diff options
Diffstat (limited to '44940-0.txt')
| -rw-r--r-- | 44940-0.txt | 4000 |
1 files changed, 4000 insertions, 0 deletions
diff --git a/44940-0.txt b/44940-0.txt new file mode 100644 index 0000000..2b2c8d1 --- /dev/null +++ b/44940-0.txt @@ -0,0 +1,4000 @@ +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 44940 *** + + EDRIK, DE NOORMAN. + + NAAR + J. F. HODGETTS + + BEWERKT DOOR + ANTIE. S. REULE NZ. + + + SNEEK, + H. PYTTERSEN Tz. + + + + + + + +EDRIK, DE NOORMAN. + +I + + +In een vruchtbaar dal met een weelderigen plantengroei, welke een +zonderlinge tegenstelling vormde met de dorheid in 't rond, stond +tegen het einde van de tiende eeuw een groot huis, dat met zijn hal +en talrijke bijgebouwen in dit afgelegen gedeelte van IJsland aan +eene Noorweegsche woning deed denken. + +De geopende deuren van het huis toonden dat Noorsche gastvrijheid een +der deugden van den eigenaar was, terwijl de grootte en uitgestrektheid +der bijgebouwen hem als een vermogend man deden kennen. + +Maar de herleving van den plantengroei na den langen IJslandschen +winter was niet het eenige bewijs van leven in Groendal, want uit +een der zijgebouwen stormde plotseling een half dozijn jongens. Zij +liepen zoo snel zij konden naar een breede, snel stroomende rivier, +welke nu door smeltend sneeuw en ijs gevoed, het grootste gedeelte +van het jaar echter slechts een beekje was. + +De wedloop was echter met te veel vuur begonnen. Spoedig bleef een +der kleinere jongens, een knaap van ongeveer tien jaar, een heel +eind achter. + +"Kom, Edrik! vooruit, jongen! Wat, kan je al niet meer voort?" + +"Ja, maar ik ben buiten adem," was het antwoord. + +De anderen lachten, doch wachtten goedhartig tot Edrik hen had +ingehaald en wandelden toen meer bedaard verder naar de rivier. + +"Hoe mooi!" zeide Osrik, een dertienjarige knaap, die de oudste van +het troepje was, "zie eens hoe het water zich voortspoedt als een +strijdros, dat te lang in den stal heeft gestaan en zich verheugt in +zijn vrijheid." + +"Ja," zei Olef, een elfjarige knaap, "en evenals een krijgsros zijn +manen schudt, werpt het water het schuim van zich af." + +"Kijkt liever eens naar onze boot. Zij ligt klaar om af te steken. Er +ligt geen sneeuw meer op de planken." + +Allen liepen haastig naar de boot. Het was een licht gebouwd, +langwerpig vaartuig; de vorm kwam vrijwel overeen met dien van onze +tegenwoordige roeibooten, maar voor- en achtersteven waren spitser. + +"De riemen zijn in orde, jongens!" riep Osrik. "Wij zullen ons laten +voortdrijven tot aan de zee, dan naar Odins-fjord roeien, en vandaar +zullen wij naar Groendal terugwandelen. Helpt eens mee, jongens!" + +Binnen weinige oogenblikken was de boot te water, en de stuurriem +stevig aan den rechterkant der boot bevestigd. + +"Nu, Osrik!" riep Olef, "kijk goed hoe gij stuurt. Roeien is niet +noodig, maar wij moeten zorgen dat wij de blokken lava uit den weg +blijven. Hé, wat gaat zij er flink door!" + +"Niets ter wereld is zoo goed als een boot," zei Edrik. + +"Behalve een schip," gaf Olef ten antwoord. + +"Een paard is nog beter," was de meening van Osrik. + +"Ik had nog liever mijn vaders zwaard," riep een kleine blonde +twaalfjarige knaap, Knut genaamd. + +"Neen," zei Nils, de snelvoetige, "ik zou mijn vaders zwaard niet +willen hebben." + +"Waarom niet?" vroeg Otto de kleine, "zijt gij bang om het te +gebruiken?" + +"Ik bevreesd?" riep Nils, "dat is een kinderachtige vraag. Neen, +ik ben niet bevreesd; ik ben een Noorman!" + +"Waarom wilt gij dan uw vaders zwaard niet hebben?" + +"Omdat, als ik dat zwaard krijg, mijn vader gestorven zal zijn. Zoolang +hij leeft scheidt hij er niet van, en ik zou mijn vader niet willen +verliezen." + +Een goedkeurend gemompel volgde op deze woorden en toen wijdden allen +hun aandacht aan de boot, daar de talrijke blokken lava, door de +bergstroomen meegesleept en door gevallen boomstammen in hun vaart +gestuit, den tocht zeer gevaarlijk maakten. + +Maar de jonge IJslanders waren tegen het gevaar bestand, en het ranke +vaartuig werd veilig naar zee gestuurd. Zij hadden zoo'n pleizier, +dat zij niet eens merkten hoe sterk de strooming was, waarmede het +opgestuwde water der rivier zich naar zee spoedde. + +Eindelijk riep Osrik uit: "Kijkt eens, jongens! wij zullen niet terug +kunnen gaan, zooals wij van plan waren. Wij moeten zien een ander +kanaal te vinden om naar Reikiavik te komen." + +"Laat ons dat maar dadelijk doen," zeide Edrik. "Ik weet een kleinen +inham, waar wij kunnen landen, en daar zal men ons wel paarden leenen +om naar Groendal terug te rijden." + +"Vooruit dan!" + +En voort vloog het lichte vaartuig over de koppen der schuimende +golven. Wind en getij waren gunstig en als een zwaluw spoedde het +zich voort naar Reikiavik. + +Zij vonden spoedig de baai bij de stad, waaraan deze haar naam +ontleent. De jongens bewogen de riemen op de maat van een Noorsch +lied. Daar zagen zij iets, dat hun hart van blijdschap deed +kloppen. Een oorlogsschip, met rijkvergulden drakenkop, de zijden +beschermd door een rij schilden, om de roeiers tegen vijandelijke +pijlen te beschutten, kwam het voorgebergte omzeilen, recht op hen +af. Een krachtig krijgsman stond op den achtersteven en stuurde +het drakenschip. Het ronde, gevulde zeil, zonder eenige plooi of +rimpel, droeg het statig over de golven. Op het dek stond een bende +krijgslieden, wier lansen de stralen terugkaatsten der zon, die als +een roode, brandende vuurschijf in zee wegzonk. Hun maliënkolders van +glimmende ijzeren ringen, hun gouden armbanden en bronzen versierselen +op helm en schild, schitterden en blonken den knapen tegemoet. Dit +alles nam hun aandacht geheel in beslag; zij lieten de riemen rusten +en keken aandachtig toe. + +"He, ho! Welke boot is dat?" + +"De Zeeslang!" antwoordde Osrik, terwijl het schip naderde. "Welk +schip is dat?" + +Aan boord van het drakenschip klonk gelach en een ruwe stem antwoordde: + +"De Rolf Krake uit Noorwegen. Kom dadelijk aan boord." + +Men liet den knapen niet veel tijd, want een pijl zette het bevel de +noodige kracht bij. Zij roeiden dus spoedig op zij van de Rolf Krake +en stonden weinige oogenblikken later allen aan boord. Met verbazing +keken zij naar de talrijke wapens, die in bonte verwarring aan den +mast en langs de binnenzijde van de verschansing hingen. Zwaarden, +strijdbijlen, speren en werpspietsen, slingers, bogen en pijlen, +van àlles was er. Kleine Edrik voelde zich bijzonder aangetrokken +door een reusachtige strijdbijl, die aan den mast hing, en toen de +bevelhebber hem vroeg, waar het huis stond van Sigvald, zoon van Eirik, +gaf hij ten antwoord: + +"En kunt gij die met een hand zwaaien?" + +De Noorman lachte. + +"Neen, dat juist niet. Ik ben geen reus!" + +"Zijt gij een Christen? Gij draagt een kruis op uw borst?" + +"Men zegt het ten minste. Maar geef antwoord op mijn vraag. Waar +woont graaf Sigvald Eirikson?" + +"Hij woont te Groendal, niet ver van hier. Kunt gij die bijl in het +gevecht gebruiken?" + +"Dat kan ik en velen mijner vijanden hebben het ondervonden. Wie is +de oudste onder u?" + +"Dat ben ik," antwoordde Osrik. + +"Dat moet gij mij antwoord geven. Kent gij graaf Sigvald?" + +"Edrik, die u daareven antwoordde, is Sigvalds zoon." + +"Dan is hij mijn neef, want ik ben Leif, de zoon van Eirik Thorwaldson +en Sigvald is mijn broeder." + +"Zijt gij Leif?" riep Edrik. "Ik heb mijn vader dikwijls over u +hooren spreken. Ik dacht dat gij in Groenland waart, bij den ouden +Eirik Thorwaldson." + +"Nu ben ik hier, en gij moet mij naar uw vader geleiden!" + +In dien tusschentijd was het zeil gestreken, de boot op sleeptouw +genomen en al roeiend bereikte men de baai van Reikiavik. De knapen +zagen met genoegen hoe de verschijning van het drakenschip in het +stadje algemeene schrik en ontsteltenis te weeg bracht. Doch rondom +het schip werden witte schilden gehangen om te toonen dat men met +vreedzame bedoelingen kwam, en spoedig staken wel dertig bootjes te +Reikiavik van wal, om de bemanning van het drakenschip te verwelkomen. + +Zonder eenige verwarring werden allen aan land gebracht en na de +noodige rust begon de marsch. Met het aanbreken van den dag liep +Osrik met de andere knapen vooraan om den weg te wijzen. Leif hield +zijn neef bij de hand, de overige krijgslieden, zesendertig in getal, +volgden. Zoo bereikten zij Sigvald's woning, waar deze zijn broeder en +zijn mannen met blijdschap welkom heette, te meer omdat zijne komst +hem geruststelde omtrent het lot der knapen. Dien dag was er feest +en den volgenden dag beraadslaagden Sigvald en Leif over hun plannen. + +"Gij wilt ons dus allen tot Christenen maken, Leif? Ik ben nieuwsgierig +wat onze vader daar van zeggen zal." + +"Wij hebben nog een schip bij ons. Het zal wel spoedig aankomen. Aan +boord daarvan bevinden zich twee heilige mannen, die koning Olaf +Tryggvason gezonden heeft om de leerstellingen te prediken. Die +priesters zullen vader overhalen hun leer te omhelzen, en als hij +eenmaal gedoopt is zullen de anderen wel spoedig volgen." + +"Maar als hij nu eens niet naar de priesters luisteren wil?" + +"Daar dacht ik nog niet aan. In elk geval moeten wij het wagen. De +vrouwen, die wij aan boord hebben, zijn Christinnen. Zij zullen ons +wel helpen." + +Sigvald schudde het hoofd. + +"Eirik, de Roode, is de man niet om zich te laten overhalen, hoewel +hij met eerbied naar de leeraars zal luisteren. Maar broeder! gij +zijt toch ook een bekeerde. Waarom legt gij den ouden man niet zelf +de Christelijke leer uit?" + +"Neen, broeder! daar ben ik de man niet voor. Er zijn wel eens +ingewikkelde punten, Waarmee ik geen raad zou weten; daarom heb ik +die geleerde mannen meegebracht, die elke moeielijkheid uit den weg +weten te ruimen. Hij weet te goed wat hem als vader toekomt, dan dat +hij om mijn woorden zou geven. Hij heeft nederig het hoofd gebogen +voor zijn vader Thorwald, en verwacht hetzelfde van ons." + +"Natuurlijk, en ik heb ook den meesten eerbied voor hem; want er +leefde nooit een beter vader." + +"Daar hebt gij gelijk in, maar toch ken ik hem te goed om mij er aan +te wagen met hem te redetwisten." + +Toen sprak een edele Noorman, Thorfinn Karlsefni, een vertrouwd vriend +van Sigvald: + +"Zeg mij, vriend Sigvald! is uw vaders tijd nog niet om? Als ik mij +goed herinner, werd hij voor den tijd van drie jaar verbannen. Die +tijd is immers reeds lang voorbij?" + +"Dat is waar, Thorfinn! de drie jaren zijn reeds lang om, maar hij +is te hoogmoedig om naar het land terug te keeren, van waar men hem +verbannen heeft. In drift versloeg hij zijn tegenstander, en voor +die nietige overtreding werd hij--evenals zijn vader vóór hem--uit +huis en hof verdreven. Maar gedurende die drie jaren en langer heeft +Eirik een bloeiende kolonie gesticht bij Eiriks-fjord. Toen daarom +mijn broeder Leif zich naar den koning van Noorwegen, Olaf Tryggvason, +begaf, en hem smeekte om vergeving voor onzen vader, werd hem dat niet +alleen dadelijk verleend, maar hij zond deze krijgslieden en talrijke +geschenken naar graaf Eirik, en noodigde hem uit naar zijn hof te +komen en bevelhebber te worden op Noorweegsche schepen, of, als hij +dat liever wil, mag hij ook in Groenland blijven en de krijgslieden +gebruiken om hem daar bijstand te verleenen." + +"Een edel vorst is Olaf; laat ons op zijn gezondheid drinken!" riep +Leif, en de drinkhorens gevuld met wijn en mede, werden tot op den +bodem geledigd. + +Toen het gedruisch op zijn hoogst was, klonk het hoorngeschal van +een der wachters op de heuvels. + +"Dat is de hoorn van den ouden Halvar," zei Sigvald. "Hij brengt ons +nieuws; het andere schip is zeker in het gezicht. Hoort gij, drie +opeenvolgende stooten op den horen. Hij houdt niet van praten en zijn +signalen zijn zoo bekend, dat hij het ook niet behoeft te doen." + +"Daar komt de oude Halvar," zei de jonge Thorfinn, en dadelijk daarop +verscheen een oud man, gekleed als een vrije, maar met het deftige +en ernstige voorkomen van een priester. + +"Een schip in zicht, graaf Sigvald! Geef mij mijn belooning!" + +Het was namelijk de gewoonte op die afgelegen plaats om hem, die het +eerst tijding bracht dat een koopvaardijschip de baai naderde, een +zilveren ring en een drinkhoorn vol mede te schenken. Halvar deelde +nu het volgende mede: + +"Een schip, graaf! geen oorlogsvaartuig maar een vreedzame +koopvaarder. Ik heb mijn ring en mede verdiend. Vaarwel!" + +Zoo sprekend dronk hij in een lange teug den vollen hoorn, leeg en +ging heen, zonder een woord van dank te uiten. + +De hal was vol krijgslieden, die aan de groote houten tafels gezeten +waren, welke langs den muur stonden. Allen zaten met het gezicht naar +het vuur gekeerd, dat zich in het midden der zaal bevond. De daïs, +of verhevenheid voor de meer aanzienlijke gasten, bevond zich in het +midden van den westelijken muur, juist tegenover de opgaande zon, en +op deze daïs zaten de beide broeders en Thorfinn, de volmaakte. Men +had hem dien bijnaam gegeven, omdat hij uitmuntte in alle mannelijke +deugden. Evenals graaf Sigvald was hij een Christen; met tal van +anderen op het eiland had hij het Heidendom vaarwel gezegd, hoewel, +om de waarheid te zeggen, velen van die Christenen, evenals Leif zelf, +weinig wisten van het Christelijk geloof. + +Het middagmaal werd opgediend. Nogmaals gingen de horens rond, en +zaten de krijgslieden, Heidenen en Christenen, vreedzaam bij elkander +en dronken mede, totdat de avond viel. Toen kwamen de lieden, die +uit het pas aangekomen schip ontscheept waren. + +Zij traden de zaal binnen tot voor de broeders. Voorop liep een +dapper krijgsman, geheel geharnast en gevolgd door tien krijgers. Toen +kwam een eerwaardig priester, wiens haar en baard, beide sneeuwwit, +tot op borst en schouders neerhingen. Vervolgens kwamen de vrouwen, +die alle gevaren getrotseerd hadden ter wille van hun echtgenooten, +en nog anderen, die, toen zij hun bloedverwanten het geliefde Noorwegen +zagen verlaten, gesmeekt hadden om aan hun arbeid deel te mogen nemen, +en zich dus bij hen hadden gevoegd, wier doel het was de Heidenen +te bekeeren in Eirik's kolonie op het dorre eiland, dat honderd +jaar te voren ontdekt was, en waaraan men den naam van IJsland had +gegeven. De stoet werd gesloten door tien andere krijgslieden en een +tweeden priester, veel jonger dan de eerste. + +Onder de vrouwen bevonden zich twee schoone maagden; het waren twee +zusters, Guthrida en Hallfrida, die met hun ouders meegekomen waren +om het zendingswerk te verrichten. + +Thorfrida, Sigvald's vrouw, ontving de vrouwen en bracht ze naar haar +vertrekken. De krijgslieden namen de ledige zitplaatsen in en waren +spoedig aan het eten en drinken. Doch Thorfinn staarde in gedachten +verzonken, naar de deur door welke de vrouwen verdwenen waren. + + + + + + + +II. + + +In een afgelegen deel van het eiland, veel dichter bij den vulkaan +de Hekla dan de aangename woning, die wij u beschreven hebben, stond +een huis, hetwelk een heel ander aanzien had dan dat in Groendal. Het +was gebouwd van overblijfselen van schepen, en van ruwe blokken lava, +zoo opgestapeld, dat zij een woning vormden. + +Het was een vreemd huis. De buitenmuren van hout en van lava, omsloten +een ruimte, honderd voet lang en zestig breed. Deze was door houten +beschotten in vier kamers verdeeld. + +De ruwe en dikke muren waren bedekt met oude behangsels, die zestig +jaar geleden uit Noorwegen waren medegebracht en toen waren zij +reeds oud. + +In de grootste kamer stonden twee tafels, eenige driepootige stoelen +en langs de muren banken, waarover zeehonden- en berenvellen lagen +gespreid. In het midden der kamer brandde een vuur, waarvan de rook +door een opening in het dak een uitweg vond. Vensters waren er niet +aanwezig. + +Op een der banken, tusschen berenhuiden en met eiderdons gevulde +kussens, zat een vrouw, klaarblijkelijk van hoogen ouderdom. + +Op een andere bank zat een veel jongere vrouw, terwijl een derde, +een meisje dat nauwelijks twintig zomers telde, bezig was een olielamp +in orde te brengen, welke aan de zoldering hing. + +"Ik zal u eens wat zeggen, Freydisa!" zei de tweede vrouw, "gij hebt +groot ongelijk. Hier met mijn moeder kunt gij als tooveres meer geld +verdienen, dan een koopman met jarenlangen arbeid. Het is een dwaze +kindergril!" + +"Ik geef niet om geld, Refna! Gij hebt mij gezegd dat ik rijk ben, +doch al was ik zoo arm als de minste knecht, dan zou toch mijn ziel +zich verzetten tegen het spel, dat wij met de arme zeelieden spelen." + +"Pas op Freydisa!" zei de oude tooverkol. "Maak mij niet boos! Uw +moeder heeft het nog nooit gewaagd zich tegen mijn wil te verzetten." + +"Ik acht en eerbiedig mijn moeder en u als mijn grootmoeder ben +ik hetzelfde verschuldigd. Maar er bestaat een toekomst en in die +toekomst zie ik grootheid en macht." + +"Welke macht kan grooter zijn dan die welke wij bezitten, +Freydisa?" vroeg de moeder. "Alle menschen vereeren ons en betalen +ons goed voor onze woorden." + +"Ja, moeder! maar toch blijven zij ons uit den weg. Ik wilde gaarne +door menschen van alle rangen gezocht, niet vermeden worden. Ik zou +over hen willen heerschen en ik zou willen dat zij mij schatting +betaalden." + +Zij was opgewonden en sprak zoo luid, dat zij de naderende hoefslagen +niet hoorde. De moeder van Freydisa hoorde ze het eerst. Waarschuwend +stak zij den vinger op. Het meisje zweeg en ging voort met haar +bezigheid en spoedig brandde de lamp helder en haar flikkerend +schijnsel maakte de kamer nog vreemder en tooverachtiger. + +Een oogenblik van stilte volgde en toen hoorde men de ruiters +afstijgen. Het tapijt, dat achter de oude vrouw hing, werd opgelicht en +er verscheen een zonderling meisje. Zij fluisterde de oude vrouw eenige +woorden in het oor en verdween weer even spoedig als zij gekomen was. + +Dadelijk daarop traden drie fiere mannen de kamer in. Zij droegen +een wapenrusting en ook een zwaard, en de gewone speer of werpspiets. + +"Wat zoekt graaf Thassi bij de zieneres Unna?" vroeg de oudste der +vrouwen. + +"Unna, ik heb raad en hulp noodig." + +"Ik weet het--tegen Leif Erikson!" + +"Hoe weet gij dat geheim?" riep de krijgsman uit, die het eerst was +binnengetreden. + +"Als ik minder wist zou mijn hulp niet worden ingeroepen." + +"Uw wijsheid en boosaardigheid zijn op het geheele eiland bekend, +en daarom moet ik, tot welken prijs ook, de middelen van u weten, +waarmee ik Leif kan benadeelen." + +"Gij wenscht dus een toovermiddel van mij, dat hem ten val brengt, +zonder dat er voor u eenig gevaar is? Neem plaats, graaf Thassi! en +verzoek ook uw vrienden te gaan zitten. Ledig eenige horens wijn, +want Unna heeft dien over voor de gasten, die zij onderscheiden wil, +dan zal ik intusschen nadenken hoe ik u helpen kan. Aska! breng ook +gerookt berenvleesch!" + +Het klimaat van het Noorden geeft den mensch eetlust en in dien tijd +werd er zooveel gedronken, dat men er nu geen denkbeeld van hebben +kan. De drie IJslandsche edelen vielen dan ook met graagte op de +spijzen aan, die de tooveres hun voorzette, terwijl Aska en Freydisa +met haar moeder hen zoo van wijn voorzagen, dat zij weldra niet meer +bemerkten wat zij deden. + +Toen sprak Unna tot Freydisa: + +"Neem geld, huiden en pelzen, en rijd met uw moeder en vier man naar +Groendal. Waarschuw hen voor de boosheid van dezen dwaas, dien ik +door u in hun handen zal overleveren. Ik zal je een toovermiddel geven +in zulke runen geschreven, dat Sigvald ze lezen kan, en daardoor zal +weten welk een booswicht Thassi is. Gij zult rijkelijk beloond worden." + +Het meisje reed heimelijk met haar moeder en de mannen heen en nam +alles mede wat Unna haar gezegd had, maar ook een goeden voorraad +zilveren ringen en blauw laken, want dit gold als gangbare munt. + +Zij reden zeer snel; de pachters en landeigenaars voorzagen hen +telkens van versche paarden, zoodat zij in twee dagen te Groendal +aankwamen, waar Sigvald's vrouw, Thorfrida, Freydisa en haar moeder +vriendelijk ontving. + +Zij was zeer blijde toen zij hoorde, hoe Thassi zijn plannen aan de +oude tooveres had geopenbaard, want de runen op de beukenhouten staf, +die toen nog op IJsland voor geheime boodschappen gebruikt werd, +deelden haar mede dat het doel van het bezoek, dat Thassi spoedig +bij haar zou afleggen, niets minder was dan om haar zwager Leif, +onder het een of ander nietig voorwendsel, te dooden. + +Thorfrida, die zeer goed wist hoe spoedig de Noormannen naar de wapens +grepen, besloot noch haar echtgenoot, noch zijn broeder vooreerst iets +van den aanslag te zeggen. Maar de tijd ging snel en de moordenaars +konden elken dag verwacht worden. Daarom zond zij een der vrouwen +van haar gevolg om kleinen Edrik op te zoeken, die dadelijk kwam +aansnellen. + +"Nu, Edrik!" zei Thorfrida, "ik heb uw hulp noodig." + +"Goed, lieve moeder! zeg slechts wat ik doen moet." + +Nu vertelde zij hem wat er gaande was en hoe zij vreesde dat Sigvald +den moordenaar tot een tweegevecht zou uitdagen. + +"Laat alles maar aan mij over," antwoordde Edrik, "want hoewel ik maar +een kleine jongen ben, geloof ik dat ik toch wel op kan tegen Thassi." + +Nu bevond zich onder de volgelingen van Leif iemand, tot wien de +knaap zich bijzonder aangetrokken gevoelde. Hij was een edelman uit +Noorwegen, die met Leif meegekomen was, en Thornward heette. Edrik +begaf zich dadelijk naar de zaal, waar Thornward met een zijner +makkers gezeten was. + +"Zoudt gij mij een grooten dienst willen bewijzen?" vroeg de knaap. + +"Zeker, mijn jongen! wat wenscht gij?" + +"Als gij alleen zijt zal ik het u vertellen, want het is een geheim." + +Thornward's vriend stond lachend op en zeide: "Ik zal uw gesprek +niet storen. Ik moet mijn valk ook eens laten uitvliegen. Thornward, +maak die zaak maar uit met kleinen Edrik, en als hij je soms uitdaagt, +dan zal ik uw getuige zijn." Dit zeggende ging hij lachende heen. + +"Dat was niet heel beleefd, Edrik! maar Hanno is een goed vriend. Zeg +nu maar wat gij te vertellen hebt?" + +Edrik vertelde hem hoe Freydisa honderd mijlen ver had gereden om +Thorfrida te waarschuwen. Hoe de moordenaar van plan was vergift te +mengen in den drank van Leif, en hoe hij toovermiddelen had gekocht +om den graaf ziekte en verdriet aan te brengen. + +"Het is een schurkenstreek om iemand te dooden, terwijl hij drinkt," +merkte de wijze Noorman op, "want de geest is dan minder op zijn hoede, +daar zij beneveld is door den wijn, en als wij onder dien invloed +sterven, is lichaam en ziel verloren. Wat de toovermiddelen aangaat, +ze doen niemand kwaad dan hem, die ze gebruikt. Maar vergiftigde +wijn!"..... + +"En wilt gij mij nu helpen om graaf Leif te redden?" + +"Zeker wil ik dat. Het is christenplicht en hij is mijn vriend!" + +"Wat zullen wij doen? Zou het niet het best zijn dat ik hem bespiedde, +dan kunt gij den hoorn grijpen en hem de mede zelf laten drinken." + +"Best, en als het toovermiddel bij hem gevonden wordt, wordt hij ter +dood veroordeeld, volgens de IJslandsche wet. Voor zulk een schelm +is hangen nog te goed." + +"Het was een heele rit voor dit meisje." + +"Ja, jongen! zij moet goed en trouw zijn. Ik acht haar!" + +Twee dagen na dit gesprek kwam Thassi met drie vrienden en zes +volgelingen te Groendal aan. Edrik riep de andere knapen bij elkaar en +verzocht hun dien man goed in het oog te houden, maar hij zeide hun +niet waarom. De ontmoeting tusschen Leif en Thassi was in 't begin +zoo stijf en zoo koel als maar eenigszins mogelijk was, maar Thassi +scheen onder den invloed der omgeving milder gestemd te worden, en op +den derden dag na zijn aankomst legde hij het zoo aan, dat hij naast +Leif op de daïs kwam te zitten. Toen nu de hoorns rond gingen, haalde +hij van onder zijn kleed een prachtigen drinkhoorn te voorschijn, +rijk met zilveren ringen en met edelsteenen versierd. Hij hield hem +omhoog en verzocht den dienenden maagden hem te vullen voor den dronk, +dien hij van plan was in te stellen. + +Sigvald keek nieuwsgierig naar den prachtigen drinkhoorn. Thorfrida +werd bleek van angst. Freydisa vestigde haar groote, donkere oogen +op den spreker, maar niemand sprak of bewoog zich. + +Toen stond Thassi op en sprak: + +"Ik ben een zoon van Odin, metgezellen! maar ik heb gastvrijheid +aangenomen bij mijn Christengastheer, omdat ik het huiselijk leven der +Christenen wilde leeren kennen, voordat ik hun godsdienst omhels. Maar +daar ik weet dat men om Christen te kunnen worden alle twisten moet +bijleggen, beken ik nu dat ik een tijdlang Leif gehaat heb. Ik vraag +hem hier openlijk om zijn vriendschap en smeek hem, om als teeken van +verzoening, dezen beker van mij aan te nemen en op mijn gezondheid +te ledigen. Laat ons vrienden zijn, Leif!" + +Zoo sprekend bood hij Leif den beker aan, die hem in ruil den zijne +gaf. Hij was op het punt hem aan de lippen te zetten, toen Edrik +van zijn plaats opsprong, naar de daïs snelde en hem met zooveel +kracht den beker uit de hand rukte, dat al de mede over den grond +stortte. "Rak hem niet aan, Leif! het is vergift!" riep hij uit. + +Thornward was een krachtig krijgsman, maar hij was lang zoo vlug niet +als Edrik. Toch was hij spoedig op zijn post. Met ijzeren greep hield +hij den moordenaar vast, en boven al het rumoer klonk zijn stem: + +"Ik zal dezen schurk aan het gerecht overleveren. Onder den schijn +van vriendschap heeft hij getracht Sigvald's broeder door vergift +het leven te benemen. Zie maar hoe in den beker een witachtig slijm +ligt! De schurk staat te laag om door mijn zwaard te sterven. Voer +hem weg! Wacht, nog een oogenblik! misschien heeft hij zich voorzien +van een toovermiddel!" + +Hier stond Sigvald op en met zijn als metaal klinkende stem beval +hij stilte. + +"Grijpt ook zijn vrienden!" riep hij. "Voor lafaards en giftmengers ken +ik geen genade. Neemt ze gevangen en bindt ze. Thornward beschuldigt +Thassi van het gebruik van toovermiddelen. Als die bij hem worden +gevonden, moet hij geboeid worden en als een gemeene dief voor de +openbare Ting terecht staan. Onderzoekt hem!" + +De tegenstand van den lafaard was vruchteloos. Thorward haalde +van onder zijn kleeren een zakje te voorschijn en dit bevatte een +perkament, voorzien van een zegel. + +Thorward riep toen den hofmeester (huisbestuurder) en beval hem het +zegel te verbreken en te lezen wat er in stond. Deze gehoorzaamde +en las: + +"Door dit toovermiddel zullen alle menschen weten dat Thassi Hangurson +een lage schurk is. Hij vroeg dit toovermiddel om Leif, zoon van Eirik, +bijgenaamd den Rooden, ten val te brengen. God moge Leif beschermen!" + +Een uitbundig gelach volgde op het voorlezen van dit vreemde en weinig +vleiende dokument. De schuldige werd weggeleid, en opgesloten om niet +meer te voorschijn te komen dan op den dag van de rechtspraak. + +Zoodra hij verdwenen was riep Sigvald uit: "Vrienden! wij moeten niet +vergeten om dank te zeggen voor Leif's redding. Ook ben ik blijde dat +ik hier met lof van Edrik spreken kan. Hij heeft dien lof verdiend, +en daarom mag hij mij iets vragen, dat ik hem zal toestaan, als het +ten minste goed voor hem is. Wat wenscht gij, mijn zoon Edrik?" + +"Vader, ik wilde gaarne met Leif mee naar zee gaan en Eirik +Thorwaldson, den Rooden, bezoeken." + +Dit verzoek viel zoo in den smaak van Sigvald, dat hij verheugd +uitriep: "Mijn zoon, als Leif u mee wil hebben moogt gij gaan! Nu +Thorward, wat kunnen wij voor u doen?" + +"Graaf Sigvald, ik ben slechts een ruw krijgsman en geen goed +spreker. Het gedrag van de maagd Freydisa heeft mij verheugd. Zij heeft +uws broeders leven gered. Dat is een edele daad, want, wij moeten +sterven op het slagveld of op zee, in het aanzicht van den vijand, +zooals ook onze vaderen gestorven zijn. Daarom voel ik de goedheid +van Freydisa voor mijn vriend zoozeer, en daar zij nu uw gast is en +onder uw hoede, vraag ik aan u: geef haar mij ten huwelijk." + +Dit voorstel werd door de gasten toegejuicht, en Sigvald zeide, +terwijl hij zich tot Freydisa wendde: "Wij zijn u het meest van +allen verschuldigd. Zonder u zou mijn broeder den dood van een +lafaard gestorven zijn. Thorward maakt dat ik u den besten prijs +kan aanbieden, die voor een vrouw te verkrijgen is.... een eerlijk, +braaf en goed echtgenoot. Neem hem aan, Freydisa! als uw moeder het +ten minste toestaat." + +Freydisa stond op, boog voor de vergadering en zeide: "De dappere +graaf Thorward is door het geheele noorden bekend en daar ik zie dat +mijn moeder door haar zwijgen toestemming verleent, zal ik mij niet +verzetten tegen 't geen graaf Sigvald goedvindt." + +Op dit antwoord volgde een storm van toejuiching. De vrouwen trokken +zich nu terug en de krijgslieden bleven beraadslagen over het lot van +Thassi. Zijn misdaad was zoo tegen hun wijze van denken en handelen, +dat zich geen stem verhief ten zijnen gunste. De nacht brak aan en +vond hen nog steeds bezig met de zaak te bespreken. + + + + + + + +III. + + +Een huwelijk op IJsland, negenhonderd jaar geleden, was heel wat anders +dan zulk een plechtigheid in dezen tijd. In den ouden heidenschen +tijd werd de bruid door eenige vrienden van den bruidegom, in optocht +naar diens huis gebracht, en daar had de plechtigheid plaats, die +bestond in het drinken van groote hoeveelheden wijn en bier en het +wisselen van geschenken tusschen de beide partijen. De bruid schonk +haar aanstaanden echtgenoot wapens, een maliënkolder en een paard, +terwijl hij haar een paard, een ploeg, een lans en andere geschenken +gaf, meestal zinnebeelden van de plichten, die beiden nu jegens +elkander te vervullen hadden. De wapens wezen aan, dat hij altijd +de beschermer van zijn huis moest zijn; het paard, dat hij altijd +gereed moest zijn den vijand te achtervolgen. Zijn geschenken aan +haar beduidden, dat de zorgen der huishouding en het bebouwen van het +veld haar bezigheden waren, terwijl het paard en de lans te kennen +gaven dat haar plicht haar ook in oorlogstijd aan zijne zijde riep, +en zij hem zelfs in het veld moest volgen. + +Toen het Christendom werd ingevoerd, raakten veel van deze gewoonten +langzamerhand in onbruik, maar toch zijn er nog tegenwoordig sporen +van te vinden in het wisselen der trouwringen + +Bij gelegenheid van het huwelijk tusschen Thorward en Freydisa was +het als 't ware een samensmelting van oude en nieuwe gebruiken. Van +weerszijden werden geschenken gegeven en er werden gouden ringen +gewisseld. + +De overlevering zegt, dat Leif de eerste was aan wien men de invoering +van den Christelijken godsdienst op het eiland te danken heeft. Zeker +is het, dat hij op zijn schepen Christenpriesters heeft meegebracht +en dat het eerste Christenhuwelijk door die priesters werd ingezegend. + +Toen al de feestelijkheden afgeloopen waren, was de zomer ver +gevorderd en de tocht naar Groenland, die ten doel had Eirik, den +Rooden, te bezoeken, kon niet langer uitgesteld worden. + +Onder hen, die aan den tocht deelnamen, was ook Byarn Hergulfson, wiens +vader Hergulf een der boezemvrienden van Eirik, den Rooden, was. Byarn +had ook een schip uitgerust en wilde gelijk met Leif uitzeilen. Sigvald +had zijn zoon Edrik verlof gegeven twee zijner kameraden te vragen +om mee te gaan, als hun ouders er ten minste in toestemden. + +"Ik zou Osrik en kleinen Nils het liefst mee hebben, als zij willen," +zeide Edrik. + +De jongens hadden er zeer veel lust in, en hun ouders waren blijde +dat hun zoons gelegenheid hadden zulk een uitstapje te maken. Op den +bepaalden dag zeilden dus twee schepen van Reikiavik af, het eene onder +Leif Eirikson, het andere onder bevel van Byarn, zoon van Hergulf. + +In het begin van Augustus verlieten de twee schepen, de Rolf Krake en +de Sleipner, de haven van Reikiavik. Aan den oever stonden vrienden en +nieuwsgierigen. Edrik, Osrik en Nils stonden op het hoogere gedeelte +bij den achtersteven en keken naar de achterblijvenden, totdat het +voorgebergte hen voor hun blikken verborg. + +"Wel, Edrik! nu begint het er op te lijken," zei Osrik, toen het land +uit het gezicht was. "Hier zijn wij vrij! Wat een heerlijk gevoel. Kijk +eens naar dit veld van blauw water. Dat wil ik altijd beploegen." + +"Ja," zei Edrik, "en onze kiel is de ploegschaar." + +"Maar," zoo nam Nils het woord, "ik zie niet in welken oogst wij hier +moeten binnenhalen." + +"Roem!" zei Edrik, en trotsch keek hij rond. "Roem en eer," ging hij +voort, als door het onderwerp meegesleept. "Op de zee vinden wij een +roemrijk te huis en een eervol einde, als onze taak is afgedaan en +de oceaan ons graf wordt." + +Byarn, de zoon van Hergulf, hoorde deze redeneering en zei lachend: +"Hoort eens, jongens! aan boord is niet veel tijd voor zulke mooie +redevoeringen. Wij hebben geen andere katten noodig dan die, welke +muizen vangen; gij moogt dus niet lui zijn. Kijkt eens daar ginds! Lars +Fostigson is bezig een touw te vlechten; hij zal u die kunst leeren." + +Edrik en de andere knapen wisten echter meer van deze dingen af dan +Byarn eerst gedacht had, en wat zij nog niet wisten leerden zij spoedig +genoeg aan. Hun tweede dag op zee werd gekenmerkt door een dikke mist, +die het andere schip voor hun oog verborg. 's Nachts trok de mist +weer weg, maar de Rolf Krake was nog niet in 't gezicht. De derde dag +brak aan, en Edrik werd in den mast gezonden, om te trachten met zijn +jeugdige oogen het vermiste schip te ontdekken. Hij klom vlug naar +het kleine kraaiennest, of de mand, die aan het bovenste gedeelte +van den mast was bevestigd. Er konden mannen in staan, die van daar +op het dek van den vijand konden schieten, of naar alle kanten konden +rondkijken om voorwerpen te ontdekken, die van het dek af niet gezien +konden worden. + +"Wat ziet gij daar boven?" riep Byarn. + +"Niets! Er is geen schip te zien, zelfs geen spelende walvisch." + +"Vreemd!" zei Byarn, "kom beneden, dan zal ik beproeven of ik +gelukkiger ben." + +Edrik klom af en Byarn verving hem, doch hij zag evenmin iets. + +"Wij kunnen nog niet ver van de kust af zijn; ongeveer twee honderd +mijlen, denk ik, en de wind is niet veel gedraaid. Wat kan die +verdwijning van Leif te beteekenen hebben? Ik zal een raaf laten +vliegen." + +Het was de gewoonte onder de Noorsche zeelieden om twee of drie +raven mede te nemen, en die onder sommige omstandigheden te laten +vliegen. Toen Byarn dit beval gaf, was het met de bedoeling om te +zien waar het dichtstbijgelegen land lag. + +De raaf werd meegenomen naar het kraaiennest en vandaar liet men +hem vliegen. Na eenige keeren om den mast gevlogen te hebben, gaf +het dier een schreeuw en vloog weg in de richting van waar het schip +gekomen was. + +"Zie jongens, zie!" riep Byarn, "IJsland ligt nog zoo dicht bij dat de +vogel het kan bereiken. Het schip gaat dus vooruit naar Groenland. Aan +de riemen jongens! met roeien moeten wij de zeilen helpen." + +Zoo gingen zij vooruit, drie dagen lang en toen werd de mist zoo +dik, dat zij op geen speerlengte van zich af konden zien. Er werd +een tweede raaf uitgezonden, maar die keerde spoedig terug, daar de +mist te dik was en zelfs de scherpe oogen van den vogel er niet in +konden doordringen. + +Dien geheelen dag en nacht bleef de mist hangen. De morgen bracht +dikke wolken en zwaren regen, en de nacht, hoewel droog, was zoo +verduisterd door wolken, dat zij de sterren niet konden onderscheiden +en niet wisten hoe zij sturen moesten. + +De volgende dag was zoo helder als zij maar wenschen konden; geen +wolkje was aan den hemel te zien. Er was een lichte bries opgestoken, +maar daar hun geheele berekening nu in de war was, wisten zij niet +of de wind hun gunstig was of niet. Zij lieten een raaf vliegen, maar +'s namiddags kwam zij uitgeput terug, een bewijs dat er geen land in +de nabijheid lag. + +"Zou Leif met de Rolf Krake verdwaald zijn?" vroeg Byarn. + +"Leif Eirikson is een goed Christen," antwoordde Edrik. "Door God's +zegen zal alles wel terecht komen." + +"Gij zult nog een prediker worden, Edrik!--maar ik geloof dat wij +Groenland in de mist voorbij zijn gezeild. Echter, dat kan toch niet, +want Groenland is het eind van Midgard (de aarde) en daar voorbij is +geen land of water meer." + +Zij zeilden nog drie dagen voort en nog was er geen land in 't +zicht, wel ijsbergen. Nogmaals liet men een raaf vliegen; er ging een +geheele dag voorbij, doch het dier keerde niet terug. Dezen keer was +hij dadelijk van den voorsteven weg gevlogen, zonder een oogenblik +te aarzelen. + +Den volgenden morgen werd kleine Edrik weer den mast in gezonden. Hij +bleef daar vier uur en was uitgeput van vermoeienis en honger, toen +hij eindelijk op het geroep van Byarn antwoordde; "Ik zie iets aan +stuurboord; misschien is het land." + +"Een mistbank, denk ik! Kom beneden; het kan ook een ijsveld zijn." + +"Wacht even, ik geloof dat het de kust is! Stuur recht op de +ondergaande zon aan, juist zooals de wind is.... zoo!" + +Hoewel de Noorsche zeden niet toelieten dat men toonde ergens heel veel +belang in te stellen, konden de krijgslieden aan boord hun vreugde toch +niet bedwingen bij de woorden van Edrik. Zij roeiden met meer lust en +deden de Sleipner zoo snel voortgaan als maar eenigszins mogelijk was. + +Edrik vergat vermoeidheid en honger, toen hij duidelijk bespeurde +dat hij werkelijk land zag. Byarn beval hem nu beneden te komen en +hij klom zelf naar boven, in zich zelven brommend dat hij wel haast +zeker was dat het een ijsveld zou zijn. Doch toen hij boven was, waren +zijn verwondering en verrassing zelfs voor Noorsche kalmte te veel. + +"Bij alle heiligen! Daar is eindelijk Groenland na een +veertiendaagschen kruistocht. Van zoo iets heeft men nog nooit +gehoord!" + +Bij zonsondergang waren zij de kust zoover genaderd, dat zij heuvels +met groene bosschen bedekt konden onderscheiden. + +"Dit moet Groenland wel zijn!" riep Byarn uit. "Kijkt eens naar die +prachtige boomen!" + +"Dat is Groenland niet!" zei een der roeien, "de kust ziet er anders +uit. Men noemt het geen Groenland om de dichte wouden, maar omdat +dicht bij het water zooveel gras en struiken groeien.--Groenland? Het +heeft meer van Steenland!" + +"Gij hebt gelijk, geloof ik!" zei Byarn, "ik ken Groenland niet, maar +Leif heeft mij verteld dat de heuvels binnen in het land met sneeuw en +ijs bedekte toppen hebben, terwijl aan den waterkant de bodem bedekt +is met gras. Hier is het juist het tegenovergestelde; de kust is wit +van de steenblokken en in de verte zijn alle heuvels groen!" + +De Sleipner zeilde langzaam langs de kust, maar vond nergens een +geschikte landingsplaats. Zij lieten dus het land met de steenen +links liggen, en kozen de open zee, en zooals de overlevering luidt: +"na twee dagen verder gezeild te zijn, ontdekten zij land, maar veel +lager dan het eerste en met boomen begroeid." + +Hier gingen zij aan wal, en daar zij er allerlei dieren aantroffen +en overvloed van frisch water, namen zij een heelen voorraad in en +zeilden verder. "Zijn tocht voortzettend," zoo luidt het verder, "met +een gunstigen zuidwestenwind, bereikte Byarn in drie dagen weer een +uitgestrekt eiland, waarvan de kust bedekt was met talrijke ijsvelden +en ijsbergen. Daar het land er niet zeer aantrekkelijk uitzag, koos +Byarn weer zee." + +"Ik zou toch wel eens willen weten of dat nu Groenland is geweest," +zei Edrik, nadat zij dit nieuwgevonden land (New-Foundland) [1] +hadden verlaten en weer twee dagen op zee waren. "Misschien is het +een gedeelte van Groenland, dat nog nooit bezocht is geworden." + +"Dat kan wel," antwoordde Nils, "hoewel ik hoop dat de rest van +Groenland wat aanlokkelijker is. De bosschen echter waren mooi. Ik +had daar wel eens op de berenjacht willen gaan, als er tijd voor +geweest was." + +"Het was Groenland niet, jongens!" zei Osrik. "Mijn vader is in +Groenland geweest en heeft mij er alles van verteld. Het is evenmin +Groenland, als ik koning Olaf Tryggvason ben." + +"Kent gij Olaf Tryggvason?" vroeg Nils. + +"Neen! maar ik hoorde mijn vader over hem spreken." + +"Is hij een reus?" + +"Een reus? ha, ha! Waarom doet gij toch zulke dwaze vragen?" + +"Het is geen dwaze vraag. Ik hoorde mijn vader zeggen: "Olaf en eenige +andere groote mannen van Noorwegen;" ik dacht stellig dat hij bedoelde +dat zij reuzen waren." + +"Gij zijt een malle jongen! Koning Olaf is niet grooter dan andere +menschen, maar hij is een koning." + +"Wij hebben dan zeker op IJsland geen koningen, omdat er geen +buitengewoon groote menschen wonen?" + +"Hoor zulke knapen nu toch eens praten!" zei Byarn, die deze opmerking +hoorde. "Wij hebben geen koning op IJsland, omdat alle menschen daar +gelijk zijn, hoewel sommigen onder hen nog graven genoemd worden." + +"Is Bren, de jager, dan gelijk met mijn vader?" + +"Ja, volgens de IJslandsche wet." + +"Waarom beval mijn vader dan om hem te slaan. Hij kan toch mijn vader +niet laten slaan?" + +"Daar zal ik op een anderen keer eens met u over praten. Ga nu naar +boven en zeg mij of gij land kunt zien." + +Edrik klom vroolijk naar boven en was er nog niet lang, toen men hem +hoorde roepen: "Land aan bakboord!" Hij kwam naar beneden en Byarn +klom in den mast. Hij bevestigde het bericht. + +"Dat zal Groenland zijn en dat andere is dus zeker een eiland, waar +niemand iets van weet." + +"Zoudt gij denken, dat Byarn zal vertellen welk nieuw land wij +gezien hebben?" + +"Ik geloof het niet, want als hij het vertelde, zouden zij hem maar +uitlachen, omdat hij Groenland gemist heeft." + +Byarn hoorde dit gesprek en hij dacht ook dat het voor zijn naam +wellicht beter was om zijn mond te houden. Hij zeide dus tot de +bemanning: + +"Het is niet goed dat de menschen om ons lachen, daarom stel ik voor +aan onze vrienden in Groenland niets te zeggen van het land, dat wij +gezien hebben. Wat denkt gij er van, vrienden?" + +Toen sprak Olog Arfvidson, een ernstig man, die meer geleek op een +woudeik met besneeuwden top, dan op een man van vleesch en bloed: + +"Byarn Hergulfson, het is laag om te liegen. Ik kan natuurlijk mijn +mond houden, als de menschen verwonderd vragen waar wij geweest zijn +en waar wij onzen voorraad hebben opgedaan, want wij zijn nu een maand +onderweg geweest. Wij moesten liever vertellen, dat wij een nieuw en +onbekend land hebben gevonden, waar een menigte dieren leven." + +"Maar men zal ons niet gelooven," zei Byarn, "want Groenland is het +eind der aarde. Toch moeten wij verklaren hoe wij voedsel vonden en +waar. Liegen helpt niet, maar niemand zal ons gelooven als wij de +waarheid zeggen." + +Toen zei kleine Edrik: "Wij moeten onzen mond houden, totdat ons +bepaald gevraagd wordt wat wij gezien hebben, en dan moeten wij de +waarheid zeggen." + +Het schip naderde intusschen het land en zeilde Eiriks-fjord in, +waar Leif's schip, de Rolf Krake, ten anker lag. + +Het scheen dat de geheele kleine kolonie aan den oever verzameld was +om Byarn te verwelkomen, van wien men gedacht had, nooit meer iets +te kunnen of te zullen hooren. + + + + + + + +IV. + + +De oude Eirik of Erik was een geducht persoon. Voor vele jaren had +hij Groenland ontdekt, en hij was daarheen verbannen, omdat hij zijn +tegenpartij in een twist gedood had. De tijd van zijn verbanning, +drie jaar naar het schijnt, was lang verstreken maar hij verlangde +niet naar IJsland terug te keeren, daar hij zich in de kleine kolonie, +die hij zelf gesticht had, geheel thuis gevoelde. + +Toen de Noormannen, ongeveer een eeuw voordat onze geschiedenis +aanvangt, hun land verlaten en zich op IJsland gevestigd hadden, +hadden zij hun Scandinavische overleveringen en geschiedenissen +medegebracht, die van het eene geslacht op het andere waren overgegaan +in Denemarken, Noorwegen en Zweden. Zij waren genoodzaakt geweest zich +te verdedigen tegen het despotisme van koning Harold Hárfage of Harold +Schoonhaar, en tot op dezen dag hebben de IJslanders de taal van oud +Scandinavië in al haar zuiverheid bewaard. Ook zijn de IJslanders +steeds afkeerig gebleven van de koninklijke waardigheid. Zij waren +en zijn republikeinen en van de negende tot de dertiende eeuw was +IJsland het eenige land in Europa, waar de bewoners burgerlijke en +godsdienstige vrijheid genoten. + +Olaf Tryggvason was in den loop zijner regeering in de gelegenheid +geweest den IJslanders eenige hulp te verleenen, en daarom werd +hij door hen beschouwd als hun vriend en beschermheer, en zelfs bij +sommige moeielijkheden zijn tusschenkomst ingeroepen. Zoo geschiedde +het ook dat Eirik, de Roode, zijn tusschenkomst inriep in zijn twist, +maar tot zijn groote verbazing had de koning hem in 't ongelijk +gesteld. Daardoor had Eirik een afkeer gekregen van den koning en hij +vond het veel aangenamer om als een patriarch op Groenland te wonen, +dan naar Noorwegen of IJsland terug te keeren. + +Leif was hem de liefste van al zijn zonen. Al was hij reeds dertig jaar +oud, hij toonde steeds den noodigen kinderlijken eerbied. Het doel +van zijn bezoek was nu om hem over te halen naar Groendal te komen +om met hem en zijn broeder den Joeltijd te vieren, en ook om zijn +zegen te vragen op het huwelijk, dat hij voornemens was te sluiten. + +De oude Eirik was een Heiden, een zoon van Odin van den ouden stempel, +en hij werd bitter, als hij er van sprak, hoe zijn zonen het oude +geloof hadden verzaakt en Christenen geworden waren. Toen Leif dus +trachtte hem over te halen om ook Christen te worden, werd de oude +man woedend en sprak: + +"Ik ben reeds gedoopt, maar in het bloed mijner verslagen vijanden. Zou +water meer voor mij doen dan bloed? Neen Leif! Thor rijdt nog altijd +met zijn wagen al donderend door de lucht, en Odin leeft eeuwig +in Walhalla!" + +Dit antwoord sloot den jongen man den mond, maar bracht zijn geloof +niet aan 't wankelen, en hij hoopte dat de tijd het bekeeringswerk +veel beter zou volbrengen dan hij het doen kon. + +Op den avond van den dag, waarop 's morgens dit tooneel tusschen +vader en zoon had plaats gehad, liet Byarn in de fjord het anker +vallen. Deze gebeurtenis gaf zooveel reden tot blijdschap, dat alle +bitterheid geweken was. De geheele bemanning werd in Eirik's hal +verzocht en spoedig bogen de tafels onder het gewicht van spijs +en drank. Nu gebeurde het dat een van Eirik's mannen schertsend de +opmerking maakte, dat Byarn's scheepsvolk er zoo welgedaan uitzag. + +"Zij bezitten zeker het geheim om van de lucht te leven, of om vleesch +zoo te bewaren dat het goed blijft," zei Eirik. "Byarn, leert de +Christelijke godsdienst u om zonder voedsel te leven? Bij Thor, +dan word ik Christen, wanneer gij maar wilt." + +Deze spotternij was te veel voor Byarn. Hij liet zijn besluit van +geheimhouding varen en sprak: + +"Graaf Eirik Thorwaldson! De Christen lijdt geen gebrek aan het +noodige, zooals gij daar juist gezegd hebt, maar in onze dagen +geschieden geen wonderen meer om den menschen voedsel te verschaffen." + +"Zeg mij dan eens, welke middelen gij gevonden hebt om uw scheepsvolk +het noodige te verschaffen. Ik zou dat voedsel wel eens willen +proeven." + +"Eirik Thorwaldson! gij kunt het proeven als gij wilt. Zult gij aan +boord komen of zullen wij het hier brengen?" + +"Zwommen er dan dieren naar uw schip toe om gedood te worden, of +waren zij soms al gebraden?" + +Byarn kon niet langer zwijgen. "Graaf!" riep hij, "ik zeide u dat er in +'t geheel geen wonder gebeurd is. Twijfelt gij aan mijn woorden?" + +"In 't geheel niet, vriend Byarn! Ik wil slechts weten welk geheim +gij kent om op zee versch vleesch te verkrijgen." + +"Wij kregen het op het land!" + +"Welk land? Ten westen van Groenland wordt geen land meer gevonden; +hier is het eind der aarde!" + +Toen sprak Leif tot zijn Vader: + +"Eirik Thorwaldson, herinner u dat dertig jaar geleden de menschen +niet meer van Groenland wisten, dan wij van andere landen, die mogelijk +ten westen liggen, en vele jaren voordat gij zelf Groenland ontdektet, +werd IJsland op dezelfde wijze gevonden." + +Deze woorden schenen den ouden heiden toch te treffen, want na een +oogenblik zeide hij: + +"Wel, wij moeten maar eerst het voedsel proeven en zien wat dit nieuw +ontdekte land oplevert." + +Leif was verheugd over de goede stemming, waarin zijn vader zich nu +bevond, en bracht het gesprek op Olaf Tryggvason, koning van Noorwegen, +over wiens belangstelling de oude man zich zeer gestreeld voelde, +hoewel hij te trotsch was om het te toonen. Het overige van den +avond werd vroolijk doorgebracht en toen werden de lieden voorzien +van berenhuiden en zeehondenvellen, om zich ter ruste te leggen. + +Den volgenden morgen ging Eirik de Sleipner bezichtigen. Hij prees de +sterkte en den bouw van het schip, maar wat hem het meest verwonderde +was een half dozijn herten, van een soort, in IJsland en Noorwegen +onbekend. + +"Wat! Hebt gij deze dieren meegebracht?" + +"Ja graaf! maar wij hebben nog meer;" zei Byarn, "haal den vogel +eens, Edrik!" + +De knaap klom vlug naar beneden, en kwam spoedig terug met een +Amerikaanschen spotvogel, wiens pooten hij had vastgebonden met +lederen banden. De vogel kon vliegen, maar niet ontvluchten, terwijl +het zachte leder maakte dat hij zich niet kon bezeeren. Edrik gaf +Byarn den vogel in de hand. + +Eirik bekeek den vogel met eenige verbazing, die nog toenam, toen +hij eerst den nachtegaal nabootste en vervolgens begon te kirren als +een duif. + +"Van zulke zeldzame dieren heb ik zelfs niet gedroomd!" zeide Eirik. + +Toen ging Edrik weer heen en keerde terug met een jongen hond op den +arm. Het dier was geheel zwart en zijn haar krulde zooals dat van een +schaap. De hond was bijzonder goedaardig en toonde zijn genegenheid +op zulk een rumoerige wijze, dat Edrik hem bijna niet houden kon, +want hoewel nog heel jong, was het dier reeds vrij groot. + +Zoodra graaf Eirik den hond zag, begon hij luidkeels te lachen. Hij +nam het levende bundeltje wol in de armen en liefkoosde het. + +"Hoe zijt gij aan dien hond gekomen?" + +"Op een keer, toen wij aan land gingen, zagen wij een troep groote +zwarte honden," antwoordde Byarn. "Zoodra zij ons echter in 't oog +kregen, vluchtten zij het binnenland in. Een bleef eenigszins achter; +hij kon niet zoo gauw loopen, omdat hij dit jong in den bek had. Oleg +van de Scaur doodde de moeder met een pijl, en kleine Edrik redde +het jong, bracht het aan boord en voedde het met eigen hand. Nu denkt +het kleine monster dat Edrik zijn moeder is, geloof ik!" + +"Bij den hamer van Thor!" riep Eirik, "zoo'n hond heb ik nog nooit +gezien. In Lapland heb ik honden gezien, die men voor sleden had +gespannen; in Noorwegen waren wolfshonden, en in Denemarken de groote +geel-bruine doggen, maar zoo'n bundel wol, ha, ha!.... Ik ga mee, +jongens! als gij terugkeert om dat land weer te bezoeken. Het moet +daar beter zijn dan op ons Groenland, waar de dieren schaars zijn, +behalve in den zomer. Was er veel ijs, Byarn?" + +"Ja, dicht bij het eerste land, dat wij in 't gezicht kregen, maar na +twee dagen zeilens, daar, waar wij aan land gingen, was in 't geheel +geen ijs te zien." + +"Wel, ik dacht dat mijn dagen op zee reeds geteld waren, maar bij +Odin's baard! ik stel heel veel belang in dit alles. Hoe heet die +hond?" + +"Ik heb hem Njord genoemd, graaf!" + +Latere gebeurtenissen bewezen dat de naam van den Zeegod Njord voor +den hond bijzonder goed gekozen was. + +Onder zijn koel uiterlijk, zijn kalme blauwe oogen, zijn breed +voorhoofd en bijna vlasblond haar, bezat Edrik een warm en vriendelijk +hart. Toen hij zag hoe de oude Eirik met den hond was ingenomen, ging +hij naar hem toe en zeide: "Doe mij het genoegen hem als geschenk +van mij aan te nemen. Gij zult hem goed behandelen; neem het dier +van mij aan." + +"Ik wil u niet van uw hond berooven. Ik dank u evenwel voor uw +aanbod even als of ik het had aangenomen! en Eirik, de Roode, vergeet +nooit iets." + +Hij keerde zich om en ging aan stuurboordzijde van Byarns goed schip, +de Sleipner. Hij bezichtigde den breeden boeg en hoog uitstekenden +achtersteven. Het schip werd beschut door een bekleedsel van dik +eikenhout, van bronzen platen voorzien, om beter weerstand te kunnen +bieden aan de drukking van het ijs, waardoor de Noorsche schepen in +den herfst en in den vroegen zomer hun weg moesten banen. + +"Gij zijt niet veel met het ijs in aanraking geweest, Byarn!" zei +hij, na een nauwkeurig onderzoek. "Dat verwondert mij, want de +stuurboordzijde van het schip van Leif was bijna ingedrukt." + +"Ik geloof dat wij, den weg niet zoo goed wetende als Leif, het ijs +misgeloopen hebben." + +"Bij Odin's baard! Het is zeer vreemd! Een nieuw land! Hebt gij +aan wal ook menschen gezien! Waren er geen Laplanders, geen Finnen +of Eskimo's?" + +"Neen, wij hebben er geen gezien en om de waarheid te zeggen, zou ik +niet van dat land gesproken hebben, als het niet noodig was geweest. Ik +schaamde mij dat ik de Rolf Krake gemist had, en ik meende dat gij +mij niet zoudt gelooven." + +"Gij ziet dat die hond mij overtuigd heeft. Bij Odin's baard! wat kan +dat dier rollen. Hij heeft iets van het jong van den bruinen beer en +van een vet lam, en toch lijkt hij op geen van beiden!" + +Leif verheugde zich over de blijdschap van zijn vader en was zijn +neef recht dankbaar. Hij wist niet hoeveel moeite de knaap gehad +had om Byarn te bewegen aan boord een plaatsje voor den hond in +te ruimen. Hij maakte nu van de opgeruimde stemming van zijn vader +gebruik om hem te verzoeken mee naar Groendal te gaan, en van daar +naar Noorwegen om Olaf Tryggvason te bezoeken. + +"Neen, jongen!" zei de oude man, "ik geef niet meer om +koningen. Spoedig zal ik in Walhalla zijn, maar wel wil ik uw broeder +Sigvald bezoeken en zien hoe hij het maakt in zijn gelukkig tehuis! + +"Is het dan uw verlangen niet New-Foundland te zien, als wij de +volgende lente daarheen terugkeeren?" + +"Mijn zoon, misschien ben ik dan niet meer bij u; wij moeten niet te +vroeg plannen maken. Hij, die dat doet, is een dwaas, dien de goden +altijd teleurstellen. Toch zou ik het land wel eens willen bezoeken +waar zulke honden leven. Kijk eens Leif! Bij Thor! daar gaat hij +over boord!" + +Zoo was het; bij een zijner dolle sprongen rolde het dier in het +water. Allen aan boord hielden den adem in, in afwachting van wat nu +gebeuren zou. Edrik wierp zijn overkleed af en maakte zich gereed +om het dier na te springen, maar hij wachtte even toen hij zag, +hoe prachtig de hond zwom. Hij scheen zich in het water veel meer +thuis te gevoelen dan op het dek, en het bad scheen hem heel goed te +bevallen. [2] + +In het volgend, oogenblik sprong Edrik hem achterna om hem tegen de +haaien te beschermen, die de zee aan de kust van Groenland onveilig +maken. + +Op het oogenblik, dat de knaap in het water sprong, schoot een monster +van meer dan tien voet lengte op hem toe. De mannen aan boord riepen +hem toe: "Pas op!"--"De haai!"--"Zwem naar het land!"--"Laat den +hond maar aan hem over!" doch deze laatste raadgeving kon moeielijk +opgevolgd worden, want toen Edrik in het water sprong had de hond +zich omgekeerd en diens kleederen tusschen zijn tanden genomen, in +de gedachte dat het zijn plicht was zijn meester boven water te houden. + +De haai was vlak bij den knaap, toen de speer van den ouden Eirik +hem met zooveel juistheid trof, dat het water rood gekleurd werd door +het bloed van het monster. + +Byarn wierp een touw over de verschansing en riep: "Gauw Edrik! laat +den hond maar aan zijn lot over!" + +Maar daar was Edrik de jongen niet naar. Hij wilde den hond niet +opofferen, die juist getoond had hoe hij zijn best deed om hem te +redden. Hij greep dus met de eene hand het touw, terwijl hij met +de andere Njord tegen zich aandrukte, en riep den mannen toe hem op +te trekken. + +"Laat dan toch dien hond los!" riep graaf Eirik opgewonden uit, +"gij kunt het touw zoo niet blijven vasthouden!" + +"Trekken daar!" riep Edrik, "ik wou dat het domme dier ophield met +mij te likken. Wij vallen beiden nog naar beneden." + +Doch hij hield stevig vast; een paar mannen bukten over de verschansing +en namen den hond van hem aan, en eenige seconden later stond Edrik +veilig op het dek. + + + + + + + +V. + + +Het ijs lag op de kust voor Reikiavik aan het eind van den zomer, +en spoedig zou het weer winter zijn en de lange dagen gevolgd worden +door lange nachten. + +Op den laatsten dag van September verschenen drie sterk gebouwde +schepen van metalen platen voorzien, om weerstand te kunnen bieden +aan het ijs. Zij waren met krijgslieden bemand, zooals bleek uit de +schilden aan de zijden van de vaartuigen. Het waren de Sleipner, +de Rolf Krake en de Nagelfari, die den ouden Eirik naar de stad +Reikiavik brachten. + +Toen de schepen de haven van Reikiavik inzeilden, was Eirik, de Roode, +verwonderd over het vroolijk geluid der kerkklokken, die de Christenen +riepen tot aanbidding van den God des vredes. In den korten tijd van +twee maanden hadden de priesters wonderen verricht. Wel is waar was +de kerk weinig meer dan een groote schuur, maar toch was het een kerk +en er was overvloed van altaarstukken en zilveren vaatwerk. + +"Wat nu!" riep hij uit. "Wat is er te doen daar ginds? Het is een +zonderlinge muziek. Kijkt eens naar den hond; hij is ook verwonderd +en zou zijn ooren opsteken als zij niet te zwaar waren. Hoort hem +eens blaffen!" + +Eenige der inwoners, die het Christendom nog niet omhelsd hadden, +waren bezig hun booten op het strand te trekken. Sommigen verstelden +netten, doch toen de drakenschepen in 't gezicht kwamen, lieten +allen hun bezigheden varen en haastten zich naar den inham der baai, +waarheen de schepen koers zetten. + +Onder hen, die zelfs uit de kerk wegbleven, waren Sigvald, Thorfrida +en Freydisa met haar echtgenoot Thorward; zij keerden haastig terug +om de bezoekers te verwelkomen. + +De oude man, die als een standbeeld aan den stuurriem van de Nagelfari +stond, werd door Sigvald als zijn vader herkend. Hij ijlde naar het +strand om een boot te water te laten, ten einde de eerste te zijn, +die hem begroette. Maar zijn vrouw volgde hem en zij bereikten het +kleine vaartuig te gelijk. Ook Thorward en zijn vrouw Freydisa bleven +niet achter. + +"Nu, Sigvald!" zeide zijn vrouw, "het is geen schande, als uw boot +geroeid wordt door uw vrouw en uw vriend, en als zijn vrouw ook een +riem ter hand wil nemen, des te beter. Daar komt Oleg Arfordson met +Brenda; laten zij ons helpen. De drakenschepen komen reeds nader. Het +zou schande zijn als zij landden, voordat wij uw vader begroet hadden!" + +Een paar riemslagen brachten hen op zijde van de Nagelfari en de +krijgsman was geroerd over hun kinderliefde. De lange riemen, waarmee +het drakenschip werd voortgestuwd, werden ingenomen, het zeil werd +neergehaald en spoedig waren allen uit de boot aan boord. + +"Welkom in Reikiavik, mijn vader!" riep Sigvald. "O, allen zullen zich +verheugen, dat zij u terugzien. Gij zijt opnieuw jong geworden, vader!" + +"Neen, Sigvald! niemand wordt jong opnieuw, doch wij weten dat een +IJslandsche winter sterk en krachtig is tot op het einde." + +"Ja, dat zal het zijn.--Welk nieuws brengt ge?" + +"Een heel zonderling nieuws. Byarn heeft een land gevonden, dichter +bij de ondergaande zon dan Groenland en waar overvloed heerscht. Kijk +eens naar dien baal wol daar. Dat is een jonge hond uit dat land; +uw zoon heeft hem meegebracht," + +Edrik lag in de armen zijner moeder en in de vreugde over het +wederzien, had hij Njord geheel vergeten, die nu al waggelend en +snuffelend kwam aankopen om zijn jongen meester te zoeken. + +Het nieuws van Byarn's ontdekking verbreidde zich spoedig, en weldra +was de hal van het kleine raadhuis te Reikiavik vol nieuwsgierigen. + +Toen allen verzameld waren, sprak Eirik, de Roode, als de oudste van +de opperhoofden, in wier handen het burgerlijk bestuur van IJsland +berustte, de vergadering in een korte rede toe, en deelde haar het +nieuws van Byarn's ontdekking mede. Eirik vertelde ook den mannen +van IJsland, welke aardige honden er in dit New-Foundland gevonden +werden, en als een bewijs daarvan verzocht hij zijn kleinzoon om den +vergaderden Njord te laten zien. Verder weidde hij uit over de herten, +die hij als zeer zachtmoedig beschreef. Nu gaf hij Byarn het woord +om zijn geschiedenis zelf te vertellen. + +Met al de rondheid van een zeeman wierp Byarn de verdienste van de +ontdekking ver van zich af en op Edrik. Hij vertelde dat de tocht, +voor zoover hij er in betrokken was, een mislukking was geweest. Hij +was van den weg afgedwaald, had Leif uit het oog verloren en in den +blinde voorwaarts sturend, had hij dit nieuwe land gevonden, dat hij +eerst voor Groenland had aangezien. + +Byarns bescheiden taal oogstte bijval in en aller oogen wendden zich +naar kleinen Edrik, die met een troep knapen bij de deur stond, en +hun vertelde van den grooten haai, wat den knapen veel belangstelling +scheen in te boezemen. + +Toen sprak de oude priester de vergadering aldus aan: + +"Lieve vrienden, Christenen! en ook gij die het licht nog niet +ontvangen hebt, gij hebt gehoord wat Byarn daar gezegd heeft van die +westelijke landen. Ik zie daarin een reden om ons te verheugen; ik +hoop dat daardoor nieuwe velden voor ons zullen geopend worden, waar +wij de liefde en de kennis van Christus zullen kunnen verspreiden." + +Toen stond Eirik, de Roode, op en zeide: + +"Goede priester! Uw woorden zijn zachtmoedig en uw hart is +rechtvaardig, daar ben ik zeker van. Maar er zijn velen, die geleefd +hebben en gestorven zijn in het oude geloof aan Odin. Het is zoo +innig met ons geliefd Noorden verbonden, dat het ons toeschijnt, dat +als wij het eene loslaten, wij ook het andere zullen verliezen. Het +komt mij voor, dat uwe Christelijke leerstellingen niet voor ons +Noorden geschikt zijn. Zij zijn te week en te zacht. Wij zijn hard +als ijs, vast als de rots! Uw godsdienst leert zachtmoedigheid, vrede, +vergiffenis en liefde. Wij mogen een vijand na zijn dood vergiffenis +schenken, maar eerder niet! Als wij dat deden zouden wij onze gezinnen +en onze woonplaatsen aan onze vijanden overleveren. Hoe kan een profeet +uit het zuiden, onder een warmen hemel geboren, oordeelen over ons, +in ijs en stormwind opgebracht, als de Noordsche pijnboom. Neen, +priester! ik gevoel veel eerbied voor u, maar ik zal nooit het geloof +van Odin voor het uwe verlaten!" + +De Heidenen, die tegenwoordig waren, juichten de rede van Eirik toe; +maar van weerskanten werd er in 't geheel niet aan gedacht naar de +wapenen te grijpen. Ook Freydisa keek, alsof zij het meer met Eirik +eens was dan met den Christenpriester en gaf den ouden krijgsman +een blik van instemming. Vervolgens deden eenigen Byarn allerlei +vragen over zijn tocht, waarna Leif Eirikson opstond en zijn vader +aldus aansprak: + +"Waarde vader, edele Eirik Thorwaldson! Ik zou gaarne mijn geluk op +die verre kusten willen beproeven. Heb ik uw volle toestemming om +het avontuur te wagen?" + +"Zeker, mijn jongen! Ik geef u mijn volle toestemming, en ik denk dat +ik met u mee zal gaan. Byarn zal ons dan den weg wijzen, natuurlijk +als hij dat wil" + +"Dank u, Eirik Thorwaldson!" zei Byarn, "maar ik verzoek u mij daarvan +te verschoonen. Ik heb den volgenden zomer noodig om mijn huis te +herstellen en ik zal Sigvald Eirikson vragen mij van paarden te +voorzien. Binnen twee of drie dagen rijd ik heen. Ik verlang er naar +om den winter en den blijden IJslandschen zomer in mijn eigen woning +door te brengen. Natuurlijk ben ik bereid u alle hulp te verleenen, +waartoe ik in staat ben, maar ik weet waarlijk niets meer dan dat ik +door de mist mijn berekening miste en verdwaalde." + +"Wel Byarn! wij leven in een vrij land. Gij kunt doen wat gij wilt; +maar wilt gij mij dan uw schip verkoopen?" + +"Zooals gij dat wilt, graaf Eirik! Gij zult niet te weinig geven, +noch ik te veel vragen. Het schip is dus het uwe. Vergeet niet, +graaf! op reis eenige raven mee te nemen; zij zijn de zekerste gidsen". + +De prijs voor het schip werd vastgesteld, en de geheele vergadering +verliet de hal en ging in optocht naar het strand. Eirik en Byarn, +met twee voorname hoofden, gingen in een boot aan boord, vergezeld +door twaalf beproefde vrienden, die als getuigen moesten dienen. In +het bijzijn van allen nam Byarn den stuurriem in de hand en gaf de +greep plechtig aan Eirik over met de woorden: + +"Neem dit schip met mast en zeil en riemen, juist zooals het is, zonder +dat gij verder eenig recht op mij hebt, als gij soms teleurgesteld +mocht worden. Ik neem in betaling aan drie honderd marken in goud, +in waarde gelijkstaande met vijftienduizend ellen van het beste +Wadmal laken." + +"Ik neem uw schip," zei Eirik, "zooals het is. Ik zal niet tot u +komen om een gebrek te laten herstellen, noch u ooit meer betalen." + +Nu dronken zij samen wijn en voordat zij aan land gingen, sneed +Byarn een eind van een der touwen af en stelde dit Eirik ter hand, +die toen Byarn een half el blauw laken ten geschenke gaf. + +Dit bevestigde den koop evengoed, als al het geschrijf van den +tegenwoordigen tijd. + +De twee herten, die nog in leven waren, werden aan land gebracht en +Sigvald noodigde allen uit bij hem het middagmaal te gebruiken en +den nacht in zijne woning te Groendal door te brengen. Met gejuich +werd dit gastvrij aanbod aangenomen. De knechten deden hun best om +hun meester genoegen te doen en de oude graaf was zoo opgeruimd, +dat zijn vroolijkheid al de anderen scheen aan te steken. + +Zooals wij reeds gezegd hebben waren er onder de gasten meer zonen +van Odin dan Christenen. De voornaamste leider der Christenen, die, +zooals wij vroeger verteld hebben, op het tweede schip door Leif in +de haven gebracht waren, heette Yalto, die door de priesters van Odin +verbannen was. De tweede was bekend als Gizur, en werd de "Witte" +genoemd, niet alleen om de kleur van zijn baard, maar ook omdat al +zijn daden rein waren. + +Deze mannen worden genoemd als de eerste invoerders van het Christendom +op het eiland. Daar er zooveel Heidenen op het eiland waren, was het +onmogelijk al de Heidensche gewoonten af te schaffen. Zij poogden +de heidensche feesten te herscheppen in Christelijke plechtigheden; +Paschen, Kerstmis en zoo meer, zijn de Christelijke vormen van oude +Heidensche feesten. + +Er waren verscheidene Heidensche tempels op IJsland en een daarvan +bevond zich op een afstand van ongeveer een uur van Groendal. Op den +morgen na het feest bij Sigvald, ging een aantal Heidenen daarheen +om de schikgodinnen, het Verleden, het Tegenwoordige en de Toekomst +(Urder, Verdandi en Skuld) te vragen, wat zij doen moesten om de +gunst der goden te winnen. Onder hen bevond zich ook Ingvar, zoon van +Thassi, die, zooals de lezer zich herinneren zal, getracht had Leif +te dooden. Thassi was door de groote vergadering, de Ting, verbannen +en had IJsland moeten verlaten. Zijn zoon, vast besloten om wraak te +nemen, had het plan opgevat om Thorward een strik te spannen, Leif +Eirikson te dooden, en kleinen Edrik te stelen, en daar het bezoek +van den ouden Eirik hun allen zooveel vreugde gaf, had hij besloten +dat ook de oude krijgsman als slachtoffer zou vallen. + +Natuurlijk bleef Ingvar ver van Sigvalds hal, maar hij had te Reikiavik +vrienden, op wie hij zich kon verlaten. Daar ging hij heen en hij +bleef bij hen tot op den morgen van het feest, waarop al de Heidenen +zich naar den ouden tempel en de Christenen zich naar de kerk zouden +begeven. + +De tempel was een schoon gebouw, waarin de beelden der goden bewaard +werden. Buiten stonden de groote offersteenen, zooals die in Noorwegen +nog hier en daar gevonden worden. + +Ingvar gordde zijn wapenrusting aan en zette den helm op met de +arendsvleugels, die hem als een zoon van Odin deden kennen, nam zwaard +en dolk, en met zijn strijdbijl op den schouder, ging hij op vóór +de anderen naar den tempel, om eer te bewijzen aan Thor, den god, +dien hij het liefst had. Zij, bij wie Ingvar zijn intrek genomen had, +gingen in hun gastvrijheid zoo ver, dat zij beloofden met hem naar den +tempel te gaan en deel te nemen aan al zijn avonturen. Zij volgden +hem eveneens gewapend, en bereikten den ingang van het boschje, +waarin de tempel lag. + +Doch er stak een hevige storm op, met hagel en donder, terwijl de +bliksemstralen den omtrek verlichtten. Daarbij viel de regen neer +als een zondvloed. + +Ingvar en zijn vrienden waren niet bang voor het onweer, maar zij +wilden toch liever hun maliënkolders niet door het water laten +roesten. Zij poogden ze droog te houden en zochten dus zoo spoedig +mogelijk een schuilplaats in den tempel. + +Het was pikdonker toen zij ten laatste de breede deur bereikten: +een lichtstraal toonde hun aan waar zij zich bevonden, maar toen zij +binnengetreden waren, bevonden zij zich weer in de diepste duisternis. + +"Wat is het donker!" zei Ingvar, "ik kan geen hand voor oogen zien. Als +het mij niet om wraak te doen was, dan zou het mij bijna spijten de +stad verlaten te hebben, doch als ik denk aan alles wat Thassi te +lijden heeft in zijn verbanning, dan voel ik mij sterk om alles te +doorstaan. Bij Thor! was wat dat!" + +Een hevige bliksemstraal scheen de zoldering, den vloer en de muren +van de ruime hal in vuur te zetten. Bij het felle licht kon men +drie groote steenen onderscheiden, die tegen den westelijken muur +stonden. De vrienden hadden deze steenen dikwijls gezien, maar nu +zagen zij op elken steen een vrouwelijke gestalte, in een vlekkeloos +wit kleed. Elk van hen hield een spinnewiel in de hand. De eene wees +met haar spinnewiel recht voor zich uit; de middelste scheen bezig +te zijn met garen op te winden, en het spinnewiel van de derde was +reeds vol, terwijl zij er mee achter zich wees. + +"De nornen (schikgodinnen) in eigen persoon," riep Ingvar uit, +volstrekt niet van zijn stuk gebracht. "Gevreesde zusters! ik wil +mijn leven en al wat ik bezit opofferen voor de wraak! Zeg wat ik +doen moet!" + +Terwijl Ingvar en zijn drie metgezellen naar de vrouwen staarden, +zagen zij dat de lippen van haar, die met het spinnewiel achter zich +wees, zich langzaam bewogen. Zij zong met heldere stem het volgende: + + + "In ballingschap heeft er uw vader geleden. + Zijn vlucht en zijn smarten behooren 't Verleden: + Als balling heeft Thassi het langste geleefd, + Eens komt de tijd weer, dat iedereen beeft." + + +"Gevreesde Urder! ik dank u! Nu, Verdandi, ik vraag u hoe ik handelen +moet?" + +Toen zong de middelste maagd, steeds voortgaande met haar garen op +te winden, op de maat der beweging: + + + "Is 't u om wraak te doen, rijd moedig voorwaarts dan, + Uw vijanden zijn daar, versla ze als een man; + Zij zijn reeds in uw macht, dat is 't, wat 'k zeggen kan." + + +"Voor dit antwoord offer ik u een gouden armband dikker dan mijn +arm! Maar nu zal ik Skuld nog een vraag doen. Zal het mij gelukken +om Leif, Thorward, Eirik en den knaap te verslaan?" + +Toen antwoordde de derde norn met haar spinnewiel voor zich uit +wijzende: + + + "De toekomst is donker, in duisternis gehuld; + Ik ken uw plan om wraak, ik zie het niet vervuld; + Rijd moedig voorwaarts maar, doch steeds op rechte paân: + De morgen brengt zoo licht u ongeluk nog aan." + + +"Ha!" riep Ingvar uit, "treft dat ongeluk mij of mijn vijanden? Ik zal +het laatste gelooven, want dat past bij 't geen de andere nornen gezegd +hebben. Ik leg hier aan uw voeten drie gouden armbanden; als ik slaag, +kom ik morgen terug met den armband, dien ik Verdandi beloofd heb." + +Het spookachtig licht, dat op den altaarsteen brandde, ging uit en er +heerschte een diepe duisternis. Plotseling verlichtte een bliksemstraal +de hal, en daarbij konden de toeschouwers zien dat de steenen ledig +waren--doch ook de armbanden waren verdwenen! + + + + + + + +VI. + + +Laat in den nacht kwamen Edrik, Osrik en Nils te Groendal aan. Zij +waren door en door nat, en vermoeid van het snelle loopen op +den moerassigen grond. Men had hunne afwezigheid bij het feest +ternauwernood opgemerkt. De mannen van rang lagen op den vloer van de +hal te slapen, de vrouwen waren in haar vertrekken en den dienaars +en soldaten waren plaatsen aangewezen in de schuren. Sommigen, die +wacht moesten houden, lagen in hun mantels gewikkeld in de open lucht +en gaven niet om koude of vochtigheid. + +Voorzichtig over de slapende krijgslieden heenstappende, bereikten +de knapen eindelijk de groote hal. Bij het licht van het vuur zocht +Edrik zijn vriend Thorward op, en begon hem te schudden, totdat hij +er in slaagde hem te wekken. + +"Thorward!" riep hij, "word dan toch wakker en sta op. De heidenen +willen ons overvallen. De Nornen hebben hen daartoe aangezet!" + +"Wat is er aan de hand?" + +"Ik ben het, Edrik!--Thorward, Thorward, sta dan toch op!" + +"Heb ik niet de waarheid gesproken, toen ik zei: onkruid vergaat +niet. Daar zijt ge al weer terug. Uw vader zal boos op je zijn!" + +"Dat komt er nu niet op aan. Sta op, en ga met mij mee!" + +Eindelijk stond Thorward op en volgde Edrik. Deze verzocht hem even +te wachten en trad het vertrek binnen, waar zijn vader sliep. + +"Wie durft hier binnen te dringen?" riep Sigvald. "Wat, Edrik!--Waar +hebt gij gezeten?" + +"Vader, sta op en wapen u spoedig! Laat ons Leif en Eirik ook wekken; +de vijand is nabij. Wapen u, vader!" + +"Waarom moet ik mij wapenen? Waar zijt gij geweest?" + +"Als wij allen bij elkander zijn, zal ik u alles vertellen. Waar is +Eirik?--Waar is Leif?" + +Onder het praten was Sigvald reeds bezig met zich te wapenen, waarbij +zijn vrouw hem hielp. Zij was blijde dat haar lieveling weer terug was. + +Edrik's moeder vertelde hem, waar de oude Eirik lag en waar hij Leif +kon vinden, en hij maakte hen beiden wakker. Toen bracht hij hen met +Thorward bij zijn vader, en verhaalde aldus: + +"Ik wilde eens zien hoe de priesters in den heidenschen tempel +hun antwoorden voor het volk gereed maken. Wij, Osrik Nils en ik, +kropen in het tempelhuis achter het boschje van Baldur. Wij vonden +de priesters druk bezig met toebereidselen te maken. Zij goten een +vloeistof in een metalen schotel, die in de holte van den offersteen +paste. Toen haalden zij drie vrouwen in sneeuwwitte mantels gekleed, +en vertelden haar wat zij zeggen moesten, om te maken dat de zoon van +Thassi, mijn vader en graaf Eirik, Leif en Thorward zou aanvallen. Het +begon te regenen en Ingvar kwam binnen met drie vrienden hij deed +drie vragen. Wij hebben ons toen hierheen gehaast, om u in tijds +te waarschuwen; zij kunnen dadelijk hier zijn. Maar maak de anderen +niet wakker; dat zou Ingvar bemerken en gij zoudt hem niet vangen, +en dat zou jammer zijn. Zij denken u onvoorbereid te overvallen, +maar ik wist wel beter! Nu zal ik hun toonen, welke goden de beste +zijn! Dezen weg uit, vader!" + +En de knaap geleidde de mannen uit de hal in de vallei, die zij door +moesten trekken om Reikiavik te bereiken. Op ongeveer de helft van +den weg stond een boschje denneboomen. Zij besloten hier stil te +houden en den vijand af te wachten. + +Zij waren daar nog geen half uur geweest toen Ingvar, zoon van Thassi, +de plaats naderde en spoedig zoo dicht bij kwam dat zij hem hadden +kunnen aanspreken. Bij Ingvar waren nog drie mannen, zoodat de krachten +der beide partijen vrij wel gelijk stonden. + +Sigvald zag dat hun aantal niet groot was; hij kwam van onder de +boomen te voorschijn en trad de nieuw aangekomenen in den weg. Doch +hij bemerkte weldra dat hij hierin niet voorzichtig had gehandeld, +want in de morgenschemering zag hij in de verte de punten van wapens +glinsteren. + +"Spoedig Edrik! maak de anderen wakker en breng ze hier, terwijl ik +deze lieden aan de praat houd!" + +Edrik liep zoo snel hij kon naar huis terug, waar hij allen in groote +opgewondenheid vond. Freydisa had van Edrik's moeder vernomen wat +er aan de hand was, en had de krijgslieden gewekt, zoodat hij allen +gereed vond om den vijand aan te vallen. + +Intusschen stond graaf Eirik met zijn zoons en met Thorward midden +op het pad en Sigvald sprak: + +"Ik zal maar niet vragen, wat gij komt doen. Ik weet dat gij u op +mij wilt wreken. Welnu, wreekt u! Hier zijn wij!" + +Ingvar sprak geen woord, maar hij trad voorwaarts en deed een slag +naar het hoofd van Sigvald. Doch deze was zeer sterk, en bekwaam in +het hanteeren der wapenen. Voor dat de slag kon neervallen, weerde +hij dien af met zijn strijdbijl, sprong toen ter zijde en hieuw met +zijn bijl naar Ingvar. De bijl spleet de ringen van diens helm en +trof hem in de wang, zoodat hij bewusteloos op den grond viel. + +Thorward, Leif en Eirik maakten insgelijks korte metten met de anderen; +zij waren allen beproefde krijgers en hoewel hunne tegenstanders niet +te verachten waren, was de overwinning toch spoedig beslist. + +Doch nu konden de vrienden zich van de talrijkheid van den naderenden +vijand overtuigen. Zij trokken zich daarom terug onder de boomen en +rug aan rug staande verdedigden zij zich tegen de overmacht. + +Ongeveer twintig vrienden en bondgenooten van Thassi waren er; zij +kwamen om zijn verbanning en den val van Ingvar te wreken. Zij waren +er echter niet tijdig genoeg, want spoedig was het hun beurt om zich +te verdedigen. Sigvald's volgelingen en gasten, ongeveer honderd man, +aangevoerd door Thorfinn, kwamen de vrienden ontzetten; kleine Edrik +diende hun als gids. + +Ingvar's vrienden trachtten te ontvluchten, maar Thorward trad met +Eirik en zijn zonen uit het bosch te voorschijn en sneed hun den weg +af, totdat hun vrienden nabij genoeg waren om van hun strijdbijlen +gebruik te maken. Slechts drie ontkwamen om het lot der anderen te +vertellen; vier werden gevangen genomen en de anderen werden gedood. + +Het gedrag van kleinen Edrik bij deze gelegenheid dwong de goedkeuring +af van al de bewoners van het eiland. Niettegenstaande zijn jeugd, +werd hij in zijns vaders bende opgenomen, toen zij naar Groendal +terugkeerden. + +Den volgenden morgen zouden de opperhoofden samenkomen om te +beraadslagen wat het beste zou zijn voor IJsland, òf om den +christelijken godsdienst tot heerschende te maken, òf om den +heidenschen priesters toe te staan hun godsdienstplechtigheden te +verrichten. + +Als de oudste der opperhoofden legde Eirik het eerst zijn meening +bloot. Volgens hem had iedereen het recht zijn eigen inzichten te +volgen, en kwam het er niet op aan of hij in Christus of in Thor +geloofde, zoo lang hij slechts zijn plicht deed. + +"Ik ben van den ouden tijd, ik zou niet passen in een wereld van +nieuwe denkbeelden. Ik ben een kind van Odin! Mijn hoofd is grijs. Ik +zag reeds meer dan zestig winters. Mijn hart begint te verlangen naar +het eind, om zich bij de dapperen daarboven te voegen, doch mijn hart +veracht den kalmen dood van een Christen. Ik wil in den slag vallen; +mijn lichaam en mijn wapenrusting zullen in een hoogen grafheuvel +begraven liggen, want ik blijf trouw aan den god mijner vaderen!" + +Een donderende toejuiching der heidensche krijgslieden volgde op +deze rede, maar werd verdoofd door een geraas, dat den grond deed +schudden. Met een hevig gekraak schoot uit den top van een nabijgelegen +heuvel een dikke rookkolom naar boven, met zooveel kracht dat stukken +rots, groote blokken lava en een massa steenen omhoog vlogen. De +gloeiende lava op den grond kleurde den rookwolk met een rooden gloed, +zoodat het scheen alsof een groote vuurkolom omhoog steeg. Langs alle +kanten stroomde de lava van den heuvel langzaam voort naar de plaats +waar de "Ting" bijeen was. + +"Nu zullen wij ons geloof eens op de proef stellen," zei de oude +Eirik. "Ik blijf hier. Als Odin zijn krijgers noodig heeft, zijn wij +bereid, doch als de God der Christenen zijn volgelingen wil redden, +laat hem dan nu zijn macht toonen!" + +Nauwelijks had hij deze woorden gesproken of de lava begon langzamer +te vloeien. De koude noordoosten wind verstijfde den stroom. Sommigen +uit het volk namen verschrikt de vlucht, maar de meesten bleven om +te zien hoe alles zou afloopen. + +Graaf Eirik stond trotsch op zijn steen en riep uit: + +"Vrienden! Het is duidelijk dat Odin en Thor den storm hebben +tegengehouden, omdat zij hun aanbidders wilden sparen, doch zij zijn +zeer vertoornd, anders zou dit wonder niet geschied zijn." + +"Als dat het geval is," riep Yalto, "waren de goden dan boos, toen er +zestig jaar geleden niet anders dan aanbidders van Thor en Odin op +het eiland woonden, en toen toch was de lava, waarop wij nu staan, +een gloeiende zee! Neen, vrienden! ik lees de boodschap aldus: "God +is liefde, en hij wil niet dat ook maar een enkel Heiden verloren ga!"" + +Toen sprak Gizur: "Deze vreeselijke openbaringen van God's almacht +worden door de aanbidders van Odin gebruikt om de minder verstandigen +te bedriegen. Ik beroep mij op de knapen; zij hebben in den tempel van +Baldur de bedriegerijen der heidensche priesters gezien. Zij zagen +hoe de vrouwen, gekleed als godinnen, voorbereid werden om hun rol +te spelen; maar dit is geen bedriegerij, wij hebben niets gedaan om +deze verschrikkelijke gebeurtenis te veroorzaken. Onze God is geen +God des toorns, maar een God der liefde!" + +Zelfs die Heidenen, die in dit alles niets dan toeval zagen, waren +getroffen door Gizur's woorden. + +Na een stormachtige bijeenkomst gaven de afgevaardigden der twaalf +afdeelingen van het eiland hun toestemming om in elke afdeeling een +christenkerk te bouwen, waarna de vergadering uiteen ging om bij +Sigvald het middagmaal te gebruiken. Daar gekomen bevond men dat +de vier gevangenen, die men in het gevecht gemaakt had, nergens te +vinden waren. Zij waren dus ontvlucht. + + + +Ongeveer een maand later werd te Reikiavik een dubbel huwelijk +gesloten. Thorfinn en Leif hadden de twee zusters Guthrida en Hallfrida +naar het altaar geleid. Nooit werd er, vóór of na dien tijd, vroolijker +bruiloft op IJsland gevierd. Iedereen was verheugd, behalve Freydisa, +die een weinig jaloersch scheen te zijn, dat een ander huwelijk het +hare in de schaduw stelde. + +Groote feesten werden er gegeven. Voor Leif en zijn bruid was +te Helgastad een huis in orde gebracht, terwijl voor Thorfinn en +Hallfrida een dergelijke woning was gereed gemaakt te Drakenness. Het +schijnt dat Freydisa niet kon velen dat Thorfinn en zijn vrouw op +grootscher voet leefden dan zij zelve. Zij legde op dit punt een +groote gevoeligheid aan den dag, die een verkoeling tusschen Thorfinn +en Thorward ten gevolge had. Dit moet men wel in het oog houden om +de volgende gebeurtenissen te kunnen begrijpen, als ook dat Thassi's +familie van Noorweegsche afkomst was. + +Zoodra de feestelijkheden afgeloopen waren, gingen de jongens +te Groendal toebereidselen maken voor den naderenden winter. De +sneeuwschoenen en de sleden werden te voorschijn gehaald, en er +werden maatregelen genomen om vooral van de berenjacht te genieten, +hoewel die in 't algemeen voor jongens gevaarlijk werd geacht. + +Niets vonden zij aangenamer dan om naar de bosschen van Krakenness te +gaan om dennetakken te halen, om de groote hal te versieren voor het +Joelfeest. Dit feest wordt nog in het noorden gevierd, zonder eenige +poging om het onder den naam Kerstmis te vermommen. + +De drie knapen voerden een druk gesprek, terwijl zij over de sneeuw +met hun sleden op weg waren naar Krakenness. Achter hen kwam een +boerenslede om de takken op te leggen. De jongens konden veilig op hun +kleine IJslandsche pony's vertrouwen, totdat de sneeuw dikker begon te +vallen en zij dus hun aandacht meer aan den weg moesten wijden. Zij +matigden hun vaart, maar toch gleden de sleden gelijk voort, totdat +die van Nils plotseling wegzonk. Het kleine paard viel op zijde en +Nils verdween in een hol, dat gedeeltelijk tegen den wind beschut, +niet geheel en al was volgesneeuwd. Door deze losse sneeuw rolde de +kleine Noorman heen, totdat hij op iets warms en zachts stuitte. Het +paard schrikte hevig en rende, met de slede achter zich, van waar +het gekomen was. De andere paarden schenen eveneens door den schrik +bevangen te zijn, want zij volgden zoo snel als zij maar konden. + +Zoodra zij bemerkten dat de paarden niet meer te regeeren waren, +sprongen de knapen uit de sleden op de sneeuw. Hun kleeding van +zeehondenvel beschermde hen toch tegen koude en vochtigheid. + +Nils bevond zich in een neteligen toestand. Toen namelijk de zachte en +harige massa, waarop hij gevallen was, zich begon te bewegen, kwam hij +tot de ontdekking dat hij op een slapenden beer was neergekomen. Hoewel +hij, toen hij dicht bij het nieuw ontdekte land was, den wensch had +geuit om eens op de berenjacht te kunnen gaan, herhaalde hij dien +wensch nu toch niet. Nu had hij een beer, maar hij kon de onaangename +gedachte niet bedwingen dat hij den beer niet had, maar de beer hem. + +Hij herstelde zich echter spoedig van den schrik en sprong het hol +uit. Hij liep zoo snel hij kon naar den naastbijstaanden boom, en +klom met groote vlugheid naar boven. Maar de beer gaf hem in vlugheid +niets toe en in de klimkunst kwam de knaap met zijn viervoetigen +vijand niet in vergelijking. Gelukkig was hij hem echter vooruit en +maakte van dit voordeel een goed gebruik. + +Elke knaap was voorzien van een kleine, scherpe bijl, die hij los in +den gordel droeg en welke diende om de takken af te slaan. Bovendien +hadden zij ook elk een jachtspeer, zooals die gewoonlijk door de +vrijen gedragen werd, maar hun speren waren lichter dan die der mannen. + +Toen Nils in den boom klom, liet hij zijn speer vallen. De beer hield +stil en scheen eerst eens goed te willen onderzoeken wat het was, +voordat hij zich verder waagde. Dit gaf Nils meer tijd en toen hij +zoo hoog mogelijk in den boom was geklommen, nam hij zijn bijl in de +hand, en zijn voeten zooveel mogelijk terug trekkend, boog hij zich +voorover om den beer af te wachten. Al dien tijd door riep hij tot +zijn vrienden: "Helpt! Edrik, Osrik, helpt!" + +De beer klom bedaard verder, zonder zich veel te haasten maar met een +blik alsof hij zeggen wilde, dat hij zeker was van zijn prooi. Nils +wachtte totdat een klauw van het monster binnen zijn bereik was, +en gaf er toen met zijn scherp wapen zulk een slag op, dat hij den +poot bijna van het lichaam scheidde. + +Doch de beer achtte het beneden zich om te toonen, dat hij pijn had; +hij steunde nu op zijn anderen poot en klom een weinig hooger in +den boom, die nu onder zijn gewicht begon te buigen. Dit maakte den +beer voorzichtig en daardoor kreeg Nils den tijd om ook den anderen +klauw een slag toe te brengen. De tweede slag was echter veel zwakker +dan de eerste, en hoewel hij tot op het been trof, verlamde hij het +monster niet. Stellig had de knaap het leven er bij ingeschoten als +de anderen hem niet waren komen helpen. + +Zij kwamen alleen, want de boer was bezig met zijn verschrikt paard +de pooten bij elkaar te binden. Hij wist dat zijn paard noodzakelijk +was om de jongens naar huis te brengen. + +Edrik en Osrik konden niet snel voortkomen; hun sneeuwschoenen +lagen in de sleden, waarmee de paarden op hol waren gegaan, +en zij zonken daardoor zoo diep in de sneeuw, dat zij bijna niet +voortkonden. Gelukkig hadden zij hun speren vastgehouden, toen zij +uit de slede sprongen; bovendien staken de bijlen in de gordels, +zoodat zij geheel gewapend waren. + +Edrik bereikte den boom het eerst; hij hield zijn speer in de +rechterhand, sloeg zijn beenen om den stam en werkte zich zoo met +behulp van zijn vrije hand naar boven. Zoodra hij dichtbij genoeg +was, stak bij de speer zoover hij kon in de zijde van het monster, +maar daar hij zich moest vasthouden, had hij geen kracht genoeg om +den stoot doodelijk te maken. + +De beer begon snel naar beneden te klimmen, doch daar trof hij Osrik +aan, dien hij te gemoet ging op de achterpooten loopend, met de +voorpooten uitgestrekt, alsof hij den knaap wilde omhelzen. Osrik gaf +hem een flinken stoot met de speer, maar bruin, woedend van pijn, rende +voort. Osrik ontweek hem en sprong achter den boom. De beer liet zich +op zijn vier pooten zakken en toen Edrik hem onder zich zag, sprong +hij hem, zonder zich een oogenblik te bedenken, boven op den rug. + +Bruin brulde het uit, draaide den kop om, liet zijn vreeselijke +tanden zien en trachtte zijn vijand te grijpen. Maar Edrik bleef +stevig zitten, greep zijn bijl en sloeg met een flinken slag den +ruggegraat van het monster doormidden. + +Juist toen hij dood neerviel, kwam de boer om de knapen te helpen, +die zoo goed getoond hadden dat zij het zonder hulp wel afkonden. Hij +was verbaasd dat zulk een groote beer door drie knapen gedood was. + +"Edrik heeft hem gedood. Hoe krijgen wij hem nu naar huis?" zei Osrik. + +"Ik weet het waarlijk niet; hij is te zwaar voor de slede. Bovendien +maakt alleen de lucht van het dier het paard dol." + +Intusschen was Nils uit zijn boom geklommen. + +"Hoor eens, Finn Glaffson!" zeide hij, "rijd terug naar Groendal en +breng den graaf met zijn gasten hier om den beer te zien. Gij kunt +er zeker van zijn dat gij ze allen op den weg zult aantreffen, want +onze paarden zijn stellig regelrecht naar Groendal gerend!" + +Na een korte beraadslaging kwam men tot het besluit dat dit het beste +zou zijn, en dat de jongens zouden achterblijven om te maken dat de +wolven zich niet aan den beer te goed deden. + +"Nu hebben wij het recht om de huid van den beer op onze schilden te +dragen," zei Edrik, toen de boer vertrokken was. + +"Neen, Edrik! gij alleen hebt het recht daartoe, want gij hebt den +beer gedood," antwoordde Osrik. + +"Geef mij maar liever de eer," riep Nils, "want als ik niet op hem +gevallen was, zouden wij zonder beer het bosch verlaten hebben." + +"Dat is waar," zei Edrik, "en ik geloof dat wij het beste zullen doen +met den prijs te verdeelen; de huid zal wel groot genoeg zijn!" + + + + + + + +VII. + + +De gevangenen, aan Sigvald's bewaking ontsnapt, waren gevlucht naar +het huis, waar Thassi eens gewoond had, omringd door zijn vrienden +en volgelingen. Hoewel hij nu als balling rondzwierf dachten zij, +die hem eens liefhadden, nog steeds aan hem, en zij haatten hen, +die de oorzaak waren van zijn ballingschap. + +Onder de ontsnapten bevond zich een bloedverwant van Thassi, die naar +wraak dorstend de anderen aldus aansprak: + +"Vrienden! wij moeten ons verschuilen en weer tevoorschijn komen als +men het zoeken naar ons opgegeven heeft. Als die graaf dáár slaapt, +zullen wij er heen sluipen en wraak nemen." + +"Maar de vrienden van Sigvald zijn talrijk en wij zijn alleen!" zei +een ander. + +"Niet ver van hier staat een huis, waar een vriend van Thassi +woont. Hij is een Noorweger en zal ons helpen!" + +Zij reden met hun vieren verder tot zij aankwamen bij Ikutil, een man +die een klein stuk grond bezat. Hij was bereid hen te helpen en leende +hun met bont gevoerde mantels en laarzen, en al wat zij noodig hadden. + +"Nu moet gij verstandig handelen;" zei Ikutil, "gij moet weten +dat alles het werk is van de oude tooverkol Unna. Zij zond Leif een +waarschuwing! Een tooverheks die geheimen verklapt, verdient verbrand +te worden!" + +"Ja, dat is waar; wij zullen de verslagenen op haar wreken!" + +Zij bleven drie weken bij Ikutil en het plan werd vastgesteld. Zij +waren er te meer mee ingenomen, toen Ikutil hun vertelde dat de +oude tooverheks de grootmoeder was van Freydisa, en dat zij en haar +echtgenoot Thorward woedend zouden zijn, als de oude vrouw gedood werd. + +"Als wij Unna dooden, wreken wij ons op onze vijanden en dat is de +moeite waard!" zoo besloot hij. + +De mannen reden heen en kwamen aan het huis, waar wij Freydisa met haar +moeder en grootmoeder het eerst hebben aangetroffen. De dienstmaagd +Aska trad hen te gemoet en zeide dat haar meesteres ziek was en niet +gestoord kon worden. + +"Wij moeten haar zien," zeiden de mannen, en snelden de kamer +binnen. Daar lag de oude vrouw op een met dierenvellen bedekt bed, +hoewel de kamer zoo heet was dat men er bijna stikte. + +"Wat zoekt gij hier?" riep Unna uit. + +"Wraak voor Thassi!" en voor dat de oude vrouw om hulp kon roepen, +werd zij gedood, waarop de moordenaars de vlucht namen. + +Maar Aska steeg te paard en kwam na drie dagen te Groendal aan, en +vertelde alles aan Freydisa, die in bitteren toorn wraak zwoer aan +alle Noorwegers. Zij ging naar Thorward en vertelde hem dat vrienden +van Thassi haar grootmoeder vermoord hadden. + +"Ik zal haar wreken, Freydisa! Als het lente wordt zal ik de mannen +uitdagen en ze dooden om u genoegen te doen. Wie zijn zij?" + +"Ik weet niet anders dan dat het Noorwegers zijn! Gij moet het weten!" + +Hier werd het gesprek gestoord door een hevig rumoer, hetwelk +werd veroorzaakt door een troep IJslanders, die, aangevoerd door +Sigvald, Edrik en zijn twee vrienden met hun zegeteeken naar huis +brachten. Het dooden van een beer was altijd een reden tot groote +blijdschap, maar deze overwinning door drie knapen bevochten, was +iets bijzonders. Thorward voegde zich bij hen en zij begaven zich +allen naar de hal van Sigvald. De krijgslieden wedijverden om den +knapen eer te bewijzen. + +Sigvald wees allen plaatsen aan en zes krachtige mannen gingen +het vertrek rond, terwijl zij twee aan twee de knapen droegen. De +berenhuid werd plechtig onder hen verdeeld om er hun schilden mee te +bedekken in plaats van de witte geitenvellen, die zij er tot nu toe +op gedragen hadden. + +Toen zij aldus driemaal de zaal rond gedragen waren, stond Sigvald op +en van zijn arm drie gouden banden nemende, gaf hij die aan de knapen, +terwijl hij tot hen zeide: + +"Ik geef u ieder een ring, als belooning uwer dapperheid." + +De toejuichingen, die hierop volgden, beletten Sigvald een oogenblik +het voortgaan, maar eindelijk vervolgde hij: + +"Met vergunning van de krijgslieden zullen zij voortaan met mij op +de daïs zitten in plaats van, zooals tot nu toe, aan de lagere tafels." + +De drie knapen werden van de schouders der krijgslieden op de daïs +nedergezet. Thorfrida en de moeders der beide andere knapen waren dien +dag zeer trotsch op hun zonen. Zoodra het feestmaal geëindigd was, +begonnen Edrik en zijn vrienden de hal met groen te versieren. De +priesters waren beiden tegenwoordig, maar zij verzetten zich niet +tegen deze handelwijze, doch inplaats dat paarden werden geslacht om +in den Joeltijd gegeten te worden, werden nu ossen genomen, daar de +priesters verklaarden, dat het eten van paardevleesch een heidensche +gewoonte was. + +De dag, waarop de duisternis het licht overwint, brak aan. De +joelblokken werden gebrand om den houtstapel voor te stellen, waarop +het lijk van Baldur, den zonnegod, verbrand werd, en de oudejaarsavond +werd gevierd, omdat hij het leven geeft aan een nieuw jaar. Christenen +en Heidenen vereenigden zich bij deze buitengewone gelegenheid. + +Er werden overal feestmalen gegeven en spelen uitgevoerd. De knapen +hadden het druk, want het was hun taak om de oudere krijgers te +vermaken door nagebootste gevechten, door verschillende spelen en +kluchten, die met groote bevalligheid en vlugheid werden uitgevoerd. + +Daarop kwam de "Najoel", tot de Paasch-zon verscheen. De vreugde +en de feesten, na zulk een wekenlange duisternis, waren zoo groot, +dat wij niet in staat zijn ze te beschrijven. Het is voldoende als +wij zeggen dat onze vroegere Meifeesten alle daarvan afkomstig zijn. + +Nu brak het ijs en kwam de tijd, dat alles groen werd. De zomer +ging niet van een lente vooraf, maar viel plotseling in. Als door +tooverkracht ontsproot alles. Het gras groeide, de boomen kregen +bladeren en de natuur was zoo vroolijk als zij te voren somber was +geweest. De zeehonden keken uit het water bij de kust, eer zij zich +aan land waagden; de jongens bergden de sneeuwschoenen en haalden de +booten voor den dag, en spoedig brak de tijd aan, waarop de reis naar +Edrik's nieuw gevonden land aangevangen zou worden. + +Het was in het Noorden de gewoonte der gehuwde krijgslieden om op +verre tochten hun vrouwen mede te nemen. Leif en Thorfinn maakten +zich dus met hun vrouwen gereed om zee te kiezen. De drie schepen: +de Sleipner, de Nagelfari en de Rolf-Krake zeilden te zamen uit, +maar Byarn was naar Noorwegen gegaan. + +Het was een plechtige dag voor Reikiavik toen Eirik, de Roode, +vertrok. Hij riep zijn zoons en eenige der voornaamste inwoners tot +zich en sprak: + +"Mijn lokken zijn grijs, ik ben niet dezelfde meer van voor veertig +jaar. En zoo is het ook met u en met de wereld. Ik zie een nieuwen +tijd komen, en ook hoe de reine Christus de plaats inneemt van den +strijdbeminnenden Odin. Mijn lieve zoon Leif Eirikson heeft de nieuwe +leer omhelsd. Wel, hij mag dat doen, ik heb er niets tegen, maar ik +blijf een aanhanger van het oude geloof. Maar hetzij gij behoort aan +Odin of aan Christus, doet altijd uw plicht. Laat ieder daar gaan, +waar hij het liefst wil. Misschien is het nieuwgevonden land, dat +onze vriend ontdekt heeft, wel een gedeelte der nieuwe aarde, die ons +beloofd is, en komt zij tegelijk met den nieuw gevonden zuidelijken +hemel! Misschien is dat zoo, maar ik weet het niet zeker. Mijn zegen +op u allen! Moge de Alvader altijd met u zijn. Vaartwel!" + +Donderend klonken de slagen der zwaarden op de schilden, een geluid +dat het hart van den ouden man met blijdschap vervulde. Hij trok zijn +zwaard en zijn breed schild stevig aan den arm houdende, schreed hij +voort naar de plank, die naar het dek van het drakenschip leidde. Hij +greep het roer en toonde zoodoende dat hij het bevel aanvaardde. Zijn +krijgers volgden hem; elk plaatste zijn schild rondom het schip en +de helft der bemanning nam plaats aan de riemen en wachtte op graaf +Eirik's bevelen. Zij volgden: touw en zeilen werden losgemaakt, +en door wind en riemen geholpen, verliet het drakenschip de kust. + +Op de plaats, waar de Nagelfari gelegen had, kwam nu de Sleipner te +liggen. Thorfinn voerde het bevel daarover; hij bracht zijn vrouw +Guthrida eerst aan boord, en daarna volgden verscheidene krijgslieden +met hun vrouwen, voor wie een verblijf beneden in orde gebracht was. + +De vrouwen bleven op het dek om de krijgslieden aan boord te zien +komen, die hun echtgenooten op den tocht zouden vergezellen. Guthrida +greep het roer en riep haar echtgenoot tot zich met deze woorden: + +"Thorfinn Karlsefni, neem het roer van mij over. Gij zijt onze +leidsman, onze gids en strijder. Handel met ons naar welgevallen!" + +Op de Rolf-Krake, waar Leif Eirikson het bevel voerde, had dezelfde +plechtigheid plaats, toen de Sleipner de Nagelfari gevolgd was. + +Toen ook de Rolf-Krake haar touwen losmaakte, verdubbelden de +toejuichingen aan de kust. Van de drie statige schepen rees een +plechtig gezang omhoog, dat den toeschouwers liefelijk in de ooren +klonk. + +Onze jonge vrienden bevonden zich te zamen bij Leif Eirikson aan boord +van de Rolf-Krake. Osrik, de oudste, moest dienst doen als krijgsman +en roeier, terwijl Edrik en Nils als uitkijk geplaatst waren. + +Njord bevond zich ook aan boord, en scheen te denken dat hij het +bevel voerde, want hij was overal tegelijk en blafte bij alles wat +er gebeurde. De krijgslieden hadden er schik in. + +Njord was de eerste New-Foundlandsche hond in Europa, en zij wisten +nog niet hoe dat soort honden met het water vertrouwd is. + +"Kijk eens daar ginds, Nils?" riep Edrik. "Wat is dat daar te +lijwaarts?" + +"Ik kan het niet goed onderscheiden. Ik zal het Leif even gaan +vertellen." + +"Dat is een ijsberg, Edrik!" riep Leif uit. "Het verwondert mij dat +gij de ijsbergen vergeten zijt!" + +"Maar zij zien er heel anders uit. Ik dacht niet dat het een ijsberg +was." + +Daar riep kleine Nils uit: "Edrik, zie eens daar ginds!" en in +tegenovergestelde richting zagen zij nog zulk een ijsberg, die hen +met groote snelheid naderde. Leif gaf bevel om flink door te roeien +en weldra waren zij aan het dreigend gevaar ontsnapt en de Nagelfari +en de Sleipner ver vooruit. + +"Wat zou dat beteekenen?" riep Leif. "Zij schijnen het gevaar op de +Nagelfari niet te bemerken. Wat kunnen wij doen?" + +"Wij kunnen niets doen," zei een oude Noorweger, die de kust van +Groenland goed kende. "Al wat wij doen kunnen is voort te zeilen; +teruggaan zou ons noodlottig worden." + +"Is het leven mijns vaders niet meer waard dan het mijne? Wenden, +mannen!" riep Leif. + +Zelf nam hij het roer weer in handen en veranderde den koers, om den +ouden Eirik te kunnen helpen, als 't noodig was. + +Intusschen kwam de tweede ijsberg langzaam maar zeker nader. De +Nagelfari, Eiriks schip, kwam er hoe langer hoe dichter bij, terwijl +men op de Sleipner het gevaar bemerkt scheen te hebben, want daar +spande men alle krachten in om het te ontkomen. + +Leif zette voortdurend zijn mannen aan, ten einde zijns vaders +schip bij tijds te bereiken, maar Eirik scheen blind voor het nakend +gevaar. Te vergeefs gaf Leif signalen op zijn horen; zij schenen door +de bemanning van de Nagelfari niet opgemerkt te worden. + +Ten laatste bemerkten zij toch het gevaar en de mannen roeiden wat +zij konden, maar toch naderden zij hoe langer hoe meer den ijsberg, +in plaats van er zich van te verwijderen. + +Daar kwam de Rolf-Krake met Leif aan boord. "Red u vader!" riep +hij. "Spring in zee. Komt allen hier; er is plaats genoeg!" + +Eirik zag hoe de ijsbergen dreigden het schip te verbrijzelen, en +hij sprong in zee, gevolgd door zijn bemanning. Hun werden touwen +toegeworpen, en spoedig stonden al de vermoeide mannen van de Nagelfari +veilig op het dek van de Rolf-Krake.... allen, behalve Eirik, die, +toen hij trachtte een touw te vatten, misgegrepen had en weer in het +water was teruggevallen. + +Uitgeput als hij was, had de oude krijger geen kracht meer het touw +te grijpen, dat men hem nogmaals toewierp. Leif riep angstig uit: +"Grijp het touw! Houd vast, vader!" en hij begon zich reeds van zijn +zware wapenrusting te ontdoen om zich in het water beter te kunnen +bewegen, toen men plotseling een plomp hoorde. De hond,--nu een jaar +ouder, dan toen hij uit het pas ontdekte land kwam--had het kleed +van graaf Eirik tusschen zijn tanden gevat en hield hem boven water. + +Deze hulp herstelde Eirik en gaf hem zijn vertrouwen terug. Nogmaals +werd hem een touw toegeworpen; dezen keer greep hij het, doch hij +kon het niet goed vastmaken, hoewel de hond hem nog altijd boven +water hield. + +Daar naderde Edrik, stevig aan een touw bevestigd, de plaats waar man +en hond met den dood worstelden. Hij slaagde er in het touw stevig +om Eirik vast te maken, en zoo werd de oude graaf veilig aan boord +getrokken. + +Terwijl dit gebeurde zwom de hond geduldig rond. Edrik bond nu het +touw om zijn middel, nam den hond in zijn armen en liet zich zoo aan +boord trekken. Het was hoog tijd: de roeiers grepen met alle kracht +de riemen; twee mannen aan iederen riem en de Rolf-Krake vloog over +de golven, terwijl de Nagelfari het ijs naderde en een zeker verderf +te gemoet ging. + +"Roeit voort, mannen!" riep Leif, "wij moeten beproeven te ontsnappen!" + +Wat roeien zij snel! Daar nadert hen de tweede ijsberg. Kunnen zij nog +ontkomen? Gelukkig zijn zij het eind van de reusachtige massa voorbij, +die snel tegen de andere komt aandrijven. Daar stooten beide bergen +tegen elkander met een knal als van zwaar geschut. De achtersteven +van de Rolf-Krake heeft toch nog iets te lijden, maar het schip is +behouden. Het vaartuig van graaf Eirik echter is geheel verbrijzeld. + +"Kijk eens naar dien hond, Leif! Hebt gij ooit in uw leven zoo'n dier +gezien? Nog geen twee jaar oud en toch redt hij mij het leven. Het +is alsof hij, evengoed als wij, weet wat wij zeggen!" + +De krijgslieden keken verbaasd dat de oude Eirik zich zoo aan zijn +blijdschap overgaf, hij, die volgens zijn geloof zoo onverschillig +moest zijn voor leven of dood. Njord liet geduldig toe dat de oude +man hem liefkoosde. + +"Dat was bij het kantje af, Nils!" zeide Edrik. + +"O, ik geloof dat zoo iets wel eens meer gebeurt. Gelukkig dat de +Sleipner het nog ontkomen is, en geen menschenlevens te betreuren +zijn!" + + + + + + + +VIII. + + +Den volgenden dag kwamen de Sleipner en de Rolf-Krake weer bij +elkaar, en onderscheidde Osrik de kust van Groenland. Men ankerde +in Eiriks-fjord, en spoedig bood de gastvrije tafel van den ouden +krijger den gasten de spijzen aan, die hij wist dat hun 't liefst +waren. De vrouwen vonden het zeer aangenaam weer eens aan land te zijn, +en Njord maakte allerlei dolle sprongen. + +De kleine kolonie verheugde zich in de geschenken, die hun met de +schepen uit Groenland waren toegezonden, doch nu was het de vraag, +wie mede zou gaan naar het nieuw ontdekte land en wie op Groenland +zou blijven. + +Eirik, de Roode, belegde een vergadering en daar werd besloten dat hij +zich aan boord van de Sleipner zou inschepen, en den tocht zou leiden, +doch eerst drie dagen na de vergadering. Door Christenen en Heidenen +werd de zegen van het Opperwezen afgesmeekt op hun onderneming. + +Toen die dag kwam werden de Rolf-Krake en de Sleipner naar Eiriks-fjord +gebracht; daar zouden Eirik en zijn zoon zich in alle plechtigheid +inschepen. De oude graaf besteeg zijn paard en gevolgd door zijn zoon, +reed hij aan het hoofd van den optocht. Op hem volgde Thorfinn op een +prachtig oorlogsros en naast deze, op een melkwit paard, reed zijn +vrouw Guthrida. Achter hem kwamen de krijgslieden, die drie aan drie +reden, en deze werden weer gevolgd door de vrouwen. + +Op het oogenblik dat zij de plaats der inscheping bereikten, werd +het paard van Eirik onrustig, steigerde en wierp zijn berijder +af. Leif sprong dadelijk toe om zijn vader te helpen, die door den +val bewusteloos scheen, zoodat zijn zoon eerst dacht dat hij dood +was; doch hij kwam spoedig weer bij en stond statig en trotsch als +te voren voor zijn zoon, dien hij aldus aansprak: + +"Neen, Leif! ik blijf hier. Ik houd dit voor een teeken dat mijn dagen +als zeeman en krijger geteld zijn. Ik wil de goden niet verzoeken. Ga, +mijn zoon! en neem met u mijn twee volgelingen, die ik het meest +op prijs stel; mijn jager Thorhall en mijn Duitschen hofmeester +Tyrker. Thorhall zal u van dienst zijn bij het vervolgen van het +wild, en Tyrker is bekwaam en slim. En gij Thorfinn! neem zooveel +mijner mannen met u als wenschen uit te zeilen. Mogen de goden u +allen beschermen!" + +Allen waren afgestegen en hadden zich rondom Eirik geschaard. Zelfs de +Christenen waren van meening, dat hij een duidelijk teeken had gehad, +dat zijn tocht door de Voorzienigheid niet goedgevonden werd. Er +waren er zelfs onder, die dachten dat het teeken voor hen allen +bestemd was. Leif en zijn vader gaven dezen verlof om te blijven, +maar al de anderen scheepten zich in, ook Thorhall en Tyrker. Oude +Eirik keek de drakenschepen na, zoolang hij ze maar eenigszins zien +kon, en toen keerde hij zwijgend naar de hal terug. + +Intusschen spoedden de schepen zich voort. Edrik, Osrik en Nils +waren in een opgeruimde stemming, hoewel hun makker, de hond, was +achtergebleven om ouden Eirik wat op te vroolijken. + +Reeds na vijf dagen kreeg de Rolf-Krake het land in zicht dat het +eerst door Byarn was ontdekt geworden. De bemanning ging hier aan +land, maar vond geen zweem van plantengroei; niets dan een naakte, +kale vlakte, bedekt met groote platte steenen. + +Aan dit land gaf Leif den naam van Helluland, of het Land der platte +steenen, en daar het niets aanbood, dat hen kon verlokken om te +blijven, scheepten de reizigers zich weder in. + +Zij zeilden een dag langs de kust en kwamen toen aan een laag vlak +land, met talrijke zandige klippen, dicht begroeid met houtgewas. Hier +gingen zij nogmaals aan wal en zij noemden dit land Mark-land, nu +bekend als Nieuw-Schotland. + +Westwaarts langs de kust van het vasteland zeilende, merkten zij op, +dat een groot gedeelte van den grond bij eb geheel droog bleef. Zij +gingen aan land en vonden een rivier, die uit een meer kwam, en +in zee liep. Het land zag er zoo aanlokkend uit dat onze zeelieden +besloten eens te beproeven, hoe ver zij de rivier met hun schepen +konden opzeilen. Bij vloed konden zij gemakkelijk bij het meer komen, +en hier ontscheepten zij zich. Het meer, de kust, de bosschen, in +'t kort alles beviel Leif zoo, dat hij zijn voornemen te kennen gaf +hier den winter door te brengen. + +Men ging met ijver aan 't werk. Boomen werden geveld om de woningen +op te trekken. Het meer verschafte overvloed van heerlijken zalm, +de grond was vruchtbaar en de wouden waren vol vogels en men zag er +een groot aantal herten. + +Er verrezen nu spoedig huizen. De mannen vingen langs de kust zooveel +zeehonden, dat zij vellen genoeg hadden om er de hutten van binnen +mee te bekleeden. Zij begonnen met dit werk in het eind van Juni, +en voor het einde van Augustus waren zij klaar. De knapen hadden +hard meegewerkt en nu zond Leif hen met den Duitscher Tyrker op een +ontdekkingstocht uit. + +"Osrik! wij gaan nog meer land ontdekken," zeide Edrik. "Wij zullen +het Osdriksland, Nilsland of Edriksland noemen!" + +"Nooit Tyrkersland, als hij het 't eerste ziet. Hij is geen graaf, +niet waar jongens?" + +"Wees nu niet dwaas, Tyrker! Gij weet wel dat op IJsland alle menschen +gelijk zijn." + +Zoo sprekend wandelde het kleine gezelschap steeds voort +in zuidwestelijke richting, goed om zich heen ziende, om bij den +terugkeer den weg te kunnen vinden. Op den vierden dag van hun reis +was de voorraad levensmiddelen bijna uitgeput, en tot nog toe hadden +zij niets ontdekt; doch tegen den middag riep Edrik uit: + +"O, Tyrker, kijk eens! Wat zijn dat voor struiken?" + +De Duitscher keek in de richting, die Edrik had aangewezen. Hij liep +er vlug heen, en de jongens zagen hoe hij trossen met groote bessen +plukte, welke aan struiken groeiden. + +"Ik ben een Rijnlander, jongens!" riep Tyrker. "Ik zag dadelijk dat +dit een wingerd was." En hij ging voort van de druiven te eten en +drukte op luidruchtige wijze zijn blijdschap uit. + +De knapen waren verbaasd over de opgewektheid van den Duitscher, totdat +zij zelf de vruchten geproefd hadden. Zij waren koel en verfrisschend, +en stilden honger en dorst tegelijk. + +"Nu, Tyrker! gij moet deze plaats een naam geven!" + +"Noem dit land dan "Wijnland," als gij wilt. Maar wij moeten eenige +vruchten meenemen, anders zullen de anderen ons niet gelooven!" + +Hij sneed daarop eenige takken van de naastbij staande boomen, en zoo +waren zij in staat een groot aantal trossen te dragen, zonder dat de +vruchten beschadigd werden. + +Reeds den tweeden dag ontmoetten zij een afdeeling onder Thorfinn, +die ongerust was geworden over het wegblijven der knapen. Hij was even +verbaasd als de knapen over de ontdekking van Tyrker. In triumf gingen +zij naar de nederzetting terug, waar mannen en vrouwen zich verheugden +over den uitslag van den tocht. Leif vond de vruchten overheerlijk; +hij deed Tyrker verscheidene vragen, en omtrent den naam van het land +zei hij: + +"Ja, zoo zal het zijn. "Wijnland" zal voortaan de naam zijn van +dat paradijs." + +Er werd bepaald dat de eene helft der kolonie druiven zou gaan +inzamelen, terwijl de andere helft de vrouwen zou blijven bewaken, +doch toen zij Wijnland goed onderzochten, vonden zij er nog meer +dan druiven, namelijk een soort van koren, dat in de zon rijpte. Zij +sneden er wat van af, en brachten het bij de vrouwen, die verklaarden +dat het ruw, maar zeer goed koren was. Ook leerde Tyrker hun hoe zij +de druiven konden bewaren, en weldra hadden zij zooveel, dat zij niet +bevreesd behoefden te zijn dat zij geen voorraad genoeg zouden hebben +voor den winter. + +Groote toebereidselen werden er gemaakt voor de naderende koude, +maar toen de winter aanbrak, waren de IJslanders verwonderd dat het +zoo warm was. Wel is waar viel er sneeuw en was er wat ijs, maar was +dat nu winter! Het gras bleef groen, de rivier bleef stroomen en men +kon rondwandelen zonder de zware mantels van berenvel. + +"Wel," zei Leif Eirikson eens op een morgen tot zijn vrouw, "als dit +nu werkelijk is wat men het aardsche paradijs noemt, dan zijn wij de +gelukkigen, die het gevonden hebben!" + +Den geheelen winter werd druk gejaagd, en toen de lente aanbrak had +men nog niet veel lust de plaats te verlaten. Men wachtte tot het +zomer was, en toen gingen allen weer onder zeil naar de kust van +Groenland. Men had een goeden voorraad druiven, koren en vleesch aan +boord, zoodat men vooreerst niet voor den honger behoefde te vreezen. + +De reizigers hadden geen man verloren; integendeel, het troepje +was nog vermeerderd door de geboorte van een zoon van Thorfinn, +het eerste Europeesche kind, dat in Amerika geboren werd. Hij werd +"Snorri" gedoopt, en men zegt dat van hem de beroemde beeldhouwer +Thorwaldson en de niet minder beroemde taalkundige Magnusson afstammen. + +De zeilen werden geheschen en de drakenschepen vertrokken met een +stevige zuidwestelijke bries, die hun een spoedigen terugkeer naar +Groenland scheen te beloven; maar ongelukkig draaide de wind eerst +naar het noorden, en toen naar het oosten, zoodat zij heel wat moeite +hadden hun koers te vinden. + +Dit viel hun tegen, en het was des te erger omdat hun voorraad snel +begon te minderen. Zij verloren echter den moed niet, maar gingen +voort, zich richtend naar de sterren en dicht bij elkander blijvende. + +Op een morgen was Edrik boven in het kraaiennest. Het was een +prachtige, heldere dag, hoewel vrij wat kouder dan in Wijnland. + +"Ahoy, daar op dek!" riep hij. "Land vooruit!" + +"Kom beneden; ik zal eens naar boven gaan!" antwoordde Leif. Hij deed +zulks en zag de kust als een blauwachtig grijze, nevelachtige bank +vóór zich liggen. + +Groot was de opgewondenheid aan boord, toen tegen den avond het land +nabij genoeg was om het te herkennen als de noordwestelijke kust van +Groenland, en zij hier een wrak zagen. Dadelijk werd van de Rolf-Krake +een boot te water gelaten en Edrik, Nils en Osrik mochten met de +bemanning meegaan om Leif te berichten, welk schip daar schipbreuk +had geleden. + +De boot naderde en spoedig bemerkten de mannen dat aan het strand +menschen stonden. + +"Waar vandaan?" vroegen zij, toen zij dichtbij genoeg waren, en het +antwoord luidde: "Van Reikiavik!" + +Eenige riemslagen brachten hen aan land, waar Edrik tot zijn blijdschap +zijn vriend Thorward met zijn vrouw Freydisa benevens vijftien anderen +vond, en hij haastte zich Leif Eirikson van boord te halen. Dadelijk +volgde ook een boot van de Sleipner met Thorfinn en eenige zijner +mannen. + +Leif had ook Tyrker en den jager Thorhall met zich mee in de boot +genomen, en zoodra hij aan land kwam, zond hij den jager uit om te +zien of hij niet eenig wild kon schieten, dat hun tot voedsel kon +dienen; want men had nu zeventien monden meer open te houden. + +Freydisa vertelde hun, hoe zij, toen zij van het nieuw gevonden land +hoorde, haar echtgenoot had overgehaald een schip uit te rusten om +zelf zijn geluk te beproeven, en hoe hun schip, na drie dagen zeilens, +op deze kust schipbreuk had geleden. + +"Het is gelukkig dat wij u gevonden hebben," antwoordde Leif. "In +den winter hadt gij allen moeten sterven van koude en honger!" + +Twee dagen gingen met vruchteloos zoeken naar voedsel voorbij, maar +toen Edrik op den derden dag een gedeelte der kust onderzocht, waar +nog niemand geweest was, zag hij den jager Thorhall op een rots zitten, +bezig met verzen te zingen. Hij stond op toen hij Edrik zag en zeide: +"Ik ga met u mee; wij zullen spoedig voedsel krijgen." + +En waarlijk, toen zij naar de overigen terugkeerden, vonden zij eenige +mannen bezig een walvisch hooger op het strand te halen. + +Groote stukken werden gekookt, doch toen zij aan het eten waren +riep Thorhall: + +"Ha, ha! Thor is behulpzamer geweest dan uw Christus! Ik heb dien +walvisch gekregen door mijn verzen." + +Het gevolg van deze opmerking was dat de Christenen niet meer van het +vleesch aten, doch de overlevering, waaraan wij dit verhaal ontleenen, +deelt ons mede dat het weder spoedig zachter werd, en dat er geen +gebrek aan voedsel meer was, want er kwam overvloed van visch. Ook +werden er eieren gevonden, en dit met de druiven en het koren aan +boord, was voldoende, totdat zij weer in Eiriks-fjord terugkwamen. + +Wat was Edrik blij toen hij Njord terug zag. De hond was niet minder +verheugd en hij scheen den knaap eenige geheimzinnige mededeelingen +te doen, die Edrik volkomen scheen te begrijpen. + +Thorfinn gaf den ouden Eirik al het hout en de druiven, die hij aan +boord had, ten geschenke, en daarover was deze zoo verheugd dat hij +allen, zonder uitzondering, uitnoodigde den Joeltijd bij hem in de +hal te vieren, en dit was het vroolijkste Joelfeest, dat ooit op +Groenland gevierd werd. + + + + + + + +IX. + + +Freydisa had haar echtgenoot overgehaald de reis naar New-Foundland +te ondernemen, omdat zij niet kon velen dat Byarn zooveel roem en +eer behaalde, terwijl haar echtgenoot thuis zat, en niets deed. Om de +waarheid te zeggen, scheen deze het ook nu niet onaangenaam te vinden +een rustig Joelfeest onder Eiriks dak door te brengen en scheen hij +liever op IJsland beren te jagen, dan over den Oceaan te zeilen om +nieuwe landen te zoeken. Niet, dat hij bevreesd was, neen, hij kende +de vrees evenmin als de oude Eirik, maar hij was niet eerzuchtig en +wenschte slechts dat zijn vrouw wat huiselijker was. + +Toen de lente echter naderde, besloot hij naar Reikiavik terug te +keeren. Zijn vrouw stemde slechts met weerzin toe en Leif besloot zich +met de knapen bij hen te voegen. Hij nam met zich Thorhall en Tyrker, +benevens de vijftien mannen, die zij op de kust hadden gevonden. + +Te Reikiavik was er droevige tijding voor Edrik. Zijn vader was ten +gevolge van een val van zijn paard gestorven. Zijn moeder Thorfrida +en Magni--een der grootste hoofden van het eiland--waren benoemd tot +Edriks voogden. Bovendien kreeg zijn vriend Thorward een uitnoodiging +van het Noorweegsche hof, die Freydisa hem niet kon verhinderen aan +te nemen. + +Na zijn vertrek werd Edrik aan Gigur toevertrouwd, die hem verder +zou onderwijzen, terwijl de oude krijgsman, Thorold, aangewezen werd +om hem in de behandeling der wapenen te bekwamen. Zijn reizen hadden +zijn kracht ontwikkeld, zoodat op het eind van het jaar geen jongen +van zijn leeftijd, en zelfs maar weinig ouderen, zich met hem in +'t redeneeren of worstelen konden meten. + +De meesten hielden van Edrik om zijn openhartigheid, maar één was er, +die hem haatte, en dit was niemand anders dan Thorhall, de jager. Dat +een knaap, zooals Edrik, zooveel dapperheid aan den dag legde en +daarbij zulk een goed Christen was, dat wekte den wrok op van den +ouden heiden. + +Nu woonde dicht bij Helgafels een jongere zoon van Eirik, den Rooden, +een man, die lang zoo dapper niet was als een edelman behoort te +zijn. Eirik had hem verstooten, omdat hij zich lafhartig gedragen +had, en de naam Ulf mocht in zijn tegenwoordigheid zelfs niet genoemd +worden. + +Ulf was een priester van Thor, doch hoewel hij niet bepaald verbannen +was, werd deze zoon van Eirik toch door alle IJslanders vermeden, +behalve door de tooveressen. Onder dezen had de moeder van Freydisa +hem de meeste vriendschap betoond, en velen dachten, dat zij trachtte +een huwelijk tot stand te brengen tusschen hem en haar dochter. + +Ulf was nu en dan de gast in Thorwards huis, en daar verveelde +men hem dikwijls met lofspraken op den afwezigen Edrik. Eens toen +Freydisa hem weer op een lange lofspraak op zijn neef had onthaald, +ging Ulf heen, innerlijk woedend. Zoodra hij alleen was, stampvoette +hij van boosheid en riep hij Thor aan om hem aan een middel te helpen, +om Edrik uit den weg te ruimen. + +Daar trad de jager Thorhall uit het bosch te voorschijn. "Zoekt de +oom zijns vaders meest geliefd kleinkind te dooden?" vroeg hij lachend. + +"Ik ben blijde u te zien, Thorhall! Op mijn eer als graaf, ik wenschte +juist iemand te hebben om eens mee te kunnen spreken!" + +"Als gij den buit eerlijk met mij wilt deelen, zal ik u zeggen, +hoe gij u op uw neef kunt wreken en even rijk worden als uw broeder!" + +"Ontvouw mij uw plan!" + +"Wacht even; eerst moet ik uw eed hebben in tegenwoordigheid van een +priester van Thor, zoodat ik zeker ben dat gij mij niet zult verraden! + +"Ik ben zelf een priester van Thor." + +"Ga met mij mee naar Helgi Fostigson; hij is op het oogenblik bij de +tooveres Geirrida." + +"Wil zij ons helpen?" + +"Gaarne, want zij haat de Christenen, die den menschen leeren geen +vertrouwen in haar te stellen." Zoo sprekende bereikten de twee mannen +de woning van Geirrida, een groot en ruim gebouw. Zij traden binnen, +en vonden de vrouw spinnende en omringd door haar maagden. Een oude +man, met sneeuwwitten, baard en lokken, zat op een hooge bank, doch +toen Ulf en Thorhall binnentraden, stond hij op en zegende hen. + +"Neem plaats op de daïs," zeide Geirrida tot Ulf. "Gij, Thorhall! neem +dezen zetel. Asdissa, vul twee hoorns!" + +Ulf dronk en deed zijn verhaal, vol haat en afgunst, terwijl Thorhall +er nu en dan een woord tusschenvoegde. Toen hij eindigde sprak Helgi, +de priester, hem op plechtigen toon aan: + +"Uw huis staat dicht bij den tempel, waar wij beiden Thor dienen. Wij +moeten toebereidselen maken om Hem een offer te brengen, en daarna +Freydisa tot ons overhalen; want zij is machtig, zij heeft heksenbloed +in de aderen. + +"Als het offer aan Thor gebracht is en als de teekens gunstig zijn, +zal ik mijn plan ontvouwen," zeide Geirrida. "Wanneer zal de groote +plechtigheid ter eere van Thor plaats hebben, priester?" + +"Op zijn eigen dag, natuurlijk! den dag des donders. Morgen is het +de dag van Odin en dan komt de dag van Thor, de Donderdag, dan zult +gij mij vinden onder den offersteen." + +"Maar Donderdag kan ik geen offer gevonden hebben; wel de volgende +week." + +"Goed," zei Helgi. "Nu over andere zaken. Wat denkt gij er van met +Edrik naar het nieuw gevonden land te gaan en hem daar uit den weg +te ruimen?" + +"Ik ben geen reiziger en gaf er nooit veel om, het pad der zeekoningin +te betreden. Ik blijf liever thuis; de rijke dalen en woeste heuvels +van IJsland hebben meer bekoorlijkheid voor mij." + +Priester en tooveres konden nauwelijks hun verachting bedwingen maar +er viel hier geld te verdienen, daarom prezen zij de wijsheid der +redeneeringen van Ulf. + +Deze en de jager bleven dien nacht daar, en vertrokken den volgenden +morgen naar Ulfs woning, die op ongeveer vijf mijlen van den +wereldberoemden tempel stond, die nog op de vlakte van Helgafels te +vinden is. + +Hij bestaat uit reusachtig groote steenen, die overeind staan en +een cirkel vormen rondom den middengroep, bestaande uit twee recht +overeind staande steenen, waar over een derde ligt, zoodat daardoor +een soort van tafel gevormd wordt. Op deze tafel werden de slachtoffers +gebonden neergelegd, en hier vloeide hun bloed. + +Het was de dag van Thor, den Donderaar, een heerlijke Junidag, en +Ulf liep op den weg, die van zijn woning naar den tempel voerde. Hij +was niet alleen; Thorhall, de jager, was bij hem. Tusschen hen in +liep Tyrker, die nog eenige vriendschap voor Ulf gevoelde, omdat hij +toch Eiriks zoon was. Achter hen liepen nog eenige mannen. Zij hadden +gehoord dat Thor een offer gebracht zou worden, en haastten zich om +bij de toebereidselen te helpen. Men vertelde elkander fluisterend +dat bij deze gelegenheid een Christen geofferd zou worden. + +"Het kan nog nauwelijks Dondersdag genoemd worden," zei Tyrker, +"want het is nacht. Wij zullen nog wel bijtijds te Helgafels komen +om de plechtigheid bij te wonen, en het slachtoffer te redden." + +"Ja," zei Ulf, "wij hebben nog ruim den tijd, maar alles zal afhangen +van het aantal geloovigen, vergeleken met dat der Christenen." + +"Het is een afschuwelijke gewoonte," zei Tyrker. + +"Gij weet, Tyrker! dat ik zelf een priester ben, en op dit punt het +niet geheel met u eens kan zijn. Het is ongetwijfeld niet aangenaam +voor het slachtoffer, maar bij Thor! het is niet erger dan de dood +op het slagveld!" + +Zoo sprekend waren zij den tempel genaderd, waar reeds vele mannen +verzameld waren. De priester stond gereed met zijn offermes; een +andere priester, van lageren rang, hield een hamer in de hand, +waarmee de ledematen van het slachtoffer gebroken moesten worden. + +Bij de komst van Ulf met zijn mannen klonk een gemompel van +blijdschap. De krijgers sloegen herhaaldelijk met hun reusachtig +groote zwaarden op de schilden. Een wild, wondervol gezang werd +aangeheven. Het verhaalde van Thors avonturen met de reuzen, en hoe +hij hun zijn strijdhamer naar het hoofd wierp, en hun zwart bloed +over de aarde deed vloeien. + +"Zij zullen zeker slechts een deel der plechtigheid verrichten," +zei Tyrker. "Zeg mij, waar is het slachtoffer?" + +"Hier!" riep Ulf, en hij greep den verbaasden Tyrker aan en trachtte +hem op den grond te werpen. Doch deze was niet zoo licht te overmannen; +hij was veel beter krijger dan Ulf, en wierp zijn tegenstander met +geweld ter aarde. + +"Ik dacht niet dat ik uws vaders zoon ooit zoo ruw in het stof zou +werpen," zeide hij hijgend. + +De priester Helgi gaf een teeken, en Thorhall benevens een +tempeldienaar grepen Tyrker aan; de krijgslieden mochten het +slachtoffer niet aanraken. Uitgeput werd hij ten laatste door beiden +naar den altaarsteen gesleept. Hier werden door Helgi en zijn helpers +touwen neergelaten, waarmee Tyrker naar boven werd geheschen; maar +juist toen hij den noodlottigen steen had bereikt, werd het geluid der +hoefslagen van galoppeerende paarden gehoord en spoedig verscheen een +troep goedgewapende krijgslieden met Thorward aan het hoofd. Naast +hen reed het opperhoofd Magni, die, met zijn wapenrusting aan en +met den gouden helm op het hoofd tot voor den altaarsteen reed, +en op een toon van gezag sprak: + +"Houdt op!--Ik kondig hier de nieuwe wet af, die ten strengste +verbiedt dat menschen aan de goden geofferd worden. Daarenboven is +Tyrker een vriend van IJsland. Laat hem los, priester! of bij St Paul, +ik doorboor u met mijn lans!" + +Verscheidene heidensche krijgslieden ontblootten hun zwaarden, +doch velen onder hen bewoonden grond, die aan Magni behoorde, en +allen moesten de geldigheid erkennen van een wet, door hun eigen +wetgevers gemaakt. + +De altaarsteenen werden bestormd. Tyrker werd van zijn banden +bevrijd en op een paard geplaatst, en spoedig verdwenen de ruiters, +den laatsten man met zich voerend, dien de Scandinavische heidenen +op hun altaarsteenen trachtten te offeren. + +Laat ons naar Geirrida terugkeeren. Zooals gewoonlijk zit zij +te spinnen, omringd door haar maagden. Buiten hoort men naderend +hoefgetrappel. Zij houdt op en zegt: + +"Ga, Asdisa! maak de buitendeur open en breng de honden tot +bedaren. Het is graaf Ulf met Thorhall. Goden mijner vaderen! dat +Eirik zulk een laffen zoon moest hebben! Maar laat hem binnen, +Asdisa! er is geld aan hem te verdienen." + +Kort daarop zat Ulf op de hooge bank bij de heks en deed verslag +van het mislukte offerfeest. Na den maaltijd vertrokken de maagden, +en Ulf, Geirrida en Thorhall gingen beraadslagen. + +"Wij moeten ons niet laten verslaan. Thor is ons gunstig gestemd, +maar er is een machtige invloed aan 't werk!" + +"Zeg mij uw plan en al wilde niemand anders mij helpen dan de +verstooten Loki, toch zou ik hem dadelijk aanroepen. Hoorde ik daar +iets bewegen?" + +"Zoek, als gij wilt, maar er kan niets zijn. Niemand is in huis dan +mijn maagden." + +Ulf stond op en keek achter de zware tapijten, die de kale +wanden bekleedden, maar hij vond niets dan de deuren, die naar de +vrouwenvertrekken geleidden. + +"Er bestaat een wet," zoo begon Geirrida, "die uit Noorwegen hierheen +is overgebracht. Die wet zegt: als een oudere broeder sterft en een +jongere broeder blijft onverzorgd achter, dan moet het land en alles +wat hij achterlaat in twee gelijke deelen verdeeld worden. De eene +helft is voor de kinderen, die hij mocht achterlaten, en de andere +helft voor den jongeren broeder." + +"Bij Thor's baard! gij verbaast mij. Als dit waar is zal ik u goed +beloonen!" + +"Als gij het rechtsgeding tegen uw neef wint, krijgt gij alles wat +gij bezit door mij. Zonder mij zijt gij verloren. Zelfs de rechter +zou zich van u afkeeren, en gij zoudt er nog slechter aan toe zijn +dan nu. Voordat ik je help moet gij mij te Reikiavik voor twaalf +getuigen zweren, dat gij mij de helft zult geven." + +"Wel, dan zou ik slechts een vierde van mijns broeders rijkdom +ontvangen!" + +"Dat is toch beter dan uw tegenwoordige armoede; op geen andere +voorwaarden wil ik u helpen. Denk er over en kom over tien dagen terug, +gereed om met mij naar Reikiavik te rijden. Ik heb gezegd!" + +Zoodra Ulf en Thorhall vertrokken waren riep Geirrida om Asdisa, +en vroeg haar of een der maagden ook geluisterd had. + +"Zeker niet. Waarom vraagt gij dat?" + +"Omdat die hond vreesde dat hij iemand achter de tapijten hoorde." + +"Ik zou kunnen zweren dat geen der andere meisjes de vertrekken +heeft verlaten...." + +"Genoeg, mijn kind! ik ken u. Maar wat is er? Hebt gij mij iets +te vragen?" + +"Mag ik naar mijn moeder gaan; ik verlang zoo naar haar!" + +"Wel, ga dan, maar zeg geen woord van Ulf of van wat gij weet van +zijn plan. Als het slaagt zal het ook goed zijn voor u! Ik geef u +zeven dagen, dan hebt ge al den tijd om weer tot mij terug te keeren." + +Asdisa zadelde een der paarden en 's avonds had zij het huis harer +moeder bereikt; het lag veertig mijlen van Reikiavik. + +Alfrida was Christin en het bedroefde haar dat zij door den nood +was gedwongen haar dochter bij de rijke tooveres Geirrida te laten; +toch leerde zij haar dochter de waarheden van het Christendom kennen. + +Asdisa was een goed meisje en hoewel zij haar moeder nooit iets +verhaalde van alles wat bij Geirrida aan huis voorviel, waarschuwde +zij haar toch, als het welzijn der Christenen bedreigd werd. + +"Ach, moeder!" zoo begon Asdisa, "mijn lot is zoo hard. Geirrida +houdt van mij en ik kan mijn meesteres niet verraden en toch kan ik +niet waar en oprecht jegens u zijn als ik het niet doe!" + +"Eens hebt gij het leven van een braaf man gered. Het was gelukkig +dat kleine Nils hier was en dat hij naar Reikiavik kon gaan om graaf +Magni te vertellen, in welk gevaar Tyrker verkeerde." + +"Ja, moeder! maar het is zoo slecht om achter de tapijten te sluipen +en te luisteren." + +"De tijd zal spoedig komen dat gij haar kunt verlaten. Gaat het +geheim, dat gij mij te vertellen hebt, alleen u zelf aan of betreft +het de Christenen?" + +Het meisje vertelde nu, hoe Geirrida de oude wet gevonden had +betreffende het land en de eigendommen, nagelaten aan zoons van +personen, die onverzorgde broeders hadden. Haar moeder nam haar hand +en zeide: + +"Graaf Sigvald was de beste van alle menschen. Hij had de rondheid van +zijn vader, maar verzacht door het Christendom. Ik was een slavin, uw +vader was een bondsman, doch toen graaf Sigvald hoorde dat wij elkander +lief hadden, schonk hij ons de vrijheid en gaf ons een gedeelte lands +in eigendom. Het ging ons goed, doch zeeroovers verbrandden ons huis, +voerden het vee weg en vermoordden uw vader. Sigvald bouwde toen dit +huis voor mij en leerde mij op God vertrouwen. Als het in onze macht +is Sigvald's zoon te helpen, is het onze plicht het te doen. Gij moet +naar Groendal rijden om Thorfrida te spreken en daarna moet gij zoo +spoedig mogelijk naar Reikiavik gaan om graaf Magni te waarschuwen +voor het gevaar, dat Edrik bedreigt." + +Den volgenden morgen kwam het meisje te Groendal aan, waar zij hoorde +dat Edrik den vorigen dag was afgereisd om een bezoek te brengen aan +koning Olaff Tryggvason in Noorwegen. + +"Lieve Asdisa!" zeide Thorfrida "gij zijt wel goed zooveel moeite +voor ons te doen. Het was Sigvald's liefste wensch dat Edrik de +erfgenaam zou zijn zijner landen, van deze hal en van gindsche +wapenrusting. Haast u dus naar graaf Magni, maar neem ter gedachtenis +van mij dezen gouden armband aan. Ga, mijn hofmeester zal u er heen +geleiden." + +Den volgenden morgen vertrok Asdisa en bereikte spoedig het huis van +graaf Magni, die haar vriendelijk ontving. + +"Ik vrees," zei hij, "dat als Ulf Eirikson zijn zaak voor de Ting gaat +bepleiten, al de rijkdom, dien Edrik nu bezit, de zijne zal worden, +ten minste de helft er van. Ulf is een schurk, doch gij zijt een +braaf en dankbaar meisje en ik laat u niet onder de heidenen terug +keeren. Ik zal u als mijn dochter aannemen; wacht, ik zal er met mijn +vrouw over spreken." + +Graaf Magni was van edele Noorsche afkomst, en de rijkste man van +IJsland; ook was hij Opperrechter, wiens oordeel in den tijd, waarvan +wij spreken, beslissend was. + +Hij had intusschen zijn vrouw binnengeleid. Zij keek het meisje +goedgunstig aan en zeide: + +"Wij nemen u als onze dochter aan; uw moeder zal onze zuster +zijn. Als zij naar Reikiavik wil komen, zullen wij haar huis on land +schenken. Maar gij moet bij ons wonen, hoewel gij haar natuurlijk +bezoeken moogt zoo dikwijls gij wilt." + +De graaf zond een dienstman rond om al zijn vrienden voor den volgenden +dag bijeen te roepen. Op het feest nam hij water uit een kom en +sprenkelde het op Asdisa's hoofd, en hij noemde haar in 't openbaar +zijn dochter. Hij zond haar vervolgens met een stoet dienaars naar het +huis harer moeder terug. Deze, die de plannen van graaf Magni begreep, +vond alles goed, en verheugde zich in de gelukkige vooruitzichten +van haar kind. + +Hoe raasde en tierde Geirrida! Zij riep Thor en Odin en al de goden en +godinnen te hulp om dit verraad te straffen. "Maar," riep zij woedend +uit, "zeg Magni dat Edrik een bedelaar is, dat de stad Reikiavik +binnen drie maanden overstroomd zal worden door een Geijser, die ik +in haar midden zal doen ontspringen, en het kokende water zal door +de straten stroomen!" + +Geirrida spaarde geen kosten om de grootste rechtskundigen te krijgen, +niet alleen van het eiland, maar ook uit Noorwegen. Ulf was verbaasd +over haar mildheid en zeide tot Thorhall: + +"Er zijn zeker schatten verborgen te Groendal; zij is dat door tooverij +te weten gekomen en hoopt er haar aandeel van te ontvangen. Ik zal +voor de rechters verklaren dat ik haar maar een vierde schuldig ben, +en lang voordat de tijd der betaling aanbreekt, zal ik haar doen +veroordeelen wegens tooverij." + +Thorhall was somber gestemd. Hem beviel dit leven niet; hij verlangde +naar een leven van strijd, naar gevaarlijke tochten. Hij wendde zich +dus af en zeide: "Slim, maar schurkachtig!" en verviel toen weer in +zijn vorige neerslachtigheid. + +Magni zond boodschappers naar Noorwegen om Edrik te halen. Hij kwam, +vergezeld door Osrik, die een stoet schitterend gekleede bedienden met +zich bracht, want Osrik was op zijn manier een pronker geworden. Hij +droeg een zwaard met gouden gevest; zijn schild was blauw en rijk +verguld, en zelfs de greep van zijn speer schitterde van goud! + +Edrik daarentegen droeg een donkerbruin kleed zonder eenig versiersel; +de banden om zijn beenen waren van de gele kleur van het leder, zonder +eenige beschildering. Zijn mantel was blauw maar zonder gekleurden +rand. Toen men hem vroeg, waarom hij zulk een eenvoudige kleeding +droeg, antwoordde hij: "Mijn oom wil het land nemen dat mijn vader +bezat; als hij daarin slaagt ben ik arm en ik weet dus niet welk lot +mij wacht." + +Doch Ulf verheugde zich over dat vertoon van armoede; hij dacht dat +al het geld, dat Edrik met zich mee naar Noorwegen had genomen, was +opgemaakt en het rechtsgeding dus van zijn kant niet met veel kracht +gevoerd zou kunnen worden. + +De dag was bepaald en daar het een belangrijke zaak gold, was de +toevloed van volk zeer groot. In het rond was een cirkel gemaakt +van in den grond gestoken hazeltwijgen, waaraan sneeuwwitte +koorden waren bevestigd. Op den steen des oordeels zat Magni; +aan zijne voeten stonden de zetels van hen, die als rechtskundigen +optraden. Daarop volgde een andere kring van zetels, waar twaalf +rechters uit elk kwartier van het eiland zaten, die een soort van +jury vormden. Daarachter zaten weer de getuigen, die daar kwamen om +onder eede te bevestigen dat, hetgeen gezegd werd door elke partij, +de waarheid was. + +Aan Magni's rechterhand stonden twee zetels, voor Edrik en Thorfrida, +terwijl aan zijn linkerhand twee dergelijke zetels stonden voor Ulf +en Thorhall. Daar er onder de getuigen zoowel Christenen als heidenen +waren, was de priester van Reikiavik zoowel als Helgi Fostigson van +Helgafels er bij tegenwoordig. + +Het pleiten duurde lang. Er werd bewezen dat Ulf een slecht karakter +had, en er werd aangevoerd dat daar Eirik, de Roode, hem verstooten +had, dit een bewijs was dat hij niet waard was om te erven. + +Hierop werd geantwoord dat in de wet van geen karakter gesproken +werd. Dat Ulf Eirik's zoon was, werd door niemand betwist; dat hij +niets bezat maakte dat hij met te meer recht aanspraak op de erfenis +kon maken. + +Rechtsgeleerden uit Noorwegen bespraken de wet, en na vijf dagen lang +alles aangehoord te hebben, sprak Magni het oordeel uit. De helft van +wat Edrik bezat, moest hij aan Ulf afstaan, of hij moest het binnen +drie jaar van hem kunnen terug koopen. + +"En het ziet er niet naar uit dat dit ooit gebeuren zal," schimpte Ulf. + +"Waar gaat gij heen, mijn jongen?" vroeg Magni aan Edrik, toen het +rechtsgeding was afgeloopen. + +"Ik ga naar huis om het eigendom mijner moeder bijeen te brengen. Gij +moet zorg voor haar dragen, graaf Magni! want ik ga naar Wijnland +met Thorward en Freydisa." + + + + + + + +X. + + +Thorfinn had besloten nog een tocht te wagen, om te onderzoeken of +er in New-Foundland ook menschen woonden. Op aandringen van Freydisa +had Thorward zich bereid verklaard aan den tocht deel te nemen. + +Op de openbare vergadering vroeg Thorfinn aan Leif of hij hem de +hutten verkoopen wilde, die hij twee jaar geleden aan den oever van +het meer had gebouwd. Leif scheen er eenigszins aan gehecht te zijn, +doch hij stond Thorfinn en de anderen toe ze te gebruiken om er in +te overwinteren, op voorwaarde dat zij de mogelijke schade zouden +herstellen. Leif zelf ging niet mede; zijn vader werd oud en hij vond +het zijn plicht bij hem te blijven, maar zijn schip wilde hij gaarne +geven, als hij daarmede de anderen helpen kon. + +Dit geschenk werd met vreugde aangenomen. De Sleipner was gereed om +zee te kiezen; Thorward had een Deensch schip, de Gefion gekocht, +zoodat er nu drie vaartuigen waren om de Noormannen naar het westen +over te brengen. De Sleipner was nu het eigendom van Thorfinn en een +rijk opperhoofd, Thorold Gamlason genaamd, doch nu zij de Rolf-Krake +ten geschenke kregen, nam Thorfinn het bevel daarvan op zich en +Thorold over de Sleipner. + +De jager Thorhall begaf zich op de Gefion; Edrik en Nils scheepten zich +in op de Rolf-Krake en zij waren zeer verheugd onder Thorfinn te varen. + +Niet alleen namen IJslanders deel aan den tocht, er waren ook +Noorwegers, Zweden en Denen onder. Onder de eersten bevonden zich twee +broeders, Helgi en Finnbogi genaamd, die bekend waren als bekwame +zeelieden en uitmuntende bevelhebbers. Er werd bepaald dat de drie +schepen naar Markland en Wijnland zouden zeilen, en dan naar IJsland +zouden terug keeren met den uitslag van hun pogingen. + +In 't geheel waren er honderd zestig mannen en vrouwen, overvloedig +voorzien van vee en levensmiddelen. De Rolf-Krake zeilde het eerst +uit met Leif aan boord, die naar zijn vader in Groenland terug keerde. + +Er gebeurde niets bijzonders op den overtocht. Op de schepen bevonden +zich vrouwen genoeg, zoodat de krijgslieden goed bediend werden. Elken +dag werd wijn en mede gedronken, terwijl geregeld bij het middagmaal +groote stukken gezouten of gerookt beren- of geitenvleesch werden +voorgediend, evenals in de hal van een rijke op het land. + +Er werden geen raven uitgezonden om den afstand van het land te +bepalen, want Thorfinn was een bekwaam zeeman, en vier dagen na hun +vertrek wierpen de drie schepen het anker in Eiriks-fjord. + +Oude Eirik stond zelf op de kust om naar de naderende schepen te +kijken. Njord was zoo groot geworden, dat iedereen er verbaasd over +was, en hij was bijna even beroemd als de oude graaf zelf. + +"Njord, mijn jongen!" zei Eirik, "spoedig komt uw rechtmatige meester, +dan zult gij den ouden man alleen laten en je bij den jongere voegen." + +Njord keek Eirik verstandig aan en ging op zijn achterpooten staan, +en legde zijn voorpooten op Eiriks schouders, die lachend zeide: "Gij +zijt bijna te verstandig voor een hond. Wat zegt gij er van, Bersison?" + +De aldus aangesproken krijgsman antwoordde: "Het is een wonderlijke +hond; dezen winter heeft hij minstens tien menschenlevens gered!" + +Toen men op de Rolf-Krake het zeil streek, was Njord buiten zich zelf +van blijdschap. Voordat het schip kon landen, sprong hij in het water +en zwom snel naar dat gedeelte van het schip, waar Edrik stond. Deze +had zijn speer en werpspiets gegrepen, en stond daar als een toonbeeld +van een jongen krijgsman. + +Thorfinn sloeg den knaap aandachtig gade, om te zien welk gevoelen +in hem de bovenhand zou krijgen--zijn genegenheid voor den hond +of zijn gevoel voor krijgstucht. Dit laatste behaalde de overhand, +en verheugd zeide Thorfinn: + +"Werp dien hond een touw toe, Edrik Sigvaldson! Ik zou wel eens willen +weten of hij weet hoe het te gebruiken." + +Met aandacht keken allen naar deze vreemde proefneming, doch Njord +kon niet goed blijven vasthouden terwijl men hem optrok, en viel in +het water terug. Edrik dacht aan de haaien. Hij nam zijn werpspiets +en wierp haar met zooveel kracht, dat zij diep in den stam van een +boom bleef zitten. + +"Halen, Njord!" riep hij toen. + +De groote hond keerde zich snel om en zwom naar land, juist bijtijds, +want men zag de vin van een Groenlandsche haai boven het water +uitsteken. De hond was gered! Njord greep de speer tusschen zijn +tanden, maar Edrik had haar met zooveel kracht geworpen, dat de hond +er niet in slaagde haar er uit te trekken, voordat de krijgers aan +land waren gestapt. Eirik heette hen welkom in Groenland. Allen gingen +gezamentlijk naar de hal, waar de tafel gastvrij gedekt werd. + +Het belangrijkst onderwerp van gesprek was het rechtsgeding tusschen +Ulf Eirikson en Edrik. Eirik was buiten zich zelf van woede. "Mijn +zoon?" riep hij uit, "ik schaam mij dat deze zoon, deze Ulf, mij +geboren werd. Ik heb hem verstooten en voor altijd onterfd. Wat Ulf +gedaan heeft, wil ik niet zeggen; het is voldoende als ik u zeg dat +hij schande en oneer over mijn grijze haren heeft gebracht. Edrik! aan +u de zorg uws vaders bezittingen terug te krijgen!" + +Deze woorden waren juist geschikt om de Noormannen tot in het diepst +van hun hart te treffen. Zij brachten den nacht aan wal door en des +morgens namen zij afscheid van Eirik en Leif. Allen gingen aan boord, +lichtten het anker en vervolgden hun weg naar New-Foundland. + +Het eerst zeilden zij langs de kust van Groenland, tot dat zij aan de +plaats kwamen waar Thorward en zijn vrouw waren gered. Toen zeilden zij +vier dagen naar het zuiden tot aan de boschrijke kusten van Markland, +waar zij een beer doodden. + +Zij zeilden nu verder naar het zuidwesten, tot dat de kust wat +aantrekkelijker werd. Een der inhammen zeilden zij in en wierpen het +anker uit. Thorfinn besliste dat Edrik op ontdekking zou gaan met +Nils, en dat zij hem berichten moesten, wat voor land het was. Zij +werden van voedsel voorzien, genoeg voor drie dagen, hetwelk zij in +twee zakken droegen, om den hals gebonden. + +Zoo vertrokken zij. Tegen het eind van den eersten dag riep Nils uit: +"Kijk eens, Edrik! wat is dat voor gras op die velden daar? Het is +toch geen koren?" + +"Ja, dat is het toch wel," zei Edrik. "Wild koren in grooten +overvloed. Dat is goed nieuws! Kijk, Nils! daar ginds is een heuvel, +geheel bedekt met groene planten. Laten wij er heen gaan." + +Dit deden zij en binnen korten tijd hadden zij den voet des heuvels +bereikt en zagen zij dat hij begroeid was met heerlijke druiven. + +"Wel, dat is een tweede Wijnland, Nils!" riep Edrik. "Deze druiven +zijn nog mooier dan de eerste." + +"De druiven zijn even als die, welke Tyrker gevonden heeft, +maar wij zijn hier niet zoo ver zuidelijk, als de tenten van Leif +liggen. Edrik! ik heb honger, laten wij hier gaan zitten en het brood +en vleesch opeten, dan smaken de druiven nog eens zoo lekker." + +"Dat zou niet verstandig zijn. Wij zullen nu goed eten en wat wij +overhouden in de hand dragen. De zakken zullen wij vullen met koren +en druiven." + +Zoo deden zij en toen gingen zij op weg naar de zee om weer bij de +schepen te komen. De regen viel in stroomen; zij konden geen ster +onderscheiden, en raakten van den rechten weg af. De morgen brak aan, +maar bracht hun geen uitkomst. Zij wisten niet hoe zij gaan moesten +en liepen altijd maar recht door, doch toen het weer nacht was kwamen +zij aan de zee. + +Den volgenden morgen riep Edrik: + +"Een schip!--een drakenschip!" + +Zij maakten een doek aan hun speer vast en wuifden er mee. De teekens +der knapen werden van het schip beantwoord, en een boot roeide naar +de plaats waar zij stonden. Drie krachtige mannen zaten aan de riemen +en spoedig was de boot bij het strand en sprongen de jongens zonder +een woord te zeggen er in. + +"Wat zijt gij voor knapen?" vroeg een der mannen. + +"Wij behooren tot de bemanning van de Rolf-Krake onder Thorfinn. Wat +zijt gij voor mannen?" + +"Tostig Arvidson, de graaf, voert het bevel. Vraag het Tostig." + +Ziende dat hun vragen toch niets hielp, zwegen de jongens tot zij op +het dek van het drakenschip voor den eigenaar stonden. + +"Welk schip is dit?" vroeg Edrik. + +Tostig keek verbaasd op, want hij was niet gewoon ondervraagd te +worden. Toch antwoordde hij: + +"De Volünd.--Wie zijt gij?" + +Edrik vertelde hem wie zij waren, en het doel van hun tocht. + +"Zijt gij Edrik Sigvaldson, wiens oom Ulf hem de erfenis betwist?" + +"Mijn naam is Edrik Sigvaldson en Ulf betwist mijn rechten!" + +"Sigvald was mijn vriend; bij mij zijt gij dus veilig. Waar zijn +de schepen?" + +"Zij moeten hier ergens dicht bij zijn op de kust; maar waar, kan ik +u niet zeggen." + +"Breng den jongens voedsel. Wij zullen trachten de schepen te vinden." + +Zoodra het anker aan boord was werd het zeil vastgezet; de mannen +plaatsten zich aan de riemen en het drakenschip bereikte het +voorgebergte. Daar zagen zij in de baai de drie schepen ten anker +liggen. Een half uur later was Tostig met zijn twee jonge passagiers op +het dek van de Rolf-Krake, en ledigde hij den drinkhoorn met Thorfinn, +Thorward en Thorold Gamlason, om wie Thorfinn gezonden had. + +Nu vroeg Thorfinn den dapperen Tostig of hij den weg kende naar de +legerplaats van Leif. + +"Natuurlijk weet ik dien, de plaats ligt wat meer zuidelijk in een +aangename landstreek. Als gij mij tot metgezel wilt hebben, zal ik +u daarheen geleiden en naar nog een betere streek." + +Na drie dagen bereikten zij de rivier, die Leif was opgezeild, toen +hij deze kusten het eerst bezocht. Zij vonden het meer en de hutten +in denzelfden toestand, en besloten hier den winter door te brengen, +en voorraad te verzamelen. + +"Het is hier schoon, maar verder naar het zuiden zijn nog beter +plaatsen te vinden; doch daar wonen Eskimo's" [3]. + +"Zijn er veel?" + +"Ik geloof het wel, en zij waren zeer woest." + +De krachten werden nu verdeeld als volgt: Tostig zou met de Sleipner +als gids het eerst zeilen, Thorward op de Gefion en Thorfinn op de +Rolf-Krake bevel voeren, terwijl Thorold Gamlason het bevel over de +achterblijvenden op zich nam, en de Volünd zou bewaken. Om hem te +helpen bleef Thorhall, de jager, met een twaalftal mannen achter, +die de hutten in orde moesten houden. De vrouwen besloten aan den +tocht deel te nemen en begaven zich dus aan boord. + +De wind was gunstig, en binnen drie dagen bereikten zij de landstreek, +waarvan Tostig gesproken had. Zij brachten het vee, dat zij meegebracht +hadden, aan land, en daar zij overvloed van koren en druiven en ook +van visch vonden, besloten zij daar den winter door te brengen. Er +werden schuren voor het vee gebouwd, benevens winter woningen voor +de vrouwen; doch er viel geen sneeuw, en het vee kon den geheelen +nacht buiten blijven. + +"Ach vriend," zeide Tostig eens: "ik zou gaarne in deze vreedzame +streek mijn dagen willen eindigen. Maar kijk eens ginds op het strand, +Thorfinn! Wat ziet gij daar?" + +"Ik zie drie voorwerpen; het lijken zeehonden, die op het strand +liggen te slapen." + +"Het zijn geen zeehonden, het zijn bootjes van zeehondenvel en +daaronder zijn Eskimo's verborgen. Geen van hen mag ontsnappen." + +Er had een kort gevecht plaats; acht Eskimo's werden gedood, maar één +slaagde er in te ontvluchten. Nauwelijks echter aan boord teruggekeerd, +zagen zij een groot aantal booten met Eskimo's op hen afkomen, en een +hagelbui van pijlen viel op het dek. Zij schoten met zooveel juistheid, +dat vele Scandinaviërs gedood werden, voordat zij de schoten konden +beantwoorden. Nogmaals schoten de Eskimo's, en verdwenen toen met +groote snelheid. + +Tostig was door een pijl doodelijk getroffen, en sprak Thorfinn +aldus aan: + +"Ik raad u aan alles tot het vertrek gereed te maken. De plaats is +veel te dicht bij onze nederzetting, en als de Eskimo's terug komen, +dan zult gij het duur moeten bekoopen. Mij moet gij naar het gindsche +voorgebergte dragen, waar ik u van sprak, toen ik zeide dat ik daar +mijn dagen zou willen eindigen." + +Zij deden, zooals hij bevolen had, en keerden daarop terug naar de +plaats, waar de hutten van Leif stonden; allen waren treurig gestemd +door het verlies van Tostig. Doch toen zij aankwamen zagen zij tot +hun groote verbazing, dat het achtergebleven schip vertrokken was +met Thorhall en allen, die het kamp bewaken moesten, aan boord. Van +hen werd nooit meer iets gehoord. [4] + +Op den morgen na de terugkomst van hun kruistocht, zagen zij hoe een +groot aantal inboorlingen in hun booten de rivier opkwamen. Thorfinn +zeide: + +"Er moet vrede bestaan tusschen hen en ons. Edrik Sigvaldson! ga met +een wit schild naar hen toe, en toon hun dat wij vrede wenschen." + +De knaap was trotsch op zijn zending. Hij vertrok met een schild van +lindehout, zonder eenig versiersel en wit beschilderd. De Eskimo's +schenen hem te begrijpen, want tot Edriks blijdschap legden zij +hun stokken neer en kwamen aan land om naar de Noormannen te +kijken. Ook dezen namen de Eskimo's op, wier bleeke gezichten, +hooge wangbeenderen, lang haar, groote oogen en donker voorkomen +hun verwondering wekten. Thorfinn trad vooruit en sprak hen in de +Noorsche taal toe, doch geen der inboorlingen scheen te begrijpen, +wat hij zeide. Zij schudden het hoofd en gaven iets ten antwoord; +maar natuurlijk begrepen ook de Noormannen daar geen woord van, en zoo +stonden zij elkaar in verbazing aan te staren. Eindelijk keerden de +Eskimo's zich om en liepen door elkander naar de booten. Zij roeiden +zoo snel zij maar konden de rivier af, en waren spoedig achter het +voorgebergte verdwenen. + +Bij het vee bevond zich een groote stier, de lieveling van Edrik, +en hoewel dit dier woest en onhandelbaar was in vreemde handen, was +het bij Edrik zoo gedwee als een jonge hond. Bij zijn plichten als +krijgsman en zeeman, had Edrik ook den plicht van herder te vervullen. + +Hoewel de winter niet zoo streng was als die, waaraan de Noormannen +gewoon waren, was het toch lang geen zomerweder; de nachten waren +lang en koud, en de tijd viel allen lang, daar zij meer gewoon waren +aan zeetochten en ondernemingen dan aan verstandelijk werk. + +De twee Noorwegers, Helgi en Finnbogi, en ook hun vrouwen wisten in dit +geval te voorzien. Zij kenden een groot aantal spelen, en voerden ook +wedloopen in. Al die vreugde was een bron van verdriet voor Freydisa. + +"Het zijn Noorweegsche gekken!" zeide zij tot Thorward. "Het is +voor ons IJslanders beleedigend, dat wij al die dwaasheden moeten +aanzien. Ik zeg u, zij zijn verwant aan de mannen, die mijn grootmoeder +vermoord hebben. Gij hebt mij plechtig gezworen dat gij mij wreken +zoudt!" + +"Ik zal ze niet vermoorden, dat zeg ik u," antwoordde Thorward. "Als +er twist ontstaat is alles goed en wel, doch Thorfinn zou zonder hen +verloren zijn, en ik ook." + +"En gij beloofdet mij wraak...." + + + + + + + +XI. + + +De winter ging voorbij. De heerlijke lente was aangebroken en met +haar kwam een groote menigte Eskimo's. + +Wondervolle dingen brachten zij mee. Vellen van eekhorens, en mooie +grijze pelzen. Zij ruilden die met de Noormannen voor stukken rood +laken, en een soort van brij met melk, waarvan zij zeer veel hielden. + +De voorraad laken was bijna uitgeput, en de Eskimo's drongen steeds +op meer aan. Thorfinn wist niet hoe hij ze tevreden moest stellen, +toen plotseling van achter de boomen Edrik's lieveling, de stier, +op de Eskimo's losrende. + +Geen pen is in staat hun schrik en hun wilde vlucht te beschrijven; +de Noormannen lachten. + +"Lach niet te hard!" riep Freydisa. "Heden is er een groot aantal +Eskimo's op de kust, maar voordat de maand uit is zullen er nog veel +meer komen om wraak te nemen!" + +"Ja," zei Helgi de Noorweger, "Freydisa is een tooverkol!" + +"Heksenbloed is kwaad bloed!" antwoordde Finnbogi. + +"Hoort gij, hoe men mij beleedigt, Thorward? Zij moeten sterven!" + +"Dat moeten wij allen, Freydisa! maar," ging Thorward voort zich +tot Finnbogi en Helgi wendende, "ik verzoek u mijn vrouw met rust +te laten." + +De beide Noormannen voelden zich gekwetst, en de vriendschap scheen +voor goed verbroken. Dit beviel Freydisa, want in deze vredebreuk +voorzag zij dat zij haar zin zou krijgen. + +Zoo gingen drie weken voorbij. Op een morgen wandelde Edrik langs de +rivier, toen hij een groot aantal booten met Eskimo's zag naderen. Hij +liep zoo gauw hij kon terug om de kolonie te waarschuwen, en spoedig +waren allen gewapend en gereed tot het gevecht. De Eskimo's begonnen +zóó te schreeuwen, dat de Noormannen even verschrikt waren als de +Eskimo's den vorigen keer door het gebrul van den stier. Het was alsof +het geschreeuw ook van achter de hutten en uit de bosschen kwam; de +lucht scheen er mee vervuld. Thorfinn's volk dacht dat het omsingeld +was, en trok zich haastig terug. + +Een hagelbui van steenen volgde. De Eskimo's schenen bekwame +slingeraars te zijn; bijna alle Noormannen werden geraakt. Edrik werd +door een grooten steen getroffen en neergeworpen; hij stond echter +spoedig weer op, hoewel hij zich wat duizelig voelde, en bevond dat +de Noormannen zich terugtrokken. Hij trok zijn zwaard en velde den +voorsten Eskimo neder, doch toen hoorde hij roepen: "Lafaards! ja, +nu weet ik het, ik ben de vrouw van Thorward, den onmanlijke! Zie +een knaap en een zwakke vrouw zullen den vijand tegenhouden!" + +Nils voegde zich bij hen. Freydisa greep een zwaard en vloog op de +Eskimo's los. Hare gebaren brachten zooveel ontsteltenis onder de +Eskimo's te weeg, dat zij den moed verloren en in verwarring naar +hun booten terugtrokken, om zich daar tot een tweeden aanval gereed +te maken. + +De Noormannen waren van hun schrik bekomen en vielen den vijand +met woede aan. Zij richtten een geweldige slachting aan. Het strand +was als bezaaid met lijken. Slechts de kleinste helft der Eskimo's +bereikte de booten. Zoo snel zij maar konden roeiden zij door de baai +en waren spoedig uit het oog verdwenen. + +Thorfinn zag duidelijk in dat hij over meer krachten moest kunnen +beschikken, om zich hier te vestigen. Bovendien hadden er onder zijn +kleinen troep onophoudelijk twisten plaats. De vrouwen plaagden hun +"verdedigers" met hun lafhartigheid, zoodat deze boos werden. De +wraakzuchtige Freydisa vuurde de oneenigheid aan en liet geen +gelegenheid voorbijgaan om twist te stoken tusschen haar man en +de Noorwegers. + +Ten laatste bracht Freydisa haar echtgenoot zoo ver, dat hij, toen +het lente werd, de twee Noormannen, die het meest haar haat opgewekt +hadden, vermoordde. Thorward overviel hen met zijn volgelingen, en +versloeg hen met hun lieden. Tot die lieden behoorden ook vijf vrouwen, +de vrouwen van Helgi en Finnbogi en van eenigen van hun gevolg. + +Freydisa spoorde de mannen aan ook hen te vermoorden, maar zij wilden +de vrouwen niet aanraken. "Neen," zeiden zij, "het is eigenlijk toch +al een moord dat Thorward de mannen heeft gedood, maar vrouwen te +bevechten, dat is beneden ons!" + +Toen zij dit hoorde, sprong Freydisa vooruit, greep een bijl en +versloeg met eigen hand de vrouwen. + +Thorfinn beval allen zich in te schepen, en hij schikte het zoo +dat Thorward met zijn mannen en Freydisa eigenlijk gevangenen +waren. Hij nam de jongens bij zich op zijn schip, doch allen waren +even neerslachtig. + +Intusschen kwamen Thorfinn en de knapen veilig te Eiriks-fjord aan, +van nabij gevolgd door de Sleipner met Freydisa en haar echtgenoot. + +Zoodra Leif de treurige geschiedenis hoorde, werden Thorward en zijn +vrouw gevangen genomen, om naar IJsland, naar Reikiavik gezonden en +veroordeeld te worden. + +De jongens hadden als echte jongens hun droefheid reeds weder +vergeten. Zij gingen naar den ouden Eirik, die blijde was hen te zien, +evenals Njord, die allerlei dwaze sprongen maakte. De hond scheen niet +te weten aan wien zijner twee meesters hij nu eigenlijk behoorde. Hij +stond stil en bedaard bij ouden Eirik, maar met de jongens was hij +heel anders; dan was hij zoo speelsch en dartel als een jonge kat. + +De oude Eirik hoorde zijn kleinzoon gaarne vertellen van de Eskimo's +en hoe zij vochten met slingers en steenen, maar het wekte zijn toorn +op toen Edrik vertelde hoe de Noormannen vluchtten; doch hij tikte zijn +kleinzoon op het hoofd en zeide: "Maar gij hieldt stand, mijn jongen!" + +"Neen, Eirik Thorwaldson! Ik werd ter aarde geworpen." + +"Dat is niets; de steen trof uw voorhoofd, niet, zooals bij de anderen, +den rug." En de oude krijger vervolgde: "Nu is er nog een ander punt, +Edrik! Ik ben een rijk man. Uw oom Leif erft al mijn bezittingen op +Groenland, doch ik zal u zooveel nalaten, dat gij de helft, die Ulf +u ontnomen heeft, kunt terug koopen." + +"Wilt gij mij een verzoek toestaan, grootvader?" + +"Wat is het?" + +"Zeg nog geen woord aan anderen van alles wat gij mij daar verteld +hebt. Ik heb een plan gemaakt en als dat gelukt, zal ik mijn land +hebben tot zulk een prijs, als waarvoor nog nooit land verkocht is." + +Nu vertelde Edrik den ouden Eirik wat hij voornemens was te doen. Deze +lachte. "Gij zijt een slimme knaap!" riep hij verheugd. + +Thorfinn besloot zijn lading in Noorwegen van de hand te doen, +waar handelaars van alle volken gewoon waren bijeen te komen. Op +Leif's bevel werd de Sleipner naar Reikiavik gezonden met Thorward +en zijn vrouw en met twintig mannen van Eiriks troep. Thorfinn met de +Rolf-Krake en de Seluna, een schip, dat voor Leif gebouwd was, kregen +bevel het konvooi te geleiden, zoodat ontvluchten onmogelijk was. + +De drie schepen vertrokken met een gunstigen wind uit +Eiriks-fjord. Oude Eirik stond, op Leifs arm leunende; de vertrekkenden +na te staren. Zoodra de toppen der masten aan den horizon verdwenen +waren, keerde hij zich om en zeide: "Ik zou wel eens willen weten of +ik dien knaap nog terug zal zien. Hij is een flinke borst. Hij heeft +veel van zijn vader! Als hij opgroeit, zal IJsland in hem een hoofd +vinden, dat de groote vergadering zal kunnen leiden, want een edele +van geest zal zich altijd doen eerbiedigen; de zwakke wordt veracht!" + +Toen de schepen te Reikiavik aankwamen, werden eerst boodschappers +uitgezonden om de hoofden bijeen te roepen, ten einde Freydisa's +misdaad te bespreken, en uit te maken in hoeverre haar echtgenoot +schuldig was. Magni was verheugd dat hij Edrik terug zag, en +Thorfrida's vreugde was onuitsprekelijk. Haar zoon was groot en +sterk geworden en had zich bij alle gelegenheden dapper en braaf +gedragen. Het huis, waarin zij woonde, stond niet ver van dat, hetwelk +aan Magni behoorde, en het was ruim genoeg, zoodat haar zoon daar +ook een tehuis kon vinden. + +"Nu, Edrik! zeg mij eens, zoudt gij liever in Wijnland wonen dan hier +in 't koude Noorden?" + +"Moeder, mijn tehuis is bij u! Wat zegt het spreekwoord: "Iemands eigen +huis is zijn beste huis, hoe klein het ook zij!" Ik moet echter eerst +naar Noorwegen, en gij moet mij zeggen hoe ik daar iemand kan vinden, +om mij de Scandinavische wetten te leeren kennen." + +"Wilt gij dan rechtsgeleerde worden?" + +"Neen, moeder! ik ben en blijf zeeman!--Ook moet ik kleeren hebben, +nog eenvoudiger dan die, welke ik nu draag: kruisbanden van gewoon +leer om mijn beenen, een blauw laken muts en een lederen gordel om +mijn zwaard in te hangen." + +"Ik hoop dat onder dat alles geen valschheid verborgen is? Spreek, +mijn zoon! wat is er?" + +"Moeder! Eirik heeft mij verteld dat Ulf zulk een schurk is, dat +hij hem niet meer onder zijn bloedverwanten telt, en hij heeft mij +opgedragen het land mijns vaders terug te koopen. Als ik nu gekleed +ga als een rijke graaf, zal Ulf veel meer van mij vragen, dan als ik +mij arm voordoe." + +"Is dit nu de reden waarom gij niet gekleed gaat zooals het den zoon +van Sigvald betaamt?" + +"Ja moeder, dat is de eenige reden." + +"Edrik! dat moogt gij niet doen; dat is bedriegerij!" zeide Thorfrida +bedroefd. + +Edrik was als versteend van verbazing, maar zag toch dadelijk de +waarheid in van hetgeen zijn brave moeder zeide. + +"Ik zal aan boord gaan en andere kleeren aantrekken, lieve moeder! Het +was niet goed, het was slecht en verkeerd van mij," antwoordde hij +onthutst. + +"Ga, mijn jongen! en kom tot mij terug in een kleeding, die den zoon +uws vaders past; dat zijt ge aan zijn nagedachtenis verplicht." + +Edrik verliet haar en ging haastig naar zijn schip, toen hij Ulf +tegenkwam, die naar Reikiavik was gekomen. Deze keek Edrik strak aan, +die hem zijn blik met woeker terug gaf. + +"Wel, wie zijt gij?" riep Ulf. "Een bedelaarsjongen?" + +"Mijn naam is Edrik Sigvaldson!" antwoordde deze trotsch. "Ik kwam aan +land om mijn moeder te bezoeken, en trok deze armoedige kleeren aan +voor een zeker doel. Ik keer echter terug om anderen aan te trekken." + +"Grootspreker! ik zou er wel mijn heele bezitting onder durven +verwedden, dat die kleeren de beste zijn, die gij bezit!" + +Edrik voelde zijn bloed koken. Hij lichtte zijn speer op, die hij als +man van rang steeds bij zich droeg; doch hij liet haar weer zakken. Was +Ulf niet de broeder zijns vaders? Met neergeslagen blik wandelde hij +naar de plaats, waar de Rolf-Krake lag en ging aan boord. Spoedig +keerde hij terug, gekleed in een blauw opperkleed met goud geboord, +lange roode beenbekleedsels van het fijnste laken, en kruisbanden van +verguld leder; zijn zwaard droeg hij in een rijk met juweelen bezetten +gordel. Over zijn schouders hing een blauwe mantel met goud afgezet +en in zijn linkerhand droeg hij het ronde Scandinavische schild. Zijn +muts was evenals die, welke de opperhoofden in de Schotsche Hooglanden +nu nog dragen. + +Zijn moeder stond hem aan de deur harer woning af te wachten. Zij had +zijn ontmoeting met Ulf gezien, maar het gesprek niet kunnen hooren. + +"Zoo moet de zoon van Sigvald gekleed gaan," zeide zij met trots. "Wat +zeide graaf Ulf?" + +Edrik vertelde zijn moeder wat Ulf gezegd had. + +"Gij ziet dat ik gelijk had, Edrik! Dat kleed bracht u schande aan. Kom +in huis, mijn zoon! graaf Magni met zijn vrouw zullen heden bij ons +eten; vraag ook Thorfinn en zijn vrouw!" + +"Dat zal ik doen en ook Nils meebrengen," antwoordde Edrik vroolijk. + +Op de daïs was plaats voor al de gasten en gulle vriendschap zat +voor bij den disch. Thorfrida smaakte het genot, dat haar zoon door +Thorfinn geprezen werd. Deze nam een band van zijn arm, en schonk dien +den knaap en gaf een tweeden aan Nils. Hij sprak tot hen woorden van +aanmoediging en lof. + +Toen zeide Thorfrida: "Vrienden en hoofden! ik heb ook een geschenk +voor mijn zoon. Het is heden de dag, waarop hij zestien winters +geleden, het eerste levenslicht aanschouwde. Gij zegt mij dat hij +zich een moedig zeeman heeft getoond. Hij is in den strijd beproefd +en heeft zich gedragen, zooals Sigvald gewenscht zou hebben dat zijn +zoon zich gedroeg. Ik geloof dat het nu de tijd is, dat hij het zwaard +zijns vaders kan dragen. Edrik Sigvaldson! hierbij geef ik u het zwaard +uws vaders, een wapen dat altijd het eerst schitterde in het gevecht +en denzelfden glans heeft als de ziel van zijn eigenaar, helder en +rein. Zorg, dat in uw bezit zijn glans nooit verduisterd wordt!" + +Edrik kon niet spreken, maar stond op, knielde naast den stoel zijner +moeder en kuste haar de hand. Hij haalde het zwaard uit de schede, +doch zijn vreugde was te groot om ze te kunnen uiten. + +"Het zwaard is de vreugde van den krijgsman," zoo nam graaf Magni het +woord. "Ieder strijder, die zijn naam waard is, heeft zijn zwaard lief, +maar denk er aan, Edrik! dat wij, Christenen, nooit met moedwil of +voor ons genoegen het bloed mogen vergieten van God's schepselen. Het +zwaard is het zinnebeeld der waarheid; van de waarheid, die strijdt, +en altijd overwint!" + +Nu nam Thorfinn het woord: "Ik heb Sigvald gekend," zeide bij, "en ik +ken Edrik Sigvaldson, en ik zeg dat hij waardig is het zwaard zijns +vaders te dragen!" + +Het feest duurde lang en het was een dag, dien Edrik nooit in zijn +leven vergat. + + + + + + + +XII. + + +De voornaamste hoofden van het eiland waren bijeengeroepen voor de +Ting waar belangrijke zaken altijd beslist moesten worden. + +De rechters waren reeds vroeg bijeen; de beschuldigden--Freydisa en +haar echtgenoot--hadden hun zitplaatsen vóór den Steen des oordeels, +binnen den middelsten kring. Haco Oloffson, een beroemd Noorweegsch +rechtsgeleerde, was opzettelijk overgekomen om de vervolging te leiden, +daar de vermoorde lieden Noorwegers waren. Niemand kon de ongelukkige +vrouw verdedigen, en het eenige dat haar advocaat ten haren gunste +kon aanvoeren, namelijk dat zij Christinne was, getuigde nog tegen +haar. "Want," zeide Magni, de opperrechter, "het Christendom mag +niet gebruikt worden als dekkleed voor een misdaad, waarmede geen der +heidenen op het eiland zijn geweten zou hebben willen bezwaren. Haar +vonnis had eigenlijk een wreede marteldood moeten zijn, maar als +een christelijk rechter ben ik er tegen. Toch, zij is dood voor ons; +zij is niet meer geschikt met onze vrouwen te verkeeren. Haar vonnis +zij verbanning. Zij zal wonen daar, waar haar grootmoeder, de heks, +eens gewoond heeft. Twee slaven zullen haar bedienen, maar zij mag +nooit de grenzen van dit kleine landgoed overschrijden. Mocht zij +het wagen zich buiten de aangewezen grenzen te begeven, dan zal zij +levend in den krater van de Hekla geworpen worden!" + +Nu volgde het rechtsgeding tegen Thorward, die bekende dat hij de +twee Noorwegers met hun gevolg gedood had. + +"Waart gij daartoe niet verleid door den raad van uw vrouw?" + +"Ik ben hier om te bekennen of ik Helgi en Finnbogi verslagen heb of +niet. De vraag is niet, waarom ik ze vermoord heb, maar of ik het +gedaan heb. Ik beken dat ik het gedaan heb, en daarmee is de zaak, +geloof ik, afgedaan!" + +De vraag of Thorward schuldig was of niet, was opgelost door zijn +bekentenis. Maar zijn straf? Dit was een zaak van ernstige overweging, +en men was het niet spoedig over het vonnis eens. Hij had onder den +invloed van Freydisa gehandeld en was niet zoo strafbaar als wanneer +hij het gedaan had om zijn eigen wraakzucht te voldoen. Ook had Edrik +aangetoond, hoe hij geweigerd had de vrouwen te verslaan. + +"Daarom beslissen wij," zei Magni, "dat Thorward de gewone boete zal +betalen, voor manslag bepaald. Daarbij wordt hij uit de Scandinavische +landen verbannen; doch hij kan zeilen naar het land, dat hij verkiest." + +Dit vonnis werd toegejuicht en toen werd de zaak behandeld tusschen +Edrik Sigvaldson en Ulf Eirikson, die de landen bezat welke vroeger +aan Sigvald Eirikson, Ulfs broeder hadden toebehoord. Ulf vroeg verlof +zich te mogen verdedigen, hetgeen hem dadelijk werd toegestaan. + +"Graaf Magni! hoofdlieden, krijgers, kooplieden, en vrienden! Ik +sta hier voor u in de Ting, beschuldigd dat ik Edrik zijn vaderlijk +erfdeel heb ontstolen, terwijl ik slechts heb genomen wat mij toekwam, +namelijk de helft van wat zijn vader naliet. Mijn vader weigerde mij +wat mij toekwam, evengoed als aan mijn broeders. Ik kan aanspraak +maken op de helft van mijns broeders land, en dat heb ik gedaan--de +andere helft is voor Edrik!" + +"Hij mag die helft terugkoopen!" zeide Magni. + +"Ik heb mijn neef als bedelaar gekleed gezien met het voornemen door +den een of anderen streek in 't geheel niet te betalen!" + +"Hoe?" riep graaf Magni uit, "was hij voornemens u te bedriegen?" + +"Ja, dat is zoo. Vraag het hem maar!" + +"Ja, het is waar!" zeide Edrik. "Ik trok een eenvoudige kleeding aan +om te bedriegen, en ik schaam mij daarover diep!" + +In de vergadering werd een gemompel gehoord en allen keken Edrik met +ongeveinsde verbazing aan. + +Op triomfeerenden toon ging Ulf voort: "Sprak ik de waarheid niet? Nu +krijgt hij geen land van mij op crediet, al heeft hij nog zoo'n +mooi met goud geboord kleed aan. De bedelaar bezit geen mark goud, +hoeveel minder tweehonderd!" + +"Zoudt gij dan het land aan Edrik willen verkoopen voor die som?" + +"Ja, maar niet op crediet." + +"Wat zegt gij er van, Edrik Sigvaldson? Wilt gij Ulf Eirikson +tweehonderd mark betalen om het land uws vaders terug te krijgen?" + +"Ja, dat wil ik!" + +"Wanneer wilt gij die tweehonderd mark voldoen?" + +"Morgen, als Ulf het verlangt. Maar is dit aanbod verbindend? Morgen, +kan hij meer vragen." + +"Dat kan hij niet. Een bod, dat voor de Ting gedaan wordt, is +verbindend." + +Ulf zag nu, dat Edrik het ernstig meende. + +"O!" riep hij uit, "wat ben ik toch dom geweest! Maar gij zult toch +allen wel inzien dat ik het aanbod slechts gedaan heb om u te toonen, +dat hij die som niet eens hebben kon. Gij weet toch wel dat de helft +van Sigvalds landen minstens duizend mark waard is?" + +De vergadering wilde er echter niets van hooren. Ulf was woedend; +hij hield vol dat hij bedrogen was, dat hij daardoor een verkeerde +meening had opgevat van het vermogen van zijn neef, en dat dit invloed +had gehad op zijn aanbod. + +Edrik vroeg verlof een paar woorden te zeggen, en dit werd +hem toegestaan. "Dat de vergadering mij het land toewijst voor +tweehonderd mark, is mij zeer aangenaam, vooral, als ik er aan denk, +hoe ik het bijna verloren had. Doch ik ben Edrik Sigvaldson! en ik +mag den naam mijns vaders niet bevlekken met iets, dat ook maar naar +laagheid zweemt. Daarom verzoek ik de vergadering mij toe te staan, +Ulf duizend mark te betalen, en hem een gedeelte land af te staan, +dat mij toebehoort te Langa Ness." + +Nu nam echter Magni het woord, "Ulf," zeide hij, "er zijn twee +punten in deze wet, die tegen uw zaak zijn; ten eerste dat hij, +die aanspraak maakt op de erfenis, dit doet na zijns vaders dood. Nu +leeft Eirik Thorwaldson nog en dit punt is dus stellig niet ten gunste +van Ulf Eirikson. Ten tweede veronderstelt de wet dat den zoon op +onrechtvaardige wijze zijn land onthouden wordt. Op dit punt is de +wet evenzeer niet op Ulf Eirikson van toepassing, want Ulf, gij zijt +niet waardig het land te bezitten van Sigvald Eirikson! Daarom moet +het vonnis van de Ting zijn, dat gij geen recht hebt op Edriks land, +en het dus niet moogt verkoopen. Dat Edrik Sigvaldson u een stuk +land beloofd heeft, hebben wij allen gehoord, en hij zal zijn belofte +houden; maar hij mag u geen geld betalen!" + +Al de aanwezigen juichten hem toe, en de zwaarden werden tegen de +schilden geslagen. Aldus werd besloten dat Ulf het land aan Edrik moest +teruggeven zonder andere vergoeding dan het stuk land te Langa Ness. + +Edriks moeder zou dus weer in haar geliefd huis te Groendal gaan wonen, +terwijl hij naar Noorwegen zou oversteken om te zien, hoe groot zijn +aandeel was in de lading, die uit Wijnland was meegebracht. + +Onder de volgelingen van Thorfinn bevond zich een krijgsman, die zich +door kalmte, bekwaamheid en oordeel onderscheiden had. Hij was een +Christen, maar toch was nog veel van het vroeger geleerde bij hem +blijven hangen. Hij geloofde nog steeds aan tooverij, en dit geloof +was onder de nieuw bekeerden algemeener dan men wel denken zou. Hij +heette Oleg, de Zwarte, en van hem hoorde Thorfinn de voorspelling +van Geirrida, dat hij, die door een beer was verzorgd, door een wolf +verraden en ten val gebracht zou worden. + +Thorfinn vertelde dit aan graaf Magni in tegenwoordigheid van diens +vrouw en Asdisa. Deze zeide dadelijk: "Ik geloof dat ik de beteekenis +weet. Ik ben zoo lang bij haar geweest, dat ik wel begrijp wat haar +geheimzinnige woorden beteekenen. De jongeling, die eerst door een +beer verzorgd werd, is Edrik Sigvaldson, die met Byarn, den beer, +naar zee is geweest, en zich nu in groot gevaar bevindt, dat hem +dreigt van den kant van een man, Ulf (Wolf) genaamd, die geen steen +op elkander wil laten om wraak te nemen op den zoon zijns broeders." + +Thorfinn lachte. "Gij zijt zelf bijna een tooverheks, Asdisa! Het was +dom van mij de verborgen meening der namen niet te begrijpen. Neem +dezen gouden armband van mij aan; want ik ben u dankbaar." + +Thorfinn vertrok met Edrik naar Dronthjem (Drontheim) de hoofdstad van +Noorwegen, toen een bloeiende handelstad, waar kooplieden uit Bremen, +uit Londen en Parijs elkander verdrongen. + +De begroeting tusschen Thorfinn en den koning was zeer hartelijk; +Olaf was vriendelijk tegen allen, behalve tegen Edrik. Thorfinn en +de overigen werden door Olaf ten eten genoodigd, maar Edrik was niet +in de uitnoodiging begrepen. + +Verdrietig en teleurgesteld verliet hij de hal, ging naar de +aanlegplaats en roeide naar de Rolf-Krake. Hij zocht zijn troost bij +Njord, die een volwassen hond was geworden. + +Er heerschte groote drukte aan land toen het bekend werd, dat +deze twee schepen bevracht waren met waren uit onbekende westelijke +landen. Langs het gedeelte der kust, waar de Rolf-Krake en de Sleipner +geankerd lagen, was een wacht geplaatst, om te zorgen dat niemand met +oneerlijke bedoelingen aan boord kon gaan, terwijl de eigenaars feest +vierden in Olaf's hal. Bovendien waren op elk schip twee krijgslieden +achtergebleven, om te beletten dat vreemden aan boord kwamen. + +"Als gij hier in mijn plaats blijft, ga ik aan land!" zoo sprak een +der wachters Edrik aan. + +"Ga, Oleg! en als gij soms mijn vriend Nils mocht ontmoeten, zeg hem +dan, dat ik hem hier wacht." + +"Ik zal het zeggen als ik hem zie; doch je weet dat niemand na het +ondergaan der zon de kust mag verlaten. Neem uw strijdbijl, en kijk +goed uit vriend, tot Anders Andersson wakker wordt." + +De tweede wachter werd door het geplas der riemen wakker. "Dat is +een mooi ding!" riep hij uit, "daar gaat hij, en laat mij alleen!" + +"Ik ben aan boord, Anders! Slaap gerust door, ik zal waken," +antwoordde Edrik. + +"Ik ben niet slaperig, Edrik Sigvaldson! het is mijn beurt om te +waken." + +De krijgsman ging gerustgesteld naar voren, en viel toch in +slaap. Edrik speelde wat met Njord, doch door de stilte rondom hem +vielen ook hem de oogen toe. + +Op den afstand van een kabellengte lag een klein vaartuig. Oleg en +Anders hadden het reeds lang in het oog gehad. Daar vertrok een bootje +van de landingsplaats. Moet de roeier naar de Rolf-Krake? Het kan zijn, +want een touw hangt van het boord en hij maakt zijn bootje er aan vast, +en klimt als een kat aan boord. + +Wat houdt die man tusschen zijn tanden, terwijl hij aan boord +klimt? Het is een dolk! Reeds houdt hij hem omhoog om hem den slapenden +Edrik in het hart te stooten, als plotseling een groote hond opspringt +van de zijde van den slaper. Een korte worsteling volgt, en hond en +moordenaar storten in het water. Andersson vliegt op en ziet hoe de +hond een man boven water houdt. + +Ook Edrik was ontwaakt en samen trokken zij den onverwachten bezoeker +aan boord, doch om den hond een touw om het lichaam te binden was +Edrik genoodzaakt te water te gaan. Weldra was hij echter weder op +het dek, en daar lag zijn onbekende vijand voorover, terwijl Njord +hem met den poot onderhield. + +"Een schurkachtige aanslag!" zei Anders. + +"Ik begrijp er niets van," antwoordde Edrik; "ook koning Olaf was +zoo knorrig als een gewonde beer." + +Intusschen bekeek hij zijn gevangene nauwkeuriger, en riep uit: "Gij +hier, Ulf Eirikson? Wildet gij mij het leven benemen? Dat is laag! Ik +wilde wel, dat het iemand anders was, want wat moet ik nu met u doen?" + +"Laat mij hem den schedel kloven!" zei Anders. + +"Neen, Anders! dat gaat niet. Hij is de broeder mijns vaders!" + +"Laat hij dan maar weer in zijn boot gaan, dan kan hij wegroeien." + +"Ja, zoo zal het zijn. Ga, Ulf Eirikson! ik schenk u het leven!" + +Haastig klom Ulf over boord, en Edrik en Anders zagen hoe hij naar +het vreemde vaartuig roeide. + +Na een oogenblik stilte zeide Edrik: + +"Anders! beloof mij één ding; vertel nooit iets van dezen aanslag aan +wien ook. Wij moeten onze vijanden vergeven, leert het Christendom." + +"Juist! Maar hij is mijn vijand niet, en daarom zal ik spreken." + +Den volgenden dag kwam Thorfinn aan boord om de lading te +lossen. Zoodra hij Edrik zag, zeide hij: + +"Wat hebt gij jegens koning Olaf misdreven? Hij is gewoonlijk +vriendelijk en openhartig; zeg mij toch wat gij gedaan hebt." + +"Ik heb niets gedaan," antwoordde Edrik. "Als Olaf iets kwaads van +mij denkt, vergist hij zich. Doch ik zal mij troosten; ik heb mij de +liefde verworven van mannen, beter dan hij is!" + +"Wie is beter dan ik ben?" riep eensklaps een man van een eenigszins +zonderling voorkomen. Zijn haar was lang en geel van kleur, met hier +en daar een gouden schittering, welke het zeer mooi maakte. Hij +droeg een blauwe muts met gouden rand, doch zijn armen waren niet +versierd met gouden armbanden, die den trots uitmaakten der Noorsche +krijgers. Ongemerkt was hij bij al de drukte aan boord gekomen, +en had zoo alles gehoord. + +"Wie is beter dan ik?" vroeg hij nogmaals. + +"Ik wist niet dat gij hier waart, koning Olaf!" antwoordde Edrik, +"doch ik zal u zeggen wie ik bedoel. Gissur en ook Yalto, die zooveel +hebben gedaan om de heidenen tot het Christendom te bekeeren." + +"En ik dan?" + +"Gij hebt het gedaan door het zwaard, en zij door liefde!" + +"Bij alle heiligen! gij spreekt waarheid. Zijt gij Christen?" + +"Ja, en ik ben dankbaar dat ik het kan bevestigen." + +"Gij spreekt stout, knaap!" + +"Dat weet ik, koning Olaf! Mijn Christendom is mij meer waard dan al +mijn bezittingen." + +"Wie heeft u zoo leeren spreken?" + +"Gissur, en mijn lieve moeder!" + +"Gij zijt een eerlijke knaap, en het spijt mij dat ik aan de +inblazingen van sommigen heb gehoor gegeven. Volg mij, gij zult heden +mijn gast zijn!" + +Nauwelijks echter zaten zij in de boot, of Njord sprong te water, +om zijn jongen meester te volgen. Olaf was verwonderd over de +gemakkelijkheid waarmede het reusachtige dier zich in het water bewoog. + +"Wat een vreemd dier! Is het uw hond, Edrik?" vroeg hij. + +"Ik heb hem van New-Foundland meegebracht, koning Olaf!" + +"Verkoop hem mij!" + +"Dat mag ik niet, want hij behoort Eirik, den Rooden, mijn grootvader." + +"Die nog altijd op IJsland woont? Nu, dan zullen wij er wel eens +nader over spreken!" + +Ook Thorfinn en zijn krijgslieden kwamen het middagmaal gebruiken +in de gastvrije hal van den koning. Edrik sneed zijn vleesch, naar +de gewoonte dier tijden, met den dolk, welken hij in den gordel +droeg. Nauwelijks had de koning hem gezien, of hij riep uit: + +"Bij alle heiligen! wie gaf u mijn dolk, vriend Edrik?" + +Edrik kreeg een kleur, want hij herinnerde zich dat het de dolk was, +waarmede Ulf hem had willen vermoorden. Verlegen antwoordde hij: + +"Hij werd mijn eigendom door het recht van verovering, doch als gij +hem opeischt, hier is hij, koning!" + +"Dat is geen antwoord op mijn vraag, Edrik? Hoe komt gij aan dit +wapen? Moogt gij het mij niet zeggen? Is hier geen krijgsman, die +mij inlichtingen kan geven?" + +Nu stond Anders Andersson op en sprak: + +"Het is de dolk, waarmede zijn oom Ulf hem wilde vermoorden. Als de +hond hem niet had gered, dan was Edrik Sigvaldson nu een lijk!" + +"Goed, nu begrijp ik, waarom Edrik zweeg, en zijn hond niet wil +verkoopen.--Krijgslieden! ledigt met mij een vollen hoorn op het +welzijn van graaf Edrik Sigvaldson! Hij zal naast mij strijden tegen +koning Knut van Denemarken." + +Van alle kanten klonken toejuichingen, doch Edrik sprak: + +"Nu kan ik niet met u trekken, koning Olaf! Ik heb beloofd naar mijn +moeder terug te keeren, om als een goed zoon haar levensdagen te +veraangenamen. Bovendien rust op mij de heilige plicht den ouden Eirik +van Groenland te halen, en zoo mogelijk een Christen van hem te maken!" + +"Geef mij de hand, Edrik! Laten wij vrienden blijven en... Ha! wie +durft ons feest verstoren?" + +Een renbode trad haastig binnen en meldde den koning, dat Knut van +Denemarken een machtige vloot had verzameld, en dat hij van plan was +Noorwegen en Engeland te veroveren, om zoo een groot rijk te stichten. + +"Koning Knut zal mij gereed vinden hem te ontvangen. Neem plaats aan +onzen disch, krijgsman! en deel in onze feestvreugde!" + +Zoo duurde het feest tot den avond, waarna de gasten vertrokken. De +maan scheen helder. Edrik beklom een rots en tuurde over de +wijde zee in de richting van IJsland, waar zijn lieve moeder hem +wachtte. Plotseling gevoelde hij een geweldigen stoot, en stortte van +een hoogte van meer dan honderd voet in zee, welke daar gelukkig zeer +diep was.... + +Toen hij weer tot bewustzijn kwam, lag hij op een bos stroo in de +hut eens visschers, en naast hem zat zijn trouwe Njord. De visscher +vertelde hem, dat hij, eenige dagen geleden, met zijn boot op zee +zijnde, een grooten, zwarten kop boven water had gezien. In de hoop +een zeehond te verrassen, was hij zachtjes genaderd, doch tot zijn +verwondering had hij bemerkt, dat het een hond was, die een mensch +boven water hield. Met moeite had hij den drenkeling en den vermoeiden +hond binnen boord gehaald, en vervolgens naar zijn hut gebracht. + +Wat waren koning Olaf en Thorfinn en alle anderen ongerust over het +verdwijnen van Edrik, te meer daar ook Ulf met zijn schip verdwenen +was. Dagen verliepen, totdat eindelijk Tostig, 's konings jager, bij +toeval de hut van den visscher binnentrad, en daar Edrik en Njord vond. + +Bij de trouwe zorg van zijn vrienden, herstelde de geredde vrij spoedig +en Njord werd de held van den dag. Koning Olaf was woedend. "Dat is +het werk van den snooden Ulf!" riep hij uit. "Ga, Hjalman! vergezel +mijn vriend Thorfinn met uw schip naar IJsland, en breng mij den +lafaard levend of dood!" + +De schepen waren gereed uit te zeilen. De lading was tegen een +ongehoord hoogen prijs verkocht, en koning Olaf nam van allen een +hartelijk afscheid. Nils bleef echter in zijn bijzonderen dienst. + +De wind was gunstig en na acht dagen bereikten onze reizigers in +welstand Reikiavik. + +De vreugde was algemeen, te meer daar Ulf reeds vijf dagen te voren +was aangekomen en de tijding had gebracht van Edrik's dood. Hij +maakte nu aanspraak op de bezittingen van Sigvald, doch Magni had +de zaak wijselijk uitgesteld tot de schepen uit Noorwegen zouden +zijn teruggekomen. + +Drie dagen later was de Ting bijeen, waar Ulf gedaagd was om tegenover +Edrik gehoord te worden. Het weder was stormachtig en een dof, +onderaardsch gerommel deed den grond schudden. Boven de Hekla hing +een donkere wolk, soms helder gekleurd door den weerschijn van het +vuur. De vulkaan was weder in werking. + +Toch waren allen, aan hun plicht getrouw, opgekomen. Ulf echter was +niet verschenen en men kon hem nergens vinden. De zaak ging natuurlijk +door, en Ulf werd veroordeeld aan Hjalman uitgeleverd te worden, +die hem naar koning Olaf zou brengen. + +Sommige edelen moesten den kant van den vuurspuwenden berg +uit. Gelukkig werd de wind zuidwest, zoodat zij geen last van +den rook hadden. Na twee dagen bereikten zij het huis van Unna, +de tooverkol, waar nu haar kleindochter Freydisa woonde. De woning +had veel van de uitbarsting geleden, en was gedeeltelijk door lava +en asch overdekt. Bekommerd over het lot der bewoonster, waagden +de mannen het er binnen te dringen, doch stonden roerloos bij het +verschrikkelijk schouwspel, dat hun oog trof. + +Een der muren was bij den aandrang der lava bezweken, en de stroom +had zich een weg door de vertrekken gebaand. Bij de deur lag het half +verkoolde lijk van Ulf, en een weinig verder de lijken van Geirrida +en Freydisa.... + + + +Maar laat ons dit vreeselijk tooneel verlaten en naar Groenland +oversteken. De winter is sinds voorbijgegaan en het is lente geworden. + +Bij Eiriks-fjord staat een slank jongeling, en op zijn arm steunt een +oud man, wiens lange gestalte aantoont dat hij eenmaal een geducht +krijger was. + +"Ja, breng mij naar IJsland, naar Groendal, Edrik! Ik verlang uw +moeder weder te zien, vóór dat ik met mijn paard en wapenrusting +rusten zal in den groenen graf heuvel bij de zee!" + +"Spreek zoo niet, Eirik Thornwaldson! uw lichaam is nog sterk, en vóór +dien tijd zullen uw oogen geopend zijn voor het licht der waarheid!" + +"Mijn zoon, ik ben de laatste van Odin's krijgers. Nergens rooken +zijn altaren meer! Doch ik hoor u gaarne spreken. Ik wil nog veel +naar u luisteren voor ik de runen op mijn borst snijd, en doodbloed +naar Odin." + +Eirik, de Roode, sneed echter geen runen op zijn borst. Nog twee +gelukkige jaren leefde hij bij Thorfrida en haar zoon, en bouwde +een Christenkerk te Groendal. Daar, in de schaduw van het kruis, +werd hij begraven, niet langer een krijger van Odin, maar bekeerd +tot het geloof van vrede en liefde door zijn kleinzoon, + + + EDRIK, DEN NOORMAN. + + + + + + + +AANTEEKENINGEN + + +[1] Onze lezers bemerken hieruit, dat Amerika reeds lang voor Columbus +ontdekt was. + +[2] De New-Foundlandsche honden zijn als echte zwemmers bekend. + +[3] Uit de beschrijving van dit volk blijkt, dat de Eskimo's zoover +zuidelijk werden gevonden. Waarschijnlijk zijn zij later noordelijk +gedreven door de Roodhuiden. + +[4] Er bestaat een overlevering, volgens welke zij de open zee +waren ingedreven naar de kust van Ierland, waar zij tot slaven +werden gemaakt. + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Edrik, de Noorman, by J. F. Hodgetts + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 44940 *** |
