summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/44940-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '44940-0.txt')
-rw-r--r--44940-0.txt4000
1 files changed, 4000 insertions, 0 deletions
diff --git a/44940-0.txt b/44940-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..2b2c8d1
--- /dev/null
+++ b/44940-0.txt
@@ -0,0 +1,4000 @@
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 44940 ***
+
+ EDRIK, DE NOORMAN.
+
+ NAAR
+ J. F. HODGETTS
+
+ BEWERKT DOOR
+ ANTIE. S. REULE NZ.
+
+
+ SNEEK,
+ H. PYTTERSEN Tz.
+
+
+
+
+
+
+
+EDRIK, DE NOORMAN.
+
+I
+
+
+In een vruchtbaar dal met een weelderigen plantengroei, welke een
+zonderlinge tegenstelling vormde met de dorheid in 't rond, stond
+tegen het einde van de tiende eeuw een groot huis, dat met zijn hal
+en talrijke bijgebouwen in dit afgelegen gedeelte van IJsland aan
+eene Noorweegsche woning deed denken.
+
+De geopende deuren van het huis toonden dat Noorsche gastvrijheid een
+der deugden van den eigenaar was, terwijl de grootte en uitgestrektheid
+der bijgebouwen hem als een vermogend man deden kennen.
+
+Maar de herleving van den plantengroei na den langen IJslandschen
+winter was niet het eenige bewijs van leven in Groendal, want uit
+een der zijgebouwen stormde plotseling een half dozijn jongens. Zij
+liepen zoo snel zij konden naar een breede, snel stroomende rivier,
+welke nu door smeltend sneeuw en ijs gevoed, het grootste gedeelte
+van het jaar echter slechts een beekje was.
+
+De wedloop was echter met te veel vuur begonnen. Spoedig bleef een
+der kleinere jongens, een knaap van ongeveer tien jaar, een heel
+eind achter.
+
+"Kom, Edrik! vooruit, jongen! Wat, kan je al niet meer voort?"
+
+"Ja, maar ik ben buiten adem," was het antwoord.
+
+De anderen lachten, doch wachtten goedhartig tot Edrik hen had
+ingehaald en wandelden toen meer bedaard verder naar de rivier.
+
+"Hoe mooi!" zeide Osrik, een dertienjarige knaap, die de oudste van
+het troepje was, "zie eens hoe het water zich voortspoedt als een
+strijdros, dat te lang in den stal heeft gestaan en zich verheugt in
+zijn vrijheid."
+
+"Ja," zei Olef, een elfjarige knaap, "en evenals een krijgsros zijn
+manen schudt, werpt het water het schuim van zich af."
+
+"Kijkt liever eens naar onze boot. Zij ligt klaar om af te steken. Er
+ligt geen sneeuw meer op de planken."
+
+Allen liepen haastig naar de boot. Het was een licht gebouwd,
+langwerpig vaartuig; de vorm kwam vrijwel overeen met dien van onze
+tegenwoordige roeibooten, maar voor- en achtersteven waren spitser.
+
+"De riemen zijn in orde, jongens!" riep Osrik. "Wij zullen ons laten
+voortdrijven tot aan de zee, dan naar Odins-fjord roeien, en vandaar
+zullen wij naar Groendal terugwandelen. Helpt eens mee, jongens!"
+
+Binnen weinige oogenblikken was de boot te water, en de stuurriem
+stevig aan den rechterkant der boot bevestigd.
+
+"Nu, Osrik!" riep Olef, "kijk goed hoe gij stuurt. Roeien is niet
+noodig, maar wij moeten zorgen dat wij de blokken lava uit den weg
+blijven. Hé, wat gaat zij er flink door!"
+
+"Niets ter wereld is zoo goed als een boot," zei Edrik.
+
+"Behalve een schip," gaf Olef ten antwoord.
+
+"Een paard is nog beter," was de meening van Osrik.
+
+"Ik had nog liever mijn vaders zwaard," riep een kleine blonde
+twaalfjarige knaap, Knut genaamd.
+
+"Neen," zei Nils, de snelvoetige, "ik zou mijn vaders zwaard niet
+willen hebben."
+
+"Waarom niet?" vroeg Otto de kleine, "zijt gij bang om het te
+gebruiken?"
+
+"Ik bevreesd?" riep Nils, "dat is een kinderachtige vraag. Neen,
+ik ben niet bevreesd; ik ben een Noorman!"
+
+"Waarom wilt gij dan uw vaders zwaard niet hebben?"
+
+"Omdat, als ik dat zwaard krijg, mijn vader gestorven zal zijn. Zoolang
+hij leeft scheidt hij er niet van, en ik zou mijn vader niet willen
+verliezen."
+
+Een goedkeurend gemompel volgde op deze woorden en toen wijdden allen
+hun aandacht aan de boot, daar de talrijke blokken lava, door de
+bergstroomen meegesleept en door gevallen boomstammen in hun vaart
+gestuit, den tocht zeer gevaarlijk maakten.
+
+Maar de jonge IJslanders waren tegen het gevaar bestand, en het ranke
+vaartuig werd veilig naar zee gestuurd. Zij hadden zoo'n pleizier,
+dat zij niet eens merkten hoe sterk de strooming was, waarmede het
+opgestuwde water der rivier zich naar zee spoedde.
+
+Eindelijk riep Osrik uit: "Kijkt eens, jongens! wij zullen niet terug
+kunnen gaan, zooals wij van plan waren. Wij moeten zien een ander
+kanaal te vinden om naar Reikiavik te komen."
+
+"Laat ons dat maar dadelijk doen," zeide Edrik. "Ik weet een kleinen
+inham, waar wij kunnen landen, en daar zal men ons wel paarden leenen
+om naar Groendal terug te rijden."
+
+"Vooruit dan!"
+
+En voort vloog het lichte vaartuig over de koppen der schuimende
+golven. Wind en getij waren gunstig en als een zwaluw spoedde het
+zich voort naar Reikiavik.
+
+Zij vonden spoedig de baai bij de stad, waaraan deze haar naam
+ontleent. De jongens bewogen de riemen op de maat van een Noorsch
+lied. Daar zagen zij iets, dat hun hart van blijdschap deed
+kloppen. Een oorlogsschip, met rijkvergulden drakenkop, de zijden
+beschermd door een rij schilden, om de roeiers tegen vijandelijke
+pijlen te beschutten, kwam het voorgebergte omzeilen, recht op hen
+af. Een krachtig krijgsman stond op den achtersteven en stuurde
+het drakenschip. Het ronde, gevulde zeil, zonder eenige plooi of
+rimpel, droeg het statig over de golven. Op het dek stond een bende
+krijgslieden, wier lansen de stralen terugkaatsten der zon, die als
+een roode, brandende vuurschijf in zee wegzonk. Hun maliënkolders van
+glimmende ijzeren ringen, hun gouden armbanden en bronzen versierselen
+op helm en schild, schitterden en blonken den knapen tegemoet. Dit
+alles nam hun aandacht geheel in beslag; zij lieten de riemen rusten
+en keken aandachtig toe.
+
+"He, ho! Welke boot is dat?"
+
+"De Zeeslang!" antwoordde Osrik, terwijl het schip naderde. "Welk
+schip is dat?"
+
+Aan boord van het drakenschip klonk gelach en een ruwe stem antwoordde:
+
+"De Rolf Krake uit Noorwegen. Kom dadelijk aan boord."
+
+Men liet den knapen niet veel tijd, want een pijl zette het bevel de
+noodige kracht bij. Zij roeiden dus spoedig op zij van de Rolf Krake
+en stonden weinige oogenblikken later allen aan boord. Met verbazing
+keken zij naar de talrijke wapens, die in bonte verwarring aan den
+mast en langs de binnenzijde van de verschansing hingen. Zwaarden,
+strijdbijlen, speren en werpspietsen, slingers, bogen en pijlen,
+van àlles was er. Kleine Edrik voelde zich bijzonder aangetrokken
+door een reusachtige strijdbijl, die aan den mast hing, en toen de
+bevelhebber hem vroeg, waar het huis stond van Sigvald, zoon van Eirik,
+gaf hij ten antwoord:
+
+"En kunt gij die met een hand zwaaien?"
+
+De Noorman lachte.
+
+"Neen, dat juist niet. Ik ben geen reus!"
+
+"Zijt gij een Christen? Gij draagt een kruis op uw borst?"
+
+"Men zegt het ten minste. Maar geef antwoord op mijn vraag. Waar
+woont graaf Sigvald Eirikson?"
+
+"Hij woont te Groendal, niet ver van hier. Kunt gij die bijl in het
+gevecht gebruiken?"
+
+"Dat kan ik en velen mijner vijanden hebben het ondervonden. Wie is
+de oudste onder u?"
+
+"Dat ben ik," antwoordde Osrik.
+
+"Dat moet gij mij antwoord geven. Kent gij graaf Sigvald?"
+
+"Edrik, die u daareven antwoordde, is Sigvalds zoon."
+
+"Dan is hij mijn neef, want ik ben Leif, de zoon van Eirik Thorwaldson
+en Sigvald is mijn broeder."
+
+"Zijt gij Leif?" riep Edrik. "Ik heb mijn vader dikwijls over u
+hooren spreken. Ik dacht dat gij in Groenland waart, bij den ouden
+Eirik Thorwaldson."
+
+"Nu ben ik hier, en gij moet mij naar uw vader geleiden!"
+
+In dien tusschentijd was het zeil gestreken, de boot op sleeptouw
+genomen en al roeiend bereikte men de baai van Reikiavik. De knapen
+zagen met genoegen hoe de verschijning van het drakenschip in het
+stadje algemeene schrik en ontsteltenis te weeg bracht. Doch rondom
+het schip werden witte schilden gehangen om te toonen dat men met
+vreedzame bedoelingen kwam, en spoedig staken wel dertig bootjes te
+Reikiavik van wal, om de bemanning van het drakenschip te verwelkomen.
+
+Zonder eenige verwarring werden allen aan land gebracht en na de
+noodige rust begon de marsch. Met het aanbreken van den dag liep
+Osrik met de andere knapen vooraan om den weg te wijzen. Leif hield
+zijn neef bij de hand, de overige krijgslieden, zesendertig in getal,
+volgden. Zoo bereikten zij Sigvald's woning, waar deze zijn broeder en
+zijn mannen met blijdschap welkom heette, te meer omdat zijne komst
+hem geruststelde omtrent het lot der knapen. Dien dag was er feest
+en den volgenden dag beraadslaagden Sigvald en Leif over hun plannen.
+
+"Gij wilt ons dus allen tot Christenen maken, Leif? Ik ben nieuwsgierig
+wat onze vader daar van zeggen zal."
+
+"Wij hebben nog een schip bij ons. Het zal wel spoedig aankomen. Aan
+boord daarvan bevinden zich twee heilige mannen, die koning Olaf
+Tryggvason gezonden heeft om de leerstellingen te prediken. Die
+priesters zullen vader overhalen hun leer te omhelzen, en als hij
+eenmaal gedoopt is zullen de anderen wel spoedig volgen."
+
+"Maar als hij nu eens niet naar de priesters luisteren wil?"
+
+"Daar dacht ik nog niet aan. In elk geval moeten wij het wagen. De
+vrouwen, die wij aan boord hebben, zijn Christinnen. Zij zullen ons
+wel helpen."
+
+Sigvald schudde het hoofd.
+
+"Eirik, de Roode, is de man niet om zich te laten overhalen, hoewel
+hij met eerbied naar de leeraars zal luisteren. Maar broeder! gij
+zijt toch ook een bekeerde. Waarom legt gij den ouden man niet zelf
+de Christelijke leer uit?"
+
+"Neen, broeder! daar ben ik de man niet voor. Er zijn wel eens
+ingewikkelde punten, Waarmee ik geen raad zou weten; daarom heb ik
+die geleerde mannen meegebracht, die elke moeielijkheid uit den weg
+weten te ruimen. Hij weet te goed wat hem als vader toekomt, dan dat
+hij om mijn woorden zou geven. Hij heeft nederig het hoofd gebogen
+voor zijn vader Thorwald, en verwacht hetzelfde van ons."
+
+"Natuurlijk, en ik heb ook den meesten eerbied voor hem; want er
+leefde nooit een beter vader."
+
+"Daar hebt gij gelijk in, maar toch ken ik hem te goed om mij er aan
+te wagen met hem te redetwisten."
+
+Toen sprak een edele Noorman, Thorfinn Karlsefni, een vertrouwd vriend
+van Sigvald:
+
+"Zeg mij, vriend Sigvald! is uw vaders tijd nog niet om? Als ik mij
+goed herinner, werd hij voor den tijd van drie jaar verbannen. Die
+tijd is immers reeds lang voorbij?"
+
+"Dat is waar, Thorfinn! de drie jaren zijn reeds lang om, maar hij
+is te hoogmoedig om naar het land terug te keeren, van waar men hem
+verbannen heeft. In drift versloeg hij zijn tegenstander, en voor
+die nietige overtreding werd hij--evenals zijn vader vóór hem--uit
+huis en hof verdreven. Maar gedurende die drie jaren en langer heeft
+Eirik een bloeiende kolonie gesticht bij Eiriks-fjord. Toen daarom
+mijn broeder Leif zich naar den koning van Noorwegen, Olaf Tryggvason,
+begaf, en hem smeekte om vergeving voor onzen vader, werd hem dat niet
+alleen dadelijk verleend, maar hij zond deze krijgslieden en talrijke
+geschenken naar graaf Eirik, en noodigde hem uit naar zijn hof te
+komen en bevelhebber te worden op Noorweegsche schepen, of, als hij
+dat liever wil, mag hij ook in Groenland blijven en de krijgslieden
+gebruiken om hem daar bijstand te verleenen."
+
+"Een edel vorst is Olaf; laat ons op zijn gezondheid drinken!" riep
+Leif, en de drinkhorens gevuld met wijn en mede, werden tot op den
+bodem geledigd.
+
+Toen het gedruisch op zijn hoogst was, klonk het hoorngeschal van
+een der wachters op de heuvels.
+
+"Dat is de hoorn van den ouden Halvar," zei Sigvald. "Hij brengt ons
+nieuws; het andere schip is zeker in het gezicht. Hoort gij, drie
+opeenvolgende stooten op den horen. Hij houdt niet van praten en zijn
+signalen zijn zoo bekend, dat hij het ook niet behoeft te doen."
+
+"Daar komt de oude Halvar," zei de jonge Thorfinn, en dadelijk daarop
+verscheen een oud man, gekleed als een vrije, maar met het deftige
+en ernstige voorkomen van een priester.
+
+"Een schip in zicht, graaf Sigvald! Geef mij mijn belooning!"
+
+Het was namelijk de gewoonte op die afgelegen plaats om hem, die het
+eerst tijding bracht dat een koopvaardijschip de baai naderde, een
+zilveren ring en een drinkhoorn vol mede te schenken. Halvar deelde
+nu het volgende mede:
+
+"Een schip, graaf! geen oorlogsvaartuig maar een vreedzame
+koopvaarder. Ik heb mijn ring en mede verdiend. Vaarwel!"
+
+Zoo sprekend dronk hij in een lange teug den vollen hoorn, leeg en
+ging heen, zonder een woord van dank te uiten.
+
+De hal was vol krijgslieden, die aan de groote houten tafels gezeten
+waren, welke langs den muur stonden. Allen zaten met het gezicht naar
+het vuur gekeerd, dat zich in het midden der zaal bevond. De daïs,
+of verhevenheid voor de meer aanzienlijke gasten, bevond zich in het
+midden van den westelijken muur, juist tegenover de opgaande zon, en
+op deze daïs zaten de beide broeders en Thorfinn, de volmaakte. Men
+had hem dien bijnaam gegeven, omdat hij uitmuntte in alle mannelijke
+deugden. Evenals graaf Sigvald was hij een Christen; met tal van
+anderen op het eiland had hij het Heidendom vaarwel gezegd, hoewel,
+om de waarheid te zeggen, velen van die Christenen, evenals Leif zelf,
+weinig wisten van het Christelijk geloof.
+
+Het middagmaal werd opgediend. Nogmaals gingen de horens rond, en
+zaten de krijgslieden, Heidenen en Christenen, vreedzaam bij elkander
+en dronken mede, totdat de avond viel. Toen kwamen de lieden, die
+uit het pas aangekomen schip ontscheept waren.
+
+Zij traden de zaal binnen tot voor de broeders. Voorop liep een
+dapper krijgsman, geheel geharnast en gevolgd door tien krijgers. Toen
+kwam een eerwaardig priester, wiens haar en baard, beide sneeuwwit,
+tot op borst en schouders neerhingen. Vervolgens kwamen de vrouwen,
+die alle gevaren getrotseerd hadden ter wille van hun echtgenooten,
+en nog anderen, die, toen zij hun bloedverwanten het geliefde Noorwegen
+zagen verlaten, gesmeekt hadden om aan hun arbeid deel te mogen nemen,
+en zich dus bij hen hadden gevoegd, wier doel het was de Heidenen
+te bekeeren in Eirik's kolonie op het dorre eiland, dat honderd
+jaar te voren ontdekt was, en waaraan men den naam van IJsland had
+gegeven. De stoet werd gesloten door tien andere krijgslieden en een
+tweeden priester, veel jonger dan de eerste.
+
+Onder de vrouwen bevonden zich twee schoone maagden; het waren twee
+zusters, Guthrida en Hallfrida, die met hun ouders meegekomen waren
+om het zendingswerk te verrichten.
+
+Thorfrida, Sigvald's vrouw, ontving de vrouwen en bracht ze naar haar
+vertrekken. De krijgslieden namen de ledige zitplaatsen in en waren
+spoedig aan het eten en drinken. Doch Thorfinn staarde in gedachten
+verzonken, naar de deur door welke de vrouwen verdwenen waren.
+
+
+
+
+
+
+
+II.
+
+
+In een afgelegen deel van het eiland, veel dichter bij den vulkaan
+de Hekla dan de aangename woning, die wij u beschreven hebben, stond
+een huis, hetwelk een heel ander aanzien had dan dat in Groendal. Het
+was gebouwd van overblijfselen van schepen, en van ruwe blokken lava,
+zoo opgestapeld, dat zij een woning vormden.
+
+Het was een vreemd huis. De buitenmuren van hout en van lava, omsloten
+een ruimte, honderd voet lang en zestig breed. Deze was door houten
+beschotten in vier kamers verdeeld.
+
+De ruwe en dikke muren waren bedekt met oude behangsels, die zestig
+jaar geleden uit Noorwegen waren medegebracht en toen waren zij
+reeds oud.
+
+In de grootste kamer stonden twee tafels, eenige driepootige stoelen
+en langs de muren banken, waarover zeehonden- en berenvellen lagen
+gespreid. In het midden der kamer brandde een vuur, waarvan de rook
+door een opening in het dak een uitweg vond. Vensters waren er niet
+aanwezig.
+
+Op een der banken, tusschen berenhuiden en met eiderdons gevulde
+kussens, zat een vrouw, klaarblijkelijk van hoogen ouderdom.
+
+Op een andere bank zat een veel jongere vrouw, terwijl een derde,
+een meisje dat nauwelijks twintig zomers telde, bezig was een olielamp
+in orde te brengen, welke aan de zoldering hing.
+
+"Ik zal u eens wat zeggen, Freydisa!" zei de tweede vrouw, "gij hebt
+groot ongelijk. Hier met mijn moeder kunt gij als tooveres meer geld
+verdienen, dan een koopman met jarenlangen arbeid. Het is een dwaze
+kindergril!"
+
+"Ik geef niet om geld, Refna! Gij hebt mij gezegd dat ik rijk ben,
+doch al was ik zoo arm als de minste knecht, dan zou toch mijn ziel
+zich verzetten tegen het spel, dat wij met de arme zeelieden spelen."
+
+"Pas op Freydisa!" zei de oude tooverkol. "Maak mij niet boos! Uw
+moeder heeft het nog nooit gewaagd zich tegen mijn wil te verzetten."
+
+"Ik acht en eerbiedig mijn moeder en u als mijn grootmoeder ben
+ik hetzelfde verschuldigd. Maar er bestaat een toekomst en in die
+toekomst zie ik grootheid en macht."
+
+"Welke macht kan grooter zijn dan die welke wij bezitten,
+Freydisa?" vroeg de moeder. "Alle menschen vereeren ons en betalen
+ons goed voor onze woorden."
+
+"Ja, moeder! maar toch blijven zij ons uit den weg. Ik wilde gaarne
+door menschen van alle rangen gezocht, niet vermeden worden. Ik zou
+over hen willen heerschen en ik zou willen dat zij mij schatting
+betaalden."
+
+Zij was opgewonden en sprak zoo luid, dat zij de naderende hoefslagen
+niet hoorde. De moeder van Freydisa hoorde ze het eerst. Waarschuwend
+stak zij den vinger op. Het meisje zweeg en ging voort met haar
+bezigheid en spoedig brandde de lamp helder en haar flikkerend
+schijnsel maakte de kamer nog vreemder en tooverachtiger.
+
+Een oogenblik van stilte volgde en toen hoorde men de ruiters
+afstijgen. Het tapijt, dat achter de oude vrouw hing, werd opgelicht en
+er verscheen een zonderling meisje. Zij fluisterde de oude vrouw eenige
+woorden in het oor en verdween weer even spoedig als zij gekomen was.
+
+Dadelijk daarop traden drie fiere mannen de kamer in. Zij droegen
+een wapenrusting en ook een zwaard, en de gewone speer of werpspiets.
+
+"Wat zoekt graaf Thassi bij de zieneres Unna?" vroeg de oudste der
+vrouwen.
+
+"Unna, ik heb raad en hulp noodig."
+
+"Ik weet het--tegen Leif Erikson!"
+
+"Hoe weet gij dat geheim?" riep de krijgsman uit, die het eerst was
+binnengetreden.
+
+"Als ik minder wist zou mijn hulp niet worden ingeroepen."
+
+"Uw wijsheid en boosaardigheid zijn op het geheele eiland bekend,
+en daarom moet ik, tot welken prijs ook, de middelen van u weten,
+waarmee ik Leif kan benadeelen."
+
+"Gij wenscht dus een toovermiddel van mij, dat hem ten val brengt,
+zonder dat er voor u eenig gevaar is? Neem plaats, graaf Thassi! en
+verzoek ook uw vrienden te gaan zitten. Ledig eenige horens wijn,
+want Unna heeft dien over voor de gasten, die zij onderscheiden wil,
+dan zal ik intusschen nadenken hoe ik u helpen kan. Aska! breng ook
+gerookt berenvleesch!"
+
+Het klimaat van het Noorden geeft den mensch eetlust en in dien tijd
+werd er zooveel gedronken, dat men er nu geen denkbeeld van hebben
+kan. De drie IJslandsche edelen vielen dan ook met graagte op de
+spijzen aan, die de tooveres hun voorzette, terwijl Aska en Freydisa
+met haar moeder hen zoo van wijn voorzagen, dat zij weldra niet meer
+bemerkten wat zij deden.
+
+Toen sprak Unna tot Freydisa:
+
+"Neem geld, huiden en pelzen, en rijd met uw moeder en vier man naar
+Groendal. Waarschuw hen voor de boosheid van dezen dwaas, dien ik
+door u in hun handen zal overleveren. Ik zal je een toovermiddel geven
+in zulke runen geschreven, dat Sigvald ze lezen kan, en daardoor zal
+weten welk een booswicht Thassi is. Gij zult rijkelijk beloond worden."
+
+Het meisje reed heimelijk met haar moeder en de mannen heen en nam
+alles mede wat Unna haar gezegd had, maar ook een goeden voorraad
+zilveren ringen en blauw laken, want dit gold als gangbare munt.
+
+Zij reden zeer snel; de pachters en landeigenaars voorzagen hen
+telkens van versche paarden, zoodat zij in twee dagen te Groendal
+aankwamen, waar Sigvald's vrouw, Thorfrida, Freydisa en haar moeder
+vriendelijk ontving.
+
+Zij was zeer blijde toen zij hoorde, hoe Thassi zijn plannen aan de
+oude tooveres had geopenbaard, want de runen op de beukenhouten staf,
+die toen nog op IJsland voor geheime boodschappen gebruikt werd,
+deelden haar mede dat het doel van het bezoek, dat Thassi spoedig
+bij haar zou afleggen, niets minder was dan om haar zwager Leif,
+onder het een of ander nietig voorwendsel, te dooden.
+
+Thorfrida, die zeer goed wist hoe spoedig de Noormannen naar de wapens
+grepen, besloot noch haar echtgenoot, noch zijn broeder vooreerst iets
+van den aanslag te zeggen. Maar de tijd ging snel en de moordenaars
+konden elken dag verwacht worden. Daarom zond zij een der vrouwen
+van haar gevolg om kleinen Edrik op te zoeken, die dadelijk kwam
+aansnellen.
+
+"Nu, Edrik!" zei Thorfrida, "ik heb uw hulp noodig."
+
+"Goed, lieve moeder! zeg slechts wat ik doen moet."
+
+Nu vertelde zij hem wat er gaande was en hoe zij vreesde dat Sigvald
+den moordenaar tot een tweegevecht zou uitdagen.
+
+"Laat alles maar aan mij over," antwoordde Edrik, "want hoewel ik maar
+een kleine jongen ben, geloof ik dat ik toch wel op kan tegen Thassi."
+
+Nu bevond zich onder de volgelingen van Leif iemand, tot wien de
+knaap zich bijzonder aangetrokken gevoelde. Hij was een edelman uit
+Noorwegen, die met Leif meegekomen was, en Thornward heette. Edrik
+begaf zich dadelijk naar de zaal, waar Thornward met een zijner
+makkers gezeten was.
+
+"Zoudt gij mij een grooten dienst willen bewijzen?" vroeg de knaap.
+
+"Zeker, mijn jongen! wat wenscht gij?"
+
+"Als gij alleen zijt zal ik het u vertellen, want het is een geheim."
+
+Thornward's vriend stond lachend op en zeide: "Ik zal uw gesprek
+niet storen. Ik moet mijn valk ook eens laten uitvliegen. Thornward,
+maak die zaak maar uit met kleinen Edrik, en als hij je soms uitdaagt,
+dan zal ik uw getuige zijn." Dit zeggende ging hij lachende heen.
+
+"Dat was niet heel beleefd, Edrik! maar Hanno is een goed vriend. Zeg
+nu maar wat gij te vertellen hebt?"
+
+Edrik vertelde hem hoe Freydisa honderd mijlen ver had gereden om
+Thorfrida te waarschuwen. Hoe de moordenaar van plan was vergift te
+mengen in den drank van Leif, en hoe hij toovermiddelen had gekocht
+om den graaf ziekte en verdriet aan te brengen.
+
+"Het is een schurkenstreek om iemand te dooden, terwijl hij drinkt,"
+merkte de wijze Noorman op, "want de geest is dan minder op zijn hoede,
+daar zij beneveld is door den wijn, en als wij onder dien invloed
+sterven, is lichaam en ziel verloren. Wat de toovermiddelen aangaat,
+ze doen niemand kwaad dan hem, die ze gebruikt. Maar vergiftigde
+wijn!".....
+
+"En wilt gij mij nu helpen om graaf Leif te redden?"
+
+"Zeker wil ik dat. Het is christenplicht en hij is mijn vriend!"
+
+"Wat zullen wij doen? Zou het niet het best zijn dat ik hem bespiedde,
+dan kunt gij den hoorn grijpen en hem de mede zelf laten drinken."
+
+"Best, en als het toovermiddel bij hem gevonden wordt, wordt hij ter
+dood veroordeeld, volgens de IJslandsche wet. Voor zulk een schelm
+is hangen nog te goed."
+
+"Het was een heele rit voor dit meisje."
+
+"Ja, jongen! zij moet goed en trouw zijn. Ik acht haar!"
+
+Twee dagen na dit gesprek kwam Thassi met drie vrienden en zes
+volgelingen te Groendal aan. Edrik riep de andere knapen bij elkaar en
+verzocht hun dien man goed in het oog te houden, maar hij zeide hun
+niet waarom. De ontmoeting tusschen Leif en Thassi was in 't begin
+zoo stijf en zoo koel als maar eenigszins mogelijk was, maar Thassi
+scheen onder den invloed der omgeving milder gestemd te worden, en op
+den derden dag na zijn aankomst legde hij het zoo aan, dat hij naast
+Leif op de daïs kwam te zitten. Toen nu de hoorns rond gingen, haalde
+hij van onder zijn kleed een prachtigen drinkhoorn te voorschijn,
+rijk met zilveren ringen en met edelsteenen versierd. Hij hield hem
+omhoog en verzocht den dienenden maagden hem te vullen voor den dronk,
+dien hij van plan was in te stellen.
+
+Sigvald keek nieuwsgierig naar den prachtigen drinkhoorn. Thorfrida
+werd bleek van angst. Freydisa vestigde haar groote, donkere oogen
+op den spreker, maar niemand sprak of bewoog zich.
+
+Toen stond Thassi op en sprak:
+
+"Ik ben een zoon van Odin, metgezellen! maar ik heb gastvrijheid
+aangenomen bij mijn Christengastheer, omdat ik het huiselijk leven der
+Christenen wilde leeren kennen, voordat ik hun godsdienst omhels. Maar
+daar ik weet dat men om Christen te kunnen worden alle twisten moet
+bijleggen, beken ik nu dat ik een tijdlang Leif gehaat heb. Ik vraag
+hem hier openlijk om zijn vriendschap en smeek hem, om als teeken van
+verzoening, dezen beker van mij aan te nemen en op mijn gezondheid
+te ledigen. Laat ons vrienden zijn, Leif!"
+
+Zoo sprekend bood hij Leif den beker aan, die hem in ruil den zijne
+gaf. Hij was op het punt hem aan de lippen te zetten, toen Edrik
+van zijn plaats opsprong, naar de daïs snelde en hem met zooveel
+kracht den beker uit de hand rukte, dat al de mede over den grond
+stortte. "Rak hem niet aan, Leif! het is vergift!" riep hij uit.
+
+Thornward was een krachtig krijgsman, maar hij was lang zoo vlug niet
+als Edrik. Toch was hij spoedig op zijn post. Met ijzeren greep hield
+hij den moordenaar vast, en boven al het rumoer klonk zijn stem:
+
+"Ik zal dezen schurk aan het gerecht overleveren. Onder den schijn
+van vriendschap heeft hij getracht Sigvald's broeder door vergift
+het leven te benemen. Zie maar hoe in den beker een witachtig slijm
+ligt! De schurk staat te laag om door mijn zwaard te sterven. Voer
+hem weg! Wacht, nog een oogenblik! misschien heeft hij zich voorzien
+van een toovermiddel!"
+
+Hier stond Sigvald op en met zijn als metaal klinkende stem beval
+hij stilte.
+
+"Grijpt ook zijn vrienden!" riep hij. "Voor lafaards en giftmengers ken
+ik geen genade. Neemt ze gevangen en bindt ze. Thornward beschuldigt
+Thassi van het gebruik van toovermiddelen. Als die bij hem worden
+gevonden, moet hij geboeid worden en als een gemeene dief voor de
+openbare Ting terecht staan. Onderzoekt hem!"
+
+De tegenstand van den lafaard was vruchteloos. Thorward haalde
+van onder zijn kleeren een zakje te voorschijn en dit bevatte een
+perkament, voorzien van een zegel.
+
+Thorward riep toen den hofmeester (huisbestuurder) en beval hem het
+zegel te verbreken en te lezen wat er in stond. Deze gehoorzaamde
+en las:
+
+"Door dit toovermiddel zullen alle menschen weten dat Thassi Hangurson
+een lage schurk is. Hij vroeg dit toovermiddel om Leif, zoon van Eirik,
+bijgenaamd den Rooden, ten val te brengen. God moge Leif beschermen!"
+
+Een uitbundig gelach volgde op het voorlezen van dit vreemde en weinig
+vleiende dokument. De schuldige werd weggeleid, en opgesloten om niet
+meer te voorschijn te komen dan op den dag van de rechtspraak.
+
+Zoodra hij verdwenen was riep Sigvald uit: "Vrienden! wij moeten niet
+vergeten om dank te zeggen voor Leif's redding. Ook ben ik blijde dat
+ik hier met lof van Edrik spreken kan. Hij heeft dien lof verdiend,
+en daarom mag hij mij iets vragen, dat ik hem zal toestaan, als het
+ten minste goed voor hem is. Wat wenscht gij, mijn zoon Edrik?"
+
+"Vader, ik wilde gaarne met Leif mee naar zee gaan en Eirik
+Thorwaldson, den Rooden, bezoeken."
+
+Dit verzoek viel zoo in den smaak van Sigvald, dat hij verheugd
+uitriep: "Mijn zoon, als Leif u mee wil hebben moogt gij gaan! Nu
+Thorward, wat kunnen wij voor u doen?"
+
+"Graaf Sigvald, ik ben slechts een ruw krijgsman en geen goed
+spreker. Het gedrag van de maagd Freydisa heeft mij verheugd. Zij heeft
+uws broeders leven gered. Dat is een edele daad, want, wij moeten
+sterven op het slagveld of op zee, in het aanzicht van den vijand,
+zooals ook onze vaderen gestorven zijn. Daarom voel ik de goedheid
+van Freydisa voor mijn vriend zoozeer, en daar zij nu uw gast is en
+onder uw hoede, vraag ik aan u: geef haar mij ten huwelijk."
+
+Dit voorstel werd door de gasten toegejuicht, en Sigvald zeide,
+terwijl hij zich tot Freydisa wendde: "Wij zijn u het meest van
+allen verschuldigd. Zonder u zou mijn broeder den dood van een
+lafaard gestorven zijn. Thorward maakt dat ik u den besten prijs
+kan aanbieden, die voor een vrouw te verkrijgen is.... een eerlijk,
+braaf en goed echtgenoot. Neem hem aan, Freydisa! als uw moeder het
+ten minste toestaat."
+
+Freydisa stond op, boog voor de vergadering en zeide: "De dappere
+graaf Thorward is door het geheele noorden bekend en daar ik zie dat
+mijn moeder door haar zwijgen toestemming verleent, zal ik mij niet
+verzetten tegen 't geen graaf Sigvald goedvindt."
+
+Op dit antwoord volgde een storm van toejuiching. De vrouwen trokken
+zich nu terug en de krijgslieden bleven beraadslagen over het lot van
+Thassi. Zijn misdaad was zoo tegen hun wijze van denken en handelen,
+dat zich geen stem verhief ten zijnen gunste. De nacht brak aan en
+vond hen nog steeds bezig met de zaak te bespreken.
+
+
+
+
+
+
+
+III.
+
+
+Een huwelijk op IJsland, negenhonderd jaar geleden, was heel wat anders
+dan zulk een plechtigheid in dezen tijd. In den ouden heidenschen
+tijd werd de bruid door eenige vrienden van den bruidegom, in optocht
+naar diens huis gebracht, en daar had de plechtigheid plaats, die
+bestond in het drinken van groote hoeveelheden wijn en bier en het
+wisselen van geschenken tusschen de beide partijen. De bruid schonk
+haar aanstaanden echtgenoot wapens, een maliënkolder en een paard,
+terwijl hij haar een paard, een ploeg, een lans en andere geschenken
+gaf, meestal zinnebeelden van de plichten, die beiden nu jegens
+elkander te vervullen hadden. De wapens wezen aan, dat hij altijd
+de beschermer van zijn huis moest zijn; het paard, dat hij altijd
+gereed moest zijn den vijand te achtervolgen. Zijn geschenken aan
+haar beduidden, dat de zorgen der huishouding en het bebouwen van het
+veld haar bezigheden waren, terwijl het paard en de lans te kennen
+gaven dat haar plicht haar ook in oorlogstijd aan zijne zijde riep,
+en zij hem zelfs in het veld moest volgen.
+
+Toen het Christendom werd ingevoerd, raakten veel van deze gewoonten
+langzamerhand in onbruik, maar toch zijn er nog tegenwoordig sporen
+van te vinden in het wisselen der trouwringen
+
+Bij gelegenheid van het huwelijk tusschen Thorward en Freydisa was
+het als 't ware een samensmelting van oude en nieuwe gebruiken. Van
+weerszijden werden geschenken gegeven en er werden gouden ringen
+gewisseld.
+
+De overlevering zegt, dat Leif de eerste was aan wien men de invoering
+van den Christelijken godsdienst op het eiland te danken heeft. Zeker
+is het, dat hij op zijn schepen Christenpriesters heeft meegebracht
+en dat het eerste Christenhuwelijk door die priesters werd ingezegend.
+
+Toen al de feestelijkheden afgeloopen waren, was de zomer ver
+gevorderd en de tocht naar Groenland, die ten doel had Eirik, den
+Rooden, te bezoeken, kon niet langer uitgesteld worden.
+
+Onder hen, die aan den tocht deelnamen, was ook Byarn Hergulfson, wiens
+vader Hergulf een der boezemvrienden van Eirik, den Rooden, was. Byarn
+had ook een schip uitgerust en wilde gelijk met Leif uitzeilen. Sigvald
+had zijn zoon Edrik verlof gegeven twee zijner kameraden te vragen
+om mee te gaan, als hun ouders er ten minste in toestemden.
+
+"Ik zou Osrik en kleinen Nils het liefst mee hebben, als zij willen,"
+zeide Edrik.
+
+De jongens hadden er zeer veel lust in, en hun ouders waren blijde
+dat hun zoons gelegenheid hadden zulk een uitstapje te maken. Op den
+bepaalden dag zeilden dus twee schepen van Reikiavik af, het eene onder
+Leif Eirikson, het andere onder bevel van Byarn, zoon van Hergulf.
+
+In het begin van Augustus verlieten de twee schepen, de Rolf Krake en
+de Sleipner, de haven van Reikiavik. Aan den oever stonden vrienden en
+nieuwsgierigen. Edrik, Osrik en Nils stonden op het hoogere gedeelte
+bij den achtersteven en keken naar de achterblijvenden, totdat het
+voorgebergte hen voor hun blikken verborg.
+
+"Wel, Edrik! nu begint het er op te lijken," zei Osrik, toen het land
+uit het gezicht was. "Hier zijn wij vrij! Wat een heerlijk gevoel. Kijk
+eens naar dit veld van blauw water. Dat wil ik altijd beploegen."
+
+"Ja," zei Edrik, "en onze kiel is de ploegschaar."
+
+"Maar," zoo nam Nils het woord, "ik zie niet in welken oogst wij hier
+moeten binnenhalen."
+
+"Roem!" zei Edrik, en trotsch keek hij rond. "Roem en eer," ging hij
+voort, als door het onderwerp meegesleept. "Op de zee vinden wij een
+roemrijk te huis en een eervol einde, als onze taak is afgedaan en
+de oceaan ons graf wordt."
+
+Byarn, de zoon van Hergulf, hoorde deze redeneering en zei lachend:
+"Hoort eens, jongens! aan boord is niet veel tijd voor zulke mooie
+redevoeringen. Wij hebben geen andere katten noodig dan die, welke
+muizen vangen; gij moogt dus niet lui zijn. Kijkt eens daar ginds! Lars
+Fostigson is bezig een touw te vlechten; hij zal u die kunst leeren."
+
+Edrik en de andere knapen wisten echter meer van deze dingen af dan
+Byarn eerst gedacht had, en wat zij nog niet wisten leerden zij spoedig
+genoeg aan. Hun tweede dag op zee werd gekenmerkt door een dikke mist,
+die het andere schip voor hun oog verborg. 's Nachts trok de mist
+weer weg, maar de Rolf Krake was nog niet in 't gezicht. De derde dag
+brak aan, en Edrik werd in den mast gezonden, om te trachten met zijn
+jeugdige oogen het vermiste schip te ontdekken. Hij klom vlug naar
+het kleine kraaiennest, of de mand, die aan het bovenste gedeelte
+van den mast was bevestigd. Er konden mannen in staan, die van daar
+op het dek van den vijand konden schieten, of naar alle kanten konden
+rondkijken om voorwerpen te ontdekken, die van het dek af niet gezien
+konden worden.
+
+"Wat ziet gij daar boven?" riep Byarn.
+
+"Niets! Er is geen schip te zien, zelfs geen spelende walvisch."
+
+"Vreemd!" zei Byarn, "kom beneden, dan zal ik beproeven of ik
+gelukkiger ben."
+
+Edrik klom af en Byarn verving hem, doch hij zag evenmin iets.
+
+"Wij kunnen nog niet ver van de kust af zijn; ongeveer twee honderd
+mijlen, denk ik, en de wind is niet veel gedraaid. Wat kan die
+verdwijning van Leif te beteekenen hebben? Ik zal een raaf laten
+vliegen."
+
+Het was de gewoonte onder de Noorsche zeelieden om twee of drie
+raven mede te nemen, en die onder sommige omstandigheden te laten
+vliegen. Toen Byarn dit beval gaf, was het met de bedoeling om te
+zien waar het dichtstbijgelegen land lag.
+
+De raaf werd meegenomen naar het kraaiennest en vandaar liet men
+hem vliegen. Na eenige keeren om den mast gevlogen te hebben, gaf
+het dier een schreeuw en vloog weg in de richting van waar het schip
+gekomen was.
+
+"Zie jongens, zie!" riep Byarn, "IJsland ligt nog zoo dicht bij dat de
+vogel het kan bereiken. Het schip gaat dus vooruit naar Groenland. Aan
+de riemen jongens! met roeien moeten wij de zeilen helpen."
+
+Zoo gingen zij vooruit, drie dagen lang en toen werd de mist zoo
+dik, dat zij op geen speerlengte van zich af konden zien. Er werd
+een tweede raaf uitgezonden, maar die keerde spoedig terug, daar de
+mist te dik was en zelfs de scherpe oogen van den vogel er niet in
+konden doordringen.
+
+Dien geheelen dag en nacht bleef de mist hangen. De morgen bracht
+dikke wolken en zwaren regen, en de nacht, hoewel droog, was zoo
+verduisterd door wolken, dat zij de sterren niet konden onderscheiden
+en niet wisten hoe zij sturen moesten.
+
+De volgende dag was zoo helder als zij maar wenschen konden; geen
+wolkje was aan den hemel te zien. Er was een lichte bries opgestoken,
+maar daar hun geheele berekening nu in de war was, wisten zij niet
+of de wind hun gunstig was of niet. Zij lieten een raaf vliegen, maar
+'s namiddags kwam zij uitgeput terug, een bewijs dat er geen land in
+de nabijheid lag.
+
+"Zou Leif met de Rolf Krake verdwaald zijn?" vroeg Byarn.
+
+"Leif Eirikson is een goed Christen," antwoordde Edrik. "Door God's
+zegen zal alles wel terecht komen."
+
+"Gij zult nog een prediker worden, Edrik!--maar ik geloof dat wij
+Groenland in de mist voorbij zijn gezeild. Echter, dat kan toch niet,
+want Groenland is het eind van Midgard (de aarde) en daar voorbij is
+geen land of water meer."
+
+Zij zeilden nog drie dagen voort en nog was er geen land in 't
+zicht, wel ijsbergen. Nogmaals liet men een raaf vliegen; er ging een
+geheele dag voorbij, doch het dier keerde niet terug. Dezen keer was
+hij dadelijk van den voorsteven weg gevlogen, zonder een oogenblik
+te aarzelen.
+
+Den volgenden morgen werd kleine Edrik weer den mast in gezonden. Hij
+bleef daar vier uur en was uitgeput van vermoeienis en honger, toen
+hij eindelijk op het geroep van Byarn antwoordde; "Ik zie iets aan
+stuurboord; misschien is het land."
+
+"Een mistbank, denk ik! Kom beneden; het kan ook een ijsveld zijn."
+
+"Wacht even, ik geloof dat het de kust is! Stuur recht op de
+ondergaande zon aan, juist zooals de wind is.... zoo!"
+
+Hoewel de Noorsche zeden niet toelieten dat men toonde ergens heel veel
+belang in te stellen, konden de krijgslieden aan boord hun vreugde toch
+niet bedwingen bij de woorden van Edrik. Zij roeiden met meer lust en
+deden de Sleipner zoo snel voortgaan als maar eenigszins mogelijk was.
+
+Edrik vergat vermoeidheid en honger, toen hij duidelijk bespeurde
+dat hij werkelijk land zag. Byarn beval hem nu beneden te komen en
+hij klom zelf naar boven, in zich zelven brommend dat hij wel haast
+zeker was dat het een ijsveld zou zijn. Doch toen hij boven was, waren
+zijn verwondering en verrassing zelfs voor Noorsche kalmte te veel.
+
+"Bij alle heiligen! Daar is eindelijk Groenland na een
+veertiendaagschen kruistocht. Van zoo iets heeft men nog nooit
+gehoord!"
+
+Bij zonsondergang waren zij de kust zoover genaderd, dat zij heuvels
+met groene bosschen bedekt konden onderscheiden.
+
+"Dit moet Groenland wel zijn!" riep Byarn uit. "Kijkt eens naar die
+prachtige boomen!"
+
+"Dat is Groenland niet!" zei een der roeien, "de kust ziet er anders
+uit. Men noemt het geen Groenland om de dichte wouden, maar omdat
+dicht bij het water zooveel gras en struiken groeien.--Groenland? Het
+heeft meer van Steenland!"
+
+"Gij hebt gelijk, geloof ik!" zei Byarn, "ik ken Groenland niet, maar
+Leif heeft mij verteld dat de heuvels binnen in het land met sneeuw en
+ijs bedekte toppen hebben, terwijl aan den waterkant de bodem bedekt
+is met gras. Hier is het juist het tegenovergestelde; de kust is wit
+van de steenblokken en in de verte zijn alle heuvels groen!"
+
+De Sleipner zeilde langzaam langs de kust, maar vond nergens een
+geschikte landingsplaats. Zij lieten dus het land met de steenen
+links liggen, en kozen de open zee, en zooals de overlevering luidt:
+"na twee dagen verder gezeild te zijn, ontdekten zij land, maar veel
+lager dan het eerste en met boomen begroeid."
+
+Hier gingen zij aan wal, en daar zij er allerlei dieren aantroffen
+en overvloed van frisch water, namen zij een heelen voorraad in en
+zeilden verder. "Zijn tocht voortzettend," zoo luidt het verder, "met
+een gunstigen zuidwestenwind, bereikte Byarn in drie dagen weer een
+uitgestrekt eiland, waarvan de kust bedekt was met talrijke ijsvelden
+en ijsbergen. Daar het land er niet zeer aantrekkelijk uitzag, koos
+Byarn weer zee."
+
+"Ik zou toch wel eens willen weten of dat nu Groenland is geweest,"
+zei Edrik, nadat zij dit nieuwgevonden land (New-Foundland) [1]
+hadden verlaten en weer twee dagen op zee waren. "Misschien is het
+een gedeelte van Groenland, dat nog nooit bezocht is geworden."
+
+"Dat kan wel," antwoordde Nils, "hoewel ik hoop dat de rest van
+Groenland wat aanlokkelijker is. De bosschen echter waren mooi. Ik
+had daar wel eens op de berenjacht willen gaan, als er tijd voor
+geweest was."
+
+"Het was Groenland niet, jongens!" zei Osrik. "Mijn vader is in
+Groenland geweest en heeft mij er alles van verteld. Het is evenmin
+Groenland, als ik koning Olaf Tryggvason ben."
+
+"Kent gij Olaf Tryggvason?" vroeg Nils.
+
+"Neen! maar ik hoorde mijn vader over hem spreken."
+
+"Is hij een reus?"
+
+"Een reus? ha, ha! Waarom doet gij toch zulke dwaze vragen?"
+
+"Het is geen dwaze vraag. Ik hoorde mijn vader zeggen: "Olaf en eenige
+andere groote mannen van Noorwegen;" ik dacht stellig dat hij bedoelde
+dat zij reuzen waren."
+
+"Gij zijt een malle jongen! Koning Olaf is niet grooter dan andere
+menschen, maar hij is een koning."
+
+"Wij hebben dan zeker op IJsland geen koningen, omdat er geen
+buitengewoon groote menschen wonen?"
+
+"Hoor zulke knapen nu toch eens praten!" zei Byarn, die deze opmerking
+hoorde. "Wij hebben geen koning op IJsland, omdat alle menschen daar
+gelijk zijn, hoewel sommigen onder hen nog graven genoemd worden."
+
+"Is Bren, de jager, dan gelijk met mijn vader?"
+
+"Ja, volgens de IJslandsche wet."
+
+"Waarom beval mijn vader dan om hem te slaan. Hij kan toch mijn vader
+niet laten slaan?"
+
+"Daar zal ik op een anderen keer eens met u over praten. Ga nu naar
+boven en zeg mij of gij land kunt zien."
+
+Edrik klom vroolijk naar boven en was er nog niet lang, toen men hem
+hoorde roepen: "Land aan bakboord!" Hij kwam naar beneden en Byarn
+klom in den mast. Hij bevestigde het bericht.
+
+"Dat zal Groenland zijn en dat andere is dus zeker een eiland, waar
+niemand iets van weet."
+
+"Zoudt gij denken, dat Byarn zal vertellen welk nieuw land wij
+gezien hebben?"
+
+"Ik geloof het niet, want als hij het vertelde, zouden zij hem maar
+uitlachen, omdat hij Groenland gemist heeft."
+
+Byarn hoorde dit gesprek en hij dacht ook dat het voor zijn naam
+wellicht beter was om zijn mond te houden. Hij zeide dus tot de
+bemanning:
+
+"Het is niet goed dat de menschen om ons lachen, daarom stel ik voor
+aan onze vrienden in Groenland niets te zeggen van het land, dat wij
+gezien hebben. Wat denkt gij er van, vrienden?"
+
+Toen sprak Olog Arfvidson, een ernstig man, die meer geleek op een
+woudeik met besneeuwden top, dan op een man van vleesch en bloed:
+
+"Byarn Hergulfson, het is laag om te liegen. Ik kan natuurlijk mijn
+mond houden, als de menschen verwonderd vragen waar wij geweest zijn
+en waar wij onzen voorraad hebben opgedaan, want wij zijn nu een maand
+onderweg geweest. Wij moesten liever vertellen, dat wij een nieuw en
+onbekend land hebben gevonden, waar een menigte dieren leven."
+
+"Maar men zal ons niet gelooven," zei Byarn, "want Groenland is het
+eind der aarde. Toch moeten wij verklaren hoe wij voedsel vonden en
+waar. Liegen helpt niet, maar niemand zal ons gelooven als wij de
+waarheid zeggen."
+
+Toen zei kleine Edrik: "Wij moeten onzen mond houden, totdat ons
+bepaald gevraagd wordt wat wij gezien hebben, en dan moeten wij de
+waarheid zeggen."
+
+Het schip naderde intusschen het land en zeilde Eiriks-fjord in,
+waar Leif's schip, de Rolf Krake, ten anker lag.
+
+Het scheen dat de geheele kleine kolonie aan den oever verzameld was
+om Byarn te verwelkomen, van wien men gedacht had, nooit meer iets
+te kunnen of te zullen hooren.
+
+
+
+
+
+
+
+IV.
+
+
+De oude Eirik of Erik was een geducht persoon. Voor vele jaren had
+hij Groenland ontdekt, en hij was daarheen verbannen, omdat hij zijn
+tegenpartij in een twist gedood had. De tijd van zijn verbanning,
+drie jaar naar het schijnt, was lang verstreken maar hij verlangde
+niet naar IJsland terug te keeren, daar hij zich in de kleine kolonie,
+die hij zelf gesticht had, geheel thuis gevoelde.
+
+Toen de Noormannen, ongeveer een eeuw voordat onze geschiedenis
+aanvangt, hun land verlaten en zich op IJsland gevestigd hadden,
+hadden zij hun Scandinavische overleveringen en geschiedenissen
+medegebracht, die van het eene geslacht op het andere waren overgegaan
+in Denemarken, Noorwegen en Zweden. Zij waren genoodzaakt geweest zich
+te verdedigen tegen het despotisme van koning Harold Hárfage of Harold
+Schoonhaar, en tot op dezen dag hebben de IJslanders de taal van oud
+Scandinavië in al haar zuiverheid bewaard. Ook zijn de IJslanders
+steeds afkeerig gebleven van de koninklijke waardigheid. Zij waren
+en zijn republikeinen en van de negende tot de dertiende eeuw was
+IJsland het eenige land in Europa, waar de bewoners burgerlijke en
+godsdienstige vrijheid genoten.
+
+Olaf Tryggvason was in den loop zijner regeering in de gelegenheid
+geweest den IJslanders eenige hulp te verleenen, en daarom werd
+hij door hen beschouwd als hun vriend en beschermheer, en zelfs bij
+sommige moeielijkheden zijn tusschenkomst ingeroepen. Zoo geschiedde
+het ook dat Eirik, de Roode, zijn tusschenkomst inriep in zijn twist,
+maar tot zijn groote verbazing had de koning hem in 't ongelijk
+gesteld. Daardoor had Eirik een afkeer gekregen van den koning en hij
+vond het veel aangenamer om als een patriarch op Groenland te wonen,
+dan naar Noorwegen of IJsland terug te keeren.
+
+Leif was hem de liefste van al zijn zonen. Al was hij reeds dertig jaar
+oud, hij toonde steeds den noodigen kinderlijken eerbied. Het doel
+van zijn bezoek was nu om hem over te halen naar Groendal te komen
+om met hem en zijn broeder den Joeltijd te vieren, en ook om zijn
+zegen te vragen op het huwelijk, dat hij voornemens was te sluiten.
+
+De oude Eirik was een Heiden, een zoon van Odin van den ouden stempel,
+en hij werd bitter, als hij er van sprak, hoe zijn zonen het oude
+geloof hadden verzaakt en Christenen geworden waren. Toen Leif dus
+trachtte hem over te halen om ook Christen te worden, werd de oude
+man woedend en sprak:
+
+"Ik ben reeds gedoopt, maar in het bloed mijner verslagen vijanden. Zou
+water meer voor mij doen dan bloed? Neen Leif! Thor rijdt nog altijd
+met zijn wagen al donderend door de lucht, en Odin leeft eeuwig
+in Walhalla!"
+
+Dit antwoord sloot den jongen man den mond, maar bracht zijn geloof
+niet aan 't wankelen, en hij hoopte dat de tijd het bekeeringswerk
+veel beter zou volbrengen dan hij het doen kon.
+
+Op den avond van den dag, waarop 's morgens dit tooneel tusschen
+vader en zoon had plaats gehad, liet Byarn in de fjord het anker
+vallen. Deze gebeurtenis gaf zooveel reden tot blijdschap, dat alle
+bitterheid geweken was. De geheele bemanning werd in Eirik's hal
+verzocht en spoedig bogen de tafels onder het gewicht van spijs
+en drank. Nu gebeurde het dat een van Eirik's mannen schertsend de
+opmerking maakte, dat Byarn's scheepsvolk er zoo welgedaan uitzag.
+
+"Zij bezitten zeker het geheim om van de lucht te leven, of om vleesch
+zoo te bewaren dat het goed blijft," zei Eirik. "Byarn, leert de
+Christelijke godsdienst u om zonder voedsel te leven? Bij Thor,
+dan word ik Christen, wanneer gij maar wilt."
+
+Deze spotternij was te veel voor Byarn. Hij liet zijn besluit van
+geheimhouding varen en sprak:
+
+"Graaf Eirik Thorwaldson! De Christen lijdt geen gebrek aan het
+noodige, zooals gij daar juist gezegd hebt, maar in onze dagen
+geschieden geen wonderen meer om den menschen voedsel te verschaffen."
+
+"Zeg mij dan eens, welke middelen gij gevonden hebt om uw scheepsvolk
+het noodige te verschaffen. Ik zou dat voedsel wel eens willen
+proeven."
+
+"Eirik Thorwaldson! gij kunt het proeven als gij wilt. Zult gij aan
+boord komen of zullen wij het hier brengen?"
+
+"Zwommen er dan dieren naar uw schip toe om gedood te worden, of
+waren zij soms al gebraden?"
+
+Byarn kon niet langer zwijgen. "Graaf!" riep hij, "ik zeide u dat er in
+'t geheel geen wonder gebeurd is. Twijfelt gij aan mijn woorden?"
+
+"In 't geheel niet, vriend Byarn! Ik wil slechts weten welk geheim
+gij kent om op zee versch vleesch te verkrijgen."
+
+"Wij kregen het op het land!"
+
+"Welk land? Ten westen van Groenland wordt geen land meer gevonden;
+hier is het eind der aarde!"
+
+Toen sprak Leif tot zijn Vader:
+
+"Eirik Thorwaldson, herinner u dat dertig jaar geleden de menschen
+niet meer van Groenland wisten, dan wij van andere landen, die mogelijk
+ten westen liggen, en vele jaren voordat gij zelf Groenland ontdektet,
+werd IJsland op dezelfde wijze gevonden."
+
+Deze woorden schenen den ouden heiden toch te treffen, want na een
+oogenblik zeide hij:
+
+"Wel, wij moeten maar eerst het voedsel proeven en zien wat dit nieuw
+ontdekte land oplevert."
+
+Leif was verheugd over de goede stemming, waarin zijn vader zich nu
+bevond, en bracht het gesprek op Olaf Tryggvason, koning van Noorwegen,
+over wiens belangstelling de oude man zich zeer gestreeld voelde,
+hoewel hij te trotsch was om het te toonen. Het overige van den
+avond werd vroolijk doorgebracht en toen werden de lieden voorzien
+van berenhuiden en zeehondenvellen, om zich ter ruste te leggen.
+
+Den volgenden morgen ging Eirik de Sleipner bezichtigen. Hij prees de
+sterkte en den bouw van het schip, maar wat hem het meest verwonderde
+was een half dozijn herten, van een soort, in IJsland en Noorwegen
+onbekend.
+
+"Wat! Hebt gij deze dieren meegebracht?"
+
+"Ja graaf! maar wij hebben nog meer;" zei Byarn, "haal den vogel
+eens, Edrik!"
+
+De knaap klom vlug naar beneden, en kwam spoedig terug met een
+Amerikaanschen spotvogel, wiens pooten hij had vastgebonden met
+lederen banden. De vogel kon vliegen, maar niet ontvluchten, terwijl
+het zachte leder maakte dat hij zich niet kon bezeeren. Edrik gaf
+Byarn den vogel in de hand.
+
+Eirik bekeek den vogel met eenige verbazing, die nog toenam, toen
+hij eerst den nachtegaal nabootste en vervolgens begon te kirren als
+een duif.
+
+"Van zulke zeldzame dieren heb ik zelfs niet gedroomd!" zeide Eirik.
+
+Toen ging Edrik weer heen en keerde terug met een jongen hond op den
+arm. Het dier was geheel zwart en zijn haar krulde zooals dat van een
+schaap. De hond was bijzonder goedaardig en toonde zijn genegenheid
+op zulk een rumoerige wijze, dat Edrik hem bijna niet houden kon,
+want hoewel nog heel jong, was het dier reeds vrij groot.
+
+Zoodra graaf Eirik den hond zag, begon hij luidkeels te lachen. Hij
+nam het levende bundeltje wol in de armen en liefkoosde het.
+
+"Hoe zijt gij aan dien hond gekomen?"
+
+"Op een keer, toen wij aan land gingen, zagen wij een troep groote
+zwarte honden," antwoordde Byarn. "Zoodra zij ons echter in 't oog
+kregen, vluchtten zij het binnenland in. Een bleef eenigszins achter;
+hij kon niet zoo gauw loopen, omdat hij dit jong in den bek had. Oleg
+van de Scaur doodde de moeder met een pijl, en kleine Edrik redde
+het jong, bracht het aan boord en voedde het met eigen hand. Nu denkt
+het kleine monster dat Edrik zijn moeder is, geloof ik!"
+
+"Bij den hamer van Thor!" riep Eirik, "zoo'n hond heb ik nog nooit
+gezien. In Lapland heb ik honden gezien, die men voor sleden had
+gespannen; in Noorwegen waren wolfshonden, en in Denemarken de groote
+geel-bruine doggen, maar zoo'n bundel wol, ha, ha!.... Ik ga mee,
+jongens! als gij terugkeert om dat land weer te bezoeken. Het moet
+daar beter zijn dan op ons Groenland, waar de dieren schaars zijn,
+behalve in den zomer. Was er veel ijs, Byarn?"
+
+"Ja, dicht bij het eerste land, dat wij in 't gezicht kregen, maar na
+twee dagen zeilens, daar, waar wij aan land gingen, was in 't geheel
+geen ijs te zien."
+
+"Wel, ik dacht dat mijn dagen op zee reeds geteld waren, maar bij
+Odin's baard! ik stel heel veel belang in dit alles. Hoe heet die
+hond?"
+
+"Ik heb hem Njord genoemd, graaf!"
+
+Latere gebeurtenissen bewezen dat de naam van den Zeegod Njord voor
+den hond bijzonder goed gekozen was.
+
+Onder zijn koel uiterlijk, zijn kalme blauwe oogen, zijn breed
+voorhoofd en bijna vlasblond haar, bezat Edrik een warm en vriendelijk
+hart. Toen hij zag hoe de oude Eirik met den hond was ingenomen, ging
+hij naar hem toe en zeide: "Doe mij het genoegen hem als geschenk
+van mij aan te nemen. Gij zult hem goed behandelen; neem het dier
+van mij aan."
+
+"Ik wil u niet van uw hond berooven. Ik dank u evenwel voor uw
+aanbod even als of ik het had aangenomen! en Eirik, de Roode, vergeet
+nooit iets."
+
+Hij keerde zich om en ging aan stuurboordzijde van Byarns goed schip,
+de Sleipner. Hij bezichtigde den breeden boeg en hoog uitstekenden
+achtersteven. Het schip werd beschut door een bekleedsel van dik
+eikenhout, van bronzen platen voorzien, om beter weerstand te kunnen
+bieden aan de drukking van het ijs, waardoor de Noorsche schepen in
+den herfst en in den vroegen zomer hun weg moesten banen.
+
+"Gij zijt niet veel met het ijs in aanraking geweest, Byarn!" zei
+hij, na een nauwkeurig onderzoek. "Dat verwondert mij, want de
+stuurboordzijde van het schip van Leif was bijna ingedrukt."
+
+"Ik geloof dat wij, den weg niet zoo goed wetende als Leif, het ijs
+misgeloopen hebben."
+
+"Bij Odin's baard! Het is zeer vreemd! Een nieuw land! Hebt gij
+aan wal ook menschen gezien! Waren er geen Laplanders, geen Finnen
+of Eskimo's?"
+
+"Neen, wij hebben er geen gezien en om de waarheid te zeggen, zou ik
+niet van dat land gesproken hebben, als het niet noodig was geweest. Ik
+schaamde mij dat ik de Rolf Krake gemist had, en ik meende dat gij
+mij niet zoudt gelooven."
+
+"Gij ziet dat die hond mij overtuigd heeft. Bij Odin's baard! wat kan
+dat dier rollen. Hij heeft iets van het jong van den bruinen beer en
+van een vet lam, en toch lijkt hij op geen van beiden!"
+
+Leif verheugde zich over de blijdschap van zijn vader en was zijn
+neef recht dankbaar. Hij wist niet hoeveel moeite de knaap gehad
+had om Byarn te bewegen aan boord een plaatsje voor den hond in
+te ruimen. Hij maakte nu van de opgeruimde stemming van zijn vader
+gebruik om hem te verzoeken mee naar Groendal te gaan, en van daar
+naar Noorwegen om Olaf Tryggvason te bezoeken.
+
+"Neen, jongen!" zei de oude man, "ik geef niet meer om
+koningen. Spoedig zal ik in Walhalla zijn, maar wel wil ik uw broeder
+Sigvald bezoeken en zien hoe hij het maakt in zijn gelukkig tehuis!
+
+"Is het dan uw verlangen niet New-Foundland te zien, als wij de
+volgende lente daarheen terugkeeren?"
+
+"Mijn zoon, misschien ben ik dan niet meer bij u; wij moeten niet te
+vroeg plannen maken. Hij, die dat doet, is een dwaas, dien de goden
+altijd teleurstellen. Toch zou ik het land wel eens willen bezoeken
+waar zulke honden leven. Kijk eens Leif! Bij Thor! daar gaat hij
+over boord!"
+
+Zoo was het; bij een zijner dolle sprongen rolde het dier in het
+water. Allen aan boord hielden den adem in, in afwachting van wat nu
+gebeuren zou. Edrik wierp zijn overkleed af en maakte zich gereed
+om het dier na te springen, maar hij wachtte even toen hij zag,
+hoe prachtig de hond zwom. Hij scheen zich in het water veel meer
+thuis te gevoelen dan op het dek, en het bad scheen hem heel goed te
+bevallen. [2]
+
+In het volgend, oogenblik sprong Edrik hem achterna om hem tegen de
+haaien te beschermen, die de zee aan de kust van Groenland onveilig
+maken.
+
+Op het oogenblik, dat de knaap in het water sprong, schoot een monster
+van meer dan tien voet lengte op hem toe. De mannen aan boord riepen
+hem toe: "Pas op!"--"De haai!"--"Zwem naar het land!"--"Laat den
+hond maar aan hem over!" doch deze laatste raadgeving kon moeielijk
+opgevolgd worden, want toen Edrik in het water sprong had de hond
+zich omgekeerd en diens kleederen tusschen zijn tanden genomen, in
+de gedachte dat het zijn plicht was zijn meester boven water te houden.
+
+De haai was vlak bij den knaap, toen de speer van den ouden Eirik
+hem met zooveel juistheid trof, dat het water rood gekleurd werd door
+het bloed van het monster.
+
+Byarn wierp een touw over de verschansing en riep: "Gauw Edrik! laat
+den hond maar aan zijn lot over!"
+
+Maar daar was Edrik de jongen niet naar. Hij wilde den hond niet
+opofferen, die juist getoond had hoe hij zijn best deed om hem te
+redden. Hij greep dus met de eene hand het touw, terwijl hij met
+de andere Njord tegen zich aandrukte, en riep den mannen toe hem op
+te trekken.
+
+"Laat dan toch dien hond los!" riep graaf Eirik opgewonden uit,
+"gij kunt het touw zoo niet blijven vasthouden!"
+
+"Trekken daar!" riep Edrik, "ik wou dat het domme dier ophield met
+mij te likken. Wij vallen beiden nog naar beneden."
+
+Doch hij hield stevig vast; een paar mannen bukten over de verschansing
+en namen den hond van hem aan, en eenige seconden later stond Edrik
+veilig op het dek.
+
+
+
+
+
+
+
+V.
+
+
+Het ijs lag op de kust voor Reikiavik aan het eind van den zomer,
+en spoedig zou het weer winter zijn en de lange dagen gevolgd worden
+door lange nachten.
+
+Op den laatsten dag van September verschenen drie sterk gebouwde
+schepen van metalen platen voorzien, om weerstand te kunnen bieden
+aan het ijs. Zij waren met krijgslieden bemand, zooals bleek uit de
+schilden aan de zijden van de vaartuigen. Het waren de Sleipner,
+de Rolf Krake en de Nagelfari, die den ouden Eirik naar de stad
+Reikiavik brachten.
+
+Toen de schepen de haven van Reikiavik inzeilden, was Eirik, de Roode,
+verwonderd over het vroolijk geluid der kerkklokken, die de Christenen
+riepen tot aanbidding van den God des vredes. In den korten tijd van
+twee maanden hadden de priesters wonderen verricht. Wel is waar was
+de kerk weinig meer dan een groote schuur, maar toch was het een kerk
+en er was overvloed van altaarstukken en zilveren vaatwerk.
+
+"Wat nu!" riep hij uit. "Wat is er te doen daar ginds? Het is een
+zonderlinge muziek. Kijkt eens naar den hond; hij is ook verwonderd
+en zou zijn ooren opsteken als zij niet te zwaar waren. Hoort hem
+eens blaffen!"
+
+Eenige der inwoners, die het Christendom nog niet omhelsd hadden,
+waren bezig hun booten op het strand te trekken. Sommigen verstelden
+netten, doch toen de drakenschepen in 't gezicht kwamen, lieten
+allen hun bezigheden varen en haastten zich naar den inham der baai,
+waarheen de schepen koers zetten.
+
+Onder hen, die zelfs uit de kerk wegbleven, waren Sigvald, Thorfrida
+en Freydisa met haar echtgenoot Thorward; zij keerden haastig terug
+om de bezoekers te verwelkomen.
+
+De oude man, die als een standbeeld aan den stuurriem van de Nagelfari
+stond, werd door Sigvald als zijn vader herkend. Hij ijlde naar het
+strand om een boot te water te laten, ten einde de eerste te zijn,
+die hem begroette. Maar zijn vrouw volgde hem en zij bereikten het
+kleine vaartuig te gelijk. Ook Thorward en zijn vrouw Freydisa bleven
+niet achter.
+
+"Nu, Sigvald!" zeide zijn vrouw, "het is geen schande, als uw boot
+geroeid wordt door uw vrouw en uw vriend, en als zijn vrouw ook een
+riem ter hand wil nemen, des te beter. Daar komt Oleg Arfordson met
+Brenda; laten zij ons helpen. De drakenschepen komen reeds nader. Het
+zou schande zijn als zij landden, voordat wij uw vader begroet hadden!"
+
+Een paar riemslagen brachten hen op zijde van de Nagelfari en de
+krijgsman was geroerd over hun kinderliefde. De lange riemen, waarmee
+het drakenschip werd voortgestuwd, werden ingenomen, het zeil werd
+neergehaald en spoedig waren allen uit de boot aan boord.
+
+"Welkom in Reikiavik, mijn vader!" riep Sigvald. "O, allen zullen zich
+verheugen, dat zij u terugzien. Gij zijt opnieuw jong geworden, vader!"
+
+"Neen, Sigvald! niemand wordt jong opnieuw, doch wij weten dat een
+IJslandsche winter sterk en krachtig is tot op het einde."
+
+"Ja, dat zal het zijn.--Welk nieuws brengt ge?"
+
+"Een heel zonderling nieuws. Byarn heeft een land gevonden, dichter
+bij de ondergaande zon dan Groenland en waar overvloed heerscht. Kijk
+eens naar dien baal wol daar. Dat is een jonge hond uit dat land;
+uw zoon heeft hem meegebracht,"
+
+Edrik lag in de armen zijner moeder en in de vreugde over het
+wederzien, had hij Njord geheel vergeten, die nu al waggelend en
+snuffelend kwam aankopen om zijn jongen meester te zoeken.
+
+Het nieuws van Byarn's ontdekking verbreidde zich spoedig, en weldra
+was de hal van het kleine raadhuis te Reikiavik vol nieuwsgierigen.
+
+Toen allen verzameld waren, sprak Eirik, de Roode, als de oudste van
+de opperhoofden, in wier handen het burgerlijk bestuur van IJsland
+berustte, de vergadering in een korte rede toe, en deelde haar het
+nieuws van Byarn's ontdekking mede. Eirik vertelde ook den mannen
+van IJsland, welke aardige honden er in dit New-Foundland gevonden
+werden, en als een bewijs daarvan verzocht hij zijn kleinzoon om den
+vergaderden Njord te laten zien. Verder weidde hij uit over de herten,
+die hij als zeer zachtmoedig beschreef. Nu gaf hij Byarn het woord
+om zijn geschiedenis zelf te vertellen.
+
+Met al de rondheid van een zeeman wierp Byarn de verdienste van de
+ontdekking ver van zich af en op Edrik. Hij vertelde dat de tocht,
+voor zoover hij er in betrokken was, een mislukking was geweest. Hij
+was van den weg afgedwaald, had Leif uit het oog verloren en in den
+blinde voorwaarts sturend, had hij dit nieuwe land gevonden, dat hij
+eerst voor Groenland had aangezien.
+
+Byarns bescheiden taal oogstte bijval in en aller oogen wendden zich
+naar kleinen Edrik, die met een troep knapen bij de deur stond, en
+hun vertelde van den grooten haai, wat den knapen veel belangstelling
+scheen in te boezemen.
+
+Toen sprak de oude priester de vergadering aldus aan:
+
+"Lieve vrienden, Christenen! en ook gij die het licht nog niet
+ontvangen hebt, gij hebt gehoord wat Byarn daar gezegd heeft van die
+westelijke landen. Ik zie daarin een reden om ons te verheugen; ik
+hoop dat daardoor nieuwe velden voor ons zullen geopend worden, waar
+wij de liefde en de kennis van Christus zullen kunnen verspreiden."
+
+Toen stond Eirik, de Roode, op en zeide:
+
+"Goede priester! Uw woorden zijn zachtmoedig en uw hart is
+rechtvaardig, daar ben ik zeker van. Maar er zijn velen, die geleefd
+hebben en gestorven zijn in het oude geloof aan Odin. Het is zoo
+innig met ons geliefd Noorden verbonden, dat het ons toeschijnt, dat
+als wij het eene loslaten, wij ook het andere zullen verliezen. Het
+komt mij voor, dat uwe Christelijke leerstellingen niet voor ons
+Noorden geschikt zijn. Zij zijn te week en te zacht. Wij zijn hard
+als ijs, vast als de rots! Uw godsdienst leert zachtmoedigheid, vrede,
+vergiffenis en liefde. Wij mogen een vijand na zijn dood vergiffenis
+schenken, maar eerder niet! Als wij dat deden zouden wij onze gezinnen
+en onze woonplaatsen aan onze vijanden overleveren. Hoe kan een profeet
+uit het zuiden, onder een warmen hemel geboren, oordeelen over ons,
+in ijs en stormwind opgebracht, als de Noordsche pijnboom. Neen,
+priester! ik gevoel veel eerbied voor u, maar ik zal nooit het geloof
+van Odin voor het uwe verlaten!"
+
+De Heidenen, die tegenwoordig waren, juichten de rede van Eirik toe;
+maar van weerskanten werd er in 't geheel niet aan gedacht naar de
+wapenen te grijpen. Ook Freydisa keek, alsof zij het meer met Eirik
+eens was dan met den Christenpriester en gaf den ouden krijgsman
+een blik van instemming. Vervolgens deden eenigen Byarn allerlei
+vragen over zijn tocht, waarna Leif Eirikson opstond en zijn vader
+aldus aansprak:
+
+"Waarde vader, edele Eirik Thorwaldson! Ik zou gaarne mijn geluk op
+die verre kusten willen beproeven. Heb ik uw volle toestemming om
+het avontuur te wagen?"
+
+"Zeker, mijn jongen! Ik geef u mijn volle toestemming, en ik denk dat
+ik met u mee zal gaan. Byarn zal ons dan den weg wijzen, natuurlijk
+als hij dat wil"
+
+"Dank u, Eirik Thorwaldson!" zei Byarn, "maar ik verzoek u mij daarvan
+te verschoonen. Ik heb den volgenden zomer noodig om mijn huis te
+herstellen en ik zal Sigvald Eirikson vragen mij van paarden te
+voorzien. Binnen twee of drie dagen rijd ik heen. Ik verlang er naar
+om den winter en den blijden IJslandschen zomer in mijn eigen woning
+door te brengen. Natuurlijk ben ik bereid u alle hulp te verleenen,
+waartoe ik in staat ben, maar ik weet waarlijk niets meer dan dat ik
+door de mist mijn berekening miste en verdwaalde."
+
+"Wel Byarn! wij leven in een vrij land. Gij kunt doen wat gij wilt;
+maar wilt gij mij dan uw schip verkoopen?"
+
+"Zooals gij dat wilt, graaf Eirik! Gij zult niet te weinig geven,
+noch ik te veel vragen. Het schip is dus het uwe. Vergeet niet,
+graaf! op reis eenige raven mee te nemen; zij zijn de zekerste gidsen".
+
+De prijs voor het schip werd vastgesteld, en de geheele vergadering
+verliet de hal en ging in optocht naar het strand. Eirik en Byarn,
+met twee voorname hoofden, gingen in een boot aan boord, vergezeld
+door twaalf beproefde vrienden, die als getuigen moesten dienen. In
+het bijzijn van allen nam Byarn den stuurriem in de hand en gaf de
+greep plechtig aan Eirik over met de woorden:
+
+"Neem dit schip met mast en zeil en riemen, juist zooals het is, zonder
+dat gij verder eenig recht op mij hebt, als gij soms teleurgesteld
+mocht worden. Ik neem in betaling aan drie honderd marken in goud,
+in waarde gelijkstaande met vijftienduizend ellen van het beste
+Wadmal laken."
+
+"Ik neem uw schip," zei Eirik, "zooals het is. Ik zal niet tot u
+komen om een gebrek te laten herstellen, noch u ooit meer betalen."
+
+Nu dronken zij samen wijn en voordat zij aan land gingen, sneed
+Byarn een eind van een der touwen af en stelde dit Eirik ter hand,
+die toen Byarn een half el blauw laken ten geschenke gaf.
+
+Dit bevestigde den koop evengoed, als al het geschrijf van den
+tegenwoordigen tijd.
+
+De twee herten, die nog in leven waren, werden aan land gebracht en
+Sigvald noodigde allen uit bij hem het middagmaal te gebruiken en
+den nacht in zijne woning te Groendal door te brengen. Met gejuich
+werd dit gastvrij aanbod aangenomen. De knechten deden hun best om
+hun meester genoegen te doen en de oude graaf was zoo opgeruimd,
+dat zijn vroolijkheid al de anderen scheen aan te steken.
+
+Zooals wij reeds gezegd hebben waren er onder de gasten meer zonen
+van Odin dan Christenen. De voornaamste leider der Christenen, die,
+zooals wij vroeger verteld hebben, op het tweede schip door Leif in
+de haven gebracht waren, heette Yalto, die door de priesters van Odin
+verbannen was. De tweede was bekend als Gizur, en werd de "Witte"
+genoemd, niet alleen om de kleur van zijn baard, maar ook omdat al
+zijn daden rein waren.
+
+Deze mannen worden genoemd als de eerste invoerders van het Christendom
+op het eiland. Daar er zooveel Heidenen op het eiland waren, was het
+onmogelijk al de Heidensche gewoonten af te schaffen. Zij poogden
+de heidensche feesten te herscheppen in Christelijke plechtigheden;
+Paschen, Kerstmis en zoo meer, zijn de Christelijke vormen van oude
+Heidensche feesten.
+
+Er waren verscheidene Heidensche tempels op IJsland en een daarvan
+bevond zich op een afstand van ongeveer een uur van Groendal. Op den
+morgen na het feest bij Sigvald, ging een aantal Heidenen daarheen
+om de schikgodinnen, het Verleden, het Tegenwoordige en de Toekomst
+(Urder, Verdandi en Skuld) te vragen, wat zij doen moesten om de
+gunst der goden te winnen. Onder hen bevond zich ook Ingvar, zoon van
+Thassi, die, zooals de lezer zich herinneren zal, getracht had Leif
+te dooden. Thassi was door de groote vergadering, de Ting, verbannen
+en had IJsland moeten verlaten. Zijn zoon, vast besloten om wraak te
+nemen, had het plan opgevat om Thorward een strik te spannen, Leif
+Eirikson te dooden, en kleinen Edrik te stelen, en daar het bezoek
+van den ouden Eirik hun allen zooveel vreugde gaf, had hij besloten
+dat ook de oude krijgsman als slachtoffer zou vallen.
+
+Natuurlijk bleef Ingvar ver van Sigvalds hal, maar hij had te Reikiavik
+vrienden, op wie hij zich kon verlaten. Daar ging hij heen en hij
+bleef bij hen tot op den morgen van het feest, waarop al de Heidenen
+zich naar den ouden tempel en de Christenen zich naar de kerk zouden
+begeven.
+
+De tempel was een schoon gebouw, waarin de beelden der goden bewaard
+werden. Buiten stonden de groote offersteenen, zooals die in Noorwegen
+nog hier en daar gevonden worden.
+
+Ingvar gordde zijn wapenrusting aan en zette den helm op met de
+arendsvleugels, die hem als een zoon van Odin deden kennen, nam zwaard
+en dolk, en met zijn strijdbijl op den schouder, ging hij op vóór
+de anderen naar den tempel, om eer te bewijzen aan Thor, den god,
+dien hij het liefst had. Zij, bij wie Ingvar zijn intrek genomen had,
+gingen in hun gastvrijheid zoo ver, dat zij beloofden met hem naar den
+tempel te gaan en deel te nemen aan al zijn avonturen. Zij volgden
+hem eveneens gewapend, en bereikten den ingang van het boschje,
+waarin de tempel lag.
+
+Doch er stak een hevige storm op, met hagel en donder, terwijl de
+bliksemstralen den omtrek verlichtten. Daarbij viel de regen neer
+als een zondvloed.
+
+Ingvar en zijn vrienden waren niet bang voor het onweer, maar zij
+wilden toch liever hun maliënkolders niet door het water laten
+roesten. Zij poogden ze droog te houden en zochten dus zoo spoedig
+mogelijk een schuilplaats in den tempel.
+
+Het was pikdonker toen zij ten laatste de breede deur bereikten:
+een lichtstraal toonde hun aan waar zij zich bevonden, maar toen zij
+binnengetreden waren, bevonden zij zich weer in de diepste duisternis.
+
+"Wat is het donker!" zei Ingvar, "ik kan geen hand voor oogen zien. Als
+het mij niet om wraak te doen was, dan zou het mij bijna spijten de
+stad verlaten te hebben, doch als ik denk aan alles wat Thassi te
+lijden heeft in zijn verbanning, dan voel ik mij sterk om alles te
+doorstaan. Bij Thor! was wat dat!"
+
+Een hevige bliksemstraal scheen de zoldering, den vloer en de muren
+van de ruime hal in vuur te zetten. Bij het felle licht kon men
+drie groote steenen onderscheiden, die tegen den westelijken muur
+stonden. De vrienden hadden deze steenen dikwijls gezien, maar nu
+zagen zij op elken steen een vrouwelijke gestalte, in een vlekkeloos
+wit kleed. Elk van hen hield een spinnewiel in de hand. De eene wees
+met haar spinnewiel recht voor zich uit; de middelste scheen bezig
+te zijn met garen op te winden, en het spinnewiel van de derde was
+reeds vol, terwijl zij er mee achter zich wees.
+
+"De nornen (schikgodinnen) in eigen persoon," riep Ingvar uit,
+volstrekt niet van zijn stuk gebracht. "Gevreesde zusters! ik wil
+mijn leven en al wat ik bezit opofferen voor de wraak! Zeg wat ik
+doen moet!"
+
+Terwijl Ingvar en zijn drie metgezellen naar de vrouwen staarden,
+zagen zij dat de lippen van haar, die met het spinnewiel achter zich
+wees, zich langzaam bewogen. Zij zong met heldere stem het volgende:
+
+
+ "In ballingschap heeft er uw vader geleden.
+ Zijn vlucht en zijn smarten behooren 't Verleden:
+ Als balling heeft Thassi het langste geleefd,
+ Eens komt de tijd weer, dat iedereen beeft."
+
+
+"Gevreesde Urder! ik dank u! Nu, Verdandi, ik vraag u hoe ik handelen
+moet?"
+
+Toen zong de middelste maagd, steeds voortgaande met haar garen op
+te winden, op de maat der beweging:
+
+
+ "Is 't u om wraak te doen, rijd moedig voorwaarts dan,
+ Uw vijanden zijn daar, versla ze als een man;
+ Zij zijn reeds in uw macht, dat is 't, wat 'k zeggen kan."
+
+
+"Voor dit antwoord offer ik u een gouden armband dikker dan mijn
+arm! Maar nu zal ik Skuld nog een vraag doen. Zal het mij gelukken
+om Leif, Thorward, Eirik en den knaap te verslaan?"
+
+Toen antwoordde de derde norn met haar spinnewiel voor zich uit
+wijzende:
+
+
+ "De toekomst is donker, in duisternis gehuld;
+ Ik ken uw plan om wraak, ik zie het niet vervuld;
+ Rijd moedig voorwaarts maar, doch steeds op rechte paân:
+ De morgen brengt zoo licht u ongeluk nog aan."
+
+
+"Ha!" riep Ingvar uit, "treft dat ongeluk mij of mijn vijanden? Ik zal
+het laatste gelooven, want dat past bij 't geen de andere nornen gezegd
+hebben. Ik leg hier aan uw voeten drie gouden armbanden; als ik slaag,
+kom ik morgen terug met den armband, dien ik Verdandi beloofd heb."
+
+Het spookachtig licht, dat op den altaarsteen brandde, ging uit en er
+heerschte een diepe duisternis. Plotseling verlichtte een bliksemstraal
+de hal, en daarbij konden de toeschouwers zien dat de steenen ledig
+waren--doch ook de armbanden waren verdwenen!
+
+
+
+
+
+
+
+VI.
+
+
+Laat in den nacht kwamen Edrik, Osrik en Nils te Groendal aan. Zij
+waren door en door nat, en vermoeid van het snelle loopen op
+den moerassigen grond. Men had hunne afwezigheid bij het feest
+ternauwernood opgemerkt. De mannen van rang lagen op den vloer van de
+hal te slapen, de vrouwen waren in haar vertrekken en den dienaars
+en soldaten waren plaatsen aangewezen in de schuren. Sommigen, die
+wacht moesten houden, lagen in hun mantels gewikkeld in de open lucht
+en gaven niet om koude of vochtigheid.
+
+Voorzichtig over de slapende krijgslieden heenstappende, bereikten
+de knapen eindelijk de groote hal. Bij het licht van het vuur zocht
+Edrik zijn vriend Thorward op, en begon hem te schudden, totdat hij
+er in slaagde hem te wekken.
+
+"Thorward!" riep hij, "word dan toch wakker en sta op. De heidenen
+willen ons overvallen. De Nornen hebben hen daartoe aangezet!"
+
+"Wat is er aan de hand?"
+
+"Ik ben het, Edrik!--Thorward, Thorward, sta dan toch op!"
+
+"Heb ik niet de waarheid gesproken, toen ik zei: onkruid vergaat
+niet. Daar zijt ge al weer terug. Uw vader zal boos op je zijn!"
+
+"Dat komt er nu niet op aan. Sta op, en ga met mij mee!"
+
+Eindelijk stond Thorward op en volgde Edrik. Deze verzocht hem even
+te wachten en trad het vertrek binnen, waar zijn vader sliep.
+
+"Wie durft hier binnen te dringen?" riep Sigvald. "Wat, Edrik!--Waar
+hebt gij gezeten?"
+
+"Vader, sta op en wapen u spoedig! Laat ons Leif en Eirik ook wekken;
+de vijand is nabij. Wapen u, vader!"
+
+"Waarom moet ik mij wapenen? Waar zijt gij geweest?"
+
+"Als wij allen bij elkander zijn, zal ik u alles vertellen. Waar is
+Eirik?--Waar is Leif?"
+
+Onder het praten was Sigvald reeds bezig met zich te wapenen, waarbij
+zijn vrouw hem hielp. Zij was blijde dat haar lieveling weer terug was.
+
+Edrik's moeder vertelde hem, waar de oude Eirik lag en waar hij Leif
+kon vinden, en hij maakte hen beiden wakker. Toen bracht hij hen met
+Thorward bij zijn vader, en verhaalde aldus:
+
+"Ik wilde eens zien hoe de priesters in den heidenschen tempel
+hun antwoorden voor het volk gereed maken. Wij, Osrik Nils en ik,
+kropen in het tempelhuis achter het boschje van Baldur. Wij vonden
+de priesters druk bezig met toebereidselen te maken. Zij goten een
+vloeistof in een metalen schotel, die in de holte van den offersteen
+paste. Toen haalden zij drie vrouwen in sneeuwwitte mantels gekleed,
+en vertelden haar wat zij zeggen moesten, om te maken dat de zoon van
+Thassi, mijn vader en graaf Eirik, Leif en Thorward zou aanvallen. Het
+begon te regenen en Ingvar kwam binnen met drie vrienden hij deed
+drie vragen. Wij hebben ons toen hierheen gehaast, om u in tijds
+te waarschuwen; zij kunnen dadelijk hier zijn. Maar maak de anderen
+niet wakker; dat zou Ingvar bemerken en gij zoudt hem niet vangen,
+en dat zou jammer zijn. Zij denken u onvoorbereid te overvallen,
+maar ik wist wel beter! Nu zal ik hun toonen, welke goden de beste
+zijn! Dezen weg uit, vader!"
+
+En de knaap geleidde de mannen uit de hal in de vallei, die zij door
+moesten trekken om Reikiavik te bereiken. Op ongeveer de helft van
+den weg stond een boschje denneboomen. Zij besloten hier stil te
+houden en den vijand af te wachten.
+
+Zij waren daar nog geen half uur geweest toen Ingvar, zoon van Thassi,
+de plaats naderde en spoedig zoo dicht bij kwam dat zij hem hadden
+kunnen aanspreken. Bij Ingvar waren nog drie mannen, zoodat de krachten
+der beide partijen vrij wel gelijk stonden.
+
+Sigvald zag dat hun aantal niet groot was; hij kwam van onder de
+boomen te voorschijn en trad de nieuw aangekomenen in den weg. Doch
+hij bemerkte weldra dat hij hierin niet voorzichtig had gehandeld,
+want in de morgenschemering zag hij in de verte de punten van wapens
+glinsteren.
+
+"Spoedig Edrik! maak de anderen wakker en breng ze hier, terwijl ik
+deze lieden aan de praat houd!"
+
+Edrik liep zoo snel hij kon naar huis terug, waar hij allen in groote
+opgewondenheid vond. Freydisa had van Edrik's moeder vernomen wat
+er aan de hand was, en had de krijgslieden gewekt, zoodat hij allen
+gereed vond om den vijand aan te vallen.
+
+Intusschen stond graaf Eirik met zijn zoons en met Thorward midden
+op het pad en Sigvald sprak:
+
+"Ik zal maar niet vragen, wat gij komt doen. Ik weet dat gij u op
+mij wilt wreken. Welnu, wreekt u! Hier zijn wij!"
+
+Ingvar sprak geen woord, maar hij trad voorwaarts en deed een slag
+naar het hoofd van Sigvald. Doch deze was zeer sterk, en bekwaam in
+het hanteeren der wapenen. Voor dat de slag kon neervallen, weerde
+hij dien af met zijn strijdbijl, sprong toen ter zijde en hieuw met
+zijn bijl naar Ingvar. De bijl spleet de ringen van diens helm en
+trof hem in de wang, zoodat hij bewusteloos op den grond viel.
+
+Thorward, Leif en Eirik maakten insgelijks korte metten met de anderen;
+zij waren allen beproefde krijgers en hoewel hunne tegenstanders niet
+te verachten waren, was de overwinning toch spoedig beslist.
+
+Doch nu konden de vrienden zich van de talrijkheid van den naderenden
+vijand overtuigen. Zij trokken zich daarom terug onder de boomen en
+rug aan rug staande verdedigden zij zich tegen de overmacht.
+
+Ongeveer twintig vrienden en bondgenooten van Thassi waren er; zij
+kwamen om zijn verbanning en den val van Ingvar te wreken. Zij waren
+er echter niet tijdig genoeg, want spoedig was het hun beurt om zich
+te verdedigen. Sigvald's volgelingen en gasten, ongeveer honderd man,
+aangevoerd door Thorfinn, kwamen de vrienden ontzetten; kleine Edrik
+diende hun als gids.
+
+Ingvar's vrienden trachtten te ontvluchten, maar Thorward trad met
+Eirik en zijn zonen uit het bosch te voorschijn en sneed hun den weg
+af, totdat hun vrienden nabij genoeg waren om van hun strijdbijlen
+gebruik te maken. Slechts drie ontkwamen om het lot der anderen te
+vertellen; vier werden gevangen genomen en de anderen werden gedood.
+
+Het gedrag van kleinen Edrik bij deze gelegenheid dwong de goedkeuring
+af van al de bewoners van het eiland. Niettegenstaande zijn jeugd,
+werd hij in zijns vaders bende opgenomen, toen zij naar Groendal
+terugkeerden.
+
+Den volgenden morgen zouden de opperhoofden samenkomen om te
+beraadslagen wat het beste zou zijn voor IJsland, òf om den
+christelijken godsdienst tot heerschende te maken, òf om den
+heidenschen priesters toe te staan hun godsdienstplechtigheden te
+verrichten.
+
+Als de oudste der opperhoofden legde Eirik het eerst zijn meening
+bloot. Volgens hem had iedereen het recht zijn eigen inzichten te
+volgen, en kwam het er niet op aan of hij in Christus of in Thor
+geloofde, zoo lang hij slechts zijn plicht deed.
+
+"Ik ben van den ouden tijd, ik zou niet passen in een wereld van
+nieuwe denkbeelden. Ik ben een kind van Odin! Mijn hoofd is grijs. Ik
+zag reeds meer dan zestig winters. Mijn hart begint te verlangen naar
+het eind, om zich bij de dapperen daarboven te voegen, doch mijn hart
+veracht den kalmen dood van een Christen. Ik wil in den slag vallen;
+mijn lichaam en mijn wapenrusting zullen in een hoogen grafheuvel
+begraven liggen, want ik blijf trouw aan den god mijner vaderen!"
+
+Een donderende toejuiching der heidensche krijgslieden volgde op
+deze rede, maar werd verdoofd door een geraas, dat den grond deed
+schudden. Met een hevig gekraak schoot uit den top van een nabijgelegen
+heuvel een dikke rookkolom naar boven, met zooveel kracht dat stukken
+rots, groote blokken lava en een massa steenen omhoog vlogen. De
+gloeiende lava op den grond kleurde den rookwolk met een rooden gloed,
+zoodat het scheen alsof een groote vuurkolom omhoog steeg. Langs alle
+kanten stroomde de lava van den heuvel langzaam voort naar de plaats
+waar de "Ting" bijeen was.
+
+"Nu zullen wij ons geloof eens op de proef stellen," zei de oude
+Eirik. "Ik blijf hier. Als Odin zijn krijgers noodig heeft, zijn wij
+bereid, doch als de God der Christenen zijn volgelingen wil redden,
+laat hem dan nu zijn macht toonen!"
+
+Nauwelijks had hij deze woorden gesproken of de lava begon langzamer
+te vloeien. De koude noordoosten wind verstijfde den stroom. Sommigen
+uit het volk namen verschrikt de vlucht, maar de meesten bleven om
+te zien hoe alles zou afloopen.
+
+Graaf Eirik stond trotsch op zijn steen en riep uit:
+
+"Vrienden! Het is duidelijk dat Odin en Thor den storm hebben
+tegengehouden, omdat zij hun aanbidders wilden sparen, doch zij zijn
+zeer vertoornd, anders zou dit wonder niet geschied zijn."
+
+"Als dat het geval is," riep Yalto, "waren de goden dan boos, toen er
+zestig jaar geleden niet anders dan aanbidders van Thor en Odin op
+het eiland woonden, en toen toch was de lava, waarop wij nu staan,
+een gloeiende zee! Neen, vrienden! ik lees de boodschap aldus: "God
+is liefde, en hij wil niet dat ook maar een enkel Heiden verloren ga!""
+
+Toen sprak Gizur: "Deze vreeselijke openbaringen van God's almacht
+worden door de aanbidders van Odin gebruikt om de minder verstandigen
+te bedriegen. Ik beroep mij op de knapen; zij hebben in den tempel van
+Baldur de bedriegerijen der heidensche priesters gezien. Zij zagen
+hoe de vrouwen, gekleed als godinnen, voorbereid werden om hun rol
+te spelen; maar dit is geen bedriegerij, wij hebben niets gedaan om
+deze verschrikkelijke gebeurtenis te veroorzaken. Onze God is geen
+God des toorns, maar een God der liefde!"
+
+Zelfs die Heidenen, die in dit alles niets dan toeval zagen, waren
+getroffen door Gizur's woorden.
+
+Na een stormachtige bijeenkomst gaven de afgevaardigden der twaalf
+afdeelingen van het eiland hun toestemming om in elke afdeeling een
+christenkerk te bouwen, waarna de vergadering uiteen ging om bij
+Sigvald het middagmaal te gebruiken. Daar gekomen bevond men dat
+de vier gevangenen, die men in het gevecht gemaakt had, nergens te
+vinden waren. Zij waren dus ontvlucht.
+
+
+
+Ongeveer een maand later werd te Reikiavik een dubbel huwelijk
+gesloten. Thorfinn en Leif hadden de twee zusters Guthrida en Hallfrida
+naar het altaar geleid. Nooit werd er, vóór of na dien tijd, vroolijker
+bruiloft op IJsland gevierd. Iedereen was verheugd, behalve Freydisa,
+die een weinig jaloersch scheen te zijn, dat een ander huwelijk het
+hare in de schaduw stelde.
+
+Groote feesten werden er gegeven. Voor Leif en zijn bruid was
+te Helgastad een huis in orde gebracht, terwijl voor Thorfinn en
+Hallfrida een dergelijke woning was gereed gemaakt te Drakenness. Het
+schijnt dat Freydisa niet kon velen dat Thorfinn en zijn vrouw op
+grootscher voet leefden dan zij zelve. Zij legde op dit punt een
+groote gevoeligheid aan den dag, die een verkoeling tusschen Thorfinn
+en Thorward ten gevolge had. Dit moet men wel in het oog houden om
+de volgende gebeurtenissen te kunnen begrijpen, als ook dat Thassi's
+familie van Noorweegsche afkomst was.
+
+Zoodra de feestelijkheden afgeloopen waren, gingen de jongens
+te Groendal toebereidselen maken voor den naderenden winter. De
+sneeuwschoenen en de sleden werden te voorschijn gehaald, en er
+werden maatregelen genomen om vooral van de berenjacht te genieten,
+hoewel die in 't algemeen voor jongens gevaarlijk werd geacht.
+
+Niets vonden zij aangenamer dan om naar de bosschen van Krakenness te
+gaan om dennetakken te halen, om de groote hal te versieren voor het
+Joelfeest. Dit feest wordt nog in het noorden gevierd, zonder eenige
+poging om het onder den naam Kerstmis te vermommen.
+
+De drie knapen voerden een druk gesprek, terwijl zij over de sneeuw
+met hun sleden op weg waren naar Krakenness. Achter hen kwam een
+boerenslede om de takken op te leggen. De jongens konden veilig op hun
+kleine IJslandsche pony's vertrouwen, totdat de sneeuw dikker begon te
+vallen en zij dus hun aandacht meer aan den weg moesten wijden. Zij
+matigden hun vaart, maar toch gleden de sleden gelijk voort, totdat
+die van Nils plotseling wegzonk. Het kleine paard viel op zijde en
+Nils verdween in een hol, dat gedeeltelijk tegen den wind beschut,
+niet geheel en al was volgesneeuwd. Door deze losse sneeuw rolde de
+kleine Noorman heen, totdat hij op iets warms en zachts stuitte. Het
+paard schrikte hevig en rende, met de slede achter zich, van waar
+het gekomen was. De andere paarden schenen eveneens door den schrik
+bevangen te zijn, want zij volgden zoo snel als zij maar konden.
+
+Zoodra zij bemerkten dat de paarden niet meer te regeeren waren,
+sprongen de knapen uit de sleden op de sneeuw. Hun kleeding van
+zeehondenvel beschermde hen toch tegen koude en vochtigheid.
+
+Nils bevond zich in een neteligen toestand. Toen namelijk de zachte en
+harige massa, waarop hij gevallen was, zich begon te bewegen, kwam hij
+tot de ontdekking dat hij op een slapenden beer was neergekomen. Hoewel
+hij, toen hij dicht bij het nieuw ontdekte land was, den wensch had
+geuit om eens op de berenjacht te kunnen gaan, herhaalde hij dien
+wensch nu toch niet. Nu had hij een beer, maar hij kon de onaangename
+gedachte niet bedwingen dat hij den beer niet had, maar de beer hem.
+
+Hij herstelde zich echter spoedig van den schrik en sprong het hol
+uit. Hij liep zoo snel hij kon naar den naastbijstaanden boom, en
+klom met groote vlugheid naar boven. Maar de beer gaf hem in vlugheid
+niets toe en in de klimkunst kwam de knaap met zijn viervoetigen
+vijand niet in vergelijking. Gelukkig was hij hem echter vooruit en
+maakte van dit voordeel een goed gebruik.
+
+Elke knaap was voorzien van een kleine, scherpe bijl, die hij los in
+den gordel droeg en welke diende om de takken af te slaan. Bovendien
+hadden zij ook elk een jachtspeer, zooals die gewoonlijk door de
+vrijen gedragen werd, maar hun speren waren lichter dan die der mannen.
+
+Toen Nils in den boom klom, liet hij zijn speer vallen. De beer hield
+stil en scheen eerst eens goed te willen onderzoeken wat het was,
+voordat hij zich verder waagde. Dit gaf Nils meer tijd en toen hij
+zoo hoog mogelijk in den boom was geklommen, nam hij zijn bijl in de
+hand, en zijn voeten zooveel mogelijk terug trekkend, boog hij zich
+voorover om den beer af te wachten. Al dien tijd door riep hij tot
+zijn vrienden: "Helpt! Edrik, Osrik, helpt!"
+
+De beer klom bedaard verder, zonder zich veel te haasten maar met een
+blik alsof hij zeggen wilde, dat hij zeker was van zijn prooi. Nils
+wachtte totdat een klauw van het monster binnen zijn bereik was,
+en gaf er toen met zijn scherp wapen zulk een slag op, dat hij den
+poot bijna van het lichaam scheidde.
+
+Doch de beer achtte het beneden zich om te toonen, dat hij pijn had;
+hij steunde nu op zijn anderen poot en klom een weinig hooger in
+den boom, die nu onder zijn gewicht begon te buigen. Dit maakte den
+beer voorzichtig en daardoor kreeg Nils den tijd om ook den anderen
+klauw een slag toe te brengen. De tweede slag was echter veel zwakker
+dan de eerste, en hoewel hij tot op het been trof, verlamde hij het
+monster niet. Stellig had de knaap het leven er bij ingeschoten als
+de anderen hem niet waren komen helpen.
+
+Zij kwamen alleen, want de boer was bezig met zijn verschrikt paard
+de pooten bij elkaar te binden. Hij wist dat zijn paard noodzakelijk
+was om de jongens naar huis te brengen.
+
+Edrik en Osrik konden niet snel voortkomen; hun sneeuwschoenen
+lagen in de sleden, waarmee de paarden op hol waren gegaan,
+en zij zonken daardoor zoo diep in de sneeuw, dat zij bijna niet
+voortkonden. Gelukkig hadden zij hun speren vastgehouden, toen zij
+uit de slede sprongen; bovendien staken de bijlen in de gordels,
+zoodat zij geheel gewapend waren.
+
+Edrik bereikte den boom het eerst; hij hield zijn speer in de
+rechterhand, sloeg zijn beenen om den stam en werkte zich zoo met
+behulp van zijn vrije hand naar boven. Zoodra hij dichtbij genoeg
+was, stak bij de speer zoover hij kon in de zijde van het monster,
+maar daar hij zich moest vasthouden, had hij geen kracht genoeg om
+den stoot doodelijk te maken.
+
+De beer begon snel naar beneden te klimmen, doch daar trof hij Osrik
+aan, dien hij te gemoet ging op de achterpooten loopend, met de
+voorpooten uitgestrekt, alsof hij den knaap wilde omhelzen. Osrik gaf
+hem een flinken stoot met de speer, maar bruin, woedend van pijn, rende
+voort. Osrik ontweek hem en sprong achter den boom. De beer liet zich
+op zijn vier pooten zakken en toen Edrik hem onder zich zag, sprong
+hij hem, zonder zich een oogenblik te bedenken, boven op den rug.
+
+Bruin brulde het uit, draaide den kop om, liet zijn vreeselijke
+tanden zien en trachtte zijn vijand te grijpen. Maar Edrik bleef
+stevig zitten, greep zijn bijl en sloeg met een flinken slag den
+ruggegraat van het monster doormidden.
+
+Juist toen hij dood neerviel, kwam de boer om de knapen te helpen,
+die zoo goed getoond hadden dat zij het zonder hulp wel afkonden. Hij
+was verbaasd dat zulk een groote beer door drie knapen gedood was.
+
+"Edrik heeft hem gedood. Hoe krijgen wij hem nu naar huis?" zei Osrik.
+
+"Ik weet het waarlijk niet; hij is te zwaar voor de slede. Bovendien
+maakt alleen de lucht van het dier het paard dol."
+
+Intusschen was Nils uit zijn boom geklommen.
+
+"Hoor eens, Finn Glaffson!" zeide hij, "rijd terug naar Groendal en
+breng den graaf met zijn gasten hier om den beer te zien. Gij kunt
+er zeker van zijn dat gij ze allen op den weg zult aantreffen, want
+onze paarden zijn stellig regelrecht naar Groendal gerend!"
+
+Na een korte beraadslaging kwam men tot het besluit dat dit het beste
+zou zijn, en dat de jongens zouden achterblijven om te maken dat de
+wolven zich niet aan den beer te goed deden.
+
+"Nu hebben wij het recht om de huid van den beer op onze schilden te
+dragen," zei Edrik, toen de boer vertrokken was.
+
+"Neen, Edrik! gij alleen hebt het recht daartoe, want gij hebt den
+beer gedood," antwoordde Osrik.
+
+"Geef mij maar liever de eer," riep Nils, "want als ik niet op hem
+gevallen was, zouden wij zonder beer het bosch verlaten hebben."
+
+"Dat is waar," zei Edrik, "en ik geloof dat wij het beste zullen doen
+met den prijs te verdeelen; de huid zal wel groot genoeg zijn!"
+
+
+
+
+
+
+
+VII.
+
+
+De gevangenen, aan Sigvald's bewaking ontsnapt, waren gevlucht naar
+het huis, waar Thassi eens gewoond had, omringd door zijn vrienden
+en volgelingen. Hoewel hij nu als balling rondzwierf dachten zij,
+die hem eens liefhadden, nog steeds aan hem, en zij haatten hen,
+die de oorzaak waren van zijn ballingschap.
+
+Onder de ontsnapten bevond zich een bloedverwant van Thassi, die naar
+wraak dorstend de anderen aldus aansprak:
+
+"Vrienden! wij moeten ons verschuilen en weer tevoorschijn komen als
+men het zoeken naar ons opgegeven heeft. Als die graaf dáár slaapt,
+zullen wij er heen sluipen en wraak nemen."
+
+"Maar de vrienden van Sigvald zijn talrijk en wij zijn alleen!" zei
+een ander.
+
+"Niet ver van hier staat een huis, waar een vriend van Thassi
+woont. Hij is een Noorweger en zal ons helpen!"
+
+Zij reden met hun vieren verder tot zij aankwamen bij Ikutil, een man
+die een klein stuk grond bezat. Hij was bereid hen te helpen en leende
+hun met bont gevoerde mantels en laarzen, en al wat zij noodig hadden.
+
+"Nu moet gij verstandig handelen;" zei Ikutil, "gij moet weten
+dat alles het werk is van de oude tooverkol Unna. Zij zond Leif een
+waarschuwing! Een tooverheks die geheimen verklapt, verdient verbrand
+te worden!"
+
+"Ja, dat is waar; wij zullen de verslagenen op haar wreken!"
+
+Zij bleven drie weken bij Ikutil en het plan werd vastgesteld. Zij
+waren er te meer mee ingenomen, toen Ikutil hun vertelde dat de
+oude tooverheks de grootmoeder was van Freydisa, en dat zij en haar
+echtgenoot Thorward woedend zouden zijn, als de oude vrouw gedood werd.
+
+"Als wij Unna dooden, wreken wij ons op onze vijanden en dat is de
+moeite waard!" zoo besloot hij.
+
+De mannen reden heen en kwamen aan het huis, waar wij Freydisa met haar
+moeder en grootmoeder het eerst hebben aangetroffen. De dienstmaagd
+Aska trad hen te gemoet en zeide dat haar meesteres ziek was en niet
+gestoord kon worden.
+
+"Wij moeten haar zien," zeiden de mannen, en snelden de kamer
+binnen. Daar lag de oude vrouw op een met dierenvellen bedekt bed,
+hoewel de kamer zoo heet was dat men er bijna stikte.
+
+"Wat zoekt gij hier?" riep Unna uit.
+
+"Wraak voor Thassi!" en voor dat de oude vrouw om hulp kon roepen,
+werd zij gedood, waarop de moordenaars de vlucht namen.
+
+Maar Aska steeg te paard en kwam na drie dagen te Groendal aan, en
+vertelde alles aan Freydisa, die in bitteren toorn wraak zwoer aan
+alle Noorwegers. Zij ging naar Thorward en vertelde hem dat vrienden
+van Thassi haar grootmoeder vermoord hadden.
+
+"Ik zal haar wreken, Freydisa! Als het lente wordt zal ik de mannen
+uitdagen en ze dooden om u genoegen te doen. Wie zijn zij?"
+
+"Ik weet niet anders dan dat het Noorwegers zijn! Gij moet het weten!"
+
+Hier werd het gesprek gestoord door een hevig rumoer, hetwelk
+werd veroorzaakt door een troep IJslanders, die, aangevoerd door
+Sigvald, Edrik en zijn twee vrienden met hun zegeteeken naar huis
+brachten. Het dooden van een beer was altijd een reden tot groote
+blijdschap, maar deze overwinning door drie knapen bevochten, was
+iets bijzonders. Thorward voegde zich bij hen en zij begaven zich
+allen naar de hal van Sigvald. De krijgslieden wedijverden om den
+knapen eer te bewijzen.
+
+Sigvald wees allen plaatsen aan en zes krachtige mannen gingen
+het vertrek rond, terwijl zij twee aan twee de knapen droegen. De
+berenhuid werd plechtig onder hen verdeeld om er hun schilden mee te
+bedekken in plaats van de witte geitenvellen, die zij er tot nu toe
+op gedragen hadden.
+
+Toen zij aldus driemaal de zaal rond gedragen waren, stond Sigvald op
+en van zijn arm drie gouden banden nemende, gaf hij die aan de knapen,
+terwijl hij tot hen zeide:
+
+"Ik geef u ieder een ring, als belooning uwer dapperheid."
+
+De toejuichingen, die hierop volgden, beletten Sigvald een oogenblik
+het voortgaan, maar eindelijk vervolgde hij:
+
+"Met vergunning van de krijgslieden zullen zij voortaan met mij op
+de daïs zitten in plaats van, zooals tot nu toe, aan de lagere tafels."
+
+De drie knapen werden van de schouders der krijgslieden op de daïs
+nedergezet. Thorfrida en de moeders der beide andere knapen waren dien
+dag zeer trotsch op hun zonen. Zoodra het feestmaal geëindigd was,
+begonnen Edrik en zijn vrienden de hal met groen te versieren. De
+priesters waren beiden tegenwoordig, maar zij verzetten zich niet
+tegen deze handelwijze, doch inplaats dat paarden werden geslacht om
+in den Joeltijd gegeten te worden, werden nu ossen genomen, daar de
+priesters verklaarden, dat het eten van paardevleesch een heidensche
+gewoonte was.
+
+De dag, waarop de duisternis het licht overwint, brak aan. De
+joelblokken werden gebrand om den houtstapel voor te stellen, waarop
+het lijk van Baldur, den zonnegod, verbrand werd, en de oudejaarsavond
+werd gevierd, omdat hij het leven geeft aan een nieuw jaar. Christenen
+en Heidenen vereenigden zich bij deze buitengewone gelegenheid.
+
+Er werden overal feestmalen gegeven en spelen uitgevoerd. De knapen
+hadden het druk, want het was hun taak om de oudere krijgers te
+vermaken door nagebootste gevechten, door verschillende spelen en
+kluchten, die met groote bevalligheid en vlugheid werden uitgevoerd.
+
+Daarop kwam de "Najoel", tot de Paasch-zon verscheen. De vreugde
+en de feesten, na zulk een wekenlange duisternis, waren zoo groot,
+dat wij niet in staat zijn ze te beschrijven. Het is voldoende als
+wij zeggen dat onze vroegere Meifeesten alle daarvan afkomstig zijn.
+
+Nu brak het ijs en kwam de tijd, dat alles groen werd. De zomer
+ging niet van een lente vooraf, maar viel plotseling in. Als door
+tooverkracht ontsproot alles. Het gras groeide, de boomen kregen
+bladeren en de natuur was zoo vroolijk als zij te voren somber was
+geweest. De zeehonden keken uit het water bij de kust, eer zij zich
+aan land waagden; de jongens bergden de sneeuwschoenen en haalden de
+booten voor den dag, en spoedig brak de tijd aan, waarop de reis naar
+Edrik's nieuw gevonden land aangevangen zou worden.
+
+Het was in het Noorden de gewoonte der gehuwde krijgslieden om op
+verre tochten hun vrouwen mede te nemen. Leif en Thorfinn maakten
+zich dus met hun vrouwen gereed om zee te kiezen. De drie schepen:
+de Sleipner, de Nagelfari en de Rolf-Krake zeilden te zamen uit,
+maar Byarn was naar Noorwegen gegaan.
+
+Het was een plechtige dag voor Reikiavik toen Eirik, de Roode,
+vertrok. Hij riep zijn zoons en eenige der voornaamste inwoners tot
+zich en sprak:
+
+"Mijn lokken zijn grijs, ik ben niet dezelfde meer van voor veertig
+jaar. En zoo is het ook met u en met de wereld. Ik zie een nieuwen
+tijd komen, en ook hoe de reine Christus de plaats inneemt van den
+strijdbeminnenden Odin. Mijn lieve zoon Leif Eirikson heeft de nieuwe
+leer omhelsd. Wel, hij mag dat doen, ik heb er niets tegen, maar ik
+blijf een aanhanger van het oude geloof. Maar hetzij gij behoort aan
+Odin of aan Christus, doet altijd uw plicht. Laat ieder daar gaan,
+waar hij het liefst wil. Misschien is het nieuwgevonden land, dat
+onze vriend ontdekt heeft, wel een gedeelte der nieuwe aarde, die ons
+beloofd is, en komt zij tegelijk met den nieuw gevonden zuidelijken
+hemel! Misschien is dat zoo, maar ik weet het niet zeker. Mijn zegen
+op u allen! Moge de Alvader altijd met u zijn. Vaartwel!"
+
+Donderend klonken de slagen der zwaarden op de schilden, een geluid
+dat het hart van den ouden man met blijdschap vervulde. Hij trok zijn
+zwaard en zijn breed schild stevig aan den arm houdende, schreed hij
+voort naar de plank, die naar het dek van het drakenschip leidde. Hij
+greep het roer en toonde zoodoende dat hij het bevel aanvaardde. Zijn
+krijgers volgden hem; elk plaatste zijn schild rondom het schip en
+de helft der bemanning nam plaats aan de riemen en wachtte op graaf
+Eirik's bevelen. Zij volgden: touw en zeilen werden losgemaakt,
+en door wind en riemen geholpen, verliet het drakenschip de kust.
+
+Op de plaats, waar de Nagelfari gelegen had, kwam nu de Sleipner te
+liggen. Thorfinn voerde het bevel daarover; hij bracht zijn vrouw
+Guthrida eerst aan boord, en daarna volgden verscheidene krijgslieden
+met hun vrouwen, voor wie een verblijf beneden in orde gebracht was.
+
+De vrouwen bleven op het dek om de krijgslieden aan boord te zien
+komen, die hun echtgenooten op den tocht zouden vergezellen. Guthrida
+greep het roer en riep haar echtgenoot tot zich met deze woorden:
+
+"Thorfinn Karlsefni, neem het roer van mij over. Gij zijt onze
+leidsman, onze gids en strijder. Handel met ons naar welgevallen!"
+
+Op de Rolf-Krake, waar Leif Eirikson het bevel voerde, had dezelfde
+plechtigheid plaats, toen de Sleipner de Nagelfari gevolgd was.
+
+Toen ook de Rolf-Krake haar touwen losmaakte, verdubbelden de
+toejuichingen aan de kust. Van de drie statige schepen rees een
+plechtig gezang omhoog, dat den toeschouwers liefelijk in de ooren
+klonk.
+
+Onze jonge vrienden bevonden zich te zamen bij Leif Eirikson aan boord
+van de Rolf-Krake. Osrik, de oudste, moest dienst doen als krijgsman
+en roeier, terwijl Edrik en Nils als uitkijk geplaatst waren.
+
+Njord bevond zich ook aan boord, en scheen te denken dat hij het
+bevel voerde, want hij was overal tegelijk en blafte bij alles wat
+er gebeurde. De krijgslieden hadden er schik in.
+
+Njord was de eerste New-Foundlandsche hond in Europa, en zij wisten
+nog niet hoe dat soort honden met het water vertrouwd is.
+
+"Kijk eens daar ginds, Nils?" riep Edrik. "Wat is dat daar te
+lijwaarts?"
+
+"Ik kan het niet goed onderscheiden. Ik zal het Leif even gaan
+vertellen."
+
+"Dat is een ijsberg, Edrik!" riep Leif uit. "Het verwondert mij dat
+gij de ijsbergen vergeten zijt!"
+
+"Maar zij zien er heel anders uit. Ik dacht niet dat het een ijsberg
+was."
+
+Daar riep kleine Nils uit: "Edrik, zie eens daar ginds!" en in
+tegenovergestelde richting zagen zij nog zulk een ijsberg, die hen
+met groote snelheid naderde. Leif gaf bevel om flink door te roeien
+en weldra waren zij aan het dreigend gevaar ontsnapt en de Nagelfari
+en de Sleipner ver vooruit.
+
+"Wat zou dat beteekenen?" riep Leif. "Zij schijnen het gevaar op de
+Nagelfari niet te bemerken. Wat kunnen wij doen?"
+
+"Wij kunnen niets doen," zei een oude Noorweger, die de kust van
+Groenland goed kende. "Al wat wij doen kunnen is voort te zeilen;
+teruggaan zou ons noodlottig worden."
+
+"Is het leven mijns vaders niet meer waard dan het mijne? Wenden,
+mannen!" riep Leif.
+
+Zelf nam hij het roer weer in handen en veranderde den koers, om den
+ouden Eirik te kunnen helpen, als 't noodig was.
+
+Intusschen kwam de tweede ijsberg langzaam maar zeker nader. De
+Nagelfari, Eiriks schip, kwam er hoe langer hoe dichter bij, terwijl
+men op de Sleipner het gevaar bemerkt scheen te hebben, want daar
+spande men alle krachten in om het te ontkomen.
+
+Leif zette voortdurend zijn mannen aan, ten einde zijns vaders
+schip bij tijds te bereiken, maar Eirik scheen blind voor het nakend
+gevaar. Te vergeefs gaf Leif signalen op zijn horen; zij schenen door
+de bemanning van de Nagelfari niet opgemerkt te worden.
+
+Ten laatste bemerkten zij toch het gevaar en de mannen roeiden wat
+zij konden, maar toch naderden zij hoe langer hoe meer den ijsberg,
+in plaats van er zich van te verwijderen.
+
+Daar kwam de Rolf-Krake met Leif aan boord. "Red u vader!" riep
+hij. "Spring in zee. Komt allen hier; er is plaats genoeg!"
+
+Eirik zag hoe de ijsbergen dreigden het schip te verbrijzelen, en
+hij sprong in zee, gevolgd door zijn bemanning. Hun werden touwen
+toegeworpen, en spoedig stonden al de vermoeide mannen van de Nagelfari
+veilig op het dek van de Rolf-Krake.... allen, behalve Eirik, die,
+toen hij trachtte een touw te vatten, misgegrepen had en weer in het
+water was teruggevallen.
+
+Uitgeput als hij was, had de oude krijger geen kracht meer het touw
+te grijpen, dat men hem nogmaals toewierp. Leif riep angstig uit:
+"Grijp het touw! Houd vast, vader!" en hij begon zich reeds van zijn
+zware wapenrusting te ontdoen om zich in het water beter te kunnen
+bewegen, toen men plotseling een plomp hoorde. De hond,--nu een jaar
+ouder, dan toen hij uit het pas ontdekte land kwam--had het kleed
+van graaf Eirik tusschen zijn tanden gevat en hield hem boven water.
+
+Deze hulp herstelde Eirik en gaf hem zijn vertrouwen terug. Nogmaals
+werd hem een touw toegeworpen; dezen keer greep hij het, doch hij
+kon het niet goed vastmaken, hoewel de hond hem nog altijd boven
+water hield.
+
+Daar naderde Edrik, stevig aan een touw bevestigd, de plaats waar man
+en hond met den dood worstelden. Hij slaagde er in het touw stevig
+om Eirik vast te maken, en zoo werd de oude graaf veilig aan boord
+getrokken.
+
+Terwijl dit gebeurde zwom de hond geduldig rond. Edrik bond nu het
+touw om zijn middel, nam den hond in zijn armen en liet zich zoo aan
+boord trekken. Het was hoog tijd: de roeiers grepen met alle kracht
+de riemen; twee mannen aan iederen riem en de Rolf-Krake vloog over
+de golven, terwijl de Nagelfari het ijs naderde en een zeker verderf
+te gemoet ging.
+
+"Roeit voort, mannen!" riep Leif, "wij moeten beproeven te ontsnappen!"
+
+Wat roeien zij snel! Daar nadert hen de tweede ijsberg. Kunnen zij nog
+ontkomen? Gelukkig zijn zij het eind van de reusachtige massa voorbij,
+die snel tegen de andere komt aandrijven. Daar stooten beide bergen
+tegen elkander met een knal als van zwaar geschut. De achtersteven
+van de Rolf-Krake heeft toch nog iets te lijden, maar het schip is
+behouden. Het vaartuig van graaf Eirik echter is geheel verbrijzeld.
+
+"Kijk eens naar dien hond, Leif! Hebt gij ooit in uw leven zoo'n dier
+gezien? Nog geen twee jaar oud en toch redt hij mij het leven. Het
+is alsof hij, evengoed als wij, weet wat wij zeggen!"
+
+De krijgslieden keken verbaasd dat de oude Eirik zich zoo aan zijn
+blijdschap overgaf, hij, die volgens zijn geloof zoo onverschillig
+moest zijn voor leven of dood. Njord liet geduldig toe dat de oude
+man hem liefkoosde.
+
+"Dat was bij het kantje af, Nils!" zeide Edrik.
+
+"O, ik geloof dat zoo iets wel eens meer gebeurt. Gelukkig dat de
+Sleipner het nog ontkomen is, en geen menschenlevens te betreuren
+zijn!"
+
+
+
+
+
+
+
+VIII.
+
+
+Den volgenden dag kwamen de Sleipner en de Rolf-Krake weer bij
+elkaar, en onderscheidde Osrik de kust van Groenland. Men ankerde
+in Eiriks-fjord, en spoedig bood de gastvrije tafel van den ouden
+krijger den gasten de spijzen aan, die hij wist dat hun 't liefst
+waren. De vrouwen vonden het zeer aangenaam weer eens aan land te zijn,
+en Njord maakte allerlei dolle sprongen.
+
+De kleine kolonie verheugde zich in de geschenken, die hun met de
+schepen uit Groenland waren toegezonden, doch nu was het de vraag,
+wie mede zou gaan naar het nieuw ontdekte land en wie op Groenland
+zou blijven.
+
+Eirik, de Roode, belegde een vergadering en daar werd besloten dat hij
+zich aan boord van de Sleipner zou inschepen, en den tocht zou leiden,
+doch eerst drie dagen na de vergadering. Door Christenen en Heidenen
+werd de zegen van het Opperwezen afgesmeekt op hun onderneming.
+
+Toen die dag kwam werden de Rolf-Krake en de Sleipner naar Eiriks-fjord
+gebracht; daar zouden Eirik en zijn zoon zich in alle plechtigheid
+inschepen. De oude graaf besteeg zijn paard en gevolgd door zijn zoon,
+reed hij aan het hoofd van den optocht. Op hem volgde Thorfinn op een
+prachtig oorlogsros en naast deze, op een melkwit paard, reed zijn
+vrouw Guthrida. Achter hem kwamen de krijgslieden, die drie aan drie
+reden, en deze werden weer gevolgd door de vrouwen.
+
+Op het oogenblik dat zij de plaats der inscheping bereikten, werd
+het paard van Eirik onrustig, steigerde en wierp zijn berijder
+af. Leif sprong dadelijk toe om zijn vader te helpen, die door den
+val bewusteloos scheen, zoodat zijn zoon eerst dacht dat hij dood
+was; doch hij kwam spoedig weer bij en stond statig en trotsch als
+te voren voor zijn zoon, dien hij aldus aansprak:
+
+"Neen, Leif! ik blijf hier. Ik houd dit voor een teeken dat mijn dagen
+als zeeman en krijger geteld zijn. Ik wil de goden niet verzoeken. Ga,
+mijn zoon! en neem met u mijn twee volgelingen, die ik het meest
+op prijs stel; mijn jager Thorhall en mijn Duitschen hofmeester
+Tyrker. Thorhall zal u van dienst zijn bij het vervolgen van het
+wild, en Tyrker is bekwaam en slim. En gij Thorfinn! neem zooveel
+mijner mannen met u als wenschen uit te zeilen. Mogen de goden u
+allen beschermen!"
+
+Allen waren afgestegen en hadden zich rondom Eirik geschaard. Zelfs de
+Christenen waren van meening, dat hij een duidelijk teeken had gehad,
+dat zijn tocht door de Voorzienigheid niet goedgevonden werd. Er
+waren er zelfs onder, die dachten dat het teeken voor hen allen
+bestemd was. Leif en zijn vader gaven dezen verlof om te blijven,
+maar al de anderen scheepten zich in, ook Thorhall en Tyrker. Oude
+Eirik keek de drakenschepen na, zoolang hij ze maar eenigszins zien
+kon, en toen keerde hij zwijgend naar de hal terug.
+
+Intusschen spoedden de schepen zich voort. Edrik, Osrik en Nils
+waren in een opgeruimde stemming, hoewel hun makker, de hond, was
+achtergebleven om ouden Eirik wat op te vroolijken.
+
+Reeds na vijf dagen kreeg de Rolf-Krake het land in zicht dat het
+eerst door Byarn was ontdekt geworden. De bemanning ging hier aan
+land, maar vond geen zweem van plantengroei; niets dan een naakte,
+kale vlakte, bedekt met groote platte steenen.
+
+Aan dit land gaf Leif den naam van Helluland, of het Land der platte
+steenen, en daar het niets aanbood, dat hen kon verlokken om te
+blijven, scheepten de reizigers zich weder in.
+
+Zij zeilden een dag langs de kust en kwamen toen aan een laag vlak
+land, met talrijke zandige klippen, dicht begroeid met houtgewas. Hier
+gingen zij nogmaals aan wal en zij noemden dit land Mark-land, nu
+bekend als Nieuw-Schotland.
+
+Westwaarts langs de kust van het vasteland zeilende, merkten zij op,
+dat een groot gedeelte van den grond bij eb geheel droog bleef. Zij
+gingen aan land en vonden een rivier, die uit een meer kwam, en
+in zee liep. Het land zag er zoo aanlokkend uit dat onze zeelieden
+besloten eens te beproeven, hoe ver zij de rivier met hun schepen
+konden opzeilen. Bij vloed konden zij gemakkelijk bij het meer komen,
+en hier ontscheepten zij zich. Het meer, de kust, de bosschen, in
+'t kort alles beviel Leif zoo, dat hij zijn voornemen te kennen gaf
+hier den winter door te brengen.
+
+Men ging met ijver aan 't werk. Boomen werden geveld om de woningen
+op te trekken. Het meer verschafte overvloed van heerlijken zalm,
+de grond was vruchtbaar en de wouden waren vol vogels en men zag er
+een groot aantal herten.
+
+Er verrezen nu spoedig huizen. De mannen vingen langs de kust zooveel
+zeehonden, dat zij vellen genoeg hadden om er de hutten van binnen
+mee te bekleeden. Zij begonnen met dit werk in het eind van Juni,
+en voor het einde van Augustus waren zij klaar. De knapen hadden
+hard meegewerkt en nu zond Leif hen met den Duitscher Tyrker op een
+ontdekkingstocht uit.
+
+"Osrik! wij gaan nog meer land ontdekken," zeide Edrik. "Wij zullen
+het Osdriksland, Nilsland of Edriksland noemen!"
+
+"Nooit Tyrkersland, als hij het 't eerste ziet. Hij is geen graaf,
+niet waar jongens?"
+
+"Wees nu niet dwaas, Tyrker! Gij weet wel dat op IJsland alle menschen
+gelijk zijn."
+
+Zoo sprekend wandelde het kleine gezelschap steeds voort
+in zuidwestelijke richting, goed om zich heen ziende, om bij den
+terugkeer den weg te kunnen vinden. Op den vierden dag van hun reis
+was de voorraad levensmiddelen bijna uitgeput, en tot nog toe hadden
+zij niets ontdekt; doch tegen den middag riep Edrik uit:
+
+"O, Tyrker, kijk eens! Wat zijn dat voor struiken?"
+
+De Duitscher keek in de richting, die Edrik had aangewezen. Hij liep
+er vlug heen, en de jongens zagen hoe hij trossen met groote bessen
+plukte, welke aan struiken groeiden.
+
+"Ik ben een Rijnlander, jongens!" riep Tyrker. "Ik zag dadelijk dat
+dit een wingerd was." En hij ging voort van de druiven te eten en
+drukte op luidruchtige wijze zijn blijdschap uit.
+
+De knapen waren verbaasd over de opgewektheid van den Duitscher, totdat
+zij zelf de vruchten geproefd hadden. Zij waren koel en verfrisschend,
+en stilden honger en dorst tegelijk.
+
+"Nu, Tyrker! gij moet deze plaats een naam geven!"
+
+"Noem dit land dan "Wijnland," als gij wilt. Maar wij moeten eenige
+vruchten meenemen, anders zullen de anderen ons niet gelooven!"
+
+Hij sneed daarop eenige takken van de naastbij staande boomen, en zoo
+waren zij in staat een groot aantal trossen te dragen, zonder dat de
+vruchten beschadigd werden.
+
+Reeds den tweeden dag ontmoetten zij een afdeeling onder Thorfinn,
+die ongerust was geworden over het wegblijven der knapen. Hij was even
+verbaasd als de knapen over de ontdekking van Tyrker. In triumf gingen
+zij naar de nederzetting terug, waar mannen en vrouwen zich verheugden
+over den uitslag van den tocht. Leif vond de vruchten overheerlijk;
+hij deed Tyrker verscheidene vragen, en omtrent den naam van het land
+zei hij:
+
+"Ja, zoo zal het zijn. "Wijnland" zal voortaan de naam zijn van
+dat paradijs."
+
+Er werd bepaald dat de eene helft der kolonie druiven zou gaan
+inzamelen, terwijl de andere helft de vrouwen zou blijven bewaken,
+doch toen zij Wijnland goed onderzochten, vonden zij er nog meer
+dan druiven, namelijk een soort van koren, dat in de zon rijpte. Zij
+sneden er wat van af, en brachten het bij de vrouwen, die verklaarden
+dat het ruw, maar zeer goed koren was. Ook leerde Tyrker hun hoe zij
+de druiven konden bewaren, en weldra hadden zij zooveel, dat zij niet
+bevreesd behoefden te zijn dat zij geen voorraad genoeg zouden hebben
+voor den winter.
+
+Groote toebereidselen werden er gemaakt voor de naderende koude,
+maar toen de winter aanbrak, waren de IJslanders verwonderd dat het
+zoo warm was. Wel is waar viel er sneeuw en was er wat ijs, maar was
+dat nu winter! Het gras bleef groen, de rivier bleef stroomen en men
+kon rondwandelen zonder de zware mantels van berenvel.
+
+"Wel," zei Leif Eirikson eens op een morgen tot zijn vrouw, "als dit
+nu werkelijk is wat men het aardsche paradijs noemt, dan zijn wij de
+gelukkigen, die het gevonden hebben!"
+
+Den geheelen winter werd druk gejaagd, en toen de lente aanbrak had
+men nog niet veel lust de plaats te verlaten. Men wachtte tot het
+zomer was, en toen gingen allen weer onder zeil naar de kust van
+Groenland. Men had een goeden voorraad druiven, koren en vleesch aan
+boord, zoodat men vooreerst niet voor den honger behoefde te vreezen.
+
+De reizigers hadden geen man verloren; integendeel, het troepje
+was nog vermeerderd door de geboorte van een zoon van Thorfinn,
+het eerste Europeesche kind, dat in Amerika geboren werd. Hij werd
+"Snorri" gedoopt, en men zegt dat van hem de beroemde beeldhouwer
+Thorwaldson en de niet minder beroemde taalkundige Magnusson afstammen.
+
+De zeilen werden geheschen en de drakenschepen vertrokken met een
+stevige zuidwestelijke bries, die hun een spoedigen terugkeer naar
+Groenland scheen te beloven; maar ongelukkig draaide de wind eerst
+naar het noorden, en toen naar het oosten, zoodat zij heel wat moeite
+hadden hun koers te vinden.
+
+Dit viel hun tegen, en het was des te erger omdat hun voorraad snel
+begon te minderen. Zij verloren echter den moed niet, maar gingen
+voort, zich richtend naar de sterren en dicht bij elkander blijvende.
+
+Op een morgen was Edrik boven in het kraaiennest. Het was een
+prachtige, heldere dag, hoewel vrij wat kouder dan in Wijnland.
+
+"Ahoy, daar op dek!" riep hij. "Land vooruit!"
+
+"Kom beneden; ik zal eens naar boven gaan!" antwoordde Leif. Hij deed
+zulks en zag de kust als een blauwachtig grijze, nevelachtige bank
+vóór zich liggen.
+
+Groot was de opgewondenheid aan boord, toen tegen den avond het land
+nabij genoeg was om het te herkennen als de noordwestelijke kust van
+Groenland, en zij hier een wrak zagen. Dadelijk werd van de Rolf-Krake
+een boot te water gelaten en Edrik, Nils en Osrik mochten met de
+bemanning meegaan om Leif te berichten, welk schip daar schipbreuk
+had geleden.
+
+De boot naderde en spoedig bemerkten de mannen dat aan het strand
+menschen stonden.
+
+"Waar vandaan?" vroegen zij, toen zij dichtbij genoeg waren, en het
+antwoord luidde: "Van Reikiavik!"
+
+Eenige riemslagen brachten hen aan land, waar Edrik tot zijn blijdschap
+zijn vriend Thorward met zijn vrouw Freydisa benevens vijftien anderen
+vond, en hij haastte zich Leif Eirikson van boord te halen. Dadelijk
+volgde ook een boot van de Sleipner met Thorfinn en eenige zijner
+mannen.
+
+Leif had ook Tyrker en den jager Thorhall met zich mee in de boot
+genomen, en zoodra hij aan land kwam, zond hij den jager uit om te
+zien of hij niet eenig wild kon schieten, dat hun tot voedsel kon
+dienen; want men had nu zeventien monden meer open te houden.
+
+Freydisa vertelde hun, hoe zij, toen zij van het nieuw gevonden land
+hoorde, haar echtgenoot had overgehaald een schip uit te rusten om
+zelf zijn geluk te beproeven, en hoe hun schip, na drie dagen zeilens,
+op deze kust schipbreuk had geleden.
+
+"Het is gelukkig dat wij u gevonden hebben," antwoordde Leif. "In
+den winter hadt gij allen moeten sterven van koude en honger!"
+
+Twee dagen gingen met vruchteloos zoeken naar voedsel voorbij, maar
+toen Edrik op den derden dag een gedeelte der kust onderzocht, waar
+nog niemand geweest was, zag hij den jager Thorhall op een rots zitten,
+bezig met verzen te zingen. Hij stond op toen hij Edrik zag en zeide:
+"Ik ga met u mee; wij zullen spoedig voedsel krijgen."
+
+En waarlijk, toen zij naar de overigen terugkeerden, vonden zij eenige
+mannen bezig een walvisch hooger op het strand te halen.
+
+Groote stukken werden gekookt, doch toen zij aan het eten waren
+riep Thorhall:
+
+"Ha, ha! Thor is behulpzamer geweest dan uw Christus! Ik heb dien
+walvisch gekregen door mijn verzen."
+
+Het gevolg van deze opmerking was dat de Christenen niet meer van het
+vleesch aten, doch de overlevering, waaraan wij dit verhaal ontleenen,
+deelt ons mede dat het weder spoedig zachter werd, en dat er geen
+gebrek aan voedsel meer was, want er kwam overvloed van visch. Ook
+werden er eieren gevonden, en dit met de druiven en het koren aan
+boord, was voldoende, totdat zij weer in Eiriks-fjord terugkwamen.
+
+Wat was Edrik blij toen hij Njord terug zag. De hond was niet minder
+verheugd en hij scheen den knaap eenige geheimzinnige mededeelingen
+te doen, die Edrik volkomen scheen te begrijpen.
+
+Thorfinn gaf den ouden Eirik al het hout en de druiven, die hij aan
+boord had, ten geschenke, en daarover was deze zoo verheugd dat hij
+allen, zonder uitzondering, uitnoodigde den Joeltijd bij hem in de
+hal te vieren, en dit was het vroolijkste Joelfeest, dat ooit op
+Groenland gevierd werd.
+
+
+
+
+
+
+
+IX.
+
+
+Freydisa had haar echtgenoot overgehaald de reis naar New-Foundland
+te ondernemen, omdat zij niet kon velen dat Byarn zooveel roem en
+eer behaalde, terwijl haar echtgenoot thuis zat, en niets deed. Om de
+waarheid te zeggen, scheen deze het ook nu niet onaangenaam te vinden
+een rustig Joelfeest onder Eiriks dak door te brengen en scheen hij
+liever op IJsland beren te jagen, dan over den Oceaan te zeilen om
+nieuwe landen te zoeken. Niet, dat hij bevreesd was, neen, hij kende
+de vrees evenmin als de oude Eirik, maar hij was niet eerzuchtig en
+wenschte slechts dat zijn vrouw wat huiselijker was.
+
+Toen de lente echter naderde, besloot hij naar Reikiavik terug te
+keeren. Zijn vrouw stemde slechts met weerzin toe en Leif besloot zich
+met de knapen bij hen te voegen. Hij nam met zich Thorhall en Tyrker,
+benevens de vijftien mannen, die zij op de kust hadden gevonden.
+
+Te Reikiavik was er droevige tijding voor Edrik. Zijn vader was ten
+gevolge van een val van zijn paard gestorven. Zijn moeder Thorfrida
+en Magni--een der grootste hoofden van het eiland--waren benoemd tot
+Edriks voogden. Bovendien kreeg zijn vriend Thorward een uitnoodiging
+van het Noorweegsche hof, die Freydisa hem niet kon verhinderen aan
+te nemen.
+
+Na zijn vertrek werd Edrik aan Gigur toevertrouwd, die hem verder
+zou onderwijzen, terwijl de oude krijgsman, Thorold, aangewezen werd
+om hem in de behandeling der wapenen te bekwamen. Zijn reizen hadden
+zijn kracht ontwikkeld, zoodat op het eind van het jaar geen jongen
+van zijn leeftijd, en zelfs maar weinig ouderen, zich met hem in
+'t redeneeren of worstelen konden meten.
+
+De meesten hielden van Edrik om zijn openhartigheid, maar één was er,
+die hem haatte, en dit was niemand anders dan Thorhall, de jager. Dat
+een knaap, zooals Edrik, zooveel dapperheid aan den dag legde en
+daarbij zulk een goed Christen was, dat wekte den wrok op van den
+ouden heiden.
+
+Nu woonde dicht bij Helgafels een jongere zoon van Eirik, den Rooden,
+een man, die lang zoo dapper niet was als een edelman behoort te
+zijn. Eirik had hem verstooten, omdat hij zich lafhartig gedragen
+had, en de naam Ulf mocht in zijn tegenwoordigheid zelfs niet genoemd
+worden.
+
+Ulf was een priester van Thor, doch hoewel hij niet bepaald verbannen
+was, werd deze zoon van Eirik toch door alle IJslanders vermeden,
+behalve door de tooveressen. Onder dezen had de moeder van Freydisa
+hem de meeste vriendschap betoond, en velen dachten, dat zij trachtte
+een huwelijk tot stand te brengen tusschen hem en haar dochter.
+
+Ulf was nu en dan de gast in Thorwards huis, en daar verveelde
+men hem dikwijls met lofspraken op den afwezigen Edrik. Eens toen
+Freydisa hem weer op een lange lofspraak op zijn neef had onthaald,
+ging Ulf heen, innerlijk woedend. Zoodra hij alleen was, stampvoette
+hij van boosheid en riep hij Thor aan om hem aan een middel te helpen,
+om Edrik uit den weg te ruimen.
+
+Daar trad de jager Thorhall uit het bosch te voorschijn. "Zoekt de
+oom zijns vaders meest geliefd kleinkind te dooden?" vroeg hij lachend.
+
+"Ik ben blijde u te zien, Thorhall! Op mijn eer als graaf, ik wenschte
+juist iemand te hebben om eens mee te kunnen spreken!"
+
+"Als gij den buit eerlijk met mij wilt deelen, zal ik u zeggen,
+hoe gij u op uw neef kunt wreken en even rijk worden als uw broeder!"
+
+"Ontvouw mij uw plan!"
+
+"Wacht even; eerst moet ik uw eed hebben in tegenwoordigheid van een
+priester van Thor, zoodat ik zeker ben dat gij mij niet zult verraden!
+
+"Ik ben zelf een priester van Thor."
+
+"Ga met mij mee naar Helgi Fostigson; hij is op het oogenblik bij de
+tooveres Geirrida."
+
+"Wil zij ons helpen?"
+
+"Gaarne, want zij haat de Christenen, die den menschen leeren geen
+vertrouwen in haar te stellen." Zoo sprekende bereikten de twee mannen
+de woning van Geirrida, een groot en ruim gebouw. Zij traden binnen,
+en vonden de vrouw spinnende en omringd door haar maagden. Een oude
+man, met sneeuwwitten, baard en lokken, zat op een hooge bank, doch
+toen Ulf en Thorhall binnentraden, stond hij op en zegende hen.
+
+"Neem plaats op de daïs," zeide Geirrida tot Ulf. "Gij, Thorhall! neem
+dezen zetel. Asdissa, vul twee hoorns!"
+
+Ulf dronk en deed zijn verhaal, vol haat en afgunst, terwijl Thorhall
+er nu en dan een woord tusschenvoegde. Toen hij eindigde sprak Helgi,
+de priester, hem op plechtigen toon aan:
+
+"Uw huis staat dicht bij den tempel, waar wij beiden Thor dienen. Wij
+moeten toebereidselen maken om Hem een offer te brengen, en daarna
+Freydisa tot ons overhalen; want zij is machtig, zij heeft heksenbloed
+in de aderen.
+
+"Als het offer aan Thor gebracht is en als de teekens gunstig zijn,
+zal ik mijn plan ontvouwen," zeide Geirrida. "Wanneer zal de groote
+plechtigheid ter eere van Thor plaats hebben, priester?"
+
+"Op zijn eigen dag, natuurlijk! den dag des donders. Morgen is het
+de dag van Odin en dan komt de dag van Thor, de Donderdag, dan zult
+gij mij vinden onder den offersteen."
+
+"Maar Donderdag kan ik geen offer gevonden hebben; wel de volgende
+week."
+
+"Goed," zei Helgi. "Nu over andere zaken. Wat denkt gij er van met
+Edrik naar het nieuw gevonden land te gaan en hem daar uit den weg
+te ruimen?"
+
+"Ik ben geen reiziger en gaf er nooit veel om, het pad der zeekoningin
+te betreden. Ik blijf liever thuis; de rijke dalen en woeste heuvels
+van IJsland hebben meer bekoorlijkheid voor mij."
+
+Priester en tooveres konden nauwelijks hun verachting bedwingen maar
+er viel hier geld te verdienen, daarom prezen zij de wijsheid der
+redeneeringen van Ulf.
+
+Deze en de jager bleven dien nacht daar, en vertrokken den volgenden
+morgen naar Ulfs woning, die op ongeveer vijf mijlen van den
+wereldberoemden tempel stond, die nog op de vlakte van Helgafels te
+vinden is.
+
+Hij bestaat uit reusachtig groote steenen, die overeind staan en
+een cirkel vormen rondom den middengroep, bestaande uit twee recht
+overeind staande steenen, waar over een derde ligt, zoodat daardoor
+een soort van tafel gevormd wordt. Op deze tafel werden de slachtoffers
+gebonden neergelegd, en hier vloeide hun bloed.
+
+Het was de dag van Thor, den Donderaar, een heerlijke Junidag, en
+Ulf liep op den weg, die van zijn woning naar den tempel voerde. Hij
+was niet alleen; Thorhall, de jager, was bij hem. Tusschen hen in
+liep Tyrker, die nog eenige vriendschap voor Ulf gevoelde, omdat hij
+toch Eiriks zoon was. Achter hen liepen nog eenige mannen. Zij hadden
+gehoord dat Thor een offer gebracht zou worden, en haastten zich om
+bij de toebereidselen te helpen. Men vertelde elkander fluisterend
+dat bij deze gelegenheid een Christen geofferd zou worden.
+
+"Het kan nog nauwelijks Dondersdag genoemd worden," zei Tyrker,
+"want het is nacht. Wij zullen nog wel bijtijds te Helgafels komen
+om de plechtigheid bij te wonen, en het slachtoffer te redden."
+
+"Ja," zei Ulf, "wij hebben nog ruim den tijd, maar alles zal afhangen
+van het aantal geloovigen, vergeleken met dat der Christenen."
+
+"Het is een afschuwelijke gewoonte," zei Tyrker.
+
+"Gij weet, Tyrker! dat ik zelf een priester ben, en op dit punt het
+niet geheel met u eens kan zijn. Het is ongetwijfeld niet aangenaam
+voor het slachtoffer, maar bij Thor! het is niet erger dan de dood
+op het slagveld!"
+
+Zoo sprekend waren zij den tempel genaderd, waar reeds vele mannen
+verzameld waren. De priester stond gereed met zijn offermes; een
+andere priester, van lageren rang, hield een hamer in de hand,
+waarmee de ledematen van het slachtoffer gebroken moesten worden.
+
+Bij de komst van Ulf met zijn mannen klonk een gemompel van
+blijdschap. De krijgers sloegen herhaaldelijk met hun reusachtig
+groote zwaarden op de schilden. Een wild, wondervol gezang werd
+aangeheven. Het verhaalde van Thors avonturen met de reuzen, en hoe
+hij hun zijn strijdhamer naar het hoofd wierp, en hun zwart bloed
+over de aarde deed vloeien.
+
+"Zij zullen zeker slechts een deel der plechtigheid verrichten,"
+zei Tyrker. "Zeg mij, waar is het slachtoffer?"
+
+"Hier!" riep Ulf, en hij greep den verbaasden Tyrker aan en trachtte
+hem op den grond te werpen. Doch deze was niet zoo licht te overmannen;
+hij was veel beter krijger dan Ulf, en wierp zijn tegenstander met
+geweld ter aarde.
+
+"Ik dacht niet dat ik uws vaders zoon ooit zoo ruw in het stof zou
+werpen," zeide hij hijgend.
+
+De priester Helgi gaf een teeken, en Thorhall benevens een
+tempeldienaar grepen Tyrker aan; de krijgslieden mochten het
+slachtoffer niet aanraken. Uitgeput werd hij ten laatste door beiden
+naar den altaarsteen gesleept. Hier werden door Helgi en zijn helpers
+touwen neergelaten, waarmee Tyrker naar boven werd geheschen; maar
+juist toen hij den noodlottigen steen had bereikt, werd het geluid der
+hoefslagen van galoppeerende paarden gehoord en spoedig verscheen een
+troep goedgewapende krijgslieden met Thorward aan het hoofd. Naast
+hen reed het opperhoofd Magni, die, met zijn wapenrusting aan en
+met den gouden helm op het hoofd tot voor den altaarsteen reed,
+en op een toon van gezag sprak:
+
+"Houdt op!--Ik kondig hier de nieuwe wet af, die ten strengste
+verbiedt dat menschen aan de goden geofferd worden. Daarenboven is
+Tyrker een vriend van IJsland. Laat hem los, priester! of bij St Paul,
+ik doorboor u met mijn lans!"
+
+Verscheidene heidensche krijgslieden ontblootten hun zwaarden,
+doch velen onder hen bewoonden grond, die aan Magni behoorde, en
+allen moesten de geldigheid erkennen van een wet, door hun eigen
+wetgevers gemaakt.
+
+De altaarsteenen werden bestormd. Tyrker werd van zijn banden
+bevrijd en op een paard geplaatst, en spoedig verdwenen de ruiters,
+den laatsten man met zich voerend, dien de Scandinavische heidenen
+op hun altaarsteenen trachtten te offeren.
+
+Laat ons naar Geirrida terugkeeren. Zooals gewoonlijk zit zij
+te spinnen, omringd door haar maagden. Buiten hoort men naderend
+hoefgetrappel. Zij houdt op en zegt:
+
+"Ga, Asdisa! maak de buitendeur open en breng de honden tot
+bedaren. Het is graaf Ulf met Thorhall. Goden mijner vaderen! dat
+Eirik zulk een laffen zoon moest hebben! Maar laat hem binnen,
+Asdisa! er is geld aan hem te verdienen."
+
+Kort daarop zat Ulf op de hooge bank bij de heks en deed verslag
+van het mislukte offerfeest. Na den maaltijd vertrokken de maagden,
+en Ulf, Geirrida en Thorhall gingen beraadslagen.
+
+"Wij moeten ons niet laten verslaan. Thor is ons gunstig gestemd,
+maar er is een machtige invloed aan 't werk!"
+
+"Zeg mij uw plan en al wilde niemand anders mij helpen dan de
+verstooten Loki, toch zou ik hem dadelijk aanroepen. Hoorde ik daar
+iets bewegen?"
+
+"Zoek, als gij wilt, maar er kan niets zijn. Niemand is in huis dan
+mijn maagden."
+
+Ulf stond op en keek achter de zware tapijten, die de kale
+wanden bekleedden, maar hij vond niets dan de deuren, die naar de
+vrouwenvertrekken geleidden.
+
+"Er bestaat een wet," zoo begon Geirrida, "die uit Noorwegen hierheen
+is overgebracht. Die wet zegt: als een oudere broeder sterft en een
+jongere broeder blijft onverzorgd achter, dan moet het land en alles
+wat hij achterlaat in twee gelijke deelen verdeeld worden. De eene
+helft is voor de kinderen, die hij mocht achterlaten, en de andere
+helft voor den jongeren broeder."
+
+"Bij Thor's baard! gij verbaast mij. Als dit waar is zal ik u goed
+beloonen!"
+
+"Als gij het rechtsgeding tegen uw neef wint, krijgt gij alles wat
+gij bezit door mij. Zonder mij zijt gij verloren. Zelfs de rechter
+zou zich van u afkeeren, en gij zoudt er nog slechter aan toe zijn
+dan nu. Voordat ik je help moet gij mij te Reikiavik voor twaalf
+getuigen zweren, dat gij mij de helft zult geven."
+
+"Wel, dan zou ik slechts een vierde van mijns broeders rijkdom
+ontvangen!"
+
+"Dat is toch beter dan uw tegenwoordige armoede; op geen andere
+voorwaarden wil ik u helpen. Denk er over en kom over tien dagen terug,
+gereed om met mij naar Reikiavik te rijden. Ik heb gezegd!"
+
+Zoodra Ulf en Thorhall vertrokken waren riep Geirrida om Asdisa,
+en vroeg haar of een der maagden ook geluisterd had.
+
+"Zeker niet. Waarom vraagt gij dat?"
+
+"Omdat die hond vreesde dat hij iemand achter de tapijten hoorde."
+
+"Ik zou kunnen zweren dat geen der andere meisjes de vertrekken
+heeft verlaten...."
+
+"Genoeg, mijn kind! ik ken u. Maar wat is er? Hebt gij mij iets
+te vragen?"
+
+"Mag ik naar mijn moeder gaan; ik verlang zoo naar haar!"
+
+"Wel, ga dan, maar zeg geen woord van Ulf of van wat gij weet van
+zijn plan. Als het slaagt zal het ook goed zijn voor u! Ik geef u
+zeven dagen, dan hebt ge al den tijd om weer tot mij terug te keeren."
+
+Asdisa zadelde een der paarden en 's avonds had zij het huis harer
+moeder bereikt; het lag veertig mijlen van Reikiavik.
+
+Alfrida was Christin en het bedroefde haar dat zij door den nood
+was gedwongen haar dochter bij de rijke tooveres Geirrida te laten;
+toch leerde zij haar dochter de waarheden van het Christendom kennen.
+
+Asdisa was een goed meisje en hoewel zij haar moeder nooit iets
+verhaalde van alles wat bij Geirrida aan huis voorviel, waarschuwde
+zij haar toch, als het welzijn der Christenen bedreigd werd.
+
+"Ach, moeder!" zoo begon Asdisa, "mijn lot is zoo hard. Geirrida
+houdt van mij en ik kan mijn meesteres niet verraden en toch kan ik
+niet waar en oprecht jegens u zijn als ik het niet doe!"
+
+"Eens hebt gij het leven van een braaf man gered. Het was gelukkig
+dat kleine Nils hier was en dat hij naar Reikiavik kon gaan om graaf
+Magni te vertellen, in welk gevaar Tyrker verkeerde."
+
+"Ja, moeder! maar het is zoo slecht om achter de tapijten te sluipen
+en te luisteren."
+
+"De tijd zal spoedig komen dat gij haar kunt verlaten. Gaat het
+geheim, dat gij mij te vertellen hebt, alleen u zelf aan of betreft
+het de Christenen?"
+
+Het meisje vertelde nu, hoe Geirrida de oude wet gevonden had
+betreffende het land en de eigendommen, nagelaten aan zoons van
+personen, die onverzorgde broeders hadden. Haar moeder nam haar hand
+en zeide:
+
+"Graaf Sigvald was de beste van alle menschen. Hij had de rondheid van
+zijn vader, maar verzacht door het Christendom. Ik was een slavin, uw
+vader was een bondsman, doch toen graaf Sigvald hoorde dat wij elkander
+lief hadden, schonk hij ons de vrijheid en gaf ons een gedeelte lands
+in eigendom. Het ging ons goed, doch zeeroovers verbrandden ons huis,
+voerden het vee weg en vermoordden uw vader. Sigvald bouwde toen dit
+huis voor mij en leerde mij op God vertrouwen. Als het in onze macht
+is Sigvald's zoon te helpen, is het onze plicht het te doen. Gij moet
+naar Groendal rijden om Thorfrida te spreken en daarna moet gij zoo
+spoedig mogelijk naar Reikiavik gaan om graaf Magni te waarschuwen
+voor het gevaar, dat Edrik bedreigt."
+
+Den volgenden morgen kwam het meisje te Groendal aan, waar zij hoorde
+dat Edrik den vorigen dag was afgereisd om een bezoek te brengen aan
+koning Olaff Tryggvason in Noorwegen.
+
+"Lieve Asdisa!" zeide Thorfrida "gij zijt wel goed zooveel moeite
+voor ons te doen. Het was Sigvald's liefste wensch dat Edrik de
+erfgenaam zou zijn zijner landen, van deze hal en van gindsche
+wapenrusting. Haast u dus naar graaf Magni, maar neem ter gedachtenis
+van mij dezen gouden armband aan. Ga, mijn hofmeester zal u er heen
+geleiden."
+
+Den volgenden morgen vertrok Asdisa en bereikte spoedig het huis van
+graaf Magni, die haar vriendelijk ontving.
+
+"Ik vrees," zei hij, "dat als Ulf Eirikson zijn zaak voor de Ting gaat
+bepleiten, al de rijkdom, dien Edrik nu bezit, de zijne zal worden,
+ten minste de helft er van. Ulf is een schurk, doch gij zijt een
+braaf en dankbaar meisje en ik laat u niet onder de heidenen terug
+keeren. Ik zal u als mijn dochter aannemen; wacht, ik zal er met mijn
+vrouw over spreken."
+
+Graaf Magni was van edele Noorsche afkomst, en de rijkste man van
+IJsland; ook was hij Opperrechter, wiens oordeel in den tijd, waarvan
+wij spreken, beslissend was.
+
+Hij had intusschen zijn vrouw binnengeleid. Zij keek het meisje
+goedgunstig aan en zeide:
+
+"Wij nemen u als onze dochter aan; uw moeder zal onze zuster
+zijn. Als zij naar Reikiavik wil komen, zullen wij haar huis on land
+schenken. Maar gij moet bij ons wonen, hoewel gij haar natuurlijk
+bezoeken moogt zoo dikwijls gij wilt."
+
+De graaf zond een dienstman rond om al zijn vrienden voor den volgenden
+dag bijeen te roepen. Op het feest nam hij water uit een kom en
+sprenkelde het op Asdisa's hoofd, en hij noemde haar in 't openbaar
+zijn dochter. Hij zond haar vervolgens met een stoet dienaars naar het
+huis harer moeder terug. Deze, die de plannen van graaf Magni begreep,
+vond alles goed, en verheugde zich in de gelukkige vooruitzichten
+van haar kind.
+
+Hoe raasde en tierde Geirrida! Zij riep Thor en Odin en al de goden en
+godinnen te hulp om dit verraad te straffen. "Maar," riep zij woedend
+uit, "zeg Magni dat Edrik een bedelaar is, dat de stad Reikiavik
+binnen drie maanden overstroomd zal worden door een Geijser, die ik
+in haar midden zal doen ontspringen, en het kokende water zal door
+de straten stroomen!"
+
+Geirrida spaarde geen kosten om de grootste rechtskundigen te krijgen,
+niet alleen van het eiland, maar ook uit Noorwegen. Ulf was verbaasd
+over haar mildheid en zeide tot Thorhall:
+
+"Er zijn zeker schatten verborgen te Groendal; zij is dat door tooverij
+te weten gekomen en hoopt er haar aandeel van te ontvangen. Ik zal
+voor de rechters verklaren dat ik haar maar een vierde schuldig ben,
+en lang voordat de tijd der betaling aanbreekt, zal ik haar doen
+veroordeelen wegens tooverij."
+
+Thorhall was somber gestemd. Hem beviel dit leven niet; hij verlangde
+naar een leven van strijd, naar gevaarlijke tochten. Hij wendde zich
+dus af en zeide: "Slim, maar schurkachtig!" en verviel toen weer in
+zijn vorige neerslachtigheid.
+
+Magni zond boodschappers naar Noorwegen om Edrik te halen. Hij kwam,
+vergezeld door Osrik, die een stoet schitterend gekleede bedienden met
+zich bracht, want Osrik was op zijn manier een pronker geworden. Hij
+droeg een zwaard met gouden gevest; zijn schild was blauw en rijk
+verguld, en zelfs de greep van zijn speer schitterde van goud!
+
+Edrik daarentegen droeg een donkerbruin kleed zonder eenig versiersel;
+de banden om zijn beenen waren van de gele kleur van het leder, zonder
+eenige beschildering. Zijn mantel was blauw maar zonder gekleurden
+rand. Toen men hem vroeg, waarom hij zulk een eenvoudige kleeding
+droeg, antwoordde hij: "Mijn oom wil het land nemen dat mijn vader
+bezat; als hij daarin slaagt ben ik arm en ik weet dus niet welk lot
+mij wacht."
+
+Doch Ulf verheugde zich over dat vertoon van armoede; hij dacht dat
+al het geld, dat Edrik met zich mee naar Noorwegen had genomen, was
+opgemaakt en het rechtsgeding dus van zijn kant niet met veel kracht
+gevoerd zou kunnen worden.
+
+De dag was bepaald en daar het een belangrijke zaak gold, was de
+toevloed van volk zeer groot. In het rond was een cirkel gemaakt
+van in den grond gestoken hazeltwijgen, waaraan sneeuwwitte
+koorden waren bevestigd. Op den steen des oordeels zat Magni;
+aan zijne voeten stonden de zetels van hen, die als rechtskundigen
+optraden. Daarop volgde een andere kring van zetels, waar twaalf
+rechters uit elk kwartier van het eiland zaten, die een soort van
+jury vormden. Daarachter zaten weer de getuigen, die daar kwamen om
+onder eede te bevestigen dat, hetgeen gezegd werd door elke partij,
+de waarheid was.
+
+Aan Magni's rechterhand stonden twee zetels, voor Edrik en Thorfrida,
+terwijl aan zijn linkerhand twee dergelijke zetels stonden voor Ulf
+en Thorhall. Daar er onder de getuigen zoowel Christenen als heidenen
+waren, was de priester van Reikiavik zoowel als Helgi Fostigson van
+Helgafels er bij tegenwoordig.
+
+Het pleiten duurde lang. Er werd bewezen dat Ulf een slecht karakter
+had, en er werd aangevoerd dat daar Eirik, de Roode, hem verstooten
+had, dit een bewijs was dat hij niet waard was om te erven.
+
+Hierop werd geantwoord dat in de wet van geen karakter gesproken
+werd. Dat Ulf Eirik's zoon was, werd door niemand betwist; dat hij
+niets bezat maakte dat hij met te meer recht aanspraak op de erfenis
+kon maken.
+
+Rechtsgeleerden uit Noorwegen bespraken de wet, en na vijf dagen lang
+alles aangehoord te hebben, sprak Magni het oordeel uit. De helft van
+wat Edrik bezat, moest hij aan Ulf afstaan, of hij moest het binnen
+drie jaar van hem kunnen terug koopen.
+
+"En het ziet er niet naar uit dat dit ooit gebeuren zal," schimpte Ulf.
+
+"Waar gaat gij heen, mijn jongen?" vroeg Magni aan Edrik, toen het
+rechtsgeding was afgeloopen.
+
+"Ik ga naar huis om het eigendom mijner moeder bijeen te brengen. Gij
+moet zorg voor haar dragen, graaf Magni! want ik ga naar Wijnland
+met Thorward en Freydisa."
+
+
+
+
+
+
+
+X.
+
+
+Thorfinn had besloten nog een tocht te wagen, om te onderzoeken of
+er in New-Foundland ook menschen woonden. Op aandringen van Freydisa
+had Thorward zich bereid verklaard aan den tocht deel te nemen.
+
+Op de openbare vergadering vroeg Thorfinn aan Leif of hij hem de
+hutten verkoopen wilde, die hij twee jaar geleden aan den oever van
+het meer had gebouwd. Leif scheen er eenigszins aan gehecht te zijn,
+doch hij stond Thorfinn en de anderen toe ze te gebruiken om er in
+te overwinteren, op voorwaarde dat zij de mogelijke schade zouden
+herstellen. Leif zelf ging niet mede; zijn vader werd oud en hij vond
+het zijn plicht bij hem te blijven, maar zijn schip wilde hij gaarne
+geven, als hij daarmede de anderen helpen kon.
+
+Dit geschenk werd met vreugde aangenomen. De Sleipner was gereed om
+zee te kiezen; Thorward had een Deensch schip, de Gefion gekocht,
+zoodat er nu drie vaartuigen waren om de Noormannen naar het westen
+over te brengen. De Sleipner was nu het eigendom van Thorfinn en een
+rijk opperhoofd, Thorold Gamlason genaamd, doch nu zij de Rolf-Krake
+ten geschenke kregen, nam Thorfinn het bevel daarvan op zich en
+Thorold over de Sleipner.
+
+De jager Thorhall begaf zich op de Gefion; Edrik en Nils scheepten zich
+in op de Rolf-Krake en zij waren zeer verheugd onder Thorfinn te varen.
+
+Niet alleen namen IJslanders deel aan den tocht, er waren ook
+Noorwegers, Zweden en Denen onder. Onder de eersten bevonden zich twee
+broeders, Helgi en Finnbogi genaamd, die bekend waren als bekwame
+zeelieden en uitmuntende bevelhebbers. Er werd bepaald dat de drie
+schepen naar Markland en Wijnland zouden zeilen, en dan naar IJsland
+zouden terug keeren met den uitslag van hun pogingen.
+
+In 't geheel waren er honderd zestig mannen en vrouwen, overvloedig
+voorzien van vee en levensmiddelen. De Rolf-Krake zeilde het eerst
+uit met Leif aan boord, die naar zijn vader in Groenland terug keerde.
+
+Er gebeurde niets bijzonders op den overtocht. Op de schepen bevonden
+zich vrouwen genoeg, zoodat de krijgslieden goed bediend werden. Elken
+dag werd wijn en mede gedronken, terwijl geregeld bij het middagmaal
+groote stukken gezouten of gerookt beren- of geitenvleesch werden
+voorgediend, evenals in de hal van een rijke op het land.
+
+Er werden geen raven uitgezonden om den afstand van het land te
+bepalen, want Thorfinn was een bekwaam zeeman, en vier dagen na hun
+vertrek wierpen de drie schepen het anker in Eiriks-fjord.
+
+Oude Eirik stond zelf op de kust om naar de naderende schepen te
+kijken. Njord was zoo groot geworden, dat iedereen er verbaasd over
+was, en hij was bijna even beroemd als de oude graaf zelf.
+
+"Njord, mijn jongen!" zei Eirik, "spoedig komt uw rechtmatige meester,
+dan zult gij den ouden man alleen laten en je bij den jongere voegen."
+
+Njord keek Eirik verstandig aan en ging op zijn achterpooten staan,
+en legde zijn voorpooten op Eiriks schouders, die lachend zeide: "Gij
+zijt bijna te verstandig voor een hond. Wat zegt gij er van, Bersison?"
+
+De aldus aangesproken krijgsman antwoordde: "Het is een wonderlijke
+hond; dezen winter heeft hij minstens tien menschenlevens gered!"
+
+Toen men op de Rolf-Krake het zeil streek, was Njord buiten zich zelf
+van blijdschap. Voordat het schip kon landen, sprong hij in het water
+en zwom snel naar dat gedeelte van het schip, waar Edrik stond. Deze
+had zijn speer en werpspiets gegrepen, en stond daar als een toonbeeld
+van een jongen krijgsman.
+
+Thorfinn sloeg den knaap aandachtig gade, om te zien welk gevoelen
+in hem de bovenhand zou krijgen--zijn genegenheid voor den hond
+of zijn gevoel voor krijgstucht. Dit laatste behaalde de overhand,
+en verheugd zeide Thorfinn:
+
+"Werp dien hond een touw toe, Edrik Sigvaldson! Ik zou wel eens willen
+weten of hij weet hoe het te gebruiken."
+
+Met aandacht keken allen naar deze vreemde proefneming, doch Njord
+kon niet goed blijven vasthouden terwijl men hem optrok, en viel in
+het water terug. Edrik dacht aan de haaien. Hij nam zijn werpspiets
+en wierp haar met zooveel kracht, dat zij diep in den stam van een
+boom bleef zitten.
+
+"Halen, Njord!" riep hij toen.
+
+De groote hond keerde zich snel om en zwom naar land, juist bijtijds,
+want men zag de vin van een Groenlandsche haai boven het water
+uitsteken. De hond was gered! Njord greep de speer tusschen zijn
+tanden, maar Edrik had haar met zooveel kracht geworpen, dat de hond
+er niet in slaagde haar er uit te trekken, voordat de krijgers aan
+land waren gestapt. Eirik heette hen welkom in Groenland. Allen gingen
+gezamentlijk naar de hal, waar de tafel gastvrij gedekt werd.
+
+Het belangrijkst onderwerp van gesprek was het rechtsgeding tusschen
+Ulf Eirikson en Edrik. Eirik was buiten zich zelf van woede. "Mijn
+zoon?" riep hij uit, "ik schaam mij dat deze zoon, deze Ulf, mij
+geboren werd. Ik heb hem verstooten en voor altijd onterfd. Wat Ulf
+gedaan heeft, wil ik niet zeggen; het is voldoende als ik u zeg dat
+hij schande en oneer over mijn grijze haren heeft gebracht. Edrik! aan
+u de zorg uws vaders bezittingen terug te krijgen!"
+
+Deze woorden waren juist geschikt om de Noormannen tot in het diepst
+van hun hart te treffen. Zij brachten den nacht aan wal door en des
+morgens namen zij afscheid van Eirik en Leif. Allen gingen aan boord,
+lichtten het anker en vervolgden hun weg naar New-Foundland.
+
+Het eerst zeilden zij langs de kust van Groenland, tot dat zij aan de
+plaats kwamen waar Thorward en zijn vrouw waren gered. Toen zeilden zij
+vier dagen naar het zuiden tot aan de boschrijke kusten van Markland,
+waar zij een beer doodden.
+
+Zij zeilden nu verder naar het zuidwesten, tot dat de kust wat
+aantrekkelijker werd. Een der inhammen zeilden zij in en wierpen het
+anker uit. Thorfinn besliste dat Edrik op ontdekking zou gaan met
+Nils, en dat zij hem berichten moesten, wat voor land het was. Zij
+werden van voedsel voorzien, genoeg voor drie dagen, hetwelk zij in
+twee zakken droegen, om den hals gebonden.
+
+Zoo vertrokken zij. Tegen het eind van den eersten dag riep Nils uit:
+"Kijk eens, Edrik! wat is dat voor gras op die velden daar? Het is
+toch geen koren?"
+
+"Ja, dat is het toch wel," zei Edrik. "Wild koren in grooten
+overvloed. Dat is goed nieuws! Kijk, Nils! daar ginds is een heuvel,
+geheel bedekt met groene planten. Laten wij er heen gaan."
+
+Dit deden zij en binnen korten tijd hadden zij den voet des heuvels
+bereikt en zagen zij dat hij begroeid was met heerlijke druiven.
+
+"Wel, dat is een tweede Wijnland, Nils!" riep Edrik. "Deze druiven
+zijn nog mooier dan de eerste."
+
+"De druiven zijn even als die, welke Tyrker gevonden heeft,
+maar wij zijn hier niet zoo ver zuidelijk, als de tenten van Leif
+liggen. Edrik! ik heb honger, laten wij hier gaan zitten en het brood
+en vleesch opeten, dan smaken de druiven nog eens zoo lekker."
+
+"Dat zou niet verstandig zijn. Wij zullen nu goed eten en wat wij
+overhouden in de hand dragen. De zakken zullen wij vullen met koren
+en druiven."
+
+Zoo deden zij en toen gingen zij op weg naar de zee om weer bij de
+schepen te komen. De regen viel in stroomen; zij konden geen ster
+onderscheiden, en raakten van den rechten weg af. De morgen brak aan,
+maar bracht hun geen uitkomst. Zij wisten niet hoe zij gaan moesten
+en liepen altijd maar recht door, doch toen het weer nacht was kwamen
+zij aan de zee.
+
+Den volgenden morgen riep Edrik:
+
+"Een schip!--een drakenschip!"
+
+Zij maakten een doek aan hun speer vast en wuifden er mee. De teekens
+der knapen werden van het schip beantwoord, en een boot roeide naar
+de plaats waar zij stonden. Drie krachtige mannen zaten aan de riemen
+en spoedig was de boot bij het strand en sprongen de jongens zonder
+een woord te zeggen er in.
+
+"Wat zijt gij voor knapen?" vroeg een der mannen.
+
+"Wij behooren tot de bemanning van de Rolf-Krake onder Thorfinn. Wat
+zijt gij voor mannen?"
+
+"Tostig Arvidson, de graaf, voert het bevel. Vraag het Tostig."
+
+Ziende dat hun vragen toch niets hielp, zwegen de jongens tot zij op
+het dek van het drakenschip voor den eigenaar stonden.
+
+"Welk schip is dit?" vroeg Edrik.
+
+Tostig keek verbaasd op, want hij was niet gewoon ondervraagd te
+worden. Toch antwoordde hij:
+
+"De Volünd.--Wie zijt gij?"
+
+Edrik vertelde hem wie zij waren, en het doel van hun tocht.
+
+"Zijt gij Edrik Sigvaldson, wiens oom Ulf hem de erfenis betwist?"
+
+"Mijn naam is Edrik Sigvaldson en Ulf betwist mijn rechten!"
+
+"Sigvald was mijn vriend; bij mij zijt gij dus veilig. Waar zijn
+de schepen?"
+
+"Zij moeten hier ergens dicht bij zijn op de kust; maar waar, kan ik
+u niet zeggen."
+
+"Breng den jongens voedsel. Wij zullen trachten de schepen te vinden."
+
+Zoodra het anker aan boord was werd het zeil vastgezet; de mannen
+plaatsten zich aan de riemen en het drakenschip bereikte het
+voorgebergte. Daar zagen zij in de baai de drie schepen ten anker
+liggen. Een half uur later was Tostig met zijn twee jonge passagiers op
+het dek van de Rolf-Krake, en ledigde hij den drinkhoorn met Thorfinn,
+Thorward en Thorold Gamlason, om wie Thorfinn gezonden had.
+
+Nu vroeg Thorfinn den dapperen Tostig of hij den weg kende naar de
+legerplaats van Leif.
+
+"Natuurlijk weet ik dien, de plaats ligt wat meer zuidelijk in een
+aangename landstreek. Als gij mij tot metgezel wilt hebben, zal ik
+u daarheen geleiden en naar nog een betere streek."
+
+Na drie dagen bereikten zij de rivier, die Leif was opgezeild, toen
+hij deze kusten het eerst bezocht. Zij vonden het meer en de hutten
+in denzelfden toestand, en besloten hier den winter door te brengen,
+en voorraad te verzamelen.
+
+"Het is hier schoon, maar verder naar het zuiden zijn nog beter
+plaatsen te vinden; doch daar wonen Eskimo's" [3].
+
+"Zijn er veel?"
+
+"Ik geloof het wel, en zij waren zeer woest."
+
+De krachten werden nu verdeeld als volgt: Tostig zou met de Sleipner
+als gids het eerst zeilen, Thorward op de Gefion en Thorfinn op de
+Rolf-Krake bevel voeren, terwijl Thorold Gamlason het bevel over de
+achterblijvenden op zich nam, en de Volünd zou bewaken. Om hem te
+helpen bleef Thorhall, de jager, met een twaalftal mannen achter,
+die de hutten in orde moesten houden. De vrouwen besloten aan den
+tocht deel te nemen en begaven zich dus aan boord.
+
+De wind was gunstig, en binnen drie dagen bereikten zij de landstreek,
+waarvan Tostig gesproken had. Zij brachten het vee, dat zij meegebracht
+hadden, aan land, en daar zij overvloed van koren en druiven en ook
+van visch vonden, besloten zij daar den winter door te brengen. Er
+werden schuren voor het vee gebouwd, benevens winter woningen voor
+de vrouwen; doch er viel geen sneeuw, en het vee kon den geheelen
+nacht buiten blijven.
+
+"Ach vriend," zeide Tostig eens: "ik zou gaarne in deze vreedzame
+streek mijn dagen willen eindigen. Maar kijk eens ginds op het strand,
+Thorfinn! Wat ziet gij daar?"
+
+"Ik zie drie voorwerpen; het lijken zeehonden, die op het strand
+liggen te slapen."
+
+"Het zijn geen zeehonden, het zijn bootjes van zeehondenvel en
+daaronder zijn Eskimo's verborgen. Geen van hen mag ontsnappen."
+
+Er had een kort gevecht plaats; acht Eskimo's werden gedood, maar één
+slaagde er in te ontvluchten. Nauwelijks echter aan boord teruggekeerd,
+zagen zij een groot aantal booten met Eskimo's op hen afkomen, en een
+hagelbui van pijlen viel op het dek. Zij schoten met zooveel juistheid,
+dat vele Scandinaviërs gedood werden, voordat zij de schoten konden
+beantwoorden. Nogmaals schoten de Eskimo's, en verdwenen toen met
+groote snelheid.
+
+Tostig was door een pijl doodelijk getroffen, en sprak Thorfinn
+aldus aan:
+
+"Ik raad u aan alles tot het vertrek gereed te maken. De plaats is
+veel te dicht bij onze nederzetting, en als de Eskimo's terug komen,
+dan zult gij het duur moeten bekoopen. Mij moet gij naar het gindsche
+voorgebergte dragen, waar ik u van sprak, toen ik zeide dat ik daar
+mijn dagen zou willen eindigen."
+
+Zij deden, zooals hij bevolen had, en keerden daarop terug naar de
+plaats, waar de hutten van Leif stonden; allen waren treurig gestemd
+door het verlies van Tostig. Doch toen zij aankwamen zagen zij tot
+hun groote verbazing, dat het achtergebleven schip vertrokken was
+met Thorhall en allen, die het kamp bewaken moesten, aan boord. Van
+hen werd nooit meer iets gehoord. [4]
+
+Op den morgen na de terugkomst van hun kruistocht, zagen zij hoe een
+groot aantal inboorlingen in hun booten de rivier opkwamen. Thorfinn
+zeide:
+
+"Er moet vrede bestaan tusschen hen en ons. Edrik Sigvaldson! ga met
+een wit schild naar hen toe, en toon hun dat wij vrede wenschen."
+
+De knaap was trotsch op zijn zending. Hij vertrok met een schild van
+lindehout, zonder eenig versiersel en wit beschilderd. De Eskimo's
+schenen hem te begrijpen, want tot Edriks blijdschap legden zij
+hun stokken neer en kwamen aan land om naar de Noormannen te
+kijken. Ook dezen namen de Eskimo's op, wier bleeke gezichten,
+hooge wangbeenderen, lang haar, groote oogen en donker voorkomen
+hun verwondering wekten. Thorfinn trad vooruit en sprak hen in de
+Noorsche taal toe, doch geen der inboorlingen scheen te begrijpen,
+wat hij zeide. Zij schudden het hoofd en gaven iets ten antwoord;
+maar natuurlijk begrepen ook de Noormannen daar geen woord van, en zoo
+stonden zij elkaar in verbazing aan te staren. Eindelijk keerden de
+Eskimo's zich om en liepen door elkander naar de booten. Zij roeiden
+zoo snel zij maar konden de rivier af, en waren spoedig achter het
+voorgebergte verdwenen.
+
+Bij het vee bevond zich een groote stier, de lieveling van Edrik,
+en hoewel dit dier woest en onhandelbaar was in vreemde handen, was
+het bij Edrik zoo gedwee als een jonge hond. Bij zijn plichten als
+krijgsman en zeeman, had Edrik ook den plicht van herder te vervullen.
+
+Hoewel de winter niet zoo streng was als die, waaraan de Noormannen
+gewoon waren, was het toch lang geen zomerweder; de nachten waren
+lang en koud, en de tijd viel allen lang, daar zij meer gewoon waren
+aan zeetochten en ondernemingen dan aan verstandelijk werk.
+
+De twee Noorwegers, Helgi en Finnbogi, en ook hun vrouwen wisten in dit
+geval te voorzien. Zij kenden een groot aantal spelen, en voerden ook
+wedloopen in. Al die vreugde was een bron van verdriet voor Freydisa.
+
+"Het zijn Noorweegsche gekken!" zeide zij tot Thorward. "Het is
+voor ons IJslanders beleedigend, dat wij al die dwaasheden moeten
+aanzien. Ik zeg u, zij zijn verwant aan de mannen, die mijn grootmoeder
+vermoord hebben. Gij hebt mij plechtig gezworen dat gij mij wreken
+zoudt!"
+
+"Ik zal ze niet vermoorden, dat zeg ik u," antwoordde Thorward. "Als
+er twist ontstaat is alles goed en wel, doch Thorfinn zou zonder hen
+verloren zijn, en ik ook."
+
+"En gij beloofdet mij wraak...."
+
+
+
+
+
+
+
+XI.
+
+
+De winter ging voorbij. De heerlijke lente was aangebroken en met
+haar kwam een groote menigte Eskimo's.
+
+Wondervolle dingen brachten zij mee. Vellen van eekhorens, en mooie
+grijze pelzen. Zij ruilden die met de Noormannen voor stukken rood
+laken, en een soort van brij met melk, waarvan zij zeer veel hielden.
+
+De voorraad laken was bijna uitgeput, en de Eskimo's drongen steeds
+op meer aan. Thorfinn wist niet hoe hij ze tevreden moest stellen,
+toen plotseling van achter de boomen Edrik's lieveling, de stier,
+op de Eskimo's losrende.
+
+Geen pen is in staat hun schrik en hun wilde vlucht te beschrijven;
+de Noormannen lachten.
+
+"Lach niet te hard!" riep Freydisa. "Heden is er een groot aantal
+Eskimo's op de kust, maar voordat de maand uit is zullen er nog veel
+meer komen om wraak te nemen!"
+
+"Ja," zei Helgi de Noorweger, "Freydisa is een tooverkol!"
+
+"Heksenbloed is kwaad bloed!" antwoordde Finnbogi.
+
+"Hoort gij, hoe men mij beleedigt, Thorward? Zij moeten sterven!"
+
+"Dat moeten wij allen, Freydisa! maar," ging Thorward voort zich
+tot Finnbogi en Helgi wendende, "ik verzoek u mijn vrouw met rust
+te laten."
+
+De beide Noormannen voelden zich gekwetst, en de vriendschap scheen
+voor goed verbroken. Dit beviel Freydisa, want in deze vredebreuk
+voorzag zij dat zij haar zin zou krijgen.
+
+Zoo gingen drie weken voorbij. Op een morgen wandelde Edrik langs de
+rivier, toen hij een groot aantal booten met Eskimo's zag naderen. Hij
+liep zoo gauw hij kon terug om de kolonie te waarschuwen, en spoedig
+waren allen gewapend en gereed tot het gevecht. De Eskimo's begonnen
+zóó te schreeuwen, dat de Noormannen even verschrikt waren als de
+Eskimo's den vorigen keer door het gebrul van den stier. Het was alsof
+het geschreeuw ook van achter de hutten en uit de bosschen kwam; de
+lucht scheen er mee vervuld. Thorfinn's volk dacht dat het omsingeld
+was, en trok zich haastig terug.
+
+Een hagelbui van steenen volgde. De Eskimo's schenen bekwame
+slingeraars te zijn; bijna alle Noormannen werden geraakt. Edrik werd
+door een grooten steen getroffen en neergeworpen; hij stond echter
+spoedig weer op, hoewel hij zich wat duizelig voelde, en bevond dat
+de Noormannen zich terugtrokken. Hij trok zijn zwaard en velde den
+voorsten Eskimo neder, doch toen hoorde hij roepen: "Lafaards! ja,
+nu weet ik het, ik ben de vrouw van Thorward, den onmanlijke! Zie
+een knaap en een zwakke vrouw zullen den vijand tegenhouden!"
+
+Nils voegde zich bij hen. Freydisa greep een zwaard en vloog op de
+Eskimo's los. Hare gebaren brachten zooveel ontsteltenis onder de
+Eskimo's te weeg, dat zij den moed verloren en in verwarring naar
+hun booten terugtrokken, om zich daar tot een tweeden aanval gereed
+te maken.
+
+De Noormannen waren van hun schrik bekomen en vielen den vijand
+met woede aan. Zij richtten een geweldige slachting aan. Het strand
+was als bezaaid met lijken. Slechts de kleinste helft der Eskimo's
+bereikte de booten. Zoo snel zij maar konden roeiden zij door de baai
+en waren spoedig uit het oog verdwenen.
+
+Thorfinn zag duidelijk in dat hij over meer krachten moest kunnen
+beschikken, om zich hier te vestigen. Bovendien hadden er onder zijn
+kleinen troep onophoudelijk twisten plaats. De vrouwen plaagden hun
+"verdedigers" met hun lafhartigheid, zoodat deze boos werden. De
+wraakzuchtige Freydisa vuurde de oneenigheid aan en liet geen
+gelegenheid voorbijgaan om twist te stoken tusschen haar man en
+de Noorwegers.
+
+Ten laatste bracht Freydisa haar echtgenoot zoo ver, dat hij, toen
+het lente werd, de twee Noormannen, die het meest haar haat opgewekt
+hadden, vermoordde. Thorward overviel hen met zijn volgelingen, en
+versloeg hen met hun lieden. Tot die lieden behoorden ook vijf vrouwen,
+de vrouwen van Helgi en Finnbogi en van eenigen van hun gevolg.
+
+Freydisa spoorde de mannen aan ook hen te vermoorden, maar zij wilden
+de vrouwen niet aanraken. "Neen," zeiden zij, "het is eigenlijk toch
+al een moord dat Thorward de mannen heeft gedood, maar vrouwen te
+bevechten, dat is beneden ons!"
+
+Toen zij dit hoorde, sprong Freydisa vooruit, greep een bijl en
+versloeg met eigen hand de vrouwen.
+
+Thorfinn beval allen zich in te schepen, en hij schikte het zoo
+dat Thorward met zijn mannen en Freydisa eigenlijk gevangenen
+waren. Hij nam de jongens bij zich op zijn schip, doch allen waren
+even neerslachtig.
+
+Intusschen kwamen Thorfinn en de knapen veilig te Eiriks-fjord aan,
+van nabij gevolgd door de Sleipner met Freydisa en haar echtgenoot.
+
+Zoodra Leif de treurige geschiedenis hoorde, werden Thorward en zijn
+vrouw gevangen genomen, om naar IJsland, naar Reikiavik gezonden en
+veroordeeld te worden.
+
+De jongens hadden als echte jongens hun droefheid reeds weder
+vergeten. Zij gingen naar den ouden Eirik, die blijde was hen te zien,
+evenals Njord, die allerlei dwaze sprongen maakte. De hond scheen niet
+te weten aan wien zijner twee meesters hij nu eigenlijk behoorde. Hij
+stond stil en bedaard bij ouden Eirik, maar met de jongens was hij
+heel anders; dan was hij zoo speelsch en dartel als een jonge kat.
+
+De oude Eirik hoorde zijn kleinzoon gaarne vertellen van de Eskimo's
+en hoe zij vochten met slingers en steenen, maar het wekte zijn toorn
+op toen Edrik vertelde hoe de Noormannen vluchtten; doch hij tikte zijn
+kleinzoon op het hoofd en zeide: "Maar gij hieldt stand, mijn jongen!"
+
+"Neen, Eirik Thorwaldson! Ik werd ter aarde geworpen."
+
+"Dat is niets; de steen trof uw voorhoofd, niet, zooals bij de anderen,
+den rug." En de oude krijger vervolgde: "Nu is er nog een ander punt,
+Edrik! Ik ben een rijk man. Uw oom Leif erft al mijn bezittingen op
+Groenland, doch ik zal u zooveel nalaten, dat gij de helft, die Ulf
+u ontnomen heeft, kunt terug koopen."
+
+"Wilt gij mij een verzoek toestaan, grootvader?"
+
+"Wat is het?"
+
+"Zeg nog geen woord aan anderen van alles wat gij mij daar verteld
+hebt. Ik heb een plan gemaakt en als dat gelukt, zal ik mijn land
+hebben tot zulk een prijs, als waarvoor nog nooit land verkocht is."
+
+Nu vertelde Edrik den ouden Eirik wat hij voornemens was te doen. Deze
+lachte. "Gij zijt een slimme knaap!" riep hij verheugd.
+
+Thorfinn besloot zijn lading in Noorwegen van de hand te doen,
+waar handelaars van alle volken gewoon waren bijeen te komen. Op
+Leif's bevel werd de Sleipner naar Reikiavik gezonden met Thorward
+en zijn vrouw en met twintig mannen van Eiriks troep. Thorfinn met de
+Rolf-Krake en de Seluna, een schip, dat voor Leif gebouwd was, kregen
+bevel het konvooi te geleiden, zoodat ontvluchten onmogelijk was.
+
+De drie schepen vertrokken met een gunstigen wind uit
+Eiriks-fjord. Oude Eirik stond, op Leifs arm leunende; de vertrekkenden
+na te staren. Zoodra de toppen der masten aan den horizon verdwenen
+waren, keerde hij zich om en zeide: "Ik zou wel eens willen weten of
+ik dien knaap nog terug zal zien. Hij is een flinke borst. Hij heeft
+veel van zijn vader! Als hij opgroeit, zal IJsland in hem een hoofd
+vinden, dat de groote vergadering zal kunnen leiden, want een edele
+van geest zal zich altijd doen eerbiedigen; de zwakke wordt veracht!"
+
+Toen de schepen te Reikiavik aankwamen, werden eerst boodschappers
+uitgezonden om de hoofden bijeen te roepen, ten einde Freydisa's
+misdaad te bespreken, en uit te maken in hoeverre haar echtgenoot
+schuldig was. Magni was verheugd dat hij Edrik terug zag, en
+Thorfrida's vreugde was onuitsprekelijk. Haar zoon was groot en
+sterk geworden en had zich bij alle gelegenheden dapper en braaf
+gedragen. Het huis, waarin zij woonde, stond niet ver van dat, hetwelk
+aan Magni behoorde, en het was ruim genoeg, zoodat haar zoon daar
+ook een tehuis kon vinden.
+
+"Nu, Edrik! zeg mij eens, zoudt gij liever in Wijnland wonen dan hier
+in 't koude Noorden?"
+
+"Moeder, mijn tehuis is bij u! Wat zegt het spreekwoord: "Iemands eigen
+huis is zijn beste huis, hoe klein het ook zij!" Ik moet echter eerst
+naar Noorwegen, en gij moet mij zeggen hoe ik daar iemand kan vinden,
+om mij de Scandinavische wetten te leeren kennen."
+
+"Wilt gij dan rechtsgeleerde worden?"
+
+"Neen, moeder! ik ben en blijf zeeman!--Ook moet ik kleeren hebben,
+nog eenvoudiger dan die, welke ik nu draag: kruisbanden van gewoon
+leer om mijn beenen, een blauw laken muts en een lederen gordel om
+mijn zwaard in te hangen."
+
+"Ik hoop dat onder dat alles geen valschheid verborgen is? Spreek,
+mijn zoon! wat is er?"
+
+"Moeder! Eirik heeft mij verteld dat Ulf zulk een schurk is, dat
+hij hem niet meer onder zijn bloedverwanten telt, en hij heeft mij
+opgedragen het land mijns vaders terug te koopen. Als ik nu gekleed
+ga als een rijke graaf, zal Ulf veel meer van mij vragen, dan als ik
+mij arm voordoe."
+
+"Is dit nu de reden waarom gij niet gekleed gaat zooals het den zoon
+van Sigvald betaamt?"
+
+"Ja moeder, dat is de eenige reden."
+
+"Edrik! dat moogt gij niet doen; dat is bedriegerij!" zeide Thorfrida
+bedroefd.
+
+Edrik was als versteend van verbazing, maar zag toch dadelijk de
+waarheid in van hetgeen zijn brave moeder zeide.
+
+"Ik zal aan boord gaan en andere kleeren aantrekken, lieve moeder! Het
+was niet goed, het was slecht en verkeerd van mij," antwoordde hij
+onthutst.
+
+"Ga, mijn jongen! en kom tot mij terug in een kleeding, die den zoon
+uws vaders past; dat zijt ge aan zijn nagedachtenis verplicht."
+
+Edrik verliet haar en ging haastig naar zijn schip, toen hij Ulf
+tegenkwam, die naar Reikiavik was gekomen. Deze keek Edrik strak aan,
+die hem zijn blik met woeker terug gaf.
+
+"Wel, wie zijt gij?" riep Ulf. "Een bedelaarsjongen?"
+
+"Mijn naam is Edrik Sigvaldson!" antwoordde deze trotsch. "Ik kwam aan
+land om mijn moeder te bezoeken, en trok deze armoedige kleeren aan
+voor een zeker doel. Ik keer echter terug om anderen aan te trekken."
+
+"Grootspreker! ik zou er wel mijn heele bezitting onder durven
+verwedden, dat die kleeren de beste zijn, die gij bezit!"
+
+Edrik voelde zijn bloed koken. Hij lichtte zijn speer op, die hij als
+man van rang steeds bij zich droeg; doch hij liet haar weer zakken. Was
+Ulf niet de broeder zijns vaders? Met neergeslagen blik wandelde hij
+naar de plaats, waar de Rolf-Krake lag en ging aan boord. Spoedig
+keerde hij terug, gekleed in een blauw opperkleed met goud geboord,
+lange roode beenbekleedsels van het fijnste laken, en kruisbanden van
+verguld leder; zijn zwaard droeg hij in een rijk met juweelen bezetten
+gordel. Over zijn schouders hing een blauwe mantel met goud afgezet
+en in zijn linkerhand droeg hij het ronde Scandinavische schild. Zijn
+muts was evenals die, welke de opperhoofden in de Schotsche Hooglanden
+nu nog dragen.
+
+Zijn moeder stond hem aan de deur harer woning af te wachten. Zij had
+zijn ontmoeting met Ulf gezien, maar het gesprek niet kunnen hooren.
+
+"Zoo moet de zoon van Sigvald gekleed gaan," zeide zij met trots. "Wat
+zeide graaf Ulf?"
+
+Edrik vertelde zijn moeder wat Ulf gezegd had.
+
+"Gij ziet dat ik gelijk had, Edrik! Dat kleed bracht u schande aan. Kom
+in huis, mijn zoon! graaf Magni met zijn vrouw zullen heden bij ons
+eten; vraag ook Thorfinn en zijn vrouw!"
+
+"Dat zal ik doen en ook Nils meebrengen," antwoordde Edrik vroolijk.
+
+Op de daïs was plaats voor al de gasten en gulle vriendschap zat
+voor bij den disch. Thorfrida smaakte het genot, dat haar zoon door
+Thorfinn geprezen werd. Deze nam een band van zijn arm, en schonk dien
+den knaap en gaf een tweeden aan Nils. Hij sprak tot hen woorden van
+aanmoediging en lof.
+
+Toen zeide Thorfrida: "Vrienden en hoofden! ik heb ook een geschenk
+voor mijn zoon. Het is heden de dag, waarop hij zestien winters
+geleden, het eerste levenslicht aanschouwde. Gij zegt mij dat hij
+zich een moedig zeeman heeft getoond. Hij is in den strijd beproefd
+en heeft zich gedragen, zooals Sigvald gewenscht zou hebben dat zijn
+zoon zich gedroeg. Ik geloof dat het nu de tijd is, dat hij het zwaard
+zijns vaders kan dragen. Edrik Sigvaldson! hierbij geef ik u het zwaard
+uws vaders, een wapen dat altijd het eerst schitterde in het gevecht
+en denzelfden glans heeft als de ziel van zijn eigenaar, helder en
+rein. Zorg, dat in uw bezit zijn glans nooit verduisterd wordt!"
+
+Edrik kon niet spreken, maar stond op, knielde naast den stoel zijner
+moeder en kuste haar de hand. Hij haalde het zwaard uit de schede,
+doch zijn vreugde was te groot om ze te kunnen uiten.
+
+"Het zwaard is de vreugde van den krijgsman," zoo nam graaf Magni het
+woord. "Ieder strijder, die zijn naam waard is, heeft zijn zwaard lief,
+maar denk er aan, Edrik! dat wij, Christenen, nooit met moedwil of
+voor ons genoegen het bloed mogen vergieten van God's schepselen. Het
+zwaard is het zinnebeeld der waarheid; van de waarheid, die strijdt,
+en altijd overwint!"
+
+Nu nam Thorfinn het woord: "Ik heb Sigvald gekend," zeide bij, "en ik
+ken Edrik Sigvaldson, en ik zeg dat hij waardig is het zwaard zijns
+vaders te dragen!"
+
+Het feest duurde lang en het was een dag, dien Edrik nooit in zijn
+leven vergat.
+
+
+
+
+
+
+
+XII.
+
+
+De voornaamste hoofden van het eiland waren bijeengeroepen voor de
+Ting waar belangrijke zaken altijd beslist moesten worden.
+
+De rechters waren reeds vroeg bijeen; de beschuldigden--Freydisa en
+haar echtgenoot--hadden hun zitplaatsen vóór den Steen des oordeels,
+binnen den middelsten kring. Haco Oloffson, een beroemd Noorweegsch
+rechtsgeleerde, was opzettelijk overgekomen om de vervolging te leiden,
+daar de vermoorde lieden Noorwegers waren. Niemand kon de ongelukkige
+vrouw verdedigen, en het eenige dat haar advocaat ten haren gunste
+kon aanvoeren, namelijk dat zij Christinne was, getuigde nog tegen
+haar. "Want," zeide Magni, de opperrechter, "het Christendom mag
+niet gebruikt worden als dekkleed voor een misdaad, waarmede geen der
+heidenen op het eiland zijn geweten zou hebben willen bezwaren. Haar
+vonnis had eigenlijk een wreede marteldood moeten zijn, maar als
+een christelijk rechter ben ik er tegen. Toch, zij is dood voor ons;
+zij is niet meer geschikt met onze vrouwen te verkeeren. Haar vonnis
+zij verbanning. Zij zal wonen daar, waar haar grootmoeder, de heks,
+eens gewoond heeft. Twee slaven zullen haar bedienen, maar zij mag
+nooit de grenzen van dit kleine landgoed overschrijden. Mocht zij
+het wagen zich buiten de aangewezen grenzen te begeven, dan zal zij
+levend in den krater van de Hekla geworpen worden!"
+
+Nu volgde het rechtsgeding tegen Thorward, die bekende dat hij de
+twee Noorwegers met hun gevolg gedood had.
+
+"Waart gij daartoe niet verleid door den raad van uw vrouw?"
+
+"Ik ben hier om te bekennen of ik Helgi en Finnbogi verslagen heb of
+niet. De vraag is niet, waarom ik ze vermoord heb, maar of ik het
+gedaan heb. Ik beken dat ik het gedaan heb, en daarmee is de zaak,
+geloof ik, afgedaan!"
+
+De vraag of Thorward schuldig was of niet, was opgelost door zijn
+bekentenis. Maar zijn straf? Dit was een zaak van ernstige overweging,
+en men was het niet spoedig over het vonnis eens. Hij had onder den
+invloed van Freydisa gehandeld en was niet zoo strafbaar als wanneer
+hij het gedaan had om zijn eigen wraakzucht te voldoen. Ook had Edrik
+aangetoond, hoe hij geweigerd had de vrouwen te verslaan.
+
+"Daarom beslissen wij," zei Magni, "dat Thorward de gewone boete zal
+betalen, voor manslag bepaald. Daarbij wordt hij uit de Scandinavische
+landen verbannen; doch hij kan zeilen naar het land, dat hij verkiest."
+
+Dit vonnis werd toegejuicht en toen werd de zaak behandeld tusschen
+Edrik Sigvaldson en Ulf Eirikson, die de landen bezat welke vroeger
+aan Sigvald Eirikson, Ulfs broeder hadden toebehoord. Ulf vroeg verlof
+zich te mogen verdedigen, hetgeen hem dadelijk werd toegestaan.
+
+"Graaf Magni! hoofdlieden, krijgers, kooplieden, en vrienden! Ik
+sta hier voor u in de Ting, beschuldigd dat ik Edrik zijn vaderlijk
+erfdeel heb ontstolen, terwijl ik slechts heb genomen wat mij toekwam,
+namelijk de helft van wat zijn vader naliet. Mijn vader weigerde mij
+wat mij toekwam, evengoed als aan mijn broeders. Ik kan aanspraak
+maken op de helft van mijns broeders land, en dat heb ik gedaan--de
+andere helft is voor Edrik!"
+
+"Hij mag die helft terugkoopen!" zeide Magni.
+
+"Ik heb mijn neef als bedelaar gekleed gezien met het voornemen door
+den een of anderen streek in 't geheel niet te betalen!"
+
+"Hoe?" riep graaf Magni uit, "was hij voornemens u te bedriegen?"
+
+"Ja, dat is zoo. Vraag het hem maar!"
+
+"Ja, het is waar!" zeide Edrik. "Ik trok een eenvoudige kleeding aan
+om te bedriegen, en ik schaam mij daarover diep!"
+
+In de vergadering werd een gemompel gehoord en allen keken Edrik met
+ongeveinsde verbazing aan.
+
+Op triomfeerenden toon ging Ulf voort: "Sprak ik de waarheid niet? Nu
+krijgt hij geen land van mij op crediet, al heeft hij nog zoo'n
+mooi met goud geboord kleed aan. De bedelaar bezit geen mark goud,
+hoeveel minder tweehonderd!"
+
+"Zoudt gij dan het land aan Edrik willen verkoopen voor die som?"
+
+"Ja, maar niet op crediet."
+
+"Wat zegt gij er van, Edrik Sigvaldson? Wilt gij Ulf Eirikson
+tweehonderd mark betalen om het land uws vaders terug te krijgen?"
+
+"Ja, dat wil ik!"
+
+"Wanneer wilt gij die tweehonderd mark voldoen?"
+
+"Morgen, als Ulf het verlangt. Maar is dit aanbod verbindend? Morgen,
+kan hij meer vragen."
+
+"Dat kan hij niet. Een bod, dat voor de Ting gedaan wordt, is
+verbindend."
+
+Ulf zag nu, dat Edrik het ernstig meende.
+
+"O!" riep hij uit, "wat ben ik toch dom geweest! Maar gij zult toch
+allen wel inzien dat ik het aanbod slechts gedaan heb om u te toonen,
+dat hij die som niet eens hebben kon. Gij weet toch wel dat de helft
+van Sigvalds landen minstens duizend mark waard is?"
+
+De vergadering wilde er echter niets van hooren. Ulf was woedend;
+hij hield vol dat hij bedrogen was, dat hij daardoor een verkeerde
+meening had opgevat van het vermogen van zijn neef, en dat dit invloed
+had gehad op zijn aanbod.
+
+Edrik vroeg verlof een paar woorden te zeggen, en dit werd
+hem toegestaan. "Dat de vergadering mij het land toewijst voor
+tweehonderd mark, is mij zeer aangenaam, vooral, als ik er aan denk,
+hoe ik het bijna verloren had. Doch ik ben Edrik Sigvaldson! en ik
+mag den naam mijns vaders niet bevlekken met iets, dat ook maar naar
+laagheid zweemt. Daarom verzoek ik de vergadering mij toe te staan,
+Ulf duizend mark te betalen, en hem een gedeelte land af te staan,
+dat mij toebehoort te Langa Ness."
+
+Nu nam echter Magni het woord, "Ulf," zeide hij, "er zijn twee
+punten in deze wet, die tegen uw zaak zijn; ten eerste dat hij,
+die aanspraak maakt op de erfenis, dit doet na zijns vaders dood. Nu
+leeft Eirik Thorwaldson nog en dit punt is dus stellig niet ten gunste
+van Ulf Eirikson. Ten tweede veronderstelt de wet dat den zoon op
+onrechtvaardige wijze zijn land onthouden wordt. Op dit punt is de
+wet evenzeer niet op Ulf Eirikson van toepassing, want Ulf, gij zijt
+niet waardig het land te bezitten van Sigvald Eirikson! Daarom moet
+het vonnis van de Ting zijn, dat gij geen recht hebt op Edriks land,
+en het dus niet moogt verkoopen. Dat Edrik Sigvaldson u een stuk
+land beloofd heeft, hebben wij allen gehoord, en hij zal zijn belofte
+houden; maar hij mag u geen geld betalen!"
+
+Al de aanwezigen juichten hem toe, en de zwaarden werden tegen de
+schilden geslagen. Aldus werd besloten dat Ulf het land aan Edrik moest
+teruggeven zonder andere vergoeding dan het stuk land te Langa Ness.
+
+Edriks moeder zou dus weer in haar geliefd huis te Groendal gaan wonen,
+terwijl hij naar Noorwegen zou oversteken om te zien, hoe groot zijn
+aandeel was in de lading, die uit Wijnland was meegebracht.
+
+Onder de volgelingen van Thorfinn bevond zich een krijgsman, die zich
+door kalmte, bekwaamheid en oordeel onderscheiden had. Hij was een
+Christen, maar toch was nog veel van het vroeger geleerde bij hem
+blijven hangen. Hij geloofde nog steeds aan tooverij, en dit geloof
+was onder de nieuw bekeerden algemeener dan men wel denken zou. Hij
+heette Oleg, de Zwarte, en van hem hoorde Thorfinn de voorspelling
+van Geirrida, dat hij, die door een beer was verzorgd, door een wolf
+verraden en ten val gebracht zou worden.
+
+Thorfinn vertelde dit aan graaf Magni in tegenwoordigheid van diens
+vrouw en Asdisa. Deze zeide dadelijk: "Ik geloof dat ik de beteekenis
+weet. Ik ben zoo lang bij haar geweest, dat ik wel begrijp wat haar
+geheimzinnige woorden beteekenen. De jongeling, die eerst door een
+beer verzorgd werd, is Edrik Sigvaldson, die met Byarn, den beer,
+naar zee is geweest, en zich nu in groot gevaar bevindt, dat hem
+dreigt van den kant van een man, Ulf (Wolf) genaamd, die geen steen
+op elkander wil laten om wraak te nemen op den zoon zijns broeders."
+
+Thorfinn lachte. "Gij zijt zelf bijna een tooverheks, Asdisa! Het was
+dom van mij de verborgen meening der namen niet te begrijpen. Neem
+dezen gouden armband van mij aan; want ik ben u dankbaar."
+
+Thorfinn vertrok met Edrik naar Dronthjem (Drontheim) de hoofdstad van
+Noorwegen, toen een bloeiende handelstad, waar kooplieden uit Bremen,
+uit Londen en Parijs elkander verdrongen.
+
+De begroeting tusschen Thorfinn en den koning was zeer hartelijk;
+Olaf was vriendelijk tegen allen, behalve tegen Edrik. Thorfinn en
+de overigen werden door Olaf ten eten genoodigd, maar Edrik was niet
+in de uitnoodiging begrepen.
+
+Verdrietig en teleurgesteld verliet hij de hal, ging naar de
+aanlegplaats en roeide naar de Rolf-Krake. Hij zocht zijn troost bij
+Njord, die een volwassen hond was geworden.
+
+Er heerschte groote drukte aan land toen het bekend werd, dat
+deze twee schepen bevracht waren met waren uit onbekende westelijke
+landen. Langs het gedeelte der kust, waar de Rolf-Krake en de Sleipner
+geankerd lagen, was een wacht geplaatst, om te zorgen dat niemand met
+oneerlijke bedoelingen aan boord kon gaan, terwijl de eigenaars feest
+vierden in Olaf's hal. Bovendien waren op elk schip twee krijgslieden
+achtergebleven, om te beletten dat vreemden aan boord kwamen.
+
+"Als gij hier in mijn plaats blijft, ga ik aan land!" zoo sprak een
+der wachters Edrik aan.
+
+"Ga, Oleg! en als gij soms mijn vriend Nils mocht ontmoeten, zeg hem
+dan, dat ik hem hier wacht."
+
+"Ik zal het zeggen als ik hem zie; doch je weet dat niemand na het
+ondergaan der zon de kust mag verlaten. Neem uw strijdbijl, en kijk
+goed uit vriend, tot Anders Andersson wakker wordt."
+
+De tweede wachter werd door het geplas der riemen wakker. "Dat is
+een mooi ding!" riep hij uit, "daar gaat hij, en laat mij alleen!"
+
+"Ik ben aan boord, Anders! Slaap gerust door, ik zal waken,"
+antwoordde Edrik.
+
+"Ik ben niet slaperig, Edrik Sigvaldson! het is mijn beurt om te
+waken."
+
+De krijgsman ging gerustgesteld naar voren, en viel toch in
+slaap. Edrik speelde wat met Njord, doch door de stilte rondom hem
+vielen ook hem de oogen toe.
+
+Op den afstand van een kabellengte lag een klein vaartuig. Oleg en
+Anders hadden het reeds lang in het oog gehad. Daar vertrok een bootje
+van de landingsplaats. Moet de roeier naar de Rolf-Krake? Het kan zijn,
+want een touw hangt van het boord en hij maakt zijn bootje er aan vast,
+en klimt als een kat aan boord.
+
+Wat houdt die man tusschen zijn tanden, terwijl hij aan boord
+klimt? Het is een dolk! Reeds houdt hij hem omhoog om hem den slapenden
+Edrik in het hart te stooten, als plotseling een groote hond opspringt
+van de zijde van den slaper. Een korte worsteling volgt, en hond en
+moordenaar storten in het water. Andersson vliegt op en ziet hoe de
+hond een man boven water houdt.
+
+Ook Edrik was ontwaakt en samen trokken zij den onverwachten bezoeker
+aan boord, doch om den hond een touw om het lichaam te binden was
+Edrik genoodzaakt te water te gaan. Weldra was hij echter weder op
+het dek, en daar lag zijn onbekende vijand voorover, terwijl Njord
+hem met den poot onderhield.
+
+"Een schurkachtige aanslag!" zei Anders.
+
+"Ik begrijp er niets van," antwoordde Edrik; "ook koning Olaf was
+zoo knorrig als een gewonde beer."
+
+Intusschen bekeek hij zijn gevangene nauwkeuriger, en riep uit: "Gij
+hier, Ulf Eirikson? Wildet gij mij het leven benemen? Dat is laag! Ik
+wilde wel, dat het iemand anders was, want wat moet ik nu met u doen?"
+
+"Laat mij hem den schedel kloven!" zei Anders.
+
+"Neen, Anders! dat gaat niet. Hij is de broeder mijns vaders!"
+
+"Laat hij dan maar weer in zijn boot gaan, dan kan hij wegroeien."
+
+"Ja, zoo zal het zijn. Ga, Ulf Eirikson! ik schenk u het leven!"
+
+Haastig klom Ulf over boord, en Edrik en Anders zagen hoe hij naar
+het vreemde vaartuig roeide.
+
+Na een oogenblik stilte zeide Edrik:
+
+"Anders! beloof mij één ding; vertel nooit iets van dezen aanslag aan
+wien ook. Wij moeten onze vijanden vergeven, leert het Christendom."
+
+"Juist! Maar hij is mijn vijand niet, en daarom zal ik spreken."
+
+Den volgenden dag kwam Thorfinn aan boord om de lading te
+lossen. Zoodra hij Edrik zag, zeide hij:
+
+"Wat hebt gij jegens koning Olaf misdreven? Hij is gewoonlijk
+vriendelijk en openhartig; zeg mij toch wat gij gedaan hebt."
+
+"Ik heb niets gedaan," antwoordde Edrik. "Als Olaf iets kwaads van
+mij denkt, vergist hij zich. Doch ik zal mij troosten; ik heb mij de
+liefde verworven van mannen, beter dan hij is!"
+
+"Wie is beter dan ik ben?" riep eensklaps een man van een eenigszins
+zonderling voorkomen. Zijn haar was lang en geel van kleur, met hier
+en daar een gouden schittering, welke het zeer mooi maakte. Hij
+droeg een blauwe muts met gouden rand, doch zijn armen waren niet
+versierd met gouden armbanden, die den trots uitmaakten der Noorsche
+krijgers. Ongemerkt was hij bij al de drukte aan boord gekomen,
+en had zoo alles gehoord.
+
+"Wie is beter dan ik?" vroeg hij nogmaals.
+
+"Ik wist niet dat gij hier waart, koning Olaf!" antwoordde Edrik,
+"doch ik zal u zeggen wie ik bedoel. Gissur en ook Yalto, die zooveel
+hebben gedaan om de heidenen tot het Christendom te bekeeren."
+
+"En ik dan?"
+
+"Gij hebt het gedaan door het zwaard, en zij door liefde!"
+
+"Bij alle heiligen! gij spreekt waarheid. Zijt gij Christen?"
+
+"Ja, en ik ben dankbaar dat ik het kan bevestigen."
+
+"Gij spreekt stout, knaap!"
+
+"Dat weet ik, koning Olaf! Mijn Christendom is mij meer waard dan al
+mijn bezittingen."
+
+"Wie heeft u zoo leeren spreken?"
+
+"Gissur, en mijn lieve moeder!"
+
+"Gij zijt een eerlijke knaap, en het spijt mij dat ik aan de
+inblazingen van sommigen heb gehoor gegeven. Volg mij, gij zult heden
+mijn gast zijn!"
+
+Nauwelijks echter zaten zij in de boot, of Njord sprong te water,
+om zijn jongen meester te volgen. Olaf was verwonderd over de
+gemakkelijkheid waarmede het reusachtige dier zich in het water bewoog.
+
+"Wat een vreemd dier! Is het uw hond, Edrik?" vroeg hij.
+
+"Ik heb hem van New-Foundland meegebracht, koning Olaf!"
+
+"Verkoop hem mij!"
+
+"Dat mag ik niet, want hij behoort Eirik, den Rooden, mijn grootvader."
+
+"Die nog altijd op IJsland woont? Nu, dan zullen wij er wel eens
+nader over spreken!"
+
+Ook Thorfinn en zijn krijgslieden kwamen het middagmaal gebruiken
+in de gastvrije hal van den koning. Edrik sneed zijn vleesch, naar
+de gewoonte dier tijden, met den dolk, welken hij in den gordel
+droeg. Nauwelijks had de koning hem gezien, of hij riep uit:
+
+"Bij alle heiligen! wie gaf u mijn dolk, vriend Edrik?"
+
+Edrik kreeg een kleur, want hij herinnerde zich dat het de dolk was,
+waarmede Ulf hem had willen vermoorden. Verlegen antwoordde hij:
+
+"Hij werd mijn eigendom door het recht van verovering, doch als gij
+hem opeischt, hier is hij, koning!"
+
+"Dat is geen antwoord op mijn vraag, Edrik? Hoe komt gij aan dit
+wapen? Moogt gij het mij niet zeggen? Is hier geen krijgsman, die
+mij inlichtingen kan geven?"
+
+Nu stond Anders Andersson op en sprak:
+
+"Het is de dolk, waarmede zijn oom Ulf hem wilde vermoorden. Als de
+hond hem niet had gered, dan was Edrik Sigvaldson nu een lijk!"
+
+"Goed, nu begrijp ik, waarom Edrik zweeg, en zijn hond niet wil
+verkoopen.--Krijgslieden! ledigt met mij een vollen hoorn op het
+welzijn van graaf Edrik Sigvaldson! Hij zal naast mij strijden tegen
+koning Knut van Denemarken."
+
+Van alle kanten klonken toejuichingen, doch Edrik sprak:
+
+"Nu kan ik niet met u trekken, koning Olaf! Ik heb beloofd naar mijn
+moeder terug te keeren, om als een goed zoon haar levensdagen te
+veraangenamen. Bovendien rust op mij de heilige plicht den ouden Eirik
+van Groenland te halen, en zoo mogelijk een Christen van hem te maken!"
+
+"Geef mij de hand, Edrik! Laten wij vrienden blijven en... Ha! wie
+durft ons feest verstoren?"
+
+Een renbode trad haastig binnen en meldde den koning, dat Knut van
+Denemarken een machtige vloot had verzameld, en dat hij van plan was
+Noorwegen en Engeland te veroveren, om zoo een groot rijk te stichten.
+
+"Koning Knut zal mij gereed vinden hem te ontvangen. Neem plaats aan
+onzen disch, krijgsman! en deel in onze feestvreugde!"
+
+Zoo duurde het feest tot den avond, waarna de gasten vertrokken. De
+maan scheen helder. Edrik beklom een rots en tuurde over de
+wijde zee in de richting van IJsland, waar zijn lieve moeder hem
+wachtte. Plotseling gevoelde hij een geweldigen stoot, en stortte van
+een hoogte van meer dan honderd voet in zee, welke daar gelukkig zeer
+diep was....
+
+Toen hij weer tot bewustzijn kwam, lag hij op een bos stroo in de
+hut eens visschers, en naast hem zat zijn trouwe Njord. De visscher
+vertelde hem, dat hij, eenige dagen geleden, met zijn boot op zee
+zijnde, een grooten, zwarten kop boven water had gezien. In de hoop
+een zeehond te verrassen, was hij zachtjes genaderd, doch tot zijn
+verwondering had hij bemerkt, dat het een hond was, die een mensch
+boven water hield. Met moeite had hij den drenkeling en den vermoeiden
+hond binnen boord gehaald, en vervolgens naar zijn hut gebracht.
+
+Wat waren koning Olaf en Thorfinn en alle anderen ongerust over het
+verdwijnen van Edrik, te meer daar ook Ulf met zijn schip verdwenen
+was. Dagen verliepen, totdat eindelijk Tostig, 's konings jager, bij
+toeval de hut van den visscher binnentrad, en daar Edrik en Njord vond.
+
+Bij de trouwe zorg van zijn vrienden, herstelde de geredde vrij spoedig
+en Njord werd de held van den dag. Koning Olaf was woedend. "Dat is
+het werk van den snooden Ulf!" riep hij uit. "Ga, Hjalman! vergezel
+mijn vriend Thorfinn met uw schip naar IJsland, en breng mij den
+lafaard levend of dood!"
+
+De schepen waren gereed uit te zeilen. De lading was tegen een
+ongehoord hoogen prijs verkocht, en koning Olaf nam van allen een
+hartelijk afscheid. Nils bleef echter in zijn bijzonderen dienst.
+
+De wind was gunstig en na acht dagen bereikten onze reizigers in
+welstand Reikiavik.
+
+De vreugde was algemeen, te meer daar Ulf reeds vijf dagen te voren
+was aangekomen en de tijding had gebracht van Edrik's dood. Hij
+maakte nu aanspraak op de bezittingen van Sigvald, doch Magni had
+de zaak wijselijk uitgesteld tot de schepen uit Noorwegen zouden
+zijn teruggekomen.
+
+Drie dagen later was de Ting bijeen, waar Ulf gedaagd was om tegenover
+Edrik gehoord te worden. Het weder was stormachtig en een dof,
+onderaardsch gerommel deed den grond schudden. Boven de Hekla hing
+een donkere wolk, soms helder gekleurd door den weerschijn van het
+vuur. De vulkaan was weder in werking.
+
+Toch waren allen, aan hun plicht getrouw, opgekomen. Ulf echter was
+niet verschenen en men kon hem nergens vinden. De zaak ging natuurlijk
+door, en Ulf werd veroordeeld aan Hjalman uitgeleverd te worden,
+die hem naar koning Olaf zou brengen.
+
+Sommige edelen moesten den kant van den vuurspuwenden berg
+uit. Gelukkig werd de wind zuidwest, zoodat zij geen last van
+den rook hadden. Na twee dagen bereikten zij het huis van Unna,
+de tooverkol, waar nu haar kleindochter Freydisa woonde. De woning
+had veel van de uitbarsting geleden, en was gedeeltelijk door lava
+en asch overdekt. Bekommerd over het lot der bewoonster, waagden
+de mannen het er binnen te dringen, doch stonden roerloos bij het
+verschrikkelijk schouwspel, dat hun oog trof.
+
+Een der muren was bij den aandrang der lava bezweken, en de stroom
+had zich een weg door de vertrekken gebaand. Bij de deur lag het half
+verkoolde lijk van Ulf, en een weinig verder de lijken van Geirrida
+en Freydisa....
+
+
+
+Maar laat ons dit vreeselijk tooneel verlaten en naar Groenland
+oversteken. De winter is sinds voorbijgegaan en het is lente geworden.
+
+Bij Eiriks-fjord staat een slank jongeling, en op zijn arm steunt een
+oud man, wiens lange gestalte aantoont dat hij eenmaal een geducht
+krijger was.
+
+"Ja, breng mij naar IJsland, naar Groendal, Edrik! Ik verlang uw
+moeder weder te zien, vóór dat ik met mijn paard en wapenrusting
+rusten zal in den groenen graf heuvel bij de zee!"
+
+"Spreek zoo niet, Eirik Thornwaldson! uw lichaam is nog sterk, en vóór
+dien tijd zullen uw oogen geopend zijn voor het licht der waarheid!"
+
+"Mijn zoon, ik ben de laatste van Odin's krijgers. Nergens rooken
+zijn altaren meer! Doch ik hoor u gaarne spreken. Ik wil nog veel
+naar u luisteren voor ik de runen op mijn borst snijd, en doodbloed
+naar Odin."
+
+Eirik, de Roode, sneed echter geen runen op zijn borst. Nog twee
+gelukkige jaren leefde hij bij Thorfrida en haar zoon, en bouwde
+een Christenkerk te Groendal. Daar, in de schaduw van het kruis,
+werd hij begraven, niet langer een krijger van Odin, maar bekeerd
+tot het geloof van vrede en liefde door zijn kleinzoon,
+
+
+ EDRIK, DEN NOORMAN.
+
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+[1] Onze lezers bemerken hieruit, dat Amerika reeds lang voor Columbus
+ontdekt was.
+
+[2] De New-Foundlandsche honden zijn als echte zwemmers bekend.
+
+[3] Uit de beschrijving van dit volk blijkt, dat de Eskimo's zoover
+zuidelijk werden gevonden. Waarschijnlijk zijn zij later noordelijk
+gedreven door de Roodhuiden.
+
+[4] Er bestaat een overlevering, volgens welke zij de open zee
+waren ingedreven naar de kust van Ierland, waar zij tot slaven
+werden gemaakt.
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Edrik, de Noorman, by J. F. Hodgetts
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 44940 ***