summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/47812-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old/47812-0.txt')
-rw-r--r--old/47812-0.txt2145
1 files changed, 2145 insertions, 0 deletions
diff --git a/old/47812-0.txt b/old/47812-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..8a4813a
--- /dev/null
+++ b/old/47812-0.txt
@@ -0,0 +1,2145 @@
+The Project Gutenberg EBook of Guustje en Zieneken, by Cyriel Buysse
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
+other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
+whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of
+the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
+www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have
+to check the laws of the country where you are located before using this ebook.
+
+
+
+Title: Guustje en Zieneken
+ Schetsen uit het boerenleven
+
+Author: Cyriel Buysse
+
+Release Date: January 3, 2015 [EBook #47812]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: UTF-8
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK GUUSTJE EN ZIENEKEN ***
+
+
+
+
+Produced by Johan Boelaert
+
+
+
+
+GUUSTJE EN ZIENEKEN
+SCHETSEN UIT HET BOERENLEVEN
+door
+CYRIEL BUYSSE
+
+[Illustratie]
+
+GENT
+ALGEMEENE BOEKHANDEL VAN AD. HOSTE UITGEVER
+VELDSTRAAT 49
+
+1887
+
+
+GUUSTJE EN ZIENEKEN.
+SCHETSEN UIT HET BOERENLEVEN.
+
+
+
+
+I.
+
+DE KERMIS VAN ONDERDAELE.
+
+
+"Eiwel?"
+
+Dit was nu zeker al... hoeveel...?... al wel de derde maal op dien
+septembermorgen, dat boer De Vliegher, van achter 't houten schutsel
+het hoofd in zijne keuken stekend, Zieneken, zijn lief en jeugdig
+nichtje, dat vóór het kleingeruite venster zat te naaien, aldus met
+half verwonderden, half aanmoedigenden glimlach toesprak. Maar
+ditmaal trad hij ten volle binnen, zette zijne glanzende, net
+afgeveegde spade in den hoek tegen het schutsel, deed zijne klompen
+uit, waarin hij barrevoets ging, en kwam, zijne broekbanden lossend,
+gelijk iemand die zich bereidt van kleeding te veranderen, vóór
+'t meisje slaan, met zijne ondervraging op 't gelaat, wel besloten,
+naar het scheen, ditmaal een voldoende en beslissend antwoord te
+bekomen.
+
+Bij die zoo eenvoudige vraag was schielijk een sterke blos op
+'s meisjes aangezicht verschenen en blijkbaar was zij er door
+ontroerd, want even twijfelachtig en bedeesd als haren glimlach klonk
+ook al voor de derde maal haar antwoord:
+
+"Wel, nonkel, ik weet niet; mijne plaats is daar niet, ik herhaal
+het, ik heb die menschen nooit gezien, ik ken ze niet." De oude boer
+glimlachte stil en schudde 't hoofd, als kon hij zulke
+wederspannigheid niet begrijpen en wellicht ging hij op nieuw
+aandringen, toen het binnenkomen van een derden persoon de woorden
+op zijne lippen tegenhield.
+
+Mochten de kleuren, die eerst des lieven meisjes wangen verfden,
+rozen heten, thans verdienden deze, door die verschijning schielijk
+te weeg gebracht, wel den naam van pioenen.
+
+Het was een jongeling van rond de vijf en twintig, groot en kloek,
+gezond van kleur, met open, glimlachend en toch ietwat bedeesd
+gelaat, een dier jonge Vlaamsche boeren, in wier gansch voorkomen
+als het ware iets van den blonden, milden grond doorstraalt, op
+welken zij zijn groot gekweekt. Hij was geheel in 't zwart gekleed,
+meteen gouden horlogeketting in de ondervest en droeg een klein,
+rond hoedje, immers op zijn uiterst best[1], een onloochenbaar
+bewijs dat hij was uitgedost voor eene uitvaart of eene kermis, die
+beide groote plechtigheden van het boerenleven, voor welke dezelfde
+kleeding, dezelfde gebruiken en vooral dezelfde lust om zich eens
+wel te vermaken worden aangewend.
+
+Thans echter scheen hij onder den slag eener diepe verbazing;
+nauwelijks had hij bij het binnentreden het geijkte: "Is er geen
+belet?" geuit en "Elk 'ne goên dag!" gewenscht, of hij was roerloos
+op Zieneken en op hare alledaagsche kleeding blijven staren, en,
+evenals De Vliegher, met de ondervraging "Eiwel?" die hier een
+ganschen toestand scheen samen te vatten, dringend vooruitgekomen.
+
+1 Paaschbest.
+
+Het meisje boog beschaamd het hoofd, met eene uitdrukking, die
+tevens voor treurig en misnoegd kon doorgaan, en nog eens meer viel
+haar hetzelfde besluiteloos antwoord van de lippen: "Och, ik weet
+niet, ik geef er niet om, ik zou liever thuis blijven." Ongetwijfeld
+kon, of wilde zij de ware reden niet uitbrengen.
+
+De jongman scheen verslagen.
+
+"Ei maar, Zieneken!" sprak hij schier smeekend tot het meisje
+naderend, dat nu ernstig door het venster keek; "'t was immers al
+geschikt, en Siednie[1] staat alreeds gekleed en ik ga seffens gaan
+inspannen."
+
+Zieneken aarzelde. "Ja, 't is waar, Guustje," sprak zij, "maar..."
+en zweeg weerom.
+
+De oude boer, wien een fijnen glimlach om den mond speelde, bekeek
+strak en sprakeloos de beide jongelieden.
+
+Het is somtijds genoeg iemand op ernstigen toon van een besluit
+terug te willen brengen, om hem, al voelde hij zelfs inwendig lust
+van uwen zin te wezen, uit een gevoel van valsche schaamte in zijne
+eerste meening te doen volharden. Ook voldoende is soms eene van
+pas, door een in de zaak niet betrokken persoon uitgebrachte klucht,
+om den wederspannige het belachelijke zijner houding te toonen en
+zijnen weerstand, tegen welken de rede onmachtig bleef, te
+overwinnen. Het was de barbier van den wijk, tevens houtzager en
+herbergier, die, binnentredend om boer De Vliegher te scheren en met
+het geschil bekend gemaakt, door een grappig voorstel 's meisjes
+aarzelingen wist van kant te schuiven.
+
+1 Sidonie.
+
+"Ha! Zieneken heeft geenen lust naar Onderdaele-kermis meê gaan,"
+schertste hij, het meisje schalks aanschouwend; "wel, dat geeft
+niet, dat zij haren onkel schere, 'k zal ik in hare plaats meegaan."
+En terwijl de aanwezigen in een gullen lach schoten, legde hij
+grimmend zijn koperen scheerbekken, met het wit en blauw geruite
+doek en de schaarzen er boven, op haren schoot neder.
+
+Zieneken was overwonnen; zij kon zich niet houden van ook luidop te
+lachen bij de gedachte dat zij haren oom zou scheren. Ja, zij zou
+meegaan, aangezien men het toch volstrekt wilde en al vond zij het
+toch zoo zonderling, bij menschen, die zij nog nooit had gezien,
+naar de kermis te gaan. En, terwijl de jonge boer verrukt
+heenstapte, zeggende dat hij binnen een kwartiertje met zijne chees
+terug zou zijn, en de barbier op zijne ruwe en verweerde hand het
+schaars, waarmede hij boer De Vliegher scheren wou, begon te wetten,
+trok Zieneken naar haar slaapkamertje nevens de keuken, om er zich
+aan te kleeden.
+
+Gaan wij met haar in het plekje maar mede, en vernemen wij ook eens
+wie dat Zieneken was en waarom zij eerst zoo ongraag naar
+Onderdaele-kermis scheen te willen medegaan.
+
+Zij was achttien jaar oud. Eenig kind van welstellende boeren,
+teederlijk bemind door hare ouders, lief en gezond, schenen haar het
+leven en de toekomst aan te lachen, toen eensklaps het onheil onder
+eene verschrikkelijke gedaante op haar huisgezin gevallen was. Hare
+ouders hadden nagenoeg al hun gewonnen geld op de bank van
+Langrand-Dumonceau geplaatst. Het springen dezer bank, die bijna
+algemeene ramp voor 't dweepzuchtige Vlaanderen, bracht plotselings
+hunnen ondergang te weeg. Haar vader kon zich in dit ongeluk niet stellen,
+hij stierf; hare moeder, door deze beide ruwe slagen onherstelbaar
+terneêrgedrukt, volgde hem weldra in 't graf, en zij, het ongelukkig
+weeskind, bleef alleen, zonder ondersteuning, zonder nog andere
+verwanten op aarde dan haar voogd en vaders broeder, haar ouden oom
+De Vliegher. Deze, gelukkiglijk tot het diepste medelijden voor zijn
+nichtje bewogen, had haar met vaderlijke teederheid onder zijne
+bescherming genomen, alles wat zij nog bezat doen veilen, en haar
+met de enkele duizenden franken, die zij er nog uittrok, bij hem, te
+Meerhem, op zijn klein pachthofje laten inwonen.
+
+Somber en treurig verliepen daar echter voor Zieneken de eerste
+tijden, hoezeer de oude boer en zijne oude meid Marie zich ook
+beijverden om hare droefheid te verzachten. De mindere bedrijvigheid
+van het klein pachthofje, de verandering van woonst en omgeving,
+zoowel als de treurigheid der korte winterdagen, onderhielden lang,
+in de droevige stemming van haar gemoed, de smart van het
+onherstelbaar verlies, dat zij had ondergaan.
+
+Nochtans er komt een einde aan de hevigheid der smart. De
+lijdenskracht van den mensch is niet zonder palen; als het oog is
+uitgeweend, de boezem uitgezucht, komt er een oogenblik van
+bewustloozen stilstand en keert allengs, als bij lichamelijke
+genezing, het gemoed tot zijn natuurlijken staat terug.
+
+Als zulke stond voor Zieneken gekomen was, begon zij, tot groote
+vreugd van haren oom, op de hoeve alles wat ter harte te nemen,
+zooals zij bij hare ouders deed, en, naarmate hare bezigheden heur
+verdriet verstrooiden, daalde ook, met een stil gevoel van
+onderwerping, een zachte vrede in heur hart terug. Weldra zag men
+hare verbleekte wangen met een lichten blos kleuren, een flauwen
+straal herleven in heur uitgedoofde oog, en haar verzwakte lichaam
+weêrom de rondheid en de veerkracht van de frissche jeugd bekomen.
+
+Toen ook begon zij eerst met hare geburen zoo wat kennis te maken.
+Deze waren niet talrijk; oom De Vliegher's koeplaats stond op een
+afgelegen wijkje van het dorp en, behalve enkele werkmanshuisjes,
+die hem toebehoorden en wier huraars soms bij hem werkten, had de
+boer daar geene andere geburen dan de bewoners van een groot
+pachthof langs den overkant der straat, namelijk de weduwe Lootens
+en hare kinderen. Op den buiten, onder zoo nauwe en zoo van andere
+afgezonderde, aan denzelfden stand behoorende geburen, ontstaat er
+schier onvermijdelijk of vriendschap of vijandschap, geene
+onverschilligheid. Hier waren het vrienden; ten allen tijde had er
+eene welwillende overeenkomst en eene wederkeerigheid van goede
+diensten bestaan tusschen de Lootens en de De Vlieghers. Wanneer De
+Vliegher, bij voorbeeld, eenen boom te halen had of een schip mest
+te lossen aan de vaart, dan stelde de weduwe Lootens hare wagens en
+paarden te zijner beschikking, en hij, van zijnen kant, die fijne
+kenner was van hoornvee, had heur reeds dikwijls uit den nood
+geholpen en haar de onkosten van een veearts gespaard bij het kippen
+of ziek worden harer koebeesten.
+
+De weduwe Lootens was maar eene oude, ziekelijke vrouw en had sinds
+lang het beheer harer hoeve aan hare kinderen overgelaten. Deze
+waren, na het huwelijk van Triphon den oudste, nog gedrieën thuis:
+Guustje, Sidonie en Kamiel.
+
+Als Zieneken 's avonds van moeders begraving voor de eerste maal
+binnen de woning kwam, waar zij voortaan zou leven, zaten zij alle
+drie met Marie, De Vliegher's oude meid, in de keuken bij een
+tafeltje te kaarten. Zij hadden hun spel gestaakt, terwijl Zieneken
+weenend in de slaapkamer trad, en haar een stillen "goên avond"
+gewenscht. Oom had gepoogd haar te troosten. "Dat zijn de kinderen
+der weduwe Lootens, onze geburen," had hij gezegd; "zij zijn zeer
+braaf en komen hier des winters schier elken avond kaarten; Guustje
+heet de oudste, Kamiel de jongste, en Siednie, het meisje, is van
+uwe jaren; gij zult al gauw al te zamen goede vrienden zijn."--En
+zoo gebeurde het.--Hoezeer ook Zieneken zich in den eerste van hare
+jonge buren afgezonderd hield, hoezeer zij soms, om in haar beddeken
+alleen met hare treurige gedachten te gaan weenen, tersluips de
+keukenplaats verliet, waar al de anderen luidruchtig speelden, toch
+was allengerhand de dag gekomen, op welken zij van verre eens
+glimlachend het spel afgekeken had, op welken zij er zelve belang in
+had gesteld, op welken eindelijk zij tot aller vreugd in plaats van
+Marie voor de eerste maal de kaarten ter hand had genomen.
+
+Van dan af was het ijs gebroken geweest; van dan af had zij elken
+avond meêgekaart en waren haar allengs het spel en het gezelschap
+harer jonge buren eene behoefte geworden. Weldra kon de grijze
+winterschemering niet gauw genoeg het lage keukentje versomberen,
+het zuinig avondmaal niet gauw genoeg genut zijn, om het met een
+doek afgeveegde dischje bij den warmen haard te schuiven, onder den
+gelen blik van 't olielampje aan de schouw, nevens De Vliegher's
+zetel in den hoek, die, het pijpje in den mond, den fijnen glimlach
+op 't gelaat, op zijn gemak de ontknoping van het jasspel volgde en
+soms door raad of opmerking een klein geschil, eene lachwekkende
+misgreep, te rechte wist te brengen. En van zelven waren ook die
+avondstondjes steeds vroolijker geworden, naarmate de jongelieden
+elkaar beter kenden. Van 't jassen was wel eens "'t Pijke-zot-jagen"
+gekomen, van 't Pijke-zot-jagen, 't voor panden spelen. Toen
+speelden boer De Vliegher en Marie ook meê, en zelfs Basiel en Leo,
+de beide zonen uit de werkmanshuisjes. Op Dertienavond[1] waren zij
+
+1 Drie Koningenavond.
+
+wel met tien of twaalf geweest, en, God! wat zonderlinge,
+lachwekkende toevallen hadden zich dan soms niet voorgedaan! Wie had
+dan niet moeten proesten van 't lachen, toen Marie, om zich uit te
+panden, met geveinsde ernstigheid en de handen gevouwen, heur "akte
+van armoe" had moeten opzeggen:
+
+/*
+ Mijn Heer en mijn God,
+ 'K en hebbe geen brood in mijn kot,
+ 'K hebbe nog vijf eens in mijn hand,
+ 'K moet z'uitgeven zonder verstand.
+ Twee eens koffie en twee eens suikerijen,
+ En 'ne eens om er naar Lauwegen omme te rijen.
+ Blootshoofd en in mijn hemdemouwen.
+ Had ik het geweten, 'k en wilde van mijn leven trouwen.
+ Naam de paling,
+ Droogen haring,
+ Puipke toebak,
+ 'K zal 't ontsteken als ik geëten heb.
+*/
+
+En voor Basiel dan met zijn "Dronkaard's Onze Vader:"
+
+/*
+ Onze Vader die in alle herbergen zijt,
+ Geheiligd zij de bitter en de klare[1],
+ Laat ons toekomen waar er wel te zuipen is,
+ Geef ons onzen dagelijkschen koelen[2],
+ Enzie dat hij wel vol is,
+ Vergeef ons onze schulden,
+ Gelijk wij vergeven aan de bazen die ons geplakt hebben,
+ En leidt ons niet in den kerker,
+ Maar wel in de kantienen.
+ Amen.
+ Heeren gierigheid,
+ Boeren bottigheid,
+ Boeren stoutigheid,
+ 't Zal duren tot in der eeuwigheid.
+*/
+
+1 Brandewijn
+
+2 Druppel
+
+ Wel! was dat een gejuich! En daarna voor Leo, Leo met zijn
+"Brugschen Ommegank[1]!" Hij had noch Siednie, noch Zieneke mogen
+kussen, omdat hij tabak pruimde en zijn baard te erg slak,
+schaterden zij. Daarom was het ook zeker wel dat wanneer zij,
+Zieneken, op hare beurt boven den gootsteen in het achterhuis moest
+gaan staan:
+
+/*
+ Steen, steen, blauwe steen,
+ Die mij liefst ziet
+ Zal er mij af leen,
+*/
+
+En Guustje er haar met het verplichte "piepertje"[2] kwam afhalen,
+Leo, uit sluwe wraak, haar toeriep of de baard van Guusje ook zoo
+hard stak als de zijne. Zij was toen toch zoo beschaamd geweest en
+allen schaterden zoo luid, dat zij er sinds nog meermaals aan
+gedacht had.
+
+1 Rondom tafel het gansche gezelschap kussen.
+
+2 Een kus.
+
+
+
+
+II.
+
+
+Aldus had Zieneken aldra goede kennis gemaakt met hare jonge buren
+en waren zij in elkanders vertrouwelijkheid geraakt. Ook De Vliegher
+had haar, door 't aanhalen van enkele bijzonderheden, nagenoeg de
+levenswijze en den toestand van de Lootens leeren kennen. Thans wist
+het meisje reeds dat Triphon, de oudste zoon, het jaar te voren
+Valerie Van Daele, zijn eigen nichtje, had gehuwd en dit zeer tegen
+den wil van 's meisjes vader, die, veel rijker dan de weduwe Lootens
+en te Onderdaele een prachtig, eigen pachthof bewonende, eerst zijne
+toestemming geweigerd had; doch, dat de gedurende eenigen tijd
+hieruit ontstane vijandschap van lieverlede was verzwonden; om
+weerom voor eene goede vriendschap plaats te maken, tot zooverre
+zelfs, zei men in 't dorp, dat boer Van Daele zou "peetje" worden
+van Valerie's eerst te komen kind. "Wat wellicht ook gebeuren zal,"
+had boer De Vliegher nog gezegd, eens dat hij daarover vertrouwelijk
+met zijn nichtje zal te praten, "is, dat Guustje de jongste dochter
+van Van Daele, Emerance, zal opdoen."
+
+"Ik geloof wel niet," sprak hij, Zieneken het bolletje breikatoen
+teruggooiend, dat haar zoo eventjes van den schoot was gerold, "dat
+Guusje zeer veel van haar houdt, want zij is zoo maar een aardig[1]
+ding; doch ik meen dat het[2] door zijne moeder, die het voor hare
+kinderen nog al hoog in 't hoofd heeft, eenigszins aangeprikkeld
+wordt om de jonge boerendochter op zijnen kant te krijgen; althans,
+sedert de Lootens met Van Daele weêr in vriendschap leven, trekt
+Guustje, dat weet ik, nu en dan eens 's zondags naar Onderdaele. Het
+gaat daarom wel niet altijd bij oom Van Daele naar; doch gewis maakt
+het gebruik van zijne kennis met zekeren stoker hier van Meerhem,
+die te Onderdaele veel jenever levert, om aldaar met dezen de
+herbergen rond te gaan, en wel eens, geloof ik, als de gelegenheid
+er zich toe aanbiedt, Emerance in te roepen en haar te tracteeren."
+
+1 Zonderling, leelijk.
+
+2 In Vlaanderen ten platte lande worden veelal de jongelui, 't zij
+knapen of meisjes, met het onzijdig lidwoord het aangeduid.
+
+Blozend en nieuwsgierig luisterde Zieneken naar die uitleggingen en,
+juist alsof Guustje hierdoor voor haar van grooter belang ware
+geworden, liet zij weldra geene gelegenheid meer voorbijgaan, zonder
+door allerlei omwegen het gesprek met oom op dit onderwerp te
+brengen. Aldra ook voelde zij den grootsten lust die Emerance
+eens te zien. "Ik kan mij niet inbeelden hoe zij er uitziet,"
+sprak zij soms tot De Vliegher, als ware dit voor haar van
+groote aangelegenheid geweest; "ik denk altijd dat zij toch
+veel sneller[1] moet zijn dan gij het meent of zeggen wilt,
+onkel." Maar toen de oude boer, verwonderd over zulk aandringen,
+haar met zijn eigenaardigen glimlach dan een oogenblik zwijgend
+aanstaarde, veranderde zij spoedig van gesprek en boog 't blozend
+hoofd, als iemand die schielijk beseft dat hij zijn diepste geheim,
+welk hij best wil bewaren, aan 't verraden is.
+
+Niettemin, sinds zij dit alles vernomen had en naarmate hare
+betrekkingen met der weduwes kinderen nog inniger werden, vond
+Zieneken er weldra een schalksch vermaak in Guustje soms met
+zinspelingen en kwinkslagjes op zijn verkeer[2] te plagen.
+
+1 Mooier.
+
+2 Vrijaadje.
+
+"'t Is een zwartje, Guustje!" riep zij wel eens lachend uit, wanneer
+de jonge boer onder 't kaarten Pijkenvrouw troef maakte.
+
+Zieneken had vernomen dat Emerance zwart van haar was. Toen ook
+lachte Guustje, die hare zinspeling verstaan had, en werd rood, doch
+schudde 't hoofd, bewerend dat er niets van was. Zoo plaagde
+Zieneken hem hoe langer hoe sterker; maar eens kreeg Guustje de
+gelegenheid zich hierover te wreken en, wie alsdan wel zweeg van
+Emerance, was Zieneken. Zekeren avond dat zij naar gewoonte aan het
+kaarten waren, had Guustje weêrom al Pijkenvrouw troef gemaakt, en
+Zieneken, die zulks niet licht voorbij liet gaan zonder eens
+schertsend te zeggen: "Emeranske, Guustje," Zieneken was op hare
+beurt ook aan den deel geraakt en had nu Pijkenzot omgekeerd.
+"Zieneken!" schaterde Guustje, spottend naar het bladje wijzend,
+"Zieneken, kijk eens, Lowie Billiet!"--Een luid gelach ontstond en
+allen keken op het meisje, dat in eens zeer rood geworden was. "Ha! ha!"
+riep Guustje zegepralend, "gij meent dat ik van niets weet, he!"
+En het geschater herbegon. Zieneken, verbluft, wist niet wat antwoorden,
+maar prettig was de scherts toegegaan, dat was stellig. Inderdaad,
+een jongman, Lodewijk Billiet, in den omgang Lowie genoemd, die sinds den
+dood van zijne moeder alleen op eene schoone hoeve zat en naar een
+vrouwmensch[1] zocht, was vóór enige dagen Zieneken in huwelijk komen
+vragen.
+
+1 Landelijke zegwijze: Echtgenoote.
+
+Het meisje echter had geweigerd, en haastig, zonder eenig onderzoek
+geweigerd,--hetgeen De Vliegher zelfs nog al verwonderd had, daar
+de pretendent, wel is waar met zijn vuurrood aangezicht en zijne
+stotterende uitspraak niet al te verleidend van uiterlijk, doch van
+een anderen kant nog al rijk en van aanzienlijke boerenfamilie was.
+--Maar zeker meende Zieneken toch wel, dat zij en haar oom de
+eenigsten ter wereld waren die van de zaak iets wisten en onmogelijk
+kon zij begrijpen, hoe Guustje het vernomen had; althans, zoodra zij
+zich sinds dien dag nog eene zinspeling op Emerance veroorloofde,
+kreeg zij er onmiddellijk vanwege Guustje eene op Lowie Billiet
+terug.
+
+Zelden is de gemoedsstemming er nader bij tot zwartgalligheid over
+te gaan als wanneer zij door geveinsde blijdschap opgewonden is. Was
+het niet zonderling, dat die herhaalde, wederzijdsche kluchten, in
+plaats van de beiden jongelieden lot nauwere vertrouwelijkheid te
+leiden, van lieverlede eene zekere gedwongenheid, eene soort van
+vervreemding tusschen hen te weeg brachten; dat Guustje soms een gansche
+avond zijne opgeruimdheid kon verliezen, wanneer Zieneke wat al te
+hardnekkig beweerde, dat hij heel zeker op dien of dien zondag namiddag
+naar Onderdaele moest geweest zijn; dat Zieneken, toen iemand opwierp
+dat, lief en jong gelijk ze was, zij vroeg gehuwd zou zijn, er als
+het ware eene bittere moedwilligheid in stelde om te zeggen dat zij
+nimmer trouwen zou; en dat, toen beiden, Zieneken en Guustje, als
+door eene zwijgende overeenkomst, het schertsen en zelfs het spreken
+over al deze dingen schielijk staakten, er niettemin, en al bleven
+hunne betrekkingen steeds zeer vriendelijk, eene koele, onuitgelegde
+ernstigheid tusschen hen bleef bestaan, zoo verschillend van hunne
+vroegere vertrouwelijkheid, dat eenieder tot De Vliegher's het met
+verwondering opmerkte? Was hun lachen en schertsen dan slechts
+gemaaktheid geweest? hadden zij elkander door woorden gekwetst,
+elkaar iets misdaan? Guustje had toch eens gezegd: "Hoor, gij zult
+mij van naar Onderdaele te gaan niet meer moeten verdenken, want ik
+zal opzettelijk des zondags 't hof niet meer verlaten."
+
+Ofwel was het enkel schaamte, schaamte en bedeesdheid, dat zij in
+elkanders tegenwoordigheid gevoelden? God! wat waren zij toch in
+korten tijd veranderd!
+
+
+
+
+III.
+
+
+Zoo was de koude winter heen, alsook weldra de lieve lente, en met
+den feestelijken zomer waren de dorpskermissen aangekomen. Gedurende
+enkele weken had boer De Vliegher in de vertrouwelijkheid vaak eene
+vraag op de tong gehad: "Zou boer Van Daele dit jaar de Lootens naar
+zijne kermis vragen of zou hij niet?" Hij, De Vliegher, was als oude
+vriend steeds genoodigd geweest, zelfs het jaar te voren, toen de
+Lootens uit hoofde van 't geschil door Triphon's huwelijk met
+Valerie ontstaan, t'huis hadden moeten blijven; maar de rijke boer
+was somtijds "een vies man," zoo zei De Vliegher, en wel in staat,
+al ging het thans veel beter tusschen hem en de Lootens, nog een
+jaartje over te schrikkelen. Zoo was het echter niet gegaan. Op
+zekeren achternoen, een dag of veertien vóór Onderdaele-kermis, was
+een roode en dikke, rosharige jongeling op een bruin, dik
+boerenpaard De Vliegher's hoeve komen opgereden; het was een van Van
+Daele's stalknechten; met de "kobbelementen" van zijn baas kwam hij
+boer De Vliegher en het nichtje, dat zijn baas vernomen had bij hem
+thans in te wonen, naar Onderdaele-kermis nooden, zegde hij. En
+zonder van zijn ros te willen stijgen, of den druppel of 't glas
+bier, waarop Zieneken hem onthalen wilde, te aanvaarden, was hij
+rechtstreeks naar de hoeve der weduwe Lootens getrokken, om aldaar
+ook zijne boodschap af te geven.
+
+Zieneken's eerste gevoel bij die tijding was eene onvrijwillige
+blijdschap geweest; het tweede, eene soort van treurigheid en den
+lust deze uitnodiging van de hand te wijzen; het derde, een gevoel
+van twijfel en de herhaalde en tegenovergestelde aarzeling of zij
+aanvaarden zou of niet.
+
+Natuurlijk werden deze aarzelingen door De Vliegher en Marie
+bestreden, en al hare voorwendsels, dat zij die menschen niet kende,
+dat zij even graag tehuis zou blijven, enz., als van geener waarde
+zijnde weêrlegd. Ook Guustje had zich zeer ijverig getoond om haar
+te doen aanvaarden en er zelfs, tot Zieneken's verwondering, een
+gansch uitzonderlijk belang aan schijnen te hechten; doch ik weet
+niet, wel waren al hare redenen onjuist en ongegrond tegenover die
+van haren oom en vrienden, maar niettemin zij had als een geheimen
+weêrzin gevoeld; dat vooruitzicht eener kermis had haar deze, die
+zij vroeger in haars ouders huis bijwoonde, doen herdenken en dan
+van zelfs alles wat er sinds in haren toestand zoo al veranderd was,
+en steeds was 't bitter einde harer innige redeneringen het zelfde
+geweest:"Jawel, ik versta het voor Guustje, die daar bij zijn lief
+zal zijn, alsook voor oom en Siednie, die vrienden en familie gaan
+bezoeken; maar wat zou ik gaan doen op eene kermis, waar ik niemand
+ken en waar ik gansch alleen zal zitten?"
+
+Zulks waren de onbepaalde en schier instinctmatige beweegredenen
+die, met eene soort van weemoedige gemoedsstemming gepaard, haar tot
+op den laatsten morgen toe, alhoewel zij 's avonds te voren
+halvelings toegestemd had, nog deden aarzelen,--aarzelingen en
+redenen echter, die slechts oppervlakkig bestonden, daar de luimige
+grap van den barbier voldoende was geweest om ze allen in eens te
+overwinnen en haar, eens heur besluit genomen, tot oprechten
+vermaaklust te stemmen.
+
+
+
+
+IV.
+
+
+Zieneken, gansch op haar uiterst best gekleed, in 't zwart, met
+witten schitterenden onderrok en witte frissche kousen, met goudwerk
+op de borst en in de ooren en een bloemrijk hoedje op het hoofd,
+stond reisvaardig in de keuken bij haren oom, toen Guustje met de
+chees, waarin Kamiel en Sidonie reeds zaten, aan het hofgat kwam.
+
+Boerenmeisjes hebben slechts geringen tijd en middelen om zich
+schoon aan te kleeden, en vaak is hare malsche gezondheid haar
+hoogste sieraad; edoch, wanneer zij, reeds vanzelven lief en door
+bet vooruitzicht van een harer grootste vermaken op voorhand
+opgetogen, in haar lachend feestgewaad verschijnen, hebben zij wel
+iets frisch, iets verleidend over zich, dat onvrijwillig oog en hart
+verrukt en als het ware aan de geurige roos harer bloemtuintjes, aan
+de dagende zon in het oosten, aan den dauw op het land, aan de
+vogels in 't veld, aan ik weet niet wat al bekoorlijke dingen doet
+peinzen.
+
+Of het een dezer denkbeelden was dat in Guustje oprees, toen het
+blozend meisje, hem met eenen straal harer sprekende oogen
+begroetend, heur kleed opraapte om met medehulp van zijne hand in
+het rijtuig te stijgen, weten wij niet; maar dat Guustje zeer rood
+en bewogen werd, en tot tweemaal toe zich omkeerend vroeg, of allen
+wel gezeten waren en niet eenmaal het herhaalde antwoord: "Ja, rijdt
+maar voort," kon verstaan, werd door eenieder der gasten, en door De
+Vliegher bijzonderlijk, schertsend opgemerkt.
+
+Zij reden voort.--September, en vooral het einde van september
+heeft soms van die dagen, welke beginnen, met een blauwen nevel in
+'t verschiet, met eenen dauw van zilver over 't land en met eene
+frischheid in de lucht, die alle harten opbeuren en verkwikken en
+alle gemoederen tot gemeenzaamheid en opgeruimdheid stemmen. Zulk
+een morgen hadden zij gelukt; door de malsche Vlaamsche velden heen
+voerde hen het open rijtuig; het koren was weg of stond in schelven
+op het land; maar in de plaats tintelde het reeds jeugdig
+rapenloover en rechts en links golfden de bruine omgewrochte akkers.
+De boer verstaat niet zooals wij de schoonheid der natuur, edoch,
+wanneer hij bij een heerlijk weder eene vruchtbare streek doorreist,
+wanneer hij prachtig vet vee in de weiden en rijke oogsten te velde
+aantreft, dan heeft hij opmerkingen van goedkeuring, uitdrukkingen
+van bewondering, schattingen over veronderstelden opbrengst; dat is
+zijn poëzij. Zoo wezen Guusje en De Vliegher aan elkaar de schoone
+hoeven, hier den rijkdom der landen prijzend, daar de kennis van den
+boer aanhalend, en de meisjes luisterden, ook al eene opmerking
+wagende, alles af, een vluchtigen goeden dag knikkende tegen de
+wiedsters op het veld, die enkele stonden zang en werk staakten, om
+hen met afgunstige nieuwsgierigheid na te kijken.
+
+Naarmate zij nochtans op het grondgebied van Onderdaele kwamen, viel
+het onderhoud van zelfs op den rijken boer Van Daele en zijn
+huisgezin en poogde De Vliegher, steeds opgeruimd en spotziek, om de
+meisjes te doen lachen, met Guusje over Emerance te spreken, iets
+waarin hij echter mislukte, daar Guusje enkel, en dat hardnekkig,
+met des boeren schoone beesten ingenomen scheen.
+
+Zij naderden. Het dorp, dat zij op zijde lieten, stak reeds in het
+verschiet boven de boomen zijnen spitsigen toren uit; zij volgden
+eene lange, overlommerde dreef, waar het gedruisch ven het rijtuig
+als het ware eenen weerklank had en waar de schielijke koelte--want
+in de vlakte begon het verschrikkelijk warm te worden--hen goed
+deed, kwamen luider rammelend weêr op den kasseiweg, dien zij nog
+eens een eindje verder verlieten, om schier onmiddellijk aan het
+uiteinde van een met lange eiken afgezoomden slag, voor een
+witgeverfd, tusschen twee grillig gevormde pilaren hangende hek te
+blijven stilstaan.
+
+Zij waren er. Het geblaf en gejoel der driftige honden, een
+stalknecht die haastig het hek kwam openen en een reusachtig man in
+hemdsmouwen, die met groote gebaarden en rood, lachend gelaat, van
+uit het woonhuis over den boomgaard gestapt kwam, heetten den gasten
+al te zamen het "welkom." Het was aldra zichtbaar wie hier de baas
+was. Nauwelijks hadden de dikke boer en het rijtuig elkander
+ontmoet, of de verwarde kreten "Ha! dag nonkel, dag Ivo, dag
+"peetje," dag baas Van Daele!" klonken verheugd en verward uit de
+chees, terwijl de reus, in eenen en zelfden groet al zijne gasten
+vereenigende, met donderende stem het voor een boer, die zijne
+genoodigden gul en hartelijk aanvaarden wil, onontbeerlijk:
+"Jongens, gij zijt altemaal welgekomen op de kermis!" liet hooren.
+
+Maar na den eersten stond bleef zijne gansche aandacht op Zieneken
+gevestigd. "Is dit het nichtje dat bij u is komen wonen, Bruno?"
+vroeg hij, met eene soort van naïeve bewondering het blozend meisje
+aanschouwende. "Ja, ja't," antwoordde De Vliegher, lachende om des
+boers verbazing. "'t Is het van eigen; is het er misschien niet wel
+genoeg voor?" De dikke pachter stak de hand uit tot 't beschaamde
+meisje. "Mijn zoetekind," herhaalde hij afzonderlijk voor haar, en
+het aangezicht onder een reusachtigen glimlach ontloken, "gij zijt
+welgekomen op mijne kermis, zult-de; maar ik ben eenigszins verlegen
+voor u, want ik vrees waarlijk dat gij met alzoo een "muiltje"--en
+hij tikte haar lichtjes met de andere hand op de wang--"te
+Onderdaele zult gestolen worden." En, luidop lachend om zijne eigene
+klucht, stapte hij naar het woonhuis vooruit, "om zijnen gasten den
+weg te toonen," schertste hij.
+
+Er zijn van die menschen, welke groot, vet en grof, er in gelukken
+het afstootelijke en misvormige van hun lichaam en zelfs het ruwe en
+onbeschaafde hunner manieren te doen vergeven, door hun opgeruimd en
+vriendelijk karakter. Zoo was boer Van Daele. Hij was vijf en
+vijftig jaar oud en had het hart van een van driemaal zeven; hij
+woog iets meer dan honderd vijf en twintig kilos en zou nog de
+uitspanningen hebben gedeeld van een, die er maar zestig droeg.
+
+Zijne uitdrukkingen waren slechts eene aaneenschakeling van ruwe,
+soms zeer sterk gewaagde grappen en hij gelegenheid zou hij ook wel
+eens iemand "den kop in gezegd hebben," want lichtgeraakt was hij
+nogal, gelijk meestal de rijke boeren en spotte ook zeer graag;
+doch, niets was bij hem zoo gauw vergeten als een smaad,--getuige
+zijne spoedige verzoening met zijne ongehoorzame dochter--en, moest
+een buurman eenen dienst van hem ontvangen, kwam er een arme duivel
+aan zijn hofgat bidden, kijk, daar in de stallingen stonden wagens
+en paarden en ginds in de keuken, bij het vrouwvolk, was er vleesch
+en brood. Maar wie vaak iemand begekt, staat ook vaak aan begekking
+bloot, en hieraan ontsnapte Van Daele niet steeds, al geschiedde dit
+immer derwijze dat hij er in 't oog zijner geburen met alle eer van
+afkwam. Sinds enkele jaren was hij weduwenaar en daar hij nog zoo
+oud niet was en zeer vermogend, mocht het wel zonderling heten dat
+hij van geen hertrouwen sprak; ook werd hem door zijne buren soms
+schertsend verweten, dat hij geen "vrouwmensch" meer krijgen zou.
+Maar toen kon Van Daele eens lachen! Hij, geen vrouwmensch meer
+krijgen? Soms vergenoegde hij zich met daarvoor de schouders op te
+halen, maar andermalen, toen men in den twijfel te volharden scheen,
+haalde hij uit zijn binnenzak eene lederen brieventesch te
+voorschijn, legde die op tafel open en baalde er grimmend enkele
+door inkt en vet gevlekte brieven uit, welke er in staken. Of men
+daarop eens het oog wilde slaan? vroeg hij toen. Hé! en wat men er
+van dacht? Of men haar kende die weduwe Corijn, van Baevel, die hem
+sinds meer dan twintig jaren "geerne zag"[1] en hem daags na de
+begrafenis van zijne vrouw dezen brief geschreven had:
+
+1 Beminde.
+
+"Ik laed u weten alsdat ik nog altijt streus en gezont ben; ik heb
+ooren zeggen daad gij eergisteren in et verlies van uwe vrouw
+gekomen zijd en ik wil geenen tijt laeden voorbij gan om u te laeden
+weden alsdad zulke verlizen nied onerstelbaer zijn en daad ik ook niet
+beder vraagt als van mij in et verlies van mijnen man te troosten
+en dad als gij er nog voren zijt, dad gij wel weed alsdat gij aan
+mij op geen menieren zilt bedrogen vaalen, enz. enz."
+
+Hé!--En deze dan van Louise Vermeulen:
+
+ "Baes Van Dale,
+
+"Ik neem de pen in de hand om u met den koeier te laeden weden alsdat
+gij uwe crazie[1] niet moed laden vaalen in den staet warin gij u
+bevind en dat ik u de kobbelmenten[2] doe als daad ik noch altijd
+jonk ben en dad als waneer gij begeirt te ertrouwen ik gereet ben,
+enz."
+
+1 Van 't fransch courage.
+
+2 Van 't fransch compliment.
+
+Hé!--En dan nog deze en deze en deze!
+
+Ha! boer Van Daele zou geen "vrouwmensch" krijgen? Indien hij maar
+wilde, .... twintig daags zou hij er hebben! Maar boer Van Daele was
+niet zot: "Gepresenteerd goed is niet aanveerd." Maar als boer Van
+Daele zich 't hertrouwen eens in 't hoofd zou steken, zou hij wel
+weten waar naartoe en bovendien nog zelf zijne keuze doen.
+
+Zoo sprak dan boer Van Daele en daar zulke en andere getuigenissen
+niet enkel den rijken boer nog hooger in den eerbied zijner
+medeburgers deden klimmen, maar ook al de mogelijkheid van zijn
+hertrouwen lieten vermoeden, begon het in het dorp alom bekend te
+zijn, dat boer Van Daele slechts wachtte naar een vrouwmensch, dat
+hem behagen zou, om een tweede huwelijk aan te gaan.
+
+Zieneken had met moeite den tijd gehad rechts en links een
+bewonderend oog te slaan op de prachtige schuren en stallen, waar
+jonge veulekens den kop over de halve deuren staken, en over den
+rijken boomgaard, waar er nevens hunne chees nog twee andere uitgespannen
+stonden, toen zij vóór het niet minder heerlijk boerenhuis kwamen.
+Heur hart joeg hevig bij het binnentreden; zelfs deed haar eene
+zekere schuchterheid de laatste van allen komen en reeds hadden in
+de ruime keuken allerlei nieuwe welkomsgroeten tusschen de aldaar sinds
+enkele stonden aanwezige en de nieuw ingekomen gasten herklonken,
+vooraleer zij in het gejoel Emerance, de rijke boerendochter, kon
+onderscheiden. Het was Van Daele zelf, die ze haar voorstelde: "Mijn
+zoetekind," lachte hij met de eene hand op Zieneken's schouder kloppend,
+terwijl hij met de andere naar Emerance wees, die, klein en zwart, met
+scherpe schitterende oogen en rood gelaat, half op haar best, half naar
+heur werk gekleed, in 't midden van de keuken stond; "dat is mijn jongste
+dochter, zie, die bezig is met ons de fijnste kermistafel gereed te maken,
+welke gij nog ooit zult genut hebben."
+
+Het is toch wonderbaar hoe ons het enkel eerste zicht van een
+persoon somtijds bevallen of mishagen en ons zoo spoedig een indruk
+laten kan, die schier nooit geheel meer uit te wissen is. Geen het
+minste vooroordeel had 't goede Zieneken tegen de boerendochter, die
+zij niet kende; geen minste ook kon Emerance hebben jegens iemand,
+waarvan zij zelfs nog nimmer hooren spreken had, en toch ..... toch
+voelde de eerste onmiddellijk eenen afkeer van de tweede, zonder dat
+zij zeggen kon waarom, en keek de tweede, terwijl zij haar een
+vluggen goeden dag terugzond, strak en vreemd op de eerste, als
+stond zij voor een verholen vijand, met welken zij later zou te
+kampen hebben. En zie, Zieneken, die eerst oprecht verwonderd had
+gestaan over de koele, schier gedwongene manier op welke Guustje en
+Emerance--want zij had het zeer wel opgemerkt--elkander ontmoet
+hadden, Zieneken mocht nu te rechte verbaasd wezen, toen zij
+eensklaps de rijke boerendochter tot Guustje zag naderen, hem luid
+schaterend aanspreken en, vooraleer zij de keuken verliet om in de
+zaal daarnevens teljooren op tafel te gaan schikken, met half
+gebiedenden, half stouten glimlach nog eens naar hem omkeek en hem
+iets toeschertste, dat zij niet begrijpen kon.
+
+Op het aandringen van den boer had zich eenieder thans neérgezet en
+was Melanie, zijne meid, aan de nieuw-ingekomenen druppeltjes
+kriekensap beginnen uitschinken. Daaromtrent al de gewone,
+jaarlijksche kermisgasten waren in de keuken aanwezig en Zieneken,
+nog eenigszins verbluft en vreemd in dit haar nagenoeg gansch
+onbekend gezelschap, was wat dichter bij Sidonie geschoven, die haar
+een voor een de namen van de haar onbekenden toefluisterde. Het
+waren, na Triphon en Valerie, de schoonzoon en de oudste dochter van
+Van Daele, oorzaken van den vroegeren twist tusschen dezen en de
+Lootens, tante Fiene, boer Van Daele's zuster, eene zwaarlijvige,
+zestigjarige vrouw met zeer van elkander verwijderde oogen en altijd
+hijgenden mond, die ongehuwd en rijk in het dorp op haar goed
+leefde; kozijn Van de Walle, van Baevel, des boers broers wijfs
+zusters oudste zoon zaliger, een bloedrood, mager jongeling met
+eenen hazemond; de twee nichten De Coster, van Axpoele bij Meerhem,
+heiden geel en mager en in 't zwart gekleed; kozijn De Vreese, van
+Hulste, verschrikkelijk rood en opgeblazen; nicht Pauwels, van
+Lauwegem, met Theophiel en Charles-Louis, haar beide kleinen; nog
+enkele andere verdere verwanten en eindelijk baas De Windt, baas
+Kneuvels en boerken Van Heule, des boers naaste geburen, en, zooals
+De Vliegher zelf, zijne goede vrienden; al te zamen misschien een
+twintigtal personen.
+
+Op Emerance's aanmaning "dat alles gereed was," ging het gezelschap
+in de eetzaal. Boer Van Daele kon het niet luide genoeg uitroepen en
+herhalen hoe verheugd en tevreden hij was eens te meer alle zijne
+verwanten op zijne kermis te vereenigen; maar, dat hem vooral het
+gezelschap van Zieneken aangenaam was, en hij hoe langer hoe meer in
+het gesprek met haar vermaak scheen te genieten, dit hadden de
+genoodigden sinds den eersten stond reeds opgemerkt. Hij wilde
+volstrekt--en zij kon, hoe beschaamd ook, er niet aan
+ontsnappen--volstrekt, dat het lief meisje nevens hem aan tafel plaats
+zou nemen. Ziet ge wel, voor de eerste maal dat hij de eer had zulk een
+lief kind op zijne kermis te zien, wilde hij niet, dat, schuchter
+als ze was, haar iets zou ontbreken; hij zelf zou haar van alles wel
+bedienen, met haar schertsen en redekavelen, haar met één woord eene
+aangename kermis verschaffen.
+
+In de heldere, met bleekkleurig papier behangene eetplaats, waar
+door de hooge vensters eene schitterende, soms aan het oog
+onverdraaglijke klaarte stroomde, heerschte aldra de luidruchtigste
+opgeruimdheid.
+
+Bouillonsoep met balletjes, gezoden rundvleesch met worteltjes,
+sauciesjes en "karmenaden" met savooien, kiekens met gestoofde
+peren, alle onvermijdelijke gerechten eener rijke boerenkermistafel,
+waren reeds onder het onophoudend gerinkel van messen en glazen en
+het verward gejoel der samenspraken genut,--en thans, vooraleer de
+taart te snijden en den wijn--ja zeker, den wijn, er was er steeds
+op boer Van Daele's kermis--te ontkurken, bleef men blazend en
+rood,--het vrouwvolk, de rijkkleurige linten harer mutsen los over
+de schouders, de kleinen, met oogen vol lust tot overdaad, en het
+mansvolk, de broekbanden verwijd en den rug achterovergeleund,--een
+ademtje halen en klonken, onder den invloed der verzadiging, de
+gesprekken enigszins stiller en ernstiger. Boer De Vliegher en baas
+De Windt,--die evenals Van Daele, het bovenvest had
+afgelegd--koutten ernstig over koeien en mest, kozijn De Vreese en
+nicht Pauwels over heeren en pachters en over den tijd, die nu hoe
+langer hoe slechter werd, sinds al dat gespuis van geuzen en socialisten,
+en wat wist men al, zoo hardnekkig 't hoofd opstak en priesters en
+kloosters wilde uitroeien, hetgeen door tante Fiene met het dwalen
+harer wijde, stijve oogen, en door de nichten De Coster met het
+toenijpen harer dunne, preutsche lippen, beraamd werd--en ook
+kozijn Van de Walle, van Baevel, hield met de moeilijke uitspraak
+van zijn hazemond een oogenblik de algemeene aandacht gaande, door
+het verhalen eener echt vreeselijke, daags te voren in zijn eigen
+dorp nog voorgevallene gebeurtenis: een oud wijvetje namelijk had,
+bij het kuischen eener eetkast, een klein, door haren man eertijds
+gedeeltelijk gebruikte medicijnenfleschje gevonden; met de gedachte
+dat zulks toch te duur was om verloren te laten gaan en ook gewis
+geen kwaad kon, daar het voor de gezondheid was gegeven, had het
+vrouwtje in eens, want het drankje was vrij slecht om nemen, den
+overschot ervan uitgedronken, waarbij het schier onmiddellijk
+gestorven was.
+
+Maar aan wien Zieneken--tegen wie Van Daele schier nog niet
+opgehouden had te redekavelen en te lachen,--geenen rechten kant
+meer vond, was Guustje. Eerst nog al bedwongen en sprakeloos nevens
+Emerance gezeten, die hem--Zieneken had het bemerkt--nevens haar
+had doen komen, was het eensklaps tot eene luidruchtige
+opgewondenheid overgegaan. Het zag zeer rood, veel rooder dan naar
+gewoonte, en toen het, in de tusschenpoozen van zijn schertsen met
+Emerance, de oogen op Zieneken sloeg, lag er iets zoodanig
+zonderlings, als het ware iets zoo valsch, zoo ongemeens in zijne
+blijdschap en in zijnen aanblik, dat Zieneken er onvrijwillig van
+ontroerd was en hare kermisvreugd er door verbitterd werd.
+
+Heeft het misschien te veel gedronken? veronderstelde zij, misnoegd
+op Emerance, kijkend, die luid lachend en schaterend zijn glas
+schier onophoudend volschonk. "Wat is dat toch oprecht eene aardige,
+zooals het onkel zegt," dacht zij toen weér, door haren afkeer
+jegens de boerendochter overweldigd. Doch, hoe groot was Zieneken's
+verbazing, als, het maal geëindigd en eenieder op Van Daele's
+voorstel "eens om de beenen te verwakkeren tot aan het dorp den
+eierkoers te gaan bezichtigen," van zijne plaats opgestaan zijnde,
+Guustje haar in het voorbijgaan op schimpenden toon vroeg, tegen
+wanneer men nu te Meerhem zelf, op boer De Vliegher's hof, ook eene
+zoo groote kermis mocht verwachten, eene, waarover de burgemeester
+en de pastoor der gemeente eerst eens hunnen "veus[1] zouden
+gestreken hebben."
+
+1 Een veus strijken: een oordeel uitbrengen.
+
+Hoe?.... wat?.... eene kermis, waarover de burgemeester.... Maar
+Guusje was reeds grimmend weg en Zieneken, bemerkende dat haar oom,
+die half en half verstaan had, heur met zijn schalksch oog beloerde,
+keek beschaamd en blozend ten gronde en bleef een heele wijl ernstig
+en stilzwijgend die woorden overpeinzen, zonder den zin ervan te
+kunnen vallen.
+
+De achtermiddag was schitterend toen de genoodigden buiten kwamen.
+
+"Oef!.... is dat warm!" riep Van Daele, blakend in de zon kijkend,
+"men zou waarachtig duizelig worden van zoolang aan tafel te
+zitten!"
+
+Het duurde ook enige tijd eer men tot den aftocht klaar was. De
+rijke boer wilde volstrekt eerst aan Zieneken, alsook aan degene
+zijner gasten, die zulks begeerden, eene zeldzaamheid zijner hoeve
+laten zien, namelijk eene veulenmerrie met hare twee kachteltjes.
+Met hunnen glans van wellust op 't gelaat, sommigen met hunne pijp
+tusschen de tanden en de pet of den hoed op het oor, trokken zij in
+den reuk van het mest den veulenstal binnen en keken er naar het
+gemoedelijk tafereel der kloeke, bruine merrie, die, vrij van allen
+band en haren schoonen kop half omgewend, terzelfdertijd hare twee
+jonge veulentjes, gelijkende aan twee hertjes zonder hoornen, te
+zuigen gaf. Allen prezen lang en luid; enkelen, zooals kozijn Van de
+Walle, van Baevel, die driftige paardenliefhebber was, de bovenlip
+der merrie omhoogtrekkend, om aan het getal heurer tanden haren
+ouderdom te erkennen; anderen, met hunne ruwe handen de gladde
+kopjes der kachtels van de moederspenen duwend, om zelven te voelen
+of de oude wel degelijk gezogen werd. Daar men toch aan 't rondgaan
+was, trok men eens voort--terwijl eenige der nichten een
+oogenblikje van kant op den molligen boomgaard, waar paardebloem en
+madeliefjes bloeiden, afzonderlijk gingen voorover- of
+neérhurken,--door de andere prachtige stallen en schuren der hoeve,
+die meestal met elkaar gemeenschap hadden. Men bezocht den ruimen
+koestal, met zijn gerinkel van ijzeren ringen, gemurmel van koeien
+herkauwing en warmen melk- en muskusgeur vervuld; de nauwe, zuurriekende
+verkenshokken met vuile grollende zeugen op stroo en nette,
+rooskleurige viggetjes, die driftig naar buiten wilden; den
+kalverstal, den paardenstal, den stierenstal, en, zijnde een
+schaapgoed, den schapenstal, waar uit de rijen blatende, als
+gestrafte scholieren langs hunne kribben vastgebonden schapen, een
+doordringende bokkengeur steeg,--en bewonderde dan de gebouwen,
+alles in ijzer, in steen of arduin opgemaakt, "zelfs met steenen
+welfsels on ijzeren balken omhoog," wees hun de trotsche boer, en
+gekomen aan het zoogenoemde braskot[1], achter welks gevel eensklaps
+een luid kindergeschrei ontstaan was, bleef men lachend en
+schertsend vóór nicht Pauwels staan, die, haastig daarheen geloopen,
+schielijk met haren kleinen Charles-Louis te voorschijn kwam, wiens
+afhangende broek zij wederom hielp aandoen.
+
+1 Afzonderlijke plaats, waar men op de groote hoeven het
+beestenvoeder kookt en bereidt.
+
+Eindelijk geraakte het gezelschap bijeen en stapte langzaam heen,
+vooraan de vrouwen met hare bontkleurige linten om het hoofd, de
+mannen achterna, en gansch vooruit, gelijk de reus van 't hof, de
+struische boer met Zieneken, die, oprecht beschaamd, Sidonie nevens
+haar had doen blijven.
+
+Hun tocht door de straten, toen zij met het toestromend volk het
+dorp binnenkwamen, waar talrijke lieden op stoelen vóór hunne met
+vlaggen en wimpels versierde woningen zaten, wekte niet weinig de
+nieuwsgierige bewondering der dorpelingen, "Wie is dat meisje nevens
+boer Van Daele?" hoorde Zieneken nu en dan halfluid in het
+voorbijgaan vragen, terwijl de wezens en de stoelen bij elkander
+schoven. Een sterke blos was toen haar antwoord; maar de boer,
+hoogst gevleid over de aldus op hem gevestigde aandacht, had
+telkenmale eenen lach van trots en vreugd op 't gelaat en stelde er
+als het ware moedwilligheid in, door overdrevene voorkomenheid
+jegens De Vliegher's nichtje de domstoute nieuwsgierigheid der
+dorpelingen nog te prikkelen. Naarmate zij in de lange en breede,
+voornaamste straat van Onderdaele drongen, waar in enkele fraaie
+huizen welgekleede heeren en dames niet kinderen vóór de vensters
+zaten, namen krieling en gejoel toe, en werd hunne slenterende vaart nu
+eens door eene heele bende lui vóór hen stappende en lui pijpenrookende
+jongelingen vertraagd, dan door het ontmoeten van allerlei vrienden of
+kennissen volkomen onderbroken.
+
+De eierkoers was reeds begonnen; op ongelijken afstand van elkaar,
+hier rechts, daar links der straat, lagen, midden een hoopje zand,
+de aan stukken te rijden eieren op de kasseide; rond elk ei bewoog
+zich, uitgelaten, een drom boeren en boerinnen; de chees, ieder door
+een lomp, zwaar boerenpaard bespannen en bezeten door twee mannen,
+welke zich beurtelings, ingevolge de ligging der eieren, de lijn
+overmaakten, kwamen op draf van den eenen kant der straat naar den
+anderen gewaggeld, en aan de niet twijfelzinnige kreten der
+aanschouwers werd het kenbaar of de kamper er in geslaagd was of
+niet, met het wiel van zijn rijtuig het ei te verbrijzelen; de
+mannen der chees welke aldus het grootste getal eieren brak,
+behaalden den eersten prijs. Gedurende eenige stonden staarden de
+langs heen de huizen geschaarde gasten dit schouwspel aan,--een der
+bekoorlijkste die er bestaan in de oogen van den boer, en hier, nog
+aantrekkelijker gemaakt, door de waarde der prijzen en door de
+omstandigheid, dat te Onderdaele steeds echte, goede eieren en niet
+houten of ijzeren voorwerpen voor den prijskamp dienden,--en gingen
+dan voort, al over de dorpsplaats, waar kramen en paardekensmolens
+voor het oogenblik schier verlaten stonden, en verder al over de
+brug der vaart, welke het dorp in twee verdeelde, tot aan de
+herberg, waar de prijsuitreiking geschieden zou en waar al het volk
+als van zelven heenstroomde. Boer Van Daele was tot den hoogsten
+graad der opgewondenheid gekomen.
+
+"Willen wij eens dansen, mijn zoetekind?" riep hij verrukt door het
+geluid des orgels, welk daarbinnen kermde, en een gebaar makende om
+Zieneken in de lenden te vatten. En zich tot een der dienstmeisjes
+keerende, welke haastig en zweetend in de stikkende herbergzaal
+tusschen hem en eene door vrijers bezetene bank poogde te geraken;
+"Hé, Fientje!" schaterde hij, "breng ons ook eens een fleschke
+Leuvensch, voor mij en mijn liefje; de anderen moeten het niet al
+alleen hebben." Deze scherts, door ieder der gasten gehoord,
+vergrootte nog de algemeene vreugde en toen het "reiske" pinten, dat
+Van Daele voor heel zijn "compenietje" gevraagd had, opgebracht
+werd, tikte Guusje, thans de vrolijkste van allen, op de gezondheid
+van de twee nieuwe vrijers. Allen schaterden en juichten, uitgenomen
+Zieneken, die in de klucht geen bijzonderen smaak scheen te vinden.
+
+Het was eerst toen de eierkoers geheel geëindigd was en 't volk al
+wat uiteen gedreven, toen men nog twee, drie andere herbergen
+bezocht en tante Fiene met hare stijve, verdwaalde oogen, die maar
+slecht meer gaan kon, had laten hooren, dat zij niet verder zou
+geraken, en toen Theofiel en Charles-Louis, de kleinen van nicht
+Pauwels, betrekkelijk een onder hen te deelen greepje noten
+handgemeen geworden, in elkanders aangezicht geschrabt en gespuwd
+hadden, wat natuurlijk eene wederzijdsche schreipartij te weeg
+bracht, dat er gewaagd werd van weer naar huis te gaan, om vóór 't
+vertrek nog iets te nutten.
+
+Eene zachte, aangename lucht had de drukkende hitte van den dag
+vervangen, wanneer zij op 't pachthof wederkwamen. Men zette zich op
+nieuw aan tafel en nuttede--alhoewel, om boerke Van Heule's spreuk
+aan te wenden, sauciesjes en kiekens op de maag nog lagen te
+vechten--hesp met eierkoekboterhammen en bier. De samenspraak liep
+thans op de vermaken van den dag en allen waren het eens om te
+verklaren, dat zij zich uiterst wel verheugd en nog nooit zooveel
+volk in Onderdaele gezien hadden. Een zekere ernst nochtans begon
+bij 't naderend uur van afscheidnemen de gasten te bevangen; zelfs
+Van Daele was schielijk verstild en toen de avondzon al door het
+dichte boomgaardloover hare steeds goudkleuriger wordende pijltjes
+in de kermiszaal begon te schieten, en men nog eens de pijpen
+aangestoken en de karafen bier geledigd had, stonden de genoodigden
+langzaam recht en verklaarden dat het tijd werd van vertrekken.
+
+Van Daele poogde te tevergeefs hen nog langer te houden; enkelen,
+zooals boer De Vliegher en de Lootens, waren vrij verre van huis en
+allen overigens moesten nog dienzelfden avond eens rond hunne
+stallen gaan, om na te zien of de knechten in hunne afwezigheid de
+beesten niet verwaarloosd hadden. Men wenschte elkaar den goeden
+avond. Nicht Pauwels en hare kleinen trokken met kozijn De Vreese,
+met de nichten De Coster, kozijn Van de Walle en nog anderen naar
+het gemeentehuis, waar hunne cheeses uitgespannen stonden, en de
+rijtuigen van Guustje en Triphon, die nagenoeg een zelfden weg te
+volgen hadden, werden reisvaardig gemaakt. Menige handdruk werd
+gewisseld, en Van Daele vergezelde al koutend beide cheeses tot aan
+het uiteinde van zijne dreef.
+
+"Komt gij binnen kort niet eens naar Meerhem, boer Van Daele?" riep
+De Vliegher, zich nog omkeerend, terwijl het paard reeds begon te
+draven.
+
+"'t Kan wel zijn," antwoordde de boer met luider stem. "Met eene
+week of drie misschien," riep hij nog luider, naarmate 't rijtuig
+zich verwijderde, en, de hand zwaaiend als laatste groet aan zijne
+gasten, die zich in de cheeses ook nog eens omkeerden en "goên
+avond" knikten, verdween hij achter de boomen zijner dreef, gelijk
+de beide gespannen, rammelend en klepperend over den steenweg
+begonnen te rijden.
+
+De avond daalde glansrijk over 't eenzaam veld, toen zij uit
+Onderdaele kwamen.
+
+"Hier is het toch stil," sprak boer De Vliegher.
+
+Een heelen tijd reden zij sprakeloos vooruit en staarden rechts en
+links over de rijke akkers, terwijl de duizende geruchten van het
+feest allengs verstierven in een vluchtend verschiet, van waar
+somtijds nog een kort gezang, een scherpe kreet, een ver
+muziekgeschal gehoord werd. Dat schielijk kontrast van die woeling
+in 't dorp en die rust op het veld wekte in hun gemoed een
+onvrijwillig gevoel van stille overpeinzing en Zieneken voelde
+weerom alle neiging tot lach en tot scherts haar verlaten, om zich
+met inniger gedachten bezig te houden. Zij keek op Guustje, ter
+sluips; het keek peinzend naar de chees van Triphon, die waggelend
+vooruitreed door een gonzenden muggenzwerm omfladderd.
+
+"Het peinst op Emerance!" sprak Zieneken inwendig.
+
+Zij ook keek mijmerend vóór zich al over de landen. Welk een schoone
+avond! De prachtige septemberzon zonk vurig achter de verre boomen,
+tintelende goud- en zilverglansen wemelden door de bladeren der
+groene rapenvelden en, vóór een donker dennenbosch ter zijde van den
+weg, stond eene reeks dunne jonggeplante populierkens, wier loover
+reeds zoo geel was, dat zij als flikkerende kaarsjes op 't
+duistergroen van 't woud schenen te branden.
+
+"'t Zijn juist gelijk de lichtjes op het hoogaltaar, des avonds in
+het lof," dacht Zieneken.
+
+En hoe zonderling toch! Na zulk een vreugdevollen dag, terwijl zij
+zwijgend hunnen weg vervolgden, kwam allengs een treurig en nog niet
+vergelen tafereel voor 's meisjes oogen opgerezen: de brandende
+kaarsjes in de schemerige kerk rondom de zwarte lijkbaar harer
+moeder... En zoo van lieverlede zweefde hare gedachte voort in
+weemoedvolle droomen, welke 't gegons der muggen wiegde, terwijl het
+avondlicht steeds daalde, en kwamen allerlei treurige beelden uit 't
+verleden, waarin enkele gebeurtenissen van den dag met de gedaanten
+van Guustje, van Emerance, van Van Daele zelf samensmolten, haren
+geest voorbijgesneld, en, toen zij aan De Vliegher's hofje kwamen,
+veegde zij eenen traan van stille ontroering uit haar oog.
+
+
+
+
+V.
+
+DE BRUILOFTPUT.
+
+
+ Des anderendaags zag Zieneken Guustje niet; den dag nadien ook
+niet, den derden dag nog niet, den vierden, terwijl zij voor haar
+venster zat, zag zij hem met zijne paarden op straat voorbijrijden;
+Guustje knikte goeden dag en glimlachte, maar stil, zeer stil.
+Dienzelfden avond kwam het met Kamiel en Siednie eens binnen, doch
+sprak bijna geen woord, en lachte niet eenmaal, en wilde veel
+vroeger weg dan naar gewoonte; de volgende dagen dier week, alsook
+den zondag daarop volgende, bleef het voor Zieneken onzichtbaar.
+Toen zag men Zieneken allengs weerom kwijnen, toen bleef zij
+wederom, juist als in de eerste tijden van haar verblijf bij oom,
+uren lang mijmerend voor het kleingeruit venster zitten en lange
+stonden bewusteloos op den gelijken slag van eenen vlegel in de
+schuur, of op het eentonig gemurmel van een boven den haard
+hangenden ketel luisteren; en als De Vliegher en Marie, diep
+verwonderd over deze nieuwe, zoo schielijke verandering, haar
+vroegen wat er om Godswil met haar toch scheelde: "O! niets," was
+haar antwoord, "volstrekt niets," en zij deed zich geweld aan om te
+lachen, maar het oogenblik daarna zat zij weerom te mijmeren.
+Evenmin verstond Siednie iets aan Guustje. "Bemint gij Zieneken dan
+niet meer?" vroeg zij wel eens, met de naïefheid harer jaren; doch
+wat was niet hare verbazing, toen Guusje dan beschaamd en stamelend:
+"Wel, ja," antwoordde, maar spoedig heenging om het gesprek hierover
+te staken. "Zij zijn beiden onnoozel geworden of zij hebben elkander
+buiten mijnen weten "zottigheid gezegd," was toen Siednie's meening,
+want als zij Zieneken daarover sprak, kon zij volstrekt geene
+bepaaldere uitleggingen bekomen.
+
+Beiden echter, Guustje en Zieneken, voelden diep deze wederzijdsche
+vervreemding en verweten inwendig elkaar daar de schuld van te zijn:
+"Zieneken is kwaad op mij," dacht Guustje, "en ik weet niet waarom."
+En 't meisje van haren kant, zuchtte soms treurig: "Ik kan niet
+peinzen wat Guustje tegen mij mag hebben, maar het wil mij haast
+niet meer bezien." Van Onderdaele-kermis, van de aldaar door Guustje
+zoo zonderling uitgesproken woorden, van alles wat er op dien dag
+geschied was, hadden zij met elkander nog geen enkel woord
+gewisseld.
+
+Aldus verliepen eenige weken.
+
+Het was een buiïgen namiddag van october. Zieneken was na de vespers
+t'huis gekomen en met een oud versleten boek bij 't klein geruite
+venster gaan zitten. Oom was als naar gewoonte in het dorp wat
+blijven kaarten en de oude meid ook ergens uitgegaan, en dienzelfden
+dag waren Sidonie en Guustje Lootens met hunne moeder eens naar
+Axpoele gereden, om Triphon en Valerie te gaan bezoeken.
+
+Als wij zoo gansch alleen, bij sombere, treurige najaarsdagen t'huis
+zijn en er in ons hart iets ligt, dat ons bekommert, dan kunnen wij
+daar soms doelloos blijven zitten, met een boek dat wij niet lezen
+in de hand, en in de stille eenzaamheid, die ons omringt, onze
+gedachten laten gaan en dwalen. Dan is het, als haalden wij in het
+geheim een ander, eigen boek, een boek dat uit de gewaarwordingen
+zelven van ons hart en ons gevoel vervaardigd is, tevoorschijn, en
+als legden wij er rondom ons vertrouwelijk de bladzijden van open.
+Dan zijn wij geene menschen meer, maar geesten; wij denken, wij
+gaan, wij spreken, wij reizen, wij weenen, alles te gelijk en alles
+ondereen, en zoo helder ontblooten wij dan gansch ons binnenste aan
+ons eigen, dat al onze gevoelens om zoo te zeggen op ieder voorwerp,
+waarop wij de blikken vestigen, voor ons te lezen staan. Wee dan den
+ingedrongene, die ons in onze zoete mijmeringen komt storen! Hij is
+ons als een dief, als een spioen die ons geheim verraden komt, en
+wat hij ook aanwende om ons te behagen, ons oor, te teer met andere
+tonen bezig, luistert hem verstrooid aan, ons hart, te zeer gevuld,
+vindt hij gesloten.
+
+Aldus zat Zieneken, het boek half toegevallen op haren schoot, met
+hare vingeren tusschen de bladzijden, het blonde hoofd een weinig
+omgewend, zoodat de grijze weerschijn van dien treurigen octoberdag
+haar blank, recht voorhoofd, hare lieve blauwe oogen, hare sinds
+korten tijd verbleekte wangen, gansch haar innemend en ietwat
+weemoedig gelaat met flauw licht en schaduwlijnen omhulde. Zij
+staarde droomend door het venster naar den grooten, breeden
+waterput, welke, omringd van kromme wilgentronken en beschaduwd
+door een hoogen notelaar, die nu en dan zijn bruinend loover schudde
+onder eene ruwe windvlaag, nevens de stallen lag... naar de
+Bruiloftput!... Zijne geschiedenis was haar bekend.
+
+Vóór honderden jaren woonde op deze hoeve een oude boer alleen met
+zijne jonge dochter. Deze was wonderschoon en een jongeling, dien
+zij ook liefde toedroeg, beminde haar; haar huwelijk met hem werd
+besloten en de dag der bruiloft vastgesteld. Nooit echter zouden zij
+elkander huwen. Eens, op eenen avond, kwam een oude rijke boer uit
+eene afgelegene gemeente op de hoeve aan, die door de schoonheid van
+Helena--zoo heette 't meisje--zoodanig verleid werd, dat hij haar
+zijne hand aanbood. De bekoring tot fortuin en weelde deed haar
+aanvaarden en de liefde van Alfons, den minnaar van heur hart,
+verwerpen.
+
+Gansch het dorp vierde feest op den dag dezer bruiloft. Daar kwam de
+schitterend versierde bruiloftwagen, door zijne twee rijkgetooide
+paarden getrokken, met de beide echtelingen het hof der hoeve
+opgereden. Geluk en vreugde glansden op het overschoon gelaat der
+prachtig toegeruste Helena. Maar, o! in eens verbleekte zij. Daar,
+aan den boord van den grooten, diepen pul, stond een man, roerloos
+en onheilspellend als een beeld der wraak Alfons, de verlaten
+minnaar. Zijne fonkelende oogen straalden betooverend naar de
+paarden, en, o schrik! de paarden, als door eene bovennatuurlijke
+kracht overheerscht, kwamen schielijk verwilderd met den wagen naar
+hem toegesprongen. O ijselijke stond! de wagen bij den put! Een nare
+kreet van angst weergalmde, de hinnikkende rossen, driftig op hunne
+achterpooten gesteigerd, de manen te berge gerezen, schenen in een
+oogenblik van onuitsprekelijke worsteling als over den put te
+hangen; een dof, een akelig geplons deed het bruisend water spatten,
+men zag, men hoorde iets afschuwelijks, en den stond daarna was de
+schitterende wagen, waarop de boever[1] en de beide echtgenooten als
+verstomd van schrik genageld bleven, in den vreeselijken put verzonken,
+om er nooit meer uit te komen... Nooit... want daar, in de onpeilbare
+diepte des waters, ligt hij steeds nog, met menschen en paarden,
+zooals hij er in gevallen is, en daar ligt ook Alfons nevens zijne
+minnares, de schoone maar trouwelooze Helena.
+
+1 Paardeknecht.
+
+Zoo luidde de legende van den grooten waterput, die sedertdien de
+Bruilofput geheeten werd; en oude lieden wisten er nog bij te
+vertellen, dan geen jong meisje meer op deze hoeve heuren
+hartsminnaar verstooten zou om met een anderen voor 't geld te
+trouwen, zonder hetzelfde lot te ondergaan als de schoone Helena.
+
+Zieneken sidderde. Oom loeg somtijds wel met haar, omdat zij dit
+alles zoo licht scheen te gelooven, en zij wist ook wel dat zulks
+zeer onnatuurlijk was, doch voor niets ter wereld hadde zij water
+uit den put gehaald; en ook de knechten op de hoeve staken er van
+verre hun lang pomphout in, wanneer er water in den mestput voor de
+stallen moest getrokken worden; ja, zelfs had eens een oude
+stalknecht zijnen dienst opgezegd, omdat De Vliegher hem in 't ijs
+van den Bruilofput eene bijt wilde doen houwen, waar de eendjes
+zouden gaan drinken.
+
+Zieneken was recht gestaan en had wat dor hout over het pruilend
+haardsteevuur gekraakt, dat schielijk nu op 't zwart der schouw
+weerlichtend danste, terwijl de avond reeds in grauwe schemering
+door 't lage keukenvenster daalde.
+
+"Boewoewoe!" blafte in eens met grove stem de oude wachthond op het
+hof. Zieneken, half over 't vuur gebogen, hield luisterend het hoofd
+naar de ingangdeur gewend. De hond blafte op nieuw en deed zijne
+ketting rinkelen; een zware stap kwam langs 't plankier genaderd.
+Het meisje rees eenigszins verschrikt op, met nog een greepje droge
+takjes in de hand: "Och God!" dacht zij, "dat is de stap van onkel
+niet en 'k ben hier gansch alleen op 't hof."
+
+"Is er geen belet?" klonk eene luide, welbekende stem, terwijl in 't
+geklets van den regen de voordeur openging. Een ros en wit gevlekt
+hondje sprong zoekend vooruit in de keuken, door een geblaas van het
+katje begroet en vooraleer Zieneken met haar nog gansch bedeesd:
+"Kom maar binnen!" geantwoord had, stond reeds eene hooge, forsche
+en haar goed bekende gestalte in het midden der keuken voor haar:
+"Och God! boer Van Daele!" kreet het meisje, van verbazing hare
+handen samenvouwende.
+
+Een lustig gelach weergalmde: "Gij zijt verwonderd mij te zien, mijn
+zoetekind, geloof ik?" klonk het vreugdig in de keuken, en de
+struische boer, zijpend nat, ondanks zijnen regenscherm, kwam
+vuurrood en glimlachend tot Zieneken genaderd en stak haar zijne
+breede hand toe. "Had ik het dan niet gezegd, dat ik in 't kort naar
+Meerhem komen zou?" lachte hij nog luider, herhaaldelijk hare hand
+schuddende.
+
+Zieneken ademde: "Ach! wat had ze toch geschrikt!" loeg zij nu ook,
+met nog van ontroering kloppend hert. God! en hare deur die zij niet
+toegegrendeld had, als er zoovele booswichten en dieven liepen,
+waarvan zij zoo benauwd was... "Maar zet u, boer Van Daele," ging
+zij voort, den dikken pachter bij den haard eenen stoel
+aanbiedende... "Zet u. Wel! wat zijt gij nat! En onkel die nu juist
+niet t'huis is! Hij zal zich na de vespers aan 't kaarten wat
+vergeten hebben; doch ik verwacht hem alle oogenblikken weer." En
+zij keek werktuigelijk door 't venstertje of zij hem wezenlijk nog
+niet zag komen. Doch de boer schudde het hoofd: "O! dat geeft niet,
+dat geeft niet," herhaalde hij, terwijl hij voor den haard ging
+zitten en Zieneken lang en als verrukt bekeek, "ik was voor hem toch
+niet gekomen."
+
+Zieneken, weldra van hare beteutering hersteld en door de komst van
+boer Van Daele uit hare droomerijen gewekten tot de werkelijkheid
+terug geroepen, vroeg nu aan den dikken pachter wat zij hem
+aanbieden mocht, eene schel hesp, wat kaas met eenen boterham of wat
+koud rundvleesch--des zondags hadden zij er steeds. Maar de boer
+schudde het hoofd en lachte haar voortdurend aan. "Neen," sprak hij,
+"dank, noch kaas, noch vleesch. Anders niets dan een glas bier; een
+glas uit uwe hand geschonken, zulde Zieneken," voegde hij er met
+nadruk bij en achteroverhellende, om haar nog beter te aanschouwen.
+Na nog herhaald aandringen, ging Zieneken hem dit uit den kelder
+halen.
+
+"Hij is voor onkel niet gekomen," dacht het meisje, terwijl zij het
+bier aan het tappen was; "voor wien komt hij dan? Ik zal mij nog
+moeten opgeruimd en blijde toonen," zuchtte zij stil, "anders zou
+hij wel denken dat ik onbeleefd hen."
+
+Dit onverwacht bezoek beviel haar niet zeer.
+
+De boer keek strak en glimlachend in 't vuur, terwijl Zieneken in
+den kelder was. 't Was zonderling, hij scheen verheugd en ook toch
+eenigszins verlegen. Met eene soort van ongeduld, wreef hij ruw de
+handen samen, en toen het meisje bovenkwam, zag hij haar op nieuw
+met streelend oog aan en, het ontsnapte hem schier onvrijwillig,
+terwijl zij hem het glas toereikte: "Maar, Zieneken," riep hij, haar
+lichtjes met de hand over de lenden kloppend: "wat ziet gij er toch
+verduiveld hoe langer hoe sneller[1] uit!"
+
+"Maar, boer Van Daele toch!" lachte ook Zieneken, terwijl zij op
+eens sterk blozend achteruit week.
+
+1 Mooier.
+
+"Verduiveld snel!" herhaalde de boer, verrukt het hoofd schuddende
+met nog vooruit gestoken arm; "nog sneller dan op
+Onderdaele-kermis!" En hij deed haar vleiend weer bij hem komen, en
+eens "bescheid" doen van zijn bier. Er heerschte eene poos stilte.
+
+Zieneken was bij het venster gaan zitten, en keek naar het slecht
+weder buiten. De boer, werktuigelijk en eenigszins gedwongen in het
+vuur staroogend, streelde zijn ros en wit gevlekt hondje, waarop
+Zieneken's katje strak, met ronde, gele oogen en verdikten staart,
+van onder tafel al grollende keek. Beiden op het gerucht omkijkend,
+blikten met eenen glimlach naar de twee vijanden. "Poes!" riep
+Zieneken op half vermanenden toon en als om iets te zeggen; zij ook
+was zoo wat onthutst, zonder te weten waarom. Van Daele boog neder.
+"'t Is nog een dul[1], geloof ik," sprak hij, zijnen regenscherm
+tusschen de pikkels stekende. "Vfoe! Vfoe!" blaasde de poes en
+vluchtte weg met hoogen rug, door 't hondje achtervolgd. De boer en
+Zieneken moesten lachen.
+
+Buiten regende het hoe langer hoe heviger. "Is dat nu toch een
+weder!" herbegon na eene poos het meisje, terwijl zij ernstig over
+den grijzen boomgaard tuurde, "al wie in de zware landen woont, moet
+waarlijk nu op zaaien niet meer peinzen."
+
+"Dat zal waar zijn," antwoordde de boer, ongeduldig haren blik
+volgend. "Wee voor de bulken[2] langs onze kanten!" sprak hij. Zijne
+stem klonk verkropt en ontroerd in zijne keel. Eensklaps stond hij
+recht. Hij kwam voor Zieneken staan. Het meisje keek verwonderd op:
+
+1 Kwaadaardig.
+
+2 Door elskanten ingesloten partijen kleiachtig land.
+
+"O! maar boer Van Daele."riep zij met ware belangstelling uit; "gij zult
+zeker wel in zulk een weder naar huis niet gaan, gij zult toch wachten tot
+dat onkel komt?"
+
+Een nog meer zonderbare glimlach speelde nu op het vuurrood gelaat
+van den boer, wiens hooge en breede gestalte schier tot aan de
+zwarte kepers van de lage keuken reikte.
+
+"Neen, neen," sprak hij, onrustig zijne dikke handen heen en weer
+wrijvende, "ik, ik...." Dat was toch zeldzaam! Maar, waarlijk, boer
+Van Daele was ontroerd en 't scheen als wilde hij iets zeggen dat er
+volstrekt niet uitgeraken kon; zijn hondeken, dat nevens hem gekomen
+was, stond, als het ware ondervragend, in zijne oogen te kijken.
+
+"Zieneken," sprak hij eensklaps, het meisje strak aanschouwende,
+"weet gij waarom ik vandaag naar Meerhem gekomen hen?"
+
+"Waarom gij vandaag naar Meerhem gekomen zijt?" herhaalde Zieneken,
+den blik schielijk gevestigd op haar katje, wiens groene oogen nu
+uit den sombersten hoek van de keuken fonkelden. "Neen, boer Van
+Daele, dat zou ik niet kunnen raden, niet waar?"
+
+"Om te trouwen," sprak hij kortaf.
+
+"Om te trouwen, wel Heere!" kreet het meisje, ditmaal ten hoogste
+verbaasd; en na een stond den boer met een ongeloovig oog bekeken te
+hebben: "Vandaag toch zeker niet?" schertste zij.
+
+"Om een vrouwmensch te zoeken," verbeterde de boer dadelijk zeer
+ernstig. En, nu hem gewis het ijs gebroken scheen, vertelde hij haar
+op statigen toon, dat het voor hem niet langer zijn kon om
+weduwenaar te blijven; want, dat zijne jongste dochter ook welhaast
+zou trouwen, en, dan niemand van zijn huisgezin bij zich meer
+hebbende, het hem aan oppas zou ontbreken; overigens, dat hij nog
+veel te jong was om op zoo eene schoone "occasie[1]" als de zijne
+gansch alleen te blijven, iets dat hij, wel is waar, niet te vreezen
+had, daar hij schier onophoudelijk van welstellende boerendochters
+of weduwen tijding ontving dat hij mocht komen als hij wilde; maar,
+zonder liefde zou hij nooit trouwen. Kortom, hij zegde haar dat zij
+een meisje was naar zijnen zin en die hij sinds den eersten stond
+bemind had en dat hij haar thans vragen kwam of zij met hem trouwen
+wilde.
+
+1 Boerderij.
+
+Zieneken was, naarmate boer Van Daele sprak, beurtelings bleek en
+rood geworden; maar bij die laatste woorden kon zij hare
+ontsteltenis niet meer verbergen en bleef zij, tevens diep
+verwonderd en verschrikt, eenige stonden voor zich staren, zonder
+een antwoord te kunnen vinden.
+
+De boer nochtans aanschouwde haar nu met streelende teederheid:
+"Allo toe, toe, Zieneken, zeg maar van ja," smeekte hij schier en
+legde, voorover buigend, de hand op haren schouder. Maar zij stond
+schielijk recht. "O! neen, neen, boer Van Daele," sprak zij, hem met
+de hand verwijderende en hem nu ook in eens zeer ernstig en bijna
+smeekend aanstarende: "O! neen, neen, dat kan niet zijn!"
+
+"Niet zijn! Och! waarom niet?" hernam hij vleiend; "gij zult zoo
+rijk en zoo gelukkig zijn en over alles het meesterschap hebben;
+allo toe, Zieneken!" En hij legde weerom de hand op haren schouder
+en poogde haar eenen kus te geven. Maar zij ontsnapte hem op nieuw
+en ging midden de keuken staan: "Neen, neen;--wat peinst gij, boer
+Van Daele?" herhaalde zij angstig, met van ontroering gloeiende wangen.
+"Neen, neen, dat kan niet zijn!" Zij was zoo diep geschokt, dat
+haar de tranen in de oogen stonden.
+
+"O! Zieneken," smeekte nog de boer en deed eenen stap nader.
+
+Op dit oogenblik piepte de balie aan het hofgat en beiden,
+werktuigelijk naar buiten kijkende, zagen in 't halfduister boer De
+Vliegher, die, van 't dorp teruggekeerd, traagzaam zijn hof opkwam.
+Zieneken verademde; de dikke pachter haalde wanhopig de schouders
+op.
+
+"Is het uw laatste woord?" vroeg hij haar haastig.
+
+"O! ja, boer Van Daele," antwoordde zij smeekend.
+
+"Mag ik er aan onkel niet van spreken?"
+
+"O neen, neen!"
+
+De boer zuchtte. "Het spijt mij," sprak hij, "het spijt mij diep;
+maar daarom toch geene kwade vrienden," en hij drukte haar de hand.
+Zieneken trok de hare spoedig weg, want boer De Vliegher kwam juist
+binnen.
+
+Deze was niet weinig verbaasd zijnen vriend te zijnent aan te
+treffen: "Kijk, kijk!" riep hij verheugd, "wat..." Maar boer Van
+Daele liet hem den tijd tot ondervragen niet. "Ik moest vandaag naar
+Meerhem komen uit hoofde mijner jaarlijksche houtvenditie," sprak
+hij, zijnen vriend de hand drukkende, "en 'k heb van de gelegenheid
+gebruik gemaakt om eens tot hier te komen."
+
+"En gij hebt wel gedaan, zeer wel," riep vroolijk boer De Vliegher;
+"'t is enkel jammer dat de Lootens ook juist weg zijn; maar, zet u,
+Ivo, zet u; Zieneken, ontsteek eens 't licht; boer Van Daele gaat
+eene schel hesp eten en een..."
+
+"Niemendal, als 't u belieft," riep deze, naar de deur gaande; "ik
+ben zeer haastig, 'k stond juist op 't punt om te vertrekken, als
+gij ingekomen zijt--ge weet, de wegen liggen vuil en 'k moet nog
+doen inspannen." En De Vliegher en zijn nichtje nog eens de hand
+drukkende en goên avond wenschende, trok hij tot groote verbazing
+van De Vliegher de deur uit.
+
+"Is dat verduiveld haastig zijn!" sprak de oude boer, in de keuken
+terugkeerende; "hebt gij hem wellicht den kop in gezegd, Zieneken?"
+vroeg hij half lachend.
+
+"Maar nonkel toch!" antwoordde 't blozend meisje, nederbuigende over
+'t lampje, dat zij aan 't ontsteken was, opdat haar oom hare
+ontsteltenis niet zou bemerken.
+
+Sinds eenigen tijd maakte hij haar vaak zulke zonderlinge
+opmerkingen en keek haar zoo peilend aan, dat zij somtijds niet wist
+waar de oogen wenden van schaamte. Doch met Marie, die ook juist
+binnenkwam, veranderde het gesprek en weldra zetten zij zich alle
+drie aan tafel, om het avondmaal te nutten.
+
+Dien nacht kon Zieneken geene rust vinden; allerlei sombere,
+onduidelijke droomen kwamen haren geest bevangen. Buiten waaide en
+stormde het vervaarlijk en telkenmale zij wakker schrikte, meende
+zij het huis op haar te voelen instorten of door den bij beken
+stroomenden regen meegesleept te worden. In haren pijnlijken sluimer
+zag zij Van Daele's heerlijk boerenhof, met zijne schoone, hooge
+schuren, zijn net en pronkend woonhuis, zijne talrijke beesten op
+stal of in de weiden en geld, veel geld en schoone kleeren, alles
+met één woord wat weelde en rijkdom baart. En toen zag zij den boer,
+rood en struisch, met zijn lachend gelaat, die heur versierd en
+opgetooid kwam halen om haar ter kerk te leiden. De ongeduldige
+paarden, met linten en bloemen gekroond, stonden aan den prachtigen
+wagen gespannen; de boever deed met hoogmoed zijne zweep klappen,
+juichend volk woelde om haar heen. Blozend van geluk en vreugd
+bereidde zij zich om op den wagen te stijgen, maar, o schrik! toen
+verrees schielijk voor haar een indrukwekkend tafereel--de
+Bruilofput!--En eensklaps scheen het haar als daalde zij er
+sidderend in neder... als zag zij daar, in de onpeilbare diepte,
+door de grijsgroene doorschijnendheid des waters, geheel het akelig
+tooneel ontstaan, zooals het hare inbeelding geschapen had.
+
+De bruiloftwagen, met linten en bloemen versierd, half verzonken in
+walgelijk slijk, de opgetooide paarden, hunne manen te berge
+gerezen, als versteend in woeste razernij; de boever met onmachtig
+gebaar zijne rossen weerhoudende, en op den wagen, half zijdelings
+geheld, als gingen zij er afvallen en nochtans onbeweegbaar, de oude
+boer en nevens hem de schoone Helena, schitterend van pracht in
+haren verblindenden bruidstooi; en daarachter nog, in een versmoord
+verschiet, de dreigende Alfons, die als een wraakroepende geest over
+dit gansche treurspel te gebieden scheen.
+
+Een spookachtige grijnslach verwrong de vale lippen hunner monden,
+een doodsche glans schoot schuins en strak uit de vergroote
+glasachtige oogen van menschen en paarden; en stomme visschen met
+traagsmakkende muilen, grauwe weekdieren, aanstootelijk als
+wangedrochten, schenen traagzaam hangend en drijvend voorbij de
+drukkende onbeweegbaarheid van dit aangrijpend tafereel te zweven...
+En in eens scheen het haar nog, als werden schielijk die gestalten
+door eene onvatbare gedaanteverwisseling in wezenlijke schepsels
+veranderd; als werden die rossen de paarden van boer Van Daele, die
+leidsman zijn knecht, als zat hij zelf op den wagen, zij, o schrik!
+nevens hem, en ginds, daarachter, met zijne glanzende oogen, hoe
+zonderling toch... maar... Guustje... Guustje Lootens in persoon,
+die daar grijnzend en dreigend op haar stond te kijken!
+
+Half ziek was 's anderendaags Zieneken. Zij had toch zulk een
+vreeselijken droom gehad, zei ze tot oom; een droom waaraan zij
+zelve niets kon verslaan.
+
+De oude boer glimlachte stil. Hij ook had dien nacht maar slecht
+geslapen; eene zonderlinge aaneenschakeling van denkbeelden en
+omstandigheden had hem langen tijd wakker gehouden. Waarom was boer
+Van Daele in eens zoo haastig vertrokken? Waarom zag Zieneken er zoo
+ontroerd uit?
+
+Werktuigelijk was hij in zijn bed daaraan beginnen denken en enkele
+bijzonderheden van Van Daele's feestmaal, des boers
+dienstvaardigheid bij Zieneken, zijne neiging om steeds nevens haar
+te zitten en te gaan, eene vraag: "Verkeert uw nichtje niet?" welke
+de pachter hem in stilte bij 't vertrekken, wel in den schijn al
+schertsende, maar in den grond misschien zeer ernstig had gedaan,
+dit alles was hem als zoovele lichtstralen door het brein geschoten,
+en een voorgevoel had hem doen raden dat boer Van Daele.... ja, dat
+de rijke boer Van Daele Zieneken ten huwelijke was komen vragen,
+en...... dat Zieneken hem van de hand gewezen had.--Waarom had
+Zieneken hem van de hand gewezen?
+
+Die vraag was zoo in eens bij hem opgekomen en eer hij die had
+opgelost, hadden er zich nog allerhande nieuwe bij de eerste
+gevoegd: "waarom had zij de hand van Lowie Billiet geweigerd?
+waarom liep zij sinds Onderdaele-kermis zoo bedrukt? waarom was zij
+ook sinds dien dag zoo koel jegens Guustje? waarom was Guustje
+zelf....?"
+
+Iets, waarover zijne oude meid hem sinds maanden reeds gewaarschuwd
+had, was hem dan schielijk weer in het geheugen gekomen. "'t Is
+zeker, zij zien malkander geerne," had Marie met haar sluw
+vrouwendoorzicht hem eens gezegd, van Zieneken en Guustje sprekende.
+Toen had hij dit niet geloofd; maar, van dag tot dag de jongelieden
+gadeslaande, was hij allengs beginnen twijfelen en thans was het hem
+eensklaps als eene veropenbaring voorgekomen. Klaar als de zon was
+het hem thans gebleken dat Zieneken Lowie Billiet en boer Van Daele
+van de hand gewezen had, omdat zij Guustje Lootens beminde; klaar
+ook, dat Guustje, die Zieneken veel meer dan Emerance liefhad, boer
+Van Daele zoo voorkomend bij zijn nichtje ziende, hierover had
+ergernis opgevat en daarom verbitterd scheen op het meisje; klaar,
+dat Zieneken slechts treurde omdat zij Guustje boos meende op haar;
+klaar, kortom, dat zij elkaar innig beminden en er tusschen hen
+niets anders dan een misverstand was, dat overigens gauw zou effen
+komen.
+
+Hieraan was het dat boer De Vliegher gansch dien nacht had liggen
+denken en niet zonder genoegen, want het vooruitzicht van een
+huwelijk tusschen Guustje, die zoo braaf en vlijtig was, en
+Zieneken, zoo lief en ook zoo vol verdiensten, lachte hem zeer toe,
+daar hij overtuigd was dat het zoo lang ongelukkig weeskind bij
+Guustje een trouwen steun en eene heilzame toekomst zou vinden, en
+daarom was het ook dat hij zoo schalks glimlachte, toen Zieneken hem
+zei dat zij dien nacht slecht geslapen had.
+
+"Wonder," sprak hij, 't meisje guitig aanschouwend, "of het waar zal
+zijn wat ik gisteren hoorde zeggen?"
+
+"Wat, onkel?" vroeg Zieneken, blijkbaar ontroerd.
+
+"Dat Guusje Lootens Emerance kwijt is," hernam De Vliegher; "het
+schijnt dat zij met Lowie Billiet gaat trouwen; dit gerucht liep
+gisteren 't dorp rond."
+
+"O!" riep onvrijwillig Zieneken en schielijk werd zij rood tot
+achter de ooren.
+
+De boer glimlachte voort: "Mij dunkt, Zieneken," tergde hij haar,
+met moedwillige traagheid sprekende, "dat Guustje zot is van u?"
+
+"Maar, nonkel toch!" riep het meisje nog rooder wordend.
+
+"Ja, ja, en dood jaloersch van boer Van Daele; 't is daarom en om
+anders niet dat het zoo droevig loopt..... maar alles zal wel goed
+komen."
+
+Zieneken liep den huize uit, want voorzeker hield oom den gek met
+haar, riep zij; maar gansch dien dag huppelde zij toch zoo opgeruimd
+en blijde, en toen de kinderen der weduwe Lootens 's avonds kwamen
+kaarten--met de reeds lange herfstavonden en niettegenstaande de
+koelheid tusschen Guustje en Zieneken, geraakten zij nog nu en dan
+eens aan het spel,--was zij weerom zoo gezellig en zoo vriendelijk
+als vroeger en had zij hare welgezindheid aan allen willen
+mededeelen. Des te treuriger bleef echter Guustje, die dezen avond
+zelfs met weerzin scheen te spelen.
+
+"Gewis weet het reeds dat boer Van Daele hier gisteren geweest is,"
+dacht De Vliegher. Dezes doel was ook niet zulks te verbergen; hij
+vertelde het zijnen jongen buren.
+
+"Ja, wij weten het," antwoordde Siednie; "wij vernamen het bij het
+terugkeeren van Axpoele." "'t Was uit hoofde zijner houtvenditie dat
+hij kwam, niet waar, boer De Vliegher?" vroeg naïvelijk Kamiel.
+
+"'k Geloof van ja," knikte de boer, en ging een solferpriemtje
+halen, terwijl Marie uit haren hoek oolijk naar Zieneken en Guustje
+blikte, die beiden beteuterd en sprakeloos in hunne kaarten keken.
+
+"Of 't jaloersch is van Van Daele!" dacht De Vliegher, zijn pijpje
+ontstekende; "maar, pfu! alles zal toch wel in de goede plooi
+komen."
+
+
+
+
+VI.
+
+OP HET LAND.
+
+
+November verspreidde reeds over dorpen en velden die doodsche
+wintereenzaamheid, welke het hart der menschen zoowel als de natuur
+met treurigheid vervult en al 't genot des buitenlevens in den
+nauwer aangeknoopte familie- of vriendenkring schijnt te sluiten, en
+nog was De Vliegher's voorspelling niet verwezenlijkt. Vruchteloos
+had hij Guustje, door allerhande zinspelingen en halfduidelijke
+woorden, zooals hij zei "den pap in den mond gegeven;" het dierf of
+wilde niet begrijpen. En even vruchteloos had Marie, ruwe maar goede
+ziel en die stelselmatige vijandin was van allerlei gedwongenheid of
+valsch gevoel, reeds meer dan eens, als Guustje 's avonds
+binnenkwam, hem eenen stond achter het schutsel houden staan en, hem
+met den elleboog in de zijde stampend, haastig in het oor
+gefluisterd: "Toe, gij dwaashoofd, klap er eens schoon tegen; het
+(Zieneken) is zot van u,"--Guustje, verre van zulks te durven doen,
+werd dan soms nog veel schuchterer en zat nog veel meer dan
+eertijds--gelijk Marie het noemde "op de pijnbank."
+
+De boer begon zijne schouders op te halen; Marie begon op Guustje
+kwaad, ja oprecht kwaad te worden, Guustje zelf liep gansche dagen
+als een gefolterde ziel op zijn hof, en Zieneken werd alle dagen
+treuriger.
+
+Maar vaak komt een geluk bij ons aankloppen, wanneer wij reeds
+gewanhoopt hebben.
+
+Zieneken was op eenen zaterdag namiddag naar het land gegaan, om
+tegen 's anderdaags wat eten voor hare konijntjes te plukken en
+keerde met de schemering huiswaarts, toen zij eensklaps aan den
+overkant der straat Guustje ontwaarde, die daar met ploeg en paarden
+eenen klaverstruik omwrocht.
+
+Zieneken bleef stilstaan, met haar konijneneten in den arm,
+onweerstaanbaar aangelokt om daar een oogenblikje te vertoeven en te
+kijken. Het was zoolang geleden dat zij Guustje niet meer zag zooals
+het eertijds was; bij haar was het of schuchter of misnoegd; hier,
+gansch alleen, zou het misschien weerom zich zelf zijn. Het scheen
+haar als zou zij op zijne wezenstrekken kunnen lezen of het wel
+oprecht boos was op haar, en ook, 't zij boos of niet, zij voelde
+dat zij niet kwaad was op hem... en... niemand zou haar zien, de
+straat was zoo eenzaam en ledig, de elzenstruiken waren nog dicht
+genoeg en over de stille natuur daalde zoo heimvol de
+avondschemering, met enkel nog die verre blonde streep in 't
+westen...
+
+O ja, zij moest hem eens zien.
+
+Zij keek.
+
+De beide bruine paarden, groot en kloek, kwamen dampend, met
+gelijken tred, gereden over de lange partij land, die naar het
+middenpunt eenigszins klom. De scherpe ploeg, door Guustje's
+rechterhand bestuurd, boorde snijdend door het verdorde klaverveld
+en keerde met den riester de malsche schellen om, die langs de lange
+rijen met een vetten glans in 't dalend schemervuur blonken.
+
+Zieneken voelde zich tot bewondering bewogen! "Wat felle boer toch,"
+dacht zij, en instinctmatig, als begoocheld, volgde haar blik de
+naderende vaart van ploeg en paarden. Maar in eens verschrikte zij:
+"Indien het mij eens zag? Het zou wel meenen dat ik hem kom
+bespieden!" En zij deed eenige schreden huiswaarts. Doch zij
+vertraagde schielijk weer haren stap. "Nu moet het mij gewis zien
+gaan," sprak zij inwendig; "zal het niet denken dat ik hem
+ontvluchten wil?.... Ik moet hem toch goên avond zeggen." En zij
+hield weerom stil.
+
+Guustje had haar reeds ontwaard.
+
+"Goên avond, Zieneken," sprak hij de eerste en hield zijn gespan
+staan, terwijl hij flauw op haar glimlachte.
+
+"Goên avond, Guustje," was haar ontroerd antwoord en zij sloeg het
+oog ten gronde.
+
+'t Was zonderling; maar Zieneken ging nog niet huiswaarts--nu zij
+echter den "goên avond" had gewenscht, en Guusje ook keerde nog
+zijne rossen niet, die krachtig blaasden, om 't laatste stukje land
+te bewerken; er heerschte een oogenblik vol drukkende stilte; beiden
+schenen diep ontroerd; het was alsof zij beiden voelden dat zij
+malkander toch wat meer te zeggen hadden, iets dat hen sinds lang op
+'t harte lag en er nu volstrekt afwilde.
+
+Er komt een stond in de liefde, op welken de schuchtersten tot
+stoutheid overgaan; een stond door de gelegenheid, door 't uur en
+door de eenzaamheid begunstigd, en als het ware opzettelijk geschikt
+om de voor elkaar geboren harten in een gelijk gevoel, in eene
+zelfde beweging te vereenigen en te versmelten.
+
+'t Was Guusje, die den eersten stap deed. Met bevende hand had hij
+de lijn zijner paarden aan de greep van den ploeg vastgemaakt; met
+ontsteld gelaat was hij al over 't mennegat bij Zieneken gekomen.
+
+"Zieneken!" sprak hij en er kropte schielijk iets in zijne keel, dat
+er geen enkel woord meer uit liet komen; maar zijne hand--hij wist
+het zeker niet--lag op des meisjes schouder.
+
+Zij verbleekte op eens. "Wat is er, Guusje?" vroeg zij zacht en nauw
+verneembaar en sloeg eens 't oog op hem en keek dan weer ten gronde.
+
+Wat er was?... Zie... Guustje zegde het haar... In eene taal, die
+hij nimmer geleerd had, met eene overtuiging waartoe hij slechts
+sinds eenen stond de kracht gevoelde, sprak hij haar - zonder
+spreken, maar met den mond op haren mond, maar met het hart tegen
+heur hart, en met de hand in heure handen, van hun lang geschil, hun
+verdriet, hunne smarten, hunne verzoening. Hij was als van zich
+zelven, hij begreep noch zijne daad, noch zijne stomheid, hij
+smaakte enkel het onuitsprekelijk geluk, waarmede zijne
+overborrelende liefde hem het hart verzadigde.
+
+Zieneken kwam eerst tot het bewustzijn weer; een zweem van
+treurigheid veegde schielijk de geestdrift van haar gelaat: "O!
+Guusje, gij bemint Emerance!" sprak zij met zacht verwijt.
+
+De jongman trad een stap achteruit met een ontkennend gebaar zijner
+hand: "Ik heb ze nooit oprecht bemind," sprak hij "maar wat er
+vroeger ook bestond, is thans geheel gedaan." En ook met spijt op
+zijne beurt zijne vriendin aanstarende: "Maar gij, Zieneken," hernam
+hij langzaam en ernstig, "gaat gij met boer Van Daele niet..."
+
+"Zieneken!" riep schielijk eene scherpe stem in de richting van De
+Vliegher's hoeve.
+
+"Och God!" schrikte het meisje, spoedig haars minnaars hand
+loslatende! "Marie roept, en het wordt reeds zoo laat, ik moet
+heen..."
+
+"Wacht een oogenblik," sprak Guustje, "ik ga meê."
+
+En in eens zijnen ploeg omkeerende, zette hij dien voor de laatste
+maal op 't laatste nog te bewerken reepje grond, en in gansch zijne
+moedige houding, in den rasseren tred zijner dampende, nog door het
+schemerlicht vergrootte paarden, in de vruchtbare schel, die hare
+bruine flanken openlegde om de kiem der toekomende oogsten te
+ontvangen, in 's meisjes houding zelve dat, onbeweegbaar aan den
+boord des akkers, het gansch schouwspel te bezielen scheen, lag er
+iets verhevens, iets bemoedigends, dat in de eenzame bespiegeling
+van 't avonduur geheel dit landelijk en vreedzaam tafereel als een
+zinnebeeld van stil geluk, van hoop en liefde deed uitschijnen.
+
+Zij kwamen aan De Vliegher's hofje. Guusje liet zijne rossen aan de
+balie slaan en trok met Zieneken binnen huize; het licht brandde
+reeds. Eene reusachtige gestalte, met een bol, lachend gelaat en
+twee dikke, naar hen uitgestrekte handen, dat was het eerste wat zij
+zagen: boer Van Daele! Onvrijwillig deinsden beiden als verschrikt
+achteruit en op hun gelaat, in hunne gansche houding en manieren,
+lag zóó klaar hun geheim te lezen, dat boer De Vliegher en Van Daele
+en Marie, allen terzelfdertijd door ééne gedachte overheerscht, de
+jongelieden roerloos aanstaarden, op hunne uitleggingen wachtende.
+
+Zij toefden slechts een oogenblik. Met eene soort van haast, als
+vreesde hij dat zij hem nogmaals kon ontnomen worden, had Guustje 's
+meisjes hand gevat en was hij met haar tot bij oom genaderd:
+
+"Boer De Vliegher," sprak hij schier plechtig en den grijsaard
+helder in de oogen aanschouwende, "ik kom u de hand van uw nichtje
+vragen; wilt gij mij die toestaan?"
+
+De oude boer, eene groote verwondering veinzende, keek lachend op
+zijn blozend nichtje: "Is het uw gedacht, Zieneke?" vroeg hij.
+
+"Ja, ja 't; 't is het van eigen!" haastte zich de ruwe Marie in
+Zieneken's plaats te zeggen, daar zij bemerkte dat het meisje zoo
+diep ontroerd was, dat zij bijna niet spreken kon.
+
+Roer Van Daele, eerst zwijgend en wezenlijk verbaasd, kwam nu weerom
+met zijne vette, purperen handen naar de twee verloofden
+vooruitgestoken: "Heb ik het u niet gezegd, mijn zoetekind, dat wij
+niettemin steeds goede vrienden zouden blijven?" riep hij tot
+Zieneken, terzelfdertijd ook voor de anderen zijn geheim
+klaarmakende; "doch, zeggen is maar zeggen, en luister hier wat
+beter is: Ik kom u met uw aanstaanden man"--en hij wees met den
+vinger naar Guustje--"op de bruiloft vragen van mijne jongste
+dochter met Lowie Billiet en op de mijne"--en zijn vinger bleef een
+heele wijl op zijne borst gericht, terwijl zijne oogen bij het
+aanschouwen van Guustje's en Zieneken's nieuwsgierige verbazing van
+blijdschap fonkelden.--"Ja, op de mijne met de weduwe De Baere, van
+Merckegem, die stellig zeer met mij moet ingenomen zijn, daar zij
+mij, als zijnde eergisteren voor de achtste maal, tijding zond dat
+ik mocht komen als ik wilde,--bruiloften, welke beide nog vóór het
+Nieuwjaar zullen plaats grijpen".
+
+Welke wederzijdsche gelukwenschen en proficiat's bij deze laatste
+verklaring in De Vliegher's huis weerklonken, ware moeilijk te
+beschrijven. De oude boer trok in zijnen kelder. Hij kwam er weldra
+uit met eene zwarte flesch, die hij zegepralend naar het licht
+hield: "Zieneken! 't is eene van de laatste," riep hij; "'t is nog
+eene van die, welke ik met uw vader zaliger in den ouden pastoors
+venditie kocht, nu dertig jaar geleden. Op uw gezondheid, mijn
+kind!"
+
+De wijn werd uitgeschonken, de glazen gingen tikken.
+
+Zieneken weende.
+
+"Baas Van Daele," sprak De Vliegher, "ik noodig u ook met uwe
+aanstaande vrouw en met uwe dochter en haar aanstaanden man, op de
+bruiloft welke ik hier, en ook vóór Nieuwjaar nog, voor Zieneken en
+Guusje houden wil; en dit zal dan de laatste kermis zijn die ik hier
+zal geven, daar ik voornemens ben mijn boerderijtje aan die
+vlijtige, brave jongelieden over te laten, om dan in 't dorp, op
+mijn gemak, de enkele jaartjes, die ik misschien nog te leven heb,
+te gaan slijten."
+
+Nog eens werden de glazen volgeschonken, nog eens bedankingen en
+gelukwenschen herhaald, en dan gingen zij allen te zamen naar de
+weduwe Lootens.
+
+"Zie!" sprak Marie, toen Zieneken dien avond kalm, maar volzalig van
+geluk in haar kamertje trok, "hadde het met u beiden alzoo nog wat
+langer moeten duren, ik was er hier van deur, want ik kon waarlijk
+uwe wederzijdsche dwaasheid niet meer verdragen!"
+
+Nevele, Februari 1887.
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Guustje en Zieneken, by Cyriel Buysse
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK GUUSTJE EN ZIENEKEN ***
+
+***** This file should be named 47812-0.txt or 47812-0.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/4/7/8/1/47812/
+
+Produced by Johan Boelaert
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License available with this file or online at
+ www.gutenberg.org/license.
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation information page at www.gutenberg.org
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at 809
+North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email
+contact links and up to date contact information can be found at the
+Foundation's web site and official page at www.gutenberg.org/contact
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit www.gutenberg.org/donate
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For forty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+