summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/50771-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old/50771-8.txt')
-rw-r--r--old/50771-8.txt13677
1 files changed, 0 insertions, 13677 deletions
diff --git a/old/50771-8.txt b/old/50771-8.txt
deleted file mode 100644
index 31176d7..0000000
--- a/old/50771-8.txt
+++ /dev/null
@@ -1,13677 +0,0 @@
-The Project Gutenberg EBook of Slechte Tijden, by Charles Dickens
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
-other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of
-the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have
-to check the laws of the country where you are located before using this ebook.
-
-
-
-Title: Slechte Tijden
-
-Author: Charles Dickens
-
-Illustrator: H. French
-
-Translator: C.M Mensing
-
-Release Date: December 26, 2015 [EBook #50771]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: ISO-8859-1
-
-*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK SLECHTE TIJDEN ***
-
-
-
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg.
-
-
-
-
-
-
-
-
- SLECHTE TIJDEN
-
- DOOR
-
- CHARLES DICKENS.
-
-
- VERTALING VAN C. M. MENSING.
- MET 19 HOUTGRAVUREN NAAR TEEKENINGEN VAN H. FRENCH
-
-
- Achtste, geheel herziene druk.
- NIJMEGEN--GEBR. E. & M. COHEN--ARNHEM.
-
-
-
-
-
-
-
-
-SLECHTE TIJDEN.
-
-EERSTE BOEK. ZAAIEN.
-
-
-I.
-
-HET ÉÉNE NOODIGE.
-
-
-"Al wat ik vraag, zijn feiten. Leer die jongens en meisjes niets anders
-dan feiten. Dat is alles wat men in de wereld noodig heeft. Plant niet
-anders, en roei alle andere dingen uit. Door feiten alleen kunt gij
-den geest van met rede begaafde dieren ontwikkelen; niets anders zal
-hun ooit van eenig nut wezen. Dit is de stelregel, waarnaar ik mijne
-eigene kinderen grootbreng, en het is ook de stelregel, waarnaar ik
-deze kinderen opvoed. Houd u aan feiten en blijf daarbij, mijnheer!"
-
-Het tooneel was een hol, eentonig schoolvertrek, met vier kale witte
-muren, en des sprekers recht uitgestoken voorvinger gaf nadruk aan
-zijne woorden, door elk gezegde met eene lijnrechte beweging over des
-schoolmeesters mouw te onderstrepen. Die nadruk werd nog versterkt
-door des sprekers voorhoofd, dat naar een vierkant opgebouwden muur
-geleek, die zijne wenkbrauwen tot grondslag had, terwijl zijne oogen
-in twee naar keldergaten zweemende donkere holen, door dien muur
-overschaduwd, verscholen lagen; en verder door des sprekers mond, die
-breed en recht ingesneden was, met dunne, strakke lippen--en verder
-door des sprekers stem, die stroef, eentonig en gebiedend was--en
-verder door des sprekers haar, dat borstelig om den rand van zijn kaal
-hoofd oprees, als ware het een dennenplantsoen, bestemd om den wind
-van de blinkende oppervlakte af te weren, die overal met knobbels was
-bedekt, alsof het hoofd nauwelijks ruimte had voor al de dorre feiten,
-die daarin lagen opgestapeld. Des sprekers geheele onverbiddelijke
-houding, zijn rechthoekig gesneden rok, zijn rechthoekige beenen,
-zijne rechthoekige schouders--ja zelfs zijne das, gewend om hem met
-een onverbiddelijken greep, als een hardnekkig feit, bij de keel te
-pakken--alles versterkte nog dien nadruk.
-
-"In deze wereld hebben wij niets anders dan feiten noodig, mijnheer;
-niets anders dan feiten."
-
-De spreker, de schoolmeester en de derde aanwezige volwassene persoon,
-stapten een weinig achteruit en lieten toen hunne oogen gaan over het
-hellende vlak van kleine kruikjes, daar in orde geschikt, en gereed
-om zich emmers vol feiten te laten ingieten tot zij ten boorde toe
-vol waren.
-
-
-
-
-
-
-
-II.
-
-DE KINDERMOORD.
-
-
-Thomas Gradgrind, mijnheer. Een man van het positieve en
-materieele. Een man van feiten en cijfers. Een man, die zich aan den
-regel vasthoudt, dat tweemaal twee vier is en niets meer, en die zich
-niet laat bepraten om iets daarboven in te willigen. Thomas Gradgrind,
-mijnheer--Thomas en niets anders--Thomas Gradgrind. Met eene liniaal en
-een goudschaaltje en de tafel van vermenigvuldiging altijd in zijn zak,
-gereed om ieder staaltje van het menschdom te meten en te wegen, en u
-precies te zeggen wat het uitmaakt. Dit is iets, waarbij het alleen
-op cijfers aankomt, eene eenvoudige rekensom. Het zou u misschien
-kunnen gelukken, om een George Gradgrind, of een Augustus Gradgrind,
-of een John Gradgrind, of een Jozef Gradgrind (allen hersenschimmige,
-denkbeeldige personen) daaromtrent een ander begrip, dat maar een
-dwaas vooroordeel is, in het hoofd te brengen, maar Thomas Gradgrind,
-mijnheer--onmogelijk!
-
-Met dergelijke bewoordingen in zijne gedachten, was mijnheer Gradgrind
-gewoon zich zelven voor te stellen, hetzij in een gesloten kring
-van bekenden, of bij het publiek in het algemeen, en zonder twijfel
-was het ook met die gedachten--behalve dat hij het woord "mijnheer"
-in de woorden "jongens en meisjes" veranderde, dat Thomas Gradgrind
-zich thans naar de kleine kruikjes keerde, die zoo vol feiten moesten
-gegoten worden.
-
-Waarlijk, terwijl hij hen uit de bovengemelde keldergaten aanflikkerde,
-scheen hij een soort van kanon te zijn, tot aan den mond met feiten
-geladen, en gereed om hen met één schot geheel uit de gewesten
-der kindsheid te doen verstuiven. Hij scheen ook wel een galvanisch
-toestel, geladen met een bijtend scheikundig mengsel, dat de teedere,
-jeugdige verbeelding haar spel moest beletten door haar met eene
-harde korst van feiten te overdekken.
-
-"Meisje nommer twintig," zeide mijnheer Gradgrind, lijnrecht met zijn
-voorvinger wijzende. "Ik ken dat meisje niet. Wie is dat meisje?"
-
-"Sissy Jupe, mijnheer," antwoordde het meisje nommer twintig, blozende,
-opstaande en nijgende.
-
-"Sissy is geen naam," zeide mijnheer Gradgrind. "Gij moet geen Sissy
-zeggen, maar Cecilia."
-
-"Vader noemt mij altijd Sissy, mijnheer," antwoordde het meisje met
-eene bevende stem en nogmaals nijgende.
-
-"Dat moet hij dan niet doen," hervatte mijnheer Gradgrind. "Zeg hem,
-dat hij het niet meer doen moet, Cecilia Jupe. Laat eens zien. Wat
-is uw vader?"
-
-"Hij behoort bij de paardrijders, als het u belieft, mijnheer."
-
-Mijnheer Gradgrind trok zijne wenkbrauwen samen en wuifde het
-aanstootelijke beroep als het ware met zijne hand weg.
-
-"Wij willen hier niets daarvan weten. Gij moogt hier volstrekt niet
-daarvan spreken. Uw vader dresseert paarden, niet waar?"
-
-"Ja wel, mijnheer, zij dresseeren ook wel paarden in de manege,
-als zij ze krijgen om te dresseeren, mijnheer."
-
-"Gij behoeft ons hier niets van de manege te vertellen. Welnu
-dan. Zeg dus maar, dat uw vader paarden dresseert. Hij zal ook wel
-zieke paarden cureeren, zou ik denken?"
-
-"O ja wel, mijnheer."
-
-"Welnu, dan is hij pikeur en paardendokter. Laat mij eens uwe definitie
-van een paard hooren."
-
-Sissy Jupe ontstelde zichtbaar over dezen eisch en zweeg.
-
-"Dat meisje nommer twintig is buiten staat om eene definitie van een
-paard te geven," zeide mijnheer Gradgrind tot algemeene waarschuwing
-van al de kleine kruikjes. "Dat meisje nommer twintig is onbekend met
-de feitelijke eigenschappen van een der gewoonste dieren. Laat een van
-de jongens mij eens eene definitie van een paard geven. Bitzer, gij!"
-
-De rechthoekige vinger bleef, na hier en daar gedwaald te hebben,
-op Bitzer wijzen, misschien omdat deze toevallig in denzelfden straal
-van zonlicht zat, die door een der vensters van het in het oog loopend
-helder witte vertrek vallende, ook Sissy bescheen. Want de jongens en
-meisjes zaten op het hellende vlak van banken in twee dichte drommen,
-in het midden door eene smalle tusschenruimte gescheiden; en Sissy,
-op den hoek eener rij aan den zonkant gezeten, werd door het begin van
-een zonnestraal beschenen, waarvan Bitzer, aan den anderen kant, eenige
-rijen verder op een hoek zittende, het einde opving. Maar terwijl het
-meisje zulke donkere oogen en lokken had, dat zij door de zon, die haar
-bescheen, nog krachtiger en glanziger gekleurd schenen te worden, had
-de jongen zoo lichte haren en oogen, dat dezelfde stralen het weinigje
-kleur, dat hij bezat, geheel schenen te doen verschieten. Zijne koude
-oogen zouden haast geene oogen zijn geweest zonder de korte wimpers,
-die, daar zij de appels tegen iets nog bleekers dan zij zelven waren
-deden afsteken, de teekening er van zichtbaar maakten. Zijn kort
-geknipt haar kon maar eene voortzetting wezen van de geelachtige
-sproeten op zijn voorhoofd en zijn gezicht. Zijne ongezonde huid was
-zoodanig van natuurlijke vleeschkleur ontbloot, dat het scheen alsof
-hij wit zou bloeden als hij zich sneed.
-
-"Bitzer," zeide mijnheer Gradgrind, "geef mij eens uwe definitie van
-een paard."
-
-"Een graanetend viervoetig dier, met veertig tanden, namelijk vier en
-twintig kiezen, vier hoektanden en twaalf snijtanden. Laat in de lente
-zijne haren vallen; in moerasachtige streken ook zijne hoeven. Heeft
-harde hoeven maar die met ijzer moeten beslagen worden. Zijn ouderdom
-is te zien aan sommige teekenen in den bek."
-
-Dit en nog veel meer, zeide Bitzer.
-
-"Nu, meisje nommer twintig," hervatte mijnheer Gradgrind, "nu weet
-gij wat een paard is."
-
-Zij neeg weder en zou nog hooger gebloosd hebben, indien het mogelijk
-geweest was dit nog sterker te doen dan zij al dien tijd gedaan
-had. Bitzer wierp snel een blik naar mijnheer Gradgrind, zijne
-oogen opslaande, zoodat hij het licht op de trillende wimpers ving,
-die daarbij naar de voelhorentjes van spartelende insecten geleken,
-duwde toen zijne kneukels tegen zijn met sproeten bezaaid voorhoofd
-en ging weder zitten.
-
-Thans trad de derde heer vooruit, een man wien men een moreelen
-kampvechter zou kunnen noemen, altijd gereed om tegen iedereen
-te boksen en zich liever dood te vechten dan zich overwonnen te
-bekennen. Vooral wanneer het gezond verstand hem in den weg kwam,
-ontwaakte zijn strijdlust, en hij gaf het niet op voordat hij die
-ongelukkige tegenpartij buiten adem had gebracht. Hij bekleedde een
-gouvernements-post en achtte zich daarom geroepen het duizendjarig
-rijk der ambtenaren te helpen stichten, waarin de geheele aarde door
-commissarissen zou geregeerd worden.
-
-"Heel goed," zeide deze heer met een lachje, terwijl hij zijne armen
-over elkander sloeg, "dat is een paard. Laat ik u nu eens iets vragen,
-jongens en meisjes. Zoudt gij wel eene kamer willen behangen met
-afbeeldsels van paarden?"
-
-Na eene korte pauze riep de eene helft der kinderen: "Ja,
-mijnheer!" waarop de andere helft, aan het gezicht des vragers ziende
-dat "ja" het verkeerde antwoord was, in koor "neen, mijnheer," riep,
-gelijk het bij zulk een examen gewoonlijk gaat.
-
-"Immers neen. Maar waarom zoudt ge niet?"
-
-Eene pauze. Een dikke, botte jongen waagde het te antwoorden: "omdat
-hij de kamer geheel niet wilde behangen, maar liever schilderen."
-
-"Maar als de kamer nu moet behangen worden?" hernam de vrager tamelijk
-driftig.
-
-"Gij moet hem behangen, of gij wilt of niet," viel mijnheer Gradgrind
-hierop in. "Spreek van geen niet willen. Dat komt hier niet te pas."
-
-"Ik zal het u dan verklaren," zeide de vrager, na eene andere drukkende
-pauze; "ik zal u zeggen waarom gij eene kamer niet met afbeeldingen
-van paarden moet behangen. Ziet gij ooit wezenlijke paarden tegen de
-wanden eener kamer op- en afloopen? Is dat een werkelijk feit?"
-
-"Ja, mijnheer," riep de eene helft; "neen, mijnheer," riepen de
-anderen.
-
-"Immers neen," zeide de vrager, met een blik van verontwaardiging op
-de helft, die misgeraden had. "Welnu dan, men moet nergens iets zien,
-wat men daar niet wezenlijk ziet; men moet nergens iets hebben, wat
-men daar niet wezenlijk heeft--wat niet werkelijk is. Wat men smaak
-noemt, is maar een andere naam voor het feitelijk bestaande."
-
-Thomas Gradgrind gaf met een hoofdknik zijne goedkeuring te kennen.
-
-"Dit is een nieuw ontdekt grondbeginsel, en eene groote ontdekking,"
-hernam de spreker. "Nu zal ik u nog eens op de proef stellen. Onderstel
-eens, dat gij een tapijt in eene kamer moest leggen, zoudt gij dan
-een tapijt nemen met eene afbeelding van bloemen daarop?"
-
-Daar men zich thans algemeen overtuigd hield, dat "neen" altijd het
-rechte antwoord was op de vragen van dezen heer, was het koor van
-"neen!" zeer sterk. Slechts eenige zwakke stemmen zeiden "ja", en
-daaronder was de stem van Sissy Jupe.
-
-"Meisje nommer twintig," zeide de vreemde heer, glimlachende in de
-kalme bewustheid zijner wetenschap.
-
-Sissy bloosde en stond op.
-
-"Dus zoudt gij uwe kamer--of uw mans kamer, als gij volwassen waart
-en een man hadt--beleggen met een tapijt met afbeeldingen van bloemen
-daarop, niet waar? En waarom dat?"
-
-"Als 't u belieft, mijnheer, ik houd zooveel van bloemen," antwoordde
-het meisje.
-
-"En daarom zoudt gij er stoelen en tafels op zetten en er menschen
-met zware laarzen overheen laten loopen?"
-
-"Dat zou ze geen kwaad doen, mijnheer. Zij zouden niet gekneusd worden
-en er niet van verwelken. Zij zouden maar afbeeldingen wezen van iets,
-dat mooi en aardig is, en ik zou mij verbeelden..."
-
-"Ja, ja, ja! maar gij moet u nooit iets verbeelden," riep de
-ondervrager uit, opgetogen dat hij zoo gelukkig op zijn stokpaardje
-kwam. "Dat is het juist; gij moet u nooit iets verbeelden."
-
-"Neen, dat moet gij nooit, Cecilia Jupe," herhaalde mijnheer Gradgrind
-met plechtigen ernst, "nooit, niets van dien aard!"
-
-"Het feitelijke, het feitelijk bestaande," hernam de vreemde heer.
-
-"Het feitelijk bestaande alleen," herhaalde mijnheer Gradgrind.
-
-"Men moet zich in alle opzichten door feiten laten leiden en besturen,"
-sprak de vreemde heer. "Wij hopen, dat de regeering zich eerlang die
-zaak zal aantrekken en commissarissen benoemen, die het volk zullen
-dwingen om zich uitsluitend aan het feitelijke te houden. Men moet het
-woord verbeelding geheel afschaffen. Niemand heeft iets daarmede te
-maken. Men moet voor geen voorwerp tot gebruik of sieraad iets bezigen,
-dat strijdig met de werkelijkheid zou zijn. In de werkelijkheid
-loopt men niet over bloemen; men mag dus niet over bloemen op een
-tapijt loopen. Men ziet nooit, dat vreemde vogels en vlinders op ons
-aardewerk komen zitten; men mag dus geen vreemde vogels en vlinders
-op ons aardewerk schilderen. Men ziet geene viervoetige dieren tegen
-de muren op- en afloopen, en dus moet men geene viervoetige dieren
-op de muren afbeelden. Men moet voor al die dingen," vervolgde de
-spreker, "slechts combinatiën en modificatiën van mathematische
-figuren gebruiken, die gedemonstreerd en bewezen kunnen worden, en
-ook geene andere kleuren dan de primaire daarbij aanwenden. Dit is
-de nieuwe ontdekking. Dit is werkelijke smaak."
-
-Het meisje neeg en ging weder zitten. Zij was nog zeer jong en zag
-er uit alsof het feitelijke vooruitzicht, dat de wereld haar aanbood,
-haar had doen schrikken.
-
-"Indien nu mijnheer Mac Choakumchild," hervatte de vreemde heer,
-"eens beginnen wil met zijne eerste les hier te geven, mijnheer
-Gradgrind, dan zal ik, op uw verzoek, zeer gaarne zijne manier van
-onderwijzen waarnemen."
-
-Mijnheer Gradgrind was zeer verplicht.
-
-"Mijnheer Mac Choakumchild, wij wachten alleen op u."
-
-Mijnheer Mac Choakumchild begon dus zoo goed hij kon. Hij en nog in de
-honderd veertig andere schoolmeesters waren sedert kort tegelijkertijd,
-in dezelfde inrichting en op dezelfde wijze gedresseerd, men had
-kunnen zeggen gelijk zoovele tafel- of stoelpooten op dezelfde
-draaibank afgedraaid. Men had hem eene oneindige verscheidenheid
-van kunstjes geleerd, en hij had boeken vol hoofdbrekende vragen
-beantwoord. Orthographie, etymologie, syntaxis en prosodie, biographie,
-astronomie, geographie, cosmographie, algebra, het landmeten, de
-zangkunst en het teekenen naar modellen, dat alles kende hij op
-zijn duimpje. Hij had zelfs den room afgeschept der hoogere takken
-van mathematische en natuurkundige wetenschappen, op de tabel B van
-Harer Majesteits Privy Council vermeld, en met het Fransch, Duitsch,
-Latijn en Grieksch kennis gemaakt. Hij kende de Waterstreken van
-de geheele wereld (wat die dingen dan ook mogen zijn) door en door,
-benevens alle geschiedenissen van alle volken, alle namen van alle
-rivieren en bergen, alle voortbrengselen, zeden en gebruiken van
-alle landen, en al hunne grenzen en betrekkelijke liggingen ten
-opzichte van andere landen naar al de twee en dertig streken van
-het kompas. Mijnheer Mac Choakumchild was slechts een weinigje al te
-geleerd. Als hij maar wat minder had geweten, hoe oneindig beter en
-meer had hij dan kunnen onderwijzen!
-
-In deze voorbereidende les handelde hij omtrent eveneens als Morgiana
-in de vertelling van de Veertig Dieven, en keek in al de voor hem
-gerangschikte kruikjes een voor een, om te zien wat er in was. Zeg eens
-goed, mijnheer Mac Choakumchild: als gij uit uw kokenden voorraad ieder
-kruikje straks boordevol schenkt, denkt gij dan, dat gij den dief,
-die er in verscholen zit, de verbeelding, zult hebben gedood--of maar
-eenigszins verminkt en misvormd?
-
-
-
-
-
-
-
-III.
-
-EEN KIJKGAATJE.
-
-
-Mijnheer Gradgrind stapte in eene zeer weltevredene stemming van de
-school naar huis. Het was zijne school, en hij wilde haar tot eene
-model-school maken. Hij wilde, dat ieder kind een model-kind zou wezen,
-evenals de jeugdige Gradgrind's allen model-kinderen waren.
-
-Er waren vijf jeugdige Gradgrind's en zij waren ieder hoofd voor
-hoofd een model-kind. Zij hadden van hunne teederste jaren af
-lessen en verhandelingen moeten hooren--en waren als kleine hazen
-afgejaagd. Bijna zoodra zij konden loopen, moesten zij hunne kleine
-voetjes naar de verhandelzaal richten. Het eerste voorwerp, waarvan
-zij herinnering hadden, was een groot zwart bord, met een uitgedroogden
-menschenvreter er voor, die er met krijt akelige figuren op teekende.
-
-Niet dat zij iets van een menschenvreter wisten--van zulk een
-onbestaanbaar persoon mochten zij den naam zelfs niet hooren. Ik
-gebruik het woord slechts om een monster aan te duiden, dat een
-verhandel-kasteel bewoont, een aantal, de hemel weet hoeveel,
-tot-een-gekneede koppen heeft, en de kindsheid gevangen neemt om haar
-bij de haren in het sombere hol der wetenschap te slepen.
-
-Geen kleine Gradgrind had ooit een menschengezicht in de maan gezien;
-hij wist reeds wat de maan was eer hij duidelijk spreken kon. Geen
-kleine Gradgrind had ooit het onnoozele rijmpje geleerd:
-
-
- Flikker, flikker, sterretje klein,
- Ik ben verbaasd wat gij moogt zijn.
-
-
-Hij had nooit eenige verbazing daaromtrent ontwaard, daar hij, toen
-hij pas vijf jaren oud was, den grooten Beer kon ontleden zoo goed
-als professor Owen. Geen kleine Gradgrind had ooit bij het zien eener
-koe in de weide aan die vermaarde koe gedacht van zeshonderd pond,
-die omhoog smeet den hond, die wegjoeg de kat, die pakte de rat,
-die at van het graan, dat lag in het huis van Adriaan--of aan die nog
-meer vermaarde koe, die Klein Duimpje had opgeslokt. Hij had nooit van
-die dingen gehoord, en eene koe was niet anders aan hem voorgesteld
-dan als een herkauwend viervoetig dier met verscheidene magen.
-
-Naar dit bij uitstek feitelijke en prozaïsche huis, dat Stone Lodge
-genoemd werd, richtte mijnheer Gradgrind nu zijne schreden. Hij had
-een handel in ijzerwaren gedreven en dien aan kant gedaan eer hij Stone
-Lodge bouwde, en zag nu uit naar eene gelegenheid om met zijne kennis
-van feiten in het Parlement figuur te maken. Stone Lodge lag op eene
-heide, op een paar mijlen afstands van eene groote stad, die in het
-laatste zeer getrouwe handboek voor reizigers Coketown genoemd wordt.
-
-Een zeer regelmatig sieraad van het landschap was Stone Lodge. Geene
-de minste vermomming verzachtte de prozaïsche feitelijkheid van
-het gebouw. Een groot vierkant huis, met eene overdekte galerij,
-die de voornaamste vensters verdonkerde, gelijk het zware voorhoofd
-van den meester diens oogen overschaduwde. Het was een huis, waaraan
-alles te voren afgemeten, afgeteld, berekend en bewezen was, met zes
-vensters aan den eenen kant van de deur, en zes aan den anderen, in
-juiste verhouding tot de vensters op zijde en aan den achterkant--met
-een grasperk, een tuin en eene pas geplante laan, alles met rechte
-lijnen, gelijk een blad uit een boek van botanische statistiek--met
-toestellen voor gas en ventilatie en inrichtingen tot aan- en afvoer
-van water in de beste orde--met ijzeren balken en bouten, brandvrij
-van onder tot boven, met mechanieke toestellen om de werkmeid met
-bezems en schuiers naar de vliering te hijschen--met alles, in één
-woord, wat iemands hart kon begeeren.
-
-Alles? Dat zou ik denken. De kleine Gradgrind's hadden ook kabinetjes
-voor verschillende vakken van wetenschap. Zij hadden een kabinetje
-met horens en schulpen, een kabinetje met mineralen en metalen; en
-al de voorwerpen daarin waren in volmaakte orde gerangschikt, en bij
-ieder stukje steen en erts lag een papiertje met een naam, die zeer
-moeielijk was uit te spreken. Zoodat, om de woorden van een dwaas
-kindersprookje te bezigen, dat echter nooit tot de kinderkamer van
-dit huis was doorgedrongen: Indien de ontevredene kleine Gradgrind's
-nog meer dan dit alles wilden hebben, wat zou er bij mogelijkheid te
-bedenken geweest zijn, dat de ontevredene kleine Gradgrind's nog meer
-konden willen hebben?
-
-Hun vader stapte zeer welgemoed en voldaan voort. Hij was op zijne
-manier een liefhebbend vader; maar als hij zich gedwongen had
-gezien om eene definitie van zich zelven te geven (gelijk Sissy
-Jupe van een paard), zou hij waarschijnlijk gezegd hebben, dat hij
-een "uitnemend practisch" vader was. Hij was zeer ingenomen met de
-phrase: "uitnemend practisch," welke hij begreep, dat op hem bijzonder
-toepasselijk was. Bij alle openbare vergaderingen, die te Coketown
-werden gehouden, om welke reden het ook was, kon men zeker zijn,
-dat een of ander Coketowner de gelegenheid waarnam om melding te
-maken van zijn uitnemend practischen vriend, mijnheer Gradgrind,
-en altijd gevoelde die uitnemend practische vriend zich daardoor
-gestreeld. Hij wist wel, dat men dezen lof aan hem verschuldigd was,
-maar het was hem toch zeer aangenaam dien te hooren.
-
-Hij had nu den neutralen grond in de nabijheid der stad bereikt,
-die eigenlijk noch tot de stad noch tot het land behoorde, maar een
-onbehaaglijk mengelmoes van beide was, toen hem de tonen van muziek
-in de ooren klonken. Het luidruchtig schetterende en dreunende
-orchest van een paardenspel, dat zich hier in een houten paviljoen
-had gevestigd, was aan den gang. Eene vlag, die op den top der tent
-wapperde, verkondigde aan het menschdom, dat het de "Rijschool van
-Sleary" was, die om de gunst van het publiek verzocht. Sleary zelf,
-een zwaarlijvig modern standbeeld met een geldbakje naast zich,
-stond in eene nis, waarvan de stijl aan een gothiek kerkgebouw was
-ontleend, om het geld aan te nemen. Miss Josephine Sleary, gelijk een
-zeer lang en smal gedrukt biljet aankondigde, had juist de voorstelling
-begonnen met haar gracieusen Tyroler bloemendans te paard. Onder andere
-verrukkelijke, maar altijd streng moreele wonderen, welke men zien
-moest om ze te gelooven, zou Signor Jupe dien namiddag de vermakelijke
-toeren van zijn kunstig gedresseerden hond Merrylegs vertoonen, en
-zijne verbazende kracht en behendigheid ten toon spreiden door vijf
-en zeventig gewichten van honderd pond zoo snel achtereenvolgend
-over zijn hoofd te werpen, dat zij eene fontein van massief ijzer
-in de lucht vormden, "een kunststuk, nog nooit te voren in dit
-of eenig ander land beproefd, en dat, daar het steeds met zooveel
-geestdrift door het verrukte publiek wordt toegejuicht, bij elke
-voorstelling wordt uitgevoerd." Dezelfde Signor Jupe zou de geheele
-voorstelling van tijd tot tijd afwisselen en verlevendigen door zijne
-echt Shakespeariaansche snakerijen en kwinkslagen. Eindelijk zou hij
-het geheel besluiten door op te treden in zijne algemeen beroemde rol
-van mijnheer William Button van Tooley-Street, in de geheel nieuwe en
-hoogst koddige hippo-comedietta: De kleermaker op reis naar Brentford.
-
-Thomas Gradgrind sloeg geen acht op deze ellendige nietigheden,
-maar stapte voort gelijk een practisch man behoorde, en verbande die
-luidruchtige insecten uit zijne gedachten, of wel verwees ze naar het
-huis van correctie. Doch eene bocht van den weg voerde hem achter het
-spel om, en aan den achterkant van het spel was een troep kinderen
-verzameld, die in verschillende gebogen houdingen door een gaatje
-of reet de verborgene heerlijkheden van het paardenspel poogden
-te begluren.
-
-Dit bracht hem tot stilstaan. "Welk eene schande," riep hij uit,
-"dat die vagebonden, dat jonge gepeupel uit mijne model-school houden!"
-
-Dewijl er nog eene plek vertrapt gras en puin tusschen hem en het jonge
-gepeupel in lag, haalde hij zijn lorgnet uit zijn vestzakje, om te zien
-of er onder die kinderen niet een was, dat hij kende en door zijn bevel
-kon wegjagen. Welk een bijna ongeloofelijk, hoewel duidelijk zichtbaar
-verschijnsel zag hij daar! Zijne eigene met feiten en kundigheden
-opgepropte Louisa stond met alle macht door een gaatje in eene plank
-te gluren, en zijn eigen mathematische Thomas vernederde zich tot op
-den grond, om maar een enkelen paardenhoef te kunnen zien, terwijl
-Miss Josephine Sleary den gracieusen Tyroler bloemendans uitvoerde.
-
-Stom van verbazing stapte mijnheer Gradgrind naar de plek waar zijn
-kroost zich zoodanig schandvlekte, pakte met iedere hand een zijner
-verdoolde kinderen aan en zeide:
-
-"Louisa!! Thomas!!"
-
-Beiden stonden op, zeer rood en ontsteld; maar Louisa zag haar vader
-toch met meer stoutmoedigheid aan dan Thomas: Thomas zag hem eigenlijk
-geheel niet aan, maar gaf zich met volkomene lijdzaamheid over om
-zich naar huis te laten brengen.
-
-"In den naam van alles wat verbazend, nutteloos en dwaas is," zeide
-mijnheer Gradgrind, aan elke hand een zijner kinderen voortleidende;
-"wat doet gij hier?"
-
-"Ik wilde eens zien waar dat op geleek," antwoordde Louisa kortaf.
-
-"Waar dat op geleek?"
-
-"Ja, vader!"
-
-Beide kinderen hadden zekere gemelijke verveelzucht in hun voorkomen,
-inzonderheid het meisje; maar door het verdrietige van haar gezicht
-schemerde een licht heen, dat niets vond om te beschijnen, een vuur,
-dat niets te branden had, eene uitgehongerde verbeeldingskracht, die
-toch op eene of andere wijs het leven hield en de uitdrukking harer
-trekken verhelderde; niet met die natuurlijke helderheid, welke de
-vroolijke jeugd eigen is, maar met onzekere, driftige, weifelende
-opflikkeringen, die iets pijnlijks hadden en naar de afwisselingen
-geleken, welke men op het gezicht van een blinde ziet, die op den
-tast naar zijn weg zoekt.
-
-Zij was nu een kind van vijftien of zestien jaren, maar eerlang
-zou zij geheel op eens het voorkomen eener jonge vrouw krijgen. Zoo
-dacht haar vader, terwijl hij haar aanzag. Zij was bevallig. Zij zou
-eigenzinnig geweest zijn (dacht hij op zijne uitnemend practische
-manier), als zij niet zóó was opgevoed.
-
-"Thomas! hoewel ik het feit vóór mij heb, is het mij moeielijk te
-gelooven, dat gij, met uwe opvoeding en uwe gelegenheid om uw tijd
-beter te besteden, uwe zuster naar zulk een schouwspel zoudt gebracht
-hebben."
-
-"Ik heb hem gebracht, vader!" zeide Louisa snel. "Ik vroeg hem om
-mee te gaan."
-
-"Het spijt mij dit te moeten hooren. Het spijt mij zeer dit te moeten
-hooren. Het maakt Thomas niet beter, en het maakt u slechter, Louisa."
-
-Zij zag haar vader wederom aan, maar geen traan rolde over hare wang.
-
-"Thomas en gij, voor wie de kring der wetenschappen openstaat. Thomas
-en gij, die men mag zeggen dat met feiten gevoed zijt, Thomas en
-gij, die met mathematische stiptheid zijt opgevoed, Thomas en gij
-hier!" riep mijnheer Gradgrind uit. "In deze vernederende positie! Ik
-ben er verbaasd over!"
-
-"Ik verveelde mij, vader. Ik heb mij al lang verveeld," zeide Louisa.
-
-"Verveeld? "Wat verveelt u dan?" vroeg de verbaasde vader.
-
-"Ik weet niet wat. Alles, geloof ik."
-
-"Spreek geen woord meer," antwoordde mijnheer Gradgrind. "Gij zijt
-kinderachtig. Ik wil niets meer hooren."
-
-Hij sprak niet weder voordat zij een heel eind ver in stilte hadden
-voortgestapt, en toen zeide hij ernstig:
-
-"Wat zouden uwe beste vrienden wel zeggen, Louisa? Hecht gij dan geene
-waarde aan hunne goede meening? Wat zou mijnheer Bounderby wel zeggen?"
-
-Op het hooren van dien naam wierp zijne dochter tersluiks een blik op
-hem, waarvan het scherpe en uitvorschende zeer opmerkelijk was. Hij
-zag echter niets daarvan, want eer hij haar aankeek, had zij hare
-oogen weder neergeslagen.
-
-"Wat," herhaalde hij weldra, "zou mijnheer Bounderby wel zeggen?" En
-terwijl hij met een gezicht vol ernstige verontwaardiging de twee
-misdadigers naar huis bracht, herhaalde hij telkens den geheelen weg
-over: "Wat zou mijnheer Bounderby wel zeggen?"
-
-
-
-
-
-
-
-IV.
-
-MIJNHEER BOUNDERBY.
-
-
-Wie was die mijnheer Bounderby?
-
-Wel, mijnheer Bounderby was in zooverre mijnheer Gradgrind's
-boezemvriend, als een man, geheel ontbloot van gevoel, met iemand
-anders, die evenzeer van gevoel ontbloot is, in eene dergelijke
-betrekking kan staan. Zoo nauw--of, indien de lezer dit liever
-wil,--zoo ver verwijderd was de betrekking tusschen die twee.
-
-Hij was een rijk man: een bankier, een koopman, een fabrikant en wat
-niet al. Een zwaarlijvig man, met eene luide stem, starende oogen, en
-een lach, die een metaalklank had; een man met een groot opgezwollen
-hoofd, uitpuilende aderen aan de slapen, en zulk een gespannen vel
-over zijn gezicht, dat het zijne oogen scheen open te houden en zijne
-wenkbrauwen op te trekken; een man, wiens geheele voorkomen aan een
-gevulden ballon deed denken, op het punt om op te stijgen; een man,
-die er nooit genoeg op kon pochen dat hij zich zelven tot "een man"
-had gemaakt; een man, die door de koperen spreektrompet zijner stem
-altijd zijne oude onwetendheid en zijne oude armoede verkondigde; een
-man, die het toppunt van hoogmoedig bluffende nederigheid had bereikt.
-
-Hoewel hij een paar jaar jonger was dan zijn uitnemend practische
-vriend, zag mijnheer Bounderby er toch ouder uit; bij zijne zeven of
-acht en veertig had hij nog zeven of acht meer kunnen tellen, zonder
-dat het iemand zou verwonderd hebben. Hij had niet veel haar. Men had
-zich kunnen verbeelden, dat het van zijn praten was uitgevallen, en
-dat het weinige, dat hij overhad, zoo verward overeindstond omdat het
-onophoudelijk door zijn winderig snoeven heen en weder werd geblazen.
-
-In het sombere salon van Stone Lodge stond mijnheer Bounderby zich
-op het haardkleedje voor het vuur te warmen en onderhield mevrouw
-Gradgrind met eenige opmerkingen over de omstandigheid, dat die dag
-zijn geboortedag was. Hij stond voor het vuur, gedeeltelijk omdat het
-een koude lentedag en tegen den avond was, hoewel de zon nog scheen,
-gedeeltelijk omdat in de schaduw van Stone Lodge altijd een spook
-van vochtige kalk omwaarde; gedeeltelijk omdat hij aldus een deftige
-houding had, die mevrouw Gradgrind ontzag moest inboezemen.
-
-"Ik had geene schoenen aan de voeten; en wat kousen aangaat, ik kende
-zulke dingen niet eens bij naam. Ik sleet den dag in eene sloot en
-den nacht in een varkenshok. Zoo bracht ik mijn tienden verjaardag
-door. Niet dat eene sloot iets nieuws voor mij was, want ik was in
-eene sloot geboren."
-
-Mevrouw Gradgrind--een klein, mager, bleek wezentje, met roode oogen
-en altijd in eenige shawls gewikkeld, ongeloofelijk zwak naar het
-lichaam en den geest--die altijd medicineerde zonder dat het haar
-iets baatte, en wanneer zij eenigen zweem van herleving vertoonde,
-telkens weder versuft en verdoofd werd door een zwaar blok van een
-feit, dat haar op het lijf tuimelde;--mevrouw Gradgrind hoopte,
-dat het eene droge sloot was.
-
-"Neen. Zoo nat als een vaatdoek. Een voet water er in," zeide mijnheer
-Bounderby.
-
-"Genoeg om een pasgeboren kind kou te doen vatten," was de opmerking
-van mevrouw Gradgrind.
-
-"Kou? Ik werd geboren met eene ontsteking van de long, en van alle
-andere dingen, geloof ik, die voor ontsteking vatbaar waren,"
-antwoordde mijnheer Bounderby. "Jarenlang, mevrouw! was ik een
-van de ellendigste schepseltjes, die men ooit heeft gezien. Ik was
-zoo ziekelijk, dat ik altijd steunde en kermde. Ik was zoo vuil en
-haveloos, dat ge mij met geen tang zoudt hebben aangeraakt."
-
-Mevrouw Gradgrind keek flauw naar de tang om, als het beste waaraan
-zij in hare sufheid kon denken.
-
-"Hoe ik er mij doorheen worstelde, weet ik zelf niet," hervatte
-Bounderby. "Ik was cordaat, denk ik. Ik ben in later tijd altijd
-cordaat geweest, en dat zal ik toen ook wel geweest zijn. Evenwel,
-hier sta ik, mevrouw Gradgrind, en ik behoef er niemand dan mij zelven
-voor te bedanken dat ik zoo sta."
-
-Mevrouw Gradgrind gaf zeer zachtzinnig en flauw hare hoop te kennen,
-dat zijne moeder....
-
-"Mijne moeder? Zij liep weg, mevrouw!" zeide Bounderby.
-
-Mevrouw Gradgrind, overbluft gelijk doorgaans, bleef bedeesd zwijgen.
-
-"Mijne moeder liet mij bij mijne grootmoeder," zeide Bounderby,
-"en als ik mij wel herinner, was mijne grootmoeder het slechtste en
-ondeugendste oude wijf dat er ooit leefde. Als ik door een bijzonder
-toeval een paar schoentjes kreeg, nam zij ze mij af en verkocht ze
-voor drank. Ja, ik heb die grootmoeder van mij, terwijl zij nog in
-bed lag, veertien glaasjes drank zien drinken voor haar ontbijt."
-
-Mevrouw Gradgrind, met haar flauw glimlachje en zonder eenig ander
-teeken van leven, geleek nu (gelijk zij altijd deed) naar een tamelijk
-slecht geschilderd transparant vrouwenportretje, dat van achteren
-niet genoeg verlicht was.
-
-"Zij hield een komenijswinkel," vervolgde Bounderby, "en stopte mij
-in een eierenkist. Dat was de wieg van mijne kindsheid--eene oude
-eierenkist. Zoodra ik groot genoeg was om weg te loopen, liep ik
-natuurlijk weg. Toen werd ik een jonge vagebond; en in plaats dat één
-oud wijf mij klappen gaf en honger liet lijden, gaven alle menschen
-van allerlei ouderdom mij klappen en lieten mij honger lijden. Zij
-hadden gelijk; zij behoefden niets anders te doen. Ik was een overlast,
-eene pest in de maatschappij. Dat weet ik--zeer wel."
-
-Hij kon zijn trots, dat hij in zijne kindsche jaren een overlast en
-pest in de maatschappij geweest was, niet genoeg lucht geven, of hij
-moest zijn snoeven daarop nog driemaal volmondig herhalen.
-
-"Ik was bestemd om mij omhoog te werken, zou ik denken, mevrouw
-Gradgrind. Maar, hetzij ik er voor bestemd was of niet, ik deed
-het, hoewel niemand mij hielp. Vagebond, loopjongen, pakhuisknecht,
-kantoorknecht, klerk, eerste boekhouder, compagnon, en eindelijk
-Josiah Bounderby van Coketown. Dit zijn de antecedenten en de
-culminatie. Josiah Bounderby van Coketown heeft leeren lezen van
-uithangborden boven winkels, mevrouw Gradgrind, en heeft op de
-klok leeren zien, door den toren der St. Gilleskerk te Londen te
-bestudeeren, met hulp van een kreupelen dronkaard, die een veroordeelde
-dief en onverbeterlijke landlooper was. Spreek Josiah Bounderby van
-uwe district-scholen en uwe model-scholen en uwe kweekeling-scholen
-en uw geheelen poespas van scholen; en Josiah Bounderby van Coketown
-zegt u ronduit: dat is alles goed en wel--hoewel hij zulke voorrechten
-niet had--als wij maar menschen krijgen met harde koppen en stevige
-vuisten. De opvoeding, die hem tot een man heeft gemaakt, zou niet voor
-iedereen deugen, dat weet hij wel; maar zoo en zoo is zijne opvoeding
-toch geweest, en gij moogt hem dwingen om kokende olie te drinken, maar
-gij zult hem nooit dwingen om de feiten van zijn leven te verbloemen."
-
-Josiah Bounderby van Coketown, die onder het spreken zeer warm
-geworden was, hield nu op; en juist toen hij zweeg trad zijn uitnemend
-practische vriend, door de twee jeugdige misdadigers vergezeld, de
-kamer binnen. Zijn uitnemend practische vriend bleef staan toen hij
-hem zag en wierp Louisa een verwijtenden blik toe, die duidelijk zeide:
-"Ziedaar nu, mijnheer Bounderby."
-
-"Wel, wat is er te doen?" zeide mijnheer Bounderby driftig en
-luidruchtig. "Hoe kijkt Thomas zoo verslagen?"
-
-Hij sprak van Thomas, maar hij zag naar Louisa.
-
-"Wij stonden bij het paardenspel naar binnen te kijken," mompelde
-Louisa stuursch, zonder hare oogen op te slaan, "en vader betrapte
-ons daar."
-
-"En, mevrouw Gradgrind," zeide de echtgenoot dezer dame op statelijken
-toon, "ik zou evengoed verwacht hebben, dat ik mijne kinderen verzen
-zou vinden lezen."
-
-"Och Heere," zeide mevrouw Gradgrind jammerend. "Hoe kunt ge toch zoo
-doen, Louisa en Thomas? Ik ben er verbaasd over. Ge zijt waarlijk in
-staat om het iemand te doen spijten, dat hij ooit kinderen had. Ik heb
-grooten lust om te zeggen, dat ik wenschte dat ik ze nooit had gehad;
-en wat zoudt ge dan gedaan hebben, dat zou ik wel eens willen weten."
-
-Mijnheer Gradgrind scheen niet zeer gesticht over deze treffende
-aanmerking, en trok ongeduldig zijne wenkbrauwen samen.
-
-"Hadt ge, terwijl mijn hoofd zoo duizelt en klopt, niet naar de
-schulpen en mineralen kunnen gaan kijken en al de andere dingen, die
-voor u zijn aangeschaft, in plaats van naar het paardenspel?" zeide
-mevrouw Gradgrind. "Gij weet evengoed als ik, dat jongelieden geen
-paardenspel-meester hebben, of paardenspel-kabinetjes houden of
-paardenspel-verhandelingen hooren. Wat kunt ge dan van paardenspellen
-willen weten? Gij hebt immers bezigheid genoeg, als ge naar bezigheid
-verlangt. Terwijl mijn hoofd zoo dof is, zou ik de namen niets eens
-kunnen noemen van de helft der feiten, die ge alleen te onthouden
-hebt."
-
-"Dat is juist de reden," bromde Louisa.
-
-"Zeg mij niet, dat dit de reden is, want dat kan het onmogelijk
-zijn," antwoordde mevrouw Gradgrind. "Ga terstond aan de eene of
-andere ologie." Mevrouw Gradgrind had niet gestudeerd, en als zij
-hare kinderen tot hunne studiën aanmaande, was het gewoonlijk met
-zulk een algemeen gezegde.
-
-Om de waarheid te zeggen, mevrouw Gradgrind's voorraad van feiten
-was ellendig schraal, maar toen mijnheer Gradgrind haar tot haar
-hoogen echtelijken rang verhief, had hij zich door twee redenen
-laten besturen. Vooreerst was zij in een financieel opzicht eene
-zeer goede partij, en ten tweede wist zij van geene malligheden af,
-waarmede hij zeggen wilde, dat zij geene de minste overhelling tot het
-romaneske of poëtische had; en inderdaad was hare verbeeldingskracht
-zoo weinig werkzaam, als dit bij een menschelijk wezen, dat niet
-geheel verstandeloos is, maar eenigszins mogelijk is.
-
-De eenvoudige omstandigheid, dat zij met haar echtgenoot en mijnheer
-Bounderby alleen bleef, was voldoende om deze goede dame wederom
-te versuffen. Zij verzonk dus in eene wezenlooze dofheid en niemand
-lette verder op haar.
-
-"Bounderby," zeide mijnheer Gradgrind, een stoel naar het vuur
-schuivende, "gij hebt altijd zooveel belang gesteld in mijne
-jongelieden--vooral in Louisa--dat ik geene verontschuldiging noodig
-meen te hebben als ik u zeg, dat deze ontdekking mij zeer verdrietig
-maakt. Ik heb mij systematisch toegewijd, gelijk gij weet, om bij
-mijne kinderen het redeneervermogen te ontwikkelen. De rede is, gelijk
-men weet, het eenige vermogen, waarop men de opvoeding behoort te
-richten. En toch, Bounderby, zou het uit deze onverwachte omstandigheid
-van vandaag, hoewel op zichzelf beuzelachtig, schijnen te blijken,
-dat er bij Thomas en Louisa iets in het gemoed is geslopen, dat--of
-liever, dat niet--ik weet niet hoe ik mij beter kan uitdrukken dan
-door te zeggen--iets dat ik nooit bedoeld had bij hen te ontwikkelen
-en waaraan het redeneervermogen geen deel heeft."
-
-"Er bestaat zeker geene reden om met belangstelling naar een troep
-vagebonden te kijken," antwoordde Bounderby. "Toen ik zelf een vagebond
-was, keek niemand met belangstelling naar mij; dat weet ik wel."
-
-"Dan komt de vraag," zeide de uitnemend practische vader, met de
-oogen op den haard gevestigd, "waaruit die gemeene nieuwsgierigheid
-ontstaan is?"
-
-"Dat zal ik u wel zeggen. Hunne verbeelding heeft loopen spelen."
-
-"Ik hoop van neen," zeide de uitnemend practische man, "schoon ik
-beken, dat op weg naar huis die vrees ook wel bij mij is opgekomen."
-
-"Een ijdel spelen der verbeelding, Gradgrind," herhaalde Bounderby:
-"iets zeer slechts voor iedereen, maar iets vervloekt slechts voor een
-meisje als Louisa. Ik moet mevrouw Gradgrind verschooning verzoeken,
-dat ik zulke sterke uitdrukkingen gebruik; maar zij weet zeer wel,
-dat ik niet gepolijst ben. Wie dat van mij verwacht, zal zich toch
-teleurgesteld vinden. Ik heb geene gepolijste opvoeding gehad."
-
-"Of," zeide mijnheer Gradgrind, terwijl hij met de handen in de zakken
-stond te peinzen, en zijne holle oogen in het vuur staarden, "of zou
-een onderwijzer of eene dienstbode haar iets in het hoofd hebben
-gebracht? Zou Louisa of Thomas misschien iets gelezen hebben? Zou
-er, in weerwil van alle voorzorgen, een boek met malle sprookjes in
-huis gekomen zijn? Want bij kinderen, die van hunne wieg af naar de
-strengste regelen practisch gevormd zijn, is dit anders zoo zonderling,
-zoo onbegrijpelijk."
-
-"Wacht eens even!" riep Bounderby uit, die ondertusschen bij den
-haard was blijven staan, zoo vol hoogmoedige nederigheid dat hij
-bijna barstte. "Gij hebt een van die landlooperskinderen op school?"
-
-"Cecilia Jupe heet zij," antwoordde mijnheer Gradgrind, met een blik,
-bijna alsof hij zijn doodvonnis te gemoet zag.
-
-"Wacht nu eens even!" riep Bounderby wederom uit. "Hoe is zij daar
-gekomen?"
-
-"Wel, om de waarheid te zeggen, ik zelf heb het meisje daar straks
-pas voor de eerste maal gezien. Zij is hier aan huis om toelating
-komen verzoeken, daar zij eigenlijk niet tot de stad behoorde, en--ja,
-gij hebt gelijk, Bounderby,--gij hebt gelijk."
-
-"Wacht nu eens even!" riep Bounderby nogmaals uit. "Louisa heeft haar
-gezien toen zij hier kwam?"
-
-"Louisa heeft haar zeker gezien, want zij heeft mij de boodschap van
-haar aanzoek overgebracht. Maar Louisa heeft haar toch zonder twijfel
-alleen in het bijzijn van hare moeder gezien."
-
-"Eilieve, mevrouw Gradgrind," zeide Bounderby, "wat is er toen
-omgegaan?"
-
-"Och, mijn arm hoofd!" antwoordde mevrouw Gradgrind. "Het meisje
-wilde op school komen, en mijnheer Gradgrind wilde meisjes op school
-hebben, en Louisa en Thomas zeiden allebei, dat het meisje op school
-wilde komen en dat mijnheer Gradgrind meisjes op school wilde hebben,
-en hoe kon ik hun tegenspreken, daar het toch een feit was?"
-
-"Nu zal ik u eens wat zeggen, Gradgrind," zeide Bounderby. "Jaag dat
-meisje weg, en daarmee is het uit."
-
-"Ik hel sterk naar uwe meening over."
-
-"Doe het terstond," zeide Bounderby, "is van kindsbeen af altijd
-mijne spreuk geweest. Toen ik er aan dacht om van mijne eierenkist
-en mijne grootmoeder weg te loopen, deed ik het ook terstond. Handel
-gij eveneens. Doe dit terstond."
-
-"Gaat ge nog wandelen?" vroeg zijn vriend. "Ik heb het adres van den
-vader. Misschien zoudt ge er niet tegen hebben, om met mij naar de
-stad te gaan?"
-
-"Niet het minste," antwoordde Bounderby, "als gij het maar terstond
-doet."
-
-Zoo smeet mijnheer Bounderby zijn hoed op--hij smeet dien altijd
-op, om aan te duiden dat hij iemand was, die het veel te druk gehad
-had met zich zelven tot een man te maken, om te leeren hoe hij zijn
-hoed moest opzetten--en kuierde met de handen in de zakken naar het
-voorhuis. "Ik draag nooit handschoenen," was hij gewoon te zeggen. "Ik
-ben niet met handschoenen de ladder opgeklommen. Ik zou niet zoo hoog
-zijn gekomen als ik ze gedragen had."
-
-Daar hij een paar minuten in het voorhuis moest wachten, terwijl
-mijnheer Gradgrind naar boven ging om het adres te halen, opende
-hij de deur van de leerkamer, en keek in dat vroolijke vertrek
-binnen, dat met het kleed van geverfd zeildoek op den vloer, in
-weerwil van de boekenkasten en kabinetjes en eene verscheidenheid
-van wetenschappelijke toestellen, grootelijks het voorkomen had
-alsof het aan de kunst van haarsnijden was toegewijd. Louisa stond
-lusteloos tegen de vensterbank te leunen en naar buiten te kijken,
-zonder naar iets te zien, terwijl Thomas wrevelig druilende bij het
-vuur stond. Adam Smith en Malthus, twee jongere Gradgrind's, waren
-uit om eene verhandeling te hooren, terwijl kleine Jane, nadat zij
-haar gezicht rijkelijk met griftjes-schrapsel en tranen had bemorst,
-over de gewone breuken in slaap was gevallen.
-
-"Alles is nu terecht, Louisa, alles terecht, Thomas," zeide
-Bounderby. "Doe het maar niet meer. Ik sta er voor in, dat het bij uw
-vader over is. Wel, Louisa, dat is wel een kusje waardig, niet waar?"
-
-"Gij kunt er een nemen, mijnheer Bounderby," antwoordde Louisa, nadat
-zij zich zeer koel eene poos had bedacht, kwam daarna langzaam naar
-hem toe en bood hem onvriendelijk hare wang, terwijl zij haar gezicht
-van hem afkeerde.
-
-"Altijd mijn liefje, niet waar, Louisa?" zeide Bounderby. "Goedendag,
-Louisa."
-
-Hij ging zijns weegs, maar zij bleef op dezelfde plek staan en wreef
-de wang, die hij gekust had, met haar zakdoek tot zij gloeiend rood
-was. Vijf minuten later was zij nog aan het wrijven.
-
-"Wat doet gij toch, Louisa?" vroeg haar broeder met knorrige
-verwondering. "Ge zult een gat in uw gezicht wrijven."
-
-"Gij moogt het stuk met uw pennemes uitsnijden als ge wilt, Tom. Ik
-zal niet schreeuwen."
-
-
-
-
-
-
-
-V.
-
-COKETOWN.
-
-
-Coketown, waarheen de heeren Bounderby en Gradgrind nu wandelden,
-was de triomf van het feitelijke en prozaïsche; het was evenmin met
-het romaneske en poëtische besmet, als mevrouw Gradgrind zelve. Laten
-wij, eer wij verder gaan, eene korte beschrijving van Coketown geven.
-
-Het was eene stad van rooden baksteen, of van baksteen, die rood
-zou geweest zijn, als rook en roet dit maar hadden toegelaten;
-thans echter was het eene stad van onnatuurlijk rood en zwart,
-gelijk het beschilderde gezicht van een wilde. Het was eene stad
-van machines en hooge schoorsteenen, waaruit oneindige rookslangen
-eeuwigdurend opkropen, zonder zich ooit te ontwarren. Zij had eene
-zwarte stadsgracht, en eene rivier, purper gekleurd door walgelijk
-riekende verfstoffen, en uitgestrekte groepen van gebouwen vol
-vensters, waarbinnen het den geheelen dag ratelde en dreunde en de
-zuiger eener stoommachine eentonig op en neer ging, gelijk de kop
-van een olifant in een staat van zwaarmoedige razernij. Zij bevatte
-verscheidene groote straten, die allen sterk op elkander geleken,
-bewoond door menschen, die eveneens op elkander geleken, die allen op
-dezelfde uren uitgingen en binnenkwamen, om hetzelfde werk te doen,
-en voor wie elke dag eveneens was als gisteren en morgen, en ieder
-jaar het evenbeeld van het vorige en het volgende.
-
-De eigenschappen van Coketown waren grootendeels onafscheidbaar van
-het werk, waardoor de stad in wezen werd gehouden, en waardoor er
-een aantal geriefelijkheden de geheele wereld door verspreid werden,
-en een aantal sieraden die, wij willen niet vragen hoeveel, deel
-uitmaakten van de schoonheid der jonge dames, welke het nauwelijks
-konden uitstaan, de stad te hooren noemen. Een aantal andere
-eigenschappen waren vrijwillig aangenomen, en deze waren de volgende:
-
-Men zag in Coketown niets wat niet nuchter prozaïsch was. Indien de
-leden eener godsdienstige gezindte daar eene kerk bouwden (gelijk de
-leden van achttien godsdienstige gezindten gedaan hadden), maakten zij
-een godsdienstig pakhuis van rooden baksteen daarvan, somtijds (maar
-dit alleen bij zeer sierlijke gebouwen) met eene klok in een soort
-van vogelkooi er bovenop. De eenige uitzondering was de Nieuwe Kerk,
-een wit gepleisterd gebouw, met een vierkanten toren boven de deur,
-en vier korte spitsen er op, die naar met lofwerk versierde houten
-beenen geleken. Al de openbare opschriften in de stad waren eveneens
-geschilderd, met vierkante letters zwart op wit. De gevangenis had het
-gasthuis kunnen zijn en het gasthuis de gevangenis; het stadhuis had
-een van beide kunnen wezen, of allen hadden geheel iets anders kunnen
-zijn, voor zooveel men aan den bouwtrant kon zien. Het feitelijke en
-prozaïsche beheerschten geheel Coketown zoowel in het materieele als
-het immaterieele. De school van Mac Choakumchild was geheel prozaïsch
-en practisch, en zoo was de teekenschool, en zoo waren de betrekkingen
-tusschen meester en dienaar, en zoo was alles tusschen het gasthuis
-voor kraamvrouwen en het kerkhof; en wat men niet met cijfers kon
-berekenen of op de markt of de beurs kon koopen en verkoopen, was
-hier niet, en zou er in alle eeuwigheid niet wezen.
-
-Eene stad, zoo geheel aan het prozaïsch nuttige gewijd en waar het
-feitelijke zoo zegepralend heerschte, moest natuurlijk welvarend en
-voorspoedig wezen? Neen, niet zoo geheel. Niet? Hoe is het mogelijk!
-
-Neen. Coketown kwam niet in alle opzichten uit zijne eigene
-fornuizen gelijk goud, dat het vuur doorgestaan had. Vooreerst
-was het een onoplosbaar raadsel, wie tot de achttien gezindten
-behoorden--omdat, wie dit ook deden, de arbeidslieden zeker tot geene
-daarvan behoorden. Het was zonderling, als men op zondagochtend
-langs de straten wandelde, te moeten opmerken hoe weinigen van
-die lieden door het barbaarsche gebengel van klokken, dat zieken
-en zenuwachtigen razend maakte, uit hunne eigene benauwde kamers,
-uit hunne eigene wijk, of van de hoeken hunner eigene straten werden
-geroepen, waar zij lusteloos bleven staan dralen en onverschillig
-naar de kerkgangers keken, alsof het kerkgaan iets was, dat hun
-volstrekt niet aanging. Het was niet alleen de vreemdeling, die dit
-opmerkte, want er bestond binnen Coketown zelfs eene vereeniging,
-welker leden in elke zitting van het Huis der Gemeenten van zich
-liet hooren, door met verontwaardigden ijver te petitioneeren, dat
-er wetten zouden uitgevaardigd worden om deze lieden met geweld
-godsdienstig te maken. Dan kwam ook het Afschaffing-Genootschap,
-hetwelk klaagde dat deze lieden zich volstrekt dronken wilden
-drinken, en door statistieke tabellen bewees hoeveel zij dronken, en
-op theegezelschappen betoogde, dat geene goddelijke of menschelijke
-middelen (behalve eene afschaffing-medaille) hen konden bewegen om
-hunne gewoonte van drinken na te laten. Dan kwamen ook de chemisten
-en drogisten met andere statistieke tabellen, bewijzende dat zij,
-als zij niet dronken, opium gebruikten. Dan kwam ook de kapelaan
-der gevangenis, een man van ondervinding, met andere statistieke
-tabellen, die alle vorige statistieke tabellen in de schaduw stelden
-en bewezen, dat diezelfde lieden gemeene schuilhoeken bezochten,
-voor het oog des publieks verborgen, waar zij slechte liedjes
-hoorden en slechte dansen zagen en misschien daarin medededen, en
-waar A. B., oud vier en twintig jaren op zijn volgenden verjaardag,
-en veroordeeld tot achttien maanden eenzame opsluiting, zelfs gezegd
-had (hoewel hij zich nooit bijzonder geloofwaardig had getoond),
-dat zijn ongeluk was begonnen, terwijl hij vast en zeker geloofde
-dat hij anders een voorbeeld van zedelijkheid zou zijn geweest. Dan
-kwamen ook mijnheer Gradgrind en mijnheer Bounderby, de twee heeren,
-die op het oogenblik naar Coketown wandelden, en die desnoods
-nog meer statistieke tabellen konden verschaffen, uit hunne eigene
-ervaring opgemaakt en toegelicht door gevallen, die zij zelven hadden
-bijgewoond, en waaruit duidelijk bleek--kortom, dit was het eenige dat
-van de zaak duidelijk was--dat die lieden een slechte troep waren;
-dat zij, wat men ook voor hen deed, nooit dankbaar daarvoor waren;
-dat zij onrustig waren; dat zij zelven niet wisten wat zij wilden;
-dat zij aten en dronken van het beste, versche boter en mokka-koffie
-kochten en geen ander vleesch wilden gebruiken dan de vetste stukken,
-en toch altijd ontevreden en onhandelbaar waren. Kortom, het was de
-moraal van het oude kindersprookje, waarin van het oude wijf wordt
-gezegd, dat zij van niets anders leefde dan van eten en drinken en
-toch zich nooit wilde stilhouden.
-
-Is het mogelijk, dit zou mij benieuwen, dat er eenige overeenkomst
-bestond tusschen de omstandigheden der bevolking van Coketown en die
-der kleine Gradgrind's? Zekerlijk zal men niemand van ons, die bij ons
-gezond verstand en met cijfers bekend zijn, nu nog willen zeggen, dat
-men een der voornaamste behoeften der werklieden van Coketown sedert
-eene lange reeks van jaren onvoldaan had gelaten--dat er eene neiging
-tot het poëtische en romaneske bij hen bestond, die op eene gezonde
-en heilzame wijs bevredigd moest worden, in plaats van zich door
-stuiptrekkend worstelen lucht te geven--dat zij, juist dewijl zij zoo
-lang en eentonig werkten, een klagend verlangen, een kwellenden honger
-gevoelden naar eene of andere verpoozing, eene of andere uitspanning,
-die hen tot opgeruimdheid en vroolijkheid opwekte en tevens daaraan
-lucht gaf--naar een erkenden feestdag, al ware het maar met een
-eenvoudigen, schuldeloozen dans, bij het hooren eener opwekkende
-muziek--een taartje nu en dan waarin mijnheer Mac Choakumchild geen
-vinger stak--en dat die honger op de rechte wijze moest bevredigd
-worden, of dat hij onvermijdelijk eene verkeerde richting zou nemen,
-zoolang de wetten der schepping niet waren herroepen?
-
-"De man woont in Pod's End, en ik weet niet recht waar Pod's End is,"
-zeide mijnheer Gradgrind. "Weet gij het ook, Bounderby?"
-
-Bounderby wist, dat het ergens aan dien hoek van de stad was, maar meer
-wist hij er niet van. Zij bleven dus een oogenblik staan en keken rond.
-
-Bijna op hetzelfde oogenblik kwam er om den hoek der straat, met
-snelle schreden en een verschrikt gezicht, een meisje aanloopen,
-dat mijnheer Gradgrind herkende.
-
-"Hei daar!" riep hij. "Sta! Waar loopt gij naar toe? Sta!"
-
-Het meisje nommer twintig bleef bevende voor hem staan en neeg.
-
-"Waarom rent gij zoo langs de straat op zulk eene onvoegzame
-manier?" zeide mijnheer Gradgrind.
-
-"Ik werd--ik werd nageloopen, mijnheer," antwoordde het meisje
-hijgende, "en wilde wegloopen."
-
-"Nageloopen?" herhaalde mijnheer Gradgrind. "Wie zou u naloopen?"
-
-Deze vraag werd plotseling en zeer onverwacht voor haar beantwoord
-door den kleurloozen jongen, Bitzer, die met zulk eene blinde vaart en
-zoo weinig op eene verstopping van den weg bedacht, den hoek omkwam,
-dat hij tegen mijnheer Gradgrind aanliep met eene kracht, die hem
-weder achteruit deed stuiven.
-
-"Wat moet dat, jongen?" zeide mijnheer Gradgrind. "Hoe durft ge zoo
-tegen--tegen iemand aanloopen?"
-
-Bitzer raapte zijne pet op, die door den schok was afgevlogen,
-maakte een schrapvoet, duwde zijne kneukels tegen zijn voorhoofd en
-antwoordde verontschuldigend dat het een ongeluk was.
-
-"Heeft deze jongen u nageloopen, Jupe?" vroeg mijnheer Gradgrind.
-
-"Ja, mijnheer!" antwoordde het meisje schoorvoetend.
-
-"Neen, dat heb ik niet, mijnheer!" riep Bitzer; "niet voordat zij
-voor mij wegliep. Maar die paardrijders bedenken nooit wat zij
-zeggen, mijnheer! daar zijn zij bekend voor. Gij weet zelf wel,
-dat de paardrijders nooit bedenken wat zij zeggen," hierbij keerde
-hij zich naar Sissy. "Dat is in de stad zoo goed bekend, mijnheer,
-als de tafel van vermenigvuldiging aan de paardrijders onbekend
-is." Hiermede poogde Bitzer mijnheer Bounderby voor zich te winnen.
-
-"Hij maakte mij zoo bang," zeide het meisje, "met zijne leelijke
-gezichten."
-
-"O!" riep Bitzer. "Zijt gij niet evengoed als de anderen? Zijt ge ook
-niet een paardrijdster? Ik heb haar niet eens aangekeken, mijnheer! Ik
-heb haar maar gevraagd of zij morgen eene definitie van een paard zou
-kunnen geven, en wilde haar die nog eens zeggen, en toen liep zij weg,
-mijnheer, en ik liep haar na, om haar te leeren hoe zij antwoorden
-moest als zij gevraagd werd. Gij zoudt er niet aan gedacht hebben om
-kwaad van mij te spreken, als gij geene paardrijdster waart geweest."
-
-"Haar beroep schijnt tamelijk wel bekend," merkte mijnheer Bounderby
-aan. "Gij zoudt binnen eene week gezien hebben, dat de geheele school
-op eene rij stond te kijken."
-
-"Dat denk ik waarlijk ook," antwoordde zijn vriend. "Bitzer, keer om
-en ga naar huis. Jupe, blijf eens even. Laat ik hooren dat gij weer
-zoo loopt, jongen, en ge zult van mij hooren door den meester van de
-school. Gij begrijpt wel wat ik meen. Marsch, zeg ik."
-
-De jongen, hierdoor in zijn knipoogen gestuit, drukte weder zijne
-kneukels tegen zijn voorhoofd, wierp een blik naar Sissy, keerde zich
-om en ging.
-
-"Meisje," zeide mijnheer Gradgrind, "breng nu dezen heer en mij
-naar uw vader. Wij wilden juist naar hem toe. Wat hebt ge daar in
-dat fleschje?"
-
-"Jenever," zeide Bounderby.
-
-"Wel Heere neen, mijnheer. Het is de negen-olie!"
-
-"De wat?" riep Bounderby uit.
-
-"De negen-olie, mijnheer! om vader mee te wrijven."
-
-"Uw vader met negen-olie wrijven! Waar drommel doet ge dat voor?" zeide
-mijnheer Bounderby met een korten, luiden lach.
-
-"Die gebruiken onze lieden altijd, mijnheer," antwoordde het meisje,
-"als zij zich in de manege bezeeren. Zij krijgen somtijds heel erge
-kneuzingen."
-
-"Goed zoo," zeide mijnheer Bounderby. "Dat hebben zij dan voor hun
-leegloopen."
-
-Zij zag met eene mengeling van verbazing en angst naar zijn gezicht op.
-
-"Waarachtig," hervatte mijnheer Bounderby, "toen ik vier of vijf
-jaren jonger was dan gij, had ik erger kneuzingen, dan tien-olie of
-twintig- of veertig-olie zou hebben uitgewreven. Ik kreeg ze niet
-van het kunsten maken, maar van het afranselen. Ik danste niet op
-de koord voor mijn pleizier; ik danste op den blooten grond, op de
-muziek van een eindje touw."
-
-Mijnheer Gradgrind, schoon hardvochtig genoeg, was lang zoo ruw
-niet als mijnheer Bounderby. Hij had, alles in aanmerking genomen,
-geen onvriendelijk karakter; het had zelfs zeer vriendelijk kunnen
-worden, als hij jaren geleden maar eene gelukkige fout gemaakt had in
-de becijfering, waarnaar hij het geregeld had. Toen zij een smal pad
-insloegen, zeide hij op een toon, dien hij geruststellend wilde maken:
-"En dit is nu Pod's End, niet waar, Jupe?"
-
-"Ja, mijnheer--als 't u belieft, mijnheer--dit is het huis."
-
-Zij bleef staan voor de deur van een gemeen herbergje, waaruit, want
-het was nu schemeravond, een flauw rood licht scheen. Het herbergje
-zag er zoo ellendig uit, alsof het, bij gebrek aan klandizie, zelf
-aan het drinken was geraakt en denzelfden weg was gegaan, dien alle
-dronkaards gaan, zoodat het nu dicht bij zijn eind was.
-
-"Gij behoeft maar het voorhuis door te gaan, mijnheer, en de trap op,
-als ge zoo goed wilt zijn, en daar een oogenblik wachten tot ik licht
-haal. Als gij een hond mocht hooren, mijnheer, dat is Merrylegs,
-en hij blaft maar."
-
-"Merrylegs en negen-olie!" zeide mijnheer Bounderby, die het laatst
-binnentrad, met zijn klinkenden lach. "Het is hier nogal aardig voor
-iemand, die zich zelven tot een man gemaakt heeft."
-
-
-
-
-
-
-
-VI.
-
-SLEARY'S RIJKUNST.
-
-
-De naam van het herbergje was De Pegasus, welk woord op het uithangbord
-onder een gevleugeld paard te lezen stond, en onder dit woord had de
-schilder op een golvend lint nog de volgende regels gezet:
-
-
- "Goede mout maakt goed bier,
- Kom maar binnen, dat tapt men hier.
- Goede wijn maakt goeden cognac,
- Kom maar binnen en neem uw gemak."
-
-
-In lijst en glas, achter de smalle, morsige toonbank, hing nog een
-Pegasus--een theatrale Pegasus, met vleugelen van gaas op zijn rug
-geplakt, overal met gouden sterren bezaaid, en met een tuig van
-roode zijde.
-
-Daar het buiten te donker was geworden om het uithangbord te zien,
-en binnen nog niet licht genoeg om het schilderijtje te onderscheiden,
-gaven deze ideale kunstvoortbrengselen de heeren Gradgrind en Bounderby
-geen aanstoot. Zij volgden het meisje een steil trapje van eenige
-treden op, zonder iemand te ontmoeten, en bleven in het donker staan,
-terwijl zij licht ging halen. Zij verwachtten ieder oogenblik, dat
-Merrylegs zich zou laten hooren, maar die wonderbaar gedresseerde
-hond had nog niet geblaft toen het meisje reeds met eene kaars aankwam.
-
-"Vader is niet in onze kamer, mijnheer," zeide zij met een zeer
-verwonderd gezicht. "Als gij zoolang wilt binnengaan, zal ik hem
-dadelijk gaan opzoeken."
-
-Zij stapten binnen, en nadat Sissy twee stoelen voor hen had
-gezet, ging zij haastig weder heen. Het was eene armoedig, karig
-gemeubileerde kamer, waarin een bed stond. De witte slaapmuts, met
-twee pauwenveeren en een rechtopstaand staartje versierd, die Signor
-Jupe had opgehad, toen hij dienzelfden namiddag de voorstelling door
-zijne Shakspeariaansche snakerijen en kwinkslagen verlevendigde, hing
-aan een spijker, maar geen ander stuk van zijne garderobe of eenig
-ander spoor van hem zelven of zijn beroep was ergens te zien. Ook
-van Merrylegs was zoo weinig te bespeuren, alsof de voorouders van
-dat wonderbaar gedresseerde dier, die in de ark waren geweest, er
-toevallig buiten waren gebleven.
-
-Men hoorde boven de deuren van kamers openen en sluiten, terwijl
-Sissy van de eene naar de andere liep om haar vader te zoeken;
-en weldra hoorde men ook stemmen, die verwondering uitdrukten. Zij
-kwam in groote haast weder naar beneden springen, opende een ouden,
-erg gehavenden koffer, vond dien ledig, en zag met gevouwene handen
-en een blik vol ontzetting om zich heen.
-
-"Vader moet naar de tent zijn gegaan, ik weet niet waarom, maar hij
-moet daar wezen. Ik zal hem in een oogenblik bij u brengen."
-
-Zij was terstond weder heengeloopen, zonder hoed, terwijl hare
-lange, donkere haren, die zij als een kind in krullen liet hangen,
-haar nazwierden.
-
-"Wat meent zij?" zeide mijnheer Gradgrind. "In een oogenblik terug? Het
-is meer dan een kwartier ver."
-
-Eer mijnheer Bounderby kon antwoorden, vertoonde zich voor de
-deur een jonkman, die, nadat hij zich met de woorden: "Met uw
-verlof, heeren!" had geïntroduceerd, met de handen in de zakken
-binnentrad. Zijn gladgeschoren, mager en bleek gezicht werd beschaduwd
-door eene groote hoeveelheid donker haar, boven het voorhoofd
-gescheiden en in eene gladde rol om zijn hoofd opgemaakt. Zijne beenen
-waren sterk gespierd, maar korter dan beenen van goede evenredigheid
-moesten zijn. Zijne borst en rug waren evenveel te breed, als zijne
-beenen te kort waren. Hij was gekleed in een rokje met korte panden en
-eene spanbroek, had een dikken, gekleurden doek om den hals gewikkeld,
-rook naar lampolie, stroo, oranje schillen, paardenvoer en zaagsel,
-en scheen een zonderling soort van Centaurus te zijn, uit den stal en
-het theater samengesteld. Waar de eene begon en het andere ophield,
-had niemand nauwkeurig kunnen zeggen. Deze heer werd in de biljetten
-van den dag vermeld als mijnheer E. W. B. Childers, zoo met recht
-vermaard door zijne vermetele voltigeurs-kunsten als de Wilde Jager
-der Noord-Amerikaansche Prairiën, bij welke algemeen bewonderde
-kunstverrichtingen een kleine jongen met een oud gezichtje, die hem
-thans vergezelde, de rol van zijn jeugdig zoontje speelde, daar hij,
-bij één voet vastgehouden, het onderste boven over zijn vaders schouder
-werd gehangen, en op zijn hoofd, met de hielen omhoog, op de palm van
-zijn vaders hand werd rondgedragen, volgens de hardhandige manier,
-waarop men wilde jagers hunne kinderen ziet liefkoozen. Met krullen,
-kransen, vleugels, witsel en karmijn opgesierd, veranderde deze
-veelbelovende knaap in een innemend Cupidootje, dat het grootste
-genot van het moederlijke gedeelte der toeschouwers uitmaakte; maar
-als privaat persoon, wanneer een overdreven uitgesneden rokje en eene
-zeer grove stem zijne voornaamste kenmerken waren, behoorde hij geheel
-tot de aarde en den stal.
-
-"Met uw verlof, heeren," zeide mijnheer E. W. B. Childers, in de kamer
-rondziende. "Gij zijt het, geloof ik, die naar Jupe hebt gevraagd?"
-
-"Ja," antwoordde mijnheer Gradgrind. "Zijne dochter is hem gaan halen,
-maar ik kan niet wachten, en zal u dus, met uw verlof, eene boodschap
-voor hem geven."
-
-"Gij ziet wel, vriend," liet mijnheer Bounderby hierop volgen,
-"wij zijn van die menschen, die de waarde van den tijd kennen, en
-gij zijt van die menschen, die de waarde van den tijd niet kennen."
-
-"Ik heb de eer niet van u te kennen," antwoordde mijnheer Childers,
-nadat hij hem van het hoofd tot de voeten had opgenomen; "maar als
-gij meent, dat gij meer geld voor uw tijd kunt krijgen dan ik voor den
-mijnen, zou ik aan uw voorkomen zeggen, dat gij wel haast gelijk hebt."
-
-"En als gij het geld gekregen hebt, kunt gij het wel bewaren ook,
-zou ik denken," zeide Cupido.
-
-"Kidderminster, houd uw mond!" zeide mijnheer Childers. Cupido's
-aardsche naam was Kidderminster.
-
-"Wat komt hij ons dan hier critiseeren?" riep de jongeheer
-Kidderminster, die zeer oploopend bleek te zijn. "Als gij ons
-critiseeren wilt, betaal dan uw geld aan de deur en neem er uw
-pleizier voor."
-
-"Kidderminster," zeide mijnheer Childers, zijne stem verheffende,
-"houd uw mond. Mijnheer," vervolgde hij, zich naar mijnheer Gradgrind
-keerende, "ik sprak tegen u. Gij zult wel weten, of mogelijk ook niet
-(want misschien zijt ge niet veel bij onze representatiën geweest),
-dat Jupe sedert eenigen tijd zeer dikwijls zijn slag heeft gemist."
-
-"Wat heeft gemist?" vroeg mijnheer Gradgrind, met een blik naar den
-machtigen Bounderby, alsof hij dezen te hulp riep.
-
-"Zijn slag gemist."
-
-"Verleden avond viermaal voor de linten is blijven steken," zeide de
-jongeheer Kidderminster, "en ook zijn slag heeft gemist bij de vanen,
-en met zijn zwaaien heeft geknoeid."
-
-"Niet gedaan heeft wat hij doen moest. Zijne sprongen te kort heeft
-genomen en slecht heeft gebuiteld," vertolkte mijnheer Childers.
-
-"O, is dat de slag?" zeide mijnheer Gradgrind.
-
-"In het algemeen gesproken is dat zijn slag missen," antwoordde
-mijnheer Childers.
-
-"Negen-olie, Merrylegs, slag missen, linten, vanen en zwaaien!" zeide
-Bounderby met zijn eigenaardigen lach. "Een vreemd soort van gezelschap
-voor iemand, die zich in de hoogte heeft gewerkt."
-
-"Verlaag u dan maar wat," zeide Cupido hierop. "Als gij u zoo hoog
-hebt opgewerkt, dat ge daarboven uitkijkt, laat u dan maar wat zakken."
-
-"Dat is een zeer impertinente knaap," zeide mijnheer Gradgrind,
-zich omkeerende en hem met saamgetrokken wenkbrauwen aanziende.
-
-"Wij zouden een jongenheer hier verzocht hebben om u op te wachten, als
-wij hadden geweten, dat ge komen zoudt," antwoordde Cupido, volstrekt
-niet verlegen. "Het is jammer, dat ge het niet zoo besteld hebt,
-als ge zoo precies zijt. Gij zijt zeker op de stijve jeff, niet waar?"
-
-"Wat meent die ongemanierde jongen daarmee?" zeide mijnheer Gradgrind,
-hem met een soort van wanhoop aanziende.
-
-"Kom, ga maar heen!" zeide mijnheer Childers, zijn jongen vriend
-tamelijk hardhandig de kamer uitduwende. "Stijve jeff of slappe jeff
-heeft niet veel te beduiden; het wil stijve koord en slappe koord
-zeggen. Gij woudt mij eene boodschap voor Jupe geven?"
-
-"Ja, dat wilde ik."
-
-"Dan ben ik van gedachte," hervatte mijnheer Childers snel, "dat hij
-ze nooit zal krijgen. Kent gij hem wel?"
-
-"Ik heb den man nooit in mijn leven gezien."
-
-"Ik twijfel of gij hem dan wel ooit zien zult. Ik houd het voor
-tamelijk zeker, dat hij weg is."
-
-"Meent gij, dat hij zijne dochter zou verlaten hebben?"
-
-"Ja," antwoordde mijnheer Childers met een knikje, "ik meen, dat hij
-zich uit de voeten heeft gemaakt. Hij werd gisteravond uitgejouwd, en
-hij werd eergisteravond uitgejouwd, en hij werd vandaag uitgejouwd. Hij
-werd sedert eenigen tijd telkens uitgejouwd, en dat kan hij niet
-verdragen."
-
-"Waarom is hij--zoo erg--uitgejouwd?" vroeg mijnheer Gradgrind,
-dit woord met groote deftigheid en zichtbaren tegenzin uitbrengende.
-
-"Omdat zijne gewrichten stijf worden en hij versleten raakt,"
-antwoordde mijnheer Childers. "Hij heeft nog zijne goede eigenschappen
-als kakelaar, maar daarvan kan hij niet leven."
-
-"Kakelaar!" herhaalde Bounderby. "Daar hebben wij alweer zoo iets."
-
-"Als prater, indien dit mijnheer beter bevalt," zeide mijnheer
-E. W. B. Childers, deze verklaring met minachting over zijn schouder
-werpende, terwijl hij zijne lange haren schudde. "Nu is het iets
-opmerkelijks, mijnheer, dat die man het zich al te veel aantrok,
-dat zijne dochter wist dat hij uitgejouwd werd, om langer zoo te
-kunnen voortgaan."
-
-"Mooi!" viel Bounderby hierop in. "Dat is mooi, Gradgrind. Een man,
-die zooveel van zijne dochter houdt, dat hij van haar wegloopt. Dat
-is drommels mooi, ha, ha! Nu zal ik u eens wat zeggen, jonkman. Ik
-heb niet al mijn leven mijn tegenwoordigen stand in de maatschappij
-bekleed. Ik weet wat zoo iets is. Het zal u misschien verbazen het
-te hooren, maar mijne moeder is ook van mij weggeloopen."
-
-E. W. B. Childers antwoordde stekelig, dat het hem geheel niet
-verbaasde dit te hooren.
-
-"Heel goed!" zeide Bounderby. "Ik werd in eene sloot geboren en mijne
-moeder liep van mij weg. Verschoon ik haar nu? Neen. Heb ik haar ooit
-verschoond? Volstrekt niet. Wat noem ik haar daarom? Ik noem haar
-waarschijnlijk het slechtste wijf, dat ooit op de wereld geleefd heeft,
-behalve mijne dronken grootmoeder. Ik weet van geen familietrots;
-ik weet van geene sentimenteele, romaneske kwezelarij. Ik noem een
-kat een kat; en ik noem de moeder van Josiah Bounderby van Coketown,
-zonder eenigen schroom of eenige partijdigheid, gelijk ik haar noemen
-zou al ware zij de moeder van Dick Jones van Wapping geweest. En zoo
-is het met dezen man. Hij is een weggeloopen schelm en een vagebond,
-dat is hij in het Engelsch."
-
-"Het is mij eveneens wat hij is of wat hij niet is, in het Engelsch
-of in het Fransch," antwoordde mijnheer E. W. B. Childers, zich
-omkeerende. "Ik zeg u, vriend, wat de waarheid is. Als gij het niet
-gaarne hooren wilt, kunt ge gebruik maken van de opene lucht. Gij laat
-u hard genoeg hooren; maar doe het ten minste in uw eigen huis. Laat
-u niet hier in huis hooren voordat men er u om vraagt. Gij zult wel
-een eigen huis hebben, zou ik denken?"
-
-"Misschien wel," antwoordde mijnheer Bounderby lachende, en liet het
-geld in zijn zak rammelen.
-
-"Laat u dan in uw eigen huis hooren, als het u belieft," zeide
-Childers, "want dit huis is niet sterk, en als gij u hier zoo hard
-laat hooren, zou het wel kunnen invallen."
-
-En mijnheer Bounderby nog eens van het hoofd tot de voeten opnemende,
-keerde hij zich van hem af, als van iemand met wien hij geheel had
-afgedaan, naar mijnheer Gradgrind.
-
-"Jupe heeft zijne dochter een uur geleden om eene boodschap gezonden,
-en toen heeft men hem zelf zien heensluipen, met zijn hoed in de oogen
-en een pakje in een zakdoek gebonden onder den arm. Zij zal het nooit
-van hem gelooven, maar hij is voortgegaan en heeft haar verlaten."
-
-"En waarom zou zij het nooit van hem gelooven?" zeide mijnheer
-Gradgrind.
-
-"Omdat die twee één waren. Omdat zij nooit van elkander af waren. Omdat
-hij tot op dezen tijd zoo machtig veel van haar scheen te houden,"
-antwoordde Childers, een paar schreden voorwaarts doende om in den
-ledigen koffer te kijken. Childers en Kidderminster hadden beiden
-een zeer zonderlingen gang; zij stapten veel meer wijdbeens dan men
-doorgaans doet en alsof zij stijf in de knieën waren. Dezen gang hadden
-al de mannelijke leden van den troep van Sleary zich aangewend, hetwelk
-moest beduiden, dat zij in hunne verbeelding altijd te paard zaten.
-
-"Arme Sissy! Hij had haar liever in de leer moeten doen," zeide
-Childers, nogmaals zijne haren schuddende, terwijl hij in den ledigen
-koffer keek. "Nu laat hij haar zonder iets waaraan zij zich houden
-kan."
-
-"Het strekt u, die nooit bij een beroep in de leer zijt gedaan,
-tot eer dat gij zoo denkt," merkte mijnheer Gradgrind goedkeurend aan.
-
-"Ik nooit in de leer gedaan? Dat werd ik al toen ik zeven jaar
-oud was."
-
-"Ei zoo!" hervatte mijnheer Gradgrind eenigszins knorrig, omdat hij
-zich met zijne goede meening had vergist. "Ik wist niet, dat men
-kinderen in de leer deed..."
-
-"Om ze te leeren leegloopen," viel mijnheer Bounderby met een luiden
-lach hierop in. "Neen, waarachtig, ik ook niet."
-
-"Haar vader had altijd in zijn hoofd," hervatte Childers, zich houdende
-alsof hij niets van het bestaan van mijnheer Bounderby bespeurde,
-"dat zij eene opvoeding moest hebben en allerlei dingen leeren. Hoe
-hij dat in zijn hoofd kreeg, weet ik niet; ik weet alleen maar te
-zeggen, dat het er nooit weer uitging. Hij heeft haar in de laatste
-zeven jaren hier een beetje lezen, en daar een beetje schrijven,
-en daar weer een beetje cijferen laten leeren."
-
-Mijnheer E. W. B. Childers haalde een van zijne handen uit den zak,
-waarin zij school, streek er mede over het gezicht en de kin, en
-keek mijnheer Gradgrind aan met tamelijk veel twijfel en een weinigje
-hoop. Van het begin af had hij, ter wille van het verlatene meisje,
-gepoogd dezen heer met zich te verzoenen.
-
-"Toen Sissy hier op de school kwam," vervolgde hij, "was haar vader zoo
-blij als malle Piet. Ik voor mij kon niet recht begrijpen waarom, daar
-wij overal toch maar komen en gaan, en hier ook niet zouden blijven. Ik
-geloof nu evenwel, dat hij toen dien streek al van zins was--hij was
-altijd half simpel--en dacht dat zij dus bezorgd zou zijn. Als het
-misschien het geval mocht zijn, dat gij van avond juist hier gekomen
-waart om te zeggen, dat gij haar wat zoudt willen voorthelpen," zeide
-mijnheer Childers, wederom de hand over zijn gezicht strijkende,
-en met eene herhaling van dien blik, "zou het heel gelukkig zijn en
-wel van pas--heel gelukkig en wel van pas."
-
-"Integendeel," antwoordde mijnheer Gradgrind, "ik kwam om hem te
-zeggen, dat hare betrekkingen eene reden waren om haar de school
-te ontzeggen en zij niet moest terugkomen. Maar als haar vader
-haar werkelijk heeft verlaten, zonder dat zij iets daarvan heeft
-geweten--Bounderby, laat ik eens een woordje met u spreken."
-
-Hierop gaf mijnheer Childers zich zeer beleefd, met zijn
-paardrijdersstap, naar het portaal buiten de deur, en bleef daar
-staan, gedurig met de hand over het gezicht strijkende en zachtjes
-fluitende. Terwijl hij zoo bezig was, kon hij eenige gezegden van
-mijnheer Bounderby beluisteren, zooals: "Neen. Ik zeg neen. Ik
-raad het u niet. Volstrekt niet, zeg ik." Terwijl hij van mijnheer
-Gradgrind op den veel zachter toon, waarmede deze sprak, de woorden
-hoorde: "Maar zelfs als een voorbeeld voor Louisa, om haar te toonen,
-waarop het leven, dat het voorwerp harer nieuwsgierigheid geweest is,
-uitloopt. Overweeg het eens, Bounderby, uit dat oogpunt."
-
-Ondertusschen kwamen de verschillende leden van Sleary's troep
-langzamerhand van de bovenkamers, waar zij in kwartier lagen,
-naar het portaal, bleven eerst een poosje onder elkander en met
-mijnheer Childers staan praten, en drongen zachtjes aan zich
-zelven en hem de kamer in. Er waren onder deze groep twee of drie
-bevallige jonge vrouwen, met hare twee of drie mannen en hare twee
-of drie moeders, en hare acht of negen kinderen, die als het noodig
-was voor engeltjes speelden. De vader van een dier huisgezinnen
-was gewoon den vader van een ander huisgezin op de punt van een
-hoogen staak te laten balanceeren; de vader van een derde huisgezin
-maakte dikwijls een piramide met de twee eerstgemelde vaders en den
-jongenheer Kidderminster, die op den top stond; al de vaders konden
-op rollende tonnen loopen, op flesschen staan, messen en ballen
-opgooien en vangen, waschkommen laten tollen, op alles rijden en
-over alles heen springen. Al de moeders konden op de stijve en de
-slappe koord dansen en gevaarlijke kunsten maken op den blooten rug
-van een paard; zij waren geen van allen bijzonder beschaamd om hare
-beenen te laten zien, en een van haar reed geheel alleen in eene
-Romeinsche kar met zes paarden, die zij uit de hand mende, wanneer
-de troep eene stad binnentrok. Zij hielden zich allen alsof zij zeer
-luchtig en zeer slim waren, maar waren niet zeer net in hunne gewone
-kleeding, geheel niet ordelijk in hunne huishouding, en de vereenigde
-letterkundige bekwaamheden van den geheelen troep hadden slechts een
-zeer armoedigen brief, over welk onderwerp het ook wezen mocht, kunnen
-samenstellen. Evenwel hadden deze lieden iets opmerkelijk weekhartigs
-en kinderlijks over zich, waren zij bijzonder ongeschikt om op eene
-hardvochtige manier hun eigen voordeel te bejagen, en onvermoeid in
-hunne bereidvaardigheid om elkander te helpen en te troosten; waardoor
-zij dikwijls evenveel achting waardig waren en altijd met dezelfde
-edelmoedige zachtheid verdienden beoordeeld te worden, als eenige
-andere klasse van menschen door hare alledaagsche deugden verdient.
-
-Het laatst van allen verscheen mijnheer Sleary, een zwaarlijvig man,
-gelijk reeds gemeld is, die één strakstaand en één beweeglijk oog had,
-en eene stem (indien het stem mocht heeten), welke naar het stenende
-zuchten van een ouden defecten blaasbalg geleek. Zijne huid hing in
-slappe plooien over zijn gezicht, en zijn hoofd was altijd beneveld,
-daar hij nooit recht nuchter en nooit geheel dronken was.
-
-"Jonker!" zeide mijnheer Sleary, met zijne heesche stem en eenigszins
-belemmerde spraak. "Ik ben uw dienaar. Dat is eene leelijke historie,
-niet waar? Gij hebt wel gehoord, dat mijn clown en zijn hond denkelijk
-zijn weggeloopen?"
-
-Hij richtte het woord tot mijnheer Gradgrind, en deze antwoordde: "Ja!"
-
-"Wel, jonker," hervatte hij, terwijl hij zijn hoed afnam en de voering
-daarvan afwreef met een zakdoek, dien hij tot dat einde in den hoed
-bewaarde; "is het uw voornemen om iets voor dat arme meisje te doen,
-jonker?"
-
-"Ik denk haar iets voor te slaan als zij terugkomt," zeide mijnheer
-Gradgrind.
-
-"Daar ben ik blij om, jonker. Niet dat ik het kind wil kwijt zijn,
-evenmin als ik haar wil in den weg staan. Ik ben bereid haar in de
-leer te nemen, hoewel het op haar ouderdom wat laat is. Mijne stem is
-wat schor, jonker, en niet gemakkelijk te verstaan als iemand niet aan
-mij gewoon is; maar als gij zoo dikwijls als ik hadt moeten gloeien
-en rillen, rillen en gloeien, gloeien en rillen, onder het oppassen
-van dat jonge goed in de manege, zou uwe stem het ook niet hebben
-uitgehouden, jonker, evenmin als de mijne."
-
-"Dat geloof ik ook wel," zeide mijnheer Gradgrind.
-
-"Wat zult ge gebruiken, jonker, terwijl ge moet wachten? Zal het
-sherry zijn? Zeg maar op, jonker!" zeide mijnheer Sleary, met gastvrije
-vrijpostigheid.
-
-"Voor mij niets, ik dank u," antwoordde mijnheer Gradgrind.
-
-"Dat is al heel weinig, jonker. Wat zegt uw vriend? Als ge nog niet
-gegeten hebt, neem dan een glaasje bitter."
-
-Zijne dochter Josephine, een bevallig blond meisje, dat, toen zij twee
-jaren oud was, reeds op een paard was gebonden, en op haar twaalfde
-jaar een testament had gemaakt, dat zij altijd bij zich droeg,
-en waarin zij haar stervenden wensch te kennen gaf om door de twee
-bonte hitjes naar het graf te worden getrokken, riep op dit oogenblik:
-"Stil, vader! daar komt zij terug."
-
-Daarop kwam Sissy Jupe de kamer weder ingeloopen evenals zij was
-heengeloopen, en toen zij allen daar verzameld vond en zag hoe
-zij haar aankeken en geen vader ontdekte, barstte zij uit in een
-allerjammerlijkst geschrei, en verschool zich aan den boezem eener
-talentrijke koorddanseres, die zich juist in gezegende omstandigheden
-bevond, en op den grond knielde om het meisje te liefkoozen en met
-haar te schreien.
-
-"Het is eene gloeiende schande, bij mijne ziel, dat is het," zeide
-Sleary.
-
-"O, mijn lieve vader, mijn goede, lieve vader, waar zijt ge naar
-toe? Gij zijt heengegaan om te beproeven iets goeds voor mij te
-doen, dat weet ik wel. Gij zijt om mijnentwil heengegaan, dat weet
-ik zeker. En hoe ongelukkig en hulpeloos zult ge zonder mij zijn,
-arme, arme vader, totdat ge terugkomt."
-
-Het was zoo aandoenlijk, haar aanhoudend zulke gezegden te hooren
-uiten, terwijl zij, met een naar boven gekeerd gezichtje, hare
-armen uitstak alsof zij zijne dierbare schim in het verdwijnen wilde
-tegenhouden en omhelzen, dat niemand een woord sprak, totdat mijnheer
-Bounderby, die ongeduldig werd, de zaak aanvatte.
-
-"Hoort eens, goede lieden," zeide hij. "Dit is niet anders dan
-tijdverspillen. Het meisje moet de waarheid begrijpen, en als ge wilt,
-zal ik ze haar wel aan het verstand brengen, daar mijne eigene moeder
-ook wel is weggeloopen. Nu dan--hoe heet gij ook weer?--Uw vader is
-voortgegaan--heeft u laten zitten--en gij moet maar denken, dat gij
-hem uw leven lang niet zult weerzien."
-
-Maar de omstanders hielden zoo weinig van de onbewimpelde waarheid,
-dat zij, in plaats van des sprekers gezond verstand en rondborstigheid
-te bewonderen, die integendeel ten uiterste kwalijk namen. De mannen
-mompelden, dat het schande, en de vrouwen, dat hij een beest van
-een kerel en een barbaar was; en Sleary, nu vrij haastig sprekende,
-gaf mijnheer Bounderby ter zijde den volgenden wenk:
-
-"Laat ik u eens wat zeggen, jonker. Om ruiterlijk te spreken, geloof ik
-dat ge best zoudt doen, als gij u maar stil- en er buiten hieldt. Mijne
-luidjes zijn heel goedhartig, maar zij zijn gewoonlijk wat driftig
-in hun doen; en als ge mijn raad niet volgt, mag ik verd...d wezen
-als ik niet geloof dat zij u uit het venster zullen smijten."
-
-Toen mijnheer Bounderby door deze vriendelijke kennisgeving tot zwijgen
-was gebracht, vond mijnheer Gradgrind gelegenheid voor zijne uitnemend
-practicale beschouwing van de zaak.
-
-"Het is van geen gewicht," zeide hij, "of die persoon te eeniger tijd
-terug te wachten is of niet. Hij is vertrokken, en het is niet te
-denken dat hij zoo terstond zal terugkomen. Daaromtrent is men het
-eens, geloof ik."
-
-"Dat is zoo, jonker, daarin zijn wij het eens, geloof ik."
-
-"Welnu dan. Ik, die hier ben gekomen om den vader van dat arme meisje,
-Jupe, te onderrichten, dat zij niet meer in de school kon worden
-toegelaten, uithoofde van practische bezwaren (waarover ik thans niet
-behoef uit te weiden) tegen de toelating van kinderen van lieden met
-zulk een beroep, ben onder deze veranderde omstandigheden bereid om
-een voorstel te doen. Ik ben genegen om u te mijnen laste te nemen,
-Jupe, u op te voeden en voor u te zorgen. De eenige voorwaarde, die
-ik maak (boven en behalve uw goed gedrag), is, dat gij nu terstond
-beslist of gij met mij wilt medegaan of hier blijven; en, indien gij
-met mij medegaat, dat het aangenomen wordt dat gij geen gemeenschap
-meer zult hebben met iemand van uwe vrienden, die hier tegenwoordig
-zijn. Deze opmerkingen omvatten de geheele zaak."
-
-"Ondertusschen moet ik nog een woordje zeggen, jonker," zeide Sleary
-nu, "om allebei de kanten van de vlag evengoed te laten zien. Als gij
-bij ons in de leer wilt komen, Cecilia, gij kent den aard van het werk
-en gij kent uwe kameraden. Emma Gordon, in wier schoot gij nu ligt,
-zou eene moeder voor u zijn, en Josephine eene zuster voor u wezen. Ik
-weet wel, dat ik zelf juist geen engel ben, en ik wil niet zeggen,
-dat gij, als gij uw slag mocht missen, niet ondervinden zoudt, dat ik
-geducht kan uitvaren, en ik u niet een paar vloeken naar den kop zou
-smijten. Maar wat ik zeggen wil, jonker, is dit: ik mag dan in een
-goed of in een slecht humeur zijn, ik heb nog nooit een paard meer
-kwaad gedaan dan een beetje uitgescholden, en ik geloof niet, dat ik
-op mijne jaren mijne rijders anders zal gaan behandelen. Ik ben nooit
-een kakelaar geweest, jonker, en ik heb gezegd wat ik te zeggen had."
-
-Dit laatste gedeelte zijner rede was tot mijnheer Gradgrind gericht,
-die het met eene deftige buiging van zijn hoofd beantwoordde en
-daarop hervatte:
-
-"De eenige opmerking, die ik u nog wil voorhouden, Jupe, ten einde
-eenigen invloed op uw besluit uit te oefenen, is, dat het hoogst
-wenschelijk is eene degelijke, practicale opvoeding te ontvangen,
-en dat zelfs uw vader, naar ik verneem, dit ten uwen opzichte schijnt
-geweten en gevoeld te hebben."
-
-Deze laatste woorden maakten een zichtbaren indruk op haar. Zij
-bedwong haar heftig schreien, maakte zich eenigszins van Emma Gordon
-los en keerde zich met haar gezicht geheel naar haar aanstaanden
-beschermer. Het geheele gezelschap gevoelde de kracht dezer
-verandering, en men hoorde bij allen eene lange en diepe ademhaling,
-die duidelijk zeide: "Zij zal gaan!"
-
-"Pas op dat gij zelf goed bedenkt wat gij wilt, Jupe," zeide mijnheer
-Gradgrind waarschuwend. "Anders zeg ik niet. Pas op dat ge zelf weet
-wat ge wilt."
-
-"Als vader terugkomt," riep het meisje na eene poos stilzwijgens uit,
-en begon wederom te schreien, "hoe zal hij mij dan ooit vinden als
-ik heenga?"
-
-"In dat opzicht kunt ge volkomen gerust wezen, Jupe," antwoordde
-mijnheer Gradgrind zeer bedaard; want hij werkte de geheele zaak uit
-alsof het eene som was. "In zulk een geval zal uw vader, denk ik,
-naar u zoeken bij mijnheer...."
-
-"Sleary. Dat is mijn naam, jonker. Ik schaam er mij niet voor. Door
-geheel Engeland bekend en overal eerlijk betaald."
-
-"Zal uw vader bij mijnheer Sleary naar u zoeken, die hem dan wel
-zeggen zal waar gij gebleven zijt. Ik zou de macht niet hebben om u
-tegen uw zin te houden, en het zal hem nooit moeielijk wezen mijnheer
-Thomas Gradgrind van Coketown te vinden. Ik ben welbekend."
-
-"Welbekend," zeide mijnheer Sleary toestemmend en liet zijn beweeglijk
-oog rollen. "Gij zijt een van die soort, jonker, die ons eene macht
-van geld uit de kas doet blijven. Maar dat doet er nu niet toe."
-
-De vrouwen gingen nu met zekere treurige drukte aan het werk om Sissy's
-kleeren bijeen te halen--hetgeen spoedig gedaan was, want zij waren
-niet veel--en ze in eene mand te pakken, waarin zij reeds dikwijls
-gereisd hadden. Sissy zat al dien tijd op den grond te schreien
-met hare handen voor de oogen. Mijnheer Gradgrind en zijn vriend
-Bounderby stonden bij de deur gereed om haar mede te nemen. Mijnheer
-Sleary stond in het midden van het vertrek, met de mannelijke leden
-van den troep om hem heen, juist gelijk hij in het midden der manege
-zou gestaan hebben, terwijl zijne dochter Josephine hare kunsten
-verrichtte. Niets ontbrak hem dan zijne zweep.
-
-Toen de mand in stilte gepakt was, brachten zij Sissy haar hoed, en
-zetten haar dien op het hoofd, nadat zij hare verwarde haren hadden
-gladgestreken. Toen drongen zij om haar heen, bukten zich over haar in
-zeer natuurlijke houdingen, en kusten en omhelsden haar, en brachten
-de kinderen bij haar om afscheid te nemen, kortom, gedroegen zich
-geheel als een troepje teerhartige, onnoozele, malle vrouwen.
-
-"Nu, Jupe," zeide mijnheer Gradgrind, "als ge nu uw besluit hebt
-genomen, kom dan."
-
-Maar zij moest nog van de mannelijke leden van den troep afscheid
-nemen, en elk van dezen moest haar in zijne uitgespreide armen
-sluiten (want onder de oogen van mijnheer Sleary namen zij altijd een
-theatrale houding aan) en haar een afscheidskus geven. Zij deden dit
-ook allen behalve de jongeheer Kidderminster, wiens jeugdig gemoed
-iets misanthropisch had, en die ook in de verte reeds uitzichten op
-een huwelijk had gekoesterd;--hij droop in eene sombere stemming
-af. Mijnheer Sleary werd tot het laatst bewaard. Zijne armen wijd
-uitspreidende, vatte hij haar bij de beide handen, en zou haar op en
-neer hebben laten springen, op de manier waarop een pikeur gewoonlijk
-eene jonge dame feliciteert, wanneer zij na haar laatsten toer van
-het paard wipt; maar Sissy gaf niet op en bleef maar schreiende voor
-hem staan.
-
-"Vaarwel, lief kind!" zeide Sleary. "Gij zult fortuin maken, hoop ik,
-en niemand van ons arme lieden zal u ooit lastig vallen, daar sta ik u
-voor in. Ik wenschte wel dat uw vader zijn hond niet had meegenomen;
-het is onpleizierig dat de hond niet op de biljetten kan staan. Maar
-als ik mij wel bedenk, zou hij toch zonder zijn meester geene kunsten
-willen doen, en dus is het even breed als het lang is."
-
-Daarna staarde hij haar met zijn strakstaand oog oplettend aan, overzag
-zijn gezelschap met het beweeglijke, gaf haar een kus, schudde zijn
-hoofd en reikte haar aan mijnheer Gradgrind over, alsof hij haar op
-een paard wilde zetten.
-
-"Daar is zij, jonker," zeide hij, haar met een pikeursblik opnemende,
-als om te zien of zij wel goed zat, "en zij zal haar best doen. Dag,
-Cecilia!"
-
-"Dag, Cecilia! Dag, Sissy! God zegen u, kindlief!" klonk het met
-verschillende stemmen door de geheele kamer.
-
-Doch de pikeur had het fleschje met negenolie in hare borst gezien
-en zeide nu:
-
-"Laat mij dat fleschje, kindlief; het is te lastig om mee te nemen
-en komt u nu toch niet meer te pas. Geef het mij."
-
-"Neen, neen," antwoordde zij, nogmaals in tranen uitbarstende. "Och
-neen! Laat het mij voor mijn vader bewaren, tot hij terugkomt! Hij
-zal het wel noodig hebben als hij komt. Hij dacht er zeker niet aan om
-heen te gaan toen hij mij uitzond. Ik moet het voor hem bewaren. Och,
-laat het mij toch houden."
-
-"Nu, goed dan, liefje. Gij ziet wel hoe het is, jonker. Vaarwel,
-Cecilia! Mijn laatste woord aan u is dit: Houd u trouw aan uw
-accoord, wees den jonker gehoorzaam en vergeet ons. Maar als gij
-groot geworden en getrouwd en in goeden doen zijt, en dan ooit een
-paardenspel tegenkomt, veracht het dan niet, en werk het niet tegen,
-maar neem een abonnement als gij kunt, en denk dat gij er niet veel
-kwaad aan doet. De menschen moeten zich vermaken, jonker, op de eene
-of andere manier," vervolgde Sleary, nog heescher geworden dan ooit
-door zooveel te spreken; "zij kunnen ook niet altijd leeren. Denk het
-beste van ons en niet het ergste. Ik heb al mijn leven met paardrijden
-den kost gewonnen, dat weet ik wel; maar ik geloof toch dat ik het
-bij het rechte eind heb, als ik zeg: Denk het beste van ons en niet
-het ergste."
-
-Hij zeide dit op de trap, terwijl men naar beneden ging; en terwijl
-hij de drie gedaanten en de mand zoowel met zijn beweeglijk als met
-zijn strakstaand oog bleef staan nakijken, verdween zij op de donkere
-straat weldra uit zijn gezicht.
-
-
-
-
-
-
-
-VII.
-
-MEVROUW SPARSIT.
-
-
-Daar mijnheer Bounderby ongehuwd was, had hij eene bejaarde dame
-bij zich wonen, die uit aanmerking van zekere jaarlijksche som zijn
-huishouden bestuurde. De naam dezer dame was mevrouw Sparsit, en zij
-was eene zeer in het oog vallende gedaante onder den stoet, die den
-triomfwagen van mijnheer Bounderby vergezelde, terwijl deze, met dat
-model van hoogmoedige nederigheid daarin, zegepralend voortrolde.
-
-Want mevrouw Sparsit had niet alleen geheel andere dagen gezien,
-maar was ook van aanzienlijke familie. Zij had nog eene oudtante
-in leven, die Lady Scadgers heette. De overledene mijnheer Sparsit,
-die haar als weduwe had achtergelaten, was van moeders zijde, gelijk
-mevrouw Sparsit het altijd noemde, "een Powler" geweest. Vreemdelingen,
-die weinig wereldkennis en geen vlug begrip hadden, schenen somtijds
-niet te weten wat een Powler was en zelfs onzeker te zijn of daarmede
-een beroep, eene politieke partij of eene godsdienstige gezindte
-werd bedoeld. Menschen van meer ontwikkelden geest behoefden echter
-niet onderricht te worden, dat de Powler's een oude stam waren, die
-men zoo ver moest nasporen, dat het niet te verwonderen was dat men
-hen somtijds uit het oog verloor--gelijk dan ook eenige stamhouders
-nu en dan tengevolge van omstandigheden, die met weddenschappen,
-geldleeningen en executiën in verband stonden, voor geruimen tijd
-onzichtbaar waren geworden.
-
-De overledene mijnheer Sparsit dan, die van moeders zijde een Powler
-was, trad in het huwelijk met deze dame, die van vaders zijde eene
-Scadgers was. Lady Scadgers (eene verbazend dikke vrouw, met een
-ontzaglijken eetlust en een geheimzinnig been, dat nu veertien jaren
-lang niet uit het bed had willen stappen) had dit huwelijk bekuipt
-op een tijd toen Sparsit juist meerderjarig was en hoofdzakelijk
-gekenteekend werd door een mager lichaam, door twee dunne stutten
-onderschraagd en bekroond met een hoofd, waarvan het niet de moeite
-waard is eenige melding te maken. Hij erfde van een oom een zeer
-aanzienlijk vermogen, maar was, eer hij dit kreeg, reeds eene
-evengroote som schuldig, en verteerde terstond daarop nog eens het
-dubbele daarvan. Toen hij dus op vier-en-twintigjarigen ouderdom stierf
-(de plaats van zijn overlijden was Calais en de aanleidende oorzaak het
-brandewijn drinken), liet hij zijne weduwe, van welke hij kort na de
-wittebroodsweken gescheiden was, in geene zeer gunstige omstandigheden
-achter. Deze weduwe, vijftien jaar ouder dan hij, geraakte weldra in
-doodelijke vijandschap met haar eenige bloedverwante, Lady Scadgers,
-en gedeeltelijk om deze dame verdriet aan te doen, gedeeltelijk
-om zich een bestaan te verschaffen, ging zij in eene conditie. En
-hier zat zij nu op haar ouden dag, met haar spitsen arendsneus en de
-gitzwarte wenkbrauwen, die Sparsit eens hadden bekoord, voor mijnheer
-Bounderby thee te schenken, terwijl deze heer zijn ontbijt gebruikte.
-
-Indien Bounderby een veroveraar ware geweest en mevrouw Sparsit eene
-gevangene prinses, welke hij ter opluistering zijner zegepralende
-intochten medevoerde, had hij niet meer met haar kunnen pronken dan
-hij thans gewoon was te doen. Gelijk het tot zijne manier van snoeven
-behoorde zijne eigene afkomst te verachten, behoorde het er toe,
-de afkomst van mevrouw Sparsit te verheffen. Terwijl hij niet wilde
-toegeven dat zijne eigene jeugd met eene enkele gunstige omstandigheid
-vergezeld ging, verhelderde hij de jeugdige dagen van mevrouw Sparsit
-met alle mogelijke voorrechten, en strooide hij wagenvrachten vol rozen
-over het geheele pad dezer dame. "En toch, mijnheer," zeide hij dan,
-"hoe is het eindelijk met haar afgeloopen? Daar zit zij nu met honderd
-pond 's jaars (ik geef haar honderd pond, en zij is wel zoo goed om
-dat mild te noemen) en bestuurt het huishouden van Josiah Bounderby
-van Coketown!"
-
-Hij trompette het bezit eener huishoudster, die zijn aanzien zoodanig
-verhoogde, zoo geweldig uit, dat ook anderen er van begonnen te
-spreken en er bij sommige gelegenheden openlijk over uitweidden. Het
-was een der hatelijkste eigenschappen van Bounderby, dat hij niet
-alleen zijn eigen loflied zong, maar ook anderen verleidde om dit te
-zingen. Zijne manier van snoeven had iets besmettelijks. Vreemdelingen,
-overal elders bescheiden genoeg, konden bij een openbaren maaltijd
-te Coketown somtijds opstaan en op Bounderby snoeven alsof zij
-razend waren geworden. Als men hem hoorde, zou men geloofd hebben,
-dat hij alles, wat bij zulke gelegenheden gewoonlijk werd opgehemeld
-en te pronk gesteld--het koninklijke wapen, de Britsche zeevlag,
-het groot Charter, John Bull en het Habeas Corpus, "een Engelschmans
-huis is zijn kasteel," Kerk en Staat, en God save the queen--in zijn
-persoon vereenigde; en zoo dikwijls (en dit gebeurde zeer dikwijls)
-een redenaar van deze soort in het slot zijner aanspraak de regels
-te pas bracht:
-
-
- "Laat Vorstendommen, Gravenhuizen
- Op aarde bloeien of vergaan:
- Een enkel woord kan hen weer scheppen,
- Gelijk zij vroeger zijn ontstaan,"
-
-
-hield men het onder het gezelschap voor zoo goed als zeker, dat hij
-van mevrouw Sparsit had gehoord.
-
-"Mijnheer Bounderby," zeide mevrouw Sparsit, "ge zijt van morgen
-bijzonder langzaam met uw ontbijt, mijnheer."
-
-"Ja, juffrouw," antwoordde hij, "ik zit te denken over die gril van
-Tom Gradgrind." Dit "Tom Gradgrind" zeide hij met eene manhaftigheid,
-alsof iemand gedurig beproefde hem met ontzaglijke sommen om te
-koopen om "Thomas" te zeggen en hij toch niet wilde; "die gril van
-Tom Gradgrind, juffrouw, om dat kunstenmakerskind groot te brengen."
-
-"Het meisje staat nog te wachten," zeide mevrouw Sparsit, "om te weten
-of zij rechtstreeks naar de school of eerst naar het buiten moet gaan."
-
-"Zij moet wachten, juffrouw, tot ik het zelf weet," antwoordde
-Bounderby. "Wij zullen Tom Gradgrind zoo meteen wel hier hebben, denk
-ik. Als hij wenschen mocht, dat zij nog een paar dagen hier bleef,
-kan dat natuurlijk wel geschikt worden."
-
-"O ja zeker, als gij het zoo verkiest, mijnheer Bounderby."
-
-"Ik zeide hem gisteravond, dat ik haar hier een kermisbed zou geven,
-om hem tijd te laten om er zich eens op te beslapen, eer hij er toe
-besloot om haar eenige gemeenschap met Louisa te laten hebben."
-
-"Inderdaad, mijnheer Bounderby, dat was zeer oplettend van u."
-
-Mevrouw Sparsit's spitse neus werd een weinig breeder door het
-uitzetten der neusgaten en hare zwarte wenkbrauwen trokken zich samen,
-terwijl zij een teugje thee slurpte.
-
-"Het is voor mij tamelijk duidelijk," zeide mijnheer Bounderby,
-"dat zulk een gezelschap het kleine nest heel weinig goed kan doen."
-
-"Bedoelt gij de jongejuffrouw Gradgrind, mijnheer Bounderby?"
-
-"Ja, juffrouw, ik meen Louisa."
-
-"Daar uw gezegde alleen op een "klein nest" betrekking had," zeide
-mevrouw Sparsit, "en er twee kleine meisjes in de zaak betrokken
-waren, wist ik niet wie van de twee door die uitdrukking kon worden
-aangeduid."
-
-"Louisa," herhaalde mijnheer Bounderby, "Louisa, Louisa."
-
-"Gij zijt volkomen een tweede vader voor Louisa, mijnheer."
-
-Mevrouw Sparsit nam nog een teugje thee; en toen zij hare wederom
-saamgetrokkene wenkbrauwen over haar kopje boog, had haar klassiek
-gelaat eene uitdrukking alsof zij de onderaardsche goden aanriep.
-
-"Als gij gezegd hadt een tweede vader voor Tom--den jongen Tom meen
-ik, niet mijn vriend Tom Gradgrind--zoudt gij er dichter bij zijn
-geweest. Ik zal Tom op mijn kantoor plaatsen. Ik zal hem onder mijne
-vleugelen nemen, juffrouw."
-
-"Inderdaad? Nog wel wat jong daarvoor, is hij niet, mijnheer?" Mevrouw
-Sparsit's "mijnheer", wanneer zij mijnheer Bounderby aansprak,
-was eene uitdrukking van beleefdheid, waarmede zij veeleer zekere
-onderscheiding voor zich zelve eischte, omdat zij die gebruikte,
-dan wel hem eenige eer bewees.
-
-"Ik zal hem niet zoo terstond nemen. Hij moet eerst nog wat meer
-nuttige kundigheden slikken," zeide mijnheer Bounderby. "Waarachtig,
-hij zal er genoeg van krijgen. Wat zou hij oogen opzetten, die jongen,
-als hij wist hoe weinig geleerdheid ik in mijne maag had toen ik zoo
-oud was als hij." Hetgeen de jongen, terloops gezegd, waarschijnlijk
-zeer wel wist, want hij had er dikwijls genoeg van gehoord. "Maar
-het is zonderling, hoe moeielijk het mij dikwijls ook valt om mij in
-een gesprek met iemand op gelijken voet te plaatsen. Daar heb ik u
-nu van morgen over kunstenmakers gesproken. Wel, wat weet gij van
-kunstenmakers? In den tijd toen het voor mij een fortuintje, een
-prijs uit de loterij zou zijn geweest, als ik een kunstenmaker op
-straat geweest ware, waart gij in de Italiaansche opera. Gij kwaamt
-uit de Italiaansche opera, juffrouw, prachtig opgesierd met satijn
-en juweelen, toen ik geen stuiver had om eene flambouw te koopen om
-u te lichten."
-
-"Ik ben zeker al zeer vroeg met de Italiaansche opera bekend geweest,
-mijnheer," antwoordde mevrouw Sparsit met eene deftigheid, die iets
-treurig berustends had.
-
-"Voor den drommel, juffrouw, ik ook," zeide Bounderby, "maar met
-den verkeerden kant er van. Een hard bed plachten de steenen van de
-colonnade te wezen, dat verzeker ik u. Menschen gelijk gij, juffrouw,
-van hunne kindsheid af gewoon op donzen pluimen te slapen, hebben er
-geen denkbeeld van, hoe hard de straatsteenen zijn, als zij het niet
-beproeven. Neen, neen, het is gekheid, dat ik u van kunstenmakers
-spreek. Ik moest van vreemde danseressen en het West-End van Londen,
-May Fair, en lords en lady's spreken."
-
-"Ik vertrouw, mijnheer," antwoordde mevrouw Sparsit met edele
-gelatenheid, "dat het niet noodig is dat gij zoo iets doet. Ik hoop,
-dat ik mij naar de wisselingen des levens heb leeren voegen. Indien
-ik mijne belangstelling heb voelen ontwaken bij het luisteren naar
-de leerrijke ondervinding van uw leven, en nu haast nooit genoeg
-daarvan kan hooren, kan ik mij dit niet tot verdienste rekenen,
-daar ik geloof dat die belangstelling eene algemeene aandoening is."
-
-"Wel, juffrouw," hervatte haar begunstiger, "misschien belieft het
-sommige menschen te zeggen, dat zij Josiah Bounderby van Coketown
-gaarne op zijne eigene ongepolijste manier hooren vertellen wat hij
-al zoo heeft doorgestaan. Maar gij moet toch bekennen, dat gij zelve
-in den schoot der weelde geboren zijt. Kom aan, juffrouw, gij weet
-immers wel, dat ge in den schoot der weelde geboren zijt."
-
-"Dat ontken ik niet, mijnheer," antwoordde mevrouw Sparsit en schudde
-daarbij haar hoofd.
-
-Mijnheer Bounderby was genoodzaakt van de tafel op te rijzen en met
-zijn rug naar het vuur bij den haard te gaan staan om haar op dien
-afstand aan te zien, zoo heerlijk deed zij door hare contrasteerende
-nabijheid zijne verdiensten uitkomen.
-
-"En gij kwaamt ook in aanzienlijke kringen--in verduiveld hooge
-kringen," zeide hij, terwijl hij zijne beenen warmde.
-
-"Dat is waar, mijnheer," antwoordde mevrouw Sparsit, met eene
-affectatie van nederigheid, die zoo hemelsbreed van de zijne
-verschilde, dat zij daardoor geen gevaar liepen om elkander ooit in
-den weg te komen.
-
-"En gij waart ook midden in de modewereld en alle drukte en pleizier,"
-zeide mijnheer Bounderby.
-
-"Ja, mijnheer," antwoordde mevrouw Sparsit, op den toon eener
-gezellige, volkomen getrooste weduwe; "dat is niet te ontkennen."
-
-Mijnheer Bounderby liet zijne knieën doorbuigen, omhelsde in de
-overmaat zijner zelfvoldoening zijne eigene beenen en lachte hardop.
-
-Nu werden mijnheer Gradgrind en zijne dochter Louisa aangediend,
-en mijnheer Bounderby ontving den eersten met een handdruk en de
-laatste met een kus.
-
-"Mag Jupe hier geroepen worden, Bounderby?" vroeg mijnheer Gradgrind.
-
-"Wel zeker," en Jupe werd geroepen. Toen zij binnenkwam neeg zij
-voor mijnheer Bounderby en zijn vriend Tom Gradgrind, en ook voor
-Louisa; maar ongelukkig sloeg zij in hare verlegenheid mevrouw Sparsit
-over. Dit opmerkende, achtte de manhaftige Bounderby zich verplicht
-het volgende te zeggen:
-
-"Eerst moet ik u eens wat vertellen, meisje. De naam van die juffrouw
-bij den trekpot is mevrouw Sparsit. Die juffrouw is hier zoo goed
-als meesteres van het huis, en zij is eene dame van aanzienlijke
-afkomst. Als ge dus ooit weder hier in huis in eene kamer komt,
-zult gij er maar kort in blijven, indien gij deze juffrouw niet allen
-eerbied bewijst, dien gij maar kunt. Het kan mij niet schelen hoe gij
-u jegens mij gedraagt, omdat ik mij niet voor iemand van eenig aanzien
-wil uitgeven. In plaats van eene aanzienlijke familie te hebben, heb
-ik geheel geene familie; ik ben van het uitvaagsel der maatschappij
-afkomstig. Maar het kan mij wèl schelen hoe gij u jegens die dame
-gedraagt; en gij zult u jegens haar fatsoenlijk en eerbiedig gedragen,
-of gij zult niet meer hier komen."
-
-"Ik hoop, Bounderby," zeide mijnheer Gradgrind op een bevredigenden
-toon, "dat het maar een onwillekeurig verzuim was."
-
-"Mijn vriend Tom Gradgrind vermeent, mevrouw Sparsit," hervatte
-mijnheer Bounderby, "dat het maar een onwillekeurig verzuim was. Zeer
-waarschijnlijk. Maar gelijk gij wel weet, juffrouw, ik wil ten uwen
-opzichte zelfs geen onwillekeurig verzuim dulden."
-
-"Gij zijt waarlijk zeer goed, mijnheer," antwoordde mevrouw Sparsit,
-met hare staatsie-nederigheid haar hoofd schuddende. "Het is niet de
-moeite waard om er van te spreken."
-
-Sissy, die zich al dien tijd met eene angstige stem en tranen in
-de oogen had gepoogd te verontschuldigen, werd nu door den heer
-des huizes met een enkel wuiven zijner hand naar mijnheer Gradgrind
-verwezen. Thans sprak deze heer haar aan, terwijl Sissy hem aandachtig
-in de oogen zag, en Louisa, onverschillig naar den grond kijkende,
-daarbij stond.
-
-"Jupe," zeide mijnheer Gradgrind, "ik ben tot het besluit gekomen om u
-bij mij in huis te nemen, en u, als gij niet naar de school zijt, ter
-oppassing van mevrouw Gradgrind te bezigen, die eenigszins ziekelijk
-is. Ik heb Miss Louisa--dit is Miss Louisa--den jammerlijken maar
-natuurlijken afloop uwer vroegere loopbaan duidelijk gemaakt; en gij
-moet uitdrukkelijk weten, dat die zaak geheel en al voorbij is en er
-nooit weder van gesproken moet worden. Van dezen tijd af begint uwe
-nieuwe geschiedenis. Gij zijt nog zeer onkundig, dat weet ik."
-
-"Ja, mijnheer," antwoordde zij nijgende.
-
-"Ik zal de zelfvoldoening smaken van u met de uiterste stiptheid te
-laten opvoeden; en gij zult voor allen, die met u in aanraking komen,
-een levend bewijs zijn van de voordeelen der opleiding, die gij
-ontvangen zult. Gij zult verbeterd en gevormd worden. Gij zijt tot
-nog toe gewoon geweest om voor uw vader en de menschen, onder welke
-ik u gevonden heb, te lezen, niet waar?" zeide mijnheer Gradgrind,
-maar eer hij dit zeide, wenkte hij haar om naderbij te komen en liet
-toen zijne stem dalen.
-
-"Alleen voor vader en Merrylegs, mijnheer. Tenminste, ik meen voor
-vader, terwijl Merrylegs er bij was."
-
-"Zwijg maar van Merrylegs, Jupe," zeide mijnheer Gradgrind, voor
-een oogenblik zijn voorhoofd fronsende. "Ik vraag niet naar hem. Ik
-begrijp dus, dat gij gewoon waart uw vader voor te lezen?"
-
-"O ja, mijnheer. Wel duizendmaal heb ik dat gedaan. Dat waren de
-genoeglijkste--o, de genoeglijkste van al de genoeglijke uren, die
-wij samen gehad hebben, mijnheer."
-
-Het was nu eerst, toen hare smart uitbarstte, dat Louisa haar aanzag.
-
-"En wat," vroeg mijnheer Gradgrind, nog zachter sprekende, "wat hebt
-gij voor uw vader gelezen, Jupe?"
-
-"Van de Toovergodinnen, mijnheer, en den Dwerg, en den Bultenaar en
-de Geesten," snikte zij uit.
-
-"Zoo!" zeide mijnheer Gradgrind. "Dat is genoeg. Spreek nooit een
-enkel woord meer van die verderfelijke zotheden. Bounderby, hier
-zal de proef genomen worden, wat eene strenge opvoeding vermag,
-en ik zal het geval met belangstelling gadeslaan."
-
-"Wel," antwoordde Bounderby, "ik heb u reeds mijne meening gezegd,
-en ik zou niet doen wat gij doet. Maar het is heel goed. Daar gij er
-op gesteld zijt, heel goed!"
-
-En zoo namen mijnheer Gradgrind en zijne dochter Cecilia Jupe mede
-naar Stone Lodge, en onderweg sprak Louisa geen enkel woord, goed of
-kwaad; en mijnheer Bounderby ging aan zijne dagelijksche bezigheden;
-en mevrouw Sparsit verschool zich achter hare wenkbrauwen en zat in
-de duisternis van dien schuilhoek den geheelen morgen te peinzen.
-
-
-
-
-
-
-
-VIII.
-
-ZICH NOOIT TE VERWONDEREN.
-
-
-Wij moeten een enkelen blik achterwaarts werpen, eer wij met de
-geschiedenis voortgaan.
-
-Toen zij nog een half dozijn jaren jonger was, had men Louisa eens
-een gesprek met haar broeder hooren beginnen met de woorden: "Tom,
-ik verwonder mij;" waarop mijnheer Gradgrind, die hen had beluisterd,
-voor den dag kwam en zeide: "Louisa, gij moet u nooit verwonderen."
-
-Hierin lag het voorname geheim der mechanische kunst van opvoeding,
-welke het verstand wilde ontwikkelen, zonder zich te vernederen om het
-gevoel of de neigingen te raadplegen. Verwonder u nooit. Gij moet alles
-door middel van optelling, aftrekking, vermenigvuldiging en deeling op
-de eene of andere manier beslissen, en u nooit verwonderen. Breng mij,
-zegt mijnheer Mac Choakumchild, een kind, zoodra het pas kan loopen,
-en ik sta er u voor in dat het zich nooit zal verwonderen.
-
-Nu waren er juist in Coketown, behalve zeer vele kleine kinderen,
-die pas konden loopen, ook aanmerkelijk veel kinderen, die reeds
-twintig, dertig, veertig, vijftig jaren en langer naar de eeuwigheid
-hadden gewandeld; en daar het gezicht van zulke kinderen, die aldus
-in eene maatschappij rondliepen, dreigend en onrustbarend was, waren
-de achttien gezindten onophoudelijk met elkander aan het plukharen, om
-het zoodoende eens te worden over de maatregelen, welke ter opvoeding
-en verbetering dier groote kinderen moesten genomen worden--zonder
-het echter ooit eens te worden; eene verbazende omstandigheid,
-wanneer men in aanmerking neemt hoe gelukkig middel en doel met
-elkander overeenstemden. Evenwel, schoon zij in alle andere punten,
-begrijpelijke en onbegrijpelijke (maar vooral onbegrijpelijke),
-onder elkander verschilden, waren zij het tamelijk wel eens over
-dit punt, dat die ongelukkige groote kinderen zich nooit moesten
-verwonderen. Genootschap nommer een zeide, dat zij alles op geloof
-moesten aannemen. Genootschap nommer twee zeide, dat zij alles uit de
-staathuishoudkunde moesten leeren. Genootschap nommer drie schreef
-voor hen kleine boekjes, zoo zwaar als lood, waarin werd aangetoond
-hoe het zoete volwassene kind onfeilbaar geld in de spaarbank kreeg
-en het stoute even onfeilbaar gedeporteerd werd. Genootschap nommer
-vier plaatste hier en daar, met een akelige poging om comisch te
-zijn (die op zichzelf reeds zeer naargeestig was), op eene uiterst
-onhandige manier verborgene vallen, waarin de groote kinderen zich
-moesten laten lokken, om, zonder dat zij het wisten, in een hoop
-kennis te tuimelen. Maar al die genootschappen kwamen daarin overeen,
-dat zij zich nooit moesten verwonderen.
-
-Er bestond in Coketown eene bibliotheek, waartoe iedereen gemakkelijk
-toegang kon verkrijgen. Mijnheer Gradgrind kwelde er zijn geest
-geweldig over, wat de menschen in die bibliotheek lazen, een punt,
-waarover op gezette tijden riviertjes van statistieke tabellen in de
-woelende zee van statistieke tabellen vloeiden, waarin geen duiker
-ooit tot eenige diepte kon dalen en met zijn gezond verstand weder
-bovenkomen. Het was een ontmoedigende omstandigheid, maar tevens
-eene treurige daadzaak, dat zelfs deze lezers volhardden met zich
-te verwonderen. Zij verwonderden zich over het menschelijk gemoed,
-over menschelijke hartstochten, menschelijke hoop en vrees, over den
-worstelstrijd, de zegepraal en de nederlaag, de zorgen, genoegens en
-smarten, het leven en den dood van gewone mannen en vrouwen. Somtijds,
-nadat zij vijftien uren gewerkt hadden, gingen zij verhalen zitten
-lezen, die niets meer dan fabeltjes waren, van mannen en vrouwen meer
-of minder gelijk zij zelven, en kinderen meer of minder gelijk hunne
-eigene. Zij drukten De Foe aan hunne borst, in plaats van Euclides,
-en schenen over het geheel meer opgebeurd te worden door Goldsmith
-(den romanschrijver), dan door Cocker (den rekenmeester). Mijnheer
-Gradgrind was onophoudelijk met die lastige som aan het werk, en kon
-nooit ontdekken wat de reden was dat zij zoo geheel fout uitkwam.
-
-"Ik ben van mijn leven verzadigd, Louisa. Ik heb er een hekel aan,
-en ik heb een hekel aan iedereen behalve u," zeide eens op een
-schemeravond de onnatuurlijke jonge Thomas Gradgrind, terwijl hij
-met zijne zuster alleen in de haarsnijkamer was.
-
-"Gij hebt toch geen hekel aan Sissy, Tom?"
-
-"Ik heb er een hekel aan, dat ik haar Jupe moet noemen; en zij heeft
-een hekel aan mij," zeide Tom met sombere stroefheid.
-
-"Neen, Tom, dat heeft zij niet, daar ben ik zeker van."
-
-"Zij moet wel," hervatte Tom. "Zij moet onzen geheelen troep haten
-en verfoeien. Zij zullen haar nog doodplagen, denk ik, met al dat
-leeren. Zij wordt al zoo bleek als een doek en zoo suf als--als
-ik ben."
-
-De jonge Thomas uitte deze woorden terwijl hij schrijdelings op
-een stoel voor het vuur zat, met zijne armen op de leuning en zijn
-hoofd op zijne armen. Zijne zuster zat in het donkere hoekje naast
-den schoorsteen, nu haar broeder aanziende, dan naar de schitterende
-vonken kijkende, die door den haardrooster vielen.
-
-"Wat mij betreft," zeide Tom, op alle manieren met zijne handen door
-zijn haar woelende, "ik ben een ezel, dat weet ik. Ik ben zoo koppig
-als een ezel en nog dommer dan een ezel; ik heb evenveel pleizier
-als een ezel, en ik zou wel als een ezel willen schoppen."
-
-"Mij niet, hoop ik, Tom."
-
-"Neen, Louisa. U zou ik geen zeer willen doen. Ik heb in het begin al
-eene uitzondering voor u gemaakt. Ik weet niet wat dit oude--geelzieke
-gasthuis"--Tom had zich een oogenblik bedacht om een naam voor
-het ouderlijke huis te vinden, die vleiend en krachtig genoeg was,
-en scheen door deze satirieke geestigheid zijn gemoed eenigszins
-verlicht te hebben--"zonder u zou wezen."
-
-"Waarlijk, Tom? Zegt ge dat met waarheid en oprecht?"
-
-"Wel zeker. Maar wat helpt het er over te praten?" antwoordde Tom, en
-wreef met zijne mouw over zijn gezicht, als ware het om zijn vleesch
-te pijnigen en aldus in overeenstemming met zijn geest te brengen.
-
-"Omdat ik, Tom," antwoordde zijne zuster, nadat zij eene poos
-stilzwijgend naar de vonken had gekeken, "nu ik ouder wordt en haast
-groot zal zijn, mij hier dikwijls zit te verwonderen en te denken hoe
-ongelukkig het is, dat ik niet beter in staat ben om u met dit huis
-te verzoenen. Ik versta niets van wat andere meisjes verstaan. Ik kan
-niet voor u zingen of voor u spelen. Ik kan niet zoo met u praten,
-dat ik uw gemoed verlicht, want ik zie nooit iets vermakelijks en ik
-lees nooit een vermakelijk boek, waarover ik met u zou kunnen praten,
-om u op te ruimen, als gij verdrietig zijt."
-
-"Wel, ik ook niet. Ik ben er in dat opzicht even slecht aan toe
-als gij; en ik ben bovendien een ezel, wat gij niet zijt. Als vader
-voorgenomen heeft mij een wijsneus of een ezel te maken, en ik geen
-wijsneus ben, wel dan spreekt het vanzelf, dat ik een ezel moet
-zijn. En dat ben ik ook," zeide Tom met wanhopige heftigheid.
-
-"Het is wel jammer, Tom," zeide Louisa, na nog eene poos van stilte,
-op een peinzenden toon uit haar donker hoekje. "Het is wel jammer. Het
-is zeer ongelukkig voor ons allebei."
-
-"O, gij zijt een meisje, Louisa," zeide Tom hierop, "en een meisje
-komt daar beter doorheen dan een jongen. Ik zou niets meer in u
-verlangen. Gij zijt het eenige genoegen dat ik heb--gij kunt zelfs
-dit huis opvroolijken--gij kunt altijd van mij gedaan krijgen wat
-gij wilt."
-
-"Gij zijt een lieve broeder, Tom; en als gij denkt, dat ik zoo iets
-doen kan, trek ik het mij zoo niet aan, dat ik wel beter weet. Maar
-ik weet wel beter en dat spijt mij zeer." Zij kwam naar hem toe,
-gaf hem een kus en ging toen weder naar haar hoekje.
-
-"Ik wenschte," zeide Tom, wrevelig zijne tanden op elkander klemmende,
-"dat ik al de feiten, waarvan wij zooveel hooren, op een hoop
-kon smijten, met al de cijfers, en al de menschen, die ze hebben
-uitgevonden, en er duizend vaten kruit onder zetten, en alles te
-zamen in de lucht laten vliegen. Maar als ik bij den ouden Bounderby
-ga inwonen, zal ik mij wel wreken."
-
-"Wreken, Tom!"
-
-"Ik meen, ik zal dan wel maken dat ik wat pleizier heb. Ik zal dan
-wel uitgaan en wat anders te zien en te hooren krijgen. Ik zal mij
-vergoeding verschaffen voor de manier waarop ik ben grootgebracht."
-
-"Pas maar op, dat gij u zelven geene teleurstelling berokkent,
-Tom. Mijnheer Bounderby denkt eveneens als vader en is veel ruwer en
-niet half zoo zachtzinnig."
-
-"O," antwoordde Tom lachende, "daar geef ik niet om. Ik weet wel,
-hoe ik den ouden Bounderby naar mijne hand moet zetten en vriendelijk
-maken."
-
-Hunne schaduwen waren duidelijk op den muur geteekend, maar daarboven
-en tegen de zoldering vereenigden zich die der hooge kasten, die in de
-kamer stonden, alsof broeder en zuster in een donkere grot zaten. Eene
-rijke verbeelding--indien zulk een verraderlijk ding daar aanwezig
-kon zijn--had dit schijnsel voor eene schaduw van hun onderwerp en
-het verband daarvan met eene dreigende toekomst kunnen houden.
-
-"En wat kan het middel wezen om hem naar uwe hand te zetten en
-vriendelijk te maken, Tom? Of is het een geheim?"
-
-"Och," antwoordde Tom, "als het een geheim is, is het niet ver te
-zoeken. Gij zijt het zelf. Gij zijt zijn liefje, zijne gunsteling,
-hij zal alles voor u doen. Als hij mij iets zegt, dat mij niet bevalt,
-zal ik hem zeggen: "Het zal mijne zuster Louisa wel bevreemden en
-spijten, mijnheer Bounderby. Zij placht mij te zeggen, dat zij zeker
-was dat gij vrij wat gemakkelijker zoudt zijn." Dat zal hem tot rede
-brengen, of anders weet ik het niet."
-
-Nadat hij eene poos naar antwoord op dit gezegde had gewacht, zonder
-er een te bekomen, verzonk Tom weder in een naargeestig gepeins over
-het tegenwoordige; hij kromde zich geeuwende al meer en meer over
-zijn stoel, en bracht zijn haar al meer en meer in de war, tot hij
-eensklaps opzag en vroeg:
-
-"Zijt gij in slaap gevallen, Louisa?"
-
-"Neen, Tom. Ik kijk in het vuur."
-
-"Gij schijnt daar meer in te kijken te vinden dan ik er ooit in vinden
-kon," zeide Tom. "Dat is alweder een van de voorrechten, geloof ik,
-die een meisje heeft."
-
-"Tom," zeide zijne zuster langzaam en op een zonderlingen toon, alsof
-zij, hetgeen zij vroeg, in het vuur las en het niet zeer duidelijk
-daarin geschreven stond. "Ziet gij die verandering bij mijnheer
-Bounderby met eenig genoegen te gemoet?"
-
-"Wel, er is ten minste dit van te zeggen," antwoordde Tom, zijn stoel
-wegschuivende en opstaande, "ik zal dan het huis uit zijn."
-
-"Er is ten minste dit van te zeggen," herhaalde Louisa op haar vorigen
-zonderlingen toon, "ik zal dan het huis uit zijn. Ja."
-
-"Maar toch zal het mij zeer verdrieten, zoowel dat ik u moet verlaten,
-Louisa, als dat gij hier moet blijven. Maar ik moet wel gaan, dat
-weet ge, of het mij bevalt of niet; en het is beter, dat ik ergens
-kom waar ik eenig voordeel van uw invloed kan medenemen, dan waar ik
-dien geheel zou verliezen. Begrijpt gij dat niet?"
-
-"Ja, Tom."
-
-Het duurde zoolang eer dit antwoord kwam, schoon het toch niet op een
-aarzelenden toon gegeven werd, dat Tom intusschen naar haar toe gekomen
-was, om, over haar stoel leunende, van haar gezichtspunt uit naar het
-vuur te kijken, waarop hare aandacht zoo onverdeeld gevestigd was,
-en te zien wat hij er uit kon maken.
-
-"Behalve dat het een vuur is," zeide Tom, "ziet het er voor mij even
-flauw en vervelend uit als alle andere dingen. Wat ziet gij er in? Toch
-geen paardenspel?"
-
-"Ik zie er niets bijzonders in, Tom. Maar sedert ik er in zit te
-kijken, heb ik mij verwonderd, hoe het met u en mij zal gaan, als
-wij eens groot zijn."
-
-"Alweer verwonderd!" zeide Tom.
-
-"Mijne gedachten zijn zoo woelig," antwoordde zijne zuster, "dat ik
-mij wel gedurig moet verwonderen."
-
-"Dan verzoek ik u, Louisa," zeide mevrouw Gradgrind, die zonder gehoord
-te worden de deur geopend had, "om dat voortaan om 's Hemels wil na
-te laten, gij loszinnig meisje, of ik zal er gedurig van uw vader van
-moeten hooren. En gij, Thomas, het is inderdaad schandelijk, terwijl
-ik zooveel met mijne hoofdpijn te stellen heb, dat een jongen, die zoo
-is grootgebracht als gij, en wiens opvoeding zooveel gekost heeft,
-er op betrapt moet worden, dat hij zijne zuster aanmoedigt om zich
-te zitten verwonderen, terwijl hij weet dat zijn vader uitdrukkelijk
-gezegd heeft, dat zij het niet mag doen."
-
-Louisa ontkende Tom's medeplichtigheid aan het misdrijf; maar hare
-moeder stopte haar den mond met het afdoende antwoord: "Zeg mij dat
-niet, Louisa, mij, die zoo met mijne gezondheid te sukkelen heb;
-want als gij er niet toe aangemoedigd waart, is het eene moreele en
-physieke onmogelijkheid, dat gij het kondt gedaan hebben."
-
-"Ik ben er door niets toe aangemoedigd, moeder, dan door het kijken
-naar de roode vonken, die uit het vuur vielen, en dan verbleekten en
-stierven. Dat deed mij denken, hoe kort misschien mijn eigen leven
-zou zijn, en hoe weinig ik er van kon hopen en in kon doen."
-
-"Malligheid!" zeide mevrouw Gradgrind, bijna in vuur
-gebracht. "Malligheid! Sta mij daar toch niet zulke zotternijen te
-vertellen, terwijl gij zeer wel weet, dat ik er nooit het einde van
-zou hooren, als uw vader er ooit iets van ter oore kwam. En dat na al
-de moeite, die men zich met u heeft gegeven! Na al de voorlezingen, die
-gij hebt bijgewoond, en al de proefnemingen, die gij hebt gezien. Nadat
-ik u zelfs, toen ik aan mijne geheele rechterzijde lam was, met
-uw meester heb hooren doorslaan over calcinatie en colorificatie,
-en allerlei atiën mag ik wel zeggen, waarmede men eene arme zieke
-razend kan maken. Dat ik u nu nog op zulk eene ongerijmde manier
-over vonken en asch moet hooren praten. Ik wenschte," vervolgde zij
-met eene schreiende stem, terwijl zij op een stoel neerzonk, om,
-voordat zij onder haar leed bezweek, nog het ergste te zeggen wat
-zij zeggen kon, "ja, ik wenschte waarlijk, dat ik nooit kinderen had
-gehad, en dan zoudt gij eens gezien hebben hoe gij het buiten mij
-hadt kunnen stellen."
-
-
-
-
-
-
-
-IX.
-
-SISSY'S VORDERINGEN.
-
-
-Sissy Jupe had bij mijnheer Mac Choakumchild en mevrouw Gradgrind
-geene gemakkelijke dagen, en in de eerste maanden van haar proeftijd
-kwam zij dikwijls in groote verzoeking om weg te loopen. Den geheelen
-dag hagelde het feiten, en het leven, dat voor haar geopend werd,
-geleek zoozeer naar een hoofdbrekend cijferboek, dat zij zeker zou
-zijn weggeloopen, indien er niet eene gedachte was geweest, die
-haar terughield.
-
-Het is bedroevend om er aan te denken, maar deze gedachte was geenszins
-de slotsom eener nauwkeurige berekening; zij was zelfs vlak strijdig
-met alle berekening, en had alle kansen van waarschijnlijkheid, welke
-men in de zaak kon vinden, vlak tegen zich. Het meisje geloofde,
-dat haar vader haar niet verlaten had; zij leefde in de hoop, dat
-hij zou terugkomen, en in het troostende vertrouwen, dat het hem
-verblijden zou indien zij bleef waar zij was.
-
-De jammerlijke onkunde, waarmede Sissy zich aan dezen troost vastklemde
-en de hoogere geruststelling afwees van op goede rekenkunstige
-gronden te weten dat haar vader een onnatuurlijke vagebond was,
-vervulde mijnheer Gradgrind met medelijden. Maar wat was er aan te
-doen? Mijnheer Mac Choakumchild zeide, dat zij een zeer slecht hoofd
-voor cijfers had; dat zij niet eens een algemeen denkbeeld van den
-aardbol bezat, en geen het minste belang in de juiste afmetingen
-daarvan stelde; dat zij zeer moeielijk datums onthield, of er moest
-juist eene of andere beuzelachtige gebeurtenis aan gehecht zijn;
-dat zij in tranen uitbarstte toen men haar vroeg om uit het hoofd
-te zeggen hoeveel tweehonderd zeven en veertig neteldoeksche mutsjes
-tegen veertien en een halven stuiver het stuk moesten kosten; dat zij
-op de school zoo achterlijk bleef als maar mogelijk was; dat zij acht
-weken, nadat zij aan de gronden der staathuishoudkunde was begonnen,
-door een kleuter van drie voet lengte werd terechtgewezen, daar zij op
-de vraag: "Wat is het eerste beginsel der wetenschap?" het ongerijmde
-antwoord had gegeven: "Dat ik anderen doe gelijk ik wensch dat zij
-mij zouden doen."
-
-Mijnheer Gradgrind schudde zijn hoofd en zeide, dat dit al zeer erg
-was; dat het de noodzakelijkheid bewees om haar zonder ophouden
-in den molen der kennis te laten malen, volgens de rapporten en
-systematische tabellen A tot Z; en dat Jupe gedurig aan het werk
-moest worden gehouden. Jupe werd dus aan het werk gehouden, en werd
-zeer neerslachtig, maar niet wijzer.
-
-"Het zou een geluk voor mij wezen als ik naar u geleek, Miss
-Louisa!" zeide zij eens op een avond, toen Louisa haar best had gedaan
-om haar de onbegrijpelijkheden van de les, die zij den volgenden dag
-moest kennen, eenigszins duidelijker te maken.
-
-"Denkt gij dat?"
-
-"Dan zou ik zooveel weten, Miss Louisa. Al wat nu moeielijk voor mij
-is, zou mij dan zoo gemakkelijk zijn."
-
-"Dat zou u toch misschien niet veel helpen, Sissy."
-
-Na eene korte poos aarzelens waagde Sissy de bedenking te uiten:
-"Ik zou er toch zeker niet erger aan toe zijn, Miss Louisa." Waarop
-Miss Louisa antwoordde: "Dat weet ik nog niet."
-
-Deze twee hadden zoo weinig omgang met elkander gehad--zoowel dewijl
-het leven op Stone Lodge zoo eentonig rondliep als een raderwerk,
-waarbij geene menschelijke bemoeiing noodig was, als uithoofde van
-het verbod om over Sissy's vroegere loopbaan te spreken--dat zij
-elkander bijna nog vreemd waren. Sissy, die hare donkere oogen met
-verwondering op Louisa hield gevestigd, wist niet of zij nog iets
-zou zeggen of stilzwijgen.
-
-"Gij zijt mijne moeder van meer dienst en veel pleizieriger voor haar
-dan ik ooit wezen kan," hervatte Louisa. "Gij hebt het pleizieriger
-voor u zelve dan ik het heb."
-
-"Maar als ik het zeggen mag, Miss Louisa," bracht Sissy hiertegen
-in. "Ik ben--o zoo dom."
-
-Louisa antwoordde haar, met een vroolijker lach dan gewoonlijk,
-dat zij wel spoedig wijzer zou worden.
-
-"Gij weet niet," hervatte Sissy half schreiende, "welk eene domme meid
-ik ben. Zoolang de schooltijd duurt, maak ik gedurig fouten. Mijnheer
-en mevrouw Choakumchild roepen mij telkens op om antwoord te geven,
-en altijd heb ik het mis. Ik kan het niet helpen. Het is alsof die
-domheid mij aangeboren is."
-
-"Mijnheer en mevrouw Choakumchild zelven hebben het toch nooit mis,
-zou ik denken, Sissy?"
-
-"Wel neen," antwoordde zij snel. "Zij weten alles."
-
-"Vertel mij eens een paar van uwe vergissingen."
-
-"Ik schaam er mij bijna voor," antwoordde Sissy aarzelend. "Maar
-vandaag, bij voorbeeld, verklaarde mijnheer Choakumchild ons wat
-volkrijke welvaart is."
-
-"Volkswelvaart zal het, denk ik, geweest zijn," merkte Louisa aan.
-
-"Ja, dat was het ook. Maar is dat dan niet hetzelfde?" vroeg Sissy
-schroomvallig.
-
-"Gij moest liever maar volkswelvaart zeggen, daar hij het zoo genoemd
-heeft," antwoordde Louisa met hare droge achterhoudendheid.
-
-"Volkswelvaart dan. En hij zeide: "Nu is deze school een volk. En bij
-dat volk is vijftig millioen geld aanwezig. Is dat nu een welvarend
-volk? Meisje nommer twintig, is dit geen welvarend volk, en zijt gij
-niet in een welvarenden toestand?""
-
-"En wat hebt ge daarop gezegd?" vroeg Louisa.
-
-"Ik zeide, dat ik het niet wist. Ik dacht, dat ik niet weten kon of
-het een welvarend volk was en of ik in een welvarenden toestand was
-of niet, of ik moest weten wie het geld had, en of ik er wat van
-bezat. Maar dat had er niets mede te maken. Dat deed niets aan de
-cijfers," zeide Sissy en veegde hare oogen af.
-
-"Dat hadt ge dan erg mis," merkte Louisa aan.
-
-"Ja, Miss Louisa, dat weet ik ook wel. En toen zeide mijnheer
-Choakumchild, dat hij het nog eens met mij wilde probeeren. En hij
-zeide: "Deze school is eene groote stad, die een millioen inwoners
-heeft, en maar vijf en twintig van dat getal sterven in den loop van
-het jaar van honger? Wat is uwe gedachte van die evenredigheid?" En
-mijne gedachte was--want ik kon op niets beters komen--dat ik het
-even erg vond voor de menschen, die van honger stierven, of de anderen
-een millioen waren of een millioen millioenen. En dat was ook mis."
-
-"Natuurlijk."
-
-"En toen zeide mijnheer Choakumchild, dat hij het nog eens
-wilde probeeren. En hij zeide: "Hier zijn de statistieke lijsten
-van ongelukken op zee. Ik vind er in, dat in een zekeren tijd
-honderdduizend personen verre zeereizen hebben gedaan, en maar
-vijfhonderd daarvan verdronken of verbrand zijn. Hoeveel percent
-is dat?" En ik zeide," hier begon Sissy hardop te snikken, terwijl
-zij met grievend berouw hare grootste dwaling bekende, "ik zeide,
-dat dit niets uitmaakte..."
-
-"Niets uitmaakte, Sissy?"
-
-"Niets uitmaakte voor de vrienden en betrekkingen van de menschen,
-die zoo waren omgekomen. Ik zal nooit leeren," zeide Sissy. "En het
-ergste is nog, dat, hoewel mijne arme vader zoo gaarne zou willen
-dat ik leerde, en ik zoo gaarne zou willen leeren, om hem genoegen
-te geven--dat ik toch bang ben, dat ik er geen lust in heb."
-
-Louisa stond het bevallige gezichtje aan te zien, dat met verlegenheid
-en schaamte naar den grond keek, tot het weder werd opgeheven om haar
-aan te kijken; en toen vroeg zij:
-
-"Wist uw vader zelf zooveel, Sissy, dat hij daarom wenschte dat gij
-ook goed onderwezen zoudt worden?"
-
-Sissy aarzelde eer zij antwoord gaf en toonde zoo duidelijk hare
-bewustheid, dat zij op verboden grond kwamen, dat Louisa vervolgde:
-"Niemand hoort ons; en al hoorde ons iemand, dan zou men toch zeker
-geen kwaad kunnen vinden in zulk eene onschuldige vraag."
-
-"Neen, Miss Louisa," antwoordde Sissy op deze aanmoediging, en schudde
-tegelijk haar hoofdje, "mijn vader weet al heel weinig. Hij kan maar
-eventjes schrijven, en de meeste menschen zijn niet in staat om zijn
-schrift te lezen,--hoewel het voor mij duidelijk is."
-
-"En uwe moeder?"
-
-"Vader zegt, dat zij zoo goed kon lezen en schrijven als iemand. Zij
-stierf toen ik geboren werd. Zij was," Sissy deed deze schrikkelijke
-bekentenis met zenuwachtig bevende lippen, "zij was eene danseres."
-
-"Had uw vader haar lief?" Louisa deed deze vragen met de driftige,
-onrustige belangstelling, die haar eigen was, eene belangstelling, die
-als een balling moest omdwalen en zich op eenzame plaatsen verschuilen.
-
-"O ja. Hij had haar even lief als mij. Hij had mij eerst om harentwil
-lief. Hij droeg mij overal mede rond, toen ik nog een klein kind was,
-dat niet loopen kon, en wij zijn van dien tijd af nooit van elkander
-geweest."
-
-"En toch laat hij u nu aan uw lot over, Sissy?"
-
-"Zeker tot mijn bestwil. Niemand begrijpt hem zoo goed ais ik; niemand
-kent hem zoo goed als ik. Toen hij mij tot mijn bestwil verliet--tot
-zijn eigen bestwil zou hij het nooit gedaan hebben--weet ik wel,
-dat hem het hart bijna daaronder gebroken is. Hij zal geen vergenoegd
-oogenblik hebben eer hij terugkomt."
-
-"Vertel mij meer van hem," zeide Louisa. "Ik zal u nooit weer zoo
-vragen. Waar hebt gij gewoond?"
-
-"Wij reisden het land door en hadden geene vaste plaats waar wij
-woonden. Vader is een," Sissy sprak het geduchte woord fluisterend uit,
-"een clown."
-
-"Om de menschen te doen lachen?" zeide Louisa met een knikje, hetwelk
-aanduidde dat zij de zaak wel begreep.
-
-"Ja, maar zij wilden somtijds niet lachen, en dan schreide mijn
-vader. Op het laatst wilden zij in 't geheel niet meer lachen, en
-dan placht hij wanhopig thuis te komen. Vader is niet als de meeste
-andere menschen. Zij, die hem niet zoo goed kenden als ik en niet
-zooveel van hem hielden, moesten wel denken dat hij niet recht bij
-zijn verstand was. Somtijds speelden zij hem streken; maar zij wisten
-niet hoe hij dat gevoelde en er voor huiverde als hij met mij alleen
-was. Hij was veel, veel bedeesder dan zij dachten."
-
-"En gij waart bij dat alles zijn eenige troost?"
-
-Zij knikte, terwijl de tranen over hare wangen rolden.
-
-"Dat hoop ik, en vader zeide dat ik het was. Het was omdat hij zoo
-schichtig en beverig was, en omdat hij zich zulk een arm, zwak,
-onkundig, hulpeloos man gevoelde (zoo placht hij te zeggen), dat hij
-zoo verlangde, dat ik veel zou leeren en geheel anders worden dan
-hij. Ik placht hem voor te lezen om hem wat op te beuren, en daarvan
-hield hij heel veel. Het waren boeken, die niet deugden--ik mag er
-hier nooit van spreken--maar wij wisten niet dat er kwaad in stak."
-
-"En bevielen zij hem?" zeide Louisa, die al dien tijd een
-uitvorschenden blik op Sissy hield gevestigd.
-
-"O, bijzonder! Zij hielden hem dikwijls van iets af, dat hem wezenlijk
-kwaad deed. En heel dikwijls placht hij des avonds al zijn verdriet
-te vergeten in zijn nieuwsgierigheid of de sultan zijne vrouw hare
-vertelling zou laten vervolgen, of dat hij haar het hoofd zou afhakken
-eer zij uit was."
-
-"En uw vader was altijd goed en vriendelijk voor u? Tot het laatste
-toe?" vroeg Louisa, vlak tegen den grooten grondregel handelende en
-zich zeer verwonderende.
-
-"Altijd, altijd!" antwoordde Sissy, hare handen vouwende. "Goediger
-en vriendelijker dan ik u zeggen kan. Op één avond alleen werd hij
-eens boos, en dat was niet op mij, maar op Merrylegs. Merrylegs"--dit
-geduchte feit fluisterde zij--"is zijn hond, dien hij kunstjes laat
-vertoonen."
-
-"Waarom werd hij boos op dien hond?" vroeg Louisa.
-
-"Kort nadat vader van de vertooning thuis kwam, commandeerde hij
-Merrylegs om op de leuningen van twee stoelen te springen en er dwars
-over te gaan staan--dat een kunstje van hem is. Hij keek vader aan
-en deed het niet dadelijk. Alles was vader dien avond tegengeloopen
-en hij had het publiek geheel niet voldaan. Toen riep hij uit, dat
-zelfs de hond wist dat hij tot niets meer deugde en geen medelijden
-met hem had. En toen sloeg hij den hond, en ik ontstelde er van en
-zeide: "Vader, vader, doe toch het beest geen kwaad, dat zooveel van u
-houdt. Vader, om 's Hemels wil, houd toch op." Toen hield hij ook op,
-en de hond was bebloed, en vader ging op den grond liggen schreien
-met den hond in zijne armen, en de hond likte zijn gezicht."
-
-Louisa zag dat zij snikte; en naar haar toegaande, gaf zij haar een
-kus, nam haar bij de hand en trok haar naast zich op een stoel.
-
-"Vertel mij nog voor het laatst hoe uw vader u verlaten heeft,
-Sissy. Nu ik u zooveel gevraagd heb, moet ge mij ook maar het einde
-vertellen. Het kwaad, als er eenig kwaad in steekt, komt voor mijne
-rekening, niet voor de uwe."
-
-"Lieve Miss Louisa," antwoordde Sissy, met de handen voor de oogen
-en nog snikkende. "Ik kwam dien achtermiddag van de school thuis,
-en vond vader, die ook pas van het spel naar huis gekomen was. Hij
-zat over het vuur heen en weer te wiegelen, alsof hij pijn had. En
-toen zeide ik: "Hebt gij u bezeerd, vader?" (gelijk hij wel eens
-deed en zij allen deden); en hij zeide: "Een beetje, lieveling." En
-toen ik bij hem bukte en naar zijn gezicht opkeek, zag ik dat hij
-schreide. Hoe meer ik tegen hem sprak, des te meer hield hij zijn
-gezicht weg; en eerst zat hij maar te beven en zeide niets anders dan:
-"Mijn lief kind! Mijn lief kind!""
-
-Hier kwam Tom binnenkuieren en bleef de twee staan aanstaren met eene
-onverschilligheid, die zeer weinig belangstelling in iets anders dan
-zijn eigen persoon aanduidde, terwijl zelfs deze op het oogenblik
-niet sterk scheen te zijn.
-
-"Ik vraag Sissy naar eenige dingen, Tom," zeide zijne zuster. "Gij
-behoeft niet heen te gaan; maar laat ons een oogenblikje ongestoord,
-beste Tom!"
-
-"O, heel goed!" antwoordde Tom. "Maar vader heeft ouden Bounderby
-mee naar huis gebracht, en ik wou dat ge mee naar de voorkamer
-kwaamt. Omdat, als ge komt, er kans is dat oude Bounderby mij te eten
-vraagt, en als gij niet komt, niet."
-
-"Ik zal dadelijk komen."
-
-"Ik zal op u wachten," zeide Tom, "om er zeker van te zijn."
-
-Sissy vervolgde, zachter sprekende: "Eindelijk zeide mijn arme
-vader dat hij weer geen genoegen had gegeven, dat hij tegenwoordig
-nooit genoegen gaf, dat hij eene schande voor den troep was, en dat
-ik het altijd beter zonder hem zou gesteld hebben. Ik zeide zooveel
-vriendelijks als mij maar in het hart kwam, en spoedig werd hij stil,
-en toen ging ik bij hem zitten en vertelde hem van de school en
-van alles wat ik daar gehoord en gezien had. Toen ik niets meer te
-vertellen had, sloeg hij zijne armen om mijn hals en kuste mij heel
-dikwijls. Toen vroeg hij mij om wat van dat goed te halen, dat hij
-noodig had om de kleine kwetsuur, die hij gekregen had, te verbinden;
-ik moest het gaan halen waar het best te krijgen was, geheel aan het
-andere eind van de stad; en toen kuste hij mij nog eens en liet mij
-gaan. Toen ik onder aan de trap gekomen was, ging ik terug, om hem
-nog een oogenblikje langer gezelschap te houden, en zeide: "Vaderlief,
-zal ik Merrylegs meenemen?" Vader schudde zijn hoofd en zeide: "Neen,
-Sissy; neem niets mede, dat men weet dat van mij is, liefje;" en toen
-liet ik hem bij het vuur zitten. En toen moet de gedachte hem zijn
-ingevallen, arme, arme vader, om mij tot mijn bestwil te verlaten
-en te beproeven of hij op eene andere plaats iets voor mij kon doen;
-want toen ik terugkwam, was hij er niet meer."
-
-"Louisa, pas toch op ouden Bounderby," viel Tom er nu op in.
-
-"Er is niets meer te vertellen, Miss Louisa. Ik bewaar de negen-olie
-voor hem, want ik weet dat hij zal terugkomen. Elke brief, dien
-ik mijnheer Gradgrind in de hand zie hebben, beneemt mij den adem
-en verblindt mijne oogen, want ik denk dan dat hij van vader komt,
-of van Sleary over vader. Mijnheer Sleary heeft beloofd, dat hij zou
-schrijven zoodra hij iets van vader hoorde, en ik geloof het wel van
-hem, dat hij zijn woord zal houden."
-
-"Pas dan toch op ouden Bounderby, Louisa," zeide Tom ongeduldig. "Hij
-zal al weg wezen, als gij u niet haast."
-
-Wanneer Sissy naderhand in tegenwoordigheid der familie voor mijnheer
-Gradgrind neeg--en met eene haperende stem zeide: "Neem mij niet
-kwalijk, mijnheer, als ik u lastig val--maar--maar hebt gij nog geen
-brief voor mij gekregen?" staakte Louisa het werk, waaraan zij bezig
-was, wat het ook wezen mocht, en zag even ernstig naar het antwoord uit
-als Sissy zelve. En wanneer mijnheer Gradgrind regelmatig antwoordde:
-"Neen, Jupe, niets van dien aard," zag men Louisa's lippen eveneens
-beven als die van Sissy, en volgden hare oogen Sissy met een blik vol
-medelijden naar de deur. Mijnheer Gradgrind nam zulk eene gelegenheid
-doorgaans waar om, wanneer Sissy de kamer uit was, aan te merken,
-dat indien Jupe van hare vroegste jaren af behoorlijk was opgebracht,
-zij zich zelve van de ongegrondheid dezer hersenschimmige hoop zou
-overtuigd hebben. En toch scheen het (hoewel niet voor hem, want hij
-zag niets daarvan) alsof eene hersenschimmige hoop zich even vast
-bij iemand kan vestigen als een feit.
-
-Het was zijne dochter alleen, die deze opmerking maakte. Wat Tom
-aangaat, deze begon eene rekenmachine te worden, die gewoonlijk aan
-sommen over nommer een aan het werk was; en wat mevrouw Gradgrind
-betreft, indien zij iets van de zaak zeide, kwam zij als een
-menschelijke marmot een klein weinigje uit hare omslagdoeken, en
-zeide dan:
-
-"Och Heere, wat heeft mijn arm hoofd toch eene plagerij uit te
-staan, dat dat meisje, die Jupe, zoo onophoudelijk naar hare akelige
-vervelende brieven blijft vragen. Op mijn woord en mijne eer, ik
-schijn bestemd, verwezen en gedoemd te zijn om altijd onder dingen
-te leven, waarvan ik nooit het einde zal hooren. Het is waarlijk
-iets wonderlijks, maar het schijnt alsof ik nooit het einde van iets
-mag hooren!"
-
-Als zij omtrent zoover gekomen was, trof haar een blik van mijnheer
-Gradgrind, en onder den invloed van dat ijskoude feit verzonk zij
-weder in hare verdooving.
-
-
-
-
-
-
-
-X.
-
-STEPHEN BLACKPOOL.
-
-
-Ik koester het zonderlinge denkbeeld, dat de bevolking van Engeland
-even zwaar moet werken als de bevolking van eenig land, dat door de
-zon wordt beschenen. Ik kom voor dit belachelijke vooroordeel uit,
-als eene reden waarom ik die bevolking wat meer spel zou willen geven.
-
-In dat gedeelte van Coketown, waar de zwaarst werkende bevolking
-woonde; in de binnenste verschansingen dier leelijke citadel, waar de
-natuur even stevig was buitengemetseld, als er doodelijke dampen waren
-binnengemetseld; in het hart van een doolhof van benauwde straten
-en smalle steegjes, die bij stukken en brokken het aanzijn hadden
-gekregen, waarvan ieder stuk in geweldige haast tot een of ander
-oogmerk moest dienen, en die te zamen eene onnatuurlijke familie
-uitmaakten, welke elkander doodkneep, doodperste en dooddrukte;
-in het benauwdste hoekje van dien grooten luchtledigen ontvanger,
-waar de schoorsteenen, uit gebrek aan lucht om ze te doen trekken,
-in eene oneindige verscheidenheid van kromme, misvormde fatsoenen
-waren opgebouwd, alsof ieder huis een teeken uitstak van de soort
-van menschen, welke men verwachten kon dat daarin moest geboren
-worden; onder die menigte van Coketowners, die met de soortbenaming
-van "de Handen" is bestempeld--een geslacht van menschen, die bij
-sommige menschen meer gunst zouden vinden, indien de Voorzienigheid
-had goedgevonden hen alleen handen, of, gelijk sommige zeedieren,
-alleen handen en magen te maken--woonde ook zekere Stephen Blackpool,
-veertig jaren oud.
-
-Stephen zag er uit alsof hij ouder was, maar hij had ook een
-onaangenaam leven gehad. Men zegt, dat ieder leven zijne rozen
-en doornen heeft; doch er scheen met Stephen een ongeluk of eene
-vergissing te hebben plaats gehad, waardoor iemand anders in het bezit
-van zijne rozen was gekomen, terwijl hij de doornen van dien iemand
-anders boven en behalve zijne eigene had gekregen. Hij had bijna
-niets dan wederwaardigheden gekend. Gewoonlijk werd hij oude Stephen
-genoemd--eene soort van ruwe hulde, welke men aan zijn uitzicht bewees.
-
-Hij ging eenigszins gebukt, had een voorhoofd vol diepe rimpels, eene
-zwaarmoedig peinzende uitdrukking in zijn gezicht, en een tamelijk
-groot hoofd, met lange grijzende haren spaarzaam bedekt. Men had
-den ouden Stephen op zijn uitzicht af voor een bijzonder schrander
-man in zijne soort kunnen houden; maar dit was hij toch niet. Hij
-behoorde niet onder die opmerkenswaardige fabrieksarbeiders, die,
-door eene reeks van jaren alle afgebrokene stukjes vrijen tijd aaneen
-te knoopen, moeielijke wetenschappen weten meester te worden en zich
-eene kennis van de onwaarschijnlijkste dingen verschaffen. Evenmin
-behoorde hij onder de fabrieksarbeiders, die redevoeringen kunnen
-houden en in discussiën het woord voeren. Duizenden zijner makkers
-konden veel beter spreken dan hij. Hij was een goed werkman, en een
-door en door eerlijk mensch. Wat hij meer was, of wat er anders in
-hem stak, indien er iets in hem stak, zal hij zelf moeten toonen.
-
-De lichten in de groote fabrieken, die, wanneer zij verlicht waren,
-naar tooverpaleizen geleken--zoo zeiden ten minste reizigers, die met
-den expressetrein over den spoorweg kwamen--waren allen uitgedaan;--de
-klokken, om voor dien avond het werk te staken, hadden geluid; en
-de arbeiders, mannen en vrouwen, jongens en meisjes, draafden naar
-huis. Oude Stephen stond op straat, met dat zonderlinge gevoel, dat het
-ophouden der machinerie altijd bij hem voortbracht--het gevoel alsof
-zij in zijn eigen hoofd had gewerkt en daarin nu alles ook stilstond.
-
-"Maar ik zie Rachel toch nog niet," zeide hij.
-
-Het was een regenachtigen avond, en vele troepjes jonge vrouwen gingen
-hem voorbij, met haar doek over het bloote hoofd getrokken, en onder
-de kin dicht gebonden, om den regen af te weren. Hij kende Rachel wel,
-want een enkele blik op een van die troepjes was genoeg om hem te doen
-zien, dat zij niet daaronder was. Eindelijk moesten er geen meer komen;
-en toen keerde hij zich om en zeide op een toon vol teleurstelling:
-"Wel, dan heb ik haar gemist."
-
-Maar hij was nog geen drie straten ver, of hij zag nog eene gedaante
-met een doek over het hoofd voor zich uit, en lette zoo scherp
-daarop, dat misschien de enkele schaduw, die onduidelijk op de
-natte straatsteenen viel--indien hij deze had kunnen zien zonder
-de gedaante zelve, die van lantaren tot lantaren verder ging en zoo
-telkens helderder en donkerder werd--genoeg zou zijn geweest om hem
-te doen weten wie daar was. Zijne schreden versnellende en tegelijk
-verzachtende, haastte hij zich voort tot hij dicht bij die gedaante
-was, nam toen zijn vorigen stap weder aan en riep: "Rachel!"
-
-Zij keerde zich om, vlak bij een lantaren, en den doek, die haar
-hoofd als eene kap bedekte, een weinig oplichtende, vertoonde zij een
-stemmig ovaal gezichtje, donker van kleur en tamelijk fijn besneden,
-verhelderd door een paar zeer vriendelijke oogen, en verder versierd
-door de netheid harer glanzig zwarte haren. Het was een gezichtje niet
-meer in den eersten bloei; zij was eene vrouw van vijf en dertig jaren.
-
-"Ha, jongen! zijt gij het?" en toen zij dit gezegd had, met een
-glimlach, waarvan men de geheele uitdrukking zou hebben opgemerkt,
-al had men niets anders van haar gezien dan hare vriendelijke oogen,
-liet zij haar doek weder vallen en stapten zij te zamen voort.
-
-"Ik dacht dat gij achter mij waart, Rachel."
-
-"Neen."
-
-"Vroeg van avond, meid?"
-
-"Somtijds ben ik wat vroeg, Stephen, somtijds wat laat. Er is nooit
-op te rekenen wanneer ik naar huis ga."
-
-"En den anderen weg ook niet, naar het mij voorkomt, Rachel?"
-
-"Neen, Stephen."
-
-Hij zag haar aan met zekere teleurstelling in zijn blik, maar tevens
-met zeker eerbiedig geduld, alsof hij overtuigd was dat zij, wat zij
-ook doen mocht, altijd wèl deed. Die blik bleef niet onopgemerkt;
-zij legde hare hand voor een oogenblik licht op zijn arm, als ware
-het om hem daarvoor te danken.
-
-"Wij zijn zulke trouwe vrienden, jongen, en zulke oude vrienden,
-en worden al zulke oude lui tegenwoordig."
-
-"Neen, Rachel, gij zijt nog zoo jong als gij ooit geweest zijt."
-
-"Een van ons beiden zou er toch verlegen mee zijn, Stephen, hoe oud
-hij zou worden zonder dat de ander het ook werd, terwijl wij beiden
-blijven leven," antwoordde zij lachende; "maar zeker, wij zijn zulke
-oude vrienden, dat het zonde en jammer zou zijn als wij elkander
-eene klaarblijkelijke waarheid wilden verbergen. Het is beter dat
-wij niet te veel samen gaan. Somtijds wel! Het zou te hard zijn als
-het geheel niet mocht gebeuren," zeide zij met eene opgeruimdheid,
-die zij hem poogde mede te deelen.
-
-"Het is altijd hard, Rachel."
-
-"Doe uw best om het maar niet zoo te vinden en dan zal het beter
-schijnen."
-
-"Ik heb er al lang mijn best toe gedaan, en het is toch niet beter
-geworden. Maar gij hebt gelijk, het zou de menschen maar aan het
-praten helpen, zelfs over u. Gij zijt zoovele jaren lang zooveel
-voor mij geweest, Rachel; gij hebt mij zooveel goed gedaan, en mij
-met dat vroolijke gezicht zoo dikwijls moed gegeven, dat uw woord
-eene wet voor mij is. Ja meid, en eene goede, duidelijke wet, beter
-dan sommige wezenlijke wetten."
-
-"Breek u daar het hoofd niet mee, Stephen," antwoordde zij snel,
-en niet zonder eenige bekommering in haar blik. "Laat de wetten
-maar blijven."
-
-"Ja," zeide hij en knikte een paar malen langzaam met het hoofd. "Laat
-ze maar blijven. Laat alles maar blijven. Het is een warboel, en
-daarmee uit."
-
-"Altijd een warboel?" zeide Rachel, en raakte nogmaals zacht zijn
-arm aan, als wilde zij hem opwekken uit het gepeins, waaronder hij
-al voortstappende op de lange slippen van zijne los omgeknoopte das
-beet. Die aanraking deed eene oogenblikkelijke werking. Hij liet de
-slippen los, zag haar met een verhelderd gezicht aan, en zeide met
-een goedhartigen lach:
-
-"Ja, Rachel, altijd een warboel, waarvoor ik moet blijven staan. Al
-zoo dikwijls ben ik aan dien warboel geweest, maar nooit kan ik
-er overheen."
-
-Zij hadden een eind ver met elkander gegaan en waren nu dicht bij
-de streek waar zij woonden. Het eerst kwam men aan de woning der
-vrouw. Deze stond in een dier smalle straatjes, voor welke de meest
-beklante aanspreker (die aan de eenige plechtigheid--eene armoedige,
-akelige plechtigheid--welke ooit in deze buurt plaats had, eene goede
-som in het jaar verdiende) zich eene zwarte ladder had aangeschaft,
-om hen, die met hun dagelijks op- en afklimmen der donkere, smalle
-trappen gedaan hadden, de werkende wereld door een venster te laten
-uitglijden. Zij bleef op den hoek staan, reikte hem de hand en wenschte
-hem goedennacht.
-
-"Goedennacht, lieve meid, goedennacht!"
-
-Zij ging, met haar net figuurtje en haar stemmigen tred, de donkere
-straat in, en hij bleef haar staan nakijken tot zij een der huisjes
-binnenging. Er was geene plooi in haar groven, wuivenden doek, welke
-niet iets belangwekkends in de oogen van dien man had; geen toon
-harer stem, die geen weerklank vond in het binnenste van zijn hart.
-
-Toen zij uit zijn gezicht was verdwenen, vervolgde hij zijn weg
-naar huis, nu en dan naar de lucht opziende, door welke de wolken
-met woeste snelheid voorbijdreven. Zij waren nu echter gebroken;
-de regen had opgehouden, en de maan scheen--zij zag langs de hooge
-schoorsteenen van Coketown op de diepe fornuizen daaronder neer, en
-wierp reusachtige schaduwen van rustende stoommachines op de muren,
-waartusschen zij gehuisvest waren. De man scheen onder het voortgaan
-evenzeer opgehelderd te zijn als het weder was.
-
-Zijne woning, in juist zulk eene straat als de eerste, maar nog
-smaller, was boven een winkeltje. Hoe het kwam, dat iemand het
-de moeite waard vond de ellendige stukjes speelgoed, die tusschen
-goedkoope nieuwsbladen en spek (er zou den volgenden avond eene ham
-verloot worden) voor het venster lagen, te koopen of te verkoopen,
-is iets waarmede wij ons nu niet behoeven op te houden. Hij nam zijn
-eindje kaars van eene plank, en na het aan een ander eindje kaars,
-dat op de toonbank stond te branden, te hebben aangestoken, ging
-hij de trap op naar zijne kamer, zonder de eigenares van den winkel,
-die in haar kamertje zat te slapen, te storen.
-
-Het was eene kamer, die onder verschillende bewoners had kennis gemaakt
-met de zwarte ladder, maar tegenwoordig zoo net als zulk eene kamer
-wezen kon. Eenige boeken en papieren lagen op een oud bureau in een
-hoek, de meubelen waren fatsoenlijk en voldoende, en hoewel er eene
-benauwde lucht heerschte, was het vertrek zindelijk.
-
-Toen hij naar den haard ging om de kaars op een tafeltje, dat daar
-stond, neer te zetten, struikelde hij over iets. Hij deinsde terug,
-keek naar omlaag, en nu hief het voorwerp, dat op den grond lag,
-zich op in de gedaante eener vrouw in eene zittende houding.
-
-"Barmhartige Hemel!" riep hij uit, nog verder achteruit
-deinzende. "Zijt ge daar weer terug, vrouw?"
-
-Welk eene vrouw! Een afzichtelijk schepsel, zoo dronken, dat zij
-zich nauwelijks overeind kon houden door zich met de eene morsige
-hand op den grond te steunen, terwijl de andere, waarmede zij hare
-verwarde haren uit hare oogen wilde strijken, zich zoo ongeschikt
-bewoog, dat zij zich met het vuil, dat er aan kleefde, slechts
-des te meer verblindde. Een schepsel, zoo afschuwelijk met hare
-havelooze met moddervlekken en spatten bedekte vodden, maar nog
-zooveel afschuwelijker in haar zedelijk verderf, dat men zich voor
-de menschheid schaamde als men haar aanzag.
-
-Na een paar ongeduldige vloeken, en eene poos onbesuisd heen en weder
-vegen met de hand, die zij niet tot steun behoefde, kreeg zij hare
-haren genoeg uit hare oogen om hem te kunnen aanzien. Toen bleef zij
-met het bovenlijf heen en weder zitten zwaaien en maakte gebaren met
-haar krachteloozen arm, waarmede zij scheen te willen aanduiden dat
-zij schaterde van lachen, hoewel haar gezicht strak en slaperig bleef.
-
-"Zoo jongen! Ei, zijt ge hier?" Eenige schorre klanken, die dit moesten
-zeggen, kwamen eindelijk spottend uit hare keel, en toen zonk haar
-hoofd voorover op hare borst.
-
-"Weer terug?" krijschte zij na eenigen tijd, alsof hij dit zoo op het
-oogenblik gezegd had. "Ja! En alweer terug. Alweer terug, en nog eens
-alweer, altijd alweer. Terug? Ja, terug. Waarom niet?"
-
-Opgewakkerd door de zinnelooze drift, waarmede zij dit had
-uitgeschreeuwd, krabbelde zij overeind en bleef toen staan, met hare
-schouders tegen den muur leunende, terwijl een hoed, die van een
-mesthoop scheen te zijn opgeraapt, bij het lint aan hare eene hand
-bengelde en zij haar best deed om hem hoonend aan te zien.
-
-"Ik zal u nog eens afkoopen, en ik zal u nog eens afkoopen, en ik
-zal u nog twintigmaal afkoopen!" riep zij, met iets dat tegelijk
-naar een woedend dreigement en eene poging tot een uitdagenden dans
-geleek. "Ga van het bed vandaan." Hij had zich daarnaast neergezet,
-met zijn gezicht in zijne handen verborgen. "Ga er vandaan. Het hoort
-aan mij, en ik heb er recht op."
-
-Toen zij waggelend er naar toe kwam, ging hij haar huiverend uit
-den weg en--altijd met zijne handen voor zijn gezicht--naar het
-andere eind der kamer. Zij wierp zich log op het bed en lag spoedig
-te snorken. Hij zonk op een stoel neer en bewoog zich dien geheelen
-nacht slechts eene enkele maal. Het was om een dek over haar te werpen,
-alsof zijne handen niet genoeg waren om haar, zelfs in de duisternis,
-voor zijne oogen te verbergen.
-
-
-
-
-
-
-
-XI.
-
-GEEN UITWEG.
-
-
-De schitterende verlichting der Tooverpaleizen maakte voor het
-aanbreken van den dag de reusachtige rookslangen zichtbaar, die zich
-over Coketown voortkronkelden. Daarop volgde een gekletter van houten
-overschoenen over de straatsteenen, een gebengel van klokken; en al
-de tot stille razernij vervallene olifanten, voor het eentonige leven
-van dien dag opgepoetst en geolied, waren weder in logge beweging.
-
-Stephen boog zich over zijn getouw, stil, waakzaam en oplettend. Een
-opmerkenswaardig contrast vormde hij aldus--gelijk ieder man
-deed in dat woud van weefgetouwen, waarin Stephen werkte--met de
-kletterende, ratelende, als ijlhoofdig voortjagende machine, waaraan
-hij werkte. Weest niet bang, goede, zwaartillende lieden, dat de kunst
-de natuur in vergetelheid zal brengen. Plaatst, waar gij ook wilt, het
-werk van God en het werk des menschen naast elkander, en het eerste,
-al is het slechts een troep zeer gering geachte fabriekarbeiders,
-zal door die vergelijking in waarde winnen.
-
-Vierhonderd en meer arbeiders in die fabriek; tweehonderd vijftig
-paardekrachten stoom. Men weet, op de kracht van een enkel pond
-gewicht af, wat de machine kan doen; maar al de berekenaars der
-nationale schuld zijn met hun allen niet in staat om te zeggen, welke
-vatbaarheid voor goed en kwaad, voor liefde en haat, voor vaderlandsmin
-en weerspannigheid, voor den overgang van deugd tot ondeugd of het
-tegendeel, er ieder oogenblik bestaat in de ziel van een dezer stille
-dienaren der machine, met hunne bedaarde gezichten en geregelde
-bewegingen. In de machine ligt geen geheim; in de laagste harer
-dienaren ligt voor eeuwig een onpeilbaar geheim verscholen. Indien
-wij dan eens onze rekenkunst voor stoffelijke voorwerpen bewaarden,
-en die ontzaglijke onbekende grootheden op eene andere wijs poogden
-te behandelen!
-
-De dag werd helderder en vertoonde zich van buiten, zelfs tegen de
-vlammende lichten van binnen. De lichten werden uitgedraaid en het
-werk ging voort. De regen viel, en de rookslangen, onderworpen aan den
-vloek van geheel dat geslacht, sleepten zich over den grond. Buiten
-op de fabriekwerf waren de stoom uit de ontlaatbuis, de stapels vaten
-en oud ijzer, de blinkende hoopen steenkool en de overal verspreide
-asch onder een sluier van mist en regen verborgen.
-
-Het werk ging voort totdat de middagklok luidde. Wederom kletterde
-het over de straatsteenen. De getouwen, de raderen en de arbeiders
-waren allen voor een uur van werk ontslagen.
-
-Stephen kwam uit de heete fabriek in den vochtigen wind en op de
-koude, natte straat, en gevoelde zich afgemat en ongesteld. Hij
-keerde zich van zijne eigene klasse en woonplaats af, en ging,
-niets anders gebruikende dan een broodje, dat hij al voortstappende
-opat, naar den heuvel, waar de voornaamste zijner patronen woonde,
-in een rood huis met zwarte luiken van buiten, groene valgordijnen
-van binnen, eene zwarte deur boven eene stoep met twee witte treden,
-den naam Bounderby (met letters, die aan den man zelf deden denken)
-op eene koperen plaat, en een ronde koperen deurknop daaronder,
-gelijk een koperen sluitteeken.
-
-Mijnheer Bounderby zat aan zijn twaalf-uurtje. Dit had Stephen
-verwacht. Wilde de knecht hem zeggen, dat een zijner arbeiders hem
-verlangde te spreken? Eene boodschap terug om naar den naam van dien
-arbeider te vragen. Stephen Blackpool. Er was niets ten nadeele van
-Stephen Blackpool bekend; ja, hij mocht binnenkomen.
-
-Stephen Blackpool trad de voorkamer binnen. Mijnheer Bounderby (wien
-hij ternauwernood van aanzien kende) zat eene karbonade met een glas
-sherry te gebruiken. Mevrouw Sparsit knoopte een net en zat bij
-den haard, in eene houding alsof zij op een vrouwenzadel te paard
-zat, met den eenen voet in een katoenen stijgbeugel. Het behoorde
-tot de deftigheid en den dienst van mevrouw Sparsit, dat zij geen
-twaalf-uurtje gebruikte. Zij woonde in hare officieele betrekking
-dien maaltijd bij, maar hare statigheid moest aanduiden, dat zij het
-voor eene zwakheid hield op dien tijd te eten.
-
-"Wel, Stephen," zeide mijnheer Bounderby, "wat moet gij hebben?"
-
-Stephen antwoordde slechts met eene buiging--geene slaafsche
-buiging--dat willen die arbeiders nooit doen. Waarachtig, mijnheer,
-dat zult ge nooit van hen zien, al zijn zij twintig jaren bij u
-geweest!--Maar als ware het uit galanterie voor mevrouw Sparsit,
-verbeterde hij zijn toilet, door de punten van zijne das in zijn vest
-te stoppen.
-
-"Komaan," hervatte mijnheer Bounderby, nadat hij een teugje uit zijn
-glas had genomen, "ik weet wel, dat wij nog nooit moeite met u gehad
-hebben, en dat gij nooit onder de onredelijken hebt behoord. Gij
-verwacht niet, dat men u eene koets met zes paarden zal laten houden,
-en alle dagen schildpadsoep en wildbraad zal laten eten met gouden
-lepel en vork, zooals velen doen." Mijnheer Bounderby wilde het altijd
-doen voorkomen alsof dit het eenige en onmiddellijke doel was van
-iederen arbeider, die niet volkomen tevreden was, "en dus weet ik
-dat gij niet hier komt om klachten te doen. Daarvan ben ik vooraf
-al zeker."
-
-"Neen, mijnheer, om iets van dien aard ben ik ook niet hier gekomen."
-
-Mijnheer Bounderby scheen aangenaam verrast, niettegenstaande zijne
-vroegere overtuiging.
-
-"Goed," antwoordde hij. "Gij zijt een ordentelijk werkman, en ik
-vergiste mij dus niet. Maar laat mij nu hooren waarover het is. Als
-het dat niet is, laat mij hooren wat het dan is. Wat hebt gij te
-zeggen? Kom er maar mede voor den dag."
-
-Stephen keek even naar mevrouw Sparsit om.
-
-"Ik kan wel heengaan, mijnheer Bounderby, als gij het verlangt," zeide
-deze nederige dame en deed alsof zij haar voet uit den stijgbeugel
-wilde halen.
-
-Mijnheer Bounderby stuitte haar door een hapje karbonade een oogenblik
-tegen te houden eer hij het doorzwolg, en zijne linkerhand uit te
-steken. Daarna trok hij zijne hand terug, slikte het hapje door en
-zeide tot Stephen:
-
-"Gij moet weten, deze goede dame is eene geborene dame, eene
-hooggeborene dame. Gij moet niet denken, omdat zij voor mij huishoudt,
-dat zij daarom niet van hooge afkomst zou zijn--zij is integendeel
-van zeer hooge afkomst. Als gij nu iets te zeggen hebt, dat niet voor
-eene geborene dame kan gezegd worden, zal deze dame de kamer uitgaan;
-maar als gij iets te zeggen hebt, dat voor eene geborene dame kan
-gezegd worden, zal deze dame blijven waar zij is."
-
-"Mijnheer, ik hoop, dat ik nooit iets te zeggen heb gehad, dat eene
-geborene dame niet mocht hooren, sedert ik zelf geboren werd," was
-het antwoord, van een lichten blos vergezeld.
-
-"Ik ben hier gekomen," begon Stephen, toen hij na een oogenblik
-bedenkens zijne oogen van den grond opsloeg, "om u raad te vragen. Ik
-ben er erg om verlegen. Het is op Paaschmaandag negentien jaren
-geleden dat ik getrouwd ben. Zij was toen een jong meisje--tamelijk
-mooi--en dat een goeden naam had. Maar zij ging een slechten weg
-op--al spoedig. Niet door mijne schuld. God weet, dat ik geen kwaad
-man voor haar ben geweest."
-
-"Dat alles heb ik al gehoord," zeide mijnheer Bounderby. "Zij kreeg
-ander gezelschap, geraakte aan den drank, werkte niet meer, verkocht
-de meubelen, bracht de kleeren naar den lommerd en speelde den beest."
-
-"Ik had geduld met haar."
-
-"Des te grooter gek zijt ge daarom, naar mij dunkt," zeide mijnheer
-Bounderby in vertrouwen tot zijn wijnglas.
-
-"Ik had veel geduld met haar. Dikwijls heb ik geprobeerd er haar
-af te brengen. Ik probeerde dit en dat en allerlei. Dikwijls ben
-ik thuis gekomen, en heb ik al wat ik in de wereld bezat verdwenen
-gevonden en haar buiten besef op den grond. Dat is niet ééns gebeurd,
-niet tweemaal, maar wel twintigmaal."
-
-De rimpels in zijn gezicht werden dieper toen hij dit zeide en gaven
-eene aandoenlijke getuigenis van het verdriet dat hij geleden had.
-
-"Het ging van kwaad tot erger en nog erger. Zij liep van mij
-weg. Zij maakte zich zelve op alle manieren te schande, gruwelijk en
-ijselijk. Zij kwam terug, en nog eens terug, en nog eens terug. Wat
-kon ik doen om het haar te beletten? Ik heb wel nachten lang op straat
-gezworven, eer ik naar huis kon gaan. Ik ben naar de brug gegaan, met
-voornemen om er af te springen, om er niet meer van te hooren. Ik heb
-zooveel uitgestaan, dat ik oud ben geworden terwijl ik nog jong was."
-
-Mevrouw Sparsit, die hare knooppennen op haar gemak liet voorthuppelen,
-trok hare klassieke wenkbrauwen op en schudde haar hoofd, als
-wilde zij zeggen: "Grooten ondervinden zoowel wederwaardigheden als
-geringen. Wees zoo goed om uwe nederige oogen eens naar mij te wenden."
-
-"Ik heb haar betaald om van mij weg te blijven. Nu vijf jaren lang
-heb ik haar betaald. Ik heb weer ordentelijke kleeren en meubelen
-gekregen. Ik heb een droevig en moeielijk leven gehad, maar ik
-behoefde toch niet ieder oogenblik van mijn leven beschaamd en
-angstig te zijn. Gisteravond ging ik naar huis. Daar lag zij voor
-mijn haard. Daar is zij weder terug."
-
-In het gevoel van zijn ongeluk en het hartstochtelijke van zijne
-spijt, kwam hij voor een oogenblik in vuur en nam hij eene trotsche
-houding aan. Een oogenblik later stond hij daar weder gelijk hij al
-dien tijd had gestaan, met zijn gewonen gebogen rug, en zag mijnheer
-Bounderby peinzend aan met eene zonderlinge uitdrukking in zijn
-blik, half schrander, half verbijsterd, alsof hij zijn denkvermogen
-inspande om iets te ontraadselen, dat hij zeer moeielijk vond; met
-zijn hoed in zijne linkerhand gekneld, die op zijne heup rustte,
-terwijl zijn rechterarm ruwe en krachtige, maar welgepaste gebaren
-maakte om den indruk van hetgeen hij zeide te versterken; en die arm
-gaf zelfs nadruk aan zijn zwijgen, wanneer hij hem, terwijl hij zich
-even bedacht, niet terugtrok, maar een weinig gebogen opgeheven hield.
-
-"Ik was met dat alles al bekend, zooals gij weet," zeide mijnheer
-Bounderby, "behalve met die laatste omstandigheid. Het is een leelijk
-geval, dat is het. Gij hadt maar liever tevreden moeten zijn zooals
-gij waart, en niet moeten trouwen. Maar het is nu te laat om dat
-te bedenken."
-
-"Was het een ongelijk huwelijk, mijnheer, wat hunne jaren
-betrof?" vroeg mevrouw Sparsit.
-
-"Gij hoort wat die dame vraagt. Was het een ongelijk huwelijk wat
-uwe jaren betrof, die ongelukkige historie van u?" zeide mijnheer
-Bounderby.
-
-"Dat juist niet. Ik zelf was een en twintig en zij nagenoeg twintig."
-
-"Ziet gij wel, mijnheer?" zeide mevrouw Sparsit met bijzondere
-zelfvoldoening tot haar patroon. "Daar dit huwelijk zoo ellendig was,
-had ik al begrepen, dat het met opzicht tot hunne jaren waarschijnlijk
-ongelijk moest zijn geweest."
-
-Mijnheer Bounderby zag de goede dame ter zijde aan, op eene manier,
-die eene comische verlegenheid uitdrukte. Hij versterkte zich met
-nog een weinigje sherry.
-
-"Wel, waarom gaat gij niet voort?" hervatte hij, zich eenigszins
-verstoord naar Stephen Blackpool keerende.
-
-"Ik ben hier gekomen om u te vragen, mijnheer, hoe ik van die vrouw
-kan afkomen."
-
-Het oplettende gezicht van Stephen, waarop zich zulk eene mengeling van
-uitdrukkingen vertoonde, werd nog ernstiger toen hij dit zeide. Mevrouw
-Sparsit liet eene zachte uitroeping hooren, die aanduidde, dat zij
-een zedelijken schok had gekregen.
-
-"Wat meent gij?" zeide mijnheer Bounderby, opstaande om met zijn
-rug tegen den schoorsteenmantel te gaan staan leunen. "Wat praat gij
-toch? Gij hebt haar immers genomen, of zij mee- of tegenviel?" [1]
-
-"Ik moet van haar afkomen. Ik kan het zoo niet langer uithouden. Ik
-had er niet zoolang onder kunnen leven, als ik het medelijden en de
-troostwoorden niet had gehad van het beste meisje, dat er leeft of
-dood is. Zonder haar zou ik misschien razend en dol zijn geworden."
-
-"Hij wenscht weder vrij te zijn, om de vrouw te kunnen trouwen van wie
-hij spreekt, vrees ik, mijnheer," zeide mevrouw Sparsit binnensmonds,
-zeer terneergeslagen door de onzedelijkheid van die menschen.
-
-"Dat doe ik. Die dame heeft gelijk. Dat doe ik. Daar wou ik juist
-opkomen. Ik heb in de courant wel gelezen, dat groote lui (mag het hun
-welgaan, ik wensch hun geen kwaad) niet zoo vast getrouwd zijn, of zij
-kunnen van een ongelukkig huwelijk worden vrijgemaakt, en mogen dan
-weer trouwen. Als zij zich niet met elkander kunnen verdragen, omdat
-hunne karakters niet overeenkomen, hebben zij allerlei verschillende
-kamers in huis, en kunnen elkander uit den weg blijven. Lieden zooals
-wij hebben maar ééne kamer en kunnen dat dus niet. Als dat ook niet
-aangaat, hebben zij goed en geld, en kunnen zeggen: "dit voor u en dat
-voor mij," en kunnen ieder gaan waar het hun belieft. Dat kunnen wij
-niet. In spijt van dat alles kunnen zij toch weder vrijgemaakt worden
-voor kleiner ongelijk dan door honderden van ons geleden wordt--door
-vrouwen veel meer dan door mannen--zij kunnen vrijgemaakt worden voor
-veel kleiner ongelijk dan ik geleden heb. Ik moet dus van die vrouw
-afkomen, en ik wil maar weten op welke manier."
-
-"Er is geen manier," antwoordde mijnheer Bounderby.
-
-"Als ik haar doodsla, mijnheer, is er dan eene wet om mij te straffen?"
-
-"Dat spreekt van zelf."
-
-"Als ik van haar wegloop, is er dan ook eene wet om mij te straffen?"
-
-"Dat spreekt van zelf."
-
-"Als ik dat andere goede meisje trouw, is er dan ook eene wet om mij
-te straffen?"
-
-"Dat spreekt van zelf."
-
-"En als ik met haar leefde zonder haar te trouwen--om nu eens te
-zeggen, dat zoo iets gebeuren kon, dat toch nooit kan of zal gebeuren,
-want zij is veel te braaf--is er dan ook eene wet om mij te straffen
-in ieder onschuldig kind, dat mij toebehoort?"
-
-"Dat spreekt van zelf."
-
-"Maar in Gods naam," zeide Stephen Blackpool, "wijs mij nu de wet om
-mij te helpen."
-
-"De verbintenis, waarvan gij spreekt, is heilig," zeide mijnheer
-Bounderby, "en--en moet in eere gehouden worden."
-
-"Neen, neen, zeg dat niet, mijnheer. Zij wordt zóó niet in eere
-gehouden. Zóó niet. Zij wordt zoo te schande gemaakt. Ik ben een wever,
-ik ben van kind af in eene fabriek geweest, maar ik heb toch oogen om
-mee te zien en ooren om mee te hooren. Ik lees in de courant ieder
-vierendeeljaars als de gerechtshoven zitting houden--en gij leest
-dat ook, dat weet ik, met ontzetting--hoe de onmogelijkheid om ooit,
-op eenigerlei manier, weder van elkander los te worden, bloed over
-het land brengt, en vele getrouwde lieden onder den geringen stand
-tot vechterijen, moord en doodslag doet komen. Daartegen moet toch
-een middel wezen. Mijn geval is een ellendig geval, en ik wil--als
-gij zoo goed wilt zijn--de wet van u weten, die mij helpen kan."
-
-"Welnu, ik zal het u zeggen," antwoordde mijnheer Bounderby, zijne
-handen in zijne zakken stekende; "er is zulk eene wet."
-
-Stephen knikte, nam zijne vorige bedaarde houding weder aan en bleef
-oplettend luisteren.
-
-"Maar daar hebt gij toch niet aan. Dat kost geld--een schat van geld."
-
-"Hoeveel zou het wel wezen?" vroeg Stephen met bedaardheid.
-
-"Wel, gij zoudt naar Doctors' Commons moeten gaan met een proces, en
-dan naar een Hof van Common Law met een proces, en naar het Huis der
-Lords met een proces, en gij zoudt eene Parlements-akte moeten hebben
-om weer te mogen trouwen, en dat zou u (als het eene heel gemakkelijke
-zaak was) denkelijk tusschen de duizend en de vijftienhonderd pond
-kosten," zeide mijnheer Bounderby, "en misschien nog eens zooveel."
-
-"Is er geen andere wet?"
-
-"Neen, zeker niet."
-
-"Wel dan, mijnheer," zeide Stephen, verbleekende, en terwijl hij
-met de rechterhand eene beweging maakte alsof hij alles aan de vier
-winden overgaf, "dan is het toch een ellendige warboel. Het is een
-warboel heelemaal, en hoe gauwer ik dood ben, hoe beter."
-
-Mevrouw Sparsit werd weder terneergeslagen door de goddeloosheid van
-die menschen.
-
-"Kom, kom! praat geene malligheden, mijn goede man," zeide mijnheer
-Bounderby, "over dingen, die gij niet verstaat; en noem de instelling
-van uw vaderland geen warboel, of gij zult u zelven op een fraaien
-ochtend in een wezenlijken warboel steken. De instellingen van uw
-vaderland zijn uw werk niet, en alles wat gij te doen hebt, is op uw
-werk te letten. Gij hebt uwe vrouw niet genomen om haar te probeeren,
-maar om haar te houden, hetzij zij mee- of tegenvalt. Als zij nu
-slecht is uitgevallen--ja, al wat wij dan kunnen zeggen is, dat zij
-ook beter had kunnen uitvallen."
-
-"Het is een warboel," zeide Stephen, zijn hoofd schuddende terwijl
-hij naar de deur ging. "Het is niets dan een warboel."
-
-"Laat ik u eens wat zeggen," zoo begon mijnheer Bounderby zijne
-afscheidsrede. "Met uw aanstootelijke gezegden hebt gij deze dame
-geërgerd, die, gelijk ik u reeds gezegd heb, eene geborene dame is,
-en die, gelijk ik u nog niet gezegd heb, hare eigene huwelijksrampen
-heeft gehad, ten bedrage eener schade van tienduizenden van
-ponden--tienduizenden van ponden," herhaalde hij met welbehagen. "Gij
-zijt tot nog toe een ordentelijk werkman geweest; maar ik ben van
-gevoelen, en dat zeg ik u ronduit, dat gij den verkeerden weg
-opgaat. Gij hebt naar een of anderen kwaadwilligen vreemdeling
-geluisterd--die loopen hier altijd rond--en het beste wat gij doen
-kunt, is daarvan terug te komen. Gij moet weten," hier nam zijn gezicht
-eene uitdrukking van verwonderlijke slimheid aan, "ik kan even diep in
-een slijpsteen zien als iemand anders, dieper dan menigeen misschien,
-omdat ik er dikwijls met mijn neus opgeduwd ben toen ik jong was. Ik
-zie hier duidelijk sporen van de schildpadsoep, het wildbraad en
-den gouden lepel. Ja, dat doe ik," riep mijnheer Bounderby uit,
-en schudde met geduchte slimheid zijn hoofd, "waarachtig, dat doe ik."
-
-Met een geheel ander hoofdschudden en een zwaren zucht zeide Stephen:
-"Ik dank u, mijnheer, en ik wensch u goedendag."
-
-En zoo liet hij mijnheer Bounderby staan voor zijn eigen aan den
-wand hangend portret, zwellende alsof hij bersten zou, en mevrouw
-Sparsit nog met haar voet in den stijgbeugel op en neer wippende en
-een gezicht, hetwelk aanduidde dat de ondeugden van die menschen haar
-zeer hadden terneergeslagen.
-
-
-
-
-
-
-
-XII.
-
-DE OUDE VROUW.
-
-
-Oude Stephen ging de twee treden van de witte stoep af, en trok
-de zwarte deur met het koperen plaatje dicht, met behulp van het
-koperen sluitteeken, dat hij, eer hij verder ging, nog eens met zijn
-mouw afveegde, daar hij opmerkte, dat zijne heete hand het had doen
-beslaan. Hij stak de straat over met zijne oogen op den grond geslagen,
-en zoo stapte hij treurig heen, toen hij eene hand op zijn arm voelde.
-
-Het was niet die hand, waaraan hij op zulk een oogenblik de meeste
-behoefte had--niet de hand, die de woeste golven van zijn gemoed kon
-doen bedaren, gelijk de opgehevene hand der verhevenste, geduldigste
-liefde het woeden der zee kon stillen--maar het was toch ook de
-hand eener vrouw. Het was eene oude vrouw, nog rijzig en welgemaakt
-(hoewel de tijd haar had doen verwelken), die voor zijne oogen stond
-toen hij omkeek. Zij was zeer zindelijk en hoogst eenvoudig gekleed,
-had slijk van buiten de stad aan hare schoenen en was zoo pas van eene
-reis gekomen. De schuwheid van haar uitzicht bij het ongewone rumoer
-op straat; de losse omslagdoek, dien zij over haar arm had gehangen;
-de zware paraplu en het kleine sluitmandje; de wijde handschoenen met
-lange vingers, waaraan hare handen ongewoon waren, alles kenteekende
-eene oude vrouw van het land, in hare eenvoudige zondagskleeding,
-die bij eene zeer zeldzame gelegenheid naar Coketown was gekomen. De
-scherpzinnigheid aan zijn stand eigen deed Stephen dit met den eersten
-blik opmerken, en hij boog zich naar haar over met zijn oplettend
-gezicht--dat gezicht, hetwelk, gelijk bij de meesten van zijn stand
-het geval was, door zoolang te midden van een vervaarlijk gedruisch
-met oogen en handen te werken, dien blik van strakke inspanning had
-verkregen, waaraan men bij dooven gewoon is--om des te beter te kunnen
-hooren wat zij hem vroeg.
-
-"Zeg eens, mijnheer," zeide de oude vrouw, "heb ik u daar niet
-uit dat huis zien komen?" en zij wees naar het huis van mijnheer
-Bounderby. "Ik geloof, dat gij het waart, of ik moet bij ongeluk een
-verkeerden hebben nageloopen."
-
-"Ja wel, juffrouw," antwoordde Stephen, "dat was ik."
-
-"Hebt gij--neem het niet kwalijk, dat eene oude vrouw nieuwsgierig
-is--hebt gij den heer, die daar woont, gezien?"
-
-"Ja, juffrouw."
-
-"En hoe zag hij er uit, mijnheer? Was hij goed in het vleesch, forsch,
-hartelijk en ferm in zijn spreken?"
-
-Terwijl zij zelve hare gestalte oprichtte en haar hoofd ophield,
-om hare houding in overeenstemming met hare woorden te brengen,
-kwam bij Stephen het denkbeeld op, dat hij die oude vrouw vroeger
-had gezien en zij hem toen niet best was bevallen.
-
-"O ja," antwoordde hij, haar met meer oplettendheid aanziende;
-"hij was dat alles."
-
-"En gezond," zeide de oude vrouw, "zoo gezond als de frissche wind?"
-
-"Ja," antwoordde Stephen. "Hij was aan het eten en drinken--hij was
-zoo dik en zwaar als een olifant."
-
-"Dank je wel," zeide de vrouw uiterst vergenoegd, "dank je wel."
-
-Hij had die vrouw zeker nog nooit gezien; en toch kwam hem eene flauwe
-herinnering voor den geest, alsof hij eens van zulk eene oude vrouw
-had gedroomd.
-
-Zij stapte naast hem voort, en zich vriendelijk naar hare
-gemoedsstemming voegende, vroeg hij, of zij niet vond, dat Coketown
-eene drukke stad was. "Ja zeker, schrikkelijk druk," antwoordde
-zij. Toen gaf hij vragenderwijs te kennen, dat hij wel zag dat zij
-van buiten kwam, waarop zij bevestigend antwoordde.
-
-"Ik ben van morgen met den eersten spoortrein gekomen," zeide
-zij. "Veertig mijlen ver ben ik van morgen gekomen, en ik ga van
-middag dezelfde veertig mijlen ver terug. Ik heb van morgen negen
-mijlen ver naar het station gewandeld, en als ik onderweg niemand vind,
-die mij een eindje laat mederijden, zal ik van avond weder die negen
-mijlen moeten terugwandelen. Dat is tamelijk wel op mijne jaren,
-mijnheer!" zeide de spraakzame oude vrouw, terwijl hare oogen van
-genoegen glinsterden.
-
-"Dat is het zeker. Maar dat doet gij toch niet dikwijls, juffrouw?"
-
-"Neen, maar eens in het jaar," antwoordde zij, haar hoofd
-schuddende. "Eens in het jaar verteer ik zoo mijn spaargeld. Dan kom
-ik geregeld over, om door de straten te kuieren en de heeren te zien."
-
-"Alleen om te zien?" hervatte Stephen.
-
-"Dat is genoeg voor mij," antwoordde zij met grooten ernst en alsof het
-onderwerp van het gesprek haar bijzonder belang inboezemde. "Ik vraag
-niet meer. Ik ben aan dezen kant van de straat blijven wachten, om dien
-heer" (daarmede keek zij weder naar het huis van mijnheer Bounderby)
-"te zien buitenkomen. Maar hij blijft laat in huis dit jaar, en ik heb
-hem nog niet gezien. Gij zijt buitengekomen in plaats van hem. Als
-ik nu weder vertrekken moet, zonder hem even te hebben gezien--ik
-wil hem maar even te zien krijgen--welnu, dan heb ik u gezien, en
-gij hebt hem gezien, en daarmede moet ik mij maar vergenoegen." Dit
-zeggende zag zij Stephen aan, alsof zij zijne gelaatstrekken in haar
-geheugen wilde prenten, en hare oogen waren zoo helder niet meer als
-zij geweest waren.
-
-Met alle inschikkelijkheid voor het verschil van smaak, en met alle
-onderdanigheid voor de patriciërs van Coketown, kwam de belangstelling
-der oude vrouw hem toch zoo zonderling voor, dat hij niet wist wat hij
-van haar moest denken. Doch zij kwamen nu eene kerk voorbij, en toen de
-wijzerplaat der klok hem in het oog viel, versnelde hij zijne schreden.
-
-Hij ging zeker naar zijn werk, zeide de oude vrouw, en verhaastte
-insgelijks haar tred, hetgeen haar geene moeite scheen te kosten.--Ja,
-zijn tijd was bijna om. Toen hij haar zeide waar hij werkte, werd de
-oude vrouw nog zonderlinger dan te voren.
-
-"Zijt ge niet gelukkig?" vroeg zij hem.
-
-"Wel, juffrouw, er is bijna niemand of hij heeft zijn verdriet,"
-antwoordde hij ontwijkend, dewijl de oude vrouw het er voor scheen te
-houden, dat hij zeer gelukkig moest wezen en hij het hart niet had
-om haar teleur te stellen. Hij wist, dat er verdriet genoeg in de
-wereld was; en indien de oude vrouw zoo lang geleefd had en er toch
-op rekenen kon, dat hij zoo weinig verdriet had--wel, des te beter
-voor haar, en hij was er daarom ook niet erger aan toe.
-
-"Ja, ja! Gij hebt uw verdriet thuis, meent gij?" zeide zij.
-
-"Somtijds. Nu en dan," antwoordde hij flauwtjes.
-
-"Maar als gij onder zulk een heer werkt, volgt het u toch niet in
-de fabriek?"
-
-Neen, het volgde hem daar niet, zeide Stephen. Daar was alles naar
-behooren. Hij ging zoover niet, om ten haren genoegen te zeggen, dat
-daar een soort van Goddelijk recht heerschte; maar ik heb in de laatste
-jaren bijna even hooge aanspraken voor de fabrieken hooren maken.
-
-Zij waren nu in een smal, zwart berookt straatje dicht bij het
-fabriekgebouw en de arbeiders kwamen bij troepen aan. De klok
-luidde, en de slang kronkelde zich door de lucht en de olifant stond
-gereed. Zelfs de klank der klok scheen de oude vrouw in verrukking te
-brengen. Het was de mooiste klok die zij ooit gehoord had, zeide zij,
-en zij klonk zoo deftig.
-
-Zij vroeg hem, toen hij haar goedhartig de hand gaf eer hij binnenging,
-hoelang hij daar gewerkt had.
-
-"Twaalf jaren," antwoordde hij.
-
-"Ik moet de hand kussen," zeide zij, "die twaalf jaren lang in die
-mooie fabriek gewerkt heeft!" En hoewel hij dit wilde verhinderen,
-tilde zij zijne hand op en bracht die aan hare lippen. Welke harmonie,
-behalve haar ouderdom en hare eenvoudigheid, haar eigen was, wist hij
-niet; maar zelfs in dit zonderlinge bedrijf lag iets, dat op dien tijd
-en die plaats niet ongepast scheen te wezen; iets, waardoor het scheen
-alsof niemand anders dit zoo ernstig of op zulk eene natuurlijke en
-treffende manier had kunnen doen.
-
-Hij had een half uur bij zijn weefgetouw gestaan, gedurig over die oude
-vrouw denkende, toen hij, om zijn getouw heen gaande, ten einde iets in
-orde te brengen, door een venster keek, en zag dat zij daar nog stond
-en in bewondering verzonken naar het gebouw opzag. Zonder aan den rook,
-de modder en het natte weder, of aan hare twee verre reizen te denken,
-stond zij het aan te staren, alsof het dreunende stampen, dat uit
-elk der vele verdiepingen klonk, eene heerlijke muziek voor haar was.
-
-Later verdween zij en de dag volgde haar voorbeeld, en de lichten
-werden weder aangestoken, en de laatste spoortrein snorde dicht bij
-het Tooverpaleis over de bogen eener brug, weinig gevoeld onder het
-dreunen der machinerie, en bijna niet gehoord onder het kletteren en
-ratelen. Lang voor dien tijd waren zijne gedachten weder teruggekeerd
-naar die akelige kamer boven het winkeltje en naar de afschuwelijke
-gedaante, die zoo zwaar op zijn bed, maar nog zwaarder op zijn
-hart lag.
-
-De machinerie werd trager; zij stampte nog maar flauw, alsof er een
-bezwijkende pols klopte, en bleef stilstaan. Wederom luidde de klok;
-de gloed van licht en hitte werd uitgedoofd; de fabriekgebouwen stonden
-als zwarte klompen in den donkeren, regenachtigen nacht, en de hooge
-schoorsteenen verhieven zich in de lucht gelijk wedijverende torens
-van Babel.
-
-Hij had Rachel pas den vorigen avond gesproken, dat was waar, en
-een eind met haar medegegaan; maar hij had zijn nieuw ongeluk op het
-hart, waaronder niemand anders hem een oogenblik verademing kon geven,
-en daarom, en omdat hij wist dat hij behoefte had aan eene stem, die
-zijne gramschap kon verzachten, hetgeen geene andere stem dan de hare
-kon doen, begreep hij dat hij, in weerwil van wat zij den vorigen
-avond had gezegd, wel weder naar haar mocht wachten. Hij deed dit,
-maar zij was hem reeds ontsnapt. Zij kwam niet meer. Op geen anderen
-avond in het jaar had hij haar gezichtje vol zachtaardig geduld zoo
-slecht kunnen missen.
-
-O, beter geen thuis te hebben waar hij zijn hoofd kon neerleggen,
-dan een thuis te hebben en om zulk eene reden bevreesd te zijn er
-naar toe te gaan. Hij at en dronk, want hij was uitgeput, maar hij
-wist bijna niet wat hij at en dronk, hij dacht er niet eens aan,
-en hij bleef ronddwalen in den kouden regen, al denkende en morrende.
-
-Geen woord over een nieuw huwelijk was ooit tusschen hen gewisseld;
-maar Rachel had reeds jaren geleden innig medelijden met hem gekregen,
-en voor haar alleen had hij in al dien tijd zijn gesloten hart geopend
-en van de oorzaak zijner ellende gesproken; en hij wist zeer wel,
-dat zij hem zou hebben genomen, indien hij haar had kunnen vragen. Hij
-dacht aan het thuis, dat hij op dat oogenblik met trotsche blijdschap
-had kunnen opzoeken; hij dacht welk een geheel ander mensch hij dien
-avond had kunnen geweest zijn, hoe licht zijne nu zwaar beladene borst
-had kunnen wezen, hoe hij zijne eer, zijne achting voor zich zelven,
-zijne rust, die hij nu allen had verloren, had kunnen terugkrijgen. Hij
-dacht hoe het beste gedeelte van zijn leven verspild was, welk eene
-nadeelige verandering zijn karakter daardoor in alle opzichten had
-ondergaan, en hoe schrikkelijk en akelig zijn toestand was, zoo met
-handen en voeten aan eene doode vrouw gebonden en door een boozen geest
-in hare gedaante gepijnigd. Hij dacht aan Rachel, hoe jong zij waren
-toen zij elkander onder die omstandigheden voor het eerst ontmoetten,
-en hoe zij nu tot rijpen leeftijd waren gekomen en spoedig oud zouden
-worden. Hij dacht aan het aantal meisjes en vrouwen, dat zij had zien
-trouwen, hoeveel huisgezinnen met kinderen zij om zich heen had zien
-opgroeien, en hoe zij toch weltevreden haar eigen eenzaam pad was
-blijven bewandelen--om zijnentwil--en hoe hij somtijds eene schaduw
-van zwaarmoedigheid op haar hemelsch gezichtje had gezien, die hem
-met wroeging en wanhoop vervulde. Hij plaatste hare beeltenis naast
-het afschuwelijke beeld van den vorigen nacht, en peinsde er over,
-hoe het wezen kon, dat de geheele aardsche levensloop van een wezen,
-zoo goed, zoo zachtaardig en vol zelfverloochening, aan zulk eene
-rampzalige ondergeschikt moest wezen.
-
-Vol van zulke gedachten--zoo vol, dat hij een zonderling gevoel
-had, alsof hij zelf grooter werd en in eene nieuwe, onnatuurlijke
-betrekking werd geplaatst tot de voorwerpen welke hij voorbijging, en
-alsof de stralenkrans om ieder beneveld licht eene roodachtige kleur
-aannam--begaf hij zich naar zijne woning om schuilplaats te zoeken.
-
-
-
-
-
-
-
-XIII.
-
-RACHEL.
-
-
-Een flauw kaarslicht brandde voor het venster, waartegen dikwijls
-de zwarte ladder was opgezet, om alles wat voor eene radelooze vrouw
-en een troep hongerige kinderen het dierbaarste in deze wereld was,
-te laten wegglijden; en bij Stephen's andere gepeinzen kwam nog de
-wrevelige gedachte, dat van alle wisselvalligheden van dit aardsche
-leven geene met grilliger hand en ongelijker werd uitgedeeld dan de
-dood. De ongelijkheid van geboorte was nog niets daarbij; want indien
-bij voorbeeld het kind van een koning en dat van een wever dien nacht
-op hetzelfde oogenblik geboren werden, wat was die ongelijkheid bij
-den dood van een menschelijk wezen, dat voor een ander nuttig of
-dierbaar was, terwijl deze losbandige vrouw bleef voortleven!
-
-Zoo dacht hij terwijl hij, buiten staande, naar zijne kamer opzag,
-en met ingehouden adem en langzamen tred ging hij naar binnen. Hij
-klom de trap op, opende zijne deur en kwam zoo de kamer in.
-
-Stilte en rust heerschten daar. Rachel was daar en zat bij het bed.
-
-Zij keerde haar hoofd naar hem om en het licht van haar aangezicht
-scheen in den middernacht van zijn gemoed. Zij zat bij het bed en
-waakte bij zijne vrouw. Dat is te zeggen, hij zag dat er iemand in
-het bed lag en wist maar al te wel dat zij het moest wezen; maar
-Rachel's handen hadden eene gordijn opgehangen, zoodat zij voor zijne
-oogen verborgen was. Hare afzichtelijke kleeren waren weggeruimd,
-en er lagen eenige kleeren van Rachel in de kamer. Alles was op zijne
-plaats en in orde, gelijk hij het altijd gehouden had; het vuur was pas
-bijgelegd en de haard was pas aangeveegd. Het kwam hem voor, dat hij
-dit alles in Rachel's gezicht zag en naar niets anders omkeek. Terwijl
-hij haar aanzag, werd haar beeld beneveld door de weemoedige tranen,
-die zijne oogen vulden, maar niet voordat hij gezien had hoe ernstig
-zij hem aanzag en hoe hare eigene oogen ook vol tranen stonden.
-
-Zij keerde zich weder naar het bed, en na zich overtuigd te hebben dat
-alles daar stil was, sprak zij met eene zachte, kalme, heldere stem:
-
-"Ik ben blij, dat gij eindelijk komt, Stephen. Gij komt heel laat."
-
-"Ik heb wat op en neer gewandeld."
-
-"Dat dacht ik wel. Maar het is van avond te slecht weer daartoe. Het
-regent aanhoudend en de wind is opgestoken."
-
-De wind? 't is waar, het waaide hard. Hoor maar naar dat bulderen
-in den schoorsteen en dat geloei. Dat iemand in zulk een wind buiten
-was geweest en niet eens wist dat het waaide!
-
-"Ik ben hier vandaag al eens geweest, Stephen. De juffrouw hier uit
-het huis kwam in het etensuur naar mij toe. Er was iemand hier, die
-noodig had dat er naar haar omgekeken werd, zeide zij. En zij had
-wel gelijk. Geheel buiten besef, Stephen; en ook gekwetst en gekneusd."
-
-Hij ging langzaam naar een stoel, zette zich neer en liet het hoofd
-hangen.
-
-"Ik ben hier gekomen om het weinigje te doen dat ik kon; vooreerst,
-omdat ze met mij gewerkt heeft toen wij beiden nog jonge meisjes waren,
-en omdat gij haar gevrijd en getrouwd hebt toen ik hare vriendin was--"
-
-Hij liet zijn gerimpeld voorhoofd in zijne hand zinken en slaakte
-een kermenden zucht.
-
-"En vervolgens omdat ik uw hart kende en zeker weet, dat gij veel
-te barmhartig zijt om haar hulpeloos te laten sterven, of ook maar
-gebrek te laten lijden. Gij weet wel wie gezegd heeft: "Laat hij,
-die onder u zonder zonde is, den eersten steen op haar werpen." Er
-zijn er genoeg geweest om dat te doen; maar gij zijt de man niet om
-den laatsten steen te werpen, Stephen, nu zij zoo diep ellendig is."
-
-"O Rachel, Rachel!"
-
-"Gij hebt schrikkelijk geleden, de Hemel loone het u," zeide zij
-op medelijdenden toon. "Ik ben uwe arme vriendin, met al mijn hart
-en ziel."
-
-De kwetsuren, waarvan zij gesproken had, schenen aan den hals
-der ellendige te zijn, die zich zelve uit de maatschappij had
-verstooten. Rachel verbond ze nu, maar nog zonder haar zichtbaar te
-laten worden. Zij doopte een linnen lap in eene kom, waarin zij zeker
-vocht uit een flesch had gegoten, en legde die met zachte hand op de
-gekwetste en ontstokene plek. Het ronde tafeltje was dicht bij het
-bed geschoven, en twee flesschen stonden daarop;--deze was de eene.
-
-Zij zat niet zoo ver af, of Stephen, die hare handen met zijne oogen
-volgde, kon het woord lezen, dat met groote letters op de flesch
-stond. Hij werd doodsbleek, en eene plotselinge huivering van afgrijzen
-scheen hem te bevangen.
-
-"Ik zal hier blijven, Stephen," zeide Rachel, terwijl zij stil weder
-ging zitten, "tot de klok drie slaat. Om drie ure moet het nog eens
-gedaan worden, en dan kan zij zoo blijven tot morgenochtend."
-
-"Maar gij moet toch rust hebben om morgen te kunnen werken, beste
-Rachel."
-
-"Ik heb van nacht goed geslapen. Ik kan nachten achtereen waken, als
-het van mij gevergd wordt. Gij zijt het, die rust noodig hebt: gij ziet
-er zoo bleek en vermoeid uit. Beproef eens of gij daar op dien stoel
-kunt slapen, terwijl ik waak. Gij hebt verleden nacht geen slaap gehad,
-dat kan ik wel gelooven, en morgen moet gij zwaarder werken dan ik."
-
-Hij hoorde het bulderen en loeien buiten de deur, en het was hem alsof
-zijne vorige toornige stemming daar rondwaarde en beproefde om weder
-bij hem te komen. Zij had die weggedreven en zou haar van hem afhouden;
-hij verliet zich op haar, om hem tegen zich zelven te verdedigen.
-
-"Zij kent mij niet, Stephen. Zij kijkt mij maar slaperig aan en
-mompelt verwarde woorden. Ik heb meer dan eens tegen haar gesproken,
-maar zij let er niet op. Het is zóó wèl zoo goed. Als zij weder bij
-hare zinnen komt, zal ik gedaan hebben wat ik kan en zij behoeft er
-niets van te weten."
-
-"Hoelang, Rachel, is het te denken dat zij zoo blijven zal?"
-
-"De dokter zeide, dat zij misschien morgen weder bij hare zinnen
-zou komen."
-
-Zijne oogen vielen weder op de flesch en eene siddering liep door
-al zijne leden. Zij dacht, dat hij van koude verkleumd was. "Neen,"
-zeide hij, "dat was het niet. Hij had een schrik gehad."
-
-"Een schrik?"
-
-"Ja, toen ik binnenkwam. Toen ik zoo ronddwaalde. Toen ik aan het
-denken was. Toen ik--"
-
-Het tastte hem weder aan; en hij stond op, zich aan den
-schoorsteenmantel vasthoudende, terwijl hij zijne koude, klamme haren
-gladstreek met eene hand, die beefde alsof hij de koorts had.
-
-"Stephen!"
-
-Zij kwam naar hem toe, maar hij strekte zijn arm uit om haar tegen
-te houden.
-
-"Neen! Och neen, doe dat niet. Laat ik u maar bij het bed zien
-zitten. Laat ik u maar zien, zoo goed en barmhartig. Laat ik u zien
-zooals ik u zag toen ik binnenkwam. Ik kan u nooit beter zien dan
-zoo. Nooit, nooit, nooit!"
-
-Hij begon nog sterker te beven en zonk toen op zijn stoel neder. Na
-eene poos bedwong hij zich, en kon, met den eenen elleboog op eene
-knie en zijn hoofd op die hand, naar Rachel opzien. Met zijne vochtige
-oogen voorbij het flauwe kaarslicht gezien, was het alsof zij een
-blinkenden stralenkrans om het hoofd had. Hij had kunnen gelooven,
-dat het zoo was. Hij geloofde het werkelijk, toen het gerucht van
-buiten het venster schudde, de deur beneden deed klapperen en huilend
-door het huis gierde.
-
-"Als zij beter wordt, Stephen, is het te hopen, dat zij u weder
-alleen zal laten en u niet meer plagen. In allen gevalle, wij willen
-nu zoo maar hopen. En nu zal ik mij stilhouden, want ik zou u gaarne
-zien slapen."
-
-Hij sloot zijne oogen, meer om haar genoegen te geven dan om zijn
-vermoeid hoofd te laten rusten; maar terwijl hij naar het geloei van
-den wind luisterde, hoorde hij dit langzamerhand niet meer, of het
-kwam hem voor, dat het overging in het geraas van zijn weefgetouw,
-of in de stemmen, welke hij dien dag had gehoord (zijne eigene
-ingesloten), en die weder zeiden wat er werkelijk gezegd was. Zelfs
-deze onvolkomene bewustheid verdween eindelijk, en hij droomde een
-langen, onrustigen droom.
-
-Hij dacht, dat hij en eene vrouw, op welke hij lang zijn hart had
-gezet--maar het was Rachel niet en dit verwonderde hem, zelfs te
-midden van zijn ingebeeld geluk--in de kerk stonden om zich te laten
-trouwen. Terwijl de plechtigheid verricht werd, en terwijl hij onder
-de getuigen sommige menschen herkende, die hij wist dat nog leefden,
-en velen, die hij wist dat reeds dood waren, kwam er eene duisternis,
-opgevolgd door den glans van een schrikkelijk licht. Dit licht straalde
-van een regel in de tafel der tien geboden af en verspreidde den glans
-dier woorden door de geheele kerk. Zij klonken door het gebouw, alsof
-elk dier vurige letteren eene stem had gekregen. Daarop veranderde
-alles om hem heen en niets bleef gelijk het geweest was, behalve hij
-zelve en de geestelijke. Zij stonden in het daglicht voor een volkshoop
-zoo groot, dat, naar hij dacht, indien alle menschen in de wereld op
-ééne plek bij elkander hadden gestaan, het getal hem niet grooter had
-kunnen voorkomen, en zij allen verafschuwden hem, en er was geen enkel
-medelijdend of vriendelijk oog onder al de millioenen, die op zijn
-gelaat gevestigd waren. Hij stond op eene verhevene stellage onder
-zijn eigen weefstoel; en toen hij opzag naar de gedaante, welke de
-weefstoel aannam, en duidelijk den lijkdienst hoorde lezen, begreep
-hij, dat hij daar was om den dood te ondergaan. In een oogenblik zonk
-datgene, waarop hij stond, onder hem weg en hij was dood.
-
-Uit welken geheimzinnigen toestand hij tot het gewone leven en de hem
-bekende plaatsen terugkeerde, kon hij niet nagaan; maar hij keerde
-op eene of andere wijze daarheen terug, met dezen vloek beladen,
-dat hij nooit, in deze wereld of de volgende, door alle eeuwen der
-eeuwigheid heen, het aangezicht van Rachel weder zou zien of hare stem
-hooren. Zonder rust en zonder hoop heen en weder dwalende, en zoekende
-naar hij wist niet wat (hij wist alleen dat hij gedoemd was het te
-zoeken), werd hij gekweld door een onbeschrijfelijken, gruwelijken
-angst, eene doodelijke vrees voor zekere bijzondere gedaante, welke
-alle dingen aannamen. Al wat hij aanzag, herschiep zich vroeger of
-later in dat voorwerp. Het doel van zijn ellendig aanzijn was, te
-verhoeden dat dit voorwerp aan een der verschillende personen, welke
-hij ontmoette, bekend werd. Hopelooze arbeid! Indien hij het uit de
-kamer bracht waar het was, indien hij de kas sloot waar het stond,
-indien hij de nieuwsgierigen van de plaats verwijderde waar hij wist
-dat het verborgen was, en hen buiten op straat voerde, namen zelfs
-de schoorsteenen der fabrieken die gedaante aan, en was het gedrukte
-woord daaromheen te lezen.
-
-De wind loeide weder, de regen kletterde, en de uitgestrekte ruimte,
-door welke hij had omgedwaald, kromp ineen tot de plek tusschen de
-vier muren zijner kamer. Behalve dat het vuur was uitgegaan, was zij
-nog eveneens als toen hij zijne oogen had gesloten. Rachel scheen op
-den stoel voor het bed te zijn ingesluimerd. Zij zat in haar omslagdoek
-gewikkeld onbeweeglijk stil. De tafel stond op dezelfde plaats, dicht
-naast het bed, en daarop, in hare werkelijke grootte en met alle
-werkelijke eigenschappen, stond het voorwerp dat hij overal had gezien.
-
-Hij meende de gordijn te zien bewegen. Hij keek nog eens en was er nu
-zeker van dat zij zich bewoog. Hij zag eene hand te voorschijn komen
-en zoekend rondtasten. Toen bewoog de gordijn zich nog duidelijker;
-eene vrouw, die in het bed lag, sloeg haar open en kwam overeind.
-
-Met hare jammervolle oogen, zoo woest en wanhopig, zoo groot en zoo
-dof, zag zij in de geheele kamer rond, en haar blik gleed over den
-hoek heen waar hij op zijn stoel zat te slapen. Hare oogen keerden
-naar dien hoek terug, en zij hield hare hand als een scherm er boven,
-terwijl zij er in tuurde. Nogmaals dwaalden zij door de kamer rond,
-maar zonder bijna op Rachel te letten, en keerden weder naar dien hoek
-terug. Terwijl zij zoo weder met de rechterhand boven de oogen zat te
-turen--niet zoozeer hem aanziende, als wel naar hem zoekende, met een
-dierlijk instinct dat hij daar wezen moest--dacht hij bij zich zelven,
-dat er in die misvormde trekken en in den geest, dien ze afspiegelden,
-geen spoor meer bestond van de vrouw, die hij achttien jaren geleden
-getrouwd had. Indien hij haar niet stap voor stap zoover had zien
-komen, had hij nooit kunnen gelooven dat zij dezelfde was.
-
-Al dien tijd bleef hij als door een toovermacht geboeid, roerloos
-en machteloos zitten, zonder iets anders te kunnen doen dan op haar
-te letten.
-
-Dof suffende of mijmerende, zonder zelve te weten waarom, bleef zij
-eene poos met het hoofd tusschen de handen zitten. Daarna begon zij
-weder starend in de kamer rond te kijken, en nu vielen hare oogen
-voor het eerst op de tafel met de twee flesschen daarop.
-
-Aanstonds keerde zij hare oogen weder naar zijn hoek, met den
-uitdagenden blik van den vorigen nacht, en zeer langzaam en voorzichtig
-stak zij hare gretige hand uit. Zij haalde eerst een tinnen beker naar
-zich toe, en bedacht zich toen eene poos, welke van de twee flesschen
-zij zou kiezen. Eindelijk greep hare verstandelooze hand de flesch,
-die een snellen, onvermijdelijken dood bevatte, en voor zijne oogen
-trok zij met hare tanden de kurk er af.
-
-Het mocht een droom of werkelijkheid zijn, hij had geene stem en
-geen vermogen om zich te bewegen. Als dit eene werkelijkheid, en haar
-bestemde tijd nog niet gekomen is, ontwaak dan, Rachel, ontwaak!
-
-Zij dacht ook daaraan. Zij keek naar Rachel en schonk zeer langzaam
-en voorzichtig den inhoud der flesch in den beker. Zij had het vocht
-aan hare lippen. Nog een oogenblik, en zij was buiten bereik van alle
-hulp, al ontwaakte ook de geheele wereld om haar met alle macht bij
-te staan. Maar op dat oogenblik sprong Rachel met een gesmoorden gil
-overeind. Het schepsel worstelde, sloeg naar haar, greep haar bij de
-haren; maar Rachel had den beker.
-
-Stephen ontrukte zich aan zijn stoel.
-
-"Rachel, ben ik wakker of ben ik dezen ganschen akeligen nacht aan
-het droomen?"
-
-"Het is alles wel, Stephen. Ik ben zelf in slaap geweest. Het is
-haast drie ure. Stil, ik hoor de klok."
-
-De wind voerde hun den klank der kerkklok toe. Zij luisterden en het
-sloeg drie. Stephen keek haar aan en zag hoe bleek zij was, lette
-op de wanorde harer haren en de roode sporen van vingers op haar
-voorhoofd, en was nu overtuigd, dat zijn gehoor en gezicht wakker
-waren geweest. Zij had zelfs den beker nu nog in hare hand.
-
-"Ik dacht wel, dat het bij drieën moest wezen," zeide zij, terwijl
-zij met bedaardheid het vocht uit den beker in de kom schonk en het
-linnen daarin doopte. "Ik ben blij dat ik zoolang ben gebleven. Het
-is nu gedaan, als ik er dit heb opgelegd. Daar! En nu is zij weer
-stil. Ik zal het weinigje, dat nog in de kom is, weggieten, want het
-is gevaarlijk goed om te laten staan, al is het nog zoo weinig." En
-zoo sprekende goot zij de kom in de asch ledig en sloeg de flesch op
-het haardijzer aan stukken.
-
-Zij had toen niets meer te doen dan zich met haar omslagdoek te dekken,
-eer zij in den regen en wind naar buiten ging.
-
-"Gij zult mij toch met u mee laten gaan nu het zoo laat is, Rachel?"
-
-"Neen, Stephen. Ik ben in een oogenblik thuis."
-
-"Gij zijt niet bang," zeide hij met eene zachte stem, toen zij de
-kamerdeur uitgingen, "om mij met haar alleen te laten?"
-
-Zij zag hem aan en zeide: "Stephen!"
-
-Hij zonk op zijne knie voor haar neer, op de morsige trap, en bracht
-een tip van haar omslagdoek aan zijne lippen.
-
-"Gij zijt een engel! God zegene u!"
-
-"Ik ben, gelijk ik u gezegd heb, Stephen, uwe arme vriendin. Engelen
-gelijken niet naar mij. Tusschen hen en eene arme vrouw vol gebreken
-is nog eene diepe kloof. Mijn zusje is onder de engelen, maar zij
-is veranderd."
-
-Zij sloeg hare oogen even naar omhoog toen zij dit zeide; en toen
-werden zij, met al hunne vriendelijkheid en zachtmoedigheid, weder
-op hem gevestigd.
-
-"Rachel! gij verandert mij van kwaad in goed. Gij doet mij nederig
-verlangen om meer naar u te gelijken, en vreezen om u te verliezen
-als dit leven voorbij is en die geheele warboel is opgeruimd. Gij zijt
-een engel; het kan wel zijn dat gij mijne levende ziel behouden hebt."
-
-Zij zag hem aan, gelijk hij daar voor haar op zijne knie lag met een
-tip van haar doek in zijne hand, en de woorden van berisping stierven
-op hare lippen, toen zij in zijne trekken zijne ontroering opmerkte.
-
-"Ik kwam wanhopig naar huis. Ik kwam naar huis zonder eenige hoop, en
-dol van de gedachte, dat ik voor een onredelijk onvergenoegd mensch
-werd gehouden, als ik maar een enkel woord klaagde. Ik zeide u, dat
-ik een schrik had gehad. Dat was de flesch met vergif op de tafel. Ik
-heb nog nooit een levend wezen kwaad gedaan; maar toen ik dat zoo kort
-daarop zag, dacht ik: Hoe kan ik zeggen wat ik mij zelven, of haar,
-of ons beiden had kunnen doen?"
-
-Zij legde, met een gezicht vol schrik, hare beide handen op zijn
-mond om hem te beletten iets meer te zeggen. Hij vatte hare handen
-met de hand, die hij vrij had, en terwijl hij nog den rand van haar
-doek vasthield, vervolgde hij haastig:
-
-"Maar ik zag u zoo bij het bed zitten, Rachel. Ik heb u dezen geheelen
-nacht gezien. In mijn onrustigen slaap wist ik toch, dat gij daar nog
-waart. Altijd zal ik u daar zoo zien. Nooit zal ik haar meer zien of
-om haar denken, of gij zult naast haar wezen. Ik zal nooit iets zien
-of om iets denken, dat mij kwaad maakt, of gij, die zooveel beter
-zijt dan ik, zult er naast wezen. En zoo zal ik mijn best doen om te
-wachten naar den tijd, en op dien tijd vertrouwen, wanneer gij en ik
-eindelijk vereenigd zullen zijn ver van hier, aan den overkant van
-die diepe kloof, in het land waar uw zusje nu al is."
-
-Hij kuste nog eens den rand van haar doek en liet haar gaan. Zij
-wenschte hem met eene haperende stem goedennacht en ging de straat op.
-
-De wind waaide met kracht van den kant waar spoedig de dag zou
-aanbreken. De lucht was aan dien kant opgehelderd, en de regenwolken
-hadden zich geledigd of waren verder gedreven. Hij stond blootshoofds
-op straat en zag haar na tot zij verdween. Gelijk de helder blinkende
-sterren bij de duister brandende kaars voor het venster, zoo was
-Rachel, voor de onbeschaafde verbeelding van dien man, bij de gewone
-ervaring van zijn leven.
-
-
-
-
-
-
-
-XIV.
-
-DE GROOTE FABRIKANT.
-
-
-De tijd liep te Coketown voort gelijk eene machine in eene
-fabriek:--zóóveel grondstof verwerkt, zóóveel brandstof verteerd,
-zóóveel kracht versleten en zóóveel geld gewonnen. Doch minder
-onbarmhartig dan ijzer, staal en koper, bracht die tijd ook de
-afwisselende jaargetijden mede, zelfs in die woestenij van rook
-en baksteenen, en hij alleen bestond den kamp tegen de akelige
-eentonigheid, die de stad beheerschte.
-
-"Louisa wordt haast een volwassen meisje," zeide mijnheer Gradgrind.
-
-De tijd, met zijne onberekenbare paardekracht, werkte voort, zonder
-er zich aan te storen wat iemand zeide, en weldra bleek het dat de
-jonge Thomas een voet langer was dan de laatste maal toen zijn vader
-bijzonder op hem had gelet.
-
-"Thomas," zeide mijnheer Gradgrind, "wordt haast een volwassen
-jongmensch."
-
-De tijd werkte aan Thomas voort, terwijl zijn vader er over dacht,
-en daar stond hij, met zijn rok met lange panden en stijve boordjes.
-
-"Waarlijk," zeide mijnheer Gradgrind, "het is tijd geworden dat Thomas
-naar Bounderby behoort te gaan."
-
-De tijd bleef met Thomas bezig, schoof hem voort in Bounderby's
-kantoor, maakte hem een bewoner van Bounderby's huis, noodzaakte hem
-tot het koopen van zijn eerste scheermes en oefende hem vlijtig in
-zijne berekeningen betrekkelijk nommer een.
-
-Dezelfde groote fabrikant, altijd met eene ontzaglijke verscheidenheid
-van werk onderhanden, bleef ook met Sissy bezig en maakte haar waarlijk
-tot een heel aardig dingetje.
-
-"Ik vrees, Jupe," zeide mijnheer Gradgrind, "dat het nutteloos zou
-zijn u langer te laten schoolgaan."
-
-"Dat vrees ik ook, mijnheer," antwoordde Sissy, voor hem nijgende.
-
-"Ik kan het u niet ontveinzen, Jupe," hervatte mijnheer Gradgrind,
-zijn voorhoofd fronsende, "dat de uitslag van uw proeftijd op school
-mij teleurgesteld heeft--mij grootelijks teleurgesteld heeft. Gij
-hebt onder mijnheer en mevrouw Choakumchild lang niet zoovele
-nuttige kundigheden verkregen als ik verwacht had. Gij zijt nog zeer
-achterlijk in de kennis van feiten, en uwe wetenschap van cijfers is
-zeer beperkt. Gij zijt over het geheel zeer achterlijk en staat lang
-niet met anderen gelijk."
-
-"Het spijt mij zeer, mijnheer," antwoordde zij; "maar ik weet wel, dat
-het de waarheid is. En toch heb ik mij veel moeite gegeven, mijnheer."
-
-"Ja," zeide mijnheer Gradgrind, "ja, ik geloof wel dat gij u veel
-moeite hebt gegeven. Ik heb op u gelet en ik kan in dat opzicht niet
-over u klagen."
-
-"Ik dank u wel, mijnheer. Maar ik heb wel eens gedacht" (Sissy sprak
-nu zeer schroomvallig) "dat ik misschien al te veel poogde te leeren,
-en dat, als ik vergunning had gevraagd om het met wat minder te
-beproeven, ik misschien..."
-
-"Neen, Jupe, neen," zeide mijnheer Gradgrind, op zijne diepzinnigste
-en stelligste manier zijn hoofd schuddende. "Neen. De cursus, dien gij
-hebt gevolgd, was naar het systeem ingericht--naar het systeem--en
-daarop is dus niets te zeggen. Ik kan alleen onderstellen, dat de
-vroegere omstandigheden van uw leven al te ongunstig waren voor de
-ontwikkeling uwer redelijke vermogens, en dat wij te laat begonnen
-zijn. Maar toch, gelijk ik reeds gezegd heb, ik ben teleurgesteld."
-
-"Ik wenschte, dat ik meer erkentelijkheid had kunnen bewijzen,
-mijnheer, voor uwe goedheid voor een arm, ongelukkig, meisje, dat
-geene aanspraak op uwe bescherming had."
-
-"Schrei maar niet," zeide mijnheer Gradgrind. "Schrei maar niet. Ik
-klaag niet over u. Gij zijt een goed, ijverig en hartelijk meisje,
-en--en daarmede moeten wij maar tevreden zijn."
-
-"Ik dank u wel, mijnheer, dat ge dit zegt," zeide Sissy met werkelijke
-dankbaarheid en ootmoedig voor hem nijgende.
-
-"Gij zijt nuttig bij mevrouw Gradgrind, en gij zijt ook (zoo in het
-algemeen) aan de familie van dienst; zoo hoor ik van Miss Louisa, en
-ik heb het ook zelf opgemerkt. Ik hoop dus," ging mijnheer Gradgrind
-voort, "dat gij u in deze betrekkingen kunt tevreden stellen en
-vergenoegd zijn."
-
-"Ik zou niets meer te wenschen hebben, mijnheer, als..."
-
-"Ik begrijp u," zeide mijnheer Gradgrind, "gij doelt weer op uw
-vader. Ik heb van Miss Louisa gehoord, dat gij nog altijd dat fleschje
-bewaart. Nu, als uwe opleiding in de redeneerkunde beter geslaagd was,
-zoudt gij in dit opzicht wijzer zijn geweest. Ik wil er niets meer
-van zeggen."
-
-Hij hield inderdaad te veel van Sissy om verachting voor haar te
-koesteren; anders hield hij haar redeneervermogen voor zoo uiterst
-gering, dat hij tot die gevolgtrekking had moeten geraken. Hij was,
-hoe dan ook, op het denkbeeld gekomen, dat dit meisje iets in zich had,
-dat moeielijk in eene tabel gebracht kon worden. Hare vatbaarheid
-voor definitiën kon men gemakkelijk als zeer gering opgeven; hare
-mathematische kundigheden als nul; en toch twijfelde hij er aan, of
-hij, indien hij haar bij voorbeeld in de kolommen eener statistieke
-opgaaf had moeten becijferen, wel recht zou geweten hebben, onder
-welke hoofden hij haar moest verdeelen.
-
-Op sommige trappen van zijn fabriekarbeid met den mensch werkt de tijd
-zeer snel voort; en daar de jonge Thomas en Sissy zich juist op zulk
-een trap bevonden, werden deze snelle veranderingen in een jaar of twee
-bij hen tot stand gebracht, terwijl mijnheer Gradgrind zelf op zijne
-baan scheen te blijven stilstaan en geene verandering onderging--ééne
-uitgezonderd, die echter met zijne overige noodzakelijke bewerking
-in de fabriek des tijds in geen verband stond. De tijd stopte hem in
-eene kleine, veel gerucht makende en tamelijk smerige machine, die
-in een hoek achteraf stond, en maakte hem tot lid van het Parlement
-voor Coketown: tot een der hooggeachte vertegenwoordigers van maten,
-gewichten en cijfers, een dier honourable gentlemen, die voor alle
-andere dingen doof, stom, blind, lam en dood zijn. Waarvoor leven
-wij ook anders in een Christelijk land, achttienhonderd en ettelijke
-jaren na onzen Meester?
-
-Al dien tijd was Louisa blijven voortleven zoo stil en afgetrokken,
-zoo gewend om in de schemering naar de gloeiende vonken te turen, die
-door den haardrooster vielen en in de asch wegstierven, dat zij van
-den dag af, toen haar vader had gezegd, dat zij haast een volwassen
-meisje werd--en dit scheen pas gisteren te zijn geweest--nauwelijks
-zijne aandacht wederom getrokken had, tot hij bevond dat zij geheel
-een volwassen meisje was geworden.
-
-"Geheel een volwassen meisje," zeide mijnheer Gradgrind
-peinzende. "Wel, wel!"
-
-Kort na deze ontdekking werd hij eenige dagen lang meer nadenkend dan
-gewoonlijk, en scheen hij zich geheel in één onderwerp te verdiepen. Op
-zekeren avond toen hij uitging en Louisa vóór zijn vertrek goedennacht
-kwam zeggen--daar hij eerst laat zou thuis komen en zij hem niet voor
-den volgenden ochtend zou terugzien--sloot hij haar in zijne armen,
-zag haar op zijne vriendelijkste manier aan, en zeide:
-
-"Mijne lieve Louisa, gij zijt nu eene volwassene vrouw."
-
-Zij antwoordde met den scherpen, uitvorschenden blik van dien avond,
-toen zij bij het paardenspel werd betrapt. Daarna sloeg zij hare
-oogen neer en zeide: "Ja, vader."
-
-"Kindlief," hervatte mijnheer Gradgrind, "ik moet eens alleen en
-ernstig met u spreken. Kom morgenochtend na het ontbijt in mijne
-kamer. Zult gij?"
-
-"Ja, vader."
-
-"Uwe handen zijn eenigszins koud, Louisa. Zijt gij niet wel?"
-
-"Heel wel, vader."
-
-"En vroolijk?"
-
-Zij zag hem weder aan en glimlachte op hare eigenaardige manier. "Ik
-ben zoo vroolijk, vader, als ik gewoonlijk ben, of gewoonlijk ben
-geweest."
-
-"Dat is goed," zeide mijnheer Gradgrind.
-
-Zoo gaf hij haar een kus en ging heen, en Louisa keerde terug naar het
-vroolijke vertrek, dat zoo naar de kamer van een haarsnijder geleek,
-liet haar elleboog in hare hand rusten en tuurde weder naar de vonken,
-die zoo kort leefden en zoo spoedig tot asch werden.
-
-"Zijt gij daar, Louisa?" zeide haar broeder, zijn hoofd binnen de
-deur stekende. Hij was nu een echte lichtmis geworden en niet zeer
-innemend van voorkomen en manieren.
-
-"Beste Tom!" antwoordde zij, terwijl zij opstond en hem
-omhelsde. "Hoelang is het geleden, dat ge mij niet eens hebt
-opgezocht?"
-
-"Och, 's avonds heb ik andere dingen te doen, en over dag houdt oude
-Bounderby mij tamelijk vast. Maar ik maak hem bang met u, als hij te
-lastig wordt, en zoo blijven wij op een goeden voet. Zeg eens! Heeft
-vader u vandaag of gisteren iets bijzonders gezegd, Louisa?"
-
-"Neen, Tom. Maar van avond heeft hij mij gezegd, dat hij dat
-morgenochtend wilde doen."
-
-"Juist! Dat is het wat ik meen," zeide Tom. "Weet gij wel waar hij
-van avond heen is?" En daarbij zette hij een zeer slim gezicht.
-
-"Neen!"
-
-"Dan zal ik het u zeggen. Hij is naar ouden Bounderby. Zij hebben
-eene ernstige onderhandeling aan het kantoor. En waarom aan het
-kantoor zoudt ge denken? Wel, dat kan ik u ook zeggen. Om de ooren
-van mevrouw Sparsit op een goeden afstand te houden, geloof ik."
-
-Met hare hand op haar broeders schouder bleef Louisa in het vuur staan
-turen. Haar broeder zag haar met meer belangstelling dan gewoonlijk
-in de oogen, sloeg zijn arm om haar middel en trok haar liefkoozend
-naar zich toe.
-
-"Gij houdt veel van mij, niet waar, Louisa?"
-
-"Dat doe ik waarlijk, Tom, hoewel gij zulk een langen tijd laat
-verloopen, zonder mij eens te komen zien."
-
-"Wel, zusje," hervatte Tom, "als gij dat zegt, zijt ge niet ver van
-mijne gedachten. Wij zouden veel meer bij elkander kunnen wezen,
-niet waar? Het zou mij veel goed doen, als gij besluiten kondt tot
-iets dat ik weet, Louisa. Het zou een heerlijk ding voor mij zijn. Het
-zou allerpleizierigst voor mij wezen."
-
-Haar peinzenden blik verijdelde zijne listige nasporing. Hij kon uit
-haar gezicht niets opmaken. Hij drukte haar in zijn arm en gaf haar
-een kus op de wang. Zij beantwoordde den kus, maar bleef nog naar
-het vuur staren.
-
-"Zeg eens, Louisa. Ik dacht dat ik eens moest aankomen en u even
-een wenk geven van wat er omgaat; hoewel ik dacht, dat gij het wel
-raden zoudt, al wist gij het niet zeker. Ik kan niet blijven, omdat
-ik van avond afspraak heb met eenige vrienden. Gij zult niet vergeten
-hoeveel gij van mij houdt?"
-
-"Neen, lieve Tom, dat zal ik niet vergeten."
-
-"Gij zijt een best meisje," zeide Tom. "Goedennacht, Louisa."
-
-Zij wenschte hem hartelijk een goedennacht en ging met hem naar de
-deur, waar men de fornuizen van Coketown kon zien, die den hemel in
-de verte met een rooden gloed kleurden. Zij bleef daar staan, strak
-naar dat licht starende en naar zijne voetstappen luisterende. Zij
-verwijderden zich snel, alsof hij blijde was dat hij Stone Lodge
-achter den rug had; en zij bleef nog daar staan toen zij niets meer
-hoorde. Het scheen alsof zij, eerst in het vuur in haar eigen huis, en
-toen in den vurigen nevel in de verte, poogde te ontdekken, welk soort
-van webbe de oude Tijd, de grootste en langst gevestigde fabrikant van
-allen wel weven zou van de draden, die hij reeds tot eene volwassene
-vrouw gesponnen had. Maar zijne fabriek is eene geheime plaats,
-zijn werk maakt geen gerucht en zijne arbeiders zijn stom.
-
-
-
-
-
-
-
-XV.
-
-VADER EN DOCHTER.
-
-
-Hoewel mijnheer Gradgrind niet naar Blauwbaard aardde, had men zijne
-kamer toch wel de blauwe kamer mogen noemen, zulk eene menigte van
-blauwe boeken (de welbekende Parlements-rapporten met hunne blauwe
-omslagen) lag daar altijd voor de hand. Wat deze blauwe boeken maar
-konden bewijzen (en gewoonlijk is dit al wat men maar wil), bewezen zij
-daar in een leger, dat gedurig door de aankomst van nieuwe recruten
-werd versterkt. In dat betooverde vertrek werden de ingewikkeldste
-maatschappelijke quaestiën becijferd, tot juiste totale sommen gebracht
-en voorgoed afgedaan--als zij, die er in betrokken waren, het maar
-hadden willen gelooven. Alsof men een sterrenkundig observatorium
-zonder vensters had gemaakt, en de sterrenkundige daarbinnen het
-sterrenheelal enkel met pen, papier en inkt naar zijn zin in orde
-had gebracht, zoo behoefde mijnheer Gradgrind in zijn observatorium
-(en er zijn vele dergelijke) geen oog te werpen op de door elkander
-wemelende millioenen van menschelijke wezens om hem heen, maar kon
-al hunne aangelegenheden op een lei uitcijferen en al hunne tranen
-met een vochtig stukje spons wegvegen.
-
-Naar dit observatorium dus--een sombere kamer, met eene doodelijke
-statistieke klok er in, die elke seconde aftelde met een tik,
-alsof men op het deksel eener doodkist klopte--begaf zich Louisa op
-den bepaalden ochtend. Het venster zag naar Coketown uit; en toen
-zij zich aan de tafel van haar vader neerzette, zag zij de hooge
-schoorsteenen en de lange rookwimpels, die in de benevelde lucht
-zwaarmoedig voortkronkelden.
-
-"Lieve Louisa," zeide haar vader, "ik heb er u gisteren op voorbereid
-om mij uwe ernstige aandacht te verleenen onder het gesprek, dat wij nu
-met elkander zullen houden. Gij zijt zoo wel onderwezen, en gij doet,
-tot mijn genoegen, zooveel eer aan de opvoeding, die gij ontvangen
-hebt, dat ik het volste vertrouwen stel in uw gezond verstand. Gij
-zijt niet hartstochtelijk, gij zijt niet romanesk; gij zijt gewend om
-alles uit het onpartijdig en onbevooroordeeld oogpunt van redeneering
-te beschouwen. Uit dat oogpunt alleen, weet ik wel, dat gij datgene,
-wat ik u nu ga mededeelen, zult beschouwen en overwegen."
-
-Hij wachtte alsof hij gaarne had gewild dat zij iets zeide; maar zij
-sprak geen woord.
-
-"Louisa, kindlief, gij zijt het onderwerp van een huwelijksvoorstel,
-dat mij gedaan is."
-
-Wederom wachtte hij, en wederom antwoordde zij geen enkel
-woord. Dit verraste hem zoozeer, dat hij zachtjes herhaalde: "Een
-huwelijksvoorstel, kindlief." Waarop zij, zonder eenige zichtbare
-aandoening hoegenaamd, antwoordde:
-
-"Ik hoor u wel, vader. Ik luister met aandacht, dat verzeker ik u."
-
-"Wel!" zeide mijnheer Gradgrind, tot een glimlach overgaande,
-nadat hij een oogenblik verlegen had gestaan, "gij zijt nog minder
-hartstochtelijk dan ik verwacht had, Louisa. Of misschien zijt gij
-niet onvoorbereid op het bericht, dat ik belast ben u te geven?"
-
-"Dat kan ik niet zeggen, vader, eer ik het hoor. Voorbereid of niet,
-ik wensch het alles van u te hooren. Ik wensch het u te hooren
-uiteenzetten, vader."
-
-Hoe vreemd het luidde, mijnheer Gradgrind was op dit oogenblik niet zoo
-bedaard als zijne dochter. Hij nam een papiermes in de hand, draaide
-het om en om, legde het neer, nam het weer op, en moest het toen nog
-een poos bekijken, terwijl hij zich bedacht hoe hij zou voortgaan.
-
-"Wat gij zegt, Louisa, is volkomen redelijk en billijk. Ik heb op
-mij genomen u te doen weten, dat--dat mijnheer Bounderby mij kennis
-heeft gegeven, dat hij uwe ontwikkeling langen tijd met bijzondere
-belangstelling en genoegen heeft gadegeslagen, en lang gehoopt heeft,
-dat eindelijk de tijd zou komen, wanneer hij u zijne hand ten huwelijk
-zou kunnen aanbieden. Die tijd, dien hij zoolang, en voorzeker met
-groote standvastigheid, heeft afgewacht, is nu gekomen. Mijnheer
-Bounderby heeft mij zijn huwelijksvoorstel gedaan, en hij heeft
-mij verzocht het u mede te deelen en zijne hoop te kennen te geven,
-dat gij het in gunstige overweging zult nemen."
-
-Beiden zwegen--het tikken der doodelijk-statistieke klok klonk luid
-en hol--de rook in de verte dwarrelde woest en zwart.
-
-"Vader," zeide Louisa, "denkt gij, dat ik mijnheer Bounderby liefheb?"
-
-Mijnheer Gradgrind werd door deze onverwachte vraag zeer uit het
-veld geslagen.
-
-"Wel, mijn kind," antwoordde hij, "dat zou ik--waarlijk niet durven
-zeggen."
-
-"Vader," hervatte Louisa, met juist dezelfde stem als te voren,
-"eischt ge van mij, dat ik mijnheer Bounderby zal liefhebben?"
-
-"Neen, lieve Louisa, neen, ik eisch niets."
-
-"Vader," hernam zij weder, "eischt mijnheer Bounderby, dat ik hem
-zal liefhebben?"
-
-"Inderdaad, melieve," antwoordde mijnheer Gradgrind, "het is moeielijk
-die vraag te beantwoorden..."
-
-"Moeielijk om er ja of neen op te antwoorden, vader?"
-
-"Zeker, melieve, omdat" (hier was iets te demonstreeren en dit hielp
-hem weder op weg) "omdat het antwoord geheel afhangt, Louisa, van den
-zin waarin men die uitdrukking gebruikt. Nu doet mijnheer Bounderby u
-zooveel onrecht niet aan, en ook zich zelven niet, om iets romanesks
-of hersenschimmigs, of (ik gebruik die woorden als synoniemen)
-of sentimenteels van u te verlangen. Mijnheer Bounderby zou u met
-zeer weinig nut onder zijne oogen hebben zien opgroeien, indien hij
-zoo ver kon vergeten wat hij aan u, om niet te zeggen aan zijn eigen
-gezond verstand, verschuldigd is, om u op zulk een voet aan zich te
-willen verbinden. Derhalve zal misschien de uitdrukking zelve--ik
-geef u dit maar in bedenking, lieve--een weinig misplaatst wezen."
-
-"Welk woord zoudt ge mij raden, in plaats daarvan te gebruiken, vader?"
-
-"Wel, mijn lieve Louisa," zeide mijnheer Gradgrind, die zich nu
-geheel hersteld had, "daar ge mij dit vraagt, zou ik u raden om dit
-onderwerp eenvoudig in het licht van een tastbaar feit te beschouwen,
-gelijk ik u alle andere dingen heb leeren beschouwen. Onkundige en
-ijlhoofdige jongelieden mogen zulke onderwerpen met onwezenlijke
-hersenschimmen en andere ongerijmdheden, die geen werkelijk bestaan
-hebben, verdonkeren, maar het is geen compliment u te zeggen, dat gij
-beter weet. Wat zijn nu de feiten in dit geval? Gij zijt, wij zullen
-maar een rond getal nemen, twintig jaren oud; mijnheer Bounderby,
-wij nemen wederom maar een rond getal, is vijftig. Er bestaat eenige
-ongelijkheid in uwe jaren, maar in uwe positie en middelen bestaat
-deze ongelijkheid niet; integendeel, daarin past alles zeer wel bij
-elkander. Dan komt de vraag: Is zulk eene ongelijkheid genoegzaam, om
-een beletsel voor zulk een huwelijk uit te maken? Bij het beschouwen
-dezer vraag is het niet ongewichtig, de statistiek van het huwelijk,
-gelijk men die in Engeland en Wallis heeft opgemaakt, in overweging te
-nemen. Ik vind, wanneer ik de cijfers naga, dat een groot getal dezer
-huwelijken wordt aangegaan tusschen personen van zeer ongelijke jaren
-en dat bij meer dan drie vierden dezer voorbeelden de oudste der twee
-contracteerende partijen de bruidegom is. Het is opmerkelijk--daar het
-de uitgebreide heerschappij van dezen regel aantoont--dat de beste
-middelen van berekening, die ons nog door reizigers zijn geleverd,
-ook onder de inboorlingen der Engelsche bezittingen in Indië, in een
-aanzienlijk gedeelte van China, en bij de Kalmukken in Tartarije,
-dergelijke uitkomsten geven. De ongelijkheid, die ik vermeld heb,
-houdt dus bijna op eene onmogelijkheid te zijn, is om zoo te zeggen
-als verdwenen.
-
-"Wat raadt gij dan, vader," zeide Louisa, zonder dat hare strakke
-bedaardheid in het minst door die streelende uitkomsten werd geschokt,
-"dat ik in de plaats zal stellen voor de woorden, die ik zoo even
-heb gebruikt--voor die misplaatste uitdrukking?"
-
-"Louisa," antwoordde haar vader, "het komt mij voor, dat niets
-duidelijker kan wezen. Als gij u stiptelijk bij de feiten bepaalt,
-is het feitelijke, dat gij u zelve afvraagt, dit: Vraagt mijnheer
-Bounderby mij om hem te trouwen? Ja, dat doet bij. De eenige
-overblijvende vraag is dan: Zal ik hem trouwen? Mij dunkt, dat niets
-duidelijker kan zijn dan dit."
-
-"Zal ik hem trouwen?" herhaalde Louisa met groote bedaardheid.
-
-"Juist. En het is eene gerustheid voor mij, als uw vader, mijne lieve
-Louisa, te weten, dat gij die vraag niet in overweging gaat nemen
-met die dwaze aanwensels van denk- en levenswijze, die vele jonge
-vrouwen eigen zijn."
-
-"Neen, vader," antwoordde zij, "dat doe ik niet."
-
-"Ik laat u nu voor u zelve oordeelen," hervatte mijnheer Gradgrind. "Ik
-heb de zaak voorgesteld, gelijk zulke zaken gewoonlijk tusschen
-practische menschen voorgesteld worden; ik heb ze voorgesteld, gelijk
-de zaak tusschen uwe moeder en mij indertijd voorgesteld werd. Het
-overige, mijne lieve Louisa, staat aan u te beslissen."
-
-Van het begin af had zij hem strak zitten aanzien. Terwijl hij nu in
-zijn stoel achterover leunde en op zijne beurt zijne diepliggende
-oogen op haar vestigde, had hij misschien een weifelend oogenblik
-bij haar kunnen waarnemen, waarin zij eene aandrift gevoelde om zich
-aan zijne borst te werpen en het opgekropte vertrouwen van haar hart
-voor hem uit te storten. Maar om dit te zien, had hij zich met een
-sprong over de kunstmatige scheidsmuren moeten heenzetten, welke
-hij sedert vele jaren tusschen zich zelven en de fijne roerselen
-van het menschelijk gemoed, die alle rekenkunst teleurstellen, had
-opgericht. De scheidsmuren waren te veel en te hoog voor zulk een
-sprong. Hij zag het niet. Met zijn strak rekenaarsgezicht verhardde
-hij haar weder; en het oogenblik snelde voorbij en stortte in de
-peillooze diepte van het verledene, om zich te vermengen met al de
-verlorene gelegenheden, die daar verdronken liggen.
-
-Hare oogen van hem afwendende, zat zij zoo lang in stilte naar de stad
-te turen, dat hij eindelijk zeide: "Raadpleegt gij de schoorsteenen
-van de fabrieken te Coketown, Louisa?"
-
-"Daar schijnt niets te wezen dan trage, eentonige rook. En toch,
-wanneer de nacht komt, barst het vuur uit, vader," antwoordde zij,
-zich snel naar hem omkeerende.
-
-"Dat weet ik waarlijk wel, Louisa. Ik zie het toepasselijke van die
-aanmerking niet." Om hem recht te doen, hij deed het waarlijk niet.
-
-Zij wuifde even met hare hand, alsof zij daarmede van de zaak wilde
-afstappen, en wederom hare aandacht op hem vestigende, zeide zij:
-
-"Vader, ik heb dikwijls gedacht, dat het leven zeer kort is."
-
-Dit punt was zoo bepaald een der onderwerpen zijner studie, dat hij
-er dadelijk op inviel:
-
-"Het is kort zonder twijfel, melieve. Maar toch is het bewezen,
-dat de duur van het menschelijk leven over het algemeen in de
-laatste jaren verlengd is. De berekeningen van verschillende
-levensverzekerings-maatschappijen en kantoren van lijfrenten, onder
-andere cijfers, die niet kunnen missen, hebben dat feit bevestigd."
-
-"Ik spreek van mijn eigen leven, vader."
-
-"Ei zoo?" zeide mijnheer Gradgrind. "Maar ik zal u toch niet behoeven
-te zeggen, Louisa, dat dit beheerscht wordt door dezelfde wetten,
-die het leven in het algemeen beheerschen."
-
-"Zoolang het duurt, zou ik wenschen dat weinige te doen wat ik kan
-en waartoe ik geschikt ben. Wat maakt het uit?"
-
-Mijnheer Gradgrind scheen niet wel te weten hoe hij de vier laatste
-woorden moest verstaan, en antwoordde: "Hoe uitmaken? Wat uitmaken,
-kindlief?"
-
-"Mijnheer Bounderby," vervolgde zij op hare strakke, stroeve manier,
-zonder hierop te letten, "vraagt mij ten huwelijk. De vraag, die ik
-mij zelve te doen heb, is: Zal ik hem trouwen? Zoo is het, vader,
-niet waar? Gij hebt mij zoo gezegd, vader, hebt ge niet?"
-
-"Zekerlijk, kindlief."
-
-"Laat het dan zoo zijn. Daar het mijnheer Bounderby behaagt mij te
-nemen, ben ik genegen om zijn voorslag te aanvaarden. Zeg hem, vader,
-zoo spoedig als het u belieft, dat dit mijn antwoord was. Breng het
-hem woord voor woord over, als ge kunt, want ik had gaarne dat hij
-wist wat ik zeide."
-
-"Het is zeer goed, kindlief," antwoordde haar vader weltevreden,
-"zeer goed om nauwkeurig te zijn. Ik zal uw zeer gepast verzoek in
-acht nemen. Hebt gij eenig verlangen, mijn kind, wat den tijd van
-het huwelijk betreft?"
-
-"Neen, vader. Wat maakt dat uit!"
-
-Mijnheer Gradgrind had zijn stoel een weinig naderbij geschoven en
-haar bij de hand gevat; maar de herhaling dezer woorden scheen hem
-wanluidend in het oor te klinken. Hij zag haar met bevreemding aan,
-en haar nog steeds bij de hand houdende, zeide hij:
-
-"Louisa, ik heb het niet van belang geacht u ééne vraag te doen, omdat
-de mogelijkheid, die zij vooronderstelde, mij al te ver verwijderd
-voorkwam. Maar misschien behoor ik haar toch te doen. Hebt gij ooit
-in het geheim eenig ander voorstel aangenomen?"
-
-"Vader," antwoordde zij, bijna met verachting, "welk ander voorstel
-kon mij gedaan zijn? Wie heb ik gezien? Waar ben ik geweest? Welke
-ervaring heeft mijn hart gehad?"
-
-"Mijne lieve Louisa," hervatte mijnheer Gradgrind gerustgesteld en
-tevreden, "gij hebt gelijk, dat ge mij zoo terecht wijst. Ik wenschte
-alleen aan mijn plicht te voldoen."
-
-"Wat weet ik, vader," zeide Louisa op haar bedaarden toon, "van
-smaak en verbeelding, van verlangens en neigingen, van eene plaats
-in mijn gemoed, waar zulke beuzelachtige dingen konden aangekweekt
-zijn? Wanneer ben ik ooit vrij geweest van problema's, die men
-demonstreeren, en werkelijkheden, die men tasten kan?" Terwijl zij
-dit zeide, sloot zij onwillekeurig hare hand, alsof zij een tastbaar
-voorwerp greep, en opende ze weder langzaam, alsof zij er stof en
-asch uit liet vallen.
-
-"Zeer waar, kindlief, zeer waar," zeide haar uitnemend practische
-vader.
-
-"Wel, vader," vervolgde zij, "welk eene zonderlinge vraag dan om
-mij te doen! Zelfs de kinderlijke voorkeur, die ik gehoord heb dat
-bij kinderen gewoon is, heeft nooit hare onschuldige rustplaats in
-mijne borst gehad. Gij hebt zoo goed op mij gepast, dat ik nooit een
-kinderhart gehad heb. Gij hebt mij zoo goed onder tucht gehouden,
-dat ik nooit een kinderdroom heb gedroomd. Gij hebt zoo verstandig
-voor mij gezorgd, vader, dat ik, van mijne wieg af tot op dit uur,
-nooit kinderlijk geloof of kinderlijke vrees heb gekend."
-
-Mijnheer Gradgrind was opgetogen en aangedaan over den gelukkigen
-uitslag van zijn opvoedingsstelsel en deze getuigenis daarvan.
-
-"Mijne lieve Louisa," zeide hij, "gij beloont mij rijkelijk voor al
-mijne zorg. Geef mij een kus, meisjelief."
-
-Zijne dochter gaf hem een kus. En haar in zijne armen houdende,
-vervolgde hij:
-
-"Ik mag u nu verzekeren, mijn geliefkoosd kind, dat het verstandige
-besluit, waartoe gij gekomen zijt, mij gelukkig maakt. Mijnheer
-Bounderby is een uitstekend man: en welke kleine ongelijkheid men
-ook tusschen u kan vinden--indien er eenige bestaat--zij wordt meer
-dan opgewogen door de stemming, die uw gemoed heeft verkregen. Het
-is altijd mijn doel geweest u zoo op te voeden, dat gij, terwijl
-gij nog in uwe prille jeugd waart (als ik mij zoo mag uitdrukken)
-bijna stokoud zoudt wezen. Geef mij nog een kus, Louisa. En laten
-wij nu uwe moeder gaan opzoeken."
-
-Zij gingen naar het salon, waar de achtenswaardige dame, die van
-geene malligheid wist, volgens gewoonte op eene sofa lag, terwijl
-Sissy bij haar zat te werken. Toen zij binnenkwamen, gaf zij eenige
-flauwe teekenen van herleving, en weldra kwam het schemerachtige
-damesportret overeind.
-
-"Mevrouw Gradgrind," zeide haar echtgenoot, die met eenig ongeduld
-naar het volbrengen van dit kunststuk had gewacht, "laat ik u mevrouw
-Bounderby mogen presenteeren."
-
-"Zoo!" zeide mevrouw Gradgrind; "dus hebt gij het in orde gebracht? Nu,
-Louisa, ik hoop, dat gij eene goede gezondheid moogt houden; want als
-uw hoofd begint te splijten zoodra gij getrouwd zijt, gelijk met het
-mijne gebeurd is, kan ik u niet benijdenswaardig vinden, hoewel gij
-dat nu zeker doet, evenals alle meisjes. Evenwel, ik feliciteer u,
-kindlief,--en ik hoop, dat gij nu nut zult hebben van al uwe ologische
-studiën, dat doe ik. Ik moet u een felicitatie-kus geven, Louisa;
-maar raak mijn rechterschouder niet aan, want het is mij al den
-geheelen dag alsof er ik weet niet wat langs loopt. En nu, ziet ge,"
-vervolgde zij op een jammerenden toon, terwijl zij na den afloop
-der aandoenlijke plechtigheid hare shawls weder terecht schikte,
-"zal ik mij zelve nacht en dag, ochtend en avond moeten martelen,
-om te weten hoe ik hem zal moeten noemen!"
-
-"Mevrouw Gradgrind," zeide haar echtgenoot op plechtigen toon,
-"wat meent gij?"
-
-"Hoe ik hem zal moeten noemen, mijnheer Gradgrind, als hij met
-Louisa getrouwd is. Ik moet hem toch iets noemen. Het is onmogelijk,"
-vervolgde mevrouw Gradgrind, met eene mengeling van beleefdheid en
-wreveligheid, "hem gedurig aan te spreken en hem nooit een naam
-te geven. Ik kan hem geen Josiah noemen, want die naam is mij
-onuitstaanbaar. Gij zoudt niet van Joe willen hooren, dat weet ge
-zelf wel. Zal ik mijn eigen schoonzoon dan mijnheer moeten noemen? Ik
-geloof van neen, of de tijd moet gekomen zijn, dat ik als eene arme
-zieke door mijne betrekkingen vertrapt moet worden. Hoe zal ik hem
-dan moeten noemen?"
-
-Daar geen der aanwezigen in deze buitengewone verlegenheid eenigen
-raad had aan te bieden, liet mevrouw Gradgrind zich voorshands weder
-in hare levenloosheid verzinken, nadat zij bij het reeds gezegde nog
-het volgende codicil had gevoegd:
-
-"Wat de bruiloft betreft, Louisa, is al wat ik vraag--en dat vraag
-ik met eene hartklopping, die ik tot in mijne teenen voel--dat zij
-spoedig mag plaats hebben. Anders weet ik wel, dat zij weder een van
-die dingen zal zijn, waarvan ik nooit het einde zal hooren."
-
-Toen mijnheer Gradgrind zijne dochter als mevrouw Bounderby
-presenteerde, hief Sissy eensklaps haar hoofd op en zag Louisa met
-eene mengeling van aandoeningen aan--verwondering, medelijden, spijt
-en twijfel. Louisa had dit opgemerkt zonder haar aan te zien. Van
-dit oogenblik af was zij stug, koud en trotsch--hield zij Sissy op
-een afstand--en was voor deze geheel veranderd.
-
-
-
-
-
-
-
-XVI.
-
-MAN EN VROUW.
-
-
-De eerste ongerustheid, die mijnheer Bounderby kwelde, nadat hij zijn
-geluk had vernomen, was de noodzakelijkheid om dit geluk aan mevrouw
-Sparsit mede te deelen. Hij kon het met zich zelven niet eens worden
-hoe hij dit zou doen en welke gevolgen die stap zou kunnen hebben. Of
-zij oogenblikkelijk met pak en zak zou opbreken en naar Lady Scadgers
-gaan, of dat zij hardnekkig weigeren zou het huis te verlaten; of zij
-zou jammeren en schelden, schreien of uitvaren; of het haar het hart
-zou breken, dan of zij den spiegel zou stuk slaan; mijnheer Bounderby
-was niet in staat om er iets van te berekenen. Evenwel, daar het
-moest gedaan worden, bleef hem geene andere keus dan het maar te doen:
-en nadat hij verscheidene malen had beproefd een brief te schrijven
-en dit hem telkens mislukt was, besloot hij het mondeling te wagen.
-
-Onderweg naar huis, op den avond die tot dat gewichtig doel was
-uitgekozen, nam hij de voorzorg van bij een apotheker aan te gaan en
-een fleschje allersterkste spiritus te koopen. "Waarachtig," dacht
-mijnheer Bounderby, "als zij aan het flauwvallen verkiest te gaan,
-zal ik haar toch het vel van den neus branden." Doch, niettegenstaande
-hij zich aldus had gewapend, trad hij met eene alles behalve moedige
-houding zijn huis binnen, en verscheen voor het voorwerp van zijn
-vreesachtig wantrouwen met het voorkomen van een hond, die bewust is
-dat hij zoo pas uit de etenskast komt.
-
-"Goedenavond, mijnheer Bounderby."
-
-"Goedenavond, juffrouw, goedenavond."
-
-Hij schoof zijn stoel bij, en mevrouw Sparsit schoof den haren
-achteruit, als wilde zij zeggen: "Het is uw haard, mijnheer. Dat
-geef ik gewillig toe. Gij kunt hem geheel in beslag nemen, als het
-u zoo belieft."
-
-"Verhuis maar niet naar de noordpool, juffrouw," zeide mijnheer
-Bounderby.
-
-"Wel verplicht, mijnheer," antwoordde mevrouw Sparsit en schoof weder
-bij, hoewel niet zoo dicht als te voren.
-
-Mijnheer Bounderby bleef naar haar zitten kijken, terwijl zij met de
-punt eener scherpe, spitse schaar gaatjes in een lap kamerdoek stak,
-die op eene of andere onverklaarbare manier tot sieraad moest dienen;
-een werk, dat met de donkere oogen en den arendsneus in verband
-gebracht, aan een havik deed denken, die een klein vogeltje de oogen
-uitpikte. Zij vestigde zoozeer hare aandacht op deze bezigheid, dat
-er vele minuten verliepen eer zij van haar werk opkeek; toen zij dit
-eindelijk deed, verzocht mijnheer Bounderby, met eene zenuwachtige
-beweging van zijn hoofd, om hare opmerkzaamheid.
-
-"Mevrouw Sparsit," zeide mijnheer Bounderby, zijne handen in zijne
-zakken stekende, en zich met zijne rechterhand verzekerende of de kurk
-van het fleschje gemakkelijk losging. "Ik behoef u niet te zeggen,
-dat gij niet alleen eene geborene dame, maar ook eene drommels
-verstandige vrouw zijt."
-
-"Mijnheer," antwoordde de dame, "het is waarlijk de eerste maal niet,
-dat ge mij met dergelijke uitdrukkingen van uwe goede meening hebt
-vereerd."
-
-"Mevrouw Sparsit," hervatte mijnheer Bounderby. "Ik zal u eens doen
-verbazen."
-
-"Zoo, mijnheer?" antwoordde mevrouw Sparsit vragenderwijs en op den
-bedaardst mogelijken toon. Zij droeg gewoonlijk mofjes, en legde nu
-haar werk neer en streek die mofjes glad.
-
-"Juffrouw," vervolgde mijnheer Bounderby, "ik zal met Tom Gradgrind's
-dochter gaan trouwen."
-
-"Zoo, mijnheer?" antwoordde mevrouw Sparsit. "Dan hoop ik dat gij
-gelukkig zult wezen. Waarlijk, ik hoop, dat gij gelukkig zult wezen,
-mijnheer!" Zij zeide dit met zooveel nederbuigende goedheid en zooveel
-medelijden voor hem, dat mijnheer Bounderby--veel meer ontsteld,
-dan wanneer zij haar werkdoosje naar den spiegel had gesmeten, of op
-het haardkleedje was flauw gevallen--de kurk van het fleschje in zijn
-zak stijf vastduwde en dacht:
-
-"Dat drommelsche wijf! Wie zou gedacht hebben, dat zij het zóó zou
-opnemen?"
-
-"Ik wensch met al mijn hart, mijnheer," zeide mevrouw Sparsit, op
-een toon van hooge meerderheid (want zij scheen, hoe dan ook, in een
-oogenblik het recht te hebben verkregen om hem voortaan ten diepste
-te beklagen), "dat gij in alle opzichten zeer gelukkig zult zijn."
-
-"Wel, juffrouw," antwoordde mijnheer Bounderby, met zekere geraaktheid
-in zijn toon, die echter, hoewel zijns ondanks, aanmerkelijk lager
-werd; "ik ben u zeer verplicht. Ik hoop het ook."
-
-"Doet ge, mijnheer?" zeide mevrouw Sparsit met buitengemeene
-vriendelijkheid. "Maar dat is natuurlijk. Het spreekt vanzelf, dat
-gij het doet."
-
-Er volgde eene stilte, die voor mijnheer Bounderby zeer lastig
-was. Mevrouw Sparsit nam zeer bedaard haar werk weder op en liet
-nu en dan een kuchje hooren, waaruit de bewustheid van overmacht en
-goedertierenheid scheen te klinken.
-
-"Wel, juffrouw," hervatte mijnheer Bounderby, "onder deze
-omstandigheden verbeeld ik mij, dat het voor iemand van uw karakter
-niet aangenaam zou zijn om hier in huis te blijven, hoewel gij hier
-zeer welkom zoudt zijn."
-
-"O Heere, neen, mijnheer, daaraan zou ik nooit kunnen denken!"
-
-Mevrouw Sparsit schudde zeer deftig haar hoofd en veranderde het
-kuchje een weinig--nu zóó kuchende alsof de geest der profetie in
-haar opsteeg, maar liever gesmoord moest worden.
-
-"Evenwel, juffrouw," zeide mijnheer Bounderby, "er zijn aan het kantoor
-nog kamers open. Eene geborene dame daar tot huishoudster te hebben,
-zou eene soort van recommandatie zijn; en als dezelfde condities..."
-
-"Ik verzoek wel verschooning, mijnheer. Gij zijt zoo goed geweest mij
-te beloven, dat gij altijd de uitdrukking van jaarlijksch compliment
-zoudt bezigen."
-
-"Welnu dan, juffrouw, jaarlijksch compliment. Als hetzelfde
-jaarlijksche compliment u voldoende mocht zijn, dan zie ik geene
-reden waarom wij zouden scheiden, of gij moest dat willen."
-
-"Mijnheer," antwoordde mevrouw Sparsit, "dat is een voorstel, waarin
-ik uwe gewone manier van handelen herken; en als de positie, die ik
-aan het kantoor zal verkrijgen, zoodanig is, dat ik die kan aannemen
-zonder tot een lager trap in de maatschappij te dalen..."
-
-"O, dat spreekt vanzelf," zeide Bounderby. "Als het zoo niet was,
-juffrouw, denkt gij dan dat ik ze zou aanbieden aan eene dame, die
-in de kringen heeft verkeerd, waarin gij verkeerd hebt? Niet dat ik
-om zulke kringen geef, dat weet gij. Maar gij doet het wel."
-
-"Ge zijt zeer beleefd, mijnheer Bounderby."
-
-"Gij zult uwe eigene kamers hebben, en uwe steenkolen en kaarsen
-en dat alles, en gij zult eene meid hebben om u te bedienen, en een
-kantoorknecht, die in huis slaapt tot uwe veiligheid, en gij zult een
-leventje hebben, dat ik zoo vrij ben voor een heerlijk, gemakkelijk
-leventje te houden," zeide Bounderby.
-
-"Zeg niets meer, mijnheer," hervatte mevrouw Sparsit. "Als ik mijn
-post hier verlaat, zal ik niet bevrijd zijn van de noodzakelijkheid
-om het brood der afhankelijkheid te eten;" zij had wel mogen zeggen
-de bestellen der afhankelijkheid, want dat fijne gebak met eene
-lekkere bruine saus was haar geliefkoosd avondmaal; "en ik wilde dat
-liever uit uwe hand ontvangen, dan uit eene andere. Ik neem dus uw
-aanbod met dankbaarheid aan, mijnheer, en betuig u mijne oprechte
-erkentelijkheid voor uwe vroegere gunsten. En ik hoop, mijnheer,"
-zoo besloot zij op een deftig medelijdenden toon, "ik hoop hartelijk,
-dat Miss Gradgrind alles mag wezen wat gij verwacht en verdient!"
-
-Niets was verder in staat om mevrouw Sparsit uit deze stemming te
-brengen. Het was vruchteloos, dat mijnheer Bounderby snoefde of
-zich op zijne opvliegende manier liet gelden; mevrouw Sparsit had
-zich voorgenomen medelijden met hem te hebben als een ongelukkig
-slachtoffer. Zij was beleefd, oplettend, opgeruimd en gemoedelijk;
-maar hoe beleefder, oplettender, opgeruimder en gemoedelijker zij
-was, des te ongelukkiger slachtoffer was hij. Zij had zulk een teeder
-medelijden met zijn droevig lot, dat zijn groot rood gezicht in een
-koud zweet uitbrak als zij hem maar aanzag.
-
-Intusschen werd er bepaald, dat het huwelijk over acht weken zou
-worden voltrokken, en elken avond ging mijnheer Bounderby als
-erkend minnaar naar Stone Lodge. Zijne vrijage had den vorm van
-braceletten, en nam gedurende de bruidsdagen bij alle gelegenheden
-een fabriekmatig voorkomen aan. Er werden kleedjes gefabriceerd,
-kleinooden gefabriceerd, taarten en handschoenen gefabriceerd,
-huwelijksvoorwaarden gefabriceerd--een geheel assortiment van feiten
-deed het contract eene gepaste eer aan. De zaak was geheel prozaïsch
-van het begin tot het einde. De uren maakten geen van die rooskleurige
-kunstjes, welke dwaze poëten hun in zulke dagen hebben toegeschreven;
-en de klokken liepen, ook niet sneller of langzamer dan in ieder
-ander tijdperk. De statistieke tijdmeter in het observatorium van
-mijnheer Gradgrind bleef elke seconde, die geboren werd, met zijne
-gewone regelmatigheid op den kop tikken en begraven.
-
-Zoo kwam de dag, gelijk alle andere dagen komen voor menschen, die
-zich maar bij het gezond, verstand houden; en toen hij kwam, werden
-in de kerk met de geornamenteerde houten beenen Josiah Bounderby
-Esquire van Coketown, en Louisa, oudste dochter van Thomas Gradgrind
-Esquire van Stone Lodge, lid van het Parlement voor genoemde stad,
-met elkander getrouwd. En toen zij in den heiligen echt vereenigd
-waren, begaven zij zich naar Stone Lodge om te ontbijten.
-
-Er was bij die heilspellende gelegenheid een gezelschap van wel
-onderwezen lieden verzameld, die wisten waarvan alles wat zij te eten
-en te drinken kregen gemaakt was, en hoe het ingevoerd of uitgevoerd
-werd, in welke hoeveelheden én welke bodems, en of het inlandsch of
-buitenlandsch product was, en zoo voorts. De speelnootjes der bruid,
-zelfs tot aan de kleine Jane Gradgrind toe, hadden gevoeglijk met den
-vermaarden kleinen rekenmeester, die een jeugdig wonder van aangeboren
-rekentalent was, gepaard kunnen worden; en niemand van het gezelschap
-had eenige malligheid over zich.
-
-Na het déjeuné sprak de bruidegom de gasten met de volgende woorden
-aan:
-
-"Heeren en dames, ik ben Josiah Bounderby van Coketown. Daar gij
-mijne vrouw en mij de eer hebt bewezen van op onze gezondheid en geluk
-te drinken, vermeen ik u daarvoor te moeten dankzeggen; hoewel gij,
-die mij allen kent en weet wie ik ben, geene mooie redevoering zult
-verwachten van een man die, als hij een paal ziet, zegt: "dat is een
-paal," en als hij eene pomp ziet, zegt: "dat is eene pomp," en er niet
-toe te krijgen is om den paal eene pomp of de pomp een paal, of een van
-beide een tandenstoker te noemen. Als gij van morgen eene redevoering
-wilt hebben, mijn vriend en schoonvader, Tom Gradgrind, is lid van het
-Parlement, en dus weet gij waar gij terecht kunt komen. Ik ben uw man
-niet. Evenwel, als ik mij eenigszins onafhankelijk gevoel, wanneer ik
-vandaag deze tafel rondzie, en bedenk hoe weinig ik er aan dacht om Tom
-Gradgrind's dochter te trouwen, toen ik nog een havelooze straatjongen
-was, die nooit zijn gezicht waschte of het was op straat aan eene pomp,
-en dat niet meer dan eens om de veertien dagen, hoop ik dat men mij
-verontschuldigen zal. Ik hoop dus dat het u niet mishaagt, dat ik mij
-onafhankelijk gevoel; zoo ja, dan kan ik het niet helpen. Ik gevoel
-mij toch onafhankelijk. Nu heb ik er van gesproken, en gij hebt er van
-gesproken, dat ik vandaag met Tom Gradgrind's dochter ben getrouwd. Ik
-ben zeer blij, dat het zoo is. Het is lang mijn wensch geweest dat het
-eens zoo wezen zou. Ik heb hare opvoeding gadegeslagen, en ik geloof,
-dat zij mijner waardig is. Tegelijkertijd--om er maar geen doekjes
-om te winden--geloof ik, dat ook ik harer waardig ben. Ik dank u dus
-in ons beider naam voor de welwillendheid, die gij ons bewezen hebt,
-en de beste wensch, dien ik voor het ongetrouwde gedeelte van het
-aanwezige gezelschap kan uitbrengen, is deze: ik hoop, dat ieder
-ongetrouwd vrijer zulk eene goede vrouw mag vinden als ik gevonden
-heb. En ik hoop, dat elke ongetrouwde vrijster zulk een goed man mag
-vinden als mijne vrouw heeft gevonden."
-
-Kort na deze redevoering--want men zou een bruiloftstoertje naar
-Lyons doen, dewijl mijnheer Bounderby de gelegenheid wilde waarnemen,
-om te zien hoe de fabrieksarbeiders het in die streken maakten,
-en of zij ook met gouden lepels wilden gevoerd worden--begaf het
-gelukkige paar zich naar den spoorweg. Toen de bruid, voor de reis
-gekleed, de trap afkwam, vond zij Tom naar haar staan wachten, met
-een gloeiend rood gezicht, hetzij van aandoening of van den wijn,
-dien hij onder het déjeuné had gedronken.
-
-"Welk eene cordate meid zijt ge toch, en welk eene allerbeste zuster,
-Louisa!" fluisterde Tom.
-
-Zij sloot hem in hare armen, gelijk zij dien dag een wezen van veel
-beter aard in hare armen had moeten sluiten, en voor de eerste maal
-scheen hare strakke bedaardheid eenigszins geschokt te worden.
-
-"Oude Bounderby is al klaar," zeide Tom. "Het is tijd. Goedendag. Ik
-zal naar u staan uitkijken, als ge terugkomt. Zeg eens, lieve Louisa,
-is dat nu niet razend prettig!"
-
-
-
-
-
-
-
-
-TWEEDE BOEK, MAAIEN.
-
-
-XVII.
-
-KANTOORZAKEN.
-
-
-Een zonnige zomerdag. Zoo iets had men somtijds zelfs te Coketown.
-
-Bij zulk weder, op een afstand gezien, lag Coketown in een
-eigenaardigen damp verscholen, die voor de zonnestralen ondoordringbaar
-scheen. Men wist alleen dat de stad daar lag, omdat men wist dat
-er zonder stad niet zulk een vuile vlek op het vergezicht had
-kunnen zijn--een veeg van roet en rook, die ongeregeld nu naar den
-eenen, dan naar den anderen kant afdreef, nu eerzuchtig naar het
-hemelgewelf opsteeg, dan groezelig langs de aarde kroop, naarmate de
-wind aanwakkerde of verflauwde, of naar eene andere streek omliep;
-eene dichte, vormlooze dwarrelwolk, met flikkerende lichtstralen er
-dwars doorheen, die echter niets dan massa's van duisternis zichtbaar
-maakten.--Zóó deed Coketown zich op een afstand herkennen, al was er
-nog geen steen van te zien.
-
-Het verwonderlijkste was, dat de stad nog bestond. Zij was reeds zoo
-dikwijls geruïneerd, dat men zich moest verbazen, hoe zij zoovele
-schokken had doorgestaan. Zeker was er nooit brozer porselein dan dat,
-waarvan de fabrikanten van Coketown gemaakt waren. Men behoefde hen
-maar even aan te tasten, en zij vielen zoo gemakkelijk in stukken, dat
-men wel vermoeden kon dat zij vroeger al gekraakt waren. Zij werden
-geruïneerd, als men van hen vorderde dat zij de arbeidende kinderen
-naar school zouden zenden; zij werden geruïneerd als er inspecteurs
-werden aangesteld om toezicht in hunne fabrieken te houden; zij werden
-geruïneerd, wanneer zulke inspecteurs het voor twijfelachtig hielden of
-de eigenaars wel recht hadden om menschen tusschen hunne machinerie te
-laten klein-malen; zij werden geheel in den grond geboord, als men er
-een wenk van gaf, dat zij misschien niet altijd zooveel rook behoefden
-te maken. Behalve mijnheer Bounderby's gouden lepel, waaraan men in
-Coketown algemeen geloofde, was nog eene andere fictie daar zeer in
-zwang. Deze had den vorm van een dreigement. Wanneer een Coketowner
-fabrikant begreep, dat hij mishandeld werd--dat is te zeggen, wanneer
-men hem niet geheel en al zijn eigen weg liet gaan en er over sprak
-om hem voor de gevolgen van sommige zijner bedrijven verantwoordelijk
-te stellen--kwam hij steeds met het geduchte dreigement voor den dag,
-dat hij "veel liever al zijn eigendom in de zee wilde smijten." Dit had
-den minister van binnenlandsche zaken bij verschillende gelegenheden
-een doodschrik op het lijf gejaagd.
-
-Evenwel waren de Coketowners toch zoo vaderlandslievend, dat zij
-nog nooit hun eigendom in de zee hadden gesmeten, maar integendeel
-vriendelijk genoeg waren geweest om er zeer goed op te passen. Zoo lag
-daar nog de stad in gindschen damp; en zij werd al grooter en grooter.
-
-De straten waren op dien zomerdag heet en stofferig, en de zon was zoo
-helder, dat zij zelfs door den dikken nevel, die over Coketown hing,
-heen scheen en men haar niet strak kon aanzien. De stokers kwamen
-uit lage deuren onder den grond de fabriekwerven op, en zaten op
-trappen, palen en staketsels hunne zwarte gezichten af te vegen en
-naar de hoopen steenkool te turen. De geheele stad scheen in olie te
-braden. Overal heerschte een verstikkende reuk van heete olie. De
-stoommachines blonken er van, de kleederen der arbeiders waren er
-mede besmeerd, en door al de talrijke verdiepingen der fabriekgebouwen
-sijpelde en druppelde zij heen. De dampkring dier Tooverpaleizen geleek
-naar den adem van den Simoum; en hunne bewoners, smeltende van hitte,
-sloofden in de woestijn kwijnend voort. Doch geen warmtegraad maakte
-de zwaarmoedige olifanten razender of stiller. Hunne vervelende koppen
-gingen, in warm en koud, in nat en droog, in fraai en slecht weder,
-op dezelfde maat op en neer. De afgemetene beweging hunner schaduwen op
-de muren was het surrogaat, dat Coketown voor de schaduw van ritselende
-boschjes kon vertoonen; terwijl het voor het zomergegons der insecten,
-het geheele jaar door, van den dageraad van maandag tot den avond
-van zaterdag, het snorren van spillen en raderen kon aanbieden.
-
-Droomerig snorden zij dien geheelen dag door, en maakten den
-voorbijganger nog warmer en slaperiger als hij de brommende muren
-der fabrieken genaakte. Zonneblinden en watersprenkelen verkoelden
-de voornaamste straten en winkels een weinig; maar de fabrieken,
-de steegjes en hofjes werden tot eene gloeihitte geblakerd. Op de
-rivier, zwart en dik van opgeloste stoffen, waren eenige jonge knapen
-aan het pleizier hebben--een zeldzaam gezicht aldaar--en roeiden eene
-wrakke boot voort, die een schuimachtig spoor op het water naliet,
-terwijl elke indompeling van een roeiriem een vuilen stank deed
-oprijzen. De zon zelve, hoe weldadig ook in het algemeen, was minder
-vriendelijk voor Coketown dan eene harde vorst, en tuurde zelden met
-aandacht in de dichtst bevolkte wijken, zonder meer dood dan leven
-voort te brengen. Zoo wordt het oog des Hemels zelfs een boos oog,
-wanneer er onbekwame of onreine handen worden gehouden tusschen dat
-oog en datgene, wat het met zijn blik wil zegenen.
-
-Mevrouw Sparsit zat in hare namiddagkamer in het kantoor, aan de
-schaduwzijde der bradende straat. De kantooruren waren voorbij, en op
-dien tijd van den dag vereerde zij meestal de bestuurskamer, boven het
-eigenlijke kantoor, met hare hoogst fatsoenlijke tegenwoordigheid. Hare
-eigene zitkamer was eene verdieping hooger en daar was zij elken
-morgen op haar observatiepost voor het venster, gereed om mijnheer
-Bounderby, als hij de straat overstapte, met het medelijdende knikje,
-dat een ongelukkig slachtoffer toekwam, te begroeten. Hij was nu een
-jaar getrouwd, en mevrouw Sparsit had hem nooit een oogenblik van
-haar vastberaden medelijden ontslagen.
-
-Het bankierskantoor van Bounderby en Comp. deed de heilzame
-eentonigheid der stad geen geweld aan. Het was insgelijks een van
-roode baksteenen gemetseld huis, met zwarte luiken van buiten,
-groene rolgordijnen van binnen, eene zwarte straatdeur met eene
-witte stoep van twee treden, een koperen naamplaatje en een koperen
-deurknop als een sluitteeken. Het was een soort grooter dan het
-woonhuis van mijnheer Bounderby, gelijk andere huizen van een tot
-zes soorten kleiner waren; in alle andere opzichten was het strikt
-volgens het patroon.
-
-Mevrouw Sparsit was er zich van bewust dat zij, door in den avond
-tusschen de lessenaars en het schrijfgereedschap te komen zitten,
-het kantoor eene vrouwelijke, om niet te zeggen aristocratische,
-elegantie mededeelde. Met haar naai--of knoopwerk bij het venster
-gezeten, streelde haar het gevoel, dat zij door hare damesachtige
-houding het onbehaaglijk kantoorachtige voorkomen van het vertrek veel
-verbeterde. Met deze bewustheid van haar veredelenden invloed, hield
-zij zich zelve eenigermate voor de Fee van het kantoor. De lieden uit
-de stad, die haar in het voorbijgaan zagen zitten, beschouwden haar
-als den draak van het kantoor, die de wacht hield over de schatten
-der mijn.
-
-Waarin die schatten bestonden, wist mevrouw Sparsit evenmin als
-deze voorbijgangers. Gouden en zilveren munt, kostbare papieren,
-geheimen die, als zij ontdekt werden, zekere onbestemde personen
-(maar zij dacht meestal aan menschen die haar mishaagden) met een
-onbestemd ongeluk zouden overstelpen, waren de voornaamste artikelen
-op hare denkbeeldige lijst daarvan. Voor het overige wist zij, dat
-zij na den kantoortijd de opperheerschappij over alle kantoormeubelen
-voerde, en ook over de geslotene ijzeren kamer met drie sloten, tegen
-welker deur de kantoorlooper elken avond zijn hoofd neerlegde op een
-kermisbed, dat met het hanengekraai weder verdween. Verder was zij
-opperheerscheres over zekere gewelven in de kelderverdieping, die door
-een hekwerk met scherpe pennen van alle gemeenschap met de diefachtige
-wereld waren afgescheiden; en over de overblijfselen van het loopende
-kantoorwerk, bestaande uit inktspatten, afgesletene pennen, gebrokene
-ouwels en stukjes papier, zoo klein gescheurd dat zij er, als zij dit
-beproefde, niets van eenig aanbelang op kon ontcijferen. Eindelijk
-was zij voogdesse over een klein arsenaal van sabels en karabijnen,
-dreigend boven een der schoorsteenmantels opgehangen, en over die door
-de overlevering eerwaardige voorwerpen, welke de verbeelding nimmer van
-een rijk bankierskantoor kan afscheiden--eene rij brandemmers, dingen,
-die bij geene gelegenheid van eenig nut kunnen zijn, maar die men
-waarneemt dat op de meeste beschouwers een krachtigen moreelen invloed
-uitoefenen, bijna gelijk staande met dien van het gemunt metaal.
-
-Eene doove schoonmaakster en de kantoorlooper voltooiden het gebied
-van mevrouw Sparsit. Van de doove schoonmaakster zeide het gerucht dat
-zij rijk was; en jarenlang had onder de lagere klasse te Coketown de
-voorspelling rondgeloopen, dat zij eens op een avond, als het kantoor
-gesloten was, om haar geld zou vermoord worden. Men hield het er
-zelfs algemeen voor, dat haar tijd reeds om was en zij al voorlang
-had moeten ontsnappen; maar zij behield haar leven en haar post met
-eene koppigheid, die veel ergernis en teleurstelling veroorzaakte.
-
-Het theegoed van mevrouw Sparsit was juist voor haar gereed gezet op
-een nuffig tafeltje, met zijne drie pootjes in een zeer geaffecteerde
-houding, dat zij na den kantoortijd in het gezelschap der stugge,
-lange, met leer bekleede bestuurstafel inschoof, die het midden van
-het vertrek besloeg. De kantoorlooper plaatste het theeblad daarop,
-en drukte als bewijs van hulde zijne kneukels tegen zijn voorhoofd.
-
-"Dankje, Bitzer," zeide mevrouw Sparsit.
-
-"Ik bedank u, juffrouw," antwoordde de kantoorlooper, die er nog even
-flauw en kleurloos uitzag als toen hij voor het meisje Nommer Twintig
-eene definitie van een paard gaf.
-
-"Alles gesloten, Bitzer?" zeide mevrouw Sparsit.
-
-"Alles gesloten, juffrouw."
-
-"En wat nieuws is er vandaag?" hervatte mevrouw Sparsit, terwijl zij
-een kop thee voor zich inschonk. "Is er iets?"
-
-"Wel, juffrouw, ik kan niet zeggen dat ik iets bijzonders gehoord
-heb. Ons volkje is een slechte troep, juffrouw; maar dat is ongelukkig
-geen nieuws."
-
-"Wat zijn die onrustige kerels nu weer doende?" vroeg mevrouw Sparsit.
-
-"Zij gaan hun gang maar op de oude manier, juffrouw, maken
-vereenigingen en verbonden en beloven elkander bij te staan."
-
-"Het is zeer te beklagen," zeide mevrouw Sparsit, met eene strengheid,
-die haar arendsneus nog krommer en hare wenkbrauwen nog zwaarder
-deed worden, "dat de gezamenlijke meesters zulke vereenigingen van
-die klasse toelaten."
-
-"Ja, juffrouw," zeide Bitzer.
-
-"Daar zij zelven vereenigd zijn, moesten zij beletten dat er iemand
-als werkman aangenomen werd, die zich met iemand anders vereenigde,"
-zeide mevrouw Sparsit.
-
-"Dat hebben zij ook gedaan, juffrouw," antwoordde Bitzer; "maar het
-lukte niet heel goed."
-
-"Ik wil niet beweren, dat ik verstand van die zaken heb," zeide mevrouw
-Sparsit met deftigheid, "daar het lot mij door mijne geboorte in een
-geheel andere sfeer had geplaatst, en mijnheer Sparsit, als een Powler,
-insgelijks buiten den kring van zulke geschillen was. Ik weet alleen,
-dat die lieden tot rede gebracht moeten worden, en dat het hoog tijd
-is dat dit voor eens en voor altijd gedaan wordt."
-
-"Ja, juffrouw," antwoordde Bitzer, met een vertoon van grooten eerbied
-voor het gezag der orakelspreuken van mevrouw Sparsit. "Gij zoudt
-het iemand niet duidelijker kunnen doen begrijpen, juffrouw."
-
-Daar dit het gewone uur voor hem was, om een vertrouwelijk praatje met
-mevrouw Sparsit te hebben, en hij reeds aan hare oogen had gezien dat
-zij hem iets wilde vragen, hield hij zich eene poos bezig met linialen,
-inktkokers en zoo al meer in orde te schikken, terwijl de dame haar
-kop thee uitdronk en door het opene venster naar de straat keek.
-
-"Is het een drukke dag geweest, Bitzer?" vroeg mevrouw Sparsit.
-
-"Geen heel drukke dag, mevrouw. Zoo wat een gewone dag." Nu en dan
-liet hij zich het woord "mevrouw" in plaats van "juffrouw" ontglippen,
-als eene onwillekeurige erkentenis van het deftige voorkomen der dame
-en haar recht op eene eerbiedige bejegening.
-
-"De klerken," zeide mevrouw Sparsit, terwijl zij zorgvuldig een
-onmerkbaar broodkruimpje van haar linkermofje veegde, "zijn natuurlijk
-trouw en ijverig?"
-
-"Ja, juffrouw, dat schikt nogal. Met de gewone uitzondering."
-
-Hij bekleedde den vereerenden post van spion en aangever-generaal
-op het kantoor, voor welken vrijwilligen dienst hij met Kerstmis een
-douceur ontving, boven en behalve zijn wekelijksch loon. Hij was een
-buitengemeen schrander, berekenend en voorzichtig jonkman geworden,
-die onfeilbaar in de wereld zou vooruitkomen. Zijne opvoeding had zijn
-gemoed zoodanig onder bedwang gebracht, dat hij nu geene neigingen
-of hartstochten meer had. Al zijne bedrijven waren uitkomsten van
-de fijnste en koelste berekening; en het was niet zonder reden,
-dat mevrouw Sparsit gewoon was van hem te zeggen, dat zij nooit een
-jongmensch met vaster beginselen had gekend. Toen hij zich, na den
-dood van zijn vader, had verzekerd, dat zijne moeder te Coketown
-recht tot onderstand had, had deze uitmuntende jeugdige beoefenaar
-der staathuishoudkunde dat recht zoo krachtig voor haar doen gelden,
-dat zij sedert in een werkhuis was opgesloten. Het is echter niet
-te ontkennen, dat hij haar een half pond thee in het jaar toestond,
-hetgeen eene zwakheid van hem was; vooreerst omdat alle giften de
-onvermijdelijke strekking hebben om den ontvanger tot een bedelaar te
-maken, en ten tweede omdat het eenige, wat hij redelijkerwijze met die
-waar had kunnen doen, zou geweest zijn, ze voor zoo weinig mogelijk
-te koopen en voor zooveel als hij maar met mogelijkheid krijgen kon
-te verkoopen, daar het thans door zekere schrijvers duidelijk is
-bewezen, dat hierin de geheele plicht des menschen begrepen is--niet
-een gedeelte van des menschen plicht, maar het geheel.
-
-"Dat schikt nogal, juffrouw; met de gewone uitzondering," herhaalde
-Bitzer.
-
-"Ah ah!" zeide mevrouw Sparsit, schudde haar hoofd boven haar theekopje
-en nam toen een langen slok.
-
-"Mijnheer Thomas, juffrouw. Ik twijfel zeer aan mijnheer Thomas. Zijne
-manieren bevallen mij gansch niet."
-
-"Bitzer," zeide mevrouw Sparsit op een zeer nadrukkelijken toon,
-"weet gij niet wat ik u eens gezegd heb over het noemen van namen?"
-
-"Ik verzoek u verschooning, juffrouw. Het is waar dat gij mij
-gewaarschuwd hebt tegen het noemen van namen, en dat het ook het best
-is dit te vermijden."
-
-"Wees zoo goed om te bedenken, dat ik hier een post van vertrouwen
-bekleed," zeide mevrouw Sparsit zeer statelijk. "Ik heb hier een post
-van vertrouwen, Bitzer, onder mijnheer Bounderby. Hoe onwaarschijnlijk
-mijnheer Bounderby en ik zelf het zou gevonden hebben, dat hij mijn
-patroon zou worden, kan ik hem, die mij een jaarlijksch compliment
-maakt, niet anders dan in dat licht beschouwen. Ik heb van mijnheer
-Bounderby alle erkentenis van mijn maatschappelijken rang en mijne
-afkomst genoten, die ik met mogelijkheid kon verwachten--meer, veel
-meer zelfs. En daarom wil ik mijn patroon met nauwgezette stiptheid
-getrouw zijn. En ik houd het er niet voor, ik wil het er niet voor
-houden," zeide mevrouw Sparsit, die een zeer grooten voorraad van
-eer en zedelijkheid in magazijn had, "dat ik hem met nauwgezette
-stiptheid getrouw zou zijn, indien ik toeliet dat er onder dit dak
-namen genoemd worden, die ongelukkig--zeer ongelukkig--daaraan is
-niet te twijfelen--met den zijnen in betrekking staan."
-
-Bitzer drukte zijne kneukels nog eens tegen zijn voorhoofd en verzocht
-nog eens verschooning.
-
-"Neen, Bitzer," vervolgde mevrouw Sparsit, "zeg: "een persoon," en
-ik zal u aanhooren; maar als gij "mijnheer Thomas" zegt, moet gij
-mij verontschuldigen."
-
-"Met de gewone uitzondering, juffrouw," zeide Bitzer, den aangewezen
-uitweg inslaande, "van een persoon."
-
-"Ah-h!" mevrouw Sparsit herhaalde dien uitroep, en tevens haar
-hoofdschudden over haar kopje en den langen slok, alsof zij het
-gesprek weder opnam op het punt waar het gestoord was geworden.
-
-"Één persoon, juffrouw," zeide Bitzer, "is nooit geweest wat hij had
-moeten zijn, zoolang hij hier is. Hij is een losbandige knaap, een
-verkwister en een luiaard. Hij is zijn zout niet waard, juffrouw;
-en hij zou dat ook niet krijgen, als hij geene vriendin uit zijne
-familie aan het hof had, juffrouw."
-
-"Ah-h!" zeide mevrouw Sparsit, nogmaals treurig haar hoofd schuddende.
-
-"Ik hoop maar, juffrouw," vervolgde Bitzer, "dat die vriendin hem de
-middelen niet zal verschaffen om zoo voort te gaan. Anders, juffrouw,
-weten wij wel uit wiens zak dat geld komt."
-
-"Ah-h!" zuchtte mevrouw Sparsit alweder en schudde nogmaals treurig
-het hoofd.
-
-"Hij is te beklagen, juffrouw. De laatste persoon, dien ik meende,
-is te beklagen, juffrouw," zeide Bitzer.
-
-"Ja, Bitzer," antwoordde mevrouw Sparsit, "ik heb altijd zijne
-verblinding beklaagd--altijd."
-
-"Wat den eersten persoon betreft, juffrouw," zeide Bitzer, terwijl hij
-zijne stem liet dalen en naderbij kwam, "hij heeft zoo weinig overleg
-als iemand van de lieden hier in de stad. En gij weet wel hoe weinig
-overleg zij hebben. Niemand zou kunnen wenschen dat beter te weten,
-dan eene dame van uwe afkomst het weet."
-
-"Zij zouden wèl doen," antwoordde mevrouw Sparsit, "als zij aan u
-een voorbeeld namen, Bitzer."
-
-"Wel verplicht, juffrouw. Maar daar gij zoo goed zijt om van mij
-te spreken, zie mij dan eens aan, juffrouw. Ik heb al een weinigje
-opgespaard, juffrouw. Dat douceur, dat ik met Kerstmis krijg,
-juffrouw--ik raak er nooit aan. Zelfs mijn weekgeld verteer ik niet
-geheel, hoewel het niet hoog is, juffrouw. Waarom kunnen zij niet
-doen zooals ik gedaan heb, juffrouw? Wat de eene mensch kan doen,
-kan de ander ook."
-
-Dit behoorde insgelijks onder de fictiën van Coketown. Een
-kapitalist, die een halven schelling tot zestien duizend pond had
-doen aangroeien, veinsde zich altijd te verwonderen, waarom de zestig
-duizend fabriekarbeiders om hem heen dit ook niet deden, en rekende
-het elk van hen min of meer tot verwijt, dat ook hij dit kunststukje
-niet volbracht. "Wat ik gedaan heb, kunt gij ook doen. Waarom gaat
-gij dan niet heen en doet het?"
-
-"Wat hunne behoefte aan uitspanning betreft, juffrouw," hervatte
-Bitzer, "dat is maar onzin en gekheid. Ik heb geene behoefte aan
-uitspanningen; die heb ik nooit gehad, en zal ze nooit hebben; ik houd
-er niet eens van. En wat hunne vereenigingen aangaat, ik twijfel niet,
-of er zijn velen van hen, die door op elkander te letten en aan te
-geven, nu en dan eene kleinigheid, hetzij in geld of gunst, konden
-verdienen en zoo hun bestaan verbeteren. Waarom verbeteren zij het
-dan niet, juffrouw? Dat is de eerste zorg van een redelijk schepsel,
-en dat is het juist wat zij voorgeven te wenschen."
-
-"Ja, wèl voorgeven," zeide mevrouw Sparsit.
-
-"Onophoudelijk, juffrouw, zoodat wij er waarlijk een walging van
-krijgen, hooren wij hen van hunne vrouwen en kinderen spreken," zeide
-Bitzer. "Zie mij dan eens aan, juffrouw. Ik verlang niet naar vrouw
-en kinderen. En waarom doen zij het dan?"
-
-"Omdat zij onoverleggend zijn," antwoordde mevrouw Sparsit.
-
-"Ja, juffrouw," hervatte Bitzer, "daar zit het juist. Als zij meer
-overleg hadden en minder koppig waren, juffrouw, wat zouden zij dan
-doen? Zij zouden zeggen: terwijl mijn hoed--of terwijl mijne pet,
-al naar het uitkomt, juffrouw--mijn geheele huisgezin bedekt, heb
-ik er maar één den kost te geven, en dat is de persoon, dien ik het
-liefst den kost geef."
-
-"Juist," zeide mevrouw Sparsit en hapte in een gebakje.
-
-"Ik ben u wel verplicht, juffrouw," zeide Bitzer, wederom zijne
-kneukels tegen zijn voorhoofd duwende, tot dank voor de gunst van
-mevrouw Sparsit's leerzaam onderhoud. "Moet ge ook nog wat heet water
-hebben, juffrouw, of is er iets anders dat ik voor u kan halen?"
-
-"Op het oogenblik niet, Bitzer."
-
-"Wel verplicht, juffrouw. Ik zou u niet gaarne onder den maaltijd
-willen storen, juffrouw, vooral niet onder de thee, waarop ik weet dat
-gij bijzonder gesteld zijt," zeide Bitzer, zijn hals uitrekkende om
-van de plek waar hij stond op straat te zien; "maar ik zie daar een
-heer, die al eene poos voor het huis naar boven heeft staan kijken,
-en nu is hij de straat overgestoken alsof hij wilde aankloppen. Dat
-is hij zeker, die daar klopt, juffrouw."
-
-Hij stapte naar het venster, stak zijn hoofd daarbuiten, en nadat hij
-het weder had binnengehaald bevestigde hij zijne gissing met een: "Ja,
-juffrouw. Zoudt ge willen, dat die heer werd binnengelaten, juffrouw?"
-
-"Ik weet niet wie het zijn kan," antwoordde mevrouw Sparsit, haar
-mond afvegende en hare mofjes gladstrijkende.
-
-"Het is duidelijk een vreemdeling, juffrouw."
-
-"Wat een vreemdeling op dezen tijd van den avond aan het kantoor kan
-noodig hebben, of het moet om zaken zijn, waarvoor het toch te laat
-is, begrijp ik niet," zeide mevrouw Sparsit: "maar ik bekleed hier
-een post van vertrouwen, en ik zal mij nooit daaraan onttrekken. Als
-het een gedeelte van den plicht is, dien ik op mij heb genomen, om
-hem te spreken, dan zal ik met hem spreken. Doe gelijk gij zelf het
-best oordeelt, Bitzer."
-
-Hier herhaalde de vreemdeling, die de grootmoedige woorden van mevrouw
-Sparsit niet hooren kon, zijn kloppen met zooveel kracht, dat Bitzer
-naar beneden snelde om de deur te openen; terwijl mevrouw Sparsit de
-voorzorg nam van haar tafeltje met al wat er op stond in eene kast
-te bergen, en zich toen naar boven haastte, om, zoo het noodig was,
-met des te grooter deftigheid voor den dag te komen.
-
-"Met uw verlof, juffrouw, mijnheer zou u willen spreken," zeide
-Bitzer, met zijn oog voor het sleutelgat van mevrouw Sparsit's
-kamerdeur. Mevrouw Sparsit, die van deze tusschentijd gebruik
-gemaakt had om hare muts terecht te zetten, ging nu met klassieke
-gelaatstrekken weder de keldertrap af, en trad de bestuurskamer
-binnen in de houding eener Romeinsche matrone, die zich buiten de
-poort begeeft om met een aanrukkenden vijand te onderhandelen.
-
-Daar de vreemdeling naar het venster was gekuierd en nu onverschillig
-naar buiten keek, maakte deze statige intrede zeer weinig indruk
-op hem. Hij stond zoo koelbloedig als men zich maar verbeelden kan
-bij zich zelven te fluiten, met zijn hoed nog op het hoofd en zeker
-uitzicht van afmatting en lusteloosheid, gedeeltelijk een gevolg van
-de buitengewone warmte, gedeeltelijk van zijn buitengewoon fatsoen;
-want met een half oog kon men al zien dat hij een echte gentleman was,
-volkomen naar het laatste patroon gemaakt, wien alles verveelde en
-die aan even weinig geloofde als Lucifer zelf.
-
-"Ik hoor, mijnheer," zeide mevrouw Sparsit, "dat ge mij verlangt
-te spreken."
-
-"O, neem mij niet kwalijk," zeide hij, zich omkeerende en zijn hoed
-afnemende, "ik verzoek wel verschooning."
-
-"Hm!" dacht mevrouw Sparsit, terwijl zij eene statige buiging
-maakte. "Vijf en dertig, goed uitzicht, goed postuur, goede tanden,
-goede stem, welgemanierd, welgekleed, donker haar, levendige
-oogen." Dit alles merkte mevrouw Sparsit met hare vrouwelijke
-schranderheid op--gelijk de sultan die zijn hoofd in den emmer
-met water stak--in het oogenblikje terwijl zij dook en zich weder
-oprichtte.
-
-"Wees zoo goed om plaats te nemen, mijnheer," zeide mevrouw Sparsit.
-
-"Wel verplicht. Laat mij maar zoo staan." Hij zette een stoel voor
-haar, maar bleef zelf achteloos tegen de tafel staan leunen. "Ik heb
-mijn knecht aan het station gelaten om voor de bagage te zorgen--een
-bijzonder zware trein en een aantal koffers in den goederenwagen--en
-ben maar voortgewandeld om eens rond te kijken. Eene zonderlinge
-plaats, deze stad. Mag ik wel vragen of het hier altijd zoo zwart is?"
-
-"Doorgaans veel zwarter," antwoordde mevrouw Sparsit op hare niets
-vergoelijkende manier.
-
-"Is het mogelijk! Excuseer mij--gij zijt hier niet geboren zou
-ik denken?"
-
-"Neen, mijnheer," antwoordde mevrouw Sparsit. "Het is mijn geluk
-of mijn ongeluk geweest--ik weet niet hoe ik het noemen zal--om,
-eer ik weduwe werd, mij in een geheel anderen kring te bewegen. Mijn
-man was een Powler."
-
-"Neem mij niet kwalijk," zeide de vreemdeling; "was een..."
-
-"Een Powler," herhaalde mevrouw Sparsit.
-
-"Van de familie Powler?" zeide de vreemdeling, nadat hij een oogenblik
-had nagedacht. Mevrouw Sparsit gaf door een knikje hare toestemming
-te kennen, en de vreemdeling scheen een weinigje meer afgemat dan
-te voren.
-
-"Gij moet u hier zeer vervelen!" was de gevolgtrekking, die hij uit
-het ontvangen bericht opmaakte.
-
-"Ik ben de nederige dienares der omstandigheden, mijnheer," antwoordde
-mevrouw Sparsit, "en ik heb mij zelve sedert lang onderschikt aan de
-macht, die mijn leven bestuurt."
-
-"Zeer philosophisch," hernam de vreemdeling, "en zeer loffelijk
-en voorbeeldig en..." Het scheen hem niet de moeite waardig dit
-gezegde ten einde te brengen, en dus speelde hij verstrooid met zijn
-horlogeketting.
-
-"Mag ik zoo vrij zijn u te vragen, mijnheer," zeide mevrouw Sparsit,
-"waaraan ik de eer te danken heb van..."
-
-"Wel zeker," antwoordde de vreemdeling. "Zeer verplicht dat gij er mij
-aan herinnert. Ik heb een brief van introductie aan mijnheer Bounderby,
-den bankier, bij mij. Onder het wandelen door deze buitengemeen
-zwarte stad, terwijl men in mijn hotel het diner gereedmaakte, vroeg
-ik iemand wien ik ontmoette--een van de werklieden, die een stortbad
-van iets slibberigs scheen genomen te hebben, dat waarschijnlijk
-onder de materialen zal behooren..."
-
-Mevrouw Sparsit boog haar hoofd.
-
-"Waar mijnheer Bounderby, de bankier, woonde, en hij, waarschijnlijk
-niet beter wetende, wees mij naar het kantoor. Ik vermeen evenwel,
-dat mijnheer Bounderby niet woonachtig is in het gebouw, waar ik de
-eer heb deze opheldering aan te bieden."
-
-"Neen, mijnheer," antwoordde mevrouw Sparsit, "dat doet hij ook niet."
-
-"Wel verplicht. Ik had juist geen oogmerk om nu mijn brief te
-overhandigen, maar om den tijd te korten, kuierde ik toch maar eens
-naar het kantoor, en toen ik het geluk had van u voor dat venster te
-zien," en met eene lichte buiging wuifde hij even met de hand naar het
-venster, "eene dame van zulk een deftig en innemend voorkomen, begreep
-ik niet beter te kunnen doen dan de vrijheid te nemen van die dame
-te vragen, waar mijnheer Bounderby, de bankier, eigenlijk woont. En
-dit waag ik dus thans, met alle gepaste verontschuldigingen, te doen."
-
-De achteloosheid en onverschilligheid zijner manieren werden,
-naar het gevoelen van mevrouw Sparsit, genoegzaam vergoed door
-zekere ongedwongene galanterie, waarmede hij haar tegelijk zijne
-hulde bewees. Daar stond hij bij voorbeeld tegen de tafel te leunen,
-zoodat hij er bijna op zat, maar tegelijk boog hij zich zachtjes aan
-naar haar over, alsof hij eene aantrekkingskracht in haar erkende,
-die haar op hare manier bekoorlijk maakte.
-
-"Een bankierskantoor, dat weet ik, is altijd wantrouwig; officieel
-moet het dat ook zijn," vervolgde de vreemdeling, met eene losheid en
-vlugheid van spraak, die insgelijks innemend waren, en zijne woorden
-een klank gaven, alsof er iets veel meer verstandigs of geestigs in
-school dan inderdaad het geval was--hetgeen misschien eene schrandere
-vinding was van den stichter dezer talrijke secte, wie die groote
-man dan ook mag zijn geweest--"en daarom mag ik wel aanmerken,
-dat mijn brief--hier is hij--van het Parlementslid voor deze stad
-komt--Gradgrind,--wien ik in Londen het genoegen heb van te kennen."
-
-Mevrouw Sparsit herkende de hand, zeide dat zulk eene bevestiging
-geheel onnoodig was, en gaf daarop het adres van mijnheer Bounderby
-met alle vereischte terechtwijzingen.
-
-"Duizendmaal dank," zeide de vreemdeling. "Natuurlijk zult gij den
-bankier zeer wel kennen?"
-
-"Ja, mijnheer," antwoordde mevrouw Sparsit. "In mijne afhankelijke
-betrekking tot hem heb ik hem tien jaren lang gekend."
-
-"Eene gansche eeuwigheid! Ik meen, dat hij met Gradgrind's dochter
-getrouwd is?"
-
-"Ja, mijnheer, zeide mevrouw Sparsit, eensklaps hare tanden
-samenklemmende. "Hij heeft--die eer."
-
-"Die dame is eene groote philosofe, heeft men mij gezegd?"
-
-"Inderdaad, mijnheer," zeide mevrouw Sparsit. "Zou zij dat?"
-
-"Excuseer mijne onbescheidene nieuwsgierigheid," hervatte de
-vreemdeling, op een verzoenenden toon, die mevrouw Sparsit's
-wenkbrauwen deed ophelderen, "maar gij kent de familie en gij kent
-de wereld. Is die dame wezenlijk zoo geducht? Haar vader geeft haar
-den naam van zoo vervaarlijk verstandig, dat ik brand van verlangen
-om het rechte te weten. Is zij volkomen ongenaakbaar? Zoo knap, dat
-men er van versteld staat en voor terugschrikt? Ik zie wel, aan uw
-geheimzinnig lachje, dat gij zoo niet denkt. Gij hebt balsem in mijne
-angstige ziel gegoten. En nu hare jaren. Veertig? Vijf en dertig?"
-
-Mevrouw Sparsit begon hardop te lachen.
-
-"Nog half een kind," zeide zij. "Nog geen twintig toen zij trouwde."
-
-"Ik verzeker u op mijne eer, mevrouw Powler," zeide de vreemdeling,
-zich van de tafel losrukkende, waaraan hij eerst scheen vastgeplakt,
-"dat ik nooit in mijn leven zoo verbaasd ben geweest."
-
-Het scheen waarlijk een geweldigen indruk op hem te maken. Hij zag
-haar, die hem dit bericht had gegeven, ruim eene halve minuut lang aan,
-en scheen al dien tijd die verrassing voor zijn geest te hebben.
-
-"Ik verzeker u, mevrouw Powler," zeide hij toen zeer afgemat, "dat
-de gezegden van haar vader mij eene gerimpelde, steenharde rijpheid
-hadden doen verwachten. Ik ben u zeer verplicht, dat gij zulk eene
-ongerijmde vergissing hebt terecht gebracht. Ik bid u, verschoon
-mijne indringendheid. Duizendmaal dank. Goedenavond."
-
-Hij ging buigende heen; en mevrouw Sparsit, achter het venstergordijn
-verborgen, zag hem langzaam de straat aan den schaduwkant afkuieren,
-door alle voorbijgangers opgemerkt.
-
-"Wat denkt gij van dien heer, Bitzer?" zeide zij, toen de kantoorlooper
-kwam om het theegoed weg te halen.
-
-"Hij moet veel geld aan zijne kleeren besteden, juffrouw."
-
-"Dat moet erkend worden," zeide mevrouw Sparsit, "maar hij is ook
-keurig gekleed."
-
-"Ja, juffrouw, als dat het geld waard is."
-
-"Buitendien, juffrouw," hervatte Bitzer, terwijl hij de tafel wat
-opwreef; "hij ziet er mij uit alsof hij speelde."
-
-"Hazardspelen is onzedelijk," antwoordde mevrouw Sparsit.
-
-"Het is belachelijk, juffrouw," antwoordde Bitzer, "want de kansen
-zijn altijd ten nadeele der spelers."
-
-Hetzij de warmte mevrouw Sparsit hinderde, of wat er anders de reden
-van was, zij werkte dien avond niet. Zij zat nog voor het venster
-toen de zon achter den rook begon weg te zinken; zij zat nog voor het
-venster toen de rook gloeiend rood werd, toen hij zijne kleur weder
-verloor, en toen de duisternis langzaam uit den grond scheen op te
-rijzen en al hooger en hooger op te kruipen naar de daken der huizen,
-naar de kerktorens, naar de toppen der fabriekschoorsteenen en zoo
-tot aan de lucht. Zonder licht te laten brengen, bleef mevrouw Sparsit
-voor het venster zitten, met de handen in den schoot, en zonder veel
-op de geluiden van den avond te letten: het schreeuwen van jongens,
-het blaffen van honden, het rammelen van wagens, de voetstappen en
-stemmen van voorbijgangers, het schelle geroep van kooplieden op
-straat, het kletteren van houten overschoenen, toen het tijd werd
-dat deze voorbijkwamen, en eindelijk het opzetten der luiken voor de
-winkelvensters. Niet voordat de kantoorlooper haar kwam waarschuwen,
-dat haar eenvoudig avondmaal gereed stond, wekte mevrouw Sparsit zich
-zelve uit haar gepeins, en bracht zij hare zwarte wenkbrauwen--zoo
-gerimpeld alsof er een strijkijzer noodig zou zijn om ze weder glad
-te krijgen--naar boven.
-
-"O hoe zot!" zeide mevrouw Sparsit toen zij alleen aan haar soupertje
-zat. Wat zij eigenlijk meende zeide zij niet; zij kan toch bezwaarlijk
-hare bestellen gemeend hebben.
-
-
-
-
-
-
-
-XVIII.
-
-MIJNHEER JAMES HARTHOUSE.
-
-
-De partij van Gradgrind had helpers noodig om de Gratiën te
-vermoorden. Zij zocht overal recruten te werven; en waar kon
-zij gemakkelijker recruten vinden dan onder die overbeschaafde
-gentlemen, die, daar zij ontdekt hadden, dat alles even weinig--dat
-is niets--waardig is, daarom voor alles gereed waren?
-
-Bovendien hadden de edele geesten, die zich tot deze trotsche hoogte
-hadden verheven, iets aantrekkelijks voor velen uit de school van
-Gradgrind. Deze bewonderden die overbeschaafde gentlemen; zij hielden
-zich alsof zij het niet deden, maar het was toch zoo. Om hen na te
-bootsen, werden zij ook flauw en traag; zij kauwden hunne woorden
-evenals zij, en dischten met hetzelfde voorkomen van lustelooze
-onverschilligheid de beschimmelde portietjes staathuishoudkunde op,
-waarop zij hunne leerlingen onthaalden. Nooit voorheen had men op
-de wereld zulk een wonderlijk tweeslachtig ras gezien, als aldus
-werd voortgebracht.
-
-Onder de overbeschaafde gentlemen, die niet geheel tot de school
-van Gradgrind behoorden, was er een van goede familie en nog beter
-voorkomen, met een gelukkig talent voor het luimige, waarmede hij
-eens een ontzaglijken indruk op het Huis der Gemeenten had gemaakt,
-bij gelegenheid dat hij dit onthaalde op het verslag van een ongeluk
-op een spoorweg, uit zijn oogpunt en dat van den Raad van Toezicht
-beschouwd, waarbij de zorgvuldigste beambten, die men ooit gekend
-had, aangesteld door de onbekrompenste directie, waarvan men ooit
-had gehoord, geholpen door de fraaiste mechanische toestellen,
-die hem ooit had uitgevonden, alles gebezigd op de beste baan,
-die ooit was aangelegd, vijf menschen om hals geholpen en twee en
-dertig gekwetst hadden, door eene toevalligheid zonder welke het
-uitmuntende van het geheele stelsel eigenlijk incompleet zou zijn
-geweest. Onder de verslagenen was eene koe en onder de gevondene en
-ongeëigende voorwerpen eene weduwe-rouwmuts; en de achtingswaardige
-volksvertegenwoordiger had, door deze muts aan de koe op te zetten,
-den lachlust van het Huis (dat een fijn gevoel voor het luimige heeft)
-zoodanig geprikkeld, dat het niet meer ernstig van de lijkschouwing
-kon hooren spreken, en onder gelach en gejuich de spoorwegdirectie
-van alle verantwoording vrijsprak.
-
-Nu had deze heer een broeder van nog beter voorkomen dan hij, die eerst
-een proefje van het leven had genomen als kornet bij de dragonders, en
-het vervelend had gevonden, toen nog een proefje er van in het gevolg
-van een Engelsch minister buitenslands, en het weder vervelend had
-gevonden; toen naar Jeruzalem was gereisd en zich daar verveeld had;
-en toen met een jacht door de wereld had omgedwaald en zich overal had
-verveeld. Tegen dezen heer zeide het bovengemelde achtingswaardige
-en luimige Parlements-lid eens op een broederlijken toon: "Jem, er
-is goede kans onder de mannen van feiten en cijfers. Zij hebben nog
-helpers noodig. Waarom zoudt gij u niet door de statistiek in het
-Parlement laten brengen?" Jem, eenigszins ingenomen met het nieuwe
-van dit denkbeeld en zeer verlegen om eene verandering, was evenzeer
-gereed voor de statistiek als voor iets anders. Hij keek dus een paar
-boeken door, en zijn broeder bazuinde het uit onder de mannen van
-feiten en cijfers, en zeide: "Als gij voor de eene of andere plaats
-een jongen in het Parlement wilt brengen, die er knap uitziet en eene
-drommels mooie redevoering kan houden, neem dan mijn broeder Jem, want
-hij is uw man." Na eenige proefnemingen in openbare vergaderingen,
-werd Jem door mijnheer Gradgrind en een raad van politieke wijzen
-goedgekeurd, en men besloot hem naar Coketown te zenden, om zich
-daar en in den omtrek bekend te maken. Zoo kwam Jem aan den brief,
-dien hij den vorigen avond aan mevrouw Sparsit had laten zien en dien
-mevrouw Bounderby nu voor zich had, met het adres: "Josiah Bounderby,
-Esquire, Bankier te Coketown. Tot bijzondere introductie van James
-Harthouse, Esquire. Thomas Gradgrind."
-
-Binnen een uur na het ontvangen dezer dépêche en het kaartje van
-mijnheer James Harthouse, zette mijnheer Bounderby zijn hoed op en ging
-naar het hotel. Daar vond hij mijnheer Harthouse, die uit het venster
-stond te kijken, in zulk eene jammerlijk neerslachtige stemming,
-dat hij reeds half genegen was om maar van de zaak af te zien.
-
-"Mijn naam, mijnheer," zeide de binnenkomende, "is Josiah Bounderby
-van Coketown."
-
-Mijnheer James Harthouse was zeer verheugd (hoewel men het hem niet
-kon aanzien) over een genoegen, dat hij zoolang had verwacht.
-
-"Coketown, mijnheer," zeide Bounderby, zich stevig op een stoel
-zettende, "is de soort van plaats niet waaraan gij gewoon zijt. Als gij
-het mij dus wilt veroorloven--of hetzij gij wilt of niet, want ik ben
-een rondborstig man--zal ik er u iets van zeggen eer wij verder gaan."
-
-Mijnheer Harthouse zou verrukt wezen.
-
-"Houd u daar niet al te zeker van," zeide Bounderby. "Ik beloof het
-u niet. Vooreerst, gij ziet onzen rook. Die is eten en drinken voor
-ons. Hij is het gezondste ding op de wereld in alle opzichten en vooral
-voor de long. Als gij een van hen zijt, die willen dat wij hem zullen
-laten verteren, ben ik uw tegenstander. Wij zullen de bodems onzer
-stoomketels niet sneller gaan verslijten dan wij nu doen, voor alle
-sentimenteele kwezelpraat in Groot-Brittannië en Ierland."
-
-"Mijnheer Bounderby," antwoordde mijnheer Harthouse, "ik verzeker u,
-dat ik geheel en volkomen van uwe gedachten ben--volgens overtuiging."
-
-"Ik ben blij dit te hooren," zeide Bounderby. "Nu hebt gij ook zonder
-twijfel een boel hooren praten over het werk in onze fabrieken, niet
-waar? Heel goed! Ik zal u de zaak doen kennen gelijk zij is. Het is
-het pleizierigste werk, en het lichtste werk, en het best betaalde
-werk dat er bestaat. Nog meer dan dat; wij zouden de fabrieken zelven
-niet meer kunnen verbeteren, of wij zouden Smirnasche tapijten op
-den grond moeten leggen--en zóó ver zullen wij niet gaan."
-
-"Gij hebt volkomen gelijk, mijnheer Bounderby."
-
-"Ten laatste," zeide Bounderby, "wat onze arbeiders betreft. Er is
-geen hand in deze stad, mijnheer, man, vrouw of kind, of hij heeft
-maar één voornaam doel in het leven. Dat doel is, schildpadsoep, en
-wildbraad te eten en met een gouden lepel gevoerd te worden--maar geen
-van allen zullen zij ooit schildpadsoep en wildbraad eten of met een
-gouden lepel gevoerd worden, dat beloof ik u. En nu kent gij de stad."
-
-Mijnheer Harthouse betuigde, dat hij dit kort begrip der geheele
-quaestie van Coketown uiterst leerzaam had gevonden en er geheel door
-opgebeurd was.
-
-"Ja, ziet gij," hervatte Bounderby, "het ligt in mijn karakter, dat ik
-tot volle verstandhouding met iemand wil komen, vooral met een publiek
-persoon, als ik met hem kennis maak. Nu heb ik u nog maar één ding meer
-te zeggen, mijnheer Harthouse, eer ik u verzeker, van het genoegen,
-waarmede ik aan den aanbevelingsbrief van mijn vriend, Tom Gradgrind,
-zal beantwoorden. Gij moet u zelven niet bedriegen door u een oogenblik
-te verbeelden, dat ik een man van afkomst ben. Ik ben eene echte
-spruit van het janhagel, van het uitvaagsel der maatschappij."
-
-Indien iets nog Jem's belangstelling in mijnheer Bounderby had kunnen
-verhoogen, zou het dit zijn geweest--zoo zeide hij tenminste.
-
-"Zoo geven wij elkander dus op gelijken voet de hand," zeide
-Bounderby. "Ik zeg op gelijken voet, omdat ik, hoewel ik weet wat
-ik ben, en beter dan iemand zeggen kan hoe diep de modderpoel was
-waaruit ik mij heb omhoog gewerkt, even trotsch ben als gij. Ik
-ben even trotsch als gij. En nu ik mijne onafhankelijkheid op eene
-behoorlijke manier heb doen gelden, mag ik er toe overgaan om te
-vragen, hoe gij vaart, en ik hoop, dat ge tamelijk wel zijt."
-
-"Nog beter dan anders," gaf mijnheer Harthouse te verstaan, "door de
-gezonde lucht van Coketown," en mijnheer Bounderby nam dit antwoord
-zeer gunstig op.
-
-"Misschien weet gij," zeide hij, "of misschien weet gij niet, dat ik
-met Tom Gradgrind's dochter getrouwd ben. Indien gij niets beters te
-doen hebt dan eens met mij door de stad te wandelen, zal ik u gaarne
-bij Tom Gradgrind's dochter introduceeren."
-
-"Mijnheer Bounderby," antwoordde Jem, "gij voorkomt mijne dierbaarste
-wenschen."
-
-Zij gingen zonder meer te spreken op weg en mijnheer Bounderby
-geleidde zijn nieuwen bekende, die zoo sterk bij hem afstak, naar
-het huis van rooden baksteen, met de zwarte luiken van buiten, de
-groene rolgordijnen van binnen en de zwarte deur boven de witte
-stoep van twee treden; en in de voorkamer van dat huis trad hun
-weldra het zonderlingste vrouwelijk wezen te gemoet, dat mijnheer
-James Harthouse nog ooit gezien had. Zij was zoo gedwongen en toch
-zoo achteloos, zoo stroef en toch zoo wakker, zoo koel en trotsch en
-toch zoo pijnlijk beschaamd over de snoevende nederigheid van haar
-echtgenoot--waarvan zij huiverde alsof ieder blijk daarvan een slag
-of een dolksteek was--dat het waarnemen van zulk eene vrouw hem een
-geheel nieuwe aandoening gaf. Haar gezicht was niet minder opmerkelijk
-dan hare manieren. Hare trekken waren bevallig, maar hun natuurlijk
-spel werd onder zulk een strakheid bedwongen, dat het onmogelijk
-was de ware uitdrukking daarvan te raden. Volkomen onverschillig,
-geheel zeker van zich zelve, nooit verlegen, en toch nooit op haar
-gemak, naar het lichaam in gezelschap met hen, terwijl haar geest
-blijkbaar geheel alleen was, kon het hem vooralsnog niet baten,
-dat hij zijne scherpzinnigheid inspande om deze vrouw te begrijpen,
-want zij stelde alle scherpzinnigheid teleur.
-
-Van de vrouw des huizes wierp de vreemdeling een blik op het huis
-zelf. Geen stilzwijgend blijk van de aanwezigheid eener vrouw was in
-de kamer te bespeuren. Geen klein maar bevallig sieraad, geen aardig
-uitgedacht voorwerp tot gebruik of gemak duidde ergens haar invloed
-aan. Met brallenden rijkdom, maar zonder smaak gemeubileerd, evenmin
-vroolijk als gemakkelijk, staarde de kamer de aanwezigen aan, zonder
-door het minste spoor van eenige vrouwelijke bezigheid verlevendigd
-of verzacht te worden. Gelijk mijnheer Bounderby te midden zijner
-huisgoden stond, zoo besloegen die ongenadige godheden hare plaatsen
-om mijnheer Bounderby heen; zij waren elkander waardig en wel gepaard.
-
-"Dit, mijnheer," zeide Bounderby, "is mijne vrouw, mevrouw
-Bounderby. Tom Gradgrind's oudste dochter. Louisa, mijnheer James
-Harthouse. Mijnheer Harthouse heeft zich op de monsterrol van uw
-vader laten zetten. Als hij niet eerlang Tom Gradgrind's collega is,
-geloof ik dat wij toch weldra uit een van onze naburige steden van
-hem zullen hooren. Gij merkt wel op, mijnheer Harthouse, dat mijne
-vrouw jonger is dan ik. Ik weet niet wat zij bijzonders in mij gezien
-heeft om mij te trouwen; maar zij moet toch iets in mij gezien hebben,
-denk ik, of zij zou mij niet getrouwd hebben. Zij heeft een hoop
-kostbare kundigheden verzameld, mijnheer, politieke en andere. Als
-gij u spoedig in het een of ander op de hoogte wilt brengen, kan ik
-u geene betere raadgeefster aanraden dan Louisa Bounderby."
-
-Mijnheer Harthouse was overtuigd, dat hem geene meer beminnelijke
-raadgeefster kon worden aanbevolen, of eene waarvan hij zooveel kans
-had om te leeren.
-
-"Komaan," zeide zijn gastheer. "Als gij hier in complimenten wilt gaan
-handelen, zult ge wel voortkomen, want gij zult geene concurrentie
-vinden. Ik heb nooit gelegenheid gehad om complimenten te leeren,
-en ik versta de kunst niet om ze te maken. Om de waarheid te zeggen,
-ik veracht ze. Maar uwe opvoeding is geheel anders geweest dan de
-mijne; de mijne was er eene van stavast, dat zeg ik u. Gij zijt
-een gentleman, en ik wil mij daarvoor niet uitgeven. Ik ben Josiah
-Bounderby van Coketown, en dat is genoeg voor mij. Evenwel, schoon
-manieren en stand op mij geen indruk maken, mogen zij dat wel op Louisa
-Bounderby doen. Zij heeft mijne voordeelen niet gehad--nadeelen zoudt
-gij ze noemen, maar ik noem ze voordeelen--en dus zult gij uw kruit
-niet verspillen, dat durf ik wel zeggen."
-
-"Mijnheer Bounderby," zeide Jem, zich met een glimlach naar Louisa
-keerende, "is een edel ros in den natuurstaat, geheel vrij van het
-tuig der maatschappelijke vooroordeelen, waarin een knol gelijk ik
-moet loopen."
-
-"Gij hebt zeer veel achting voor mijnheer Bounderby," antwoordde zij
-koel, "en dat is niet meer dan natuurlijk."
-
-Voor iemand die zooveel van de wereld gezien had, was hij schandelijk
-uit het veld geslagen en dacht: "Hoe moet ik dat opvatten?"
-
-"Gij zult u, naar ik begrijp uit hetgeen mijnheer Bounderby gezegd
-heeft, aan den dienst van uw vaderland toewijden," zeide Louisa,
-nog voor hem staande waar zij het eerst was blijven staan--terwijl
-hare zelfbeheersching zonderling in strijd was met hare duidelijk
-zichtbare onrustigheid. "Gij hebt u voorgenomen om de natie den weg
-uit al hare moeielijkheden te wijzen."
-
-"Neen, mevrouw Bounderby, op mijne eer, dat niet," antwoordde hij
-lachende. "Ik wil bij u zoo iets niet voorwenden. Ik heb hier en daar
-het een en ander gezien, en ik heb bevonden dat alles even nietig is,
-gelijk iedereen gedaan heeft, hoewel sommigen het bekennen en anderen
-niet; ik zal nu in het Parlement pogen te komen als voorstander der
-meeningen van uw geachten vader, omdat ik inderdaad geene keus van
-meeningen heb, en deze dus even goed kan voorstaan als iets anders."
-
-"Hebt gij dan geene eigene meeningen?" zeide Louisa.
-
-"Ik heb zelfs de geringste voorkeur niet meer over. Ik verzeker u, dat
-ik aan geene meeningen hoegenaamd eenig gewicht hecht. Het gevolg der
-verscheidenheden der verveling, die ik ondergaan heb, is de overtuiging
-(of overtuiging moest een te krachtig woord zijn voor het flauwe
-gevoel dat de zaak mij inboezemt), dat het eene systeem van begrippen
-evenveel goed en evenveel kwaad zal doen als het andere. Er is eene
-Engelsche familie met een fraai Italiaansch motto; "Wat gebeuren moet
-zal gebeuren." Dat is de eenige waarheid, die nog leeft."
-
-Deze huichelachtige vertooning van eerlijkheid bij oneerlijkheid--eene
-zoo gevaarlijke, zoo doodelijke en zoo gewone ondeugd--scheen, naar hij
-opmerkte, een weinig gunstiger voor hem te stemmen. Hij vervolgde zijn
-voordeel door op zijn luchtigsten toon--een toon waaraan zij zooveel
-of zoo weinig beteekenis kon hechten als zij verkoos--te zeggen:
-"De partij, die alles, wat het ook zijn mag, met eene rij cijfers
-kan bewijzen, mevrouw Bounderby, komt mij voor de meeste grappen te
-beloven en iemand de meeste kans te geven. Ik ben er evenzeer aan
-gehecht alsof ik er aan geloofde. En wat zou ik met mogelijkheid meer
-kunnen doen, als ik er aan geloofde!"
-
-"Gij zijt al zeer zonderling in uwe politiek," zeide Louisa.
-
-"Ik verzoek wel verschooning; ik heb zelfs die verdienste niet. Wij
-zouden de grootste partij in den staat uitmaken, mevrouw Bounderby,
-dat verzeker ik u, als wij allen uit de door ons gekozene gelederen
-stapten en te zamen gemonsterd werden."
-
-Mijnheer Bounderby, die gevaar had geloopen door zijn stilzwijgen te
-barsten, viel er nu op in met een voorstel om het diner tot halfzeven
-uit te stellen en mijnheer James Harthouse intusschen eenige bezoeken
-te laten afleggen bij de notabiliteiten van Coketown en den omtrek. De
-bezoeken werden afgelegd, en door een voorzichtig gebruik van zijne
-in den laatsten tijd van buiten geleerde kundigheden kwam mijnheer
-James Harthouse er zegepralend doorheen, hoewel met een aanmerkelijken
-aanwas van verveling.
-
-Des avonds vond hij de tafel voor vier gedekt, hoewel zij slechts
-met hun drieën plaats namen. Dit was eene geschikte gelegenheid voor
-mijnheer Bounderby om uit te weiden over den smaak van den halven
-stuiver gestoofde paling, die hij, toen hij acht jaren oud was,
-op straat had gekocht, en ook over het slechte water, meer in 't
-bijzonder bestemd om de straat te begieten, waarmede hij dien maaltijd
-naar beneden had gespoeld. Onder de soep en de visch onthaalde hij
-zijn gast insgelijks op de berekening, dat hij, Bounderby, in zijne
-jeugd ten minste drie paarden, als rookworst of andere dingen vermomd,
-had opgegeten. Deze verhalen beantwoordde Jem nu en dan met een flauw
-"verrukkelijk!" en waarschijnlijk hadden zij hem doen besluiten om
-den volgenden ochtend weder naar Jeruzalem te gaan, indien hij minder
-nieuwsgierig ten opzichte van Louisa ware geweest.
-
-"Is er dan niets," dacht hij, haar aanziende, terwijl zij aan het
-hoofd der tafel zat, waar hare jeugdige gestalte, klein en tenger,
-maar gracieus, zich even bevallig als misplaatst vertoonde; "is er
-dan niets, dat eenige beweging in dat gezichtje kan brengen?"
-
-Ja, er was iets; daar kwam het, in eene onverwachte gedaante! Tom
-verscheen. Hare trekken veranderden toen de deur openging, en een
-heldere glimlach blonk op haar gelaat.
-
-Een schoone glimlach. Maar mijnheer James Harthouse zou er toch niet
-zooveel in gevonden hebben, als hij zich niet zoolang over haar
-strak gezicht had verwonderd. Zij stak hare hand uit--een fraai,
-zacht handje; en hare vingers sloten zich om die van haar broeder,
-alsof zij ze aan hare lippen had willen brengen.
-
-"Ha, ha!" dacht de gast. "Die hondsvot is het eenige schepsel waarom
-zij iets geeft. Zoo, zoo!"
-
-De hondsvot werd gepresenteerd en nam plaats. De benaming was hard,
-maar niet onverdiend.
-
-"Toen ik zoo oud was als gij, Tom," zeide Bounderby, "paste ik op
-mijn tijd, of ik kreeg geen eten."
-
-"Toen gij zoo oud waart als ik," antwoordde Tom, "hadt gij geene
-verwarde rekening terecht te brengen en u dan naderhand nog te
-kleeden."
-
-"Zwijg daar nu maar van," zeide Bounderby.
-
-"Wel, begin dan ook niet met mij," bromde Tom.
-
-"Mevrouw Bounderby," zeide Harthouse, die dit gemompel duidelijk
-hoorde, "uw broeders gezicht komt mij zeer bekend voor. Kan ik hem
-buitenslands hebben gezien? of aan eene openbare school misschien?"
-
-"Neen," antwoordde zij met zeer veel belangstelling, "hij is
-nooit buitenslands geweest, en hij is hier thuis opgevoed. Tom,
-lieve broeder, ik zeg daar aan mijnheer Harthouse, dat hij u niet
-buitenslands kan gezien hebben."
-
-"Nooit zulk een fortuintje gehad, mijnheer," zeide Tom.
-
-Er was weinig genoeg aan hem te zien om haar gezicht te doen
-ophelderen, want hij was lomp, stug en onvriendelijk in zijne manieren,
-zelfs voor haar. Des te grooter moest de eenzaamheid van haar hart
-zijn geweest, en hare behoefte om het aan iemand weg te schenken. "Des
-te meer is die hondsvot het eenige schepsel, waarom zij ooit gegeven
-heeft," dacht mijnheer James Harthouse, al mijmerende, "des te meer,
-des te meer."
-
-Zoowel in het bijzijn zijner zuster, als nadat zij de kamer verlaten
-had, gaf de hondsvot zich geene moeite om zijne minachting voor
-mijnheer Bounderby te verbergen, wanneer hij die, zonder dat dit
-onafhankelijk personage het opmerkte, kon aan den dag leggen door
-een scheef gezicht te trekken of met een oog te knippen. Zonder
-deze telegrafische mededeelingen te beantwoorden, moedigde mijnheer
-Harthouse hem echter in den loop van den avond zooveel mogelijk aan
-en toonde eene bijzondere ingenomenheid met hem.--Toen hij eindelijk
-opstond om weder naar zijn hotel te gaan en eenigen twijfel te kennen
-gaf, of hij bij den avond den weg wel zou weten te vinden, bood de
-hondsvot dadelijk zijn dienst als gids aan en ging met hem de straat
-op om hem daarheen te geleiden.
-
-
-
-
-
-
-
-XIX.
-
-DE HONDSVOT.
-
-
-Het was zeker opmerkelijk, dat een jong heer, die onder zulk een
-stelsel van onnatuurlijk bedwang was opgevoed, juist een huichelaar
-zou worden; maar toch was dit het geval met Tom. Het was zeker
-vreemd, dat een jong heer, die nooit vijf minuten lang aan zijn eigen
-bestuur was overgelaten, eindelijk geheel buiten staat zou zijn om
-zich zelven te besturen, maar zoo was het evenwel met Tom. Het was
-geheel onverklaarbaar, dat een jong heer, wiens verbeelding in de
-wieg was gesmoord, nog door het spook daarvan, in de gedaante eener
-grove zinnelijkheid zou worden lastig gevallen; maar zulk een monster
-was toch Tom.
-
-"Rookt gij?" zeide mijnheer James Harthouse, toen zij aan het hotel
-kwamen.
-
-"Dat zou ik denken," antwoordde Tom.
-
-Hij kon niet minder doen dan Tom boven verzoeken; en Tom kon niet
-minder doen dan met hem naar boven gaan. Onder den invloed van een
-verkoelenden drank, geschikt voor zulk een weder, maar niet zoo flauw
-als koel, en van fijner sigaren dan daar in de stad te koop waren,
-zat Tom spoedig en op zijn gemak aan zijn kant van de sofa, meer dan
-ooit genegen om zijn nieuwen vriend aan den anderen kant te bewonderen.
-
-Na een poosje gerookt te hebben, blies Tom den rook op zijde, om zijn
-vriend eens op te nemen.
-
-"Hij schijnt zich niets om zijne kleeren te bekreunen," dacht Tom,
-"en hoe heerlijk kleedt hij zich toch. Wat een gepoetste klant is hij!"
-
-Mijnheer James Harthouse, die toevallig den blik van Tom opving,
-merkte nu aan, dat hij niet dronk, en schonk zijn glas met achtelooze
-hand opnieuw vol.
-
-"Wel bedankt," zeide Tom. "Wel bedankt! Nu, mijnheer Harthouse, hoop
-ik, dat ge van avond omtrent uw bekomst van ouden Bounderby hebt
-gekregen." Terwijl Tom dit zeide, kneep hij zijn eene oog dicht en
-keek met het andere schalkachtig over den rand van zijn glas heen.
-
-"Een heel goede kerel, inderdaad," antwoordde mijnheer James Harthouse.
-
-"Ei zoo, vindt ge dat?" zeide Tom en kneep weder zijn oog dicht.
-
-Mijnheer James Harthouse glimlachte, stond van de sofa op, kuierde
-naar den schoorsteen en bleef met zijn rug tegen den mantel staan
-rooken. Zoo vlak voor Tom staande en op dezen neerziende, merkte
-hij aan:
-
-"Welk een comisch schoonbroeder zijt gij toch!"
-
-"Welk een comisch schoonbroeder is oude Bounderby, meent gij, naar
-ik denk," zeide Tom.
-
-"Ge zijt bijtend scherp, Tom," liet mijnheer James Harthouse hierop
-volgen.
-
-Er lag iets zoo streelends in, zoo goede vrienden met zulk een vest
-te wezen, door zulk eene stem Tom genoemd te worden, zoo spoedig op
-zulk een familiaren voet met zulk een bakkebaard te zijn, dat Tom
-ongemeen met zich zelven in zijn schik was.
-
-"Och, ik geef niet om ouden Bounderby, als ge dat meent," zeide
-hij. "Ik heb hem altijd ouden Bounderby genoemd als ik van hem sprak,
-en ik heb altijd op dezelfde manier over hem gedacht. Ik zal nu niet
-gaan beginnen met naar beleefde woorden te zoeken, als ik van ouden
-Bounderby spreek. Dat zou nu wat laat wezen."
-
-"Om mij behoeft ge niet te geven," hervatte James; "maar pas op als
-zijne vrouw er bij is, weet ge."
-
-"Zijne vrouw?" zeide Tom. "Mijne zuster Louisa? O ja!" Hij lachte en
-nam nog een slok van den verkoelenden drank.
-
-James Harthouse bleef op dezelfde plek en in dezelfde houding op zijn
-gemak zijne sigaar staan rooken en zag den hondsvot genoeglijk aan,
-alsof hij wist dat hij zelf een booze geest in de gedaante van een
-innemend gentleman was, die slechts over hem behoefde te zweven om
-hem te dwingen zijne geheele ziel aan hem over te geven. Het scheen
-te blijken, dat de hondsvot voor dien invloed zwichtte. Hij zag zijn
-makker eerst benepen, toen met bewondering, toen met onbeschaamde
-stoutheid aan, en trok zijn eene been op de sofa.
-
-"Mijne zuster Louisa?" zeide Tom. "Zij heeft nooit om Bounderby
-gegeven."
-
-"Dat is de verledene tijd, Tom," hervatte mijnheer James Harthouse,
-en sloeg met zijn pink de asch van zijne sigaar. "Wij zijn in den
-tegenwoordigen tijd."
-
-"Onzijdig werkwoord: niet om geven. Aantoonende wijs, tegenwoordige
-tijd. Eerste persoon enkelvoud, ik geef niet om hem; tweede persoon,
-gij geeft niet om hem; derde persoon, zij geeft niet om hem,"
-antwoordde Tom.
-
-"Aardig! Heel aardig!" zeide zijn vriend. "Maar gij meent het toch
-niet."
-
-"Of ik het meen!" riep Tom uit. "Op mijne eer! Wel, gij wilt mij toch
-niet zeggen, mijnheer Harthouse, dat gij werkelijk denkt, dat mijne
-zuster om ouden Bounderby geeft."
-
-"Lieve vriend," antwoordde James, "wat ben ik anders verplicht te
-denken, als ik twee getrouwde lieden vind, die tevreden en vergenoegd
-met elkander leven?"
-
-Tom had nu zijne beide beenen op de sofa. Indien zijn tweede been niet
-reeds daarop ware geweest, toen hij zoo "lieve vriend" genoemd werd,
-zou hij het in dit gewichtig oogenblik van het gesprek er op hebben
-getrokken. Daar hij het noodig gevoelde iets te doen, rekte hij zich
-meer in de lengte uit, liet zijn achterhoofd op den kant der sofa
-zinken, en zoo met eene matelooze affectatie van onbekommerdheid
-voortrookende, keerde hij zijn gemeen gezicht en zijne twee niet al
-te nuchtere oogen naar dat gelaat, dat zoo onverschillig en toch met
-zulk een machtigen invloed op hem neerzag.
-
-"Gij kent onzen oude, mijnheer Harthouse," zeide Tom, "en dus behoeft
-het u niet te verwonderen, dat Louisa met ouden Bounderby trouwde. Zij
-had nooit een vrijer gehad, en de oude stelde haar Bounderby voor,
-en toen nam zij hem."
-
-"Zeer gehoorzaam van uwe interessante zuster," zeide mijnheer James
-Harthouse.
-
-"Ja, maar zij zou zoo gehoorzaam niet zijn geweest, en het zou niet
-zoo gemakkelijk gegaan zijn," antwoordde de hondsvot, "als het niet
-om mij geweest ware."
-
-De verzoeker trok slechts zijne wenkbrauwen op, maar de hondsvot was
-genoodzaakt voort te gaan.
-
-"Ik overreedde haar," zeide hij met een zeer stichtelijk voorkomen van
-meerderheid. "Ik was bij ouden Bounderby op het kantoor geplakt--waar
-ik nooit had willen wezen--en ik wist wel, dat ik daar in moeite zou
-komen als zij ouden Bounderby den zak gaf; en zoo zeide ik haar wat
-ik van haar wenschte, en zij deed het. Zij zou alles voor mij gedaan
-hebben. Het was heel mooi van haar, niet waar?"
-
-"Het was verrukkelijk, Tom!"
-
-"Niet dat het voor haar van zooveel gewicht was als voor mij,"
-vervolgde Tom koeltjes, "omdat mijne vrijheid, mijn pleizier en
-misschien mijn vooruitkomen er van afhingen; zij had toch geen
-anderen vrijer, en thuisblijven was zoo goed als in de gevangenis
-zitten--vooral toen ik weg was. Het ware nog wat anders geweest als
-zij een anderen vrijer voor ouden Bounderby had laten loopen; maar
-het was toch goed van haar."
-
-"Het was heerlijk gedaan. En nu leeft zij weltevreden voort."
-
-"O," antwoordde Tom met eene mengeling van lof en minachting, "zij
-is een meisje. Een meisje kan zich overal in schikken. Zij heeft nu
-eene vaste positie en zij geeft er niet om. Dat leven is voor haar
-evengoed als ieder ander leven. Bovendien, al is Louisa een meisje,
-zij is toch geen gewoon meisje. Zij kan zich in zich zelve opsluiten
-en een uur achtereen zitten denken, gelijk ik haar dikwijls naar het
-vuur heb zien zitten kijken."
-
-"Zoo, zoo? Zij weet zich zelve dus bezig te houden," zeide Harthouse
-al rookende.
-
-"Niet zooveel als gij wel denken zoudt," antwoordde Tom, "want onze
-oude heeft haar met allerlei droge studiën laten volproppen. Dat is
-zijn systeem."
-
-"Hij heeft dus zijne dochter naar zijn eigen model gevormd," merkte
-Harthouse aan.
-
-"Zijne dochter? Ja, en iedereen dien hij maar kon. Hij heeft mij ook
-op die manier gevormd," zeide Tom.
-
-"Onmogelijk!"
-
-"Ja zeker," zeide Tom en schudde zijn hoofd. "Ik kan u zeggen, mijnheer
-Harthouse, dat ik, toen ik pas de deur uitkwam en naar ouden Bounderby
-ging, zoo droog was als een stokvisch en niet meer van het leven wist
-dan eene oester."
-
-"Kom, kom, Tom! Dat kan ik haast niet gelooven. Gekheid is gekheid."
-
-"Bij mijne ziel," zeide de hondsvot, "ik spreek in ernst. Dat doe ik
-waarlijk." Hij rookte een poosje met groote deftigheid en vervolgde
-toen met buitengemeene zelfvoldoening: "Ik heb sedert een beetje
-geleerd, dat ontken ik niet. Maar daarvoor heb ik zelf gezorgd;
-dat heb ik mijn vader niet te danken."
-
-"En uwe schrandere zuster?"
-
-"Mijne schrandere zuster is omtrent waar zij voorheen was. Zij placht
-mij te klagen dat zij niets had om zich bezig te houden, gelijk de
-andere meisjes hebben, en ik begrijp niet hoe zij dat sedert te boven
-is gekomen. Maar zij geeft daar niet om," voegde hij er scherpzinnig
-bij, en trok weder aan zijne sigaar. "Een meisje kan altijd haar tijd
-klein krijgen."
-
-"Toen ik gisteravond aan het kantoor aanging, om het adres van
-mijnheer Bounderby te vragen, vond ik daar eene oude dame, die eene
-bijzondere hoogachting voor uwe zuster scheen te koesteren," merkte
-mijnheer James Harthouse aan, terwijl hij het stompje van de sigaar,
-die hij opgerookt had, wegwierp.
-
-"Moeder Sparsit?" zeide Tom. "Wat, hebt gij haar al gezien?"
-
-Zijn vriend knikte. Tom nam zijne sigaar uit den mond, om zijn oog,
-dat eenigszins weerbarstig begon te worden, te beter te kunnen
-dichtknijpen, en eenige malen met zijn vinger tegen zijn neus te
-tikken.
-
-"Moeder Sparsit gevoelt voor Louisa veel meer dan achting, zou ik
-denken," zeide Tom. "Zeg liever: liefde en dankbaarheid. Moeder
-Sparsit heeft zelve nooit naar Bounderby gehengeld toen hij nog
-vrijgezel was. Wel neen!"
-
-Dit waren de laatste woorden, die de hondsvot sprak, eer hem eene
-duizeligheid en slaperigheid overvielen, die door eene volkomene
-vergetelheid werden gevolgd. Hij werd uit dezen laatsten toestand
-opgewekt door te droomen van een onaangenaam gevoel, alsof hij met
-eene laars werd geschopt, en tegelijk hoorde hij eene stem, die zeide:
-"Kom, het wordt laat. Maak je nu weg!"
-
-"Wel," zeide hij, van de sofa opkrabbelende, "dan zal ik afscheid
-van u moeten nemen. Zeg eens. Gij hebt heel goede sigaren, maar ze
-zijn wat al te licht."
-
-"Ja, ze zijn al te licht," antwoordde zijn gastheer.
-
-"Het is zot, zoo licht als ze zijn," zeide Tom. "Waar is de
-deur? Goedennacht."
-
-Hij had nog een zonderlingen droom van een knecht, die hem voorttrok
-door een nevel, welke, nadat hij hem vrij wat moeite had veroorzaakt,
-in zooverre optrok, dat hij de straat kon zien, waarop hij alleen was
-blijven staan. Toen ging hij tamelijk gemakkelijk naar huis, hoewel
-niet vrij van een gevoel, alsof zijn nieuwe vriend nog bij hem was
-en invloed op hem uitoefende--alsof hij nog hier of daar in dezelfde
-achtelooze houding stond te leunen en hem met denzelfden blik aanzag.
-
-De hondsvot ging naar huis en naar bed. Indien hij er eenige bewustheid
-van had gehad wat hij dien avond had gedaan, en wat minder van een
-hondsvot en wat meer van een broeder had gehad, zou hij misschien
-onderweg omgekeerd en naar de stinkende, zwart geverfde rivier geloopen
-zijn, om daarin voorgoed ter ruste te gaan en zijn hoofd voor altijd
-onder het gordijn van haar modderig water te verschuilen.
-
-
-
-
-
-
-
-XX.
-
-MANNEN EN BROEDERS.
-
-
-"O, mijne vrienden, gij werklieden van Coketown, die in het stof
-vertreden wordt! O, mijne vrienden en landgenooten, slaven eener
-dwingelandij, die u met ijzeren vuist verplettert! O, mijne vrienden,
-medemenschen, die met mij arbeidt en met mij lijdt! Ik zeg u, dat
-het uur gekomen is, waarin wij met elkander moeten pal staan als eene
-vereenigde macht, en de onderdrukkers tot stof vergruizen, die zich
-maar al te lang hebben vetgemest met den roof onzer huisgezinnen,
-met het zweet onzer aangezichten, met den arbeid onzer handen, met de
-kracht onzer spieren, met de heerlijke, door God geschonkene rechten
-der Menschheid en de heilige en eeuwige aanspraken der Broederschap!"
-
-"Goed zoo! Hoort, hoort, hoort! Hoera!" en andere dergelijke
-kreten rezen met luide stemmen op uit alle hoeken der volgepropte en
-stinkend benauwde zaal, waarin de redenaar, op eene stellage staande,
-zich van dezen en meer anderen wind en damp, dien hij in zich had,
-ontlastte. Hij had zich met zijn declameeren tot eene geweldige hitte
-gebracht, en was even schor als warm. Door onder eene flikkerende
-gasvlam uit alle macht te staan schreeuwen, zijne vuisten dicht te
-knijpen, zijn voorhoofd te fronsen, zijne tanden opeen te klemmen en
-met zijne armen te schermen, had hij zijne krachten zoozeer uitgeput,
-dat hij nu moest ophouden en om een glas water vragen.
-
-Terwijl hij daar stond en zijn vurig gezicht met eene teug water
-poogde te blusschen, was de vergelijking tusschen den redenaar en
-de menigte, die met aandachtige gezichten naar hem stond te turen,
-geweldig in zijn nadeel. Op de getuigenis der natuur afgaande, was
-hij door weinig meer, dan door de stellage, waarop hij stond, boven
-de massa verheven. In vele opzichten was hij beneden de lieden, die
-zijn gehoor uitmaakten. Hij was niet zoo eerlijk, niet zoo mannelijk,
-niet zoo welgezind; slimheid verving bij hem hunne eenvoudigheid,
-en hartstochtelijkheid hun degelijk gezond verstand. Met zijne bijna
-mismaakte gestalte, zijne hooge schouders, zijn overhangend voorhoofd,
-zijne trekken, waarin eene uitdrukking van wreveligheid tot eene
-gewoonte was geworden, stak hij, zelfs met zijne zwierige kleeding,
-ongunstig af bij de meerderheid zijner hoorders in hun eenvoudig
-werkpak. Zoo vreemd als het altijd is eene vergadering zich lijdzaam
-te zien onderwerpen aan de langdradigheid van een vervelenden en
-verwaanden redenaar, hetzij een lord of een ongetiteld burger,
-zóó diep beneden drie vierde zijner toehoorders in den poel zijner
-geesteloosheid verzonken, dat zij hem door geene menschelijke middelen
-tot hunne eigene intellectueele hoogte konden verheffen, was het zelfs
-bijzonder treurig en treffend, die menigte van ernstige aangezichten
-te zien, aan wier eerlijkheid over het geheel door geen bevoegd en
-onbevooroordeeld waarnemer kon getwijfeld worden, en die door zulk
-een leidsman tot zulk eene opgewondenheid werden gebracht.
-
-"Goed zoo! Hoort, hoort! Hoera!" Het vuur zoowel van aandacht als
-van wil, dat van al die aangezichten straalde, maakte ze tot een
-zeer indrukwekkend schouwspel. Hier was geene verveling, geene
-lusteloosheid, geene ijdele nieuwsgierigheid, geene van die vele
-trappen van onverschilligheid, welke men in alle andere vergaderingen
-ziet, voor een oogenblik zichtbaar. Dat ieder zijn toestand in
-een of ander opzicht erger vond dan die zijn moest; dat ieder zich
-verplicht achtte om zich met de anderen te vereenigen ten einde dien
-toestand te verbeteren; dat ieder gevoelde dat zijne eenige hoop
-daarin gelegen was, dat hij zich met de makkers, die hem omringden,
-verbond; en dat in dit geloof, het mocht dan het ware of onware zijn
-(ongelukkig was het toen het onware), die geheele menigte ernstig en
-oprecht was, dit had iedereen, die zich daar bevond en maar verkoos te
-zien wat er gebeurde, even duidelijk moeten wezen als de ongeverfde
-balken van den zolder en de gewitte muren van het vertrek. Ook had
-zulk een toeschouwer niet kunnen missen in zijn hart te gevoelen,
-dat deze lieden zelf door hunne dwalingen toonden, dat zij groote
-eigenschappen bezaten, vatbaar om tot het beste en gelukkigste doel
-te worden aangewend; en dat het voorgeven (op grond van algemeene
-beweringen, hoe stout en meesterachtig ook geuit), alsof zij geheel
-zonder reden en alleen uit hun eigen onredelijken wil dien dwaalweg
-opgingen, hetzelfde was, als te beweren dat er rook kon zijn zonder
-vuur, dood zonder geboorte, oogst zonder zaad, of iets wat het ook
-wezen mocht, dat uit niets voortkwam.
-
-Toen de redenaar zich verfrischt had, veegde hij zijn gerimpeld
-voorhoofd af, door er verscheidene malen van den linker- naar den
-rechterkant met zijn tot een kussentje opgevouwen zakdoek overheen
-te strijken, en spande toen al zijne verlevendigde krachten in om
-een hoonenden glimlach vol smaad en bitterheid voort te brengen.
-
-"Maar, mijne vrienden en broeders! Mannen en Engelschen, vertrapte
-werklieden van Coketown! Wat zullen wij zeggen van dien man, dien
-werkman--dat ik het noodig moet bevinden om dien roemrijken naam
-zoodanig te verguizen!--die, bij ondervinding bekend met het onrecht
-en het leed, dat gij te lijden hebt, gij, hoe ook miskend, de kracht
-en het merg van dit eiland, en die gehoord heeft hoe gij met eene
-edele en grootsche eenstemmigheid die dwingelanden zult doen beven,
-besloten hebt tot de fondsen van het Vereenigd Gezamenlijk Tribunaal
-bij te dragen, en u te houden aan de voorschriften, welke zij ook
-mogen zijn, door dat lichaam tot uw welzijn uitgevaardigd--wat,
-vraag ik u, zult gij zeggen van dien werkman, wien ik tot mijne
-spijt als zoodanig moet erkennen, die op zulk een tijd zijn post
-verlaat en zijne vlag verkoopt; die op zulk een tijd een verrader,
-een lafhartige en een afvallige wordt; die op zulk een tijd zich
-niet schaamt u de schandelijke en vernederende bekentenis te doen,
-dat hij op zichzelf wil blijven en niet een van de vereenigden zijn,
-die dapper voor de Vrijheid en het Recht pal staan?"
-
-De vergadering was op dit punt verdeeld. Er werd wel gebromd en
-gefloten, maar het algemeen gevoel van eer was veel te sterk om
-iemand ongehoord te veroordeelen. "Pas op, dat gij het recht
-hebt, Slackbridge."--"Laat hij voor den dag komen."--"Laten
-wij hem hooren!"--Zulke dingen werden van verschillende kanten
-geroepen. Eindelijk riep eene krachtige stem: "Is de man hier? Als de
-man hier is, Slackbridge, laten wij dan den man zelf hooren, in plaats
-van u," en dit voorstel werd met algemeene toejuiching ontvangen.
-
-Slackbridge, de redenaar, zag met een verdelgenden glimlach om zich
-heen, en zijne rechterhand op armslengte uitstekende (gelijk de
-manier van alle Slackbridge's is), om de bulderende zee te stillen,
-wachtte hij tot er eene diepe stilte was ontstaan.
-
-"O, mijne vrienden en medemenschen!" zeide Slackbridge toen, met
-geweldige verontwaardiging zijn hoofd schuddende, "ik verwonder mij
-niet, dat gij, de mishandelde zonen des arbeids, ongeloovig zijt aan
-het bestaan van zulk een man. Maar hij, die zijn geboorterecht voor een
-schotel moes verkocht, heeft bestaan, Judas Iscarioth heeft bestaan,
-Castlereagh heeft bestaan, en die man bestaat!"
-
-Nu volgde eene korte verwarring en een gedrang naar de stellage,
-daarmede eindigende, dat de man zelf naast den redenaar voor de
-vergadering stond. Hij was bleek en zijn gezicht duidde eenige
-ontroering aan, die vooral aan zijne lippen zichtbaar was; maar hij
-stond daar rustig, met de linkerhand aan de kin, wachtende om gehoord
-te worden. Er was een voorzitter om de handelingen der vergadering
-te besturen, en deze persoon nam nu de zaak in handen.
-
-"Mijne vrienden," zeide hij, "uit kracht van mijn post als uw
-president, verzoek ik onzen vriend Slackbridge, die in deze zaak
-misschien een weinigje al te ver gaat, om te gaan zitten, terwijl
-deze man, Stephen Blackpool, gehoord wordt. Gij allen kent dezen man,
-Stephen Blackpool. Gij kent hem sedert lang door zijne ongelukken en
-zijn goeden naam."
-
-Daarmede drukte de president hem hartelijk de hand en ging weder
-zitten. Slackbridge zette zich insgelijks en veegde zijn gloeiend
-voorhoofd af, altijd van den linker- naar den rechterkant en nooit
-andersom.
-
-"Mijne vrienden," begon Stephen, te midden eener doodsche stilte,
-"ik heb gehoord wat er van mij gezegd is, en het is waarschijnlijk,
-dat ik het niet verbeteren zal. Maar ik heb liever, dat gij de waarheid
-over mij zelven uit mijn eigen mond hoort, dan uit die van een ander,
-hoewel ik nooit voor zoovelen kon spreken zonder in de war te raken
-en verlegen te worden."
-
-Slackbridge schudde in zijne bitterheid zijn hoofd alsof hij het
-wilde afschudden.
-
-"Ik ben de eenige werkman in de fabriek van Bounderby, van al de
-werklieden daar, die niet tot de voorgestelde bepalingen toetreed. Ik
-kan er niet in toetreden. Mijne vrienden, ik twijfel of zij u eenig
-goed zullen doen. Denkelijk zullen zij u kwaaddoen."
-
-Slackbridge lachte, sloeg zijne armen over elkaar en zette met een
-gefronst voorhoofd een spottend gezicht.
-
-"Maar het is niet zoozeer daarom, dat ik er buiten blijf. Als dat
-alles was, zou ik wel met de anderen meedoen. Maar ik heb mijne
-redenen--mijne eigene redenen, ziet ge--die mij verhinderen; niet
-alleen nu, maar altijd--altijd--mijn leven lang."
-
-Slackbridge stond op, knarste op zijne tanden en plaatste zich met
-woeste gebaren naast hem.
-
-"O, mijne vrienden," riep hij uit, "wat anders dan dit heb ik u
-gezegd? O, mijne landgenooten, welke andere waarschuwing dan deze
-heb ik u gegeven? En hoe staat zulk eene lafhartigheid aan een man,
-op wien men weet dat ongelijke wetten zoo zwaar hebben gedrukt? O,
-gij Engelschen, ik vraag u, hoe staat zulk een verraad aan een van
-uw eigen volk, die aldus bewilligt in zijn eigen verderf en het uwe,
-en in dat van uwe kinderen en kindskinderen?"
-
-Sommigen applaudisseerden, anderen riepen "foei!" en "schande!" maar
-de meesten van het gehoor hielden zich stil. Zij zagen naar Stephen's
-uitgeteerd gelaat, nog roerender door de oprechte aandoening, die
-het vertoonde, en in de goedheid van hun hart waren zij meer bedroefd
-dan verontwaardigd.
-
-"Het ambacht van dezen afgevaardigde is het spreken," zeide
-Stephen. "Hij wordt er voor betaald en hij verstaat zijn werk. Laat
-hij er zich maar bij houden. Laat hij niet letten op alles wat ik te
-dragen heb gehad. Dat gaat hem niet aan. Dat gaat niemand aan dan mij."
-
-Er lag eene gepastheid, om niet te zeggen eene deftigheid in
-deze woorden, die zijne hoorders nog stiller en aandachtiger deed
-worden. Dezelfde krachtige stem riep: "Slackbridge, laat de man
-gehoord worden en houd je bek!" Toen werd alles verwonderlijk stil.
-
-"Mijne broeders," zeide Stephen, wiens zachte stem men duidelijk
-hoorde, "mijne medearbeiders--want dat zijt ge van mij, hoewel niet,
-zoover ik weet, van dezen afgevaardigde hier,--ik heb maar één woord
-te zeggen, en ik zou niet meer kunnen zeggen, al mocht ik spreken tot
-den jongsten dag. Ik weet wel wat ik voor mij heb. Ik weet wel, dat
-gij allen besloten hebt om niets meer te doen te hebben met iemand,
-die in deze zaak niet met u meedoet. Ik weet wel, als ik stervende aan
-den weg lag, zoudt gij het voor recht houden om mij als een vreemdeling
-voorbij te gaan. Maar ik moet er mij in schikken zooals het is."
-
-"Stephen Blackpool," zeide de president opstaande, "denk er nog eens
-over. Bedenk het nog eens, jongen, eer gij door alle oude vrienden
-wordt gemeden."
-
-Er volgde een algemeen gebrom, dat dezelfde beteekenis had, hoewel
-niemand een woord sprak. Aller oogen waren op Stephen gevestigd. Als
-hij van zijn besluit terugkwam, zou ieder een pak van het hart worden
-genomen. Hij zag om zich heen en gevoelde dat het zoo was. Geen zweem
-van gramschap tegen hen kwam in hem op; hij kende hen en doorzag hen,
-ver beneden hunne oppervlakkige zwakheden en wanbegrippen, gelijk
-niemand dan een makker kon doen.
-
-"Ik heb er over gedacht, meer dan een beetje, mijnheer. Ik kan
-eenvoudig niet toetreden. Ik moet den weg gaan, die voor mij ligt. Ik
-moet van allen hier afscheid nemen."
-
-Hij maakte een soort van afscheidsgebaar, door zijne armen op te
-houden, en bleef een oogenblik in die houding staan, niet sprekende
-voordat zij langzaam weder neerzakten.
-
-"Menig pleizierig woord hebben sommigen hier met mij gesproken;
-menig gezicht zie ik hier, dat ik het eerst gezien heb toen ik nog
-jong was en een lichter hart had dan nu. Ik heb nog nooit zoolang
-ik leef ongenoegen gehad met iemand van mijns gelijken; en God weet,
-het ongenoegen dat ik nu heb is mijne schuld niet. Gij hebt mij een
-verrader en zoo al meer genoemd--gij, wil ik zeggen," hierbij keerde
-hij zich naar Slackbridge, "maar het is gemakkelijker zoo iets ze
-zeggen, dan het te bewijzen. Laat het dus maar blijven."
-
-Hij had een paar schreden gedaan om zich van de stellage te
-verwijderen, toen hij zich iets herinnerde dat hij nog niet gezegd had,
-en daarom terugkwam.
-
-"Misschien," zeide hij, zijn gerimpeld gezicht langzaam heen en weder
-keerende, als wilde hij zijn geheel gehoor hoofd voor hoofd aanspreken;
-"misschien, als er over mijn geval gehandeld is, zal er een dreigement
-komen om het werk te staken, als men mij onder u laat werken. Ik hoop,
-dat ik sterven zal eer dat gebeurt, maar zoolang het niet gebeurt,
-zal ik in eenzaamheid onder u blijven werken--want waarlijk, ik moet
-dat doen, mijne vrienden, niet om u te sarren, maar om te leven. Ik
-heb niets dan mijn werk om van te leven; en waar kan ik heengaan, ik,
-die van klein kind af hier in Coketown heb gewerkt? Ik klaag er niet
-over, dat ik van nu af in den ban gedaan en niet meer aangezien word,
-maar ik hoop, dat men mij zal laten werken. Als er iets is, waarop
-ik recht heb, mijne vrienden, dan is het, geloof ik, dat."
-
-Er werd geen woord gesproken. Geen geluid werd in het geheele
-gebouw gehoord, behalve een zacht geschoffel langs het midden der
-zaal, waar de toehoorders een weinig opschoven, om een vrij pad te
-laten voor den man, met wien zij voortaan alle gemeenschap zouden
-verzaken. Niemand aanziende en langzaam voortstappende, met eene
-mengeling van nederigheid en standvastigheid, evenmin smeekend als
-uitdagend, ging oude Stephen, met al zijne rampen en bezwaren beladen,
-zijns weegs.
-
-Slackbridge, die, terwijl Stephen heenging, zijn oratorischen arm
-uitgestrekt had gehouden, alsof hij met oneindige bekommering en door
-een wonderbaar zedelijk vermogen de geweldige hartstochten der menigte
-in bedwang hield, aanvaardde nu de taak om de vergadering weder op te
-beuren. "Heeft niet de Romeinsche Brutus, mijne Britsche landgenooten,
-zijn zoon ter dood veroordeeld; en hebben niet de Spartaansche moeders,
-o mijne weldra zegevierende vrienden, hare vluchtende kinderen in de
-spitsen der vijandelijke zwaarden gedreven? Is het dan niet de heilige
-plicht der mannen van Coketown, met hunne voorvaderen voor zich, met
-eene bewonderende wereld in hun gezelschap en een nakomelingschap,
-die achter hen zal komen, de verraders uit de tenten te slingeren,
-die zij in eene heilige en Godgewijde zaak hebben opgeslagen? De winden
-des hemels antwoorden ja, en voeren dat ja naar het oosten en westen,
-het noorden en zuiden. En daarom driemaal hoera voor het Vereenigd
-Gemeenschappelijk Tribunaal!"
-
-Slackbridge speelde voor voorzanger en gaf de maat aan. De menigte
-van twijfelachtige gezichten (wier geweten eenigszins knaagde)
-verhelderde op dat geluid en stemde er mede in. Ieders bijzonder
-gevoel moest voor de algemeene zaak zwichten. Hoera! De zoldering
-dreunde nog van het gejuich toen de vergadering uiteenging.
-
-Zoo gemakkelijk kwam Stephen Blackpool tot het eenzaamste leven dat
-men bedenken kan, een leven van eenzaamheid onder eene menigte van
-gemeenzame bekenden. De vreemdeling in het land, die onder tienduizend
-gezichten naar een blik zoekt, welke den zijnen beantwoordt, en dien
-niet vindt, is nog in vroolijk gezelschap, vergeleken bij hem, die
-dagelijks tien afgewende gezichten voorbijgaat, welke voorheen de
-gezichten van vrienden waren. Zoo iets ondervond Stephen nu in ieder
-wakend oogenblik van zijn leven, aan zijn werk, op weg daarheen en
-naar huis, aan zijne deur, voor zijn venster en overal. Bij algemeene
-afspraak vermeed men zelfs dien kant der straat waarlangs hij gewoon
-was te gaan, en liet dezen, voor zoover de werklieden betrof, voor
-hem alleen over.
-
-Hij was vele jaren lang een stil, eenzelvig mensch geweest, die
-weinig met anderen verkeerde en gewoon was zijne eigene gedachten tot
-gezelschap te hebben. Hij had nooit te voren geweten, welke sterke
-behoefte er in zijn hart woonde aan het gedurig beantwoorden van een
-hoofdknik, een blik, een enkel woord, of welk eene onberekenbare mate
-van verademing door zulke geringe middelen hem droppel voor droppel in
-de ziel was gestort. Het was zelfs moeielijker dan hij voor mogelijk
-had gehouden, zijne verbanning van al zijne makkers, in zijn eigen
-geweten, van een ongegrond gevoel van schande en schaamte afgezonderd
-te houden.
-
-De eerste vier dagen zijner volharding waren zoo lang en drukkend,
-dat hij zich begon te ontzetten voor het uitzicht dat voor hem
-lag. Niet alleen had hij Rachel in al dien tijd niet gezien, maar
-hij had zelfs alle gelegenheid om haar te zien vermeden: want hoewel
-hij wist, dat het verbod zich niet eigenlijk tot de vrouwen, die in
-de fabrieken werkten, uitstrekte, bevond hij toch, dat sommige van
-die, met welke hij bekend was, voor hem veranderd waren, en vreesde
-hij met anderen de proef te nemen, terwijl hij beducht was, dat ook
-Rachel door hare gezellinnen mocht worden uitgebannen, indien men
-haar in zijn gezelschap zag. Zoo was hij dan die vier dagen lang
-geheel alleen geweest en had hij met niemand een woord gewisseld,
-toen hij des avonds, van zijn werk terugkomende, op straat door een
-jonkman werd aangesproken, die zich door zijne bijzondere lichte
-kleur onderscheidde.
-
-"Gij heet Blackpool, niet waar?" zeide de jonkman.
-
-Stephen kleurde toen hij er zich op betrapte, dat hij uit dankbaarheid
-voor die toespraak, of uithoofde van het onverwachte daarvan, of wel
-om beide redenen tegelijk, met zijn hoed in de hand stond. Hij hield
-zich alsof hij iets aan de voering deed en antwoordde: "Ja."
-
-"Gij zijt de werkman, dien zij in den ban gedaan hebben, naar ik
-meen?" zeide Bitzer, de jonkman met de lichte kleur.
-
-"Ja," antwoordde Stephen wederom.
-
-"Dat dacht ik wel, omdat zij zich allen van u schijnen af te
-houden. Mijnheer Bounderby wil u spreken. Gij weet zijn huis wel,
-niet waar?"
-
-"Ja," herhaalde Stephen.
-
-"Ga dan dadelijk daarheen, zult ge?" zeide Bitzer. "Ge wordt gewacht,
-en hebt de meid maar te zeggen, dat gij het zijt. Ik behoor tot het
-kantoor; als ge dus dadelijk zonder mij daarheen gaat--ik ben gezonden
-om u te halen--haalt gij mij eene wandeling uit."
-
-Stephen, die den anderen kant opging, keerde om en begaf zich, gelijk
-hem gelast was, naar het roode kasteel van den reus Bounderby.
-
-
-
-
-
-
-
-XXI.
-
-MANNEN EN MEESTERS.
-
-
-"Wel, Stephen," zeide Bounderby op zijne winderige manier, "wat heb
-ik gehoord? Wat hebben die pesten der maatschappij met u gedaan? Kom
-binnen en spreek op."
-
-Het was het salon, waar hij dus verzocht werd binnen te treden. De
-theetafel stond gereed, en mijnheer Bounderby's jeugdige vrouw, en
-haar broeder, en een groot heer uit Londen waren aanwezig. Voor al
-deze personen maakte Stephen eene buiging, sloot de deur en bleef
-met den hoed in de hand daarbij staan.
-
-"Dit is de man, van wien ik u zoo even gesproken heb, Harthouse,"
-zeide mijnheer Bounderby.
-
-De heer, tot wien hij het woord richtte en die met mevrouw Bounderby
-op de sofa zat te praten, stond op, zeide op een slependen toon:
-"Ei zoo!" en kuierde onverschillig en dralend naar het haardkleedje,
-waar mijnheer Bounderby stond.
-
-"Komaan," zeide Bounderby, "spreek nu maar op."
-
-Na de vier verloopene dagen klonk deze toespraak Stephen rauw en
-wanluidend in de ooren. Behalve dat zijn gewond gemoed daardoor onzacht
-werd aangetast, scheen men ook te onderstellen, dat hij werkelijk uit
-eigenbelang zijne makkers had verlaten, gelijk men hem verweten had.
-
-"Wat was het, mijnheer," zeide Stephen, "dat het u beliefde van mij
-te willen hebben?"
-
-"Wel, dat heb ik u gezegd," antwoordde Bounderby. "Spreek op als
-een man, daar gij een man zijt, en vertel ons van u zelven en die
-combinatie."
-
-"Met uw believen, mijnheer," zeide Stephen Blackpool, "ik heb er
-niets van te zeggen."
-
-Mijnheer Bounderby, die altijd meer of min naar den wind geleek en
-nu iets in zijn weg vond staan, begon er terstond tegen te blazen.
-
-"Zie nu eens hier, Harthouse," zeide hij, "daar hebt gij nu een van
-hen. Toen deze man vroeger eens hier was, heb ik hem gewaarschuwd
-voor de kwaadwillige vreemdelingen, die altijd rondloopen--en die,
-waar men ze vond, behoorden opgehangen te worden--en ik heb dien
-man toen gezegd, dat hij een verkeerden weg opging. Zoudt gij het nu
-gelooven, dat hij, hoewel zij hem zoo geteekend hebben, nog zulk een
-slaaf van hen is, dat hij bang is om zijn mond over hen open te doen!"
-
-"Ik heb gezegd, dat ik niets te zeggen had, mijnheer; niet dat ik
-bang was om mijn mond open te doen."
-
-"Zegt gij zoo? Ja, ik weet wel wat gij gezegd hebt, en nog meer; ik
-weet ook wat gij meent, begrijpt ge! Dat is waarachtig niet altijd
-hetzelfde. Dikwijls geheel iets anders. Gij moest ons liever maar
-zeggen, dat die kerel, Slackbridge, niet in de stad is om het werkvolk
-tot muiterij op te stoken; en dat hij geen volksleider van de echte
-soort, dat wil zeggen een doortrapte schobbejak is. Gij moest ons dat
-liever maar dadelijk zeggen; gij kunt mij toch niet bedriegen. Gij
-wilt ons dat immers zeggen? Waarom doet gij het dan niet?"
-
-"Het spijt mij evenzeer als u, mijnheer, als het volk slechte
-leidslieden heeft," antwoordde Stephen, zijn hoofd schuddende. "Zij
-nemen maar degenen, die zich voordoen. Misschien is het niet het
-kleinste van hunne ongelukken, dat zij geen betere kunnen krijgen."
-
-De wind begon onstuimig te worden.
-
-"Gij vindt dit zeker al tamelijk wel, Harthouse," zeide mijnheer
-Bounderby; "gij vindt dit zeker al vrij sterk. Gij zult wel zeggen,
-bij mijne ziel, dat is een aardig staaltje van de soort van lieden
-waarmede mijne vrienden moeten omspringen; maar dit is nog niemendal,
-mijnheer. Gij zult mij dien man eene vraag hooren doen. Zeg eens,
-mijnheer Blackpool,"--de wind stak al meer en meer op--"mag ik zoo
-vrij zijn van u te vragen hoe het komt, dat gij geweigerd hebt tot
-die combinatie toe te treden?"
-
-"Hoe het komt?"
-
-"Ja," zeide mijnheer Bounderby, met zijne duimen in de mouwen van zijn
-rok, terwijl hij met zijn hoofd knikte en zijne oogen dichtkneep, als
-ware het in vertrouwen tegen den muur aan den overkant, "hoe het komt."
-
-"Ik had er liever niet van willen spreken, mijnheer; maar daar gij het
-mij vraagt, en ik niet ongemanierd wil zijn, zal ik toch antwoorden:
-ik had mijn woord gegeven."
-
-"Niet aan mij, dat weet gij wel," zeide Bounderby. (Stormachtig weer,
-met bedrieglijke tusschenpoozen van kalmte, waarvan er nu juist
-een heerschte).
-
-"O neen, mijnheer, niet aan u."
-
-"Wat mij aangaat, alle betrekking tot mij heeft er volstrekt geen
-deel aan," zeide Bounderby, nog in vertrouwen tegen den muur. "Als
-het alleen om Josiah Bounderby van Coketown ware te doen geweest,
-hadt gij zeker medegedaan en er geen been in gevonden?"
-
-"Ja wel, mijnheer, dat is waar."
-
-"Ofschoon hij weet," zeide mijnheer Bounderby, nu in eene stormvlaag
-uitbarstende, "dat die kerels een troep rebellen en schelmen
-zijn, voor wie het nog te weinig zou zijn als zij gedeporteerd
-werden! Nu, mijnheer Harthouse, gij hebt eenigen tijd in de wereld
-rondgezworven. Hebt gij buiten dit gezegende land ooit iets gevonden,
-dat naar dien man geleek?" En mijnheer Bounderby wees naar hem met
-een van gramschap trillenden vinger.
-
-"Neen, mevrouw," zeide Stephen Blackpool, in manhaftig protest tegen
-de gebezigde woorden, en zich onwillekeurig tot Louisa richtende,
-nadat hij haar even in de oogen had gezien. "Geene rebellen of
-schelmen. Niets van dien aard, mevrouw, niets van dien aard. Zij
-hebben mij niet vriendelijk behandeld, mevrouw, dat weet en gevoel ik
-wel. Maar er zijn er geen twaalf onder hen, mevrouw--geen twaalf?--geen
-zes, of ieder gelooft dat hij zijn plicht heeft gedaan jegens de
-anderen en zich zelven. God verhoede dat ik, die al mijn leven deze
-menschen gekend heb en ondervinding van hen heb gehad--ik, die met
-hen gegeten en gedronken heb, en bij hen gezeten en met hen gewerkt
-en hen liefgehad heb, zou nalaten om de waarheid van hen te getuigen,
-al hadden zij mij nog zooveel kwaad gedaan."
-
-Hij sprak met den stroeven ernst van zijn stand en zijn karakter,
-misschien nog verhoogd door de trotsche bewustheid, dat hij zijne
-klasse, onder al haar wantrouwen, getrouw was gebleven; maar hij
-herinnerde zich volkomen waar hij was en verhief zelfs zijne stem niet.
-
-"Neen, mevrouw, neen. Zij zijn elkander trouw en zijn liefderijk
-voor elkander, zelfs tot in den dood. Wees onder hen arm, wees onder
-hen ziek, wees onder hen bedroefd, om een van de vele oorzaken, die
-den armen man droefenis in huis brengen, en zij zullen goed voor u
-zijn, zacht voor u zijn, troostrijk voor u zijn, christelijk voor u
-zijn. Daarvan kunt gij zeker wezen, mevrouw. Zij zouden aan stukken
-geplukt moeten worden, eer zij anders werden."
-
-"Kortom," zeide mijnheer Bounderby, "het is zeker omdat zij zoo vol
-deugden steken, dat zij u hebben weggejaagd. Ga er maar mede voort,
-nu gij er toch aan begonnen zijt. Spreek maar op."
-
-"Hoe het komt, mevrouw," hervatte Stephen, die nog zijne natuurlijke
-toevlucht in Louisa's gezicht scheen te vinden, "dat juist datgene,
-wat in onze lieden het beste is, het meest tot ons nadeel en ongeluk
-schijnt uit te loopen en ons het meest op een dwaalweg schijnt te
-brengen, weet ik niet. Maar het is zoo. Ik weet dat het zoo is,
-evengoed als ik weet, dat er een hemel boven mij is achter den
-rook. Wij zijn toch ook geduldig en willen over het geheel doen wat
-recht is. Ik kan niet denken, dat de schuld geheel bij ons ligt."
-
-"Nu, mijn vriend," zeide mijnheer Bounderby, wien Stephen niet méér
-had kunnen vertoornen, hoewel hij daarvan geheel onbewust was, dan door
-zich naar het scheen op iemand anders te beroepen, "als ge mij nu een
-halve minuut uwe aandacht wilt verleenen, heb ik een paar woorden met
-u te spreken. Gij hebt zoo even gezegd, dat gij ons niets over die zaak
-te zeggen hadt. Zijt ge daarvan geheel zeker, eer wij verder gaan?"
-
-"Ja, mijnheer, daarvan ben ik zeker."
-
-"Hier is een heer uit Londen,"--mijnheer Bounderby wees achterwaarts
-met zijn duim naar mijnheer James Harthouse--"een heer van het
-Parlement. Ik zou gaarne hebben, dat hij een kort gesprek tusschen u
-en mij aanhoorde, in plaats van den inhoud daarvan--ik weet al vooruit
-wat die zijn zal; niemand weet dat beter dan ik, onthoud dat wel--op
-goed vertrouwen uit mijn mond te moeten aannemen."
-
-Stephen boog zijn hoofd voor den heer uit Londen en toonde zich
-wat meer ontrust en verlegen dan gewoonlijk. Onwillekeurig zochten
-zijne oogen zijne vorige toevlucht, maar op een wenk van dien kant
-(nadrukkelijk, hoewel oogenblikkelijk) vestigde hij ze weder op
-mijnheer Bounderby.
-
-"Zeg nu eens, waarover klaagt gij?" vroeg mijnheer Bounderby.
-
-"Ik ben niet hier gekomen om te klagen, mijnheer," antwoordde
-Stephen. "Ik kom omdat ik geroepen ben."
-
-"Wel," hervatte mijnheer Bounderby, zijne armen over elkander slaande,
-"waarover klaagt gijlieden dan in het algemeen?"
-
-Stephen zag een oogenblik eenigszins weifelend om zich heen en scheen
-toen tot een besluit te komen.
-
-"Mijnheer, ik ben nooit heel knap geweest om dat te zeggen, al
-heb ik van het gevoel er van zoo goed mijn deel gehad als iemand
-anders. Inderdaad, wij zitten in een warboel, mijnheer. Zie maar
-eens rond in deze stad--zoo rijk als zij is--en zie dan de menigte
-van menschen, die hier in de stad zijn gekomen om voor hun brood te
-weven, te kaarden en zoo al meer, altijd eenerlei, van hunne wieg tot
-aan het graf. Zie hoe wij leven en waar wij leven, en in welk eene
-menigte, en hoe eentonig ons leven en hoe wisselvallig ons bestaan
-is; en zie hoe de fabrieken altijd aan het werk blijven, en hoe
-zij ons met dat werk nooit nader tot iets brengen--behalve alleen
-aan den dood. Zie hoe gij over ons denkt, en over ons schrijft, en
-over ons praat, en met uwe deputaties naar ministers over ons gaat,
-en hoe gij altijd gelijk hebt en hoe wij altijd ongelijk hebben,
-en er nooit iets redelijks en verstandigs in ons te vinden is. Zie
-hoe dit is toegenomen, mijnheer, al grooter en grooter geworden,
-al zwaarder en zwaarder, en al harder en harder, van jaar tot jaar,
-van geslacht tot geslacht. Wie kan dat aanzien, mijnheer, en dan nog
-goedsmoeds zeggen, dat dit geen warboel is?"
-
-"Natuurlijk," zeide mijnheer Bounderby, "En nu zult gij misschien
-dien heer ook wel laten weten, hoe gij dien warboel (gelijk gij het
-zoo gaarne noemt) terecht zoudt willen brengen?"
-
-"Dat weet ik niet, mijnheer. Dat is niet van mij te wachten. Ik ben
-het niet, van wien dat gevergd moet worden. Dat zijn diegenen, die
-over ons gesteld zijn en over al de rest van ons. Waarvoor zijn zij
-anders, mijnheer, als zij dat niet doen?"
-
-"Dan zal ik u iets zeggen, wat er ten minste aan te doen is,"
-antwoordde mijnheer Bounderby. "Wij zullen een voorbeeld maken van
-een half dozijn Slackbridge's. Wij zullen die schavuiten voor de
-rechtbank brengen en naar de straf-koloniën zenden."
-
-Stephen schudde ernstig zijn hoofd.
-
-"Zeg mij niet van neen, man," vervolgde mijnheer Bounderby, en nu
-waaide het een orkaan, "want dat zullen wij, zeg ik u."
-
-"Mijnheer," antwoordde Stephen, met de kalme vastheid eener
-onwankelbare overtuiging, "al zoudt ge honderd Slackbridge's
-nemen--allen die er maar zijn, zelfs tienmaal zooveel--en ze ieder in
-een zak naaien, en in de diepste zee laten zinken, die er ooit geweest
-is eer er nog droog land was, dan zoudt gij toch den warboel eveneens
-laten als hij is. Opruiende vreemdelingen!" vervolgde Stephen met een
-glimlach, "wanneer, zoolang wij ons kunnen herinneren, hebben wij
-niet van opruiende vreemdelingen gehoord! Het is niet door hen dat
-er onrust komt, mijnheer. Het is niet bij hen dat het begint. Ik ben
-geen vriend van hen--ik heb geen reden om hun vriend te zijn--maar
-het is hopeloos en nutteloos, die lieden voor hun handwerk te willen
-straffen, in plaats van dat handwerk zelf te beletten. Allen die nu
-hier in de kamer om mij heen zijn, waren hier eer ik kwam, en zullen
-nog hier zijn als ik weg ben. Breng die klok aan boord van een schip
-en zend ze weg naar het eiland Norfolk, en de tijd zal toch eveneens
-voortgaan. Zoo is het ook met Slackbridge."
-
-Zich voor een oogenblik naar zijne vorige toevlucht keerende,
-nam hij eene waarschuwende beweging harer oogen naar de deur
-waar. Terugtredende sloeg hij zijne hand aan de kruk. Maar hij had
-niet uit eigen wil en verlangen gesproken, en hij gevoelde in zijn
-hart, dat het eene edele vergelding van het geledene onrecht zou
-zijn, indien hij hun, die hem zoo verzaakt hadden, tot het laatste
-toe getrouw bleef. Hij bleef dus staan om geheel te zeggen wat hij
-nog op het gemoed had.
-
-"Mijnheer, ik kan met mijn beetje kennis en mijne gemeene manier
-van spreken dezen heer niet zeggen, wat dit alles zou kunnen
-verbeteren,--hoewel sommige werklieden hier in de stad het wel konden
-doen, veel beter dan ik; maar ik kan hem toch wel zeggen wat ik weet
-dat nooit baten zal. De sterke hand zal het nooit doen. Overwinning
-en zegepraal zullen het nooit doen. Eene afspraak om den eenen kant op
-eene onnatuurlijke manier altijd gelijk te geven, en den anderen kant
-altijd ongelijk, zal het nooit, nooit doen. En ze zoo maar hun gang
-te laten gaan, zal het ook nooit doen. Laat duizenden bij duizenden
-zoo maar hun gang gaan, allen hetzelfde leven leiden en altijd in
-denzelfden warboel blijven, en zij zullen aan den éénen kant blijven
-staan, en gij aan den anderen, met eene zwarte, onoverkomelijke
-diepte tusschen u, juist zoo lang en zoo kort als zulk eene ellende
-kan duren. Nooit met die menschen meer eigen te willen worden, door
-goedheid en geduld en opbeurende manieren, die hen zoo aan elkander
-hechten onder hunne vele bezwaren en elkander zoo doen bijstaan in
-hun nood met wat zij zelven wel konden gebruiken--gelijk ik nederig
-geloof dat door geen volk, dat die heer op zijne reizen gezien heeft,
-ooit kan overtroffen worden--ook dat zal het nooit doen, voordat de
-zon in ijs verandert. En voor het laatst, hen maar in rekening te
-brengen als zooveel stoomkracht, en te behandelen alsof zij cijfers
-van eene som of doode machines waren, zonder liefde of voorkeur,
-zonder geheugen of neigingen, zonder zielen, die moede kunnen worden
-en zielen die kunnen hopen; als alles rustig is, hen maar te laten
-voortzwoegen alsof zij niets van dien aard bezaten, en als alles
-onrustig is, hun te verwijten, dat zij in hunne betrekking tot u
-geen menschelijk gevoel toonen,--dat zal het nooit doen, mijnheer,
-eer de menschen geheel anders worden dan God hen geschapen heeft."
-
-Stephen stond met de hand aan de opene deur te wachten of er nog iets
-meer van hem verlangd werd.
-
-"Blijf nog een oogenblikje," zeide mijnheer Bounderby met een bloedrood
-gezicht. "Ik heb u gezegd, toen gij de laatste maal met eene klacht
-hier kwaamt, dat gij liever moest omkeeren en u daarvan afhouden. En
-ik heb u ook gezegd, als gij het nog weet, dat ik het wel begreep
-als men den gouden lepel in het oog had."
-
-"Ik zelf heb nooit zoo iets in het oog gehad, mijnheer, dat verzeker
-ik u."
-
-"Nu is het mij duidelijk geworden," vervolgde mijnheer Bounderby,
-"dat gij een van die snaken zijt, die altijd grieven hebben, en dat
-gij rondloopt om die grieven uit te zaaien en voort te planten. Dit
-is het werk van uw leven, mijn vriend."
-
-Stephen schudde zijn hoofd,--een zwijgende betuiging dat hij wel
-ander werk had.
-
-"Gij zijt zulk een netelige, hatelijke, onverdraaglijke kerel,"
-vervolgde mijnheer Bounderby, "dat zelfs uwe eigene vereeniging, de
-menschen die u het best kennen, niets met u te doen willen hebben. Ik
-had nooit gedacht dat die knapen in iets gelijk konden hebben. Maar
-ik zal u eens wat zeggen. Voor de aardigheid zal ik hen nu eens zoo
-ver gelijk geven, dat ik ook niets meer met u te doen wil hebben."
-
-Stephen sloeg snel zijne oogen op om hem aan te zien.
-
-"Gij kunt afmaken waaraan gij bezig zijt," zeide mijnheer Bounderby
-met een veelbeduidend knikje, "en dan ergens anders heen gaan."
-
-"Mijnheer, gij weet wel," zeide Stephen met nadruk, "dat ik, als ik
-bij u geen werk kan krijgen, het ook nergens anders krijgen kan."
-
-"Wat ik weet, dat weet ik," luidde het antwoord, "en wat gij weet,
-dat weet gij. Ik heb er niets meer over te zeggen."
-
-Stephen zag nog eens naar Louisa om, maar hare oogen waren niet meer
-naar de zijne opgeslagen; hij slaakte dus een zucht, en met de woorden:
-"De Hemel helpe ons allen in deze wereld," die hij maar weinig harder
-dan fluisterend uitsprak, ging hij heen.
-
-
-
-
-
-
-
-XXII.
-
-STEPHEN BLACKPOOL VERDWIJNT.
-
-
-Het was tusschen licht en donker toen Stephen bij mijnheer Bounderby
-de deur uitkwam. De nachtelijke schaduw was zoo snel neergedaald,
-dat hij, toen hij de deur had toegetrokken, niet eens om zich heen
-zag, maar met loomen tred rechtuit de straat langs ging. Niets was
-verder uit zijne gedachten dan de zonderlinge oude vrouw, die hij
-bij zijn vorig bezoek aan hetzelfde huis had ontmoet, toen hij een
-voetstap achter zich hoorde dien hij kende, en zich omkeerende,
-die vrouw wederzag, thans in gezelschap van Rachel.
-
-Hij zag Rachel het eerst, gelijk hij haar alleen had gehoord.
-
-"Ha, Rachel, mijn beste! Gij bij haar, juffrouw!"
-
-"Ja, gij zijt zeker wel verwonderd, en dat met reden, moet ik zeggen,"
-antwoordde de oude vrouw. "Daar ben ik alweer, ziet ge."
-
-"Maar hoe zoo met Rachel?" zeide Stephen, terwijl hij zijn stap naar
-dien der vrouwen schikte en tusschen de twee in ging, nu naar de eene
-en dan naar de andere omkijkende.
-
-"Wel, ik ben omtrent eveneens aan dit goede meisje gekomen als ik
-aan u gekomen ben," antwoordde de oude vrouw, op vroolijken toon het
-woord opvattende. "Ik kom hier dit jaar wat later dan gewoonlijk,
-want ik ben eenigszins met kortademigheid gekweld, en heb dus mijne
-reis uitgesteld tot wij warm en mooi weer hadden. Om dezelfde reden
-doe ik nu mijne reis niet geheel op één dag, maar neem er twee dagen
-toe, en slaap van nacht in het Reizigers-Koffiehuis bij den spoorweg
-(een knap, zindelijk huis) en ga morgenochtend om zes uur met den
-eersten trein weer heen. Maar wat heeft dat met dit goede meisje te
-doen, zult gij zeggen. Dat zal ik u vertellen. Ik heb gehoord, dat
-mijnheer Bounderby getrouwd is. Ik heb het in de courant gelezen,
-waar het wat heerlijk in stond--machtig mooi!" De oude vrouw zeide
-dit met eene zonderlinge opgetogenheid. "En nu wilde ik zijne vrouw
-zien. Ik heb haar nog nooit gezien. Zoudt ge nu gelooven, zij is
-sedert van middag twaalf uur de deur niet uitgekomen. Om het dus nu
-niet te licht op te geven, bleef ik voor het laatst nog een beetje
-wachten, en toen ging ik dit goede meisje twee- of driemaal voorbij;
-en daar zij zulk een vriendelijk gezichtje had, sprak ik haar aan,
-en zij bleef met mij aan de praat. Daar," zeide de oude vrouw tot
-Stephen, "nu kunt ge al de rest wel zelf raden, veel korter dan ik
-het vertellen kan, mag ik wel zeggen."
-
-Wederom had Stephen moeite om een onwillekeurigen afkeer van die oude
-vrouw te overwinnen, hoewel haar uitzicht en toon zoo eerlijk en
-eenvoudig waren als zij maar konden zijn. Met eene goedwilligheid,
-welke hem even natuurlijk was als hij wist dat zij dit Rachel was,
-bleef hij bij het onderwerp, dat haar in haar ouderdom nog zooveel
-belang inboezemde.
-
-"Wel, juffrouw," zeide hij, "ik heb die dame gezien, en zij was jong
-en mooi. Met heerlijke, donkere, peinzende oogen, en zulk eene stille
-manier, Rachel, als ik nog nooit iemand anders gezien heb."
-
-"Jong en mooi. Zoo zoo!" riep de oude vrouw vol blijdschap
-uit. "Bloeiend als eene roos! En zeker eene gelukkige vrouw!"
-
-"O ja, juffrouw, dat zou ik wel denken," zeide Stephen, maar met een
-twijfelachtigen blik naar Rachel.
-
-"Zoudt gij denken? Dat moet zij wel wezen. Zij is immers uw meesters
-vrouw?" hervatte de oude vrouw.
-
-Stephen knikte toestemmend. "Hoewel wat dat meester aangaat," zeide
-hij, wederom met een blik naar Rachel, "hij is nu mijn meester niet
-meer. Het is alles gedaan tusschen hem en mij."
-
-"Hebt gij voor zijn werk bedankt, Stephen?" vroeg Rachel angstig
-en snel.
-
-"Wel, Rachel," antwoordde hij, "of ik voor zijn werk heb bedankt,
-of hij mij afdankte, komt op hetzelfde neer. Zijn werk en ik zijn
-gescheiden. Het is ook al goed zoo--het beste misschien, dacht ik,
-juist toen ik u mij achterop hoorde komen. Het zou maar allerlei
-moeite veroorzaakt hebben als ik daar gebleven was. Misschien is het
-een geluk voor velen, dat ik heenga, misschien een geluk voor mij
-zelven; in allen gevalle het moet nu zoo wezen. Ik moet Coketown den
-rug toekeeren en mijn fortuin zoeken, beste, met opnieuw te beginnen."
-
-"Waar zult ge naar toe gaan, Stephen?"
-
-"Dat weet ik van avond nog niet," zeide hij, zijn hoed afnemend en
-zijne dunne haren met de vlakke hand gladstrijkende. "Maar ik ga
-van avond nog niet, Rachel, en morgen ook nog niet. Het is niet heel
-gemakkelijk te verzinnen waar ik naar toe zal gaan; maar ik zal wel
-moed houden."
-
-In dit opzicht hielp hem de bewustheid, dat hij niet slechts
-onbaatzuchtig handelde, maar zelfs onbaatzuchtig dacht. Eer hij nog
-mijnheer Bounderby's deur had toegetrokken, had hij overwogen, dat
-het ten minste voor haar goed was, dat hij genoodzaakt was om heen
-te gaan, dewijl zij dan geen gevaar meer zou loopen van insgelijks
-verdacht te worden, omdat zij zich niet van hem afzonderde. Hoewel
-het hem veel kosten zou haar te verlaten, en hoewel hij geene stad
-bedenken kon waar zijn vonnis hem niet volgen zou, was het misschien
-toch eene verademing voor hem, dat hij met geweld van het leed der
-vier laatste dagen werd ontheven al was het zelf om onbekende rampen
-en bezwaren tegemoet te gaan.
-
-Hij zeide dus naar waarheid: "Ik ben er kalmer onder, Rachel, dan ik
-had kunnen denken."
-
-Het was hare taak niet zijn last te verzwaren; zij antwoordde dus
-met haar opbeurenden glimlach, en het drietal wandelde te zamen voort.
-
-Oude lieden, vooral wanneer zij hun best doen om vroolijk te zijn
-en anderen niet tot last te wezen, worden onder de armen algemeen
-geacht en geëerd. De oude vrouw had zulk een fatsoenlijk voorkomen,
-was zoo vergenoegd, en nam hare zwakheden, hoewel zij sedert haar vorig
-onderhoud met Stephen waren toegenomen, zoo licht op, dat beiden eene
-welwillende belangstelling voor haar begonnen te gevoelen. Zij was
-te vlug om te willen toelaten, dat men om harentwil langzamer ging,
-maar zij was zeer dankbaar dat men met haar praatte, en zelve zeer
-genegen om te praten; zoodat zij, toen men aan dat gedeelte der stad
-gekomen was, waar hare geleiders woonden, levendiger en luchtiger
-was geworden dan ooit.
-
-"Kom bij mij binnen, juffrouw," zeide Stephen, "en drink een kopje
-thee. Rachel zal dan ook binnenkomen en u naderhand veilig naar uw
-logement brengen. Het zal misschien lang duren, Rachel, eer ik weder
-eens kans heb op uw gezelschap."
-
-Men bewilligde, en de drie gingen verder naar het huis waar hij
-woonde. Toen men de smalle straat insloeg, keek Stephen naar zijn
-venster op met een angst, die hem altijd kwelde als hij naar huis ging;
-maar het venster stond open gelijk hij het gelaten had, en niemand
-was daar. De booze geest van zijn leven was maanden geleden weder
-verdwenen; en hij had sedert niet meer van haar gehoord. De eenige
-blijken harer laatste terugkomst waren thans het kariger huisraad in
-zijne kamer en het grijzere haar op zijn hoofd.
-
-Hij stak eene kaars aan, zette zijn theeblad gereed, haalde heet
-water van beneden, en brood, boter en eene kleine portie thee en
-suiker in den naasten winkel. Het brood was versch en bros van korst,
-de boter niet lang geleden gemaakt en de suiker wit, natuurlijk--om
-de standvastige getuigenis der magnaten van Coketown te bewaarheden,
-dat die menschen leefden als prinsen, mijnheer. Rachel zette thee
-(zulk een groot gezelschap maakte het noodzakelijk een kopje te
-leenen), en de vreemde oude vrouw was machtig in haar schik. Het was
-de eerste zweem van gezelligheid, dien de gastheer in vele dagen had
-gehad. Ook hij, met de wereld als eene barre, uitgestrekte heide voor
-zich, genoot dezen maaltijd--wederom ter bevestiging van de getuigenis
-der magnaten--als een voorbeeld van het volslagen gebrek aan overleg
-bij die menschen, mijnheer.
-
-"Ik heb er nog niet aan gedacht om naar uw naam te vragen, juffrouw,"
-zeide Stephen.
-
-De oude vrouw maakte zich bekend als "juffrouw Pegler."
-
-"Eene weduwe, denk ik?" zeide Stephen.
-
-"O, vele jaren lang!"
-
-Juffrouw Pegler's echtgenoot (een van de beste mannen, die er ooit
-geweest waren) was, volgens hare berekening, reeds dood toen Stephen
-geboren werd.
-
-"Het was wel een ongeluk, zoo'n goed man te verliezen. En kinderen?"
-
-Het kopje van juffrouw Pegler, dat tegen het schoteltje rinkelde,
-duidde eenige zenuwachtigheid bij haar aan. "Neen," zeide zij. "Nu
-niet, nu niet."
-
-"Dood, Stephen," fluisterde Rachel hem zachtjes toe.
-
-"Het spijt me dat ik er van gesproken heb," zeide Stephen. "Ik had
-moeten bedenken, dat ik eene pijnlijke plek kon treffen. Ik--ik had
-beter moeten weten."
-
-Terwijl hij zich zoo verontschuldigde, rinkelde het kopje der
-oude vrouw al meer en meer. "Ik heb een zoon gehad," zeide zij met
-eene zonderlinge aandoening, welke niets van de gewone teekenen van
-droefheid had, "en het ging hem goed, verbazend goed. Maar laat er niet
-meer van hem gesproken worden als het u belieft. Hij is,"--zij zette
-haar kopje neer en maakte eene beweging met hare handen, alsof zij
-er met dat gebaar wilde bijvoegen: "dood!" Daarna zeide zij overluid:
-"Ik heb hem verloren."
-
-Stephen was het onaangename gevoel nog niet te boven gekomen, dat
-hij de oude vrouw leed had gedaan, toen zijne huiswaardin de smalle
-trap kwam opstommelen, hem naar de deur riep en hem iets in het oor
-fluisterde. Juffrouw Pegler was lang niet doof, want zij ving een
-der zacht gesprokene woorden op.
-
-"Bounderby!" riep zij met eene gesmoorde stem, van haar stoel bij de
-tafel opspringende. "O, verberg mij! Laat ik toch om 's Hemels wil
-niet gezien worden. Laat hij niet boven komen eer ik weg ben. Ik bid u,
-ik bid u!"
-
-Zij beefde van ontroering, kroop achter Rachel, toen deze haar poogde
-gerust te stellen, en scheen niet te weten wat zij deed.
-
-"Maar luister, juffrouw, luister toch!" zeide Stephen verbaasd. "Het
-is mijnheer Bounderby niet; het is zijne vrouw. Gij zijt toch niet
-bang voor haar. Nog geen uur geleden waart ge zoo machtig blij iets
-van haar te hooren."
-
-"Maar weet ge wel zeker, dat het mevrouw en niet mijnheer is?" vroeg
-zij nog bevende.
-
-"Zoo zeker als iets."
-
-"Wel, als ik u bidden mag, spreek dan toch niet tegen mij, en let
-maar geheel niet op mij," zeide de oude vrouw. "Laat ik maar stil in
-dit hoekje blijven zitten."
-
-Stephen knikte en zag Rachel aan alsof hij van haar eene opheldering
-verlangde, die zij buiten staat was hem te geven. Hij nam vervolgens
-de kaars, ging naar beneden, kwam weldra terug, en liet Louisa binnen,
-die door haar broeder Tom gevolgd werd.
-
-Rachel was opgestaan en stond met haar hoed en doek in de hand, toen
-Stephen, zelf ten hoogste verbaasd over dit bezoek, de kaars weder
-op tafel zette. Toen bleef hij ook staan, met zijne geslotene hand
-op de tafel leunende, en wachtte tot men hem zou aanspreken.
-
-Voor de eerste maal in haar leven was Louisa in de woning van een
-fabriek-arbeider gekomen; voor de eerste maal in haar leven was
-zij in iets getreden, dat naar persoonlijke betrekking met een
-van die lieden zweemde. Zij wist van hun bestaan bij honderden en
-duizenden. Zij wist welk eene hoeveelheid arbeids zeker getal van hen
-in zekeren tijd kan voort brengen. Zij had hen bij troepen gelijk
-mieren of wespen zien voorbijgaan, als zij hunne nesten verlieten
-of daarheen terugkeerden. Maar zij wist door hare lectuur oneindig
-meer van de levenswijs dier ijverige insecten, dan van deze nijvere
-mannen en vrouwen.
-
-Zij waren iets dat zóóveel moest werken en zóóveel loon krijgen,
-en daarmede gedaan; iets dat onfeilbaar door dezelfde wetten
-werd beheerscht, welke de aanvraag en den toevoer op elke markt
-beheerschen; iets dat domme misslagen tegen die wetten maakte en
-dan in moeielijkheden kwam; iets dat zich wat bekrimpen moest als
-het koren duur was, en zich overat als het goedkoop was, en dat zich
-in zekere evenredigheid vermenigvuldigde, dat zekere evenredigheid
-van misdaden en zekere evenredigheid van pauperisme opleverde; iets
-waarmede, als kapitaal gebruikt, groote fortuinen werden gemaakt;
-iets dat somtijds in woeling kwam evenals de zee, en eenig kwaad deed
-(voornamelijk zich zelven), en dan weder bedaarde. Dit wist zij van de
-fabriek-arbeiders. Maar zij had er bijna evenmin aan gedacht om deze
-massa in eenheden te verdeelen, als om de zee zelve in de droppels
-af te zonderen, waaruit zij is samengesteld.
-
-Zij stond eene poos in de kamer rond te zien. Van de weinige stoelen,
-de weinige boeken, de gemeene schilderijtjes en het bed liet zij haar
-blik naar de twee vrouwen en naar Stephen dwalen.
-
-"Ik ben hier gekomen om eens met u te spreken over wat daar straks
-voorgevallen is. Ik zou u gaarne van dienst willen zijn, als ge mij
-dat wilt toelaten. Is dit uwe vrouw?"
-
-Rachel sloeg hare oogen op en liet ze weder neerzinken; die blik
-zeide duidelijk genoeg: "Neen."
-
-"Ik bedenk mij," zeide Louisa, blozende over hare vergissing. "Ik
-herinner mij nu dat ik van uwe huiselijke rampen heb hooren spreken,
-hoewel ik toen niet op de bijzonderheden lette. Het was mijne meening
-niet eene vraag te doen, die hier iemand onaangenaam kon wezen. Als ik
-weer eene vraag mocht doen, die dat gevolg kon hebben, verontschuldig
-mij dan daarmede, verzoek ik u, dat ik niet recht weet hoe ik met u
-behoor te spreken."
-
-Gelijk Stephen zich eene poos geleden onwillekeurig tot haar gericht
-had, zoo richtte zij zich nu onwillekeurig tot Rachel. Hare manier
-van spreken was kort en stroef, en toch aarzelend en schroomvallig.
-
-"Hij heeft u gezegd wat er tusschen hem en mijn man is
-voorgevallen? Gij zult wel de eerste geweest zijn, bij wie hij troost
-gezocht heeft, denk ik?"
-
-"Ik heb het voornaamste er van gehoord, mevrouw," antwoordde Rachel.
-
-"Heb ik het wel verstaan, dat hij, door één fabrikant afgedankt, nu
-waarschijnlijk door allen zal worden afgewezen? Ik meende hem dit te
-hooren zeggen."
-
-"De kans is heel gering, mevrouw--bijna geheel geene kans meer--voor
-iemand, die een slechten naam onder hen krijgt."
-
-"Wat moet ik begrijpen, dat gij meent met een slechten naam?"
-
-"De naam van lastig te wezen."
-
-"Dus zou hij evenzeer door de vooroordeelen zijner eigene klasse als
-die der andere in den ban gedaan worden? Zijn die twee in deze stad
-door zulk een diepte gescheiden, dat er tusschen in geheel geene
-plaats voor een eerlijk werkman is?"
-
-Rachel schudde zwijgend haar hoofd.
-
-"Hij kwam bij zijne makkers in verdenking," hervatte Louisa, "omdat
-hij eene belofte gedaan had om niet met hen mede te doen. Ik denk dat
-gij het moet geweest zijn aan wie hij die belofte had gedaan. Zou ik
-u mogen vragen waarom hij die gedaan heeft?"
-
-Rachel barstte in tranen uit.
-
-"Ik heb het niet van hem gevergd, arme man! Ik heb hem gebeden tot zijn
-eigen bestwil zich niet in moeite te steken, weinig denkende dat hij er
-door mij in zou komen. Maar ik weet dat hij liever honderd dooden zou
-willen sterven dan ooit zijn woord te breken. Dat weet ik wel van hem."
-
-Stephen was stil en aandachtig blijven staan in zijne gewone peinzende
-houding, met de hand aan zijne kin. Hij sprak nu met eene stem,
-die eenigszins minder vast was dan gewoonlijk:
-
-"Niemand, behalve ik zelf, kan weten hoeveel achting, liefde en eerbied
-ik Rachel toedraag, of met hoeveel reden. Toen ik die belofte gaf,
-heb ik met waarheid gezegd, dat zij de engel van mijn leven was. Het
-was eene plechtige belofte. Ik heb haar gegeven voor altijd."
-
-Louisa keerde zich naar hem om en boog haar hoofd voor hem met eene
-eerbiedigheid, die bij haar geheel iets nieuws was. Zij zag van
-hem naar Rachel, en hare trekken werden zachter. "Wat zult gij nu
-doen?" vroeg zij hem; en hare stem was ook zachter geworden.
-
-"Wel, mevrouw," antwoordde Stephen, met een glimlach om zich goed
-te houden, "als ik mijn werk af heb, moet ik hier vandaan en het
-ergens anders gaan probeeren. Gelukkig of ongelukkig, iemand moet
-maar probeeren; er is niets te doen zonder probeeren--behalve te gaan
-liggen en te sterven."
-
-"Hoe zult gij reizen?"
-
-"Te voet, lieve mevrouw, te voet."
-
-Louisa kleurde, en eene beurs vertoonde zich in hare hand. Het
-ritselen eener banknoot was hoorbaar, terwijl zij die openvouwde en
-op de tafel legde.
-
-"Rachel, wilt gij hem zeggen--want gij weet het best hoe dat te doen
-zonder hem te beleedigen--dat dit hem volgaarne gegeven wordt om hem
-voort te helpen? Wilt gij hem bidden om het aan te nemen?"
-
-"Dat kan ik niet doen, mevrouw," antwoordde zij, haar hoofd
-omkeerende. "God zegene u, dat gij zoo liefderijk over den armen man
-denkt. Maar hij moet zelf zijn hart kennen, en weten of het hem zegt,
-dat het recht is."
-
-Louisa zag ten deele ongeloovig, ten deele verschrikt, ten deele
-ontroerd door medelijdend gevoel, naar dien man, die eerst zooveel
-zelfbeheersching bezat, die onder het jongste gesprek zoo kalm en
-standvastig was gebleven, en die nu in een oogenblik zijne bedaardheid
-verloor, en met zijne hand voor zijn gezicht voor haar stond. Zij
-stak hare hand uit alsof zij hem wilde aanraken, maar bedwong zich
-toen en hield zich stil.
-
-"Zelfs Rachel," zeide Stephen nadat hij zijn gezicht weder ontbloot
-had, "zou geene woorden kunnen bedenken om zulk een vriendelijk aanbod
-vriendelijker te maken. Om te toonen, dat ik geen mensch zonder
-verstand en dankbaarheid ben, zal ik twee pond aannemen. Ik zal ze
-leenen om ze terug te geven. Het zal het pleizierigste werk zijn
-dat ik ooit gedaan heb, als ik eens iets doen kan om mijne blijvende
-dankbaarheid voor deze hulp te bewijzen."
-
-Zij was genoodzaakt de banknoot terug te nemen en de veel kleinere
-som, die hij genoemd had, daarvoor in de plaats te stellen. Hij was
-in geenerlei opzicht een hoffelijk, behaaglijk of schilderachtig
-personage, en toch had de houding, waarmede hij dit geld aannam en
-zonder meer te spreken zijne dankbaarheid aanduidde, een gratie,
-die Lord Chesterfield zijn zoon in geene eeuw had kunnen leeren.
-
-Tom was op het bed blijven zitten, onverschillig met zijn eene been
-heen en weer zwaaiende en aan zijn rottingknop zuigende, tot hij zijne
-zuster gereed zag om weder te vertrekken. Toen stond hij eenigszins
-haastig op en nam het woord.
-
-"Wacht nog eventjes, Louisa. Eer wij weggaan, zou ik hem een oogenblik
-willen spreken. Er valt mij daar iets in. Als gij even op het portaal
-wilt komen, Blackpool, zal ik het u zeggen. Neem maar geen licht
-mede." Tom werd bijzonder ongeduldig toen Stephen naar de kast ging
-om eene kaars te krijgen. "Er is geen licht bij noodig."
-
-Stephen volgde hem naar buiten. Tom sloot de kamerdeur en hield zijne
-hand aan het slot.
-
-"Zeg eens," fluisterde hij, "ik geloof dat ik u een goeden dienst kan
-doen. Vraag mij niet wat het is, want het kan nog wel op niemendal
-uitloopen. Maar het kan toch geen kwaad als ik het probeer."
-
-Zijn adem sloeg als de vlam van een vuur tegen Stephen's oor aan,
-zoo heet was hij.
-
-"Dat was onze kantoorlooper," vervolgde Tom, "die u van avond de
-boodschap bracht. Ik zeg onze kantoorlooper, omdat ik ook op het
-kantoor ben."
-
-"Wat heeft hij een haast!" dacht Stephen. Hij sprak zoo onduidelijk.
-
-"Nu," zeide Tom, "wacht eens. Wanneer gaat gij heen?"
-
-"Vandaag is het maandag," antwoordde Stephen, zich bedenkende. "Wel,
-mijnheer, zoo wat vrijdag of zaterdag."
-
-"Vrijdag of zaterdag," zeide Tom. "Let nu eens op. Ik ben er niet
-zeker van, of ik u den dienst kan doen, dien ik meen--dat is mijne
-zuster, weet ge, daar in de kamer--maar misschien zal ik er toe in
-staat zijn, en zoo niet, dan kan het toch geen kwaad. Ik zal u dus
-eens wat zeggen. Gij zoudt onzen kantoorlooper wel weerom kennen?"
-
-"O ja zeker," antwoordde Stephen.
-
-"Heel goed," hervatte Tom. "Als gij tusschen vandaag en den dag
-waarop ge heengaat, des avonds met werken uitscheidt, kuier dan een
-uurtje of zoo voor het kantoor heen en weer. Doe niet alsof dat iets
-beduidde, als hij u daar zien mocht, want ik zal hem niet zeggen u
-aan te spreken, of ik moet begrijpen dat ik u den dienst kan doen,
-dien ik meen. In dat geval zal hij een briefje of eene boodschap voor
-u hebben, maar anders niet. Let wel daarop. Hebt ge mij goed begrepen?"
-
-Hij had in het donker een vinger door een knoopsgat van Stephen's
-rok gewrongen, en draaide nu die punt van dat kleedingstuk al om en
-om en dicht in elkander, op eene zeer buitengewone manier.
-
-"Ik heb het heel wel begrepen, mijnheer," antwoordde Stephen.
-
-"Pas dan op dat gij het niet vergeet en u niet vergist," zeide Tom. "Ik
-zal mijne zuster onder het naar huis gaan zeggen wat ik op het oog
-heb, en ik weet zeker dat zij het zal goedkeuren. Pas op nu. Gij
-hebt alles onthouden, niet waar? Gij hebt het wel begrepen? Heel goed
-dan. Komaan, Louisa!"
-
-Terwijl hij haar riep, stiet hij de deur open, maar hij kwam de kamer
-niet weder binnen en wachtte ook niet tot men hem de smalle trap
-aflichtte. Hij was al beneden toen zijne zuster pas de deur uitkwam,
-en al op straat eer zij hem bereiken kon.
-
-Juffrouw Pegler bleef in haar hoekje zitten tot broeder en zuster
-vertrokken waren en Stephen met de kaars in de hand terugkwam. Zij was
-onuitsprekelijk opgetogen over mevrouw Bounderby, en schreide--die
-onbegrijpelijke oude vrouw!--"omdat zij zulk een lief hartje
-was." En toch was juffrouw Pegler zoo angstig dat het voorwerp
-harer bewondering bij toeval zou terugkomen, dat het voor dien avond
-met hare vroolijkheid gedaan was. Het was ook laat voor menschen,
-die vroeg opstonden en zwaar werkten. Het gezelschap scheidde dus,
-en Stephen en Rachel brachten hunne geheimzinnige bekende tot aan de
-deur van het Reizigers-Koffiehuis, waar zij afscheid van haar namen.
-
-Zij gingen te zamen terug tot aan den hoek van de straat waar Rachel
-woonde, en toen zij deze nader kwamen, werden zij al stiller en
-stiller. Toen zij aan den donkeren hoek kwamen, waar hunne zeldzame
-samenkomsten altijd afgebroken werden, bleven zij stilstaan en zwegen
-geheel, alsof beiden bevreesd waren om te spreken.
-
-"Ik zal mijn best doen om u nog eens te zien, Rachel, eer ik ga,
-maar zoo niet..."
-
-"Dat zult ge niet, Stephen, dat weet ik wel. Het is beter dat wij
-maar besluiten om openhartig voor elkander te zijn."
-
-"Ja, gij hebt altijd gelijk. Dat is moediger en beter. Ik heb
-dus gedacht, Rachel, dat het, daar ik nog maar een paar dagen hier
-blijf, beter voor u zou zijn, beste, dat ge niet meer met mij gezien
-werdt. Het zou u in moeielijkheid kunnen brengen, zonder eenig nut."
-
-"Het is niet daarom, Stephen, dat ik er tegen heb. Maar gij weet onze
-oude afspraak. Het is om die reden."
-
-"Ja," zeide hij. "Het is op alle manieren beter."
-
-"Gij zult aan mij schrijven, Stephen, en mij alles zeggen wat er met
-u gebeurt?"
-
-"Ja. Wat kan ik nu anders zeggen dan: de Hemel zij met u, de Hemel
-zegene u, de Hemel danke u en beloone u!"
-
-"Moge Hij u ook zegenen, Stephen, in al uw zwerven, en u eindelijk
-rust en vrede zenden!"
-
-"Ik heb u gezegd, beste," zeide Stephen Blackpool, "ik heb u dien
-nacht gezegd, dat ik nooit iets zien of aan iets denken zou dat
-mij driftig maakte, of gij, die zooveel beter zijt dan ik, zoudt
-daarnaast staan. Gij staat nu daarnaast. Gij doet het mij met betere
-oogen zien. God zegene u! Goedennacht en vaarwel!"
-
-Het was maar een haastig afscheid op den hoek eener gemeene straat,
-maar het bleef eene heilige herinnering voor die twee gemeene
-lieden. Gij bekrompene staathuishoudkundigen, gij geraamten
-van schoolmeesters, gij mannen van feiten en cijfers, gij fijn
-beschaafde, geblazeerde ongeloovigen, gij kakelende predikers van
-allerlei kleingeestige stelsels, de armen zult gij altijd met u
-hebben. Kweekt bij hen, terwijl het nog tijd is, alle schoonheden
-van gevoel en verbeelding aan, om hun leven, dat dit zoo grootelijks
-behoeft, tot sieraad te strekken; of in het oogenblik uwer zegepraal,
-wanneer al het romaneske geheel uit hunne ziel verdreven is, en zij
-en de prozaïsche werkelijkheid elkander recht in de oogen zien, zal
-de werkelijkheid een wolvenaard aannemen, zich tegen u omkeeren en
-een eind aan u maken.
-
-Stephen werkte de twee volgende dagen zonder ooit door iemand met een
-enkel woord te worden opgebeurd; bij zijn komen en gaan ontweek men
-hem gelijk te voren. Aan den avond van den tweeden dag zag hij land;
-aan den avond van den derden stond zijn weefgetouw ledig.
-
-Op de twee vorige avonden was hij langer dan een uur op de straat voor
-het kantoor blijven heen en weer dwalen, en er was niets gebeurd,
-goed noch kwaad. Om van zijn kant niets te verzuimen, besloot hij
-dezen derden en laatsten avond twee uren lang te blijven wachten.
-
-Hij zag de dame, die eens bij mijnheer Bounderby had huisgehouden,
-voor het venster eener bovenkamer zitten gelijk hij haar te voren
-had gezien; en hij zag den kantoorlooper, die somtijds daar met haar
-praatte en somtijds beneden over het horretje keek waarop het woord
-"kantoor" te lezen stond en somtijds naar de deur kwam en op de stoep
-een luchtje bleef staan scheppen. Toen hij het eerst buiten kwam,
-dacht Stephen dat hij misschien naar hem zocht en ging hem dicht
-voorbij; maar de kantoorlooper zag hem met zijne lichte, knippende
-oogen slechts even aan en zeide niets.
-
-Twee uren waren een lange tijd om zoo rond te drentelen na een lang
-dagwerk. Stephen ging eens op eene stoep zitten, of tegen een muur
-of onder eene poort staan leunen, wandelde een eind heen en weder,
-luisterde naar het slaan der klok, en bleef dan weder staan om
-naar de op straat spelende kinderen te kijken. Een of ander doel
-te hebben is voor iedereen iets zoo natuurlijks, dat iemand, die
-ergens doelloos ronddwaalt, altijd iets opmerkelijks heeft en dit
-zelf gevoelt. Toen het eerste uur om was, begon Stephen zelfs eene
-onaangename gewaarwording te krijgen, alsof hij voor het oogenblik
-een verdacht persoon was.
-
-Toen kwam de lantaarnaansteker en zag men langs het geheele
-verschiet der straat twee lange lichtstrepen flikkeren, tot zij
-zich in de verte met elkander vereenigden. Mevrouw Sparsit sloot het
-venster, liet het gordijn zakken en ging de trap op, eene verdieping
-hooger. Weldra ging een licht haar na naar boven; het scheen eerst
-door het halfronde venster boven de deur en vervolgens door de twee
-trapvenstertjes. Spoedig werd van het gordijn voor een venster op de
-bovenste verdieping een hoekje opgetild, alsof mevrouw Sparsit daar
-haar oog hield, en ook aan den anderen kant, alsof de kantoorlooper
-daar zijn oog hield. Maar nog ontving Stephen taal noch teeken. Hij
-was blijde toen de twee uren eindelijk om waren, en ging met snelle
-schreden heen om zich zelven zulk een langen tijd van drentelen
-te vergoeden.
-
-Hij had nog maar van zijne huiswaardin afscheid te nemen en zich
-dan neer te leggen op een op den vloer gespreid kermisbed; want hij
-had zijn goed reeds gepakt en alles voor zijn vertrek in gereedheid
-gebracht. Hij wilde den volgenden ochtend zeer vroeg de stad uit zijn,
-eer de fabriek-arbeiders op straat waren.
-
-De dag begon pas aan te breken, toen hij, een afscheidsblik in zijne
-kamer om zich heen werpende, en treurig bij zich zelven denkende, of
-hij die ooit zou wederzien, naar buiten ging. De stad was zoo stil,
-alsof al de inwoners haar verlaten hadden, uit vrees van gemeenschap
-met hem te houden. Alles zag er op dat uur even bleek en ziekelijk
-uit. Zelfs de rijzende zon maakte slechts eene bleeke plek in de lucht,
-gelijk eene treurig stille zee.
-
-Voorbij het huis waar Rachel woonde, hoewel die straat niet in
-zijn weg lag; langs de met roode steenen bezoomde straten; langs
-de groote stille fabriekgebouwen, die nog niet trilden en dreunden;
-langs den spoorweg, waar de seinlichten voor het toenemende daglicht
-verbleekten; langs de woestenij om den spoorweg, met half afgebrokene
-en half opgebouwde huizen; langs verspreide roode buitentjes, waar
-de berookte heesters met vuil poeier waren bestrooid, gelijk morsige
-snuivers; langs paden van kolenstof en allerlei verscheidenheden van
-leelijkheid, kwam Stephen op den top van den heuvel en keek toen om.
-
-Het daglicht bescheen nu de stad met heldere stralen en de klokken
-luidden voor het ochtendwerk. De keukenvuren waren nog niet aangelegd,
-en de hooge schoorsteenen hadden de lucht alleen. Het zou niet lang
-duren, of zij zouden haar door het uitblazen hunner giftige rookwolken
-verbergen; maar voor een half uur flikkerden sommige der talrijke
-vensters, welke de lieden van Coketown, door de berookte glazen heen,
-de zon lieten zien, alsof zij in eene eeuwigdurende eclips verkeerde.
-
-Hoe vreemd was het, zich van de schoorsteenen naar de vogelen te
-wenden! Hoe vreemd het stof van den buitenweg in plaats van het
-kolengruis op zijne schoenen te zien! Hoe vreemd, zoo oud te zijn
-geworden en toch dien zomerochtend te beginnen alsof hij nog een knaap
-was. Met zulke gepeinzen in zijn gemoed en zijn pak onder den arm,
-stapte Stephen met zijn oplettend gezicht langs den buitenweg voort:
-en de boomen welfden zich over hem en fluisterden, dat hij een trouw
-en liefderijk hart achterliet.
-
-
-
-
-
-
-
-XXIII.
-
-BUSKRUIT.
-
-
-Mijnheer James Harthouse begon bij zijne aangenomene partij spoedig
-opgang te maken. Met nog wat meer van buiten leeren voor de politieke
-wijshoofden, nog wat meer gepolijste flauwheid en lusteloosheid voor
-beschaafde gezelschappen, en een tamelijk behendig gebruik van de
-geveinsde eerlijkheid der oneerlijkheid--de schitterendste en meest
-gevierde der beschaafde doodzonden--kwam hij weldra zoo ver, dat
-men hem voor iemand hield van wien veel te verwachten was. Dat hij
-bijna niets in de wereld ernstig opnam, was zeer in zijn voordeel,
-want daardoor was hij in staat om zich zoo gemakkelijk met de mannen
-van feiten te verbroederen, alsof hij onder hunne partij geboren was,
-en alle andere partijen voor opzettelijke bedriegers uit te maken.
-
-"Niemand van ons gelooft ze, mijne lieve mevrouw Bounderby, en zij
-gelooven zich zelven niet. Het eenige verschil tusschen ons en de
-voorvechters van deugd, menschenliefde of philanthropie--de naam
-komt er niet op aan--is, dat wij weten dat die dingen woorden zonder
-beteekenis zijn, en dat wij dit zeggen; terwijl zij het evengoed weten,
-maar het nooit willen zeggen."
-
-Waarom zou zij zich aan zulke herhaalde verklaringen ergeren, of er
-zich door laten waarschuwen? Deze leer verschilde niet zooveel van haar
-vaders grondbeginselen, die haar als kind waren ingeprent, om er van
-te moeten schrikken. Waarin bestond het groote onderscheid tusschen de
-twee scholen, daar beide haar aan het stoffelijke en werkelijke boeiden
-en haar geen geloof aan iets anders inboezemden? Was er iets in hare
-ziel, in haar staat van onschuld, door Thomas Gradgrind aangekweekt,
-dat James Harthouse nu had kunnen verwoesten?
-
-Het was thans zelfs des te erger voor haar, dat in haar gemoed
-eene worstelende neiging om aan eene grootere en hoogere bestemming
-des menschen te gelooven--daarin geplant, voordat haar uitstekend
-practische vader het begon te vormen--onophoudelijk met twijfeling
-en wrevelige gedachten kampte: met twijfelingen, omdat die neiging
-in hare jeugd zoo was gesmoord; met wrevelige gedachten, over het
-onrecht dat men haar had aangedaan, indien die fluisterende stem
-de waarheid sprak. Voor een gemoed, lang gewoon om zichzelf onder
-pijnlijk bedwang te houden, en aldus verscheurd en verdeeld, bracht
-de door Harthouse gepredikte philosophie eene verademing mede, dewijl
-zij haar voor zichzelve leerde rechtvaardigen. Daar alles even ledig
-en nietig was, had zij niets gemist en niets opgeofferd. Wat maakte
-het uit? had zij tot haar vader gezegd, toen hij haar dat huwelijk
-voorsloeg. Wat maakte het uit? zeide zij nog. Met alles verachtend
-zelfvertrouwen vroeg zij zichzelve: Wat maakte iets op de wereld
-uit?--en zoo ging zij al voort en voort.
-
-Waarheen? Stap voor stap, al verder en verder, altijd benedenwaarts,
-naar een zeker einde, maar toch zoo langzaam, dat zij zich verbeeldde
-te blijven stilstaan. Wat mijnheer Harthouse aangaat, waarheen
-hij zijne schreden richtte, had hij nooit bedacht en het was hem
-ook geheel onverschillig. Hij had geen bijzonder plan of oogmerk;
-geene krachtige opwelling van booze neigingen verstoorde ooit zijne
-kwijnende flauwheid. Hij was voor het oogenblik zoozeer geamuseerd
-en geïnteresseerd, als zulk een fijn beschaafd gentleman voegde,
-misschien meer dan hij, voor zijne reputatie, had kunnen bekennen. Kort
-na zijne aankomst schreef hij aan zijn broeder, het achtbare en luimige
-Parlementslid, dat de Bounderby's heel amusant waren, en verder, dat de
-vrouwelijke Bounderby, in plaats van eene Medusa, gelijk hij verwacht
-had, jong en bijzonder mooi was. Naderhand schreef hij niet meer over
-hen, en bracht toch het grootste gedeelte van zijn ledigen tijd in
-hun huis door. Bij zijn omzwerven door het district van Coketown kwam
-hij hen dikwijls bezoeken, en werd door mijnheer Bounderby zeer daarin
-aangemoedigd. Het was geheel in mijnheer Bounderby's winderige manier,
-er bij iedereen op te snoeven, dat hij niet om lieden van voorname
-familie gaf, maar dat als zijne vrouw, Tom Gradgrind's dochter,
-dit deed, zij vrij gezelschap met hem mocht houden.
-
-Mijnheer James Harthouse begon te denken, dat het hem eene nieuwe
-aandoening zou geven, indien het gezichtje, dat voor "dien hondsvot"
-zoo treffend veranderde, eens voor hem wilde veranderen.
-
-Hij was vlug genoeg in het doen van waarnemingen; hij had een
-uitmuntend geheugen en hij vergat geen woord van de openbaringen,
-die haar broeder hem gedaan had. Hij bracht die in verband met alles
-wat hij van de zuster zag, en nu begon hij haar te begrijpen. Wel
-is waar lag het betere en diepere gedeelte van haar karakter niet
-binnen den kring van zijn begrip; want in zielen, gelijk in zeeën,
-roept de diepte tot de diepte; maar spoedig begon hij het overige
-met vorschende oogen te lezen.
-
-Mijnheer Bounderby was eigenaar van een landgoed geworden, dat omtrent
-vijftien mijlen van de stad gelegen was, en tot een paar mijlen
-afstands genaakbaar langs een spoorweg, die over vele bogen door eene
-woeste streek lands liep, door verlatene kolengroeven ondermijnd en des
-nachts met vuren en de zwarte gedaanten van machines overzaaid. Deze
-streek, die bij het naderen van Bounderby's buitengoed langzamerhand
-vriendelijker werd, ging daar in een bevallig landschap over, in de
-lente verguld met heidebloesems en besneeuwd met bloeiende haagdoornen,
-en den geheelen zomer door bedekt met trillend loover en schemerende
-schaduwen. Het kantoor had op dit zoo vermakelijk gelegen buitengoed
-eene hypotheek gehad, door een der magnaten van Coketown genomen, die,
-verlangend om langs een korter weg dan den gewonen schatrijk te worden,
-ongeveer tweemaal honderdduizend pond te hoog had gespeculeerd. Zulke
-ongelukjes gebeurden somtijds in de deftigste en geregeldste familiën
-van Coketown, hoewel de bankroetiers in geene de minste betrekking
-stonden met die klasse, welker gebrek aan overleg en voorzichtigheid
-zoo dikwijls ter sprake kwam.
-
-Het was voor mijnheer Bounderby een uitstekend genoegen dit bekoorlijke
-landgoedje in bezit te nemen en met pralende nederigheid den bloemtuin
-met kool te laten beplanten. Het was een genot voor hem, onder de
-elegante meubelen huis te houden alsof hij in eene kazerne was, en
-zelfs de schilderijen moesten veracht worden om op zijne lage afkomst
-te kunnen snoeven. "Ja, mijnheer," zeide hij zoo tegen een gast,
-"ik heb gehoord, dat Nickits" (de vorige eigenaar) "zevenhonderd pond
-voor dat zeestrand heeft gegeven. Nu, om rondborstig te zijn, als ik
-er in geheel mijn leven zevenmaal naar kijk, tegen negenhonderd pond
-voor iederen keer, zal het al wel zijn. Neen, waarachtig, ik vergeet
-niet, dat ik Josiah Bounderby van Coketown ben. Jaar op jaar waren
-de eenige schilderijen in mijn bezit, of die ik zonder te stelen in
-mijn bezit had kunnen krijgen, de prentjes van een man, die zich in
-eene laars den baard schoor, op de schoensmeerflesschen, waarmee ik
-machtig blij was dat ik laarzen mocht poetsen, en die ik, als ze leeg
-waren, voor een farthing het stuk verkocht; en dan was ik weer blij,
-dat ik er nog zóóveel voor kreeg."
-
-Tegen Harthouse zeide hij eens in denzelfden trant:
-
-"Harthouse, gij hebt hier een paar paarden. Laat er nog een half
-dozijn meer komen, als ge wilt, wij zullen er wel plaats voor
-vinden. Er is hier stalling voor wel twaalf paarden, en als mij
-Nickits niet beliegt, moet hij ook een vol dozijn hebben gehouden. Een
-vol dozijn, mijnheer. Toen die man een jongen was, ging hij naar de
-Westminster-school. Hij ging naar de Westminster-school, mijnheer,
-terwijl ik voornamelijk van groentenafval leefde en op de markt in
-eene ledige mand sliep. Wel, als ik twaalf paarden wilde houden--dat
-ik niet doe, omdat één genoeg voor mij is--zou ik ze nooit op stal
-kunnen zien staan, zonder er om te denken hoe ik zelf eens placht
-te wonen. Ik zou ze niet onder mijne oogen kunnen velen, mijnheer,
-maar ze moeten wegdoen. Maar zoo komen de dingen toch terecht. Gij
-ziet dit buiten, gij weet wat voor een buiten het is; gij weet,
-dat er voor zijne grootte geen completer buiten bestaat, hier in
-het land of ergens op de wereld--het kan mij niet schelen waar--en
-hier in het midden daarvan, gelijk een oorwurm in eene okkernoot, zit
-Josiah Bounderby; terwijl Nickits (dit heeft mij iemand, die gisteren
-op het kantoor kwam, verteld) Nickits, die op de Westminster-school
-in Latijnsche komedies placht mee te spelen, waar de adel van het
-land hem applaudisseerde tot ze bek af waren, op dit oogenblik half
-gek--half gek, mijnheer--te Antwerpen in een donker achterstraatje
-op de vijfde verdieping zit te mijmeren."
-
-Het was onder de looverschaduwen van dit buitengoed, in de lange,
-zoele zomerdagen, dat mijnheer Harthouse begon te beproeven, of het
-gezichtje, waarover hij zich, toen hij het voor de eerste maal zag,
-zoozeer had verwonderd, ook voor hem zou willen veranderen.
-
-"Mevrouw Bounderby, ik houd het voor een zeer gelukkig toeval, dat
-ik u hier alleen vind. Ik heb reeds eenigen tijd bijzonder verlangd
-om u eens te spreken."
-
-Het was geen zeer zonderling toeval, dat hij haar vond, daar zij op
-dien tijd van den dag altijd alleen, en dat plekje hare geliefkoosde
-rustplaats was. Het was eene opening in een donker bosch, waar eenige
-gevelde boomen lagen, en waar zij naar de afgevallen bladeren van het
-vorige jaar zat te turen, gelijk zij thuis naar de vallende vonken
-had getuurd.
-
-Hij zette zich naast haar neer en zag haar zijdelings in het gezicht.
-
-"Uw broeder, mijn jonge vriend Tom...,"
-
-Hare kleur werd hooger en zij keerde zich met een blik vol
-belangstelling naar hem om.
-
-"Ik heb nooit in mijn leven," dacht hij, "iets zoo opmerkelijks en
-bekoorlijks gezien als het ophelderen van die trekken."
-
-Zijn gezicht verried zijne gedachten--misschien zonder hem te verraden,
-want het kon wel met voordacht geschied zijn, dat het die uitdrukking
-teekende.
-
-"Excuseer mij. De uitdrukking uwer zusterlijke belangstelling is
-zoo schoon--Tom moest er zoo trotsch op wezen--ik weet wel, dat het
-onverschoonlijk is, maar mijne bewondering was onwillekeurig."
-
-"Gij zijt altijd zoo naïef," zeide zij bedaard.
-
-"Neen, mevrouw Bounderby, gij weet wel, dat ik voor u niet veinzen
-wil. Ik weet wel, dat ik een alledaagsch, baatzuchtig mensch ben,
-altijd gereed om mij zelve voor eene billijke som te verkoopen,
-en geheel onvatbaar voor alle Arcadisch gevoel."
-
-"Ik wacht," antwoordde zij, "wat gij verder van mijn broeder te
-zeggen hebt."
-
-"Gij zijt stug tegen mij, en ik verdien het. Ik ben zulk een
-nietswaardig schepsel als er een op de wereld is, behalve dat ik
-niet valsch ben. Maar gij hebt mij door verrassing van mijn onderwerp
-afgebracht--uw broeder namelijk. Hij interesseert mij."
-
-"Is er dan nog iets dat u interesseert, mijnheer Harthouse?" zeide zij,
-half ongeloovig en half dankbaar.
-
-"Als ge mij dat gevraagd hadt toen ik pas hier kwam, zou ik gezegd
-hebben "neen." Nu moet ik "ja" antwoorden--zelfs op het gevaar af, dat
-ge mij van veinzerij zult verdenken en mij niet zult willen gelooven."
-
-Zij maakte eene geringe beweging, alsof zij wilde spreken, maar geene
-stem had. Eindelijk zeide zij: "Mijnheer Harthouse, ik wil wel van
-u gelooven, dat gij u voor mijn broeder interesseert."
-
-"Ik dank u. Ik zal pogen dat vertrouwen te verdienen. Gij weet wel
-op hoe weinig ik aanspraak maak, maar zoo ver wil ik toch gaan. Gij
-hebt zooveel voor hem gedaan, gij zijt zoo liefderijk voor hem; in
-geheel uw leven straalt zulk eene bekoorlijke zelfverloochening om
-zijnentwil door--nog eens excuseer mij--ik dwaal weder ver van mijn
-onderwerp af. Ik interesseer mij voor hem om zijn eigen wil."
-
-Zij had de geringst mogelijke beweging gemaakt alsof zij haastig
-wilde opstaan en heengaan. Op hetzelfde oogenblik had hij echter zijn
-gezegde eene andere wending gegeven en zij bleef zitten.
-
-"Mevrouw Bounderby," hervatte hij op een luchtiger toon, maar tegelijk
-liet hij duidelijk de inspanning zien, die het hem kostte om dien toon
-aan te nemen, en versterkte daardoor den gemaakten indruk; "het is
-geen onherstelbaar misdrijf bij een jongmensch van uw broeders jaren,
-als hij zorgeloos en onbedacht is, wat veel geld verteert--kortom,
-met de gewone uitdrukking, een weinigje losbandig is. Is hij dat niet?"
-
-"Ja."
-
-"Veroorloof mij eens rondborstig te zijn. Denkt gij dat hij speelt?"
-
-"Ik geloof, dat hij wedt," en daar Harthouse bleef wachten, alsof
-dit nog niet haar geheele antwoord was, voegde zij er bij: "Ik weet,
-dat hij dat doet."
-
-"Natuurlijk verliest hij?"
-
-"Ja."
-
-"Iedereen, die wedt, verliest. Mag ik de waarschijnlijkheid wel
-aanroeren, dat gij hem somtijds voor die liefhebberijen van geld
-voorziet?"
-
-Zij had voor zich neergezien; maar bij deze vraag sloeg zij hare
-oogen op en zag hem uitvorschend en met eenige verstoordheid aan.
-
-"Ik hoop, dat ge mij van alle onbescheidene nieuwsgierigheid
-zult vrijspreken, lieve mevrouw Bounderby. Ik geloof, dat Tom zich
-langzamerhand in moeielijkheden wikkelt, en ik wensch hem uit de diepte
-mijner ondeugende ervaring eene helpende hand toe te reiken. Zal ik
-nog eens zeggen, om zijnentwil? Is dat noodig?"
-
-Zij scheen te willen antwoorden, maar er kwam niets van.
-
-"Om u openhartig alles te bekennen wat mij wel eens in het hoofd
-is gekomen," vervolgde Harthouse, wederom met dezelfde zichtbare
-inspanning zijn luchtigen toon aannemende, "wil ik u zeggen, dat ik
-er zeer aan twijfel of hij wel veel in zijn voordeel heeft gehad, of
-het--verschoon mijne lompheid--wel waarschijnlijk is, dat er groote
-vertrouwelijkheid tusschen hem en zijn waardigen vader kan bestaan."
-
-"Dat houd ik niet voor waarschijnlijk," zeide Louisa, blozende bij
-hare eigene gewichtige herinnering in dit opzicht.
-
-"Of tusschen hem--ik vertrouw, dat gij mijne meening volkomen zult
-begrijpen--of tusschen hem en zijn hooggeachten schoonbroeder."
-
-Zij bloosde al hooger en hooger, en was gloeiend rood toen zij met
-eene flauwe stem antwoordde: "Dat acht ik ook niet waarschijnlijk."
-
-"Mevrouw Bounderby," zeide Harthouse, na eene korte poos van stilte,
-"zou er niet meer vertrouwelijkheid tusschen u en mij kunnen zijn? Tom
-heeft eene aanmerkelijke som van u geleend, niet waar?"
-
-"Gij moet wel begrijpen, mijnheer Harthouse," antwoordde zij, na een
-oogenblik van besluiteloosheid--zij was gedurende dit geheele gesprek
-min of meer onrustig en verlegen geweest, maar had toch over het
-geheel hare zelfbeheersching bewaard--"gij moet wel begrijpen, dat,
-als ik u zeggen zal wat gij mij dringt te zeggen, het niet bij wijze
-van klacht of uitdrukking van spijt is. Ik zou nooit over iets willen
-klagen, en van hetgeen ik gedaan heb, heb ik geen de minste spijt."
-
-"Hoe fier ook!" dacht James Harthouse.
-
-"Toen ik trouwde, bevond ik dat mijn broeder toen reeds zwaar in
-schulden zat. Zwaar voor zijn doen, meen ik. Zwaar genoeg om mij
-tot het verkoopen van eenige sieraden te noodzaken. Dit was geene
-opoffering. Ik verkocht ze zeer gewillig. Ik hechtte er geene waarde
-aan. Voor mij waren zij niets waard."
-
-Zij zag aan zijn gezicht, of haar geweten deed het haar vreezen, dat
-hij begreep dat zij van geschenken sprak, die haar man haar gegeven
-had. Indien hij dit nog niet begrepen had, zou hij het nu hebben
-gedaan, al was hij veel dommer geweest dan hij was.
-
-"Sedert heb ik mijn broeder van tijd tot tijd zooveel geld gegeven
-als ik missen kon, kortom zooveel geld als ik had. Als ik u vertrouw,
-omdat ik geloof aan de belangstelling, die gij voor hem betoont,
-wil ik het niet ten halve doen. Sedert gij gewoon zijt hier te komen,
-heeft hij in eens om eene som van honderd pond gevraagd. Ik was niet
-in staat om hem die te geven. Ik ben wel ongerust geweest over de
-gevolgen, die het hebben kon, als hij om dat geld verlegen bleef,
-maar ik heb het geheim bewaard tot op dit oogenblik, nu ik het aan uwe
-eer toevertrouw. Ik heb niemand in mijn vertrouwen genomen, omdat--gij
-hebt zoo even zelf de reden aangeduid." En hier brak zij eensklaps af.
-
-Het ontbrak hem niet aan gevatheid, en hij nam terstond de gelegenheid
-waar om haar, onder den schijn van over haar broeder te spreken,
-haar eigen beeld voor te houden.
-
-"Mevrouw Bounderby, hoewel ik een man van de wereld en volstrekt niet
-sentimenteel ben, kan ik u toch verzekeren, dat het mij aandoet wat
-gij daar zegt. Het is mij niet mogelijk uw broeder hard te vallen. Ik
-begrijp de verstandige inschikkelijkheid, waarmede gij zijne dwalingen
-beschouwt, en stem geheel daarmede in. Met alle mogelijke hoogachting,
-zoowel voor mijnheer Gradgrind als mijnheer Bounderby, meen ik te
-bespeuren, dat zijne opleiding niet gelukkig is geweest. Door zijne
-opvoeding onbekend gebleven met de samenleving, waarin hij toch eene
-rol moest spelen, stort hij zich nu moedwillig in die uitersten, omdat
-de tegenovergestelde uitersten hem--zonder twijfel met de allerbeste
-oogmerken--zijn opgedwongen. Mijnheer Bounderby's rondborstige, echt
-Engelsche onafhankelijkheid, hoewel een allerinnemendste karaktertrek
-van hem, lokt toch--daarover zijn wij het eens geworden--niet tot
-vertrouwen uit. Als ik het durfde zeggen, zou ik meenen, dat het hem,
-naar het mij voorkomt, wel zeer weinig, maar toch eenigermate ontbreekt
-aan die kieschheid, tot welke een jongmensch, die op een dwaalspoor is
-geraakt, wiens karakter men van zijne kindsheid af niet heeft begrepen,
-en wiens talenten daardoor eene verkeerde richting hebben genomen,
-zich zou willen wenden om hulp en bestuur te zoeken."
-
-Terwijl zij recht voor zich uit zat te staren naar de afwisselende
-lichtspelingen op het gras en in de duisternis van het bosch, las hij
-in hare trekken de toepassing zijner woorden, die hij met de meest
-mogelijke duidelijkheid uitsprak.
-
-"Men moet hem veel toegeven," vervolgde hij. "Maar ik vind in Tom
-toch één groot gebrek, dat ik hem niet vergeven kan, en hem als eene
-zware schuld aanreken."
-
-Louisa sloeg hare oogen op en vroeg hem welk gebrek dit was.
-
-"Misschien heb ik genoeg gezegd," antwoordde hij. "Misschien zou
-het over het geheel beter zijn geweest als er mij geen woord van
-ware ontsnapt."
-
-"Gij maakt mij ongerust, mijnheer Harthouse. Zeg mij toch wat het is."
-
-"Welnu, om u van noodelooze bezorgdheid te ontheffen--en daar wij,
-wat uw broeder aangaat, tot eene vertrouwelijkheid zijn gekomen,
-waarop ik boven alles prijs stel--zal ik u gehoorzamen. Ik kan het
-hem niet vergeven, dat hij zich in al wat hij zegt of doet niet
-meer gevoelig toont voor de genegenheid zijner beste vriendin--voor
-hare onbaatzuchtigheid, hare zelfopoffering en zelfverloochening. De
-belooning, welke hij haar daarvoor geeft, is, zooveel ik heb opgemerkt,
-al zeer gering. Wat zij voor hem gedaan heeft, moest met standvastige
-liefde en dankbaarheid, niet met opvliegendheid en kwade luimen
-vergolden worden. Welk een loszinnig schepsel ik ook wezen moge, ik
-ben niet zoo onverschillig, mevrouw Bounderby, dat ik deze ondeugd
-in uw broeder over het hoofd kan zien of genegen ben die voor een
-verschoonlijken misstap te houden."
-
-Het bosch werd in een schemerenden nevel gehuld, want hare oogen
-stonden vol tranen. Zij ontsprongen uit eene diepe, lang verborgene
-bron, maar de kwellende smart, die haar hart vervulde, vond geene
-verlichting daarin.
-
-"Kortom, het zou mijn hoogste wensch zijn, mevrouw Bounderby, dat ik
-uw broeder in dit opzicht kon verbeteren. Mijne meerdere bekendheid
-met zijne omstandigheden, en mijn raad en bijstand om hem daaruit te
-redden--van eenige waarde, hoop ik, daar zij van iemand komen, die
-een deugniet op veel grootere schaal is geweest--zullen mij eenigen
-invloed op hem geven, en allen invloed, dien ik op hem verkrijg,
-zal ik zekerlijk tot dat oogmerk aanwenden. Ik heb genoeg gezegd, en
-meer dan genoeg. Het zou kunnen schijnen, dat ik mij wilde voordoen
-als een goedhartig mensch, terwijl ik, op mijne eer, geen het minste
-voornemen daartoe heb en openlijk verklaar, dat ik niets van dien aard
-ben. Daar onder de boomen," vervolgde hij, nadat hij had opgekeken
-en rondgezien, want tot nog toe had hij scherp op haar gelet, "is uw
-broeder zelf, die zeker zoo pas is hier gekomen. Daar hij dezen kant
-schijnt heen te dwalen, zal het misschien niet kwaad zijn als wij naar
-hem toe wandelden en hem in den weg zochten te komen. Hij is sedert
-eenigen tijd zeer stil en verdrietig. Misschien is zijn broederlijk
-geweten getroffen--als er zulk een ding als een geweten is; want,
-op mijne eer, ik hoor er veel te dikwijls van om er aan te gelooven."
-
-Hij hielp haar opstaan, zij nam zijn arm, en zij gingen den hondsvot te
-gemoet. Tom sloeg al voortslenterende met zijn rotting tegen de takken,
-en bleef tusschenbeide stilstaan om met zekere kwaadaardigheid het
-mos van de boomen te schrappen. Hij schrikte en verschoot van kleur,
-toen zij hem onder dit laatste tijdverdrijf onverwacht nabij kwamen.
-
-"Holla ho!" zeide hij stotterend. "Ik wist niet, dat gij hier waart."
-
-"Wiens naam, Tom," zeide Harthouse, hem de hand op den schouder
-leggende en hem zoodanig omdraaiende, dat zij nu alle drie naar het
-huis wandelden, "hebt gij daar op de boomen gesneden?"
-
-"Wiens naam?" antwoordde Tom. "O, gij meent welken meisjesnaam?"
-
-"Uw voorkomen brengt u onder sterke verdenking, Tom, dat ge juist
-bezig waart met den naam eener schoone op de schors te schrijven."
-
-"Wel neen, mijnheer Harthouse, of eene schoone met een goed fortuin
-tot hare vrije beschikking moest eens zin in mij krijgen. Zij mocht
-zoo leelijk zijn als zij rijk ware, zij zou toch niet bang behoeven
-te wezen om mij te verliezen. Ik zou haar naam schrijven zoo dikwijls
-als zij maar wilde."
-
-"Ik vrees dat gij zeer zelfzuchtig zijt, Tom."
-
-"Zelfzuchtig," herhaalde Tom. "Wie is niet zelfzuchtig. Vraag mijne
-zuster maar."
-
-"Hebt gij zoo ondervonden, Tom, dat dit een gebrek van mij was?" zeide
-Louisa, zonder op andere wijze hare gevoeligheid over zijne norschheid
-en wreveligheid te toonen.
-
-"Gij moet zelf maar weten of de schoen u past, Louisa," antwoordde
-haar broeder stuursch. "Zoo ja, trek hem dan maar aan."
-
-"Tom is vandaag misanthropisch, gelijk alle menschen, die zich
-vervelen, nu en dan zijn," liet Harthouse hierop volgen. "Geloof hem
-maar niet, mevrouw Bounderby; hij weet wel beter. Als hij niet wat
-vriendelijker wordt, zal ik u laten hooren, hoe hij mij eens heimelijk
-heeft gezegd, wat hij eigenlijk denkt."
-
-"In allen gevalle, mijnheer Harthouse," zeide Tom, door de schertsende
-gemeenzaamheid van zijn voornamen vriend eenigszins verzacht, maar
-toch nog wrevelig zijn hoofd schuddende, "kunt gij haar niet zeggen,
-dat ik haar ooit geprezen heb omdat zij zelfzuchtig was. Misschien heb
-ik haar wel eens voor het tegendeel geprezen, en dat zou ik weder doen,
-als ik er evengoede reden toe had. Maar dat komt er nu niet op aan:
-het is voor u niet zeer belangrijk, en mij verveelt de zaak al lang."
-
-Zij wandelden voor naar het huis, waar Louisa den arm van haar
-geleider losliet en binnenging. Hij stond haar na te kijken terwijl
-zij de stoep opwipte en in de schaduw van het portaal verdween; daarna
-legde hij zijne hand weder op haar broeders schouder en noodigde hem
-met een gemeenzaam, hoofdknikje tot eene wandeling in den tuin.
-
-"Tom, mijn beste jongen, ik heb een woordje met u te spreken."
-
-Zij bleven staan tusschen een warboel van rozen--het behoorde tot
-mijnheer Bounderby's nederigheid om de rozen van Nickits in het wild
-te laten groeien--en Tom zette zich op de balustrade van een terras,
-en begon de knoppen af te plukken en in stukjes te trekken; terwijl
-zijn geleigeest bij hem stond, met zijn eenen voet op de balustrade
-en het overgebogene bovenlijf rustende op den arm, welke door die knie
-werd ondersteund. Zij waren uit haar venster juist zichtbaar. Misschien
-zag zij hen.
-
-"Tom, wat scheelt er aan?"
-
-"Och, mijnheer Harthouse," antwoordde Tom met een zucht, "ik zit er
-zoo in; ik word half doodgeplaagd."
-
-"Ik ook, mijn beste jongen."
-
-"Gij?" hervatte Tom. "Gij zijt zoo onafhankelijk als iemand wezen
-kan. Ik zit schrikkelijk in het nauw, mijnheer Harthouse. Gij kunt
-u niet verbeelden, in welk een toestand ik mij gebracht heb--een
-toestand, waaruit mijne zuster mij had kunnen redden, als zij maar
-gewild had."
-
-Hij begon nu de rozeknoppen aan stukken te bijten, en scheurde ze
-tusschen zijne tanden uit, met eene hand, welke beefde als die van
-een afgeleefd oud man. Na hem eerst met een zeer opmerkzamen blik te
-hebben aangezien, nam zijn makker zijn luchtigsten toon aan.
-
-"Maar, Tom, ge zijt onredelijk. Ge wilt al te veel van uw zuster
-hebben. Gij hebt immers reeds geld van haar gehad, gij, rekel--dat
-weet ik."
-
-"Ja, mijnheer Harthouse, dat weet ik ook wel. Hoe zou ik er anders
-aan komen? Daar is oude Bounderby, die er altijd op snoeft dat hij,
-toen hij zoo oud was als ik, van een dubbeltje 's maands leefde,
-of zoo iets van dien aard. Daar is mijn vader, die eene lijn trekt,
-zooals hij zegt, en mij van een kind af met handen en voeten daaraan
-vastbindt. Daar is mijne moeder, die nooit iets te veel heeft,
-behalve klachten. Wat zal iemand dan doen om aan geld te komen,
-en van wie heb ik iets te wachten, als het niet van mijne zuster is?"
-
-Hij huilde bijna en strooide de rozeknoppen bij dozijnen om zich heen.
-
-Harthouse pakte hem met vriendelijke overredingskracht bij zijn rok.
-
-"Maar, beste Tom, als uwe zuster het nu niet heeft...."
-
-"Het niet heeft, mijnheer Harthouse? Ik zeg niet dat zij het heeft. Ik
-had misschien meer noodig dan zij waarschijnlijk had. Maar dan moest
-zij maken dat zij het kreeg. Zij kan het wel krijgen. Ik behoef nu
-geen geheim van de zaak meer te maken, na alles wat ik u al gezegd
-hebt. Gij weet wel dat zij ouden Bounderby niet om harentwil heeft
-getrouwd, noch om zijnentwil, maar om mijnentwil. Waarom maakt zij
-dan niet om mijnentwil, dat zij van hem krijgt wat ik noodig heb? Zij
-behoeft niet te zeggen wat zij er mee doen zal; zij is slim genoeg;
-zij kon het wel met wat flikflooien van hem krijgen, als zij maar
-wilde. Waarom wil zij dan niet, als ik haar zeg van hoeveel belang
-het voor mij is? Maar neen. Daar zit zij bij hem als een stuk steen,
-in plaats van zich aangenaam te maken en het zoo met gemak van hem
-te krijgen. Ik weet niet hoe gij dit noemt, maar ik noem het een
-onnatuurlijk gedrag."
-
-Vlak aan den anderen kant der balustrade was eene diepe vijver,
-en mijnheer James Harthouse had grooten lust om mijnheer Thomas
-Gradgrind Junior daarin te smijten, gelijk de mishandelde fabrikanten
-van Coketown dreigden hun eigendom in zee te zullen werpen. Maar hij
-bewaarde zijne achtelooze houding, en er viel niets over de steenen
-balustrade, dan nog een hoop rozeknoppen, die nu met de anderen een
-drijvend eilandje vormden.
-
-"Beste Tom," zeide Harthouse, "laat ik eens beproeven uw bankier
-te zijn."
-
-"Om 's Hemels wil," antwoordde Tom verschrikt, "spreek toch niet van
-bankiers!" En in contrast met de rozen scheen hij geheel wit te worden.
-
-Harthouse, als een welopgevoed man, aan beschaafden omgang gewoon, liet
-zich niet verbazen--hij had zich evengoed kunnen laten ontroeren--maar
-hij opende zijne oogen een weinigje meer, alsof de leden door een
-flauwen zweem van verwondering werden opgetrokken, hoewel het evenzeer
-tegen de regelen zijner school streed zich over iets te verwonderen,
-als tegen de leer die Gradgrind predikte.
-
-"Hoeveel komt er op het oogenblik te kort, Tom? Drie cijfers? Voor
-den dag er mee! Zeg, hoe groot is de som?"
-
-"Och, mijnheer Harthouse," antwoordde Tom nu werkelijk schreiende;
-en welk eene jammerlijke figuur hij ook maakte, stonden zijne tranen
-hem toch beter dan zijne norschheid; "het is te laat. Het geld kan
-mij nu toch niet meer baten. Ik had het vroeger moeten hebben om mij
-van nut te wezen. Maar ik ben u toch zeer verplicht. Gij zijt een
-oprecht vriend."
-
-Een oprecht vriend! "O, hondsvot!" dacht Harthouse, op zijne trage
-en flauwe manier, "welk een ezel zijt ge toch!"
-
-"En ik houd uw aanbod voor eene zeer groote vriendelijkheid," vervolgde
-Tom, zijne hand vattende, "eene zeer groote vriendelijkheid."
-
-"Wel," hervatte de ander, "het zal u later misschien van meer nut
-kunnen zijn; en, mijn goede jongen, als ge mij uwe ongelegenheden wilt
-openbaren, wanneer ze u beginnen te overstelpen, zal ik u misschien een
-beter weg kunnen wijzen om er uit te komen dan gij zelf kunt vinden."
-
-"Ik dank u," zeide Tom, naargeestig zijn hoofd schuddende en
-rozeknopjes kauwende. "Ik wenschte wel, dat ik u vroeger had gekend,
-mijnheer Harthouse."
-
-"Gij moet weten, Tom," zeide Harthouse tot slot, zelf een paar rozen
-over de balustrade werpende, als eene bijdrage tot het eilandje, dat
-steeds naar den muur bleef drijven, alsof het zich aan het vasteland
-wilde vasthechten: "alle menschen zijn zelfzuchtig in al wat zij doen,
-en ik ben eveneens als de rest van mijne natuurgenooten. Ik ben er
-razend op gesteld,"--de kwijnende flauwheid zijner razernij kon wel een
-gevolg der groote hitte zijn--"dat gij vriendelijker voor uwe zuster
-wordt--en dat zou u wel passen;--dat gij een beter en pleizieriger
-soort van broeder wordt--en dat zou wel zoo behoorlijk zijn."
-
-"Dat zal ik, mijnheer Harthouse."
-
-"Geen tijd zoo goed als de tegenwoordige, Tom. Begin dus terstond."
-
-"Dat zal ik zeker; en mijne zuster Louisa zal het u zeggen."
-
-"En nu wij dit accoord hebben gemaakt, Tom," zeide Harthouse, hem
-nogmaals op den schouder kloppende op eene manier, die hem volle
-vrijheid liet te meenen--gelijk hij ook deed, arme dwaas--dat deze
-voorwaarde hem slechts uit goedhartigheid werd opgelegd, om zijn
-gevoel van verplichting te verminderen, "zullen wij ons tot etenstijd
-van elkander losrukken."
-
-Toen Tom aan tafel kwam, scheen zijn gemoed nog wel bezwaard, maar
-zijn lichaam was toch vlugger, en hij kwam vóór mijnheer Bounderby.
-
-"Ik meende het niet toen ik zoo stuursch was, Louisa," zeide hij,
-haar de hand en een kus gevende. "Ik weet wel, dat gij veel van mij
-houdt, en gij weet ook wel, dat ik veel van u houd."
-
-Later op dien dag had Louisa's gezichtje een glimlach voor iemand
-anders. Helaas, voor iemand anders!
-
-"Des te minder is die hondsvot de eenige om wien zij iets geeft,"
-zeide James Harthouse bij zich zelven, de gedachte omkeerende, die op
-den eersten dag, toen hij met haar bevallig gezichtje kennis gemaakt
-had, bij hem was opgekomen. "Des te minder, des te minder."
-
-
-
-
-
-
-
-XXIV.
-
-DE UITBARSTING.
-
-
-De volgende morgen was te helder om te blijven slapen, en
-James Harthouse stond dus vroeg op en zette zich voor het opene
-uitstekvenster zijner kleedkamer met een dier fijne sigaren in den
-mond, die zulk een heilzamen invloed op zijn jongen vriend hadden
-gehad. In den zonneschijn rustende, terwijl de geur van het edele kruid
-hem omhulde en de droomerige rookwolkjes in de lucht opstegen, reeds
-vervuld met de welriekende uitwasemingen der zomerbloemen, telde hij
-zijne reeds behaalde voordeelen op, gelijk een onverschillig speler
-zijne winsten optelt. Voor het oogenblik was niemand hem lastig,
-en kon hij zich ongestoord daarmede bezighouden.
-
-Hij was tot eene vertrouwelijkheid met haar gekomen, waar haar
-echtgenoot buitengesloten bleef. Hij was tot eene vertrouwelijkheid met
-haar gekomen, die juist uit hare onverschilligheid voor haar man en
-het gebrek aan overeenstemming tusschen dit paar was ontsproten. Hij
-had haar op eene behendige manier, maar toch duidelijk, te verstaan
-gegeven, dat hij haar hart tot in de geheimste schuilhoeken kende; hij
-was juist door het teederste gevoel van dat hart haar nabijgekomen,
-en de ijskorst, die het als een muur omringde, was gesmolten. Alles
-zeer vreemd, en zeer streelend.
-
-En toch had hij, zelf nu nog, geene ernstige slechte voornemens. In
-het openbare en bijzondere leven zou het voor onze eeuw veel beter
-zijn, dat hij en het legioen zijner gelijken opzettelijk slecht waren,
-dan zoo onverschillig en doelloos. Het zijn de drijvende ijsbergen,
-met elken stroom overal heen zwalkende, die de schepen doen vergaan.
-
-Wanneer de duivel rondgaat gelijk een brullende leeuw, gaat hij
-rond in eene gedaante, waardoor weinigen dan wilden en jagers zich
-laten verlokken om hem te naderen. Maar wanneer hij naar de mode
-is opgekleed en opgepolijst; wanneer deugd en ondeugd hem evenzeer
-vervelen; wanneer hij den zwavelpoel en de zaligheid evenzeer moede
-is, dan is hij eerst de echte duivel.
-
-Zoo bleef James Harthouse voor het venster zitten, op zijn gemak
-rookende en de schreden tellende, welke hij gedaan had op den weg,
-dien hij toevallig had ingeslagen. Het einde, waartoe die weg voerde,
-lag vrij duidelijk voor hem, maar daarom bekommerde hij zich niet
-het minste. Wat gebeuren moet, moet gebeuren.
-
-Daar hij dien dag een tamelijk verren weg te rijden had--want er zou
-ergens eene openbare vergadering plaats hebben, die hem gelegenheid
-zou geven om stemmen te winnen--kleedde hij zich vroeg en ging toen
-naar beneden om te ontbijten. Hij was verlangend om te zien, of zij
-sedert den vorigen avond weder verkoeld was. Neen. Hij kon weder
-beginnen waar hij het gelaten had.
-
-Er was weder een blik vol vriendelijke belangstelling voor hem gereed.
-
-Hij kwam zoozeer (of zoo weinig), naar zijn genoegen door den dag heen,
-als onder de omstandigheden, die zulk eene vermoeienis van hem vergden,
-te wachten was, en kwam tegen zes ure terugrijden. De laan tusschen
-de portierswoning en het huis, die eene sierlijke bocht maakte,
-had eene tamelijke lengte, en hij reed stapvoets daarlangs voort,
-toen mijnheer Bounderby op eens het heesterplantsoen uitkwam, zoo
-driftig en onverwacht, dat het paard schichtig terugdeinsde.
-
-"Harthouse!" riep mijnheer Bounderby luidkeels. "Hebt gij het gehoord?"
-
-"Wat gehoord?" zeide Harthouse, zijn paard streelende om het te
-bedaren, onder het heimelijk uiten van een wensch, die niet veel
-goeds voor mijnheer Bounderby bevatte.
-
-"Dus hebt gij niets gehoord?"
-
-"Ik heb u gehoord, en dat heeft dit beest ook. Anders niets."
-
-Mijnheer Bounderby, die gloeiend rood was, plaatste zich midden op
-den weg, vlak voor het paard, om zijne bom met meer effect te laten
-springen.
-
-"Het kantoor is bestolen!"
-
-"Dat meent ge toch niet in ernst!"
-
-"Van nacht bestolen, mijnheer! Op een buitengewone manier bestolen! Met
-een valschen sleutel bestolen!"
-
-"Is het verlies groot?"
-
-Het scheen Bounderby, bij zijn verlangen om zooveel mogelijk gerucht
-van de zaak te maken, inderdaad te spijten, dat hij genoodzaakt was te
-antwoorden: "Neen, niet heel groot. Maar dat had het wel kunnen zijn?"
-
-"Hoe groot is het?"
-
-"O, wat de som betreft--als gij bij de som blijft--niet meer dan
-honderd vijftig pond," antwoordde Bounderby wrevelig. "Maar het is
-de som niet; het is het feit. Het feit, dat het kantoor bestolen is,
-dat is eigenlijk het gewichtige. Het verwondert mij, dat gij dit
-niet begrijpt."
-
-"Mijn beste Bounderby," zeide James, terwijl hij van zijn paard stapte
-en de teugels aan zijn knecht overgaf, "dat begrijp ik zeer wel, en ik
-ben zoo erg, als gij maar verlangen kunt, ontsteld van het schouwspel,
-dat zich voor de oogen van mijn geest vertoont. Evenwel hoop ik,
-u te mogen feliciteeren dat gij geen grooter verlies hebt geleden,
-en ik verzeker u, dat doe ik met al mijn hart."
-
-"Dank je," antwoordde Bounderby op een stroeven toon. "Maar laat ik
-u eens wat zeggen. Het had ook twintig duizend pond kunnen zijn."
-
-"Wel te denken."
-
-"Wel te denken? Het is waarachtig wel te denken," zeide Bounderby,
-gramstorig knikkende. "Het had tweemaal twintig kunnen zijn. Het
-is niet te zeggen hoeveel het had kunnen zijn, of niet kunnen zijn,
-als de kerels niet gestoord waren."
-
-Louisa was nu aangekomen, tegelijk met mevrouw Sparsit en Bitzer.
-
-"Daar is Tom Gradgrind's dochter, die tamelijk wel weet hoeveel het
-had kunnen zijn, als gij het niet weet," hervatte Bounderby op zijn
-winderigsten toon. "Zij viel neer, alsof ze doodgeschoten was, toen
-zij het hoorde. Ik heb nooit te voren zoo iets van haar gezien. Het
-strekt haar onder deze omstandigheden tot eer, naar mijne gedachten."
-
-Zij zag er nog bleek en ontsteld uit. James Harthouse bood haar zijn
-arm aan, en terwijl zij zeer langzaam voortwandelden, vroeg hij,
-hoe de diefstal gepleegd was.
-
-"Wel, dat wilde ik u juist vertellen," zeide Bounderby, korzelig zijn
-arm aan mevrouw Sparsit gevende. "Als ge niet zoo machtig precies op
-de som waart geweest, zou ik daarmee begonnen zijn. Gij kent deze dame
-(want zij is eene geboren dame), mevrouw Sparsit?"
-
-"Ik heb reeds de eer gehad..."
-
-"Heel goed. En dit jonge mensch, Bitzer, hebt gij ook bij dezelfde
-gelegenheid gezien?"
-
-Mijnheer Harthouse knikte toestemmend, en Bitzer duwde zijne kneukels
-tegen zijn voorhoofd.
-
-"Heel goed. Zij wonen aan het kantoor. Gij weet misschien al, dat zij
-daar wonen? Heel goed. Gisteravond na den kantoortijd werd alles naar
-gewoonte geborgen en gesloten. In de ijzeren kamer, waarvoor die jongen
-slaapt, was--het doet er niet toe hoeveel. In het ijzeren kistje in
-de kamer van Tom, het kistje dat voor kleine sommen wordt gebruikt,
-was honderdvijftig pond of wat meer."
-
-"Honderd vier en vijftig, zeven en een," zeide Bitzer.
-
-"Pas op!" voer Bounderby uit, stilstaande om zich naar hem toe te
-keeren. "Val gij mij niet in de rede. Het is al genoeg bestolen te
-worden terwijl gij ligt te snorken, omdat gij het al te goed hebt,
-zonder dat gij mij in de rede behoeft te vallen om mij in een beuzeling
-terecht te zetten. Ik snorkte niet, toen ik zoo oud was als gij,
-laat ik u dat zeggen. Ik kreeg geen eten genoeg om te snorken. En ik
-viel iemand niet met beuzelingen in de rede, al wist ik er van."
-
-Bitzer duwde op eene kruiperige manier zijne kneukels tegen zijn
-voorhoofd en scheen vooral door het laatste gezegde van zijn patroon
-zeer getroffen en verslagen.
-
-"Honderd vijftig pond ongeveer," hervatte mijnheer Bounderby. "Die som
-had Tom in zijne geldkist gesloten; geen heel sterke kist, maar dat
-doet er nu niet toe. Alles was in orde toen men heenging. Op zekeren
-tijd van den nacht, toen die knaap lag te snorken--mevrouw Sparsit,
-gij zegt immers, dat gij hem hebt hooren snorken?"
-
-"Mijnheer," antwoordde mevrouw Sparsit, "ik kan niet zeggen, dat
-ik hem eigenlijk heb hooren snorken, en daarom mag ik zoo iets niet
-verklaren. Maar 's avonds, in den winter, als hij op zijn stoel in
-slaap viel, heb ik hem wel eens een geluid hooren maken, om zoo te
-zeggen alsof hij half geworgd werd--het was omtrent hetzelfde geluid
-dat men somtijds in eene houten klok hoort. Niet," vervolgde zij,
-met de verhevene bewustheid dat zij de waarheid huldigde door eene
-streng onpartijdige getuigenis te geven, "dat ik eenige blaam op
-zijn zedelijk karakter zou willen werpen. Ver van daar. Ik heb Bitzer
-altijd voor een jongmensch van de standvastigste beginselen gehouden,
-dat verzoek ik te mogen zeggen."
-
-"Welnu," hernam de vergramde Bounderby, "terwijl hij dan snorkte,
-of half geworgd werd, of een geluid maakte als eene houten klok,
-of iets van dien aard--terwijl hij lag te slapen, kortom--zijn
-eenige kerels--of zij te voren in huis verscholen waren of niet,
-staat nog te bezien--op eene of andere manier bij het geldkistje van
-Tom gekomen, hebben het opengebroken en weggepakt wat er in was. Toen
-gestoord wordende, hebben zij zich voortgemaakt, zich zelven de deur
-uitgelaten, en die weer op het nachtslot gedraaid--zij was op het
-nachtslot, en mevrouw Sparsit had den sleutel onder haar kussen--met
-een valschen sleutel, dien men vandaag tegen twaalf uur op straat,
-dicht bij het kantoor, heeft opgeraapt. Er werd geen alarm gemaakt,
-voordat deze knaap, Bitzer, des morgens opstond en de kamer in orde
-ging brengen. Toen ziet hij de deur van Tom's kamer aanstaan, vindt
-het kistje opengebroken en het geld weg."
-
-"A propos, waar is Tom?" vroeg Harthouse, in het rond kijkende.
-
-"Hij heeft de politie geholpen," antwoordde Bounderby, "en is nog
-aan het kantoor. Ik wou, dat die kerels geprobeerd hadden om mij te
-bestelen toen ik zoo oud was als hij. Zij zouden er bij verloren
-hebben, al hadden zij maar achttien stuivers onkosten voor het
-karreweitje gemaakt, dat kan ik hun zeggen."
-
-"Wordt er niemand verdacht?"
-
-"Verdacht? Dat zou ik denken!" antwoordde Bounderby, den arm
-van mevrouw Sparsit loslatende om zijn gloeiend voorhoofd af te
-vegen. "Waarachtig, Josiah Bounderby van Coketown zal niet bestolen
-worden, zonder dat er iemand verdacht werdt. Neen, wel verplicht!"
-
-Mocht mijnheer Harthouse vragen wie er verdacht werd?
-
-"Wel, dat zal ik u zeggen," antwoordde Bounderby, stilstaande en zich
-omdraaiende om al de anderen aan te zien. "Maar het moet niet verder
-verteld worden. Niemand moet er iets van hooren, om de schelmen, die er
-in betrokken zijn--het is eene geheele bende--niet te waarschuwen. Dit
-dus in vertrouwen. Wat zoudt gij zeggen," barstte hij geweldig uit,
-"als er een van mijne werklieden in betrokken was?"
-
-"Ik hoop niet onze vriend Blackpot?" zeide Harthouse op een
-onverschilligen, slependen toon.
-
-"Zeg Pool in plaats van Pot, mijnheer," antwoordde Bounderby,
-"en het is de man."
-
-Louisa liet een flauwen uitroep van verwondering en ongeloof hooren.
-
-"O ja, dat weet ik wel," zeide Bounderby, hierop terstond vuur
-vattende. "Daaraan ben ik gewend. Dat ken ik alles van buiten. Zij zijn
-de braafste menschen van de wereld, dat volk. Zij kunnen machtig mooi
-praten. Zij willen maar hebben dat men hun verklaart welke rechten
-zij hebben. Maar ik zal u eens wat zeggen. Wijs mij een onvergenoegd
-werkman, en ik zal u iemand wijzen, die tot alle slechtheid in staat
-is, onverschillig welke."
-
-Dit was weder een der algemeenheden van Coketown, welke men met
-tamelijk veel moeite had verspreid, waaraan sommige menschen werkelijk
-geloofden.
-
-"Maar ik ken die knapen," hervatte Bounderby. "Ik kan hen lezen als een
-boek. Mevrouw Sparsit, ik beroep mij op u. Welke waarschuwing heb ik
-dien kerel gegeven, de eerste maal toen hij een voet bij mij in huis
-zette, en zijn uitdrukkelijk oogmerk was te komen vragen, hoe hij de
-godsdienst en de gevestigde Kerk zou kunnen overhoop smijten? Mevrouw
-Sparsit, wat aanzienlijkheid van betrekkingen aangaat, staat gij
-gelijk met de aristocratie--heb ik toen niet tegen dien kerel gezegd:
-"Gij kunt de waarheid niet voor mij verbergen; gij zijt geen man die
-mij bevalt en het zal niet goed met u afloopen?"
-
-"Zeer zeker, mijnheer," antwoordde mevrouw Sparsit, "gij hebt hem op
-eene zeer nadrukkelijke manier eene vermaning van dien aard gegeven."
-
-"Toen hij u zoo geërgerd en uw gevoel zoo gekwetst had,
-juffrouw?" zeide Bounderby.
-
-"Ja, mijnheer," antwoordde mevrouw Sparsit en schudde met zachtaardige
-treurigheid haar hoofd, "dat had hij wèl gedaan. Hoewel ik niet wil
-tegenspreken, dat mijn gevoel op zulke punten teerder is--overdrevener,
-als men die uitdrukking beter vindt--dan het wezen zou, indien ik
-altijd mijne tegenwoordige betrekking had bekleed."
-
-Bijna barstende van hoogmoed, staarde Bounderby zijn vriend aan, als
-wilde hij zeggen: "ik ben de eigenaar van die vrouw, en zij is uwe
-aandacht wel waardig, zou ik denken?" Daarop hervatte hij zijne rede.
-
-"Gij zult u wel herinneren, Harthouse, wat ik tegen hem zeide
-toen gij hem zaagt. Ik wond er volstrekt geen doekjes om. Ik ben
-nooit zoetsappig met hen. Ik ken ze. Heel goed, mijnheer. Drie dagen
-naderhand liep hij weg--ging voort, niemand weet waarheen--gelijk mijne
-moeder gedaan heeft toen ik een kind was, alleen met dit verschil,
-dat hij zoo mogelijk nog slechter was dan mijne moeder. En wat heeft
-hij nu gedaan eer hij heenging? Wat zegt gij er van,"--met zijn hoed
-in de hand, gaf de spreker bij elke afdeeling zijner rede een tik op
-den bol, alsof het eene tamboerijn was--"dat men hem avond op avond
-bij het kantoor op de wacht heeft gezien--dat hij na den donker daar
-bleef loeren--dat het mevrouw Sparsit dadelijk inviel, dat hij met
-geen goed oogmerk zoo loeren kon--dat zij Bitzer opmerkzaam op hem
-maakte en zij hem alle twee in het oog hielden--en dat het vandaag
-door navraag gebleken is, dat ook de buren op hem gelet hebben?" Tot
-dit toppunt zijner welsprekendheid gekomen, zette Bounderby, gelijk
-een Oostersche danser, zijne tamboerijn op het hoofd.
-
-"Dat luidt zeker verdacht," zeide James Harthouse.
-
-"Dat dunkt mij ook, mijnheer," hervatte Bounderby, met een uitdagend
-knikje. "Dat dunkt mij ook. Maar er zijn er nog meer in betrokken. Er
-is eene oude vrouw. Men hoort nooit van die dingen eer het kwaad
-gebeurd is; men vindt allerlei gebreken aan de staldeur als het paard
-gestolen is. Nu komt er een oud wijf voor den dag, een oud wijf, dat
-naar het schijnt, van tijd tot tijd op een bezemstok naar de stad is
-komen vliegen. Zij houdt een geheelen dag de wacht voor het kantoor
-eer die kerel begint, en op den avond toen gij hem gezien hebt,
-sluipt zij met hem heen om overleg met hem te houden--denkelijk om
-rapport te doen eer zij haar post verliet--dat duivelsche wijf."
-
-Er was dien avond zulk eene vrouw in de kamer, en zij scheen zich te
-willen schuilhouden, dacht Louisa.
-
-"Dit zijn ze nog niet eens allen, zooveel wij nu reeds weten," zeide
-Bounderby, verscheidene malen geheimzinnig knikkende. "Maar ik heb voor
-het oogenblik genoegd gezegd. Gij zult wel zoo goed zijn om het stil te
-houden en er niemand over te spreken. Het zal misschien tijd kosten,
-maar wij zullen hen wel krijgen. Het is voorzichtig hen niet ongerust
-te maken, en het kan geen kwaad, dat zij vrij spel schijnen te hebben."
-
-"Natuurlijk zullen zij met de grootste strengheid der wet gestraft
-worden, gelijk de publicaties zeggen," antwoordde James Harthouse,
-"en dat is goed ook. Kerels, die kantoren bestelen, moeten de gevolgen
-maar ondervinden. Als er geene gevolgen waren zou iedereen kantoren
-gaan bestelen."
-
-Hij had Louisa zacht hare parasol uit de hand genomen en voor haar
-opgezet; en zij wandelden onder dier schaduw, hoewel de zon daar
-niet scheen.
-
-"Vooreerst, Louisa Bounderby," zeide haar echtgenoot, "moet er om
-mevrouw Sparsit gedacht worden. Hare zenuwen hebben door die historie
-een schok gekregen, en zij zal een paar dagen hier blijven. Maak dus,
-dat zij het hier naar haar genoegen heeft."
-
-"Ik dank u wel zeer, mijnheer," zeide deze bescheidene dame hierop,
-"maar ik bid u, laat mijn genoegen niemand bekommeren. Voor mij is
-alles goed genoeg."
-
-Het bleek spoedig, dat, indien mevrouw Sparsit in het huiselijke
-verkeer één gebrek had, het dit was, dat zij buitengemeen weinig
-werk van zich zelve en zooveel van anderen maakte, dat zij daardoor
-zeer onaangenaam en lastig werd. Toen men haar hare kamer wees,
-was zij zoo schrikkelijk gevoelig voor het comfortable daarvan,
-dat zij niet nalaten kon te zeggen, dat zij liever op den mangel
-in de strijkkamer den nacht had willen doorbrengen. 't Was waar,
-de Powler's en de Scadgers' waren aan weelde gewoon; "maar het is
-mijn plicht te onthouden," merkte mevrouw Sparsit gaarne met deftige
-minzaamheid aan, inzonderheid als er dienstboden bij waren, "dat ik
-niet meer ben wat ik was. Inderdaad," zeide zij, "als ik geheel en al
-de herinnering kon uitwisschen, dat mijnheer Sparsit een Powler was,
-en dat ik zelf met de familie Scadgers vermaagschapt ben; of als ik
-zelf dat feit kon herroepen en mij zelve tot een persoon van gemeene
-afkomst en burgerlijke betrekkingen maken, zou ik het zeer gaarne
-doen. Ik zou onder de bestaande omstandigheden denken, dat ik daaraan
-wèl zou doen." Dezelfde ootmoedige nederigheid deed haar aan tafel
-alle kunstmatig toebereide schotels afwijzen en voor wijn bedanken,
-totdat mijnheer Bounderby haar ronduit gebood om er van te gebruiken;
-waarna zij zeide: "Gij zijt waarlijk wel goed, mijnheer," en daarmede
-haar openlijk met vrij veel deftigheid aangekondigd besluit verzaakte
-"om op den eenvoudigen schapebout te wachten." Zij verzocht ook met
-diepe nederigheid verschooning als zij het zout verlangde; en zich
-verplicht achtende, om de getuigenis, die mijnheer Bounderby van hare
-zenuwen had gegeven, ten volle te bekrachtigen, liet zij zich nu en
-dan op haar stoel achteroverzakken om stil te schreien, en dan kon
-men (of liever moest men, want de zaak drong zich met geweld aan de
-aandacht op) een traan, zoo groot als eene kristallen oorbel, langs
-haar Romeinschen neus zien afrollen.
-
-Hare grootste kracht evenwel, van het begin tot het einde, lag in
-de hardnekkigheid van haar medelijden met mijnheer Bounderby. Het
-gebeurde dikwijls dat zij, als zij hem aanzag, onwillekeurig haar hoofd
-moest schudden, alsof zij wilde zeggen: "Helaas, arme Job." Nadat zij
-zich tot zulk een blijk van aandoening had laten verleiden, dwong zij
-zich tot eene opflikkering van vroolijkheid, en zeide dan met in het
-oog loopende opgeruimdheid: "Gij zijt altijd nog frisch en vroolijk,
-mijnheer; ik ben hartelijk blijde dit te zien;" en het scheen dan,
-dat zij het voor een soort van wonder hield dat mijnheer Bounderby zoo
-gezond en welgemoed bleef. Eén zwak, waarvoor zij dikwijls verschooning
-verzocht, vond zij bijzonder moeielijk te verwinnen. Zij had eene
-zonderlinge neiging om mevrouw Bounderby Miss Gradgrind te noemen, en
-liet zich vijftig- of zestigmaal op een avond daardoor verrassen. De
-gedurige herhaling van dat verspreken overstelpte haar met verlegenheid
-en schaamte; maar, zeide zij, het was haar zoo gewoon en natuurlijk,
-Miss Gradgrind te zeggen, terwijl het haar bijna onmogelijk was zich
-te overreden, dat de jongejuffer, die zij het geluk had gehad van
-een kind af te kennen, nu waarlijk en werkelijk mevrouw Bounderby kon
-wezen. Eene verdere bijzonderheid van dit opmerkelijk geval was, dat
-het haar, hoe meer zij er over nadacht, des te onmogelijker voorkwam,
-"want het verschil," zeide zij, "was toch zoo verbazend groot."
-
-Na den maaltijd begon mijnheer Bounderby in het salon zelf aan het
-proces over den diefstal, verhoorde de getuigen, vond de verdachte
-personen schuldig, en veroordeelde hen tot de strengste straf welke
-de wet toeliet. Dit gedaan zijnde, werd Bitzer naar de stad gezonden,
-om Tom met den laatsten spoortrein naar huis te doen komen.
-
-Toen er licht was binnengebracht, prevelde mevrouw Sparsit: "Wees nu
-niet neerslachtig, mijnheer. Ik bid u, laat ik u weer zoo opgeruimd
-zien als gij placht te zijn."
-
-Mijnheer Bounderby, bij wien deze troostredenen teweegbrachten dat
-hij op eene botte, stommelige manier sentimenteel begon te worden,
-slaakte een zucht als een groot zeemonster.
-
-"Ik kan u zoo niet zien, mijnheer," zeide mevrouw Sparsit. "Ga eens
-een spelletje triktrak spelen, gelijk gij placht te doen toen ik de
-eer had van onder uw dak te wonen."
-
-"Ik heb sedert geen triktrak meer gespeeld, juffrouw," antwoordde
-Bounderby.
-
-"Neen, mijnheer, dat weet ik wel," hervatte mevrouw Sparsit
-troostend. "Ik herinner mij, dat Miss Gradgrind geene liefhebberij
-heeft in dat spel. Maar ik zou het zeer gaarne nog eens willen doen,
-als gij zoo goed woudt zijn."
-
-Zij zaten te spelen bij een venster, dat op den tuin uitzag. Het was
-een heerlijke avond, wel zonder maneschijn, maar zoel en geurig. Louisa
-en mijnheer Harthouse wandelden door den tuin, waar men in stilte
-hunne stemmen kon hooren, hoewel niet verstaan wat zij zeiden. Mevrouw
-Sparsit, voor het bord gezeten, spande gedurig hare oogen in om door
-de duisternis daar buiten heen te boren.
-
-"Wat is er, juffrouw?" zeide Bounderby. "Gij ziet toch geen brand?"
-
-"O Heere neen, mijnheer," antwoordde mevrouw Sparsit. "Ik dacht aan
-den dauw."
-
-"Wat hebt gij met den dauw te maken, juffrouw?" hervatte Bounderby.
-
-"Het is niet voor mij zelve, mijnheer," was het antwoord, "maar ik
-ben bang, dat Miss Gradgrind kou zal vatten."
-
-"Zij vat nooit kou," zeide Bounderby.
-
-"Inderdaad, mijnheer?" zeide mevrouw Sparsit hierop, en kreeg toen
-een kuchje.
-
-Toen het tijd werd om naar bed te gaan, nam mijnheer Bounderby een
-glas water.
-
-"O, mijnheer!" zeide mevrouw Sparsit, "niet uw warmen wijn met
-citroenschillen en muskaat?"
-
-"Och, dat ben ik tegenwoordig afgewend, juffrouw," antwoordde
-Bounderby.
-
-"Dat is wèl jammer, mijnheer," hervatte mevrouw Sparsit. "Gij verliest
-al uwe goede oude gewoonten. Kom, beur u wat op, mijnheer! Als Miss
-Gradgrind het mij vergunt, zal ik een glas voor u klaarmaken, zooals
-ik dikwijls gedaan heb."
-
-Daar Miss Gradgrind bereid was om mevrouw Sparsit alles te vergunnen
-wat haar maar beliefde, maakte die bedachtzame dame een glas van den
-bedoelden smakelijken drank gereed en gaf het aan mijnheer Bounderby.
-
-"Het zal u goeddoen, mijnheer. Het zal uw hart verwarmen," zeide
-zij. "Het is juist wat gij noodig hebt en altijd moest gebruiken."
-
-En toen mijnheer Bounderby zeide: "Uwe gezondheid, juffrouw,"
-antwoordde zij met diep gevoel: "Dank u, mijnheer. Ik wensch u
-hetzelfde, en ook dat gij gelukkig moogt zijn."
-
-Eindelijk wenschte zij hem met buitengemeene aandoening goedennacht;
-en mijnheer Bounderby ging naar bed met eene benevelde bewustheid,
-dat hij in een of ander opzicht ongelukkig was, hoewel hij, al ware
-het om zijn leven te doen geweest, niet had kunnen zeggen wat hem
-eigenlijk scheelde.
-
-Lang nadat Louisa zich had ontkleed en te bed begeven, bleef zij
-wakend naar de thuiskomst van haar broeder liggen wachten. Hij kon
-niet wel vroeger komen, dit wist zij, dan een uur na middernacht;
-maar in de landelijke stilte, die het onrustige harer gedachten veeleer
-vergrootte dan bedaarde, ging de tijd zeer langzaam om. Eindelijk toen
-de duisternis en de stilte, die elkander wederkeerig nog drukkender
-maakten, uren lang schenen geduurd te hebben, hoorde zij de schel
-aan het hek. Het was haar of zij blijde zou zijn geweest, als die
-schel tot aan den dageraad was blijven luiden; maar het hield op,
-de kringen van den laatsten klank breidden zich al verder en flauwer
-in de lucht uit, en alles was weder doodstil.
-
-Zij wachtte nog een kwartier uurs naar hare gissing. Toen stond zij
-op, trok een los kleed aan, en ging in het donker hare kamer uit en
-de trap op naar haar broeders vertrek. Daar de deur gesloten was,
-opende zij die en sprak om hem te waarschuwen dat zij het was,
-terwijl zij op de teenen naar zijn bed kwam.
-
-Zij knielde daarbij neer, sloeg haar arm om zijn hals en trok zijn
-gezicht naar het hare toe. Zij wist wel, dat hij slechts veinsde te
-slapen, maar zeide nog niets.
-
-Weldra maakte hij eene beweging alsof hij toen pas ontwaakte, en
-vroeg wie daar was en wat er te doen was.
-
-"Tom," zeide zij, "hebt gij mij niet iets te zeggen? Als gij mij ooit
-in uw leven liefgehad hebt, en iets hebt, dat gij voor alle andere
-menschen verborgen houdt, zeg het mij dan."
-
-"Ik weet niet wat gij meent, Louisa. Gij moet gedroomd hebben."
-
-"Lieve broeder,"--zij liet haar hoofd op zijn kussen zinken, en
-hare haren golfden over hem heen, alsof zij hem voor iedereen wilde
-verbergen--"is er niets, dat gij mij te zeggen hebt? Is er niets,
-dat ge mij zeggen kunt, als gij wilt? Gij kunt mij niets zeggen,
-dat mij voor u zal doen veranderen. O Tom, zeg mij de waarheid."
-
-"Ik weet niet wat gij meent, Louisa."
-
-"Gelijk gij daar alleen ligt, lieve broeder, in den akeligen nacht,
-zoo moet gij eens in een anderen nacht ergens liggen, wanneer zelfs
-ik, als ik dan nog leef, u zal verlaten hebben. Gelijk ik hier naast
-u ben, blootsvoets, ongekleed, onherkenbaar in de duisternis, zoo
-moet ik liggen door den ganschen nacht mijner ontbinding, totdat ik
-stof ben. In den naam van dien tijd, Tom, zeg mij nu de waarheid."
-
-"Wat is het, dat gij weten wilt?"
-
-"Gij kunt zeker zijn," en in het vuur harer liefde drukte zij hem
-aan hare borst alsof hij een kind was, "dat ik u geen verwijt zal
-doen. Gij kunt zeker zijn, dat ik medelijden met u zal hebben en u
-trouw zal zijn. Gij kunt zeker zijn dat ik u zal redden, wat het ook
-mag kosten. O Tom, hebt ge mij niets te zeggen? Fluister het maar
-heel zacht. Zeg maar "ja," en ik zal u verstaan."
-
-Zij keerde haar oor naar zijn mond, maar hij bleef stug stilzwijgen.
-
-"Geen woord, Tom?"
-
-"Hoe kan ik ja zeggen, of hoe kan ik neen zeggen, als ik niet weet
-wat gij meent? Louisa, gij zijt eene goede, brave meid, en een beter
-broeder waard dan ik ben, begin ik nu te denken. Maar ik heb niets
-meer te zeggen. Ga naar bed, ga naar bed."
-
-"Gij zijt vermoeid," fluisterde zij nu, meer op haar gewonen toon.
-
-"Ja, ik ben geheel afgemat."
-
-"Gij hebt vandaag zooveel onrust en gewoel gehad. Zijn er nog nieuwe
-ontdekkingen gedaan?"
-
-"Alleen die, waarvan gij gehoord hebt, van--hem."
-
-"Tom, hebt gij iemand gezegd, dat wij die menschen hebben opgezocht,
-en dat wij die drie bij elkander hebben gezien?"
-
-"Neen. Hebt ge mij zelve niet uitdrukkelijk verzocht om het stil te
-houden, toen ge mij vroegt om met u daarheen te gaan?"
-
-"Ja. Maar ik wist toen niet wat er gebeuren zou."
-
-"Ik ook niet. Hoe zou ik het geweten hebben?"
-
-Hij gaf dit antwoord zeer snel en eenigszins bits.
-
-"Zou ik, na hetgeen er gebeurd is, behooren te zeggen, dat ik daar
-geweest ben?" zeide zijne zuster, bij het bed staande--zij had zich
-langzamerhand teruggetrokken en was overeind gaan staan. "Zou ik het
-zeggen? Moet ik het zeggen?"
-
-"Goede Hemel, Louisa," antwoordde haar broeder, "ge zijt niet gewoon
-mij om raad te vragen. Zeg wat gij wilt. Als gij het voor u zelve
-houdt, zal ik het ook voor mij zelven houden. Als gij het openbaart,
-is het mij ook wel."
-
-Het was te donker dan dat zij elkanders gezicht konden zien; maar
-beiden schenen zeer oplettend te zijn en zich te bedenken eer zij
-spraken.
-
-"Tom, gelooft gij, dat de man, aan wien ik dat geld gegeven heb,
-werkelijk in deze misdaad betrokken is?"
-
-"Dat weet ik niet. Ik zie niet in waarom niet."
-
-"Hij kwam mij toen een eerlijk man voor."
-
-"Iemand anders kan u oneerlijk voorkomen en het toch niet zijn."
-
-Er volgde eene poos van stilte, want hij had gehaperd toen hij verder
-wilde spreken, en daarna gezwegen.
-
-"Kortom," hervatte hij, alsof hij zijn besluit had genomen, "als gij
-daarop komt, was ik er misschien zoo ver van af om volkomen gunstig
-over hem te denken, dat ik hem buiten de deur nam om hem in stilte
-te zeggen, dat hij er, naar mijne gedachten, zeer wel afkwam met nog
-zulk een buitenkansje van mijne zuster te krijgen, en dat ik hoopte,
-dat hij er een goed gebruik van zou maken. Ik zeg evenwel niets tegen
-den man. Hij mag een heel brave kerel zijn, voor zooveel ik weet. Ik
-hoop, dat hij het is."
-
-"Was hij beleedigd door dat zeggen van u?"
-
-"Neen, hij nam het tamelijk wel op; hij was beleefd genoeg. Waar zijt
-ge, Louisa?" Hij kwam in het bed overeind en kuste haar. "Goeden nacht,
-lieve, goedenacht!"
-
-"Gij hebt mij niets meer te zeggen?"
-
-"Neen. Wat zou ik te zeggen hebben? Of zoudt ge willen, dat ik eene
-leugen vertelde?"
-
-"Van nacht vooral zou ik dat niet willen, Tom, onder al de nachten
-van uw leven, hoevelen en hoeveel gelukkiger ik ook hoop dat zij
-zijn zullen."
-
-"Dank u, lieve Louisa. Ik ben zoo moe, dat ik mij haast verwonder
-dat ik niet alles zeg wat gij wilt, om maar te kunnen gaan slapen. Ga
-naar bed, ga naar bed."
-
-Hij gaf haar nog een kus, keerde zich toen om, trok het dek over
-zijn hoofd, en bleef zoo stil liggen alsof de tijd, waarbij zij hem
-bezworen had, reeds gekomen was. Zij bleef nog eene poos bij het bed
-staan, eer zij langzaam heenging. Bij de deur bleef zij weder staan,
-keek nog eens om toen zij die reeds geopend had, en vroeg of hij haar
-had geroepen. Maar hij bleef stil liggen, en zij sloot zachtjes de
-deur en ging weder naar hare kamer.
-
-Toen keek de rampzalige voorzichtig op, en ziende dat zij weg was,
-kroop hij zijn bed uit, draaide de deur op het nachtslot, en wierp
-zich weder op zijn leger. Daar lag hij zijne haren uit te trekken,
-schreiende van wrevelige spijt, vol wangunstige liefde voor haar,
-zich zelven verwenschende en verachtende, met bitterheid, maar zonder
-boetvaardig berouw, en vervuld van haat en wrok tegen al het goede
-op de wereld, dat hij in zijne verblinding even nietswaardig noemde
-als hij zelf was.
-
-
-
-
-
-
-
-XXV.
-
-DE LAATSTE WOORDEN.
-
-
-Terwijl mevrouw Sparsit in de haar door mijnheer Bounderby verleende
-schuilplaats voor anker bleef liggen, om de aan hare zenuwen geledene
-schade te herstellen, hield zij onder hare zwarte wenkbrauwen dag
-en nacht zulk eene scherpe wacht, dat hare oogen, gelijk een paar
-vuurbakens op eene rotsige kust, alle voorzichtige zeelieden zouden
-gewaarschuwd hebben om zich niet te dicht bij het steile voorgebergte
-van haar Romeinschen neus en het nabijgelegene donkere en klippige
-gewest te wagen, indien de zachtzinnigheid harer manieren daarentegen
-niet zoo geruststellend ware geweest. Hoewel het moeielijk te gelooven
-was, dat zij zich des avonds niet maar pro forma naar bed begaf, zoo
-wakker bleven altijd hare klassieke oogen, en zoo onmogelijk scheen het
-dat haar scherpe neus voor eenigen verzachtenden invloed kon zwichten,
-was toch de manier, waarop zij hare ruige, om niet te zeggen raspige
-mofjes (want zij schenen wel van ijzerdraad gebreid te zijn) gladstreek
-of met haar voet in haar katoenen stijgbeugel naar onbekende plaatsen
-van bestemming galoppeerde, zoo uitnemend vreedzaam en vriendelijk,
-dat de meeste waarnemers haar voor eene duif moesten houden, die door
-eene of andere luim der natuur in den aardschen tabernakel van een
-vogel van het valkengeslacht was gehuisvest.
-
-Het was verbazend, welk eene bijzondere gaaf zij bezat om overal in
-huis rond te loeren. Hoe zij van de eene verdieping naar de andere
-kwam, was een geheim dat niemand kon oplossen. Men kon niet wel
-vermoeden, dat eene deftige dame, die zulke aanzienlijke betrekkingen
-had, over de leuning van de trap zou naar beneden springen, of zich
-daarlangs laten afglijden, en toch moest hare buitengemeene vlugheid
-iemand op dat ongerijmde denkbeeld doen komen. Eene andere opmerkelijke
-eigenschap van mevrouw Sparsit was, dat zij zich nooit haastte. Zij
-vloog met de uiterste snelheid van de vliering naar het voorhuis,
-en was toch op het oogenblik, dat zij dien tocht volbracht had,
-in het volle bezit van haar adem en hare deftigheid. Ook zag nooit
-eenig menschelijk oog haar hard loopen.
-
-Zij hield zich voor mijnheer Harthouse zeer vriendelijk, en had
-kort na hare aankomst een genoeglijk gesprek met hem. Op een ochtend
-voor het ontbijt ontmoette zij hem in den tuin en zeide, statig voor
-hem nijgende:
-
-"Het is alsof het pas gisteren was, mijnheer, dat ik de eer had u aan
-het kantoor te ontvangen, toen gij zoo goed waart om naar het adres
-van mijnheer Bounderby te willen vernemen."
-
-"Eene kennismaking, dit verzeker ik u, die ik zelf in geene eeuwen
-zal vergeten," antwoordde mijnheer Harthouse, met eene buiging zoo
-flauw en traag als men zich maar verbeelden kan.
-
-"Wij leven in eene zonderlinge wereld, mijnheer," hervatte mevrouw
-Sparsit.
-
-"Ik heb eens de eer gehad, door eene toevalligheid, waarop ik bijna
-trotsch ben, eene aanmerking van bijna denzelfden inhoud te maken,
-hoewel niet met zulk eene puntige kortheid uitgedrukt."
-
-"Eene zonderlinge wereld, wilde ik zeggen, mijnheer," vervolgde
-mevrouw Sparsit, nadat zij voor het compliment had bedankt door
-hare zwarte wenkbrauwen te laten zakken, die niet geheel zulk eene
-vriendelijke uitdrukking hadden als de fleemende tonen harer stem, "wat
-de gemeenzame betrekkingen aangaat, die wij op den eenen tijd vormen
-met lieden, welke wij op een anderen tijd nog geheel niet kenden. Ik
-herinner mij, mijnheer, dat gij bij die gelegenheid zelfs zoover zijt
-gegaan om te zeggen, dat gij werkelijk bang waart voor Miss Gradgrind."
-
-"Uw geheugen bewijst mij meer eer dan mijne onbeduidendheid
-verdient. Ik heb van uwe vriendelijke wenken partij getrokken om mijne
-schroomvalligheid te boven te komen, en het is noodeloos te zeggen, dat
-gij volkomen gelijk hadt. Uw talent, mevrouw Sparsit, voor--voor alles,
-kortom, waarbij het op nauwkeurige waarneming aankomt--natuurlijk
-vereenigd met uwe kracht van geest--en uwe aanzienlijke afkomst--blinkt
-altijd te duidelijk uit om ooit betwijfeld te kunnen worden." Hij
-viel bijna in slaap onder dit compliment, zoolang duurde het eer hij
-er doorheen kwam, en zoozeer dwaalden zijne gedachten af terwijl hij
-het uitbracht.
-
-"Gij hebt zeker gevonden, dat Miss Gradgrind--het is een zonderling
-zwak van mij, maar ik kan haar onmogelijk mevrouw Bounderby noemen--zoo
-jeugdig is als ik haar beschreven had?" zeide mevrouw Sparsit met
-zoetsappige vriendelijkheid.
-
-"Gij hebt een volmaakt portret van haar geschilderd," antwoordde
-Harthouse; "een trouw beeld van haar gegeven."
-
-"Zeer innemend, niet waar, mijnheer?" hervatte mevrouw Sparsit,
-terwijl zij hare mofjes om elkander liet ronddraaien.
-
-"Buitengemeen."
-
-"Men placht het er voor te houden, dat Miss Gradgrind niet levendig
-genoeg was," zeide mevrouw Sparsit, "maar ik moet bekennen, dat het
-mij voorkomt alsof zij in dat opzicht aanmerkelijk verbeterd is. O,
-daar is waarlijk mijnheer Bounderby!" riep zij uit, verscheidene
-malen knikkende alsof zij aan niemand anders gedacht en van niemand
-anders gesproken had. "Hoe bevindt gij u van morgen, mijnheer? O,
-laten wij u toch eens weer vroolijk zien, mijnheer."
-
-Deze aanhoudende pogingen om zijne ellende te verzachten en zijn
-last te verlichten begonnen reeds ten gevolge te hebben, dat mijnheer
-Bounderby vriendelijker dan gewoonlijk voor alle andere menschen werd,
-zoowel voor zijne vrouw als voor ieder ander. Toen dus mevrouw Sparsit
-met zichtbaar gedwongene luchthartigheid zeide: "Gij zult wel naar uw
-ontbijt verlangen, mijnheer; maar ik denk ook wel, dat Miss Gradgrind
-spoedig hier zal zijn om zich aan het hoofd van de tafel te plaatsen,"
-antwoordde Bounderby: "Als ik wilde wachten tot mijne vrouw voor mij
-zorgde, juffrouw, geloof ik, zooals gij tamelijk wel weet, dat ik tot
-den jongsten dag zou kunnen wachten, en dus zal ik u lastig vallen om
-den post aan den trekpot waar te nemen." Mevrouw Sparsit gehoorzaamde
-en hernam hare oude plaats aan de tafel.
-
-Dit deed de uitmuntende vrouw wederom zeer sentimenteel worden;
-maar zij bleef met dat al toch zoo nederig, dat zij, zoodra Louisa
-verscheen, opstond en betuigde, dat zij er niet aan denken kon om
-onder deze omstandigheden daar te blijven zitten, hoe dikwijls zij
-ook de eer had gehad van mijnheer Bounderby's ontbijt gereed te
-maken, eer Miss Bounderby--zij verzocht wel verschooning, zij wilde
-zeggen mevrouw Gradgrind--zij hoopte, dat men haar zou excuseeren,
-maar zij kon waarlijk nog niet met den naam terecht, hoewel zij
-vertrouwde, dat zij er zich door den tijd wel aan zou gewennen--hare
-tegenwoordige positie had verkregen. Het was alleen, merkte zij aan,
-omdat Miss Gradgrind toevallig een weinigje laat kwam, en mijnheer
-Bounderby's tijd zoo kostbaar was, en zij vanouds wist van hoeveel
-belang het voor hem was, dat hij op de minuut af kon ontbijten,
-dat zij de vrijheid had genomen van aan zijn verzoek te voldoen;
-zoo lang toch was zijn wil haar eene wet geweest.
-
-"Blijf maar zitten waar gij zit, juffrouw," zeide Bounderby, "blijf
-gerust zitten. Mevrouw Bounderby zal heel blij wezen, geloof ik,
-als gij haar van dien last ontheft."
-
-"Zeg dat niet, mijnheer," antwoordde mevrouw Sparsit, bijna met
-strengheid, "want dat is heel onvriendelijk voor mevrouw Bounderby,
-en onvriendelijkheid ben ik niet van u gewend, mijnheer."
-
-"Wees maar gerust, juffrouw.--Gij kunt het heel bedaard opnemen,
-niet waar, Louisa?" zeide Bounderby op zijn winderigsten toon tot
-zijne vrouw.
-
-"O ja, natuurlijk. Het is van geen belang. Waarom zou het van eenig
-gewicht voor mij zijn?"
-
-"Waarom zou het van eenig gewicht voor iemand zijn, mevrouw
-Sparsit?" zeide Bounderby, eene hooge borst zettende met het gevoel
-van gekrenkte waardigheid. "Gij hecht veel te veel gewicht aan die
-dingen, juffrouw. Waarachtig, sommige begrippen van u zullen hier
-wel terechtgebracht worden. Gij zijt nog ouderwetsch, juffrouw. Bij
-de kinderen van Tom Gradgrind zijt ge heel ver ten achteren."
-
-"Wat scheelt u?" vroeg Louisa met koele verwondering. "Wat heeft u
-aanstoot gegeven?"
-
-"Aanstoot!" herhaalde Bounderby. "Denkt gij, als iets mij aanstoot
-gaf, dat ik het niet zou zeggen en verzoeken het te veranderen? Ik
-ben een rondborstig man, geloof ik. Ik wind nergens doekjes om."
-
-"Ik geloof, dat niemand ooit gelegenheid heeft gehad om u voor al te
-bedeesd of al te kiesch te houden," antwoordde Louisa zeer bedaard. "Ik
-heb u dat nooit ten laste gelegd, noch als kind noch als vrouw. Ik
-begrijp niet wat gij hebben wilt."
-
-"Hebben wilt?" hervatte Bounderby. "Niets. Weet gij anders niet heel
-goed, Louisa Bounderby, dat ik, Josiah Bounderby van Coketown, het
-ook hebben zou?"
-
-Met deze woorden gaf hij een slag op de tafel, die de kopjes deed
-rinkelen. Zij zag hem aan met eene trotsche kleur in haar gezicht,
-die, gelijk mijnheer Harthouse dacht, eene nieuwe verandering was.
-
-"Gij zijt van morgen onbegrijpelijk," zeide Louisa. "Maar geef u geene
-verdere moeite om u te verklaren; ik ben volstrekt niets nieuwsgierig
-naar uwe meening. Wat maakt het uit!"
-
-Er werd niets meer over de zaak gesproken, en mijnheer Harthouse
-was weldra met luchtige vroolijkheid over onverschillige onderwerpen
-aan het praten. Maar van dien dag af bracht de invloed van mevrouw
-Sparsit op mijnheer Bounderby Louisa en James Harthouse meer bij
-elkander en vergrootte zoowel hare gevaarlijke verwijdering van haar
-man als hare vertrouwelijkheid met een ander, waartoe zij met zoo
-geringe schreden gekomen was, dat zij die, al had zij het beproefd,
-niet weder had kunnen herdoen. Maar of zij dit ooit beproefde of niet,
-lag in haar eigen gesloten hart verborgen.
-
-Mevrouw Sparsit was bij het zoo even verhaalde voorval zoodanig
-ontroerd, dat zij, toen zij mijnheer Bounderby na het ontbijt zijn hoed
-aangaf en toen juist met hem alleen in het voorhuis was, een kuischen
-kus op zijne hand drukte, de woorden, "mijn weldoener!" prevelde,
-en zich overstelpt van smart verwijderde. Evenwel is het een
-ontwijfelbaar feit, waarvan deze geschiedenis melding moet maken,
-dat vijf minuten nadat hij met denzelfden hoed het huis had verlaten,
-dezelfde afstammelinge der Scadgers' en aanverwante der Powler's haar
-rechtermofje dreigend tegen zijn portret ophief, eene verachtelijke
-grimas tegen dat kunstwerk maakte en daarbij zeide: "Het is uw
-verdiende loon, gij domkop, en ik ben er blij om."
-
-Mijnheer Bounderby was nog niet lang vertrokken, toen Bitzer
-verscheen. Met den spoortrein, die gillend en ratelend over de
-bogen vloog door de woeste landstreek van gewezene en tegenwoordige
-kolenmijnen, was Bitzer met eene haastige boodschap van Stone Lodge
-gekomen met een briefje namelijk, om Louisa te berichten dat hare
-moeder zeer ziek lag. Zij was, zoolang hare dochter heugde, nooit
-recht gezond geweest; maar in de laatste dagen was zij zeer verzwakt
-en in dien nacht zoo verminderd, dat zij thans werkelijk zoo nabij
-den dood scheen te zijn als zij zich dit zoovele jaren lang dagelijks
-had verbeeld.
-
-Vergezeld door den kleurloozen kantoorlooper, door zijne bleekheid
-wel geschikt voor de rol van bode des doods, snorde Louisa naar
-Coketown. Binnen de berookte stad gekomen, liet zij haar bode
-vrijheid om zijn eigen weg te gaan en nam een rijtuig om haar naar
-haar ouderlijk huis te brengen.
-
-Zij was sedert haar huwelijk zelden daar geweest. Haar vader was
-doorgaans in Londen aan het ziften van zijn parlementairen aschhoop
-(zonder dat men ooit vernam dat hij veel kostbaars daarin vond)
-en nu nog druk met dien arbeid bezig. Hare moeder had het altijd
-eenigszins als eene lastige stoornis opgenomen, wanneer hare dochter
-haar, terwijl zij op de sofa lag, kwam bezoeken; voor den omgang met
-kinderen gevoelde Louisa zich geheel ongeschikt; voor Sissy was zij
-nooit weder vriendelijk geworden sedert dien avond toen het kind van
-den armen kunstenmaker hare oogen had opgeslagen om de aanstaande vrouw
-van mijnheer Bounderby aan te zien. Er was niets dat haar uitlokte
-om het ouderlijke huis te bezoeken, en zij deed dit dus zelden.
-
-Thans, nu zij het naderde, ontwaarde zij ook niets van dien
-gezegenden invloed, welken het ouderlijke huis in latere jaren
-nog kan blijven uitoefenen. De droomen der kindsheid met hunne
-hersenschimmen en fabelen, die de nog vergelegene wereld met zoovele
-schoone onmogelijkheden versieren--zoo heilzaam, dat men ze zich nog
-herinnert als men ze ontwassen is, want dan openen zij het hart weder
-voor zachte aandoeningen bij de gedachte, hoe kleine kinderen met
-reine handjes een bloemenhof planten in het midden der steenachtige
-wereld, waarin het voor alle kinderen van Adam goed zou zijn zich
-nog dikwijls, met eenvoudig geloof en zonder wereldsche wijsheid, te
-komen verlustigen--wat had zij met die droomen te doen? Herinneringen,
-hoe zij langs de betooverde paden eener hoop en verbeelding, die
-duizend onschuldige kleinen met haar deelden, tot het weinige dat zij
-wist gekomen was; hoe zij, door het zachte licht der fantasie tot
-het verstand gevoerd, dit eene weldadige godheid had bevonden, die
-andere even machtige goden naast zich plaats gunde, geen gruwelijken
-afgod, wreed en koud, die zijne slachtoffers aan handen en voeten
-laat boeien, en wiens reusachtige stomme gedaante, altijd voor zich
-starende zonder ooit iets te zien, nooit door iets te bewegen is dan
-door een hefboom van welberekende materieele kracht--wat had zij met
-zulke herinneringen te doen? Wat zij zich van het ouderlijke huis en
-hare kindsheid herinnerde, was het opdrogen van alle springbronnen
-en fonteinen, die in haar jeugdig hart opwelden. De levende wateren
-vloeiden daar niet meer. Zij vloeiden ter bevochtiging van het land,
-waar men druiven van doornen en vijgen van distelen plukt.
-
-Zij ging met eene doffe smart in het hart, die haar veeleer verhardde
-dan verteederde, het huis en de kamer harer moeder binnen. Sedert
-haar vertrek had Sissy met de overigen van het gezin op gelijken voet
-geleefd. Sissy was bij hare moeder, en Jane, hare zuster, nu tien of
-twaalf jaren oud, was insgelijks in de kamer.
-
-Men had veel moeite eer men mevrouw Gradgrind kon doen begrijpen, dat
-hare oudste dochter daar was. Zij lag, door kussens overeind gehouden,
-omdat zij dit zoo gewoon was, op eene sofa, zoo nabij mogelijk in hare
-gewone houding als men een zoo geheel hulpeloos wezen kon houden. Zij
-had volstrekt niet naar bed gebracht willen worden, omdat zij, als
-zij dit liet doen, nooit het eind ervan zou hooren.
-
-Hare zwakke stem klonk onder haar hoop omslagdoeken zoo uit de verte,
-en de klank eener andere stem, die haar aansprak, scheen zooveel
-tijd noodig te hebben om door die doeken tot hare ooren te komen,
-dat zij evengoed op den bodem van een put had kunnen liggen. De arme
-vrouw was inderdaad dichter bij de waarheid op den bodem van haar put,
-dan zij nog ooit geweest was, en dit had veel met de zaak te maken.
-
-Toen men haar zeide, dat mevrouw Bounderby daar was, verstond zij dit
-maar half en antwoordde verkeerd, dat zij hem nooit bij dien naam had
-genoemd zoolang hij met Louisa getrouwd was; dat zij, terwijl zij zich
-bedacht op een naam, waartegen niet het een of ander was in te brengen,
-hem maar J. had genoemd, en dat zij, daar zij nog niets beters had
-gevonden, niet van dien regel kon afgaan. Louisa had reeds eene poos
-bij haar gezeten en verscheidene malen tegen haar gesproken, eer zij
-duidelijk begreep wie er was. Toen scheen zij er in eens op te komen.
-
-"Wel, melieve," zeide mevrouw Gradgrind, "ik hoop dat het u wel naar
-uw zin gaat. Het was alles uw vaders bedrijf. Hij had er zijn hart
-op gesteld. En hij moest het weten."
-
-"Ik wilde van u hooren, moeder, niet van mij zelve."
-
-"Gij wilt van mij hooren, melieve? Dat is waarlijk wel iets nieuws,
-dat iemand van mij hooren wil. Lang niet wel, Louisa. Heel flauw
-en duizelig."
-
-"Hebt gij ergens pijn, lieve moeder?"
-
-"Ik geloof wel dat er pijn ergens in de kamer is," antwoordde mevrouw
-Gradgrind, "maar ik zou niet stellig kunnen zeggen dat ik ze heb."
-
-Na dit zonderlinge gezegde bleef zij eenigen tijd stil liggen. Louisa,
-die hare hand vasthield, kon geen pols voelen; maar toen zij er een
-kus op drukte, zag zij een dun draadje levens in trillende beweging.
-
-"Gij ziet uwe zuster zeer zelden," zeide mevrouw Gradgrind. "Zij
-begint veel naar u te gelijken. Gij moest haar eens aanzien. Sissy,
-breng haar hier."
-
-Het kind werd gehaald, gaf hare zuster de hand en bleef zoo
-staan. Louisa had haar met haar arm om Sissy's hals gezien en gevoelde
-het verschil dezer toenadering.
-
-"Ziet gij de gelijkenis, Louisa?"
-
-"Ja, moeder. Ik vind wel dat zij naar mij gelijkt, maar..."
-
-"He? Ja, dat zeg ik ook altijd," riep mevrouw Gradgrind met
-onverwachte vlugheid uit. "En dat doet mij bedenken--ik moet u spreken,
-melieve. Sissy, goed meisje, laat ons een oogenblik alleen."
-
-Louisa had hare hand losgelaten, had gedacht, dat het gezichtje harer
-zuster schooner en helderder was dan het hare ooit geweest was; had
-daarna, niet zonder eene opwelling van wrevel, zelfs daar en op dat
-oogenblik, iets gezien van de zachtheid die het andere gezichtje in de
-kamer eigen was--het lieve gezichtje met de oprechte, vertrouwelijke
-oogen, dat door het glanzige donkere haar nog bleeker scheen, dan
-het door droevig medelijden en nachtwaken was geworden.
-
-Met hare moeder alleen gebleven, zag Louisa eene akelige kalmte op haar
-gelaat, gelijk die van een drenkeling wezen zou, die, zonder eenigen
-tegenstand meer te bieden, zich met den stroom liet wegdrijven. Zij
-bracht de uitgeteerde hand, slechts de schim eener hand, weder aan
-hare lippen, en poogde haar zoo tot bezinning te brengen.
-
-"Gij hadt mij willen spreken, moeder?"
-
-"He? O ja zeker, melieve. Gij weet wel, uw vader is tegenwoordig
-haast altijd weg, en ik moet er hem dus over schrijven."
-
-"Waarover, moeder? Ontrust u maar niet. Waarover?"
-
-"Gij moet nog wel weten, kind, dat ik, als ik ooit iets over iets
-zeide, er nooit het eind van hoorde, en dat ik dus al sedert lang
-nooit meer iets over iets gezegd heb."
-
-"Ik hoor u wel, moeder." Maar het was alleen door laag te bukken en
-tegelijk oplettend naar de lippen der kranke te zien, dat zij zulke
-flauwe afgebrokene klanken tot eenigen samenhang kon brengen.
-
-"Gij hebt veel geleerd, Louisa, en uw broeder ook. Ologies van allerlei
-soort, van den ochtend tot den avond. Als er nog eene ologie over is,
-van wat soort ook, die hier in huis niet is afgezaagd, kan ik er niets
-meer van zeggen, dan dat ik hoop, dat ik ze nooit zal hooren noemen."
-
-"Ik kan u wel hooren, moeder, als gij kracht hebt om voort te
-spreken." Dit diende slechts om haar te verhinderen nog verder af
-te dwalen.
-
-"Maar er is toch iets--geen ologie, gansch niet--dat uw vader gemist
-of vergeten heeft, Louisa! Ik weet niet wat het is. Ik heb er dikwijls
-over gedacht, terwijl Sissy bij mij zat. Ik zal er nu wel niet meer
-opkomen. Maar uw vader misschien. Dat maakt mij zoo rusteloos. Ik
-wil hem schrijven, dat hij om 's Hemels wil poogt te vinden wat het
-is. Geef mij eene pen, geef mij eene pen."
-
-Zelfs het vermogen om rusteloos te zijn was verdwenen, behalve uit
-het arme hoofd, dat zich nog even heen en weder kon keeren.
-
-Zij verbeeldde zich echter, dat er aan haar verzoek voldaan was en
-zij de pen, die zij niet had kunnen vasthouden, in de hand had. Het
-is van weinig belang, welke verwonderlijke figuren zonder beteekenis
-zij op haar dek begon te schrijven. Weldra hield hare hand te midden
-daarvan stil; het licht, dat altijd zoo flauw en zwak had gebrand,
-ging uit; zelfs mevrouw Gradgrind, uit die schaduw gekomen waarin de
-mensch wandelt en zich vruchteloos ontrust, verkreeg een voorkomen zoo
-statig en ontzagwekkend als dat van een der oude wijzen en patriarchen.
-
-
-
-
-
-
-
-XXVI.
-
-DE GROOTE TRAP.
-
-
-Daar de zenuwen van mevrouw Sparsit zich slechts zeer langzaam
-herstelden, werd het verblijf dezer brave vrouw op het buiten van
-mijnheer Bounderby tot verscheidene weken gerekt, en in weerwil van
-hare zucht tot een streng en treurig kluizenaars-leven, schikte zij
-zich met eene edele grootheid van ziel naar de noodzakelijkheid,
-om zich als het ware in eene klaverweide te legeren en zich met het
-vette des lands de voeden. In dit geheele tijdperk der schorsing van
-hare verantwoordelijkheid als voogdes van het kantoor, bleef mevrouw
-Sparsit zich in haar gedrag zoo volkomen gelijk, dat zij in dit
-opzicht tot een voorbeeld kon gesteld worden; bij voortduring bewees
-zij mijnheer Bounderby in zijn gezicht zulk een medelijden als maar
-zelden iemand bewezen wordt, en bleef zij hem voor het geschilderde
-gezicht van zijn portret met de bitterste verachting een domkop noemen.
-
-Nu mijnheer Bounderby eens was gewaar geworden, dat mevrouw Sparsit
-eene hoog begaafde vrouw moest wezen, om zoo te ontdekken dat hij
-niet naar verdienste werd gewaardeerd en in een of ander opzicht
-bitter teleurgesteld was (in welk opzicht had hij nog niet met zich
-zelven uitgemaakt) en verder dat Louisa zich zeker tegen haar zoo
-lang gerekt verblijf zou verklaard hebben, indien zijne grootheid had
-geduld, dat zij zich tegen iets verklaarde wat hij verkoos te doen,
-besloot hij, zijne vroegere huishoudster niet licht weder geheel uit
-het oog te verliezen. Toen zij dus hare zenuwen sterk genoeg voelde
-om weder in eenzaamheid bestellen te gaan eten, zeide hij, terwijl
-men daags voor haar vertrek aan tafel zat:
-
-"Ik zal u eens wat zeggen, juffrouw. Gij moet, zoolang het mooi weer
-blijft, alle zaterdagen hier komen en tot maandag blijven."
-
-En mevrouw Sparsit, hoewel zij niet tot de Mahomedaansche religie
-behoorde, antwoordde daarop met een duidelijk gebaar: "Hooren is
-gehoorzamen."
-
-Nu had mevrouw Sparsit geene poëtische verbeelding, maar toch kreeg
-zij een denkbeeld in het hoofd, dat veel van een allegorisch tafereel
-had. Haar gedurig bespionneeren van Louisa en het waarnemen van
-de ondoordringbare terughouding dezer jonge dame, moet haar vernuft
-gescherpt en haar eene soort van inspiratie hebben gegeven. Zij schiep
-in haar geest eene reusachtige trap, met een donkeren afgrond van
-schande en ongeluk aan den voet daarvan; en langs die trap zag zij
-van dag tot dag en van uur tot uur Louisa al verder en verder naar
-beneden dalen.
-
-Het werd nu de hoofdzaak van haar leven naar die trap te staren en
-acht te geven hoe Louisa die afdaalde--somtijds langzaam en
-
-somtijds snel, somtijds verscheidene treden op eens, somtijds
-stilstaande, maar nooit terugkeerende. Als zij ooit ware omgekeerd,
-had mevrouw Sparsit het van spijt en kwaadheid kunnen besterven.
-
-Tot aan dien dag en zelfs op dien dag, toen mijnheer Bounderby de
-bovengemelde wekelijksche noodiging uitvaardigde, was Louisa steeds
-lager en lager afgedaald; en mevrouw Sparsit was dus zeer opgeruimd
-en had lust tot een gezellig praatje.
-
-"Ei, mijnheer," zeide zij, "als ik het wagen mag iets te vragen
-aangaande eene zaak waarover gij het stilzwijgen schijnt te bewaren--en
-dat zou ik waarlijk haast niet durven, want ik weet wel, dat gij eene
-reden hebt voor al wat gij doet--hebt gij ook al nadere inlichtingen
-aangaande dien diefstal gekregen?"
-
-"Neen, juffrouw, nog niet. Onder de bestaande omstandigheden had ik
-het ook nog niet verwacht. Rome is niet op één dag gebouwd, juffrouw."
-
-"Wel waar, mijnheer," antwoordde mevrouw Sparsit, haar hoofd
-schuddende.
-
-"En niet in ééne week, juffrouw."
-
-"Neen, waarlijk niet, mijnheer," antwoordde mevrouw Sparsit op een
-droevigen toon.
-
-"Dus kan ik ook wel wachten, weet ge," hervatte Bounderby. "Als Romulus
-en Remus konden wachten, kan Josiah Bounderby ook wel wachten. Zij
-waren er evenwel in hunne jeugd beter aan toe dan ik. Zij hadden eene
-wolvin tot voedster; ik had maar eene wolvin tot grootmoeder. En zij
-gaf geene melk; zij gaf stompen en stooten. In dat opzicht stond ze
-met de beste koe gelijk."
-
-"Ach!" zuchtte mevrouw Sparsit en huiverde.
-
-"Neen, juffrouw," vervolgde Bounderby, "ik heb er nog niets meer van
-gehoord. Maar het blijft onderhanden; en de jonge Tom, die tegenwoordig
-tamelijk wel op zijne zaken past--dat is iets nieuws voor hem; hij
-is niet zoo gedresseerd als ik--helpt daaraan mee. Ik zeg maar, houd
-het stil en laat het schijnen als ware het overgewaaid. Doe wat gij
-wilt onder de roos, maar laat niet blijken waar gij het op toelegt,
-of honderd van dat volk zullen zich combineeren en dien kerel, die
-zich te zoek heeft gemaakt, geheel buiten bereik helpen. Houd het
-stil en de dieven zullen langzamerhand brutaal worden, en zoo zullen
-wij hen krijgen."
-
-"Zeer schrander overlegd, mijnheer," zeide mevrouw Sparsit, "en zeer
-interessant. De oude vrouw, van wie gij gesproken hebt, mijnheer..."
-
-"De oude vrouw, van wie ik gesproken heb, juffrouw," viel Bounderby
-er op in, de zaak kort afbrekende, daar zij geene gelegenheid gaf
-om te snoeven, "is nog niet gepakt, maar zij mag er wel op zweren
-dat zij het zal worden, als dat zulk eene kwaadaardige heks eenig
-pleizier doet. Ondertusschen, juffrouw, ben ik van gevoelen, als gij
-naar mijn gevoelen vraagt, dat het best is maar zoo weinig mogelijk
-van haar te spreken."
-
-Dienzelfden avond zat mevrouw Sparsit, nadat zij haar goed had gepakt,
-voor het venster harer kamer van haar arbeid uit te rusten en zag
-Louisa steeds lager en lager afdalen.
-
-Deze zat bij mijnheer Harthouse in een priëeltje in den tuin. Hij
-stond, terwijl zij te zamen fluisterden, zoo laag over haar heen
-gebukt, dat zijn gezicht bijna hare haren aanraakte. "Zoo het dat niet
-werkelijk doet!" zeide mevrouw Sparsit, terwijl zij hare valkenoogen
-zooveel mogelijk inspande. Zij zat te ver af om een woord van hun
-gesprek te hooren, of zelfs te kunnen weten, dat zij zacht met elkander
-spraken, als zij het niet aan de beweging hunner lippen had gezien;
-maar wat zij zeiden, was dit:
-
-"Gij herinnert u dien man wel, mijnheer Harthouse?"
-
-"O ja, volkomen."
-
-"Zijn gezicht, zijne manieren en wat hij zeide?"
-
-"Volkomen, en ik vond hem een schrikkelijk vervelend personage. Zoo
-langdradig en temerig als maar mogelijk was. Het was heel slim van
-hem zoo te declameeren alsof hij de nederige deugd in eigen persoon
-was; maar ik verzeker u, ik dacht toen al bij mij zelven: "Goede man,
-gij overdrijft uwe rol."
-
-"Het is mij zeer moeielijk geweest van dien man kwaad te denken."
-
-"Lieve Louisa--gelijk Tom zegt," (hij zeide dit nooit) "gij weet toch
-geen goed van den man?"
-
-"Neen, dat zeker niet."
-
-"Of van een van die lieden."
-
-"Hoe kan ik," antwoordde zij, met meer van haar vroegeren toon dan
-hij in den laatsten tijd bij haar had waargenomen, "als ik geheel
-niets van hen weet?"
-
-"Waarde mevrouw Bounderby, wees dan zoo goed om naar de onderdanige
-meening van uw getrouwen vriend te luisteren, die wel iets van de
-verschillende variëteiten zijner brave medemenschen weet--want braaf
-zijn zij, daaraan twijfel ik niet, in spijt van hunne kleine zwakheden,
-bijv. die van altijd te nemen wat zij maar kunnen krijgen. Die man
-praat. Welnu, iedereen praat. Dat hij zich voor zoo gemoedelijk
-uitgeeft, verdient slechts daarom een oogenblik in aanmerking te
-worden genomen, omdat het eene zeer verdachte omstandigheid is. Alle
-soorten van bedriegers geven zich voor gemoedelijk uit, zij mogen
-in het huis der gemeente of het huis van correctie zitten, behalve
-onze lieden, en dat is juist de uitzondering, die onze lieden zoo
-onderhoudend maakt. Gij hebt de zaak gezien en gehoord. Het was een
-gemeen man, buitengewoon kort gehouden door mijn hooggeachten vriend,
-mijnheer Bounderby--die, gelijk wij weten, niet in het bezit is van
-die kieschheid, welke hem zijn forschen greep eenigszins zou leeren
-verzachten. De gemeene man was gekrenkt, verbitterd, gaat brommend
-de deur uit, ontmoet iemand, die hem voorstelt om op eene of andere
-manier aan het karreweitje in het kantoor deel te nemen, doet mede,
-steekt iets in zijn zak, die eerst leeg was, en gevoelt zijn gemoed
-buitengemeen verlicht. Hij zou inderdaad een ongemeen, in plaats van
-een gemeen man zijn geweest, als hij zulk eene gelegenheid niet had
-waargenomen. Of hij mag die ook geheel en al zelf uitgevonden hebben,
-als hij daartoe knap genoeg was. Even waarschijnlijk!"
-
-"Het is mij bijna alsof ik er kwaad aan doe," antwoordde Louisa,
-nadat zij eene poos had zitten peinzen, "dat ik zoo gereed ben u
-toe te stemmen wat gij daar zegt en dat ik mijn hart daardoor zoo
-verlicht gevoel."
-
-"Ik zeg maar wat redelijk is en niets meer. Ik heb er meer dan
-eens met mijn vriend Tom over gepraat--ik blijf natuurlijk op den
-vertrouwelijksten voet met Tom--en hij is volkomen van mijn gevoelen,
-en ik van het zijne. Wilt gij eens wandelen?"
-
-Zij dwaalden door de lanen om, die reeds door de schemering verdonkerd
-werden. Zij leunde op zijn arm, en weinig dacht zij, hoe zij de trap
-van mevrouw Sparsit al verder en verder afdaalde.
-
-Nacht en dag hield mevrouw Sparsit die trap in het oog. Wanneer
-Louisa aan den voet gekomen en in den afgrond verdwenen was, mocht
-zij instorten en op haar nedervallen, maar tot zoolang moest zij daar
-blijven staan, als een onwankelbaar gebouw voor mevrouw Sparsit's
-oogen. En altijd zag zij Louisa daarop, telkens al verder en verder
-afdalende.
-
-Mevrouw Sparsit zag James Harthouse komen en gaan, zij hoorde van
-hem hier en daar; zij zag de veranderingen in het gezichtje, dat hij
-bestudeerd had; ook zij merkte met de uiterste nauwkeurigheid op,
-wanneer en hoe liet bewolkte, wanneer en hoe het ophelderde; zij hield
-hare zwarte oogen wijd open, zonder eenigen zweem van mededoogen,
-zonder eenigen zweem van leedwezen, geheel in het belangrijke
-schouwspel verdiept, van haar, zonder dat eenige hand haar stuitte, al
-nader en nader bij den voet van deze nieuwe Reuzentrap te zien komen.
-
-Met al hare eerbiedige gehechtheid aan mijnheer Bounderby, wel te
-onderscheiden van zijn portret, had mevrouw Sparsit niet het geringste
-voornemen, om die afdaling te stuiten. Gretig om die volbracht te
-zien, en toch geduldig, wachtte zij naar den laatsten val, als naar
-de rijpheid en volheid van den oogst harer hoop. Met stille aandacht
-hield zij haar bespiedenden blik op de trap gevestigd, en slechts
-zelden schudde zij haar dreigend rechtermofje, met hare vuist er in,
-tegen de nederdalende gedaante.
-
-
-
-
-
-
-
-XXVII.
-
-AL LAGER EN LAGER.
-
-
-De gedaante daalde de groote trap af, steeds lager en lager
-aangetrokken, naar het scheen, gelijk een zwaar gewicht in diep water,
-door den zwarten afgrond beneden.
-
-Mijnheer Gradgrind onderricht van het overlijden zijner vrouw, kwam van
-Londen over en begroef haar naar behooren. Daarna keerde hij met allen
-spoed naar de nationale aschbelt terug en ging weder aan het ziften,
-om de nesterijen, die hij zocht, er uit te halen, en andere lieden, die
-andere nesterijen zochten, het stof in de oogen te strooien--kortom,
-begaf zich weder aan de vervulling zijner parlementaire plichten.
-
-Ondertusschen hield mevrouw Sparsit onvermoeid de wacht. Hoewel zij de
-geheele week door zoo ver van hare trap verwijderd was, als de geheele
-lengte van den spoorweg tusschen Coketown en het buitengoed bedroeg,
-bleef zij toch door haar man, door haar broeder, door James Harthouse,
-door het adres van brieven en pakjes, door alles wat nu en dan naar de
-trap ging, eene katachtige waakzaamheid over Louisa uitoefenen. "Uw
-voet op de laatste trede, mevrouwtje," zeide mevrouw Sparsit, de
-nederdalende gedaante aansprekende en met haar mofje dreigende,
-"en al uwe kunsten zullen mij niet verblinden."
-
-Doch het mocht kunst of natuurlijke aanleg zijn--de oorspronkelijke
-aard van Louisa's karakter, of de wijziging welke de omstandigheden
-daaraan hadden gegeven--hare zonderlinge achterhoudendheid stelde
-toch mevrouw Sparsit met al hare schranderheid teleur, terwijl hare
-nieuwsgierigheid daardoor nog te meer werd geprikkeld. Er waren
-dagen wanneer zelfs James Harthouse niet zeker van haar was. Er waren
-dagen, wanneer hij het gezichtje, dat hij zoo lang had bestudeerd,
-niet lezen kon, en die eenzame jonge vrouw een geheimzinniger raadsel
-voor hem was, dan eenige vrouw uit de groote wereld, door een kring
-van satellieten bijgestaan.
-
-Zoo verliep de tijd, tot het gebeurde dat mijnheer Bounderby van
-huis werd geroepen door zaken, die voor drie of vier dagen zijne
-tegenwoordigheid elders vorderden. Het was op een vrijdag dat hij
-dit aan mevrouw Sparsit op het kantoor mededeelde, en erbijvoegde:
-"Maar gij gaat morgen toch maar eveneens naar buiten, juffrouw. Gij
-gaat maar even alsof ik er ware. Dat zal geen verschil voor u maken."
-
-"O, mijnheer," antwoordde mevrouw Sparsit, "laat ik u mogen verzoeken
-om dat niet te zeggen. Uwe afwezigheid zal een groot verschil voor
-mij maken, mijnheer, gelijk ik denk dat gij zeer wel weet."
-
-"Wel, juffrouw, dan moet gij het in mijne afwezigheid maar zoo goed
-maken als gij kunt," zeide Bounderby lang niet misnoegd.
-
-"Mijnheer Bounderby," hervatte mevrouw Sparsit, "uw wil is mij een
-wet; anders zou ik wel genegen zijn mij tegen uw vriendelijk bevel
-te verzetten, daar ik mij niet zeker acht, of mijne komst wel zoo
-aangenaam voor Miss Gradgrind zal wezen, als zij voor uwe eigene milde
-gastvrijheid altijd geweest is. Maar ik zal er niets meer van zeggen,
-mijnheer. Op uwe uitnoodiging zal ik gaan."
-
-"Wel, juffrouw," zeide Bounderby, met wijd geopende oogen, "als ik
-u bij mij aan huis noodig, zou ik toch denken, dat gij geene andere
-uitnoodiging behoeft."
-
-"Neen, waarlijk niet, mijnheer," antwoordde mevrouw Sparsit, "ik zou
-ook wel denken van neen. Zeg niets meer, mijnheer. Ik wenschte maar,
-dat ik u weder vroolijk kon zien."
-
-"Wat meent ge, juffrouw?" viel Bounderby uit.
-
-"Mijnheer," antwoordde zij, "gij placht eene levendigheid van geest
-te hebben, die ik nu met leedwezen mis. Gij moest u wat opbeuren,
-mijnheer!"
-
-Op dezen raad door een medelijdenden blik aangedrongen, wist mijnheer
-Bounderby niets anders te doen dan op eene flauwe, belachelijke manier
-zijn hoofd te krabben, en naderhand zijn gevoel van eigenwaarde te
-handhaven, door den geheelen ochtend tegen alle ondergeschikten,
-die hem in den weg kwamen, uit te bulderen.
-
-"Bitzer," zeide mevrouw Sparsit dien namiddag, toen haar patroon
-zijne reis had aanvaard, eer het kantoor gesloten werd, "ga eens mijn
-compliment doen aan den jongen heer Thomas, en vraag hem of hij wil
-bovenkomen en eene lamskarbonade met een glas oude ale gebruiken?"
-
-De jongeheer Thomas, die doorgaans voor zoo iets te vinden was,
-liet een gunstig antwoord terugbrengen en volgde dit zelf op de hielen.
-
-"Mijnheer Thomas," zeide mevrouw Sparsit, "daar ik deze kleinigheid
-juist op tafel had, dacht ik dat ge misschien trek zoudt hebben."
-
-"Zeker, dank je wel, mevrouw Sparsit," antwoordde de hondsvot, en
-ging met sombere gretigheid aan het eten.
-
-"Hoe vaart mijnheer Harthouse, mijnheer Tom?" vroeg mevrouw Sparsit.
-
-"O, heel wel," antwoordde Tom.
-
-"Waar zou hij tegenwoordig zijn?" vroeg mevrouw Sparsit, op een toon
-alsof zij maar een gezellig praatje zocht, nadat zij bij zich zelve den
-hondsvot, om zijn gebrek aan spraakzaamheid, aan de Furiën had gewijd.
-
-"Hij is in Yorkshire aan het jagen," antwoordde Tom. "Hij heeft Louisa
-gisteren eene mand met wild gezonden zoo groot als eene halve kerk."
-
-"Hij is juist iemand," zeide mevrouw Sparsit zeer vriendelijk, "van
-wien men wel zou durven wedden dat hij een knap schutter moest wezen."
-
-"Duivelsch knap," zeide Tom.
-
-Sedert langen tijd was Tom gewoon meestal voor zich op den grond te
-kijken, maar sedert kort was deze gewoonte zoozeer toegenomen, dat
-hij nooit meer iemand drie seconden lang in het gezicht zag. Mevrouw
-Sparsit had dus ruim gelegenheid om zijn uitzicht waar te nemen,
-indien zij daartoe genegen was.
-
-"Ik vind mijnheer Harthouse een heel pleizierig man," zeide zij,
-"gelijk ook inderdaad de meeste menschen hem vinden. Zouden wij mogen
-hopen hem binnenkort hier te zien, Tom?"
-
-"Wel, ik denk hem morgen te zien," antwoordde de hondsvot.
-
-"Goed nieuws!" zeide mevrouw Sparsit zeer zoetsappig.
-
-"Ik heb afspraak met hem gemaakt, om hem tegen den avond hier aan
-het station op te wachten," hervatte Tom, "en zal dan met hem gaan
-dineeren, geloof ik. Hij zal nog in geene week op het buiten komen,
-want hij is ergens anders gevraagd. Hij zegt zoo ten minste, maar
-het zou mij niet verwonderen als hij zondag hier overbleef en dan
-eens naar buiten ging."
-
-"Dat doet mij ergens aan denken," zeide mevrouw Sparsit. "Zoudt gij
-eene boodschap aan uwe zuster kunnen onthouden, mijnheer Tom, als ik
-er een meegaf?"
-
-"Wel, ik zal het probeeren," antwoordde de onwillige hondsvot,
-"als de boodschap niet te lang is."
-
-"Het is alleen mijn eerbiedig compliment," hervatte mevrouw Sparsit,
-"en dat ik vrees dat ik haar deze week niet met mijn gezelschap zal
-lastig vallen, daar ik nog wat zenuwachtig ben en misschien beter in
-mijne eenzaamheid blijf."
-
-"O, als dat alles is," merkte Tom aan, "zou het er niet veel op
-aan komen, al vergat ik het, want als Louisa u niet ziet, zal zij
-waarschijnlijk niet eens aan u denken."
-
-Nadat hij zijn onthaal met dit vleiende compliment had betaald,
-verzonk hij weder in zijne norsche stilte, tot de gebottelde ale op
-was, en toen zeide hij: "Wel, mevrouw Sparsit, nu moet ik voort." En
-daarmede vertrok hij.
-
-Den volgenden dag, zaterdag, zat mevrouw Sparsit den geheelen dag
-voor haar venster naar de beweging op straat te kijken, inzonderheid
-acht gevende op de brievenbestellers en allen die het kantoor uit-
-en ingingen, terwijl zij ondertusschen hare gedachten over allerlei
-dingen liet gaan, maar hare aandacht vooral op de trap gevestigd
-hield. Toen de avond naderde, zette zij haar hoed op, sloeg haar doek
-om, en ging stil uit, daar zij hare redenen had om, zich zooveel
-mogelijk schuilhoudende, om het station heen te dwalen, waar een
-passagier uit Yorkshire zou aankomen, en liever achter een pilaar,
-uit een hoekje of uit het venster eener dames-wachtkamer te gluren,
-dan zich openlijk daar te laten zien.
-
-Tom was op zijn post en bleef heen en weder kuieren tot de verwachte
-trein aankwam. Deze bracht geen mijnheer Harthouse mede. Tom wachtte
-tot de menigte zich verstrooid had en het gewoel voorbij was, bekeek
-toen de aangeplakte lijst der treinen en raadpleegde de kruiers;
-en dit gedaan hebbende, stapte hij dralend heen, bleef nu en dan op
-straat staan om heen en weer te kijken, nam zijn hoed af en zette dien
-weder op, geeuwde en rekte zich uit, en vertoonde al de verschijnselen
-van doodelijke verveling, welke men van iemand verwachten kon, die
-nog moest blijven rondslenteren tot de volgende trein over een uur
-en veertig minuten zou aankomen.
-
-"Dit is een streek om hem uit den weg te houden," zeide mevrouw
-Sparsit, van het doffe kantoorvenstertje opstaande, waarvoor zij het
-laatst had wacht gehouden.
-
-Deze gedachte was eene ingeving, en zij snelde heen om die ingeving
-te volgen. Het station van den spoorweg, die naar het buiten voerde,
-was aan het andere eind der stad; de tijd was kort, de weg niet
-gemakkelijk; maar zij was zoo vlug om eene nog ledige koets in
-beslag te nemen, er weder uit te springen, haar geld te passen,
-haar plaatsbriefje te grijpen en een rijtuig van den trein binnen
-te stommelen, dat zij over de bogen door het land van gewezene en
-tegenwoordige kolenmijnen vloog, alsof zij door eene wolk opgenomen
-en weggevoerd was.
-
-Zoolang de reis duurde, ontwaarde zij onbeweeglijk in de lucht, maar
-toch nooit verflauwende, ja, even duidelijk voor de scherpe oogen
-van haar geest als de electrieke draden, welke de avondlucht als
-een kolossale strook muziekpapier linieerden, voor de oogen van haar
-lichaam zichtbaar waren, hare trap en de afdalende gedaante--thans
-zeer dicht bij den voet, op den rand van den afgrond.
-
-Een betrokken September-avond zag, juist bij het vallen van den nacht,
-onder zijne half gelokene oogleden, mevrouw Sparsit uit haar rijtuig
-stappen; de houten trap van het kleine station af- en den puinweg
-opgaan, een laantje inslaan en tusschen de takken en bladeren van
-het zomerloof verdwijnen. Een of twee nog laat wakkere vogeltjes,
-die slaperig in hun nestje zaten te tjilpen, eene vleermuis, die
-met logge vlucht om haar heen fladderde, en het schoffelen van haar
-eigen tred in het dikke stof, dat op het gevoel naar fluweel geleek,
-waren al wat mevrouw Sparsit hoorde of zag, totdat zij zeer zacht
-een hek achter zich sloot.
-
-Zij sloeg den weg naar het huis in, tusschen het heesterplantsoen
-blijvende en ging er omheen, om door de vensters der benedenverdieping
-binnen te kijken. De meesten daarvan stonden open, gelijk met zulk warm
-weder doorgaans het geval was, maar er was nog geen licht en alles
-was stil. Zij doorzocht den tuin met geen beter gevolg. Toen dacht
-zij aan het bosch, en sloop daarheen zonder zich aan het lange gras
-en struiken, of aan de wormen, slakken en allerlei andere kruipende
-dingen te storen. Met hare donkere oogen en haar haakneus voorzichtig
-vooruit, drong zij behoedzaam door de dichte struweelen, zoo geheel
-vervuld van haar doel, dat zij waarschijnlijk eveneens zou gedaan
-hebben al ware het bosch vol adders geweest.
-
-Luister!
-
-De vogeltjes hadden wel uit hunne nestjes kunnen tuimelen, betooverd
-door het glinsteren van mevrouw Sparsit's oogen in de duisternis,
-toen zij bleef stilstaan om te luisteren.
-
-Zachte stemmen dichtbij. Zijne stem en de hare. De afspraak om hem
-op te wachten was dus inderdaad eene list om den broeder weg te
-houden! Daar ginds waren zij, bij dien gevelden boom!
-
-Laag bukkende tusschen het bedauwde gras, kroop mevrouw Sparsit
-dichter naar hen toe. Zij richtte zich op en bleef achter een boom
-staan, gelijk Robinson Crusoë in zijne hinderlaag tegen de wilden;
-zoo dichtbij, dat zij met een sprong, en dat geen grooten, beiden had
-kunnen aanraken. Hij was daar heimelijk gekomen en had zich niet aan
-huis vertoond. Hij was te paard gekomen, en moest door de naburige
-velden zijn gereden, want zijn paard was op weinige schreden afstands
-buiten aan het staketsel gebonden.
-
-"Mijn liefste lief," zeide hij, "wat kon ik doen? Toen ik wist dat
-gij alleen waart, was het toen mogelijk dat ik kon wegblijven?"
-
-"Ja, gij moogt uw hoofd wel laten hangen om u meer aantrekkelijk
-te maken; ik weet niet wat zij aan u zien als gij het ophoudt,"
-dacht mevrouw Sparsit, "maar gij denkt weinig, mijn liefste lief,
-wie u in het oog houdt!"
-
-Dat zij haar hoofd liet hangen, was zeker. Zij drong hem om heen te
-gaan; zij beval hem heen te gaan; maar zij keerde haar gezicht niet
-naar hem toe, hief het zelfs niet op. En toch was het opmerkelijk,
-dat zij zoo stil zat als de goede vrouw in de hinderlaag haar ooit
-had zien zitten. Hare handen lagen in elkander, gelijk de handen van
-een steenen beeld; en zelfs hare manier van spreken was niet haastig.
-
-"Kindlief," zeide Harthouse (mevrouw Sparsit zag met verrukking,
-dat hij zijn arm om haar heen sloeg), "wilt ge dan mijn gezelschap
-niet een kort poosje dulden?"
-
-"Hier niet."
-
-"Waar dan, Louisa?"
-
-"Hier niet."
-
-"Maar wij hebben zoo weinig tijd om ons ten nutte te maken, en
-ik ben zoo ver gekomen, en ben zoo onrustig en verlangend. Nooit
-werd een slaaf, zoo getrouw en onderdanig, zoo door zijne meesteres
-mishandeld. Uwe vroolijke welkomst te verwachten, die mij levenswarmte
-heeft gegeven, en zulk eene ijskoude ontvangst te vinden, is
-hartverscheurend."
-
-"Moet ik nog eens zeggen, dat ik hier alleen gelaten moet worden?"
-
-"Maar wij moeten elkander wederzien, dierbare Louisa. Waar zullen
-wij elkander spreken?"
-
-Beiden schrikten. De luisteraarster schrikte insgelijks, want
-zij dacht, dat er nog iemand anders tusschen de boomen stond te
-luisteren. Het was slechts de regen, die met zware droppels begon
-te vallen.
-
-"Zal ik zoo straks naar het huis rijden, in de eenvoudige meening,
-dat de meester thuis en verheugd zal zijn mij te zien?"
-
-"Neen."
-
-"Uwe wreede bevelen moeten onvoorwaardelijk gehoorzaamd worden; hoewel
-ik, naar mij dunkt, de ongelukkigste man van de wereld ben, dat ik voor
-alle andere vrouwen ongevoelig ben gebleven, en eindelijk neergevallen
-ben voor en onder den voet van de schoonste, de innemendste en de
-heerschzuchtigste van allen. Dierbare Louisa, ik kan niet heengaan,
-of u laten gaan, terwijl gij uwe macht zoo onbarmhartig misbruikt."
-
-Mevrouw Sparsit zag hoe hij haar met den arm, die haar omringde,
-vasthield, en hoorde hoe hij voor hare (mevrouw Sparsit's) gretig
-luisterende ooren verklaarde dat hij haar beminde, en dat zij de
-prijs was, waarvoor hij vurig verlangde al wat hij op de wereld bezat
-en het leven hem aanbood te verspelen. Het doel, waarnaar hij in den
-jongsten tijd had gestreefd, verloor, bij haar vergeleken, alle waarde;
-de zegepraal, die bijna in zijn bereik was, wierp hij om harentwil
-als eene ellendige beuzeling weg. Evenwel, dat doel te vervolgen,
-als het hem in hare nabijheid hield, of er van af te zien als het
-hem van haar verwijderde, of de vlucht, wanneer zij daarin deelde,
-of geheimhouding, wanneer zij hem die gebood, of welk lot het ook
-wezen mocht, alles was hem onverschillig, als zij hem maar trouw
-bleef--den man, die gezien had hoe eenzaam zij was en hoe weinig
-gewaardeerd, wien zij bij hunne eerste ontmoeting eene bewondering
-en belangstelling inboezemde, waartoe hij zich zelven buiten staat
-had geacht, wien zij in haar vertrouwen had genomen, die geheel aan
-haar was toegewijd en haar aanbad. Dit alles en meer, haastig en zacht
-gesproken, hoorde mevrouw Sparsit aan in de bedwelming harer bevredigde
-boosheid, onder den indruk der vrees van ontdekt te worden, en onder
-het toenemende gedruisch van den regen tusschen het gebladerte en van
-eene naderende onweersbui; en zoo verward en onduidelijk moest alles
-daardoor voor haar worden, dat zij, toen hij eindelijk het staketsel
-overklom en zijn paard aan de hand heenleidde, niet zeker wist waar
-zij elkander zouden opwachten of wanneer, behalve dat hij gezegd had
-dat het dien nacht zou zijn.
-
-Doch een van hen bleef nog binnen haar bereik in de duisternis,
-en zoolang zij deze in het oog hield, moest zij op den rechten weg
-zijn. "O mijn liefste lief," dacht mevrouw Sparsit, "weinig denkt
-gij hoe goed er op u gepast wordt."
-
-Mevrouw Sparsit volgde haar het bosch uit en zag haar het huis
-binnengaan. Wat verder te doen? Het stortregende nu. Mevrouw Sparsit's
-witte kousen hadden allerlei kleuren aangenomen, waaronder het groen
-den boventoon had; er waren stekelige dingen in hare schoenen geraakt;
-rupsen hingen in hangmatten van eigen maaksel aan verschillende deelen
-harer kleeding te wiegelen; beekjes liepen langs haar hoed en haar
-Romeinschen neus af. In zulk een toestand stond mevrouw Sparsit in het
-dichtst van het heesterplantsoen verborgen en overwoog wat nu te doen.
-
-Zie, daar komt Louisa het huis uit. Haastig, in een mantel gewikkeld,
-sluipt zij heen. Zij neemt met haar minnaar de vlucht! Zij valt van
-de laagste trede en wordt door den afgrond verzwolgen!
-
-Onverschillig voor den regen en met snelle en vaste schreden
-voorstappende, sloeg zij een zijpad in, dat evenwijdig met de oprijlaan
-liep. Mevrouw Sparsit volgde haar tusschen het geboomte op zeer korten
-afstand; want het was niet gemakkelijk eene gedaante, die zich snel
-door de beschaduwde duisternis bewoog, in het oog te houden.
-
-Toen zij bleef stilstaan om het zijhekje zonder gerucht te sluiten,
-stond mevrouw Sparsit ook stil. Toen zij weder voortstapte, stapte
-mevrouw Sparsit insgelijks voort. Louisa volgde den weg, dien mevrouw
-Sparsit gekomen was, ging het groene laantje door, den puinweg over
-en de houten trap van het station op. Een trein naar Coketown zou
-spoedig voorbijkomen, dit wist mevrouw Sparsit, en zij begreep dus,
-dat Coketown hare eerste plaats van bestemming was.
-
-Druipnat en gehavend als zij was, behoefde mevrouw Sparsit geene
-uitgebreide voorzorgen aan te wenden om haar gewoon voorkomen te
-veranderen; maar zij bleef toch bij den muur van het station in
-de schaduw staan, trok haar doek op eene vreemde manier over hare
-schouders en sloeg hem over haar hoed. Zoo vermomd, was zij niet
-bevreesd herkend te zullen worden, toen zij insgelijks de houten trap
-opging en in het kantoortje haar geld betaalde. Louisa bleef in een
-hoek zitten wachten, mevrouw Sparsit in een anderen hoek. Beiden
-luisterden naar de zware donderslagen en naar den regen, die over
-het dak stroomde en kletterend over de goten stortte. Twee of drie
-lantarens waren uitgeregend en uitgewaaid, en zoo konden beiden
-den bliksem, die over de ijzeren sporen heen en weder speelde, zeer
-voordeelig zien uitkomen.
-
-Het trillen van het station, langzamerhand in een dreunend schokken
-overgaande, kondigde de nadering van den trein aan. Vuur, stoom, rook
-en rood licht; een gesis, een gekraak, een klokgelui en een gillend
-fluiten; Louisa stapte in een rijtuig, mevrouw Sparsit in een ander,
-en het kleine station was weder eene eenzame plek in den donderstorm.
-
-Hoewel de vochtige koude haar deed klappertanden, verheugde mevrouw
-Sparsit zich bovenmate. De gedaante was van de steilte afgestort,
-en zij hield als het ware de wacht bij het lijk. Kon zij, die zoo
-werkzaam was geweest om een statelijke begrafenis aan te leggen, minder
-doen dan inwendig juichen? "Zij zal lang vóór hem te Coketown zijn,"
-dacht mevrouw Sparsit, "al heeft hij nog zulk een goed paard. Waar
-zal zij hem wachten? Geduld. Wij zullen zien."
-
-De geweldige regen veroorzaakte eene geduchte verwarring, toen de
-trein op de plaats zijner bestemming stilhield. Goten en waterpijpen
-waren gebarsten, riolen waren overgeloopen en straten stonden onder
-water. Terwijl zij afstapte, richtte mevrouw Sparsit hare verbijsterde
-oogen naar de wachtende koetsen, waarvan men zich om strijd meester
-wilde maken. "Zij zal in een daarvan stappen," dacht zij, "en voort
-zijn eer ik haar met eene andere kan narijden. Al zou ik overreden
-worden, ik moet het nommer zien en hooren wat zij tegen den koetsier
-zegt."
-
-Doch mevrouw Sparsit maakte eene verkeerde berekening. Louisa
-stapte niet in eene koets en was reeds weg. De zwarte oogen, die het
-spoorrijtuig, waarmede zij gekomen was, bewaakten, hadden zich een
-oogenblik te laat daarop gevestigd. Daar het portier na verloop van
-verscheidene minuten niet geopend werd, ging mevrouw Sparsit het een
-paar malen voorbij, zag niets, keek binnen en vond het ledig. Door
-en door nat, terwijl het water met elken stap, dien zij deed, uit
-hare doorweekte schoenen spoot, en de regen nog steeds hare classieke
-trekken bleef bekletteren; met een hoed, die naar eene onrijpe vijg
-geleek; met al hare kleederen bedorven; met vochtige indrukselen van
-elken knoop, ieder bandje, elk haakje en oogje op haar aanzienlijk
-geparenteerden rug; met een schimmelig groen, gelijk zich op een
-oud staketsel langs een vochtig laantje aanzet, over geheel haar
-uitwendigen mensch--had mevrouw Sparsit geene andere toevlucht meer dan
-in bittere tranen uit te barsten en te jammeren: "Ik ben haar kwijt!"
-
-
-
-
-
-
-
-XXVIII.
-
-ONDERAAN.
-
-
-De nationale aschlieden waren, na zich met een groot aantal
-luidruchtige maar weinig beduidende vechtpartijtjes onder elkander
-te hebben vermaakt, voorloopig uiteengegaan, en mijnheer Gradgrind
-was voor de vacantie naar huis gekomen.
-
-Hij zat in de kamer met de statistieke klok te schrijven, zonder
-twijfel om het een of ander te bewijzen--waarschijnlijk dat de
-barmhartige Samaritaan een slecht staathuishoudkundige was. Het gerucht
-van den regen stoorde hem niet veel; maar het trok toch genoeg zijne
-aandacht om hem tusschenbeide zijn hoofd te doen opheffen, alsof hij
-de elementen eenigszins wilde berispen. Bij een zeer zwaren donderslag
-keek hij eens naar Coketown, dewijl het hem in de gedachten kwam,
-dat wel eens een van de hooge schoorsteenen door den bliksem kon
-worden getroffen.
-
-De donder rolde nog in de verte, en de regen stortte als een zondvloed
-neer, toen de deur zijner kamer geopend werd. Hij keek om de lamp heen,
-die op de tafel stond, en zag met verbazing zijne oudste dochter.
-
-"Louisa!"
-
-"Vader, ik moet u spreken."
-
-"Wat is er gebeurd? Hoe vreemd ziet gij er uit! En goede Hemel,"
-zeide mijnheer Gradgrind, zich al meer en meer verwonderende, "zijt
-ge door dat noodweer te voet hier naar toe gekomen?"
-
-Zij sloeg hare handen aan hare kleeren, alsof zij het bijna zelve
-niet wist, en antwoordde: "Ja!" Daarna ontdekte zij haar hoofd, liet
-mantel en kap maar vallen waar zij wilden, en bleef hem staan aanzien,
-zoo kleurloos, met zoo verward hangende haren, zoo trotsch en wanhopig,
-dat hij bang voor haar werd.
-
-"Wat is het? Ik bezweer u, Louisa, zeg mij wat is er gebeurd?"
-
-Zij liet zich op een stoel vallen, die bij hem stond, en legde hare
-koude hand op zijn arm.
-
-"Vader, gij hebt mij van mijne wieg af opgebracht en onderwezen."
-
-"Ja, Louisa."
-
-"Ik vloek het uur, waarin ik tot zulk eene bestemming geboren werd."
-
-Hij zag haar vol angst en twijfel aan en herhaalde verbijsterd:
-"Vloek het uur? Vloek het uur?"
-
-"Hoe waart gij in staat mij het leven te geven, en mij te berooven
-van al die onschatbare gaven, die het leven boven een toestand van
-zelfbewusten dood verheffen? Waar is al het edele mijner ziel? Waar
-is het gevoel van mijn hart? Wat hebt gij gedaan, vader, wat hebt
-gij gedaan met den tuin, die eens in deze groote woestijn hier had
-moeten bloeien?"
-
-Zij sloeg zich zelve met beide handen op de borst.
-
-"Als die hier maar eens bestaan had, zou zelfs zijne asch alleen mij
-bewaren voor de ledigheid, waarin geheel mijn leven verzinkt. Ik had
-dit niet willen zeggen, vader; maar gij herinnert u wel de laatste
-maal toen wij in deze kamer met elkander spraken?"
-
-Hij was zoo geheel onvoorbereid op hetgeen hij nu hoorde, dat hij
-slechts met moeite kon antwoorden: "Ja, Louisa."
-
-"Wat mij nu op de lippen is gekomen, zou mij toen op de lippen gekomen
-zijn, als gij mij maar even hadt geholpen. Ik doe u geen verwijt,
-vader. Wat gij nooit bij mij hebt aangekweekt, hebt gij nooit bij u
-zelven aangekweekt; maar o, als gij dit lang geleden hadt gedaan,
-of als ge mij maar hadt verwaarloosd, hoeveel beter en gelukkiger
-zou ik dan nu zijn geweest!"
-
-Toen hij dit hoorde, na al zijne zorg, liet hij zijn hoofd op zijne
-hand zinken en slaakte een kermenden zucht.
-
-"Vader, als gij, toen wij hier de laatste maal bij elkander waren,
-datgene geweten hadt, wat zelfs ik vreesde terwijl ik er tegen
-worstelde--gelijk ik van mijne kindsheid af heb moeten worstelen
-tegen elke natuurlijke neiging, die in mijn hart opkwam; als gij
-geweten hadt, dat er nog aandoeningen en verlangens in mijne borst
-woonden, zwakheden, die tot kracht konden worden opgekweekt, die alle
-berekeningen moesten tarten, welke de mensch ooit gemaakt heeft, en
-waarvan zijne rekenkunst even weinig weet als zij van zijn Schepper
-weet--zoudt ge mij dan aan den man hebben gegeven, dien ik nu zeker
-weet dat ik haat?"
-
-"Neen, neen, mijn ongelukkig kind," antwoordde hij.
-
-"Zoudt ge mij dan ooit gedoemd hebben tot de ijskoude en de verveling,
-die mij verhard en bedorven hebben? Zoudt ge mij beroofd hebben--om
-er niemand mede te verrijken--alleen om deze wereld des te armer te
-maken--van het onstoffelijke deel van mijn leven, de lente en den
-zomer van mijn geloof, mijne toevlucht voor al wat laag en slecht
-was in de werkelijkheid die mij omringde, mijne school waarin ik zou
-geleerd hebben nederiger te zijn en anderen meer te vertrouwen, en in
-mijn kleinen kring de hoop te koesteren, dat ik hen beter kon maken?"
-
-"O neen, neen, Louisa."
-
-"En toch, vader, indien ik stekeblind ware geweest; indien ik op
-den tast naar mijn weg had moeten zoeken, en mij maar vrijheid was
-gelaten; wanneer ik de oppervlakkige gedaante der dingen kende, om
-mijne verbeelding eenigszins met hen bezig te houden, zou ik millioenen
-malen wijzer, gelukkiger, liefderijker, tevredener, onschuldiger en
-in een goeden zin menschelijker zijn geweest, dan ik nu ben met de
-oogen die ik heb. Hoor nu wat ik ben komen zeggen."
-
-Hij maakte eene beweging om haar met zijn arm te ondersteunen. Zij
-rees op toen hij dit deed, en zoo bleven zij dicht bij elkander staan,
-zij met hare hand op zijn schouder en hem strak in de oogen ziende.
-
-"Door een honger en dorst gekweld, vader, die nooit voor een
-oogenblik bevredigd zijn; door een vurig verlangen gejaagd naar een
-of ander gewest, waar regels, cijfers en definitiën geene volstrekte
-heerschappij voerden, ben ik opgegroeid onder gedurigen zelfstrijd
-en onrust."
-
-"Ik heb nooit geweten dat gij ontevreden waart, kind."
-
-"Ik heb altijd geweten dat ik ongelukkig was, vader. In dien zelfstrijd
-heb ik mijn goeden engel bijna van mij verdreven en in een boozen
-geest doen veranderen. Wat ik geleerd heb, heeft mij met ongeloovige
-minachting, en toch met spijt over mijn geest, doen twijfelen aan wat
-ik niet geleerd heb; en mijn ellendig redmiddel is geweest te denken,
-dat het leven spoedig voorbij zou zijn, en dat niets daarin de smart
-en de moeite van een strijd waardig kon wezen."
-
-"En dat zoo jong, Louisa!" zeide hij met medelijden.
-
-"Ja, zoo jong als ik was. In dien toestand was ik, vader--want ik
-toon u nu, zonder vrees of verschooning, den gewonen toestand van
-mijn gemoed: een levende dood--toen ge mij het voorstel van dat
-huwelijk deedt. Ik trouwde dien man, maar ik veinsde nooit voor u of
-voor hem, dat ik hem liefhad. Ik wist, en gij wist, vader, en ook
-hij wist, dat ik het niet deed. Ik was niet geheel onverschillig,
-want ik hoopte, dat ik Tom nuttig zou kunnen zijn en hem het leven
-aangenaam zou maken. Ik deed zulk eene ijdele poging om mijn hart
-en mijne verbeelding met iets te vervullen, en ik heb langzamerhand
-bevonden hoe ijdel dit was. Maar Tom was het eenige voorwerp geweest
-van zooveel liefde en teederheid als ik had; en misschien werd hij dat
-omdat ik maar al te wel wist, hoeveel medelijden hij verdiende. Dit
-is nu van weinig belang, behalve dat het u misschien kan overhalen
-om zachter over zijne misstappen te denken."
-
-Terwijl haar vader haar in zijn arm hield, legde zij hare hand op zijn
-anderen schouder, en zoo, hem steeds strak aanziende, ging zij voort:
-
-"Toen ik onherroepelijk getrouwd was, kwam de oude zelfstrijd weder
-bij mij op en dreef mij tot weerspannigheid tegen dien band, nog
-drukkender gemaakt door al die oorzaken van oneenigheid, die uit
-onze twee verschillende karakters ontstaan, en die geene algemeene
-regelen ooit zullen bepalen of beheerschen, vader, voordat zij een
-ontleedkundige kunnen leeren om met zijn mes de geheimen mijner ziel
-te treffen."
-
-"Louisa!" zeide hij, en zijn toon was smeekend, want maar al te
-wel herinnerde hij zich wat er bij hun vorig gesprek tusschen hen
-was omgegaan.
-
-"Ik doe u geen verwijt, vader, en ik klaag niet. Ik ben met een ander
-doel hier gekomen."
-
-"Wat kan ik doen, kind? Vraag mij wat gij maar wilt."
-
-"Daar zal ik terstond toe komen. Vader, het toeval plaatste toen een
-nieuwe bekende in mijn weg; een man, gelijk ik nog nooit had gezien;
-een man van de wereld, luchtig, gepolijst en ongedwongen, die niet
-wilde veinzen, die openlijk bekende dat hij alle dingen zoo gering
-schatte, als ik dat nauwelijks heimelijk durfde doen; die mij bijna
-oogenblikkelijk, hoewel ik niet weet hoe of waardoor, te kennen gaf,
-dat hij mij begreep en mijne gedachten las. Ik kon niet vinden, dat
-hij erger was dan ik. Er scheen eene nauwe verwantschap tusschen
-ons te bestaan. Het verwonderde mij alleen, dat het hem, die zich
-anders om niets bekommerde, de moeite waardig was zich zooveel om
-mij te bekommeren."
-
-"Om u, Louisa!"
-
-Misschien zou haar vader haar onwillekeurig hebben losgelaten, indien
-hij niet gevoeld had, dat hare krachten haar begaven, en een woest
-vuur had gezien in de wijd geopende oogen, die hem aanstaarden.
-
-"Ik zeg niets van de reden waarom hij op mijn vertrouwen aanspraak
-maakte. Het is van weinig belang hoe hij het won. Hij won het,
-vader. Wat gij van de geschiedenis van mijn huwelijk weet, wist hij
-spoedig evengoed."
-
-Haar vaders gezicht was vaalbleek geworden, en hij hield haar met
-beide armen vast.
-
-"Ik heb niets ergers gedaan; ik heb u niet onteerd. Maar als gij
-mij vraagt of ik hem heb liefgehad, of ik hem nog liefheb, zeg ik u
-ronduit, vader, dat het wel zoo kan zijn. Ik weet het niet."
-
-Zij nam hare handen eensklaps van zijne schouders en drukte ze beide
-tegen hare zijde; terwijl in hare trekken (zij geleek zich zelve niet
-meer), in hare houding, terwijl zij zich oprichtte, met het besluit
-om met eene laatste poging nog alles te zeggen wat zij te zeggen had,
-hare lang gesmoorde aandoeningen losbarstten.
-
-"Dezen avond, terwijl mijn echtgenoot afwezig was, is hij bij mij
-geweest en heeft zich als mijn minnaar verklaard. Op dit oogenblik
-verwacht hij mij bij zich, want ik kon mij op geene andere wijs van
-zijn bijzijn ontslaan. Ik weet niet of het mij berouwt, ik weet niet
-of ik mij schaam, ik weet niet of ik in mijne eigene achting gedaald
-ben. Al wat ik weet is, dat uwe geleerdheid en uwe lessen mij niet
-zullen redden. Gij, vader, hebt mij hiertoe gebracht. Red mij nu door
-andere middelen."
-
-Hij klemde haar nog tijdig vast om te verhinderen, dat zij op den
-grond neerzonk; maar zij riep met eene schrikkelijke stem: "Ik zal
-sterven als ge mij zoo vasthoudt. Laat mij op den grond vallen!" En
-hij liet haar zinken, en zag den trots van zijn hart en den triomf van
-zijn stelsel als een bewusteloozen hoop stof voor zijne voeten liggen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-DERDE BOEK. INZAMELEN.
-
-
-XXIX.
-
-NOG IETS NOODIGS.
-
-
-Toen Louisa uit hare bezwijming ontwaakte en kwijnend hare oogen
-opsloeg, lag zij thuis in haar eigen bed, in hare oude gewone
-kamer. Het was haar in 't eerst, alsof al wat er gebeurd was, sedert
-den tijd toen die dingen haar gemeenzaam waren, slechts een verwarde
-droom was geweest; maar langzamerhand, naarmate de werkelijkheid
-dier voorwerpen duidelijker werd, kwam ook het werkelijk gebeurde
-haar duidelijker voor den geest.
-
-Haar hoofd was zoo zwaar en pijnlijk, dat zij het nauwelijks kon
-oplichten; hare oogen gloeiden, en zij gevoelde zich zeer zwak. Zekere
-zonderlinge lijdzame achteloosheid had zich zoozeer van haar meester
-gemaakt, dat de tegenwoordigheid harer jeugdige zuster in het vertrek
-een tijdlang hare aandacht niet eens trok. Zelfs toen hare blikken
-elkander ontmoet hadden, en het meisje bij het bed kwam, lag Louisa
-haar nog een poos stilzwijgend aan te zien, en liet haar schroomvallig
-hare machtelooze hand vasthouden, eer zij vroeg:
-
-"Wanneer ben ik hier in de kamer gebracht?"
-
-"Gisteravond, Louisa."
-
-"Wie heeft dat gedaan?"
-
-"Sissy, geloof ik."
-
-"Waarom gelooft gij dat?"
-
-"Omdat ik haar van morgen hier heb gevonden. Zij kwam niet bij mij aan
-bed om mij wakker te maken, gelijk zij altijd doet, en ik ging daarom
-naar haar zien. Zij was ook niet in hare eigene kamer, en ik ging het
-geheele huis door naar haar zoeken, tot ik haar hier vond, bezig met
-u op te passen en uw hoofd koel te houden. Wilt gij vader zien? Sissy
-heeft mij gezegd, dat ik hem roepen moest als ge wakker werdt."
-
-"Welk een lief vriendelijk gezichtje hebt gij toch, Jane!" zeide
-Louisa, toen hare zuster nog schroomvallig, zich over haar heen boog
-om haar een kus te geven.
-
-"Heb ik? Ik ben blij, dat ge dat zoo vindt. Dat moet ik zeker aan
-Sissy te danken hebben."
-
-De arm, dien Louisa om den hals harer zuster wilde slaan, werd weder
-teruggetrokken.
-
-"Gij kunt het vader gaan zeggen, als ge wilt," zeide zij; en toen
-haar nog even terughoudende, vervolgde zij: "Gij zijt het zeker,
-die mijne kamer zoo vroolijk hebt gemaakt, om mij te laten zien,
-dat ik welkom was."
-
-"O neen, Louisa, dat was al gedaan eer ik hier kwam. Het was..."
-
-Louisa keerde zich om, drukte haar hoofd in haar kussen en hoorde
-niet meer. Toen hare zuster heengegaan was, keerde zij zich weder om
-en bleef met haar gezicht naar de deur liggen, totdat haar vader die
-opendeed en binnentrad.
-
-Zijn uitzicht gaf angst en afmatting te kennen, en zijne hand,
-gewoonlijk zoo vast, beefde in de hare. Hij zette zich naast het bed
-neer, vroeg met teedere bezorgdheid hoe zij zich bevond, en sprak
-over de noodzakelijkheid om zich, na de aandoeningen van den vorigen
-avond, zeer stil te houden. Hij sprak met eene zwakke, haperende stem,
-zeer verschillend van zijn gewonen gebiedenden toon, en moest dikwijls
-naar woorden zoeken.
-
-"Mijne lieve Louisa, mijne arme dochter..." Hier was hij zoo in de war,
-dat hij geheel bleef steken. Hij beproefde het nog eens.
-
-"Mijn ongelukkig kind!" Het was zoo moeielijk over dat begin heen te
-komen, dat hij het nog eene derde maal moest beproeven.
-
-"Het zou vruchteloos zijn, Louisa, als ik u poogde te zeggen, hoe
-die onverwachte ontdekking van gisteravond mij getroffen heeft en
-nog aandoet. De grond, waarop ik sta, is niet vast meer onder mijne
-voeten. De eenige steun waarop ik leunde, en waarvan de kracht niet te
-betwijfelen scheen en nog schijnt, is in een oogenblik bezweken. Ik ben
-bedwelmd en versuft door die ontdekkingen. Het is niet uit eigenliefde,
-dat ik zoo spreek; maar ik gevoel dat de slag, die mij gisteravond
-heeft getroffen, waarlijk zeer zwaar is."
-
-Zij kon hem in dit opzicht geen troost geven. Geheel haar levensgeluk
-had schipbreuk geleden op de rots, waarop het zijne nu had gestooten.
-
-"Ik wil niet zeggen, Louisa, dat het beter voor ons beiden zou zijn
-geweest als ge mij door een gelukkig toeval vroeger uit den droom hadt
-geholpen--beter voor uwe gemoedsrust, beter voor de mijne; want ik
-weet wel, dat het niet tot mijn systeem behoorde een vertrouwen van
-dien aard uit te lokken. Ik heb mij voor mij zelven van de waarheid
-van mijn systeem overtuigd en mij gestreng daaraan gehouden; en de
-verantwoordelijkheid van het valsche daarvan moet ik nu ook dragen. Ik
-bidt u alleen, mijn geliefkoosd kind, geloof toch dat ik gedacht heb
-wèl te doen."
-
-Hij zeide dit zeer ernstig en hij sprak ook de waarheid. Toen hij de
-grondelooze diepte met zijn ellendig maatstokje had willen peilen,
-en zijn roestigen, stroeven passer waggelend over het gansche heelal
-liet stappen, had hij gemeend groote dingen te doen. Binnen de grenzen
-van het korte touw, waarmede hij aan zijn systeem gebonden was,
-had hij rondgetrappeld en met grooter oprechtheid van bedoeling,
-dan vele der blatende wezens, met welke hij verkeerde, de bloemen
-des levens verwoest.
-
-"Daarvan houd ik mij wel verzekerd, vader. Ik weet dat ik uw
-geliefkoosd kind ben geweest. Ik weet dat ge mij gelukkig hebt willen
-maken. Ik heb u nooit iets verweten en zal dat ook nooit doen."
-
-Hij vatte hare toegereikte hand en hield die in de zijne.
-
-"Kindlief, ik ben den geheelen nacht aan mijne tafel blijven zitten,
-onophoudelijk nadenkende over de smartelijke ophelderingen, die er
-tusschen ons hebben plaats gehad. Als ik uw karakter beschouw, als ik
-overweeg, dat hetgeen ik nu sedert eenige uren weet, jarenlang door
-u is verborgen gehouden; als ik bedenk, door welken onmiddellijken
-drang het u eindelijk is afgeperst, kom ik tot het besluit, dat ik
-niet anders doen kan dan mij zelven wantrouwen."
-
-Hij had er nog meer dan dit alles kunnen bijvoegen, toen hij bemerkte
-hoe zijne dochter hem nu aanzag; en hij deed dit misschien metterdaad,
-toen hij hare hangende haren zacht van haar voorhoofd streek. Zulke
-kleine bedrijven, bij een ander onbeduidend, waren bij hem iets
-opmerkelijks; en zijne dochter nam dit van hem aan, als ware het eene
-betuiging van het diepste naberouw geweest.
-
-"Maar," zeide mijnheer Gradgrind langzaam en aarzelend, en tevens
-met een rampzalig gevoel van hulpelooze verlegenheid; "als ik reden
-zie, mij zelven ten opzichte van het verledene te wantrouwen, moet
-ik dat ook voor het tegenwoordige en de toekomst doen. Om zonder
-achterhoudendheid met u te spreken, doe ik dat ook waarlijk. Ik gevoel
-mij thans verre van overtuigd, hoe geheel anders ik gisteren ook
-daarover mag gedacht hebben, dat ik geschikt ben om het vertrouwen,
-dat gij in mij stelt, te beantwoorden; dat ik zal weten te voldoen
-aan den rechtmatigen eisch, dien gij mij zijt komen doen; dat ik
-het rechte instinct heb--om voor een oogenblik te vooronderstellen,
-dat er eene eigenschap van dien aard bestaat--om u te helpen en den
-rechten weg te wijzen, mijn kind."
-
-Zij had zich op haar kussen omgekeerd en lag met haar gezicht
-op haar arm, zoodat hij het niet zien kon. Al hare woestheid en
-hartstochtelijkheid was verdwenen; maar hoewel haar gemoed was
-verzacht, kon zij nog niet tot tranen komen. De grootste verandering,
-die er bij haar vader was voorgevallen, bestond daarin, dat hij nu
-blijde zou geweest zijn als hij haar had zien schreien.
-
-"Sommigen beweren," vervolgde hij, nog aarzelende, "dat er eene
-wijsheid van het hoofd en ook eene wijsheid van het hart is. Ik heb
-zoo niet gedacht; maar, gelijk ik gezegd heb, ik wantrouw nu mij
-zelven. Ik heb ondersteld, dat het hoofd alleen voor alles voldoende
-was. Misschien is het dat niet; want hoe zou ik dezen morgen durven
-zeggen, dat het voor alles voldoende is? Indien eens die andere soort
-van wijsheid juist datgene mocht zijn wat ik verzuimd heb, juist het
-instinct, dat mij ontbreekt, Louisa..."
-
-Hij zeide dit zeer weifelend, als ware hij zelfs nu nog half onwillig
-om het toe te stemmen. Zij gaf geen antwoord, en bleef voor hem op
-het bed liggen, nog half gekleed, bijna gelijk hij haar den vorigen
-avond in zijne kamer op den grond had zien liggen.
-
-"Louisa," hervatte hij, en zijne hand rustte weder op haar hoofd, "ik
-ben in den laatsten tijd veel van huis geweest, en schoon de opvoeding
-uwer zuster volgens het--het systeem is ingericht"--hij scheen thans
-dit woord telkens met grooter tegenzin uit te spreken--"is zij toch
-noodwendig gewijzigd geworden door den invloed van een dagelijkschen
-omgang, die bij haar reeds op vroeger jaren begonnen is. Ik vraag
-u--nederig en als een onkundige, mijne dochter---denkt gij, dat dit
-tot haar bestwil zou zijn geweest?"
-
-"Vader," antwoordde zij zonder zich te bewegen, "als er in hare
-jeugdige borst eene harmonie is opgewekt, die in de mijne stom is
-gebleven tot zij in wanklanken veranderde, laten wij dan den hemel
-daarvoor danken, haar stil op haar gelukkigen weg laten voortgaan,
-en het den grootsten zegen voor haar achten, dat zij mijn weg heeft
-vermeden."
-
-"O, mijn kind, mijn kind!" zeide hij, met wanhopige neerslachtigheid
-in zijn toon; "ik ben een ongelukkig man, dat ik u zoo zie! Wat
-baat het mij, dat gij mij niets verwijt, als ik mij zelven zulke
-bittere verwijten doe!" Hij boog zijn hoofd, en vervolgde, zeer zacht
-sprekende: "Louisa, ik twijfel er aan, of er niet hier in huis en
-om mij heen langzamerhand eene verandering is bewerkt, alleen door
-liefde en dankbaarheid; of niet datgene, wat het hoofd ongedaan heeft
-gelaten en niet kan doen, stilzwijgend door het hart is verricht. Zou
-het zoo kunnen zijn?"
-
-Zij gaf hem geen antwoord.
-
-"Ik ben niet te trotsch om het te gelooven, Louisa. Hoe zou ik nog
-eigenwijs kunnen zijn, terwijl gij daar zoo voor mij ligt! Kan het
-zoo zijn? Is het werkelijk zoo, kindlief!"
-
-Hij zag haar nog eens aan, gelijk zij daar als weggeworpen lag, en
-zonder een woord verder te spreken, ging hij de kamer uit. Hij was
-niet lang heengegaan, of zij hoorde een lichten tred bij de deur en
-begreep, dat er iemand anders bij haar gekomen was.
-
-Zij hief haar hoofd niet op. Eene wrevelige gramschap, dat zij in hare
-zielesmart gezien werd, en dat de onwillekeurige blik, die haar eens
-zoo verstoord had, tot zulk eene vervulling moest komen, smeulde in
-haar gelijk een dreigend vuur. Alle kracht, in een kerker opgesloten,
-wordt verwoestend. De lucht, die heilzaam voor de aarde zou zijn, het
-water dat haar vruchtbaar zou maken; de hitte, die haar zou koesteren,
-rijten haar vaneen, wanneer zij in enge holen besloten blijven. Zoo was
-het ook nu in haar hart; de krachtigste eigenschappen, die zij bezat,
-lang tegen zich zelven gekeerd, sloegen tot eene hardnekkigheid over,
-die wrokkend tegen eene vriendin opstond.
-
-Het was gelukkig, dat eene zachte hand om haar hals geslagen werd,
-en dat zij begreep, dat men haar voor slapend hield. Die medelijdende
-hand tergde haar wrevel niet. Zij mocht daar blijven.
-
-Zoo bleef zij daar, en deed door hare koesterende warmte een aantal
-zachtere aandoeningen langzamerhand het leven ontvangen; en Louisa
-bleef steeds stil liggen. Terwijl de stilte en de bewustheid van
-zoo bewaakt te worden haar zachter stemden, welden er eenige tranen
-in hare oogen op. Het gezichtje raakte het hare aan, en zij wist,
-dat ook daarop tranen stonden en dat zij die deed vloeien.
-
-Toen Louisa veinsde te ontwaken en overeind kwam, trad Sissy achteruit
-en bleef stil bij het bed staan.
-
-"Ik hoop, dat ik u niet gestoord heb. Ik kom maar eens vragen, of
-gij hebben wilt dat ik bij u blijf."
-
-"Waarom zoudt gij bij mij blijven? Mijne zuster zal u missen. Gij
-zijt alles voor haar."
-
-"Ben ik dat?" antwoordde Sissy, haar hoofdje schuddende. "Maar ik
-zou ook zoo gaarne iets voor u willen zijn, als ik mocht."
-
-"Wat voor mij zijn?" zeide Louisa bijna stuursch.
-
-"Wat gij het meest noodig hebt, indien ik daartoe in staat ben. In
-allen gevalle zou ik gaarne willen beproeven om daar zoo nabij te komen
-als ik kan. En hoe ver ik er ook vandaan mag blijven, ik zal nooit
-moede worden om opnieuw mijn best te doen. Wilt ge mij dat toelaten?"
-
-"Mijn vader heeft u zeker gezonden om mij dat te vragen?"
-
-"Neen, zeker niet," antwoordde Sissy. "Hij heeft mij nu gezegd,
-dat ik mocht binnenkomen, maar van morgen heeft hij mij uit de kamer
-gezonden--of ten minste..." Zij aarzelde en zweeg.
-
-"Ten minste--wat?" zeide Louisa, haar gewonen uitvorschenden blik op
-haar vestigende.
-
-"Ik hield het zelf voor best dat ik weggezonden werd, want ik was
-geheel onzeker of ge mij wel gaarne hier zoudt vinden."
-
-"Heb ik u altijd zoozeer gehaat?"
-
-"Ik hoop van neen, want ik heb u altijd liefgehad, en altijd gewenscht
-dat gij dat weten zoudt. Maar kort voordat gij het huis uitgingt,
-zijt ge een weinigje voor mij veranderd. Niet dat ik mij daarover
-verwonderde. Gij wist zooveel en ik zoo weinig, en het was om vele
-redenen zoo natuurlijk, daar gij toen onder andere vrienden zoudt
-komen, dat ik over niets te klagen had en mij ook geheel niet gekrenkt
-gevoelde."
-
-Zij kreeg eene hoogere kleur terwijl zij dit bedeesd en haastig
-zeide. Louisa begreep die liefderijke geveinsdheid en haar hart gaf
-haar een scherp verwijt.
-
-"Mag ik het beproeven?" zeide Sissy, moed vattende om hare hand op
-te heffen, naar den hals, die onwillekeurig naar haar werd overgebogen.
-
-Louisa vatte den arm, die gereed was om haar te omhelzen, en Sissy's
-hand in de hare sluitende, antwoordde zij:
-
-"Eerst nog dit, Sissy: weet gij wel wat ik ben? Ik ben zoo trotsch
-en zoo verhard, zoo verward en verbijsterd, zoo vol wrevel en
-onbillijkheid voor iedereen en mij zelve, dat alles in mijn binnenste
-even donker, woest en ellendig is. Schrikt u dat niet af?"
-
-"Neen!"
-
-"Ik ben zoo ongelukkig, en alles wat mij anders moest gemaakt hebben
-is zoo verwoest, dat, al was ik tot op dit oogenblik geheel zonder
-eenige kennis gebleven, en al moest ik, in plaats van zoo geleerd te
-zijn, als gij mij acht, nu eerst de eenvoudigste waarheden beginnen
-te leeren, ik geen jammerlijker gebrek kon hebben aan een gids tot
-zielevrede, vergenoegdheid, eergevoel, aan een gids naar al het goede
-dat mij geheel ontbreekt. Schrikt dat u niet af?"
-
-"Neen!"
-
-In de onschuld harer onverschrokkene liefde, in den rijkdom van haar
-edel gemoed schitterde het eens verachte meisje als een heerlijk licht,
-dat de duisternis der andere verhelderde.
-
-Louisa beurde nu zelve Sissy's hand op, om haar hals te omvatten. Toen
-viel zij op hare knieën, en zich aan de dochter van den potsenmaker
-vastklemmende, zag zij bijna met eerbied naar haar op.
-
-"Vergeef mij, heb medelijden met mij, help mij. Heb barmhartigheid
-met mijn grooten nood, en laat ik mijn hoofd tegen uw liefdevol hart
-mogen te rust leggen!"
-
-"O, leg het hier," riep Sissy uit, "leg het hier te rust!"
-
-
-
-
-
-
-
-XXX.
-
-ZEER BELACHELIJK.
-
-
-Mijnheer James Harthouse sleet een geheelen nacht en dag in zulk een
-toestand van opgewondenheid, dat de wereld met haar beste lorgnet
-voor de oogen, hem in dat tijdperk van waanzin bezwaarlijk voor Jem,
-den broeder van het achtbare en luimige parlementslid, had kunnen
-herkennen. Hij was werkelijk in heftige gemoedsbeweging, en sprak
-verscheidene malen met een nadruk, die naar de manier van gemeene
-lieden geleek. Hij liep op eene onverklaarbare manier uit en in,
-als iemand die een werkelijk doel had. Hij reed alsof hij gejaagd
-werd. Kortom, de omstandigheden verveelden hem zoo schrikkelijk, dat
-hij vergat op de manier van fijn beschaafde gentlemen zijne verveling
-te toonen.
-
-Nadat hij door den storm naar Coketown was gerend, bleef hij den
-geheelen nacht opzitten, van tijd tot tijd met de grootste woede aan
-de schel trekkende en den knecht, die de wacht had, beschuldigende,
-dat hij brieven of boodschappen achterhield, die zeker voor hem
-bestemd waren, en die hij nu eischte dat hem terstond zouden worden
-overgeleverd. Toen de dageraad kwam, de morgenstond kwam en de dag
-kwam, en geen van deze drie brief of boodschap medebracht, begaf
-hij zich naar het buiten. Daar vernam hij, dat mijnheer Bounderby
-op reis en mevrouw Bounderby naar de stad was. Zij was gisteravond
-onverwacht daarheen vertrokken. Men had dit niet eens geweten, voordat
-men eene boodschap had ontvangen, dat men haar vooreerst niet terug
-moest verwachten.
-
-Onder deze omstandigheden schoot hem niets anders over dan haar naar de
-stad te volgen. Hij ging naar het huis in de stad. Mevrouw Bounderby
-was er niet. Hij bezocht het kantoor. Mijnheer Bounderby was weg,
-en mevrouw Sparsit was weg. Mevrouw Sparsit weg? Hoe is het mogelijk,
-dat iemand plotseling het gezelschap van dat serpent noodig had!
-
-"Ja, dat weet ik niet," antwoordde Tom, die zijne eigene redenen had
-om zich in dit opzicht ongerust te maken. "Zij is van morgen eer de
-dag nog aankwam vertrokken; niemand weet waarheen. Zij is altijd zoo
-geheimzinnig. Ik heb een hekel aan haar, en ook aan dien vlasharigen
-kerel, die iemand met zijne knippende oogen overal nakijkt."
-
-"Waar zijt gij gisteravond geweest, Tom?"
-
-"Waar ik gisteravond geweest ben!" zeide Tom. "Wel, nu nog mooier! Ik
-heb naar u staan wachten, mijnheer Harthouse, tot het begon te
-stortregenen zooals ik het nog nooit in mijn leven had zien doen. Waar
-ik was! Gij zult meenen: waar gij gebleven zijt?"
-
-"Ik werd verhinderd, Tom--opgehouden."
-
-"Opgehouden!" mompelde Tom. "Dan werden wij allebei opgehouden. Ik
-werd opgehouden met naar u te wachten, tot alle treinen voorbij waren
-behalve de posttrein. Het zou een aardig karreweitje zijn geweest in
-zulk weer daarmede te rijden en dan door een vijver heen naar huis
-te moeten kuieren. Ik moest dus wel in de stad blijven slapen."
-
-"Waar?"
-
-"Waar? Wel in mijn eigen bed bij Bounderby."
-
-"Hebt gij uwe zuster gezien?"
-
-"Hoe drommel," antwoordde Tom, hem verwonderd aanstarende, "kon ik
-mijne zuster zien, die vijftien mijlen hier vandaan was?"
-
-Met een vloek over de bitse antwoorden van den jongenheer, van wien
-hij zulk een trouw vriend was, maakte mijnheer Harthouse met de minst
-mogelijke plichtplegingen een einde aan het gesprek, en overdacht voor
-de honderdste maal wat dit alles kon beteekenen. Slechts één ding werd
-hem duidelijk, dat hij namelijk, hetzij ze in de stad of uit de stad
-was, hetzij hij bij eene vrouw, die zoo moeielijk te begrijpen was,
-te voorbarig was geweest, of dat zij den moed had verloren, of dat men
-hen ontdekt had, of dat er eene voor het oogenblik onbegrijpelijke
-misvatting of vergissing had plaats gehad--dat hij evenwel zijn lot
-moest blijven afwachten, hoe dat dan ook wezen mocht. Het hotel,
-dat hij gewoonlijk betrok, wanneer hij tot dat gewest van kolenzwart
-was verwezen, was de martelpaal waaraan hij was vastgebonden. Voor
-het overige--wat gebeuren moest, moest gebeuren.
-
-"Of ik dus hier wacht naar eene gramstorige boodschap, of een
-rendez-vous, of een teerhartig berouw, of eene vechtpartij met mijn
-vriend Bounderby--hetgeen in den tegenwoordigen staat van zaken
-even waarschijnlijk is als iets anders--ik wil dineeren," zei James
-Harthouse. "Bounderby heeft het voordeel van zwaarder te zijn dan
-ik: en als er iets van echt Engelschen aard tusschen ons moet plaats
-hebben, zal het wel goed zijn mij een beetje te versterken."
-
-Hij trok dus aan de schel, en zich achteloos op een sofa werpende,
-bestelde hij een diner tegen zes uur, "onverschillig wat, maar een
-beefsteak er bij;" en daarna sleet hij den tusschentijd zoo goed
-hij kon. Dit gelukte hem niet bijzonder goed; want hij bleef nog
-in de grootste verbijstering, en terwijl de uren verliepen en hij
-geenerlei opheldering ontving, vergrootte zich die verbijstering als
-een kapitaal, dat interest op interest is uitgezet.
-
-Hij nam echter de zaak zoo koelbloedig op als het maar iemand mogelijk
-zou zijn geweest, en vermaakte zich met het koddige denkbeeld om zich
-op eene vechtpartij met Bounderby voor te bereiden. "Het zou niet kwaad
-zijn," dacht hij al geeuwende, "den knecht vijf schellingen te geven
-en mij te oefenen om hem op den grond te werken." En daarna viel het
-hem in: "of men zou ook een kerel van behoorlijke zwaarte bij het uur
-kunnen huren." Deze aardigheden droegen echter niet veel van aanbelang
-bij om den namiddag te verkorten of zijne onrust te verminderen,
-en om de waarheid te zeggen, beiden duurden hem schrikkelijk lang.
-
-Zelfs nog vóór den maaltijd kon hij onmogelijk nalaten dikwijls over
-de bloemen van het tapijt rond te stappen, uit het venster te kijken,
-bij de deur naar voetstappen te luisteren, en nu en dan eenigszins heet
-te worden als die voetstappen de kamer naderden. Maar na den maaltijd,
-toen de dag in schemering, en de schemering in duisternis overging, en
-hij nog niets nieuws vernam, begon het, gelijk hij zelf het uitdrukte,
-"naar de Inquisitie en een langzaam doodmartelen te gelijken." Evenwel
-nog getrouw aan zijne overtuiging, dat onverschilligheid het kenmerk
-van fijne beschaving was (de eenige overtuiging die hij had), nam hij
-deze crisis waar als eene gelegenheid om zich licht en eene courant
-te laten brengen.
-
-Hij had een half uur gesleten met vruchtelooze pogingen om deze
-courant te lezen, toen er een knecht van het hotel verscheen en op
-een tegelijk geheimzinnigen en bedremmelden toon zeide:
-
-"Neem mij niet kwalijk, mijnheer. Er wordt met uw welnemen naar
-u gevraagd."
-
-Eene flauwe herinnering, dat dit de uitdrukking was, die de politie
-tegen een gauwdief bezigde, deed mijnheer Harthouse den knecht met
-verontwaardiging toebijten, "wat duivel hij daarmede meende."
-
-"Ik verzoek wel verschooning, mijnheer. Eene jongejuffrouw daar buiten
-vraagt u te spreken."
-
-"Daar buiten? Waar?"
-
-"Hier buiten de deur, mijnheer."
-
-Den knecht als een domkop, die niet beter waardig was, naar den zoo
-pas genoemden persoon heenzendende, stond Harthouse haastig op en ging
-naar de gang. Daar stond een meisje, dat hij nog nooit had gezien,
-eenvoudig gekleed, zeer zedig van uitzicht en zeer bevallig. Toen
-hij haar in de kamer bracht en een stoel voor haar zette, zag hij
-bij het licht der kaarsen, dat zij nog bevalliger was dan hij in
-het eerst had gedacht. Haar gezichtje was onschuldig en jeugdig,
-en de uitdrukking daarvan buitengemeen innemend. Zij was niet bang
-voor hem en volstrekt niet verlegen; haar gemoed scheen geheel vol te
-zijn met het oogmerk van haar bezoek, zoodat daardoor alle gedachte
-aan zich zelve werd bedwongen.
-
-"Ik spreek immers met mijnheer Harthouse?" zeide zij toen zij alleen
-waren.
-
-"Ja," antwoordde hij, en voegde er in gedachten bij: "En gij spreekt
-tegen hem met de vertrouwelijkste oogen die ik ooit gezien heb, en
-de zachtste stem, al is de toon zoo zonderling ernstig, die ik ooit
-heb gehoord."
-
-"Hoewel ik niet weet of begrijp," zeide Sissy, "waartoe uwe eer als
-gentleman u in andere opzichten verbindt," en het bloed steeg haar
-naar de wangen toen zij met deze woorden begon, "zal ik er toch zeker
-op mogen vertrouwen, dat gij mijn bezoek geheim zult houden, en ook
-geheel verzwijgen wat ik u verder zeggen wilde. Als gij mij belooft,
-dat ik u zoover vertrouwen mag, zal ik er mij op verlaten."
-
-"Dat kunt gij, dit verzeker ik u."
-
-"Ik ben jong, gelijk gij ziet; en ik ben alléén, gelijk gij ziet. Om
-zoo bij u te komen, mijnheer, heeft niets mij geraden of aangemoedigd
-behalve eene stille hoop die ik voed."
-
-"Maar die moet zeer sterk zijn," dacht hij, toen hij haar voor
-een oogenblik hare oogen naar boven zag richten. "Dit is een
-allerwonderlijkst begin," dacht hij verder. "Ik begrijp niet waar
-dat heen moet."
-
-"Ik denk," zeide Sissy, "dat gij al raadt wie ik zoo even verlaten
-heb."
-
-"Ik ben vier en twintig uren lang--die mij zoo lang zijn gevallen
-alsof het jaren waren--zeer ongerust geweest ten opzichte van zekere
-dame," antwoordde hij. "De hoop, die ik meende te mogen opvatten,
-dat gij van die dame komt, heeft mij niet bedrogen, naar ik vertrouw."
-
-"Ik ben nog geen uur geleden van haar weggegaan!"
-
-"Waar?"
-
-"Bij haar vader in huis."
-
-In spijt van zijne koelbloedigheid werd het gezicht van mijnheer
-Harthouse veel langer en zijne verbijstering veel grooter. "Nu begrijp
-ik volstrekt niet waar het heen moet," dacht hij.
-
-"Zij is gisteravond in groote ontsteltenis daar gekomen en heeft den
-geheelen nacht in flauwte gelegen. Ik woon bij haar vader en ben bij
-haar gebleven. Gij kunt zeker zijn, mijnheer, dat gij haar nooit zult
-wederzien zoolang gij leeft."
-
-Harthouse haalde diep adem; en indien iemand zich ooit in de positie
-bevond van niet te weten wat hij zeggen moest, maakte hij buiten kijf
-thans de ontdekking, dat hij in zulke omstandigheden verkeerde. De
-kinderlijke openhartigheid, waarmede het meisje sprak, hare bescheidene
-onbeschroomdheid, hare oprechtheid, die alle omwegen vermeed, hare
-volkomene zelfvergetelheid, die haar met ernstige kalmte rechtstreeks
-deed afgaan op het doel waartoe zij gekomen was, dit alles met haar
-ernstig vertrouwen op zijne losweg gegevene belofte--waarmede zij
-hem alleen reeds beschaamde--was iets, waarvan hij nog in het geheel
-geene ondervinding had gehad, en waartegen hij begreep dat al zijne
-gewone wapenen zoo machteloos zouden zijn, dat hij geen woord kon
-bedenken om zich te helpen.
-
-Eindelijk zeide hij:
-
-"Zulk een onverwacht bericht, met zooveel zekerheid en door zulke
-lippen gegeven, is inderdaad zeer verrassend. Mag ik vragen of de
-dame, van wie wij spreken, u belast heeft om mij dat bericht in die
-hopelooze bewoordingen over te brengen?"
-
-"Zij heeft mij niets belast."
-
-De drenkeling grijpt zich aan een stroohalm.
-
-"Zonder uw oordeel te willen wantrouwen of uwe oprechtheid te
-verdenken, vertrouw ik te mogen zeggen, dat ik meen nog te mogen
-hopen, dat de bewuste dame mij niet voor altijd uit hare oogen zal
-willen verbannen."
-
-"Er is geene de minste hoop. Het eerste doel van mijne komst, mijnheer,
-is u te verzekeren dat gij gelooven moet, dat er even weinig hoop
-voor u bestaat om haar ooit weder te spreken, als er bestaan zou
-indien zij terstond gestorven was, toen zij gisteravond thuis kwam."
-
-"Gelooven moet? Maar als ik niet kan--of als ik ongelukkig wat
-stijfhoofdig van karakter ben en niet wil?"
-
-"Het is toch waar. Er is geene hoop."
-
-James Harthouse zag haar aan met een ongeloovigen glimlach op de
-lippen; maar de oogen van haar geest zagen verder en hooger, dan
-naar den man die voor haar stond, en die glimlach werd dus nutteloos
-verspild.
-
-Hij beet op zijne lippen en nam een poosje tijd om zich te bedenken.
-
-"Welnu," zeide hij, "als het ongelukkig mocht blijken, nadat ik alles
-heb gedaan wat van mij gevergd kan worden, dat ik zoo ongelukkig ben
-om aldus in ballingschap te worden gezonden, zal ik die dame niet
-verder lastig vallen. Maar gij zegt, dat gij geen bericht voor mij
-van haar hebt. Welk recht of volmacht hebt gij dan om in hare plaats
-te spreken?"
-
-"Ik heb geen ander recht dan dat van mijne liefde voor haar en
-hare liefde voor mij--geene andere volmacht, dan dat ik bij haar
-ben geweest sedert zij thuis is gekomen en zij haar hart voor mij
-heeft geopend--geene andere verantwoordelijkheid, dan dat ik met
-haar karakter en haar huwelijk vertrouwd ben. O, mijnheer Harthouse,
-ik geloof dat die verantwoordelijkheid ook op u rustte!"
-
-Dit verwijt trof hem in de ledige holte waar zijn hart had moeten zijn.
-
-"Ik ben geen moreel mensch," zeide hij, "en ik maak er nooit aanspraak
-op, om voor een moreel mensch gehouden te worden. Ik ben zoo immoreel
-als maar iemand behoeft te wezen. Maar toch moet ik zeggen, als ik de
-dame, die het onderwerp van ons gesprek is, eenig leed heb veroorzaakt,
-of haar ongelukkig op eenigerlei manier heb gecompromitteerd, of mij
-zelven bij haar heb gecompromitteerd door uitdrukkingen, die niet
-geheel en al met den eerbied voor--voor den huiselijken haard waren
-overeen te brengen; of als ik er eenigszins partij van heb getrokken,
-dat haar vader eene machine, haar broeder een hondsvot en haar
-man een beer is, dan verzoek ik u te mogen verzekeren, dat ik geene
-bepaalde booze oogmerken had, maar van den eenen stap tot den anderen
-ben gekomen, zoo zacht en geleidelijk, dat ik mij volstrekt niet
-verbeeldde, dat de roman al zoo lang was, eer ik ze eens begon over te
-lezen--en nu vind ik waarlijk, dat zij al verscheidene deelen beslaat."
-
-Hoewel hij dit alles op zijn luchtigsten toon zeide, scheen hij voor
-deze enkele maal wel bewust te zijn, dat die toon slechts dienen moest
-om iets te verbloemen dat een zeer leelijk aanzien had. Hij zweeg
-een oogenblik en vervolgde toen met meer schijn van zelfvertrouwen,
-hoewel nog met sporen van verdrietelijkheid en teleurstelling, die
-hij niet kon uitwisschen:
-
-"Na hetgeen mij zoo even is voorgehouden, op eene manier, die mij het
-twijfelen onmogelijk maakt--ik weet waarlijk haast niet, uit welke
-andere bron ik het zoo gereedelijk had kunnen aannemen--gevoel ik
-mij verplicht u te zeggen, dat ik niet weigeren kan ernstig aan de
-mogelijkheid te denken--hoe onverwacht mij dit ook wezen mag--dat
-ik die dame niet meer zien zal. Ik alleen ben er voor te laken, dat
-de zaak zoover gekomen is--en--en ik kan niet zeggen," vervolgde
-hij, zeer verlegen om een passend slot voor zijne rede te vinden,
-"dat ik veel hoop heb om ooit een moreel mensch te worden, of dat ik
-eenigszins aan moreele menschen geloof."
-
-Sissy's gezichtje duidde genoegzaam aan, dat zij hem nog meer te
-zeggen had.
-
-"Gij hebt," hervatte hij, toen zij hare oogen naar hem opsloeg,
-"van een eerste doel uwer komst gesproken. Ik mag dus aannemen dat
-gij nog een tweede hebt."
-
-"Ja."
-
-"Wilt gij dan zoo vriendelijk zijn van mij dat te zeggen?"
-
-"Mijnheer Harthouse," antwoordde Sissy, met eene mengeling van
-zachtheid en stroefheid, die hem geheel uit het veld sloeg, en met
-een zoo naïef vertrouwen, dat hij verplicht was om te doen wat zij
-eischte, dat het weigeren hem daardoor uiterst moeielijk werd, "de
-eenige herstelling, die er voor u overschiet, is, dat gij terstond en
-voorgoed van hier vertrekt. Ik ben volkomen zeker, dat gij op geene
-andere wijs het kwaad en het leed, hetwelk gij veroorzaakt hebt,
-kunt verzachten. Ik ben volkomen zeker, dat dit de eenige vergoeding
-is, die gij in uw vermogen hebt. Ik zeg niet dat het veel is, of dat
-het genoeg is; maar het is toch iets en het is noodzakelijk. En dus,
-zonder andere volmacht te hebben dan die ik u genoemd heb, en zelfs
-buiten weten van iemand behalve u en mij, verzoek ik, dat gij dezen
-avond nog van hier vertrekt en u verbindt om nooit terug te komen."
-
-Indien zij eenigen invloed op hem had willen doen gelden behalve
-haar eenvoudig geloof aan de waarheid van hetgeen zij zeide en de
-rechtmatigheid van haar eisch; indien zij heimelijk den minsten
-twijfel had gekoesterd, of zelfs met het beste doel iets had willen
-achterhouden of veinzen; indien zij den minsten zweem van vrees had
-getoond voor zijne bespotting, zijne verbazing of eenige tegenspraak,
-die hij mocht beproeven, dan zou hij nu zeker de overhand op haar
-hebben gewonnen. Maar het zou hem even mogelijk zijn geweest eene
-heldere lucht te doen betrekken door verwonderd daarnaar op te zien,
-als eenigen indruk op dit meisje te maken.
-
-"Maar weet gij wel," zeide hij, geheel verlegen, "wat het is dat
-gij vraagt? Het is u zeker niet bekend, dat ik om zoo te zeggen om
-staatszaken hier ben, die op zichzelf wel dwaas genoeg zijn, maar
-waaraan ik mij toch verbonden heb, waarvoor ik eeden heb gedaan,
-en waaraan men denkt dat ik wanhopig verkleefd ben? Gij weet dat
-waarschijnlijk niet, maar ik verzeker u, het is een feit."
-
-Het maakte geen indruk op Sissy, het mocht een feit wezen of niet.
-
-"Bovendien," hervatte Harthouse, nadat hij een paar malen, altijd nog
-twijfelende, de kamer op en neer had gestapt, "het is zoo geweldig
-absurd. Het zou iemand zoo belachelijk maken, als hij zich eerst met
-die kerels verbond en zich dan op zulk eene onbegrijpelijke manier
-terugtrok."
-
-"Ik weet zeker," herhaalde Sissy, "dat dit de eenige herstelling is,
-die gij in uwe macht hebt, mijnheer. Ik ben daarvan volkomen verzekerd,
-of ik zou niet hier zijn gekomen."
-
-Hij zag haar aan, stapte nog wat op en neer en zeide: "Bij mijne ziel,
-gij weet niet wat gij vraagt. Zoo schrikkelijk absurd!"
-
-Het was nu zijne beurt om geheimhouding te bedingen.
-
-"Als ik iets zoo belachelijks deed," zeide hij, weder stilstaande en
-tegen den schoorsteenmantel leunende, "zou het alleen kunnen zijn in
-het onschendbaarste vertrouwen..."
-
-"Ik zal u vertrouwen, mijnheer," antwoordde Sissy, "en gij zult
-mij vertrouwen."
-
-Terwijl hij zoo tegen den schoorsteenmantel leunde, herinnerde hij
-zich den avond met den hondsvot. Het was dezelfde schoorsteenmantel,
-en hoe het kwam wist hij niet, het was hem eenigszins alsof hij nu
-de hondsvot was. Hij wist zich volstrekt niet te helpen.
-
-"Ik geloof haast, dat nog nooit iemand zich in zulk eene gekke positie
-heeft bevonden," zeide hij, nadat hij naar omhoog en naar omlaag had
-gekeken, had gelachen en zuur gezien, naar het andere eind der kamer
-was gestapt en weer was teruggekomen; "maar ik weet er toch niet
-uit te komen. Wat gebeuren moet, moet gebeuren; en dit moet dan maar
-gebeuren, zou ik haast denken. Ik zal mij dan maar moeten wegmaken,
-verbeeld ik mij--kortom, ik beloof het."
-
-Sissy stond op. Zij was niet verwonderd over den afloop, maar zij
-was verblijd en haar gezichtje blonk van genoegen.
-
-"Gij zult mij veroorloven te zeggen," hervatte James Harthouse,
-"dat ik twijfel, of een ander ambassadeur of ambassadrice wel zoo
-goed geslaagd zou zijn. Ik moet mij niet alleen in eene belachelijke
-positie schikken, maar ook bekennen, dat ik van alle kanten uit het
-veld geslagen ben. Wilt ge mij het voorrecht vergunnen van den naam
-mijner vijandin te mogen onthouden?"
-
-"Mijn naam?" vroeg de ambassadrice.
-
-"De eenige naam, die mij van avond ten minste kan schelen."
-
-"Sissy Jupe."
-
-"Verschoon mijne nieuwsgierigheid bij het afscheid. Zijt gij van
-de familie?"
-
-"Ik ben maar een arm meisje," antwoordde Sissy. "Ik werd van mijn
-vader gescheiden--hij was maar een kunstrijder--en toen had mijnheer
-Gradgrind medelijden met mij. Sedert ben ik bij hem in huis gebleven."
-
-Zij was verdwenen.
-
-"Dit alleen ontbrak er nog aan om mijne nederlaag te voltooien,"
-zeide James Harthouse, en liet zich met een gezicht vol neerslachtige
-berusting op de sofa zinken, nadat hij eene poos als versteend was
-blijven staan. "Ik ben nu zoo goed als vernietigd. Maar een arm
-meisje--maar een kunstrijder--James Harthouse maar tot niemendal
-gemaakt--James Harthouse maar eene Groote Piramide van mislukking."
-
-De Groote Piramide bracht hem in het hoofd om naar den Nijl te
-gaan. Hij nam dadelijk eene pen op en schreef het volgende briefje
-(in voegzame hieroglyphische teekenen) aan zijn broeder:
-
-
- "Waarde Jack. Alles afgedaan in Coketown. Door verveling
- weggejaagd. Ik ga naar de kameelen. Uw liefhebbende
-
- Jem."
-
-
-Hij schelde.
-
-"Laat mijn knecht hier komen."
-
-"Hij is naar bed, mijnheer."
-
-"Zeg hem dan, dat hij moet opstaan en mijn goed pakken."
-
-Hij schreef nog twee briefjes, een aan mijnheer Bounderby, om dezen
-te berichten dat hij vertrok en op te geven waar hij de eerstvolgende
-veertien dagen zou te vinden zijn, en een ander, van dergelijken
-inhoud, aan mijnheer Gradgrind. Bijna zoodra de inkt der adressen
-droog was, had hij de hooge schoorsteenen van Coketown reeds achter
-zich en zat hij in een der rijtuigen van een spoortrein, die hem met
-vliegende vaart door de duisternis heenvoerde.
-
-Moreele menschen zullen misschien denken, dat deze snelle aftocht
-van James Harthouse hem naderhand stof gaf tot eenige troostrijke
-gedachten, als een zijner weinige bedrijven, waardoor hij ooit
-iets kwaads had vergoed, en als een blijk, dat-hij eens aan het
-allerergste van eene zeer slechte zaak was ontsnapt. Maar dit was
-volstrekt het geval niet. Een geheim gevoel, dat hij zich door eene
-mislukte onderneming belachelijk had gemaakt, en de vrees, wat andere
-heeren van zijn stempel wel van hem zouden zeggen als zij het wisten,
-waren hem zoo onaangenaam, dat de beste daad van geheel zijn leven
-juist diegene was, welke hij voor geene schatten had willen bekennen,
-en de eenige, waarover hij zich voor zich zelven schaamde.
-
-
-
-
-
-
-
-XXXI.
-
-ZEER BESLISSEND.
-
-
-De onvermoeibare mevrouw Sparsit, die nu eene geweldige verkoudheid
-in het hoofd had, zoodat zij niet harder dan fluisterend kon spreken,
-en haar onophoudelijk niezen hare deftige gestalte in gevaar scheen te
-brengen van in stukken uiteen te vallen, joeg haar patroon zoolang na,
-tot zij hem in de hoofdstad gevonden had; en daar trad zij hem toen
-in zijn logement in St. James' Street met dreigende statigheid onder
-de oogen, legde de lont aan de brandstof, waarmede zij geladen was,
-en liet hare mijn springen. Aldus hare taak met onbeschrijfelijke
-zelfvoldoening volbracht hebbende, liet de edelaardige vrouw haar
-hoofd op mijnheer Bounderby's schouder zinken en viel in zwijm.
-
-Het eerste wat mijnheer Bounderby deed, was mevrouw Sparsit van zich
-af te schudden, en haar op den grond, zoo goed zij dit alleen kon, de
-verschillende trappen van een zenuwtoeval te laten doorgaan. Vervolgens
-begon hij eenige krachtige opwekkende middelen aan te wenden, wrong
-de lijderes de duimen open, sloeg haar in de handen, goot haar een
-overvloed van water in het gezicht en stak haar zout in den mond. Toen
-deze hulpmiddelen haar hadden doen bekomen (hetgeen zij trouwens
-spoedig deden), pakte hij haar, zonder haar eenige andere verkwikking
-aan te bieden, in eene koets en bracht haar met den eersten spoortrein,
-meer dood dan levend, naar Coketown terug.
-
-Op het eind harer reis bood mevrouw Sparsit, als eene klassieke
-ruïne beschouwd, een belangwekkend schouwspel aan; maar uit elk ander
-oogpunt bezien, was zij sterk beschadigd geworden en hare aanspraak
-op bewondering zeer verminderd. Zonder zich om de slijtage harer
-kleederen en van haar gestel te bekommeren, en zoo gevoelloos als een
-keisteen voor haar zielroerend niezen, pakte Bounderby haar terstond
-weder in eene koets en voerde haar verder naar Stone Lodge.
-
-"Tom Gradgrind," zeide Bounderby, laat in den avond de kamer van zijn
-schoonvader binnenstuivende, "hier is eene dame--mevrouw Sparsit--gij
-kent mevrouw Sparsit wel--die u iets te zeggen heeft, dat zal u doen
-verstomd staan."
-
-"Gij hebt dan mijn brief niet ontvangen!" riep mijnheer Gradgrind uit,
-verrast door deze verschijning.
-
-"Een brief van u ontvangen!" grauwde Bounderby hem toe. "Het is nu
-geen tijd van brieven. Als Josiah Bounderby van Coketown in zulk een
-humeur is als nu, moet niemand hem van brieven spreken."
-
-"Bounderby," zeide mijnheer Gradgrind op een misnoegden maar gematigden
-toon, "ik spreek over een zeer gewichtigen brief, dien ik u geschreven
-heb en die Louisa betrof."
-
-"Tom Gradgrind," antwoordde Bounderby, verscheidene malen met de
-vlakke hand op de tafel slaande, "ik spreek van eene zeer gewichtige
-boodschap, die mij iemand van Louisa is komen brengen. Mevrouw Sparsit,
-spreek op, juffrouw!"
-
-De ongelukkige dame poogde nu hare getuigenis af te leggen, maar daar
-het haar geheel aan stem ontbrak, en hare keel van binnen rauw scheen
-te zijn, kon zij weinig anders doen dan pijnlijke gebaren maken en
-leelijke gezichten trekken, waarover Bounderby zoo driftig werd,
-dat hij niet kon nalaten haar bij den arm te vatten en te schudden.
-
-"Als gij het niet kunt uitbrengen, juffrouw," zeide hij, "laat mij
-het dan uitbrengen. Het is nu geen tijd voor eene dame, al is zij
-van nog zoo voorname afkomst, om onverstaanbaar te fluisteren en te
-doen alsof zij knikkers slikte. Tom Gradgrind, mevrouw Sparsit heeft
-toevallig gelegenheid gehad om een gesprek in de opene lucht tusschen
-uwe dochter en uw kostbaren voornamen vriend, mijnheer James Harthouse,
-te beluisteren."
-
-"Inderdaad!" zeide mijnheer Gradgrind.
-
-"Ja inderdaad," beet Bounderby hem toe. "En in dat gesprek..."
-
-"Het is niet noodig mij den inhoud er van te zeggen, Bounderby. Ik
-weet wat er is voorgevallen."
-
-"Doet ge?" zeide Bounderby, zijn zoo bijzonder stillen en zoetsappigen
-schoonvader met groote oogen aanstarende. "Misschien weet gij dan
-ook waar uwe dochter tegenwoordig is?"
-
-"Zonder twijfel. Zij is hier."
-
-"Hier?"
-
-"Mijn beste Bounderby, laat ik u toch mogen bidden om die luidruchtige
-uitbarstingen te bedwingen. Louisa is hier. Zoodra zij zich van dat
-gesprek met den persoon, van wien gij spreekt, en wien het mij zeer
-spijt dat ik bij u geïntroduceerd heb, kon afmaken, is Louisa met
-allen spoed hierheen gekomen om bescherming te zoeken. Ik was zelf nog
-maar weinige uren thuis geweest, toen ik haar hier zag komen--hier in
-deze kamer. Zij was met den spoortrein naar de stad gekomen, door den
-woedenden storm van de stad hier naar huis geloopen, en toen zij hier
-kwam, was zij buiten zich zelve van ontsteltenis en angst. Natuurlijk
-is zij sedert hier gebleven. Laat ik u, om uw eigen en om harentwil,
-mogen bidden meer bedaard te zijn."
-
-Mijnheer Bounderby zag eene poos naar alle kanten om zich heen, behalve
-naar den kant van mevrouw Sparsit, en zich toen eensklaps naar de
-nicht van Lady Scadgers keerende, zeide hij tot die rampzalige vrouw:
-
-"Nu, juffrouw, zullen wij gaarne hooren wat gij tot uwe verschooning
-moogt goedvinden te zeggen, dat gij zoo met de vaart van een koerier
-door het land vliegt, zonder andere bagage dan een zot vertelseltje."
-
-"Mijnheer," fluisterde mevrouw Sparsit, "mijne zenuwen zijn op het
-oogenblik al te zeer geschokt en mijne gezondheid heeft in uw dienst
-al te veel geleden, om mij toe te laten iets anders te doen dan mijne
-toevlucht tot tranen te nemen."
-
-En dit deed zij ook.
-
-"Wel, juffrouw," zeide Bounderby, "zonder u iets te zeggen wat men niet
-met voegzaamheid tegen eene vrouw van goede afkomst zou mogen zeggen,
-wil ik er alleen maar bijvoegen, dat er, naar het mij voorkomt, nog
-iets anders is, waarin gij toevlucht kunt nemen, namelijk in eene
-koets. En daar de koets, waarin gij gekomen zijt, nog voor de deur
-staat, zult gij mij wel vergunnen om u daarin te zetten en naar het
-kantoor te laten brengen; en daar gekomen, zult ge niet beter kunnen
-doen, dan uwe voeten in het heetste water te steken dat ge verdragen
-kunt, en als ge in het bed zijt een glas kokend heete rum met eene
-kluit boter er in te drinken."
-
-Met deze woorden reikte Bounderby de schreiende dame zijne rechterhand
-toe, en bracht haar, onder een jammerlijk niezen, naar het bedoelde
-rijtuig. Spoedig kwam hij alleen terug.
-
-"Daar ik aan uw gezicht kan zien, Tom Gradgrind," hervatte hij, "dat
-ge mij woudt spreken, ben ik hier teruggekomen. Maar ik ben in geen
-pleizierig humeur, dat zeg ik ronduit; want de zaak, zooals ze nu is,
-bevalt mij nog maar volstrekt niet, en ik vind niet, dat ik ooit door
-uwe dochter met zooveel gehoorzaamheid en onderdanigheid behandeld ben,
-als Josiah Bounderby van Coketown door zijne vrouw behandeld moest
-worden. Gij hebt uwe eigene meeningen, kan ik wel denken; ik heb de
-mijne, dat weet ik. Als gij mij van avond iets zoudt willen zeggen,
-dat met deze oprechte verklaring in strijd is, zoudt ge beter doen
-het maar te zwijgen."
-
-Daar Gradgrind, gelijk men zal hebben opgemerkt, veel zachter was
-dan gewoonlijk, gaf Bounderby zich bijzondere moeite om zich zooveel
-mogelijk te verharden. Dat lag zoo in zijn beminnelijk karakter.
-
-"Mijn lieve Bounderby," begon mijnheer Gradgrind tot antwoord.
-
-"Neem mij niet kwalijk," zeide Bounderby, "maar ik wil niet al te
-lief zijn. Dat om te beginnen. Als ik voor iemand lief begin te
-worden, vind ik doorgaans dat hij voornemens is mij te bedotten. Ik
-spreek niet beleefd tegen u; maar, gelijk ge wel weet, ik ben ook
-niet beleefd. Als ge veel van beleefdheid houdt, weet ge waar gij
-ze krijgen kunt. Gij hebt fatsoenlijke en voorname vrienden genoeg,
-en zij zullen u van dat artikel zooveel leveren als ge maar hebben
-wilt. Ik houd het er niet op na."
-
-"Bounderby," hervatte mijnheer Gradgrind dringend; "alle menschen
-kunnen dwalen."
-
-"Ik dacht, dat gij het niet kondt," viel Bounderby hem in de rede.
-
-"Misschien dacht ik ook zoo. Maar ik zeg nu, alle menschen kunnen
-dwalen; en ik zou gevoelig en dankbaar voor uwe kieschheid zijn, als
-gij mij die toespelingen op Harthouse woudt besparen. Ik zal in ons
-gesprek geene melding van hem maken, alsof ik hem voor uw vriend en
-vertrouwde hield, en ik verzoek u niet voort te gaan met te spreken
-alsof hij de mijne was."
-
-"Ik heb zijn naam niet eens genoemd," zeide Bounderby.
-
-"Goed, goed!" antwoordde mijnheer Gradgrind op een toon van
-geduld, zelfs van onderwerping, en bleef toen eene korte poos
-peinzen. "Bounderby, ik heb reden om er aan te twijfelen of wij Louisa
-wel ooit recht begrepen hebben."
-
-"Wie meent ge met dat wij?"
-
-"Laat mij dan ik zeggen," antwoordde hij op die smalend uitgestootene
-vraag. "Ik twijfel er aan, of ik Louisa wel ooit begrepen heb. Ik
-twijfel er aan, of ik de rechte manier van opvoeding wel voor haar
-heb gekozen."
-
-"Daar hebt gij het aan 't rechte eind," antwoordde Bounderby. "Dat geef
-ik u toe. Dat hebt gij nu eindelijk ontdekt, niet waar? Opvoeding!--Ik
-zal u eens zeggen wat opvoeding is--dat is, hals over kop de deur te
-worden uitgesmeten, en op kort rantsoen te worden gesteld van alles
-behalve klappen. Dat noem ik opvoeding."
-
-"Ik geloof, dat uw gezond verstand wel zal zien," bracht mijnheer
-Gradgrind met alle nederigheid hiertegen in, "dat, welke verdiensten
-zulk een stelsel ook hebben mag, het bij meisjes bezwaarlijk van
-algemeene toepassing zou kunnen zijn."
-
-"Dat zie ik geheel niet in," antwoordde de stijfkoppige Bounderby.
-
-"Wel," hervatte mijnheer Gradgrind met een zucht, "wij zullen die
-vraag maar niet onderzoeken. Ik verzeker u, dat ik niet naar een
-woordenstrijd verlang. Ik zoek alleen maar te herstellen wat er
-bedorven is, als ik dat met mogelijkheid kan doen; en ik hoop, dat
-ge mij in dat goede voornemen zult bijstaan, Bounderby, want ik heb
-groote droefheid gehad."
-
-"Ik versta u nog niet," antwoordde Bounderby, met onverzettelijke
-koppigheid, "en daarom wil ik niets beloven."
-
-"In weinige uren tijds, mijn beste Bounderby," vervolgde mijnheer
-Gradgrind, op denzelfden treurigen en verzoenenden toon, "schijn
-ik beter met Louisa's karakter bekend te zijn geworden dan in al
-de vorige jaren. Die inlichting is mij smartelijk opgedwongen, en
-de ontdekking is mijn bedrijf niet. Ik geloof, dat er--Bounderby,
-ge zult wel verwonderd zijn mij dit te hooren zeggen--ik geloof, dat
-er eigenschappen in Louisa schuilen, die--die op eene harde manier
-verwaarloosd zijn en--zóó eenigszins eene verkeerde richting hebben
-genomen. En--en ik wilde u doen opmerken, dat het--dat het, als gij mij
-vriendelijk helpen woudt in de nu nog tijdige proefneming om haar een
-tijdlang aan haar beteren geest over te laten--en dien door zachtheid
-en inschikkelijkheid aan te moedigen en te ontwikkelen--het--het voor
-ons aller geluk beter zou zijn. Louisa," vervolgde hij, zijne hand
-voor zijn gezicht houdende, "is altijd mijn geliefkoosd kind geweest."
-
-Bij het hooren dezer woorden werd de driftige Bounderby zoo rood en
-zwol zoo geweldig op, dat hij op het punt scheen, en waarschijnlijk ook
-was, om eene beroerte te krijgen. Maar hoewel zelfs zijne ooren eene
-donkere purperkleur aannamen, bedwong hij toch zijne verontwaardiging
-en zeide slechts:
-
-"Gij zoudt haar dan wel een tijdlang hier willen houden?"
-
-"Ik--ik had u willen aanraden, mijn beste Bounderby, dat ge Louisa
-zoudt vergunnen om hier wat te blijven logeeren en zich door Sissy te
-laten oppassen (ik meen natuurlijk Cecilia Jupe), die haar begrijpt
-en in wie zij vertrouwen stelt."
-
-"Tom Gradgrind," antwoordde Bounderby, met het hoofd in den nek en de
-handen in de zakken, "ik maak uit dit alles op, dat gij van meening
-zijt, dat er zoo iets is wat de menschen incompatibiliteit noemen
-tusschen Louisa Bounderby en mij."
-
-"Ik vrees, dat er vooralsnog eene algemeene incompatibiliteit bestaat
-tusschen Louisa en--en bijna alle omstandigheden waarin ik haar
-geplaatst heb," gaf de vader treurig ten antwoord.
-
-"Luister nu eens, Tom Gradgrind," zeide de bloedroode Bounderby,
-zich vlak tegenover hem plaatsende, met de beenen wijd van elkander,
-de handen nog dieper in de zakken en een hoofd met haar, dat naar
-een hooiveld in een onstuimigen wind geleek. "Gij hebt uitgesproken,
-en nu zal ik spreken. Ik ben een Coketowner. Ik ben Josiah Bounderby
-van Coketown. Ik ken de steenen van de stad, ik ken de machines van
-de stad, ik ken de schoorsteenen van de stad, ik ken den rook van de
-stad, en ik ken de werklieden van de stad. Ik ken ze allen tamelijk
-wel. Zij zijn geene ingebeelde dingen, en als iemand mij van ingebeelde
-hoedanigheden vertelt, zeg ik dien man altijd, wie hij ook wezen mag,
-dat ik wel weet wat hij meent. Hij meent schildpadsoep en wildbraad,
-met een gouden lepel, en dat hij eene koets met zes paarden wil
-houden. Dat is het wat uwe dochter zou willen; en daar gij van meening
-zijt, dat zij zou moeten hebben wat zij wil, raad ik u het haar te
-bezorgen, want van mij zal zij het nooit krijgen, Tom Gradgrind."
-
-"Bounderby," antwoordde mijnheer Gradgrind, "ik had na mijn dringend
-verzoek gehoopt, dat gij een anderen toon zoudt hebben aangeslagen."
-
-"Wacht nog eens even," hervatte Bounderby; "ik heb u laten uitspreken,
-geloof ik. Hoor mij nu ook ten einde, als het u belieft. Maak
-u zelven niet tot een voorbeeld van onbillijkheid, zoowel als
-van inconsequentie, want hoewel het mij spijt, Tom Gradgrind zoo
-laag gezonken te zien als hij nu al is, zou het mij dubbel spijten
-hem zóó laag te zien dalen. Er is, geeft ge mij te verstaan, eene
-incompatibiliteit van eene of andere soort tusschen uwe dochter
-en mij. Ik zal u tot antwoord daarop te verstaan geven, dat er
-ontwijfelbaar eene incompatibiliteit van de eerste grootte bestaat,
-die met deze enkele woorden kan worden verklaard: dat uwe dochter de
-verdiensten van haar man niet behoorlijk kent, en niet zooveel gevoel
-heeft als wel passen zou, waarachtig, voor de eer der verbintenis
-met hem. Dat is rond en duidelijk gesproken, zou ik hopen."
-
-"Bounderby," zeide mijnheer Gradgrind dringend; "dat is onredelijk."
-
-"Is het?" zeide Bounderby. "Ik ben blij u dat te hooren zeggen;
-want als Tom Gradgrind met zijn nieuw licht mij zegt, dat, wat ik
-zeg onredelijk is, ben ik terstond overtuigd, dat het duivelsch
-verstandig moet wezen. Met uw verlof zal ik nu voortgaan. Gij kent
-mijne afkomst; en gij weet, dat ik een goed getal jaren van mijn
-leven geene laarzentrekkers noodig had, omdat ik geene laarzen had
-en schoenen evenmin. En toch moogt gij het gelooven of niet, zooals
-het u goeddunkt, dat er dames zijn--geborene dames--die tot familiën
-behooren--familiën!--die den grond haast aanbidden, waarover ik ga."
-
-Hij wierp dit gezegde als een vuurpijl zijn schoonvader naar het hoofd.
-
-"Terwijl uwe dochter," vervolgde Bounderby, "lang geene geborene dame
-is--dat weet gij zelf wel. Niet dat ik het minste om zulke dingen
-geef, dat weet gij heel goed; maar het is zoo, en gij, Tom Gradgrind,
-kunt dat niet veranderen. Waarom zeg ik dit nu?"
-
-"Niet om mij te sparen, vrees ik," merkte mijnheer Gradgrind zachtjes
-aan.
-
-"Hoor mij ten einde," zeide Bounderby, "en neem mij het woord niet
-uit den mond eer gij weer aan de beurt komt. Ik zeg dit omdat vrouwen
-van voorname familie zich verbaasd hebben over de manier, waarop
-uwe dochter zich gedragen heeft, en verstomd hebben gestaan over
-hare gevoelloosheid. Zij hebben zich verwonderd hoe ik dat verdroeg;
-en ik zelf verwonder er mij nu over en wil het niet langer verdragen."
-
-"Bounderby," zeide mijnheer Gradgrind, nu opstaande, "hoe minder wij
-van avond zeggen, des te beter, geloof ik."
-
-"Integendeel, Tom Gradgrind, hoe meer wij van avond zeggen, des te
-beter, geloof ik. Dat is"--deze bedenking stuitte hem--"totdat ik alles
-gezegd heb wat ik op mijn hart heb, en dan kan het mij niet schelen hoe
-gauw wij ophouden. Ik kom tot eene vraag, die de zaak zal bekorten. Wat
-meent gij met het voorstel, dat gij zoo even gedaan hebt?"
-
-"Wat ik meen, Bounderby?"
-
-"Met dat logeer-voorstel," zeide Bounderby, het hoofd in den nek
-werpende.
-
-"Ik voedde de hoop, dat gij u op eene vriendelijke manier zoudt laten
-bewegen om Louisa hier een tijd van rust en nadenken te vergunnen,
-die in vele opzichten tot eene trapsgewijze verandering en verbetering
-der omstandigheden zal kunnen strekken."
-
-"Die de incompatibiliteit, zooals gij ze opvat, wat zal moeten
-verhelpen?" zeide Bounderby.
-
-"Als gij het zoo wilt uitdrukken."
-
-"Wat heeft u daaraan doen denken?" zeide Bounderby.
-
-"Ik heb reeds gezegd, ik vrees dat Louisa niet begrepen is geworden. Is
-het te veel gevergd, Bounderby, dat gij, die zooveel ouder zijt,
-behulpzaam zoudt wezen tot eene poging om haar terecht te brengen. Gij
-hebt met haar eene groote verantwoordelijkheid op u genomen. Gij hebt
-haar genomen of zij mee- of tegenviel..."
-
-Misschien klonk deze herhaling der woorden, die hij Stephen Blackpool
-had toegevoegd, Bounderby onaangenaam in de ooren; hij viel er ten
-minste met eene beweging van schrik en gramschap op in:
-
-"Daarover behoeft mij niets gezegd te worden. Ik weet waarvoor ik
-haar genomen heb, evengoed als gij. Waarvoor ik haar genomen heb,
-gaat u niet aan, dat is mijne zaak."
-
-"Ik wilde alleen maar aanmerken, Bounderby, dat wij mogelijk allen
-meer of minder verkeerd gedaan hebben, gij niet uitgezonderd; en
-dat eenige inschikkelijkheid van uw kant, als gij bedenkt welk eene
-verantwoordelijkheid gij aanvaard hebt, misschien niet alleen een
-bewijs van ware genegenheid zou zijn, maar mogelijk ook een plicht,
-dien gij Louisa verschuldigd zijt."
-
-"Ik denk er anders over," zeide Bounderby, op zijne winderigste manier;
-"en ik zal de zaak afdoen zooals ik ze begrijp. Ik wil er geene
-ruzie met u over maken, Tom Gradgrind. Om u de waarheid te zeggen,
-ik geloof niet dat het bij mijne reputatie zou passen, over zulk een
-geval ruzie te maken. Wat uw fatsoenlijken en voornamen vriend betreft,
-hij mag heenloopen waar hij maar wil. Als hij mij in den weg komt,
-zal ik hem zeggen hoe ik over hem denk; als hij mij niet in den weg
-komt, zal ik het niet doen, want dan zou het niet de moeite waard
-zijn. Wat uwe dochter aangaat, die ik tot Louisa Bounderby gemaakt
-heb, en misschien liever maar Louisa Gradgrind had moeten laten
-blijven, als zij morgenmiddag om twaalf uur niet thuis is, zal ik
-het er voor houden, dat zij liever wegblijft, en zal ik hare kleeren
-en andere dingen hier aan huis zenden, en dan kunt gij voortaan op
-haar passen. Wat ik de menschen over het algemeen zal zeggen over de
-incompatibiliteit, die mij haar zoo de wet heeft doen stellen, zal dit
-wezen: Ik ben Josiah Bounderby, en ik heb mijne opvoeding gehad; zij
-is de dochter van Tom Gradgrind, en zij heeft hare opvoeding gehad;
-en die twee paarden willen niet samen trekken. Ik ben hier tamelijk
-wel bekend als een man, die buitengemeen is, geloof ik; en de meeste
-menschen zullen gauw genoeg begrijpen, dat eene vrouw ook eenigszins
-van eene buitengemeene soort moet wezen, om het mij op den duur naar
-mijn zin te maken."
-
-"Laat ik u ernstig mogen verzoeken, Bounderby, om dit nog eens
-te overwegen," zeide mijnheer Gradgrind, "eer gij tot zulk eene
-beslissing overgaat."
-
-"Ik beslis altijd dadelijk," antwoordde Bounderby, zijn hoed op
-het hoofd smijtende, "en wat ik doe, doe ik terstond. Het zou mij
-verwonderen, Tom Gradgrind zoo iets tegen Josiah Bounderby van Coketown
-te hooren zeggen, daar ik toch weet, dat hij hem wel kent, als ik mij
-nog kon verwonderen over iets, dat Tom Gradgrind doet, nadat hij zich
-met sentimenteele lorrendraaierij begint op te houden. Ik heb u mijn
-besluit gemeld en heb niets meer te zeggen. Goedenavond!"
-
-Aldus ging Bounderby naar zijn huis in de stad en naar bed. Des anderen
-daags vijf minuten over twaalven gaf hij last om het goed van mevrouw
-Bounderby zorgvuldig op te pakken en naar Tom Gradgrind te zenden,
-adverteerde in de couranten dat zijn buitengoed uit de hand te koop
-was, en hervatte zijne levenswijs als vrijgezel.
-
-
-
-
-
-
-
-XXXII.
-
-VERLOREN.
-
-
-De zaak van den diefstal in het kantoor was intusschen niet uit het oog
-verloren en hield ook nu niet op eene eerste plaats in de aandacht van
-den voornaamsten deelhebber aan dat etablissement te beslaan. Om als
-een uitstekend man, die zich zelven tot een man gemaakt had, als een
-commercieel wonder, meer bewonderenswaardig dan Venus, daar hij uit
-het slijk in plaats van uit de zee was opgerezen, een brallend bewijs
-van zijne voortvarendheid en werkzaamheid te geven, wilde hij toonen
-hoe weinig zijne huiselijke aangelegenheden zijn ijver voor zijne
-beroepszaken konden verzwakken. In de eerste weken na de scheiding van
-zijne vrouw was hij dus nog woeliger, luidruchtiger en ongeduldiger dan
-gewoonlijk, en dagelijks maakte hij zooveel beweging over het onderzoek
-naar den diefstal, dat de politiebeambten, wien hij de zaak in handen
-had gegeven, bijna wenschten, dat zij maar nooit gepleegd was.
-
-Bovendien waren zij geheel van het spoor en wisten niet wat te
-doen. Hoewel zij zich sedert lang zoo stil hadden gehouden, dat de
-meeste menschen dachten dat zij de zaak als hopeloos hadden laten
-varen, was er niets nieuws voorgevallen. Niemand, die in het geval
-betrokken was, vatte ontijdig moed tot een stap, waardoor hij zich
-zelven verried, en wat nog opmerkelijker was, men kon niets van Stephen
-Blackpool vernemen, en de geheimzinnige oude vrouw bleef een raadsel.
-
-Nu de zaken zoover waren gekomen en het scheen, dat men op deze
-manier niet verder zou vorderen, kwam Bounderby tot het besluit om
-een stouten maatregel te wagen. Hij liet een aanplakbiljet drukken, om
-eene belooning van twintig pond uit te loven voor den aanbrenger van
-Stephen Blackpool, verdacht van medeplichtigheid aan den diefstal,
-die in het kantoor was gepleegd. Hij beschreef den genoemden
-Stephen Blackpool--zijne kleeding, kleur, lengte (naar gissing) en
-voorkomen--zoo nauwkeurig mogelijk, vermeldde wanneer hij de stad had
-verlaten en waar men hem het laatst had gezien en liet het reusachtige,
-met groote zwarte letters bedrukte blad in het holle van den nacht
-overal aanplakken, zoodat het de geheele bevolking op eens onder de
-oogen moest komen en met verbazing vervullen.
-
-De werkklokken der fabrieken moesten dien ochtend veel harder luiden
-dan anders, om de groepen werklieden te verstrooien, die bij deze
-plakkaten bleven staan en ze met gretige oogen verslonden. Niet de
-minst gretigen van die vergaderde oogen waren de oogen van hen, die
-niet konden lezen. Terwijl deze lieden naar de vriendschappelijke
-stem luisterden, die hardop voorlas--en zulk eene hulp was overal
-gereed--staarden zij de letters, die zooveel te beduiden hadden, met
-zekere vreesachtige verwondering en eerbied aan, die bijna comisch
-zouden zijn geweest, indien eenig blijk van zulke algemeene onkunde
-ooit anders dan dreigend en onheilspellend kon wezen. Uren later, onder
-het draaien van spillen, het kletteren van weefgetouwen en het snorren
-van raderen, hadden zij die plakkaten nog voor de oogen en klonken
-de woorden hun nog in de ooren; en toen de arbeiders des middags naar
-huis gingen, waren er wederom evenveel lezers als in den ochtend.
-
-Slackbridge, de afgevaardigde, moest dien avond in eene vergadering het
-woord voeren, en verschafte zich bij den drukker een overgeschoten
-biljet, dat hij in zijn zak medebracht. O, mijne vrienden en
-landgenooten, in het stof vertredene werklieden van Coketown, o mijne
-medebroeders, medearbeiders, medeburgers en medemenschen, welke oogen
-zette men op, toen Slackbridge dat "doemvonnis", gelijk hij het noemde,
-openvouwde, en ter verfoeiing der vergadering omhoog hield.
-
-"O, mijne medemenschen, ziet waartoe een verrader in het leger dier
-edele geesten, die hunne namen op de heilige rol der vereeniging
-hebben laten inschrijven, in staat is! O, mijne bejammerenswaardige
-vrienden, die het knellend juk van dwingelanden op den hals voelt,
-die door den ijzeren voet der tirannie in het stof der aarde wordt
-vertreden, waarin uwe onderdrukkers u gaarne al de dagen van uw
-leven op den buik zien kruipen gelijk de slang in den hof--o mijne
-broeders, en zal ik als een man ook niet zeggen, o mijne zusters,
-wat zegt gij nu van Stephen Blackpool, een weinig rond van schouders
-en ongeveer vijf voet zeven duim lang, gelijk in dit vernederende,
-dit walgelijke, dit schandvlekkende, dit verfoeielijke papier te
-lezen staat; en met welk eene majesteit van ontwaardiging zult gij
-de adder verpletteren, die zulk eene schande zou willen brengen
-over het naar Gods beeld geschapene geslacht, dat hem gelukkig voor
-eeuwig heeft uitgebannen! Ja, mijne lotgenooten, gelukkig hebt gij
-hem van u afgezonderd en uitgebannen! Want gij herinnert u wel,
-hoe hij hier op dit spreekgestoelte voor u stond; gij herinnert u,
-hoe ik hem toen, van aangezicht tot aangezicht en voet voor voet,
-door al zijne ingewikkelde kronkelpaden volgde; gij herinnert u, hoe
-hij zich wond en wrong, hoe hij woorden ziftte en haarkloofde, tot
-hij geen duim breed gronds meer had om zich aan vast te klampen, en ik
-hem uitdreef van onder ons, als een voorwerp van eeuwigdurenden smaad,
-van wrekend verdelgende, zengende en brandende verfoeiing voor ieder
-vrij gemoed en elken denkenden geest! En nu, mijne vrienden--mijne
-arbeidende vrienden--want ik verheug en beroem mij in dien scheldnaam
-van werkman--mijne vrienden, wier hard, maar eerlijk bed door noesten
-arbeid wordt gespreid, wier schrale, maar vrije pot in diepen druk
-wordt gekookt; en nu, zeg ik, mijne vrienden, welken naam heeft die
-lafhartige verrader zich zelven gegeven, nu hij, met het masker van
-het aangezicht gerukt, in al zijne aangeborene wanstaltigheid voor
-ons staat--wat is hij nu? Een dief! Een roover! Vogelvrij verklaarde
-vluchteling, op wiens hoofd een prijs gezet is; een vuile kanker
-voor den edelen naam der werklieden van Coketown! Daarom, mijn
-kring van broederen in een heilig verbond, waaronder uwe kinderen en
-uwe nog ongeborene kindskinderen reeds hand en zegel hebben gezet,
-doe ik u, uit last van het vereenigd gemeenschappelijk Tribunaal,
-altijd waakzaam en ijverig voor uw welzijn, het voorstel, dat deze
-vergadering zal besluiten: Dat, dewijl de wever Stephen Blackpool, in
-dit plakkaat bedoeld, alreeds door de vereeniging der fabriekarbeiders
-van Coketown plechtig is uitgebannen, deze arbeiders vrij zijn van
-de schande zijner wanbedrijven en hunne klasse de schuld niet kan
-dragen van zijne oneerlijke handelingen."
-
-Slackbridge zweeg nu, nadat hij zich buiten adem en in het zweet had
-geschreeuwd. Eenige weinige ernstige stemmen riepen: "Neen!" en toen
-een man zeide: "Slackbridge, ge zijt al te overijld daarin; ge haast
-u veel te veel!" riepen eenige anderen goedkeurend: "Hoor, hoor!" Maar
-dit waren slechts enkelen tegen een geheel leger; de vergadering bleek
-de woorden van Slackbridge algemeen voor een evangelie te houden,
-en beantwoordde hem met een driewerf herhaald gejuich, hetwelk hij
-met hijgend welgevallen aanhoorde.
-
-Deze lieden waren nog op straat en gingen stil naar huis, toen Sissy,
-die eenige minuten vroeger van Louisa was weggeroepen, weder bij
-haar kwam.
-
-"Wie is er?" vroeg Louisa.
-
-"Het is mijnheer Bounderby," antwoordde Sissy, beschroomd om dien
-naam uit te spreken, "en mijnheer Tom, en eene jonge vrouw, die zegt
-dat zij Rachel heet, en dat gij haar kent."
-
-"Wat willen ze hebben, lieve Sissy?"
-
-"Zij willen u spreken; Rachel heeft geschreid en schijnt boos te zijn."
-
-"Vader," zeide Louisa, want hij was in de kamer, "ik kan niet weigeren
-hen te zien, om eene reden die ik zelf verklaren zal. Mogen zij
-hier binnenkomen?"
-
-Toen hij toestemmend antwoordde, ging Sissy hen halen en kwam terstond
-met hen terug. Tom was de laatste en bleef in het donkerste gedeelte
-van het vertrek, vlak bij de deur staan.
-
-"Mevrouw Bounderby," zeide haar echtgenoot, met een koel knikje
-binnenkomende, "ik stoor u niet, hoop ik. Het is een onbehoorlijk
-uur, maar hier is eene jonge vrouw, die verklaringen heeft gedaan,
-welke mijn bezoek noodzakelijk maken. Tom Gradgrind, daar uw zoon,
-de jonge Tom, om eene of andere reden hardnekkig weigert om iets
-hoegenaamd, goed of kwaad, over die verklaringen te zeggen, ben ik
-genoodzaakt haar met uw dochter te confronteeren."
-
-"Gij hebt mij vroeger nog eens gezien, mevrouw," zeide Rachel, zich
-vlak voor Louisa plaatsende.
-
-Tom kuchte.
-
-"Gij hebt mij vroeger nog eens gezien," herhaalde Rachel, toen Louisa
-geen antwoord gaf.
-
-Tom kuchte nog eens.
-
-"Ja, dat heb ik," zeide Louisa nu.
-
-Rachel sloeg met fierheid hare oogen naar Bounderby op en zeide toen:
-"Wilt gij nu ook bekend maken, mevrouw, waar dat was en wie daar
-waren?"
-
-"Ik ging naar het huis, waar Stephen Blackpool op een bovenkamer
-woonde, op den avond toen hij was afgedankt, en zag u daar. Hij was
-daar ook; en eene oude vrouw, die niet sprak, en die ik ternauwernood
-kon zien, stond in een hoek. Mijn broeder was bij mij."
-
-"Waarom kondt gij dat niet zeggen, Tom?" vroeg Bounderby.
-
-"Ik had mijne zuster beloofd, dat ik het niet zou doen." En toen Louisa
-dit haastig bevestigd had, vervolgde de hondsvot met bitterheid:
-"En bovendien, als zij hare eigene historie zoo goed--en zoo
-volledig--vertelt, wat had ik haar die dan uit den mond te nemen?"
-
-"Zeg nu, mevrouw, als het u belieft," hervatte Rachel, "waarom gij
-tot zijn ongeluk dien avond bij Stephen zijt gekomen?"
-
-"Ik had medelijden met hem," antwoordde Louisa met verhoogde kleur,
-"en ik wenschte te weten wat hij zou gaan doen en hem mijne hulp aan
-te bieden."
-
-"Dank je wel, mevrouw," viel Bounderby hierop in. "Zeer vereerd
-en verplicht."
-
-"Hebt gij hem toen eene banknoot aangeboden?" hervatte Rachel.
-
-"Ja, maar hij weigerde die en wilde niet meer dan twee pond in goud
-aannemen."
-
-Rachel sloeg hare oogen weder naar mijnheer Bounderby op.
-
-"O ja wel," zeide Bounderby. "Als gij vragen wilt of uw belachelijk
-en onwaarschijnlijk bericht waar was of niet, moet ik zeggen, dat
-het nu bevestigd is."
-
-"Mevrouw," hervatte Rachel, "Stephen Blackpool wordt nu in een
-gedrukt papier door de geheele stad, en waar niet al meer, openlijk
-een dief genoemd. Er is van avond eene vergadering geweest, waar men
-op dezelfde schandelijke manier over hem gesproken heeft. Stephen--de
-eerlijkste, de trouwste, de beste man van de wereld!" Hier werd hare
-verontwaardiging door droefheid overmeesterd, en zij brak snikkend af.
-
-"Het spijt mij, het spijt mij zeer," zeide Louisa.
-
-"O mevrouw, mevrouw," antwoordde Rachel, "ik hoop, dat het u
-spijt, maar ik weet het niet! Ik kan niet zeggen wat gij misschien
-gedaan hebt! Menschen als gij kennen ons niet, geven niet om ons,
-behooren niet tot ons. Ik weet niet waarom gij dien avond misschien
-gekomen zijt. Ik kan niet anders zeggen, of gij zult misschien uwe
-eigene oogmerken daarmede gehad hebben, zonder u te bekommeren om
-de ongelegenheid, waarin gij zoo iemand als dien armen man zoudt
-brengen. Ik zeide toen: God zegene u, dat gij gekomen zijt; en dat
-zeide ik met al mijn hart, omdat gij zooveel medelijden met hem
-scheent te hebben; maar nu weet ik het niet, nu weet ik het niet."
-
-Louisa was niet in staat om haar over haar onbillijk vermoeden
-te misprijzen; haar vast vertrouwen op haar vriend en hare innige
-droefheid strekten haar tot voldoende verontschuldiging.
-
-"En als ik bedenk," zeide Rachel tusschen haar snikken door, "dat
-de arme man zoo dankbaar was en dacht, dat gij zoo goed voor hem
-waart--als ik bedenk, dat hij zijne hand voor zijn gezicht hield om
-de tranen te verbergen, die gij hem in de oogen hadt gebracht--o,
-dan hoop ik dat het u spijten mag, en dat gij geene grootere reden
-tot spijt moogt hebben; maar ik weet het niet, ik weet het niet."
-
-"Het staat u mooi," bromde de hondsvot, in zijn donkeren hoek onrustig
-heen en weer schuivende, "om met zulke lasterlijke praatjes aan te
-komen. Gij moest terstond de deur worden uitgesmeten; dat zou niet
-meer zijn dan gij verdient."
-
-Zij gaf geen antwoord hierop, en haar zacht schreien was het eenige
-geluid dat men hoorde, totdat mijnheer Bounderby het woord nam.
-
-"Komaan," zeide hij, "gij weet waartoe gij u verbonden hebt. Denk
-liever daarom en niet om wat anders."
-
-"Het spijt mij waarlijk," antwoordde Rachel, hare oogen afdrogende,
-"dat iemand mij zoo gezien heeft, maar men zal mij niet weder
-zoo zien. Mevrouw, toen ik gelezen had wat er van Stephen gedrukt
-is--en dat evenveel waarheid bevat alsof het van u gezegd was--ben ik
-rechtstreeks naar het kantoor gegaan, om te zeggen dat ik wist waar
-Stephen was, en voor vast en zeker te beloven, dat hij over twee
-dagen hier zou zijn. Ik kon mijnheer Bounderby toen niet spreken
-en uw broeder zond mij weg; en toen zocht ik u op, maar gij waart
-niet te vinden, en zoo ging ik weder naar mijn werk. Zoodra ik van
-avond uit de fabriek kwam, haastte ik mij om te hooren wat er van
-Stephen gezegd werd--want ik weet, dat hij met glans zal terugkomen
-om dat gerucht te schande te maken--en toen ging ik weer om mijnheer
-Bounderby op te zoeken, en ik vond hem en zeide hem al wat ik wist;
-en hij geloofde niets van wat ik zeide en bracht mij hier."
-
-"Zoo ver is alles waar," zeide Bounderby, met de handen in de zakken
-en den hoed op het hoofd. "Maar ik ken ulieden langer dan vandaag,
-moet ge weten, en ik weet, dat gij uit gebrek aan praatjes nooit
-sterven zult. Maar nu raad ik u niet zooveel aan praten te denken
-als aan handelen. Gij hebt op u genomen iets te doen, en al wat ik
-voor het oogenblik te zeggen heb, is--doe het."
-
-"Ik heb dezen namiddag met de post aan Stephen geschreven, gelijk
-ik vroeger nog eens aan hem geschreven heb," antwoordde Rachel,
-"en hij zal ten langste over twee dagen hier zijn."
-
-"Dan zal ik u eens wat zeggen," liet Bounderby hierop volgen. "Gij weet
-misschien niet, dat men nu en dan ook op u gepast heeft, daar men u
-niet vrij van verdenking hield, omdat de menschen meestal beoordeeld
-worden naar het gezelschap waarin zij verkeeren. Het postkantoor is
-ook niet vergeten geworden. Wat ik u nu zeg, is, dat er nooit een
-brief aan Stephen Blackpool door u verzonden is. Waar dus uw brief
-gebleven is, moet gij zelf maar raden. Misschien vergist gij u en
-hebt gij er nooit een geschreven."
-
-"Hij was nog geene week hier vandaan geweest, mevrouw," zeide Rachel,
-zich naar Louisa keerende, alsof zij zich op deze wilde beroepen, "of
-hij zond den eenigen brief, dien ik ooit van hem gehad heb, om mij te
-zeggen, dat hij genoodzaakt was onder een anderen naam werk te zoeken."
-
-"Zoo waarachtig!" riep Bounderby uit, nadat hij fluitende zijn hoofd
-had geschud, "heeft hij zijn naam veranderd! Dat is eenigszins
-ongelukkig voor zulk een onberispelijk persoon. Het wordt in ons
-gerechtshof een weinigje verdacht gehouden, geloof ik, als een
-onschuldig man toevallig verscheidene namen heeft."
-
-"In naam der barmhartigheid, mevrouw," zeide Rachel, wederom met
-tranen in de oogen, "wat zou de arme man doen? De meesters tegen hem
-aan den eenen kant, de werklieden aan den anderen, terwijl hij niets
-anders verlangde dan in vrede te werken en te mogen doen wat hij voor
-recht hield. Kan iemand dan geene eigene ziel, geen eigen geweten
-hebben? Moet hij het, door goed en kwaad heen, geheel met den eenen
-of met den anderen kant houden, of anders gejaagd worden als een haas?"
-
-"Waarlijk, ik beklaag hem met al mijn hart," zeide Louisa, "en ik hoop,
-dat hij zich zal kunnen zuiveren."
-
-"Daarvoor behoeft gij niet bang te zijn, mevrouw. Hij is veilig."
-
-"Des te veiliger zou ik denken," zeide Bounderby, "omdat gij niet
-wilt zeggen waar hij is, niet waar?"
-
-"Hij zal door mijn bedrijf niet terugkomen met de onverdiende schande
-van teruggebracht te worden. Hij zal vrijwillig terugkomen om zich te
-zuiveren, en om allen, die zijn goeden naam beklad hebben, terwijl
-hij er niet was om zich te verdedigen, te schande te maken. Ik heb
-hem gezegd wat er tegen hem gedaan is," zeide Rachel, op wier gemoed
-alle vertrouwen afstuitte, gelijk de golven der zee op eene rots,
-"en hij zal ten langste over twee dagen hier zijn."
-
-"Evenwel," liet Bounderby hierop volgen, "als hij vroeger gepakt kan
-worden, zal hij ook vroeger gelegenheid hebben om zich te zuiveren. Wat
-u betreft, ik heb niets tegen u; wat gij mij zijt komen zeggen, blijkt
-de waarheid te zijn, en ik heb u gelegenheid gegeven om te bewijzen,
-dat het de waarheid was, en daar mede is het afgedaan. Ik wensch u
-allen goedenavond. Ik moet weg om dit wat nader te onderzoeken."
-
-Zoodra mijnheer Bounderby zich omkeerde, kwam Tom uit zijn hoek,
-bleef dicht bij hem en ging met hem heen. De eenige afscheidsgroet,
-dien hij voor iemand over had, was een stuursch: "Goedenavond,
-vader!" Met dat korte gezegde en een donkeren blik naar zijne zuster,
-verliet hij het huis.
-
-Sedert zijn plechtanker hem begeven had, was mijnheer Gradgrind zeer
-karig met woorden geweest. Hij bleef nog stil zitten, toen Louisa
-vriendelijk zeide:
-
-"Rachel, gij zult mij eens niet meer wantrouwen, als gij mij beter
-kent."
-
-"Het stuit mij tegen de borst," antwoordde Rachel op zachter toon dan
-vroeger, "iemand te moeten wantrouwen; maar als ik zoo gewantrouwd
-werd--als wij het allen worden--kan ik zulke dingen niet geheel uit
-het hoofd zetten. Ik vraag u verschooning, dat ik u beleedigd heb. Ik
-geloof nu niet meer wat ik zoo even zeide. Maar ik zou wel weder zoo
-kunnen gaan gelooven, als die arme man zoo verongelijkt wordt."
-
-"Hebt gij hem in uw brief gezegd," vroeg Sissy, "dat men vermoeden
-op hem heeft gekregen, omdat men hem des avonds bij het kantoor
-had gezien? Hij zou dan weten wat hij zou moeten ophelderen als hij
-terugkwam, en daarop voorbereid zijn."
-
-"Ja, lieve juffrouw," antwoordde zij, "maar ik kan niet raden wat
-hem daar heeft doen komen. Hij placht nooit daarheen te gaan. Het
-was geheel niet in zijn weg. Zijn weg was dezelfde als de mijne,
-en niet daar voorbij."
-
-Sissy was reeds naar haar toegekomen, om haar te vragen waar zij
-woonde, en of zij morgenavond mocht komen vernemen of er tijding van
-hem was.
-
-"Ik twijfel," antwoordde Rachel, "of hij vóór overmorgen wel hier
-kan zijn."
-
-"Dan zal ik ook overmorgenavond komen," zeide Sissy.
-
-Toen Rachel hierin had toegestemd en vertrokken was, hief mijnheer
-Gradgrind zijn hoofd op en zeide tot zijne dochter:
-
-"Louisa, kindlief, ik heb nooit, zooveel ik weet, dien man
-gezien. Gelooft gij, dat hij er in betrokken is?"
-
-"Ik heb er, meen ik, vroeger wel aan geloofd, vader, hoewel met veel
-moeite. Maar nu geloof ik het niet meer."
-
-"Dat wil zeggen, dat gij u zelve eens overreed hebt om het te gelooven,
-omdat gij wist dat hij verdacht werd. Zijn voorkomen en manier van
-doen--zijn die zoo eerlijk?"
-
-"Bijzonder eerlijk."
-
-"En haar vertrouwen op hem was zoo ongeschokt! Ik denk bij mij zelven,"
-zeide mijnheer Gradgrind peinzende, "zou de werkelijke misdadiger
-van die beschuldigingen weten? Waar is hij? Wie is hij?"
-
-Zijn haar was sedert kort begonnen van kleur te veranderen; en toen
-hij weder met het hoofd in de hand bleef zitten, zoo verouderd en
-vergrijsd, kwam Louisa, met een blik vol vrees en medelijden, haastig
-naar hem toe en zette zich dicht naast hem. Bij toeval ontmoetten
-hare oogen juist die van Sissy. Het goede meisje werd rood van schrik,
-en Louisa legde haar voorvinger op hare lippen.
-
-Toen Sissy den volgenden avond weder thuis kwam en Louisa berichtte,
-dat Stephen nog niet gekomen was, deed zij dit fluisterend. Den avond
-daarna, toen zij met dezelfde tijding thuis kwam, en er bijvoegde dat
-men niet van hem gehoord had, deed zij dit even zacht en angstig. Van
-het oogenblik af, dat zij dien blik hadden gewisseld, noemden zij
-nooit weder overluid zijn naam, en spraken zij nooit verder over den
-diefstal, wanneer mijnheer Gradgrind daarvan begon melding te maken.
-
-De twee bepaalde dagen verliepen; drie dagen en nachten verliepen,
-en Stephen Blackpool kwam niet en liet niets van zich hooren. Op den
-vierden dag ging Rachel, wier vertrouwen ongeschokt bleef, maar die
-begreep dat haar brief niet terecht was gekomen, naar het kantoor en
-liet daar den brief zien, dien zij vroeger van hem had ontvangen en
-waarin zijn adres was opgegeven in een fabriekplaatsje, dat zestig
-mijlen ver en niet aan den grooten weg lag. Er werden lieden naar
-die plaats gezonden, en de geheele stad verwachtte, dat Stephen den
-volgenden dag opgebracht zou worden.
-
-Gedurende dien geheelen tijd had de hondsvot mijnheer Bounderby als
-zijne schaduw vergezeld en in alles wat hij deed geholpen. Hij was
-in eene geweldige spanning, zeer koortsig, beet zijne nagels tot op
-het vleesch toe weg, en sprak met eene harde, ratelende stem en met
-droge, als het ware verschroeide lippen. Op het uur, dat de verdachte
-verwacht werd, was de hondsvot aan het station, en wilde wedden dat
-hij zich uit de voeten had gemaakt vóór de komst van hen, die hem
-waren gaan zoeken, en dat hij dus niet zou verschijnen.
-
-De hondsvot had gelijk. De afgezondenen kwamen alleen terug. Rachel's
-brief was verzonden en bezorgd; maar Stephen Blackpool had zich
-op hetzelfde uur te zoek gemaakt en niemand wist iets meer van
-hem. De eenige twijfel, dien men te Coketown koesterde, was, of
-Rachel wel te goeder trouw geschreven had om er op aan te dringen
-dat hij zou terugkomen, of dat zij hem had gewaarschuwd de vlucht te
-nemen. Daaromtrent waren de gevoelens verdeeld.
-
-Zes dagen, zeven dagen, ver in eene volgende week. De rampzalige
-hondsvot vatte moed--een akeligen moed--en begon brutaal te
-worden. "Was de verdachte kerel de dief? Mooie vraag! Zoo niet,
-waar was de man dan en waarom kwam hij niet terug?"
-
-Waar was de man en waarom kwam hij niet terug? In het holste van
-den nacht kwam de weerklank van deze zijne woorden, die over dag de
-Hemel weet hoe ver weggevlogen waren, in plaats van den man terug,
-en hield hem gezelschap tot aan den ochtend.
-
-
-
-
-
-
-
-XXXIII.
-
-GEVONDEN.
-
-
-Wederom een dag en nacht, en wederom een dag en nacht. Geen Stephen
-Blackpool. Waar was de man en waarom kwam hij niet terug?
-
-Elken avond ging Sissy naar de woning van Rachel en zat bij haar
-in haar klein, net kamertje. Den geheelen dag werkte Rachel, gelijk
-zulke lieden moeten werken, welken angst zij ook mogen verduren. Voor
-de rookslangen was het onverschillig wie verloren of gevonden werd,
-met wien het goed of slecht afliep; de zwaarmoedige olifanten weken
-evenmin als de mannen van feiten van hun vasten gang af, wat er
-ook mocht gebeuren. Wederom een dag en nacht, en wederom een dag en
-nacht. De eentonigheid was onafgebroken. Zelfs het verdwijnen van
-Stephen Blackpool viel in de gewone sleur, en werd een even eentonig
-wonder als ieder stuk machinerie te Coketown.
-
-"Ik twijfel," zeide Rachel, "of er twintig in de geheele stad over
-zijn, die nu nog eenig vertrouwen op den lieven, goeden man hebben."
-
-Zij zeide dit tegen Sissy, terwijl zij in haar kamertje zaten, alleen
-door de lantaren op den hoek der straat verlicht. Sissy was daar
-gekomen toen het reeds donker was, om naar Rachel's terugkomst van
-haar werk te wachten; en sedert hadden zij aan het venster gezeten,
-waar Rachel haar gevonden had, zonder helderder licht noodig te hebben
-om hare treurige taak te beschijnen.
-
-"Als het niet zoo genadig beschikt was, dat ik u had om mede te
-spreken," vervolgde Rachel, "zouden er, denk ik, tijden zijn dat
-ik niet bij mijn verstand zou zijn gebleven. Maar ik krijg hoop en
-kracht door u; en ik geloof, hoewel de schijn tegen hem mag wezen,
-dat hij toch nog onschuldig zal blijken."
-
-"Dat geloof ik ook met al mijn hart," antwoordde Sissy. "Ik ben bij
-mij zelve zoo verzekerd, Rachel, dat het vertrouwen, dat gij tegen
-alle bezwaren in blijft koesteren, niet verkeerd kan wezen, dat ik
-evenmin aan hem twijfel alsof ik hem gedurende juist zooveel jaren
-van beproeving had gekend als gij gedaan hebt."
-
-"En ik, lieve," zeide Rachel met eene beving in hare stem, "heb door
-al die jaren heen ondervonden, dat hij, op zijne stille manier, zoo
-getrouw was aan al wat eerlijk en goed is, dat ik, al moest men nooit
-iets meer van hem hooren, en al moest ik honderd jaren oud worden,
-toch met mijn laatsten adem zou kunnen zeggen: God kent mijn hart,
-ik heb nooit opgehouden Stephen Blackpool te vertrouwen."
-
-"Wij op Stone Lodge, Rachel, gelooven allen, dat hij vroeger of later
-van alle verdenking zal bevrijd worden."
-
-"Hoe meer ik weet dat men daar zoo gelooft," zeide Rachel, "en hoe
-vriendelijker ik het vind, dat gij opzettelijk daar vandaan komt
-om mij te troosten en gezelschap te houden, en u bij mij laat zien
-terwijl ik zelve nog niet vrij van alle verdenking ben, des te meer
-spijt het mij, dat ik ooit die woorden van achterdocht tegen de jonge
-mevrouw heb gesproken. En toch...."
-
-"Gij wantrouwt haar toch nu niet meer, Rachel?"
-
-"Nu gij ons weder bij elkander hebt gebracht--neen. Maar ik kan het
-niet altijd uit mijne gedachten zetten...."
-
-Hare stem daalde tot eene zachte en langzame alleenspraak, zoodat
-Sissy, die naast haar zat, met oplettendheid moest luisteren.
-
-"Ik kan het niet altijd laten den een of ander te verdenken. Ik kan
-niet raden wie het is; ik kan niet raden hoe of waarom; maar ik heb
-een vermoeden, dat iemand Stephen uit den weg heeft geholpen. Ik heb
-een vermoeden, dat hij, door vrijwillig terug te komen, en zich voor
-iedereen onschuldig te toonen, iemand anders beschamen zou, die--om
-dit te voorkomen--hem opgehouden en uit den weg geholpen heeft."
-
-"Dat is eene schrikkelijke gedachte," zeide Sissy, verbleekende.
-
-"Ja, het is schrikkelijk, te denken dat hij vermoord zou zijn."
-
-Sissy huiverde en werd nog bleeker.
-
-"Als dat mij in het hoofd komt, lieve," vervolgde Rachel, "en dat wil
-het somtijds, hoezeer ik ook mijn best doe om het er uit te houden,
-door tot hooge getallen toe te tellen als ik werk, of stukken op te
-zeggen, die ik van buiten leerde toen ik een kind was--dan word ik
-zoo schrikkelijk gejaagd en ongeduldig, dat ik, hoe moede ik ook ben,
-wel mijlen en mijlen ver zou willen loopen. Ik moet dit te boven
-komen eer ik naar bed ga. Ik zal met u naar huis gaan."
-
-"Hij kan op reis hierheen ziek zijn geworden," zeide Sissy, met eene
-flauwe stem een versleten stukje hoop aanbiedende; "en in dat geval,
-zijn er onderweg vele plaatsen waar hij zich kon ophouden."
-
-"Maar hij is daar nergens. Men heeft overal naar hem gezocht, en hij
-is er niet."
-
-"'t Is waar," luidde Sissy's onwillige toestemming.
-
-"Hij kon de reis te voet in twee dagen doen; en als hij niet te voet
-kon gaan, heb ik hem in den brief, dien hij kreeg, geld gezonden om te
-kunnen rijden, uit vrees, dat hij zelf geen geld te missen zou hebben."
-
-"Laten wij hopen, dat morgen iets beters zal aanbrengen, Rachel. Kom
-mede in de lucht."
-
-Hare zachte hand hing Rachel's doek over hare glanzig zwarte haren op
-de gewone manier waarop zij dien droeg, en zij gingen naar buiten. Daar
-het een fraaie avond was, stonden hier en daar troepjes werklieden
-op de hoeken der straten te drentelen; maar voor de meesten was het
-etenstijd, en er waren maar weinig menschen op straat.
-
-"Ge zijt nu zoo gejaagd niet meer, Rachel, en uwe hand is koeler."
-
-"Ik word altijd beter, lieve, als ik maar kan loopen en wat frissche
-lucht inademen; maar als ik dat niet kan, word ik flauw en duizelig."
-
-"Maar gij moet niet beginnen te bezwijken, Rachel, want gij zult
-misschien op een of anderen tijd noodig zijn om Stephen bij te
-staan. Morgen is het zaterdag. Als er morgen geen nieuws komt, laten
-wij dan zondagochtend eene verre wandeling door het veld doen, opdat
-gij kracht verzamelt voor de volgende week. Wilt gij dat?"
-
-"Ja, lieve."
-
-Zij waren nu in de straat gekomen waar het huis van Bounderby
-stond. Sissy's weg liep de deur voorbij, en zij waren niet ver meer
-daar vandaan. Er was pas een spoortrein aangekomen, die een aantal
-rijtuigen in beweging bracht en een aanmerkelijk gewoel door de stad
-verspreidde. Verscheidene koetsen ratelden voor en achter de twee
-wandelaarsters, toen zij het huis van Bounderby naderden, en juist
-toen zij het voorbijgingen, hield eene koets zoo plotseling op, dat zij
-onwillekeurig omkeken. Het heldere gaslicht boven de stoep van mijnheer
-Bounderby deed haar mevrouw Sparsit herkennen, die in de koets zat en
-driftige pogingen aanwendde om het portier te openen. Mevrouw Sparsit
-zag beiden op hetzelfde oogenblik en riep ze om te blijven wachten.
-
-"Dat is eene beschikking der Voorzienigheid," riep mevrouw Sparsit
-uit, toen de koetsier haar uit hare gevangenis had verlost. "Kom er
-uit, juffrouw," vervolgde zij tegen iemand, die nog in de koets zat;
-"kom er uit, of wij zullen er u uit laten slepen."
-
-De persoon, die hierop te voorschijn kwam, was niemand anders dan de
-geheimzinnige oude vrouw, en mevrouw Sparsit greep haar dadelijk bij
-haar kleed vast.
-
-"Blijft van haar af, allemaal!" riep mevrouw Sparsit met grooten
-ijver. "Laat niemand haar aanraken. Zij behoort mij. Kom binnen,
-juffrouw," vervolgde zij daarop, haar vorig commando omkeerende;
-"kom binnen, of wij zullen u laten binnenslepen."
-
-Het schouwspel van klassieke deftigheid, die eene oude vrouw bij
-de keel greep en een huis binnensleepte, zou altijd voor alle echt
-Engelsche nieuwsgierigen, gelukkig genoeg om daarvan getuigen te
-zijn, eene groote verzoeking zijn geweest om dat huis mede binnen
-te dringen en te zien hoe de zaak afliep. Maar nu het merkwaardige
-van dit verschijnsel nog vergroot werd door de ruchtbaarheid van
-den bekenden diefstal in het kantoor, moest het alle toevallige
-voorbijgangers met onweerstaanbare kracht in huis lokken, al had men
-ook kunnen verwachten, dat het dak hun op het hoofd zou vallen. Alle
-toevallig aanwezige getuigen, die uit de nieuwsgierigsten der buren
-ten getale van omtrent vijf en twintig bestonden, sloten zich dus
-achter den trein aan, toen mevrouw Sparsit en hare gevangene, door
-Sissy en Rachel gevolgd, het huis binnengingen, en de geheele troep
-drong in een verwarden drom de eetzaal van mijnheer Bounderby in,
-terwijl de achtersten niet draalden met op de stoelen te klimmen,
-om zoo over de voorsten te kunnen heenzien.
-
-"Roep mijnheer Bounderby beneden!" riep mevrouw Sparsit. "Gij, Rachel,
-weet gij wie dit is?"
-
-"Dit is juffrouw Pegler," antwoordde Rachel.
-
-"Dat zou ik ook denken!" riep mevrouw Sparsit zegevierend uit. "Roep
-mijnheer Bounderby. Gaat uit den weg, allemaal." Hier poogde de
-oude juffrouw Pegler, die zich dicht had ingemoffeld en zooveel
-mogelijk wegkroop, fluisterend en smeekend iets te zeggen. "Praat
-mij van niets,", zeide mevrouw Sparsit hardop. "Ik heb u onderweg al
-twintigmaal gezegd, dat ik u niet loslaat eer ik u aan hem in eigen
-persoon heb overgegeven."
-
-Nu verscheen mijnheer Bounderby, vergezeld door mijnheer Gradgrind
-en den hondsvot, met welke twee hij boven had gesproken. Bounderby's
-gezicht gaf meer verbazing dan gastvrijheid te kennen, toen hij het
-ongenoodigde gezelschap in zijne eetzaal ontwaarde.
-
-"Wat is er nu aan de hand, mevrouw Sparsit?" zeide hij.
-
-"Mijnheer," zoo begon die brave vrouw hare opheldering, "ik vertrouw
-dat ik het geluk heb u iemand voor oogen te plaatsen, die gij zeer
-gewenscht hebt te vinden. Geprikkeld door mijn verlangen om uw
-gemoed gerust te stellen, mijnheer, en afgaande op die onvolkomene
-aanwijzingen van de plaats, waar die persoon zou kunnen wonen,
-door dat meisje, Rachel, gegeven, die gelukkig juist hier is, om
-te zeggen of zij haar herkent, is het mij gelukt haar te vinden en
-hier te brengen--ik behoef niet te zeggen zeer tegen haar wil. Het
-is niet zonder moeite geweest dat ik dit gedaan heb, mijnheer; maar
-moeite in uw dienst is mij een vermaak, en honger, dorst en koude
-een wezenlijk genot."
-
-Hier bleef mevrouw Sparsit steken; want niet zoodra kreeg mijnheer
-Bounderby de oude juffrouw Pegler te zien of zijn gezicht nam eene
-tegenstrijdige mengeling van kleuren en uitdrukkingen aan, waaronder
-echter verslagenheid de overhand had.
-
-"Wat heeft dat te beduiden?" was de hoogst onverwachte vraag, die
-hij haar gramstorig toebulderde. "Ik vraag wat dat te beduiden heeft,
-juffrouw?"
-
-"Mijnheer!" zeide mevrouw Sparsit flauw.
-
-"Waarom houdt gij u op met dingen, die u niet raken, juffrouw?" viel
-Bounderby uit. "Hoe durft gij hier komen en uw bemoeizieken neus in
-mijne familiezaken steken?"
-
-Deze toespeling op het lichaamsdeel, waaraan zij zooveel waarde
-hechtte, overweldigde mevrouw Sparsit geheel en al. Zij zette zich
-stijf op een stoel, alsof zij bevroren was; en mijnheer Bounderby
-strak aanstarende, liet zij langzaam hare mofjes over elkander krassen,
-alsof zij ook bevroren waren.
-
-"Mijn lieve Josiah!" riep juffrouw Pegler bevend uit. "Mijn beste
-jongen! Ik kan het niet helpen. Het is mijne schuld niet, Josiah. Ik
-heb die juffrouw dikwijls genoeg gezegd, dat ik wel wist, dat het
-u niet aangenaam zou zijn wat zij deed, maar zij wilde er niet van
-afzien."
-
-"Waarom hebt gij u laten brengen? Kondt gij hare muts niet aftrekken,
-of haar een tand uitslaan, of haar op eene andere wijze van u
-afmaken?" zeide Bounderby.
-
-"Maar, mijn jongen, zij dreigde mij, als ik mij te weer stelde, zou
-ik door constables hier gebracht worden, en het was beter stilletjes
-te komen dan tumult te maken in zulk"--hier zag juffrouw Pegler
-beschroomd en toch trotsch in het rond--"in zulk een mooi huis als
-dit is. Waarlijk, waarlijk, het is mijne schuld niet. Mijn beste,
-brave, deftige zoon! Ik heb altijd stil en verscholen geleefd, lieve
-jongen. Ik heb geen enkelen keer de conditie gebroken. Ik heb nooit
-gezegd, dat ik uwe moeder was. Ik heb u maar in de verte bewonderd;
-en als ik somtijds naar de stad ben gekomen, met lange tusschenpoozen,
-om eens met verrukking naar u te kijken, heb ik het onbekend gedaan,
-lieve jongen, en ben dan stil weer heengegaan."
-
-Mijnheer Bounderby stapte met de handen in de zakken en een gezicht
-vol verdriet en ongeduld langs de lange eettafel op en neer, terwijl
-de toeschouwers ieder woord van juffrouw Pegler gretig opvingen en
-hunne oogen hoe langer hoe wijder opensperden. Daar Bounderby nog
-bleef op en neer stappen toen juffrouw Pegler geëindigd had, sprak
-mijnheer Gradgrind de zwaar belasterde vrouw aldus aan:
-
-"Het verwondert mij, juffrouw," zeide hij met strengheid, "dat gij
-op uwe jaren nog het hart hebt, mijnheer Bounderby hier uw zoon te
-komen noemen, nadat gij zoo onnatuurlijk en onmenschelijk met hem
-hebt gehandeld."
-
-"Ik onnatuurlijk!" riep de arme juffrouw Pegler uit. "Ik
-onmenschelijk! Voor mijn dierbaren zoon!"
-
-"Dierbaar!" herhaalde mijnheer Gradgrind. "Ja, dierbaar, nu hij door
-eigen arbeid tot fortuin gekomen is, juffrouw, dat geloof ik wel. Maar
-toch niet heel dierbaar, toen gij in zijne kindsheid van hem zijt
-weggeloopen en hem aan de mishandelingen eener dronken grootmoeder
-hebt overgelaten."
-
-"Ik mijn Josiah verlaten!" riep juffrouw Pegler uit, hare handen
-ineenslaande. "Nu, God vergeve u uwe slechte gedachten, mijnheer,
-en uw laster tegen de nagedachtenis van mijne goede moeder, die in
-mijne armen gestorven is eer Josiah geboren was. Ik hoop dat gij er
-berouw van zult hebben, mijnheer, en beter leeren."
-
-Zij zeide dit zoo ernstig en op zulk een smartelijken toon, dat
-mijnheer Gradgrind, schrikkende van de mogelijkheid, die hij begon
-te begrijpen, met eene veel zachtere stem zeide:
-
-"Ontkent gij dan, juffrouw, dat gij uw zoon in--in de goot hebt
-laten liggen?"
-
-"Josiah in de goot!" riep juffrouw Pegler uit. "Wel zeker ontken ik
-dat, mijnheer. Foei, gij moest u schamen zoo iets te zeggen. Mijn
-lieve jongen weet, en hij zal het u zeggen ook, dat hij wel van
-nederige ouders, maar toch van ouders is gekomen, die hem zoo lief
-hadden als de beste maar konden doen, en wie het nooit zuur viel zich
-zelven wat te bekrimpen, om hem zoo heerlijk te laten schrijven en
-cijferen leeren; ik heb zijne boeken nog thuis, waarin gij dat zien
-kunt. Ja, dat heb ik!" zeide zij met trotsche verontwaardiging. "En
-mijn lieve jongen weet, en zal het u ook wel zeggen, mijnheer, dat,
-toen zijn lieve vader gestorven was, toen hij acht jaren oud was,
-zijne moeder zich ook wel wat kon bekrimpen, gelijk het haar plicht,
-haar vermaak en haar trots was te doen, om hem in de wereld voort
-te helpen en hem in de leer te bestellen. En een oppassende jongen
-was hij, en een goed meester had hij om hem een handje te helpen,
-en braaf heeft hij gewerkt om een rijk en gezeten man te worden. En
-ik zal u zeggen, mijnheer--want mijn lieve jongen zal dat niet willen
-doen--dat, hoewel zijne moeder maar een klein dorpswinkeltje hield,
-hij haar toch nooit vergat, maar haar een pensioen gaf van dertig
-pond 's jaars--meer dan ik noodig heb, want ik houd er nog van
-over--alleen het beding makende, dat ik zou blijven waar ik woonde,
-en niet op hem roemen en hem niet lastig vallen. En dat heb ik ook
-nooit gedaan, behalve dat ik eens in het jaar naar hem kwam kijken,
-zonder dat hij het ooit geweten heeft. En het is goed, dat ik moet
-blijven wonen waar ik woon," vervolgde de goede oude vrouw, haar zoon
-met hartelijken ijver voorsprekende, "want ik twijfel er niet aan,
-of ik zou, als ik hier was, maar vele ongemanierde dingen doen, en ik
-ben nu weltevreden, en kan mijn hoogmoed op mijn Josiah voor mij zelve
-houden en hem lief hebben, alleen omdat ik hem liefheb. En ik schaam
-mij voor u, mijnheer," zoo besloot zij, "over uwe kwaadsprekendheid en
-ergdenkendheid. Ik ben hier nog nooit geweest, en heb hier nooit willen
-wezen, als mijn lieve zoon neen zeide. En ik zou hier ook nu niet
-wezen, als ik niet gebracht was. Gij moest u schamen, ja, dat moest
-gij, om mij te betichten eene slechte moeder voor mijn zoon geweest
-te zijn, terwijl mijn zoon daar staat om geheel iets anders te zeggen."
-
-De omstanders op den grond en op de stoelen gaven door hun gemompel
-hunne sympathie met juffrouw Pegler te kennen, en mijnheer Gradgrind
-gevoelde zich op eene onschuldige manier in een zeer onaangenamen
-toestand geplaatst, toen mijnheer Bounderby, die zonder ophouden op
-en neer was blijven stappen en met ieder oogenblik rooder en meer
-opgezwollen was, op eens pal bleef staan.
-
-"Ik weet niet recht," zeide hij, "hoe ik aan de eer van het aanwezige
-gezelschap kom, maar daarnaar vraag ik ook niet. Als zij nu voldaan
-zijn, zullen zij misschien zoo goed wezen van heen te gaan; en al
-mochten zij niet voldaan zijn, dan zullen zij misschien toch zoo goed
-wezen van heen te gaan. Ik ben niet verplicht eene voorlezing over
-mijne familiezaken te houden; dat heb ik niet aangenomen te doen,
-en dat zal ik ook niet doen. Zij, die eenige opheldering over dat
-gedeelte van het geval verwachten, zullen teleurgesteld worden--vooral
-Tom Gradgrind, en dat kan hij niet te spoedig weten. Wat den diefstal
-in het kantoor betreft, heeft er ten aanzien van mijne moeder eene
-vergissing plaats gehad. Zonder iemands overgroote gedienstigheid
-zou dat niet gebeurd zijn, en ik heb altijd een hekel aan overgroote
-gedienstigheid. Goedenavond!"
-
-Hoewel mijnheer Bounderby zich aldus van de zaak afhielp en de deur
-openhield om het gezelschap uit te laten, had hij toch eene bluffende
-schaapachtigheid over zich, die tegelijk zeer jammerlijk en uiterst
-belachelijk was. Tentoongesteld in zijn snoevende nederigheid,
-als een man die zijne winderige reputatie op logens had gebouwd,
-en met zijn pochen de waarheid even ver van zich had weggejaagd
-alsof hij de lage eerzucht had gehad (en lager is er niet) om zich
-een adellijken stamboom te verdichten, maakte hij eene allerzotste
-vertooning. Terwijl hij aan de deur stond om de lieden uit te laten,
-die hij wist dat het gebeurde door de geheele stad zouden verspreiden,
-om het aan de vier winden prijs te geven, had men geen armzaliger
-voorbeeld van een tentoongestelden snoever kunnen zien. Zelfs met de
-ongelukkige mevrouw Sparsit, die van het toppunt harer zegepraal in
-een poel van verslagenheid was gevallen, was het niet zoo ellendig
-gesteld als met dien buitengemeenen man, die zich zelven tot een
-dommen bedrieger gemaakt had, Josiah Bounderby van Coketown.
-
-Rachel en Sissy lieten juffrouw Pegler voor dien nacht een
-nachtverblijf bij haar zoon vinden, en wandelden te zamen naar het
-hek van Stone Lodge, waar zij afscheid namen. Mijnheer Gradgrind
-kwam haar achterop eer zij nog ver op weg waren, en sprak met veel
-belangstelling over Stephen Blackpool, voor wien hij dacht, dat dit
-openlijke bewijs, hoe ongegrond de vermoedens tegen juffrouw Pegler
-geweest waren, waarschijnlijk gunstige gevolgen zou hebben.
-
-Wat den hondsvot betreft, onder dit geheele tooneel, gelijk sedert
-kort bij alle gelegenheden, was hij dicht bij mijnheer Bounderby
-gebleven. Hij scheen te denken, dat hij, zoolang Bounderby geene
-ontdekking kon doen zonder dat hij er van wist, in zooverre veilig
-was. Hij had nooit zijne zuster bezocht, en haar sedert hare thuiskomst
-maar eens gezien, namelijk op dien avond, toen hij, gelijk verhaald
-is, insgelijks dicht bij Bounderby bleef.
-
-In het gemoed zijner zuster woonde eene duistere, vormlooze vrees,
-waaraan zij nooit woorden gaf, en die haar slechten, ondankbaren
-broeder met eene akelige geheimzinnigheid omhulde. Dezelfde donkere
-mogelijkheid had zich juist dezen dag in dezelfde vormelooze gedaante
-aan Sissy vertoond, toen Rachel er van sprak, dat iemand, die door
-Stephen's terugkomst beschaamd zou worden, hem uit den weg zou hebben
-geholpen. Louisa had nooit gezegd, dat zij haar broeder van eenige
-medeplichtigheid aan den diefstal verdacht hield; zij en Sissy hadden
-in dit opzicht geene uitwisseling van vertrouwen gehad, behalve dien
-enkelen blik, toen de niets vermoedende vader zijn grijs hoofd op
-zijne hand liet rusten; maar zij hadden elkander verstaan. Deze andere
-vrees was zoo geducht, dat zij als eene spookachtige schim boven haar
-bleef zweven, zonder dat een van beiden er aan durfde denken dat die
-schrikgedaante haar nabij, veel minder dat zij ook nabij de andere was.
-
-En nog gelukte het den hondsvot zich goed te houden. Als Stephen
-Blackpool de dief niet was, moest hij maar voor den dag komen. Waarom
-deed hij dat niet?
-
-Nog een nacht. Nog een dag en nacht. Geen Stephen Blackpool. Waar
-was de man, en waarom kwam hij niet terug?
-
-
-
-
-
-
-
-XXXIV.
-
-HET STERRENLICHT.
-
-
-Do zondag was een heldere herfstdag, frisch en koel, toen Sissy en
-Rachel in den vroegen morgen, bij elkander kwamen om eene wandeling
-over het veld te doen.
-
-Daar Coketown stof en asch strooide, niet alleen op zijn eigen hoofd,
-maar ook op den geheelen omtrek--op de manier van die vrome lieden,
-die voor hunne eigene zonden boete doen door anderen in zakken te
-kleeden--waren zij, die nu en dan naar een teugje zuivere lucht
-dorstten (hetgeen niet volstrekt onder de goddelooze ijdelheden des
-levens behoort), op dien dag gewoon zich eenige mijlen ver over den
-spoorweg te laten brengen en dan hunne wandeling door het veld te
-beginnen. Sissy en Rachel hielpen zich op de gebruikelijke manier
-uit den rook, en werden bij een station omtrent halverwege tusschen
-de stad en het buiten van mijnheer Bounderby afgezet.
-
-Hoewel het groene landschap hier en daar met hoopen steenkool was
-bevlekt, was het elders toch groen, en waren er boomen te zien,
-en hoorde men leeuweriken zingen (hoewel het zondag was) en waren
-er aangename geuren in de lucht, en werd alles overwelfd door eene
-heldere blauwe lucht. Aan den eenen kant vertoonde zich Coketown in
-het verschiet gelijk een zwarte damp; in een ander verschiet begonnen
-er heuvelen op te rijzen; in een derde was er eene flauwe verandering
-in het licht langs den gezichteinder, waar het de afgelegene zee
-bescheen. Onder de voeten der wandelaarsters was het gras frisch;
-sierlijke schaduwen van takken speelden flikkerend daaroverheen;
-de heggen stonden weelderig; alles was vrede.
-
-De machines boven de monden van mijnschachten, en de oude magere
-paarden, die door hun dagelijkschen arbeid een kring in den grond
-hadden getrapt, waren beiden in rust; de raderen hadden voor eene
-korte poos opgehouden te draaien; en het groote rad der aarde scheen
-zonder de schokken en het gerucht van een anderen tijd om te wentelen.
-
-Zij wandelden voort, over velden en door beschaduwde lanen, somtijds
-over een stuk van een hek stappende, zoo verrot dat het brak als
-de voet er tegen aanstiet, somtijds een hoop met gras begroeide
-steenen en balken voorbijgaande, die de plaats van een verlaten
-werk kenmerkten. Zij volgden paden en sporen, hoe gering zij ook
-waren. Kleine hoogten, waarop het gras welig groeide en distels,
-netelen en dergelijke planten waren opgeschoten, vermeden zij
-steeds; want akelige histories werden in die streek verteld van oude
-mijnputten, die onder zulke kenteekenen verborgen waren.
-
-De zon was hoog geklommen, toen zij gingen zitten om te rusten. Zij
-hadden in langen tijd geen mensch van nabij of van verre gezien, en
-de eenzaamheid bleef nog ongestoord. "Het is hier zoo stil, Rachel,
-en het pad schijnt zoo weinig begaan, dat ik geloof dat wij de eersten
-zijn, die den geheelen zomer hier zijn gekomen."
-
-Toen Sissy dit zeide, viel haar weder een stuk van een verrot hek in
-het oog, dat op den grond lag. Zij stond op om er naar te kijken.
-
-"En toch weet ik het niet," zeide zij. "Dit is nog niet heel lang
-geleden afgebroken. Het hout is nog versch gesplinterd. En hier zijn
-ook voetstappen.--O, Rachel!"
-
-Zij kwam terugloopen en greep haar om den hals. Rachel was reeds
-opgesprongen.
-
-"Wat is er?"
-
-"Ik weet het niet. Daar ligt een hoed in het gras."
-
-Zij gingen te zamen vooruit, Rachel die van het hoofd tot de voeten
-beefde, nam den hoed op. Zij barstte in tranen en jammerklachten
-uit. Stephen Blackpool had met zijne eigene hand zijn naam in den
-hoed geschreven.
-
-"O, de arme man, de arme man! Men heeft hem van kant geholpen. Hij
-ligt hier vermoord."
-
-"Is er--is er bloed aan?" bracht Sissy stamelend uit.
-
-Zij waren bang om er naar te zien, maar bezichtigden den hoed toch en
-vonden geen spoor van geweld. De hoed had daar eenige dagen gelegen,
-want hij was door den regen en den dauw verkleurd en had een indruk
-van zijn vorm op het gras gelaten. Zij zagen vreesachtig rond, zonder
-zich te bewegen, maar konden niets meer ontdekken.
-
-"Rachel," fluisterde Sissy, "ik zal alleen wat verder gaan."
-
-Zij had hare hand losgelaten en wilde juist een stap voorwaarts doen,
-toen Rachel haar met een gil in beide armen greep. Vóór haar, vlak
-voor hare voeten, was de afgebrokkelde kant eener zwarte diepte,
-door het dichte gras verborgen. Zij deinsden terug, vielen op de
-knieën en verborgen beiden haar gezicht aan elkanders hals.
-
-"O goede God! Hij is daar beneden! Daar beneden!" In het eerst was
-dit akelig gegil alles, wat men door tranen, gebeden, vermaningen,
-door welke poging ook, van Rachel kon bekomen. Het was onmogelijk
-haar tot bedaren te brengen; en het was toch noodzakelijk dit te doen;
-het was noodzakelijk haar vast te houden of zij zou zich in de diepte
-hebben geworpen.
-
-"Rachel, lieve Rachel, goede Rachel, om 's Hemels wil, houd op met
-dat schrikkelijke geschreeuw! Denk aan Stephen, denk aan Stephen,
-denk aan Stephen!"
-
-Door eene ernstige herhaling dezer bede, met al den angst van zulk
-een oogenblik ontboezemd, bracht Sissy haar eindelijk tot stilte,
-en nu zag de ongelukkige haar aan zonder tranen en met een gezicht,
-dat in steen scheen veranderd te zijn.
-
-"Rachel, Stephen kan nog leven. Gij wilt hem toch geen oogenblik
-langer hulpeloos op den grond van dien akeligen put laten liggen,
-als gij hem hulp kunt bezorgen!"
-
-"Neen, neen, neen!"
-
-"Ga dan om zijnentwil niet hier vandaan. Laat ik gaan luisteren."
-
-Zij huiverde om den put te naderen, maar zij kroop er op handen en
-knieën naar toe en riep hem zoo hard zij roepen kon. Zij luisterde,
-maar geen geluid gaf haar antwoord. Wederom riep en luisterde zij;
-nog geen geluid. Zij deed dit twintig-, dertigmaal. Zij nam eene
-kluit aarde van den afgebrokkelden grond, waar hij gestruikeld was,
-en wierp dien in de opening. Zij kon niets hooren vallen.
-
-Het ruime uitzicht, waarvan de stilte weinige minuten geleden zoo
-bekoorlijk was, vervulde haar moedig hart bijna met wanhoop, toen
-zij opstond, overal rondkeek en geene hulp zag.
-
-"Rachel, wij moeten geen oogenblik verliezen. Wij moeten in
-verschillende richtingen hulp gaan zoeken. Neem gij den weg dien wij
-gekomen zijn; ik zal langs dit pad verder gaan. Zeg iedereen, wien
-gij ontmoet, wat er gebeurd is. Denk aan Stephen, denk aan Stephen!"
-
-Zij zag aan Rachel's gezicht, dat zij haar nu kon vertrouwen. Nadat
-zij eene poos was blijven staan om haar na te zien, terwijl zij haastig
-voortstapte en al voortstappende hare handen wrong, keerde zij zich om
-en begon zelve haar tocht om hulp te zoeken. Bij de heg bleef zij even
-staan en bond haar doek daaraan vast, om de plek te herkennen; toen
-wierp zij haar hoed op zijde en liep gelijk zij nog nooit had geloopen.
-
-Loop, Sissy, loop, in 's Hemels naam! Sta niet stil om adem te
-halen! Loop, loop voort! Zich zelve aansporende, door zulk een biddend
-roepen in hare gedachten te houden, liep zij van veld tot veld,
-en van laan tot laan, en van plek tot plek, gelijk zij nog nooit
-geloopen had, tot zij bij een afdakje aan een machinengebouw kwam,
-waar twee mannen in de schaduw lagen te slapen.
-
-Hen eerst te wekken, en daarna te zeggen, overspannen en ademloos als
-zij was, wat haar daar gebracht had, had vrij wat moeielijkheden in;
-maar niet zoodra begrepen zij haar, of zij waren even vol ijver als
-zij. Een van die mannen lag in den doffen slaap der dronkenschap,
-maar toen zijn makker hem toeschreeuwde, dat er iemand in de Oude
-Helschacht was gevallen, snelde hij heen naar een plas vuil water,
-dompelde zijn hoofd daarin en kwam nuchter terug.
-
-Met deze twee mannen liep zij naar een ander, een halve mijl verder,
-en met dezen weder naar een ander, terwijl de eerste twee elders
-heen liepen. Toen werd er een paard gevonden, en kreeg zij een ander
-man, om op leven of dood naar den spoorweg te rijden, en zond zij
-eene boodschap aan Louisa, die zij opschreef en hem medegaf. Tegen
-dien tijd was er een geheel dorp op de been; en windassen, touwen,
-staken, emmers, kaarsen, lantarens en alle benoodigdheden werden snel
-bijeengehaald om naar de Oude Helschacht gebracht te worden.
-
-Het scheen nu uren geleden sedert zij den verlorene verlaten had in
-het graf, waar hij levend begraven lag. Zij kon niet langer van hem
-vandaan blijven--het was alsof zij hem aan zijn lot overliet--en zij
-haastte zich terug, vergezeld door een zestal arbeiders, waaronder de
-dronken man, die door het nieuws nuchter was geworden en die de knapste
-en ijverigste van allen was. Toen zij aan de Oude Helschacht kwamen,
-vonden zij die zoo eenzaam als zij haar gelaten had. De arbeiders
-riepen en luisterden, gelijk zij gedaan had, en bezichtigden den rand
-van den afgrond, en beredeneerden hoe het gebeurd was, en gingen
-toen zitten wachten, tot de gereedschappen, die zij noodig hadden,
-gebracht werden.
-
-Elk geluid van insekten in de lucht, elk geritsel der bladeren,
-elk gefluister onder die mannen deed Sissy beven, want dan dacht zij
-eene stem te vernemen uit den put. Maar de wind woei ledig daarover
-heen, en geen geluid kwam naar omhoog, en zij zaten te wachten en
-te wachten. Nadat dit eenigen tijd had geduurd, begonnen er enkele
-menschen te komen, die van het ongeluk hadden gehoord, en weldra begon
-men ook de wezenlijke hulp van gereedschappen aan te brengen. Onder
-dat alles kwam Rachel terug, en in haar gezelschap was een chirurgijn,
-die wijn en eenige medicijnen medebracht. Doch de verwachting onder
-de aanwezigen, dat de man nog levend zou gevonden worden, was waarlijk
-al zeer gering.
-
-Dewijl er nu menschen genoeg bijeen waren om het werk te belemmeren,
-plaatste de nuchter geworden man zich aan het hoofd der anderen, of
-werd met algemeene bewilliging daaraan geplaatst, en maakte een grooten
-kring om de Oude Helschacht en stelde eenigen aan om die ruimte vrij te
-houden. Behalve de vrijwilligers, die voor het werk werden aangenomen,
-mochten in het eerst alleen Rachel en Sissy binnen den kring komen;
-maar later op den dag, toen de boodschap van Sissy een expressetrein
-van Coketown had doen afrijden, kwamen mijnheer Gradgrind en Louisa,
-en mijnheer Bounderby en de hondsvot insgelijks daarbinnen.
-
-De zon was vier uren lager gedaald dan toen Sissy en Rachel zich
-het eerst op het gras neerzetten, voordat men van palen en touwen
-een toestel had vervaardigd, waarmede twee mannen veilig konden
-afdalen. Men had bezwaren gehad om dit werktuig samen te stellen,
-zoo eenvoudig als het was; men had bevonden, dat het aan sommige
-benoodigdheden ontbrak, en boodschappen hadden heen en weder moeten
-gaan. Het was vijf ure in den namiddag van een helderen zondag in den
-herfst, voordat er eene brandende kaars werd afgelaten om de lucht
-te beproeven, terwijl drie of vier grove gezichten zich bij elkander
-drongen om het licht na te zien, en de mannen aan het windas het touw
-lieten schieten. De kaars werd flauw brandende weder opgehaald en toen
-wierp men wat water in de diepte. Daarna werd de emmer aangehaakt;
-en de nuchter geworden man en een ander stapten met licht daarin,
-en gaven het woord: "Laat zakken!"
-
-Terwijl het touw, stijf gespannen, afdaalde, en het windas kraakte, was
-er onder die honderd of tweehonderd mannen en vrouwen niemand, wiens
-adem ging gelijk die gewoon was te gaan. Het sein werd gegeven, en het
-windas stond stil, terwijl men nog touw genoeg overhad. Schijnbaar
-zulk een lange tijd verliep er, terwijl de mannen aan het windas
-ledig stonden, dat sommige vrouwen begonnen te gillen dat er een
-nieuw ongeluk gebeurd was. Maar de chirurgijn, die zijn horloge in
-de hand hield, zeide, dat er nog geen vijf minuten verloopen waren,
-en vermaande haar op barschen toon zich stil te houden. Hij had
-nauwelijks uitgesproken, toen het windas weder in beweging gebracht
-en het touw opgehaald werd. Geoefende oogen zagen, dat het niet zoo
-zwaar ging alsof beide werklieden werden opgeheschen, en dat er maar
-één terugkwam.
-
-Het touw kwam strak gespannen naar boven; ring op ring wond zich om het
-windas; en aller oogen waren op den put gevestigd. De nuchter geworden
-man werd opgehaald en sprong vlug op het gras. Er was een algemeene
-kreet van "Levend of dood?" en daarop volgde eene diepe stilte.
-
-Toen hij "levend!" zeide, ging er een groot gejuich op, en velen
-kwamen de tranen in de oogen.
-
-"Maar hij is heel erg bezeerd," voegde hij er bij, zoodra hij zich
-weder kon doen hooren. "Waar is de dokter? Hij is zoo erg bezeerd,
-mijnheer, dat ik niet weet hoe wij hem zullen ophalen."
-
-Allen hielden te zamen raad en zagen den chirurgijn bekommerd aan,
-toen hij eenige vragen deed en na het hooren der antwoorden zijn hoofd
-schudde. De zon ging nu onder, en het roode licht in de avondlucht
-bescheen alle gezichten, zoodat men hen in al hunne angstige spanning
-kon onderscheiden.
-
-Het beraad eindigde daarmede, dat de lieden naar het windas
-terugkeerden en de mijnwerker nogmaals afdaalde, thans wat wijn en
-eenige andere kleinigheden medenemende. Toen kwam de andere man naar
-boven. Ondertusschen hadden eenige lieden, op last van den chirurgijn,
-eene horde gehaald, waarop anderen van hunne opperkleederen, met los
-stroo bedekt, een dik bed maakten, terwijl hij zelf eenige verbanden en
-windsels van omslagdoeken en zakdoeken vervaardigde. Toen deze gereed
-waren, werden zij den mijnwerker, die het laatst was bovengekomen,
-over den arm gehangen, met onderrichtingen hoe ze te gebruiken; en
-terwijl hij daar stond, in het schijnsel van het licht, dat hij droeg,
-met zijne forsche ledige hand op een der palen leunende, en nu in den
-put neerziende, dan in het rond naar de menschen kijkende, was hij
-vooral niet de minst in het oog loopende gedaante van dit tooneel. Het
-was nu donker geworden en er werden flambouwen aangestoken.
-
-Uit het weinige, dat deze man tot de naaste omstanders zeide en
-dat spoedig door den geheelen kring verspreid werd, bleek het,
-dat de verlorene op een hoop aarde was gevallen, die den put half
-verstopt had, en dat zijn verdere val gebroken was door eenige aan
-de kanten uitstekende aardkluiten. Hij lag op den rug, met den eenen
-arm samengevouwen onder zich, en had zich, naar hij zelf geloofde,
-sedert zijn val nauwelijks bewogen, behalve dat hij zijne vrije hand
-naar zijn zijzak had gebracht, waarin hij zich herinnerde wat brood
-en vleesch te hebben (waarvan hij een weinig had gebruikt), en ook
-met die hand nu en dan wat water had opgeschept. Hij was terstond
-van zijn werk gekomen, zoodra er om hem geschreven was, en had de
-geheele reis te voet gedaan; en hij was na den donker op weg naar
-het buiten van mijnheer Bounderby, toen hij in den put viel. Hij
-was op dien gevaarlijken tijd deze gevaarlijke streek doorgegaan,
-omdat hij, in het gevoel zijner onschuld aan hetgeen hem te last
-werd gelegd, niet rusten kon, of hij moest den naasten weg komen
-om zich te rechtvaardigen. De Oude Helschacht, zeide de mijnwerker,
-met een vloek op dien moorddadigen put, was tot het laatste toe haar
-slechten naam waardig gebleven; want hoewel Stephen nu nog spreken
-kon. geloofde hij toch dat hij het niet lang meer zou maken.
-
-Toen alles gereed was, verdween de man weder in de diepte, nog onder
-het afdalen de laatste haastige aanwijzingen van den chirurgijn en
-zijne makkers aannemende. Het touw werd gevierd gelijk te voren, het
-sein werd weder gegeven, en het windas stond stil. Niemand trok er nu
-de hand van af. Ieder wachtte met vastgeklemde vuist en reeds naar
-het werk gebogen lichaam om weder op te winden. Eindelijk werd het
-sein gegeven, en de geheele kring van omstanders boog zich voorover.
-
-Want nu kwam het touw, ten uiterste gespannen, naar het scheen, naar
-boven; het werk ging zwaar, en het windas piepte en kraakte. Het was
-bijna onuitstaanbaar naar het touw te zien en te denken, dat het zou
-kunnen breken. Maar ring op ring werd veilig om het windas gewonden,
-en de kettingen kwamen te voorschijn, en eindelijk de emmer met de
-twee mijnwerkers, die zich aan de kanten vasthielden--een gezicht
-om het hart te beklemmen en het hoofd te doen duizelen--en tusschen
-hen in, behoedzaam vastgehouden en vastgebonden, de gedaante van een
-mensch--bijna verbrijzeld.
-
-Een zacht gemompel van medelijden liep door de menigte heen, en de
-vrouwen schreiden hardop, toen deze gedaante, bijna zonder vorm,
-zeer langzaam uit den ijzeren verlosser werd getild en op het bed van
-stroo nedergelegd. In het eerst ging niemand dan de chirurgijn er dicht
-bij. Hij deed wat hij kon om het lichaam in gemakkelijker houding te
-schikken, maar het beste, wat hij doen kon, was het te bedekken. Toen
-hij dit met eene zachte hand gedaan had, riep hij Rachel en Sissy. En
-toen zag men het bleeke, uitgeteerde, geduldige gezicht naar den
-hemel opzien, terwijl de gekneusde rechterhand bloot op het dek van
-kleederen lag, als wachtende om door eene andere hand gevat te worden.
-
-Zij gaven hem te drinken, bevochtigden zijn gezicht met water,
-en dienden hem eenige droppels van een opwekkend middel met wijn
-toe. Hoewel hij geheel roerloos naar de lucht lag te staren, glimlachte
-hij en zeide: "Rachel!"
-
-Zij knielde bij hem op het gras en boog zich over hem heen, tot hare
-oogen tusschen de zijne en de lucht waren, want hij kon ze zelfs niet
-verdraaien om naar haar te zien.
-
-"Rachel, melieve!"
-
-Zij nam zijne hand. Hij glimlachte wederom en zeide: "Laat ze niet
-los."
-
-"Hebt ge veel pijn, lieve Stephen?"
-
-"Die heb ik gehad, maar nu niet meer. Ik heb schrikkelijk erg en lang
-pijn gehad, lieve--maar het is nu over. Och, Rachel, 't is alles een
-warboel! Van het begin tot het einde een warboel!"
-
-Eene schim van zijn vroeger uitzicht scheen voorbij te zweven toen
-hij dit zeide.
-
-"Ik ben in den put gevallen, lieve, die, gelijk oude lieden nog
-heugt, honderden en honderden menschenlevens gekost heeft--vaders,
-zonen en broeders, dierbaar aan duizenden en duizenden, en die
-ze voor honger en gebrek bewaarden. Ik ben in den put gevallen,
-die met zijn vuurdamp wreeder dan een oorlog geweest is. Ik heb er
-van gelezen in de petitie van de lieden, die in de putten werken,
-gelijk iedereen ze lezen kan, waarin zij de wettenmakers om Christus'
-wil bidden om te maken dat hun werk hen toch niet vermoorden zal, maar
-hen te sparen voor de vrouwen en kinderen, die zij even liefhebben als
-voorname lieden de hunne hebben. Toen die put bewerkt werd, bracht
-hij buiten noodzaak vele menschen om het leven, en nu hij verlaten
-is, doet hij dat nog. Zie hoe wij altijd buiten noodzaak sterven,
-op de eene of de andere manier--altijd in een warboel."
-
-Hij zeide dit met eene flauwe stem, zonder eenige gramschap tegen
-iemand--alleen als eene waarheid.
-
-"Uw zusje, Rachel--gij hebt haar niet vergeten. Het is niet denkelijk,
-dat gij haar nu vergeten zult, nu ik zoo dicht bij haar ben. Gij
-weet--dat arme, geduldige, lieve kind--hoe gij voor haar gewerkt hebt,
-toen zij den geheelen dag op haar stoeltje voor het venster zat,
-en hoe zij stierf, jong en mismaakt, ondermijnd door die ongezonde
-lucht, die er niet behoefde te zijn, en de ellendige woningen, die
-de werklieden hebben. Een warboel! Alles een warboel!"
-
-Louisa naderde hem, maar hij kon haar niet zien, daar zijn gezicht
-naar de donkere nachtlucht omhoog gekeerd was.
-
-"Als alle dingen, die ons aangaan, lieve, niet zoo in de war lagen,
-had ik niet hier behoeven te komen. Als wij onder ons zelven niet in
-een warboel zaten, zouden mijne eigene makkers mij niet zoo verkeerd
-beoordeeld hebben. Als mijnheer Bounderby mij ooit recht gekend
-had--als hij mij ooit eenigszins gekend had--zou hij zich niet boos
-op mij gemaakt hebben. Dan zou hij mij niet verdacht hebben. Maar
-zie daar omhoog, Rachel! Zie daar boven!"
-
-Zijne oogen volgende, zag zij, dat hij naar eene ster tuurde.
-
-"Die heeft mij beschenen," zeide hij eerbiedig, "in mijne pijn en mijn
-nood daar beneden. Zij heeft in mijn gemoed geschenen. Ik heb naar
-haar opgezien en aan u gedacht, Rachel, tot de warboel in mijn geest
-is opgeruimd, meer dan een weinigje, hoop ik. Als sommigen gedwaald
-hebben door mij niet beter te verstaan, heb ik ook gedwaald door hen
-niet beter te verstaan. Toen ik uw brief kreeg, geloofde ik terstond,
-dat wat de jonge mevrouw tegen mij gezegd en gedaan had, eenerlei was,
-en dat er een goddeloos komplot tusschen hen bestond. Toen ik viel,
-was ik kwaad op haar, en haastte ik mij voort, om zoo onbillijk voor
-haar te zijn als anderen voor mij geweest waren. Maar in ons oordeel,
-evenals in ons doen, moeten wij dragen en verdragen. In mijne pijn en
-mijn nood daarheen opziende--terwijl zij mij bescheen--heb ik alles
-duidelijker ingezien, en heb het tot mijn stervend gebed gemaakt,
-dat de geheele wereld dichter tot elkander mocht komen en elkander
-beter mocht leeren verstaan, dan toen ik zwakke man er nog in was."
-
-Toen Louisa hoorde wat hij zeide, boog zij zich over hem heen, aan
-den kant tegenover Rachel, zoodat hij haar kon zien.
-
-"Gij hebt het gehoord?" zeide hij na eene korte poos van stilte. "Ik
-heb u niet vergeten, mevrouw."
-
-"Ja, Stephen, ik heb u gehoord, en uw gebed is het mijne."
-
-"Gij hebt een vader. Wilt gij een paar woorden van mij aan hem
-overbrengen?"
-
-"Hij is hier," zeide Louisa met angst. "Zal ik hem bij u brengen?"
-
-"Als het u belieft."
-
-Louisa kwam met haar vader terug. Hand in hand zagen beiden neer op
-het ernstige gelaat des lijders.
-
-"Mijnheer, gij zult mij zuiveren en mijn naam weder goed maken bij
-alle menschen. Dit laat ik aan u over."
-
-Mijnheer Gradgrind ontstelde en vroeg hoe.
-
-"Mijnheer," was het antwoord, "uw zoon zal u zeggen hoe. Vraag het
-hem. Ik beschuldig niemand; ik zeg er niets bij, geen enkel woord. Ik
-heb uw zoon op zekeren avond gezien en gesproken. Ik vraag niet
-meer dan dit: zuiver gij mij van de beschuldiging--en ik vertrouw,
-dat gij het doen zult."
-
-Daar de dragers nu gereed waren om hem op te nemen en de chirurgijn
-verlangde, dat hij zoo spoedig mogelijk vervoerd werd, plaatsten zij,
-die flambouwen of lantarens hadden, zich voor de draagbaar. Eer die
-werd opgenomen, en terwijl men schikkingen maakte hoe men gaan zou,
-zeide hij tot Rachel, terwijl hij naar de ster omhoog zag:
-
-"Dikwijls, als ik bij mij zelven kwam en haar mij zag beschijnen in
-mijn nood, dacht ik dat zij de ster was, die den weg wees naar het huis
-van onzen Zaligmaker. Ik denk haast, dat het dezelfde ster moet wezen."
-
-Zij namen hem nu op en hij verheugde zich dat men hem wegdroeg in de
-richting welke die ster scheen aan te wijzen.
-
-"Rachel, bemind meisje! Laat mijne hand niet los. Dezen avond mogen
-wij wel samen gaan, lieve!"
-
-"Ik zal uwe hand vasthouden en naast u blijven, Stephen, den geheelen
-weg."
-
-"God zegene u! Wil iemand zoo goed zijn om mijn gezicht toe te dekken?"
-
-Zij droegen hem zeer behoedzaam de velden door en de lanen langs,
-door de uitgestrekte vlakte; en Rachel hield steeds die hand in
-de hare. Zeer weinige gefluisterde woorden stoorden de treurige
-stilte. Spoedig was het een lijkstoet. De ster had hem gewezen
-waar den God der armen te vinden; en door nederigheid, droefheid en
-vergevensgezindheid was hij ingegaan tot de rust van zijn Verlosser.
-
-
-
-
-
-
-
-XXXV.
-
-DE HONDSVOT-JACHT.
-
-
-Eer nog de kring, die zich om de Oude Helschacht gevormd had, gebroken
-werd, was een dergenen, die binnen dezen kring waren toegelaten,
-verdwenen. Bounderby en Tom, die zijn patroon thans als zijne schaduw
-vergezelde, hadden niet bij Louisa gestaan, terwijl zij haar vader
-bij den arm vasthield, maar op een afstand ver van de anderen. Toen
-mijnheer Gradgrind naar den lijder werd geroepen, sloop Sissy,
-oplettend op al wat er gebeurde, achter Tom--wiens gezicht, waarop een
-angstig afgrijzen geteekend stond, een belangwekkend schouwspel zou
-geweest zijn, indien men oogen had gehad voor eenig ander schouwspel
-behalve dat eene--en fluisterde hem iets in het oor. Zonder zijn hoofd
-om te draaien, sprak hij eenige oogenblikken met haar en verdween
-toen. Aldus was de hondsvot reeds buiten den kring, eer deze zich
-begon te verspreiden.
-
-Toen de vader thuis kwam, zond hij eene boodschap naar Bounderby, om
-te verzoeken, dat zijn zoon terstond bij hem zou komen. Het antwoord
-was, dat Bounderby, daar hij Tom in het gedrang gemist en sedert niet
-weder gezien had, gemeend had dat hij zich op Stone Lodge bevond.
-
-"Ik geloof, vader," zeide Louisa, "dat hij van avond niet weder in
-de stad zal komen."
-
-Mijnheer Gradgrind keerde zich om en sprak geen woord meer.
-
-Des morgens ging hij zelf naar het kantoor, zoodra dit open was,
-en toen hij de plaats van zijn zoon ledig zag (hij had eerst haast
-den moed niet om binnen te kijken) ging hij de straat langs terug, om
-Bounderby op zijn weg daarheen te ontmoeten, en gaf dezen te kennen,
-dat hij het om redenen, die hij spoedig zou openbaren, maar dringend
-verzocht hem nu niet af te vragen, noodig had geacht zijn zoon voor
-korten tijd elders te plaatsen; en dat hij voorts belast was met de
-verplichting om de nagedachtenis van Stephen Blackpool te zuiveren en
-den dief bekend te maken. Mijnheer Bounderby, geheel verstomd, bleef,
-nadat zijn schoonvader hem verlaten had, stokstijf op de straat staan,
-zwellende als eene reusachtige zeepbel, maar lang zoo fraai niet.
-
-Mijnheer Gradgrind ging naar huis, sloot zich in zijne kamer op en
-bleef daar den geheelen dag. Toen Sissy en Louisa aan zijne deur
-klopten, zeide hij, zonder die te openen: "Nu niet, lieve kinderen,
-van avond." Toen zij des avonds terugkwamen, zeide hij: "Ik ben er nog
-niet toe in staat--morgen." Hij at den geheelen dag niets, en liet,
-toen het donker werd, geen licht komen; en zij hoorden hem tot laat
-in den nacht heen en weder stappen.
-
-In den ochtend kwam hij echter op het gewone uur aan het ontbijt en
-zette zich aan de tafel op zijne gewone plaats. Hij zag er verouderd
-en vervallen uit, en was geheel terneergebogen; en toch zag men het
-hem aan, dat hij een wijzer en beter man was, dan in de dagen toen
-hij in dit leven niets anders noodig had dan feiten. Eer hij de
-kamer verliet, bepaalde hij een tijd dat zij bij hem zouden komen;
-en zoo ging hij heen, met het grijze hoofd op de borst gezonken.
-
-"Lieve vader," zeide Louisa, toen zij bij hem waren gekomen, "gij hebt
-nog drie jonge kinderen over. Zij zullen anders worden, en ik zal met
-'s Hemels hulp ook nog anders worden."
-
-Zij reikte Sissy hare hand toe, alsof zij toonen wilde, dat zij
-daarbij ook op hare hulp rekende.
-
-"Uw rampzalige broeder!" zeide mijnheer Gradgrind. "Denkt gij, dat
-hij den diefstal reeds voorhad toen hij met u naar dat huis ging?"
-
-"Ik vrees van ja, vader. Ik weet, dat hij zeer om geld verlegen was
-en veel verteerd had."
-
-"En daar die arme man de stad zou verlaten, kwam het in zijne booze
-gedachten op, om de verdenking op hem te doen vallen?"
-
-"Ik geloof, dat het hem moet ingevallen zijn terwijl hij daar zat,
-vader; want ik had hem gevraagd om met mij daarheen te gaan. Dat
-bezoek was geen verzinsel van hem."
-
-"Hij had ook een gesprek met dien armen man. Nam hij hem ter zijde?"
-
-"Hij nam hem buiten de kamer. Ik vroeg hem naderhand waarom hij
-dat gedaan had, en hij gaf eene aannemelijke reden op; maar sedert
-gisteravond, vader, en als ik mij nu de omstandigheden herinner,
-vrees ik, dat ik mij maar al te goed kan verbeelden wat er tusschen
-hen is omgegaan."
-
-"Laat mij eens hooren," zeide haar vader, "of uwe gedachten uw
-schuldigen broeder in hetzelfde ongunstige licht plaatsen als de
-mijne."
-
-"Ik vrees, vader," antwoordde Louisa aarzelend, "dat hij Stephen
-Blackpool iets moet hebben wijs gemaakt, misschien in mijn naam iets
-beloofd, of in zijn eigen naam--dat den man bewoog om zonder eenig
-kwaad opzet en ter goeder trouw, te doen wat hij voorheen nog nooit
-gedaan had, en die twee of drie avonden, voordat hij de stad verliet,
-voor het kantoor te blijven heen en weer dwalen."
-
-"Maar al te duidelijk!" zeide haar vader. "Maar al te duidelijk!"
-
-Hij hield zijne hand voor zijn gezicht en zweeg eene poos. Zich toen
-herstellende, zeide hij:
-
-"En hoe is hij nu te vinden? Hoe is hij uit de handen van het gerecht
-te houden? Hoe zullen wij hem vinden, in de weinige uren, die ik met
-mogelijkheid kan laten verloopen eer ik de waarheid openbaar maak,
-en hoe zullen wij tegelijk zorgen, dat niemand anders hem vindt? Met
-geene tienduizend pond zou dat te doen zijn."
-
-"Sissy heeft het reeds gedaan, vader."
-
-Hij sloeg de oogen op naar de plek waar zij stond, als ware zij de
-goede fee in zijn huis, en zeide op een toon van weemoedige teederheid
-en dankbaarheid: "Altijd zijt gij het, mijn kind!"
-
-"Wij waren er al vroeger dan gisteren voor bevreesd," zeide Sissy,
-met een blik naar Louisa; "en toen ik u gisteravond bij de draagbaar
-zag komen en hoorde wat er gezegd werd (want ik bleef steeds dicht
-bij Rachel), ging ik naar hem toe, terwijl niemand het zag, en zeide:
-"Kijk niet naar mij om. Zie met wien uw vader spreekt. Neem terstond
-de vlucht, om zijn en uw eigen wil." Hij stond al te beven eer ik hem
-dit toefluisterde, en toen schrikte en beefde hij nog meer, en zeide:
-"Waar kan ik naar toe gaan? Ik heb maar heel weinig geld, en ik weet
-niet wie mij zal verbergen." Toen dacht ik aan het paardenspel,
-waar mijn vader in geweest is. Ik heb niet vergeten waar mijnheer
-Sleary in dezen tijd van het jaar heen gaat, en ik las pas voor kort
-van hem in eene courant. Ik zeide hem dus, spoedig daarheen te gaan,
-zijn naam te zeggen, en mijnheer Sleary te vragen om hem te verbergen
-totdat ik kwam. "Ik zal nog vóór den ochtend bij hem zijn," zeide hij;
-en ik zag hem tusschen de menschen heensluipen."
-
-"De Hemel zij gedankt!" riep zijn vader uit. "Hij kan dan nog het
-land uitgeholpen worden."
-
-Dit was te meer waarschijnlijk, omdat de stad, waarheen Sissy hem
-verwezen had, binnen de drie uren reizens van Liverpool was gelegen,
-van waar hij met allen spoed naar ieder gedeelte der wereld kon worden
-overgebracht. Maar dewijl men nu voorzichtig moest wezen in het houden
-van gemeenschap met hem--want met ieder uur steeg het gevaar, dat hij
-verdacht zou worden, en niemand kon weten of Bounderby zelf niet, in
-zijn bluffenden ijver voor het algemeene welzijn, eene Romeinsche rol
-zou willen spelen--werd er afgesproken, dat Sissy en Louisa zich langs
-een omweg alleen naar de bedoelde plaats zouden begeven, en dat de
-ongelukkige vader, eene geheel tegenovergestelde richting inslaande,
-zich langs een nog grooter omweg bij haar zou komen voegen. Verder
-werd er bepaald, dat mijnheer Gradgrind zich niet zelf aan Sleary
-zou vertoonen, uit vrees dat zijne oogmerken verkeerd begrepen zouden
-worden, of dat de tijding zijner komst zijn zoon opnieuw de vlucht zou
-doen nemen; maar dat het openen der onderhandeling aan Sissy en Louisa
-zou worden overgelaten, en dat deze den rampzalige, die de oorzaak van
-zooveel ellende en schande was, zouden onderrichten, dat zijn vader
-in de nabijheid was en met welk oogmerk zij gekomen waren. Toen deze
-beschikkingen wel overwogen en door alle drie ten volle begrepen waren,
-was het ook tijd om een begin met de uitvoering te gaan maken. Vroeg
-in den namiddag ging mijnheer Gradgrind van zijn huis af recht het
-land door naar een spoorwegstation, van waar hij verder zou reizen;
-en in den avond begaven de twee anderen zich naar een geheel anderen
-kant op weg, bemoedigd door de gedachte, dat zij geen gezicht gezien
-hadden, hetwelk haar bekend was.
-
-Zij reisden den geheelen nacht door, behalve wanneer zij voor zeker
-oneffen getal minuten op tusschenstations aan zijwegen werden gelaten,
-die boven aan eene eindelooze trap of beneden in een diepte waren
-gelegen--het eenige verschil tusschen die stations;--en vroeg in den
-morgen werden zij afgezet op een stuk drasland, een paar mijlen van de
-stad, die zij zochten. Van deze akelige plek werden zij verlost door
-een ruwen ouden postiljon, die toevallig vroeg op was, en met een
-paard en sjees aankwam; en zoo werden zij de stad binnengesmokkeld
-door al de achterstraatjes waar varkens woonden; een toegang die,
-hoewel niet zeer prachtig of welriekend, toch de gewone weg van een
-tusschenstation naar een landstadje is.
-
-Het eerste, wat zij bij het inkomen der stad zagen, was het geraamte
-van Sleary's paardenspel. De troep was naar eene andere stad, meer
-dan twintig mijlen ver, vertrokken, en had daar den vorigen avond
-reeds gespeeld. Het middel van gemeenschap tusschen de twee plaatsen
-bestond in een heuvelachtigen grindweg, en het bereizen van dien weg
-ging zeer langzaam. Schoon zij maar een haastig ontbijt gebruikten en
-geene rust namen (welke zij onder zulke beangstigende omstandigheden
-toch vruchteloos zouden gezocht hebben), was het middag eer zij de
-biljetten van Sleary's paardenspel op schuttingen en schuren aangeplakt
-vonden, en één uur voordat zij op de markt stilhielden.
-
-Eene groote ochtend-voorstelling der kunstrijders, die op dat uur zou
-beginnen, werd juist toen zij den eersten voetstap op de straatsteenen
-deden, door den stadsomroeper aangekondigd. Sissy gaf den raad, ten
-einde in de stad geene aandacht te trekken, om naar de deur van het
-spel te gaan en plaatsen te nemen. Indien Sleary daar zat om geld aan
-te nemen, zou hij haar zeker herkennen en met voorzichtigheid te werk
-gaan. Als hij daar niet was, zou hij haar zeker in het spel zien;
-en wetende, wat hij met den vluchteling gedaan had, zou hij ook dan
-met voorzichtigheid handelen.
-
-Zij begaven zich dus met angstig kloppende harten naar de nog
-welbekende tent. De vlag was er, en de gothieke nis was er; maar
-mijnheer Sleary was er niet. De jongeheer Kidderminster, die eigenlijk
-al te veel van den stal had overgenomen om door de welwillendste
-lichtgeloovigheid nog langer voor Cupido te worden aangezien, had
-zich naar de onweerstaanbare macht der omstandigheden (waaronder ook
-zijn baard) gevoegd, en als een man, die zich overal bruikbaar wist te
-maken, had hij bij deze gelegenheid het beheer over de schatkist--en
-ook nog eene trom bij de hand, waaraan hij zijne ledige oogenblikken
-en zijne overtollige kracht kon besteden. Door de nauwlettendheid,
-waarmede mijnheer Kidderminster, als hij deze betrekking waarnam,
-op de valsche munt toezag, die men hem somtijds in de handen wilde
-stoppen, had hij voor niets anders oogen dan voor het geld; aldus
-ging Sissy hem onopgemerkt voorbij en kwamen zij binnen.
-
-De keizer van Japan, op een oud en mak wit paard, met zwarte vlekken
-beschilderd, rondrijdende, liet vijf waschkommen tegelijk door de
-lucht draaien,--de geliefkoosde uitspanning van dien monarch. Sissy,
-schoon welbekend met zijn vorstelijk geslacht, had geene persoonlijke
-kennis aan den tegenwoordigen keizer, en zijne regeering bleef
-ongestoord. Miss Josephine Sleary, die haar vermaarden Tiroler
-Bloemendans zou uitvoeren, werd daarop door een nieuwen clown
-aangekondigd (die met schertsende geestigheid Bloemkooldans zeide)
-en door mijnheer Sleary binnengeleid.
-
-Nog pas één slag had mijnheer Sleary met zijne lange zweep naar den
-clown gedaan, en pas had de clown gezegd: "Als ge dat weer doet,
-zal ik je het paard naar den kop smijten!" toen Sissy door vader en
-dochter beiden herkend werd. Beiden bleven echter met de grootste
-zelfbeheersching in hunne rol; en behalve in het eerste oogenblik, was
-er in het beweeglijke oog van mijnheer Sleary niet meer uitdrukking
-te bespeuren dan in het daarop volgende. De voorstelling kwam
-Sissy en Louisa wel wat lang voor, inzonderheid toen zij gestaakt
-werd om den clown gelegenheid te geven aan mijnheer Sleary (die
-ieder gezegde op den bedaardst mogelijken toon met een: "Ei zoo,
-mijnheer!" beantwoordde, en gestadig het publiek in het oog hield)
-eene vertelling te doen van tweebeen, die op driebeen naar eenbeen
-zat te kijken, toen vierbeen aankwam en eenbeen pakte, en tweebeen
-opstond en driebeen opnam en hem naar vierbeen gooide, die met eenbeen
-weg liep. Want hoewel deze geestige allegorie betrekking had op een
-slager, een driestal, een hond en een schapebout, kostte dit verhaal
-wel wat veel tijd voor hun ongeduld. Eindelijk echter maakte de blonde
-Josephine onder een algemeen gejuich haar compliment; en de clown,
-alleen in de manege gebleven, had zich juist in de handen gewreven
-en gezegd: "Nu is het mijne beurt!" toen Sissy op haar schouder werd
-getikt en gewenkt om buiten te komen.
-
-Zij nam Louisa mede; en zij werden door mijnheer Sleary ontvangen in
-een zeer klein afzonderlijk vertrekje met een vloer van gras, wanden
-van zeildoek, en eene hellende zoldering, waarop een gedeelte van
-het publiek zijne goedkeuring stampte alsof het er doorheen zou komen.
-
-"Cecilia!" zeide mijnheer Sleary, die een glas brandewijn met water
-bij de hand had, "het doet mij goed, dat ik u zie. Gij zijt altijd
-een lieveling van ons geweest, en gij hebt ons sedert dien ouden
-tijd eer aangedaan, dat geloof ik zeker. Gij moet onze lieden zien,
-liefje, eer wij over zaken spreken, of het zal hun het hart breken,
-vooral de vrouwen. Daar is Josephine, die is nu met E. W. B. Childers
-getrouwd, en zij heeft een kleinen jongen, die pas drie jaar oud is,
-maar toch op elken hit blijft zitten dien men maar bij hem brengen
-kan. Hij heet het Kleine Wonder van Academische Rijkunst, en als
-gij bij Astley niet van dien jongen hoort, zult ge te Parijs van hem
-hooren. En gij zult Kidderminster nog wel kennen, die men dacht dat
-een oogje op u had? Wel, hij is ook getrouwd. Hij heeft eene weduwe
-genomen, oud genoeg om zijne moeder te zijn. Zij was op de stijve
-koord, maar nu kan ze niets meer, omdat ze te dik is. Zij hebben
-twee kinderen, en dus zijn wij goed voorzien van toovergodinnetjes en
-kleine wichtjes. Als ge onze Kinderen in het Bosch eens kondt zien,
-met hun vader en moeder, die allebei te paard sterven--hun oom, die
-ze als voogd onder zijne bescherming neemt, ook te paard--zij zelven,
-die braambessen gaan zoeken, ook te paard--en de roodborstjes, die hen
-met bladeren komen bedekken, ook te paard--dan zoudt ge zeggen, dat
-het ding zoo compleet was als ge ooit iets gezien had. Gij herinnert u
-Emma Gordon nog wel, liefje, die haast zoo goed als eene moeder voor u
-was? Natuurlijk doet gij het, dat behoef ik niet te vragen. Wel, Emma
-heeft haar man verloren. Hij deed een zwaren val van een olifant in
-eene soort van pagode als de Sultan van Indië, en dat is hij nooit te
-boven gekomen; zij is toen voor de tweede maal getrouwd--zij heeft een
-kaaskooper gekregen, die van de voorste bank af zin in haar kreeg--en
-die nu opzichter is van een werkhuis en fortuin maakt."
-
-Deze verschillende veranderingen verhaalde Sleary, die nu zeer
-kortademig was, met groote hartelijkheid en eene verwonderlijke
-soort van naïveteit, als men bedacht welk een veteraan in het
-brandewijn-drinken hij was. Naderhand bracht hij Josephine en
-E. W. B. Childers binnen (wiens wangen bij daglicht al vrij diepe
-plooien hadden) en ook het Kleine Wonder van Academische Rijkunst,
-kortom den geheelen troep. Vreemd zagen de vrouwen er in Louisa's
-oogen uit, zoo wit en rood van kleur, zoo karig gekleed en zoo gul
-met het vertoonen harer beenen; maar het was iets streelends te zien,
-hoe zij elkander om Sissy verdrongen, en zeer natuurlijk dat Sissy
-zich niet van tranen kon onthouden.
-
-"Komaan! Nu heeft Cecilia al de kinderen gezoend, en al de vrouwen
-omhelsd, en al de mannen de hand gegeven; maakt nu allen dat ge
-wegkomt, en laat de muziek beginnen voor de tweede afdeeling,"
-zeide Sleary.
-
-Zoodra de anderen weg waren, vervolgde hij zacht: "Nu, Cecilia, ik
-vraag naar geen geheim, maar ik geloof, dat ik deze dame toch voor
-de jongejuffrouw van den jonker mag houden?"
-
-"Dit is zijne zuster. Ja."
-
-"En de dochter van den anderen? Dat is wat ik meen. Ik hoop, dat ik
-u wél zie, juffrouw. En ik hoop, dat de jonker ook wel is?"
-
-"Mijn vader zal spoedig hier zijn," antwoordde Louisa, zeer verlangend
-om ter zake te komen. "Is mijn broeder veilig?"
-
-"Gezond en frisch," antwoordde hij. "Ik wilde u eens even naar de
-manege laten kijken, hier door de reet. Cecilia, gij kent het kunstje;
-zoek maar een kijkgaatje voor u zelf."
-
-Beiden tuurden door eene reet in de planken.
-
-"Dat is Jack de Reuzendooder--een comisch kinderstukje," zeide Sleary.
-
-"Dat is een huisje voor Jack, om in te kruipen, en dat is mijn clown
-met een potdeksel en een spit, als de knecht van Jack; en daar is
-kleine Jack zelf in eene prachtige wapenrusting; en daar zijn twee
-comische zwarte knechts, tweemaal zoo groot als het huisje, om er bij
-te staan en het binnen te brengen en weer weg te dragen; en de reus
-(van mandewerk, die mij veel geld gekost heeft) is er nog niet. Ziet
-gij ze allemaal?"
-
-"Ja," zeiden beiden.
-
-"Kijk nu nog eens," hervatte Sleary, "en kijk goed. Ziet gij ze
-allemaal? Heel goed! Nu, juffrouw," hij zette een bank voor haar om
-op te zitten, "ik heb mijne begrippen, en de jonker uw vader heeft
-de zijne. Ik behoef niet te weten wat uw broeder heeft uitgevoerd;
-het is beter zelfs, dat ik het niet weet. Al wat ik zeg is: de jonker
-heeft Cecilia bijgestaan, en ik sta den jonker bij. Uw broeder is
-een van die zwarte knechts."
-
-Louisa liet een uitroep hooren, half van schrik, half van blijdschap.
-
-"Zoo is het," zeide Sleary, "en zelfs nu gij het weet, zoudt ge hem
-niet kunnen aanwijzen. Laat de jonker maar komen. Ik zal uw broeder na
-de voorstelling hier houden. Ik zal hem zich niet laten verkleeden of
-de verf afwasschen. Laat de jonker dan na de voorstelling hier komen,
-of kom zelf hier; gij zult uw broeder hier vinden en de geheele tent
-hebben om hem te spreken. Gij moet er u niet aan storen hoe hij er
-uitziet, als hij maar goed verscholen is."
-
-Louisa bedankte mijnheer Sleary met een verruimd hart, en hield hem
-toen niet langer op. Zij gaf haar groet aan haar broeder, met oogen
-vol tranen, en ging toen met Sissy heen tot later in den namiddag.
-
-Mijnheer Gradgrind kwam een uur later aan. Ook hij had niemand ontmoet
-die hij kende, en hoopte nu zeker, dat hij zijn geschandvlekten
-zoon, met hulp van Sleary, in den nacht naar Liverpool zou kunnen
-krijgen. Daar geen van drieën hem kon vergezellen, zonder aanleiding te
-geven dat hij, hoezeer ook vermomd, ontdekt werd, schreef hij een brief
-aan een correspondent, wien hij vertrouwen kon, waarin hij verzocht om
-den brenger, wat het ook kosten mocht, naar Noord- of Zuid-Amerika,
-of eenig ander afgelegen werelddeel te zenden, waarheen hij maar op
-de spoedigste en heimelijkste manier kon verzonden worden. Nadat dit
-gedaan was, gingen zij rondwandelen om te wachten dat het paardenspel
-geheel ledig was; namelijk tot niet alleen de toeschouwers, maar
-ook de rijders en de paarden het ontruimd hadden. Eindelijk zag hij
-Sleary een stoel buiten brengen en bij de zijdeur gaan zitten rooken,
-als een teeken dat zij konden naderen.
-
-"Uw dienaar, jonker," was zijn voorzichtige groet toen zij
-binnengingen. "Als ge mij noodig hebt, zult ge mij hier vinden. Gij
-moet er u niet aan storen dat uw zoon eene comische livrei draagt."
-
-Zij gingen alle drie naar binnen; en mijnheer Gradgrind zette zich
-neerslachtig neer op het bankje van den clown in het midden der
-manege. Op een der achterste banken, veraf in het schemerende licht
-van die vreemde plaats, zat de ellendige hondsvot, ook nu nog stug
-en wrevelig, wien hij het verdriet had zijn zoon te moeten noemen.
-
-Daar zat hij, in een allerzotsten rok, naar dien van een kerkeknecht
-in groot kostuum gelijkende, met onbeschrijfelijk overdrevene panden
-en opslagen; met een vervaarlijk vest, korte broek, schoenen met
-gespen en een razenden steekhoed; met niets dat hem paste, en alles
-van grove stof, door de motten afgeknaagd en vol gaten; met strepen
-over zijn zwart gezicht, waar angst en warmte het vettige mengsel,
-waarmede het besmeerd was, had doen smelten. Iets zoo akeligs,
-verfoeielijks, belachelijks en schandelijks, als de hondsvot in zijne
-comische livrei, had mijnheer Gradgrind nooit mogelijk kunnen achten,
-indien hij het niet als een tastbaar feit voor zich had gezien. En
-een van zijne model-kinderen was zoover gekomen!
-
-In het eerst wilde de hondsvot niet naderbij komen, maar bleef
-hardnekkig daar omhoog zitten. Eindelijk toegevende, indien zulk een
-wrevelig gehoorzamen toegeven kon genoemd worden, aan de vriendelijke
-beden van Sissy--want Louisa wilde hij niet zien of hooren--kwam
-hij bank voor bank naar beneden, tot hij aan den uitersten rand der
-manege in het mulle zand stond, zoo ver mogelijk van de plek waar
-zijn vader zat.
-
-"Hoe is het er mee toegegaan?" vroeg zijn vader.
-
-"Waarmee toegegaan?" antwoordde de zoon met norsche neerslachtigheid.
-
-"Met dien diefstal," zeide de vader, bij dat woord zijn stem
-verheffende.
-
-"Ik opende de kist zelf in den avond en liet haar op eene reet staan
-toen ik heenging. Ik had den sleutel, die gevonden is, lang te voren
-laten maken. Ik liet hem dien ochtend daar vallen, om te doen denken,
-dat hij er voor gebruikt was. Ik nam het geld niet op eens. Ik hield
-mij elken avond alsof ik mijn overschot wegsloot, maar deed het
-niet. Nu weet gij alles."
-
-"Als een donderslag mij getroffen had," zeide de vader, "zou het mij
-minder ontzet hebben dan dit."
-
-"Ik zie niet in waarom," bromde de zoon. "Zooveel menschen worden in
-vertrouwde betrekkingen gebruikt; en zooveel van de zooveel zullen
-oneerlijk zijn. Ik heb er u honderdmaal van hooren praten, dat dit
-een regel was. Hoe kan ik tegen regels aan? Gij hebt anderen met
-zulke dingen getroost, vader. Troost u zelven nu."
-
-De vader verborg zijn gezicht in zijne handen, en de zoon stond in
-zijn schandelijk hansworstenpak op een strootje te bijten: zijne
-handen, waarvan het zwart aan den binnenkant half afgewreven was,
-geleken naar de handen van een aap. De avond naderde snel; en van tijd
-tot tijd keerde hij het wit zijner oogen met rusteloos ongeduld naar
-zijn vader. Die oogen waren het eenige van zijn gezicht, dat leven
-of uitdrukking vertoonde, zoo dik was de verf daarop gesmeerd.
-
-"Gij moet naar Liverpool worden geholpen en het land uitgezonden."
-
-"Dat zal wel moeten. Ik kan toch ergens anders niet ongelukkiger zijn
-dan ik hier geweest ben zoolang mij heugt," jankte de hondsvot. "Dat
-is één geluk."
-
-Mijnheer Gradgrind ging naar de deur en kwam met Sleary terug, aan
-wien hij de vraag voorstelde, hoe dat jammerlijke voorwerp uit den
-weg te helpen?
-
-"Wel, daarover heb ik al gedacht, jonker. Er is niet veel tijd te
-verliezen, maar gij moet toch ja of neen zeggen. Het is over de twintig
-mijlen naar den spoorweg. Over een half uur rijdt er een diligence,
-die de passagiers op den posttrein moet brengen. Die trein rijdt
-rechtdoor naar Liverpool."
-
-"Maar zie hem eens aan," zuchtte mijnheer Gradgrind. "Hoe..."
-
-"Ik meen niet dat hij met de comische livrei moet gaan," zeide
-Sleary. "Zeg het maar, en ik zal hem binnen vijf minuten uit onze
-garderobe tot een joskin maken."
-
-"Ik begrijp u niet," zeide mijnheer Gradgrind hierop.
-
-"Een joskin--een karreman. Neem spoedig uw besluit, jonker. Er moet
-nog bier gehaald worden. Ik heb nooit iets gevonden zoo goed als bier,
-om een geschilderden moor schoon te wasschen."
-
-Mijnheer Gradgrind gaf snel zijne toestemming; Sleary haalde even
-snel een linnen kiel, een vilten hoed en andere benoodigdheden uit
-eene kist; de hondsvot ging achter een scherm en verwisselde snel
-van kleederen; en Sleary haalde bier en wiesch hem snel weder blank.
-
-"Komaan," zeide Sleary, "ga nu maar mee naar de diligence, en spring
-achterop. Ik zal u brengen, en zij zullen denken dat gij een van
-mijn volk zijt. Zeg uwe familie nu vaarwel, en maak wat voort!" En
-daarmede was hij kiesch genoeg om zich te verwijderen.
-
-"Hier is uw brief," zeide mijnheer Gradgrind. "Alle noodige middelen
-zullen u verschaft worden. Vergoed door berouw en een beter gedrag
-het kwaad dat gij bedreven hebt en de schrikkelijke gevolgen waartoe
-het geleid heeft. Geef mij de hand, mijn arme jongen, en moge God u
-vergeven gelijk ik doe."
-
-De schuldige werd door deze woorden en hun hartroerenden toon tot
-eenige lafhartige tranen bewogen. Maar toen Louisa hare armen opende,
-stiet hij haar opnieuw terug.
-
-"Gij niet. Ik wil niets met u te maken hebben."
-
-"O, Tom, Tom, moet het zoo tusschen ons eindigen, na al mijne liefde?"
-
-"Na al uwe liefde?" herhaalde hij met onverzettelijke
-hardnekkigheid. "Mooie liefde! Ouden Bounderby los te laten, en mijn
-besten vriend, mijnheer Harthouse, van de hand te zenden, en naar huis
-te loopen, juist op den tijd dat ik in het grootste gevaar was. Mooie
-liefde! Alles uit te babbelen, ook dat wij te zamen daarnaar toe
-waren geweest, toen gij zaagt, dat ik hoe langer hoe meer in het net
-geraakte. Mooie liefde! Gij hebt mij zoo goed als overgeleverd. Gij
-hebt nooit om mij gegeven."
-
-"Maak wat voort!" riep Sleary bij de deur.
-
-Allen gingen verward naar buiten. Louisa zeide schreiende, dat zij hem
-vergaf en hem nog liefhad, en dat het hem eens spijten zou, dat hij
-haar zoo verlaten had, en dan blij zou zijn te kunnen denken, dat dit
-hare laatste woorden waren; toen er iemand hen tegenkwam. Mijnheer
-Gradgrind en Sissy, die beiden voor hen uit waren, terwijl zijne
-zuster hem nog bij den arm hield, bleven staan en deinsden terug.
-
-Want daar was Bitzer, geheel buiten adem, zijne dunne lippen
-opengesperd, zijne dunne neusgaten uitgezet, zijne witgehaarde oogleden
-trillende, zijn kleurloos gezicht nog kleurloozer dan ooit, alsof hij
-zich wit-gloeiend had geloopen, terwijl anderen zich rood-gloeiend
-loopen. Daar stond hij te hijgen, alsof hij nooit had stilgestaan
-sedert dien avond toen hij vroeger eens tegen hen was aangeloopen.
-
-"Het spijt mij dat ik verhindering in uw plan moet brengen," zeide
-Bitzer, zijn hoofd schuddende, "maar ik kan mij toch door geene
-paardrijders laten foppen. Ik moet den jongenheer Tom hebben; en geene
-paardrijders zullen hem weghelpen. Hier is hij in dien linnen kiel,
-en ik moet hem hebben."
-
-Hij greep hem bij den kraag en nam hem aldus in bezit.
-
-
-
-
-
-
-
-XXXVI.
-
-PHILOSOPHISCH.
-
-
-Zij gingen terug in de tent, en Sleary sloot de deur om indringers
-buiten te houden. Bitzer, die den van schrik verstijfden misdadiger
-nog bij den kraag hield, stond in de manege zijn ouden patroon in de
-schemering met knippende oogen aan te gluren.
-
-"Bitzer," zeide mijnheer Gradgrind, geheel verslagen en met jammerlijke
-onderdanigheid voor den kantoorknecht, "hebt gij een hart?"
-
-"De bloedsomloop, mijnheer," antwoordde Bitzer, glimlachende
-over het zonderlinge dier vraag, "zou zonder hart niet kunnen
-voortgaan. Niemand, mijnheer, die bekend is met de feiten aangaande
-den omloop van het bloed, welke Harvey heeft ontdekt, kan twijfelen
-of ik een hart heb."
-
-"Is het toegankelijk," riep mijnheer Gradgrind uit, "voor den invloed
-van het medelijden?"
-
-"Het is toegankelijk voor de rede, mijnheer," antwoordde de uitmuntende
-jonkman, "en voor niets anders."
-
-Zij stonden elkander aan te zien, mijnheer Gradgrind met een gezicht
-zoo wit als dat van zijn vervolger.
-
-"Welke reden kunt gij hebben om de vlucht van dezen rampzaligen
-jonkman te verhinderen," zeide hij, "en zijn ongelukkigen vader nog
-ongelukkiger te maken? Zie zijne zuster hier. Heb medelijden met ons!"
-
-"Mijnheer," antwoordde Bitzer op een droog redeneerenden toon,
-"daar gij mij vraagt, welke reden ik heb om den jongenheer Tom naar
-Coketown terug te brengen, is het niet meer dan redelijk, dat ik u
-die laat weten. Ik heb den jongenheer Tom van den beginne af van dien
-diefstal verdacht. Ik had hem al vóór dien tijd in het oog gehouden,
-want ik kende zijne manieren. Ik heb mijne waarnemingen voor mij
-zelven gehouden, maar ik heb ze toch gedaan; en ik heb nu overvloedige
-bewijzen tegen hem, behalve zijn wegloopen en behalve zijne eigene
-bekentenis, die ik juist bijtijds heb kunnen beluisteren. Ik heb het
-genoegen gehad van gisterochtend op uw huis te passen en u hierheen
-te volgen. Ik zal den jongenheer Tom nu naar Coketown terugbrengen,
-ten einde hem aan mijnheer Bounderby over te leveren; en ik twijfel
-niet, mijnheer, of mijnheer Bounderby zal mij dan tot de plaats van
-jongenheer Tom bevorderen; en ik verlang zijne plaats te hebben,
-mijnheer, omdat zij mij meer inkomen zal geven en mij dus voordeelig
-zal zijn."
-
-"Indien het alleen eene quaestie van eigenbelang bij u is," begon
-mijnheer Gradgrind.
-
-"Ik verzoek u verschooning, dat ik u in de rede val, mijnheer,"
-liet Bitzer hierop volgen; "maar gij weet zeker wel, dat het geheele
-maatschappelijke systeem eene quaestie van eigenbelang is. Iemands
-eigenbelang is datgene, waarop men altijd moet neerkomen. Dat is het
-eenige, waardoor men vat op hem heeft. Zoo zijn de menschen. Ik ben
-in dien catechismus onderwezen toen ik nog heel jong was, mijnheer,
-gelijk gij wel weet."
-
-"Welke som gelds," zeide mijnheer Gradgrind, "wilt gij tegen uwe
-verwachte bevordering stellen?"
-
-"Ik dank u wel, mijnheer," antwoordde Bitzer, "dat gij hiervan spreekt;
-maar ik wil er geheel geene som tegen stellen. Wel wetende, dat uw
-helder hoofd deze keus zou voorstellen, heb ik bij mij zelven de
-berekening gemaakt; en ik vind, dat over eene misdaad te accordeeren,
-zelfs voor eene zeer hooge som, niet zoo veilig en goed voor mij zou
-zijn als mijne verbeterde vooruitzichten aan het kantoor."
-
-"Bitzer," zeide mijnheer Gradgrind, zijne handen uitstrekkende, alsof
-hij wilde zeggen: zie, hoe ellendig ik ben! "Bitzer, ik heb nog maar
-ééne kans over om u te vermurwen. Gij zijt vele jaren op mijne school
-geweest. Indien de herinnering aan de zorg, die daar aan u besteed is,
-u eenigermate kan bewegen om uw tegenwoordig belang achter te stellen
-en mijn zoon los te laten, bid en smeek ik u om die herinnering voor
-hem te laten spreken."
-
-"Ik verwonder mij waarlijk, mijnheer," antwoordde de leerling op
-een stijven redeneertrant, "dat gij zulk eene onhoudbare positie
-aanneemt. Mijn schoolgaan werd betaald; het was een koop of accoord;
-en toen ik heenging, was het accoord uit."
-
-Het was een grondregel der Gradgrindsche philosophie, dat alles
-betaald moest worden. Niemand mocht ooit om de eene of andere reden
-iemand iets geven of eenige hulp bewijzen, zonder dat er voor betaald
-werd. Dankbaarheid moest afgeschaft worden, en alle deugden, die
-daaruit voortsproten, behoorden niet te bestaan. Elke duim lengte van
-het geheele aanzijn des menschdoms, van de geboorte tot aan den dood,
-moest een koop over eene toonbank zijn. En indien wij zóó niet in
-den hemel kwamen, dan wist men daar niets van de staathuishoudkunde,
-en hadden wij daar niets te maken.
-
-"Ik ontken niet, dat mijn schoolgaan goedkoop was," vervolgde
-Bitzer. "Maar dat doet aan de zaak niet af, mijnheer. Ik werd op de
-goedkoopste markt gevormd en moet mij zelven op de duurste verkoopen."
-
-Hij werd hier een weinig gehinderd door het schreien van Louisa
-en Sissy.
-
-"Och, doe dat niet," zeide hij; "het baat tot niets; het verveelt
-iemand maar. Gij schijnt te denken, dat ik vijandschap tegen den
-jongenheer Tom voed; maar dat is in 't geheel het geval niet. Ik ga
-hem maar, om de gegronde redenen die ik vermeld heb, naar Coketown
-terugbrengen. Als hij tegenstand mocht bieden, zou ik roepen: Houd
-den dief! Maar hij zal geen tegenstand bieden; daar kunt gij op aan."
-
-Mijnheer Sleary had met open mond naar deze wijsheid staan luisteren,
-zoo aandachtig, dat zijn rollend oog even onbeweeglijk vast in zijn
-hoofd stond als het strakke; nu echter trad hij voorwaarts.
-
-"Jonker," zeide hij, "gij weet heel wel, en uwe dochter weet ook heel
-wel (beter nog dan gij, omdat ik het haar gezegd heb), dat ik niet wist
-wat uw zoon gedaan had, en dat ik het niet wilde weten--ik zeide dat
-het beter was van neen, hoewel ik toen dacht, dat het maar een beetje
-rinkelrooien was. Maar nu die jonkman heeft bekend gemaakt dat het
-een diefstal in een kantoor is geweest, nu is het eene ernstige zaak,
-eene veel te ernstige zaak voor mij om te accordeeren, zooals die
-jonkman het heel mooi gezegd heeft. Bijgevolg, jonker, moet gij het
-niet kwalijk nemen als ik den kant van dien jonkman kies, en zeg dat
-hij gelijk heeft en dat er niet aan te doen is. Maar ik zal u zeggen
-wat ik doen wil, jonker; ik zal uw zoon en dezen jonkman zelf naar
-den spoorweg rijden, en zoo maken dat hier geen schandaal komt. Meer
-kan ik niet beloven, maar dat wil ik voor u doen."
-
-Louisa hief nieuwe jammerklachten aan en mijnheer Gradgrind verzonk
-nog dieper in zijn leed bij deze afvalligheid van hun laatsten
-vriend. Maar Sissy zag hem oplettend aan, en haar hart verstond hem
-niet verkeerd. Toen zij allen weder naar buiten gingen, begunstigde
-hij haar met een lonkje uit zijn beweeglijk oog, dat haar duidelijk
-verzocht wat achter te blijven, en toen hij de deur sloot, zeide hij
-met groote opgewondenheid:
-
-"De jonker heeft u bijgestaan, Cecilia, en ik zal den jonker
-bijstaan. Bovendien, die knaap is een verduivelde schelm, en hij
-behoort aan dien gemeenen blaaskaak, dien mijn volkje eens haast
-uit het venster had gesmeten. Het zal een donkere avond zijn. Ik heb
-een paard, dat alles geleerd heeft behalve spreken; ik heb een hit,
-die vijftien mijlen in het uur loopt, als Childers hem rijdt; en
-ik heb een hond, die iemand vier en twintig uren lang op de plek kan
-vasthouden. Maak dat gij een woordje met den jongen jonker spreekt. Zeg
-hem, als hij ziet dat ons paard begint te dansen, dat hij dan niet
-bang moet wezen voor omslaan, maar uitkijken of er geen sjees met
-een hit aankomt. Zeg hem, als hij die sjees dichtbij ziet, dat hij
-dan moet afspringen, en hij zal er mee wegrijden als de wind. Als
-mijn hond dien jonkman een voet laat verzetten, geef ik hem verlof
-om te gaan. En als mijn paard een duimbreed verder komt dan de plek
-waar het begint te dansen, al duurde het tot morgenochtend, dan ken
-ik het niet. Nu voortgemaakt!"
-
-Er werd zoo goed voortgemaakt, dat binnen tien minuten Childers, die
-op zijne pantoffels over de markt kuierde, wist wat hij te doen had,
-en Sleary's equipage gereed was. Het was een fraai gezicht, den hond
-blaffend om het rijtuig te zien springen, terwijl Sleary hem met zijn
-eenig daartoe bruikbaar oog onderrichtte, dat Bitzer het voorwerp
-zijner bijzondere oplettendheid moest wezen. Kort na het vallen van
-den donker stapten de drie in en reden voort, terwijl de geleerde hond
-(een geducht beest) Bitzer reeds met zijne oogen vasthield en dicht
-bij het wiel aan zijn kant bleef, om voor hem gereed te zijn indien
-hij de minste geneigdheid toonde om af te stappen.
-
-De andere drie bleven in de herberg den geheelen nacht in angstige
-spanning opzitten. Tegen acht uur in den ochtend kwamen Sleary en de
-hond de kamer in, beiden zeer vroolijk.
-
-"Alles klaar, jonker," zeide Sleary. "Uw zoon kan nu al aan boord van
-een schip wezen. Childers heeft hem gisteravond meegenomen, anderhalf
-uur nadat wij hier vandaan reden. Het paard danste de polka tot het
-dood af was (het zou gewalst hebben, als het niet ingespannen was
-geweest) en toen gaf ik het sein en ging het gerust slapen. Toen die
-verduivelde bleeke schelm zeide, dat hij te voet verder wilde gaan,
-hing de hond in eens aan zijne das met alle vier de pooten in de
-lucht, trok hem neer en rolde hem om en om. Hij kwam dus maar weer
-in het wagentje, en daar bleef hij zitten, tot ik van morgen half
-zeven het paard liet omkeeren."
-
-Mijnheer Gradgrind overstelpte hem natuurlijk met dankbetuigingen,
-en sprak ook met zooveel kieschheid als hem maar mogelijk was van
-eene ruime belooning in geld.
-
-"Ik zelf heb geen geld noodig, jonker," antwoordde Sleary, "maar
-Childers is een man met een huishouden, en als gij hem eene banknoot
-van vijf pond woudt presenteeren, zou dat misschien niet onaannemelijk
-zijn. Ook als gij een halsband voor den hond en een tuig met bellen
-voor het paard overhad, zou het mij groot pleizier doen. Brandewijn
-met water neem ik altijd aan."--Hij had reeds een glas genomen en
-bestelde er nu nog een.--"Als ge dacht dat het niet te veel was,
-jonker, een vroolijken maaltijd aan den geheelen troep te geven,
-tegen zoo wat drie en een halven schelling de persoon, behalve den
-drank, zouden zij er heel blij mee zijn."
-
-Al deze kleine bewijzen van dankbaarheid beloofde mijnheer Gradgrind
-zeer gewillig te zullen geven, hoewel hij ze veel te gering achtte,
-zeide hij, voor zulk een dienst.
-
-"Welnu, jonker, als ge dan soms eens een paardenspel eene besprokene
-representatie laat geven, wanneer ge kunt, zult ge de rekening meer
-dan effen maken. En nu, jonker, als uwe dochter het niet kwalijk neemt,
-zou ik tot afscheid gaarne een woordje met u alleen spreken."
-
-Louisa en Sissy gingen naar eene andere kamer; en mijnheer Sleary
-vervolgde, toen hij staande zijn glas omroerde en uitdronk:
-
-"Jonker, ik behoef u niet te zeggen, dat honden verwonderlijke
-beesten zijn."
-
-"Hun instinct is zeker verbazend," zeide mijnheer Gradgrind hierop.
-
-"Hoe gij het ook noemen wilt--en ik mag zalig wezen als ik weet hoe
-ik het moet noemen--het is verwonderlijk, hoe ver een hond u zal
-komen opzoeken en vinden."
-
-"Omdat zijn reuk zoo fijn is," zeide mijnheer Gradgrind.
-
-"Ik weet waarachtig niet hoe ik het noemen moet," hervatte Sleary;
-"maar eens is een hond mij komen opzoeken, jonker, op eene manier, die
-mij deed denken of die hond ook naar een anderen hond was gegaan en
-gezegd had: "Gij kent bijgeval niet een man die Sleary heet? Een man
-die Sleary heet en een paardenspel heeft--een dik man, met een raar
-oog?" En of die andere hond toen gezegd had: "Sleary, Sleary! O ja,
-wel zeker, een vriend van mij heeft mij eens van hem gesproken. Ik kan
-u terstond zijn adres bezorgen." Omdat ik zooveel voor het publiek
-kom en zooveel uitga, ziet ge, moeten er machtig veel honden zijn
-die mij kennen, jonker, dat weet ik."
-
-Mijnheer Gradgrind scheen door deze bespiegeling geheel van zijn
-stuk gebracht.
-
-"In allen gevalle," hervatte Sleary, nadat hij zijne lippen nog
-eens had bevochtigd, "het is nu veertien maanden geleden, jonker,
-dat we te Chester waren. Wij gaven op een ochtend juist onze
-Kinderen in het Bosch, toen er door de tooneeldeur een hond de
-manege kwam inloopen. Hij had ver geloopen, en was in heel slechten
-staat--kreupel en welhaast blind. Hij liep rond bij onze kinderen,
-de een na den ander, alsof hij naar een kind zocht dat hij kende;
-en toen kwam hij naar mij toe, gooide zich van achteren op en bleef
-op zijne voorpooten staan, zoo zwak als hij was; en toen kwispelde
-hij met zijn staart en stierf. Nu, jonker, die hond was Merrylegs."
-
-"De hond van Sissy's vader."
-
-"De oude hond van Cecilia's vader. Nu, jonker, kan ik er op zweren,
-want zoo ken ik dien hond, dat de man dood en begraven was, eer de hond
-naar mij ging zoeken. Josephine, Childers en ik hebben er lang over
-gepraat, of ik het schrijven zou of niet; maar wij dachten: "Neen! Er
-is niets pleizierigs te zeggen; waarom zouden wij haar onrustig en
-bedroefd maken?" Hoewel, of haar vader haar laaghartig verlaten heeft,
-of dat hij maar alleen van verdriet wilde sterven, liever dan haar
-mee in het graf te trekken, dat zal nooit bekend worden, jonker,
-voordat--neen, niet voordat wij weten hoe de honden ons opzoeken."
-
-"Zij bewaart tot nog toe het fleschje, waarom hij haar had uitgezonden;
-en zij zal tot het laatste oogenblik van haar leven aan zijne liefde
-gelooven," zeide mijnheer Gradgrind.
-
-"Dit schijnt iemand twee dingen in de gedachten te brengen, niet
-waar, jonker?" hervatte Sleary, peinzende, terwijl hij in de diepte
-van zijn glas keek; "vooreerst dat er toch liefde in de wereld is,
-niet alles eigenbelang, maar iets geheel anders; en ten tweede dat
-die liefde hare eigene manier van rekenen heeft, waaraan het, hoe
-het dan ook komen mag, ten minste even moeielijk is een naam te geven
-als aan die manier van denken."
-
-Mijnheer Gradgrind keek het venster uit en gaf geen antwoord. Sleary
-ledigde zijn glas en riep de dames weder binnen.
-
-"Cecilia, mijn liefje, geef mij nu een kus en vaarwel dan! Mevrouwtje,
-dat ik u haar zoo als eene zuster zie behandelen, en eene zuster,
-die gij met al uw hart vertrouwt en hoogacht, is een heel pleizierig
-gezicht voor mij. Ook hoop ik, dat uw broeder nog lang genoeg mag leven
-om u beter waardig te zijn en u tot meer blijdschap te wezen. Jonker,
-geef mij de hand, voor het eerst en het laatst! Wees niet kwaad op ons,
-arme landloopers. De menschen moeten geamuseerd worden. Zij kunnen
-niet altijd aan het leeren of aan het werken zijn; daarvoor zijn zij
-niet gemaakt. Gij moet ons hebben, jonker. Als ge dus doen wilt wat
-wijs en goed is tegelijk, denk dan het beste van ons en niet altijd
-het slechtste."
-
-"En ik had nooit gedacht," vervolgde Sleary, zijn hoofd weder
-binnenstekende om dit nog te zeggen, "dat ik zoo zou kunnen babbelen."
-
-
-
-
-
-
-
-XXXVII.
-
-BESLUIT.
-
-
-Het is gevaarlijk binnen den kring van een opgeblazen bluffer iets
-te zien, voordat die opgeblazene bluffer het zelf ziet. Mijnheer
-Bounderby begreep, dat mevrouw Sparsit zeer vermetel was geweest
-met hem voor te komen en wijzer te willen zijn dan hij. Ten
-uiterste op haar verontwaardigd over hare zegepralende ontdekking
-van juffrouw Pegler, keerde hij deze verwatenheid van eene vrouw
-in hare afhankelijke betrekking zoo lang in zijne gedachten om en
-om, tot zij gelijk een sneeuwbal door dit omwentelen hoe langer hoe
-grooter was geworden. Eindelijk kwam hij tot de ontdekking, dat hij,
-als hij deze aanzienlijk geparenteerde dame haar afscheid gaf--als hij
-het in zijn macht had om te zeggen: "Zij was eene vrouw van familie
-en wilde zich aan mij opdringen, maar dat wilde ik niet hebben en ik
-maakte mij van haar af"--de grootst mogelijke mate van glans uit die
-betrekking zou halen, en mevrouw Sparsit tegelijk de straf geven,
-die zij verdiend had.
-
-Voller dan ooit van dit groote denkbeeld, kwam mijnheer Bounderby
-binnen om zijn twaalfuurtje te gebruiken, en zette zich in de eetzaal
-van vroeger tijd, waar zijn portret hing. Mevrouw Sparsit zat bij het
-vuur, met den voet in haar katoenen stijgbeugel, weinig denkende waar
-zij heen reed.
-
-Sedert het gebeurde met juffrouw Pegler had de goede vrouw haar
-medelijden voor mijnheer Bounderby met een sluier van stille
-berouwvolle treurigheid bedekt. Om die reden had zij zich een
-jammervollen blik aangewend; en met dezen jammervollen blik zag zij
-nu haar beschermer aan.
-
-"Wat scheelt er nu aan, juffrouw?" zeide Bounderby, op een zeer korten
-en barschen toon.
-
-"Wat ik u bidden mag, mijnheer," antwoordde mevrouw Sparsit, "bijt
-mijn neus niet af."
-
-"Uw neus afbijten, juffrouw?" herhaalde Bounderby. "Uw neus!" daarmede
-meenende, gelijk mevrouw Sparsit begreep, dat haar neus daartoe veel
-te groot was. En na dezen hatelijken schimpscheut sneed hij een stuk
-brood voor zich af en smeet het mes met een slag op de tafel.
-
-Mevrouw Sparsit haalde haar voet uit den stijgbeugel en zeide:
-"Mijnheer Bounderby!"
-
-"Wel, juffrouw?" antwoordde Bounderby. "Waar kijkt ge zoo verbaasd
-van op?"
-
-"Mag ik vragen, mijnheer," zeide mevrouw Sparsit: "heeft iets u van
-morgen verstoord?"
-
-"Ja, juffrouw."
-
-"Mag ik weten, mijnheer," hernam de verongelijkte dame, "of ik de
-ongelukkige oorzaak ben, dat gij uit uw humeur zijt geraakt?"
-
-"Ik zal u eens wat zeggen, juffrouw," antwoordde Bounderby. "Ik ben
-niet hier gekomen om mij te laten overbluffen. Eene dame mag van
-aanzienlijke familie zijn, maar het past haar toch niet een man als
-ik ben te sarren en te plagen en ik wil dat niet velen." Bounderby
-gevoelde, dat het noodig was ter zake te komen, daar hij voorzag,
-dat hij uit het veld geslagen zou worden als hij in voorloopige
-bijzonderheden trad.
-
-Mevrouw Sparsit trok hare donkere wenkbrauwen eerst naar omhoog en
-toen naar omlaag, pakte haar werk in haar mandje en stond op.
-
-"Mijnheer," zeide zij statig, "het komt mij voor, dat ik u op het
-oogenblik in den weg ben. Ik zal mij naar mijn eigen vertrek begeven."
-
-"Laat ik de deur voor u opendoen, juffrouw."
-
-"Verplicht, mijnheer, dat kan ik zelf wel."
-
-"Laat het mij liever doen, juffrouw," zeide Bounderby, haar
-voorbijstappende en zijne hand aan de kruk slaande, "omdat ik dan
-de gelegenheid kan waarnemen om u nog een woordje te zeggen, eer gij
-heengaat. Mevrouw Sparsit, ik geloof eenigszins, dat het u te bekrompen
-is, weet ge dat wel? Het komt mij voor, dat er onder mijn nederig dak
-bezwaarlijk ruimte genoeg is voor eene dame van uwe talenten voor de
-zaken van anderen."
-
-Mevrouw Sparsit wierp hem een blik van de diepste verachting toe,
-en zeide met groote beleefdheid: "Inderdaad, mijnheer?"
-
-"Ik heb er over gedacht, ziet ge, sedert die laatste zaken gebeurd
-zijn, juffrouw," zeide Bounderby, "en het komt mij voor, zoover mijn
-gering oordeel reikt..."
-
-"O, mijnheer!" viel mevrouw Sparsit er met schertsende vroolijkheid op
-in, "verklein uw oordeel niet. Iedereen weet hoe onbedrieglijk mijnheer
-Bounderby's oordeel is. Iedereen heeft bewijzen daarvan gehad. Het
-moet een algemeen onderwerp van gesprek zijn. Verklein alles van u
-zelven, behalve uw oordeel, mijnheer," zeide mevrouw Sparsit lachende.
-
-Mijnheer Bounderby hervatte, zeer rood en ongemakkelijk: "Het komt
-mij voor, juffrouw, zeg ik, dat het een geheel ander soort van
-huishouden zou moeten zijn, waarin eene dame van uwe vermogens zou
-kunnen uitblinken. Zulk een huishouden als dat van uw tante, Lady
-Scadgers, bij voorbeeld. Denkt gij niet, juffrouw, dat gij daar meer
-zaken zoudt vinden om u mede te bemoeien?"
-
-"Het is mij nog nooit ingevallen, mijnheer," antwoordde mevrouw
-Sparsit, "maar nu gij er van spreekt, zou ik het zeer waarschijnlijk
-achten."
-
-"Als gij het dan eens gingt probeeren, juffrouw," zeide Bounderby
-terwijl hij een papiertje met een kassiersbriefje er in op haar
-werkmandje legde. "Gij hebt den tijd aan u zelve om heen te gaan,
-juffrouw; maar misschien zal het intusschen eene dame van uwe
-geestvermogens aangenamer zijn alleen te eten, zonder door iemand
-gehinderd te worden. Ik moest u waarlijk verschooning verzoeken,
-dat ik, die niets meer dan Josiah Bounderby van Coketown ben, u zoo
-lang in het licht heb gestaan."
-
-"O, gij behoeft u daarover niet te verschoonen, mijnheer," antwoordde
-mevrouw Sparsit. "Als dat portret spreken kon, mijnheer--maar het
-heeft dàt voorrecht boven het origineel, dat het niet in staat is
-zich zelven ten toon te stellen en anderen te doen walgen--zou het
-getuigen, dat het reeds lang geleden is sedert ik het eerst gewoon
-werd het aan te spreken als het portret van een domkop. Niets, dat een
-domkop doet, kan iemands verwondering of verontwaardiging opwekken;
-de bedrijven van een domkop kunnen alleen verachting inboezemen."
-
-Zoo sprekende, bekeek mevrouw Sparsit, welker Romeinsche trekken nu
-naar een medaille geleken, geslagen ter vereeuwiging harer minachting
-voor mijnheer Bounderby, hem met een strakken blik van het hoofd
-tot de voeten, streek hem toen met afgewende oogen voorbij, en ging
-naar boven. Mijnheer Bounderby sloot de deur en bleef voor het vuur
-staan. Zoo staande, verplaatste hij zich met zijne gewone onstuimigheid
-in het karakter van zijn portret--en in de toekomst.
-
-Hoeveel zag hij van de toekomst? Hij zag mevrouw Sparsit een
-dagelijksch kampgevecht houden, waarbij al de scherpste wapenen van het
-vrouwelijk arsenaal gebruikt werden tegen de gemelijke, wangunstige,
-plaagzieke Lady Scadgers, altijd bedlegerig met haar geheimzinnig been,
-steeds aan het einde van haar ontoereikend inkomen in het midden van
-ieder vierendeeljaars, in een armoedig, benauwd kamertje, dat voor één
-persoon een hokje, voor twee nog minder was. Maar zag hij meer? Zag
-hij ook een zweem van zich zelven, gelijk hij voor vreemdelingen
-met Bitzer praalde, als de veelbelovende jonkman, zoo vol eerbied
-voor de groote verdiensten van zijn meester, die de plaats van den
-jongen Tom had gekregen, en bijna den jongen Tom zelven had gepakt,
-indien hij niet door een troep schelmen was voortgeholpen? Zag hij
-een flauwen weerschijn van zijn eigen beeld gelijk hij een pronkend
-testament maakte, volgens hetwelk vijf en twintig snoevers boven de
-vijf en vijftig jaren, die ieder den naam van Josiah Bounderby van
-Coketown zouden aannemen, ten eeuwigen dage in het Bounderby-gesticht
-zouden wonen en eten, ten eeuwigen dage onder het gehoor van den
-vasten kapelaan in slaap vallen, ten eeuwigen dage uit de stichting
-van Bounderby zouden onderhouden worden, en ten eeuwigen dage alle
-gezonde magen door een Bounderby-achtig bluffen en bulderen zouden doen
-walgen? Had hij eenige voorwetenschap van den dag, vijf jaren later,
-waarop Josiah Bounderby van Coketown, te Coketown op straat aan een
-beroerte zou sterven, en dat heerlijke testament zijne lange loopbaan
-van haarklooverij, valschheid, inhaligheid, slechte voorbeelden,
-weinig nut en veel geprocedeer, zou beginnen? Waarschijnlijk niet. Het
-portret zou het evenwel alles aanzien.
-
-Mijnheer Gradgrind zat op denzelfden dag en hetzelfde uur peinzend
-in zijne kamer. Hoeveel van de toekomst zag hij? Zag hij zich zelven,
-als een zwakkelijk grijsaard, terwijl hij zijne tot nog toe onbuigzame
-theorieën naar de omstandigheden leerde voegen; zijne feiten en cijfers
-aan geloof, hoop en liefde dienstbaar maakte, en niet langer beproefde
-dat hemelsche drietal in zijne stofferige molentjes te vermalen? Zag
-hij zich zelven om die reden in diepe minachting bij zijne vroegere
-politieke medebroeders vervallen? Zag hij deze heeren in den tijd
-toen het volkomen was vastgesteld, dat de nationale aschlieden alleen
-met elkander te doen hadden, en niets verschuldigd waren aan dat
-afgetrokkene denkbeeld, dat men het volk noemt, vijf nachten in de
-week, tot laat na middernacht, hun voormaligen medewerker dit en dat
-en allerlei voor de voeten werpen? Waarschijnlijk zag hij dit wel
-vooruit, daar hij zijne menschen kende.
-
-In den avond van denzelfden dag zat Louisa, gelijk in vroegere dagen,
-hoewel met een gezicht dat meer zachtheid en nederigheid teekende,
-in het vuur te staren. Hoeveel van de toekomst kon er voor hare
-verbeelding oprijzen? Aanplakbiljetten op de straat, met haar vaders
-naam onderteekend, waardoor de nu overleden Stephen Blackpool van
-ongegronde verdenkingen werd ontheven, en de schuld van zijn eigen
-zoon werd bekend gemaakt, met al de verschooningen, die zijne jaren
-en de verzoeking (hij kon er niet toe komen om er bij te voegen,
-zijne opvoeding) voor hem konden aanvoeren?--Dit behoorde tot het
-tegenwoordige. Zóó bijkans ook Stephen Blackpool's grafzerk, met een
-door haar vader gesteld opschrift, want zij wist, dat die steen daar
-geplaatst zou worden. Deze dingen kon zij duidelijk zien. Maar hoeveel
-van de toekomst?
-
-Eene vrouw uit de arbeidende klasse, Rachel gedoopt, die na eene
-lange ziekte op het luiden der werkklok te voorschijn kwam en op vaste
-uren onder de werkers en werksters heen en weder ging; eene vrouw van
-ernstige schoonheid, altijd in het zwart gekleed, maar zachtzinnig en
-opgeruimd, blijmoedig zelfs, die, onder de geheele bevolking der stad,
-alleen medelijden scheen te hebben met een diepgezonken wezen van hare
-eigene sekse, dat men somtijds heimelijk bij haar zag komen bedelen
-en jammeren; eene vrouw die werkte, altijd werkte, maar daarmede
-tevreden was en het boven ledigheid verkoos, als hare natuurlijke
-bestemming, totdat zij te oud zou worden om te werken? Zag Louisa
-dit? Zulke dingen waren zeker aanstaande.
-
-Een eenzame broeder, vele duizend mijlen ver, die op een met tranen
-gevlekt papier schreef, dat hare woorden maar al te spoedig bewaarheid
-waren geworden, en dat al de schatten der wereld een geringe prijs
-zouden zijn om haar dierbaar gelaat nog eens te zien? Eindelijk, die
-broeder, in de hoop van haar weder te zien, nader bij huis komende
-en door ziekte onderweg opgehouden; en dan een brief van eene vreemde
-hand, met de tijding: "Hij stierf in het hospitaal aan de koorts, en
-hij stierf vol berouw en liefde voor u; want zijn laatste woord was
-uw naam." Zag Louisa deze dingen? Zulke dingen waren ook aanstaande.
-
-Zich zelve weder als vrouw--als moeder--liefderijk wakende over hare
-kinderen, altijd zorgvuldig dat zij niet minder eene kindsheid van
-gemoed dan eene kindsheid van het lichaam zouden hebben, daar zij
-wist dat de eerste zelfs iets nog schooners was dan de tweede,--eene
-bezitting, waarvan een opgespaard overblijfseltje zelfs voor den
-wijzen, bejaarden man een zegen en een geluk is. Zag Louisa dit? Zoo
-iets was nimmer te wachten.
-
-Maar die gelukkige kinderen der gelukkige Sissy, die haar liefhadden,
-gelijk alle kinderen haar liefhadden; zij zelve, geleerd geworden
-in kinderlijke wetenschap; geen onschuldig spel der verbeelding
-verachtelijk noemende; steeds haar best doende om hare medemenschen
-van nederiger stand te leeren kennen en hun leven van machinerie en
-prozaïsche werkelijkheid te vervroolijken met die genietingen en
-sieraden van geest en gemoed, zonder welke het hart der kindsheid
-verwelken moet, de krachtigste mannelijke leeftijd in een zedelijk
-opzicht een machtelooze dood is, en de nationale welvaart, die door
-cijfers wordt aangetoond, slechts het geschrift aan den muur zal
-wezen;--zij zelve aan zulk een leven gewijd, niet gebonden door
-eene grillige gelofte, door een broeder- of zusterschap, of door
-een maskeradekleed of een theatralen toestel; maar het eenvoudig de
-vervulling achtende van een plicht, waaraan zij zich niet onttrekken
-mocht--zag Louisa deze dingen van zich zelve? Zulke dingen waren
-zeker aanstaande.
-
-Waarde lezer, het zal van u en mij afhangen, of in onzen verschillenden
-werkkring dergelijke dingen aanstaande zijn of niet! Mochten zij
-het zijn! Wij zullen dan met ruimere borst bij den haard zitten,
-om de vonken van ons vuur in grauwe, koude asch te zien veranderen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-AANTEEKENING
-
-
-[1] For better, for worse, letterlijk: voor beter of voor erger;
-woorden uit het huwelijks-formulier. Vert.
-
-
-
-
-
-
-End of the Project Gutenberg EBook of Slechte Tijden, by Charles Dickens
-
-*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK SLECHTE TIJDEN ***
-
-***** This file should be named 50771-8.txt or 50771-8.zip *****
-This and all associated files of various formats will be found in:
- http://www.gutenberg.org/5/0/7/7/50771/
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg.
-
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
-States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive
-specific permission. If you do not charge anything for copies of this
-eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook
-for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports,
-performances and research. They may be modified and printed and given
-away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks
-not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the
-trademark license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country outside the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you'll have to check the laws of the country where you
- are located before using this ebook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm web site
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The
-Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm
-trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org Section 3. Information about the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the
-mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its
-volunteers and employees are scattered throughout numerous
-locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt
-Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to
-date contact information can be found at the Foundation's web site and
-official page at www.gutenberg.org/contact
-
-For additional contact information:
-
- Dr. Gregory B. Newby
- Chief Executive and Director
- gbnewby@pglaf.org
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
-spread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works.
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our Web site which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
-