diff options
Diffstat (limited to '44834-8.txt')
| -rw-r--r-- | 44834-8.txt | 3692 |
1 files changed, 0 insertions, 3692 deletions
diff --git a/44834-8.txt b/44834-8.txt deleted file mode 100644 index 9d23a3e..0000000 --- a/44834-8.txt +++ /dev/null @@ -1,3692 +0,0 @@ -The Project Gutenberg EBook of Het Leven der Dieren, by A. E. Brehm - -This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with -almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or -re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included -with this eBook or online at www.gutenberg.org - - -Title: Het Leven der Dieren - Deel 3, Hoofdstuk 5: De Amphibiën - -Author: A. E. Brehm - -Release Date: February 5, 2014 [EBook #44834] - -Language: Dutch - -Character set encoding: ISO-8859-1 - -*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN DER DIEREN *** - - - - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg. - - - - - - - - -ALGEMEEN OVERZICHT VAN DEN BOUW EN DE LEVENSWIJZE DER AMPHIBIËN. - - -Een diepe klove scheidt de tot dusver behandelde Gewervelde Dieren -van die, welke nu nog beschreven moeten worden. Gene ademen in -alle levenstijdperken door longen, verreweg de meeste andere tot -op een zekeren leeftijd of levenslang door kieuwen. In de klasse, -die ons nu zal bezig houden, vindt diensvolgens bijna altijd een -"gedaantewisseling" plaats, zooals bij de lagere of Ongewervelde Dieren -zeer algemeen waargenomen wordt; dit beteekent dat de leden dezer -diergroep, als zij het ei verlaten, nog niet den bouw en de organisatie -hunner ouders vertoonen, maar beide eerst later verkrijgen door den -overgang uit den toestand van "larve" in dien van volkomen dier. - -De Amphibiën zijn in nog hoogere mate verwant aan de Visschen dan de -Reptiliën, die men vroeger met hen tot één klasse vereenigde, tot de -Vogels naderen. Gedurende hun jeugd leven zij als Visschen, eerst op -rijperen leeftijd worden zij in staat gesteld om "amphibiotisch" te -zijn, d. i. "zoowel op het land als in het water te leven," hoewel zij, -verreweg de meeste althans, zich nooit ver van het water verwijderen -en er nooit geheel onafhankelijk van worden. - -Tot de Amphibiën behooren velerlei, onderling zeer verschillende -vormen. "Bij sommige van hen", zegt Karl Vogt, "ontbreken de ledematen -geheel of zijn hoogst gebrekkig ontwikkeld en heeft het lichaam een -rolronde, wormvormige gedaante; bij andere gaan sterk ontwikkelde -looporganen gepaard met een breeden, afgeplatten romp, die dun of meer -schijfvormig is. Bij de in den grond levende, pootlooze "Blindslangen" -gelijkt het lichaam, dat geheel en al romp en nagenoeg staartloos -is, op dat van een Regenworm, terwijl bij de in 't water levende -Aalsalamanders wel is waar een langwerpig, aalvormig lichaam, maar -toch een voor 't zwemmen geschikte, zijdelings samengedrukte staart -voortkomt, die bij de hun verwante Olmen met een als vin dienenden, -vertikalen huidzoom voorzien is. Bij vergelijking van deze en -andere leden der klasse ziet men als 't ware langzamerhand pooten -verschijnen. Op allerlei trappen van ontwikkeling blijvend, zijn zij -aanvankelijk volkomen ongeschikt om het lichaam te steunen en slechts -met een gering aantal kleine, rudimentaire teenen uitgerust. Soms -zijn alleen de voorpooten aanwezig, die als onbeduidende stompjes -aan den hals hangen. Hoe meer de ledematen zich ontwikkelen, des -te meer wordt het lichaam ineengedrongen en tevens afgeplat. Bij de -Vorschachtige dieren verdwijnt de staart in volwassen toestand geheel, -zoodat er geen spoor meer van overblijft en de kloakopening van hun -schijfvormigen romp, evenals die van de wormvormige Blindslangen, aan -'t allerachterste gedeelte van 't lichaam gelegen is. De achterste -ledematen verkrijgen bij deze dieren een merkwaardig overwicht boven -de kleine, korte en dikke, meestal binnenwaarts gerichte voorpooten, -die slechts 4 teenen hebben, terwijl de achterste er gewoonlijk 5 -bezitten. De beweging op het land geschiedt meestal sprongsgewijs; -door het plotseling strekken van den poot verplaatsen de gespierde -achterschenkels het lichaam over een dikwijls tamelijk grooten -afstand." - -Een hoofdkenmerk, waardoor de Amphibiën zich van de Reptiliën -onderscheiden, is gelegen in hun naakte huid. Bij de meeste Vorschen -en alle Salamanders is de huid glibberig en zacht; meestal omsluit -zij het lichaam als een wijde zak; wegens de geringe dikte van dit -uit elastische vezels samengestelde weefsel, ziet men, als het dicht -tegen het lichaam aanligt, de spieren er doorheen schemeren. Bij alle -Amphibiën komen in de huid eigenaardige klieren voor, die een scherp, -min of meer naar uien riekend, melkachtig vocht afscheiden. Gewoonlijk, -o.a. bij de Padden en Salamanders zijn deze klieren over het geheele -lichaam verspreid; dikwijls echter vormen zij aan weerszijden van den -dikken hals dichte opeenhoopingen, die onder den naam van "oorklieren" -bekend zijn. Bovendien merkt men bij enkele soorten honigraatvormige -ruimten op, waarin de ontwikkeling der eieren plaats vindt; ook -zij zijn vervormde huidklieren en verschijnen eerst gedurende den -voortplantingstijd. - -De naakte huid en hare klieren zijn voor het leven der Amphibiën van -buitengewoon groot belang. Een stoornis in haar werking heeft den dood -van het dier ten gevolge. Geen enkele Amphibie drinkt op de gewone -wijze; alle nemen het water, dat voor hun leven noodig is, uitsluitend -door de huid in zich op. Bijna even groot als het opzuigend vermogen -van de huid is haar geschiktheid om water in dampvorm uit het lichaam -te verwijderen. Het gewicht van een Amphibie neemt bij blootstelling -aan droge warmte buitengewoon schielijk af; de vermindering is -evenredig aan de stijging der temperatuur. In een luchtledige ruimte -is de uitwaseming zeer belangrijk; de Amphibiën sterven in zulk een -ruimte veel eerder dan in luchtvrij water; daarentegen zullen zij -langer in 't leven blijven, indien de huiduitwaseming verhinderd wordt, -b.v. door het lichaam met een dichte vernislaag te bedekken. Naar het -schijnt, dient haar urineblaas als magazijn van vocht, tot dergelijke -gevolgtrekking is men ook ten aanzien van de Schildpadden gekomen. - -In de lederhuid komen slijmklieren en gifklieren voor; deze zijn -dieper gelegen dan gene. De slijmklieren zijn over het geheele lichaam -verbreid, de gifklieren op bepaalde plaatsen opeengehoopt. Bij de -Padden en Salamanders zijn deze klieren talrijker en hare afscheidingen -overvloediger dan bij andere Amphibiën; door het prikkelen van de -huid nemen zij sterk toe. Een Salamander of een Pad, die b.v. op -gloeiende kolen wordt geplaatst, zal een grootere hoeveelheid slijm -voortbrengen dan gewoonlijk, hetgeen aanleiding heeft gegeven tot -het overoude, ongegronde sprookje, dat de Salamander tegen het -vuur bestand is. Naar het schijnt, zijn de Amphibiën in staat om de -afscheiding der huidklieren willekeurig te vermeerderen en haar als -een middel tot beschutting tegen hunne vijanden te gebruiken, daar -dit vocht niet slechts een doordringenden reuk heeft, maar ook een -scherpe werking uitoefent. Hierdoor hebben de Padden en Salamanders -den naam gekregen van giftig te zijn. Een werkelijk vergif voor den -mensch is dit slijm niet, hoewel het op gevoelige slijmvliezen pijn, -op de tong een brandend, bijtend gevoel teweegbrengt. Door proeven -is gebleken, dat het kliersap van de Pad kleine Vogels, die er -mede ingeënt worden, spoedig doodt en deze werking nog uitoefent, -wanneer het vooraf gedroogd wordt. Ook heeft men gevonden, dat dit -slijm den dood van jonge Honden, Guineesche Biggetjes, Vorschen en -Watersalamanders veroorzaakt, als het door insnijdingen aan het bloed -wordt toegevoerd; het slijm van de Water- en Landsalamanders zal, -wanneer het op gelijke wijze in het lichaam van de Pad wordt gebracht, -voor dit dier noodlottig worden. - -Zeer eigenaardig is het geraamte van de Amphibiën, dat, zij het -dan ook op meer beperkte schaal, gedurende zijn ontwikkeling -soortgelijke inrichtingen te aanschouwen geeft als dat van de -Visschen. Bij de Vischsalamanders komen wervels voor, die, wat -vorm betreft, van visschenwervels bijna niet onderscheiden kunnen -worden; bij de eigenlijke Salamanders daarentegen treft men reeds -volkomen ontwikkelde wervels aan, die, aan de voorzijde een ronden -gewrichtsknobbel en aan de achterzijde een gewrichtskom hebbend, -beweegbaar met elkander verbonden zijn. Bij alle Amphibiën met -langwerpig lichaam is het aantal wervels zeer aanzienlijk; bij de -Kikvorschachtigen echter vindt men slechts weinige rugwervels, n.l. 7 -of 8; hierop volgt een breed heiligbeen, dat door vergroeiing van -verscheidene wervels ontstaan schijnt te zijn en verbonden is met een -lang, sabelvormig been, het staartbeen, dat de wervelkolom tot aan de -aarsopening voortzet. De dwarse uitsteeksels der wervels zijn bij alle -Amphibiën goed ontwikkeld en soms buitengewoon lang; zij vervangen tot -op zekere hoogte de ontbrekende ribben, die slechts in enkele gevallen -door kleine, beenige of kraakbeenige aanhangsels aangeduid zijn. - -Ook in de samenstelling van het geraamte van den kop merkt men in de -reeks der Amphibiën verschillende trappen van ontwikkeling op; deze -hebben vooral betrekking op het allengs verdwijnen der oorspronkelijk -kraakbeenige bestanddeelen. Het kopskelet is zeer breed en plat, -de oogholten zijn gewoonlijk verbazend groot en van onderen open, -zoodat de kaken van boven gezien een halven cirkel vormen, met een -langwerpige doos, den schedel, in 't midden. De ploegschaarbeenderen -(die bij de hoogst ontwikkelde Gewervelde Dieren door een onparig been -vervangen zijn, dat niet aan de vorming van het gehemelte deelneemt), -niet zelden ook de gehemeltebeenderen, minder dikwijls bovendien het -wiggebeen, zijn bij vele Amphibiën, evenals de bovenkaaksbeenderen, -met tanden bezet. De onderkaak is minstens uit twee, soms uit meer -stukken samengesteld en aan den schedel bevestigd door een "kaaksteel", -die nooit volkomen verbeent. - -De ledematen ontbreken bij de Blindslangen geheel; bij -sommige Vischsalamanders zijn alleen de voorste ledematen -aanwezig. De heupgordel is bij de Salamanders zwak ontwikkeld en de -heiligbeenwervels (waaraan deze gordel bevestigd is en die hiermede -het bekken vormen) verschillen weinig van de overige wervels. Des -te volmaakter is het bekken bij de Vorschen, waar het een steunpunt -moet leveren aan de prachtige springpooten, welker spieren aan dit -skeletdeel ontspringen. Het aantal teenen bedraagt aan de voorpooten -meestal 4, zelden 3, aan de achterpooten bij eenige Vischsalamanders -slechts 2, 3 of 4, bij de eigenlijke Salamanders en de Vorschen -daarentegen steeds 5. Bij verreweg de meeste Amphibiën komt aan -de teenen geen spoor van nagels voor; dikwijls daarentegen zijn de -teenen door zwemvliezen vereenigd en is hun top aan de onderzijde -met eigenaardige hechtschijfjes voorzien. - -De hersenen zijn langwerpig van vorm, de verschillende -hersenafdeelingen achter elkander geplaatst en niet, zooals bij de -hoogst ontwikkelde Gewervelde Dieren, zoo ineengedrongen, dat er bij -oppervlakkig onderzoek slechts drie (groote hersenen, kleine hersenen -en verlengde merg) onderscheiden kunnen worden. Het ruggemerg is, -in vergelijking met de hersenen, zeer uitgebreid en heeft duidelijk -de overhand boven deze centrale deelen. - -Bij geen enkele Amphibie ontbreken de drie hoogste zintuigen, hoewel -de oogen bij enkele leden der klasse zeer weinig ontwikkeld zijn en -onder een ondoorzichtige huid verborgen blijven. Het orgaan voor het -gehoor biedt nog meer verscheidenheid aan dan dat voor het gezicht. Bij -de Salamanders is alleen de binnenste afdeeling van het gehoororgaan -(de doolhof) aanwezig. De Vorschen hebben bovendien een trommelholte -met trommelvlies en een korte Eustachiaansche buis. De twee door een -middelschot gescheiden neusholten staan door de beide neusgaten, aan -de spits van den snuit, met de buitenwereld en door twee openingen -aan het gehemelte met de mondholte in gemeenschap; dit verschijnsel -is in den regel voldoende om alle Amphibiën van de Visschen te -onderscheiden, hoewel het ook bij enkele Visschen (Longvisschen) -waargenomen wordt. De tong dient slechts in zeer geringe mate als -smaakorgaan. Slechts bij één onderorde van de Kikvorschachtigen mist -men haar; bij de overige is zij goed ontwikkeld en dikwijls zeer breed; -gewoonlijk is de ruimte tusschen de beide onderkaakshelften er geheel -mede gevuld. In tegenstelling met de tong der hoogere Gewervelde -Dieren is zij echter niet met haar achtereind maar met haar vooreind -aan den bodem der mondholte vastgehecht, zoodat zij het achterste -voor buiten den bek geslingerd kan worden. Een uitzondering vormen -eenige Salamanders en Termietenetende Vorschen, die een aan den bodem -der mondholte vastgegroeide tong bezitten. - -Eenige Amphibiën zijn tandeloos; de meeste echter hebben tanden -op de bovenkaaks- en ploegschaarbeenderen; bij andere vormen -zij twee volledige, boogvormige reeksen op de bovenkaaks- en -gehemeltebeenderen. Altijd zijn de tanden kleine, enkelvoudige, spitse, -achterwaarts gekromde haken, die uitsluitend voor het vasthouden en -voortstuwen van de spijs door 't keelgat, doch nooit voor 't kauwen -dienen. - -Grooten invloed op de levenswijze der Amphibiën hebben de organen -voor bloedsomloop en ademhaling. Het hart verschilt weinig van dat -der Reptiliën; het bestaat uit twee niet altijd volledig gescheiden, -dunwandige, vliezige voorkamers en één enkele, dikwandige hartkamer, -die het bloed door de slagaders stuwt. Evenals bij de Reptiliën, -ontvangen de haarvatenstelsels van de achter het hart gelegen -lichaamsdeelen steeds een mengsel van slagaderlijk en aderlijk -bloed. De meeste Amphibiën ondergaan gedaantewisseling; deze gaat -gepaard met belangrijke wijzigingen van het bloedvatenstelsel, zooals -reeds voortvloeit uit het feit, dat de aanvankelijk in de halsstreek -aanwezige kieuwen, door longen vervangen worden, die trouwens bij -enkele eerst zeer laat in werking treden. - -Levendbarend zijn slechts enkele Landsalamanders; de meeste Amphibiën -echter ontwikkelen zich uit in het water gelegde eieren, die slechts -bij uitzondering door de ouders met voorzorg behandeld, in den regel -evenwel aan zich zelf overgelaten worden. De eieren zijn meestal door -een geleiachtige stof omhuld en aaneenverbonden tot het soms snoeren, -soms afgeronde klompen vormende "rit". Vooral de laatstgenoemde, van -onze Kikvorschen afkomstige eierenhoopen, die in de lente veelvuldig -in sloten en vijvers drijvend worden gevonden, zijn merkwaardig door de -rol, die zij in verschillende richtingen bij de ontwikkeling der larven -speelt. De gelei beschut n.l. de eieren tegen uitdroging, beschadiging -en op eieren azende dieren en biedt bovendien aan een groot aantal -kleine, levende wezens, vooral aan groene, zuurstof uitscheidende -plantjes een geschikte woonplaats, hetwelk voor de voeding en de -ademhaling van de larven van groot belang is. De weinige, in deze -gelei hangen blijvende luchtbellen brengen teweeg, dat de eieren in -de bovenste waterlaag drijven; volgens de nieuwste onderzoekingen -verschaft zij zelfs door haar warmtebindend vermogen aan de kiemen -de gunstige werking van een meer standvastig verhoogde temperatuur. - -Na het doorloopen van de eerste ontwikkelingsstadiën baant de larve -zich een weg door de haar omhullende gelei, die zij voor een deel -opvreet en leeft vervolgens vrij in het water. De van boven naar -onderen afgeplatte kop, die van voren in een kleine mondopening -eindigt, gaat naar achteren, zonder duidelijke afscheiding, over -in den zakvormigen romp, die nog het binnenste gedeelte van den -ei-inhoud bevat, daar alleen de buitenste laag voor de vorming van -de kiem wordt gebruikt. Een eigenlijke "dooierzak," die door een -insnoering van den romp gescheiden is, zooals bij vele Visschen, komt -dus bij de Amphibiën niet voor. De romp eindigt in een verticalen, -platten roeistaart, die zich naar boven en naar onderen voortzet -in een breeden huidzoom of vin. In dezen staart komt dezelfde -zigzagswijze rangschikking der spieren voor als bij vele Visschen. In -de halsstreek ontstaan wratvormige knobbeltjes, die zich boomsgewijs -vertakken; deze "uitwendige kieuwen" verdwijnen bij de Kikvorschlarve -weldra, om vervangen te worden door "inwendige kieuwen" in de -"keelspleten" aan den bodem en de zijden van de mondholte; deze -spleten, waardoor de mondholte met de buitenwereld in gemeenschap -staat, laten het door den bek opgenomen water ontwijken, nadat het, -langs de kieuwen vloeiend, voor de ademhaling gediend heeft. Bij -de Salamanderlarven blijven de uitwendige kieuwen veel langer -zichtbaar. De verdere ontwikkeling van de larve heeft aanvankelijk -de verbetering van den staart ten doel en geschiedt gedeeltelijk ten -koste van de nog aanwezige dooierzelfstandigheid. De vliezige zoom -van de staartvin neemt in breedte toe; het lichaam wordt slanker; -langzamerhand vertoonen zich de ledematen, die aanvankelijk onder de -huid verborgen zijn. Bij de Salamanderlarven worden de voorpooten, -bij de Kikvorschlarven de achterpooten het eerst zichtbaar. Bij de -Kikvorschlarven, die gedurende geruimen tijd alleen achterpooten -bezitten, blijft de staart ook na het verschijnen der voorpooten het -belangrijkste bewegingsorgaan. Eindelijk echter krijgt de verandering -van de zwemmende, plantenetende, door kieuwen ademende larve in -een springenden, insectenetenden, uitsluitend door longen ademenden -Kikvorsch haar beslag. De hoornscheeden of hoorntandjes waarmede de -kaken oorspronkelijk gewapend waren, vallen af. De staart wordt al -kleiner en kleiner en verdwijnt ten slotte geheel. Wervellichamen -zijn hierin niet ontstaan; het staartgedeelte van de wervelkolom -blijft in den oorspronkelijk onverdeelden, geleiachtigen toestand -van "ruggestreng". In de overige deelen van de ruggestreng (bij de -Salamanders ook in haar staartgedeelte) komt echter een splitsing -in wervels tot stand, die haar bij de Kikvorschachtige Amphibiën -nagenoeg geheel verdringen; bij de Vischsalamanders echter blijven -de wervels een deel van de ruggestreng omgeven, daar zij de vorm van -zandloopers behouden, of zelfs dien van halve ringen, welker opening -naar de buikzijde gericht is. - -Bij ongunstige weersgesteldheid in den herfst en bij gebrek aan water -of aan voedsel blijven vele Amphibiënlarven langer dan gewoonlijk, -maanden, ja zelfs jaren, in den larvetoestand verkeeren. Zij -ontwikkelen zich dan dikwijls tot zoogenaamde "reuzenlarven." - -De Amphibiën bewonen alle werelddeelen en zijn, met uitzondering van -de noordelijkste gewesten, over alle aardgordels verbreid. Warmte en -water zijn volstrekt noodig voor hun leven en welzijn, meer nog dan -voor de leden van andere klassen. Hun afhankelijkheid van 't water is -zeer groot; men kan zich deze dieren zonder water niet voorstellen, -daar zij, behoudens weinige uitzonderingen, hun eerste levenstijdperk -in deze middenstof moeten doorbrengen. Daar ook warmte voor hen een -levensvoorwaarde is, neemt hun aantal naar 't zuiden zoo sterk toe, -dat men de keerkringsgewesten als hun eigenlijk vaderland zou kunnen -beschouwen. Altijd echter maken zij tot verblijfplaatsen voor hen -en hunne jongen uitsluitend van zoetwater gebruik; steeds mijden zij -de zee of het zilte water in 't algemeen. Een groot aantal Amphibiën -zijn waterbewoners gedurende alle tijdperken van hun leven; de meeste -echter verlaten het water, nadat de gedaantewisseling afgeloopen -is, en houden zich vervolgens in vochtige gewesten op. In de echte -woestijn komen geen Amphibiën voor; zij ontbreken echter in geen -enkele streek, die geregeld, zij het dan ook slechts gedurende -een deel van het jaar, water bevat; want, evenals de inheemsche -soorten den winter, brengen ook zij het hiermede overeenstemmende -droge seizoen der tropische gewesten diep verborgen in het slijk (of -althans in holen) in schijndooden toestand door, om in het begin van -de volgende lente uit hun slaap te ontwaken. In alle warme landen, -waar een regelmatig wederkeerende regenperiode een afwisseling van -jaargetijden doet ontstaan, verdwijnen zij geheel, zoodra het droge -seizoen aanvangt en vertoonen zich weer, nadat de eerste regenbuien -gevallen zijn; uitgestrekte terreinen, waar men te voren geen -vermoeden had van hun aanwezigheid worden dan als met een tooverslag -door hen verlevendigd. Het aantal Amphibiën van al deze gewesten -is echter gering in vergelijking met dat der waterrijke oerwouden, -waar de vochtigheidstoestand gedurende het geheele jaar nagenoeg -onveranderd blijft en waar zelfs de boomkronen aan deze dieren nog de -gelegenheid bieden om voor de ontwikkeling van hun nakomelingschap te -zorgen. In de ontzaglijk uitgestrekte wouden van Zuid-Amerika en ook -in de oerwouden van Zuid-Azië zijn sommige familiën, zoowel wat het -aantal soorten als het aantal individuen betreft, buitengewoon sterk -vertegenwoordigd. In het water dat zich tusschen breede bladen, in urn- -of kanvormige bladstelen en bladschijven, in holle boomen en op andere -plaatsen verzamelt, leggen deze dieren hunne eieren en houden hunne -larven zich op. Terwijl hier iedere bruikbare verzamelplaats van water -bewoond wordt, om 't even of zij op den bodem dan wel in boomstammen -of boomkronen voorkomt, ontmoet men in de betrekkelijk drogere wouden -van Afrika veel minder Amphibiën. De moerassen en vochtige oerwouden -van Middel- en Zuid-Amerika zijn voor de Kikvorschachtige Amphibiën -een waar paradijs; in een groot deel van Afrika daarentegen ontbreken -zij bijna volkomen. - -Hoe uitgestrekt het verbreidingsgebied van sommige soorten van -Amphibiën ook is, toch hecht ieder individu zich zeer sterk aan -een bepaalde plek. Deze heeft soms slechts weinige vierkante meters -oppervlakte: een middelmatig groote vijver en zelfs een poel, die -geregeld water bevat, kan tot woonplaats dienen aan honderden, zonder -dat deze licht bevredigde dieren er aan denken om te verhuizen; een -enkele boom in het oerwoud herbergt misschien tal van andere Amphibiën -gedurende het geheele jaar. Sommige soorten bewegen zich over een -grooter gebied, maar beschouwen een bepaald deel er van als hun -eigenlijke woonplaats en zoeken den hier gekozen schuilhoek telkens -weer op. Verhuizingen van eenige beteekenis komen bij de Amphibiën -slechts in zeer exceptioneele gevallen voor, waarschijnlijk alleen -dan, als een terrein zulke groote veranderingen ondergaat, dat het -niet meer voldoet aan de eischen, die zij moeten stellen; dit neemt -echter niet weg, dat ook zij het door hen bewoonde gebied in gunstige -omstandigheden allengs vergrooten en zich vestigen kunnen in oorden, -meer bepaaldelijk in wateren, waar zij vroeger niet aanwezig waren. - -Het leven van de Amphibiën komt ons nog eenvormiger voor dan dat van -de Reptiliën, hoewel de meeste, wat vlugheid van beweging betreft, -niet bij de leden van de vorige klasse behoeven achter te staan en -hen zelfs, gedeeltelijk althans, overtreffen. In verband met hun -verblijf in 't water zijn alle Amphibiën, de Apoden misschien alleen -uitgezonderd, uitmuntende zwemmers; dit geldt niet alleen van de -larven, die als 't ware in den vischtoestand verkeeren, maar ook -van de volwassenen, om 't even of de pooten dan wel de staart het -belangrijkste bewegingsorgaan zijn. De larven zwemmen op de wijze -van de Visschen door schroefsgewijs draaiende bewegingen van den -staart. Dit blijft zoo bij eenige volwassene Amphibiën, n.l. bij -de Salamanders; de Kikvorschachtigen daarentegen zwemmen door -krachtige stooten met de voor dit doel zeer geschikte achterpooten, -op soortgelijke wijze als de mensch, met dit onderscheid, dat de -voorste ledematen bij hen niet medewerken. Ongetwijfeld zullen ook -de Apoden zich wel in 't water kunnen redden, daar ieder wormvormig -dier in dit geval door slangsgewijze kronkelingen van 't lichaam -vooruitkomt; wat deze bewegingswijze betreft staan zij echter bij -de leden der overige orden achter. Op het land bewegen de Amphibiën -zich op zeer verschillende wijzen. Alle Salamanders, met uitzondering -van eenige behendige soorten, strompelen en kruipen op plompe wijze; -de Kikvorschachtigen daarentegen verplaatsen zich met meer of minder -groote sprongen; eenige van hen kunnen ook klimmen en op deze wijze -de kroon van een hoogen boom bereiken; zij doen dit echter anders dan -alle tot dusver genoemde Gewervelde Dieren: zij springen van het eene -rustpunt naar een tweede, dat hooger gelegen is. - -In één opzicht munten de meeste Amphibiën boven de Reptiliën uit. Van -deze zijn slechts weinige met een echte stem begiftigd; een groot -aantal Amphibiën daarentegen, meer bepaaldelijk die van de eerste orde, -bezitten het bijna verrassende talent van meer of minder klankvolle, -luide en afgeronde tonen voort te brengen. Verscheidene soorten van -Amphibiën maken van dit talent zulk een druk gebruik, dat zij onze -nachtrust verstoren en angstige gemoederen met vrees en zorg vervullen -kunnen. Toch zijn alleen de volwassenen in staat om te schreeuwen, -de larven en de jongen, soms ook de wijfjes, missen dat vermogen. - -De noodige gegevens ontbreken nog om een juist oordeel te vellen -over de hoogere begaafdheden van de Amphibiën. Alle vijf zintuigen -zijn aanwezig en vooral de drie hoogste goed ontwikkeld. Hoewel -hun hersenwerkzaamheid zich openbaart op een wijze, die van een -betrekking tot de buitenwereld, van een zeker overleg getuigt, mag -men hen bij de meest geestlooze van alle Gewervelde Dieren rekenen; -hun verstand verheft zich nauwelijks boven dat der laagste Reptiliën -en staat beneden dat van de hoogste Visschen. Ofschoon zij dikwijls -in grooten getale bijeenleven, kan bij hen van echte gezelligheid geen -sprake zijn. Het is de gelijkheid van woonplaats en niet wederzijdsche -genegenheid, die hen vereenigt. Evenmin kan men bij het beoordeelen -van hun verstandelijke ontwikkeling een hooge waarde toekennen aan de -zorgen, die sommige aan hun kroost wijden. Waarschijnlijk zijn slechts -weinige Amphibiën dagdieren. Zij beginnen hunne werkzaamheden meestal -zoodra de schemering aanvangt of korten tijd daarna en blijven bezig -tot tegen den morgen; over dag rusten de meeste, maar doen dit op -zeer verschillende wijzen. Sommige zoeken eenvoudig een schuilhoek op -en blijven hier bijna zonder beweging tot den volgenden avond liggen; -andere verschaffen zich intusschen het genot van door de zon gekoesterd -te worden, begeven zich naar hiervoor geschikte plaatsen en brengen -den dag in een half sluimerenden toestand door; hun slaap is echter -nooit zoo vast, dat zij zich onvoorzichtig aan gevaar blootstellen, -of een buit, die in hun nabijheid komt, ongemoeid laten. Ook zij toonen -echter door vermeerderde bedrijvigheid, drukker gekwaak en dergelijke -bewijzen van opgewektheid, dat de nacht hun eigenlijke arbeidstijd is. - -Tusschen de gedaantewisseling en de voeding bestaat een zeker -verband. Alle Amphibiën leven van roof; de buit, dien zij najagen, -verschilt in verband met den leeftijd. De larven voeden zich in haar -vroegste jeugd met allerlei kleine dieren. Zoodra de gedaantewisseling -afgeloopen is, maken zij jacht op al wat leeft en zich beweegt, -op dieren uit verschillende klassen en hoofdafdeelingen, op Wormen, -Gelede en Gewervelde Dieren; sommige vervolgen zwemmend hun buit, -andere trachten hem na een sprong met de snel naar buitengeslingerde -tong te vangen. Zij sparen niet eens hunne soortgenooten of verwanten, -maar verslinden deze even gretig als ieder ander dier, dat zij -kunnen overweldigen. Men heeft opgemerkt, dat enkele soorten van -Vorschen bij voorkeur andere leden van hun orde vangen en tot spijs -gebruiken. Naarmate de temperatuur stijgt neemt hun eetlust toe, -evenals bij de Reptiliën. In de zomer- en herfstmaanden zijn de -inheemsche Amphibiën zeer vraatzuchtig; in de lente eten zij weinig, -hoewel men wegens den voorafgaanden winterslaap het tegendeel zou -verwachten. - -Na het ontwaken uit den winterslaap vangt de voortplantingsperiode -aan. Zoodra de eieren gelegd zijn, gaan mannetjes en wijfjes -hun eigen gang. Die welke op het land leven, verlaten het water, -de Landkikvorschen verspreiden zich over de akkers en weiden, de -Boomkikkers klauteren in de kronen der boomen, de Salamanders begeven -zich naar hun jachtgebied, alle beginnen hun eenvormig zomerleven, -waarin zij oogenschijnlijk zooveel behagen scheppen. De winterkoude, -in de tropische gewesten de droogte, maakt een einde aan de pret, door -allen te dwingen een schuilplaats op te zoeken, waar zij gedurende -het ongunstige seizoen in schijndooden toestand verkeeren. - -Het eerste levenstijdperk van de Amphibiën is schielijk afgeloopen; -slechts weinige weken worden vereischt voor de ontwikkeling van -de larve tot een volkomen dier; daarna heeft de groei echter zeer -langzaam plaats. De Kikvorschen zijn meestal eerst in hun 4e of -5e levensjaar voor de voortplanting geschikt; zij nemen dan nog -steeds in omvang toe en bereiken misschien eerst op 10- à 12-jarigen -leeftijd hun definitieve grootte. Bij de Salamanders houdt de groei -nog langer aan; bij den Reuzensalamander van Japan tot op 30-jarigen -of hoogeren ouderdom. In verband met dezen langzamen groei staat -de lange levensduur; de Amphibiën, die aan een gewelddadigen dood -ontkomen, worden zeer oud, zelfs in omstandigheden, die voor ieder -ander dier noodlottig zouden zijn. Uit het leven van Padden in -gesloten holen blijkt, dat zij taaier zijn dan alle overige Gewervelde -Dieren. Enkele Amphibiën, o. a. de Salamanders ondervinden weinig -nadeel van verwondingen, die andere Gewervelde Dieren stellig niet -te boven zouden komen. - -De Amphibiën worden uit blinde onkunde door vele menschen nog altijd -op onverantwoordelijke wijze vervolgd en gedood, hoewel geen dezer -dieren werkelijk schade aanricht of het vermogen bezit om ons kwaad -te doen. Volkomen ongegrond zijn de afkeer en de vrees, die zelfs -zoogenaamd ontwikkelde personen voor hen gevoelen. De verstandige -tuinman beschermt en behoedt de Padden, de Engelschen koopen ze -zelfs bij honderden op, om hunne tuinen van allerlei schadelijk -gedierte te bevrijden, de onbeschaafde (of althans onwetende) mensch -daarentegen doodt dit "leelijke" dier, waar hij het ook vindt. Voor -alle Amphibiën gevoelt ieder, die de natuur waarneemt, de vriendschap -en genegenheid, die vrij algemeen uitsluitend aan de Kikvorschen worden -betoond, ofschoon de overige leden der klasse haar in dezelfde mate -verdienen. Het slijm, dat door hun huid wordt afgescheiden, beschut -vele Amphibiën tegen de meeste roofdieren; zij, die geen vergiftige -huid als middel tot het afweren van vijanden bezitten, vallen aan een -ontzaglijk groot aantal zeer verschillende dieren ten buit. Zelfs de -mensch beschouwt de achterboutjes van eenige soorten van Kikvorschen -als een smakelijk gerecht. Een geluk is het voor hun geslacht en -misschien ook voor ons, dat een buitengewoon snelle vermenigvuldiging -alle op deze wijzen geleden verliezen spoedig weder aanvult! - - - - - - - -EERSTE ORDE. - -DE VORSCHEN (Ecaudata). - - -Ieder die een Kikvorsch aandachtig bekeken heeft, kent alle leden van -de eerste orde der Amphibiënklasse. De verschillen van lichaamsbouw, -die in deze orde voorkomen, hoewel niet gering of onbelangrijk, -gaan nimmer zoo ver, dat het mogelijk zou zijn een Vorsch of -Staartelooze Amphibie met een Salamander te verwarren. Een plompe, -eivormige of bijna vierhoekige romp, welks verbinding met den plat -gedrukten, breeden, aan den snuit spits toeloopenden of afgeronden, -wijdmondigen kop op zulk een wijze tot stand komt, dat men geen hals -kan onderscheiden, vier goed ontwikkelde ledematen en een meer of -minder gladde, naakte, glibberige huid zijn de uitwendige kenteekenen -van alle leden der eerste orde. De oogen zijn betrekkelijk groot -en zeer beweeglijk; de neusgaten kunnen meestal door eigenaardige -kleppen gesloten worden; de gehoororganen zijn groot en kenbaar aan -het trommelvlies, dat aan de oppervlakte gelegen is. Tusschen de -geslachten en soorten bestaat een niet onbelangrijk verschil, wat het -maaksel der pooten, de gladheid en de dikte der huid, de aanwezigheid -en de verdeeling der slijm- of gif-uitzweetende klieren betreft. - -Het geraamte is hoogst eenvoudig van samenstelling. De kop is van -boven naar onderen sterk samengedrukt, de hals, strikt genomen, -slechts aangeduid; de wervelkolom bestaat gewoonlijk uit 7, zelden -uit 6 wervels; het heiligbeen is een rolvormig of plat driehoekig -been geworden, waarmede van achteren een in 't middenvlak gelegen, -lang, staafvormig staartbeen en aan weerszijden een eveneens -langwerpig heupbeen verbonden is; de gordel van de voorste -ledematen is kraakbeenig en hangt uitsluitend door weeke deelen -met de wervelkolom samen; ribben zijn niet aanwezig behalve bij -de familie der Schijftongigen. Kleine, haakvormige tanden zijn -op de bovenkaaksbeenderen in den regel, op de ploegschaarbeenderen -dikwijls, op de gehemelte- en de onderkaaksbeenderen bij uitzondering -aanwezig. De zelden ontbrekende tong is slechts bij enkele soorten -over haar geheele lengte met den bodem van de mondholte vergroeid, -bij de meeste alleen met het voorste gedeelte vastgehecht dicht bij de -plaats, waar de beide onderkaakshelften zich vereenigen; het achterste -deel van dit orgaan is vrij, zoodat het buiten den mond geworpen kan -worden. Bijna alle hebben zeer groote, zakvormige longen en een goed -ontwikkeld, wijd strottenhoofd, dat dikwijls nog door eigenaardige -keelblazen of klankholten geholpen wordt bij het voortbrengen van -een luide, klankrijke stem. De hersenen hebben in verhouding tot de -geringe grootte van het lichaam een aanzienlijken omvang. - -De Vorschen zijn over de geheele wereld, met uitzondering van de -poolgewesten, verbreid; zij ontbreken in geen der werelddeelen en op -geen der hoogtegordels; in de keerkringsgewesten bereikt deze groep -haar hoogste ontwikkeling. Minder dan andere Amphibiën zijn zij aan -bepaalde terreinen gebonden, daar de inrichting van hun lichaam hen tot -allerlei bewegingen in staat stelt. Verreweg de meeste Vorschen blijven -niet wonen in het water, waarin zij hun jeugd doorbrachten, maar -verbreiden zich in den omtrek, zij het dan ook binnen een beperkten -kring, welke steeds voldoen moet aan de voorwaarde, dat zij er de -vochtigheid vinden, die voor haar bestaan volstrekt noodig is. Hunne -verblijfplaatsen zijn zoo verschillend als die van eenig Amphibie -kunnen zijn. Zij komen overal voor, waar zij geschikte schuilplaatsen -kunnen vinden en in de gelegenheid zijn om voedsel, vooral Insecten, -te verkrijgen. Hun zomerleven onderscheidt zich echter aanmerkelijk van -hun leven gedurende het ongunstige jaargetijde, om 't even, of dit door -daling van de temperatuur of vermindering van den vochtigheidstoestand -voor hen ongunstig wordt. Hier te lande verschuilen verscheidene -soorten zich voor het einde van den herfst in het slijk van poelen -en plassen, waar zij gedurende het koude jaargetijde in een op den -dood gelijkenden slaap verkeeren. In zuidelijke landen dwingt de -droogte hen eveneens zich te verbergen. Gezelligheid is een grondtrek -van het karakter van alle bij of in het water levende Vorschen; -er ontstaat echter tusschen hen nooit eenig verband, zooals bij de -hoogere Gewervelde Dieren. Gelede Dieren, Wormen en Slakken maken -haar liefste voedsel uit; ook vischkuit en kleine vischjes dienen -hun tot spijs; de grootste vertegenwoordigers van de orde wagen het -zelfs kleine Zoogdieren en Vogels aan te vallen. Enkele Boomkikkers -voeden zich bijna uitsluitend met andere Amphibiën en wel vooral met -leden van hun eigen familie. - -De voortplanting heeft bij de Europeesche Vorschen in de lente -plaats. De eieren (het rit) zijn onderling vereenigd tot snoeren -(b. v. bij de Padden) of tot onregelmatige klompen (b. v. bij de -Kikvorschen). De larven (dikkoppen, donderpadden, kikkervischjes) -missen nog de ledematen en de mondopening, maar zijn van een staart -voorzien. Onder de plaats, waar later de mondopening zal ontstaan, -bevinden zich 2 kleine, spoedig verdwijnende "hechtschijfjes". Weldra -ontspruiten aan weerszijden van den hals drie boomvormig vertakte, -uitwendige kieuwen; achter elke kieuw is een spleet (keelspleet), -waardoor de mondholte met de buitenwereld in gemeenschap staat. Daarna -komt de mondopening tot stand en worden de kieuwen langzamerhand -door een van den kop naar achteren groeiende woekering van de -huid (het kieuwdeksel) overdekt en in een kieuwholte opgesloten; -intusschen verdwijnen de boomvormige kieuwen en wordt haar verrichting -overgenomen door inwendige, als tanden van een kam aan de kieuwbogen -gehechte kieuwplaatjes, welke veel op die der Visschen gelijken. Het -kieuwdeksel laat voor den afvoer van het water een opening vrij (de -kieuwspleet). Deze is bij de meeste inheemsche Vorschen (Rana Bufo, -Pelobates en Hyla) aan de linkerzijde van den hals gelegen, minder -dikwijls (Alytes, Bombinator) in 't midden van de keel. Terwijl -de kieuwen deze veranderingen ondergaan, hebben de randen van de -mondspleet zich met een hoornlaagje bedekt, dat verscheidene rijen -van fijne hoorntandjes draagt. Binnen in het lichaam merkt men -den spiraalvormig gekronkelden dunnen darm op. Daarna vertoonen -zich de achterste ledematen, die reeds een aanmerkelijke grootte -bereikt hebben, als de voorste ledematen zichtbaar worden. Van nu af -verdwijnen de larveorganen langzamerhand; de kieuwen verschrompelen, -de kieuwspleet groeit dicht, de longen beginnen dienst te doen; de -hoorntandjes en het hoornachtig bekleedsel van de kaken gaan te niet; -de staart wordt allengs korter en verdwijnt eindelijk geheel; tenslotte -is de staartelooze jonge Vorsch gereed om het water te verlaten. - -Over 't algemeen zijn de Vorschen wakker en bedrijvig van aard; -nachtdieren zijn zij even goed als de andere Amphibiën, hoewel vele -ook over dag een grootere bedrijvigheid toonen dan bij andere leden der -klasse waargenomen wordt. Door hun geschiktheid tot beweging munten zij -boven al hunne verwanten uit: zij gaan of strompelen beter dan deze, -maken kolossale sprongen en doen dit op een buitengewoon behendige -wijze, zwemmen en duiken voortreffelijk en kunnen uren lang zonder -bezwaar op den bodem van het water doorbrengen. Zij zijn scherp van -gezicht, van gehoor en van reuk, zijn ondanks hun in 't oog vallende -gevoelloosheid, duidelijk geschikt tot het opmerken van drukking en -temperatuursverschil, waarschijnlijk ook, hoewel in geringe mate, -voor smaakprikkels gevoelig. Bij de andere leden hunner klasse kan -men moeilijk sporen van hoogere werkzaamheid van den geest ontdekken; -bij de Vorschen daarentegen worden duidelijk een nauwkeurige kennis -van de plaatselijke gesteldheid, benevens onderscheidingsvermogen, -geheugen en op ervaring berustende schranderheid waargenomen; -bovendien geven zij blijken van voorzichtigheid en schuwheid in hunne -betrekkingen tot andere wezens; zelfs openbaren zij eenige list bij -het kiezen van de middelen om aan een gevaar te ontkomen of om een -buit te bemachtigen; zij scheppen behagen in luide tonen, zooals -op onmiskenbare wijze blijkt uit hun goed ontwikkeld gehoororgaan -en uit de muziekuitvoeringen, die zij 's avonds geven. Al deze -eigenaardigheden maken de Vorschen voor ons veel aantrekkelijker dan -de andere Amphibiën. - -Hoewel hunne stemmen minder verscheidenheid aanbieden, minder -omvangrijk, klankvol en zoetvloeiend zijn dan vogelengezang, staan zij -niet al te ver achter bij die van de meeste Zoogdieren. Zij brengen -allerlei geluiden voort, afwisselend van een ver hoorbaar gebrul, tot -een fijn gesjirp, van heldere fluittoonen tot een dof gejammer. Heesch -krascht de eene, volle, afgeronde tonen hoort men van de andere; -sommige sjirpen als Sprinkhanen, andere loeien als Runderen; het -op klokslagen gelijkende geluid van de Pad, bestaat uit afgebroken -tonen, door rustpauzen gescheiden; de Groene Kikvorsch daarentegen -draagt een uit vele coupletten samengesteld lied voor. Zoowel in de -oerwouden van Zuid-Amerika als in de keerkringslanden van Azië en -Afrika, in Australië niet minder dan in Europa, trekken de stemmen -van de Vorschen sterk onze aandacht en wekken onze belangstelling. - -Onze welwillendheid verdienen de Vorschen niet slechts door -hun onschuldige vroolijkheid, maar ook doordat zij, wel verre van -schadelijk te zijn, nuttige werkzaamheden verrichten, welker beteekenis -stellig nog niet genoeg gewaardeerd wordt. - - - -De Vorschen worden thans in twee onderorden gesplitst; de Tongvorschen -(Phaneroglossa) en de Tongloozen (Aglossa). Verreweg de meeste Vorschen -behooren tot de eerstgenoemde afdeeling, die zich kenmerkt door de -goed ontwikkelde tong en het gescheiden blijven der Eustachiaansche -buizen (de verbinding tusschen de trommelholte en de mondholte), -die dus met twee openingen aan het gehemelte eindigen. - -Men kan in deze onderorde zeer duidelijk twee groepen onderscheiden: -bij de Stijfborstigen (Firmisternia), zooals de Kikvorsch, zijn -de beenderen van den schoudergordel onbeweeglijk met het borstbeen -verbonden; bij de Vrijborstigen (Arcifera) zooals de Pad, laten zij -een zijdelingsche verschuiving toe. De groep der Stijfborstigen omvat -6 familiën; slechts één van deze--de Echte Kikvorschen (Ranidae)--is -in Europa en Nederland vertegenwoordigd; zij omvat 22 geslachten; -alle Europeesche soorten behooren tot het geslacht Kikvorsch (Rana). - -De Echte Kikvorschen hebben alleen in de bovenkaak tanden. De -pupil is bij sommige geslachten een verticale, bij andere een -horizontale spleet; de teenen eindigen bij sommige spits, bij andere -in hechtschijfjes; soms zijn alle voeten met zwemvliezen voorzien, -soms ontbreken zij aan de voorpooten, soms aan alle ledematen. - -De meeste leden van deze familie ondergaan de hierboven beschreven -gedaantewisseling in het water; bij sommige heeft echter een deel -van den ontwikkelingsgang binnen het ei plaats, dat in dit geval -aanmerkelijk grooter is. - -De Echte Kikvorschen bewonen in grooten getale de wateren van -gematigde en warme gewesten; zij komen voor in alle werelddeelen met -uitzondering van Australië. Nagenoeg overal hoort men hun nachtelijk -lied, want, evenals de Waterkikvorsch in ons vaderland, vestigen ook -zijne verwanten zich in lage zoowel als in hooge oorden, in stroomend -zoowel als in stilstaand water, indien dit niet te veel zout bevat, -ook op den vasten bodem, daar verscheidene soorten zich, evenals de -Boomkikvorschen, slechts gedurende den paartijd in 't water ophouden -en later vochtige weiden, velden en wouden tot woonplaats kiezen. - -Overal hebben de in 't water wonende Kikvorschen nagenoeg dezelfde -levenswijze: een bedrijvig en vroolijk lente- en zomerleven met druk -geschreeuw en veel genoegen wordt gevolgd door een minder aangename -nabetrachting in den herfst, die als inleiding dient tot den maanden -langen slaap van den winter of van het droge seizoen. Diep verborgen -onder het slijk van de verstijvende of uitdrogende plassen wachten -de slapers den warmen lenteadem af, die de ijskorst doet smelten of -de eerste regenbuien, die de geblakerde en met spleten doorploegde -slijklaag verweekt en aaneenvoegt. Hier door warmte, ginds door vocht -wordt de natuur tot nieuw leven opgewekt; want gelijk bij ons de lente -aan de aarde haar prachtigste tooi verschaft, brengt het begin van -den regentijd in de keerkringsgewesten de schoonheden der natuur in -hoogere mate tot ontwikkeling. Waar onder een hemel, die zijne gaven -mild verspreidt, het klimaat in den loop van het jaar nagenoeg geen -verandering ondergaat, laten de wakkere waterzangers bijna onverpoosd -hun stem weerklinken. In het waterrijke Zuid-Amerika verneemt men -iederen avond en stellig na iedere regenbui het koor der Kikvorschen; -in de vochtige vlakten van Indië en West-Afrika ziet of hoort men -deze dieren het geheele jaar door. - -Hier te lande kunnen de Kikvorschen hoogstens lastig worden door -de volharding, waarmede zij ons trachten te overtuigen van hunne -muzikale talenten; in andere werelddeelen geven sommige werkelijk -aanstoot door hun zeer luid gekwaak. De bij ons levende soorten -worden met het volste recht onder de nuttige dieren gerekend en -richten slechts bij uitzondering een onbeduidende schade aan; de -reusachtige leden van hun familie, die in Amerika en Indië leven, -vergrijpen zich daarentegen niet al te zelden aan het eigendom van -den mensch en maken zelfs jonge Eenden en Ganzen tot slachtoffers van -hunne rooverijen. Toch is men hun eigenlijk nergens vijandig gezind; -geen enkel volk beschouwt hen met den afkeer, waaronder de zoo nauw -met hen verwante Padden te lijden hebben. De meeste menschen scheppen -behagen in het voorkomen en de werkzaamheid der Kikvorschen en zijn -hun genegen; vele soorten heeft men tot den rang van wild verheven -en beloonen door hun smakelijk vleesch de moeiten van de jacht. - -De Echte Kikvorschen zijn niet tevreden met de kleine hoeveelheden -vocht, die door de leden van sommige andere familiën voor de -ontwikkeling hunner jongen voldoende worden geacht, maar kiezen voor -dit doel steeds een water van eenige beteekenis. Ook in deze familie -treft men soorten aan, die voor de veiligheid van hun kroost zorgen, -door de eieren vastgehecht aan de oppervlakte van het lichaam gedurende -eenige weken mede te voeren. De meeste evenwel leggen hunne eieren -eenvoudig in het water en bekommeren zich er niet verder om. Bij -koud weer of op hoog gelegen plaatsen heeft de gedaantewisseling veel -langzamer plaats dan gewoonlijk en wordt hiervoor soms een tweemaal -zoo lange tijd vereischt. Hetzelfde verschijnsel wordt opgemerkt bij -larven, die in een kleinen waterbak geplaatst zijn en niet genoeg -voedsel krijgen. - -Reeds lang hebben de inheemsche leden der Kikkerfamilie voor -wetenschappelijke proeven gediend; in den regel stond hun vangst dan -met een doodvonnis gelijk. Een beter lot valt hun ten deel, als zij -gevangen worden ten behoeve van de liefhebbers van dieren, die sedert -eenigen tijd begonnen zijn ook Kikvorschen in de kooi te houden; voor -tropische vormen worden woningen ingericht, die alle mogelijke gemakken -aanbieden; door goede behandeling geraken zij na korten tijd even goed -aan hun verzorger gewoon als de bekende weerprofeet, de Boomkikker. - - - -"Brèkèkè!--brèkèkè brèkèkè!--koax toeoe!--brèkèkè brèkèkè!--brèkèkè -koearr brèkèkè toeoe!--brèkèkè brèkèkè brèkèkè--brèkèkè brèkèkè brèkèkè -brèkèkè!--koax koax! toeoe toeoe! brèkèkè toeoe!--brèkèkè brèkèkè! - - - "Wanneer de maan haar' stralen schiet - Klinkt uit den plas het kikkerlied," - - -dat, naar het mij voorkomt, evenzeer bij den lentenacht behoort -als het lied van den Nachtegaal, al beweert Oken, dat men zich -voorstellen kan bij een gekkenhuis te staan, als men in de nabijheid -van een kikkersloot komt. Een onverholen vroolijkheid spreekt uit deze -eenvoudige klanken; hoe rauw zij ieder voor zich ook schijnen te zijn, -is er duidelijk overeenstemming in op te merken. "Brèkèkè" roept -de voorzanger van het geheele gezelschap en alle overige luisteren -zwijgend, om in het volgende oogenblik met dezelfde strophe of met -het doffe "koearr" in te vallen en op de van ouds bekende wijze voort -te kwaken. Zoodra de koele schemering aanvangt, wordt het gekwaak -algemeen; met meer volharding dan eenig ander nachtelijk lied wordt het -voortgezet; eerst tegen den morgen vermindert het rumoer in de plassen, -hoewel af en toe een enkele zanger, als 't ware onder den indruk van de -zalige herinnering aan de wijze waarop hij zich van zijn taak gekweten -heeft, niet nalaten kan een half ingehouden "koearr" te laten hooren. - -Onze Groene Kikvorsch of Waterkikker, ook wel Kwaker, in Zeeland Puje, -in Friesland Froask genoemd (Rana esculenta), is een van de waardigste -vertegenwoordigers van zijn geslacht, dat in 140 soorten over de -geheele wereld verbreid is. Deze hebben alle een dwarsgerichte pupil -van eivormige gedaante, een slechts van voren vastgehechte, overigens -vrije, van achteren in twee slippen eindigende tong; de tanden van -de ploegschaarbeenderen vormen aan het gehemelte twee symmetrische -groepen tusschen de achterste neusopeningen; het trommelvlies is -meestal duidelijk zichtbaar; de vingers van de voorvoeten zijn -niet met zwemvliezen voorzien; de duim kan niet tegenover de andere -vingers gesteld worden; de teenen van de achtervoeten hebben volkomen -zwemvliezen; duidelijke opzwellingen komen aan de gewrichten voor; -het mannetje heeft meestal twee keelzakken, die opgeblazen worden om -het geluid te versterken. - -De Groene Kikvorsch bereikt (zonder de 10 à 11 cM. lange achterpooten) -een lengte van 6 à 8 cM. en wordt soms misschien nog wel iets -grooter. De bovendeelen zijn op fraai groenen grond geteekend met -zwarte vlekken en met drie gele, overlangsche strepen: één over het -midden van den rug en één op elke zijde. Twee zwarte strepen komen aan -iedere zijde van den kop voor. De onderdeelen zijn wit of geelachtig; -de achterdeelen zwart en geel gemarmerd. Na het eierenleggen vertoonen -de kleuren de meeste frischheid, later worden zij soms lichter, -soms donkerder en verkrijgen in mindere of meerdere mate een bruine -of grijze tint; ook heeft soms de eene, soms een andere teekening de -overhand, daar de overlangsche strepen meer of minder duidelijk kunnen -zijn. De groote oogen hebben een helder gelen ring; hun uitdrukking -is schrander en opgewekt. Een grootere verscheidenheid--de Meerkikker -(Rana esculenta, var. ridibunda)--heeft een lichaamslengte van 10 -à 11 cM., zonder de 14 à 16 cM. lange achterpooten; de achterdeelen -zijn olijfkleurig of groenachtig wit en donker olijfkleurig gemarmerd. - -De Groene Kikvorsch bewoont, behalve Europa, ook het noordwesten van -Afrika en een groot deel van West-Azië. Overal waar hij voorkomt, -is hij zeer talrijk; men zou dit kunnen toeschrijven aan neiging tot -gezelligheid; de ware reden hiervoor is waarschijnlijk gelegen in -zijn buitengewoon snelle vermenigvuldiging; in iederen vijver, waar -een paartje zich vestigt, krioelt het weldra van nakomelingen. Over -'t geheel genomen zeer gemakkelijk te bevredigen, stelt de Waterkikker -toch bepaalde eischen aan het water, dat door hem tot woonplaats -wordt gekozen. Hoewel hij slechts in weinige wateren ontbreekt, -vindt men hem in grooten getale slechts in die, welke langs de oevers -met hoog gras en biezen begroeid en in het midden met waterplanten -(bij voorkeur drijvende) bedekt zijn. Hij vestigt zich ook nog wel in -water dat eenigszins brak is, maar toont zich van zoute meren meren -niet minder afkeerig dan van de zee. Kleine, met struikgewas omgeven -plassen, over welker waterspiegel de plompen zich uitbreiden, sloten, -die, althans gedurende het grootste deel van 't jaar, water bevatten, -zijn de liefste verblijfplaatsen van den Groenen Kikker; daarna -komen poelen, broeklanden en moerassen in aanmerking, in het zuiden -vooral ook de rijstvelden, daar deze lang met water bedekt moeten -worden gehouden en, evenals de vijvers, den door hem begeerden buit -in overvloed bevatten. In zulke wateren merkt men hem duidelijk op, -niet slechts met de oogen, maar ook met de ooren. Daar hij veel van -warmte houdt, tracht hij van iedere zonnestraal partij te trekken -en vertoont zich daarom over dag geregeld aan de oppervlakte, -waar hij, den kop boven den waterspiegel houdend en de kolossale -zwemvoeten wijd uitspreidend, op dezelfde plaats blijft drijven, -of zoo gemakkelijk mogelijk op het breede blad van een waterplant, -een drijvend stuk hout, een boven 't water uitstekenden steen, een -rotsblok aan den waterkant of een dergelijk plaatsje zittend, zwelgt -in het genot, dat de zonnewarmte hem verschaft. Wanneer er geen -stoornis komt, blijft hij den halven dag hier zitten, zonder zich -te bewegen. Door de een of andere oorzaak opgeschrikt, of door een -gemakkelijk verkrijgbaren buit verlokt, gaat hij met een kolossalen, -soms wel 1 M. verren sprong te water, zwemt met krachtige slagen van -de achterpooten tusschen den waterspiegel en den bodem voort, in 't -eerstgenoemde geval een flauw hellende lijn volgend tot in den modder, -waarin hij zich verbergt. Nooit blijft hij in de veilige diepte langer -dan zijns inziens volstrekt noodig is; na een korte rust verlaat hij -zijn schuilplaats, roeit langzaam weg, zwemt naar de oppervlakte, -steekt den kop er boven, wendt de heldere oogjes in alle richtingen -en tracht zijn vorige plaats terug te vinden. Als de avond valt, of -nadat een regenbui de lucht heeft afgekoeld, komt de geheele bevolking -van den plas bijeen, bij voorkeur op een zekeren afstand van den oever -tusschen de planten en begint nu een van hare alom bekende, muzikale -uitvoeringen. Zoo gaat het iederen dag van het midden van April tot -het midden, hoogstens tot het einde van October; dan is het voor onze -Kikkers tijd om op den bodem van het water, in het slijk of in een -hol een winterkwartier op te zoeken. Reeds in Zuid-Europa verschijnen -zij veel vroeger en verdwijnen later; in Noord-Afrika houden zij op -plaatsen, waar de plassen niet uitdrogen, geen winterslaap meer, maar -behouden gedurende het geheele jaar nagenoeg dezelfde levenswijze; -alleen in den paartijd komt er eenige verandering in hun gedrag; -dan zijn zij levendiger en kwaken met meer volharding dan gewoonlijk. - -De Groene Kikvorsch is niet van talenten ontbloot; zijne bewegingen -getuigen van kracht en behendigheid, uit zijne handelingen blijkt eenig -verstand. Evenals de meeste van zijne verwanten, beweegt hij zich op -het land nooit anders dan springend; de sprongen die hij doet, zijn -zeer groot en worden met verrassende behendigheid geregeld. Bij het -zwemmen werken alleen de achterpooten; op een zekeren afstand onder -den waterspiegel is zijn beweging snel; in de bovenste waterlaag haast -hij zich niet. Door de achterpooten krachtig te strekken kan hij zich -echter ook tot op eenigen afstand boven de oppervlakte verheffen, -hetzij om een voorbij gonzend Insect buit te maken of om een boven -de waterlijn gelegen rustplaats te bereiken. Zijne zintuigen staan -op een hoogen trap van ontwikkeling. Zijn gezichtskring strekt zich -tamelijk ver uit, zooals het goed gevormde, fraaie oog reeds doet -vermoeden; zelfs kleine voorwerpen worden op korten afstand duidelijk -waargenomen. Bij zijne avondconcerten geeft hij zulke duidelijke -bewijzen van een goed gehoor, dat er aan de ontwikkeling van dit -zintuigelijk vermogen niet valt te twijfelen. De reukzin ontbreekt -stellig niet; alleen over het gevoel en den smaak kan verschil van -meening bestaan, omdat men over de volkomenheid van deze vermogens -moeielijk kan oordeelen. Van zijn verstand kan men zich gemakkelijk -overtuigen door hem geruimen tijd achtereen na te gaan. Ook zijn -handelwijze verschilt al naar de omstandigheden. Op plaatsen waar -niemand hem stoort, wordt zijn argeloosheid zoo groot, dat men hem tot -op een voet afstands kan naderen, voordat hij met geweldige sprongen -het hazenpad kiest. Vervolgingen maken hem schuw, nopen hem veel -eerder dan gewoonlijk de vlucht te nemen; zelfs te midden van een niet -al te groot water duikt hij onmiddellijk naar de diepte, zoodra een -hem welbekende vijand zich aan den oever vertoont. Oude Kikvorschen -zijn altijd voorzichtiger dan jonge en worden ook, gelijk Zoogdieren -en Vogels met rijpe ervaring, waarschuwers voor hunne minder vaak -beproefde soortgenooten, voor zoover deze schrander genoeg zijn om -in te zien, dat zij niets beters kunnen doen dan de wijste leden van -hun geslacht na te volgen. Ook voor dieren, die jacht op hen maken, -nemen zij zich in acht; de bewoners van plassen, die geregeld door -den Ooievaar bezocht worden, vluchten bij de komst van dezen Vogel -even haastig als bij de nadering van een mensch. Niet zelden vangen -zij hun buit met een zekere list; zij bespieden hem als een roofdier, -zwemmen zachtjes onder water naderbij en schieten er plotseling op -toe; ook weten zij zeer goed, wat hun te doen staat, als een door -hen gevangen dier moeilijk te bedwingen is. In de gevangenschap -bedraagt de Groene Kikvorsch zich in 't eerst zeer onbehoorlijk, -knort, mort en springt in 't rond, alsof hij zinneloos is. Vooral -wanneer men hem buiten het water houdt, leert hij langzamerhand zijn -verzorger kennen en vat genegenheid op voor den pot met Meelwormen, -toont mettertijd ook eenige genegenheid aan zijn meester, neemt het -voedsel aan, dat deze hem voorhoudt, laat zich in de hand nemen en -ronddragen, zonder pogingen te doen om te ontvluchten en verwaardigt -zich ten slotte ook om, in plaats van levende dieren, het een of -andere surrogaat als voedsel te gebruiken. - -Zijn grootte in aanmerking genomen is de Groene Kikvorsch een flinke -roover. Hij eet geen anderen buit dan die, welke door hem zelf -verworven is en geen andere dan levende dieren; een wezen, dat zich -niet beweegt, verlokt hem niet tot een sprong. Terwijl hij rustig -zit, let hij op al wat er in zijn omgeving voorvalt en loert als -'t ware op buit; zoodra er een in de nabijheid komt, springt hij er -op af, werpt de tong buiten den bek en verzwelgt het op deze wijze -gevangen slachtoffer. In den regel zijn Insecten (ook Angeldragende -Vliesvleugeligen), voorts Spinnen en Slakken de hoofdbestanddeelen van -zijn maal; hierdoor bewijst hij ons een grooten dienst; zijn vraatzucht -verleidt hem echter ook wel tot rooverijen, die wij hem niet kunnen -vergeven. Eerst als de lente werkelijk ingetreden is, veel later dus -dan de Gras- en de Boomkikker, vangen de voortplantingsverrichtingen -van den Waterkikker aan, zelden voor het einde van Mei, meestal eerst -in Juni. De eieren zijn lichtgeel, gedeeltelijk echter grijsgeel, -worden bij hun beweging door den eileider met een geleiachtige massa -omhuld, zakken bij het leggen op den bodem en blijven er. Zij zijn -iets kleiner dan die van den Graskikker en zelfs dan die van den -Boomkikker, maar talrijker; soms legt één wijfje er wel 1000; als -de weersgesteldheid in den tijd van 't leggen der eieren gunstig -is, worden hieruit zoovele larven geboren en ontwikkelen deze zich -zoo voorspoedig, dat er geen gevaar bestaat voor het uitsterven -der soort. Reeds op den 4en dag na het leggen beweegt zich de kiem, -aan het einde van den 5en of 6en barst het eitje open en ziet men de -grijsgele larve, die nu 1 mM. lang is, trillend het lichaam krommen -en kort daarna ook zwemmen. Aan het einde van de 3e week zijn reeds -longen aanwezig en is het kieuwdeksel zoo ver ontwikkeld, dat er voor -het afvoeren van het ademhalingswater slechts een kleine kieuwspleet -overblijft. Aan het einde van de 3e week zijn de achterpooten duidelijk -zichtbaar. Als de larve ruim een maand oud is, heeft zij een lengte -van 6 à 7 cM. bereikt; de 4 ledematen zijn dan volkomen ontwikkeld. De -lengte van den staart overtreft echter nog altijd die van den romp; dit -bewegingsorgaan is zijdelings samengedrukt en met een zeer breeden zoom -voorzien; het begint nu in te krimpen en verdwijnt eindelijk geheel, -zonder dat hiermede een merkbare vergrooting van den romp gepaard -gaat: na de gedaantewisseling schijnt het dier zelfs kleiner te zijn -dan het als larve was; het is nu ongeveer 4 maanden oud. Eerst in het -5e levensjaar heeft de Groene Kikvorsch zijn gewone grootte bereikt; -ook dan echter is zijn groei nog niet geheel afgeloopen. - -De meeste Groene Kikvorschen sterven niet aan ouderdomskwalen, -maar komen om 't leven door de tanden, de klauwen of den snavel -van een roofdier. Buitengewoon groot is hun weerstandsvermogen, hun -taaiheid. Zij kunnen niet, zooals men vroeger meende, in ijsklompen -vastvriezen en door het ontdooien van het ijs uit den schijndooden -toestand opgewekt worden, maar wel gedurende geruimen tijd droogte -verduren; hiervan leveren zij trouwens alleen in zuidelijke landen -de bewijzen, daar zij in 't noorden in dergelijke omstandigheden -zich naar een ander water zouden begeven. Zelfs zware kwetsuren -genezen bij hen spoedig; de vreeselijkste verminkingen veroorzaken -eerst na verscheidene uren den dood. Onze Groene Kikvorschen worden -onophoudelijk vervolgd door allerlei roofdieren. De Vos, de Vischotter, -de Bunzing en de Waterrat maken jacht op hen; zij worden de prooi -van Schreeuwarenden, Slangenarenden en Buizerden, van de Raven en -hunne verwanten, van Ooievaars en Reigers; zij dienen tot voedsel -aan Forellen, Snoeken en vele andere roofvisschen; het opnoemen van -al hunne vijanden zou ons te lang ophouden. Hier te lande wordt hun -te sterke vermenigvuldiging tegengegaan, doordat bij 't slatten -der slooten de uit het water gehaalde eierenhoopen op het droge -omkomen. Reeds in Zuid-Duitschland echter en in geheel Zuid-Europa -wordt ijverig jacht op hen gemaakt, omdat men kikkerboutjes te recht -voor een smakelijk, gezond en voedzaam gerecht houdt. Vooral in den -herfst, als deze dieren het vetst zijn, worden zij in grooten getale -op zeer verschillende wijzen, met hengels, pijlen en netten gevangen. - - - -De Graskikker, Landkikker of Bruine Kikvorsch (Rana temporaria, -R. fusca), die, evenals de vorige soort, in Zeeland Puje, in Friesland -Froask wordt genoemd, kan even groot worden als deze, maar verschilt er -zoozeer van door lichaamsbouw, kleur en levenswijze, dat niemand hem -er mede kan verwarren. De bovendeelen zijn op bruinen of roodbruinen -grond met donkerbruine of zwarte vlekken, de slapen met een donkeren, -overlangschen veeg geteekend, de pooten met donkere dwarsstrepen -voorzien, de borst en de buik bij het mannetje, zoowel als bij het -iets grootere wijfje, op lichten grond roodbruin gevlekt of gemarmerd. - -Noord- en Middel-Europa, van Noord-Spanje en Engeland tot Finland, -Europeesch Rusland en Skandinavië tot aan de Noordkaap, voorts -de noordelijke en gematigde gewesten van Azië zijn het vaderland -van den Graskikvorsch; men vindt hem nog in bergstreken van 2250 -M. hoogte, b.v. op den Grimsel, naast het hospitium, en in de hooge -Alpenmeren op den St. Gotthard, hoewel het ijs deze meren dikwijls -nog in Juli bedekt. In vlakke streken vindt men, behalve 's winters, -de Bruine Kikkers slechts gedurende den paartijd in 't water; in de -hooge bergstreken daarentegen vervangt deze soort in zekeren zin den -Waterkikvorsch en verlaat zij het water nagenoeg niet meer na een -uitstapje, dat in de prille jeugd plaats heeft. Van alle Vorschen -ontwaakt de Bruine het eerst uit den winterslaap; nog voordat het -water vrij is van ijs, komt hij te voorschijn; zijne jongen hebben het -ei reeds verlaten, voordat een zijner verwanten eieren gelegd heeft; -daar zijne larven zich sneller ontwikkelen dan die der andere Vorschen, -is het hem mogelijk zich blijvend te vestigen in oorden, waar de zomer -slechts weinige weken duurt. Zijne eieren zijn grooter, doch minder -talrijk dan die van den Groenen Kikvorsch; bij het leggen zinken zij -naar den bodem; hier vult het geleiachtig eihulsel zich met water; -daardoor stijgen de eieren weer naar de oppervlakte en vormen groote, -dichte, slijmerige klompen (kikkerrit). Wegens de lage temperatuur -in Maart ontwikkelen zij zich langzaam. Eerst 14 dagen na het leggen -kan men de larve in het ei duidelijk waarnemen; 3 of, bij ongunstige -weersgesteldheid, 4 weken later komen zij uit en zwemmen rond, maar -keeren van tijd tot tijd naar het kikkerrit terug, waarschijnlijk om -zich met deze slijmerige massa te voeden. Daarna heeft de ontwikkeling -van de larven schielijker plaats, want reeds binnen 3 maanden zijn zij -volkomen Kikvorschen geworden. Deze verlaten het water en doen dit, -als de omstandigheden gunstig zijn, bij groote troepen te gelijk, -hetgeen den grond gelegd heeft tot de oude sage van den kikkerregen. - -Nu begint de jonge Graskikker hetzelfde leven als zijne ouders. In -tegenstelling met den Waterkikvorsch, zwerft hij dikwijls op grooten -afstand van 't water rond: op weiden en in tuinen, op bouwland en in -bosschen, in het struikgewas en op dergelijke plaatsen,--verschuilt -zich op warme dagen onder steenen, boomwortels, in gaten van den -grond en andere schuilhoeken, waaruit hij te voorschijn komt, als -de schemering aanvangt, om zich met de jacht bezig te houden. Daar -hij allerlei Insecten, naakte Aardslakken en dergelijke kleine dieren -vangt, brengt zijn werkzaamheid ons voordeel aan, waarschijnlijk veel -meer dan men denkt. Bij hunne omzwervingen verplaatsen de Graskikkers -zich gewoonlijk met kleine sprongen, doorsnuffelen de omgeving, blijven -loerend stilzitten, zoodra zij een Insect bespeuren en wachten den -begeerden buit veeleer af dan dat zij hem opzoeken. Met pijlsnellen -sprong schieten zij toe, als het slachtoffer dicht bij hen gekomen is, -werpen de kleverige tong naar buiten en slikken het hiermede gegrepen -dier onmiddellijk door. Dat hierbij wel degelijk onderscheid wordt -gemaakt tusschen de eene soort en een andere, blijkt o.a. uit het feit, -dat zij Bijen verzwelgen, maar Wespen onmiddellijk weer uitspuwen. - -In één opzicht staan de Graskikkers ver achter bij hunne groene -neven: zij zijn minder muzikaal. Slechts nu en dan hoort men van hen -een geknor of gebrom, dat uit veel minder volle tonen bestaat dan -het gezang der Waterkikvorschen en door de wijfjes bijna even goed -voortgebracht wordt als door de mannetjes. - -Meer dan eenige andere Vorsch heeft de Graskikker te lijden van zijne -vijanden. In ieder ontwikkelingstijdperk, in het water en op het land, -staat hij bloot aan de vervolging van groote en kleine roofdieren; -hunne aanvallen houden eerst op, nadat hij tegen het einde van October -zijn winterkwartier in den modder heeft betrokken. Bij deze legioenen -van vijanden voegt zich ook de mensch; meer nog dan de Groene wordt de -Bruine Kikker ter wille van zijne gevleeschte achterboutjes gevangen -en om 't leven gebracht. Hoewel duizenden op deze wijze sneven, -vermindert gelukkig het aantal dezer nuttige dieren niet of althans -niet merkbaar: een gunstige lente vergoedt het verlies van een tiental -voorafgaande jaren. - - - -Eerst in den laatsten tijd is men beter bekend geworden met den -Veldkikker (Rana arvalis), die veel op de vorige soort gelijkt en -er vroeger mede vereenigd werd. Bij den Veldkikker is de snuit een -weinig spitser en steekt merkbaar voor het uiteinde van de onderkaak -uit, hetgeen bij de vorige soort in zeer geringe mate het geval -is. Bij gene is het voorhoofd breeder en zijn de oogen dus verder -van elkander verwijderd. Het zwemvlies van de achterpooten, dat bij -den Graskikker volledig is, is bij zijn naasten verwant onvolledig en -dun. Bij dezen is de knobbel aan den hiel stevig en hard, bij genen -zwak en teer. Bij den Veldkikker is de buikzijde altijd ongevlekt -en wordt het midden van den rug dikwijls ingenomen door een breede, -lichte, geelachtige of roodachtige, aan de zijden zwart begrensde, -overlangsche streep. Lengte 5 à 6.5 cM. - -De Veldkikker bewoont vooral de noordelijke landen van Europa; -de oorden van Middel-Europa, die men als verblijfplaatsen van deze -soort heeft leeren kennen, bestaan meestal uit veengrond, moerassen -en vochtige heidestreken, waar zonnedauw, dopheide, duivelsmelk -(Euphorbia palustris) en dergelijke planten welig groeien. In ons -land werd deze soort tot dusver alleen bij Apeldoorn aangetroffen, -hoewel het vrij zeker schijnt, dat zij ook in vele streken van onze -oostelijke provinciën niet zal ontbreken (Ritzema Bos). Dikwijls -verkeert zij in gezelschap van den Waterkikker en den Graskikker. - - - -De Europeesche Kikvorschen zijn dwergen in vergelijking met sommige van -hunne verwanten uit Noord- en Middel-Amerika en Indië, die bovendien -over een veel luidere stem beschikken. De Noord-Amerikaansche -Kikvorsch, die in deze beide opzichten het meest uitmunt, wordt -vergeleken met een Zoogdier, dat zich meer vrienden heeft verworven -door zijn forschen lichaamsbouw dan door zijne muzikale gaven. De -Bulkikvorsch, de Bullfrog der Anglo-Amerikanen (Rana Catesbyana, -R. mugiens), bereikt een lengte van 17 à 19 cM. zonder de achterpooten, -die 24 cM. lang kunnen worden. Zijn bovenzijde is op olijfbruinen grond -met groote, donkerbruine of zwarte wolkachtige vlekken geteekend; -de geelachtig witte onderzijde is soms effen van kleur, doch vaker -bruin gemarmerd; het oog heeft een roodachtige iris met gelen rand. - -Het verbreidingsgebied van den Bulkikvorsch omvat het geheele Oosten -van Noord-Amerika, van Nieuw-York tot Nieuw-Orleans; het schijnt -echter, dat hij nergens in zoo grooten getale voorkomt als onze -Waterkikvorsch, misschien om de zeer geldige reden, dat het noodige -voedsel voor zulk een heirleger van vraatzuchtige wezens moeielijk te -vinden zou zijn. Hoewel dit dier alle oostelijke Vereenigde Staten -bewoont, is het toch, volgens Audubon, in het zuiden veel talrijker -dan in het noorden. Gewoonlijk vindt men het bij heldere, dicht met -struikgewas overschaduwde stroomen. Hier zit het in de middaguren -behaaglijk in het zonnetje en houdt zich, even als zijne verwanten, -dicht genoeg bij het water op, om bij dreigend gevaar (en in den regel -als het nog ver af is) met één kolossalen sprong het natte element te -kunnen bereiken; hier duikt het meestal naar den bodem en zwemt naar -den tegenovergestelden oever. Zijn stem is luider dan die van eenigen -anderen Kikvorsch en, naar bericht wordt nog hoorbaar op een afstand -van verscheidene Engelsche mijlen; in de zuidelijke staten hoort -men haar gedurende het geheele jaar, hoewel hoofdzakelijk in lente- -en zomermaanden, in de noordelijke slechts des zomers en, zooals te -verwachten is, vooral gedurende den paartijd. Volgens geloofwaardige -mededeelingen komen dan minstens eenige honderden reusachtige brullers -bijeen, welker ijver in het voortbrengen van geluiden niets te wenschen -overlaat; evenals hunne Europeesche verwanten loeien zij onverpoosd -gedurende den geheelen nacht; teergevoelige menschen, die bij de oevers -van een door hen bewoond water gevestigd zijn, worden hierdoor nagenoeg -tot vertwijfeling gebracht. De Amerikanen bootsen de zware, heesche -basstem van dezen Kikvorsch na door de woorden "more rum" (meer rum) of -"brwoem." Na het leggen van de eieren verspreiden de Kikvorschen zich -weer eenigszins en keeren naar hunne gewone verblijfplaatsen terug. - -De Bulkikvorsch geeft duidelijke bewijzen van vraatzucht aan -iederen boer in zijn vaderland. Hoewel zijn voornaamste voedsel -uit Insecten, Land- en Zoetwaterslakken bestaat, bepaalt hij -zich niet tot dezen buit, indien er een andere te krijgen is, -maar valt moordzuchtig aan op ieder levend wezen, dat hij meent te -kunnen overmeesteren. Soortgelijke rooverijen als onze Waterkikkers -soms beproeven, plegen zij herhaaldelijk met goed gevolg: kleinere -Vorschen worden gretig ingeslikt, jonge Eenden gedurende het zwemmen -van onderen aangegrepen, naar beneden gesleurd en nadat zij verdronken -zijn, verzwolgen; het kuikentje, dat zich onvoorzichtig te dicht bij -den oever heeft gewaagd, wordt onverhoeds besprongen, gegrepen, naar -een veilige diepte vervoerd en verslonden, nog voordat de klokhen, -die met overeindstaande veeren haar kind te hulp snelt, den waterkant -heeft kunnen bereiken. De plattelandsbewoners verzekeren, dat de -Bulkikvorsch onder de jonge Watervogels meer slachtoffers maakt dan -de Mink en zijne verwanten. Zelf wordt hij het slachtoffer van zijn -vraatzucht, als de hengelaar hem verschalkt met een lokaas; hiernaar -hapt hij even gretig als vroeger naar het kuikentje, voor welks dood -hij nu moet boeten door het verlies van zijne achterpooten, die de -grondstof leveren voor een zeer smakelijk gerecht. Men vangt deze 300 -gram zware Kikvorsch niet slechts met den hengel, maar ook in netten -en vallen en zelfs met het geweer: hij is wel een schot hagel waard. - -Op zijn lekker vleesch zijn, behalve de mensch, ook allerlei groote -roofdieren, vooral Visschen, belust. Voor de vangst van een Haai is -er, naar men zegt, geen beter lokaas dan een Bulkikvorsch. - -In den laatsten tijd worden levende Vorschen van deze soort niet -zelden naar Europa overgevoerd en hier door dierenliefhebbers verzorgd. - - - -"Een van de zonderlingste en merkwaardigste Amphibiën," zegt Wallace, -"die ik op Borneo aantrof, was een groote, in boomen levende -Kikvorsch. De Chineesche werkman, die dit dier bracht, verzekerde -mij, dat hij het in schuinsche richting van een hoogen boom had zien -afdalen, alsof het vloog. Bij nader onderzoek zag ik zeer lange teenen, -tot aan de spits saam verbonden door vliezen, welke in uitgespreiden -toestand een veel grootere oppervlakte hebben dan het lichaam. De -vingers van de voorpooten zijn eveneens door vliezen vereenigd; de -romp kan sterk opgeblazen worden. De rug en ledematen hebben een -iriseerende, donkergroene kleur, de pooten donkere dwarsstrepen, -de onderdeelen en buigzijde der teenen zijn geel, de vliezen zwart -met gele strepen. De lengte van het lichaam was omstreeks 10 cM., -de oppervlakte van de volkomen uitgespreide vliezen van iederen -achterpoot ongeveer 28 en die van de vliezen van alle pooten te zamen -genomen ongeveer 84 cM2. De uiteinden van de teenen zijn verbreed -en met hechtschijven voorzien, zooals bij de Boomkikvorschen. Dit -is het eerste, mij bekende voorbeeld van een Vliegenden Kikvorsch; -het verdient in hooge mate ieders aandacht, omdat hieruit blijkt, -dat de neiging der teenen om veranderingen te ondergaan, die bij -andere soorten organen voor het zwemmen en klimmen heeft opgeleverd, -aanleiding kan geven tot wijzigingen, die een Amphibie in staat -stellen om zich als een Vliegende Eekhoorn of een Vliegende Hagedis -door de lucht te bewegen". - -De door Wallace bedoelde soort is de Vliegende Kikvorsch van Borneo -(Rhacophorus pardalis), evenals de hierboven afgebeelde, Javaansche -soort, een vertegenwoordiger van het geslacht der Roeivorschen -(Rhacophorus). Behalve in Zuid- en Oost-Azië werden ook op Madagaskar -soorten van dit geslacht aangetroffen. Door hun inwendig samenstel -komen deze Amphibiën volkomen overeen met de Waterkikkers, hoewel hun -uiterlijk meer aan de Boomvorschen herinnert en zij, evenals deze, -op boomen en struiken leven. - - - -De Vrijborstigen (Arcifera) zijn veel talrijker dan de Stijfborstigen; -de samenstelling van den schoudergordel en van het borstbeen laat -bij hen een verschuiving der beenderen in het midden van de borst -toe. Sommige leden van deze groep hebben spits eindigende teenen, -die hetzij door zwemvliezen aaneenverbonden, of hiervan verstoken -zijn; gene leven meer in het water, deze meer op het land; voorts -vindt men er echte gravende dieren bij en eindelijk ook Vorschen, -die door het bezit van hechtschijfjes aan de toppen van de vingers -en teenen uitmuntend geschikt zijn voor het klimmen. - - - -De eerste familie, die der Cystignathen (Cystignathidae), komt, -behalve door den bouw van den schoudergordel en van de vingers en -teenen, geheel met de familie der Watervorschen overeen, die zij in -een groot deel van Zuid-Amerika en in geheel Australië vervangt. - - - -Een kleine, op boomen levende, West-Indische Kikvorsch, die slechts -4 cM. lang wordt, de Antillenvorsch (Hylodes martinicensis), trekt -vooral door zijn zeer eigenaardige ontwikkelingsgeschiedenis onze -aandacht. Hij vertegenwoordigt het geslacht der Bladvorschen (Hylodes), -dat zich kenmerkt door de T-vormige gedaante van het laatste lid der -niet door zwemvliezen vereenigde vingers en teenen en door het gemis -van oorklieren. Op grijsachtig witten grond vertoont de rugzijde een -uit bruine vlekken samengestelde teekening. De op Martinique ontdekte -soort werd ook op andere Antillen aangetroffen en is overal onder -den naam Coqui bekend. Van haar levenswijze weet men niets. De door -een schuimmassa omhulde eieren van dit diertje vindt men ten getale -van 20 à 30 op landplanten. Elk ei is een doorzichtig blaasje van -4 à 5 mM. middellijn, aanvankelijk gevuld met een witachtigen of -stroogelen dooier, waaruit zich het jong ontwikkelt, dat na 10 à 12 -dagen zijn vliezig omhulsel verlaat en dan van mond tot aars gemeten 5 -mM. lang is. Tot aan dien tijd was het door een waterheldere vloeistof -omgeven. De gedaantewisseling is zeer vereenvoudigd: kieuwen worden -in het geheel niet gevormd; alleen het staartje, dat op 't oogenblik -voor de geboorte nog 1.8 mM. lang is, maar reeds in den loop van den -eersten dag verdwijnt, herinnert aan den larvetoestand der overige -Kikvorschen. De voorste en de achterste ledematen komen, naar het -schijnt, gelijktijdig voor den dag. - - - -Van de overige Amerikaansche leden der familie zijn vooral de Gehoornde -Kikvorschen (Ceratophrys) merkwaardig, zoowel door hun grootte -en eigenaardigen vorm als door hun fraaie kleur en teekening. Hun -buitengewoon groote, breede kop prijkt met twee op hoornen gelijkende -uitwassen van de bovenste oogleden. - -De tropische gewesten van Zuid-Amerika, van Panama tot aan de -La-Plata-rivier, zijn het vaderland van deze dieren, die door hun -gedrongen vorm op Padden gelijken. Op moerassige plaatsen in de -Braziliaansche oerwouden, van Bahia tot Rio de Janeiro, leeft de -Itannia (Ceratophrys cornuta), een van de prachtigste leden zijner orde -en tevens de grootste van zijn geslacht; hij wordt 15 à 20 cM. lang. De -bovendeelen zijn met breede, overlangsche strepen geteekend: bij -het mannetje hoog geel, roodbruin en zwartbruin, bij het wijfje -groen. Zijn bek is zoo groot, dat hij een jonge kip verzwelgen kan; -Muizen, Kikvorschen, Slakken en andere kleine dieren maken zijn voedsel -uit. Vooral 's avonds hoort men zijn luide, krassende, eentonige stem. - - - -Er is geen diergroep, welker leden van oudsher meer lijden onder -den algemeenen afschuw der menschen, van hen een onmeedoogender -en onrechtvaardiger behandeling ondervinden, dan de familie der -Padden. Hoe gering de gemeenschap van denkbeelden ook is tusschen -menschen, die op beschaving aanspraak maken en onbeschaafden, -tusschen hen die verschillende deelen van de wereld bewonen of tot -verschillende rassen en stammen behooren, door hun afkeer van de -Padden, door de blinde woede waarmede zij deze niet slechts volstrekt -onschadelijke, maar zelfs hoogst nuttige dieren vervolgen en dooden, -komen zij onderling volkomen overeen. Geen van hen, die de bekende -beschuldigingen tegen de Padden aan den man brengen, heeft zich ooit -de moeite gegeven, de zaak, waarover hij bazelt, nader te onderzoeken, -geen van hen heeft op de levenswijze van deze dieren gelet, in een -goed boek hun levensgeschiedenis gelezen, of althans het gelezene -begrepen. Op ieder, die dit wel gedaan heeft, rust de plicht juistere -denkbeelden te verspreiden. - -De Padden (Bufonidae) onderscheiden zich van de tot dusver beschrevene -Vrijborstigen door het volslagen gemis van tanden; andere kenmerken -zijn haar plompe, ineengedrongene gestalte, hare dikke, logge, -nagenoeg gelijk lange pooten en haar huid, die rijk aan klieren en -met wratten bedekt is. - -De meeste Padden leven op het land, slechts weinige brengen het -grootste deel van haar leven in 't water door. Vele van die, welke -het land bewonen, kunnen uitmuntend graven; de Mexicaansche Neuspad -(Rhinophrynus dorsalis) kan zelfs doordringen in de woningen der -Termieten, waarmede zij zich voedt; enkele houden zich, evenals de -Boomkikvorschen, in de boomen op. - -De Padden bewonen alle werelddeelen, de warme gewesten, zooals te -begrijpen is, in grooteren getale dan de koudere, houden zich voor -'t meerendeel slechts gedurende den tijd van het eierenleggen in -'t water op en zijn volslagen nachtdieren, die over dag slechts bij -uitzondering buiten hun schuilhoek rondzwerven. Door hare bewegingen -staan zij achter bij de Vorschen en de Vorschpadden, daar zij meer -strompelen dan springen; ook zwemmen zij slecht en schijnen daarom -plomp en traag, hoewel zij, strikt genomen, dit niet zijn. Hun voedsel -bestaat uit allerlei schadelijk gedierte, vooral uit Wormen, Slakken, -Insecten en kleine Gewervelde Dieren; de laatstgenoemde worden -trouwens alleen door de grootste soorten verslonden. Zij gebruiken -een aanzienlijke hoeveelheid voedsel, de arbeid van deze geminachte -dieren is derhalve voor ons zeer zegenrijk. Wat de voortplanting en -de ontwikkeling der jongen betreft, komen de Padden in hoofdzaken -overeen met hare verwanten van dezelfde orde; de meeste leggen hare -eieren niet in den vorm van klompen, maar in dien van snoeren. Evenals -de andere Amphibiën kunnen ook de Padden de vochtigheid niet zonder -nadeel voor haar leven ontberen; zelfs bij zeer gebrekkige voeding -kunnen zij echter in vochtige ruimten maanden en zelfs jaren lang in -'t leven blijven. Herhaaldelijk is het voorgekomen, dat men in holten, -die schijnbaar geen gemeenschap hadden met de buitenwereld, levende -Padden vond. Deze gevallen hebben aanleiding gegeven tot allerlei -dwaze gevolgtrekkingen, maar ook tot proeven, waaruit gebleken is, -dat de Padden volstrekt niet zulk een taai leven hebben, als men -verhaalde, dat geen van deze dieren in staat is om jaren lang te leven -in een ruimte zonder eenige gelegenheid tot luchtverversching, of 2 -jaren achtereen voedsel te ontberen. Hierdoor wordt tevens bewezen, -dat men bij de onverklaarbaar schijnende gevallen van Padden, die in -holten van steenlagen werden aangetroffen, enz., de omstandigheden, -waarin dit geschiedde, niet zorgvuldig genoeg heeft nagegaan. De -verhalen betreffende Padden, die diep onder den grond in holen, aan -alle zijden omgeven door vast gesteente, eeuwen lang geleefd zouden -hebben, berusten zonder eenigen twijfel op onjuiste gegevens. In alle -goed onderzochte gevallen was de mogelijkheid niet buitengesloten, -dat met het noodige vocht een geringe hoeveelheid voedsel in het hol -doordrong. In kunstmatig op deze wijze ingerichte holen hebben Padden -meer dan een jaar kunnen leven zonder van gebrek om te komen. - -De familie van de Padden omvat 8 geslachten met ongeveer 100 soorten; -voor ons doel zal het voldoende zijn eenige van de belangrijkste -soorten te beschrijven. - - - -De Gewone Pad (Bufo vulgaris), ook wel Zwarte Pad of Muurpad genoemd, -vertegenwoordigt het geslacht der Landpadden (Bufo), dat in ongeveer -85 soorten over alle werelddeelen (met uitzondering van Madagaskar, -Nieuw-Guinea, Australië en de eilanden van de Stille Zuidzee) verspreid -is. De Landpadden hebben volkomen gescheiden vingers; hare teenen -zijn echter door meer of minder breede zwemvliezen vereenigd. - -De genoemde soort bereikt een aanzienlijke grootte; zij wordt bij -ons 6 à 7 cM. breed, bij een lengte van 8 à 12 cM.; in zuidelijker -landen kan zij 12 à 20 cM. lang worden. Zij ziet er nog plomper uit -dan hare verwanten. Haar geheele lichaam is met dikke wratten bedekt, -die achter het oor een groote, halvemaanvormige klier vrij laten. De -doffe, grijsbruine of zwartachtig grijze kleur der bovendeelen -vertoont soms een olijfgroene, soms een roodachtige tint en is met -donkere, onduidelijke vlekken geteekend; op de onderdeelen gaat zij -in lichtgrijs over; hierop komen niet zelden donkere vlekken voor; -deze zijn bij het wijfje vaker aanwezig en talrijker dan bij het -mannetje. Het regenboogsvlies is glanzig geel. - -Met uitzondering van de noordelijkste landen en van Ierland alsook van -Sardinië en Corsica, ontbreekt de Pad in geen enkel deel van Europa; -bovendien bewoont zij Noord-west-Afrika, Klein-Azië, Middel-Azië en -Japan. In de Alpen vindt men haar nog op hoogten van 1700 M. Hare -woonplaatsen zijn zoo velerlei, dat men haar bij ons en in vele -andere landen een algemeen verbreid dier mag noemen. Zij komt voor -in allerlei bosschen en boschjes, op velden en weiden en in tuinen, -in kelders, holen, grotten, bouwvallen en steenhoopen, onder gevelde -boomstammen, afzonderlijk liggende platte steenen, kortom overal -waar een schuilplaats voor haar te vinden, of waar zij er een voor -zich geschikt kan maken. In oorden, waar geen woning beschikbaar is, -graaft zij gaten in den lossen grond en gebruikt deze even geregeld, -als een Vos zijn hol bezoekt. Zooveel mogelijk kiest zij vochtige, -lommerrijke plaatsen ter bewoning uit; daarom gaat zij zeer dikwijls -liggen onder planten, welker breede bladen den bodem niet slechts -overschaduwen, maar werkelijk bedekken. Naar men zegt, wordt bij -haar een bijzondere voorliefde opgemerkt voor sterk riekende kruiden, -zooals b.v. salie en dolle kervel. - -Zij is een echt nachtdier, dat over dag steeds verscholen blijft, -tenzij een warme regen den grond bevochtigde en de haar onaangename -zonnestralen nog door de wolken worden tegengehouden. In dit -geval maakt zij een uitzondering op den gewonen regel, door haar -jachtbedrijf, dat gewoonlijk eerst na zonsondergang aanvangt, ook -over dag uit te oefenen. Onbeholpen in hare bewegingen, nagenoeg -ongeschikt tot het doen van sprongen van eenige beteekenis, -plomp en log als zij is, houdt zij niet van groote zwerftochten, -des te zorgvuldiger doorzoekt zij het kleine gebied, dat haar tot -woonplaats dient; juist hierdoor en omdat voor het bevredigen van -haar vraatzucht een groote hoeveelheid voedsel noodig is, wordt zij -een ware zegen voor het oord, waar zij haar bedrijf uitoefent. Een -gevolg van haar onbeholpenheid is, dat zij dikwijls in kelders, -putten, mijngangen en grotten valt en hieruit niet kan wegkomen; -zij moet zich dan behelpen met de weinige dieren, die, evenals zij, -toevallig naar beneden tuimelen. Toch weet zij ook hier (en dikwijls -merkwaardig lang) niet slechts haar leven te rekken, maar zich zelfs -vet te mesten. Haar buit bestaat uit Wormpjes, Wespen, Bijen, Spinnen, -Kevers, kortom uit allerlei Insecten, met uitzondering van Vlinders; -deze neemt zij niet graag, omdat de fijne vleugelschubjes, aan de -slijmerige tong vastklevend, het slikken bemoeielijken. In weerwil -van haar vraatzucht, die men een aanhoudenden geeuwhonger zou kunnen -noemen, versmaadt zij standvastig doode dieren. - -Men kan gemakkelijk waarnemen, op welke wijze de Pad haar prooi -vangt, daar zij ook over dag geen enkele gelegenheid om een buit te -verkrijgen laat voorbijgaan, maar begeerig hapt naar al wat binnen -haar bereik komt en de Insecten, die haar lekker voorkomen, zelfs over -een kleinen afstand vervolgt. Hare ver uitpuilende en zeer beweeglijke -oogen merken overal, waar het haar verblindende, felle zonlicht door -planten getemperd wordt, ieder diertje op, van waar het ook komt. Met -bewonderenswaardige vlugheid en lenigheid wordt de tong op het door -haar begeerde dier geworpen, zoodat dit zelden kan ontsnappen. Aan -ieder, die voor de schuilplaats van een Pad, zonder haar lastig -te vallen, een Worm, een rups of onverschillig welk Insect houdt of -neerwerpt, zal zij zich in haar volle kracht vertoonen. Oogenblikkelijk -beginnen hare oogen te fonkelen, zij ontwaakt uit haar schijnbaar -slaapdronken toestand en spoedt zich naar haar buit met een haast, -die volkomen strijdig is met haar gewonen aard. Als zij haar doel -tot op den juisten afstand genaderd is, blijft zij staan, houdt, -als een Patrijshond voor het wild, haar buit goed in 't oog, steekt -de tong schielijk uit en werpt hiermede het slachtoffer in haar wijd -geopenden muil; in een ondeelbaar oogenblik is het doorgeslikt en in -de maag geborgen. Als zij, zooals nog al eens voorkomt, haar buit -mist of dezen door den schok van de tong eenvoudig bedwelmd wordt, -maar er niet aan vastkleeft, ziet zij gewoonlijk van vervolging af; -zoodra het Insect zich weer begint te bewegen, hervat zij haar jacht -onmiddellijk, in de hoop dat de zooeven mislukte poging nu een goede -uitkomst zal hebben. - -De Pad verslindt een ongeloofelijke hoeveelheid van allerlei -ongedierte. Behalve Insecten en Wormen, eet zij, naar het schijnt met -smaak, Naakte Slakken; volgens sommigen komen ook kleine Amphibiën -nu en dan op haar spijskaart voor, ofschoon zij overigens met hare -verwanten in vrede leeft en zich door geenerlei prikkels tot een -strijd met hare soortgenooten laat verleiden. Deze goedaardigheid, -die men misschien met meer recht armoede van geest zou kunnen noemen, -hebben vele, maar toch niet alle Padden met elkander gemeen: de -maag beheerscht hare bewegingen. Zij trachten een dier, dat in -haar nabijheid komt, te verslinden, voor zoover dit mogelijk is, -maar laten het ongemoeid, als het stil blijft zitten, waarschijnlijk -omdat zij het in dit geval nauwelijks opmerken. Men moet dit echter -niet opvatten als een bewijs van volslagen gemis aan werkzaamheid -van den geest. Zij beseffen wel degelijk het onderscheid tusschen -de verschillende wezens, waarmede zij te maken hebben en wijzigen -hare gewoonten in overeenstemming met de omstandigheden. Eerder -nog dan de overige Amphibiën vluchten zij voor ieder groot dier; -bewust van haar zwakheid wagen zij het niet een sterken vijand te -weerstaan. Ook zij toonen erkentelijkheid voor bewezen weldaden en -leggen in het verkeer met iemand, die haar vriendelijk behandelt, -langzamerhand haar gewone schuwheid bijna volkomen af. - -In een hokje wordt de Pad nog eerder en volkomener tam, dan wanneer -men haar een tuin tot woonplaats aanwijst. Veel moeite kost haar -onderhoud niet, daar zij geen van de dieren, die men haar toewerpt, -versmaadt, indien zij zich slechts bewegen; bovendien kan zij zonder -eenig bezwaar honger verduren. Met soortgenooten van gelijke grootte -of met verwante Amphibiën kan zij uitmuntend overweg. - -In tegenstelling met vele andere Vorschen, slaapt de Pad 's winters -in droge, ver van 't water verwijderde gaten van den grond. Tegen -het einde van September of in het begin van October kruipt zij weg in -een hol, dat reeds aanwezig is of door haar gegraven wordt. Dikwijls -vindt men verscheidene Padden in één hol; dit wordt om de koude af -te weren door een aarden dam afgesloten, waarna de bewoners stil -blijven liggen en tot Maart of April in een toestand van verstijving -verkeeren. Onmiddellijk na het verlaten van haar winterherberg begeeft -de Pad zich naar het een of ander in de nabijheid gelegen water; zelfs -de kleinste plas acht zij voldoende. Hier legt zij zwemmend gedurende -de paring verscheidene duizenden eieren, die tot een snoer van 3 à 5 -M. lengte en ter dikte van een potlood vereenigd zijn. De eiersnoeren -worden door de ouders om waterplanten en dergelijke voorwerpen -gewikkeld en op deze wijze in de diepte vastgehouden. Bij warm weer -verlaten de larven de eischaal 12 à 14, bij koel weer 17 of 18 dagen -na het leggen der eieren en 2 dagen later ook de slijmmassa, die de -eieren omhult. De gedaantewisseling komt met die van den Kikvorsch -overeen. In het einde van Juni hebben alle 4 pooten zich ontwikkeld -en verlaten de jonge Padden, die in verhouding tot andere larven van -Vorschen opmerkelijk klein zijn, het water, hoewel haar staart dan -nog niet geheel verdwenen is. Zij groeien zeer langzaam, maar zijn -toch reeds in het 5e levensjaar voor de voortplanting geschikt. Zij -kunnen een hoogen leeftijd bereiken. Pennant maakt melding van een Pad, -die 36 jaar in gevangenschap doorbracht en misschien nog veel ouder -geworden zou zijn, indien niet een ongelukkig toeval een einde aan -haar leven had gemaakt. De lange levensduur draagt aanmerkelijk bij -tot het in stand houden van deze diersoort. Wel heeft zij betrekkelijk -weinige vijanden, daar de roofdieren, met uitzondering van de Slangen, -door het afscheidingsproduct van hare huidklieren afgeschrikt worden; -zij vermenigvuldigt zich evenwel betrekkelijk langzaam, daar bij -het uitdrogen van de onbeduidende plassen, waarin hare eieren zich -ontwikkelen, dikwijls duizenden van larven omkomen. Bovendien heeft -zij een zeer gevaarlijken vijand in den door dwaalbegrippen bevangen -moordlustigen mensen, die de volwassene Padden, dus juist die, welke -voor de voortplanting geschikt zijn, op onverantwoordelijke wijze -vervolgt en hierdoor indirect een belangrijk nadeel toebrengt aan -zijne eigene bezittingen. - -Met zorg verrichte proeven hebben geleerd, dat de Pad geen -gif uitspuit, dat het sap van hare huidklieren, wanneer het met -slijmvliezen in aanraking komt, wel eenige ontsteking veroorzaakt, maar -voor den mensch geen gevaar oplevert, kortom, dat zij op geenerlei -wijze in staat is ons eenig nadeel te doen. Ieder die uit blind -vooroordeel of uit onvergeeflijke baldadigheid een zoo nuttig dier -doodslaat, geeft zich daardoor een onbetwistbaar getuigschrift van -beklagenswaardige onwetendheid en onbeschaafdheid. Sommige Engelsche -en Fransche tuinlieden hebben sinds lang erkend, dat deze vlijtige, -onvermoeid werkzame dieren hun een groot voordeel brengen door het -wegvangen van allerlei ongedierte, dat aan de planten schade doet; -zij koopen tegenwoordig de Padden bij dozijnen en bij honderden ten -behoeve van hunne tuinen. In broeibakken en plantenkassen vergeten -zij hun winterslaap en zijn niet alleen 's zomers, maar ook 's winters -voortdurend werkzaam. - - - -De Groene Pad (Bufo viridis, B. variabilis), die dikwijls met de -vorige soort verward wordt, komt in Nederland niet voor, hoewel -zij in Duitschland en Oostenrijk niet zeldzaam is. Zij wordt 7 à 8, -zelden 8 à 10 cM. lang en ziet er bevalliger uit dan hare verwanten. De -bovendeelen hebben op groenachtig grijzen grond groote, onregelmatige -vlekken, welker kleur van olijfgroen tot zwartgroen afwisselt, -voorts kleinere, rozeroode of menieroode wratjes; de onderdeelen -zijn witachtig en slechts zelden met een gering aantal zwartachtige -vlekken of stippels geteekend. Bovendien is de Groene Pad kenbaar -aan hare betrekkelijk lange pooten en niervormige oorklieren. Haar -verbreidingsgebied omvat Middel- en Oost-Europa, het noorden van -Afrika, van Egypte tot Marokko, geheel West- en Middel-Azië tot -Mongolië en het Himalaja-gebergte. Over dag houden de Groene Padden -zich verborgen op soortgelijke plaatsen als de Gewone en bewonen niet -zelden gezellig een voor haar geschikt hol; des nachts doorzoeken -zij jagend een tamelijk uitgestrekt gebied. Zij kunnen betrekkelijk -groote sprongen doen, vrij goed zwemmen en ook klimmen. Haar stem is, -wegens de goed ontwikkelde keelblaas van het mannetje, krachtiger -dan die van de Gewone Pad, gelijkt ongeveer op het kraken van een -deur en wordt ook wel eens brommen genoemd. - - - -De Kleine Pad (Bufo calamita) kan 8 cM. lang worden; bij ons vindt -men echter zelden exemplaren van meer dan 5 cM. lengte. Zij heet ook -wel Stinkende Pad wegens de onaangename lucht, die zij verbreidt, -wanneer men haar verontrust. Ook wordt zij wel eens "Groene Pad" -genoemd, daar hare bovendeelen olijfgroen of olijfbruin zijn, met -uitzondering van een zwavelgele, overlangsche streep op het midden -van den rug, die tevens vrij is van wratten; de onderdeelen zijn -witachtig grijs van kleur, op de schenkels en langs de zijden van den -buik donkerder gevlekt; de huid is bezaaid met bruinroode wratjes; -de oogen zijn geelachtig en zwart gesprenkeld, de teentoppen min of -meer roodachtig. Van de beide vorige soorten onderscheidt zij zich -duidelijk door de geringe ontwikkeling van hare zwemvliezen. Zij -schijnt van de zeelucht te houden en behoort in West-Europa thuis. Het -verbreidingsgebied van dit nuttige dier is beperkt tot Portugal, -Spanje, Frankrijk, Zwitserland, Engeland, Ierland, België, Nederland, -Duitschland, Denemarken en het zuiden van Zweden. - -In Nederland vindt men de Kleine Pad in zandstreken, zoowel op -diluvialen bodem als in de duinen, vooral op de Noordzee-eilanden, -waar zij zich over dag in konijnenholen verschuilt. In Duitschland -komt zij eveneens op de eilanden veelvuldig voor, voorts in een breede -kuststrook langs de Noord- en Oostzee; ook bewoont zij het geheele -westen van Duitschland en vele oorden in het binnenland. Naar het -zuiden schijnt de Donau, naar het zuidoosten het Ertsgebergte en het -Bohemerwoud haar gebied te begrenzen. Men ontmoet haar nog op 1000, -zeer zelden op 1200 M. hoogte. - -Boven de reeds genoemde soorten munt de Kleine Pad uit door haar -bekwaamheid in het graven. Hare bewegingen zijn niet zoo lomp en -log als die van de Gewone Pad; toch mist ook zij, wegens de kortheid -van de achterpooten, de geschiktheid tot springen geheel. Zij kruipt -niet als haar grauwe nicht, maar loopt met boven den grond opgeheven -onderdeelen bijna zoo snel als een Muis; hieraan kan zij zelfs in de -schemering van de als een Kikvorsch springende Groene Pad onderscheiden -worden. Hoewel zij nagenoeg geen zwemvliezen heeft, weet zij zich in 't -water zeer goed te redden: zij zwemt vlug en behendig, min of meer op -de wijze van een Hond, met denzelfden stand van de pooten als bij het -gaan. Beter dan de reeds genoemde Padden is zij in 't klimmen ervaren. - -Over dag houdt zij zich verborgen in gaten van den grond, onder -steenen, in bouwvallige muren en dergelijke duistere hoeken; hier hoort -men des avonds nu en dan haar scherp, ratelend stemgeluid. Vaker laat -zij zich hooren gedurende den voortplantingstijd. In het begin van Mei -legt zij eieren in sloten of andere stilstaande wateren, bij voorkeur -in zulke, die met planten bedekt, bij den oever ondiep en hier met -riet begroeid zijn, soms echter ook wel in leemgroeven zonder eenigen -plantengroei. Het naderen van een mensch, hoe voorzichtig ook, hoort -zij reeds op eenigen afstand en staakt dan onmiddellijk haar lied. De -zeer kleine larven hebben een tamelijk breeden, van boven eenigszins -afgeplatten romp en een zwartachtige, met kleine, metaalglanzige, -bronskleurige stippeltjes bezaaide huid. - - - -Daar de Vorschen, die door het bezit van hechtschijfjes aan den -top der vingers en teenen voor het leven op boomen geschikt zijn, -groote verschillen in lichaamsbouw vertoonen, zooals ons reeds bij -den Vliegenden Kikvorsch en den Antillenvorsch gebleken is, mag men -aan deze eigenaardigheid bij de rangschikking geen overwegenden -invloed toekennen. Toch worden een groot aantal van deze voor 't -klimmen geschikte Vorschen onder den naam van Echte Boomvorschen -(Hylidae) in één familie samengevat. Zij kenmerken zich, behalve door -de verschuifbaarheid van de beenderen van den schoudergordel, door de -aanwezigheid van tanden in de bovenkaak en doordat iedere vinger en -teen een klauwvormig gekromd, bij het gewricht verbreed eindlid heeft -tot steun voor het meer of minder sterk ontwikkelde, klierachtige -hechtschijfje. De werking van dit met een dunne vloeistoflaag -bedekt orgaan berust geheel op adhaesie; de luchtdrukking heeft er -niets mede te maken. De geheele buikzijde is als bezaaid met fijne -klierachtige wratjes, aan den top voorzien van een afvoeropening -voor het kliersap. Hierdoor is ook deze huid voor de aanhechting van -'t lichaam aan bladen en dergelijke voorwerpen geschikt. - -De familie der echte Boomvorschen, die 10 geslachten met ongeveer -200 soorten omvat, is vooral in Zuid-Amerika buitengewoon sterk -vertegenwoordigd; talrijk zijn deze dieren ook op Nieuw-Holland en -Tasmanië (slechts enkele soorten worden in andere deelen van het -Australische gebied, o. a. op Nieuw-Guinea en de Molukken, gevonden); -in Afrika en Zuid-Azië ontbreken zij niet, hoewel zij hier een minder -belangrijke rol spelen, dan men zou kunnen verwachten; enkele soorten -bewonen het Noord-Amerikaansche Rijk; nog geringer is haar aantal in -het Noordelijke Rijk van de Oude Wereld. Slechts één enkele, ook bij -ons inheemsche soort vertegenwoordigt deze groep in Europa. - -"In Brazilië," zegt de Prins Von Wied, "bewonen zij in zeer grooten -getale het struikgewas in de nabijheid van de woningen, van de -rivieroevers en van de zeekust; veel overvloediger komen zij echter -in de oerwouden voor. Zeer verschillend zijn zij, wat grootte, kleur, -lichaamsbouw en stem betreft; het koor gevormd door de oneindige -verscheidenheid van geluiden, die zij vooral in de vochtig warme -nachten van het regenseizoen laten hooren, brengt te midden van de -duisternis een hoogst zonderlingen indruk teweeg. De meeste wonen -boven in de kroon der hooge woudboomen, waar zij zich vooral vestigen -tusschen de stijve bladen der daar groeiende bromelia's. Vele kleine -soorten leggen hare eieren in het zwarte, drabbige water, dat zich -in de oksels dezer bladen verzamelt; andere dalen in den paartijd van -hare hoog verhevene standplaatsen af en begeven zich naar moerassen, -plassen en poelen, bij voorkeur naar die, welke diep verborgen zijn -in de moeielijk toegankelijke wildernissen der oerwouden. Hier -ontstaat het door aller samenwerking gevormde koorzang; hier kan -de natuuronderzoeker het best kennis maken met vele soorten, die in -andere tijden moeielijk of niet verkrijgbaar zijn." - -In den paartijd begeven de meeste Boomvorschen zich naar het water; de -winter noodzaakt hen zich te verbergen in het slijk, onder boomschors -of steenen of op andere plaatsen, waar zij tegen de koude of tegen -de droge hitte beveiligd zijn; het grootste deel van hun leven -slijten zij echter hoog boven den grond in de boomkronen, waar zij -op hiervoor geschikte bladen rusten en naar buit uitzien. Hoewel men -bij hen een groote verscheidenheid van kleuren opmerkt, harmonieert -hun uiterlijk steeds met hun omgeving; de volkomen overeenstemming -der kleuren bestaat niet slechts tijdelijk, maar blijft behouden -ondanks de wisselingen van de tinten der bladen in den loop van het -jaar. Het vermogen om van kleur te veranderen komt waarschijnlijk -bij alle Boomvorschen voor; zij wijzigen hun kleur in veel hoogere -mate en veel vlugger dan de Kameleons, die wegens deze eigenschap zoo -beroemd zijn. Tennent zag zulk een dier, dat op het voetstuk van een -lamp was gaan zitten, binnen weinige minuten de goudkleur aannemen -van de versierselen, waardoor het omgeven was, zoodat het er bijna -niet van onderscheiden kon worden. Een Boomvorsch, even groen als -het blad waarop hij zit, kan kort daarna dezelfde kleur hebben als -de schors. Ieder, die een door pracht en verscheidenheid van kleur -uitmuntenden Boomvorsch heeft gezien, kan zich moeielijk voorstellen, -dat de zoo sierlijk rood, geel en zilverwit gevlekte of gestippelde -of op een andere wijze getooide huid voor dit dier een middel kan -zijn om niet opgemerkt te worden, tenzij hij bovendien kennis heeft -gemaakt met de groote verscheidenheid van kleursverschijnselen, -die de plantenwereld der tropische wouden kenmerkt. Evengoed als onze -Boomvorsch steeds bladen vindt, welker kleur met de zijne overeenstemt, -zal zelfs de opzichtigste van zijne tusschen de keerkringen levende -verwanten in het oerwoud plekjes vinden, waar zelfs een scherpziend -oog moeite heeft om hem te onderscheiden van zijn omgeving, die een -bonte mengeling van tinten vertoont, waarvan de zijne slechts een -flauwe afspiegeling is. De kleur is werkelijk voor den Boomvorsch -een uitmuntend voorbehoedmiddel tegen de hem bedreigende gevaren. - -Onze bekendheid met de Boomvorschen is nog zeer onvolledig. Indien -men alle soorten even zorgvuldig had nagegaan als de bij ons levende, -zou een algemeen overzicht van deze diergroep zeer belangwekkend kunnen -worden; want, hoewel het leven harer leden (werkelijk of schijnbaar) -weinig verscheidenheid aanbiedt, komen toch bijna bij iedere soort -eigenaardigheden voor, die niet slechts hun stem, maar ook hun wijze -van voeding en voortplanting betreffen. - -De Boomvorschen zijn de fraaist gekleurde, vlugste en bevalligste leden -hunner klasse; door deze eigenschappen hebben zij de genegenheid van -den mensch gewonnen; enkele soorten worden zelfs in de kooi gehouden. - - - -Het soortenrijkste geslacht van de geheele familie is dat der -Boomvorschen i. e. z. (Hyla). Deze hebben een horizontaal gerichte, -spleetvormige pupil, een met den bodem der mondholte vergroeide of van -achteren voor een klein deel vrije tong, tanden aan de ploegschaar- en -de bovenkaaksbeenderen. De achterpooten zijn aanmerkelijk langer dan de -voorpooten en hebben zwemvliezen aan de teenen. Het verbreidingsgebied -van dit geslacht komt nagenoeg overeen met dat van de familie. - - - -De eenige Europeesche vertegenwoordiger dezer groepen is de -Gewone Boomvorsch of Boomkikker (Hyla arborea, H. viridis), waarvan -verscheidene variëteiten bekend zijn, die wegens eigenaardigheden van -levenswijze en stem bijna op den rang van soorten aanspraak kunnen -maken. Zonder de achterpooten bereikt hij een lengte van 3.5 à 4 -cM. De bovendeelen zijn fraai bladgroen, de onderdeelen geelachtig -wit. Een zwarte, van boven witachtig gezoomde streep, die bij den -neus begint en zich tot aan de achterpooten uitstrekt, scheidt de -beide hoofdkleuren; de voor- en achterschenkels zijn van boven groen -met gele omlijsting, van onderen lichtgeel. Het mannetje verschilt -van het wijfje door de zwartachtige kleur van de huid van de keel, -die tot een grooten, vliezigen bol kan worden opgeblazen. Kort voor -de vervelling, die gewoonlijk om de 14 dagen plaats vindt, verandert -de kleur in lichtgroen, grijsachtig blauw of blauwachtig groen; -de nieuwe huid is bladgroen. - -Met uitzondering van de hooge bergstreken, van het hooge noorden, van -Noorwegen, Ierland en Groot-Brittannië komt de Boomkikker in geheel -Europa voor. Bovendien is hij verbreid over het Aziatische deel -van het Noordelijke Rijk der Oude Wereld. Ook vindt men hem langs -de geheele zuidkust van de Middellandsche Zee tot op de Kanarische -eilanden. In Nederland schijnt hij alleen in de graafschap Zutphen en -in sommige deelen van Twente voor te komen. Daar hij een betrekkelijk -lage temperatuur voor lief neemt, laat hij zich reeds in April hooren -en blijft tot laat in den herfst buiten. Men krijgt de Boomvorschen -echter niet vaak te zien; daar zij zich alleen gedurende den paartijd, -tot groote troepen vereenigd, in het water ophouden en zich kort -daarna in het riet en op de bladen van heesters en boomen begeven, -waar zij meestal ongezien en eenzaam hun bedrijf uitoefenen. De -Boomkikker is een van de aanvalligste ons bekende Amphibiën, vlugger -en over dag wakkerder dan alle overige inheemsche leden zijner klasse, -voor de beweging in het water, op den vlakken grond en te midden van de -bladen der boomen zeer goed geschikt. Zijn bekwaamheid in 't zwemmen is -weinig geringer dan die van den Waterkikker, dien hij in het springen -verreweg de baas is; het klimmen verstaat hij meesterlijk. Om zijn -doel te bereiken springt hij van 't eene blad op een ander, dat hooger -gelegen is, begint zijn reis in 't lage struikgewas, gaat vervolgens op -hoogere heesters over en stijgt eindelijk tot in de kroon der boomen -omhoog. Hoog boven den grond brengt hij genoeglijk den zomer door, -zit bij mooi weer op de bovenvlakte, als het regent aan de onderzijde -van een blad vastgehecht, althans indien het slechte weer niet te lang -aanhoudt en hem zoo onaangenaam wordt, dat hij voor den regen naar -het water vlucht of zich in gaten van den grond, spleten van muren, -holle boomen enz. verbergt. - -Hoe uitmuntend zijn kleur harmonieert met die van de bladen in zijn -nabijheid, merkt ieder op, die hem in een lagen struik hoort schreeuwen -en langen tijd tevergeefs moeite doet om hem te zien te krijgen. Met -deze overeenstemming van kleuren is hij goed bekend en tracht er zoo -goed mogelijk partij van te trekken. Wel wetend, dat een sprong hem -zal verraden, vleit hij zich bij de nadering van een vijand of in -'t algemeen van een groot dier, dat hem vrees inboezemt, dicht tegen -het blad aan en blijft hier, steeds de glinsterende oogjes op de -tegenpartij gericht houdend, bewegingloos zitten, totdat het gevaar -voorbij is. Slechts in den uitersten nood waagt hij een sprong en -doet dezen dan zoo plotseling en zoo behendig, dat zijn veiligheid -er meestal door verzekerd wordt. - -Het voedsel van den Boomkikker bestaat uit velerlei Insecten, vooral -Vliegen, Spinnen, Kevers, Vlinders en onbehaarde Rupsen. Hij wil -geen anderen buit dan levende dieren en vangt ze daarom alleen, -als zij zich bewegen; als een dier dood is of stil blijft zitten, -raakt hij het niet aan. Zijn scherp gezichtsvermogen en zijn goed -ontwikkeld gehoor geven hem bericht van het naderen der gonzende Mug -of Vlieg; hij beloert deze dieren scherp; zijn poging om ze door een -plotselingen, grooten sprong te bereiken wordt in de meeste gevallen -met een goeden uitslag bekroond; steeds is zijn sprong zoo gericht, -dat hij op een ander blad aankomt. Gedurende den zomer heeft hij -tamelijk veel voedsel noodig en ligt daarom den geheelen dag op de -loer, hoewel ook zijn werktijd eerst na zonsondergang begint. - -Algemeen wordt de Boomkikker voor een goeden weerprofeet gehouden; men -meent, dat hij door zijn geschreeuw weersverandering aankondigt. Deze -meening is, zoo al, dan toch niet zonder voorbehoud juist. Bijzonder -ijverig laat de Boomkikker zijn luide stem gedurende den paartijd -hooren; hij zwijgt echter ook des zomers niet en schreeuwt met -opgeblazen keelzak bijna den halven nacht onafgebroken door, zoowel -bij droog en standvastig weer als kort voor den aanvang van een -regenbui. Alleen als er een onweer in aantocht is, maakt hij meer -drukte dan gewoonlijk; gedurende den regen en bij nat weer hoort men -hem in 't geheel niet. Zijn geluid klinkt als dat van een schel, -herinnert aan het zoogenaamde gezang der Cicaden en gelijkt op de -snel opeenvolgende klanken "krek krek krek". Een in zuidelijker -streken levende variëteit schreeuwt nog veel luider, maar langzamer, -heescher en met dieper toon "rab rab rab"; dit geluid is zoo sterk, -dat men het huizen ver en door drie verdiepingen heen kan hooren. - -Als de herfst ten einde loopt, verlaat hij de boomkronen, daalt -naar den bodem af en kruipt weg onder een steen, in een gat van den -grond of in een diepe spleet van een muur. Hier brengt hij slapend, -in schijndooden toestand den winter door, zonder door de vorst -bereikt te worden. Vroeger dan vele andere Vorschen komt hij in de -lente weer te voorschijn en houdt zich nu in de eerste plaats met de -voortplanting bezig. Zoo mogelijk worden hiervoor plassen uitgekozen, -welker oevers met riet, struikgewas en boomen omzoomd zijn. Het -slijm, dat het ei omhult, heeft zich ongeveer 12 uren na het leggen -zoo vol water gezogen en is zoo sterk uitgezet, dat het ei zichtbaar -wordt. Dit heeft een geelachtige witte kleur en is zoo groot als een -mosterdzaadje. De eieren zijn vereenigd tot klompen van onregelmatigen -vorm en blijven op den bodem van 't water liggen, tot de larven er -uit gekomen zijn. Evenals bij de overige Amphibiën, is hiervoor en -voor de ontwikkeling der jongen slechts een korte tijd noodig. - -De Boomvorsch stelt zulke geringe eischen, dat men hem jaren lang in -de ellendigste kooi, in een gewoon bierglas, in 't leven kan houden, -wanneer men er maar voor zorgt, dat hij steeds water heeft, hem -tegen het stof uit het vertrek beschut en zooveel voedsel verschaft, -dat hij niet verhongert. Zoo heeft Pabst in Gotha 22 jaren lang een -Boomvorsch gehad, die toen door een toeval om 't leven kwam. Voor -'t overige heeft men zich niet veel om hen te bekommeren, want hij -is zoowel tegen koude als tegen warmte en droogte verwonderlijk goed -bestand. Men voedt hem met Vliegen en Meelwormen, omdat deze in den -winter het gemakkelijkst te krijgen zijn; men kan hem echter ook andere -Insecten, zelfs betrekkelijk groote geven; alle worden verslonden. In -den herfst moet men hem sterk voeden, opdat hij gemakkelijker door -den winter zal komen; ook in den winter mag men niet verzuimen hem nu -en dan een Meelworm, een Spin of een Vlieg te geven. Een Boomvorsch, -die lang in de gevangenschap heeft verkeerd, kent niet slechts zijn -verzorger, maar ook den pot met Meelwormen en begrijpt zeer goed, -dat men voor hem een Vlieg vangt. - - - -Zuid-Amerika is het vaderland van een der grootste leden der familie, -dat wegens zijne groote hechtschijven den naam van Knotsvoet (Hyla -faber) heeft gekregen en in Brazilië "Smid" wordt genoemd. Zijn -gestalte is plomp, de kop plat, breeder dan de romp, de ledematen -munten door dikte uit. De teekening op de overigens effen bleek -leemgele of lichtbruine bovendeelen bestaat uit een over het midden -van den rug loopende, zwarte streep en enkele onregelmatige, fijne, -zwarte vegen; de met grove wratten bedekte onderzijde is effen -geelachtig wit. Zijn lengte bedraagt 8 à 9 cM. - -De Knotsvoet of Smid wordt in de Braziliaansche oerwouden overal -gevonden, vooral langs de oevers van rivieren en moerassen, doch -alleen op zulke boomsoorten, welker bladen stevig genoeg zijn -om zulk een zwaar dier te dragen. Gedurende den regentijd houden -tallooze scharen van deze Boomvorschen zich in de moerassen op; -men hoort dan 's avonds en 's nachts tot aan het aanbreken van den -dag hun zonderlinge, luide en helder klinkende, metaalachtige stem; -hun koorgezang wordt vergeleken met het geluid, dat door een groot -aantal gelijktijdig werkende blikslagers voortgebracht kan worden. - - - -Een verwante, doch iets kleinere soort, de Roeier (Hyla crepitans), -bewoont het noorden van Zuid-Amerika en komt vooral in Guyana -veelvuldig voor. Schomburgk vergelijkt haar stem met het gedruisch, -dat door roeiers voortgebracht wordt. "De roeiriemen stooten bij -elken riemslag tegen den rand van de "corial" of schuit, waardoor een -eigenaardige, hol klinkende toon veroorzaakt wordt; hoewel er 6, 8 of -10 roeiers in de corial zijn, hoort men van allen slechts één slag; -snel, met gelijke tusschenpoozen volgen de slagen elkander op. Met dit -gedruisch heeft de stem van den genoemden Vorsch zooveel overeenkomst, -dat men er zich in vergissen zou." - - - -Hoe verschillend de voortplanting van de Boomvorschen kan -zijn, blijkt o. a. uit de beschouwing van den in Ecuador en -Peru inheemschen Zakvorsch (Nototrema marsupiatum), die het tot -tropisch Amerika beperkte geslacht der Buidelvorschen (Nototrema) -vertegenwoordigt. In vorm verschillen zij niet belangrijk van de -zooeven genoemde Boomvorschen; het wijfje heeft echter op den rug -een van achteren geopenden, ongeveer 1 cM. diepen zak, welke aan den -buidel der Buideldieren herinnert en evenals bij den Mierenegel, -als broedzak voor de eieren dient; de larven van sommige soorten -doorloopen hierin het eerste tijdperk van hun ontwikkeling; die van -andere blijven er in, totdat de gedaantewisseling afgeloopen is en zij -als viervoetige kikkertjes, die in 't geheel geen waterleven gekend -hebben, een zelfstandig leven op het land beginnen te leiden. Hoogst -waarschijnlijk strijkt het mannetje de eieren met de achterpooten in -den broedzak van het wijfje, welke zich gedurende de ontwikkeling der -eieren over den geheelen rug uitbreidt en aan het dier een wanstaltig -voorkomen verschaft. Als de gedaantewisseling der jongen zoover is -voortgeschreden, dat zij als larven het ei verlaten hebben en sterk -genoeg geworden zijn, brengt de zorgzame moeder ze naar het water en -laat ze hier aan zich zelf over. - -De Zakvorsch is een van de bontst gekleurde soorten van zijn -geslacht. De fraaie, groenachtig blauwe grondkleur van de bovendeelen, -die, vooral op den kop en het midden van den rug donkerder is, vertoont -een teekening, samengesteld uit donkergroene, door een lichteren zoom -begrensde, overlangsche strepen en vlekken, die op sommige plaatsen -elkander naderen, op andere uiteenwijken en op deze wijze regelmatige -figuren vormen; op de pooten neemt men donkerder ringen, banden, -strepen, vlekken en stippels waar. - - - -De familie der Padvorschen (Pelobatidae) omvat 8 geslachten met -ongeveer 25 soorten, die in Noord-Amerika, Europa, West-Azië, het -Oostersche Rijk en op Nieuw-Guinea aangetroffen worden. Verscheidene -soorten bereiken een aanzienlijke grootte; sommige zijn merkwaardig, -doordat zij (de mannetjes n.l.) zich tegen den mensch trachten te -verdedigen: den bek wijd opensperren, onder schel geschreeuw op hun -vijand toespringen en naar zijn hand happen. - - - -Een der meest bekende leden van deze familie is de Knoflookpad -(Pelobates fuscus), een vertegenwoordiger van het geslacht der -Woelpadden (Pelobates), die in vorm op Padden gelijken, maar -betrekkelijk lange achterpooten hebben, welker teenen door groote -zwemvliezen verbonden zijn; aan de binnenzijde van den hiel komt -een lensvormige hoornplaat met scherpe randen voor (een beginsel -van een zesden teen); de vingers zijn vrij; de grootendeels gladde -en spiegelende huid is ruig en stekelig aan de bovenzijde van den -kop, waar door verbeening van de lederhuid dekplaten gevormd zijn, -innig verbonden met de haar overdekkende, zeer dunne opperhuid; -de tong is schijfvormig met een flauwen inham aan den achterrand; -de bovenkaaksbeenderen dragen tanden; de gehemeltetanden staan op -2 duidelijk gescheiden, korte dwarsreeksen tusschen de achterste -neusopeningen; het trommelvlies ontbreekt; de sterk uitpuilende oogen -hebben een verticale, spleetvormige pupil. De genoemde soort is een -bont gekleurd dier van 6 à 7, zelden 8 cM. lengte; zijne bovendeelen -zijn op geelbruinen of lichtbruinen grond met vele kleine en groote, -levendig donkerbruine vlekken van onregelmatigen vorm geteekend, -die soms samenhangen, soms afzonderlijk staan en als eilanden op een -landkaart verspreid zijn. - -Volkomen zekere berichten omtrent het voorkomen van deze soort in -ons land ontbreken tot dusver, ofschoon zij in verscheidene werken -inheemsch wordt genoemd. Haar verbreidingsgebied omvat het zuiden van -Zweden, Denemarken, Duitschland (met uitzondering van Wurtemberg), -België, Noord-Frankrijk, Noord-Italië, geheel Oostenrijk-Hongarije en -Europeesch Rusland; zij is in deze landen volstrekt niet algemeen, maar -ontbreekt in sommige gewesten geheel; in Zwitserland b.v. heeft men -haar nergens anders dan bij de grenzen van den Elzas aangetroffen. In -sommige oorden is zij veelvuldig, o. a. in de omstreken van Neurenberg, -Berlijn, Weenen en Hermannstadt. Zij leeft alleen gedurende den tijd -van 't eierenleggen in 't water, komt reeds na verloop van weinige -dagen terug en zwerft dan als een echt landdier bij voorkeur op zandige -velden rond, waar zij zich over dag in een door haar zelf gegraven hol -verbergt. Zeer behendig weet zij zich met behulp van hare graafhielen -in den grond te woelen; zij doet dit door de hielen buitenwaarts -te bewegen en intusschen den romp voortdurend naar achteren te -schuiven, verdwijnt op deze wijze in korten tijd onder de aarde, -die zich daarna geheel boven haar sluit. Niet alleen in 't graven -toont de Knoflookpad zich bekwamer dan de Echte Padden; ook door hare -andere wijzen van beweging overtreft zij haar en komt meer met de -Kikvorschen overeen. Op den grond komt zij door snel opeenvolgende, -betrekkelijk groote sprongen flink vooruit; in 't zwemmen is zij goed -ervaren. Haar voedsel bestaat hoofdzakelijk uit Insecten en Spinnen. - -Vroeger dan de andere Amphibiën van haar vaderland legt de Knoflookpad -eieren: reeds in 't begin van April als het weder eenigszins gunstig -is, bij ongunstige weersgesteldheid niet later dan het midden van deze -maand. De mannetjes en de wijfjes houden zich alleen in dezen tijd in -'t water op, zelden langer dan een week; met den kop boven water laat -het mannetje een kwakend geschreeuw hooren, dat door het nog doffere -geknor van het wijfje begeleid wordt. Dat deze wanklanken niet de -eenige zijn, die zij kan voortbrengen, blijkt, wanneer men haar met -een tang bij een poot pakt: haar jammerlijk geschreeuw gelijkt dan -op het miauwen van een jonge Kat. - -De larven zijn grooter dan die van de overige inheemsche Amphibiën -en hebben de kieuwspleet in 't midden van den hals. - -De Knoflookpadden kunnen zeer goed in een hokje in 't leven gehouden -worden, maar verlangen veel en vet voedsel, daar zij in vraatzucht -voor geen lid harer orde onderdoen. Aangename huisgenooten zijn zij -niet, daar zij een werkelijk onuitstaanbare knoflooklucht verbreiden. - - - -De Schijftongigen (Discoglossidae) hebben, evenals de Echte -Boomvorschen en de Padvorschen, tanden aan de bovenkaaksbeenderen en -aan het gehemelte; de onderzijde van de bijna cirkelvormige tong is -geheel of nagenoeg geheel vergroeid met den bodem der mondholte. - - - -Het geslacht der Vuurpadden (Bombinator), dat tot deze familie -behoort, is kenbaar aan het ontbreken van het trommelvlies, aan de -dunne tong en de driehoekige pupil. De vingers zijn vrij, de teenen -van zwemvliezen voorzien. De huid is met vele wratten bedekt. De twee -Middel-Europeesche soorten van dit geslacht zijn echte waterdieren -van 4 à 4.5 cM. lengte; één van deze bewoont ook ons vaderland (een -derde soort komt in Noordoost-China voor). - - - -De Geelbuikige Vuurpad (Bombinator pachypus) verschilt van haar -andere Europeesche verwante door een meer gedrongen lichaamsbouw, een -korteren, meer afgeronden snuit, dikkere vingers en grootere wratten -op de huid. De onderschenkel is in verhouding tot den voet langer. De -rug is donker geelachtig grijs met bronskleurigen weerschijn, zonder -zwarte vlekken, de buik citroengeel of oranjegeel met blauwachtig -grijze of zwartachtige vlekken; de vingertoppen zijn altijd geel. - -Het verbreidingsgebied van deze soort omvat Frankrijk, België, -Nederland, Duitschland, Savoye, Zwitserland, Tirol, Opper- en -Middel-Italië, Stiermarken, Oostenrijk, Dalmatië, Montenegro, -Hongarije, Zevenburgen en Rumenië. Bij ons komt zij alleen in de -oostelijke grensprovinciën en daar zeer zeldzaam voor. - - - -De Roodbuikige Vuurpad (Bombinator igneus) is slanker gebouwd, heeft -een eenigszins slankeren en spitseren snuit, dunnere en slankere -vingers, de wratten zijn voor een deel regelmatig op reeksen geplaatst -en zwart van kleur. Het mannetje heeft twee onvolkomen keelblazen. De -rug is zwartachtig grijs met zwarte vlekken en meestal ook twee ronde -vlekken van de kleur van flesschenglas tusschen de schouders, de -buik blauwzwart met witte stippels en groote oranje- of menieroode, -op eilanden gelijkende vlekken; de toppen der vingers en teenen -zijn zwart. - -Deze soort bewoont het zuiden van Zweden, Denemarken, Duitschland, -Boheme, Neder-Oostenrijk, Hongarije, Zevenburgen, Rumenië en het -middelste deel van Europeesch Rusland. - - - -De Vuurpadden worden in kleine slootjes even goed aangetroffen als -in uitgestrekte broeklanden of moerassen: de Roodbuikige soort in -de vlakte, de Geelbuikige in bergstreken tot op 1500 M. hoogte. Als -echte waterdieren houden zij zich bijna gedurende den geheelen zomer -in regenplassen, poelen, sloten en moerassen op en komen alleen in -den herfst tijdelijk op het land voor, waar zij met hare betrekkelijk -lange achterpooten zeer behendig rondhuppelen. In het water ziet -men ze gewoonlijk op eenigen afstand van den oever zitten; den kop -halverwege boven den waterspiegel opgeheven, vermaken zij zich 's -avonds met hare eenvoudige en bescheidene, muzikale oefeningen; bij -het geringste gevaar duiken zij bliksemsnel naar de diepte om zich -hier in den modder te verbergen. Wie stil blijft wachten, ziet de -gevluchte Vuurpad na korten tijd weer boven komen, dezelfde houding -hernemen, de goudkleurige oogjes naar alle zijden wenden en na een -korte rust haar gezang hervatten. Haar geluid weerklinkt in den regel -eerst tegen den avond en verder gedurende den geheelen nacht, waaruit -blijkt, dat ook deze Amphibiën tot de nachtdieren behooren. Haar stem -maakt volstrekt geen onaangenamen indruk, maar verveelt weldra door -zijn eentonigheid; het is een voortdurende herhaling van de klanken -"koe-oe", met een timbre als dat van glazen klokjes en wordt slechts -op een afstand van weinige schreden duidelijk gehoord. Iedere Vuurpad -roept hoogstens drie- of viermaal in de minuut en brengt nooit eenige -wijziging in zijn geluid; daar echter alle mannetjes te gelijk hun -welbehagen te kennen willen geven, maakt het geheel den indruk van -een muziekuitvoering met gewoon tempo. - -In het water bewegen de Vuurpadden zich met groot gemak, ofschoon -zij hier niet wedijveren kunnen met den Waterkikker; beter dan deze -kunnen zij zich in het slijk verbergen. Op het land komen zij met -korte sprongen snel vooruit. Een hoofdtrek van haar karakter schijnt -een grenzenlooze vreesachtigheid te zijn. Slechts in geval van nood -gaan zij in volkomen schoon water zwemmen; plassen, die dicht met -eendenkroos bedekt zijn, met troebel, leemachtig water gevulde kuilen -op een slecht onderhouden rijweg of poelen in verlaten steengroeven -lachen haar bijzonder toe om de eenvoudige reden, dat bedekt en troebel -water haar zelfs voor het scherpstziende oog uitmuntend verbergen. Als -men zich stil houdt en haar dus geen aanleiding tot vluchten geeft, -kan men zich van de juistheid van bovenstaande opmerking door eigen -onderzoek overtuigen. Op een dwaalspoor gebracht door de zwakheid -van haar stem, zoekt men haar dikwijls tevergeefs in de verte, -en bemerkt eindelijk met eenige verrassing haar kopje, dat zich in -de onmiddellijke nabijheid tusschen het eendenkroos boven het water -verheft, misschien op een plek, die men herhaaldelijk reeds scherp in -'t oog heeft gevat. Op het droge tracht zij zich door list voor de -blikken harer tegenstanders te verbergen: als zij niet snel genoeg het -veilige water kan bereiken, vleit zij zich neer op den grond, welks -tinten dan als 't ware ineenvloeien met de geelgrijze of zwartgrijze -kleur van den rug. Als men de Vuurpad plaagt, buigt zij, althans de -Geelbuikige soort, den kop naar achteren en vouwt de voorpooten over -den gekromden rug samen, zoodat de geheele buikzijde zichtbaar wordt -en het dier dus een geheel ander voorkomen verkrijgt. Zij blijft eenige -minuten in deze zonderlinge houding en zet haar reis voort, zoodra zij -meent, dat het gevaar geweken is. Groote angst openbaart zij door het -laten uittreden van een op zeepsop gelijkend schuim uit de wratten, die -den rug en de bovenzijde van de achterschenkels bedekken; dit kliersap -heeft, evenals dat van de meeste harer verwanten, een zekere scherpte; -het werkt in allen gevalle giftiger dan dat van de Gewone Pad. - -Het voedsel van de Vuurpadden bestaat uit Insecten, Slakken en kleine -Wormen; zij zijn dus volkomen onschadelijk en zelfs nuttig. De -gevangenschap kunnen zij langen tijd verdragen; hare eischen -zijn gemakkelijk te bevredigen; in bevalligheid doen zij voor de -Boomvorschen weinig onder - - - -De Kettingpadden (Alytes) hebben een gedrongen lichaamsbouw; -hare krachtige ledematen eindigen in vierteenige voeten; alleen -de achtervoeten zijn met zwemvliezen voorzien; de huid is rijk aan -klieren en met wratjes bezaaid, doch aan de keel steeds glad; de tong -is zeer groot en dik, het trommelvlies duidelijk zichtbaar. - -De eenige Europeesche vertegenwoordiger van dit geslacht, de -Vroedmeesterpad (Alytes obstetricans), is 3.5 à 5 cM. lang, heeft -blauwachtig aschgrauwe bovendeelen met zwarte en lichtere stippels -en vlekken; de onderdeelen zijn lichtgrijs; de iris is lichtgeel met -zwarte adertjes. - -Algemeen is deze soort in Portugal, Spanje en Frankrijk, vooral in -de omstreken van Parijs; ook komt zij voor in België, het westen van -Duitschland en Zwitserland. In Nederland werd zij, naar het schijnt, -nog niet gevonden. Zij verschuilt zich in holen op schaduwrijke -plaatsen, in oude steengroeven, waarlangs op korten afstand een -waterstroompje vloeit, onder steenen, oude boomwortels of wijnstokken, -ook wel eenvoudig in gaten van den grond. De klank van haar stem is -helder en aangenaam als die van een glazen klokje. - -De Vroedmeesterpad heet zóó, omdat het mannetje zich de beide -rozenkransvormige eierensnoeren, onmiddellijk nadat zij uit het -lichaam van het wijfje zijn gekomen, om de achterpooten wikkelt. Het -mannetje draagt deze "kettingen", die met verscheidene 8-vormige -kronkelingen zijne schenkels omgeven, dagen lang bij zich, kruipt er -mede in den grond, en blijft hier, totdat de kiemen een zekeren trap -van ontwikkeling hebben bereikt. Deze zijn ongeveer op den elfden dag -geschikt om de eierenhulsels te verlaten; nu begeeft de vader zich -met zijn kroost naar het water en laat het hier achter. De jongen -hebben ongeveer denzelfden vorm als de larven van andere Vorschen, -ontwikkelen zich verder op de gewone wijze en worden zeer groot, -ongeveer 8 cM. lang; zij komen door de plaatsing van de kieuwspleet -met de larven van de Knoflookpad overeen. - - - -Tot de Tongloozen (Aglossa), die de tweede onderorde van de Vorschen -vormen, behooren twee familiën: de Vingerhoedpadden (Dactylethridae), -zoo genoemd, omdat de toppen der 3 binnenste teenen met een -vingerhoedvormigen nagel omhuld zijn, bewonen Afrika; tot de Pipa's -(Pipidae) behoort slechts één in Guyana en Brazilië levende soort. - - - -De Pipa of Surinaamsche Pad, in Cayenna Tedo genoemd (Pipa americana), -heeft een wanstaltigen, bijna vierhoekigen, van boven naar onderen -sterk afgeplatten romp, die onmerkbaar overgaat in den breeden, -driehoekigen, aan den snuit spits eindigenden kop. De zwakke, slanke -voorpooten hebben vier lange, vrije, spitse vingers; deze zijn aan den -top in vier puntige huidaanhangseltjes verdeeld, hetgeen aanleiding -heeft gegeven tot den naam "Stervingerpad". De achterpooten zijn -dikker dan de voorpooten en tamelijk lang; volledige zwemvliezen -vereenigen de 5 spitse teenen van den grooten voet. De huid van -den rug is vooral bij de oude dieren gerimpeld, bij de oude wijfjes -zelfs met putjes bezaaid. Aan weerszijden van de bovenkaak hangen één -of twee tastdraden naar beneden, die vóór het oog zijn aangehecht; -een dergelijk orgaan komt aan iederen mondhoek voor. De leelijkheid -van het dier wordt nog verhoogd, door de kleine, uitpuilende oogen, -die dicht bij den onderrand van de bovenkaak geplaatst zijn en zich, -naar het schijnt, bijna niet kunnen bewegen,--die van het mannetje -bovendien door het wanstaltige strottenhoofd, dat met een driehoekige, -beenen doos vergeleken wordt. De kaken zijn tandeloos, de tong -ontbreekt geheel. De dieren van beiderlei geslacht zijn van boven -dof bruinachtig zwart, van onderen lichter, soms met witte vlekken, -soms met een zwarte streep over het midden van den buik geteekend. Het -wijfje kan, naar men zegt, wel 20 cM. lang worden. Deze dieren bewonen -moerassige stilstaande wateren. - -Evenals de meeste overige Vorschen leggen de Pipa's hare eieren in -'t water. Terwijl het mannetje de eieren bevrucht, hetgeen bij alle -Vorschen gedurende het leggen geschiedt, strijkt hij ze op den met -wratten bedekten rug van het wijfje. Hier komen kuiltjes voor, die -zich, naar men onderstelt, vergrooten, tengevolge van den prikkel, -dien ieder ei op de huid teweegbrengt, weldra, als de cellen van een -honigraat, een zeshoekigen vorm aannemen en ook, evenals deze, met een -soort van dekseltje gesloten worden. In ieder van deze broedzakjes -ondergaat een jonge Pipa haar gedaantewisseling; zij verbreekt -eindelijk het dekseltje, steekt den kop of een poot naar buiten en -neemt kort daarna voor goed afscheid van haar wieg. Het geheele aantal -jongen bedraagt, naar men zegt, 60 à 70; zij verlaten 82 dagen na de -bevruchting der eieren haar moeder, waarna deze aan steenen of planten -de overblijfselen van de cellen afwrijft en een nieuwe huid krijgt. - - - - - - - -TWEEDE ORDE. - -DE SALAMANDERS (Caudata). - - -De overeenkomst, die men aanvankelijk tusschen de Salamanders en de -Hagedissen meent op te merken, blijkt bij nader onderzoek slechts -een oppervlakkige gelijkenis te zijn, zooals die, welke tusschen de -Slangen en Hazelwormen of liever tusschen de Pingoeïns en de Zeehonden -bestaat. Zelfs wanneer men de ontwikkelingsgeschiedenis buiten rekening -laat en zich tot uitwendig waarneembare verschijnselen bepaalt, is het -verschil tusschen Salamanders en Hagedissen zeer groot. Hoewel beide -een langwerpig rolvormigen romp met duidelijk waarneembaren hals en -een langen, min of meer ronden staart hebben, hoewel beider lichaam -gewoonlijk door 2 paar, bij uitzondering door 1 paar pooten ondersteund -wordt, zijn echter de Salamanders onmiddellijk van de Hagedissen te -onderscheiden door de ongeschubde, slijmerige huid en nog duidelijker -aan het gemis van een trommelholte en dus van een trommelvlies. - -De kop van de Salamanders is betrekkelijk groot, in den regel zeer -plat en eindigt in een afgeronden snuit; de hals is dunner dan de kop -en de romp, deze meer of minder lang, afgerond, tamelijk gelijkmatig -van dikte, soms eenigszins plomp, de staart meer of minder lang, -rond of zijdelings samengedrukt, soms vinvormig afgeplat. De pooten, -die, evenals bij alle Amphibiën, een plompe gedaante hebben, zijn in -den regel nagenoeg even lang; aan de voorpooten komen meestal 3 of 4, -aan de achterpooten, die bij uitzondering geheel kunnen ontbreken, -2 à 5 teenen voor; steeds ontbreken de nagels. - -De uitwendige huid biedt nauwelijks minder verscheidenheid aan dan bij -de Vorschen; zij is over 't algemeen teer en dun, soms echter oneffen -en met wratten bezet. De wratten vereenigen zich ook hier op sommige -plaatsen tot groepen en zijn eenvoudig sterk ontwikkelde klieren, die -een eigenaardig, kleverig, eiwitachtig slijm afscheiden. Evenals bij -de Vorschen, wordt de huid zeer dikwijls afgeworpen; dit geschiedt in -den regel bij lappen, waardoor de vervelling weinig merkbaar wordt. In -de huidkleur hebben donkere tinten de overhand; op dezen grond komen -echter gewoonlijk lichte vlekken en strepen voor; de buik prijkt -dikwijls met bonte kleuren; een effen kleur is zeldzaam. - -In het geraamte van den kop kunnen de parige kruin- en -voorhoofdsbeenderen altijd--ook de neusbeenderen meestal--onderscheiden -worden; de bovenkaaksbeenderen daarentegen ontbreken soms geheel. De -wervelkolom bestaat uit minstens 50, soms uit bijna 100 wervels; -die van den romp dragen bij de leden der hoogst ontwikkelde familiën -altijd, bij de laagst ontwikkelde althans voor een deel ribben. Een -echt borstbeen is niet aanwezig; zijn plaats wordt ingenomen door de -schouderbladen, die zich aan hun onderste uiteinde tot een horizontaal -liggende kraakbeenplaat verbreeden. Aan de voorpooten zijn ellepijp -en spaakbeen, aan de achterpooten scheenbeen en kuitbeen volkomen -gescheiden, de beenderen van hand- en voetwortel zijn echter dikwijls -onvolkomen ontwikkeld. - -De oogen verkeeren op verschillende trappen van ontwikkeling. Bij -sommige zijn zij klein, rudimentair, door de huid bedekt, bij andere -grooter, duidelijk onder een doorzichtige huid verborgen, bij -nog andere eindelijk goed ontwikkeld, half bolvormig uitpuilend, -met volkomen oogleden voorzien en, evenals bij de Vorschen, -terugtrekbaar. Het hoornvlies is in verhouding tot de pupil zeer -groot, het regenboogvlies bij de hoogst ontwikkelde helder goud- of -koperkleurig, roodachtig of geel, de pupil in den regel rond. De tong -is verschillend van vorm, soms breed en rond, soms langwerpig en smal, -hartvormig, langwerpig eirond, paddenstoelvormig, soms alleen in 't -midden door een overlangsche band vastgehecht en dus van voren en aan -de zijden vrij, soms omgekeerd voor 't grootste gedeelte vastgegroeid -en dan meestal slechts weinig beweegbaar. - -Bijna alle Salamanders hebben tanden aan de tusschen-, boven- en -onderkaaksbeenderen; bij alle vindt men ze hetzij aan de ploegschaar- -òf aan de gehemeltebeenderen; zij zijn klein, een weinig naar achteren -gekromd, dikwijls beter te voelen dan te zien en uitsluitend geschikt -voor het grijpen en vasthouden van de prooi. De ontwikkeling der -ademhalingsorganen stemt in hoofdzaak met die der Vorschen overeen; -de Kieuwsalamanders behouden echter levenslang de ademhalingsorganen, -die bij de overige leden der orde slechts gedurende den larvetoestand -voorkomen en bezitten dus, behalve longen ook kieuwen; bij sommige -Vischsalamanders zijn deze in de kieuwholte verborgen, zoodat -haar aanwezigheid uitwendig alleen uit een aan den hals voorkomende -kieuwspleet blijkt; bij andere (de Olmen en de Armsalamander) blijven -levenslang uitwendige kieuwen bestaan. - -Bijna alle Salamanders behooren tot een der beide noordelijke -faunistische Rijken, dus tot dat van de Oude Wereld of tot -het Noord-Amerikaansche. Slechts weinige vormen zijn verder -zuidwaarts, over een deel van het Oostersche, het Ethiopische en het -Zuid-Amerikaansche Rijk verbreid. - -De meeste, doch niet alle bekende Salamanders houden zich gedurende -hun geheele leven in 't water op; vele in ondiepe, modderige moerassen, -andere in diepere meren. Alle zonder uitzondering zijn nachtdieren, die -over dag stil in verborgen schuilhoeken of op den bodem van het door -hen bewoonde water rusten en eerst na het invallen van de duisternis -of onmiddellijk na een regenbui hunne werkzaamheden aanvangen. Zij -laten zich niet gemakkelijk bespieden en kunnen, zooals uit de bij -ons inheemsche soorten blijkt, in grooten getale leven op plaatsen, -waar men ze niet vermoedt. De Salamanders, die aanspraak kunnen maken -op den naam van landdieren, houden van sombere, vochtige oorden, -die weinig aan de zonnestralen blootgesteld zijn; zij geven daarom -de voorkeur aan smalle dalen of aan wouden en verschuilen zich hier -onder steenen of rottende boomstammen of in gaten van den grond. De -Watersalamanders verlaten de door hen bewoonde wateren slechts nu en -dan; in sommige omstandigheden verbergen zij zich dicht bij den oever, -maar keeren zoo schielijk mogelijk naar hunne eigenlijke woonplaatsen -terug. Toch zijn de Watersalamanders gemakkelijker te vinden dan -hunne op het land levende verwanten; daar zij, als alle waterdieren, -tusschen nacht en dag, licht en duisternis minder verschil maken dan -de landdieren; bovendien moeten de Watersalamanders af en toe naar -de oppervlakte van het water omhoogstijgen om te ademen, of zich -naar de bovenste waterlagen begeven om zich door de zon te laten -koesteren. In het noorden van hun verbreidingsgebied vervallen zij, -evenals andere Amphibiën en Reptiliën, tegen den aanvang van den -winter in een toestand van verstijving; op lagere breedten heeft een -soortgelijk verschijnsel plaats, als de hitte het door hen bewoonde -water uitdroogt. Hun wonderbaarlijke taaiheid van leven komt hun bij -het verduren van dergelijke wisselingen van levensomstandigheden goed -te stade: zij kunnen te midden van het slijk verschrompelen, in het -tot ijs verstijfde water verblijf houden, ja zelfs daarin vastvriezen, -toch zal de regen of de dooi hen uit hun graf doen herrijzen. Van hen -in 't bijzonder geldt, wat van het herstellingsvermogen der Amphibiën -in 't algemeen wordt bericht: geamputeerde ledematen groeien weer -aan; deze proef kan zelfs verscheidene malen achtereen met hetzelfde -lichaamsdeel herhaald worden. - -In den regel worden de bewegingen van de Salamanders traag en plomp -genoemd; van de meeste soorten zegt men dit te recht; sommige loopen -echter zoo snel, dat zij aan Hagedissen doen denken. In het water -bewegen alle, dus ook die, welke op het land thuis behooren, zich -zeer behendig; de Watersalamanders zwemmen natuurlijk het best. Geen -enkele vertegenwoordiger dezer orde is echter geschikt om te klimmen; -geen harer leden is in staat om in het luchtige loover tijdelijk zijn -woning op te slaan. - -Het voedsel van de Salamanders bestaat uit Weekdieren, Wormen, Spinnen, -Insecten en velerlei Gewervelde Dieren uit de lagere klassen. Enkele -van hen zijn bekwame roovers; de meeste verslinden iedere prooi, die -zij overmeesteren kunnen, zelfs zwakkere soortgenooten. Hun snelle -spijsvertering heeft vraatzucht ten gevolge; zij gebruiken in sommige -tijden zeer veel voedsel, maar kunnen ook lang achtereen vasten. - -De voortplanting van deze dieren heeft op een eigenaardige, doch niet -bij allen geheel op dezelfde wijze plaats. De Landsalamanders brengen -levende jongen ter wereld. De Watersalamanders leggen eieren (slechts -weinige te gelijk) en bevestigen deze met behulp van een kleverig -slijm aan de bladen van waterplanten. De meeste Landsalamanders en alle -Watersalamanders brengen het eerste levenstijdperk in het water door, -om later, nadat hunne longen zich ontwikkeld hebben en deze voor de -ademhaling dienst doen, op het droge te gaan wonen. Gedurende den -larvetoestand bestaat er tusschen de verschillende soorten weinig -onderscheid. - -Bezwaarlijk zal men een lid van deze orde kunnen opnoemen, dat den -mensch een merkbare schade veroorzaakt. Eenige van de grootste soorten -voeden zich met Visschen, maar wonen in streken, waar het door hen -verbruikte voedsel stellig geen geldswaarde vertegenwoordigt. Men -mag de Salamanders veeleer nuttig dan schadelijk noemen, daar -zij eene groote hoeveelheid voor ons lastige of voor de planten -verderfelijke dieren verslinden. Het vocht dat door hunne huidklieren -wordt afgescheiden, kan ons geen leed doen, hoewel over de giftigheid -van deze stof sedert overouden tijd de onzinnigste fabelen in omloop -zijn geweest. - -Slechts van enkele Slangen en Visschen hebben de Salamanders veel -te lijden. De Zoogdieren en Vogels verslinden wel Watersalamanders, -maar versmaden de Landsalamanders wegens hun kliersap, dat daarentegen -de bedoelde Slangen en Visschen niet schijnt te hinderen. - - - -Meer bepaaldelijk geeft men den naam van Salamanders (Salamandridae) -aan die leden der orde, welke in volwassen toestand de kieuwen -missen en dan uitsluitend door longen ademen. Hunne betrekkelijk -groote, sterk uitpuilende oogen zijn steeds met goed ontwikkelde, -klepvormige oogleden voorzien. De pooten zijn betrekkelijk zwak -ontwikkeld: de voorpooten hebben 4, de achterpooten meestal 5 -(bij uitzondering 4) teenen; deze zijn gewoonlijk vrij, zelden door -zwemvliezen vereenigd. Behalve aan den rand van onder- en bovenkaak, -komt ook aan den achterrand van elk der gehemeltebeenderen een smalle -reeks van tanden voor; in verband met den vorm dezer beenderen -zijn de laatstbedoelde reeksen bij sommige overlangs, bij andere -scheef en dwars gericht. Hierop berust de verdeeling der familie -in twee onderfamiliën: de Echte Salamanders (Salamandrinae) en de -Dwarsreeks-salamanders (Amblystomatinae). - - - -De Landsalamanders (Salamandra) zijn tamelijk plomp gebouwd, hebben -een kegelvormigen staart, cirkelrond op de doorsnede en afgerond aan de -spits, zonder vin en, evenals de romp, met meer of minder duidelijke, -fijne, ringvormige groeven voorzien. De voorpooten hebben 4, de -achterpooten 5 vrije teenen. De huid is rijk aan klieren; de oorklieren -zijn groot. De groote tong is met een tamelijk breede, van voren tot -achter reikende strook in het midden van de onderzijde vastgehecht -aan den bodem der mondholte en dus alleen aan de zijranden vrij. - -De eenige inheemsche vertegenwoordiger van dit geslacht--de Gevlekte -Landsalamander (Salamandra maculosa,)--werd hier te lande tot dusver -alleen in de omstreken van Nijmegen en te Oosterbeek bij Arnhem -waargenomen. Dit dier bereikt een lengte van 18 à 23 cM. en is op -glanzig zwarten grond met groote, onregelmatige, prachtig goudgele -vlekken geteekend, die gewoonlijk twee meer of minder duidelijk -uitkomende, afgebrokene, overlangsche strepen vormen, aan weerszijden -vergezeld worden door afgezonderd staande, groote vlekken en op den -staart niet zelden hier en daar ineenvloeien. De ledematen hebben -meestal op iedere hoofdafdeeling een gele vlek. De keel is altijd, -de onderzijde nooit regelmatig gevlekt. - -Het vaderland van den Gevlekten Landsalamander omvat, met uitzondering -van Groot-Brittannië en Ierland, geheel West-, Middel- en Zuid-Europa -en strekt zich ook over Noord-Afrika en naar den anderen kant over -West-Azië uit. Werkelijk zeldzaam is hij vermoedelijk nergens binnen -de grenzen van dit gebied; in Duitschland b.v. komt hij veelvuldig, -hoewel slechts in enkele voor hem bijzonder geschikte gewesten algemeen -voor. Vochtige, sombere oorden in berg- en heuvelachtige gewesten, -nauwe dalen of donkere wouden verschaffen hem een woonplaats, ruimten -onder wortels en steenen, holen van verschillende dieren de gewenschte -woning. Over dag verlaat hij deze niet anders dan na een regenbui, -want ook voor hem is de nacht de tijd om te arbeiden. Droge warmte -of blootstelling aan de zonnestralen onttrekt aan zijn lichaam -schielijk zooveel onontbeerlijk vocht, dat zijn leven er door in -gevaar wordt gebracht. Reeds wanneer het gedurende verscheidene dagen -niet geregend heeft, ziet hij er mager en zwak uit, al komt zijn -huid nu en dan met den dauw in aanraking; na regenbuien daarentegen -verkrijgt hij een welgedaan, glad en volmaakt gezond voorkomen. Zijne -bewegingen zijn langzaam en plomp. Bij 't gaan kruipt hij over den -grond met zijwaartsche bewegingen van het lichaam. Zijn zwemmen -is eigenlijk eenvoudig loopen in 't water, waarbij de staart als -het voornaamste bewegingsorgaan beschouwd moet worden. Alle hoogere -begaafdheden schijnen bij hem onbeduidend te zijn, de zinnen stomp, -de geestvermogens uiterst gering. Hoewel hij dikwijls in het gezelschap -van zijne soortgenooten gevonden wordt, mag men bij hem waarschijnlijk -niet van neiging tot gezelligheid spreken: de eene bekommert zich -nagenoeg niet om den anderen en de sterke valt, als de honger hem -kwelt, onmeedoogend op den zwakkeren aan, om dezen te verslinden. Zijn -voedsel bestaat uit dieren, die zich langzaam bewegen, bij voorkeur uit -Slakken, Regenwormen en Kevers, soms ook uit kleine Gewervelde Dieren. - -Over de voortplanting van den Landsalamander zijn de berichten ook -thans nog niet geheel voldoende. Dat hij levende jongen ter wereld -brengt staat vast; bij exemplaren in de kooi heeft men het leggen van -eieren opgemerkt, die echter zeer schielijk door de larven verlaten -werden. Hij is een landdier, dat zich alleen om zijn jongen ter -wereld te brengen naar het water begeeft; met dit doel ziet men -hem in April, of althans niet later dan Mei, op den bodem van het -water rondloopen. Het aantal larven is betrekkelijk groot. Gewoonlijk -bedraagt het 8, 16 of 24, zeldzamer 30 à 42, die tegelijk of spoedig -achtereenvolgens in een tijdsverloop van 2 à 5 dagen het lichaam -van de moeder verlaten. De larve is dan reeds met 4 pooten voorzien -en volkomen in staat om zich op soortgelijke wijze als een geheel -ontwikkelde kikvorschlarve in 't water te bewegen. De moeder kiest -bij voorkeur koud bronwater als woonplaats voor hare jongen uit; -hoewel deze dikwijls nog in October in het water te vinden zijn, -verliezen zij gewoonlijk hunne kieuwen reeds in Augustus of in het -begin van September en zijn dan in staat om zich naar de woonplaatsen -hunner ouders te begeven, welker kleur zij reeds vroeger hebben -aangenomen. Den winter brengen de Landsalamanders op betrekkelijk -droge, vorstvrije plaatsen, diep verborgen in de met mos bedekte kloven -van 't gesteente, in schijndooden toestand door. Bij gunstig weer -verlaten zij omstreeks het begin van April hunne winterkwartieren; -de jongen, die nog niet voor de voortplanting geschikt zijn, doen -dit ongeveer een week vroeger dan de oude dieren. - -De Salamanders worden door het scherpe, bijtende sap hunner -huidklieren beschermd tegen vele vijanden, die hiervan een onaangename -gewaarwording en zelfs gevaar ondervinden. Als men een Salamander in -den nek pakt en hem hier drukt, spuit het sap naar buiten: het dier -kan zijne klieren echter ook willekeurig ledigen en doet dit in den -regel, wanneer het angstig is, om een aanval af te weren. Men heeft -dikwijls een overdreven voorstelling gegeven van de nadeelige werking -van het gif en zelfs beweerd, dat kinderen gestorven zouden zijn na -het drinken van water uit een bron, waarin zich Salamanders ophielden; -uit talrijke proeven is gebleken, dat de werking van het bedoelde sap -zich bepaalt tot een hevige prikkeling der slijmvliezen, dat het een -soort van ontsteking teweeg brengt, waardoor kleine, zwakke Vogels, -ook wel Reptiliën en Amphibiën, kunnen bezwijken. Laurenti merkte op, -dat de Hagedissen, die hij gedwongen had Salamanders te bijten, onder -stuiptrekkingen stierven; Honden, Kalkoenen en Hoenderen daarentegen, -die hij met stukgesneden Salamanders voederde, verteerden deze spijs -zonder er nadeelige gevolgen van te ondervinden; soms echter kwam -het voor, dat de Honden braakten. - -Abini heeft het Salamander-gif bij dieren, zoowel direct, als door -tusschenkomst van het spijskanaal in den bloedstroom gebracht; in -beide gevallen kwamen vergiftigings-verschijnselen voor; de werking -van het gif was echter sneller en heviger, wanneer het door den mond -aan Vogels en Vorschen werd ingegeven, dan wanneer deze dieren er mede -werden ingeënt. Daarentegen had het eten van het vleesch der door -Salamandergif gedoode dieren geen nadeeligen invloed op de wezens, -die er mede gevoederd werden. - -De Gevlekte Salamander kan bij behoorlijke verzorging vele jaren lang -de gevangenschap verduren. Men moet hem houden in een hok, dat een -kleinen waterbak en geschikte schuilplaatsen bevat, van soortgelijken -aard als die, welke hij in de vrije natuur opzoekt. Als voedsel kan -men hem Meelwormen en Regenwormen, Insecten en Slakken geven; kleine -exemplaren van zijn eigen soort vreet hij ook op. - -Opmerkelijk is het, dat dit in vele opzichten zoo weinig gevoelige -dier tegen sommige werkingen zoo slecht bestand is, en dat met name -gewoon zout een zeer nadeeligen invloed op hem oefent. - - - -In de Alpen wordt de Gevlekte Salamander vervangen door een verwante, -veel op hem gelijkende soort, de Alpensalamander (Salamandra atra); -deze is iets kleiner, minder plomp van gestalte en effen glinsterend -zwart van kleur, dus zonder vlekken. - -Zijn verbreidingsgebied omvat de Alpen van Savoye, Zwitserland, -Tirol, Salzburg en Opper-Oostenrijk, Stiermarken, Karinthië en -Krain, benevens eenige bergketenen van Wurtemberg en Beieren, die -met de Alpen samenhangen. In de Alpen bewoont hij in aanzienlijken -getale alle voor hem geschikte plaatsen in een tusschen 700 en 2850 -M. gelegen hoogtegordel. Meestal ontmoet men deze dieren bij dozijnen -onder steenen, mos, alpenrozen en lage struiken, op soortgelijke -plaatsen dus als hun inheemsche verwant. Evenals deze, zijn zij traag, -langzaam van beweging en slaperig van voorkomen; ook zij verlaten -hunne schuilplaatsen alleen bij vochtig weer en zijn tegen groote -droogte niet bestand. - -Van de 20 of meer eieren, die iedere eileider van het wijfje in het -voorjaar bevat, komt slechts één tot ontwikkeling; deze kiem voedt -zich met de overige eieren en heeft op het oogenblik van de geboorte -een lengte van 45 à 50 mM. bereikt; de kieuwen zijn dan, op kleine -knobbeltjes na, reeds geheel verdwenen, hoewel zij gedurende den -kiemtoestand buitengewoon groot waren en tot aan de achterpooten -reikten. Een eigenlijke larvetoestand komt dus bij deze dieren -niet voor. - - - -De Watersalamanders (Molge) hebben een langwerpigen romp, voorpooten -met 4, achterpooten met 5 teenen, benevens een zijdelings sterk -samengedrukten, hoogen roeistaart; niet zelden strekt een vliezige -kam zich uit langs den rug; deze is bij het mannetje gedurende den -paartijd dikwijls sterker ontwikkeld; de staart is zoowel aan de boven- -als aan de onderzijde met een vliezige vin omzoomd. Dit geslacht omvat -21 soorten, die Europa, Noord-Afrika, West-Azië, het noordoosten van -China, Oost-Azië, en Noord-Amerika bewonen. Twee daarvan komen ook -in Nederland voor. - - - -De Groote Watersalamander (Molge cristata, Triton cristatus) -bereikt een lengte van 13 à 15 cM. en is, behalve aan den diep, -doch onregelmatig getanden rugkam, die bij het mannetje gedurende -den voortplantingstijd (in Mei) voorkomt, doch later weer verdwijnt, -ook kenbaar aan de kleur van de onderzijde; deze is, bij de keel te -beginnen, op dooiergelen grond met zwarte vlekken van verschillende -grootte geteekend. De grondkleur van den rug, van de zijden, van den -staart en van de bovenzijde der ledematen is donkerbruin; de teekening -bestaat uit groote, zwarte vlekken, aan de zijden gemengd met witte, -die dikwijls tot groepen vereenigd zijn. - -Tot het verbreidingsgebied van deze soort behooren Engeland, het -noorden en midden van Frankrijk, België, Nederland, Zwitserland, -Zweden, Denemarken, Duitschland, Italië, Oostenrijk-Hongarije, Rusland, -Griekenland, Turkije en Klein-Azië tot in Trans-Kaukasië en Perzië. Bij -ons is zij veel minder talrijk dan de volgende. - - - -De Kleine Watersalamander (Molge vulgaris, Triton taeniatus) wordt 7.5 -à 8.5 cM. lang; de rugkam waarmede het mannetje in den paartijd (Mei) -getooid is, bereikt een geringere hoogte en is minder getand dan die -van zijn grooteren verwant; bij dezen is hij aan den wortel van den -staart lager, als 't ware uitgesneden, bij den Kleinen Watersalamander -daarentegen op de genoemde plaats hooger dan elders. De teenen -van de achterpooten van het mannetje zijn ter zelfder tijd aan -weerszijden met een gelobden huidzoom voorzien. Bij beide seksen -is de buik oranjegeel met zwarte vlekken en loopt de staart spits, -bijna draadvormig toe. Bij het wijfje is de rugkam door een smalle -lijst vervangen, worden de vliezen aan de teenen niet aangetroffen -en heeft de staart slechts een smallen huidzoom. De olijfgroene of -bruine grondkleur van de bovenzijde gaat op de zijden in witachtig -geel over; ook hier bestaat de teekening uit zwarte vlekken, die -gewoonlijk overlangsche reeksen vormen (taeniatus beteekent gestreept). - -Zuid-Frankrijk, Spanje en Portugal zijn de eenige deelen van Europa, -waar deze soort ontbreekt. - - - -De Alpen-watersalamander (Molge alpestris, Triton alpestris) is 7 -à 10 cM. lang, heeft een ongetanden rugkam en (behalve aan de keel) -geen donkere vlekken op de oranjeroode buikzijde. De grondkleur van -de rugzijde is bruin of leikleurig grijs. De teekening bestaat uit -donkerbruine, getakte vlekken. - -Deze soort is over Noord- en Middel-Frankrijk, België, Duitschland -(met uitzondering van de Noord-duitsche vlakte), Zwitserland, Italië, -geheel Oostenrijk-Hongarije en Noord-Griekenland verbreid. - - - -De Zwemvoetsalamander (Molge palmata, Triton palmatus) is 7 à 8 -cM. lang en slank gebouwd. Bij het mannetje komt in den paartijd een -zeer lage rugkam voor en hebben de achterpooten volslagen zwemvliezen -tusschen de teenen. Door een overlangsche lijst aan weerszijden van -den rug heeft de romp een vijfkantigen vorm. De staart loopt uit in -een draadvormige spits, die bij het mannetje 7, bij het wijfje ruim -2 mM. lang is en vrij achter den vinvormigen huidzoom van het overige -deel van den staart uitsteekt. Op een min of meer naar geel zweemenden, -olijfbruinen grond vertoont de bovenzijde van den kop donkere streepen, -de rug donkere vlekken; de onderdeelen zijn dof oranjegeel met weinige -zwartachtige vlekken, die op de keel geheel ontbreken. - -De Zwemvoetsalamander bewoont het noorden van Spanje, Frankrijk, -Engeland, België, het westen van Duitschland en Zwitserland. - - - -De Watersalamanders verschillen in aard en gewoonten zoo weinig van -elkander, dat een levensbeschrijving van één dezer dieren voor alle -kan gelden. - -Waterdieren noemt men ze gewoonlijk, en niet ten onrechte, daar -zij niet slechts den paartijd, maar ook nog verscheidene maanden -bovendien in 't water doorbrengen; sommige verlaten het zelfs -in 't geheel niet. Toch moet men niet uit het oog verliezen, -dat zij ook geruimen tijd op het land verkeeren; sommige soorten -brengen hier zelfs hun geheele leven door, met uitzondering van -de voortplantingsperiode. Om te paren en eieren te leggen kiezen -zij bij voorkeur heldere, door struikgewas omgeven wateren uit, -die hun het noodige voedsel kunnen verschaffen; eigenlijk vermijden -zij alleen snelstroomende beken en rivieren. Op het land plomp en -onhandig, bewegen zij zich in 't water zeer vlug, waarbij de breede -staart hun de meeste dienst bewijst; dikwijls verheffen zij zich in -verticale richting naar de oppervlakte om versche lucht op te nemen; -naar diepere lagen teruggekeerd, ademen zij uit en laten dan eenige -luchtbellen omhoogstijgen, dalen onder slangsgewijze kronkelingen nog -verder naar beneden om, terwijl zij dicht bij den grond heen en weer -zwemmen, op buit te loeren en te jagen. In den zomer verlaten zij het -water om in ruimten onder steenen en boomwortels en gaten aan den -waterkant verblijf te houden; later, in den herfst zoeken zij hier -een gemeenschappelijke winterherberg. Wanneer zij echter een water -bewonen, dat niet tot op den bodem bevriest, kunnen zij hier veilig -het koude jaargetijde doorbrengen. Zij, die dit doen en zich aan land -begeven, komen gewoonlijk in het laatst van Februari te voorschijn uit -hunne winterslaapplaatsen op den bodem van 't water. Vlug en vroolijk -dartelen de mannetjes en wijfjes in 't water om en zoeken elkander op; -paarsgewijs zwemmend, blijven zij zoo dicht bijeen, dat de heen en -weer kronkelende staarten tegen elkander slaan. Verscheidene weken -lang houdt deze opgewondenheid aan. - -Als de tijd voor het eierenleggen gekomen is (van April tot Juni), -bevestigt het wijfje ieder ei afzonderlijk aan de onderzijde van het -blad van een waterplant, welks beide helften naar elkander toegebogen -en door het kleverige hulsel van het ei in dezen stand gehouden -worden. Na 13 dagen begint de larve haar zelfstandig leven. Met vier -aan de zijde van den kop voorkomende hechtdraden blijft zij halve -dagen achtereen vastgehecht aan de waterplanten, die aanvankelijk na -iederen rooftocht haar rustplaats verschaffen. Zwemmend, met vlugge -zijwaartsche krommingen van den staart, vervolgt zij haar buit, -die uit allerlei kleine, in 't water levende Gelede Dieren en Wormen -bestaat. De kieuwen, die bij de geboorte reeds duidelijk zichtbaar -zijn, verkrijgen hoe langer hoe meer vertakkingen. De ontwikkeling -der voorpooten, die bij het verlaten van het ei slechts knobbeltjes -waren, gaat intusschen geregeld voort. Als de larve (van den Grooten -Watersalamander) 2 cM. lang is, komen ook de achterpooten voor den -dag. Haar eetlust neemt steeds toe; als zij zeer hongerig is, overvalt -zij ook larven van haar eigen soort en bijt deze de kieuwen en den -staart af. Na drie maanden is de gedaantewisseling afgeloopen, zijn de -kieuwen verdwenen en is de kleur gelijk geworden aan die der volwassene -dieren. Evenals deze voedt zij zich met allerlei Insecten, die aan de -oppervlakte van het water zwemmen, met Slakken en andere Weekdieren, -Wormen, kikkerrit, larven van Visschen en andere Amphibiën, zelfs -met die van hare soortgenooten. Schade richten de Watersalamanders -niet aan; eerder zou men ze nuttig kunnen noemen, omdat zij een groot -aantal larven van Muggen verslinden. - -Ook bij de Watersalamanders merkt men kleursveranderingen op, die -door de werking van chromatophoren in de huid veroorzaakt worden. - -In de lente heeft om de 2 à 8 dagen een vervelling plaats, na de paring -minder dikwijls, gedurende het verblijf op het land misschien in -'t geheel niet meer. Hoewel de verwisseling van opperhuid zeer snel -plaats heeft, schijnt zij de dieren nog al aan te doen, gelijk uit -de daaraan voorafgaande, in 't oogvallende traagheid en lusteloosheid -valt af te leiden. - -In gewone omstandigheden hoort men van de Watersalamanders geen -geluid; toch zijn zij niet stom. Als men ze eenigszins haastig en -onzacht aanvat, toonen zij door een helder, kwakend geluid, dat zij -evenals andere Amphibiën een stem bezitten. - -De gevangen Watersalamanders stellen geen hooge eischen en kunnen -zonder eenige moeite in een eenvoudig aquarium in 't leven gehouden -worden. Den toeschouwer verschaffen zij een aangenaam tijdverdrijf. Zij -zijn buitengewoon vraatzuchtig en worden daarom weldra zeer tam, -wanneer men zich met hen bemoeit, d. w. z., ze dikwijls voedert. Vooral -de voedering met Regenwormen levert menig vermakelijk tooneeltje op, -dat dikwijls ook voorkomt, als men ze Vliegen geeft. Zij trachten -elkander door bijten te verjagen; soms wordt een van hen door een -afgunstigen kameraad bij een poot gepakt, waarop een hevig gespartel -en geworstel volgt, totdat beide den strijd opgeven. Dikwijls grijpen -zij elkander bij den kop en vechten verwoed. Wanneer eindelijk de -vrede hersteld is, gaan alle aan den maaltijd en blijven bedaard, -totdat twee van de gasten, die onbewust bezig zijn denzelfden Worm -te verslinden, van de beide einden naar het midden voortschrijdend, -elkander als concurrenten leeren kennen. De buit scheurt dan in den -regel niet, maar de eene trekt hem den anderen weer uit den bek. - -Met Watersalamanders zijn verscheidene proeven genomen betreffende -hun levenstaaiheid en herstellingsvermogen. Reeds vroeger had -men hun ongevoeligheid voor den invloed van een lage temperatuur -waargenomen; ook was reeds gebleken, dat afgesneden lichaamsdeelen -weder aangroeien. Door proeven werd voorts aangetoond, dat alle -lichaamsdeelen merkwaardig volledig op nieuw worden gevormd; er -ontstaan niet slechts stompjes ter vervanging van het weggenomen stuk, -maar er heeft een werkelijke vernieuwing plaats van het orgaan met al -zijne beenderen en gewrichten. Een afgesneden staart wordt volkomen -vervangen, verkrijgt nieuwe wervels en bereikt dezelfde lengte als -de vorige; in de plaats van afgesneden pooten ontwikkelen zich nieuwe -met een volledig skelet; dit geschiedt telkens weer, wanneer dezelfde -verminking herhaald wordt; zelfs geamputeerde kaken groeien weer -aan. Spallanzani sneed het oog van een Watersalamander voor viervijfde -deel weg en zag bij het dier binnen 10 maanden een nieuwen oogbal met -hoornvlies, iris, lens, kortom, een volledig gezichtszintuig ontstaan, -dat van het vorige alleen door een iets geringere grootte verschilde. - -De Ribbensalamander (Molge Waltlii), een tot het Iberische schiereiland -en Marokko beperkte soort, is slank en lang gebouwd, de kop is plat -en afgerond als die van een Pad, de staart mesvormig samengedrukt -en zoowel aan den boven- als aan den onderrand met een huidkam -voorzien. De klierachtige huid is eigenaardig door een reeks van -groote, hoornachtige knobbels, die op de grens van den rug en de -zijden van den romp voorkomen, en waardoor dikwijls de lange, in een -scherpe punt eindigende ribben naar buiten treden. De kleur van het -dier is vuilbruin en heeft een eenigszins naar grijs zweemende tint; de -vlekken vallen hier niet zeer in 't oog; de buikzijde is op okergelen -grond met kleine, ronde, zwartachtig grijze vlekken geteekend. - -Meer nog dan door uitwendige gedaante en kleur wijkt de -Ribbensalamander door het skelet van de overige leden zijner onderorde -af. Hij bezit het groote aantal van 56 wervels. Geen andere Salamander -heeft zoovele en zulke goed ontwikkelde ribben. Waltl, naar wien -dit dier genoemd werd, ontdekte het in de regenbakken, die men in -geheel Andalusië zoo veelvuldig aantreft. Later is het gebleken, -dat de Ribbensalamander zich niet uitsluitend in deze vergaarbakken, -maar ook in plassen en meertjes ophoudt. - - - -Vier teenen aan elken poot en een beenige boog over de slaapholte -zijn de meest in 't oog vallende kenteekenen van de Brilsalamanders -(Salamandrina), een door den Brilsalamander, de Tarantolina der -Italianen (Salamandrina perspicillata), vertegenwoordigd geslacht. Bij -de dofzwarte kleur van de bovenzijde steekt de roodachtig gele, -brilvormige teekening boven de oogen duidelijk af; de zwarte keel -heeft een witte vlek; op de licht gekleurde onderdeelen komen -vele onregelmatige vlekken en stippels voor; de aarsstreek, de -binnenzijde van de pooten en de onderhelft van den staart zijn fraai -karmijnrood. De lengte van dit aanvallige diertje bedraagt slechts -8 à 10 cM. Het bewoont bergachtige, koele, schaduwrijke oorden op -het eiland Sardinië en aan de Middellandsche zeekust van Noord- en -Middel-Italië. Het schijnt in hooge bergstreken niet voor te komen, -maar de voorkeur te geven aan heuvelachtige gewesten en in 't algemeen -woeste oorden te vermijden. - - - -"In de buurt van de stad Mexico," verhaalt Hernandez (later lijfarts -van Philips II van Spanje), "vindt men een soort van meervisschen met -zachte huid en vier pooten, zooals die der Hagedissen, een span lang -en een duim dik, "Axolotl" of "Waterhond" genoemd. De kop is plat -en groot, de teenen zijn als die der Vorschen. De kleur is zwart of -bruin en gevlekt. Het dier wordt zoo genoemd wegens zijn ongewone en -potsierlijke gedaante. Zijn vleesch gelijkt op dat van de Alen en is -gezond en smakelijk; het wordt, op verschillende wijzen toebereid, -gegeten." - -Deze mededeeling bleef nagenoeg onopgemerkt, totdat in een der eerste -jaren van onze eeuw twee exemplaren van het bedoelde dier, door A. von -Humboldt naar Frankrijk gebracht en door Cuvier nauwkeurig beschreven -werden. Zij kwamen in grootte met den Gewonen Landsalamander, maar -in vorm met larven van Watersalamanders overeen en werden door -de genoemde geleerden als larven beschouwd. De Axolotl heeft een -platten en betrekkelijk zeer breeden kop, waarachter 3 paar groote, -roode, sterk vertakte, kwastvormige kieuwen voorkomen; de romp is -ineengedrongen, de staart zijdelings samengedrukt, van boven en van -onderen met een huidzoom voorzien, die zich voortzet in een lagen, -tot aan den kop reikenden, ongetanden rugkam. De voorpooten hebben 4, -de achterpooten 5 teenen. De tamelijk gelijkmatige, donker groenachtig -bruine kleur is met zwarte vlekken en witte stippels geteekend. - -Bij geen der talrijke Axolotls, die na de zooeven bedoelde exemplaren -levend of dood in Europa kwamen, werd eenig spoor van gedaantewisseling -waargenomen; alle geleken op de reeds bekende. Dit gaf aanleiding -tot de meening, dat deze dieren reeds volkomen ontwikkeld waren; een -bevestiging hiervan vond men in hun overeenkomst met andere Amphibiën, -die eveneens levenslang de larveorganen behouden. Zelfs Cuvier -werd hierdoor bewogen om, in strijd met zijn vroegere overtuiging, -den Siredon axolotl een plaats aan te wijzen bij de Salamanders met -blijvende uitwendige kieuwen. - -Op deze hoogte bleef de kwestie tot in 1865. Alle dierkundigen -volgden het voorbeeld van Cuvier en beschouwden den Axolotl als een -volkomen ontwikkeld dier, waarvan geen gedaantewisseling verwacht -kon worden. Uit het weinige, wat van zijn leven in de vrije natuur -bericht werd, meende men te mogen afleiden, dat het zich ook in -Mexico nooit anders dan met kieuwen vertoond had; het was toch -niet waarschijnlijk, dat dieren, die bij duizenden ter markt worden -gebracht, in de nabijheid van de Mexicaansche meren, waar zij zoo -overvloedig voorkomen, nooit in een anderen vorm gezien zouden zijn, -indien zij dezen werkelijk aannemen. - -De voortplanting van den Axolotl werd voor 't eerst waargenomen -door Duméril in den "Jardin des Plantes" te Parijs, die in het -begin van 1864 van den "Jardin d'acclimation" 6 levende exemplaren -(5 mannetjes en 1 wijfje) kreeg. In het door hen bewoonde, doelmatig -ingerichte aquarium gedroegen zij zich als gewone larven, totdat, -voor 't eerst in Februari 1865 en 6 weken later nogmaals, het wijfje -(geheel op dezelfde wijze als de inheemsche Watersalamanders na -de gedaantewisseling) een groot aantal eieren legde. 28 à 30 dagen -daarna kwamen hieruit larven te voorschijn; deze hadden in het begin -van September nagenoeg de grootte van hunne ouders bereikt. Dit feit -scheen een bevestiging in te houden van de algemeene meening omtrent -den aard van den Axolotl, daar men in dien tijd wel bij Ongewervelde, -doch niet bij Gewervelde Dieren voorbeelden kende van tot voortplanting -geschikte larven (paedogenesis noemt men dit verschijnsel). - -In het midden van September 1865 merkte Duméril aan één der jongen -een hoogst merkwaardige verandering op: de kwastvormige kieuwbundels -benevens de kam op den rug en den staart verschrompelden, de -kieuwspleet groeide dicht, de lichaamsvorm onderging eenige wijziging -en op de donkerkleurige huid ontstonden een groot aantal kleine, -geelachtig witte vlekken. Van 28 September tot 10 October ondergingen -drie andere jongen dezelfde gedaantewisseling; de overige bleven -onveranderd. Duidelijk bleek hieruit, dat A. von Humboldt en Cuvier -te recht den Axolotl voor de larve van een hun onbekenden Salamander -hadden gehouden. - -Dit dier bleek tot hetzelfde geslacht (Amblystoma = Stompbek) -te behooren als een twintigtal andere soorten van Amerikaansche -Salamanders, die alle de eigenaardigheid vertoonen van reeds als larve -geslachtsrijp te kunnen worden, waarna de gedaantewisseling achterwege -blijft. Deze kan alleen bij jonge larven plaats hebben; maar behoort -ook dan tot de uitzonderingen, daar allerlei omstandigheden, en wel -vooral het ontbreken van de gelegenheid om zich langzamerhand aan -het verblijf op het droge te gewennen, haar kunnen verhinderen. Van -duizenden Axolotls, die in den Parijschen "Jardin des Plantes" geboren -werden, hebben slechts 18 de gedaantewisseling ondergaan. Duméril heeft -te vergeefs getracht door het wegsnijden der kieuwen den overgang in -den Amblystoma-toestand te bevorderen; deze amputatie had geen ander -gevolg dan het weer aangroeien der weggenomen lichaamsdeelen. Betere -uitkomsten verkreeg een dame te Freiburg in Breisgau, Marie von -Chauvin. Het gelukte haar 4 van de 5 acht dagen oude Axolotls, waarmede -zij proeven nam, tot Amblystoma's op te kweeken. Een ongeveer 30 -cM. wijde, glazen bak met water was de woonplaats der dieren, die in -'t einde van Juni voorpooten, den 9en Juli achterpooten begonnen te -krijgen. Den 1en November werd een der Axolotls, die zich voortdurend -aan de oppervlakte van 't water ophield, in een grooten glazen bak -geplaatst, aan welks platten bodem zulk een helling werd gegeven, dat -de waterhoogte slechts op één plaats voldoende was voor het onderduiken -van het dier, dat bij het herhaaldelijk rondkruipen over den bodem -min of meer met de lucht in aanraking kwam. Op de volgende dagen -werd het water langzamerhand nog meer verminderd. Dadelijk werden -veranderingen in het dier opgemerkt. Den 4en November had het de -kieuwen reeds verloren en begaf het zich naar het deel van den bodem, -dat zich het meest boven den waterspiegel verhief; het verschool zich -in het vochtige mos, dat hier op een laag zand neergelegd was. Ongeveer -8 dagen later was de gedaantewisseling afgeloopen.--Later, in 1876, -in den "Jardin des Plantes" te Parijs, bleek, dat de Amblystoma's -ook in staat zijn om zich voort te planten. - -Ten onrechte heeft men gemeend, dat de Axolotls in hun vaderland -geen gedaantewisseling ondergaan. In Mexico zijn deze dieren in -den Amblystoma-toestand zeer goed bekend en worden Tlalaxolotl (= -Aardaxolotl) genoemd, ook wel Ajolotes pelones of Ajolotes mochos -(Geschilde, Geschoren Axolotls). - - - -Het onderscheidende kenmerk van de in Noord-Amerika zeer verbreide en -soortenrijke onderfamilie der Dwarsreekssalamanders (Amblystomatinae), -die Amblystoma tigrinum onder hare leden telt, werd reeds vroeger -opgegeven. - - - -Onder den naam "Homo diluvii testis" (de mensch getuige van den -zondvloed) beschreef Scheuchzer in 1726 een fossiel, dat gevonden was -in een steengroeve bij Oeningen in Baden. Hij beschouwde het als een -overblijfsel van een mensch, die bij den zondvloed was omgekomen. In de -toelichting van de afbeelding, die in zijn verhandeling voorkomt, zegt -hij o.a.: "Dit voorwerp, dat een van de betrouwbaarste overblijfselen -uit den zondvloed is, vertoont niet slechts eenige lijnen, waaruit -de rijke en vruchtbare fantazie iets dat op een mensch gelijkt, -kan vormen, maar een grondige overeenkomst met de deelen van het -menschelijk geraamte." Dit exemplaar is thans het eigendom van Teyler's -museum te Haarlem. Door Cuvier werd in 1811 de steenlaag, die destijds -nog de wervelkolom en de voorste ledematen bedekte, weggenomen. Ieder, -die het beziet, zal zich moeten verwonderen over de door Scheuchzer -verkondigde meening, welke trouwens reeds in de vorige eeuw, o.a. door -Petrus Camper in 1787, uitdrukkelijk werd weersproken. Nauwkeurige -onderzoekingen hebben in 't licht gesteld, dat dit fossiel afkomstig -is van een Salamander, die in de middelste afdeeling van het tertiaire -tijdvak leefde en geen grootere overeenkomst met den mensch vertoont -dan eenig ander lid van zijn orde. De Reuzensalamander van Oeningen -kreeg van Tschudi den naam (Andrias Scheuchzeri). In verscheidene -musea komen skeletten van deze fossiele diersoort voor, o. a. in dat -van Leiden; de grootste en volledigste hebben een lengte van 1.2 M. In -één dezer exemplaren, dat in het museum van Constanz bewaard wordt, -bevindt zich het 14 cM. lange, zeer onvolledig verbeende skelet van een -larve dezer diersoort. Deze moet volgens de onderzoekingen van Van der -Hoeven, gebracht worden tot hetzelfde geslacht als de thans nog levende -Reuzensalamanders (Megalobatrachus), die wij als vertegenwoordiger -van de familie der Vischsalamanders zullen beschrijven. - - - -De Vischsalamanders (Amphiumidae) hebben buiten verhouding kleine -oogen zonder eenig spoor van leden; ook de overige zintuigen staan -op een zeer lagen trap van ontwikkeling; de tong is hoogstens aan -de spits vrij. De meeste ademen in volwassen toestand behalve door -longen ook nog door kieuwen, die echter in de kieuwholte verborgen -blijven, zoodat de kieuwspleet het eenig uitwendig zichtbare kenteeken -van de waterademhalingsorganen is. De Reuzensalamanders wijken van -hare verwanten af, doordat de kieuwen en de kieuwspleet op lateren -leeftijd verdwijnen. - - - -De Japansche Reuzensalamander (Megalobatrachus maximus) is een -buitengewoon plomp dier van 84 à 114 cM. totale lengte. De groote, -platte, zeer breede kop eindigt in een stomp afgeronden snuit; de korte -hals is aanmerkelijk smaller dan de achterkop en de romp; een dikke, -overlangsche opzwelling op iedere zijde verbreedt den (buitendien reeds -afgeplat rolvormigen) romp nog meer; de staart is kort en zijdelings -samengedrukt en vormt een breed roeiorgaan; de ledematen zijn plomp -en dik, de voorste met 4, de achterste met 5 goed ontwikkelde teenen -voorzien; de zeer kleine oogen zijn bijna door de geheele breedte van -den kop gescheiden. De kaakranden zijn ieder met een reeks van zeer -kleine tanden gewapend; een daaraan evenwijdige reeks van tanden komt -aan het gehemelte voor. De tong is over haar geheele ondervlakte met -den bodem der mondholte vergroeid. De licht grijsachtig bruine kleur -van de bovendeelen heeft een sombere, moeielijk te beschrijven tint -en gaat op de onderdeelen in lichtgrijs met zwarte vlekken over. - -Deze soort bewoont de zuidelijke helft van het eiland Nippon en wordt -nergens anders aangetroffen (een tweede soort komt in West-China -voor). Steeds houdt zij zich op in koud, snel stroomend water, op -een hoogte van 200 à 1500 M. boven den zeespiegel. Hier leeft zij -in smalle, heldere bronbeken, op plaatsen, waar deze, nauwelijks -3 dM. breed, als besproeiingskanalen de grasrijke berghellingen -doorsnijden en de door 't water ondermijnde zoden van weerszijden -de kleine beekjes bijna geheel overdekken, ook lager, waar door de -vereeniging van zulke stroompjes een flinke, vischrijke beek wordt -gevormd. Onder de overhangende oevers leven vooral de oude dieren; -de jonge geven aan kleine stroompjes de voorkeur. De bewoners van deze -gewesten zeggen, dat de Salamanders de genoemde woonplaatsen slechts -zelden en niet anders dan 's nachts verlaten, en ook, dat zij nooit -aan land gaan. Wormen en Insecten, Visschen en Vorschen maken hun -voedsel uit. - -Men vangt de Reuzensalamanders hetzij door het water af te leiden en -de dieren dan van onder de steenen en uit de gaten te voorschijn te -halen of ook wel met den hengel. - -Deze groote, plompe dieren ontwikkelen zich uit zeer kleine -eieren. C. Sasaki, een Japansch natuuronderzoeker, heeft opgemerkt, -dat het wijfje de tot snoeren vereenigde 6 en 4 mM. dikke eieren, -die langwerpig van vorm en aan beide zijden op gelijke wijze afgerond -zijn, in Augustus en September legt. - -F. von Siebold nam in het jaar 1829 twee levende Reuzensalamanders uit -Japan mede; deze werden in den Amsterdamschen dierentuin opgenomen -en hebben er een vijftigtal jaren geleefd. Later zijn vele van deze -plompe dieren levend naar Europa overgebracht en tegenwoordig kan -men ze in elke groote diergaarde aanschouwen. Traag en stompzinnig -als zij zijn, is er aan hen, behalve de wijze waarop zij hun voedsel -verkrijgen, niet veel op te merken. Al hunne bewegingen zijn uiterst -langzaam; altijd liggen zij stil op den bodem van hun waterbak, steeds -op de donkerste plaats. Van tijd tot tijd, om de 10 minuten ongeveer, -steekt het dier den snuit boven water om lucht te scheppen; het zakt, -zoodra de inademing heeft plaats gehad, langzaam weer naar beneden. - -Het is gebleken, dat ook de Reuzensalamanders een taai leven -hebben. Een van hen kroop 's nachts over den rand van zijn waterbak en -viel van een hoogte van ongeveer 1 1/2 M. op den grond; hier werd hij -den volgenden morgen bewegingloos gevonden. Toch kwam hij, na in 't -water terug gebracht te zijn, weldra weer bij. Van andere exemplaren -heeft men opgemerkt, dat een strenge koude hen even weinig schaadt -als de inheemsche Watersalamanders; hun waterbak in den dierentuin te -Amsterdam is eens bevroren geweest en moest van ijs bevrijd worden; -toch had dit geen nadeelige gevolgen voor de bewoners. - - - -De eenige vertegenwoordiger van een tweede geslacht van -Vischsalamanders wordt Aalsalamander (Amphiuma) genoemd, omdat zijn -romp werkelijk niet ongelijk is aan dien van een Aal en de 4 korte -pootjes nauwelijks dezen naam verdienen, hoewel aan hunne voeten nog -teenen waar te nemen zijn. Men heeft hiervan twee verscheidenheden, -den Tweeteenigen en den Drieteenigen Aalsalamander, die alleen door -het aantal vingers en teenen van elkander verschillen en daarom -tegenwoordig als één soort (Amphiuma means) worden beschouwd. Dit -dier bereikt een lengte van 76 à 89 cM.; van boven is het zwartachtig -bruin met groenachtige tint, van onderen lichter gekleurd. Levenslang -behoudt het aan weerszijden van den hals een opening voor het afvoeren -van het ademhalingswater. Zijne oogen liggen verscholen onder de huid, -die op deze plaats doorschijnend is. - -De Aalsalamander bewoont de moerassen en andere stilstaande wateren -van het zuid-oostelijke deel der Vereenigde Staten van Noord-Amerika, -ongeveer van Louisiana tot Zuid-Carolina en van hier tot Florida; -hij zwemt tamelijk vlug met slangsgewijze kronkelingen van het -lichaam. Dikwijls kruipt hij in den modder rond, verschuilt zich hierin -gedurende den winter en bereikt er soms, door als een regenworm te -boren, een diepte van 1 M. Gevangen exemplaren, die toevallig op 't -droge waren geraakt en hier verscheidene dagen bleven, ondervonden geen -nadeelige gevolgen van deze verandering; men heeft ze zonder bezwaar -naar Europa kunnen overbrengen. Hun voedsel bestaat uit allerlei kleine -waterdieren. Het wijfje ligt spiraalsgewijs ineengekronkeld om den -eierenhoop, die uit twee rozenkransvormige strengen bestaat. Elk ei -heeft een middellijn van 9 mM.; de hierin aanwezige kiem is in rijpen -toestand 45 mM. lang. Het volwassen dier is in staat om geluid voort -te brengen. - - - -De Olmen (Proteidae), die de derde familie van de Salamanders -vormen, hebben gedurende hun geheele leven aan weerszijden van den -hals 3 uitwendige kieuwen, waartusschen 2 keelspleten. Het lange -lichaam van deze dieren wordt gesteund door 4 zwakke pootjes; de -zijdelings afgeplatte staart is van boven en van onderen met een -huidzoom voorzien. Ook hier zijn de oogen door de huid bedekt.--Voor -ongeveer 200 jaar maakte Valvasor, schrijver van den "Roem van het -hertogdom Krain" voor 't eerst melding van het zonderlinge dier, -dat in navolging van Oken Olm wordt genoemd. De Krainers verhaalden, -dat in hun land van tijd tot tijd "Lintwormen" uit den grond komen om -onheil aan te richten. Valvasor, naar den oorsprong van dit sprookje -zoekend, vond deze in een klein "hagedisachtig" dier, een bewoner van -de zoo talrijke onderaardsche stroomen dezer gewesten. Bij hoogen -waterstand wordt het ook wel buiten de holen aangetroffen. Na de -overstrooming van 1751 ving een visscher in de Unz 5 onbekende -"Visschen", die een span lang en sneeuwwit van kleur waren, doch 4 -pooten hadden. Laurenti, die de eerste beschrijving van deze diersoort -gaf, noemde haar Proteus anguinus. - -Dit hoogst merkwaardige wezen gelijkt op den Aalsalamander door de -groote lengte van den romp en den hiermede samenhangenden, grooten -afstand tusschen de zeer gebrekkig ontwikkelde, drieteenige, voorste -en tweeteenige, achterste ledematen; doch verschilt er van door den -vorm van den snuit, welke op dien van een Snoek gelijkt en door het -nagenoeg geheel ontbreken der oogen; deze zijn uiterst klein en als -'t ware slechts in grove trekken aangeduid, daar de lens en het -glaslichaam ontbreken, bovendien geheel onder de huid verborgen en -uitwendig geheel onzichtbaar. - -De meeste Olmen hebben een geelachtig witte of lichtvleeschroodachtige -kleur, die echter meer of minder sterk verandert, wanneer zij aan -'t licht blootgesteld zijn. Enkele worden effen roodbruin, andere -krijgen donkere, gewoonlijk blauwzwarte vlekken. De kieuwen zijn bij -het levende dier helder bloedrood, maar verbleeken in het licht. De -lichaamslengte kan tot 28 1/2 cM. toenemen, maar bedraagt in den -regel niet meer dan 25 cM. - -Tot dusver heeft men den Olm uitsluitend in de onderaardsche wateren -van Krain, Karinthië, het Kustland en Dalmatië gevonden, vooral in -de holen van het Karstgebergte in de omstreken van Adelsberg, in de -Magdalena-grot en de Kleinhäusler-grot, bij Laas (in welks nabijheid -de beek, die hier Unzflusz wordt genoemd, zich in onderaardsche -waterreservoirs uitstort, waaruit hij eerst weer bij Ober-Laibach te -voorschijn komt), bij de zoogenaamde "Zee-vensters" van het Laibacher -moeras en in slooten, die met de Laibach-rivier in gemeenschap staan, -enz. De landlieden kennen den Olm (die door hen "Menschvischje" -of "Waterwoelster der duisternis" genoemd wordt) zeer goed; daar -de vangst van dit voor aquariën zeer gewilde dier hun een niet te -verwerpen bijverdienste oplevert. Zij zeggen, dat men het alleen -in diepe bochten der holen geregeld aantreft, in het aan 't licht -blootgestelde water boven den grond daarentegen slechts na hevige -regenbuien, die de onderaardsche wateren doen zwellen en op deze wijze -hunne bewoners tegen hun zin naar buiten meeslepen. Na iedere hevige -regenbui onderzoeken de boeren sommige plassen, die door gaten in den -bodem met water gevuld worden, voorts de uitmondingen der onderaardsche -beken, visschen hier de Olmen op, die uit de diepte aangespoeld zijn -en bewaren ze, totdat het tijd is om ze te verzenden. Ook begeven zij -zich soms bij fakkellicht in de grotten, waardoor beken stroomen, -of die plassen bevatten; zij laten hun licht zooveel mogelijk op -het water schijnen en vangen de dan zichtbare dieren met een netje of -eenvoudig met de handen. De gevangen Olmen worden bewaard en vervolgens -verzonden in wijdmondige flesschen, die voor de helft met water gevuld -en van boven met een fijn netje bedekt zijn. - -Dikwijls hebben dierenliefhebbers en onderzoekers Olmen gedurende -geruimen tijd, enkele exemplaren zelfs 6 à 8 jaren, in eenvoudige -aquariën of zelfs in glazen bakken in 't leven gehouden. Gewoonlijk -liggen de gevangenen op den bodem van den bak; in den regel blijven -zij met gestrekt lichaam op dezelfde plaats; soms krabbelen zij af -en toe met de voeten over den grond om zich naar een andere plek -te begeven. Over dag blijven zij zeer rustig, althans wanneer hun -woning zich op een donkere plaats bevindt; iedere lichtstraal brengt -hen echter in beweging, noopt hen zoo spoedig mogelijk een duisteren -hoek op te zoeken. Wanneer het water in hun aquarium zelden ververscht -wordt, komen zij dikwijls aan de oppervlakte om lucht te scheppen, -sperren daartoe den bek open en laten tevens met gorgelend gedruisch -luchtbellen uit hunne kieuwspleten ontwijken. Indien het water dieper -is, of telkens ververscht wordt, krijgen zij de voor hun ademhaling -vereischte zuurstof door tusschenkomst van de kieuwen en vertoonen -zich nooit aan den waterspiegel. Na uit het water genomen te zijn, -bezwijken zij stellig binnen 2 à 4 uren; men kan ze echter wel in -zeer ondiep water in 't leven houden; in dit geval vergrooten hunne -longen zich, terwijl omgekeerd hunne kieuwen zich sterker ontwikkelen, -indien zij gedwongen worden voortdurend onder water te blijven. - -Waarschijnlijk is de werking van de zintuigen van den Olm over -'t geheel genomen zwak; juist die echter, welke men allicht voor -geheel onontwikkeld zou houden, toonen een merkwaardige geschiktheid -voor het opnemen van indrukken. De dieren bemerken onmiddellijk het -voedsel, dat men in het door hen bewoonde aquarium werpt, zwemmen er -regelrecht op af en grijpen het bijna zonder fout. Men zou kunnen -meenen, hieruit te moeten afleiden, dat de reuk of het gevoel bij -hen zeer sterk ontwikkeld zijn, daar men aan de stoffijne, verborgen -oogen toch moeielijk een onderscheidingsvermogen kan toeschrijven, -dat zich boven het verschil tusschen licht en donker verheft. Volgens -Dubois zetelt trouwens de gevoeligheid voor licht niet uitsluitend in -de oogen, maar in de geheele huid; hier bedraagt haar sterkte echter -slechts een derde van die, welke het oog bezit. Ook het vermogen om -plaatsen te herkennen is bij hen buitengewoon sterk ontwikkeld. - -De gevangen Olmen eten Wormen en Slakken, maar hebben een bijzondere -voorliefde voor Watervlooien, die, zooals bekend is, tusschen alle -dicht vertakte waterplanten in grooten getale voorkomen. Enkele -Olmen weigeren hardnekkig al het voedsel, dat men hun geeft, maar -blijven toch vele jaren gezond, wanneer hun slechts voortdurend versch -water wordt verschaft; het is niet bekend, waarvan zij dan eigenlijk -leven. Wel heeft men in de door hen bewoonde wateren verscheidene -kleine, uitsluitend in holen voorkomende diertjes ontdekt, die hun -tot voedsel zouden kunnen dienen en bij enkele ook waargenomen, dat -zij schelpen van kleine Weekdieren uitbraakten; tot dusver zijn de -berichten over de wijze, waarop zij zich in de vrije natuur voeden, -nog zeer onvolledig. - -Sedert 1875 weet men door een waarneming van den hoofdgids der grotten, -Prelesznig, dat de Olmen eieren leggen. Ook Marie von Chauvin heeft -in 1882 een wijfjes-Olm eieren zien vasthechten aan het gewelf van -den aquarium-grot. Het bolvormige ei heeft een middellijn van 11 -mM. Het leggen van de eieren geschiedt 's nachts; één voor één worden -zij vastgekleefd. - -In het jaar 1888 werd de larve van den Olm door E. Zeller voor -'t eerst beschreven. Zijne gevangen Olmen hadden van 14 tot 16 -April 76 eieren gelegd. Na 90 dagen kwamen twee larven uit; deze -verkeerden op een hoogeren ontwikkelingstrap dan andere pasgeboren -Salamanderlarven en waren aanvankelijk 22 mM. lang. Haar gestalte -gelijkt reeds veel op die van den volwassen Olm; de huidzoom strekt -zich echter over drie vierde van de lengte van den rug naar voren uit; -de oogen zijn veel duidelijker zichtbaar en betrekkelijk grooter dan -die van de volwassen dieren. De voorste ledematen hebben reeds drie -teenen, terwijl de achterste nog slechts stompjes zijn. De dieren, -waaraan Zeller deze waarnemingen deed, werden in de open lucht -gehouden; aan het aquarium kwam een inrichting voor, waardoor de -temperatuurswisseling van 't water tusschen 5 en 18° C. beperkt bleef. - -Als men de levenswijze van den Olm in den gevangen toestand wil nagaan, -moet men hem het leven zoo aangenaam mogelijk maken. Een gelijkmatige, -tusschen 9 en 11° C. gelegen temperatuur van 't water, dat zuiver -en middelmatig rijk aan lucht, tegen licht en schokken beveiligd -moet zijn, benevens een doelmatige voedering met Regenwormen en -kikvorschlarven, behooren tot de eerste vereischten voor het welzijn -van dit dier. - - - -De vierde familie omvat de Arm- of Voorpootsalamanders (Sirenidae), -de laagst ontwikkelde der geheele orde. - - - -De Voorpootsalamander (Siren lacertina) herinnert door het blijvend -bezit van drie paar uitwendige kieuwen (met drie keelspleten) aan de -Olmen en door den geheelen lichaamsbouw aan den Aalsalamander; van -beide verschilt hij door het gemis van achterste ledematen, waarvan -zelfs in het geraamte geen spoor voorhanden is; de voorpooten zijn -aanwezig en met 4 teenen voorzien. De romp is lang en rolvormig, -van achteren zijdelings afgeplat en spits toeloopend. De kleur is -zwartachtig, van onderen en van boven gelijk, of aan de buikzijde -iets lichter. De totale lengte bedraagt 67 à 72 cM. Dit dier bewoont -de zuidoostelijke Vereenigde Staten, westwaarts tot in het zuiden -van Texas. - -De Voorpootsalamander wordt gevonden in moerassige oorden en houdt -zich hier hoofdzakelijk onder oude boomstammen aan den waterkant op; -soms klimt hij op deze stammen en laat, als het water uitdroogt, -een klagend geroep hooren, dat bijna overeenkomt met dat van een -jonge Eend, maar helderder en scheller klinkt. - -In Juni 1825 kreeg Neill in Engeland een levenden Voorpootsalamander -van 5 dM. lengte, dien hij 6 jaren lang in 't leven hield. Aanvankelijk -werd hem een met water en zand gevulde tobbe tot woonplaats aangewezen; -de bodem had een hellenden stand om het dier in staat te stellen op -het droge te komen; later bleek het echter, dat het verblijf in mos -hem beter beviel en daar dit spoedig verrotte en telkens vervangen -moest worden, bracht men in de tobbe losdrijvende waterplanten, -n.l. kikkerbeet, waaronder hij zich gaarne verschool. In den zomer at -hij Regenwormen, kleine Stekelbaarsjes, larven van Watersalamanders, -later ook Voorntjes; hij vastte echter gedurende den winter, van het -midden van October tot aan het einde van April; toen stond de door hem -bewoonde tobbe in een koude kas. Wanneer men in dezen tijd zijn staart -aanraakte, liet hij luchtbellen ontsnappen en bewoog zich langzaam -vooruit. Toen men hem in het jaar 1827 in een warme kas bracht, -werd hij opgewekter en begon te kwaken als een Kikker, d.w.z. enkele -gelijksoortige geluiden te maken. In dezen zomer at hij dikwijls 2 à -4 kleine Regenwormen na elkander en was over 't algemeen hongeriger -dan vroeger. Bij aanraking maakte hij zulk een krachtige beweging, -dat het water omhoogspatte. Hij leefde tot den 22en October 1831 en -kwam door een ongelukkig toeval om 't leven: met verdroogde kieuwen -vond men hem buiten zijn tobbe liggen. Gedurende de 6 jaren van zijn -gevangenschap was hij 10 cM. langer geworden. - - - - - - - -DERDE ORDE. - -DE BLINDSLANGEN (Apoda). - - -"Meer dan eenige andere groep van Amphibiën mogen de Blindslangen -of Slangsalamanders aanspraak maken op den rang van orde," zegt -J. Wagler, "Hoewel zij door haar uitwendig voorkomen aan Slangen of -liever aan Wormhagedissen herinneren, wijst haar inwendig maaksel -op verwantschap met de Vorschen. Van de Wormhagedissen kan men ze -dadelijk onderscheiden aan haar naakte huid; bovendien hebben zij -nagenoeg geen staart: de ronde kloakopening is bijna aan het einde -van het lichaam gelegen, dat op een overal even dikken, van voren -zoowel als van achteren stomp uitloopenden rol gelijkt; de huid -is overal glad en effen, of vertoont ringvormige groeven, die meer -of minder dicht opeengedrongen zijn en is, zoolang het dier leeft, -met een kleverig sap bedekt. - -"Alle Blindslangen hebben gelijksoortige, holle, dikke, kegelvormige -tanden, die aan den binnenrand van de kaakbeenderen aangehecht zijn -en een eenigszins achterwaarts gekromde spits hebben. De tong is -met de geheele ondervlakte aan den bodem der mondholte vastgehecht -en kan dus niet uitgestoken worden. Bovendien komen ook nog aan het -gehemelte tanden voor, die, evenals bij enkele Vischsalamanders, -hoefijzervormig gerangschikt zijn. Aan het tongbeen zijn drie paar -bogen gehecht, waaruit men kan afleiden, dat zij gedurende den -kiemtoestand kieuwen hebben en een gedaantewisseling ondergaan. De -neusgaten zijn aan de zijden of aan de spits van den snuit geplaatst; -de achterste neusopeningen komen aan het gehemelte voor. De oogen -ontbreken geheel, of worden zoozeer overdekt door de huid van -den kop, dat zij volkomen ongeschikt zijn voor het zien. Daarvóór -merkt men altijd een klein kuiltje op, dienende tot berging van een -taster, die uitgestoken en teruggetrokken kan worden, en waarin een -afzonderlijke zenuw eindigt. De gehoororganen liggen, evenals bij -den Salamander, verborgen onder de huid, hebben geen trommelvlies en -geen gehoorbeentjes, wel, evenals deze, een klein kraakbeenplaatje, -dat op het eironde venster ligt." - -De wervels hebben zandloopervormige wervellichamen, evenals ook -bij de laagst ontwikkelde Salamanders en Visschen voorkomen. Bij -sommige zijn er meer dan 200, die alle, met uitzondering van den -eersten en den laatsten, ribben dragen; het borstbeen ontbreekt; -van den schouder- en den heupgordel en van de ledematen is, ook in -het skelet, geen spoor voorhanden. Bij hen komt, in tegenstelling -met de meeste overige Amphibiën (uitgezonderd Siren en Amphiuma), -een duidelijke luchtpijp voor, die door ringvormige kraakbeenderen -gesteund wordt. Evenals bij de Slangen, is de linkerlong zeer kort, -de rechter zeer lang. Kleine, door huidverbeening gevormde, in zakjes -verborgen schubjes, welke op kringschubben van Visschen gelijken, -zijn in de ringvormige opzwellingen tusschen de huidplooien gelegen. - -Van de ontwikkeling der Blindslangen was tot voor korten tijd slechts -weinig bekend. Aan Joh. Müller heeft men de mededeeling te danken, -dat de jonge Rimpelsalamander (Ichthyophis glutiosus) aan weerszijden -van den hals een kieuwspleet bezit, in gemeenschap staande met een -holte, die inwendige kieuwen bevat; ook heeft hij een korten, door -een vliezige vin omzoomden staart. Volgens Gervais brengt Caecilia -compressicauda (uit Cayenne) levende jongen ter wereld, waaraan -geen spoor van kieuwspleet te ontdekken is. Peters bevestigt dit -bericht, maar voegt er aan toe, dat aan den hals der pasgeborene, in -'t water verblijf houdende jongen groote blazen voorkomen, die een goed -ontwikkeld vaatstelsel bevatten en als kieuwen moeten worden beschouwd. - -Ter geschikter tijd begeven de Blindslangen zich te water en -brengen hier levende jongen ter wereld, of leggen eieren, die bij -eenige soorten door het wijfje bebroed of althans behoed worden. De -ontwikkeling der jongen heeft grootendeels reeds in het ei plaats; -na een kort verblijf in het water zijn de larven aan de oude dieren -gelijk geworden en begeven zich dan op het droge. - -De Blindslangen komen in de keerkringsgewesten van Amerika, Afrika en -Azië voor, maar ontbreken in Australië en op Madagaskar. Zij graven -gangen in den grond en leven hier als Regenwormen, waardoor het nagaan -van haar levenswijze zeer bemoeilijkt wordt. Haar voedsel bestaat uit -Wormen en andere kleine dieren; vele vinden het in de mierennesten, die -zij bewonen. Langzaam kruipend is haar beweging over vaste voorwerpen; -sommige zwemmen met slangsgewijze kronkelingen van het lichaam. - -Bij het in Zuid-Amerika en Afrika levende geslacht der Ringsalamanders -(Siphonops) zijn de huidringen breed, de oogen duidelijk zichtbaar -en de tastergroeven nader bij het oog dan bij het neusgat gelegen. - - - -De Wormsalamanders (Caecilia) bewonen Zuid-Amerika, hebben smallere -huidringen, minder goed waarneembare oogen en de tasters voor aan -den snuit onmiddellijk onder het neusgat in een hoefijzervormige -groeve aangehecht. - -De Rimpelsalamanders (Ichthyophis) behooren tot het Indische Rijk, -hebben nog smallere en talrijkere huidringen dan de leden van het -vorige geslacht, duidelijk door de huid heenschemerende oogen en -tastergroeven aan den rand der bovenlip onder het oog. - - - -De Ringsalamander (Siphonops annulatus) uit Guyana, Noord-Brazilië, -Ecuador en Peru kan 39 cM. lang worden en heeft in de huid 85 à -95 breede, ringvormige groeven, die ook door haar witachtige kleur -duidelijk de aandacht trekken, daar de huid overigens zwartachtig is. - - - -De Wormsalamander (Caecilia gracilis) bewoont eveneens het noorden -van Zuid-Amerika; hij bereikt een lengte van 65 à 70 cM. en de dikte -van een potlood; zijn lichaam vertoont 210 à 255 ringen. - - - -Vooral aan de beide neven Sarasin danken wij uitvoerige berichten over -den Ceylonschen Rimpelsalamander (Ichthyophis glutinosus), die Java -en Ceylon bewoont. Dit 38 cM. lange dier is donkerbruin of blauwzwart -van kleur, behoudens een breede, helder gele, overlangsche streep, -die zich aan weerszijden van den kop tot aan den staart uitstrekt. - -Dikwijls werd dit dier aangetroffen bij vlakke, vochtige oevers van -beken, op een diepte van ongeveer 30 cM. onder de zoden. Het voedt zich -hier met kleine Slangen, vooral Wormslangen en kleine Schildstaarten, -en met Regenwormen. De volwassen Rimpelsalamander schuwt het water -en zou spoedig verdrinken, wanneer hij er in geworpen werd. Bij het -kruipen raakt hij afwisselend met beide tasters den grond aan. Haar -wetenschappelijken soortnaam dankt deze soort aan het kleverige slijm, -dat de huid bedekt en, evenals de producten van de huidklieren van -alle Amphibiën, vergiftige eigenschappen bezit. - -De Ceylonsche Rimpelslang brengt niet, zooals sommige van hare -verwanten, levende jongen ter wereld, maar legt eieren, die -in een gat van den grond op een eigenaardige wijze opeengehoopt -zijn. Het aantal bedraagt gemiddeld 13; zij zijn opmerkelijk groot, -11 mM. lang. Ineengekronkeld om hare eieren, zorgt de moeder voor -het uitkomen der jongen en meer bepaaldelijk voor het behouden van -den meest wenschelijken vochtigheidstoestand in de broedruimte. - - - - - - - -End of the Project Gutenberg EBook of Het Leven der Dieren, by A. E. Brehm - -*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN DER DIEREN *** - -***** This file should be named 44834-8.txt or 44834-8.zip ***** -This and all associated files of various formats will be found in: - http://www.gutenberg.org/4/4/8/3/44834/ - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg. - - -Updated editions will replace the previous one--the old editions -will be renamed. - -Creating the works from public domain print editions means that no -one owns a United States copyright in these works, so the Foundation -(and you!) can copy and distribute it in the United States without -permission and without paying copyright royalties. Special rules, -set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to -copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to -protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project -Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you -charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you -do not charge anything for copies of this eBook, complying with the -rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose -such as creation of derivative works, reports, performances and -research. They may be modified and printed and given away--you may do -practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is -subject to the trademark license, especially commercial -redistribution. - - - -*** START: FULL LICENSE *** - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project -Gutenberg-tm License available with this file or online at - www.gutenberg.org/license. - - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm -electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy -all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. -If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project -Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the -terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or -entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement -and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic -works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" -or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project -Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the -collection are in the public domain in the United States. If an -individual work is in the public domain in the United States and you are -located in the United States, we do not claim a right to prevent you from -copying, distributing, performing, displaying or creating derivative -works based on the work as long as all references to Project Gutenberg -are removed. Of course, we hope that you will support the Project -Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by -freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of -this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with -the work. You can easily comply with the terms of this agreement by -keeping this work in the same format with its attached full Project -Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in -a constant state of change. If you are outside the United States, check -the laws of your country in addition to the terms of this agreement -before downloading, copying, displaying, performing, distributing or -creating derivative works based on this work or any other Project -Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning -the copyright status of any work in any country outside the United -States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate -access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently -whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the -phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project -Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, -copied or distributed: - -This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with -almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or -re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included -with this eBook or online at www.gutenberg.org - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived -from the public domain (does not contain a notice indicating that it is -posted with permission of the copyright holder), the work can be copied -and distributed to anyone in the United States without paying any fees -or charges. If you are redistributing or providing access to a work -with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the -work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 -through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the -Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or -1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional -terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked -to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the -permission of the copyright holder found at the beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any -word processing or hypertext form. However, if you provide access to or -distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than -"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version -posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), -you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a -copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon -request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other -form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm -License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided -that - -- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is - owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he - has agreed to donate royalties under this paragraph to the - Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments - must be paid within 60 days following each date on which you - prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax - returns. Royalty payments should be clearly marked as such and - sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the - address specified in Section 4, "Information about donations to - the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." - -- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or - destroy all copies of the works possessed in a physical medium - and discontinue all use of and all access to other copies of - Project Gutenberg-tm works. - -- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any - money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days - of receipt of the work. - -- You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm -electronic work or group of works on different terms than are set -forth in this agreement, you must obtain permission in writing from -both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael -Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the -Foundation as set forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -public domain works in creating the Project Gutenberg-tm -collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic -works, and the medium on which they may be stored, may contain -"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or -corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual -property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a -computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by -your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium with -your written explanation. The person or entity that provided you with -the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a -refund. If you received the work electronically, the person or entity -providing it to you may choose to give you a second opportunity to -receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy -is also defective, you may demand a refund in writing without further -opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO OTHER -WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO -WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. -If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the -law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be -interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by -the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any -provision of this agreement shall not void the remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance -with this agreement, and any volunteers associated with the production, -promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, -harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, -that arise directly or indirectly from any of the following which you do -or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm -work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any -Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. - - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of computers -including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists -because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from -people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. -To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation -and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 -and the Foundation information page at www.gutenberg.org - - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive -Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent -permitted by U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. -Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered -throughout numerous locations. Its business office is located at 809 -North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email -contact links and up to date contact information can be found at the -Foundation's web site and official page at www.gutenberg.org/contact - -For additional contact information: - Dr. Gregory B. Newby - Chief Executive and Director - gbnewby@pglaf.org - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide -spread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To -SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any -particular state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. -To donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic -works. - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm -concept of a library of electronic works that could be freely shared -with anyone. For forty years, he produced and distributed Project -Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. -unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily -keep eBooks in compliance with any particular paper edition. - -Most people start at our Web site which has the main PG search facility: - - www.gutenberg.org - -This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
