gereed--staarden zij de letters, die zooveel te beduiden hadden, met -zekere vreesachtige verwondering en eerbied aan, die bijna comisch -zouden zijn geweest, indien eenig blijk van zulke algemeene onkunde -ooit anders dan dreigend en onheilspellend kon wezen. Uren later, onder -het draaien van spillen, het kletteren van weefgetouwen en het snorren -van raderen, hadden zij die plakkaten nog voor de oogen en klonken -de woorden hun nog in de ooren; en toen de arbeiders des middags naar -huis gingen, waren er wederom evenveel lezers als in den ochtend. - -Slackbridge, de afgevaardigde, moest dien avond in eene vergadering het -woord voeren, en verschafte zich bij den drukker een overgeschoten -biljet, dat hij in zijn zak medebracht. O, mijne vrienden en -landgenooten, in het stof vertredene werklieden van Coketown, o mijne -medebroeders, medearbeiders, medeburgers en medemenschen, welke oogen -zette men op, toen Slackbridge dat "doemvonnis", gelijk hij het noemde, -openvouwde, en ter verfoeiing der vergadering omhoog hield. - -"O, mijne medemenschen, ziet waartoe een verrader in het leger dier -edele geesten, die hunne namen op de heilige rol der vereeniging -hebben laten inschrijven, in staat is! O, mijne bejammerenswaardige -vrienden, die het knellend juk van dwingelanden op den hals voelt, -die door den ijzeren voet der tirannie in het stof der aarde wordt -vertreden, waarin uwe onderdrukkers u gaarne al de dagen van uw -leven op den buik zien kruipen gelijk de slang in den hof--o mijne -broeders, en zal ik als een man ook niet zeggen, o mijne zusters, -wat zegt gij nu van Stephen Blackpool, een weinig rond van schouders -en ongeveer vijf voet zeven duim lang, gelijk in dit vernederende, -dit walgelijke, dit schandvlekkende, dit verfoeielijke papier te -lezen staat; en met welk eene majesteit van ontwaardiging zult gij -de adder verpletteren, die zulk eene schande zou willen brengen -over het naar Gods beeld geschapene geslacht, dat hem gelukkig voor -eeuwig heeft uitgebannen! Ja, mijne lotgenooten, gelukkig hebt gij -hem van u afgezonderd en uitgebannen! Want gij herinnert u wel, -hoe hij hier op dit spreekgestoelte voor u stond; gij herinnert u, -hoe ik hem toen, van aangezicht tot aangezicht en voet voor voet, -door al zijne ingewikkelde kronkelpaden volgde; gij herinnert u, hoe -hij zich wond en wrong, hoe hij woorden ziftte en haarkloofde, tot -hij geen duim breed gronds meer had om zich aan vast te klampen, en ik -hem uitdreef van onder ons, als een voorwerp van eeuwigdurenden smaad, -van wrekend verdelgende, zengende en brandende verfoeiing voor ieder -vrij gemoed en elken denkenden geest! En nu, mijne vrienden--mijne -arbeidende vrienden--want ik verheug en beroem mij in dien scheldnaam -van werkman--mijne vrienden, wier hard, maar eerlijk bed door noesten -arbeid wordt gespreid, wier schrale, maar vrije pot in diepen druk -wordt gekookt; en nu, zeg ik, mijne vrienden, welken naam heeft die -lafhartige verrader zich zelven gegeven, nu hij, met het masker van -het aangezicht gerukt, in al zijne aangeborene wanstaltigheid voor -ons staat--wat is hij nu? Een dief! Een roover! Vogelvrij verklaarde -vluchteling, op wiens hoofd een prijs gezet is; een vuile kanker -voor den edelen naam der werklieden van Coketown! Daarom, mijn -kring van broederen in een heilig verbond, waaronder uwe kinderen en -uwe nog ongeborene kindskinderen reeds hand en zegel hebben gezet, -doe ik u, uit last van het vereenigd gemeenschappelijk Tribunaal, -altijd waakzaam en ijverig voor uw welzijn, het voorstel, dat deze -vergadering zal besluiten: Dat, dewijl de wever Stephen Blackpool, in -dit plakkaat bedoeld, alreeds door de vereeniging der fabriekarbeiders -van Coketown plechtig is uitgebannen, deze arbeiders vrij zijn van -de schande zijner wanbedrijven en hunne klasse de schuld niet kan -dragen van zijne oneerlijke handelingen." - -Slackbridge zweeg nu, nadat hij zich buiten adem en in het zweet had -geschreeuwd. Eenige weinige ernstige stemmen riepen: "Neen!" en toen -een man zeide: "Slackbridge, ge zijt al te overijld daarin; ge haast -u veel te veel!" riepen eenige anderen goedkeurend: "Hoor, hoor!" Maar -dit waren slechts enkelen tegen een geheel leger; de vergadering bleek -de woorden van Slackbridge algemeen voor een evangelie te houden, -en beantwoordde hem met een driewerf herhaald gejuich, hetwelk hij -met hijgend welgevallen aanhoorde. - -Deze lieden waren nog op straat en gingen stil naar huis, toen Sissy, -die eenige minuten vroeger van Louisa was weggeroepen, weder bij -haar kwam. - -"Wie is er?" vroeg Louisa. - -"Het is mijnheer Bounderby," antwoordde Sissy, beschroomd om dien -naam uit te spreken, "en mijnheer Tom, en eene jonge vrouw, die zegt -dat zij Rachel heet, en dat gij haar kent." - -"Wat willen ze hebben, lieve Sissy?" - -"Zij willen u spreken; Rachel heeft geschreid en schijnt boos te zijn." - -"Vader," zeide Louisa, want hij was in de kamer, "ik kan niet weigeren -hen te zien, om eene reden die ik zelf verklaren zal. Mogen zij -hier binnenkomen?" - -Toen hij toestemmend antwoordde, ging Sissy hen halen en kwam terstond -met hen terug. Tom was de laatste en bleef in het donkerste gedeelte -van het vertrek, vlak bij de deur staan. - -"Mevrouw Bounderby," zeide haar echtgenoot, met een koel knikje -binnenkomende, "ik stoor u niet, hoop ik. Het is een onbehoorlijk -uur, maar hier is eene jonge vrouw, die verklaringen heeft gedaan, -welke mijn bezoek noodzakelijk maken. Tom Gradgrind, daar uw zoon, -de jonge Tom, om eene of andere reden hardnekkig weigert om iets -hoegenaamd, goed of kwaad, over die verklaringen te zeggen, ben ik -genoodzaakt haar met uw dochter te confronteeren." - -"Gij hebt mij vroeger nog eens gezien, mevrouw," zeide Rachel, zich -vlak voor Louisa plaatsende. - -Tom kuchte. - -"Gij hebt mij vroeger nog eens gezien," herhaalde Rachel, toen Louisa -geen antwoord gaf. - -Tom kuchte nog eens. - -"Ja, dat heb ik," zeide Louisa nu. - -Rachel sloeg met fierheid hare oogen naar Bounderby op en zeide toen: -"Wilt gij nu ook bekend maken, mevrouw, waar dat was en wie daar -waren?" - -"Ik ging naar het huis, waar Stephen Blackpool op een bovenkamer -woonde, op den avond toen hij was afgedankt, en zag u daar. Hij was -daar ook; en eene oude vrouw, die niet sprak, en die ik ternauwernood -kon zien, stond in een hoek. Mijn broeder was bij mij." - -"Waarom kondt gij dat niet zeggen, Tom?" vroeg Bounderby. - -"Ik had mijne zuster beloofd, dat ik het niet zou doen." En toen Louisa -dit haastig bevestigd had, vervolgde de hondsvot met bitterheid: -"En bovendien, als zij hare eigene historie zoo goed--en zoo -volledig--vertelt, wat had ik haar die dan uit den mond te nemen?" - -"Zeg nu, mevrouw, als het u belieft," hervatte Rachel, "waarom gij -tot zijn ongeluk dien avond bij Stephen zijt gekomen?" - -"Ik had medelijden met hem," antwoordde Louisa met verhoogde kleur, -"en ik wenschte te weten wat hij zou gaan doen en hem mijne hulp aan -te bieden." - -"Dank je wel, mevrouw," viel Bounderby hierop in. "Zeer vereerd -en verplicht." - -"Hebt gij hem toen eene banknoot aangeboden?" hervatte Rachel. - -"Ja, maar hij weigerde die en wilde niet meer dan twee pond in goud -aannemen." - -Rachel sloeg hare oogen weder naar mijnheer Bounderby op. - -"O ja wel," zeide Bounderby. "Als gij vragen wilt of uw belachelijk -en onwaarschijnlijk bericht waar was of niet, moet ik zeggen, dat -het nu bevestigd is." - -"Mevrouw," hervatte Rachel, "Stephen Blackpool wordt nu in een -gedrukt papier door de geheele stad, en waar niet al meer, openlijk -een dief genoemd. Er is van avond eene vergadering geweest, waar men -op dezelfde schandelijke manier over hem gesproken heeft. Stephen--de -eerlijkste, de trouwste, de beste man van de wereld!" Hier werd hare -verontwaardiging door droefheid overmeesterd, en zij brak snikkend af. - -"Het spijt mij, het spijt mij zeer," zeide Louisa. - -"O mevrouw, mevrouw," antwoordde Rachel, "ik hoop, dat het u -spijt, maar ik weet het niet! Ik kan niet zeggen wat gij misschien -gedaan hebt! Menschen als gij kennen ons niet, geven niet om ons, -behooren niet tot ons. Ik weet niet waarom gij dien avond misschien -gekomen zijt. Ik kan niet anders zeggen, of gij zult misschien uwe -eigene oogmerken daarmede gehad hebben, zonder u te bekommeren om -de ongelegenheid, waarin gij zoo iemand als dien armen man zoudt -brengen. Ik zeide toen: God zegene u, dat gij gekomen zijt; en dat -zeide ik met al mijn hart, omdat gij zooveel medelijden met hem -scheent te hebben; maar nu weet ik het niet, nu weet ik het niet." - -Louisa was niet in staat om haar over haar onbillijk vermoeden -te misprijzen; haar vast vertrouwen op haar vriend en hare innige -droefheid strekten haar tot voldoende verontschuldiging. - -"En als ik bedenk," zeide Rachel tusschen haar snikken door, "dat -de arme man zoo dankbaar was en dacht, dat gij zoo goed voor hem -waart--als ik bedenk, dat hij zijne hand voor zijn gezicht hield om -de tranen te verbergen, die gij hem in de oogen hadt gebracht--o, -dan hoop ik dat het u spijten mag, en dat gij geene grootere reden -tot spijt moogt hebben; maar ik weet het niet, ik weet het niet." - -"Het staat u mooi," bromde de hondsvot, in zijn donkeren hoek onrustig -heen en weer schuivende, "om met zulke lasterlijke praatjes aan te -komen. Gij moest terstond de deur worden uitgesmeten; dat zou niet -meer zijn dan gij verdient." - -Zij gaf geen antwoord hierop, en haar zacht schreien was het eenige -geluid dat men hoorde, totdat mijnheer Bounderby het woord nam. - -"Komaan," zeide hij, "gij weet waartoe gij u verbonden hebt. Denk -liever daarom en niet om wat anders." - -"Het spijt mij waarlijk," antwoordde Rachel, hare oogen afdrogende, -"dat iemand mij zoo gezien heeft, maar men zal mij niet weder -zoo zien. Mevrouw, toen ik gelezen had wat er van Stephen gedrukt -is--en dat evenveel waarheid bevat alsof het van u gezegd was--ben ik -rechtstreeks naar het kantoor gegaan, om te zeggen dat ik wist waar -Stephen was, en voor vast en zeker te beloven, dat hij over twee -dagen hier zou zijn. Ik kon mijnheer Bounderby toen niet spreken -en uw broeder zond mij weg; en toen zocht ik u op, maar gij waart -niet te vinden, en zoo ging ik weder naar mijn werk. Zoodra ik van -avond uit de fabriek kwam, haastte ik mij om te hooren wat er van -Stephen gezegd werd--want ik weet, dat hij met glans zal terugkomen -om dat gerucht te schande te maken--en toen ging ik weer om mijnheer -Bounderby op te zoeken, en ik vond hem en zeide hem al wat ik wist; -en hij geloofde niets van wat ik zeide en bracht mij hier." - -"Zoo ver is alles waar," zeide Bounderby, met de handen in de zakken -en den hoed op het hoofd. "Maar ik ken ulieden langer dan vandaag, -moet ge weten, en ik weet, dat gij uit gebrek aan praatjes nooit -sterven zult. Maar nu raad ik u niet zooveel aan praten te denken -als aan handelen. Gij hebt op u genomen iets te doen, en al wat ik -voor het oogenblik te zeggen heb, is--doe het." - -"Ik heb dezen namiddag met de post aan Stephen geschreven, gelijk -ik vroeger nog eens aan hem geschreven heb," antwoordde Rachel, -"en hij zal ten langste over twee dagen hier zijn." - -"Dan zal ik u eens wat zeggen," liet Bounderby hierop volgen. "Gij weet -misschien niet, dat men nu en dan ook op u gepast heeft, daar men u -niet vrij van verdenking hield, omdat de menschen meestal beoordeeld -worden naar het gezelschap waarin zij verkeeren. Het postkantoor is -ook niet vergeten geworden. Wat ik u nu zeg, is, dat er nooit een -brief aan Stephen Blackpool door u verzonden is. Waar dus uw brief -gebleven is, moet gij zelf maar raden. Misschien vergist gij u en -hebt gij er nooit een geschreven." - -"Hij was nog geene week hier vandaan geweest, mevrouw," zeide Rachel, -zich naar Louisa keerende, alsof zij zich op deze wilde beroepen, "of -hij zond den eenigen brief, dien ik ooit van hem gehad heb, om mij te -zeggen, dat hij genoodzaakt was onder een anderen naam werk te zoeken." - -"Zoo waarachtig!" riep Bounderby uit, nadat hij fluitende zijn hoofd -had geschud, "heeft hij zijn naam veranderd! Dat is eenigszins -ongelukkig voor zulk een onberispelijk persoon. Het wordt in ons -gerechtshof een weinigje verdacht gehouden, geloof ik, als een -onschuldig man toevallig verscheidene namen heeft." - -"In naam der barmhartigheid, mevrouw," zeide Rachel, wederom met -tranen in de oogen, "wat zou de arme man doen? De meesters tegen hem -aan den eenen kant, de werklieden aan den anderen, terwijl hij niets -anders verlangde dan in vrede te werken en te mogen doen wat hij voor -recht hield. Kan iemand dan geene eigene ziel, geen eigen geweten -hebben? Moet hij het, door goed en kwaad heen, geheel met den eenen -of met den anderen kant houden, of anders gejaagd worden als een haas?" - -"Waarlijk, ik beklaag hem met al mijn hart," zeide Louisa, "en ik hoop, -dat hij zich zal kunnen zuiveren." - -"Daarvoor behoeft gij niet bang te zijn, mevrouw. Hij is veilig." - -"Des te veiliger zou ik denken," zeide Bounderby, "omdat gij niet -wilt zeggen waar hij is, niet waar?" - -"Hij zal door mijn bedrijf niet terugkomen met de onverdiende schande -van teruggebracht te worden. Hij zal vrijwillig terugkomen om zich te -zuiveren, en om allen, die zijn goeden naam beklad hebben, terwijl -hij er niet was om zich te verdedigen, te schande te maken. Ik heb -hem gezegd wat er tegen hem gedaan is," zeide Rachel, op wier gemoed -alle vertrouwen afstuitte, gelijk de golven der zee op eene rots, -"en hij zal ten langste over twee dagen hier zijn." - -"Evenwel," liet Bounderby hierop volgen, "als hij vroeger gepakt kan -worden, zal hij ook vroeger gelegenheid hebben om zich te zuiveren. Wat -u betreft, ik heb niets tegen u; wat gij mij zijt komen zeggen, blijkt -de waarheid te zijn, en ik heb u gelegenheid gegeven om te bewijzen, -dat het de waarheid was, en daar mede is het afgedaan. Ik wensch u -allen goedenavond. Ik moet weg om dit wat nader te onderzoeken." - -Zoodra mijnheer Bounderby zich omkeerde, kwam Tom uit zijn hoek, -bleef dicht bij hem en ging met hem heen. De eenige afscheidsgroet, -dien hij voor iemand over had, was een stuursch: "Goedenavond, -vader!" Met dat korte gezegde en een donkeren blik naar zijne zuster, -verliet hij het huis. - -Sedert zijn plechtanker hem begeven had, was mijnheer Gradgrind zeer -karig met woorden geweest. Hij bleef nog stil zitten, toen Louisa -vriendelijk zeide: - -"Rachel, gij zult mij eens niet meer wantrouwen, als gij mij beter -kent." - -"Het stuit mij tegen de borst," antwoordde Rachel op zachter toon dan -vroeger, "iemand te moeten wantrouwen; maar als ik zoo gewantrouwd -werd--als wij het allen worden--kan ik zulke dingen niet geheel uit -het hoofd zetten. Ik vraag u verschooning, dat ik u beleedigd heb. Ik -geloof nu niet meer wat ik zoo even zeide. Maar ik zou wel weder zoo -kunnen gaan gelooven, als die arme man zoo verongelijkt wordt." - -"Hebt gij hem in uw brief gezegd," vroeg Sissy, "dat men vermoeden -op hem heeft gekregen, omdat men hem des avonds bij het kantoor -had gezien? Hij zou dan weten wat hij zou moeten ophelderen als hij -terugkwam, en daarop voorbereid zijn." - -"Ja, lieve juffrouw," antwoordde zij, "maar ik kan niet raden wat -hem daar heeft doen komen. Hij placht nooit daarheen te gaan. Het -was geheel niet in zijn weg. Zijn weg was dezelfde als de mijne, -en niet daar voorbij." - -Sissy was reeds naar haar toegekomen, om haar te vragen waar zij -woonde, en of zij morgenavond mocht komen vernemen of er tijding van -hem was. - -"Ik twijfel," antwoordde Rachel, "of hij vóór overmorgen wel hier -kan zijn." - -"Dan zal ik ook overmorgenavond komen," zeide Sissy. - -Toen Rachel hierin had toegestemd en vertrokken was, hief mijnheer -Gradgrind zijn hoofd op en zeide tot zijne dochter: - -"Louisa, kindlief, ik heb nooit, zooveel ik weet, dien man -gezien. Gelooft gij, dat hij er in betrokken is?" - -"Ik heb er, meen ik, vroeger wel aan geloofd, vader, hoewel met veel -moeite. Maar nu geloof ik het niet meer." - -"Dat wil zeggen, dat gij u zelve eens overreed hebt om het te gelooven, -omdat gij wist dat hij verdacht werd. Zijn voorkomen en manier van -doen--zijn die zoo eerlijk?" - -"Bijzonder eerlijk." - -"En haar vertrouwen op hem was zoo ongeschokt! Ik denk bij mij zelven," -zeide mijnheer Gradgrind peinzende, "zou de werkelijke misdadiger -van die beschuldigingen weten? Waar is hij? Wie is hij?" - -Zijn haar was sedert kort begonnen van kleur te veranderen; en toen -hij weder met het hoofd in de hand bleef zitten, zoo verouderd en -vergrijsd, kwam Louisa, met een blik vol vrees en medelijden, haastig -naar hem toe en zette zich dicht naast hem. Bij toeval ontmoetten -hare oogen juist die van Sissy. Het goede meisje werd rood van schrik, -en Louisa legde haar voorvinger op hare lippen. - -Toen Sissy den volgenden avond weder thuis kwam en Louisa berichtte, -dat Stephen nog niet gekomen was, deed zij dit fluisterend. Den avond -daarna, toen zij met dezelfde tijding thuis kwam, en er bijvoegde dat -men niet van hem gehoord had, deed zij dit even zacht en angstig. Van -het oogenblik af, dat zij dien blik hadden gewisseld, noemden zij -nooit weder overluid zijn naam, en spraken zij nooit verder over den -diefstal, wanneer mijnheer Gradgrind daarvan begon melding te maken. - -De twee bepaalde dagen verliepen; drie dagen en nachten verliepen, -en Stephen Blackpool kwam niet en liet niets van zich hooren. Op den -vierden dag ging Rachel, wier vertrouwen ongeschokt bleef, maar die -begreep dat haar brief niet terecht was gekomen, naar het kantoor en -liet daar den brief zien, dien zij vroeger van hem had ontvangen en -waarin zijn adres was opgegeven in een fabriekplaatsje, dat zestig -mijlen ver en niet aan den grooten weg lag. Er werden lieden naar -die plaats gezonden, en de geheele stad verwachtte, dat Stephen den -volgenden dag opgebracht zou worden. - -Gedurende dien geheelen tijd had de hondsvot mijnheer Bounderby als -zijne schaduw vergezeld en in alles wat hij deed geholpen. Hij was -in eene geweldige spanning, zeer koortsig, beet zijne nagels tot op -het vleesch toe weg, en sprak met eene harde, ratelende stem en met -droge, als het ware verschroeide lippen. Op het uur, dat de verdachte -verwacht werd, was de hondsvot aan het station, en wilde wedden dat -hij zich uit de voeten had gemaakt vóór de komst van hen, die hem -waren gaan zoeken, en dat hij dus niet zou verschijnen. - -De hondsvot had gelijk. De afgezondenen kwamen alleen terug. Rachel's -brief was verzonden en bezorgd; maar Stephen Blackpool had zich -op hetzelfde uur te zoek gemaakt en niemand wist iets meer van -hem. De eenige twijfel, dien men te Coketown koesterde, was, of -Rachel wel te goeder trouw geschreven had om er op aan te dringen -dat hij zou terugkomen, of dat zij hem had gewaarschuwd de vlucht te -nemen. Daaromtrent waren de gevoelens verdeeld. - -Zes dagen, zeven dagen, ver in eene volgende week. De rampzalige -hondsvot vatte moed--een akeligen moed--en begon brutaal te -worden. "Was de verdachte kerel de dief? Mooie vraag! Zoo niet, -waar was de man dan en waarom kwam hij niet terug?" - -Waar was de man en waarom kwam hij niet terug? In het holste van -den nacht kwam de weerklank van deze zijne woorden, die over dag de -Hemel weet hoe ver weggevlogen waren, in plaats van den man terug, -en hield hem gezelschap tot aan den ochtend. - - - - - - - -XXXIII. - -GEVONDEN. - - -Wederom een dag en nacht, en wederom een dag en nacht. Geen Stephen -Blackpool. Waar was de man en waarom kwam hij niet terug? - -Elken avond ging Sissy naar de woning van Rachel en zat bij haar -in haar klein, net kamertje. Den geheelen dag werkte Rachel, gelijk -zulke lieden moeten werken, welken angst zij ook mogen verduren. Voor -de rookslangen was het onverschillig wie verloren of gevonden werd, -met wien het goed of slecht afliep; de zwaarmoedige olifanten weken -evenmin als de mannen van feiten van hun vasten gang af, wat er -ook mocht gebeuren. Wederom een dag en nacht, en wederom een dag en -nacht. De eentonigheid was onafgebroken. Zelfs het verdwijnen van -Stephen Blackpool viel in de gewone sleur, en werd een even eentonig -wonder als ieder stuk machinerie te Coketown. - -"Ik twijfel," zeide Rachel, "of er twintig in de geheele stad over -zijn, die nu nog eenig vertrouwen op den lieven, goeden man hebben." - -Zij zeide dit tegen Sissy, terwijl zij in haar kamertje zaten, alleen -door de lantaren op den hoek der straat verlicht. Sissy was daar -gekomen toen het reeds donker was, om naar Rachel's terugkomst van -haar werk te wachten; en sedert hadden zij aan het venster gezeten, -waar Rachel haar gevonden had, zonder helderder licht noodig te hebben -om hare treurige taak te beschijnen. - -"Als het niet zoo genadig beschikt was, dat ik u had om mede te -spreken," vervolgde Rachel, "zouden er, denk ik, tijden zijn dat -ik niet bij mijn verstand zou zijn gebleven. Maar ik krijg hoop en -kracht door u; en ik geloof, hoewel de schijn tegen hem mag wezen, -dat hij toch nog onschuldig zal blijken." - -"Dat geloof ik ook met al mijn hart," antwoordde Sissy. "Ik ben bij -mij zelve zoo verzekerd, Rachel, dat het vertrouwen, dat gij tegen -alle bezwaren in blijft koesteren, niet verkeerd kan wezen, dat ik -evenmin aan hem twijfel alsof ik hem gedurende juist zooveel jaren -van beproeving had gekend als gij gedaan hebt." - -"En ik, lieve," zeide Rachel met eene beving in hare stem, "heb door -al die jaren heen ondervonden, dat hij, op zijne stille manier, zoo -getrouw was aan al wat eerlijk en goed is, dat ik, al moest men nooit -iets meer van hem hooren, en al moest ik honderd jaren oud worden, -toch met mijn laatsten adem zou kunnen zeggen: God kent mijn hart, -ik heb nooit opgehouden Stephen Blackpool te vertrouwen." - -"Wij op Stone Lodge, Rachel, gelooven allen, dat hij vroeger of later -van alle verdenking zal bevrijd worden." - -"Hoe meer ik weet dat men daar zoo gelooft," zeide Rachel, "en hoe -vriendelijker ik het vind, dat gij opzettelijk daar vandaan komt -om mij te troosten en gezelschap te houden, en u bij mij laat zien -terwijl ik zelve nog niet vrij van alle verdenking ben, des te meer -spijt het mij, dat ik ooit die woorden van achterdocht tegen de jonge -mevrouw heb gesproken. En toch...." - -"Gij wantrouwt haar toch nu niet meer, Rachel?" - -"Nu gij ons weder bij elkander hebt gebracht--neen. Maar ik kan het -niet altijd uit mijne gedachten zetten...." - -Hare stem daalde tot eene zachte en langzame alleenspraak, zoodat -Sissy, die naast haar zat, met oplettendheid moest luisteren. - -"Ik kan het niet altijd laten den een of ander te verdenken. Ik kan -niet raden wie het is; ik kan niet raden hoe of waarom; maar ik heb -een vermoeden, dat iemand Stephen uit den weg heeft geholpen. Ik heb -een vermoeden, dat hij, door vrijwillig terug te komen, en zich voor -iedereen onschuldig te toonen, iemand anders beschamen zou, die--om -dit te voorkomen--hem opgehouden en uit den weg geholpen heeft." - -"Dat is eene schrikkelijke gedachte," zeide Sissy, verbleekende. - -"Ja, het is schrikkelijk, te denken dat hij vermoord zou zijn." - -Sissy huiverde en werd nog bleeker. - -"Als dat mij in het hoofd komt, lieve," vervolgde Rachel, "en dat wil -het somtijds, hoezeer ik ook mijn best doe om het er uit te houden, -door tot hooge getallen toe te tellen als ik werk, of stukken op te -zeggen, die ik van buiten leerde toen ik een kind was--dan word ik -zoo schrikkelijk gejaagd en ongeduldig, dat ik, hoe moede ik ook ben, -wel mijlen en mijlen ver zou willen loopen. Ik moet dit te boven -komen eer ik naar bed ga. Ik zal met u naar huis gaan." - -"Hij kan op reis hierheen ziek zijn geworden," zeide Sissy, met eene -flauwe stem een versleten stukje hoop aanbiedende; "en in dat geval, -zijn er onderweg vele plaatsen waar hij zich kon ophouden." - -"Maar hij is daar nergens. Men heeft overal naar hem gezocht, en hij -is er niet." - -"'t Is waar," luidde Sissy's onwillige toestemming. - -"Hij kon de reis te voet in twee dagen doen; en als hij niet te voet -kon gaan, heb ik hem in den brief, dien hij kreeg, geld gezonden om te -kunnen rijden, uit vrees, dat hij zelf geen geld te missen zou hebben." - -"Laten wij hopen, dat morgen iets beters zal aanbrengen, Rachel. Kom -mede in de lucht." - -Hare zachte hand hing Rachel's doek over hare glanzig zwarte haren op -de gewone manier waarop zij dien droeg, en zij gingen naar buiten. Daar -het een fraaie avond was, stonden hier en daar troepjes werklieden -op de hoeken der straten te drentelen; maar voor de meesten was het -etenstijd, en er waren maar weinig menschen op straat. - -"Ge zijt nu zoo gejaagd niet meer, Rachel, en uwe hand is koeler." - -"Ik word altijd beter, lieve, als ik maar kan loopen en wat frissche -lucht inademen; maar als ik dat niet kan, word ik flauw en duizelig." - -"Maar gij moet niet beginnen te bezwijken, Rachel, want gij zult -misschien op een of anderen tijd noodig zijn om Stephen bij te -staan. Morgen is het zaterdag. Als er morgen geen nieuws komt, laten -wij dan zondagochtend eene verre wandeling door het veld doen, opdat -gij kracht verzamelt voor de volgende week. Wilt gij dat?" - -"Ja, lieve." - -Zij waren nu in de straat gekomen waar het huis van Bounderby -stond. Sissy's weg liep de deur voorbij, en zij waren niet ver meer -daar vandaan. Er was pas een spoortrein aangekomen, die een aantal -rijtuigen in beweging bracht en een aanmerkelijk gewoel door de stad -verspreidde. Verscheidene koetsen ratelden voor en achter de twee -wandelaarsters, toen zij het huis van Bounderby naderden, en juist -toen zij het voorbijgingen, hield eene koets zoo plotseling op, dat zij -onwillekeurig omkeken. Het heldere gaslicht boven de stoep van mijnheer -Bounderby deed haar mevrouw Sparsit herkennen, die in de koets zat en -driftige pogingen aanwendde om het portier te openen. Mevrouw Sparsit -zag beiden op hetzelfde oogenblik en riep ze om te blijven wachten. - -"Dat is eene beschikking der Voorzienigheid," riep mevrouw Sparsit -uit, toen de koetsier haar uit hare gevangenis had verlost. "Kom er -uit, juffrouw," vervolgde zij tegen iemand, die nog in de koets zat; -"kom er uit, of wij zullen er u uit laten slepen." - -De persoon, die hierop te voorschijn kwam, was niemand anders dan de -geheimzinnige oude vrouw, en mevrouw Sparsit greep haar dadelijk bij -haar kleed vast. - -"Blijft van haar af, allemaal!" riep mevrouw Sparsit met grooten -ijver. "Laat niemand haar aanraken. Zij behoort mij. Kom binnen, -juffrouw," vervolgde zij daarop, haar vorig commando omkeerende; -"kom binnen, of wij zullen u laten binnenslepen." - -Het schouwspel van klassieke deftigheid, die eene oude vrouw bij -de keel greep en een huis binnensleepte, zou altijd voor alle echt -Engelsche nieuwsgierigen, gelukkig genoeg om daarvan getuigen te -zijn, eene groote verzoeking zijn geweest om dat huis mede binnen -te dringen en te zien hoe de zaak afliep. Maar nu het merkwaardige -van dit verschijnsel nog vergroot werd door de ruchtbaarheid van -den bekenden diefstal in het kantoor, moest het alle toevallige -voorbijgangers met onweerstaanbare kracht in huis lokken, al had men -ook kunnen verwachten, dat het dak hun op het hoofd zou vallen. Alle -toevallig aanwezige getuigen, die uit de nieuwsgierigsten der buren -ten getale van omtrent vijf en twintig bestonden, sloten zich dus -achter den trein aan, toen mevrouw Sparsit en hare gevangene, door -Sissy en Rachel gevolgd, het huis binnengingen, en de geheele troep -drong in een verwarden drom de eetzaal van mijnheer Bounderby in, -terwijl de achtersten niet draalden met op de stoelen te klimmen, -om zoo over de voorsten te kunnen heenzien. - -"Roep mijnheer Bounderby beneden!" riep mevrouw Sparsit. "Gij, Rachel, -weet gij wie dit is?" - -"Dit is juffrouw Pegler," antwoordde Rachel. - -"Dat zou ik ook denken!" riep mevrouw Sparsit zegevierend uit. "Roep -mijnheer Bounderby. Gaat uit den weg, allemaal." Hier poogde de -oude juffrouw Pegler, die zich dicht had ingemoffeld en zooveel -mogelijk wegkroop, fluisterend en smeekend iets te zeggen. "Praat -mij van niets,", zeide mevrouw Sparsit hardop. "Ik heb u onderweg al -twintigmaal gezegd, dat ik u niet loslaat eer ik u aan hem in eigen -persoon heb overgegeven." - -Nu verscheen mijnheer Bounderby, vergezeld door mijnheer Gradgrind -en den hondsvot, met welke twee hij boven had gesproken. Bounderby's -gezicht gaf meer verbazing dan gastvrijheid te kennen, toen hij het -ongenoodigde gezelschap in zijne eetzaal ontwaarde. - -"Wat is er nu aan de hand, mevrouw Sparsit?" zeide hij. - -"Mijnheer," zoo begon die brave vrouw hare opheldering, "ik vertrouw -dat ik het geluk heb u iemand voor oogen te plaatsen, die gij zeer -gewenscht hebt te vinden. Geprikkeld door mijn verlangen om uw -gemoed gerust te stellen, mijnheer, en afgaande op die onvolkomene -aanwijzingen van de plaats, waar die persoon zou kunnen wonen, -door dat meisje, Rachel, gegeven, die gelukkig juist hier is, om -te zeggen of zij haar herkent, is het mij gelukt haar te vinden en -hier te brengen--ik behoef niet te zeggen zeer tegen haar wil. Het -is niet zonder moeite geweest dat ik dit gedaan heb, mijnheer; maar -moeite in uw dienst is mij een vermaak, en honger, dorst en koude -een wezenlijk genot." - -Hier bleef mevrouw Sparsit steken; want niet zoodra kreeg mijnheer -Bounderby de oude juffrouw Pegler te zien of zijn gezicht nam eene -tegenstrijdige mengeling van kleuren en uitdrukkingen aan, waaronder -echter verslagenheid de overhand had. - -"Wat heeft dat te beduiden?" was de hoogst onverwachte vraag, die -hij haar gramstorig toebulderde. "Ik vraag wat dat te beduiden heeft, -juffrouw?" - -"Mijnheer!" zeide mevrouw Sparsit flauw. - -"Waarom houdt gij u op met dingen, die u niet raken, juffrouw?" viel -Bounderby uit. "Hoe durft gij hier komen en uw bemoeizieken neus in -mijne familiezaken steken?" - -Deze toespeling op het lichaamsdeel, waaraan zij zooveel waarde -hechtte, overweldigde mevrouw Sparsit geheel en al. Zij zette zich -stijf op een stoel, alsof zij bevroren was; en mijnheer Bounderby -strak aanstarende, liet zij langzaam hare mofjes over elkander krassen, -alsof zij ook bevroren waren. - -"Mijn lieve Josiah!" riep juffrouw Pegler bevend uit. "Mijn beste -jongen! Ik kan het niet helpen. Het is mijne schuld niet, Josiah. Ik -heb die juffrouw dikwijls genoeg gezegd, dat ik wel wist, dat het -u niet aangenaam zou zijn wat zij deed, maar zij wilde er niet van -afzien." - -"Waarom hebt gij u laten brengen? Kondt gij hare muts niet aftrekken, -of haar een tand uitslaan, of haar op eene andere wijze van u -afmaken?" zeide Bounderby. - -"Maar, mijn jongen, zij dreigde mij, als ik mij te weer stelde, zou -ik door constables hier gebracht worden, en het was beter stilletjes -te komen dan tumult te maken in zulk"--hier zag juffrouw Pegler -beschroomd en toch trotsch in het rond--"in zulk een mooi huis als -dit is. Waarlijk, waarlijk, het is mijne schuld niet. Mijn beste, -brave, deftige zoon! Ik heb altijd stil en verscholen geleefd, lieve -jongen. Ik heb geen enkelen keer de conditie gebroken. Ik heb nooit -gezegd, dat ik uwe moeder was. Ik heb u maar in de verte bewonderd; -en als ik somtijds naar de stad ben gekomen, met lange tusschenpoozen, -om eens met verrukking naar u te kijken, heb ik het onbekend gedaan, -lieve jongen, en ben dan stil weer heengegaan." - -Mijnheer Bounderby stapte met de handen in de zakken en een gezicht -vol verdriet en ongeduld langs de lange eettafel op en neer, terwijl -de toeschouwers ieder woord van juffrouw Pegler gretig opvingen en -hunne oogen hoe langer hoe wijder opensperden. Daar Bounderby nog -bleef op en neer stappen toen juffrouw Pegler geëindigd had, sprak -mijnheer Gradgrind de zwaar belasterde vrouw aldus aan: - -"Het verwondert mij, juffrouw," zeide hij met strengheid, "dat gij -op uwe jaren nog het hart hebt, mijnheer Bounderby hier uw zoon te -komen noemen, nadat gij zoo onnatuurlijk en onmenschelijk met hem -hebt gehandeld." - -"Ik onnatuurlijk!" riep de arme juffrouw Pegler uit. "Ik -onmenschelijk! Voor mijn dierbaren zoon!" - -"Dierbaar!" herhaalde mijnheer Gradgrind. "Ja, dierbaar, nu hij door -eigen arbeid tot fortuin gekomen is, juffrouw, dat geloof ik wel. Maar -toch niet heel dierbaar, toen gij in zijne kindsheid van hem zijt -weggeloopen en hem aan de mishandelingen eener dronken grootmoeder -hebt overgelaten." - -"Ik mijn Josiah verlaten!" riep juffrouw Pegler uit, hare handen -ineenslaande. "Nu, God vergeve u uwe slechte gedachten, mijnheer, -en uw laster tegen de nagedachtenis van mijne goede moeder, die in -mijne armen gestorven is eer Josiah geboren was. Ik hoop dat gij er -berouw van zult hebben, mijnheer, en beter leeren." - -Zij zeide dit zoo ernstig en op zulk een smartelijken toon, dat -mijnheer Gradgrind, schrikkende van de mogelijkheid, die hij begon -te begrijpen, met eene veel zachtere stem zeide: - -"Ontkent gij dan, juffrouw, dat gij uw zoon in--in de goot hebt -laten liggen?" - -"Josiah in de goot!" riep juffrouw Pegler uit. "Wel zeker ontken ik -dat, mijnheer. Foei, gij moest u schamen zoo iets te zeggen. Mijn -lieve jongen weet, en hij zal het u zeggen ook, dat hij wel van -nederige ouders, maar toch van ouders is gekomen, die hem zoo lief -hadden als de beste maar konden doen, en wie het nooit zuur viel zich -zelven wat te bekrimpen, om hem zoo heerlijk te laten schrijven en -cijferen leeren; ik heb zijne boeken nog thuis, waarin gij dat zien -kunt. Ja, dat heb ik!" zeide zij met trotsche verontwaardiging. "En -mijn lieve jongen weet, en zal het u ook wel zeggen, mijnheer, dat, -toen zijn lieve vader gestorven was, toen hij acht jaren oud was, -zijne moeder zich ook wel wat kon bekrimpen, gelijk het haar plicht, -haar vermaak en haar trots was te doen, om hem in de wereld voort -te helpen en hem in de leer te bestellen. En een oppassende jongen -was hij, en een goed meester had hij om hem een handje te helpen, -en braaf heeft hij gewerkt om een rijk en gezeten man te worden. En -ik zal u zeggen, mijnheer--want mijn lieve jongen zal dat niet willen -doen--dat, hoewel zijne moeder maar een klein dorpswinkeltje hield, -hij haar toch nooit vergat, maar haar een pensioen gaf van dertig -pond 's jaars--meer dan ik noodig heb, want ik houd er nog van -over--alleen het beding makende, dat ik zou blijven waar ik woonde, -en niet op hem roemen en hem niet lastig vallen. En dat heb ik ook -nooit gedaan, behalve dat ik eens in het jaar naar hem kwam kijken, -zonder dat hij het ooit geweten heeft. En het is goed, dat ik moet -blijven wonen waar ik woon," vervolgde de goede oude vrouw, haar zoon -met hartelijken ijver voorsprekende, "want ik twijfel er niet aan, -of ik zou, als ik hier was, maar vele ongemanierde dingen doen, en ik -ben nu weltevreden, en kan mijn hoogmoed op mijn Josiah voor mij zelve -houden en hem lief hebben, alleen omdat ik hem liefheb. En ik schaam -mij voor u, mijnheer," zoo besloot zij, "over uwe kwaadsprekendheid en -ergdenkendheid. Ik ben hier nog nooit geweest, en heb hier nooit willen -wezen, als mijn lieve zoon neen zeide. En ik zou hier ook nu niet -wezen, als ik niet gebracht was. Gij moest u schamen, ja, dat moest -gij, om mij te betichten eene slechte moeder voor mijn zoon geweest -te zijn, terwijl mijn zoon daar staat om geheel iets anders te zeggen." - -De omstanders op den grond en op de stoelen gaven door hun gemompel -hunne sympathie met juffrouw Pegler te kennen, en mijnheer Gradgrind -gevoelde zich op eene onschuldige manier in een zeer onaangenamen -toestand geplaatst, toen mijnheer Bounderby, die zonder ophouden op -en neer was blijven stappen en met ieder oogenblik rooder en meer -opgezwollen was, op eens pal bleef staan. - -"Ik weet niet recht," zeide hij, "hoe ik aan de eer van het aanwezige -gezelschap kom, maar daarnaar vraag ik ook niet. Als zij nu voldaan -zijn, zullen zij misschien zoo goed wezen van heen te gaan; en al -mochten zij niet voldaan zijn, dan zullen zij misschien toch zoo goed -wezen van heen te gaan. Ik ben niet verplicht eene voorlezing over -mijne familiezaken te houden; dat heb ik niet aangenomen te doen, -en dat zal ik ook niet doen. Zij, die eenige opheldering over dat -gedeelte van het geval verwachten, zullen teleurgesteld worden--vooral -Tom Gradgrind, en dat kan hij niet te spoedig weten. Wat den diefstal -in het kantoor betreft, heeft er ten aanzien van mijne moeder eene -vergissing plaats gehad. Zonder iemands overgroote gedienstigheid -zou dat niet gebeurd zijn, en ik heb altijd een hekel aan overgroote -gedienstigheid. Goedenavond!" - -Hoewel mijnheer Bounderby zich aldus van de zaak afhielp en de deur -openhield om het gezelschap uit te laten, had hij toch eene bluffende -schaapachtigheid over zich, die tegelijk zeer jammerlijk en uiterst -belachelijk was. Tentoongesteld in zijn snoevende nederigheid, -als een man die zijne winderige reputatie op logens had gebouwd, -en met zijn pochen de waarheid even ver van zich had weggejaagd -alsof hij de lage eerzucht had gehad (en lager is er niet) om zich -een adellijken stamboom te verdichten, maakte hij eene allerzotste -vertooning. Terwijl hij aan de deur stond om de lieden uit te laten, -die hij wist dat het gebeurde door de geheele stad zouden verspreiden, -om het aan de vier winden prijs te geven, had men geen armzaliger -voorbeeld van een tentoongestelden snoever kunnen zien. Zelfs met de -ongelukkige mevrouw Sparsit, die van het toppunt harer zegepraal in -een poel van verslagenheid was gevallen, was het niet zoo ellendig -gesteld als met dien buitengemeenen man, die zich zelven tot een -dommen bedrieger gemaakt had, Josiah Bounderby van Coketown. - -Rachel en Sissy lieten juffrouw Pegler voor dien nacht een -nachtverblijf bij haar zoon vinden, en wandelden te zamen naar het -hek van Stone Lodge, waar zij afscheid namen. Mijnheer Gradgrind -kwam haar achterop eer zij nog ver op weg waren, en sprak met veel -belangstelling over Stephen Blackpool, voor wien hij dacht, dat dit -openlijke bewijs, hoe ongegrond de vermoedens tegen juffrouw Pegler -geweest waren, waarschijnlijk gunstige gevolgen zou hebben. - -Wat den hondsvot betreft, onder dit geheele tooneel, gelijk sedert -kort bij alle gelegenheden, was hij dicht bij mijnheer Bounderby -gebleven. Hij scheen te denken, dat hij, zoolang Bounderby geene -ontdekking kon doen zonder dat hij er van wist, in zooverre veilig -was. Hij had nooit zijne zuster bezocht, en haar sedert hare thuiskomst -maar eens gezien, namelijk op dien avond, toen hij, gelijk verhaald -is, insgelijks dicht bij Bounderby bleef. - -In het gemoed zijner zuster woonde eene duistere, vormlooze vrees, -waaraan zij nooit woorden gaf, en die haar slechten, ondankbaren -broeder met eene akelige geheimzinnigheid omhulde. Dezelfde donkere -mogelijkheid had zich juist dezen dag in dezelfde vormelooze gedaante -aan Sissy vertoond, toen Rachel er van sprak, dat iemand, die door -Stephen's terugkomst beschaamd zou worden, hem uit den weg zou hebben -geholpen. Louisa had nooit gezegd, dat zij haar broeder van eenige -medeplichtigheid aan den diefstal verdacht hield; zij en Sissy hadden -in dit opzicht geene uitwisseling van vertrouwen gehad, behalve dien -enkelen blik, toen de niets vermoedende vader zijn grijs hoofd op -zijne hand liet rusten; maar zij hadden elkander verstaan. Deze andere -vrees was zoo geducht, dat zij als eene spookachtige schim boven haar -bleef zweven, zonder dat een van beiden er aan durfde denken dat die -schrikgedaante haar nabij, veel minder dat zij ook nabij de andere was. - -En nog gelukte het den hondsvot zich goed te houden. Als Stephen -Blackpool de dief niet was, moest hij maar voor den dag komen. Waarom -deed hij dat niet? - -Nog een nacht. Nog een dag en nacht. Geen Stephen Blackpool. Waar -was de man, en waarom kwam hij niet terug? - - - - - - - -XXXIV. - -HET STERRENLICHT. - - -Do zondag was een heldere herfstdag, frisch en koel, toen Sissy en -Rachel in den vroegen morgen, bij elkander kwamen om eene wandeling -over het veld te doen. - -Daar Coketown stof en asch strooide, niet alleen op zijn eigen hoofd, -maar ook op den geheelen omtrek--op de manier van die vrome lieden, -die voor hunne eigene zonden boete doen door anderen in zakken te -kleeden--waren zij, die nu en dan naar een teugje zuivere lucht -dorstten (hetgeen niet volstrekt onder de goddelooze ijdelheden des -levens behoort), op dien dag gewoon zich eenige mijlen ver over den -spoorweg te laten brengen en dan hunne wandeling door het veld te -beginnen. Sissy en Rachel hielpen zich op de gebruikelijke manier -uit den rook, en werden bij een station omtrent halverwege tusschen -de stad en het buiten van mijnheer Bounderby afgezet. - -Hoewel het groene landschap hier en daar met hoopen steenkool was -bevlekt, was het elders toch groen, en waren er boomen te zien, -en hoorde men leeuweriken zingen (hoewel het zondag was) en waren -er aangename geuren in de lucht, en werd alles overwelfd door eene -heldere blauwe lucht. Aan den eenen kant vertoonde zich Coketown in -het verschiet gelijk een zwarte damp; in een ander verschiet begonnen -er heuvelen op te rijzen; in een derde was er eene flauwe verandering -in het licht langs den gezichteinder, waar het de afgelegene zee -bescheen. Onder de voeten der wandelaarsters was het gras frisch; -sierlijke schaduwen van takken speelden flikkerend daaroverheen; -de heggen stonden weelderig; alles was vrede. - -De machines boven de monden van mijnschachten, en de oude magere -paarden, die door hun dagelijkschen arbeid een kring in den grond -hadden getrapt, waren beiden in rust; de raderen hadden voor eene -korte poos opgehouden te draaien; en het groote rad der aarde scheen -zonder de schokken en het gerucht van een anderen tijd om te wentelen. - -Zij wandelden voort, over velden en door beschaduwde lanen, somtijds -over een stuk van een hek stappende, zoo verrot dat het brak als -de voet er tegen aanstiet, somtijds een hoop met gras begroeide -steenen en balken voorbijgaande, die de plaats van een verlaten -werk kenmerkten. Zij volgden paden en sporen, hoe gering zij ook -waren. Kleine hoogten, waarop het gras welig groeide en distels, -netelen en dergelijke planten waren opgeschoten, vermeden zij -steeds; want akelige histories werden in die streek verteld van oude -mijnputten, die onder zulke kenteekenen verborgen waren. - -De zon was hoog geklommen, toen zij gingen zitten om te rusten. Zij -hadden in langen tijd geen mensch van nabij of van verre gezien, en -de eenzaamheid bleef nog ongestoord. "Het is hier zoo stil, Rachel, -en het pad schijnt zoo weinig begaan, dat ik geloof dat wij de eersten -zijn, die den geheelen zomer hier zijn gekomen." - -Toen Sissy dit zeide, viel haar weder een stuk van een verrot hek in -het oog, dat op den grond lag. Zij stond op om er naar te kijken. - -"En toch weet ik het niet," zeide zij. "Dit is nog niet heel lang -geleden afgebroken. Het hout is nog versch gesplinterd. En hier zijn -ook voetstappen.--O, Rachel!" - -Zij kwam terugloopen en greep haar om den hals. Rachel was reeds -opgesprongen. - -"Wat is er?" - -"Ik weet het niet. Daar ligt een hoed in het gras." - -Zij gingen te zamen vooruit, Rachel die van het hoofd tot de voeten -beefde, nam den hoed op. Zij barstte in tranen en jammerklachten -uit. Stephen Blackpool had met zijne eigene hand zijn naam in den -hoed geschreven. - -"O, de arme man, de arme man! Men heeft hem van kant geholpen. Hij -ligt hier vermoord." - -"Is er--is er bloed aan?" bracht Sissy stamelend uit. - -Zij waren bang om er naar te zien, maar bezichtigden den hoed toch en -vonden geen spoor van geweld. De hoed had daar eenige dagen gelegen, -want hij was door den regen en den dauw verkleurd en had een indruk -van zijn vorm op het gras gelaten. Zij zagen vreesachtig rond, zonder -zich te bewegen, maar konden niets meer ontdekken. - -"Rachel," fluisterde Sissy, "ik zal alleen wat verder gaan." - -Zij had hare hand losgelaten en wilde juist een stap voorwaarts doen, -toen Rachel haar met een gil in beide armen greep. Vóór haar, vlak -voor hare voeten, was de afgebrokkelde kant eener zwarte diepte, -door het dichte gras verborgen. Zij deinsden terug, vielen op de -knieën en verborgen beiden haar gezicht aan elkanders hals. - -"O goede God! Hij is daar beneden! Daar beneden!" In het eerst was -dit akelig gegil alles, wat men door tranen, gebeden, vermaningen, -door welke poging ook, van Rachel kon bekomen. Het was onmogelijk -haar tot bedaren te brengen; en het was toch noodzakelijk dit te doen; -het was noodzakelijk haar vast te houden of zij zou zich in de diepte -hebben geworpen. - -"Rachel, lieve Rachel, goede Rachel, om 's Hemels wil, houd op met -dat schrikkelijke geschreeuw! Denk aan Stephen, denk aan Stephen, -denk aan Stephen!" - -Door eene ernstige herhaling dezer bede, met al den angst van zulk -een oogenblik ontboezemd, bracht Sissy haar eindelijk tot stilte, -en nu zag de ongelukkige haar aan zonder tranen en met een gezicht, -dat in steen scheen veranderd te zijn. - -"Rachel, Stephen kan nog leven. Gij wilt hem toch geen oogenblik -langer hulpeloos op den grond van dien akeligen put laten liggen, -als gij hem hulp kunt bezorgen!" - -"Neen, neen, neen!" - -"Ga dan om zijnentwil niet hier vandaan. Laat ik gaan luisteren." - -Zij huiverde om den put te naderen, maar zij kroop er op handen en -knieën naar toe en riep hem zoo hard zij roepen kon. Zij luisterde, -maar geen geluid gaf haar antwoord. Wederom riep en luisterde zij; -nog geen geluid. Zij deed dit twintig-, dertigmaal. Zij nam eene -kluit aarde van den afgebrokkelden grond, waar hij gestruikeld was, -en wierp dien in de opening. Zij kon niets hooren vallen. - -Het ruime uitzicht, waarvan de stilte weinige minuten geleden zoo -bekoorlijk was, vervulde haar moedig hart bijna met wanhoop, toen -zij opstond, overal rondkeek en geene hulp zag. - -"Rachel, wij moeten geen oogenblik verliezen. Wij moeten in -verschillende richtingen hulp gaan zoeken. Neem gij den weg dien wij -gekomen zijn; ik zal langs dit pad verder gaan. Zeg iedereen, wien -gij ontmoet, wat er gebeurd is. Denk aan Stephen, denk aan Stephen!" - -Zij zag aan Rachel's gezicht, dat zij haar nu kon vertrouwen. Nadat -zij eene poos was blijven staan om haar na te zien, terwijl zij haastig -voortstapte en al voortstappende hare handen wrong, keerde zij zich om -en begon zelve haar tocht om hulp te zoeken. Bij de heg bleef zij even -staan en bond haar doek daaraan vast, om de plek te herkennen; toen -wierp zij haar hoed op zijde en liep gelijk zij nog nooit had geloopen. - -Loop, Sissy, loop, in 's Hemels naam! Sta niet stil om adem te -halen! Loop, loop voort! Zich zelve aansporende, door zulk een biddend -roepen in hare gedachten te houden, liep zij van veld tot veld, -en van laan tot laan, en van plek tot plek, gelijk zij nog nooit -geloopen had, tot zij bij een afdakje aan een machinengebouw kwam, -waar twee mannen in de schaduw lagen te slapen. - -Hen eerst te wekken, en daarna te zeggen, overspannen en ademloos als -zij was, wat haar daar gebracht had, had vrij wat moeielijkheden in; -maar niet zoodra begrepen zij haar, of zij waren even vol ijver als -zij. Een van die mannen lag in den doffen slaap der dronkenschap, -maar toen zijn makker hem toeschreeuwde, dat er iemand in de Oude -Helschacht was gevallen, snelde hij heen naar een plas vuil water, -dompelde zijn hoofd daarin en kwam nuchter terug. - -Met deze twee mannen liep zij naar een ander, een halve mijl verder, -en met dezen weder naar een ander, terwijl de eerste twee elders -heen liepen. Toen werd er een paard gevonden, en kreeg zij een ander -man, om op leven of dood naar den spoorweg te rijden, en zond zij -eene boodschap aan Louisa, die zij opschreef en hem medegaf. Tegen -dien tijd was er een geheel dorp op de been; en windassen, touwen, -staken, emmers, kaarsen, lantarens en alle benoodigdheden werden snel -bijeengehaald om naar de Oude Helschacht gebracht te worden. - -Het scheen nu uren geleden sedert zij den verlorene verlaten had in -het graf, waar hij levend begraven lag. Zij kon niet langer van hem -vandaan blijven--het was alsof zij hem aan zijn lot overliet--en zij -haastte zich terug, vergezeld door een zestal arbeiders, waaronder de -dronken man, die door het nieuws nuchter was geworden en die de knapste -en ijverigste van allen was. Toen zij aan de Oude Helschacht kwamen, -vonden zij die zoo eenzaam als zij haar gelaten had. De arbeiders -riepen en luisterden, gelijk zij gedaan had, en bezichtigden den rand -van den afgrond, en beredeneerden hoe het gebeurd was, en gingen -toen zitten wachten, tot de gereedschappen, die zij noodig hadden, -gebracht werden. - -Elk geluid van insekten in de lucht, elk geritsel der bladeren, -elk gefluister onder die mannen deed Sissy beven, want dan dacht zij -eene stem te vernemen uit den put. Maar de wind woei ledig daarover -heen, en geen geluid kwam naar omhoog, en zij zaten te wachten en -te wachten. Nadat dit eenigen tijd had geduurd, begonnen er enkele -menschen te komen, die van het ongeluk hadden gehoord, en weldra begon -men ook de wezenlijke hulp van gereedschappen aan te brengen. Onder -dat alles kwam Rachel terug, en in haar gezelschap was een chirurgijn, -die wijn en eenige medicijnen medebracht. Doch de verwachting onder -de aanwezigen, dat de man nog levend zou gevonden worden, was waarlijk -al zeer gering. - -Dewijl er nu menschen genoeg bijeen waren om het werk te belemmeren, -plaatste de nuchter geworden man zich aan het hoofd der anderen, of -werd met algemeene bewilliging daaraan geplaatst, en maakte een grooten -kring om de Oude Helschacht en stelde eenigen aan om die ruimte vrij te -houden. Behalve de vrijwilligers, die voor het werk werden aangenomen, -mochten in het eerst alleen Rachel en Sissy binnen den kring komen; -maar later op den dag, toen de boodschap van Sissy een expressetrein -van Coketown had doen afrijden, kwamen mijnheer Gradgrind en Louisa, -en mijnheer Bounderby en de hondsvot insgelijks daarbinnen. - -De zon was vier uren lager gedaald dan toen Sissy en Rachel zich -het eerst op het gras neerzetten, voordat men van palen en touwen -een toestel had vervaardigd, waarmede twee mannen veilig konden -afdalen. Men had bezwaren gehad om dit werktuig samen te stellen, -zoo eenvoudig als het was; men had bevonden, dat het aan sommige -benoodigdheden ontbrak, en boodschappen hadden heen en weder moeten -gaan. Het was vijf ure in den namiddag van een helderen zondag in den -herfst, voordat er eene brandende kaars werd afgelaten om de lucht -te beproeven, terwijl drie of vier grove gezichten zich bij elkander -drongen om het licht na te zien, en de mannen aan het windas het touw -lieten schieten. De kaars werd flauw brandende weder opgehaald en toen -wierp men wat water in de diepte. Daarna werd de emmer aangehaakt; -en de nuchter geworden man en een ander stapten met licht daarin, -en gaven het woord: "Laat zakken!" - -Terwijl het touw, stijf gespannen, afdaalde, en het windas kraakte, was -er onder die honderd of tweehonderd mannen en vrouwen niemand, wiens -adem ging gelijk die gewoon was te gaan. Het sein werd gegeven, en het -windas stond stil, terwijl men nog touw genoeg overhad. Schijnbaar -zulk een lange tijd verliep er, terwijl de mannen aan het windas -ledig stonden, dat sommige vrouwen begonnen te gillen dat er een -nieuw ongeluk gebeurd was. Maar de chirurgijn, die zijn horloge in -de hand hield, zeide, dat er nog geen vijf minuten verloopen waren, -en vermaande haar op barschen toon zich stil te houden. Hij had -nauwelijks uitgesproken, toen het windas weder in beweging gebracht -en het touw opgehaald werd. Geoefende oogen zagen, dat het niet zoo -zwaar ging alsof beide werklieden werden opgeheschen, en dat er maar -één terugkwam. - -Het touw kwam strak gespannen naar boven; ring op ring wond zich om het -windas; en aller oogen waren op den put gevestigd. De nuchter geworden -man werd opgehaald en sprong vlug op het gras. Er was een algemeene -kreet van "Levend of dood?" en daarop volgde eene diepe stilte. - -Toen hij "levend!" zeide, ging er een groot gejuich op, en velen -kwamen de tranen in de oogen. - -"Maar hij is heel erg bezeerd," voegde hij er bij, zoodra hij zich -weder kon doen hooren. "Waar is de dokter? Hij is zoo erg bezeerd, -mijnheer, dat ik niet weet hoe wij hem zullen ophalen." - -Allen hielden te zamen raad en zagen den chirurgijn bekommerd aan, -toen hij eenige vragen deed en na het hooren der antwoorden zijn hoofd -schudde. De zon ging nu onder, en het roode licht in de avondlucht -bescheen alle gezichten, zoodat men hen in al hunne angstige spanning -kon onderscheiden. - -Het beraad eindigde daarmede, dat de lieden naar het windas -terugkeerden en de mijnwerker nogmaals afdaalde, thans wat wijn en -eenige andere kleinigheden medenemende. Toen kwam de andere man naar -boven. Ondertusschen hadden eenige lieden, op last van den chirurgijn, -eene horde gehaald, waarop anderen van hunne opperkleederen, met los -stroo bedekt, een dik bed maakten, terwijl hij zelf eenige verbanden en -windsels van omslagdoeken en zakdoeken vervaardigde. Toen deze gereed -waren, werden zij den mijnwerker, die het laatst was bovengekomen, -over den arm gehangen, met onderrichtingen hoe ze te gebruiken; en -terwijl hij daar stond, in het schijnsel van het licht, dat hij droeg, -met zijne forsche ledige hand op een der palen leunende, en nu in den -put neerziende, dan in het rond naar de menschen kijkende, was hij -vooral niet de minst in het oog loopende gedaante van dit tooneel. Het -was nu donker geworden en er werden flambouwen aangestoken. - -Uit het weinige, dat deze man tot de naaste omstanders zeide en -dat spoedig door den geheelen kring verspreid werd, bleek het, -dat de verlorene op een hoop aarde was gevallen, die den put half -verstopt had, en dat zijn verdere val gebroken was door eenige aan -de kanten uitstekende aardkluiten. Hij lag op den rug, met den eenen -arm samengevouwen onder zich, en had zich, naar hij zelf geloofde, -sedert zijn val nauwelijks bewogen, behalve dat hij zijne vrije hand -naar zijn zijzak had gebracht, waarin hij zich herinnerde wat brood -en vleesch te hebben (waarvan hij een weinig had gebruikt), en ook -met die hand nu en dan wat water had opgeschept. Hij was terstond -van zijn werk gekomen, zoodra er om hem geschreven was, en had de -geheele reis te voet gedaan; en hij was na den donker op weg naar -het buiten van mijnheer Bounderby, toen hij in den put viel. Hij -was op dien gevaarlijken tijd deze gevaarlijke streek doorgegaan, -omdat hij, in het gevoel zijner onschuld aan hetgeen hem te last -werd gelegd, niet rusten kon, of hij moest den naasten weg komen -om zich te rechtvaardigen. De Oude Helschacht, zeide de mijnwerker, -met een vloek op dien moorddadigen put, was tot het laatste toe haar -slechten naam waardig gebleven; want hoewel Stephen nu nog spreken -kon. geloofde hij toch dat hij het niet lang meer zou maken. - -Toen alles gereed was, verdween de man weder in de diepte, nog onder -het afdalen de laatste haastige aanwijzingen van den chirurgijn en -zijne makkers aannemende. Het touw werd gevierd gelijk te voren, het -sein werd weder gegeven, en het windas stond stil. Niemand trok er nu -de hand van af. Ieder wachtte met vastgeklemde vuist en reeds naar -het werk gebogen lichaam om weder op te winden. Eindelijk werd het -sein gegeven, en de geheele kring van omstanders boog zich voorover. - -Want nu kwam het touw, ten uiterste gespannen, naar het scheen, naar -boven; het werk ging zwaar, en het windas piepte en kraakte. Het was -bijna onuitstaanbaar naar het touw te zien en te denken, dat het zou -kunnen breken. Maar ring op ring werd veilig om het windas gewonden, -en de kettingen kwamen te voorschijn, en eindelijk de emmer met de -twee mijnwerkers, die zich aan de kanten vasthielden--een gezicht -om het hart te beklemmen en het hoofd te doen duizelen--en tusschen -hen in, behoedzaam vastgehouden en vastgebonden, de gedaante van een -mensch--bijna verbrijzeld. - -Een zacht gemompel van medelijden liep door de menigte heen, en de -vrouwen schreiden hardop, toen deze gedaante, bijna zonder vorm, -zeer langzaam uit den ijzeren verlosser werd getild en op het bed van -stroo nedergelegd. In het eerst ging niemand dan de chirurgijn er dicht -bij. Hij deed wat hij kon om het lichaam in gemakkelijker houding te -schikken, maar het beste, wat hij doen kon, was het te bedekken. Toen -hij dit met eene zachte hand gedaan had, riep hij Rachel en Sissy. En -toen zag men het bleeke, uitgeteerde, geduldige gezicht naar den -hemel opzien, terwijl de gekneusde rechterhand bloot op het dek van -kleederen lag, als wachtende om door eene andere hand gevat te worden. - -Zij gaven hem te drinken, bevochtigden zijn gezicht met water, -en dienden hem eenige droppels van een opwekkend middel met wijn -toe. Hoewel hij geheel roerloos naar de lucht lag te staren, glimlachte -hij en zeide: "Rachel!" - -Zij knielde bij hem op het gras en boog zich over hem heen, tot hare -oogen tusschen de zijne en de lucht waren, want hij kon ze zelfs niet -verdraaien om naar haar te zien. - -"Rachel, melieve!" - -Zij nam zijne hand. Hij glimlachte wederom en zeide: "Laat ze niet -los." - -"Hebt ge veel pijn, lieve Stephen?" - -"Die heb ik gehad, maar nu niet meer. Ik heb schrikkelijk erg en lang -pijn gehad, lieve--maar het is nu over. Och, Rachel, 't is alles een -warboel! Van het begin tot het einde een warboel!" - -Eene schim van zijn vroeger uitzicht scheen voorbij te zweven toen -hij dit zeide. - -"Ik ben in den put gevallen, lieve, die, gelijk oude lieden nog -heugt, honderden en honderden menschenlevens gekost heeft--vaders, -zonen en broeders, dierbaar aan duizenden en duizenden, en die -ze voor honger en gebrek bewaarden. Ik ben in den put gevallen, -die met zijn vuurdamp wreeder dan een oorlog geweest is. Ik heb er -van gelezen in de petitie van de lieden, die in de putten werken, -gelijk iedereen ze lezen kan, waarin zij de wettenmakers om Christus' -wil bidden om te maken dat hun werk hen toch niet vermoorden zal, maar -hen te sparen voor de vrouwen en kinderen, die zij even liefhebben als -voorname lieden de hunne hebben. Toen die put bewerkt werd, bracht -hij buiten noodzaak vele menschen om het leven, en nu hij verlaten -is, doet hij dat nog. Zie hoe wij altijd buiten noodzaak sterven, -op de eene of de andere manier--altijd in een warboel." - -Hij zeide dit met eene flauwe stem, zonder eenige gramschap tegen -iemand--alleen als eene waarheid. - -"Uw zusje, Rachel--gij hebt haar niet vergeten. Het is niet denkelijk, -dat gij haar nu vergeten zult, nu ik zoo dicht bij haar ben. Gij -weet--dat arme, geduldige, lieve kind--hoe gij voor haar gewerkt hebt, -toen zij den geheelen dag op haar stoeltje voor het venster zat, -en hoe zij stierf, jong en mismaakt, ondermijnd door die ongezonde -lucht, die er niet behoefde te zijn, en de ellendige woningen, die -de werklieden hebben. Een warboel! Alles een warboel!" - -Louisa naderde hem, maar hij kon haar niet zien, daar zijn gezicht -naar de donkere nachtlucht omhoog gekeerd was. - -"Als alle dingen, die ons aangaan, lieve, niet zoo in de war lagen, -had ik niet hier behoeven te komen. Als wij onder ons zelven niet in -een warboel zaten, zouden mijne eigene makkers mij niet zoo verkeerd -beoordeeld hebben. Als mijnheer Bounderby mij ooit recht gekend -had--als hij mij ooit eenigszins gekend had--zou hij zich niet boos -op mij gemaakt hebben. Dan zou hij mij niet verdacht hebben. Maar -zie daar omhoog, Rachel! Zie daar boven!" - -Zijne oogen volgende, zag zij, dat hij naar eene ster tuurde. - -"Die heeft mij beschenen," zeide hij eerbiedig, "in mijne pijn en mijn -nood daar beneden. Zij heeft in mijn gemoed geschenen. Ik heb naar -haar opgezien en aan u gedacht, Rachel, tot de warboel in mijn geest -is opgeruimd, meer dan een weinigje, hoop ik. Als sommigen gedwaald -hebben door mij niet beter te verstaan, heb ik ook gedwaald door hen -niet beter te verstaan. Toen ik uw brief kreeg, geloofde ik terstond, -dat wat de jonge mevrouw tegen mij gezegd en gedaan had, eenerlei was, -en dat er een goddeloos komplot tusschen hen bestond. Toen ik viel, -was ik kwaad op haar, en haastte ik mij voort, om zoo onbillijk voor -haar te zijn als anderen voor mij geweest waren. Maar in ons oordeel, -evenals in ons doen, moeten wij dragen en verdragen. In mijne pijn en -mijn nood daarheen opziende--terwijl zij mij bescheen--heb ik alles -duidelijker ingezien, en heb het tot mijn stervend gebed gemaakt, -dat de geheele wereld dichter tot elkander mocht komen en elkander -beter mocht leeren verstaan, dan toen ik zwakke man er nog in was." - -Toen Louisa hoorde wat hij zeide, boog zij zich over hem heen, aan -den kant tegenover Rachel, zoodat hij haar kon zien. - -"Gij hebt het gehoord?" zeide hij na eene korte poos van stilte. "Ik -heb u niet vergeten, mevrouw." - -"Ja, Stephen, ik heb u gehoord, en uw gebed is het mijne." - -"Gij hebt een vader. Wilt gij een paar woorden van mij aan hem -overbrengen?" - -"Hij is hier," zeide Louisa met angst. "Zal ik hem bij u brengen?" - -"Als het u belieft." - -Louisa kwam met haar vader terug. Hand in hand zagen beiden neer op -het ernstige gelaat des lijders. - -"Mijnheer, gij zult mij zuiveren en mijn naam weder goed maken bij -alle menschen. Dit laat ik aan u over." - -Mijnheer Gradgrind ontstelde en vroeg hoe. - -"Mijnheer," was het antwoord, "uw zoon zal u zeggen hoe. Vraag het -hem. Ik beschuldig niemand; ik zeg er niets bij, geen enkel woord. Ik -heb uw zoon op zekeren avond gezien en gesproken. Ik vraag niet -meer dan dit: zuiver gij mij van de beschuldiging--en ik vertrouw, -dat gij het doen zult." - -Daar de dragers nu gereed waren om hem op te nemen en de chirurgijn -verlangde, dat hij zoo spoedig mogelijk vervoerd werd, plaatsten zij, -die flambouwen of lantarens hadden, zich voor de draagbaar. Eer die -werd opgenomen, en terwijl men schikkingen maakte hoe men gaan zou, -zeide hij tot Rachel, terwijl hij naar de ster omhoog zag: - -"Dikwijls, als ik bij mij zelven kwam en haar mij zag beschijnen in -mijn nood, dacht ik dat zij de ster was, die den weg wees naar het huis -van onzen Zaligmaker. Ik denk haast, dat het dezelfde ster moet wezen." - -Zij namen hem nu op en hij verheugde zich dat men hem wegdroeg in de -richting welke die ster scheen aan te wijzen. - -"Rachel, bemind meisje! Laat mijne hand niet los. Dezen avond mogen -wij wel samen gaan, lieve!" - -"Ik zal uwe hand vasthouden en naast u blijven, Stephen, den geheelen -weg." - -"God zegene u! Wil iemand zoo goed zijn om mijn gezicht toe te dekken?" - -Zij droegen hem zeer behoedzaam de velden door en de lanen langs, -door de uitgestrekte vlakte; en Rachel hield steeds die hand in -de hare. Zeer weinige gefluisterde woorden stoorden de treurige -stilte. Spoedig was het een lijkstoet. De ster had hem gewezen -waar den God der armen te vinden; en door nederigheid, droefheid en -vergevensgezindheid was hij ingegaan tot de rust van zijn Verlosser. - - - - - - - -XXXV. - -DE HONDSVOT-JACHT. - - -Eer nog de kring, die zich om de Oude Helschacht gevormd had, gebroken -werd, was een dergenen, die binnen dezen kring waren toegelaten, -verdwenen. Bounderby en Tom, die zijn patroon thans als zijne schaduw -vergezelde, hadden niet bij Louisa gestaan, terwijl zij haar vader -bij den arm vasthield, maar op een afstand ver van de anderen. Toen -mijnheer Gradgrind naar den lijder werd geroepen, sloop Sissy, -oplettend op al wat er gebeurde, achter Tom--wiens gezicht, waarop een -angstig afgrijzen geteekend stond, een belangwekkend schouwspel zou -geweest zijn, indien men oogen had gehad voor eenig ander schouwspel -behalve dat eene--en fluisterde hem iets in het oor. Zonder zijn hoofd -om te draaien, sprak hij eenige oogenblikken met haar en verdween -toen. Aldus was de hondsvot reeds buiten den kring, eer deze zich -begon te verspreiden. - -Toen de vader thuis kwam, zond hij eene boodschap naar Bounderby, om -te verzoeken, dat zijn zoon terstond bij hem zou komen. Het antwoord -was, dat Bounderby, daar hij Tom in het gedrang gemist en sedert niet -weder gezien had, gemeend had dat hij zich op Stone Lodge bevond. - -"Ik geloof, vader," zeide Louisa, "dat hij van avond niet weder in -de stad zal komen." - -Mijnheer Gradgrind keerde zich om en sprak geen woord meer. - -Des morgens ging hij zelf naar het kantoor, zoodra dit open was, -en toen hij de plaats van zijn zoon ledig zag (hij had eerst haast -den moed niet om binnen te kijken) ging hij de straat langs terug, om -Bounderby op zijn weg daarheen te ontmoeten, en gaf dezen te kennen, -dat hij het om redenen, die hij spoedig zou openbaren, maar dringend -verzocht hem nu niet af te vragen, noodig had geacht zijn zoon voor -korten tijd elders te plaatsen; en dat hij voorts belast was met de -verplichting om de nagedachtenis van Stephen Blackpool te zuiveren en -den dief bekend te maken. Mijnheer Bounderby, geheel verstomd, bleef, -nadat zijn schoonvader hem verlaten had, stokstijf op de straat staan, -zwellende als eene reusachtige zeepbel, maar lang zoo fraai niet. - -Mijnheer Gradgrind ging naar huis, sloot zich in zijne kamer op en -bleef daar den geheelen dag. Toen Sissy en Louisa aan zijne deur -klopten, zeide hij, zonder die te openen: "Nu niet, lieve kinderen, -van avond." Toen zij des avonds terugkwamen, zeide hij: "Ik ben er nog -niet toe in staat--morgen." Hij at den geheelen dag niets, en liet, -toen het donker werd, geen licht komen; en zij hoorden hem tot laat -in den nacht heen en weder stappen. - -In den ochtend kwam hij echter op het gewone uur aan het ontbijt en -zette zich aan de tafel op zijne gewone plaats. Hij zag er verouderd -en vervallen uit, en was geheel terneergebogen; en toch zag men het -hem aan, dat hij een wijzer en beter man was, dan in de dagen toen -hij in dit leven niets anders noodig had dan feiten. Eer hij de -kamer verliet, bepaalde hij een tijd dat zij bij hem zouden komen; -en zoo ging hij heen, met het grijze hoofd op de borst gezonken. - -"Lieve vader," zeide Louisa, toen zij bij hem waren gekomen, "gij hebt -nog drie jonge kinderen over. Zij zullen anders worden, en ik zal met -'s Hemels hulp ook nog anders worden." - -Zij reikte Sissy hare hand toe, alsof zij toonen wilde, dat zij -daarbij ook op hare hulp rekende. - -"Uw rampzalige broeder!" zeide mijnheer Gradgrind. "Denkt gij, dat -hij den diefstal reeds voorhad toen hij met u naar dat huis ging?" - -"Ik vrees van ja, vader. Ik weet, dat hij zeer om geld verlegen was -en veel verteerd had." - -"En daar die arme man de stad zou verlaten, kwam het in zijne booze -gedachten op, om de verdenking op hem te doen vallen?" - -"Ik geloof, dat het hem moet ingevallen zijn terwijl hij daar zat, -vader; want ik had hem gevraagd om met mij daarheen te gaan. Dat -bezoek was geen verzinsel van hem." - -"Hij had ook een gesprek met dien armen man. Nam hij hem ter zijde?" - -"Hij nam hem buiten de kamer. Ik vroeg hem naderhand waarom hij -dat gedaan had, en hij gaf eene aannemelijke reden op; maar sedert -gisteravond, vader, en als ik mij nu de omstandigheden herinner, -vrees ik, dat ik mij maar al te goed kan verbeelden wat er tusschen -hen is omgegaan." - -"Laat mij eens hooren," zeide haar vader, "of uwe gedachten uw -schuldigen broeder in hetzelfde ongunstige licht plaatsen als de -mijne." - -"Ik vrees, vader," antwoordde Louisa aarzelend, "dat hij Stephen -Blackpool iets moet hebben wijs gemaakt, misschien in mijn naam iets -beloofd, of in zijn eigen naam--dat den man bewoog om zonder eenig -kwaad opzet en ter goeder trouw, te doen wat hij voorheen nog nooit -gedaan had, en die twee of drie avonden, voordat hij de stad verliet, -voor het kantoor te blijven heen en weer dwalen." - -"Maar al te duidelijk!" zeide haar vader. "Maar al te duidelijk!" - -Hij hield zijne hand voor zijn gezicht en zweeg eene poos. Zich toen -herstellende, zeide hij: - -"En hoe is hij nu te vinden? Hoe is hij uit de handen van het gerecht -te houden? Hoe zullen wij hem vinden, in de weinige uren, die ik met -mogelijkheid kan laten verloopen eer ik de waarheid openbaar maak, -en hoe zullen wij tegelijk zorgen, dat niemand anders hem vindt? Met -geene tienduizend pond zou dat te doen zijn." - -"Sissy heeft het reeds gedaan, vader." - -Hij sloeg de oogen op naar de plek waar zij stond, als ware zij de -goede fee in zijn huis, en zeide op een toon van weemoedige teederheid -en dankbaarheid: "Altijd zijt gij het, mijn kind!" - -"Wij waren er al vroeger dan gisteren voor bevreesd," zeide Sissy, -met een blik naar Louisa; "en toen ik u gisteravond bij de draagbaar -zag komen en hoorde wat er gezegd werd (want ik bleef steeds dicht -bij Rachel), ging ik naar hem toe, terwijl niemand het zag, en zeide: -"Kijk niet naar mij om. Zie met wien uw vader spreekt. Neem terstond -de vlucht, om zijn en uw eigen wil." Hij stond al te beven eer ik hem -dit toefluisterde, en toen schrikte en beefde hij nog meer, en zeide: -"Waar kan ik naar toe gaan? Ik heb maar heel weinig geld, en ik weet -niet wie mij zal verbergen." Toen dacht ik aan het paardenspel, -waar mijn vader in geweest is. Ik heb niet vergeten waar mijnheer -Sleary in dezen tijd van het jaar heen gaat, en ik las pas voor kort -van hem in eene courant. Ik zeide hem dus, spoedig daarheen te gaan, -zijn naam te zeggen, en mijnheer Sleary te vragen om hem te verbergen -totdat ik kwam. "Ik zal nog vóór den ochtend bij hem zijn," zeide hij; -en ik zag hem tusschen de menschen heensluipen." - -"De Hemel zij gedankt!" riep zijn vader uit. "Hij kan dan nog het -land uitgeholpen worden." - -Dit was te meer waarschijnlijk, omdat de stad, waarheen Sissy hem -verwezen had, binnen de drie uren reizens van Liverpool was gelegen, -van waar hij met allen spoed naar ieder gedeelte der wereld kon worden -overgebracht. Maar dewijl men nu voorzichtig moest wezen in het houden -van gemeenschap met hem--want met ieder uur steeg het gevaar, dat hij -verdacht zou worden, en niemand kon weten of Bounderby zelf niet, in -zijn bluffenden ijver voor het algemeene welzijn, eene Romeinsche rol -zou willen spelen--werd er afgesproken, dat Sissy en Louisa zich langs -een omweg alleen naar de bedoelde plaats zouden begeven, en dat de -ongelukkige vader, eene geheel tegenovergestelde richting inslaande, -zich langs een nog grooter omweg bij haar zou komen voegen. Verder -werd er bepaald, dat mijnheer Gradgrind zich niet zelf aan Sleary -zou vertoonen, uit vrees dat zijne oogmerken verkeerd begrepen zouden -worden, of dat de tijding zijner komst zijn zoon opnieuw de vlucht zou -doen nemen; maar dat het openen der onderhandeling aan Sissy en Louisa -zou worden overgelaten, en dat deze den rampzalige, die de oorzaak van -zooveel ellende en schande was, zouden onderrichten, dat zijn vader -in de nabijheid was en met welk oogmerk zij gekomen waren. Toen deze -beschikkingen wel overwogen en door alle drie ten volle begrepen waren, -was het ook tijd om een begin met de uitvoering te gaan maken. Vroeg -in den namiddag ging mijnheer Gradgrind van zijn huis af recht het -land door naar een spoorwegstation, van waar hij verder zou reizen; -en in den avond begaven de twee anderen zich naar een geheel anderen -kant op weg, bemoedigd door de gedachte, dat zij geen gezicht gezien -hadden, hetwelk haar bekend was. - -Zij reisden den geheelen nacht door, behalve wanneer zij voor zeker -oneffen getal minuten op tusschenstations aan zijwegen werden gelaten, -die boven aan eene eindelooze trap of beneden in een diepte waren -gelegen--het eenige verschil tusschen die stations;--en vroeg in den -morgen werden zij afgezet op een stuk drasland, een paar mijlen van de -stad, die zij zochten. Van deze akelige plek werden zij verlost door -een ruwen ouden postiljon, die toevallig vroeg op was, en met een -paard en sjees aankwam; en zoo werden zij de stad binnengesmokkeld -door al de achterstraatjes waar varkens woonden; een toegang die, -hoewel niet zeer prachtig of welriekend, toch de gewone weg van een -tusschenstation naar een landstadje is. - -Het eerste, wat zij bij het inkomen der stad zagen, was het geraamte -van Sleary's paardenspel. De troep was naar eene andere stad, meer -dan twintig mijlen ver, vertrokken, en had daar den vorigen avond -reeds gespeeld. Het middel van gemeenschap tusschen de twee plaatsen -bestond in een heuvelachtigen grindweg, en het bereizen van dien weg -ging zeer langzaam. Schoon zij maar een haastig ontbijt gebruikten en -geene rust namen (welke zij onder zulke beangstigende omstandigheden -toch vruchteloos zouden gezocht hebben), was het middag eer zij de -biljetten van Sleary's paardenspel op schuttingen en schuren aangeplakt -vonden, en één uur voordat zij op de markt stilhielden. - -Eene groote ochtend-voorstelling der kunstrijders, die op dat uur zou -beginnen, werd juist toen zij den eersten voetstap op de straatsteenen -deden, door den stadsomroeper aangekondigd. Sissy gaf den raad, ten -einde in de stad geene aandacht te trekken, om naar de deur van het -spel te gaan en plaatsen te nemen. Indien Sleary daar zat om geld aan -te nemen, zou hij haar zeker herkennen en met voorzichtigheid te werk -gaan. Als hij daar niet was, zou hij haar zeker in het spel zien; -en wetende, wat hij met den vluchteling gedaan had, zou hij ook dan -met voorzichtigheid handelen. - -Zij begaven zich dus met angstig kloppende harten naar de nog -welbekende tent. De vlag was er, en de gothieke nis was er; maar -mijnheer Sleary was er niet. De jongeheer Kidderminster, die eigenlijk -al te veel van den stal had overgenomen om door de welwillendste -lichtgeloovigheid nog langer voor Cupido te worden aangezien, had -zich naar de onweerstaanbare macht der omstandigheden (waaronder ook -zijn baard) gevoegd, en als een man, die zich overal bruikbaar wist te -maken, had hij bij deze gelegenheid het beheer over de schatkist--en -ook nog eene trom bij de hand, waaraan hij zijne ledige oogenblikken -en zijne overtollige kracht kon besteden. Door de nauwlettendheid, -waarmede mijnheer Kidderminster, als hij deze betrekking waarnam, -op de valsche munt toezag, die men hem somtijds in de handen wilde -stoppen, had hij voor niets anders oogen dan voor het geld; aldus -ging Sissy hem onopgemerkt voorbij en kwamen zij binnen. - -De keizer van Japan, op een oud en mak wit paard, met zwarte vlekken -beschilderd, rondrijdende, liet vijf waschkommen tegelijk door de -lucht draaien,--de geliefkoosde uitspanning van dien monarch. Sissy, -schoon welbekend met zijn vorstelijk geslacht, had geene persoonlijke -kennis aan den tegenwoordigen keizer, en zijne regeering bleef -ongestoord. Miss Josephine Sleary, die haar vermaarden Tiroler -Bloemendans zou uitvoeren, werd daarop door een nieuwen clown -aangekondigd (die met schertsende geestigheid Bloemkooldans zeide) -en door mijnheer Sleary binnengeleid. - -Nog pas één slag had mijnheer Sleary met zijne lange zweep naar den -clown gedaan, en pas had de clown gezegd: "Als ge dat weer doet, -zal ik je het paard naar den kop smijten!" toen Sissy door vader en -dochter beiden herkend werd. Beiden bleven echter met de grootste -zelfbeheersching in hunne rol; en behalve in het eerste oogenblik, was -er in het beweeglijke oog van mijnheer Sleary niet meer uitdrukking -te bespeuren dan in het daarop volgende. De voorstelling kwam -Sissy en Louisa wel wat lang voor, inzonderheid toen zij gestaakt -werd om den clown gelegenheid te geven aan mijnheer Sleary (die -ieder gezegde op den bedaardst mogelijken toon met een: "Ei zoo, -mijnheer!" beantwoordde, en gestadig het publiek in het oog hield) -eene vertelling te doen van tweebeen, die op driebeen naar eenbeen -zat te kijken, toen vierbeen aankwam en eenbeen pakte, en tweebeen -opstond en driebeen opnam en hem naar vierbeen gooide, die met eenbeen -weg liep. Want hoewel deze geestige allegorie betrekking had op een -slager, een driestal, een hond en een schapebout, kostte dit verhaal -wel wat veel tijd voor hun ongeduld. Eindelijk echter maakte de blonde -Josephine onder een algemeen gejuich haar compliment; en de clown, -alleen in de manege gebleven, had zich juist in de handen gewreven -en gezegd: "Nu is het mijne beurt!" toen Sissy op haar schouder werd -getikt en gewenkt om buiten te komen. - -Zij nam Louisa mede; en zij werden door mijnheer Sleary ontvangen in -een zeer klein afzonderlijk vertrekje met een vloer van gras, wanden -van zeildoek, en eene hellende zoldering, waarop een gedeelte van -het publiek zijne goedkeuring stampte alsof het er doorheen zou komen. - -"Cecilia!" zeide mijnheer Sleary, die een glas brandewijn met water -bij de hand had, "het doet mij goed, dat ik u zie. Gij zijt altijd -een lieveling van ons geweest, en gij hebt ons sedert dien ouden -tijd eer aangedaan, dat geloof ik zeker. Gij moet onze lieden zien, -liefje, eer wij over zaken spreken, of het zal hun het hart breken, -vooral de vrouwen. Daar is Josephine, die is nu met E. W. B. Childers -getrouwd, en zij heeft een kleinen jongen, die pas drie jaar oud is, -maar toch op elken hit blijft zitten dien men maar bij hem brengen -kan. Hij heet het Kleine Wonder van Academische Rijkunst, en als -gij bij Astley niet van dien jongen hoort, zult ge te Parijs van hem -hooren. En gij zult Kidderminster nog wel kennen, die men dacht dat -een oogje op u had? Wel, hij is ook getrouwd. Hij heeft eene weduwe -genomen, oud genoeg om zijne moeder te zijn. Zij was op de stijve -koord, maar nu kan ze niets meer, omdat ze te dik is. Zij hebben -twee kinderen, en dus zijn wij goed voorzien van toovergodinnetjes en -kleine wichtjes. Als ge onze Kinderen in het Bosch eens kondt zien, -met hun vader en moeder, die allebei te paard sterven--hun oom, die -ze als voogd onder zijne bescherming neemt, ook te paard--zij zelven, -die braambessen gaan zoeken, ook te paard--en de roodborstjes, die hen -met bladeren komen bedekken, ook te paard--dan zoudt ge zeggen, dat -het ding zoo compleet was als ge ooit iets gezien had. Gij herinnert u -Emma Gordon nog wel, liefje, die haast zoo goed als eene moeder voor u -was? Natuurlijk doet gij het, dat behoef ik niet te vragen. Wel, Emma -heeft haar man verloren. Hij deed een zwaren val van een olifant in -eene soort van pagode als de Sultan van Indië, en dat is hij nooit te -boven gekomen; zij is toen voor de tweede maal getrouwd--zij heeft een -kaaskooper gekregen, die van de voorste bank af zin in haar kreeg--en -die nu opzichter is van een werkhuis en fortuin maakt." - -Deze verschillende veranderingen verhaalde Sleary, die nu zeer -kortademig was, met groote hartelijkheid en eene verwonderlijke -soort van naïveteit, als men bedacht welk een veteraan in het -brandewijn-drinken hij was. Naderhand bracht hij Josephine en -E. W. B. Childers binnen (wiens wangen bij daglicht al vrij diepe -plooien hadden) en ook het Kleine Wonder van Academische Rijkunst, -kortom den geheelen troep. Vreemd zagen de vrouwen er in Louisa's -oogen uit, zoo wit en rood van kleur, zoo karig gekleed en zoo gul -met het vertoonen harer beenen; maar het was iets streelends te zien, -hoe zij elkander om Sissy verdrongen, en zeer natuurlijk dat Sissy -zich niet van tranen kon onthouden. - -"Komaan! Nu heeft Cecilia al de kinderen gezoend, en al de vrouwen -omhelsd, en al de mannen de hand gegeven; maakt nu allen dat ge -wegkomt, en laat de muziek beginnen voor de tweede afdeeling," -zeide Sleary. - -Zoodra de anderen weg waren, vervolgde hij zacht: "Nu, Cecilia, ik -vraag naar geen geheim, maar ik geloof, dat ik deze dame toch voor -de jongejuffrouw van den jonker mag houden?" - -"Dit is zijne zuster. Ja." - -"En de dochter van den anderen? Dat is wat ik meen. Ik hoop, dat ik -u wél zie, juffrouw. En ik hoop, dat de jonker ook wel is?" - -"Mijn vader zal spoedig hier zijn," antwoordde Louisa, zeer verlangend -om ter zake te komen. "Is mijn broeder veilig?" - -"Gezond en frisch," antwoordde hij. "Ik wilde u eens even naar de -manege laten kijken, hier door de reet. Cecilia, gij kent het kunstje; -zoek maar een kijkgaatje voor u zelf." - -Beiden tuurden door eene reet in de planken. - -"Dat is Jack de Reuzendooder--een comisch kinderstukje," zeide Sleary. - -"Dat is een huisje voor Jack, om in te kruipen, en dat is mijn clown -met een potdeksel en een spit, als de knecht van Jack; en daar is -kleine Jack zelf in eene prachtige wapenrusting; en daar zijn twee -comische zwarte knechts, tweemaal zoo groot als het huisje, om er bij -te staan en het binnen te brengen en weer weg te dragen; en de reus -(van mandewerk, die mij veel geld gekost heeft) is er nog niet. Ziet -gij ze allemaal?" - -"Ja," zeiden beiden. - -"Kijk nu nog eens," hervatte Sleary, "en kijk goed. Ziet gij ze -allemaal? Heel goed! Nu, juffrouw," hij zette een bank voor haar om -op te zitten, "ik heb mijne begrippen, en de jonker uw vader heeft -de zijne. Ik behoef niet te weten wat uw broeder heeft uitgevoerd; -het is beter zelfs, dat ik het niet weet. Al wat ik zeg is: de jonker -heeft Cecilia bijgestaan, en ik sta den jonker bij. Uw broeder is -een van die zwarte knechts." - -Louisa liet een uitroep hooren, half van schrik, half van blijdschap. - -"Zoo is het," zeide Sleary, "en zelfs nu gij het weet, zoudt ge hem -niet kunnen aanwijzen. Laat de jonker maar komen. Ik zal uw broeder na -de voorstelling hier houden. Ik zal hem zich niet laten verkleeden of -de verf afwasschen. Laat de jonker dan na de voorstelling hier komen, -of kom zelf hier; gij zult uw broeder hier vinden en de geheele tent -hebben om hem te spreken. Gij moet er u niet aan storen hoe hij er -uitziet, als hij maar goed verscholen is." - -Louisa bedankte mijnheer Sleary met een verruimd hart, en hield hem -toen niet langer op. Zij gaf haar groet aan haar broeder, met oogen -vol tranen, en ging toen met Sissy heen tot later in den namiddag. - -Mijnheer Gradgrind kwam een uur later aan. Ook hij had niemand ontmoet -die hij kende, en hoopte nu zeker, dat hij zijn geschandvlekten -zoon, met hulp van Sleary, in den nacht naar Liverpool zou kunnen -krijgen. Daar geen van drieën hem kon vergezellen, zonder aanleiding te -geven dat hij, hoezeer ook vermomd, ontdekt werd, schreef hij een brief -aan een correspondent, wien hij vertrouwen kon, waarin hij verzocht om -den brenger, wat het ook kosten mocht, naar Noord- of Zuid-Amerika, -of eenig ander afgelegen werelddeel te zenden, waarheen hij maar op -de spoedigste en heimelijkste manier kon verzonden worden. Nadat dit -gedaan was, gingen zij rondwandelen om te wachten dat het paardenspel -geheel ledig was; namelijk tot niet alleen de toeschouwers, maar -ook de rijders en de paarden het ontruimd hadden. Eindelijk zag hij -Sleary een stoel buiten brengen en bij de zijdeur gaan zitten rooken, -als een teeken dat zij konden naderen. - -"Uw dienaar, jonker," was zijn voorzichtige groet toen zij -binnengingen. "Als ge mij noodig hebt, zult ge mij hier vinden. Gij -moet er u niet aan storen dat uw zoon eene comische livrei draagt." - -Zij gingen alle drie naar binnen; en mijnheer Gradgrind zette zich -neerslachtig neer op het bankje van den clown in het midden der -manege. Op een der achterste banken, veraf in het schemerende licht -van die vreemde plaats, zat de ellendige hondsvot, ook nu nog stug -en wrevelig, wien hij het verdriet had zijn zoon te moeten noemen. - -Daar zat hij, in een allerzotsten rok, naar dien van een kerkeknecht -in groot kostuum gelijkende, met onbeschrijfelijk overdrevene panden -en opslagen; met een vervaarlijk vest, korte broek, schoenen met -gespen en een razenden steekhoed; met niets dat hem paste, en alles -van grove stof, door de motten afgeknaagd en vol gaten; met strepen -over zijn zwart gezicht, waar angst en warmte het vettige mengsel, -waarmede het besmeerd was, had doen smelten. Iets zoo akeligs, -verfoeielijks, belachelijks en schandelijks, als de hondsvot in zijne -comische livrei, had mijnheer Gradgrind nooit mogelijk kunnen achten, -indien hij het niet als een tastbaar feit voor zich had gezien. En -een van zijne model-kinderen was zoover gekomen! - -In het eerst wilde de hondsvot niet naderbij komen, maar bleef -hardnekkig daar omhoog zitten. Eindelijk toegevende, indien zulk een -wrevelig gehoorzamen toegeven kon genoemd worden, aan de vriendelijke -beden van Sissy--want Louisa wilde hij niet zien of hooren--kwam -hij bank voor bank naar beneden, tot hij aan den uitersten rand der -manege in het mulle zand stond, zoo ver mogelijk van de plek waar -zijn vader zat. - -"Hoe is het er mee toegegaan?" vroeg zijn vader. - -"Waarmee toegegaan?" antwoordde de zoon met norsche neerslachtigheid. - -"Met dien diefstal," zeide de vader, bij dat woord zijn stem -verheffende. - -"Ik opende de kist zelf in den avond en liet haar op eene reet staan -toen ik heenging. Ik had den sleutel, die gevonden is, lang te voren -laten maken. Ik liet hem dien ochtend daar vallen, om te doen denken, -dat hij er voor gebruikt was. Ik nam het geld niet op eens. Ik hield -mij elken avond alsof ik mijn overschot wegsloot, maar deed het -niet. Nu weet gij alles." - -"Als een donderslag mij getroffen had," zeide de vader, "zou het mij -minder ontzet hebben dan dit." - -"Ik zie niet in waarom," bromde de zoon. "Zooveel menschen worden in -vertrouwde betrekkingen gebruikt; en zooveel van de zooveel zullen -oneerlijk zijn. Ik heb er u honderdmaal van hooren praten, dat dit -een regel was. Hoe kan ik tegen regels aan? Gij hebt anderen met -zulke dingen getroost, vader. Troost u zelven nu." - -De vader verborg zijn gezicht in zijne handen, en de zoon stond in -zijn schandelijk hansworstenpak op een strootje te bijten: zijne -handen, waarvan het zwart aan den binnenkant half afgewreven was, -geleken naar de handen van een aap. De avond naderde snel; en van tijd -tot tijd keerde hij het wit zijner oogen met rusteloos ongeduld naar -zijn vader. Die oogen waren het eenige van zijn gezicht, dat leven -of uitdrukking vertoonde, zoo dik was de verf daarop gesmeerd. - -"Gij moet naar Liverpool worden geholpen en het land uitgezonden." - -"Dat zal wel moeten. Ik kan toch ergens anders niet ongelukkiger zijn -dan ik hier geweest ben zoolang mij heugt," jankte de hondsvot. "Dat -is één geluk." - -Mijnheer Gradgrind ging naar de deur en kwam met Sleary terug, aan -wien hij de vraag voorstelde, hoe dat jammerlijke voorwerp uit den -weg te helpen? - -"Wel, daarover heb ik al gedacht, jonker. Er is niet veel tijd te -verliezen, maar gij moet toch ja of neen zeggen. Het is over de twintig -mijlen naar den spoorweg. Over een half uur rijdt er een diligence, -die de passagiers op den posttrein moet brengen. Die trein rijdt -rechtdoor naar Liverpool." - -"Maar zie hem eens aan," zuchtte mijnheer Gradgrind. "Hoe..." - -"Ik meen niet dat hij met de comische livrei moet gaan," zeide -Sleary. "Zeg het maar, en ik zal hem binnen vijf minuten uit onze -garderobe tot een joskin maken." - -"Ik begrijp u niet," zeide mijnheer Gradgrind hierop. - -"Een joskin--een karreman. Neem spoedig uw besluit, jonker. Er moet -nog bier gehaald worden. Ik heb nooit iets gevonden zoo goed als bier, -om een geschilderden moor schoon te wasschen." - -Mijnheer Gradgrind gaf snel zijne toestemming; Sleary haalde even -snel een linnen kiel, een vilten hoed en andere benoodigdheden uit -eene kist; de hondsvot ging achter een scherm en verwisselde snel -van kleederen; en Sleary haalde bier en wiesch hem snel weder blank. - -"Komaan," zeide Sleary, "ga nu maar mee naar de diligence, en spring -achterop. Ik zal u brengen, en zij zullen denken dat gij een van -mijn volk zijt. Zeg uwe familie nu vaarwel, en maak wat voort!" En -daarmede was hij kiesch genoeg om zich te verwijderen. - -"Hier is uw brief," zeide mijnheer Gradgrind. "Alle noodige middelen -zullen u verschaft worden. Vergoed door berouw en een beter gedrag -het kwaad dat gij bedreven hebt en de schrikkelijke gevolgen waartoe -het geleid heeft. Geef mij de hand, mijn arme jongen, en moge God u -vergeven gelijk ik doe." - -De schuldige werd door deze woorden en hun hartroerenden toon tot -eenige lafhartige tranen bewogen. Maar toen Louisa hare armen opende, -stiet hij haar opnieuw terug. - -"Gij niet. Ik wil niets met u te maken hebben." - -"O, Tom, Tom, moet het zoo tusschen ons eindigen, na al mijne liefde?" - -"Na al uwe liefde?" herhaalde hij met onverzettelijke -hardnekkigheid. "Mooie liefde! Ouden Bounderby los te laten, en mijn -besten vriend, mijnheer Harthouse, van de hand te zenden, en naar huis -te loopen, juist op den tijd dat ik in het grootste gevaar was. Mooie -liefde! Alles uit te babbelen, ook dat wij te zamen daarnaar toe -waren geweest, toen gij zaagt, dat ik hoe langer hoe meer in het net -geraakte. Mooie liefde! Gij hebt mij zoo goed als overgeleverd. Gij -hebt nooit om mij gegeven." - -"Maak wat voort!" riep Sleary bij de deur. - -Allen gingen verward naar buiten. Louisa zeide schreiende, dat zij hem -vergaf en hem nog liefhad, en dat het hem eens spijten zou, dat hij -haar zoo verlaten had, en dan blij zou zijn te kunnen denken, dat dit -hare laatste woorden waren; toen er iemand hen tegenkwam. Mijnheer -Gradgrind en Sissy, die beiden voor hen uit waren, terwijl zijne -zuster hem nog bij den arm hield, bleven staan en deinsden terug. - -Want daar was Bitzer, geheel buiten adem, zijne dunne lippen -opengesperd, zijne dunne neusgaten uitgezet, zijne witgehaarde oogleden -trillende, zijn kleurloos gezicht nog kleurloozer dan ooit, alsof hij -zich wit-gloeiend had geloopen, terwijl anderen zich rood-gloeiend -loopen. Daar stond hij te hijgen, alsof hij nooit had stilgestaan -sedert dien avond toen hij vroeger eens tegen hen was aangeloopen. - -"Het spijt mij dat ik verhindering in uw plan moet brengen," zeide -Bitzer, zijn hoofd schuddende, "maar ik kan mij toch door geene -paardrijders laten foppen. Ik moet den jongenheer Tom hebben; en geene -paardrijders zullen hem weghelpen. Hier is hij in dien linnen kiel, -en ik moet hem hebben." - -Hij greep hem bij den kraag en nam hem aldus in bezit. - - - - - - - -XXXVI. - -PHILOSOPHISCH. - - -Zij gingen terug in de tent, en Sleary sloot de deur om indringers -buiten te houden. Bitzer, die den van schrik verstijfden misdadiger -nog bij den kraag hield, stond in de manege zijn ouden patroon in de -schemering met knippende oogen aan te gluren. - -"Bitzer," zeide mijnheer Gradgrind, geheel verslagen en met jammerlijke -onderdanigheid voor den kantoorknecht, "hebt gij een hart?" - -"De bloedsomloop, mijnheer," antwoordde Bitzer, glimlachende -over het zonderlinge dier vraag, "zou zonder hart niet kunnen -voortgaan. Niemand, mijnheer, die bekend is met de feiten aangaande -den omloop van het bloed, welke Harvey heeft ontdekt, kan twijfelen -of ik een hart heb." - -"Is het toegankelijk," riep mijnheer Gradgrind uit, "voor den invloed -van het medelijden?" - -"Het is toegankelijk voor de rede, mijnheer," antwoordde de uitmuntende -jonkman, "en voor niets anders." - -Zij stonden elkander aan te zien, mijnheer Gradgrind met een gezicht -zoo wit als dat van zijn vervolger. - -"Welke reden kunt gij hebben om de vlucht van dezen rampzaligen -jonkman te verhinderen," zeide hij, "en zijn ongelukkigen vader nog -ongelukkiger te maken? Zie zijne zuster hier. Heb medelijden met ons!" - -"Mijnheer," antwoordde Bitzer op een droog redeneerenden toon, -"daar gij mij vraagt, welke reden ik heb om den jongenheer Tom naar -Coketown terug te brengen, is het niet meer dan redelijk, dat ik u -die laat weten. Ik heb den jongenheer Tom van den beginne af van dien -diefstal verdacht. Ik had hem al vóór dien tijd in het oog gehouden, -want ik kende zijne manieren. Ik heb mijne waarnemingen voor mij -zelven gehouden, maar ik heb ze toch gedaan; en ik heb nu overvloedige -bewijzen tegen hem, behalve zijn wegloopen en behalve zijne eigene -bekentenis, die ik juist bijtijds heb kunnen beluisteren. Ik heb het -genoegen gehad van gisterochtend op uw huis te passen en u hierheen -te volgen. Ik zal den jongenheer Tom nu naar Coketown terugbrengen, -ten einde hem aan mijnheer Bounderby over te leveren; en ik twijfel -niet, mijnheer, of mijnheer Bounderby zal mij dan tot de plaats van -jongenheer Tom bevorderen; en ik verlang zijne plaats te hebben, -mijnheer, omdat zij mij meer inkomen zal geven en mij dus voordeelig -zal zijn." - -"Indien het alleen eene quaestie van eigenbelang bij u is," begon -mijnheer Gradgrind. - -"Ik verzoek u verschooning, dat ik u in de rede val, mijnheer," -liet Bitzer hierop volgen; "maar gij weet zeker wel, dat het geheele -maatschappelijke systeem eene quaestie van eigenbelang is. Iemands -eigenbelang is datgene, waarop men altijd moet neerkomen. Dat is het -eenige, waardoor men vat op hem heeft. Zoo zijn de menschen. Ik ben -in dien catechismus onderwezen toen ik nog heel jong was, mijnheer, -gelijk gij wel weet." - -"Welke som gelds," zeide mijnheer Gradgrind, "wilt gij tegen uwe -verwachte bevordering stellen?" - -"Ik dank u wel, mijnheer," antwoordde Bitzer, "dat gij hiervan spreekt; -maar ik wil er geheel geene som tegen stellen. Wel wetende, dat uw -helder hoofd deze keus zou voorstellen, heb ik bij mij zelven de -berekening gemaakt; en ik vind, dat over eene misdaad te accordeeren, -zelfs voor eene zeer hooge som, niet zoo veilig en goed voor mij zou -zijn als mijne verbeterde vooruitzichten aan het kantoor." - -"Bitzer," zeide mijnheer Gradgrind, zijne handen uitstrekkende, alsof -hij wilde zeggen: zie, hoe ellendig ik ben! "Bitzer, ik heb nog maar -ééne kans over om u te vermurwen. Gij zijt vele jaren op mijne school -geweest. Indien de herinnering aan de zorg, die daar aan u besteed is, -u eenigermate kan bewegen om uw tegenwoordig belang achter te stellen -en mijn zoon los te laten, bid en smeek ik u om die herinnering voor -hem te laten spreken." - -"Ik verwonder mij waarlijk, mijnheer," antwoordde de leerling op -een stijven redeneertrant, "dat gij zulk eene onhoudbare positie -aanneemt. Mijn schoolgaan werd betaald; het was een koop of accoord; -en toen ik heenging, was het accoord uit." - -Het was een grondregel der Gradgrindsche philosophie, dat alles -betaald moest worden. Niemand mocht ooit om de eene of andere reden -iemand iets geven of eenige hulp bewijzen, zonder dat er voor betaald -werd. Dankbaarheid moest afgeschaft worden, en alle deugden, die -daaruit voortsproten, behoorden niet te bestaan. Elke duim lengte van -het geheele aanzijn des menschdoms, van de geboorte tot aan den dood, -moest een koop over eene toonbank zijn. En indien wij zóó niet in -den hemel kwamen, dan wist men daar niets van de staathuishoudkunde, -en hadden wij daar niets te maken. - -"Ik ontken niet, dat mijn schoolgaan goedkoop was," vervolgde -Bitzer. "Maar dat doet aan de zaak niet af, mijnheer. Ik werd op de -goedkoopste markt gevormd en moet mij zelven op de duurste verkoopen." - -Hij werd hier een weinig gehinderd door het schreien van Louisa -en Sissy. - -"Och, doe dat niet," zeide hij; "het baat tot niets; het verveelt -iemand maar. Gij schijnt te denken, dat ik vijandschap tegen den -jongenheer Tom voed; maar dat is in 't geheel het geval niet. Ik ga -hem maar, om de gegronde redenen die ik vermeld heb, naar Coketown -terugbrengen. Als hij tegenstand mocht bieden, zou ik roepen: Houd -den dief! Maar hij zal geen tegenstand bieden; daar kunt gij op aan." - -Mijnheer Sleary had met open mond naar deze wijsheid staan luisteren, -zoo aandachtig, dat zijn rollend oog even onbeweeglijk vast in zijn -hoofd stond als het strakke; nu echter trad hij voorwaarts. - -"Jonker," zeide hij, "gij weet heel wel, en uwe dochter weet ook heel -wel (beter nog dan gij, omdat ik het haar gezegd heb), dat ik niet wist -wat uw zoon gedaan had, en dat ik het niet wilde weten--ik zeide dat -het beter was van neen, hoewel ik toen dacht, dat het maar een beetje -rinkelrooien was. Maar nu die jonkman heeft bekend gemaakt dat het -een diefstal in een kantoor is geweest, nu is het eene ernstige zaak, -eene veel te ernstige zaak voor mij om te accordeeren, zooals die -jonkman het heel mooi gezegd heeft. Bijgevolg, jonker, moet gij het -niet kwalijk nemen als ik den kant van dien jonkman kies, en zeg dat -hij gelijk heeft en dat er niet aan te doen is. Maar ik zal u zeggen -wat ik doen wil, jonker; ik zal uw zoon en dezen jonkman zelf naar -den spoorweg rijden, en zoo maken dat hier geen schandaal komt. Meer -kan ik niet beloven, maar dat wil ik voor u doen." - -Louisa hief nieuwe jammerklachten aan en mijnheer Gradgrind verzonk -nog dieper in zijn leed bij deze afvalligheid van hun laatsten -vriend. Maar Sissy zag hem oplettend aan, en haar hart verstond hem -niet verkeerd. Toen zij allen weder naar buiten gingen, begunstigde -hij haar met een lonkje uit zijn beweeglijk oog, dat haar duidelijk -verzocht wat achter te blijven, en toen hij de deur sloot, zeide hij -met groote opgewondenheid: - -"De jonker heeft u bijgestaan, Cecilia, en ik zal den jonker -bijstaan. Bovendien, die knaap is een verduivelde schelm, en hij -behoort aan dien gemeenen blaaskaak, dien mijn volkje eens haast -uit het venster had gesmeten. Het zal een donkere avond zijn. Ik heb -een paard, dat alles geleerd heeft behalve spreken; ik heb een hit, -die vijftien mijlen in het uur loopt, als Childers hem rijdt; en -ik heb een hond, die iemand vier en twintig uren lang op de plek kan -vasthouden. Maak dat gij een woordje met den jongen jonker spreekt. Zeg -hem, als hij ziet dat ons paard begint te dansen, dat hij dan niet -bang moet wezen voor omslaan, maar uitkijken of er geen sjees met -een hit aankomt. Zeg hem, als hij die sjees dichtbij ziet, dat hij -dan moet afspringen, en hij zal er mee wegrijden als de wind. Als -mijn hond dien jonkman een voet laat verzetten, geef ik hem verlof -om te gaan. En als mijn paard een duimbreed verder komt dan de plek -waar het begint te dansen, al duurde het tot morgenochtend, dan ken -ik het niet. Nu voortgemaakt!" - -Er werd zoo goed voortgemaakt, dat binnen tien minuten Childers, die -op zijne pantoffels over de markt kuierde, wist wat hij te doen had, -en Sleary's equipage gereed was. Het was een fraai gezicht, den hond -blaffend om het rijtuig te zien springen, terwijl Sleary hem met zijn -eenig daartoe bruikbaar oog onderrichtte, dat Bitzer het voorwerp -zijner bijzondere oplettendheid moest wezen. Kort na het vallen van -den donker stapten de drie in en reden voort, terwijl de geleerde hond -(een geducht beest) Bitzer reeds met zijne oogen vasthield en dicht -bij het wiel aan zijn kant bleef, om voor hem gereed te zijn indien -hij de minste geneigdheid toonde om af te stappen. - -De andere drie bleven in de herberg den geheelen nacht in angstige -spanning opzitten. Tegen acht uur in den ochtend kwamen Sleary en de -hond de kamer in, beiden zeer vroolijk. - -"Alles klaar, jonker," zeide Sleary. "Uw zoon kan nu al aan boord van -een schip wezen. Childers heeft hem gisteravond meegenomen, anderhalf -uur nadat wij hier vandaan reden. Het paard danste de polka tot het -dood af was (het zou gewalst hebben, als het niet ingespannen was -geweest) en toen gaf ik het sein en ging het gerust slapen. Toen die -verduivelde bleeke schelm zeide, dat hij te voet verder wilde gaan, -hing de hond in eens aan zijne das met alle vier de pooten in de -lucht, trok hem neer en rolde hem om en om. Hij kwam dus maar weer -in het wagentje, en daar bleef hij zitten, tot ik van morgen half -zeven het paard liet omkeeren." - -Mijnheer Gradgrind overstelpte hem natuurlijk met dankbetuigingen, -en sprak ook met zooveel kieschheid als hem maar mogelijk was van -eene ruime belooning in geld. - -"Ik zelf heb geen geld noodig, jonker," antwoordde Sleary, "maar -Childers is een man met een huishouden, en als gij hem eene banknoot -van vijf pond woudt presenteeren, zou dat misschien niet onaannemelijk -zijn. Ook als gij een halsband voor den hond en een tuig met bellen -voor het paard overhad, zou het mij groot pleizier doen. Brandewijn -met water neem ik altijd aan."--Hij had reeds een glas genomen en -bestelde er nu nog een.--"Als ge dacht dat het niet te veel was, -jonker, een vroolijken maaltijd aan den geheelen troep te geven, -tegen zoo wat drie en een halven schelling de persoon, behalve den -drank, zouden zij er heel blij mee zijn." - -Al deze kleine bewijzen van dankbaarheid beloofde mijnheer Gradgrind -zeer gewillig te zullen geven, hoewel hij ze veel te gering achtte, -zeide hij, voor zulk een dienst. - -"Welnu, jonker, als ge dan soms eens een paardenspel eene besprokene -representatie laat geven, wanneer ge kunt, zult ge de rekening meer -dan effen maken. En nu, jonker, als uwe dochter het niet kwalijk neemt, -zou ik tot afscheid gaarne een woordje met u alleen spreken." - -Louisa en Sissy gingen naar eene andere kamer; en mijnheer Sleary -vervolgde, toen hij staande zijn glas omroerde en uitdronk: - -"Jonker, ik behoef u niet te zeggen, dat honden verwonderlijke -beesten zijn." - -"Hun instinct is zeker verbazend," zeide mijnheer Gradgrind hierop. - -"Hoe gij het ook noemen wilt--en ik mag zalig wezen als ik weet hoe -ik het moet noemen--het is verwonderlijk, hoe ver een hond u zal -komen opzoeken en vinden." - -"Omdat zijn reuk zoo fijn is," zeide mijnheer Gradgrind. - -"Ik weet waarachtig niet hoe ik het noemen moet," hervatte Sleary; -"maar eens is een hond mij komen opzoeken, jonker, op eene manier, die -mij deed denken of die hond ook naar een anderen hond was gegaan en -gezegd had: "Gij kent bijgeval niet een man die Sleary heet? Een man -die Sleary heet en een paardenspel heeft--een dik man, met een raar -oog?" En of die andere hond toen gezegd had: "Sleary, Sleary! O ja, -wel zeker, een vriend van mij heeft mij eens van hem gesproken. Ik kan -u terstond zijn adres bezorgen." Omdat ik zooveel voor het publiek -kom en zooveel uitga, ziet ge, moeten er machtig veel honden zijn -die mij kennen, jonker, dat weet ik." - -Mijnheer Gradgrind scheen door deze bespiegeling geheel van zijn -stuk gebracht. - -"In allen gevalle," hervatte Sleary, nadat hij zijne lippen nog -eens had bevochtigd, "het is nu veertien maanden geleden, jonker, -dat we te Chester waren. Wij gaven op een ochtend juist onze -Kinderen in het Bosch, toen er door de tooneeldeur een hond de -manege kwam inloopen. Hij had ver geloopen, en was in heel slechten -staat--kreupel en welhaast blind. Hij liep rond bij onze kinderen, -de een na den ander, alsof hij naar een kind zocht dat hij kende; -en toen kwam hij naar mij toe, gooide zich van achteren op en bleef -op zijne voorpooten staan, zoo zwak als hij was; en toen kwispelde -hij met zijn staart en stierf. Nu, jonker, die hond was Merrylegs." - -"De hond van Sissy's vader." - -"De oude hond van Cecilia's vader. Nu, jonker, kan ik er op zweren, -want zoo ken ik dien hond, dat de man dood en begraven was, eer de hond -naar mij ging zoeken. Josephine, Childers en ik hebben er lang over -gepraat, of ik het schrijven zou of niet; maar wij dachten: "Neen! Er -is niets pleizierigs te zeggen; waarom zouden wij haar onrustig en -bedroefd maken?" Hoewel, of haar vader haar laaghartig verlaten heeft, -of dat hij maar alleen van verdriet wilde sterven, liever dan haar -mee in het graf te trekken, dat zal nooit bekend worden, jonker, -voordat--neen, niet voordat wij weten hoe de honden ons opzoeken." - -"Zij bewaart tot nog toe het fleschje, waarom hij haar had uitgezonden; -en zij zal tot het laatste oogenblik van haar leven aan zijne liefde -gelooven," zeide mijnheer Gradgrind. - -"Dit schijnt iemand twee dingen in de gedachten te brengen, niet -waar, jonker?" hervatte Sleary, peinzende, terwijl hij in de diepte -van zijn glas keek; "vooreerst dat er toch liefde in de wereld is, -niet alles eigenbelang, maar iets geheel anders; en ten tweede dat -die liefde hare eigene manier van rekenen heeft, waaraan het, hoe -het dan ook komen mag, ten minste even moeielijk is een naam te geven -als aan die manier van denken." - -Mijnheer Gradgrind keek het venster uit en gaf geen antwoord. Sleary -ledigde zijn glas en riep de dames weder binnen. - -"Cecilia, mijn liefje, geef mij nu een kus en vaarwel dan! Mevrouwtje, -dat ik u haar zoo als eene zuster zie behandelen, en eene zuster, -die gij met al uw hart vertrouwt en hoogacht, is een heel pleizierig -gezicht voor mij. Ook hoop ik, dat uw broeder nog lang genoeg mag leven -om u beter waardig te zijn en u tot meer blijdschap te wezen. Jonker, -geef mij de hand, voor het eerst en het laatst! Wees niet kwaad op ons, -arme landloopers. De menschen moeten geamuseerd worden. Zij kunnen -niet altijd aan het leeren of aan het werken zijn; daarvoor zijn zij -niet gemaakt. Gij moet ons hebben, jonker. Als ge dus doen wilt wat -wijs en goed is tegelijk, denk dan het beste van ons en niet altijd -het slechtste." - -"En ik had nooit gedacht," vervolgde Sleary, zijn hoofd weder -binnenstekende om dit nog te zeggen, "dat ik zoo zou kunnen babbelen." - - - - - - - -XXXVII. - -BESLUIT. - - -Het is gevaarlijk binnen den kring van een opgeblazen bluffer iets -te zien, voordat die opgeblazene bluffer het zelf ziet. Mijnheer -Bounderby begreep, dat mevrouw Sparsit zeer vermetel was geweest -met hem voor te komen en wijzer te willen zijn dan hij. Ten -uiterste op haar verontwaardigd over hare zegepralende ontdekking -van juffrouw Pegler, keerde hij deze verwatenheid van eene vrouw -in hare afhankelijke betrekking zoo lang in zijne gedachten om en -om, tot zij gelijk een sneeuwbal door dit omwentelen hoe langer hoe -grooter was geworden. Eindelijk kwam hij tot de ontdekking, dat hij, -als hij deze aanzienlijk geparenteerde dame haar afscheid gaf--als hij -het in zijn macht had om te zeggen: "Zij was eene vrouw van familie -en wilde zich aan mij opdringen, maar dat wilde ik niet hebben en ik -maakte mij van haar af"--de grootst mogelijke mate van glans uit die -betrekking zou halen, en mevrouw Sparsit tegelijk de straf geven, -die zij verdiend had. - -Voller dan ooit van dit groote denkbeeld, kwam mijnheer Bounderby -binnen om zijn twaalfuurtje te gebruiken, en zette zich in de eetzaal -van vroeger tijd, waar zijn portret hing. Mevrouw Sparsit zat bij het -vuur, met den voet in haar katoenen stijgbeugel, weinig denkende waar -zij heen reed. - -Sedert het gebeurde met juffrouw Pegler had de goede vrouw haar -medelijden voor mijnheer Bounderby met een sluier van stille -berouwvolle treurigheid bedekt. Om die reden had zij zich een -jammervollen blik aangewend; en met dezen jammervollen blik zag zij -nu haar beschermer aan. - -"Wat scheelt er nu aan, juffrouw?" zeide Bounderby, op een zeer korten -en barschen toon. - -"Wat ik u bidden mag, mijnheer," antwoordde mevrouw Sparsit, "bijt -mijn neus niet af." - -"Uw neus afbijten, juffrouw?" herhaalde Bounderby. "Uw neus!" daarmede -meenende, gelijk mevrouw Sparsit begreep, dat haar neus daartoe veel -te groot was. En na dezen hatelijken schimpscheut sneed hij een stuk -brood voor zich af en smeet het mes met een slag op de tafel. - -Mevrouw Sparsit haalde haar voet uit den stijgbeugel en zeide: -"Mijnheer Bounderby!" - -"Wel, juffrouw?" antwoordde Bounderby. "Waar kijkt ge zoo verbaasd -van op?" - -"Mag ik vragen, mijnheer," zeide mevrouw Sparsit: "heeft iets u van -morgen verstoord?" - -"Ja, juffrouw." - -"Mag ik weten, mijnheer," hernam de verongelijkte dame, "of ik de -ongelukkige oorzaak ben, dat gij uit uw humeur zijt geraakt?" - -"Ik zal u eens wat zeggen, juffrouw," antwoordde Bounderby. "Ik ben -niet hier gekomen om mij te laten overbluffen. Eene dame mag van -aanzienlijke familie zijn, maar het past haar toch niet een man als -ik ben te sarren en te plagen en ik wil dat niet velen." Bounderby -gevoelde, dat het noodig was ter zake te komen, daar hij voorzag, -dat hij uit het veld geslagen zou worden als hij in voorloopige -bijzonderheden trad. - -Mevrouw Sparsit trok hare donkere wenkbrauwen eerst naar omhoog en -toen naar omlaag, pakte haar werk in haar mandje en stond op. - -"Mijnheer," zeide zij statig, "het komt mij voor, dat ik u op het -oogenblik in den weg ben. Ik zal mij naar mijn eigen vertrek begeven." - -"Laat ik de deur voor u opendoen, juffrouw." - -"Verplicht, mijnheer, dat kan ik zelf wel." - -"Laat het mij liever doen, juffrouw," zeide Bounderby, haar -voorbijstappende en zijne hand aan de kruk slaande, "omdat ik dan -de gelegenheid kan waarnemen om u nog een woordje te zeggen, eer gij -heengaat. Mevrouw Sparsit, ik geloof eenigszins, dat het u te bekrompen -is, weet ge dat wel? Het komt mij voor, dat er onder mijn nederig dak -bezwaarlijk ruimte genoeg is voor eene dame van uwe talenten voor de -zaken van anderen." - -Mevrouw Sparsit wierp hem een blik van de diepste verachting toe, -en zeide met groote beleefdheid: "Inderdaad, mijnheer?" - -"Ik heb er over gedacht, ziet ge, sedert die laatste zaken gebeurd -zijn, juffrouw," zeide Bounderby, "en het komt mij voor, zoover mijn -gering oordeel reikt..." - -"O, mijnheer!" viel mevrouw Sparsit er met schertsende vroolijkheid op -in, "verklein uw oordeel niet. Iedereen weet hoe onbedrieglijk mijnheer -Bounderby's oordeel is. Iedereen heeft bewijzen daarvan gehad. Het -moet een algemeen onderwerp van gesprek zijn. Verklein alles van u -zelven, behalve uw oordeel, mijnheer," zeide mevrouw Sparsit lachende. - -Mijnheer Bounderby hervatte, zeer rood en ongemakkelijk: "Het komt -mij voor, juffrouw, zeg ik, dat het een geheel ander soort van -huishouden zou moeten zijn, waarin eene dame van uwe vermogens zou -kunnen uitblinken. Zulk een huishouden als dat van uw tante, Lady -Scadgers, bij voorbeeld. Denkt gij niet, juffrouw, dat gij daar meer -zaken zoudt vinden om u mede te bemoeien?" - -"Het is mij nog nooit ingevallen, mijnheer," antwoordde mevrouw -Sparsit, "maar nu gij er van spreekt, zou ik het zeer waarschijnlijk -achten." - -"Als gij het dan eens gingt probeeren, juffrouw," zeide Bounderby -terwijl hij een papiertje met een kassiersbriefje er in op haar -werkmandje legde. "Gij hebt den tijd aan u zelve om heen te gaan, -juffrouw; maar misschien zal het intusschen eene dame van uwe -geestvermogens aangenamer zijn alleen te eten, zonder door iemand -gehinderd te worden. Ik moest u waarlijk verschooning verzoeken, -dat ik, die niets meer dan Josiah Bounderby van Coketown ben, u zoo -lang in het licht heb gestaan." - -"O, gij behoeft u daarover niet te verschoonen, mijnheer," antwoordde -mevrouw Sparsit. "Als dat portret spreken kon, mijnheer--maar het -heeft dàt voorrecht boven het origineel, dat het niet in staat is -zich zelven ten toon te stellen en anderen te doen walgen--zou het -getuigen, dat het reeds lang geleden is sedert ik het eerst gewoon -werd het aan te spreken als het portret van een domkop. Niets, dat een -domkop doet, kan iemands verwondering of verontwaardiging opwekken; -de bedrijven van een domkop kunnen alleen verachting inboezemen." - -Zoo sprekende, bekeek mevrouw Sparsit, welker Romeinsche trekken nu -naar een medaille geleken, geslagen ter vereeuwiging harer minachting -voor mijnheer Bounderby, hem met een strakken blik van het hoofd -tot de voeten, streek hem toen met afgewende oogen voorbij, en ging -naar boven. Mijnheer Bounderby sloot de deur en bleef voor het vuur -staan. Zoo staande, verplaatste hij zich met zijne gewone onstuimigheid -in het karakter van zijn portret--en in de toekomst. - -Hoeveel zag hij van de toekomst? Hij zag mevrouw Sparsit een -dagelijksch kampgevecht houden, waarbij al de scherpste wapenen van het -vrouwelijk arsenaal gebruikt werden tegen de gemelijke, wangunstige, -plaagzieke Lady Scadgers, altijd bedlegerig met haar geheimzinnig been, -steeds aan het einde van haar ontoereikend inkomen in het midden van -ieder vierendeeljaars, in een armoedig, benauwd kamertje, dat voor één -persoon een hokje, voor twee nog minder was. Maar zag hij meer? Zag -hij ook een zweem van zich zelven, gelijk hij voor vreemdelingen -met Bitzer praalde, als de veelbelovende jonkman, zoo vol eerbied -voor de groote verdiensten van zijn meester, die de plaats van den -jongen Tom had gekregen, en bijna den jongen Tom zelven had gepakt, -indien hij niet door een troep schelmen was voortgeholpen? Zag hij -een flauwen weerschijn van zijn eigen beeld gelijk hij een pronkend -testament maakte, volgens hetwelk vijf en twintig snoevers boven de -vijf en vijftig jaren, die ieder den naam van Josiah Bounderby van -Coketown zouden aannemen, ten eeuwigen dage in het Bounderby-gesticht -zouden wonen en eten, ten eeuwigen dage onder het gehoor van den -vasten kapelaan in slaap vallen, ten eeuwigen dage uit de stichting -van Bounderby zouden onderhouden worden, en ten eeuwigen dage alle -gezonde magen door een Bounderby-achtig bluffen en bulderen zouden doen -walgen? Had hij eenige voorwetenschap van den dag, vijf jaren later, -waarop Josiah Bounderby van Coketown, te Coketown op straat aan een -beroerte zou sterven, en dat heerlijke testament zijne lange loopbaan -van haarklooverij, valschheid, inhaligheid, slechte voorbeelden, -weinig nut en veel geprocedeer, zou beginnen? Waarschijnlijk niet. Het -portret zou het evenwel alles aanzien. - -Mijnheer Gradgrind zat op denzelfden dag en hetzelfde uur peinzend -in zijne kamer. Hoeveel van de toekomst zag hij? Zag hij zich zelven, -als een zwakkelijk grijsaard, terwijl hij zijne tot nog toe onbuigzame -theorieën naar de omstandigheden leerde voegen; zijne feiten en cijfers -aan geloof, hoop en liefde dienstbaar maakte, en niet langer beproefde -dat hemelsche drietal in zijne stofferige molentjes te vermalen? Zag -hij zich zelven om die reden in diepe minachting bij zijne vroegere -politieke medebroeders vervallen? Zag hij deze heeren in den tijd -toen het volkomen was vastgesteld, dat de nationale aschlieden alleen -met elkander te doen hadden, en niets verschuldigd waren aan dat -afgetrokkene denkbeeld, dat men het volk noemt, vijf nachten in de -week, tot laat na middernacht, hun voormaligen medewerker dit en dat -en allerlei voor de voeten werpen? Waarschijnlijk zag hij dit wel -vooruit, daar hij zijne menschen kende. - -In den avond van denzelfden dag zat Louisa, gelijk in vroegere dagen, -hoewel met een gezicht dat meer zachtheid en nederigheid teekende, -in het vuur te staren. Hoeveel van de toekomst kon er voor hare -verbeelding oprijzen? Aanplakbiljetten op de straat, met haar vaders -naam onderteekend, waardoor de nu overleden Stephen Blackpool van -ongegronde verdenkingen werd ontheven, en de schuld van zijn eigen -zoon werd bekend gemaakt, met al de verschooningen, die zijne jaren -en de verzoeking (hij kon er niet toe komen om er bij te voegen, -zijne opvoeding) voor hem konden aanvoeren?--Dit behoorde tot het -tegenwoordige. Zóó bijkans ook Stephen Blackpool's grafzerk, met een -door haar vader gesteld opschrift, want zij wist, dat die steen daar -geplaatst zou worden. Deze dingen kon zij duidelijk zien. Maar hoeveel -van de toekomst? - -Eene vrouw uit de arbeidende klasse, Rachel gedoopt, die na eene -lange ziekte op het luiden der werkklok te voorschijn kwam en op vaste -uren onder de werkers en werksters heen en weder ging; eene vrouw van -ernstige schoonheid, altijd in het zwart gekleed, maar zachtzinnig en -opgeruimd, blijmoedig zelfs, die, onder de geheele bevolking der stad, -alleen medelijden scheen te hebben met een diepgezonken wezen van hare -eigene sekse, dat men somtijds heimelijk bij haar zag komen bedelen -en jammeren; eene vrouw die werkte, altijd werkte, maar daarmede -tevreden was en het boven ledigheid verkoos, als hare natuurlijke -bestemming, totdat zij te oud zou worden om te werken? Zag Louisa -dit? Zulke dingen waren zeker aanstaande. - -Een eenzame broeder, vele duizend mijlen ver, die op een met tranen -gevlekt papier schreef, dat hare woorden maar al te spoedig bewaarheid -waren geworden, en dat al de schatten der wereld een geringe prijs -zouden zijn om haar dierbaar gelaat nog eens te zien? Eindelijk, die -broeder, in de hoop van haar weder te zien, nader bij huis komende -en door ziekte onderweg opgehouden; en dan een brief van eene vreemde -hand, met de tijding: "Hij stierf in het hospitaal aan de koorts, en -hij stierf vol berouw en liefde voor u; want zijn laatste woord was -uw naam." Zag Louisa deze dingen? Zulke dingen waren ook aanstaande. - -Zich zelve weder als vrouw--als moeder--liefderijk wakende over hare -kinderen, altijd zorgvuldig dat zij niet minder eene kindsheid van -gemoed dan eene kindsheid van het lichaam zouden hebben, daar zij -wist dat de eerste zelfs iets nog schooners was dan de tweede,--eene -bezitting, waarvan een opgespaard overblijfseltje zelfs voor den -wijzen, bejaarden man een zegen en een geluk is. Zag Louisa dit? Zoo -iets was nimmer te wachten. - -Maar die gelukkige kinderen der gelukkige Sissy, die haar liefhadden, -gelijk alle kinderen haar liefhadden; zij zelve, geleerd geworden -in kinderlijke wetenschap; geen onschuldig spel der verbeelding -verachtelijk noemende; steeds haar best doende om hare medemenschen -van nederiger stand te leeren kennen en hun leven van machinerie en -prozaïsche werkelijkheid te vervroolijken met die genietingen en -sieraden van geest en gemoed, zonder welke het hart der kindsheid -verwelken moet, de krachtigste mannelijke leeftijd in een zedelijk -opzicht een machtelooze dood is, en de nationale welvaart, die door -cijfers wordt aangetoond, slechts het geschrift aan den muur zal -wezen;--zij zelve aan zulk een leven gewijd, niet gebonden door -eene grillige gelofte, door een broeder- of zusterschap, of door -een maskeradekleed of een theatralen toestel; maar het eenvoudig de -vervulling achtende van een plicht, waaraan zij zich niet onttrekken -mocht--zag Louisa deze dingen van zich zelve? Zulke dingen waren -zeker aanstaande. - -Waarde lezer, het zal van u en mij afhangen, of in onzen verschillenden -werkkring dergelijke dingen aanstaande zijn of niet! Mochten zij -het zijn! Wij zullen dan met ruimere borst bij den haard zitten, -om de vonken van ons vuur in grauwe, koude asch te zien veranderen. - - - - - - - - -AANTEEKENING - - -[1] For better, for worse, letterlijk: voor beter of voor erger; -woorden uit het huwelijks-formulier. Vert. - - - - - - -End of the Project Gutenberg EBook of Slechte Tijden, by Charles Dickens - -*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK SLECHTE TIJDEN *** - -***** This file should be named 50771-8.txt or 50771-8.zip ***** -This and all associated files of various formats will be found in: - http://www.gutenberg.org/5/0/7/7/50771/ - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg. - - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United -States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive -specific permission. If you do not charge anything for copies of this -eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook -for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports, -performances and research. They may be modified and printed and given -away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks -not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the -trademark license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country outside the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you'll have to check the laws of the country where you - are located before using this ebook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm web site -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The -Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm -trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org Section 3. Information about the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the -mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its -volunteers and employees are scattered throughout numerous -locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt -Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to -date contact information can be found at the Foundation's web site and -official page at www.gutenberg.org/contact - -For additional contact information: - - Dr. Gregory B. Newby - Chief Executive and Director - gbnewby@pglaf.org - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide -spread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works. - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our Web site which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. - |
