diff options
Diffstat (limited to 'old/47327-0.txt')
| -rw-r--r-- | old/47327-0.txt | 3853 |
1 files changed, 3853 insertions, 0 deletions
diff --git a/old/47327-0.txt b/old/47327-0.txt new file mode 100644 index 0000000..d455785 --- /dev/null +++ b/old/47327-0.txt @@ -0,0 +1,3853 @@ +Project Gutenberg's Thomas More, by Henriette Roland Holst van der Schalk + +This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most +other parts of the world at no cost and with almost no restrictions +whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of +the Project Gutenberg License included with this eBook or online at +www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have +to check the laws of the country where you are located before using this ebook. + + + +Title: Thomas More + Een treurspel in verzen + +Author: Henriette Roland Holst van der Schalk + +Release Date: November 11, 2014 [EBook #47327] + +Language: Dutch + +Character set encoding: UTF-8 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK THOMAS MORE *** + + + + +Produced by Kanta Dihal, srjfoo, Hans Pieterse and the +Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net + + + + + + + + + + THOMAS MORE + + + + + THOMAS MORE + + EEN TREURSPEL IN VERZEN DOOR + HENRIETTE ROLAND HOLST + VAN DER SCHALK + + TWEEDE DRUK + + W. L. & J. BRUSSE’S UITGEVERS-MAATSCHAPPIJ + ROTTERDAM MCMXVI + + [Logo van de uitgever] + + + + + AAN KARL KAUTSKY + + DIE MIJ DEN EERSTEN MODERNEN COMMUNIST + LEERDE BEGRIJPEN EN LIEFHEBBEN + + + + +PERSONEN + + + Sir Thomas More. + Zijn vrouw Else. + Zijn dochters Margreet en Dance. + Zijn pleegdochter Mercy. + William Roper, Margreets echtgenoot. + Simon Grynæus, een jong fransch geleerde. + De hertog van Norfolk. + Bisschop Cranmer. + Southwell, procureur-generaal. + Palmer, zijn bediende. + Rich, een gehuurd getuige. + Sir William Kingston, konstabel van den Tower. + Dienaar bij More. + Gevangenen-bewaker in den Tower. + + +Het eerste en tweede bedrijf spelen in More’s woning, het derde in den +Tower, het vierde op de Theemskade bij Londenbrug. + + + + +EERSTE BEDRIJF + + + Het terras van More’s paviljoen te Chelsea. + + More, Grynæus, Margreet, Dance, Mercy, later William en vrouw Else. + + + GRYNÆUS Heer Thomas, nauw terug van overzee + drijft mij een drang dit liefgeworden huis + dat ik zoo vaak droombetrad, na een dag + van lang verlangen, weder te betreden + wakend, en mij in werk’lijkheid te laven + aan uw oneind’ge heuschheid, aan dit leven + van scherts-doorweven ernst, geluk’ge arbeid + waar droombegooch’ling mij hongrig naar liet. + + MORE Gij zijt mij welkom als weleer, Grynæus, + en gelijk mij ben ’k zeker al de mijnen. + Vindt g’ ons in andren staat weer naar de wereld + dan g’ ons verliet,—pronk en praal zijn gevloden, + maar blijheid zingt naar d’ ouden trant door ’t huis. + (tot Margreet) Niet waar, mijn lust? + + MARGREET Het is een heerlijk leven + dat wij nu leiden: ik voor mij begeer + geen ander, ook het oude niet terug. + + GRYNÆUS Margreet, hoezeer gelijk hebt ge!—Ge weet + ik ging, om in Italië mij te laven + aan de eedle bron, die daar rijk’lijk welt: + de kennis der latijnsche en grieksche spraken, + waaruit het schoon en diepzinnig gelaat + ons tegenlacht van de wijsheid der ouden. + Aan menig hof wijlde ik waar een grootmoedig vorst + wedijv’rend met de vorsten zijn geburen + een schaar van uitgelezen geesten hield + verzaâmd; hun roem verhoogde zijnen luister + meer dan het stoutst wapenfeit. O hoe klein + maakte mij hun diepwort’lende geleerdheid: + ik kroop weg onder haar machtigen boom! + Ja en ook vrouwen vond ik, stralender + van vernuft dan de kostbare gesteenten + die heerlijk flonkerde’ om hun zwanenhals. + Veel leerde ik van hen, veel heb ik genoten: + parelend schenkt daarginds, uit gulle tuiten + het leven gulpen van genot.... ik wijlde + gaarn’ in ’t gezegend land! + Maar nergens vond ik, gelijk onder u, + den stroom vernuft beglansd door ’t milde schijnsel + van teederheid van hart, en nergens vond + ik den boom weten als bij u geworteld + in diepen levensernst. En vraagt ge mij + wat m’ ontbrak in het schitterend Italië: + ik vond geen mensch, bij wien ’k gansch mensch kon wezen; + een man gelijk uw vader vond ik niet. + + DANCE Die is ook niet te vinde’ op ’t wereldrond. + + MORE (Schertsend tot zijn dochters) + Ei hoor, wat hoofsche wendingen zijn tong + in ’t zuidland leerde, om een oud man te loven. + + GRYNÆUS Heer Thomas, niet uitheemsche hoofsche zede, + mijn hart leerde aan mijn tong uw lof. Vergun + nu allereerst dat ik u overbreng + minnigen groet van veel vereerde mannen + uit de landen die ik bezocht. + Niet vele hunner hoorden ooit uw stem + als ik haar hoor, en zage’ uw aangezicht + als ik het zie zich tot hen overbuigen, + maar alle kennen u en hebbe’ u lief. + Een broeder rekenen de oud’ren u, + de jongeren een wijzer vriend; + en om met die u ’t waardst is te beginnen: + Erasmus zendt u teed’ren broedergroet. + + MORE Hoe vaart mijn lieve vriend? + + GRYNÆUS Gelijk hij plag; + wel hebben ziekte en ouderdom hem bij + de hand gevat, en onbarmhartig sleuren + zij hem tusschen zich in omlaag naar ’t graf: + zijn uitgebloeide lijf ontkomt hun niet. + Maar over den geest hebben zij geen macht! + die stuurt de felle straal van wetenschap + en ’t kleurig vonkensproeisel van vernuft + uit als weleer, lustig en onverzwakt. + O een feest is het te zien hoe zijn spot + slingert den brand in die damme’, opgehoopt + door d’ eeuwen: domheid, onverstand, vooroordeel, + bijgeloof, en ze opgaan doet in asch. + + MORE Jammer maar dat uit die asch tot nieuw leven + de domheid weer herrijst.... + Ja bleef alles wat Erasmus versloeg + met geestespijle’, ook dood, ja dan... Ge vondt hem + in Freiburg? Hij mijdt Bazel nog? + + GRYNÆUS Helaas.... + o vergun dat ik gelijk vroeger spreke + tot u vrij-uit, heer Thomas.... ik kan niet + ’t verschelen tusschen ons wegdekken met + glad mozaïek van levenlooze woorden.... + Ge weet hoe ik hem hooghield, hoe vereerde.... + ons geslacht vond, opgroeiend, voor zich uit + het spoor van zijne glanzende gevechten + tegen ’t bederf der kerk, en volgde het. + En waar ’t ophield, gingen wij verder, met + Luther, met Melanchton, met Zwingli, verder + tot de klare onherroepelijke daad. + Zij is zijn werk, zijn werk is de hervorming; + hij leerde ons niets schuwen, niets ontzien. + O zeg niet neen; gij kunt het niet bestrijden: + wij ketters zijn de zonen van zijn geest. + Waarom verloochent hij ons dan? Waarom + vlood hij uit Bazel; verbrak, een oud man, + en ziek’lijk, langgewende levensplooi; + verliet verknochte vrienden, de stad waar + een elk vol liefde en eerbied aan hem hing, + elk kind hem groette met vertrouwelijk ontzag? + Ziet: gij hebt u tege’over ons gesteld + en stut de oude kerk met uw vermaardheid; + het doet ons leed, ’t verdriet ons: ’t grieft ons niet. + Maar grievend is zijn dubbelzinnigheid, + zijn angstig poge’ een evenwicht te vinden + tusschen twee machten die elkaar bespringen + als vuur en water.... Reeds gaat tusschen ons + als een gangbare munt dit bitter oordeel: + Erasmus denkt gelijk met de hervormden + maar durft niet doen gelijk hij denkt.... Vergeef + zoo ik u krenkte.... ’k had dit best verzwegen... + gij kent mijn heete gallisch bloed.... + + MORE Niet krenkte, + bedroefde wel. Het smart mij diep, mijn zoon, + u weer te vinden nog verstrikt in ’t net + van ketterij.... Maar eigen wil vermag + niet meer ons te brenge’ aan den voet der waarheid + dan de magneet het schip stuurt door zijn kracht. + God zette u vrij. Ik wil door ’t welkom zoet + van samenzijn te lang ontbeerd, niet mengen + de gal, die twistgesprek altoos ontdruipt. + Maar van Erasmus moet ik een woord spreken, + dat ge uw onrecht ziet. Niet vrees houdt hem + van de hervormden ver, maar zijn geweten. + Hij wil één kerk, vernieuwd aan hoofd en leden, + geen breuk, geen scheuring in de christenheid. + Hij heeft geleefd om haar dreige’ af te wenden; + gestreden, om de kerk te zuiv’ren. Dat + hij faalde is niet zijn schuld, maar schuld zou ’t wezen + zoo hij zijn welgewogen wil verliet + en zich meesleepen liet om te verzamen + met hen wier doen hij niet goedkeuren kan. + Hem rest niet anders in zijn oude dagen + dan partij te maken voor zich alleen. + Denk welk een moed het vergt om dit te doen, + tot mikpunt, dag aan dag, te dienen voor de + pijlen, gedoopt in ’t gif van hoon en laster + die spijtigheid afschiet op u! Veel lichter + ware ’t, te neigen naar één zij, te geven + gewonnen zich, aan wie zoo zoetjes vleien + „kom bij ons”, te schuilen in de bescherming + van bondgenootschap—maar het mag niet zijn. + Zoo leeft hij dan vereenzaamd, fel bestookt + van beide zijden, vogelvrij, maar ook + vrij van inwendig wrijten, ’t deel van wien + samengaat met zoodaan’gen, wier weg hij + niet gansch kan loven.—Ziet hem nu uw denken + in milder licht? + + GRYNÆUS In mij strijden ’t oude met + het nieuw gezicht en maken mij verward. + Maar ook uw rede knoopt vast om mijn denken + een band dien ik zelf niet losmaken kan. + Gij looft Erasmus, dat hij tusschen beide + partijen staan blijft.... en gij koost partij.... + + MORE Wij zijn gevormd uit and’re stof.... en leven + drong ons op andre banen. Niet aan elk + stelt het de groote vraag op d’ eigen wijze, + niet voor elk blinkt in zijner lijnen wirwar + dezelfde als die der plicht. Had Erasmus + gestaan voor mijne keus, ik meen hij had ge- + kozen als ik.... maar dit zijn ijdle woorden.... + Wist hij toen ge hem ’t laatst bezocht, dat ik + des konings dienst verlaten had? Sprak hij + met u daarover? + + GRYNÆUS Toen ik hem verliet + had nog de tijding Freiburg niet bereikt; + wel het gerucht dat ge in de zaak van ’s konings + huw’lijk den vorst weerstreefdet. Toen Erasmus + dat vernam, pelde zijn scherpzinnigheid + dra het gevolg uit den bolster der oorzaak: + hij voorzag uw besluit. + + MORE En keurde ’t goed? + + GRYNÆUS Hij sprak er van, behoedzaam, + afwegende het voor en tegen, zóó + dat ik nauw merken kon, naar welke zij de + schaal van zijn oordeel overwoog. Hij loofde uw + onbuigzaam wezen met zinrijke en + hartgrond’ge woorden, makend mij den prijzer + haast even lief als den gepreez’ne. Maar + dan weer sprak hij van de noodzaak’lijkheid + voor wie in ’s levens raderwerk wil wezen + een wiel, om het beweeg van zijnen wil + zóó te reeg’len dat geen geduchter rad’ren + hem brijz’len, botsend tegen hem. Hij roemde + uw taak: de plecht der koninklijke macht + richten naar wat’ren van vrede; de scherpe + haken der heerschzucht met de wol omwinden + van matiging.... en zoo, veel kwaad voorkomen + dat anders vast geschiedde. „Laat,” sprak hij, + „More in de zaak van ’s konings huw’lijk niet + te vast zich klampen aan zijn meening.... Moge + zij juist zijn, hij moet tot het uiterste + niet gaan; hij is verplicht te denken aan de + gevolgen van zijn daad: valt hij, zoo worden + wij humanisten alle ontkrachtigd, onze + invloed krijgt in alle landen een knak. + Men moet ook wete’ iets toe te geven: laat hij + ditmaal doen ’s konings wil.... een andermaal + kan hij met te meer klem de teugels korten + en vindt volgzamen zin.”.... + + MORE Onnoozel kind.... + En dat zegt mijn scherpzinnige Erasmus! + Hij weet niet dat wie achter koningsluimen + aandraaft, te land komt in den diepen kuil + der machteloosheid, en daar liggen blijft: + ’k herken in den raad zijn plooibaar gemoed + dat tot het laatst beproeft vreê te bewaren, + te verzoenen wat onverzoenlijk is. + Hij meester in den woordenstrijd, schuwt strijd + die uitgaat boven het gewar van woorden + tot naakte klippen van de daad.—Mijn vriend, + ge draagt zijn meening met veel warmte voor: + ge deelt haar wel? + + GRYNÆUS ’t Past mij niet, uit te spreken + wat ik zou voelen als een oordeel over + een, dien ik boven alle menschen eer. + Maar ik erken, dit weegt voor mij wel zwaar: + —heeft zeker ook u zwaar gewogen, Morus— + wij humanisten reek’nen ’t onze taak + om het heil dat nu opborrelt uit klare + en lang-gestremde wellen, te doen stroomen + over de wijde levensvelden, zoo + die voorbereidend eens een oogst te dragen + van menschlijk-milde, broederlijke zeden + nietwaar? Maar wij kunnen die welle’ alleen + heenleiden waar ze ’t menschezijn bevruchten, + door de rotssteen der vorstelijke macht. + Door dat graniet moeten wij een weg banen + onzen droom naar het land der daad. Daarom + is het veel waard, meen ik, eens konings vriend + en zijn raadsman te wezen; het te blijven + ook offers waard.... het moeten gronden zijn + stijgend uit de diepten van het geweten + die ons loslaten doen, als onze harten + eenmaal vastgrepe’ eens konings hart.... + + MORE Geef mij + uw hand, Grynæus: ’k denk als gij. Uit diepten + van het geweten kwam de stem die ik + volgde, toen ik mij van den koning wendde. + Hij zette zijn voet op donkere paden; + ik kon hem niet weerhouden: hem verzellen + wilde ik niet.— + En zoo vindt g’ons terug, aan wereldsch goed + verarmd, van menigeen verlaten die + onzen voorspoed omzwerfde als de vlinder + kleurige kelk tot hem de bui verjaagt; + en vindt ons vergenoegd en vredig levend + voor elkaar, de zoetste gaven des levens + genietend met een onbekommerd hart. + Zoo dienaren ontbreken, onze handen + bezorgen fluks het werk en geen lakeien + reppe’ als onze voeten zich vóór ’t bevel. + Kauwend roemen wij ’t zwarte brood, dat maakt + de tanden blink-wit en geurig den adem— + nietwaar kinderen? Ik voor mij betreur + niets van het oude zorgbezwaarde leven, + en de lang ontbeerde lucht der vrijheid + adem ik in verrukt. + + MARGREET Wij voele’ ons één in liefde en alle dingen + zijn tusschen ons gemeen: ik bid tot God + niet anders, dan dat hij het late blijven + gelijk het is. + + MERCY Neen, niet betreur ik weelde + of pronk, maar dat men menig arme nu + wegsturen moet, die gewend was te vinden + zijn nooddruft hier.... + + DANCE En menig trouw dienaar + wiens goed’ge kop sinds onze prille jaren + ons toelachte op de trappen van het huis, + verdwenen is.... de arme nar! + + MORE Hij vond + een goeden meester, kind. + + DIENAAR (treedt binnen) Heer Thomas, de + bisschoppen van Winchester, Bath en Kent + verzoeke’ een onderhoud. Zij hebben, zeggen + ze, u hun bezoek gemeld. + + MORE Zeg dat ik kom. + (tot de vrouwen) Houdt vast den lieven gast, dat ’k hem weervinde; + (tot Grynæus) ik moet nog veel vernemen. (Af.) + + MERCY (verschrikt) Wat beteekent + dit hoog bezoek? + + DANCE Bisschoppe’ en groote heeren + sleten den drempel van ons huis niet af + in ’t laatste jaar.... hunne voetstappen wekken + in onze harten vrees.... + + GRYNÆUS Wat scheelt u Dance? + Vrees waarvoor? Wat verschrikt u? een oud vriend + moet alles weten.... + + MARGREET Ge zult alles hooren, + Simon, maar zeg mij eerst: hoe dunkt u vader? + Vindt ge hem anders, dan hij placht te zijn? + + GRYNÆUS Hij is nog milder, maar iets minder blij. + ’t Is of zijn oude speelschheid breekt door waas + van weemoed heen, als zon door fijne nevel.... + ’k zag om zijn mondhoeken een trek gegroefd + die daar niet was, toen ’k hem, nu voor twee jaren + verliet in de beslom’ring van het ambt.... + Maar zijn voorhoofd is even klaar.... nooit zag ik + zulk een milden glans over een gelaat + als heldert soms over uws vaders aan- + gezicht, Margreet.... ’t zweemt naar de gulden klaarte + die d’oude heilgen in Italie dragen + op ’t blank gemaald gelaat.... maar toch weer anders: + niet hemelsch, van boven-af neergezegen; + —neen aardsch, van binnen-uit.... + + MARGREET (nadenkend) Het is het hart + dat uit zijn wezen straalt, Grynæus; ’t wijd- + open meegevoel voor het lot der menschen + geeft hem die milde glans. Maar wat mij maakt + bezorgd, ’t zijn d’ enk’le nieuwe groeven niet + door kommers hand onbarmhartig gesneden + langs ’t liefst gelaat.... Er is iets anders, er + is een verand’ring, zoo fijn, in zijn wezen, + dat woorden haar niet vatten kunnen, toch + zoo klaar, dat ik niet twijfel.... In de dagen + dat hij het kanseliersschap neerlei, kwam + ze over hem.... eerst een gespannen droefheid + die zijn trekken verhardde.... en toen.... dit. + Het groeide door zijn ernst.... meest door zijn glimlach, + zooals door ’t klare goud van najaarsdagen + langzaam de ijlheid van den winter groeit. + Och, d’ oude schalksche glimlach, als bedauwd + van levenslust, speelt om zijn lip niet meer; + een andre nam zijn plaats, onstof’lijker.... + het is of hij de poort des levens achter + zich sloot, en ons toelacht van gene zijde, + niet meer bewogen als een sterveling.... + Ik ben zoo bang, Grynæus.... + + GRYNÆUS Maar waarvoor + Margreet? uw vader trad uit ’s konings dienst.... + hij is toch veilig? + + DANCE Och vriend, laat ons de + zwaarte een weinig uitstorten, die ons drukt.... + Wij kunnen het zoo schaars.... Wij willen vader + niet kwellen met onze bezorgdheid, binden + ons voor hem een blijmoedig masker voor.... + dat is hem ’t liefst.... Moeder is krank: het treuren + over het oude verstoort haar gemoed; + zij wrokt dat vader liet tusschen zijn vingers + rijkdom en aanzien glippen, of het waren + kralen van glas.... zijn hooge zin blijft haar + gesloten.... u heugt hoe zij placht te wezen + niet waar? + + GRYNÆUS Ja, ge zijt niet haar kind’ren.... vaak + heb ik gepeinsd, hoe uw eigene moeder + geweest moet zijn.... Maar verhaal mij nu waarvoor + ge zijt bevreesd. + + DANCE Vader is in gevaar. + De nieuwe koningin vergeeft hem niet + dat hij haar huw’lijk dwarsboomde en den koning + afried van haar.... Zij is trotsch en wraakzuchtig: + Hendrik volgt haar wil, als het schip het roer. + + GRYNÆUS Maar hoe dwarsboomde uw vader haar huwelijk? + ’k meende dat hij terugtrad uit het ambt + om t’ ontgaan een openlijk zich verklaren + tegen zijn vorst en toch zichzelf te blijven + getrouw. + + MARGREET Zoo is ’t ook, Simon, maar de koning + hoopte met hulp van mannen van gezag + ’t nietig verklaren van zijn eerste huw’lijk + t’ omgeven met een valsche glimp van godlijk + en menschlijk recht. En bove’ alle andre namen, + was vaders naam hem waard, om ’t dubb’le stralen + van zijn groot wete’ en zijn onkreukbaarheid. + O vriend, wat laffe kruipers zijn de meeste + menschen, zijn al die hooggeleerde raadsliên + waartoe mijn jeugd zoo schuchter opzag.—Hebt ge ’t + niet gehoord: negen universiteiten + van Eng’land, Frankrijk, Italië verklaarden + de scheiding geldig naar kerkelijk recht.... + De vreemden gaven ’t laf getuigenis + voor goud—de pen waarmee mijn landsliên schreven + was gedoopt in de witte verf der vrees. + O ’k heb een harde les + geleerd: ik leerde menschen te verachten + die ’k had vereerd.... Zij, die achtbaren, wijzen, + wier taak het was, met kennis’ vlammend zwaard + den driesten aanrander van heil’ge wetten + terug te drijven, braken ’t zwaard aan stukken + toen hij ’t beval.... + + GRYNÆUS Ja, de meeste geleerden + deugen voor mart’laar niet, dat ’s vast. Maar uw + vader, Margreet? + + MARGREET De koning gaf hem last + de goudgekochte en afgeperste adviezen + voor te lezen aan ’t parlement, om zoo + de meening te doen sijp’len in de harten + als druppels gift „Morus is voor den koning” + en de kiemen van ’t verzet te ontkrachten + dat opkwam hier en daar. + Dat waren donk’re dagen, vriend! ’k zag vader + nooit, gelijk toen, met zich zelven in strijd. + De wolk tusschen zijn brauwen trok niet op; + zijn strakke, naar binnen gekeerde blik + scheen geen onzer te zien. ’t Huis was verduisterd. + Maar op een morgen kwam hij thuis met d’ oude + teedere schalkschheid trillend om zijn mond, + streelde ons en kuste ons, en vertelde ons schertsend + „gij zijt niet meer de kind’ren van mijnheer den + rijkskanselier, maar die van mijnheer More.” + Dien eigen avond riep hij ons bijeen + hier op ’t terras, en met eenvoud’ge woorden + sprak hij ons toe, vroeg onze steun en hulp, + vermaande ons zacht tot moed en eendracht, beurde + ons hart zóó op, toonde ons ’t stroef gelaat + van armoe, nu nabij, zoo schoon-eerwaardig, + dat wij in liefde ontbrandden tot haar. + Wij weenden zoete tranen. Sinds dat uur + hebben onze vijf gezinnen geleefd + als één gezin, en niemand onzer heeft meer + iets zijn eigen genoemd.... + + GRYNÆUS Ik moet veel hooren + van deze zachte zede die u bindt, + maar laat mij eerst al uw zorgen meedragen: + wat wil de koning meer, dan dat uw vader + niet openlijk tegen hem staat? + + DANCE De koning + zou zich hiermee misschien tevreden geven, + maar Anna nooit.... Zij gunt dit vredig leven + aan vader niet, + zij wil hem vernederen en vernielen.... + ik zie haar haat loere’ uit de schaduw-nissen + van het paleis, omspinnen onze woning + met boos beraad.... In net van donk’re logens + wordt vader ingesponnen; schandelijke + verzinsels trekt men samen om zijn hoofd. + Hem, die ieder geschenk met zachten drang + weder toeschoof den schenker, dat geen spatsel + zou ’t kleed zijner onkreukbaarheid bevlekken, + beschuldigt men.... + + GRYNÆUS Van omgekocht te wezen? + Hem, Thomas More? Geen mensch die het gelooft. + Is dat uw zorg, Margreet? + + MARGREET O was het dat alleenig! + Laster in alle soorten draagt men aan!— + Wie is als hij verdraagzaam? Leerde hij ons + dit denken niet: ’t recht geloof is genade, + geen verdienste, geen vrucht van eigen wil; + ketters moet men beklagen, men moet trachten + ze te genezen van hun slecht geloof + door voorbeeld en betoog; ze te vervolgen + is ijdel—en behaagt niet God. Nu heet het + dat vader ketters aan den lijve strafte om + der wille van ’t geloof + en met geweld de gewetens wou dwingen. + + GRYNÆUS Daarvan kan ik getuigen, die, schoon volg’ling + van Melanchton, vond in zijn huis het thuis + dat mij weeromtrok uit zonnig Italie + naar uw zonloos nevelbedekte land. + Zijn lamp was ’t die mij ’t altijd welkom straalde, + als ik, vermoeid van ’t ingespannen turen + op de handschriften waar de tijd aan vrat, + voelde in den schemer het heimwee besluipen + naar het zachte land Touraine mijn hart. + Zijn voorspraak ontsloot m’ als een tooverspreuk + kostbare boekerijen waar de schatten + te fonk’len lagen van den griekschen geest. + Hij effende mij de moeilijke wegen + in den vreemde, maakte er te leven zacht + door de gulheid van zijn vriendschap, den omgang + met zijn gezin, ’t liefste dat ik ooit vond.... + Dat was zijn onverdraagzaamheid! + + MERCY O, dit + smaakt bitter in den mond: hij, minlijkste + van alle menschen, + die niemand ongetroost kon laten gaan, + elks verdrukking voelde in zijn eigen vleesch, + die de weeze’ opnam in zijn huis’lijkheid + en in zijn hart—gelijk ik heb ervaren,— + de verongelijkten hielp aan hun recht + of ’t ook verdroot machtigen naar de wereld, + —als onze William weet—hij wordt beschuldigd + van onmenschlijkheid.... + + DANCE Als men bedenkt + hoevele hij oprichtte uit ellende, + ze weldoend met een zoo verheugd gezicht + als was hij het, die helpend werd geholpen, + dan voelt men verbaasd, dat zij alle niet + rijzen, en een ring om hem vormend, roepen + „raakt hem niet aan, raakt onzen More niet aan.” + + MARGREET Zij durven niet, vrees maakt hen laf. + + DANCE Ach Simon, + wij hebben u nog niet verhaald het ergste, + wat wij van d’ aanvang te verhalen hunk’ren + maar konden ’t niet: ’t is of de lippen weig’ren + vrij te laten dat wat de ziel het meest + vult met angstig gevoel en donk’re beelden. + Ons ontrusten maar niet losse en wilde + geruchten: neen een feit staat als een muur + dreigend voor onze hulp’looze gedachten; + ze willen vluchten, maar ze kunnen niet.... + Vader.... wordt beschuldigd.... van hoogverraad. + + GRYNÆUS Dat kan niet waar zijn. + + MERCY Het is waar, Grynæus. + Hebt ge niet van het heilig wijf uit Kent + gehoord, dat voorgeeft stemmen te vernemen + uit hemelrijk, haar gelastend te maken + ’s konings huwelijk als een werk des duivels + bij ’t volk bekend?—Z’ is aangeklaagd, en vader + werd in d’ aanklacht betrokken, als de man + die haar verleid zou hebben tot bedrieg’lijk + voorwenden van hemelsche ingeving.... + + MARGREET Hij + voorzag den strik en poogde die t’ ontkomen: + daarom heeft hij tege’ elk verzwegen of + hij haar voor een bedriegster houdt dan voor een + godbegenadigd wezen.... nimmer zag + hij haar, noch zond haar iets van zijne hand.... + De aanklacht tegen hem vindt geen duimbreed + bewijs om op te staan: elk eerlijk rechter + moet in haar herkennen de giftige vrucht + van verborgen gewroet die hij, gelijk + een booze pad, wegstoot van voor zijn voeten.... + Maar men wil zijn schuld, waar men macht heeft om + den wil tot daad te maken: daarom sling’ren + wij angstig tusschen hoop en vrees. + + GRYNÆUS Vergeef me: + ik vind geen woorden.... wanneer kunt ge weten.... + + MARGREET Misschien vandaag.... Geruchten gaan, dat vaders + naam is gedelgd in d’ aanklacht: mijn man voer + bij ’t morgenkrieke’ al stadwaarts, uit te vinden + of ’t waarheid zingt, dit zoet-getongd gerucht. + Wij kunnen hem elk oogenblik terug + verwachten.... vader weet van niets.... Begrijpt ge + nu onze spanning, vriend? + + GRYNÆUS Alles begrijp ik, + en hoop ’t beste, Margreet. + + DANCE Daar komt een sloep + de bocht om.... neen.... ja toch, het is de onze.... + zij roeien hard.... + + MERCY William staat op.... hij wuift + ons toe.... opnieuw.... + + MARGREET Het afgesproken teeken + voor goede tijding.... ’k ga hem tegemoet. (Af.) + + GRYNÆUS Gij verlangt ook te gaan? Zoo ge ’t vergunt + zal ik uw moeder in dien tijd begroeten + dat zij mij niet verdenke onheusch te wezen, + en vind u dan weer hier terug. Moge alles + zijn als wij hopen, vriendinnen! Tot straks. (Af.) + + DANCE Die laat zich niet wegslaan van ’t hart waarin + hij wierp zijn anker.... wisten allen die + zich noemden onze vrienden, even wel + wat trouw beteekent, als die „wufte Franschman”, + dan groeide ’t gras nu niet tusschen de steenen + rondom ons huis.... + + MERCY Dance, wanneer vaders onschuld + rijst boven de dikke wolken van laster + weer stralend uit, dan zullen velen keeren + die vrees nu ver houdt van ons huis.... + + DANCE Och Mercy, + boven de wolk van ’s konings ongenade + zal vader niet weer uitrijzen—en die + maakt om ons heen zulk een doodsche leegte + als broeit een booze ziekte over ’t huis, + niet geloof aan zijn schuld. + + MERCY Stil, daar komt vader. + + MORE Dat was een lang bezoek! hun vriend’lijke aandrang + liet maar niet af!.... + + MERCY Wat wilden zij van u? + + MORE Mij presse’ om deel te nemen aan de aanstaande + blijde intocht der nieuwe koningin + door Londen’s straten: twintig gouddukaten + boden ze mij aan om een feestgewaad + te koopen, want ze wisten onze spinde + maar slecht voorzien.... + + DANCE Ge zeidet ja? + + MORE Ge schertst toch, + mijn kind? Kunt g’ u uw vader denken, uit- + gedoscht in kleurig narrenpak, op Paschen + meegevoerd in den stoet, gelijk een zeldzaam + en lang weerbarstig dier, eindlijk getemd? + + DANCE Maar zal de koning niet toornen? + + MORE Ach, die zal ternauwernood + missen in heel die doorluchtige stoet + van glinst’rende eed’le’ en statige prelaten + zich verdringend om zijne hand te kussen + en zijn nieuwbakken koningin te huld’gen, + den simplen burger Thomas More.—Waar bleef + de gast? + + DANCE Die wijlt bij moeder. + + MARGREET (binnenkomend met William) Vader, vader, + uw naam is weggenomen uit de aanklacht, + mijn William bracht de goede tijding mee! + Wij zijn zoo blij.... + + WILLIAM Mijn beste, beste vader.... + + MORE (steekt hem de handen toe; de vrouwen omhelzen hem, ook + Grynæus en vrouw Else treden binnen.) + Mijn beste zoon, veel dank.—Mijn lieve kind’ren, + wij willen de verademing genieten + met heel ons hart, maar niet vergeten dat wat + vandaag voorbijdreef, morgen keeren kan.— + Grynæus, gij blijft onze gast van avond + niet waar? Kom zet u tusschen ons, gelijk + in d’ oude dagen: doe verhalend ’t zacht + azuur en de edelgewelfde lijnen + der bergen van het schoone land Italië + voor ons opstaan.... en de klare gestalten + gaande daarin. Wij luist’ren toe.... + +(Allen zetten zich; sommigen op de trappen van het terras; ook More, +met zijn hoofd op Margreets schoot, die een trede hooger zit.) + + GRYNÆUS ’k Vond in Verona.... + Vreemd, dingen die nog gist’ren glansden aan + den boom herinnering als gouden vruchten, + liggen nu ergens waar ’k ze niet kan vinden, + bestoven in een uithoek van het brein.... + ’t Is mij, als schouwde ik in een droom Italië + en voel, ontwaakt, den droom nu ver en verder + weggaan van mij.... + + WILLIAM ’t Komt door de heete broeiing + der lucht: die maakt vandaag den zin zoo loom. + + MARGREET De lentebosschen op de heuvelen + donk’ren violet tegen den looden kim; + zij schijnen wonderlijk nabij: ’t zijn teek’nen + dat onweer dreigt.... + + DANCE Zie de zwaluwen scheren + over het water dat als olie schijnt + zoo traag en dik. + + MERCY Men hoort de schippers roepen + over den stroom.... + + MARGREET Hen antwoorden de knapen + van de moeslanden aan de overzij.... + alle geluiden klinken hoog en fijn + door de gespannen stilte.... + + MERCY Huivert ge, + Margreet? + + MARGREET Het was of onzichtbare vlerken + flapten tegen mijn hoofd.—Voelt gij ze niet? + + MORE Komt kinderen, wie uwer weet een lied + dat d’ onrust van deze broeiende stilte + weer effent door ons bloed?—Gij Mercy? + + MERCY Ik + kan nu niet zingen, vader. + + MORE Dance, dan gij? + Wij zijn het onzen lieven gast verplicht: + hij mag niet denken, dat wij ’t zinge’ ontleerden. + + DANCE Mij valt niets in dan de klagende wijze + van de moeder die den knaap Vrede zocht. + + MORE Dan zullen w’ onrust met onrust verjagen, + mijn kind, want wat opwolkt in zoete toonen + bezwaart niet langer ’t hart. + + DANCE (zingt) + Edele heeren en schoone vrouwen + Kwam hier voorbij een blonde knaap? + Tot ik mijn arme’ om zijn leest kan vouwen + vindt mijn hart geen rust en mijn oog geen slaap. + + Ik schrijd en ik schrijd over heuvels, langs dalen + door zandige vlakten en wild foreest + om den lieflijken knaap te achterhalen + wiens adem mijn kranke hart geneest. + + Zijn stem is zacht als de zang der baren, + zijn lach als de lach van den dageraad, + de geur die stroomt uit zijn blonde haren + alle geuren der lente te boven gaat. + + Ik schrijd en ik schrijd, mijn voeten bloeden + mijn adem hijgt, maar ik merk het nauw + tot ik kom aan wijde glanzende vloeden + of waar bergen rijzen in ’t koep’lend blauw. + + Dan zit ik en ween, want het spoor is verloren + en ik moet terug, en ik weet niet waar + ik den knaap met den lach van morgengloren + zal zoeken en ’t lentegeurig haar. + + Maar ik ga, en aan zingende menschen weder + vraag ik „kwam hier niet een knaap voorbij? + Vrede is zijn naam en zijn oog is teeder + als lente en als vogelzangen blij.” + + En sommigen schudden het hoofd en spreken + gedempt: „Wij hebben hem niet gezien; + wij droomen van hem—uit die droomen breken + dan liederen uit—droomt ge ook misschien?” + + En anderen zien mij vreemd aan en wijzen + omhoog: „daar woont de knaap dien ge meent” + en ze zingen weer, maar een and’re wijze + dan waar mijn verlangend hart naar weent. + + Want ik weet dat hij leeft op deze aarde + en geen droom is: ik droeg hem in dezen schoot, + ik was ’t die hem droeg, ik was ’t die hem baarde, + ik was ’t die hem baarde, ik kweekte hem groot. + + Maar hij ontvlood—om hem weer te vinden + zoek ik de wereld, de wereld door, + want hij is mijn eige’ en mijn meest beminde + en mijn hart vond geen rust, sinds het hem verloor.... + + Edele heeren en schoone vrouwen + kwam hier niet voorbij mijn blonde kind? + Zijn gelaat is een bloem om te aanschouwen + en zijn adem geurende lentewind. + + MERCY Arme moeder, hoe lang nog zult ge jagen + om vrede door de groote wereld? Wie + vindt den weg weer tot het verloren kind + der menschheid? + + MARGREET Eenmaal zullen wij hem vinden, + zoo we zoeken, allen te samen—is + het niet, vader? + + VROUW ELSE Thomas, waar peinst gij aan? + + MORE Ik peinsde aan den tijd, dat dit hoofd weder + zal liggen, gelijk nu, in dezen schoot. + + + + +TWEEDE BEDRIJF + + + More’s paviljoen te Chelsea. + + More, Margreet, een kind van Margreet zit op More’s knie. Dienaar. + Later Bisschop Cranmer en de Hertog van Norfolk. + + + MARGREET (lezend) En Crito, dit gehoord hebbende + sprak tot Sokrates.... + + DIENAAR Heer Thomas, de Hertog van Norfolk en + bisschop Cranmer vragen om u te spreken. + + MORE Breng de heeren hierheen.—Doe ’t boek niet dicht, mijn kind: + wij zullen na het bezoek verder lezen. + + (Cranmer en Norfolk treden binnen) + + Welkom, mijnheeren. Zet u. Het is lang + sinds wij elkander zagen. In mijn woning + zijn gaste’ als gij nu zeldzaam gelijk bloemen + in wintertijd, en des te warmer welkom. + + CRANMER Plato, naar ik zie. Het doet mij leed, dat wij + u en uw dochter storen in zoo zoete + genieting.... maar ’t geldt een zaak van gewicht.... + Wij wenschten u vertrouwelijk te spreken.... + + MORE Ik heb voor deze geen geheimen. + + NORFOLK ’t Zijn + Zaken van staat. + + MORE ’k Meende, met zulke zaken + te hebben afgedaan.—Laat ons alleen, + Margreet. (Margreet en kind af.) + + NORFOLK Ik zou u haast benijden, More. + De last der openbare zaak is van uw + schouders gelicht; ge zijt gezond, nog krachtig, + uw lieven vorme’ om u een dubblen ring + van kind’ren en kindskind’ren: daarin straalt ge, + hun middelpunt, hun zon; en al uw uren + moogt g’ als u lust verdeelen, tusschen ’t zoet + verkeer met de geliefde uwer jeugd: + de studie, en het zorgloos samenzijn + met d’uwe’ in teeder kooze’ of luchte scherts; + terwijl wij in de stormbewogen tijden, + van onzen post, met zorgbezwaarde harten + de golven zien bespringen ’t schip van staat, + en onze willen spannen, ze te keeren.— + Gelukkig man! + + MORE Misgun mij niet, mijnheer, + het gloren dat mijn avondlijken hemel + verguldt: wie weet hoe ras mijn dag zal zinken! + Ik koester mij misschien aan jeugd en blijheid + vandaag voor ’t laatst.—Maar wat brengt u hierheen? + + NORFOLK Wij komen, More, tot u als vrienden,—mij + behaagde altijd uw frank en open wezen, + uw vrije luim, de mildheid van uw hart. + Gij hebt den staat goede diensten bewezen + en niemand was aan ’s konings hart gegroeid zoo + innig als gij.—Hij treurt om uw besluit + nog immer, wenschte u weer terug aan ’t hof, + hem bij te staan gelijk gij placht. Hij is + bereid al wat geschiedde te vergeten + en u opnieuw t’ omvatten in de koest’ring + van zijne gunst. + + MORE Ik dank den koning, Norfolk, + zijn goedertierenheid verwarmt mijn hart. + + NORFOLK Gij hebt niet anders + te doen als ’t eene woord te spreken, More, + dat, zooals ’t flappen van den standaard meldt + aan allen die het zien: „hier wijlt de koning”, + u kenbaar maakt wijd-uit bij alle menschen + een trouw dienaar der koninklijke macht. + + MORE Welk woord, mijnheer? + + NORFOLK ’t Bezweren der nieuwe besluiten + die de kind’ren der vroeg’re koningin + uitsluiten van den troon met hun geslacht + en den koning tot hoofd der kerk van Engeland + verheffen. + + MORE Mijnheeren, ik dank u voor + de vriendlijke gezindheid die u doet + pogen de wijzers van mijn zin te richten + naar de slag van den koninklijken wil. + Maar zij zijn te stroef om den sprong te maken + dien gij verlangt. Ik kan de gunst des konings + niet koopen tot den prijs dien hij mij vraagt: + de rust van mijn geweten. Het verbiedt mij + dien eed. + + CRANMER Hoe kan ’t geweten u te doen + verbieden wat zooveel eerwaard’ge en vrome + Christenen zonder schroom hebben gedaan? + Acht gij u dan hen allen wijzer, méér + door godlijk licht verhelderd? Zie: dat zweemt + naar hoogmoed, naar eigengerechtigheid. + Behoede u God voor deze zonde! En dan, + hoe zou ’t geweten u verbieden, om + een woord te spreken, dat den toegang tot + de lichte banen van barmhartigheid + en goede werken opent? Ge zijt mild, + haast overmild placht ge uw geld en goed + te deelen met die derfden; schutspatroon + waart g’ aller armen; uw lach klonk nooit zoo ruim, + noch stond uw oog zoo helder, dan wanneer + ge een bekommerde hadt opgericht, + geholpen een verdrukte. Maar toen ge + uw ambt verliet, wierpen uw eigen handen + de bronnen van uw macht tot helpen dicht. + Ge hebt noch geld, noch invloed meer te geven, + en ongetroost gaan velen van u weg. + Keer terug tot des konings dienst, en dra + zullen de bronnen van uw gulheid weder + borrelen, rijklijk als weleer.... ik spreek + niet van de vruchten voor wie zijn u ’t naast: + ge telt dat niet—’t is edel—maar bedenk: + wie arm is.... + + MORE Ik raad u, mijnheer, niet verder + te ploegen deze voor, zoo ge niet wilt + dat ons gesprek stuite op ijzerhard en + niet weg te ruimen oer.—En wat betreft + mijn machtloosheid te helpen, hare heeling: + ik weet dat geen gulheid kan zegen werken + die uit den modder van een veil geweten + troebel ontspringt; en geen werk’lijke gave + groeit uit het zaad, dat in de slechte aarde + verzuurd is van een slinksch gemoed.—Ge zegt + dat ik niets kan, niets meer vermag te doen + nu koninklijke gunst mij niet meer hooghoudt + op haren arm—toch nog een man te wezen, + wil ’k hopen, die zich niet verlokken laat + zijn geweten te ruilen voor wat aanzien + en goud:—misschien een vaan ook waar omheen zich + zaamlen wie denke’ als ik.... + + CRANMER Wat, wilt ge worden + middelpunt van verzet?—Vergeldt ge zóó + den vorst zijn gunst, de lange weldaden + dier jaren dat de weerschijn van zijn macht + om uw persoon een sfeer van hoogheid spreidde + die elk eerbiedig neigen deed voor u? + Zwarte ondank, trouweloosheid zou dat wezen.... + dat meent ge niet.... + + MORE Trouweloosheid en ondank + zijn mijn zin vreemd, mijnheer. Ondankbaar is + wie met een stomp of geprikkeld gemoed + ziende naar het weldadig vuur waaraan hij + verwarmde zijn kleumende lijf, het uittrapt + en verder gaat, niet wie de taaie vezels + van liefde voor zijn weldoener, met pijn + rukt uit zijn eigen tegenstrevend hart, + zich zelven aandoend een bloedende wonde + die nooit meer heelt.... + + CRANMER Hoe meent ge? + + MORE Luister.... ik + wensch geen mensch toe dat het lot hem bescheer’ + wat ’t mij beschoor: zich los te moeten maken + van wat hij liefhad, tegenover ’t voorwerp + van lange liefde met ontgoochelde oogen + te komen staan.... Mijn hart hing aan den koning. + Had ik den jong’ling niet zien overbuigen + hunk’rend om uit den stroom van ’t nieuwe weten + te drinken, waar ik zelf zoo diep-begeerig + uit dronk? Wist ik hem aan zijns vaders hof + niet kwijne’, een plant van eed’ler soort, dan in die + grove aarde tieren kon? Ik zag + de adem van den zachter, ruimer geest + die waarde door Europa, vulle’ en ronden + de weeke vormen van zijn jong gemoed. + En toen zijn koninklijke wil mij riep, + verliet ik welgemoed de vreed’ge stilte, + waar ’t plechtig ruischen van philosophie + zich met klokjes-heldere stemmen, kinder- + stemmen, verbond tot schoone harmonie. + Het beste deel van mijn manlijke krachten, + gaf ik den koning—en hij hief mij hoog + in zijn vertrouwen, stortte gunst en vriendschap + met milde hande’ over mij uit. ’k Gedenk het, + al die glans-omvloten jaren gedenk ik, + gelijk mij past, met eerbiedigen dank; + en ook, als wij verloren vreugd herdenken: + met smartbewogen zin.... + + NORFOLK Maar waarom hebt ge.... + + MORE Toen ik dat alles weg moest stooten, dien + bond van veel jaren breken, heb ik lang + naar kracht gezocht, om wat in ’t hart was samen- + gegroeid met de ranken van veel-vertakt + levensbedrijf, daaruit te rukken. En + in ’t eind vond ik die kracht: in mijn geweten + vond ik haar. En de stille oogen van + mijn dankbaarheid, die mij verwijtend volgden, + heb ik gesloten met een lange kus + gelijk men een vrouw kust waar men voor eeuwig + van scheidt. + + Begrijpt ge nu, waarom mijn ooren wel + hoore’ uw verwijt, ik zou ondankbaar wezen, + mijn hart het niet verstaat? + + CRANMER Maar de trouw schendt, + wie, gelijk gij.... + + MORE Gunt me, ik bid u, ’t recht + van iederen beklaagde: vrij te spreken + tot zijn verdediging—’k zal niet lang meer zijn. + Ge noemt me trouwloos: ik erken geen trouw + die bindt in ’t slechte.—Mijn trouw was ’t, den koning + ’t gelaat der waarheid t’ ontsluieren, haar + stem te doen uitklinken boven het koor + van vleierij en logen, dat de ooren + der vorsten vult. Mijn trouw was ’t hem te raden + tegen de baan, waarheen hem drong begeerte, + zijn driftig bloed, zijn heerschzuchtige aard. + Mijn trouw, met zachten aandrang hem te leiden + omhoog tot effen vrede-weiden waar + zijn volk kon grazen—niet met hem te rollen + de helling af van ied’re lust. Mijn trouw + was het, niet elke ongerechtigheid + met hondsche aanbidding t’ omkwispelen. Niet + die trouw had hij gevraagd, had ik gezworen, + in ’t uur dat onze bond gesloten werd, + toen hij, zijn arm om mijnen nek geslagen, + zóó, sprak tot mij: „Zie eerst naar God en uw + geweten—dan naar mij; zoo zult ge mij + immer het beste dienen.” O ’k heb hem + nog lief, omdat hij dat woord heeft gesproken + eenmaal. Mijn trouw verkoor het zich tot vaan, + volgde ’t op de woelige levensvelden + waarheen zijn dienst mij voerde,—en volgt het heden + door ter zijde te staan.... + + NORFOLK Het loopt verkeerd.—De koning, + Morus, is zeer verbitterd tegen u. + Zijn gunst hield u vaak staande als uw benijders + saamspanden tot uw val; zij was het schild + dat hunne slagen weerde. Nu heeft hij + zijn vrienden noodig. De lucht bulkt van strijd: + het gaat er om, wie heerschen zal in Eng’land, + koning of paus. Ontvalt gij hem—de staf + die hij zich uitverkoor om op te leunen— + dan aadmen al zijn vijanden verruimd, + en steken tot weerspannigheid de hoofden + bijeen. Uw afval geeft hun moed. Hij kàn + uw afval niet gedoogen. Begrijpt ge? Hij kan ’t niet. + Zoo staat de zaak. Ik raad u, om uw zelfs wil, + raad ik u, Morus, voorzichtig te zijn. + + MORUS Ik dank u voor dien raad, mijnheer. Voorzichtig + was ik zoo lang ik kon. De dagen van + heldhaftige overmoed ben ik ontwassen + sinds lang; mijn lijf jaagt niet vooruit, begeerig, + bij ’t speuren van gevaar. + Door meen’ge rustelooze nacht lag ik + uitmetend de gevaren die mij dreigden + zoo ik niet zwenkte, en hun aangezichten + maakten mijn zwak hart telkenmaal vervaard. + Daarom ontweek ik mij te stellen tegen- + over den koning—’k had voor dit ontwijken + grond genoeg—zocht ik veiligheid in het + verborgen bestaan van den simp’len burger, + als een dier in zijn hol. Maar in het perk + des levens rukken onvoorziene winden + de ballen onzer best-gemikte daden + vaak van hun baan. Niet met mijn wil, mijn neiging, + ondanks hen is het oogenblik gekomen + van de keus: voor, of—tegen. Hoort mij aan: + ik ben een oud man, gehecht aan de zijnen, + verlangend naar rust en een weinig vreugde + om zacht t’ enden.—Maar bovenal schat ik + inwend’ge vrede.... Ge kunt verder spreken + u sparen: ’k heb de keus gedaan. + + CRANMER Stijfhoofdig + en roek’loos man, hol niet zoo blindelings + naar uw verderf. Staat ge alleen? Hebt ge + het recht, om al de uwen te verderven, + ze mee te sleuren in uw val? + Vijf gezinnen hebt g’ om u heen verzameld + van kind’ren en kindskind’ren, ze gewend + van u t’ ontvangen al wat leven zacht en + behaaglijk maakt. In uwe ruime huizing + vonden allen plaats. Reeds waart, naar men zegt, + de armoewolf rondom de staat’ge woning, + die nu, een overruim gewaad, omrimpelt + uw veel-gekrompen staat.—Maar laat dit wezen + als ’t is. Wat zal gebeuren, zoo ge blijft + weig’ren te zweren?—U zelf wacht de Tower + tot de dood u verlost.... + Uw goederen verklaart de kroon vervallen, + d’ uwen worden verjaagd van huis en hof.... + Denk aan hun lot, denk aan ’t harde bestaan + dat al die teere vrouwe’ en jonge kindren + bedreigt.... verstrooid zullen zij zwerven, lijden, + verkwijne’ in zorg en kommer.... van het oude + glansrijke leven, zal hun enkel blijven + stekende herinnering.... + + MORE Zij zijn jong + en sterk, met kennis en verstand gewapend: + zij zullen eten ’t zelfverdiende brood + en proeven ’t zoet.... + + CRANMER Waar zullen ze verdienste + vinden? Des konings ongenade schuift + den grendel dicht voor ieder wel-bezoldigd + en eervol ambt—weet ge het niet? + + MORE Dan zullen + z’ aan de deuren vragen barmhartigheid + van wie vergeefs barmhartigheid nooit vroegen + aan onze deur. + + CRANMER En zullen vinden ze + geslote’ alom, want des verraders kindren + te helpen, brengt zelf in reuk van verraad, + en vrees bedwingt de laffe menschenharten.... + + MORE Niet alle.... + + CRANMER Neen, maar ’t overgroot getal. + Laat een storm schudden aan uw levensboom: + de vrienden die hem welig maakten, dwar’len + omlaag en vluchten weg in dolle vaart. + Uw kind’ren zullen naakt staan in de wereld, + zonder bescherming, vriendeloos, verlaten.... + dat zal uw daad zijn.... zij zullen hun vader + niet danken voor die daad.... + + MORE Zij zouden hem + verachten zoo zijn leer ging eenen weg, + zijn doen een andre.... Laat hij in hun hart + voortleven als een man, die ’t liefste liet, + ’t lieve leven zelf neerlei, liever dan + wat hem heilig was, uit vrees te verraden.... + ik ben tevree als zulk een man te leven + in hun herin’ring.... + + NORFOLK Maar ge zult dat niet, + vriend, want de greep der wereld zal het beeld + van den held en den mart’laar in hun harten + verwringen tot gedaante monsterlijk, + en haar bazuinen stem zal zóó luid dreunen: + „schande over Morus, hij verried zijn koning, + die hem met weldaden omkranste”, dat + de stem des bloeds in een beschaamd gefluister + uitdooven zal. Bezin u, Morus, luister + naar rede, onteer niet den naam dien ge draagt! + Ge erfdet hem, een ongerepte spiegel, + die veel geslachten voor u hielden blank; + uw daden en geschriften maakten heller + zijn glans: en wilt ge nu die naam + uw kind’ren overgeven, zwart besmeurd met + roep van verraad? Zal uw geslacht + hem voortaan medesleepen door de tijden, + beschaamd, of schuw verbergen onder een + geborgden, klankloos van herinneringen, + inderhaast opgeraapt? + + MORE Ik geef mijn naam + vertrouwend aan den vloed der tijden over, + wetend, dat hij daaruit eens op zal rijzen + blinkend-geschuurd en blank van schuld. De toekomst + maakt het onrecht van heden goed.... + + NORFOLK En zoo + het anders kwame? + + MORE Dan wil ik liever ook toekomstig onrecht + dragen, dan tegen mijn geweten doen.... + + NORFOLK Ge zijt uitzinnig! Allen zullen zweren.... + + MORE Zoo laat dan één anders dan allen zijn: + gewetens zijn niet gelijk aren, buigend + alle naar ééne zijde voor den wind. + + NORFOLK Bij God, Heer Thomas, voor de laatste maal, + neem u in acht met koningen te twisten: + des konings wraak beduidt de dood. + + MORE De dood + spaart evenmin wie in ’s konings genade + volop zich zont. Hij is de oceaan + waar onze levens eens alle in monden, + al is hun aller weg niet even lang.... + + CRANMER (tot Norfolk) Hij is niet meer te helpen.... + (tot More) ’t Is des konings wil + dat gij en de bisschop van Rochester morgen + u vervoegt in het aartsbisschoppelijk + paleis, om de besluiten te bezweren.... + Een bode haalt u nog van avond af.... + Zie toe, dat ge voor morgen maakt gesmijdig + dit overstug geweten, ’t leert te plooien + zich naar den vorm van ’s konings wil. Zoo niet: + de Tower wacht.... + + MORE (tot Cranmer) Morgen als heden geve God mij kracht + voor geen verlokking of geweld te wijken; + (tot Norfolk) Ik wensch u heil, mijnheer. + + NORFOLK Ik u verstand. + + (Norfolk en Cranmer af). + + MORE Nu heb ik een koers gezet, die mijn schip + doet recht tegen de klip der koningsmacht + oploope’, en zeker zal verbrijzelen.... + Ik kan niet meer terug.... Vreemd om het land + te zien wegdeinen en zeker te weten + dat men nooit in de haven wederkeert.... + Goddank! het zwaarste deed ik.... al het and’re + zal gebeuren zonder mijn doen. (Margreet treedt binnen) + Margreet.... + Kom bij me, kind. + + MARGREET Ik zag de heeren gaan.... + Ze bleven lang.... (Zij ziet More aan en verschrikt) + Vader, wat is.... wat kwamen + ze doen? + + MORE Zien, of ze konden met gedreig + murv maken je vaders gewete’, of dat + hardere hamers daartoe noodig zijn.... + + MARGREET Ze dreigden u? Waarmee?.... + + MORE (ziet haar zwijgend aan; zij bedekt het gezicht met de handen) + Wees niet verschrikt, + er is niets gebeurd om verschrikt te wezen, + mijn kind. Kom, zet je op het oude plaatsje: + wij willen akademie houden, als + je placht te noemen ons vertrouw’lijk spreken + over de vragen die van alle zijden + dit klein levens-eiland ombruisen. + + MARGREET (gaat aan zijn voeten op een bankje zitten) Zoo + voel ’k mij weer worden het jongmeisje, vol + van vagen drang en onbestemd verlangen, + dat uit uw zacht-nadrukkelijke woorden + eens ’t licht van zekerheid zag opgaan.... + + MORE Zacht + wendde je jonge ziel zich naar dat licht.... + Ik zag de kelk zich openen, begeerig + drinken den dauw, dien ik opving voor jou + van Plato’s lip en die der and’re wijzen. + + MARGREET Wat was het zoet, aan uw hand te betreên + dat gouden land van de philosophie; + te voelen, hoe een vastheid in mij groeide + en sterker werd. + + MORE Wat was het zoet, te stijgen + hand in hand naar de toppen der gedachte, + waar opengaat de zin des levens.... Kind, + ik heb in jou mijn groot geluk gevonden + en ik wil dat je weet hoe ik het vond.— + Mijn kind’ren heb ik alle lief + gelijkelijk, met de teedere liefde + eens vaders, maar jou heb ik ook nog lief + anders, niet teederder maar hoopvoller. + Ik heb in jou mijn liefste droomen lief, + het heilige verlangen en verwachten, + dat mijn hart aanraakte: het zoet gezicht + dat in mij groeide door de blijde dagen + van mijn volrijpe jeugd.... + + MARGREET Ge meent het beeld + der vrouw, gelijk zij zijn zal, wanneer allen + denken als gij denkt. + + MORE Ja, het beeld der vrouw + als zij zijn zal in schemerverren tijd, + wanneer de booze waan heeft uitgewoed + die haar nu houdt vernederd en gevangen.... + O schoone wereld, waarin zij zal zijn + den man gezellin, saam zij zullen dorschen + ’t gedachte-zaad.... + + MARGREET Konden wij haar zien worden, + die schoone wereld.... + + MORE Ik zag haar worden kind + en dat was mijn geluk.... ’k zag in jou hoofdje + de vonk der rede aangroeien tot vlam.... + Ik zag over dit zacht gelaat, tot mij + in teed’re schroomvalligheid eerst geheven, + den glans zich breiden van bewusten wil, + en d’argelooze blik dier lieve oogen + verdiepen tot lange nadenkendheid. + Ik zag het meisje vol verholen drang + schuilgaand in droomen, tot de jonkvrouw rijpen, + moedig en frank, wier welgewogen oordeel + weegt voor den man, dien hare vrije neiging + verkoor.... ik zag de jonge moeder niet + de lijfjes maar van haar liev’lingen koest’ren, + hun leen’ge willen ook buigen en leiden + met zek’ren zin en vaste hand.—En als + de spotters, kleingeloovigen, wier vleugels + hen niet drage’ over heden heen, mij hoonden + om de droomvrouwen van Utopia, + lachte ik hun een stille glimlach tegen + en mijn hart sprong de tijden tegemoet + dat de kleine jonkvrouwen zullen baden + in klare kennis hun kost’lijke ziel, + en de moeders wetenden zijn, en vroed + voor de gemeenschap.... jij gaf mij die zegen: + ik dank je daarvoor kind.... + + MARGREET Al wat ik ben + werd ik door u; al wat ik weet, ik heb het + van u geleerd; aan u gelijk te worden + zooveel ik kon, dat was mijn prilste wensch; + mijn stoutste droom, u tot een hulp te zijn. + + MORE Jij waart de blanke vijver, die getrouw + de kruinen spiegelde, en al hun deinen + van mijn gedachte-woud, die ’t heimlijk ruischen + van mijn hart kende, en nimmer verried. + + MARGREET O laat het mij nu ook zijn! Geef mij weder + uw hart! Vertrouw mij, leg op mij de zwaarte + die ’k zie dat u bedrukt.... + + MORE Heugt je den dag + dat wij gelezen hadden Plato’s woorden + over de ziel en haar onsterflijkheid, + en daarna zaten in den stillen schemer + wiens zachte hand soms de verborgen dingen + omhoog streelt uit hun schuilhoek in het hart? + Heugt het je nog? + + MARGREET Het was den dag nadat + ge tot het kanselierschap waart gehuldigd, + een vrede-ademende najaarsdag.... + Vijf jaren zijn sinds dien voorbijgestroomd, + ik huwde, God schonk mij twee lieve kindren, + en gist’ren schijnt die dag.... + + MORE Heugt je nog wat + wij toen sprake’ over dood en leven, hoe + worde’ is der wereld wezen, alle dingen + dragen in zich kiem van weder-vergaan? + En dit aller droefheden droefheid is, + dat het hart niets omvatten kan in veilig + bezit? + + MARGREET ’t Is mij als hoor ik weer uw stem, + manend: „daarom moet het tot d’ eeuwge sterren + zich beuren, en tusschen hun gouden spaken + zich vleie’ als in een nest”.... ’k voel langs mijn wangen + weer druppen de tranen van stil berouw. + Wij meisjes waren overstelpt geweest + door d’ ongewende pracht, de vreemde hulde.... + Wij waande’ ons in een hoog’re sfeer geheven + boven ons oude zelf.... den dag na ’t feest + riept ge mij, om samen Plato te lezen + en koost den Phaedon.... ik voelde den roes + van wereldschheid als dunne damp vervliegen.... + Mijn beste vader, ’k dank het meest dat uur + dat toen ineenstortte ons oude leven + van weelde en glans, mijn hart niet werd verschrikt. + + MORE Ja, jij bleef staan, + een steun voor arme ontwrichtte moeder en + jongere zusters, die met duiven-oogen + mij hulp’loos aanzagen.... O blijf ook nu + mijn onverschrokken kind.... Heugt het je nog + hoe wij verder sprake’ in den stillen avond + over den mensch, hoe hij soms raakt beklemd + tusschen ’t stuwen van oversterke machten, + gedreven wordt waarheen hij niet wil gaan, + en een wijl worstelt in wanhopig weren + van wat zijn diepst ik onafweerbaar weet? + Tot hij op een dag neerdaalt in zichzelven + en zich gewonnen geeft; en op het pad, + dat hem ontvoeren zal aan de beklemming + der dingen en het wrijten van zijn wil, + vestigt hij rustig-lang den blik der oogen + en rijst om te gaan.... Weet je ’t nog, Margreet? + + MARGREET Hoe zou ik het vergeten? In dat uur + werd immers ons verbond gesloten.... + + MORE Ja, + in dat uur vond je dapper hart zichzelf. + Want toen ik vroeg: kind, zoo wie jou was ’t liefste, + stond voor de keus, als voor een donker water, + de steilte van den dood beklimmen, of + zich laten dringen op omlage wegen + die hij verfoeit—zag ik je wange’ en hals + en heel je wezen bespreid van den gloed + dien het hart opzendt als een eed’le en hooge + willing ’t in vlam zet, en je stem was hel + van dapperheids goudenen klankkleur, sprekend: + „veel liever zag ik hem dood, dan zich zelven + ontrouw—immers wenschte ik hem dan toe lijden + bitterder dan de dood”—weet je het nog, + mijn kind? + + MARGREET Ik heb zoo vaak + geschreid, omdat ik het niet kon vergeten, + en wat toen kwam.... + + MORE Hoe ik je hand nam en + die kleine koude hand tusschen de mijnen + klemmend, vroeg „zoo de dag eens kwam, Margreet, + dat ik stond, aangedrukt tegen de keuze + waaraan het leven hangt—zou jij mij dan + steunen van uit je hart”—en jij niet spreken + kon, maar knikte van ja?—dat was ’t niet waar? + +(Margreet knikt zwijgend.) + + Het heugt je nog. Nu is die dag gekomen. + Help mij Margreet. Ik heb de keus gedaan. + + MARGREET Vader.... Wat gaat ge doen? + + MORE Ik ben gedreven + naar wat ik wou ontgaan. Al mijn beleid + heb ik gebruikt, mijn boot voorbij te sturen + aan deze klip, met al mijn kracht gestreefd + den greep t’ ontkomen, die zich om mij knelt. + Vergeefs! ik had sinds lang met eigen handen + de ketenen gesmeed waarmee het lot + mij binden zou. + + MARGREET Van dat g’ u verbondt aan den koning, broeide + de botsing aan de kim van elken dag; + komen moest zij als zijn zelfzuchtige driften + schuimend zouden bijte’ in den breidel van + uw wil.... wij wisten ’t.... Dikwijls vreesden wij + wat ging gebeuren. Maar ge hebt den band + verbroken, die u aan den koning bond.... + ge zijt weer vrij.... ik dacht u veilig.... vader, + wat dreigt ons nog? + + MORE Ik heb den band verbroken + die m’ aan den koning bond, maar niemand kan + den band ontbinden tusschen hem en zijn + verleden: ’t weefsel van zijn vroeg’re daden + omwikkelt hem voor goed.... Hoe hooger ’k steeg, + hoe vaster mij de vorst in zijn vertrouwen + omvatte, als in een tooverring, die zich + nooit meer ontsluit waar hij zich heeft gesloten, + des te minder kon zijn koningswil dulden + dat ik mij loswrong.... poogde het te doen.... + Toen in zijn sterke lijf de sterke lusten: + wulpschheid, heerschzucht, gelddorst, uitbraken en + het teer gewas wegvraten der belofte + van zijn groene jeugd, toen moest ik gaan, + wilde ik niet, blijvend, mee schuld drage’ aan daden + die ik verfoeide,—of tusschen hem en mij + oproepen d’ erge botsing, die zou voeren + tot mijn vernietiging. Die te ontwijken + ben ik gegaan: ik ging vergeefs, Margreet. + + MARGREET Wat wil hij nog? + + MORE Aanzien en rijkdom stroopte ik mij + als waardelooze vodden van het lijf + en waande een poos den greep te zijn ontkomen, + reeds knellend om mijn hals.—’k Herademde! + Maar ’t onweer drong weer op, geduchter dan het + eerst was geweest.... Toen wist ik mij verloren.... + Ik wees het je, maar je wilde niet zien.... + + MARGREET Ik kon het niet.... + + MORE Mijn dapper kind, nu staat + de booze wolk vlak boven onze hoofden: + nu moèt je zien. De koning eischt een eed, + die zijn leugenbond met Anna vat + in gouden lijst van wettelijke wijding, + en een and’ren, die hem verheft tot hoofd + der kerk van Engeland. Ik kan die eeden + niet zweren, mijn geweten wil het niet. + + MARGREET Wat zult ge.... + + MORE Ik kan niet verder uitwijken, + en mijn weig’ring raakt den koning in ’t hart; + want om zijn wil door te zetten behoeft + hij steun van allen, wier woord in de schalen + der openbare meening weegt:—wie niet + met hem meespringt over de hinderpalen + van wet en zede en goddelijk gebod, + wordt zelf, een hinderpaal, omvergehaald. + Hem blijft geen keus, als mij geen keus blijft. Hij + moet mij vernielen, misschien tegenwillig, + zooals ik tegenwillig moet trotseeren + ’t zwaard zijner macht. + + MARGREET O waart ge nooit in dienst + getreden van den koning! Hadt ge nooit + voor hem ’t vrije leven van den geleerde + vaarwel gezegd, waarnaar uw hart bleef hunk’ren + als een schelp naar de zee.... Hem offerdet + ge de rust der dagen, de slaap der nachten, + ’t zoet verzamen met ons,.... voor hem hebt ge + der zorgen last geschouderd, haar gedragen + van jaar op jaar, en nu.... + + MORE Margreet, spreek zoo niet verder; + je weet niet wat mij dreef in ’s konings dienst. + Ik wil je alles toevertrouwen, kind, + dat je moogt zien hoe wat nu gaat gebeuren + met diepe wortels vastzit in ’t verleên.— + Heerlijk waren de dagen mijner jeugd! + de luchten trilden van de nieuwe leuzen, + die d’ ontwakenden toeriepen elkaar. + Boven de grenzen uit van land en taal + werd een zuivere broederschap geboren; + strijdbroederschap tegen al wat het blijde + leven op Gods lieflijke aarde ontwijdt: + domheid en wreedheid, breidelooze zeden + en blind geweld. Eén hoop bevleugelde ons: + niet maar de kerk, neen, d’ aarde zelf, de menschheid + te zuiveren door de macht van den geest. + Sommigen onzer verdiepten zich zoo + in de zinnige woorden die ons tegen- + fonkelden uit de lang verzonken tijden, + dat zij tot zoete levenstaak verkozen + die te reinigen van der eeuwen stof. + Mij gaf natuur een zin, die zich niet kon + gansch in vervlogene schoonheid verzinken, + maar zich van haar beurde naar onze dagen, + om die schooner te maken, kon het zijn. + Ik zag der tijden drang, den harden nood + der arme duizenden, die hulploos zwerven, + verjaagd van hof en erf; + ’k zag gouddorst in de grooten mensch’lijkheid + versmoren, de kleinen zich, gelijk wormen + gemarteld, winde’ in kronkels van den nijd. + Ik zag de vrouw in lediggang vermorsen + haar reedlijke vermogens en haar hart, + een weeldepop, of als lastdier beladen + overzwaar, zwoegen naar den dood. Ik zag + alom de ongelijkheid van bezit, + als de grond van de algemeene krankte + die ’t lichaam aanvrat van de christenheid. + —Maar ook zag ik het menschelijk vernuft + opendwingen, een geweldige beitel, + de geheime bergplaatsen der natuur. + Ik zag de aarde grooter worden: voor + onze verbaasde, opgetogen oogen + nieuwe deelen van haar verschijnen, als + trok morgennevel op over de wereld. + En toen rijpte het droomgezicht in mij; + uit vele wortels groeide het omhoog.... + Land van geluk en minnelijk verkeer + der menschen, van vrede die zal omranken + hun dagen, als ’t bezit gemeen zal zijn + van de goederen des levens, en geen mensch meer + om geld zijn broeder misbruikt en verdrukt, + als allen samen maken wat behoeven + allen tot leven, + lieflijke velden van Utopia, + lachende huizen tusschen groene tuinen, + lachende kinderen die geen vrees kent, + blinkende scharen van mannen en vrouwen + edel van leden en zuiver van ziel: + eens zult ge zijn, ik weet het. Maar wanneer? + Hoe zal de menschheid haar weg tot u vinden? + Ik kan ’t niet zien.—In mijn hoopvolle jeugd, + Margreet, waande ik een weg te weten: daarom + trad ik in ’s konings dienst. + + MARGREET Vader.... ik zie + uw hoop.... den koning.... hem wildet gij winnen, + voor de wet winnen van Utopia.... + + MORE Een vriend van ’t nieuwe weten leek hij, wien het + dienden minlijk gezind—en toen hij was gekroond, + wendend den steven van zijn vaders banen + naar recht en vrede weg. Hij riep mij tot zich, + en het snijdend woord mishaagde hem niet, + waar ik de euvelen van de gemeenschap + mee openlei. Zoo werd mijn waan geboren, + —uit verlangen en hoop werd die geboren— + dat hij de heerscher was, verkozen om + menschheid op den weg van geluk te voeren, + zoo ik hem steunde. Heerlijk door mijn leden + welde een vloed toen van duizelig geluk. + Maar ook verhief zich door het bloed de stem + der neiging, en fluisterde mijn hart toe: + „de staatsdienst is het graf der vrijheid”, en + uit nog dieper gewelven rees omhoog + woord’looze maning, zoodat ik mij wist + op een verraderlijke zee te wagen, + die mij niet weer zou geve’.... Een dag, een nacht, + en nog een dag en nacht heb ik gestreden + tegen mij zelf: toen overwon dat hunk’ren + naar ’t menschengeluk en die hoop. Ik ging + tot den koning. Dien dag bracht ik aan ’t wank’len + de steen die mij verplettren gaat. God weet het, + ik was niet karig met mijn kracht. Den boog + van mijn vermogens spande ik dag aan dag tot + het uiterste,—en ’t scheen in ’t eerst, als neigde + het hart des konings naar mijn raad.... Niet lang.... + ’t was ’t gloren van een valsche dageraad, + waarop een somb’re nacht van onrecht volgde... + bedrog.... geweld.... Ik heb het doel gemist... + De hoop die ontlook aan mijn morgenhemel, + is sedert lang verwelkt; ik zelf + ga door dwingelandij gebroken worden. + Ik zie de baan niet naar menschegeluk, + ik weet den zin niet van mijn eigen leven: + moge ’t een and’re wezen, dan nu schijnt! + Maar één ding weet ik: wat mij dreef in jeugd, + te doen als ik deed, dat drijft mij ook nu. + Niet allen kunnen strijden op één wijs, + noch kan op d’ eigen wijze één altijd strijden, + maar één ding doet allen die strijden nood + t’ allen tijde voor meer gerechtigheid + en meer geluk op aard: zich zelven niet + te zoeken, de zoete dingen van ’t leven + niet liever te hebben dan ’t klaar gebod + van d’innerlijke stem. Dit ééne weet ik, + en zoo zal ’k doen, Margreet. + + MARGREET O ik ben blij + dat ge zijt als de heil’ge martelaren + en d’ oude helden... ik heb u zoo lief... + vader, ik kan niet zonder u.... + + MORE Mijn hart, + een macht oversterk dringt tusschen ons beide + en maakt d’omstreng’ling onzer armen los. + Wij moete’ uiteen. De zoete wenning die + de jaren tusschen ons al vaster vlochten + wordt nu ontknocht. Wij zullen niet meer gaan + samen door ’t bosch in den herfstklaren morgen, + als de lage zon ’t laatste knetterblad + rosgoud doet gloeien onder schuinsch gestraal. + En als de lente komt, zal zij ons niet + meer dwalen zien, het avondrood in d’oogen, + langs ’t slingerpad dat de rivier bezoomt, + en huiswaarts keeren als de vogels zwijgen, + vol vredige gedachten, arm in arm. + Wij zullen niet meer, onze hoofden samen + aandachtig buigend over ’t oude boek, + waaruit heil’ge schoonheid en wijsheid stijgen, + voele’ onze harten kloppen in één maatgang + van eerbiedige vreugd. Wij zullen niet + meer, in de ijle sfeeren der muziek + samen ontzweefd, werelden op zien deinen + en weer vergaan.... + Ik daal waar de lente geen oogen heeft + en alle zachte lach en stemmen zwijgen, + en dalend breng ik droefheid over jou. + Arm kind, nu zullen je dagen voortaan + gedoopt zijn in de vale schaduw van de + alleenheid waarin ik jou laat.—Nu moeten + we sterk zijn, hart, en wat we al die jaren + beleden met de lippen, onze levens- + waarheid te zijn, moet het hange’ onzer schouders + weer richten overend. + Moeder en zusters zullen mijn zin zwaar + maken, d’armen, met bidden en vermanen + dat ik toch buige.... Zult jij stand houden, + en voor mij vechten tegen hun begeeren, + voor wat je weet in mij ’t beste te wezen, + al gaat het om het leven zelf? + Kunt je ’t beloven, hart? + + MARGREET Ik kan beloven.... + te trachten trouw te zijn aan den wil dien + g’ in mij gewekt hebt.... + + MORE Dan ga ik gerust + den donk’ren gang in der gevangenschap. + Trouw hart, wij blijven samen, worden onze + lichamen ook gescheiden.... en mijn lieven + laat ik in zek’ren troost.... + + Dat nu een stem + mocht zinge’ een dier verlangenzware wijzen, + waar ’t hart zoo zoet op wegdeint.... ik ben mat.... + +(More zinkt vermoeid in zijn zetel achterover. Men hoort Mercy in den +tuin zingen. Tegen het einde van het gezang ziet men haar). + + MARGREET Hoor vader, Mercy heeft uw wensch geraden + gelijk zij pleegt zoo vaak.... het is de wijze + van het eiland glanzend over den vloed. + + MERCY + Ver over de glinst’rende zeeën, verder weg dan het avondrood, + voorbij de klippen van strijd, en het bare strand van den nood, + + voorbij aan de rots waar de winden van den haat worden uitgebroed + drijft het zon- en schaduwbeminde eiland van geluk op den vloed. + + Zijn groene oevers ombruisen de oevers van groen kristal, + den zeezang echoot het ruischen van zijn dichten boomenwal. + + Daar in het bosch wordt geboren het allerinnigst geluid: + de tortel koert haar bekoren-bewogene vrede uit. + + Glanzende boomen dragen ’t eener tijd bloesem en vrucht, + en door de bloeiende hagen gonst altijd zomergerucht. + + Het dichte gewas der dalen buigt onder zijn gouden vracht, + en tegen de hellingen stralen de weiden hun gouden pracht. + + Daar wonen de blinkende menschen met vrede-omlicht gelaat + door wien het gemeene wenschen als een stroom van kracht heengaat. + + Hun spraak ruischt als onze gebeden, hun gang schrijdt als onze + dans, + hun stem is een nest van zachtheden, hun oog een bad van glans. + + Leven is altijd beladen daar met een geur van vreugd + als waar zomerwind vol genade hier somtijds ons hart mee verheugt. + + In den morgen gaan blijde gezellen zingend tot het arbeidsfeest + dat lijf noch ziel zal kwellen, en dadendrang geneest. + + En de uren der rust heenglijden door den toover menigvoud + van der schoonheid fonk’lend gesmijde, en het plechtig gedachtewoud. + + De dood komt op lichte schreden, hij draagt een wit gewaad + en wie hij wenkt gaat mede, als een gast van een feest opstaat. + + Hem woelt door het hart niet de wreede zorg om wees of hulplooze + weeuw, + want daar heerschen de zachte zeden, heerscht de wet van de gouden + eeuw. + + Het veld en de wei en de bosschen, en de vruchten der zee en de + wijn. + geperst uit de purperen trossen, daar het erfdeel van allen zijn. + + Mijn en dijn hebben verloren hun rink’lende klank van metaal + en zoeme’ in die zuivere ooren als zinlooze kindertaal. + + O wisten wij waar u te vinden, land van gelukzaligheid, + voorbij aan de rots der winden van haat, en de klippen van strijd. + + DIENAAR Heer Thomas, een bode van staat wacht buiten; + hij vraagt of ge gereed zijt. + + MORE Zeg hem: ja. + + + + +DERDE BEDRIJF + + + More’s vertrek in den Tower. + + More, Kingston, gevangenenbewaker. Later Grynæus en Margreet. + + + KINGSTON Een jonkman, die al vele malen poogde + u te bezoeke’ in uw gevangenschap, + —maar mijn bevelen bleven onveranderd: + „Laat niemand buiten zijn verwanten toe,”— + heeft eindelijk het langbegeerd verlof, + God weet door welke liste’, of lang beleg + van wie hoog wone’ in ’s konings gunst, veroverd. + Zal ik hem bij u laten? + + MORE Wie is het? + + KINGSTON Simon Grynæus. + + MORE Dat ’s een naam die vaart + gelijk een frissche windstroom door de dompe + en muffe lucht. Laat hij gauw komen. + + KINGSTON (tot den bewaker.) Roep + mijnheer Grynæus hier.... + + GRYNÆUS Mijn oude Morus, + hoe dikwijls trachtte ik tot u door te dringen.... + ze lieten mij nooit toe.... + + MORE Het doet mij goed + de warme tintelingen van uw oogen + weer over mij te zien.... Kom, zet u hier. + Zie niet zoo droef. Wel was ’t een luchtiger + verblijf, ons paviljoen te Chelsea, waar + wij samen te philosopheeren plachten, + terwijl zacht gerilte ons koelte toewoei.... + maar de bloem der philosophie bloeit ook + tusschen de spleten van deze gewelven: + ruikt gij haar geuren niet? + + GRYNÆUS Ik kan niet schertsen + heer Thomas: vergeef mij mijn beklemd hart. + ’k Zie u, en vraag mij af: is hij het werk’lijk? + —dat sneeuwen haar, die vervallen gestalte, + dat vaal gelaat.... o wee.... heeft zoo de kerker + gevreten aan uw kracht? + + MORE Mijn zoon, de kerker + kust met een adem die van ’t lijf de kloekheid + breekt als de rijp een bloem.... zoo onverlet de + geest blijft, is ’t onheil klein.... Mijn kinderen berichtten + mij over u, over uw trouwe steun + in hun verlatenheid: ik dacht niet anders + van u.... En hoe slaagde uw arbeid? hebt ge + dat manuscript ontward? + + GRYNÆUS O Morus, spreek + niet van mijn arbeid: nietig schijnt mij, haatbaar + dat delven in de mijnen van ’t verleden + naar edelsteenen, terwijl in ’t vandaag + het licht van een steen dreigt gedoofd te worden + wiens flonkeringen ons verrukte’, en al + om niet, neen, erger dan om niet.... Ik bid u, + laat mij uitspreken wat al sedert maanden + schrijnt door mij, telkens wanneer mijn gedachten + beroerden uw geliefde beeld. Niet ik + alleen, al uw vrienden, de mannen wier + wille’ in één harmonie met uw wil samen + klonken, door alle levensjaren heen, + zij zijn bedrukt, niet omdat ge gaat sterven + maar om de zaak waarvoor. Het is hun zaak, + ’t is d’ uwe niet. Ge moogt niet door de tijden + rijzen, een mart’laar van het roomsch geloof; + gij kunt niet willen dekken met uw dood + ’t verderf, dat dadig uw leven bestreed. + Erasmus bidt u door mijn mond, nog and’ren: + laat het daartoe niet komen, ga op zij, + buig voor den koning. Zijn wil is niet louter, + ’k weet het, welt uit geen zuivre gronde’ omhoog, + maar Rome’s verzet tegen dien wil stroomt uit + een lichaam, stinkend van verderf.... O keten + u daaraan niet voor alle tijden vast, + door d’ eenge daad, die men nooit kan herroepen, + nooit uitwisschen.... verwar den klaren zin + van uw leven niet door verbijsterenden + troebelen dood.... + + MORE Zoon, troebel en verbijsterend + zal mijn dood enkel zijn voor wie verwart + d’ uiterlijke verschijning met het wezen. + De dingen der wereld staan niet gelijk + gij meent, tot ijz’ren onverzoenlijkheden + verstard, tegenover elkaar. ’t Wanneer + en waar, vult de hoekige, harde leuzen + met warme stoflijkheid: elk oogenblik + vervluchtigt zich en wordt opnieuw geboren + die levenswarme kern. + „Tegen den koning” beduidt thans en hier + niet vòòr plundring en verdomming door Rome + maar verzet tegen.... een andere macht, + een erger dreiging voor het heil der menschen. + In dat verzet te vallen is geen logen, + tast d’ essence van mijn leven niet aan. + + GRYNÆUS O ’k weet het wel, ik weet het wel dat gij + rein zijt van hart, dat uw wil naar het goede + zich richt, van zelf, als een bloem naar de zon. + Wij weten ’t, maar niet alle weten ’t; Rome + zal uw dood munten tot het losgeld om + haar eigen verdoeming mee af te koopen; + uw martlaarshoofd, zoodra de beul ’t laat vallen, + oprape’ en dragen triomfantelijk + voor zich uit, dat van die gebroken oogen + de magische blik vele vrome zielen + weer bindt aan haar.... + + MORE Dat moet ik dulden, zoon. + In ’t groote woelen van onze aardsche wat’ren + vloeien recht en onrecht nu alle dagen + dooreen. Er zijn geen vlekkelooze zaken + om voor te leven en te sterve’: er zijn + zuiv’re harten, die ook in zaak, bevlekt + door mensch’lijke onvolkomenheid, omhelzen + hun hoogste levensdroom. Mijn vijanden + zullen zeker saamwerpen mijn verzet + tegen den koning, met alle ongerechtig- + heden, Rome verkankerend; u brengt + de opstand tegen Rome saam, in d’ oogen + van wie niet goed onderscheiden door haat, + met de tuchtlooze wreede boerenbenden + die trokken roovend moordend Duitschland door. + Zoo kan elk van ons in verbond verschijnen + met wat hem meest mishaagt. Het mag ons niet weerhouden + te doen wat ons geweten wil. + + GRYNÆUS Maar ook uw vrienden + misprijzen uw besluit. Ziet ge die blaam + van wie zoo warm u loofde’ en graag u volgden + altijd, niet vóór u, een waarschuwend teeken + dat ge nu dwaalt? + + MORE De blaam der lieve vrienden + bedrukt m’ en breidt om mij een kille nevel + waardoor ik moeilijk aadmend verder ga: + Maar hij weerhoudt mij niet. + + GRYNÆUS Kan niets weerhoude’ u? + + MORE Niets. Al de wat’ren van mijn wezen vloeiden + naar dit punt samen, om van hier den sprong + te nemen naar de rustiger gewesten + waar nieuw hun loop begint. Een langen tijd + groeie’ onze dade’ in ons om rijp te worden; + rijp zijnd, vallen zij af. Zij rijzen uit + de verborgene wortels van ons wezen, + en worden door der wereld zon en regen + gevoed. Om ze anders te maken zou + ’t zelf anders moeten zijn en al het andere. + + GRYNÆUS Vaarwel dan Morus. O wee, dat de worm + van dit verdriet nu voortaan altijd knagen + zal aan ’t beeld dat ik oprichtte in mijn hart; + hem die ik levend boven allen eerde + kon ik niet eeren in zijn dood.... Dat God u make + het sterven licht.... + + MORE En u het leven zoet. + Bedroef u niet, omdat mijn levenswil + verwrongen zal verschijnen aan de menschen: + wij lijden nog, ook waar wij doen.— + Ik bid u, laat Erasmus weten dat + ik meende een andere te moeten schijnen + om dezelfde te zijn. Vaarwel. (Grynæus af.) Hoe zwaar + is ’t vrienden te bedroeven!—Voor het eerst + gaat hij van mij weg onvoldaan, en armer + aan vreugde dan hij kwam.... ’k zag in zijn oogen + neerstrijken op de velden van zijn hart + de zwartgevlerkte vogel die daar lang + zal broeden: doffe smart van niet te kunnen + begrijpen de daden van wie wij minnen, + omdat ze zijn één wezen, een ander wij. + „Hij was een goed man, maar hij stierf voor Rome, + zijn dood maakte op zijn leve’ een smet”—zoo zal + Grynæus mij gedenken, hij zelf zei ’t, + en de gedachte voelen als een stekel + prieme’ in zijn vleesch.... + + Ja zoo denken de menschen: + hun denken kruipt behoedzaam langs de banen + van het leven en houdt diens vaart niet bij. + Het bindt de dingen samen tot een vlot + en daarop zet hun traagheid zich, tevreden + voortdroomend, onbekommerd of de stroom + des levens ongestuim de lichte balken + weer uit elkander sloeg.—Of ’t zoo moet zijn? + Of mijn denkingswijs in de vuist der velen + breken zou en hen laten, gelijk blinden + rondtastend zonder staf? Behoeven zij + starre gedachte-banden om daarin + de veelheid der verschijnselen te persen, + en de verand’ring vast te leggen, zóó + zichzelf beschermend van door over-veelheid + verbijsterd te worden? Wie zal ’t mij zeggen? + Wie is er die het weet? + + (Southwell, Palmer en Rich komen binnen.) + + SOUTHWELL Mijnheer, wil onze komst vergeven: zij is + niet onze keus. ’t Hooggerechtshof belastte + ons met een werk waarvan wij hopen dat + gij ’t zult toerekenen die daartoe gaven ’t + bevel, niet ons. + + MORE Mijnheer de procureur, + wat wilt ge van mij? + + SOUTHWELL Wij kregen de last + uw vertrek te doorzoeke’ en mee te nemen + al wat wij vinde’ aan boeken en geschriften, + om ze over te leggen aan het hof. + Vergunt ge dat ik d’ onwelkome taak + seffens volvoer’? + + MORE Ik heb niets te vergunnen + mijnheer. Men heeft mij niet gevraagd, toen men + mij pennen en papier ontnam, men zou + niet luisteren, zoo ik mij nu bezwaarde. + Voert gij uw opdracht uit. + + SOUTHWELL Komt heeren, aan + het werk. + + (Palmer en Rich zoeken in het vertrek en pakken de boeken en + geschriften bijeen die Southwell doorbladert; na eenigen tijd, + terwijl Palmer nog zoekt, wendt Rich zich tot More die rustig is + blijven zitten.) + + RICH Heer Thomas, ge zijt wijs + en in de wetten van den staat geleerd, + vergun daarom, dat ik u voorleg eene + vraag die mij zeer vervult. Zoo ’t parlement + tot koning van Engeland mij verklaarde, + zoudt gij mij dan erkennen als koning? + + MORE Ja Mijnheer ’k zou u erkennen als koning. + + RICH Maar stel nu ’t geval, dat het parlement + een wet maakte die mij tot paus verklaarde, + zoudt gij mij dan als paus erkennen? + + MORE Of + stel dit ander geval eens, mijnheer Rich, + dat het parlement door een wet verklaarde + God niet meer God te zijn, zoudt ge u achten + gebonden door zoo’n wet? + + RICH Neen toch mijnheer: + geen parlement heeft in geest’lijke zaken + te binden macht. + + MORE ’t Is als gij zegt, mijnheer. + + (Southwell die aan ’t einde scherp heeft toegeluisterd maakt een + beweging van teleurstelling; dan wendt hij zich tot Palmer en + Rich en beduidt hun dat zij kunnen vertrekken). + + SOUTHWELL Wij hebben onzen last volvoerd, mijnheer, + maar vergun mij, eer ik ga, nog een woord + met u te spreken.... Ge zult weldra moeten + verschijnen voor het hof. + + MORE Ik weet het. + + SOUTHWELL Weet + ge ook, waarom ’t een vol jaar duurde, eer ge + werd voorgeroepen? + + MORE ’k Meen het te begrijpen, + maar weet het niet. + + SOUTHWELL De koning wilde u + redden, tegen u zelven u beschermen: + achter het fronsen van zijn ongenade + leeft in zijn hart nog de lach van zijn gunst. + Hij hoopte, dat g’ in eenzaamheid hervinden + u zelf zoudt, tot u inkeeren.... Zijn oor + boog gretig naar het eerst gemurmel over + dat zou stijge’ uit de lang bevroren wellen + van uwe trouw.... nog buigt hij luistrend over.... + Maar ’t is nu gauw te laat.... Ge zwijgt, heer Thomas? + + MORE Spreken valt te zwaar. + Ik zou den koning en mij zelven gaarne + besparen wat nu komt, maar mijn geweten + verbiedt mij te doen gelijk hij verlangt. + Is u dat nieuw? + + SOUTHWELL De koning laat u weten + dat hij, wanneer het oordeel is gevallen + niets meer vermag, om.... + + MORE De koning kan weten + dat ik het oordeel, wanneer recht en wet nog + gelde’ in zijn rijk, met gerustheid verwacht. + + (Southwell maakt opnieuw een beweging van teleurstelling en loopt + eenige malen het vertrek op en neer, dan wendt hij zich op nieuw + tot More.) + + SOUTHWELL Ik kan zulk een halstarrigheid niet vatten, + in een vroom christen, mijnheer More, als gij: + ge staat alleen met uwe weig’ring tegen + alle bisschoppen; gij, een leek, + werpt door dit weig’re’ een blaam op hun gedrag + in geestelijke dingen; matigt u + een oordeel aan over hen wien ge zijt + gehoorzaamheid in zaken des geloofs + verschuldigd.... ik begrijp u niet.... + + MORE Mijnheer, + daden te oordeelen was eens mijn ambt, + het is ’t niet meer; in de harten te lezen + komt mij, een feilbaar mensch, niet toe. Ik volg + den weg, dien ’k voor den goede houd, de eeden + weig’rend, en neem aan dat de bisschoppen + ze zwerend, gaan den weg die hun geweten + hun zegt te gaan.... + + SOUTHWELL Weet ge wel dat uwe liefste + vrienden uw koppigheid betreuren? Zij + achten ’t onwaardig een verlichten geest, + zich zoo te klampen aan een vorm, als gij doet + in deze zaak.... + + MORE Mijn vrienden hebben mooglijk + mijne redenen om te weig’ren niet, + noch ik de hunne, om voor den eisch des konings + te buigen ’t hoofd.... Er zijn tijden, mijnheer, + waarin wie dachten in de levenszee + bijeen te blijven, door machtige winden + worden verstrooid en elk voor zich moet zoeken + veilige reede. Dit is zulk een tijd.... + + SOUTHWELL Wat waant ge toch weigerend te bereiken? + + MORE En zoo alleen de vrede van ’t gemoed, + lijkt u dat zoo gering een ding, dat ik + daarvoor het restje van mijn aardsche dagen + niet ruilen zou? + + SOUTHWELL Ik ben verbaasd te hooren + dat wie zoo teeder aan de zijnen hing + als gij, dien vrede proeven kan, terwijl + uw kind’ren zich om u van angst verteeren. + Zeg mij, Morus, verstoort nimmer uw vrede + gedachte aan hun onvree? Dan moet zij + zich, naar mij dunkt, hebben gehuld in dikke + mantel van zelf-genoegzaamheid.... + + MORE Mijn kind’ren + kunnen niet willen dat ik mijn geweten + geweld aandoe voor hen.... + + SOUTHWELL Uw kinderen + billijken niet uw redeloos vasthouden + aan ’t onzalig besluit. Zij kozen niet + uw zijde.... niet één hunner koos uw zijde.... + uw lievlingsdochter zelve, d’ edelste + loot van uw stam, schaart zich tegen haar vader: + zij deed den eed. + + MORE Ik ried haar die te doen. + Wat één betaamt, is niet voor allen goed: + zij, jonge vrouw en moeder, kon ’t niet dragen + van man en kleinen gescheiden te zijn.... + + SOUTHWELL (na een stilte) Ik moet nu gaan, mijnheer. Ge moogt bedenken + dat wij weer zullen samenkomen waar + mijn ambt den toon van zachte overreding + en hartelijken aandrang mij verbiedt.... + Nu ik verzekerd ben van uw verstoktheid, + zal het mij lichter vallen voor ’t gerecht + de volle lengte en breedte uit te meten + van uwe schuld.... Tot wederziens, mijnheer. (Southwell af.) + + MORE De laatste poging.... + Heden en hier werd mijn vonnis geveld.... + de plompe Rich en de geslepen Southwell.... + een vreemd verbond.... Hoe velen hebben zoo + hun krachten beproefd op de taaie vezels + van dit half-stukgereten hart.... De koning + schaamt zich, ’t grijze hoofd van zijn ouden dienaar + te doen neerrollen langs de trappen van + ’t schavot.... wist ik voor hem en mij een uitweg.... + maar ’t moet geschieden.... + + KINGSTON Morus, ik ben blij + de brenger te zijn van welkome tijding; + uw dochter Margreet kreeg verlof u te + bezoeken.... zij zal daadlijk hier zijn,.... zie, + daar is zij al.... + + (Margreet komt binnen en werpt zich in de armen van More.) + + MORE Mijn trouwe kind! + + MARGREET Mijn vader! + + MORE Had ik geweten dat die vrucht voor mij + te rijpen hing aan den boom van vandaag, + hoe zouden mijn gedachten lang te voren + daaraan hebben gefeest! + + MARGREET Het heugt mij niet + dat ik hier groeide.... + + MORE Een geur als van jong gras + omhing de laatste maal je haar en kleedje.... + Dat was mijn zomer.... tot vandaag.... Nu ligt + zeker het versche hooi al op de weide + gespreid voor ’t huis nietwaar? Lief hart, hoe leven + de onzen?—je gezicht is klein en strak.... + + MARGREET O laat mij zoo nog blijven zonder spreken.... + Ik voel de zwaarte der beklemming wijken, + mijn angst wordt een onwezelijke droom. + Hier is het goed en vrede.... o kon ik blijven + hier bij u, vader.... Schuilen bij u.... Vader, + ik ben uw eigen kind niet meer.... ik kon + mijn woord niet houden, de onzen te steunen, + ik had geen kracht meer, ik tast zelf naar steun.... + + MORE Geen stam zoo welgeworteld, of een wind leeft + die hem omwerpen kan.... geen menschehart + zoo sterk, of een smart kan het overstelpen.... + Maar de ontwortelde stam blijft geveld, + en dapper richten zich weer op de harten. + Verhaal, arm kind. + + MARGREET Sedert mijn kleine liev’ling + gestorven is, die ons omschaduwd leven + licht maakte met zijn zilv’ren kinderlach, + heb ik mijn kloekheid niet teruggevonden. + Mijn goede William houdt, met liefdesterke + armen, zooveel hij kan, mij op de helling + tegen naar zwart gepeins; hij draagt geduldig + dat hij mij niet over u troosten kan. + Dance heeft door angst en bezorgdheid verloren + de speelschheid die haar zoo gevallig maakte, + en sluipt een stille schim, door ’t stille huis. + .... Mercy is krank.... De jongens gaan en keeren + bedrukt van uitzicht, want de ooren blijven + doof voor hen en de deuren dicht. Onze arme + moeder weeklaagt en jammert dag en nacht: + „Thomas, Thomas, wat doet g’ ons allen aan, + hartlooze man”—in ’t huis dat voorheen zoemde + van blij arbeidsgerucht en levensvreugd + hoort men nu enkel haar snikkend geklaag + door de beklemming van de stilte scheuren.... + + MORE Twijfel te lijden, + lang dobb’ren op onzekerheid, + maakt harten altijd flauw. Een steun + komt nader, hij is ons al zeer nabij: + dat wat onherroepelijk is en blijvend. + Nog een weinig geduld, mijn kind.... + + MARGREET O vader, + zoo wij maar eenig waren, zoo maar allen + van ons als zeker zagen dat ge doet + wat goed is, al kunnen zij ’t niet doorgronden, + en om u heen vlochten een ring van trouw, + ’t zou niet zoo vreeslijk zijn,—maar ’k sta alleen, + altijd alleen tegen hun klagend vragen + waarom ge toch ’t zoete leven wegstoot + van u: hun smeeken maakt mij zoo ellendig, + of ik u niet òmstemmen kan, die ’t dichtste + leefde aan uw hart, hun verholen verwijten + dat ik het nog niet deed.... + + MORE Mijn dierbaar kind, + ’t is liefde die hen drijft: zij is niet ziende, + maar ook blinde liefde stemt zacht ons hart. + Geduld: misschien gaan hun oogen nog open. + O ’k weet het wel, het is voor jou het zwaarst.... + Is er dan niemand van de oude vrienden + wiens vaste lichte hand de zwakke stengel + opbinden kan van hun slaphangend hart? + Is er niemand, Margreet? + + MARGREET Ach vader, die + ons bleven trouw—en het zijn er maar wein’ge— + zuchten, en wenden ’t hoofd af als wij spreken + van u.... Zij willen onze smart niet met + het koude ijzer van hun blaam beroeren + maar zij begrijpen niet, wat u beweegt.... + er is niemand meer, die u steunt.... + + MORE Mijn kind, + wees daarom niet verdrietig: niemands steun + kan mijn stam tegen den windvlaag beschermen + die mij omwerpen gaat. O waarom springt + je hart telkens zoo schichtig voor de waarheid + wier schaduw valt voor onzen voet, opzij? + Zie haar aan: zij is niet verschrikkelijk + zoodra je haar aanziet met vaste oogen. + Is de dood zulk een vreeslijk kwaad voor mij? + Ik ben sinds lang nog maar van hem gescheiden + door een dunne en ijle mist. Tweemaal + sedert ik hier kwam scheurde die: ik zag + zijn rustomkransd gelaat over het mijne + gebogen en voelde geen vrees.... wèl lichte + droefheid toen ’t weer verdween.... + + MARGREET O spreek niet zoo, + ik kan ’t niet hooren.... Vader, mijn hart is + sinds ge weg zijt, zoo dof en zwaar geworden.... + ik kan niet verder leven met dat doffe + bezwaarde hart! O dat ge ’t nemen kondt + tusschen uw hande’ en met uw warme adem + weer daarin wekken d’ oude heerlijkheid + van hoogen drang en gloed. Die is nu dood. + Moed is in mij dood.... o ik bid u, help mij, vader, + geef mij een levenswoord, geef mij een woord + dat ik dag en nacht als een warme zachte + troost kan drukken tegen mijn borst, en voelen + dringen zijn kracht in mij.... + + MORE Zoo’n wonderwoord + groeit hier op aarde niet, dochter Margreet: + het hart wekt in de woorden warm getril + van leven, door zijn eigen levenswarmte; + is het zelf kil dan blijven z’ in hem slapen + als zaad in hard-bevroren aard.... Mijn kind, + niemand kan voor een ander wezen voeren + de worsteling tegen een smartgolf als + jou overmocht; dat moet hij zelf, zijn eigen + kracht moet hem weer oprichten.... Ik kan niets + dan zóó je handen streelend, zachtjes zeggen: + hef je hart op naar d’ oude helderheden, + zij stralen nog.... + + MARGREET Ik kan het niet.... ik kan + niets voelen als die doffe zwaarte, en scheurt die + de scheuten van een vreeselijke pijn.... + vader.... heb medelijden met ons.... Laat + ons niet zoo achter.... morgen is de dag.... + Laat ons niet zoo verloren achter, vader.... + ik smeek u, doe den eed.... + + MORE (na een stilte) Ook jij, Margreet.... + nu breekt de laatste staf waarop ik leunde + doormidden.... waarom heb je dat gedaan.... + + MARGREET Vader.... + + KINGSTON (binnenkomend) Vrouwe Margreet, de tijd is om. + Ik liet u blijven tot het allerlaatst, + maar de poorten moeten gesloten worden: + ik bid u, maak een kort vaarwel. + + MARGREET O vader, + moeten wij dan zóó scheiden.... + + MORE Mijn arm kind, + het moet, en langer waar alleen verlenging + van onze pijn. Kus moeder goedendag, + groet maag en vriend van mij, zeg hun te dragen + een moedig hart, en te roeme’ in de waarheid: + dat is het heil. Dank die mij diende’ in trouw, + en de geburen, wier hulpvaardigheid + mijn hart dikwijls verheugde: geef hun allen + minlijke groet.... Treur niet te zeer, mijn kind: + wij zullen elkaar weerzien waar vreugd bloesemt + uit alle droefheid, alle aardsche zwakheid + gelouterd wordt tot kracht. + + MARGREET Vergiffenis.... + + MORE Mijn lieve hart, er valt niets te vergeven: + het moest zoo zijn. + + (Margreet met Kingston af. More na lang zwijgen.) + + Kom nu, mijn laatste vriend, + kom dood en maak dit kranke hart gezond.... + Ik kan niet meer.— + Mijn vrienden zoeken mij te wringen in + het enge keurs van hun partijd’ge meening; + zij wenden zich in wrevel van mij af + omdat hun wil niet mijn kompas kan wezen. + Voor de mijnen ben ik een steen geworden + waaraan hun voet zich stoot.... Mijn liefste kind + hoort als een vreemd en onverstaan rumoeren + het kloppen aan van mijn hart.... Eenzaamheid, + ik zag u lang genaken, eenzaamheid, + en voor u sidderde mijn hart terug + dat maar gedijt, wanneer het houdt één maat + met and’re harten.... sidderde terug + als het u hoorde spoken door mijn hoofd, + en kon u toch niet, kon u toch niet vliên.... + ge zijt gekome’: onder uw looden hand + krimpen mijn schouders en huivert mijn hart. + + O dat een vrouw nu komen mocht tot mij, + die sinds lang van mijn gemoed alle paden + kende en trad tot de gronden van mijn hart.... + ’t zou zoet zijn in haar oog te lezen dat + ik deed gelijk haar vertrouwen verwachtte, + haar warm begrijpen als een luwe wind + te voelen zacht mijn wang omspelen, drogend + op mijn gelaat de klamheid van den dood.... + Else en ik hebben in verscheiden sfeeren + altijd gewoond.... een menscheleven lang + weet ik het, heb het zonder wrok gedragen.... + arme ziel! waarom drukke’ uw enge grenzen + vandaag zoo zwaar?.... Mijn hart had één vertrouwde: + als ik mij tot haar wat’ren overboog + vond ik mijn wil verzacht, verinnigd weder + in ’t lout’re willen van mijn liefste kind.... + Nu zendt de ziel van mijn Margreet omhoog + een ander beeld.... ik kan niet meer, mij spieg’lend + in haar klaarten, denken: ’t is wel met mij.... + Zij en Erasmus stonden mij het naast + van alle wezens.... Nu denkt hij aan mij als + aan een afvallige; de tijding van + mijn sterven zal den stervende vervullen + met bitterheid.... ’t Is droef te weten dat + wij tweegespan die zoo lang najaagden + eenzelfde waarheid, den dood in gaan dragend + tot elkander een wrevelig hart.... + Mijn leven schijnt een zinnelooze leegte + en ik kan niets denken als droefenis. + + + O diepe zeeën, wijd-zwellende landen, + begroeide ruigten tusschen ons, niet gij + hebt mij van mijn oude genoot gescheiden, + niet gij doet mij hem voelen ver en vreemd. + IJzeren grendels en dikke gewelven + van ongehouwen steen, en tralies die + onwrikbaar donkert tusschen mij en vrijheid— + ik ben ellendig, maar niet door uw macht. + Smaadlijke dood, die dreigend vóór mij staat, + bijl dien ik zweven zie boven mijn hoofd, + het is de vrees voor u niet, die mij martelt, + maar dat ik eenzaam sterf. + O welk een vloed, + welk een zaligheid van zongouden licht, + zou stroomen langs de vaalheid dezer wanden, + zoo ik maar wist, dat ergens in de wereld + andere harten neigden met mijn hart; + neigden in één wil, ééne hoop, één blijheid.... + Oude honger, hunkering ongestild + naar een broederschap, die ik nauw kan denken, + waar ik geen naam voor weet, doorwoelt ge tot het einde + dit dwaze hart? + Ge wordt nu haast gestild; + ziedaar: de gemeenschap der heiligen + gaat voor u open.... zijt ge nòg niet blij? + neen nog niet gansch: de gemeenschap der menschen + die haar wortel en stam is, stoot u uit. + + + Welk een vreemd lot is mijn lot! Tot de menschen + voelde ik mij vroeg getrokken als een golf + getrokken voelt om tusschen andre golven + zich op te lossen in hun reidans. Maar + ik bleef altijd eenzaam onder hun scharen + in ’t allerdiepste, want ik vond er geen + die wilde met mijn wil, zag met mijn oogen, + die dacht als ik dacht dat de schande’ en smarten + niet kome’ uit God, maar uit de maatschappij, + en met mij wilde voorwaarts dringen naar + waar smart en schande overwonnen worden.... + eenzame wil, eenzame golf, ga onder.... + + + Er zijn er die zullen brande’ om mijn naam + de wierook van hun lof, en zullen stemp’len + met het merk hunner waarheid mijn gedachtenis.... + Ach, zij hebben zich nooit gebogen over + de bronnen van mijn hart, nimmer hun ruischen + vermoed.... eenzame golf, eenzame wil.... + + + Hoe droef-misvormd, Thomas More, zal uw beeld + voortleven in de spiegeling der tijden, + onkenbaar verwrongen door lof en blaam, + gelijk een onbegrepen melodie + tot zinnelooze verwardheid verkeerend + door plompe druk van ongevoel’ge hand. + Mij walgt daaraan te denken.... Eenzaam, eenzaam + ook in den dood.... + Zoo ik maar wist dat eens + liefdevol-begrijpende gedachte + zou heenbuige’ over mijn herinnering, + ik zou zoo hongerig niet sterven.... + Ach, + kon ik een mensch uit d’ongeboren tijden + den sleutel reiken tot mijn binnenst hart! + Ja, had ik, gelijk dichters doen, mijn wezen + gebed tusschen bloesems van schoone droomen + waar het doorheen scheen, blinkend zacht voor wie + dieper doordringen dan de eerste blik, + en langer wijlen.... Maar dat kon ik niet.... + Ik heb het diepste hunk’ren van mijn ziel + niet met der schoonheid zilverdraad doorweven + maar gestikt tot een bruin en nuchter web.... + Tusschen de bladen der Utopia + daar leeft mijn wezen, als des dichters wezen + in zijn gedicht.... + En zal dan daarin niet + mij vinden wie mij zoekt? Zal hij ’t wanbeeld + niet afwerend, waartoe menschen mij maakten, + mij oproepen uit wat ik heb gewrocht? + O ja, dat zal hij.... eenmaal komt een tijd + dat wat nu schijnt een nest van speelsche droomen + voor vele’ als klare levenswaarheid staat, + waartoe hun voeten zich in maat bewegen + waarnaar hun armen zich strekke’ en hun hart.... + O Kommunisme, als de wil tot u, + een stormwind, zwelt door de wouden der menschheid, + dan wordt mijn wil begrepen en bemind.... + + + Verre vriend die mij toelacht door een mist; + ik kan uw aangezicht niet zien, de tijden + breiden hun nevel tusschen u en mij, + maar ’k voel uw hand vol mild begrijpen tasten + naar den klop van mijn hart.... ge vindt het, ge + buigt over mij zooals een ouder broeder + over zijn jonger broer; ge leest mij, onze harten + neigen te zaam.... O zoet geluk, ge komt, + zoete broederschap, ge komt eens voor mij.... + + + De eenzaamheid, die mijn denken omhuifde + met looden kap, is weg, mijn bloed stroomt vrij. + Door de donkere schaduwhoeken zie ’k + de lichte, vriend’lijke gestalten zweven + van maag en vriend.... Zoete herinneringen + omzoemen mij, uit uren dat ik voelde + in liefde met de menschen zoetst-verzaamd. + + + O zacht-geoogde vriend dier verre tijden, + gij hebt den steen der eenzaamheid getild + van mijn gemoed.... Ja de gedachte aan u + zond God mij, dat niet met dat hongerknagen + in ’t hart, ’k zou scheiden van zijn lichte aarde. + Nu ben ik weer blij, dat ik heb geleefd.... + Mijn ziel verkwikt een wonderzoete vrede, + die ik in lang niet had gevoeld.... + + KINGSTON Mijn oude + makker, het eind van uw gevangenschap + is eind’lijk—o zij ’t einde goed—gekomen; + ge moet morgen verschijnen voor het hof. + + MORE Het eind wordt zeker goed, Kingston: ’k zie morgen + dagen met een gerust en vrolijk hart. + + + + +VIERDE BEDRIJF + + + De Theemskade bij Londenbrug. Nacht. Aan gindsche zijde van de + brug aan den anderen oever, ziet men flauw de omtrekken der + stadspoort. + + William, Grynæus, later Kingston, Margreet en de nar. + + + WILLIAM Hier zijn wij waar wij moeten wezen: dit is + de afgesproken plek. + + GRYNÆUS Kingston is er + nog niet.... + + WILLIAM Maar hij komt zeker: dat ’s er een + van het soort die hun woord gestand doen. Hij + en gij Simon, bevriende’ ons nog; al d’anderen + verstoven na dien slag.... De nacht is geurig.... + + GRYNÆUS Ja, door de zoelte hangt een geur van vlier.... + + WILLIAM Hoe genoot hij de zomerzoete geuren + van zulke nachten.... Ach Simon, ik kan + het niet gelooven.... + + GRYNÆUS En toch is het waar: + van ginds-af ziet, verschole’ in fulpen duister + zijn bloedeloos hoofd op ons neer.... + + WILLIAM Afgrijslijk.... + o dat we enkel d’arme geknotte romp + begraven mogen, en moete’ overlaten + het edelste ten prooi.... + + GRYNÆUS Stil, ik hoor schreden. + Wie komt daar? + + KINGSTON William Kingston. Zijt gij het, + mijnheer Grynæus? Is niet William Roper + met u? + + WILLIAM Hier ben ik Kingston. Dank dat gij + gekomen zijt.... wij hunkeren te hooren.... + En toch.... mijn hart huivert.... O Kingston, + hoe ging hij op? + + KINGSTON Blijde als een kind, dat huiswaarts + naar moeder keert, en even gerust. + Maar o vrienden, de schande.... o de schande.... + Hoe kan één van ons die daarbij was, nog + het licht verdrage’.... Een getuig’nis, gevlochten + uit dikke en drieste leugens hebben zij + gedraaid tot den strik, om mee te verworgen + den nek, die het nobelste hart van England + bond aan het beste brein.... Hoordet g’ op welke + gronden het vonnis werd geveld? + + WILLIAM Alleen + geruchten. Men zegt, een gekocht getuige + zwoer, dat hij vader had gehoord betwisten, + en honen ’s konings kerkelijk opperrecht. + Is dat waar, Kingston? + + KINGSTON Ja, Judas’ geslacht + is nog niet uitgestorven.... ik wil trachten + geregeld te verhalen, maar de woorden + stokken mij in de keel. + + WILLIAM Zeg eerst of vader + ’t band zijner zwijgzaamheid verbroken heeft. + Opende hij hun, waarom zijn geweten + te zweren hem verbood? + + KINGSTON Ja William, en + de reden was als wij konden verwachten + van een man gelijk hij.... Kon ik in woorden + uitdrukken welk gevoel alle, ook de rechters + deed opstaan toen hij binnen werd gebracht! + Het was geen deernis met zijn lijdend wezen, + zijn gebogen gestalte, moeizaam gaande + geleund op eenen stok.... het was ontzag + voor een milde majesteit, uitgerezen + boven het leed.... Toen mijnheer Audley alvoor + d’ aanklacht te lezen Morus heuschelijk + begroette, en bood voor ’t laatst in naam des konings + vergiffenis, hoopte ik even dat hij + had toegestemd te zweeren, en ’t zoo tusschen + hen was gekomen overeen. Maar rustig + klonk reeds zijn antwoord door de zaal: + „Mijnheeren rechters, + ik ben den koning zeer erkentelijk, + maar bid tot God, dat hij in zijn genade + mij helpe in mijn gezindheid te volharden + tot dit flakkerlicht wordt gebluscht.” + Toen wist ik + dat hij zijn leve’ in handen van de rechters + legde, en niets hem redden kon, dan mooglijk + hun manhafte moed.... ik oude dwaas hoopte + daarop.... + + GRYNÆUS Ge wist toch dat de koningin + zijn ondergang gezworen had.... haar willen + reikt ver. + + KINGSTON De rechters zetten zich, en mijnheer Southwell + las d’ aanklacht voor.... Gij kent de punten? + + WILLIAM Ja. + + KINGSTON Toen hij gedaan had, kreeg uw vader ’t woord + tot zijn verdeed’ging, zittend, want hij had een + zetel verzocht, zeggend zich te gevoelen + te zwak om lang te staan.... Langs d’ eerste punten + gleed hij met korte woorden heen; gekomen + tot de hoofdzaak, + zei hij nadrukkelijk, nimmer te hebben + gezocht, één mensch met woorden te bewerken + den eed te weigeren, noch één ontsloten + de gronden van zijn weig’ring. God kwam het toe + en God alleen, de gedachten te richten, + geen aardsche rechters mochten ’t doen. Daarom + bestreed hij, dat hij door te zwijgen zich + verraderlijk tegen zijn koning keerde, + en zou het bestrijden zijn leven lang. + Hier zag hij rond; zijn stem was weeker toen hij + voortvoer: „Ik heb in deze eigen zaal + veel jaren recht gesproken, vele malen + in menschelijke zwakheid mij vergist. + Maar nooit—hier zocht de oogen van zijn rechters + zijn vrije blik—heb ik bewust gebogen + onrecht tot recht: dit maakt mij stout, een woord + tot u uit innerlijken drang te spreken.” + Hij rees op, zijn gestalte strekte zich, + zijn vaal, ingezonken gelaat bezielde + de blos van heilgen ijver; warmte trilde + door de diepere tonen van zijn stem, + toen hij riep „Rechters, ik bezweer u, rechters, + o buigt het recht niet krom.” + Toen ging hij kalmer + weer voort, hun toonend hoe gemeenschap vergt + om vast te staan, zede en recht, als de steenen + de kalk behoeven, te vormen een bouw; + hoe zoo zij, van wie op aardsche rechters + was geen beroep, nu ’t recht krombogen, dit + zou zijn den bouw der maatschappij ontwrichten + zoodat geen mensch meer veilig wonen kon. + Rustig en zacht besloot hij: „ge weet wel + dat ik mijn leven niet terug wil winnen + als in een kansspel uit uw hand. Ik heb + mijn anker reeds gelicht, en merk den stroom + mij voeren naar de wijde wateren + der eeuwigheid. Maar gij blijft en het volk + van Eng’land blijft: voor u zelf pleit ik, en voor + dat volk. Moog God van uw hoofden afwenden + dit erge doen.” Toen zonk hij in zijn zetel + terug, en sloot d’ oogen.... + + GRYNÆUS Leken de rechters + ontroerd? + + KINGSTON Een mompelen ging tusschen hen + en ik ving enk’le woorden op die deden + opscheemren voor mijn hart een zweem van hoop. + „Wij kunnen niet”.... „er is geen grond”.... „het schuldig + sterft op de tong”.... maar mijnheer Southwell trad + naar voren, en ik zag op zijn gluipgezicht + een lachje van boosaardig triomfeeren + en voelde mij verstijven, want ik kende + hem voor een nijdaard, Morus slecht gezind. + Met effen stem vroeg hij het hof verlof + hun alsnog voor te stellen een getuige + die zelf gehoord had ’t schennend woord ontvallen + aan Morus’ lip. Ik geef mijn hoofd, Grynæus + zoo die getuigenis niet was te voren + bekonkeld tusschen hen.... + + GRYNÆUS ’t Is zeer waarschijnlijk, + maar ik bid u, ga voort.... + + KINGSTON De getuige + werd vóórgebracht, een zek’re Rich. Hij zwoer + waarheid te zeggen, en dischte op den rechters + dit dwaas verhaal. Hoe hij onlangs in opdracht + tot Morus ging, met Southwell en een klerk, + zijn kerker te doorzoeken naar geschriften; + en terwijl d’ anderen zochten, vroeg hij + More tot een vraag verlof, te weten: + zoo ’t parlement hem, Rich, tot koning maakte, + of More hem dan erkennen zou. En Morus + zeide van ja. Toen vroeg Rich verder, of + zoo het parlement hem tot paus verklaarde + More hem als paus erkennen zou. Maar Morus + antwoordde, vragend op zijn beurt, of zoo + het parlement God niet meer God verklaarde + te zijn, hij Rich, zich reek’nen zou gebonden + aan zoo’n besluit. En Rich „wel zeker niet, + geen parlement had macht dat te bepalen.” + Waarop More „evenmin, een wereldsch vorst te maken + tot hoofd der christenheid.” + + GRYNÆUS En deze plompe leugen + nam het hof aan als een bewijs van schuld!.... + Niet te gelooven.... Wat antwoordde Morus? + + KINGSTON Hij bracht den rechters in herinnering + hoe hij alree verklaard had, en ’t bezworen, + nooit te hebben aan eenig mensch ontsloten + in deze zaak, de gronden van zijn hart, + en bad hen te bedenken, dat zoo hij + een man was, die met eeden speelde als waren ’t + ballen, hij niet vóór hen zou staan, maar zeet’len + tusschen hen in „Immers slechts een eed scheidt mij + als u bekend is, van mijn ouden staat.” + Ik zag bij ’t woord sommigen van de rechters + de oogen neerslaan, als beschaamd. + Toen, zich wendend naar waar Rich stond, sprak hij + verder, niet in toorn, maar gestreng van wezen: + „Ik heb eeden altijd gehouden heilig, + en daarom mijnheer Rich, bedroeft mij meer + uw meineed nu, dan mijn bedreigde leven. + Ik ken u sinds de dagen van uw jeugd, + —wij woonden immers in hetzelfde kerspel— + als een lichtzinnig mensch, een erge speler, + en nimmer hield ik u voor eenen man + dien ik, of dien een ander zou verkiezen + tot zijn vertrouweling.” + + WILLIAM Antwoordde Rich? + + KINGSTON O neen, met een uitdagend lachje hoorde + hij ’t streng-klinkend woord van uw vader aan, + en haalde, toen die zweeg, de schouders op + als vond hij zich te goed hem te weerspreken. + + WILLIAM Verdorven hart, is in u alle schaamte + dan dood? + + KINGSTON Schaamte? ’k wed, hij zal morgen pralen + met zijn meineed als zijn verdienste.... Mompelt + men niet, dat hij eerstdaags geadeld wordt... + Maar gij verlangt verder te hooren.... Als + merkte hij niet het ergelijk gebaar + van den ellend’ling, wendde tot de rechters + Morus zich weer, met vaste klare stem + vragend, of dit hun toescheen geloofwaardig, + dat hij, een oud man, in de school des levens + geoefend in lange geslotenheid, + zou hebben geopend ’t geheime boek + van zijn geweten, dat hij niemand toonde + —ook niet den trouwste’ en meest vertrouwden vriend— + aan een nietswaardig mensch, dobb’laar en drinker, + dien hij laag achtte en waartoe niets hem dreef. + Hij bracht hun in herinnering, hoe de koning + had uitgezonden tot hem, in zijn kerker, + veelmalen, mannen van beproefd verstand, + opdat hun schranderheid hem zou ontlokken + zijn welbewaard geheim—maar steeds vergeefs. + „Houdt ge het dan voor mogelijk,” besloot hij, + „dat waar zoovele goede schutters waren + afgedeinsd, en hadde’ alle ’t doel gemist, + zoo plomp een hand zou zijn bij d’ eerste poging + geslaagd?”—O vrienden ik had het wel willen + uitschreeuwen, willen roepen tot de rechters: + zie waarheid op dit voorhoofd zeet’len, hoor + haar klank die hartgrondige stem doorgulden; + en zie dan daarheen, naar dat driest gezicht, + waar alle lage drifte’ op achterlieten + hun slijm’rig spoor.... Kunt ge in trouwe ’t een + getuigenis tegen het ander wegen? + Maar ach, ik zweeg.... + + WILLIAM Wat had het ook gegeven!.... + Sprak een der rechters nog aan de getuig’nis + van Rich zijn twijfel uit? + + KINGSTON Geen. Mijnheer Audley + rees, zeggend dat nu uw vader de faam + van den getuige aantastte, hij moest vragen + Southwell, of die iets had gehoord.... + + WILLIAM Maar Southwell + had gewis niets gehoord.... + + KINGSTON Southwell bezwoer + zijn aandacht was hij zoo bij zijn taak geweest, + dat niets tot hem drong van hun beider spreken. + Maar snel rees Morus op, en weder klonken + zijn strenge woorden door de dompe zaal: + „Southwell, waarom bevlekt gij uw geweten + met valsch te zweren?”; en hij verhaalde hoe + hij den leugenaar had gemerkt, begeerig + happend naar ’t woord, dat hem More zou verderven, + gespannen luistren, en toen ’t uitbleef, den + schurk had gezien met een gebaar van wrevel + zich afwenden, of hij ’t niet kroppen kon. + + WILLIAM Zei Southwell iets? + + KINGSTON Hij veinsde niet te hooren, + verdiept in zijn papieren, maar ik zag + zijn gezicht vertrekken en zich verharden + tot een masker van haat.... Het was de beurt + nu aan zijn slangenrede.... ik bid u, laat + mij u bespare’ en besparen mijzelven + dat glinst’rend web van boosaardige leugens + weer uit te spreiden.... ’t walgt me.... + + WILLIAM Enkel dit: + waagde hij het, zich te beroepen op + de Judas-getuig’nis van dien meineedge? + + KINGSTON Hij waagde het. Schaamteloos was de wijze + waarop hij uw vader hoonde, met woorden + groen van venijn. Zie die spotter, sprak hij, + staande bij hen die Rome felst bestookten + weleer vooraan.... maar nu zijn koning, die + twintig jaar lang met de room zijner gunsten + hem heeft gevoed, zijn hulp behoeft, zie, nu + verschuilt hij achter Rome en haar geboden + zijn verraderlijk hart.... + + WILLIAM Ellendeling! + + GRYNÆUS Ik vreesde dit.... Antwoordde Morus nog + op deze rede? + + KINGSTON Hij verklaarde + dat hij eerst na het oordeel spreken zou. + De rechters trokken zich terug tot hunne + beraadslaging.... een doffe zwaarte lag + over de broeiing van den heeten noen + waar vliegen droomerig doorgonsden.... soms + hoorde men even een gedempt gefluister + als was er tusschen ons een doode.... More + had het gelaat in de handen verborgen + en peinsde of bad.... Ik weet niet of het lang was + dat wij wachtten.... de tijd bestond niet meer, + niets bestond als een doffe + knaging van onrust en benauwenis. + Eindelijk hoorden wij schreden, de rechters + keerden door de holle gangen terug. + Stappen naderden, deuren sprongen open, + en ’k las op de schuldbewuste gezichten + hun eigen schande. Audley stelde de vraag, + en zesmaal spitsten zich de droge lippen + tot het gruwelijk onverzoenbaar woord + dat toonloos zonk in de beklemde stilte: + „schuldig—schuldig—schuldig—schuldig—schuldig— + schuldig.”—Zes malen kromp mijn hart ineen. + Ik zag naar uwen vader, waar hij zat: + een licht van troosting, vrede en klaarheid straalde + van dat ontspannen rustig-mild gelaat. + Toen kwam het vonnis, en wij huiverden + bij de klank van die vreeselijke woorden: + „zal met gloeiende tangen eerst genepen + dan ’t hart hem worden uitgerukt,” maar toen + volgde dat de koning in zijn genade + het tot onthoofding had verzacht;—hoe licht + getroost is toch de mensch in zijn ellende: + wij voelden iets verruimd. + + WILLIAM En vader? + + KINGSTON Hij + rees op, en met zachte heldere stem, + als waren wij allen bijeen in vrede, + begon hij te spreken, zeggend alleen + zoolang met zwijgzaamheid te hebbe’ omsloten + zijn lip, uit vrees dat vervolging hem vinden + mocht zwak, en klein van hart, + want hij voelde ’t in zich niet onvervaard + gelijk de martelaren die getuigend + uitlokken lijde’ en gaan ten jubeldood, + en ’t scheen hem hoogmoed toe door eigen doen + op zich te laden, wat hij tot het einde + misschien niet standvastig zou dragen.... + + WILLIAM O vader, + dat ’s uw ootmoed’ge zin.... Ach, Kingston, wij + vielen hem hard, omdat hij zijn vertrouwen + weghield voor ons.... + + KINGSTON Na die bekentenis + verklaarde hij met mannelijke woorden + waarom hij niet kon zweeren, sprekend uit + wat nu in Engeland alle rechtschapen + harten denken, maar niemand zegt: + hoe koning Hendrik de hervorming niet + tot stand wil brengen om de kerk te rein’gen, + maar uit belustheid op het goed der kerk, + en hoe de geestelijken die hem steunen + als hem beweegt begeerlijkheid—of vrees. + Hier zweeg hij even, over zijn gezicht + trok donk’re schaduw toen hij voortvoer: „nu + zullen de kloosters worden opgeheven, + der armen wett’lijk erfdeel, hun geschonken + tot de verlichting van hun lange nood, + wordt hun ontgrist door gewelddaad’ge handen; + de borsten waaraan ’t arme volk zich laafde + verdrogen: hoor ze krijten van den dorst.” + Weer zweeg hij; zijn wezen versomberde + een nieuwe vlaag van aanstormende smart: + hij sidderde, zijn wijd-gesperde oogen + schenen achter de hoofden van de rechters + een ontzetting te zien; en haar bedreiging + beefde in ’t schrille stijgen van zijn stem: + „ik zie de duizenden, die veilig leefden + op ’t kloostergoed, worden door nieuwe heeren + verjaagd om plaats te maken voor de schapen; + ik zie ’t reed’looze vee vreten de menschen, + ik zie de troepen hongerige zwervers + dolen over ’t land;—ik zie de zweepen dalen + en weer opspringen in der beulen vuist, + en de galgen niet ophouden te dragen + hunner verschrikking vreemd-bengelende bloem”: + en, als den hemel nemend tot getuige + hief hij de armen hoog „dat heet hervorming, + o monsterlijke, monsterlijke leugen, + hemeltergend onrecht, zaad van langen haat”.... + + WILLIAM O vader, vader, liefde tot de armen + dreef u in den dood.... + + GRYNÆUS Ja dat was het, + en ik merkte het niet.... + + KINGSTON Toen hij ’t gemoed ontlast had + effende zich zijn weze’ opnieuw tot vrede; + een klare zilvervlam brandde zijn stem. + Hij wist wel, zei hij, dat één steen niet stuiten + kan losgebroken stroom: hem overstelpen + de wateren. En hij, die schier alleen + zich stelde in den weg van ’t vorstlijk willen + moest zoo worde’ overstelpt en ondergaan. + Maar dat men onrecht niet kon keeren was + nooit rede om niet tegen onrecht te strijden: + „niet alle strijders kunnen zegen oogsten, + maar alle kunne’, onrecht weerstaande, nader + brengen uw dag, gerechtigheid, op aard.” + Hij zei dit zacht, als beschaamd voor de and’ren + die niet hadden weerstaan. + Maar ik voelde wereldsche eere, praal + van weidsche daden en wapenenluister + verbleeke’ en zinken naast dit simpel woord, + zich stil ontvouwend als een zilv’rig bloeisel + hoog aan den stengel der recht-oppe daad. + + WILLIAM Sprak hij nog meer? + + KINGSTON Zijn rechters aanziend met + een glimlach die zoet als olijventwijg + boven de bitterheid van dat uur zweefde + zei hij hun mild vaarwel. Hij bad hen, hem + te willen gedenken in hun gebeden + niet als den man dien zij daar vonnisten, + maar als den makker, wiens beeld vóór hen rees + uit heugnis van veel zacht-gesleten uren + die mensch binden aan mensch. Eens zouden zij + en hij weer samenkomen waar de draden + van hun verwarde willen zeker gingen + zich effenen tot glanzend vreugde-web. + + WILLIAM Niet meer? + + KINGSTON Ja toch: hij liet den koning weten + dat Morus, met dankbaar hart oude dagen + gedenkend, zonder wrok ging in den dood. + Dat was het laatste. + + WILLIAM Hij heet een verrader! + + KINGSTON En toen gaf mijnheer Audley mij bevel + om More terug te voeren naar den Tower + te lijden daar den dood als ’t vonnis wou. + De rechters gingen heen.... + + WILLIAM Mijn arme Kingston, + moest gij dat zijn? + + KINGSTON William, ik weet niet of + hemelsche boodschappers nog tot de menschen + dalen om hen te sterken met hun aêm. + Maar zoo ’t geschiedt stond zulk een hemelling + vast, door ons ongezien, achter uw vader + hem toewuivend op blanke wiek genâ. + Want toen ik tot hem trad, en droefheid mij + zoo overmande, dat ik luid uitsnikte + of dit zou zijn de laatste dienst dien ik + ging aandoen den beminden man, de laatste + bloem die veeljaarge plant van vriendschap dreef, + sloeg hij zijn arm vertroostend om mijn hals, + en lachte mij mild-bemoedigend toe. + „Kingston,” zei hij „wees welgemoed man, laat + uw hart zich niet bezwaren om uw last; + mij behaagt wèl dat gij me zult geleiden, + oude vriend, naar de poort der eeuwigheid. + Ik ga, zegenend onze goede aarde, + maar blijde dat het is mijn tijd te gaan, + want ik heb uitgestaan veel moeienissen”. + Toen omhelsde hij mij, en wie ons beide + daar zag, die had gezworen hem den trooster, + en mij, afwachtend smadelijken dood! + + WILLIAM Wij zijn ’t die troost behoeven, niet meer hij.... + + KINGSTON Ach, een afscheid is hem nog zwaar gevallen.... + Vrouwe Margreet verhaalde u wis, hoe zij + opwachte zijn terugweg, en zich wierp + tusschen de mannen van de wacht? Ik wist niet + dat zulke kloekheid wonen kan in ’t schuchter + gemoed van een teedere vrouw.... + + WILLIAM Margreet + heeft haars vaders wezen geërfd; ook zijne + groothartigheid.... wij alle steune’ op haar.... + ik kan niet denken wat mijn leven wezen + zou zonder dezen steun.... Zeg mij, Kingston + hoe was het mooglijk dat zij tot hem drong + ondanks de wacht, dat al die hellebarden + haar niet stuitten, een wapenlooze vrouw? + Was het verrassing? Weken z’ uit erbarmen? + Zij zelf weet niets, zegt ze, als dat vaders aanschijn + riep tot haar, van ver, en zoo’n grooten drang + haar overmocht, om hem nog ééns te kussen + dat vrees en schuwheid van haar lieten, en zij + gezogen werd naar waar hij stond.... + + KINGSTON Ik kan + u dit alleen maar zeggen, William; wij + hoorden, toen wij onder den Tower landden + een stem die riep „vader,” en weer „vader.” + Zulk een angst van verlangen zwol daarin + dat allen stilhielden en het hoofd wendden, + naar dien roep als van een verschrikte vogel + die om zijn jongen krijt. Ik zag haar staan, + de armen voor zich uitgestrekt, en naast haar + uws vaders oude nar met het vroegwijze + kindergezicht, toen vreemdvertrokken grijnzend + in smartelijken lach. Ik hoorde hem + schreeuwen: „nu vrouwe,” en zag hem voorwaarts storten + tusschen de pieken, zij hem na. Maar even + verdween z’ in wriemling van wapens en lijven, + toen zag ik haar weer, ijlings verder schietend + als tusschen gouden flikk’ringen een visch. + Zij dook op aan de zijde van uw vader + hing als een drenkeling hem om den hals.... + Mijn oude oogen loopen weder over + bij de herinnering.... + + GRYNÆUS Meent ge dat Morus + blij was zijn lieveling nog eens te zien, + of viel ’t hem zwaar? + + KINGSTON Mij scheen ’t dat vreugde en droefheid + streden in hem. Toen zij viel in zijn armen + zag ik een glans verhelderen zijn edel + ontvleescht gelaat, en een oneindig-teed’ren + blik uit zijn milde grijze oogen glijden + over haar zachtgebogen hoofd. Maar plots + doorschokte hem een siddering, hij klemde + de lippen saam, als een man die verbijt + een felle pijn. Toen schudde hij meewarig + het hoofd, en streelde haar en kuste haar + en maakte haar armen voorzichtig los + van om zijn hals. Hij hield haar van zich af + rondziende, als zocht hij wie haar weg kon voeren. + Maar toen zij voor de tweede maal zich klampte + aan hem, zacht-kreunend, zag ik op zijn voorhoofd + de druppels paarlen van den bangen strijd + en aan zijn wimpers hingen zware tranen. + Even aarzelde hij, toen overbuigend + tot haar, fluisterde hij dicht aan haar oor + wat geen onzer verstond, maar met een schok + kwam z’ overend, kuste hem en verdween + als zwolg de grond haar op.... Wij gingen verder. + + WILLIAM Hij vroeg haar een belofte te gedenken + die zij hem eenmaal deed.... Haar grootste schat + is een verfrommeld briefje, in haast geschreven + dat hij haar deed zenden, vlak voor het end. + Hij roemt haar daarin zijn dappere kind + die hij nooit zóó als in het uur beminde + dat zij voor het laatst hem hing om den hals, + want hem behaagde boven maat als liefde + alle wereldsche bloôheid overwint. + Er komt over haar een wondere blijheid + als zij ’t herleest.... + + KINGSTON Het heeft zoo moeten wezen, + maar waarom is voor ’t hart een duist’re zee.... + Het ziet de vrucht niet blinken van zijn lijden, + en vruchtloos lijden van goeden en wijzen + onthutst het hart. + + GRYNÆUS Misschien dat vruchten rijpen + die wij niet zien.... + + KINGSTON Zeg mij William, is ’t waar + dat gij het vaderlijk erf moet verlaten? + Beval de koning ’t waarlijk? + + WILLIAM Hij beval ’t. + Kingston, wij mogen niet meer wonen waar + zijn beeld oprijst uit de vertrouwde steenen + en alle dingen spreken met zijn stem. + De wraak der machtigen verslaat ons, maar + één troost houdt mij staande in het bitter zwerven + dat nu begint: ik wil het aardsche doen + van onzen heilige gaan nederschrijven + in een getrouw relaas: zoo zal zijn geest + voortleven, en de komende geslachten + ten voorbeeld zijn.... + + GRYNÆUS Maar zult ge ook vermogen + d’ eigenste kern en klankkleur van dien geest + in woord te beelden? ’k voel in hem een wezen + dat ons allen ontgaat. + + KINGSTON Ja, niemand onzer + doorziet hem gansch. Onze zielen begrijpen + van zijn ziel ’t stuk, waar eigen kracht toe reikt; + zoo zult ook gij, mijn goede William, beelden + wat ge van hem verstaat. + + GRYNÆUS Zijn eigen werken + beelden hem beter dan een onzer ’t kan. + + WILLIAM Kingston, ge weet, de koning gaf verlof + dat wij zijn arme romp begraven mogen.... + zij noemen ’t gunst.... Vrouwe Margreet verweent + haar oogen van verlangen, eens te koest’ren + nog, en te bedden zacht zijn wreedgeschonden hoofd. + Weet gij een weg, Kingston? + + KINGSTON Mijn beste William, + ik heb daartoe geen macht. Kom: ’k hoor de hanen + de komst verkonden van den nieuwen dag. + Hoe leeg en kil rijst hij, hoe arm aan vreugde! + Ja, leven is somtijds een zware vracht. + God sterke u, William, en de uwen allen; + ge ziet mij spoedig weer. + + WILLIAM Dank voor uw komen, + Kingston, en steun ons verder met uw trouw. (Kingston af.) + Kom keeren wij ook huiswaarts Simon: wis + waakt mijn Margreet, wachtend van mij te hooren + wat Kingston heeft verhaald. + + (William en Grynæus af—Margreet en de nar komen van de andere + zijde op; de nar spiedt behoedzaam rond.) + + DE NAR Vrouwe Margreet, + zet u hier, en wacht totdat ge zult hooren + driemaal herhaald, het krassen van een uil. + Kom dan en stel u rechts onder de poort + en houdt uw voorschoot op.... wij zullen slagen. + Wees niet vervaard: wie ons bevrienden houden + wacht op de brug.... + + MARGREET Goede nar, wees gerust. + Mijn hart bonst, maar niet in vervaardheid, enkel + van verlangen, en dat wordt dra gestild. + Ga, haast u: voor de tweede maal al kraaiden + de hanen en de nacht wordt dun. (de nar verdwijnt.) + Ik dank u + God, dat het liefste hoofd nog eens zal rusten + gelijk het deed zoo vaak, in dezen schoot. + + +EINDE + + + + +HISTORISCHE AANTEEKENING +OVER THOMAS MORE + + +Op het einde der 15de en het begin der 16de eeuw vonden in Engeland +ingrijpende veranderingen plaats in het ekonomische en sociale leven. +De oude feudale verhoudingen raakten in verval, het voornaamste +bestaansmiddel, de landbouw, werd gerevolutioneerd door het opkomen +van een stand van vrije kapitalistische pachters en door den snellen +overgang van graanbouw tot veeteelt, die voor den adel voordeelig was. +Het vroegere feudale landbouw-bedrijf had behoefte gehad aan zooveel +mogelijk arbeidskrachten, aan vele menschen op het land, het nieuwe +kapitalistische bedrijf had behoefte aan zooveel mogelijk land en +zoo min mogelijk menschen, aan het uitsparen van arbeidskrachten. De +heeren stalen op groote schaal de gemeente-landerijen, verklaarden +deze tot privaatbezit en verdreven de boeren; in korten tijd verdwenen +tienduizenden boerenbedrijven. Ten gevolge van deze geweldadige +onteigening ontstond een talrijk overtollig proletariaat. Er was geen +industrie in-opkomst, dus geen behoefte aan arbeidskrachten, er waren +geen koloniën die dit proletariaat konden opzuigen, het vond geen ander +bestaansmiddel dan bedelen of stelen. Een barbaarsch-strenge wetgeving +trachtte de landloopers uit te roeien door ze onmenschelijk streng te +straffen; gedurende de regeering van Hendrik VIII werden 72.000 groote +en kleine dieven ter dood gebracht. Maar door bloedwetten kon het +vraagstuk der armoede als sociaal verschijnsel niet worden opgelost. + +De algemeene nood gaf nieuw voedsel aan de oud-christelijke +overlevering van gemeenschappelijk bezit der verbruiks-middelen, de +kettersche communistische sekten der Lollarden en der Wederdoopers +vonden vele aanhangers onder de arme klassen. Maar dit vage communisme +geboren uit vertwijfeling over de ellende des levens, bevatte geen +enkel element van maatschappelijken vooruitgang noch van aanpassing aan +de maatschappelijke omstandigheden. + +Slechts één man was er in Engeland, één enkele die te midden van de +algemeene radeloosheid een uitweg zag. Die man was Thomas More. Zijn +algemeene kennis op philosophisch, ekonomisch en politiek gebied, +zijn doorzicht in de behoeften en de hulpmiddelen van den tijd, zijn +geniale intuïtie en zijn brandende begeerte de armen en verdrukten te +helpen, hadden hem het spoor doen vinden van een nieuw communisme, van +het gemeenschappelijk bezit der produktiemiddelen en de planmatige +organisatie der produktie op nationale schaal. + +More werd in 1478 geboren; hij studeerde in Oxford en werd daar een +geestdriftig aanhanger van de „nieuwe richting” in de wetenschap: +het humanisme (de studie der latijnsche en grieksche oudheid). Deze +richting bestreed de misbruiken in de roomsche kerk, maar wilde vredige +hervorming, geen scheuring. Nadat hij zijn studie voltooid had werd +More advocaat en kreeg veel praktijk onder de Londensche kooplieden, de +klasse die toen meer dan welke andere ook, den ekonomischen vooruitgang +belichaamde. Hierdoor verkreeg hij theoretische en praktische kennis +op maatschappelijk gebied. In 1504 werd hij tot lid van het Parlement +gekozen; daar kwam hij al spoedig in konflikt met de willekeur van +den koning (Hendrik VII) en was genoodzaakt zich uit het openbare +leven terug te trekken. Toen in 1507 Hendrik VIII, een kweekeling der +humanisten, den troon beklom, scheen het of een nieuwe koers ging +beginnen; More die in groot aanzien stond bij den jongen vorst, werd +koninklijk ambtenaar en een man van invloed aan het hof. + +In 1515 maakte hij als gevolmachtigde der kooplieden deel uit van een +gezantschap dat naar Vlaanderen ging om te trachten een handelstraktaat +tot stand te brengen. Daar schreef hij de Utopia, het werk dat zijn +naam onsterfelijk zou maken. Het bevat zoowel een doordringend-scherpe +kritiek van de maatschappelijke misstanden zijner dagen als een +uitvoerige beschrijving van den socialistischen heilstaat. + +Van een hersenschim: vage hoop, of herinnering aan ver verleden, is het +communisme in de Utopia voor de eerste maal tot een wetenschappelijke +gedachte geworden, geboren uit doorzicht in de maatschappelijke +behoeften en de maatschappelijke hulpmiddelen. + +Eén hersenschimmig bestanddeel bevatte het communisme van More +echter nog: hij zag geen ander middel het te verwezenlijken dan door +het initiatief van een wijs en machtig vorst. Dit hersenschimmig +bestanddeel, de verwachting namelijk dat de heerschende klassen +(vorsten of kapitalisten) voor het socialisme gewonnen zouden +kunnen worden en het verwezenlijken, kon eerst verdwijnen na het +ontstaan van het moderne proletariaat, de klasse wier positie in +het produktie-proces de socialistische inrichting der maatschappij +voor haar maakt tot den eenigen weg ter ontkoming aan ellende en +bestaans-onzekerheid. + +Drie eeuwen lang volgden alle socialistische denkers de banen, waarin +More hun was voorgegaan; toen eerst waren de tijden rijp voor een +nieuwen grooten stap van het menschelijk denken, den stap van utopisch +tot wetenschappelijk socialisme. + + +De Utopie had geen invloed op More’s verhouding tot den koning. De +tijdgenooten beschouwden het werk als de luimige vrucht van luimige +uren, een fantastisch gedachtespel. Hij steeg al hooger in ’s Konings +gunst, werd minister en rijkskanselier. Maar zijn onbuigzaamheid van +geweten en zijn liefde tot het volk moesten hem in konflikt brengen +met het algemeene streven naar machtsuitbreiding van den vorst. Om een +tegenwicht te vormen tegen de spaansche monarchie, wilde Hendrik zich +verbinden met Frankrijk en een fransche prinses tot vrouw nemen. Maar +daartoe moest hij zich van Catharina, de spaansche prinses waarmee +hij gehuwd was, laten scheiden en de paus, die geheel in de macht +van Spanje was geraakt, weigerde die scheiding te bekrachtigen. Toen +besloot Hendrik met Rome te breken, hij verklaarde de engelsche kerk +voor onafhankelijk en zichzelven tot haar hoofd. De geestelijkheid +waagde het niet tegen deze „Hervorming” in verzet te komen, ook hoopte +zij er voordeel van te halen. Hendrik onteigende kloosters en kerken +op groote schaal. Spekulanten en gunstelingen maakten zich meester van +de kerkgoederen, uit wier inkomsten voorheen duizenden behoeftigen +gespijzigd waren. Zoo stond de „Hervorming” van Hendrik in lijnrechte +tegenstelling tot de behoeften van het volk. + +More trachtte in den strijd tusschen paus en koning onzijdig te +blijven, maar dit bleek op den duur niet mogelijk. Een jaar nadat +de engelsche geestelijkheid Hendrik als hoofd der kerk van Engeland +erkend had legde hij het ambt van rijkskanselier neer. De koning +beschouwde deze daad als rebellie en hoogverraad; More werd in den +Tower opgesloten en na een lange gevangenschap door de laffe rechters +met hulp van een omgekocht getuige veroordeeld en den 6den Juli 1535 +ter dood gebracht. + + + + + Er zijn verschenen van + HENRIËTTE ROLAND HOLST-VAN DER SCHALK + + + Sonnetten en verzen in terzinnen geschreven. Tweede druk 1913. + De Nieuwe Geboort. 1902. Derde druk 1913. + Opwaartsche wegen. 1907. Tweede druk 1914. + De vrouw in het woud. 1912. Tweede druk 1917. + Thomas More. 1912. Tweede druk 1916. + Het Feest der Gedachtenis. 1915. + In eene editie van ƒ 1,25 ingenaaid en ƒ 1,75 gebonden per deel. + + Stempels van S. H. de Roos. + + + Verder verscheen + + De Maatschappelijke Ontwikkeling en de Bevrijding der Vrouw. + Prijs ƒ 0,85 ingenaaid. + + + Bij de Wereldbibliotheek zag het licht + + De Opstandelingen. 1910. + Jean Jacques Rousseau, Een beeld van zijn leven en werken. 1912. + + + * * * * * + + + Opmerkingen van de bewerker + + De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele + spelling. Leestekens zijn op verschillende plaatsen stilzwijgend + verbeterd. + + Enkele druk- of spelfouten in het origineel zijn als volgt + gecorrigeerd: + + Pag. 9: „steigend” vervangen door „stijgend” (stijgend uit de + diepten van het geweten). + Pag. 13: „GRYNÆEUS” vervangen door „GRYNÆUS” (GRYNÆUS Maar hoe + dwarsboomde uw vader). + Pag. 29: „tevenstrevend” vervangen door „tegenstrevend” (zijn + eigen tegenstrevend hart). + Pag. 30: „buzuinen” vervangen door „bazuinen” (haar bazuinen stem). + Pag. 36: „aardsbisschoppelijk” vervangen door + „aartsbisschoppelijk” (het aartsbisschoppelijk paleis). + Pag. 67: „MAGREET” vervangen door „MARGREET” (MARGREET O vader). + Pag. 68: „MAGREET” vervangen door „MARGREET” (MARGREET Ach vader). + Pag. 95: „klankleur” vervangen door „klankkleur” (d’ eigenste + kern en klankkleur). + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Thomas More, by +Henriette Roland Holst van der Schalk + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK THOMAS MORE *** + +***** This file should be named 47327-0.txt or 47327-0.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/4/7/3/2/47327/ + +Produced by Kanta Dihal, srjfoo, Hans Pieterse and the +Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License available with this file or online at + www.gutenberg.org/license. + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation information page at www.gutenberg.org + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at 809 +North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email +contact links and up to date contact information can be found at the +Foundation's web site and official page at www.gutenberg.org/contact + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit www.gutenberg.org/donate + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: www.gutenberg.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For forty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + |
