summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/44834-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '44834-8.txt')
-rw-r--r--44834-8.txt3692
1 files changed, 0 insertions, 3692 deletions
diff --git a/44834-8.txt b/44834-8.txt
deleted file mode 100644
index 9d23a3e..0000000
--- a/44834-8.txt
+++ /dev/null
@@ -1,3692 +0,0 @@
-The Project Gutenberg EBook of Het Leven der Dieren, by A. E. Brehm
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
-almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
-re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
-with this eBook or online at www.gutenberg.org
-
-
-Title: Het Leven der Dieren
- Deel 3, Hoofdstuk 5: De Amphibiën
-
-Author: A. E. Brehm
-
-Release Date: February 5, 2014 [EBook #44834]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: ISO-8859-1
-
-*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN DER DIEREN ***
-
-
-
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg.
-
-
-
-
-
-
-
-
-ALGEMEEN OVERZICHT VAN DEN BOUW EN DE LEVENSWIJZE DER AMPHIBIËN.
-
-
-Een diepe klove scheidt de tot dusver behandelde Gewervelde Dieren
-van die, welke nu nog beschreven moeten worden. Gene ademen in
-alle levenstijdperken door longen, verreweg de meeste andere tot
-op een zekeren leeftijd of levenslang door kieuwen. In de klasse,
-die ons nu zal bezig houden, vindt diensvolgens bijna altijd een
-"gedaantewisseling" plaats, zooals bij de lagere of Ongewervelde Dieren
-zeer algemeen waargenomen wordt; dit beteekent dat de leden dezer
-diergroep, als zij het ei verlaten, nog niet den bouw en de organisatie
-hunner ouders vertoonen, maar beide eerst later verkrijgen door den
-overgang uit den toestand van "larve" in dien van volkomen dier.
-
-De Amphibiën zijn in nog hoogere mate verwant aan de Visschen dan de
-Reptiliën, die men vroeger met hen tot één klasse vereenigde, tot de
-Vogels naderen. Gedurende hun jeugd leven zij als Visschen, eerst op
-rijperen leeftijd worden zij in staat gesteld om "amphibiotisch" te
-zijn, d. i. "zoowel op het land als in het water te leven," hoewel zij,
-verreweg de meeste althans, zich nooit ver van het water verwijderen
-en er nooit geheel onafhankelijk van worden.
-
-Tot de Amphibiën behooren velerlei, onderling zeer verschillende
-vormen. "Bij sommige van hen", zegt Karl Vogt, "ontbreken de ledematen
-geheel of zijn hoogst gebrekkig ontwikkeld en heeft het lichaam een
-rolronde, wormvormige gedaante; bij andere gaan sterk ontwikkelde
-looporganen gepaard met een breeden, afgeplatten romp, die dun of meer
-schijfvormig is. Bij de in den grond levende, pootlooze "Blindslangen"
-gelijkt het lichaam, dat geheel en al romp en nagenoeg staartloos
-is, op dat van een Regenworm, terwijl bij de in 't water levende
-Aalsalamanders wel is waar een langwerpig, aalvormig lichaam, maar
-toch een voor 't zwemmen geschikte, zijdelings samengedrukte staart
-voortkomt, die bij de hun verwante Olmen met een als vin dienenden,
-vertikalen huidzoom voorzien is. Bij vergelijking van deze en
-andere leden der klasse ziet men als 't ware langzamerhand pooten
-verschijnen. Op allerlei trappen van ontwikkeling blijvend, zijn zij
-aanvankelijk volkomen ongeschikt om het lichaam te steunen en slechts
-met een gering aantal kleine, rudimentaire teenen uitgerust. Soms
-zijn alleen de voorpooten aanwezig, die als onbeduidende stompjes
-aan den hals hangen. Hoe meer de ledematen zich ontwikkelen, des
-te meer wordt het lichaam ineengedrongen en tevens afgeplat. Bij de
-Vorschachtige dieren verdwijnt de staart in volwassen toestand geheel,
-zoodat er geen spoor meer van overblijft en de kloakopening van hun
-schijfvormigen romp, evenals die van de wormvormige Blindslangen, aan
-'t allerachterste gedeelte van 't lichaam gelegen is. De achterste
-ledematen verkrijgen bij deze dieren een merkwaardig overwicht boven
-de kleine, korte en dikke, meestal binnenwaarts gerichte voorpooten,
-die slechts 4 teenen hebben, terwijl de achterste er gewoonlijk 5
-bezitten. De beweging op het land geschiedt meestal sprongsgewijs;
-door het plotseling strekken van den poot verplaatsen de gespierde
-achterschenkels het lichaam over een dikwijls tamelijk grooten
-afstand."
-
-Een hoofdkenmerk, waardoor de Amphibiën zich van de Reptiliën
-onderscheiden, is gelegen in hun naakte huid. Bij de meeste Vorschen
-en alle Salamanders is de huid glibberig en zacht; meestal omsluit
-zij het lichaam als een wijde zak; wegens de geringe dikte van dit
-uit elastische vezels samengestelde weefsel, ziet men, als het dicht
-tegen het lichaam aanligt, de spieren er doorheen schemeren. Bij alle
-Amphibiën komen in de huid eigenaardige klieren voor, die een scherp,
-min of meer naar uien riekend, melkachtig vocht afscheiden. Gewoonlijk,
-o.a. bij de Padden en Salamanders zijn deze klieren over het geheele
-lichaam verspreid; dikwijls echter vormen zij aan weerszijden van den
-dikken hals dichte opeenhoopingen, die onder den naam van "oorklieren"
-bekend zijn. Bovendien merkt men bij enkele soorten honigraatvormige
-ruimten op, waarin de ontwikkeling der eieren plaats vindt; ook
-zij zijn vervormde huidklieren en verschijnen eerst gedurende den
-voortplantingstijd.
-
-De naakte huid en hare klieren zijn voor het leven der Amphibiën van
-buitengewoon groot belang. Een stoornis in haar werking heeft den dood
-van het dier ten gevolge. Geen enkele Amphibie drinkt op de gewone
-wijze; alle nemen het water, dat voor hun leven noodig is, uitsluitend
-door de huid in zich op. Bijna even groot als het opzuigend vermogen
-van de huid is haar geschiktheid om water in dampvorm uit het lichaam
-te verwijderen. Het gewicht van een Amphibie neemt bij blootstelling
-aan droge warmte buitengewoon schielijk af; de vermindering is
-evenredig aan de stijging der temperatuur. In een luchtledige ruimte
-is de uitwaseming zeer belangrijk; de Amphibiën sterven in zulk een
-ruimte veel eerder dan in luchtvrij water; daarentegen zullen zij
-langer in 't leven blijven, indien de huiduitwaseming verhinderd wordt,
-b.v. door het lichaam met een dichte vernislaag te bedekken. Naar het
-schijnt, dient haar urineblaas als magazijn van vocht, tot dergelijke
-gevolgtrekking is men ook ten aanzien van de Schildpadden gekomen.
-
-In de lederhuid komen slijmklieren en gifklieren voor; deze zijn
-dieper gelegen dan gene. De slijmklieren zijn over het geheele lichaam
-verbreid, de gifklieren op bepaalde plaatsen opeengehoopt. Bij de
-Padden en Salamanders zijn deze klieren talrijker en hare afscheidingen
-overvloediger dan bij andere Amphibiën; door het prikkelen van de
-huid nemen zij sterk toe. Een Salamander of een Pad, die b.v. op
-gloeiende kolen wordt geplaatst, zal een grootere hoeveelheid slijm
-voortbrengen dan gewoonlijk, hetgeen aanleiding heeft gegeven tot
-het overoude, ongegronde sprookje, dat de Salamander tegen het
-vuur bestand is. Naar het schijnt, zijn de Amphibiën in staat om de
-afscheiding der huidklieren willekeurig te vermeerderen en haar als
-een middel tot beschutting tegen hunne vijanden te gebruiken, daar
-dit vocht niet slechts een doordringenden reuk heeft, maar ook een
-scherpe werking uitoefent. Hierdoor hebben de Padden en Salamanders
-den naam gekregen van giftig te zijn. Een werkelijk vergif voor den
-mensch is dit slijm niet, hoewel het op gevoelige slijmvliezen pijn,
-op de tong een brandend, bijtend gevoel teweegbrengt. Door proeven
-is gebleken, dat het kliersap van de Pad kleine Vogels, die er
-mede ingeënt worden, spoedig doodt en deze werking nog uitoefent,
-wanneer het vooraf gedroogd wordt. Ook heeft men gevonden, dat dit
-slijm den dood van jonge Honden, Guineesche Biggetjes, Vorschen en
-Watersalamanders veroorzaakt, als het door insnijdingen aan het bloed
-wordt toegevoerd; het slijm van de Water- en Landsalamanders zal,
-wanneer het op gelijke wijze in het lichaam van de Pad wordt gebracht,
-voor dit dier noodlottig worden.
-
-Zeer eigenaardig is het geraamte van de Amphibiën, dat, zij het
-dan ook op meer beperkte schaal, gedurende zijn ontwikkeling
-soortgelijke inrichtingen te aanschouwen geeft als dat van de
-Visschen. Bij de Vischsalamanders komen wervels voor, die, wat
-vorm betreft, van visschenwervels bijna niet onderscheiden kunnen
-worden; bij de eigenlijke Salamanders daarentegen treft men reeds
-volkomen ontwikkelde wervels aan, die, aan de voorzijde een ronden
-gewrichtsknobbel en aan de achterzijde een gewrichtskom hebbend,
-beweegbaar met elkander verbonden zijn. Bij alle Amphibiën met
-langwerpig lichaam is het aantal wervels zeer aanzienlijk; bij de
-Kikvorschachtigen echter vindt men slechts weinige rugwervels, n.l. 7
-of 8; hierop volgt een breed heiligbeen, dat door vergroeiing van
-verscheidene wervels ontstaan schijnt te zijn en verbonden is met een
-lang, sabelvormig been, het staartbeen, dat de wervelkolom tot aan de
-aarsopening voortzet. De dwarse uitsteeksels der wervels zijn bij alle
-Amphibiën goed ontwikkeld en soms buitengewoon lang; zij vervangen tot
-op zekere hoogte de ontbrekende ribben, die slechts in enkele gevallen
-door kleine, beenige of kraakbeenige aanhangsels aangeduid zijn.
-
-Ook in de samenstelling van het geraamte van den kop merkt men in de
-reeks der Amphibiën verschillende trappen van ontwikkeling op; deze
-hebben vooral betrekking op het allengs verdwijnen der oorspronkelijk
-kraakbeenige bestanddeelen. Het kopskelet is zeer breed en plat,
-de oogholten zijn gewoonlijk verbazend groot en van onderen open,
-zoodat de kaken van boven gezien een halven cirkel vormen, met een
-langwerpige doos, den schedel, in 't midden. De ploegschaarbeenderen
-(die bij de hoogst ontwikkelde Gewervelde Dieren door een onparig been
-vervangen zijn, dat niet aan de vorming van het gehemelte deelneemt),
-niet zelden ook de gehemeltebeenderen, minder dikwijls bovendien het
-wiggebeen, zijn bij vele Amphibiën, evenals de bovenkaaksbeenderen,
-met tanden bezet. De onderkaak is minstens uit twee, soms uit meer
-stukken samengesteld en aan den schedel bevestigd door een "kaaksteel",
-die nooit volkomen verbeent.
-
-De ledematen ontbreken bij de Blindslangen geheel; bij
-sommige Vischsalamanders zijn alleen de voorste ledematen
-aanwezig. De heupgordel is bij de Salamanders zwak ontwikkeld en de
-heiligbeenwervels (waaraan deze gordel bevestigd is en die hiermede
-het bekken vormen) verschillen weinig van de overige wervels. Des
-te volmaakter is het bekken bij de Vorschen, waar het een steunpunt
-moet leveren aan de prachtige springpooten, welker spieren aan dit
-skeletdeel ontspringen. Het aantal teenen bedraagt aan de voorpooten
-meestal 4, zelden 3, aan de achterpooten bij eenige Vischsalamanders
-slechts 2, 3 of 4, bij de eigenlijke Salamanders en de Vorschen
-daarentegen steeds 5. Bij verreweg de meeste Amphibiën komt aan
-de teenen geen spoor van nagels voor; dikwijls daarentegen zijn de
-teenen door zwemvliezen vereenigd en is hun top aan de onderzijde
-met eigenaardige hechtschijfjes voorzien.
-
-De hersenen zijn langwerpig van vorm, de verschillende
-hersenafdeelingen achter elkander geplaatst en niet, zooals bij de
-hoogst ontwikkelde Gewervelde Dieren, zoo ineengedrongen, dat er bij
-oppervlakkig onderzoek slechts drie (groote hersenen, kleine hersenen
-en verlengde merg) onderscheiden kunnen worden. Het ruggemerg is,
-in vergelijking met de hersenen, zeer uitgebreid en heeft duidelijk
-de overhand boven deze centrale deelen.
-
-Bij geen enkele Amphibie ontbreken de drie hoogste zintuigen, hoewel
-de oogen bij enkele leden der klasse zeer weinig ontwikkeld zijn en
-onder een ondoorzichtige huid verborgen blijven. Het orgaan voor het
-gehoor biedt nog meer verscheidenheid aan dan dat voor het gezicht. Bij
-de Salamanders is alleen de binnenste afdeeling van het gehoororgaan
-(de doolhof) aanwezig. De Vorschen hebben bovendien een trommelholte
-met trommelvlies en een korte Eustachiaansche buis. De twee door een
-middelschot gescheiden neusholten staan door de beide neusgaten, aan
-de spits van den snuit, met de buitenwereld en door twee openingen
-aan het gehemelte met de mondholte in gemeenschap; dit verschijnsel
-is in den regel voldoende om alle Amphibiën van de Visschen te
-onderscheiden, hoewel het ook bij enkele Visschen (Longvisschen)
-waargenomen wordt. De tong dient slechts in zeer geringe mate als
-smaakorgaan. Slechts bij één onderorde van de Kikvorschachtigen mist
-men haar; bij de overige is zij goed ontwikkeld en dikwijls zeer breed;
-gewoonlijk is de ruimte tusschen de beide onderkaakshelften er geheel
-mede gevuld. In tegenstelling met de tong der hoogere Gewervelde
-Dieren is zij echter niet met haar achtereind maar met haar vooreind
-aan den bodem der mondholte vastgehecht, zoodat zij het achterste
-voor buiten den bek geslingerd kan worden. Een uitzondering vormen
-eenige Salamanders en Termietenetende Vorschen, die een aan den bodem
-der mondholte vastgegroeide tong bezitten.
-
-Eenige Amphibiën zijn tandeloos; de meeste echter hebben tanden
-op de bovenkaaks- en ploegschaarbeenderen; bij andere vormen
-zij twee volledige, boogvormige reeksen op de bovenkaaks- en
-gehemeltebeenderen. Altijd zijn de tanden kleine, enkelvoudige, spitse,
-achterwaarts gekromde haken, die uitsluitend voor het vasthouden en
-voortstuwen van de spijs door 't keelgat, doch nooit voor 't kauwen
-dienen.
-
-Grooten invloed op de levenswijze der Amphibiën hebben de organen
-voor bloedsomloop en ademhaling. Het hart verschilt weinig van dat
-der Reptiliën; het bestaat uit twee niet altijd volledig gescheiden,
-dunwandige, vliezige voorkamers en één enkele, dikwandige hartkamer,
-die het bloed door de slagaders stuwt. Evenals bij de Reptiliën,
-ontvangen de haarvatenstelsels van de achter het hart gelegen
-lichaamsdeelen steeds een mengsel van slagaderlijk en aderlijk
-bloed. De meeste Amphibiën ondergaan gedaantewisseling; deze gaat
-gepaard met belangrijke wijzigingen van het bloedvatenstelsel, zooals
-reeds voortvloeit uit het feit, dat de aanvankelijk in de halsstreek
-aanwezige kieuwen, door longen vervangen worden, die trouwens bij
-enkele eerst zeer laat in werking treden.
-
-Levendbarend zijn slechts enkele Landsalamanders; de meeste Amphibiën
-echter ontwikkelen zich uit in het water gelegde eieren, die slechts
-bij uitzondering door de ouders met voorzorg behandeld, in den regel
-evenwel aan zich zelf overgelaten worden. De eieren zijn meestal door
-een geleiachtige stof omhuld en aaneenverbonden tot het soms snoeren,
-soms afgeronde klompen vormende "rit". Vooral de laatstgenoemde, van
-onze Kikvorschen afkomstige eierenhoopen, die in de lente veelvuldig
-in sloten en vijvers drijvend worden gevonden, zijn merkwaardig door de
-rol, die zij in verschillende richtingen bij de ontwikkeling der larven
-speelt. De gelei beschut n.l. de eieren tegen uitdroging, beschadiging
-en op eieren azende dieren en biedt bovendien aan een groot aantal
-kleine, levende wezens, vooral aan groene, zuurstof uitscheidende
-plantjes een geschikte woonplaats, hetwelk voor de voeding en de
-ademhaling van de larven van groot belang is. De weinige, in deze
-gelei hangen blijvende luchtbellen brengen teweeg, dat de eieren in
-de bovenste waterlaag drijven; volgens de nieuwste onderzoekingen
-verschaft zij zelfs door haar warmtebindend vermogen aan de kiemen
-de gunstige werking van een meer standvastig verhoogde temperatuur.
-
-Na het doorloopen van de eerste ontwikkelingsstadiën baant de larve
-zich een weg door de haar omhullende gelei, die zij voor een deel
-opvreet en leeft vervolgens vrij in het water. De van boven naar
-onderen afgeplatte kop, die van voren in een kleine mondopening
-eindigt, gaat naar achteren, zonder duidelijke afscheiding, over
-in den zakvormigen romp, die nog het binnenste gedeelte van den
-ei-inhoud bevat, daar alleen de buitenste laag voor de vorming van
-de kiem wordt gebruikt. Een eigenlijke "dooierzak," die door een
-insnoering van den romp gescheiden is, zooals bij vele Visschen, komt
-dus bij de Amphibiën niet voor. De romp eindigt in een verticalen,
-platten roeistaart, die zich naar boven en naar onderen voortzet
-in een breeden huidzoom of vin. In dezen staart komt dezelfde
-zigzagswijze rangschikking der spieren voor als bij vele Visschen. In
-de halsstreek ontstaan wratvormige knobbeltjes, die zich boomsgewijs
-vertakken; deze "uitwendige kieuwen" verdwijnen bij de Kikvorschlarve
-weldra, om vervangen te worden door "inwendige kieuwen" in de
-"keelspleten" aan den bodem en de zijden van de mondholte; deze
-spleten, waardoor de mondholte met de buitenwereld in gemeenschap
-staat, laten het door den bek opgenomen water ontwijken, nadat het,
-langs de kieuwen vloeiend, voor de ademhaling gediend heeft. Bij
-de Salamanderlarven blijven de uitwendige kieuwen veel langer
-zichtbaar. De verdere ontwikkeling van de larve heeft aanvankelijk
-de verbetering van den staart ten doel en geschiedt gedeeltelijk ten
-koste van de nog aanwezige dooierzelfstandigheid. De vliezige zoom
-van de staartvin neemt in breedte toe; het lichaam wordt slanker;
-langzamerhand vertoonen zich de ledematen, die aanvankelijk onder de
-huid verborgen zijn. Bij de Salamanderlarven worden de voorpooten,
-bij de Kikvorschlarven de achterpooten het eerst zichtbaar. Bij de
-Kikvorschlarven, die gedurende geruimen tijd alleen achterpooten
-bezitten, blijft de staart ook na het verschijnen der voorpooten het
-belangrijkste bewegingsorgaan. Eindelijk echter krijgt de verandering
-van de zwemmende, plantenetende, door kieuwen ademende larve in
-een springenden, insectenetenden, uitsluitend door longen ademenden
-Kikvorsch haar beslag. De hoornscheeden of hoorntandjes waarmede de
-kaken oorspronkelijk gewapend waren, vallen af. De staart wordt al
-kleiner en kleiner en verdwijnt ten slotte geheel. Wervellichamen
-zijn hierin niet ontstaan; het staartgedeelte van de wervelkolom
-blijft in den oorspronkelijk onverdeelden, geleiachtigen toestand
-van "ruggestreng". In de overige deelen van de ruggestreng (bij de
-Salamanders ook in haar staartgedeelte) komt echter een splitsing
-in wervels tot stand, die haar bij de Kikvorschachtige Amphibiën
-nagenoeg geheel verdringen; bij de Vischsalamanders echter blijven
-de wervels een deel van de ruggestreng omgeven, daar zij de vorm van
-zandloopers behouden, of zelfs dien van halve ringen, welker opening
-naar de buikzijde gericht is.
-
-Bij ongunstige weersgesteldheid in den herfst en bij gebrek aan water
-of aan voedsel blijven vele Amphibiënlarven langer dan gewoonlijk,
-maanden, ja zelfs jaren, in den larvetoestand verkeeren. Zij
-ontwikkelen zich dan dikwijls tot zoogenaamde "reuzenlarven."
-
-De Amphibiën bewonen alle werelddeelen en zijn, met uitzondering van
-de noordelijkste gewesten, over alle aardgordels verbreid. Warmte en
-water zijn volstrekt noodig voor hun leven en welzijn, meer nog dan
-voor de leden van andere klassen. Hun afhankelijkheid van 't water is
-zeer groot; men kan zich deze dieren zonder water niet voorstellen,
-daar zij, behoudens weinige uitzonderingen, hun eerste levenstijdperk
-in deze middenstof moeten doorbrengen. Daar ook warmte voor hen een
-levensvoorwaarde is, neemt hun aantal naar 't zuiden zoo sterk toe,
-dat men de keerkringsgewesten als hun eigenlijk vaderland zou kunnen
-beschouwen. Altijd echter maken zij tot verblijfplaatsen voor hen
-en hunne jongen uitsluitend van zoetwater gebruik; steeds mijden zij
-de zee of het zilte water in 't algemeen. Een groot aantal Amphibiën
-zijn waterbewoners gedurende alle tijdperken van hun leven; de meeste
-echter verlaten het water, nadat de gedaantewisseling afgeloopen
-is, en houden zich vervolgens in vochtige gewesten op. In de echte
-woestijn komen geen Amphibiën voor; zij ontbreken echter in geen
-enkele streek, die geregeld, zij het dan ook slechts gedurende
-een deel van het jaar, water bevat; want, evenals de inheemsche
-soorten den winter, brengen ook zij het hiermede overeenstemmende
-droge seizoen der tropische gewesten diep verborgen in het slijk (of
-althans in holen) in schijndooden toestand door, om in het begin van
-de volgende lente uit hun slaap te ontwaken. In alle warme landen,
-waar een regelmatig wederkeerende regenperiode een afwisseling van
-jaargetijden doet ontstaan, verdwijnen zij geheel, zoodra het droge
-seizoen aanvangt en vertoonen zich weer, nadat de eerste regenbuien
-gevallen zijn; uitgestrekte terreinen, waar men te voren geen
-vermoeden had van hun aanwezigheid worden dan als met een tooverslag
-door hen verlevendigd. Het aantal Amphibiën van al deze gewesten
-is echter gering in vergelijking met dat der waterrijke oerwouden,
-waar de vochtigheidstoestand gedurende het geheele jaar nagenoeg
-onveranderd blijft en waar zelfs de boomkronen aan deze dieren nog de
-gelegenheid bieden om voor de ontwikkeling van hun nakomelingschap te
-zorgen. In de ontzaglijk uitgestrekte wouden van Zuid-Amerika en ook
-in de oerwouden van Zuid-Azië zijn sommige familiën, zoowel wat het
-aantal soorten als het aantal individuen betreft, buitengewoon sterk
-vertegenwoordigd. In het water dat zich tusschen breede bladen, in urn-
-of kanvormige bladstelen en bladschijven, in holle boomen en op andere
-plaatsen verzamelt, leggen deze dieren hunne eieren en houden hunne
-larven zich op. Terwijl hier iedere bruikbare verzamelplaats van water
-bewoond wordt, om 't even of zij op den bodem dan wel in boomstammen
-of boomkronen voorkomt, ontmoet men in de betrekkelijk drogere wouden
-van Afrika veel minder Amphibiën. De moerassen en vochtige oerwouden
-van Middel- en Zuid-Amerika zijn voor de Kikvorschachtige Amphibiën
-een waar paradijs; in een groot deel van Afrika daarentegen ontbreken
-zij bijna volkomen.
-
-Hoe uitgestrekt het verbreidingsgebied van sommige soorten van
-Amphibiën ook is, toch hecht ieder individu zich zeer sterk aan
-een bepaalde plek. Deze heeft soms slechts weinige vierkante meters
-oppervlakte: een middelmatig groote vijver en zelfs een poel, die
-geregeld water bevat, kan tot woonplaats dienen aan honderden, zonder
-dat deze licht bevredigde dieren er aan denken om te verhuizen; een
-enkele boom in het oerwoud herbergt misschien tal van andere Amphibiën
-gedurende het geheele jaar. Sommige soorten bewegen zich over een
-grooter gebied, maar beschouwen een bepaald deel er van als hun
-eigenlijke woonplaats en zoeken den hier gekozen schuilhoek telkens
-weer op. Verhuizingen van eenige beteekenis komen bij de Amphibiën
-slechts in zeer exceptioneele gevallen voor, waarschijnlijk alleen
-dan, als een terrein zulke groote veranderingen ondergaat, dat het
-niet meer voldoet aan de eischen, die zij moeten stellen; dit neemt
-echter niet weg, dat ook zij het door hen bewoonde gebied in gunstige
-omstandigheden allengs vergrooten en zich vestigen kunnen in oorden,
-meer bepaaldelijk in wateren, waar zij vroeger niet aanwezig waren.
-
-Het leven van de Amphibiën komt ons nog eenvormiger voor dan dat van
-de Reptiliën, hoewel de meeste, wat vlugheid van beweging betreft,
-niet bij de leden van de vorige klasse behoeven achter te staan en
-hen zelfs, gedeeltelijk althans, overtreffen. In verband met hun
-verblijf in 't water zijn alle Amphibiën, de Apoden misschien alleen
-uitgezonderd, uitmuntende zwemmers; dit geldt niet alleen van de
-larven, die als 't ware in den vischtoestand verkeeren, maar ook
-van de volwassenen, om 't even of de pooten dan wel de staart het
-belangrijkste bewegingsorgaan zijn. De larven zwemmen op de wijze
-van de Visschen door schroefsgewijs draaiende bewegingen van den
-staart. Dit blijft zoo bij eenige volwassene Amphibiën, n.l. bij
-de Salamanders; de Kikvorschachtigen daarentegen zwemmen door
-krachtige stooten met de voor dit doel zeer geschikte achterpooten,
-op soortgelijke wijze als de mensch, met dit onderscheid, dat de
-voorste ledematen bij hen niet medewerken. Ongetwijfeld zullen ook
-de Apoden zich wel in 't water kunnen redden, daar ieder wormvormig
-dier in dit geval door slangsgewijze kronkelingen van 't lichaam
-vooruitkomt; wat deze bewegingswijze betreft staan zij echter bij
-de leden der overige orden achter. Op het land bewegen de Amphibiën
-zich op zeer verschillende wijzen. Alle Salamanders, met uitzondering
-van eenige behendige soorten, strompelen en kruipen op plompe wijze;
-de Kikvorschachtigen daarentegen verplaatsen zich met meer of minder
-groote sprongen; eenige van hen kunnen ook klimmen en op deze wijze
-de kroon van een hoogen boom bereiken; zij doen dit echter anders dan
-alle tot dusver genoemde Gewervelde Dieren: zij springen van het eene
-rustpunt naar een tweede, dat hooger gelegen is.
-
-In één opzicht munten de meeste Amphibiën boven de Reptiliën uit. Van
-deze zijn slechts weinige met een echte stem begiftigd; een groot
-aantal Amphibiën daarentegen, meer bepaaldelijk die van de eerste orde,
-bezitten het bijna verrassende talent van meer of minder klankvolle,
-luide en afgeronde tonen voort te brengen. Verscheidene soorten van
-Amphibiën maken van dit talent zulk een druk gebruik, dat zij onze
-nachtrust verstoren en angstige gemoederen met vrees en zorg vervullen
-kunnen. Toch zijn alleen de volwassenen in staat om te schreeuwen,
-de larven en de jongen, soms ook de wijfjes, missen dat vermogen.
-
-De noodige gegevens ontbreken nog om een juist oordeel te vellen
-over de hoogere begaafdheden van de Amphibiën. Alle vijf zintuigen
-zijn aanwezig en vooral de drie hoogste goed ontwikkeld. Hoewel
-hun hersenwerkzaamheid zich openbaart op een wijze, die van een
-betrekking tot de buitenwereld, van een zeker overleg getuigt, mag
-men hen bij de meest geestlooze van alle Gewervelde Dieren rekenen;
-hun verstand verheft zich nauwelijks boven dat der laagste Reptiliën
-en staat beneden dat van de hoogste Visschen. Ofschoon zij dikwijls
-in grooten getale bijeenleven, kan bij hen van echte gezelligheid geen
-sprake zijn. Het is de gelijkheid van woonplaats en niet wederzijdsche
-genegenheid, die hen vereenigt. Evenmin kan men bij het beoordeelen
-van hun verstandelijke ontwikkeling een hooge waarde toekennen aan de
-zorgen, die sommige aan hun kroost wijden. Waarschijnlijk zijn slechts
-weinige Amphibiën dagdieren. Zij beginnen hunne werkzaamheden meestal
-zoodra de schemering aanvangt of korten tijd daarna en blijven bezig
-tot tegen den morgen; over dag rusten de meeste, maar doen dit op
-zeer verschillende wijzen. Sommige zoeken eenvoudig een schuilhoek op
-en blijven hier bijna zonder beweging tot den volgenden avond liggen;
-andere verschaffen zich intusschen het genot van door de zon gekoesterd
-te worden, begeven zich naar hiervoor geschikte plaatsen en brengen
-den dag in een half sluimerenden toestand door; hun slaap is echter
-nooit zoo vast, dat zij zich onvoorzichtig aan gevaar blootstellen,
-of een buit, die in hun nabijheid komt, ongemoeid laten. Ook zij toonen
-echter door vermeerderde bedrijvigheid, drukker gekwaak en dergelijke
-bewijzen van opgewektheid, dat de nacht hun eigenlijke arbeidstijd is.
-
-Tusschen de gedaantewisseling en de voeding bestaat een zeker
-verband. Alle Amphibiën leven van roof; de buit, dien zij najagen,
-verschilt in verband met den leeftijd. De larven voeden zich in haar
-vroegste jeugd met allerlei kleine dieren. Zoodra de gedaantewisseling
-afgeloopen is, maken zij jacht op al wat leeft en zich beweegt,
-op dieren uit verschillende klassen en hoofdafdeelingen, op Wormen,
-Gelede en Gewervelde Dieren; sommige vervolgen zwemmend hun buit,
-andere trachten hem na een sprong met de snel naar buitengeslingerde
-tong te vangen. Zij sparen niet eens hunne soortgenooten of verwanten,
-maar verslinden deze even gretig als ieder ander dier, dat zij
-kunnen overweldigen. Men heeft opgemerkt, dat enkele soorten van
-Vorschen bij voorkeur andere leden van hun orde vangen en tot spijs
-gebruiken. Naarmate de temperatuur stijgt neemt hun eetlust toe,
-evenals bij de Reptiliën. In de zomer- en herfstmaanden zijn de
-inheemsche Amphibiën zeer vraatzuchtig; in de lente eten zij weinig,
-hoewel men wegens den voorafgaanden winterslaap het tegendeel zou
-verwachten.
-
-Na het ontwaken uit den winterslaap vangt de voortplantingsperiode
-aan. Zoodra de eieren gelegd zijn, gaan mannetjes en wijfjes
-hun eigen gang. Die welke op het land leven, verlaten het water,
-de Landkikvorschen verspreiden zich over de akkers en weiden, de
-Boomkikkers klauteren in de kronen der boomen, de Salamanders begeven
-zich naar hun jachtgebied, alle beginnen hun eenvormig zomerleven,
-waarin zij oogenschijnlijk zooveel behagen scheppen. De winterkoude,
-in de tropische gewesten de droogte, maakt een einde aan de pret, door
-allen te dwingen een schuilplaats op te zoeken, waar zij gedurende
-het ongunstige seizoen in schijndooden toestand verkeeren.
-
-Het eerste levenstijdperk van de Amphibiën is schielijk afgeloopen;
-slechts weinige weken worden vereischt voor de ontwikkeling van
-de larve tot een volkomen dier; daarna heeft de groei echter zeer
-langzaam plaats. De Kikvorschen zijn meestal eerst in hun 4e of
-5e levensjaar voor de voortplanting geschikt; zij nemen dan nog
-steeds in omvang toe en bereiken misschien eerst op 10- à 12-jarigen
-leeftijd hun definitieve grootte. Bij de Salamanders houdt de groei
-nog langer aan; bij den Reuzensalamander van Japan tot op 30-jarigen
-of hoogeren ouderdom. In verband met dezen langzamen groei staat
-de lange levensduur; de Amphibiën, die aan een gewelddadigen dood
-ontkomen, worden zeer oud, zelfs in omstandigheden, die voor ieder
-ander dier noodlottig zouden zijn. Uit het leven van Padden in
-gesloten holen blijkt, dat zij taaier zijn dan alle overige Gewervelde
-Dieren. Enkele Amphibiën, o. a. de Salamanders ondervinden weinig
-nadeel van verwondingen, die andere Gewervelde Dieren stellig niet
-te boven zouden komen.
-
-De Amphibiën worden uit blinde onkunde door vele menschen nog altijd
-op onverantwoordelijke wijze vervolgd en gedood, hoewel geen dezer
-dieren werkelijk schade aanricht of het vermogen bezit om ons kwaad
-te doen. Volkomen ongegrond zijn de afkeer en de vrees, die zelfs
-zoogenaamd ontwikkelde personen voor hen gevoelen. De verstandige
-tuinman beschermt en behoedt de Padden, de Engelschen koopen ze
-zelfs bij honderden op, om hunne tuinen van allerlei schadelijk
-gedierte te bevrijden, de onbeschaafde (of althans onwetende) mensch
-daarentegen doodt dit "leelijke" dier, waar hij het ook vindt. Voor
-alle Amphibiën gevoelt ieder, die de natuur waarneemt, de vriendschap
-en genegenheid, die vrij algemeen uitsluitend aan de Kikvorschen worden
-betoond, ofschoon de overige leden der klasse haar in dezelfde mate
-verdienen. Het slijm, dat door hun huid wordt afgescheiden, beschut
-vele Amphibiën tegen de meeste roofdieren; zij, die geen vergiftige
-huid als middel tot het afweren van vijanden bezitten, vallen aan een
-ontzaglijk groot aantal zeer verschillende dieren ten buit. Zelfs de
-mensch beschouwt de achterboutjes van eenige soorten van Kikvorschen
-als een smakelijk gerecht. Een geluk is het voor hun geslacht en
-misschien ook voor ons, dat een buitengewoon snelle vermenigvuldiging
-alle op deze wijzen geleden verliezen spoedig weder aanvult!
-
-
-
-
-
-
-
-EERSTE ORDE.
-
-DE VORSCHEN (Ecaudata).
-
-
-Ieder die een Kikvorsch aandachtig bekeken heeft, kent alle leden van
-de eerste orde der Amphibiënklasse. De verschillen van lichaamsbouw,
-die in deze orde voorkomen, hoewel niet gering of onbelangrijk,
-gaan nimmer zoo ver, dat het mogelijk zou zijn een Vorsch of
-Staartelooze Amphibie met een Salamander te verwarren. Een plompe,
-eivormige of bijna vierhoekige romp, welks verbinding met den plat
-gedrukten, breeden, aan den snuit spits toeloopenden of afgeronden,
-wijdmondigen kop op zulk een wijze tot stand komt, dat men geen hals
-kan onderscheiden, vier goed ontwikkelde ledematen en een meer of
-minder gladde, naakte, glibberige huid zijn de uitwendige kenteekenen
-van alle leden der eerste orde. De oogen zijn betrekkelijk groot
-en zeer beweeglijk; de neusgaten kunnen meestal door eigenaardige
-kleppen gesloten worden; de gehoororganen zijn groot en kenbaar aan
-het trommelvlies, dat aan de oppervlakte gelegen is. Tusschen de
-geslachten en soorten bestaat een niet onbelangrijk verschil, wat het
-maaksel der pooten, de gladheid en de dikte der huid, de aanwezigheid
-en de verdeeling der slijm- of gif-uitzweetende klieren betreft.
-
-Het geraamte is hoogst eenvoudig van samenstelling. De kop is van
-boven naar onderen sterk samengedrukt, de hals, strikt genomen,
-slechts aangeduid; de wervelkolom bestaat gewoonlijk uit 7, zelden
-uit 6 wervels; het heiligbeen is een rolvormig of plat driehoekig
-been geworden, waarmede van achteren een in 't middenvlak gelegen,
-lang, staafvormig staartbeen en aan weerszijden een eveneens
-langwerpig heupbeen verbonden is; de gordel van de voorste
-ledematen is kraakbeenig en hangt uitsluitend door weeke deelen
-met de wervelkolom samen; ribben zijn niet aanwezig behalve bij
-de familie der Schijftongigen. Kleine, haakvormige tanden zijn
-op de bovenkaaksbeenderen in den regel, op de ploegschaarbeenderen
-dikwijls, op de gehemelte- en de onderkaaksbeenderen bij uitzondering
-aanwezig. De zelden ontbrekende tong is slechts bij enkele soorten
-over haar geheele lengte met den bodem van de mondholte vergroeid,
-bij de meeste alleen met het voorste gedeelte vastgehecht dicht bij de
-plaats, waar de beide onderkaakshelften zich vereenigen; het achterste
-deel van dit orgaan is vrij, zoodat het buiten den mond geworpen kan
-worden. Bijna alle hebben zeer groote, zakvormige longen en een goed
-ontwikkeld, wijd strottenhoofd, dat dikwijls nog door eigenaardige
-keelblazen of klankholten geholpen wordt bij het voortbrengen van
-een luide, klankrijke stem. De hersenen hebben in verhouding tot de
-geringe grootte van het lichaam een aanzienlijken omvang.
-
-De Vorschen zijn over de geheele wereld, met uitzondering van de
-poolgewesten, verbreid; zij ontbreken in geen der werelddeelen en op
-geen der hoogtegordels; in de keerkringsgewesten bereikt deze groep
-haar hoogste ontwikkeling. Minder dan andere Amphibiën zijn zij aan
-bepaalde terreinen gebonden, daar de inrichting van hun lichaam hen tot
-allerlei bewegingen in staat stelt. Verreweg de meeste Vorschen blijven
-niet wonen in het water, waarin zij hun jeugd doorbrachten, maar
-verbreiden zich in den omtrek, zij het dan ook binnen een beperkten
-kring, welke steeds voldoen moet aan de voorwaarde, dat zij er de
-vochtigheid vinden, die voor haar bestaan volstrekt noodig is. Hunne
-verblijfplaatsen zijn zoo verschillend als die van eenig Amphibie
-kunnen zijn. Zij komen overal voor, waar zij geschikte schuilplaatsen
-kunnen vinden en in de gelegenheid zijn om voedsel, vooral Insecten,
-te verkrijgen. Hun zomerleven onderscheidt zich echter aanmerkelijk van
-hun leven gedurende het ongunstige jaargetijde, om 't even, of dit door
-daling van de temperatuur of vermindering van den vochtigheidstoestand
-voor hen ongunstig wordt. Hier te lande verschuilen verscheidene
-soorten zich voor het einde van den herfst in het slijk van poelen
-en plassen, waar zij gedurende het koude jaargetijde in een op den
-dood gelijkenden slaap verkeeren. In zuidelijke landen dwingt de
-droogte hen eveneens zich te verbergen. Gezelligheid is een grondtrek
-van het karakter van alle bij of in het water levende Vorschen;
-er ontstaat echter tusschen hen nooit eenig verband, zooals bij de
-hoogere Gewervelde Dieren. Gelede Dieren, Wormen en Slakken maken
-haar liefste voedsel uit; ook vischkuit en kleine vischjes dienen
-hun tot spijs; de grootste vertegenwoordigers van de orde wagen het
-zelfs kleine Zoogdieren en Vogels aan te vallen. Enkele Boomkikkers
-voeden zich bijna uitsluitend met andere Amphibiën en wel vooral met
-leden van hun eigen familie.
-
-De voortplanting heeft bij de Europeesche Vorschen in de lente
-plaats. De eieren (het rit) zijn onderling vereenigd tot snoeren
-(b. v. bij de Padden) of tot onregelmatige klompen (b. v. bij de
-Kikvorschen). De larven (dikkoppen, donderpadden, kikkervischjes)
-missen nog de ledematen en de mondopening, maar zijn van een staart
-voorzien. Onder de plaats, waar later de mondopening zal ontstaan,
-bevinden zich 2 kleine, spoedig verdwijnende "hechtschijfjes". Weldra
-ontspruiten aan weerszijden van den hals drie boomvormig vertakte,
-uitwendige kieuwen; achter elke kieuw is een spleet (keelspleet),
-waardoor de mondholte met de buitenwereld in gemeenschap staat. Daarna
-komt de mondopening tot stand en worden de kieuwen langzamerhand
-door een van den kop naar achteren groeiende woekering van de
-huid (het kieuwdeksel) overdekt en in een kieuwholte opgesloten;
-intusschen verdwijnen de boomvormige kieuwen en wordt haar verrichting
-overgenomen door inwendige, als tanden van een kam aan de kieuwbogen
-gehechte kieuwplaatjes, welke veel op die der Visschen gelijken. Het
-kieuwdeksel laat voor den afvoer van het water een opening vrij (de
-kieuwspleet). Deze is bij de meeste inheemsche Vorschen (Rana Bufo,
-Pelobates en Hyla) aan de linkerzijde van den hals gelegen, minder
-dikwijls (Alytes, Bombinator) in 't midden van de keel. Terwijl
-de kieuwen deze veranderingen ondergaan, hebben de randen van de
-mondspleet zich met een hoornlaagje bedekt, dat verscheidene rijen
-van fijne hoorntandjes draagt. Binnen in het lichaam merkt men
-den spiraalvormig gekronkelden dunnen darm op. Daarna vertoonen
-zich de achterste ledematen, die reeds een aanmerkelijke grootte
-bereikt hebben, als de voorste ledematen zichtbaar worden. Van nu af
-verdwijnen de larveorganen langzamerhand; de kieuwen verschrompelen,
-de kieuwspleet groeit dicht, de longen beginnen dienst te doen; de
-hoorntandjes en het hoornachtig bekleedsel van de kaken gaan te niet;
-de staart wordt allengs korter en verdwijnt eindelijk geheel; tenslotte
-is de staartelooze jonge Vorsch gereed om het water te verlaten.
-
-Over 't algemeen zijn de Vorschen wakker en bedrijvig van aard;
-nachtdieren zijn zij even goed als de andere Amphibiën, hoewel vele
-ook over dag een grootere bedrijvigheid toonen dan bij andere leden der
-klasse waargenomen wordt. Door hun geschiktheid tot beweging munten zij
-boven al hunne verwanten uit: zij gaan of strompelen beter dan deze,
-maken kolossale sprongen en doen dit op een buitengewoon behendige
-wijze, zwemmen en duiken voortreffelijk en kunnen uren lang zonder
-bezwaar op den bodem van het water doorbrengen. Zij zijn scherp van
-gezicht, van gehoor en van reuk, zijn ondanks hun in 't oog vallende
-gevoelloosheid, duidelijk geschikt tot het opmerken van drukking en
-temperatuursverschil, waarschijnlijk ook, hoewel in geringe mate,
-voor smaakprikkels gevoelig. Bij de andere leden hunner klasse kan
-men moeilijk sporen van hoogere werkzaamheid van den geest ontdekken;
-bij de Vorschen daarentegen worden duidelijk een nauwkeurige kennis
-van de plaatselijke gesteldheid, benevens onderscheidingsvermogen,
-geheugen en op ervaring berustende schranderheid waargenomen;
-bovendien geven zij blijken van voorzichtigheid en schuwheid in hunne
-betrekkingen tot andere wezens; zelfs openbaren zij eenige list bij
-het kiezen van de middelen om aan een gevaar te ontkomen of om een
-buit te bemachtigen; zij scheppen behagen in luide tonen, zooals
-op onmiskenbare wijze blijkt uit hun goed ontwikkeld gehoororgaan
-en uit de muziekuitvoeringen, die zij 's avonds geven. Al deze
-eigenaardigheden maken de Vorschen voor ons veel aantrekkelijker dan
-de andere Amphibiën.
-
-Hoewel hunne stemmen minder verscheidenheid aanbieden, minder
-omvangrijk, klankvol en zoetvloeiend zijn dan vogelengezang, staan zij
-niet al te ver achter bij die van de meeste Zoogdieren. Zij brengen
-allerlei geluiden voort, afwisselend van een ver hoorbaar gebrul, tot
-een fijn gesjirp, van heldere fluittoonen tot een dof gejammer. Heesch
-krascht de eene, volle, afgeronde tonen hoort men van de andere;
-sommige sjirpen als Sprinkhanen, andere loeien als Runderen; het
-op klokslagen gelijkende geluid van de Pad, bestaat uit afgebroken
-tonen, door rustpauzen gescheiden; de Groene Kikvorsch daarentegen
-draagt een uit vele coupletten samengesteld lied voor. Zoowel in de
-oerwouden van Zuid-Amerika als in de keerkringslanden van Azië en
-Afrika, in Australië niet minder dan in Europa, trekken de stemmen
-van de Vorschen sterk onze aandacht en wekken onze belangstelling.
-
-Onze welwillendheid verdienen de Vorschen niet slechts door
-hun onschuldige vroolijkheid, maar ook doordat zij, wel verre van
-schadelijk te zijn, nuttige werkzaamheden verrichten, welker beteekenis
-stellig nog niet genoeg gewaardeerd wordt.
-
-
-
-De Vorschen worden thans in twee onderorden gesplitst; de Tongvorschen
-(Phaneroglossa) en de Tongloozen (Aglossa). Verreweg de meeste Vorschen
-behooren tot de eerstgenoemde afdeeling, die zich kenmerkt door de
-goed ontwikkelde tong en het gescheiden blijven der Eustachiaansche
-buizen (de verbinding tusschen de trommelholte en de mondholte),
-die dus met twee openingen aan het gehemelte eindigen.
-
-Men kan in deze onderorde zeer duidelijk twee groepen onderscheiden:
-bij de Stijfborstigen (Firmisternia), zooals de Kikvorsch, zijn
-de beenderen van den schoudergordel onbeweeglijk met het borstbeen
-verbonden; bij de Vrijborstigen (Arcifera) zooals de Pad, laten zij
-een zijdelingsche verschuiving toe. De groep der Stijfborstigen omvat
-6 familiën; slechts één van deze--de Echte Kikvorschen (Ranidae)--is
-in Europa en Nederland vertegenwoordigd; zij omvat 22 geslachten;
-alle Europeesche soorten behooren tot het geslacht Kikvorsch (Rana).
-
-De Echte Kikvorschen hebben alleen in de bovenkaak tanden. De
-pupil is bij sommige geslachten een verticale, bij andere een
-horizontale spleet; de teenen eindigen bij sommige spits, bij andere
-in hechtschijfjes; soms zijn alle voeten met zwemvliezen voorzien,
-soms ontbreken zij aan de voorpooten, soms aan alle ledematen.
-
-De meeste leden van deze familie ondergaan de hierboven beschreven
-gedaantewisseling in het water; bij sommige heeft echter een deel
-van den ontwikkelingsgang binnen het ei plaats, dat in dit geval
-aanmerkelijk grooter is.
-
-De Echte Kikvorschen bewonen in grooten getale de wateren van
-gematigde en warme gewesten; zij komen voor in alle werelddeelen met
-uitzondering van Australië. Nagenoeg overal hoort men hun nachtelijk
-lied, want, evenals de Waterkikvorsch in ons vaderland, vestigen ook
-zijne verwanten zich in lage zoowel als in hooge oorden, in stroomend
-zoowel als in stilstaand water, indien dit niet te veel zout bevat,
-ook op den vasten bodem, daar verscheidene soorten zich, evenals de
-Boomkikvorschen, slechts gedurende den paartijd in 't water ophouden
-en later vochtige weiden, velden en wouden tot woonplaats kiezen.
-
-Overal hebben de in 't water wonende Kikvorschen nagenoeg dezelfde
-levenswijze: een bedrijvig en vroolijk lente- en zomerleven met druk
-geschreeuw en veel genoegen wordt gevolgd door een minder aangename
-nabetrachting in den herfst, die als inleiding dient tot den maanden
-langen slaap van den winter of van het droge seizoen. Diep verborgen
-onder het slijk van de verstijvende of uitdrogende plassen wachten
-de slapers den warmen lenteadem af, die de ijskorst doet smelten of
-de eerste regenbuien, die de geblakerde en met spleten doorploegde
-slijklaag verweekt en aaneenvoegt. Hier door warmte, ginds door vocht
-wordt de natuur tot nieuw leven opgewekt; want gelijk bij ons de lente
-aan de aarde haar prachtigste tooi verschaft, brengt het begin van
-den regentijd in de keerkringsgewesten de schoonheden der natuur in
-hoogere mate tot ontwikkeling. Waar onder een hemel, die zijne gaven
-mild verspreidt, het klimaat in den loop van het jaar nagenoeg geen
-verandering ondergaat, laten de wakkere waterzangers bijna onverpoosd
-hun stem weerklinken. In het waterrijke Zuid-Amerika verneemt men
-iederen avond en stellig na iedere regenbui het koor der Kikvorschen;
-in de vochtige vlakten van Indië en West-Afrika ziet of hoort men
-deze dieren het geheele jaar door.
-
-Hier te lande kunnen de Kikvorschen hoogstens lastig worden door
-de volharding, waarmede zij ons trachten te overtuigen van hunne
-muzikale talenten; in andere werelddeelen geven sommige werkelijk
-aanstoot door hun zeer luid gekwaak. De bij ons levende soorten
-worden met het volste recht onder de nuttige dieren gerekend en
-richten slechts bij uitzondering een onbeduidende schade aan; de
-reusachtige leden van hun familie, die in Amerika en Indië leven,
-vergrijpen zich daarentegen niet al te zelden aan het eigendom van
-den mensch en maken zelfs jonge Eenden en Ganzen tot slachtoffers van
-hunne rooverijen. Toch is men hun eigenlijk nergens vijandig gezind;
-geen enkel volk beschouwt hen met den afkeer, waaronder de zoo nauw
-met hen verwante Padden te lijden hebben. De meeste menschen scheppen
-behagen in het voorkomen en de werkzaamheid der Kikvorschen en zijn
-hun genegen; vele soorten heeft men tot den rang van wild verheven
-en beloonen door hun smakelijk vleesch de moeiten van de jacht.
-
-De Echte Kikvorschen zijn niet tevreden met de kleine hoeveelheden
-vocht, die door de leden van sommige andere familiën voor de
-ontwikkeling hunner jongen voldoende worden geacht, maar kiezen voor
-dit doel steeds een water van eenige beteekenis. Ook in deze familie
-treft men soorten aan, die voor de veiligheid van hun kroost zorgen,
-door de eieren vastgehecht aan de oppervlakte van het lichaam gedurende
-eenige weken mede te voeren. De meeste evenwel leggen hunne eieren
-eenvoudig in het water en bekommeren zich er niet verder om. Bij
-koud weer of op hoog gelegen plaatsen heeft de gedaantewisseling veel
-langzamer plaats dan gewoonlijk en wordt hiervoor soms een tweemaal
-zoo lange tijd vereischt. Hetzelfde verschijnsel wordt opgemerkt bij
-larven, die in een kleinen waterbak geplaatst zijn en niet genoeg
-voedsel krijgen.
-
-Reeds lang hebben de inheemsche leden der Kikkerfamilie voor
-wetenschappelijke proeven gediend; in den regel stond hun vangst dan
-met een doodvonnis gelijk. Een beter lot valt hun ten deel, als zij
-gevangen worden ten behoeve van de liefhebbers van dieren, die sedert
-eenigen tijd begonnen zijn ook Kikvorschen in de kooi te houden; voor
-tropische vormen worden woningen ingericht, die alle mogelijke gemakken
-aanbieden; door goede behandeling geraken zij na korten tijd even goed
-aan hun verzorger gewoon als de bekende weerprofeet, de Boomkikker.
-
-
-
-"Brèkèkè!--brèkèkè brèkèkè!--koax toeoe!--brèkèkè brèkèkè!--brèkèkè
-koearr brèkèkè toeoe!--brèkèkè brèkèkè brèkèkè--brèkèkè brèkèkè brèkèkè
-brèkèkè!--koax koax! toeoe toeoe! brèkèkè toeoe!--brèkèkè brèkèkè!
-
-
- "Wanneer de maan haar' stralen schiet
- Klinkt uit den plas het kikkerlied,"
-
-
-dat, naar het mij voorkomt, evenzeer bij den lentenacht behoort
-als het lied van den Nachtegaal, al beweert Oken, dat men zich
-voorstellen kan bij een gekkenhuis te staan, als men in de nabijheid
-van een kikkersloot komt. Een onverholen vroolijkheid spreekt uit deze
-eenvoudige klanken; hoe rauw zij ieder voor zich ook schijnen te zijn,
-is er duidelijk overeenstemming in op te merken. "Brèkèkè" roept
-de voorzanger van het geheele gezelschap en alle overige luisteren
-zwijgend, om in het volgende oogenblik met dezelfde strophe of met
-het doffe "koearr" in te vallen en op de van ouds bekende wijze voort
-te kwaken. Zoodra de koele schemering aanvangt, wordt het gekwaak
-algemeen; met meer volharding dan eenig ander nachtelijk lied wordt het
-voortgezet; eerst tegen den morgen vermindert het rumoer in de plassen,
-hoewel af en toe een enkele zanger, als 't ware onder den indruk van de
-zalige herinnering aan de wijze waarop hij zich van zijn taak gekweten
-heeft, niet nalaten kan een half ingehouden "koearr" te laten hooren.
-
-Onze Groene Kikvorsch of Waterkikker, ook wel Kwaker, in Zeeland Puje,
-in Friesland Froask genoemd (Rana esculenta), is een van de waardigste
-vertegenwoordigers van zijn geslacht, dat in 140 soorten over de
-geheele wereld verbreid is. Deze hebben alle een dwarsgerichte pupil
-van eivormige gedaante, een slechts van voren vastgehechte, overigens
-vrije, van achteren in twee slippen eindigende tong; de tanden van
-de ploegschaarbeenderen vormen aan het gehemelte twee symmetrische
-groepen tusschen de achterste neusopeningen; het trommelvlies is
-meestal duidelijk zichtbaar; de vingers van de voorvoeten zijn
-niet met zwemvliezen voorzien; de duim kan niet tegenover de andere
-vingers gesteld worden; de teenen van de achtervoeten hebben volkomen
-zwemvliezen; duidelijke opzwellingen komen aan de gewrichten voor;
-het mannetje heeft meestal twee keelzakken, die opgeblazen worden om
-het geluid te versterken.
-
-De Groene Kikvorsch bereikt (zonder de 10 à 11 cM. lange achterpooten)
-een lengte van 6 à 8 cM. en wordt soms misschien nog wel iets
-grooter. De bovendeelen zijn op fraai groenen grond geteekend met
-zwarte vlekken en met drie gele, overlangsche strepen: één over het
-midden van den rug en één op elke zijde. Twee zwarte strepen komen aan
-iedere zijde van den kop voor. De onderdeelen zijn wit of geelachtig;
-de achterdeelen zwart en geel gemarmerd. Na het eierenleggen vertoonen
-de kleuren de meeste frischheid, later worden zij soms lichter,
-soms donkerder en verkrijgen in mindere of meerdere mate een bruine
-of grijze tint; ook heeft soms de eene, soms een andere teekening de
-overhand, daar de overlangsche strepen meer of minder duidelijk kunnen
-zijn. De groote oogen hebben een helder gelen ring; hun uitdrukking
-is schrander en opgewekt. Een grootere verscheidenheid--de Meerkikker
-(Rana esculenta, var. ridibunda)--heeft een lichaamslengte van 10
-à 11 cM., zonder de 14 à 16 cM. lange achterpooten; de achterdeelen
-zijn olijfkleurig of groenachtig wit en donker olijfkleurig gemarmerd.
-
-De Groene Kikvorsch bewoont, behalve Europa, ook het noordwesten van
-Afrika en een groot deel van West-Azië. Overal waar hij voorkomt,
-is hij zeer talrijk; men zou dit kunnen toeschrijven aan neiging tot
-gezelligheid; de ware reden hiervoor is waarschijnlijk gelegen in
-zijn buitengewoon snelle vermenigvuldiging; in iederen vijver, waar
-een paartje zich vestigt, krioelt het weldra van nakomelingen. Over
-'t geheel genomen zeer gemakkelijk te bevredigen, stelt de Waterkikker
-toch bepaalde eischen aan het water, dat door hem tot woonplaats
-wordt gekozen. Hoewel hij slechts in weinige wateren ontbreekt,
-vindt men hem in grooten getale slechts in die, welke langs de oevers
-met hoog gras en biezen begroeid en in het midden met waterplanten
-(bij voorkeur drijvende) bedekt zijn. Hij vestigt zich ook nog wel in
-water dat eenigszins brak is, maar toont zich van zoute meren meren
-niet minder afkeerig dan van de zee. Kleine, met struikgewas omgeven
-plassen, over welker waterspiegel de plompen zich uitbreiden, sloten,
-die, althans gedurende het grootste deel van 't jaar, water bevatten,
-zijn de liefste verblijfplaatsen van den Groenen Kikker; daarna
-komen poelen, broeklanden en moerassen in aanmerking, in het zuiden
-vooral ook de rijstvelden, daar deze lang met water bedekt moeten
-worden gehouden en, evenals de vijvers, den door hem begeerden buit
-in overvloed bevatten. In zulke wateren merkt men hem duidelijk op,
-niet slechts met de oogen, maar ook met de ooren. Daar hij veel van
-warmte houdt, tracht hij van iedere zonnestraal partij te trekken
-en vertoont zich daarom over dag geregeld aan de oppervlakte,
-waar hij, den kop boven den waterspiegel houdend en de kolossale
-zwemvoeten wijd uitspreidend, op dezelfde plaats blijft drijven,
-of zoo gemakkelijk mogelijk op het breede blad van een waterplant,
-een drijvend stuk hout, een boven 't water uitstekenden steen, een
-rotsblok aan den waterkant of een dergelijk plaatsje zittend, zwelgt
-in het genot, dat de zonnewarmte hem verschaft. Wanneer er geen
-stoornis komt, blijft hij den halven dag hier zitten, zonder zich
-te bewegen. Door de een of andere oorzaak opgeschrikt, of door een
-gemakkelijk verkrijgbaren buit verlokt, gaat hij met een kolossalen,
-soms wel 1 M. verren sprong te water, zwemt met krachtige slagen van
-de achterpooten tusschen den waterspiegel en den bodem voort, in 't
-eerstgenoemde geval een flauw hellende lijn volgend tot in den modder,
-waarin hij zich verbergt. Nooit blijft hij in de veilige diepte langer
-dan zijns inziens volstrekt noodig is; na een korte rust verlaat hij
-zijn schuilplaats, roeit langzaam weg, zwemt naar de oppervlakte,
-steekt den kop er boven, wendt de heldere oogjes in alle richtingen
-en tracht zijn vorige plaats terug te vinden. Als de avond valt, of
-nadat een regenbui de lucht heeft afgekoeld, komt de geheele bevolking
-van den plas bijeen, bij voorkeur op een zekeren afstand van den oever
-tusschen de planten en begint nu een van hare alom bekende, muzikale
-uitvoeringen. Zoo gaat het iederen dag van het midden van April tot
-het midden, hoogstens tot het einde van October; dan is het voor onze
-Kikkers tijd om op den bodem van het water, in het slijk of in een
-hol een winterkwartier op te zoeken. Reeds in Zuid-Europa verschijnen
-zij veel vroeger en verdwijnen later; in Noord-Afrika houden zij op
-plaatsen, waar de plassen niet uitdrogen, geen winterslaap meer, maar
-behouden gedurende het geheele jaar nagenoeg dezelfde levenswijze;
-alleen in den paartijd komt er eenige verandering in hun gedrag;
-dan zijn zij levendiger en kwaken met meer volharding dan gewoonlijk.
-
-De Groene Kikvorsch is niet van talenten ontbloot; zijne bewegingen
-getuigen van kracht en behendigheid, uit zijne handelingen blijkt eenig
-verstand. Evenals de meeste van zijne verwanten, beweegt hij zich op
-het land nooit anders dan springend; de sprongen die hij doet, zijn
-zeer groot en worden met verrassende behendigheid geregeld. Bij het
-zwemmen werken alleen de achterpooten; op een zekeren afstand onder
-den waterspiegel is zijn beweging snel; in de bovenste waterlaag haast
-hij zich niet. Door de achterpooten krachtig te strekken kan hij zich
-echter ook tot op eenigen afstand boven de oppervlakte verheffen,
-hetzij om een voorbij gonzend Insect buit te maken of om een boven
-de waterlijn gelegen rustplaats te bereiken. Zijne zintuigen staan
-op een hoogen trap van ontwikkeling. Zijn gezichtskring strekt zich
-tamelijk ver uit, zooals het goed gevormde, fraaie oog reeds doet
-vermoeden; zelfs kleine voorwerpen worden op korten afstand duidelijk
-waargenomen. Bij zijne avondconcerten geeft hij zulke duidelijke
-bewijzen van een goed gehoor, dat er aan de ontwikkeling van dit
-zintuigelijk vermogen niet valt te twijfelen. De reukzin ontbreekt
-stellig niet; alleen over het gevoel en den smaak kan verschil van
-meening bestaan, omdat men over de volkomenheid van deze vermogens
-moeielijk kan oordeelen. Van zijn verstand kan men zich gemakkelijk
-overtuigen door hem geruimen tijd achtereen na te gaan. Ook zijn
-handelwijze verschilt al naar de omstandigheden. Op plaatsen waar
-niemand hem stoort, wordt zijn argeloosheid zoo groot, dat men hem tot
-op een voet afstands kan naderen, voordat hij met geweldige sprongen
-het hazenpad kiest. Vervolgingen maken hem schuw, nopen hem veel
-eerder dan gewoonlijk de vlucht te nemen; zelfs te midden van een niet
-al te groot water duikt hij onmiddellijk naar de diepte, zoodra een
-hem welbekende vijand zich aan den oever vertoont. Oude Kikvorschen
-zijn altijd voorzichtiger dan jonge en worden ook, gelijk Zoogdieren
-en Vogels met rijpe ervaring, waarschuwers voor hunne minder vaak
-beproefde soortgenooten, voor zoover deze schrander genoeg zijn om
-in te zien, dat zij niets beters kunnen doen dan de wijste leden van
-hun geslacht na te volgen. Ook voor dieren, die jacht op hen maken,
-nemen zij zich in acht; de bewoners van plassen, die geregeld door
-den Ooievaar bezocht worden, vluchten bij de komst van dezen Vogel
-even haastig als bij de nadering van een mensch. Niet zelden vangen
-zij hun buit met een zekere list; zij bespieden hem als een roofdier,
-zwemmen zachtjes onder water naderbij en schieten er plotseling op
-toe; ook weten zij zeer goed, wat hun te doen staat, als een door
-hen gevangen dier moeilijk te bedwingen is. In de gevangenschap
-bedraagt de Groene Kikvorsch zich in 't eerst zeer onbehoorlijk,
-knort, mort en springt in 't rond, alsof hij zinneloos is. Vooral
-wanneer men hem buiten het water houdt, leert hij langzamerhand zijn
-verzorger kennen en vat genegenheid op voor den pot met Meelwormen,
-toont mettertijd ook eenige genegenheid aan zijn meester, neemt het
-voedsel aan, dat deze hem voorhoudt, laat zich in de hand nemen en
-ronddragen, zonder pogingen te doen om te ontvluchten en verwaardigt
-zich ten slotte ook om, in plaats van levende dieren, het een of
-andere surrogaat als voedsel te gebruiken.
-
-Zijn grootte in aanmerking genomen is de Groene Kikvorsch een flinke
-roover. Hij eet geen anderen buit dan die, welke door hem zelf
-verworven is en geen andere dan levende dieren; een wezen, dat zich
-niet beweegt, verlokt hem niet tot een sprong. Terwijl hij rustig
-zit, let hij op al wat er in zijn omgeving voorvalt en loert als
-'t ware op buit; zoodra er een in de nabijheid komt, springt hij er
-op af, werpt de tong buiten den bek en verzwelgt het op deze wijze
-gevangen slachtoffer. In den regel zijn Insecten (ook Angeldragende
-Vliesvleugeligen), voorts Spinnen en Slakken de hoofdbestanddeelen van
-zijn maal; hierdoor bewijst hij ons een grooten dienst; zijn vraatzucht
-verleidt hem echter ook wel tot rooverijen, die wij hem niet kunnen
-vergeven. Eerst als de lente werkelijk ingetreden is, veel later dus
-dan de Gras- en de Boomkikker, vangen de voortplantingsverrichtingen
-van den Waterkikker aan, zelden voor het einde van Mei, meestal eerst
-in Juni. De eieren zijn lichtgeel, gedeeltelijk echter grijsgeel,
-worden bij hun beweging door den eileider met een geleiachtige massa
-omhuld, zakken bij het leggen op den bodem en blijven er. Zij zijn
-iets kleiner dan die van den Graskikker en zelfs dan die van den
-Boomkikker, maar talrijker; soms legt één wijfje er wel 1000; als
-de weersgesteldheid in den tijd van 't leggen der eieren gunstig
-is, worden hieruit zoovele larven geboren en ontwikkelen deze zich
-zoo voorspoedig, dat er geen gevaar bestaat voor het uitsterven
-der soort. Reeds op den 4en dag na het leggen beweegt zich de kiem,
-aan het einde van den 5en of 6en barst het eitje open en ziet men de
-grijsgele larve, die nu 1 mM. lang is, trillend het lichaam krommen
-en kort daarna ook zwemmen. Aan het einde van de 3e week zijn reeds
-longen aanwezig en is het kieuwdeksel zoo ver ontwikkeld, dat er voor
-het afvoeren van het ademhalingswater slechts een kleine kieuwspleet
-overblijft. Aan het einde van de 3e week zijn de achterpooten duidelijk
-zichtbaar. Als de larve ruim een maand oud is, heeft zij een lengte
-van 6 à 7 cM. bereikt; de 4 ledematen zijn dan volkomen ontwikkeld. De
-lengte van den staart overtreft echter nog altijd die van den romp; dit
-bewegingsorgaan is zijdelings samengedrukt en met een zeer breeden zoom
-voorzien; het begint nu in te krimpen en verdwijnt eindelijk geheel,
-zonder dat hiermede een merkbare vergrooting van den romp gepaard
-gaat: na de gedaantewisseling schijnt het dier zelfs kleiner te zijn
-dan het als larve was; het is nu ongeveer 4 maanden oud. Eerst in het
-5e levensjaar heeft de Groene Kikvorsch zijn gewone grootte bereikt;
-ook dan echter is zijn groei nog niet geheel afgeloopen.
-
-De meeste Groene Kikvorschen sterven niet aan ouderdomskwalen,
-maar komen om 't leven door de tanden, de klauwen of den snavel
-van een roofdier. Buitengewoon groot is hun weerstandsvermogen, hun
-taaiheid. Zij kunnen niet, zooals men vroeger meende, in ijsklompen
-vastvriezen en door het ontdooien van het ijs uit den schijndooden
-toestand opgewekt worden, maar wel gedurende geruimen tijd droogte
-verduren; hiervan leveren zij trouwens alleen in zuidelijke landen
-de bewijzen, daar zij in 't noorden in dergelijke omstandigheden
-zich naar een ander water zouden begeven. Zelfs zware kwetsuren
-genezen bij hen spoedig; de vreeselijkste verminkingen veroorzaken
-eerst na verscheidene uren den dood. Onze Groene Kikvorschen worden
-onophoudelijk vervolgd door allerlei roofdieren. De Vos, de Vischotter,
-de Bunzing en de Waterrat maken jacht op hen; zij worden de prooi
-van Schreeuwarenden, Slangenarenden en Buizerden, van de Raven en
-hunne verwanten, van Ooievaars en Reigers; zij dienen tot voedsel
-aan Forellen, Snoeken en vele andere roofvisschen; het opnoemen van
-al hunne vijanden zou ons te lang ophouden. Hier te lande wordt hun
-te sterke vermenigvuldiging tegengegaan, doordat bij 't slatten
-der slooten de uit het water gehaalde eierenhoopen op het droge
-omkomen. Reeds in Zuid-Duitschland echter en in geheel Zuid-Europa
-wordt ijverig jacht op hen gemaakt, omdat men kikkerboutjes te recht
-voor een smakelijk, gezond en voedzaam gerecht houdt. Vooral in den
-herfst, als deze dieren het vetst zijn, worden zij in grooten getale
-op zeer verschillende wijzen, met hengels, pijlen en netten gevangen.
-
-
-
-De Graskikker, Landkikker of Bruine Kikvorsch (Rana temporaria,
-R. fusca), die, evenals de vorige soort, in Zeeland Puje, in Friesland
-Froask wordt genoemd, kan even groot worden als deze, maar verschilt er
-zoozeer van door lichaamsbouw, kleur en levenswijze, dat niemand hem
-er mede kan verwarren. De bovendeelen zijn op bruinen of roodbruinen
-grond met donkerbruine of zwarte vlekken, de slapen met een donkeren,
-overlangschen veeg geteekend, de pooten met donkere dwarsstrepen
-voorzien, de borst en de buik bij het mannetje, zoowel als bij het
-iets grootere wijfje, op lichten grond roodbruin gevlekt of gemarmerd.
-
-Noord- en Middel-Europa, van Noord-Spanje en Engeland tot Finland,
-Europeesch Rusland en Skandinavië tot aan de Noordkaap, voorts
-de noordelijke en gematigde gewesten van Azië zijn het vaderland
-van den Graskikvorsch; men vindt hem nog in bergstreken van 2250
-M. hoogte, b.v. op den Grimsel, naast het hospitium, en in de hooge
-Alpenmeren op den St. Gotthard, hoewel het ijs deze meren dikwijls
-nog in Juli bedekt. In vlakke streken vindt men, behalve 's winters,
-de Bruine Kikkers slechts gedurende den paartijd in 't water; in de
-hooge bergstreken daarentegen vervangt deze soort in zekeren zin den
-Waterkikvorsch en verlaat zij het water nagenoeg niet meer na een
-uitstapje, dat in de prille jeugd plaats heeft. Van alle Vorschen
-ontwaakt de Bruine het eerst uit den winterslaap; nog voordat het
-water vrij is van ijs, komt hij te voorschijn; zijne jongen hebben het
-ei reeds verlaten, voordat een zijner verwanten eieren gelegd heeft;
-daar zijne larven zich sneller ontwikkelen dan die der andere Vorschen,
-is het hem mogelijk zich blijvend te vestigen in oorden, waar de zomer
-slechts weinige weken duurt. Zijne eieren zijn grooter, doch minder
-talrijk dan die van den Groenen Kikvorsch; bij het leggen zinken zij
-naar den bodem; hier vult het geleiachtig eihulsel zich met water;
-daardoor stijgen de eieren weer naar de oppervlakte en vormen groote,
-dichte, slijmerige klompen (kikkerrit). Wegens de lage temperatuur
-in Maart ontwikkelen zij zich langzaam. Eerst 14 dagen na het leggen
-kan men de larve in het ei duidelijk waarnemen; 3 of, bij ongunstige
-weersgesteldheid, 4 weken later komen zij uit en zwemmen rond, maar
-keeren van tijd tot tijd naar het kikkerrit terug, waarschijnlijk om
-zich met deze slijmerige massa te voeden. Daarna heeft de ontwikkeling
-van de larven schielijker plaats, want reeds binnen 3 maanden zijn zij
-volkomen Kikvorschen geworden. Deze verlaten het water en doen dit,
-als de omstandigheden gunstig zijn, bij groote troepen te gelijk,
-hetgeen den grond gelegd heeft tot de oude sage van den kikkerregen.
-
-Nu begint de jonge Graskikker hetzelfde leven als zijne ouders. In
-tegenstelling met den Waterkikvorsch, zwerft hij dikwijls op grooten
-afstand van 't water rond: op weiden en in tuinen, op bouwland en in
-bosschen, in het struikgewas en op dergelijke plaatsen,--verschuilt
-zich op warme dagen onder steenen, boomwortels, in gaten van den
-grond en andere schuilhoeken, waaruit hij te voorschijn komt, als
-de schemering aanvangt, om zich met de jacht bezig te houden. Daar
-hij allerlei Insecten, naakte Aardslakken en dergelijke kleine dieren
-vangt, brengt zijn werkzaamheid ons voordeel aan, waarschijnlijk veel
-meer dan men denkt. Bij hunne omzwervingen verplaatsen de Graskikkers
-zich gewoonlijk met kleine sprongen, doorsnuffelen de omgeving, blijven
-loerend stilzitten, zoodra zij een Insect bespeuren en wachten den
-begeerden buit veeleer af dan dat zij hem opzoeken. Met pijlsnellen
-sprong schieten zij toe, als het slachtoffer dicht bij hen gekomen is,
-werpen de kleverige tong naar buiten en slikken het hiermede gegrepen
-dier onmiddellijk door. Dat hierbij wel degelijk onderscheid wordt
-gemaakt tusschen de eene soort en een andere, blijkt o.a. uit het feit,
-dat zij Bijen verzwelgen, maar Wespen onmiddellijk weer uitspuwen.
-
-In één opzicht staan de Graskikkers ver achter bij hunne groene
-neven: zij zijn minder muzikaal. Slechts nu en dan hoort men van hen
-een geknor of gebrom, dat uit veel minder volle tonen bestaat dan
-het gezang der Waterkikvorschen en door de wijfjes bijna even goed
-voortgebracht wordt als door de mannetjes.
-
-Meer dan eenige andere Vorsch heeft de Graskikker te lijden van zijne
-vijanden. In ieder ontwikkelingstijdperk, in het water en op het land,
-staat hij bloot aan de vervolging van groote en kleine roofdieren;
-hunne aanvallen houden eerst op, nadat hij tegen het einde van October
-zijn winterkwartier in den modder heeft betrokken. Bij deze legioenen
-van vijanden voegt zich ook de mensch; meer nog dan de Groene wordt de
-Bruine Kikker ter wille van zijne gevleeschte achterboutjes gevangen
-en om 't leven gebracht. Hoewel duizenden op deze wijze sneven,
-vermindert gelukkig het aantal dezer nuttige dieren niet of althans
-niet merkbaar: een gunstige lente vergoedt het verlies van een tiental
-voorafgaande jaren.
-
-
-
-Eerst in den laatsten tijd is men beter bekend geworden met den
-Veldkikker (Rana arvalis), die veel op de vorige soort gelijkt en
-er vroeger mede vereenigd werd. Bij den Veldkikker is de snuit een
-weinig spitser en steekt merkbaar voor het uiteinde van de onderkaak
-uit, hetgeen bij de vorige soort in zeer geringe mate het geval
-is. Bij gene is het voorhoofd breeder en zijn de oogen dus verder
-van elkander verwijderd. Het zwemvlies van de achterpooten, dat bij
-den Graskikker volledig is, is bij zijn naasten verwant onvolledig en
-dun. Bij dezen is de knobbel aan den hiel stevig en hard, bij genen
-zwak en teer. Bij den Veldkikker is de buikzijde altijd ongevlekt
-en wordt het midden van den rug dikwijls ingenomen door een breede,
-lichte, geelachtige of roodachtige, aan de zijden zwart begrensde,
-overlangsche streep. Lengte 5 à 6.5 cM.
-
-De Veldkikker bewoont vooral de noordelijke landen van Europa;
-de oorden van Middel-Europa, die men als verblijfplaatsen van deze
-soort heeft leeren kennen, bestaan meestal uit veengrond, moerassen
-en vochtige heidestreken, waar zonnedauw, dopheide, duivelsmelk
-(Euphorbia palustris) en dergelijke planten welig groeien. In ons
-land werd deze soort tot dusver alleen bij Apeldoorn aangetroffen,
-hoewel het vrij zeker schijnt, dat zij ook in vele streken van onze
-oostelijke provinciën niet zal ontbreken (Ritzema Bos). Dikwijls
-verkeert zij in gezelschap van den Waterkikker en den Graskikker.
-
-
-
-De Europeesche Kikvorschen zijn dwergen in vergelijking met sommige van
-hunne verwanten uit Noord- en Middel-Amerika en Indië, die bovendien
-over een veel luidere stem beschikken. De Noord-Amerikaansche
-Kikvorsch, die in deze beide opzichten het meest uitmunt, wordt
-vergeleken met een Zoogdier, dat zich meer vrienden heeft verworven
-door zijn forschen lichaamsbouw dan door zijne muzikale gaven. De
-Bulkikvorsch, de Bullfrog der Anglo-Amerikanen (Rana Catesbyana,
-R. mugiens), bereikt een lengte van 17 à 19 cM. zonder de achterpooten,
-die 24 cM. lang kunnen worden. Zijn bovenzijde is op olijfbruinen grond
-met groote, donkerbruine of zwarte wolkachtige vlekken geteekend;
-de geelachtig witte onderzijde is soms effen van kleur, doch vaker
-bruin gemarmerd; het oog heeft een roodachtige iris met gelen rand.
-
-Het verbreidingsgebied van den Bulkikvorsch omvat het geheele Oosten
-van Noord-Amerika, van Nieuw-York tot Nieuw-Orleans; het schijnt
-echter, dat hij nergens in zoo grooten getale voorkomt als onze
-Waterkikvorsch, misschien om de zeer geldige reden, dat het noodige
-voedsel voor zulk een heirleger van vraatzuchtige wezens moeielijk te
-vinden zou zijn. Hoewel dit dier alle oostelijke Vereenigde Staten
-bewoont, is het toch, volgens Audubon, in het zuiden veel talrijker
-dan in het noorden. Gewoonlijk vindt men het bij heldere, dicht met
-struikgewas overschaduwde stroomen. Hier zit het in de middaguren
-behaaglijk in het zonnetje en houdt zich, even als zijne verwanten,
-dicht genoeg bij het water op, om bij dreigend gevaar (en in den regel
-als het nog ver af is) met één kolossalen sprong het natte element te
-kunnen bereiken; hier duikt het meestal naar den bodem en zwemt naar
-den tegenovergestelden oever. Zijn stem is luider dan die van eenigen
-anderen Kikvorsch en, naar bericht wordt nog hoorbaar op een afstand
-van verscheidene Engelsche mijlen; in de zuidelijke staten hoort
-men haar gedurende het geheele jaar, hoewel hoofdzakelijk in lente-
-en zomermaanden, in de noordelijke slechts des zomers en, zooals te
-verwachten is, vooral gedurende den paartijd. Volgens geloofwaardige
-mededeelingen komen dan minstens eenige honderden reusachtige brullers
-bijeen, welker ijver in het voortbrengen van geluiden niets te wenschen
-overlaat; evenals hunne Europeesche verwanten loeien zij onverpoosd
-gedurende den geheelen nacht; teergevoelige menschen, die bij de oevers
-van een door hen bewoond water gevestigd zijn, worden hierdoor nagenoeg
-tot vertwijfeling gebracht. De Amerikanen bootsen de zware, heesche
-basstem van dezen Kikvorsch na door de woorden "more rum" (meer rum) of
-"brwoem." Na het leggen van de eieren verspreiden de Kikvorschen zich
-weer eenigszins en keeren naar hunne gewone verblijfplaatsen terug.
-
-De Bulkikvorsch geeft duidelijke bewijzen van vraatzucht aan
-iederen boer in zijn vaderland. Hoewel zijn voornaamste voedsel
-uit Insecten, Land- en Zoetwaterslakken bestaat, bepaalt hij
-zich niet tot dezen buit, indien er een andere te krijgen is,
-maar valt moordzuchtig aan op ieder levend wezen, dat hij meent te
-kunnen overmeesteren. Soortgelijke rooverijen als onze Waterkikkers
-soms beproeven, plegen zij herhaaldelijk met goed gevolg: kleinere
-Vorschen worden gretig ingeslikt, jonge Eenden gedurende het zwemmen
-van onderen aangegrepen, naar beneden gesleurd en nadat zij verdronken
-zijn, verzwolgen; het kuikentje, dat zich onvoorzichtig te dicht bij
-den oever heeft gewaagd, wordt onverhoeds besprongen, gegrepen, naar
-een veilige diepte vervoerd en verslonden, nog voordat de klokhen,
-die met overeindstaande veeren haar kind te hulp snelt, den waterkant
-heeft kunnen bereiken. De plattelandsbewoners verzekeren, dat de
-Bulkikvorsch onder de jonge Watervogels meer slachtoffers maakt dan
-de Mink en zijne verwanten. Zelf wordt hij het slachtoffer van zijn
-vraatzucht, als de hengelaar hem verschalkt met een lokaas; hiernaar
-hapt hij even gretig als vroeger naar het kuikentje, voor welks dood
-hij nu moet boeten door het verlies van zijne achterpooten, die de
-grondstof leveren voor een zeer smakelijk gerecht. Men vangt deze 300
-gram zware Kikvorsch niet slechts met den hengel, maar ook in netten
-en vallen en zelfs met het geweer: hij is wel een schot hagel waard.
-
-Op zijn lekker vleesch zijn, behalve de mensch, ook allerlei groote
-roofdieren, vooral Visschen, belust. Voor de vangst van een Haai is
-er, naar men zegt, geen beter lokaas dan een Bulkikvorsch.
-
-In den laatsten tijd worden levende Vorschen van deze soort niet
-zelden naar Europa overgevoerd en hier door dierenliefhebbers verzorgd.
-
-
-
-"Een van de zonderlingste en merkwaardigste Amphibiën," zegt Wallace,
-"die ik op Borneo aantrof, was een groote, in boomen levende
-Kikvorsch. De Chineesche werkman, die dit dier bracht, verzekerde
-mij, dat hij het in schuinsche richting van een hoogen boom had zien
-afdalen, alsof het vloog. Bij nader onderzoek zag ik zeer lange teenen,
-tot aan de spits saam verbonden door vliezen, welke in uitgespreiden
-toestand een veel grootere oppervlakte hebben dan het lichaam. De
-vingers van de voorpooten zijn eveneens door vliezen vereenigd; de
-romp kan sterk opgeblazen worden. De rug en ledematen hebben een
-iriseerende, donkergroene kleur, de pooten donkere dwarsstrepen,
-de onderdeelen en buigzijde der teenen zijn geel, de vliezen zwart
-met gele strepen. De lengte van het lichaam was omstreeks 10 cM.,
-de oppervlakte van de volkomen uitgespreide vliezen van iederen
-achterpoot ongeveer 28 en die van de vliezen van alle pooten te zamen
-genomen ongeveer 84 cM2. De uiteinden van de teenen zijn verbreed
-en met hechtschijven voorzien, zooals bij de Boomkikvorschen. Dit
-is het eerste, mij bekende voorbeeld van een Vliegenden Kikvorsch;
-het verdient in hooge mate ieders aandacht, omdat hieruit blijkt,
-dat de neiging der teenen om veranderingen te ondergaan, die bij
-andere soorten organen voor het zwemmen en klimmen heeft opgeleverd,
-aanleiding kan geven tot wijzigingen, die een Amphibie in staat
-stellen om zich als een Vliegende Eekhoorn of een Vliegende Hagedis
-door de lucht te bewegen".
-
-De door Wallace bedoelde soort is de Vliegende Kikvorsch van Borneo
-(Rhacophorus pardalis), evenals de hierboven afgebeelde, Javaansche
-soort, een vertegenwoordiger van het geslacht der Roeivorschen
-(Rhacophorus). Behalve in Zuid- en Oost-Azië werden ook op Madagaskar
-soorten van dit geslacht aangetroffen. Door hun inwendig samenstel
-komen deze Amphibiën volkomen overeen met de Waterkikkers, hoewel hun
-uiterlijk meer aan de Boomvorschen herinnert en zij, evenals deze,
-op boomen en struiken leven.
-
-
-
-De Vrijborstigen (Arcifera) zijn veel talrijker dan de Stijfborstigen;
-de samenstelling van den schoudergordel en van het borstbeen laat
-bij hen een verschuiving der beenderen in het midden van de borst
-toe. Sommige leden van deze groep hebben spits eindigende teenen,
-die hetzij door zwemvliezen aaneenverbonden, of hiervan verstoken
-zijn; gene leven meer in het water, deze meer op het land; voorts
-vindt men er echte gravende dieren bij en eindelijk ook Vorschen,
-die door het bezit van hechtschijfjes aan de toppen van de vingers
-en teenen uitmuntend geschikt zijn voor het klimmen.
-
-
-
-De eerste familie, die der Cystignathen (Cystignathidae), komt,
-behalve door den bouw van den schoudergordel en van de vingers en
-teenen, geheel met de familie der Watervorschen overeen, die zij in
-een groot deel van Zuid-Amerika en in geheel Australië vervangt.
-
-
-
-Een kleine, op boomen levende, West-Indische Kikvorsch, die slechts
-4 cM. lang wordt, de Antillenvorsch (Hylodes martinicensis), trekt
-vooral door zijn zeer eigenaardige ontwikkelingsgeschiedenis onze
-aandacht. Hij vertegenwoordigt het geslacht der Bladvorschen (Hylodes),
-dat zich kenmerkt door de T-vormige gedaante van het laatste lid der
-niet door zwemvliezen vereenigde vingers en teenen en door het gemis
-van oorklieren. Op grijsachtig witten grond vertoont de rugzijde een
-uit bruine vlekken samengestelde teekening. De op Martinique ontdekte
-soort werd ook op andere Antillen aangetroffen en is overal onder
-den naam Coqui bekend. Van haar levenswijze weet men niets. De door
-een schuimmassa omhulde eieren van dit diertje vindt men ten getale
-van 20 à 30 op landplanten. Elk ei is een doorzichtig blaasje van
-4 à 5 mM. middellijn, aanvankelijk gevuld met een witachtigen of
-stroogelen dooier, waaruit zich het jong ontwikkelt, dat na 10 à 12
-dagen zijn vliezig omhulsel verlaat en dan van mond tot aars gemeten 5
-mM. lang is. Tot aan dien tijd was het door een waterheldere vloeistof
-omgeven. De gedaantewisseling is zeer vereenvoudigd: kieuwen worden
-in het geheel niet gevormd; alleen het staartje, dat op 't oogenblik
-voor de geboorte nog 1.8 mM. lang is, maar reeds in den loop van den
-eersten dag verdwijnt, herinnert aan den larvetoestand der overige
-Kikvorschen. De voorste en de achterste ledematen komen, naar het
-schijnt, gelijktijdig voor den dag.
-
-
-
-Van de overige Amerikaansche leden der familie zijn vooral de Gehoornde
-Kikvorschen (Ceratophrys) merkwaardig, zoowel door hun grootte
-en eigenaardigen vorm als door hun fraaie kleur en teekening. Hun
-buitengewoon groote, breede kop prijkt met twee op hoornen gelijkende
-uitwassen van de bovenste oogleden.
-
-De tropische gewesten van Zuid-Amerika, van Panama tot aan de
-La-Plata-rivier, zijn het vaderland van deze dieren, die door hun
-gedrongen vorm op Padden gelijken. Op moerassige plaatsen in de
-Braziliaansche oerwouden, van Bahia tot Rio de Janeiro, leeft de
-Itannia (Ceratophrys cornuta), een van de prachtigste leden zijner orde
-en tevens de grootste van zijn geslacht; hij wordt 15 à 20 cM. lang. De
-bovendeelen zijn met breede, overlangsche strepen geteekend: bij
-het mannetje hoog geel, roodbruin en zwartbruin, bij het wijfje
-groen. Zijn bek is zoo groot, dat hij een jonge kip verzwelgen kan;
-Muizen, Kikvorschen, Slakken en andere kleine dieren maken zijn voedsel
-uit. Vooral 's avonds hoort men zijn luide, krassende, eentonige stem.
-
-
-
-Er is geen diergroep, welker leden van oudsher meer lijden onder
-den algemeenen afschuw der menschen, van hen een onmeedoogender
-en onrechtvaardiger behandeling ondervinden, dan de familie der
-Padden. Hoe gering de gemeenschap van denkbeelden ook is tusschen
-menschen, die op beschaving aanspraak maken en onbeschaafden,
-tusschen hen die verschillende deelen van de wereld bewonen of tot
-verschillende rassen en stammen behooren, door hun afkeer van de
-Padden, door de blinde woede waarmede zij deze niet slechts volstrekt
-onschadelijke, maar zelfs hoogst nuttige dieren vervolgen en dooden,
-komen zij onderling volkomen overeen. Geen van hen, die de bekende
-beschuldigingen tegen de Padden aan den man brengen, heeft zich ooit
-de moeite gegeven, de zaak, waarover hij bazelt, nader te onderzoeken,
-geen van hen heeft op de levenswijze van deze dieren gelet, in een
-goed boek hun levensgeschiedenis gelezen, of althans het gelezene
-begrepen. Op ieder, die dit wel gedaan heeft, rust de plicht juistere
-denkbeelden te verspreiden.
-
-De Padden (Bufonidae) onderscheiden zich van de tot dusver beschrevene
-Vrijborstigen door het volslagen gemis van tanden; andere kenmerken
-zijn haar plompe, ineengedrongene gestalte, hare dikke, logge,
-nagenoeg gelijk lange pooten en haar huid, die rijk aan klieren en
-met wratten bedekt is.
-
-De meeste Padden leven op het land, slechts weinige brengen het
-grootste deel van haar leven in 't water door. Vele van die, welke
-het land bewonen, kunnen uitmuntend graven; de Mexicaansche Neuspad
-(Rhinophrynus dorsalis) kan zelfs doordringen in de woningen der
-Termieten, waarmede zij zich voedt; enkele houden zich, evenals de
-Boomkikvorschen, in de boomen op.
-
-De Padden bewonen alle werelddeelen, de warme gewesten, zooals te
-begrijpen is, in grooteren getale dan de koudere, houden zich voor
-'t meerendeel slechts gedurende den tijd van het eierenleggen in
-'t water op en zijn volslagen nachtdieren, die over dag slechts bij
-uitzondering buiten hun schuilhoek rondzwerven. Door hare bewegingen
-staan zij achter bij de Vorschen en de Vorschpadden, daar zij meer
-strompelen dan springen; ook zwemmen zij slecht en schijnen daarom
-plomp en traag, hoewel zij, strikt genomen, dit niet zijn. Hun voedsel
-bestaat uit allerlei schadelijk gedierte, vooral uit Wormen, Slakken,
-Insecten en kleine Gewervelde Dieren; de laatstgenoemde worden
-trouwens alleen door de grootste soorten verslonden. Zij gebruiken
-een aanzienlijke hoeveelheid voedsel, de arbeid van deze geminachte
-dieren is derhalve voor ons zeer zegenrijk. Wat de voortplanting en
-de ontwikkeling der jongen betreft, komen de Padden in hoofdzaken
-overeen met hare verwanten van dezelfde orde; de meeste leggen hare
-eieren niet in den vorm van klompen, maar in dien van snoeren. Evenals
-de andere Amphibiën kunnen ook de Padden de vochtigheid niet zonder
-nadeel voor haar leven ontberen; zelfs bij zeer gebrekkige voeding
-kunnen zij echter in vochtige ruimten maanden en zelfs jaren lang in
-'t leven blijven. Herhaaldelijk is het voorgekomen, dat men in holten,
-die schijnbaar geen gemeenschap hadden met de buitenwereld, levende
-Padden vond. Deze gevallen hebben aanleiding gegeven tot allerlei
-dwaze gevolgtrekkingen, maar ook tot proeven, waaruit gebleken is,
-dat de Padden volstrekt niet zulk een taai leven hebben, als men
-verhaalde, dat geen van deze dieren in staat is om jaren lang te leven
-in een ruimte zonder eenige gelegenheid tot luchtverversching, of 2
-jaren achtereen voedsel te ontberen. Hierdoor wordt tevens bewezen,
-dat men bij de onverklaarbaar schijnende gevallen van Padden, die in
-holten van steenlagen werden aangetroffen, enz., de omstandigheden,
-waarin dit geschiedde, niet zorgvuldig genoeg heeft nagegaan. De
-verhalen betreffende Padden, die diep onder den grond in holen, aan
-alle zijden omgeven door vast gesteente, eeuwen lang geleefd zouden
-hebben, berusten zonder eenigen twijfel op onjuiste gegevens. In alle
-goed onderzochte gevallen was de mogelijkheid niet buitengesloten,
-dat met het noodige vocht een geringe hoeveelheid voedsel in het hol
-doordrong. In kunstmatig op deze wijze ingerichte holen hebben Padden
-meer dan een jaar kunnen leven zonder van gebrek om te komen.
-
-De familie van de Padden omvat 8 geslachten met ongeveer 100 soorten;
-voor ons doel zal het voldoende zijn eenige van de belangrijkste
-soorten te beschrijven.
-
-
-
-De Gewone Pad (Bufo vulgaris), ook wel Zwarte Pad of Muurpad genoemd,
-vertegenwoordigt het geslacht der Landpadden (Bufo), dat in ongeveer
-85 soorten over alle werelddeelen (met uitzondering van Madagaskar,
-Nieuw-Guinea, Australië en de eilanden van de Stille Zuidzee) verspreid
-is. De Landpadden hebben volkomen gescheiden vingers; hare teenen
-zijn echter door meer of minder breede zwemvliezen vereenigd.
-
-De genoemde soort bereikt een aanzienlijke grootte; zij wordt bij
-ons 6 à 7 cM. breed, bij een lengte van 8 à 12 cM.; in zuidelijker
-landen kan zij 12 à 20 cM. lang worden. Zij ziet er nog plomper uit
-dan hare verwanten. Haar geheele lichaam is met dikke wratten bedekt,
-die achter het oor een groote, halvemaanvormige klier vrij laten. De
-doffe, grijsbruine of zwartachtig grijze kleur der bovendeelen
-vertoont soms een olijfgroene, soms een roodachtige tint en is met
-donkere, onduidelijke vlekken geteekend; op de onderdeelen gaat zij
-in lichtgrijs over; hierop komen niet zelden donkere vlekken voor;
-deze zijn bij het wijfje vaker aanwezig en talrijker dan bij het
-mannetje. Het regenboogsvlies is glanzig geel.
-
-Met uitzondering van de noordelijkste landen en van Ierland alsook van
-Sardinië en Corsica, ontbreekt de Pad in geen enkel deel van Europa;
-bovendien bewoont zij Noord-west-Afrika, Klein-Azië, Middel-Azië en
-Japan. In de Alpen vindt men haar nog op hoogten van 1700 M. Hare
-woonplaatsen zijn zoo velerlei, dat men haar bij ons en in vele
-andere landen een algemeen verbreid dier mag noemen. Zij komt voor
-in allerlei bosschen en boschjes, op velden en weiden en in tuinen,
-in kelders, holen, grotten, bouwvallen en steenhoopen, onder gevelde
-boomstammen, afzonderlijk liggende platte steenen, kortom overal
-waar een schuilplaats voor haar te vinden, of waar zij er een voor
-zich geschikt kan maken. In oorden, waar geen woning beschikbaar is,
-graaft zij gaten in den lossen grond en gebruikt deze even geregeld,
-als een Vos zijn hol bezoekt. Zooveel mogelijk kiest zij vochtige,
-lommerrijke plaatsen ter bewoning uit; daarom gaat zij zeer dikwijls
-liggen onder planten, welker breede bladen den bodem niet slechts
-overschaduwen, maar werkelijk bedekken. Naar men zegt, wordt bij
-haar een bijzondere voorliefde opgemerkt voor sterk riekende kruiden,
-zooals b.v. salie en dolle kervel.
-
-Zij is een echt nachtdier, dat over dag steeds verscholen blijft,
-tenzij een warme regen den grond bevochtigde en de haar onaangename
-zonnestralen nog door de wolken worden tegengehouden. In dit
-geval maakt zij een uitzondering op den gewonen regel, door haar
-jachtbedrijf, dat gewoonlijk eerst na zonsondergang aanvangt, ook
-over dag uit te oefenen. Onbeholpen in hare bewegingen, nagenoeg
-ongeschikt tot het doen van sprongen van eenige beteekenis,
-plomp en log als zij is, houdt zij niet van groote zwerftochten,
-des te zorgvuldiger doorzoekt zij het kleine gebied, dat haar tot
-woonplaats dient; juist hierdoor en omdat voor het bevredigen van
-haar vraatzucht een groote hoeveelheid voedsel noodig is, wordt zij
-een ware zegen voor het oord, waar zij haar bedrijf uitoefent. Een
-gevolg van haar onbeholpenheid is, dat zij dikwijls in kelders,
-putten, mijngangen en grotten valt en hieruit niet kan wegkomen;
-zij moet zich dan behelpen met de weinige dieren, die, evenals zij,
-toevallig naar beneden tuimelen. Toch weet zij ook hier (en dikwijls
-merkwaardig lang) niet slechts haar leven te rekken, maar zich zelfs
-vet te mesten. Haar buit bestaat uit Wormpjes, Wespen, Bijen, Spinnen,
-Kevers, kortom uit allerlei Insecten, met uitzondering van Vlinders;
-deze neemt zij niet graag, omdat de fijne vleugelschubjes, aan de
-slijmerige tong vastklevend, het slikken bemoeielijken. In weerwil
-van haar vraatzucht, die men een aanhoudenden geeuwhonger zou kunnen
-noemen, versmaadt zij standvastig doode dieren.
-
-Men kan gemakkelijk waarnemen, op welke wijze de Pad haar prooi
-vangt, daar zij ook over dag geen enkele gelegenheid om een buit te
-verkrijgen laat voorbijgaan, maar begeerig hapt naar al wat binnen
-haar bereik komt en de Insecten, die haar lekker voorkomen, zelfs over
-een kleinen afstand vervolgt. Hare ver uitpuilende en zeer beweeglijke
-oogen merken overal, waar het haar verblindende, felle zonlicht door
-planten getemperd wordt, ieder diertje op, van waar het ook komt. Met
-bewonderenswaardige vlugheid en lenigheid wordt de tong op het door
-haar begeerde dier geworpen, zoodat dit zelden kan ontsnappen. Aan
-ieder, die voor de schuilplaats van een Pad, zonder haar lastig
-te vallen, een Worm, een rups of onverschillig welk Insect houdt of
-neerwerpt, zal zij zich in haar volle kracht vertoonen. Oogenblikkelijk
-beginnen hare oogen te fonkelen, zij ontwaakt uit haar schijnbaar
-slaapdronken toestand en spoedt zich naar haar buit met een haast,
-die volkomen strijdig is met haar gewonen aard. Als zij haar doel
-tot op den juisten afstand genaderd is, blijft zij staan, houdt,
-als een Patrijshond voor het wild, haar buit goed in 't oog, steekt
-de tong schielijk uit en werpt hiermede het slachtoffer in haar wijd
-geopenden muil; in een ondeelbaar oogenblik is het doorgeslikt en in
-de maag geborgen. Als zij, zooals nog al eens voorkomt, haar buit
-mist of dezen door den schok van de tong eenvoudig bedwelmd wordt,
-maar er niet aan vastkleeft, ziet zij gewoonlijk van vervolging af;
-zoodra het Insect zich weer begint te bewegen, hervat zij haar jacht
-onmiddellijk, in de hoop dat de zooeven mislukte poging nu een goede
-uitkomst zal hebben.
-
-De Pad verslindt een ongeloofelijke hoeveelheid van allerlei
-ongedierte. Behalve Insecten en Wormen, eet zij, naar het schijnt met
-smaak, Naakte Slakken; volgens sommigen komen ook kleine Amphibiën
-nu en dan op haar spijskaart voor, ofschoon zij overigens met hare
-verwanten in vrede leeft en zich door geenerlei prikkels tot een
-strijd met hare soortgenooten laat verleiden. Deze goedaardigheid,
-die men misschien met meer recht armoede van geest zou kunnen noemen,
-hebben vele, maar toch niet alle Padden met elkander gemeen: de
-maag beheerscht hare bewegingen. Zij trachten een dier, dat in
-haar nabijheid komt, te verslinden, voor zoover dit mogelijk is,
-maar laten het ongemoeid, als het stil blijft zitten, waarschijnlijk
-omdat zij het in dit geval nauwelijks opmerken. Men moet dit echter
-niet opvatten als een bewijs van volslagen gemis aan werkzaamheid
-van den geest. Zij beseffen wel degelijk het onderscheid tusschen
-de verschillende wezens, waarmede zij te maken hebben en wijzigen
-hare gewoonten in overeenstemming met de omstandigheden. Eerder
-nog dan de overige Amphibiën vluchten zij voor ieder groot dier;
-bewust van haar zwakheid wagen zij het niet een sterken vijand te
-weerstaan. Ook zij toonen erkentelijkheid voor bewezen weldaden en
-leggen in het verkeer met iemand, die haar vriendelijk behandelt,
-langzamerhand haar gewone schuwheid bijna volkomen af.
-
-In een hokje wordt de Pad nog eerder en volkomener tam, dan wanneer
-men haar een tuin tot woonplaats aanwijst. Veel moeite kost haar
-onderhoud niet, daar zij geen van de dieren, die men haar toewerpt,
-versmaadt, indien zij zich slechts bewegen; bovendien kan zij zonder
-eenig bezwaar honger verduren. Met soortgenooten van gelijke grootte
-of met verwante Amphibiën kan zij uitmuntend overweg.
-
-In tegenstelling met vele andere Vorschen, slaapt de Pad 's winters
-in droge, ver van 't water verwijderde gaten van den grond. Tegen
-het einde van September of in het begin van October kruipt zij weg in
-een hol, dat reeds aanwezig is of door haar gegraven wordt. Dikwijls
-vindt men verscheidene Padden in één hol; dit wordt om de koude af
-te weren door een aarden dam afgesloten, waarna de bewoners stil
-blijven liggen en tot Maart of April in een toestand van verstijving
-verkeeren. Onmiddellijk na het verlaten van haar winterherberg begeeft
-de Pad zich naar het een of ander in de nabijheid gelegen water; zelfs
-de kleinste plas acht zij voldoende. Hier legt zij zwemmend gedurende
-de paring verscheidene duizenden eieren, die tot een snoer van 3 à 5
-M. lengte en ter dikte van een potlood vereenigd zijn. De eiersnoeren
-worden door de ouders om waterplanten en dergelijke voorwerpen
-gewikkeld en op deze wijze in de diepte vastgehouden. Bij warm weer
-verlaten de larven de eischaal 12 à 14, bij koel weer 17 of 18 dagen
-na het leggen der eieren en 2 dagen later ook de slijmmassa, die de
-eieren omhult. De gedaantewisseling komt met die van den Kikvorsch
-overeen. In het einde van Juni hebben alle 4 pooten zich ontwikkeld
-en verlaten de jonge Padden, die in verhouding tot andere larven van
-Vorschen opmerkelijk klein zijn, het water, hoewel haar staart dan
-nog niet geheel verdwenen is. Zij groeien zeer langzaam, maar zijn
-toch reeds in het 5e levensjaar voor de voortplanting geschikt. Zij
-kunnen een hoogen leeftijd bereiken. Pennant maakt melding van een Pad,
-die 36 jaar in gevangenschap doorbracht en misschien nog veel ouder
-geworden zou zijn, indien niet een ongelukkig toeval een einde aan
-haar leven had gemaakt. De lange levensduur draagt aanmerkelijk bij
-tot het in stand houden van deze diersoort. Wel heeft zij betrekkelijk
-weinige vijanden, daar de roofdieren, met uitzondering van de Slangen,
-door het afscheidingsproduct van hare huidklieren afgeschrikt worden;
-zij vermenigvuldigt zich evenwel betrekkelijk langzaam, daar bij
-het uitdrogen van de onbeduidende plassen, waarin hare eieren zich
-ontwikkelen, dikwijls duizenden van larven omkomen. Bovendien heeft
-zij een zeer gevaarlijken vijand in den door dwaalbegrippen bevangen
-moordlustigen mensen, die de volwassene Padden, dus juist die, welke
-voor de voortplanting geschikt zijn, op onverantwoordelijke wijze
-vervolgt en hierdoor indirect een belangrijk nadeel toebrengt aan
-zijne eigene bezittingen.
-
-Met zorg verrichte proeven hebben geleerd, dat de Pad geen
-gif uitspuit, dat het sap van hare huidklieren, wanneer het met
-slijmvliezen in aanraking komt, wel eenige ontsteking veroorzaakt, maar
-voor den mensch geen gevaar oplevert, kortom, dat zij op geenerlei
-wijze in staat is ons eenig nadeel te doen. Ieder die uit blind
-vooroordeel of uit onvergeeflijke baldadigheid een zoo nuttig dier
-doodslaat, geeft zich daardoor een onbetwistbaar getuigschrift van
-beklagenswaardige onwetendheid en onbeschaafdheid. Sommige Engelsche
-en Fransche tuinlieden hebben sinds lang erkend, dat deze vlijtige,
-onvermoeid werkzame dieren hun een groot voordeel brengen door het
-wegvangen van allerlei ongedierte, dat aan de planten schade doet;
-zij koopen tegenwoordig de Padden bij dozijnen en bij honderden ten
-behoeve van hunne tuinen. In broeibakken en plantenkassen vergeten
-zij hun winterslaap en zijn niet alleen 's zomers, maar ook 's winters
-voortdurend werkzaam.
-
-
-
-De Groene Pad (Bufo viridis, B. variabilis), die dikwijls met de
-vorige soort verward wordt, komt in Nederland niet voor, hoewel
-zij in Duitschland en Oostenrijk niet zeldzaam is. Zij wordt 7 à 8,
-zelden 8 à 10 cM. lang en ziet er bevalliger uit dan hare verwanten. De
-bovendeelen hebben op groenachtig grijzen grond groote, onregelmatige
-vlekken, welker kleur van olijfgroen tot zwartgroen afwisselt,
-voorts kleinere, rozeroode of menieroode wratjes; de onderdeelen
-zijn witachtig en slechts zelden met een gering aantal zwartachtige
-vlekken of stippels geteekend. Bovendien is de Groene Pad kenbaar
-aan hare betrekkelijk lange pooten en niervormige oorklieren. Haar
-verbreidingsgebied omvat Middel- en Oost-Europa, het noorden van
-Afrika, van Egypte tot Marokko, geheel West- en Middel-Azië tot
-Mongolië en het Himalaja-gebergte. Over dag houden de Groene Padden
-zich verborgen op soortgelijke plaatsen als de Gewone en bewonen niet
-zelden gezellig een voor haar geschikt hol; des nachts doorzoeken
-zij jagend een tamelijk uitgestrekt gebied. Zij kunnen betrekkelijk
-groote sprongen doen, vrij goed zwemmen en ook klimmen. Haar stem is,
-wegens de goed ontwikkelde keelblaas van het mannetje, krachtiger
-dan die van de Gewone Pad, gelijkt ongeveer op het kraken van een
-deur en wordt ook wel eens brommen genoemd.
-
-
-
-De Kleine Pad (Bufo calamita) kan 8 cM. lang worden; bij ons vindt
-men echter zelden exemplaren van meer dan 5 cM. lengte. Zij heet ook
-wel Stinkende Pad wegens de onaangename lucht, die zij verbreidt,
-wanneer men haar verontrust. Ook wordt zij wel eens "Groene Pad"
-genoemd, daar hare bovendeelen olijfgroen of olijfbruin zijn, met
-uitzondering van een zwavelgele, overlangsche streep op het midden
-van den rug, die tevens vrij is van wratten; de onderdeelen zijn
-witachtig grijs van kleur, op de schenkels en langs de zijden van den
-buik donkerder gevlekt; de huid is bezaaid met bruinroode wratjes;
-de oogen zijn geelachtig en zwart gesprenkeld, de teentoppen min of
-meer roodachtig. Van de beide vorige soorten onderscheidt zij zich
-duidelijk door de geringe ontwikkeling van hare zwemvliezen. Zij
-schijnt van de zeelucht te houden en behoort in West-Europa thuis. Het
-verbreidingsgebied van dit nuttige dier is beperkt tot Portugal,
-Spanje, Frankrijk, Zwitserland, Engeland, Ierland, België, Nederland,
-Duitschland, Denemarken en het zuiden van Zweden.
-
-In Nederland vindt men de Kleine Pad in zandstreken, zoowel op
-diluvialen bodem als in de duinen, vooral op de Noordzee-eilanden,
-waar zij zich over dag in konijnenholen verschuilt. In Duitschland
-komt zij eveneens op de eilanden veelvuldig voor, voorts in een breede
-kuststrook langs de Noord- en Oostzee; ook bewoont zij het geheele
-westen van Duitschland en vele oorden in het binnenland. Naar het
-zuiden schijnt de Donau, naar het zuidoosten het Ertsgebergte en het
-Bohemerwoud haar gebied te begrenzen. Men ontmoet haar nog op 1000,
-zeer zelden op 1200 M. hoogte.
-
-Boven de reeds genoemde soorten munt de Kleine Pad uit door haar
-bekwaamheid in het graven. Hare bewegingen zijn niet zoo lomp en
-log als die van de Gewone Pad; toch mist ook zij, wegens de kortheid
-van de achterpooten, de geschiktheid tot springen geheel. Zij kruipt
-niet als haar grauwe nicht, maar loopt met boven den grond opgeheven
-onderdeelen bijna zoo snel als een Muis; hieraan kan zij zelfs in de
-schemering van de als een Kikvorsch springende Groene Pad onderscheiden
-worden. Hoewel zij nagenoeg geen zwemvliezen heeft, weet zij zich in 't
-water zeer goed te redden: zij zwemt vlug en behendig, min of meer op
-de wijze van een Hond, met denzelfden stand van de pooten als bij het
-gaan. Beter dan de reeds genoemde Padden is zij in 't klimmen ervaren.
-
-Over dag houdt zij zich verborgen in gaten van den grond, onder
-steenen, in bouwvallige muren en dergelijke duistere hoeken; hier hoort
-men des avonds nu en dan haar scherp, ratelend stemgeluid. Vaker laat
-zij zich hooren gedurende den voortplantingstijd. In het begin van Mei
-legt zij eieren in sloten of andere stilstaande wateren, bij voorkeur
-in zulke, die met planten bedekt, bij den oever ondiep en hier met
-riet begroeid zijn, soms echter ook wel in leemgroeven zonder eenigen
-plantengroei. Het naderen van een mensch, hoe voorzichtig ook, hoort
-zij reeds op eenigen afstand en staakt dan onmiddellijk haar lied. De
-zeer kleine larven hebben een tamelijk breeden, van boven eenigszins
-afgeplatten romp en een zwartachtige, met kleine, metaalglanzige,
-bronskleurige stippeltjes bezaaide huid.
-
-
-
-Daar de Vorschen, die door het bezit van hechtschijfjes aan den
-top der vingers en teenen voor het leven op boomen geschikt zijn,
-groote verschillen in lichaamsbouw vertoonen, zooals ons reeds bij
-den Vliegenden Kikvorsch en den Antillenvorsch gebleken is, mag men
-aan deze eigenaardigheid bij de rangschikking geen overwegenden
-invloed toekennen. Toch worden een groot aantal van deze voor 't
-klimmen geschikte Vorschen onder den naam van Echte Boomvorschen
-(Hylidae) in één familie samengevat. Zij kenmerken zich, behalve door
-de verschuifbaarheid van de beenderen van den schoudergordel, door de
-aanwezigheid van tanden in de bovenkaak en doordat iedere vinger en
-teen een klauwvormig gekromd, bij het gewricht verbreed eindlid heeft
-tot steun voor het meer of minder sterk ontwikkelde, klierachtige
-hechtschijfje. De werking van dit met een dunne vloeistoflaag
-bedekt orgaan berust geheel op adhaesie; de luchtdrukking heeft er
-niets mede te maken. De geheele buikzijde is als bezaaid met fijne
-klierachtige wratjes, aan den top voorzien van een afvoeropening
-voor het kliersap. Hierdoor is ook deze huid voor de aanhechting van
-'t lichaam aan bladen en dergelijke voorwerpen geschikt.
-
-De familie der echte Boomvorschen, die 10 geslachten met ongeveer
-200 soorten omvat, is vooral in Zuid-Amerika buitengewoon sterk
-vertegenwoordigd; talrijk zijn deze dieren ook op Nieuw-Holland en
-Tasmanië (slechts enkele soorten worden in andere deelen van het
-Australische gebied, o. a. op Nieuw-Guinea en de Molukken, gevonden);
-in Afrika en Zuid-Azië ontbreken zij niet, hoewel zij hier een minder
-belangrijke rol spelen, dan men zou kunnen verwachten; enkele soorten
-bewonen het Noord-Amerikaansche Rijk; nog geringer is haar aantal in
-het Noordelijke Rijk van de Oude Wereld. Slechts één enkele, ook bij
-ons inheemsche soort vertegenwoordigt deze groep in Europa.
-
-"In Brazilië," zegt de Prins Von Wied, "bewonen zij in zeer grooten
-getale het struikgewas in de nabijheid van de woningen, van de
-rivieroevers en van de zeekust; veel overvloediger komen zij echter
-in de oerwouden voor. Zeer verschillend zijn zij, wat grootte, kleur,
-lichaamsbouw en stem betreft; het koor gevormd door de oneindige
-verscheidenheid van geluiden, die zij vooral in de vochtig warme
-nachten van het regenseizoen laten hooren, brengt te midden van de
-duisternis een hoogst zonderlingen indruk teweeg. De meeste wonen
-boven in de kroon der hooge woudboomen, waar zij zich vooral vestigen
-tusschen de stijve bladen der daar groeiende bromelia's. Vele kleine
-soorten leggen hare eieren in het zwarte, drabbige water, dat zich
-in de oksels dezer bladen verzamelt; andere dalen in den paartijd van
-hare hoog verhevene standplaatsen af en begeven zich naar moerassen,
-plassen en poelen, bij voorkeur naar die, welke diep verborgen zijn
-in de moeielijk toegankelijke wildernissen der oerwouden. Hier
-ontstaat het door aller samenwerking gevormde koorzang; hier kan
-de natuuronderzoeker het best kennis maken met vele soorten, die in
-andere tijden moeielijk of niet verkrijgbaar zijn."
-
-In den paartijd begeven de meeste Boomvorschen zich naar het water; de
-winter noodzaakt hen zich te verbergen in het slijk, onder boomschors
-of steenen of op andere plaatsen, waar zij tegen de koude of tegen
-de droge hitte beveiligd zijn; het grootste deel van hun leven
-slijten zij echter hoog boven den grond in de boomkronen, waar zij
-op hiervoor geschikte bladen rusten en naar buit uitzien. Hoewel men
-bij hen een groote verscheidenheid van kleuren opmerkt, harmonieert
-hun uiterlijk steeds met hun omgeving; de volkomen overeenstemming
-der kleuren bestaat niet slechts tijdelijk, maar blijft behouden
-ondanks de wisselingen van de tinten der bladen in den loop van het
-jaar. Het vermogen om van kleur te veranderen komt waarschijnlijk
-bij alle Boomvorschen voor; zij wijzigen hun kleur in veel hoogere
-mate en veel vlugger dan de Kameleons, die wegens deze eigenschap zoo
-beroemd zijn. Tennent zag zulk een dier, dat op het voetstuk van een
-lamp was gaan zitten, binnen weinige minuten de goudkleur aannemen
-van de versierselen, waardoor het omgeven was, zoodat het er bijna
-niet van onderscheiden kon worden. Een Boomvorsch, even groen als
-het blad waarop hij zit, kan kort daarna dezelfde kleur hebben als
-de schors. Ieder, die een door pracht en verscheidenheid van kleur
-uitmuntenden Boomvorsch heeft gezien, kan zich moeielijk voorstellen,
-dat de zoo sierlijk rood, geel en zilverwit gevlekte of gestippelde
-of op een andere wijze getooide huid voor dit dier een middel kan
-zijn om niet opgemerkt te worden, tenzij hij bovendien kennis heeft
-gemaakt met de groote verscheidenheid van kleursverschijnselen,
-die de plantenwereld der tropische wouden kenmerkt. Evengoed als onze
-Boomvorsch steeds bladen vindt, welker kleur met de zijne overeenstemt,
-zal zelfs de opzichtigste van zijne tusschen de keerkringen levende
-verwanten in het oerwoud plekjes vinden, waar zelfs een scherpziend
-oog moeite heeft om hem te onderscheiden van zijn omgeving, die een
-bonte mengeling van tinten vertoont, waarvan de zijne slechts een
-flauwe afspiegeling is. De kleur is werkelijk voor den Boomvorsch
-een uitmuntend voorbehoedmiddel tegen de hem bedreigende gevaren.
-
-Onze bekendheid met de Boomvorschen is nog zeer onvolledig. Indien
-men alle soorten even zorgvuldig had nagegaan als de bij ons levende,
-zou een algemeen overzicht van deze diergroep zeer belangwekkend kunnen
-worden; want, hoewel het leven harer leden (werkelijk of schijnbaar)
-weinig verscheidenheid aanbiedt, komen toch bijna bij iedere soort
-eigenaardigheden voor, die niet slechts hun stem, maar ook hun wijze
-van voeding en voortplanting betreffen.
-
-De Boomvorschen zijn de fraaist gekleurde, vlugste en bevalligste leden
-hunner klasse; door deze eigenschappen hebben zij de genegenheid van
-den mensch gewonnen; enkele soorten worden zelfs in de kooi gehouden.
-
-
-
-Het soortenrijkste geslacht van de geheele familie is dat der
-Boomvorschen i. e. z. (Hyla). Deze hebben een horizontaal gerichte,
-spleetvormige pupil, een met den bodem der mondholte vergroeide of van
-achteren voor een klein deel vrije tong, tanden aan de ploegschaar- en
-de bovenkaaksbeenderen. De achterpooten zijn aanmerkelijk langer dan de
-voorpooten en hebben zwemvliezen aan de teenen. Het verbreidingsgebied
-van dit geslacht komt nagenoeg overeen met dat van de familie.
-
-
-
-De eenige Europeesche vertegenwoordiger dezer groepen is de
-Gewone Boomvorsch of Boomkikker (Hyla arborea, H. viridis), waarvan
-verscheidene variëteiten bekend zijn, die wegens eigenaardigheden van
-levenswijze en stem bijna op den rang van soorten aanspraak kunnen
-maken. Zonder de achterpooten bereikt hij een lengte van 3.5 à 4
-cM. De bovendeelen zijn fraai bladgroen, de onderdeelen geelachtig
-wit. Een zwarte, van boven witachtig gezoomde streep, die bij den
-neus begint en zich tot aan de achterpooten uitstrekt, scheidt de
-beide hoofdkleuren; de voor- en achterschenkels zijn van boven groen
-met gele omlijsting, van onderen lichtgeel. Het mannetje verschilt
-van het wijfje door de zwartachtige kleur van de huid van de keel,
-die tot een grooten, vliezigen bol kan worden opgeblazen. Kort voor
-de vervelling, die gewoonlijk om de 14 dagen plaats vindt, verandert
-de kleur in lichtgroen, grijsachtig blauw of blauwachtig groen;
-de nieuwe huid is bladgroen.
-
-Met uitzondering van de hooge bergstreken, van het hooge noorden, van
-Noorwegen, Ierland en Groot-Brittannië komt de Boomkikker in geheel
-Europa voor. Bovendien is hij verbreid over het Aziatische deel
-van het Noordelijke Rijk der Oude Wereld. Ook vindt men hem langs
-de geheele zuidkust van de Middellandsche Zee tot op de Kanarische
-eilanden. In Nederland schijnt hij alleen in de graafschap Zutphen en
-in sommige deelen van Twente voor te komen. Daar hij een betrekkelijk
-lage temperatuur voor lief neemt, laat hij zich reeds in April hooren
-en blijft tot laat in den herfst buiten. Men krijgt de Boomvorschen
-echter niet vaak te zien; daar zij zich alleen gedurende den paartijd,
-tot groote troepen vereenigd, in het water ophouden en zich kort
-daarna in het riet en op de bladen van heesters en boomen begeven,
-waar zij meestal ongezien en eenzaam hun bedrijf uitoefenen. De
-Boomkikker is een van de aanvalligste ons bekende Amphibiën, vlugger
-en over dag wakkerder dan alle overige inheemsche leden zijner klasse,
-voor de beweging in het water, op den vlakken grond en te midden van de
-bladen der boomen zeer goed geschikt. Zijn bekwaamheid in 't zwemmen is
-weinig geringer dan die van den Waterkikker, dien hij in het springen
-verreweg de baas is; het klimmen verstaat hij meesterlijk. Om zijn
-doel te bereiken springt hij van 't eene blad op een ander, dat hooger
-gelegen is, begint zijn reis in 't lage struikgewas, gaat vervolgens op
-hoogere heesters over en stijgt eindelijk tot in de kroon der boomen
-omhoog. Hoog boven den grond brengt hij genoeglijk den zomer door,
-zit bij mooi weer op de bovenvlakte, als het regent aan de onderzijde
-van een blad vastgehecht, althans indien het slechte weer niet te lang
-aanhoudt en hem zoo onaangenaam wordt, dat hij voor den regen naar
-het water vlucht of zich in gaten van den grond, spleten van muren,
-holle boomen enz. verbergt.
-
-Hoe uitmuntend zijn kleur harmonieert met die van de bladen in zijn
-nabijheid, merkt ieder op, die hem in een lagen struik hoort schreeuwen
-en langen tijd tevergeefs moeite doet om hem te zien te krijgen. Met
-deze overeenstemming van kleuren is hij goed bekend en tracht er zoo
-goed mogelijk partij van te trekken. Wel wetend, dat een sprong hem
-zal verraden, vleit hij zich bij de nadering van een vijand of in
-'t algemeen van een groot dier, dat hem vrees inboezemt, dicht tegen
-het blad aan en blijft hier, steeds de glinsterende oogjes op de
-tegenpartij gericht houdend, bewegingloos zitten, totdat het gevaar
-voorbij is. Slechts in den uitersten nood waagt hij een sprong en
-doet dezen dan zoo plotseling en zoo behendig, dat zijn veiligheid
-er meestal door verzekerd wordt.
-
-Het voedsel van den Boomkikker bestaat uit velerlei Insecten, vooral
-Vliegen, Spinnen, Kevers, Vlinders en onbehaarde Rupsen. Hij wil
-geen anderen buit dan levende dieren en vangt ze daarom alleen,
-als zij zich bewegen; als een dier dood is of stil blijft zitten,
-raakt hij het niet aan. Zijn scherp gezichtsvermogen en zijn goed
-ontwikkeld gehoor geven hem bericht van het naderen der gonzende Mug
-of Vlieg; hij beloert deze dieren scherp; zijn poging om ze door een
-plotselingen, grooten sprong te bereiken wordt in de meeste gevallen
-met een goeden uitslag bekroond; steeds is zijn sprong zoo gericht,
-dat hij op een ander blad aankomt. Gedurende den zomer heeft hij
-tamelijk veel voedsel noodig en ligt daarom den geheelen dag op de
-loer, hoewel ook zijn werktijd eerst na zonsondergang begint.
-
-Algemeen wordt de Boomkikker voor een goeden weerprofeet gehouden; men
-meent, dat hij door zijn geschreeuw weersverandering aankondigt. Deze
-meening is, zoo al, dan toch niet zonder voorbehoud juist. Bijzonder
-ijverig laat de Boomkikker zijn luide stem gedurende den paartijd
-hooren; hij zwijgt echter ook des zomers niet en schreeuwt met
-opgeblazen keelzak bijna den halven nacht onafgebroken door, zoowel
-bij droog en standvastig weer als kort voor den aanvang van een
-regenbui. Alleen als er een onweer in aantocht is, maakt hij meer
-drukte dan gewoonlijk; gedurende den regen en bij nat weer hoort men
-hem in 't geheel niet. Zijn geluid klinkt als dat van een schel,
-herinnert aan het zoogenaamde gezang der Cicaden en gelijkt op de
-snel opeenvolgende klanken "krek krek krek". Een in zuidelijker
-streken levende variëteit schreeuwt nog veel luider, maar langzamer,
-heescher en met dieper toon "rab rab rab"; dit geluid is zoo sterk,
-dat men het huizen ver en door drie verdiepingen heen kan hooren.
-
-Als de herfst ten einde loopt, verlaat hij de boomkronen, daalt
-naar den bodem af en kruipt weg onder een steen, in een gat van den
-grond of in een diepe spleet van een muur. Hier brengt hij slapend,
-in schijndooden toestand den winter door, zonder door de vorst
-bereikt te worden. Vroeger dan vele andere Vorschen komt hij in de
-lente weer te voorschijn en houdt zich nu in de eerste plaats met de
-voortplanting bezig. Zoo mogelijk worden hiervoor plassen uitgekozen,
-welker oevers met riet, struikgewas en boomen omzoomd zijn. Het
-slijm, dat het ei omhult, heeft zich ongeveer 12 uren na het leggen
-zoo vol water gezogen en is zoo sterk uitgezet, dat het ei zichtbaar
-wordt. Dit heeft een geelachtige witte kleur en is zoo groot als een
-mosterdzaadje. De eieren zijn vereenigd tot klompen van onregelmatigen
-vorm en blijven op den bodem van 't water liggen, tot de larven er
-uit gekomen zijn. Evenals bij de overige Amphibiën, is hiervoor en
-voor de ontwikkeling der jongen slechts een korte tijd noodig.
-
-De Boomvorsch stelt zulke geringe eischen, dat men hem jaren lang in
-de ellendigste kooi, in een gewoon bierglas, in 't leven kan houden,
-wanneer men er maar voor zorgt, dat hij steeds water heeft, hem
-tegen het stof uit het vertrek beschut en zooveel voedsel verschaft,
-dat hij niet verhongert. Zoo heeft Pabst in Gotha 22 jaren lang een
-Boomvorsch gehad, die toen door een toeval om 't leven kwam. Voor
-'t overige heeft men zich niet veel om hen te bekommeren, want hij
-is zoowel tegen koude als tegen warmte en droogte verwonderlijk goed
-bestand. Men voedt hem met Vliegen en Meelwormen, omdat deze in den
-winter het gemakkelijkst te krijgen zijn; men kan hem echter ook andere
-Insecten, zelfs betrekkelijk groote geven; alle worden verslonden. In
-den herfst moet men hem sterk voeden, opdat hij gemakkelijker door
-den winter zal komen; ook in den winter mag men niet verzuimen hem nu
-en dan een Meelworm, een Spin of een Vlieg te geven. Een Boomvorsch,
-die lang in de gevangenschap heeft verkeerd, kent niet slechts zijn
-verzorger, maar ook den pot met Meelwormen en begrijpt zeer goed,
-dat men voor hem een Vlieg vangt.
-
-
-
-Zuid-Amerika is het vaderland van een der grootste leden der familie,
-dat wegens zijne groote hechtschijven den naam van Knotsvoet (Hyla
-faber) heeft gekregen en in Brazilië "Smid" wordt genoemd. Zijn
-gestalte is plomp, de kop plat, breeder dan de romp, de ledematen
-munten door dikte uit. De teekening op de overigens effen bleek
-leemgele of lichtbruine bovendeelen bestaat uit een over het midden
-van den rug loopende, zwarte streep en enkele onregelmatige, fijne,
-zwarte vegen; de met grove wratten bedekte onderzijde is effen
-geelachtig wit. Zijn lengte bedraagt 8 à 9 cM.
-
-De Knotsvoet of Smid wordt in de Braziliaansche oerwouden overal
-gevonden, vooral langs de oevers van rivieren en moerassen, doch
-alleen op zulke boomsoorten, welker bladen stevig genoeg zijn
-om zulk een zwaar dier te dragen. Gedurende den regentijd houden
-tallooze scharen van deze Boomvorschen zich in de moerassen op;
-men hoort dan 's avonds en 's nachts tot aan het aanbreken van den
-dag hun zonderlinge, luide en helder klinkende, metaalachtige stem;
-hun koorgezang wordt vergeleken met het geluid, dat door een groot
-aantal gelijktijdig werkende blikslagers voortgebracht kan worden.
-
-
-
-Een verwante, doch iets kleinere soort, de Roeier (Hyla crepitans),
-bewoont het noorden van Zuid-Amerika en komt vooral in Guyana
-veelvuldig voor. Schomburgk vergelijkt haar stem met het gedruisch,
-dat door roeiers voortgebracht wordt. "De roeiriemen stooten bij
-elken riemslag tegen den rand van de "corial" of schuit, waardoor een
-eigenaardige, hol klinkende toon veroorzaakt wordt; hoewel er 6, 8 of
-10 roeiers in de corial zijn, hoort men van allen slechts één slag;
-snel, met gelijke tusschenpoozen volgen de slagen elkander op. Met dit
-gedruisch heeft de stem van den genoemden Vorsch zooveel overeenkomst,
-dat men er zich in vergissen zou."
-
-
-
-Hoe verschillend de voortplanting van de Boomvorschen kan
-zijn, blijkt o. a. uit de beschouwing van den in Ecuador en
-Peru inheemschen Zakvorsch (Nototrema marsupiatum), die het tot
-tropisch Amerika beperkte geslacht der Buidelvorschen (Nototrema)
-vertegenwoordigt. In vorm verschillen zij niet belangrijk van de
-zooeven genoemde Boomvorschen; het wijfje heeft echter op den rug
-een van achteren geopenden, ongeveer 1 cM. diepen zak, welke aan den
-buidel der Buideldieren herinnert en evenals bij den Mierenegel,
-als broedzak voor de eieren dient; de larven van sommige soorten
-doorloopen hierin het eerste tijdperk van hun ontwikkeling; die van
-andere blijven er in, totdat de gedaantewisseling afgeloopen is en zij
-als viervoetige kikkertjes, die in 't geheel geen waterleven gekend
-hebben, een zelfstandig leven op het land beginnen te leiden. Hoogst
-waarschijnlijk strijkt het mannetje de eieren met de achterpooten in
-den broedzak van het wijfje, welke zich gedurende de ontwikkeling der
-eieren over den geheelen rug uitbreidt en aan het dier een wanstaltig
-voorkomen verschaft. Als de gedaantewisseling der jongen zoover is
-voortgeschreden, dat zij als larven het ei verlaten hebben en sterk
-genoeg geworden zijn, brengt de zorgzame moeder ze naar het water en
-laat ze hier aan zich zelf over.
-
-De Zakvorsch is een van de bontst gekleurde soorten van zijn
-geslacht. De fraaie, groenachtig blauwe grondkleur van de bovendeelen,
-die, vooral op den kop en het midden van den rug donkerder is, vertoont
-een teekening, samengesteld uit donkergroene, door een lichteren zoom
-begrensde, overlangsche strepen en vlekken, die op sommige plaatsen
-elkander naderen, op andere uiteenwijken en op deze wijze regelmatige
-figuren vormen; op de pooten neemt men donkerder ringen, banden,
-strepen, vlekken en stippels waar.
-
-
-
-De familie der Padvorschen (Pelobatidae) omvat 8 geslachten met
-ongeveer 25 soorten, die in Noord-Amerika, Europa, West-Azië, het
-Oostersche Rijk en op Nieuw-Guinea aangetroffen worden. Verscheidene
-soorten bereiken een aanzienlijke grootte; sommige zijn merkwaardig,
-doordat zij (de mannetjes n.l.) zich tegen den mensch trachten te
-verdedigen: den bek wijd opensperren, onder schel geschreeuw op hun
-vijand toespringen en naar zijn hand happen.
-
-
-
-Een der meest bekende leden van deze familie is de Knoflookpad
-(Pelobates fuscus), een vertegenwoordiger van het geslacht der
-Woelpadden (Pelobates), die in vorm op Padden gelijken, maar
-betrekkelijk lange achterpooten hebben, welker teenen door groote
-zwemvliezen verbonden zijn; aan de binnenzijde van den hiel komt
-een lensvormige hoornplaat met scherpe randen voor (een beginsel
-van een zesden teen); de vingers zijn vrij; de grootendeels gladde
-en spiegelende huid is ruig en stekelig aan de bovenzijde van den
-kop, waar door verbeening van de lederhuid dekplaten gevormd zijn,
-innig verbonden met de haar overdekkende, zeer dunne opperhuid;
-de tong is schijfvormig met een flauwen inham aan den achterrand;
-de bovenkaaksbeenderen dragen tanden; de gehemeltetanden staan op
-2 duidelijk gescheiden, korte dwarsreeksen tusschen de achterste
-neusopeningen; het trommelvlies ontbreekt; de sterk uitpuilende oogen
-hebben een verticale, spleetvormige pupil. De genoemde soort is een
-bont gekleurd dier van 6 à 7, zelden 8 cM. lengte; zijne bovendeelen
-zijn op geelbruinen of lichtbruinen grond met vele kleine en groote,
-levendig donkerbruine vlekken van onregelmatigen vorm geteekend,
-die soms samenhangen, soms afzonderlijk staan en als eilanden op een
-landkaart verspreid zijn.
-
-Volkomen zekere berichten omtrent het voorkomen van deze soort in
-ons land ontbreken tot dusver, ofschoon zij in verscheidene werken
-inheemsch wordt genoemd. Haar verbreidingsgebied omvat het zuiden van
-Zweden, Denemarken, Duitschland (met uitzondering van Wurtemberg),
-België, Noord-Frankrijk, Noord-Italië, geheel Oostenrijk-Hongarije en
-Europeesch Rusland; zij is in deze landen volstrekt niet algemeen, maar
-ontbreekt in sommige gewesten geheel; in Zwitserland b.v. heeft men
-haar nergens anders dan bij de grenzen van den Elzas aangetroffen. In
-sommige oorden is zij veelvuldig, o. a. in de omstreken van Neurenberg,
-Berlijn, Weenen en Hermannstadt. Zij leeft alleen gedurende den tijd
-van 't eierenleggen in 't water, komt reeds na verloop van weinige
-dagen terug en zwerft dan als een echt landdier bij voorkeur op zandige
-velden rond, waar zij zich over dag in een door haar zelf gegraven hol
-verbergt. Zeer behendig weet zij zich met behulp van hare graafhielen
-in den grond te woelen; zij doet dit door de hielen buitenwaarts
-te bewegen en intusschen den romp voortdurend naar achteren te
-schuiven, verdwijnt op deze wijze in korten tijd onder de aarde,
-die zich daarna geheel boven haar sluit. Niet alleen in 't graven
-toont de Knoflookpad zich bekwamer dan de Echte Padden; ook door hare
-andere wijzen van beweging overtreft zij haar en komt meer met de
-Kikvorschen overeen. Op den grond komt zij door snel opeenvolgende,
-betrekkelijk groote sprongen flink vooruit; in 't zwemmen is zij goed
-ervaren. Haar voedsel bestaat hoofdzakelijk uit Insecten en Spinnen.
-
-Vroeger dan de andere Amphibiën van haar vaderland legt de Knoflookpad
-eieren: reeds in 't begin van April als het weder eenigszins gunstig
-is, bij ongunstige weersgesteldheid niet later dan het midden van deze
-maand. De mannetjes en de wijfjes houden zich alleen in dezen tijd in
-'t water op, zelden langer dan een week; met den kop boven water laat
-het mannetje een kwakend geschreeuw hooren, dat door het nog doffere
-geknor van het wijfje begeleid wordt. Dat deze wanklanken niet de
-eenige zijn, die zij kan voortbrengen, blijkt, wanneer men haar met
-een tang bij een poot pakt: haar jammerlijk geschreeuw gelijkt dan
-op het miauwen van een jonge Kat.
-
-De larven zijn grooter dan die van de overige inheemsche Amphibiën
-en hebben de kieuwspleet in 't midden van den hals.
-
-De Knoflookpadden kunnen zeer goed in een hokje in 't leven gehouden
-worden, maar verlangen veel en vet voedsel, daar zij in vraatzucht
-voor geen lid harer orde onderdoen. Aangename huisgenooten zijn zij
-niet, daar zij een werkelijk onuitstaanbare knoflooklucht verbreiden.
-
-
-
-De Schijftongigen (Discoglossidae) hebben, evenals de Echte
-Boomvorschen en de Padvorschen, tanden aan de bovenkaaksbeenderen en
-aan het gehemelte; de onderzijde van de bijna cirkelvormige tong is
-geheel of nagenoeg geheel vergroeid met den bodem der mondholte.
-
-
-
-Het geslacht der Vuurpadden (Bombinator), dat tot deze familie
-behoort, is kenbaar aan het ontbreken van het trommelvlies, aan de
-dunne tong en de driehoekige pupil. De vingers zijn vrij, de teenen
-van zwemvliezen voorzien. De huid is met vele wratten bedekt. De twee
-Middel-Europeesche soorten van dit geslacht zijn echte waterdieren
-van 4 à 4.5 cM. lengte; één van deze bewoont ook ons vaderland (een
-derde soort komt in Noordoost-China voor).
-
-
-
-De Geelbuikige Vuurpad (Bombinator pachypus) verschilt van haar
-andere Europeesche verwante door een meer gedrongen lichaamsbouw, een
-korteren, meer afgeronden snuit, dikkere vingers en grootere wratten
-op de huid. De onderschenkel is in verhouding tot den voet langer. De
-rug is donker geelachtig grijs met bronskleurigen weerschijn, zonder
-zwarte vlekken, de buik citroengeel of oranjegeel met blauwachtig
-grijze of zwartachtige vlekken; de vingertoppen zijn altijd geel.
-
-Het verbreidingsgebied van deze soort omvat Frankrijk, België,
-Nederland, Duitschland, Savoye, Zwitserland, Tirol, Opper- en
-Middel-Italië, Stiermarken, Oostenrijk, Dalmatië, Montenegro,
-Hongarije, Zevenburgen en Rumenië. Bij ons komt zij alleen in de
-oostelijke grensprovinciën en daar zeer zeldzaam voor.
-
-
-
-De Roodbuikige Vuurpad (Bombinator igneus) is slanker gebouwd, heeft
-een eenigszins slankeren en spitseren snuit, dunnere en slankere
-vingers, de wratten zijn voor een deel regelmatig op reeksen geplaatst
-en zwart van kleur. Het mannetje heeft twee onvolkomen keelblazen. De
-rug is zwartachtig grijs met zwarte vlekken en meestal ook twee ronde
-vlekken van de kleur van flesschenglas tusschen de schouders, de
-buik blauwzwart met witte stippels en groote oranje- of menieroode,
-op eilanden gelijkende vlekken; de toppen der vingers en teenen
-zijn zwart.
-
-Deze soort bewoont het zuiden van Zweden, Denemarken, Duitschland,
-Boheme, Neder-Oostenrijk, Hongarije, Zevenburgen, Rumenië en het
-middelste deel van Europeesch Rusland.
-
-
-
-De Vuurpadden worden in kleine slootjes even goed aangetroffen als
-in uitgestrekte broeklanden of moerassen: de Roodbuikige soort in
-de vlakte, de Geelbuikige in bergstreken tot op 1500 M. hoogte. Als
-echte waterdieren houden zij zich bijna gedurende den geheelen zomer
-in regenplassen, poelen, sloten en moerassen op en komen alleen in
-den herfst tijdelijk op het land voor, waar zij met hare betrekkelijk
-lange achterpooten zeer behendig rondhuppelen. In het water ziet
-men ze gewoonlijk op eenigen afstand van den oever zitten; den kop
-halverwege boven den waterspiegel opgeheven, vermaken zij zich 's
-avonds met hare eenvoudige en bescheidene, muzikale oefeningen; bij
-het geringste gevaar duiken zij bliksemsnel naar de diepte om zich
-hier in den modder te verbergen. Wie stil blijft wachten, ziet de
-gevluchte Vuurpad na korten tijd weer boven komen, dezelfde houding
-hernemen, de goudkleurige oogjes naar alle zijden wenden en na een
-korte rust haar gezang hervatten. Haar geluid weerklinkt in den regel
-eerst tegen den avond en verder gedurende den geheelen nacht, waaruit
-blijkt, dat ook deze Amphibiën tot de nachtdieren behooren. Haar stem
-maakt volstrekt geen onaangenamen indruk, maar verveelt weldra door
-zijn eentonigheid; het is een voortdurende herhaling van de klanken
-"koe-oe", met een timbre als dat van glazen klokjes en wordt slechts
-op een afstand van weinige schreden duidelijk gehoord. Iedere Vuurpad
-roept hoogstens drie- of viermaal in de minuut en brengt nooit eenige
-wijziging in zijn geluid; daar echter alle mannetjes te gelijk hun
-welbehagen te kennen willen geven, maakt het geheel den indruk van
-een muziekuitvoering met gewoon tempo.
-
-In het water bewegen de Vuurpadden zich met groot gemak, ofschoon
-zij hier niet wedijveren kunnen met den Waterkikker; beter dan deze
-kunnen zij zich in het slijk verbergen. Op het land komen zij met
-korte sprongen snel vooruit. Een hoofdtrek van haar karakter schijnt
-een grenzenlooze vreesachtigheid te zijn. Slechts in geval van nood
-gaan zij in volkomen schoon water zwemmen; plassen, die dicht met
-eendenkroos bedekt zijn, met troebel, leemachtig water gevulde kuilen
-op een slecht onderhouden rijweg of poelen in verlaten steengroeven
-lachen haar bijzonder toe om de eenvoudige reden, dat bedekt en troebel
-water haar zelfs voor het scherpstziende oog uitmuntend verbergen. Als
-men zich stil houdt en haar dus geen aanleiding tot vluchten geeft,
-kan men zich van de juistheid van bovenstaande opmerking door eigen
-onderzoek overtuigen. Op een dwaalspoor gebracht door de zwakheid
-van haar stem, zoekt men haar dikwijls tevergeefs in de verte,
-en bemerkt eindelijk met eenige verrassing haar kopje, dat zich in
-de onmiddellijke nabijheid tusschen het eendenkroos boven het water
-verheft, misschien op een plek, die men herhaaldelijk reeds scherp in
-'t oog heeft gevat. Op het droge tracht zij zich door list voor de
-blikken harer tegenstanders te verbergen: als zij niet snel genoeg het
-veilige water kan bereiken, vleit zij zich neer op den grond, welks
-tinten dan als 't ware ineenvloeien met de geelgrijze of zwartgrijze
-kleur van den rug. Als men de Vuurpad plaagt, buigt zij, althans de
-Geelbuikige soort, den kop naar achteren en vouwt de voorpooten over
-den gekromden rug samen, zoodat de geheele buikzijde zichtbaar wordt
-en het dier dus een geheel ander voorkomen verkrijgt. Zij blijft eenige
-minuten in deze zonderlinge houding en zet haar reis voort, zoodra zij
-meent, dat het gevaar geweken is. Groote angst openbaart zij door het
-laten uittreden van een op zeepsop gelijkend schuim uit de wratten, die
-den rug en de bovenzijde van de achterschenkels bedekken; dit kliersap
-heeft, evenals dat van de meeste harer verwanten, een zekere scherpte;
-het werkt in allen gevalle giftiger dan dat van de Gewone Pad.
-
-Het voedsel van de Vuurpadden bestaat uit Insecten, Slakken en kleine
-Wormen; zij zijn dus volkomen onschadelijk en zelfs nuttig. De
-gevangenschap kunnen zij langen tijd verdragen; hare eischen
-zijn gemakkelijk te bevredigen; in bevalligheid doen zij voor de
-Boomvorschen weinig onder
-
-
-
-De Kettingpadden (Alytes) hebben een gedrongen lichaamsbouw;
-hare krachtige ledematen eindigen in vierteenige voeten; alleen
-de achtervoeten zijn met zwemvliezen voorzien; de huid is rijk aan
-klieren en met wratjes bezaaid, doch aan de keel steeds glad; de tong
-is zeer groot en dik, het trommelvlies duidelijk zichtbaar.
-
-De eenige Europeesche vertegenwoordiger van dit geslacht, de
-Vroedmeesterpad (Alytes obstetricans), is 3.5 à 5 cM. lang, heeft
-blauwachtig aschgrauwe bovendeelen met zwarte en lichtere stippels
-en vlekken; de onderdeelen zijn lichtgrijs; de iris is lichtgeel met
-zwarte adertjes.
-
-Algemeen is deze soort in Portugal, Spanje en Frankrijk, vooral in
-de omstreken van Parijs; ook komt zij voor in België, het westen van
-Duitschland en Zwitserland. In Nederland werd zij, naar het schijnt,
-nog niet gevonden. Zij verschuilt zich in holen op schaduwrijke
-plaatsen, in oude steengroeven, waarlangs op korten afstand een
-waterstroompje vloeit, onder steenen, oude boomwortels of wijnstokken,
-ook wel eenvoudig in gaten van den grond. De klank van haar stem is
-helder en aangenaam als die van een glazen klokje.
-
-De Vroedmeesterpad heet zóó, omdat het mannetje zich de beide
-rozenkransvormige eierensnoeren, onmiddellijk nadat zij uit het
-lichaam van het wijfje zijn gekomen, om de achterpooten wikkelt. Het
-mannetje draagt deze "kettingen", die met verscheidene 8-vormige
-kronkelingen zijne schenkels omgeven, dagen lang bij zich, kruipt er
-mede in den grond, en blijft hier, totdat de kiemen een zekeren trap
-van ontwikkeling hebben bereikt. Deze zijn ongeveer op den elfden dag
-geschikt om de eierenhulsels te verlaten; nu begeeft de vader zich
-met zijn kroost naar het water en laat het hier achter. De jongen
-hebben ongeveer denzelfden vorm als de larven van andere Vorschen,
-ontwikkelen zich verder op de gewone wijze en worden zeer groot,
-ongeveer 8 cM. lang; zij komen door de plaatsing van de kieuwspleet
-met de larven van de Knoflookpad overeen.
-
-
-
-Tot de Tongloozen (Aglossa), die de tweede onderorde van de Vorschen
-vormen, behooren twee familiën: de Vingerhoedpadden (Dactylethridae),
-zoo genoemd, omdat de toppen der 3 binnenste teenen met een
-vingerhoedvormigen nagel omhuld zijn, bewonen Afrika; tot de Pipa's
-(Pipidae) behoort slechts één in Guyana en Brazilië levende soort.
-
-
-
-De Pipa of Surinaamsche Pad, in Cayenna Tedo genoemd (Pipa americana),
-heeft een wanstaltigen, bijna vierhoekigen, van boven naar onderen
-sterk afgeplatten romp, die onmerkbaar overgaat in den breeden,
-driehoekigen, aan den snuit spits eindigenden kop. De zwakke, slanke
-voorpooten hebben vier lange, vrije, spitse vingers; deze zijn aan den
-top in vier puntige huidaanhangseltjes verdeeld, hetgeen aanleiding
-heeft gegeven tot den naam "Stervingerpad". De achterpooten zijn
-dikker dan de voorpooten en tamelijk lang; volledige zwemvliezen
-vereenigen de 5 spitse teenen van den grooten voet. De huid van
-den rug is vooral bij de oude dieren gerimpeld, bij de oude wijfjes
-zelfs met putjes bezaaid. Aan weerszijden van de bovenkaak hangen één
-of twee tastdraden naar beneden, die vóór het oog zijn aangehecht;
-een dergelijk orgaan komt aan iederen mondhoek voor. De leelijkheid
-van het dier wordt nog verhoogd, door de kleine, uitpuilende oogen,
-die dicht bij den onderrand van de bovenkaak geplaatst zijn en zich,
-naar het schijnt, bijna niet kunnen bewegen,--die van het mannetje
-bovendien door het wanstaltige strottenhoofd, dat met een driehoekige,
-beenen doos vergeleken wordt. De kaken zijn tandeloos, de tong
-ontbreekt geheel. De dieren van beiderlei geslacht zijn van boven
-dof bruinachtig zwart, van onderen lichter, soms met witte vlekken,
-soms met een zwarte streep over het midden van den buik geteekend. Het
-wijfje kan, naar men zegt, wel 20 cM. lang worden. Deze dieren bewonen
-moerassige stilstaande wateren.
-
-Evenals de meeste overige Vorschen leggen de Pipa's hare eieren in
-'t water. Terwijl het mannetje de eieren bevrucht, hetgeen bij alle
-Vorschen gedurende het leggen geschiedt, strijkt hij ze op den met
-wratten bedekten rug van het wijfje. Hier komen kuiltjes voor, die
-zich, naar men onderstelt, vergrooten, tengevolge van den prikkel,
-dien ieder ei op de huid teweegbrengt, weldra, als de cellen van een
-honigraat, een zeshoekigen vorm aannemen en ook, evenals deze, met een
-soort van dekseltje gesloten worden. In ieder van deze broedzakjes
-ondergaat een jonge Pipa haar gedaantewisseling; zij verbreekt
-eindelijk het dekseltje, steekt den kop of een poot naar buiten en
-neemt kort daarna voor goed afscheid van haar wieg. Het geheele aantal
-jongen bedraagt, naar men zegt, 60 à 70; zij verlaten 82 dagen na de
-bevruchting der eieren haar moeder, waarna deze aan steenen of planten
-de overblijfselen van de cellen afwrijft en een nieuwe huid krijgt.
-
-
-
-
-
-
-
-TWEEDE ORDE.
-
-DE SALAMANDERS (Caudata).
-
-
-De overeenkomst, die men aanvankelijk tusschen de Salamanders en de
-Hagedissen meent op te merken, blijkt bij nader onderzoek slechts
-een oppervlakkige gelijkenis te zijn, zooals die, welke tusschen de
-Slangen en Hazelwormen of liever tusschen de Pingoeïns en de Zeehonden
-bestaat. Zelfs wanneer men de ontwikkelingsgeschiedenis buiten rekening
-laat en zich tot uitwendig waarneembare verschijnselen bepaalt, is het
-verschil tusschen Salamanders en Hagedissen zeer groot. Hoewel beide
-een langwerpig rolvormigen romp met duidelijk waarneembaren hals en
-een langen, min of meer ronden staart hebben, hoewel beider lichaam
-gewoonlijk door 2 paar, bij uitzondering door 1 paar pooten ondersteund
-wordt, zijn echter de Salamanders onmiddellijk van de Hagedissen te
-onderscheiden door de ongeschubde, slijmerige huid en nog duidelijker
-aan het gemis van een trommelholte en dus van een trommelvlies.
-
-De kop van de Salamanders is betrekkelijk groot, in den regel zeer
-plat en eindigt in een afgeronden snuit; de hals is dunner dan de kop
-en de romp, deze meer of minder lang, afgerond, tamelijk gelijkmatig
-van dikte, soms eenigszins plomp, de staart meer of minder lang,
-rond of zijdelings samengedrukt, soms vinvormig afgeplat. De pooten,
-die, evenals bij alle Amphibiën, een plompe gedaante hebben, zijn in
-den regel nagenoeg even lang; aan de voorpooten komen meestal 3 of 4,
-aan de achterpooten, die bij uitzondering geheel kunnen ontbreken,
-2 à 5 teenen voor; steeds ontbreken de nagels.
-
-De uitwendige huid biedt nauwelijks minder verscheidenheid aan dan bij
-de Vorschen; zij is over 't algemeen teer en dun, soms echter oneffen
-en met wratten bezet. De wratten vereenigen zich ook hier op sommige
-plaatsen tot groepen en zijn eenvoudig sterk ontwikkelde klieren, die
-een eigenaardig, kleverig, eiwitachtig slijm afscheiden. Evenals bij
-de Vorschen, wordt de huid zeer dikwijls afgeworpen; dit geschiedt in
-den regel bij lappen, waardoor de vervelling weinig merkbaar wordt. In
-de huidkleur hebben donkere tinten de overhand; op dezen grond komen
-echter gewoonlijk lichte vlekken en strepen voor; de buik prijkt
-dikwijls met bonte kleuren; een effen kleur is zeldzaam.
-
-In het geraamte van den kop kunnen de parige kruin- en
-voorhoofdsbeenderen altijd--ook de neusbeenderen meestal--onderscheiden
-worden; de bovenkaaksbeenderen daarentegen ontbreken soms geheel. De
-wervelkolom bestaat uit minstens 50, soms uit bijna 100 wervels;
-die van den romp dragen bij de leden der hoogst ontwikkelde familiën
-altijd, bij de laagst ontwikkelde althans voor een deel ribben. Een
-echt borstbeen is niet aanwezig; zijn plaats wordt ingenomen door de
-schouderbladen, die zich aan hun onderste uiteinde tot een horizontaal
-liggende kraakbeenplaat verbreeden. Aan de voorpooten zijn ellepijp
-en spaakbeen, aan de achterpooten scheenbeen en kuitbeen volkomen
-gescheiden, de beenderen van hand- en voetwortel zijn echter dikwijls
-onvolkomen ontwikkeld.
-
-De oogen verkeeren op verschillende trappen van ontwikkeling. Bij
-sommige zijn zij klein, rudimentair, door de huid bedekt, bij andere
-grooter, duidelijk onder een doorzichtige huid verborgen, bij
-nog andere eindelijk goed ontwikkeld, half bolvormig uitpuilend,
-met volkomen oogleden voorzien en, evenals bij de Vorschen,
-terugtrekbaar. Het hoornvlies is in verhouding tot de pupil zeer
-groot, het regenboogvlies bij de hoogst ontwikkelde helder goud- of
-koperkleurig, roodachtig of geel, de pupil in den regel rond. De tong
-is verschillend van vorm, soms breed en rond, soms langwerpig en smal,
-hartvormig, langwerpig eirond, paddenstoelvormig, soms alleen in 't
-midden door een overlangsche band vastgehecht en dus van voren en aan
-de zijden vrij, soms omgekeerd voor 't grootste gedeelte vastgegroeid
-en dan meestal slechts weinig beweegbaar.
-
-Bijna alle Salamanders hebben tanden aan de tusschen-, boven- en
-onderkaaksbeenderen; bij alle vindt men ze hetzij aan de ploegschaar-
-òf aan de gehemeltebeenderen; zij zijn klein, een weinig naar achteren
-gekromd, dikwijls beter te voelen dan te zien en uitsluitend geschikt
-voor het grijpen en vasthouden van de prooi. De ontwikkeling der
-ademhalingsorganen stemt in hoofdzaak met die der Vorschen overeen;
-de Kieuwsalamanders behouden echter levenslang de ademhalingsorganen,
-die bij de overige leden der orde slechts gedurende den larvetoestand
-voorkomen en bezitten dus, behalve longen ook kieuwen; bij sommige
-Vischsalamanders zijn deze in de kieuwholte verborgen, zoodat
-haar aanwezigheid uitwendig alleen uit een aan den hals voorkomende
-kieuwspleet blijkt; bij andere (de Olmen en de Armsalamander) blijven
-levenslang uitwendige kieuwen bestaan.
-
-Bijna alle Salamanders behooren tot een der beide noordelijke
-faunistische Rijken, dus tot dat van de Oude Wereld of tot
-het Noord-Amerikaansche. Slechts weinige vormen zijn verder
-zuidwaarts, over een deel van het Oostersche, het Ethiopische en het
-Zuid-Amerikaansche Rijk verbreid.
-
-De meeste, doch niet alle bekende Salamanders houden zich gedurende
-hun geheele leven in 't water op; vele in ondiepe, modderige moerassen,
-andere in diepere meren. Alle zonder uitzondering zijn nachtdieren, die
-over dag stil in verborgen schuilhoeken of op den bodem van het door
-hen bewoonde water rusten en eerst na het invallen van de duisternis
-of onmiddellijk na een regenbui hunne werkzaamheden aanvangen. Zij
-laten zich niet gemakkelijk bespieden en kunnen, zooals uit de bij
-ons inheemsche soorten blijkt, in grooten getale leven op plaatsen,
-waar men ze niet vermoedt. De Salamanders, die aanspraak kunnen maken
-op den naam van landdieren, houden van sombere, vochtige oorden,
-die weinig aan de zonnestralen blootgesteld zijn; zij geven daarom
-de voorkeur aan smalle dalen of aan wouden en verschuilen zich hier
-onder steenen of rottende boomstammen of in gaten van den grond. De
-Watersalamanders verlaten de door hen bewoonde wateren slechts nu en
-dan; in sommige omstandigheden verbergen zij zich dicht bij den oever,
-maar keeren zoo schielijk mogelijk naar hunne eigenlijke woonplaatsen
-terug. Toch zijn de Watersalamanders gemakkelijker te vinden dan
-hunne op het land levende verwanten; daar zij, als alle waterdieren,
-tusschen nacht en dag, licht en duisternis minder verschil maken dan
-de landdieren; bovendien moeten de Watersalamanders af en toe naar
-de oppervlakte van het water omhoogstijgen om te ademen, of zich
-naar de bovenste waterlagen begeven om zich door de zon te laten
-koesteren. In het noorden van hun verbreidingsgebied vervallen zij,
-evenals andere Amphibiën en Reptiliën, tegen den aanvang van den
-winter in een toestand van verstijving; op lagere breedten heeft een
-soortgelijk verschijnsel plaats, als de hitte het door hen bewoonde
-water uitdroogt. Hun wonderbaarlijke taaiheid van leven komt hun bij
-het verduren van dergelijke wisselingen van levensomstandigheden goed
-te stade: zij kunnen te midden van het slijk verschrompelen, in het
-tot ijs verstijfde water verblijf houden, ja zelfs daarin vastvriezen,
-toch zal de regen of de dooi hen uit hun graf doen herrijzen. Van hen
-in 't bijzonder geldt, wat van het herstellingsvermogen der Amphibiën
-in 't algemeen wordt bericht: geamputeerde ledematen groeien weer
-aan; deze proef kan zelfs verscheidene malen achtereen met hetzelfde
-lichaamsdeel herhaald worden.
-
-In den regel worden de bewegingen van de Salamanders traag en plomp
-genoemd; van de meeste soorten zegt men dit te recht; sommige loopen
-echter zoo snel, dat zij aan Hagedissen doen denken. In het water
-bewegen alle, dus ook die, welke op het land thuis behooren, zich
-zeer behendig; de Watersalamanders zwemmen natuurlijk het best. Geen
-enkele vertegenwoordiger dezer orde is echter geschikt om te klimmen;
-geen harer leden is in staat om in het luchtige loover tijdelijk zijn
-woning op te slaan.
-
-Het voedsel van de Salamanders bestaat uit Weekdieren, Wormen, Spinnen,
-Insecten en velerlei Gewervelde Dieren uit de lagere klassen. Enkele
-van hen zijn bekwame roovers; de meeste verslinden iedere prooi, die
-zij overmeesteren kunnen, zelfs zwakkere soortgenooten. Hun snelle
-spijsvertering heeft vraatzucht ten gevolge; zij gebruiken in sommige
-tijden zeer veel voedsel, maar kunnen ook lang achtereen vasten.
-
-De voortplanting van deze dieren heeft op een eigenaardige, doch niet
-bij allen geheel op dezelfde wijze plaats. De Landsalamanders brengen
-levende jongen ter wereld. De Watersalamanders leggen eieren (slechts
-weinige te gelijk) en bevestigen deze met behulp van een kleverig
-slijm aan de bladen van waterplanten. De meeste Landsalamanders en alle
-Watersalamanders brengen het eerste levenstijdperk in het water door,
-om later, nadat hunne longen zich ontwikkeld hebben en deze voor de
-ademhaling dienst doen, op het droge te gaan wonen. Gedurende den
-larvetoestand bestaat er tusschen de verschillende soorten weinig
-onderscheid.
-
-Bezwaarlijk zal men een lid van deze orde kunnen opnoemen, dat den
-mensch een merkbare schade veroorzaakt. Eenige van de grootste soorten
-voeden zich met Visschen, maar wonen in streken, waar het door hen
-verbruikte voedsel stellig geen geldswaarde vertegenwoordigt. Men
-mag de Salamanders veeleer nuttig dan schadelijk noemen, daar
-zij eene groote hoeveelheid voor ons lastige of voor de planten
-verderfelijke dieren verslinden. Het vocht dat door hunne huidklieren
-wordt afgescheiden, kan ons geen leed doen, hoewel over de giftigheid
-van deze stof sedert overouden tijd de onzinnigste fabelen in omloop
-zijn geweest.
-
-Slechts van enkele Slangen en Visschen hebben de Salamanders veel
-te lijden. De Zoogdieren en Vogels verslinden wel Watersalamanders,
-maar versmaden de Landsalamanders wegens hun kliersap, dat daarentegen
-de bedoelde Slangen en Visschen niet schijnt te hinderen.
-
-
-
-Meer bepaaldelijk geeft men den naam van Salamanders (Salamandridae)
-aan die leden der orde, welke in volwassen toestand de kieuwen
-missen en dan uitsluitend door longen ademen. Hunne betrekkelijk
-groote, sterk uitpuilende oogen zijn steeds met goed ontwikkelde,
-klepvormige oogleden voorzien. De pooten zijn betrekkelijk zwak
-ontwikkeld: de voorpooten hebben 4, de achterpooten meestal 5
-(bij uitzondering 4) teenen; deze zijn gewoonlijk vrij, zelden door
-zwemvliezen vereenigd. Behalve aan den rand van onder- en bovenkaak,
-komt ook aan den achterrand van elk der gehemeltebeenderen een smalle
-reeks van tanden voor; in verband met den vorm dezer beenderen
-zijn de laatstbedoelde reeksen bij sommige overlangs, bij andere
-scheef en dwars gericht. Hierop berust de verdeeling der familie
-in twee onderfamiliën: de Echte Salamanders (Salamandrinae) en de
-Dwarsreeks-salamanders (Amblystomatinae).
-
-
-
-De Landsalamanders (Salamandra) zijn tamelijk plomp gebouwd, hebben
-een kegelvormigen staart, cirkelrond op de doorsnede en afgerond aan de
-spits, zonder vin en, evenals de romp, met meer of minder duidelijke,
-fijne, ringvormige groeven voorzien. De voorpooten hebben 4, de
-achterpooten 5 vrije teenen. De huid is rijk aan klieren; de oorklieren
-zijn groot. De groote tong is met een tamelijk breede, van voren tot
-achter reikende strook in het midden van de onderzijde vastgehecht
-aan den bodem der mondholte en dus alleen aan de zijranden vrij.
-
-De eenige inheemsche vertegenwoordiger van dit geslacht--de Gevlekte
-Landsalamander (Salamandra maculosa,)--werd hier te lande tot dusver
-alleen in de omstreken van Nijmegen en te Oosterbeek bij Arnhem
-waargenomen. Dit dier bereikt een lengte van 18 à 23 cM. en is op
-glanzig zwarten grond met groote, onregelmatige, prachtig goudgele
-vlekken geteekend, die gewoonlijk twee meer of minder duidelijk
-uitkomende, afgebrokene, overlangsche strepen vormen, aan weerszijden
-vergezeld worden door afgezonderd staande, groote vlekken en op den
-staart niet zelden hier en daar ineenvloeien. De ledematen hebben
-meestal op iedere hoofdafdeeling een gele vlek. De keel is altijd,
-de onderzijde nooit regelmatig gevlekt.
-
-Het vaderland van den Gevlekten Landsalamander omvat, met uitzondering
-van Groot-Brittannië en Ierland, geheel West-, Middel- en Zuid-Europa
-en strekt zich ook over Noord-Afrika en naar den anderen kant over
-West-Azië uit. Werkelijk zeldzaam is hij vermoedelijk nergens binnen
-de grenzen van dit gebied; in Duitschland b.v. komt hij veelvuldig,
-hoewel slechts in enkele voor hem bijzonder geschikte gewesten algemeen
-voor. Vochtige, sombere oorden in berg- en heuvelachtige gewesten,
-nauwe dalen of donkere wouden verschaffen hem een woonplaats, ruimten
-onder wortels en steenen, holen van verschillende dieren de gewenschte
-woning. Over dag verlaat hij deze niet anders dan na een regenbui,
-want ook voor hem is de nacht de tijd om te arbeiden. Droge warmte
-of blootstelling aan de zonnestralen onttrekt aan zijn lichaam
-schielijk zooveel onontbeerlijk vocht, dat zijn leven er door in
-gevaar wordt gebracht. Reeds wanneer het gedurende verscheidene dagen
-niet geregend heeft, ziet hij er mager en zwak uit, al komt zijn
-huid nu en dan met den dauw in aanraking; na regenbuien daarentegen
-verkrijgt hij een welgedaan, glad en volmaakt gezond voorkomen. Zijne
-bewegingen zijn langzaam en plomp. Bij 't gaan kruipt hij over den
-grond met zijwaartsche bewegingen van het lichaam. Zijn zwemmen
-is eigenlijk eenvoudig loopen in 't water, waarbij de staart als
-het voornaamste bewegingsorgaan beschouwd moet worden. Alle hoogere
-begaafdheden schijnen bij hem onbeduidend te zijn, de zinnen stomp,
-de geestvermogens uiterst gering. Hoewel hij dikwijls in het gezelschap
-van zijne soortgenooten gevonden wordt, mag men bij hem waarschijnlijk
-niet van neiging tot gezelligheid spreken: de eene bekommert zich
-nagenoeg niet om den anderen en de sterke valt, als de honger hem
-kwelt, onmeedoogend op den zwakkeren aan, om dezen te verslinden. Zijn
-voedsel bestaat uit dieren, die zich langzaam bewegen, bij voorkeur uit
-Slakken, Regenwormen en Kevers, soms ook uit kleine Gewervelde Dieren.
-
-Over de voortplanting van den Landsalamander zijn de berichten ook
-thans nog niet geheel voldoende. Dat hij levende jongen ter wereld
-brengt staat vast; bij exemplaren in de kooi heeft men het leggen van
-eieren opgemerkt, die echter zeer schielijk door de larven verlaten
-werden. Hij is een landdier, dat zich alleen om zijn jongen ter
-wereld te brengen naar het water begeeft; met dit doel ziet men
-hem in April, of althans niet later dan Mei, op den bodem van het
-water rondloopen. Het aantal larven is betrekkelijk groot. Gewoonlijk
-bedraagt het 8, 16 of 24, zeldzamer 30 à 42, die tegelijk of spoedig
-achtereenvolgens in een tijdsverloop van 2 à 5 dagen het lichaam
-van de moeder verlaten. De larve is dan reeds met 4 pooten voorzien
-en volkomen in staat om zich op soortgelijke wijze als een geheel
-ontwikkelde kikvorschlarve in 't water te bewegen. De moeder kiest
-bij voorkeur koud bronwater als woonplaats voor hare jongen uit;
-hoewel deze dikwijls nog in October in het water te vinden zijn,
-verliezen zij gewoonlijk hunne kieuwen reeds in Augustus of in het
-begin van September en zijn dan in staat om zich naar de woonplaatsen
-hunner ouders te begeven, welker kleur zij reeds vroeger hebben
-aangenomen. Den winter brengen de Landsalamanders op betrekkelijk
-droge, vorstvrije plaatsen, diep verborgen in de met mos bedekte kloven
-van 't gesteente, in schijndooden toestand door. Bij gunstig weer
-verlaten zij omstreeks het begin van April hunne winterkwartieren;
-de jongen, die nog niet voor de voortplanting geschikt zijn, doen
-dit ongeveer een week vroeger dan de oude dieren.
-
-De Salamanders worden door het scherpe, bijtende sap hunner
-huidklieren beschermd tegen vele vijanden, die hiervan een onaangename
-gewaarwording en zelfs gevaar ondervinden. Als men een Salamander in
-den nek pakt en hem hier drukt, spuit het sap naar buiten: het dier
-kan zijne klieren echter ook willekeurig ledigen en doet dit in den
-regel, wanneer het angstig is, om een aanval af te weren. Men heeft
-dikwijls een overdreven voorstelling gegeven van de nadeelige werking
-van het gif en zelfs beweerd, dat kinderen gestorven zouden zijn na
-het drinken van water uit een bron, waarin zich Salamanders ophielden;
-uit talrijke proeven is gebleken, dat de werking van het bedoelde sap
-zich bepaalt tot een hevige prikkeling der slijmvliezen, dat het een
-soort van ontsteking teweeg brengt, waardoor kleine, zwakke Vogels,
-ook wel Reptiliën en Amphibiën, kunnen bezwijken. Laurenti merkte op,
-dat de Hagedissen, die hij gedwongen had Salamanders te bijten, onder
-stuiptrekkingen stierven; Honden, Kalkoenen en Hoenderen daarentegen,
-die hij met stukgesneden Salamanders voederde, verteerden deze spijs
-zonder er nadeelige gevolgen van te ondervinden; soms echter kwam
-het voor, dat de Honden braakten.
-
-Abini heeft het Salamander-gif bij dieren, zoowel direct, als door
-tusschenkomst van het spijskanaal in den bloedstroom gebracht; in
-beide gevallen kwamen vergiftigings-verschijnselen voor; de werking
-van het gif was echter sneller en heviger, wanneer het door den mond
-aan Vogels en Vorschen werd ingegeven, dan wanneer deze dieren er mede
-werden ingeënt. Daarentegen had het eten van het vleesch der door
-Salamandergif gedoode dieren geen nadeeligen invloed op de wezens,
-die er mede gevoederd werden.
-
-De Gevlekte Salamander kan bij behoorlijke verzorging vele jaren lang
-de gevangenschap verduren. Men moet hem houden in een hok, dat een
-kleinen waterbak en geschikte schuilplaatsen bevat, van soortgelijken
-aard als die, welke hij in de vrije natuur opzoekt. Als voedsel kan
-men hem Meelwormen en Regenwormen, Insecten en Slakken geven; kleine
-exemplaren van zijn eigen soort vreet hij ook op.
-
-Opmerkelijk is het, dat dit in vele opzichten zoo weinig gevoelige
-dier tegen sommige werkingen zoo slecht bestand is, en dat met name
-gewoon zout een zeer nadeeligen invloed op hem oefent.
-
-
-
-In de Alpen wordt de Gevlekte Salamander vervangen door een verwante,
-veel op hem gelijkende soort, de Alpensalamander (Salamandra atra);
-deze is iets kleiner, minder plomp van gestalte en effen glinsterend
-zwart van kleur, dus zonder vlekken.
-
-Zijn verbreidingsgebied omvat de Alpen van Savoye, Zwitserland,
-Tirol, Salzburg en Opper-Oostenrijk, Stiermarken, Karinthië en
-Krain, benevens eenige bergketenen van Wurtemberg en Beieren, die
-met de Alpen samenhangen. In de Alpen bewoont hij in aanzienlijken
-getale alle voor hem geschikte plaatsen in een tusschen 700 en 2850
-M. gelegen hoogtegordel. Meestal ontmoet men deze dieren bij dozijnen
-onder steenen, mos, alpenrozen en lage struiken, op soortgelijke
-plaatsen dus als hun inheemsche verwant. Evenals deze, zijn zij traag,
-langzaam van beweging en slaperig van voorkomen; ook zij verlaten
-hunne schuilplaatsen alleen bij vochtig weer en zijn tegen groote
-droogte niet bestand.
-
-Van de 20 of meer eieren, die iedere eileider van het wijfje in het
-voorjaar bevat, komt slechts één tot ontwikkeling; deze kiem voedt
-zich met de overige eieren en heeft op het oogenblik van de geboorte
-een lengte van 45 à 50 mM. bereikt; de kieuwen zijn dan, op kleine
-knobbeltjes na, reeds geheel verdwenen, hoewel zij gedurende den
-kiemtoestand buitengewoon groot waren en tot aan de achterpooten
-reikten. Een eigenlijke larvetoestand komt dus bij deze dieren
-niet voor.
-
-
-
-De Watersalamanders (Molge) hebben een langwerpigen romp, voorpooten
-met 4, achterpooten met 5 teenen, benevens een zijdelings sterk
-samengedrukten, hoogen roeistaart; niet zelden strekt een vliezige
-kam zich uit langs den rug; deze is bij het mannetje gedurende den
-paartijd dikwijls sterker ontwikkeld; de staart is zoowel aan de boven-
-als aan de onderzijde met een vliezige vin omzoomd. Dit geslacht omvat
-21 soorten, die Europa, Noord-Afrika, West-Azië, het noordoosten van
-China, Oost-Azië, en Noord-Amerika bewonen. Twee daarvan komen ook
-in Nederland voor.
-
-
-
-De Groote Watersalamander (Molge cristata, Triton cristatus)
-bereikt een lengte van 13 à 15 cM. en is, behalve aan den diep,
-doch onregelmatig getanden rugkam, die bij het mannetje gedurende
-den voortplantingstijd (in Mei) voorkomt, doch later weer verdwijnt,
-ook kenbaar aan de kleur van de onderzijde; deze is, bij de keel te
-beginnen, op dooiergelen grond met zwarte vlekken van verschillende
-grootte geteekend. De grondkleur van den rug, van de zijden, van den
-staart en van de bovenzijde der ledematen is donkerbruin; de teekening
-bestaat uit groote, zwarte vlekken, aan de zijden gemengd met witte,
-die dikwijls tot groepen vereenigd zijn.
-
-Tot het verbreidingsgebied van deze soort behooren Engeland, het
-noorden en midden van Frankrijk, België, Nederland, Zwitserland,
-Zweden, Denemarken, Duitschland, Italië, Oostenrijk-Hongarije, Rusland,
-Griekenland, Turkije en Klein-Azië tot in Trans-Kaukasië en Perzië. Bij
-ons is zij veel minder talrijk dan de volgende.
-
-
-
-De Kleine Watersalamander (Molge vulgaris, Triton taeniatus) wordt 7.5
-à 8.5 cM. lang; de rugkam waarmede het mannetje in den paartijd (Mei)
-getooid is, bereikt een geringere hoogte en is minder getand dan die
-van zijn grooteren verwant; bij dezen is hij aan den wortel van den
-staart lager, als 't ware uitgesneden, bij den Kleinen Watersalamander
-daarentegen op de genoemde plaats hooger dan elders. De teenen
-van de achterpooten van het mannetje zijn ter zelfder tijd aan
-weerszijden met een gelobden huidzoom voorzien. Bij beide seksen
-is de buik oranjegeel met zwarte vlekken en loopt de staart spits,
-bijna draadvormig toe. Bij het wijfje is de rugkam door een smalle
-lijst vervangen, worden de vliezen aan de teenen niet aangetroffen
-en heeft de staart slechts een smallen huidzoom. De olijfgroene of
-bruine grondkleur van de bovenzijde gaat op de zijden in witachtig
-geel over; ook hier bestaat de teekening uit zwarte vlekken, die
-gewoonlijk overlangsche reeksen vormen (taeniatus beteekent gestreept).
-
-Zuid-Frankrijk, Spanje en Portugal zijn de eenige deelen van Europa,
-waar deze soort ontbreekt.
-
-
-
-De Alpen-watersalamander (Molge alpestris, Triton alpestris) is 7
-à 10 cM. lang, heeft een ongetanden rugkam en (behalve aan de keel)
-geen donkere vlekken op de oranjeroode buikzijde. De grondkleur van
-de rugzijde is bruin of leikleurig grijs. De teekening bestaat uit
-donkerbruine, getakte vlekken.
-
-Deze soort is over Noord- en Middel-Frankrijk, België, Duitschland
-(met uitzondering van de Noord-duitsche vlakte), Zwitserland, Italië,
-geheel Oostenrijk-Hongarije en Noord-Griekenland verbreid.
-
-
-
-De Zwemvoetsalamander (Molge palmata, Triton palmatus) is 7 à 8
-cM. lang en slank gebouwd. Bij het mannetje komt in den paartijd een
-zeer lage rugkam voor en hebben de achterpooten volslagen zwemvliezen
-tusschen de teenen. Door een overlangsche lijst aan weerszijden van
-den rug heeft de romp een vijfkantigen vorm. De staart loopt uit in
-een draadvormige spits, die bij het mannetje 7, bij het wijfje ruim
-2 mM. lang is en vrij achter den vinvormigen huidzoom van het overige
-deel van den staart uitsteekt. Op een min of meer naar geel zweemenden,
-olijfbruinen grond vertoont de bovenzijde van den kop donkere streepen,
-de rug donkere vlekken; de onderdeelen zijn dof oranjegeel met weinige
-zwartachtige vlekken, die op de keel geheel ontbreken.
-
-De Zwemvoetsalamander bewoont het noorden van Spanje, Frankrijk,
-Engeland, België, het westen van Duitschland en Zwitserland.
-
-
-
-De Watersalamanders verschillen in aard en gewoonten zoo weinig van
-elkander, dat een levensbeschrijving van één dezer dieren voor alle
-kan gelden.
-
-Waterdieren noemt men ze gewoonlijk, en niet ten onrechte, daar
-zij niet slechts den paartijd, maar ook nog verscheidene maanden
-bovendien in 't water doorbrengen; sommige verlaten het zelfs
-in 't geheel niet. Toch moet men niet uit het oog verliezen,
-dat zij ook geruimen tijd op het land verkeeren; sommige soorten
-brengen hier zelfs hun geheele leven door, met uitzondering van
-de voortplantingsperiode. Om te paren en eieren te leggen kiezen
-zij bij voorkeur heldere, door struikgewas omgeven wateren uit,
-die hun het noodige voedsel kunnen verschaffen; eigenlijk vermijden
-zij alleen snelstroomende beken en rivieren. Op het land plomp en
-onhandig, bewegen zij zich in 't water zeer vlug, waarbij de breede
-staart hun de meeste dienst bewijst; dikwijls verheffen zij zich in
-verticale richting naar de oppervlakte om versche lucht op te nemen;
-naar diepere lagen teruggekeerd, ademen zij uit en laten dan eenige
-luchtbellen omhoogstijgen, dalen onder slangsgewijze kronkelingen nog
-verder naar beneden om, terwijl zij dicht bij den grond heen en weer
-zwemmen, op buit te loeren en te jagen. In den zomer verlaten zij het
-water om in ruimten onder steenen en boomwortels en gaten aan den
-waterkant verblijf te houden; later, in den herfst zoeken zij hier
-een gemeenschappelijke winterherberg. Wanneer zij echter een water
-bewonen, dat niet tot op den bodem bevriest, kunnen zij hier veilig
-het koude jaargetijde doorbrengen. Zij, die dit doen en zich aan land
-begeven, komen gewoonlijk in het laatst van Februari te voorschijn uit
-hunne winterslaapplaatsen op den bodem van 't water. Vlug en vroolijk
-dartelen de mannetjes en wijfjes in 't water om en zoeken elkander op;
-paarsgewijs zwemmend, blijven zij zoo dicht bijeen, dat de heen en
-weer kronkelende staarten tegen elkander slaan. Verscheidene weken
-lang houdt deze opgewondenheid aan.
-
-Als de tijd voor het eierenleggen gekomen is (van April tot Juni),
-bevestigt het wijfje ieder ei afzonderlijk aan de onderzijde van het
-blad van een waterplant, welks beide helften naar elkander toegebogen
-en door het kleverige hulsel van het ei in dezen stand gehouden
-worden. Na 13 dagen begint de larve haar zelfstandig leven. Met vier
-aan de zijde van den kop voorkomende hechtdraden blijft zij halve
-dagen achtereen vastgehecht aan de waterplanten, die aanvankelijk na
-iederen rooftocht haar rustplaats verschaffen. Zwemmend, met vlugge
-zijwaartsche krommingen van den staart, vervolgt zij haar buit,
-die uit allerlei kleine, in 't water levende Gelede Dieren en Wormen
-bestaat. De kieuwen, die bij de geboorte reeds duidelijk zichtbaar
-zijn, verkrijgen hoe langer hoe meer vertakkingen. De ontwikkeling
-der voorpooten, die bij het verlaten van het ei slechts knobbeltjes
-waren, gaat intusschen geregeld voort. Als de larve (van den Grooten
-Watersalamander) 2 cM. lang is, komen ook de achterpooten voor den
-dag. Haar eetlust neemt steeds toe; als zij zeer hongerig is, overvalt
-zij ook larven van haar eigen soort en bijt deze de kieuwen en den
-staart af. Na drie maanden is de gedaantewisseling afgeloopen, zijn de
-kieuwen verdwenen en is de kleur gelijk geworden aan die der volwassene
-dieren. Evenals deze voedt zij zich met allerlei Insecten, die aan de
-oppervlakte van het water zwemmen, met Slakken en andere Weekdieren,
-Wormen, kikkerrit, larven van Visschen en andere Amphibiën, zelfs
-met die van hare soortgenooten. Schade richten de Watersalamanders
-niet aan; eerder zou men ze nuttig kunnen noemen, omdat zij een groot
-aantal larven van Muggen verslinden.
-
-Ook bij de Watersalamanders merkt men kleursveranderingen op, die
-door de werking van chromatophoren in de huid veroorzaakt worden.
-
-In de lente heeft om de 2 à 8 dagen een vervelling plaats, na de paring
-minder dikwijls, gedurende het verblijf op het land misschien in
-'t geheel niet meer. Hoewel de verwisseling van opperhuid zeer snel
-plaats heeft, schijnt zij de dieren nog al aan te doen, gelijk uit
-de daaraan voorafgaande, in 't oogvallende traagheid en lusteloosheid
-valt af te leiden.
-
-In gewone omstandigheden hoort men van de Watersalamanders geen
-geluid; toch zijn zij niet stom. Als men ze eenigszins haastig en
-onzacht aanvat, toonen zij door een helder, kwakend geluid, dat zij
-evenals andere Amphibiën een stem bezitten.
-
-De gevangen Watersalamanders stellen geen hooge eischen en kunnen
-zonder eenige moeite in een eenvoudig aquarium in 't leven gehouden
-worden. Den toeschouwer verschaffen zij een aangenaam tijdverdrijf. Zij
-zijn buitengewoon vraatzuchtig en worden daarom weldra zeer tam,
-wanneer men zich met hen bemoeit, d. w. z., ze dikwijls voedert. Vooral
-de voedering met Regenwormen levert menig vermakelijk tooneeltje op,
-dat dikwijls ook voorkomt, als men ze Vliegen geeft. Zij trachten
-elkander door bijten te verjagen; soms wordt een van hen door een
-afgunstigen kameraad bij een poot gepakt, waarop een hevig gespartel
-en geworstel volgt, totdat beide den strijd opgeven. Dikwijls grijpen
-zij elkander bij den kop en vechten verwoed. Wanneer eindelijk de
-vrede hersteld is, gaan alle aan den maaltijd en blijven bedaard,
-totdat twee van de gasten, die onbewust bezig zijn denzelfden Worm
-te verslinden, van de beide einden naar het midden voortschrijdend,
-elkander als concurrenten leeren kennen. De buit scheurt dan in den
-regel niet, maar de eene trekt hem den anderen weer uit den bek.
-
-Met Watersalamanders zijn verscheidene proeven genomen betreffende
-hun levenstaaiheid en herstellingsvermogen. Reeds vroeger had
-men hun ongevoeligheid voor den invloed van een lage temperatuur
-waargenomen; ook was reeds gebleken, dat afgesneden lichaamsdeelen
-weder aangroeien. Door proeven werd voorts aangetoond, dat alle
-lichaamsdeelen merkwaardig volledig op nieuw worden gevormd; er
-ontstaan niet slechts stompjes ter vervanging van het weggenomen stuk,
-maar er heeft een werkelijke vernieuwing plaats van het orgaan met al
-zijne beenderen en gewrichten. Een afgesneden staart wordt volkomen
-vervangen, verkrijgt nieuwe wervels en bereikt dezelfde lengte als
-de vorige; in de plaats van afgesneden pooten ontwikkelen zich nieuwe
-met een volledig skelet; dit geschiedt telkens weer, wanneer dezelfde
-verminking herhaald wordt; zelfs geamputeerde kaken groeien weer
-aan. Spallanzani sneed het oog van een Watersalamander voor viervijfde
-deel weg en zag bij het dier binnen 10 maanden een nieuwen oogbal met
-hoornvlies, iris, lens, kortom, een volledig gezichtszintuig ontstaan,
-dat van het vorige alleen door een iets geringere grootte verschilde.
-
-De Ribbensalamander (Molge Waltlii), een tot het Iberische schiereiland
-en Marokko beperkte soort, is slank en lang gebouwd, de kop is plat
-en afgerond als die van een Pad, de staart mesvormig samengedrukt
-en zoowel aan den boven- als aan den onderrand met een huidkam
-voorzien. De klierachtige huid is eigenaardig door een reeks van
-groote, hoornachtige knobbels, die op de grens van den rug en de
-zijden van den romp voorkomen, en waardoor dikwijls de lange, in een
-scherpe punt eindigende ribben naar buiten treden. De kleur van het
-dier is vuilbruin en heeft een eenigszins naar grijs zweemende tint; de
-vlekken vallen hier niet zeer in 't oog; de buikzijde is op okergelen
-grond met kleine, ronde, zwartachtig grijze vlekken geteekend.
-
-Meer nog dan door uitwendige gedaante en kleur wijkt de
-Ribbensalamander door het skelet van de overige leden zijner onderorde
-af. Hij bezit het groote aantal van 56 wervels. Geen andere Salamander
-heeft zoovele en zulke goed ontwikkelde ribben. Waltl, naar wien
-dit dier genoemd werd, ontdekte het in de regenbakken, die men in
-geheel Andalusië zoo veelvuldig aantreft. Later is het gebleken,
-dat de Ribbensalamander zich niet uitsluitend in deze vergaarbakken,
-maar ook in plassen en meertjes ophoudt.
-
-
-
-Vier teenen aan elken poot en een beenige boog over de slaapholte
-zijn de meest in 't oog vallende kenteekenen van de Brilsalamanders
-(Salamandrina), een door den Brilsalamander, de Tarantolina der
-Italianen (Salamandrina perspicillata), vertegenwoordigd geslacht. Bij
-de dofzwarte kleur van de bovenzijde steekt de roodachtig gele,
-brilvormige teekening boven de oogen duidelijk af; de zwarte keel
-heeft een witte vlek; op de licht gekleurde onderdeelen komen
-vele onregelmatige vlekken en stippels voor; de aarsstreek, de
-binnenzijde van de pooten en de onderhelft van den staart zijn fraai
-karmijnrood. De lengte van dit aanvallige diertje bedraagt slechts
-8 à 10 cM. Het bewoont bergachtige, koele, schaduwrijke oorden op
-het eiland Sardinië en aan de Middellandsche zeekust van Noord- en
-Middel-Italië. Het schijnt in hooge bergstreken niet voor te komen,
-maar de voorkeur te geven aan heuvelachtige gewesten en in 't algemeen
-woeste oorden te vermijden.
-
-
-
-"In de buurt van de stad Mexico," verhaalt Hernandez (later lijfarts
-van Philips II van Spanje), "vindt men een soort van meervisschen met
-zachte huid en vier pooten, zooals die der Hagedissen, een span lang
-en een duim dik, "Axolotl" of "Waterhond" genoemd. De kop is plat
-en groot, de teenen zijn als die der Vorschen. De kleur is zwart of
-bruin en gevlekt. Het dier wordt zoo genoemd wegens zijn ongewone en
-potsierlijke gedaante. Zijn vleesch gelijkt op dat van de Alen en is
-gezond en smakelijk; het wordt, op verschillende wijzen toebereid,
-gegeten."
-
-Deze mededeeling bleef nagenoeg onopgemerkt, totdat in een der eerste
-jaren van onze eeuw twee exemplaren van het bedoelde dier, door A. von
-Humboldt naar Frankrijk gebracht en door Cuvier nauwkeurig beschreven
-werden. Zij kwamen in grootte met den Gewonen Landsalamander, maar
-in vorm met larven van Watersalamanders overeen en werden door
-de genoemde geleerden als larven beschouwd. De Axolotl heeft een
-platten en betrekkelijk zeer breeden kop, waarachter 3 paar groote,
-roode, sterk vertakte, kwastvormige kieuwen voorkomen; de romp is
-ineengedrongen, de staart zijdelings samengedrukt, van boven en van
-onderen met een huidzoom voorzien, die zich voortzet in een lagen,
-tot aan den kop reikenden, ongetanden rugkam. De voorpooten hebben 4,
-de achterpooten 5 teenen. De tamelijk gelijkmatige, donker groenachtig
-bruine kleur is met zwarte vlekken en witte stippels geteekend.
-
-Bij geen der talrijke Axolotls, die na de zooeven bedoelde exemplaren
-levend of dood in Europa kwamen, werd eenig spoor van gedaantewisseling
-waargenomen; alle geleken op de reeds bekende. Dit gaf aanleiding
-tot de meening, dat deze dieren reeds volkomen ontwikkeld waren; een
-bevestiging hiervan vond men in hun overeenkomst met andere Amphibiën,
-die eveneens levenslang de larveorganen behouden. Zelfs Cuvier
-werd hierdoor bewogen om, in strijd met zijn vroegere overtuiging,
-den Siredon axolotl een plaats aan te wijzen bij de Salamanders met
-blijvende uitwendige kieuwen.
-
-Op deze hoogte bleef de kwestie tot in 1865. Alle dierkundigen
-volgden het voorbeeld van Cuvier en beschouwden den Axolotl als een
-volkomen ontwikkeld dier, waarvan geen gedaantewisseling verwacht
-kon worden. Uit het weinige, wat van zijn leven in de vrije natuur
-bericht werd, meende men te mogen afleiden, dat het zich ook in
-Mexico nooit anders dan met kieuwen vertoond had; het was toch
-niet waarschijnlijk, dat dieren, die bij duizenden ter markt worden
-gebracht, in de nabijheid van de Mexicaansche meren, waar zij zoo
-overvloedig voorkomen, nooit in een anderen vorm gezien zouden zijn,
-indien zij dezen werkelijk aannemen.
-
-De voortplanting van den Axolotl werd voor 't eerst waargenomen
-door Duméril in den "Jardin des Plantes" te Parijs, die in het
-begin van 1864 van den "Jardin d'acclimation" 6 levende exemplaren
-(5 mannetjes en 1 wijfje) kreeg. In het door hen bewoonde, doelmatig
-ingerichte aquarium gedroegen zij zich als gewone larven, totdat,
-voor 't eerst in Februari 1865 en 6 weken later nogmaals, het wijfje
-(geheel op dezelfde wijze als de inheemsche Watersalamanders na
-de gedaantewisseling) een groot aantal eieren legde. 28 à 30 dagen
-daarna kwamen hieruit larven te voorschijn; deze hadden in het begin
-van September nagenoeg de grootte van hunne ouders bereikt. Dit feit
-scheen een bevestiging in te houden van de algemeene meening omtrent
-den aard van den Axolotl, daar men in dien tijd wel bij Ongewervelde,
-doch niet bij Gewervelde Dieren voorbeelden kende van tot voortplanting
-geschikte larven (paedogenesis noemt men dit verschijnsel).
-
-In het midden van September 1865 merkte Duméril aan één der jongen
-een hoogst merkwaardige verandering op: de kwastvormige kieuwbundels
-benevens de kam op den rug en den staart verschrompelden, de
-kieuwspleet groeide dicht, de lichaamsvorm onderging eenige wijziging
-en op de donkerkleurige huid ontstonden een groot aantal kleine,
-geelachtig witte vlekken. Van 28 September tot 10 October ondergingen
-drie andere jongen dezelfde gedaantewisseling; de overige bleven
-onveranderd. Duidelijk bleek hieruit, dat A. von Humboldt en Cuvier
-te recht den Axolotl voor de larve van een hun onbekenden Salamander
-hadden gehouden.
-
-Dit dier bleek tot hetzelfde geslacht (Amblystoma = Stompbek)
-te behooren als een twintigtal andere soorten van Amerikaansche
-Salamanders, die alle de eigenaardigheid vertoonen van reeds als larve
-geslachtsrijp te kunnen worden, waarna de gedaantewisseling achterwege
-blijft. Deze kan alleen bij jonge larven plaats hebben; maar behoort
-ook dan tot de uitzonderingen, daar allerlei omstandigheden, en wel
-vooral het ontbreken van de gelegenheid om zich langzamerhand aan
-het verblijf op het droge te gewennen, haar kunnen verhinderen. Van
-duizenden Axolotls, die in den Parijschen "Jardin des Plantes" geboren
-werden, hebben slechts 18 de gedaantewisseling ondergaan. Duméril heeft
-te vergeefs getracht door het wegsnijden der kieuwen den overgang in
-den Amblystoma-toestand te bevorderen; deze amputatie had geen ander
-gevolg dan het weer aangroeien der weggenomen lichaamsdeelen. Betere
-uitkomsten verkreeg een dame te Freiburg in Breisgau, Marie von
-Chauvin. Het gelukte haar 4 van de 5 acht dagen oude Axolotls, waarmede
-zij proeven nam, tot Amblystoma's op te kweeken. Een ongeveer 30
-cM. wijde, glazen bak met water was de woonplaats der dieren, die in
-'t einde van Juni voorpooten, den 9en Juli achterpooten begonnen te
-krijgen. Den 1en November werd een der Axolotls, die zich voortdurend
-aan de oppervlakte van 't water ophield, in een grooten glazen bak
-geplaatst, aan welks platten bodem zulk een helling werd gegeven, dat
-de waterhoogte slechts op één plaats voldoende was voor het onderduiken
-van het dier, dat bij het herhaaldelijk rondkruipen over den bodem
-min of meer met de lucht in aanraking kwam. Op de volgende dagen
-werd het water langzamerhand nog meer verminderd. Dadelijk werden
-veranderingen in het dier opgemerkt. Den 4en November had het de
-kieuwen reeds verloren en begaf het zich naar het deel van den bodem,
-dat zich het meest boven den waterspiegel verhief; het verschool zich
-in het vochtige mos, dat hier op een laag zand neergelegd was. Ongeveer
-8 dagen later was de gedaantewisseling afgeloopen.--Later, in 1876,
-in den "Jardin des Plantes" te Parijs, bleek, dat de Amblystoma's
-ook in staat zijn om zich voort te planten.
-
-Ten onrechte heeft men gemeend, dat de Axolotls in hun vaderland
-geen gedaantewisseling ondergaan. In Mexico zijn deze dieren in
-den Amblystoma-toestand zeer goed bekend en worden Tlalaxolotl (=
-Aardaxolotl) genoemd, ook wel Ajolotes pelones of Ajolotes mochos
-(Geschilde, Geschoren Axolotls).
-
-
-
-Het onderscheidende kenmerk van de in Noord-Amerika zeer verbreide en
-soortenrijke onderfamilie der Dwarsreekssalamanders (Amblystomatinae),
-die Amblystoma tigrinum onder hare leden telt, werd reeds vroeger
-opgegeven.
-
-
-
-Onder den naam "Homo diluvii testis" (de mensch getuige van den
-zondvloed) beschreef Scheuchzer in 1726 een fossiel, dat gevonden was
-in een steengroeve bij Oeningen in Baden. Hij beschouwde het als een
-overblijfsel van een mensch, die bij den zondvloed was omgekomen. In de
-toelichting van de afbeelding, die in zijn verhandeling voorkomt, zegt
-hij o.a.: "Dit voorwerp, dat een van de betrouwbaarste overblijfselen
-uit den zondvloed is, vertoont niet slechts eenige lijnen, waaruit
-de rijke en vruchtbare fantazie iets dat op een mensch gelijkt,
-kan vormen, maar een grondige overeenkomst met de deelen van het
-menschelijk geraamte." Dit exemplaar is thans het eigendom van Teyler's
-museum te Haarlem. Door Cuvier werd in 1811 de steenlaag, die destijds
-nog de wervelkolom en de voorste ledematen bedekte, weggenomen. Ieder,
-die het beziet, zal zich moeten verwonderen over de door Scheuchzer
-verkondigde meening, welke trouwens reeds in de vorige eeuw, o.a. door
-Petrus Camper in 1787, uitdrukkelijk werd weersproken. Nauwkeurige
-onderzoekingen hebben in 't licht gesteld, dat dit fossiel afkomstig
-is van een Salamander, die in de middelste afdeeling van het tertiaire
-tijdvak leefde en geen grootere overeenkomst met den mensch vertoont
-dan eenig ander lid van zijn orde. De Reuzensalamander van Oeningen
-kreeg van Tschudi den naam (Andrias Scheuchzeri). In verscheidene
-musea komen skeletten van deze fossiele diersoort voor, o. a. in dat
-van Leiden; de grootste en volledigste hebben een lengte van 1.2 M. In
-één dezer exemplaren, dat in het museum van Constanz bewaard wordt,
-bevindt zich het 14 cM. lange, zeer onvolledig verbeende skelet van een
-larve dezer diersoort. Deze moet volgens de onderzoekingen van Van der
-Hoeven, gebracht worden tot hetzelfde geslacht als de thans nog levende
-Reuzensalamanders (Megalobatrachus), die wij als vertegenwoordiger
-van de familie der Vischsalamanders zullen beschrijven.
-
-
-
-De Vischsalamanders (Amphiumidae) hebben buiten verhouding kleine
-oogen zonder eenig spoor van leden; ook de overige zintuigen staan
-op een zeer lagen trap van ontwikkeling; de tong is hoogstens aan
-de spits vrij. De meeste ademen in volwassen toestand behalve door
-longen ook nog door kieuwen, die echter in de kieuwholte verborgen
-blijven, zoodat de kieuwspleet het eenig uitwendig zichtbare kenteeken
-van de waterademhalingsorganen is. De Reuzensalamanders wijken van
-hare verwanten af, doordat de kieuwen en de kieuwspleet op lateren
-leeftijd verdwijnen.
-
-
-
-De Japansche Reuzensalamander (Megalobatrachus maximus) is een
-buitengewoon plomp dier van 84 à 114 cM. totale lengte. De groote,
-platte, zeer breede kop eindigt in een stomp afgeronden snuit; de korte
-hals is aanmerkelijk smaller dan de achterkop en de romp; een dikke,
-overlangsche opzwelling op iedere zijde verbreedt den (buitendien reeds
-afgeplat rolvormigen) romp nog meer; de staart is kort en zijdelings
-samengedrukt en vormt een breed roeiorgaan; de ledematen zijn plomp
-en dik, de voorste met 4, de achterste met 5 goed ontwikkelde teenen
-voorzien; de zeer kleine oogen zijn bijna door de geheele breedte van
-den kop gescheiden. De kaakranden zijn ieder met een reeks van zeer
-kleine tanden gewapend; een daaraan evenwijdige reeks van tanden komt
-aan het gehemelte voor. De tong is over haar geheele ondervlakte met
-den bodem der mondholte vergroeid. De licht grijsachtig bruine kleur
-van de bovendeelen heeft een sombere, moeielijk te beschrijven tint
-en gaat op de onderdeelen in lichtgrijs met zwarte vlekken over.
-
-Deze soort bewoont de zuidelijke helft van het eiland Nippon en wordt
-nergens anders aangetroffen (een tweede soort komt in West-China
-voor). Steeds houdt zij zich op in koud, snel stroomend water, op
-een hoogte van 200 à 1500 M. boven den zeespiegel. Hier leeft zij
-in smalle, heldere bronbeken, op plaatsen, waar deze, nauwelijks
-3 dM. breed, als besproeiingskanalen de grasrijke berghellingen
-doorsnijden en de door 't water ondermijnde zoden van weerszijden
-de kleine beekjes bijna geheel overdekken, ook lager, waar door de
-vereeniging van zulke stroompjes een flinke, vischrijke beek wordt
-gevormd. Onder de overhangende oevers leven vooral de oude dieren;
-de jonge geven aan kleine stroompjes de voorkeur. De bewoners van deze
-gewesten zeggen, dat de Salamanders de genoemde woonplaatsen slechts
-zelden en niet anders dan 's nachts verlaten, en ook, dat zij nooit
-aan land gaan. Wormen en Insecten, Visschen en Vorschen maken hun
-voedsel uit.
-
-Men vangt de Reuzensalamanders hetzij door het water af te leiden en
-de dieren dan van onder de steenen en uit de gaten te voorschijn te
-halen of ook wel met den hengel.
-
-Deze groote, plompe dieren ontwikkelen zich uit zeer kleine
-eieren. C. Sasaki, een Japansch natuuronderzoeker, heeft opgemerkt,
-dat het wijfje de tot snoeren vereenigde 6 en 4 mM. dikke eieren,
-die langwerpig van vorm en aan beide zijden op gelijke wijze afgerond
-zijn, in Augustus en September legt.
-
-F. von Siebold nam in het jaar 1829 twee levende Reuzensalamanders uit
-Japan mede; deze werden in den Amsterdamschen dierentuin opgenomen
-en hebben er een vijftigtal jaren geleefd. Later zijn vele van deze
-plompe dieren levend naar Europa overgebracht en tegenwoordig kan
-men ze in elke groote diergaarde aanschouwen. Traag en stompzinnig
-als zij zijn, is er aan hen, behalve de wijze waarop zij hun voedsel
-verkrijgen, niet veel op te merken. Al hunne bewegingen zijn uiterst
-langzaam; altijd liggen zij stil op den bodem van hun waterbak, steeds
-op de donkerste plaats. Van tijd tot tijd, om de 10 minuten ongeveer,
-steekt het dier den snuit boven water om lucht te scheppen; het zakt,
-zoodra de inademing heeft plaats gehad, langzaam weer naar beneden.
-
-Het is gebleken, dat ook de Reuzensalamanders een taai leven
-hebben. Een van hen kroop 's nachts over den rand van zijn waterbak en
-viel van een hoogte van ongeveer 1 1/2 M. op den grond; hier werd hij
-den volgenden morgen bewegingloos gevonden. Toch kwam hij, na in 't
-water terug gebracht te zijn, weldra weer bij. Van andere exemplaren
-heeft men opgemerkt, dat een strenge koude hen even weinig schaadt
-als de inheemsche Watersalamanders; hun waterbak in den dierentuin te
-Amsterdam is eens bevroren geweest en moest van ijs bevrijd worden;
-toch had dit geen nadeelige gevolgen voor de bewoners.
-
-
-
-De eenige vertegenwoordiger van een tweede geslacht van
-Vischsalamanders wordt Aalsalamander (Amphiuma) genoemd, omdat zijn
-romp werkelijk niet ongelijk is aan dien van een Aal en de 4 korte
-pootjes nauwelijks dezen naam verdienen, hoewel aan hunne voeten nog
-teenen waar te nemen zijn. Men heeft hiervan twee verscheidenheden,
-den Tweeteenigen en den Drieteenigen Aalsalamander, die alleen door
-het aantal vingers en teenen van elkander verschillen en daarom
-tegenwoordig als één soort (Amphiuma means) worden beschouwd. Dit
-dier bereikt een lengte van 76 à 89 cM.; van boven is het zwartachtig
-bruin met groenachtige tint, van onderen lichter gekleurd. Levenslang
-behoudt het aan weerszijden van den hals een opening voor het afvoeren
-van het ademhalingswater. Zijne oogen liggen verscholen onder de huid,
-die op deze plaats doorschijnend is.
-
-De Aalsalamander bewoont de moerassen en andere stilstaande wateren
-van het zuid-oostelijke deel der Vereenigde Staten van Noord-Amerika,
-ongeveer van Louisiana tot Zuid-Carolina en van hier tot Florida;
-hij zwemt tamelijk vlug met slangsgewijze kronkelingen van het
-lichaam. Dikwijls kruipt hij in den modder rond, verschuilt zich hierin
-gedurende den winter en bereikt er soms, door als een regenworm te
-boren, een diepte van 1 M. Gevangen exemplaren, die toevallig op 't
-droge waren geraakt en hier verscheidene dagen bleven, ondervonden geen
-nadeelige gevolgen van deze verandering; men heeft ze zonder bezwaar
-naar Europa kunnen overbrengen. Hun voedsel bestaat uit allerlei kleine
-waterdieren. Het wijfje ligt spiraalsgewijs ineengekronkeld om den
-eierenhoop, die uit twee rozenkransvormige strengen bestaat. Elk ei
-heeft een middellijn van 9 mM.; de hierin aanwezige kiem is in rijpen
-toestand 45 mM. lang. Het volwassen dier is in staat om geluid voort
-te brengen.
-
-
-
-De Olmen (Proteidae), die de derde familie van de Salamanders
-vormen, hebben gedurende hun geheele leven aan weerszijden van den
-hals 3 uitwendige kieuwen, waartusschen 2 keelspleten. Het lange
-lichaam van deze dieren wordt gesteund door 4 zwakke pootjes; de
-zijdelings afgeplatte staart is van boven en van onderen met een
-huidzoom voorzien. Ook hier zijn de oogen door de huid bedekt.--Voor
-ongeveer 200 jaar maakte Valvasor, schrijver van den "Roem van het
-hertogdom Krain" voor 't eerst melding van het zonderlinge dier,
-dat in navolging van Oken Olm wordt genoemd. De Krainers verhaalden,
-dat in hun land van tijd tot tijd "Lintwormen" uit den grond komen om
-onheil aan te richten. Valvasor, naar den oorsprong van dit sprookje
-zoekend, vond deze in een klein "hagedisachtig" dier, een bewoner van
-de zoo talrijke onderaardsche stroomen dezer gewesten. Bij hoogen
-waterstand wordt het ook wel buiten de holen aangetroffen. Na de
-overstrooming van 1751 ving een visscher in de Unz 5 onbekende
-"Visschen", die een span lang en sneeuwwit van kleur waren, doch 4
-pooten hadden. Laurenti, die de eerste beschrijving van deze diersoort
-gaf, noemde haar Proteus anguinus.
-
-Dit hoogst merkwaardige wezen gelijkt op den Aalsalamander door de
-groote lengte van den romp en den hiermede samenhangenden, grooten
-afstand tusschen de zeer gebrekkig ontwikkelde, drieteenige, voorste
-en tweeteenige, achterste ledematen; doch verschilt er van door den
-vorm van den snuit, welke op dien van een Snoek gelijkt en door het
-nagenoeg geheel ontbreken der oogen; deze zijn uiterst klein en als
-'t ware slechts in grove trekken aangeduid, daar de lens en het
-glaslichaam ontbreken, bovendien geheel onder de huid verborgen en
-uitwendig geheel onzichtbaar.
-
-De meeste Olmen hebben een geelachtig witte of lichtvleeschroodachtige
-kleur, die echter meer of minder sterk verandert, wanneer zij aan
-'t licht blootgesteld zijn. Enkele worden effen roodbruin, andere
-krijgen donkere, gewoonlijk blauwzwarte vlekken. De kieuwen zijn bij
-het levende dier helder bloedrood, maar verbleeken in het licht. De
-lichaamslengte kan tot 28 1/2 cM. toenemen, maar bedraagt in den
-regel niet meer dan 25 cM.
-
-Tot dusver heeft men den Olm uitsluitend in de onderaardsche wateren
-van Krain, Karinthië, het Kustland en Dalmatië gevonden, vooral in
-de holen van het Karstgebergte in de omstreken van Adelsberg, in de
-Magdalena-grot en de Kleinhäusler-grot, bij Laas (in welks nabijheid
-de beek, die hier Unzflusz wordt genoemd, zich in onderaardsche
-waterreservoirs uitstort, waaruit hij eerst weer bij Ober-Laibach te
-voorschijn komt), bij de zoogenaamde "Zee-vensters" van het Laibacher
-moeras en in slooten, die met de Laibach-rivier in gemeenschap staan,
-enz. De landlieden kennen den Olm (die door hen "Menschvischje"
-of "Waterwoelster der duisternis" genoemd wordt) zeer goed; daar
-de vangst van dit voor aquariën zeer gewilde dier hun een niet te
-verwerpen bijverdienste oplevert. Zij zeggen, dat men het alleen
-in diepe bochten der holen geregeld aantreft, in het aan 't licht
-blootgestelde water boven den grond daarentegen slechts na hevige
-regenbuien, die de onderaardsche wateren doen zwellen en op deze wijze
-hunne bewoners tegen hun zin naar buiten meeslepen. Na iedere hevige
-regenbui onderzoeken de boeren sommige plassen, die door gaten in den
-bodem met water gevuld worden, voorts de uitmondingen der onderaardsche
-beken, visschen hier de Olmen op, die uit de diepte aangespoeld zijn
-en bewaren ze, totdat het tijd is om ze te verzenden. Ook begeven zij
-zich soms bij fakkellicht in de grotten, waardoor beken stroomen,
-of die plassen bevatten; zij laten hun licht zooveel mogelijk op
-het water schijnen en vangen de dan zichtbare dieren met een netje of
-eenvoudig met de handen. De gevangen Olmen worden bewaard en vervolgens
-verzonden in wijdmondige flesschen, die voor de helft met water gevuld
-en van boven met een fijn netje bedekt zijn.
-
-Dikwijls hebben dierenliefhebbers en onderzoekers Olmen gedurende
-geruimen tijd, enkele exemplaren zelfs 6 à 8 jaren, in eenvoudige
-aquariën of zelfs in glazen bakken in 't leven gehouden. Gewoonlijk
-liggen de gevangenen op den bodem van den bak; in den regel blijven
-zij met gestrekt lichaam op dezelfde plaats; soms krabbelen zij af
-en toe met de voeten over den grond om zich naar een andere plek
-te begeven. Over dag blijven zij zeer rustig, althans wanneer hun
-woning zich op een donkere plaats bevindt; iedere lichtstraal brengt
-hen echter in beweging, noopt hen zoo spoedig mogelijk een duisteren
-hoek op te zoeken. Wanneer het water in hun aquarium zelden ververscht
-wordt, komen zij dikwijls aan de oppervlakte om lucht te scheppen,
-sperren daartoe den bek open en laten tevens met gorgelend gedruisch
-luchtbellen uit hunne kieuwspleten ontwijken. Indien het water dieper
-is, of telkens ververscht wordt, krijgen zij de voor hun ademhaling
-vereischte zuurstof door tusschenkomst van de kieuwen en vertoonen
-zich nooit aan den waterspiegel. Na uit het water genomen te zijn,
-bezwijken zij stellig binnen 2 à 4 uren; men kan ze echter wel in
-zeer ondiep water in 't leven houden; in dit geval vergrooten hunne
-longen zich, terwijl omgekeerd hunne kieuwen zich sterker ontwikkelen,
-indien zij gedwongen worden voortdurend onder water te blijven.
-
-Waarschijnlijk is de werking van de zintuigen van den Olm over
-'t geheel genomen zwak; juist die echter, welke men allicht voor
-geheel onontwikkeld zou houden, toonen een merkwaardige geschiktheid
-voor het opnemen van indrukken. De dieren bemerken onmiddellijk het
-voedsel, dat men in het door hen bewoonde aquarium werpt, zwemmen er
-regelrecht op af en grijpen het bijna zonder fout. Men zou kunnen
-meenen, hieruit te moeten afleiden, dat de reuk of het gevoel bij
-hen zeer sterk ontwikkeld zijn, daar men aan de stoffijne, verborgen
-oogen toch moeielijk een onderscheidingsvermogen kan toeschrijven,
-dat zich boven het verschil tusschen licht en donker verheft. Volgens
-Dubois zetelt trouwens de gevoeligheid voor licht niet uitsluitend in
-de oogen, maar in de geheele huid; hier bedraagt haar sterkte echter
-slechts een derde van die, welke het oog bezit. Ook het vermogen om
-plaatsen te herkennen is bij hen buitengewoon sterk ontwikkeld.
-
-De gevangen Olmen eten Wormen en Slakken, maar hebben een bijzondere
-voorliefde voor Watervlooien, die, zooals bekend is, tusschen alle
-dicht vertakte waterplanten in grooten getale voorkomen. Enkele
-Olmen weigeren hardnekkig al het voedsel, dat men hun geeft, maar
-blijven toch vele jaren gezond, wanneer hun slechts voortdurend versch
-water wordt verschaft; het is niet bekend, waarvan zij dan eigenlijk
-leven. Wel heeft men in de door hen bewoonde wateren verscheidene
-kleine, uitsluitend in holen voorkomende diertjes ontdekt, die hun
-tot voedsel zouden kunnen dienen en bij enkele ook waargenomen, dat
-zij schelpen van kleine Weekdieren uitbraakten; tot dusver zijn de
-berichten over de wijze, waarop zij zich in de vrije natuur voeden,
-nog zeer onvolledig.
-
-Sedert 1875 weet men door een waarneming van den hoofdgids der grotten,
-Prelesznig, dat de Olmen eieren leggen. Ook Marie von Chauvin heeft
-in 1882 een wijfjes-Olm eieren zien vasthechten aan het gewelf van
-den aquarium-grot. Het bolvormige ei heeft een middellijn van 11
-mM. Het leggen van de eieren geschiedt 's nachts; één voor één worden
-zij vastgekleefd.
-
-In het jaar 1888 werd de larve van den Olm door E. Zeller voor
-'t eerst beschreven. Zijne gevangen Olmen hadden van 14 tot 16
-April 76 eieren gelegd. Na 90 dagen kwamen twee larven uit; deze
-verkeerden op een hoogeren ontwikkelingstrap dan andere pasgeboren
-Salamanderlarven en waren aanvankelijk 22 mM. lang. Haar gestalte
-gelijkt reeds veel op die van den volwassen Olm; de huidzoom strekt
-zich echter over drie vierde van de lengte van den rug naar voren uit;
-de oogen zijn veel duidelijker zichtbaar en betrekkelijk grooter dan
-die van de volwassen dieren. De voorste ledematen hebben reeds drie
-teenen, terwijl de achterste nog slechts stompjes zijn. De dieren,
-waaraan Zeller deze waarnemingen deed, werden in de open lucht
-gehouden; aan het aquarium kwam een inrichting voor, waardoor de
-temperatuurswisseling van 't water tusschen 5 en 18° C. beperkt bleef.
-
-Als men de levenswijze van den Olm in den gevangen toestand wil nagaan,
-moet men hem het leven zoo aangenaam mogelijk maken. Een gelijkmatige,
-tusschen 9 en 11° C. gelegen temperatuur van 't water, dat zuiver
-en middelmatig rijk aan lucht, tegen licht en schokken beveiligd
-moet zijn, benevens een doelmatige voedering met Regenwormen en
-kikvorschlarven, behooren tot de eerste vereischten voor het welzijn
-van dit dier.
-
-
-
-De vierde familie omvat de Arm- of Voorpootsalamanders (Sirenidae),
-de laagst ontwikkelde der geheele orde.
-
-
-
-De Voorpootsalamander (Siren lacertina) herinnert door het blijvend
-bezit van drie paar uitwendige kieuwen (met drie keelspleten) aan de
-Olmen en door den geheelen lichaamsbouw aan den Aalsalamander; van
-beide verschilt hij door het gemis van achterste ledematen, waarvan
-zelfs in het geraamte geen spoor voorhanden is; de voorpooten zijn
-aanwezig en met 4 teenen voorzien. De romp is lang en rolvormig,
-van achteren zijdelings afgeplat en spits toeloopend. De kleur is
-zwartachtig, van onderen en van boven gelijk, of aan de buikzijde
-iets lichter. De totale lengte bedraagt 67 à 72 cM. Dit dier bewoont
-de zuidoostelijke Vereenigde Staten, westwaarts tot in het zuiden
-van Texas.
-
-De Voorpootsalamander wordt gevonden in moerassige oorden en houdt
-zich hier hoofdzakelijk onder oude boomstammen aan den waterkant op;
-soms klimt hij op deze stammen en laat, als het water uitdroogt,
-een klagend geroep hooren, dat bijna overeenkomt met dat van een
-jonge Eend, maar helderder en scheller klinkt.
-
-In Juni 1825 kreeg Neill in Engeland een levenden Voorpootsalamander
-van 5 dM. lengte, dien hij 6 jaren lang in 't leven hield. Aanvankelijk
-werd hem een met water en zand gevulde tobbe tot woonplaats aangewezen;
-de bodem had een hellenden stand om het dier in staat te stellen op
-het droge te komen; later bleek het echter, dat het verblijf in mos
-hem beter beviel en daar dit spoedig verrotte en telkens vervangen
-moest worden, bracht men in de tobbe losdrijvende waterplanten,
-n.l. kikkerbeet, waaronder hij zich gaarne verschool. In den zomer at
-hij Regenwormen, kleine Stekelbaarsjes, larven van Watersalamanders,
-later ook Voorntjes; hij vastte echter gedurende den winter, van het
-midden van October tot aan het einde van April; toen stond de door hem
-bewoonde tobbe in een koude kas. Wanneer men in dezen tijd zijn staart
-aanraakte, liet hij luchtbellen ontsnappen en bewoog zich langzaam
-vooruit. Toen men hem in het jaar 1827 in een warme kas bracht,
-werd hij opgewekter en begon te kwaken als een Kikker, d.w.z. enkele
-gelijksoortige geluiden te maken. In dezen zomer at hij dikwijls 2 à
-4 kleine Regenwormen na elkander en was over 't algemeen hongeriger
-dan vroeger. Bij aanraking maakte hij zulk een krachtige beweging,
-dat het water omhoogspatte. Hij leefde tot den 22en October 1831 en
-kwam door een ongelukkig toeval om 't leven: met verdroogde kieuwen
-vond men hem buiten zijn tobbe liggen. Gedurende de 6 jaren van zijn
-gevangenschap was hij 10 cM. langer geworden.
-
-
-
-
-
-
-
-DERDE ORDE.
-
-DE BLINDSLANGEN (Apoda).
-
-
-"Meer dan eenige andere groep van Amphibiën mogen de Blindslangen
-of Slangsalamanders aanspraak maken op den rang van orde," zegt
-J. Wagler, "Hoewel zij door haar uitwendig voorkomen aan Slangen of
-liever aan Wormhagedissen herinneren, wijst haar inwendig maaksel
-op verwantschap met de Vorschen. Van de Wormhagedissen kan men ze
-dadelijk onderscheiden aan haar naakte huid; bovendien hebben zij
-nagenoeg geen staart: de ronde kloakopening is bijna aan het einde
-van het lichaam gelegen, dat op een overal even dikken, van voren
-zoowel als van achteren stomp uitloopenden rol gelijkt; de huid
-is overal glad en effen, of vertoont ringvormige groeven, die meer
-of minder dicht opeengedrongen zijn en is, zoolang het dier leeft,
-met een kleverig sap bedekt.
-
-"Alle Blindslangen hebben gelijksoortige, holle, dikke, kegelvormige
-tanden, die aan den binnenrand van de kaakbeenderen aangehecht zijn
-en een eenigszins achterwaarts gekromde spits hebben. De tong is
-met de geheele ondervlakte aan den bodem der mondholte vastgehecht
-en kan dus niet uitgestoken worden. Bovendien komen ook nog aan het
-gehemelte tanden voor, die, evenals bij enkele Vischsalamanders,
-hoefijzervormig gerangschikt zijn. Aan het tongbeen zijn drie paar
-bogen gehecht, waaruit men kan afleiden, dat zij gedurende den
-kiemtoestand kieuwen hebben en een gedaantewisseling ondergaan. De
-neusgaten zijn aan de zijden of aan de spits van den snuit geplaatst;
-de achterste neusopeningen komen aan het gehemelte voor. De oogen
-ontbreken geheel, of worden zoozeer overdekt door de huid van
-den kop, dat zij volkomen ongeschikt zijn voor het zien. Daarvóór
-merkt men altijd een klein kuiltje op, dienende tot berging van een
-taster, die uitgestoken en teruggetrokken kan worden, en waarin een
-afzonderlijke zenuw eindigt. De gehoororganen liggen, evenals bij
-den Salamander, verborgen onder de huid, hebben geen trommelvlies en
-geen gehoorbeentjes, wel, evenals deze, een klein kraakbeenplaatje,
-dat op het eironde venster ligt."
-
-De wervels hebben zandloopervormige wervellichamen, evenals ook
-bij de laagst ontwikkelde Salamanders en Visschen voorkomen. Bij
-sommige zijn er meer dan 200, die alle, met uitzondering van den
-eersten en den laatsten, ribben dragen; het borstbeen ontbreekt;
-van den schouder- en den heupgordel en van de ledematen is, ook in
-het skelet, geen spoor voorhanden. Bij hen komt, in tegenstelling
-met de meeste overige Amphibiën (uitgezonderd Siren en Amphiuma),
-een duidelijke luchtpijp voor, die door ringvormige kraakbeenderen
-gesteund wordt. Evenals bij de Slangen, is de linkerlong zeer kort,
-de rechter zeer lang. Kleine, door huidverbeening gevormde, in zakjes
-verborgen schubjes, welke op kringschubben van Visschen gelijken,
-zijn in de ringvormige opzwellingen tusschen de huidplooien gelegen.
-
-Van de ontwikkeling der Blindslangen was tot voor korten tijd slechts
-weinig bekend. Aan Joh. Müller heeft men de mededeeling te danken,
-dat de jonge Rimpelsalamander (Ichthyophis glutiosus) aan weerszijden
-van den hals een kieuwspleet bezit, in gemeenschap staande met een
-holte, die inwendige kieuwen bevat; ook heeft hij een korten, door
-een vliezige vin omzoomden staart. Volgens Gervais brengt Caecilia
-compressicauda (uit Cayenne) levende jongen ter wereld, waaraan
-geen spoor van kieuwspleet te ontdekken is. Peters bevestigt dit
-bericht, maar voegt er aan toe, dat aan den hals der pasgeborene, in
-'t water verblijf houdende jongen groote blazen voorkomen, die een goed
-ontwikkeld vaatstelsel bevatten en als kieuwen moeten worden beschouwd.
-
-Ter geschikter tijd begeven de Blindslangen zich te water en
-brengen hier levende jongen ter wereld, of leggen eieren, die bij
-eenige soorten door het wijfje bebroed of althans behoed worden. De
-ontwikkeling der jongen heeft grootendeels reeds in het ei plaats;
-na een kort verblijf in het water zijn de larven aan de oude dieren
-gelijk geworden en begeven zich dan op het droge.
-
-De Blindslangen komen in de keerkringsgewesten van Amerika, Afrika en
-Azië voor, maar ontbreken in Australië en op Madagaskar. Zij graven
-gangen in den grond en leven hier als Regenwormen, waardoor het nagaan
-van haar levenswijze zeer bemoeilijkt wordt. Haar voedsel bestaat uit
-Wormen en andere kleine dieren; vele vinden het in de mierennesten, die
-zij bewonen. Langzaam kruipend is haar beweging over vaste voorwerpen;
-sommige zwemmen met slangsgewijze kronkelingen van het lichaam.
-
-Bij het in Zuid-Amerika en Afrika levende geslacht der Ringsalamanders
-(Siphonops) zijn de huidringen breed, de oogen duidelijk zichtbaar
-en de tastergroeven nader bij het oog dan bij het neusgat gelegen.
-
-
-
-De Wormsalamanders (Caecilia) bewonen Zuid-Amerika, hebben smallere
-huidringen, minder goed waarneembare oogen en de tasters voor aan
-den snuit onmiddellijk onder het neusgat in een hoefijzervormige
-groeve aangehecht.
-
-De Rimpelsalamanders (Ichthyophis) behooren tot het Indische Rijk,
-hebben nog smallere en talrijkere huidringen dan de leden van het
-vorige geslacht, duidelijk door de huid heenschemerende oogen en
-tastergroeven aan den rand der bovenlip onder het oog.
-
-
-
-De Ringsalamander (Siphonops annulatus) uit Guyana, Noord-Brazilië,
-Ecuador en Peru kan 39 cM. lang worden en heeft in de huid 85 à
-95 breede, ringvormige groeven, die ook door haar witachtige kleur
-duidelijk de aandacht trekken, daar de huid overigens zwartachtig is.
-
-
-
-De Wormsalamander (Caecilia gracilis) bewoont eveneens het noorden
-van Zuid-Amerika; hij bereikt een lengte van 65 à 70 cM. en de dikte
-van een potlood; zijn lichaam vertoont 210 à 255 ringen.
-
-
-
-Vooral aan de beide neven Sarasin danken wij uitvoerige berichten over
-den Ceylonschen Rimpelsalamander (Ichthyophis glutinosus), die Java
-en Ceylon bewoont. Dit 38 cM. lange dier is donkerbruin of blauwzwart
-van kleur, behoudens een breede, helder gele, overlangsche streep,
-die zich aan weerszijden van den kop tot aan den staart uitstrekt.
-
-Dikwijls werd dit dier aangetroffen bij vlakke, vochtige oevers van
-beken, op een diepte van ongeveer 30 cM. onder de zoden. Het voedt zich
-hier met kleine Slangen, vooral Wormslangen en kleine Schildstaarten,
-en met Regenwormen. De volwassen Rimpelsalamander schuwt het water
-en zou spoedig verdrinken, wanneer hij er in geworpen werd. Bij het
-kruipen raakt hij afwisselend met beide tasters den grond aan. Haar
-wetenschappelijken soortnaam dankt deze soort aan het kleverige slijm,
-dat de huid bedekt en, evenals de producten van de huidklieren van
-alle Amphibiën, vergiftige eigenschappen bezit.
-
-De Ceylonsche Rimpelslang brengt niet, zooals sommige van hare
-verwanten, levende jongen ter wereld, maar legt eieren, die
-in een gat van den grond op een eigenaardige wijze opeengehoopt
-zijn. Het aantal bedraagt gemiddeld 13; zij zijn opmerkelijk groot,
-11 mM. lang. Ineengekronkeld om hare eieren, zorgt de moeder voor
-het uitkomen der jongen en meer bepaaldelijk voor het behouden van
-den meest wenschelijken vochtigheidstoestand in de broedruimte.
-
-
-
-
-
-
-
-End of the Project Gutenberg EBook of Het Leven der Dieren, by A. E. Brehm
-
-*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN DER DIEREN ***
-
-***** This file should be named 44834-8.txt or 44834-8.zip *****
-This and all associated files of various formats will be found in:
- http://www.gutenberg.org/4/4/8/3/44834/
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg.
-
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions
-will be renamed.
-
-Creating the works from public domain print editions means that no
-one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
-(and you!) can copy and distribute it in the United States without
-permission and without paying copyright royalties. Special rules,
-set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
-copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
-protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
-Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
-charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
-do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
-rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
-such as creation of derivative works, reports, performances and
-research. They may be modified and printed and given away--you may do
-practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
-subject to the trademark license, especially commercial
-redistribution.
-
-
-
-*** START: FULL LICENSE ***
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
-Gutenberg-tm License available with this file or online at
- www.gutenberg.org/license.
-
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
-electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
-all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
-If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
-Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
-terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
-entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
-and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
-works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
-or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
-Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
-collection are in the public domain in the United States. If an
-individual work is in the public domain in the United States and you are
-located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
-copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
-works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
-are removed. Of course, we hope that you will support the Project
-Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
-freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
-this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
-the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
-keeping this work in the same format with its attached full Project
-Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
-a constant state of change. If you are outside the United States, check
-the laws of your country in addition to the terms of this agreement
-before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
-creating derivative works based on this work or any other Project
-Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
-the copyright status of any work in any country outside the United
-States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
-access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
-whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
-phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
-Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
-copied or distributed:
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
-almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
-re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
-with this eBook or online at www.gutenberg.org
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
-from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
-posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
-and distributed to anyone in the United States without paying any fees
-or charges. If you are redistributing or providing access to a work
-with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
-work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
-through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
-Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
-1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
-terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
-to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
-permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
-word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
-distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
-"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
-posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
-you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
-copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
-request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
-form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
-License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
-that
-
-- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
- owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
- has agreed to donate royalties under this paragraph to the
- Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
- must be paid within 60 days following each date on which you
- prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
- returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
- sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
- address specified in Section 4, "Information about donations to
- the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
-
-- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or
- destroy all copies of the works possessed in a physical medium
- and discontinue all use of and all access to other copies of
- Project Gutenberg-tm works.
-
-- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
- money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days
- of receipt of the work.
-
-- You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
-electronic work or group of works on different terms than are set
-forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
-both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
-Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
-Foundation as set forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
-collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
-works, and the medium on which they may be stored, may contain
-"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
-corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
-property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
-computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
-your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium with
-your written explanation. The person or entity that provided you with
-the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
-refund. If you received the work electronically, the person or entity
-providing it to you may choose to give you a second opportunity to
-receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
-is also defective, you may demand a refund in writing without further
-opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO OTHER
-WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
-WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
-If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
-law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
-interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
-the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
-provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
-with this agreement, and any volunteers associated with the production,
-promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
-harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
-that arise directly or indirectly from any of the following which you do
-or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
-work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
-Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
-
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of computers
-including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
-because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
-people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
-To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
-and the Foundation information page at www.gutenberg.org
-
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
-Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
-permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
-Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
-throughout numerous locations. Its business office is located at 809
-North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email
-contact links and up to date contact information can be found at the
-Foundation's web site and official page at www.gutenberg.org/contact
-
-For additional contact information:
- Dr. Gregory B. Newby
- Chief Executive and Director
- gbnewby@pglaf.org
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
-spread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To
-SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
-particular state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations.
-To donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
-works.
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
-concept of a library of electronic works that could be freely shared
-with anyone. For forty years, he produced and distributed Project
-Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
-unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
-keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
-
-Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
-
- www.gutenberg.org
-
-This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.