diff options
| author | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-14 18:56:47 -0700 |
|---|---|---|
| committer | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-14 18:56:47 -0700 |
| commit | 083fdaaf48bdb4fabd826091603e39cae61e1503 (patch) | |
| tree | f90f7afb38aeb8f165982b5df5504c0b456a90da | |
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 3 | ||||
| -rw-r--r-- | 44758-0.txt | 14046 | ||||
| -rw-r--r-- | 44758-h/44758-h.htm | 14706 | ||||
| -rw-r--r-- | 44758-h/images/book.png | bin | 0 -> 364 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 44758-h/images/card.png | bin | 0 -> 249 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 44758-h/images/external.png | bin | 0 -> 172 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 44758-h/images/frontcover.jpg | bin | 0 -> 103522 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 44758-h/images/p043.jpg | bin | 0 -> 142264 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 44758-h/images/p126.jpg | bin | 0 -> 147451 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 44758-h/images/p260.jpg | bin | 0 -> 137988 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 44758-h/images/p280.jpg | bin | 0 -> 144009 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 44758-h/images/titlepage.png | bin | 0 -> 14822 bytes | |||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 | ||||
| -rw-r--r-- | old/44758-8.txt | 14444 | ||||
| -rw-r--r-- | old/44758-8.zip | bin | 0 -> 261366 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/44758-h.zip | bin | 0 -> 977591 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/44758-h/44758-h.htm | 15126 | ||||
| -rw-r--r-- | old/44758-h/images/book.png | bin | 0 -> 364 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/44758-h/images/card.png | bin | 0 -> 249 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/44758-h/images/external.png | bin | 0 -> 172 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/44758-h/images/frontcover.jpg | bin | 0 -> 103522 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/44758-h/images/p043.jpg | bin | 0 -> 142264 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/44758-h/images/p126.jpg | bin | 0 -> 147451 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/44758-h/images/p260.jpg | bin | 0 -> 137988 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/44758-h/images/p280.jpg | bin | 0 -> 144009 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/44758-h/images/titlepage.png | bin | 0 -> 14822 bytes |
27 files changed, 58338 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..6833f05 --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,3 @@ +* text=auto +*.txt text +*.md text diff --git a/44758-0.txt b/44758-0.txt new file mode 100644 index 0000000..d5b7497 --- /dev/null +++ b/44758-0.txt @@ -0,0 +1,14046 @@ +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 44758 *** + + STUURMAN FLINK + OF + DE SCHIPBREUK VAN "DE VREDE" + + + NAAR HET ENGELSCH + VAN + KAPITEIN MARRYAT + + DOOR + J. J. A. GOEVERNEUR + + Geïllustreerd door JOHAN BRAAKENSIEK + + + NEGENDE DRUK + AMSTERDAM--VAN HOLKEMA & WARENDORF + + + + + + + + Typ. De Erven H. van Munster & Zoon, Amsterdam. + + + + + + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +HET SCHIP DE VREDE. STUURMAN FLINK. + + +Het was in de maand October, 18**, dat De Vrede, een groot +koopvaardijschip, door harden wind gedreven, de wateren kliefde van den +wijden Atlantischen Oceaan. Het schip had slechts weinig zeil bij, want +de wind was zoo sterk, dat het doek door de woedende stooten en rukken +in flarden zou zijn gereten, en pijlsnel schoot het vaartuig over de +hooggaande golven, die het schuimend volgden en het beurtelings ten +hemel opbeurden of diep in de holle zee bedolven, zoodat men had kunnen +denken, dat het daaruit nooit weer zou te voorschijn komen. Evenwel +was het schip hecht en stevig en de kapitein een goed zeeman, die +alles deed, wat hij tot behoud van zijn bodem dienstig achtte. + +De kapitein stond bij het stuurrad en hield een wakend oog op de +mannen aan het roer, want hierop vooral moet men acht geven, als het +schip recht vóór een harden wind zeilt. Terwijl hij hier zoo in het +rond en van tijd tot tijd ook naar de lucht zag, neuriede hij een +oud zeemansliedje, dat begint: + + + "'t Is alles water, wat men ziet, + En donkre, zwarte lucht!" + + +En zoo was het ook waarlijk. Zij dobberden midden op den oceaan, geen +ander vaartuig was te zien, de hemel was overdekt met donkere wolken, +welke de storm woedend voor zich uit joeg, de golven stapelden zich +tot bergen op en deden het schuim omhoogspatten, terwijl de wind +akelig door het want floot en huilde. + +Buiten den scheepskapitein en de beide mannen aan het roer, waren er +nog twee andere personen op het dek: de eerste een knaap van omstreeks +twaalf jaren, de ander een oud, verweerd zeeman, wiens grijze haren +in den wind fladderden, toen hij naar het achterdek van het schip +ging en overboord keek. + +Op eens zag de knaap, hoe een geweldig zware golf tegen den spiegel +van het schip kwam aanrollen. Angstig greep hij den oude bij den arm +vast en riep: "Kijk, zal die groote golf niet over ons heele schip +heen slaan, Flink?" + +"Neen, Willem, wees maar gerust. Merkt ge niet, hoe ze ons schip in +de hoogte tilt? En kijk, nu is ze al onder ons door gegaan en zijn +wij gelukkig over haar heen. Maar 't kon licht gebeuren, dat een +tweede golf nog hooger klom, en dan zou het slecht met u afloopen, +als ik mijzelf en u meteen hier niet stevig vasthield. De zee zou u +zeker overboord spoelen." + +"Ik houd niet van de zee, Flink; ik wou wel, dat we weer op het +vasteland waren," antwoordde de knaap. "Zie de golven daar recht +vooruit;--is 't niet, alsof ze van het schip geen stuk heel wilden +laten?" + +"Ja, ja, ze zijn vrij wild, en daarbij loeien ze zoo, alsof ze boos +waren dat zij het schip niet in de diepte begraven kunnen. Maar daaraan +ben ik gewoon, Willem, en op een goed schip, met een braven kapitein +en wakker volk, ben ik niet bang voor zulk een storm." + +"Maar vaak gaan er toch schepen ten gronde, en dan verdrinken allen, +die er op zijn, niet waar?" + +"Ja, Willem, en soms vergaat wel eens een schip, terwijl het volk +aan boord daar het minst op bedacht is." + +"Wat zijn dat toch voor kleine vogels, die zoo laag over het water +vliegen?" + +"Ei, dat zijn moeder Carey's [1] kuikens, zooals wij zeelui ze +noemen. Ze vertoonen zich alleen bij storm, of als er boos weer +ophanden is." + +"Zeg, Flink, hebt gij wel eens op een woest eiland schipbreuk geleden, +zooals Robinson Crusoë?" + +"Ja, jongenlief, ik heb wel al schipbreuk geleden, maar van Robinson +Crusoë heb ik mijn leven niet gehoord. Er zijn zoovelen, die hun +schip verloren en zwaren nood hadden door te staan, terwijl nog ruim +zoovelen daarbij omkwamen en dus van hunne ontmoetingen niet meer +vertellen konden, dat het niet heel denkelijk is dat ik uit al die +menigte den man, dien gij daar noemt, zou gekend hebben." + +"O, dat staat alles in een boek, dat ik gelezen heb. Ik kon het +u wel alles van stukje tot beetje vertellen--en wil dat ook doen, +zoodra de zee weer bedaard is; maar wees nu zoo goed en breng mij +weer naar beneden, want ik heb moeder beloofd niet al te lang hier +boven te blijven." + +"En wat ge beloofd hebt, moet ge als een flinke jongen altijd houden," +zei de oude man. "Kom, geef mij de hand maar, en ik zal wel zorgen, +dat ge zonder vallen of stooten door het luik komt. Als het beter +weer is, zult ge van mijne schipbreuk hooren en dan moet gij mij ook +eens zeggen, wat ge van dien Robinson Crusoë weet." + +Met deze woorden bracht de oude zeeman den kleinen Willem tot aan de +deur der kajuit en keerde toen op het dek terug, waar hij de wacht had. + +Stuurman Flink had nu al ruim vijftig jaren op zee rondgezworven; +hij was nog pas tien jaren oud, toen hij op een kolenschip als +koksjongen zijn eerste reis deed. Door zijn voortdurend verblijf in +de open lucht was zijn gezicht donkerbruin gekleurd en diepe rimpels +lagen in zijne wangen, hoewel hij nog altijd een flink en sterk man +was gebleven. Hij had jaren achtereen aan boord van een oorlogschip +gediend en daarop alle werelddeelen bezocht; hij wist dan ook vele +vreemde geschiedenissen te vertellen. Maar al klonken die ook nog zoo +vreemd, men mocht hem vrij gelooven, daar nooit een onwaar woord over +zijn lippen kwam. + +Hij verstond de stuurmanskunst vrij goed, kon dus lezen en schrijven +en was een verstandig en braaf man. De naam Flink paste zeer goed voor +hem, want altijd was hij flink en vlug bij de hand en in oogenblikken +van nood en gevaar zoo welberaden, dat de kapitein hem niet zelden +om raad vroeg en zich daar gewoonlijk wel bij bevond. Op deze reis +bekleedde hij den rang van tweeden stuurman. + +Zooals wij reeds weten, was De Vrede een fraai schip van meer dan +vier honderd tonnen en zoo hecht en sterk gebouwd, dat men het zeer +goed tegen een hevigen storm bestand kon achten. De tegenwoordige +bestemming van het vaartuig was Nieuw-Zuid-Wales, [2] waarheen het eene +kostbare lading Engelsche goederen had over te brengen. De kapitein +was een bekwaam zeeman en bovendien een braaf mensch van een altijd +vroolijk en opgeruimd humeur, die de dingen steeds in hun beste licht +beschouwde en ook, als 't geluk hem soms eens tegenliep, eer geneigd +was daarmee te lachen, dan dadelijk een zuur gezicht te trekken. Zijn +naam was Osborn. De eerste stuurman heette Mackintosh en was een +Schot. Ofschoon barsch en ruw van aard, nam hij toch zijn dienst +aan boord voorbeeldig waar en was een man, op wien kapitein Osborn +zich verlaten kon, hoewel deze anders niet van hem hield. Met Flink +hebben wij reeds kennis gemaakt en van de matrozen aan boord behoeven +wij niet meer te zeggen, dan dat zij in het geheel dertien in getal +waren. Dit was zekerlijk eene nauwelijks toereikende bemanning voor +zulk een groot schip en oorspronkelijk waren er ook meer geweest; +doch op den dag vóór het onder zeil gaan, hadden vijf mannen, +uit ontevredenheid over de behandeling, die Mackintosh, de eerste +stuurman, hun aandeed, het schip eensklaps weer verlaten, waardoor +de kapitein gedwongen was geweest in zee te steken, zonder anderen in +hunne plaats te hebben aangeworven. Gelijk in het vervolg blijken zal, +was dit voor het schip eene zeer noodlottige omstandigheid. + + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +DE FAMILIE WILSON. + + +De jonge Willem was de oudste zoon eener familie, die uit vader, +moeder en vier kinderen bestond en zich thans in haar geheel aan boord +van De Vrede bevond. De vader, mijnheer Wilson, was een verstandig, +welonderricht man, die jaren lang een post bij het bestuur te Sidney, +de hoofdplaats van Nieuw-Zuid-Wales, bekleed had en nu, na een +driejarig verlof, uit Engeland derwaarts terugkeerde. Hij had van de +regeering een duizend of wat morgen land aangekocht; dit was sedert +aanmerkelijk in waarde gerezen en de schapen en veeteelt, waarop hij +zich toelegde, hadden hem reeds groote winsten opgeleverd. Gedurende +zijne afwezigheid in Engeland had zijn rentmeester zijne belangen met +veel zorg behartigd, en zelf bracht hij nu eene menigte voorwerpen +van allerlei aard mede, zoo tot verbetering zijner landerijen als tot +eigen gebruik, b. v. huismeubelen, gereedschappen voor den landbouw, +verschillende zaden en gewassen, rundvee en nog meer, te veel om op +te noemen. + +Mevrouw Wilson was een lieve, zachte vrouw, die echter veel sukkelde +en allesbehalve sterk was. Op den oudsten zoon, Willem, een sterken, +vluggen knaap, vol geest en leven, volgde Thomas, een door en door +goede jongen van bij de acht jaar oud, maar zoo dom en onhandig, +dat er geen voorbeeld van was en men hem geen ommezien alleen kon +laten. Caroline, een meisje van zeven jaren, was het derde en de pas +éénjarige Albert het jongste kind. Tot oppassing van dezen laatste +vooral diende een jonge negerin van de Kaap de Goede Hoop, die naar +Sidney overgekomen en mevrouw Wilson naar Engeland gevolgd was. Wij +hebben nu al de personen aan boord van De Vrede opgenoemd; maar bijna +hadden wij onder de levende schepselen twee herdershonden van mijnheer +Wilson vergeten en een kleinen dashond, die de bijzondere lieveling +van zijn meester, kapitein Osborn was. + +Eerst op den vierden dag na de losbarsting, begon de storm te bedaren +en nam allengs af, totdat hij eindelijk in bijna geheele windstilte +overging. De matrozen, die al dien tijd dag en nacht op het dek +gewaakt hadden, hingen hunne van regen en zeewater doorweekte +kleeren in het want te drogen en konden nu zelven rust nemen en +hunne krachten herstellen. Een zachte wind blies in de zeilen, de +zee was weer effen en het schip legde in zijne rassche vaart bij de +vijf mijlen in het uur af. Mevrouw Wilson had een mantel omgeslagen +en zat op eene bank op het achterdek. Haar man en hare kinderen waren +bij haar en verheugden zich in het kostelijke weer, toen ook kapitein +Osborn die met zijn sextant den stand der zon had waargenomen, met +een lachend gezicht op hen toekwam en riep: + +"Wel Thomas, jongen, ge zult zeker wel hartelijk blij zijn, dat de +storm over is?" + +"O, ik ben niet bang geweest," antwoordde Thomas. "Ik was maar boos, +dat ik altijd mijne soep stortte. Maar Juno is eens van haar stoel +gerold en lag met broertje op den grond te spartelen, totdat eindelijk +papa kwam en haar weer ophielp." + +"Goddank, dat mijn kleine Albert zich niet doodelijk bezeerd +heeft!" zeide de moeder, met een blik vol liefde op haar kind. + +"En dat zou hij zich zeker gedaan hebben, had Juno niet zoo geheel +alleen aan het kind en geen oogenblik aan zichzelve gedacht," zeide +de vader. + +"Ja, dat is waar," hernam kapitein Osborn. "Zij redde het kind, +maar zal haar eigen hoofd wel terdeeg gevoeld hebben." + +"Ikke een harden bons kreeg op mijn kop," verzekerde Juno en grijnsde, +dat hare witte tanden tot aan de ooren zichtbaar werden. + +"Gelukkig, dat ge er zulk een dik wollig overtreksel over hebt," +zei de kapitein lachend. "Maar word niet boos, Juno; waarlijk, ge +zijt een goed meisje, en wij allen houden veel van u." + +"Het is twaalf uren naar de zon, mijnheer," kwam Mackintosh, de eerste +stuurman, den kapitein berichten. + +"Maak mij dan de breedte op, stuurman, en ik zal terstond de lengte +berekenen. Over vijf minuten, mijnheer Wilson, zal ik u op de kaart +aanwijzen, waar wij ons thans op zee bevinden." + +"Ha, daar komen ook onze honden eens boven kijken," riep Willem op eens +uit. "Ik wed, dat ze met dat mooie weer even blij zijn als wij. Hier, +Romulus! Remus hier!" + +"Ei, mijnheer," zei Flink, die dicht bij hen stond, "ik heb u al lang +eens een vraag willen doen. Uwe honden daar hebben een paar zulke +wonderlijke namen, die ik in mijn leven nog niet gehoord heb. Romulus +en Remus--wie waren dat?" + +"Zoo heetten twee broeders in den overouden tijd," antwoordde de +heer Wilson. "Zij waren als schaapherders opgewassen en bouwden de +stad Rome, die naderhand zoo beroemd en zoo machtig werd en waarover +Romulus als eerste koning regeerde." + +"En verbeeld u eens, Flink; toen ze nog klein waren, werden zij door +eene wolvin gezoogd," vervolgde Willem. "Wat zegt ge van zoo iets, +man?" + +"Door eene wolvin? Dat was zeker eene vreemde soort van minne voor +een paar jonge prinsen," antwoordde Flink. + +"En Romulus sloeg zijn broeder dood." + +"Geen wonder, als men rekent wat zoogster ze hadden," merkte Flink +aan. "Maar waarom deed hij dat?" + +"Omdat Remus zoo goed springen kon," zeide Willem lachend. + +"De jongeheer wil mij zeker wat wijsmaken?" riep Flink en zag den +vader vragend aan. + +"Dat juist niet. De geschiedenis vertelt, dat Remus zijn broeder +om den lagen stadsmuur, die deze gebouwd had, bespotte en, om hem +te tergen, daar losweg overheen sprong. Dit moet Romulus zoo euvel +hebben opgenomen, dat hij hem in drift doodsloeg. Evenwel, op zulke +oude verhalen kan men niet altijd zoo vast staat maken." + +"En ik wil ook niet hopen, dat beiden werkelijk broeders geweest zijn," +hernam Flink; "hoewel--'t oude spreekwoord heeft het zoo mis niet: + + + "Twee meesters onder 't zelfde dak + Geeft altijd moeite en ongemak. + + +"Men hoort tegenwoordig nog wel eens van Rome spreken; is dat misschien +nog diezelfde stad?" + +"Ja," antwoordde Willem; "het zijn de puinhoopen van die oude." + +"Een mensch is toch nooit uitgeleerd," zeide Flink. "Vandaag heb ik +weer vrij wat nieuws gehoord, en dat kan men altijd en overal, als +men zijn mond maar tot vragen weet te gebruiken. Ik ben een oud man en +weet weinig buiten 't geen tot mijn beroep behoort; maar toch zou ik +veel minder weten, als ik geen onderzoek naar de dingen had gedaan, +zonder mij te schamen om voor mijne onwetendheid uit te komen. Dat +is het eenige middel om iets goeds te leeren, jongeheer." + +"Gij geeft daar mijn zoon kostelijken raad, Flink;--en pas op, mijn +kind, dat gij dien nooit vergeet," sprak de vader. "Gij behoeft u +nooit te schamen, naar iets te vragen, dat gij niet weet of begrijpt." + +"Dat doe ik ook altijd, vader. Heb ik u niet al naar heel veel dingen +gevraagd, Flink?" + +"Ja, ja, dat hebt gij; en gij vraagt doorgaans vrij verstandig voor een +knaap van uwe jaren. Ik wou maar, dat ik uwe vragen beter beantwoorden +kon, dan ik daar soms toe in staat ben, lieve jongen." + +"Nu zou ik toch liefst weer naar beneden willen, lieve," zeide mevrouw +Wilson eindelijk. "Flink zal wel zoo goed zijn den kleine voor mij +te dragen." + +"Van harte gaarne, mevrouw," antwoordde Flink. "Komaan dan, Juno, +geef mij het kind en ga gij vooruit.--Ruggelings, domme meid! Hoe +dikwijls moet ik u dat nog zeggen? 'k Voorzie, dat gij nog eens hals +over kop de trap aftuimelt." + +"En breken mijn nek," zei Juno. + +"Ja, of een arm of een been! En wie zal dan het kind dragen?" + +Zoodra allen weder in de kajuit waren, namen de kapitein en mijnheer +Wilson de kaart voor zich en zochten daarop de plaats, waar het schip +zich thans bevond. Zij zagen, dat zij nog dertig mijlen van de Kaap +de Goede Hoop verwijderd waren. + +"Als de wind aanhoudt, kunnen wij daar morgen zijn," zeide mijnheer +Wilson tot zijne vrouw. "Misschien kan onze Juno daar haar vader en +moeder wedervinden." + +De arme Juno schudde het hoofd, en de tranen rolden over hare donkere +wangen, terwijl zij vertelde, dat hare ouders een Hollandschen veeboer +toebehoorden, die met hen diep landwaarts in getrokken was. Zij was +nog maar een klein kind geweest, toen men haar van hare ouders afnam, +en had alleen in de Kaapstad moeten achterblijven. + +"Maar nu zijt gij vrij, Juno," zeide mevrouw Wilson. "Gij zijt in +Engeland geweest, en allen, die dat land eens betreden hebben, zijn +van dat oogenblik af vrije menschen." + +"Ja, mevrouw, Juno vrij zijn, maar Juno toch geen vader hebben en +geen moeder," antwoordde het arme meisje en weende bitter. De kleine +Albert sloeg nu echter de armpjes om haar hals, en weldra lachte zij +weer en speelde vroolijk met het lieve kind. + + + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +KAAP DE GOEDE HOOP. + + +Den volgenden morgen zag men de Kaap voor zich en liet in de Tafelbaai +het anker vallen. + +"Waarom noemt men dit hier de Tafelbaai, Flink?" vroeg Willem. + +"Denkelijk is dat, omdat die groote berg daar de Tafelberg heet, +jongeheer, gij ziet, hoe zijn top heel vlak is." + +"Ja waarlijk, hij is zoo vlak als eene tafel." + +"Maar nu en dan ziet men witte wolken zich op eene zonderlinge wijze +rondom de toppen samenpakken en dan zeggen de zeelieden, dat de tafel +gedekt wordt, of ook wel, dat de berg zijn pruik opzet. Men ziet dat +niet graag, omdat er doorgaans ruw en stormachtig weer op volgt." + +"Dan hoop ik dat die tafel, zoolang wij hier zijn, maar ongedekt mag +blijven. Wij hebben al storm en onweer genoeg gehad, en moeder is er +nog zwak en ziek van. Wat is dat eene mooie stad, Flink!" + +"Wij zullen hier twee dagen voor anker blijven, mijnheer," kwam +kapitein Osborn den heer Wilson berichten, "en zoo gij en mevrouw +aan wal wenscht te gaan, is daar gelegenheid toe." + +"Ik zal bij mijne vrouw gaan en het haar vragen," zeide Willems vader +en ging met dezen in de kajuit. + +Mevrouw Wilson was zeer blijde, dat het schip nu althans eenigen tijd +stil zou liggen, maar voelde zich te zwak om aan land te gaan. Er +werd dus besloten, dat zij met de beide jongste kinderen aan boord +zou blijven, terwijl haar man de beide oudsten, Willem en Thomas, +den volgenden dag naar de Kaapstad medenam, van waar hij beloofde +nog vóór den avond terug te zullen zijn. + +Den volgenden morgen liet kapitein Osborn een groote sloep uitzetten +en zich daarin met mijnheer Wilson, Willem en Thomas naar den wal +roeien. Thomas had aan zijne moeder beloofd, dat hij heel zoet en +gehoorzaam zou wezen; maar dat deed hij altijd en had het altijd +ook weer vergeten, zoodra hij haar maar uit het gezicht was. Van de +landingsplaats gingen zij naar een vriend van den kapitein, die in +de stad woonde. Hier bleven zij een half uur, om een glas limonade +te drinken, want het was zeer warm, en toen besloot men naar den tuin +van de Compagnie te gaan, om de wilde dieren te zien, die daar bewaard +werden. Willem was met dit plan zeer ingenomen en zijn broertje klapte +in de handen van blijdschap. + +"Vader, waarom heet die tuin de tuin van de Compagnie?" vroeg Willem. + +"Omdat hij door de Hollandsch-Oostindische Compagnie is aangelegd, +in den tijd, toen de Kaap nog aan de Hollanders toebehoorde. Het +is eigenlijk een plantentuin, waar men evenwel ook wilde dieren +bewaart. Vroeger had men er hier een groote menigte, doch tegenwoordig +zijn de reizigers er minder nieuwsgierig naar, daar men ze ook in +Europa genoeg te zien kan krijgen." + +"En wat zullen we dan al zien?" vroeg Thomas. + +"Gij zult leeuwen zien, mijn jongen, ik weet niet hoeveel wel, +allemaal in één hok bijeen," antwoordde kapitein Osborn. + +"O, dat is goed! Ik heb nog nooit een leeuw gezien." + +"Maar pas op, kind, dat gij niet te dicht bij het hok komt." + +"Neen, zeker niet," beloofde Thomas. + +Zoodra zij binnen het tuinhek waren wilde Thomas ontloopen, uit +ongeduld om de leeuwen toch vooral spoedig te zien, maar kapitein +Osborn haalde hem gelukkig weder in en hield hem nu stevig bij de +hand vast. + +"Hier zijn een paar zonderlinge vogels," zeide de heer, die bij +hen was. "Men noemt ze secretarisvogels, om de veeren, die hun daar +achter aan den kop uitsteken, evenals de veer van de pen, die een +klerk of schrijver soms wel achter het oor draagt. Het zijn echter +zeer nuttige dieren, daar zij de slangen dooden en, als zij konden, +alleen van slangen en adders leven zouden. Zij pakken die beesten +met hunne klauwen aan en drukken ze met zooveel geweld, dat zij in +een oogenblik dood zijn." + +"Vindt men veel slangen in dit land?" vroeg Willem. + +"Ja, en zeer vergiftige slangen," antwoordde zijn vader, "waarom +deze vogels hier dan ook van groot nut zijn. Gij kunt daaruit zien, +Willem, hoe geen dier, vooral geen van de schadelijke soorten, zich +al te sterk vermenigvuldigen kan, maar op zijne beurt weer de prooi +van andere roofdieren wordt. En zoo is het overal; in elk land, waar +eenig dier in groote menigte voorhanden is, vindt gij ook zeker een +tweede, 't welk dat eerste vervolgt en tot buit maakt. De secretaris +bewoont dit land, waar slangen in menigte zijn, om deze te dooden; +in Europa daarentegen, waar minder vergiftige slangen zijn, zou deze +vogel ook weinig nut doen." + +"Maar, vader, sommige dieren, zooals de leeuw en de olifant zijn zoo +groot en sterk, dat andere ze bijna niet vernielen kunnen." + +"Dat is waar, maar die grootere dieren vermenigvuldigen zich niet +zoo sterk als andere en daarom neemt hun aantal ook veel minder +schielijk toe. Een paar olifanten b. v. krijgt in den tijd van twee +of meer jaren maar één enkel jong, terwijl de konijntjes, die de +buit van zooveel andere dieren en vogels zijn, tot in het oneindige +vermeerderen zouden, indien hunne toeneming niet op die wijze werd +te keer gegaan. Ik heb ergens gelezen, dat een paar konijnen met hun +gebroed, dat zich even snel weer vermeerdert, in een enkel jaar tot +vele honderden kan aangroeien." + +Onder zulke gesprekken had men het verblijf der leeuwen weldra +bereikt. Het was een ruim, rond plein, dat, van boven open en rondom +tusschen hooge muren besloten, slechts eene enkele opening voor de +toeschouwers had. Deze opening was breed en van boven tot onder met +hechte ijzeren staven bezet, die echter zoo ver van elkaar afstonden, +dat de leeuwen er met hunne klauwen wel tusschendoor konden tasten, +waarom de kinderen dan ook gewaarschuwd werden, er vooral niet te +dicht bij te komen. Het was kostelijk om te zien, hoe acht of tien +van die edele dieren daar in allerlei houding in het rond lagen, zich +koesterden in de heete zon en met hunne breede, borstelige staarten +den grond zweepten, zonder zich, naar 't scheen, aan de menschen +daar buiten in het minst te storen. Willem bleef op een behoorlijken +afstand van de tralies staan en keek aandachtig toe. Ook de kleine +Thomas zette groote oogen op en was in den beginne niet weinig bang; +maar dat ging over en hij werd spoedig stouter. De heer, die bij hen +was en langen tijd aan de Kaap gewoond had, verhaalde eenige zeer +onderhoudende anecdoten aangaande den leeuw, waarnaar het gansche +gezelschap zoo aandachtig luisterde, dat niemand merkte, hoe Thomas +opnieuw ontsnapt en naar den ingang van het leeuwenhok teruggeloopen +was. Hij stond eerst een tijdlang naar de dieren te kijken, maar wilde +toen ook, dat zij eens wat beweging maken zouden. Om hen hiertoe te +dwingen, nam hij eindelijk een steen op en wierp dien naar den jongen, +nagenoeg driejarigen leeuw, die het dichtst bij den ingang lag. Deze +scheen dit niet te bemerken, want hij verroerde zich niet, ofschoon +hij het oog niet van den onvoorzichtigen knaap afwendde. Hierdoor +werd onze Thomas gedurig stouter, wierp nog een steen en nog een en +kwam daarbij telkens dichter bij het hok. + +Op eens hief de leeuw nu een vreeselijk gebrul aan en sprong op Thomas +los, terwijl hij met zulk een woede tegen de ijzeren staven van zijn +hok opvloog, dat deze kletterden en dreunden en de kalk op enkele +plaatsen van de steenen viel. Doodelijk verschrikt, gilde de jongen +het uit en tuimelde achterover in het gras, 't geen zijn behoud was, +want ware hij voorovergevallen, dan zou het dier hem zekerlijk met +zijne klauwen hebben aangepakt. Zijn vader en kapitein Osborn schoten +dadelijk toe en hielpen hem op. Zoodra hij weder adem kon halen, +begon hij te huilen van angst, terwijl de leeuw voor de tralies stond +en brullend en loeiend met den staart in het rond sloeg. + +"Breng mij weg,--breng mij weer op het schip!" kreet Thomas en trilde +als een blad. + +"Wat hebt gij gedaan, jongen?" vroeg kapitein Osborn. + +"Ik zal u nooit weer met steenen gooien, heer leeuw; neen, neen, +nooit van mijn leven meer!" riep de knaap en zag ontzet naar het +vergramde dier om. + +De heer Wilson bracht hem zijne onvoorzichtigheid ernstig onder het +oog, en van lieverlede kwam hij nu tot bedaren, maar was toch niet +gerust, voordat men van de leeuwen niets meer hooren of zien kon. + +Zij bezochten thans ook nog de overige dieren, die hier te zien +waren, en van nu af aan hield Thomas zich van alle op een eerbiedigen +afstand. Zelfs waagde hij het niet bij een schaap te komen, dat op +de Kaap thuis behoort en een dikken vetstaart van verscheiden ponden +zwaarte heeft. + +Na alles bekeken te hebben, gingen zij weder naar het huis van den +vreemden heer, die hun te eten had verzocht, en na den maaltijd keerden +allen naar het schip terug. Toen Thomas' moeder van het avontuur +hoorde, dat hij met den leeuw had gehad, verzekerde zij, dat zij zulk +een ongehoorzaam kind nooit weer uit haar gezicht zou laten gaan. + + + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +EEN STORM OP ZEE. + + +Den volgenden morgen werden levensmiddelen en versch water aan boord +genomen en zette De Vrede opnieuw hare zeilen in top, terwijl men +alle hoop op eene voorspoedige reis begon op te vatten, daar het +schip dagen achtereen met goeden wind zijne vaart vervolgde. Dit was +nochtans niet van duur. Er volgde eene windstilte die bijna drie volle +dagen aanhield, en gedurende dezen tijd was ook zelfs geen schijn van +wind op de breede watervlakte te bespeuren. De geheele natuur scheen +in diepe rust verzonken, en geen ander levend wezen vertoonde zich, +dan nu en dan een enkele albatros, die met half geopende vlerken +het schip een tijdlang bijbleef en de stukjes brood oppikte, die men +overboord uitstrooide. + +"Wat is dat voor een groote vogel, Flink?" vroeg Willem. + +"Dat is een albatros, Willem, de grootste zeevogel dien wij hebben. Ik +zag er eens een schieten, wiens uitgestrekte vlerken van het eene +tot het andere einde wel ruim elf voet lang waren." + +"Dat is de eerste, dien ik ooit gezien heb." + +"Omdat men ze ten noorden van de Kaap ook zelden vindt. Men zegt, +dat zij onder het vliegen slapen kunnen en zich dan met den kop op +de vlerken hoog boven in de lucht laten drijven." + +"Hoe komt het, vader," vroeg Willem dezen, die naast hem stond, +"dat onder de vogels de een zwemmen kan en de ander niet? Weet gij +nog, toen Thomas eens een van onze hoenders in den grooten vijver +had gejaagd, hoe het arme beest in het water omspartelde tot zijne +vleugels nat werden en het niet langer kon boven houden, zoodat het +verdrinken moest? Hoe maakt een zeevogel het dan, om zich zoo lang +boven water te houden?" + +"De zwemvogels, mijn jongen, zijn van eene soort van olie voorzien, +waarmede zij hunne vederen van buiten bestrijken, en deze olie maakt +dat het water daar niet indringt. Hebt gij nooit van eenden op het +land gezien, hoe zij met den snavel in hare vederen omplozen? Zij +gebruiken dan die olie, om de veeren waterdicht te maken." + +"Hoe vreemd!" + +"Ja, wel merkwaardig.--Maar, daar komt Juno zeggen, dat de thee +gezet is." + +Den derden dag na het invallen der stilte meende kapitein Osborn +uit het diepe dalen van zijn barometer te moeten opmaken, dat er een +hevige storm ophanden was, en verzuimde dus niet, alle toebereidselen +te maken, om dien bij zijn losbreken het hoofd te bieden. En inderdaad +had hij zich niet bedrogen. Tegen middernacht stegen plotseling donkere +wolken aan den hemel op en pakten zich allengs dichter en dreigender +opeen. Vlammende bliksemstralen doorkruisten in alle richtingen de +nachtelijke duisternis, en toen de wolkgevaarten hooger klommen, stak +ook de wind op, doch aanvankelijk slechts met enkele zware rukken, +die eerlang weder door doodelijke stilte werden gevolgd. + +"Uit wat hoek, Flink, denkt ge, dat wij den wind te wachten +hebben?" vroeg kapitein Osborn. + +"Om u de waarheid te zeggen, kapitein, geloof ik niet, dat hij lang +in ééne richting blijven zal. Het zal eerst misschien duchtig uit +het noorden blazen, maar dan, denk ik, zal hij wel spoedig naar eene +andere streek overslaan en dan ons nog veel harder op het lijf vallen." + +"Wat zegt gij, Mackintosh?" + +"Wij zullen wind genoeg hebben en een duchtig aanhoudenden storm +bovendien," antwoordde deze. "Hoe eer wij de luiken schalmen, des te +beter zal het zijn." + +De heer Wilson had met Willem dit gesprek aangehoord, en daar Flink +op het gelaat van zijn jongen vriend bij die laatste woorden eenige +ongerustheid meende te lezen, klopte hij hem op den schouder en +vermaande hem, zich niet vóór den tijd beangst te maken. + +"Voor mijzelf ben ik niet bang, Flink," verzekerde de moedige knaap; +"maar moeder is deze beide laatste dagen weer zoo zwak geweest, +dat ik om háár wel wenschen zou, dat de storm uitbleef." + +"Maar, Flink," vroeg de kapitein verder, "wat doet u denken, dat de +wind draaien zal?" + +"Och, ik weet het zelf niet," antwoordde de oude man; "misschien vergis +ik mij ook en kan stuurman Mackintosh gelijk hebben. De wind komt uit +het noordoosten; zooveel schijnt althans zeker." Met deze woorden trad +hij op het nachthuisje toe en zag opmerkzaam op het kompas. Vader en +zoon keerden inmiddels naar de kajuit terug, en ook Mackintosh ging, +om de noodige orders aan het volk te geven. Zoodra allen weg waren, +vervoegde Flink zich weder bij den kapitein en zeide: + +"Kapitein, het past mij niet, den stuurman tegen te spreken, maar in +een geval als dit moet ieder vrij voor zijn gevoelen uitkomen. Ik zou +het mijne ook verdedigd hebben, als de vreemde heer met zijn zoon er +niet bijgestaan hadden; maar nu wil ik u wel zeggen, dat wij nog iets +ergers dan een storm te wachten hebben. Ik ben vroeger al meer onder +deze breedte geweest en ben een oud zeeman, zooals gij weet. Daar is +iets in de lucht, dat bemerkte ik voor drie dagen al. Ik ben zeker, +dat het niet tot een storm, neen, dat het tot een volslagen orkaan +komen zal,--en wat het ergste daarbij is, dat die denkelijk veel +langer zal aanhouden, dan een storm doorgaans doet. Ik heb nauwkeurig +op alles gelet en zelfs de vogels zeggen mij zoo, en die bedriegen +nooit, daar het de natuur zelve is, die hen onderricht. De stilte tot +hiertoe was niets anders dan de rust van den wind, die altijd zijn +hevigst woeden voorafgaat.--En nu weet gij mijne vaste overtuiging." + +"Ik vrees, man, dat gij maar al te zeer gelijk hebt. Zorg dan, +dat de bramraas neerkomen en laat al de kleine zeilen in de marsen +opruimen. Besla den bezaan en doe den gaffel strijken. Ik wil zelf +mee naar voren gaan." + +Er was werkelijk geen tijd te verliezen; want aan deze bevelen was +nauwelijks voldaan, toen reeds een heftige storm uit het noordoosten +losbrak. De zee rees met ontzettende snelheid; in allerijl werd +het eene marszeil na het andere geborgen en het vaartuig vloog, +enkel met gereefde fok en stormstagzeilen, door den wind gedreven, +over de donkere golven. Slechts met de grootste inspanning gelukte +het den drie mannen aan het rad, het roer vast te houden, zoo geweldig +sloeg de hooggaande zee tegen de zijden van het schip. Niet een enkele +onder de bij andere gelegenheden zoo zorgelooze matrozen waagde het +gedurende dezen nacht een oog te sluiten, en in angstige verwachtingen +zagen allen het aanbreken van den dag te gemoet. Tegen drie uren in +den morgen ging de wind plotseling liggen, doch slechts voor eenige +minuten, waarop hij, gelijk Flink voorspeld had, weder met nieuwe +woede uit een anderen hoek het schip bestookte en de laatste zeilen +aan flarden scheurde, die nog eenigen tijd aan de raas fladderden en +eindelijk door den storm ver lijwaarts geslingerd werden. + +De hemel was in dikke duisternis gehuld en alleen het schuim, dat de +woelende zee rondom het schip deed opspatten, verspreidde nu en dan een +zwakken, akeligen lichtglans. De wind was nu naar het west-noordwesten +gedraaid en zoo moest ook het schip zijn koers veranderen en was +men gedwongen zich aan het geweld van den orkaan over te geven. Dit +geschiedde ook, doch hieruit ontstond een nieuw bezwaar, want daar +de zeeën in de vroegere windrichting uit het noordoosten liepen, +kreeg het schip die op eenmaal dwars in, gelijk de zeelieden het +noemen, en sloegen ieder oogenblik stortzeeën overboord, die alles, +wat niet vaststond, wegspoelden. Zoo werd ook een der matrozen van +het dek afgerukt en was reddeloos verloren, daar in zulk een orkaan +aan pogingen tot redding niet te denken viel. Kapitein Osborn stond +op het achterdek en hield zich aan een van de korvijnagels vast, +terwijl hij Mackintosh, die bij hem was, toeriep: + +"Wat dunkt u, hoe lang kan dat nog duren?" + +"Misschien langer dan het schip zelf," antwoordde de stuurman met +allen ernst. + +"Dat wil ik nog niet hopen," hernam de kapitein; "en erger kan het +toch niet worden. Wat zegt gij, Flink?" + +"We hebben nu meer van ginder boven dan van de zee onder ons te +vreezen," riep de tweede stuurman en wees naar de nokken van de raas, +aan beide einden waarvan de electrische stof als kleine vuurballen +vlamde. "Zie die twee wolkjes, die op elkaar stooten; als ik...." + +Flink had geen tijd om uit te spreken, daar een blauwe bliksemstraal +den toeschouwers het gezicht verblindde en hen toen eenige seconden +achtereen in zwarte duisternis hulde. Daarop volgde een vreeselijke +donderslag, die het schip in zijn gansche lengte deed sidderen en +schudden. Een dof gekraak--een ontzettende slag--een doffe kreet +werd gehoord, en toen zij de verblinde oogen weer opslaan konden, +zagen zij den fokkemast als een dun riet tot beneden toe gespleten +en het schip in lichtelaaien gloed. De mannen aan het rad, geheel +verblind en verbijsterd door het licht, konden het roer niet langer +regeeren; het schip loefde op--krak! daar sloeg de groote mast over +zij--en alles was opschudding en verwarring. De Vrede was op eenmaal +een hulpeloos wrak geworden. + +Gelukkig--want anders ware alles reddeloos verloren geweest--werd +de vlam door de zware golven, die over den bak heenrolden, spoedig +gebluscht, doch nu lag het schip weerloos, aan de golven ten prooi, +hevig te stooten tegen de overboord geslagen, slechts door het want +nog vastgehouden masten. Zoodra zij van hun eersten schrik bekomen +waren, liepen Flink en de eerste stuurman naar het rad en zochten het +schip weder voor den wind te brengen; doch hunne poging mislukte, want +fokkemast en hoofdmast waren weg en alleen de bezaansmast was nog over, +waardoor het schip juist belet werd naar het roer te luisteren. De +wakkere Flink liet twee matrozen dit laatste aanvatten; terwijl hij +Mackintosh een teeken gaf want de wind huilde nu te sterk, dan dat +men elkanders woorden nog had kunnen verstaan, eene bijl opgreep en +het bezaanswant van zijn mast loshakte. De kruissteng en de top van +den bezaansmast stortten overboord en zoo gelukte het hun eindelijk, +het vaartuig voor den wind te brengen. Het vereischte nu nog veel tijd +en inspanning, het wrak geheel van zijne masten vrij te maken, en toen +men eindelijk tijd kreeg om op het dek rond te zien, vermiste men vier +man, die door den bliksem gedood of onder den fokkemast verpletterd +waren, zoodat thans, buiten kapitein Osborn en de beide stuurlieden, +nog maar acht matrozen aan boord overig waren. + + + + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + +HET WRAK. + + +Een zeeman geeft in het gevaar den moed niet op, zoolang hij nog +eenige kans ziet om zich door eigen inspanning van het verderf te +redden. Het verlies van hunne kameraden, die zoo plotseling uit hun +midden gerukt waren,--de ellendige toestand van het schip,--de woeste +golven, die hen als in een breeden waterkuil dreigden te begraven, +het huilen van den orkaan,--de sissende bliksem,--het ratelen van den +donder--dat alles kon hen niet weerhouden te doen, wat de nood van +hen eischte. Mackintosh, de eerste stuurman, verzamelde zijn volk +en sloeg zelf de handen aan het werk, om een blok en strop aan den +nog rookenden stomp van den fokkemast vast te maken. Een touw werd +door het blok geschoren en het groote bramzeil opgeheschen, zoodat +het wrak weder met versnelde vaart voor den wind uitvloog en beter +naar het roer luisterde. + +Het schip was weer voor den wind, en in vergelijking met vroeger +tamelijk zeker, hoewel de narollende baren het van tijd tot tijd +geweldig schokten. Andermaal begon de avond te vallen en nog was aan +geen rust te denken. De manschap was door de onophoudelijke inspanning +reeds ten hoogste afgemat. Kapitein Osborn en Flink waren meermalen +in de kajuit geweest, om de beangste passagiers te troosten en gerust +te stellen. Buiten zichzelven van angst en bezorgdheid, was mevrouw +Wilson ernstig ongesteld, en haar man waakte aan haar bed. De kinderen +werden vermaand in de hut bedaard te blijven en de kleine kwam niet +uit de armen der onvermoeide en zorgdragende Juno. + +Reeds liep de derde dag van den storm ten einde en nog deden zich +geene geruststellende teekens op. Door het onophoudelijk breken der +stortzeeën over het achterschip, waren de kompashuisjes weggespoeld en +men kon nu niet langer den koers, waarin het schip tot hiertoe gestuurd +was, noch den doorloopen afstand bepalen. Het vreeselijk beuken en +stooten der golven had reeds een lek teweeggebracht en zooveel was met +zekerheid vooruit te zien, dat, zoo de storm niet spoedig bedaarde, +de bodem niet lang meer tegen de zee bestand zou zijn. + +Van dit oogenblik af stonden angst en moedeloosheid op des kapiteins +gelaat te lezen. De verantwoordelijkheid, die op hem rustte, +drukte hem zwaar;--zelfs als nog enkelen er het leven afbrachten, +had hij een kostbaar schip en eene nog veel kostbaarder lading te +verliezen. Men naderde immers thans een punt, waar de oceaan met lage +koraalriffen en eilandjes bezaaid was en moest met recht vreezen, +in den tegenwoordigen hulpeloozen toestand, zonder een enkel middel +van tegenstand, door wind en golven op een daarvan geworpen te worden. + +De oude stuurman stond naast hem, toen de kapitein zeide: + +"Ik heb slechten moed, Flink. Wij loopen het gevaar in den mond en +hebben geen middel om het te ontwijken." + +"Dat is, helaas, zoo; alle middelen zijn ons benomen." + +"Er was menig man," sprak kapitein Osborn met ernst, "die mij benijdde, +toen ik dit fraaie schip onder mij kreeg. Zou thans een hunner met +mij willen ruilen?" + +"Ik denk voor 't naast--neen, kapitein, ofschoon geen mensch weet wat +de dag van morgen mee kan brengen. Vol hoop liept gij met dit schip +het zeegat uit; nu voelt gij, niet zonder grond, zoo iets, dat veel +van moedeloosheid heeft. Maar wie weet? In allen gevalle hebt gij uw +plicht gedaan en geen braaf man kan meer doen. Ik wou maar, kapitein, +dat Mackintosh niet zoo schrikkelijk vloekte. Ik verbeeld mij altijd, +dat de storm er sterker om huilt." + +"Gij hebt gelijk," was het antwoord; "maar houd vast, Flink: daar +komt weer eene zee." + +Onze vriend had nog even tijd, om met beide handen de korvijnagels beet +te pakken, toen zulk een watervloed zich over het schip uitstortte, dat +zij een tijdlang met de voeten van boord werden gespoeld. Echter lieten +zij hun houvast niet los en konden eindelijk weer op de been komen. + +"Dat heeft hem weer een knauw gegeven, wed ik," zeide Flink en nam +den hoed af om het water weg te schudden. + +"Zoo vrees ik; het beste schip, dat ooit zee bouwde, is tegen zulke +stooten niet bestand," antwoordde de kapitein. "En nu juist, met ons +doodmoe volk, zie ik geen mogelijkheid, om meer zeil bij te krijgen." + +Den geheelen nacht door schoot het schip weder met vogelsnelheid over +het water voort. Met het krieken van den dag ging de storm liggen en +werd de verbolgen zee bedaarder; maar nog altijd moest men het schip +voor den wind houden, want nadat dit reeds zoo geteisterd was, durfde +men niet bijsteken. Men maakte thans toebereidselen, om noodmasten op +te richten en de vermoeide matrozen waren daar juist druk mede bezig, +toen de heer Wilson met zijn zoon Willem op het dek kwam. + +Willem staarde in het rond. Tot zijne verbazing zag hij, hoe de slanke +masten met al hunne touwen en zeilen verdwenen waren en het gansche +dek in een staat van wanorde en verwarring voor hem lag. + +"Zie, mijn jongen," sprak de vader, "wat ellende en vernieling hier +heeft plaats gehad. Zie nu, 's menschen trotschheid is vernederd." + +"Ja, Willem," riep Flink hem toe; "zie maar eens aandachtig rond!" + +"Maar vader," vroeg Willem na eene poos, "hoe moeten wij nu zonder +masten en zeilen naar Sidney komen?" + +"Wel, vriend Willem," antwoordde Flink, "wij moeten alles doen, wat +maar in onze macht staat. Wij zeelieden staan zelden lang verlegen +en, als 't goed gaat, zult gij ons vóór den nacht wel weer onder een +lap of wat zeil zien. Wij hebben onze groote masten verloren; daarom +moeten wij noodmasten opzetten, zooals men ze noemt--of kleine masten +met klein zeil, en die brengen ons ook misschien nog wel naar Sidney +toe.--Hoe maakt de goede mevrouw het, mijnheer?" vervolgde Flink, +zich tot den vader keerende. "Is zij wat beter?" + +"Ik vrees, dat zij zeer ziek en zwak is," was het antwoord. "Alleen +goed weer kan haar weer eenigszins doen bijkomen. Denkt gij, dat het +nu opklaren zal?" + +"Neen, mijnheer, om u de waarheid te zeggen, vrees ik, dat het nog +erger gaat spoken. Ik heb den kapitein mijne gedachten niet gezegd, +want een mensch kan zich vergissen; maar toch, ik blijf er bij--ik heb +niet tevergeefs volle vijftig jaren op zee omgezwalkt. De nevelbank, +die daar ginder bijeentrekt, bevalt mij niet en 't zou mij niet +verwonderen, als het nog eens uit denzelfden hoek begon te blazen en +wel nog voordat het nacht wordt." + +"Het zij zoo!" sprak de heer Wilson. "Echter vrees ik zeer voor mijne +vrouw, die al zoo door de zeeziekte verzwakt is." + +"Daarover zou ik mij niet al te ongerust maken, mijnheer, want ik +heb nog nooit gehoord, dat menschen aan die kwaal gestorven zijn, +hoeveel zij er ook door te lijden hadden.--Weet gij al Willem, dat +wij eenigen van ons volk verloren hebben in den tijd, dat gij niet +boven geweest zijt?" + +"Neen, ik hoorde den kok daar wel iets van mompelen, maar wilde hem +niet vragen, omdat moeder reeds zoo in angst was." + +"Dat was heel braaf van u, mijn jongen; maar denk eens: we hebben vijf +van onze rapste en beste matrozen verloren. Seevers werd overboord +geslagen,--Fennings en Master zijn door den bliksem gedood,--en Jones +en Emery zijn door den vallenden fokkemast getroffen. Gelooft gij +wel, Willem, dat niet één dezer lieden er aan dacht, toen wij de +Kaap verlieten of zelfs maar een dag of een enkel uur voordat het +geschiedde, dat weldra hunne lichamen honderden mijlen ver van het +land op zee zouden omdobberen?" + +"Ik ben van oordeel," zeide mijnheer Wilson, "dat een zeeman eigenlijk +geen recht heeft om te trouwen." + +"Dat is ook altijd mijn gevoelen geweest," antwoordde Flink; "en +zeker, menige arme verlaten matrozenvrouw, als zij 's nachts op haar +bed naar den storm en regen luisterde, heeft evenzoo gedacht." + +"Met mijne toestemming," vervolgde de vader, "zullen mijn zoons +nooit ter zee gaan, zoolang ik nog een andere betrekking voor hen +vinden kan." + +"En gij hebt gelijk, mijnheer Wilson. Men zegt wel, dat het niets +helpt, een knaap tegen te houden, wanneer hij zich het varen eens in +het hoofd heeft gezet;--maar ik voor mij denk in dat geval anders. Ik +geloof, dat een vader recht heeft om neen te zeggen; want ziet gij, +mijnheer, zoo jong als zulk een knaap het baaitje aantrekt, heeft hij +nog zijn volle verstand en oordeel niet. Ieder stoute, moedige jongen +wil het zeegat uit,--dat is heel natuurlijk; maar als de meesten onder +hen voor de ronde waarheid uitkwamen, zouden zij moeten zeggen, dat +het niet zoozeer het verlangen naar zee was, dat hen verleidde, als +wel de wensch, om de school of zelfs het vaderlijk huis te verlaten, +waar zij onder het opzicht van meesters of ouders stonden." + +"Juist, juist, Flink; zij willen onafhankelijk zijn en dat hopen zij +op zee te worden." + +"Maar daar bedriegen zij zich geweldig in; want, geloof mij, op de +gansche wijde wereld wordt geen slaaf zoo gekweld en geplaagd, als +zulk een arme knaap in de eerste tien jaren van zijn zeeleven. Voor +ééne berisping, die hij aan land verdient, krijgt hij aan boord +tiendubbel slagen en nooit vindt zulk een mensch de liefde en de +genegenheid weder, die hij op vasten wal achterliet. Het is een hard +leven en er zijn slechts enkelen, die het zich niet bitter beklaagd +hebben en niet gaarne zouden willen terugkeeren--als hunne schaamte +hen daarvan niet terughield." + +"Dat is de zuivere waarheid, Flink, en daarom geloof ik ook, dat een +vader ten volle recht heeft, als hij zijn zoon niet toelaat, ter zee +te gaan, zoolang hij hem op eenige andere wijze een behoorlijk bestaan +kan verschaffen. Het zal daarom toch nooit aan matrozen ontbreken, +daar er nog altijd arme jongens in menigte zijn, voor wie hunne +betrekkingen niet beter zorgen kunnen, en voor zulke lieden is de +zee zekerlijk de beste keus, daar zij hier geen ander kapitaal dan +moed en ijver tot hunne bevordering noodig hebben." + +"Datzelfde heb ik ook steeds gedacht, mijnheer," hernam Flink. "Maar +hoe maakt uw zoon Thomas het toch, en de andere kleinen en de arme +Juno?" + +"Die zijn allen vrij wel, behalve dat zij zich nu en dan door +uitglijden eens wat zeer deden, als het schip zoo geweldig +slingerde. Maar ik mag hier niet langer blijven," vervolgde de heer +Wilson; "mijn arme vrouw zal naar mij verlangen. Wilt gij nog langer +op het dek blijven, Willem?" + +"'t Is beter, dat hij met u omlaag gaat;" zeide Flink; "wij allen +hebben hier de handen te vol en ik kan mij niet met hem bemoeien. Dezen +nacht hebben wij weer geen rust te wachten, 't moge gaan hoe 't wil, +daar ons getal thans zoo klein is. Goedennacht dan, heerschappen, +rust wel!" + + + + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + +ALS HET WATER TOT DE LIPPEN KOMT, IS OOK VAAK UITKOMST NABIJ. + + +Toen vader en zoon in de kajuit kwamen, vonden zij er dadelijk handen +vol werk. De hofmeester had een schotel erwtensoep voor de kinderen +gebracht en deze was brandend heet. Thomas, die naast zijn zusje in +'t bed overeind zat, had Juno, die met den rechterarm haar kleinen +Albert vasthield, het bord uit de linkerhand getrokken en dit in zijn +ongeduld over de arme Caroline uitgestort, die een kreet gaf van pijn; +terwijl Juno, vol verlangen om Caroline te helpen, opgesprongen en op +den grond gevallen was met den kleine, die, hoewel niet bezeerd, nu +ook een geduchte keel opzette. Tot overmaat van ramp was Juno op des +kapiteins dashond neergekomen en deze had haar daarvoor in het been +gebeten, waarop ook Juno het luid uitschreeuwde en mevrouw Wilson, +bevend en radeloos van angst, zich van hare kussens had opgericht +en gaarne had willen, maar niet kunnen helpen. Daar kwam haar man +gelukkig nog juist bijtijds, om Juno met den kleine op te helpen. Hij +zocht vervolgens de arme Caroline tot bedaren te brengen, die zich, +gelijk nu bleek, nog niet zoo erg gebrand had, als men verwachtte. + +"Massa Thomas ben toch stout ondeugend jonk," jammerde de negerin +en wreef zich het been. De "ondeugende jonk" oordeelde maar 't best, +zich stil te houden;--hij werd terdeeg beknord. De hofmeester kwam de +tafel schoonmaken, en zoo keerde alles eindelijk weder tot de vorige +orde terug. + +Onderwijl was men ook op het dek niet werkeloos gebleven. De timmerman +had eene opening voor een der stengen gemaakt, die den grooten mast +moest vervangen; terwijl het andere volk het want weder in gereedheid +bracht. Ongelukkig had het schip een lek gekregen en vier handen +waren aan de pompen bezig en moesten daar bijna voortdurend werkzaam +zijn. Gelijk Flink voorzegd had, was ook de nacht niet daar, of de wind +verhief zich weder, de zee werd holler en woester en het lek nam zoo +toe, dat men elk ander werk moest opgeven, om alleen bij de pompen te +blijven. Zoo duurde de storm twee volle dagen lang, totdat de geheel +uitgeputte matrozen te laatste ook niet meer pompen konden. Aan den +gang van het schip was te zien, dat er reeds veel water in het ruim was +binnengedrongen, en thans--om het ongeluk ten top te voeren--gebeurde +er nog eene nieuwe ramp, die de ernstigste gevolgen had. + +Kapitein Osborn was vóór op het schip en gaf eenige orders aan zijn +volk, toen de blokstrop, die de groote bramra aan den stomp van den +fokkemast vasthield, eensklaps losging, zoodat ra en zeil op het dek +neerploften en den kapitein bewusteloos deden neervallen. Zoolang +hij aan hun hoofd had gestaan, hadden de matrozen, vol eerbied voor +zijne erkende bekwaamheid als zeeman en bemoedigd door het hem eigen +goed humeur, hunne taak gaarne en gewillig verricht, maar thans, +nu hij, zoo al niet dood, toch in allen gevalle buiten kennis en +tot handelen niet in staat was, thans werd het op eenmaal anders en +ontbrak het geheel aan het vereischte gezag. Mackintosh was bij het +volk te weinig bemind, dan dat zijne woorden eenigen invloed hadden +kunnen uitoefenen. Zij sloegen zijn vermaningen en bevelen in den +wind en staken de hoofden bijeen, om onderling te beraadslagen. + +"Het ergste is geleden. De orkaan is gebroken, mannen, en wij hebben +nu goed weer te wachten," merkte Flink aan en vervoegde zich bij de +matrozen aan het volkslogies. "De wind is haast op, zooals gij zelven +zien kunt." + +"Ja, en het schip is ook haast op," antwoordde een matroos; "daar is +nog veel minder aan te twijfelen." + +"Een paar uren stevig aan de pompen gewerkt, dat zou nu goed doen," +vervolgde Flink. "Wat zegt gij, jongens?" + +"Een stevig oorlam zou ons meer goed doen," hernam de zeeman. "Wat +zegt gij, jongens? De kapitein, als hij spreken kon, de arme drommel, +zou ons dat zeker niet weigeren." + +"Wat zijt gij van zins, jongen?" vroeg Mackintosh. "Ge wilt u toch +niet dronken drinken, hoop ik?" + +"Waarom niet?" riep een ander uit den hoop. "Het schip moet toch +spoedig te gronde gaan." + +"Dat is mogelijk,--ik wil het niet tegenspreken," zeide Mackintosh; +"maar dat is nog geen grond, waarom wij niet gered zouden worden. Als +ge u nu echter dronken drinkt, is er geen denken aan, dat een van +ons er het leven zou afbrengen en mij is mijn leven lief. Ik ben +bereid om u in alles bij te staan, waartoe gij besluiten mocht, en +gij hebt maar te zeggen wat gebeuren moet; maar drank zult gij niet +hebben. Zoolang ik het beletten kan, kunt gij daar staat op maken." + +"En hoe zoudt gij ons dat beletten?" vroeg een der matrozen op +dreigenden toon. + +"Twee vastberaden mannen kunnen veel doen,--ik mag zeggen drie, want +in dit geval is stuurman Flink op mijne zijde en ook op den passagier +in de kajuit kan ik tot bijstand rekenen. Bedenkt, dat alle geweren +in de kajuit zijn. Maar waarom zouden we samen twisten?--Zegt mij +ronduit, wat ge denkt te doen; en als ge nog niets besloten hebt, +wilt ge dan nog naar mijn voorslag luisteren?" + +Daar des stuurmans moed en vastberadenheid wel bekend waren, +beraadslaagden de matrozen nog een tijdlang samen en vroegen hem toen +naar zijn plan. + +"Wij hebben nog een goede boot," antwoordde Mackintosh, "de nieuwe +sloep is behouden. De andere booten, weet gij, zijn overboord gespoeld, +met uitzondering van de kleine boot achter, die nochtans onbruikbaar +is, daar de zee ze bijna verbrijzeld heeft. Nu kunnen wij niet heel +ver meer van de eilanden af wezen, ja, ik geloof zelfs dat wij er reeds +tusschen zijn. Laten wij de boot van al het noodige voorzien en daartoe +getroost en vlug te werk gaan. Neemt zooveel drank, als gij weet, dat +u niet schaden kan en laat ons ook nog een goeden voorraad daarvan +medenemen. De sloep is met mast, tuig en riemen in goeden staat en +het moest al vreemd zijn, zoo zij ons niet ergens behouden aan land +bracht.--Kameraad Flink, is de raad, dien ik hier geef, goed of niet?" + +"Volkomen goed, Mackintosh;--slechts nog één ding: wat moet er van de +kajuitpassagiers, de vrouwen en kinderen worden? En wilt gij onzen +armen kapitein, die daar ligt te ijlen, hulpeloos achterlaten? Of +wat wilt gij anders aanvangen?" + +"Wij willen den kapitein niet verlaten!" riep een van de matrozen. + +"Neen--neen, onze kapitein moet mee!" herhaalden de overigen. + +"En de passagiers?" + +"Het spijt mij van hen," antwoordde de eerste spreker; "maar wij +zullen genoeg te doen hebben, om ons eigen leven te redden. De boot +kan ons nauwelijks bergen." + +"Ik moet u gelijk geven, jongens," sprak Mackintosh. "Het hemd is +nader dan de rok. Welaan dus, wat zegt gij?--Blijft het besloten?" + +"Ja!" riepen de matrozen eenstemmig, en Flink wist wel, dat hier iets +tegen in te brengen geheel vruchteloos zijn zou. + +Zij gingen nu terstond tot het uitrusten der boot en het aanbrengen +van den vereischten voorraad over. Beschuit, pekelvleesch, +eenige tonnen water, een vat met rum werden bij de valreeptrap +bijeengebracht. Mackintosh haalde zijn octant, een kompas en eenige +geweren met kruit en lood boven; de timmerman maakte met de hulp van +een matroos eene opening in de verschansing, om de boot daardoor van +boord neer te laten; want thans, nu de masten ontbraken, kon men die +natuurlijk niet daaraan ophijschen. Na verloop van een uur was alles +gereed. Een lang touw werd aan de boot vastgesjord, deze hierop aan +de opening gesleept, waardoor zij te water gaan moest en het schip +vervolgens dwarswinds gebracht. Flink had aan dit werk niet geholpen, +maar een-, of tweemaal gepeild, om te onderzoeken of het water in het +schip ook geklommen was en zich daarna bij kapitein Osborn neergezet, +die nog altijd bewusteloos lag van den slag, die hem op het hoofd +had getroffen. Toen het schip in den wind was gebracht, kwam mijnheer +Wilson boven en zag rond. + +Hij zag de boot gereed om af te loopen, water en proviand bij het +boord en het schip langzaam met de deining voortdrijven.--Eindelijk +ontdekte hij Flink, aan de zijde gezeten van den kapitein, die daar +schijnbaar dood nederlag. + +"Wat beduidt dit alles, Flink?" vroeg hij. "Willen zij het schip +verlaten? En hebben zij hun kapitein omgebracht?" + +"Neen, mijnheer, zoo erg is 't nog niet. De arme kapitein is door +de vallende ra getroffen en ligt sedert buiten kennis; maar wat het +andere aangaat, ik vrees, dat het zoo besloten is. Gij ziet, dat men +daar de boot van boord stoot." + +"Maar mijne arme vrouw! Zij is nooit in staat om mee te gaan; ze kan +zich nauwelijks verroeren,--ze is doodzwak!" + +"Ik moet u tot mijn leedwezen zeggen, dat die dáár ook niet voornemens +zijn uzelf of uwe vrouw en uwe kinderen mee te nemen." + +"Wat! ze willen ons hier laten omkomen? Barmhartige Hemel! hoe +wreed,--hoe barbaarsch!" + +"Het is niet menschlievend van hen gehandeld, mijnheer; maar ziet gij, +zoo is de natuur van den mensch. Als eens 't leven er mee gemoeid is, +dan denkt iedereen aan zichzelf, want het leven is zoet. Zij zijn +niet harder tegen u, dan zij ook tegen elkaar zijn zouden, als zij +te sterk in aantal waren en de boot niet allen opnemen kon. Ik heb +dat al zelf mede beleefd," antwoordde de oude man zeer ernstig. + +"Mijne vrouw! mijne arme kinderen!" riep de wanhopende vader en bedekte +het gezicht met beide handen. "Doch ik wil met hen spreken," vervolgde +hij; "zeker zullen zij naar het gebod der menschelijkheid luisteren, +en in allen gevalle heeft stuurman Mackintosh nog wel eenigen invloed +op hen. Gelooft gij dat ook niet, Flink?" + +"Daar gij mij dat vraagt, mijnheer, moet ik u zeggen, dat er geen +harder hart onder hen is, dan dat van Mackintosh en dat het u evenmin +helpen zal, of gij met hem spreekt of met een van de overigen. Ook moet +gij die menschen niet te streng beoordeelen: de sloep is klein en kan +met den voorraad, dien zij meenemen, ook niet meer koppen bergen;--dáár +zit de zwarigheid. Wou men u en uwe familie nog innemen, dan kon +dat de oorzaak van alles zijn. Geloof mij, als ik zelf anders dacht, +zou ik zeker alles doen, om hen over te halen; doch het helpt niets." + +"Maar wat dan te doen, Flink? Gaat gij niet met hen mede?" + +"Neen, mijnheer Wilson. Ik heb het laatste uur daarover nagedacht +en ben nu besloten bij u achter te blijven. Zij willen den armen +kapitein meenemen, om hem misschien te redden, en vroegen ook mij; +maar ik blijf hier." + +"Om met ons om te komen?" was de verbaasde vraag. + +"Al naar 't God behaagt, mijnheer Wilson. Ik ben oud en grijs, aan +mij is weinig gelegen; ik hoop ook, dat ik mij zoo goed op den dood +heb voorbereid, als dat in mijne geringe krachten stond. Geloof mij, +mijnheer, ik denk veel meer aan uwe kinderen, dan aan mijzelven. Het +scheelt mij weinig, of ik een paar jaren vroeger of later sterf, doch +'t zou mij diep ter harte gaan, als zulke lieve bloempjes al zoo in de +eerste lente werden afgesneden. Ik kan van nut zijn door mijn blijven, +want ik draag een ouden kop op mijne schouders en voor geen geld zou +ik u aan het verderf overlaten, zoolang gij nog misschien gered kunt +worden, wanneer ge slechts wist, hoe te doen. Maar zie, daar komen +de matrozen; de boot is geheel klaar en zij willen nu onzen braven +kapitein wegdragen." + +De zeelieden traden toe en beurden den nog altijd bewusteloozen +kapitein op. Onder het weggaan riep een hunner: "Kom, stuurman, +wij hebben geen tijd meer te verliezen." + +"Denkt niet aan mij, vrienden; ik blijf hier op het wrak," antwoordde +Flink. "Ik wensch u van ganscher harte eene behouden vaart. En aan +u, Mackintosh, heb ik slechts dit ééne verzoek: als gij gered zijt, +vergeet dan niet, wie ge hier aan boord hebt gelaten en laat ons dan +tusschen de eilanden opzoeken." + +"Gekheid, Flink, kom mee in de boot!" antwoordde de eerste stuurman. + +"Ik zal hier blijven; kameraad; en ik bid u alleen, dat gij doen zult, +wat ik van u verlang. Laat aan mijnheer Wilsons vrienden weten, wat +hier is voorgevallen en waar men ons het best kan opsporen. Dat is +alles, wat ik van u verlang. Wilt gij mij dit ééne beloven?" + +"Ja, Flink, ik wil, wanneer gij dan toch bepaald besloten hebt te +blijven. Maar," vervolgde hij, op Flink toetredende en hem in het +oor fluisterende, "het is waarachtig gekheid:--kom mee, man!" + +"Vaarwel dan, vriend Mackintosh," antwoordde Flink en gaf hem de +hand. "Gij zult zeker uwe belofte houden?" + +Na nog vele verdere vermaningen van de zijde der matrozen waarvoor +Flink echter doof bleef, stak de boot eindelijk af en stuurde naar +het noordoosten. + + + + + + + +ZEVENDE HOOFDSTUK. + +DE SCHIPBREUK. + + +Een tijdlang, nadat de boot het schip verlaten had, stond de oude +Flink met over elkaar geslagen armen zwijgend uit te zien. Mijnheer +Wilson stond bij hem. Hij kon geen woord spreken, het hart was hem +te vol. Naarmate de sloep zich verder van het schip verwijderde, +scheen ook zijne laatste hoop meer en meer te verdwijnen en schenen +vrouw en kinderen, hijzelf en de oude man, die aan zijne zijde stond, +aan een onvermijdelijken ondergang prijsgegeven. Zijne gelaatstrekken +drukten volslagen moedeloosheid en vertwijfeling uit. Ten laatste +nam Flink het woord: + +"Zij denken zeker, dat zij zichzelven redden en dat wij vergaan zullen, +mijnheer, doch het kan nog wel anders loopen." + +"Het is waar," antwoordde de bedroefde vader; "maar welke hoop ons +nog zou overblijven op een zinkend schip, met zoovele hulpelooze +wezens om ons heen, dat, moet ik bekennen, kan ik niet begrijpen." + +"Wij moeten ons best doen en dan ons aan Gods wil onderwerpen," +hernam de oude zeeman en ging toen naar achteren, waar hij het roer +weder oplegde, zoodat het schip andermaal voor den wind kwam. + +Wat Flink aan de matrozen voorspeld had, voordat zij het schip +verlieten geschiedde werkelijk; de storm had uitgewoed en ook de zee +was reeds aanmerkelijk bedaard. Niettemin dreef het schip slechts +langzaam door het water en na eenigen tijd zette Flink het stuurrad +vast en kwam weder bij den heer Wilson op het voordek. Deze had zich, +in een staat van wanhoop naar het scheen, op het zeil neergeworpen, +waarop kapitein Osborn na zijne verwonding gelegd was. + +"Het doet mij leed, mijnheer, dat ik u storen moet; maar voelt gij u +door troosteloosheid overweldigd, dan kan u ik misschien een weinig +hoop geven." + +"Ik heb gebeden," antwoordde Wilson en stond op: "en sedert heb ik +mijn zinnen zooveel mogelijk bijeenverzameld, die zekerlijk zeer +verward zijn. Wat mij het meest beangst, is, hoe onzen hulpeloozen +toestand aan mijne lieve vrouw mede te deelen." + +"Ik zou er rond voor uitkomen, indien ik onzen toestand als hopeloos +beschouwde," hernam Flink; "maar hopen blijft zelfs in het ergste +geval geoorloofd. Doch luister, mijnheer, ik wil als zeeman spreken +en u zeggen, welke mogelijkheid er thans nog voor ons over is. Het +schip is half vol water geloopen, daar 't geweld van den storm de naden +opende waardoor het naar binnen drong; maar nu, sedert de zee bedaarde, +heeft zich dat al vrij wat weer hersteld. Ik heb in het ruim gepeild +en bevonden, dat het water deze beide laatste uren maar een paar +duim gewassen is en daar het schip langzamerhand zijne naden weder +sluit, zal het spoedig nog wel beter worden. Indien het goede weder +vooreerst aanhoudt, behoeven wij niet te vreezen, dat het schip zoo +spoedig zinken zal; en daar wij ons nu tusschen de eilanden bevinden, +is het niet onmogelijk, ja zelfs waarschijnlijk, dat wij ons vaartuig +op een daarvan zullen kunnen laten stranden en zoo nog lijf en leven +redden. Dat alles heb ik bedacht, toen ik weigerde in de boot te +gaan, en ik bedacht ook, mijnheer, dat indien ik u evenals de anderen +verliet, gij voor uzelf niet in staat zijn zoudt, van zoovele gunstige +omstandigheden, die tot ons behoud misschien nog bijdragen kunnen, +behoorlijk partij te trekken.--Daarom ben ik gebleven en hoop het +werktuig te worden, dat u en al de uwen uit dezen akeligen toestand +redt. Mij dunkt, het zou nu 't best zijn, dat gij weer in de kajuit +gingt, uwe arme vrouw met een vroolijk gezicht de gunstige verandering +van het weer berichttet en haar zeidet, dat wij hoop hebben, aan eene +of andere veilige kust te landen. Als zij nog niet weet, dat het volk +het schip verlaten heeft, moet gij haar daar niets van doen merken. Gij +kunt immers zeggen, dat de hofmeester met de andere matrozen aan het +werk is, want dat is hij ook waarlijk, en zoo het mogelijk was, zou ik +u raden, alles, wat sedert is voorgevallen, te verzwijgen. Uw Willem +moogt gij het wel toevertrouwen, of liever, zend hem boven bij mij +en ik zal met hem spreken.--Zeg nu, wat dunkt u van de zaak, mijnheer?" + +"Ik weet nauwelijks, Flink, wat ik denken of hoe ik u voor uwe +zelfopoffering in dezen nood behoorlijk danken moet. Wees verzekerd, +uw raad is voortreffelijk; ik zal hem in alles ten stipste opvolgen, +en mocht het ons gelukken den dood te ontgaan, die ons thans van alle +kanten aangrijnst, dan zal mijne dankbaarheid...." + +"Spreek daar niet van, mijnheer; ik ben een oud man, heb slechts weinig +behoeften en mijn leven is ook maar van gering nut. Wat ik wensch te +behouden is de bewustheid, dat ik in dezen toestand mijn plicht naar +mijn beste vermogen heb zoeken te vervullen. Wat kan de wereld veel +aanlokkelijks hebben voor een man, die zich altijd met moeite door +het leven heeft heen geworsteld en thans vrienden noch magen bezit, +die zich om zijn dood bekommeren! Niettemin dank ik u hartelijk, +mijnheer Wilson; maar nu zal 't beter zijn, dat gij naar omlaag gaat, +terwijl ik hierboven een wakend oog houd." + +De heer Wilson drukte den braven man met hartelijkheid de hand en +ging toen naar beneden, zonder verder een woord te spreken. Hij vond +zijne vrouw in slaap; ook de kinderen lagen rustig in hunne bedden; +alleen Juno en Willem waren op. + +Willem gaf zijn vader een teeken dat zijn moeder sliep, en zeide +zachtjes: "Ik wou niet uit de kajuit gaan, terwijl gij boven op +het dek waart; maar de hofmeester heeft zich in geen twee uren meer +laten zien. Hij kwam nog om de geit te melken en na dien tijd niet +meer. Geen van ons allen heeft nog ontbijt gehad." + +"Willem, ga op het dek," antwoordde zijn vader. "Flink heeft u iets +te zeggen. Ik wil zoolang hier blijven." + +Onze jonge vriend vervoegde zich bij Flink, die hem in korte woorden +met den toestand bekendmaakte, waarin zij zich thans bevonden. Hij +bracht hem onder het oog, hoe noodzakelijk het was dat hij alles +beproefde wat in zijne macht stond, om zijn vader en hem (Flink) +te ondersteunen en zijne moeder in haar lijdenden toestand niet te +verontrusten. Gelijk natuurlijk is, maakte, wat hij hier hoorde, +op Willem een diepen indruk, doch hij vatte toch spoedig weer moed +en beloofde in alles zijn best te zullen doen. + +"Maar, Flink," zeide hij, "de hofmeester, weet ge, is nu met de +anderen weg, en als moeder wakker wordt, zal hare eerste vraag zijn, +of wij al ontbijt gehad hebben. Wat kan ik doen?" + +"Dat weet ik niet; maar mij dunkt, ge kunt eene van de geiten melken, +als ik u dat voorgedaan heb, en onderwijl wil ik voor het verdere +zorgen. Ik kan wel eens van het dek, want het schip stuurt nu zichzelf +vrij goed.--En, Willem, ik heb juist voordat gij kwaamt, naar het +water omgezien en geloof, dat wij niet veel meer inkrijgen. En," +vervolgde hij en liet zijne oogen in het rond gaan, "wij zullen goed +weer krijgen en ook nog voor den nacht eene kalme zee." + +Daar beiden elkander hielpen, was het ontbijt spoedig gereed, terwijl +mevrouw Wilson nog voortdurend in een gezonden slaap lag. De beweging +van het schip was thans zeer gering, daar het ingedrongen water zijn +diepgang aanmerkelijk had doen toenemen. Zee en wind waren bedaard +en de zon scheen helder en verwarmend aan den hemel. De boot had men +reeds eenigen tijd geheel uit het gezicht verloren en het wrak stuurde +zacht, niet sneller dan drie mijlen in het uur, door het water heen, +want het had slechts een enkel zeil, het groote bramzeil namelijk, +dat men op den stomp van den fokkemast had bijgezet. + +Flink was voor eenige oogenblikken in de kajuit gegaan en sloeg +mijnheer Wilson voor, Juno met de drie kleinen op het dek te +zenden. "Het verveelt hen, hier zoo stil te zijn," zeide hij; +"en daar mevrouw eindelijk eens gerust slaapt, zou het jammer zijn, +haar te wekken. Daar zij zooveel geleden heeft, kan haar slaap nog +wel eenige uren aanhouden, en hoe langer, hoe beter, want zij zal +hare krachten misschien spoedig noodig hebben." + +Mijnheer Wilson keurde dezen voorslag goed en ging met Juno en de +kinderen op het dek, terwijl hij Willem achterliet, om bij zijne +moeder te waken. De goede negerin was uiterst verbaasd, toen zij de +trap opkwam en den staat van het schip en de afwezigheid der matrozen +ontdekte; doch haar meester verhaalde haar wat er was voorgevallen, met +de ernstige vermaning, om er zijne vrouw geen woord van te zeggen. Juno +beloofde dit, ofschoon het arme meisje wel bemerkte in welk gevaar +men verkeerde, en toen zij den kleinen Albert aan hare borst drukte, +rolden haar twee zware tranen over de wangen neer. Zij dacht daarbij +niet aan zichzelve, maar wat er van dat lieve kleine schaap worden +moest. Zelfs Thomas en Caroline konden niet nalaten te vragen, waar +de masten en zeilen gebleven waren en waarom kapitein Osborn hun niet +wat lekkers bracht. + +"Zie, zie daar ginder eens, mijnheer!" riep Flink en wees naar een +hoop drijvend zeewier. + +"Ik zie het wel," was het antwoord; "maar wat zou dat?" + +"Dat alleen zou op zichzelf nog niet veel beteekenen," hernam Flink; +"maar wij zeelieden hebben nog andere merkteekenen, waarop wij +afgaan. Ziet gij ginder die vogels wel over het water heenstrijken?" + +"O ja, zeer duidelijk." + +"Welnu, die vogels begeven zich nooit ver van land. Thans begrijpt +ge wat ik meen.--En nu, mijnheer, ga ik mijn octant eens halen en +al kan ik onze lengte nog niet dadelijk vinden, zoo kan ik toch de +breedte wel bepalen. Als wij de kaart raadplegen, kunnen wij dan wel +ongeveer gissen, waar wij zijn, als wij eens land voor ons zien. Het +is nu omtrent middag," vervolgde Flink, terwijl hij zijne berekening +maakte; "de zon rijst heel langzaam.--Zoo'n kind is toch een gelukkig +schepsel! Zie eens, mijnheer, spelen uwe kleintjes daar niet zoo +vroolijk, alsof er geen gevaar in de wereld was en ze thuis in de +kinderkamer waren? Ofschoon er niets is, dat mij meer leed doet, +als het gebeurt denk ik toch vaak, mijnheer, dat het een werkelijk +geluk voor zulk een wicht is, als het al vroeg wordt weggenomen en +dat de ouders niet goed doen, daar zoo bitter over te klagen." + +"Gij kunt gelijk hebben," gaf de vader ten antwoord en wierp daarbij +een treurigen blik op zijne lievelingen. + +"Het is twaalf uren, mijnheer. Ik ga beneden gauw onze breedte +berekenen en zal dan de kaart hier meebrengen." + +Mijnheer Wilson bleef boven. Spoedig was hij in diepe, sombere +gedachten verzonken. Geen wonder ook! Het schip een zinkend, +verlaten wrak,--hij alleen op de breede watervlakte met vrouw en +kinderen,--niemand tot zijnen bijstand dan een enkel mensch: en had +ook deze ééne hem eens verlaten, gelijk de overigen deden, wat ware +dan waarschijnlijk zijn lot geweest? De uiterste hulpeloosheid. En +nu, wat hadden ze nu te hopen? Hunne stoutste hoop was, nog eenig +eiland te bereiken en, gelukte dit, wellicht was het dan een woest +eiland, misschien zelfs wel door wilden bewoond.--Wat was dan het +vooruitzicht?--Vermoord te worden of van honger en dorst om te +komen! Of gesteld ook, dat zij de middelen tot hun levensonderhoud +vonden, wat dan nog? Zouden zij hun leven daar slijten moeten en +onbekend en onbemerkt wegsterven? Het was eerst nadat hij deze treurige +gedachten als met geweld had verbannen, dat de bedrukte man gevoelde +moed te bezitten, om elke beproeving, die hem nog verder mocht worden +opgelegd, als man door te staan. + +"Hier is de kaart, mijnheer," riep Flink. "Ik heb met eene +potloodstreep onze breedte aangeduid. Zooals gij ziet, gaat zij juist +midden door deze groep eilanden, en, naar 't mij voorkomt, moeten wij +er op dit oogenblik reeds tusschenin of er althans niet ver meer af +zijn. Nu wil ik zorgen, dat wij vanmiddag iets te schaften krijgen, +en dan moeten wij op den uitkijk, of zich ook land vertoont. Wilt gij +onderwijl uwe oogen maar gebruiken, vooral naar voren en lijwaarts +uit?" + +De onvermoeide man ging zien, wat hij voor den maaltijd bijeen +kon brengen; en gebrek daaraan bestond er niet, daar de matrozen +bij hun vertrek slechts weinig en wat het naast bij de hand lag +hadden meegenomen. Weldra vond hij een stuk pekelspek en eenige +aardappelen, die hij in de braadpan legde en waarvan hij zich een +voor de omstandigheden kostelijk gerecht beloofde. + +Mijnheer Wilson stond nog voorop en zag over den boeg uit, toen de +stuurman weer bij hem kwam. + +"Flink, mij dunkt, ik zie iets, doch ik kan niet met zekerheid zeggen, +wat het is. Het schijnt in de lucht te hangen en toch kunnen het geen +wolken zijn. Zie eens, dáár, waar ik met den vinger heen wijs." + +"Gij hebt gelijk, mijnheer," riep Flink; "daar is iets. Het is niet +het land, dat gij ziet, maar 't zijn boomen, die weerkaatst worden, +gelijk men het noemt, waardoor het den schijn heeft, of zij in de +lucht zweefden. Dit is een eiland; gij kunt daar staat op maken. Ik +ga mijn kijker halen en dan zullen wij meer zien." + +"Het is werkelijk land mijnheer," verzekerde hij, na het door zijn +kijker te hebben opgenomen.--"Ja, ja, het is zoo," ging hij nadenkend +voort. "Ik wenschte, dat wij het vroeger ontdekt hadden; en toch +moeten wij dankbaar zijn." + +"Hoe zoo, Flink?" + +"Ik meen maar.... daar het schip zoo langzaam over het water glijdt, +vrees ik, dat wij de kust niet voor den donker halen zullen, en ik +had die liever nog bij daglicht bereikt, om eene gunstige plaats tot +stranden te kunnen kiezen." + +"Er is weinig wind op dit oogenblik." + +"We willen dan hopen, dat we wat meer krijgen," antwoordde Flink; +"zoo niet, zullen we toch ons best doen. Maar nu is mijne plaats +aan het roer, want wij moeten recht op het eiland aanhouden. Het +te laten liggen gaat niet, want ofschoon het schip niet zooveel +water meer maakt, als het gedaan heeft, wil ik u toch wel zeggen, +dat het zich bezwaarlijk vierentwintig uren meer boven zal kunnen +houden. Toen ik dezen morgen in het ruim peilde, dacht ik anders, +maar daareven, bij het halen van het vleesch, ontdekte ik, dat wij +in grooter gevaar verkeeren, dan ik had geloofd. Het land ligt daar +nu echter vóór ons en wij hebben alle hoop." + +"Gelukkig!" sprak mijnheer Wilson. + +Flink begaf zich aan het roer en richtte den koers recht op de kust, +die niet zoo ver af lag, als men in den beginne geloofd had, daar het +eiland zeer laag en vlak bleek te zijn. Van lieverlede verhief de wind +zich eenigermate en dreef het schip rasscher voort. Aldra zag men de +boomen, die eerst in de lucht schenen te zweven, te gelijk met het +land en kon men dit als een laag, met groepen van kokosboomen overdekt +koraaleiland onderscheiden. Van tijd tot tijd vertrouwde Flink het +roer aan mijnheer Wilson toe en ging naar voren, om door zijn kijker +te turen. Toen zij nog drie of vier mijlen van land verwijderd waren, +kwam Flink van den bak terug en riep: "Ik geloof mijn weg nu vrij +duidelijk voor mij te zien. Ge ziet, we zijn loefwaarts van het eiland +en zulke koraalbanken hebben dáár altijd diep water, maar de klippen +en ondiepten aan lij. We moeten de eene of andere kleine kloof in het +koraal opzoeken en het schip daar doorheen brengen, omdat het anders +licht weer van den grond afraakt en in het diepe water terugvalt. Mij +dunkt, ik heb al een plek in 't oog, waar ik het schip veilig op het +droge kan zetten. Gij ziet daar die kokosboomen dicht bij elkander op +het strand? Welnu, mijnheer, ik kan ze niet goed zien, terwijl ik het +roer houd, maar ga gij naar voren en let wel op. Moet ik meer rechts +sturen, steek dan de rechter-, meer links, steek dan de linkerhand op +en zijn wij in de juiste richting, dan laat gij de hand weer zakken." + +"Ik begrijp u volkomen," antwoordde mijnheer Wilson, die nu naar +voren ging en den koers bedachtzaam aangaf. Zoo kwam men allengs +nader. Op eene halve mijl afstands van de kust verkreeg het water +eene andere kleur, waarover Flink zich zeer verheugde, doordien hij +daaruit afleidde, dat de oever in dit geval minder steil dan gewoonlijk +zijn zou. Niettemin was het toch een beangstigend gevoel, zoo op een +geheel onbekend strand aan te loopen. Nog slechts eene kabelslengte +waren zij daarvan af en nog schuurde het schip den grond niet. Nog wat +verder en een dof gekraak steeg uit de diepte op, 't was het breken en +afbrokkelen der koraalboomen, die in gansche wouden onder het water +voortwassen.--Toen opnieuw een gekraak, doch ditmaal sterker dan +eerst;--toen herhaalde malen eene slingerende schommeling;--toen een +schok, een stoot, die het wrak, nu de branding het voor de laatste +maal in de hoogte beurde, tot in zijn binnenste deed sidderen en +kreunen;--toen bleef het vast en onbeweeglijk zitten. Flink liet het +roer varen, om zich van de ligging van het schip te overtuigen. Hij +zag over den boeg naar alle zijden rond en bevond, dat het geteisterd +wrak van het zoo trotsche schip De Vrede op een bed van koraalklippen +roerloos vastzat. + + + + + + + +ACHTSTE HOOFDSTUK. + +TROOST IN HET ONGELUK. + + +Nauwelijks was dit gebeurd, of Willem kwam uit de kajuit aanloopen +en riep: "Vader, moeder zendt mij bij u. Zij is wakker geworden door +het gekraak van het schip en zeer ontsteld. Wilt gij niet eens bij +haar komen?" + +"Ja, mijn beste jongen, dadelijk," was het antwoord. + +"Wat is er dan toch, lieve, en waar zijt gij allen geweest?" riep +mevrouw Wilson, toen haar man voor haar bed trad. "Ik ben zoo geweldig +verschrikt:--ik lag gerust in slaap en werd door een vreeselijk +leven gewekt." + +"Wees gerust, lieve," antwoordde haar echtgenoot. "Wij hebben in groot +gevaar verkeerd, maar thans, hoop ik, zijn wij behouden. Zeg mij, +voelt gij u niet beter na uwe lange rust?" + +"O ja, veel beter--veel sterker; doch zeg mij toch, wat er gebeurd is." + +"Veel, veel, beste vrouw, reeds voordat gij in slaap waart. Wij hebben +'t voor u geheim gehouden; maar thans, nu wij denkelijk spoedig aan +land zullen gaan--..." + +"Aan land gaan?" + +"Ja, aan land. Welnu, wees maar bedaard en laat mij u vertellen, wat +er al is voorgevallen en hoezeer wij reden hebben om dankbaar te zijn." + +Mijnheer Wilson gaf nu een nauwkeurig verslag van al het tot dusver +gebeurde. Zijne vrouw hoorde hem aan zonder een woord te spreken, +maar toen hij geëindigd had, zonk zij in zijn armen en weende +bitterlijk. Hij deed alles om haar te troosten, tot eindelijk Juno +met de kinderen terugkwam, want het was vrij laat geworden. + +"Nu, mijnheer," riep Flink, toen de heer Wilson weer bij hem op het +dek kwam, "ik heb eens goed rondgekeken en vind, dat wij alle reden +hebben om blij en dankbaar te zijn. Het schip ligt vast genoeg en zal +zich niet verroeren, totdat er een nieuwe storm komt en het in stukken +slaat. Zoo iets is echter vooreerst niet te vreezen. De weinige wind, +die er nu nog is, gaat langzamerhand liggen en nog vóór den dag van +morgen zullen wij volmaakt stil weer hebben." + +"Ik geef toe, Flink, dat er geen dadelijk gevaar is; maar hoe zullen +wij aan wal komen--en, zijn wij daar, waarvan in de toekomst leven?" + +"Ook daarover heb ik nagedacht en ik zal uw en zelfs Willems +bijstand verzoeken, om de kleine boot aan boord te krijgen, waar ik ze +kalefateren kan. De kiel is beschadigd, maar ik heb het timmermanswerk +meer bij de hand gehad en met wat dik geteerd zeildoek zal ik haar +wel zoo waterdicht maken, dat zij ons allen veilig aan land brengt." + +"En als wij nu aan land zijn?" + +"Ei, mijnheer, waar kokosboomen in zoo groote menigte voorhanden zijn, +als op het eiland vóór ons, is zeker geen hongersnood te vreezen, zelfs +als wij niet nog al den proviand van ons schip hadden. Leelijker zal +het er licht met het water uitzien, want het eiland is laag en smal; +maar een mensch kan ook niet verwachten alles altijd zoo te vinden, +als hij het juist wenscht." + +"Ik dank den hemel voor onze aanvankelijke redding, mijn vriend; maar +heb toch nog altijd een gevoel van onrust in mijne borst, dat ik niet +meester kan worden. Wij hebben hier zulk een woest eiland voor ons, +dat misschien nooit door een ander schip wordt aangedaan, zoodat er +weinig hoop voor ons is, om het ooit weer te kunnen verlaten. Hier +zullen wij leven en sterven,--hier zullen mijne arme kinderen +opgroeien--ja zelfs oud worden, nadat zij u en hun vader en moeder +begraven hebben, en dan zullen zij die volgen in hetzelfde graf. Al +hunne vooruitzichten en ook de mijne--ze zijn verijdeld,--al mijne +verwachtingen teleurgesteld. O, het is een treurig, ja een wreed lot, +Flink! Moet gij dat zelf niet erkennen?" + +"Mijnheer Wilson, in vergelijking met u ben ik een oud man, en als +zoodanig mag ik wel zeggen, dat gij u ondankbaar toont, wanneer gij op +die wijze aan uwe smart toegeeft. En bovendien, wie weet of uit het +schijnbaar kwaad niet nog veel goeds voor ons kan voortvloeien? Gij +spreekt daar van uwe kinderen en hunne vooruitzichten, mijnheer; maar +kunt gij wel zeggen, wat hun lot zou geweest zijn, als zij Sidney +gelukkig bereikt hadden? Hoevele kinderen geven aanleiding tot de +schoonste verwachtingen! En als zij tot rijpheid komen, vervullen zij +dan altijd de hoop hunner ouders? Vergeef mij, mijnheer Wilson, ik +hoop U niet beleedigd te hebben, maar waarlijk, ik voel mij verplicht +zoo te spreken, als ik gedaan heb." + +"Gij hebt mij met volle recht bestraft, Flink, en van ganscher harte +dank ik u daarvoor," antwoordde de ander en drukte den zeeman diep +bewogen de hand. "Ik wil niet langer klagen, neen; ik wil mij, zoo +goed ik kan, aan mijn lot onderwerpen. Ik moet mij van nu af onder +uwe orders stellen; want in onzen tegenwoordigen toestand zijt gij +mijn meerdere: kennis en ervaring is hier zooveel als macht. Kunnen +wij vandaag nog iets doen?" + +"Ik wel, mijnheer Wilson, maar gij kunt mij morgen vroeg eerst +helpen. Ofschoon neen, wacht--gij kunt mij deze twee spieren nog naar +'t achterdek helpen dragen; dan kan ik een bok opzetten en alles +voor morgen klaarmaken, om de boot in te zetten. Gij ziet zelf, met +zoo weinig armen aan boord en zonder masten, moeten we onze eigen +krachten wel beproeven." + +De heer Wilson deed wat van hem verlangd werd. "Ga thans gerust naar +beneden, mijnheer," zeide Flink; "maar laat Willem vooral de honden +losmaken en hun wat te eten geven. De arme dieren hebben wij immers +geheel vergeten. Ik zal van nacht wacht houden, want ik heb nog veel +te doen en te overleggen; en dus wel te rusten, mijnheer." + +Toen Flink alleen was, bond hij de spieren van boven stevig aan elkaar +vast en maakte een takel gereed voor den volgenden morgen. Nadat +dit verricht was, zette hij zich op een der kippenhokken neder en +verzonk in gepeins. In 't eind door waken en vermoeienis uitgeput, +viel de oude man in diepen slaap. Met het aanbreken van den dag werd +hij gewekt door de honden, die, door Willem losgelaten en nadat ze +in het schip de ronde gedaan en niemand gevonden hadden, weder naar +de kajuit waren teruggekeerd en voor de deur waren ingeslapen. Toen +zij met zonsopgang weer op het dek kwamen en daar den ouden Flink op +het hoenderhok slapende vonden, sprongen zij bij hem op en likten hem +vol blijdschap de handen en het gezicht. "Aha," zeide de oude man, +terwijl hij van zijn hard leger opstond, "gij zult alle drie van +nut zijn, verbeeld ik mij. Koest Viven, koest--arme dier! Gij hebt +een goeden meester verloren, naar ik vrees." "Stil--laat mij nu eens +zien," vervolgde hij, in zichzelf sprekende. "Eerst,--maar ik wil de +lei en een stuk krijt halen en alles opschrijven; want mijn geheugen +is niet zoo goed meer als in mijne jonge jaren." + +Flink legde de lei op het hoenderhok en schreef daar toen met krijt +op: "drie honden, twee geiten en Billy; de big (ik meen, dat wij +vijf varkens hadden in 't geheel; hoenders die zijn er genoeg); +drie of vier paar duiven (zooveel zeker); (de koe is gaan liggen en +zal wel niet meer opstaan;--dan moeten wij haar slachten); dan het +paar merino-schapen, dat mijnheer Wilson toekomt. Aan levend vee dus +geen gebrek. Nu--wat hebben we eerst noodig, als we allen aan wal +zijn?--Een spier en het groot-bramzeil tot een tent, of twee trossen, +een paar matrassen voor mevrouw en de kleinen, twee bijlen, hamer, boor +en spijkers; wat te eten--ja en ook wat om dat te snijden.--Ziezoo, +dat is voor een gezin genoeg," besloot Flink zijne alleenspraak. "Nu +wil ik schielijk vuur aanmaken, 't water overhangen en, daar ik dat +toch heb, een paar stukken rund- en varkensvleesch koken om mee aan +land te nemen. Dan wil ik mijnheer roepen, want ik reken, dat wij +een zwaren werkdag in het vooruitzicht hebben." + + + + + + + +NEGENDE HOOFDSTUK. + +HET EILAND. + + +Zoodra Flink het voorgenomene verricht en de dieren gevoederd had, +ging hij in de kajuit en wekte vader en zoon. Met vereenigde krachten +werd de bok opgericht en vastgezet; vervolgens haakte men de boot in, +maar om deze onbeschadigd over het boord te hijschen, werd nog de +hulp van een vierden persoon vereischt. + +"Willem, loop schielijk naar Juno en zeg haar, dat zij op het dek +moet komen, om ons te helpen;--wij moeten allen de handen uit de mouw +steken! Uw moeder zal de kleinen wel een poosje bij zich nemen." + +De knaap was in een ommezien met Juno terug, die eene sterke meid +was en braaf hielp om de boot uit te zetten, waarna zij naar de +kajuit terugkeerde. + +De boot werd onderstboven gekeerd en Flink begon zijn arbeid, terwijl +mijnheer Wilson den teerpot op het vuur zette en alles gereedmaakte, +om het zeildoek, zoodra 't was opgespijkerd, behoorlijk te teren. Het +liep reeds tegen den middag, toen Flink, die er duchtig op los hamerde, +met het lappen der boot klaar kwam. Nu moest hij die nog met zeildoek +bekleeden, dat vooraf door en door goed met teer was doortrokken. + +"Zoo, denk ik, zal het wel gaan, mijnheer," zeide hij. "Wij moeten +haar nu naar den valreep brengen en in zee laten. Het is een geluk +voor ons, dat zij de verschansing al vroeger weggenomen en ons daardoor +nu vrij wat moeite bespaard hebben." + +Er werd een touw aan de boot vastgemaakt. Vervolgens werd zij door de +beide mannen met vereende krachten neergelaten en scheen, tot hunne +groote blijdschap, slechts weinig water in te laten. + +"Wat dunkt u nu 't best, mijnheer: zullen wij eerst de kinderen of +liever vooraf het noodzakelijkste aan land brengen?" + +"Hoe denkt gij daar zelf over, Flink?" + +"Ik? Ei, mij dunkt, daar het water nu zoo glad als een spiegel is en +wij ook overal landen kunnen, moesten gij en ik maar eerst overroeien, +om de kust eens op te nemen. Het is slechts een klein tochtje en zal +ons weinig tijd doen verliezen." + +"Zeer goed, Flink; maar eerst wil ik dat even aan mijne vrouw gaan +zeggen." + +"En in dien tusschentijd zal ik het zeil en eenige andere dingen in +de boot brengen; dan gaat er geen tijd verloren." + +Flink haalde het zeil, eene bijl, een geweer en eenig +touwwerk. Mijnheer Wilson was spoedig terug. Toen lieten zij zich +zakken in de boot en roeiden naar het land. + +Bij het betreden van den wal bevonden zij, dat zij van het binnenste +van het land niets zien konden, wijl de kokosboomen overal zoo dicht +stonden. Aan hunne linkerhand echter, op ongeveer een vierde mijl +afstands, ontdekten zij eene kleine zandige bocht, geheel omgeven +met struikgewas, dat zich tot aan het hooge woud uitstrekte. + +"Daar," riep Flink, met den vinger er heen wijzende, "daar is onze +plaats. Laat ons weer in de boot gaan en er heen roeien; het is een +korte afstand voor ons, maar zou een lange weg zijn, indien wij ons +goed er naar toe moesten sleepen." + +In weinige minuten bereikten zij de bocht; het water had weinig diepte +en was zoo helder als kristal, zoodat zij de fraaiste schelpen op den +bodem ontdekten en zagen hoe de visschen in alle richtingen vroolijk +voortschoten. + +Het vlakke oeverzand liep bij de vijftig passen landwaarts in en +dan nam het kreupelbosch een aanvang, dat zich, met hier en daar een +enkelen kokosboom daartusschen, bijna even ver uitstrekte, tot het +ten laatste het hooge woud bereikte. Na weinige riemslagen schuurde +de boot het witte zand en zij stapten aan wal. + +"Welk eene heerlijke plek is dit!" riep de heer Wilson; "en wellicht +werd zij nog nooit door een sterveling betreden." + +"Zoo gij het goedvindt," antwoordde Flink, "willen wij het bosch een +eind weegs ingaan. Neem echter het geweer mede, mijnheer. Niet, dat +er veel kans is, dat wij het noodig zullen hebben; men vindt zelden +een wild dier op deze kleine eilanden, of 't mochten soms een paar +zwijnen zijn, er vroeger aan land gezet,--maar men kan toch niet te +voorzichtig zijn. Ik heb vroeger met een kapitein gevaren, die zelden +een woest eiland aandeed, zonder er een paar biggen of eenig ander +gedierte tot aanfokking achter te laten, voor 't geval, dat eens een +mensch daar schipbreuk lijden mocht. Een mooie trek, niet waar?" + +"Dat was het zeker, vriend. Ziehier het bosch dan; wat wilt gij nu?" + +"Ik zag naar eene plek uit, om voor het oogenblik eene tent op +te slaan, mijnheer, en geloof, dat deze kleine hoogte daartoe wel +geschikt is, totdat wij verder onderzoek doen en een betere woonstee +vinden kunnen. Nu dadelijk hebben wij echter geen tijd, want wij dienen +nog vrij wat riemslagen te doen, voordat het avond wordt. Mij dunkt, +wij moesten het zeil en het andere goed nu eerst maar aan wal brengen +en dan weer naar boord gaan." + +Onder het terugroeien naar het wrak, zeide Flink: "Daar bedenk ik, +mijnheer, wat mogelijk wel het best zal zijn. Mevrouw zal zich toch +niet al te ongerust maken, als gij niet bij haar zijt?--Zoo niet, +zou ik zeggen, dat wij Juno en den kleinen Thomas eerst aan land +moesten brengen, omdat zij daar dadelijk van dienst kunnen zijn." + +"Ik geloof niet, dat zij zich beangst zal maken, als wij haar met +Willem en de kinderen aan boord achterlaten, wanneer ik maar weer +bij haar ben, als zij met het kleintje het schip verlaat." + +"Welnu, zooals gij goedvindt, mijnheer. Wij laten Willem dus aan +boord en ditmaal zet ik Juno met den kleinen Thomas over. Ook wil +ik daarbij de honden niet vergeten; zij kunnen tot onze bescherming +strekken, ingeval er iets gebeuren mocht. Terwijl gij met Juno aan +land dan bezig zijt, roei ik terug en haal de andere dingen, die wij +voor een begin noodig hebben." + +Terstond toen zij op het schip aankwamen, snelde mijnheer Wilson +naar zijne vrouw om haar door het verhaal van wat zij gezien hadden +te verblijden, en verkreeg ook gereedelijk hare toestemming tot +het door Flink ontworpen plan. Terwijl de heer Wilson beneden was, +had Flink de beide spieren, waaruit de bok bestond, losgebonden en +ze in 't water neergelaten, om ze aan een stuk touw aan de boot met +deze naar den oever te boegseeren. Een paar minuten later verscheen +Juno met Thomas op het dek. Flink pakte nog eenig timmergereedschap +benevens een paar spaden in de boot, haalde ten laatste de honden nog, +en voor de tweede maal landden zij in de zandige bocht. Thomas staarde +langen tijd als verbijsterd rond, maar sprak geen woord, totdat hij +aan het strand eenige bonte schelpen ontdekte, waarover hij luide +juichkreten aanhief en die hij met beide handen begon op te rapen. De +honden blaften en liepen in hun blijdschap, dat zij eindelijk weer op +vasten grond waren, als dol en uitgelaten heen en weer. Ook Juno lachte +en klapte in de handen, toen zij in het rond zag, en zeide tot Flink: +"Wat ijselijk mooi land hier is, hier ikke wel wonen wil." + +"Nu zal ik een tijdlang met u aan land blijven, mijnheer Wilson," +zeide de oude zeeman. "Eerst willen wij het geweer laden, en dan moet +gij dien kleinen jongeheer eens terechtzetten, die merk ik, alles +met handen voelen en tasten moet. Wij met ons beiden zullen het zeil +hierheen dragen; Juno kan het gereedschap nemen, en dan hebben wij +nog eene vracht aan de spieren, het touw en wat wij meer vinden. Kom, +kleine handjegauw, gij kunt althans een van de spaden dragen en dan +zijt gij toch ook tot iets nut. Geen van ons mag vandaag luieren." + +Na eene lading op de kleine, vroeger door Flink gekozen hoogte gebracht +te hebben, keerden zij naar het strand terug en haalden de spieren +en het verdere gereedschap. Thomas droeg deze tweede reis de andere +schop en was niet weinig trotsch, dat men hem zoo goed gebruiken kon. + +"Deze beide boomen zijn volmaakt tot ons doel geschikt," zeide Flink, +"en staan ook juist ver genoeg van elkander. Wij moeten de spieren +daar bovenaan vastbinden en dan het zeil daarover werpen, dat hierop +aan weerszijden met pinnen in den grond wordt vastgemaakt. Dat is +althans voldoende voor een begin; de volgende reis breng ik nog meer +zeildoek over en dan maken wij tusschen gindsche twee boomen nog een +tweede tent. Dan hebben we voor 't minst toch onze twee tenten: de +eene voor mevrouw, Juno en de beide jongens, de andere voor Willem, +onzen knappen Thomas hier en ons beiden. Nu, mijnheer, zal ik u de +spieren nog helpen vastmaken. Het overige moet ik dan aan uw eigen +zorg overlaten, om spoedig weer aan boord terug te zijn." + +"Hoe kunnen wij echter zoo hoog reiken, Flink?" + +"Wel, dat is zeer eenvoudig. Wij binden eerst de eerste spier zoo +hoog als wij met gemak doen kunnen; dan klimmen wij daarop en brengen +de volgende waar zij behoort. Ik zal nog eene spier aan wal brengen, +die voor de tweede tent kan dienen." + +Zoodra de spier op de vereischte hoogte vastzat, wierpen zij het +zeil daarover en bij het uitbreiden daarvan bevonden zij, dat zij +eene zeer bruikbare tent van behoorlijke hoogte verkregen hadden. + +"Nu, mijnheer, ga ik weer naar boord. Gij kunt inmiddels van het hout +daar prikken snijden en het zeil daarmee in den grond vastslaan. Als +gij dan met de schop den tentrand met zand bedekt, dat de einden +neerdrukt, zal alles redelijk goed sluiten. Hier is mijn mes, zoo +gij er zelf geen bij u hebt." + +"Ik zal in alles mijn best doen," verzekerde mijnheer Wilson. "Als +ik zoover ben, kan Juno mij het doek vast helpen aantrekken." + +"Goed; en onderwijl neemt Juno eene schop en maakt den grond onder +de tent schoon en effen, ruimt alle dorre kokosbladeren weg en ziet +daarbij wel toe, dat er niet het een en ander ongedierte onder schuilen +blijft. Gij kleine Tom, moet niet wegloopen en moogt ook niet bij de +bijlen komen, want zoodra ge die aanraakt, snijden ze u. Ook moeten +wij afspraak maken, mijnheer, dat gij, zoodra u iets overkomt en gij +mij noodig hebt, dadelijk het geweer lost. In een oogenblik ben ik dan +bij u. Maar dat is wel niet waarschijnlijk," besloot Flink eindelijk, +ging naar de baai, stapte in de boot en roeide naar het schip terug. + + + + + + + +TIENDE HOOFDSTUK. + +LANDING. + + +Na zijne komst aan boord ging Flink eerst in de kajuit, om mevrouw +Wilson te vertellen wat er al gedaan was. Deze was natuurlijk +eenigszins bezorgd, dat haar man zoo alleen was achtergebleven; maar +Flink stelde haar weder gerust en zeide haar, hoe hij met mijn heer +Wilson was overeengekomen, dat deze bij het geringste onraad door +het losbranden van zijn geweer een teeken geven zou. + +Hierop begaf hij zich naar de zeilkooi, om eenig doek, een nieuw +bramzeil benevens bindtouw, naalden en zeilgaren te halen. Nauwelijks +had hij dit opgepakt, toen op eens, juist toen hij zijn voet op de +trap zette, de knal van een geweer gehoord werd en mevrouw Wilson, +doodelijk verschrikt, uit de kajuit kwam vliegen. De oude man nam +oogenblikkelijk een ander geweer, liet zich daarmee in de boot +afzakken en repte zich, wat hij kon, naar de kust. Toen hij geheel +buiten adem aanlandde, vond hij mijnheer en Juno aan de tent bezig, +Thomas zat daarbij en schreide en snikte al zijn best. Gelijk nu bleek, +was de kleine deugniet, terwijl de anderen druk aan 't werk waren, +naar het geweer geslopen, dat men tegen een boom had gezet. Na het +een poosje van alle kanten bekeken te hebben, kwam hij met de hand +aan den trekker. Het schot viel. Daar echter de tromp van 't geweer +gelukkig naar boven gericht was, deed het niemand schade, ofschoon +het den kleinen schutter toch duur te staan had kunnen komen,--en +wee onzen Thomas, als die hem op het hoofd ware gevallen! Hij zou +er dood onder gebleven zijn. Zijn vader, die wel begrijpen kon wat +ontsteltenis dat schot aan boord veroorzaken moest, had hem duchtig +onder handen genomen, en daar zat Thomas nu en schreide tranen met +tuiten, om te toonen, hoe bitter berouw hij had. + +"'t Zal wel het best zijn, dat ik dadelijk terugroei en mevrouw zeg +wat hier gebeurd is," zeide Flink. + +"Ja, doe dat, mijn goede vriend," bad mijnheer Wilson hem. + +Dus keerde de oude man naar het schip terug en berichtte het +voorgevallene. Vervolgens ging hij aan zijn arbeid. Vooreerst liet +hij des zeilmakers zak met al het noodige, als priemen, garen, +enz., in de boot neer, vervolgens twee matrassen en beddedekens uit +de bovenkajuit, de bakpan met het pekelvleesch en eindelijk nog een +spier, die hij weder achter aan de boot vastmaakte. Daarmee had hij +zijne lading overvol; doch daar hij anders geen volk inhad, kwam +hij nog al spoedig over. De twee aan land hielpen hem alles naar de +hoogte overbrengen en hier werd de nokbalk der tweede tent spoedig +aan twee andere boomen vastgehecht. Juno had de eerste tent van binnen +netjes schoongemaakt en daarbij, naar zij verzekerde, geenerlei dier +of insect onder het dorre loof gevonden. Voordat Flink vertrok, gaf +hij Thomas een stok in de hand en zeide hem op het vleesch te passen +en toe te zien, dat de honden daar niet bij kwamen; waarop Thomas, +die al weer in vroolijk humeur was, zijn stok schouderde en zoo +parmantig op schildwacht stond als een oud grenadier. + +Onze stuurman roeide nog tweemaal naar het schip en bracht meer +beddegoed, een zak met scheepsbeschuit, een tweeden met aardappelen, +borden, messen, lepels, vorken en allerlei keukengereedschap van +daar mede. Hierop wees hij Juno, hoe zij de einden van de eerste +tent met het garen en 't zeildoek, dat hij had meegebracht, aaneen +moest hechten; zoodat de tent rondom dicht en goed gesloten werd; en +Juno nam naald en draad en piekte er dapper op los. Uiterst voldaan, +dat het meisje zoozeer haar best deed en zich zonder vreemde hulp +redden kon, zei Flink ten laatste: "Mijnheer, wij hebben nog maar +twee uren dag en het begint dus tijd te worden, dat ook mevrouw van +het schip komt. Als ge 't goedvindt, willen we gaan en haar met de +kinderen halen. Voor den eersten nacht aan land zullen wij het, denk +ik, vrij goed hebben. Zoo 't weer goed blijft, kunnen wij morgen een +heel stuk verder komen,--en waarlijk, 't is noodig dat wij, zoolang +het zóó blijft, ons uiterste best doen, om alles aan wal te krijgen, +daar één duchtige storm het wrak waarschijnlijk geheel in stukken +zal slaan. Ik heb alles zelf mee in het ruim helpen stuwen en weet +de meeste dingen daar te vinden ofschoon wij er, vrees ik, niet veel +meer uit zullen krijgen, dat ons van dienst kan zijn." + +Aan boord gekomen, ging mijnheer Wilson zijne vrouw dadelijk het +voorstel doen, om thans mee aan land te gaan. Zij was zeer aangedaan en +nog zwak en ongesteld, maar toch hield zij zich recht moedig en kwam, +ondersteund door haar man, op het dek, waarheen Willem met zijn kleine +broertje op den arm volgde, terwijl Flink zijne zuster Caroline aan +de hand leidde. Het koste vrij wat moeite om allen goed in de boot te +krijgen; maar dit gelukte toch eindelijk. De arme vrouw was echter +zoo zwak, dat haar man haar in zijne armen overeind moest houden en +zijn riem aan Willem overgeven. Zij landden gelukkig en brachten de +zieke in de tent, waar men haar op een der bedden nederlegde. Zij +verzocht om een weinig water. + +"En ik, oude domkop, heb vergeten dat mee te nemen; doch ik ga het +terstond halen," riep Flink. "Zoo druk allen mogelijken voorraad +over te slepen en toch het allernoodzakelijkste voor den mensch te +vergeten! Wij moeten zoo spoedig mogelijk hier op dit eiland naar +water omzien daar dit ons vrij wat moeite kan besparen." + +Flink keerde zoo snel mogelijk naar boord terug en bracht twee vaatjes +water mede, welke hij en Willem naar de tent rolden. + +"Voor vandaag heb ik nu mijne laatste reis gedaan," zeide de oude +man. "Ik ben moe--doodmoe." + +"Dat geloof ik wel, mijn goede vriend," antwoordde mijnheer +Wilson. "Gij hebt vele nachten achtereen gewaakt en over dag hard +gearbeid. Aan verder werk moet gij heden niet meer denken." + +"En ik heb geen eten geproefd vandaag en zelfs geen druppel water +over mijne lippen gebracht," vervolgde Flink en zette zich op den +grond neder. + +"Hoe is het, beste Flink, zijt gij niet wel?" vroeg Willem. + +"Een beetje flauw, mijn jongen; ik ben niet meer zoo jong als +vroeger. Kunt ge mij wat water aanreiken?" + +"Wacht, Willem, dat zal ik doen," zei zijn vader en haalde een tinnen +kan, die hij pas voor zijne vrouw gevuld had. "Hier, Flink, drink en +wel bekome 't u!" + +"Het zal spoedig beter zijn, mijnheer. Ik zal mij een poosje neerleggen +en dan een beschuit met wat vleesch gebruiken." + +De goede oude man was werkelijk geheel uitgeput, doch na iets +gegeten te hebben, voelde hij zich spoedig veel beter. Juno was zeer +ijverig. Ze had aan de kinderen wat pekelvleesch en beschuit gegeven; +de jongste, benevens Thomas en Caroline, waren te bed gebracht, +en de tweede tent was genoegzaam gereed. + +"Voor dezen nacht zal het zeer goed gaan, Juno," zeide haar +meester. "Wij hebben vandaag veel afgedaan en de rust zal daar goed +op smaken." + + + + + + + +ELFDE HOOFDSTUK. + +HET ONTBIJT. + + +Mijnheer Wilson was den volgenden ochtend de eerste die ontwaakte en +opstond. Hij verliet de tent en liet de oogen in het rond gaan. De +hemel was helder als kristal. Een frisch morgenwindje streek over +de watervlakte en de kleine golfjes speelden op het witte zand +van de bocht. Aan de linkerzijde van deze klom het land tot kleine +heuvels op, boven welke zich de voortzetting van het kokosbosch statig +verhief. Rechts rees eene lange reeks koraalriffen genoegzaam loodrecht +uit de zee op en paalde aan het frissche groen der heuvelhelling en aan +het struikgewas, terwijl het wrak van De Vrede zich, als hoofdfiguur +in deze schilderij, zwart en roerloos, als een gestrand zeemonster, +aan den toeschouwer vertoonde. De zon brandde, waar zij hare stralen +werpen kon, doch onder de kokosboomen, waar Wilson stond, was eene +koele verkwikkende schaduw. + +De uitnemende schoonheid van dit tooneel, hoewel eenigszins gematigd +door de treurige vertooning van het gestrande vaartuig, maakte een +diepen indruk op den bekommerden huisvader, die daar in diep nadenken +verzonken stond. + +"Ja," dacht hij, "ware ik de wereld en hare beslommeringen moe geweest +en had ik een oord gezocht, waar vrede en schoonheid om den prijs +dingen, ik zou dat hier gevonden hebben. Hoe heerlijk is dat gezicht +hier! Wat kalmte, wat zoeten weemoed wekt het op? Hoe genadig zijn wij +bewaard, toen alle hoop reeds verdwenen scheen; hoe weldadig werden +wij verzorgd na onze werkelijke redding--en toch--toch waagde ik het +te klagen, toen vurige dankbaarheid mijn eenig gevoel had behooren +te zijn!" + +Hij keerde naar zijne tent terug. Willem, Thomas en stuurman Flink +lagen nog in diepen slaap. "Brave oude man," sprak hij bij zichzelf, +"als wij ooit weder in de woelige samenleving terugkeeren, zal uwe +goedheid haar loon erlangen; voor zoover het in mijne macht staat u te +vergelden. Een edel hart is hier onder de ruwe schors verborgen. Zonder +zijne verknochtheid,--zijne voorbeeldelooze zelfopoffering, zou ik, +zouden deze lieve hulpelooze wezens niet meer bestaan!" + +De honden, die in de tent gekropen waren en zich nevens Willem en +Thomas op de matrassen hadden neergelegd, rezen nu op en naderden +vleiend hun meester. Deze beweging deed Willem ontwaken. Zijn vader +gaf hem een wenk, dat hij Flink niet wekken moest, en zachtjes kleedde +hij zich aan en kwam buiten. + +"Zal ik niet liever Juno wekken, vader?" vroeg hij. "Ik kan dat +denkelijk wel doen zonder moeder te storen." + +"Doe het dan, mijn jongen, ik ga onderwijl zien, wat voor +keukengereedschap Flink al aan land heeft gebracht." + +Willem was spoedig terug en berichtte, dat moeder nog gezond en vast +sliep en dat Juno was opgestaan, zonder haar of de beide kleinen +wakker te maken. + +"Goed, dan zullen wij zien, of we niet een ontbijt voor hen gereed +kunnen maken, Willem. Deze dorre kokosbladeren zullen heerlijk +branden." + +"Maar, vader, waar krijgen wij het vuur vandaan? Wij hebben geen +tondeldoos en ook geen zwam of vuurslag." + +"Neen, maar er zijn nog andere middelen, mijn zoon, ofschoon de tondel +meestal daarbij noodig is. De wilden maken vuur door een week stuk +hout tegen een hard voorwerp aan te wrijven. Ik vrees, dat ons dit +niet zoo spoedig gelukken zou; maar wij hebben kruit en kunnen dit +als tondel gebruiken, als wij 't nat maken en op een stuk papier of, +nog beter, op zacht hout wrijven. Het kruit aansteken kunnen wij op +tweeërlei manier: door middel van steen en vuurslag, of anders met +behulp van een brandglas." + +"Maar een brandglas hebben wij niet." + +"Neen; maar wij kunnen er een uit een verrekijker nemen als wij weer +eens aan boord komen. Voor 't oogenblik hebben wij geen ander middel +dan met het geweer." + +"Maar, vader, als ons vuur aan is, wat zullen wij dan nog koken? Wij +hebben immers thee noch koffie." + +"Dat is waar; ik geloof niet, dat wij een van beide rijk zijn." + +"Aardappelen hebben wij wel, vader." + +"Ja, mijn jongen; maar dunkt het u niet beter, dat wij ons +vooreerst met koud vleesch en beschuit behelpen en de aardappelen +sparen? Misschien hebben wij die alle noodig om te poten. Doch +waarom gaan wij niet zelven aan boord van het schip? Gij kunt de +riemen vrij goed hanteeren en wij moeten thans leeren arbeiden en +niet alles aan den braven Flink overlaten. Het zal nog wel een tijd +aanhouden, voordat wij zoo handig en op alles gevat zijn als de oude +man, maar al doende leert men, en wij willen ten minste onzen goeden +wil toonen. Kom, Willem." + +Zij gingen naar de bocht. De kleine boot lag nog aan het strand en +schommelde zacht op de spelende golven. Zij bonden ze los en stapten +er in. + +"Ik weet, waar de kok zijne thee en koffie bewaarde, vader," zei +Willem onder het roeien. "Moeder zal die gaarne bij haar ontbijt +hebben, en ik kan ook de geiten melken voor kleinen Albert." + +Hoewel geen van beiden in het roeien zeer bedreven, kwamen zij toch +spoedig aan de zijde van het wrak en klommen zonder moeite aan boord, +na de boot eerst stevig te hebben vastgebonden. + +Willem liep eerst naar de kajuit om thee en koffie te zoeken en liet +zijn vader inmiddels andere benoodigdheden bijeenpakken, terwijl bij +de geiten melkte en de melk in een tinnen schotel deed. Vervolgens +goot hij ze in een zuivere flesch over, opdat zij niet zuur zou worden +en keerde toen naar zijn vader terug. + +"Ik heb deze beide korven met eene menigte dingen gevuld, die uwe +moeder zeer welkom zullen zijn, Willem. Wat zullen wij verder nog +meenemen?" + +"Dezen verrekijker in allen gevalle, lieve vader; en dan willen wij +alle kleeren en linnengoed inpakken;--dat zal moeder verrassen. Het +linnen ligt in de koffers; wij zullen er zeildoek omheen slaan. En dan, +vader, zullen we ook eenige van de boeken meebrengen." + +"Dat is uitmuntend, Willem," antwoordde de vader. "Ik wil eerst alles +inladen en dan terugkomen en het overschot halen." + +Binnen het uur waren zij weer aan land. Daar vonden zij Juno, die +zich intusschen gewasschen had en nu aan de bocht op hen wachtte, +om hen bij het lossen behulpzaam te zijn. + +"Wel, Juno, hoe hebt gij 't van morgen?" + +"Ikke heel goed, massa," was haar antwoord en op 't helder water +wijzende, vervolgde zij: "Daar zwemmen geducht veel visch hier." + +"Ja, als wij maar vischtuig hadden," antwoordde mijnheer Wilson. "Flink +zal wel ergens haken en snoeren voor ons weten op te schommelen. Kom, +meid, breng dezen bundel linnen naar uwe tent; het overige kunnen +wij alleen wel bezorgen." + +"En neem ook deze flesch melk, Juno; ik heb haar voor kleinen Albert +meegebracht," zeide Willem. + +"Dankje, dankje wel, massa Willem; datte heel zoet zijn van jonk +massa." + +"En haast u maar wat, Juno; want daar is Thomas ook al op de been en +springt in zijn hemd rond." + +Bij de tenten vonden zij allen wakker, met uitzondering van den ouden +stuurman, die nog zeer vast scheen te slapen. Mevrouw Wilson had een +zeer goeden nacht gehad en voelde zich verfrischt en gesterkt. Willem +wreef een stuk papier met kruit in en bracht het door de glazen van +den kijker aan het branden, waarop spoedig een helder vuur vroolijk +opvlamde. Zijn vader had onderwijl aan het strand drie groote steenen +gezocht, waarop de ketel geplaatst werd; en na een half uur kookte +het water en was de thee gezet. + + + + + + + +TWAALFDE HOOFDSTUK. + +DE HAAIEN. + + +Juno had de kinderen naar de bocht meegenomen en, tot aan de knieën +in het water wadende, hen daarin gedompeld, als het eenvoudigste +middel om hen te wasschen. Vervolgens had zij hen aangekleed en aan +mevrouw overgegeven, waarna zij Willem de kopjes en borden voor het +ontbijt hielp bijeenzoeken. Alles werd sierlijk en net tusschen de +beide tenten op den grond uitgezet en toen sloeg Willem voor, den +goeden ouden Flink te wekken. + +"Doe dat mijn jongen, nu is het tijd;--hij zal ook wel iets tot +ontbijt willen hebben." + +Willem trad op Flink toe en tikte hem zacht op den schouder. + +"Hoe is 't, Flink, hebt gij nu goed uitgeslapen?" vroeg hij, toen de +oude man opstond. + +"Ja, beste jongen. Ik ben terdeeg onder zeil geweest, dunkt mij; +maar nu wil ik mij haasten en zien, of ik wat tot ontbijt voor u +allen klaar kan krijgen." + +"Doe uw best maar," was Willems lachend antwoord. + +Het aankleeden kostte Flink weinig moeite of tijd, daar hij bij +'t slapen gaan enkel zijn buis had uitgetrokken. Hij schoot dit +weer aan en kwam toen buiten. Hoe vreemd stond hij te kijken, toen +hij het gansche gezelschap met mevrouw Wilson, die met den kleinen +was meegekomen, verzameld vond aan 't ontbijt, dat op den grond +gereedstond. + +"Goeden morgen, Flink," zeide mevrouw Wilson en reikte hem vriendelijk +de hand. Ook haar man schudde de zijne en wenschte hem goedenmorgen. + +"Gij hebt een langen, vasten slaap gehad, Flink," zeide hij, "en ik +wou u na dien zwaren dag van gisteren niet te vroeg wekken." + +"Ik dank u voor uwe goedheid, mijnheer, en ben hartelijk blij, mevrouw, +dat ik u zoo wel vind," antwoordde de oude man. "Ik heb geen berouw +over mijn lang slapen, nu ik zie, dat gij allen u ook zonder mij zoo +kostelijk redden kunt." + +"Ja, maar juist dat kunnen wij niet, vrees ik," hernam mevrouw +Wilson. "Wat zou zonder u en zonder uwe goedheid van ons geworden +zijn?" + +"Wij kunnen wel een ontbijt zonder u gereedmaken," zeide haar man; +"maar zonder u, brave vriend, hadden wij dat op dit oogenblik niet +meer noodig gehad. Onder het eten zullen wij u alles vertellen wat +wij gedaan hebben." + +Terwijl zij nu bij elkaar zaten, vertelde Willem zijn vriend, +hoe zij naar boord geroeid waren en wat zij van daar al hadden +medegebracht. Hij zeide hem ook, hoe Juno de kleinen in het water +had laten spartelen en hoe dat zeebad allen zoo goed bevallen was. + +"Maar dat mag Juno volstrekt niet meer doen," sprak Flink "voordat +ik eerst goed onderzoek gedaan heb. Gij weet wel, dat rondom deze +eilanden haaien in menigte loeren en dat het daarom hoogst gevaarlijk +is, in het water te gaan." + +"Mijn God, lieve man, wat gevaar zijn onze kinderen daar dan weer +ontkomen!" riep de bezorgde moeder met innerlijke huivering. + +"Dat is waar," vervolgde Flink. "Evenwel zijn die booze gasten minder +talrijk aan de loefzijde van de eilanden, ofschoon deze vlakke baai +eene al te geschikte plaats voor hen is, dan dat zij er niet dikwijls +komen zouden. Dus, Juno, zou ik u raden, niet weer te water te gaan, +voordat ik eene plek heb opgezocht, waar gij veilig baden kunt. Nu +echter is daar nog geen tijd toe, en zoodra wij uit het schip alles +aan wal hebben, wat ons dienstig is, moeten wij eerst overleggen, +of wij hier blijven willen of niet." + +"Hier blijven of niet, Flink hoe meent gij dat?" + +"Wij hebben hier tot nog toe geen water gevonden en dit is toch de +eerste behoefte des levens;--als er op deze zijde van 't eiland geen +water te vinden is, moeten wij onze tenten ergens anders opslaan." + +"Dat begrijp ik, zal noodig wezen," antwoordde de heer Wilson. + +"Ik wenschte wel, dat wij tijd hadden om eenig onderzoek te doen." + +"Dat kunnen wij ook; maar wij mogen daarom het fraaie weer niet +ongebruikt laten voorbijgaan. Morgen kan het licht weer stormen en +dan hebben we geen gelegenheid om iets van boord te krijgen. Het zou +goed zijn, dat wij thans opbraken, mijnheer: gij, Willem en ik. Gij +en uw zoon blijven aan boord, om het noodzakelijke bijeen te zoeken +en ik zal de goederen in de bocht brengen, waar Juno ze afhaalt." + +In den loop van den dag haalden zij nog eene menigte dingen, waarvan +zij verwachten konden in de toekomst dienst te zullen hebben. Nog vóór +den middag waren de kleinere zeilen en al het touwwerk, bindgaren +en doek, verder kleine tonnen, zagen, beitels en groote spijkers, +eindelijk planken van iepen- en eikenhout aan wal gebracht. Na het +gebruiken van een hartig maal begonnen zij den arbeid opnieuw. Stoelen +en tafels uit de kajuit, de gezamenlijke kleedingstukken, eenige +kisten met kaarsen, twee balen koffie, twee met rijst en twee met +scheepsbeschuit, verscheidene stukken rund- en varkensvleesch, +zakken met meel (men had veel moeite gedaan, om een geheel vat +naar boven te krijgen, doch dit was niet gelukt), dan eindelijk de +slijpsteen, nog meer drinkwater en mijnheer Wilson's huisapotheek +werden achtereenvolgens ontscheept. Toen Flink andermaal terugkwam, +zeide hij: "Onze boot begint sterk te lekken en zal niet veel reizen +meer doen kunnen, voordat ik ze gebreeuwd heb. Ook heeft Juno nog +niet de helft van 't goed naar de tenten gebracht; de last is voor +één persoon te zwaar. Me dunkt, we kunnen het er heden bij laten, +mijnheer Wilson, als wij voor den donker maar eerst al de dieren +aan land hebben. Ik wil die niet gaarne aan hunne eigen zwemkunst +overlaten en toch zijn het lastige potentaten in eene boot. De koe +kunnen wij niet over krijgen; zij ligt altijd nog en zal ook wel +niet meer opstaan;--zoo gaat het meestal met de beesten. Echter heb +ik haar nog rijkelijk hooi voorgestrooid en als zij niet opstaat, +moet ik haar slachten en het vleesch inzouten." + +Flink ging in het ruim, en het geknor van het varken liet zich +weldra hooren. Hij had het over den rug geworpen en hield het bij de +achterpooten vast. Zoo kwam hij er mee op het dek en liet het toen +over de verschansing in zee neerploffen. Het zwijn spartelde eenigen +tijd besluiteloos rond, maar keerde toen den kop van het schip af en +zwom op het land aan. + +"Het gaat regelrecht op den oever los," merkte Flink aan, die het +met de beide anderen naoogde, maar een oogenblik later riep hij: + +"Ik heb het wel gevreesd,--'t is verloren!" + +"Hoe zoo?" vroeg mijnheer Wilson. + +"Ziet gij dat zwarte ding daar, hoe 't pijlsnel over het water op +het dier toeschiet? Dat is de staart van een haai en nu heeft het +arme beest zijn langsten tijd van het leven gehad.--Kijk, daar gaat +het al!" vervolgde Flink, toen het zwijn met een zwaren slag onder +water verdween. "Die is er geweest. Beter dat stomme dier, dan uwe +lieve kleinen, niet waar, mijnheer Wilson?" + +"Ja, waarachtig!--Misschien is het monster dicht bij hen geweest, +toen Juno met hen in het water stond." + +"De slokop was zeker niet ver uit de buurt," antwoordde Flink; +"maar nu moet hij zich met dien eenen hap tevreden stellen, want meer +krijgt hij van ons niet. Wij zullen nu naar omlaag gaan en de andere +vier varkens de pooten vastbinden; dan brengen wij ze in de boot, +die met al wat er in is, dan hare behoorlijke lading heeft." + +Met de zwijnen in de boot, roeide Flink nu naar land, terwijl vader +en zoon de schapen en geiten op het dek brachten en voor de volgende +reis gereed hielden. + +"Dat zal voor heden de laatste maal zijn," riep de oude man bij zijne +terugkomst, "en, vergis ik mij niet, de laatste maal in vele dagen, +daar de wolken hare koppen ginder weer braaf beginnen op te steken. We +zullen nog een zak met koren voor het vee meenemen, en dan zeggen we +het schip voor een tijdlang vaarwel. Ik heb de koe weer een voorraad +water en hooi voorgezet, maar geloof niet, dat wij haar nog levend +vinden zullen bij onze terugkomst." + +Door de zwaarte van het graan ging de boot ditmaal zeer diep. Echter +brachten zij het gelukkig nog tot den oever, ofschoon ditmaal niet +zonder veel water in te krijgen. Willem dreef de schapen en geiten +naar de tenten, waar zij zich rustig nederlegden; de zwijnen waren +weggeloopen en ook de hoenders hadden zich verstrooid, 't geen trouwens +niet anders te verwachten was. Het strand was geheel overdekt met de +menigte van goederen, die men heden had aangebracht. + +"Wij hebben ons vandaag dapper geweerd, mijnheer Wilson," zeide Flink +met een vergenoegden blik op al dien voorraad, "en ook de kleine +boot heeft zich goed gehouden. Voordat ik haar wat heb nagezien, +mogen wij ons er echter niet weer in wagen." + +Het was hun na het harde dagwerk allesbehalve onaangenaam, dat Juno +voor koffie had gezorgd, en onder het drinken verhaalden zij mevrouw +Wilson, hoe het arme varken op eene zoo gruwelijke wijze door den +haai verslonden was. De moeder drukte bij het hooren hiervan haar +zoontje onstuimig aan het hart, en toen zij haar hoofd weer ophief, +glinsterden tranen van dankbaarheid in hare zachte oogen. Ook de goede +Juno was ontsteld en verzekerde in hare gebroken taal, voortaan wel +zorg te zullen dragen, dat die booze zeeduivels niet bij hare lieve, +kleine massa's komen konden. + +"Wij zullen hier morgen volop te doen hebben met al dat goed uit +te zoeken en het eene behoorlijke plaats te geven," sprak mijnheer +Wilson tot Flink. + +"Wij zullen een langen tijd de handen nog terdege vol hebben," hernam +deze. "Over een paar maanden omtrent kan de regentijd invallen, en +zoo er eenigszins mogelijkheid toe is, moeten wij nog voor dien tijd +onder dak zijn. Zonder eene degelijke beschutting kunnen wij dit weer +niet afwachten, dat zeker tot het einde van het jaar aanhouden zal." + +"Waarmee moeten wij dan eerst beginnen?" vroeg mijnheer Wilson. + +"Morgen zullen wij 't best doen nog een of twee tenten op te slaan, +om al de aan land gebrachte goederen daaronder te bergen. Hierna kunnen +wij eens zien, waar wij onzen rijkdom voor de toekomst bewaren willen, +en ook nagaan, wat ons nogal zoo ontbreekt." + +"Zeer goed; en wat moet er dan gebeuren?" + +"Dan, mijnheer, dienen wij, dunkt me een klein tochtje naar het +binnenste van het eiland te doen en de plek uit te zoeken, waar wij +ons huis zullen opbouwen." + +"Kunnen wij een huis bouwen?" riep Willem verbaasd. + +"Wel zeker, mijn kind; en dat zal ons minder moeite kosten, dan gij +u misschien voorstelt. Er is geen nuttiger boom dan de kokosboom en +daarbij is zijn hout zoo licht, dat wij het gemakkelijk van de plaats +kunnen krijgen." + +"En waarin bestaat dan het groote nut van dien boom?" vroeg mevrouw +Wilson. + +"Dat zal ik u vertellen, mevrouw. Vooreerst geeft hij u hout, om er een +huis van te bouwen; dan hebt gij de schors, waaruit ge touw, koord en, +zoo gij verkiest, ook vischnetten maken kunt; vervolgens de bladeren, +om uwe woning en, wilt ge, ook uw hoofd daar mee te dekken, want men +kan zeer goed hoeden en ook manden daarvan vlechten. Verder hebben wij +de vrucht, eene noot, die zeer goed te eten en ook gekookt voedzaam +en lekker is. In de jonge noot is de zeer gezonde melk besloten +en bovendien geeft zij nog lampolie en hare schil drinknappen en +veldflesschen, als men die anders niet heeft. Eindelijk kan men nog een +wijn uit den boom tappen, die versch gebruikt een aangename drank is, +maar bedwelmt en dronken maakt, als hij langer bewaard wordt; en van +dezen wijn kan men dan ook een zeer sterken drank brouwen. Oordeel nu +zelve maar eens, mevrouw: kent gij een anderen boom, die den mensch +zooveel nut aanbrengt en hem, zooals deze, bijna van al wat hij noodig +heeft, voorziet?" + +"Waarlijk, daar heb ik nooit iets van geweten," was het antwoord. + +"In allen gevalle zijn hier boomen in menigte," zeide Willem. + +"Ja, ja, mijn jongen, daar is hier geen gebrek aan; en dat verheugt +mij hartelijk, want als er maar weinig waren, zou ik er niet gaarne +een van omhouwen. Misschien konden in het vervolg nog anderen hier +schipbreuk lijden en daarbij het noodzakelijkste missen, zoodat zij +gedwongen waren, geheel alleen van de weinige kokosboomen te leven." + +"Maar nu, geloof ik, zou 't voor allen goed zijn, dat wij te bed +gingen," zeide mevrouw Wilson. + + + + + + + +DERTIENDE HOOFDSTUK. + +EERSTE VERRICHTINGEN OP HET EILAND. + + +Wij kunnen voortaan in de geschiedenis van ons gezelschap op het eiland +niet meer, als tot hiertoe, de dagelijksche verrichtingen optellen, +daar wij genoeg te doen zullen hebben met de belangrijkste voorvallen +en ontmoetingen van elken dag behoorlijk te vermelden. Den volgenden +morgen na het ontbijt zeide Flink: + +"Nu, mijnheer Wilson, moeten wij krijgsraad houden en aangaande een +ontdekkingsreisje op morgen een besluit nemen. Is dit bepaald, dan +zullen wij wel middel vinden, om dezen dag verder op eene nuttige +wijze te besteden. De eerste vraag is: wie zullen mee van de partij +zijn? Mag ik weten, hoe gij daarover denkt?" + +"Wel, vriend," antwoordde mijnheer Wilson, "mij dunkt, wij beiden, +gij en ik, zullen gaan." + +"Toch beiden niet te gelijk, lieve man?" viel zijne vrouw hem in de +rede. "Gij kunt u ook wel zonder mijn man redden, niet waar, Flink." + +"Ik had zeker wel gewenscht mijnheer Wilson en zijn goeden raad bij mij +te hebben," was het antwoord; "maar ik heb er ook al over nagedacht en +geloof zelf, dat de kleine Willem geene toereikende bescherming voor u +is; of althans zoudt gij hem daar niet voor houden, en dat komt voor +uwe bezorgdheid nagenoeg op 't zelfde uit. Dus, als mijnheer er niet +tegen heeft, zal 't het best zijn, dat hij u gezelschap blijft houden." + +"Wilt gij echter geheel alleen gaan, Flink?" vroeg de heer Wilson. + +"Neen mijnheer; ik geloof niet, dat dit goed en verstandig zou zijn. Er +kon mij immers een ongeluk overkomen, want niemand kan zeggen, wat +er gebeuren kan. Ofschoon er alle schijn van veiligheid voorhanden +is. Daarom wenschte ik wel iemand bij mij te hebben; de vraag is maar, +of dat Willem of Juno zal zijn." + +"Neem mij mee!" riep Thomas op eens. + +"U meenemen, kleine man!" zei Flink lachend; "dan diende ook Juno mee +te gaan, om op u te passen. Neen, men kan u hier zeker niet missen; +uwe moeder zou verlegen staan, als gij weg waart. Gij kunt zoo mooi +brandhout en drooge prikken opzamelen en op uw zusje en kleine broertje +passen, dat moeder zonder u geen raad meer weten zou. Dus moet Juno +of broer Willem met mij gaan." + +"En wien van beiden hadt gij 't liefst, Flink?" vroeg mevrouw Wilson. + +"Uw zoon Willem, mevrouw,--hem verreweg 't liefst, als gij hem aan +mijne zorg wilt toevertrouwen. Ik vreesde enkel, dat gij misschien +zwarigheid zoudt maken." + +"Ik heb het liever niet; ik zou mij liever een poos lang zonder Juno +behelpen," antwoordde de moeder. "Maar neen, ik heb ongelijk, lieve +man," vervolgde zij zich tot haren man wendende, die haar bestraffend +aanzag. "Ja, ik heb ongelijk. Ziekte en lijden hebben mij niet alleen +zwak en vreesachtig, maar, vrees ik, ook zelfzuchtig gemaakt. Ik +wil mij daartegen verzetten. Tot hiertoe ben ik u lang tot last en +bezwaar geweest, maar dat zal, hoop ik, eerlang beter worden en dan +zal ik mij ook nuttig zoeken te maken. Zoo gij 't beter acht, lieve +Wilson, dat gij zelf, in plaats van Willem, met Flink gaat,--ik ben +er nu niet meer tegen, 't was heusch zeer verkeerd van mij, dat ik er +mij een oogenblik tegen verzette. Ga dus gerust met onzen vriend mede." + +"Dat mijnheer meegaat is niet noodig, mevrouw," hernam Flink; "uw +wakkere Willem kan mij dezelfde diensten doen. Geloof mij, ik zou +van harte gaarne alleen gaan: ik heb geen vrees, dat mij iets kwaads +bejegenen zal; maar toch weten wij niets van den dag van morgen. Ik +kon immers ook ziek,--kon door eenig toeval overvallen worden, ik +ben een oud man; en dan, dacht ik, als mij een ongeluk trof, kondt +gij mij missen. Dat is alles;--ik zeide 't niet uit eigenbelang." + +"Daar ben ik volkomen van overtuigd, mijn goede oude vriend," +antwoordde mevrouw Wilson; "maar eene moeder is soms al heel dwaas +en onverstandig." + +"Vergeef mij, mevrouw, niet dwaas, zooals gij zegt; slechts soms al +te bezorgd en angstvallig." + +"Genoeg, Flink. Onze Willem zal dan met u gaan, dat is bepaald en +besloten," besliste de vader ten laatste. "Wat is nu aan de beurt?" + +"Vooreerst moeten wij ons nu tot onzen marsch gereedmaken. Wij moeten +wat mondkost en wat water bij ons hebben, daarbij een geweer en kruit, +eene groote bijl voor mij en een kleinere voor mijn reismakker. Ook +zal het goed zijn, dat Romulus en Remus meegaan; het dashondje kunt ge +hier bij u houden. Gij, Willem, kunt nu dadelijk vier halve fleschjes +met water vullen, terwijl ik voor ieder van ons een linnen knapzak +in elkander naai." + +"En wat zal ik doen?" vroeg mijnheer Wilson. + +"Gij, mijnheer, zoudt ons een grooten dienst kunnen doen, als +gij zoo goed waart, deze twee bijlen op de slijpsteen wat aan te +scherpen. Thomas zal wel draaien. 't Is een sterke, fiksche jongen en +frisch te arbeiden is altijd zijn lust en zijn leven." Thomas stond +dadelijk op. Hij was juist sterk genoeg, om den steen rond te draaien; +maar gewoonlijk wilde hij liever spelen dan werken. Nu de oude man +echter gezegd had, dat dit laatste zijn lust was wilde hij dat ook met +de daad bewijzen en sloofde zich af, wat hij kon. Flink zat daarbij +zijne reiszakken te naaien, en zoo vaak onze jongeheer lust gevoelde +om het werk te staken, prees Flink hem, dat hij zich zoo dapper weerde +en vertelde aan zijne moeder welk een knappe jongen hij was. Zoo dan +ging Thomas, die zich gaarne hoorde prijzen, met zijn werk voort, +totdat de zweetdruppels hem op het voorhoofd stonden. Vóór het avond +werd, waren de bijlen geslepen, de zakken klaar en was alles gereed +voor den volgenden morgen. + +"Wanneer wilt gij morgen op weg gaan, Flink?" vroeg mevrouw Wilson. + +"Het zal goed zijn, dat wij met het eerste daglicht opbreken, daar +de hitte zoo vroeg nog niet sterk is." + +"En tegen wanneer denkt gij terug te zijn?" + +"Ja, zie, mevrouw, wij hebben voorraad voor drie dagen bij ons. Als +wij morgen, Woensdag, in de vroegte opstappen, kunnen we misschien +Vrijdagavond hier terug zijn. In allen gevalle denk ik niet, dat het +later dan Zaterdagochtend worden zal." + +"Goeden nacht, dan--en vaarwel, lieve moeder!" zeide Willem. "Ik zal +u morgen vroeg niet meer zien." + +"God zegene en behoede u, mijn lief kind!" sprak deze. "Pas toch vooral +goed op hem, Flink! En ook gij--goede reis en tot spoedig wederzien!" + +De beangste moeder ging in hare tent, om de tranen te verbergen, +die zij niet kon weerhouden. "Het is nog geheel nieuw voor haar," +merkte Flink aan; "als zij er meer aan gewoon is, zal eene korte +scheiding haar zoo hard niet meer vallen." + +"Dat vertrouw ik ook," antwoordde haar echtgenoot; "maar zij is nu +nog zenuwachtig en ongesteld; en in aanmerking nemende, dat zij tot +dusverre zelden langer dan een uur van hare kinderen gescheiden +is geweest en haar zoon nu weggaat, zonder dat zij zelfs weet +waarheen,--houdt zij zich, dunkt mij, nog al vrij standvastig." + +"Ja, waarlijk, mijnheer, dat doet zij," erkende Flink; "de angst eener +moeder is even natuurlijk als hare liefde. In allen gevalle wil ik, ook +indien ik alles wat ik wenschte niet op eenmaal verrichten kan, toch +op den bepaalden dag terug zijn en dan later nog eens een reisje doen." + +"Doe dat, Flink; dat zal haar geruststellen. En nu, vaarwel; wees +voorspoedig en moogt gij uw doel bereiken!" + + + + + + + +VEERTIENDE HOOFDSTUK. + +EERSTE UITSTAPJE OP HET EILAND. + + +Nog vóór de zon was Flink op en wekte ook Willem uit den +slaap. Zwijgend kleedden zij zich aan en vermeden elk gerucht, +dat de moeder had kunnen doen ontwaken. Hunne reiszakken waren +reeds gepakt. In ieder was een portie vleesch, dat zij dadelijk +onder elkander verdeeld hadden, benevens twee waterfleschjes, in +kokosbladeren gewikkeld, opdat zij minder licht breken zouden. Flink, +die den grootsten reiszak droeg, had nog beschuit en verscheidene +andere dingen bij zich, waarvan hij zich voor het geval van nood had +voorzien. Om het lijf had hij twee strikken geknoopt, om, als dit +vereischt werd, de honden daaraan vast te binden. + +Zoodra zij de reiszakken hadden omgehangen, nam Flink bijl en geweer +en vroeg Willem, of hij wel dacht een kleine spade, die zij te gelijk +met de schoppen van het wrak gehaald hadden, op den schouder te kunnen +dragen. De knaap antwoordde toestemmend. De honden, die schenen te +weten, dat zij meegaan mochten stonden klaar, en nu ging de oude man +naar een der watertonnen, nam zelf een duchtigen slok, spoorde Willem +tot hetzelfde aan en liet toen ook de honden drinken, zooveel zij +lustten. Hierop, juist toen de zon aan den hemel opging, traden zij +het kokosbosch in en hadden de tenten spoedig uit het gezicht verloren. + +"Nu, reiskameraad," begon Flink en stond stil, toen zij een twintig +schreden ver waren, "weet gij ook, op welke wijze wij den terugweg +vinden kunnen? Gij ziet, in het dichte bosch konden wij licht verdwalen +en er is geen pad, dat ons dan leiden zou." + +"Neen, waarlijk, dat weet ik niet; ik dacht daar juist aan, toen gij +er over begont, en ook Klein Duimpje viel mij in, die broodkruimels +uitstrooide om zijn weg weerom te vinden, maar hem toch niet vond, +omdat de vogels zijne kruimels hadden opgepikt." + +"Ge ziet dus, dat Klein Duimpje de zaak niet goed overlegd had, en +wij moeten het hem zoeken te verbeteren. Wij moeten doen, zooals de +Amerikanen doen in hunne bosschen: wij moeten de boomen merken. Dit +geschiedt door een enkelen slag met de scherpe bijl een kerfje in de +schors van den boom te houwen, dat hun tot teeken dient, waaraan zij +hun weg herkennen. Zij merken daarbij niet elken boom, maar altijd +den tiende of zoo, die aan hun pad staat, en dan beurtelings een +aan den rechter- en een aan de linkerhand. Het kost slechts weinig +moeite; zij doen het onder het gaan, zonder dat het hen een oogenblik +ophoudt. Laat ons nu ook daarmee beginnen; gij neemt de rechterkant: +het zal u gemakkelijker vallen de bijl in de rechterhand te houden; +ik voor mij kan evengoed ook de linker gebruiken. Zie, zoo maakt men +slechts een kerfje in den bast:--de zwaarte van de bijl doet het bijna +alleen en dat kan ons jaren lang tot wegwijzer door het woud dienen." + +"Dat is heerlijk bedacht!" riep Willem, en beiden vervolgden nu hun +marsch, terwijl zij de boomen rechts en links op gezette afstanden +teekenden. + +"Ik heb evenwel ook nog een anderen vriend in den zak," begon Flink +weder, "en ik zal dien moeten gebruiken." + +"Wat is dat?" + +"Het zakkompas van den armen kapitein Osborn. Gij ziet, Willem, +het merken der boomen zal ons wel onzen terugweg aanduiden, maar kan +ons niet zeggen, in welken koers we thans te sturen hebben. Op dit +oogenblik weet ik nog, dat wij den rechten weg houden, daar ik door +het geboomte achter mij heen zien kan: maar dikwijls zal dit niet +mogelijk zijn en dan moet ik met mijn kompas te rade gaan." + +"Dat begrijp ik zeer goed; maar zeg mij, Flink, waartoe nemen wij die +schop mede? Hoe kan ons die van dienst zijn? Gij zeidet er gisteren +morgen niets van, dat gij er eene mee woudt nemen." + +"Neen, Willem, en ik zweeg er opzettelijk van, omdat ik uwe moeder +niet beangst wilde maken. U echter durf ik wel zeggen, dat ik zelf +omtrent één ding zeer bezorgd ben, en dat is, of hier water te vinden +is of niet. Is er geen water, dan moeten wij het eiland wat vroeger +of later toch verlaten, want men kan wel eenig water verkrijgen door +kuilen in het zand te graven, doch dat is ziltig zeewater en zou ons +bij voortgezet gebruik allen ziek maken. Van het schip hebben wij +niet veel meegebracht, en als er stormachtig weer komt, kunnen wij er +ook niet meer vandaan halen. Nu gebeurt het echter dikwijls, dat er +ergens zoet water is, zonder dat men het aan den grond zien kan,--men +moet er dan naar graven, en daartoe heb ik de spade meegebracht." + +"Gij denkt toch aan alles, Flink." + +"O neen, mijn goede Willem, dat doe ik niet altijd. 't Is waar, in +onzen tegenwoordigen toestand denk ik meer aan wat noodig is, dan +misschien uw vader en uwe moeder; maar dat is, omdat zij nog nooit +geweten hebben, wat het is aan zichzelf alleen te zijn overgelaten. Zij +zijn nog nooit in 't geval geweest, dat zij genoodzaakt waren aan +zulke dingen te denken; als men echter zijn gansche leven op zee +zwalkte, zooals ik--als men schipbreuk heeft geleden en rampen +en gevaren van allerlei aard doorgestaan,--als men gedwongen was, +uitkomst te verzinnen of te gronde te gaan, dan, Willem, verzamelt +men zich nuttige kundigheden, niet alleen uit zijn eigen lijden, +maar ook uit het verhaal van anderen, wanneer men hoort, hoe die +zich er in de ellende hebben weten door te worstelen. Nood, zegt +men, is de moeder der wijsheid, en dat is werkelijk waar, Willem, +want hij scherpt het verstand; en het is dikwijls opmerkelijk, wat +vele menschen, vooral zeelieden, als de nood hen tot handelen drijft, +met de eenvoudigste middelen tot stand brengen." + +"En waar gaan wij dan nu naar toe, Flink?" + +"Recht op de lijzijde van het eiland aan; en ik hoop, dat wij nog +vóór het vallen van den donker daar zijn zullen." + +"Waarom noemt gij dat de lijzijde van het eiland?" + +"Omdat de wind tusschen deze eilanden genoegzaam altijd uit dezelfde +richting waait. Wij landden op de windzijde; thans hebben wij den +wind in den rug; steek uw vinger maar eens op en gij zult hem zelfs +hier in het bosch nog voelen." + +"Neen, ik merk niets," verzekerde de knaap, terwijl hij den vinger +omhoog hield. + +"Maak uw vinger dan eens nat en beproef het nog eens." + +Willem bevochtigde zijn vinger met de tong en stak hem nogmaals +op. "Ja, nu voel ik het. Maar hoe komt dat?" + +"De wind droogt de vochtigheid van uw hand op; daardoor ontstaat koude, +en deze is het, die gij voelt." + +Op eenmaal begonnen de honden te knorren, sprongen toen vooruit en +blaften luid. + +"Wat kan dat wezen?" riep Willem. + +"Blijf staan, jongen," sprak Flink en spande den haan; "ik zal vooruit +gaan en zien." De oude man sloop zachtjes voorwaarts, het geweer +voorzichtig tegen de heup drukkende. Het geblaf der honden verdubbelde, +en uit een hoop dorre kokosbladeren stoven daar op eenmaal.... al de +varkens, die men een paar dagen te voren had laten loopen, voor den +dag en zetten het op een galoppeeren, met de honden achter hen aan. + +"Het zijn onze varkens maar, Willem," riep Flink lachend, "Ik had +nooit gedacht, dat een tam zwijn iemand zoo kon doen schrikken.--Hier, +Romulus! Koest, Remus!" vervolgde hij, de honden roepende. "Nu, Willem, +daar hebt gij ons eerste avontuur." + +"Ik hoop, dat wij er geen gevaarlijker beleven zullen," gaf de knaap +lachend ten antwoord. "Evenwel, ik wil wel bekennen, dat ik vrij wat +ontsteld was." + +"Geen wonder, want ofschoon al niet waarschijnlijk, zou het toch +mogelijk zijn, dat zich roofdieren of zelfs wilden op dit eiland +ophielden. Wij moeten in een onbekend land steeds op het ergste gevat +zijn, Willem. Men kan verschrikt wezen en daarom toch, evenals gij +daareven, moedig standhouden. Wie echter bevreesd is, loopt weg." + +"Ik geloof niet, dat ik ooit wegloopen en u verlaten zal, als er +gevaar aanwezig is, Flink." + +"Ik vertrouw er gerust op, Willem, dat gij dat niet doen zult; maar +daarom moet gij toch niet onbezonnen en te haastig zijn. Wij willen +nu verder gaan, als ik eerst mijn haan in rust gezet heb. Daar mij +dit nu juist invalt, Willem, en gij dikwijls een geweer bij u zult +hebben,--denk er toch aan, jongen, dat gij nooit uw haan gespannen +laat. Ik heb daardoor alleen, dat velen den haan spanden en naderhand +vergaten hem weder in rust te zetten, meer ongelukken zien gebeuren, +dan gij u ooit zoudt voorstellen. Span nooit den haan, zoolang gij niet +vuren wilt;--dezen raad moet gij altijd in gedachten houden. Nu moet +ik eens op het kompas zien, want wij hebben op eens eene veranderde +richting, zoodat ik niet meer weet, welken weg in te slaan.--Ziezoo, +nu is alles goed. Vooruit, honden!" + +Nog langer dan een uur vervolgden de wandelaars hun weg door het +kokosbosch en vergaten daarbij niet, al voortgaande, de boomen rechts +en links te teekenen. Eindelijk kozen zij een plekje uit, om er hun +ontbijt te gebruiken, en de honden strekten zich daarbij nevens hen +op den grond neer. + +"Geef de dieren geen water en geen gezouten vleesch; geef hun niets +dan beschuit." + +"Maar zij zijn zoo dorstig; moet ik hun niet een weinig te drinken +geven?" + +"Neen; vooreerst omdat wij alles voor onszelven noodig hebben, en +bovendien verlang ik juist, dat zij dorstig zijn. En ook gij, Willem, +volg mijn raad en drink maar weinig water op eens. Weinig is volkomen +toereikend, om den dorst te lesschen, en hoe meer gij drinkt, des te +meer voelt gij dorst." + +"Dan dien ik ook wel niet te veel gezouten vleesch te eten." + +"Juist; hoe minder gij eet, des te beter, als wij geen water vinden +en onze fleschjes weer vullen kunnen." + +"Maar wij hebben onze bijlen immers en kunnen van tijd tot tijd ook +eene kokosnoot afslaan en de melk daarvan drinken?" + +"Ja, en het is een geluk voor ons, dat wij die uitkomst altijd nog +hebben; maar toch zou kokosmelk alleen ons slecht bevallen, ook als +die het gansche jaar door volop te krijgen ware.--Nu, Willem, willen +wij weer opstappen, als gij niet te moe zijt." + +"Volstrekt niet; ik ben alleen moe niets dan de stammen der boomen +te zien, en zal hartelijk blij zijn, als wij het bosch eens achter +den rug hebben." + +"Hoe meer wij ons haasten, des te beter dus," antwoordde Flink. "Voor +zoover ik dit eiland bij onze aankomst beoordeelen kon, moeten wij +thans ongeveer halfweg zijn." + +De wandelaars begaven zich met vernieuwde krachten op weg. + +Na een half uur bevonden zij, dat de grond niet meer zoo effen was +als vroeger en beurtelings begon te rijzen en te dalen. + +"Het is mij zeer lief, dat ik het eiland hier niet meer zoo vlak vind, +Willem. Wij hebben zoo meer vooruitzicht om water te vinden." + +"Ei, zie eens; daar wordt het nog steiler," merkte Willem aan, +terwijl hij een boom teekende; "daar is immers wezenlijk een heuvel." + +"Des te beter;--wakker voorwaarts!" + +De bodem was thans meer golvend geworden. Echter was hij nog altijd met +kokosboomen overdekt, die zelfs nog dichter stonden, dan tot dusver +het geval was geweest. Zij vervolgden hun marsch, waarbij zij van +tijd tot tijd op het kompas zagen, totdat Willem zijne vermoeidheid +niet langer verbergen kon, want de weg door het woud was thans nog +bezwaarlijker geworden dan in den beginne. + +"Hoeveel mijlen denkt ge wel, dat we nu al gegaan zijn, Flink?" vroeg +hij ten laatste. + +"Acht ongeveer, denk ik." + +"Niet meer dan acht?" + +"Neen, ik geloof niet, dat we, door elkaar gerekend, meer dan twee +mijlen in het uur hebben afgelegd. Het gaat maar langzaam, als men +naar het kompas reist en daarbij altijd de boomen merken moet; maar +mij dunkt, dat het woud vóór ons lichter wordt, van den top van dezen +heuvel gezien." + +"Ja, dat is zoo, Flink; ik verbeeld mij, den blauwen hemel weer +te zien." + +"Uwe oogen zijn jonger dan de mijne, Willem, en mogelijk hebt gij +goed gezien. We zullen dat spoedig vernemen." + +Zij daalden nu in een ravijn neer en klommen vervolgens weer een +tweeden heuvel op. Zoodra zij boven kwamen, riep Willem overluid: +"De zee, Flink! daar is de zee!" + +"Zeer goed, Willem; ik voor mij heb daar volstrekt niets tegen." + +"Ik dacht al, dat wij nooit een einde aan dat donkere bosch zouden +zien," sprak de knaap en snelde ongeduldig vooruit; eindelijk stond +hij aan den uitersten zoom van het kokoswoud en bleef staan. Flink +stond spoedig aan zijne zijde, en beiden vestigden nu hunne oogen op +het voor hen uitgebreide landschap. + + + + + + + +VIJFTIENDE HOOFDSTUK. + +DE OOSTZIJDE VAN HET EILAND. + + +"O hoe heerlijk!" riep Willem ten laatste: "zeker, hier zou moeder +recht gaarne wonen. Ik hield de andere zij van het eiland voor heel +lief, maar zij is toch niets bij deze vergeleken." + +"Het is hier werkelijk fraai," antwoordde Flink in diepe gedachten. + +Men kan zich trouwens niet licht een liefelijker tooneel +voorstellen. Het kokoswoud werd ongeveer een vierde mijl van de kust +eensklaps afgebroken door eene steile helling, die zich bij de dertig +voeten boven het strand verhief. Dit strand zelf was een golvende, +hier en daar met struiken begroeide groene vlakte en strekte zich +tot op ongeveer vijftig schreden afstands van het water uit, waar +het in verblindend wit zand overging, door 't welk enkele smalle +klippenreeksen van den oever landwaarts opliepen. Het water was +van eene helder blauwe kleur en brak slechts aan de klippen in wit +schuim. De riffen strekten zich mijlen ver van den oever in zee +uit en op enkele plaatsen staken de punten der rotsen boven den +rand des waters uit. Talrijke scharen van zeevogels hadden zich op +die hoogten genesteld; anderen wiegden zich in de heldere lucht of +schoten van tijd tot tijd in de blauwe zee neer, waaruit zij dan met +hunne klauwen een van de visschen ophaalden, welke in menigte aan de +zandbanken speelden en dikwijls zelf in vroolijke sprongen uit het +water opwipten. De kust had de gedaante van een hoefijzer en vormde +eene baai, besloten tusschen twee boschachtige landtongen, die zich +aan weerszijden ver in zee uitstrekten. De horizon was helder en +scherp tegen de zee afgeteekend. + +Flink bleef een tijdlang stom, liet zijne oogen rechts en links langs +den gezichteinder gaan, monsterde scherp de riffen in de verte en +wierp toen een vorschenden blik op het land vóór hem. + +"Waaraan denkt gij, Flink?" vroeg Willem ten laatste. + +"Ik?--Ik denk dat wij zoo spoedig mogelijk naar water moeten omzien." + +"Maar waarom zuchttet gij daareven?" + +"Omdat ik niet, gelijk ik verwacht had, nog een ander eiland aan +lij ontdekken kan en er dus bijna geene mogelijkheid voorhanden is, +dat wij dit hier verlaten. Bovendien is deze bocht hoe fraai gelegen +ook, toch vol riffen, en ik zie nergens een ingang, wat de zaak om +velerlei redenen hoogst bezwaarlijk maakt. Evenwel kunnen wij niet +terstond op het eerste gezicht oordeelen. Eerst willen wij gaan +zitten en ons middagmaal houden, dan kunnen wij verder zien. Halt, +halt!--voordat wij van de plaats gaan, moeten wij aan de boomen bij +den uitgang van het bosch een duidelijk teeken maken; zonder dat, +zouden wij bij het terugkeeren onze merken moeielijk wedervinden." + +Hij sneed twee witte streepen in de stammen der kokosboomen en daalde +toen met Willem naar het vlakke veld neer, waar zij zich neervlijden +en hun eenvoudigen maaltijd hielden. Zoodra dit verricht was, stonden +zij weder op en gingen aan het zeestrand. Flink keerde zich naar de +landzijde, in de hoop van ergens eene kleine beekbedding of holte +te ontdekken, die mogelijk zoet water bevatten kon. "Hier zijn +eenige plekken," zeide hij en wees ze met den vinger aan, "waar +het water in den regentijd zijn afloop gehad heeft; wij moeten ze +zorgvuldig onderzoeken, maar nu niet. Daartoe hebben wij morgen tijd +genoeg. Eerst moet ik een middel uitvinden om onze kleine boot door +gindsche klippen heen te krijgen; anders hebben wij een vreeselijken +arbeid, als wij naar deze plaats verhuizen, namelijk, zoo wij al onze +bezittingen door het woud aansleepen moesten en dat zou ons weken, zoo +niet maanden kosten. Dus willen wij vandaag de kust goed onderzoeken, +Willem, en dan morgen naar zoet water omzien." + +"Zie de honden eens, Flink; ze drinken zelfs zeewater, de arme +beesten!" + +"Zij zullen er niet veel van nemen. Zie, ze loopen er al van weg." + +"Wat zijn die koralen fraai! Zie, ze groeien als jonge boomen onder het +water.--Ha, daar is een bloem, die op de rots uit het water opschiet." + +"Raak haar eens met den vinger aan, Willem," sprak Flink. + +Willem deed dit, en de bloem, gelijk hij haar noemde, sloot zich +oogenblikkelijk. + +"Hoe, wat is dat? Het is vleesch en leeft!" + +"Dat is het ook. Ik heb ze vroeger meer gezien; men noemt ze, meen ik, +zee-anemonen, doch ik kon nooit te weten komen, of het schelpdieren +zijn of niet. De natuur is toch bewonderenswaardig! Maar laat ons +nu die landtong eens opgaan en zien, of wij ook een doorgang door +de riffen vinden kunnen. De zon gaat onder en wij hebben nu nog maar +één uur licht. Vooraf moeten wij ook nog eene slaapplaats opzoeken." + +"Maar wat is dat?" riep Willem en wees naar het zand;--"dat ronde, +zwarte ding?" + +"Iets, dat ik blij ben hier te zien; eene schildpad. Zij komen om +dezen tijd tegen den avond aan land, om hare eieren te leggen, die +zij onder het zand begraven." + +"Kunnen wij haar niet vangen?" + +"O ja; als wij haar slechts stilletjes naderen. Maar vooral moogt +gij haar niet in den rug komen, want dan werpt zij met haar staart +en hare achterpooten of vinnen zulk een wolk van zand over u heen, +dat gij er blind van wordt en zij gemakkelijk kan ontsnappen. Om +deze beesten te vangen, moet men hen van boven aanvatten en bij een +der voorvinnen op den rug omwentelen. Dan kunnen zij zich niet meer +bewegen en blijven stil liggen." + +"Laat ons het dan eens met deze hier beproeven." + +"Dat zou zeer onverstandig zijn, mijn beste Willem, daar wij het beest +toch niet mee kunnen nemen en het morgen in de hitte sterven zou, +zonder dat iemand er dienst van had. Men mag geen schepsel doelloos +van het leven berooven, en zoo wij nu deze schildpad vermaakshalve +dooden wilden, kon het licht gebeuren, dat wij een andermaal, als +wij ze noodig hadden, er geen vonden." + +"Dat had ik niet bedacht, Flink. Als wij eens hier wonen, kunnen wij +ze, hoop ik, zoo dikwijls vangen, als wij verkiezen." + +"Neen, dat is niet waarschijnlijk; zij komen alleen gedurende den +broeitijd aan land. Maar wij willen ergens een schildpadvijver +aanleggen, die uit zee frisch water krijgt en waaruit zij ons niet +weder ontsnappen kunnen. Die wij dan vangen, zetten wij in den vijver +en halen ze er uit, zoo dikwijls wij lust hebben." + +"Dat is een zeer goed plan," antwoordde Willem. + +Onder zulke gesprekken vervolgden zij hunne wandeling. Zij moesten zich +met moeite een weg banen door het struikgewas, dat verder den landtong +op steeds dichter werd, en stonden weldra op den uitersten uithoek. + +"Wat is dat daar ginder?" riep Willem en wees met de hand naar de +rechterzijde. + +"Dat is een tweede eiland, Willem, en ik ben zeer verheugd het te +zien, ofschoon 't al niet gemakkelijk te bereiken zal zijn, als +wij eens genoodzaakt mochten worden dit eiland hier om gebrek aan +water te verlaten. Echter is 't nog altijd mogelijk, dat dit ons +gelukken kan. In allen gevalle is het een veel grooter eiland dan +het onze," vervolgde Flink en mat met de oogen de uitgestrektheid +van den gezichteinder, aan welks rand hij de toppen der boomen zien +kon. "Kom nu, jonge kameraad; voor onzen eersten dag hebben wij ons +redelijk goed gehouden. Ik ben vrij moe, en gij, dunkt mij, zult ook +uwe beenen wel voelen. Laat ons dus omkeeren en naar eene rustplaats +voor den nacht omzien." + +Zij keerden naar den zoom van het kokosbosch terug. Daar pakten zij +eenige hoopen dorre bladeren opeen en bereidden zich daaruit een +zachte legerstede onder de boomen. + +"Nu nog een teugje water gedronken en ons dan tot rusten neergelegd," +zeide de oude man. "Zie de lange schaduw, Willem, die de boomen in +de zon werpen! Binnen een paar minuten zal deze geheel onder zijn." + +"Mag ik onzen honden nu water geven? Zie eens, de arme Remus heeft +de tong uit den bek hangen en lekt aan de flesschen,--zoo'n dorst +heeft hij." + +"Neen, neen, zij krijgen nu niets. Gij zult dit hard vinden, maar het +moet zoo wezen. Morgen kunnen wij de scherpe zintuigen dezer dieren +noodig hebben: hun dorst zal hun dan dubbel oplettend maken en kan +ons van groot nut zijn. Wij weten nooit, welk lot ons boven het +hoofd hangt. Had gij voor eene maand wel gedacht, dat gij u nu in +'t gezelschap van een oud man op dit eiland bevinden en daar onder +den blooten hemel slapen zoudt? Als iemand u dat toen voorspeld had, +zoudt gij het nooit geloofd hebben. En nu goeden nacht, mijn jongen!" + + + + + + + +ZESTIENDE HOOFDSTUK. + +WATER. + + +Willem sliep zoo goed, alsof hij op het zachtste bed en in een warm +vertrek gerust had, en Flink insgelijks. Beiden ontwaakten eerst, +toen de zon lang aan den hemel stond. De arme honden leden hevige +dorst, en het deed Willem zeer aan het hart, te zien hoe zij huilend +en bijna versmachtend met uitgestrekte tongen tot hem opkeken. + +"Hoe is 't Willem," vroeg Flink hem, "willen we, voordat we opbreken, +ons ontbijt nemen, of zullen wij eerst eene wandeling doen?" + +"Flink, ik kan waarlijk zelf geen droppel drinken, ofschoon ik heel +dorstig ben, voordat gij aan deze arme beesten een weinigje water +geeft." + +"Ik heb medelijden met de arme stomme schepsels, zoo goed als gij, +jongen, en geloof mij, het geschiedt niet uit onbarmhartigheid, +maar integendeel tot hun eigen en ons aller best, dat ik hun dat +nog onthoud. Laat ons dan maar dadelijk eens de ronde doen en zien, +of wij niet ergens water vinden. Daar ginder bij die kleine kloof aan +de rechterhand willen wij het eerst beproeven, en lukt het daar niet, +dan gaan wij verder op en zien, waar het water gedurende den regentijd +zijn afloop gehad heeft." + +De knaap keurde dit dadelijk goed. De honden volgden hen, en Flink +had nog eene schop bij zich, die hij op den schouder droeg. Spoedig +kwamen zij in de kleine laagte, waar de dieren den neus aan den grond +brachten en hijgend rondsnuffelden. + +Het oog van den ouden man volgde aandachtig al hunne bewegingen, +totdat zij zich eindelijk kreunend nederlegden. + +"Wij moeten verder gaan, Willem," zeide hij, in gedachten +verzonken. Zoo naderden zij eene plaats, waar een afloop van het water +scheen geweest te zijn; de honden snuffelden hier nog ijveriger rond. + +"Gij ziet, Willem, de arme dieren verlangen nu zoo geweldig naar +water, dat zij het zeker oproepen, als het ergens voorhanden is, +terwijl wij zonder hen nooit iets hadden kunnen vinden. Ik reken +niet op eene openliggende wel, maar daarom is het toch wel mogelijk, +dat hier of daar onder den grond water verborgen zit. Dit gedeelte +van het strand is niet ver genoeg van zee verwijderd, anders zou ik +hier in het zand daarnaar graven." + +"In het zand! Zou dat dan niet zout smaken?" vroeg Willem. + +"Op behoorlijken afstand van het zeestrand niet: want gij moet weten, +mijn jongen, dat het zand al langzamerhand het zeewater reinigt, +zoodat men, als de zandige oever breed is, op punten, die het verst +van het hoogste zeepeil af liggen, bij opgraving dikwijls zoetwater +vindt, dat wel wat ziltig, maar toch goed om te drinken is. Ik wou +wel, dat deze omstandigheid onder de zeelieden beter bekend was, +dan zij werkelijk is;--menig brave jongen zou daardoor een langzamen +marteldood ontgaan zijn. Er is niets vreeselijkers dan gebrek aan +water te lijden. Ik weet wat het is op een pintje elken dag bepaald +te zijn en hoop dat nooit weer te ondervinden." + +"Zie eens, Flink, hoe druk Romulus en Remus met hunne pooten daar +omlaag den grond opkrabben." + +"Den Hemel zij dank, mijn goede Willem; gij weet niet, wat blijde +tijding gij mij daar verkondigt, want om de waarheid te zeggen, +begon ik mij al ernstig ongerust te maken." + +"Maar waarom wroeten zij dan toch zoo?" + +"Wel omdat daar water is. Nu ziet gij, hoe goed het was, dat wij hen +eenige uren dorst lieten lijden: 't is waarschijnlijk ons aller behoud, +daar wij eene wel moesten vinden of anders het eiland verlaten. Wij +zullen de dieren nu met de schop helpen, en spoedig zullen ze drinken +hebben in overvloed." + +De oude man ijlde op de plaats toe, waar de honden nog altijd met +wroeten voortgingen. Zij waren tot den vochtigen bodem gekomen +en werkten zoo ijverig, dat Flink moeite had hen van de stee te +verdrijven, om zelfs de spade te kunnen gebruiken. Hij had pas twee +voet diep gegraven, of het water begon te borrelen, en in minder +dan vijf minuten was er reeds zooveel voorhanden, dat de honden naar +hartelust drinken konden. + +"Zie eens, Willem, hoe hen dat verkwikt. Dit was het eenige, dat ons +ontbrak: maar ook iets, dat onontbeerlijk is. Thans hebben wij alles, +wat wij op dit eiland wenschen kunnen, en zoo wij maar tevreden zijn, +moeten wij hier recht gelukkig worden,--ja, rijker dan menigeen, die +zich afslooft om rijkdommen bijeen te schrapen en toch niet weet wat +gebruik hij er van maken moet. Kijk, onze goede dieren hebben nu ten +laatste ook genoeg,--en wat hebben ze zich kogelrond gedronken! Wat +dunkt u, Willem, zullen we thans omkeeren en zien, dat wij wat te +eten krijgen?" + +"Ja," antwoordde deze; "nu zal mij dat eerst recht smaken en wil ik +ook weer een duchtigen slok water nemen." + +"Dit is hier een rijke bron, daar ben ik zeker van," zeide Flink, +terwijl zij naar de plaats van hun nachtleger terugkeerden en hunne +knapzakken onderzochten; "maar wij moeten haar hooger op onder de +boomen nasporen, waar geen zon komt: daar hebben wij het water altijd +koel en frisch en kan het niet opdrogen.--We zullen de handen vol +werk krijgen, en dat voor maanden, indien we hier blijven willen. De +plaats, waar we nu zijn, zal eene kostelijke gelegenheid wezen, +om daarop ons huis te bouwen." + +Zoodra zij hun eenvoudig maal genuttigd hadden, stond de oude man +weer op en zei: + +"Kom jongen, nu naar 't strand! Ik heb nog geen opening tusschen de +klippen gevonden, en daar ons bootje altijd dezen kant van het eiland +langs moet komen, dien ik toch te zien, of er niet een behoorlijke +doortocht te vinden is. Het komt mij voor, dat de branding niet tot +dat punt ginds reikt, en als daar een doorvaart is, mochten wij ons +wel gelukkig rekenen." + +Aan den uithoek van de landtong gekomen, bevonden zij, dat Flink zich +in zijn vermoeden niet had bedrogen. Het water was diep tot dicht aan +het strand en vormde een kanaal van ettelijke roeden breedte. De zee +was zoo effen, het water zoo glad en doorschijnend, dat zij tot op +den rotsachtigen grond neerzien konden en de visschen in de diepte +zagen zwemmen. + +"Zie eens," riep Willem en wees naar een punt op eenigen afstand in +zee, "daar is een groote haai, Flink." + +"Ja, ik zie hem wel," antwoordde deze. "Hier in het rond zijn die +zeker in menigte, en gij moet uiterst voorzichtig zijn, als gij in +het water gaat. De haaien houden zich altijd aan lij van de eilanden +op, en in plaats van den eenen, dien wij ginds vonden, toen Juno uw +broertje baadde, kunt gij hier vijftig zien. Het eerste, waaraan wij +thans denken moeten, is dat wij zoo schielijk mogelijk van de andere +zijde hierheen zoeken te verhuizen." + +"Zullen wij vandaag nog teruggaan?" + +"Ik denk van ja, want hier kunnen wij toch niets doen, terwijl uwe +moeder zeker reeds in angst en zorgen over u is. Het is nog geen +middag, naar 't mij voorkomt, en wij hebben nog tijd genoeg vóór ons, +daar wij nu een bekend pad gaan en ons niet met merken en zoeken +hebben op te houden. Onze bijlen en de schop kunnen wij hier laten; +ze mee terug te sleepen zou vergeefsche moeite zijn. Het geweer zal +ik bij mij houden, want ofschoon niet waarschijnlijk, kan dat toch +te pas komen. Eerst zullen wij nog eens teruggaan en zien, of onze +wel goed water geeft, en dan trekken wij op." + +Het strand langs gaande, zagen zij vele zeevogels, die dicht om +hen heen fladderden. Plotseling kwam een zwerm visschen in bonte +verwarring op den oever schieten; haar volgden eenige grootere, die +nu ook op het drooge lagen en naar water snakten, totdat de zeevogels +op eens dicht voor de beide wandelaars neerstreken, de visschen in +hunne klauwen oppakten en met die prooi ijlings wegvlogen. + +"Dat is toch vreemd," riep Willem verwonderd. + +"Ja, Willem, dat is het werkelijk. Maar daaraan kunt gij zien, hoe +het in de wereld gaat: de kleine visschen werden door de grootere +gejaagd en vluchtten in hunne angst op den oever. Die grootere waren +zelve zoo begeerig, dat ook zij aan land kwamen, en toen schoten de +vogels toe en pakten groot en klein op. Daar ligt een goede leering +in, Willem: als men iets te driftig najaagt, stort men zich licht +blindelings in gevaar." + +"Maar de kleine visschen hadden toch niets, dat zij najaagden." + +"Neen, ik bedoelde daarmee de grootere slechts;--bij de kleine was +het hier van den regen in den drop, zooals het spreekwoord zegt. Maar +laat ons nu naar de wel gaan." + +Zij vonden het gat, dat Flink gegraven had, geheel met water gevuld, +en toen zij dit proefden, was het volmaakt zoet en aangenaam van +smaak. Zeer verheugd over deze ontdekking, legden zij de dingen, die +zij wilden achterlaten, onder de gemerkte kokosboomen neer, dekten +er eenige takken en bladeren overheen en namen toen met hunne honden +de terugreis aan naar de kleine bocht. + + + + + + + +ZEVENTIENDE HOOFDSTUK. + +STORM AAN LAND. + + +De teekens, die zij den vorigen dag gemaakt hadden, volgende, kwamen +onze landontdekkers zeer spoedig door het woud en waren binnen twee +uren dicht aan den uitgang, terwijl zij op den heenweg bijna acht +uren hadden noodig gehad, om denzelfden afstand af te leggen. + +"Ik voel den wind al, Flink," zeide Willem, "en wij moeten het bosch +nu bijna ten einde zijn. Het komt mij voor, dat het zeer donker is." + +"Dat heb ik daar ook al gedacht," antwoordde de oude man, "en 't zou +me niet verwonderen, dat er weer een storm in aantocht was. We moeten +ons dus haasten, daar uwe moeder zeker ongerust zal zijn." + +Het waaien en schudden der boomtakken, nu en dan eene windvlaag, +waarop een zonderling gehuil en gekraak volgde, dit alles overtuigde +hem spoedig, dat er werkelijk een storm te vreezen was; en toen zij +uit het bosch traden, zagen zij den hemel, zoover hun oog reikte, met +een donkere loodkleur overtrokken en van het vroolijk glanzend blauw, +waarin hij zich tot hiertoe vertoond had, was geen spoor meer overig. + +"Daar komt inderdaad een storm, en dat met volle zeilen," zeide Flink +bij het verlaten van het woud. "Schielijk naar de tenten, jongen; wij +moeten zorgen, dat alles zoo zeker zij, als wij het met mogelijkheid +maken kunnen." + +De honden liepen vooruit en hun geblaf lokte mijnheer Wilson en +Juno naar buiten, die zoodra zij de beide aankomenden zagen, aan de +moeder, die met de kinderen binnen was gebleven, het afgesproken +teeken gaven. Een oogenblik later lag de knaap in de armen zijner +hoogst verheugde moeder. + +"Ik ben blij, dat gij terug zijt, Flink," sprak mijnheer Wilson en +schudde hem de hand, nadat hij Willem omhelsd had; "want ik vrees, +dat er boos weer ophanden is." + +"Dat is zeker," antwoordde Flink, "en wij moeten ons op een +stormachtigen nacht voorbereiden. De hemel ziet er wezenlijk +schrikwekkend uit. Het zal een van de stormen zijn, die gewoonlijk +den regentijd voorafgaan. Intusschen brengen wij u goede tijding, +mijnheer, en moeten dit als eene aansporing beschouwen, om onze +verhuizing zooveel mogelijk te verhaasten. Na dezen storm zullen wij +eene maand of daaromtrent goed weder hebben, misschien nu en dan +eens met een kleinen storm daartusschen. Daartoe moeten wij thans +terdeeg aan het werk; en als gij 't goed vindt, mijnheer, zullen wij +nu dadelijk den eersten noodigen maatregel van voorzorg nemen en naar +het strand gaan, gij, Juno, Willem en ik. Daar moeten wij onze boot, +zoover wij kunnen, op het drooge sleepen, want de zee zal hoog gaan +en spoedig zal die boot onzen voornaamsten steun uitmaken." + +Flink ging nu de einden der tentsparren afzagen, ten einde ze onder +de kiel der boot te leggen en zoo als rollen te gebruiken, en daarop +daalden alle vier van den oever af. Met gezamenlijke krachten gelukte +het spoedig, de boot hoog op tusschen de struiken te sleepen, waar +Flink haar inderdaad ten volle in zekerheid verklaarde. + +"Ik was eigenlijk voornemens, zonder uitstel aan het oplappen er van +te gaan," zeide hij: "maar nu moet ik wachten, tot de storm voorbij +is. Ook had ik gehoopt, nog eens aan boord te zullen kunnen gaan, +om nog eenige dingen te halen, die mij later invielen dat ons nuttig +konden zijn, en dan te zien, of onze arme koe nog in leven is; maar +ik vrees zeer," vervolgde hij, naar de lucht ziende, "dat wij het +wrak van De Vrede nooit weer betreden zullen. Hoor het loeien van den +opkomenden storm, mijnheer; zie, hoe de zeevogels rondfladderen en +krassen, alsof ze ons onheil te voorspellen hadden! Doch we mogen +niet te lang dralen, mijnheer;--de tenten moeten steviger worden +vastgemaakt, zoodat ze tegen de windstooten bestand zijn, want het +zou een leelijk ding voor mevrouw en de kleinen zijn, als ze eens +onverwacht werden opgenomen en naar den boschkant heengeblazen." + +Toen zij bij de tenten terugkwamen, vonden zij den kleinen Thomas, +die met veel deftigheid op hen toetrad. + +"Ei, dag, Thomas;--hoe gaat het u?" vroeg Willem. + +"O, heel goed; ik ben wel en moeder ook; gij hadt gerust weg kunnen +blijven; ik zorg voor hen allemaal." + +"Daar twijfel ik geen oogenblik aan, mijn beste jongen; gij zult wel +goed voor alles gezorgd hebben," gaf Flink ten antwoord. "Nu moet gij +ons helpen, om zeildoek en touw bijeen te zoeken, opdat wij den regen +beletten in moeders tent te dringen. Zoo, geef mij de hand maar en +kom mee; wij zullen 't aan Willem overlaten, aan moeder te vertellen, +wat wij onderwijl gedaan hebben." + +Met de hulp van mijnheer Wilson pakte Flink stukken zeildoek en touwen, +zooveel hij noodig had, bijeen en begon die als een dubbel dek tot +beschutting tegen den regen over de tenten uit te spreiden. Het +linnen werd door middel van stevige lijnen en koorden aan de boomen +vastgemaakt, om te verhinderen dat de tenten omverwoeien, terwijl Juno +gebruikt werd om de greppel, die reeds om de tenten heen liep, met +eene schop nog verder uit te diepen, zoodat het water een behoorlijken +afloop had. Zij werkten ijverig door, totdat alles verricht was, +en zetten zich toen tot het gebruiken van een eenvoudigen maaltijd +neder. Al voortarbeidende, had Flink mijnheer Wilson zijne ontdekkingen +op het jongste verkenningstochtje meegedeeld, en allen hadden hartelijk +gelachen, toen hij het avontuur met de varkens vertelde. + +Na het ondergaan der zon werd het weder nog dreigender. De wind +blies reeds hevig, de rotsige bocht werd door de golven gezweept en +was met wit schuim overdekt, terwijl de branding woest brulde, zoo +dikwijls zij over het zand van den oever brak. De geheele familie, +met uitzondering van Flink, was te bed gegaan; deze had gezegd, het +weer nog een weinig te willen afwachten, voordat hij zich ter ruste +legde. De oude man ging naar den oever en zette zich op den rand van +de boot, die zij daar straks eerst tusschen de struiken in veiligheid +gebracht hadden. Hier bleef hij zitten en liet het scherpe grijze oog +rondgaan in de verte, die slechts ééne dichte donkere massa vormde, +waarin alleen het witte schuim van het water nu en dan enkele flauwe +lichttinten wierp. + +Nog niet lang had hij daar in gedachten verdiept gezeten of een +vurige bliksemstraal benam den ouden man voor een korten tijd het +gezicht. "De storm zal weldra zijne volle hoogte bereikt hebben," dacht +hij. "Ik zal naar de tenten gaan en zien, of die het tegen den wind +uithouden kunnen." Hij nam den terugweg aan, en nu begon de regen in +stroomen neer te plassen en bulderde de wind met verdubbelde woede. In +weinige minuten nam de duisternis zoodanig toe, dat hij het pad naar +de hoogte slechts met moeite vinden kon. Hij keerde zich in 't rond, +doch kon niets zien, daar de regen hem de oogen verblindde. Daar hij +toch niets doen kon, liep hij de tent in, om daar te schuilen, maar +legde zich niet neer, in de verwachting dat zijn bijstand misschien +spoedig zou vereischt worden. Hoewel al de overigen te bed waren +gegaan, hadden slechts Thomas en de beide kleinen zich ontkleed, +doch vader, moeder, Willem en Juno zich gekleed en al ter ruste gelegd. + + + + + + + +ACHTTIENDE HOOFDSTUK. + +NA REGEN VOLGT ZONNESCHIJN. + + +De storm woedde nu met geweld en bliksem en donder wisselden elkaar +onophoudelijk af. De kinderen werden wakker en hieven een luid gejammer +aan, totdat het eindelijk gelukte hen tot bedaren en weder in slaap +te brengen. De wind loeide verschrikkelijk en stond met zijn volle +kracht op de tenten, waar de regen kletterend op neer sloeg. Het +eene oogenblik werd het linnen binnenwaarts gedrukt en schuurden en +kraakten de touwen, alsof zij dadelijk in stukken zouden springen; dan +weder dreef de tegenovergestelde luchtstroom het fladderende zeildoek +naar buiten, terwijl de regen reeds op onderscheidene plaatsen begon +door te dringen. Het was stikdonker en de woede der elementen scheen +eindelijk haar toppunt te hebben bereikt. Gelijk wij vroeger gezegd +hebben, was mevrouw Wilson's tent niet zoover van het strand verwijderd +als de tweede later opgerichte en stond dus ook meer aan den wind +blootgesteld. Tegen middernacht scheen de gansche natuur in oproer +te geraken. Op eens hoorden de mannen een luid gekraak, dat dadelijk +door het noodgeschrei van mevrouw Wilson en Juno gevolgd werd. De +tentprikken waren uit den grond gerukt en de verschrikte vrouwen zoo +op eenmaal van alle dak en beschutting beroofd. Terstond vloog de oude +man naar buiten en Willem en zijn vader volgden hem op den voet. De +wind was zoo sterk, de regen sloeg hun zoo heftig in het gezicht en +de nacht was zoo donker, dat zij alle krachten noodig hadden, om de +vrouwen en kinderen uit de omvergeworpen tent te bevrijden. De kleine +Thomas was de eerste, dien Flink beet kreeg. Zijn moed was geheel weg, +hij gilde van angst en was niet tot bedaren te brengen, Willem nam +zijn broertje Albert op den arm en droeg hem in de andere tent, waar +Thomas in zijn doornat hemd op den grond omkroop en de jammerlijkste +klaagtonen liet hooren. Juno, mevrouw Wilson en de kleine Caroline +werden het laatst onder de tweede tent in veiligheid gebracht. Gelukkig +had niemand zich bezeerd, maar allen waren doodelijk ontsteld en de +kleine schreide en snikte luid, wat echter nauwelijks gehoord werd, +daar het loeien der zee en het bulderen der windvlagen alle andere +geluiden geheel verdoofde. Het was een lange vreeselijke nacht, +dien men zoo in angst en zorg doorbracht, tot eindelijk de lang +gewenschte morgen aanbrak. Met de eerste schemering verliet Flink de +tent en bevond tot zijne geruststelling, dat de storm reeds zijne +woede had uitgeput en merkbaar aan het afnemen was. Nochtans was +het heden niet zulk een heldere vroolijke morgen, als waaraan zij +sinds hunne landing op het eiland gewoon waren; de hemel stond nog +dreigend, en zwart en wild dreven de wolken daaraan rond; de zon bleef +onzichtbaar en niet een enkel plekje blauw was door de nevelachtige +atmosfeer te bemerken. Het regende nog voortdurend, ofschoon niet +sterk meer, en de grond was doorweekt en glibberig. De kleine baai, +die nog den avond te voren een zoo stil en vreedzaam aanzien had, +was thans door wildschuimende en loeiende golven opgevuld en de +branding sloeg ver over het strand heen. De gezichteinder was mistig en +onduidelijk; men kon den hemel niet van het water onderkennen en het +gansche eiland scheen in een wijden kring van wit spattend zeeschuim +besloten. Flink wendde zijne oogen naar de plaats, waar het schip op +de riffen had vastgezeten. Daar was niets meer te zien,--het wrak +was op eens verdwenen! slechts hier en daar zag men er de planken +en luiken van, die met alles, wat in het ruim geborgen was geweest, +overal ronddreven of nog in de woeste branding het strand beurtelings +naderden en ontvloden. + +"Ik dacht wel, dat het zoo gaan zou," zeide Flink tot mijnheer Wilson, +die hem gevolgd was, om eens naar het schip om te zien; "zie maar, +de storm heeft het geheel in splinters geslagen. Dat kan ons tot +aansporing zijn, om hier niet langer te blijven. Wij moeten van 't +goede weer, dat wij voor 't invallen van den regentijd waarschijnlijk +nog hebben zullen, zooveel mogelijk partij trekken en mogen volstrekt +geen tijd verliezen." + +"Ik ben dat volkomen met u eens, Flink," antwoordde mijnheer +Wilson.--"Dat daar is ook eene aanmaning om spoed te maken," en hij +wees naar de door den wind omvergeworpen tent. "Het is wezenlijk een +geluk, dat geen van de onzen daarbij letsel heeft bekomen." + +"Ja, waarlijk, mijnheer; maar de storm is nu gebroken en morgen zullen +wij weer mooi weer hebben. Laat ons nu eens gaan opnemen, wat wij +met de tent doen kunnen. Willem en Juno zullen in dien tusschentijd +wel naar een ontbijt voor ons omzien." + +Met deze woorden gingen zij aan den arbeid. Zij voorzagen de tent +opnieuw van stevige prikken en touwen en brachten haar weldra weder +in behoorlijken staat, behalve dat de bedden en dekens nog doornat +waren en in den wind moesten worden te drogen gehangen. Nadat dit +gedaan was, zetten zij zich neder tot het ontbijt, waartoe Juno hen +juist was komen roepen. + +"Voor 't oogenblik kunnen wij weinig meer doen, mijnheer," zeide +Flink. "Tegen den avond zal het linnen zoo nat niet meer zijn, en dan +zullen wij er beter mee kunnen omgaan. Eindelijk zie ik eene opening +in de wolken, die spoedig ander weer belooft; de storm was ook al te +hevig, om heel lang aan te houden. En nu," vervolgde hij, "willen we +nog eerst al onze krachten inspannen, om de aangespoelde goederen +te redden, die, als ze te lang omdrijven, tegen de rotsen worden +stukgeslagen. Juno kunnen wij daarbij missen, en ik hoop, dat wij +ons ook zonder den braven Thomas wel redden zullen. Het is beter, dat +hij bij moeder blijft en zorgt, dat haar hier geen ongeluk overkomt." + +Thomas was echter door het gebeurde van dien nacht nog geheel uit +zijn humeur en verkoos boe noch ba te zeggen. + + + + + + + +NEGENTIENDE HOOFDSTUK. + +DE WONDEREN DER NATUUR. + + +Weldra stonden zij aan het strand. Flink had onder den reeds geborgen +voorraad een stevig, lang touw opgezocht en daarmede werden nu de +tonnen en wat meer nog van het verbrijzelde schip door de golven +werd aangespoeld, vastgebonden en zoover mogelijk op het drooge +gesleept. Dit werk hield hen gedurende het grootste gedeelte van +den dag bezig en nog hadden zij niet het vierde deel der goederen +bijeengebracht, die zich binnen hun bereik ophoopten behalve nog de +menigte van gereedschappen, die buiten op de zee en aan den ingang +der bocht omdobberden. + +"Kom mijnheer," zeide Flink eindelijk, "voor vandaag hebben wij onze +taak verricht. Morgen zullen wij nog meer kunnen uitvoeren, want de zee +wordt nu reeds weer effen en de zon komt van achter gindsche wolken +te voorschijn. Wij moeten nu ook voor onze maag zorgen en dan zien, +hoe wij ons dezen nacht het best behelpen kunnen." + +De eene tent, die door den storm was verschoond gebleven, werd aan +mevrouw Wilson en hare kinderen afgestaan en de andere, zoo goed het +geschieden kon, weer inderhaast hersteld. Het beddegoed was nog op +verre na niet droog, en dus nam men zijne toevlucht tot eenige zeilen, +die dieper in het bosch minder van den regen hadden te lijden gehad, +en spreidde die op den grond uit, om er de vermoeide leden gedurende +den nacht op uit te strekken. + +Den volgenden morgen scheen de zon helder en vroolijk. De lucht was +geurig en frisch; een zacht windje speelde over het water en er was +bijna in het geheel geen branding meer. Voortdurend werden allerlei +overblijfselen van het wrak door den wind aan land gebracht; vele +goederen waren gedurende den nacht langs het strand opeengehoopt en +bij eene menigte andere had men slechts geringe moeite noodig om ze +geheel in veiligheid te brengen. Het scheen wel dat de stroom des +waters recht op de bocht stond, want van de voorwerpen, die eerst +buiten in de zee hadden omgedreven, kwamen nu de meeste van lieverlede +in deze richting aan land gespoeld. De beide mannen werkten tot aan +het uur van het ontbijt door en hadden toen een aantal tonnen, vaten +en kisten aan den oever gehaald. + +Dadelijk na het ontbijt keerden zij naar de baai terug om hun arbeid +voort te zetten. + +"Zie eens, Flink, wat is dat?" vroeg Willem, die bij hem was en op +een zwart punt wees, dat langzaam kwam aandrijven. + +"Dat is onze arme koe; en als gij nauwkeuriger toeziet, zult gij ook +de haaien bemerken, die op het kreng azen. Ziet gij wel?" + +"O ja, duidelijk en wat een menigte zijn er!" + +"Er zijn er zeker genoeg om twintig koeien te verslinden; en wees +dus maar voorzichtig, Willem als gij in het water gaat, en pas op, +dat Thomas er niet te dicht bij komt, want de haaien geven om geen +ondiepte, als ze een buit voor zich zien.--Maar nu moet ik u beiden +overlaten nog zooveel van het wrak te redden, als gij kunt, terwijl ik +onze boot nazie en haar weer in orde breng. Wij zullen haar binnenkort +noodig hebben, en hoe eer wij haar gebruiken kunnen, des te beter." + +De oude man ging het gereedschap halen, dat hij tot herstelling van +de boot noodig had. Inmiddels verzamelden vader en zoon ijverig de +verschillende voorwerpen, die aan het strand spoelden, en rolden de +vaten zoo ver opwaarts, als zij konden. De houten en balken van het +schip lieten zij aan het spel der golven over, omdat zij daarvan reeds +zulk een voorraad bijeen hadden, als voor den eersten, ja voor langen, +langen tijd toereikend kon geacht worden. + +Daar Flink zekerlijk eenige dagen noodig zou hebben, om de boot weder +waterdicht en bruikbaar te maken, besloot mijnheer Wilson nu ook op +zijne beurt eens met Willem naar de andere zijde van het eiland te +gaan; en daar zijne vrouw er geen bezwaar in vond met Flink en Juno +alleen te blijven, begaven beide zich den derden dag na den storm +al vroegtijdig op weg. Willem ging vooruit en richtte zich naar de +teekenen, die op de kokosboomen te zien waren. In twee uren tijds +hadden zij ditmaal de plaats hunner bestemming bereikt. + +"Is het hier niet schoon, vader?" riep Willem uit. + +"Ja, heerlijk, verrukkelijk, mijn beste jongen," was het antwoord. + +"Ik kon mij bijna niets fraaiers voorstellen dan het plekje op de +andere zijde van het eiland, waar wij tot hiertoe woonden, maar dit +overtreft het nog zoowel in verscheidenheid als in uitgestrektheid." + +"En nu moeten wij eens naar de wel gaan zien, vader," vervolgde Willem +en wees den weg dien zij hadden in te slaan. + +De door Flink gegraven kuil en de geheele holte, waarin deze gelegen +was, stond tot overvloeiens vol en bevatte het heerlijkste water. Na +zich hiervan overtuigd te hebben, wandelden zij het strand langs naar +de zandige baai en zetten zich daar op eene koraalklip neder. + +"Wie had ooit gedacht, Willem," begon de vader, "dat dit eiland +met zoovele andere, die in menigte in den Stillen Oceaan verstrooid +liggen, zijn ontstaan aan kleine nietige insecten kon te danken hebben, +die nauwelijks zoo groot als eene speldeknop zijn!" + +"Insecten, vader?" riep de knaap uit. + +"Ja! insecten. Geef mij dat stukje dood koraal eens. Ziet gij die +honderden ronde kleine gaatjes in elk takje, tot zelfs in het kleinste +toe? Verbeeld u nu, in ieder dier kleine openingen woonde eens een +zee-insect, en naarmate die insecten aangroeiden, groeiden ook de +takken der koraalboomen uit." + +"Ja, dat begrijp ik wel. Maar hoe kan men weten, dat dit eiland door +hen gemaakt is? Zoo iets gaat mijn begrip geheel te boven." + +"En toch is het waar, Willem, dat genoegzaam alle eilanden in dit +gedeelten van den oceaan door den arbeid en den wasdom dezer kleine +dieren ontstaan zijn. Het koraal was aanvankelijk op den bodem der zee, +waar het door wind en golven niet gestoord wordt. Al langzamerhand +schiet het hooger op, tot het eindelijk bijna tot aan de oppervlakte +des waters reikt. Dan is het juist als die klippen, welke gij ginds +ziet, Willem, en van nu af wordt het door het geweld van wind en +baren, die het gedurig afbrokkelen, in zijn groei belemmerd en kan +zich daarom ook niet boven de zee verheffen; want als dit het geval +werd, dan moesten de kleine dieren natuurlijk sterven." + +"Maar hoe ontstaat daar nog een eiland uit?" + +"Dat geschiedt slechts zeer langzaam en na verloop van veel tijd; ook +hangt daarbij veel van het toeval af. Zoo kan b. v. een boomstam, die +in zee omdrijft en misschien met schelpen en schaaldieren overdekt is, +op de koraalriffen blijven vastzitten. Zoo iets zou een toereikend +begin zijn, want het kon boven water blijven en de koralen aan de +windzijde beschutten, tot zich een vlakke rots, van gelijke hoogte +met de zee, had vastgezet. De zeevogels zoeken gaarne eene plaats om +uit te rusten. Zij zouden deze hier schielijk gevonden hebben en van +hunne uitwerpselen moest dan na verloop van tijd eene kleine plek boven +water ontstaan, waarop vervolgens ook nog andere drijvende voorwerpen +konden blijven hechten. Over zee verwaaide landvogels vallen daarop +neder en de in hunne maag bevatte zaadkorrels schieten, eens gevallen, +tot struiken en boomen op." + +"Dat kan ik goed begrijpen." + +"Welnu dan; op die wijze is de eerste grondslag om het zoo eens te +noemen tot een eiland gelegd, en eens zóóver, neemt dit ook spoedig +toe, want thans zijn de koralen tegen den wind gedekt en groeien +welig op. Merkt gij wel, hoe breed en hoog de koraalklippen op deze +zijde van het eiland, waar stormvlagen en golfslag haar niet zoo deren +kunnen, oprijzen, terwijl dit aan de windzijde, waar onze tenten staan, +zoo geheel anders is? Evenzoo onttrekt die eerste kleine plek boven +water de koraalgewassen aan den wind, en dan neemt het eilandje ras +in wasdom toe; want de vogels rusten er niet alleen, maar nestelen +er ook en broeden er jongen uit, zoodat de omvang van jaar tot jaar +grooter wordt. Ten laatste komt dan nog eene kokosnoot op de golven +aandrijven--en die vrucht is juist geschikt, om zich op zoo'n wijze +voort te planten, want hare buitenste schil is hard en waterdicht +en meteen zoo licht, dat ze op 't water drijft en daarin, zonder te +verrotten, maanden kan blijven liggen. Zij schiet wortel, wordt een +boom, die zijne breede takken telken jare verder uitbreidt en door +zijn dorrend loof gedurig meer teelaarde om zich heen verzamelt. De +rijpe noten vallen in deze vetten bodem, kiemen schieten op,--en zoo +gaat het voort, jaar in jaar uit, totdat het eiland zoo groot en zoo +dicht met boomen bezet is, als dat waarop wij nu op dit oogenblik +staan. Is dat niet verwonderlijk?" + +"Hé, hoe merkwaardig!" antwoordde Willem. + +Eenige minuten na dit gesprek bleven vader en zoon zwijgend +zitten. Toen stond de eerste op en zeide: "Kom, Willem, laat ons +nu terugkeeren; wij hebben nog drie uren licht en willen tijdig +thuis zijn." + +"Ja vooral vóór het avondeten, vader," antwoordde de knaap, "dat ik +alle eer zal aandoen. Hoe eer wij er zijn, des te beter." + + + + + + + +TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + +VERHUIZING NAAR DE OOSTZIJDE. + + +Alles was nu zoover gereed, dat men zonder twijfel met het opbreken +naar de lijzijde van het eiland beginnen kon. Flink had de boot bijna +weder klaar; hij had haar geheel vernieuwd en daarbij nog van een mast +en zeilen voorzien. Mijnheer Wilson en Willem gingen voort met het +verzamelen van goederen, die nog voortdurend werden aangespoeld, en +kozen bij voorkeur dezulke, die in de open lucht aan bederf onderhevig +zijn. Al wat zij van dezen aard vonden, werd naar het kokosboschje +gebracht, om het althans aan de hitte der zon te onttrekken, doch er +werd dagelijks zulk een menigte van alles aan land geworpen, dat zij +nauwelijks wisten, wat zij al bijeen hadden. Echter versmaadden zij +niets, maar borgen de eene kist na de andere en wachtten op eene andere +gelegenheid om den inhoud er van te onderzoeken. Ten laatste droegen +zij het verzamelde op groote hoopen en bedekten die behoorlijk met +zand, daar het in den korten tijd, die hun overig bleef, onmogelijk +was de velerlei goederen van het strand weg te brengen. + +Ook mevrouw Wilson, die nu weer volkomen hersteld was, en Juno bleven +niet werkloos. Zij hadden al het noodige zoo goed zij konden in +pakken saamgebonden, om het gemakkelijk naar de nieuwe woonplaats te +kunnen overbrengen. Op den achtsten dag na den storm waren allen met +hun werk gereed en nu werd ten besluite eene groote raadsvergadering +gehouden. Men kwam overeen, dat Flink het beddegoed en het zeildoek +van de eene tent in de boot pakken en Willem op zijne eerste vaart +medenemen zou. Na dit vervoerd te hebben, zou hij terugkeeren, om eene +tweede vracht te laden, en dan moest de familie door het bosch naar +de andere zijde van het eiland trekken en daar met den heer Wilson +blijven, terwijl Flink met Willem de tweede tent ging halen. Daarna +zou de boot nog zooveel reizen doen, als het weder toeliet, tot +alles, wat men voor het begin noodig had, naar de nieuwe woonstede +was overgebracht. + +Het was een lieve stille morgen, toen Flink en Willem met de zwaar +beladen boot van land stieten. Zoodra zij buiten de bocht waren, +trokken zij het zeil op en stevenden met gunstigen wind langs de kust +voort. Binnen twee uren hadden zij de oostkust bereikt. De landtong, +aan wier spits de doorgang door de klippen zich bevond, was geen mijl +meer van hen verwijderd, en nu lieten zij het zeil vallen en roeiden +in het kanaal, om in de zandige baai te landen. + +"Gij ziet, Willem, hoe gelukkig het voor ons treft, dat wij altijd +een goeden wind zullen hebben, als wij met de bevrachte boot hierheen +gaan, en slechts het leege vaartuig hebben terug te roeien." + +"Ja, dat treft heel gelukkig. Hoe ver zou het wel zijn van de bocht +ginds tot aan dit gedeelte van het eiland?" + +"Zes of zeven mijlen, verder niet. Het eiland is lang en smal, +zooals gij ziet. Laat ons nu ons boeltje aan land dragen, dan kunnen +wij lang voor donker in onze bocht terug zijn. Uwe moeder zag niet +bijzonder gaarne, dat gij andermaal op zee gingt, Willem;--ik heb +dat wel bemerkt; en wij moeten dus niet lang uitblijven." + +De boot was spoedig gelost; doch het kostte meer tijd de goederen ver +genoeg op het land te dragen. "Zulk een storm, als wij onlangs hadden, +zullen wij hier denkelijk niet meer hebben uit te staan," zeide Flink; +"want wij zijn daartegen door het kokosbosch in zijne gansche diepte +gedekt. Van den wind zullen wij nauwelijks iets merken, maar des te +meer van den regen, die in gansche stroomen op ons neerkomen zal." + +"Ik moet eens even naar onze bron gaan zien en er een goeden dronk +uithalen," sprak Willem. + +"Doe dat; maar laat mij niet te lang in de boot wachten." + +Willem berichtte, dat de bron tot den rand toe vol was en hij in zijn +leven geen zoo heerlijk water gedronken had. Daarop staken zij van +wal en waren na ruim twee uren roeiens weder aan den ingang van de +bocht, waar mevrouw Wilson met Thomas aan de hand op hen wachtte en +hun reeds van verre met haar zakdoek toewuifde. + +Bij het aan land stappen ontvingen zij de gelukwenschen der gansche +familie over den gunstigen uitslag van hunne eerste vaart, en allen +waren blij, dat de afstand zooveel korter was, dan men aanvankelijk +geloofd had. + +"Den volgenden keer ga ik mee," zei Thomas met veel deftigheid. + +"Alles op zijn tijd; als de jongeheer Thomas nog een weinigje grooter +is," antwoordde Flink. + +"Massa Thomas komen mij help te melken de geit?" vroeg Juno. + +"Ja, ja, de geiten melken!" riep de kleine schelm en huppelde +vroolijk heen. + +"Zoo altijd pekelvleesch en scheepsbeschuit moet u toch +vervelen, mevrouw," zeide Flink, toen zij zich weder tot eten +nederzetten. "Zoodra wij echter in ons nieuw verblijf zijn, hoop ik +wel wat beter voedsel voor u op te doen. Tegenwoordig is het nog hard +werk en harde kost." + +"Zoolang de kinderen er geen hinder van hebben, kan ik mij dat +heel goed getroosten, ofschoon ik wel bekennen wil, dat ik na dien +laatsten storm hartelijk verlang hier vandaan te komen, vooral na +de verleidelijke beschrijving, die Willem mij van onze aanstaande +woonplaats gegeven heeft. Het moet een waar paradijs zijn! Wanneer +zullen wij opbreken, Flink?" + +"Niet vóór overmorgen, mevrouw; want, ziet gij, ik heb eerst nog eene +tweede reis te doen, om het keukengereedschap en de bundels, die +gij gepakt hebt, over te brengen. Als gij Juno morgen missen kunt, +moet zij met Willem door het bosch gaan, en dan kunnen wij de eene +tent voor u en de kinderen opzetten. Uw man kan dan achterblijven." + +"Zeer goed, Flink; en zou 't niet het best zijn, dat zij dan meteen +de schapen en de geiten meenamen?" + +"Ik ben blij, mevrouw, dat gij daaraan gedacht hebt; wij kunnen +daardoor vrij wat tijd besparen." + + + + + + + +EEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + +FLINK EN WILLEM. + + +De oude man had zijne boot reeds lang weder volgeladen en onder zeil +gebracht, voordat de overige leden der familie nog op waren. Deze waren +nog niet aangekleed, toen hij zijne gansche vracht reeds gelost had en +zich vervolgens neerzette, om zijn ontbijt te nuttigen. Daarna droeg +hij al de goederen naar de plek, waar hij eene tent wilde opslaan, +en maakte hiertoe het noodige gereed, terwijl hij nog de komst van +Willem en Juno wilde afwachten, die hem dan helpen konden om de staken +vast te binden en het linnen daar overheen te trekken. + +Tegen tien uren 's morgens verscheen Willem met eene der geiten aan +een touw, terwijl de overige los volgden. Na hem kwam Juno met de +schapen, van welke zij er ook een vasthield; de andere hadden zich +geduldig bij den trein aangesloten. + +"Daar zijn wij eindelijk," riep Willem lachend. "Wij hebben in het +bosch de handen vol werk gehad, want die domme Nanni, de geit, liep +altijd om de eene zij van den boom, als ik aan de andere was, zoodat ik +het touw dan wel gedurig moest loslaten. Wij hebben de varkens ook weer +ontmoet, en ge hadt eens moeten hooren, Flink, hoe Juno het uitgierde." + +"Ikke denken, dat wilde beest loopen in de bosch," zeide Juno. "O, wat +ijselijk mooie plaats hier! Hier massaas zeker dolgraag wonen zullen." + +"Ja, het is wezenlijk eene heerlijke plaats, Juno; en hier kunt gij ook +weer wasschen en plassen, en zult het water niet behoeven te ontzien." + +"Daar denk ik juist over, hoe wij ons gevogelte het best over zullen +brengen," zeide Willem: "het is wel niet heel wild, maar laat zich +toch niet opvangen." + +"Ik zal ze morgen meenemen, vriend Willem," zeide Flink. + +"Maar hoe zult gij ze in handen krijgen?" + +"Doodeenvoudig; men wacht, tot ze 's avonds op hun tak zitten, en +dan kan men ze met de hand aanvatten, als men lust heeft." + +"En de duiven en de varkens laten wij in 't wild loopen, denk ik, +en hun eigen kost zoeken?" + +"Zeker; het is het beste, wat wij met hen doen kunnen. De varkens +zullen onder de kokosboomen altijd genoeg voedsel vinden en schielijk +jongen in menigte krijgen." + +"En dan zullen wij hen schieten, niet waar?" + +"Ja, Willem, dat zullen wij, en ook duiven, wanneer die zich eerst +genoegzaam vermeerderd hebben; zoodat wij, als wij hier zoolang +blijven, in het vervolg ook onze vrije jacht zullen krijgen. Spoedig +zullen wij behoorlijk van alles voorzien zijn en levensmiddelen +in overvloed tot onze beschikking hebben; elk komend jaar zal ons +rijker maken. Maar nu moet gij de tent helpen opslaan en ieder ding +op zijn plaats brengen, zoodat uwe moeder bij hare komst alles recht +gemakkelijk en netjes vindt. Zij zal wel zeer moe wezen, als zij hier +komt; want de wandeling is voor haar een heel eind." + +"Moeder is veel beter, dan zij in lang geweest is," antwoordde +Willem. "Ik hoop, dat zij spoedig weder volkomen gezond zal zijn, +en dat wordt zij zeker, als zij hier maar een poosje gewoond heeft." + +"Wij hebben nog zeer veel werk voor ons, meer dan wij vóór den +regentijd gedaan kunnen krijgen, en dat is waarlijk jammer, hoewel +'t nu eenmaal niet te veranderen is. Vandaag over een jaar zullen +wij alles hier beter in orde hebben." + +"Wel, wat hebben wij dan nog te doen, als onze tenten er eens staan +en wij ons goed overgebracht hebben?" + +"In de eerste plaats moeten wij een huis bouwen, en dat zal ons vrij +wat tijd kosten. Wij dienen ons te haasten, opdat het zoo schielijk +mogelijk klaar kome. Dan moeten wij een kleinen tuin aanleggen en +de zaden, die uw vader uit Engeland heeft meegebracht, in den grond +brengen." + +"O, dat is een allerprettigst werk. Waar kan dat het best geschieden, +Flink?" + +"Ik heb reeds naar eene geschikte plaats omgezien. Wij moeten dwars +over die landtong eene omheining aanleggen en al het struikgewas met +den wortel uitroeien. De grond is er opperbest." + +"En wat komt dan aan de beurt?" + +"Dan moeten wij een pakhuis aanleggen voor al den voorraad, dien wij +verzameld hebben en die nog in het bosch en op het strand verstrooid +ligt. Daar moeten wij alles laten, tot wij tijd hebben, om het te +onderzoeken; en dan dienen wij te overleggen, hoevele reizen wij nog +met onze kleine boot te doen hebben, om alles hierheen te brengen." + +"Ja, dat is alles waar. Valt er dan nog meer te doen?" + +"O, nog werk in overvloed! Wij moeten een vijver voor schildpadden +een anderen voor visch aanleggen en eene badplaats voor Juno zoeken, +waar zij de kinderen wasschen kan." + +"Ja, ja, en ikke mijzelf ook," zeide Juno. + +"Wel, dat is den moriaan gewasschen; ofschoon ik wel weet, Juno, +dat gij een zindelijk meisje zijt, al is uwe huid ook niet heel +blank.--Maar vooreerst, Willem, moeten we onze wel in goeden staat +brengen, zoodat we altijd rijkelijk versch water hebben. En daar +hebt ge nu werk genoeg en wel zwaar werk, althans voor een vol jaar, +en hoe langer wij hier samenwonen, des te meer behoeften zullen wij +langzamerhand ook ontdekken." + +"Nu, laat moeder en de kleinen maar eerst hier zijn, dan zullen wij +dapper aan den gang gaan." + +"Ik wenschte van ganscher harte, dat alles reeds gedaan was, mijn beste +Willem," vervolgde Flink. "In allen gevalle hoop ik nog lang genoeg +te leven, om dat alles tot stand te zien gebracht. Ik zou u allen +gaarne in onbezorgde omstandigheden achterlaten en met de zekerheid, +dat gij u in het vervolg ook zonder mij goed kondet redden." + +"Maar hoe kunt gij zoo spreken, Flink? Gij zijt wel oud, maar daarbij +toch gezond en sterk." + +"Nu nog wel, mijn goede jongen; maar gij weet, hoe onzeker het leven +van den mensch is. Gij zijt jong en gezond en een lang leven schijnt +voor u weggelegd, maar toch, wie kan zeggen, of gij niet misschien +morgen reeds heengegaan en door vader en moeder bitter beweend zult +worden? En zou ik, een oud man, die al zooveel moeite en ongemakken heb +doorgestaan, dan nog op een lang leven rekenen? Neen--neen, Willem, +dat ware in de jeugd dwaasheid, maar bij een grijsaard zwakheid en +waanzinnigheid. En toch zou ik gaarne hier blijven, zoolang ik nog +nuttig zijn kan, en dan, dunkt mij, als mijne taak ten einde is, +kon ik in vrede de oogen sluiten. Ik verlang niet dit eiland ooit +weer te verlaten en heb een soort van voorgevoel, dat mijn gebeente +hier eens rusten zal." + +Een tijdlang werkten zij voort zonder een woord te spreken. Het +linnen voor de tent werd uitgespannen en met prikken in den grond +vastgeslagen. Eindelijk brak Willem het stilzwijgen af. + +"Flink, hebt gij mij niet eens gezegd, dat uw voornaam Masterman is?" + +"Ja, zoo is het ook, Willem." + +"Dat is toch een wonderlijke voornaam! Werdt gij misschien naar een +ander zoo genoemd?" + +"Dat raadt gij goed; hij was een zeer rijk man, mijn peet." + +"Weet gij wat, Flink!--ik zou gaarne uwe geschiedenis eens hooren +vertellen,--ik meen namelijk uwe gansche levenshistorie, van toen +gij een kind waart af." + +"Nu, dat kan nog wel eens gebeuren, Willem, en waarlijk, er zijn vele +voorvallen in mijn leven, die anderen wel tot eene goede leering konden +dienen. Dat kan ik echter eerst doen, als wij met ons werk klaar zijn, +nu is de tijd er te kostbaar toe." + +"Hoe oud zijt gij wel, Flink?" + +"Vier-en-zestig al ruim, mijn jongen. Dat is een hooge ouderdom voor +een zeeman. Ik had ook geen dienst meer op een schip kunnen krijgen, +als ik niet met verscheidene kapiteins zoo goed bekend was geweest." + +"Maar waarom zegt gij, een hoogen ouderdom voor een zeeman?" + +"Omdat de matrozen zelden zoo lang leven als andere lieden, deels +wegens de ongemakken, die zij moeten doorstaan, deels ook door eigen +schuld, omdat zij te veel sterke drank gebruiken. Daarbij zijn zij +ook vaak zorgeloos, bekommeren zich al te weinig om hunne gezondheid, +zoodat hunne levenskracht vroeger uitgeput raakt, dan dit op het +vasteland gewoonlijk het geval is." + +"Maar gij gebruikt tegenwoordig immers geen sterke drank meer?" + +"Neen, nooit, Willem; maar in vroeger jaren was ik even dwaas als de +anderen.--Kom, Juno, het wachten is alleen op u; breng de bedden eens +hier. Wij hebben nog maar twee of drie uren tot onze beschikking. Wat +zullen wij nu 't eerst aanvangen Willem?" + +"Zou 't niet goed wezen, dat wij terstond eene stookplaats zochten, om +den pot te koken? Juno en ik konden daartoe de steenen wel aanbrengen?" + +"Gij toont overleg, mijn beste jongen;--juist datzelfde wou ik +voorslaan, als gij het niet gedaan hadt. Ik zal morgen lang vóór +u hier zijn en wel zorg dragen, dat gij bij uwe aankomst het eten +gereed vindt." + +"Ik heb een flesch met water in mijn reiszak meegebracht," vervolgde +Willem, "niet zoozeer om dat water, als omdat ik de geiten melken en +de melk voor mijn kleine broertje meenemen wou." + +"Daar hebt gij braaf en broederlijk aan gedaan. Nu frisch aan 't +werk! Terwijl gij met Juno steenen haalt, zal ik al het overige goed +hier onder de boomen wegbergen." + +"Kunnen wij de schapen en geiten los laten loopen, Flink?" + +"Gerust; ge hebt niet te vreezen, dat ze zullen wegloopen. Het +groene voeder is hier beter dan op de andere zijde van het eiland en +daarbij overvloedig voorhanden. Geloof mij, ze zullen heel bedaard +hier blijven." + +"Goed dan zal ik Nanni loslaten, zoodra Juno haar gemolken heeft; +doch dat is vandaag ook ons laatste werk hier.--Laat ons nu eens zien, +Juno, hoeveel steenen wij in één vracht dragen kunnen." + +Een uur later was de stookplaats gereed, had Flink zijne taak +volbracht, waren de geiten gemolken en druk aan 't grazen en namen +Willem en Juno den terugweg door het woud aan. + +Flink keerde naar het strand terug. Toen hij dat langs wandelde, zag +hij eene kleine schildpad liggen. Behoedzaam sloop hij op haar toe, +zoodat hij tusschen haar en het water kwam te staan, en toen greep +hij haar plotseling aan en kantelde haar gelukkig op den rug om. + +"Ziezoo, dat is onze hoofdschotel voor morgen," zeide hij, terwijl +hij in zijne boot klom. Met forsche handen greep hij de riemen aan +en roeide naar de bocht terug. + + + + + + + +TWEE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + +AANKOMST OP DE NIEUWE WOONPLAATS. + + +Flink landde in de bocht, trok de boot aan wal en ging toen naar de +tenten, waar hij het gansche gezelschap bij elkaar vond, aandachtig +luisterende naar het verhaal, dat door Willem van de verrichtingen en +ontmoetingen van dien dag gedaan werd. Bij Flinks komst werd dadelijk +alles voor morgen afgesproken. Toen ging men slapen, en alleen de +oude man en Willem bleven nog een poosje op, om de hoenders te vangen +en hun de pooten saam te binden, zoodat men ze den volgenden ochtend +gemakkelijk in de boot vervoeren kon. + +Vóór dag en dauw werden de kleinen gewekt en zoo schielijk mogelijk +aangekleed, omdat Flink de tent, waarin moeder en kinderen geslapen +hadden, in de boot wilde medenemen. Met uitzondering van dezen en +van Thomas, die in de vrouwentent--gelijk men haar noemde--onder dak +was, hadden de overigen onder den blooten hemel geslapen, op stukken +zeildoek, welke men daartoe onder de dichte kokosboomen op den grond +had uitgespreid. Wat was dat eene drukte en eene opschudding op dezen +morgen! Alles kwam in rep en roer. Zoodra mevrouw Wilson gekleed was, +werd de tent omvergehaald en met beddegoed en alle verder toebehooren +in de boot geladen. Na een hartig ontbijt gingen ook borden, messen, +lepels en andere kleinigheden scheep; toen legde Flink de hoenders +daar bovenop, en in een ommezien was hij uit het gezicht. + +Een weinig later maakte zich ook het verdere gezelschap tot de reis +door het kokosbosch gereed. Willem ging met de drie honden vooruit +en wees den weg. Hem volgde zijn vader met Albert op den arm, Juno +met de kleine Caroline, en eindelijk mevrouw Wilson met Thomas aan +de hand, die volgens zijn zeggen, op zijne moeder passen moest. Met +een weemoedig gevoel zeiden zij de plaats vaarwel, die hen na zooveel +doorgestane gevaren het eerst had opgenomen. Nog eenmaal zagen zij +naar de bocht en de overblijfsels van het wrak en de scheepslading, die +naar alle zijden verstrooid lagen om en toen traden zij het woud in. + +Flink was in minder dan twee uren aan de nieuw gekozene verblijfplaats +aangekomen en onverwijld aan land gestapt. Voordat hij zijne lading +begon te lossen, wilde hij nog naar de schildpad zien, die hij den +vorigen dag op het strand had omgekeerd. Hij vond het beest nog, +gelijk hij het gelaten had, doodde het en wiesch het zorgvuldig af. Nu +ging hij naar de nieuw aangelegde stookplaats, legde het vuur aan; +vulde den ijzeren ketel met water en zette hem op het vuur te koken. + +Hierop sneed hij een stuk van de schildpad af en legde het met eenige +sneden pekelvleesch in den ketel, dekte dezen en liet alles behoorlijk +doorkoken. Het overschot van de schildpad hing hij in de schaduw op, +waarna hij naar het strand terugkeerde, om eindelijk de lading uit +de boot te brengen. Hij bond de arme hoenders los, welker pooten in +den beginne heel stijf waren, doch die zich spoedig weer herstelden +en toen terstond ijverig naar voeder rondzochten. + +Flink nam de schotels, messen, vorken en andere kleinigheden uit +de boot en droeg ze naar de nieuwe tent, waarna hij naar het vuur +omzag en nog meer hout onder den ketel legde. Vervolgens haalde hij +het beddegoed en het linnen voor de tweede tent, benevens de staken, +die hij achter aan de boot had vastgemaakt. Hij had bijna drie volle +uren noodig om alles naar de nieuwe woonstede over te brengen, want +deze lag eenigszins van het strand verwijderd en enkele dingen waren +zwaar, zoodat de oude man hartelijk blij was, toen hij zijn werk +verricht had en zich eindelijk kon neerzetten, om wat uit te rusten. + +"Me dunkt toch, het is haast tijd, dat zij komen konden," dacht Flink; +"zij moeten nu al bijna vier uren onder weg zijn. Maar misschien zijn +ze later vertrokken. Het is geen gemakkelijk ding, een hoop vrouwen met +kinderen in beweging te brengen." Zoo wachtte hij nog een kwartier, +stookte het vuur op en vergat ook niet van tijd tot tijd de soep af +te schuimen, tot eensklaps de drie honden op hem kwamen toespringen. + +"Nu kunnen zij niet ver meer verwijderd zijn," dacht de oude man. + +En dat waren zij werkelijk niet; want eenige minuten later verscheen +het gansche gezelschap, en dat wel zeer verhit en afgemat, gelijk +hij dan ook niet anders verwacht had. Hij hoorde nu, dat de kleine +Caroline, na een poosje geloopen te hebben, bitter over vermoeidheid +geklaagd had, zoodat Juno haar had moeten dragen. Later had ook mevrouw +Wilson zich doodelijk vermoeid gevoeld en had men een kwartiertje +moeten rusten. Daarop kwam sinjeur Thomas, die niet bij moeder had +willen blijven, maar gedurig heen en weer was geloopen en verklaarde +dat hij moe was en dat men hem dragen moest; en daar er niemand was, +die dit doen kon, begon hij te schreien en te klagen, totdat men +besloot andermaal halt te houden, opdat hij eenigermate bekomen +zou. Eindelijk begon de kleine ongelukkig nog honger te krijgen en +te schreeuwen. De vreesachtige Caroline werd beangst, toen men zoo +lang in het donkere bosch omdwalen moest, en weende mee. Thomas, dien +de goede Willem een eind ver als een zak op den rug had gedragen, +zette, toen hij eindelijk zijn eigen beenen weer gebruiken moest, +eene geweldige keel op. Zoo moest men alweer halt maken, en eerst +nadat men zich door een dronk uit Willem's flesch verkwikt had, ging +het weer eenigszins beter, tot het gezelschap ten laatste zóó moe en +uitgeput bij Flink aankwam, dat mevrouw Wilson zich met de kleinen +eenigen tijd in de tent moest nederleggen, voordat zij van de plaats, +waar zij in het vervolg wonen zouden, ook maar iets had gezien. + +"Mij dunkt," zeide mijnheer Wilson, na de kleine aan Juno te hebben +overgegeven, "dat de dagreis van heden, hoe klein ook, het beste +bewijs is, hoe hulpeloos wij zonder u zijn zouden, Flink." + +"Ik ben recht blij, dat gij eindelijk hier zijt, mijnheer," antwoordde +de oude man. "Het is mij een zwaar pak van het hart, want nu eerst zal +het met ons allen beter gaan. Me dunkt, na eenigen tijd zult gij hier +recht genoeglijk kunnen wonen, maar daartoe hebben wij nog veel te +doen. Zoodra mevrouw wat heeft uitgerust, willen wij ons middagmaal +gebruiken en dan onze eigene tent vastmaken, wat nog werk en omslag +genoeg zal wezen. Morgen zullen wij dan ernstig met onzen nieuwen +arbeid aanvangen." + +"Gaat gij morgen naar onze oude bocht terug, Flink?" + +"Ja mijnheer. Wij moeten onzen voorraad hier hebben, rund- en +varkensvleesch, meel en erwten en nog veel andere dingen, die wij +niet missen kunnen. Met drie reizen heb ik den leeftocht over; het +overige kunnen wij later onderzoeken en onder dak brengen, als wij +er eens tijd toe vinden. Zoodra ik deze drie reizen met mijne boot +gedaan heb, kunnen wij dan gezamenlijk aan het werk gaan." + +"Maar in dezen tusschentijd kan ik toch ook wel iets doen?" + +"O ja, er is werk in overvloed voor u." + +"Wilt gij Willem meenemen?" + +"Neen, mijnheer; hij zal hier meer van nut zijn, en ik kan mij ook +zonder hem redden." + +Mijnheer Wilson ging nu in de tent en vond zijne vrouw weer vrij +wat van hare vermoeidheid bekomen, maar al de kinderen vast in +slaap. Men wachtte nog een half uur en wekte toen Thomas en Caroline, +om gezamenlijk aan tafel te kunnen gaan. + +"Hé, beste Flink," riep Willem, toen deze het deksel van den ketel nam, +"wat een heerlijke soep hebt gij daar toch!" + +"Dat is een zondagskostje, waarop ik u dezen eersten middag +eens onthalen wou," antwoordde Flink. "Ik weet dat gij allen het +pekelvleesch eindelijk van harte moe zijt, en daarom zult gij vandaag +eens als aan eene burgermeesterstafel smullen." + +"Maar zeg, Flink, wat is het?" vroeg mevrouw Wilson. "De reuk er van +is heerlijk althans." + +"Eene schildpadsoep, mevrouw; en ik hoop, dat ze u smaken +zal. Wanneer ze u bevalt, kan ik haar u, nu wij eens hier zijn, +wel meer voorzetten." + +"Waarlijk zij smaakt keurig, maar er moet nog een weinig zout in. Gij +hebt dat toch nog, Juno?" + +"Maar sikkepitte meer. Haast altemaal op," antwoordde deze. + +"Hoe moeten wij het dan maken, als onze zoutvoorraad ten einde +loopt?" vroeg mevrouw Wilson. + +"Juno moet ander halen," gaf Flink ten antwoord. + +"Ikke halen ander?--Ikke hebben geen zier meer," hernam Juno en zag +den ouden man verwonderd aan. + +"Daar buiten is het in overvloed, Juno," zeide mijnheer Wilson en +wees naar den zeekant. + +"Ikke niets daarvan zien kan," antwoordde zij. + +"Hoe meent gij dat, lieve?" vroeg mevrouw Wilson eindelijk. + +"Ik meen alleen, dat wij, als wij zout noodig hebben, ons dat zelven +bereiden kunnen, zooveel wij verkiezen. Wij hebben slechts zeewater +in een ketel te koken, of ook tusschen de klippen ginds eene drogerij +aan te leggen, daar de zon dan het water doet verdampen en het zout +op den grond achterlaat. Flink weet dat zoo goed als ik. Op een +dezer beide manieren wordt het zout altijd gewonnen, door uitdampen +of anders door verkoken, wat eigenlijk hetzelfde is, behalve dat men +er spoediger mee klaar komt." + +"Eerlang zullen wij daar het noodige toe gereed maken, mevrouw," +zeide Flink; "en ik zal dan Juno wijzen, hoe zij zichzelve altijd +redden kan." + +Iedereen vond de soep uitmuntend. Thomas hield zijn bord zoo dikwijls +bij, dat zijne moeder hem eindelijk niet meer geven durfde. Na +geëindigden maaltijd bleef mevrouw Wilson met de kinderen alleen, +terwijl haar man en Flink met behulp van Juno en Willem de tweede +tent opsloegen en alles vóór den nacht in gereedheid brachten. Het +was reeds vrij donker, toen zij hiermee klaar waren. + + + + + + + +DRIE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + +ALGEMEENE TEVREDENHEID MET HET NIEUWE VERBLIJF. + + +Mijnheer Wilson was den volgenden morgen het eerst op en zeide tot +Flink, toen deze een poos later uit de tent trad: + +"Ik kan u zeggen, vriend, dat ik mij, sedert ik hier ben, veel +opgeruimder en beter gestemd gevoel dan vroeger. Op de andere zijde +van het eiland herinnerde alles mij onze schipbreuk en moest ik +onophoudelijk aan mijn verloren vaderland denken, terwijl het mij hier +is, of wij er reeds lang te huis waren en er vrijwillig ons verblijf +gekozen hadden." + +"Dat gevoel zal van dag tot dag levendiger bij u worden, vertrouw +ik, mijnheer; want het is doelloos en zelfs dwaas, als de mensch +onophoudelijk over zijn ongeluk jammert. Wij bovenal hebben alle +reden om innig dankbaar en tevreden te zijn." + +"Ik erken dat volgaarne, brave man.--Wat is dan nu het eerste, dat +gij denkt aan te vangen?" + +"Waar wij bovenal behoefte aan hebben, is een toereikende voorraad van +zoet water en daarom wenschte ik wel, dat gij en uw zoon Willem--dáár +komt hij al! Goede morgen, mijn jongen!--ik zei daar, dat gij beiden +geen beter werk doen kondet, dan de bron verder tot stand te brengen, +terwijl ik mij weer op de vaart begeef. Ik bracht gisteren nog een +schop mee, en zoo kunt gij gelijktijdig arbeiden; maar laat ons eerst +naar de tent gaan, want Juno, zie ik, heeft het ontbijt klaar.--Ge +begrijpt wel, mijnheer, dat wij de wel tot in het kokosbosch nasporen +moeten, waar zij in de schaduw tegen de zon gedekt is. Dat kan licht +gebeuren, als gij tegen de hoogte aan opwerkt en ziet, hoe het water +van boven neerstroomt. Hebt ge dat gevonden, dan graaft gij een gat, +wijd genoeg, om er een van onze watertonnen, die ik van avond mee wil +brengen, in neer te laten. Is deze behoorlijk in den grond vastgezet, +dan zullen wij haar altijd vol water vinden, en hoe schielijk wij ze +ook leegscheppen, zal de wel haar toch bestendig weer aanvallen." + +"Ik begrijp u zeer goed," antwoordde mijnheer Wilson. "Dat zal dan +heden ons werk zijn, voor zoolang gij afwezig zijt." + +"Nu goed; dus heb ik zelf niets meer te doen, dan met Juno over het +middageten te spreken," hernam Flink. "Daarna schielijk een mondvol +tot ontbijt en dan weg;--dit kostelijk weder mag niet ongebruikt +voorbijgaan." + +De oude man zeide Juno, om het varkensvleesch in de braadpan te +bakken en ook eenige sneden van de schildpad af te snijden en tegen +den middag te koken, waarbij zij ook de van gisteren overgebleven +soep nog opwarmen kon; en daarop stapte hij met een beschuit en een +stuk rundvleesch naar de boot en stak alleen van land. Vader en zoon +gingen inmiddels ook ijverig aan het werk, en tegen den middag reeds +had de kuil de breedte en diepte, welke Flink hun had aangewezen. Eerst +toen zij zoover waren, staakten zij hun arbeid en gingen naar de tent, +waar mevrouw Wilson met het herstellen der kleederen van hare kinderen +bezig was. + +"Gij kunt u niet voorstellen, hoeveel beter ik mij gevoel, sinds wij +hier zijn," zeide zij en drukte de hand van haar man, toen die zich +aan hare zijde neerzette. + +"Ik hoop lieve, dat dit een voorgevoel is van ons toekomstig geluk," +antwoordde hij. "Ik verzeker u, dat ik hetzelfde voel en dezen morgen +heb ik dit onzen braven Flink ook reeds gezegd." + +"Ik gevoel, dat ik hier mijn leven lang gelukkig zou kunnen zijn, +zoo kalm, zoo vreedzaam en daarbij zoo verrukkelijk schoon is het +hier. Weet gij echter, wat ik mis?--Er zijn hier geen zangvogels, +zooals in ons vaderland." + +"'t Is waar, ik heb tot hiertoe ook nog maar enkel zeevogels +bemerkt. Hebt gij al andere gezien, Willem?" + +"Eens maar, vader, heb ik in de verte een vlucht gezien. Flink was +niet bij mij en dus wist ik niet, wat voor vogels het waren. Ze +schenen mij echter niet zoo klein, als andere zangvogels, maar voor +'t minst van de grootte eener duif.--Kijk, daar komt Flink den hoek +om," vervolgde hij. "Wat zeilt die kleine boot toch hard! En 't moet +toch wel zwaar werk voor den ouden man zijn, zoo heel alleen tegen +den stroom op naar de bocht te roeien.--Juno is het eten klaar?" + +"Ja, massa Willem, in een ommezien klaar wezen." + +"Wij willen hem tegemoet gaan en hem nog vóór den eten van het een +en ander ontlasten." + +Zij deden dit, en Willem rolde de ledige waterton, die Flink had +medegebracht, naar de nieuw gegraven bron. + +De sneden schildpad werden even luid geprezen, als de soep van den +vorigen avond en inderdaad, nadat men zoo lang op taai pekelvleesch +gekauwd had, moest eene afwisseling met versche spijzen allen bij +uitstek gewenscht voorkomen. + +"En nu naar de bron; zij moet heden nog klaar," riep Willem, zoodra +de maaltijd was afgeloopen. + +"Gij arbeidt als een dijkgraver, Willem," merkte zijn moeder lachend +aan. + +"Dat moet ik ook, moeder. Ik moet thans leeren alles met mijne handen +te doen." + +"En spoedig zal het door uwe gewoonte een tweede natuur worden," +zei Flink. + +Bij de bron gekomen, zagen zij tot hunne verbazing, dat het eerst +voor een paar uren gegraven gat bijna tot den rand toe met water +was opgevuld. + +"O wee," riep Willem, "nu zullen wij eerst al dat water dienen uit +te scheppen, om de ton er in te krijgen!" + +"Kom, kom, jongen, bedenk u eens goed," zei de vader. "Het water +vloeit zoo sterk, dat zulk uitscheppen geen gemakkelijk ding zou +zijn. Kunnen wij de zaak niet anders aanvatten?" + +"Ja, vader; maar de ton zal toch bovendrijven." + +"Zeker, zooals zij nu is, doet zij dat vast. Doch is er geen middel +om haar te doen zinken?" + +"O ja, nu begrijp ik het. Wij moeten eenige gaatjes in den bodem boren; +dan zal zij volloopen en vanzelf naar den grond gaan." + +"Heel goed, jongen," sprak Flink. "Ik dacht wel, dat zoo iets zou +moeten gebeuren en heb daarom de groote boor bij mij gestoken." + +De oude man boorde vier gaten in den bodem der ton, en terwijl zij +nu op het water dreef, drong dit langzamerhand naar binnen, zoodat +het vat al dieper en dieper zonk. Zoodra de rand daarvan met de +oppervlakte des waters gelijk stond, vulden zij de tusschenruimte +behoorlijk met zand op en was de bron gereed. + +"Morgen als het water goed gezakt is, zal het zoo helder en +doorschijnend zijn als kristal, en zoo zal het blijven, als men het +niet moedwillig troebel maakt," voorspelde Flink. "Alweer dus een +stuk werk tot stand gebracht! Nu zullen we nog al het overige goed +uit de boot halen." + + + + + + + +VIER-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + +VERDERE VERRICHTINGEN IN DE NIEUWE VOLKPLANTING. + + +"Daar wij nog zoo velerlei dingen te doen hebben," zeide mijnheer +Wilson den volgenden morgen tot zijn ouden vriend, "zullen wij een +geregeld plan voor alles ontwerpen. Van de wijze, waarop men het +aanvat, hangt het welgelukken van een werk grootendeels af. Zeg +mij dus, welk werk gij ons voor de volgende week zoo al zoudt +voorslaan. Morgen is 't Zondag, en ofschoon wij dien dag tot nu toe +nog niet behoorlijk hebben kunnen vieren, geloof ik toch, dat wij +hem ditmaal kunnen en moeten gedenken." + +"Ja, mijnheer, dat moeten wij en 't zelfde zou ik u hebben +voorgeslagen. Morgen zullen wij van onzen arbeid uitrusten en Zondag +houden. En wat nu uw voorslag aangaat, mijnheer,--of zullen wij ook +eens hooren wat mevrouw zegt?" + +"Gij moet er thans niet om denken, dat gij vrouwen of althans +fijne dames bij u hebt," viel mevrouw Wilson hem in de rede. "Mijne +gezondheid en kracht keeren meer en meer terug en ik hoop u spoedig +wezenlijk van nut zijne. Ik neem op mij, Juno in alle huiselijke +verrichtingen te helpen, voor koken en wasschen te zorgen, op de +kinderen te passen, de kleederen te herstellen en alles te doen, wat +mijne krachten mij toelaten. Word ik sterker, dan zal ik beproeven +wat ik meer kan doen, en in alle gevalle zult gij, zoo niet den +ganschen, toch een groot gedeelte van den dag over Juno's diensten +kunnen beschikken." + +"Daarmee kunnen wij ons vooreerst ook heel goed vergenoegen, +mevrouw," hernam de oude zeeman. "Maar nu verder, mijnheer. De beide +dringendste verrichtingen, na het bouwen van een huis, zijn vooreerst +het omspitten van een stuk land voor onze aardappelen en tuinzaden +en dan het aanleggen van een vijver voor schildpadden, opdat wij van +die dieren vangen en daarin zetten, voordat de tijd voorbij is." + +"Heel goed," was het antwoord; "maar wat dient er eerst gereed +te zijn?" + +"Mij dunkt de vijver daar, die slechts weinige dagen werks behoeft te +kosten, als gij met Juno en Willem daaraan arbeidt. Ik voor mij heb +de gansche aanstaande week uw bijstand niet noodig. Ik wil eerst eene +plek in de buurt opzoeken, waar het hout het dichtst staat;--daar zal +ik dan de boomen omhakken en eene ruimte maken, waar in het vervolg +onze pakhuizen kunnen staan, en zoodra de regentijd voorbij is, brengen +wij dan al onzen voorraad van ginds naar hier over. Dat zal mij wel de +geheele week ophouden, daar het vellen en op eene behoorlijke lengte +afzagen van de boomen voor ons nieuwe huis geen gemakkelijk werk +is. Ben ik daarmee klaar, dan moeten wij al onze krachten vereenigen +en terstond tot het opslaan eener woning overgaan. Haardstede en +vensters kunnen misschien eerst later klaar komen. Het voornaamste is, +dat wij onder dak zijn en droge slaapplaatsen hebben." + +"Denkt gij dan wezenlijk, dat daar nog kans toe is? Wanneer oordeelt +gij, moet het regenseizoen invallen?" + +"Met drie of vier weken. Het begin staat niet altijd zoo geregeld vast, +maar veel later wordt het zeker niet. Is de volgende week voorbij, +dan zal ik waarschijnlijk altijd twee of misschien wel al de leden +van de familie gebruiken kunnen. Ha! daar valt mij in, dat ik toch +nog eens naar de bocht terug moet." + +"Waartoe dat?" + +"Herinnert gij u de kar op twee wielen nog, mijnheer, die in stroo +was ingepakt en door den storm aan land werd geworpen? Gij lachtet, +toen gij haar zaagt en dacht, dat zij ons thans maar van weinig nut +zou zijn; en toch, mijnheer, zullen as en wielen ons nu goed te pas +komen, daar wij naar de plaats, waar ik de boomen vel, een breed pad +aanleggen en dan onze stammen veel gemakkelijker voortkruien kunnen, +dan zoo wij die dragen of sleepen moesten." + +"Dat is een kostelijke inval, Flink. Zoo zal zeker vrij wat werk +bespaard worden." + +"Dat denk ik ook, mijnheer. Willem en ik zullen Maandagmorgen al +vroeg opbreken, om vóór het ontbijt terug te zijn. Vandaag willen +wij nog de plekken opzoeken, waar onze tuin aangelegd, de vijver +gemaakt en het geboomte geveld worden moet. Dat is een werk voor ons, +mijnheer. Willem en Juno kunnen intusschen de dingen hier wat beter +oppakken, totdat wij ze gebruiken moeten." + +Terstond daalden de beide mannen naar het strand af, en na de riffen +aandachtig te hebben opgenomen, zeide Flink: "Gij ziet, mijnheer, +tot een vijver voor schildpadden hebben wij niet veel water noodig, +want als hij te diep is, kost het ons maar dubbele moeite de beesten +op te vangen. Alles wat wij verlangen, is eene plaats in het water, +met een lagen dam van steenen omringd, zoodat de dieren niet ontsnappen +kunnen, want tot klauteren zijn ze niet in staat, hoewel ze met hunne +zwempooten heel goed op het afhellende strand kunnen voortspartelen. Nu +zie, mijnheer, de klip ginds is hoog genoeg boven water; de ruimte +tusschen haar en het strand is diep genoeg en de rotsen aan den +oever sluiten deze zijde bijna geheel af en beletten de dieren dus +langs den oever voort te kruipen, zoodat zij ons niet meer ontkomen +kunnen. Wij hebben dus weinig meer te doen, dan de beide andere kanten +op te vullen, en onze vijver is zoo goed als hij wezen moet." + +"Ik zie, dat dit niet veel moeite zal kosten, als wij maar genoeg +losse rotsblokken vinden kunnen." + +"Bijna alle, die op het strand liggen, zijn los," verzekerde Flink, +"en hier dicht vóór ons vinden wij ze in menigte. Sommige zijn wel +te zwaar om gedragen te worden; doch die kunnen wij met breektangen +en hefboomen van de plaats krijgen;--wij hebben twee of drie van die +dingen bij ons. Nu, mijnheer, moesten wij Willem en Juno een teeken +geven en hen dadelijk aan het werk zetten. Vóór den middag kunnen +zij nog vrij wat afdoen." + +Mijnheer Wilson riep en wenkte met zijn hoed, waarop Willem en de +negerin dadelijk aankwamen. Juno werd gezonden om twee breekijzers te +halen, terwijl Willem van Flink vernam wat zij te doen hadden. Toen +Juno met de werktuigen terug was, bleven de beide mannen nog een +tijdlang bij hen en hielpen hen aan hun werk, waarna zij verder gingen, +om eene geschikte plaats voor een tuin op te zoeken + + + + + + + +VIJF-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + +GEVOLGEN DER ONGEHOORZAAMHEID. + + +Mijnheer Wilson en Flink vervolgden hunne wandeling langs het strand +tot aan het punt, dat deze laatste tot het aanleggen van een tuin +'t best geschikt achtte. Wel is waar was de laag teelaarde op den +rotsigen bodem niet dik, maar de grond was toch vrij goed en tamelijk +uitgestrekt. Daarenboven was de plaats dáár, waar zij aan het andere +land vastzat, zeer smal, zoodat men geene uitgestrekte omheining +noodig had. + +"Gij ziet, mijnheer," merkte Flink aan, "het aanleggen eener heg +kunnen wij uitstellen tot de regentijd voorbij is, of als het weer +dat vergunt, kunnen wij er dien toe gebruiken. De zaadgewassen en de +aardappelen zullen eerst na de regen opkomen, en zoo hebben wij niets +anders te doen, dan den grond om te spitten en zoo schielijk mogelijk +aan het poten te gaan. De struiken ginds moeten weggeruimd worden; +maar dat is weinig moeite, omdat de grond zoo licht is. Wij hebben +ook maar een deel van uwe zaden uit te strooien, want dit jaar kunnen +wij nog geen grooten tuin aanleggen; doch onze aardappelen moeten +alle gepoot worden, al konden wij ook niets anders meer uitrichten." + +"Als we geene omheining te maken hebben," antwoordde de heer Wilson, +"kunnen we dunkt mij, in eene week tijds grond genoeg bearbeiden, +om alles, wat ons 't eerst noodig is, aan te planten." + +"We dienen eerst het kleine struikgewas uit te roeien en den grond +om te spitten," vervolgde Flink. "De zwaardere stammen en stronken +kunnen we, als het ons dadelijk aan tijd ontbreekt, in den beginne +veilig laten staan. Hier kan onze Thomas een handje helpen, als gij +hem de uitgegraven wortels laat wegdragen.--Laat ons nu in het bosch +gaan en eene plaats uitkiezen, waar ik de boomen vellen zal. Ik voor +mij heb al eene keuze gedaan, zoo gij er niets tegen hebt. De plek +is dáár, een vijftig roeden op zij van de tent. Van hier hebben wij +bij de honderd roeden het bosch in te gaan." + +Beiden volgden de door Flink aangewezen richting, totdat zij aan eene +kleine hoogte kwamen, waar de boomen zoo dicht stonden, dat het moeite +kostte daar een pad door te breken. + +"Hier zijn we, waar we wezen moeten, mijnheer," sprak Flink. "Ik zou +voorstellen, al het zware hout, dat wij tot onze woning noodig hebben, +uit dit gedeelte van het bosch te nemen en eene open vierkante +plaats uit te houwen, op 't midden waarvan wij onze pakhuizen +kunnen bouwen. Tegenwoordig is de noodzakelijkheid van zoo iets niet +waarschijnlijk; maar ziet gij, mijnheer, in geval van nood kan men +deze plek met weinig moeite tot een vast punt van verdediging maken; +want als wij hier en daar tusschen de boomen nog eenige palissaden +zetten, hebben wij eene volmaakt goede verschansing, zooals men die +in West-Indië tegen de wilden gebruikt." + +"Volkomen waar, mijn goede raadsman. Evenwel hoop ik van harte, +dat zulke verdedigingsmiddelen ons nooit te pas zullen komen." + +"Ook ik hoop datzelfde, mijnheer; maar voorzichtigheid gaat boven +alles. Intusschen hebben we eerst nog veel anders te bedenken en te +doen. Het eten zal nu wel klaar zijn. Laat ons zien, dat wij ons deel +krijgen, en dan terstond ons werk aanvatten. Ik zie altijd gaarne +een begin, al is het ook nog zoo gering." + +Ook Willem en Juno kwamen nu aan den maaltijd, die mevrouw Wilson +bereid had. Beiden stond het gezonde zweet op het voorhoofd, want +het was hard werk wat zij te doen hadden; maar beider wil was goed +en zij wilden gedaan krijgen wat eens begonnen was. Thomas was +den ganschen morgen uiterst oproerig geweest en had overal slechts +stoornis veroorzaakt. Zijne les had hij niet geleerd, maar daarvoor, +ofschoon het hem meer dan eens verboden was, met vuur gespeeld en +de kleine Caroline de hand gebrand. Zoodra zijn vader nu echter van +zijne ondeugendheid hoorde, werd de stoute jongen tot zijne straf +veroordeeld om vandaag geen eten te krijgen, en zoo zat hij daar boos +en grommend de verdwijnende spijzen na te kijken, zonder dat het hem +nochtans inviel, voor zijne ondeugendheid vergiffenis te vragen. Na +het eten nam mijnheer Wilson schop en houweel om naar de plaats van +hun toekomstigen tuin te gaan, en zijne vrouw verzocht hem, Thomas +mee te nemen, daar zij zeer veel te doen had en niet zoo gemakkelijk +op hem als op de kleine Caroline passen kon. Zoo vatte de vader den +jongen bij de hand en nam hem mee naar de plaats, waar hij arbeiden +wilde. Daar deed hij hem op den grond nederzitten, terwijl hij zelf +de struiken begon uit te roeien. + +Hij werkte ijverig voort, en toen hij eenigszins gevorderd was, liet +hij het afgehouwen struikgewas door Thomas wat verder wegdragen en in +eene hoop op elkaar pakken. De kleine jongen deed dit echter ongaarne, +daar hij nog altijd in een boos humeur was. Nadat de vader eene vrij +groote ruimte van struiken ontdaan had, nam hij zijne schop en begon +de wortels uit te graven, waarbij hij aan Thomas overliet, zich naar +eigen verkiezing te vermaken. Zoo zag hij niet, waarmee de knaap wel +een uur lang bezig was, terwijl hij zelf druk voortarbeidde. Toen +opeens echter hoorde hij een luid kreunen, en op de vraag naar de +oorzaak daarvan, gaf Thomas geen antwoord, maar jammerde al sterker, +tot hij eindelijk de handen op de maag legde en zoo hard als hij kon +begon te schreeuwen. Daar hij zware pijn scheen te lijden, liet de +vader zijn arbeid rusten en bracht hem naar de tent, waar mevrouw +Wilson, door het gekerm verontrust, hem te gemoet kwam. Thomas +verkoos overigens niet, ergens op te antwoorden, en ging met huilen +en jammeren voort, zoodat vader en moeder niet begrijpen konden, +wat er de oorzaak van was. De oude Flink, die dat gekerm zoo lang +hoorde aanhouden, dacht dat er een ernstig ongeluk was voorgevallen, +en kwam nu ook aan. Toen hij hoorde wat er gebeurd was, zeide hij: + +"Maak er staat op, mijnheer, de jongen heeft iets gegeten, dat hem nu +kwalijk bekomt. Zeg, sinjeur Thomas, wat hebt gij in den mond gestoken, +toen gij daar alleen waart?" + +"Bessen," was het snikkend antwoord. + +"Dat dacht ik wel, mevrouw," vervolgde Flink. "Ik wil eens gaan zien, +wat voor soort van bessen het waren." + +De oude man ging ijlings naar de plaats, waar mijnheer Wilson gewerkt +had. De moeder was inmiddels grootelijks beangst, dat het kind iets +vergiftigs mocht hebben ingekregen, terwijl de vader uit zijne kleine +apotheek een fleschje ricinusolie ging halen. + +Flink kwam juist terug, toen ook de heer Wilson in de tent trad met het +fleschje, waaruit hij den zieken jongen eenige droppels wilde ingeven. + +"O, neen, mijnheer," zeide de oude man, die een takje in de hand +hield, toen hij hoorde, welke medicijn het was; "daar moet gij hem +niet van ingeven, want, naar het mij voorkomt, heeft hij er al te +veel van gebruikt. Zie, als ik 't niet mis heb,--en mij dunkt, ik +ben vrij zeker van mijne zaak,--is dit de ricinusplant; en hier zijn +eenige van de bessen, waarvan onze sinjeur gesnoept heeft. Niet waar, +Thomas, hiervan hebt gij gegeten?" + +"Ja.--O, wat heb ik er eene pijn van!" kermde de knaap. + +"Dat is verdiend loon. Geef hem maar iets warm te drinken mevrouw, +en het zal wel spoedig beter zijn. Onze jongeheer zal nu denkelijk +wel onthouden, dat men geen vreemde bessen of vruchten plukken mag, +zonder vooraf te weten, dat ze goed om te eten zijn." + +Gelijk Flink gezegd had, was het ook. Evenwel was Thomas den ganschen +dag nog ziek en misselijk, en moest al zeer vroeg naar bed worden +gebracht. + + + + + + + +ZES-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + +EEN ONAARDIG KIND. + + +Den anderen morgen, toen al de overigen druk aan het werk waren, +zat mevrouw Wilson voor hare tent. De kleine Albert kroop aan hare +voeten op den grond om: Caroline was naarstig met hare breikous bezig, +en sinjeur Thomas groef kuilen in het zand, in elken waarvan hij een +steentje legde. + +"Wat doet gij toch, Thomas?" vroeg zijne moeder. + +"Spelen, moeder; ik maak een tuin." + +"Een tuin! Dan moest gij er ook eenige boomen in planten." + +"Neen, ik zaai zaden: zie hier maar," riep Thomas en wees op zijne +steenen. + +"Steenen kunnen niet groeien; niet waar, moeder?" vroeg de kleine +Caroline. + +"Neen, lieve meid, dat kunnen zij niet. Steenen schieten niet uit de +aarde op, maar wel het zaad van planten en bloemen." + +"Dat weet ik ook wel," zeide Thomas. "Ik doe maar zoo omdat ik geen +zaad heb." + +"Maar gij zeidet daar straks toch, dat gij zaad zaaidet en geen +steenen." + +"O, dat verbeeld ik mij maar zoo, en dan is het ook precies 't zelfde." + +"Toch niet zoo precies 't zelfde, mijn jongen. Bedenk maar eens; als +gij gisteren, in plaats van die leelijke bessen te eten, u slechts +verbeeld hadt, dat gij ze at,--zou dat niet beter voor u geweest zijn?" + +"Ik wil er ook niet weer van proeven," zeide de knaap. + +"Neen, van die bessen niet; maar als gij iets anders ziet, waar ge +trek in krijgt, dan vrees ik half en half dat ge het weer proeven zult, +en dan kon 't licht even erg of nog erger dan gisteren gaan." + +"Ik heb zin in kokosnoten. Waarom krijgen wij daar nooit van? Daar +boven aan de boomen hangen er toch nog genoeg." + +"Maar wie zal zoo hoog klimmen, om ze te plukken? Wilt gij dat zelf +doen, Thomas?" + +"Neen, maar waarom doet Flink dat niet, of vader, of Willem? Waarom +stuurt ge Juno niet in den boom? Ik wil kokosnoten hebben." + +"Die zullen er ons wel eens wat van meebrengen, als zij niet zooveel +meer te doen hebben; maar nu is het geen tijd daartoe. Ziet ge niet, +hoe druk allen aan het werk zijn?" + +"Ik lust graag schildpadsoep," vervolgde Thomas. + +"Willem en Juno maken een vijver, om daar schildpadden in te doen, +en dan krijgen we die meer te eten. Ge moet bedenken, dat wij niet +altijd alles krijgen kunnen, waar we lust in hebben." + +"Eene schildpad, moeder, wat is dat?" vroeg de kleine Caroline. + +"Dat is eene soort van dier, dat in het water leeft en toch geen +visch is." + +"O, gebakken visch, daar houd ik ook veel van," riep Thomas +weder. "Waarom krijgen wij geen gebakken visch?" + +"Omdat iedereen thans te veel werk heeft, om ze te kunnen +vangen. Naderhand zult ge zeker ook wel nu en dan eens visch +krijgen. Maar kom, lieve Thomas, ga eens heen en haal uw broertje +Albert terug. Hij is daar veel te dicht bij onze geit gekropen, +en die stoot soms wel." + +Thomas deed wat hem gezegd was. De kleine was vlak bij het jonge bokje, +dat sedert vrij groot was geworden, en Thomas haalde hem daar vandaan, +maar kon daarbij niet nalaten, eens even met zijn voet naar het dier +te schoppen. + +"Thomas, Thomas, doe dat toch niet; hij kon u stooten en u bitter +zeer doen." + +"Ik ben niet bang voor hem," riep Thomas, terwijl hij Albert met de +eene hand vasthield en voortging naar den bok te schoppen. Deze had +echter geen lust om dat langer te verdragen. Hij dook met den kop +neer, sprong op Thomas toe en stiet hem tegen de borst, zoodat hij +over Albert heen op den grond rolde. De kleine schreeuwde, en ook +onze mijnheer Thomas riep om hulp. Mevrouw Wilson schoot toe en nam +haar zoontje op den arm, terwijl Thomas die nu vrij wat bang was, +zich aan haar japon vasthield en angstig naar den bok omzag, die zeer +geneigd scheen om zijn aanval te hernieuwen. + +"Waarom doet gij ook niet wat men u zegt, Thomas? Ik zei u immers +wel, dat hij u stooten zou," zeide de moeder en zocht Albert gerust +te stellen. + +"Ik geef niet om tien bokken," antwoordde Thomas, nu hij zag dat het +beest hem niet verder volgde. + +"Ja, ja, nu de bok weg is, hebt gij verbazend veel moed. Gij zijt +toch een recht ondeugende jongen, die nooit gehoorzaamt, als men u +iets zegt. Weet gij nog wel van dien leeuw aan de Kaap?" + +"Ik ben niet bang voor een leeuw," zei Thomas. + +"Dat geloof ik, nu er nergens een te zien is; maar gij zoudt niet +weinig schrikken en schreeuwen, als er eensklaps een voor u stond." + +"Ik heb hem toch wel met steenen gegooid," vervolgde de knaap. + +"Ja, dat hebt gij gedaan; en als gij het gelaten hadt, zou de leeuw +u niet zoo hebben doen schrikken, evenmin als de bok u daareven op +den grond zou hebben geworpen," antwoordde de moeder. + +"Sik stoot nooit naar mij, moeder," zeide Caroline. + +"Neen, lieve, omdat gij hem nooit plaagt! maar Thomas houdt er veel van +de dieren te kwellen en wordt daar dan ook telkens voor gestraft. Het +is heel stout van hem, dat hij het doet, vooral daar vader en moeder +hem gedurig zeggen, dat hij het laten moet. Goede kinderen gehoorzamen +altijd aan hunne ouders; maar Thomas is geen goed kind." + +"Van morgen, toen ik mijne les zoo goed opzei, zeidet gij toch, +dat ik een brave jongen was, moeder," zeide Thomas beschaamd. + +"Ja, ja, toen waart gij dat ook; maar gij moet altijd braaf en +gehoorzaam zijn." + +"Dat kan ik niet altijd wezen," antwoordde de knaap. "Ik heb honger; +wanneer krijg ik van middag eten?" + +"Het wordt nu spoedig tijd, jongen; maar ge moet wachten, tot allen +van het werk terug zijn." + +"Daar komt Flink met een zak op den schouder," riep Thomas. Na weinige +oogenblikken stond deze dan ook voor mevrouw Wilson en legde zijn +zak op den grond neer. + +"Ik heb u wat jonge kokosnoten meegebracht en daarbij ook een paar +oudere," zeide hij. "Ze zijn van de boomen, die ik heb omgehouwen." + +"Ha, kokosnoten, die lust ik graag!" riep Thomas en klapte in de +handen. + +"Zeide ik niet, Thomas, dat wij ze mettertijd wel krijgen zouden? Kijk, +nu komen ze schielijker, dan wij verwacht hadden.--Ge schijnt recht +warm, Flink." + +"Ja, mevrouw," antwoordde deze en wischte zich het zweet van het +voorhoofd, "'t Is ook een warm werk, daar in het bosch geen koeltje +waait. Weet ge ook nog iets, dat ik van onze landingsplaats kan +meebrengen? Ik ga er dadelijk na het eten naar toe." + +"En om wat te doen?" + +"Ik moet de kar halen, om onze stammen uit het bosch te brengen, +en daartoe moet ik eerst een behoorlijk pad banen. Maar ditmaal heb +ik Willem noodig, om mij een handje te helpen." + +"O, Willem zal zeker gaarne meegaan. Dat is eene verademing, nadat +hij zoo lang met die zware steenen gesleept heeft.--Ik weet op +'t oogenblik niets meer, dat wij noodig hebben," vervolgde mevrouw +Wilson. "Daar komt Willem met Juno, en ook mijn man heeft, zie ik, +de schop neergelegd. Kom, lieve Caroline, pas gij nu op Albert, +terwijl ik het eten voor u allen opdraag." + +De oude man was haar hiertoe behulpzaam. Het eten werd op den grond +gezet, want hunne stoelen en tafels hadden zij nog niet naar de nieuwe +woning meegenomen, daar zij die wel dachten te kunnen missen, totdat +het huis was opgebouwd. Willem berichtte, dat hij den volgenden dag met +den vijver hoopte klaar te komen. Zijn vader had reeds zooveel grond +omgespit, dat men den van het wrak geredden halven zak aardappelen +daarin poten kon, en 't was dus vooruit te zien, dat binnen twee dagen +allen te zamen met vereende krachten tot het vellen en vervoeren der +boomen zouden kunnen overgaan. + +Na het eten roeide Flink met Willem in de boot weg en keerde nog voor +den donker met de kar en eenige andere goederen, die de lading vol +maakten, terug. Ook hadden zij eenige dikke balken op het sleeptouw +genomen, die Flink tot deurposten van het huis gebruiken wilde. De +heer Wilson had voor dien namiddag zijn werk laten rusten en daarvoor +Juno aan het hare geholpen. Naar zijn zeggen, was de vijver, zoo al +nog niet klaar, toch reeds zoo ver gevorderd, dat de schildpadden, +eens daarin zijnde, er niet gemakkelijk zouden uitkomen. + + + + + + + +ZEVEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + +GESPREK TUSSCHEN VADER EN ZOON. + + +"Nu beste Willem," zeide Flink, "als ge niet al te slaperig zijt, +hebt ge misschien wel lust om van avond mee te gaan en te zien, of +wij niet eenige schildpadden kunnen vangen. De broeitijd loopt spoedig +ten einde en dan zullen zij zich niet meer op het eiland laten zien." + +"O ja, Flink, ik wil graag meegaan." + +"Goed dan; maar wij moeten wachten, totdat het donker is. De maan +zal van nacht niet lang schijnen en dat treft juist goed voor ons." + +Zoodra de zon onder was, stapten beiden naar het strand en zetten +zich daar bedaard op een rotsblok neer. Het duurde niet lang, of +Flink ontdekte een schildpad, die op het zand voortkrabbelde. Hij +wenkte Willem, hem stilletjes te volgen en ging behoedzaam naar den +waterkant, zoodat hij het beest den terugtocht naar zee afsneed. + +Zoodra de schildpad hen gewaar werd, snelde zij op het water toe, +doch had het geluk niet van te ontkomen, daar Flink haar haastig bij +een harer voorste zwempooten aanpakte en haar toen zonder moeite op +den rug omwentelde. + +"Zóó, Willem, als ik daar deed, moet men de schildpadden altijd +omdraaien. Gij moet daarbij echter oppassen, dat gij niet te dicht bij +hare tanden komt, wat u licht een vinger zou kosten. Zooals het dier nu +ligt, kan het niet meer van de plaats, en wij zullen het morgenochtend +evenzoo vinden. Laat ons nu eens langs het strand voortgaan en zien, +of er nog meer te vangen zijn." + +Beiden bleven nog tot middernacht op en vingen in dien tijd zestien, +deels groote, deels kleine schildpadden. + +"Mij dunkt, dat is voor ditmaal genoeg," zeide Flink toen. "Wij hebben +in dezen nacht voor langen tijd voorraad ingezameld. Over drie of vier +dagen willen wij eens zien, of wij onzen rijkdom niet nog vermeerderen +kunnen, en morgen vroeg brengen wij onze vangst in den vijver." + +"Hoe zullen wij die groote dieren echter wegdragen?" + +"Dat behoeft niet veel moeite te kosten. We schuiven hen op een stuk +oud zeildoek en brengen hen op die wijze van de plaats. Op het gladde +zand is daar weinig kracht toe noodig." + +"Waarom vangen we ook niet visschen, Flink? Wij konden die immers +ook bij de schildpadden in den vijver doen." + +"Zij zouden daar niet lang in blijven, Willem, en al deden zij dat +ook, dan zouden wij er hen toch moeilijk uit kunnen krijgen. Wij +moeten mettertijd een afzonderlijken vischvijver aanleggen; maar +vooreerst hebben wij nog wel noodiger dingen te doen. Ik ben al +voornemens geweest eenige hengelsnoeren klaar te maken, maar kon er +niet toe komen en ben daar nu al te moe en te slaperig toe. Zoodra +het huis echter gebouwd is, zullen we eens uitgaan en gij zult +oppervisschersbaas zijn, als ik u eerst gewezen heb, hoe ge doen moet." + +"En niet waar, bij nacht bijten de visschen ook aan?" + +"O ja, en zelfs nog beter, dan bij dag." + +"Nu goed, bezorg mij dan een snoer en zeg mij, hoe ik doen moet. Ik +zal elken avond, als 't werk af is, nog een uurtje of langer visschen, +Thomas vraagt al gedurig om gebakken visch, en ik weet, dat moeder +het gezouten vleesch hartelijk moe is en 't ook voor Caroline niet +gezond vindt. Zij was recht blij, toen gij haar eergisteren die +kokosnoten bracht." + +"Goed, goed, mijn jongen. Ik zal morgenavond een stukje kaars opzoeken +en twee hengelsnoeren voor ons klaarmaken. Maar ik moet bij u wezen, +vriend Willem. In allen gevallen hebben wij hier niet veel licht +noodig." + +"Neen, wij zijn al blij, dat wij eindelijk te bed komen. Daar in de +bocht staan nog twee of drie kisten met kaarsen, maar hoe moeten wij +het maken, als die voorraad in 't vervolg eens opraakt?" + +"Dan branden wij kokosnotenolie en daar zal het ons nooit aan +ontbreken. En nu goeden nacht, mijn jongen." + +Den volgenden ochtend nog vóór het ontbijt waren alle handen bezig +om de schildpadden in den vijver te brengen, die tegen den middag +door Willem en Juno geheel voltooid werd. Ook mijnheer Wilson had +tegen etenstijd eene genoegzame uitgestrektheid gronds ter bebouwing +gereedgemaakt, en daar zijne vrouw Juno dien middag het linnengoed +moest laten uitwasschen, kwam men overeen, dat Flink met Willem en zijn +vader gezamenlijk naar den tuin zouden gaan en de aardappelen poten. + +De oude man werkte met de spade, terwijl vader en zoon de aardappelen +in stukken sneden, zoodat op ieder stuk een oog kwam. Terwijl zij op +deze wijze bezig waren zeide Willem tot zijn vader in den loop van +het gesprek onder andere: + +"Vader, gij beloofdet mij, den dag nadat wij de Kaap de Goede Hoop +verlieten, dat gij mij verklaren woudt, waarom deze zoo genoemd wordt +en dat ik daarbij ook iets over de koloniën in het algemeen hooren +zou. Wilt gij nu misschien zoo goed zijn?" + +"Recht gaarne, beste jongen; maar gij moet wel opletten, en als gij mij +niet goed begrijpt, verzuim dan niet, mij dat terstond te zeggen, opdat +ik het u duidelijker trachte te verklaren. Gij hebt wel meer hooren +zeggen, dat de Engelschen tegenwoordig de meesters van de zee zijn, +en dat is werkelijk zoo, ofschoon dat in alle tijden niet het geval +is geweest. De vroegste zeevaarders onder de nieuwere volken waren de +Spanjaarden en Portugeezen. Door de Spanjaarden werd Zuid-Amerika, +door de Portugeezen werden de Oost-Indiën ontdekt. Destijds, het is +nu meer dan driehonderd jaren geleden, was Engeland niet de machtige +staat, die het thans is en had vergelijkenderwijze slechts weinig +schepen, ook konden de Engelschen, wat ondernemingsgeest betreft, +bij de toenmalige Spanjaarden en Portugeezen niet halen. De laatsten +zochten een weg naar Oost-Indië te vinden en deden daarbij de Kaap de +Goede Hoop aan. In die dagen echter waren de schepen, in vergelijking +met de tegenwoordige, slechts zeer klein te noemen en op de hoogte van +deze kaap stormde het zoo geweldig, dat zij die niet durfden omzeilen +en haar daarom den naam van Stormkaap gaven. Ten laatste gelukte het +hun nochtans om de kaap heen te komen en van toen af noemden zij deze +Coba da Buona Speranza of Kaap de Goede Hoop. Zij bereikten gelukkig +het lang gewenschte Indië, veroverden daar verscheidene gewichtige +punten en grondvestten een handel, die voor hun land een bron van +grooten rijkdom werd, Gij begrijpt mij toch, Willem?" + +"Ja vader." + +"Welnu, weet gij, de mensch is aanvankelijk kind, rijpt allengs tot +man, bereikt als zoodanig het toppunt zijner kracht, neemt weder af, +wordt oud en sterft; en gelijk dit met elken mensch in het bijzonder +het geval is, heeft het ook met geheele volkeren plaats. Het +Portugeesche volk was toenmaals in zijn mannelijke kracht, maar +andere natiën kwamen en groeiden nevens Portugal op, onder anderen +de Hollanders, die den Portugeezen het eerst den handel op Indië +betwistten. Dezen ontrukten hun eindelijk ook de eene kolonie na de +andere en namen den geheelen handel voor zich in beslag. Thans eerst +braken de Engelschen zich baan, veroverden zoowel de Hollandsche als de +Portugeesche koloniën en handhaafden zich sedert grootendeels in haar +bezit. Portugal, dat eens door het moedigste volk der wereld bewoond +was, is thans geheel in het niet teruggezonken. Ook de Hollanders +hebben veel van hun vroeger zoo machtigen invloed verloren, terwijl de +zon, gelijk men te recht zegt, in het Britsche rijk nimmer ondergaat: +want daar zijne koloniën op alle punten der aarde verstrooid zijn, +moeten voortdurend eenige daarvan door de zon beschenen worden." + +"Dat alles, beste vader, begrijp ik zeer goed; maar zeg mij nu eens, +waarom streeft Engeland en elk ander volk zoo ijverig naar het bezit +der zoogenaamde koloniën?" + +"Omdat deze op de welvaart van het moederland een onberekenbaren +invloed uitoefenen. Zoolang zij nog in hare kindsheid zijn, +veroorzaken zij aan dat moederland doorgaans veel onkosten en uitgaven, +maar breiden zij zich uit en worden zij sterker, dan zijn zij ook +al spoedig in staat, om die vroegere schuld af te doen, door hare +eigene voortbrengselen voor die der nijverheid van het moederland in +betaling te geven. Deze ruilhandel is voor beide kanten voordeelig. Het +moederland trekt er echter de meeste winst van, daar dit zichzelf +het recht voorbehoudt om de koloniën van al wat zij noodig hebben +te voorzien en daardoor aan zijne eigene bevolking eene markt tot +vertier openstelt, waarop geene vreemde mededinging te duchten is. De +betrekking tusschen beiden kan niet beter vergeleken worden, dan met +die tusschen ouders en kind. Gedurende hare kindsheid wordt de kolonie +door het moederland als een kind opgevoed en onderhouden. Naarmate +zij in bloei en kracht toeneemt, wordt echter ook hare verplichting +grooter, om het geleende met interest terug te geven. En hiermede +houdt de vergelijking nog niet op. Zoodra de kolonie sterk genoeg +geworden is om voor zich zelve te zorgen, werpt zij het juk der +overheersching af en verklaart zich onafhankelijk, evenals de zoon, +die tot man opgegroeid, zijns vaders huis verlaat om zijne eigene zaken +te beginnen en zijn eigen kost te verdienen. Dit wordt even zeker het +geval, als het zeker is dat de vogel, zoodra hij goed vliegen kan, +het ouderlijke nest verlaat en op eigen wieken gaat drijven. Wij +hebben daar een sprekend voorbeeld van in de Vereenigde Staten van +Noord-Amerika, die vóór vijftig jaren nog koloniën van Groot-Brittanje +waren, maar nu reeds zelve een der machtigste onafhankelijke natiën +der wereld zijn." + +"Maar vader, is het niet vreeselijk ondankbaar van eene kolonie, +wanneer zij zoo van het moederland, dat haar zoo lang beschermde +afvalt, zoodra zij de bescherming niet meer noodig heeft?" + +"Dat schijnt in den beginne werkelijk zoo, Willem; doch als wij de +zaak van meer nabij beschouwen, zal ons oordeel denkelijk anders +uitvallen. Het moederland heeft gedurende het lange tijdsverloop, +dat de kolonie noodig had om tot haar staat van onafhankelijkheid +te geraken, volkomen gelegenheid gehad, om zich voor alles, wat +het vroeger voor dezen deed, genoegzaam schadeloos te stellen, en na +verloop van tijd worden de rechten, die het moederland zich aanmatigt, +voor de koloniën ook werkelijk al te drukkend. Gij weet, men mag een +volwassen mensch niet op dezelfde wijze behandelen als een kind." + +"Nu, vader, heb ik nog eene andere vraag te doen. Gij zeidet, dat de +volken rijzen en dalen, en hebt daarbij de Portugeezen tot voorbeeld +aangevoerd. Zal Engeland, dat nu zoo groot is, ooit vallen en even +onbeduidend worden, als Portugal tegenwoordig?" + +"Die vraag kunnen wij alleen beantwoorden door op de geschiedenis +te zien, en deze leert ons, dat dit het lot van alle volken is. Dus +moeten wij verwachten, dat een dergelijk lot ook Engeland eens treffen +zal. Tegenwoordig zien wij daar nog geen schijn van, evenmin als wij +van de verborgen kiem des doods in ons eigen lichaam iets bespeuren; +en toch komt de tijd, dat de mensch sterven moet, en evenzoo is het +met de volken en landen gelegen. Denkt gij wel, dat de Portugeezen, +in den tijd, toen zij zoo hoog stonden, ooit gedacht hebben, dat +zij zoo laag, als zij nu staan, dalen zouden? Zouden zij het geloofd +hebben, als men het hun voorspeld had? Ja, mijn beste jongen, ook de +Engelsche natie zal mettertijd het lot ondergaan, dat alle andere +volken vóór haar heeft getroffen. Er zijn velerlei oorzaken, welk +dien tijd verhaasten kunnen of langer doen uitblijven, maar vroeger +of later zal Engeland ophouden de koningin der zee te zijn en zijne +koloniën niet langer over alle werelddeelen uitstrekken." + +"Ik hoop evenwel, dat die tijd nog veraf zal zijn." + +"Dat hoopt ook ieder echt Engelschman, die zijn vaderland waarachtig +lief heeft. Herinner u, dat, toen het Romeinsche rijk zijne grootste +hoogte bereikt had, Groot-Britanje maar enkel door wilden en barbaren +bewoond was. Het Romeinsche rijk is thans verdwenen en leeft alleen +nog in de geschiedenis en in de overblijfsels van vroegere grootheid, +terwijl Engeland zich rangschikt onder de machtigste volken. Hoe +is het grootste gedeelte van het vasteland van Afrika bevolkt? Met +negers en barbaren; maar wie weet, wat nog in vervolg van tijd uit +dezen worden kan?" + +"Wat! zouden die negers ooit een beschaafd volk worden?" + +"Op dezelfde wijze hadden ook de Romeinen in vroeger dagen kunnen +vragen: Hoe! zouden die Britsche barbaren ooit een machtig en beschaafd +volk worden? En gij ziet toch, dat zij het werkelijk geworden zijn." + +"Maar de negers, vader,--die zijn immers zwart!" + +"Dat zijn zij; maar wat doet dat ertoe? Wat de donkere kleur der +huid aangaat, is de meerderheid der Mooren bijna even zwart als de +negers en toch waren die eens een groote natie en daarbij nog het +meest verlichte volk van hun tijd, dat zich door allerlei schoone +hoedanigheden, door adel, grootmoedigheid, door fijnheid van vormen +en ridderlijken zin onderscheidde. Zij veroverden het grootste +gedeelte van Spanje en handhaafden zich eeuwen in het bezit daarvan, +verbreidden er daar toen nog onbekende kunsten en wetenschappen, en +betoonden zich even dapper en heldhaftig, als zij edel en deugdzaam +waren. Hebt gij de geschiedenis der Mooren in Spanje nooit gelezen?" + +"Neen, vader; maar ik zou ze zeer graag leeren kennen." + +"Ik ben zeker, dat gij haar dan lief krijgen zoudt. Het is eene +geschiedenis vol avonturen en afwisselende gebeurtenissen, zooals +gij nog geen andere kent. Ik had haar onder de boeken, die ik voor +Sidney had meegenomen, maar of ze gered zijn weet ik niet. We zullen +later wel eens tijd vinden, om daarnaar te zien." + +"Ik meen, vader, dat twee kisten met boeken zijn aangespoeld." + +"Ja, twee of drie; maar als ik 't wèl heb, had ik er in het geheel +vijftien of zestien.--Ziezoo, wij hebben de aardappelen nu in stukken +gesneden en zullen Flink helpen, om ze met de meegebrachte zaden in +den grond te brengen." + + + + + + + +ACHT-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + +DE VISCHVANGST. + + +Dien avond bleef Flink nog een paar uren bij kaarslicht op, waarbij +Willem hem gezelschap hield, en besteedde zijn tijd om de vischsnoeren +klaar te maken en van lood en haken te voorzien. Eindelijk had hij +er twee gereed. + +"Wat moeten wij tot aas nemen, Flink?" + +"Wel liefst een van de schaaldieren, die in menigte op het strand +liggen, ofschoon een stuk spek ons, denk ik, evengoed dienen kan." + +"En waar ergens zullen wij visschen, Flink?" + +"De beste plaats zal wel ginds, ver aan 't uiterste van de landpunt +zijn, waar ik met de boot door de klippen kom. Het water is daar diep +tot aan de rotsen." + +"Ik heb al eens gedacht, Flink, of die klipganzen en fregatvogels +ook goed om te eten zouden zijn." + +"Niet heel best, vriend Willem. Zij zijn taai en hebben een +sterken vischsmaak. Alleen in 't geval, dat wij niets beters krijgen +kunnen, willen wij er eens de proef van nemen. Nu wij het zaad en de +aardappelen in den grond hebben, moeten wij van morgen af met alle +macht aan 't vellen en aanvoeren van boomstammen gaan. Uw vader en +ik zullen, dunkt mij, het vlugst met de bijl kunnen omgaan, en gij +kunt dan met Juno de stammen op onze kar laden en ze naar de plek +brengen, waar ons huis zal staan. Maar 't is al laat, en wij zullen +'t best doen nu naar bed te gaan." + +Onze Willem had echter in stilte een ander plan gemaakt. Hij wist, +dat hij zijne moeder met wat visch zeer verblijden kon, en dus besloot +hij bij den helderen maneschijn eens te beproeven, of hij, voordat +hij slapen ging, nog niet een zootje vangen kon. Daartoe wachtte +hij bedaard den tijd af, dat Flink even vast als de anderen in rust +was. Toen sloop hij voetje voor voetje met zijn vischtuig weg en liep +naar het strand, waar hij drie of vier schelpen opzocht en tusschen +twee steenen openbrak, om de diertjes er uit als aas aan zijn haak te +steken. Hierop ging hij eerst naar het hem aangewezen punt. 't Was een +heerlijke nacht; het water was glad als een spiegel en de stralen der +maan drongen tot bijna op den grond er van door. Willem wierp zijn +snoer uit, en zoodra het lood den grond geraakt had, trok hij het +omtrent een voet in de hoogte, gelijk hem door den ouden stuurman +gewezen was. Geen halve minuut was zijne lijn nog in het water, of +daar werd zoo sterk aan getrokken, dat hij, op zoo'n ruk niet bedacht, +bijna het evenwicht had verloren en hals over kop in het water was +gebuiteld. De visch moest groot en sterk zijn, want de lijn slipte +hem door de hand en sneed hem in den vinger. Na een poosje kreeg hij +die echter weer goed vast, trok ze naar zich toe en een groote visch +met zilveren schubben, van althans negen of tien pond zwaar, was zijn +eerste vangst. Zoodra hij zijn buit zoover op het land had, dat die +niet meer in het water kon springen, maakte Willem den visch van den +hengel los en besloot nog eenmaal zijn geluk te beproeven. Zijne lijn +was ditmaal niet langer dan de eerste maal in het water, toen er weer +met geweld aan getrokken werd; doch nu was de knaap daarop bedacht, +vierde de lijn en liet den visch daaraan spartelen, tot hij moe werd; +waarop hij hem zonder veel moeite optrok en met blijdschap ontdekte, +dat deze nog zwaarder dan de vorige was. Met zijne vangst tevreden, +wond hij de lijn weder op, stak een touw door de kieuwen der visschen +en sleepte ze zoo naar de tenten, waar hij ze aan de tentstang ophing, +opdat de honden er niet bij zouden komen. Een kwartier later lag hij +gerust in slaap. Den volgenden morgen was Willem ook weer de eerste, +die opstond en met luid gejuich zijn buit vertoonde; maar de oude +Flink schudde daarover tegen verwachting verdrietig het hoofd. + +"Gij hebt zeer verkeerd gedaan, Willem," zeide hij, "met u buiten mijn +weten aan een zoo groot gevaar bloot te stellen. Als gij besloten +hadt uit visschen te gaan, waarom hebt ge mij daar dan niet iets +van gezegd? Ik zou dan meegegaan zijn. Gij zegt zelf, dat de visch u +bijna in 't water had getrokken. Verbeeld u nu eens, dat dat werkelijk +gebeurd was; dan waart gij verloren geweest, want de rotsen zijn zoo +hoog en steil, dat gij er niet uit hadt kunnen klauteren, voordat een +haai u gepakt had. Stel u nu maar een oogenblik het verdriet voor, +dat gij uw vader en allen, die u zoo liefhebben, veroorzaakt zoudt +hebben. Verbeeld u de droefheid en de vertwijfeling uwer arme moeder, +als ze dat bericht ontving en gij niet meer te vinden of te zien +geweest waart." + +"Ik begrijp 't nu wel, ik deed heel verkeerd, Flink; maar ik wilde +mijne goede moeder zoo graag eens verrassen." + +"Dat is reden genoeg voor ons om u uwe onbedachtzaamheid te vergeven; +maar doe het toch niet weer. Geloof mij, ik ben altijd bereid en +gewillig om overal met u mee te gaan. En nu geen woord meer van de +zaak. Niemand moet vernemen, in welk gevaar ge verkeerd hebt, want +nu is alles toch gelukkig voorbij. En gij zelf, mijn jongen, moet +het een oud man ook niet kwalijk nemen, dat hij u eens een beetje +hard beknort." + +"Neen, waarlijk, Flink, dat komt niet in mijn hart op, want ik weet +immers, dat ik onberaden gehandeld heb; maar ik dacht volstrekt niet +dat er eenig gevaar aan verbonden was." + +"Daar komt uwe moeder uit hare tent," zeide Flink. "Goeden morgen +mevrouw! Wel gerust? Nu zult ge niet raden, wat Willem van nacht +voor u gedaan heeft. Kijk hier, daar hangen twee bazen van visschen, +waaraan wij heerlijk smullen zullen--dat verzeker ik u." + +"O, daar ben ik recht blij mee!" riep mevrouw Wilson. "Thomas, kom +toch gauw eens hier! Hebt ge wel zin in gebakken visch?" + +"O, die lust ik zoo graag!" zei Thomas. + +"Kijk dan eens daar aan den tentstaak." + +Sinjeur Thomas klapte in den handen, danste als een dolleman in +het rond en hield niet op te roepen: "We eten gebakken visch van +middag,--Caroline, gebakken visch! Gebakken visch, zooveel we maar +lusten." + +Na het ontbijt trokken allen naar het bosch, waar Flink de boomen +gekapt had, en namen onderstel en raderen en een paar stevige touwen +mede. De beide mannen velden de boomen en bonden ze aan de kar vast, +die toen door Juno en Willem naar de plaats werd getrokken, waar het +huis zou worden gebouwd. + +Niemand keek zuur, toen zij tot den maaltijd geroepen werden, want +allen hadden een zwaar en vermoeiend werk gehad. Alleen Thomas had, +behalve tot allerlei kattekwaad, geen hand of vinger uitgestoken, +maar was toch aan tafel zoo gulzig, dat zijne moeder ten laatste zei: +"Neen, jongenlief; men bindt een zak wel eens toe, al is hij nog +niet vol. De kat zal nu met uw leege maag niet wegloopen, en ziek +eten moogt ge u hier niet." + +In den nacht, die hierop volgde, stapten Flink en Willem, hoe doodmoe +zij ook waren, naar het strand en vingen nog acht schildpadden. Het +verdere gedeelte van de week gingen zij voort met het omkappen en +vervoeren van kokosboomen, totdat zij eindelijk genoeg meenden te +hebben, om met het bouwen van het nieuwe huis te beginnen. De Zondag +werd weder in rust doorgebracht, 's Maandagsnachts vingen zij weder +negen schildpadden en drie zware visschen en 's morgens daarop sloeg +men de eerste hand aan het zetten van de nieuwe woning. + + + + + + + +NEGEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + +HET NIEUWE HUIS. + + +Flink had reeds in voorraad de benoodigde deurposten en vensterkozijnen +saamgesteld uit het timmerhout, dat van het wrak in de bocht was +aangespoeld. Nu heide hij dan vier palen, in elken hoek een, in den +grond en maakte, met hulp van mijnheer Wilson, in elken kokosstam +boven en beneden eene insnede voor eene tweeden en derden stam, die +daarmede aan weerszijden overkruis kwam te liggen. De stammen werden +dan om den ander op elkaar gelegd, zoodat zij goed vast sloten, en +men had de reten nu nog slechts met kokosbladeren aan te vullen, die +dicht opeengeperst tusschen de balken werden ingeschoven. Dit laatste +werk werd aan Willem en Juno opgedragen, en zoo rees het nieuwe huis +langzamerhand van den grond omhoog. De haard en de schoorsteen konden +niet te gelijk met de muren worden opgebouwd, want daartoe had men of +leem te vinden of schelpen tot kalk te branden, om ze daarmee en met +steenen op te trekken; doch de plaats werd er voor opengelaten. Drie +weken achtereen arbeidden zij op deze wijze duchtig door. Toen de vier +muren eens stonden, begon men met het dak en de bekleeding daarvan, +welke laatste door middel van kokosbladen geschiedde, die, in bossen +gebonden, door Flink op de wijze van een rieten dak saamgevoegd en +met stevige prikken aan de balken vastgemaakt werden. Tegen het einde +der derde week was de woning in zooverre gereed, dat zij toereikende +beschutting tegen het weder verleende. Dat werd nu ook werkelijk +hoog tijd, want het weder was allengs anders geworden; er begonnen +zich wolken saam te pakken en de regentijd nam een begin. Na eenige +regenvlagen helderde de hemel nog eens weder op. + +"Nu hebben wij geen tijd meer te verliezen," zeide Flink tot mijnheer +Wilson. "Wij hebben hard gewerkt, maar moeten nu een paar dagen nog +harder werken. Het binnenste van ons huis dient klaargemaakt te worden, +zoodat mevrouw er zoo spoedig mogelijk intrekken kan." + +De aarde binnen in het huis werd vastgestampt, zoodat men een +behoorlijken vloer kreeg. Aan weerszijden langs de wanden van het +gebouw liep eene rij van bedsteden, twee voet hoog boven den grond en +met katoenen gordijnen, die men 's nachts neerlaten kon. Daarna deden +Flink en Willem nog een laatste reisje naar de bocht, om tafels en +stoelen te halen, en zij kwamen terug, juist voordat de eerste storm +van het jaargetijde losbrak. Het beddegoed en al wat men meer noodig +had, werd nu in het huis gebracht, en bij 't grootere zette men nog +een ander huisje, waar men koken kon, totdat haard en schoorsteen +gereed zouden zijn. + +Op een laten Zaterdagavond hield de familie eindelijk haar intocht in +het nieuwe huis, en dat juist van pas, want het zou leelijk gegaan +zijn, als het toen niet had kunnen gebeuren. 's Zondagsmorgens toch +brak de eerste storm al los. De wind bulderde met geweld en een geluk +was het voor onze vrienden, dat zij onder dak waren, want de windvlagen +werden zoo geweldig, dat de kokosboomen zweepten, kraakten en de +kruinen bogen, alsof zij dunne rietstaven waren. De bliksem kronkelde +door de lucht, de eene donderslag volgde den anderen, terwijl het water +in stroomen uit de lucht viel en een tweede zondvloed in aantocht +scheen. Het vee liep van de weide af en zocht eene schuilplaats +onder het dichte geboomte; de honden kropen onder de bedsteden, +en ofschoon het pas middag was, werd het toch zoo donker, dat men, +om iets te zien, de lichten moest aansteken. "Daar hebben we dus nu +den regentijd, waarvan ge ons zooveel verteld hebt, Flink," zeide +mevrouw Wilson. "Blijft dat weer lang zoo? Wat moeten we nu doen?" + +"Neen, mevrouw, zoo voortduren zal het niet. Tusschenbeide zal ook de +zon schijnen, maar niet lang. Wij zullen dagelijks wel nu en dan eens +uit kunnen gaan, maar 't kan ook vele dagen zonder ophouden regenen, +en dan moeten we in huis arbeiden. Ik durf wel zeggen, dat het ons +nooit aan werk zal ontbreken." + +"Wij mogen wel blij zijn, dat wij een dak hebben, waaronder wij ons +hoofd veilig kunnen neerleggen. In de tenten zou het niet uit te +houden geweest zijn." + +"Dat wist ik wel, mevrouw, en daarom juist had ik geen rust, voordat +het huis gereed was." + +Hoe hevig de regen ook tegen de muren aansloeg, kon hij toch niet door +het dak dringen. Flink en Willem gingen naar buiten, om de boot op eene +plaats te brengen, waar zij niet door den storm kon beschadigd worden, +en kwamen tot op het hemd toe nat terug. Zij moesten zich thans weer +met koude spijzen behelpen, maar waren toch gelukkig. De storm woedde +den ganschen nacht onafgebroken voort; doch zij sliepen gerust en +droog, en toen zij tegen den morgen door het rollen van den donder +en de kletterende regenvlagen gewekt werden, waren zij dankbaar, dat +zij op dit woeste eiland zulk een veilige woonstede gevonden hadden. + + + + + + + +DERTIGSTE HOOFDSTUK. + +PLAN VOOR DE TOEKOMST. + + +Toen zij den tweeden morgen opstonden, was de lucht echter weer +opgeklaard en scheen de zon vriendelijk en helder. Flink en Juno +waren de eersten buiten de deur,--Flink met zijn kijker onder den +arm, dien hij alleen meenam, als hij des morgens zijn ronde deed, +zooals hij dat noemde. + +"Wel, Juno," zeide Flink, "dat is een heerlijke morgen na al dat +onweer." + +"Ja, massa Flink, heele mooie morgen, maar hoe ikke vuur aan krijg +en maak water kook voor dat ontbijt? Warempel, ikke niet weet, want +sprik en rijs alleboel klesnat." + +"Dat geloof ik wel, meid; maar voordat ik gisteren ging slapen, +dekte ik de kolen met asch toe, lei daar eenige steenen op en toen nog +een laag van takken en bladeren, zoodat ge, denk ik, nog wel wat vuur +vinden zult. Ge ziet, Juno; we moeten ons behelpen. We kunnen niet alle +dingen te gelijk doen; maar toekomende jaar, bij leven en welzijn, +zullen we een goeden stapel brandhout, met een dak er over, tegen +den regentijd gereed hebben, zoodat we niet weer verlegen staan. Ik +wou mijn morgenronde gaan doen, maar wil nu nog wat blijven en u een +handje helpen." + +"Als 't je blief, massa Flink; veel, ijselijke boel regen gevallen +van nacht." + +"Ja, Juno, niet weinig. Ge moet ook niet denken, dat het water uit +de wel van morgen heel helder zal wezen, 't Is zelfs wel mogelijk, +dat ge van de bron in het geheel niets ziet.--Daar is toch nog wat +hout, dat niet doornat is." + +"O, ikke al hebben vuur zatter," riep Juno, die de takken en steenen +had weggeruimd en nu op hare knieën lag, om de kolen aan te blazen. + +"Nu zult ge u dus wel kunnen redden, Juno," zei Flink; "bovendien zal +onze jongeheer Willem wel dadelijk hier zijn, zoodat ik kan opstappen." + +De oude man floot de honden, die vroolijk kwamen aanspringen, en begon +toen zijne morgenwandeling. Hij begaf zich eerst naar de bron in de +kloof, maar in plaats van de borrelende wel en het kristalheldere +water, dat anders over de boorden der ton heenstroomde, vond hij een +drabbige, slijkerige beek, die klotsend van de hoogte neerstortte en +maakte, dat van de bron in het geheel niets te zien was. + +Flink waadde door den stroom, want hij wilde naar den schildpadvijver +gaan zien, die nog verderop was gelegen. Hier was alles in orde, en nu +plaste hij nog eenmaal door het water, dat den zandigen oever geheel +overstroomd had, totdat hij aan de landtong kwam, waar zijne boot +geborgen lag. Hij had haar te dien einde achter en voor met een stevig +touw vastgebonden en een zwaren steen als anker daaraan gehangen. + +Van dit punt zag hij als gewoonlijk met zijn kijker uit,--niet omdat +hij op de waarschijnlijkheid rekende, dat een schip tusschen deze +eilanden en klippen verdwalen zou, maar toch, daar die mogelijkheid +bestond, nam hij doorgaans deze moeite, ofschoon nooit als mijnheer +Wilson bij hem was, daar hij wel bemerkte, dat deze daardoor bedroefd +en somber gestemd werd. Als gewoonlijk nam hij ook ditmaal, na gedaan +onderzoek, zijn kijker weer onder den arm en zuchtte: "Dat helpt +immers toch niet." + +Daar de storm van land af had geblazen, bevond hij nu, dat de boot +zoover was afgedreven, dat hij haar niet meer bereiken kon. + +"Dat is wat moois!" dacht hij. "Hoe kon ik zoo dom zijn van dat +ding niet aan een touw vast te sjorren? Er naar toe zwemmen en een +maaltijd voor Jantje Haai worden, wil ik ook niet. Maar wacht,--laat +eens zien!" Met deze woorden haalde hij de lijnen en strengen, die tot +de takelage van het scheepje behoorden en die hij ergens op een droge +plek aan de kust geborgen had en knoopte ze aan elkander. Vervolgens +bond hij een stuk hout van twee voet lengte ongeveer op 't midden aan +de lijn vast. Dit zocht hij nu door middel van het touw in de boot +te slingeren en na eenige vergeefsche pogingen gelukte hem dit. Het +hout raakte onder tusschen de ribben van de boot vast en zoo werd +het mogelijk, de boot behoedzaam aan land te trekken. Nadat hij het +water had uitgeloosd, dat zij gedurende den storm had ingekregen, +verliet hij het strand en ging een bezoek aan den tuin brengen. + +"Nu moet ik onze schapen en geiten nog opzoeken," zeide Flink, "en +dan is mijne morgenwandeling gedaan.--Kom, Romulus! Kom Remus! Waar +zijt gij, jongens?" + +De honden schenen te merken wat hij wilde en liepen al snuffelend +vooruit. Spoedig hadden zij de schapen en twee der geiten dan ook +opgespoord; maar de derde was nergens te zien. + +"Wel, waar kan onze zwarte Nanni dan toch zitten?" mompelde de oude +man, die onderwijl een poosje had uitgerust. Eindelijk hoorde hij +onder het dichte kreupelhout een geblaat, waarop hij dadelijk afging, +terwijl de honden hem volgden. + +"Dat dacht ik al half," riep hij, toen hij Nanni met twee pas geboren +jongen bij haar onder de struiken vond liggen. "Komt, kleine beestjes, +we moeten een betere plaats voor u vinden," zeide hij en nam op +iederen arm een. "Koest, Romulus, koest dan!" dreigde hij den hond, +die naar de diertjes opsprong. "Wat zijn dat voor kuren? Koest!--Ha +ha, daar ligt ge al en hebt nu uw verdiend loon." + +En zoo was het ook; want Nanni, die niet dulden wou, dat de hond hare +jongen te na kwam, was op hem toegesprongen en had hem zoo gestooten, +dat hij hals over kop op den grond buitelde. + +Met de geitjes op den arm wandelde Flink nu naar huis terug en werd +door de moeder op den voet gevolgd. Hij vond mijnheer en mevrouw Wilson +en al de kinderen reeds aangekleed. Caroline en Thomas juichten van +blijdschap, toen zij de jonge geitjes zagen, en zelfs de kleine Albert +kraaide het uit. Zoodra Flink ze op den grond legde, hadden ook Thomas +en Caroline al spoedig een van de aardige diertjes op den arm. + +"Ik heb een aanwas voor de familie meegebracht, mevrouw," zeide Flink, +"en moet u wel verzoeken, de kleintjes in huis te dulden, totdat ik +eene andere geschikter plaats voor hen vinden kan. Dat is echter maar +een begin; ik verwacht, dat wij spoedig meer zullen hebben." + +Zoodra men de kleinen bewegen kon, de geitjes over te geven, werd +Nanni in een hok vastgebonden, waar ze zeer tevreden scheen en hare +kleinen zoogde en likte. Juno en Willem brachten het ontbijt binnen, +en na den afloop daarvan zeide mijnheer Wilson: + +"Nu Flink, dienden we wel eens raad te houden, om aan ieder van +ons zijne bijzondere werkzaamheden en verrichtingen gedurende den +regentijd aan te wijzen. Wij hebben zeer veel te doen en kunnen geen +leegloopers zijn." + +"Ja mijnheer, wij hebben zeer veel te doen, en om met alles klaar +te komen, moeten wij met orde en naar een geregeld plan te werk +gaan. Ik ben al oud genoeg om te weten, hoeveel tijd men door een +regelmatige verdeeling zijner uren winnen kan. Zoo, bij voorbeeld, +wordt op een goed bestuurd oorlogsschip veel meer gedaan, dan men +op een koopvaardijschip in dubbel zooveel tijd uitvoert. En hoe dat +zoo? Omdat ieder ding op zijne plaats en er eene bijzondere plaats +voor ieder ding is. Heeft men dus iets noodig, dan behoeft men zijn +tijd althans niet met zoeken te verliezen, daar ieder weet, waar hij +het zijne halen moet. Bovendien weet ieder ook wat hij te doen heeft +en dus kan er nooit verwarring ontstaan." + +"Ik ben 't volkomen met u eens, Flink," viel mevrouw Wilson hem in +de rede; "orde is de hoofdzaak. Terwijl een slordig meisje nog naar +haar vingerhoed zoekt, heeft een ander, dat beter op hare zaken past, +haar werk al lang af; en ik beloof u, zoodra de bergplanken en kastjes +klaar zijn, zal ik zorgen, dat hier binnenshuis ieder ding op zijne +plaats, en dat ook eene bijzondere plaats voor elk ding zal wezen." + +"Ik vraag verschooning, mevrouw, als ik te veel praat; maar ik kan u +verzekeren, dat ik nooit zou geweten hebben, hoeveel men met orde en +stiptheid kan uitrichten, als ik niet aan boord van een oorlogsschip +gediend had. Ik had al een langen tijd op koopvaardijschepen gevaren, +waar altijd, zelfs als er niets te doen is, drukte en verwarring +heerscht; maar hier vond ik, dat alles in stilte en geregeld werd +afgedaan. Nooit had iemand een woord te spreken, dan alleen de +officier, die juist den dienst had. Ieder man was op zijn post; ieder +had een touw op te hijschen of er een te vieren. De bootsman floot, +en in een ommezien was ieder zeil bijgezet of gereefd, al naar dat het +gebeuren moest. In 't begin scheen mij dat wel hekserij toe. En gij +zult begrijpen, mijnheer Wilson, dat bij zooveel orde en tucht ieder +man in 't bijzonder van groot gewicht is, want de minste nalatigheid, +waaraan één zich schuldig maakt, hindert ook dadelijk al de overigen +in hun werk en doet alles verkeerd gaan. Daarbij kan de schuldige ook +altijd verzekerd wezen, dat hij de verdiende straf niet ontgaat. Al +had ik aan boord van dat oorlogsschip ook niet anders geleerd dan +mijn tijd en mijne krachten op de beste wijze te gebruiken, dan had +ik daarbij voor mijn volgend leven al genoeg gewonnen." + +"Gij hebt volkomen gelijk, Flink, en gij moet ons nu leeren, evenzoo +te arbeiden," antwoordde mijnheer Wilson. + +"Wij hebben zooveel te doen, dat ik haast niet weet, waar te +beginnen. Wij moeten werken, zoo goed en zooveel wij kunnen, totdat +wij de dingen een weinig beter in orde hebben gebracht. Tot hiertoe +hebben wij allen braaf ons best gedaan." + +"Wat denkt gij, dat wij het eerst doen moeten, Flink?" + +"Wel, mijnheer, ons eerste werk dient te zijn, dat wij de boot wat +hooger ophalen en zorgen, dat ze geen schade lijdt. Ik reken het +vooreerst toch niet veilig naar de andere zij van het eiland te gaan, +daar er op den duur te veel branding staat en 't weer ook te onzeker +is, om er voor een uur op te rekenen. Zoo zal het best zijn, dat wij +de boot half in 't zand begraven en ze dan daarmee geheel overdekken. + +"Dat komt mij zeer goed voor. En wat volgt dan?" + +"Ja, ziet gij, de tenten mogen wij ook niet laten staan. We moeten +ze opbreken en ze, als ze goed droog zijn, op eene geschikte plaats +bewaren, daar ze in het vervolg nog goed te pas kunnen komen.--Dan, +mijnheer, moeten we een ruim pakhuis voor levensmiddelen en verderen +voorraad bouwen, met een rieten dak en met den vloer zoo wat vier voet +boven den grond, zoodat onze schapen en geiten daaronder bij boos weer +eene schuilplaats kunnen vinden. Daarmee kunnen wij schielijk klaar +komen; wij hebben slechts drie kanten dicht te maken, en dat kost met +kokosbladeren zooveel moeite niet. Later, mijnheer, valt er nog een +vischvijver aan te leggen en eene zoutpan in de rotsen uit te houwen; +doch dat doen wij eerst, als er geen dringender werk meer is.--Daarna +komen nog twee gewichtige dingen. Vooreerst moeten wij al, wat wij nog +aan de overzijde hebben, nazien, schriften en terechtleggen, zoodat +wij het terstond na den regentijd hierheen kunnen halen. Het tweede +is, dat wij een ontdekkingsreisje door het gansche eiland doen en +onderzoeken, wat het al zoo voortbrengt; want tot hiertoe, mijnheer, +weten wij daar nog bitter weinig van. Wij kunnen misschien nog veel +vinden, dat ons van nut kan zijn; b. v. boomen en vruchten, en ik hoop +ook wat meer gras en voeder voor ons vee, want gij begrijpt licht, +mijnheer, als dit zoo vermeerderen zal, dat we er wezenlijk nut van +trekken, zullen wij hier geen voedsel genoeg voor de dieren hebben." + +"Al wat gij daar zegt, is volkomen waar, Flink," antwoordde mijnheer +Wilson. "En hoe zullen wij thans onze krachten verdeelen?" + +"Voorshands, mijnheer, zullen wij aan geen verdeeling denken. Juno +heeft met mevrouw binnenshuis volop te doen. Onze Willem, gij en ik +zullen eerst de boot in zekerheid brengen en de tenten en wat er nog +zoo meer is, wegbergen. Dan beginnen wij met het pakhuis en haasten +ons daarmee, zooveel wij kunnen. Heeft Juno soms eens wat tijd over, +dan moet ze kokosbladeren opzamelen tot brand voor den haard. De kleine +Thomas zal wel met haar meegaan en haar wijzen, hoe ze doen moet." + +"Ja, ja, dat zal ik haar wel wijzen," zei Thomas en zette eene +hooge borst. + +"Nu aanstonds nog niet, jongeheer," hernam Flink; "eerst als moeder +u en Juno missen kan, dan moet gij het haar wijzen.--Kom, mijnheer," +vervolgde hij, "wij mogen thans de paar uren goed weer niet verzuimen, +want voordat de dag ten einde is, krijgen wij zeker nog veel meer +regen. Als ge 't goed vindt, zal ik even de schoppen halen en maar +naar de boot vooruitgaan, waar ik u wacht. Gij en Willem kunt eenige +touwen meenemen, een stevigen bos kokostakken bij elkander binden, +dien op de kar laden en daarmee dan naar het strand komen." + +"We zullen u niet laten wachten, Flink," antwoordde mijnheer +Wilson.--"Kom, Willem, kom!" + + + + + + + +EEN-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK. + +FLINK VERHAALT ZIJNE LEVENSGESCHIEDENIS. + + +Daar men tot het bouwen van het huis zooveel kokosboomen geveld had, +lagen er nog takken in overvloed in het rond verstrooid, en vader en +zoon hadden er spoedig genoeg bij elkaar. + +Aan het strand gekomen, vonden zij dat Flink de boot reeds op het +droge gehaald en er ook de rollen reeds ondergeschoven had, om ze +later van de plaats te brengen. Met weinig moeite werd zij een el +of tien hooger op het strand getrokken, totdat Flink verzekerde, +dat de afstand volkomen toereikend was. Toen groeven zij met hunne +schoppen zoo diep, dat het kleine vaartuig halverwege in het zand +wegzonk. Daarop wierpen zij de uitgegraven aarde daarin, totdat de +boot geheel vol was, bedekten die toen zorgvuldig met de meegebrachte +takken en bezwaarden ook deze weder met zand, zoodat zij niet door +den wind konden worden weggeblazen. + +"Ik begrijp eigenlijk niet, waarom gij de boot zoo toedekt, Flink," +merkte Willem aan. "De regen zou haar immers geen kwaad doen." + +"Neen, de regen zou er weinig aan bederven, jonge vriend; maar wel de +zon, als zij van tijd tot tijd eens weer voor den dag mocht komen. De +zon heeft verbazend veel kracht en kon door haar gloed mijn arme boot +licht geheel in stukken doen springen." + +"O ja, daaraan had ik zoo gauw niet gedacht," antwoordde Willem. "Wat +dient er nu bij de hand gevat, Flink?" + +"Wel, daar we nog twee uren vóór etenstijd hebben, zoudt gij de +vischlijnen nog wel eens kunnen gaan halen, en dan zullen wij zien +wat het geeft." + +"Maar wij kunnen toch niet alle drie met twee lijnen visschen?" zeide +mijnheer Wilson. + +"Neen, mijnheer; maar daar uw zoon er al zeer handig mee is, moest +gij, dunkt mij, hier bij hem blijven, terwijl ik Juno nog wat hout en +prikken help inzamelen. De goede meid was dezen morgen doodverlegen, +toen dit nog zoo nat was; maar is het eens opgestapeld, dan zal +het spoedig drogen. Wees toch vooral voorzichtig, mijnheer Wilson, +en houd de lijnen niet al te stijf vast, daar ge anders gevaar loopt +zelf in 't water te worden getrokken. Ik heb onzen Willem vroeger al +gewaarschuwd; maar 't zal toch goed zijn, dat ge een wakend oog op +hem houdt, want hij is jong en wat driftig." + +Daar de oude man Willem met de lijnen juist tegenkwam, herinnerde +hij hem nog eens met een paar woorden het gevaar, dat hij de laatste +maal bij het visschen geloopen had, en ging toen zelf aan het werk, +dat hij zich nog had voorgenomen te doen. + +Vader en zoon waren in hunne vangst zeer gelukkig. Voordat de twee uren +om waren, hadden zij acht groote visschen gevangen, die zij aan den +bootshaak hingen en zoo in triomf naar huis droegen. Sinjeur Thomas +juichte overluid, toen hij den voorraad zag en wilde dat men terstond +aan 't koken en bakken zou gaan. Daar de vangst zoo overvloedig was, +besloot men dan ook werkelijk het eten uit te stellen, totdat een +gedeelte van de visch was toebereid. Dit was een uitstel, waarover +zich niemand rouwig betoonde, daar zij anders niets dan pekelvleesch +tot middagkost gehad zouden hebben. + +Men had zich nauwelijks aan tafel gezet, of de regen kletterde op het +dak neer en binnen een kwartier was de orkaan weer even geweldig en +waren donder en bliksem even vreeselijk als den dag te voren. Al het +werk buitendeurs was dus opeens weer gedaan. Mevrouw Wilson, Juno en +Caroline namen haar naaiwerk, want er viel in overvloed te lappen en +te stoppen, en Flink vond bezigheid voor de rest. Willem en zijn vader +kregen een dik touw te pluizen, waarvan Flink dunner en bruikbaarder +draden maken wilde. De oude man zelf vatte zijne naaipriemen op +en boorde gaten in de venstergordijnen (die maar inderhaast waren +opgehangen), zoodat men ze nu naar welgevallen open en dicht kon +trekken. Ook Thomas kreeg een verward kluwen garen uiteen te haspelen, +wat hij, het leegzitten in het eind toch moe, ook heel geduldig deed. + +Zoodra Flink de gordijnen in orde had, haalde hij een dik pak van +onder de bedstede voor den dag en maakte dat open. + +"Ik wil mevrouws slaapplaats nu wat opschikken," zei de goede man; +"die dient toch wel wat mooier te wezen dan die van de anderen." + +Het pak bestond uit de geredde scheepsvlag, die rood van kleur was, en +uit nog eene andere vierkante gele vlag, waarop de naam van het schip, +"De Vrede," in groote zwarte letters te lezen stond. Deze beide hing +Flink in sierlijke kronkels voor de bedstede op, zoodat het eene heel +aardige vertooning maakte en tevens de ruwe wanden van de hut geheel +aan het oog onttrok. + +"Waarlijk, vriend, ge maakt me bijna beschaamd," zei mevrouw Wilson, +toen hij gedaan had. "Het is bijna al te mooi voor deze plaats." + +"'t Is toch het beste gebruik, dat we er hier van maken konden," +zei Flink. + +"Och ja, dat vrees ik ook," merkte mijnheer Wilson zuchtend aan. + +"Flink," zei Willem, toen het licht op was, "gij beloofdet mij eens +half en half, dat ge mij uwe geschiedenis zoudt vertellen; ik wou wel, +dat ge er ons nu iets van hooren liet, om ons zoodoende den avond +te korten." + +"Welnu, vriend Willem, ik heb het beloofd en ik zal woord houden. Na +'t hooren van mijne historie zult ge zeggen, dat ik in mijn tijd heel +dwaas en onverstandig gedaan heb; maar dat zal eene waarschuwing voor +u wezen en kan in allen gevalle van eenig nut zijn." + +"We zullen u met groot genoegen aanhooren," verzekerde de moeder. + +"Komaan, mevrouw, als gij dan maar luisteren wilt." Met deze woorden +begon Flink zijne historie, gelijk hier volgt. + + + + +GESCHIEDENIS VAN DEN OUDEN FLINK. + +"Natuurlijk zult ge eerst verlangen te weten, wie mijne ouders +waren. Nu, dat is gauw verteld. Mijn vader was kapitein van een kof, +die van Londen op Hamburg voer; en mijne arme moeder, God zegene +haar! was de dochter van een gepensionneerd luitenant te land, die een +paar maanden na haar trouwen al kwam te sterven. Het weinige, dat de +oude heer haar naliet, kwam bij hetgeen mijn vader al in de kof had, +zoodat hem daar een derde van toekwam; de beide andere parten behoorden +aan een rijken scheepsbouwmeester en reeder, met name Masterman. Met +de profijten van zijn aandeel in het schip en het geld, dat hij als +kapitein verdiende, kon mijn vader het tamelijk goed stellen. Mijnheer +Masterman, die veel met mijn vader ophad en door vaders overleg en +goed oppassen vrij wat geld verdiende, was er bij, toen vader trouwde; +en na mijn geboorte, zoo wat een jaar daarna, stond hij als peet over +mij. Iedereen begreep, dat dit een goed ding voor mij was, en men +wenschte er vader en moeder geluk mee, want de oude heer Masterman +was ongetrouwd en al bij de zestig jaren en had kind noch kraai in +de wereld. De menschen wilden wel zeggen, dat hij wat heel sterk op +geld gesteld was; maar dat was er, zeiden ze, niet minder om voor mij, +want hij kon zijn geld toch onmogelijk in het graf meenemen. + +"Gij zult zien, wat er op die gedachten van de menschen valt staat +te maken, Willem; want een jaar na mijne geboorte verloor mijn vader +zijn leven op zee, bij eene schipbreuk voor Texel, waar zijn schip +met man en muis verging, en mijne moeder bleef weduwe met een kind pas +van de borst, en ze was maar twee-en-twintig jaren oud, de arme vrouw. + +"Daar 't schip voor twee derden van de waarde was verzekerd geweest +dacht men, dat mijne moeder nog genoeg zou krijgen, om van te leven: +maar tot ieders verwondering kwam mijnheer Masterman op en zocht +te bewijzen, dat alleen zijne twee derde aandeelen in het vaartuig +verzekerd waren geweest." + +"Maar wat is dat, verzekering?" vroeg Willem. + +"Dat zal ik u zeggen, mijn beste jongen," antwoordde zijn +vader. "Verzekering of assurantie is, als men aan menschen, die men +assuradeurs noemt, eene zekere som betaalt, waarover zij dan, als +'t gebeuren mocht dat een schip of de lading verging of schade leed, +aan de eigenaars van schip en lading de waarde vergoeden moeten. Men +betaalt al naar gelang van 't gevaar, dat men te vreezen heeft. In +oorlogstijden b. v. betaalt men tien percent,--dat is, tien gulden +voor iedere honderd, die men verzekert. Vooronderstel nu eens, dat +ge tienduizend gulden op een schip en lading verzekeren wilt en men +daarvoor tien percent verlangt, dan hebt ge duizend gulden aan de +assuradeurs te betalen, waartegen dezen u, in geval het schip verloren +gaat, de gansche som, die ge verzekerd hebt en dus tienduizend gulden +zullen moeten vergoeden. Hebt ge het nu gevat, Willem?" + +"O ja, heel goed, vader. Evenwel begrijp ik nog niet, hoe een +verzekeraar daarmee geld kan verdienen, want in oorlogstijd worden +veel schepen in den grond geschoten en gekaapt, en dan heeft hij +immers zulke groote sommen te betalen!" + +"Ge moet bedenken, Willem, dat voor een enkel schip, dat verloren +gaat, misschien vijftig of meer behouden binnenkomen, en daar de +verzekeraars voor die alle toch betaald worden, doen zij meestal +goede zaken; want dat doen zij zeker, daar er anders niet zooveel +verzekeraars en assurantie-maatschappijen bestaan zouden.-- + +"Neem mij niet kwalijk, Flink, dat ik u daar zoo in de rede ben +gevallen." + +"O volstrekt niet, mijnheer; men moet geen gelegenheid verzuimen, +om jongelieden onderricht te geven en ik moet zeggen, dat ge hier +nu ook de ouden wijzer gemaakt hebt, daar de zaak mij nog nooit zoo +duidelijk geweest is, als op dit oogenblik. Maar om voort te gaan: +of mijnheer Masterman 't recht op zijne zijde had of niet, kon op dat +oogenblik geen mensch zeggen; doch dit weet ik, dat de heele wereld +er schande over riep. Het gevolg was, dat mijne moeder weinig of niets +meer van haar weinigje goed overhield, maar ze vond gelukkig vrienden, +en wist er zich, met wat ze door naaien en borduren verdiende, gelukkig +door te slaan, tot ik mijn achtste of negende jaar bereikt had." + +"Maar uwe peet, mijnheer Masterman, kwam die dan uwe moeder niet te +hulp?" vroeg mijnheer Wilson. + +"Neen, mijnheer. Het klinkt vreemd, maar dat deed hij niet; en dit +maakte, dat hij nog meer over de tong ging. Ik denk, dat het juist +deze beschuldigingen waren, waarvan hij zelf toch ook wel iets hooren +moest en welke hij waarschijnlijk aan mijne moeder toeschreef, die hem +afkeerig van ons maakten. Misschien was het ook zijn geweten; want +men zal altijd zien, dat wij degenen haten die wij benadeeld hebben +en verstoord op hen zijn, inplaats van het op onszelven te wezen." + +"Ongelukkig is er veel waars in uwe opmerking," sprak mijnheer Wilson; +"maar toch was het hoogst vreemd, dat hij zoo iets deed." + +"Dat was het werkelijk, mijnheer,--althans zoo dacht men er toen +ter tijd algemeen over, doch hij was zeer aan 't geld gehecht en +verbitterd over geruchten, die van hem in omloop waren.--Maar ik zal +verder vertellen. + +"Ik was een sterke, vlugge, levendige knaap. Zoo dikwijls ik mijne +moeder of de school ontloopen kon, vond men mij vast aan den waterkant +of aan boord van een schip, want alles, wat de zeevaart aanging, was +mijn hoogste lust. In den zomertijd was ik den halven dag in het water +en zoo werd ik een goed zwemmer. Mijne moeder bemerkte mijn lust in +het varen en deed alles, om mij daarvan terug te brengen. Zij vertelde +mij van de moeiten en gevaren, waaraan een zeeman is blootgesteld, +en eindigde altijd met mijns vaders dood en met een vloed van tranen. + +"Indien mijne moeder zich niet zoo tegen mijn naarzeegaan verzet had, +geloof ik wezenlijk, dat ik aan wal gebleven zou zijn. Als kind +was ik echter trotsch en hardnekkig van aard. Ik moet dat zeker +van mijn vader gehad hebben, want mijne arme moeder, ach! die was +de zachtzinnigheid zelve. Ik kon niet velen, dat een andere jongen +deed wat ik niet doen kon; en om dingen te verrichten, die geen +ander wagen dorst, volvoerde ik soms zulke halsbrekende kunsten, +dat het, naar aller zeggen, wonder boven wonder was, dat ik er niet +honderdmaal mijn leven bij inschoot. Mijne moeder hoorde gedurig +van gevaren, waarin ik verkeerd had, en was dan buiten zichzelve van +zorg en angst. In den beginne beknorde zij mij telkens en smeekte mij +toch niet zoo'n waaghals te zijn; maar later ging ze doorgaans naar +haar kamertje en schreide daar in stilte, want ik was haar eenige +troost, hare laatste hoop en alles wat zij nog op aarde had. Ik heb +later dikwijls zelf niet kunnen begrijpen, hoe ik in dien tijd zoo +ongevoelig en hardnekkig kon zijn. Ik was te jong om te bedenken, +welke kwelling ik haar aandeed en hoe de gedurige bezorgdheid over mij +aan haar leven knaagde. Kinderen voelen dat zoo niet. Deden zij dat, +ze zouden anders handelen, want onze harten zijn op dien leeftijd +nog niet verhard, maar worden dat eerst later." + +"Gij hebt wel gelijk, Flink," merkte mijnheer Wilson aan. "Als kinderen +werkelijk wisten, hoeveel hunne ouders door hunne verkeerdheden te +lijden hebben, hoezeer ieder bewijs van boosheid hen verontrust,--zij +zouden waarlijk beter zijn." + +"Wij zien het doorgaans eerst in, als het te laat is," ging Flink +voort. Ik was ruim negen jaren oud, toen eens op een dag, dat er vrij +wat wind woei en het water hol stond, een kabel, waarmede een schip aan +het hoofd vastzat, met een geweldigen slag sprong. Het losgescheurde +eind trof een man, die dicht aan den waterkant gestaan had en slingerde +hem met geweld in het water. Ik hoorde hem schreeuwen en zag, hoe de +menschen op het hoofd en van de schepen hem touwen toewierpen; maar +hij kon die niet grijpen, daar hij weinig van 't zwemmen verstond en +de zee hol ging. Daar pakte ik een touw, dat juist werd opgetrokken +en sprong hals over kop van het hoofd in 't water. + +"Hoe jong ook, kon ik zwemmen als een eend en 't gelukte mij, hem het +touw in handen te geven op het oogenblik, dat hij op punt was van te +zinken. Hij klemde zich daar met alle macht aan vast en werd zoo tot +aan de palen voortgetrokken; een poosje later kwam er ook eene boot, +die men inderhaast te water had gebracht en nam ons beiden behouden +op. Wij werden naar eene herberg gebracht en kropen te bed, totdat +men droge kleeren voor ons gehaald had. Toen eerst ontdekte ik, dat +de drenkeling, dien ik gered had, mijn peet, mijnheer Masterman was. + +"Iedereen roemde mij zeer, en waarlijk ofschoon ik dat misschien +zelfs niet zoo zeggen moest, het was ook een stout stuk geweest voor +een jongen van mijne jaren. De matrozen droegen mij als in triomf +naar moeders huis terug. Toen de goede vrouw hoorde wat ik gedaan +had, drukte zij mij vast in hare armen en dan weende zij ook bitter, +als ze aan het gevaar dacht, dat ik had doorgestaan, en zich daarbij +voorstelde, dat mijne stoutmoedigheid mij licht in nog veel grooter +gevaar brengen kon." + +"Maar zij beknorde u ditmaal toch niet om hetgeen gij gedaan had?" + +"O neen, Willem; zij gevoelde, dat ik mijn plicht jegens mijn +medemensch vervuld had: misschien ook, dat ik in dit geval het kwade +met eene goede daad had vergolden; maar van dit laatste zei ze toch +geen woord. Den volgenden dag kwam mijnheer Masterman ons een bezoek +brengen. Hij keek heel beschaamd en verlegen, toen hij naar zijn +petekind vroeg, dat hij zoolang vergeten had. Mijne moeder, die wel +begreep hoe nuttig hij worden kon, ontving hem heel vriendelijk, +maar ik had reeds te dikwijls van zijne verwaarloozing van mij en +mijne moeder en van zijn naar alle waarschijnlijkheid afschuwelijk +gedrag jegens mijn vader hooren spreken en had daardoor een hevigen +weerzin tegen hem opgevat. Zoo kwam het, dat ik zijn vriendelijkheid +heel koeltjes opnam. Ik was wel blij, dat ik hem het leven had gered; +maar ofschoon mijn gevoel mij destijds nog niet recht duidelijk was, +moet ik toch met schaamte bekennen, dat mijne blijdschap niet uit +de bewustheid voortkwam van eene goede daad verricht te hebben, doch +veeleer uit zekere bevredigde wraak, daar ik nu een man, die mij eens +zoo slecht behandelde, tot dankbaarheid jegens mij verplicht had. Dat +kwam voort uit mijn trotschen geest, dien mijne moeder niet buigen +kon. Ge ziet, jongeheer Willem; er stak weinig verdienste in wat ik +gedaan had, daar ik na 't verrichten der daad aan een gevoel toegaf, +dat ik had moeten onderdrukken." + +"Mij dunkt, ik zou in uw geval evenzoo gedacht hebben als gij, Flink," +gaf Willem ten antwoord. + +"Kwaad met goed te vergelden is de groote plicht van een +Christenmensch, en had ik mijnheer Masterman gered met de zekerheid +dat hij het was, dan zou dat prijzenswaardig geweest zijn; maar nu +kende ik hem niet, toen ik hem redde, en het bleef nog altijd de +vraag, of ik, als ik geweten had wie daar in het water omspartelde, +mijn leven dan wel voor hem zou hebben gewaagd. Of, als ik het toch +gedaan had, zou dat dan niet misschien met hetzelfde gevoel geschied +zijn, dat mij nu nog vervulde, nadat ik hem werkelijk gered had,--het +gevoel, dat ik mij voor zijn gedrag jegens mij op hem wreken wilde; +want er bestaat wel geen grooter wraak dan deze, dat men zijn vijand +tot dankbaarheid verplicht." + +"Gij beoordeelt uzelven zeer streng, brave Flink," zeide mijnheer +Wilson, "en mij dunkt bijna, dat gij uzelven onrecht aandoet." + +"Toch niet, mijnheer," hernam de oude man. "Mijn eerste gevoel, dat +dat mij tot handelen aanspoorde, was goed; maar dat, waaraan ik later +toegaf, nam al de verdienste van mijne daad weder weg. Ik zeg juist +wat ik denk dat waarheid is, en een oud man kan zonder partijdigheid, +maar niet zonder berouw, op het verleden terugzien.--Doch ik wil nu +voortgaan met mijne geschiedenis. + +"Mijnheer Masterman's bezoek duurde niet heel lang. Hij zeide mijne +moeder, dat hij voortaan zorg voor mij zou dragen en mij, zoodra ik +oud genoeg was om de school te verlaten bij eene scheepstimmerman in +de leer zou doen. Tot daartoe bood hij aan, al de kosten van mijne +opvoeding op zich te nemen. Mijne arme moeder was zeer dankbaar en +schreide vreugdetranen. Toen mijnheer Masterman weg was, omarmde ze +mij en zeide mij, dat ze zich nu eerst gelukkig gevoelde, dat ik +eene kostwinning te land krijgen en niet op zee gaan zou. Om mijn +peet recht te doen wedervaren, moet ik zeggen, dat hij trouw zijn +woord hield. Hij zond mijne moeder geld, zoodat ze het beter stellen +en meer genot van haar leven hebben kon. Iedereen wenschte haar ook +geluk en ze kuste mij en plachte altijd te zeggen, ze dat alles aan +mij alleen had te danken." + +"Ach, Flink, wat moet dat u gelukkig gemaakt hebben!" riep Willem, +vol hartelijkheid. + +"Ja, jongeheer, dat deed het, maar het maakte mij ook heel trotsch. Het +is vreemd maar toch waar; ik kon mijn afkeer van mijnheer Masterman +niet overwinnen; ik had dien te lang in mijn hart omgedragen. Ik +kon nauwelijks verdragen, dat mijne moeder verplichting aan hem had, +of dat hij het schoolgeld voor mij betalen zou. Hoe jong ik ook was, +krenkte die gedachte mijne trotschheid toch al te zeer, en al was mijne +moeder ook nog zoo gelukkig, ik was dat niet. Daar ik bovendien op een +betere school gebracht was en men mij dwong, bij de andere jongens +te blijven, kon ik niet meer, zooals te voren, aan den havenkant +omzwerven en op de schepen gaan, zoodat ik van mijn liefste genot was +beroofd. Destijds zag ik niet in, zooals tegenwoordig, dat dit alles +tot mijn eigen best was. Het verbitterde mij veeleer, en ik gevoelde +mij ongelukkig, enkel omdat ik gedwongen was, mijn aandacht op de +lessen te richten en men mij niet langer mijn eigen weg liet gaan. + +"De meester klaagde over mij; mijnheer Masterman liet mij roepen en +haalde mij terdeeg door. Dit maakte mij nog koppiger, en zoo werd ik, +op mijnheer Masterman's verlangen, gevoelig gekastijd. Deze behandeling +maakte mij zoo weerspannig, dat ik besloot weg te loopen en op zee +te gaan. + +"Gij ziet, Willem, dat ik in dit alles ongelijk had; en dat hebben +alle knapen, die zoo eigenzinnig zijn, als ik te voren was, en alles +beter meenen te weten dan zij, die voor hen zorgen willen. Nu, stel +u eens voor beste jongen, wat door mijn dwaas gedrag waarschijnlijk +voor mij verloren ging. Ik zeg waarschijnlijk, want niemand kan +vooruit zien en zeggen wat de toekomst zal aanbrengen. Naar allen +schijn echter had ik groot vooruitzicht om eene goede opvoeding te +ontvangen,--om later mijnheer Masterman in zijne zaken op te volgen +en, hoogst waarschijnlijk, ook zijn groot vermogen te erven, zoodat +ik mettertijd een gezeten man zou geworden zijn. Misschien had ik eene +goede vrouw gevonden, had kinderen gekregen om mijn geluk nog grooter +te maken,--en in plaats van dat alles ben ik nu een arm, oud, afgeleefd +zeeman op een eenzaam verlaten eiland. Ik maak u daar opmerkzaam op, +Willem, om u te toonen, hoe een enkele onberaden stap in de jeugd al +onze vooruitzichten voor de toekomst kan verijdelen, zoodat we, in +plaats van met gunstig tij te varen, ons leven lang tegen den stroom +der tegenspoeden hebben op te worstelen. Dit was bij mij het geval, +zooals ge uit het vervolg van mijn verhaal zien zult." + +"Dat is inderdaad een goede les, Flink," zeide de vader. + +"Ja, wel eene goede les, mijnheer, en zoo heb ik ook niet over mijn +lot te klagen, ofschoon mij ook de dwalingen berouwen, die mij zoover +gebracht hebben. Ik ben niet ontevreden met mijn lot, want dat zou +zonde wezen." + +"Uw ongeluk is voor ons allen een onschatbare weldaad geworden," zeide +mevrouw Wilson tot den ouden man; "want waart gij niet op zee gegaan, +waart gij niet aan boord geweest,--wat zou er van ons geworden zijn, +nadat al de anderen ons verlaten hadden?" + +"Nu ja, mevrouw, het is altijd nog een troost, te mogen denken dat +zoo'n oud, afgeleefd matroos als ik toch ergens nog nuttig toe is +geweest.--Maar nu, mevrouw, is het de tijd, dat we doorgaans naar bed +gaan, en daarom, dunkt mij, zal 't het best zijn, dat ik voor heden +afbreek en morgenavond met mijne historie voortga." + + + + + + + +TWEE-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK. + +VERVOLG VAN FLINKS GESCHIEDENIS. + + +Het blaten der geiten maakte hen den anderen morgen vroeger dan +gewoonlijk wakker. De lucht was zeer opgeklaard, de zon scheen helder +en Flink liet Nanny en haar jongen vrij loopen. + +Het gezin had een kostelijk ontbijt van gebakken visch, en daarna +gingen de mannen met Willem terstond weer aan den arbeid. De beide +eerste haalden de tenten omver en spreidden het doek op den grond +uit, om te drogen, terwijl Willem het gevogelte ging opsporen, dat +zich in geen paar dagen had laten zien. Na een half uur zoekens, +hoorde hij den haan in het kokosbosch kraaien en vond spoedig allen +bij elkander. Hij strooide hun een handvol erwten voor, die hij in +zijn zak had gestoken, want het koren had men besloten te sparen, +om het zoodra men maar meer grond had omgespit, uit te zaaien. Als +het meel dan ook mocht opraken, hadden zij aan de landingsplaats +nog eenige vaten daarvan over, die bij de stranding gered waren, +en er was dus nog zoo spoedig geen dadelijk gebrek te vreezen. De +hoenders waren zeer hongerig en liepen Willem tot aan huis na, waar +hij hen liet, om naar zijn vader en Flink om te zien. + +"Onze tenten kunnen nu drogen, vriend Willem," voegde de oude man hem +toe; "zoodat we nu, als uw vader het goedvindt, met alle macht aan +'t werk willen gaan om een hoenderhok tot stand te brengen. 't Zal +niet meer dan een dag kosten, en de arme beesten hebben dan ook een +dak. Daar staan vier dikke kokosboomen hier dicht bij huis; wij willen +daaronder een hok bouwen, en dat kan spoedig gereed zijn." + +Mijnheer Wilson keurde dit plan volkomen goed, en dus ging men dadelijk +aan het werk. Van de boomen, die tot het huis gediend hadden, waren +nog eene menigte dunne toppen over; deze gebruikten zij tot latten +en spijkerden ze aan de vier boomstammen, zoodat zij een regelmatig +vierkant vormden, waarna zij nog de sparren opzetten tot een stevig +afloopend dak. + +"Dat is nu alleen maar het ruwe werk," zei Flink; "we moeten nu een +of twee stokken voor de hoenders maken, en dan de zijden sluiten en +het dak met kokosbladeren stevig dekken. Maar kijk, daar gaat Juno +al aan het opscheppen, zoodat we nu maar eerst schaften moeten." + +Na den maaltijd begon men opnieuw. Mijnheer Wilson verzamelde de +takken, terwijl Flink en Willem de zijden en het dak met bladeren +dekten, zoodat het hoenderhok nog vóór den avond volmaakt in orde +kwam. Willem lokte de hoenders met eenige erwten, en toen zij onder +dak waren, liet hij hen rustig pikken en ging in huis. + +"Nu, mijnheer, denk ik, zullen ze spoedig hun weg daarheen weten te +vinden," sprak Flink, "en later als ik eens tijd daartoe vind, zal +ik ook eene deur voor den ingang maken. Mij dunkt, dan kunnen wij het +opzicht over ons gevogelte veilig aan juffer Caroline toevertrouwen. Ze +zal voor de oude hoenders en de jongen, als we die eens hebben, +zeker wel behoorlijk zorg dragen." + +"Ja, ja, dat moet haar post worden," riep Willem. "Ze zal wat blij +wezen, als ze koningin wordt van het hoenderhok. En nu, dunkt me, +moeten we aan het oprollen van de zeilen gaan; wij hebben vandaag +een kostelijken dag gehad en misschien zijn we morgen niet weer +zoo gelukkig." + +"Gij hebt volkomen gelijk; wij willen ze onder dak brengen en onder +de bedstede bergen, waar nog ruimte voor alles in overvloed is." + +Toen men dit alles verricht had, was de zon intusschen ondergegaan, en +zoo keerden ook allen in hunne woning terug. Al spoedig werd Flink nu +verzocht, met zijn historie voort te gaan, en hij deed dit, als volgt: + +"Ik zeide gisteravond, dat ik het besluit nam, om van mijne kostschool +weg te loopen en op zee te gaan; doch hoe ik dat plan volvoerde, +hebt gij nog niet gehoord.--Het was mij niet mogelijk, onbemerkt te +ontsnappen, voordat de overige jongens al te bed waren. De kamer, +waar ik sliep, was op de tweede verdieping; de deuren, dat wist ik, +waren gesloten, maar daar was nog een zolderluik, waardoor men op het +dak kon komen. Het was van binnen gegrendeld, en langs eene ladder +kon men er bij klimmen. Zoo besloot ik dan, langs dien weg de vlucht +te beproeven. Zoodra de andere jongens gerust snorkten, stond ik op, +kleedde mij heel bedaard aan en sloop de kamer uit. + +"Het was heldere maneschijn, en dat was een geluk voor mij, want zoo +kon ik zonder gestommel het luik bereiken. Het kostte mij veel moeite +dat op te lichten, want voor een knaap van mijne jaren was het heel +zwaar; maar eindelijk lukte het toch, en ik kwam gelukkig op het dak +van 't huis. + +"Toen ik in de goot stond, keek ik rond. Ik zag de schepen in de haven +en de zee in de verte, zoodat ik mij verbeeldde al vrij te zijn en +niet bedacht, hoe ver ik nog van den grond was. Eindelijk begon ik toch +te overleggen, hoe daar te komen. Ik ging eenige malen op en neer, en +besloot toen, langs een looden pijp, die van de dakgoot tot den grond +reikte, naar omlaag te klauteren. Ze was juist zoover van den muur, +dat ik haar met mijne dunne vingers omvatten kon, ik was destijds nog +licht als een veer en vlug en lenig als eene kat. Ik klom over den +rand van het dak, klemde mij met handen en knieën aan den looden pijp +en liet mij zachtjes omlaag glijden, tot ik behouden beneden stond." + +"'t Is wel een wonder, dat gij niet hals en beenen braakt," zeide +mevrouw Wilson. + +"Ja, waarlijk, mevrouw, dat was het ook,--zoo denk ik nog +dikwijls--maar toen dacht ik alleen aan de uitvoering van mijn +onberaden plan. Zoodra ik op het daaronder liggend bloembed te +land was gekomen, liep ik naar het ijzeren traliehek van den tuin, +was met een wip daar overheen en stond zoo op straat. Ik was zonder +hoed of pet; want onze petten hingen beneden in de school aan de +kapstokken,--doch daar bekommerde ik mij niet over. Ik liep, wat ik +loopen kon, naar de haven. Aan het hoofd gekomen, ontdekte ik een schip +dat zijn zeilen al los had gemaakt en op de juist invallende eb scheen +te wachten. De matrozen zongen een vroolijk liedje, terwijl zij de +ankers vóórdraaiden. Zoo stond ik daar en bespiedde elke beweging van +het vaartuig. Reeds overlegde ik of ik er niet naar toe zou zwemmen, +toen ik een man in de jol zag klimmen en naar het hoofd toe roeien. Ik +liep op hem toe, zoodra hij aanlegde om het touw van een der palen +van het hoofd los te maken; en nog eer hij dit gedaan had, sprong ik, +zonder een woord te spreken, in zijne boot." + +"Wat wil je, kleine dreumes," vroeg de matroos. + +"Ik wil mee naar zee," antwoordde ik hijgend; "neem mij aan boord,--ik +bid u om Gods wil." + +""Goed," zei de man; "ik heb mijn kapitein hooren zeggen, dat hij +nog wel een kajuitsjongen gebruiken kon. Kom dus maar mee, kleine +deugniet." + +"Hij roeide naar het schip terug, en ik klom haastig aan boord. + +""Wie zijt ge?" vroeg de kapitein. + +"Ik gaf ook hem 't zelfde antwoord, namelijk, dat ik ter zee wou +varen." + +""Gij zijt nog te klein en te jong." + +""O neen, neen, vast niet," was mijn antwoord. + +""Wat, denkt ge dan, dat ge al in den mast kunt klimmen?" + +"Dat zult ge dadelijk zien," riep ik en klauterde als eene kat langs +de touwen op, tot aan de bramra. + +"Toen ik weer omlaag bij den kapitein kwam, zeide deze: + +""Nu, ik denk, dat ge mettertijd een goed zeeman kunt worden. Ik wil +u dan aannemen, en zoodra ik te Londen kom, zal ik u als scheepsjongen +inschrijven. Waar is uw pet?" + +""Die heb ik thuis gelaten," was mijn antwoord. + +""Dat komt er ook niet op aan; een roode slaapmuts doet nog beter +diensten," zeide de kapitein en ging in zijne kajuit, om mij er eene +te halen. + +"Het vaartuig, waarop ik mij nu bevond, was een kolenschip. Binnen +een half uur waren wij de haven uit en met het opgaan der zon dobberde +ik op wijde zee, die voortaan mijn verblijf zou zijn. + +"Zoodra de eerste drukte en werkzaamheid van het ankerlichten voorbij +was, ondervroeg de kapitein mij nader naar mijne betrekkingen. Hij +scheen een ruw en barsch man te zijn en nog voordat de dag ten einde +was, voelde ik bijna berouw over den stap, dien ik gedaan had. Toen +ik mij eindelijk s'avonds doornat en koud, op een paar oude zeilen +neerlei, dacht ik op eens aan mijne moeder en aan het verdriet, dat ik +haar veroorzaken zou. Ik schreide bittere tranen; maar nu was het te +laat.--Ik heb vaak gedacht, mijnheer Wilson, dat het leven vol zorgen +en gevaren, dat ik sinds dien tijd doorworstelen moest, slechts eene +verdiende straf was voor de wreedheid die ik beging door mijne moeder +zoo te verlaten. Ik was immers haar eenige kind: ze had niemand op de +wereld, om lief te hebben, buiten mij, en ik.... brak haar het hart, +tot loon voor à l de liefde en goedheid, die ze mij van jongsaf had +bewezen. Deed ik niet slecht, Willem?" + +Hier hield de oude man eene poos op, en ook niemand van de overigen +het een woord hooren. Willem, die het naast bij zijne moeder zat, +sloeg zijn arm om haar hals en kuste haar. + +"Ik ben blij dat te zien, mijn beste Willem," begon Flink nu weder. "Ik +zie daaruit, dat mijne geschiedenis voor u niet verloren is, en +beschouw dien kus als eene plechtige belofte, dat ge uwe ouders nooit +zult verlaten." + +De tranen rolden mevrouw Wilson over de wangen en vurig beantwoordde +zij de omhelzing van haar zoon. + +"Ik wil nu liefst maar afbreken," zeide Flink; "ik ben niet gestemd +om voort te gaan; mijn hart wordt telkens vol, als ik mij dat dwaas +en slecht bestaan uit mijne jonge dagen herinner." + + + + + + + +DRIE-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK. + +THOMAS, WAAR IS DE VINGERHOED? + + +Den volgenden morgen was het uitstekend schoon weer en terstond na het +ontbijt trok men met de kar naar den schildpadvijver. Flink had eene +stevige piek met een scherpen weerhaak meegenomen en spietste daarmee +den schildpad uit den vijver, die daarop aan land werd getrokken, +op de kar geladen en naar huis overgebracht. + +Na het dooden van den schildpad, werd ze in stukken gesneden, en onder +Flinks toezicht koos Juno toen zooveel reepen uit, als ze voor de +soep noodig had. Toen de pot te vuur stond, trokken Flink, mijnheer +Wilson en Willem met zagen en bijlen het bosch in, om de noodige +boomen te vellen voor de voorgenomen bergplaats van hun voorraad, +zoodra deze van de landingsplaats kon worden afgehaald. + +"Ik denk, dat het hier in tijd van gevaar onze schuilplaats wezen +moet," merkte Flink aan. "Daarom heb ik ook deze plek van het woud +uitgekozen; ze is niet al te ver van ons huis af, en als we het pad +er heen met wat kronkels en bochten uithouwen, moet ze wel voor het +gezicht verborgen wezen. Daarbij moeten wij het pad maar zoo breed +maken, dat de kar er even langs kan: ook moeten we de wortels van +de omgekapte boomen uitgraven, daar anders de tronken de aandacht +konden trekken. Niet dat ik denk dat het ons ooit zal te pas komen, +maar toch kan voorzichtigheid nooit schaden en bovendien kost het +ons weinig moeite." + +"Ik ben het volkomen met u eens," antwoordde mijnheer Wilson; "'t is +in alle gevalle goed, want men weet toch nooit wat er gebeuren kan." + +"Onder ons, mijnheer, kan ik u wel zeggen, dat de inlanders in dezen +hoek van de wereld de gewoonte hebben van in hunne kano's [3] van 't +eene eiland naar het andere te gaan, om kokosnoten in te zamelen. Ik +kan niet verzekeren, dat de andere eilanden hier in den omtrek bewoond +zijn, maar dat is toch wel waarschijnlijk en dan blijft altijd de +vraag, van welken aard dat volk om ons heen is. Ik durf u dat gerust +zeggen, maar 't is beter dat mevrouw er niets van te weten komt. Gij +zult toch ook wel zwijgen, beste Willem?" + +"O, wees daar gerust op, Flink; ik zal geen woord zeggen, dat moeder +ongerust maakt." + +"Wij zijn nu dicht bij de plek. Ge ziet, mijnheer, dat de boomen hier +op dezen heuvel zeer dicht bij elkander staan. Welnu, een weinigje +verder, wat meer in de laagte, moesten we, dacht me, eene hut bouwen, +die men daar zeker niet zoo gemakkelijk vinden zal.--Ik geloof," +vervolgde de oude man, toen zij nog een poosje waren voortgegaan, +"dat hier zoo ten naastenbij de rechte plek is; want we hebben omtrent +twee derden van de hoogte achter ons en de helling is hier nog wel +zoo sterk dat het water een vrijen afloop vindt." + +"En hoe ver zouden we nu wel van huis zijn, Flink? Mij dunkt, nog +zoo heel ver niet." + +"Ik reken nog niet meer dan anderhalven kilometer, in eene rechte lijn, +ofschoon de weg door al zijne bochten wel dubbel zoo ver moet wezen." + +"Dan, geloof ik, zal deze plaats de beste zijn, en hoe eer wij +beginnen, des te beter." + +"Ik wil nog maar enkel de boomen merken, die staan blijven mijnheer, +en dan die gekapt moeten worden op den stam na, tot op bij de vier +voet hoog van den grond. Vriend Willem, wilt ge zoo goed zijn, om +het andere eind van de lijn eens aan te vatten?" + +Zoodra nu de omvang van het gebouw behoorlijk was afgemeten, waren +bijl en zaag ook spoedig druk aan het werk en werd de eene boom na +den anderen geveld. Onze drie vrienden arbeidden tot etenstijd dapper +door en verheugden zich niet weinig in het vooruitzicht, dat na gedaan +werk eene lekkere schildpadsoep hunne belooning wezen zou. + +"Willem!" riep mevrouw Wilson, toen zij tegen den middag thuis kwamen, +"en ook gij, beste man! gij zijt door en door nat van zweet,--ge moet +u niet al te zeer vermoeien." + +"Ja, lieve moeder, dat boomen kappen is een warm werk," antwoordde +Willem; "en hard werken doet een mensch zooveel kwaad niet, vooral +niet als hem een maaltje schildpadsoep wacht. Wij zijn hongerig als +wolven en zullen Juno's keuken alle eer aandoen. Hé, Thomas, kom hier, +jongen! Ge kijkt zoo zwart. Wat hapert er aan?" + +"Thomas en ik kunnen het niet samen vinden," antwoordde mevrouw Wilson, +terwijl Thomas enkel zijne lip liet hangen. "Van morgen zat ik te +naaien, goed en wel met mijn vingerhoed aan de hand, toen Juno mij +buiten riep. Ik nam Caroline aan de hand mee en onze sinjeur Thomas +bleef zoolang in huis alleen. Toen ik terugkwam, stond hij voor de +deur, en toen ik mijn werk weer opnam was mijn vingerhoed nergens +te vinden. Ik vroeg hem, of hij dien gehad had; hij zei, dat hij +er naar zien zou. Dat deed hij ook, maar bracht hem niet weerom. Ik +vroeg hem onderscheiden malen, of hij den vingerhoed had weggenomen; +maar zijn eenig antwoord was, dat die wel weer terecht zou komen. Ik +ben overtuigd, dat hij hem verloren heeft, maar hij wil dat volstrekt +niet bekennen. Het gevolg was, dat ik den heelen ochtend heb moeten +zitten zonder een steek te kunnen doen." + +"Hoor eens hier, Thomas," zei mijnheer Wilson op ernstigen toon: +"hebt gij den vingerhoed weggenomen?" + +"Hij zal wel weer terechtkomen, vader." + +"Dat is geen antwoord, jongeheer. Hebt ge den vingerhoed weggenomen +en verloren misschien?" + +"Ik weet heel zeker, dat hij vandaag wel weer terechtkomt, vader," +riep Thomas snikkend. + +"Dat is alles wat hij mij tot hiertoe geantwoord heeft," zeide +de moeder. + +"Goed, heel goed dan. Daarvoor zal hij ook niets te eten hebben, +voordat wij ook zeker weten, dat de vingerhoed vandaag weer in moeders +handen is." + +Op 't hooren van deze woorden, begon Thomas te schreien wat hij +kon. Juno verscheen nu juist met de schildpadsoep, die een aangenamen +geur verspreidde. Toen men zich aan tafel neergezet had, schreide +Thomas nog harder. Allen waren zeer hongerig en Willem liet zijn +bord gauw nog eens vullen. Pas had hij echter eenige happen gedaan, +toen hij zijn vinger in den mond stak en daar iets uithaalde. + +"Ha, moeder, daar is de vingerhoed in mijne soep," riep hij, "en ik +was op het punt van hem door te slikken." + +"Geen wonder, dat onze sinjeur zei, dat hij wel weer terecht zou +komen," sprak Flink lachend. "Hij dacht hem zekerlijk wel op te +visschen uit hetgeen van onzen maaltijd overbleef. Welnu, mevrouw, +ofschoon ik niet zeggen wil, dat Thomas een zoete jongen is, moet men +toch erkennen, dat hij, toen hij niet zeggen wou waar de vingerhoed +was, er geen leugens bij gebruikte." + +"Neen, neen, jokken deed hij niet," riep Willem. "Ik hoop, dat, +nu het ding gevonden is, vader hem ook wel vergeven zal, als hij +daarom verzoekt." + +"Thomas, kom hier!" sprak mijnheer Wilson. "Zeg mij: waarom hebt gij +den vingerhoed in de soep geworpen?" + +"Ik wou de soep eens proeven; ik wou den vingerhoed vol scheppen. Toen +brandde ik mij de vingers en liet ik den vingerhoed bij ongeluk in +den ketel vallen." + +"Nu, een vingerhoed vol was toch ook de heele wereld niet," merkte +Flink aan. "Maar waarom zeidet gij uwe moeder niet, waar de vingerhoed +was?" + +"Och, ik was bang, dat moeder dan al de soep zou weggooien, en dan +kreeg ik er niets van." + +"Ei, ei, was het geval zóó?" sprak de vader. "Welnu, ik zeide, dat +gij niets te eten zoudt hebben, voordat de vingerhoed gevonden was; +daar die nu terug is, kunt gij ook aan tafel komen. Als u echter in +het vervolg weer iets gevraagd wordt en gij geen antwoord geeft komt +gij er zoo gemakkelijk niet af, dat verzeker ik u." + +Thomas was blij, dat de bestraffing voorbij was, en nog blijder dat +hij een bord soep voor zich kreeg. Het eerste had hij spoedig leeg, +en toen hij om een tweede verzocht, zeide hij: "Thomas zal er geen +vingerhoed weer ingooien; Thomas zal naderhand een kopje nemen." + +"Massa Thomas, jij nemen moet naderhand niemendal," beknorde hem +Juno, die naast hem zat. "Jij afblijven moet met de vingers van de +pot,--klein snoepsch jong!" + +Na afloop van den maaltijd gingen zij weder aan den arbeid en keerden +eerst tegen het donker terug. + +"De wolken komen met drift opzetten, mijnheer," zeide Flink; "we +zullen van nacht weer onweer krijgen." + +"Dat vrees ik ook; maar we moeten het afwachten." + +"Ja mijnheer, en nu en dan zal de regen en het onweder voortaan ook +wel eens dagen achtereen aanhouden." + +"Flink," zeide mevrouw Wilson, "als ge niet al te vermoeid zijt, +zoudt ge dan niet met uwe geschiedenis willen voortgaan?" + +"Heel gaarne, mevrouw, als gij dat verlangt," was het antwoord. "Ik +brak gisteren af bij mijne komst aan boord van het kolenschip, +dat naar Londen bestemd was. Wij hadden een goeden wind en liepen +een goede vaart. Ik was heel zeeziek, totdat wij aan den mond van +de Theems kwamen. Daar werd ik weer beter en was, zooals ge wel +denken kunt, zeer verbaasd over de ontelbare menigte schepen, die +onophoudelijk op de rivier heen en weder voeren. Maar mijn kapitein +beviel mij volstrekt niet. Hij was uiterst onbeschoft tegen zijn +volk, en de eene jongen, die aan boord was, ried mij zelfs mijne +biezen te pakken en een ander schip op te zoeken. Hij zeide, dat ik +mij voor geen geld aan dezen kapitein verbinden moest; want anders +zou hij mij ook alle dagen slaan en mij even slecht behandelen, als +hij zijne vroegere koksjongens gedaan had. Dat dit zoo was, wist ik +wel; want ik zag meer dan twintigmaal op een dag, hoe de kapitein hem +duwen en stooten gaf, zoodat de arme jongen er soms dagen lang blauwe +plekken van overhield. De matrozen zeiden, dat hij mij vooreerst nog +wat genadiger behandelde, uit vrees dat ik anders nog weigeren zou mij +voor vast bij hem te verbinden, doch dat, als ik dat eens gedaan had, +mijn lot geen haar beter wezen zou. Zoo besloot ik dan, niet langer +op het kolenschip te blijven, en daar de kapitein aan wal was gegaan, +had ik tijd genoeg, om eens rond te zien. Vóór ons, midden op den +stroom, lag een vrij groot schip zeilree. Ik sprak met twee jongens, +die aan den valreep stonden, en hoorde van hen, dat ze het heel goed +aan boord hadden en dat de kapitein nog twee of drie jongens zocht. Ik +ging dan bij hem aan boord en bood hem mijne diensten aan. + +"De kapitein deed mij eene menigte vragen. Ik zeide hem de waarheid +en ook de reden, waarom ik niet op het kolenschip blijven wilde. Hij +was gewillig om mij aan te nemen, en ik ging met hem aan land, waar +hij mij van een behoorlijk stel kleeren liet voorzien.--Twee dagen +later gingen wij onder zeil naar Bombay en China." + +"Maar gij schreeft toch eerst aan uwe moeder, Flink?" vroeg Willem. + +"Ja, beste jongen, dat deed ik, want de kapitein verlangde het en +schreef zelf eenige regels onder mijn brief, om de goede vrouw te +troosten; maar ongelukkig heeft zij dien brief, die door den hofmeester +naar den wal werd gezonden, nooit ontvangen. Of hij hem verloor of +tot ons vertrek vergat en toen verscheurde,--dat weet ik niet; maar, +zooals ik later vernam, heeft moeder dien nooit in handen gekregen." + +"Het was uwe schuld dan toch niet, dat de brief niet goed overkwam," +zeide mevrouw Wilson. + +"Neen mevrouw, dat was zeker mijne schuld niet, de eigenlijke schuld +had ik al vroeger op mij geladen." + +"Gij moet u niet langer bij dat deel van uwe geschiedenis ophouden, +Flink; vertel ons liever, wat u op uwe vaart naar Oost-Indië zoo +al overkwam." + +"Welnu dan. Ik was toen heel vlug en levendig voor mijne jaren en +werd weldra de algemeene lieveling, vooral bij de dames, die wij als +passagiers aan boord hadden, enkel omdat ik nog zoo'n kleine dreumes +was. Wij kwamen behouden in Bombay, waar onze passagiers aan land +gingen, en drie weken later zeilden we door de straat en op China +aan. Het was juist oorlogstijd en zoo werden we door Fransche kapers +gejaagd; maar we hadden veel volk aan boord en een menigte stukken, +zoodat geen hunner 't waagde ons aan te vallen. Weldra kwamen we +voorspoedig te Macao [4] aan, waar we onze lading losten en thee +daarvoor innamen. + +"We moesten een tijdlang wachten, omdat er een groot konvooi bijeen +was, en toen gingen we weer naar Engeland onder zeil. Toen we Isle de +France voorbij waren, werd de vloot door een storm verstrooid. Drie +dagen later werden we door een Fransch fregat aangevallen en na zijn +vuur met eenige schoten beantwoord te hebben, waren we gedwongen onze +vlag te strijken. + +"Een luitenant met veertien man werd bij ons aan boord gezonden, +om ons gevangen te nemen, want we waren een zeer rijke prijs voor +hen. Onze kapitein en de meesten van het volk werden op het fregat +overgebracht; maar tien Lascaren [5] en de scheepsjongens bleven op +den Oostindiëvaarder om het schip naar Isle de France [6] te brengen, +dat destijds in de handen der Franschen was. + +"Het kwam me wel wat hard voor, dat ik zoo pas twaalf jaren oud al naar +de gevangenis moest kuieren; maar ik tobde daar toch niet lang over +en was weldra weer zoo vroolijk en dartel als ooit te voren. Wij waren +reeds in 't gezicht van het eiland en stuurden met eene frissche koelte +op de haven aan, toen zich op eens te loever een schip vertoonde. + +"Ik kon wel niet verstaan wat de Franschen zeiden, maar merkte toch, +dat ze het onderling bijster druk hadden en ijverig met de kijkers in +de weer waren. Jack Romer, mijn kameraad, die al drie jaren gevaren +had, fluisterde mij eindelijk in 't oor: "Daar is nog kans, dat we +de gevangenschap ontsnappen, want ik moest me al zeer vergissen, +als dat geen Engelsch linieschip is." + +"Eindelijk kwam het op korten afstand, heesch de Engelsche vlag en deed +een schot. De Franschen zochten ons schip voor den wind te brengen; +doch dat hielp hun weinig. De Engelschman won gedurig op ons, en daar +de Franschen dit merkten, pakten zij hunne kleeren met al het goed, +dat zij onzen kapitein en ons volk hadden afgenomen, bijeen. Er werd +ons een kogel toegezonden, die dicht over onze hoofden heen snorde: +de Franschen lieten toen het roer los, waarop Jack Romer dat aangreep +en met hulp van mij het schip bij den wind bracht. De Engelschen +zonden eene boot aan boord en namen onzen koopvaarder in bezit, +zoodat wij de gevangenschap vooreerst gelukkig ontsnapt waren. + +"Toen de kapitein van 't Engelsche fregat hoorde, hoe de Franschen +zich tegen ons gedragen hadden, liet hij al hunne bagage zorgvuldig +onderzoeken en hun alles wat zij geplunderd hadden terstond weer +afnemen." + +"Hij zou het recht gehad hebben de Franschen daarvoor al hun goed af +te nemen," riep Willem. + +"Jawel, Willem, daartoe had de kapitein zeker het recht gehad; maar, +wel beschouwd, zou dat toch onrecht geweest zijn, want in dat geval had +hij even oneerlijk gehandeld als zijne vijanden. De kapitein ontnam +hun niets van hun goed, maar liet hun beneden in 't ruim opsluiten, +waar men geen last van hen had. + +"De Engelschen zonden een cadet als prijsmeester aan boord van ons +schip en lieten ons allen, evenals wij door de Franschen genomen waren, +op onzen koopvaarder blijven. De kapitein wou niet meer van zijn volk +missen, dan volstrekt noodig was, en liet dus aan onszelven over het +schip in de haven te brengen. + +"Na een kort verblijf vervolgden wij onzen tocht naar Engeland en waren +hartelijk blij, dat wij aan de Franschen ontkomen waren. Evenwel was +onze vreugde niet lang van duur, daar we spoedig merkten, dat in plaats +van eene Fransche gevangenis eene Hollandsche ons lot moest zijn." + +"Hoe meent ge dat?" + +"Luister maar. Twee dagen later, toen wij juist de Kaap omzeilden, +kwam er een ander Fransch vaartuig op ons af en nam ons. Ditmaal +vonden wij geen helpenden vriend in onzen nood, maar werden aanstonds +in de Tafelbaai opgebracht. De kaap de Goede Hoop was namelijk in +'t bezit van de Hollanders, die evenals de Franschen, met Engeland +in oorlog waren." + +"Maar, Flink, gij zijt toch recht ongelukkig geweest!" riep mevrouw +Wilson op medelijdenden toon uit. + +"Ja, mevrouw, dat waren we zeker. Maar ik was jong en luchthartig en +wist mij spoedig in mijn ongeluk te troosten. Maar kom, 't is nu tijd +om te gaan slapen. Caroline is al diep in de rust en sinjeur Thomas +deed het laatste half uur niets dan gapen, zoodat we voor van avond +hier maar afbreken zullen." + + + + + + + +VIER-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK. + +DIE ARME JUNO!--FLINK VERTELT VERDER. + + +Ze hadden nog maar korten tijd gerust, of er brak een hevig onweder +boven hunne hoofden los. Het bliksemde zoo sterk, dat het licht +zelfs door de reten van de deur en vensters heendrong, en de donder +ratelde zoo hevig door de lucht, dat allen wakker schrikten en aan +geen slapen meer te denken was. De kleinen kreten en sidderden van +angst in de armen van mevrouw Wilson en Juno, die zelven bijna niet +minder ontsteld waren. + +"Dat is een vreeselijk weder!" sprak mijnheer Wilson tot Flink, +want beiden waren opgestaan. + +"Waarlijk, mijnheer, ik heb nog nooit erger weder beleefd." + +Bij deze woorden werden beiden, half bedwelmd, op den grond +geslingerd. Een bliksemstraal viel op het huis, zoodat dit met al +wat er in was dreunde en schudde. Een zwavelreuk verspreidde zich +overal, en zoodra de twee weder op hunne voeten stonden, ontdekten +zij met schrik, dat het gansche huis vol rook was. Daarbij kwam nog +een gejammer der vrouwen en het gillen der kinderen, dat zich uit de +bedsteden hooren liet. + +"God erbarme zich onzer!" riep Flink, die het eerst weder tot zijn +bewustzijn kwam en nu begon te onderzoeken welke gevolgen het inslaan +wel had gehad; "de slag heeft ons getroffen en ik vrees, dat het huis +ergens in brand staat." + +"Vrouw!--kinderen!" schreeuwde de doodelijk ontstelde vader. + +"Gij zijt toch allen onbezeerd?" + +"Ja, ja!" riep zijne vrouw, "allen lieve man. Thomas komt daar juist +bij mij.--Maar waar is Juno?--Juno!" + +Juno gaf geen antwoord. Willem vloog naar den anderen hoek van het +huis. Daar vond hij haar roerloos op den grond uitgestrekt liggen. + +"Ze is dood, vader!" riep hij, hevig verschrikt. + +"Help mij haar naar buiten dragen, mijnheer!" riep Flink, die het arme +meisje onderwijl in zijn armen had genomen. "Ze kan licht alleen maar +bedwelmd zijn." + +Gezamenlijk droegen zij het lichaam nu in de open lucht. De regen +kletterde in stroomen neder. + +De oude man verliet hen voor eene minuut, om zich te overtuigen, +dat het huis nergens vuur had gevat. Hij bevond, dat het aan den +uitersten hoek in vlam had gestaan; doch deze was door den regen weer +uitgedoofd. Toen keerde hij dadelijk naar mijnheer Wilson en zijn zoon, +die zich met Juno bezighielden, terug. + +"Ik zal bij 't meisje blijven, mijnheer," zeide Flink. "Ga gij maar +met Willem in huis. Mevrouw sterft van schrik, als ge haar bij al die +akeligheid alleen laat.--Kijkt, kijkt, vriendin Juno is niet dood: +ze begint al weer adem te halen.--Ja, ja, we hadden de goede meid +hier ook al slecht kunnen missen." + +Vader en zoon volgden Flinks raad. Zij vonden mevrouw Wilson +bijna onmachtig van angst en schrik. De heuglijke tijding, die zij +overbrachten, dat Juno niet dood was, bracht echter veel bij om haar +weer eenigszins te doen bekomen. Willem zocht den kleinen Albert tot +bedaren te brengen; en Thomas was na korten tijd vast in slaap in +vaders armen. + +Het onweer bedaarde nu van lieverlede en bij het aanbreken van den +dag kwam Flink ook weder met Juno terug. Zij was in zooverre weer +hersteld, dat ze, door hem ondersteund, naar de kamer kon stappen, +en toen werd ze aanstonds te bed geholpen. + +Daarop verlieten Flink en mijnheer Wilson het huis om te onderzoeken +of er ook nog verdere schade was aangericht. De bliksem was in de +voorzijde van het huis ingeslagen, juist op de plaats, waar men later +een schoorsteen bouwen wilde. Ze bevonden, dat de hitte den ijzeren +ketel gedeeltelijk had doen smelten; maar wat nog grooter verlies +was--hunne geit, de zwarte Nanni, was gedood; doch hare jongen waren +ongedeerd gebleven. + +"We zijn inderdaad voor een groot ongeluk behoed gebleven," sprak +mijnheer Wilson eindelijk. + +"Ja, mijnheer!" antwoordde Flink. "Ik dacht al, dat de arme Juno +verloren was." + +"Als ik 't wel heb, Flink, hebben wij eene rol dik koperdraad, niet +waar?" vroeg mijnheer Wilson. + +"Ja, mijnheer, ik dacht daar ook al aan. Het eerste, waaraan wij +denken moeten, is een bliksemafleider." + +Middelerwijl was het helder dag geworden. Mevrouw Wilson kleedde +zichzelve en de kinderen aan. Willem nam vervolgens op zich, voor het +ontbijt te zorgen, en Flink nam uit den onder de bedsteden geborgen +voorraad de bedoelde rol koperdraad op. Hij rolde deze los en boog +ze recht; toen haalde hij de ladder, die op de plaats stond, waar +zij bezig waren hun magazijn te bouwen. + +Terstond na het ontbijt ging men aan het werk, om den afleider vast +te zetten. Inmiddels moest Willem Juno's arbeid verrichten, want deze +lag nog te bed en scheen in diepen slaap verzonken. + +"Ik geloof, mijnheer," zeide Flink, "dat één dezer beide boomen, +die zoo dicht naast elkander staan, het best tot ons doel passen. Zij +zijn niet al te dicht bij het huis en staan juist zoo, dat de draad +den bliksem nog aantrekken kan." + +"Dat komt mij ook zoo voor, Flink; wij mogen echter beiden niet +laten staan." + +"Neen, mijnheer. Eerst zullen wij echter beiden nog noodig hebben, +om naar boven te klimmen en den draad vast te maken. Is dit gedaan, +dan zullen wij er een omkappen." + +Flink zette de ladder tegen een der beide boomen, nam den hamer en +een zak vol groote spijkers en sloeg een daarvan zoo in den stam, +dat hij de zwaarte van zijn eigen lichaam dragen konde. Boven den +eersten sloeg hij een tweede in, en zoo ging hij voort, totdat hij +den top van den boom bereikt had, waar de beide kruinen bijna in +elkander waren gegroeid. Toen klom hij naar beneden, nam eene zaag +en eene handbijl mede, klom weer naar boven en binnen den tijd van +tien minuten was de kruin van den boom geveld, zoodat nog slechts de +slanke, naakte stam overbleef. + +"Wees voorzichtig, Flink, dat gij behouden weer op den grond +komt!" riep mijnheer Wilson angstig. + +"Wees volkomen gerust," klonk de stem van den ouden man uit de +hoogte. "Ik ben wel niet zoo vlug meer als in mijne jonge jaren, maar +heb toch al te dikwijls in vrij wat hooger masten dan deze gezeten, +om 't klimmen geheel verleerd te zijn." + +Flink kwam dan ook behouden weer beneden en sneed een dunnen stok met +een sterk stuk puntig koperdraad aan het einde, dien hij vervolgens +daarboven aan den kokosstam wilde vastbinden. Nu voor de laatste +maal omhoog klauterende, bond hij den stok stevig aan den boom vast, +vervolgens het eind van het koperdraad aan de daaraan gescherpte +bovenste punt en klom toen af. De andere boom daarnaast werd terstond +geveld en het benedeneinde van het koperdraad aan den voet van den +boom, die den afleider droeg, diep in de aarde begraven. + +"Nu hebben we een noodzakelijk werk tot stand gebracht," sprak de +oude man en wischte zich het zweet van het voorhoofd. + +"Ja," antwoordde de mijnheer Wilson; "maar bij ons magazijn moeten we +er nu ook nog een zetten, daar anders onze voorraad gevaar kon loopen." + +"Dat zal zoo spoedig mogelijk gebeuren." + +"Ge begrijpt toch wel het doel van zulk een afleider, Willem?" vroeg +zijne vader. + +"O ja, vader. De bliksem wordt door het metaal aangetrokken en moet +nu, in plaats van het huis, de spits aan den afleider treffen, bij den +draad nederschieten en op zijn hoogst den grond eens wat opwoelen. Gij +hebt mij dat al vroeger verklaard." + +"Ja, en gij hebt het goed gevat en niet weer vergeten," sprak Flink met +welgevallen.--"Het onweer komt terug en misschien nog wel zwaarder," +vervolgde de oude man. "Ik vrees, dat we vandaag weinig zullen kunnen +werken. Ik zal nu eens spoedig naar ons vee en gevogelte omzien. Naar +ik hoop, hebben we geen verder verlies geleden. Heb gij onderwijl de +goedheid, mijnheer, met Willem de arme geit te begraven. Dat kan nog +licht geschieden, voor dat de storm opnieuw losbreekt." + +Zij trokken Nanni bij de pooten uit de kooi en begroeven haar aan den +voet van den afleider. Juist toen zij gedaan hadden, kwam ook Flink +terug. Hij had de geiten en schapen gelukkig gevonden en eene der +beide overige geiten meegebracht, die gedurende het onweder jongen +had geworpen. + +"Ik was al bang," zeide Flink, "dat wij de arme geitjes na 't verlies +der moeder geen voedsel meer zouden kunnen geven; maar nu kan deze +geit hier alle vier te gelijk zoogen. 't Zal haar wel zwaar vallen; +doch het kan niet anders. Wij moeten haar maar rijkelijk voeren." + +Met deze woorden bracht hij de tweede geit ook in de kooi, waar ze +terstond de plaats van de zwarte Nanni innam. Daarop zette men zich +aan tafel. Juno was nu ook weer op en voelde zich volkomen wel, +behalve dat ze voortdurend over zware hoofdpijn klaagde. + +Wat Flink voorspeld had, gebeurde ook; de regen keerde met verdubbelde +hevigheid terug, en het was volstrekt onmogelijk iets buitenshuis +te verrichten. Op Willems verzoek ging de oude stuurman met zijn +verhaal voort. + +"Zoodra wij met het Fransche schip in de Tafelbaai voor anker waren +gekomen, werden wij allen ontscheept en in eene gevangenis dicht bij +den tuin van den gouverneur opgesloten. Wij werden niet heel streng +bewaakt, daar aan ontvluchten voor ons toch bijna niet te denken viel, +en ik moet zeggen, wij werden in alle opzichten goed behandeld. Daarbij +zei men ons echter dat wij met het eerste oorlogsschip, dat in de Baai +aankwam, naar Holland zouden worden opgezonden, en dit vooruitzicht +beviel ons maar volstrekt niet. + +"Gelijk ik vroeger al gezegd heb, waren buiten mij nog eenige andere +knapen gevangen, die tot den Oostindiëvaarder behoorden. Wij hechtten +ons aan elkander, niet alleen omdat wij van gelijke jaren, maar vooral +omdat wij reeds zoo lang scheepskameraden geweest waren. Twee van die +jongens, Jack Romer, van wien ge reeds gehoord hebt, en Wim Hastings +waren mijne bijzondere vrienden. + +"Toen wij op zekeren dag tegen onze gevangenismuur aanzaten en, +om ons in de zon te warmen--want het was winter,--recht dicht bij +elkaar kropen, begon Romer: + +"Wat zou 't ons toch weinig moeite kosten van hier te ontsnappen, +als we maar wisten, waarheen we dan gaan moesten." + +"Ja," zei Hastings; "waar konden we anders heengaan dan naar de +Hottentotten en de bloeddorstige wilden? En als we daar waren, wat +zouden we dan aanvangen?" + +"Ei wat!" zei ik eindelijk. "Ik wil liever als vrij mensch onder +wilden leven, dan hier zoo in de gevangenis opgesloten zitten. + +"Dit was ons eerste gesprek over dit onderwerp, maar voortaan kwamen +wij er gedurig op terug. Daarbij trof het gelukkig voor ons, dat +twee of drie Hollandsche soldaten van onze gevangeniswacht Engelsch +verstonden, zoodat wij, die ook al iets van het Hollandsch wisten, +door vragen nog al wat van hen te weten konden komen. Zij hadden +namelijk al zeer dikwijls aan de grenzen van de kolonie gelegen en +konden ons de beste inlichtingen geven omtrent den weg, dien men +daarheen te nemen had. + +"Zoo gingen wij twee maanden lang voort met vragen te doen en over +ons plan te spreken. Eindelijk besloten wij de vlucht werkelijk +te beproeven. + +"Gij begrijpt zelf, Willem, dat dit ook alweder een dwaze streek +was en opnieuw bewijst, hoe weinig knapen in staat zijn, om over hun +eigen best te oordeelen. We konden ons immers slechts in ellende en +gevaar begeven, zonder ook maar eenige kans op ontkomen te hebben. We +hadden veel beter gedaan met te blijven, waar wij waren; maar wat +zal ik zeggen--'t verstand komt eerst met de jaren; en men kan geen +oud hoofd op jonge schouders zetten. + +"Wij bewaarden onzen mondkost, kochten eenige lange Hollandsche messen +en pakten onze weinige kleeren in een bundel bij elkaar. Toen het +eindelijk eens een donkere avond was, zochten we ongemerkt op het plein +achter te blijven, terwijl de overige gevangenen in hunne cellen werden +opgesloten, en dit gelukte ons. Wij namen een langen paal, die in een +hoek lag, en zetten dien tegen den muur op, zoodat hij tot bovenaan +reikte. Klimmen konden wij opperbest, en zoo ontkwamen wij werkelijk +en zochten zoo spoedig mogelijk naar den Tafelberg te ontkomen." + +"Wat reden hadt gij, om daarheen te gaan, Flink?" + +"Hastings, die de oudste en ook de welberadenste onder ons drieën +was, oordeelde dat wij ons daar eerst eenige dagen verborgen konden +houden, totdat we vast bepaald hadden wat we dan eigenlijk wilden +aanvangen. Daarenboven moesten we ook zien, of we ons niet een paar +geweren met kruit en lood verschaffen konden. Wij hadden namelijk eenig +geld bij ons, want toen ons schip voor de eerste maal genomen werd, had +de kapitein vooraf een vaatje ropijen, [7] dat hij aan boord had, naar +gelang van 't geen zij te goed hadden onder de officieren en matrozen +verdeeld, daar hij het beter vond, dat zijn volk dat geld in handen +had, dan dat de Franschen 't wegnamen, hetgeen anders ongetwijfeld +het geval zou zijn geweest. Gedurende onze gevangenschap hadden wij +zeer weinig van ons geld verteerd; want drank werd niet toegelaten, +en aan tabak pruimen en rooken hadden wij jongens ons nog niet gewend. + +"Hastings had ook nog eene andere reden, waarom hij ons aanried op +den Tafelberg aan te gaan, te weten: zoodra onze vlucht bekend werd, +zou men ons, dacht hij, patrouilles nazenden, en deze zouden, naar alle +waarschijnlijkheid, den weg naar de binnenlanden inslaan, zoodat wij, +als de eerste nasporing zonder gevolg geschied was, minder gevaar te +vreezen hadden van weer te worden opgepakt. De soldaten hadden ons +van beren en andere wilde dieren verteld en ons gezegd, hoe gevaarlijk +daar te lande het reizen was;--nu meende Hastings, dat zij, ons niet +vindende, denken zouden, dat we door die beesten verscheurd waren, +en dat ze zoo geen verder onderzoek naar ons zouden doen. + +"Ge merkt, Willem, we gebruikten nog al eene zeker soort van overleg, +hoewel we toch maar onverstandige jongens waren." + +"Onverstandig, zeker!" merkte mevrouw Wilson aan;--"zonder te weten +waarheen, zoo een land in te gaan, dat vol wilde menschen en dieren +is!" + +"Gij hebt gelijk, mevrouw," antwoordde de oude man; "dat zult gij +hooren, als ik u vertel, wat ons, toen wij pas eenige uren op weg +waren, overkwam. + +"Eerst liepen wij op een draf, totdat wij geheel buiten adem waren, +en toen gingen wij zoo snel als onze beenen ons konden dragen. Wij +liepen niet regelrecht op den berg aan, maar namen eene eenigszins +schuinsche richting naar het zuidwesten en meer naar den kant van de +Valsche Baai, zoodat wij ons verder van de stad verwijderden. Gij weet +nog wel, Willem, ik wees u die baai, toen wij de Kaap voorbijkwamen." + +"Ja, ja, ik herinner het mij nog heel goed, Flink." + +"We waren zoowat vier uren op weg en begonnen moe te worden, toen de +dag aanbrak. Thans zagen we natuurlijk naar eene plaats om, waar wij +ons verbergen konden. We vonden spoedig een hol met een nauwen ingang, +juist ruim genoeg om een half dozijn zulke knapen, als wij waren, +te bevatten en daar kropen wij binnen. De grond was volmaakt droog, +en daar wij heel moe waren, legden wij ons neder. + +"Met ons hoofd op onze bundels, wilden we zien, of we ons door eenige +uren slapens verkwikken konden. + +"Wij lagen echter pas en hadden de oogen gesloten, toen we op eens +zulk een wonderlijk blaffen, janken en kwetteren hoorden, dat wij +hevig verschrikt weer opsprongen. Dadelijk gluurde Hastings eens daar +buiten en begon te lachen. Ook Romer en ik keken uit en zagen.... wel +honderd-vijftig groote bavianen, die zulke wonderbaarlijke sprongen +en cabriolen maakten, als ik ooit van mijn leven nog gezien had. Zij +waren grooter dan wijzelven--ja, als ze op de achterpooten stonden, +wonnen ze het in lengte ver van ons en daarbij hadden zij groote +witte tanden. Eenigen onder den troep waren wijfjes en droegen hare +jongen op den rug; overigens huppelden die even vlug en vroolijk als +de mannetjes. Ten laatste vertoonden ze zulke potsierlijke kuren en +grappen, dat wij allen het van lachen uitschateren moesten. Op eens, +terwijl we ons nog den buik vasthielden, ontdekten we de grijnzende +tronie van een der grootsten uit den heelen troep op zeer korten +afstand van ons. + +"Die knaap was, als door een wonder, boven van de rots tot ons +afgekomen. We sprongen alle drie heel ontsteld in de grot terug, +want de baviaan had vreeselijke tanden en was woest en wild van +uitzicht. Hij liet een gillend geluid hooren; en weldra zagen wij al +de anderen, zoo hard ze maar loopen konden, op het gerucht aankomen. + +"Ik zeide straks al, dat het hol ruim genoeg was, om een stuk of zes, +zeven van ons te bergen. Achter dit volgde echter nog eene kleinere +grot, waarin we nog niet geweest waren en die een veel nauweren +ingang had. Romer riep: "Laat ons in dat achterste hol vluchten; +als we de een na den anderen door het gat kruipen, komen wij er wel." + +"Met deze woorden wrong hij zelf zich door de opening. Hastings volgde +met zijn bundel en ik kwam er ook door,--juist nog bijtijds, want de +bavianen hadden eerst buiten een halve minuut met elkaar gesnaterd, +en drongen toen het voorste hol binnen op 't zelfde oogenblik, dat +ik mij in het achterste redde. Vijf of zes van die beesten vertoonden +zich, allen mannetjes en naar 't scheen, van de allergrootsten. + +"Het eerste, wat zij deden was, dat zij op Romers knapzak aanvielen. In +een ommezien was die opengemaakt. Eerst kwam de mondkost die terstond +in hunne wijde muilen verdween. Toen kwam het overige aan de beurt +en werd eerst terdege besnuffeld en daarna in flarden gescheurd. + +"Zoodra ze hiermee gedaan hadden, naderden twee van de monsters +het achterste hol, waar ze ons in het oog kregen. Een hunner stak +zijne lange pooten naar binnen, om ons naar zich toe te halen, maar +Hastings stak den baviaan met zijn mes, waarop deze zijne armen in +een wip terugtrok. Het was kluchtig te zien, hoe hij aan de overigen +zijn poot vertoonde en dan het bloed met zijne tong aflikte. Een +geschreeuw, zooals toen werd aangeheven, heb ik in mijn leven niet +meer gehoord. Ze waren allen blijkbaar geweldig boos: er kwamen +gedurig meer in het hol en tierden en gierden met de anderen. + +"Eindelijk stak een tweede zijn poot uit, maar kreeg een prik, +nog wel zoo raak als de eerste. Ten laatste poogden twee of drie te +gelijk ons aan te pakken; doch wij weerden ons wakker met onze messen +en brachten hun zware wonden toe. Zoo zetten zij wel een uur lang +hun aanval voort. Toen verlieten zij eensklaps het hol, maar bleven +huilend en jankend voor den ingang wacht houden. + +"Langzamerhand werden wij de grap hartelijk moe, en Romer zei al, +dat hij liever in de gevangenis was dan hier. Ik voor mij dacht +hetzelfde, maar wij konden ons onmogelijk naar buiten wagen. Hadden +wij dat gedaan, dan zouden de dieren ons zekerlijk in stukken hebben +gescheurd. Wij begrepen dus wel, dat er aan geen ontkomen te denken +was, voordat de dieren, het wachten moede, vanzelf optrokken. Met +een beangst hart zaten wij daar dus. Daarbij kwam nog, dat wij bitter +door den dorst geplaagd werden en in het hol geen water vinden konden. + +"Zoo bleven wij nog ruim twee uur als gevangenen van die leelijke +bavianen in het hol opgesloten, toen op eens een der dieren een +gillenden kreet uitstiet, waarop de gansche troep huilend en +schreeuwend, zoo hard hij kon, op den loop ging. + +"Wij wachtten nog eenigen tijd, om te zien, of zij ook terugkomen +zouden; toen kwam Hastings het eerst voor den dag, keek voorzichtig +buiten het hol en zeide, dat de gansche troep eindelijk voor goed +weg en er in het rond niets meer te zien was, dan een Hottentot, die +op den grond zat en op eenige grazende koeien scheen te passen. De +een na den ander slopen wij uit het hol en waren recht verheugd over +onze verlossing. + +"Dit was ons eerste avontuur, mijn goede Willem. Wij hadden in 't +gevolg nog eene menigte andere; maar 't begint nu tijd te worden om +naar bed te gaan. Ik denk, mijnheer Wilson, dat we morgen een goeden +dag zullen hebben, maar met zekerheid zeggen kan men zoo iets niet." + +"Ik ben brandend nieuwsgierig om te weten wat u later nog al meer is +overkomen, Flink," verzekerde Willem. + +"Nu ja, beste jongen, dat zult gij nog wel te weten komen. Maar alles +heeft zijn tijd en nu is het tijd om te slapen, als ge niet misschien +met mij meegaan wilt, Willem. De lucht is opgeklaard en ik zou gaarne +een paar visschen vangen voor morgen." + +"O zeker, Flink, ik ga mee; ik ben volstrekt niet moe." + +"Goed dan, hier zijn de lijnen. Goeden nacht, mevrouw; goeden nacht, +mijnheer! Over een uurtje volgen wij u." + + + + + + + +VIJF-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK. + +EEN RUSTDAG. + + +De oude man had zich niet bedrogen. Toen de storm, waarvan wij boven +gesproken hadden, had uitgewoed, werd het weder fraai en bleef zoo +ettelijke dagen. Tengevolge van den slag, die haar getroffen had, +bleef Juno nog eenigen tijd zwak en ontdaan, maar was toch in staat +het middageten klaar te maken en ander licht werk te doen. + +Behalve nu en dan eens eene bui, bleef het weder bijna veertien dagen +achtereen gunstig, en gedurende al dien tijd werkten mijnheer Wilson, +Flink en Willem van 's morgens vroeg tot 's avonds laat aan hun +magazijn en waren zoo verlangend dit tot stand te krijgen, dat zij +telkens hoogst vermoeid van hun werk thuis kwamen en Willem zelfs +vergat Flink om de voortzetting van zijne geschiedenis te vragen. + +Eindelijk was het pakhuis gereed. Het was met een bladerendak gedekt +en op drie zijden met gevlochten takken gesloten, doch op de vierde +open, zoodat de lucht er gedurig vrije speling had. Het benedenste +gedeelte, dat tot beschutting van de huisdieren bij nacht en gedurende +den regentijd was ingericht, was insgelijks aan drie zijden gedekt +en kon het vee behoorlijk tot stalling dienen. Ook was er reeds een +voetpad door het bosch uitgekapt; doch om de boomwortels uit te graven, +had het tot hiertoe nog aan tijd ontbroken. + +Al de voorraad, dien zij hier hadden, werd daarop in het nieuwe pakhuis +geborgen en nu eindelijk konden zij weder aan ander werk beginnen +te denken. Evenwel had men besloten dat de dag na de voltooiing van +het magazijn in de familie als een feestdag zou gevierd worden,--eene +verademing, die zij allen ook zeer noodig hadden. Willem ving eenige +visschen, er was eene schildpad uit den vijver opgehaald en zoo +was het niet alleen een dag van rust, dien zij hadden, maar een +wezenlijk feest. + +Mijnheer Wilson was met zijne vrouw en kinderen eene wandeling langs +het strand gaan doen, terwijl Flink met Juno zich met het schoonmaken +van den schildpad bezighield. Willem liet hun de nieuwgebouwde +bergplaats met den veestal zien, waarheen nu ook de geit met hare +vier jongen gebracht was, omdat er geen reden bestond om die langer +in het woonhuis te houden, Daar het weder zoo schoon was, besloot men +toen ook nog den tuin te bezoeken. Hier bevonden zij, dat de zaden, +niettegenstaande den hevigen regen, nog niet begonnen op te komen. + +"Ik had toch gedacht, dat het zaad na zooveel regen al verder zou +zijn," zeide mevrouw Wilson. + +"O neen, mijn lieve," antwoordde haar man. "Het heeft meer warmte +noodig dan de zon in den tegenwoordigen regentijd kan schenken. Nog +eenige dagen als vandaag en gij zult zien, hoe welig het opschiet." + +"Laat ons hier op dezen heuvel wat uitrusten; het is er volmaakt +droog," verzocht zij. "Ik had nooit gedacht," vervolgde zij, zich +nederzettende, terwijl ze haar echtgenoot de hand drukte,--"dat ik +op een verlaten eiland zoo gelukkig kon worden. Wat vliegt de tijd +hier snel voorbij. Het gemis van boeken moest mij, meende ik in den +beginne, zeer smartelijk vallen, maar nu merk ik, dat ik tot lezen +geen tijd zou hebben." + +"Werkzaamheid is de bron van geluk, vooral indien men waarlijk nuttig +werkzaam is," zeide mijnheer Wilson. "Een vlijtig mensch is altijd ook +een gelukkig mensch, als hij namelijk niet al te ingespannen behoeft +te arbeiden; en zelfs hij, die oorzaak tot droefheid en kommer heeft, +zal zijn lijden bij vlijt en arbeid spoediger vergeten. Ik geloof +zeker, dat een ledigganger nooit werkelijk gelukkig zijn kan en dat +zelfs overlading met arbeid beter is, dan volslagen gebrek daaraan." + +"Maar moeder, wij zullen niet altijd zooveel te doen hebben, als +tegenwoordig." + +"Natuurlijk niet," gaf mijnheer Wilson ten antwoord; "maar dan ook +zullen wij in onze boeken een nieuwe bron van genot vinden. Ik verlang +zeer, eens aan de landingsplaats te komen, om daar te zien, wat er +van onze boeken nog over is en of zij ook erg gehavend zijn. Dat kan +echter eerst gebeuren, als de regen geheel voorbij is en wij onze +boot weer gebruiken kunnen." + +"Waar zijt gij daar toch mee bezig, Thomas?" vroeg zijne moeder. + +"Ik maak torretjes dood," was het antwoord. "O, ik heb er al een +heelen boel kapotgemaakt." + +"Maar waarom maakt gij die arme diertjes toch dood? Ze hebben u immers +geen kwaad gedaan." + +"Ik mag die torren niet lijden." + +"Dat is nog geen reden, Thomas; gij moet niet alles doodmaken wat gij +niet lijden moogt. Als ze u bijten of steken, dan moogt gij ze dooden; +maar dieren zonder reden te dooden is wreedheid." + +"Juno slaat ook wel vliegen dood," zei Thomas. + +"Ja, omdat dit somtijds noodig is; maar ze doodt ze zekerlijk niet +alleen omdat ze juist niets beters te doen heeft. Vergeet niet, +wat ik u gezegd heb, Thomas." + + + + + + + +ZES-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK. + +NOG AL ANDER WERK.--FLINK VERVOLGT ZIJNE GESCHIEDENIS. + + +"Welnu, Flink," vroeg mijnheer Wilson den volgenden dag, "wat moet +nu na het ontbijt ons eerste werk zijn?" + +"Me dunkt, mijnheer, we gaan allen heen en verzamelen de takken en +twijgen van de gevelde kokosboomen, om ze tot brandstof bijeen te +hebben. Thomas en Juno hebben al een fikschen hoop opgestapeld en +tegen den avond, denk ik, kunnen we een houtstapel klaar hebben, +waarin de regen niet doordringen kan. Daarna zullen we een zoutpan +aanleggen en ook een vischvijver, daar het weer ons toch wel niet +toelaten zal voor langen tijd van huis te gaan. Dat zal ons voor 't +minst eene week kosten; maar dan valt hier vooreerst ook weinig meer +te doen. Ik geloof, dat wij het ergste van den regentijd reeds achter +den rug hebben, over veertien dagen misschien reeds kunnen wij ons +door het bosch wagen en gaan zien, hoe 't met onze schatten aan de +landingsplaats gesteld is. We zullen de handen vol hebben met alles +uit te zoeken en terecht te leggen, voordat het mooie weer terugkomt, +en kunnen het dan dadelijk in onze boot hierheen brengen en in het +pakhuis bergen." + +"En dan doen we eens een reisje over het eiland, niet waar, +Flink?" vroeg Willem. "Ik verlang daar zeer naar." + +"Ja, Willem; maar dat zal wel het laatst aan de beurt komen; want we +moeten er op rekenen, dat we twee of drie nachten van huis blijven, +en daartoe moet het weder eerst vast en goed zijn. + +"Evenwel zullen wij het nog doen, voordat wij onze goederen in de +boot hierheen brengen." + +"Maar hoe zullen wij met die zoutpan klaarkomen, Flink? Die moet +immers in de harde rots worden uitgehouwen?" + +"Zeker, Willem; maar ik heb daartoe reeds drie of vier zoogenaamde +steenbeitels uitgezocht,--weet gij, van die korte, dikke, van een +scherp eind voorziene ijzeren staven, die ginds in ons magazijn +liggen. Die nemen wij, met een stevigen hamer, en dan zal het werk ons +gemakkelijker van de hand gaan, dan gij denkt, daar de koraalrotsen, +die van buiten zoo hard schijnen, inwendig tamelijk broos zijn." + +De gansche dag werd verder besteed om de kokostakken tot eene groote +mijt op te stapelen. Flink maakte die naar de wijze der gewone +hooibergen van boven spits, zoodat de regen er op afloopen kon. + +"Ziezoo," zeide de oude man, toen hij eindelijk de ladder afkwam, +"daar hebben wij nu een voorraad voor het volgende jaar. We hebben +nog genoeg over, om er gedurende dezen regentijd mee toe te komen, +en hebben wij eerst droog weder, dan kunnen wij later den benoodigden +brand bijeenbrengen. Deze voorraad hier moet tot het naastvolgend +regenseizoen bespaard blijven." + +De heer Wilson zuchtte en zijn gelaat betrok. Flink merkte dit en +liet er dadelijk op volgen: + +"Onze voorzorg zal misschien overtollig zijn, mijnheer; maar +niettegenstaande dat mogen wij ze toch niet verzuimen. Dat kapitein +Osborn, als hij nog in leven is, naar ons zal laten zoeken, daar +twijfel ik geen oogenblik aan, ja, ik geloof zelfs, dat Mackintosh +het niet zal verzuimen. Maar daarbij moogt gij toch niet vergeten, +dat allen kunnen vergaan zijn, terwijl wij zelven in het leven zijn +behouden. Eene kleine boot geeft slechts weinig kans op behoud, als ze +vele honderden mijlen van land is; en zijn ze werkelijk verongelukt, +dan kunnen er misschien nog jaren verloopen, voordat wij door 't een +of ander schip ontdekt worden." + +"Ja, Flink, zonder morren moeten wij ons in ons lot trachten te +schikken. Ik heb er mijzelven reeds menigmaal om beschuldigd; maar +zulke sombere gedachten komen toch dikwijls terug, ofschoon ik alle +moeite doe, om ze te onderdrukken." + +"Dat vind ik zeer natuurlijk, mijnheer; maar ge moet toch altijd +het beste hopen. Wildet ge u nog langer kwellen, ge zoudt daardoor +volstrekt niets beter maken." + +"Dat gevoel ik wel, Flink; en als ik zie, hoe tevreden mijne vrouw +onder al deze beproevingen is, dan erger ik mij nog meer over +mijzelven." + +"Eene vrouw, mijnheer, weet het ongeluk altijd beter te dragen, +dan een man. De vrouw is enkel liefde, en heeft zij echtgenoot en +kinderen behouden om zich heen, dan zal zij zich genoegzaam overal +gelukkig gevoelen. De mannen denken in dat opzicht echter geheel +anders. Ze kunnen, gelijk gij thans, niet verdragen, zoo geheel van +de wereld te zijn uitgesloten, en toch zouden zij zich misschien +gelukkiger gevoelen niet met haar in aanraking te zijn, indien zij +het maar goed wilden inzien." + +"Onze eerzucht is het, die ons ongelukkig maakt," antwoordde de +heer Wilson. "Maar laat ons nu hiervan zwijgen. De zon is onder; +wij zullen in huis gaan.--Kom, Willem!" + +Na het avondeten werd Flink door Willem gedrongen, zijne geschiedenis +te vervolgen, wat hij dan ook met de volgende woorden deed: + +"Als ik 't wel heb, ben ik gebleven, waar de Hottentot, die de veekudde +bewaakte, de bavianen, die ons zoozeer beangst hadden, verjoeg. Wij +verlieten nu dadelijk het hol en zetten ons aan den voet van de rots +neder, waar de Hottentot ons niet kon zien. Hier hielden wij nu eene +soort van krijgsraad. Romer was er voor, dat wij terugkeeren en ons +weer gevangen-geven zouden. Hij zeide, dat het onzinnig, dwaasheid +was, zoo het land door te zwerven, zonder zelfs een wapen te hebben, +om ons tegen de wilde dieren te verdedigen. Spoedig, oordeelde hij, +konden wij nog in veel grooter gevaar komen, dan die ontmoeting met +de apen geweest was. En waarlijk, de jongen had gelijk. Het zou zeker +het verstandigst geweest zijn, wat wij in ons geval hadden kunnen +doen; maar Hastings dacht, dat men ons uitlachen zou, en de vrees +voor bespotting maakte dus, dat wij eindelijk besloten onze vlucht +te vervolgen. + +"Onthoud wel, Willem, de vrees om uitgelachen te worden verleidt +niet alleen jongens, maar zelfs volwassen mannen tot uiterst dwaze +handelingen. Wij hadden verkeerd gedaan en wilden enkel uit vrees +voor bespotting onze dwaling niet herstellen; ja, wij hadden zelfs +besloten liever ons leven te wagen en ons alle gevaren te getroosten, +dan te verdragen, dat men ons om onze dwaasheid, gelijk wij eigenlijk +verdiend hadden, eens terdege uitlachte. Houd dit goed in uw geheugen, +Willem, en laat u nooit door de vrees van belachelijk te worden +verleiden tot iets, dat verkeerd is, of, hebt gij onrecht gedaan, +u door die vrees afschrikken, om tot uw plicht te keeren." + +"Ik dank u voor den raad, vriend, en hoop dat Willem hem nooit +vergeten zal," sprak mijnheer Wilson. "'t Gebeurt inderdaad meer, +dat men door spot, dan door overreding tot een misstap verleid wordt." + +"Zoo is het mijnheer, en dit was dan ook de reden, waarom wij ons +dolzinnig plan niet opgaven. Toen wij eens tot dit besluit gekomen +waren, was het tweede punt van beraadslaging, hoe wij ons wapens +zouden verschaffen, want zonder deze, begrepen wij wel, was er niets +voor ons te hopen. + +"Terwijl wij daarover nog redeneerden, keek ik eens van achter de +rots uit, om te zien waar de Hottentot wel mocht wezen. Ik bemerkte, +dat hij zich in zijn mantel van schaapsvellen gewikkeld en op den +grond te slapen gelegd had. De hottentotten gaan altijd gewapend +uit, en zoo hadden wij bij het verlaten van de grot ook wel gezien, +dat hij toen een geweer in de hand hield. Ik zeide dus tegen Romer +en Hastings, dat, als de man sliep, wij misschien zijn geweer wel +ongemerkt in onze handen konden krijgen. + +"Dat scheen een goede inval, en Hastings bood zich aan, om op +handen en voeten naar hem toe te kruipen, terwijl wij achter de rots +bleven. Uiterst voorzichtig sloop hij nader en vond den man, met het +hoofd in den mantel, vast in slaap. Zoo had hij dus niets te vreezen, +want de Hottentotten zijn vadzig en, eens in slaap, moeilijk wakker +te krijgen, dat wisten we wel.--Hastings pakte eerst het geweer en +bracht het in veiligheid; toen keerde hij terug, sneed den riem door, +waaraan de Hottentot zijn kruithoorn en kogelzakje droeg, en kwam +met alles weer bij ons, zonder dat de man een vinger verroerd had. + +"We waren opgetogen van blijdschap over dezen buit en besloten, +heel zachtjes, op eenigen afstand van den man voorbij te sluipen, +zoodat hij, ook als hij eens wakker werd, ons niet in het oog kon +krijgen. Wij keken daarop overal rond, of we misschien ook iemand +anders ontdekten, en gingen toen recht op de Tafelbaai aan, totdat +wij op eenmaal voor eene breede rivier stonden. + +"Dat was een tweede gelukkige ontdekking, want we waren uitermate +dorstig. Na gedronken te hebben, zooveel ons lustte, verborgen wij +ons in de nabijheid van de rivier en hielden een maaltijd van den +voorraad, dien wij hadden meegenomen." + +"Maar, Flink, deedt ge geen kwaad door den Hottentot zoo zijn geweer +te ontstelen?" vroeg Willem. + +"Neen, Willem, in dat geval kon dat niet wel als diefstal beschouwd +worden. We waren dus bijna evengoed in oorlog met het land, als op +den tijd, toen men ons tot gevangenen maakte, en hadden ons geweer +evenmin gestolen, als men van onze vijanden zeggen kon, dat zij ons +schip gestolen hadden. Heb ik geen gelijk, mijnheer Wilson?" + +"Ja, dat komt mij wel zoo voor. Als twee natiën met elkander in +oorlog zijn, wordt het wederzijdsch eigendom, als het in vijandelijke +handen valt, steeds als buit beschouwd. [8] In uwe omstandigheden hadt +gij alle recht om u alles toe te eigenen, wat gij kondet, als het u +dienstig kon wezen tot de vlucht. Echter geloof ik, dat gij zedelijk +misdaan zoudt hebben, als gij moord of ook slechts moedwilligen roof +gepleegd hadt." + +"Juist zoo; maar we waren op onze vlucht in de noodzakelijkheid +gekomen, om ons óf gevangen te geven óf hen, die ons grijpen wilden, +te verslaan, en dan zou niemand ons beschuldigd hebben, als we onze +tegenpartij verslagen hadden." + +"Toen ge eens gevangen waart, hadt gij, dunkt mij, ook het recht, +om tot herwinning van uwe vrijheid zelfs het uiterste te baat te +nemen. Zoo althans is het algemeen gevoelen." + +"Ja, mijnheer; maar nu verder. Wij wachtten den avond af en vervolgden +toen onzen marsch naar de Valsche baai met allen spoed. Wij wisten, +dat in het dal, of eigenlijk langs de berghelling, enkele boerenhoeven +verstrooid lagen; daar hoopten wij, met goedheid of met geweld, +nog twee geweren te krijgen. + +"Het was middernacht en de maan scheen helder, toen wij eindelijk +het water van de Valsche Baai in de verte zagen blinken. Kort daarop +hoorden wij het blaffen van een hond en ontdekten wij op niet verren +afstand twee boerenhofsteden met hare veestallen en boomgaarden. Nu +zagen wij naar eene plaats om, waar wij tot den morgen schuilen +konden, en vonden eindelijk tusschen eenige rotsblokken een plekje +juist zooals wij het wenschten. + +"Wij kwamen overeen, dat een van ons waken zou, terwijl de twee andere +sliepen. Hastings nam voor ditmaal dien post op zich. Met het lichten +van den dag wekte hij ons, en toen gingen we dadelijk aan het ontbijt, +Uit onzen schuilhoek hadden we een bijna even ruim gezicht, alsof we +als vogels door de lucht hadden gevlogen. De in de diepte liggende +boerderijen, met al wat daar voorviel, konden we nauwkeurig opnemen. + +"De eene hoeve, die vlak onder ons lag, scheen ons veel kleiner toe, +dan de beide andere, die we in de verte ontdekten. Wij wachtten, +totdat wij de menschen buiten zagen komen. Na een half uur vertoonden +zich eenige Hottentotten, en wij zagen hoe zij hunne ossen voor den +wagen spanden. Er werden twaalf paar voorgespannen, en toen klom +de Hottentotsche voerman op den wagen en sloeg den weg in naar de +Kaapstad. Een Hottentotsche jongen en de groote hond gingen met +hem mede. + +"Een poosje daarna dreef een andere Hottentot de koeien naar het dal, +om te grazen; vervolgens kwam eene Hollandsche vrouw met twee kinderen +buiten de deur en voederde het pluimgedierte. + +"Wij wachtten nog een uur langer; toen vertoonde zich de huisbaas +zelf met eene pijp in den mond en zette zich op de bank voor het huis +neder. Toen zijn pijpje uit was, riep hij, waarop eene Hottentotsche +meid hem tabak en vuur bracht. Anders zagen wij niemand in de nabijheid +en daaruit maakten wij op, dat de boer, zijne vrouw en de Hottentotsche +meid met die beide kinderen de gansche bevolking van de boerderij +zijn moesten. + +"Tegen twee uur 's middags bracht de man zijn paard buiten en reed +weg. Wij zagen, hoe hij bij het wegrijden met de Hottentotsche vrouw +sprak, en kort daarop ging deze met eene mand op het hoofd naar den +kant van het dal. + +"Nu, zeide Hastings, was het tijd, om ons te roepen, want nu was er +alleen nog maar eene vrouw in huis,--die wij gemakkelijk meester konden +worden. Echter ging dit nog altijd met vrij wat gevaar vergezeld, +want als zij gerucht maakte en wij vluchten moesten, konden wij licht +gezien en weer opgevangen worden. + +"Wij zagen echter wel, dat er geene andere mogelijkheid voor ons +bestond, en dus besloten wij omzichtig naar de hoeve af te dalen en +van de gelegenheid zoo goed mogelijk gebruik te maken. Wij kropen langs +den heuvel neder en bereikten onbemerkt de heg achter de woning. Hier +lagen wij ruim een kwartier op de loer, toen wij, tot onze groote +blijdschap, ook de vrouw, met een kind aan iedere hand, uit het huis +zagen komen. Ze ging zekerlijk aan een van hare buurvrouwen een bezoek +brengen, want ze sloeg den weg naar de verder gelegene hoeve in. + +"Zoodra zij eenige honderden passen ver was, kroop Hastings voorzichtig +door de heg en sloop door de achterdeur in het woonhuis. Nu eenige +oogenblikken vertoonde hij zich weer en wenkte ons, dat wij komen +konden. + +"Wij vonden hem reeds in 't bezit van eene buks en van een geweer, +die voor den schoorsteen op een rek gelegen hadden. In een ommezien +namen wij ook de kruithorens en patroonstasschen, die op verschillende +plaatsen aan den wand hingen, af en hingen die zelven om. Toen we +deze in ons bezit hadden, plaatste Hastings mij als schildwacht aan +de voordeur, opdat men ons niet onverhoeds overvallen zou, terwijl +hij zelf met Romer naar levensmiddelen omzag. Zij vonden drie hammen +en een brood, wel bijna zoo groot als een waschtobbe. + +"Hiermede ruim tevreden, besloten wij zonder lang te dralen, onzen +schuilhoek weer op te zoeken. Wij tuurden naar alle kanten rond, +maar ontdekten nergens een sterveling, zoodat wij aannemen konden, +dat niemand ons gezien had. + +"Omstreeks midden op den heuvel verhief zich een steile, naakte +rotswand, dien wij, om in het dal te komen, noodzakelijk over moesten, +als wij ons niet al te dicht bij het boerenhuis wilden wagen. Na kort +beraad kwamen wij overeen, dat het misschien beter zou zijn hem nog +bij dag te beklimmen, zoodat wij deze zwarigheid op eenmaal overwonnen +hadden en ook verder van de hoeve verwijderd waren. Wij volvoerden +terstond ons besluit, vonden eene zeer veilige schuilplaats, waar wij +ons nederlegden, om na zonsondergang onze reis naar de binnenlanden +voort te zetten. + +"We hadden nog geen uur daar gelegen, toen we op den heuvel, dien +wij verlaten hadden, het geschreeuw van onze goede vrienden de +bavianen hoorden. Wij zagen, hoe zij op de boerderij aantrokken, +in de vruchtboomen klauterden en elkaar met verwonderlijke vlugheid +de vruchten toewierpen. De listige dieren hadden evengoed als wij +afgeloerd, dat de kust vrij was, en wilden eene zoo goede gelegenheid +niet ongebruikt laten. + +"Zij waren nog druk aan het werk, toen de Hottentot met de koeien in +de verte aankwam. Zoodra hij het huis naderde, hieven zij allen een +schellen kreet aan en maakten zich hals over kop uit de voeten. Na den +herder zagen wij de boerin terugkomen; zij bleef slechts korten tijd in +huis en kwam toen op eens met alle teekenen van schrik en ontsteltenis +buiten de deur. Omtrent één uur vóór zonsondergang kwam de Hollandsche +boer van zijn rit terug en na weinige minuten begrepen wij uit het +luid gejammer en misbaar in huis, dat hij zijne vrouw sloeg; want, +ziet gij, mijnheer (althans zoo stelden wij ons de zaak voor), doordat +zij van huis was gegaan, hadden de apen 't gewaagd, den boomgaard +te plunderen en ongetwijfeld dacht men, dat die viervoetige roovers +ook de andere dingen, die in huis vermist werden, hadden meegepakt, +daar het wel bekend is, dat zij alles nemen, wat zij krijgen kunnen. + +"Zoo waren de bavianen, die de arme vrouw zoo in pijn brachten, +voor ons van groot nut, daar zij maakten, dat niemand iets van +ons huisbezoek vermoedde en dus alle gevaar van vervolging van ons +afweerden. Hoogst tevreden met den dienst, dien zij ons dezen avond +deden, vergaven wij hun dan ook gaarne den angst, welken zij ons des +morgens aangejaagd hadden. + +"Maar nu, beste Willem, wil ik voor ditmaal afbreken, daar ik zie, +dat het onder mijn praten tamelijk laat is geworden. Het vervolg dus +op een anderen avond." + + + + + + + +ZEVEN-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK. + +KROKODILLEN, HAAIEN, HYENA'S. + + +Wij verlieten onze vrienden op den avond van den dag, toen zij hun +stapel brandhout tegen het volgende regenseizoen tot stand gebracht en +zich het spoedig aanleggen van een vischvijver en van eene zoutpan +voorgenomen hadden. Met den eersten werd ook reeds dadelijk den +volgenden morgen een begin gemaakt. Flink, mijnheer Wilson en zijn +zoon gingen gezamenlijk naar het strand en kozen, na lang zoeken, +ongeveer honderd schreden van den schildpadvijver, eene plaats, die +hun tot dit doel het meest geschikt voorkwam. Het water was daar vrij +ondiep, zoodat op het punt, dat het verst van den oever verwijderd was, +de diepte niet meer dan drie voet bedroeg. + +"Wij hebben hier dus een heel gemakkelijk werk, mijnheer," begon +Flink. "Al wat we te doen hebben is, dat we steenen en kleine +rotsblokken verzamelen en die zoo op elkaar stapelen, dat ze +binnenwaarts als een muur staan, maar naar buiten schuins afloopen, +om de kracht van de zee te breken, als die onstuimig is. Het water +zal natuurlijk altijd tusschen de steenen heenspoelen en zoo gedurig +ververscht worden. 't Is waar, we kunnen meestal wel visch vangen, +als we die noodig hebben, maar we hebben niet altoos tijd daartoe +te missen, en zoo is het dus beter een vasten voorraad te hebben, +waarover we ieder oogenblik beschikken kunnen. Ze vangen en hier in +den vijver overplanten, kunnen we zoo dikwijls als er niets anders +te doen valt. Dan kan Juno naderhand altijd maar heengaan en er met +een spies een uitprikken, als wij niet thuis zijn en zij iets voor +de keuken noodig heeft. Het is altijd goed, dat men een voorraad +mondkost tot zijne beschikking klaar heeft." + +"Maar, Flink, hier in het rond zie ik slechts weinig steenen; hoe +maken wij het, om die van zoo ver te halen?" vroeg Willem. + +"Daartoe zullen wij onze handkar nemen; daar kan een goede voorraad +in ééne vracht op." + +"Maar hoe ze daarop te houden, Flink?" + +"Wij binden eene ton aan de as vast. Ik zal dat dadelijk in orde +brengen, en kom er dan mee hier. In dien tusschentijd kunt gij met +uw vader al de steenen oprapen, die hier voor de hand liggen." + +De oude man kwam weldra met de kar terug, waaraan hij een vat werkelijk +zeer handig had vastgemaakt; en met behulp van dit voertuig zagen +zij nu, dat het bijeenbrengen van steenen hun slechts weinig moeite +behoefde te kosten. Vader en zoon voerden de bouwstoffen aan, en +Flink stond in het water, om den muur op te trekken. + +"Wij hebben tot hiertoe een ander werk geheel vergeten, wat we toch +niet verzuimen moesten, mijnheer," zeide Flink, "en de vischvijver +herinnert mij daaraan." + +"En dat is, Flink?" + +"Eene badplaats voor de kinderen, of eigenlijk voor ons allen, groot +en klein. Als de heete dagen aankomen, zullen wij daar behoefte +aan hebben, maar tegen dien tijd kunnen we er ook gemakkelijk mee +klaarkomen. Hier, waar het zoo ondiep is, loop ik geen gevaar en kan ik +gerust aan mijn muur voortbouwen; maar als het water mij tot over de +knieën kwaam, zou ik mij wel zorgvuldig in acht nemen; want gij hebt +er geen denkbeeld van, mijnheer, hoe stout en roofzuchtig de haaien +onder deze breedte zijn. Toen ik de laatste maal op St. Helena was, +hadden we daar nog een treurig bewijs van." + +"Vertel het ons toch eens, Flink," riep Willem. + +"Ja zie, ik had zelf niet gedacht, dat het mogelijk was. Ik weet een +geval van dien aard, toen ik in Oost-Indië was, doch dat was niet +met een haai, maar met een kaaiman. Een Hollander stond op zekeren +dag aan het strand en vischte in de haven. Daar komt een kaaiman of +krokodil regelrecht op hem toezwemmen, totdat hij met zijn snuit nog +maar een paar voet van den visscher af is. De Hollander stoort zich +daar echter niet aan, want daar hij op den vasten wal staat, vreest +hij geen gevaar van het monster. Dit keert zich op eens om, slaat +met zijn staart den armen man van den oever weg, zoodat hij in zee +tuimelt, en daar pakt het den ongelukkige aan en duikt met hem onder." + +"Vreeselijk! Maar een haai kan toch zoo iets niet doen: kan hij wel, +Flink?" + +"Dat zult gij hooren, mijnheer. Er stonden twee soldaten op Sint +Helena op een rots vlak aan zee. De rots was nog wel boven het water, +doch daar de vloed opkwam, sloeg de branding er toch reeds nu en +dan overheen. Daar kwamen twee haaien op hen toezwemmen, juist als +die kaaiman, waarvan ik u verteld heb; de een werpt zich plotseling +om en slingert met een slag van zijn staart een van de soldaten +in het water, dat zeer diep was. De kameraad van den ongelukkige +kwam doodelijk ontsteld naar de kazerne loopen, om het gebeurde te +vertellen. Omtrent eene week later ontdekte men van een schoener in +de Zandbaai aan de andere zij van het eiland een geweldig zwaren haai +bij het roer van het schip. Al spoedig werd er een haak uitgeworpen +met een dik stuk spek daaraan vast, en de knaap raakte gevangen. De +matrozen sneden hem de buik open en vonden met ontzetting het gansche +lichaam van den verongelukten soldaat van het hoofd tot aan de knieën +in zijne maag. Het gedrocht had hem ingeslokt, met uitzondering van +de beenen, die 't bij 't sluiten van zijne geweldige kinnebakken +had afgebeten. Ik zag de maag en de ruggegraat van het beest in de +kazerne, en 't was zekerlijk het grootste monster van die soort, +dat ik mijn leven lang nog ergens gezien had." + +"Ik had niet gedacht, dat die dieren zoo stoutmoedig waren." + +"Wat ik u vertelde, mijnheer, is de zuivere waarheid, waarvoor ik kan +instaan; en daarom kunnen we niet te voorzichtig wezen, als wij in +het water gaan. Gij hebt immers zelf gezien, hoe schielijk die haai +het arme varken binnen had." + +"En ik mocht toch wel eens weten, hoe het met onze varkens staat, +Flink," sprak Willem haastig. + +"Naar ik gis, zullen ze thans wel biggen hebben; aan voedsel ontbreekt +het hun zeker niet." + +"Kunnen ze dan kokosnoten vreten?" + +"De oude zeker niet; maar er vallen immers dagelijks jonge kleine +noten van de boomen en daar zijn ze zeer graag op. Ook vinden ze +wortels in overvloed. Als we nog eenigen tijd hier zijn, kunnen we een +goede jacht op hen maken. Dan dienen we evenwel op onze hoede te zijn, +Willem; want toen we de varkens aan wal brachten, waren ze wel mak, +doch in zeer korten tijd worden ze wild en gevaarlijk. Een wild zwijn +is altijd een vreeselijk dier." + +"Dat geloof ik wel," sprak de vader. "Maar hoe zullen wij jacht op +hen maken?" + +"Wel, met de honden mijnheer, die hen opjagen, zoodat wij hen onder +het schot krijgen. Ik ben blij, dat onze Vixen eerlang kleintjes te +wachten heeft; we zullen meer honden kunnen gebruiken." + +"Ik ben maar bang, dat we zoodoende meer honden krijgen, dan we +behoorlijk voeden kunnen." + +"Wees daar niet bezorgd voor, mijnheer, zoolang wij de zee hebben, +om ons visch te leveren. Honden houden veel van visch, zelfs als die +rauw is. In de noordelijke landen krijgen ze zelden iets anders." + +"We zullen ook spoedig jonge lammeren krijgen,--is 't niet zoo, Flink?" + +"Ja, mij dunkt, dat houdt niet lang meer aan. Ik wenschte, dat wij +meer voeder voor die dieren hadden: tegenwoordig vooral is het nog een +schrale tijd voor hen. Aanstaande jaar, als wij meer voeder vinden, +moeten wij het gras inzamelen, om hooi te hebben tegen den winter, of +liever tegen den regentijd, want een winter kennen wij hier niet. Ik +ben vast overtuigd, dat wij aan den zuidkant van ons eiland meer +vlak land zullen vinden, daar het kokosbosch zich daar zeker niet, +zooals hier in het noorden, tot aan zee uitstrekt." + +"Ik brand van verlangen, om eindelijk eens een ontdekkingsreisje te +doen," zeide Willem. + +"Nog een weinig geduld, vriendje," hernam de oude man, "en dan weet +ik nog niet zeker, of gij wel meegaat; want wij mogen toch niet alle +drie tegelijk gaan en uwe moeder alleen laten." + +"Neen," zeide mijnheer Wilson, "dat zou zeker niet goed zijn. Een +van ons moet thuis blijven, gij of ik." + +Willem gaf geen antwoord; maar men kon duidelijk bemerken, dat de +gedachte, dat hij misschien niet van de partij zou zijn, hem weinig +behaagde. + +Zij arbeidden den ganschen dag ijverig door, en de steenen omwalling +van den vijver rees spoedig boven het water op. Met zonsondergang +staakten zij het werk en keerden naar huis terug. + +Na het avondeten vatte Flink den draad van zijn verhaal weder op +en vervolgde: + +"Wij hielden ons schuil, totdat het donker was, toen wij opbraken en +onze reis voortzetten. Hastings en Romer droegen ieder een geweer op +den schouder en een ham op den rug. Ik, als de kleinste, had de buks +en het groote brood te dragen. Door dit laatste had ik daarvoor een +gat geboord en er een touw doorgehaald, zoodat ik het met gemak op +den rug dragen kon. + +"Ons plan was, ons naar het noorden te wenden, daar we wisten dat we +ons in die richting van de kolonie verwijderden, doch Hastings had +beslist, dat we eerst oostwaarts marcheeren en een omweg maken zouden, +om onzen vervolgers niet misschien in den mond te loopen. Wij kwamen +door de diepe zandvlakte van den baai. Toen deze allengs begon te +rijzen, vertoonde zich meer struikgewas en kreupelhout; doch nergens +ontdekten wij een spoor van aanbouw, en sedert wij de baai achter +ons hadden, kwamen wij ook geen enkel huis of hof meer voorbij. Tegen +twaalf uur in den nacht waren wij zeer vermoeid en snakten naar een +dronk water, maar konden nergens iets ontdekken, hoewel de heldere +maneschijn het bijna zoo licht voor ons maakte als midden op den +dag. Daarentegen hoorden we zeer duidelijk, en dat beviel ons in +'t geheel niet, het aanhoudend loeien en brullen der wilde dieren, +dat toenam hoe verder we kwamen. Evenwel kregen we geen beest te zien, +en dat was nog een troost voor ons. + +"Ten laatste waren wij zoo afgemat, dat we ons allen op eene rots +nederzetten. Ons te slapen leggen, durfden wij niet. Zoo bleven wij +wakker tot aan den morgen en luisterden naar het gehuil en geloei. Ook +sprak niemand van ons een enkel woord, en ik ben verzekerd, dat +Hastings en Romer innerlijk hetzelfde dachten als ik en wel gaarne +gewenscht hadden, dat wij allen weer veilig en wel tusschen de muren +onzer gevangenis zaten. + +"Eindelijk brak echter toch de dag aan; de wilde dieren werden nu +stil. Wij gingen voort, totdat we aan een stroom kwamen, waar we +nederzaten en iets tot ontbijt namen. Eerst toen dit gedaan was, +keerde ook onze moed terug. Wij braken op en lachten en praatten +onderweg, zooals wij vroeger ook gedaan hadden. + +"We begonnen nu de bergen te beklimmen, die naar het zeggen van +Hastings, de Zwarte Bergen zijn moesten, waarvan de soldaten ons +zooveel verteld hadden. Ze mochten wezen en heeten hoe ze wilden, +maar ze waren heel dor, bar en akelig. Toen de nacht viel, gingen +wij aan het hout sprokkelen en sneden met onze messen takken af, +om een vuur aan te leggen, dat we noodig hadden, niet alleen om ons +te verwarmen, maar ook om de wilde dieren af te weren, wier gehuil +zich alweer overal hooren liet. + +"In den loop van den dag hadden wij er reeds twee of drie gezien, +die zich op de vlakke rots in de zon lagen te koesteren. Een was +een panter geweest. We hadden onze geweren geladen, doch onder het +voorbijgaan liet hij ons slechts zijn witte tanden zien, maar bewoog +zich niet. De andere waren te ver van ons af, dan dat wij hen duidelijk +hadden kunnen onderscheiden. + +"Zoo staken we dan ons vuur aan en gebruikten ons avondmaal. Van +het brood was nog maar de helft over. Ook de ham was al duchtig +aangesproken, zoodat wij wel begrepen, dat wij spoedig alleen op onze +geweren zouden te rekenen hebben, om ons voedsel te verschaffen. Zoodra +wij verzadigd waren, legden wij ons dicht bij het vuur neer. Onze +geweren hadden wij geladen bij ons; onze kruitvoorraad lag zoo ver +van het vuur, dat daarvan geen ongeluk te vreezen was. Bij onze +vermoeidheid lagen wij weldra alle drie vast in slaap. De afspraak +was wel, dat eerst Romer, dan Hastings en eindelijk ik de wacht zou +houden, maar Romer sliep vast in en het gevolg daarvan was, dat ons +vuur niet onderhouden werd. + +"Het was omtrent middernacht; toen ik door iets dat mij heet in het +gezicht ademde, gewekt werd; en ik had pas mijne zinnen bij elkaar +en de oogen geopend, of ik voelde, dat ik bij mijn broeksband werd +opgetild en de tanden van een dier in mijn vleesch drongen. Ik zocht +mijne buks te grijpen, maar stak de verkeerde hand uit en kreeg zoo +een nog brandend stuk hout te vatten, waarmee ik mijn vijand naar de +oogen stiet. Hij liet mij oogenblikkelijk los en liep heen." + +"Aan welk een groot gevaar zijt gij daar ontkomen!" riep mevrouw +Wilson uit. + +"Ja, waarlijk, mevrouw; want het beest was een hyena. Gelukkig is +dat woeste dier eigenlijk van een lafhartigen aard; maar had ik dat +brandende hout niet gepakt, dan had het gedrocht mij zeker weggedragen, +want ik was destijds bijzonder klein en teer en het tilde mij van +den grond op, alsof ik maar een veer geweest was. + +"De gil, dien ik gaf deed Hastings ontwaken, die zijn geweer greep en +op goed geluk vuur gaf. Ik was doodelijk ontsteld, zooals ge u wel +kunt voorstellen. Wat Romer aangaat, die werd eerst wakker, toen we +hem duchtig schudden, zoo vast was hij in de rust. Deze ontmoeting +maakte ons natuurlijk voorzichtiger en in het vervolg legden wij +altijd twee vuren aan, waartusschen wij sliepen en een van ons moest +bestendig wacht houden. + +"Zoo ging het eene volle week voort. Zoodra wij eindelijk het gebergte +beklommen hadden, richten wij ons naar het noorden. Wij hadden thans +kreupelbosch en rotsen achter ons en zagen eene wijde vlakte voor +ons. Onze voorraad was geheel op; één dag moesten wij zelfs van den +ochtend tot den avond geheel vasten. Wij doodden echter spoedig eene +antilope, die men daar te lande een springbok noemt, en dit gaf ons +voedsel voor vier of vijf dagen. Over het geheel ontbrak het volstrekt +niet aan wild, zoodra wij maar in de vlakte waren. + +"Maar wacht, daar vergat ik u te vertellen, hoe wij nog eens aan een +dreigend gevaar ontkwamen. Nog voordat wij het vlakke veld bereikten, +hadden wij een groot bosch door te trekken, dat zich langs het +gebergte uitstrekte. We hadden tot aan den middag geloopen en waren +moe en af. Wij besloten ons middagmaal te gebruiken onder een grooten +boom en wierpen ons daar in de schaduw op den grond neer. Hastings +lag op zijn rug en keek in den boom op.--Daar ontdekte hij op eens, +boven zijn hoofd op een lagen tak, een panter, die zich daar op zijn +gemak had neergevleid. Met zijn groene, flonkerende oogen keek hij +ons aan en scheen gereed om op ons neer te springen. + +"Hastings greep naar zijn geweer en drukte oogenblikkelijk op het dier +los; want tot lang mikken was geen tijd meer over. De kogel drong den +panter door het lijf en trof, naar het scheen ook zijne ruggegraat. Hij +plofte met luid gebrul op den grond neer, op een afstand van niet +meer dan drie of vier voet van ons af. Op de aan die dieren eigene +wijze kromde hij zich nu, om op Romer los te springen,--maar hij kon +niet meer: zijne ruggegraat was verbrijzeld en hij had alle kracht +in het achterlijf verloren. Hij wilde zich oprichten, maar zonk +dadelijk weer achterover neer. Nooit in mijn leven heb ik zooveel +razernij en woede in een schepsel gezien. Wij waren in den beginne +te hevig verschrikt, om aan vuren te denken; doch toen wij zagen, +dat het beest niet springen kon, rukte Hastings den sidderenden Romer +zijn geweer uit de hand en schoot den panter dwars door den kop. + +"Wij waren nu genoodzaakt om tot onderhoud van ons leven op de jacht +te gaan en werden daardoor van dag tot dag stouter. Onze kleeren waren +alle in flarden gereten; maar we hadden overvloed van kruit en lood, +en op de vlakte liepen antilopen en hertebokken bij honderden rond, +soms in zulke troepen, dat wij ze onmogelijk tellen konden. + +"Aan levensmiddelen ontbrak het ons dus volstrekt niet; maar daarvoor +bracht deze overvloed van wild ons in een nog veel grooter gevaar, +want nu voor de eerste maal hoorden wij iederen nacht het gebrul der +leeuwen. Van alle geluiden, die ik ooit hoorde, is dit naar 't mij +voorkomt wel het allerschrikkelijkste. Wij legden groote vuren aan, +om hen van ons verwijderd te houden, maar toch kan ik u verzekeren, dat +we dikwijls nog rilden en beefden, als ze in onze nabijheid kwamen." + +"Hebt gij ooit van die dieren bij dag ontmoet, Flink?" vroeg Willem. + +"O ja, wij zagen er dikwijls een, doch ze vielen ons toch nooit aan +en wijzelven waren te bang voor hen, om op hen te vuren. Eens kregen +wij van heel nabij met zulk een leeuw te doen. Wij hadden een hert +geschoten en met onze geweren over den schouder drongen wij door het +hooge gras naar de plaats, waar het liggen moest. Toen wij de plek +naderden, hoorden wij een gebrul en zagen ons opeens nauwelijks tien +passen van een leeuw verwijderd, die bij het dier, dat wij gedood +hadden, op den grond lag. Zijne oogen schoten vuur op ons en hij +had zich reeds half opgericht, om op ons los te springen. Wij gingen +allen op den loop, zoo hard als wij konden. Ik had geen moed om naar +hem te zien, totdat ik geheel buiten adem was geloopen. De leeuw was +tevreden met onze overhaaste vlucht en nam de moeite niet om ons +te vervolgen. We moesten dien nacht ons met een hongerige maag te +slapen leggen. + +"We hadden nu zoo al drie weken omgezworven, zonder eigenlijk +te weten waar of waarheen. Slechts zooveel konden we nagaan, dat +we eene noordelijke richting gehouden hadden. Wij waren vreeselijk +vermoeid en uitgeput en kwamen allen overeen, dat wij eene zeer dwaze +daad begaan hadden en heel blij zouden zijn, als wij den terugweg +konden wedervinden. Wij trokken den ganschen dag samen voort, zonder +elkander een woord toe te spreken, dan bij gelegenheid als zich +eenig wild vertoonde. Ik voor mij was zoo bedrukt en moedeloos, dat +ik mij maar liefst op den grond neergelegd zou hebben om dadelijk te +sterven. Het brullen van de leeuwen was mij volstrekt onverschillig +geworden en ik verlangde soms bijna zelfs, dat een mij oppakte en +mij maar schielijk verslond. + +"Daar ontmoetten wij onverwacht een troep inboorlingen. Wij konden niet +met elkander spreken, maar zij schenen zeer goedig en vriendschappelijk +jegens ons gezind. Zij behoorden tot de stam der Karroos, want zij +wezen op zichzelven en spraken het woord: "Karroos," en dan wezen +zij op ons en zeiden: "Hollanders!" Wij schoten eenig wild en gaven +hun dat, waarmede zij zoo waren ingenomen, dat zij vijf of zes dagen +bij ons bleven. + +"Wij zochten door teekens van hen te vernemen, of zich ook een +Hollandsche post of Hoeve in de nabijheid bevond. Zij begrepen ons +en gaven ons een toestemmend antwoord, terwijl zij de plaats, als +noordoostelijk gelegen, met den vinger aanwezen. Wij boden hun een +geschenk aan, als zij ons den weg wilden wijzen; want wij hadden +besloten ons weder aan de Hollanders over te geven en in onze +gevangenis terug te keeren. + +"Twee van de mannen toonden zich bereid om met ons mede te gaan. De +overigen van de stam trokken met vrouwen en kinderen naar het +zuiden. Den volgenden dag kwamen wij aan een Hollandschen post, +die Graaf Reinet heette en uit drie of vier hoeven bestond. Wat ons +verder overkwam, hoort gij op een anderen avond, Willem; want het is +nu al laat en hoog tijd om te gaan slapen." + + + + + + + +ACHT-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK. + +WILLEM WORDT ZIEK.--DE ADERLATING.--FLINKS VERDERE ONTMOETINGEN. + + +Het aanleggen van den vischvijver ging vlug voort en op den derden dag +was het werk bijna gereed. Zoodra de vier wanden stonden schepte Flink +zand en gruis uit, zoodat de vijver overal nagenoeg even diep was en +de visschen dus zooveel water hadden, dat de meeuwen en fregatvogels +niet neerschieten en hen als prooi meevoeren konden. + +Terwijl Flink aldus bezig was, brachten vader en zoon nog meer steenen +bijeen, opdat de vijver in vier deelen kon worden afgescheiden, +waarvan het een echter met het ander in verbinding stond. De binnen- +zoowel als de buitenmuren of wallen werden echter breed genoeg gemaakt, +dat men daarop loopen kon, en daardoor werd het mogelijk, de visschen, +wanneer men ze noodig had, alle met den haak te bereiken. + +Den dag, nadat de vijver voltooid was, sloeg het weer andermaal om; +doch de stormvlagen waren thans op verre na zoo hevig niet als bij +het begin van den regentijd. De regen viel wel in stroomen neer, +maar was niet meer van zulke vreeselijke bliksem- en donderslagen +vergezeld. Ook duurden de stormvlagen niet meer zoo lang, maar hadden +doorgaans reeds na weinige uren uitgewoed. Zoo dikwijls de lucht eens +weer opklaarde, ging men aan het visschen en had in korten tijd zulk +eene menigte bijeen, dat de vijver daarvan zeer rijkelijk voorzien was. + +Daar had opeens iets plaats, dat alle leden onzer kleine kolonie in +eene hooge mate verontrustte. Op zekeren avond namelijk voelde Willem +zich ongesteld, werd koud en huiverig en klaagde vooral over zware +hoofdpijn. Flink had beloofd op dien avond met zijne geschiedenis +voort te gaan, maar Willem was te ziek om op te blijven. Hij werd te +bed gebracht en lag den volgenden morgen in eene hevige koorts. + +Zijn vader maakte zich zeer ongerust, want het liet zich van uur tot +uur zorglijker aanzien. Flink had dien nacht bij den zieke gewaakt, +doch ging thans met den beangsten vader naar buiten, om met dezen +over den toestand van zijn zoon te spreken. + +"Dat is een erg geval, mijnheer," begon de brave oude man. "De arme +jongen heeft gisteren onder het werk zijn hoed afgezet en, naar ik +vrees, daardoor een zonnesteek gekregen. Het is maar ongelukkig, +dat wij niet iemand hebben, die hem eens laten kan." + +"Ik heb een lancet," antwoordde mijnheer Wilson: "maar ik heb van +mijn leven nog geene aderlating gedaan." + +"Ik evenmin, mijnheer; maar als gij een lancet hebt, houd ik het +voor onzen plicht het te wagen. Als gijzelf u daartoe niet geschikt +gevoelt, wil ik althans mijn best doen. Het is immers eene zeer +eenvoudige operatie." + +"Ja, Flink, een van beiden moet er toe overgaan, dat zie ik wel in." + +"Misschien is mijn hand in dat geval vaster dan de uwe," hernam de +zeeman. "Ik vrees niets zoozeer, dan dat de koorts naar het hoofd +overslaat." + +"Ja, Flink, ik moet erkennen, het is mij liever als gij de proef nemen +wilt," antwoordde de vader. "Mijne hand zou allesbehalve vast zijn; +ik beef immers nu reeds voor mijn dierbaar kind!" + +Beiden keerden naar het bed van den zieke terug. Mijnheer Wilson zocht +zijn lancet, en Flink bond Willem onderwijl den arm. Zoodra de ader +gezwollen was, hield hij die met zijn duim vast, en dadelijk gelukte +de eerste proef hem volkomen. + +Op Flinks raad werd den lijder eene aanmerkelijke hoeveelheid bloed +afgetapt, en deze scheen zich daardoor zeer verlicht te gevoelen. + +Zijn arm werd nu zorgvuldig verbonden, hij dronk nog wat water, +waarnaar hij verlangd had, en legde zich toen op zijn kussen neder. + +Den volgenden dag was de koorts bijna nog heviger dan te voren. Willem +werd andermaal gelaten, en zijne beangste moeder waakte aan zijn +bed en smolt weg in tranen. De arme jongen verkeerde eenige dagen +in groot gevaar. In het anders zoo vroolijke en levendige huis was +alles nu even stil en somber. + +Het weder werd intusschen van dag tot dag zachter en fraaier, en het +was bijna onmogelijk den wilden Thomas bedaard in huis te houden. Juno +ging elken morgen met hem en den kleinen Albert eene wandeling doen +en hield hem onder haar werk bij zich. Gelukkig had Vixen jongen +geworpen, en als de goede meid de kleinen niet meer zoet kon houden, +bracht zij hun twee van de kleine hondjes, om daarmee te spelen. De +zachte, stille Caroline zat heele dagen in de kamer en hield de hand +harer lieve moeder in de hare, of paste Willem op en zat met haar +naaiwerk voor zijn bed. + +Flink kon onmogelijk langer ledig blijven; hij nam dus hamer en beitel +en werkte zoo dikwijls aan de zoutpan, als men zijne diensten in huis +niet noodig had. Terwijl hij daar zoo op de rotsen bikte, waren zijne +gedachten gedurig met Willem bezig, dien hij om zijn vriendelijken +aard en helder verstand liefhad, alsof hij zijn eigen kind was. + +Op den negenden dag had eene merkbare verandering ten goede plaats +en was de koorts veel minder hevig. Na korten tijd had deze geheel +opgehouden; maar de zieke was zoo zwak, dat hij zich de eerste twee +of drie dagen nog niet zonder hulp in zijn bed oprichten kon. Eerst +veertien dagen, nadat de koorts verdwenen was, was hij weder in staat, +om het huis te verlaten. + +De vreugde, die bij deze verandering in het gezin heerschte, kan men +zich beter voorstellen dan beschrijven. + +Daar men gedurende de herstelling van den zieke toch niet wel iets van +belang ondernemen kon, besloten mijnheer Wilson en Flink, die thans +weder met opgeruimde harten aan den arbeid gingen, daar de zoutpan +gereed was, nu ook eene badplaats aan te leggen. Juno was hun daarbij +behulpzaam en wist zich inderdaad zeer nuttig te maken, daar zij vol +ijver met de kar de benoodigde steenen en rotsblokken aanvoerde. Ook +Thomas werd mede naar het werk genomen, opdat men in huis geen last +van hem zou hebben, terwijl de moeder en Caroline den zieke oppasten. + +Toen Willem eindelijk kon uitgaan, was ook de badplaats in orde, zoodat +men thans niet meer van de haaien te vreezen had, Willem kwam met zijne +moeder aan het strand en verheugde zich zeer over het volbrachte werk. + +"Nu, Flink," zeide hij tot dezen, "nu hebben wij hier om het huis +alles in orde gebracht. Wat ons nu nog te doen staat, is een tochtje op +het eiland en naar onzen voorraad bij de landingsplaats te gaan zien." + +"Gij hebt gelijk, Willem; het weder is zoo mooi geweest, dat wij het +over weinige dagen wel wagen kunnen; doch in geen geval, voordat +gij wat sterker zijt, want ge moogt niet bij uwe moeder alleen +achterblijven, zoolang gij niet volmaakt wel zijt." + +"Wat, Flink, bij moeder blijven! Ik dacht, dat ik mee zou gaan?" + +"Neen, beste Willem, dat kan nu niet gebeuren. Stel u eens voor, +wij werden door een storm overvallen: gij werd doornat en moest in +uwe natte kleeren slapen,--hoe licht kon de koorts dan terugkomen, en +dan waart gij ver van huis verwijderd. Gij moet nog langen tijd heel +voorzichtig zijn, mijn goede jongen. Kom, ga daar op die rots zitten, +dan kunt ge de frissche zeelucht inademen, en die zal u goeddoen: +maar ge moogt niet te lang stilzitten." + +"O, ik zal mijne vorige krachten spoedig terug hebben, Flink." + +"Daar twijfel ik ook niet aan, beste Willem; en waarlijk, we hadden +u bezwaarlijk kunnen missen. Ik zal eene schildpad uit den vijver +meenemen, want ge moet thans krachtig voedsel hebben om spoedig weder +flink en sterk te worden.--" + +"Het is al lang geleden, dat we niets meer van uwe historie te hooren +kregen," begon Willem, nadat het avondeten was afgeloopen; "ik zou +gaarne hebben, dat ge er thans mee voortgingt, want het luisteren +vermoeit mij nu zeker niet meer." + +"Van harte gaarne," antwoordde de oude man; "maar kunt ge mij nog +zeggen, waar ik gebleven ben?--Mijn geheugen is niet meer van de +beste." + +"O ja, Flink, weet gij niet, gij waart in gezelschap van die wilden +op een Hollandschen post aangekomen, die, als ik goed onthouden heb, +Graaf Reinet heette." + +"Juist, juist, mijn jongen. Welnu dan, zoodra hij ons zag aankomen, +kwam de Hollandsche boer uit zijn huis en vroeg ons wie wij waren. Wij +vertelden hem, dat wij Engelsche gevangenen waren, die zich weder +aan de overheid wenschen uit te leveren. + +"Hij nam ons de wapens af, en zeide dat hij in dit deel des lands de +overheid was, die te bevelen had,--hetgeen wij weldra ondervonden, +dat ten volle waarheid was. "Zonder wapens en munitie zult gij zeker +niet wegloopen," vervolgde hij. "Naar de Kaap kan ik u deze eerste twee +maanden nog niet opzenden, en dus, als ge goed te eten wilt hebben, +moet ge daarvoor ook braaf voor mij werken. + +"Wij gaven ten antwoord dat wij heel gaarne in alles ons best zouden +doen. Hij zond ons daarop een Hottentotsch meisje, dat ons iets te +eten bracht en ons een klein hok aanwees, waar wij met ons drieën +slapen konden. + +"Wij merkten voor 't overige al spoedig, dat wij met een ruw, +onbeschoft mensch te doen hadden, die ons zwaar werk in overvloed, +maar daarvoor bitter weinig te eten gaf. Hij wilde ons onze geweren +niet weder toevertrouwen, en zoo zond hij zijne Hottentotten met +het vee uit; maar daarvoor moesten wij in den omtrek van het huis +zwaren arbeid doen, en ten laatste behandelde hij ons zelfs wreed en +kwaadaardig. Wanneer hij voor de Hottentotten en de andere slaven, +die hij in menigte hield, niet meer te eten had, placht hij met andere +boeren, die in de buurt woonden, op de jacht te gaan en quagga's +voor hen te schieten. Niemand dan een Hottentot kan nochtans van zulk +vleesch eten." + +"Wat is een quagga?" + +"Een wilde ezel, voor een gedeelte gestreept, doch niet zoo fraai als +de zebra, 't Is een recht sierlijk dier, maar zijn vleesch is ellendig +slecht van smaak. Verbeeld u nu, mijnheer, hij wilde ons ten laatste, +evenals aan de Hottentotten, ook niets anders dan quaggavleesch te +eten geven, terwijl hij met zijne familie--want hij had eene vrouw +met vijf kinderen--schapen en geitenvleesch in overvloed had, wat +werkelijk eene heerlijke kost is. + +"Wij verzochten hem, ons een geweer te geven, opdat we ons beter +voedsel verschaffen konden; doch hij roste Romer zoo onbarmhartig af, +dat hij in geen twee dagen een lid verroeren kon. De arme Hottentotten +en de slaven kregen bijna dag aan dag slaag. Hij bediende zich daartoe +van een zweep, die uit het vel van een rhinoceros gesneden was; en +dat was een vreeselijk ding, dat den armen mensch bij elken slag tot +diep in het vleesch drong. + +"Zoo begon het leven ons werkelijk tot last te worden. Wij kregen +elken dag zwaarder werk, en elken dag werd het monster wreeder tegen +ons. Eindelijk kwamen wij overeen, dat wij dit niet langer verdragen +wilden, en Hastings zeide hem dit op een avond ronduit. + +"Dit bracht hem in de hevigste woede: hij riep twee van zijne slaven, +beval hun Hastings aan een wagenrad te binden en zwoer, hem de huid +van het lijf te zullen geeselen. Daarop ging hij in huis om zijne +zweep te halen. + +"De slaven grepen Hastings aan en bonden hem aan het rad; want zij +waagden het niet hun meester ongehoorzaam te zijn. Hastings echter +zeide tot ons: "Als ik gezweept word, zijn wij allen verloren. Thans +staat het aan u, om aan ons lijden een einde te maken. Loopt achter +het huis om, en als hij met de zweep komt, gaat dan in huis en +haalt de geweren, die altijd geladen zijn. Houdt hem in het vizier, +totdat ik zelf vrij ben, en dan zullen wij wel een middel vinden, +om te ontkomen. Gij moet dat doen, want ik ben overtuigd, dat hij mij +anders doodslaan en u als weggeloopen gevangenen voor den kop schieten +zal, gelijk hij dat onlangs die beide Hottentotten gedaan heeft." + +"Wat Hastings zeide kwam ons beiden maar al te waarschijnlijk +voor. Toen de boer dus terugkeerde en op Hastings toekwam, die +op ongeveer twintig passen van het huis was vastgebonden, maakten +we schielijk, dat we in huis kwamen. De boerin lag juist ziek; wij +behoefden ons dus aan haar en de kinderen niet te storen. Wij grepen +twee geweren en een lang mes en kwamen te voorschijn juist op het +oogenblik, dat de wreedaard den eersten zweepslag uitdeelde, die ook +zoo geducht neerkwam, dat de arme Hastings als een worm ineenkromp. + +"Haastig schoten wij toe; hij keerde zich om en zag ons, die de +geweren al op hem aangelegd hadden, waarop hij zijne zweep dadelijk +liet vallen. + +"Nog één slag en ik schiet u voor den kop!" riep Romer. "Ja!" riep ik; +"wij zijn nog maar jongens, doch ge zult zien, dat ge met Engelschen +te doen hebt." + +"Zoo kwamen wij nader. Romer hield zijn geweer voortdurend op den +boer gericht, terwijl ik met het mes de strikken lossneed, waarmee +Hastings was vastgebonden. + +"De boer verbleekte en sprak geen woord, zoo ontsteld was hij, terwijl +zijne slaven het terstond op een loopen zetten. Zoodra Hastings los +was, greep hij een dikken houten hamer, waarmee men gewoonlijk palen +in den grond sloeg, en met de woorden: "Daar schurk! dat hebt ge +er voor, dat ge een Engelschman met de zweep durft te lijf gaan," +sloeg hij den kapenaar en deed hem ter aarde tuimelen. + +"De man lag bewusteloos op den grond. Of hij wezenlijk dood was, +wisten we niet. We bonden hem aan het wagenrad en gingen toen dadelijk +weer in huis, waar we kruit, lood en wat wij verder dachten te kunnen +gebruiken, bij elkaar zochten. Vervolgens liepen wij naar den stal, +maakten drie van de beste paarden van den boer los, deden voor elk van +de dieren wat haver in een zak, gebruikten touwen tot halters, stegen +op en renden toen weg zoo hard als we konden. Daar wij wel begrepen, +dat men ons vervolgen zou, galoppeerden we eerst in eene oostelijke +richting, alsof wij naar de Kaapstad wilden gaan. Zoodra wij echter een +grond bereikt hadden, waarop de paardenhoeven geen sporen achterlieten, +wendden wij ons in allerijl noordwaarts en namen den weg naar het +land der Boschjesmannen. Kort nadat wij van koers veranderd waren, +begon de avond te vallen; maar wij reden den ganschen nacht door, en +ofschoon wij op eenigen afstand de leeuwen duidelijk hoorden brullen, +overkwam ons voor ditmaal geen nieuw ongeluk. Met het aanbreken van +den dag lieten wij onze paarden uitrusten, wierpen hun wat haver voor +en legden ons toen zelven neder, om ons met de meegebrachten voorraad +te verkwikken." + +"Hoe lang waart gij in het geheel wel bij dien boer te Graaf Reinet +geweest?" + +"Zoo omtrent acht maanden, mijnheer. Wij hadden in dien tijd niet +alleen vrij wat Hollandsch geleerd, maar konden ons ook door de +Hottentotten en andere inlanders doen verstaan. Bovendien hadden wij +eene nauwkeurige kennis van het land verkregen en wisten nu beter +dan te voren, hoe wij ons op onze reis te gedragen hadden." + +"Onder het eten overlegden wij, wat wij thans aanvangen zouden. Dat de +Hollanders ons doodschieten zouden, zoodra zij ons in handen kregen, +dat wisten wij zeer goed en wij twijfelden er ook niet aan, of zij +zouden ons uit al hunne macht vervolgen. Bovendien vreesden wij, dat +wij den boer hadden doodgeslagen en in dat geval wachtte ons de galg, +zoodra wij de Kaap bereikten, zoodat wij doodelijk verlegen waren +wat te doen. + +"Eindelijk besloten wij het land van de Boschjesmannen door te trekken +en ons noordwaarts van de Kaap naar het zeestrand te wenden. + +"Na deze afspraak namen wij onze zadels af en bonden onze paarden +aan eenige boomen, waarbij goed gras voor hen was; want hadden wij +hen niet vastgebonden, dan zouden zij denkelijk naar hun ouden stal +terug gegaloppeerd zijn. Wij besloten vooreerst bij voorkeur bij +nacht en niet bij dag te reizen, om geen gevaar te loopen van door +onze vijanden te worden gezien. Met deze gedachten legden wij ons +neder en hadden een langen, vasten slaap. + +"Tegen den avond zochten wij water voor onze paarden, gaven hun +andermaal haver en vervolgden toen onzen tocht. Ik kan niet alles +vertellen, wat wij zoo veertig dagen achtereen al hadden uit te +staan. Wij hadden intusschen onze paarden bijna lam en kreupel gereden +en waren daarom genoodzaakt ons bij een stam van inlanders op te +houden en den armen dieren eenige rust te vergunnen. Die inboorlingen +noemden zich Gorraguas, als ik het wel heb en waren een vreedzaam +en zachtzinnig volkje, dat ons rijkelijk van melk voorzag en ons als +vrienden behandelde. + +"We hadden evenwel enkele avonturen, die mij nog levendig voor den +geest staan. Zoo, onder andere, kwamen wij eens een bosch door, +waar opeens een rhinoceros op mijn paard toeschoot, dat het gevaar +alleen daardoor ontkwam, door ter zijde te springen en het beest in +den rug te komen; waarop het vreeselijk gedrocht zijn weg vervolgde, +zonder ons verder te verontrusten. + +"Iederen dag schoten wij het een of ander dier tot ons onderhoud: soms +eens een gnoe(een heel wonderlijk beest, half koe, half antilope), +of anders een van de hertebokken of wilde geiten, die wij in menigte +ontmoetten. + +"Zoo bleven wij omtrent drie weken bij deze menschen en gaven onze +paarden tijd om hunne krachten wat te herstellen, waarop de reis +opnieuw aanving. Wij wendden ons thans meer zuidwaarts en naar de +kust; want de Gorraguas hadden ons gezegd, dat in het noorden een +woest volk, de Kaffers, omzwierf, die ons zeker van kant zouden maken, +als wij in hunne handen vielen. + +"Inderdaad wisten wij echter niet, wat wij eigenlijk doen zouden. Als +echt dwaze en onbezonnen knapen, hadden wij, zonder een bepaald +plan, de Kaap verlaten, en nu namen de moeilijkheden en bezwaren, +waaraan wij blootstonden, van dag tot dag toe. Ten laatste hielden +wij het toch voor het verstandigst, om den weg naar de Kaapstad +terug te zoeken en ons weder als gevangenen uit te leveren, want wij +waren dat eeuwige zwerven nu hartelijk moe. Wat wij het allermeest +vreesden, was, dat wij dien boer te Graaf Reinet, die ons zoo gruwelijk +mishandeld had, gedood hadden; maar Hastings zeide, dat hij zich daar +volstrekt niet over bekommerde, dat het zijne zaak was en dat hij de +verantwoordelijkheid geheel op zich nam. + +"Zoo namen wij dan nu afscheid van onze Gorraguas, die zeer verblijd +waren, dat wij hun al de knoopen, die wij missen konden, tot een +geschenk gaven. Wij trokken naar het zuidoosten, zoodat wij de zeekust +bereiken en tegelijk ook zuidwaarts gaan konden. + +"En nu, mijne vrienden, kom ik aan een allerdroevigst ongeluk, dat +ons al spoedig overkwam. Twee dagen nadat wij onze reis weder hadden +aangevangen, leidde onze weg ons over eene met hoog gras begroeide +vlakte. Op eens zagen wij daar een leeuw voor ons, die een hert, +dat hij gedood had, verslond. + +"Romer, die Hastings en mij een tiental passen vooruit was, verschrikte +zoo op dat gezicht, dat hij zijn geweer op het dier afschoot; dit +was een groote dwaasheid van hem, die wij ook afgesproken hadden, +altijd te zullen vermijden; want met zulke geringe krachten, als +wij hadden, was het nooit geraden een zoo machtig dier tegen ons in +woede te brengen. De leeuw was licht gekwetst. Met een gebrul, dat +men zekerlijk wel een uur ver hooren kon, sprong hij op Romer los en +rukte hem door een enkelen slag met zijn klauw uit den zadel en op den +grond neer. Onze paarden, die beefden van angst, sprongen achteruit, +terwijl het vreeselijke dier zich kennelijk gereedmaakte, om ook +ons aan te vallen. De leeuw had reeds een sprong naar ons gedaan, +doch onze paarden ontrukten ons aan het gevaar, en wij konden hen in +hunnen loop niet eer tot staan brengen, voordat wij voor het minst +een half uur van de plaats verwijderd waren. + +"Eindelijk kregen wij hen tot staan en zagen in het rond. Daar +ontdekten wij den leeuw, hoe hij juist Romers paard had neergeworpen +en het lichaam van dat arme beest in een soort van galop wegsleepte +alsof hem dat in 't geheel niet zwaar viel. Wij wachtten, tot hij +ver genoeg verwijderd was, en reden toen naar de plaats terug, waar +Romer was gevallen. Daar lag onze arme makker bebloed en zonder leven: +de eerste slag van den leeuwenklauw had hem het hoofd verbrijzeld. + +"Wij waren niet eens in staat om onzen ongelukkigen kameraad te +begraven. Evenwel bedekten we zijn lijk met eenige struiken en keerden +het met diep bedroefd hart den rug toe. Ik voor mij schreide wel een +vol uur lang, terwijl wij verder reden. Hastings sprak geen enkel +woord, totdat het tijd werd, dat wij onze paarden rusten lieten. + +"Ik heb vergeten u te zeggen, dat de Gorraguas ons geraden hadden niet +langer bij nacht, maar bij den dag te reizen; en zoo hadden wij hun +raad ook opgevolgd. Niettegenstaande het verschrikkelijk ongeluk, +dat ons getroffen had, geloof ik toch, dat hun raad verstandig en +goed gemeend was; want wij ondervonden, dat de leeuwen, zoo dikwijls +wij bij nacht reisden, ons meer dan anders vervolgden. + +"Drie dagen na Romers dood kregen wij voor het eerst den wijden +oceaan weer te zien. Het was ons daarbij alsof wij een ouden vriend +ontmoetten. Wij hielden ons dicht aan het strand, maar ondervonden +spoedig, dat wij ons daar niet zoo gemakkelijk als dieper landwaarts +in van wild tot ons voedsel en van hout tot onze vuren 's nachts +voorzien konden, en besloten derhalve de kust andermaal te verlaten. + +"Wij hadden eene uitgestrekte, eentonige vlakte door te trekken +en waren door honger reeds geheel uitgeput, want in geen twee +dagen hadden wij iets over de lippen gehad, toen wij eindelijk een +struisvogel ontmoetten. + +"Hastings maakte er met zijn paard jacht op, maar tevergeefs, want +de struis kon veel harder loopen dan het paard. Ik bleef achter +en ontdekte tot mijn groote blijdschap het nest van den vogel, met +dertien groote eieren daarin. + +"Hastings kwam spoedig terug; zijn paard was geheel vermoeid en buiten +adem. Wij zetten ons neder, maakten vuur aan en braadden twee van de +eieren, 't geen een heerlijk maal voor ons was. Daarop namen wij nog +vier eieren mede en braken weder op. + +"Nog drie volle weken hadden wij niets dan moeite en ellende door te +staan. Op zekeren morgen eindelijk kregen wij den Tafelberg in het oog +en waren zoo verheugd op dat gezicht, alsof wij de witte krijtrotsen +van Engeland vóór ons hadden gehad. In de hoop van nog vóór den nacht +in onze oude gevangenis gemakkelijk onder dak te zullen komen, dreven +wij onze paarden aan, doch toen wij de baai naderden, zagen wij van +de schepen op de reede de Engelsche vlag waaien. + +"Dat te zien verbaasde ons zeer. Een weinigje later ontmoetten wij +echter een Engelsch soldaat en van dezen vernamen wij, dat de Kaap +reeds voor ruim zes maanden door onze troepen veroverd was. Welk +een blijde verrassing dat voor ons was, kunt gij u gemakkelijk +voorstellen. Wij reden de stad binnen en meldden onszelven dadelijk +aan bij de hoofdwacht. De gouverneur liet ons bij zich komen, hoorde +onze geschiedenis en zond ons tot den admiraal, die ons dadelijk aan +boord van zijn eigen schip opnam. + +"En nu, Willem ben ik hier aan eene goede plaats om af te +breken. Bovendien moet gij thans tamelijk vermoeid zijn en dus zal het +'t best zijn, dat we allen ons bed opzoeken." + + + + + + + +NEGEN-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK. + +FLINKS VERDERE REIZEN EN AVONTUREN. + + +Daar er voor het oogenblik juist geen noodzakelijk werk te doen was, +namen Flink en mijnheer Wilson den volgenden morgen de vischlijnen op, +om den voorraad in hun vijver te vermeerderen. Het weder was bijzonder +fraai, en Willem vergezelde hen, om van de frissche lucht te genieten, +die tegenwoordig de beste medicijn voor hem was. + +Toen zij den tuin voorbijkwamen, bemerkten zij, dat de zaadgewassen +reeds een of twee duim boven den grond waren opgeschoten en dat, +naar 't scheen, alles tierig opkwam. Terwijl de beide mannen aan +'t visschen waren, zat Willem rustig bij hen en vroeg aan zijn vader: + +"Van de eilanden hier in de nabuurschap zijn zeker vele bewoond,--is +'t niet vader?" + +"O ja; maar die hier het naast om ons waarschijnlijk niet. Althans +heb ik nooit van reizigers gehoord, die op de eilanden, op een waarvan +wij thans wezen moeten, bewoners gevonden hebben." + +"Welke soort van menschen zijn toch wel de eilanders in deze zeeën?" + +"Ze zijn van heel verschillenden aard. De Nieuw-Zeelanders zijn +in beschaving het verst gevorderd; maar toch moet men nog altijd +menscheneters onder hen vinden. De bewoners van van-Diemensland en +Australië behooren tot denzelfden stam, maar staan op een zeer laag +standpunt,--waarlijk weinig hooger dan de dieren des velds. Ik geloof, +dat zij de ruwsten en onbeschaafdsten zijn van heel het menschelijk +geslacht." + +"Met uw verlof, mijnheer," viel Flink hem in de rede, "maar ik heb +die menschen zelf gezien en geloof toch een volk te kennen, dat +wel niet zoo talrijk is, maar met de dieren des velds toch nog meer +overeenkomst heeft dan die Zuidzee-eilanders. Ik heb hen eens van +mijn leven gezien en hield hen ook wezenlijk op 't eerste gezicht +voor beesten en niet voor menschelijke wezens." + +"Waarlijk, Flink? En waar was dat wel?" + +"Op de groote Andamans-eilanden, aan den mond van de Baai van +Bengalen.--Eens dat het een storm woei, lieten wij het anker vallen te +Port Cornwallis,--eene zoo kostelijke haven, dat de gansche Engelsche +vloot er wel in schuilen kon,--en den volgenden morgen ontdekten +we enkele zwarte schepsels, die onder de boomen het dichtst op het +strand op handen en voeten omkropen. Wij namen onze kijkers in de +hand,--want we waren nog wel een paar mijlen van den wal af,--en +toen ze recht overeind gingen staan, merkten wij eindelijk, dat het +werkelijk menschen waren." + +"Zijt gij ook met hen in nadere aanraking gekomen?" + +"Neen, mijnheer, ik zelf niet. Maar te Calcutta ontmoette ik een +soldaat, die eenmaal met hen verkeerd had. De Oostindische Compagnie +had namelijk vroeger het plan gehad, om een post op die eilanden achter +te laten en had daartoe eenige troepen afgezonden. De man vertelde +mij, dat zij twee van dat volkje hadden opgevangen: die waren niet +meer dan vier voet lang en uiterst dom en onnoozel. Ze hadden geene +kleeren of iets aan het lijf, hadden geene huizen of hutten, om in +te wonen en al wat ze deden was, dat ze wat struiken en takken op +elkaar stapelden, om daarachter te schuilen tegen het booze weer." + +"Hadden zij ook wapens?" + +"Ja, mijnheer; ze hadden boog en pijlen, maar die waren zoo ellendig +en zoo zwak, dat ze er niets anders dan zeer kleine vogels mee dooden +konden. Bij de landing van ons volk hadden de eilanders al hunne +pijlen op onze soldaten afgeschoten, maar onze soldaten trokken die +weer heel bedaard uit hunne kapotjassen, want ze waren niet dieper +doorgedrongen." + +"Nu, naar uwe beschrijving geloof ik zeker, dat die schepsels der +Andamans-eilanden op een nog lager trap dan de Nieuw-Hollanders +staan. Maar wat deden onze landslieden met de beide gevangenen, +die zij toen opgebracht hadden?" + +"Zij lieten hen weer loopen, mijnheer, want de stumpers aten niets, +spraken geen woord en zouden zeker gestorven zijn, als men hen langer +had vastgehouden." + +"Waar kwam het volk, dat deze eilanden bewoonde, vandaan, vader?" + +"Dat is moeilijk te zeggen, Willem; men gelooft over het algemeen, +dat zij zoo langzamerhand, evenals ons eiland hier, bevolkt werden, +namelijk door lieden, die in booten en kano's de hooge zee op waren +gedreven en evenals wij hun leven door eene landing in zekerheid +brachten." + +"Ja, ja," zeide Flink, "zoo zal het waarschijnlijk wel geweest +zijn. Zoo moeten ook de Andamans-eilanden door een slavenschip, dat +negers aan boord had en gedurende een typhon op de kust schipbreuk +leed, bevolkt zijn geworden." + +"Een typhon, wat is dat, Flink?" + +"Zooveel als een orkaan, Willem; hij verheft zich in Indië doorgaans +bij het omslaan der passaatwinden." + +"Ja, ge gebruikt zulke vreemde woorden, passaatwinden, wat zijn +dat weer?" + +"Dat zijn winden, die zekere maanden van het jaar bestendig uit ééne +hemelstreek blazen en dan omslaan of omspringen, om juist in eene +tegenovergestelde richting voort te waaien." + +"Zijn dat misschien die zelfde passaatwinden, waarvan ik onzen armen +kapitein Osborn na onze afvaart van het eiland Madera hoorde spreken?" + +"Neen, deze zijn eene bijzondere soort van passaatwinden. Zij waaien +alleen aan den evenaar, eenige graden ten noorden en zuiden er van, +en houden altijd, den loop der zon volgende, de richting van het +oosten naar het westen." + +"Is het misschien de zon, die deze winden veroorzaakt?" + +"Ja, mijn jongen," antwoordde de vader. "De groote hitte in de +keerkringslanden verdunt de lucht, en zoo ontstaan de passaatwinden +daardoor, dat bij de omwenteling der aarde frissche lucht in de plaats +der verdunde treedt. Ook in eene kamer zult gij opmerken dat bij een +groot vuur een gestadige luchttocht naar den haard plaats vindt. Op +gelijke wijze is de zonnehitte de oorzaak der passaatwinden in de +keerkringsstreken." + +"Ja, beste Willem, me dunkt, ge begrijpt dat nu wel," nam Flink +het woord: "en de passaatwinden veroorzaken ook den zoogenaamden +golfstroom. De winden, die op den Atlantischen Oceaan gedurig den +loop der zon volgen en in de streek van het oosten naar het westen +waaien, hebben natuurlijk een grooten invloed op de zee en dringen +deze in de Golf van Mexico op, waar zij door de kusten van Amerika +wordt opgehouden, zoodat het water in die golf ettelijke voeten hooger +is, dan in het oostelijke gedeelte van den Atlantischen Oceaan. Deze +opeenhooping van water moet natuurlijk ergens een afloop hebben, en +zoo ontstaat de zoogenaamde golfstroom, waardoor de wateren zich uit de +Golf noordwaarts uitgieten, langs de kusten van Amerika voortstroomen, +zich dan naar het westen keeren, zoodat zij niet ver van Newfoundland +voorbijspoelen, tot eindelijk hun stroom in het noorden van de Azoren +of Westelijke eilanden nagenoeg ophoudt. Ge zult u wel herinneren, +op den dag dat wij onze reis berekenden, die eilanden op de kaart +gezien te hebben." + +"De golfstroom," voegde de heer Wilson er bij, "is altijd eenige graden +warmer, dan de zee over het geheel, en de reden daarvan moet wezen, +dat het water in de Golf van Mexico door de ongewone zonnehitte, die +daar heerscht, meer dan andere plaatsen verwarmd wordt. Men herkent +dien stroom aan het zeegras, dat hij op de oppervlakte van het water +met zich voert." + +"Heel goed, vader. Maar wat verstaat men dan onder de land- en +zeewinden in West-Indië en andere heete landen?" + +"Daaronder verstaat men den wind, die op bepaalde uren van den dag +eerst van het land naar de zee en dan omgekeerd van deze naar het +land waait, zoodat hij gedurende de vierentwintig uren regelmatig +afwisselt. Ook dit verschijnsel is een gevolg van de zonnehitte. De +zeewind begint des morgens en gaat liggen tegen den middag; waarop +de landwind een aanvang neemt en tot middernacht aanhoudt." + +"En dan zijn er," zeide Flink, "in de nabuurschap van de passaatstreken +enkele breedten, waar de wind zeer onbestendig is en menig schip al +weken achtereen in de windstilte moest blijven liggen. Dat is telkens +eene ware ramp voor de manschap, want het water aan boord wordt dan +doorgaans geheel opgebruikt en men heeft vreeselijk van de hitte te +lijden. Men noemt die breedten de paardebreedten--waarom, dat weet ik +zelf niet recht; ik denk haast, omdat men paarden, als men die aan +boord heeft en zulk eene windstilte invalt, natuurlijk het eerste +opoffert, als er gebrek aan water komt. Doch 't wordt tijd, dat wij +opbreken, en ook Willem mag nu wel weer stilletjes in huis gaan." + +Zoo keerden zij gezamenlijk terug naar hunne woning, en na het +avondeten ging de oude stuurman met zijn verhaal aldus voort: + +"Ik ben gebleven bij het oogenblik, dat ik op het admiraalsschip +gezonden en als kajuitsjongen onder de manschap opgenomen werd. Vier +jaren omtrent bleef ik op dit schip, kwam in dien tijd van haven tot +haven, van land tot land, totdat ik een stevige flink uit de kluiten +gewasschen knaap werd en als matroos in den bezaansmast geplaatst werd. + +"Dat beviel mij nu recht goed. Ik deed mijn plicht, en het gevolg was, +dat ik nooit straf kreeg. Op een oorlogsschip behoeft men namelijk +nooit voor straffen bevreesd te zijn, als men zijn werk maar doet, en +dit valt niemand heel zwaar, 't Is heel anders op koopvaardijschepen, +waar zoo weinig matrozen zijn: daar heeft men de handen altijd vol +werk. Natuurlijk vindt men ook op oorlogsschepen enkele kapiteins, +die bijzonder streng en hard zijn, echte bulderbasten, zooals wij +matrozen ze noemen. Ik had evenwel het geluk om onder een zeer braven, +menschlievenden kapitein te dienen, die, ofschoon hij geen verzuim +door de vingers zag, toch heel ongaarne strafte. + +"Het eenige, wat mij zwaar op het hart lag, was, dat ik nooit naar +Engeland komen en mijne moeder terugzien kon. Ik had twee of drie +brieven geschreven, maar geen antwoord ontvangen. Ten laatste werd +ik zoo ongeduldig, dat ik besloot, bij de eerste gelegenheid, die +zich aanbood, op mijn eigen houtje de reis naar huis aan te nemen. + +"Onze post was toenmaals in West-Indië en ik hield met Hastings, +die even vurig als ik verlangde weg te komen, gedurig raad over het +geval. Wij kwamen eindelijk overeen, dat wij bij de eerste de beste +kans de hielen zouden lichten. + +"Ten laatste kwamen wij in Port-Royal op het eiland Jamaica voor anker. + +"Daar lag destijds ook een groot konvooi Westindievaarders, die +gereed waren, om met hunne lading suiker oogenblikkelijk onder zeil +te gaan. We wisten, dat men ons, zoodra wij maar op een dier schepen +komen konden, zorgvuldig tot aan het uur van het anker lichten aan +boord zou verbergen, omdat daar gebrek aan matrozen was, doordien +onze kapitein zooveel volk, als hij maar machtig kon worden, voor +zichzelven geprest had. + +"Wij hadden slechts ééne mogelijkheid te ontkomen:--wanneer we namelijk +bij nacht naar een van die schepen toe zwommen, wat vrij gemakkelijk +te doen was, daar ze pas honderd meter van ons fregat verwijderd +lagen. Het eenige, dat we vreesden, waren de haaien, die zich daar +op de reede in menigte vertoonden. Evenwel waren wij zoo ongeduldig +om onze vlucht door te zetten, dat wij ons door geen gevaar lieten +afschrikken, en zoo besloten wij ten laatste, in den nacht vóór het +uitzeilen der koopvaardijschepen het waagstuk te ondernemen. + +"Het was tegen de hondewacht--alles herinner ik mij nog zeer goed en ik +zal er mijn leven lang aan denken, alsof het gisteren gebeurd was--toen +wij ons zachtjes bij den boeg van het schip lieten neerzakken. Zoodra +wij in 't water waren, zwommen wij op den Westinjevaarder aan, die +het dichtst bij ons lag. + +"De schildwacht op de loopplank bemerkte de kabbeling van het water, +dat door ons zwemmen in beweging kwam, en terstond hoorden wij hem ons +aanroepen. Wij gaven natuurlijk geen antwoord, maar repten armen en +beenen wat wij konden, want kort na het aanroepen van den schildwacht +vernamen wij gerucht en begrepen daaruit heel goed, dat de officier +van de wacht eene sloep strijken en ons vervolgen zou. + +"Ik was Hastings eenige meters vooruit en had juist het kabeltouw van +den Westinjevaarder in de hand, met het voornemen om er mij bij op te +halen, toen ik een luiden gil achter mij hoorde. Toen ik mij omkeerde, +zag ik een haai, die mijn armen Hastings tusschen de tanden greep en +met hem onderdook. + +"Ik was zoo ontsteld, dat ik een tijdlang bijna geen lid kon +verroeren. Eindelijk raapte ik mijne hersens weer bijeen en begon, +zoo vlug als ik kon, bij het touw op te klauteren. Ik had dan ook +waarlijk geen tijd te verliezen, want juist schoot een tweede haai +op mij los. Ik was wel al meer dan twee voet boven water, maar toch +sprong hij omhoog en pakte nog even mijn schoen bij den hak, die hij +terstond mee in de diepte sleepte. + +"De schrik gaf mij krachten en twee minuten later was ik dan ook al +voor de kluisgaten [9]. De matrozen op het schip hadden ons van boven +gezien, en waren getuigen van Hastings akeligen dood geweest. Zij +hielpen mij aan boord en verborgen mij terstond omlaag, want de boot +van het fregat was dicht achter mij. + +"Toen de officier van de wacht aan boord kwam, vertelden zij hem, +hoe zij ons dicht bij hun schip gehoord en gezien hadden, toen wij +door de haaien werden ingeslokt.--Het volk in de boot had Hastings' +gillen duidelijk gehoord, en zoo geloofde de officier ook terstond, +dat wat men hem op de mouw speldde waarheid was, en roeide zonder +zelfs onderzoek te doen, naar het fregat terug. + +"Ik kon hooren, hoe de trom op het fregat al het volk op het dek riep, +daar men toch eerst weten moest, wie de beide menschen waren, die zoo +dat wegzwemmen gewaagd hadden. Een minuut of wat daarna werd er weer +afslag getrommeld, en dus wist ik, dat de namen van mij en van den +armen Hastings voortaan met een dubbele D op de scheepslijst stonden. + +"Maar wat beduidt zoo'n dubbele D.?" vroeg Willem. + +"D. alleen beteekent: deserteur; D. D. wil zeggen, dat men ook goed +en wel dood is. + +"Het was wel een wonder, dat ik zoo goed ontkwam, en nog uren nadat het +gebeurd was, kon ik er mij zelf geen begrip van maken. Ik wou slapen +maar ik kon niet; het was alsof mij 't hart werd toegeknepen. Telkens, +als ik zou inslapen, verbeeldde ik mij, dat de haai mij beet had +gepakt, met luid geschreeuw sprong ik dan op en zocht opnieuw den +slaap te vatten, maar dit lukte niet. + +"De kapitein van mijn nieuw schip vreesde eindelijk, dat mijn +geschreeuw op het fregat gehoord zou worden, en zond mij een glas +rum, dat ik uitdrinken moest. Dit bracht mij eindelijk tot rust en +ik verzonk in diepe slaap. + +"Toen ik ontwaakte, had het schip reeds de ankers gelicht en alle +zeilen bijgezet. Nog wel honderd en meer schepen gingen met ons mede +en de oorlogsschepen, die ons konvooi vergezelden, losten gedurig +de stukken en gaven elkaar daar seinen door. Het was wezenlijk een +prachtig gezicht. + +"Zoo stuurden we dan met vroolijk hart op het lieve Oud-Engeland +aan. Ik gevoelde mij zoo gelukkig, dat ik, om in vrijheid te komen, +nog gaarne eens al de haaien van de wereld zou hebben getrotseerd. Nu +ging het op het vaderland aan, nu zou ik, na lange afwezigheid, +mijne bekenden weer zien en mijne lieve moeder nog eens omarmen!" + +"Gedurende de reis deed ik mijn best als voormarsgast op het schip, +en de kapitein was zeer met mij ingenomen. Aan den onderbootsman, +die een Schot en een bijzonder vriendelijk en braaf man was, had ik +mijne avonturen verteld. Hij deed mij begrijpen, hoe dwaas en slecht +ik gehandeld had, toen ik al, wat mijne moeder en Masterman voor mij +doen wilden, zoo roekeloos in den wind sloeg. Ik voelde dat hij gelijk +had, en verlangde vuriger dan ooit mijne moeder weer eens in de armen +te sluiten en haar vergiffenis te vragen voor al wat ik had misdaan. + +"Het schip, waarop ik mij bevond, was naar Glasgow bestemd. + +"Bij North Foreland stuurden wij van het groote konvooi af en kwamen +gelukkig in de haven. De kapitein bracht mij bij het kantoor van het +schip, dat mij voor mijne diensten gedurende de overvaart vijftien +pond [10] uitbetaalde. Zoodra ik dat geld in handen had, repte ik mij, +wat ik kon, naar Newcastle. Ik had boven op den postwagen [11] eene +plaats genomen en raakte daar al spoedig in gesprek met een heer, +die naast mij zat. Ik merkte, dat hij te Newcastle thuis behoorde, +en mijn eerste vraag was, of hij daar ook zekeren mijnheer Masterman, +den scheepsbouwmeester kende." + +"O ja, dien heb ik best gekend; maar hij is nu omtrent een maand of +drie dood." + +"En wie waren zijne erven dan?" vroeg ik. "Hij was immers heel rijk +en had niemand, die hem in den bloede bestond?" + +"Ja, familie had hij niet," gaf die heer mij ten antwoord; "hij +vermaakte dan ook zijn heele vermogen aan de stad, onder voorwaarde, +dat men daarvoor zieken- en armhuizen zou oprichten. In den laatsten +tijd had hij, geloof ik, nog een deelhebber in zijne zaak, en dien gaf +hij zaak en winkel over, omdat hij geen familie had en 't aan niemand +anders geven kon. Vroeger was hij, zooals ik zeker weet, van voornemen +om al zijn geld en goed na te laten aan een knaap, die Flink heette, +en hem eens uit het water had geholpen, maar die jongen liep weg, +ging op zee en heeft sedert niets meer van zich laten hooren. Men +is zijn spoor gevolgd en gelooft, dat hij in gevangenschap bij de +Hollanders gestorven is. Die dwaze jongen;--hij kon tegenwoordig een +man van stand en vermogen zijn!" + +"Ja waarlijk, hij deed zeer dwaas!" was mijn antwoord. + +"Ja, maar niet alleen zichzelven, ook anderen heeft hij daardoor kwaad +gedaan. Zijne arme moeder was heel sterk aan hem gehecht geweest; +zij tobde en kwelde zich toen zij zijn verlies vernam, en had rust +noch duur meer, voordat...." + +"Gij wilt toch niet zeggen, dat zij dood is?" riep ik en vatte den +vreemdeling bij den arm. + +"Ja," zeide hij en zag mij verwonderd aan, "zij stierf heel spoedig +na den heer Masterman." + +"Ik zonk op de pakkage neer en zou van den wagen gevallen zijn, als +de ander mij niet gegrepen had. Hij riep den koetsier toe, dat hij +moest stilhouden. Samen richtten zij mij toen weer op en brachten +mij binnen in het rijtuig. Gelukkig was daar niemand in; want ik was +geheel buiten mijzelven en weende en klaagde luid, zoodat zij diep +medelijden met mij hadden." + +Flink scheen door zijn verhaal zoo aangedaan dat mijnheer Wilson hem +voorstelde, voor heden af te breken en zich met de overigen ter ruste +te begeven. + +"Ik dank u, mijnheer. Gij hebt gelijk; zoo zal het wel beter zijn, +want nog gevoel ik, dat mijne oude oogen van tranen overloopen. Het +is iets vreeselijks, als men zich in later dagen verwijten moet, +dat eigen dwaze levenswandel den dood van eene zoo goede liefhebbende +moeder verhaasten moest. Bij mij was dit het geval, mijn beste Willem, +en uit liefde tot u ben ik daar zoo openhartig voor uitgekomen. Ik +zeide u vroeger reeds, dat eenige gedeelten mijner levensgeschiedenis +u tot waarschuwing dienen konden. Zorg dus, dat ik ze u niet tevergeefs +verteld heb, maar houd ze getrouw in 't geheugen." + + + + + + + +VEERTIGSTE HOOFDSTUK. + +FLINKS BEROUW. GELUKKIGE WENDING VAN ZIJN LOT. + + +Den volgenden morgen bracht Juno voor het ontbijt in haar schort zes +eieren mee, die zij in het hoenderhok gevonden had. + +"Kijk, mevrouw, kijk een beetje--kippen eieren leggen--gauw heelen +boel hebben voor massa Willem en heelen boel voor kleine kippetjes." + +"Gij hebt toch niet alle uit de nesten genomen, Juno; dat deedt gij +immers niet?" + +"Neen, mevrouw, ikke laten liggen in ieder nest één, dat oude kip +zien kan." + +"Best, meid; dan zullen wij ze voor onzen Willem klaarmaken, zooals +gij zegt en hopen dat zij hem zijne krachten teruggeven zullen." + +"O, ik ben weer heel gezond en sterk, moeder," gaf Willem ten +antwoord. "Ik geloof, dat 't beter zou zijn, als ge de eieren aan de +hoenders tot uitbroeden overliet." + +"Neen, Willem, het is van veel meer belang, dat gij recht spoedig +weer gezond wordt, dan dat wij zoo spoedig kuikens krijgen." + +"Thomas ook heel graag eieren lust," begon de kleine mee te spreken. + +"Ja, ja; maar Thomas kan er nog dadelijk geen krijgen. Thomas is +niet ziek." + +"Thomas buik doet o zoo zeer," antwoordde de guit. + +"Ik vrees zeer, Thomas, dat gij een kleine leugenaar zijt. Ook zouden +eieren voor die buikpijn zeer nadeelig zijn." + +"Thomas krijgt ook hoofdpijn," klaagde de knaap. + +"Eieren deugen niet voor hoofdpijn, Thomas," antwoordde zijn vader. + +"Ach, Thomas is zoo ziek!" zuchtte de dreumes opnieuw. + +"Dan moet Thomas naar bed gaan en een lepel ricinusolie innemen." + +"Thomas lust geen ricinusolie; Thomas lust alleen eieren." + +"Ja, maar Thomas krijgt geen eieren," gaf de vader ernstig ten +antwoord; "en dus kan hij zijne jokkens wel voor zich houden. Als wij +eens eieren genoeg hebben, dan zal Thomas er ook een hebben--als hij +een brave jongen is, maar anders ook niet." + +"Ik heb Caroline het opzicht over de hoenders gegeven," vervolgde de +vader, "en zoo dunkt mij, behoort ook het bewaren van de eieren tot +haar post. Mijn kind begint zoo al heel nuttig voor ons te worden." + +De twee volgende dagen waren de beide mannen in den tuin met het +wieden van het onkruid bezig, dat te gelijk met de ontkiemende +zaaigewassen begon op te schieten. Gedurende dezen tijd ging Willem +met zijn herstel spoedig vooruit. + +De beide eerste dagen bracht Juno regelmatig elken morgen drie eieren +uit het hoenderhok mede; maar op den derden morgen was er geen enkel +te vinden. Ook op den vierden dag schenen de vogels niet gelegd te +hebben, waarover mijnheer Wilson zeer verwonderd was, daar de hennen +toch gewoonlijk, als zij eens beginnen te leggen, daarmede geregeld +voortgaan. Op den vijfden morgen zaten allen aan het ontbijt. Slechts +Thomas kwam niet opdagen, zoodat zijne moeder vroeg, waar hij dan +toch stak. + +"Ik vermoed, mevrouw," zeide de oude Flink lachend, "dat onze sinjeur +vandaag zoomin aan het ontbijt als aan de middagtafel zal verschijnen." + +"Hoe meent gij dat, Flink?" vroeg de moeder. + +"Welaan, mevrouw, ik zal 't u vertellen. Het kwam mij vreemd voor, dat +er nu al een paar ochtenden geen eieren gevonden waren, en ik dacht +of de hoenders ze ook misschien weggelegd konden hebben, waarom ik +dan gisterenavond uitging, om er naar te zoeken. Ik kon geen eieren +ontdekken; maar daarentegen vond ik weldra de doppen, zorgvuldig +onder wat kokosbladeren weggestopt. Nu begreep ik dadelijk, dat een +roofdier, als er zoo een op het eiland was en de eieren gekaapt had, +de doppen althans niet zoo zorgvuldig verbergen zou. Zoo sloot ik +dan van morgen de deur van het hok en liet slechts het kleine luikje +open, waardoor de hoenders naar binnen kruipen. Ik zelf plaatste mij, +nadat zij van stok waren, achter de boomen en wachtte af, wat er +verder gebeuren zou. Weldra zag ik sinjeur Thomas komen aansluipen +en op het hok losgaan. Hij wilde eerst de deur openen, maar vond die +gesloten; zoo kroop hij door het kleine luikje in het hok. Zoodra +hij daar binnen was, liet ik den grendel vallen, maakte dien met een +spijker vast en zoo zit Thomas nu in zijn eigen strikken gevangen." + +"En hij zal ook den ganschen dag daarin blijven, die kleine +snoeper!" riep mijnheer Wilson hartelijk lachende. + +"Ja, ja, dat is zijn verdiend loon en zal een goede les voor hem zijn," +sprak zijne moeder. "We zullen doen, alsof wij niets van hem merken, +al klaagt en jammert hij ook uren achtereen." + +"O massa Thomas, ikke heel blij, dat jij eindelijk betrapt. Mooie +ding dat, de eiers opslobberen!" jubelde Juno. "Nu jij niets te eten +krijgt,--jij dat ook prettig vindt, he?" + +Mijnheer Wilson, Flink en Willem gingen als gewoonlijk aan hun +werk. Mevrouw was met Juno en de kleine Caroline te huis bezig. Thomas +hield zich wel een uur lang doodstil, totdat hij eindelijk luidkeels +begon te schreeuwen. Dat baatte hem echter weinig, want niemand +stoorde zich aan hem. Toen de etenstijd naderde, begon hij opnieuw +te brullen; doch met hetzelfde gevolg. Eerst tegen den avond werd de +deur van het hoenderhok geopend en kreeg de kleine dief vergunning om +voor den dag te komen. Hij keek verlegen op zijn neus en zette zich, +zonder een woord te spreken, in een hoekje neder. + +"Nu, jongeheer, hoeveel eieren hebt gij vandaag gediefd?" vroeg Flink. + +"Thomas wil geen eieren meer snoepen," was zijn beschaamd antwoord. + +"Ja, ja, dat zal ook wèl zoo goed zijn," antwoordde zijn vader; +"want anders zult ge spoedig ondervinden, dat gij, in plaats van +meer dan anderen te krijgen, integendeel heel weinig te eten krijgt, +gelijk dat vandaag het geval is geweest." + +"Maar ik heb van middag nog geen eten gehad," zeide Thomas. + +"Voor vandaag krijgt gij ook geen middageten, daar kunt gij staat +op maken. Wij kunnen u onmogelijk middageten en eieren te gelijk +geven. Begint gij te schreeuwen, dan zal ik u dezen nacht in het +hoenderhok opsluiten. Gij moet thans geduldig tot het avondeten +wachten." + +Thomas begreep, dat aan de zaak niets te veranderen viel en wachtte +dus met hangende lip tot het avondmaal op tafel kwam. Toen zocht hij +zijne scha rijkelijk in te halen. + +Na het avondeten ging Flink met zijne geschiedenis aldus voort: + +"De laatste maal heb ik u verteld, hoe ik van dien heer op den +postwagen te weten kwam, dat mijne arme moeder, ten gevolge van +kwelling en verdriet over mijn weggaan, gestorven was. Hoe 't met +mij gedurende die reis gesteld was, kan ik niet beschrijven. Ik was +vreeselijk bedroefd en verslagen totdat wij eindelijk te Newcastle +aankwamen, waar ik alle omstandigheden omtrent de ziekte en den dood +van mijne moeder vernemen kon. + +"Toen de postwagen stilhield, kwam de heer, die onderwijl buitenop +was blijven zitten, aan het portier, gaf mij de hand en zei mij: + +"Als ik wel heb, zijt gij Masterman Flink, die eens het ruime sop +ingingt; of vergis ik mij misschien?" + +"Neen, mijnheer," zei ik heel verslagen, "ik ben het wezenlijk." + +"Welnu, wees dan maar zoo neerslachtig niet, jonkman," antwoordde +hij mij. "Destijds toen ge van huis liept, waart ge nog een jongen +zonder verstand en hadt er geen begrip van, dat uwe moeder zooveel +om u te lijden zou hebben, als ze werkelijk deed. 't Was niet zoozeer +uw wegloopen, dan wel de tijding van uw dood, wat haar zoo verslagen +maakte, en daaraan hebt gij geen schuld. Ge moet thans met mij meegaan, +want ik heb u nog veel dingen te zeggen." + +"Ik zal morgen bij u komen, mijnheer," antwoordde ik. "Voordat ik mijne +oude buren bezocht heb en op 't graf van mijne lieve moeder geweest +ben, kan ik toch niets aanvangen, 't Is waar, 't was niet opzettelijk, +dat ik moeder zoo ongelukkig maakte, en aan 't gerucht van mijn dood +heb ikzelf ook geen schuld; maar toch weet ik wel heel goed, dat zij, +als ik niet zoo gedaan had, nog wel in het leven gebleven en misschien +een heel gelukkig mensch wezen zou." + +"Uit kleine oorzaken, mijn beste Willem, komen vaak de droevigste +gevolgen voort, en als wij, bij het doen van iets, eerst nadenken +wilden, wat er de gevolgen wel van konden zijn, zonden wij ons veel +wroeging en veel berouw in het leven kunnen besparen. + +"Die heer gaf mij zijn adres op, en ik beloofde dat ik den volgenden +morgen bij hem zou komen. Toen ging ik naar het huis, waar mijne moeder +gewoond had. Ik wist wel, dat zij daar niet meer was, en toch was 't of +mijn hart ineenkromp, toen ik daar hardop praten en lachen hoorde. Ik +gluurde eens naar binnen; want de deur stond juist open. In den hoek, +waar mijne moeder altijd placht te zitten, stond een groote mangel, +waaraan twee vrouwen bezig waren. Aan de ronde tafel, die ik ook nog +kende, stonden twee meisjes te plooien en te stijven en zij riepen +me toe, "wat er van mijn dienst was?" Ik keerde het huis den rug toe +en ging bij een buurman, die ik wist dat een goede kennis van mijne +moeder was geweest. + +"De vrouw was thuis, maar herkende mij niet, zoodat ik haar eindelijk +zeggen moest wie ik was. Zij had mijne moeder tot aan haar sterfuur +opgepast en vertelde mij al wat ik verlangde te weten. + +"Het gaf aan mijn beklemd hart eenige verlichting, toen ik vernam, dat +mijne arme moeder ook zonder mijne schuld wel niet lang meer geleefd +zou hebben, daar zij aan een ongeneeslijke kanker leed; doch tegelijk +vertelde de vrouw mij, dat zij onophoudelijk aan mij gedacht had en dat +mijn naam het laatste woord op hare lippen geweest was. Ik hoorde ook, +dat mijnheer Masterman haar veel goedheid en genegenheid betoond had. + +"Het goede mensch zette hare muts op en geleidde mij naar het graf der +overledene, waar zij mij op mijn verlangen alleen liet. Ik zette mij +op den grasheuvel neder, die het gebeente mijner moeder overdekte. Met +een getroffen hart zat ik daar en weende lang en bitter. + +"Het was reeds geheel donker, toen ik eindelijk het kerkhof verliet +en naar de vriendelijke vrouw terugkeerde, die mijne moeder had +opgepast. Ik sprak met haar en haar man tot laat in den nacht, en +daar zij mij een bed aanboden, bleef ik onder hun dak slapen. + +"Den volgenden morgen ging ik uit, om volgens mijne belofte aan +den heer, met wien ik den vorigen dag gereisd had, een bezoek te +brengen. Op het bordje aan zijne deur zag ik, dat hij notaris was. Hij +verzocht mij plaats te nemen, sloot toen de deur zorgvuldig toe en +deed mij allerlei vragen, om zich te overtuigen, dat ik werkelijk +Masterman Flink was. Toen berichtte hij mij, dat hij mijnheer +Masterman's boedel onder zijn beheer gehad en bij het doorzoeken der +papieren een document gevonden had, dat voor mij van groot gewicht +was, daar uit dat geschrift bleek, dat de verzekering van het schip, +'t welk zooals ik vroeger reeds verteld heb, aan mijn vader en mijnheer +Masterman toebehoord had en vergaan was, niet voor mijnheer Masterman's +aandeel alleen, maar ook voor dat mijns vaders had gegolden, zoodat +die mijnheer mijne moeder haar aandeel bedriegelijk onthouden had. + +"Hij zeide dat papier korten tijd na mijnheer Masterman's dood +in eene geheime schuiflade gevonden te hebben. Daar mijne moeder +nochtans overleden was en hij ook mij voor dood hield, had hij niet +kunnen besluiten, om eene zoo onaangename zaak bekend te maken; +maar nu ik weder was opgedaagd, oordeelde hij, dat zijn plicht van +hem eischte het gansche geval open te leggen. Hij bood zich aan, +om de zaak voor mij bij de heeren te bezorgen, aan wie mijnheer +Masterman zijn gansche vermogen had overgedragen, om daarvoor armen- +en ziekenhuizen te doen bouwen. + +"De verzekering van het schip bedroeg, zeide hij, drie-duizend pond; +een derde deel daarvan kwam aan mijn vader toe, wat alleen duizend, +en met de renten van zoovele jaren, ver over eene som van tweeduizend +pond uitmaakte. + +"Dit was natuurlijk eene zeer aangename tijding voor mij, en gij kunt +wel begrijpen, dat ik zijn voorstel dadelijk gretig aannam. Hij ging +terstond aan het werk, vervoegde zich bij den raad van beheer en legde +aan de heeren het bewijs voor; en allen stemden aanstonds overeen, +dat het geld mij eerlijk toekwam en ook zonder uitstel aan mij moest +worden uitbetaald. + +"Zoodra het geld in mijne handen was, begon ik dat op allerlei dwaze +manieren weg te gooien. Tot mijn geluk, kwam echter in de eerste +dagen de Schotsche bootsman te voorschijn als de beschermengel, +die mij redden wilde. + +"Zoodra ik hem het voorgevallene verteld had, sprak hij zeer verstandig +met mij, bracht mij onder het oog, dat ik thans in de gelegenheid +was, om mij voor mijn gansche leven een zeker bestaan te verschaffen, +en gaf mij den raad, om voor mijn geld een aandeel in een schip te +koopen, onder voorwaarde, dat ik er zelf de kapitein van zou wezen. + +"Die inval beviel mij zeer goed. Ik zag wel in, dat ik wederom zeer +onverstandig gehandeld had, en besloot zijn raad te volgen. Eene +enkele zwarigheid hield mij tegen; ik was namelijk nog zeer jong, +pas twintig jaren oud, en had vroeger een schip wel heel goed weten +te sturen, maar mij in den laatsten tijd weinig daarop toegelegd. + +"Ik deelde Sanders, zoo heette de bootsman, mijn bezwaar mede; maar +hij stelde mij gerust en sloeg mij voor, dat, als ik hem als eerste +stuurman wilde aanstellen, ook die moeilijkheid uit den weg zou zijn +geruimd, daar hij met het roer goed wist om te gaan en mij terstond +op de eerste reis de stuurmanskunst wel in den grond zou leeren. Zoo +kwam dan eindelijk alles in orde. + +"Gelukkig had ik nog niet boven de honderd pond van mijn geld verteerd, +wat evenwel voor dien tijd negentig pond te veel was. Ik keerde naar +Glasgow terug, in gezelschap van Sanders, en deze gaf zich alle moeite +om naar een geschikt schip om te zien. + +"Eindelijk vond hij er een, dat tot het van stapel loopen gereed en, +ten gevolge van een door het kantoor, dat het gebouwd had, geleden +bankroet, te koop was. Hij won berichten en vernam, dat eene zeer +goede en aanzienlijke firma het vaartuig waarschijnlijk koopen zou, +en toen deed hij mij een voorslag om een vierde deel in het schip te +nemen en daarover als kapitein bevel te voeren. + +"Sanders was algemeen geacht en bezat ieders vertrouwen. Zijne +aanbeveling had dan ook tengevolge, dat de onderhandelende partijen +mij verlangden te zien en te spreken. Hoe jong ik ook was, schenen +zij toch met mij tevreden, en de koop kwam werkelijk tot stand. + +"Ik stortte mijn aandeel, dat in twee-duizend pond bestond. Zoodra +het schip van stapel was geloopen, deed ik met Sanders, dien ik +tot eersten stuurman gekozen had, alle moeite om het spoedig geheel +zeilree te maken. Het huis, dat het schip met mij had aangekocht, +was eene Westindische firma, en zoo werd onze bodem natuurlijk tot +de vaart op West-Indië bestemd. + +"Na het betalen van mijn aandeel, bleven mij nog drie- of +vierhonderd pond over. Deze besteedde ik tot den aankoop van +speculatie-goederen voor mijne eigene rekening en het verschaffen van +zeemans-instrumenten en dergelijke. Ook aan mijne eigene uitrusting +liet ik het niet ontbreken. Want ziet gij, Willem, ofschoon Sanders +mij zoo ernstig vermaand had, voortaan verstandiger te zijn, was ik +toch bij de gedachte, dat ik nu kapitein van mijn eigen schip was, +niet weinig opgeblazen. Voor iemand, die kort te voren nog jongen in +den bezaansmast van een oorlogsschip geweest was, was de verandering +dan ook werkelijk al te spoedig en te groot. + +"Ik kleedde mij zeer netjes, droeg fijne overhemden en ringen +aan de vingers; ik trok zelfs handschoenen aan, om witte handen te +krijgen. Inderdaad, als kapitein en deelhebber van een fraai schip was +ik ook een man van gewicht en werd door de overige scheepseigenaars +dikwijls aan tafel genoodigd. Bovendien kon ik het zeer goed doen, +want buiten de winst, die mijn eigen handel afwerpen kon, had ik +ongeveer tien pond als kapitein en daarbij nog het vierde deel aan +de gezamenlijke winsten. + +"Dezen tijd kan ik als den voorspoedigsten van mijn gansche leven +beschouwen, en ik zal daar nu bij blijven stilstaan, ofschoon ik wel +vooruit zeggen kan, dat mijne fortuin niet van langen duur bleef." + + + + + + + +EEN-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK. + +SLOT VAN FLINKS VERHAAL. + + +Den volgenden dag waren zij bezig met op het kronkelpad, dat naar +het magazijn leidde, de wortels der omgehouwen kokosboomen weg te +ruimen. Zoodra dit gedaan was, richtte Flink nevens dat magazijn een +bliksemafleider op, gelijk hij er bij het woonhuis reeds een gezet had. + +Zij hadden nu eindelijk al het werk, dat zij zich gedurende den +regentijd voorgenomen hadden, tot stand gebracht. De schapen hadden +lammeren geworpen; maar die zoowel als de geiten, begonnen gebrek aan +voeder te krijgen. Eene gansche week lang viel er geen regen meer; +de zon verspreidde reeds krachtige warmte en Flink was van oordeel, +dat de regentijd voorbij moest zijn. + +Willem was weder volkomen hersteld en kon in zijn ongeduld nauwelijks +afwachten, dat men het voorgenomen tochtje over het eiland ondernemen +zou, waaraan hij natuurlijk vurig wenschte deel te nemen. Na rijp +beraad werd eindelijk besloten, dat Flink en Willem de eerste wandeling +naar het zuiden doen en zoodra mogelijk terugkeeren zouden, om te +berichten of zij ook wat nieuws ontdekt hadden. + +Op een Zaterdagavond werd dit besluit genomen; des Maandags morgens +zouden beiden opbreken. De reiszakken werden met gekookt pekelvleesch +en platte koeken, die Juno bereid had, rijkelijk gevuld. Ieder zou +zich van een geweer met kruit en lood voorzien; ook zouden zij eene +wollen deken medenemen, om zich bij nacht daarin te wikkelen. Flink +vergat ook zijn kompas en handbijl niet, om weder, evenals op hun +eersten tocht, de boomen in het wond daarmee te merken. + +De gansche Zondag werd tot het in orde brengen van het noodige +besteed. Na het avondeten, begon de goede oude man: + +"Nu, Willem, voordat wij onze reis aanvangen, kan ik mijne historie nog +wel ten einde brengen. Ik heb niet veel meer te vertellen, want mijn +goed geluk duurde niet lang, en na mijne lange Fransche gevangenschap +was al mijn volgend leven eene voortdurende verwezenlijking van het +spreekwoord: Van den regen in den drop, of: Van den wal in de sloot. Ik +bleef er bij staan, hoe ik dat aandeel in het koopvaardijschip gekocht +had en naar mijne gedachten op den besten weg was om mijn fortuin te +maken. Laat mij dus voortgaan. + +"Ons schip was eerlang gereed, en zoo zeilden wij in eene groote vloot +naar Barbados uit. Sanders bewees spoedig een kundig zeeman te zijn, +en voordat wij te Barbados aankwamen, had ik van hem al de kundigheden +verkregen, die ik noodig had, om mijn schip zelf behoorlijk te sturen +en te regeeren. + +"Sanders zocht de oude ernstige gesprekken te hernieuwen; maar mijn +vermogen had mij te ijdel gemaakt, en nu, daar ik mij ook zonder zijn +bijstand tot mijne taak in staat achtte, hield ik mij niet alleen op +een afstand van hem, maar zocht zelfs den baas over hem te spelen. Zoo, +beste Willem, beloonde ik de goedheid, die hij mij altijd had bewezen, +met den snoodsten ondank. Helaas, dat is in de wereld maar al te +dikwijls het geval. + +"Sanders was daar zeer bedroefd over, en bij onze aankomst te Barbados +zeide hij mij, dat hij besloten had het schip te verlaten. Ik +antwoordde hem op hoogen toon, dat hij in alles naar zijne vrije +verkiezing handelen moest. Wat mij het meest daartoe bewoog, was, +dat ik in het hart vurig wenschte van hem ontslagen te worden, alleen +omdat ik gevoelde hem dank verschuldigd te zijn;--met beschaming erken +ik dat, mijn beste Willem. Zoo verliet hij mij dan ook wezenlijk, +en ik was uiterst tevreden, dat hij het deed. + +"Mijn schip had weldra zijne volle lading suiker en wachtte tot eene +groote koopvaardijvloot de vaart naar Engeland zou aannemen. Ik had te +Barbados gelegenheid gevonden om vier metalen kanonnen aan te koopen, +die ik terstond op mijn dek bracht, terwijl ik mij rijkelijk van +de noodige munitie voorzag. Ik was geweldig trotsch op mijn schip +omdat het zich op de heenreis zulk een vluggen zeiler had betoond; +het had zich werkelijk beter gehouden, dan menig oorlogsschip van ons +konvooi, en daar ik nu zelfs nog stukken aan boord had, meende ik van +vijandelijke kaperschepen volstrekt niets meer te duchten te hebben. + +"Wij wachtten nog altijd op ons konvooi, dat evenwel misschien nog +wel een veertien dagen uitblijven kon. In dien tusschentijd brak een +hevige storm los, die mijn schip met de meeste overige vaartuigen +van de ankers sloeg en ons allen gezamenlijk uit de Carlislebaai +dreef. Wij waren genoodzaakt met alle kracht van zeil weer op de +haven aan te sturen, want de storm hield nog met groote woede aan. + +"Ik zelf was 't hartelijk moe, zoo lang op het konvooi te wachten; +daarbij wist ik nog, dat, als ik vóór de overige Westindievaarders +in Engeland aankwam, dit mij tot groot voordeel kon strekken, en zoo +besloot ik dan, om in plaats van andermaal in de baai terug te keeren, +liever zonder bedekking naar Engeland koers te zetten en mij op de +snelle vaart van mijne kiel en op de stukken, die ik aan boord had, +te verlaten. Ik vergat daarbij, dat de verzekering van mijn schip en +lading in Engeland enkel voor het geval was, dat ik in gezelschap +voer, en dat, indien ik die voorzorg verzuimde, in geval van een +ongeluk ook de gansche verzekering nietig zijn zijn moest. + +"Dus ging ik dan naar Engeland onder zeil. Drie weken lang ging alles +uitmuntend: wij ontmoetten slechts zeer weinig schepen. Die, welke +jacht op ons maakten, waren niet tegen ons opgewassen en konden ons dus +niets doen. Reeds stuurden wij met den besten wind op het Kanaal aan, +en ik twijfelde niet meer, of tegen den avond zouden wij de gewenschte +haven binnenloopen, toen ons een Fransche kaper in het gezicht kwam +en aanstonds jacht op ons maakte. Wij waren gedwongen, om bij den wind +te sturen; die woei zeer hard en nam al spoedig onze groote steng weg. + +"Dat was voor ons het grootste ongeluk, dat men zich voorstellen +kon. De kaper kwam nu al nader, achterhaalde ons en tegen den avond +was ik een doodarm Fransch gevangene, want de verzekeringsgelden had +ik verbeurd, omdat ik zonder bedekking het ruime sop was ingegaan. + +"Ik begreep wel, dat ik al mijn ongeluk aan mijzelven te wijten had. In +allen gevalle werd ik hard genoeg gestraft, want bijna zes volle jaren +verzuchtte ik in akelige gevangenschap. Eindelijk waagde ik met drie +of vier rampgenooten de vlucht te beproeven. Wij hadden duizenderlei +ellende door te staan en kwamen eindelijk op een Zweedsch schip, +zonder geld, ja bijna zonder een hemd aan het lijf, om ons tegen de +koude te bedekken, in Engeland aan. + +"Mij bleef natuurlijk niets overig dan op een ander schip naar een +plaatsje om te zien. Ik wou tweede stuurman worden; maar niemand wilde +mij aannemen. Ik zag er daartoe al te haveloos en te ellendig uit, +en om niet van honger en gebrek om te komen, besloot ik dan eindelijk +mij als gemeen matroos vóór den mast te laten aanwerven. + +"Er lag een fraai schip in de haven. Daarheen ging ik, om mijne +diensten aan te bieden. De bootsman ging om den kapitein te halen, +en toen deze aan boord kwam, herkende ik--wien denkt gij wel?--niemand +anders dan Sanders! + +"Ik hoopte nog, dat hij mij niet zoo dadelijk zou kennen. Doch bij den +eersten oogopslag zag hij, wie ik was en reikte mij de hand toe. Ik +had wel in de zee willen wegzinken! Nooit in mijn leven was ik zoo +beschaamd en verlegen, als op dat oogenblik. + +"Sanders merkte dat wel en bracht mij in zijne kajuit. Daar vertelde +ik hem alles, wat met mij gebeurd was. Hij scheen vergeten te hebben, +dat ik mij zoo slecht en gemeen jegens hem gedragen had; hij bood +mij eene plaats op het schip aan en schoot mij zelfs geld voor, +om mij weer nieuw in de kleeren te steken. + +"Evenwel, of hij mijn vroeger gedrag al vergeten wou, ik kon dat niet +vergeten. Ik kwam er openlijk voor uit en smeekte hem om vergiffenis. + +"Deze brave man bleef, zoolang hij leefde, mijn beste vriend. Ik +werd na eenigen tijd zijn tweede stuurman en wij raakten weer op een +vertrouwelijken voet met elkander. Mijn ongeluk had mij nederig en +deemoedig gemaakt. + +"Na zijn dood bleef ik nog een tijdlang tweede stuurman op zijn schip, +doch in 't eind werd een ander voor mij voorgetrokken. Sedert dien +tijd diende ik als gemeen matroos op verschillende schepen. Overal +werd ik geacht en goed behandeld. Ik gevoelde mij, durf ik wel zeggen, +nergens ongelukkig, want ik zag recht goed in, dat rijkdom mij slechts +tot dwaasheden verleiden zou. + +"Nu, beste Willem, kent gij de historie van Masterman Flink. Ik +hoop dat zij hier en daar iets bevat, wat voor u op den duur nuttig +kan worden. Ik ben thans nog maar een oud man, 't leven en de +vermoeienissen zat; mijne eenige hoop is in vrede te sterven en nog +tot aan dat oogenblik nuttig te kunnen zijn." + +"Nuttig zijt gij werkelijk in eene hooge mate geweest," zeide mevrouw +Wilson, met tranen in de oogen; "en ik hoop, oude, beste vriend, +dat gij nog een langen tijd leven en een hoogen, gelukkigen ouderdom +bereiken zult." + +"Dank u wel, mevrouw," hernam Flink; "maar over 't algemeen hebben +de matrozen geen zeer lang leven. En waarlijk, ik zou 't overschot +van mijne dagen ook zeer gaarne op dit kleine eilandje ten einde +brengen. Ik weet, dat gij overigen daar heel anders over denkt, en dat +is ook zeer natuurlijk. Ik ben al een oud man en heb niets te wachten, +voor niets te zorgen; al, wat ik begeer, is nuttige bezigheid. Gij +zijt in vergelijking van mij allen nog jong en wacht nog veel van de +toekomst. Om uwent-, maar niet om mijnentwil hoop ik van harte, dat +men ons zoeken en vinden zal, zoodat gij weer in de woelige wereld +kunt terugkeeren. Ik voor mij zal gaarne 't overschot van mijn leven +op dit eiland slijten en hoop, dat die kokostakken eens over mijn +graf zullen wuiven. Ik weet niet, maar ik heb er een zeker voorgevoel +van, dat dit ook werkelijk zoo gebeuren zal, en ik kan wel zeggen, +dat die gedachte in zeker opzicht een troost voor mij is." + +"Neen, neen, daaraan moet gij volstrekt niet denken!" riep de heer +Wilson. "Gij moet eens met ons terugkeeren en uw ouderdom in ons +midden doorbrengen. Gij moet uw zeemansleven opgeven, u aan onzen haard +nederzetten, als gij wilt, en in onzen tuin u in de zon koesteren. Gij +hebt behoefte aan rust en ik vertrouw zeker dat gij nog een gelukkigen +ouderdom zult beleven. In allen gevalle zal het mijne schuld niet zijn, +als die hoop van mij niet vervuld wordt." + +"De mijne evenmin," voegde zijne vrouw er bij; "ik zou ontroostbaar +zijn, als gij ooit van ons heengingt." + +"Ik dank u, mevrouw en ook u, mijnheer, van ganscher harte voor uwe +goede bedoeling.--Beste Willem, wij moeten voor dag en voor dauw op +en daar wij allen nog eerst samen ontbijten zouden, wordt het thans, +dunkt mij, hoog tijd, om eens met ons hoofdkussen te spreken." + +"Gij hebt volkomen gelijk," antwoordde mijnheer Wilson. + + + + + + + +TWEE-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK. + +TWEEDE UITSTAPJE DOOR HET EILAND. + + +Den volgenden morgen waren allen zeer vroeg op en ontbeten nog met +elkander. De gebakken visch smaakte kostelijk; Thomas at zoo gulzig, +dat hij bijna aan eene graat gestikt was, die hem in de keel bleef +steken. Juno deed lang vergeefsche moeite om er met den vinger bij te +komen. Mevrouw Wilson was in grooten angst totdat het Juno eindelijk +gelukte haar met den wijsvinger los te krijgen. + +Geweren, reiszakken en al het benoodigde tot de reis waren reeds vooraf +klaargemaakt, en zoo stonden Willem en Flink eindelijk van tafel op, +namen hartelijk afscheid van de achterblijvenden en begaven zich +op weg. + +De zon scheen helder, de lucht was reeds tamelijk warm; de dansende +golven van den oceaan glinsterden in de verte en de kokosboomen +schommelden hunne gekuifde kruinen in den zachten wind. Met een +vroolijk hart, braken zij op en riepen de beide herdershonden. Ook +Vixen wilde meegaan, maar moest tot bewaking van de familie +achterblijven. + +Het magazijn voorbij, ging het den tegenoverliggenden heuvel op, +het bosch in en weldra werden de bijlen losgemaakt, om de boomen +daarmede te merken. Flink haalde zijn zakkompas voor den dag en +regelde daarnaar de richting van den weg, dien zij nemen wilden. + +Een tijdlang ging het zoo voort, zonder dat men een woord sprak, +rechts en links werd de boombast met de bijl geteekend, totdat Flink +andermaal staan bleef, om naar zijn kompas te zien. + +"Mij dunkt, Flink, het bosch is hier dichter, dan ik het nog ergens +gezien heb," zeide Willem. + +"Ja, ja, gij hebt gelijk. Naar 't mij voorkomt, moeten wij thans +omtrent midden op het eiland in het dichtste deel van het woud +zijn. Dat zal wel spoedig blijken. We moeten ons wat meer naar +het Zuiden richten; daarbij zal het goed zijn, dat we stevig +doorstappen. Hoe verder we komen, des te minder hebben we te doen, +en we kunnen dan ook rustig samen praten." + +Zoo stapten zij een half uur wakker voort. Gelijk Flink gezegd had, +werd het bosch allengs minder dicht, maar toch konden zij niets dan +kokosstammen ontdekken. Het was geen lichte arbeid, ieder oogenblik +nieuwe boomen te merken, en het zweet liep hun tappelings over het +gezicht, zoo zwaar begon hun dat ten laatste te vallen. + +"Me dunkt, Willem, we moesten eens eene minuut of wat uitrusten, +want anders wordt gij al te moe. Ge zijt nog niet zoo sterk, als gij +vóór uwe ziekte waart." + +"Ik ben niet meer zoo goed aan het werk gewoon als vroeger, en +daarom ben ik nu gauwer moe, Flink," antwoordde Willem en droogde +zich het gezicht met zijn zakdoek af, terwijl hij zijn geweer tegen +een boomstam zette. "Ik heb er niets tegen, dat we eens een poosje +uitblazen. Hoe lang, denkt ge, zal het nog duren tot we het bosch +achter den rug hebben?" + +"Me dunkt, geen half uur meer; of misschien zijn wij er schielijker +uit. Ik weet niet, hoe ver het bosch zich in deze richting uitstrekt." + +"Wat denkt ge dan zoo al daar achter te vinden?" + +"Dat is moeilijk te zeggen. Ik kan alleen zeggen wat ik hoop te +vinden, namelijk een ruim, vlak grasveld tusschen het bosch en de +kust, waar onze schapen en geiten weiden kunnen. Dan was het ook +mogelijk, dat wij buiten de kokossen nog andere boomen, heesters +en struiken vonden; tot hiertoe hebben wij niets dan kokosboomen +en ricinusstruiken gezien. Weet gij nog wel Willem, hoe Thomas het +van de bessen te kwaad gehad heeft? 't Is onmogelijk te bepalen, +mijn jongen, hoe menigerlei zaadkorrels door vogels of door wind en +baren wel hierheen gebracht zijn." + +"Ja, maar zouden die zaken ook opkomen?" + +"Wel zeker, Willem. Ik heb mij wel eens laten vertellen, dat vele +zaadkorrels honderden jaren onder den grond kunnen zitten en later, +als de zon er op schijnt, toch nog opkomen!" + +"Nu herinner ik mij," antwoordde Willem, "dat mijn vader mij eens +vertelde, hoe een gerstekorrel, die voor drie of vier duizend jaren +met eene Egyptische mummie begraven was, zelfs na dien langen tijd +nog opkwam, nadat men haar in den grond had gestoken." + +"Wat is dat eene mummie, Willem? Van Egypte heb ik wel gehoord: dat is +het land, waar de kinderen Israëls gevangen waren en waar zij later +uittrokken. Dat alles lezen wij in den Bijbel, en ook van de zeven +plagen, waarmede Pharao bezocht werd, totdat hij het Joodsche volk +gaan liet." + +"Ja, ja; hij verdronk met zijn gansche leger, omdat hij hen +achtervolgde en weder terugdrijven wilde.--Eene mummie, Flink, is +het lijk van een mensch, dat na den dood met verschillende specerijen +ingebalsemd wordt, om het tegen verrotting te bewaren. Ik heb er nog +nooit eene gezien, maar weet uit de boeken, dat de Egyptenaren hunne +lijken zoo plachten in te balsemen.--Maar kom, nu kan ik, dunkt mij, +wel weer verder gaan." + +"Goed, Willem; hoe eer wij het bosch achter ons hebben, des te beter +voor ons." + +Zonder oponthoud zetten zij na hunne wandeling voort, en ze waren +nog geen kwartier verder, of Willem riep: + +"Flink, ik zie den blauwen hemel! We zijn het bosch weldra ten einde, +en ik ben daar hartelijk blij om, want mijn arm doet mij zeer van +dat aanhoudend kappen." + +"Mij gaat het niet beter, Willem. Ik ben waarlijk even blij als gij; +want het werken heeft mij ook vermoeid. Evenwel moeten wij daarmee +nog voortgaan, want anders vinden we onzen weg niet terug, als wij +dien noodig hebben." + +Tien minuten later hadden zij het kokosbosch achter zich en kwamen +te midden van manshooge struiken zoodat zij niet zien konden, hoe +ver zij nog van de kust verwijderd waren. + +"Nu, Goddank," riep Willem en wierp de bijl op den grond; "ik ben +blij, dat dit voorbij is. Nu zullen we ons een poosje neerzetten, +voordat wij verder gaan." + +"Dat is mij wel," zeide Flink en nam bij Willem plaats. + +"Ik voel mij heden veel meer vermoeid, dan toen wij van de andere +zijde van het eiland door het bosch kwamen. Ik geloof bijna, dat het +weer daaraan schuld is. Komt hier honden; koest daar!" + +"Het weer is toch heel mooi, Flink." + +"Nu, ja zeker; maar ik heb u, meen ik, reeds gezegd, dat de regentijd +voor de gezondheid zeer nadeelig is, en zoo denk ik wel haast, dat +ik daarvan nog niet bekomen ben. Gij hebt wezenlijk de koorts gehad +en kunt u natuurlijk niet zeer sterk voelen; maar men kan toch ook +zonder koorts aan zijne gezondheid veel geleden hebben. Ik ben een +oud man, Willem, en begin thans allerlei gebreken te voelen." + +"Me dunkt, Flink, voordat wij opbreken, moesten wij ons middagmaal +houden; dat zal ons zeker goed doen." + +"Ja, Willem, wij zullen een vroeg maal houden dan raken wij in allen +gevalle eene onzer waterflesschen kwijt. Halt! goed, dat ik het +bedenk. Daar wij toch denzelfden weg terug moeten, konden we onze +reiszakken en al 't verdere buiten de geweren wel onder deze boomen +laten liggen. Misschien ook dat wij hier wel overnachten zullen, +want ik heb uw vader stellig gezegd, dat hij ons vandaag nog niet +terug wachten moest. Aan uwe moeder wilde ik dat niet zeggen, omdat +zij altijd zoo bezorgd voor u is." + +Hierop werden de knapzakken geopend en het middagmaal gehouden, +waarvan de beide honden rijkelijk hun deel kregen. Na het eten zetten +zij hunne ontdekkingsreis opnieuw voort. Wel tien minuten lang moesten +zij zich door de hooge, dichte struiken een weg banen, totdat zij ten +laatste den uitgang bereikten en toen eene poos zonder een woord te +spreken in het rond zagen. + +De zee lag op ongeveer een halve mijl afstands voor hen: het +daartusschen liggende land was eene open vlakte met frisch, heerlijk +gras overdekt, en vormde eene voortreffelijke weideplaats. Hier en +daar was de bodem met enkele kleine boomgroepen bezet; de kust vormde +geen zandvlakte gelijk op de andere zijde, maar de klippen rezen tot +eene hoogte van twintig tot dertig voet loodrecht uit de zee op en +waren op vele plaatsen met een vreemde, sneeuwwitte stof overdekt. + +"Zie, Flink," begon Willem eindelijk, "daar zou nog voeder genoeg +voor onze kudde zijn, ook als zij tienmaal zoo sterk werd." + +"Ja, ja, mijn jongen; dat is een groot geluk, en wij hebben alle reden +om dankbaar daarvoor te zijn. Dat is juist wat wij noodig hadden. Laat +ons nu echter wat verder gaan en die boomgroepen onderzoeken, om te +zien, waaruit ze bestaan. Ik zie daar een groot, breed blad, dat ik, +als ik mij niet bedrieg, al dikwijls meer gezien heb.--Ja, Willem, +ik had wel gelijk," vervolgde hij, nadat zij de boomen, waarop hij +gewezen had, genaderd waren. "Ziehier, dat is een pisangboom. Hij bot +juist uit en zal weldra tien of twaalf voet hoog zijn. Zijne vrucht +smaakt voortreffelijk en zijne bladeren geven een uitmuntend voedsel +voor het vee." + +"Hier is een plant, die ik nog nooit gezien heb,--hier deze kleine," +zeide Willem, terwijl hij een takje afbrak en dat zijn ouden vriend +toonde. + +"Maar ik wel, Willem. Men noemt het gewoonlijk vogelpeper en de u +welbekende Cayennepeper wordt daaruit bereid. Zie, het heeft al loten; +het zal ons bij het koken goede diensten doen, daar we toch geen peper +meer overhebben. Juno zal er wat blij mee zijn. Gij kunt daar verder +uit opmaken, Willem, dat er ook vogels op dit eiland moeten zijn; +althans is dit zeer waarschijnlijk, want de zaden van al deze planten +en boomen kunnen slechts door hen hierheen gedragen zijn. Pisang +en peper dienen vele vogelsoorten tot voedsel. De zaadkorrel, welk +een dezer vogels vallen liet, is opgekomen en heeft verdere loten om +zich heen verspreid, die van jaar tot jaar in talrijkheid en grootte +toenamen. Dit is ook de reden, waarom gij ze alle in afzonderlijke +groepen hier en daar verstrooid ziet. Kijk, daar schiet eene menigte +Pisangplanten uit den bodem op; in weinige weken zullen ze een heel +bosch uitmaken." + +"En wat is dat daar voor eene stekelachtige struik, Flink?" + +"Ik zie niet zoo scherp als gij Willem, en dus dienen wij wat naderbij +te treden. Ha, ik zie het al; het is de zoogenaamde Westindische +stekelbes. Ik ben zeer blij haar gevonden te hebben, want zij kan +ons van groot nut zijn." + +"Is ze goed om te eten, Flink?" + +"Dat juist niet; ook prikt ge u met hare stekels licht in de vingers +en kunt ge ze er moeilijk weer uitkrijgen; voor de afwisseling evenwel +zal zij zoo kwaad niet smaken. Het hoofdnut brengt die struik nochtans +als heg om onzen tuin aan, tot bescherming tegen de dieren. Zij geeft +eene uitmuntende heining en wast zeer snel, zonder oppassing noodig +te hebben. Zie eens, daar staat een halve akker vol met dat gewas; +het is juist aan het bloeien toe. Laat ons nu eens naar gindsche +groep gaan en zien wat het is." + +"Wat is dat voor eene plant, Flink?" + +"Ik weet het niet, Willem; ik kan niet zeggen, dat ik ze vroeger ooit +gezien heb." + +"Dan, dunkt mij, zal ik 't best doen, al de planten, die gij niet +kent, te verzamelen en aan vader te brengen. Hij is een groot vriend +van de kruidkunde en zal ons wel weten te zeggen wat ze zijn." + +"Braaf! Dat zullen wij doen; dat is een recht goede inval van u." + +Willem plukte een tak van de onbekende plant af en nam dien mede. Bij +de naaste groep bleef Flink staan en beschouwde haar lang met groote +opmerkzaamheid. + +"Wacht, laat zien," zeide hij eindelijk; "dezen boom geloof ik te +kennen, althans heb ik hem meer in de heete landen gezien. Ja, ja, +ik heb 't, Willem; een guayababoom." + +"Hoe, dezelfde, uit wiens vruchten men den guayabawijn bereidt?" + +"Ja, dezelfde." + +"Nu, wat zal Thomas watertanden, als hij daarvan hoort! Kapitein +Osborn gaf ons op onze reis eens guayabamost te proeven, en Thomas +wilde er al meer van hebben, zoo smaakte die hem." + +"Kleine jongens van Thomas' jaren denken meer aan eten en drinken +dan aan iets anders; dat is natuurlijk, en wij moeten Thomas daarom +niet hard vallen. Hij zal mettertijd een fiksche jongen worden; +geloof dat vrij, Willem!" + +"O zeker, dat hoop ik ook, Flink, en ik twijfel er ook in 't geheel +niet aan. Willen we thans verder gaan?" + +"Ja; maar welken kant zoudt ge 't liefst gaan?" + +"Laat ons in de richting van deze vijf boomen voortloopen en dan tot +aan de klippen afdalen. Ik zou gaarne weten hoe het komt, dat die +zoo wit zijn." + +"Komaan dan, als gij het zoo verkiest, beste jongen." + +"Hé, Flink! wat is dat voor een rumoer? Luister, dat geschreeuw! Dat +moeten apen zijn." + +"Neen, neen, dat zijn geen apen; ik wil u wel aanstonds zeggen, wat +het is, ofschoon ik nog niets zie.--Papegaaien zijn 't,--ik ken hen +aan hun geschreeuw. Zie, Willem, het is niet heel waarschijnlijk, +dat apen hierheen gedwaald zouden zijn, maar wel vogels, en aan hen +zijn wij de pisangs en guayaba en al de andere vruchten verschuldigd, +die wij misschien nog ontdekken zullen." + +Zoodra zij onder de boomen kwamen, ontstond er een oorverdoovend +gefladder en geschreeuw. Meer dan driehonderd papegaaien vlogen +krijschend op en hunne fraaie groene en blauwe pluimen schitterden +prachtig in de stralen der zon. + +"Zeide ik het niet, Willem? Nu, dat is eene kostelijke ontdekking en +kan ons van tijd tot tijd aan eene keurige pastei helpen." + +"Pastei, Flink? Gebruikt men hen dan tot pasteien?" + +"O ja, zij smaken heerlijk; in West-Indië en Zuid-Amerika heb ik er +mij dikwijls lekker op vergast. Wacht, wacht, laat ons hier nog een +eindje verder op gaan. Ik zie daar een blad, dat ik gaarne nader +onderzoeken zou." + +"De grond schijnt hier moerassig te worden, Flink, dunkt u dat +ook niet?" + +"Ja, ja; hier onder onze voeten schuilt water genoeg. Des te beter +voor ons vee; wij graven het dan eenige kommen, als het hierheen +komt. Ha! ik dacht wel, dat ik mij niet bedriegen zou. Zie eens, +Willem! dat is het allerbeste, dat we nog gevonden hebben; nu behoeven +wij niet zoo meer van onze aardappelen af te hangen." + +"Ei, wat is het dan, Flink?" + +"Yamswortels, mijn jongen, yams- of broodwortels, die men in West-Indië +in plaats van aardappelen gebruikt. Gij moet namelijk weten, dat de +aardappelen in heete luchtstreken niet lang hunne oorspronkelijke +gedaante behouden." + +"Hoe meent gij dat, Flink?" + +"Na een of twee oogsten veranderen zij in zoogenaamde zoete +aardappelen; de yamswortels zijn, naar mijn oordeel, in alle gevallen +beter." + +Op dit oogenblik wierpen de honden zich in het door de yamswortels +gevormde hooge groen en begonnen te blaffen; een poosje daarna hoorde +men een sterk getrappel en gebrom. + +"Wat is dat?" riep Willem, die zich juist op den grond gelegd had, +om de yamsplant te onderzoeken en bij dat gerucht ontsteld opsprong. + +De oude man lachte hartelijk. + +"Het is niet de eerste maal, Willem," zeide hij, "dat ze u een schrik +op het lijf hebben gejaagd." + +"Wat! onze varkens zijn het? Wezenlijk?" vroeg de knaap verwonderd. + +"Wis en zeker: zij hebben de broodwortels in den neus gekregen en +smullen er braaf van, dat moogt gij vrij gelooven." + +Flink verhief zijne stem en klapte in de handen. Weldra hoorde men +onder de bladeren een getrappel en geknor en kort daarop sprongen--niet +zes, maar over de dertig varkens, groote en kleine, uit het groen te +voorschijn; en snuivend en knorrend stoof de gansche kudde in wilden +galop langs de vlakte voort, totdat zij het kokosbosch bereikt had +en daarin verdween. + +"Maar wat zijn ze wild, Flink!" riep Willem. + +"Ja, en ze worden nog met elken dag wilder. We moeten de yamswortels +echter tegen hen omheinen, anders blijft er ons niets van over." + +"Maar ze zullen de heg vernielen, voordat die nog behoorlijk is +opgeschoten." + +"Dat zouden zij wel; maar daartegen maken wij een stevige omheining +van kokospalen en planten aan den buitenkant van die stekelbessen, +welke gij ginds gevonden hebt. Eer nog onze palen vermolmd zijn, +wassen de stekelbessen tot eene heg omhoog, waardoor geen dier kan +heenbreken.--Nu, Willem, moeten wij ons echter eens naar de kust +wenden." + +Toen zij de rotsen naderden, die op enkele plaatsen vijftig ellen +boven den rand des waters uitstaken, merkte Flink aan: + +"Nu kan ik u zeggen, jonge vriend, wat de witte plekken ginds op +de klippen te beduiden hebben. Zij zijn afkomstig van de zeevogels, +die hier ieder jaar komen nestelen en hunne jongen uitbroeden. Als +niets hun dat belet, keeren zij telkenreize naar de eigen stee terug." + +Zij bereikten weldra het bedoelde punt, dat zich uit de verte zoo +wit vertoonde; zij vonden het vol veeren en pluimen, met mest en +drek doormengd. + +"Ik zie nergens een nest, Flink: niet eens een spoor van vroegere +nesten." + +"Wel dat is ook niet mogelijk. Hun geheele nest bestaat namelijk +daarin dat zij een rond gat van een halven duim diep in den grond +krabben en dicht naast elkander gezeten hunne eieren in de kuilen +leggen. Spoedig is het tijd dat zij terugkomen; dan zullen wij hun +een bezoek brengen en van hunne eieren medenemen, zooveel als wij er +noodig hebben. Die smaken namelijk lang niet leelijk." + +"Ei, Flink, wat hebben wij vandaag al eene menigte goede dingen +gevonden. Ons uitstapje is toch waarlijk heel gelukkig uitgevallen." + +"Ja, inderdaad; bedenk slechts, mijn jongen, hoe onze hulpmiddelen hier +van jaar tot jaar vermeerderd kunnen worden, als wij maar eenigermate +vlijtig en arbeidzaam zijn." + +"Weet ge wat ik daar al dacht, Flink?--We hadden ons huis misschien +liever hier moeten bouwen." + +"O, neen, Willem; we hebben hier niet zulk zuiver water als daar, en +ook niet het zandige strand, dat ons het voordeel van een schildpad- +en een vischvijver verleent. Neen, Willem, ons vee kunnen wij hier +wel laten weiden; we kunnen hier de vruchten in het rond inoogsten en +met de arme vogels deelen; we kunnen de yamswortels en wat nog verder +nuttigs hier voor ons groeit inzamelen; maar ons huis, onze woning, +moet blijven waar het tegenwoordig is." + +"Gij hebt gelijk, Flink; maar het zal een lange weg wezen hierheen." + +"Ook dat niet, als wij er maar eerst aan gewoon zijn en een behoorlijk +pad gemaakt hebben. Bovendien kunnen wij misschien onze boot hierheen +brengen. Ik zal dadelijk maar eens langs de klippen gaan en dat +onderzoeken." + +Zij gingen nu ongeveer een half uur den zeekant langs, totdat zij +aan een punt kwamen, waar de rotsen niet meer zoo hoog waren. Daar +ontdekten zij eene kleine kom, die in de klippen was ingesneden en +slechts een enkelen ingang had. + +"Zie eens, Willem, welk eene aardige kleine haven voor onze boot. Van +hier kunnen wij haar met yamswortels laden en naar onze woonplaats +brengen, verondersteld dat wij op de zuidzijde eene doorvaart voor +haar vinden kunnen. Wij hebben daar nog niet naar omgezien, omdat +wij tot hiertoe zoo iets nog niet noodig hadden." + +"Ja, Flink, dat is waarlijk een aardig, rustig plaatsje voor onze +boot; doch hoe zullen wij het wedervinden, als wij van de andere zij +van het eiland aankomen?" + +"O, heel gemakkelijk, Willem; ik heb slechts een hoogen stok als +merkteeken op te zetten." + +"Wat is dat daar toch voor een ding, Flink?" vroeg Willem en wees op +een voorwerp in de laagte. + +"Aha, ik zie het al, jongen; dat is een zeekreeft, die zeer goed is om +te eten. 't Is wel mogelijk, dat wij dan ook nog eens een kreeftvijver +gaan aanleggen; dan kunnen wij hen in menigte vangen en krijgen een +smakelijk gerecht te meer." + +"En wat zijn dan die kleine ruwe dingen daar beneden aan de klippen?" + +"Dat is eene zeer kleine soort van oesters, die heel zoet smaken. Ze +zijn anders dan die in Europa; ze zijn veel malscher en smaken nog +veel beter." + +"Bravo, Flink, dan hebben wij weer twee nieuwe lekkernijen op onze +tafel," riep Willem verblijd uit. "Wat worden wij nog rijk!" + +"Ja, mijn jongen; maar vergeet niet, dat wij ze eerst moeten vangen, +want zonder moeite en arbeid krijgt men in de wereld niets gedaan." + +"Flink," begon Willem plotseling weder, "wij hebben nog drie volle +uren dag: willen we niet naar huis gaan en vertellen, wat we gezien +hebben? Moeder zal hartelijk blij wezen, als zij ons wederziet." + +"Met hart en ziel mijn jongen. Voor een dag hebben wij vrij wat +afgedaan; dus kunnen we nu wel terugkeeren en weer eene week te huis +blijven of althans zoolang men ons daar niet missen kan. Vruchten zijn +er bovendien toch nog niet; het eenige, waarvoor ik zorg wil dragen, +zijn de yamswortels, want ik ben bang, dat onze varkens anders met +het beste wegloopen. Doch laat ons nu op weg gaan en de zaak nader +met uwen vader overleggen." + +Terwijl Willem van het zeestrand naar het kokosbosch terugkeerde, +plukte hij van iedere plant, die hij voorbijkwam een takje af, om +dat voor zijne vader mede te nemen. Weldra vonden zij het plaatsje, +waar zij hunne knapzakken en handbijlen hadden achtergelaten. Van daar +keerden zij langs het vorige pad door het kokosbosch terug en volgden +daarbij de merken, die zij 's morgens in de boomen hadden uitgekapt. + +Een uur voor zonsondergang kwamen zij bij hunne woning aan en vonden +mijnheer en mevrouw Wilson voor de deur zitten. Juno was met de beide +kleinen aan het strand, en de dreumessen hadden dol veel pleizier +met de schelpen, die zij hier en daar op het zand vonden. Willem gaf +zijn vader nauwkeurig verslag van al wat hij ontdekt had en liet hem +de monsters van al de verschillende planten zien, die hij had opgedaan. + +"Dit hier," zeide zijn vader, "is eene algemeene bekende plant, en 't +verwondert mij, dat onze Flink haar niet kent;--'t is immers hennep." + +"Dien heb ik nooit anders dan tot touw verwerkt gezien," betuigde +Flink; "maar het zaad ken ik daarom toch heel wel." + +"Nu, als wij er van noodig hebben, kan ik u zeggen hoe men er mee +moet omgaan," antwoordde mijnheer Wilson. "Laat zien, Willem, wat +hebt ge nu?" + +"Dit vreemde, stekelachtige ding." + +"'t Is de eierplant; ze draagt eene vrucht van vorm en kleur geheel +gelijk een ei. Ik heb wel gehoord, dat die in de heete luchtstreken +wordt gegeten." + +"Ja, mijnheer, dat is ook zoo. Men legt ze in met peper en zout; +dat noemt men dan bringal. Me dunkt, dat moet het wel wezen." + +"Vast wel; ge hebt zeker gelijk," hernam mijnheer Wilson.--"Foei, +Willem, dat hier moest ge toch kennen." + +"Het heeft veel van eene wijndruif." + +"Ja; dat is het ook, 't is eene witte druif. In allen gevalle kunnen +wij ze eten en misschien ook wijn daaruit persen; wie weet!" + +"Nu heb ik nog maar ééne plant, vader. Wat is dat?" + +"Gij hebt het niet gekend, Willem, omdat het zoo hoog opgeschoten +is. 't Is niets anders dan de gewone mosterdzaadplant, die wij in +Europa in menigte aankweeken. Nu, waarlijk gij hebt uw dagwerk goed +volbracht. Kom, haast u wat, Juno, met de tafel te dekken, meid. We +gaan dus maar naar binnen; want de zon is reeds aan 't ondergaan en +over een paar minuten is het donker." + +Zoodra zij naar huis teruggekeerd waren, werd over den thans +onderhanden te nemen arbeid beraadslaagd. Na eenig overleg kwam men +overeen, dat het raadzaam zou zijn eerst de boot uit het zand op te +delven. Zoodra deze in orde was gebracht, zouden de klippenreeksen +aan de zuidzijde onderzocht worden, om te zien of er een doorgang +door te vinden was, daar het waarschijnlijk veel tijd zou wegnemen, +als men ze moest omvaren. + +Wanneer dit geschied was, wilden mijnheer Wilson, Flink, Willem +en Juno allen te zamen naar de andere zijde van het bosch gaan en +eene tent medenemen, die op den nieuw ontdekten grond zou worden +opgeslagen. Dan wilde men een vlaggestok in de kleine haven planten, +om de plaats daaraan te kunnen herkennen. Dit alles gaf natuurlijk +een vrij zwaar dagwerk; maar toch wilden zij nog den eigen avond +terugkeeren, om mevrouw en de kinderen geen nacht alleen te laten. + +Was dit gedaan, dan zouden Flink en Willem assen, raderen en andere +benoodigde dingen, als b. v. zagen, bijlen en spaden, in de boot +laden en om het eiland naar de zuidzijde roeien, om de kleine haven +op te zoeken. Terstond na hunne landing en het in veiligheid brengen +van de boot, zouden zij dan langs het woudpad naar huis terugkeeren. + +Het eerstvolgend werk zou dan zijn, het yamsplantsoen te omheinen en +tegen de verwoestingen van de varkens te beschutten. + +Tegelijk moesten de schapen en geiten door het bosch worden gedreven, +om op den nieuwen weidegrond hun voedsel te zoeken. + +De oude plek zou blijven staan en afgemaaid worden, om hooi te winnen +tegen den regentijd. Flink en Willem zouden eene genoegzame hoeveelheid +kokosboomen vellen, om voor de omheining van het yamsplantsoen te +dienen. Waren de palen eens ingeslagen, dan wilde ook mijnheer Wilson +komen en hun verder de behulpzame hand bieden. + +Dit, hoopten zij, zou alles in eene maand zijn afgedaan. Gedurende +dezen tijd konden mevrouw Wilson en Juno, die doorgaans te huis moesten +blijven, het onkruid uit den tuin wieden en de noodige toebereidselen +maken tot het planten van een heg. Zoodra dit gewichtige werk achter +den rug was, zou de boot met eene lading stekelbesstruiken voor de +tuinheg in de baai terugkeeren. + +Dan wilden zij hunne opmerkzaamheid op den voorraad richten, die uit +de schipbreuk gered was geworden en nog altijd aan de bocht, waar +zij het eerst geland waren, lag opgehoopt. Na alles onderzocht en +de bruikbare artikelen bijeenvergaderd en in het magazijn gebracht +te hebben, zouden zij vervolgens eene regelmatige opneming van het +eiland te land en te water doen en eene teekening daarvan ontwerpen, +hetgeen mijnheer Wilson zeer goed was toevertrouwd. + +Dit waren de plannen voor het schoone jaargetijde, dat thans een +aanvang had genomen. + + + + + + + +DRIE-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK. + +UITZICHT OP REDDING. + + +Als naar gewoonte was Flink den volgenden morgen de eerste, die uit +het huis kwam. Hij groette Juno, die hem op den voet volgde, en ging +toen zijne gebruikelijke morgenwandeling doen, om naar het plantsoen +en den verderen voorraad te zien. + +Eerst ging hij in den tuin aan den landpunt. Daar nam hij zich voor, +om bij de erwten, die reeds zes of zeven duim boven den grond stonden, +staken te zetten. Vervolgens bezag hij de groote boonen, die voor den +regentijd gepoot waren, en besloot de aarde er rondom om te woelen; +want dit gerecht was voor hen van veel waarde en kon gedurende den +regentijd meermalen de hoofdschotel op hunne tafel worden. Daarna +zag hij, of de augurken al boven den grond kwamen, en ontdekte tot +zijne blijdschap, dat zij welig groeiden. + +"We hebben, voor zoover ik weet, wel geen azijn om ze in te leggen," +dacht hij, "maar dat kan, zooals in Rusland, ook in zout water +gebeuren. In allen gevalle is het eene aangename afwisseling." + +Eindelijk richtte hij zijn oog naar de zee en monsterde, als +doorgaans, den voor hem liggenden gezichteinder.--Daar meende hij in +het noordwesten een schip te zien. Hij bracht zijn kijker aan het oog, +en ziedaar, hij had zich niet bedrogen,--het was inderdaad een schip +in de verte. + +Den ouden man begon het hart hevig te kloppen. Hij nam zijn kijker +onder den arm en haalde diep adem, voordat hij zich van de ontroering, +die hem bevangen had, herstellen kon. Na eene minuut zette hij den +kijker opnieuw aan het oog en thans ontdekte hij, dat eene brik met +mars- en bramzeilen regelrecht op het eiland aanstuurde. + +Flink wendde zich naar de rotspunt, waar zij gewoonlijk hun visch +plachten te vangen. Daar zette hij zich neder en gaf zich aan zijne +gedachten over. Was dat schip misschien uitgezonden, om hen in hunne +verlatenheid op te zoeken, of was het door een bloot toeval tusschen de +rotsen geraakt? Na kort nadenken, kwam hij echter tot het gevoelen, dat +slechts het toeval het herwaarts geleid had; want niemand kon immers +weten, dat zij gered waren geworden, en nog minder, dat zij zich op +dit eiland bevonden. Dat het schip op het eiland aanhield, was enkel +omdat het water of iets anders wenschte in te nemen. Misschien wilde +het ook zijne koers veranderen en het eiland slechts voorbijzeilen. + +"Nu dan, er moge gebeuren wat er wil," dacht de oude, "vooreerst +zal ik Willems ouders niets van de zaak zeggen. Het zou wreed +zijn eene hoop bij hen op te wekken, die zoo licht nog kan worden +teleurgesteld. Binnen weinig uren zal 't immers toch beslist zijn. Maar +Willem moet ik het toevertrouwen,--dat kan niet anders, hij is een +brave jongen en daarbij ook verstandig, ver boven zijne jaren. Als +hij in 't leven blijft, zal hij eens een knap en, wat meer is, een +braaf man worden." + +Met deze woorden stond Flink op, monsterde het schip nog eenmaal door +zijn kijker en ging toen naar huis. Willem was reeds op; de anderen +daarentegen waren nog bezig met zich aan te kleeden. + +"Willem," begon Flink, terwijl beiden het huis verlieten, "ik heb +u een geheim mede te deelen, dat gij vooreerst nog aan niemand +moogt verklappen, zooals gij zelf wel kunt inzien. Bovendien zullen +weinige uren de zaak beslissen." Willem gaf gereedelijk de belofte +van stilzwijgendheid. "Ginds op zee vertoont zich een schip, dat óf +een middel kan zijn om ons uit onze ballingschap te verlossen, óf in +'t ergste geval langs het eiland voorbijvaart, zonder ons gewaar te +worden. Ware dit laatste zoo, dan zou 't eene grievende teleurstelling +voor uwe ouders zijn, als zij het te weten kwamen." + +Willem staarde Flink in het gezicht en kon een tijdlang geen woord +uitbrengen, zoo groot was zijne verbazing. + +"Ach, Flink, wat zal ik dankbaar zijn! Ik hoop, dat wij eindelijk +verlost worden, want gij weet niet, hoe mijn arme vader in het geheim +lijdt--en mijne moeder niet minder." + +"Ik weet het wel, Willem, ik weet het zeer goed en vind het ook +natuurlijk. Zij zoeken hun verdriet zoo goed mogelijk te verbergen, +en meer kan men van hen niet verlangen.--Maar nu, Willem, komt het +op een rasch besluit aan: nog vóór het ontbijt moeten wij aan het +werk. Doch wacht eens,--eerst wil ik u het schip wijzen." + +Flink richtte zijn kijker op het schip, liet zijn instrument tegen +den stam van een kokosboom leunen, en toen bracht Willem zijn oog +aan het glas. + +"Ziet gij het?" + +"O ja, Flink; het komt recht op ons aan." + +"Ja, ja, het stuurt regelrecht op het eiland los. Maar spreek zoo hard +niet, mijn jongen. Ik zal den kijker hier laten; wijzelven zullen +aan het werk gaan; in het voorraadhuis vinden wij eene bijl. Kom, +Willem, gezwind, jongen, voordat uw vader buiten komt." + +Beiden gingen naar het magazijn, om de bijl te halen. Flink zocht +een zeer dunnen kokosstam aan den oever uit. Deze werd geveld en +zoodra hij van den kop ontdaan was, met Willems bijstand naar de +landpunt gebracht. + +"Nu, Willem, moet ge eene schop halen en hier een gat graven, waarin +wij dezen stam als een seinstok zetten kunnen. Is dat gedaan, dan +haal ik een klein blok en touw, om de vlaggen, zoodra het schip ze +bemerken kan, aan den stok op te hijschen. Is 't gat diep genoeg, +dat komt gij aan en doet alsof er niets is voorgevallen. Onder 't +ontbijt stel ik dan voor, dat wij beiden de boot uit het zand halen en +onderzoeken. Uw vader krijgt zoolang werk, dat hem binnenshuis houdt." + +"Maar de vlaggen, Flink,--zij hangen voor moeders bed. Hoe zullen +wij die in handen krijgen?" + +"Ik zal voorwenden, dat het nu tijd is, om het huis eens behoorlijk +schoon te maken, en daarbij moeten dan de venster- en bedgordijnen +afgenomen en op dezen mooien dag buiten gelucht worden. Verzoek +uw vader daarover het opzicht te houden, terwijl wij de boot +uitgraven. Dat zal allen in huis wel bezighouden." + +"Goed; zoo zal het gaan. Flink." + +Onder het ontbijt zeide Flink, dat hij van plan was om vandaag de +boot uit het zand te graven, en dat Willem hem daarbij best helpen kon. + +"En wat zal ik onderwijl bij de hand nemen?" vroeg mijnheer Wilson. + +"Wel, mijnheer, daar de regen voorbij is, zou het, dunkt mij, niet +kwaad zijn, dat wij de bedden eens luchtten. 't Is vandaag een warme, +mooie dag; als al het beddegoed buiten de deur gebracht en flink +uitgeklopt werd dan kon men het in de zon laten liggen, en zoo kwam +er alweder een noodzakelijk werk afgedaan." + +"Ja, ja, dat zal zeer goed zijn, Flink," oordeelde mevrouw Wilson; +"onderwijl kunnen Juno en ik het huis van boven tot beneden uitstoffen +en schoonmaken." + +"Dienden dan de gordijnen ook niet eens afgenomen en in de lucht +gehangen te worden?" vroeg Willem. + +"Ja, waarlijk, dat zou zoo kwaad niet zijn," sprak Flink. "Bij 't +afnemen der gordijnen en vlaggen willen wijzelven een handje helpen +en ze dan in de lucht uitleggen. Als mijnheer er niet tegen heeft, +kan hij het oppertoezicht over de schoonmakerij houden en mevrouw en +Juno helpen, als zij bijstand noodig hebben." + +"Van harte gaarne," was het antwoord. "Welnu, het ontbijt is +afgeloopen; zoo zullen we dan maar terstond beginnen, als ge +'t goedvindt." + +Flink en Willem namen de gordijnen en vlaggen af en droegen ze naar +buiten. Op eenigen afstand van de woning werden de eerste op den +grond uitgespreid; maar met de vlaggen liep Willem haastig naar +het strand. Flink haalde blok en lijnen om ze aan den seinstok op +te hijschen. + +Flinks krijgslist gelukte volkomen. Zonder door de familie gezien te +worden, werd de seinpaal opgericht, in den grond gezet en de vlaggen +tot optrekken gereed gehouden. Vervolgens gingen Flink en Willem +naar den houtstapel. Ieder nam zooveel rijs, als hij dragen kon, +om daarmede een rook te verwekken, die de opmerkzaamheid van het +scheepsvolk trekken moest. + +Dit alles nam niet meer dan een uur weg, gedurende welken tijd de brik +haar koers naar het eiland onafgebroken vervolgde. Toen Flink het +schip voor 't eerst gezien had, was er slechts weinig wind geweest; +onderwijl was de bries echter vrij hevig geworden en de brik had +daarom hare bramzeilen geborgen. Achter het schip was de horizon, +die in den beginne blauw en helder geweest was, allengs met wolken +bedekt geworden en de golven aan de klippen die van het eiland in de +zee uitliepen, werden met wit schuim gekuifd. + +"De wind wordt al heviger," begon Flink; "het schip moet nu weldra +bij ons zijn, als het niet afgeschrikt wordt door de riffen, die het +thans, nu de golven hoog gaan, duidelijker dan te voren bemerken kan." + +"Ik hoop niet, dat ze zich laten afschrikken," hernam Willem. "Hoe +ver mag de brik nog wel verwijderd zijn?" + +"Vijf mijlen omtrent, Willem,--meer niet. De wind is nu meer naar +het zuiden gedraaid en stapelt de wolken ras op. Ik vrees half, +dat wij een duchtigen storm krijgen, ofschoon die niet lang duren +zal. Kom, jongen, laat ons de vlaggen ophijschen; wij mogen niet +langer talmen. Ze zullen braaf in den wind wapperen, zoodat men ze +van ginds af wel al zien kan." + +Zij heschen eerst den langen wimpel op, vervolgens kwam de breede +vlag, waarop de naam van hun verloren schip, De Vrede, met reusachtige +letters geschreven stond. + +"Ziedaar," sprak Flink, nadat de touwen waren vastgebonden. "Nu zullen +we vuur slaan en terdege rook maken. Dat moet in allen gevalle hunne +opmerkzaamheid trekken." + +Zoodra de kokosbladeren in vlam stonden, werd er water op gegoten, +zoodat zij aan 't smeulen gingen en een dichte rookkolom er uit +opsteeg. + +Het schip naderde in rassche vaart. De beide toeschouwers sloegen het +met gespannen verwachting gade.--Daar op eenmaal zagen zij vader en +moeder, met Thomas en Caroline, ook Juno met den kleinen Albert op +den arm, allen met haastige schreden op het strand toesnellen. + +Ziehier, hoe dit kwam. Thomas, den arbeid moede, had het huis +verlaten en was in zijn eentje naar het strand gestapt. Daar +bemerkte hij eerst de waaiende vlaggen en eindelijk ook het schip, +dat naderde. Oogenblikkelijk rende hij naar huis terug, uit al zijn +macht roepende: "Vader! Moeder! Kapitein Osborn is er; hij komt met +een groot schip om ons te halen." Op dit bericht ijlden beide ouders +naar buiten, ontdekten het schip en de in den wind wapperende vlag +en spoedden zich, gelijk reeds gezegd is, naar Flink en Willem, +die bij den vlaggestok stonden. + +"Och, Flink! waarom hebt ge ons dat niet gezegd?" riep mijnheer Wilson +reeds van verre, geheel buiten adem. + +"Ik wenschte, dat gij het ook thans nog niet vernomen hadt, mijnheer," +antwoordde de oude man; "doch dat is te laat. Het geschiedde voor +'t overige met de beste bedoeling van de wereld." + +"Ja, waarlijk, dat is zoo, vader!" + +Mevrouw Wilson zeeg op de rots neder en brak in tranen uit; haar +echtgenoot was niet minder ontroerd en geschokt. + +"Heeft het schip ons reeds opgemerkt, Flink?" vroeg de laatste +eindelijk. + +"Neen, mijnheer, nog niet. Dit juist wilde ik afwachten, voordat ik +u de tijding kwam brengen," was het antwoord. + +"De brik verandert haar koers," merkte Willem aan. + +"Ja, ja, zij is opgeloefd, waarschijnlijk uit vrees van te na op de +klippen te zullen komen." + +"Zij zal ons toch niet verlaten?" riep mevrouw Wilson angstig. + +"Neen, mevrouw; maar men heeft ons nog niet gezien." + +"Maar nu--nu ziet men ons!" riep Willem en slingerde zijne muts in +de hoogte. "Ziet maar, de brik heeft hare vlag geheschen." + +"Waarlijk! thans heeft zij ons ontdekt." + +Mijnheer Wilson omarmde zijne echtgenoote, die zich snikkend aan +zijn hals wierp, kuste vol verrukking zijne kinderen en schudde +den ouden Flink vol dankbaarheid de hand. Hij was geheel uitgelaten +van vreugde. Willem was niet minder verrukt, Juno weende en lachte, +alles in één adem, en Thomas vatte de kleine Caroline bij de handjes +en danste met haar om den vlaggestok rond. + +Zoodra het gezelschap iets kalmer geworden was, merkte Flink aan: + +"Dat zij ons gezien hebben, mijnheer, daaraan is thans geen twijfel +meer. Wij hebben nu niets haastigers te doen, dan onze boot uit het +zand te halen. Wijzelven kennen wel den doorgang door de klippen, +maar die op het schip niet. Ik twijfel overigens, of zij wel wagen +zullen, voordat de wind eenigszins bedaard is, eene sloep naar wal +te sturen. Gij ziet zelf, mijnheer, de wind is op dit oogenblik +vrij sterk." + +"Maar gij gelooft toch niet, Flink, dat het nog harder zal beginnen +te waaien?" + +"Ik moet het u, helaas, bekennen, mijnheer,--ja, dat geloof ik. Naar +het zuiden ziet de hemel er vrij dreigend uit, en voordat de storm +voorbij is, kunnen zij zich moeielijk wagen aan een eiland, dat +gelijk het onze, zoo rondom van de klippen en riffen omgeven is. 't +Zou inderdaad hoogst roekeloos van hen wezen, als zij het deden. Doch +dit alles moet zich binnen weinige uren uitwijzen." + +"Maar zelfs als de storm losbreekt, zullen zij toch zekerlijk het +eiland niet verlaten zonder ons mede te nemen?" merkte mevrouw Wilson +aan. "Nadat de storm voorbij is, keeren zij zeker wel terug." + +Flink zeide niets. De brik had intusschen andermaal gewend, alsof +zij op het eiland wilde aansturen. Weldra echter lag zij weder den +wal uit met den steven noordwaarts. + +"Zij verlaat ons!" riep Willem bedroefd. + +"Laaghartige schurken!" viel mijnheer Wilson vertoornd uit. + +"Gij geeft hun ten onrechte een zoo harden naam, mijnheer," antwoordde +Flink. "De storm verheft zich met geweld en 't zou zeer gevaarlijk +voor hen zijn, als ze daar, waar ze thans zijn, blijven wilden." + +Mijnheer Wilson keerde zich tot zijne gade en gaf haar met een +bedrukt gezicht den arm. Zonder een woord te spreken verlieten zij +het strand. De overige familie volgde hen,--alleen Flink bleef bij +den vlaggestok achter. Hoe treurig stak deze doodsche verslagenheid +bij de luidruchtige vreugde af, waarmede zij het huis hadden verlaten! + + + + + + + +VIER-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK. + +SPOREN VAN EILANDERS. + + +Bij zijne thuiskomst vond Flink allen in zoo diepe treurigheid +verzonken, dat hij het niet raadzaam achtte een enkel woord te +spreken. Zoo viel de avond en naderde tijd om naar bed te gaan. + +Dien ganschen nacht bulderde de storm onophoudelijk door en het water +werd met emmers uit den hemel gegoten. De kinderen sliepen gerust, +zooals altijd; maar vader en moeder, Willem en Flink deden geen oog +toe, luisterden naar de windvlagen en hielden zich ieder met zijne +eigene gedachten bezig. Sedert hunne komst op het eiland was dit de +onrustigste nacht, dien zij nog beleefd hadden. + +Al vóór dag en dauw was Flink in de kleeren en reeds vóór het opgaan +der zon stond hij aan het strand. De storm had nu zijne grootste +hevigheid gehad; maar hoe angstig en scherp hij ook met zijn kijker +rondzag,--van het schip van gisteren was geen zweem meer te ontdekken. + +Hij bleef aan de kust, totdat de tijd van het ontbijt kwam; toen kwam +Willem, om hem te halen en beiden keerden naar huis terug. Bij zijne +komst vond hij mijnheer en mevrouw Wilson bedaarder en kalmer, dan zij +den dag te voren geweest waren. Beiden heetten hun hartelijk welkom. + +"Ik vrees, Flink, dat gij ons weinig goede tijding brengt," zeide +mijnheer Wilson. + +"Waarom dat? Voor 't overige kunt gij die ook niet verwachten, +voordat de storm geheel en al voorbij is." + +"Zeg mij, Flink," vroeg mevrouw, "gelooft gij waarlijk, dat het schip +tot ons zal terugkomen?" + +"Ik zal u al onze uitzichten doen kennen, mevrouw; meer kan ik toch +bezwaarlijk doen. Zoolang de storm aanhield, kon het schip hier +onmogelijk blijven; dat kunt gij zelve wel begrijpen. Wat de orkaan +ten gevolge had, weet niemand onzer te zeggen. Misschien is de brik +in onze nabijheid, als de wind gaat liggen; misschien ook werd zij +door den wind ettelijke honderden mijlen van ons weggedreven.--Dan, +mevrouw, komt de tweede mogelijkheid. Uit de nadering van het schip +tot ons eiland, leid ik af, dat het gebrek aan het water had. Nu is +de vraag of de kapitein misschien niet geraden acht, om zonder zich +verder om ons te bekommeren in de voor hem bestemde haven binnen te +loopen of op eene andere plaats water in te nemen. Gij weet, mevrouw, +dat een kapitein bovenal op 't belang van zijne reeders heeft te +letten. Wel geloof ik, dat het schip, als dat zonder nadeel geschieden +kan, ongetwijfeld zal terugkeeren. De eerste vraag is maar--of het +kan, dan komt de tweede: of de kapitein menschlievend genoeg is, +om voor ongelukkige medemenschen iets over te hebben." + +"In dat alles ligt maar weinige troost voor ons opgesloten, Flink." + +"Maar wat helpt het ook, mijnheer, of wij ons met valsche verwachtingen +vleien en de oogen verblinden?" was het antwoord. "Evenwel zelfs als +het schip zijne reis vervolgde en wij het niet meer te zien kregen, +geloof ik toch dat wij alle reden hebben om blijde te zijn." + +"En waarom dan, Flink?" + +"Wel, mijnheer, vóór de komst van dat schip wist geen menschelijke +ziel, of wij nog in leven waren of niet, en zoo zou ook niemand naar +ons gezocht hebben. Nu evenwel is dit bekend. Uit den scheepsnaam op +onze vlag weten ze wie we zijn, en als ze nu behouden in de haven +aankomen, zullen ze niet nalaten daarvan aan onze vrienden bericht +te brengen. En hebben wij niet alle reden om daarover recht verheugd +te zijn? 't Kan wezen, dat wij door dit schip niet verlost worden; +maar dan hebben wij althans alle hoop, dat een tweede naar ons wordt +uitgezonden." + +"Dat is waar, Flink. Dat had ik al vroeger moeten bedenken; maar +mijne teleurstelling en mijne wanhoop waren gisteren zoo groot, +dat ik geen redelijk mensch meer was." + +De storm hield nog den ganschen dag aan en scheen nog niet te willen +bedaren, toen zij zich andermaal ter ruste begaven. Den volgenden +morgen was Flink als naar gewoonte weder vroeg op, en ditmaal +vergezelde Willem hem naar het strand. + +"Flink! Flink!" riep Willem en wees naar de zuidoostelijke punt van +de klippen. "Wat is dat?--Zie maar! het is eene boot!" + +Flink bracht den kijker aan 't oog. "Het is eene kano, Willem; en +mij dunkt, er zijn menschen in." + +"Maar, Flink, waar kunnen die vandaan komen? Zie eens, nu zijn zij +tusschen de klippen; daar gaan zij immers te gronde. Kom, Flink, +laat ons hun te gemoet gaan." + +Zij snelden beiden naar het strand op het punt aan, waar de boot +op de branding voortdanste en wachtten totdat deze op den oever +werd geworpen. + +"Willem, die kano moet van het groote eiland ginds hierheen zijn +gedreven," zeide Flink, wederom door zijn kijker ziende. "Er zijn twee +menschen in en dat zijn inlanders. De arme schepsels worstelen hard +om hun leven en schijnen doodelijk uitgeput. Doch 't gevaarlijkste +gedeelte van de klippen hebben zij toch reeds achter zich!" + +"Ja," antwoordde Willem; "spoedig komen ze in stiller water. Die +branding hier aan het strand is evenwel toch al heel erg." + +"Die zal hun geen kwaad doen, als de kracht hun slechts niet +begeeft. Waarlijk, ze weten recht goed met hun kano om te gaan." + +Onder dit gesprek was de kano met snelheid de kust genaderd. Een +oogenblik later schoot hij door de branding heen en boorde vast in +het zand. De beide menschen daarin hadden ternauwernood nog kracht +genoeg gehad, om door de branding heen te roeien; toen dit gebeurd was, +zegen zij uitgeput op hunne riemen neder. + +"Wij zullen den kano verder ophalen, Willem. De arme schepsels kunnen +geen vinger meer verroeren." + +Nu eerst ontdekte Flink, dat de eilanders beiden van het vrouwelijk +geslacht waren. Hare gezichten waren heel getatoeëerd of met allerlei +vreemde figuren beprikt, wat haar een vreemd voorkomen gaf; maar voor +'t overige waren zij nog jong en zagen er lang niet slecht uit. + +"Zal ik naar huis loopen en wat eten voor haar halen?" vroeg Willem. + +"Ja, jongen, doe dat. Juno zal u wel wat geven, en als 't kan, +wat warms." + +Willem keerde spoedig met eene gortepap terug, die Juno nog van het +ontbijt had overgehouden en waarvan zij de wilden eenige lepels in den +mond goten, die daarna weldra eenigszins schenen te bekomen. Hierop +liet Willem den ouden Flink bij haar achter en liep naar huis, naar +vader en moeder, om die van de onverwachte gebeurtenis kennis te +geven. Kort daarna kwam hij met zijne moeder terug. De beide wilden +waren intusschen zoover gekomen, dat zij zich oprichten konden, en +allen spanden nu dadelijk hunne krachten in, om den kano zoo ver zij +konden op het land te trekken, ten einde te verhinderen, dat zij door +de golven werd in stukken geslagen. + +Zij vonden in de boot niets dan eene kleine mat, benevens de beide +riemen, waarvan de vrouwen zich bediend hadden. De laatste zoowel +als de boot zelve waren op eene heel wonderlijke wijze gemaakt. + +"Ge ziet, mijnheer," zeide Flink tot mijnheer Wilson, "de beide arme +schepsels waren zekerlijk tot bewaking in den kano achtergebleven +en zijn nu door den storm van een der zuidoostelijke eilanden +afgedreven. Ze moeten sinds eergisteren met den orkaan gekampt hebben +en hebben in al dien tijd denkelijk nat noch droog over de lippen +gehad. 't Is waarlijk een geluk voor haar, dat zij op ons eiland +aandreven." + +"Ja, inderdaad," hernam mijnheer Wilson. "Voor 't overige moet ik +evenwel zeggen, dat mij zulk een bezoek niet bijzonder verblijdt. Het +is een bewijs voor hetgeen wij tot hiertoe nog niet met zekerheid +geweten hebben, dat wij, namelijk, dichtbij buren hebben, die ons +misschien wel eens heel ten onpas met een bezoek konden vereeren." + +"Dat is licht mogelijk, mijnheer," antwoordde Flink: "maar de arme +schepsels die zoo bij ons komen aanspoelen, kunnen 't geval noch erger +noch beter maken. Misschien kan het ons zelfs tot voordeel strekken; +want als deze twee wilden Engelsch leeren, voordat hare landgenooten +ons komen opzoeken, kunnen zij ons tot tolken dienen en zoo misschien +tot de redding van ons leven bijdragen." + +"Zou zulk een bezoek dan zoo gevaarlijk voor ons uitvallen Flink?" + +"Wel, wilden zijn eens en voor al wilden. Evenals kleine kinderen, +verlangen zij naar alles wat hun in de oogen blinkt, inzonderheid +naar zulke dingen, waarvan zij het gebruik kennen, zooals ijzer bij +voorbeeld. Als zij hierheen kwamen en wij een deel van onze goederen +verborgen, maar 't overschot aan hen overleverden, dan konden wij +ons leven misschien nog redden. Evenwel kan men ook in dat geval niet +veel op hen vertrouwen, en ik zou stellig aanraden ons ook tegen eene +groote overmacht te verweren, liever dan ons op genade of ongenade +over te geven." + +"Maar, zouden we ons dan ooit met mogelijkheid tegen zulk eene groote +menigte verdedigen kunnen?" + +"We moeten behoorlijk zijn voorbereid, mijnheer. Als we ons maar goed +verschanst hebben, kunnen we het tegen een paar honderd wel opnemen." + +Mijnheer Wilson sloeg de hand aan het voorhoofd. + +"'t Is waarlijk niet heel troostrijk," zeide hij, na eene poos, +"nu op dit oogenblik aan een verdedigingsplan tegen de wilden te +moeten denken, nadat wij voor twee dagen nog hoop hadden van dit +eiland verlost te worden. O, dat die brik zich nog weer liet zien!" + +"De wind gaat langzamerhand liggen, mijnheer!" antwoordde Flink, +"nog vóór den avond hebben wij kostelijk weer. We kunnen immers later +overleggen; in allen gevalle geef ik deze eerste week alle hoop nog +niet op." + +"Eene heele week, Flink! Och, hoe waar is het, dat teleurgestelde +hoop den mensch geheel wanhopig maakt!" + +"'t Is een zware ramp, mijnheer Wilson; evenwel moeten wij ons +schikken. Voor het tegenwoordige zouden we 't best doen, als wij +deze arme schepsels maar onder dak brachten en maakten, dat ze weer +wat bijkwamen." + +"Ja, Flink; mij dunkt, teekens zullen ze toch wel verstaan?" + +De oude man beduidde haar nu door teekens, dat ze zouden opstaan. Dit +deden zij ook, hoewel niet zonder zwarigheid. Toen ging hij vooruit +en gaf haar een teeken, dat ze volgen zouden. Zij begrepen hem +en poogden te loopen, maar waren zoo zwak, dat zij op den grond +zouden zijn neergevallen, als mijnheer Wilson en zijn zoon haar niet +vastgehouden hadden. + +Er was een lange tijd noodig, voordat men haar in het woonhuis had +gebracht. Mevrouw, die van alles onderricht was, ontving haar zeer +vriendelijk, en Juno had een tafel gedekt, die nu voor haar werd +nedergezet. Zij aten een weinig en legden zich toen neder, waarop +zij weldra in diepen slaap verzonken. + +"'t Is een geluk voor ons, dat het vrouwen zijn," merkte mijnheer +Wilson aan; "als het mannen geweest waren, zouden wij er erger aan +toe zijn geweest." + +"Ja, zeker," hernam Flink; "evenwel mogen wij ook de vrouwen in den +beginne niet al te veel vertrouwen, want ze zijn en blijven altijd +wilden. Als wij nog langer op dit eiland moeten blijven, kunnen zij +in vele opzichten nuttig, ja, zelfs van groote waarde voor ons zijn, +daar zij ons veel werk kunnen helpen verrichten." + +"Maar waar zullen wij haar van nacht onder dak brengen, Flink?" + +"Ik dacht daar juist over, mijnheer. Ik wenschte, dat wij hier +dichtbij eene loods of een schuurtje hadden; doch bij gemis daarvan +moeten wij haar wel in het magazijn laten slapen." + +"O ja, dat zal zeer goed gaan." + +De vreemde vrouwen hadden zich spoedig van hare uitputting hersteld en +schenen zeer zacht en handelbaar te zijn. Wat zij doen konden, deden +zij gaarne en gewillig en ook hadden zij na verloop van veertien dagen +reeds eenige Engelsche woorden geleerd. Een nieuw tochtje over het +eiland werd afgesproken en op den aanstaanden Maandag vastgesteld, toen +hen een nieuwe ramp trof, die al hunne gemaakte plannen overhoop wierp. + +Des Zaterdagsmorgens, toen Flink als gewoonlijk zijne ronde deed, +daalde hij juist naar het strand neer, toen hij den Indiaanschen kano +vermiste. Hij was geheel uit het water opgehaald geworden en kon dus +onmogelijk zijn weggedreven. + +Flink ontstelde op dat gezicht. Hij richtte zijn kijker naar den +kant van het groote eiland en meende op verren afstand een donker +punt op het water te ontdekken. Terwijl hij daar nog stond te turen, +kwam Willem ook aan het strand en voegde zich bij zijn ouden vriend. + +"Ach, Willem," riep Flink, "ik vrees, dat de vrouwen in haren kano +ontsnapt zijn. Ga schielijk heen en zie of ze ook in het magazijn of +ergens anders zijn en kom mij dan terstond zeggen, hoe het is." + +Willem keerde na weinige minuten ademloos terug en meldde, dat de +wilden nergens te vinden waren en bovendien nog eene menigte groote +spijkers en andere stukken ijzerwerk, die in kleine vaatjes in het +magazijn gestaan hadden, moesten hebben medegenomen. + +"Dat is leelijk, Willem,--waarlijk heel leelijk; het is voor ons een +veel grooter ongeluk, dan dat het schip niet is teruggekomen." + +"O, Flink, wij zullen ons zonder haar ook wel redden." + +"Ja, dat wel. Maar als de vrouwen tot haar volk terugkeeren en daar +het ijzer vertoonen, dat ze hebben medegebracht; als ze vertellen, +dat er bij ons nog veel meer te krijgen is,--dan kunt ge er op rekenen, +dat wij spoedig een talrijk bezoek van hare landslieden krijgen zullen, +die meer van ons eigendom halen willen. Ik had daarop bedacht moeten +zijn en den kano niet hier gelaten of haar zelfs verbrand moeten +hebben. Wij moeten dadelijk bij uw vader gaan en met hem beraadslagen, +want hoe eer wij met ons werk aanvangen, des te beter voor ons. Kom, +Willem, kom;--maar vergeet niet uwe moeder de zaak zoo licht voor te +stellen als mogelijk is." + +Zoodra zij bij mijnheer Wilson waren, deelden zij hem het rampspoedige +nieuws mede. Hij begreep dadelijk het gevaar, dat er bestond, doch +achtte het raadzaam zijne vrouw daar terstond mee bekend te maken en +haar niets te verbergen. Daarna hielden zij een krijgsraad, waarbij +het volgende plan werd ontworpen. + +In de eerste plaats scheen het noodzakelijk het magazijn in een +blokhuis te veranderen, zoodat het iederen vreemdeling onmogelijk moest +worden daarin door te dringen. Zoodra de verschansing voltooid was, +moest de woning naar het magazijn verlegd worden. De voorraad, waarvoor +in het nieuwe blokhuis geene plaats was, moest in hunne tegenwoordige +woning bewaard blijven of in het kokosbosch verborgen worden. Eerst +nadat al deze veiligheidsmaatregelen tegen een onverwachten aanval +genomen waren, wilde men de vroeger ontworpen plannen ten uitvoer +brengen. Des Maandags wilden zij aan het werk beginnen. + +"Ik weet niet hoe het komt, maar ik gevoel thans, nu er gevaar voor +oogen is, oneindig meer moed, dan toen er nog weinig of niets te +vreezen was," zeide mevrouw Wilson. + +"Daar twijfel ik volstrekt niet aan, mevrouw. Ik ben integendeel +overtuigd dat indien uw moed op de proef mocht worden gesteld, gij +die zekerlijk ook zult blijven toonen." + + + + + + + +VIJF-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK. + +KRIJGSRAAD. + + +Niettegenstaande zij in den beginne alles gedaan hadden om elkanders +moed en vertrouwen op te wekken, bevonden onze vrienden zich nu toch in +zulk een pijnlijken toestand van angst en verwachting, dat de eerste +drie weken na het plotseling verdwijnen van het schip, ondanks alle +plannen en beraadslagingen, in volstrekte werkeloosheid voorbijgingen, +daar zij zich nu eens met de hoop vleiden, dat het gewenschte schip +nog terugkeeren kon, en dan weder bezorgde blikken naar het eiland +wierpen, om zich te overtuigen, dat nog geene groote vloot van kano's +tot hun verderf in aantocht was. + +Zoo waren zij dan ook eens op een morgen met zonsopgang in de nabijheid +van den schildpadvijver en namen den ganschen gezichtseinder met hun +kijker op. Toen begon Flink, zich tot mijnheer Wilson wendende: + +"Waarlijk, mijnheer, die staat van werkeloosheid mag toch niet langer +zoo aanhouden. Voorleden nacht kwam ik op een goeden inval en ik +geloof u thans een voorslag te kunnen doen, dien gij denkelijk zult +goedkeuren. Zoo, dacht ik, moesten we nu maar terstond een krijgsraad +houden en tot een besluit zien te komen." + +"Van harte gaarne, Flink," antwoordde mijnheer Wilson en zette zich +op een rotsblok neder. "Gij zijt de oudste en ervarenste van ons +drieën;--laat ons hooren, wat gij hebt voor te slaan." + +"Welnu, mijnheer. Naar 't mij voorkomt, mogen wij niet langer in ons +huis blijven, want wij konden daar, gelijk ik zeide, ieder uur van +den nacht door de wilden verrast worden en zijn er tegen overmachtige +vijanden zonder alle middelen van verdediging." + +"Dat zie ik wel in en heb ik reeds geruimen tijd ingezien," was +het antwoord; "doch wat zullen we doen? Zullen wij naar de westkust +terugkeeren?" + +"Mij dunkt neen, mijnheer," hernam Flink. "Mijn voorslag is deze: +wij hebben in 't zuiden van 't eiland een ontdekking gedaan, die voor +ons van groot gewicht is. Ik bedoel daarmee echter niet de vruchten +en planten, die wij gevonden hebben, want deze zijn wel van veel +waarde, maar zullen ons slechts gedurende den zomertijd een desnoods +ontbeerlijk genot aanbieden. Groot nut verleent ons ook het voeder voor +het vee, dat wij daar ontdekt hebben, vooral gedurende den regentijd, +maar het hoofdvoordeel brengt ons dat met yamswortels bezet stuk +land aan, dat ons voedsel voor den winter zal geven. Ze zijn voor ons +van het grootste belang en we kunnen ze niet spoedig genoeg tegen de +zwijnen beschutten, die ze ongetwijfeld met wortel en al opwroeten, +als we dat niet tijdig voorkomen. Nu weet ge zeer goed, mijnheer, +wat we vroeger besloten, maar niet volvoerd hebben. Ik geloof echter, +dat de kokosheining nu te veel tijd zal wegnemen en 't wel voldoende +zal zijn, als wij de yamswortels met sloot en heg omheinen. Als we +daarbij echter gedurig weer naar ons huis terugkeeren en mevrouw met +de kleinen alleen laten moesten, zou dat zeer lang aanhouden,--en +dus stel ik voor, om, daar 't weder zoo geheel is opgeklaard en nu +wel maanden lang goed blijven zal, onze tenten daar ter plaatse op +te slaan en met de gansche familie naar de zuidkust te trekken. Zij +zullen daar binnenkort geheel thuis en in allen gevalle veel veiliger +zijn, dan als zij zonder eenige verdediging hier achterbleven." + +"Een uitmuntende raad, Flink; wij worden daardoor zooals gij opmerkt, +voorloopig aan het gevaar onttrokken, en zijn wij eenmaal daar, +dan kunnen wij altijd nog overleggen wat voor ons het beste is." + +"Juist, mijnheer. Misschien hebben onze vluchtelingen het eiland in +'t geheel niet bereikt, want de eerste dagen, nadat zij ons eiland +verlieten, hadden zij den wind vlak tegen, en bovendien is de stroom in +deze richting zeer sterk. Zijn ze echter werkelijk behouden aangeland, +dan moeten wij ons op een bezoek van de wilden voorbereid houden, en +als die landen, komen zij natuurlijk regelrecht op onze tegenwoordige +woning aan." + +"Gij wilt toch niet, Flink, dat wij dit gedeelte van 't eiland en +al de gemakkelijke inrichtingen, die wij er tot stand brachten, +voor altijd verlaten?" vroeg Willem. + +"Ei, zeker niet voor altijd, mijn beste Willem; en daarmee kom +ik tot het tweede gedeelte van mijn voorstel.--Zoodra wij met ons +yamsplantsoen gereed zijn en alles zoo goed mogelijk in orde hebben, +laten wij mevrouw en de kinderen achter en gaan hier weder aan +den arbeid. Zooals bepaald is, moeten wij ons tegenwoordig woonhuis +opgeven en ons magazijn, dat in het bosch verscholen ligt, tot woning +inrichten en zoodanig versterken, dat wij tegen elken onverhoedschen +aanval van de wilden gedekt zijn; want in eene vaste woning moeten +wij in elk geval terugkeeren, daar wij, als het regenseizoen invalt, +niet meer onder de tenten kunnen blijven." + +"Hoe wilt gij het magazijn dan verschansen, Flink?" vroeg mijnheer +Wilson. "Daarvan weet ik niets.--Wat is zulk een blokhuis eigenlijk?" + +"Dat zal ik u bij gelegenheid uitleggen.--Nu, echter, mijnheer, +komt er nog velerlei. Als de wilden hierheen komen, moeten wij ons +in allen gevalle met vuurwapens tegen hen kunnen verdedigen. Een +enkel man met een geweer achter eene palissade is beter dan twintig, +die alleen met knotsen en lansen gewapend zijn, en zóó slechts mogen +wij hopen onze vijanden op de vlucht te slaan." + +"Naar het mij voorkomt, is uw plan voortreffelijk, Flink," antwoordde +mijnheer Wilson. "Hoe spoediger wij daarmee beginnen, des te beter +zal het voor ons zijn." + +"Daar is geen twijfel aan, mijnheer. Het eerste moet wezen, dat +Willem en ik op deze zijde van de klippen een doorgang voor onze boot +opzoeken; dan zullen wij naar de kleine haven omzien, die wij reeds +vroeger ontdekt hebben. Zoodra dit geschied is, keeren wij terug, +brengen tenten en al het noodige in de boot, en hebben wij die eerst +opgeslagen en alles behoorlijk in orde gebracht, dan kan mevrouw met de +kinderen met ons door het bosch trekken en ze in bezit nemen.--Als we +'t nu over de zaak eens zijn, mijnheer, moesten wij maar zoo spoedig +mogelijk beginnen, want wij hebben zeer veel te doen en mogen niet +vergeten, dat wij, voordat wij met het blokhuis aanvangen, eerst +nog een bezoek op de westkust moeten afleggen, om spijkers en andere +benoodigdheden te halen, en als wij daar toch eens bij zijn, kunnen +wij evengoed ook eene geheele monstering over onzen voorraad houden." + +"Wij willen geen dag, geen uur verliezen, Flink; er is toch al te +veel tijd verloren geraakt," antwoordde mijnheer Wilson. "Wat zullen +wij vandaag bij de hand nemen?" + +"Bij het ontbijt zullen wij aan mevrouw ons plan mededeelen; daarna ga +ik met Willem in de boot en zoek eene doorvaart. Gij zelf, mijnheer, +kunt hier blijven en de tenten en al de verdere artikelen, die wij +bij de eerste vaart meenemen, bijeenpakken, en wij zullen, denk ik, +tegen het middageten terug zijn." + +Met deze woorden stonden zij op en gingen op het huis aan. Allen +voelden zich innerlijk verlicht, nadat het nieuwe arbeidsplan +ontworpen was, en verheugden zich in het vooruitzicht, dat zij nu alle +menschelijke kracht zouden inspannen, om het hun dreigend gevaar af +te wenden. + + + + + + + +ZES-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK. + +THOMAS EN DE KREEFT. + + +Het nieuwe plan werd onder 't ontbijt aan mevrouw Wilson medegedeeld, +en daar zij wel inzag hoe zij daarbij veel veiliger dan tot hiertoe +zijn zouden, gaf zij van harte gaarne hare toestemming. + +Het duurde geen uur, of Flink en Willem hadden de boot in gereedheid, +waarmee zij tusschen de klippen doorroeiden, om eene doorvaart te +zoeken, welke zij ook spoedig, pas twee of drie kabelslengten van de +landpunt, gelukkig ontdekten. + +"Dat is een groot geluk, mijn goede Willem," riep Flink, "maar nu +moeten wij ook een merkteeken zoeken, om den terugweg spoedig te +vinden. Ziet gij die lange zwarte klip ginds;--zij ligt in eene rechte +lijn met den tuin, en als wij dus beide op elkaar gericht hebben, +weten wij dat wij ons in het eigenlijke kanaal bevinden. Nu hebben +wij nog slechts een teeken recht voor ons uit noodig, om te zien, +wanneer wij het kanaal moeten inloopen." + +"Zie Flink, de punt van den schildpadvijver loopt immers recht op +den rechterzijwand van ons huis aan," hernam Willem. + +"Goed opgemerkt; dat kan ons dienen. Nu zullen wij er wakker op los +roeien, zoodat wij tijdig terug kunnen zijn." + +Zij bevonden zich weldra op de zuidzijde van het eiland en roeiden +langs den kust voort. + +"Hoe ver schat gij den weg te water, Flink?" + +"Dat weet ik zoo juist niet, mijn jongen; mij dunkt echter vier of vijf +mijlen, en zoo mogen wij wel op een goed uur dapper roeiens rekenen. In +allen gevalle kunnen wij met dezen wind, hoe zwak ook, terugzeilen." + +"Wij zijn thans in zeer diep water," merkte Willem na lang zwijgen aan. + +"Ja, Willem. Op deze zijde van het eiland kunnen wij dat ook niet +anders verwachten, want de koralen wassen alleen op de zijde, die +aan den wind blootstaat. Mij dunkt, wij kunnen van de kleine haven, +die wij onlangs ontdekten, thans niet ver meer verwijderd zijn. Gij +ziet, wij hebben het weideland en de boomgroepen reeds voor oogen. We +zullen een poosje met roeien ophouden en de kust eens bedaard opnemen." + +"Daar zijn twee rotsen dicht aan den oever, Flink," riep Willem met +den vinger wijzende. "Weet gij nog wel: ook aan de buitenste zijde +van onze haven stonden twee of drie zulke rotsen dicht bij elkander." + +"Juist zoo, Willem, en 't zou mij volstrekt niet verwonderen, als +gij den spijker op den kop had geslagen. Laat ons er eens heen roeien." + +Zij deden dit en bevonden, tot hunne groote blijdschap, dat zij +werkelijk in de haven waren, waar het water zoo glad en effen als in +een vijver was. + +"Welnu, beste jongen, dan zullen wij maar terstond onzen mast opzetten +en op ons gemak naar huis zeilen." + +"Wacht nog een oogenblik, Flink; geef mij den bootshaak eens. Ik zie +daar wat tusschen de klippen omkrabbelen." + +Flink gaf den bootshaak aan Willem, die daarmee in het water roerde +en met de ijzeren punt een grooten zeekreeft ophaalde, dien hij met +een ruk in de boot slingerde. + +"Dat is weer een kostelijke schotel op onze tafel," zeide Flink. "Wij +komen dus niet met ledige handen terug en zullen des te meer welkom +zijn. Doch nu dienen we ons ook te reppen, want we moeten hedennamiddag +nog eens en dan wel met een volle lading hierheen roeien." + +De mast werd opgezet, en zoodra zij met de boot buiten de haven +waren, werd het zeil opgeheschen. In minder dan een uur hadden zij +de landingsplaats bij het woonhuis wederom bereikt. + +Willem had den zeekreeft, die slechts ééne schaar had, uit de boot +gebracht en Juno een tweeden waterketel op het vuur gezet, om dien +als een toegift voor het middagmaal te koken. + +Thomas trad met zijn zusje Caroline toe, om het beest te bekijken. Toen +hij dit echter genoeg bewonderd had, begon hij het, als naar gewoonte, +te plagen en te kwellen, evenals hij dat op de Kaap ook reeds den +leeuw had gedaan. Eerst stiet hij het met een stok naar de oogen, +toen beproefde hij den staart recht te trekken;--het dier sloeg echter +naar hem en liep weg. + +Eindelijk echter wilde hij zijn stok het dier zelfs in den bek steken; +toen hief dit zijn grooten nijper op, pakte hem bij het gewricht van de +hand en klemde zich daar zoo stevig aan vast, dat Thomas het van pijn +uitgilde en als razend met den kreeft aan den arm ronddanste. Gelukkig +voor hem was het beest reeds zoo lang buiten het water en bovendien +zoo hevig door de ijzeren punt van den bootshaak getroffen, dat het +meer dan halfdood was. Anders zou het den knaap zwaar gekwetst hebben. + +Flink schoot toe en maakte den kreeft van hem los; doch Thomas was +zoo ontsteld, dat hij het hazenpad koos en eerst met loopen ophield, +toen hij wel honderd passen van huis was verwijderd. Daarover schoten +Flink en Juno zoo hartelijk in den lach, dat de tranen hun over de +wangen rolden. + +Thomas scheen er zeer gebelgd over, dat hij zich op zoodanige +manier moest laten uitlachen; hij zette zich, na zijne wedloop +volbracht te hebben, pruilend neer en wachtte, totdat hij het eten +zag opdragen. Toen kwam hij eindelijk terug, ofschoon nog altijd met +een benepen gezicht. Den kreeft op tafel ziende komen, scheen hij +nog voor zijn vijand beangst, ofschoon deze nu dood was. + +"Nu, Thomas!" zeide zijn vader, "ik denk dat gij van den kreeft toch +niet zult willen eten." + +"Niet eten?" riep Thomas uit. "O ja, ik wil hem eten, juist omdat +hij mij opeten wou." + +"Wat wilt ge er dan voor een stuk van,--de schaar misschien?" vroeg +mijnheer Wilson. + +"Ja, de schaar! Dat ondeugende dier,--laat het daar eens wat tegen +doen; om het te plagen wil ik die eten!" + +"Waarom hebt gij het beest niet met vrede gelaten, Thomas?" vroeg +zijn vader. "Hadt gij het niet geplaagd, het zou u niet geknepen +hebben. Ik weet zelfs niet of ik er u wel van geven zal, als gij er +van eten wilt om het te plagen." + +"O, ik lust hem ook niet,--ik begeer er ook niets van," hernam de +kleine stijfkop. "Ik eet veel liever pekelvleesch." + +"Des te beter; als gij geen kreeft lust, zal men u dat ook zeker +niet opdringen, jongeheer," antwoordde zijn vader. "Dus zullen wij +hem maar buiten u onder ons verdeelen." + +Thomas was met dit besluit niet bijster in zijn schik, want hij had +er dolgraag een stuk van gehad. Hij zat dus met een hangende lip aan +tafel en keek bitter boos, toe de oude Flink hem zoo lachend toevoegde, +dat hij reeds vóór het eten zijn deel van den kreeft had gehad. + + + + + + + +ZEVEN-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK. + +TOEBEREIDSELEN TOT DE VERHUIZING. + + +Terstond na den afloop van den maaltijd hielpen Willem en Juno de +beide roeiers de tentbekleedsels en staken, benevens schoppen tot +slechting van den grond en prikken tot het vastzetten der tenten, +in de boot brengen. + +Voordat zij met de boot afstieten, merkte Willem aan: + +"Mij dunkt, het zou zoo kwaad niet zijn, als wij voor Flink en mij +het noodige beddegoed meenamen. Wij konden dan nog van avond eene +van de tenten opslaan en den nacht daaronder doorbrengen. Morgen +vroeg konden wij dan de andere in orde brengen en zoo met ons werk +een goed eind vorderen, voordat wij terugkomen." + +"Dat is een zeer goede inval, Willem," antwoordde Flink. "Laat eens +zien, wat Juno ons te eten mee kan geven; dan zullen wij uw plan +volvoeren, want hoe eer wij allen daar zijn, des te beter." + +Mijnheer Wilson was van hetzelfde gevoelen en Juno pakte een stuk +pekelvleesch en eenige eierkoeken bijeen, voegde daar nog drie +of vier flesschen water bij en hielp dit alles, benevens allerlei +timmermansgereedschappen, in de boot brengen. Flink had ook nog voor +een touw gezorgd, om de boot aan een paal aan den oever vast te maken. + +Eindelijk stieten zij van wal en hadden in korten tijd de riffen +achter zich. Zij roeiden wakker door, want zij wenschten zoo spoedig +mogelijk de haven te bereiken, hetgeen ook na verloop van een half +uur gelukkig geschiedde. + +Zoodra zij aan land waren, maakten zij de boot aan het touw vast en +brachten de lading aan wal; vervolgens droegen zij een deel van het +tentlinnen en de staken naar het naastbijgelegen boschje, dat uit +guayababoomen bestond. Daarop keerden zij naar het strand terug, om +ook het overige te halen, en met drie gangen hadden zij dat verricht. + +"Nu moeten wij eens omzien, Willem, waar wij de tent willen opslaan. Te +dicht bij het kokosbosch mag dat niet zijn, want daar hadden wij te +ver water te halen." + +"Dunkt u niet, Flink, dat de beste plaats bij de benanen zou zijn? De +grond is daar iets hooger en het water vinden wij, zooals gij weet, +juist tusschen de benanen en de yamswortels." + +Zij begaven zich naar de plaats, waar de benanen hare groote, fraaie +bladeren ontplooiden en besloten ten noorden daarvan de tenten op te +slaan, vooreerst omdat men die daar, wegens de boomen, uit zee niet +zien kon en ook, dewijl het bosschage gedurende de hitte van den dag +er eene aangename schaduw opleverde. + +"Dus moet het dan hier maar zijn, Willem," zeide Flink. "Laat ons +nu al het noodige gaan halen. Het is hier een goede, droge grond, +die er juist toe geschikt zal zijn." + +Weldra waren zij druk aan het werk en reeds lang voor zonsondergang +was een der tenten opgeslagen en hadden zij ook hunne bedden daarin +gespreid. + +"Nu, Willem, verbeeld ik mij toch, zult gij wel tamelijk moe zijn," +zeide Flink; "ja, ja, zeker, dat moet gij wezen, want gij hebt den +ganschen dag duchtig gearbeid." + +"Ik voel mij juist zoo heel moe niet, Flink; ook is het nu nog geen +tijd om te gaan slapen." + +"Het is nog vroeg; laat ons dan eerst nog onze spaden nemen en een +gat voor het water graven; dan kunnen wij morgen vroeg zien, of dat +goed of slecht is." + +"Ja, dat kunnen wij nog voor het avondeten doen, en dan zal de rust +ons dubbel goed smaken." + +Met dit besluit gingen zij naar het lager gelegen weideland, waar de +bodem vochtig en moerassig was. Daar groeven zij twee kuilen, ieder +ongeveer eene el diep en even breed. Weldra zagen zij het water daarin +opkomen, en toen zij klaar waren, kwam hun dat reeds over den enkel. + +"Aan water zullen wij dus geen gebrek lijden, Flink; als het ook maar +goed om te drinken is." + +"O, daar twijfel ik niet aan, Willem. Overigens hebben wij veel te +doen, voordat de familie hier naar toe kan komen. Doch voor vandaag +is onze taak nu ten einde." + +Zij keerden hierop in de tent terug en lieten zich het pekelvleesch +en de eierkoeken kostelijk smaken. Eindelijk legden zij zich op de +matrassen neder en gaven zich aan de rust over. Na weinige minuten +lagen zij diep in slaap, daar het zware werk van den dag hen inderdaad +zeer vermoeid deed zijn. + +Den volgenden morgen met zonsopgang waren zij reeds weder op de +been. Hun eerste werk was naar de waterkuilen om te zien, die zij den +vorigen avond gegraven hadden. Zij vonden deze tot overvloeiens toe +vol; het water was volmaakt zuiver en helder, en bij het proeven +keurden zij het, zoo al niet in alles zoo goed als het andere +bronwater, toch zeer bruikbaar en smakelijk. + +Na zich gewasschen te hebben, keerden zij terug, om te ontbijten, +en gingen toen aan het opslaan der tweede tent, die voor mevrouw en +den kleinen bestemd was en dus met meer zorgvuldigheid moest worden +ingericht. Toen dit gedaan was, werd nog de grond in het rond van het +hooge gras en de struiken ontdaan en binnen in de tent met de spaden +vast en effen gemaakt. + +"Nu komt weer een ander werk, Willem, namelijk het bouwen van een +stookplaats voor Juno. Daartoe moeten wij naar het strand gaan en +steenen opzoeken. Wij zullen dit stuk zeildoek meenemen en kunnen +daarin in één gang zooveel als wij noodig hebben halen." + +Een uur later was ook de vuurhaard gereed, en beiden zagen hun werk +vergenoegd aan en maakten de noodige toebereidselen tot het verdere +werk van den dag. + +Men besloot 's middags de tafels en stoelen, het keukengereedschap, +een gedeelte van de kleeren en het beddegoed en levensmiddelen voor +een paar dagen mede te nemen. Den volgenden morgen zouden Flink en +Willem tijdig terugkomen, en dan wilden allen gezamenlijk door het +bosch naar hunne nieuwe woonplaats opbreken. + +De kleine Albert kon thans heel goed alleen loopen en moest slechts +nu en dan een eind ver gedragen worden. Thomas en Caroline moesten +natuurlijk met Juno gaan; de schapen, lammeren, waarvan men vier +stuks had, en de oude en jonge geiten zouden de mannen door het bosch +drijven, waarbij de honden goede diensten konden doen. De hoenders +en het verdere gevogelte moesten echter in het oude hok blijven, +daar Flink en Willem, zoo dikwijls zij hier kwamen, wel eens naar +hen omzien konden. + + + + + + + +ACHT-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK. + +VERHUIZING NAAR DE ZUIDKUST. + + +Ditmaal was de boot zwaar bevracht en men had hard te roeien en zwaar +te werken bij de landing, voordat de verschillende voorwerpen aan den +oever gebracht waren. Willem en Flink waren derhalve hartelijk blij, +toen eindelijk hun dagwerk ten einde was; en zoodra zij hun avondmaal +genuttigd hadden, gingen zij dan ook ter ruste. + +Met zonsopgang keerden zij in hunne boot naar de baai terug. Zij +haalden eerst de boot op het droge en begaven zich toen naar het +woonhuis, waar zij allen tot vertrekken gereed vonden. + +Mijnheer Wilson had de dieren reeds bij elkaar gebracht, en dus brak +men terstond op. De merken aan de boomen waren nog zeer duidelijk +en zij konden hun weg gemakkelijk weervinden. Des te grooter moeite +hadden zij echter met de schapen en geiten, en de kleine karavaan +kwam dus niet dan langzaam voorwaarts. + +Zij hadden drie volle uren noodig, om aan den zoom van het kokosbosch +te komen, en mevrouw Wilson gevoelde zich uiterst vermoeid. Eindelijk +hadden zij de nieuwe woonstede bereikt, en mijnheer Wilson en zijne +vrouw uitten een kreet van bewondering bij het aanschouwen van de +schilderachtige schoonheid van het bekoorlijk oord. + +Ook de plek, waar de tenten bij de banaanboomen waren opgeslagen, +droeg beider volle goedkeuring weg; want zij was werkelijk bij +uitstek fraai. Mevrouw Wilson begaf zich in hare tent, om van hare +vermoeidheid uit te rusten. De schapen en geiten liet men vrij in +het weideland omloopen, waar zij terstond met graagte op het frissche +voeder aanvielen. De honden vlijden zich neder en schenen insgelijks +van den verren weg vermoeid. + +Juno bracht den kleinen Albert te bed en zocht toen met Willem +eenig brandhout op, om het middageten te koken. Flink ging naar +de putten, om water te halen, terwijl mijnheer Wilson op de vlakte +rondwandelde en de verschillende boomen en struiken onderzocht, die +daar groeiden. Caroline was in de tent bij hare moeder, en sinjeur +Thomas had zich op den grond neergezet en keek met groote oogen +verbaasd in het rond. + +Spoedig kwam Flink met de wateremmers terug, waarna hij de honden +floot en den weg naar het yamsplantsoen insloeg. Een poosje later +stond Thomas op en volgde hem. + +De honden drongen in het yamsplantsoen door en hieven weldra een +verwoed geblaf aan, dat Thomas heel aardig vond, zoodat hij in de +handen klapte en siste, om hen nog meer aan te hitsen. Op eenmaal +echter kwam de gansche kudde zwijnen uit het dichte groen voor den +dag en draafde zoo dicht bij Thomas langs, dat hij het van schrik +uitschreeuwde en zoo lang als hij was op den grond tuimelde. + +"Dat had ik wel gedacht, vriendjes, dat gij hier zoudt wezen," +mompelde Flink, de varkens naziende. "Het werd waarlijk tijd, dat +wij den weg eens voor u afsloten." + +De zwijnen stoven over het veld voort en verdwenen, evenals de eerste +maal, in het kokoswoud. Ook Thomas zette het, zoodra hij maar weer op +de been was, wakker op een loopen. De honden gingen achter de zwijnen +aan en bleven een geruimen tijd weg. Ten laatste zag men hen vermoeid +en hijgend terug komen,--een bewijs, dat zij hunne vervolging een +goed eind ver hadden voortgezet. + +Voor dag en dauw waren Flink en Willem den volgenden dag reeds weder +bij de hand en gingen door het bosch naar hunne vroegere woning, +om het huisraad, dat daar nog was achtergebleven, in de boot naar +de zuidkust te brengen. Bij hunne aankomst pakten zij al wat nog in +huis stond bijeen, haalden gezouten vleesch en meel uit het magazijn +en maakten hunne lading vol met een van de nog voorhanden zijnde +schildpadden, die op den rug in de boot werd neergelegd. Tegen het +ontbijt waren zij reeds weder bij de nieuwe woonplaats, waar Juno +hen het meegebrachte naar de tenten hielp brengen. + +"Wat is dat hier een kostelijk verblijf!" riep mevrouw Wilson +onwillekeurig uit. "Mij dunkt, wij moesten het altijd tot ons +zomerkwartier kiezen en eerst tegen den regentijd naar het oude +huis terugkeeren." + +"Het is hier zeker gedurende den zomer veel fraaier en aangenamer; +maar in ons huis zijn wij beter door het kokosbosch gedekt." + +"Ja, dat is waar, en gedurende het regenseizoen is dat voor ons van +veel belang. In den zomer is het daarentegen ook des te warmer, want +wij hebben daar niet de verkoelende zeelucht, die wij hier genieten. Ik +kan u verzekeren, Flink, ik ben met den ruil zeer tevreden en het +zou mij spijten, als wij daarheen terugkeeren moesten." + +"Ik heb van morgen ook zulke mooie papegaaien gezien," zeide de kleine +Caroline. "Ik wou, dat er één van mij was." + +"Nu, beste meid, ik wil bij gelegenheid eens een jong zien te krijgen; +doch het is er thans nog te vroeg toe," antwoordde Flink. "Nu moet +ik Juno de schildpad in stukken helpen snijden. Onze voorraadkamer +dienen wij wel daar onder de banaanboomen te nemen." + +"Maar wat zullen wij verder aanvangen, Flink? Wij mogen toch niet +leegzitten?" vroeg mijnheer Wilson. + +"Neen, zeker niet, mijnheer! Dezen dag moeten wij, dunkt mij, +maar besteden om ieder ding op zijne plaats te brengen en de tenten +van binnen gemakkelijk in te richten. Voor het oogenblik staan wij +onder mevrouws orders; morgen zullen wij dan met het graven en het +omheinen van het yamsplantsoen beginnen. We zullen ons daarmee niet +zoo te haasten hebben, want ik verbeeld mij, dat de zwijnen zich er +zoo spoedig niet weer aan wagen zullen, daar ik plan heb onze honden +'s nachts in de yamsvelden vast te binden, en dan zal hun geblaf hen +wel op een afstand houden." + +"Dat is een goede inval, Flink. Zie eens, welk kostelijk voer onze +schapen en geiten hier vinden." + +"Ja, mijnheer; ze moeten ook in het vervolg gedurende het droge +jaargetij hier grazen. Morgen vroeg kunnen wij met graven beginnen +en Willem daarbij wijzen, hoe men de stekken van de stekelbessen, +waarvan wij onze heg willen maken, poten moet. Dan zou ik voorslaan +onzen Willem met dit werk alleen bij moeder achter te laten, terwijl +gij en ik naar de westkust gaan, om onzen voorraad na te zien en al +wat wij nog gebruiken kunnen hierheen te brengen. Ik meen immers u +vroeger te hebben hooren zeggen, dat gij zelf daarheen woudt gaan?" + +"Ja, Flink, dat is zoo. Mijne vrouw zal er ook geen bezwaar in zien +eens een dag of drie vier zonder mij te zijn. Als wij eerst alle +dingen hebben nagezien, zal ik teruggaan en aan u en Willem, die het +roeien beter gewoon is dan ik, de zorg overlaten om onzen voorraad +over te brengen. Mij dunkt hierheen zullen wij toch alles niet halen?" + +"Neen, mijnheer; het goed moet naar ons magazijn worden +gebracht. Hebben wij dat werk eerst achter den rug, dan gaan wij met +alle macht aan de versterking van het blokhuis." + + + + + + + +NEGEN-EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK. + +UITSTAPJE NAAR DE WESTKUST. + + +Den volgenden morgen trokken zij met hunne schoppen naar het +yamsplantsoen en begonnen hun werk. De grond was week en drassig +en zoo ging de arbeid vlug van de hand. De sloot werd ongeveer een +schrede breed gemaakt en de uitgedolven aarde aan den binnenkant tot +een kleinen dam opgeworpen. + +Vervolgens ging men naar de plaats, waar de stekelbeziënstruiken +groeiden. Van deze werden de noodige stekken en afleggers afgesneden +en boven op het aarden bed ingeplant. Nog was de avond niet gevallen, +toen zij reeds, op negen of tien dekameters na, met sloot en heg +gereed waren. + +"Ik geloof, als dit eens in orde is, de varkens 't wel laten zullen +er overheen te springen," sprak Flink. "Bovendien kan Willem daar +evengoed alleen mee klaar komen, als met behulp van ons beiden." + +"Ja, dat wel, Flink,--maar niet zoo vlug." + +"Ge behoeft u ook niet overmatig in te spannen, beste Willem. Zorg +slechts, dat ge de honden 's nachts vastlegt, zooals ik den verloopen +nacht gedaan heb, en dan twijfel ik geen oogenblik, of de varkens +zullen na een of twee nieuwe pogingen niet meer terugkomen." + +"Ik wil zien, of ik niet een van die beesten schieten kan." + +"Goed; maar kies daartoe vooral een van de jongen,--de ouden mogen +wij niet dooden. Doch nu kunnen wij naar huis gaan; de zon zal spoedig +onder zijn en Juno wacht ons zeker al met het avondeten." + +Voordat mijnheer Wilson en Flink den anderen morgen opbraken, gaf +de laatste Willem nog allerlei onderrichtingen aangaande de boot, +de reiszakken waren reeds vooraf van levensmiddelen voorzien, en zoo +namen zij dan van mevrouw Wilson afscheid en braken op. Beiden waren +met een geweer gewapend en Flink had nog bovendien eene bijl over +den schouder geworpen. + +Zij hadden een verren weg voor zich, want eerst moesten zij naar het +oude woonhuis terugkeeren, om van daar het oude pad door het woud op +te zoeken. Dit was een groote omweg, die nochtans niet kon vermeden +worden, daar zij niets dan de merken aan de boomen hadden om te volgen. + +Bij het woonhuis gekomen, rustten zij een uur uit en gingen toen +naar den tuin, die op de landtong lag. Aardappelen en erwten stonden +uitmuntend en ook de uien begonnen goed op te schieten. + +"Wat ziet deze plaats er nu doodsch en eenzaam uit, Flink, nu men er +niets levends meer kan ontdekken," riep mijnheer Wilson. "Laat ons +verder gaan, 't wordt mij hier nu benauwd om het hart." + +Met deze woorden hervatten zij hunne wandeling en hadden na twee +uren de westkust bereikt, op 't zelfde punt, waar zij 't allereerst +geland waren. De nabijgelegen klippen waren nog met de overblijfsels +van het schip bezaaid, die in de zon bleekten of in het zand aan de +bocht half bedolven lagen. + +Zij gingen dadelijk aan 't zoeken, doch konden behalve enkele spieren +en teertonnen niets vinden, dat eenige waarde voor hen had. Duigen +en ijzeren hoepels van vaten lagen in menigte in het rond en Flink +meende, dat men die zeer goed tot eene tuinheining gebruiken kon, +als men slechts tijd vond om ze zoo ver te vervoeren. Van het strand +terugkeerende, zetten zij zich neer, om een weinig uit te rusten. Na +een poos begaven zij zich eindelijk naar de tenten in het kokosbosch, +waar zij de verschillende goederen, die na het vergaan van het wrak +waren aangespoeld, geborgen hadden. + +"Ei, zie eens! Ook hier zijn de varkens aan den gang geweest," +riep Flink; "ze hebben een meelvat opengemaakt. Hoe dat toeging, +begrijp ik niet recht. Zie maar, mijnheer, er moet een scheur in +geweest zijn, anders ware 't hun zeker niet gelukt. Het linnen is, +vrees ik, tot weinig meer nut. Gelukkig hebben we nog eenige nieuwe +stukken, die ik aan land heb gebracht.--Nu moeten wij eens zien, +mijnheer, in welken staat onze voorraad zich bevindt. Dit hier zijn +enkel meelvaten; wij hebben dus geen gevaar te loopen, als wij ze +openmaken en zien of de inhoud nog bruikbaar is." + +Het eerste vat, dat zij openden, had rondom eene steenharde korst; +toen deze eindelijk met de bijl was doorgekapt, vond men dat het +binnenste nog zeer goed was gebleven. + +"Dat is gelukkig, mijnheer; ik hoop, dat het bij de overige vaten +evenzoo zal zijn. Het zeewater heeft er eene dikke korst over gemaakt +en deze heeft het geheel tegen bederf bewaard. Evenwel willen we +alle, 't een na het ander openmaken. Nu gaan wij ons middagmaal +houden en vervolgens weer aan het werk. We hebben een paar malen +gebraden schildpadvleesch, die Juno voor ons heeft ingepakt en die +smaken zullen." + +Na het eten ging men opnieuw aan het werk. "Ik verlang toch te +zien, wat dáárin mag wezen," zeide mijnheer Wilson op de naaste +kist wijzende. + +Flink begon er dadelijk met zijne bijl aan te breken. Hij rukte het +deksel open en vond een aantal bordpapieren doozen vol klosjes garen, +allerlei band en lint, baleinen en lappen katoen, neteldoek, gaas, +tulle en andere stoffen. + +"Dat was zeker voor eene modehandelaarster te Bontany-baai bestemd," +zei mijnheer Wilson, "en misschien heeft ze bitter in angst gezeten, +toen ze het bestemde niet ontving. Evenwel moeten wij het thans voor +mijne vrouw en Caroline in beslag nemen. Zoodra wij tijd vinden, +zullen wij het haar brengen en ze zullen er wat blij mee zijn. Nu de +tweede kist, Flink." + +De volgende kist was zonder slot; het deksel werd opengemaakt en +men vond een dozijn groote vierkante flesschen, die met jenever +gevuld waren. + +"Dat is echte Schiedammer," zeide Flink. "Wat moeten wij daar mee +aanvangen?" + +"Wij zullen ze niet weggooien, Flink, maar ze ook slechts bij +gelegenheid als geneesmiddel gebruiken," antwoordde mijnheer +Wilson. "Wij zijn nu reeds zoo lang aan zuiver bronwater gewend, +dat het zonde zou zijn, als we weer smaak in sterke dranken wilden +krijgen. Als we er plaats voor vinden, zullen we een paar flesschen +in het magazijn brengen. Ze kunnen ons misschien nog soms eens goede +diensten doen." + +Het volgende vat was weldra geopend, en men vond een tafelservies van +gekleurd porselein met vergulde randen, dat inderdaad zeer fraai was. + +"Nu mijnheer, dat kan u te pas komen, want het begint ons al +langzamerhand aan borden en schotels te ontbreken. Evenwel zou gewoon +steenen goed ons wel dezelfde diensten hebben gedaan." + +"Het zou voor onzen tegenwoordigen toestand ook beter passen," was +het antwoord. "Niettemin is dit fijn Chineesche porselein ons even +welkom als een eenvoudig stel en mag daarom niet versmaad worden." + +"Hier is eene doos met uw naam er op, mijnheer," riep Flink. "Weet gij, +wat er in is?" + +"Neen, dat kan ik niet bedenken; maar zie zelf maar eens na." + +De doos werd geopend en alles scheen door het ingedrongen zeewater +besmet en bedorven. Toen men evenwel het pakpapier had weggenomen, +vond men allerlei soort van schrijfbehoeften, die, met uitzondering +van de buitenste bladen, slechts weinig geleden hadden. + +"Dat is een ware schat, Flink. Ik herinner mij nu nog zeer goed: het +bevat papier en pennen met al wat er meer tot schrijven noodig is; +verder prenteboekjes, teekenvoorbeelden, verfdoozen en zoo al meer, +dat ik voor mijne kinderen bestemd had." + +"Ei, waarlijk mijnheer, dat is een geluk. Nu kunnen wij eene school +oprichten, en daar die door de gezamenlijke bevolking van het eiland +bezocht zal worden, moet de beschaving hier weldra algemeen zijn." + +"Dat willen wij hopen, vriend.--Nu het volgende vat." + +"Wat daarin is kan men van buiten wel zien,--olie, die ons heel welkom +is, daar onze voorraad kaarsen vrij wat vermindert. Daar zijn evenwel +nog een paar kaarsenkisten, die wij gebruiken kunnen en bij gelegenheid +wel zullen overbrengen. Nu evenwel komt het allerkostelijkste gedeelte +van ons eigendom." + +"En dat is?" + +"Al die artikelen, welke ik in de boot aan land bracht, voordat +het schip te gronde ging; want, ziet gij, mijnheer, ijzer drijft +niet, en daarom was ik toen vooral op ijzerwaren van allerlei +soort en op nuttige gereedschappen bedacht. Ik heb een kostelijken +voorraad spijkers: hier drie vaatjes groote en hier twee kleiner +soort. Bovendien bijlen, hamers, schaven, beitels, zagen, klossen +bindgaren, was en hier nog eenige rollen fijn linnen, alles in de +beste orde." + +"Dat is werkelijk voor ons van groote waarde, Flink." + +"Ja, mijnheer, we zouden er misschien al spoedig gebrek aan gehad +hebben, daar de beide wilden bij hare vlucht al 't ijzer, dat zij +meester konden worden, hebben meegepakt. 't Was een geluk voor ons, +dat zij niet bij al onzen voorraad konden komen.--Daar hebt gij nog +meer van onzen buit: eenige wateremmers en 't voornaamste gereedschap +van onzen kok, waar Juno recht blij mee zal wezen. Hier zijn ook twee +lampen. Mij dunkt, ik heb ook nog eenige pakjes lampepitten op zijde +gelegd; ja, ja, dat weet ik zeker,--en ze zullen wel weer voor den dag +komen. Die vaten daar zijn 't een met patronen, het ander met kruit; +hier is nog een half vat met patronen, alles onbeschadigd. Hier ook +zes geweren, die evenwel 't poetsen wel noodig hebben. Nu, dat is +ook bezwaarlijk anders te wachten." + +"Dat zijn wezenlijk schatten voor ons, Flink; en toch--hoe goed hebben +wij ons tot hiertoe ook zonder dat gered." + +"O ja, mijnheer; maar des te beter, nu wij ze hebben. Als we +'t magazijn tot onze woonplaats hebben gemaakt, zijn wij dan ook +beter in staat, om 't in alle opzichten gemakkelijker in te richten +dan ons vorig huis geweest is; want, zie maar, mijnheer, daar zijn +nog al de balken en planken, die Willem en ik in het zand begraven +hebben.--Daarmee kunnen wij een vloer in het huis leggen en behoorlijke +kasten en bedsteden maken." + +"Och, die had ik geheel vergeten, Flink; zooals ge zegt, de voorraad +is tot dat alles dubbel voldoende. Als ik mij slechts die vrees voor +een mogelijken aanval van die wilden uit het hoofd kon zetten,--me +dunkt, dan zouden we hier zelfs op dit eiland een recht genoeglijk +leven kunnen leiden." + +"Weet gij wel, mijnheer, dat het mij van harte genoegen doet u zoo +te hooren spreken? Het bewijst, dat gij tegenwoordig tevredener en +gelukkiger zijt, dan gij vroeger waart." + +"Dat ben ik ook, Flink,--althans dat geloof ik. Misschien ook, dat het +ons van den kant der wilden dreigende gevaar mijne gedachten zoozeer +aftrekt, dat ik mij bij mijn vroegeren wensch, om van het eiland +verlost te worden, niet langer zoo bepalen kan. De eene bezorgdheid +heeft zeker de andere verdrongen en onderdrukt." + +"Het zal wezen, zooals gij zegt, mijnheer;--maar laat ons nu met +ons onderzoek voortgaan. Hier zijn het zeekompas, de scheepslijnen, +de logrol en het dieplood. We zullen die op onze boot nog wel ergens +toe gebruiken kunnen." + +"Ei, met dat kompas ben ik recht in mijn schik, Flink, want met +behulp daarvan kan ik eens, als ik tijd heb, een plan van dit eiland +opmaken. Een zakkompas is te klein daartoe. Ge weet misschien niet, +dat ik in mijne jonge jaren als landmeter naar Sidney trok?" + +"Neen, dat hebt ge mij nog niet gezegd. Ge zult ons dan zeker wel +nauwkeurig kunnen opgeven, welke ruimte ons weideland beslaat." + +"O ja; dat zal ik u zeggen, zoodra wij weer terug zijn. Inmiddels +zal ik hier eenige opmetingen doen, daar wij denkelijk niet weer zoo +spoedig hier zullen komen." + + + + + + + +VIJFTIGSTE HOOFDSTUK. + +BIJNA EEN ONGELUK. EEN NIEUWE BRIEVENPOST. + + +Met het krieken van den dag gingen mijnheer Wilson en Flink weder +aan het werk en openden achtereenvolgens alle kisten en pakken, +die nog van het wrak gered waren geworden. Zij vonden kisten met +kaarsen, drie vaten rijst ten deele goed, ten deele ook beschadigd, +en eene kist met thee en twee balen koffie, welke Flink van boord had +meegenomen. Suiker was echter niet voorhanden, want de kleine voorraad, +dien men gered had, was in den regen weggesmolten. + +"Dat is een heel ongeluk, mijnheer. Onze jongeheer Thomas zal geen +thee of koffie zonder suiker lusten en is er dus slecht aan toe." + +"De jongeheer moet zich leeren behelpen, Flink. We kunnen niet +verwachten hier alles zoo te hebben, alsof de kruidenier vlak naast +onze deur woonde.--Laat ons nu eens zien, hoe 't met de onder het +zand begraven dingen gesteld is." + +Het zand werd weggeschoffeld en men vond de vaten met pekelvleesch, +alsook de eiken planken in den besten staat. Veel anders daarentegen +was ook geheel verrot en bedorven. + +Tegen den middag waren zij met hun werk gereed en daar zij nog +tijd genoeg voor zich hadden, begon mijnheer Wilson met behulp van +zijn kompas eene opmeting van de verschillende landpunten. Toen dit +gedaan was, wierpen zij hunne geweren over den schouder. Flink nam +nog eenige ponden van de beschadigde rijst tot voeder voor de kippen +mee en daarna begaven zij zich gezamenlijk op weg. + +Na twee uur bereikten zij hun voormalig woonhuis, rustten in het +magazijn een poosje uit en vervolgden toen hun tocht naar de tenten +bij de weide. Ze waren ongeveer een kwartier gevorderd, toen Flink +gerucht vernam en mijnheer Wilson een teeken tot stilstaan gaf. + +De oude man fluisterde zijn geleider toe, dat de varkens dicht in de +buurt waren en laadde zijn geweer. Mijnheer Wilson deed hetzelfde +en beiden slopen zacht op de plaats toe, van waar het gegrom zich +hooren liet. + +Zij kregen de dieren niet in het gezicht, voordat zij die op twintig +passen genaderd waren. Toen hadden zij de gansche kudde vlak voor +zich en de beesten staken de koppen verwonderd omhoog. De oude beren +en zeugen lieten een geknor hooren en snelden op 't oogenblik, dat +Flink vuur gaf, op de vlucht. Mijnheer Wilson vond geen tijd meer om +los te drukken; doch Flink had een van de biggen geraakt, die nu met +den dood worstelende in haar bloed lag te spartelen. + +"Een kostelijk stuk gebraad;--daar kunnen we een feestmaal van +houden!" riep Flink, terwijl zij op het stervende dier toetraden. + +"Ja, dat is waar, Flink!" antwoordde mijnheer Wilson. "We moeten nu +maar zien, hoe we het beest met ons tweeën naar huis brengen." + +"We zullen het op onze geweren leggen, dan zal de vracht zoo zwaar +niet zijn. 't Is zeker pas zes maanden oud en aan de zwaarte kunt +gij zien of zij hier ook kostelijk voeder vinden!" + +Spoedig hadden zij het dier op hunne geweren geladen en vervolgden +zoo hun weg. Bij het uittreden van het bosch bespeurden zij Willem +en zijne moeder, die beiden het schot gehoord hadden en hun tegemoet +waren gegaan. Mevrouw Wilson scheen eenigszins angstig te zijn, +doch toen zij het varken in het oog kreeg, ried zij oogenblikkelijk +de oorzaak van het schot. + +"Ik moet bekennen, dat ik een beetje ontsteld was, toen ik dat +geweerschot hoorde," zeide zij, haar echtgenoot omarmende. "Ik kon +namelijk niet verwachten, dat gij vandaag al terugkeeren zoudt. Wij +allen zijn volmaakt wel." + +Willem nam voor zijn vader het overbrengen van het gevelde wild op +zich en deze ging met de moeder naar de tenten. + +"Nu, beste Willem, welk nieuws is er hier bij u," vroeg Flink. + +"O, heel goed nieuws, Flink! Gisteravond, toen ik moe was van den +arbeid, kwam ik op de gedachte om de boot eens te nemen en te zien, +of ik in het diepe water op deze zijde van het eiland niet ook wat +visch vangen kon. Ik kreeg ook wezenlijk drie stuks, die er heel +anders uitzien, dan die wij tusschen de klippen vingen. Wij hadden er +één van bij het ontbijt en één des middags en zij smaakten uitmuntend." + +"Zijt gij alleen met de boot uit geweest?" + +"Neen,--ik nam Juno mee. Moeder zei, dat ze haar wel een paar uren +missen kon. Zij roeit zoo goed als de beste matroos, Flink." + +"Ja, 't is een recht bruikbaar meisje, Willem.--Nu, met onze monstering +zijn wij ook klaargekomen en wij zullen beiden nu in overvloed werk +krijgen, maak daar staat op. Ik geloof niet, dat wij in ééne week +alles zullen kunnen vervoeren, en daarom heb ik gedacht, moeten we +al aanstonds morgen beginnen. Eerst willen wij evenwel hooren, wat +uw vader daarvan zegt." + +"O, dat is mij wèl, want ik neem veel liever de roeiriemen dan de +schop in de hand," zeide Willem. "Ik heb er niets tegen, als vader +het graven en spitten van mij wil overnemen." + +"Dat zal hij zeker gaarne doen, daar hij natuurlijk liefst bij moeder +en de kleinen wil blijven." + +Zoodra zij de woning bereikt hadden, hing Flink het varken in de tent, +waar Willem, mijnheer Wilson, en hij zelf sliepen, aan den kruispaal +op, zette de geweren tegen den zijwand aan en ging met Willem, om +zijn mes en eenige spanhouten, die hij bij 't schoonmaken van het +dier noodig had, te halen. + +Terwijl beiden weg waren, kwamen Thomas en Caroline aanloopen, om +het dier te bezien. Thomas gaf hoog op van zijne tevredenheid, dat +hij den volgenden dag gebraden varkensribbetjes eten zou, nam één +van de geweren en riep: "Pas eens op, Caroline, ik zal het varken +morsdood schieten." + +"Och, Thomas, kom toch niet aan dat geweer!" riep zijne zuster. "Vader +heeft het u immers verboden, en weet ge niet meer hoe 't u daar in +'t bosch in de hand afging?" + +"O, dat was niemendal," antwoordde Thomas; "ik wil u eens wijzen, +hoe men een varken doodschiet." + +"Doe 't niet, Thomas," riep Caroline; "als ge 't doet, ga ik heen en +zeg 't moeder." + +"Dan schiet ik op u," hernam Thomas en zocht met het geweer op haar +te mikken. + +Caroline schrikte daar zóó van, dat zij zoo hard als zij kon wegliep; +maar Thomas spande al zijne kracht in en zocht het geweer tegen den +schouder te brengen. Daarbij trof het, dat hij zijn vinger aan den +trekker bracht en daar hij toevallig het geweer van zijn vader had +genomen, dat nog geladen was, ging dat af en stiet de kolf hem, die +het niet vast tegen den schouder aandrukte, in het gezicht, zoodat +de schok hem twee tanden uitsloeg, de wang kwetste en hem het bloed +uit den neus deed stroomen. + +Thomas was door het afgaan van het schot en den bekomen slag zoo +onthutst, dat hij het geweer met een luiden gil uit de handen liet +vallen en naar de tenten liep, waar zijne beide ouders zaten, die +op het hooren van den knal waren opgesprongen en hem nu ontsteld te +gemoet vlogen. + +Flink en Willem waren ook op het schot oogenblikkelijk toegesneld, +daar zij vreesden dat er een ongeluk gebeurd was. De oude man liep op +Thomas toe, wischte den knaap met de hand het bloed van het gezicht +en ontdekte tot zijne geruststelling, dat deze geene wonde of ander +gevaarlijk letsel had. + +"Hij is niet gewond," riep hij mijnheer Wilson toe, "hij bloedt enkel +uit den neus. Houd op met schreeuwen en gieren, kwajongen! Wat hadt +ge weer uwe handen aan een geweer te slaan?" + +"Het geweer heeft mij op den grond gegooid," snikte Thomas, terwijl +het bloed hem steeds uit den mond liep. + +"Dan hebt ge uw verdiend loon gekregen. Zult gij u voortaan beter in +acht nemen en geen geweer meer aanraken?" + +"O, ik zal er mijn leven niet meer aankomen," jammerde de kleine. "'t +Heeft mij haast doodgeschoten." + +Juno kwam nu met water, om hem het gezicht af te wasschen, en thans +eerst ontdekte men, dat hij twee voortanden verloren had en aan wang +en lippen toch vrij wat bezeerd was. Men kleedde hem uit en legde +hem te bed, waar hij weldra in diepen slaap zonk. + +"Ik had de geweren daar niet moeten laten staan," zeide Flink tot +Willem; "dat was een verzuim van mij. Ik dacht zeker, dat men den +kleinen deugniet reeds zoo dikwijls ingeprent had, aan geen vuurwapens +te raken, dat hij dat zeker niet wagen zou. Maar altijd als er een +ongeluk valt aan te richten is hij terstond bij de hand." + +"Hij mikte op mij en wilde op mij schieten; maar ik ben weggeloopen," +zeide Caroline. + +"Goedertierende Hemel, welk een geluk!" riep de verschrikte +moeder. "Had hij losgedrukt, dan was mijn arm, lief kind vermoord +geworden.--Die afschuwelijke jongen!" + +"Hij is ditmaal behoorlijk gestraft, mevrouw, en ik sta er voor in, +dat hij in den eersten tijd geen geweer meer zal aanraken." + +Den volgenden morgen was het gezicht van onzen jongeheer hoogrood +en gezwollen. Wangen en lippen waren donkerblauw en opgeloopen en +het verlies der beide voortanden misvormde hem nog meer. Gelukkig +waren het nog melktanden geweest, want anders hadden de gevolgen nog +droeviger voor hem kunnen zijn. + +Tot het ontbijt werd van het gebraden wild opgedragen en de geur +daarvan prikkelde Thomas niet weinig in den neus. Toen zijn vader +hem nu echter nog eens terdege beknorde en hem zeide, dat hij geen +enkel brok van het gebraad proeven zou, begon hij zoo hard te huilen, +dat men hem wegbrengen moest, totdat hij met schreeuwen had opgehouden. + +Na 't ontbijt zeide Flink, dat hij met Willem in de boot wilde +gaan, om met het zware werk van de overbrenging der vele goederen +van de westkust naar het magazijn een begin te maken, waarbij hij +deed opmerken dat men geen enkelen dag meer te verliezen had. Juno +had op zijn verlangen reeds eene goede portie varkensvleesch voor +hen gebraden en tevens een stuk pekelvleesch gekookt, zoodat zij +behoorlijk van levensmiddelen voorzien waren en dus niets meer hadden, +dat hen tegenhield. Mijnheer Wilson nam de verdere planting der heg +op zich en wilde gedurende hunne afwezigheid de sloot rondom het +yamsplantsoen geheel voltooien. + +"Maar hoe lang denkt gij wel met Willem uit te blijven, Flink?" vroeg +de moeder met kennelijke bezorgdheid. + +"Wel, laat eens zien, mevrouw; we hebben vandaag Woensdag,--dan moet +ge ons niet vóór Zaterdagavond terug verwachten. Wij moeten dat alles +toch afdoen, en hoe eer het gebeurd is, des te beter voor ons." + +"Beste Willem, ik word er wezenlijk angstig onder dat gij zoo lang van +ons vandaan zult zijn. Daarbij zult gij altijd bij het water wezen, en +zoo zal ik in gedurige ongerustheid zijn, totdat ik u hier wederzie." + +"Nu, moeder, dan dien ik u wel met den post te schrijven, om u te +doen weten, hoe ik het heb." + +"Spot niet met mijn angst, kind. Ik wenschte, dat wij een post hadden +en dat gij mij iederen dag schrijven kondet." + +Flink en Willem maakten alle toebereidselen, die hunne langdurige +afwezigheid vereischen kon. Zij namen hunne beddedekens mede; zoo ook +een kleinen ketel, om te koken, en toen eindelijk alles beredderd was, +zeiden zij mijnheer en mevrouw Wilson hartelijk vaarwel. + +Juno hielp hun de bagage in de boot brengen. Zij wilden eerst naar de +Oostelijke kust roeien, dáár hunne vracht achterlaten en vervolgens +op het kokosbosch afgaan. Voordat zij van wal stieten, nam Willem +nog Remus, den hond, in de boot op. + +"Waartoe neemt gij den hond mee, Willem?? Hij kan hier van dienst +wezen, om de zwijnen te verjagen, en wij hebben misschien last +van hem." + +"Och, laat hem, Flink,--ik moet hem bij mij hebben. Er is mij daar +iets ingevallen--laat mij ditmaal mijn zin doen." + +"Goed, Willem: wat mij betreft, moogt gij altijd uw zin hebben. Gij +wenscht den hond bij u te houden, en daarmee afgedaan." + +"Dag, Juno, houd u goed, meid; we zullen u eene schildpad meebrengen." + +"Datte vooral doen, massa Flink! Dag, massa Willem! Niet vergeten, +zaterdag weerom wezen en brengen visch en schildpad mee." + +Het zeil werd opgetrokken, en daar er een frissche wind woei, waren zij +binnen korten tijd in de oostelijke baai. Zij droegen de levensmiddelen +en verdere benoodigdheden in het huis en sloten de deur toe. + +Hierop gingen zij naar het hoenderhok, waar Flink aan de vogels van +de rijst voorwierp, die hij hierheen had medegenomen. Tot hunne groote +tevredenheid telden zij thans over de veertig hoenders, alle gezond en +fiksch, sommige daaronder waren dik en vet, zoodat men hen dadelijk had +kunnen slachten. Daar zij nochtans overvloed van versche levensmiddelen +hadden, was men overeengekomen, hun vooreerst nog te ontzien, omdat +de eieren van meerdere waarde voor hen waren dan de hoenders. + +Vervolgens stapten zij weder in de boot en roeiden naar het +kokosboschje. De wind blies hun vlak tegen en zoo duurde hunne vaart +vrij lang, doch dit was, gelijk Flink opmerkte, eene zeer gunstige +omstandigheid, want op deze wijze konden zij met de bevrachte boot +ook des te sneller naar de baai terugzeilen. + +Aan het kokosbosch geland, verloren zij geen tijd, maar gingen +terstond aan het bevrachten van de boot, zoodat de spijkers benevens +de verdere ijzeren werktuigen van allerlei aard en de gereedschappen, +waar Flink destijds van het schip aan land had gebracht, het grootste +gedeelte van de eerste lading uitmaakten. Een meelvat, eene kist met +kaarsen en eenige stukken linnen maakten de lading eindelijk vol. Zij +riepen Remus, die zich op den zandigen oever in de schaduw van het +geboomte had nedergelegd, en stieten toen af. Het zeil werd geheschen +en een half uur later hadden zij de klippen reeds weder achter zich +en landden in de baai. + +"Ik ben recht blij, dat wij deze lading gelukkig overgebracht hebben, +Willem, want ze is voor ons van groote waarde. Nu willen wij het +een na het ander naar het magazijn brengen en daarmee is dan voor +vandaag genoeg afgedaan. Morgen zullen we zien, of we twee ladingen +halen kunnen. Ge denkt toch niet, dat dit u te zwaar zal vallen, +beste jongen?" + +"O, we hebben maar vroeg op te staan, en dan zal het best lukken," +gaf Willem ten antwoord. "Wij zullen nu ons maal houden en onzen +verderen arbeid tot den namiddag uitstellen." + +Aan dat maal mocht ook Remus deelnemen, dien Willem van beenderen en +verderen afval rijkelijk voorzag. + +"Maar zeg mij toch, Willem," vroeg Flink, "hoe waart ge er van morgen +toch zoo bizonder op gesteld om den hond mee te nemen?" + +"Dat zal ik u zeggen, Flink. 't Is mogelijk, dat ik mij in hem vergis, +maar dat geloof ik toch niet. Ik denk namelijk, dat hij moeder wel +een briefje van mij kan overbrengen. Gij weet, dat hij als men 't hem +gelast, altijd weer naar huis terugkeert, en nu wil ik eens zien, of +hij ook van hier den ganschen weg naar de tenten kan terugvinden. Ik +heb daartoe een stuk papier en potlood meegenomen." + +Hij haalde dit dadelijk voor den dag en schreef: + + + "Lieve moeder! + + "Wij zijn heel wèl en zoo even met de eerste lading + voorspoedig aangekomen. + + Uw u hartelijk liefhebbende zoon + + Willem." + + +Willem bond den hond het papier met een eindje touw om den hals, +lokte hem toen buiten het huis en riep: + +"Remus, naar huis, beest!--Marsch, weg! Naar huis, hond!" + +De hond keek zijn meester twijfelachtig aan, alsof hij niet recht +wist wat men van hem verlangde; doch Willem nam een steen en deed +alsof hij naar hem gooien wilde. Nu liep het dier een eind weegs +voort en bleef toen weder staan. + +"Naar huis, Remus!--Naar huis, hond!" Met deze woorden hief Willem +den steen weder omhoog, terwijl hij zijn bevel herhaalde en de hond +ging nu, zoo hard zijne pooten hem dragen konden, op den loop. + +"Hij is nu in allen gevalle weg," zeide Willem. "Mij dunkt, hij zal +de tenten wel wedervinden." + +"Dat moet de tijd leeren," hernam Flink. "Daar we met eten gedaan +hebben, kunnen we nu met het bergen van onze goederen beginnen." + +"Waar moeten we die dan bergen, Flink?" + +"In het magazijn, beste jongen. Dat zal ons wel wat zweet kosten, +want deze kisten en vaatjes met spijkers zijn zwaar en wij dienen +menigen gang te doen, maar het moet toch gebeuren. We hebben echter +nog een uur of drie, vier dag vóór ons, zoodat we ons niet behoeven +te overhaasten." + +Zoodra de gansche lading in het magazijn geborgen was, brachten zij +de boot in veiligheid en gingen toen naar het woonhuis, om zich daar +ter ruste te leggen. Op het oogenblik, dat zij den voet op den drempel +zetten, kwam Remus met vroolijke sprongen op hen toe; maar gelukkig +had hij het briefje nog altijd om den hals. + +"Daar is de hond, Willem," riep Flink. "Het schijnt, dat hij toch +niet naar huis heeft willen terugloopen." + +"Dat spijt mij recht; ik geloofde stellig en zeker, dat hij het doen +zou, en nu heb ik mij toch bedrogen. Wij zullen hem niets te vreten +geven, dan moet hij op 't laatst toch wel gaan. Maar wacht,--wacht +eens! Kijk, Flink! dat is niet hetzelfde papier, dat ik hem om den +hals bond. Ik geloof 't althans niet.--Laat eens zien." + +Dit zeggende nam Willem den hond het briefje van den hals en las: + + + "Beste Willem! + + "Uw brief is gelukkig overgekomen en wij zijn recht blij, nu + wij weten dat alles wèl met u is. Schrijf ons elken dag. 't Was + wezenlijk een recht goede inval van u,--en Remus is een juweel + van een hond. + + + Uwe u liefhebbende moeder + + Selina Wilson." + + +"Inderdaad, de hond is recht schrander," riep Flink. "Waarlijk, ik +had er niet de minste gedachte op, dat hij gaan, of dat hij nog wel +op bevel uwer moeder tot ons terugkomen zou." + +"Brave Remus!" riep Willem, het dier liefkoozende. "Kom hier, mijn +jongen; nu zult ge ook lekker smullen van avond, want ge hebt dat +eerlijk verdiend." + +"Dat heeft hij waarlijk. Zie, Willem, daar hebt ge nu een +postinrichting op ons eiland tot stand gebracht, en dat is eene +verbetering van belang. In ernst, jongen, ze kan ons recht nuttig +worden." + +"In allen gevalle kan dat eene groote geruststelling voor moeder zijn." + +"Ja, vooral dan, als we in 't vervolg met ons drieën hier werken +moeten, om 't magazijn in orde en in staat van tegenweer te +brengen.--Nu gaan wij echter terstond slapen, om morgen met den +leeuwrik weer op te zijn, zooals men bij ons te lande zou zeggen." + +"Hier dienden wij te zeggen, met de papegaaien, want die zijn de +eenige soort van landvogels, die dit eiland rijk schijnt te wezen." + +"Gij vergeet de duiven, Willem. Ik heb gisteren een paar in het bosch +gezien; maar ze zijn thans juist in den broeitijd.--Goeden nacht, +Willem." + +Eenige dagen lang werkten allen ijverig door en Remus ging heen en +keerde telkens met goede berichten terug, totdat des Zaterdags de +terugreis werd aanvaard. Bij hunne aankomst vonden zij de gansche +familie aan de kleine haven verzameld en verlangend naar hen uitziende. + +"Welkom thuis, beste Willem!" riep mevrouw Wilson hem vroolijk +toe. "Nu, gij hebt u een man van uw woord betoond en mij uwe brieven +met den post gezonden. Welk een kostelijke inval van u! Ik zal mij +niet meer ongerust maken: ook niet, als gij alle drie eens te zamen +weg zijt." + +"Ik moet Romulus en Vixen ook nog hetzelfde leeren, moeder." + +"En ik wil het de jongen leeren," zei Thomas. "Thomas wil ook brieven +schrijven." + +"Ja, ja, Thomas. Tegen dat gij eerst een brief schrijven kunt, zullen +de jongen wel sterk genoeg zijn, om dien te dragen," antwoordde +Flink. "Uw gezicht is nog tamelijk geschonden, merk ik. Ge zult nu, +hoop ik, geen doode varkens meer willen schieten." + +"Neen, dat wil ik niet; maar van 't eerste, dat gij nu weer doodmaakt, +zal ik meer eten, dan ik van dat andere gedaan heb." + +"Dat is een verstandig woord van u, beste jongen.--Kom hier, kleine +Albert! ik zal u weer een beetje op den arm dragen; wij beiden hebben +nu in zoolang niet samen gespeeld.--Hoe staat het met de heg en den +greppel, mijnheer?" + +"Goed, Flink, twee zijden daarvan zijn ten naastebij klaar. Naar ik +reken, zal ik tegen het einde der volgende week het gansche plantsoen +wel behoorlijk omheind hebben." + +"O, ge behoeft u niet al te sterk in te spannen, mijnheer; want zoo'n +groote haast heeft het volstrekt niet. Willem en ik zullen met het +overige wel nagenoeg klaar worden." + +Aan tafel sprak men nog lang van de schranderheid, door Remus bij het +overbrengen der brieven aan den dag gelegd. Mijnheer Wilson verhaalde +daarbij onderscheidene voorbeelden van de scherpzinnigheid der dieren, +totdat Willem zijn vader op eens vroeg, waarin dan eigenlijk het +verschil tusschen verstand en instinct bestond. + +"Dat verschil is zeer groot, zooals ik u terstond zal verklaren. Eerst +moet ik echter aanmerken, dat men voorheen placht te zeggen, dat de +mensch door verstand, maar het dier enkel en alleen door zijn instinct +geleid werd, hetgeen onjuist is. De mensch heeft evengoed als het +dier zijn instinct en ook de dieren bezitten verstandelijke vermogens, +ofschoon zij ook meestal enkel aan het instinct gehoorzamen." + +"Instinct bij dieren is het gevoel, dat dezen aandrijft om zekere +dingen zonder voorafgaand overleg of nadenken te verrichten. De zwaluw +bouwt haar nest, de spin weeft haar web, de bij maakt hare cel in +alles nog evenzoo als zij het voor vierduizend jaren gedaan hebben. Ik +kan u hier reeds doen opmerken, dat een der grootste wonderen van het +instinct in de meetkunstige gedaante der bijencellen bestaat, want men +heeft door afdoende bewijzen aangetoond, dat deze vorm juist die is, +welke de minste opoffering van tijd en moeite vordert. De wonderen +van het instinct vallen bovenal onder zulke dieren in het oog, die +in groote kudden en zwermen samenleven." + +"Verklaar mij dat wat nader, lieve vader." + +"Daartoe behooren b. v. de vele soorten van trekvogels, wilde ganzen, +ooievaars, zeevogels, kraaien en raven. Zij doen hun instinct blijken +door de tochten, die zij uit het eene werelddeel naar het andere +ondernemen,--door de wijze, waarop zij vliegen, opdat zij den wind +zoo weinig mogelijk val en tegenstand bieden. Daarbij houdt elk +dezer dieren zich aan de hem aangewezen plaats met eene bijzondere +nauwgezetheid. Als zij slapen, zetten zij schildwachten uit, die voor +hen waken en hun bij naderend gevaar een teeken geven; datzelfde kan +men niet alleen bij vogels, maar ook bij andere dieren waarnemen." + +"En hoe is het dan met die, welke in troepen of zwermen leven, vader?" + +"Daartoe behooren de bijen, de mieren en vele andere insecten en onder +de viervoetige dieren de bever. Niets is bewonderenswaardiger dan de +nauwgezetheid, waarmede zij arbeiden, de gemakkelijkheid, waarmede +zij zich de een den ander verstaanbaar maken en de stiptheid, waarmede +ieder in het bijzonder zijn werk verricht,--doch Thomas geeuwt, alsof +hij ons allen wil inslikken en Caroline is al lang in zoete rust." + +"Hun verstand en hun instinct zijn dan beide tegen mij," merkte +Willem lachend aan, "zoodat ik wel geduld moet hebben. Maar ik verlang +werkelijk zeer over dit punt nog iets meer van u te hooren." + +"En ik niet minder, Willem," verzekerde Flink; "ofschoon 't mij nu +niet onaangenaam is te gaan rusten." + + + + + + + +EEN-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK. + +INSTINCT EN VERSTAND. + + +De volgende dag was als Zondag aan de rust gewijd. + +Toen de familie des avonds vreedzaam bij elkander zat, verzocht Willem +zijn vader, om nu van de verstandelijke vermogens der dieren nog iets +naders te zeggen. + +"Dat wil ik gaarne doen," antwoordde mijnheer Wilson. "Daar vinden wij +dan vooreerst geheugen, en wel inzonderheid een onthouden van personen +en plaatsen, dat in getrouwheid voor dat van ons menschen zeker niet +behoeft onder te doen. Een olifant, die uit zijn stal weggeloopen en +weer in zijne oude bosschen gevlucht was, kende nog na twintig jaren +zijn voormaligen drijver weder. Wat den plaatselijken zin aangaat, +zoo zal b. v. een hond de vroegere woning van zijn heer terugvinden, +ook al was hij er honderd uren ver vandaan geweest. Ook de papegaai +en de kaketoe bezitten een uitmuntend geheugen. + +"Een tweede bewijs voor hun geheugen is, dat de dieren droomen; +hoe dikwijls hoort gij Romulus en Remus in den slaap niet brommen +en blaffen?" + +"Dat heb ik meermalen opgemerkt, vader." + +"Verder doen zij ook opmerkzaamheid blijken. Zie eens eene kat, +hoe zij uren lang geduldig voor een gat zit en wacht tot de muis +er uitkomt. Eene spin wacht dagen lang, totdat eindelijk eene vlieg +in haar net verward raakt; en zoo zult gij het bij elk dier vinden, +als het op zijne prooi loert. + +"Ook een aaneenschakeling van gedachten is bij hen merkbaar, +en wat is dit anders dan eene werkzaamheid van het verstand? Een +bewijs daarvan levert de hond; hij zal b. v. een net gekleed mensch +doodbedaard op zijne deur laten toekomen, terwijl hij dreigend op +den bedelaar aanvliegt. Heeft hij iets te bewaken, dan zult gij +altijd merken, dat hij een voorbijganger ongestoord laat gaan, maar +daarentegen oogenblikkelijk begint te blaffen, als iemand voor hem +staan blijft. Ik heb in Sidney een hond gekend, die op de plantage van +zijn meester de wacht moest houden en telkens, als hij een mensch het +goed hoorde naderen, op den kleinen muur sprong, die de plaats omgaf, +en den aankomeling op zijde bleef, totdat deze de buurt verlaten had. + +"Bij den olifant valt dit vermogen der gedachtenverbinding nog +duidelijker in het oog; hij verstaat wat men hem zegt veel beter dan +eenig ander dier;--zijn verstand is werkelijk ongemeen. Men heeft hem +slechts eene belooning toe te zeggen, en hij zal de verwonderlijkste +kunststukken verrichten; ook is hij buitengewoon gevoelig voor lof +of blaam. + +"In Indië worden de olifanten tot het vervoer van zwaar geschut +gebruikt. Eens gebeurde het, dat een van de fraaiste dezer dieren +vruchteloos zijne krachten inspande, om een kanon door het moeras +te slepen. "Jaagt het luie dier weg," riep de commandant van den +legertrein, "en laat een ander komen." De olifant gevoelde zich +door dit verwijt zoo diep gekrenkt, dat hij 't uiterste beproefde +om het stuk met zijn kop voort te stooten, totdat hij zich den kop +verpletterde en dood nederviel. + +"Op de beurs te Exeter had men langen tijd een olifant, die Chunny +heette. Dezen had men geleerd, de kleinste geldstukken met zijn snuit +van den grond op te rapen. Eens gebeurde het hem, dat hij een shilling +liet vallen, die daarop tegen den muur aanrolde, zoodat hij er niet +meer bij kon. Chunny blijft staan, bedenkt zich een poosje en begint +eindelijk met zijn snuit zoo geweldig te blazen, dat de uitgestooten +lucht den shilling van den muur af en naar hem toedrijft, zoodat hij +weder in staat is dien te bereiken. + +"De dieren bezitten ook nog andere eigenschappen, zooals onder +andere een scherpen zin voor de tijdverdeeling. Zoo kende ik twee +honden, die aan eene dame toebehoorden. Deze dieren mochten altijd +medegaan, wanneer hunne meesteres in de week met haar rijtuig een +toertje ging doen; alleen 's Zondags, als deze naar de kerk reed, +werden zij natuurlijk niet medegenomen. Nu was het vreemd te zien, +hoe deze beide honden evengoed als hunne meesteres wisten, wanneer het +Zondag was. In de week als het rijtuig voor de deur stilhield, kwamen +zij vroolijk aanspringen en waren, zoodra de tree werd neergelaten, +met een wip daarin; maar 's Zondags was het, alsof zij niets van het +rijtuig merkten en bleven zij bedaard op hun plaatsje liggen." + +"Dit is waarlijk merkwaardig; wat moet dat een verstandig dier geweest +zijn!" riep Willem verwonderd. + +"Ook zijn de dieren voor onderrichting vatbaar, hetgeen blijkbaar +een nieuw bewijs voor hunne verstandelijke vermogens is. De olifant, +het paard, de hond en andere dieren, zelfs vogels, kunnen al het +mogelijke aanleeren. Zoo kan men op kermissen menigmaal kanarievogels +zien, die kanonnetjes afsteken, zich dood houden en allerlei kunstjes +verrichten." + +"Maar nu weet ik nog altijd niet, waar men de grenslijn tusschen +verstand en instinct moet trekken, beste vader." + +"Ik was juist op het punt om daartoe over te gaan, Willem. Als +de dieren bij het uitgaan op hun voedsel, het grootbrengen hunner +jongen en bij hunne voorzorgen tegen gevaren het instinct volgen, dan +gehoorzamen zij daarbij aan zekere vaste regelen, waarvan zij nooit +afwijken. Daarbij kunnen echter altijd weer omstandigheden plaats +hebben, waartegen het instinct hun geen hulpmiddelen verschaft, en +het is in zulk een geval, dat hun verstand moet worden te baat genomen. + +"Ik wil dit gezegde nader ophelderen met het voorbeeld van de bij, +die een der dieren is, bij wie het instinct zich het werkzaamst +vertoont. Er is zekere vlinder,--men noemt hem doorgaans den +doodshoofdvlinder,--die zich zeer gaarne op honig vergast. Het gelukt +hem somwijlen in een bijenkorf en tot de cellen door te dringen. De +bijen grijpen dezen vijand dadelijk aan en dooden hem met hare +angels; doch zijn lijk is zoo groot, dat zij het niet uit den korf +kunnen brengen, wat bij kleinere insecten, die bij haar indringen, +regelmatig geschiedt, naardien zij een zeer fijnen reuk schijnen +te bezitten. Wat doen zij dus, om den stank, die van het verrottend +lichaam der kapel te vreezen is, te keer te gaan? Zij overtrekken het +doode diertje met was en balsemen het als 't ware op deze wijze in, +zoodat zij er volstrekt geen last meer van hebben." + +"Ja, maar kan 't ook in dit geval niet haar instinct geweest zijn, +vader, dat haar zoo handelen deed?" vroeg Willem. + +"Als dit geval bij wilde bijen ware voorgekomen, dan kondet gij die +vraag met recht doen, Willem. Nu echter weet gij, dat bijen in den +wilden staat in uitgeholde boomen leven en dat in dit geval de opening, +die naar het hol voert, juist maar even groot genoeg is, dat de eene +bij er na de andere door kan. Natuurlijk kan er dan geen grooter +dier meer indringen, en al wilde het dat ook, zoo zou het gemakkelijk +door den grooten zwerm worden afgeweerd. Ik neem de bijen nu echter +in haren kunstmatigen toestand, als zij in een bijenkorf met wijde +opening opgesloten en aldus aan het vermelde geval blootgesteld zijn, +waarin zij op de gezegde wijze weten te voorzien." + +"Nu heb ik het onderscheid begrepen, vader." + +"Nog een voorbeeld: Een olifant viel eens in een diepen waterput. Het +was onmogelijk hem er uit te halen, en hij had er dus in moeten +omkomen; maar zijn drijver, die wel wist, hoe schrander het dier was, +gaf den raad om eene menigte zware takkenbossen bijeen te brengen en +die den olifant in den put toe te werpen. Het dier begreep dan ook +heel goed, wat men daarmee voorhad. Hij vlijdde de takkebossen op +den grond neder en plaatste zich daarop; zoo ging hij voort de eene +laag op de andere te leggen, tot die zulk eene hoogte bereikt hadden, +dat hij eindelijk uit den kuil komen kon. Er zouden wel menschen zijn, +die niet begrepen, wat zij in een soortgelijk geval met de takkebossen +hadden aan te vangen, als men hun dat niet eerst zeide." + +Zij arbeidden de volgende gansche week met den grootsten ijver +door en hadden eindelijk op Zaterdagavond hunne taak verricht. Met +uitzondering van de geborgen scheepsplanken, was thans al het overige +naar de oostelijke baai vervoerd. Echter lag er nog veel op het strand +verstrooid, daar de tijd niet toereikend geweest was om alles in het +magazijn te bergen. + +Zaterdag, in den vroegen morgen, roeiden zij voor de laatste maal naar +het kokosbosch en Flink zocht onder de wrakhouten, die overal op het +strand verstrooid lagen, een aantal eiken balken en posten op, die +zij daarop deels in de boot brachten, deels aan 't achtereind daarvan +vastmaakten. Dit gaf een zeer zware lading, zoodat de boot, in weerwil +van de stevige koelte, slechts zeer langzaam door het water ging. + +"Nu, Willem," begon Flink, "hebben we een moeilijk werk achter den rug +en ik moet zeggen, 't is hoog tijd dat wij eindelijk klaarkomen, want +onze boot begint vrij zwak en bouwvallig te worden, zoodat ik haar, +zoodra wij eens weer tijd daartoe hebben, zorgvuldig kalefateren moet." + +"Wij zullen haar nu ook zoo dikwijls niet meer noodig hebben," +antwoordde Willem; "eenige vaarten naar de kleine haven zullen wel +alles zijn, wat zij voor ons terugkeeren naar de oude woning heeft +te doen." + +"Dat is waar, Willem en zij heeft ook reeds een duchtig lek en dient +althans spoedig met zorg geteerd te worden. Voor een zoo licht gebouwd, +gebrekkig ding, heeft zij hare diensten kostelijk gedaan." + +"Het heeft mij al dikwijls verwonderd, dat zij zich zoo goed hield, +Flink. Maar wat dunkt u, zullen we nu aanstaanden Maandag naar het +magazijn opbreken en daar in het vervolg onzen intrek nemen?" + +"Zeker, Willem; we mogen dat volstrekt niet langer uitstellen," +antwoordde Flink. "Uw vader heeft intusschen zeker heg en sloot +rondom het yamsplantsoen klaar, en is dit zoo, dan zal uwe moeder +toch ook niet alleen met Juno en de kleinen in de tenten willen +achterblijven. Zoo zullen wij nu het beste doen om naar het oude huis +terug te keeren, totdat het magazijn geheel in orde is gebracht. Ik +voor mij zou echter veel liever zien, dat uw moeder stilletjes bij +de tenten bleef, totdat alles gedaan is." + +"Omdat gij een bezoek van de wilden vreest, Flink?" + +"Ja, waarlijk, beste jongen, ik wil het niet ontkennen." + +"Maar, Flink, als zij komen, dan zien wij dat vroeg genoeg; en is het +dan niet veel beter, dat wij allen bij elkander zijn, zelfs als wij +ons voor hen verbergen moesten, omdat we nog niet behoorlijk waren +voorbereid? Stel u het geval eens voor, dat de wilden het eiland +overvielen en mijne moeder, mijne broertjes en zusjes geheel zonder +bescherming vonden, terwijl wijzelven gedwongen waren, ons huis te +verlaten,--hoe schrikkelijk moest dat zijn!" + +"Ja, Willem, ik reken er op, dat wij ons in dat geval nog naar de +tenten redden zouden." + +"Dat kunnen wij echter ook allen gezamenlijk, Flink, als wij maar +niet bij nacht verrast worden." + +"Daar moeten wij met alle zorgvuldigheid tegen zoeken te waken mijn +jongen. Gelukkig is het licht in het tegenwoordige seizoen weinig +langer dan drie uren van den hemel. Het komt mij overigens voor, +dat gij gelijk hebt, Willem. Bovendien kan Juno ons goede diensten +doen en wij zullen door haar te eer met ons werk klaarkomen." + +"'t Zou misschien wel het best zijn, dat wij de beslissing aan vader +en moeder overlieten." + +"Dat is waar.--Nu, daar is eindelijk de landpunt ook; wij zullen onze +planken gauw aan land brengen en dan dadelijk weer in zee steken, +want het wordt al tamelijk laat." + +Zij bereikten de kleine haven werkelijk veel later dan gewoonlijk, +waaraan de zware lading schuld was, zoodat de boot niet dan zeer +langzaam naar de baai was voortgedreven. Bij hunne aankomst stonden +vader, moeder en de kinderen allen op het strand hen met ongeduld +te wachten. + +"Gij komt van avond laat, vrienden," begon mevrouw Wilson. "Ik begon +al ongerust te worden, tot ik uwe boot eindelijk in de verte zag." + +"Ja, lieve moeder, wij konden het niet anders maken; we hadden nog +eene zware lading over te brengen, maar nu zijn wij ook met ons werk +geheel ten einde." + +"Dat hoor ik met blijdschap, Willem, want het valt mij hard, u zoo +dagen achtereen in het geheel niet te zien te krijgen." + +"Ook ik ben met mijn werk klaar," zeide de heer Wilson: "dezen morgen +heb ik de laatste hand aan de omheining gelegd." + +"Dat is goed," sprak Flink; "wij moeten dan eens weder een krijgsraad +houden, die echter nu, denk ik, niet al te lang duren zal." + +"Ik hoop het althans niet, Flink; want als men van eenerlei gevoelen +is, zal dat zelden het geval zijn. Mijne vrouw wil liefst niet alleen +hier achterblijven en ik zou haar niet gaarne verlaten;--daarom, +dunkt mij, moeten wij Maandag naar onze woning opbreken." + +"Recht gaarne, mijnheer, als gij dat verkiest," gaf Flink ten antwoord. + +"Juno, ik hoop toch, dat gij iets goeds te eten hebt?" riep Willem. "Op +mijn woord, ik heb van avond honger voor tien." + +"O ja, massa Willem, gebakken visch heele boel; massa zelf die +vanmorgen gevangen heeft." + +"Ik lust liever schildpadsoep," verklaarde Thomas. + +"Ik geloof, dat sinjeur Thomas alles lust behalve ricinusboonen," +zeide Flink lachend. "Niet waar, daar wilt gij niet meer van eten?" + +"Neen, zeker niet; maar ik wil bananen eten, zoodra ze rijp zijn." + +"O, gij hadt ze zeker ook al vroeger geproefd, als gij er maar bij +had kunnen komen; doch daartoe moet gij eerst nog grooter worden." + +"Ik zal ook een man worden," hernam Thomas. + +"Dat hoop ik en wel een recht braaf, uitstekend man," antwoordde de +oude Flink. "Kom, ik zal Juno nu maar eens een handje helpen, om het +eten op te brengen." + + + + + + + +TWEE-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK. + +GROOTHEID VAN HET DIERENRIJK. + + +De volgende dag was weder een Zondag en derhalve aan de rust +gewijd. Inderdaad hadden onze vrienden die na den ingespannen arbeid +van de voorgaande week hoog noodig en thans eerst gevoelden zij recht +duidelijk, hoe weldadig zulk een verademing is. + +Na het eten hield men raad en kwam overeen, Maandag alle toebereidselen +te maken, om de tenten te verlaten en naar de oude woning terug te +keeren. De schapen en geiten zouden vooreerst aan de zuidkust blijven, +waar zij uitmuntend voedsel in overvloed hadden. Men wilde slechts +eene enkele geit medenemen, die het huisgezin genoegzaam van melk +kon voorzien. Ook besloot men de tenten, met eenig keukengereedschap +daarin, te laten staan, opdat Willem en Flink, als zij hierheen kwamen, +om naar de bananen en yamswortels of naar de schapen en geiten om te +zien, niet onder den blooten hemel zouden behoeven te slapen en de +middelen mochten vinden om zich een behoorlijk maal te bereiden. + +Willem en Flink moesten de bedden enz. in de boot naar de oostkust +brengen, hetgeen in twee vaarten te doen was. Mijnheer en mevrouw +Wilson wilden vroeg ontbijten en dan met de verdere familie door het +bosch op weg gaan. + +Des avonds bracht Willem het gesprek weder op de dieren en hunne +eigenschappen, daar hij zijn vader gaarne over dit onderwerp hoorde +spreken. In den loop van dit gesprek wierp Willem eensklaps de +vraag op: + +"Ei, vader, men zegt wel eens: "zoo dom als een ezel!" Is de ezel +dan werkelijk zulk een dom dier?" + +"Neen, Willem; integendeel is hij zeer scherpzinnig en die benaming +wordt hem meer om zijn stroeven, koppigen aard dan om eenige andere +reden gegeven. Men zegt veelal, "dom als een ezel, dom als een varken +of als eene gans," doch doet die dieren daarbij groot ongelijk, +daar geen van hen dien bijnaam verdient. + +"Bij den ezel kan hiervan licht de reden zijn, dat wij in ons +noordelijk vaderland slechts de minste bastaardsoorten bezitten. Klein +en gebrekkig, gelijk wij hen daar zien, geeft men hun noch haver noch +eenig ander krachtig voeder, behandelt hen slecht en zoo is het dan +ook geen wonder, dat zij tot trage, stijfkoppige dieren ontaarden. Het +klimaat van het noordelijk Europa is veel te koud voor den ezel. In +het zuiden van Frankrijk, aan de Middellandsche Zee, waar het veel +warmer is, treffen we den ezel ook als een veel fraaier dier aan. + +"Wanneer wij hem echter in al zijn volmaaktheid willen zien, dan +moeten wij in de warme luchtstreek naar Guinea vlak onder den evenaar +gaan. Daar, in de heetste streek der aarde, is het vaderland van +den ezel; daar is hij in zijn natuurstaat een fraai dier, snel als +de wind." + +"Maakt dan het klimaat zulk een groot verschil, vader?" + +"Natuurlijk--en dat niet alleen bij dieren, maar ook bij boomen en +planten en zelfs bij den mensch, totdat hij aan de verwisseling daarvan +gewoon is. De lascaar, d. i. de inlandsche Indische zeeman, is op de +warme, zonnige Indische wateren vol vroolijkheid en leven, doch zoodra +hij in het Britsche Kanaal komt en de vingers hem van koude verkleumen, +wordt hij traag, onwillig, kortom in alles een beklagenswaardig wezen. + +"Onder de dieren vindt men vele, die de verwisseling van klimaat +goed verdragen en zich zelf aan een hun anders geheel vreemd voedsel +gewennen kunnen. Het paard b. v. dat oorspronkelijk in Arabië te huis +behoort, tiert evengoed in de gematigde als in de koude luchtstreek, +daar het zelfs den harden winter in Noord-Amerika en in Rusland +verduren kan. Zoo ook andere huisdieren, als koeien, schapen, varkens, +enz. Eene opmerkelijke bijzonderheid is, dat het rundvee in Canada +gedurende den winter voor een groot deel met visch wordt gevoed. + +"Behalve de reeds opgenoemde, zijn er ook nog andere dieren, b. v. de +wolf, de vos, de haas en het konijn, die onder elke warmtegraad +kunnen leven. Bij schapen en geiten ziet men een merkwaardig +verschijnsel,--blijkbaar ten bewijze, dat zij bestemd zijn, om zich +overal op de aarde te verbreiden,--dit namelijk, dat zij onder de heete +hemelstreken hun warm, wollig kleed afwerpen en bijna enkel haren ter +bedekking overhouden, terwijl zij hunne warmer vacht oogenblikkelijk +weder aannemen, als zij naar kouder streken worden overgebracht. + +"Dit toenemen van het ruige bekleedsel is nog bij vele andere dieren +merkbaar zoodra zij uit warmer streken meer naar het noorden worden +overgeplant. Wolven, vossen, hazen en konijnen verkrijgen langzamerhand +eene witte vacht, hoe verder noordelijk zij zich ophouden. De kleine +wezel, die bij ons door de veld- en boschwachters gedood en aan de +schuurdeuren gespijkerd wordt, verandert in Rusland en in andere koude +landen in dat fraaie, witte hermelijntje, welks pels zoo hooggeschat +en door keizers en koningen gedragen wordt. + +"Hierbij valt alleen op te merken, Willem, dat zulke dieren, welke +slechts voor een bijzonder werelddeel bestemd werden, ook doorgaans +zoo zijn toegerust, als zij voor hun land best passen, en daar ook +het meest geschikte voedsel voor hunne soort vinden. Neem b. v. den +kameel, een dier, dat uitsluitend voor zijn geboorteland geschapen +werd en zonder 't welk alle gemeenschap tusschen Azië en Afrika moest +ophouden. Zijne pooten zijn zoo gevormd, dat hij met gemak door het +zand waden kan; hij voedt zich met de schrale gewassen en ziltige +planten, die men daar nog aantreft, en heeft de bijzondere eigenschap, +dat hij in eene soort van tweede maag een voorraad van water medevoert, +om in streken, waar men dat niet vindt, er zijn leven bij te houden." + +"Er zijn zeker ook vele dieren, die voor den mensch van geen nut +zijn, vader?" + +"Vele althans bij wie dit het geval schijnt te wezen, en enkele zelfs, +die hem hoogst verderfelijk zijn. Dit behoort nu eenmaal tot ons lot; +wij mogen hen daarom ook uitroeien en verdelgen, als zij ons lastig +of gevaarlijk worden, gelijk wij dat den distel op het veld doen. Zoo +zij echter ook al van geen nut voor ons zijn, verhoogen zij toch de +schoonheid en rijke verscheidenheid der natuur." + + + + + + + +DRIE-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK. + +INRICHTING VAN HET BLOKHUIS. + + +De volgende morgen was zeer druk en onrustig, want nu ging men weer aan +'t inpakken en aan de toebereidselen tot de verhuizing. Juno werd nu +hier, dan daar geroepen en moest Carolientje verzoeken op den ketel +te letten en haar te waarschuwen, als het water begon te koken. + +Thomas was, als naar gewoonte, iedereen in den weg. Hij wilde overal +helpen, doch bracht meer van, dan op zijne plaats. Daar hij het +evenwel goed meende, werd hij althans ditmaal niet beknord. Eindelijk +zond Flink, om hem kwijt te worden, hem met een groot pak naar +het strand. Thomas nam den bundel op zijn schouder: maar toen hij, +niet weinig hijgende van het verrichte werk terugkwam en Flink hem +een tweeden last wilde opladen, zei hij toch, dat hij te moe was, en +zette zich stilletjes neer, totdat het ontbijt werd opgedragen, wat +echter eerst geschiedde, toen men met alle toebereidselen gereed was. + +Terstond na het ontbijt pakte mevrouw Wilson het keuken- en +tafelgereedschap in een mand bijelkander. Toen begaf de gansche +familie zich eindelijk op weg en trok, in gezelschap van de honden, +door het kokosbosch voort. + +De kleine Albert kon nu heel goed loopen en moest slechts nu en dan +door Juno gedragen worden, die hem anders bij de hand had. Caroline +liep naast haar vader en moeder, maar Thomas was te eigenzinnig om +met iemand te gaan en stapte in zijn eentje voort. + +Willem en Flink verloren geen tijd, om hunne taak af te doen. Tafels, +stoelen en verder huisraad was het eerste, dat zij in de boot +hadden. Vervolgens werd de eene geit ingescheept en toen stieten zij +met volle lading van land en bereikten de baai lang vóór de wandelaars, +die door het bosch trokken. + +Zij brachten de ingeladen goederen spoedig aan land en stieten toen +opnieuw af, om het beddegoed en wat er verder nog was overgebleven +af te halen. Tegen drie uren 's namiddags kwamen zij met de tweede +en laatste lading in de baai aan, waar de familie voor ongeveer een +uur was aangekomen. Mijnheer Wilson en Juno waren reeds druk bezig +de uitgeladen stukken naar het huis te dragen. + +"Dat zal nu hoop ik, onze laatste vaart geweest zijn voor langen tijd, +Willem," zeide de oude Flink. "'t Is ook goed, want onze kleine boot +heeft veel geleden en dient, zooals ik u reeds zeide, eens met zorg +te worden nagezien." + +"Ha, laat mij 't niet vergeten, Flink, ik heb onlangs de duiven bij +onze erwten gevonden; het wordt dus wel tijd, dat wij ze plukken. De +duiven zijn al heel schielijk vermeerderd,--ik heb er wel over de +dertig geteld." + +Nog vóór den nacht was alles in huis weder op de oude plaats en even +gemakkelijk als te voren ingericht. Zij waren dan allen ook recht moede +geworden en gingen dus vroegtijdig te bed, nadat men voor den volgenden +dag het noodige had afgesproken. Mevrouw Wilson had zich aangeboden +om de keuken en het opzicht over de kleinen zelve voor hare rekening +te nemen, zoodat Juno de mannen den ganschen dag behulpzaam kon zijn. + +Voor dag en dauw gingen Willem en Flink naar de schildpadvijver +en vingen er eene uit, want de tijd naderde, dat men weder nieuwe +schildpadden vangen en in korten tijd den vijver daarmede vullen +kon. Het gevangen dier werd geslacht en een deel daarvan in den pot +gestoken, zoodat mevrouw Wilson het slechts had te braden, en zoodra +het ontbijt was afgeloopen, ging men onverwijld naar het magazijn in +het woud. + +Ka een kort beraad met mijnheer Wilson, paalde Flink een van +kokosboomen gevormd vierkant rondom het magazijn af, zoodat op elke +zijde eene ruimte van ongeveer twintig voet vrij bleef, en dit vierkant +moest nu door eene schutting geheel worden ingesloten. De kokosboomen +moesten daarbij tot steunbalken dienen, tusschen welke andere boomen, +die men eerst vellen wilde, tot eene hoogte van veertien voet zouden +worden vastgemaakt. Op deze wijze dachten zij eene palissade tot +stand te brengen, die men niet gemakkelijk beklimmen kon, zoodat zij +daardoor tegen alle aanvallen der wilden beschut waren. + +Zoodra de buitenste reeks van boomen gemerkt was, begonnen zij alle +boomen binnen deze en naar buiten tot op een afstand van tien roeden om +te hakken, zoodat zij behoorlijk ruimte tot hun arbeid hadden. Flink +kapte lange balken welke zij van boom tot boom bevestigden, en nu +reeds ondervonden zij het voordeel, dat zij van het bewaren der groote +spijkers hadden, want zonder dezen hadden zij hun werk noch zoo goed +noch zoo rasch kunnen verrichten. + +Mijnheer Wilson velde de boomen, Willem en Juno zaagden ze met +een groote timmermanszaag op de behoorlijke lengte af en brachten +de stammen dan bij Flink. Spoedig hadden zij meer omgekapt dan zij +eigenlijk noodig hadden. De kruinen en takken der gevelde boomen werden +opgeraapt en als brandhout op een hoop gestapeld, terwijl mijnheer +Wilson en Flink de palissaden aan de palen begonnen vast te spijkeren. + +Zij hadden den ganschen dag zwaar gearbeid en waren verheugd, toen +de avond hun eindelijk eenige verademing vergunde. Flink was echter +nog niet tevreden, maar zeide tot Willem: + +"Daar wij nu weder hier zijn, komt het mij wel noodzakelijk voor, +beste jongen, dat wij, om ongeluk te verhoeden, eene soort van +nachtwacht houden. Ik ga niet te bed, voordat het geheel donker +wordt, wat zoo ongeveer tegen negen uren is: gedurende dien tijd +zal ik de zee nauwkeurig opnemen. Wij hebben wel niet te vreezen, +dat de wilden midden in den nacht komen; maar even voor 't invallen +van de duisternis of 's morgens vroeg is dit eer te verwachten, en +zoo moet dus een van ons nog vóór 't aanbreken van den dag--dat is +tusschen twee of drie uren 's morgens--op de been zijn, om te zien of +er ook iets van hen te ontdekken is. Is dit niet het geval, dan kunnen +wij natuurlijk weer te bed gaan, daar zij dan eerst vele uren later +kunnen aankomen. Ook moeten wij op wind en weer acht geven, of die +hunne vaart misschien ook begunstigen. Met den wind kan dit niet eer, +dan met het begin van den regentijd het geval zijn. Hij kan echter ook +zeer zwak worden, en dan moet er den wilden weinig aan gelegen zijn, +of hij hun tegen is of niet. Ik heb al veel over de zaak nagedacht, +beste Willem, en geloof dat, ingeval wij een bezoek van de wilden +krijgen, dit met het begin van den regentijd wezen zal, want dan +waait de wind niet regelmatig uit ééne hemelstreek, zooals thans, +maar springt gedurig om, zoodat zij in hunne kano's zeilen opzetten +en gemakkelijk hierheen komen kunnen, in plaats van anders veertig +of vijftig mijlen ver tegen wind en stroom in te moeten roeien, wat +een allesbehalve lichte arbeid is. Hoe dat zij, wij mogen zelven geen +voorzorg verzuimen en moeten nu reeds scherp naar de zee uitzien. Ik +wil uw vader en moeder liefst voor den tijd niet ongerust maken, +maar u moet ik zeggen, hoe ik er over denk en wat ik meen, dat wij +te doen hebben." + +"Ik geef u volkomen gelijk, Flink, en zal zorg dragen, dat ik vóór +den dag op ben, om den horizon, zoodra 't begint te schemeren, met +den kijker zoo scherp mogelijk op te nemen. Neem gij de avondwacht, +dan zal ik mij wel met de morgenwacht belasten." + +"Goed, Willem. Wat voor 't overige dier wacht aangaat, kon ik zeer +goed beide op mij nemen, maar ik geloof, als gij 's morgens opstaat, +zullen de anderen dat niet zoo licht als van mij bemerken, en dat ik +'s avonds nog wat langer dan de familie opblijf, is men meer van +mij gewoon." + +Na dit gesprek hielden Flink en Willem dus gestadig de wacht van den +morgenschemering af, totdat de volle duisternis was ingevallen. + + + + + + + +VIER-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK. + +GROOT GEVAAR. + + +Omstreeks veertien dagen lang werd de arbeid bijna onafgebroken +voortgezet, toen er plotseling een voorval plaats greep, dat +de grootste onrust en bezorgdheid wekte. Op zekeren dag, dat de +arbeidenden voor het middageten terugkwamen, vroeg mevrouw Wilson +verwonderd: + +"Hoe, is Thomas dan niet bij u geweest?" + +"Neen," gaf haar man ten antwoord; "hij heeft zich den ganschen +voormiddag maar even laten zien. Hij ging na het ontbijt met ons mee, +maar was na een kwartier ook al weer weg." + +"Ja, mevrouw, ikke zeggen; jongetje, jij kokosbladeren helpen dragen, +maar hij toen een, twee, drie, is weggeloopen." + +"Mijn God! waar mag hij dan zijn?" riep de moeder in de grootste +ongerustheid uit. + +"Hij zal waarschijnlijk aan 't strand schelpen zoeken, mevrouw," +zeide Flink; "misschien ook is hij in den tuin. Ik zal eens naar hem +gaan zien." + +"Ik zal met u gaan, Flink," zeide Willem. + +"Ikke zien hem--ach lieve grutte hemeltje! ikke zien hem!" riep Juno +en wees naar de zee; "hij zitten in de boot en de boot gaan in zee!" + +Het was maar al te waar. Thomas zat werkelijk in de boot, die reeds +van het strand afdreef, en zoo nagenoeg eene kabelslengte daarvan +verwijderd, midden onder de klippen te zien was. + +Willem vloog met de snelheid van den wind naar het strand; evenzoo de +vader en Flink. De beangste moeder volgde met Juno op eenigen afstand. + +En er was ook werkelijk geen tijd te verliezen, want de wind blies +gestadig van het land en weldra moest de boot in volle zee zijn. Niet +zoodra was Willem aan het strand gekomen, of hij wierp hoed en buis +van zich en sprong in 't water. Reeds had hij de helft van den afstand +tusschen het land en de voortdrijvende boot achter zich, toen de oude +Flink, die hem gevolgd was, hem bij den arm vatte. + +"Keer oogenblikkelijk terug, Willem!" riep deze op gebiedenden +toon. "Ik zeg, ik gelast het u. Al gaat gij ook verder, kunt gij toch +niet helpen, daar gij u niet zoo goed als ik weet te redden. Ik zwem +toch door en zoo loopen wij beiden dubbel gevaar. Mijnheer Wilson, +roep uw zoon terug. U moet hij gehoorzamen!" + +"Willem!" riep zijn vader; "kom oogenblikkelijk terug: ik gelast +het u." + +Willem gehoorzaamde nu en was nog niet uit het water, toen de oude +man reeds tot de eerste klippen was voortgezwommen en nu over de +ondiepe plaatsen over het rif op de boot toewaadde. + +"O vader!" riep Willem, "als onze goede oude vriend verloren ging, +zou ik het mijzelven nooit kunnen vergeven. Het is mij, als of ik +niet goed deed met aan u te gehoorzamen. Zie maar, vader--een, twee, +drie haaien, daar dicht voor ons. Hij kan hen niet ontwijken. Zie, +hij is alweer in het diepe water." + +Mijnheer Wilson wierp een vluchtigen blik op de haaien, die slechts +weinige voeten van het strand verwijderd waren, en hield de oogen +toen weder onafgewend op Flinks verdere bewegingen gericht. + +Kon de oude man zich door het diepwater tusschen de klippen heen +worstelen, dan was hij als gered te beschouwen, daar de boot thans op +de andere zijde der klippen tegen een rots stiet en vastraakte, waar +het water ondiep was. Het was een oogenblik van onbeschrijfelijken +angst. + +Eindelijk had Flink het uiterste rif bereikt; hij greep met de handen +naar een uitstekende rotspunt en klauterde daarbij op. + +"Hij is gered, lieve man,--is hij niet?" fluisterde mevrouw Wilson. + +"Ja, ik geloof, thans is hij het!" antwoordde haar man, toen Flink de +rots beklommen had, waar het water hem niet verder dan tot de enkels +reikte. "Ik denk, dat hij tusschen de plaats, waar hij nu staat en +de boot geen diep water meer vinden zal." + +In het volgende oogenblik zag men Flink reeds buiten de klippen en +had hij de boot bij het vooreinde aangevat. + +"Hij is behouden in de boot!" riep Willem uit eene verruimde borst. + +"Ja, God zij gedankt!" herhaalde de vader. "Zie de monsters eens," +vervolgde hij, op de haaien wijzende; "hoe onrustig zij heen en weer +zwemmen; ze hebben hunne prooi in het water geroken. Het is een zegen, +Willem, dat ze juist hier zijn. Zij hadden evengoed ginds kunnen wezen, +toen onze vriend door het ondiepe water moest waden." + +"Ja, waarlijk, vader. Zie, hij heeft den bootshaak en stoot de boot +van de klippen af in het ondiepe water. O, nu is hij volkomen in +zekerheid." + +Zoover was het echter nog niet. De boot had vroeger tegen de klippen +gestooten en van onderen een lek gekregen, zoodat zij, toen Flink +haar weder in het kanaal bracht, zich terstond met water begon +te vullen. Flink werkte zoo hard als hij kon met den bootshaak; +eindelijk trok hij zijn halsdoek af en stopte het lek daarmede zoo +goed dat gaan wilde. + +Dat was beider behoud; maar de boot was bijna tot boven toe volgeloopen +en had Flink of zelfs Thomas ook maar de kleinste beweging gemaakt, +dan ware zij oogenblikkelijk omgeslagen. Daarbij kwam, dat zij +het vaarwater tusschen het strand en de klippen, waar de haaien +rondzwommen, nog altijd noodzakelijk moesten oversteken. + +Flink, die het gevaar bemerkte, riep hun, die op het strand stonden, +toe, dat zij met alle macht met steenen naar de haaien moesten gooien, +om die te verjagen. Dat gebeurde terstond. Mijnheer Wilson, Willem +en Juno wierpen onophoudelijk en zelfs de moeder hielp daarbij, +daar de angst voor vriend en kind haar kracht verleende. + +De steenworpen hadden het gewenschte gevolg. De haaien zwommen weg en +Flink bereikte behouden het strand op 't oogenblik, dat de boot tot +den bovensten rand met water gevuld en op het punt was van te zinken. + +Flink droeg den kleinen Thomas aan land. Deze was zóó verschrikt en +verslagen, dat hij niet meer schreien kon. Doodsbleek stond hij daar +en had mond en oogen wijd opengesperd. Willem vloog daarbij op den +ouden man toe, drukte hem in zijne armen en riep met snikkende stem: +"Goddank! gij zijt gered, Flink." + +Vader en moeder grepen hem bij de hand en drukten die hartelijk. + +Juno wierp eerst Flink een van blijdschap schitterenden blik toe en +nam vervolgens Thomas bij de hand, om hem weg te brengen. + +"Kom hier maar, jij stout, ondeugend jonk! Jij slaag zult krijgen, +als heele boel over is." + +Die bedreiging deed Thomas weder tot zichzelven komen en eene keel +opzetten, dat men het wijd en zijd had kunnen hooren. + +"Ditmaal was er geen tijd te verliezen, Willem," zeide Flink, terwijl +zij de beide ouders naar huis vooruitgingen. "Wat kan zulk een jongen +toch een ongeluk en ellende aanrichten!" + +"Door zijn doorgestanen angst is hij al zwaar gestraft," sprak +Willem. "Ik sta er u voor in, dat hij alleen nooit weer een voet in +de boot zal zetten." + +"Neen, dat geloof ik ook niet.--Gij hebt nu echter kunnen zien, hoe +weinig het scheelde, of ik was met boot en al te gronde gegaan. Maar +gelooft gij wel, Willem, dat gij de boot evengoed als ik aan het +strand gebracht hadt, indien gij in mijne plaats daarin geweest waart?" + +"Neen, Flink; want ik moet zeggen, nooit zou ik er aan gedacht hebben, +mijn halsdoek af te doen, om het lek daarmee te stoppen, en had ik +dat ook al gedaan, dan zou ik toch nooit in staat zijn geweest, om +de boot zoo goed te besturen, en had dus zeker moeten verdrinken, +vóórdat ik den oever bereikt had." + +"Nu, lieve Willem, ik ben een oud zeeman, hetgeen gij niet zijt, +en het is dus geen ijdelheid, als ik zeg, dat gij de boot niet zoo +goed als ik hadt kunnen besturen. Ik zelf had nog maar een of twee +minuten over, en zoo waart gij dus, gelijk gij zelf zegt, naar alle +waarschijnlijkheid gezonken. Ik doe u dit slechts opmerken, om u te +bewijzen, dat ik gelijk had, toen uw vader verzocht u terug te roepen." + +"Ja, dat hadt gij zeker, Flink; maar Thomas is mijn broeder en ik +gevoelde, dat het eer mijn plicht dan de uwe was, het leven voor hem +te wagen." + +Toen men Thomas den volgenden dag vroeg, wat hem er eigenlijk toe +gebracht had om in de boot te gaan, gaf hij tot aller verbazing ten +antwoord, dat hij naar de tenten had willen terugvaren en zien, of +de bananen ook haast rijp waren. Hij had daar bijzonder veel lust in +gehad, en zou nog vóór het middageten zijn teruggekomen, zoodat men +hem niet gemist zou hebben. + +"Als wij u niet nog gelukkig gezien hadden, denk ik, dat ge wel erger +honger zoudt hebben moeten doorstaan, voordat gij bananen gekregen +hadt," zeide Flink. + +"Ik zal ook zeker niet meer in de boot gaan," beloofde Thomas. + +Het blokhuis was nu bijna gereed. Over de poort was men lang in +beraad. Ten slotte besloot men, deze van sterke eiken posten te +maken en aan de binnenzijde, op ongeveer een voet afstands, eene +tweede rij van deurposten op te richten, zoodat men sterke palen daar +tusschendoor steken en, zoo noodig, een werkelijke barricade tot stand +brengen kon. Op die wijze moest de deur even vast en sterk worden, +als ieder ander deel van de ompaling. + +Zoodra dit alles gereed was, moest het magazijn tot woonhuis ingericht +worden, waartoe men de zij-omheining, die uit kokostakken bestond, +wegnemen en er een vasten wand van de boomstammen voor in de plaats +stellen zou. + +Nog voordat de week ten einde liep, was de palissade met de poort +gereed, en thans ging men aan het vellen van boomen, om de zijwanden +van het huis daarvan op te trekken. + +Dit werk ging zeer vlug van de hand. Terwijl de vader, Willem en Juno +boomen velden en die, op gepaste lengte doorgezaagd, op de kar naar het +magazijn brachten, was Flink bezig, uit een gedeelte van de verzamelde +planken een vloer te leggen. In die week moesten zij echter twee dagen +van hun werk af gaan, om de rijpe tuinvruchten in te zamelen. Zoodra +dit verricht was, ging men opnieuw aan het blokhuis. Nog twee weken +liepen op deze wijze onder rusteloozen arbeid ten einde. Eindelijk +echter was het huis gereed en, met hunne vroegere woning vergeleken, +kon het bijna een paleis genoemd worden. Het was veel grooter, en +Flink had het door middel van de scheepsplanken in drie vertrekken +afgedeeld. Het middelste, dat met de huisdeur in verbinding stond, +was tot woon- en eetkamer bestemd en had een venster naar achteren. De +beide zijvertrekken dienden tot slaapkamers, het eene voor mevrouw +Wilson, Juno en de kleinen, het andere voor de mannelijke helft der +familie. Deze inrichting maakte het verblijf in de nieuwe woning veel +gemakkelijker en aangenamer dan in de oude. + +"Ziet gij, Willem," sprak de oude man, toen zij alleen waren, "wat +wij met die scheepsplanken al hebben kunnen uitrichten? Hadden wij +het hout eerst moeten zagen, om vloer en wanden te krijgen, zoo zou +daar zeker wel een half jaar over verloopen zijn." + +"Ja, en hoe gemakkelijk is het, nu wij overal in den wand kasten +en bergplaatsen hebben.--Wanneer zullen we nu naar ons nieuw paleis +verhuizen?" + +"Hoe eer hoe liever, Willem. Wij hebben nog wel veel, zeer veel werk +voor ons, doch we kunnen immers ook buiten het blokhuis arbeiden." + +"En wat denkt ge met het oude huis aan te vangen?" + +"We zullen misschien het best doen, als we dat gedeelte van onzen +voorraad, die voor ons de minste waarde heeft, daar laten blijven, +totdat we in staat zijn om een tweede magazijn binnen de palissade +op te richten." + +"Dan zullen we deze vaten daarheen brengen, want ze nemen ons hier +te veel plaats weg." + +"Alle, behalve dat groote daar. Dat zullen wij noodig hebben en ik +zal er wel ergens een hoek voor vinden." + +"Waartoe dan, Flink?" + +"Om er water in te bewaren, mijn jongen." + +"Wij zijn hier evenwel nader bij de bron, dan wij in ons ander +huis waren." + +"Dat weet ik wel; maar misschien belet men ons eens, de palissade te +verlaten, en dan kunnen wij het water hoog noodig hebben." + +"Ik begrijp u Flink; gij zijt toch altijd op alles bedacht." + +"Als ik op mijne jaren niet een beetje nadenken geleerd had, zou 't +er leelijk uitzien, Willem. Ge weet niet, hoe hartelijk ik verlang de +gansche familie hier binnen het blokhuis te zien. Ik zal niet gerust +zijn, voordat ik mijn wensch vervuld zie." + +"En waarom zouden wij het dan maar niet dadelijk betrekken?" + +"Waarom?--Omdat wij nog veel werk te doen hebben en ik door zooveel +haast te maken uwe moeder niet beangstigen wil en in de meening brengen +dat er dadelijk gevaar ophanden is. Maar, geloof mij, beste Willem, +gevaar is er wezenlijk, ik heb er een soort van voorgevoel van. De +gedachte weegt mij zwaar op het hart en ik kan ze niet meer van mij +afzetten. Ik wilde wel dat gij het voorstel deedt, om allen maar +dadelijk hierheen te verhuizen. De bedsteden zijn toch ook klaar, +tot op de gordijnen na, en die kan ik er vandaag nog wel voorhangen." + +Tengevolge van dit gesprek stelde Willem aan tafel voor, om den +volgenden dag met pak en zak naar het blokhuis over te trekken, +omdat men, behalve dat men er veel beter gehuisvest was, er ook veel +gemakkelijker arbeiden kon. + +Mijnheer Wilson was van hetzelfde gevoelen, terwijl zijne vrouw +daarentegen beter vond er alles eerst netjes in orde te brengen. + +"Juist daarom moeten wij er in trekken, mevrouw; want uw opzicht is +volstrekt noodig, om alles naar wensch in te richten. Wij mannen +krijgen niets op zijne rechte plaats, als het niet onder uw oog +geschiedt." + +"Welnu, Flink," was het antwoord, "als ook gij, evenals de overigen, +tegen mij stemt, moet ik wel toegeven. Als ge 't goedvindt, willen +we morgen dan maar dadelijk met de verhuizing beginnen." + +"In waarheid, mevrouw, dat zal zoo het best zijn. Dit is de laatste +maand, dat we goed weer te wachten hebben en er blijft ons nog zeer +veel te doen over. Zijn we eerst over, dan zal alles veel vlugger +van de hand gaan, daar we het nader onder ons bereik hebben." + +"Het zij dan zoo, Flink; gij moet dat het best weten. Morgen zullen +we dus onze woning in het blokhuis opslaan." + +"Goddank!" mompelde de oude man. Alleen Willem, die naast hem zat, +had deze woorden verstaan. + +De volgende dag werd geheel aan de verhuizing gewijd. Bedden, huisraad +en keukengereedschap werden overgebracht en dien nacht sliep men voor +de eerste maal onder het nieuwe dak. Flink had voor Juno een aardig +huisje tot keuken opgeslagen, en de volgende werkzaamheden namen de +verdere dagen van de week geheel in beslag. + +Vooreerst werd de voorraad gemonsterd en geschift. Wat van +minder belang was, zooals b.v. de zout-en meelvaten, benevens de +tuingereedschappen, werd in het oude huis geborgen. Ook de kruitvaten +en het grootste gedeelte van den voorraad patronen werden, tot +meerdere veiligheid, aldaar achtergelaten. Daarentegen bracht men een +vat gezouten rund-, een ander met varkensvleesch, een derde met meel, +benevens al den voorraad spijkers, ijzerwerk en linnen naar het nieuwe +huis over, waarvan de vloer, toen men het tot magazijn inrichtte, +vier voet boven den grond gebouwd was, om voor de schapen en geiten +tot stal te dienen. Daardoor had men een droge en tamelijk ruime plaats +gewonnen, waar men nu al, wat men maar wilde, bergen kon. Flink vergat +ook niet, in tusschenuren het groote watervat te vullen; hij had daar +een kraan in gestoken, waardoor men het water aftappen kon. + +"Ziezoo, mijnheer," zeide Flink, toen eindelijk de Zaterdag gekomen +was. "Wij hebben nu weken achtereen ingespannen gearbeid, maar +nu hebben wij het laatste harde werk dan ook gelukkig achter den +rug. Wij zitten nu goed en wel in ons nieuwe huis, al onze voorraad is +onder dak en tegen het weer beschut,--nu mogen wij wel eens wat adem +scheppen. Ik moet nu met Willem van tijd tot tijd eenige schildpadden +vangen, want haar tijd loopt spoedig ten einde. Ook moet ik de boot +oplappen, zoodat we weer een reisje naar de tenten kunnen doen, +om naar ons yamplantsoen en de kudde te zien." + +"Ook naar de bananen en de guayababoomen!" riep Thomas met drift. + +"Ja, waarlijk; die hadden wij geheel en al vergeten," zeide zijn +moeder. + +"'t Is waar, mevrouw, maar dat was geen wonder onder al die drukte. Er +zal, denk ik, echter nog wel wat van over zijn en zoodra de boot +weder te water kan, zal ik er heen gaan en al wat er nog voorhanden +is, meebrengen." + +"Ook moeten wij onze aardappelen en zaden nog vóór den regentijd in +den grond brengen, Flink." + +"Dat zal goed zijn, als wij er tijd toe vinden, want het mooie weer +houdt vast niet heel lang meer aan. Nu wil ik eerst maar eens naar de +schildpadden omzien. Goeden nacht, mevrouw, slaap rustig; rust wel, +mijnheer;--kom mee, Willem." + +Beiden stapten naar het strand. Onderweg ontmoetten zij Juno, die uit +de keuken kwam. Flink droeg haar op, zooveel hout op te zamelen als +zij kon en alles in een hoek binnen de omheining op te stapelen, +om het nader bij hand te hebben. Dien nacht vingen zij nog zes +schildpadden bij den reeds vergaderden voorraad. Vervolgens namen +zij nog met den kijker den ganschen gezichteinder op, keerden terug, +sloten de deur der palissade en legden zich vermoeid ter ruste. + + + + + + + +VIJF-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK. + +DE KANO'S ZIJN IN AANTOCHT. + + +Eene nieuwe week ging voorbij, in welken tijd Flink met de boot bezig +was en Willem met zijn vader den tuin omspitte. + +Ook in huis had men de handen vol met eene groote wasch en met naaien +en verstellen, waaraan men den laatsten tijd weinig had kunnen +doen. Mevrouw Wilson, Juno, zelfs de kleine Caroline weerden zich +best en ook Thomas was van veel dienst, want zoo dikwijls men water +noodig had, haalde hij dat en paste bovendien ook nog op zijn broertje +Albert. Hij was wezenlijk zoo handig en vlug, dat de moeder hem bij +vader roemde, waarop onze kleine wildzang niet weinig trotsch was. + +Den Maandag daarop zeilden Willem en Flink in de boot naar de kleine +haven. De schapen en geiten waren vlug en wel en alles beloofde den +besten wasdom. Van de bananen en guayabavruchten waren reeds vele +gerijpt en afgevallen; doch men vond altijd nog genoeg om er de boot +tot de helft mede te vullen. Op het yamsplantsoen hadden de varkens +geen aanval meer beproefd en ook de tenten waren in goeden staat. + +"Wij kunnen niets beters doen, Willem, dan de schapen en geiten laten, +waar ze nu zijn. Komt er een storm, dan kunnen ze in het bosch schuilen +en te eten hebben zij in overvloed, al waren er ook tienmaal zooveel." + +"Dat komt mij ook zoo voor." + +"Maar over een dag of wat moeten wij hier terugkomen en de tenten +afhalen, die hier gedurende den geheelen regentijd niet mogen blijven +staan. Wat dunkt u, Willem, zullen we dan nu maar weer in de boot +gaan?" + +"Ja, in allen gevalle zal Thomas recht blij zijn met hetgeen +we meebrengen. Maar wilt gij toch niet eerst eenige yamswortels +uitgraven?" + +"Waarlijk, dat was mij geheel door het hoofd gegaan, jongen. Ik ga +dadelijk een schop halen,--in de andere tent zal er nog wel een staan." + +Na dus ook een voorraad yamswortels te hebben ingezameld, keerden zij +naar huis. Zij hadden hunne woning niet bereikt, toen de hemel begon +te betrekken; het was alsof er een zwaar onweer ophanden was. Echter +regende het niet, voordat zij werkelijk geland waren; toen viel er +eene kleine bui, die de komst van den regentijd aankondigde. + +De medegebrachte vruchten waren allen bij uitstek welkom; 't was al +zoo lang, zoo heel lang, dat zij er geene geproefd hadden. Thomas +vooral viel er met geduchte gulzigheid op aan en zou zich ziek gegeten +hebben, als zijne moeder niet wijzer geweest was dan hij en hem niet +verboden had voor ditmaal er meer van te gebruiken. + +Den volgenden dag was het helder weer en alles scheen door den gevallen +regen verjongd en verfrischt. Er werd besloten, dat Flink en Willem den +volgenden morgen de tenten van de zuidkust afhalen zouden en dan nog +zooveel yamswortels als de boot bergen kon, meenemen. Beiden hielden +als gewoonlijk hunne avond- en morgenwacht en bij die gelegenheid +ontdekte de oude man, dat de wind thans geheel naar het oosten was +omgeslagen. + +"Dat is leelijk voor onze vaart van morgen, Flink," merkte Willem +aan. "We kunnen wel met het kleine zeil ginds naar de havenplaats +komen, maar dan hebben wij de boot met hare volle lading terug +te roeien." + +"Nu, ik hoop dat het nog maar geen erger gevolgen voor ons hebben +zal," gaf Flink nadenkend ten antwoord. "Laat ons nu naar huis en te +bed gaan. Ik zal morgen vóór den dag op zijn;--dus kunt gij dan nog +wel wat blijven liggen." + +"Ik word immers toch vóór het daglicht wakker, Flink," zeide Willem; +"zoodat ik maar dadelijk met u wil opstaan." + +"Dat is mij ook goed, beste jongen; gij weet, dat ik u altijd gaarne +tot gezelschap heb." + +Den volgenden morgen, bij het eerste krieken van den dag, openden +beiden dan ook reeds de deur der palissade en wandelden gezamenlijk +naar het strand. De wind woei nog altijd, en wel vrij sterk, uit het +oosten en de lucht was geheel betrokken. + +Bij het opgaan der zon nam Flink als naar gewoonte zijn kijker en +begon den gezichtseinder in het oosten nauwkeurig op te nemen. + +"Ziet gij dan iets, Flink, dat gij den kijker zoolang op dat ééne +punt houdt?" vroeg Willem, toen zijn grijze makker na lang turen nog +geene beweging maakte om den kijker van het oog te nemen. + +"Mijne oude oogen kunnen mij bedriegen; maar ik vrees werkelijk, +dat ik iets zie," gaf Flink eindelijk ten antwoord. "Binnen weinige +oogenblikken zal ik het met zekerheid kunnen zeggen." + +Aan de oostelijke kim hing nog eene nevelstreep, zoodat men er niet +duidelijk zien kon. Nauwelijks echter was de zon geheel op, of Flink +die den kijker juist op dat punt gericht hield, riep driftig uit: + +"Ja, ja, Willem, ik heb toch gelijk. Ik dacht dadelijk, die donkere +punten, die ik zag, konden wel hunne bruine zeilen zijn." + +"Zeilen?--Wat zeilen, Flink?" vroeg Willem haastig. + +"De zeilen der Indiaansche kano's, Willem; ik wist wel, dat die komen +zouden. Neem gij den kijker maar eens en zie zelf;--het schemert mij +voor de oogen, zoo sterk heb ik ze ingespannen." + +"Ja, waarlijk--nu heb ik ze," riep Willem, na den kijker gericht te +hebben. "Maar, Flink, daar zijn althans wel twintig tot dertig." + +"En ieder heeft twintig of dertig man in, Willem." + +"Genadige hemel! Wat moeten wij dan doen? Ach, wat zal mijne lieve +moeder ontsteld zijn! Tegen zulk een overmacht kunnen wij immers +volstrekt niets uitrichten, Flink." + +"Ja, ja, Willem, wij kunnen veel uitrichten en moeten ook veel +uitrichten. Dat eenige honderden wilden tegen ons in aantocht +zijn,--lijdt thans geen twijfel meer; maar vergeet niet, dat wij een +blokhuis bezitten, dat niet zoo licht te beklimmen is, dat wij verder +vuurwapens en kruit en lood genoeg in voorraad hebben en hun wel een +gevecht leveren en hen misschien afslaan kunnen, daar zij enkel met +lansen en knotsen gewapend zijn." + +"Wat naderen zij spoedig, Flink; zie maar,--op die wijze kunnen zij +immers in een uur hier zijn." + +"O, neen, beste jongen,--niet eens in twee. Hunne kano's zijn zeer +groot. Maar we hebben geen tijd te verliezen. Ik zal hen nog eens in +het vizier nemen en hunne sterkte narekenen. Loop gij onderwijl naar +huis en wenk uw vader, dat hij hier bij mij komt. Dan, Willem, zet +alle geweren klaar en haal de kruitvaten en de patronen uit het oude +huis naar het blokhuis. Roep Juno en laat die u helpen. Wij zullen +nog tijd genoeg hebben om dat alles te doen. Als gij klaar zijt, +moet gij terstond weer bij ons komen." + +Onverwijld ging Willem op weg, en een poosje later stond mijnheer +Wilson bij Flink aan het strand. + +"Flink," begon hij, "er is zeker geen goed nieuws? Willem wilde mij +niets zeggen, denkelijk om mijne vrouw niet ongerust te maken. Wat +is er eigenlijk?" + +"De wilden zijn in aantocht, mijnheer, en dat wel in groote menigte. Ik +bereken die op tusschen de vijf- en zeshonderd en we moeten dus met +inspanning van alle krachten voor ons leven vechten." + +"Denkt ge dan, dat ons tegen zulk eene overmacht nog eenige hoop +overblijft?" vroeg de heer Wilson doodelijk verschrikt. + +"O ja, ik twijfel geen oogenblik, of het is mogelijk. Maar een harden, +dagenlangen strijd hebben wij te wachten,--daarop mogen wij rekenen." + +Mijnheer Wilson monsterde de naderende vloot met den kijker. + +"Waarlijk, eene vreeselijke overmacht, waartegen wij te worstelen +zullen hebben!" + +"Ja, mijnheer; maar die geweren achter een stevige verschansing kunnen +het tegen hunne knotsen en lansen opnemen, ingeval maar geen onzer +gewond wordt." + +"Nu, Flink, wij moeten al onze krachten inspannen. Ik zal u naar +mijn beste vermogen ondersteunen, en ook Willem zal, dat weet ik, +zijn plicht doen. Ik heb immers alles hier, waarvoor een man ooit +strijden kan,--vrouw en kind; maar gij, Flink, hebt niet zulke banden." + +"Neen, mijnheer; maar daarvoor vecht ik voor mijn leven, dat ik, +al is het niet van zoo bijzonder veel waarde, toch niet gaarne aan +die knapen schenken zou. Bovendien vecht ik voor u en uwe familie, +aan wie ik met hart en ziel verknocht ben.--Maar kom, wij mogen hier +niet langer staan wachten, daar de tijd tot voorbereiding toch al kort +is. Wij moeten aan den binnenkant van onze ompaling nog eenige sterke +eiken posten spijkeren, om bij een aanval daarop te kunnen staan en +over de omheining te kunnen heenvuren. Eerst gaan we echter nog naar +ons oude huis, om daar alles vandaan te halen; want het oude huis, +zullen de wilden het eerst ontdekken, en misschien vernielen zij er +dan alles, wat ze vinden. De vaten slaan zij zeker in stukken, al ware +'t enkel om de ijzeren hoepels. In een uur kan er veel geschieden, +daar de tocht zoo groot niet is. Ik geloof, dat wij vooreerst in +het blokhuis alles hebben, wat ons dienstig wezen kan. Juno heeft +brandstof genoeg, en de groote waterton zal het althans wel drie of +vier weken uithouden. Als er nog tijd overschiet, zullen we ook nog +met de kar naar het strand gaan en een paar schildpadden halen tot +vermeerdering van onzen mondvoorraad." + +"Me dunkt, het is thans geen tijd om aan de schildpadden te denken." + +"Waarom niet, mijnheer? 't Is toch waarlijk beter, dat wijzelven die +opeten, dan dat de wilden zich er op vergasten. Ik wil er van halen +zooveel ik vinden kan; als wij ze in de schaduw op den grond leggen, +kunnen zij nog weken in het leven blijven." + +Onder dit gesprek naderden beiden hunne tegenwoordige woning, waar zij +Willem en Juno vonden, die zoo even het kruit en de patronen hadden +overgebracht. Mijnheer Wilson ging in de woonkamer, om de noodlottige +tijding aan zijne vrouw mede te deelen, die daardoor, vreesde hij, +doodelijk ontsteld zou wezen. + +"Men heeft mij vroeger al gezegd, dat wij zoo iets te wachten +hadden, lieve man," antwoordde zij. "Zoo komt mij die tijding dus +niet onverwacht, en al wat eene zwakke vrouw doen kan, zal door mij +geschieden. Ik gevoel, dat het mij tot de verdediging mijner kinderen +niet aan moed ontbreekt." + +"Er valt mij wezenlijk een steen van het hart," riep mijnheer Wilson, +"nu ik u zoo bedaard en welberaden vind. Nu ken ik geen angst +meer;--maar wij hebben nog veel te doen." + +"Daarom moet ik helpen, beste Wilson. Wat mij aan kracht te kort +schiet, moet ik door goeden wil vergoeden." + +Met deze woorden volgden beiden Willem, Juno en Flink, die naar het +oude huis op weg waren. De kinderen waren nog alle drie te bed en +gerust in slaap, zoodat men die niet te bewaken had. + + + + + + + +ZES-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK. + +LANDING DER WILDEN.--EERSTE AANVAL. + + +Daar zij bij het oude huis een goed gezicht op de kano's hadden, +verzuimde Flink niet, zijn kijker op de wilden te richten, zoo +dikwijls hij een vat naar 't blokhuis heengerold had en weer met +leege handen terugkwam. + +Allen zwoegden zich af. Zelfs mevrouw Wilson deed zooveel, als maar +in haar vermogen was, en hielp óf vaten voortrollen óf droeg wat voor +haar krachten niet al te zwaar was. Binnen het uur hadden zij alles, +waaraan hun bijzonder gelegen was, in het blokhuis, gebracht;--de +kano's waren nog altijd op een aanmerkelijken afstand van de kust. + +"Wij hebben nog een goed uur, voordat zij landen, mijnheer," sprak +Flink, "en dan kunnen de riffen hen wellicht vrij wat ophouden. Ik +geloof niet, dat ze binnen de twee uren ontscheept zullen zijn. We +hebben nog tijd genoeg tot alles wat ons te doen valt. Juno, de kar +hier.--Willem, neem den bootshaak,--dan willen we nog gauw eenige +schildpadden in het blokhuis brengen. We kunnen dat zonder u af, +mijnheer. Als gij dus zoo goed wildet zijn, om de geweren na te zien +en klaar te maken, konden wij onderwijl onzen gang gaan." + +"Ja, en dan moet gij ze laden," zeide mevrouw Wilson, "en ons wijzen +hoe dat gaat. In 't vervolg kunnen Juno en ik dat dan doen, zoodat +gij enkel hebt te vuren." + +"Dat is een kostelijke inval, mevrouw," hernam Flink; "daarmee kunt +gij ons wezenlijk een zeer grooten dienst bewijzen." + +Binnen een half uur hadden Willem en Juno zes schildpadden +aangebracht. Een poosje later kwam ook Flink naar het blokhuis terug. + +"Ik kan onze geit nergens vinden, Willem," zeide hij; "maar daar +wij toch ook geen voer voor haar hebben, kan zij evengoed buiten +blijven. Als zij zulke vreeselijke gedaanten, als die wilden, ontdekt, +zal zij zeker wel een goed heenkomen zoeken." + +De vaten werden nu aan een kant gerold en tegen de wanden der omheining +opgezet, waarna men er planken overheen legde, op welke men hoog genoeg +staan kon om over de palissade heen te zien en te vuren. Mevrouw Wilson +had zich laten wijzen, hoe men de geweren laden moest, en Juno werd +nu ook in dit werk onderricht. + +"Nu, mijnheer, zijn wij op alles voorbereid," zeide de oude +stuurman. "Mevrouw en Juno kunnen nu eens naar de kinderen omzien en +zorgen, dat wij iets te eten krijgen." + +"Ikke 't al klaar hebben. Water al koken heelen tijd," berichtte Juno. + +Zoodra de kinderen waren aangekleed, riep mijnheer Wilson den ouden +Flink, die buiten was en de kano's gadesloeg, in de woonkamer, en +gebruikte men haastig een ontbijt, ofschoon allen, gelijk men wel +denken kan, te zeer gespannen waren om met smaak te kunnen eten. De +moeder drukte hare kinderen aan haar hart; doch haar moed hield zich +verwonderlijk goed staande. + +"Deze angstige spanning is 't ergste van alles," sprak zij ten +laatste. "Ik wou, dat zij eindelijk toch maar kwamen." + +"Zal ik Flink eens gaan opzoeken, lieve, en hooren hoe 't is? In drie +minuten ben ik weer bij u." + +Hij keerde ook zeer spoedig terug en berichtte, dat de kano's thans +zeer dicht bij de kust waren. De wilden moesten zekerlijk de doorvaart +door de klippen kennen, want zij hadden daar regelrecht op aangehouden +en de zeilen laten vallen. Flink en Willem stonden op den uitkijk, +maar zorgden wel, dat men hen niet zien kon. + +"Ik hoop, dat zij niet te lang uitblijven." + +"Maak u over hen niet ongerust, lieve Selina; 't is het best, dat zij +de bewegingen van den vijand tot op het laatste oogenblik bespieden." + +Terwijl vader en moeder dus in het blokhuis wachtten, sloegen Willem +en Flink de wilden en al hunne bewegingen met de meeste oplettendheid +gade. Tien of elf kano's hadden nu hunne bemanning ontscheept; de +anderen volgden dit voorbeeld, zoo vlug als zij konden, en zochten +zich haastig tusschen de klippen door te werken. De wilden waren +allen beschilderd, in krijgsmantels, met pluimen op het hoofd. Hunne +wapens bestonden in lansen en knotsen, en blijkbaar waren zij met +een allesbehalve vredelievend opzet gekomen. + +In den beginne hadden zij het druk met de kano's op het droge te +trekken, en daar deze zeer groot en zwaar waren, verliep er wel een +kwartier, voordat dit door allen was geschied. Willem had dus tijd, +om hen nauwkeurig op te nemen. + +"Wat schijnt dat een ruwe, wreede bende booswichten te zijn, +Flink!" merkte hij aan. "Als zij ons in handen kregen, zouden zij +ons zeker allen vermoorden." + +"Daar behoeven wij volstrekt niet aan te twijfelen, Willem; en +we moeten ons dus dapper weren en zorgen, dat we uit hunne handen +blijven. Van kant maken willen zij ons zeker, en ik zou welhaast +gelooven, dat zij ons dan ook nog opeten zouden; ofschoon dat laatste +ons dan zooveel niet deren zou." + +Willem huiverde bij deze gedachte, maar antwoordde toch op vrij +vasten toon: + +"Ik zal vechten, zoolang ik nog adem heb. Maar zie Flink, nu komen +zij opzetten, al wat zij loopen kunnen." + +"Ja, ja, recht op het oude huis toe. Wij mogen nu niet langer +wachten.--Kom jongen kom!" + +"Ik verbeeldde mij daar straks, toen wij omkeerden, ginds achter het +landpunt nog een ander schip onder zeil te zien, Flink." + +"Licht mogelijk; misschien een kano, die van nacht van de anderen is +afgeraakt. Kom gauw, Willem.--Luister! ze hebben hun krijgsgeschreeuw +al aangeheven." + +Eene minuut later stonden zij voor de poort van het blokhuis. Zij +traden binnen, sloten de deur achter zich dicht en verzekerden die +met sterke balken, die van binnen in posten sloten. + +"Nu, hier zijn wij veilig genoeg," sprak Flink. "En nu maar moed +gehouden en ons dapper geweerd." + +Het gillend geschreeuw der wilden vervulde mevrouw Wilson met +ontzetting en angst. 't Was nog maar goed, dat zij de Indianen niet +in hunne beschildering en in hun trotschen oorlogspronk gezien had, +want dan zou zij nog veel meer verschrikt zijn geweest. + +De kleine Albert en Caroline klemden zich angstig aan haar hals; +de ontsteltenis stond op hun gezicht te lezen. Geen van beiden gaf +een enkel geluid; zij zagen slechts vol verslagenheid rond, als om +te ontdekken, van waar dat ijzingwekkend gerucht kwam, en drongen +bevend al dicht bij hunne moeder. + +Thomas daarentegen was bijzonder in de weer, daar hij nu over het +ontbijt, dat de anderen verlaten hadden, geheel alleen baas was +en niemand zijne gulzigheid te keer ging. Juno was buiten bezig en +betoonde in alles veel moed en bedaardheid. + +Mijnheer Wilson had op zich genomen, in de palissade gaten te boren, +zoodat men daar juist de trompen van de geweren doorheen steken +en op de wilden vuren kon, zonder zelf aan gevaar te zijn bloot +gesteld. Willem en Flink daarentegen stonden met geladen geweren op +hun post en sloegen de nadering der vijanden gade. + +"Ze zijn thans nog bij ons oude huis bezig, mijnheer," zeide Flink; +"maar daar zullen ze zich zeker niet lang ophouden." + +"Daar komen ze," fluisterde Willem. "Zie eens, Flink, is dat niet +eene van de vrouwen, die ons in haren kano ontsnapten--zie, die daar +met de beide eerste mannen vooraan gaat? Ja, ja, zij is 't, ik ben +er zeker van." + +"Gij hebt gelijk, het is eene van die twee. Kijk, nu houden ze +halt.--Aha! op het blokhuis waren ze niet bedacht, dat kan men wel +merken. Dat heeft hen eenigszins van streek gebracht. Daar, zie +eens, hoe zij de hoofden bij elkaar steken en druk aan 't redeneeren +gaan. Zij houden raad over hetgeen er thans gebeuren moet. Die slank +opgeschoten man moet een van hunne opperhoofden zijn.--Ik zal vechten +tot mijn laatsten ademtocht, Willem, dat is mijn vast besluit; maar ik +heb er toch een afkeer van in zulk een geval een begin te maken. Ik +zal mij dus boven de palissade laten zien. Vallen zij mij aan, dan +kan ik met een gerust geweten op hen losbranden." + +"Maar pas op, Flink, dat zij u niet raken." + +"Wees gerust, Willem.--Zie, daar komen zij al." + +Met deze woorden stapte Flink op de balken, die van binnen langs de +palissade liepen, zoodat de wilden hem zien konden. Dezen stieten +een vreeselijk gehuil aan, en minstens een dozijn speren vlogen +naar de plaats, waar de oude man stond, en waren zoo goed gericht, +dat zij hem ongetwijfeld gedood zouden hebben, indien hij zich niet +oogenblikkelijk had gebukt. + +Drie of vier van de speren bleven in de bovensten rand der palissade +steken; de overige vlogen daar overheen en vielen binnen in de +omheining aan gene zijde van het woonhuis op den grond neder. + +"Nu, Willem, maar scherp gemikt!" Doch voordat Willem nog vuren konde, +schoot zijn vader zijn geweer af, en het slank gewassen opperhoofd +tuimelde ter aarde. Mijnheer Wilson had zich namelijk volgens afspraak +derwijze in een hoek geplaatst, dat hij zien kon, als de wilden zich +naar eene andere zijde heen wendden. + +Flink en Willem vuurden insgelijks, en men zag nog twee wilden onder +het woest gehuil hunner makkers ter aarde storten. Juno gaf dadelijk +de geladen geweren over en ontving daarvoor de andere, welke zij en +mevrouw Wilson opnieuw laadden. + +De moeder had aan Caroline het opzicht over haar jongste broertje +opgedragen. Aan Thomas had zij op het hart gedrukt, dat hij zich heel +stil en bedaard moest houden, waarna zij de deur toesloot en bij Juno +kwam, om met deze voor het laden der geweren te zorgen. + +Nu suisden de speren der wilden door de lucht en het was een geluk +voor onze kolonisten, dat zij goed gedekt achter hunne palissade vuren +konden, daar zij anders onvermijdelijk verloren waren geweest. Het +geschreeuw en gehuil werd gestadig heviger, en de wilden begonnen +nu den aanval aan alle zijden. De rapsten en moedigsten onder hen +klauterden als katten tegen de palissade op en bereikten ook werkelijk +den bovensten rand; doch zoodra hunne hoofden daar zichtbaar werden, +trof hen ook onfeilbaar de kogel der verdedigers en stortten zij dood +of zieltogend aan de buitenzijde neder. + +Zoo hield het gevecht veel langer dan een uur aan, totdat de Indianen, +die reeds een aanmerkelijk verlies geleden hadden, eindelijk van den +strijd afzagen, waardoor de verdedigers weer tijd kregen om wat adem +te scheppen. + +"Nu, bij dezen eersten aanval hebben zij toch bitter weinig gewonnen," +begon Flink. "Wij hebben ons dapper geweerd en vooral gij, Willem, +hebt u gehouden alsof ge tot soldaat in de wieg waart gelegd. Ik +geloof niet, dat gij uw doel ook maar ééne enkele maal gemist hebt." + +"Denkt gij, dat zij nu aftrekken zullen?" vroeg mevrouw Wilson. + +"O, neen, mevrouw, nu nog niet. Ze zullen eerst al 't mogelijke +beproeven, voordat zij ons voor goed verlaten. Gij hebt zelve wel +bespeurd, dat het een dapper slag van volk is en men kan zien, +dat zij met kruit bekend zijn, daar dit hen anders veel erger had +doen schrikken." + +"Dat geloof ik ook," sprak mijnheer Wilson. "Als de wilden den knal +van geweren voor de eerste maal hooren, zijn zij doorgaans geheel +verplet en verslagen." + +"Ja, mijnheer; maar dat was bij dit volk hier niet het geval, weshalve +ik geloof, dat het wel niet de eerste keer zal wezen, dat zij met +Europeanen slaags zijn." + +"Zijn zij al weg, Flink?" vroeg Willem, die van de hoogte was +afgeklommen, om zijne moeder te omhelzen. + +"Neen jongen; ik zie hen thans tusschen de boomen. Zij zitten in +een kring in het rond en houden denkelijk eene gemeenschappelijke +beraadslaging, zooals dat bij die wilde stammen gebruikelijk is." + +"Nu, ik heb een brandenden dorst," zeide Willem. "Juno, breng mij +toch gauw eens wat water." + +De zwarte meid ging naar de waterton, om aan Willems verlangen te +voldoen, maar kwam na weinige oogenblikken met ledige handen en hevig +ontsteld terug. + +"O, massa! O, mevrouw! geen water! Water allemaal weg!" + +"Wat, al 't water weg?" riepen allen in één adem. + +"Niet een sikkepitje meer in de ton is!" + +"Ik heb die toch tot den rand toe gevuld!" riep Flink. "Ook kon ik +niet merken, dat ze eenig lek had. Hoe is dat dus mogelijk?" + +"O, nu ikke 't al wel begrijpen, mevrouw!" riep Juno. "Gij weet wel, +wij wasschen voor een dag of drie en toen ikke massa Thomas zenden met +kleine emmertje water halen uit de bron. Hij toen zoo gauw weerom komen +en mevrouw toen zeggen, dat hij zoete jongen was en ook vertellen aan +mijnheer. Nu massa Thomas zeker te lui geweest, om te loopen naar de +bron en al het water tappen uit het vat, en toen vat is leeggeloopen." + +"Ik vrees, dat gij gelijk hebt, Juno," sprak de moeder. + +"Wat moeten wij nu aanvangen?" + +"Ikke gaan en sinjeur Thomas spreken," riep Juno en vloog in huis. + +"Dat is een zeer droevig geval, mijnheer," merkte Flink ernstig aan. + +Mijnheer Wilson schudde bedenkelijk het hoofd. Allen zagen het +hachelijke van hun toestand zeer goed in. Indien de wilden het eiland +niet verlieten, moesten zij of van dorst omkomen of zich overgeven, +en in 't laatste geval konden zij er stellig op rekenen, dat hun +leven verloren was. + +Juno kwam terug; haar vermoeden was gegrond geweest. Thomas had zich +gestreeld gevoeld, dat men hem om zijne vlugheid prees, en had de +kraan uit het vat getrokken, zoodat al het water wegliep. Hij begon +nu weer hardop te schreien en beloofde naar gewoonte, dat hij het +van zijn leven niet weer doen zou. + +"Zijne beloften komen te laat!" zuchtte de vader. "Zoo zullen al +onze zorgvuldige maatregelen en voorzorgen tegen dezen aanval door +de lichtzinnigheid van een kind verijdeld worden en zullen wij ons in +'t eind aan onze vijanden moeten overgeven." + +"Helaas ja, mijnheer!" zeide Flink. "Wij hebben geen ander vooruitzicht +meer, dan dat de wilden afgeschrikt worden en het eiland spoedig +verlaten." + +"Als ik maar iets voor de kinderen had; ik zelve zou er mij wel buiten +behelpen!" klaagde mevrouw Wilson; "maar de arme kleinen zoo te zien +lijden!--Is dan nog niet ergens een weinigje te vinden, Juno!" + +Deze schudde het hoofd. "Allemaal weg, mevrouw; niemendal meer wezen." + +De moeder zeide nu, zelve nog eens te willen rondzien, en ging met +Juno in huis. + +"Dat is een vreeselijk, vreeselijk ding, Flink!" merkte mijnheer +Wilson aan. "Wat zouden wij thans niet voor eene regenbui geven, +als wij de waterdroppels opvangen konden!" + +"De lucht ziet daar niet naar uit, mijnheer," gaf de oude man ten +antwoord. + +"Ik wou, dat de wilden maar weer kwamen opzetten," zeide Willem. "Hoe +gauwer ze komen, des te eer zal alles beslist zijn." + +"Ik geloof niet, dat ze zich vandaag bij licht weer vertoonen +zullen. In den nacht verwacht ik hen echter zeker en zulk een aanval +bij nacht vrees ik tienmaal meer, dan een bij dag. In allen gevalle +moeten wij er onze maatregelen tegen nemen." + +"Goed; maar wat kunnen wij doen, Flink?" + +"Vooreerst moeten wij boven onze palissade nieuwe planken van den +eenen boom tot den anderen spijkeren; om onze verschansing aldus +hooger te maken, zoodat de wilden ze minder gemakkelijk beklauteren +kunnen. Eenigen waren op het punt van zich er overheen te wringen. Als +wij dit doen, hebben wij ook geen zoo groote ruimte meer te bewaken +en te verdedigen. Vervolgens moeten wij een groot vuur ontsteken, om +niet geheel in het donker te vechten. Dit geeft aan onze vijanden wel +het voordeel, dat zij door de spleten tusschen de palen heenkijken +en afloeren kunnen waar wij staan, doch daar zij hunne speren toch +niet zoo ver doordrijven zullen, kan dat ons zooveel kwaad niet. Het +vuur moeten wij in 't midden van de palissade aanleggen en er braaf +teer bijgieten, zoodat het helder brandt, en natuurlijk mogen wij het +niet aansteken, voordat men ons aanvalt. Dan kunnen wij zien, waar +zij trachten in te dringen en op welk punt wij dus te vuren hebben." + +"Dat voorstel is goed, Flink," antwoordde mijnheer Wilson. "Bestond dat +ongelukkig gebrek aan water niet, ik zou waarschijnlijk hoop hebben, +dat alles nog goed ging." + +"Wij zullen daardoor zekerlijk veel te lijden hebben, mijnheer; +maar wie kan weten, wat de dag van morgen aanbrengt?" + +"'t Is waar, Flink.--Kunt gij iets van de wilden zien?" + +"Neen. Ze hebben de plaats verlaten, waar zij raad hielden en ik +hoor niets meer van hen. Ik vermoed, dat zij zich op dit oogenblik +met hunne dooden en gekwetsten bezighouden." + +Wat Flink voorspeld had, gebeurde ook werkelijk. Dien dag werd er +geen nieuwe aanval meer ondernomen en allen waren volijverig bezig +met het maken van toebereidselen tegen den nacht. Zij spijkerden +boven de palissade nieuwe posten en planken aan de boomstammen, zoodat +drie zijden van hunne verschansing althans vijf voet hooger werden en +moeielijk meer te beklimmen waren. Bovendien werd eene groote teerton +met kokosbladeren, teer en hout opgevuld, zoodat men tegen dat het +vereischt werd, een helder vlammend vuur in gereedheid had. + +Aan middag- of avondeten mochten zij echter niet denken, want zij +hadden niets dan pekelvleesch en levende schildpad en Flink gaf hun +den raad, om liever in het geheel niets te gebruiken, daar eten den +dorst slechts vermeerderen moest. + +De arme kinderen hadden daardoor veel uit te staan; de kleine Albert +kermde en riep gedurig: "Water, water!" Caroline wist, dat dit er niet +was, en hield zich stil,--het arme schaap, ofschoon 't gemis haar +zeer zwaar viel. Thomas echter, de oorzaak van al deze ellende, was +de ongeduldigste van allen en gierde van tijd tot tijd zoo luid, dat +Willem, die innerlijk woedend op hem was, hem eindelijk een duchtigen +oorveeg gaf, waarop hij, uit vrees dat er een andere volgen mocht, +nog slechts stil bleef voortkreunen. + + + + + + + +ZEVEN-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK. + +AANVAL BIJ NACHT. + + +De schemering was nauwelijks gevallen, toen het kermen der kinderen +op eens door het gillend gehuil der wilden overschreeuwd werd, +die thans, gelijk Flink wel voorzegd had, een nachtelijken aanval +beproeven wilden. + +Op alle punten te gelijk werd de omheining nu aangevallen en de wilden +gaven zich alle moeite, om over den wand heen te klauteren. Van tijd +tot tijd werden er enkele speren geslingerd en het was blijkbaar, +dat zij zich door hunne overmacht den toegang hoopten te verschaffen. + +Het was recht goed, dat Flink de voorzichtigheid had gehad van nieuwe +planken boven de oorspronkelijke palissade te spijkeren, want anders +zouden de wilden zonder twijfel hun opzet bereikt hebben. Nog voordat +het vuur, dat Juno op Flinks bevel ontstoken had, genoeg helderheid +verspreidde, waren reeds drie of vier van de stormers op de palissade +geklauterd, maar op het oogenblik dat zij zich daarboven vertoonden, +door Willem en zijn vader neergeschoten. + +Toen het vuur eerst recht helder opvlamde, kon men beter op de +Indianen mikken, en velen hunner vielen bij de poging om over de +palissade te komen. De aanval duurde over het uur. Toen schenen +de wilden in te zien, dat het hun op deze wijze niet zou gelukken, +en trokken andermaal terug, terwijl zij hunne dooden en gekwetsten +evenals vroeger medenamen. + +"Nu, hoop ik, zullen zij zich toch weder inschepen en het eiland +verlaten," sprak mijnheer Wilson, zich tot Flink wendende. + +"Ik wensch van harte, dat zij dat doen mogen, mijnheer. Het is niet +zoo heel onmogelijk, ofschoon men 't nog niet met zekerheid zeggen +kan. Ik heb al nagedacht, of wij hunne verdere bewegingen ook van eenig +hooggelegen punt bespieden konden. Ziedaar den kokosboom," vervolgde +hij en wees op een van de boomen, die in hunne palissadenlinie stonden: +"hij is veel hooger dan al de anderen, en als wij van voet tot voet +groote spijkers daarin slaan, kunnen wij hem gemakkelijk beklimmen +en van die hoogte de gansche baai overzien. Dan wisten wij althans +wat de vijand in zijn schild voert." + +"Ja, dat is waar, Flink, maar stelt men zich niet te zeer bloot, +door daar naar boven te klimmen?" + +"O, neen, mijnheer; gij ziet immers, de kokosboomen zijn rondom op +zulk een afstand van de palissade geveld, dat geen van de wilden +naderen kan, zonder van dien uitkijk zoo tijdig gezien te worden, +dat hij, die boven is, weer omlaag kan komen, nog voordat zijn vijand +in staat is zijne speer te gebruiken." + +"In allen gevalle zou ik 't echter niet vóór het aanbreken van den +dag beproeven, daar wij toch niet weten, of er niet eenigen aan den +voet van de palissade op den loer liggen." + +"Dat is zeker wel mogelijk, mijnheer; en daarom zullen wij het tot +den vroegen morgen uitstellen. Gelukkig hebben wij nog genoeg groote +spijkers overgehouden." + +Na dit gesprek ging mijnheer Wilson in huis. Flink gaf aan Willem +den raad, om zich neer te leggen en een paar uren te slapen, terwijl +hijzelf de wacht zou houden. Als dan mijnheer Wilson tegen den morgen +weer buitenkwam, kon hijzelf nog eene poos uitrusten. + +"Ik kan niet slapen, Flink! Ik kan mijn dorst onmogelijk meer +overwinnen," gaf Willem geheel verslagen ten antwoord. + +"Ja, beste jongen, 't is zekerlijk een zware pijn; ik voel dat evengoed +als gij. En wat moeten die arme kleinen er niet onder lijden! Ik +beklaag hen van harte." + +"Het meeste medelijden heb ik met moeder, Flink," vervolgde +Willem. "Het moet vreeselijk voor haar zijn, het lijden der kleinen +zoo aan te zien en hen toch niet te kunnen helpen." + +"Ja, waarlijk, Willem, dat moet voor eene moeder een vreeselijk +lijden wezen. Misschien hebben de wilden zich echter morgen vroeg +uit de voeten gemaakt, en dan heeft ons lijden op eens een einde." + +"Ik hoop, dat het zoo wezen zal, Flink; evenwel schijnen zij mij +moedig en vastberaden toe." + +"Ja, zeker,--voor hen is ijzer zooveel als goud, en wat doen beschaafde +menschen al niet om goud te winnen! Kom, kom, Willem, ga toch althans +een poosje liggen, al kunt gij ook niet slapen." + +Intusschen had mijnheer Wilson zijne arme vrouw en kinderen bezocht. De +kleinen jammerden nog altijd om water, in weerwil van alles wat de +goede moeder beproefde om hen tot bedaren te brengen, terwijl ze +tranen van wanhoop vergoot, als ze zich over haar lieven kleinen +Albert neerboog. + +Juno was naar buiten gegaan en had met eene schop zoo diep in den +grond gegraven, als ze maar kon, in de flauwe hoop van toch misschien +eenig water te zullen vinden,--maar vruchteloos. Treurig en radeloos +kwam zij naar huis terug. + +Er was geen ander middel dan geduld en volharding. Geduld kon men +echter van zulke kleine kinderen onmogelijk verwachten. De kleine +Caroline alleen scheen bedaard en sprak geen woord. + +Mijnheer Wilson bleef nog twee of drie uren bij zijn vrouw en hielp +haar de kinderen stilhouden, zoo goed dat gaan wilde. Eindelijk kwam +hij buiten en vond Flink nog op zijn post. + +"Ach, vriend," zuchtte hij, "ik stond liever honderdmaal een aanval +van die wilden door, dan dat ik nog vijf minuten langer in huis ware +gebleven en de ellende van vrouw en kinderen mede had aangezien." + +"Dat geloof ik gaarne, mijnheer," antwoordde de oude man. "Maar houd +moed en laat ons het beste hopen. Ik houd het voor heel waarschijnlijk, +dat de wilden na deze tweede nederlaag het eiland verlaten zullen." + +"Ik wou, dat ik 't zelfde gelooven kon, Flink; het zou mij innig +gelukkig maken.--Doch ik kom hier, om de wacht van u over te +nemen. Wilt gij ook niet een poosje rusten?" + +"Ja, mijnheer als gij 't goedvindt, ga ik dan ook wat liggen. Over +twee uren kunt gij mij weer roepen: de dag zal dan juist aanbreken, en +dan wil ik aan het werk gaan, terwijl gijzelf ook eenige rust geniet." + +Mijnheer Wilson nam zijn post op de palissade in en bleef aan zijne +eigene gedachten overgelaten. + +Met het krieken van den dag werd Flink wakker en loste mijnheer +Wilson af. Deze ging echter niet in huis terug, maar legde zich op +de boomtakken neder, waar Flink aan Willems zijde had uitgerust. + +Zoodra de oude man hamer en spijkers bij de hand had, riep hij Willem +om hem te helpen en gezamenlijk begonnen zij nu de spijkers in een +kokosboom te slaan, waarbij een van hen voortdurend naar de wilden +uitkeek, terwijl de ander het werk voortzette. + +In minder dan een uur waren zij tot de bovenste takken onder den kruin +gevorderd, op welke hoogte zij een uitgestrekt gezicht over de baai +en het eiland hadden. Willem had het laatste dozijn spijkers in den +stam geslagen en was de eerste, die boven uitzien kon. Na eenigen +tijd keerde hij tot zijn ouden vriend terug. + +"Ik kan alles overzien, Flink. Ze hebben het oude huis geheel +omvergehaald; de meeste mannen zijn daar in het rond gelegerd en +slapen onder hunne krijgsmantels. Sommigen van de vrouwen loopen van +de kano's heen en weer. De kano's liggen aan het strand." + +"Zij hebben het oude huis zeker alleen overhoop gehaald, om althans +de spijkers mee te nemen. Hebt gij niets van hunne dooden bemerkt?" + +"Neen, ik heb niet lang rondgekeken, maar wil nog eens naar boven +klimmen. Ik kwam beneden, omdat de handen mij zeer deden van het +lange kloppen, dewijl de hamer zoo zwaar te houden was. Over een paar +minuten zal ik gemakkelijk weer boven komen. De lippen branden mij, +Flink; ze zijn geheel opgezwollen en het vel barst mij open. Ik had +nooit gedacht, dat de dorst zoo iets vreeselijks was. Wezenlijk, +onze arme Thomas is al meer dan genoeg gestraft." + +"Een kind denkt nooit aan de gevolgen, Willem. Ook hadden wij nooit +kunnen denken, dat zijne onnoozelheid zooveel ellende veroorzaken +zou. Het was enkel een van zijn kinderachtige streken en wat er ook +de gevolgen van wezen mogen, moeten we hem die toch nooit hard te +laste leggen." + +"Ik had gehoopt, in de boomen boven nog een paar kokosnooten te vinden; +maar daar was geen enkele te zien." + +"En al hadt ge ook een gevonden, er zou in dit jaargetij toch geen +melk in zijn. Als de wilden zich evenwel vandaag niet uit de voeten +maken, Willem, dan moet er iets gedaan worden. Ik wou wel, dat gij +nog eens naar boven klomt en rondzaagt, of ze nog in het geheel geen +toebereidselen maken om af te trekken." + +Willem klauterde dus nog eens omhoog en bleef daar eenige minuten +scherp rondkijken. + +"Nu zijn zij allen op de been en zwermen als bijen rond," berichtte +hij, toen hij weder beneden was. "Mannen telde ik twee honderd en +zestig, met krijgsmantels om en pluimen op het hoofd. De vrouwen gaan +op en af en halen water bij de bron. Bij de kano's is anders niemand, +dan acht of tien vrouwen misschien, die zich met de handen tegen het +hoofd slaan en allerlei vreemde fratsen maken. Ik begrijp niet recht +wat zij eindelijk uitvoeren; maar allen maken dezelfde wonderlijke +bewegingen." + +"Aha, ik weet al wat zij doen, Willem. Zij snijden zichzelven met +messen of ander scherp tuig;--dat is zoo het gebruik bij dit volk. Al +de dooden worden in kano's neergelegd en die vrouwen weeklagen thans +over hare lijken. Misschien dat zij nu toch aftrekken, omdat de dooden +reeds in de kano's gebracht zijn;--doch dat moeten wij afwachten." + +Men kon uit den top van den kokosboom bespeuren, dat de wilden des +voormiddags een krijgsraad hielden: want zij zaten allen in een wijden +kring in het rond en een hunner stond op en hield eene rede, waarbij +hij met wilde gebaren speer en knots over zijn hoofd rondzwaaide. + +Later ging de vergadering uiteen en men zag de wilden overal +met het vellen van boomen bezig, waarvan zij het rijs zorgvuldig +bijeenbrachten. Flink sloeg hen een geruimen tijd nauwlettend gade +en kwam eindelijk vóór zonsondergang weer van zijn boom beneden. + +"Mijnheer Wilson," sprak hij, "naar mijn oordeel zal men ons van +nacht met rust laten, maar hebben wij morgen een ernstigen aanval +te wachten. De wilden vellen boomen en maken groote takkenbossen +klaar. Dat gaat wel wat langzaam in zijn werk, omdat hunne bijlen +van steen en niet al te scherp zijn; maar met hun ijver en hun groot +aantal handen kunnen zij toch veel af, te meer, daar ik vermoed, dat +zij den ganschen nacht zullen doorwerken, tot zij zooveel takkenbossen +bij elkander hebben als noodig is." + +"Wat denkt gij dan wel, Flink, dat zij met dat boomen omkappen en +die takkenbossen van zins zijn?" + +"Ze zullen die óf hoog voor onze palissade opstapelen, om zoo daar +overheen te kunnen komen, óf ze zullen ze op hoopen leggen en in +brand steken, om ons door vuur uit onze sterkte te verdrijven." + +"Denkt gij, dat hun dat gelukken zal?" + +"Niet zonder zeer zwaar verlies. Misschien gelukt het ons nog, hen af +te slaan; doch een harde worsteling is ophanden, veel zwaarder dan wij +tot hiertoe nog gehad hebben. De vrouwen moeten ons vlijtig de geweren +helpen laden, zoodat wij zoo snel mogelijk vuren kunnen. Hunne poging +om onze verschansing in brand te steken, zou ik zooveel niet achten, +als die rook er maar niet bij was. De kokosstammen, vooral als daar, +gelijk bij onze palissaden, de bast nog omzit, smeulen eerst langen +tijd, voordat ze vlam vatten en het vuur der takkenbossen kan niet +lang aanhouden, al is het in den beginne ook nog zoo geweldig." + +"Maar Flink, bedenk eens, hoe kunnen wij bij ons tegenwoordig gebrek +aan water nog kracht genoeg overhouden om onzen vijand midden in +een verstikkenden kring van rook en vlammen het hoofd te bieden? Wij +moeten immers zeker van uitputting bezwijken." + +"Wij moeten het beste hopen, mijnheer Wilson, en onze uiterste krachten +inspannen. Mocht mij in het gevecht iets overkomen, mijnheer, +vergeet dan niet om, ingeval er geen ander behoud meer opzit, +van den rook gebruik te maken, om door het woud een uitweg naar de +zuidkust te zoeken. Ik twijfel niet, of dat zal u wel gelukken. De +aanval wordt natuurlijk van de oostzijde ondernomen, van waar thans +de wind waait. Gij moet dus naar het westen zien te ontkomen.--Ik +heb Willem al gewezen, hoe men door de palissade heen breken kan als +de nood het vordert. Als de wilden ons blokhuis innemen, zullen zij +in het eerste oogenblik niet aan u denken. Misschien dat ze zich in +het geheel niet meer om u bekommeren, als zij eenmaal van alles wat +in huis is meester zijn." + +"Maar waarom zegt gij dat zoo--"als mij iets mocht overkomen," +Flink?" vroeg Willem bezorgd. + +"Ei, jongen, omdat de wilden mij evengoed als u kwetsen of dooden +kunnen, als zij de takkenbossen zoo hoog opstapelen, dat het hun +gelukt, over de palissade heen te komen." + +"Natuurlijk," hernam Willem; "maar vooreerst zijn zij hier nog niet +binnen en het zal hun bloed kosten, voordat zij het zoover hebben +gebracht." + +Flink bood zich nu aan, om de wacht te houden tot twaalf uren, +wanneer hij den heer Wilson wekken wilde. + +Zij hadden gedurende de beide laatste dagen slechts zeer weinig +gegeten. Men had eene schildpad geslacht en er eenige stukken van +gebraden; maar het eten vermeerderde hun dorst slechts en zelfs de +kinderen versmaadden alle spijs. De ellende der familie was thans +tot eene vreeselijke hoogte geklommen en de arme moeder was der +wanhoop nabij. + +Zoodra mijnheer Wilson in huis terug was gegaan, riep Flink Willem +en zeide tot hem: + +"Luister, Willem; wij moeten noodzakelijk water hebben. Ik kan het +jammeren der kleinen en den vreeselijken doodsangst van uwe goede +moeder onmogelijk langer aanzien. Bovendien zouden wij zonder water +geheel buiten staat zijn, om de wilden morgen af te slaan. Wij +moeten immers letterlijk stikken, zoodra zij het vuur tegen onze +palissade leggen. Ik heb daarom besloten, om een van onze tonnen te +nemen, en ze aan de bron te gaan vullen. Misschien gelukt mij dat, +misschien ook niet,--maar beproeven moet ik het. Val ik,--nu, dan is +het niet anders!" + +"Waarom wilt gij mij niet liever laten gaan Flink?" vroeg Willem. + +"Om vele redenen niet, beste jongen. De voornaamste daarvan is, +dat ik niet geloof, dat gij er zoo goed toe in staat zoudt zijn, +als ik mogelijk. Ik zal den mantel en de pluimen van een der +wilden, die binnen de palissade vielen, nemen en met behulp van die +verkleeding mijn plan misschien gelukkig volbrengen. Wapens zal ik, +met uitzondering van een enkele speer, niet meenemen, omdat die mij +slechts hinderen en de last, dien ik te dragen heb, onnoodig verzwaren +zouden. Let nu wel op, beste jongen. Gij moet mij de poort uitlaten; +als ik buiten ben, schuift gij tot meerdere zekerheid een van de +kruisbalken er voor. Dit zal de poort, ingeval van een aanval, wel +zoolang doen houden, totdat het gelukt er ook de andere palen voor te +leggen. Wacht dan mijne terugkomst af en houd u klaar om mij dadelijk +weer binnen te laten. Zeg, Willem, hebt gij mij goed begrepen?" + +"Jawel, Flink; maar ik moet bekennen, dat een doodelijke angst mij +overvalt.--Als u eens een ongeluk overkwam, wat zou dat een ontzettende +slag voor ons wezen!" + +"Dat is nu eenmaal niet te veranderen, Willem. Water moet er komen, +als 't maar eenigszins mogelijk is; en nu is het oogenblik daartoe +gunstiger dan later, als onze vijanden meer op hunne hoede zullen +zijn." + +Flink ging nu eene ton opzoeken, die bij de twee emmers water +bevatten kon. Vervolgens voorzag hij zich van den mantel en het +hoofdversiersel van een wilde en nam het vat op den schouder en de +speer in de hand. Willem schoof de dwarsbalken, die de deur sloten, +zacht terug, en nadat Flink zich overtuigd had, dat achter de palissade +niemand verscholen was, drukte hij Willem de hand, stak de open ruimte +buiten de omheining over en verdween in het kokosbosch. + +Willem sloot de deur weder, gelijk hem gezegd was, schoof er +zekerheidshalve een der dwarsbalken voor en bleef angstig wachtend op +zijn post. Hij was in een staat van vreeselijke spanning; het minste +geritsel, zelfs het zachtste suizen van den wind door de takken van +het geboomte deed hem beven en rillen. Zoo stond hij ettelijke minuten +met het geweer in de hand en gereed om op het eerste oogenblik vuur +te geven. + +"Nu wordt het tijd, dat hij terugkomt," dacht hij. "De afstand +is nauwelijks honderd passen en toch heb ik nog geen geluid +vernomen." Eindelijk meende hij zachte voetstappen te hooren. Ja, +het was werkelijk zoo; de oude man keerde terug en wel zonder dat +hem iets was overkomen. + +Willem had de hand reeds aan den kruisbalk, om dezen weg te schuiven +en de poort te openen;--daar hoorde hij plotseling een gerucht, als +van twee, die aan het worstelen waren en kort daarop een zwaren val. + +Oogenblikkelijk rukte hij den balk weg en trok de deur open, juist +toen Flink hem bij zijn naam riep. Met zijn geweer gewapend sprong +Willem naar buiten. Daar vond hij Flink op den grond liggen en aan +'t worstelen met een wilde, die op hem lag en hem zijne speer op de +borst had gezet. In een ommezien legde Willem zijn geweer aan en gaf +vuur. De Indiaan plofte dood aan Flinks zijde neder. + +"Neem schielijk het water aan, Willem!" riep Flink, met flauwe +stem. "Ik zal beproeven of ik nog kracht genoeg heb om naar binnen +te kruipen." + +De knaap greep het watervaatje en droeg dat binnen de +verschansing. Toen vloog hij terug naar den ouden man, die op de +knieën lag. + +Mijnheer Wilson was bij het hooren van dat schot oogenblikkelijk +opgesprongen en naar buiten gesneld. Toen hij de poort open vond, +volgde hij zijn zoon en zag, hoe deze den trouwen Flink zocht op te +richten. Beide namen den braven oude onder een arm en zoo sleepten +zij hem met moeite naar binnen. De poort werd aanstonds gesloten en +nu eerst konden zij naar hun ouden vriend omzien. + +"Zijt gij gewond, Flink?" vroeg Willem met bevende lippen. + +"Ja, beste jongen, dat ben ik,--doodelijk gewond, naar ik vrees. Zijne +speer heeft mij de borst doorboord.--Water, schielijk, water!" + +"Ach, dat wij maar iets voor u hadden!" jammerde mijnheer Wilson. + +"Wij hebben het, vader!" riep Willem. "Maar het is duur betaald," +voegde hij er treurig bij. + +Willem ging een glas halen, nam de spon uit het vat en liet het +water loopen. Den eersten dronk bracht hij aan Flink, die het vocht +gretig inzwolg. + +"Leg mij nu op deze kokosbladeren neer, mijn jongen.--Ga en geef aan +den anderen ook wat te drinken; als zij allen gehad hebben, kom dan +hier bij mij terug. Zeg uwe moeder niets van mijne verwonding.--Ga +en doe wat ik u verzocht heb." + +"Vader, neemt gij het water,--neem, bid ik u," riep Willem. "Ik kan +mijn Flink niet verlaten." + +"Dat zal ik doen, mijn zoon," zeide mijnheer Wilson; "maar drink +eerst toch zelf een weinig." + +Willem, die eene onmacht nabij was, dronk het glas ledig. Terstond +gevoelde hij zich als opnieuw gesterkt en wendde zich tot den ouden +man, die voortdurend zwaar ademhaalde, maar geen woord sprak. + +De vader vloog heen, om aan vrouw en kinderen den lang gewenschten +laafdronk te verstrekken. + + + + + + + +ACHT-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK. + +ONVERWACHTE UITKOMST. + + +Willem had ondertusschen zijn armen vriend de kleederen uitgetrokken, +om zijne wonden nader te kunnen onderzoeken. Na eene korte poos kwam +zijn vader terug, die zijn versmachtend gezin in allerijl gedrenkt had. + +"Het zou misschien beter zijn, dat wij hem naar dien anderen hoop +bladeren droegen, hij zal daar veel gemakkelijker liggen," sloeg +Willem voor. + +Flink fluisterde slechts: "Meer water! Meer water!" De knaap voldeed +aan zijn verlangen en droeg hem toen, met behulp van zijn vader, +naar een beter plaatsje. Zoodra zij hem daar neergelegd hadden, +keerde Flink zich op de andere zijde om en een donkere bloedstroom +gutste uit zijn borst. + +"Nu voel ik mij beter," zeide hij op fluisterenden toon. "Verbind +de wonde, Willem. Een oud man, zooals ik, heeft niet veel bloed +te verliezen." + +Mijnheer Wilson en Willem schoven zijn hemd ter zijde en onderzochten +de wonde. De speer was hem diep in de longen gedrongen. Willem trok +oogenblikkelijk zijn eigen hemd uit, scheurde het in stukken en +verbond de wonde, zoodat er geen bloed meer uit kon vloeien. + +Flink had er, toen men hem van zijn eerste leger had opgenomen, +zeer machteloos en uitgeput uitgezien; doch nu herstelde hij zich +langzamerhand en kon weer zacht spreken.--Op dit oogenblik kwam +mevrouw Wilson uit huis aansnellen. + +"Waar is de goede, brave man--onze redder?" riep zij. "Ik moet hem +zelve danken!" + +Mijnheer Wilson vatte haar bij den arm. + +"Hij is gewond, lieve vrouw; ik vrees zeer gevaarlijk gewond. Ik +wilde u dat niet dadelijk zeggen." + +Hij zeide haar thans met weinige woorden wat er voorgevallen was en +bracht haar toen bij Flinks leger. Mevrouw Wilson knielde aan zijne +zijde neder, nam zijne hand en barstte in tranen uit. + +"Ween niet om mij, lieve mevrouw," zeide de oude man. "Mijne uren +zijn geteld; het bedroeft mij slechts, dat ik u niet meer van dienst +zal kunnen wezen." + +"Lieve, beste vriend!" snikte mevrouw Wilson; "hoe ons lot zich +ook immer wenden moge, zoolang ik het leven behoud, zal ik nimmer, +nimmer vergeten wat gij voor mij en de mijnen gedaan hebt." + +Met deze woorden boog de bedroefde vrouw zich over den lijder neder, +kuste hem op het voorhoofd en richtte zich daarna op, om schreiend +naar huis te keeren. + +"Willem," fluisterde Flink, "ik kan nu niet spreken. Beur mijn hoofd +een weinig op en verlaat mij dan. 't Is beter voor mij, dat gij mij +alleen laat. Gij hebt al in lang niet meer op den uitkijk gestaan; +doe dat en kom over een half uur hier weer bij mij. Ga gij ook, +mijnheer; ik wil zien of ik een weinig rusten kan." + +Vader en zoon voldeden aan dit verlangen. Zij traden weer op de planken +en zagen naar alle kanten scherp rond, of zij ook iets ontdekken +konden. Zij bespeurden niets en klommen dus weder naar beneden. + +"Dat is een onoverkomelijke slag, mijn zoon," begon de vader. + +Willem schudde het hoofd. "Hij wilde mij volstrekt niet laten gaan, +vader," antwoordde hij eindelijk; "en nu wenschte ik, dat ik het +toch gedaan had. Ik vrees, dat hij zwaar gewond is; dunkt u dat ook +niet, vader?" + +"Ik durf niet hopen, Willem, dat hij er weer van opkomt. Wij zullen +hem morgen gevoelig missen, als men ons aanvalt. Ik vrees zeer voor +den afloop." + +"Ik weet niet wat ik zeggen moet, vader. Maar dat gevoel ik, sinds +wij ons weer met water verkwikt hebben, kan ik tweemaal zooveel doen, +dan waartoe ik anders in staat zou zijn geweest." + +"Het gaat mij evenzoo, beste jongen; maar toch, wat kunnen twee +menschen tegen zulk eene overmacht?" + +"Als moeder en Juno de geweren voor ons laden, zullen wij thans voor +'t minst evenveel kunnen uitrichten, als waartoe wij gisteren in +onzen uitgeputten toestand met ons drieën in staat waren." + +"Dat is wel mogelijk, Willem. In allen gevalle willen wij ons best +doen, want wij strijden immers voor ons eigen behoud en voor 't leven +van hen, die ons het liefst op aarde zijn." + +Willem sloop zacht op Flinks leger toe en bevond dat de oude man +sluimerde, zoo hij al niet vast in slaap lag. Hij stoorde hem derhalve +niet, maar keerde tot zijn vader terug. + +Zij droegen het watervat gezamenlijk in huis en stelden het onder het +opzicht der moeder, opdat geen enkele drup nutteloos mocht verloren +gaan. Thans eerst nu de dorst gelescht was, begonnen allen ook de +kwelling van den honger te gevoelen. + +Juno en Willem gingen daarom aan het werk, sneden de schildpad in +stukken en roosterden die bij het vuur. Zij namen allen een hartig +maal en misschien had het eten hun in hun gansche leven niet zoo +lekker gesmaakt als ditmaal. + +Het was bijna reeds dag, toen Willem, die herhaalde malen zacht naar +Flink was komen zien om zich te overtuigen, dat hij nog sliep, den +gewonde eindelijk met de oogen open vond. + +"Hoe gaat het, Flink; hoe voelt gij u nu," vroeg hij, vol deelneming. + +"Ik voel mij heel licht en wel, Willem, en heb niet veel pijn. Ik +geloof evenwel, dat het met mij ten einde loopt en dat het niet lang +meer zal aanhouden. Denk er aan, Willem, dat gij, als gij genoodzaakt +wordt de versterking te verlaten, u om mij niet bekommeren moogt. Ik +zal blijven, waar ik nu ben. Langer leven kan ik immers toch niet, +en als gij mij meesleepen wildet, zou dit mijn einde maar verhaasten." + +"Ik zou liever sterven dan u verlaten, Flink!" + +"Neen, neen, mijn jongen--dat is dwaas en verkeerd gesproken. Gij +hebt uwe moeder en de kleinen, die gij redden moet. Beloof mij, +dat gij doen zult wat ik u gezegd heb." + +Willem aarzelde. + +"Het is uw plicht, jongen, wat ik van u verlang. Ik ken uw gevoel heel +wel, maar gij moogt daar ditmaal niet aan toegeven. Beloof mij dat, +als gij mijn sterfuur niet verzwaren wilt." + +Willem drukte zijn ouden vriend de hand. Zijn hart was te vol,--hij +kon niet spreken. + +"Met het aanbreken van den dag zullen zij terugkomen, Willem,--althans +dat verwacht ik. Gij hebt weinig tijd meer te verliezen. Klim op onzen +uitkijk en blijf daar, tot het licht aan den hemel komt. Bespied hen, +zoolang gij dat zonder gevaar doen kunt. Kom dan beneden en zeg mij, +wat gij gezien hebt." + +Flinks stem werd al zwakker en zwakker, daar het vele spreken hem +reeds al te veel vermoeid had. Hij wenkte Willem, die oogenblikkelijk +in den boom klauterde en daar, totdat het licht werd, de wacht hield. + +Toen de ochtendschemering aanbrak, bemerkte hij, dat de wilden op +de been kwamen. Zij hadden hunne takkenbossen aan de noordzijde +bijeengebracht en maakten alle toebereidselen tot een spoedigen +aanval. Ten laatste zag hij ieder van hen een takkenbos op den schouder +nemen, en zoo trokken zij in eene lange rij op het blokhuis aan. + +Willem was in een ommezien omlaag en riep zijn vader, die juist met +zijne vrouw sprak. Al de geweren stonden gereed, en mevrouw Wilson +plaatste zich met Juno dicht bij de palissade, om ze terstond na het +afvuren opnieuw te laden. + +"Wij moeten op hen losbranden, zoodra wij zeker zijn van hen niet te +missen, mijn jongen," zei de vader. "Hoe langer wij hen van ons lijf +houden, des te beter voor ons." + +Zoodra de eerste wilden op vijftig passen afstands waren gaven beiden +vuur, en twee van hunne vijanden vielen. Zij gingen voort, de eerste +tien minuten met veel geluk op de bestormers te schieten; maar nu +kwamen de wilden in dichter troepen opzetten en gebruikten bovendien +nog de voorzichtigheid van de takkenbossen voor hun lichaam te houden, +ten einde bij het naderen der palissade beter bedekt te zijn. + +Op deze wijze gelukte het hun werkelijk den voet der palissade zonder +zwaar verlies te bereiken, en daar begonnen zij hunne takkenbossen op +een hoop op te stapelen. Vader en zoon onderhielden nog bij voortduring +een levendig vuur tegen hunne vijanden, maar niet met dezelfde gunstige +uitwerking als in den beginne. + +Er vielen wel ettelijke wilden, doch de takkenbossen rezen al hooger +en hooger op, totdat ze bijna de gaten in de palissade bereikten, +waardoor men tot hiertoe gevuurd had. Daarbij gaven de Indianen aan hun +houtberg eene schuins omloopende richting, zoodat het kennelijk was, +dat zij langs dezen weg opklimmen en de versterking stormenderhand +innemen wilden. + +Eindelijk schenen de takkenbossen alle te hoop gebracht, want de +wilden trokken thans weer tot aan den rand van het bosch terug. + +"Zij zijn weg, vader," riep Willem; "maar zij zullen terugkomen, +en ik vrees dat het dan met ons gedaan zal zijn." + +"Dat vrees ik ook, mijn dappere jongen," antwoordde mijnheer +Wilson. "Ze hebben zich allen verwijderd, om zich tot een algemeenen +storm te ordenen, en nu zal het hun mogelijk zijn in onze verschansing +door te dringen. Ik had waarlijk liever, dat zij maar de takkenbossen +hadden aangestoken. Daar hadden wij althans naar Flinks aanwijzing +kunnen ontkomen. Nu vrees ik, dat geen hoop meer over is." + +"Zeg daar moeder toch geen woord van!" bad Willem. "Wij willen ons +tot het laatst verweren, totdat wij eindelijk bezwijken moeten." + +"Ik zou uwe lieve moeder nog gaarne eens tot afscheid omhelzen," +sprak de vader. "Maar neen,--nu zou dat zwakheid zijn. Ik zal het +liever laten. Daar komen zij, Willem! Nu dan, mijn kind, mijn Willem, +vaarwel!" + +De gansche troep wilden rukte thans in een dichte hoop uit het bosch +op. Zij hieven een vervaarlijk gillend geschreeuw aan, dat mevrouw +Wilson en Juno met ontzetting vervulde. Niettemin weken de beide +moedige vrouwen geen oogenblik van hare standplaats. + +De Indianen waren nu weder tot op vijftig passen genaderd, en de beide +verdedigers openden andermaal hun vuur. Dit werd door de wilden met +woest getier beantwoord, en dezen waren reeds aan den voet van hun +houthoop gekomen. Doch daar op eens hoorde men onder het knallen der +geweren en het getier der bestormers een luid gedonder. De boomen in +het rond kraakten, en beide partijen bleven roerloos van verbazing. Een +tweede en een derde donderslag volgde. De hoop takkenbossen voor de +palissade stoof uiteen en de wilden tuimelden bij hoopen ter aarde. + +"Dat moeten kanonnen van een schip zijn, vader!" riep Willem. "Wij +zijn gered! Wij zijn gered!" + +"Het is niet anders mogelijk; wij zijn als door een wonder gered," +riep ook de vader in de hoogste verbazing. + +De wilden, geheel verbijsterd, staakten hun aanval. Nog eens en +andermaal dreunde het geschutgedonder door de lucht. Kogels en +kartetsen fluitend en gierend door het woud. Eindelijk kwam er nog +een volle laag;--toen keerden de wilden om en vluchtten naar hunne +kano's. Na eenige oogenblikken was er geen enkele meer te zien. + +"Wij zijn gered!" riep mijnheer Wilson, sprong van de plank neer en +drukte zijn vrouw in de armen. + +"Een groote schoener, vader! Hij vuurt op de wilden, die reeds bij +hunne booten zijn. Zij vallen overal neer; daar springen al enkelen in +'t water! Ginds komt eene sloep vol gewapende matrozen op den oever +aan.--Zij landt bij den tuin. Drie van de kano's zijn vol met wilden, +die wegroeien willen.--Daar valt weer eene laag.--Twee kano's zijn in +den grond geboord, vader!--De boot is geland. Het volk komt regelrecht +hier naar toe!" + +Na deze laatste uitroeping kwam Willem haastig naar beneden. Zoodra +hij de voeten op den grond had, vloog hij naar de deur der omheining +en begon de balken weg te schuiven. Hij had juist den laatsten in de +hand toen hij den tred der bevrijders buiten hoorde. Hij rukte de poort +open.... en lag een oogenblik later in de armen van--kapitein Osborn. + +Men zal zich herinneren, dat reeds ettelijke maanden vroeger eene +brik in de nabijheid van het eiland verschenen, maar tot grievende +teleurstelling onzer eilandbewoners weder verdwenen was, zonder terug +te keeren, hoewel zij de opgeheschen vlag van de Vrede wel herkend +moest hebben. + +Ziehier, hoe het met de zaak was. Het volk aan boord van die brik had +niet alleen Flink's seinen bemerkt, maar ook den naam van De Vrede op +de opgehaalde vlag gelezen. De hevige storm, die toen losbrak, had hen +echter zoo ver zuidwaarts gedreven, dat de kapitein van de brik aan +zijn plicht jegens zijn patroons dacht te kort te zullen doen, indien +hij zooveel tijd verloor, als noodig was, om midden door dien storm +weder naar het eiland op te werken. De lading, die hij aan boord had, +was van dien aard, dat zij noodzakelijk in waarde verliezen moest, +wanneer zij niet als eene der eersten op de markt kwam. Hij besloot +derhalve met volle zeilen op Sidney koers te zetten; dat was namelijk +de haven, naar welke hij bestemd was. + +Uit het begin van ons verhaal zullen onze lezers nog wel weten, hoe +kapitein Osborn door Mackintosh en de overige matrozen van de Vrede in +een bewusteloozen toestand in de boot werd gebracht. Hij kwam echter +langzamerhand weer tot zichzelven en was in een stormachtigen nacht, +waarin de manschap de grootste moeite had gehad om zich vlot te houden, +weer in zooverre bekomen, dat hij zich door Mackintosh het vroeger +gebeurde kon laten verhalen, alsmede de oorzaak waarom hij zich thans +in eene open boot op zee bevond. Den volgenden morgen ging de storm +liggen, en zij hadden het geluk een schip te ontmoeten, dat naar +Van-Diemensland bestemd was en hen allen bereidwillig aan boord nam. + +Na het verhaal van Mackintosh twijfelde kapitein Osborn geen oogenblik +aan den ondergang der familie Wilson, en het vergaan van de Vrede +en van zijne passagiers werd aan de eigenaars naar behooren bekend +gemaakt. + +Bij zijne aankomst in Van-Diemensland gevoelde kapitein Osborn +zich door de schoonheid en vruchtbaarheid van dat oord zoodanig +aangetrokken, dat hij besloot aldaar eenige landerijen aan te koopen +en er zich vreedzaam als burger neer te zetten. Misschien wel dat +ook de herinnering van het groote gevaar, dat hij op zijn laatsten +zeetocht had doorgestaan, bij hem tot de opvatting van dit besluit +niet weinig had bijgedragen. + +Overeenkomstig zijn plan had hij een landgoed aangekocht, waar hij +de veeteelt op eene groote schaal drijven wilde. Hij was op eene +schoener naar Sidney gegaan, om daar de aankomst van eene groote +kudde vee, die hij uit Engeland ontboden had, af te wachten, toen +de reeds vermelde brik in de haven binnenliep en berichtte, dat men +op het kleine eiland blanke bewoners ontdekt en op eene door hen +opgeheschen vlag den naam van De Vrede gelezen had. + +Zoodra kapitein Osborn dit vernam, zocht hij den kapitein van de +brik op en deed bij hem een nauwkeurig onderzoek naar de nadere +bijzonderheden van zijne ontdekking. Hij bevond, dat de geographische +lengte en breedte van het eiland zoo tamelijk overeenkwamen met de +plaats, waar zij hun schip hadden verlaten, en hield zich nu ten volle +overtuigd, dat de familie Wilson als door een wonder in het leven +moest zijn gebleven. Terstond begaf hij zich nu naar den gouverneur +van Nieuw-Zuid-Wales en maakte hem met al de vereischte omstandigheden +bekend. Deze hoorde hem met belangstelling aan en stelde terstond een +gewapenden schoener van de regeering tot zijne beschikking, ingeval hij +zelf mede uitgaan en zijne voormalige scheepsgenooten opzoeken wilde. + +Kapitein Osborn was hier terstond toe bereid, daar een korte +afwezigheid hem bovendien toch niet benadeelde; en reeds weinig dagen +daarna lichtte de schoener het anker. + +Deze kwam in de nabijheid van het eiland aan op denzelfden morgen, dat +de wilden met hunne vloot van kano's hunne landing bewerkstelligden, +en had Flink op het oogenblik, toen Willem hem bij het haastig +terugkeeren van het oude woonhuis verzekerde, "dat hij aan de +landpunt in de nabijheid van den tuin nog een ander vaartuig onder +zeil had gezien,"--tijd gehad, om zijn kijker te gebruiken, dan zou +hij ontdekt hebben, dat het de schoener en niet, zooals hij vermoedde, +een kano was, die in den nacht van de overige booten was afgeraakt. + +De schoener lag op dat oogenblik op het rif aan. Hij wendde toen weder +van den wal uit en zond eene boot af, om eene geschikte ankerplaats +op te zoeken. + +Terwijl de manschappen in de boot met looden bezig waren, ontdekten +zij de wilden in hunne kano's en hoorden het geknal der vuurwapens +gedurende den eersten aanval. Bij hunne terugkomst aan boord berichtten +zij wat zij gehoord en gezien hadden, en hoe het waarschijnlijk was, +dat de Europeanen op het eiland door de wilden werden aangevallen. + +Daar de boot eerst tegen den avond aan boord was teruggekomen, had +men geen tijd om nader onderzoek te doen, en thans geschiedde de +nachtelijke aanval en hoorde men andermaal geweerschoten vallen. + +Dit boezemde kapitein Osborn den wensch in, om zoo schielijk mogelijk +te landen; doch daar de wilden in groote getale op het eiland zijn +moesten, terwijl de bemanning van den schoener uit niet meer dan +vijf-en-twintig koppen bestond, hield de commandant van het schip +dat voor al te onvoorzichtig. Daarom wilde hij den schoener met +allen spoed voor anker zien te brengen, opdat die de landing dekken +mocht. Dan zou het den matrozen vergund zijn aan wal te gaan. + +De boot had bericht gebracht, dat bij de landpunt aan den tuin ondiep +water en goede ankergrond te vinden was, en alle toebereidselen werden +gemaakt, om den volgenden morgen met het aanbreken van den dag op de +kust aan te loopen. Ongelukkigerwijze ging de wind liggen en bleef +het 't beste gedeelte van den volgenden dag stil, en zoo kwam het, +dat zij eerst den ochtend daarna, juist toen de wilden hun laatsten +aanval beproefden, inloopen konden. + +Toen dit geschied was, opende de schoener het vuur van zijne +stukken. Met welk gevolg, is bekend, de wilden vluchtten naar alle +richtingen. De boot werd daarop bemand, kapitein Osborn stelde zichzelf +aan het hoofd der landingstroepen en kwam zoo nog tijdig tot behoud +der hard bedreigde belegerden opdagen. + +Wie kan zich de verrukking van mijnheer Wilson en zijne echtgenoote +voorstellen, toen deze hun ouden vriend Osborn weer voor hunne oogen +zagen staan.--Alle gevaar was nu immers geweken. De gelande matrozen +trokken onder commando van den bootsman uit, om te onderzoeken, of er +misschien nog van de wilden op het eiland waren. Met uitzondering van +de dooden en stervenden waren allen echter op eenige van de kleinere +kano's ontsnapt. + +Kapitein Osborn bleef bij de Wilsons achter en verhaalde hun met +weinig woorden zijne eigen geschiedenis. Zij onderrichtten hem op +hunne beurt van den toestand van den ouden armen Flink, tot wien +Willem zich oogenblikkelijk weder begeven had, zoodra hij kapitein +Osborn met vader en moeder in gesprek zag. + +Osborn snelde nu dadelijk toe, om zijn ouden stuurman en vriend te +zien. Deze herkende hem ook aanstonds, d. i. zijne stem, want de oogen +van den ouden man waren reeds zoo zwak geworden, dat hij bezwaarlijk +iets meer onderscheiden kon. + +"Dat is kapitein Osborn,--dien ken ik," fluisterde hij, met zwakke +stem. "Gij zijt nog even bijtijds gekomen, mijnheer. Ik wist wel, +dat gij komen zoudt, en heb dat ook altijd gezegd. Neem daarvoor den +dank van een stervende aan." + +"Ik hoop, dat het zoo erg niet met u wezen zal, Flink. Wij hebben +een dokter aan boord, en ik zal hem terstond laten halen." + +"Mij kan geen dokter meer helpen," hernam Flink. "Het zal geen uur +meer duren, of 't is uit met mij. Het is mij een groote blijdschap, +dat ik mijne lieve vrienden hier nog gered heb gezien." + +"Ik zal in allen gevalle om den dokter zenden," zeide kapitein Osborn, +"ofschoon ik wel zie, dat die weinig helpen kan. De hand des doods +heeft hem reeds aangevat." + +Mijnheer Wilson verliet met vrouw en vriend het leger van den +stervende; allen waren door het bijgewoonde tooneel uiterst +getroffen. Alleen Willem bleef bij Flink achter en reikte hem water +toe, zoo dikwijls hij daarnaar vroeg. Eenige minuten daarna sloeg de +oude man andermaal de oogen op. + +"Zijt gij bij mij, Willem? Ik kan u niet zien. Luister, beste +jongen. Begraaf mij onder de boomen op den heuvel, boven de bron. Daar +wensch ik te liggen. De onnoozele kleine Thomas,--laat hem nooit +weten, dat hij de oorzaak van mijn dood geweest is. Breng hem nog +eens hier bij mij,--en Juno en Caroline ook. Ik wil allen vaarwel +zeggen, Willem." + +Willem schoten de oogen vol tranen; hij liep naar huis en maakte +vader en moeder met Flinks verlangen bekend. + +Allen kwamen, om het laatste vaarwel van den stervende te +ontvangen. Flink riep ieder bij zijn naam, den een na den ander. Zij +knielden toen bij hem neder en kusten hem. Hij zeide hun met zwakke +stem vaarwel; eindelijk gingen zijne woorden in een onverstaanbaar +gefluister over. Zoo stonden zij stil en weenend rondom zijn leger +geschaard. Slechts Willem knielde aan zijne zijde neder en hield zijn +hoofd omvat. In 't einde liet de stervende dit voorover op de borst +zinken en--was niet meer. + +"Nu is alles voorbij," sprak mijnheer Wilson diep bedroefd. Hierop +leidde hij zijne vrouw met de kleinen in huis terug; alleen Juno +en Willem bleven bij het lijk achter. De arme meid barstte zoodra +haar heer en mevrouw zich verwijderd hadden en zij aan haar gevoel +den vrijen loop durfde geven, in luide jammertonen uit en wrong als +radeloos de handen. + +Willem drukte hem de oogen toe. Juno haalde de oude scheepsvlag, +welke zij toen over zijn lijk uitspreidden. Vervolgens gingen beiden +de familie opzoeken. + +In den tijd, dien Willem bij Flink had doorgebracht was de commandant +van den schoener met een tweede afdeeling geland, die hij insgelijks +uitzond om het eiland te doorkruisen en verstrooide vluchtelingen +uit de schaar der wilden op te zoeken, doch er was niemand meer +te ontdekken. + +Kapitein Osborn stelde den commandant aan de familie Wilson voor, en +men maakte nu dadelijk afspraak tot het inschepen van deze laatste. Den +volgenden dag zou tot het pakken en inladen van alle goederen besteed +worden; den dag daarop zou de familie aan boord gaan. + +Willem gewaagde van Flinks wensch ten aanzien van zijne begrafenis. De +commandant van den schoener gaf dadelijk last om eene kist te +vervaardigen en op de door Willem aangeduide plaats een graf te delven. + +Men kwam overeen, dat de geiten en overige dieren, met uitzondering +van de honden, op het eiland zouden blijven, ten dienste van hen, +die misschien in de toekomst een dergelijk ongeluk ondergaan mochten, +als de manschap en de passagiers van De Vrede getroffen had. + +De booten kwamen den volgenden morgen tijdig aan land en namen de +bagage in. Mijnheer Wilson wilde verder niets medenemen, wat voor +latere schipbreukelingen van waarde kon zijn. Het huisraad, al het +timmermansgereedschap, ijzerwerk en spijkers, verder pekelvleesch en +meel, werd in het huis achtergelaten en weggeborgen. Zoo was hetgeen +men had in te schepen dan ook van weinig omvang en dus weldra aan +boord gebracht. + + + + + + + +NEGEN-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK. + +BESLUIT. + + +De drukte en de haast van de toebereidselen tot het vertrek van het +eiland, alsmede de snelle opvolging der gebeurtenissen, die zich in +de tijdruimte van weinige dagen hadden opgedrongen, hadden Willem en +zijne ouders slechts weinig tijd tot nadenken overgelaten. Eindelijk +echter was al het noodige beschikt en had de commandant van den +schoener geen reden meer om hen tot spoed aan te drijven. Zij hadden +in den loop van den namiddag het laatste aan boord gezonden, en den +volgenden dag, zoo was de afspraak, zou men onder zeil gaan. + +Nu hadden zij rust, om het verlies van hun ouden vriend eerst recht +diep te gevoelen, en bitter beklaagden zij hun lot, dat hem niet +veroorloofd had gezamenlijk met hem naar Sidney te stevenen. Zij +hadden altijd de hoop gekoesterd, dat zij eens van het eiland verlost +zouden worden, en in deze hoop hadden zij zich er aan gewend den +eerwaardigen ouden Flink als een lid van hunne toekomstige huishouding +te beschouwen. Thans, nu hunne vurige wenschen waren bekroond,--nu was +het gevoel der vreugde en dankbaarheid met diepen kommer vermengd; +ja, zoo groot was de droefheid over het verlies van hun redder en +beschermer, dat zij met blijdschap op het eiland zouden gebleven zijn, +als zij hem daardoor wederom in het leven hadden kunnen roepen. + +Kapitein Osborn, de commandant en de matrozen van den schoener hadden +voor dien nacht afscheid van hen genomen en waren aan boord gegaan, +na vooraf de noodige beschikkingen gemaakt te hebben tot Flinks +teraardebestelling, die den volgenden morgen vóór het lichten der +ankers zou plaats vinden. De kinderen waren te bed gebracht en Juno +was naar buiten gegaan; de ouders met hun zoon zaten in het nu half +ledige vertrek, toen Juno weder binnentrad. Het arme meisje had +blijkbaar bitter geschreid. + +"Zeg, Juno," begon mijnheer Wilson, om het pijnlijk stilzwijgen +af te breken, dat reeds eene poos vóór hare binnenkomst geheerscht +had. "Zijt gij niet blij, dat wij nu het eiland verlaten zullen?" + +"Vroeger ikke heel blij zou zijn geweest, maar nu mij niet sikkepitje +schelen kan," was het antwoord. "Het eiland heel lieve plaats,--alles +heel gelukkig, tot de wilden komen. Als zij niet vermoord hadden +ouden Flink, ik ook niet veel om de wilden geven zou." + +"Ja, waarlijk," viel mevrouw Wilson haar in de rede, "dat is voor ons +allen een harde slag. Ik had altijd gehoopt den goeden Flink in zijn +ouderdom te kunnen oppassen en hem onze dankbaarheid te bewijzen; +maar nu...." + +"De helft van mijn vermogen gaf ik, als wij hem behouden hadden," +sprak de vader. + +"Ach, massa!" snikte Juno, "ikke daar effentjes buiten bij hem zitten; +ikke de vlag oplichten en hem in 't gezicht kijken.--Och, wat goed, +vriendelijk en gerust zijn gezicht!--Ikke haast denken, dat hij mij +toelachen,--en ikke hardop schreien moest. O, massa Thomas,--dat +allemaal om jou, stout jonk!" + +"Zijn verlies grieft mij dubbel, omdat zijn dood aan de onnadenkendheid +van een mijner kinderen te wijten is," hernam mijnheer Wilson. "Welk +eene vreeselijke les voor Thomas, als hij eens tot de jaren komt, +om de gevolgen van zijn daad geheel te beseffen!" + +"Daar mag hij nooit iets van te weten komen, vader," riep Willem, +die tot hiertoe treurend in een hoek had gezeten. "Eene van Flinks +laatste beden was, dat Thomas de oorzaak van zijn dood nooit vernemen +zou. Ik moest hem dat plechtig beloven." + +"Zijne laatste wenschen zullen ons heilig zijn, mijn beste jongen," +verzekerde zijn vader; "want wat zijn wij aan den goeden braven man +al niet verschuldigd! Toen de overigen ons verlieten en ons aan den +ondergang prijsgaven, bleef hij bij ons, om ons lot te deelen, op een +oogenblik, dat alle uitzicht bestond, dat de oceaan ons verzwelgen +zou. Door zijne bekwaamheid en ondervinding werden wij gered en +bereikten wij gelukkig dit eiland. Hij zorgde voor onze behoeften, +verplaatste ons in een behagelijken toestand, leerde ons hoe wij onze +middelen tot ons best aanwenden konden, was in alles onze raadgever, +en ik mag wel zeggen onze beschermer en redder. Wat zou er zonder +hem van ons geworden zijn? Zonder zijne zorgvuldigheid hadden wij nog +in den laatsten tijd onder de knotsen en speren der wilden den dood +gevonden. Zijne zelfopoffering was het, die ons het water verschafte, +dat ons leven redde, en juist deze daad was het, waarbij hij zijn +leven voor ons opofferde. Welk een schoon voorbeeld van moed en +zelfopoffering heeft hij ons altijd gegeven!" + +"Ach! ware hij niet zoo plotseling uit ons midden genomen!--Had +hij nog slechts weinige dagen geleefd, zoodat wij om zijn sterfbed +hadden kunnen staan, hem de trouwe oogen in vrede hadden kunnen +sluiten!...." zeide mevrouw Wilson en schreide aan de borst van +haar echtgenoot. + +Na eenigen tijd waren zij weder eenigszins tot kalmte gekomen, doch +eene sombere stilte, slechts nu en dan door Juno's zuchten afgebroken, +bleef in den familiekring heerschen. Willems hart was overvol. Hij +kon eene geruime poos geen woord uiten. Eindelijk zeide hij met +gebroken stem: + +"Ik gevoel, dat ik een vriend verloren heb, dien ik naast vader en +moeder boven alles liefhad. Ik kan mijzelven maar niet vergeven, +dat ik hem dat water halen liet. Het was mijn plicht geweest, en ik +had voor hem moeten gaan." + +"En toch, mijn lieve zoon, zouden wij u ook zwaar gemist hebben. Gij +hadt er immers ook het leven bij kunnen inschieten," riep zijne moeder. + +Den volgenden morgen waren zij vroeg op de been en pakten alles +bijeen, wat nog mede naar boord moest worden genomen. Weinig woorden +werden gesproken, want een weemoedige, plechtige ernst heerschte in +aller gemoed. + +Zij wachtten op de komst van kapitein Osborn en van de manschap van den +schoener, om het lijk van stuurman Flink ter aarde te bestellen. Willem +was van tijd tot tijd naar buiten gegaan, om naar het schip uit te +zien. Hij kwam nu binnen en berichtte, dat twee booten op de kust +aanroeiden. + +Weinige minuten later verscheen kapitein Osborn met den commandant +van het schip. Na een kort onderhoud verlieten beiden het huis, +om de noodige orders te geven. + +Men had de kist mede aan land gebracht. Flinks stoffelijk overschot +werd daarin neergelegd en zijne laatste woning alstoen gesloten. Willem +was daarbij tegenwoordig, en de tranen rolden hem langs de wangen, +toen het deksel dichtviel en hij zijn goeden ouden vriend voor de +laatste maal gezien had. + +Binnen een half uur waren alle toebereidselen gemaakt en werd de +familie buiten geroepen. Het werd zoo ingericht, dat Willem, zijn +vader, kapitein Osborn en Juno--de arme meid had er uitdrukkelijk om +verzocht--de slippen van het lijkkleed te dragen hadden. + +De kist, met de koninklijke vlag overdekt, werd door zes matrozen +op de schouders genomen en ten grave gedragen. Achter haar gingen +mevrouw Wilson en hare kinderen en vervolgens de commandant van +den schoener met eenigen van zijn volk. Mijnheer Wilson hield een +toespraak, slechts nu en dan door Juno's snikken afgebroken en het +graf werd dichtgemaakt, waarop allen zich stil en treurig verwijderden. + +Op Willems verzoek had de commandant een stevig traliehek rondom het +graf laten zetten; midden op den grafheuvel werd een paal opgericht, +waarop de naam van den afgestorvene en de dag van zijn dood vermeld +stonden. + +Zoodra dit verricht was, volgde Willem met een diepen zucht den +commandant naar het huis, om te berichten, dat alles was afgeloopen +en dat de boot wachtte. + +"Kom, lieve vrouw," zeide mijnheer Wilson tot zijne echtgenoote. + +"Ik ga, ik ga," antwoordde deze: "maar ik weet niet, hoe het +komt,--thans, nu het uur geslagen heeft,--dat het mij zooveel kost +dit eiland te verlaten. Ware Flink nog in leven, mij dunkt, ik zou +wenschen hier altijd te blijven." + +"Ik begrijp, dat gij ontroerd zijt, lieve; maar wij mogen kapitein +Osborn niet al te lang ophouden." + +"Ik wenschte dat wij nog eens tijd hadden om al die lieve plekjes +van ons verblijf,--den tuin, de bron, de vijvers te bezoeken. Zelfs +van de dieren zou ik gaarne afscheid nemen, Wilson. Misschien is het +een zwakheid,--maar ik kan ze niet onderdrukken." + +"Laten wij onze geit ook hier, moeder," vroeg Caroline, "en al onze +aardige kippen?" + +"Ja, lieve meid; geiten en vogels blijven achter voor andere menschen, +die misschien na ons op dit eiland kunnen landen." + +"En moeten de schildpadden dan ook in den vijver blijven?" vroeg +Thomas. "Schildpadsoep is zoo lekker. Ik houd veel van schildpad." + +"Dat is geen kwade inval," merkte kapitein Osborn aan. "De schildpadden +konden wij wel aan boord brengen; dat zal toch zooveel tijd niet +wegnemen." + +"O neen," zeide de commandant. "Kom, haast u, jongens! roeit met eene +van de booten naar de vijver en brengt de schildpadden aan boord." + +Daar dit eenig oponthoud veroorzaakte, ging mevrouw Wilson naar Flinks +graf, om het hek en het opschrift te zien, waarvan Willem haar gezegd +had, dat het voorzien was geworden. Zij zou daar nog langer aan den +arm van haar man vertoefd hebben, als kapitein Osborn niet was komen +zeggen, dat de sloep nu wachtte. + +Dewijl mijnheer Wilson bemerkte, dat de commandant van den schoener +de eilanden nog vóór het vallen van de duisternis uit het gezicht +wenschte te hebben, leidde hij zijne vrouw nu zonder verwijl naar +het strand. Allen stapten in de boot en waren weldra op het dek van +den schoener. Daar stonden zij met de oogen onafgewend op het eiland +gericht, terwijl de matrozen de ankers lichtten. + +Eindelijk werden de zeilen bijgezet en het schip stuurde langs de +landpunt bij den tuin voorbij. Eene frissche koelte begunstigde +hunne vaart en zoo werden alle voorwerpen aan de kust hoe langer hoe +onduidelijker. Maar nog altijd dwaalden hunne blikken in verschillende +richting rond. + +Juno en Willem stonden op de verschansing. Onze jonge vriend had +den kijker in de hand en hield dien vast aan het oog gedrukt, toen +kapitein Osborn hem vroeg, waarop hij tuurde. + +"Ik zeg Flinks graf mijn laatst vaarwel," was het antwoord. + +"Hij wezenlijk heel goede man was," fluisterde Juno met een diepen +zucht. + +Terwijl ze naar het Westen stuurden, kwamen zij de bocht voorbij, +waar zij het eerst geland waren, en mijnheer Wilson maakte zijne vrouw +op dit punt opmerkzaam. Deze zag een tijdlang zwijgend daarheen en +keerde zich toen om met de woorden: + +"Wij zullen zeker nooit gelukkiger wezen, Wilson, dan wij op dit +eiland waren!" + +"Wij mogen inderdaad tevreden zijn, als wij nooit minder gelukkig +worden, lieve," antwoordde haar echtgenoot. + +De schoener kliefde stout de golven en het eiland onttrok zich allengs +aan hun gezicht. Na eenigen tijd was het aan den horizon verdwenen +en alleen de toppen der kokosboomen bleven zichtbaar; maar ook deze +doken eindelijk onder. Juno wachtte tot het laatst, en toen er in +'t eind niets meer te zien was, wuifde zij met haar zakdoek naar de +plaats van het eiland, als om dat het laatste vaarwel te zeggen. + +De wind bleef voortdurend gunstig, en na eene voorspoedige vaart van +vier weken, kwamen zij in de haven van Sidney aan, die zij reeds zoo +lang geleden met het goede schip De Vrede gedacht hadden te zullen +bereiken. + +Mijnheer Wilson vond bij zijne aankomst te Sidney zijne bezittingen en +kudden aanmerkelijk vermeerderd. Zijn zaakwaarnemer, die de goederen +gedurende zijne afwezigheid beheerd had, was een vlijtig, eerlijk +man geweest. + +Men had, wel is waar, algemeen geloofd, dat de gansche familie bij +de schipbreuk was omgekomen en dat de goederen dus op verwijderde +bloedverwanten zouden overgaan, maar erfeniszaken nemen altijd een +langen tijd weg, en het duurde vele maanden voordat men stellige +berichten uit Engeland ontving; en hieraan was het toe te schrijven, +dat, bij gebrek aan alle zekere doodstijding, de goederen nog niet +verdeeld, maar altijd nog in handen der executeurs waren. + +Mijnheer en mevrouw Wilson beleefden nog het geluk van al hunne +kinderen volwassen te zien. + +Willem erfde het grootste deel van zijns vaders bezittingen, nadat +hij hem jaren lang in het bestuur daarvan behulpzaam was geweest. Hij +trouwde en kreeg een talrijk kroost. + +Sinjeur Thomas werd, niettegenstaande al zijne zotte kuren, een flink +man, nadat hij als jongeling in den krijgsdienst was getreden. Hij is +tegenwoordig majoor en moet in zooverre aan zijne jeugdige gewoonten +getrouw zijn gebleven, dat hij, ondanks zijn zwaren dienst nog altijd +een onverdroten tafelmakker is, op wiens fijnen smaak men gerust +staat kan maken. + +Caroline gaf hare hand aan een jongen predikant en werd eene +voortreffelijke echtgenoote en moeder. De kleine Albert ging in +zeedienst en staat, terwijl ik dit schrijf, reeds op het punt van +kapitein te worden. + +Mijnheer en mevrouw Wilson zijn reeds beiden dood; maar de trouwe Juno +leeft nog en woont bij Willem in huis. Haar grootste vermaak is, diens +kinderen op haar schoot te hebben en hun lange verhalen van het eiland +te doen, waarbij ze nog bijna altijd in tranen uitbarst, als zij over +dien goeden ouden stuurman Flink en zijn dood en begrafenis spreekt. + + + + + + + +AANTEEKENINGEN + + +[1] Moeder Carey is in de taal der Engelsche matrozen de zee zelve, +die hen van der jeugd af op haren schoot draagt en hun kost en +onderhoud verschaft. + +[2] Eene bezitting der Engelschen in Z. O. gedeelte van Nieuw Holland, +waar zij hunne misdadigers heen zonden. De hoofdplaats heet Sidney. + +[3] Kano's zijn booten, zooals de wilden en Indianen gebruiken. + +[4] Eene haven van China, de eenige, die eertijds voor vreemdelingen +openstond. + +[5] Indische matrozen, die men bij gebrek aan Europeesche in dienst +neemt. + +[6] Vroeger, toen wij Hollanders het bezaten, heette dit eiland +Mauritius, gelijk ook tegenwoordig weder, nu het aan de Engelschen +toebehoort. + +[7] Eene Oostindische munt. Men heeft zilveren ropijen, die ruim twee, +en gouden, die zestien of zeventien gulden waard zijn. + +[8] Het nieuwe oorlogsrecht heeft dezen algemeenen regel wel eenigszins +gewijzigd. + +[9] De linten of gaten, waardoor het ankertouw naar binnenboord gaat. + +[10] Ruim f 180.-- Hollandsch. + +[11] De postwagens, destijds in Engeland in gebruik, hadden outside +en inside plaatsen. De eerste, voor den minderen man, minder kostende, +waren bovenop, in de open lucht. + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Stuurman Flink, by Kapitein Marryat + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 44758 *** diff --git a/44758-h/44758-h.htm b/44758-h/44758-h.htm new file mode 100644 index 0000000..73bfb49 --- /dev/null +++ b/44758-h/44758-h.htm @@ -0,0 +1,14706 @@ +<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" +"http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd"> +<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source on 2014-01-26T11:57:47Z. --> +<html lang="nl-1900"> +<head> +<meta name="generator" content= +"HTML Tidy for Windows (vers 25 March 2009), see www.w3.org"> +<title>Stuurman Flink of de schipbreuk van „De +Vrede”</title> +<meta http-equiv="content-type" content="text/html; charset=UTF-8"> +<meta name="generator" content= +"tei2html.xsl, see http://code.google.com/p/tei2html/"> +<meta name="author" content="Frederick Marryat (1792–1848)"> +<link rel="coverpage" href="images/frontcover.jpg"> +<link rel="schema.DC" href= +"http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/"> +<meta name="DC.Creator" content="Frederick Marryat (1792–1848)"> +<meta name="DC.Title" content= +"Stuurman Flink of de schipbreuk van „De Vrede”"> +<meta name="DC.Language" content="nl-1900"> +<meta name="DC.Format" content="text/html"> +<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg"> +<meta name="DC:Subject" content="#####"> +<style type="text/css"> +body +{ +font-family: "Times New Roman", Times, serif; +font-size: 100%; +line-height: 1.2em; +margin: 1.58em 16%; +text-align: left; +} +/* Titlepage */ +.titlePage +{ +border: #DDDDDD 2px solid; +margin: 3em 0% 7em 0%; +padding: 5em 10% 6em 10%; +text-align: center; +} +.titlePage .docTitle +{ +line-height: 3.5em; +margin: 2em 0% 2em 0%; +font-weight: bold; +} +.titlePage .docTitle .mainTitle +{ +font-size: 1.8em; +} +.titlePage .docTitle .subTitle, .titlePage .docTitle .seriesTitle, .titlePage .docTitle .volumeTitle +{ +font-size: 1.44em; +} +.titlePage .byline +{ +margin: 2em 0% 2em 0%; +font-size:1.2em; +line-height:1.72em; +} +.titlePage .byline .docAuthor +{ +font-size: 1.2em; +font-weight: bold; +} +.titlePage .figure +{ +margin: 2em 0% 2em 0%; +margin-left: auto; +margin-right: auto; +} +.titlePage .docImprint +{ +margin: 4em 0% 0em 0%; +font-size: 1.2em; +line-height: 1.72em; +} +.titlePage .docImprint .docDate +{ +font-size: 1.2em; +font-weight: bold; +} +/* End Titlepage */ +.transcribernote +{ +background-color:#DDE; +border:black 1px dotted; +color:#000; +font-family:sans-serif; +font-size:80%; +margin:2em 5%; +padding:1em; +} +.advertisment +{ +background-color:#FFFEE0; +border:black 1px dotted; +color:#000; +margin:2em 5%; +padding:1em; +} +.correctiontable +{ +width: 75%; +} +.width20 +{ +width: 20%; +} +.width40 +{ +width: 40%; +} +.indextoc +{ +text-align: center; +} +.div0 +{ +padding-top: 5.6em; +} +.div1 +{ +padding-top: 4.8em; +} +.index +{ +font-size: 80%; +} +.div2 +{ +padding-top: 3.6em; +} +.div3, .div4, .div5 +{ +padding-top: 2.4em; +} +.footnotes .body, +.footnotes .div1 +{ +padding: 0; +} +.apparatusnote +{ +text-decoration: none; +} +table.alignedtext, table.alignedverse +{ +border-collapse: collapse; +} +table.alignedtext td +{ +vertical-align: top; +width: 50%; +} +table.alignedverse +{ +vertical-align: top; +} +table.alignedtext td.first, table.alignedverse td.first +{ +border-width: 0 0.2px 0 0; +border-color: gray; +border-style: solid; +padding-right: 10px; +} +table.alignedtext td.second, table.alignedverse td.second +{ +padding-left: 10px; +} +table.alignedverse td.first, table.alignedverse td.second +{ +width: 45%; +} +table.alignedverse td.linenumbers +{ +width: 10%; +} +h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4 +{ +clear: both; +font-style: normal; +text-transform: none; +} +h3, .h3 +{ +font-size:1.2em; +line-height:1.2em; +} +h3.label +{ +font-size:1em; +line-height:1.2em; +margin-bottom:0; +} +h4, .h4 +{ +font-size:1em; +line-height:1.2em; +} +.alignleft +{ +text-align:left; +} +.alignright +{ +text-align:right; +} +.alignblock +{ +text-align:justify; +} +p.tb, hr.tb +{ +margin-top: 1.6em; +margin-bottom: 1.6em; +margin-left: auto; +margin-right: auto; +text-align: center; +} +p.argument, p.note, p.tocArgument +{ +font-size:0.9em; +line-height:1.2em; +text-indent:0; +} +p.argument, p.tocArgument +{ +margin:1.58em 10%; +} +p.tocPart +{ +margin:1.58em 0%; +font-variant: small-caps; +} +p.tocChapter +{ +margin:1.58em 0%; +} +p.tocSection +{ +margin:0.7em 5%; +} +.opener, .address +{ +margin-top: 1.6em; +margin-bottom: 1.6em; +} +.addrline +{ +margin-top: 0; +margin-bottom: 0; +} +.dateline +{ +margin-top: 1.6em; +margin-bottom: 1.6em; +text-align: right; +} +.salute +{ +margin-top: 1.6em; +margin-left: 3.58em; +text-indent: -2em; +} +.signed +{ +margin-top: 1.6em; +margin-left: 3.58em; +text-indent: -2em; +} +.epigraph +{ +font-size:0.9em; +line-height:1.2em; +width: 60%; +margin-left: auto; +} +.epigraph span.bibl +{ +display: block; +text-align: right; +} +.trailer +{ +clear: both; +padding-top: 2.4em; +padding-bottom: 1.6em; +} +.figure +{ +margin-left: auto; +margin-right: auto; +} +.floatLeft +{ +float:left; +margin:10px 10px 10px 0; +} +.floatRight +{ +float:right; +margin:10px 0 10px 10px; +} +p.figureHead +{ +font-size:100%; +text-align:center; +} +.figAnnotation +{ +font-size:80%; +position:relative; +margin: 0 auto; /* center this */ +} +.figTopLeft, .figBottomLeft +{ +float: left; +} +.figTop, .figBottom +{ +} +.figTopRight, .figBottomRight +{ +float: right; +} +.hangq +{ +text-indent: -0.32em; +} +.hangqq +{ +text-indent: -0.40em; +} +.hangqqq +{ +text-indent: -0.71em; +} +.figure p +{ +font-size:80%; +margin-top:0; +text-align:center; +} +img +{ +border-width:0; +} +p.smallprint,li.smallprint +{ +color:#666666; +font-size:80%; +} +span.parnum +{ +font-weight: bold; +} +.marginnote +{ +font-size:0.8em; +height:0; +left:1%; +line-height:1.2em; +position:absolute; +text-indent:0; +width:14%; +} +.pagenum +{ +display:inline; +font-size:70%; +font-style:normal; +margin:0; +padding:0; +position:absolute; +right:1%; +text-align:right; +} +a.noteref, a.pseudonoteref +{ +font-size: 80%; +text-decoration: none; +vertical-align: 0.25em; +} +.displayfootnote +{ +display: none; +} +div.footnotes +{ +font-size: 80%; +margin-top: 1em; +padding: 0; +} +hr.fnsep +{ +margin-left: 0; +margin-right: 0; +text-align: left; +width: 25%; +} +p.footnote +{ +margin-bottom: 0.5em; +margin-top: 0.5em; +} +p.footnote .label +{ +float:left; +width:2em; +height:12pt; +display:block; +} +/* Tables */ +tr, td, th +{ +vertical-align: top; +} +td.bottom +{ +vertical-align: bottom; +} +td.label, tr.label td +{ +font-weight: bold; +} +td.unit, tr.unit td +{ +font-style: italic; +} +span.sum +{ +padding-top: 2px; border-top: solid black 1px; +} +/* Table border styles */ +/* Table with borders on the outside and between the table head and data. */ +table.borderOutside +{ +border-collapse: collapse; +} +table.borderOutside td +{ +padding-left: 4px; +padding-right: 4px; +} +table.borderOutside .cellHeadTop, table.borderOutside .cellTop +{ +border-top: 2px solid black; +} +table.borderOutside .cellHeadBottom +{ +border-bottom: 1px solid black; +} +table.borderOutside .cellBottom +{ +border-bottom: 2px solid black; +} +table.borderOutside .cellLeft, table.borderOutside .cellHeadLeft +{ +border-left: 2px solid black; +} +table.borderOutside .cellRight, table.borderOutside .cellHeadRight +{ +border-right: 2px solid black; +} +/* Table with borders on the vertical inside edges. */ +table.verticalBorderInside +{ +border-collapse: collapse; +} +table.verticalBorderInside td +{ +padding-left: 4px; +padding-right: 4px; +border-left: 1px solid black; +} +table.verticalBorderInside .cellHeadTop, table.verticalBorderInside .cellTop +{ +border-top: 2px solid black; +} +table.verticalBorderInside .cellHeadBottom +{ +border-bottom: 1px solid black; +} +table.verticalBorderInside .cellBottom +{ +border-bottom: 2px solid black; +} +table.verticalBorderInside .cellLeft, table.verticalBorderInside .cellHeadLeft +{ +border-left: 0px solid black; +} +/* Table with borders on all edges, outer edges somewhat fatter. */ +table.borderAll +{ +border-collapse: collapse; +} +table.borderAll td +{ +padding-left: 4px; +padding-right: 4px; +border: 1px solid black; +} +table.borderAll .cellHeadTop, table.borderAll .cellTop +{ +border-top: 2px solid black; +} +table.borderAll .cellHeadBottom +{ +border-bottom: 1px solid black; +} +table.borderAll .cellBottom +{ +border-bottom: 2px solid black; +} +table.borderAll .cellLeft, table.borderAll .cellHeadLeft +{ +border-left: 2px solid black; +} +table.borderAll .cellRight, table.borderAll .cellHeadRight +{ +border-right: 2px solid black; +} +/* Special purpose tables: */ +table.intralinear +{ +display: inline; +border-collapse: collapse; +} +table.intralinear td +{ +font-size: small; +text-align: center; +} +table.ditto +{ +display: inline; +border-collapse: collapse; +vertical-align: bottom; +} +table.ditto tr.s +{ +height: 0; +color: white; +line-height: 0; +} +table.ditto tr.s td +{ +padding: 0px; +} +table.ditto tr.d td +{ +text-align: center; +line-height: 10pt; +} +/* Poetry */ +.lgouter +{ +margin-left: auto; +margin-right: auto; +display:table; /* used to make the block shrink to the actual size */ +} +.lg +{ +text-align: left; +} +.lg h4, .lgouter h4 +{ +font-weight: normal; +} +.lg .linenum, .sp .linenum, .lgouter .linenum +{ +color:#777; +font-size:90%; +left: 16%; +margin:0; +position:absolute; +text-align:center; +text-indent:0; +top:auto; +width:1.75em; +} +p.line +{ +margin: 0 0% 0 0%; +} +span.hemistich /* invisible text to achieve visual effect of hemistich indentation. */ +{ +color: white; +} +.versenum +{ +font-weight:bold; +} +/* Drama */ +.speaker +{ +font-weight: bold; +margin-bottom: 0.4em; +} +.sp .line +{ +margin: 0 10%; +text-align: left; +} +/* End Drama */ +/* right aligned page number in table of contents */ +span.tocPageNum, span.flushright +{ +position: absolute; +right: 16%; +top: auto; +} +table.tocList +{ +width: 100%; +margin-left: auto; +margin-right: auto; +border-width: 0; +border-collapse: collapse; +} +td.tocPageNum, td.tocDivNum +{ +text-align: right; +width: 10%; +border-width: 0; +} +td.tocDivNum +{ +padding-left: 0; +padding-right: 0.5em; +} +td.tocPageNum +{ +padding-left: 0.5em; +padding-right: 0; +} +td.tocDivTitle +{ +width: auto; +} +span.corr, span.gap +{ +border-bottom:1px dotted red; +} +span.abbr +{ +border-bottom:1px dotted gray; +} +span.measure +{ +border-bottom:1px dotted green; +} +/* Font Styles and Colors */ +.ex +{ +letter-spacing: 0.2em; +} +.sc +{ +font-variant: small-caps; +} +.uc +{ +text-transform: uppercase; +} +.tt +{ +font-family: monospace; +} +.underline +{ +text-decoration: underline; +} +/* overline is actually a bit too high; overtilde is approximated with overline */ +.overline, .overtilde +{ +text-decoration: overline; +} +.rm +{ +font-style: normal; +} +.red +{ +color: red; +} +/* End Font Styles and Colors */ +hr +{ +clear:both; +height:1px; +margin-left:auto; +margin-right:auto; +margin-top:1em; +text-align:center; +width:45%; +} +.aligncenter, div.figure +{ +text-align:center; +} +h1, h2 +{ +font-size:1.44em; +line-height:1.5em; +} +h1.label, h2.label +{ +font-size:1.2em; +line-height:1.2em; +margin-bottom:0; +} +h5, h6 +{ +font-size:1em; +font-style:italic; +line-height:1em; +} +p +{ +text-indent:0; +} +p.firstlinecaps:first-line +{ +text-transform: uppercase; +} +p.dropcap:first-letter +{ +float: left; +clear: left; +margin: 0em 0.05em 0 0; +padding: 0px; +line-height: 0.8em; +font-size: 420%; +vertical-align:super; +} +.lg +{ +padding: .5em 0% .5em 0%; +} +p.quote,div.blockquote, div.argument +{ +font-size:0.9em; +line-height:1.2em; +margin:1.58em 5%; +} +.pagenum a, a.noteref:hover, a.hidden:hover, a.hidden +{ +text-decoration:none; +} +ul { list-style-type: none; } +.castlist, .castitem { list-style-type: none; } +/* External Links */ +.pglink, .catlink, .exlink, .wplink, .biblink, .seclink +{ +background-repeat: no-repeat; +background-position: right center; +} +.pglink +{ +background-image: url(images/book.png); +padding-right: 18px; +} +.catlink +{ +background-image: url(images/card.png); +padding-right: 17px; +} +.exlink, .wplink, .biblink, .seclink +{ +background-image: url(images/external.png); +padding-right: 13px; +} +.pglink:hover +{ +background-color: #DCFFDC; +} +.catlink:hover +{ +background-color: #FFFFDC; +} +.exlink:hover, .wplink:hover, .biblink:hover +{ +background-color: #FFDCDC; +} +body +{ +background: #FFFFFF; +font-family: "Times New Roman", Times, serif; +} +body, a.hidden +{ +color: black; +} +h1, .h1 +{ +padding-bottom: 5em; +} +h1, h2, .h1, .h2 +{ +text-align: center; +font-variant: small-caps; +font-weight: normal; +} +p.byline +{ +text-align: center; +font-style: italic; +margin-bottom: 2em; +} +.figureHead, .noteref, .pseudonoteref, .marginnote, p.legend, .versenum +{ +color: #660000; +} +.rightnote, .pagenum, .linenum, .pagenum a +{ +color: #AAAAAA; +} +a.hidden:hover, a.noteref:hover +{ +color: red; +} +h1, h2, h3, h4, h5, h6 +{ +font-weight: normal; +} +table +{ +margin-left: auto; +margin-right: auto; +} +.tablecaption +{ +text-align: center; +} +.pagenum, .linenum +{ +speak: none; +} +</style> + +<style type="text/css"> +.xd21e120width +{ +width:489px; +} +.xd21e126 +{ +text-align:center; +} +.xd21e135width +{ +width:434px; +} +.xd21e1005width +{ +width:485px; +} +.xd21e2918width +{ +width:487px; +} +.xd21e6253width +{ +width:489px; +} +.xd21e6785width +{ +width:491px; +} +</style> +</head> +<body> +<div>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 44758 ***</div> + +<div class="front"> +<div class="div1 cover"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divBody"> +<p class="first"></p> +<div class="figure xd21e120width"><img src="images/frontcover.jpg" alt= +"Oorspronkelijke voorkant." width="489" height="720"></div> +</div> +</div> +<div class="div1 frenchtitle"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divBody"> +<p class="first xd21e126">STUURMAN FLINK<br> +OF<br> +DE SCHIPBREUK VAN „DE VREDE”</p> +</div> +</div> +<div class="div1 titlepage"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divBody"> +<p class="first"></p> +<div class="figure xd21e135width"><img src="images/titlepage.png" alt= +"Oorspronkelijke titelpagina." width="434" height="720"></div> +</div> +</div> +<div class="titlePage"> +<div class="docTitle"> +<div class="mainTitle">STUURMAN FLINK</div> +<div class="subTitle">OF</div> +<div class="subTitle">DE SCHIPBREUK VAN „DE VREDE”</div> +</div> +<div class="byline">NAAR HET ENGELSCH<br> +VAN<br> +<span class="docAuthor">KAPITEIN MARRYAT</span><br> +DOOR<br> +<span class="docAuthor">J. J. A. GOEVERNEUR</span><br> +Geïllustreerd door <span class="docAuthor">JOHAN +BRAAKENSIEK</span></div> +<div class="docImprint">NEGENDE DRUK<br> +AMSTERDAM—VAN HOLKEMA & WARENDORF</div> +</div> +<div class="div1 imprint"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divBody"> +<p class="first xd21e126">Typ. <span class="sc">De Erven H. van Munster +& Zoon</span>, Amsterdam. <span class="pagenum">[<a id="pb5" href= +"#pb5" name="pb5">5</a>]</span></p> +</div> +</div> +</div> +<div class="body"> +<div id="ch1" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">EERSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">HET SCHIP DE VREDE. STUURMAN FLINK.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Het was in de maand October, 18**, dat De Vrede, een +groot koopvaardijschip, door harden wind gedreven, de wateren kliefde +van den wijden Atlantischen Oceaan. Het schip had slechts weinig zeil +bij, want de wind was zoo sterk, dat het doek door de woedende stooten +en rukken in flarden zou zijn gereten, en pijlsnel schoot het vaartuig +over de hooggaande golven, die het schuimend volgden en het beurtelings +ten hemel opbeurden of diep in de holle zee bedolven, zoodat men had +kunnen denken, dat het daaruit nooit weer zou te voorschijn komen. +Evenwel was het schip hecht en stevig en de kapitein een goed zeeman, +die alles deed, wat hij tot behoud van zijn bodem dienstig achtte.</p> +<p>De kapitein stond bij het stuurrad en hield een wakend oog op de +mannen aan het roer, want hierop vooral moet men acht geven, als het +schip recht vóór een harden wind zeilt. Terwijl hij hier +zoo in het rond en van tijd tot tijd ook naar de lucht zag, neuriede +hij een oud zeemansliedje, dat begint:</p> +<div class="lgouter"> +<p class="line"><span class="corr" id="xd21e192" title= +"Niet in bron">„</span>’t Is alles water, wat men ziet,</p> +<p class="line">En donkre, zwarte lucht!”</p> +</div> +<p class="first">En zoo was het ook waarlijk. Zij dobberden midden op +den oceaan, geen ander vaartuig was te zien, de hemel was overdekt met +donkere wolken, welke de storm woedend voor zich uit joeg, de golven +stapelden zich tot bergen op en deden het schuim omhoogspatten, terwijl +de wind akelig door het want floot en huilde.</p> +<p>Buiten den scheepskapitein en de beide mannen aan het roer, waren er +<span class="pagenum">[<a id="pb6" href="#pb6" name= +"pb6">6</a>]</span>nog twee andere personen op het dek: de eerste een +knaap van omstreeks twaalf jaren, de ander een oud, verweerd zeeman, +wiens grijze haren in den wind fladderden, toen hij naar het achterdek +van het schip ging en overboord keek.</p> +<p>Op eens zag de knaap, hoe een geweldig zware golf tegen den spiegel +van het schip kwam aanrollen. Angstig greep hij den oude bij den arm +vast en riep: „Kijk, zal die groote golf niet over ons heele +schip heen slaan, Flink?”</p> +<p>„Neen, Willem, wees maar gerust. Merkt ge niet, hoe ze ons +schip in de hoogte tilt? En kijk, nu is ze al onder ons door gegaan en +zijn wij gelukkig over haar heen. Maar ’t kon licht gebeuren, dat +een tweede golf nog hooger klom, en dan zou het slecht met u afloopen, +als ik mijzelf en u meteen hier niet stevig vasthield. De zee zou u +zeker overboord spoelen.”</p> +<p>„Ik houd niet van de zee, Flink; ik wou wel, dat we weer op +het vasteland waren,” antwoordde de knaap. „Zie de golven +daar recht vooruit;—is ’t niet, alsof ze van het schip geen +stuk heel wilden laten?”</p> +<p>„Ja, ja, ze zijn vrij wild, en daarbij loeien ze zoo, alsof ze +boos waren dat zij het schip niet in de diepte begraven kunnen. Maar +daaraan ben ik gewoon, Willem, en op een goed schip, met een braven +kapitein en wakker volk, ben ik niet bang voor zulk een +storm.”</p> +<p>„Maar vaak gaan er toch schepen ten gronde, en dan verdrinken +allen, die er op zijn, niet waar?”</p> +<p>„Ja, Willem, en soms vergaat wel eens een schip, terwijl het +volk aan boord daar het minst op bedacht is.”</p> +<p>„Wat zijn dat toch voor kleine vogels, die zoo laag over het +water vliegen?”</p> +<p>„Ei, dat zijn moeder Carey’s<a class="noteref" id= +"xd21e220src" href="#xd21e220" name="xd21e220src">1</a> kuikens, zooals +wij zeelui ze noemen. Ze vertoonen zich alleen bij storm, of als er +boos weer ophanden is.”</p> +<p>„Zeg, Flink, hebt gij wel eens op een woest eiland schipbreuk +geleden, zooals Robinson Crusoë?”</p> +<p>„Ja, jongenlief, ik heb wel al schipbreuk geleden, maar van +Robinson Crusoë heb ik mijn leven niet gehoord. Er zijn zoovelen, +die hun schip verloren en zwaren nood hadden door te staan, terwijl nog +ruim zoovelen daarbij omkwamen en dus van hunne ontmoetingen niet meer +vertellen konden, dat het niet heel denkelijk is dat ik uit al die +menigte den man, dien gij daar noemt, zou gekend hebben.” +<span class="pagenum">[<a id="pb7" href="#pb7" name= +"pb7">7</a>]</span></p> +<p>„O, dat staat alles in een boek, dat ik gelezen heb. Ik kon +het u wel alles van stukje tot beetje vertellen—en wil dat ook +doen, zoodra de zee weer bedaard is; maar wees nu zoo goed en breng mij +weer naar beneden, want ik heb moeder beloofd niet al te lang hier +boven te blijven.”</p> +<p>„En wat ge beloofd hebt, moet ge als een flinke jongen altijd +houden,” zei de oude man. „Kom, geef mij de hand maar, en +ik zal wel zorgen, dat ge zonder vallen of stooten door het luik komt. +Als het beter weer is, zult ge van mijne schipbreuk hooren en dan moet +gij mij ook eens zeggen, wat ge van dien Robinson Crusoë +weet.”</p> +<p>Met deze woorden bracht de oude zeeman den kleinen Willem tot aan de +deur der kajuit en keerde toen op het dek terug, waar hij de wacht +had.</p> +<p>Stuurman Flink had nu al ruim vijftig jaren op zee rondgezworven; +hij was nog pas tien jaren oud, toen hij op een kolenschip als +koksjongen zijn eerste reis deed. Door zijn voortdurend verblijf in de +open lucht was zijn gezicht donkerbruin gekleurd en diepe rimpels lagen +in zijne wangen, hoewel hij nog altijd een flink en sterk man was +gebleven. Hij had jaren achtereen aan boord van een oorlogschip gediend +en daarop alle werelddeelen bezocht; hij wist dan ook vele vreemde +geschiedenissen te vertellen. Maar al klonken die ook nog zoo vreemd, +men mocht hem vrij gelooven, daar nooit een onwaar woord over zijn +lippen kwam.</p> +<p>Hij verstond de stuurmanskunst vrij goed, kon dus lezen en schrijven +en was een verstandig en braaf man. De naam Flink paste zeer goed voor +hem, want altijd was hij flink en vlug bij de hand en in oogenblikken +van nood en gevaar zoo welberaden, dat de kapitein hem niet zelden om +raad vroeg en zich daar gewoonlijk wel bij bevond. Op deze reis +bekleedde hij den rang van tweeden stuurman.</p> +<p>Zooals wij reeds weten, was De Vrede een fraai schip van meer dan +vier honderd tonnen en zoo hecht en sterk gebouwd, dat men het zeer +goed tegen een hevigen storm bestand kon achten. De tegenwoordige +bestemming van het vaartuig was Nieuw-Zuid-Wales,<a class="noteref" id= +"xd21e241src" href="#xd21e241" name="xd21e241src">2</a> waarheen het +eene kostbare lading Engelsche goederen had over te brengen. De +kapitein was een bekwaam zeeman en bovendien een braaf mensch van een +altijd vroolijk en opgeruimd humeur, die de dingen steeds in hun beste +licht beschouwde en ook, als ’t geluk hem soms eens tegenliep, +eer geneigd was daarmee te lachen, dan dadelijk een zuur gezicht te +trekken. Zijn naam was Osborn. De eerste stuurman <span class= +"pagenum">[<a id="pb8" href="#pb8" name="pb8">8</a>]</span>heette +Mackintosh en was een Schot. Ofschoon barsch en ruw van aard, nam hij +toch zijn dienst aan boord voorbeeldig waar en was een man, op wien +kapitein Osborn zich verlaten kon, hoewel deze anders niet van hem +hield. Met Flink hebben wij reeds kennis gemaakt en van de matrozen aan +boord behoeven wij niet meer te zeggen, dan dat zij in het geheel +dertien in getal waren. Dit was zekerlijk eene nauwelijks toereikende +bemanning voor zulk een groot schip en oorspronkelijk waren er ook meer +geweest; doch op den dag vóór het onder zeil gaan, hadden +vijf mannen, uit ontevredenheid over de behandeling, die Mackintosh, de +eerste stuurman, hun aandeed, het schip eensklaps weer verlaten, +waardoor de kapitein gedwongen was geweest in zee te steken, zonder +anderen in hunne plaats te hebben aangeworven. Gelijk in het vervolg +blijken zal, was dit voor het schip eene zeer noodlottige +omstandigheid.</p> +</div> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd21e220" href="#xd21e220src" name="xd21e220">1</a></span> Moeder +Carey is in de taal der Engelsche matrozen de zee zelve, die hen van +der jeugd af op haren schoot draagt en hun kost en onderhoud +verschaft.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd21e241" href="#xd21e241src" name="xd21e241">2</a></span> Eene +bezitting der Engelschen in Z. O. gedeelte van Nieuw Holland, waar zij +hunne misdadigers heen zonden. De hoofdplaats heet Sidney.</p> +</div> +</div> +<div id="ch2" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">TWEEDE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">DE FAMILIE WILSON.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">De jonge Willem was de oudste zoon eener <span class= +"corr" id="xd21e253" title="Bron: famlie">familie</span>, die uit +vader, moeder en vier kinderen bestond en zich thans in haar geheel aan +boord van De Vrede bevond. De vader, mijnheer Wilson, was een +verstandig, welonderricht man, die jaren lang een post bij het bestuur +te Sidney, de hoofdplaats van Nieuw-Zuid-Wales, bekleed had en nu, na +een driejarig verlof, uit Engeland derwaarts terugkeerde. Hij had van +de regeering een duizend of wat morgen land aangekocht; dit was sedert +aanmerkelijk in waarde gerezen en de schapen en veeteelt, waarop hij +zich toelegde, hadden hem reeds groote winsten opgeleverd. Gedurende +zijne afwezigheid in Engeland had zijn rentmeester zijne belangen met +veel zorg behartigd, en zelf bracht hij nu eene menigte voorwerpen van +allerlei aard mede, zoo tot verbetering zijner landerijen als tot eigen +gebruik, b. v. huismeubelen, gereedschappen voor den landbouw, +verschillende zaden en gewassen, rundvee en nog meer, te veel om op te +noemen.</p> +<p>Mevrouw Wilson was een lieve, zachte vrouw, die echter veel sukkelde +en allesbehalve sterk was. Op den oudsten zoon, Willem, een sterken, +vluggen knaap, vol geest en leven, volgde Thomas, een door en door +goede jongen van bij de acht jaar oud, maar zoo dom en onhandig, dat er +geen <span class="pagenum">[<a id="pb9" href="#pb9" name= +"pb9">9</a>]</span>voorbeeld van was en men hem geen ommezien alleen +kon laten. Caroline, een meisje van zeven jaren, was het derde en de +pas éénjarige Albert het jongste kind. Tot oppassing van +dezen laatste vooral diende een jonge negerin van de Kaap de Goede +Hoop, die naar Sidney overgekomen en mevrouw Wilson naar Engeland +gevolgd was. Wij hebben nu al de personen aan boord van De Vrede +opgenoemd; maar bijna hadden wij onder de levende schepselen twee +herdershonden van mijnheer Wilson vergeten en een kleinen dashond, die +de bijzondere lieveling van zijn meester, kapitein Osborn was.</p> +<p>Eerst op den vierden dag na de losbarsting, begon de storm te +bedaren en nam allengs af, totdat hij eindelijk in bijna geheele +windstilte overging. De matrozen, die al dien tijd dag en nacht op het +dek gewaakt hadden, hingen hunne van regen en zeewater doorweekte +kleeren in het want te drogen en konden nu zelven rust nemen en hunne +krachten herstellen. Een zachte wind blies in de zeilen, de zee was +weer effen en het schip legde in zijne rassche vaart bij de vijf mijlen +in het uur af. Mevrouw Wilson had een mantel omgeslagen en zat op eene +bank op het achterdek. Haar man en hare kinderen waren bij haar en +verheugden zich in het kostelijke weer, toen ook kapitein Osborn die +met zijn sextant den stand der zon had waargenomen, met een lachend +gezicht op hen toekwam en riep:</p> +<p>„Wel Thomas, jongen, ge zult zeker wel hartelijk blij zijn, +dat de storm over is?”</p> +<p>„O, ik ben niet bang geweest,” antwoordde Thomas. +„Ik was maar boos, dat ik altijd mijne soep stortte. Maar Juno is +eens van haar stoel gerold en lag met broertje op den grond te +spartelen, totdat eindelijk papa kwam en haar weer ophielp.”</p> +<p>„Goddank, dat mijn kleine Albert zich niet doodelijk bezeerd +heeft!” zeide de moeder, met een blik vol liefde op haar +kind.</p> +<p>„En dat zou hij zich zeker gedaan hebben, had Juno niet zoo +geheel alleen aan het kind en geen oogenblik aan zichzelve +gedacht,” zeide de vader.</p> +<p>„Ja, dat is waar,” hernam kapitein Osborn. „Zij +redde het kind, maar zal haar eigen hoofd wel terdeeg gevoeld +hebben.”</p> +<p>„Ikke een harden bons kreeg op mijn kop,<span class="corr" id= +"xd21e274" title="Niet in bron">”</span> verzekerde Juno en +grijnsde, dat hare witte tanden tot aan de ooren zichtbaar werden.</p> +<p>„Gelukkig, dat ge er zulk een dik wollig overtreksel over +hebt,” zei de kapitein lachend. <span class="corr" id="xd21e280" +title="Niet in bron">„</span>Maar word niet boos, Juno; waarlijk, +ge zijt een goed meisje, en wij allen houden veel van u.” +<span class="pagenum">[<a id="pb10" href="#pb10" name= +"pb10">10</a>]</span></p> +<p>„Het is twaalf uren naar de zon, mijnheer,” kwam +Mackintosh, de eerste stuurman, den kapitein berichten.</p> +<p>„Maak mij dan de breedte op, stuurman, en ik zal terstond de +lengte berekenen. Over vijf minuten, mijnheer Wilson, zal ik u op de +kaart aanwijzen, waar wij ons thans op zee bevinden.”</p> +<p><span class="corr" id="xd21e289" title= +"Niet in bron">„</span>Ha, daar komen ook onze honden eens boven +kijken<span class="corr" id="xd21e292" title="Bron: .">,</span>” +riep Willem op eens uit. „Ik wed, dat ze met dat mooie weer even +blij zijn als wij. Hier, Romulus! Remus hier!”</p> +<p><span class="corr" id="xd21e296" title= +"Niet in bron">„</span>Ei, mijnheer,” zei Flink, die dicht +bij hen stond, „ik heb u al lang eens een vraag willen doen. Uwe +<span class="corr" id="xd21e299" title="Bron: handen">honden</span> +daar hebben een paar zulke wonderlijke namen, die ik in mijn leven nog +niet gehoord heb. Romulus en Remus—wie waren dat?”</p> +<p>„Zoo heetten twee broeders in den overouden tijd,” +antwoordde de heer Wilson. „Zij waren als schaapherders +opgewassen en bouwden de stad Rome, die naderhand zoo beroemd en zoo +machtig werd en waarover Romulus als eerste koning regeerde.”</p> +<p>„En verbeeld u eens, Flink; toen ze nog klein waren, werden +zij door eene wolvin gezoogd,” vervolgde Willem. „Wat zegt +ge van zoo iets, man?”</p> +<p>„Door eene wolvin? Dat was zeker eene vreemde soort van minne +voor een paar jonge prinsen,” antwoordde Flink.</p> +<p>„En Romulus sloeg zijn broeder dood.”</p> +<p>„Geen wonder, als men rekent wat zoogster ze hadden,” +merkte Flink aan. „Maar waarom deed hij dat?”</p> +<p>„Omdat Remus zoo goed springen kon,” zeide Willem +lachend.</p> +<p>„De jongeheer wil mij zeker wat wijsmaken?” riep Flink +en zag den vader vragend aan.</p> +<p>„Dat juist niet. De geschiedenis vertelt, dat Remus zijn +broeder om den lagen stadsmuur, die deze gebouwd had, bespotte en, om +hem te tergen, daar losweg overheen sprong. Dit moet Romulus zoo euvel +hebben opgenomen, dat hij hem in drift doodsloeg. Evenwel, op zulke +oude verhalen kan men niet altijd zoo vast staat maken.”</p> +<p>„En ik wil ook niet hopen, dat beiden werkelijk broeders +geweest zijn,” hernam Flink; „hoewel—’t oude +spreekwoord heeft het zoo mis niet:</p> +<div class="lgouter"> +<p class="line"><span class="corr" id="xd21e323" title= +"Niet in bron">„</span>Twee meesters onder ’t zelfde +dak</p> +<p class="line">Geeft altijd moeite en ongemak.</p> +</div> +<p class="first">„Men hoort tegenwoordig nog wel eens van Rome +spreken; is dat misschien nog diezelfde stad?” <span class= +"pagenum">[<a id="pb11" href="#pb11" name="pb11">11</a>]</span></p> +<p>„Ja,” antwoordde Willem; „het zijn de puinhoopen +van die oude<span class="corr" id="xd21e333" title= +"Bron: ,">.</span>”</p> +<p>„Een mensch is toch nooit uitgeleerd,” zeide Flink. +„Vandaag heb ik weer vrij wat nieuws gehoord, en dat kan men +altijd en overal, als men zijn mond maar tot vragen weet te gebruiken. +Ik ben een oud man en weet weinig buiten ’t geen tot mijn beroep +behoort; maar toch zou ik veel minder weten, als ik geen onderzoek naar +de dingen had gedaan, zonder mij te schamen om voor mijne onwetendheid +uit te komen. Dat is het eenige middel om iets goeds te leeren, +jongeheer.”</p> +<p>„Gij geeft daar mijn zoon kostelijken raad, Flink;—en +pas op, mijn kind, dat gij dien nooit vergeet,” sprak de vader. +„Gij behoeft u nooit te schamen, naar iets te vragen, dat gij +niet weet of begrijpt.”</p> +<p>„Dat doe ik ook altijd, vader. Heb ik u niet al naar heel veel +dingen gevraagd, Flink?”</p> +<p>„Ja, ja, dat hebt gij; en gij vraagt doorgaans vrij verstandig +voor een knaap van uwe jaren. Ik wou maar, dat ik uwe vragen beter +beantwoorden kon, dan ik daar soms toe in staat ben, lieve +jongen.”</p> +<p>„Nu zou ik toch liefst weer naar beneden willen, lieve,” +zeide mevrouw Wilson eindelijk. „Flink zal wel zoo goed zijn den +kleine voor mij te dragen.”</p> +<p>„Van harte gaarne, mevrouw,” antwoordde Flink. +„Komaan dan, Juno, geef mij het kind en ga gij +vooruit.—<span class="corr" id="xd21e349" title= +"Bron: Ruggelinks">Ruggelings</span>, domme meid! Hoe dikwijls moet ik +u dat nog zeggen? ’k Voorzie, dat gij nog eens hals over kop de +trap aftuimelt.”</p> +<p>„En breken mijn nek,” zei Juno.</p> +<p>„Ja, of een arm of een been! En wie zal dan het kind +dragen?<span class="corr" id="xd21e356" title= +"Niet in bron">”</span></p> +<p>Zoodra allen weder in de kajuit waren, namen de kapitein en mijnheer +Wilson de kaart voor zich en zochten daarop de plaats, waar het schip +zich thans bevond. Zij zagen, dat zij nog dertig mijlen van de Kaap de +Goede Hoop verwijderd waren.</p> +<p>„Als de wind aanhoudt, kunnen wij daar morgen zijn,” +zeide mijnheer Wilson tot zijne vrouw. „Misschien kan onze Juno +daar haar vader en moeder wedervinden.”</p> +<p>De arme Juno schudde het hoofd, en de tranen rolden over hare +donkere wangen, terwijl zij vertelde, dat hare ouders een Hollandschen +veeboer toebehoorden, die met hen diep landwaarts in getrokken was. Zij +was nog maar een klein kind geweest, toen men haar van hare ouders +afnam, en had alleen in de Kaapstad moeten achterblijven.</p> +<p>„Maar nu zijt gij vrij, Juno,” zeide mevrouw Wilson. +„Gij zijt in Engeland <span class="pagenum">[<a id="pb12" href= +"#pb12" name="pb12">12</a>]</span>geweest, en allen, die dat land eens +betreden hebben, zijn van dat oogenblik af vrije menschen.”</p> +<p>„Ja, mevrouw, Juno vrij zijn, maar Juno toch geen vader hebben +en geen moeder,” antwoordde het arme meisje en weende bitter. De +kleine Albert sloeg nu echter de armpjes om haar hals, en weldra lachte +zij weer en speelde vroolijk met het lieve kind.</p> +</div> +</div> +<div id="ch3" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">DERDE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">KAAP DE GOEDE HOOP.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Den volgenden morgen zag men de Kaap voor zich en liet +in de Tafelbaai het anker vallen.</p> +<p>„Waarom noemt men dit hier de Tafelbaai, Flink?” vroeg +Willem.</p> +<p>„Denkelijk is dat, omdat die groote berg daar de Tafelberg +heet, jongeheer, gij ziet, hoe zijn top heel vlak is.”</p> +<p>„Ja waarlijk, hij is zoo vlak als eene tafel.”</p> +<p>„Maar nu en dan ziet men witte wolken zich op eene zonderlinge +wijze rondom de toppen samenpakken en dan zeggen de zeelieden, dat de +tafel gedekt wordt, of ook wel, dat de berg zijn pruik opzet. Men ziet +dat niet graag, omdat er doorgaans ruw en stormachtig weer op +volgt.”</p> +<p>„Dan hoop ik dat die tafel, zoolang wij hier zijn, maar +ongedekt mag blijven. Wij hebben al storm en onweer genoeg gehad, en +moeder is er nog zwak en ziek van. Wat is dat eene mooie stad, +Flink!”</p> +<p>„Wij zullen hier twee dagen voor anker blijven, +mijnheer,” kwam kapitein Osborn den heer Wilson berichten, +„en zoo gij en mevrouw aan wal wenscht te gaan, is daar +gelegenheid toe.”</p> +<p>„Ik zal bij mijne vrouw gaan en het haar vragen,<span class= +"corr" id="xd21e392" title="Niet in bron">”</span> zeide Willems +vader en ging met dezen in de kajuit.</p> +<p>Mevrouw Wilson was zeer blijde, dat het schip nu althans eenigen +tijd stil zou liggen, maar voelde zich te zwak om aan land te gaan. Er +werd dus besloten, dat zij met de beide jongste kinderen aan boord zou +blijven, terwijl haar man de beide oudsten, Willem en Thomas, den +volgenden dag naar de Kaapstad medenam, van waar hij beloofde nog +vóór den avond terug te zullen zijn.</p> +<p>Den volgenden morgen liet kapitein Osborn een groote sloep uitzetten +<span class="pagenum">[<a id="pb13" href="#pb13" name= +"pb13">13</a>]</span>en zich daarin met mijnheer Wilson, Willem en +Thomas naar den wal roeien. Thomas had aan zijne moeder beloofd, dat +hij heel zoet en gehoorzaam zou wezen; maar dat deed hij altijd en had +het altijd ook weer vergeten, zoodra hij haar maar uit het gezicht was. +Van de landingsplaats gingen zij naar een vriend van den kapitein, die +in de stad woonde. Hier bleven zij een half uur, om een glas limonade +te drinken, want het was zeer warm, en toen besloot men naar den tuin +van de Compagnie te gaan, om de wilde dieren te zien, die daar bewaard +werden. Willem was met dit plan zeer ingenomen en zijn broertje klapte +in de handen van blijdschap.</p> +<p>„Vader, waarom heet die tuin de tuin van de Compagnie?” +vroeg Willem.</p> +<p>„Omdat hij door de Hollandsch-Oostindische Compagnie is +aangelegd, in den tijd, toen de Kaap nog aan de Hollanders toebehoorde. +Het is eigenlijk een plantentuin, waar men evenwel ook wilde dieren +bewaart. Vroeger had men er hier een groote menigte, doch tegenwoordig +zijn de reizigers er minder nieuwsgierig naar, daar men ze ook in +Europa genoeg te zien kan krijgen.”</p> +<p>„En wat zullen we dan al zien?” vroeg Thomas.</p> +<p>„Gij zult leeuwen zien, mijn jongen, ik weet niet hoeveel wel, +allemaal in één hok bijeen,” antwoordde kapitein +Osborn.</p> +<p>„O, dat is goed! Ik heb nog nooit een leeuw gezien.”</p> +<p>„Maar pas op, kind, dat gij niet te dicht bij het hok +komt.”</p> +<p>„Neen, zeker niet,” beloofde Thomas.</p> +<p>Zoodra zij binnen het tuinhek waren wilde Thomas ontloopen, uit +ongeduld om de leeuwen toch vooral spoedig te zien, maar kapitein +Osborn haalde hem gelukkig weder in en hield hem nu stevig bij de hand +vast.</p> +<p>„Hier zijn een paar zonderlinge vogels,” zeide de heer, +die bij hen was. <span class="corr" id="xd21e420" title= +"Niet in bron">„</span>Men noemt ze secretarisvogels, om de +veeren, die hun daar achter aan den kop uitsteken, evenals de veer van +de pen, die een klerk of schrijver soms wel achter het oor draagt. Het +zijn echter zeer nuttige dieren, daar zij de slangen dooden en, als zij +konden, alleen van slangen en adders leven zouden. Zij pakken die +beesten met hunne klauwen aan en drukken ze met zooveel geweld, dat zij +in een oogenblik dood zijn.”</p> +<p>„Vindt men veel slangen in dit land<span class="corr" id= +"xd21e425" title="Bron: !">?</span>” vroeg Willem.</p> +<p>„Ja, en zeer vergiftige slangen,” antwoordde zijn vader, +„waarom deze vogels hier dan ook van groot nut zijn. Gij kunt +daaruit zien<span class="corr" id="xd21e431" title= +"Niet in bron">,</span> Willem, hoe geen dier, vooral geen van de +schadelijke soorten, zich al te sterk vermenigvuldigen kan, maar op +zijne beurt weer de prooi van andere roofdieren wordt. En zoo is het +overal; in elk land, waar eenig dier in groote menigte <span class= +"pagenum">[<a id="pb14" href="#pb14" name= +"pb14">14</a>]</span>voorhanden is, vindt gij ook zeker een tweede, +’t welk dat eerste vervolgt en tot buit maakt. De secretaris +bewoont dit land, waar slangen in menigte zijn, om deze te dooden; in +Europa daarentegen, waar minder vergiftige slangen zijn, zou deze vogel +ook weinig nut doen.”</p> +<p>„Maar, vader, sommige dieren, zooals de leeuw en de olifant +zijn zoo groot en sterk, dat andere ze bijna niet vernielen +kunnen.”</p> +<p>„Dat is waar, maar die grootere dieren vermenigvuldigen zich +niet zoo sterk als andere en daarom neemt hun aantal ook veel minder +schielijk toe. Een paar olifanten b. v. krijgt in den tijd van twee of +meer jaren maar één enkel jong, terwijl de konijntjes, +die de buit van zooveel andere dieren en vogels zijn, tot in het +oneindige vermeerderen zouden, indien hunne toeneming niet op die wijze +werd te keer gegaan. Ik heb ergens gelezen, dat een paar konijnen met +hun gebroed, dat zich even snel weer vermeerdert, in een enkel jaar tot +vele honderden kan aangroeien.”</p> +<p>Onder zulke gesprekken had men het verblijf der leeuwen weldra +bereikt. Het was een ruim, rond plein, dat, van boven open en rondom +tusschen hooge muren besloten, slechts eene enkele opening voor de +toeschouwers had. Deze opening was breed en van boven tot onder met +hechte ijzeren staven bezet, die echter zoo ver van elkaar afstonden, +dat de leeuwen er met hunne klauwen wel tusschendoor konden tasten, +waarom de kinderen dan ook gewaarschuwd werden, er vooral niet te dicht +bij te komen. Het was kostelijk om te zien, hoe acht of tien van die +edele dieren daar in allerlei houding in het rond lagen, zich +koesterden in de heete zon en met hunne breede, borstelige staarten den +grond zweepten, zonder zich, naar ’t scheen, aan de menschen daar +buiten in het minst te storen. Willem bleef op een behoorlijken afstand +van de tralies staan en keek aandachtig toe. Ook de kleine Thomas zette +groote oogen op en was in den beginne niet weinig bang; maar dat ging +over en hij werd spoedig stouter. De heer, die bij hen was en langen +tijd aan de Kaap gewoond had, verhaalde eenige zeer onderhoudende +anecdoten aangaande den leeuw, waarnaar het gansche gezelschap zoo +aandachtig luisterde, dat niemand merkte, hoe Thomas opnieuw ontsnapt +en naar den ingang van het leeuwenhok teruggeloopen was. Hij stond +eerst een tijdlang naar de dieren te kijken, maar wilde toen ook, dat +zij eens wat beweging maken zouden. Om hen hiertoe te dwingen, nam hij +eindelijk een steen op en wierp dien naar den jongen, nagenoeg +driejarigen leeuw, die het dichtst bij den ingang lag. Deze scheen dit +niet te bemerken, want hij verroerde zich niet, ofschoon hij het oog +niet van den onvoorzichtigen knaap afwendde. Hierdoor werd onze Thomas +gedurig stouter, wierp <span class="pagenum">[<a id="pb15" href="#pb15" +name="pb15">15</a>]</span>nog een steen en nog een en kwam daarbij +telkens dichter bij het hok.</p> +<p>Op eens hief de leeuw nu een vreeselijk gebrul aan en sprong op +Thomas los, terwijl hij met zulk een woede tegen de ijzeren staven van +zijn hok opvloog, dat deze kletterden en dreunden en de kalk op enkele +plaatsen van de steenen viel. Doodelijk verschrikt, gilde de jongen het +uit en tuimelde achterover in het gras, ’t geen zijn behoud was, +want ware hij voorovergevallen, dan zou het dier hem zekerlijk met +zijne klauwen hebben aangepakt. Zijn vader en kapitein Osborn schoten +dadelijk toe en hielpen hem op. Zoodra hij weder adem kon halen, begon +hij te huilen van angst, terwijl de leeuw voor de tralies stond en +brullend en loeiend met den staart in het rond sloeg.</p> +<p>„Breng mij weg,—breng mij weer op het schip!” +kreet Thomas en trilde als een blad.</p> +<p>„Wat hebt gij gedaan, jongen?” vroeg kapitein +Osborn.</p> +<p>„Ik zal u nooit weer met steenen gooien, heer leeuw; neen, +neen, nooit van mijn leven meer!” riep de knaap en zag ontzet +naar het vergramde dier om.</p> +<p>De heer Wilson bracht hem zijne onvoorzichtigheid ernstig onder het +oog, en van lieverlede kwam hij nu tot bedaren, maar was toch niet +gerust, voordat men van de leeuwen niets meer hooren of zien kon.</p> +<p>Zij bezochten thans ook nog de overige dieren, die hier te zien +waren, en van nu af aan hield Thomas zich van alle op een eerbiedigen +afstand. Zelfs waagde hij het niet bij een schaap te komen, dat op de +Kaap thuis behoort en een dikken vetstaart van verscheiden ponden +zwaarte heeft.</p> +<p>Na alles bekeken te hebben, gingen zij weder naar het huis van den +vreemden heer, die hun te eten had verzocht, en na den maaltijd keerden +allen naar het schip terug. Toen Thomas’ moeder van het avontuur +hoorde, dat hij met den leeuw had gehad, verzekerde zij, dat zij zulk +een ongehoorzaam kind nooit weer uit haar gezicht zou laten gaan.</p> +</div> +</div> +<div id="ch4" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">VIERDE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">EEN STORM OP ZEE.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Den volgenden morgen werden levensmiddelen en versch +water aan boord genomen en zette De Vrede opnieuw hare zeilen in top, +terwijl men alle hoop op eene voorspoedige reis begon op te vatten, +daar het schip dagen achtereen met goeden wind zijne vaart vervolgde. +Dit was nochtans <span class="pagenum">[<a id="pb16" href="#pb16" name= +"pb16">16</a>]</span>niet van duur. Er volgde eene windstilte die bijna +drie volle dagen aanhield, en gedurende dezen tijd was ook zelfs geen +schijn van wind op de breede watervlakte te bespeuren. De geheele +natuur scheen in diepe rust verzonken, en geen ander levend wezen +vertoonde zich, dan nu en dan een enkele albatros, die met half +geopende vlerken het schip een tijdlang bijbleef en de stukjes brood +oppikte, die men overboord uitstrooide.</p> +<p>„Wat is dat voor een groote vogel, Flink?” vroeg +Willem.</p> +<p>„Dat is een albatros, Willem, de grootste zeevogel dien wij +hebben. Ik zag er eens een schieten, wiens uitgestrekte vlerken van het +eene tot het andere einde wel ruim elf voet lang waren.”</p> +<p>„Dat is de eerste, dien ik ooit gezien heb.”</p> +<p>„Omdat men ze ten noorden van de Kaap ook zelden vindt. Men +zegt, dat zij onder het vliegen slapen kunnen en zich dan met den kop +op de vlerken hoog boven in de lucht laten drijven.”</p> +<p>„Hoe komt het, vader,” vroeg Willem dezen, die naast hem +stond, „dat onder de vogels de een zwemmen kan en de ander niet? +Weet gij nog, toen Thomas eens een van onze hoenders in den grooten +vijver had gejaagd, hoe het arme beest in het water omspartelde tot +zijne vleugels nat werden en het niet langer kon boven houden, zoodat +het verdrinken moest? Hoe maakt een zeevogel het dan, om zich zoo lang +boven water te houden?”</p> +<p>„De zwemvogels, mijn jongen, zijn van eene soort van olie +voorzien, waarmede zij hunne vederen van buiten bestrijken, en deze +olie maakt dat het water daar niet indringt. Hebt gij nooit van eenden +op het land gezien, hoe zij met den snavel in hare vederen omplozen? +Zij gebruiken dan die olie, om de veeren waterdicht te +maken.”</p> +<p>„Hoe vreemd!”</p> +<p>„Ja, wel merkwaardig.—Maar, daar komt Juno zeggen, dat +de thee gezet is.”</p> +<p>Den derden dag na het invallen der stilte meende kapitein Osborn uit +het diepe dalen van zijn barometer te moeten opmaken, dat er een hevige +storm ophanden was, en verzuimde dus niet, alle toebereidselen te +maken, om dien bij zijn losbreken het hoofd te bieden. En inderdaad had +hij zich niet bedrogen. Tegen middernacht stegen plotseling donkere +wolken aan den hemel op en pakten zich allengs dichter en dreigender +opeen. Vlammende bliksemstralen doorkruisten in alle richtingen de +nachtelijke duisternis, en toen de wolkgevaarten hooger klommen, stak +ook de wind op, doch aanvankelijk slechts met enkele zware rukken, die +eerlang weder door doodelijke stilte werden gevolgd. <span class= +"pagenum">[<a id="pb17" href="#pb17" name="pb17">17</a>]</span></p> +<p>„Uit wat hoek, Flink, denkt ge, dat wij den wind te wachten +hebben<span class="corr" id="xd21e489" title="Bron: !">?</span>” +vroeg kapitein Osborn.</p> +<p>„Om u de waarheid te zeggen, kapitein, geloof ik niet, dat hij +lang in ééne richting blijven zal. Het zal eerst +misschien duchtig uit het noorden blazen, maar dan, denk ik, zal hij +wel spoedig naar eene andere streek overslaan en dan ons nog veel +harder op het lijf vallen.”</p> +<p>„Wat zegt gij, Mackintosh?”</p> +<p>„Wij zullen wind genoeg hebben en een duchtig aanhoudenden +storm bovendien,<span class="corr" id="xd21e498" title= +"Niet in bron">”</span> antwoordde deze. „Hoe eer wij de +luiken schalmen, des te beter zal het zijn.”</p> +<p>De heer Wilson had met Willem dit gesprek aangehoord, en daar Flink +op het gelaat van zijn jongen vriend bij die laatste woorden eenige +ongerustheid meende te lezen, klopte hij hem op den schouder en +vermaande hem, zich niet vóór den tijd beangst te +maken.</p> +<p>„Voor mijzelf ben ik niet bang, Flink,” verzekerde de +moedige knaap; „maar moeder is deze beide laatste dagen weer zoo +zwak geweest, dat ik om háár wel wenschen zou, dat de +storm uitbleef.”</p> +<p>„Maar, Flink,” vroeg de kapitein verder, „wat doet +u denken, dat de wind draaien zal?”</p> +<p>„Och, ik weet het zelf niet,” antwoordde de oude man; +„misschien vergis ik mij ook en kan stuurman Mackintosh gelijk +hebben. De wind komt uit het noordoosten; zooveel schijnt althans +zeker.” Met deze woorden trad hij op het nachthuisje toe en zag +opmerkzaam op het kompas. Vader en zoon keerden inmiddels naar de +kajuit terug, en ook Mackintosh ging, om de noodige orders aan het volk +te geven. Zoodra allen weg waren, vervoegde Flink zich weder bij den +kapitein en zeide:</p> +<p>„Kapitein, het past mij niet, den stuurman tegen te spreken, +maar in een geval als dit moet ieder vrij voor zijn gevoelen uitkomen. +Ik zou het mijne ook verdedigd hebben, als de vreemde heer met zijn +zoon er niet bijgestaan hadden; maar nu wil ik u wel zeggen, dat wij +nog iets ergers dan een storm te wachten hebben. Ik ben vroeger al meer +onder deze breedte geweest en ben een oud zeeman, zooals gij weet. Daar +is iets in de lucht, dat bemerkte ik voor drie dagen al. Ik ben zeker, +dat het niet tot een storm, neen, dat het tot een volslagen orkaan +komen zal,—en wat het ergste daarbij is, dat die denkelijk veel +langer zal aanhouden, dan een storm doorgaans doet. Ik heb nauwkeurig +op alles gelet en zelfs de vogels zeggen mij zoo, en die bedriegen +nooit, daar het de natuur zelve is, die hen onderricht. De stilte tot +hiertoe was niets anders dan de rust van den wind, die altijd +<span class="pagenum">[<a id="pb18" href="#pb18" name= +"pb18">18</a>]</span>zijn hevigst woeden voorafgaat.—En nu weet +gij mijne vaste overtuiging.”</p> +<p>„Ik vrees, man, dat gij maar al te zeer gelijk hebt. Zorg dan, +dat de bramraas neerkomen en laat al de kleine zeilen in de marsen +opruimen. Besla den <span class="corr" id="xd21e515" title= +"Bron: bazaan">bezaan</span> en doe den gaffel strijken. Ik wil zelf +mee naar voren gaan.”</p> +<p>Er was werkelijk geen tijd te verliezen; want aan deze bevelen was +nauwelijks voldaan, toen reeds een heftige storm uit het noordoosten +losbrak. De zee rees met ontzettende snelheid; in allerijl werd het +eene marszeil na het andere geborgen en het vaartuig vloog, enkel met +gereefde fok en stormstagzeilen, door den wind gedreven, over de +donkere golven. Slechts met de grootste inspanning gelukte het den drie +mannen aan het rad, het roer vast te houden, zoo geweldig sloeg de +hooggaande zee tegen de zijden van het schip. Niet een enkele onder de +bij andere <span class="corr" id="xd21e521" title= +"Bron: gelegenheiden">gelegenheden</span> zoo zorgelooze matrozen +waagde het gedurende dezen nacht een oog te sluiten, en in angstige +verwachtingen zagen allen het aanbreken van den dag te gemoet. Tegen +drie uren in den morgen ging de wind plotseling liggen, doch slechts +voor eenige minuten, waarop hij, gelijk Flink voorspeld had, weder met +nieuwe woede uit een anderen hoek het schip bestookte en de laatste +zeilen aan flarden scheurde, die nog eenigen tijd aan de raas +fladderden en eindelijk door den storm ver lijwaarts geslingerd +werden.</p> +<p>De hemel was in dikke duisternis gehuld en alleen het schuim, dat de +woelende zee rondom het schip deed opspatten, verspreidde nu en dan een +zwakken, akeligen lichtglans. De wind was nu naar het west-noordwesten +gedraaid en zoo moest ook het schip zijn koers veranderen en was men +gedwongen zich aan het geweld van den orkaan over te geven. Dit +geschiedde ook, doch hieruit ontstond een nieuw bezwaar, want daar de +zeeën in de vroegere windrichting uit het noordoosten liepen, +kreeg het schip die op eenmaal dwars in, gelijk de zeelieden het +noemen, en sloegen ieder oogenblik stortzeeën overboord, die +alles, wat niet vaststond, wegspoelden. Zoo werd ook een der matrozen +van het dek afgerukt en was reddeloos verloren, daar in zulk een orkaan +aan pogingen tot redding niet te denken viel. Kapitein Osborn stond op +het achterdek en hield zich aan een van de korvijnagels vast, terwijl +hij Mackintosh, die bij hem was, toeriep:</p> +<p>„Wat dunkt u, hoe lang kan dat nog duren?”</p> +<p>„Misschien langer dan het schip zelf,” antwoordde de +stuurman met allen ernst.</p> +<p>„Dat wil ik nog niet hopen,” hernam de kapitein; +„en erger kan het toch niet worden. Wat zegt gij, +Flink?”</p> +<p>„We hebben nu meer van ginder boven dan van de zee onder ons +te <span class="pagenum">[<a id="pb19" href="#pb19" name= +"pb19">19</a>]</span>vreezen,” riep de tweede stuurman en wees +naar de nokken van de raas, aan beide einden waarvan de electrische +stof als kleine vuurballen vlamde. „Zie die twee wolkjes, die op +elkaar stooten; als ik....”</p> +<p>Flink had geen tijd om uit te spreken, daar een blauwe bliksemstraal +den toeschouwers het gezicht verblindde en hen toen eenige seconden +achtereen in zwarte duisternis hulde. Daarop volgde een vreeselijke +donderslag, die het schip in zijn gansche lengte deed sidderen en +schudden. Een dof gekraak—een ontzettende slag—een doffe +kreet werd gehoord, en toen zij de verblinde oogen weer opslaan konden, +zagen zij den fokkemast als een dun riet tot beneden toe gespleten en +het schip in lichtelaaien gloed. De mannen aan het rad, geheel verblind +en verbijsterd door het licht, konden het roer niet langer regeeren; +het schip loefde op—krak! daar sloeg de groote mast over +zij—en alles was opschudding en verwarring. De Vrede was op +eenmaal een hulpeloos wrak geworden.</p> +<p>Gelukkig—want anders ware alles reddeloos verloren +geweest—werd de vlam door de zware golven, die over den bak +heenrolden, spoedig gebluscht, doch nu lag het schip weerloos, aan de +golven ten prooi, hevig te stooten tegen de overboord geslagen, slechts +door het want nog vastgehouden masten. Zoodra zij van hun eersten +schrik bekomen waren, liepen Flink en de eerste stuurman naar het rad +en zochten het schip weder voor den wind te brengen; doch hunne poging +mislukte, want fokkemast en hoofdmast waren weg en alleen de +bezaansmast was nog over, waardoor het schip juist belet werd naar het +roer te luisteren. De wakkere Flink liet twee matrozen dit laatste +aanvatten; terwijl hij Mackintosh een teeken gaf want de wind huilde nu +te sterk, dan dat men elkanders woorden nog had kunnen verstaan, eene +bijl opgreep en het bezaanswant van zijn mast loshakte. De kruissteng +en de top van den bezaansmast stortten overboord en zoo gelukte het hun +eindelijk, het vaartuig voor den wind te brengen. Het vereischte nu nog +veel tijd en inspanning, het wrak geheel van zijne masten vrij te +maken, en toen men eindelijk tijd kreeg om op het dek rond te zien, +vermiste men vier man, die door den bliksem gedood of onder den +fokkemast verpletterd waren, zoodat thans, buiten kapitein Osborn en de +beide stuurlieden, nog maar acht matrozen aan boord overig waren. +<span class="pagenum">[<a id="pb20" href="#pb20" name= +"pb20">20</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch5" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">VIJFDE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">HET WRAK.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Een zeeman geeft in het gevaar den moed niet op, +zoolang hij nog eenige kans ziet om zich door eigen inspanning van het +verderf te redden. Het verlies van hunne kameraden, die zoo plotseling +uit hun midden gerukt waren,—de ellendige toestand van het +schip,—de woeste golven, die hen als in een breeden waterkuil +dreigden te begraven, het huilen van den orkaan,—de sissende +bliksem,—het ratelen van den donder—dat alles kon hen niet +weerhouden te doen, wat de nood van hen eischte. Mackintosh, de eerste +stuurman, verzamelde zijn volk en sloeg zelf de handen aan het werk, om +een blok en strop aan den nog rookenden stomp van den fokkemast vast te +maken. Een touw werd door het blok geschoren en het groote bramzeil +opgeheschen, zoodat het wrak weder met versnelde vaart voor den wind +uitvloog en beter naar het roer luisterde.</p> +<p>Het schip was weer voor den wind, en in vergelijking met vroeger +tamelijk zeker, hoewel de narollende baren het van tijd tot tijd +geweldig schokten. Andermaal begon de avond te vallen en nog was aan +geen rust te denken. De manschap was door de onophoudelijke inspanning +reeds ten hoogste afgemat. Kapitein Osborn en Flink waren meermalen in +de kajuit geweest, om de beangste passagiers te troosten en gerust te +stellen. Buiten zichzelven van angst en bezorgdheid, was mevrouw Wilson +ernstig ongesteld, en haar man waakte aan haar bed. De kinderen werden +vermaand in de hut bedaard te blijven en de kleine kwam niet uit de +armen der onvermoeide en zorgdragende Juno.</p> +<p>Reeds liep de derde dag van den storm ten einde en nog deden zich +geene geruststellende teekens op. Door het onophoudelijk breken der +stortzeeën over het achterschip, waren de kompashuisjes +weggespoeld en men kon nu niet langer den koers, waarin het schip tot +hiertoe gestuurd was, noch den doorloopen afstand bepalen. Het +vreeselijk beuken en stooten der golven had reeds een lek +teweeggebracht en zooveel was met zekerheid vooruit te zien, dat, zoo +de storm niet spoedig bedaarde, de bodem niet lang meer tegen de zee +bestand zou zijn.</p> +<p>Van dit oogenblik af stonden angst en moedeloosheid op des kapiteins +gelaat te lezen. De verantwoordelijkheid, die op hem rustte, drukte hem +zwaar;—zelfs als nog enkelen er het leven afbrachten, had hij een +kostbaar schip en eene nog veel kostbaarder lading te verliezen. Men +naderde immers <span class="pagenum">[<a id="pb21" href="#pb21" name= +"pb21">21</a>]</span>thans een punt, waar de oceaan met lage +koraalriffen en eilandjes bezaaid was en moest met recht vreezen, in +den tegenwoordigen hulpeloozen toestand, zonder een enkel middel van +tegenstand, door wind en golven op een daarvan geworpen te worden.</p> +<p>De oude stuurman stond naast hem, toen de kapitein zeide:</p> +<p>„Ik heb slechten moed, Flink. Wij loopen het gevaar in den +mond en hebben geen middel om het te ontwijken.”</p> +<p>„Dat is, helaas, zoo; alle middelen zijn ons +benomen.”</p> +<p>„Er was menig man,” sprak kapitein Osborn met ernst, +„die mij benijdde, toen ik dit fraaie schip onder mij kreeg. Zou +thans een hunner met mij willen ruilen?”</p> +<p>„Ik denk voor ’t naast—neen, kapitein, ofschoon +geen mensch weet wat de dag van morgen mee kan brengen. Vol hoop liept +gij met dit schip het zeegat uit; nu voelt gij, niet zonder grond, zoo +iets, dat veel van moedeloosheid heeft. Maar wie weet? In allen gevalle +hebt gij uw plicht gedaan en geen braaf man kan meer doen. Ik wou maar, +kapitein, dat Mackintosh niet zoo <span class="corr" id="xd21e566" +title="Bron: schrikkeliijk">schrikkelijk</span> vloekte. Ik verbeeld +mij altijd, dat de storm er sterker om huilt.”</p> +<p>„Gij hebt gelijk,” was het antwoord; „maar houd +vast, Flink: daar komt weer eene zee.”</p> +<p>Onze vriend had nog even tijd, om met beide handen de korvijnagels +beet te pakken, toen zulk een watervloed zich over het schip +uitstortte, dat zij een tijdlang met de voeten van boord werden +gespoeld. Echter lieten zij hun houvast niet los en konden eindelijk +weer op de been komen.</p> +<p>„Dat heeft hem weer een knauw gegeven, wed ik,” zeide +Flink en nam den hoed af om het water weg te schudden.</p> +<p>„Zoo vrees ik; het beste schip, dat ooit zee bouwde, is tegen +zulke stooten niet bestand,” antwoordde de kapitein. „En nu +juist, met ons doodmoe volk, zie ik geen mogelijkheid, om meer zeil bij +te krijgen.”</p> +<p>Den geheelen nacht door schoot het schip weder met vogelsnelheid +over het water voort. Met het krieken van den dag ging de storm liggen +en werd de verbolgen zee bedaarder; maar nog altijd moest men het schip +voor den wind houden, want nadat dit reeds zoo geteisterd was, durfde +men niet bijsteken. Men maakte thans toebereidselen, om noodmasten op +te richten en de vermoeide matrozen waren daar juist druk mede bezig, +toen de heer Wilson met zijn zoon Willem op het dek kwam.</p> +<p>Willem staarde in het rond. Tot zijne verbazing zag hij, hoe de +slanke <span class="pagenum">[<a id="pb22" href="#pb22" name= +"pb22">22</a>]</span>masten met al hunne touwen en zeilen verdwenen +waren en het gansche dek in een staat van wanorde en verwarring voor +hem lag.</p> +<p>„Zie, mijn jongen,” sprak de vader, „wat ellende +en vernieling hier heeft plaats gehad. Zie nu, ’s menschen +trotschheid is vernederd.”</p> +<p>„Ja, Willem,” riep Flink hem toe; „zie maar eens +aandachtig rond!”</p> +<p>„Maar vader,” vroeg Willem na eene poos, „hoe +moeten wij nu zonder masten en zeilen naar Sidney komen?”</p> +<p>„Wel, vriend Willem,” antwoordde Flink, „wij +moeten alles doen, wat maar in onze macht staat. Wij zeelieden staan +zelden lang verlegen en, als ’t goed gaat, zult gij ons +vóór den nacht wel weer onder een lap of wat zeil zien. +Wij hebben onze groote masten verloren; daarom moeten wij noodmasten +opzetten, zooals men ze noemt—of kleine masten met klein zeil, en +die brengen ons ook misschien nog wel naar Sidney toe.—Hoe maakt +de goede mevrouw het, mijnheer?” vervolgde Flink, zich tot den +vader keerende. „Is zij wat beter?”</p> +<p>„Ik vrees, dat zij zeer ziek en zwak is,” was het +antwoord. „Alleen goed weer kan haar weer eenigszins doen +bijkomen. Denkt gij, dat het nu opklaren zal?”</p> +<p>„Neen, mijnheer, om u de waarheid te zeggen, vrees ik, dat het +nog erger gaat spoken. Ik heb den kapitein mijne gedachten niet gezegd, +want een mensch kan zich vergissen; maar toch, ik blijf er bij—ik +heb niet tevergeefs volle vijftig jaren op zee omgezwalkt. De +nevelbank, die daar ginder bijeentrekt, bevalt mij niet en ’t zou +mij niet verwonderen, als het nog eens uit denzelfden hoek begon te +blazen en wel nog voordat het nacht wordt.”</p> +<p>„Het zij zoo!” sprak de heer Wilson. „Echter vrees +ik zeer voor mijne vrouw, die al zoo door de zeeziekte verzwakt +is.”</p> +<p>„Daarover zou ik mij niet al te ongerust maken, mijnheer, want +ik heb nog nooit gehoord, dat menschen aan die kwaal gestorven zijn, +hoeveel zij er ook door te lijden hadden.—Weet gij al Willem, dat +wij eenigen van ons volk verloren hebben in den tijd, dat gij niet +boven geweest zijt?”</p> +<p>„Neen, ik hoorde den kok daar wel iets van mompelen, maar +wilde hem niet vragen, omdat moeder reeds zoo in angst was.”</p> +<p>„Dat was heel braaf van u, mijn jongen; maar denk eens: we +hebben vijf van onze rapste en beste matrozen verloren. Seevers werd +overboord geslagen,—Fennings en Master zijn door den bliksem +gedood,—en Jones en Emery zijn door den vallenden fokkemast +getroffen. Gelooft gij wel, Willem, dat niet één dezer +lieden er aan dacht, toen wij de Kaap verlieten of zelfs maar een dag +of een enkel uur voordat het geschiedde, dat weldra <span class= +"pagenum">[<a id="pb23" href="#pb23" name="pb23">23</a>]</span>hunne +lichamen honderden mijlen ver van het land op zee zouden +omdobberen?”</p> +<p>„Ik ben van oordeel,” zeide mijnheer Wilson, „dat +een zeeman eigenlijk geen recht heeft om te trouwen.”</p> +<p>„Dat is ook altijd mijn gevoelen geweest,” antwoordde +Flink; „en zeker, menige arme verlaten matrozenvrouw, als zij +’s nachts op haar bed naar den storm en regen luisterde, heeft +evenzoo gedacht.”</p> +<p>„Met mijne toestemming,” vervolgde de vader, +„zullen mijn zoons nooit ter zee gaan, zoolang ik nog een andere +betrekking voor hen vinden kan.”</p> +<p>„En gij hebt gelijk, mijnheer Wilson. Men zegt wel, dat het +niets helpt, een knaap tegen te houden, wanneer hij zich het varen eens +in het hoofd heeft gezet;—maar ik voor mij denk in dat geval +anders. Ik geloof, dat een vader recht heeft om neen te zeggen; want +ziet gij, mijnheer, zoo jong als zulk een knaap het baaitje aantrekt, +heeft hij nog zijn volle verstand en oordeel niet. Ieder stoute, +moedige jongen wil het zeegat uit,—dat is heel natuurlijk; maar +als de meesten onder hen voor de ronde waarheid uitkwamen, zouden zij +moeten zeggen, dat het niet zoozeer het verlangen naar zee was, dat hen +verleidde, als wel de wensch, om de school of zelfs het vaderlijk huis +te verlaten, waar zij onder het opzicht van meesters of ouders +stonden.”</p> +<p>„Juist, juist, Flink; zij willen onafhankelijk zijn en dat +hopen zij op zee te worden.”</p> +<p>„Maar daar bedriegen zij zich geweldig in; want, geloof mij, +op de gansche wijde wereld wordt geen slaaf zoo gekweld en geplaagd, +als zulk een arme knaap in de eerste tien jaren van zijn zeeleven. Voor +ééne berisping, die hij aan land verdient, krijgt hij aan +boord tiendubbel slagen en nooit vindt zulk een mensch de liefde en de +genegenheid weder, die hij op vasten wal achterliet. Het is een hard +leven en er zijn slechts enkelen, die het zich niet bitter beklaagd +hebben en niet gaarne zouden willen terugkeeren—als hunne +schaamte hen daarvan niet terughield.”</p> +<p>„Dat is de zuivere waarheid, Flink, en daarom geloof ik ook, +dat een vader ten volle recht heeft, als hij zijn zoon niet toelaat, +ter zee te gaan, zoolang hij hem op eenige andere wijze een behoorlijk +bestaan kan verschaffen. Het zal daarom toch nooit aan matrozen +ontbreken, daar er nog altijd arme jongens in menigte zijn, voor wie +hunne betrekkingen niet beter zorgen kunnen, en voor zulke lieden is de +zee zekerlijk de beste keus, daar zij hier geen ander kapitaal dan moed +en ijver tot hunne bevordering noodig hebben.<span class="corr" id= +"xd21e622" title="Niet in bron">”</span></p> +<p>„Datzelfde heb ik ook steeds gedacht, mijnheer,” hernam +Flink. „Maar <span class="pagenum">[<a id="pb24" href="#pb24" +name="pb24">24</a>]</span>hoe maakt uw zoon Thomas het toch, en de +andere kleinen en de arme Juno?”</p> +<p>„Die zijn allen vrij wel, behalve dat zij zich nu en dan door +uitglijden eens wat zeer deden, als het schip zoo geweldig slingerde. +Maar ik mag hier niet langer blijven,” vervolgde de heer Wilson; +„mijn arme vrouw zal naar mij verlangen. Wilt gij nog langer op +het dek blijven, Willem?”</p> +<p>„’t Is beter, dat hij met u omlaag gaat;” zeide +Flink; „wij allen hebben hier de handen te vol en ik kan mij niet +met hem bemoeien. Dezen nacht hebben wij weer geen rust te wachten, +’t moge gaan hoe ’t wil, daar ons getal thans zoo klein is. +Goedennacht dan, heerschappen, rust wel!”</p> +</div> +</div> +<div id="ch6" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">ZESDE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">ALS HET WATER TOT DE LIPPEN KOMT, IS OOK VAAK UITKOMST +NABIJ.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Toen vader en zoon in de kajuit kwamen, vonden zij er +dadelijk handen vol werk. De hofmeester had een schotel erwtensoep voor +de kinderen gebracht en deze was brandend heet. Thomas, die naast zijn +zusje in ’t bed overeind zat, had Juno, die met den rechterarm +haar kleinen Albert vasthield, het bord uit de linkerhand getrokken en +dit in zijn ongeduld over de arme Caroline uitgestort, die een kreet +gaf van pijn; terwijl Juno, vol verlangen om Caroline te helpen, +opgesprongen en op den grond gevallen was met den kleine, die, hoewel +niet bezeerd, nu ook een geduchte keel opzette. Tot overmaat van ramp +was Juno op des kapiteins dashond neergekomen en deze had haar daarvoor +in het been gebeten, waarop ook Juno het luid uitschreeuwde en mevrouw +Wilson, bevend en radeloos van angst, zich van hare kussens had +opgericht en gaarne had willen, maar niet kunnen helpen. Daar kwam haar +man gelukkig nog juist bijtijds, om Juno met den kleine op te helpen. +Hij zocht vervolgens de arme Caroline tot bedaren te brengen, die zich, +gelijk nu bleek, nog niet zoo erg gebrand had, als men verwachtte.</p> +<p>„Massa Thomas ben toch stout ondeugend jonk,<span class="corr" +id="xd21e642" title="Niet in bron">”</span> jammerde de negerin +en wreef zich het been. De „ondeugende jonk” oordeelde maar +’t best, zich stil te houden;—hij werd terdeeg beknord. De +hofmeester kwam de tafel schoonmaken, en zoo keerde alles eindelijk +weder tot de vorige orde terug. <span class="pagenum">[<a id="pb25" +href="#pb25" name="pb25">25</a>]</span></p> +<p>Onderwijl was men ook op het dek niet werkeloos gebleven. De +timmerman had eene opening voor een der stengen gemaakt, die den +grooten mast moest vervangen; terwijl het andere volk het want weder in +gereedheid bracht. Ongelukkig had het schip een lek gekregen en vier +handen waren aan de pompen bezig en moesten daar bijna voortdurend +werkzaam zijn. Gelijk Flink voorzegd had, was ook de nacht niet daar, +of de wind verhief zich weder, de zee werd holler en woester en het lek +nam zoo toe, dat men elk ander werk moest opgeven, om alleen bij de +pompen te blijven. Zoo duurde de storm twee volle dagen lang, totdat de +<span class="corr" id="xd21e648" title="Bron: geheele">geheel</span> +uitgeputte matrozen te laatste ook niet meer pompen konden. Aan den +gang van het schip was te zien, dat er reeds veel water in het ruim was +binnengedrongen, en thans—om het ongeluk ten top te +voeren—gebeurde er nog eene nieuwe ramp, die de ernstigste +gevolgen had.</p> +<p>Kapitein Osborn was vóór op het schip en gaf eenige +orders aan zijn volk, toen de blokstrop, die de groote bramra aan den +stomp van den fokkemast vasthield, eensklaps losging, zoodat ra en zeil +op het dek neerploften en den kapitein bewusteloos deden neervallen. +Zoolang hij aan hun hoofd had gestaan, hadden de matrozen, vol eerbied +voor zijne erkende bekwaamheid als zeeman en bemoedigd door het hem +eigen goed humeur, hunne taak gaarne en gewillig verricht, maar thans, +nu hij, zoo al niet dood, toch in allen gevalle buiten kennis en tot +handelen niet in staat was, thans werd het op eenmaal anders en ontbrak +het geheel aan het vereischte gezag. Mackintosh was bij het volk te +weinig bemind, dan dat zijne woorden eenigen invloed hadden kunnen +uitoefenen. Zij sloegen zijn vermaningen en bevelen in den wind en +staken de hoofden bijeen, om onderling te beraadslagen.</p> +<p>„Het ergste is geleden. De orkaan is gebroken, mannen, en wij +hebben nu goed weer te wachten,” merkte Flink aan en vervoegde +zich bij de matrozen aan het volkslogies. „De wind is haast op, +zooals gij zelven zien kunt.<span class="corr" id="xd21e655" title= +"Niet in bron">”</span></p> +<p>„Ja, en het schip is ook haast op,” antwoordde een +matroos; „daar is nog veel minder aan te twijfelen.”</p> +<p>„Een paar uren stevig aan de pompen gewerkt, dat zou nu goed +doen,” vervolgde Flink. „Wat zegt gij, jongens?”</p> +<p>„Een stevig oorlam zou ons meer goed doen,” hernam de +zeeman. „Wat zegt gij, jongens? De kapitein, als hij spreken kon, +de arme drommel, zou ons dat zeker niet weigeren.”</p> +<p>„Wat zijt gij van zins, jongen?” vroeg Mackintosh. +„Ge wilt u toch niet dronken drinken, hoop ik?” +<span class="pagenum">[<a id="pb26" href="#pb26" name= +"pb26">26</a>]</span></p> +<p>„Waarom niet?” riep een ander uit den hoop. „Het +schip moet toch spoedig te gronde gaan.”</p> +<p>„Dat is mogelijk,—ik wil het niet tegenspreken,” +zeide Mackintosh; „maar dat is nog geen grond, waarom wij niet +gered zouden worden. Als ge u nu echter dronken drinkt, is er geen +denken aan, dat een van ons er het leven zou afbrengen en mij is mijn +leven lief. Ik ben bereid om u in alles bij te staan, waartoe gij +besluiten mocht, en gij hebt maar te zeggen wat gebeuren moet; maar +drank zult gij niet hebben. Zoolang ik het beletten kan, kunt gij daar +staat op maken.”</p> +<p>„En hoe zoudt gij ons dat beletten?” vroeg een der +matrozen op dreigenden toon.</p> +<p>„Twee vastberaden mannen kunnen veel doen,—ik mag zeggen +drie, want in dit geval is stuurman Flink op mijne zijde en ook op den +passagier in de kajuit kan ik tot bijstand rekenen. Bedenkt, dat alle +geweren in de kajuit zijn. Maar waarom zouden we samen +twisten?—Zegt mij ronduit, wat ge denkt te doen; en als ge nog +niets besloten hebt, wilt ge dan nog naar mijn voorslag +luisteren?”</p> +<p>Daar des stuurmans moed en vastberadenheid wel bekend waren, +beraadslaagden de matrozen nog een tijdlang samen en vroegen hem toen +naar zijn plan.</p> +<p>„Wij hebben nog een goede boot,” antwoordde Mackintosh, +„de nieuwe sloep <span class="corr" id="xd21e680" title= +"Niet in bron">is</span> behouden. De andere booten, weet gij, zijn +overboord gespoeld, met uitzondering van de kleine boot achter, die +nochtans onbruikbaar is, daar de zee ze bijna verbrijzeld heeft. Nu +kunnen wij niet heel ver meer van de eilanden af wezen, ja, ik geloof +zelfs dat wij er reeds tusschen zijn. Laten wij de boot van al het +noodige voorzien en daartoe getroost en vlug te werk gaan. Neemt +zooveel drank, als gij weet, dat u niet schaden kan en laat ons ook nog +een goeden voorraad daarvan medenemen. De sloep is met mast, tuig en +riemen in goeden staat en het moest al vreemd zijn, zoo zij ons niet +ergens behouden aan land bracht.—Kameraad Flink, is de raad, dien +ik hier geef, goed of niet?”</p> +<p>„Volkomen goed, Mackintosh;—slechts nog +één ding: wat moet er van de kajuitpassagiers, de vrouwen +en kinderen worden? En wilt gij onzen armen kapitein, die daar ligt te +ijlen, hulpeloos achterlaten? Of wat wilt gij anders +aanvangen?”</p> +<p>„Wij willen den kapitein niet verlaten!” riep een van de +matrozen.</p> +<p>„Neen—neen, onze kapitein moet mee!” herhaalden de +overigen.</p> +<p>„En de passagiers?” <span class="pagenum">[<a id="pb27" +href="#pb27" name="pb27">27</a>]</span></p> +<p>„Het spijt mij van hen,” antwoordde de eerste spreker; +„maar wij zullen genoeg te doen hebben, om ons eigen leven te +redden. De boot kan ons nauwelijks bergen.”</p> +<p>„Ik moet u gelijk geven, jongens,” sprak Mackintosh. +„Het hemd is nader dan de rok. Welaan dus, wat zegt +gij?—Blijft het besloten?”</p> +<p>„Ja!” riepen de matrozen eenstemmig, en Flink wist wel, +dat hier iets tegen in te brengen geheel vruchteloos zijn zou.</p> +<p>Zij gingen nu terstond tot het uitrusten der boot en het aanbrengen +van den vereischten voorraad over. Beschuit, pekelvleesch, eenige +tonnen water, een vat met rum werden bij de valreeptrap bijeengebracht. +Mackintosh haalde zijn octant, een kompas en eenige geweren met kruit +en lood boven; de timmerman maakte met de hulp van een matroos eene +opening in de verschansing, om de boot daardoor van boord neer te +laten; want thans, nu de masten ontbraken, kon men die natuurlijk niet +daaraan ophijschen. Na verloop van een uur was alles gereed. Een lang +touw werd aan de boot vastgesjord, deze hierop aan de opening gesleept, +waardoor zij te water gaan moest en het schip vervolgens dwarswinds +gebracht. Flink had aan dit werk niet geholpen, maar een-, of tweemaal +gepeild, om te onderzoeken of het water in het schip ook geklommen was +en zich daarna bij kapitein Osborn neergezet, die nog altijd +bewusteloos lag van den slag, die hem op het hoofd had getroffen. Toen +het schip in den wind was gebracht, kwam mijnheer Wilson boven en zag +rond.</p> +<p>Hij zag de boot gereed om af te loopen, water en proviand bij het +boord en het schip langzaam met de deining +voortdrijven.—Eindelijk ontdekte hij Flink, aan de zijde gezeten +van den kapitein, die daar schijnbaar dood nederlag.</p> +<p>„Wat beduidt dit alles, Flink?” vroeg hij. „Willen +zij het schip verlaten<span class="corr" id="xd21e705" title= +"Niet in bron">?</span> En hebben zij hun kapitein +omgebracht?”</p> +<p>„Neen, mijnheer, zoo erg is ’t nog niet. De arme +kapitein is door de vallende ra getroffen en ligt sedert buiten kennis; +maar wat het andere aangaat, ik vrees, dat het zoo besloten is. Gij +ziet, dat men daar de boot van boord stoot.”</p> +<p>„Maar mijne arme vrouw! Zij is nooit in staat om mee te gaan; +ze kan zich nauwelijks verroeren,—ze is doodzwak!”</p> +<p>„Ik moet u tot mijn leedwezen zeggen, dat die +dáár ook niet voornemens zijn uzelf of uwe vrouw en uwe +kinderen mee te nemen.”</p> +<p>„Wat! ze willen ons hier laten omkomen? Barmhartige Hemel! hoe +wreed,—hoe barbaarsch!” <span class="pagenum">[<a id="pb28" +href="#pb28" name="pb28">28</a>]</span></p> +<p>„Het is niet menschlievend van hen gehandeld, mijnheer; maar +ziet gij, zoo is de natuur van den mensch. Als eens ’t leven er +mee gemoeid is, dan denkt iedereen aan zichzelf, want het leven is +zoet. Zij zijn niet harder tegen u, dan zij ook tegen elkaar zijn +zouden, als zij te sterk in aantal waren en de boot niet allen opnemen +kon. Ik heb dat al zelf mede beleefd,” antwoordde de oude man +zeer ernstig.</p> +<p>„Mijne vrouw! mijne arme kinderen!” riep de wanhopende +vader en bedekte het gezicht met beide handen. „Doch ik wil met +hen spreken,” vervolgde hij; „zeker zullen zij naar het +gebod der menschelijkheid luisteren, en in allen gevalle heeft stuurman +Mackintosh nog wel eenigen invloed op hen. Gelooft gij dat ook niet, +Flink?”</p> +<p>„Daar gij mij dat vraagt, mijnheer, moet ik u zeggen, dat er +geen harder hart onder hen is, dan dat van Mackintosh en dat het u +evenmin helpen zal, of gij met hem spreekt of met een van de overigen. +Ook moet gij die menschen niet te streng beoordeelen: de sloep is klein +en kan met den voorraad, dien zij meenemen, ook niet meer koppen +bergen;—dáár zit de zwarigheid. Wou men u en uwe +familie nog innemen, dan kon dat de oorzaak van alles zijn. Geloof mij, +als ik zelf anders dacht, zou ik zeker alles doen, om hen over te +halen; doch het helpt niets.”</p> +<p>„Maar wat dan te doen, Flink? Gaat gij niet met hen +mede?”</p> +<p><span class="corr" id="xd21e727" title= +"Niet in bron">„</span>Neen, mijnheer Wilson. Ik heb het laatste +uur daarover nagedacht en ben nu besloten bij u achter te blijven. Zij +willen den armen kapitein meenemen, om hem misschien te redden, en +vroegen ook mij; maar ik blijf hier.”</p> +<p>„Om met ons om te komen?” was de verbaasde vraag.</p> +<p>„Al naar ’t God behaagt, mijnheer Wilson. Ik ben oud en +grijs, aan mij is weinig gelegen; ik hoop ook, dat ik mij zoo goed op +den dood heb voorbereid, als dat in mijne geringe krachten stond. +Geloof mij, mijnheer, ik denk veel meer aan uwe kinderen, dan aan +mijzelven. Het scheelt mij weinig, of ik een paar jaren vroeger of +later sterf, doch ’t zou mij diep ter harte gaan, als zulke lieve +bloempjes al zoo in de eerste lente werden afgesneden. Ik kan van nut +zijn door mijn blijven, want ik draag een ouden kop op mijne schouders +en voor geen geld zou ik u aan het verderf overlaten, zoolang gij nog +misschien gered kunt worden, wanneer ge slechts wist, hoe te doen. Maar +zie, daar komen de matrozen; de boot is geheel klaar en zij willen nu +onzen braven kapitein wegdragen.”</p> +<p>De zeelieden traden toe en beurden den nog altijd bewusteloozen +kapitein op. Onder het weggaan riep een hunner: „Kom, stuurman, +wij hebben geen tijd meer te verliezen.” <span class= +"pagenum">[<a id="pb29" href="#pb29" name="pb29">29</a>]</span></p> +<p>„Denkt niet aan mij, vrienden; ik blijf hier op het +wrak,” antwoordde Flink. „Ik wensch u van ganscher harte +eene behouden vaart. En aan u, Mackintosh, heb ik slechts dit +ééne verzoek: als gij gered zijt, vergeet dan niet, wie +ge hier aan boord hebt gelaten en laat ons dan tusschen de eilanden +opzoeken.”</p> +<p>„Gekheid, Flink, kom mee in de boot!” antwoordde de +eerste stuurman.</p> +<p>„Ik zal hier blijven; kameraad; en ik bid u alleen, dat gij +doen zult, wat ik van u verlang. Laat aan mijnheer Wilsons vrienden +weten, wat hier is voorgevallen en waar men ons het best kan opsporen. +Dat is alles, wat ik van u verlang. Wilt gij mij dit ééne +beloven?”</p> +<p>„Ja, Flink, ik wil, wanneer gij dan toch bepaald besloten hebt +te blijven. <a id="xd21e745" name="xd21e745"></a>Maar,” vervolgde +hij, op Flink toetredende en hem in het oor fluisterende, „het is +waarachtig gekheid:—kom mee, man!”</p> +<p>„Vaarwel dan, vriend Mackintosh,” antwoordde Flink en +gaf hem de hand. „Gij zult zeker uwe belofte houden?”</p> +<p>Na nog vele verdere vermaningen van de zijde der matrozen waarvoor +Flink echter doof bleef, stak de boot eindelijk af en stuurde naar het +noordoosten.</p> +</div> +</div> +<div id="ch7" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">ZEVENDE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">DE SCHIPBREUK.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Een tijdlang, nadat de boot het schip verlaten had, +stond de oude Flink met over elkaar geslagen armen zwijgend uit te +zien. Mijnheer Wilson stond bij hem. Hij kon geen woord spreken, het +hart was hem te vol. Naarmate de sloep zich verder van het schip +verwijderde, scheen ook zijne laatste hoop meer en meer te verdwijnen +en schenen vrouw en kinderen, hijzelf en de oude man, die aan zijne +zijde stond, aan een onvermijdelijken ondergang prijsgegeven. Zijne +gelaatstrekken drukten volslagen moedeloosheid en vertwijfeling uit. +Ten laatste nam Flink het woord:</p> +<p>„Zij denken zeker, dat zij zichzelven redden en dat wij +vergaan zullen, mijnheer, doch het kan nog wel anders +loopen.”</p> +<p>„Het is waar,” antwoordde de bedroefde vader; +<span class="corr" id="xd21e763" title= +"Niet in bron">„</span>maar welke hoop ons nog zou overblijven op +een zinkend schip, met zoovele hulpelooze wezens om ons heen, dat, moet +ik bekennen, kan ik niet begrijpen.” <span class= +"pagenum">[<a id="pb30" href="#pb30" name="pb30">30</a>]</span></p> +<p>„Wij moeten ons best doen en dan ons aan Gods wil +onderwerpen,” hernam de oude zeeman en ging toen naar achteren, +waar hij het roer weder oplegde, zoodat het schip andermaal voor den +wind kwam.</p> +<p><a id="xd21e770" name="xd21e770"></a>Wat Flink aan de matrozen +voorspeld had, voordat zij het schip verlieten geschiedde werkelijk; de +storm had uitgewoed en ook de zee was reeds aanmerkelijk bedaard. +Niettemin dreef het schip slechts langzaam door het water en na eenigen +tijd zette Flink het stuurrad vast en kwam weder bij den heer Wilson op +het voordek. Deze had zich, in een staat van wanhoop naar het scheen, +op het zeil neergeworpen, waarop kapitein Osborn na zijne verwonding +gelegd was.</p> +<p>„Het doet mij leed, mijnheer, dat ik u storen moet; maar voelt +gij u door troosteloosheid overweldigd, dan kan u ik misschien een +weinig hoop geven.”</p> +<p>„Ik heb gebeden,” antwoordde Wilson en stond op: +„en sedert heb ik mijn zinnen zooveel mogelijk bijeenverzameld, +die zekerlijk zeer verward zijn. Wat mij het meest beangst, is, hoe +onzen hulpeloozen toestand aan mijne lieve vrouw mede te +deelen.”</p> +<p>„Ik zou er rond voor uitkomen, indien ik onzen toestand als +hopeloos beschouwde,” hernam Flink; „maar hopen blijft +zelfs in het ergste geval geoorloofd. Doch luister, mijnheer, ik wil +als zeeman spreken en u zeggen, welke mogelijkheid er thans nog voor +ons over is. Het schip is half vol water geloopen, daar ’t geweld +van den storm de naden opende waardoor het naar binnen drong; maar nu, +sedert de zee bedaarde, heeft zich dat al vrij wat weer hersteld. Ik +heb in het ruim gepeild en bevonden, dat het water deze beide laatste +uren maar een paar duim gewassen is en daar het schip langzamerhand +zijne naden weder sluit, zal het spoedig nog wel beter worden. Indien +het goede weder vooreerst aanhoudt, behoeven wij niet te vreezen, dat +het schip zoo spoedig zinken zal; en daar wij ons nu tusschen de +eilanden bevinden, is het niet onmogelijk, ja zelfs waarschijnlijk, dat +wij ons vaartuig op een daarvan zullen kunnen laten stranden en zoo nog +lijf en leven redden. Dat alles heb ik bedacht, toen ik weigerde in de +boot te gaan, en ik bedacht ook, mijnheer, dat indien ik u evenals de +anderen verliet, gij voor uzelf niet in staat zijn zoudt, van zoovele +gunstige omstandigheden, die tot ons behoud misschien nog bijdragen +kunnen, behoorlijk partij te trekken.—Daarom ben ik gebleven en +hoop het werktuig te worden, dat u en al de uwen uit dezen akeligen +toestand redt. Mij dunkt, het zou nu ’t best zijn, dat gij weer +in de kajuit gingt, uwe arme vrouw met een vroolijk gezicht de gunstige +verandering van het weer berichttet en haar zeidet, dat wij hoop +hebben, aan eene of andere veilige kust te landen. <span class= +"pagenum">[<a id="pb31" href="#pb31" name="pb31">31</a>]</span>Als zij +nog niet weet, dat het volk het schip verlaten heeft, moet gij haar +daar niets van doen merken. Gij kunt immers zeggen, dat de hofmeester +met de andere matrozen aan het werk is, want dat is hij ook waarlijk, +en zoo het mogelijk was, zou ik u raden, alles, wat sedert is +voorgevallen, te verzwijgen. Uw Willem moogt gij het wel toevertrouwen, +of liever, zend hem boven bij mij en ik zal met hem spreken.—Zeg +nu, wat dunkt u van de zaak, mijnheer?”</p> +<p>„Ik weet nauwelijks, Flink, wat ik denken of hoe ik u voor uwe +zelfopoffering in dezen nood behoorlijk danken moet. Wees verzekerd, uw +raad is voortreffelijk; ik zal hem in alles ten stipste opvolgen, en +mocht het ons gelukken den dood te ontgaan, die ons thans van alle +kanten aangrijnst, dan zal mijne dankbaarheid....”</p> +<p>„Spreek daar niet van, mijnheer; ik ben een oud man, heb +slechts weinig behoeften en mijn leven is ook maar van gering nut. Wat +ik wensch te behouden is de bewustheid, dat ik in dezen toestand mijn +plicht naar mijn beste vermogen heb zoeken te vervullen. Wat kan de +wereld veel aanlokkelijks hebben voor een man, die zich altijd met +moeite door het leven heeft heen geworsteld en thans vrienden noch +magen bezit, die zich om zijn dood bekommeren! Niettemin dank ik u +hartelijk, mijnheer Wilson; maar nu zal ’t beter zijn, dat gij +naar omlaag gaat, terwijl ik hierboven een wakend oog houd.”</p> +<p>De heer Wilson drukte den braven man met hartelijkheid de hand en +ging toen naar beneden, zonder verder een woord te spreken. Hij vond +zijne vrouw in slaap; ook de kinderen lagen rustig in hunne bedden; +alleen Juno en Willem waren op.</p> +<p>Willem gaf zijn vader een teeken dat zijn moeder sliep, en zeide +zachtjes: „Ik wou niet uit de kajuit gaan, terwijl gij boven op +het dek waart; maar de hofmeester heeft zich in geen twee uren meer +laten zien. Hij kwam nog om de geit te melken en na dien tijd niet +meer. Geen van ons allen heeft nog ontbijt gehad.”</p> +<p>„Willem, ga op het dek,” antwoordde zijn vader. +„Flink heeft u iets te zeggen. Ik wil zoolang hier +blijven.”</p> +<p>Onze jonge vriend vervoegde zich bij Flink, die hem in korte woorden +met den toestand bekendmaakte, waarin zij zich thans bevonden. Hij +bracht hem onder het oog, hoe noodzakelijk het was dat hij alles +beproefde wat in zijne macht stond, om zijn vader en hem (Flink) te +ondersteunen en zijne moeder in haar lijdenden toestand niet te +verontrusten. Gelijk natuurlijk is, maakte, wat hij hier hoorde, op +Willem een diepen indruk, <span class="pagenum">[<a id="pb32" href= +"#pb32" name="pb32">32</a>]</span>doch hij vatte toch spoedig weer moed +en beloofde in alles zijn best te zullen doen.</p> +<p>„Maar, Flink,” zeide hij, „de hofmeester, weet ge, +is nu met de anderen weg, en als moeder wakker wordt, zal hare eerste +vraag zijn, of wij al ontbijt gehad hebben. Wat kan ik doen?”</p> +<p>„Dat weet ik niet; maar mij dunkt, ge kunt eene van de geiten +melken, als ik u dat voorgedaan heb, en onderwijl wil ik voor het +verdere zorgen. Ik kan wel eens van het dek, want het schip stuurt nu +zichzelf vrij goed.—En, Willem, ik heb juist voordat gij kwaamt, +naar het water omgezien en geloof, dat wij niet veel meer inkrijgen. +En,” vervolgde hij en liet zijne oogen in het rond gaan, +„wij zullen goed weer krijgen en ook nog voor den nacht eene +kalme zee.”</p> +<p>Daar beiden elkander hielpen, was het ontbijt spoedig gereed, +terwijl mevrouw Wilson nog voortdurend in een gezonden slaap lag. De +beweging van het schip was thans zeer gering, daar het ingedrongen +water zijn diepgang aanmerkelijk had doen toenemen. Zee en wind waren +bedaard en de zon scheen helder en verwarmend aan den hemel. De boot +had men reeds eenigen tijd geheel uit het gezicht verloren en het wrak +stuurde zacht, niet sneller dan drie mijlen in het uur, door het water +heen, want het had slechts een enkel zeil, het groote bramzeil +namelijk, dat men op den stomp van den fokkemast had bijgezet.</p> +<p>Flink was voor eenige oogenblikken in de kajuit gegaan en sloeg +mijnheer Wilson voor, Juno met de drie kleinen op het dek te zenden. +„Het verveelt hen, hier zoo stil te zijn,” zeide hij; +„en daar mevrouw eindelijk eens gerust slaapt, zou het jammer +zijn, haar te wekken. Daar zij zooveel geleden heeft, kan haar slaap +nog wel eenige uren aanhouden, en hoe langer, hoe beter, want zij zal +hare krachten misschien spoedig noodig hebben.”</p> +<p>Mijnheer Wilson keurde dezen voorslag goed en ging met Juno en de +kinderen op het dek, terwijl hij Willem achterliet, om bij zijne moeder +te waken. De goede negerin was uiterst verbaasd, toen zij de trap +opkwam en den staat van het schip en de afwezigheid der matrozen +ontdekte; doch haar meester verhaalde haar wat er was voorgevallen, met +de ernstige vermaning, om er zijne vrouw geen woord van te zeggen. Juno +beloofde dit, ofschoon het arme meisje wel bemerkte in welk gevaar men +verkeerde, en toen zij den kleinen Albert aan hare borst drukte, rolden +haar twee zware tranen over de wangen neer. Zij dacht daarbij niet aan +zichzelve, maar wat er van dat lieve kleine schaap worden moest. Zelfs +Thomas en Caroline konden <span class="pagenum">[<a id="pb33" href= +"#pb33" name="pb33">33</a>]</span>niet nalaten te vragen, waar de +masten en zeilen gebleven waren en waarom kapitein Osborn hun niet wat +lekkers bracht.</p> +<p>„Zie, zie daar ginder eens, mijnheer!” riep Flink en +wees naar een hoop drijvend zeewier.</p> +<p>„Ik zie het wel,” was het antwoord; „maar wat zou +dat?”</p> +<p>„Dat alleen zou op zichzelf nog niet veel beteekenen,” +hernam Flink; „maar wij zeelieden hebben nog andere merkteekenen, +waarop wij afgaan. Ziet gij ginder die vogels wel over het water +heenstrijken?”</p> +<p>„O ja, zeer duidelijk.”</p> +<p>„Welnu, die vogels begeven zich nooit ver van land. Thans +begrijpt ge wat ik meen.—En nu, mijnheer, ga ik mijn octant eens +halen en al kan ik onze lengte nog niet dadelijk vinden, zoo kan ik +toch de breedte wel bepalen. Als wij de kaart raadplegen, kunnen wij +dan wel ongeveer gissen, waar wij zijn, als wij eens land voor ons +zien. Het is nu omtrent middag,” vervolgde Flink, terwijl hij +zijne berekening maakte; „de zon rijst heel +langzaam.—Zoo’n kind is toch een gelukkig schepsel! Zie +eens, mijnheer, spelen uwe kleintjes daar niet zoo vroolijk, alsof er +geen gevaar in de wereld was en ze thuis in de kinderkamer waren? +Ofschoon er niets is, dat mij meer leed doet, als het gebeurt denk ik +toch vaak, mijnheer, dat het een werkelijk geluk voor zulk een wicht +is, als het al vroeg wordt weggenomen en dat de ouders niet goed doen, +daar zoo bitter over te klagen.”</p> +<p>„Gij kunt gelijk hebben,” gaf de vader ten antwoord en +wierp daarbij een treurigen blik op zijne lievelingen.</p> +<p>„Het is twaalf uren, mijnheer. Ik ga beneden gauw onze breedte +berekenen en zal dan de kaart hier meebrengen.”</p> +<p>Mijnheer Wilson bleef boven. Spoedig was hij in diepe, sombere +gedachten verzonken. Geen wonder ook! Het schip een zinkend, verlaten +wrak,—hij alleen op de breede watervlakte met vrouw en +kinderen,—niemand tot zijnen bijstand dan een enkel mensch: en +had ook deze ééne hem eens verlaten, gelijk de overigen +deden, wat ware dan waarschijnlijk zijn lot geweest? De uiterste +hulpeloosheid. En nu, wat hadden ze nu te hopen? Hunne stoutste hoop +was, nog eenig eiland te bereiken en, gelukte dit, wellicht was het dan +een woest eiland, misschien zelfs wel door wilden bewoond.—Wat +was dan het vooruitzicht?—Vermoord te worden of van honger en +dorst om te komen! Of gesteld ook, dat zij de middelen tot hun +levensonderhoud vonden, wat dan nog? Zouden zij hun leven daar slijten +moeten en onbekend en onbemerkt wegsterven? Het was eerst nadat hij +deze treurige gedachten als met geweld had verbannen, dat de bedrukte +<span class="pagenum">[<a id="pb34" href="#pb34" name= +"pb34">34</a>]</span>man gevoelde moed te bezitten, om elke beproeving, +die hem nog verder mocht worden opgelegd, als man door te staan.</p> +<p>„Hier is de kaart, mijnheer,” riep Flink. „Ik heb +met eene potloodstreep onze breedte aangeduid. Zooals gij ziet, gaat +zij juist midden door deze groep eilanden, en, naar ’t mij +voorkomt, moeten wij er op dit oogenblik reeds tusschenin of er althans +niet ver meer af zijn. Nu wil ik zorgen, dat wij vanmiddag iets te +schaften krijgen, en dan moeten wij op den uitkijk, of zich ook land +vertoont. Wilt gij onderwijl uwe oogen maar gebruiken, vooral naar +voren en lijwaarts uit?”</p> +<p>De onvermoeide man ging zien, wat hij voor den maaltijd bijeen kon +brengen; en gebrek daaraan bestond er niet, daar de matrozen bij hun +vertrek slechts weinig en wat het naast bij de hand lag hadden +meegenomen. Weldra vond hij een stuk pekelspek en eenige aardappelen, +die hij in de braadpan legde en waarvan hij zich een voor de +omstandigheden kostelijk gerecht beloofde.</p> +<p>Mijnheer Wilson stond nog voorop en zag over den boeg uit, toen de +stuurman weer bij hem kwam.</p> +<p>„Flink, mij dunkt, ik zie iets, doch ik kan niet met zekerheid +zeggen, wat het is. Het schijnt in de lucht te hangen en toch kunnen +het geen wolken zijn. Zie eens, dáár, waar ik met den +vinger heen wijs.”</p> +<p>„Gij hebt gelijk, mijnheer,” riep Flink; „daar is +iets. Het is niet het land, dat gij ziet, maar ’t zijn boomen, +die weerkaatst worden, gelijk men het noemt, waardoor het den schijn +heeft, of zij in de lucht zweefden. Dit is een eiland; gij kunt daar +staat op maken. Ik ga mijn kijker halen en dan zullen wij meer +zien.”</p> +<p>„Het is werkelijk land mijnheer,” verzekerde hij, na het +door zijn kijker te hebben opgenomen.—„Ja, ja, het is +zoo,” ging hij nadenkend voort. „Ik wenschte, dat wij het +vroeger ontdekt hadden; en toch moeten wij dankbaar zijn.”</p> +<p>„Hoe zoo, Flink?”</p> +<p>„Ik meen maar.... daar het schip zoo langzaam over het water +glijdt, vrees ik, dat wij de kust niet voor den donker halen zullen, en +ik had die liever nog bij daglicht bereikt, om eene gunstige plaats tot +stranden te kunnen kiezen.”</p> +<p>„Er is weinig wind op dit oogenblik.”</p> +<p>„We willen dan hopen, dat we wat meer krijgen,” +antwoordde Flink; „zoo niet, zullen we toch ons best doen. Maar +nu is mijne plaats aan het roer, want wij moeten recht op het eiland +aanhouden. Het te laten liggen gaat <span class="pagenum">[<a id="pb35" +href="#pb35" name="pb35">35</a>]</span>niet, want ofschoon het schip +niet zooveel water meer maakt, als het gedaan heeft, wil ik u toch wel +zeggen, dat het zich bezwaarlijk vierentwintig uren meer boven zal +kunnen houden. Toen ik dezen morgen in het ruim peilde, dacht ik +anders, maar daareven, bij het halen van het vleesch, ontdekte ik, dat +wij in grooter gevaar verkeeren, dan ik had geloofd. Het land ligt daar +nu echter vóór ons en wij hebben alle hoop.”</p> +<p>„Gelukkig!” sprak mijnheer Wilson.</p> +<p>Flink begaf zich aan het roer en richtte den koers recht op de kust, +die niet zoo ver af lag, als men in den beginne geloofd had, daar het +eiland zeer laag en vlak bleek te zijn. Van lieverlede verhief de wind +zich eenigermate en dreef het schip rasscher voort. Aldra zag men de +boomen, die eerst in de lucht schenen te zweven, te gelijk met het land +en kon men dit als een laag, met groepen van kokosboomen overdekt +koraaleiland onderscheiden. Van tijd tot tijd vertrouwde Flink het roer +aan mijnheer Wilson toe en ging naar voren, om door zijn kijker te +turen. Toen zij nog drie of vier mijlen van land verwijderd waren, kwam +Flink van den bak terug en riep: „Ik geloof mijn weg nu vrij +duidelijk voor mij te zien. Ge ziet, we zijn loefwaarts van het eiland +en zulke koraalbanken hebben dáár altijd diep water, maar +de klippen en ondiepten aan lij. We moeten de eene of andere kleine +kloof in het koraal opzoeken en het schip daar doorheen brengen, omdat +het anders licht weer van den grond afraakt en in het diepe water +terugvalt. Mij dunkt, ik heb al een plek in ’t oog, waar ik het +schip veilig op het droge kan zetten. Gij ziet daar die kokosboomen +dicht bij elkander op het strand? Welnu, mijnheer, ik kan ze niet goed +zien, terwijl ik het roer houd, maar ga gij naar voren en let wel op. +Moet ik meer rechts sturen, steek dan de rechter-, meer links, steek +dan de linkerhand op en zijn wij in de juiste richting, dan laat gij de +hand weer zakken.”</p> +<p>„Ik begrijp u volkomen,” antwoordde mijnheer Wilson, die +nu naar voren ging en den koers bedachtzaam aangaf. Zoo kwam men +allengs nader. Op eene halve mijl afstands van de kust verkreeg het +water eene andere kleur, waarover Flink zich zeer verheugde, doordien +hij daaruit afleidde, dat de oever in dit geval minder steil dan +gewoonlijk zijn zou. Niettemin was het toch een beangstigend gevoel, +zoo op een geheel onbekend strand aan te loopen. Nog slechts eene +kabelslengte waren zij daarvan af en nog schuurde het schip den grond +niet. Nog wat verder en een dof gekraak steeg uit de diepte op, +’t was het breken en afbrokkelen der koraalboomen, die in gansche +wouden onder het water voortwassen.—Toen opnieuw een gekraak, +doch ditmaal sterker dan eerst;—<span class="corr" id="xd21e855" +title="Bron: Toen">toen</span> herhaalde malen eene slingerende +<span class="pagenum">[<a id="pb36" href="#pb36" name= +"pb36">36</a>]</span>schommeling;—toen een schok, een stoot, die +het wrak, nu de branding het voor de laatste maal in de hoogte beurde, +tot in zijn binnenste deed sidderen en kreunen;—toen bleef het +vast en onbeweeglijk zitten. Flink liet het roer varen, om zich van de +ligging van het schip te overtuigen. Hij zag over den boeg naar alle +zijden rond en bevond, dat het geteisterd wrak van het zoo trotsche +schip De Vrede op een bed van koraalklippen roerloos vastzat.</p> +</div> +</div> +<div id="ch8" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">ACHTSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">TROOST IN HET ONGELUK.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Nauwelijks was dit gebeurd, of Willem kwam uit de +kajuit aanloopen en riep: „Vader, moeder zendt mij bij u. Zij is +wakker geworden door het gekraak van het schip en zeer ontsteld. Wilt +gij niet eens bij haar komen?”</p> +<p>„Ja, mijn beste jongen, dadelijk,” was het antwoord.</p> +<p>„Wat is er dan toch, lieve, en waar zijt gij allen +geweest?” riep mevrouw Wilson, toen haar man voor haar bed trad. +„Ik ben zoo geweldig verschrikt:—ik lag gerust in slaap en +werd door een vreeselijk leven gewekt.”</p> +<p>„Wees gerust, lieve,” antwoordde haar echtgenoot. +„Wij hebben in groot gevaar verkeerd, maar thans, hoop ik, zijn +wij behouden. Zeg mij, voelt gij u niet beter na uwe lange +rust?”</p> +<p>„O ja, veel beter—veel sterker; doch zeg mij toch, wat +er gebeurd is.”</p> +<p>„Veel, veel, beste vrouw, reeds voordat gij in slaap waart. +Wij hebben ’t voor u geheim gehouden; maar thans, nu wij +denkelijk spoedig aan land zullen gaan—<span class="corr" id= +"xd21e877" title="Bron: ..">...</span>”</p> +<p>„Aan land gaan?”</p> +<p>„Ja, aan land. Welnu, wees maar bedaard en laat mij u +vertellen, wat er al is voorgevallen en hoezeer wij reden hebben om +dankbaar te zijn.”</p> +<p>Mijnheer Wilson gaf nu een nauwkeurig verslag van al het tot dusver +gebeurde. Zijne vrouw hoorde hem aan zonder een woord te spreken, maar +toen hij geëindigd had, zonk zij in zijn armen en weende +bitterlijk. Hij deed alles om haar te troosten, tot eindelijk Juno met +de kinderen terugkwam, want het was vrij laat geworden.</p> +<p>„Nu, mijnheer,” riep Flink, toen de heer Wilson weer bij +hem op het dek kwam, „ik heb eens goed rondgekeken en vind, dat +wij alle reden hebben <span class="pagenum">[<a id="pb37" href="#pb37" +name="pb37">37</a>]</span>om blij en dankbaar te zijn. Het schip ligt +vast genoeg en zal zich niet verroeren, totdat er een nieuwe storm komt +en het in stukken slaat. Zoo iets is echter vooreerst niet te vreezen. +De weinige wind, die er nu nog is, gaat langzamerhand liggen en nog +vóór den dag van morgen zullen wij volmaakt stil weer +hebben.”</p> +<p>„Ik geef toe, Flink, dat er geen dadelijk gevaar is; maar hoe +zullen wij aan wal komen—en, zijn wij daar, waarvan in de +toekomst leven?”</p> +<p>„Ook daarover heb ik nagedacht en ik zal uw en zelfs Willems +bijstand verzoeken, om de kleine boot aan boord te krijgen, waar ik ze +kalefateren kan. De kiel is beschadigd, maar ik heb het timmermanswerk +meer bij de hand gehad en met wat dik geteerd zeildoek zal ik haar wel +zoo waterdicht maken, dat zij ons allen veilig aan land +brengt.”</p> +<p>„En als wij nu aan land zijn?”</p> +<p>„Ei, mijnheer, waar kokosboomen in zoo groote menigte +voorhanden zijn, als op het eiland vóór ons, is zeker +geen hongersnood te vreezen, zelfs als wij niet nog al den proviand van +ons schip hadden. Leelijker zal het er licht met het water uitzien, +want het eiland is laag en smal; maar een mensch kan ook niet +verwachten alles altijd zoo te vinden, als hij het juist +wenscht.”</p> +<p>„Ik dank den hemel voor onze aanvankelijke redding, mijn +vriend; maar heb toch nog altijd een gevoel van onrust in mijne borst, +dat ik niet meester kan worden. Wij hebben hier zulk een woest eiland +voor ons, dat misschien nooit door een ander schip wordt aangedaan, +zoodat er weinig hoop voor ons is, om het ooit weer te kunnen verlaten. +Hier zullen wij leven en sterven,—hier zullen mijne arme kinderen +opgroeien—ja zelfs oud worden, nadat zij u en hun vader en moeder +begraven hebben, en dan zullen zij die volgen in hetzelfde graf. Al +hunne vooruitzichten en ook de mijne—ze zijn verijdeld,—al +mijne verwachtingen teleurgesteld. O, het is een treurig, ja een wreed +lot, Flink! Moet gij dat zelf niet erkennen?”</p> +<p>„Mijnheer Wilson, in vergelijking met u ben ik een oud man, en +als zoodanig mag ik wel zeggen, dat gij u ondankbaar toont, wanneer gij +op die wijze aan uwe smart toegeeft. En bovendien, wie weet of uit het +schijnbaar kwaad niet nog veel goeds voor ons kan voortvloeien? Gij +spreekt daar van uwe kinderen en hunne vooruitzichten, mijnheer; maar +kunt gij wel zeggen, wat hun lot zou geweest zijn, als zij Sidney +gelukkig bereikt hadden? Hoevele kinderen geven aanleiding tot de +schoonste verwachtingen! En als zij tot rijpheid komen, vervullen zij +dan altijd de hoop hunner ouders? Vergeef mij, mijnheer Wilson, ik hoop +U niet beleedigd te <span class="pagenum">[<a id="pb38" href="#pb38" +name="pb38">38</a>]</span>hebben, maar waarlijk, ik voel mij verplicht +zoo te spreken, als ik gedaan heb.”</p> +<p>„Gij hebt mij met volle recht bestraft, Flink, en van ganscher +harte dank ik u daarvoor,” antwoordde de ander en drukte den +zeeman diep bewogen de hand. „Ik wil niet langer klagen, neen; ik +wil mij, zoo goed ik kan, aan mijn lot onderwerpen. Ik moet mij van nu +af onder uwe orders stellen; want in onzen tegenwoordigen toestand zijt +gij mijn meerdere: kennis en ervaring is hier zooveel als macht. Kunnen +wij vandaag nog iets doen?”</p> +<p>„Ik wel, mijnheer Wilson, maar gij kunt mij morgen vroeg eerst +helpen. Ofschoon neen, wacht—gij kunt mij deze twee spieren nog +naar ’t achterdek helpen dragen; dan kan ik een bok opzetten en +alles voor morgen klaarmaken, om de boot in te zetten. Gij ziet zelf, +met zoo weinig armen aan boord en zonder masten, moeten we onze eigen +krachten wel beproeven.”</p> +<p>De heer Wilson deed wat van hem verlangd werd. „Ga thans +gerust naar beneden, mijnheer,” zeide Flink; „maar laat +Willem vooral de honden losmaken en hun wat te eten geven. De arme +dieren hebben wij immers geheel vergeten. Ik zal van nacht wacht +houden, want ik heb nog veel te doen en te overleggen; en dus wel te +rusten, mijnheer.”</p> +<p>Toen Flink alleen was, bond hij de spieren van boven stevig aan +elkaar vast en maakte een takel gereed voor den volgenden morgen. Nadat +dit verricht was, zette hij zich op een der kippenhokken neder en +verzonk in gepeins. In ’t eind door waken en vermoeienis +uitgeput, viel de oude man in diepen slaap. Met het aanbreken van den +dag werd hij gewekt door de honden, die, door Willem losgelaten en +nadat ze in het schip de ronde gedaan en niemand gevonden hadden, weder +naar de kajuit waren teruggekeerd en voor de deur waren ingeslapen. +Toen zij met zonsopgang weer op het dek kwamen en daar den ouden Flink +op het hoenderhok slapende vonden, sprongen zij bij hem op en +<span class="corr" id="xd21e913" title="Bron: lekten">likten</span> hem +vol blijdschap de handen en het gezicht. „Aha,” zeide de +oude man, terwijl hij van zijn hard leger opstond, „gij zult alle +drie van nut zijn, verbeeld ik mij. Koest Viven, koest—arme dier! +Gij hebt een goeden meester verloren, naar ik vrees.” +„Stil—laat mij nu eens zien,” vervolgde hij, in +zichzelf sprekende. „Eerst,—maar ik wil de lei en een stuk +krijt halen en alles opschrijven; want mijn geheugen is niet zoo goed +meer als in mijne jonge jaren.”</p> +<p>Flink legde de lei op het hoenderhok en schreef daar toen met krijt +op: <span class="corr" id="xd21e919" title= +"Niet in bron">„</span>drie honden, twee geiten en Billy; de big +(ik meen, dat wij vijf varkens <span class="pagenum">[<a id="pb39" +href="#pb39" name="pb39">39</a>]</span>hadden in ’t geheel; +hoenders die zijn er genoeg); drie of vier paar duiven (zooveel zeker); +(de koe is gaan liggen en zal wel niet meer opstaan;—dan moeten +wij haar slachten); dan het paar merino-schapen, dat mijnheer Wilson +toekomt. Aan levend vee dus geen gebrek. Nu—wat hebben we eerst +noodig, als we allen aan wal zijn?—Een spier en het +groot-bramzeil tot een tent, of twee trossen, een paar matrassen voor +mevrouw en de kleinen, twee bijlen, hamer, boor en spijkers; wat te +eten—ja en ook wat om dat te snijden.—Ziezoo, dat is voor +een gezin genoeg,” besloot Flink zijne alleenspraak. „Nu +wil ik schielijk vuur aanmaken, ’t water overhangen en, daar ik +dat toch heb, een paar stukken rund- en varkensvleesch koken om mee aan +land te nemen. Dan wil ik mijnheer roepen, want ik reken, dat wij een +zwaren werkdag in het vooruitzicht hebben.<span class="corr" id= +"xd21e924" title="Niet in bron">”</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch9" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">NEGENDE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">HET EILAND.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Zoodra Flink het voorgenomene verricht en de dieren +gevoederd had, ging hij in de kajuit en wekte vader en zoon. Met +vereenigde krachten werd de bok opgericht en vastgezet; vervolgens +haakte men de boot in, maar om deze onbeschadigd over het boord te +hijschen, werd nog de hulp van een vierden persoon vereischt.</p> +<p>„Willem, loop schielijk naar Juno en zeg haar, dat zij op het +dek moet komen, om ons te helpen;—wij moeten allen de handen uit +de mouw steken! Uw moeder zal de kleinen wel een poosje bij zich +nemen.”</p> +<p>De knaap was in een ommezien met Juno terug, die eene sterke meid +was en braaf hielp om de boot uit te zetten, waarna zij naar de kajuit +terugkeerde.</p> +<p>De boot werd onderstboven gekeerd en Flink begon zijn arbeid, +terwijl mijnheer Wilson den teerpot op het vuur zette en alles +gereedmaakte, om het zeildoek, zoodra ’t was opgespijkerd, +behoorlijk te teren. Het liep reeds tegen den middag, toen Flink, die +er duchtig op los hamerde, met het lappen der boot klaar kwam. Nu moest +hij die nog met zeildoek bekleeden, dat vooraf door en door goed met +teer was doortrokken.</p> +<p>„Zoo, denk ik, zal het wel gaan, mijnheer,” zeide hij. +„Wij moeten haar <span class="pagenum">[<a id="pb40" href="#pb40" +name="pb40">40</a>]</span>nu naar den valreep brengen en in zee laten. +Het is een geluk voor ons, dat zij de verschansing al vroeger +weggenomen en ons daardoor nu vrij wat moeite bespaard +hebben.<span class="corr" id="xd21e944" title= +"Niet in bron">”</span></p> +<p>Er werd een touw aan de boot vastgemaakt. Vervolgens werd zij door +de beide mannen met vereende krachten neergelaten en scheen, tot hunne +groote blijdschap, slechts weinig water in te laten.</p> +<p>„Wat dunkt u nu ’t best, mijnheer: zullen wij eerst de +kinderen of liever vooraf het noodzakelijkste aan land +brengen?”</p> +<p>„Hoe denkt gij daar zelf over, Flink?”</p> +<p>„Ik? Ei, mij dunkt, daar het water nu zoo glad als een spiegel +is en wij ook overal landen kunnen, moesten gij en ik maar eerst +overroeien, om de kust eens op te nemen. Het is slechts een klein +tochtje en zal ons weinig tijd doen verliezen.”</p> +<p>„Zeer goed, Flink; maar eerst wil ik dat even aan mijne vrouw +gaan zeggen.”</p> +<p>„En in dien tusschentijd zal ik het zeil en eenige andere +dingen in de boot brengen; dan gaat er geen tijd verloren.”</p> +<p>Flink haalde het zeil, eene bijl, een geweer en eenig touwwerk. +Mijnheer Wilson was spoedig terug. Toen lieten zij zich zakken in de +boot en roeiden naar het land.</p> +<p>Bij het betreden van den wal bevonden zij, dat zij van het binnenste +van het land niets zien konden, wijl de kokosboomen overal zoo dicht +stonden. Aan hunne linkerhand echter, op ongeveer een vierde mijl +afstands, ontdekten zij eene kleine zandige bocht, geheel omgeven met +struikgewas, dat zich tot aan het hooge woud uitstrekte.</p> +<p>„Daar,” riep Flink, met den vinger er heen wijzende, +„daar is onze plaats. Laat ons weer in de boot gaan en er heen +roeien; het is een korte afstand voor ons, maar zou een lange weg zijn, +indien wij ons goed er naar toe moesten sleepen.”</p> +<p>In weinige minuten bereikten zij de bocht; het water had weinig +diepte en was zoo helder als kristal, zoodat zij de fraaiste schelpen +op den bodem ontdekten en zagen hoe de visschen in alle richtingen +vroolijk voortschoten.</p> +<p>Het vlakke oeverzand liep bij de vijftig passen landwaarts in en dan +nam het kreupelbosch een aanvang, dat zich, met hier en daar een +enkelen kokosboom daartusschen, bijna even ver uitstrekte, tot het ten +laatste het hooge woud bereikte. Na weinige riemslagen schuurde de boot +het witte zand en zij stapten aan wal. <span class="pagenum">[<a id= +"pb41" href="#pb41" name="pb41">41</a>]</span></p> +<p>„Welk eene heerlijke plek is dit!” riep de heer Wilson; +<span class="corr" id="xd21e973" title="Niet in bron">„</span>en +wellicht werd zij nog nooit door een sterveling betreden.”</p> +<p>„Zoo gij het goedvindt,” antwoordde Flink, „willen +wij het bosch een eind weegs ingaan. Neem echter het geweer mede, +mijnheer. Niet, dat er veel kans is, dat wij het noodig zullen hebben; +men vindt zelden een wild dier op deze kleine eilanden, of ’t +mochten soms een paar zwijnen zijn, er vroeger aan land +gezet,—maar men kan toch niet te voorzichtig zijn. Ik heb vroeger +met een kapitein gevaren, die zelden een woest eiland aandeed, zonder +er een paar biggen of eenig ander gedierte tot aanfokking achter te +laten, voor ’t geval, dat eens een mensch daar schipbreuk lijden +mocht. Een mooie trek, niet waar?”</p> +<p>„Dat was het zeker, vriend. Ziehier het bosch dan; wat wilt +gij nu?”</p> +<p>„Ik zag naar eene plek uit, om voor het oogenblik eene tent op +te slaan, mijnheer, en geloof, dat deze kleine hoogte daartoe wel +geschikt is, totdat wij verder onderzoek doen en een betere woonstee +vinden kunnen. Nu dadelijk hebben wij echter geen tijd, want wij dienen +nog vrij wat riemslagen te doen, voordat het avond wordt. Mij dunkt, +wij moesten het zeil en het andere goed nu eerst maar aan wal brengen +en dan weer naar boord gaan.”</p> +<p>Onder het terugroeien naar het wrak, zeide Flink: „Daar bedenk +ik, mijnheer, wat mogelijk wel het best zal zijn. Mevrouw zal zich toch +niet al te ongerust maken, als gij niet bij haar zijt?—Zoo niet, +zou ik zeggen, dat wij Juno en den kleinen Thomas eerst aan land +moesten brengen, omdat zij daar dadelijk van dienst kunnen +zijn.”</p> +<p>„Ik geloof niet, dat zij zich beangst zal maken, als wij haar +met Willem en de kinderen aan boord achterlaten, wanneer ik maar weer +bij haar ben, als zij met het kleintje het schip verlaat.”</p> +<p>„Welnu, zooals gij goedvindt, mijnheer. Wij laten Willem dus +aan boord en ditmaal zet ik Juno met den kleinen Thomas over. Ook wil +ik daarbij de honden niet vergeten; zij kunnen tot onze bescherming +strekken, ingeval er iets gebeuren mocht. Terwijl gij met Juno aan land +dan bezig zijt, roei ik terug en haal de andere dingen, die wij voor +een begin noodig hebben.”</p> +<p>Terstond toen zij op het schip aankwamen, snelde mijnheer Wilson +naar zijne vrouw om haar door het verhaal van wat zij gezien hadden te +verblijden, en verkreeg ook gereedelijk hare toestemming tot het door +Flink ontworpen plan. Terwijl de heer Wilson beneden was, had Flink de +beide spieren, waaruit de bok bestond, losgebonden en ze in ’t +water neergelaten, om ze aan een stuk touw aan de boot met deze naar +den oever te boegseeren. <span class="pagenum">[<a id="pb42" href= +"#pb42" name="pb42">42</a>]</span>Een paar minuten later verscheen Juno +met Thomas op het dek. Flink pakte nog eenig timmergereedschap benevens +een paar spaden in de boot, haalde ten laatste de honden nog, en voor +de tweede maal landden zij in de zandige bocht. Thomas staarde langen +tijd als verbijsterd rond, maar sprak geen woord, totdat hij aan het +strand eenige bonte schelpen ontdekte, waarover hij luide juichkreten +aanhief en die hij met beide handen begon op te rapen. De honden +blaften en liepen in hun blijdschap, dat zij eindelijk weer op vasten +grond waren, als dol en uitgelaten heen en weer. Ook Juno lachte en +klapte in de handen, toen zij in het rond zag, en zeide tot Flink: +„Wat ijselijk mooi land hier is, hier ikke wel wonen +wil.”</p> +<p>„Nu zal ik een tijdlang met u aan land blijven, mijnheer +Wilson,” zeide de oude zeeman. „Eerst willen wij het geweer +laden, en dan moet gij dien kleinen jongeheer eens terechtzetten, die +merk ik, alles met handen voelen en tasten moet. Wij met ons beiden +zullen het zeil hierheen dragen; Juno kan het gereedschap nemen, en dan +hebben wij nog eene vracht aan de spieren, het touw en wat wij meer +vinden. Kom, kleine handjegauw, gij kunt althans een van de spaden +dragen en dan zijt gij toch ook tot iets nut. Geen van ons mag vandaag +luieren.”</p> +<p>Na eene lading op de kleine, vroeger door Flink gekozen hoogte +gebracht te hebben, keerden zij naar het strand terug en haalden de +spieren en het verdere gereedschap. Thomas droeg deze tweede reis de +andere schop en was niet weinig trotsch, dat men hem zoo goed gebruiken +kon.</p> +<p>„Deze beide boomen zijn volmaakt tot ons doel geschikt,” +zeide Flink, „en staan ook juist ver genoeg van elkander. Wij +moeten de spieren daar bovenaan vastbinden en dan het zeil daarover +werpen, dat hierop aan weerszijden met pinnen in den grond wordt +vastgemaakt. Dat is althans voldoende voor een begin; de volgende reis +breng ik nog meer zeildoek over en dan maken wij tusschen gindsche twee +boomen nog een tweede tent. Dan hebben we voor ’t minst toch onze +twee tenten: de eene voor mevrouw, Juno en de beide jongens, de andere +voor Willem, onzen knappen Thomas hier en ons beiden. Nu, mijnheer, zal +ik u de spieren nog helpen vastmaken. Het overige moet ik dan aan uw +eigen zorg overlaten, om spoedig weer aan boord terug te +zijn.”</p> +<p>„Hoe kunnen wij echter zoo hoog reiken, Flink?”</p> +<p>„Wel, dat is zeer eenvoudig. Wij binden eerst de eerste spier +zoo hoog als wij met gemak doen kunnen; dan klimmen wij daarop en +brengen de volgende waar zij behoort. Ik zal nog eene spier aan wal +brengen, die voor de tweede tent kan dienen.”</p> +<div class="figure xd21e1005width"><img src="images/p043.jpg" alt= +"Het kostte vrij wat moeite om allen goed in de boot te krijgen." +width="485" height="720"> +<p class="figureHead">Het kostte vrij wat moeite om allen goed in de +boot te krijgen.</p> +</div> +<p><span class="pagenum">[<a id="pb43" href="#pb43" name= +"pb43">43</a>]</span></p> +<p>Zoodra de spier op de vereischte hoogte vastzat, wierpen zij het +zeil daarover en bij het uitbreiden daarvan bevonden zij, dat zij eene +zeer bruikbare tent van behoorlijke hoogte verkregen hadden.</p> +<p>„Nu, mijnheer, ga ik weer naar boord. Gij kunt inmiddels van +het hout daar prikken snijden en het zeil daarmee in den grond +vastslaan. Als gij dan met de schop den tentrand met zand bedekt, dat +de einden neerdrukt, zal alles redelijk goed sluiten. Hier is mijn mes, +zoo gij er zelf geen bij u hebt.”</p> +<p>„Ik zal in alles mijn best doen,” verzekerde mijnheer +Wilson. „Als ik zoover ben, kan Juno mij het doek vast helpen +aantrekken.”</p> +<p>„Goed; en onderwijl neemt Juno eene schop en maakt den grond +onder de tent schoon en effen, ruimt alle dorre kokosbladeren weg en +ziet daarbij wel toe, dat er niet het een en ander ongedierte onder +schuilen blijft. Gij kleine Tom, moet niet wegloopen en moogt ook niet +bij de bijlen komen, want zoodra ge die aanraakt, snijden ze u. Ook +moeten wij afspraak maken, mijnheer, dat gij, zoodra u iets overkomt en +gij mij noodig hebt, dadelijk het geweer lost. In een oogenblik ben ik +dan bij u. Maar dat is wel niet waarschijnlijk,” besloot Flink +eindelijk, ging naar de baai, stapte in de boot en roeide naar het +schip terug.</p> +</div> +</div> +<div id="ch10" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">TIENDE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">LANDING.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Na zijne komst aan boord ging Flink eerst in de +kajuit, om mevrouw Wilson te vertellen wat er al gedaan was. Deze was +natuurlijk eenigszins bezorgd, dat haar man zoo alleen was +achtergebleven; maar Flink stelde haar weder gerust en zeide haar, hoe +hij met mijn heer Wilson was overeengekomen, dat deze bij het geringste +onraad door het losbranden van zijn geweer een teeken geven zou.</p> +<p>Hierop begaf hij zich naar de zeilkooi, om eenig doek, een nieuw +bramzeil benevens bindtouw, naalden en zeilgaren te halen. Nauwelijks +had hij dit opgepakt, toen op eens, juist toen hij zijn voet op de trap +zette, de knal van een geweer gehoord werd en mevrouw Wilson, doodelijk +verschrikt, uit de kajuit kwam vliegen. De oude man nam oogenblikkelijk +een ander geweer, liet zich daarmee in de boot afzakken en repte zich, +wat hij kon, <span class="pagenum">[<a id="pb44" href="#pb44" name= +"pb44">44</a>]</span>naar de kust. Toen hij geheel buiten adem +aanlandde, vond hij mijnheer en Juno aan de tent bezig, Thomas zat +daarbij en schreide en snikte al zijn best. Gelijk nu bleek, was de +kleine deugniet, terwijl de anderen druk aan ’t werk waren, naar +het geweer geslopen, dat men tegen een boom had gezet. Na het een +poosje van alle kanten bekeken te hebben, kwam hij met de hand aan den +trekker. Het schot viel. Daar echter de tromp van ’t geweer +gelukkig naar boven gericht was, deed het niemand schade, ofschoon het +den kleinen schutter toch duur te staan had kunnen komen,—en wee +onzen Thomas, als die hem op het hoofd ware gevallen! Hij zou er dood +onder gebleven zijn. Zijn vader, die wel <span class="corr" id= +"xd21e1030" title="Bron: berijpen">begrijpen</span> kon wat +ontsteltenis dat schot aan boord veroorzaken moest, had hem duchtig +onder handen genomen, en daar zat Thomas nu en schreide tranen met +tuiten, om te toonen, hoe bitter berouw hij had.</p> +<p>„’t Zal wel het best zijn, dat ik dadelijk terugroei en +mevrouw zeg wat hier gebeurd is,” zeide Flink.</p> +<p>„Ja, doe dat, mijn goede vriend,” bad mijnheer Wilson +hem.</p> +<p>Dus keerde de oude man naar het schip terug en berichtte het +<span class="corr" id="xd21e1039" title= +"Bron: voorgegevallene">voorgevallene</span>. Vervolgens ging hij aan +zijn arbeid. Vooreerst liet hij des zeilmakers zak met al het noodige, +als priemen, garen, enz., in de boot neer, vervolgens twee matrassen en +beddedekens uit de bovenkajuit, de bakpan met het pekelvleesch en +eindelijk nog een spier, die hij weder achter aan de boot vastmaakte. +Daarmee had hij zijne lading overvol; doch daar hij anders geen volk +inhad, kwam hij nog al spoedig over. De twee aan land hielpen hem alles +naar de hoogte overbrengen en hier werd de nokbalk der tweede tent +spoedig aan twee andere boomen vastgehecht. Juno had de eerste tent van +binnen netjes schoongemaakt en daarbij, naar zij verzekerde, geenerlei +dier of insect onder het dorre loof gevonden. Voordat Flink vertrok, +gaf hij Thomas een stok in de hand en zeide hem op het vleesch te +passen en toe te zien, dat de honden daar niet bij kwamen; waarop +Thomas, die al weer in vroolijk humeur was, zijn stok schouderde en zoo +parmantig op schildwacht stond als een oud grenadier.</p> +<p>Onze stuurman roeide nog tweemaal naar het schip en bracht meer +beddegoed, een zak met scheepsbeschuit, een tweeden met aardappelen, +borden, messen, lepels, vorken en allerlei keukengereedschap van daar +mede. Hierop wees hij Juno, hoe zij de einden van de eerste tent met +het garen en ’t zeildoek, dat hij had meegebracht, aaneen moest +hechten; zoodat de tent rondom dicht en goed gesloten werd; en Juno nam +naald en draad en piekte er dapper op los. Uiterst voldaan, dat het +meisje zoozeer haar <span class="pagenum">[<a id="pb45" href="#pb45" +name="pb45">45</a>]</span>best deed en zich zonder vreemde hulp redden +kon, zei Flink ten laatste: „Mijnheer, wij hebben nog maar twee +uren dag en het begint dus tijd te worden, dat ook mevrouw van het +schip komt. Als ge ’t goedvindt, willen we gaan en haar met de +kinderen halen. Voor den eersten nacht aan land zullen wij het, denk +ik, vrij goed hebben. Zoo ’t weer goed blijft, kunnen wij morgen +een heel stuk verder komen,—en waarlijk, ’t is noodig dat +wij, zoolang het zóó blijft, ons uiterste best doen, om +alles aan wal te krijgen, daar één duchtige storm het +wrak waarschijnlijk geheel in stukken zal slaan. Ik heb alles zelf mee +in het ruim helpen stuwen en weet de meeste dingen daar te vinden +ofschoon wij er, vrees ik, niet veel meer uit zullen krijgen, dat ons +van dienst kan zijn.”</p> +<p>Aan boord gekomen, ging mijnheer Wilson zijne vrouw dadelijk het +voorstel doen, om thans mee aan land te gaan. Zij was zeer aangedaan en +nog zwak en ongesteld, maar toch hield zij zich recht moedig en kwam, +ondersteund door haar man, op het dek, waarheen Willem met zijn kleine +broertje op den arm volgde, terwijl Flink zijne zuster Caroline aan de +hand leidde. Het koste vrij wat moeite om allen goed in de boot te +krijgen; maar dit gelukte toch eindelijk. De arme vrouw was echter zoo +zwak, dat haar man haar in zijne armen overeind moest houden en zijn +riem aan Willem overgeven. Zij landden gelukkig en brachten de zieke in +de tent, waar men haar op een der bedden nederlegde. Zij verzocht om +een weinig water.</p> +<p>„En ik, oude domkop, heb vergeten dat mee te nemen; doch ik ga +het terstond halen,” riep Flink. „Zoo druk allen mogelijken +voorraad over te slepen en toch het allernoodzakelijkste voor den +mensch te vergeten! Wij moeten zoo spoedig mogelijk hier op dit eiland +naar water omzien daar dit ons vrij wat moeite kan besparen.”</p> +<p>Flink keerde zoo snel mogelijk naar boord terug en bracht twee +vaatjes water mede, welke hij en Willem naar de tent rolden.</p> +<p>„Voor vandaag heb ik nu mijne laatste reis gedaan,” +zeide de oude man. „Ik ben moe—doodmoe<span class="corr" +id="xd21e1055" title="Bron: ,">.</span>”</p> +<p>„Dat geloof ik wel, mijn goede vriend,” antwoordde +mijnheer Wilson. „Gij hebt vele nachten achtereen gewaakt en over +dag hard gearbeid. Aan verder werk moet gij heden niet meer +denken.”</p> +<p>„En ik heb geen eten geproefd vandaag en zelfs geen druppel +water over mijne lippen gebracht,” vervolgde Flink en zette zich +op den grond neder.</p> +<p>„Hoe is het, beste Flink, zijt gij niet wel?” vroeg +Willem. <span class="pagenum">[<a id="pb46" href="#pb46" name= +"pb46">46</a>]</span></p> +<p>„Een beetje flauw, mijn jongen; ik ben niet meer zoo jong als +vroeger. Kunt ge mij wat water aanreiken?”</p> +<p>„Wacht, Willem, dat zal ik doen,” zei zijn vader en +haalde een tinnen kan, die hij pas voor zijne vrouw gevuld had. +„Hier, Flink, drink en wel bekome ’t u!”</p> +<p>„Het zal spoedig beter zijn, mijnheer. Ik zal mij een poosje +neerleggen en dan een beschuit met wat vleesch gebruiken.”</p> +<p>De goede oude man was werkelijk geheel uitgeput, doch na iets +gegeten te hebben, voelde hij zich spoedig veel beter. Juno was zeer +ijverig. Ze had aan de kinderen wat pekelvleesch en beschuit gegeven; +de jongste, benevens Thomas en Caroline, waren te bed gebracht, en de +tweede tent was genoegzaam gereed.</p> +<p>„Voor dezen nacht zal het zeer goed gaan, Juno,” zeide +haar meester. „Wij hebben vandaag veel afgedaan en de rust zal +daar goed op smaken.”</p> +</div> +</div> +<div id="ch11" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">ELFDE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">HET ONTBIJT.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Mijnheer Wilson was den volgenden ochtend de eerste +die ontwaakte en opstond. Hij verliet de tent en liet de oogen in het +rond gaan. De hemel was helder als kristal. Een frisch morgenwindje +streek over de watervlakte en de kleine golfjes speelden op het witte +zand van de bocht. Aan de linkerzijde van deze klom het land tot kleine +heuvels op, boven welke zich de voortzetting van het kokosbosch statig +verhief. Rechts rees eene lange reeks koraalriffen genoegzaam loodrecht +uit de zee op en paalde aan het frissche groen der heuvelhelling en aan +het struikgewas, terwijl het wrak van De Vrede zich, als hoofdfiguur in +deze schilderij, zwart en roerloos, als een gestrand zeemonster, aan +den toeschouwer vertoonde. De zon brandde, waar zij hare stralen werpen +kon, doch onder de kokosboomen, waar Wilson stond, was eene koele +verkwikkende schaduw.</p> +<p>De uitnemende schoonheid van dit tooneel, hoewel eenigszins gematigd +door de treurige vertooning van het gestrande vaartuig, maakte een +diepen indruk op den bekommerden huisvader, die daar in diep nadenken +verzonken stond.</p> +<p>„Ja,” dacht hij, „ware ik de wereld en hare +beslommeringen moe geweest <span class="pagenum">[<a id="pb47" href= +"#pb47" name="pb47">47</a>]</span>en had ik een oord gezocht, waar +vrede en schoonheid om den prijs dingen, ik zou dat hier gevonden +hebben. Hoe heerlijk is dat gezicht hier! Wat kalmte, wat zoeten +weemoed wekt het op? Hoe genadig zijn wij bewaard, toen alle hoop reeds +verdwenen scheen; hoe weldadig werden wij verzorgd na onze werkelijke +redding—en toch—toch waagde ik het te klagen, toen vurige +dankbaarheid mijn eenig gevoel had behooren te zijn!”</p> +<p>Hij keerde naar zijne tent terug. Willem, Thomas en stuurman Flink +lagen nog in diepen slaap. „Brave oude man,” sprak hij bij +zichzelf, <span class="corr" id="xd21e1090" title= +"Niet in bron">„</span>als wij ooit weder in de woelige +samenleving terugkeeren, zal uwe goedheid haar loon erlangen; voor +zoover het in mijne macht staat u te vergelden. Een edel hart is hier +onder de ruwe schors verborgen. Zonder zijne verknochtheid,—zijne +voorbeeldelooze zelfopoffering, zou ik, zouden deze lieve hulpelooze +wezens niet meer bestaan!”</p> +<p>De honden, die in de tent gekropen waren en zich nevens Willem en +Thomas op de matrassen hadden neergelegd, rezen nu op en naderden +vleiend hun meester. Deze beweging deed Willem ontwaken. Zijn vader gaf +hem een wenk, dat hij Flink niet wekken moest, en zachtjes kleedde hij +zich aan en kwam buiten.</p> +<p>„Zal ik niet liever Juno wekken, vader?” vroeg hij. +„Ik kan dat denkelijk wel doen zonder moeder te +storen.”</p> +<p>„Doe het dan, mijn jongen, ik ga onderwijl zien, wat voor +keukengereedschap Flink al aan land heeft gebracht.”</p> +<p>Willem was spoedig terug en berichtte, dat moeder nog gezond en vast +sliep en dat Juno was opgestaan, zonder haar of de beide kleinen wakker +te maken.</p> +<p>„Goed, dan zullen wij zien, of we niet een ontbijt voor hen +gereed kunnen maken, Willem. Deze dorre kokosbladeren zullen heerlijk +branden.”</p> +<p>„Maar, vader, waar krijgen wij het vuur vandaan? Wij hebben +geen tondeldoos en ook geen zwam of vuurslag.”</p> +<p>„Neen, maar er zijn nog andere middelen, mijn zoon, ofschoon +de tondel meestal daarbij noodig is. De wilden maken vuur door een week +stuk hout tegen een hard voorwerp aan te wrijven. Ik vrees, dat ons dit +niet zoo spoedig gelukken zou<span class="corr" id="xd21e1108" title= +"Bron: :">;</span> maar wij hebben kruit en kunnen dit als tondel +gebruiken, als wij ’t nat maken en op een stuk papier of, nog +beter, op zacht hout wrijven. Het kruit aansteken kunnen wij op +<span class="corr" id="xd21e1111" title= +"Bron: tweeërleei">tweeërlei</span> manier: door middel van +steen en vuurslag, of anders met behulp van een brandglas.”</p> +<p>„Maar een brandglas hebben wij niet.”</p> +<p>„Neen; maar wij kunnen er een uit een verrekijker nemen als +wij weer <span class="pagenum">[<a id="pb48" href="#pb48" name= +"pb48">48</a>]</span>eens aan boord komen. Voor ’t oogenblik +hebben wij geen ander middel dan met het geweer.”</p> +<p>„Maar, vader, als ons vuur aan is, wat <span class="corr" id= +"xd21e1122" title="Bron: zulen">zullen</span> wij dan nog koken? Wij +hebben immers thee noch koffie.”</p> +<p>„Dat is waar; ik geloof niet, dat wij een van beide rijk +zijn.”</p> +<p>„Aardappelen hebben wij wel, vader.”</p> +<p>„Ja, mijn jongen; maar dunkt het u niet beter, dat wij ons +vooreerst met koud vleesch en beschuit behelpen en de aardappelen +sparen? Misschien hebben wij die alle noodig om te poten. Doch waarom +gaan wij niet zelven aan boord van het schip? Gij kunt de riemen vrij +goed hanteeren en wij moeten thans leeren arbeiden en niet alles aan +den braven Flink overlaten. Het zal nog wel een tijd aanhouden, voordat +wij zoo handig en op alles gevat zijn als de oude man, maar al doende +leert men, en wij willen ten minste onzen goeden wil toonen. Kom, +Willem.”</p> +<p>Zij gingen naar de bocht. De kleine boot lag nog aan het strand en +schommelde zacht op de spelende golven. Zij bonden ze los en stapten er +in.</p> +<p>„Ik weet, waar de kok zijne thee en koffie bewaarde, +vader,” zei Willem onder het roeien. „Moeder zal die gaarne +bij haar ontbijt hebben, en ik kan ook de geiten melken voor kleinen +Albert.”</p> +<p>Hoewel geen van beiden in het roeien zeer bedreven, kwamen zij toch +spoedig aan de zijde van het wrak en klommen zonder moeite aan boord, +na de boot eerst stevig te hebben vastgebonden.</p> +<p>Willem liep eerst naar de kajuit om thee en koffie te zoeken en liet +zijn vader inmiddels andere benoodigdheden bijeenpakken, terwijl bij de +geiten melkte en de melk in een tinnen schotel deed. Vervolgens goot +hij ze in een zuivere flesch over, opdat zij niet zuur zou worden en +keerde toen naar zijn vader terug.</p> +<p>„Ik heb deze beide korven met eene menigte dingen gevuld, die +uwe moeder zeer welkom zullen zijn, Willem. Wat zullen wij verder nog +meenemen?”</p> +<p>„Dezen verrekijker in allen gevalle, lieve vader; en dan +willen wij alle kleeren en linnengoed inpakken;—dat zal moeder +verrassen. Het linnen ligt in de koffers; wij zullen er zeildoek omheen +slaan. En dan, vader, zullen we ook eenige van de boeken +meebrengen.”</p> +<p>„Dat is uitmuntend, Willem,” antwoordde de vader. +„Ik wil eerst alles inladen en dan terugkomen en het overschot +halen.”</p> +<p>Binnen het uur waren zij weer aan land. Daar vonden zij Juno, die +zich <span class="pagenum">[<a id="pb49" href="#pb49" name= +"pb49">49</a>]</span>intusschen gewasschen had en nu aan de bocht op +hen wachtte, om hen bij het lossen behulpzaam te zijn.</p> +<p>„Wel, Juno, hoe hebt gij ’t van morgen?”</p> +<p>„Ikke heel goed, massa,” was haar antwoord en op +’t helder water wijzende, vervolgde zij: „Daar zwemmen +geducht veel visch hier.”</p> +<p>„Ja, als wij maar vischtuig hadden,” antwoordde mijnheer +Wilson. <span class="corr" id="xd21e1156" title= +"Niet in bron">„</span>Flink zal wel ergens haken en snoeren voor +ons weten op te schommelen. Kom, meid, breng dezen bundel linnen naar +uwe tent; het overige kunnen wij alleen wel bezorgen.”</p> +<p>„En neem ook deze flesch melk, Juno; ik heb haar voor kleinen +Albert meegebracht,” zeide Willem.</p> +<p>„Dankje, dankje wel, massa Willem; datte heel zoet zijn van +jonk massa.”</p> +<p>„En haast u maar wat, Juno; want daar is Thomas ook al op de +been en springt in zijn hemd rond.”</p> +<p>Bij de tenten vonden zij allen wakker, met uitzondering van den +ouden stuurman, die nog zeer vast scheen te slapen. Mevrouw Wilson had +een zeer goeden nacht gehad en voelde zich verfrischt en gesterkt. +Willem wreef een stuk papier met kruit in en bracht het door de glazen +van den kijker aan het branden, waarop spoedig een helder vuur vroolijk +opvlamde. Zijn vader had onderwijl aan het strand drie groote steenen +gezocht, waarop de ketel geplaatst werd; en na een half uur kookte het +water en was de thee gezet.</p> +</div> +</div> +<div id="ch12" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">TWAALFDE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">DE HAAIEN.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Juno had de kinderen naar de bocht meegenomen en, tot +aan de knieën in het water wadende, hen daarin gedompeld, als het +eenvoudigste middel om hen te wasschen. Vervolgens had zij hen +aangekleed en aan mevrouw overgegeven, waarna zij Willem de kopjes en +borden voor het ontbijt hielp bijeenzoeken. Alles werd sierlijk en net +tusschen de beide tenten op den grond uitgezet en toen sloeg Willem +voor, den goeden ouden Flink te wekken.</p> +<p>„Doe dat mijn jongen, nu is het tijd;—hij zal ook wel +iets tot ontbijt willen hebben.”</p> +<p>Willem trad op Flink toe en tikte hem zacht op den schouder. +<span class="pagenum">[<a id="pb50" href="#pb50" name= +"pb50">50</a>]</span></p> +<p>„Hoe is ’t, Flink, hebt gij nu goed uitgeslapen?” +vroeg hij, toen de oude man opstond.</p> +<p>„Ja, beste jongen. Ik ben terdeeg onder zeil geweest, dunkt +mij<span class="corr" id="xd21e1185" title="Bron: :">;</span> maar nu +wil ik mij haasten en zien, of ik wat tot ontbijt voor u allen klaar +kan krijgen.”</p> +<p>„Doe uw best maar,” was Willems lachend antwoord.</p> +<p>Het aankleeden kostte Flink weinig moeite of tijd, daar hij bij +’t slapen gaan enkel zijn buis had uitgetrokken. Hij schoot dit +weer aan en kwam toen buiten. Hoe vreemd stond hij te kijken, toen hij +het gansche gezelschap met mevrouw Wilson, die met den kleinen was +meegekomen, verzameld vond aan ’t ontbijt, dat op den grond +gereedstond.</p> +<p>„Goeden morgen, Flink,” zeide mevrouw Wilson en reikte +hem vriendelijk de hand. Ook haar man schudde de zijne en wenschte hem +goedenmorgen.</p> +<p>„Gij hebt een langen, vasten slaap gehad, Flink,” zeide +hij, „en ik wou u na dien zwaren dag van gisteren niet te vroeg +wekken.”</p> +<p>„Ik dank u voor uwe goedheid, mijnheer, en ben hartelijk blij, +mevrouw, dat ik u zoo wel vind,” antwoordde de oude man. +„Ik heb geen berouw over mijn lang slapen, nu ik zie, dat gij +allen u ook zonder mij zoo kostelijk redden kunt.”</p> +<p>„Ja, maar juist dat kunnen wij niet, vrees ik,” hernam +mevrouw Wilson. „Wat zou zonder u en zonder uwe goedheid van ons +geworden zijn?<span class="corr" id="xd21e1201" title= +"Niet in bron">”</span></p> +<p>„Wij kunnen wel een ontbijt zonder u gereedmaken,” zeide +haar man<span class="corr" id="xd21e1206" title="Bron: :">;</span> +„maar zonder u, brave vriend, hadden wij dat op dit oogenblik +niet meer noodig gehad. Onder het eten zullen wij u alles vertellen wat +wij gedaan hebben.”</p> +<p>Terwijl zij nu bij elkaar zaten, vertelde Willem zijn vriend, hoe +zij naar boord geroeid waren en wat zij van daar al hadden +medegebracht. Hij zeide hem ook, hoe Juno de kleinen in het water had +laten spartelen en hoe dat zeebad allen zoo goed bevallen was.</p> +<p>„Maar dat mag Juno volstrekt niet meer doen,” sprak +Flink „voordat ik eerst goed onderzoek gedaan heb. Gij weet wel, +dat rondom deze eilanden haaien in menigte loeren en dat het daarom +hoogst gevaarlijk is, in het water te gaan.”</p> +<p>„Mijn God, lieve man, wat gevaar zijn onze kinderen daar dan +weer ontkomen!” riep de bezorgde moeder met innerlijke +huivering.</p> +<p>„Dat is waar,” vervolgde Flink. „Evenwel zijn die +booze gasten minder talrijk aan de loefzijde van de eilanden, ofschoon +deze vlakke baai eene al te geschikte plaats voor hen is, dan dat zij +er niet dikwijls komen zouden. <span class="pagenum">[<a id="pb51" +href="#pb51" name="pb51">51</a>]</span>Dus, Juno, zou ik u raden, niet +weer te water te gaan, voordat ik eene plek heb opgezocht, waar gij +veilig baden kunt. Nu echter is daar nog geen tijd toe, en zoodra wij +uit het schip alles aan wal hebben, wat ons dienstig is, moeten wij +eerst overleggen, of wij hier blijven willen of niet.”</p> +<p>„Hier blijven of niet, Flink hoe meent gij dat?”</p> +<p>„Wij hebben hier tot nog toe geen water gevonden en dit is +toch de eerste behoefte des levens;—als er op deze zijde van +’t eiland geen water te vinden is, moeten wij onze tenten ergens +anders opslaan.”</p> +<p>„Dat begrijp ik, zal noodig wezen<span class="corr" id= +"xd21e1225" title="Bron: .">,</span>” antwoordde de heer +Wilson.</p> +<p>„Ik wenschte wel, dat wij tijd hadden om eenig onderzoek te +doen.”</p> +<p>„Dat kunnen wij ook; maar wij mogen daarom het fraaie weer +niet ongebruikt laten voorbijgaan. Morgen kan het licht weer stormen en +dan hebben we geen gelegenheid om iets van boord te krijgen. Het zou +goed zijn, dat wij thans opbraken, mijnheer: gij, Willem en ik. Gij en +uw zoon blijven aan boord, om het noodzakelijke bijeen te zoeken en ik +zal de goederen in de bocht brengen, waar Juno ze afhaalt.”</p> +<p>In den loop van den dag haalden zij nog eene menigte dingen, waarvan +zij verwachten konden in de toekomst dienst te zullen hebben. Nog +vóór den middag waren de kleinere zeilen en al het +touwwerk, bindgaren en doek, verder kleine tonnen, zagen, beitels en +groote spijkers, eindelijk planken van iepen- en eikenhout aan wal +gebracht. Na het gebruiken van een hartig maal begonnen zij den arbeid +opnieuw. Stoelen en tafels uit de kajuit, de gezamenlijke +kleedingstukken, eenige kisten met kaarsen, twee balen koffie, twee met +rijst en twee met scheepsbeschuit, verscheidene stukken rund- en +varkensvleesch, zakken met meel (men had veel moeite gedaan, om een +geheel vat naar boven te krijgen, doch dit was niet gelukt), dan +eindelijk de slijpsteen, nog meer drinkwater en mijnheer Wilson’s +huisapotheek werden achtereenvolgens ontscheept. Toen Flink andermaal +terugkwam, zeide hij: „Onze boot begint sterk te lekken en zal +niet veel reizen meer doen kunnen, voordat ik ze gebreeuwd heb. Ook +heeft Juno nog niet de helft van ’t goed naar de tenten gebracht; +de last is voor één persoon te zwaar. Me dunkt, we kunnen +het er heden bij laten, mijnheer Wilson, als wij voor den donker maar +eerst al de dieren aan land hebben. Ik wil die niet gaarne aan hunne +eigen zwemkunst overlaten en toch zijn het lastige potentaten in eene +boot. De koe kunnen wij niet over krijgen; zij ligt altijd nog en zal +ook wel niet meer opstaan;—zoo gaat het meestal met de beesten. +Echter heb ik haar nog rijkelijk hooi voorgestrooid en als zij niet +opstaat, moet ik haar slachten en het vleesch inzouten.” +<span class="pagenum">[<a id="pb52" href="#pb52" name= +"pb52">52</a>]</span></p> +<p>Flink ging in het ruim, en het geknor van het varken liet zich +weldra hooren. Hij had het over den rug geworpen en hield het bij de +achterpooten vast. Zoo kwam hij er mee op het dek en liet het toen over +de verschansing in zee neerploffen. Het zwijn spartelde eenigen tijd +besluiteloos rond, maar keerde toen den kop van het schip af en zwom op +het land aan.</p> +<p>„Het gaat regelrecht op den oever los,” merkte Flink +aan, die het met de beide anderen naoogde, maar een oogenblik later +riep hij:</p> +<p>„Ik heb het wel gevreesd,—’t is +verloren!”</p> +<p>„Hoe zoo?” vroeg mijnheer Wilson.</p> +<p>„Ziet gij dat zwarte ding daar, hoe ’t pijlsnel over het +water op het dier toeschiet? Dat is de staart van een haai en nu heeft +het arme beest zijn langsten tijd van het leven gehad.—Kijk, daar +gaat het al!” vervolgde Flink, toen het zwijn met een zwaren slag +onder water verdween. „Die is er geweest. Beter dat stomme dier, +dan uwe lieve kleinen, niet waar, mijnheer Wilson?”</p> +<p>„Ja, waarachtig!—Misschien is het monster dicht bij hen +geweest, toen Juno met hen in het water stond.”</p> +<p>„De slokop was zeker niet ver uit de buurt,” antwoordde +Flink; „maar nu moet hij zich met dien eenen hap tevreden +stellen, want meer krijgt hij van ons niet. Wij zullen nu naar omlaag +gaan en de andere vier varkens de pooten vastbinden; dan brengen wij ze +in de boot, die met al wat er in is, dan hare behoorlijke lading +heeft.”</p> +<p>Met de zwijnen in de boot, roeide Flink nu naar land, terwijl vader +en zoon de schapen en geiten op het dek brachten en voor de volgende +reis gereed hielden.</p> +<p>„Dat zal voor heden de laatste maal zijn,” riep de oude +man bij zijne terugkomst, „en, vergis ik mij niet, de laatste +maal in vele dagen, daar de wolken hare koppen ginder weer braaf +beginnen op te steken. We zullen nog een zak met koren voor het vee +meenemen, en dan zeggen we het schip voor een tijdlang vaarwel. Ik heb +de koe weer een voorraad water en hooi voorgezet, maar geloof niet, dat +wij haar nog levend vinden zullen bij onze terugkomst.”</p> +<p>Door de zwaarte van het graan ging de boot ditmaal zeer diep. Echter +brachten zij het gelukkig nog tot den oever, ofschoon ditmaal niet +zonder veel water in te krijgen. Willem dreef de schapen en geiten naar +de tenten, waar zij zich rustig nederlegden; de zwijnen waren +weggeloopen en ook de hoenders hadden zich verstrooid, ’t geen +trouwens niet anders te verwachten <span class="pagenum">[<a id="pb53" +href="#pb53" name="pb53">53</a>]</span>was. Het strand was geheel +overdekt met de menigte van goederen, die men heden had +aangebracht.</p> +<p>„Wij hebben ons vandaag dapper geweerd, mijnheer +Wilson,” zeide Flink met een vergenoegden blik op al dien +voorraad, „en ook de kleine boot heeft zich goed gehouden. +Voordat ik haar wat heb nagezien, mogen wij ons er echter niet weer in +wagen.”</p> +<p>Het was hun na het harde dagwerk allesbehalve onaangenaam, dat Juno +voor koffie had gezorgd, en onder het drinken verhaalden zij mevrouw +Wilson, hoe het arme varken op eene zoo gruwelijke wijze door den haai +verslonden was. De moeder drukte bij het hooren hiervan haar zoontje +onstuimig aan het hart, en toen zij haar hoofd weer ophief, glinsterden +tranen van dankbaarheid in hare zachte oogen. Ook de goede Juno was +ontsteld en verzekerde in hare gebroken taal, voortaan wel zorg te +zullen dragen, dat die booze zeeduivels niet bij hare lieve, kleine +massa’s komen konden.</p> +<p>„Wij zullen hier morgen volop te doen hebben met al dat goed +uit te zoeken en het eene behoorlijke plaats te geven<span class="corr" +id="xd21e1265" title="Bron: .">,</span>” sprak mijnheer Wilson +tot Flink.</p> +<p>„Wij zullen een langen tijd de handen nog terdege vol +hebben,” hernam deze. „Over een paar maanden omtrent kan de +regentijd invallen, en zoo er eenigszins mogelijkheid toe is, moeten +wij nog voor dien tijd onder dak zijn. Zonder eene degelijke +beschutting kunnen wij dit weer niet afwachten, dat zeker tot het einde +van het jaar aanhouden zal.”</p> +<p>„Waarmee moeten wij dan eerst beginnen?” vroeg mijnheer +Wilson.</p> +<p>„Morgen zullen wij ’t best doen nog een of twee tenten +op te slaan, om al de aan land gebrachte goederen daaronder te bergen. +Hierna kunnen wij eens zien, waar wij onzen rijkdom voor de toekomst +bewaren willen, en ook nagaan, wat ons nogal zoo ontbreekt.”</p> +<p>„Zeer goed; en wat moet er dan gebeuren?”</p> +<p>„Dan, mijnheer, dienen wij, dunkt me een klein tochtje naar +het binnenste van het eiland te doen en de plek uit te zoeken, waar wij +ons huis zullen opbouwen.”</p> +<p>„Kunnen wij een huis bouwen?” riep Willem verbaasd.</p> +<p>„Wel zeker, mijn kind; en dat zal ons minder moeite kosten, +dan gij u misschien voorstelt. Er is geen nuttiger boom dan de +kokosboom en daarbij is zijn hout zoo licht, dat wij het gemakkelijk +van de plaats kunnen krijgen.”</p> +<p>„En waarin bestaat dan het groote nut van dien +boom<span class="corr" id="xd21e1285" title="Bron: !">?</span>” +vroeg mevrouw Wilson.</p> +<p>„Dat zal ik u vertellen, mevrouw. Vooreerst geeft hij u hout, +om er een <span class="pagenum">[<a id="pb54" href="#pb54" name= +"pb54">54</a>]</span>huis van te bouwen; dan hebt gij de schors, +waaruit ge touw, koord en, zoo gij verkiest, ook vischnetten maken +kunt; vervolgens de bladeren, om uwe woning en, wilt ge, ook uw hoofd +daar <span class="corr" id="xd21e1292" title="Bron: meee">mee</span> te +dekken, want men kan zeer goed hoeden en ook manden daarvan vlechten. +Verder hebben wij de vrucht, eene noot, die zeer goed te eten en ook +gekookt voedzaam en lekker is. In de jonge noot is de zeer gezonde melk +besloten en bovendien geeft zij nog lampolie en hare schil drinknappen +en veldflesschen, als men die anders niet heeft. Eindelijk kan men nog +een wijn uit den boom tappen, die versch gebruikt een aangename drank +is, maar bedwelmt en dronken maakt, als hij langer bewaard wordt; en +van dezen wijn kan men dan ook een zeer sterken drank brouwen. Oordeel +nu zelve maar eens, mevrouw: kent gij een anderen boom, die den mensch +zooveel nut aanbrengt en hem, zooals deze, bijna van al wat hij noodig +heeft, voorziet?”</p> +<p>„Waarlijk, daar heb ik nooit iets van geweten,” was het +antwoord.</p> +<p>„In allen gevalle zijn hier boomen in menigte,” zeide +Willem.</p> +<p>„Ja, ja, mijn jongen, daar is hier geen gebrek aan; en dat +verheugt mij hartelijk, want als er maar weinig waren, zou ik er niet +gaarne een van omhouwen. Misschien konden in het vervolg nog anderen +hier schipbreuk lijden en daarbij het noodzakelijkste missen, zoodat +zij gedwongen waren, geheel alleen van de weinige kokosboomen te +leven.”</p> +<p>„Maar nu, geloof ik, zou ’t voor allen goed zijn, dat +wij te bed gingen,” zeide mevrouw Wilson.</p> +</div> +</div> +<div id="ch13" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">DERTIENDE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">EERSTE VERRICHTINGEN OP HET EILAND.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Wij kunnen voortaan in de geschiedenis van ons +gezelschap op het eiland niet meer, als tot hiertoe, de dagelijksche +verrichtingen optellen, daar wij genoeg te doen zullen hebben met de +belangrijkste voorvallen en ontmoetingen van elken dag behoorlijk te +vermelden. Den volgenden morgen na het ontbijt zeide Flink:</p> +<p>„Nu, mijnheer Wilson, moeten wij krijgsraad houden en +aangaande een ontdekkingsreisje op morgen een besluit nemen. Is dit +bepaald, dan zullen wij wel middel vinden, om dezen dag verder op eene +nuttige wijze te besteden. De eerste vraag is: wie zullen mee van de +partij zijn? Mag ik weten, hoe gij daarover denkt?” <span class= +"pagenum">[<a id="pb55" href="#pb55" name="pb55">55</a>]</span></p> +<p>„Wel, vriend,” antwoordde mijnheer Wilson, „mij +dunkt, wij beiden, gij en ik, zullen gaan.”</p> +<p>„Toch beiden niet te gelijk, lieve man?” viel zijne +vrouw hem in de rede. „Gij kunt u ook wel zonder mijn man redden, +niet waar, Flink.<span class="corr" id="xd21e1317" title= +"Niet in bron">”</span></p> +<p>„Ik had zeker wel gewenscht mijnheer Wilson en zijn goeden +raad bij mij te hebben,” was het antwoord; „maar ik heb er +ook al over nagedacht en geloof zelf, dat de kleine Willem geene +toereikende bescherming voor u is; of althans zoudt gij hem daar niet +voor houden, en dat komt voor uwe bezorgdheid nagenoeg op ’t +zelfde uit. Dus, als mijnheer er niet tegen heeft, zal ’t het +best zijn, dat hij u gezelschap blijft houden.”</p> +<p>„Wilt gij echter geheel alleen gaan, Flink?” vroeg de +heer Wilson.</p> +<p>„Neen mijnheer; ik geloof niet, dat dit goed en verstandig zou +zijn. Er kon mij immers een ongeluk overkomen, want niemand kan zeggen, +wat er gebeuren kan. Ofschoon er alle schijn van veiligheid voorhanden +is. Daarom wenschte ik wel iemand bij mij te hebben; de vraag is maar, +of dat Willem of Juno zal zijn.”</p> +<p>„Neem mij mee!” riep Thomas op eens.</p> +<p>„U meenemen, kleine man!” zei Flink lachend; +<span class="corr" id="xd21e1330" title= +"Niet in bron">„</span>dan diende ook Juno mee te gaan, om op u +te passen. Neen, men kan u hier zeker niet missen; uwe moeder zou +verlegen staan, als gij weg waart. Gij kunt zoo mooi brandhout en +drooge prikken opzamelen en op uw zusje en kleine broertje passen, dat +moeder zonder u geen raad meer weten zou. Dus moet Juno of broer Willem +met mij gaan.”</p> +<p>„En wien van beiden hadt gij ’t liefst, Flink?” +vroeg mevrouw Wilson.</p> +<p>„Uw zoon Willem, mevrouw,—hem verreweg ’t liefst, +als gij hem aan mijne zorg wilt toevertrouwen. Ik vreesde enkel, dat +gij misschien zwarigheid zoudt maken.”</p> +<p>„Ik heb het liever niet; ik zou mij liever een poos lang +zonder Juno behelpen,” antwoordde de moeder. „Maar neen, ik +heb ongelijk, lieve man,” vervolgde zij zich tot haren man +wendende, die haar bestraffend aanzag. „Ja, ik heb ongelijk. +Ziekte en lijden hebben mij niet alleen zwak en vreesachtig, maar, +vrees ik, ook zelfzuchtig gemaakt. Ik wil mij daartegen verzetten. Tot +hiertoe ben ik u lang tot last en bezwaar geweest, maar dat zal, hoop +ik, eerlang beter worden en dan zal ik mij ook nuttig zoeken te maken. +Zoo gij ’t beter acht, lieve Wilson, dat gij zelf, in plaats van +Willem, met Flink gaat,—ik ben er nu niet meer tegen, ’t +was heusch zeer verkeerd van mij, dat ik er mij een oogenblik tegen +verzette. Ga dus gerust met onzen vriend mede.” <span class= +"pagenum">[<a id="pb56" href="#pb56" name="pb56">56</a>]</span></p> +<p>„Dat mijnheer meegaat is niet noodig, mevrouw,” hernam +Flink; „uw wakkere Willem kan mij dezelfde diensten doen. Geloof +mij, ik zou van harte gaarne alleen gaan: ik heb geen vrees, dat mij +iets kwaads bejegenen zal; maar toch weten wij niets van den dag van +morgen. Ik kon immers ook ziek,—kon door eenig toeval overvallen +worden, ik ben een oud man; en dan, dacht ik, als mij een ongeluk trof, +kondt gij mij missen. Dat is alles;—ik zeide ’t niet uit +eigenbelang.”</p> +<p>„Daar ben ik volkomen van overtuigd, mijn goede oude +vriend,” antwoordde mevrouw Wilson; „maar eene moeder is +soms al heel dwaas en onverstandig.”</p> +<p>„Vergeef mij, mevrouw, niet dwaas, zooals gij zegt; slechts +soms al te bezorgd en angstvallig.”</p> +<p>„Genoeg, Flink. Onze Willem zal dan met u gaan, dat is bepaald +en besloten,” besliste de vader ten laatste. „Wat is nu aan +de beurt?”</p> +<p>„Vooreerst moeten wij ons nu tot onzen marsch gereedmaken. Wij +moeten wat mondkost en wat water bij ons hebben, daarbij een geweer en +kruit, eene groote bijl voor mij en een kleinere voor mijn reismakker. +Ook zal het goed zijn, dat Romulus en Remus meegaan; het dashondje kunt +ge hier bij u houden. Gij, Willem, kunt nu dadelijk vier halve +fleschjes met water vullen, terwijl ik voor ieder van ons een linnen +knapzak in elkander naai.”</p> +<p>„En wat zal <i>ik</i> doen?” vroeg mijnheer Wilson.</p> +<p>„Gij, mijnheer, zoudt ons een grooten dienst kunnen doen, als +gij zoo goed waart, deze twee bijlen op de slijpsteen wat aan te +scherpen. Thomas zal wel draaien. ’t Is een sterke, fiksche +jongen en frisch te arbeiden is altijd zijn lust en zijn leven.” +Thomas stond dadelijk op. Hij was juist sterk genoeg, om den steen rond +te draaien; maar gewoonlijk wilde hij liever spelen dan werken. Nu de +oude man echter gezegd had, dat dit laatste zijn lust was wilde hij dat +ook met de daad bewijzen en sloofde zich af, wat hij kon. Flink zat +daarbij zijne reiszakken te naaien, en zoo vaak onze jongeheer lust +gevoelde om het werk te staken, prees Flink hem, dat hij zich zoo +dapper weerde en vertelde aan zijne moeder welk een knappe jongen hij +was. Zoo dan ging Thomas, die zich gaarne hoorde prijzen, met zijn werk +voort, totdat de zweetdruppels hem op het voorhoofd stonden. +Vóór het avond werd, waren de bijlen geslepen, de zakken +klaar en was alles gereed voor den volgenden morgen.</p> +<p>„Wanneer wilt gij morgen op weg gaan, Flink?” vroeg +mevrouw Wilson.</p> +<p>„Het zal goed zijn, dat wij met het eerste daglicht opbreken, +daar de hitte zoo vroeg nog niet sterk is.” <span class= +"pagenum">[<a id="pb57" href="#pb57" name="pb57">57</a>]</span></p> +<p>„En tegen wanneer denkt gij terug te zijn?”</p> +<p>„Ja, zie, mevrouw, wij hebben voorraad voor drie dagen bij +ons. Als wij morgen, Woensdag, in de vroegte opstappen, kunnen we +misschien Vrijdagavond hier terug zijn. In allen gevalle denk ik niet, +dat het later dan Zaterdagochtend worden zal.”</p> +<p>„Goeden nacht, dan—en vaarwel, lieve moeder!” +zeide Willem. „Ik zal u morgen vroeg niet meer zien.”</p> +<p>„God zegene en behoede u, mijn lief kind!” sprak deze. +„Pas toch vooral goed op hem, Flink! En ook gij—goede reis +en tot spoedig wederzien!”</p> +<p>De beangste moeder ging in hare tent, om de tranen te verbergen, die +zij niet kon weerhouden. „Het is nog geheel nieuw voor +haar,” merkte Flink aan; „als zij er meer aan gewoon is, +zal eene korte scheiding haar zoo hard niet meer vallen.”</p> +<p>„Dat vertrouw ik ook,” antwoordde haar echtgenoot; +„maar zij is nu nog zenuwachtig en ongesteld; en in aanmerking +nemende, dat zij tot dusverre zelden langer dan een uur van hare +kinderen gescheiden is geweest en haar zoon nu weggaat, zonder dat zij +zelfs weet waarheen,—houdt zij zich, dunkt mij, nog al vrij +standvastig.”</p> +<p>„Ja, waarlijk, mijnheer, dat doet zij,” erkende Flink; +„de angst eener moeder is even natuurlijk als hare liefde. In +allen gevalle wil ik, ook indien ik alles wat ik wenschte niet op +eenmaal verrichten kan, toch op den bepaalden dag terug zijn en dan +later nog eens een reisje doen.”</p> +<p>„Doe dat, Flink; dat zal haar geruststellen. En nu, vaarwel; +wees voorspoedig en moogt gij uw doel bereiken!”</p> +</div> +</div> +<div id="ch14" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">VEERTIENDE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">EERSTE UITSTAPJE OP HET EILAND.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Nog vóór de zon was Flink op en wekte +ook Willem uit den slaap. Zwijgend kleedden zij zich aan en vermeden +elk gerucht, dat de moeder had kunnen doen ontwaken. Hunne reiszakken +waren reeds gepakt. In ieder was een portie vleesch, dat zij dadelijk +onder elkander verdeeld hadden, benevens twee waterfleschjes, in +kokosbladeren gewikkeld, opdat zij minder licht breken zouden. Flink, +die den grootsten reiszak droeg, had nog beschuit en verscheidene +andere dingen bij zich, waarvan hij zich voor het <span class= +"pagenum">[<a id="pb58" href="#pb58" name="pb58">58</a>]</span>geval +van nood had voorzien. Om het lijf had hij twee strikken geknoopt, om, +als dit vereischt werd, de honden daaraan vast te binden.</p> +<p>Zoodra zij de reiszakken hadden omgehangen, nam Flink bijl en geweer +en vroeg Willem, of hij wel dacht een kleine spade, die zij te gelijk +met de schoppen van het wrak gehaald hadden, op den schouder te kunnen +dragen. De knaap antwoordde toestemmend. De honden, die schenen te +weten, dat zij meegaan mochten stonden klaar, en nu ging de oude man +naar een der watertonnen, nam zelf een duchtigen slok, spoorde Willem +tot hetzelfde aan en liet toen ook de honden drinken, zooveel zij +lustten. Hierop, juist toen de zon aan den hemel opging, traden zij het +kokosbosch in en hadden de tenten spoedig uit het gezicht verloren.</p> +<p>„Nu, reiskameraad,” begon Flink en stond stil, toen zij +een twintig schreden ver waren, „weet gij ook, op welke wijze wij +den terugweg vinden kunnen? Gij ziet, in het dichte bosch konden wij +licht verdwalen en er is geen pad, dat ons dan leiden zou.”</p> +<p>„Neen, waarlijk, dat weet ik niet; ik dacht daar juist aan, +toen gij er over begont, en ook Klein Duimpje viel mij in, die +broodkruimels uitstrooide om zijn weg weerom te vinden, maar hem toch +niet vond, omdat de vogels zijne kruimels hadden opgepikt.”</p> +<p>„Ge ziet dus, dat Klein Duimpje de zaak niet goed overlegd +had, en wij moeten het hem zoeken te verbeteren. Wij moeten doen, +zooals de Amerikanen doen in hunne bosschen: wij moeten de boomen +merken. Dit geschiedt door een enkelen slag met de scherpe bijl een +kerfje in de schors van den boom te houwen, dat hun tot teeken dient, +waaraan zij hun weg herkennen. Zij merken daarbij niet elken boom, maar +altijd den tiende of zoo, die aan hun pad staat, en dan beurtelings een +aan den rechter- en een aan de linkerhand. Het kost slechts weinig +moeite; zij doen het onder het gaan, zonder dat het hen een oogenblik +ophoudt. Laat ons nu ook daarmee beginnen; gij neemt de rechterkant: +het zal u gemakkelijker vallen de bijl in de rechterhand te houden; ik +voor mij kan evengoed ook de linker gebruiken. Zie, zoo maakt men +slechts een kerfje in den bast:—de zwaarte van de bijl doet het +bijna alleen en dat kan ons jaren lang tot wegwijzer door het woud +dienen.”</p> +<p>„Dat is heerlijk bedacht!” riep Willem, en beiden +vervolgden nu hun marsch, terwijl zij de boomen rechts en links op +gezette afstanden teekenden.</p> +<p>„Ik heb evenwel ook nog een anderen vriend in den zak,” +begon Flink weder, „en ik zal dien moeten gebruiken.” +<span class="pagenum">[<a id="pb59" href="#pb59" name= +"pb59">59</a>]</span></p> +<p>„Wat is dat?”</p> +<p>„Het zakkompas van den armen kapitein Osborn. Gij ziet, +Willem, het merken der boomen zal ons wel onzen terugweg aanduiden, +maar kan ons niet zeggen, in welken koers we thans te sturen hebben. Op +dit oogenblik weet ik nog, dat wij den rechten weg houden, daar ik door +het geboomte achter mij heen zien kan: maar dikwijls zal dit niet +mogelijk zijn en dan moet ik met mijn kompas te rade gaan.”</p> +<p>„Dat begrijp ik zeer goed; maar zeg mij, Flink, waartoe nemen +wij die schop mede? Hoe kan ons die van dienst zijn? Gij zeidet er +gisteren morgen niets van, dat gij er eene mee woudt nemen.”</p> +<p>„Neen, Willem, en ik zweeg er opzettelijk van, omdat ik uwe +moeder niet beangst wilde maken. U echter durf ik wel zeggen, dat ik +zelf omtrent één ding zeer bezorgd ben, en dat is, of +hier water te vinden is of niet. Is er geen water, dan moeten wij het +eiland wat vroeger of later toch verlaten, want men kan wel eenig water +verkrijgen door kuilen in het zand te graven, doch dat is ziltig +zeewater en zou ons bij voortgezet gebruik allen ziek maken. Van het +schip hebben wij niet veel meegebracht, en als er stormachtig weer +komt, kunnen wij er ook niet meer vandaan halen. Nu gebeurt het echter +dikwijls, dat er ergens zoet water is, zonder dat men het aan den grond +zien kan,—men moet er dan naar graven, en daartoe heb ik de spade +meegebracht.”</p> +<p>„Gij denkt toch aan alles, Flink.”</p> +<p>„O neen, mijn goede Willem, dat doe ik niet altijd. ’t +Is waar, in onzen tegenwoordigen toestand denk ik meer aan wat noodig +is, dan misschien uw vader en uwe moeder; maar dat is, omdat zij nog +nooit geweten hebben, wat het is aan zichzelf alleen te zijn +overgelaten. Zij zijn nog nooit in ’t geval geweest, dat zij +genoodzaakt waren aan zulke dingen te denken; als men echter zijn +gansche leven op zee zwalkte, zooals ik—als men schipbreuk heeft +geleden en rampen en gevaren van allerlei aard doorgestaan<span class= +"corr" id="xd21e1415" title="Bron: .">,</span>—als men gedwongen +was, uitkomst te verzinnen of te gronde te gaan, dan, Willem, verzamelt +men zich nuttige kundigheden, niet alleen uit zijn eigen lijden, maar +ook uit het verhaal van anderen, wanneer men hoort, hoe die zich er in +de ellende hebben weten door te worstelen. Nood, zegt men, is de moeder +der wijsheid, en dat is werkelijk waar, Willem, want hij scherpt het +verstand; en het is dikwijls opmerkelijk, wat vele menschen, vooral +zeelieden, als de nood hen tot handelen drijft, met de eenvoudigste +middelen tot stand brengen.”</p> +<p>„En waar gaan wij dan nu naar toe, Flink?” <span class= +"pagenum">[<a id="pb60" href="#pb60" name="pb60">60</a>]</span></p> +<p>„Recht op de lijzijde van het eiland aan; en ik hoop, dat wij +nog vóór het vallen van den donker daar zijn +zullen.”</p> +<p>„Waarom noemt gij dat de lijzijde van het eiland?”</p> +<p>„Omdat de wind tusschen deze eilanden genoegzaam altijd uit +dezelfde richting waait. Wij landden op de windzijde; thans hebben wij +den wind in den rug; steek uw vinger maar eens op en gij zult hem zelfs +hier in het bosch nog voelen.”</p> +<p>„Neen, ik merk niets,” verzekerde de knaap, terwijl hij +den vinger omhoog hield.</p> +<p>„Maak uw vinger dan eens nat en beproef het nog +eens.”</p> +<p><a id="xd21e1432" name="xd21e1432"></a>Willem bevochtigde zijn +vinger met de tong en stak hem nogmaals op. „Ja, nu voel ik het. +Maar hoe komt dat?”</p> +<p>„De wind droogt de vochtigheid van uw hand op; daardoor +ontstaat koude, en deze is het, die gij voelt.”</p> +<p>Op eenmaal begonnen de honden te knorren, sprongen toen vooruit en +blaften luid.</p> +<p>„Wat kan dat wezen?” riep Willem.</p> +<p>„Blijf staan, jongen,” sprak Flink en spande den haan; +„ik zal vooruit gaan en zien.” De oude man sloop zachtjes +voorwaarts, het geweer voorzichtig tegen de heup drukkende. Het geblaf +der honden verdubbelde, en uit een hoop dorre kokosbladeren stoven daar +op eenmaal.... al de varkens, die men een paar dagen te voren had laten +loopen, voor den dag en zetten het op een galoppeeren, met de honden +achter hen aan.</p> +<p>„Het zijn onze varkens maar, Willem,” riep Flink +lachend, „Ik had nooit gedacht, dat een tam zwijn iemand zoo kon +doen schrikken.—Hier, Romulus! Koest, Remus<span class="corr" id= +"xd21e1445" title="Niet in bron">!</span>” vervolgde hij, de +honden roepende. „Nu, Willem, daar hebt gij ons eerste +avontuur.”</p> +<p>„Ik hoop, dat wij er geen gevaarlijker beleven zullen,” +gaf de knaap lachend ten antwoord. „Evenwel, ik wil wel bekennen, +dat ik vrij wat ontsteld was.”</p> +<p>„Geen wonder, want ofschoon al niet waarschijnlijk, zou het +toch mogelijk zijn, dat zich roofdieren of zelfs wilden op dit eiland +ophielden. Wij moeten in een onbekend land steeds op het ergste gevat +zijn, Willem. Men kan verschrikt wezen en daarom toch, evenals gij +daareven, moedig standhouden. Wie echter bevreesd is, loopt +weg.”</p> +<p>„Ik geloof niet, dat ik ooit wegloopen en u verlaten zal, als +er gevaar aanwezig is, Flink.”</p> +<p>„Ik vertrouw er gerust op, Willem, dat gij dat niet doen zult; +maar daarom <span class="pagenum">[<a id="pb61" href="#pb61" name= +"pb61">61</a>]</span>moet gij toch niet onbezonnen en te haastig zijn. +Wij willen nu verder gaan, als ik eerst mijn haan in rust gezet heb. +Daar mij dit nu juist invalt, Willem, en gij dikwijls een geweer bij u +zult hebben,—denk er toch aan, jongen, dat gij nooit uw haan +gespannen laat. Ik heb daardoor alleen, dat velen den haan spanden en +naderhand vergaten hem weder in rust te zetten, meer ongelukken zien +gebeuren, dan gij u ooit zoudt voorstellen. Span nooit den haan, +zoolang gij niet vuren wilt;—dezen raad moet gij altijd in +gedachten houden. Nu moet ik eens op het kompas zien, want wij hebben +op eens eene veranderde richting, zoodat ik niet meer weet, welken weg +in te slaan.—Ziezoo, nu is alles goed. Vooruit, +honden!”</p> +<p>Nog langer dan een uur vervolgden de wandelaars hun weg door het +kokosbosch en vergaten daarbij niet, al voortgaande, de boomen rechts +en links te teekenen. Eindelijk kozen zij een plekje uit, om er hun +ontbijt te gebruiken, en de honden strekten zich daarbij nevens hen op +den grond neer.</p> +<p>„Geef de dieren geen water en geen gezouten vleesch; geef hun +niets dan beschuit.”</p> +<p>„Maar zij zijn zoo dorstig; moet ik hun niet een weinig te +drinken geven?”</p> +<p>„Neen; vooreerst omdat wij alles voor onszelven noodig hebben, +en bovendien verlang ik juist, dat zij dorstig zijn. En ook gij, +Willem, volg mijn raad en drink maar weinig water op eens. Weinig is +volkomen toereikend, om den dorst te lesschen, en hoe meer gij drinkt, +des te meer voelt gij dorst.”</p> +<p>„Dan dien ik ook wel niet te veel gezouten vleesch te +eten.”</p> +<p>„Juist; hoe minder gij eet, des te beter, als wij geen water +vinden en onze fleschjes weer vullen kunnen.”</p> +<p>„Maar wij hebben onze bijlen immers en kunnen van tijd tot +tijd ook eene kokosnoot afslaan en de melk daarvan drinken?”</p> +<p>„Ja, en het is een geluk voor ons, dat wij die uitkomst altijd +nog hebben; maar toch zou kokosmelk alleen ons slecht bevallen, ook als +die het gansche jaar door volop te krijgen ware.—Nu, Willem, +willen wij weer opstappen, als gij niet te moe zijt.”</p> +<p>„Volstrekt niet; ik ben alleen moe niets dan de stammen der +boomen te zien, en zal hartelijk blij zijn, als wij het bosch eens +achter den rug hebben.”</p> +<p>„Hoe meer wij ons haasten, des te beter dus,” antwoordde +Flink. „Voor zoover ik dit eiland bij onze aankomst beoordeelen +kon, moeten wij thans ongeveer halfweg zijn.”</p> +<p>De wandelaars begaven zich met vernieuwde krachten op weg. +<span class="pagenum">[<a id="pb62" href="#pb62" name= +"pb62">62</a>]</span></p> +<p>Na een half uur bevonden zij, dat de grond niet meer zoo effen was +als vroeger en beurtelings begon te rijzen en te dalen.</p> +<p>„Het is mij zeer lief, dat ik het eiland hier niet meer zoo +vlak vind, Willem. Wij hebben zoo meer vooruitzicht om water te +vinden.”</p> +<p>„Ei, zie eens; daar wordt het nog steiler,<span class="corr" +id="xd21e1489" title="Niet in bron">”</span> merkte Willem aan, +terwijl hij een boom teekende; „daar is immers wezenlijk een +heuvel.”</p> +<p>„Des te beter;—wakker voorwaarts<span class="corr" id= +"xd21e1494" title="Bron: ?">!</span>”</p> +<p>De bodem was thans meer golvend geworden. Echter was hij nog altijd +met kokosboomen overdekt, die zelfs nog dichter stonden, dan tot dusver +het geval was geweest. Zij vervolgden hun marsch, waarbij zij van tijd +tot tijd op het kompas zagen, totdat Willem zijne vermoeidheid niet +langer verbergen kon, want de weg door het woud was thans nog +bezwaarlijker geworden dan in den beginne.</p> +<p>„Hoeveel mijlen denkt ge wel, dat we nu al gegaan zijn, +Flink?” vroeg hij ten laatste.</p> +<p>„Acht ongeveer, denk ik.”</p> +<p>„Niet meer dan acht?”</p> +<p>„Neen, ik geloof niet, dat we, door elkaar gerekend, meer dan +twee mijlen in het uur hebben afgelegd. Het gaat maar langzaam, als men +naar het kompas reist en daarbij altijd de boomen merken moet; maar mij +dunkt, dat het woud vóór ons lichter wordt, van den top +van dezen heuvel gezien.”</p> +<p>„Ja, dat is zoo, Flink; ik verbeeld mij, den blauwen hemel +weer te zien.”</p> +<p>„Uwe oogen zijn jonger dan de mijne, Willem, en mogelijk hebt +gij goed gezien. We zullen dat spoedig vernemen.”</p> +<p>Zij daalden nu in een ravijn neer en klommen vervolgens weer een +tweeden heuvel op. Zoodra zij boven kwamen, riep Willem overluid: +„De zee, Flink! daar is de zee!”</p> +<p>„Zeer goed, Willem; ik voor mij heb daar volstrekt niets +tegen.”</p> +<p>„Ik dacht al, dat wij nooit een einde aan dat donkere bosch +zouden zien,” sprak de knaap en snelde ongeduldig vooruit; +eindelijk stond hij aan den uitersten zoom van het kokoswoud en bleef +staan. Flink stond spoedig aan zijne zijde, en beiden vestigden nu +hunne oogen op het voor hen uitgebreide landschap. <span class= +"pagenum">[<a id="pb63" href="#pb63" name="pb63">63</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch15" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">VIJFTIENDE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">DE OOSTZIJDE VAN HET EILAND.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">„O hoe heerlijk!” riep Willem ten laatste: +„zeker, hier zou moeder recht gaarne wonen. Ik hield de andere +zij van het eiland voor heel lief, maar zij is toch niets bij deze +vergeleken.”</p> +<p>„Het is hier werkelijk fraai,” antwoordde Flink in diepe +gedachten.</p> +<p>Men kan zich trouwens niet licht een liefelijker tooneel +voorstellen. Het kokoswoud werd ongeveer een vierde mijl van de kust +eensklaps afgebroken door eene steile helling, die zich bij de dertig +voeten boven het strand verhief. Dit strand zelf was een golvende, hier +en daar met struiken begroeide groene vlakte en strekte zich tot op +ongeveer vijftig schreden afstands van het water uit, waar het in +verblindend wit zand overging, door ’t welk enkele smalle +klippenreeksen van den oever landwaarts opliepen. Het water was van +eene helder blauwe kleur en brak slechts aan de klippen in wit schuim. +De riffen strekten zich mijlen ver van den oever in zee uit en op +enkele plaatsen staken de punten der rotsen boven den rand des waters +uit. Talrijke scharen van zeevogels hadden zich op die hoogten +genesteld; anderen wiegden zich in de heldere lucht of schoten van tijd +tot tijd in de blauwe zee neer, waaruit zij dan met hunne klauwen een +van de visschen ophaalden, welke in menigte aan de zandbanken speelden +en dikwijls zelf in vroolijke sprongen uit het water opwipten. De kust +had de gedaante van een hoefijzer en vormde eene baai, besloten +tusschen twee boschachtige landtongen, die zich aan weerszijden ver in +zee uitstrekten. De horizon was helder en scherp tegen de zee +afgeteekend.</p> +<p>Flink bleef een tijdlang stom, liet zijne oogen rechts en links +langs den gezichteinder gaan, monsterde scherp de riffen in de verte en +wierp toen een vorschenden blik op het land vóór hem.</p> +<p>„Waaraan denkt gij, Flink?” vroeg Willem ten +laatste.</p> +<p>„Ik?—Ik denk dat wij zoo spoedig mogelijk naar water +moeten omzien.”</p> +<p>„Maar waarom zuchttet gij daareven?”</p> +<p>„Omdat ik niet, gelijk ik verwacht had, nog een ander eiland +aan lij ontdekken kan en er dus bijna geene mogelijkheid voorhanden is, +dat wij dit hier verlaten. Bovendien is deze bocht hoe fraai gelegen +ook, toch vol riffen, en ik zie nergens een ingang, wat de zaak om +velerlei redenen hoogst bezwaarlijk maakt. Evenwel kunnen wij niet +terstond op het eerste gezicht <span class="pagenum">[<a id="pb64" +href="#pb64" name="pb64">64</a>]</span>oordeelen. Eerst willen wij gaan +zitten en ons middagmaal houden<span class="corr" id="xd21e1542" title= +"Niet in bron">,</span> dan kunnen wij verder zien. Halt, +halt!—voordat wij van de plaats gaan, moeten wij aan de boomen +bij den uitgang van het bosch een duidelijk teeken maken; zonder dat, +zouden wij bij het terugkeeren onze merken moeielijk +wedervinden.”</p> +<p>Hij sneed twee witte streepen in de stammen der kokosboomen en +daalde toen met Willem naar het vlakke veld neer, waar zij zich +neervlijden en hun eenvoudigen maaltijd hielden. Zoodra dit verricht +was, stonden zij weder op en gingen aan het zeestrand. Flink keerde +zich naar de landzijde, in de hoop van ergens eene kleine beekbedding +of holte te ontdekken, die mogelijk zoet water bevatten kon. +„Hier zijn eenige plekken,” zeide hij en wees ze met den +vinger aan, „waar het water in den regentijd zijn afloop gehad +heeft; wij moeten ze zorgvuldig onderzoeken, maar nu niet. Daartoe +hebben wij morgen tijd genoeg. Eerst moet ik een middel uitvinden om +onze kleine boot door gindsche klippen heen te krijgen; anders hebben +wij een vreeselijken arbeid, als wij naar deze plaats verhuizen, +namelijk, zoo wij al onze bezittingen door het woud aansleepen moesten +en dat zou ons weken, zoo niet maanden kosten. Dus willen wij vandaag +de kust goed onderzoeken, Willem, en dan morgen naar zoet water +omzien.”</p> +<p>„Zie de honden eens, Flink; ze drinken zelfs zeewater, de arme +beesten!”</p> +<p>„Zij zullen er niet veel van nemen. Zie, ze loopen er al van +weg.”</p> +<p>„Wat zijn die koralen fraai! Zie, ze groeien als jonge boomen +onder het water.—Ha, daar is een bloem, die op de rots uit het +water opschiet.”</p> +<p>„Raak haar eens met den vinger aan, Willem,” sprak +Flink.</p> +<p>Willem deed dit, en de bloem, gelijk hij haar noemde, sloot zich +oogenblikkelijk.</p> +<p>„Hoe, wat is dat? Het is vleesch en leeft!”</p> +<p>„Dat is het ook. Ik heb ze vroeger meer gezien; men noemt ze, +meen ik, zee-anemonen, doch ik kon nooit te weten komen, of het +schelpdieren zijn of niet. De natuur is toch bewonderenswaardig! Maar +laat ons nu die landtong eens opgaan en zien, of wij ook een doorgang +door de riffen vinden kunnen. De zon gaat onder en wij hebben nu nog +maar één uur licht. Vooraf moeten wij ook nog eene +slaapplaats opzoeken.”</p> +<p>„Maar wat is dat?” riep Willem en wees naar het +zand;—„dat ronde, zwarte ding?”</p> +<p>„Iets, dat ik blij ben hier te zien; eene schildpad. Zij komen +om dezen tijd tegen den avond aan land, om hare eieren te leggen, die +zij onder het zand begraven.” <span class="pagenum">[<a id="pb65" +href="#pb65" name="pb65">65</a>]</span></p> +<p>„Kunnen wij haar niet vangen?”</p> +<p>„O ja; als wij haar slechts stilletjes naderen. Maar vooral +moogt gij haar niet in den rug komen, want dan werpt zij met haar +staart en hare achterpooten of vinnen zulk een wolk van zand over u +heen, dat gij er blind van wordt en zij gemakkelijk kan ontsnappen. Om +deze beesten te vangen, moet men hen van boven aanvatten en bij een der +voorvinnen op den rug omwentelen. Dan kunnen zij zich niet meer bewegen +en blijven stil liggen.”</p> +<p>„Laat ons het dan eens met deze hier beproeven.”</p> +<p>„Dat zou zeer onverstandig zijn, mijn beste Willem, daar wij +het beest toch niet mee kunnen nemen en het morgen in de hitte sterven +zou, zonder dat iemand er dienst van had. Men mag geen schepsel +doelloos van het leven berooven, en zoo wij nu deze schildpad +vermaakshalve dooden wilden, kon het licht gebeuren, dat wij een +andermaal, als wij ze noodig hadden, er geen vonden.”</p> +<p>„Dat had ik niet bedacht, Flink. Als wij eens hier wonen, +kunnen wij ze, hoop ik, zoo dikwijls vangen, als wij +verkiezen.”</p> +<p>„Neen, dat is niet waarschijnlijk; zij komen alleen gedurende +den broeitijd aan land. Maar wij willen ergens een schildpadvijver +aanleggen, die uit zee frisch water krijgt en waaruit zij ons niet +weder ontsnappen kunnen. Die wij dan vangen, zetten wij in den vijver +en halen ze er uit, zoo dikwijls wij lust hebben.”</p> +<p>„Dat is een zeer goed plan,” antwoordde Willem.</p> +<p>Onder zulke gesprekken vervolgden zij hunne wandeling. Zij moesten +zich met moeite een weg banen door het struikgewas, dat verder den +landtong op steeds dichter werd, en stonden weldra op den uitersten +uithoek.</p> +<p>„Wat is dat daar ginder?” riep Willem en wees met de +hand naar de rechterzijde.</p> +<p>„Dat is een tweede eiland, Willem, en ik ben zeer verheugd het +te zien, ofschoon ’t al niet gemakkelijk te bereiken zal zijn, +als wij eens genoodzaakt mochten worden dit eiland hier om gebrek aan +water te verlaten. Echter is ’t nog altijd mogelijk, dat dit ons +gelukken kan. In allen gevalle is het een veel grooter eiland dan het +onze,” vervolgde Flink en mat met de oogen de uitgestrektheid van +den gezichteinder, aan welks rand hij de toppen der boomen zien kon. +„Kom nu, jonge kameraad; voor onzen eersten dag hebben wij ons +redelijk goed gehouden. Ik ben vrij moe, en gij, dunkt mij, zult ook +uwe beenen wel voelen. Laat ons dus omkeeren en naar eene rustplaats +voor den nacht omzien.”</p> +<p>Zij keerden naar den zoom van het kokosbosch terug. Daar pakten zij +<span class="pagenum">[<a id="pb66" href="#pb66" name= +"pb66">66</a>]</span>eenige hoopen dorre bladeren opeen en bereidden +zich daaruit een zachte legerstede onder de boomen.</p> +<p>„Nu nog een teugje water gedronken en ons dan tot rusten +neergelegd,” zeide de oude man. „Zie de lange schaduw, +Willem, die de boomen in de zon werpen! Binnen een paar minuten zal +deze geheel onder zijn.”</p> +<p>„Mag ik onzen honden nu water geven? Zie eens, de arme Remus +heeft de tong uit den bek hangen en lekt aan de +flesschen,—zoo’n dorst heeft hij.”</p> +<p>„Neen, neen, zij krijgen nu niets. Gij zult dit hard vinden, +maar het moet zoo wezen. Morgen kunnen wij de scherpe zintuigen dezer +dieren noodig hebben: hun dorst zal hun dan dubbel oplettend maken en +kan ons van groot nut zijn. Wij weten nooit, welk lot ons boven het +hoofd hangt. Had gij voor eene maand wel gedacht, dat gij u nu in +’t gezelschap van een oud man op dit eiland bevinden en daar +onder den blooten hemel slapen zoudt? Als iemand u dat toen voorspeld +had, zoudt gij het nooit geloofd hebben. En nu goeden nacht, mijn +jongen!”</p> +</div> +</div> +<div id="ch16" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">ZESTIENDE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">WATER.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Willem sliep zoo goed, alsof hij op het zachtste bed +en in een warm vertrek gerust had, en Flink insgelijks. Beiden +ontwaakten eerst, toen de zon lang aan den hemel stond. De arme honden +leden hevige dorst, en het deed Willem zeer aan het hart, te zien hoe +zij huilend en bijna versmachtend met uitgestrekte tongen tot hem +opkeken.</p> +<p>„Hoe is ’t Willem,” vroeg Flink hem, „willen +we, voordat we opbreken, ons ontbijt nemen, of zullen wij eerst eene +wandeling doen?”</p> +<p>„Flink, ik kan waarlijk zelf geen droppel drinken, ofschoon ik +heel dorstig ben, voordat gij aan deze arme beesten een weinigje water +geeft.”</p> +<p>„Ik heb medelijden met de arme stomme schepsels, zoo goed als +gij, jongen, en geloof mij, het geschiedt niet uit onbarmhartigheid, +maar integendeel tot hun eigen en ons aller best, dat ik hun dat nog +onthoud. Laat ons dan maar dadelijk eens de ronde doen en zien, of wij +niet ergens water vinden. Daar ginder bij die kleine kloof aan de +rechterhand willen wij het eerst beproeven, en lukt het daar niet, dan +gaan wij verder op en zien, waar het water gedurende den regentijd zijn +afloop gehad heeft.” <span class="pagenum">[<a id="pb67" href= +"#pb67" name="pb67">67</a>]</span></p> +<p>De knaap keurde dit dadelijk goed. De honden volgden hen, en Flink +had nog eene schop bij zich, die hij op den schouder droeg. Spoedig +kwamen zij in de kleine laagte, waar de dieren den neus aan den grond +brachten en hijgend rondsnuffelden.</p> +<p>Het oog van den ouden man volgde aandachtig al hunne bewegingen, +totdat zij zich eindelijk kreunend nederlegden.</p> +<p>„Wij moeten verder gaan, Willem,” zeide hij, in +gedachten verzonken. Zoo naderden zij eene plaats, waar een afloop van +het water scheen geweest te zijn; de honden snuffelden hier nog +ijveriger rond.</p> +<p>„Gij ziet, Willem, de arme dieren verlangen nu zoo geweldig +naar water, dat zij het zeker oproepen, als het ergens voorhanden is, +terwijl wij zonder hen nooit iets hadden kunnen vinden. Ik reken niet +op eene openliggende wel, maar daarom is het toch wel mogelijk, dat +hier of daar onder den grond water verborgen zit. Dit gedeelte van het +strand is niet ver genoeg van zee verwijderd, anders zou ik hier in het +zand daarnaar graven.”</p> +<p>„In het zand! Zou dat dan niet zout smaken?” vroeg +Willem.</p> +<p>„Op behoorlijken afstand van het zeestrand niet: want gij moet +weten, mijn jongen, dat het zand al langzamerhand het zeewater reinigt, +zoodat men, als de zandige oever breed is, op punten, die het verst van +het hoogste zeepeil af liggen, bij opgraving dikwijls zoetwater vindt, +dat wel wat ziltig, maar toch goed om te drinken is. Ik wou wel, dat +deze omstandigheid onder de zeelieden beter bekend was, dan zij +werkelijk is;—menig brave jongen zou daardoor een langzamen +marteldood ontgaan zijn. Er is niets vreeselijkers dan gebrek aan water +te lijden. Ik weet wat het is op een pintje elken dag bepaald te zijn +en hoop dat nooit weer te ondervinden.”</p> +<p>„Zie eens, Flink, hoe druk Romulus en Remus met hunne pooten +daar omlaag den grond opkrabben.”</p> +<p>„Den Hemel zij dank, mijn goede Willem; gij weet niet, wat +blijde tijding gij mij daar verkondigt, want om de waarheid te zeggen, +begon ik mij al ernstig ongerust te maken.”</p> +<p>„Maar waarom wroeten zij dan toch zoo?”</p> +<p>„Wel omdat daar water is. Nu ziet gij, hoe goed het was, dat +wij hen eenige uren dorst lieten lijden: ’t is waarschijnlijk ons +aller behoud, daar wij eene wel moesten vinden of anders het eiland +verlaten. Wij zullen de dieren nu met de schop helpen, en spoedig +zullen ze drinken hebben in overvloed.”</p> +<p>De oude man ijlde op de plaats toe, waar de honden nog altijd met +wroeten voortgingen. Zij waren tot den vochtigen bodem gekomen en +werkten zoo ijverig, dat Flink moeite had hen van de stee te +verdrijven, om zelfs de spade <span class="pagenum">[<a id="pb68" href= +"#pb68" name="pb68">68</a>]</span>te kunnen gebruiken. Hij had pas twee +voet diep gegraven, of het water begon te borrelen, en in minder dan +vijf minuten was er reeds zooveel voorhanden, dat de honden naar +hartelust drinken konden.</p> +<p>„Zie eens, Willem, hoe hen dat verkwikt. Dit was het eenige, +dat ons ontbrak: maar ook iets, dat onontbeerlijk is. Thans hebben wij +alles, wat wij op dit eiland wenschen kunnen, en zoo wij maar tevreden +zijn, moeten wij hier recht gelukkig worden,—ja, rijker dan +menigeen, die zich afslooft om rijkdommen bijeen te schrapen en toch +niet weet wat gebruik hij er van maken moet. Kijk, onze goede dieren +hebben nu ten laatste ook genoeg,—en wat hebben ze zich kogelrond +gedronken! Wat dunkt u, Willem, zullen we thans omkeeren en zien, dat +wij wat te eten krijgen?”</p> +<p>„Ja,” antwoordde deze; „nu zal mij dat eerst recht +smaken en wil ik ook weer een duchtigen slok water nemen.”</p> +<p>„Dit is hier een rijke bron, daar ben ik zeker van,” +zeide Flink, terwijl zij naar de plaats van hun nachtleger terugkeerden +en hunne knapzakken onderzochten; „maar wij moeten haar hooger op +onder de boomen nasporen, waar geen zon komt: daar hebben wij het water +altijd koel en frisch en kan het niet opdrogen.—We zullen de +handen vol werk krijgen, en dat voor maanden, indien we hier blijven +willen. De plaats, waar we nu zijn, zal eene kostelijke gelegenheid +wezen, om daarop ons huis te bouwen.”</p> +<p>Zoodra zij hun eenvoudig maal genuttigd hadden, stond de oude man +weer op en zei:</p> +<p>„Kom jongen, nu naar ’t strand! Ik heb nog geen opening +tusschen de klippen gevonden, en daar ons bootje altijd dezen kant van +het eiland langs moet komen, dien ik toch te zien, of er niet een +behoorlijke doortocht te vinden is. Het komt mij voor, dat de branding +niet tot dat punt ginds reikt, en als daar een doorvaart is, mochten +wij ons wel gelukkig rekenen.”</p> +<p>Aan den uithoek van de landtong gekomen, bevonden zij, dat Flink +zich in zijn vermoeden niet had bedrogen. Het water was diep tot dicht +aan het strand en vormde een kanaal van ettelijke roeden breedte. De +zee was zoo effen, het water zoo glad en doorschijnend, dat zij tot op +den rotsachtigen grond neerzien konden en de visschen in de diepte +zagen zwemmen.</p> +<p>„Zie eens,” riep Willem en wees naar een punt op eenigen +afstand in zee, „daar is een groote haai, Flink.”</p> +<p>„Ja, ik zie hem wel,” antwoordde deze. „Hier in +het rond zijn die zeker in menigte, en gij moet uiterst voorzichtig +zijn, als gij in het water gaat. De haaien houden zich altijd aan lij +van de eilanden op, en in plaats van den eenen, dien wij ginds vonden, +toen Juno uw broertje baadde, kunt gij hier <span class= +"pagenum">[<a id="pb69" href="#pb69" name="pb69">69</a>]</span>vijftig +zien. Het eerste, waaraan wij thans denken moeten, is dat wij zoo +schielijk mogelijk van de andere zijde hierheen zoeken te +verhuizen.”</p> +<p>„Zullen wij vandaag nog teruggaan?”</p> +<p>„Ik denk van ja, want hier kunnen wij toch niets doen, terwijl +uwe moeder zeker reeds in angst en zorgen over u is. Het is nog geen +middag, naar ’t mij voorkomt, en wij hebben nog tijd genoeg +vóór ons, daar wij nu een bekend pad gaan en ons niet met +merken en zoeken hebben op te houden. Onze bijlen en de schop kunnen +wij hier laten; ze mee terug te sleepen zou vergeefsche moeite zijn. +Het geweer zal ik bij mij houden, want ofschoon niet waarschijnlijk, +kan dat toch te pas komen. Eerst zullen wij nog eens teruggaan en zien, +of onze wel goed water geeft, en dan trekken wij op.”</p> +<p>Het strand langs gaande, zagen zij vele zeevogels, die dicht om hen +heen fladderden. Plotseling kwam een zwerm visschen in bonte verwarring +op den oever schieten; haar volgden eenige grootere, die nu ook op het +drooge lagen en naar water snakten, totdat de zeevogels op eens dicht +voor de beide wandelaars neerstreken, de visschen in hunne klauwen +oppakten en met die prooi ijlings wegvlogen.</p> +<p>„Dat is toch vreemd,” riep Willem verwonderd.</p> +<p>„Ja, Willem, dat is het werkelijk. Maar daaraan kunt gij zien, +hoe het in de wereld gaat: de kleine visschen werden door de grootere +gejaagd en vluchtten in hunne angst op den oever. Die grootere waren +zelve zoo begeerig, dat ook zij aan land kwamen, en toen schoten de +vogels toe en pakten groot en klein op. Daar ligt een goede leering in, +Willem: als men iets te driftig najaagt, stort men zich licht +blindelings in gevaar.”</p> +<p>„Maar de kleine visschen hadden toch niets, dat zij +najaagden.”</p> +<p>„Neen, ik bedoelde daarmee de grootere slechts;—bij de +kleine was het hier van den regen in den drop,<a id="xd21e1671" name= +"xd21e1671"></a> zooals het spreekwoord zegt. <a id="xd21e1673" name= +"xd21e1673"></a>Maar laat ons nu naar de wel gaan.”</p> +<p>Zij vonden het gat, dat Flink gegraven had, geheel met water gevuld, +en toen zij dit proefden, was het volmaakt zoet en aangenaam van smaak. +Zeer verheugd over deze ontdekking, legden zij de dingen, die zij +wilden achterlaten, onder de gemerkte kokosboomen neer, dekten er +eenige takken en bladeren overheen en namen toen met hunne honden de +terugreis aan naar de kleine bocht. <span class="pagenum">[<a id="pb70" +href="#pb70" name="pb70">70</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch17" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">STORM AAN LAND.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">De teekens, die zij den vorigen dag gemaakt hadden, +volgende, kwamen onze landontdekkers zeer spoedig door het woud en +waren binnen twee uren dicht aan den uitgang, terwijl zij op den +heenweg bijna acht uren hadden noodig gehad, om denzelfden afstand af +te leggen.</p> +<p>„Ik voel den wind al, Flink,” zeide Willem, „en +wij moeten het bosch nu bijna ten einde zijn. Het komt mij voor, dat +het zeer donker is.”</p> +<p><span class="corr" id="xd21e1688" title= +"Niet in bron">„</span>Dat heb ik daar ook al gedacht,” +antwoordde de oude man, „en ’t zou me niet verwonderen, dat +er weer een storm in aantocht was. We moeten ons dus haasten, daar uwe +moeder zeker ongerust zal zijn.”</p> +<p>Het waaien en schudden der boomtakken, nu en dan eene windvlaag, +waarop een zonderling gehuil en gekraak volgde, dit alles overtuigde +hem spoedig, dat er werkelijk een storm te vreezen was; en toen zij uit +het bosch traden, zagen zij den hemel, zoover hun oog reikte, met een +donkere loodkleur overtrokken en van het vroolijk glanzend blauw, +waarin hij zich tot hiertoe vertoond had, was geen spoor meer +overig.</p> +<p>„Daar komt inderdaad een storm, en dat met volle +zeilen,” zeide Flink bij het verlaten van het woud. +„Schielijk naar de tenten, jongen; wij moeten zorgen, dat alles +zoo zeker zij, als wij het met mogelijkheid maken kunnen.”</p> +<p>De honden liepen vooruit en hun geblaf lokte mijnheer Wilson en Juno +naar buiten, die zoodra zij de beide aankomenden zagen, aan de moeder, +die met de kinderen binnen was gebleven, het afgesproken teeken gaven. +Een oogenblik later lag de knaap in de armen zijner hoogst verheugde +moeder.</p> +<p>„Ik ben blij, dat gij terug zijt, Flink,” sprak mijnheer +Wilson en schudde hem de hand, nadat hij Willem omhelsd had; +„want ik vrees, dat er boos weer ophanden is.”</p> +<p>„Dat is zeker,” antwoordde Flink, „en wij moeten +ons op een stormachtigen nacht voorbereiden. De hemel ziet er wezenlijk +schrikwekkend uit. Het zal een van de stormen zijn, die gewoonlijk den +regentijd voorafgaan. Intusschen brengen wij u goede tijding, mijnheer, +en moeten dit als eene aansporing beschouwen, om onze verhuizing +zooveel mogelijk te verhaasten. Na dezen storm zullen wij eene maand of +daaromtrent goed weder hebben, misschien nu en dan eens met een kleinen +storm daartusschen. Daartoe moeten wij thans terdeeg aan het werk; en +als gij ’t goed vindt, mijnheer, zullen wij <span class= +"pagenum">[<a id="pb71" href="#pb71" name="pb71">71</a>]</span>nu +dadelijk den eersten noodigen maatregel van voorzorg nemen en naar het +strand gaan, gij, Juno, Willem en ik. Daar moeten wij onze boot, zoover +wij kunnen, op het drooge sleepen, want de zee zal hoog gaan en spoedig +zal die boot onzen voornaamsten steun uitmaken.”</p> +<p>Flink ging nu de einden der tentsparren afzagen, ten einde ze onder +de kiel der boot te leggen en zoo als rollen te gebruiken, en daarop +daalden alle vier van den oever af. Met gezamenlijke krachten gelukte +het spoedig, de boot hoog op tusschen de struiken te sleepen, waar +Flink haar inderdaad ten volle in zekerheid verklaarde.</p> +<p>„Ik was eigenlijk voornemens, zonder uitstel aan het oplappen +er van te gaan,” zeide hij: „maar nu moet ik wachten, tot +de storm voorbij is. Ook had ik gehoopt, nog eens aan boord te zullen +kunnen gaan, om nog eenige dingen te halen, die mij later invielen dat +ons nuttig konden zijn, en dan te zien, of onze arme koe nog in leven +is; maar ik vrees zeer,” vervolgde hij, naar de lucht ziende, +„dat wij het wrak van De Vrede nooit weer betreden zullen. Hoor +het loeien van den opkomenden storm, mijnheer; zie, hoe de zeevogels +rondfladderen en krassen, alsof ze ons onheil te voorspellen hadden! +Doch we mogen niet te lang dralen, mijnheer;—de tenten moeten +steviger worden vastgemaakt, zoodat ze tegen de windstooten bestand +zijn, want het zou een leelijk ding voor mevrouw en de kleinen zijn, +als ze eens onverwacht werden opgenomen en naar den boschkant +heengeblazen.”</p> +<p>Toen zij bij de tenten terugkwamen, vonden zij den kleinen +Thomas<span class="corr" id="xd21e1710" title="Bron: ;">,</span> die +met veel deftigheid op hen toetrad.</p> +<p>„Ei, dag, Thomas;—hoe gaat het u?” vroeg +Willem.</p> +<p>„O, heel goed; ik ben wel en moeder ook; gij hadt gerust weg +kunnen blijven; ik zorg voor hen allemaal.”</p> +<p>„Daar twijfel ik geen oogenblik aan, mijn beste jongen; gij +zult wel goed voor alles gezorgd hebben,” gaf Flink ten antwoord. +„Nu moet gij ons helpen, om zeildoek en touw bijeen te zoeken, +opdat wij den regen beletten in moeders tent te dringen. Zoo, geef mij +de hand maar en kom mee; wij zullen ’t aan Willem overlaten, aan +moeder te vertellen, wat wij onderwijl gedaan hebben.”</p> +<p>Met de hulp van mijnheer Wilson pakte Flink stukken zeildoek en +touwen, zooveel hij noodig had, bijeen en begon die als een dubbel dek +tot beschutting tegen den regen over de tenten uit te spreiden. Het +linnen werd door middel van stevige lijnen en koorden aan de boomen +vastgemaakt, om te verhinderen dat de tenten omverwoeien, terwijl Juno +gebruikt werd om de greppel, die reeds om de tenten heen liep, met eene +schop nog verder <span class="pagenum">[<a id="pb72" href="#pb72" name= +"pb72">72</a>]</span>uit te diepen, zoodat het water een behoorlijken +afloop had. Zij werkten ijverig door, totdat alles verricht was, en +zetten zich toen tot het gebruiken van een eenvoudigen maaltijd neder. +Al voortarbeidende, had Flink mijnheer Wilson zijne ontdekkingen op het +jongste verkenningstochtje meegedeeld, en allen hadden hartelijk +gelachen, toen hij het avontuur met de varkens vertelde.</p> +<p>Na het ondergaan der zon werd het weder nog dreigender. De wind +blies reeds hevig, de rotsige bocht werd door de golven gezweept en was +met wit schuim overdekt, terwijl de branding woest brulde, zoo dikwijls +zij over het zand van den oever brak. De geheele familie, met +uitzondering van Flink, was te bed gegaan; deze had gezegd, het weer +nog een weinig te willen afwachten, voordat hij zich ter ruste legde. +De oude man ging naar den oever en zette zich op den rand van de boot, +die zij daar straks eerst tusschen de struiken in veiligheid gebracht +hadden. Hier bleef hij zitten en liet het scherpe grijze oog rondgaan +in de verte, die slechts ééne dichte donkere massa +vormde, waarin alleen het witte schuim van het water nu en dan enkele +flauwe lichttinten wierp.</p> +<p>Nog niet lang had hij daar in gedachten verdiept gezeten of een +vurige bliksemstraal benam den ouden man voor een korten tijd het +gezicht. „De storm zal weldra zijne volle hoogte bereikt +hebben,” dacht hij. „Ik zal naar de tenten gaan en zien, of +die het tegen den wind uithouden kunnen.” Hij nam den terugweg +aan, en nu begon de regen in stroomen neer te plassen en bulderde de +wind met verdubbelde woede. In weinige minuten nam de duisternis +zoodanig toe, dat hij het pad naar de hoogte slechts met moeite vinden +kon. Hij keerde zich in ’t rond, doch kon niets zien, daar de +regen hem de oogen verblindde. Daar hij toch niets doen kon, liep hij +de tent in, om daar te schuilen, maar legde zich niet neer, in de +verwachting dat zijn bijstand misschien spoedig zou vereischt worden. +Hoewel al de overigen te bed waren gegaan, hadden slechts Thomas en de +beide kleinen zich ontkleed, doch vader, moeder, Willem en Juno zich +gekleed en al ter ruste gelegd.</p> +</div> +</div> +<div id="ch18" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">ACHTTIENDE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">NA REGEN VOLGT ZONNESCHIJN.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">De storm woedde nu met geweld en bliksem en donder +wisselden elkaar onophoudelijk af. De kinderen werden wakker en hieven +een luid gejammer aan, totdat het eindelijk gelukte hen tot bedaren en +weder in slaap te brengen. <span class="pagenum">[<a id="pb73" href= +"#pb73" name="pb73">73</a>]</span>De wind loeide verschrikkelijk en +stond met zijn volle kracht op de tenten, waar de regen kletterend op +neer sloeg. Het eene oogenblik werd het linnen binnenwaarts gedrukt en +schuurden en kraakten de touwen, alsof zij dadelijk in stukken zouden +springen; dan weder dreef de tegenovergestelde luchtstroom het +fladderende zeildoek naar buiten, terwijl de regen reeds op +onderscheidene plaatsen begon door te dringen. Het was stikdonker en de +woede der elementen scheen eindelijk haar toppunt te hebben bereikt. +Gelijk wij vroeger gezegd hebben, was mevrouw Wilson’s tent niet +zoover van het strand verwijderd als de tweede later opgerichte en +stond dus ook meer aan den wind blootgesteld. Tegen middernacht scheen +de gansche natuur in oproer te geraken. Op eens hoorden de mannen een +luid gekraak, dat dadelijk door het noodgeschrei van mevrouw Wilson en +Juno gevolgd werd. De tentprikken waren uit den grond gerukt en de +verschrikte vrouwen zoo op eenmaal van alle dak en beschutting beroofd. +Terstond vloog de oude man naar buiten en Willem en zijn vader volgden +hem op den voet. De wind was zoo sterk, de regen sloeg hun zoo heftig +in het gezicht en de nacht was zoo donker, dat zij alle krachten noodig +hadden, om de vrouwen en kinderen uit de omvergeworpen tent te +bevrijden. De kleine Thomas was de eerste, dien Flink beet kreeg. Zijn +moed was geheel weg, hij gilde van angst en was niet tot bedaren te +brengen, Willem nam zijn broertje Albert op den arm en droeg hem in de +andere tent, waar Thomas in zijn doornat hemd op den grond omkroop en +de jammerlijkste klaagtonen liet hooren. Juno, mevrouw Wilson en de +kleine Caroline werden het laatst onder de tweede tent in veiligheid +gebracht. Gelukkig had niemand zich bezeerd, maar allen waren doodelijk +ontsteld en de kleine schreide en snikte luid, wat echter nauwelijks +gehoord werd, daar het loeien der zee en het bulderen der windvlagen +alle andere geluiden geheel verdoofde. Het was een lange vreeselijke +nacht, dien men zoo in angst en zorg doorbracht, tot eindelijk de lang +gewenschte morgen aanbrak. Met de eerste schemering verliet Flink de +tent en bevond tot zijne geruststelling, dat de storm reeds zijne woede +had uitgeput en merkbaar aan het afnemen was. Nochtans was het heden +niet zulk een heldere vroolijke morgen, als waaraan zij sinds hunne +landing op het eiland gewoon waren; de hemel stond nog dreigend, en +zwart en wild dreven de wolken daaraan rond; de zon bleef onzichtbaar +en niet een enkel plekje blauw was door de nevelachtige atmosfeer te +bemerken. Het regende nog voortdurend, ofschoon niet sterk meer, en de +grond was doorweekt en glibberig. De kleine baai, die nog den avond te +voren een zoo stil en vreedzaam aanzien had, was thans door +wildschuimende en loeiende golven opgevuld <span class= +"pagenum">[<a id="pb74" href="#pb74" name="pb74">74</a>]</span>en de +branding sloeg ver over het strand heen. De gezichteinder was mistig en +onduidelijk; men kon den hemel niet van het water onderkennen en het +gansche eiland scheen in een wijden kring van wit <span class="corr" +id="xd21e1738" title="Bron: sparrend">spattend</span> zeeschuim +besloten. Flink wendde zijne oogen naar de plaats, waar het schip op de +riffen had vastgezeten. Daar was niets meer te zien,—het wrak was +op eens verdwenen! slechts hier en daar zag men er de planken en luiken +van, die met alles, wat in het ruim geborgen was geweest, overal +ronddreven of nog in de woeste branding het strand beurtelings naderden +en ontvloden.</p> +<p>„Ik dacht wel, dat het zoo gaan zou,” zeide Flink tot +mijnheer Wilson, die hem gevolgd was, om eens naar het schip om te +zien; „zie maar, de storm heeft het geheel in splinters geslagen. +Dat kan ons tot aansporing zijn, om hier niet langer te blijven. Wij +moeten van ’t goede weer, dat wij voor ’t invallen van den +regentijd waarschijnlijk nog hebben zullen, zooveel mogelijk partij +trekken en mogen volstrekt geen tijd verliezen.”</p> +<p>„Ik ben dat volkomen met u eens, Flink,” antwoordde +mijnheer Wilson.—„Dat daar is ook eene aanmaning om spoed +te maken,” en hij wees naar de door den wind omvergeworpen tent. +„Het is wezenlijk een geluk, dat geen van de onzen daarbij letsel +heeft bekomen.”</p> +<p>„Ja, waarlijk, mijnheer; maar de storm is nu gebroken en +morgen zullen wij weer mooi weer hebben. Laat ons nu eens gaan opnemen, +wat wij met de tent doen kunnen. Willem en Juno zullen in dien +tusschentijd wel naar een ontbijt voor ons omzien.”</p> +<p>Met deze woorden gingen zij aan den arbeid. Zij voorzagen de tent +opnieuw van stevige prikken en touwen en brachten haar weldra weder in +behoorlijken staat, behalve dat de bedden en dekens nog doornat waren +en in den wind moesten worden te drogen gehangen. Nadat dit gedaan was, +zetten zij zich neder tot het ontbijt, waartoe Juno hen juist was komen +roepen<span class="corr" id="xd21e1749" title="Bron: ,">.</span></p> +<p>„Voor ’t oogenblik kunnen wij weinig meer doen, +mijnheer,” zeide Flink. „Tegen den avond zal het linnen zoo +nat niet meer zijn, en dan zullen wij er beter mee kunnen omgaan. +Eindelijk zie ik eene opening in de wolken, die spoedig ander weer +belooft; de storm was ook al te hevig, om heel lang aan te houden. +<a id="xd21e1754" name="xd21e1754"></a>En nu<span class="corr" id= +"xd21e1756" title="Niet in bron">,</span>” vervolgde hij, +„willen we nog eerst al onze krachten inspannen, om de +aangespoelde goederen te redden, die, als ze te lang omdrijven, tegen +de rotsen worden stukgeslagen. Juno kunnen wij daarbij missen, en ik +hoop, dat wij ons ook zonder den braven Thomas wel redden zullen. Het +is beter, dat hij bij moeder blijft en zorgt, dat haar hier geen +ongeluk overkomt.”</p> +<p>Thomas was echter door het gebeurde van dien nacht nog geheel uit +zijn humeur en verkoos boe noch ba te zeggen. <span class= +"pagenum">[<a id="pb75" href="#pb75" name="pb75">75</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch19" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">NEGENTIENDE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">DE WONDEREN DER NATUUR.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Weldra stonden zij aan het strand. Flink had onder den +reeds geborgen voorraad een stevig, lang touw opgezocht en daarmede +werden nu de tonnen en wat meer nog van het verbrijzelde schip door de +golven werd aangespoeld, vastgebonden en zoover mogelijk op het drooge +gesleept. Dit werk hield hen gedurende het grootste gedeelte van den +dag bezig en nog hadden zij niet het vierde deel der goederen +bijeengebracht, die zich binnen hun bereik ophoopten behalve nog de +menigte van gereedschappen, die buiten op de zee en aan den ingang der +bocht omdobberden.</p> +<p>„Kom mijnheer,” zeide Flink eindelijk, „voor +vandaag hebben wij onze taak verricht. Morgen zullen wij nog meer +kunnen uitvoeren, want de zee wordt nu reeds weer effen en de zon komt +van achter gindsche wolken te voorschijn. Wij moeten nu ook voor onze +maag zorgen en dan zien, hoe wij ons dezen nacht het best behelpen +kunnen.”</p> +<p>De eene tent, die door den storm was verschoond gebleven, werd aan +mevrouw Wilson en hare kinderen afgestaan en de andere, zoo goed het +geschieden kon, weer inderhaast hersteld. Het beddegoed was nog op +verre na niet droog, en dus nam men zijne toevlucht tot eenige zeilen, +die dieper in het bosch minder van den regen hadden te lijden gehad, en +spreidde die op den grond uit, om er de vermoeide leden gedurende den +nacht op uit te strekken.</p> +<p>Den volgenden morgen scheen de zon helder en vroolijk. De lucht was +geurig en frisch; een zacht windje speelde over het water en er was +bijna in het geheel geen branding meer. Voortdurend werden allerlei +overblijfselen van het wrak door den wind aan land gebracht; vele +goederen waren gedurende den nacht langs het strand opeengehoopt en bij +eene menigte andere had men slechts geringe moeite noodig om ze geheel +in veiligheid te brengen. Het scheen wel dat de stroom des waters recht +op de bocht stond, want van de voorwerpen, die eerst buiten in de zee +hadden omgedreven, kwamen nu de meeste van lieverlede in deze richting +aan land gespoeld. De beide mannen werkten tot aan het uur van het +ontbijt door en hadden toen een aantal tonnen, vaten en kisten aan den +oever gehaald.</p> +<p>Dadelijk na het ontbijt keerden zij naar de baai terug om hun arbeid +voort te zetten.</p> +<p>„Zie eens, Flink, wat is dat?” vroeg Willem, die bij hem +was en op een zwart punt wees, dat langzaam kwam aandrijven. +<span class="pagenum">[<a id="pb76" href="#pb76" name= +"pb76">76</a>]</span></p> +<p>„Dat is onze arme koe; en als gij nauwkeuriger toeziet, zult +gij ook de haaien bemerken, die op het kreng azen. Ziet gij +wel?”</p> +<p>„O ja, duidelijk en wat een menigte zijn er!”</p> +<p>„Er zijn er zeker genoeg om twintig koeien te verslinden; en +wees dus maar voorzichtig, Willem als gij in het water gaat, en pas op, +dat Thomas er niet te dicht bij komt, want de haaien geven om geen +ondiepte, als ze een buit voor zich zien.—Maar nu moet ik u +beiden overlaten nog zooveel van het wrak te redden, als gij kunt, +terwijl ik onze boot nazie en haar weer in orde breng. Wij zullen haar +binnenkort noodig hebben, en hoe eer wij haar gebruiken kunnen, des te +beter.”</p> +<p>De oude man ging het gereedschap halen, dat hij tot herstelling van +de boot noodig had. Inmiddels verzamelden vader en zoon ijverig de +verschillende voorwerpen, die aan het strand spoelden, en rolden de +vaten zoo ver opwaarts, als zij konden. De houten en balken van het +schip lieten zij aan het spel der golven over, omdat zij daarvan reeds +zulk een voorraad bijeen hadden, als voor den eersten, ja voor langen, +langen tijd <span class="corr" id="xd21e1789" title= +"Bron: toerijkend">toereikend</span> kon geacht worden.</p> +<p>Daar Flink zekerlijk eenige dagen noodig zou hebben, om de boot +weder waterdicht en bruikbaar te maken, besloot mijnheer Wilson nu ook +op zijne beurt eens met Willem naar de andere zijde van het eiland te +gaan; en daar zijne vrouw er geen bezwaar in vond met Flink en Juno +alleen te blijven, begaven beide zich den derden dag na den storm al +vroegtijdig op weg. Willem ging vooruit en richtte zich naar de +teekenen, die op de kokosboomen te zien waren. In twee uren tijds +hadden zij ditmaal de plaats hunner bestemming bereikt.</p> +<p>„Is het hier niet schoon, vader?” riep Willem uit.</p> +<p>„Ja, heerlijk, verrukkelijk, mijn beste jongen,” was het +antwoord.</p> +<p>„Ik kon mij bijna niets fraaiers voorstellen dan het plekje op +de andere zijde van het eiland, waar wij tot hiertoe woonden, maar dit +overtreft het nog zoowel in verscheidenheid <span class="corr" id= +"xd21e1800" title="Bron: al">als</span> in uitgestrektheid.”</p> +<p>„En nu moeten wij eens naar de wel gaan zien, vader,” +vervolgde Willem en wees den weg dien zij hadden in te slaan.</p> +<p>De door Flink gegraven kuil en de geheele holte, waarin deze gelegen +was, stond tot overvloeiens vol en bevatte het heerlijkste water. Na +zich hiervan overtuigd te hebben, wandelden zij het strand langs naar +de zandige baai en zetten zich daar op eene koraalklip neder.</p> +<p>„Wie had ooit gedacht, Willem,” begon de vader, +„dat dit eiland met zoovele andere, die in menigte in den Stillen +Oceaan verstrooid liggen, zijn <span class="pagenum">[<a id="pb77" +href="#pb77" name="pb77">77</a>]</span>ontstaan aan kleine nietige +insecten kon te danken hebben, die nauwelijks zoo groot als eene +speldeknop zijn!”</p> +<p>„Insecten, vader?” riep de knaap uit.</p> +<p>„Ja! insecten. Geef mij dat stukje dood koraal eens. Ziet gij +die honderden ronde kleine gaatjes in elk takje, tot zelfs in het +kleinste toe? Verbeeld u nu, in ieder dier kleine openingen woonde eens +een zee-insect, en naarmate die insecten aangroeiden, groeiden ook de +takken der koraalboomen uit.”</p> +<p>„Ja, dat begrijp ik wel. Maar hoe kan men weten, dat dit +eiland door hen gemaakt is? Zoo iets gaat mijn begrip geheel te +boven.”</p> +<p>„En toch is het waar, Willem, dat genoegzaam alle eilanden in +dit gedeelten van den oceaan door den arbeid en den wasdom dezer kleine +dieren ontstaan zijn. Het koraal was aanvankelijk op den bodem der zee, +waar het door wind en golven niet gestoord wordt. Al langzamerhand +schiet het hooger op, tot het eindelijk bijna tot aan de oppervlakte +des waters reikt. Dan is het juist als die klippen, welke gij ginds +ziet, Willem, en van nu af wordt het door het geweld van wind en baren, +die het gedurig afbrokkelen, in zijn groei belemmerd en kan zich daarom +ook niet boven de zee verheffen; want als dit het geval werd, dan +moesten de kleine dieren natuurlijk sterven.”</p> +<p>„Maar hoe ontstaat daar nog een eiland uit?”</p> +<p>„Dat geschiedt slechts zeer langzaam en na verloop van veel +tijd; ook hangt daarbij veel van het toeval af. Zoo kan b. v. een +boomstam, die in zee omdrijft en misschien met schelpen en schaaldieren +overdekt is, op de koraalriffen blijven vastzitten. Zoo iets zou een +toereikend begin zijn, want het kon boven water blijven en de koralen +aan de windzijde beschutten, tot zich een vlakke rots, van gelijke +hoogte met de zee, had vastgezet. De zeevogels zoeken gaarne eene +plaats om uit te rusten. Zij zouden deze hier schielijk gevonden hebben +en van hunne uitwerpselen moest dan na verloop van tijd eene kleine +plek boven water ontstaan, waarop vervolgens ook nog andere drijvende +voorwerpen konden blijven hechten. Over zee verwaaide landvogels vallen +daarop neder en de in hunne maag bevatte zaadkorrels schieten, eens +gevallen, tot struiken en boomen op.”</p> +<p>„Dat kan ik goed begrijpen.”</p> +<p>„Welnu dan; op die wijze is de eerste grondslag om het zoo +eens te noemen tot een eiland gelegd, en eens zóóver, +neemt dit ook spoedig toe, want thans zijn de koralen tegen den wind +gedekt en groeien welig op. Merkt gij wel, hoe breed en hoog de +koraalklippen op deze zijde van het eiland, waar stormvlagen en +golfslag haar niet zoo deren kunnen, oprijzen, terwijl dit aan de +windzijde, waar onze tenten staan, zoo geheel anders is? Evenzoo +onttrekt <span class="pagenum">[<a id="pb78" href="#pb78" name= +"pb78">78</a>]</span>die eerste kleine plek boven water de +koraalgewassen aan den wind, en dan neemt het eilandje ras in wasdom +toe; want de vogels rusten er niet alleen, maar nestelen er ook en +broeden er jongen uit, zoodat de omvang van jaar tot jaar grooter +wordt. Ten laatste komt dan nog eene kokosnoot op de golven +aandrijven—en die vrucht is juist geschikt, om zich op +zoo’n wijze voort te planten, want hare buitenste schil is hard +en waterdicht en meteen zoo licht, dat ze op ’t water drijft en +daarin, zonder te verrotten, maanden kan blijven liggen. Zij schiet +wortel, wordt een boom, die zijne breede takken telken jare verder +uitbreidt en door zijn dorrend loof gedurig meer teelaarde om zich heen +verzamelt. De rijpe noten vallen in deze vetten bodem, kiemen schieten +op,—en zoo gaat het voort, jaar in jaar uit, totdat het eiland +zoo groot en zoo dicht met boomen bezet is, als dat waarop wij nu op +dit oogenblik staan. Is dat niet verwonderlijk?<span class="corr" id= +"xd21e1830" title="Niet in bron">”</span></p> +<p>„Hé, hoe merkwaardig!” antwoordde Willem.</p> +<p>Eenige minuten na dit gesprek bleven vader en zoon zwijgend zitten. +Toen stond de eerste op en zeide: „Kom, Willem, laat ons nu +terugkeeren; wij hebben nog drie uren licht en willen tijdig thuis +zijn.”</p> +<p>„Ja vooral vóór het avondeten, vader,” +antwoordde de knaap, „dat ik alle eer zal aandoen. Hoe eer wij er +zijn, des te beter.”</p> +</div> +</div> +<div id="ch20" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">TWINTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">VERHUIZING NAAR DE OOSTZIJDE.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Alles was nu zoover gereed, dat men zonder twijfel met +het opbreken naar de lijzijde van het eiland beginnen kon. Flink had de +boot bijna weder klaar; hij had haar geheel vernieuwd en daarbij nog +van een mast en zeilen voorzien. Mijnheer Wilson en Willem gingen voort +met het verzamelen van goederen, die nog voortdurend werden +aangespoeld, en kozen bij voorkeur dezulke, die in de open lucht aan +bederf onderhevig zijn. Al wat zij van dezen aard vonden, werd naar het +kokosboschje gebracht, om het althans aan de hitte der zon te +onttrekken, doch er werd dagelijks zulk een menigte van alles aan land +geworpen, dat zij nauwelijks wisten, wat zij al bijeen hadden. Echter +versmaadden zij niets, maar borgen de eene kist na de andere en +wachtten op eene andere gelegenheid om den inhoud er van te +onderzoeken. Ten laatste droegen zij het verzamelde op groote hoopen +<span class="pagenum">[<a id="pb79" href="#pb79" name= +"pb79">79</a>]</span>en bedekten die behoorlijk met zand, daar het in +<span class="corr" id="xd21e1848" title="Niet in bron">den</span> +korten tijd, die hun overig bleef, onmogelijk was de velerlei goederen +van het strand weg te brengen.</p> +<p>Ook mevrouw Wilson, die nu weer volkomen hersteld was, en Juno +bleven niet werkloos. Zij hadden al het noodige zoo goed zij konden in +pakken saamgebonden, om het gemakkelijk naar de nieuwe woonplaats te +kunnen overbrengen. Op den achtsten dag na den storm waren <span class= +"corr" id="xd21e1853" title="Bron: alleen">allen</span> met hun werk +gereed en nu werd ten besluite eene groote raadsvergadering gehouden. +Men kwam overeen, dat Flink het beddegoed en het zeildoek van de eene +tent in de boot pakken en Willem op zijne eerste vaart medenemen zou. +Na dit vervoerd te hebben, zou hij terugkeeren, om eene tweede vracht +te laden, en dan moest de familie door het bosch naar de andere zijde +van het eiland trekken en daar met den heer Wilson blijven, terwijl +Flink met Willem de tweede tent ging halen. Daarna zou de boot nog +zooveel reizen doen, als het weder toeliet, tot alles, wat men voor het +begin noodig had, naar de nieuwe woonstede was overgebracht.</p> +<p>Het was een lieve stille morgen, toen Flink en Willem met de zwaar +beladen boot van land stieten. Zoodra zij buiten de bocht waren, +trokken zij het zeil op en stevenden met gunstigen wind langs de kust +voort. Binnen twee uren hadden zij de oostkust bereikt. De landtong, +aan wier spits de doorgang door de klippen zich bevond, was geen mijl +meer van hen verwijderd, en nu lieten zij het zeil vallen en roeiden in +het kanaal, om in de zandige baai te landen.</p> +<p>„Gij ziet, Willem, hoe gelukkig het voor ons treft, dat wij +altijd een goeden wind zullen hebben, als wij met de bevrachte boot +hierheen gaan, en slechts het leege vaartuig hebben terug te +roeien.”</p> +<p>„<a id="xd21e1862" name="xd21e1862"></a>Ja, dat treft heel +gelukkig. Hoe ver zou het wel zijn van de bocht ginds tot aan dit +gedeelte van het eiland?”</p> +<p>„Zes of zeven mijlen, verder niet. Het eiland is lang en smal, +zooals gij ziet. Laat ons nu ons boeltje aan land dragen, dan kunnen +wij lang voor donker in onze bocht terug zijn. Uwe moeder zag niet +bijzonder gaarne, dat gij andermaal op zee gingt, Willem;—ik heb +dat wel bemerkt; en wij moeten dus niet lang uitblijven.”</p> +<p>De boot was spoedig gelost; doch het kostte meer tijd de goederen +ver genoeg op het land te dragen. „Zulk een storm, als wij +onlangs hadden, zullen wij hier denkelijk niet meer hebben uit te +staan,” zeide Flink; „want wij zijn daartegen door het +kokosbosch in zijne gansche diepte gedekt. Van den wind zullen wij +nauwelijks iets merken, maar des te meer van den regen, die in gansche +stroomen op ons neerkomen zal.” <span class="pagenum">[<a id= +"pb80" href="#pb80" name="pb80">80</a>]</span></p> +<p>„Ik moet eens even naar onze bron gaan zien en er een goeden +dronk uithalen,” sprak Willem.</p> +<p>„Doe dat; maar laat mij niet te lang in de boot +wachten.”</p> +<p>Willem berichtte, dat de bron tot den rand toe vol was en hij in +zijn leven geen zoo heerlijk water gedronken had. Daarop staken zij van +wal en waren na ruim twee uren roeiens weder aan den ingang van de +bocht, waar mevrouw Wilson met Thomas aan de hand op hen wachtte en hun +reeds van verre met haar zakdoek toewuifde.</p> +<p>Bij het aan land stappen ontvingen zij de gelukwenschen der gansche +familie over den gunstigen uitslag van hunne eerste vaart, en allen +waren blij, dat de afstand zooveel korter was, dan men aanvankelijk +geloofd had.</p> +<p>„Den volgenden keer ga ik mee,” zei Thomas met veel +deftigheid.</p> +<p>„Alles op zijn tijd; als de jongeheer Thomas nog een weinigje +grooter is,” antwoordde Flink.</p> +<p>„Massa Thomas komen mij help te melken de geit?” vroeg +Juno.</p> +<p>„Ja, ja, de geiten melken<span class="corr" id="xd21e1886" +title="Bron: ?">!</span>” riep de kleine schelm en huppelde +vroolijk heen.</p> +<p>„Zoo altijd pekelvleesch en scheepsbeschuit moet u toch +vervelen, mevrouw,” zeide Flink, toen zij zich weder tot eten +nederzetten. „Zoodra wij echter in ons nieuw verblijf zijn, hoop +ik wel wat beter voedsel voor u op te doen. Tegenwoordig is het nog +hard werk en harde kost.”</p> +<p><span class="corr" id="xd21e1892" title= +"Niet in bron">„</span>Zoolang de kinderen er geen hinder van +hebben, kan ik mij dat heel goed getroosten, ofschoon ik wel bekennen +wil, dat ik na dien laatsten storm hartelijk verlang hier vandaan te +komen, vooral na de verleidelijke beschrijving, die Willem mij van onze +aanstaande woonplaats gegeven heeft. Het moet een waar paradijs zijn! +Wanneer zullen wij opbreken, Flink?”</p> +<p>„Niet vóór overmorgen, mevrouw; want, ziet gij, +ik heb eerst nog eene tweede reis te doen, om het keukengereedschap en +de bundels, die gij gepakt hebt, over te brengen. Als gij Juno morgen +missen kunt, moet zij met Willem door het bosch gaan, en dan kunnen wij +de eene tent voor u en de kinderen opzetten. Uw man kan dan +achterblijven.”</p> +<p>„Zeer goed, Flink; en zou ’t niet het best zijn, dat zij +dan meteen de schapen en de geiten meenamen?”</p> +<p>„Ik ben blij, mevrouw, dat gij daaraan gedacht hebt; wij +kunnen daardoor vrij wat tijd besparen.” <span class= +"pagenum">[<a id="pb81" href="#pb81" name="pb81">81</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch21" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">EEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">FLINK EN WILLEM.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">De oude man had zijne boot reeds lang weder volgeladen +en onder zeil gebracht, voordat de overige leden der familie nog op +waren. Deze waren nog niet aangekleed, toen hij zijne gansche vracht +reeds gelost had en zich vervolgens neerzette, om zijn ontbijt te +nuttigen. Daarna droeg hij al de goederen naar de plek, waar hij eene +tent wilde opslaan, en maakte hiertoe het noodige gereed, terwijl hij +nog de komst van Willem en Juno wilde afwachten, die hem dan helpen +konden om de staken vast te binden en het linnen daar overheen te +trekken.</p> +<p>Tegen tien uren ’s morgens verscheen Willem met eene der +geiten aan een touw, terwijl de overige los volgden. Na hem kwam Juno +met de schapen, van welke zij er ook een vasthield; de andere hadden +zich geduldig bij den trein aangesloten.</p> +<p>„Daar zijn wij eindelijk<span class="corr" id="xd21e1913" +title="Bron: ’">,</span>” riep Willem lachend. „Wij +hebben in het bosch de handen vol werk gehad, want die domme Nanni, de +geit, liep altijd om de eene zij van den boom, als ik aan de andere +was, zoodat ik het touw dan wel gedurig moest loslaten. Wij hebben de +varkens ook weer ontmoet, en ge hadt eens moeten hooren<span class= +"corr" id="xd21e1916" title="Niet in bron">,</span> Flink, hoe Juno het +uitgierde.”</p> +<p>„Ikke denken, dat wilde beest loopen in de bosch,” zeide +Juno. „O, wat ijselijk mooie plaats hier! Hier massaas zeker +dolgraag wonen zullen.”</p> +<p>„Ja, het is wezenlijk eene heerlijke plaats, Juno; en hier +kunt gij ook weer wasschen en plassen, en zult het water niet behoeven +te ontzien.”</p> +<p>„Daar denk ik juist over, hoe wij ons gevogelte het best over +zullen brengen,” zeide Willem: „het is wel niet heel wild, +maar laat zich toch niet opvangen.”</p> +<p>„Ik zal ze morgen meenemen, vriend Willem,” zeide +Flink.</p> +<p>„Maar hoe zult gij ze in handen krijgen?”</p> +<p>„Doodeenvoudig; men wacht, tot ze ’s avonds op hun tak +zitten, en dan kan men ze met de hand aanvatten, als men lust +heeft.”</p> +<p>„En de duiven en de varkens laten wij in ’t wild loopen, +denk ik, en hun eigen kost zoeken?”</p> +<p>„Zeker; het is het beste, wat wij met hen doen kunnen. De +varkens zullen onder de kokosboomen altijd genoeg voedsel vinden en +schielijk jongen in menigte krijgen.”</p> +<p>„En dan zullen wij hen schieten, niet waar?” +<span class="pagenum">[<a id="pb82" href="#pb82" name= +"pb82">82</a>]</span></p> +<p>„Ja, Willem, dat zullen wij, en ook duiven, wanneer die zich +eerst genoegzaam vermeerderd hebben; zoodat wij, als wij hier zoolang +blijven, in het vervolg ook onze vrije jacht zullen krijgen. Spoedig +zullen wij behoorlijk van alles voorzien zijn en levensmiddelen in +overvloed tot onze beschikking hebben; elk komend jaar zal ons rijker +maken. Maar nu moet gij de tent helpen opslaan en ieder ding op zijn +plaats brengen, zoodat uwe moeder bij hare komst alles recht +gemakkelijk en netjes vindt. Zij zal wel zeer moe wezen, als zij hier +komt; want de wandeling is voor haar een heel eind.”</p> +<p>„Moeder is veel beter, dan zij in lang geweest is,” +antwoordde Willem. „Ik hoop, dat zij spoedig weder volkomen +gezond zal zijn, en dat wordt zij zeker, als zij hier maar een poosje +gewoond heeft.”</p> +<p>„Wij hebben nog zeer veel werk voor ons, meer dan wij +vóór den regentijd gedaan kunnen krijgen, en dat is +waarlijk jammer, hoewel ’t nu eenmaal niet te veranderen is. +Vandaag over een jaar zullen wij alles hier beter in orde +hebben<span class="corr" id="xd21e1945" title= +"Bron: ,">.</span>”</p> +<p>„Wel, wat hebben wij dan nog te doen, als onze tenten er eens +staan en wij ons goed overgebracht hebben?”</p> +<p>„In de eerste plaats moeten wij een huis bouwen, en dat zal +ons vrij wat tijd kosten. Wij dienen ons te haasten, opdat het zoo +schielijk mogelijk klaar kome. Dan moeten wij een kleinen tuin +aanleggen en de zaden, die uw vader uit Engeland heeft meegebracht, in +den grond brengen.”</p> +<p>„O, dat is een allerprettigst werk. Waar kan dat het best +geschieden, Flink?”</p> +<p>„Ik heb reeds naar eene geschikte plaats omgezien. Wij moeten +dwars over die landtong eene omheining aanleggen en al het struikgewas +met den wortel uitroeien. De grond is er opperbest.”</p> +<p>„En wat komt dan aan de beurt?”</p> +<p>„Dan moeten wij een pakhuis aanleggen voor al den voorraad, +dien wij verzameld hebben en die nog in het bosch en op het strand +verstrooid ligt. Daar moeten wij alles laten, tot wij tijd hebben, om +het te onderzoeken; en dan dienen wij te overleggen, hoevele reizen wij +nog met onze kleine boot te doen hebben, om alles hierheen te +brengen.”</p> +<p>„Ja, dat is alles waar. Valt er dan nog meer te +doen<span class="corr" id="xd21e1963" title= +"Bron: !">?</span>”</p> +<p>„O, nog werk in overvloed! Wij moeten een vijver voor +schildpadden een anderen voor visch aanleggen en eene badplaats voor +Juno zoeken, waar zij de kinderen wasschen kan.”</p> +<p>„Ja, ja, en <span class="corr" id="xd21e1970" title= +"Bron: ikek">ikke</span> mijzelf ook,” zeide Juno.</p> +<p>„Wel, dat is den moriaan gewasschen; ofschoon ik wel weet, +Juno, dat <span class="pagenum">[<a id="pb83" href="#pb83" name= +"pb83">83</a>]</span>gij een zindelijk meisje zijt, al is uwe huid ook +niet heel blank.—Maar vooreerst, Willem, moeten we onze wel in +goeden staat brengen, zoodat we altijd rijkelijk versch water hebben. +En daar hebt ge nu werk genoeg en wel zwaar werk, althans voor een vol +jaar, en hoe langer wij hier samenwonen, des te meer behoeften zullen +wij langzamerhand ook ontdekken.”</p> +<p>„Nu, laat moeder en de kleinen maar eerst hier zijn, dan +zullen wij dapper aan den gang gaan.”</p> +<p>„Ik wenschte van ganscher harte, dat alles reeds gedaan was, +mijn beste Willem,” vervolgde Flink. „In allen gevalle hoop +ik nog lang genoeg te leven, om dat alles tot stand te zien gebracht. +Ik zou u allen gaarne in onbezorgde omstandigheden achterlaten en met +de zekerheid, dat gij u in het vervolg ook zonder mij goed kondet +redden<span class="corr" id="xd21e1981" title= +"Bron: ,">.</span>”</p> +<p>„Maar hoe kunt gij zoo spreken, Flink? Gij zijt wel oud, maar +daarbij toch gezond en sterk.”</p> +<p>„Nu nog wel, mijn goede jongen; maar gij weet, hoe onzeker het +leven van den mensch is. Gij zijt jong en gezond en een lang leven +schijnt voor u weggelegd, maar toch, wie kan zeggen, of gij niet +misschien morgen reeds heengegaan en door vader en moeder bitter +beweend zult worden? En zou ik, een oud man, die al zooveel moeite en +ongemakken heb doorgestaan, dan nog op een lang leven rekenen? +Neen—neen, Willem, dat ware in de jeugd dwaasheid, maar bij een +grijsaard zwakheid en waanzinnigheid. En toch zou ik gaarne hier +blijven, zoolang ik nog nuttig zijn kan, en dan, dunkt mij, als mijne +taak ten einde is, kon ik in vrede de oogen sluiten. Ik verlang niet +dit eiland ooit weer te verlaten en heb een soort van voorgevoel, dat +mijn gebeente hier eens rusten zal.”</p> +<p>Een tijdlang werkten zij voort zonder een woord te spreken. Het +linnen voor de tent werd uitgespannen en met prikken in den grond +vastgeslagen. Eindelijk brak Willem het stilzwijgen <span class="corr" +id="xd21e1990" title="Bron: at">af</span>.</p> +<p>„Flink, hebt gij mij niet eens gezegd, dat uw voornaam +Masterman is?”</p> +<p>„Ja, zoo is het ook, Willem.”</p> +<p>„Dat is toch een wonderlijke voornaam! Werdt gij misschien +naar een ander zoo genoemd?”</p> +<p>„Dat raadt gij goed; hij was een zeer rijk man, mijn +peet.”</p> +<p>„Weet gij wat, Flink!—ik zou gaarne uwe geschiedenis +eens hooren vertellen,—ik meen namelijk uwe gansche +levenshistorie, van toen gij een kind waart af.”</p> +<p>„Nu, dat kan nog wel eens gebeuren, Willem, en waarlijk, er +zijn vele voorvallen in mijn leven, die anderen wel tot eene goede +leering konden <span class="pagenum">[<a id="pb84" href="#pb84" name= +"pb84">84</a>]</span>dienen. Dat kan ik echter eerst doen, als wij met +ons werk klaar zijn, nu is de tijd er te kostbaar toe.”</p> +<p>„Hoe oud zijt gij wel, Flink?”</p> +<p>„Vier-en-zestig al ruim, mijn jongen. Dat is een hooge +ouderdom voor een zeeman. Ik had ook geen dienst meer op een schip +kunnen krijgen, als ik niet met verscheidene kapiteins zoo goed bekend +was geweest.”</p> +<p>„Maar waarom zegt gij, een hoogen ouderdom voor een +zeeman?”</p> +<p>„Omdat de matrozen zelden zoo lang leven als andere lieden, +deels wegens de ongemakken, die zij moeten doorstaan, deels ook door +eigen schuld, omdat zij te veel sterke drank gebruiken. Daarbij zijn +zij ook vaak zorgeloos, bekommeren zich al te weinig om hunne +gezondheid, zoodat hunne levenskracht vroeger uitgeput raakt, dan dit +op het vasteland gewoonlijk het geval is.”</p> +<p>„Maar gij gebruikt tegenwoordig immers geen sterke drank +meer?”</p> +<p>„Neen, nooit, Willem; maar in vroeger jaren was ik even dwaas +als de anderen.—Kom, Juno, het wachten is alleen op u; breng de +bedden eens hier. Wij hebben nog maar twee of drie uren tot onze +beschikking. Wat zullen wij nu ’t eerst aanvangen +Willem?”</p> +<p>„Zou ’t niet goed wezen, dat wij terstond eene +stookplaats zochten, om den pot te koken? Juno en ik konden daartoe de +steenen wel aanbrengen?”</p> +<p>„Gij toont overleg, mijn beste jongen;—juist datzelfde +wou ik voorslaan, als gij het niet gedaan hadt. Ik zal morgen lang +vóór u hier zijn en wel zorg dragen, dat gij bij uwe +aankomst het eten gereed vindt.”</p> +<p>„Ik heb een flesch met water in mijn reiszak +meegebracht,” vervolgde Willem, <span class="corr" id="xd21e2027" +title="Niet in bron">„</span>niet zoozeer om dat water, als omdat +ik de geiten melken en de melk voor mijn kleine broertje meenemen +wou.”</p> +<p>„Daar hebt gij braaf en broederlijk <span class="corr" id= +"xd21e2032" title="Bron: aangedaan">aan gedaan</span>. Nu frisch aan +’t werk! Terwijl gij met Juno steenen haalt, zal ik al het +overige goed <span class="corr" id="xd21e2035" title= +"Bron: hieronder">hier onder</span> de boomen wegbergen.”</p> +<p>„Kunnen wij de schapen en geiten los laten loopen, +Flink?”</p> +<p>„Gerust; ge hebt niet te vreezen, dat ze zullen wegloopen. Het +groene voeder is hier beter dan op de andere zijde van het eiland en +daarbij overvloedig voorhanden. Geloof mij, ze zullen heel bedaard hier +blijven.”</p> +<p>„Goed dan zal ik Nanni loslaten, zoodra Juno haar gemolken +heeft; doch dat is vandaag ook ons laatste werk hier.—Laat ons nu +eens zien, Juno, hoeveel steenen wij in één vracht dragen +kunnen.”</p> +<p>Een uur later was de stookplaats gereed, had Flink zijne taak +volbracht, <span class="pagenum">[<a id="pb85" href="#pb85" name= +"pb85">85</a>]</span>waren de geiten gemolken en druk aan ’t +grazen en namen Willem en Juno den terugweg door het woud aan.</p> +<p>Flink keerde naar het strand terug. Toen hij dat langs wandelde, zag +hij eene kleine schildpad liggen. Behoedzaam sloop hij op haar toe, +zoodat hij tusschen haar en het water kwam te staan, en toen greep hij +haar plotseling aan en kantelde haar gelukkig op den rug om.</p> +<p>„Ziezoo, dat is onze hoofdschotel voor morgen,” zeide +hij, terwijl hij in zijne boot klom. Met forsche handen greep hij de +riemen aan en roeide naar de bocht terug.</p> +</div> +</div> +<div id="ch22" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">TWEE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">AANKOMST OP DE NIEUWE WOONPLAATS.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Flink landde in de bocht, trok de boot aan wal en ging +toen naar de tenten, waar hij het gansche gezelschap bij elkaar vond, +aandachtig luisterende naar het verhaal, dat door Willem van de +verrichtingen en ontmoetingen van dien dag gedaan werd. Bij Flinks +komst werd dadelijk alles voor morgen afgesproken. Toen ging men +slapen, en alleen de oude man en Willem bleven nog een poosje op, om de +hoenders te vangen en hun de pooten saam te <span class="corr" id= +"xd21e2059" title="Bron: bindep">binden</span>, zoodat men ze den +volgenden ochtend gemakkelijk in de boot vervoeren kon.</p> +<p>Vóór dag en dauw werden de kleinen gewekt en zoo +schielijk mogelijk aangekleed, omdat Flink de tent, waarin moeder en +kinderen geslapen hadden, in de boot wilde medenemen. Met uitzondering +van dezen en van Thomas, die in de vrouwentent—gelijk men haar +noemde—onder dak was, hadden de overigen onder den blooten hemel +geslapen, op stukken zeildoek, welke men daartoe onder de dichte +kokosboomen op den grond had uitgespreid. Wat was dat eene drukte en +eene opschudding op dezen morgen! Alles kwam in rep <span class="corr" +id="xd21e2064" title="Bron: er">en</span> roer. Zoodra mevrouw Wilson +gekleed was, werd de tent omvergehaald en met beddegoed en alle verder +toebehooren in de boot geladen. Na een hartig ontbijt gingen ook +borden, messen, lepels en andere kleinigheden scheep; toen legde Flink +de hoenders daar bovenop, en in een ommezien was hij uit het +gezicht.</p> +<p>Een weinig later maakte zich ook het verdere gezelschap tot de reis +door het kokosbosch gereed. Willem ging met de drie honden vooruit en +wees <span class="pagenum">[<a id="pb86" href="#pb86" name= +"pb86">86</a>]</span>den weg. Hem volgde zijn vader met Albert op den +arm, Juno met de kleine Caroline, en eindelijk mevrouw Wilson met +Thomas aan de hand, die volgens zijn zeggen, op zijne moeder passen +moest. Met een weemoedig gevoel zeiden zij de plaats vaarwel, die hen +na zooveel doorgestane gevaren het eerst had opgenomen. Nog eenmaal +zagen zij naar de bocht en de overblijfsels van het wrak en de +scheepslading, die naar alle zijden verstrooid lagen om en toen traden +zij het woud in.</p> +<p>Flink was in minder dan twee uren aan de nieuw gekozene +verblijfplaats aangekomen en onverwijld aan land gestapt. Voordat hij +zijne lading begon te lossen, wilde hij nog naar de schildpad zien, die +hij den vorigen dag op het strand had omgekeerd. Hij vond het beest +nog, gelijk hij het gelaten had, doodde het en wiesch het zorgvuldig +af. Nu ging hij naar de nieuw aangelegde stookplaats, legde het vuur +aan; vulde den ijzeren ketel met water en zette hem op het vuur te +koken.</p> +<p>Hierop sneed hij een stuk van de schildpad af en legde het met +eenige sneden pekelvleesch in den ketel, dekte dezen en liet alles +behoorlijk doorkoken. Het overschot van de schildpad hing hij in de +schaduw op, waarna hij naar het strand terugkeerde, om eindelijk de +lading uit de boot te brengen. Hij bond de arme hoenders los, welker +pooten in den beginne heel stijf waren, doch die zich spoedig weer +herstelden en toen terstond ijverig naar voeder rondzochten.</p> +<p>Flink nam de schotels, messen, vorken en andere kleinigheden uit de +boot en droeg ze naar de nieuwe tent, waarna hij naar het vuur omzag en +nog meer hout onder den ketel legde. Vervolgens haalde hij het +beddegoed en het linnen voor de tweede tent, benevens de staken, die +hij achter aan de boot had vastgemaakt. Hij had bijna drie volle uren +noodig om alles naar de nieuwe woonstede over te brengen, want deze lag +eenigszins van het strand verwijderd en enkele dingen waren zwaar, +zoodat de oude man hartelijk blij was, toen hij zijn werk verricht had +en zich eindelijk kon neerzetten, om wat uit te rusten.</p> +<p>„Me dunkt toch, het is haast tijd, dat zij komen +konden,” dacht Flink; „zij moeten nu al bijna vier uren +onder weg zijn. Maar misschien zijn ze later vertrokken. Het is geen +gemakkelijk ding, een hoop vrouwen met kinderen in beweging te +brengen.” Zoo wachtte hij nog een kwartier, stookte het vuur op +en vergat ook niet van tijd tot tijd de soep af te schuimen, tot +eensklaps de drie honden op hem kwamen toespringen.</p> +<p>„Nu kunnen zij niet ver meer verwijderd zijn,” dacht de +oude man.</p> +<p>En dat waren zij werkelijk niet; want eenige minuten later verscheen +<span class="pagenum">[<a id="pb87" href="#pb87" name= +"pb87">87</a>]</span>het gansche gezelschap, en dat wel zeer verhit en +afgemat, gelijk hij dan ook niet anders verwacht had. Hij hoorde nu, +dat de kleine Caroline, na een poosje geloopen te hebben, bitter over +vermoeidheid geklaagd had, zoodat Juno haar had moeten dragen. Later +had ook mevrouw Wilson zich doodelijk vermoeid gevoeld en had men een +kwartiertje moeten rusten. Daarop kwam sinjeur Thomas, die niet bij +moeder had willen blijven, maar gedurig heen en weer was geloopen en +verklaarde dat hij moe was en dat men hem dragen moest; en daar er +niemand was, die dit doen kon, begon hij te schreien en te klagen, +totdat men besloot andermaal halt te houden, opdat hij eenigermate +bekomen zou. Eindelijk begon de kleine ongelukkig nog honger te krijgen +en te schreeuwen. De vreesachtige Caroline werd beangst, toen men zoo +lang in het donkere bosch omdwalen moest, en weende mee. Thomas, dien +de goede Willem een eind ver als een zak op den rug had gedragen, +zette, toen hij eindelijk zijn eigen beenen weer gebruiken moest, eene +geweldige keel op. Zoo moest men alweer halt maken, en eerst nadat men +zich door een dronk uit Willem’s flesch verkwikt had, ging het +weer eenigszins beter, tot het gezelschap ten laatste zóó +moe en uitgeput bij Flink aankwam, dat mevrouw Wilson zich met de +kleinen eenigen tijd in de tent moest nederleggen, voordat zij van de +plaats, waar zij in het vervolg wonen zouden, ook maar iets had +gezien.</p> +<p>„Mij dunkt,” zeide mijnheer Wilson, na de kleine aan +Juno te hebben overgegeven, „dat de dagreis van heden, hoe klein +ook, het beste bewijs is, hoe hulpeloos wij zonder u zijn zouden, +Flink.”</p> +<p>„Ik ben recht blij, dat gij eindelijk hier zijt, +mijnheer,” antwoordde de oude man. „Het is mij een zwaar +pak van het hart, want nu eerst zal het met ons allen beter gaan. Me +dunkt, na eenigen tijd zult gij hier recht genoeglijk kunnen wonen, +maar daartoe hebben wij nog veel te doen. Zoodra mevrouw wat heeft +uitgerust, willen wij ons middagmaal gebruiken en dan onze eigene tent +vastmaken, wat nog werk en omslag genoeg zal wezen. Morgen zullen wij +dan ernstig met onzen nieuwen arbeid aanvangen.”</p> +<p>„Gaat gij morgen naar onze oude bocht terug, Flink?”</p> +<p>„Ja mijnheer. Wij moeten onzen voorraad hier hebben, rund- en +varkensvleesch, meel en erwten en nog veel andere dingen, die wij niet +missen kunnen. Met drie reizen heb ik den leeftocht over; het overige +kunnen wij later onderzoeken en onder dak brengen, als wij er eens tijd +toe vinden. Zoodra ik deze drie reizen met mijne boot gedaan heb, +kunnen wij dan gezamenlijk aan het werk gaan.”</p> +<p>„Maar in dezen tusschentijd kan ik toch ook wel iets +doen?” <span class="pagenum">[<a id="pb88" href="#pb88" name= +"pb88">88</a>]</span></p> +<p>„O ja, er is werk in overvloed voor u.<span class="corr" id= +"xd21e2099" title="Niet in bron">”</span></p> +<p>„Wilt gij Willem meenemen?”</p> +<p>„Neen, mijnheer; hij zal hier meer van nut zijn, en ik kan mij +ook zonder hem redden.”</p> +<p>Mijnheer Wilson ging nu in de tent en vond zijne vrouw weer vrij wat +van hare vermoeidheid bekomen, maar al de kinderen vast in slaap. Men +wachtte nog een half uur en wekte toen Thomas en Caroline, om +gezamenlijk aan tafel te kunnen gaan.</p> +<p>„Hé, beste Flink,” riep Willem, toen deze het +deksel van den ketel nam, „wat een heerlijke soep hebt gij daar +toch!”</p> +<p>„Dat is een zondagskostje, waarop ik u dezen eersten middag +eens onthalen wou,” antwoordde Flink. „Ik weet dat gij +allen het pekelvleesch eindelijk van harte moe zijt, en daarom zult gij +vandaag eens als aan eene burgermeesterstafel smullen.”</p> +<p>„Maar zeg, Flink, wat is het?” vroeg mevrouw Wilson. +„De reuk er van is heerlijk althans.”</p> +<p>„Eene schildpadsoep, mevrouw; en ik hoop, dat ze u smaken zal. +Wanneer ze u bevalt, kan ik haar u, nu wij eens hier zijn, wel meer +voorzetten.”</p> +<p>„Waarlijk zij smaakt keurig, maar er moet nog een weinig zout +in. Gij hebt dat toch nog, Juno?”</p> +<p>„Maar sikkepitte meer. Haast altemaal op,” antwoordde +deze.</p> +<p>„Hoe moeten wij het dan maken, als onze zoutvoorraad ten einde +loopt?” vroeg mevrouw Wilson.</p> +<p>„Juno moet ander halen,” gaf Flink ten +antwoord<span class="corr" id="xd21e2125" title="Bron: ,">.</span></p> +<p>„Ikke halen ander?—Ikke hebben geen zier meer,” +hernam Juno en zag den ouden man verwonderd aan.</p> +<p>„Daar buiten is het in overvloed, Juno,” zeide mijnheer +Wilson en wees naar den zeekant.</p> +<p>„Ikke niets daarvan zien kan,” antwoordde zij.</p> +<p>„Hoe meent gij dat, lieve?” vroeg mevrouw Wilson +eindelijk.</p> +<p>„Ik meen alleen, dat wij, als wij zout noodig hebben, ons dat +zelven bereiden kunnen, zooveel wij verkiezen. Wij hebben slechts +zeewater in een ketel te koken, of ook tusschen de klippen ginds eene +drogerij aan te leggen, daar de zon dan het water doet verdampen en het +zout op den grond achterlaat. Flink weet dat zoo goed als ik. Op een +dezer beide manieren wordt het zout altijd gewonnen, door uitdampen of +anders door verkoken, wat eigenlijk hetzelfde is, behalve dat men er +spoediger mee klaar komt.<span class="corr" id="xd21e2138" title= +"Niet in bron">”</span></p> +<p>„Eerlang zullen wij daar het noodige toe gereed maken, +mevrouw,” <span class="pagenum">[<a id="pb89" href="#pb89" name= +"pb89">89</a>]</span>zeide Flink; „en ik zal dan Juno wijzen, hoe +zij zichzelve altijd redden kan.”</p> +<p>Iedereen vond de soep uitmuntend. Thomas hield zijn bord zoo +dikwijls bij, dat zijne moeder hem eindelijk niet meer geven durfde. Na +geëindigden maaltijd bleef mevrouw Wilson met de kinderen alleen, +terwijl haar man en Flink met behulp van Juno en Willem de tweede tent +opsloegen en alles vóór den nacht in gereedheid brachten. +Het was reeds vrij donker, toen zij hiermee klaar waren.</p> +</div> +</div> +<div id="ch23" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">DRIE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">ALGEMEENE TEVREDENHEID MET HET NIEUWE VERBLIJF.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Mijnheer Wilson was den volgenden morgen het eerst op +en zeide tot Flink, toen deze een poos later uit de tent trad:</p> +<p>„Ik kan u zeggen, vriend, dat ik mij, sedert ik hier ben, veel +opgeruimder en beter gestemd gevoel dan vroeger. Op de andere zijde van +het eiland herinnerde alles mij onze schipbreuk en moest ik +onophoudelijk aan mijn verloren vaderland denken, terwijl het mij hier +is, of wij er reeds lang te huis waren en er vrijwillig ons verblijf +gekozen hadden.”</p> +<p>„Dat gevoel zal van dag tot dag levendiger bij u worden, +vertrouw ik, mijnheer; want het is doelloos en zelfs dwaas, als de +mensch onophoudelijk over zijn ongeluk jammert. Wij bovenal hebben alle +reden om innig dankbaar en tevreden te zijn.”</p> +<p>„Ik erken dat volgaarne, brave man<span class="corr" id= +"xd21e2162" title="Bron: ,">.</span>—Wat is dan nu het eerste, +dat gij denkt aan te vangen?”</p> +<p>„Waar wij bovenal behoefte aan hebben, is een toereikende +voorraad van zoet water en daarom wenschte ik wel, dat gij en uw zoon +Willem—dáár komt hij al! Goede morgen, mijn +jongen!—ik zei daar, dat gij beiden geen beter werk doen kondet, +dan de bron verder tot stand te brengen, terwijl ik mij weer op de +vaart begeef. Ik bracht gisteren nog een schop mee, en zoo kunt gij +gelijktijdig arbeiden; maar laat ons eerst naar de tent gaan, want +Juno, zie ik, heeft het ontbijt klaar.—Ge begrijpt wel, mijnheer, +dat wij de wel tot in het kokosbosch nasporen moeten, waar zij in de +schaduw tegen de zon gedekt is. Dat kan licht gebeuren, als gij tegen +de hoogte aan opwerkt en ziet, hoe het water van boven neerstroomt. +Hebt ge dat <span class="pagenum">[<a id="pb90" href="#pb90" name= +"pb90">90</a>]</span>gevonden, dan graaft gij een gat, wijd genoeg, om +er een van onze watertonnen, die ik van avond mee wil brengen, in neer +te laten. Is deze behoorlijk in den grond vastgezet, dan zullen wij +haar altijd vol water vinden, en hoe schielijk wij ze ook leegscheppen, +zal de wel haar toch bestendig weer aanvallen.”</p> +<p>„Ik begrijp u zeer goed,” antwoordde mijnheer Wilson. +„Dat zal dan heden ons werk zijn, voor zoolang gij afwezig +zijt.”</p> +<p>„Nu goed; dus heb ik zelf niets meer te doen, dan met Juno +over het middageten te spreken,” hernam Flink. „Daarna +schielijk een mondvol tot ontbijt en dan weg;—dit kostelijk weder +mag niet ongebruikt voorbijgaan.”</p> +<p>De oude man zeide Juno, om het varkensvleesch in de braadpan te +bakken en ook eenige sneden van de schildpad af te snijden en tegen den +middag te koken, waarbij zij ook de van gisteren overgebleven soep nog +opwarmen kon; en daarop stapte hij met een beschuit en een stuk +rundvleesch naar de boot en stak alleen van land. Vader en zoon gingen +inmiddels ook ijverig aan het werk, en tegen den middag reeds had de +kuil de breedte en diepte, welke Flink hun had aangewezen<span class= +"corr" id="xd21e2175" title="Bron: ,">.</span> Eerst toen zij zoover +waren, staakten zij hun arbeid en gingen naar de tent, waar mevrouw +Wilson met het herstellen der kleederen van hare kinderen bezig +was.</p> +<p>„Gij kunt u niet voorstellen, hoeveel beter ik mij gevoel, +sinds wij hier zijn,” zeide zij en drukte de hand van haar man, +toen die zich aan hare zijde neerzette.</p> +<p>„Ik hoop lieve, dat dit een voorgevoel is van ons toekomstig +geluk,” antwoordde hij. „Ik verzeker u, dat ik hetzelfde +voel en dezen morgen heb ik dit onzen braven Flink ook reeds +gezegd.”</p> +<p>„Ik gevoel, dat ik hier mijn leven lang gelukkig zou kunnen +zijn, zoo kalm, zoo vreedzaam en daarbij zoo verrukkelijk schoon is het +hier. Weet gij echter, wat ik mis?—Er zijn hier geen zangvogels, +zooals in ons vaderland.”</p> +<p>„’t Is waar, ik heb tot hiertoe ook nog maar enkel +zeevogels bemerkt. Hebt gij al andere gezien, Willem?”</p> +<p>„Eens maar, vader, heb ik in de verte een vlucht gezien. Flink +was niet bij mij en dus wist ik niet, wat voor vogels het waren. Ze +schenen mij echter niet zoo klein, als andere zangvogels, maar voor +’t minst van de grootte eener duif.—Kijk, daar komt Flink +den hoek om,” vervolgde hij. „Wat zeilt die kleine boot +toch hard! En ’t moet toch wel zwaar werk voor den ouden man +zijn, zoo heel alleen tegen den stroom op naar de bocht te +roeien.—Juno is het eten klaar?” <span class= +"pagenum">[<a id="pb91" href="#pb91" name="pb91">91</a>]</span></p> +<p>„Ja, massa Willem, in een ommezien klaar wezen.”</p> +<p>„Wij willen hem tegemoet gaan en hem nog vóór +den eten van het een en ander ontlasten.”</p> +<p>Zij deden dit, en Willem rolde de ledige waterton, die Flink had +medegebracht, naar de nieuw gegraven bron.</p> +<p>De sneden schildpad werden even luid geprezen, als de soep van den +vorigen avond en inderdaad, nadat men zoo lang op taai <span class= +"corr" id="xd21e2198" title="Bron: pekelkleesch">pekelvleesch</span> +gekauwd had, moest eene afwisseling met versche spijzen allen bij +uitstek gewenscht voorkomen.</p> +<p>„En nu naar de bron; zij moet heden nog klaar,” riep +Willem, zoodra de maaltijd was afgeloopen.</p> +<p>„Gij arbeidt als een dijkgraver, Willem,” merkte zijn +moeder lachend aan.</p> +<p>„Dat moet ik ook, moeder. Ik moet thans leeren alles met mijne +handen te doen.”</p> +<p>„En spoedig zal het door uwe gewoonte een tweede natuur +worden,” zei Flink.</p> +<p>Bij de bron gekomen, zagen zij tot hunne verbazing, dat het eerst +voor een paar uren gegraven gat bijna tot den rand toe met water was +opgevuld.</p> +<p>„O wee,” riep Willem, „nu zullen wij eerst al dat +water dienen uit te scheppen, om de ton er in te krijgen!”</p> +<p>„Kom, kom, jongen, bedenk u eens goed,” zei de vader. +„Het water vloeit zoo sterk, dat zulk uitscheppen geen +gemakkelijk ding zou zijn. Kunnen wij de zaak niet anders +aanvatten?”</p> +<p>„Ja, vader; maar de ton zal toch bovendrijven.”</p> +<p>„Zeker, zooals zij nu is, doet zij dat vast. Doch is er geen +middel om haar te doen zinken?”</p> +<p>„O ja, nu begrijp ik het. Wij moeten eenige gaatjes in den +bodem boren; dan zal zij volloopen en vanzelf naar den grond +gaan.”</p> +<p>„Heel goed, jongen,” sprak Flink. „Ik dacht wel, +dat zoo iets zou moeten gebeuren en heb daarom de groote boor bij mij +gestoken.”</p> +<p>De oude man boorde vier gaten in den bodem der ton, en terwijl zij +nu op het water dreef, drong dit langzamerhand naar binnen, zoodat het +vat al dieper en dieper zonk. Zoodra de rand daarvan met de oppervlakte +des waters gelijk stond, vulden zij de tusschenruimte behoorlijk met +zand op en was de bron gereed.</p> +<p>„Morgen als het water goed gezakt is, zal het zoo helder en +doorschijnend zijn als kristal, en zoo zal het blijven, als men het +niet moedwillig troebel <span class="pagenum">[<a id="pb92" href= +"#pb92" name="pb92">92</a>]</span>maakt,” voorspelde Flink. +„Alweer dus een stuk werk tot stand gebracht! Nu zullen we nog al +het overige goed uit de boot halen.”</p> +</div> +</div> +<div id="ch24" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">VIER-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">VERDERE VERRICHTINGEN IN DE NIEUWE VOLKPLANTING.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">„Daar wij nog zoo velerlei dingen te doen +hebben,” zeide mijnheer Wilson den volgenden morgen tot zijn +ouden vriend, „zullen wij een geregeld plan voor alles ontwerpen. +Van de wijze, waarop men het aanvat, hangt het welgelukken van een werk +grootendeels af. Zeg mij dus, welk werk gij ons voor de volgende week +zoo al zoudt voorslaan. <a id="xd21e2237" name="xd21e2237"></a>Morgen +is ’t Zondag, en ofschoon wij dien dag tot nu toe nog niet +behoorlijk hebben kunnen vieren, geloof ik toch, dat wij hem ditmaal +kunnen en moeten gedenken.”</p> +<p>„Ja, mijnheer, dat moeten wij en ’t zelfde zou ik u +hebben voorgeslagen. Morgen zullen wij van onzen arbeid uitrusten en +Zondag houden. En wat nu uw voorslag aangaat, mijnheer,—of zullen +wij ook eens hooren wat mevrouw zegt?”</p> +<p>„Gij moet er thans niet om denken, dat gij vrouwen of althans +fijne dames bij u hebt,” viel mevrouw Wilson hem in de rede. +„Mijne gezondheid en kracht keeren meer en meer terug en ik hoop +u spoedig wezenlijk van nut zijne. Ik neem op mij, Juno in alle +huiselijke <span class="corr" id="xd21e2243" title= +"Bron: verrchtingen">verrichtingen</span> te helpen, voor koken en +wasschen te zorgen, op de kinderen te passen, de kleederen te +herstellen en alles te doen, wat mijne krachten mij toelaten. Word ik +sterker, dan zal ik beproeven wat ik meer kan doen, en in alle gevalle +zult gij, zoo niet den ganschen, toch een groot gedeelte van den dag +over Juno’s diensten kunnen beschikken.”</p> +<p>„Daarmee kunnen wij ons vooreerst ook heel goed vergenoegen, +mevrouw,” hernam de oude zeeman. <span class="corr" id= +"xd21e2248" title="Niet in bron">„</span>Maar nu verder, +mijnheer. De beide dringendste verrichtingen, na het bouwen van een +huis, zijn vooreerst het omspitten van een stuk land voor onze +aardappelen en tuinzaden en dan het aanleggen van een vijver voor +schildpadden, opdat wij van die dieren vangen en daarin zetten, voordat +de tijd voorbij is.”</p> +<p>„Heel goed,” was het antwoord; „maar wat dient er +eerst gereed te zijn?”</p> +<p>„Mij dunkt de vijver daar, die slechts weinige dagen werks +behoeft te kosten, als gij met Juno en Willem daaraan arbeidt. Ik voor +mij heb <span class="pagenum">[<a id="pb93" href="#pb93" name= +"pb93">93</a>]</span>de gansche aanstaande week uw bijstand niet +noodig. Ik wil eerst eene plek in de buurt opzoeken, waar het hout het +dichtst staat;—daar zal ik dan de boomen omhakken en eene ruimte +maken, waar in het vervolg onze pakhuizen kunnen staan, en zoodra de +regentijd voorbij is, brengen wij dan al onzen voorraad van ginds naar +hier over. Dat zal mij wel de geheele week ophouden, daar het vellen en +op eene behoorlijke lengte afzagen van de boomen voor ons nieuwe huis +geen gemakkelijk werk is. Ben ik daarmee klaar, dan moeten wij al onze +krachten vereenigen en terstond tot het opslaan eener woning overgaan. +Haardstede en vensters kunnen misschien eerst later klaar komen. Het +voornaamste is, dat wij onder dak zijn en droge slaapplaatsen +hebben.”</p> +<p>„Denkt gij dan wezenlijk, dat daar nog kans toe is? Wanneer +oordeelt gij, moet het regenseizoen invallen?”</p> +<p>„Met drie of vier weken. Het begin staat niet altijd zoo +geregeld vast, maar veel later wordt het zeker niet. Is de volgende +week voorbij, dan zal ik waarschijnlijk altijd twee of misschien wel al +de leden van de familie gebruiken kunnen. Ha! daar valt mij in, dat ik +toch nog eens naar de bocht terug moet.”</p> +<p>„Waartoe dat?”</p> +<p>„Herinnert gij u de kar op twee wielen nog, mijnheer, die in +stroo was ingepakt en door den storm aan land werd geworpen? Gij +lachtet, toen gij haar zaagt en dacht, dat zij ons thans maar van +weinig nut zou zijn; en toch, mijnheer, zullen as en wielen ons nu goed +te pas komen, daar wij naar de plaats, waar ik de boomen vel, een breed +pad aanleggen en dan onze stammen veel gemakkelijker voortkruien +kunnen, dan zoo wij die dragen of sleepen moesten.”</p> +<p>„Dat is een kostelijke inval, Flink. Zoo zal zeker vrij wat +werk bespaard worden.”</p> +<p>„Dat denk ik ook, mijnheer. Willem en ik zullen Maandagmorgen +al vroeg opbreken, om vóór het ontbijt terug te zijn. +Vandaag willen wij nog de plekken opzoeken, waar onze tuin aangelegd, +de vijver gemaakt en het geboomte geveld worden moet. Dat is een werk +voor ons, mijnheer. Willem en Juno kunnen intusschen de dingen hier wat +beter oppakken, totdat wij ze gebruiken moeten.”</p> +<p>Terstond daalden de beide mannen naar het strand af, en na de riffen +aandachtig te hebben opgenomen, zeide Flink: „Gij ziet, mijnheer, +tot een vijver voor schildpadden hebben wij niet veel water noodig, +want als hij te diep is, kost het ons maar dubbele moeite de beesten op +te vangen. Alles <span class="pagenum">[<a id="pb94" href="#pb94" name= +"pb94">94</a>]</span>wat wij verlangen, is eene plaats in het water, +met een lagen dam van steenen omringd, zoodat de dieren niet ontsnappen +kunnen, want tot klauteren zijn ze niet in staat, hoewel ze met hunne +zwempooten heel goed op het afhellende strand kunnen voortspartelen. Nu +zie, mijnheer, de klip ginds is hoog genoeg boven water; de ruimte +tusschen haar en het strand is diep genoeg en de rotsen aan den oever +sluiten deze zijde bijna geheel af en beletten de dieren dus langs den +oever voort te kruipen, zoodat zij ons niet meer ontkomen kunnen. Wij +hebben dus weinig meer te doen, dan de beide andere kanten op te +vullen, en onze vijver is zoo goed als hij wezen moet.”</p> +<p>„Ik zie, dat dit niet veel moeite zal kosten, als wij maar +genoeg losse rotsblokken vinden kunnen.”</p> +<p>„Bijna alle, die op het strand liggen, zijn los,” +verzekerde Flink<span class="corr" id="xd21e2278" title= +"Bron: :">,</span> „en hier dicht vóór ons vinden +wij ze in menigte. Sommige zijn wel te zwaar om gedragen te worden; +doch die kunnen wij met breektangen en hefboomen van de plaats +krijgen;—wij hebben twee of drie van die dingen bij ons. Nu, +mijnheer, moesten wij Willem en Juno een teeken geven en hen dadelijk +aan het werk zetten. Vóór den middag kunnen zij nog vrij +wat afdoen.”</p> +<p>Mijnheer Wilson riep en wenkte met zijn hoed, waarop Willem en de +negerin dadelijk aankwamen. Juno werd gezonden om twee breekijzers te +halen, terwijl Willem van Flink vernam wat zij te doen hadden. Toen +Juno met de werktuigen terug was, bleven de beide mannen nog een +tijdlang bij hen en hielpen hen aan hun werk, waarna zij verder gingen, +om eene geschikte plaats voor een tuin op te zoeken</p> +</div> +</div> +<div id="ch25" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">VIJF-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">GEVOLGEN DER ONGEHOORZAAMHEID.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Mijnheer Wilson en Flink vervolgden hunne wandeling +langs het strand tot aan het punt, dat deze laatste tot het aanleggen +van een tuin ’t best geschikt achtte. Wel is waar was de laag +teelaarde op den rotsigen bodem niet dik, maar de grond was toch vrij +goed en tamelijk uitgestrekt. Daarenboven was de plaats +dáár, waar zij aan het andere land vastzat, zeer smal, +zoodat men geene uitgestrekte omheining noodig had.</p> +<p>„Gij ziet, mijnheer,” merkte Flink aan, „het +aanleggen eener heg kunnen wij uitstellen tot de regentijd voorbij is, +of als het weer dat vergunt, kunnen <span class="pagenum">[<a id="pb95" +href="#pb95" name="pb95">95</a>]</span>wij er dien toe gebruiken. De +zaadgewassen en de aardappelen zullen eerst na de regen opkomen, en zoo +hebben wij niets anders te doen, dan den grond om te spitten en zoo +schielijk mogelijk aan het poten te gaan. De struiken ginds moeten +weggeruimd worden; maar dat is weinig moeite, omdat de grond zoo licht +is. Wij hebben ook maar een deel van uwe zaden uit te strooien, want +dit jaar kunnen wij nog geen grooten tuin aanleggen; doch onze +aardappelen moeten alle gepoot worden, al konden wij ook niets anders +meer uitrichten.”</p> +<p>„Als we geene omheining te maken hebben,” antwoordde de +heer Wilson, „kunnen we dunkt mij, in eene week tijds grond +genoeg bearbeiden, om alles, wat ons ’t eerst noodig is, aan te +planten.”</p> +<p>„We dienen eerst het kleine struikgewas uit te roeien en den +grond om te spitten,” vervolgde Flink. „De zwaardere +stammen en stronken kunnen we, als het ons dadelijk aan tijd ontbreekt, +in den beginne veilig laten staan. Hier kan onze Thomas een handje +helpen, als gij hem de uitgegraven wortels laat wegdragen.—Laat +ons nu in het bosch gaan en eene plaats uitkiezen, waar ik de boomen +vellen zal. Ik voor mij heb al eene keuze gedaan, zoo gij er +<span class="corr" id="xd21e2298" title="Bron: niet">niets</span> tegen +hebt. De plek is dáár, een vijftig roeden op zij van de +tent. Van hier hebben wij bij de honderd roeden het bosch in te +gaan.”</p> +<p>Beiden volgden de door Flink aangewezen richting, totdat zij aan +eene kleine hoogte kwamen, waar de boomen zoo dicht stonden, dat het +moeite kostte daar een pad door te breken.</p> +<p>„Hier zijn we, waar we wezen moeten, mijnheer,” sprak +Flink. „Ik zou voorstellen, al het zware hout, dat wij tot onze +woning noodig hebben, uit dit gedeelte van het bosch te nemen en eene +open vierkante plaats uit te houwen, op ’t midden waarvan wij +onze pakhuizen kunnen bouwen. Tegenwoordig is de noodzakelijkheid van +zoo iets niet waarschijnlijk; maar ziet gij, mijnheer, in geval van +nood kan men deze plek met weinig moeite tot een vast punt van +verdediging maken; want als wij hier en daar tusschen de boomen nog +eenige palissaden zetten, hebben wij eene volmaakt goede verschansing, +zooals men die in West-Indië tegen de wilden gebruikt.”</p> +<p>„Volkomen waar, mijn goede raadsman. Evenwel hoop ik van +harte, dat zulke verdedigingsmiddelen ons nooit te pas zullen +komen.”</p> +<p>„Ook ik hoop datzelfde, mijnheer; maar voorzichtigheid gaat +boven alles. Intusschen hebben we eerst nog veel anders te bedenken en +te doen. Het eten zal nu wel klaar zijn. Laat ons zien, dat wij ons +deel krijgen, en dan <span class="pagenum">[<a id="pb96" href="#pb96" +name="pb96">96</a>]</span>terstond ons werk aanvatten. Ik zie altijd +gaarne een begin, al is het ook nog zoo gering.”</p> +<p>Ook Willem en Juno kwamen nu aan den maaltijd, die mevrouw Wilson +bereid had. Beiden stond het gezonde zweet op het voorhoofd, want het +was hard werk wat zij te doen hadden; maar beider wil was goed en zij +wilden gedaan krijgen wat eens begonnen was. Thomas was den ganschen +morgen uiterst oproerig geweest en had overal slechts stoornis +veroorzaakt. Zijne les had hij niet geleerd, maar daarvoor, ofschoon +het hem meer dan eens verboden was, met vuur gespeeld en de kleine +Caroline de hand gebrand. Zoodra zijn vader nu echter van zijne +ondeugendheid hoorde, werd de stoute jongen tot zijne straf veroordeeld +om vandaag geen eten te krijgen, en zoo zat hij daar boos en grommend +de verdwijnende spijzen na te kijken, zonder dat het hem nochtans +inviel, voor zijne ondeugendheid vergiffenis te vragen. Na het eten nam +mijnheer Wilson schop en houweel om naar de plaats van hun toekomstigen +tuin te gaan, en zijne vrouw verzocht hem, Thomas mee te nemen, daar +zij zeer veel te doen had en niet zoo gemakkelijk op hem als op de +kleine Caroline passen kon. Zoo vatte de vader den jongen bij de hand +en nam hem mee naar de plaats, waar hij arbeiden wilde. Daar deed hij +hem op den grond nederzitten, terwijl hij zelf de struiken begon uit te +roeien.</p> +<p>Hij werkte ijverig voort, en toen hij eenigszins gevorderd was, liet +hij het afgehouwen struikgewas door Thomas wat verder wegdragen en in +eene hoop op elkaar pakken. De kleine jongen deed dit echter ongaarne, +daar hij nog altijd in een boos humeur was. Nadat de vader eene vrij +groote ruimte van struiken ontdaan had, nam hij zijne schop en begon de +wortels uit te graven, waarbij hij aan Thomas overliet, zich naar eigen +verkiezing te vermaken. Zoo zag hij niet, waarmee de knaap wel een uur +lang bezig was, terwijl hij zelf druk voortarbeidde. Toen opeens echter +hoorde hij een luid kreunen, en op de vraag naar de oorzaak daarvan, +gaf Thomas geen antwoord, maar jammerde al sterker, tot hij eindelijk +de handen op de maag legde en zoo hard als hij kon begon te schreeuwen. +Daar hij zware pijn scheen te lijden, liet de vader zijn arbeid rusten +en bracht hem naar de tent, waar mevrouw Wilson, door het gekerm +verontrust, hem te gemoet kwam. Thomas verkoos overigens niet, ergens +op te antwoorden, en ging met huilen en jammeren voort, zoodat vader en +moeder niet begrijpen konden, wat er de oorzaak van was. De oude Flink, +die dat gekerm zoo lang hoorde aanhouden, dacht dat er een ernstig +ongeluk was voorgevallen, en kwam nu ook aan. Toen hij hoorde wat er +gebeurd was, zeide hij: <span class="pagenum">[<a id="pb97" href= +"#pb97" name="pb97">97</a>]</span></p> +<p>„Maak er staat op, mijnheer, de jongen heeft iets gegeten, dat +hem nu kwalijk bekomt. Zeg, sinjeur Thomas, wat hebt gij in den mond +gestoken, toen gij daar alleen waart?”</p> +<p>„Bessen,” was het snikkend antwoord.</p> +<p>„Dat dacht ik wel, mevrouw,” vervolgde Flink. „Ik +wil eens gaan zien, wat voor soort van bessen het waren.”</p> +<p>De oude man ging ijlings naar de plaats, waar mijnheer Wilson +gewerkt had. De moeder was inmiddels grootelijks beangst, dat het kind +iets vergiftigs mocht hebben ingekregen, terwijl de vader uit zijne +kleine apotheek een fleschje ricinusolie ging halen.</p> +<p>Flink kwam juist terug, toen ook de heer Wilson in de tent trad met +het fleschje, waaruit hij den zieken jongen eenige droppels wilde +ingeven.</p> +<p>„O, neen, mijnheer,” zeide de oude man, die een takje in +de hand hield, toen hij hoorde, welke medicijn het was; „daar +moet gij hem niet van ingeven, want, naar het mij voorkomt, heeft hij +er al te veel van gebruikt. Zie, als ik ’t niet mis heb,—en +mij dunkt, ik ben vrij zeker van mijne zaak,—is dit de +ricinusplant; en hier zijn eenige van de bessen, waarvan onze sinjeur +gesnoept heeft. Niet waar, Thomas, hiervan hebt gij gegeten?”</p> +<p>„Ja.—O, wat heb ik er eene pijn van!” kermde de +knaap.</p> +<p>„Dat is verdiend loon. Geef hem maar iets warm te drinken +mevrouw, en het zal wel spoedig beter zijn. Onze jongeheer zal nu +denkelijk wel onthouden, dat men geen vreemde bessen of vruchten +plukken mag, zonder vooraf te weten, dat ze goed om te eten +zijn.”</p> +<p>Gelijk Flink gezegd had, was het ook. Evenwel was Thomas den +ganschen dag nog ziek en misselijk, en moest al zeer vroeg naar bed +worden gebracht.</p> +</div> +</div> +<div id="ch26" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">ZES-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">EEN ONAARDIG KIND.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Den anderen morgen, toen al de overigen druk aan het +werk waren, zat mevrouw Wilson voor hare tent. De kleine Albert kroop +aan hare voeten op den grond om: Caroline was naarstig met hare +breikous bezig, en sinjeur Thomas groef kuilen in het zand, in elken +waarvan hij een steentje legde.</p> +<p>„Wat doet gij toch, Thomas?” vroeg zijne moeder.</p> +<p>„Spelen, moeder; ik maak een tuin.” <span class= +"pagenum">[<a id="pb98" href="#pb98" name="pb98">98</a>]</span></p> +<p>„Een tuin! Dan moest gij er ook eenige boomen in +planten.”</p> +<p>„Neen, ik zaai zaden: zie hier maar,” riep Thomas en +wees op zijne steenen.</p> +<p>„Steenen kunnen niet groeien; niet waar, moeder?” vroeg +de kleine Caroline.</p> +<p>„Neen, lieve meid, dat kunnen zij niet. Steenen schieten niet +uit de aarde op, maar wel het zaad van planten en bloemen.”</p> +<p>„Dat weet ik ook wel,” zeide Thomas. „Ik doe maar +zoo omdat ik geen zaad heb.”</p> +<p>„Maar gij zeidet daar straks toch, dat gij zaad zaaidet en +geen steenen.”</p> +<p>„O, dat verbeeld ik mij maar zoo, en dan is het ook precies +’t zelfde.”</p> +<p>„Toch niet zoo precies ’t zelfde, mijn jongen. Bedenk +maar eens; als gij gisteren, in plaats van die leelijke bessen te eten, +u slechts verbeeld hadt, dat gij ze at,—zou dat niet beter voor u +geweest zijn?”</p> +<p>„Ik wil er ook niet weer van proeven,” zeide de +knaap.</p> +<p>„Neen, van die bessen niet; maar als gij iets anders ziet, +waar ge trek in krijgt, dan vrees ik half en half dat ge het weer +proeven zult, en dan kon ’t licht even erg of nog erger dan +gisteren gaan.”</p> +<p>„Ik heb zin in kokosnoten. Waarom krijgen wij daar nooit van? +Daar boven aan de boomen hangen er toch nog genoeg.”</p> +<p>„Maar wie zal zoo hoog klimmen, om ze te plukken? Wilt gij dat +zelf doen, Thomas?”</p> +<p>„Neen, maar waarom doet Flink dat niet, of vader, of Willem? +Waarom stuurt ge Juno niet in den boom? Ik wil kokosnoten +hebben.”</p> +<p>„Die zullen er ons wel eens wat van meebrengen, als zij niet +zooveel meer te doen hebben; maar nu is het geen tijd daartoe. Ziet ge +niet, hoe druk allen aan het werk zijn?”</p> +<p>„Ik lust graag schildpadsoep,” vervolgde Thomas.</p> +<p>„Willem en Juno maken een vijver, om daar schildpadden in te +doen, en dan krijgen we die meer te eten. Ge moet bedenken, dat wij +niet altijd alles krijgen kunnen, waar we lust in hebben.”</p> +<p>„Eene schildpad, moeder, wat is dat?” vroeg de kleine +Caroline.</p> +<p>„Dat is eene soort van dier, dat in het water leeft en toch +geen visch is.”</p> +<p>„O, gebakken visch, daar houd ik ook veel van,” riep +Thomas weder. „Waarom krijgen wij geen gebakken visch?”</p> +<p>„Omdat iedereen thans te veel werk heeft, om ze te kunnen +vangen. Naderhand zult ge zeker ook wel nu en dan eens visch krijgen. +Maar kom, lieve Thomas, ga eens heen en haal uw broertje Albert terug. +Hij is daar veel te dicht bij onze geit gekropen, en die stoot soms +wel.” <span class="pagenum">[<a id="pb99" href="#pb99" name= +"pb99">99</a>]</span></p> +<p>Thomas deed wat hem gezegd was. De kleine was vlak bij het jonge +bokje, dat sedert vrij groot was geworden, en Thomas haalde hem daar +vandaan, maar kon daarbij niet nalaten, eens even met zijn voet naar +het dier te schoppen.</p> +<p>„Thomas, Thomas, doe dat toch niet; hij kon u stooten en u +bitter zeer doen.”</p> +<p>„Ik ben niet bang voor hem,” riep Thomas, terwijl hij +Albert met de eene hand vasthield en voortging naar den bok te +schoppen. Deze had echter geen lust om dat langer te verdragen. Hij +dook met den kop neer, sprong op Thomas toe en stiet hem tegen de +borst, zoodat hij over Albert heen op den grond rolde. De kleine +schreeuwde, en ook onze mijnheer Thomas riep om hulp. Mevrouw Wilson +schoot toe en nam haar zoontje op den arm, terwijl Thomas die nu vrij +wat bang was, zich aan haar japon vasthield en angstig naar den bok +omzag, die zeer geneigd scheen om zijn aanval te hernieuwen.</p> +<p>„Waarom doet gij ook niet wat men u zegt, Thomas? Ik zei u +immers wel, dat hij u stooten zou,” zeide de moeder en zocht +Albert gerust te stellen.</p> +<p>„Ik geef niet om tien bokken,” antwoordde Thomas, nu hij +zag dat <span class="corr" id="xd21e2400" title= +"Bron: het het">het</span> beest hem niet verder volgde.</p> +<p>„Ja, ja, nu de bok weg is, hebt gij verbazend veel moed. Gij +zijt toch een recht ondeugende jongen, die nooit gehoorzaamt, als men u +iets zegt. Weet gij nog wel van dien leeuw aan de Kaap?”</p> +<p>„Ik ben niet bang voor een leeuw,” zei Thomas.</p> +<p>„Dat geloof ik, nu er nergens een te zien is; maar gij zoudt +niet weinig schrikken en schreeuwen, als er eensklaps een voor u +stond.”</p> +<p>„Ik heb hem toch wel met steenen gegooid,” vervolgde de +knaap.</p> +<p>„Ja, dat hebt gij gedaan; en als gij het gelaten hadt, zou de +leeuw u niet zoo hebben doen schrikken, evenmin als de bok u daareven +op den grond zou hebben geworpen,” antwoordde de moeder.</p> +<p>„Sik stoot nooit naar mij, moeder,” zeide Caroline.</p> +<p>„Neen, lieve, omdat gij hem nooit plaagt! maar Thomas houdt er +veel van de dieren te kwellen en wordt daar dan ook telkens voor +gestraft. Het is heel stout van hem, dat hij het doet, vooral daar +vader en moeder hem gedurig zeggen, dat hij het laten moet. Goede +kinderen gehoorzamen altijd aan hunne ouders; maar Thomas is geen goed +kind.”</p> +<p>„Van morgen, toen ik mijne les zoo goed opzei, zeidet gij +toch, dat ik een brave jongen was, moeder,” zeide Thomas +beschaamd. <span class="pagenum">[<a id="pb100" href="#pb100" name= +"pb100">100</a>]</span></p> +<p>„Ja, ja, toen waart gij dat ook; maar gij moet altijd braaf en +gehoorzaam zijn.”</p> +<p>„Dat kan ik niet altijd wezen,” antwoordde de knaap. +„Ik heb honger; wanneer krijg ik van middag eten?”</p> +<p>„Het wordt nu spoedig tijd, jongen; maar ge moet wachten, tot +allen van het werk terug zijn.”</p> +<p>„Daar komt Flink met een zak op den schouder,” riep +Thomas. Na weinige oogenblikken stond deze dan ook voor mevrouw Wilson +en legde zijn zak op den grond neer.</p> +<p>„Ik heb u wat jonge kokosnoten meegebracht en daarbij ook een +paar oudere,” zeide hij. „Ze zijn van de boomen, die ik heb +omgehouwen.”</p> +<p>„Ha, kokosnoten, die lust ik graag!” riep Thomas en +klapte in de handen.</p> +<p>„Zeide ik niet, Thomas, dat wij ze mettertijd wel krijgen +zouden? Kijk, nu komen ze schielijker, dan wij verwacht +hadden.—Ge schijnt recht warm, Flink.”</p> +<p>„Ja, mevrouw,” antwoordde deze en wischte zich het zweet +van het voorhoofd, „’t Is ook een warm werk, daar in het +bosch geen koeltje waait. Weet ge ook nog iets, dat ik van onze +landingsplaats kan meebrengen? Ik ga er dadelijk na het eten naar +toe.”</p> +<p>„En om wat te doen?”</p> +<p>„Ik moet de kar halen, om onze stammen uit het bosch te +brengen, en daartoe moet ik eerst een behoorlijk pad banen. Maar +ditmaal heb ik Willem noodig, om mij een handje te helpen.”</p> +<p>„O, Willem zal zeker gaarne meegaan. Dat is eene verademing, +nadat hij zoo lang met die zware steenen gesleept heeft.—Ik weet +op ’t oogenblik niets meer, dat wij noodig hebben,” +vervolgde mevrouw Wilson. „Daar komt Willem met Juno, en ook mijn +man heeft, zie ik, de schop neergelegd. Kom, lieve Caroline, pas gij nu +op Albert, terwijl ik het eten voor u allen opdraag.”</p> +<p>De oude man was haar hiertoe behulpzaam. Het eten werd op den grond +gezet, want hunne stoelen en tafels hadden zij nog niet naar de nieuwe +woning meegenomen, daar zij die wel dachten te kunnen missen, totdat +het huis was opgebouwd. Willem berichtte, dat hij den volgenden dag met +den vijver hoopte klaar te komen. Zijn vader had reeds zooveel grond +omgespit, dat men den van het wrak geredden halven zak aardappelen +daarin poten kon, en ’t was dus vooruit te zien, dat binnen twee +dagen allen te zamen met vereende krachten tot het vellen en vervoeren +der boomen zouden kunnen overgaan. <span class="pagenum">[<a id="pb101" +href="#pb101" name="pb101">101</a>]</span></p> +<p>Na het eten roeide Flink met Willem in de boot weg en keerde nog +voor den donker met de kar en eenige andere goederen, die de lading vol +maakten, terug. Ook hadden zij eenige dikke balken op het sleeptouw +genomen, die Flink tot deurposten van het huis gebruiken wilde. De heer +Wilson had voor dien namiddag zijn werk laten rusten en daarvoor Juno +aan het hare geholpen. Naar zijn zeggen, was de vijver, zoo al nog niet +klaar, toch reeds zoo ver gevorderd, dat de schildpadden, eens daarin +zijnde, er niet gemakkelijk zouden uitkomen.</p> +</div> +</div> +<div id="ch27" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">ZEVEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">GESPREK TUSSCHEN VADER EN ZOON.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">„Nu beste Willem,” zeide Flink, „als +ge niet al te slaperig zijt, hebt ge misschien wel lust om van avond +mee te gaan en te zien, of wij niet eenige schildpadden kunnen vangen. +De broeitijd loopt spoedig ten einde en dan zullen zij zich niet meer +op het eiland laten zien.”</p> +<p>„O ja, Flink, ik wil graag meegaan.”</p> +<p>„Goed dan; maar wij moeten wachten, totdat het donker is. De +maan zal van nacht niet lang schijnen en dat treft juist goed voor +ons.”</p> +<p>Zoodra de zon onder was, stapten beiden naar het strand en zetten +zich daar bedaard op een rotsblok neer. Het duurde niet lang, of Flink +ontdekte een schildpad, die op het zand voortkrabbelde. Hij wenkte +Willem, hem stilletjes te volgen en ging behoedzaam naar den waterkant, +zoodat hij het beest den terugtocht naar zee afsneed.</p> +<p>Zoodra de schildpad hen gewaar werd, snelde zij op het water toe, +doch had het geluk niet van te ontkomen, daar Flink haar haastig bij +een harer voorste zwempooten aanpakte en haar toen zonder moeite op den +rug omwentelde.</p> +<p>„Zóó, Willem, als ik daar deed, moet men de +schildpadden altijd omdraaien. Gij moet daarbij echter oppassen, dat +gij niet te dicht bij hare tanden komt, wat u licht een vinger zou +kosten. Zooals het dier nu ligt, kan het niet meer van de plaats, en +wij zullen het morgenochtend evenzoo vinden. Laat ons nu eens langs het +strand voortgaan en zien, of er nog meer te vangen zijn.”</p> +<p>Beiden bleven nog tot middernacht op en vingen in dien tijd zestien, +deels groote, deels kleine schildpadden. <span class="pagenum">[<a id= +"pb102" href="#pb102" name="pb102">102</a>]</span></p> +<p>„Mij dunkt, dat is voor ditmaal genoeg,” zeide Flink +toen. „Wij hebben in dezen nacht voor langen tijd voorraad +ingezameld. Over drie of vier dagen willen wij eens zien, of wij onzen +rijkdom niet nog vermeerderen kunnen, en morgen vroeg brengen wij onze +vangst in den vijver.”</p> +<p>„Hoe zullen wij die groote dieren echter wegdragen?”</p> +<p>„Dat behoeft niet veel moeite te kosten. We schuiven hen op +een stuk oud zeildoek en brengen hen op die wijze van de plaats. Op het +gladde zand is daar weinig kracht toe noodig.”</p> +<p>„Waarom vangen we ook niet visschen, Flink? Wij konden die +immers ook bij de schildpadden in den vijver doen.”</p> +<p>„Zij zouden daar niet lang in blijven, Willem, en al deden zij +dat ook, dan zouden wij er hen toch moeilijk uit kunnen krijgen. Wij +moeten mettertijd een afzonderlijken vischvijver aanleggen; maar +vooreerst hebben wij nog wel noodiger dingen te doen. Ik ben al +voornemens geweest eenige hengelsnoeren klaar te maken, maar kon er +niet toe komen en ben daar nu al te moe en te slaperig toe. Zoodra het +huis echter gebouwd is, zullen we eens uitgaan en gij zult +oppervisschersbaas zijn, als ik u eerst gewezen heb, hoe ge doen +moet.”</p> +<p>„En niet waar, bij nacht bijten de visschen ook +aan<span class="corr" id="xd21e2482" title= +"Bron: ”?">?”</span></p> +<p>„O ja, en zelfs nog beter, dan bij dag.”</p> +<p>„Nu goed, bezorg mij dan een snoer en zeg mij, hoe ik doen +moet. Ik zal elken avond, als ’t werk af is, nog een uurtje of +langer visschen, Thomas vraagt al gedurig om gebakken visch, en ik +weet, dat moeder het gezouten vleesch hartelijk moe is en ’t ook +voor Caroline niet gezond vindt. Zij was recht blij, toen gij haar +eergisteren die kokosnoten bracht.”</p> +<p>„Goed, goed, mijn jongen. Ik zal morgenavond een stukje kaars +opzoeken en twee hengelsnoeren voor ons klaarmaken. Maar ik moet bij u +wezen, vriend Willem. In allen gevallen hebben wij hier niet veel licht +noodig.”</p> +<p>„Neen, wij zijn al blij, dat wij eindelijk te bed komen. Daar +in de bocht staan nog twee of drie kisten met kaarsen, maar hoe moeten +wij het maken, als die voorraad in ’t vervolg eens +opraakt?”</p> +<p>„Dan branden wij kokosnotenolie en daar zal het ons nooit aan +ontbreken. En nu goeden nacht, mijn jongen.”</p> +<p>Den volgenden ochtend nog vóór het ontbijt waren alle +handen bezig om de schildpadden in den vijver te brengen, die tegen den +middag door Willem en Juno geheel voltooid werd. Ook mijnheer Wilson +had tegen etenstijd eene genoegzame uitgestrektheid gronds ter +bebouwing gereedgemaakt, en daar zijne vrouw Juno dien middag het +linnengoed moest laten uitwasschen, <span class="pagenum">[<a id= +"pb103" href="#pb103" name="pb103">103</a>]</span>kwam men overeen, dat +Flink met Willem en zijn vader gezamenlijk naar den tuin zouden gaan en +de aardappelen poten.</p> +<p>De oude man werkte met de spade, terwijl vader en zoon de +aardappelen in stukken sneden, zoodat op ieder stuk een oog kwam. +Terwijl zij op deze wijze bezig waren zeide Willem tot zijn vader in +den loop van het gesprek onder andere:</p> +<p>„Vader, gij beloofdet mij, den dag nadat wij de Kaap de Goede +Hoop verlieten, dat gij mij verklaren woudt, waarom deze zoo genoemd +wordt en dat ik daarbij ook iets over de koloniën in het algemeen +hooren zou. Wilt gij nu misschien zoo goed zijn?”</p> +<p>„Recht gaarne, beste jongen; maar gij moet wel opletten, en +als gij mij niet goed begrijpt, verzuim dan niet, mij dat terstond te +zeggen, opdat ik het u duidelijker trachte te verklaren. Gij hebt wel +meer hooren zeggen, dat de Engelschen tegenwoordig de meesters van de +zee zijn, en dat is werkelijk zoo, ofschoon dat in alle tijden niet het +geval is geweest. De vroegste zeevaarders onder de nieuwere volken +waren de Spanjaarden en Portugeezen. Door de Spanjaarden werd +Zuid-Amerika, door de Portugeezen werden de Oost-Indiën ontdekt. +Destijds, het is nu meer dan driehonderd jaren geleden, was Engeland +niet de machtige staat, die het thans is en had vergelijkenderwijze +slechts weinig schepen, ook konden de Engelschen, wat ondernemingsgeest +betreft, bij de toenmalige Spanjaarden en Portugeezen niet halen. De +laatsten zochten een weg naar Oost-Indië te vinden en deden +daarbij de Kaap de Goede Hoop aan. In die dagen echter waren de +schepen, in vergelijking met de tegenwoordige, slechts zeer klein te +noemen en op de hoogte van deze kaap stormde het zoo geweldig, dat zij +die niet durfden omzeilen en haar daarom den naam van Stormkaap gaven. +Ten laatste gelukte het hun nochtans om de kaap heen te komen en van +toen af noemden zij deze Coba da Buona Speranza of Kaap de Goede Hoop. +Zij bereikten gelukkig het lang gewenschte Indië, veroverden daar +verscheidene gewichtige punten en grondvestten een handel, die voor hun +land een bron van grooten rijkdom werd, Gij begrijpt mij toch, +Willem?”</p> +<p>„Ja vader.”</p> +<p>„Welnu, weet gij, de mensch is aanvankelijk kind, rijpt +allengs tot man, bereikt als zoodanig het toppunt zijner kracht, neemt +weder af, wordt oud en sterft; en gelijk dit met elken mensch in het +bijzonder het geval is, heeft het ook met geheele volkeren plaats. Het +Portugeesche volk was toenmaals in zijn mannelijke kracht, maar andere +natiën kwamen en groeiden nevens Portugal op, onder anderen de +Hollanders, die den Portugeezen het eerst <span class="pagenum">[<a id= +"pb104" href="#pb104" name="pb104">104</a>]</span>den handel op +Indië betwistten. Dezen ontrukten hun eindelijk ook de eene +kolonie na de andere en namen den geheelen handel voor zich in beslag. +Thans eerst braken de Engelschen zich baan, veroverden zoowel de +Hollandsche als de Portugeesche koloniën en handhaafden zich +sedert grootendeels in haar bezit. Portugal, dat eens door het +moedigste volk der wereld bewoond was, is thans geheel in het niet +teruggezonken. Ook de Hollanders hebben veel van hun vroeger zoo +machtigen invloed verloren, terwijl de zon, gelijk men te recht zegt, +in het Britsche rijk nimmer ondergaat: want daar zijne koloniën op +alle punten der aarde verstrooid zijn, moeten voortdurend eenige +daarvan door de zon beschenen worden.”</p> +<p>„Dat alles, beste vader, begrijp ik zeer goed; maar zeg mij nu +eens, waarom streeft Engeland en elk ander volk zoo ijverig naar het +bezit der zoogenaamde koloniën?”</p> +<p>„Omdat deze op de welvaart van het moederland een +onberekenbaren invloed uitoefenen. Zoolang zij nog in hare kindsheid +zijn, veroorzaken zij aan dat moederland doorgaans veel onkosten en +uitgaven, maar breiden zij zich uit en worden zij sterker, dan zijn zij +ook al spoedig in staat, om die vroegere schuld af te doen, door hare +eigene voortbrengselen voor die der nijverheid van het moederland in +betaling te geven. Deze ruilhandel is voor beide kanten voordeelig. Het +moederland trekt er echter de meeste winst van, daar dit zichzelf het +recht voorbehoudt om de koloniën van al wat zij noodig hebben te +voorzien en daardoor aan zijne eigene bevolking eene markt tot vertier +openstelt, waarop geene vreemde mededinging te duchten is. De +betrekking tusschen beiden kan niet beter vergeleken worden, dan met +die tusschen ouders en kind. Gedurende hare kindsheid wordt de kolonie +door het moederland als een kind opgevoed en onderhouden. Naarmate zij +in bloei en kracht toeneemt, wordt echter ook hare verplichting +grooter, om het geleende met interest terug te geven. En hiermede houdt +de vergelijking nog niet op. Zoodra de kolonie sterk genoeg geworden is +om voor zich zelve te zorgen, werpt zij het juk der overheersching af +en verklaart zich onafhankelijk, evenals de zoon, die tot man +opgegroeid, zijns vaders huis verlaat om zijne eigene zaken te beginnen +en zijn eigen kost te verdienen. Dit wordt even zeker het geval, als +het zeker is dat de vogel, zoodra hij goed vliegen kan, het ouderlijke +nest verlaat en op eigen wieken gaat drijven. Wij hebben daar een +sprekend voorbeeld van in de Vereenigde Staten van Noord-Amerika, die +vóór vijftig jaren nog <span class="corr" id="xd21e2516" +title="Bron: kolonien">koloniën</span> van Groot-Brittanje waren, +maar nu reeds zelve een der machtigste onafhankelijke natiën der +wereld zijn.” <span class="pagenum">[<a id="pb105" href="#pb105" +name="pb105">105</a>]</span></p> +<p>„Maar vader, is het niet vreeselijk ondankbaar van eene +kolonie, wanneer zij zoo van het moederland, dat haar zoo lang +beschermde afvalt, zoodra zij de bescherming niet meer noodig +heeft?”</p> +<p>„Dat schijnt in den beginne werkelijk zoo, Willem; doch als +wij de zaak van meer nabij beschouwen, zal ons oordeel denkelijk anders +uitvallen. Het moederland heeft gedurende het lange tijdsverloop, dat +de kolonie noodig had om tot haar staat van onafhankelijkheid te +geraken, volkomen gelegenheid gehad, om zich voor alles, wat het +vroeger voor dezen deed, genoegzaam schadeloos te stellen, en na +verloop van tijd worden de rechten, die het moederland zich aanmatigt, +voor de koloniën ook werkelijk al te drukkend. Gij weet, men mag +een volwassen mensch niet op dezelfde wijze behandelen als een +kind.”</p> +<p>„Nu, vader, heb ik nog eene andere vraag te doen. Gij zeidet, +dat de volken rijzen en dalen, en hebt daarbij de Portugeezen tot +voorbeeld aangevoerd. Zal Engeland, dat nu zoo groot is, ooit vallen en +even onbeduidend worden, als Portugal tegenwoordig?”</p> +<p>„Die vraag kunnen wij alleen beantwoorden door op de +geschiedenis te zien, en deze leert ons, dat dit het lot van alle +volken is. Dus moeten wij verwachten, dat een dergelijk lot ook +Engeland eens treffen zal. Tegenwoordig zien wij daar nog geen schijn +van, evenmin als wij van de verborgen kiem des doods in ons eigen +lichaam iets bespeuren; en toch komt de tijd, dat de mensch sterven +moet, en evenzoo is het met de volken en landen gelegen. Denkt gij wel, +dat de Portugeezen, in den tijd, toen zij zoo hoog stonden, ooit +gedacht hebben, dat zij zoo laag, als zij nu staan, dalen zouden? +Zouden zij het geloofd hebben, als men het hun voorspeld had? Ja, mijn +beste jongen, ook de Engelsche natie zal mettertijd het lot ondergaan, +dat alle andere volken vóór haar heeft getroffen. Er zijn +velerlei oorzaken, welk dien tijd verhaasten kunnen of langer doen +uitblijven, maar vroeger of later zal Engeland ophouden de koningin der +zee te zijn en zijne koloniën niet langer over alle werelddeelen +uitstrekken.”</p> +<p>„Ik hoop evenwel, dat die tijd nog veraf zal zijn.”</p> +<p>„Dat hoopt ook ieder echt Engelschman, die zijn vaderland +waarachtig lief heeft. Herinner u, dat, toen het Romeinsche rijk zijne +grootste hoogte bereikt had, Groot-Britanje maar enkel door wilden en +barbaren bewoond was. Het Romeinsche rijk is thans verdwenen en leeft +alleen nog in de geschiedenis en in de overblijfsels van vroegere +grootheid, terwijl Engeland zich rangschikt onder de machtigste volken. +Hoe is het grootste gedeelte van het vasteland van Afrika bevolkt? Met +negers en barbaren; <span class="pagenum">[<a id="pb106" href="#pb106" +name="pb106">106</a>]</span>maar wie weet, wat nog in vervolg van tijd +uit dezen worden kan?”</p> +<p>„Wat! zouden die negers ooit een beschaafd volk +worden?”</p> +<p>„Op dezelfde wijze hadden ook de Romeinen in vroeger dagen +kunnen vragen: Hoe! zouden die Britsche barbaren ooit een machtig en +beschaafd volk worden?<a id="xd21e2539" name="xd21e2539"></a> En gij +ziet toch, dat zij het werkelijk geworden zijn.”</p> +<p>„Maar de negers, vader,—die zijn immers +zwart!”</p> +<p>„Dat zijn zij; maar wat doet dat ertoe? Wat de donkere kleur +der huid aangaat, is de meerderheid der Mooren bijna even zwart als de +negers en toch waren die eens een groote natie en daarbij nog het meest +verlichte volk van hun tijd, dat zich door allerlei schoone +hoedanigheden, door adel, grootmoedigheid, door fijnheid van vormen en +ridderlijken zin onderscheidde. Zij veroverden het grootste gedeelte +van Spanje en handhaafden zich eeuwen in het bezit daarvan, verbreidden +er daar toen nog onbekende kunsten en wetenschappen, en betoonden zich +even dapper en heldhaftig, als zij edel en deugdzaam waren. Hebt gij de +geschiedenis der Mooren in Spanje nooit gelezen?”</p> +<p>„Neen, vader; maar ik zou ze zeer graag leeren +kennen.”</p> +<p>„Ik ben zeker, dat gij haar dan lief krijgen zoudt. Het is +eene geschiedenis vol avonturen en afwisselende gebeurtenissen, zooals +gij nog geen andere kent. Ik had haar onder de boeken, die ik voor +Sidney had meegenomen, maar of ze gered zijn weet ik niet. We zullen +later wel eens tijd vinden, om daarnaar te zien.”</p> +<p>„Ik meen, vader, dat twee kisten met boeken zijn +aangespoeld.”</p> +<p>„Ja, twee of drie; maar als ik ’t wèl heb, had ik +er in het geheel vijftien of zestien.—Ziezoo, wij hebben de +aardappelen nu in stukken gesneden en zullen Flink helpen, om ze met de +meegebrachte zaden in den grond te brengen.”</p> +</div> +</div> +<div id="ch28" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">ACHT-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">DE VISCHVANGST.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Dien avond bleef Flink nog een paar uren bij +kaarslicht op, waarbij Willem hem gezelschap hield, en besteedde zijn +tijd om de vischsnoeren klaar te maken en van lood en haken te +voorzien. Eindelijk had hij er twee gereed.</p> +<p>„Wat moeten wij tot aas nemen, Flink?” <span class= +"pagenum">[<a id="pb107" href="#pb107" name="pb107">107</a>]</span></p> +<p>„Wel liefst een van de schaaldieren, die in menigte op het +strand liggen, ofschoon een stuk spek ons, denk ik, evengoed dienen +kan.”</p> +<p>„En waar ergens zullen wij visschen, Flink?”</p> +<p>„De beste plaats zal wel ginds, ver aan ’t uiterste van +de landpunt zijn, waar ik met de boot door de klippen kom. Het water is +daar diep tot aan de rotsen.”</p> +<p>„Ik heb al eens gedacht, Flink, of die klipganzen en +fregatvogels ook goed om te eten zouden zijn.”</p> +<p>„Niet heel best, vriend Willem. Zij zijn taai en hebben een +sterken vischsmaak. Alleen in ’t geval, dat wij niets beters +krijgen kunnen, willen wij er eens de proef van nemen. Nu wij het zaad +en de aardappelen in den grond hebben, moeten wij van morgen af met +alle macht aan ’t vellen en aanvoeren van boomstammen gaan. Uw +vader en ik zullen, dunkt mij, het vlugst met de bijl kunnen omgaan, en +gij kunt dan met Juno de stammen op onze kar laden en ze naar de plek +brengen, waar ons huis zal staan. Maar ’t is al laat, en wij +zullen ’t best doen nu naar bed te gaan.”</p> +<p>Onze Willem had echter in stilte een ander plan gemaakt. Hij wist, +dat hij zijne moeder met wat visch zeer verblijden kon, en dus besloot +hij bij den helderen maneschijn eens te beproeven, of hij, voordat hij +slapen ging, nog niet een zootje vangen kon. Daartoe wachtte hij +bedaard den tijd af, dat Flink even vast als de anderen in rust was. +Toen sloop hij voetje voor voetje met zijn vischtuig weg en liep naar +het strand, waar hij drie of vier schelpen opzocht en tusschen twee +steenen openbrak, om de diertjes er uit als aas aan zijn haak te +steken. Hierop ging hij eerst naar het hem aangewezen punt. ’t +Was een heerlijke nacht; het water was glad als een spiegel en de +stralen der maan drongen tot bijna op den grond er van door. Willem +wierp zijn snoer uit, en zoodra het lood den grond geraakt had, trok +hij het omtrent een voet in de hoogte, gelijk hem door den ouden +stuurman gewezen was. Geen halve minuut was zijne lijn nog in het +water, of daar werd zoo sterk aan getrokken, dat hij, op zoo’n +ruk niet bedacht, bijna het evenwicht had verloren en hals over kop in +het water was gebuiteld. De visch moest groot en sterk zijn, want de +lijn slipte hem door de hand en sneed hem in den vinger. Na een poosje +kreeg hij die echter weer goed vast, trok ze naar zich toe en een +groote visch met zilveren schubben, van althans negen of tien pond +zwaar, was zijn eerste vangst. Zoodra hij zijn buit zoover op het land +had, dat die niet meer in het water kon springen, maakte Willem den +visch van den hengel los en besloot nog eenmaal zijn geluk te +beproeven. Zijne lijn was ditmaal niet langer dan de eerste maal +<span class="pagenum">[<a id="pb108" href="#pb108" name= +"pb108">108</a>]</span>in het water, toen er weer met geweld aan +getrokken werd; doch nu was de knaap daarop bedacht, vierde de lijn en +liet den visch daaraan spartelen, tot hij moe werd; waarop hij hem +zonder veel moeite optrok en met blijdschap ontdekte, dat deze nog +zwaarder dan de vorige was. Met zijne vangst tevreden, wond hij de lijn +weder op, stak een touw door de kieuwen der visschen en sleepte ze zoo +naar de tenten, waar hij ze aan de tentstang ophing, opdat de honden er +niet bij zouden komen. Een kwartier later lag hij gerust in slaap. Den +volgenden morgen was Willem ook weer de eerste, die opstond en met luid +gejuich zijn buit vertoonde; maar de oude Flink schudde daarover tegen +verwachting verdrietig het hoofd.</p> +<p>„Gij hebt zeer verkeerd gedaan, Willem,” zeide hij, +„met u buiten mijn weten aan een zoo groot gevaar bloot te +stellen. Als gij besloten hadt uit visschen te gaan, waarom hebt ge mij +daar dan niet iets van gezegd? Ik zou dan meegegaan zijn. Gij zegt +zelf, dat de visch u bijna in ’t water had getrokken. Verbeeld u +nu eens, dat dat werkelijk gebeurd was; dan waart gij verloren geweest, +want de rotsen zijn zoo hoog en steil, dat gij er niet uit hadt kunnen +klauteren, voordat een haai u gepakt had. Stel u nu maar een oogenblik +het verdriet voor, dat gij uw vader en allen, die u zoo liefhebben, +veroorzaakt zoudt hebben. Verbeeld u de droefheid en de vertwijfeling +uwer arme moeder, als ze dat bericht ontving en gij niet meer te vinden +of te zien geweest waart.”</p> +<p>„Ik begrijp ’t nu wel, ik deed heel verkeerd, Flink; +maar ik wilde mijne goede moeder zoo graag eens verrassen.”</p> +<p>„Dat is reden genoeg voor ons om u uwe onbedachtzaamheid te +vergeven; maar doe het toch niet weer. Geloof mij, ik ben altijd bereid +en gewillig om overal met u mee te gaan. En nu geen woord meer van de +zaak. Niemand moet vernemen, in welk gevaar ge verkeerd hebt, want nu +is alles toch gelukkig voorbij. En gij zelf, mijn jongen, moet het een +oud man ook niet kwalijk nemen, dat hij u eens een beetje hard +beknort.”</p> +<p>„Neen, waarlijk, Flink, dat komt niet in mijn hart op, want ik +weet immers, dat ik onberaden gehandeld heb; maar ik dacht volstrekt +niet dat er eenig gevaar aan verbonden was.”</p> +<p>„Daar komt uwe moeder uit hare tent,” zeide Flink. +„Goeden morgen mevrouw! Wel gerust? Nu zult ge niet raden, wat +Willem van nacht voor u gedaan heeft. Kijk hier, daar hangen twee bazen +van visschen, waaraan wij heerlijk smullen zullen—dat verzeker ik +u.”</p> +<p>„O, daar ben ik recht blij mee!” riep mevrouw Wilson. +„Thomas, kom toch gauw eens hier! Hebt ge wel zin in gebakken +visch?” <span class="pagenum">[<a id="pb109" href="#pb109" name= +"pb109">109</a>]</span></p> +<p>„O, die lust ik zoo graag!” zei Thomas.</p> +<p>„Kijk dan eens daar aan den tentstaak.”</p> +<p>Sinjeur Thomas klapte in den handen, danste als een dolleman in het +rond en hield niet op te roepen: „We eten gebakken visch van +middag,—Caroline, gebakken visch! Gebakken visch, zooveel we maar +lusten.”</p> +<p>Na het ontbijt trokken allen naar het bosch, waar Flink de boomen +gekapt had, en namen onderstel en raderen en een paar stevige touwen +mede. De beide mannen velden de boomen en bonden ze aan de kar vast, +die toen door Juno en Willem naar de plaats werd getrokken, waar het +huis zou worden gebouwd.</p> +<p>Niemand keek zuur, toen zij tot den maaltijd geroepen werden, want +allen hadden een zwaar en vermoeiend werk gehad. Alleen Thomas had, +behalve tot allerlei kattekwaad, geen hand of vinger uitgestoken, maar +was toch aan tafel zoo gulzig, dat zijne moeder ten laatste zei: +„Neen, jongenlief; men bindt een zak wel eens toe, al is hij nog +niet vol. De kat zal nu met uw leege maag niet wegloopen, en ziek eten +moogt ge u hier niet.”</p> +<p>In den nacht, die hierop volgde, stapten Flink en Willem, hoe +doodmoe zij ook waren, naar het strand en vingen nog acht schildpadden. +Het verdere gedeelte van de week gingen zij voort met het omkappen en +vervoeren van kokosboomen, totdat zij eindelijk genoeg meenden te +hebben, om met het bouwen van het nieuwe huis te beginnen. De Zondag +werd weder in rust doorgebracht, ’s Maandagsnachts vingen zij +weder negen schildpadden en drie zware visschen en ’s morgens +daarop sloeg men de eerste hand aan het zetten van de nieuwe +woning.</p> +</div> +</div> +<div id="ch29" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">NEGEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">HET NIEUWE HUIS.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Flink had reeds in voorraad de benoodigde deurposten +en vensterkozijnen saamgesteld uit het timmerhout, dat van het wrak in +de bocht was aangespoeld. Nu heide hij dan vier palen, in elken hoek +een, in den grond en maakte, met hulp van mijnheer Wilson, in elken +kokosstam boven en beneden eene insnede voor eene tweeden en derden +stam, die daarmede aan weerszijden overkruis kwam te liggen. De stammen +werden dan om <span class="pagenum">[<a id="pb110" href="#pb110" name= +"pb110">110</a>]</span>den ander op elkaar gelegd, zoodat zij goed vast +sloten, en men had de reten nu nog slechts met kokosbladeren aan te +vullen, die dicht opeengeperst tusschen de balken werden ingeschoven. +Dit laatste werk werd aan Willem en Juno opgedragen, en zoo rees het +nieuwe huis langzamerhand van den grond omhoog. De haard en de +schoorsteen konden niet te gelijk met de muren worden opgebouwd, want +daartoe had men of leem te vinden of schelpen tot kalk te branden, om +ze daarmee en met steenen op te trekken; doch de plaats werd er voor +opengelaten. Drie weken achtereen arbeidden zij op deze wijze duchtig +door. Toen de vier muren eens stonden, begon men met het dak en de +bekleeding daarvan, welke laatste door middel van kokosbladen +geschiedde, die, in bossen gebonden, door Flink op de wijze van een +rieten dak saamgevoegd en met stevige prikken aan de balken vastgemaakt +werden. Tegen het einde der derde week was de woning in zooverre +gereed, dat zij toereikende beschutting tegen het weder verleende. Dat +werd nu ook werkelijk hoog tijd, want het weder was allengs anders +geworden; er begonnen zich wolken saam te pakken en de regentijd nam +een begin. Na eenige regenvlagen helderde de hemel nog eens weder +op.</p> +<p>„Nu hebben wij geen tijd meer te verliezen,” zeide Flink +tot mijnheer Wilson. „Wij hebben hard gewerkt, <span class="corr" +id="xd21e2614" title="Bron: moet">maar</span> moeten nu een paar dagen +nog harder werken. Het binnenste van ons huis dient klaargemaakt te +worden, zoodat mevrouw er zoo spoedig mogelijk intrekken +kan.”</p> +<p>De aarde binnen in het huis werd vastgestampt, zoodat men een +behoorlijken vloer kreeg. Aan weerszijden langs de wanden van het +gebouw liep eene rij van bedsteden, twee voet hoog boven den grond en +met katoenen gordijnen, die men ’s nachts neerlaten kon. Daarna +deden Flink en Willem nog een laatste reisje naar de bocht, om tafels +en stoelen te halen, en zij kwamen terug, juist voordat de eerste storm +van het jaargetijde losbrak. Het beddegoed en al wat men meer noodig +had, werd nu in het huis gebracht, en bij ’t grootere zette men +nog een ander huisje, waar men koken kon, totdat haard en schoorsteen +gereed zouden zijn.</p> +<p>Op een laten Zaterdagavond hield de familie eindelijk haar intocht +in het nieuwe huis, en dat juist van pas, want het zou leelijk gegaan +zijn, als het toen niet had kunnen gebeuren. ’s Zondagsmorgens +toch brak de eerste storm al los. De wind bulderde met geweld en een +geluk was het voor onze vrienden, dat zij onder dak waren, want de +windvlagen werden zoo geweldig, dat de kokosboomen zweepten, kraakten +en de kruinen bogen, alsof zij dunne rietstaven waren. De bliksem +kronkelde door de lucht, de eene donderslag volgde den anderen, terwijl +het water in stroomen uit de lucht <span class="pagenum">[<a id="pb111" +href="#pb111" name="pb111">111</a>]</span>viel en een tweede zondvloed +in aantocht scheen. Het vee liep van de weide af en zocht eene +schuilplaats onder het dichte geboomte; de honden kropen onder de +bedsteden, en ofschoon het pas middag was, werd het toch zoo donker, +dat men, om iets te zien, de lichten moest aansteken. „Daar +hebben we dus nu den regentijd, waarvan ge ons zooveel verteld hebt, +Flink,” zeide mevrouw Wilson. „Blijft dat weer lang zoo? +Wat moeten we nu doen?”</p> +<p>„Neen, mevrouw, zoo voortduren zal het niet. Tusschenbeide zal +ook de zon schijnen, maar niet lang. Wij zullen dagelijks wel nu en dan +eens uit kunnen gaan, maar ’t kan ook vele dagen zonder ophouden +regenen, en dan moeten we in huis arbeiden. Ik durf wel zeggen, dat het +ons nooit aan werk zal ontbreken.”</p> +<p>„Wij mogen wel blij zijn, dat wij een dak hebben, waaronder +wij ons hoofd veilig kunnen neerleggen. In de tenten zou het niet uit +te houden geweest zijn.”</p> +<p>„Dat wist ik wel, mevrouw, en daarom juist had ik geen rust, +voordat het huis gereed was.”</p> +<p>Hoe hevig de regen ook tegen de muren aansloeg, kon hij toch niet +door het dak dringen. Flink en Willem gingen naar buiten, om de boot op +eene plaats te brengen, waar zij niet door den storm kon beschadigd +worden, en kwamen tot op het hemd toe nat terug. Zij moesten zich thans +weer met koude spijzen behelpen, maar waren toch gelukkig. De storm +woedde den ganschen nacht onafgebroken voort; doch zij sliepen gerust +en droog, en toen zij tegen den morgen door het rollen van den donder +en de kletterende regenvlagen gewekt werden, waren zij dankbaar, dat +zij op dit woeste eiland zulk een veilige woonstede gevonden +hadden.</p> +</div> +</div> +<div id="ch30" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">DERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">PLAN VOOR DE TOEKOMST.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Toen zij den tweeden morgen opstonden, was de lucht +echter weer opgeklaard en scheen de zon vriendelijk en helder. Flink en +Juno waren de eersten buiten de deur,—Flink met zijn kijker onder +den arm, dien hij alleen meenam, als hij des morgens zijn ronde deed, +zooals hij dat noemde.</p> +<p>„Wel, Juno,” zeide Flink, „dat is een heerlijke +morgen na al dat onweer.” <span class="pagenum">[<a id="pb112" +href="#pb112" name="pb112">112</a>]</span></p> +<p>„Ja, massa Flink, heele mooie morgen, maar hoe ikke vuur aan +krijg en maak water kook voor dat ontbijt? Warempel, ikke niet weet, +want sprik en rijs alleboel klesnat.”</p> +<p>„Dat geloof ik wel, meid; maar voordat ik gisteren ging +slapen, dekte ik de kolen met asch toe, lei daar eenige steenen op en +toen nog een laag van takken en bladeren, zoodat ge, denk ik, nog wel +wat vuur vinden zult. Ge ziet, Juno; we moeten ons behelpen. We kunnen +niet alle dingen te gelijk doen; maar toekomende jaar, bij leven en +welzijn, zullen we een goeden stapel brandhout, met een dak er over, +tegen den regentijd gereed hebben, zoodat we niet weer verlegen staan. +Ik wou mijn morgenronde gaan doen, maar wil nu nog wat blijven en u een +handje helpen.”</p> +<p>„Als ’t je blief, massa Flink; veel, ijselijke boel +regen gevallen van nacht.”</p> +<p>„Ja, Juno, niet weinig. Ge moet ook niet denken, dat het water +uit de wel van morgen heel helder zal wezen, ’t Is zelfs wel +mogelijk, dat ge van de bron in het geheel niets ziet.—Daar is +toch nog wat hout, dat niet doornat is.”</p> +<p>„O, ikke al hebben vuur zatter,” riep Juno, die de +takken en steenen had weggeruimd en nu op hare knieën lag, om de +kolen aan te blazen.</p> +<p>„Nu zult ge u dus wel kunnen redden, Juno,” zei Flink; +„bovendien zal onze jongeheer Willem wel dadelijk hier zijn, +zoodat ik kan opstappen.”</p> +<p>De oude man floot de honden, die vroolijk kwamen aanspringen, en +begon toen zijne morgenwandeling. Hij begaf zich eerst naar de bron in +de kloof, maar in plaats van de borrelende wel en het kristalheldere +water, dat anders over de boorden der ton heenstroomde, vond hij een +drabbige, slijkerige beek, die klotsend van de hoogte neerstortte en +maakte, dat van de bron in het geheel niets te zien was.</p> +<p>Flink waadde door den stroom, want hij wilde naar den +schildpadvijver gaan zien, die nog verderop was gelegen. Hier was alles +in orde, en nu plaste hij nog eenmaal door het water, dat den zandigen +oever geheel overstroomd had, totdat hij aan de landtong kwam, waar +zijne boot geborgen lag. Hij had haar te dien einde achter en voor met +een stevig touw vastgebonden en een zwaren steen als anker daaraan +gehangen.</p> +<p>Van dit punt zag hij als gewoonlijk met zijn kijker uit,—niet +omdat hij op de waarschijnlijkheid rekende, dat een schip tusschen deze +eilanden en klippen verdwalen zou, maar toch, daar die mogelijkheid +bestond, nam hij doorgaans deze moeite, ofschoon nooit als mijnheer +Wilson bij hem was, daar hij wel bemerkte, dat deze daardoor bedroefd +en somber gestemd werd. Als gewoonlijk nam hij ook ditmaal, na gedaan +onderzoek, zijn <span class="pagenum">[<a id="pb113" href="#pb113" +name="pb113">113</a>]</span>kijker weer onder den arm en zuchtte: +„Dat helpt immers toch niet.”</p> +<p>Daar de storm van land af had geblazen, bevond hij nu, dat de boot +zoover was afgedreven, dat hij haar niet meer bereiken kon.</p> +<p>„Dat is wat moois!” dacht hij. „Hoe kon ik zoo dom +zijn van dat ding niet aan een touw vast te sjorren? Er naar toe +zwemmen en een maaltijd voor Jantje Haai worden, wil ik ook niet. Maar +wacht,—laat eens zien!” Met deze woorden haalde hij de +lijnen en strengen, die tot de takelage van het scheepje behoorden en +die hij ergens op een droge plek aan de kust geborgen had en knoopte ze +aan elkander. Vervolgens bond hij een stuk hout van twee voet lengte +ongeveer op ’t midden aan de lijn vast. Dit zocht hij nu door +middel van het touw in de boot te slingeren en na eenige vergeefsche +pogingen gelukte hem dit. Het hout raakte onder tusschen de ribben van +de boot vast en zoo werd het mogelijk, de boot behoedzaam aan land te +trekken. Nadat hij het water had uitgeloosd, dat zij gedurende den +storm had ingekregen, verliet hij het strand en ging een bezoek aan den +tuin brengen.</p> +<p>„Nu moet ik onze schapen en geiten nog opzoeken,” zeide +Flink, „en dan is mijne morgenwandeling gedaan.—Kom, +Romulus! Kom Remus! Waar zijt gij, jongens?”</p> +<p>De honden schenen te merken wat hij wilde en liepen al snuffelend +vooruit. Spoedig hadden zij de schapen en twee der geiten dan ook +opgespoord; maar de derde was nergens te zien.</p> +<p>„Wel, waar kan onze zwarte Nanni dan toch zitten?” +mompelde de oude man, die onderwijl een poosje had uitgerust. Eindelijk +hoorde hij onder het dichte kreupelhout een geblaat, waarop hij +dadelijk afging, terwijl de honden hem volgden.</p> +<p>„Dat dacht ik al half,” riep hij, toen hij Nanni met +twee pas geboren jongen bij haar onder de struiken vond liggen. +„Komt, kleine beestjes, we moeten een betere plaats voor u +vinden,” zeide hij en nam op iederen arm een. „Koest, +Romulus, koest dan!” dreigde hij den hond, die naar de diertjes +opsprong. „Wat zijn dat voor kuren? Koest!—Ha ha, daar ligt +ge al en hebt nu uw verdiend loon.”</p> +<p>En zoo was het ook; want Nanni, die niet dulden wou, dat de hond +hare jongen te na kwam, was op hem toegesprongen en had hem zoo +gestooten, dat hij hals over kop op den grond buitelde.</p> +<p>Met de geitjes op den arm wandelde Flink nu naar huis terug en werd +door de moeder op den voet gevolgd. Hij vond mijnheer en mevrouw Wilson +en al de kinderen reeds aangekleed. Caroline en Thomas juichten van +blijdschap, <span class="pagenum">[<a id="pb114" href="#pb114" name= +"pb114">114</a>]</span>toen zij de jonge geitjes zagen, en zelfs de +kleine Albert kraaide het uit. Zoodra Flink ze op den grond legde, +hadden ook Thomas en Caroline al spoedig een van de aardige diertjes op +den arm.</p> +<p>„Ik heb een aanwas voor de familie meegebracht, +mevrouw,” zeide Flink, „en moet u wel verzoeken, de +kleintjes in huis te dulden, totdat ik eene andere geschikter plaats +voor hen vinden kan. Dat is echter maar een begin; ik verwacht, dat wij +spoedig meer zullen hebben.”</p> +<p>Zoodra men de kleinen bewegen kon, de geitjes over te geven, werd +Nanni in een hok vastgebonden, waar ze zeer tevreden scheen en hare +kleinen zoogde en likte. Juno en Willem brachten het ontbijt binnen, en +na den afloop daarvan zeide mijnheer Wilson:</p> +<p>„Nu Flink, dienden we wel eens raad te houden, om aan ieder +van ons zijne bijzondere werkzaamheden en verrichtingen gedurende den +regentijd aan te wijzen. Wij hebben zeer veel te doen en kunnen geen +leegloopers zijn.”</p> +<p>„Ja mijnheer, wij hebben zeer veel te doen, en om met alles +klaar te komen, moeten wij met orde en naar een geregeld plan te werk +gaan. Ik ben al oud genoeg om te weten, hoeveel tijd men door een +regelmatige verdeeling zijner uren winnen kan. Zoo, bij voorbeeld, +wordt op een goed bestuurd oorlogsschip veel meer gedaan, dan men op +een koopvaardijschip in dubbel zooveel tijd uitvoert. En hoe dat zoo? +Omdat ieder ding op zijne plaats en er eene bijzondere plaats voor +ieder ding is. Heeft men dus iets noodig, dan behoeft men zijn tijd +althans niet met zoeken te verliezen, daar ieder weet, waar hij het +zijne halen moet. Bovendien weet ieder ook wat hij te doen heeft en dus +kan er nooit verwarring ontstaan.”</p> +<p>„Ik ben ’t volkomen met u eens, Flink,” viel +mevrouw Wilson hem in de rede; „orde is de hoofdzaak. Terwijl een +slordig meisje nog naar haar vingerhoed zoekt, heeft een ander, dat +beter op hare zaken past, haar werk al lang af; en ik beloof u, zoodra +de bergplanken en kastjes klaar zijn, zal ik zorgen, dat hier +binnenshuis ieder ding op zijne plaats, en dat ook eene bijzondere +plaats voor elk ding zal wezen.”</p> +<p>„Ik vraag verschooning, mevrouw, als ik te veel praat; maar ik +kan u verzekeren, dat ik nooit zou geweten hebben, hoeveel men met orde +en stiptheid kan uitrichten, als ik niet aan boord van een oorlogsschip +gediend had. Ik had al een langen tijd op koopvaardijschepen gevaren, +waar altijd, zelfs als er niets te doen is, drukte en verwarring +heerscht; maar hier vond ik, dat alles in stilte en geregeld werd +afgedaan. Nooit had iemand een woord te spreken, dan alleen de +officier, die juist den dienst had. Ieder man was <span class= +"pagenum">[<a id="pb115" href="#pb115" name="pb115">115</a>]</span>op +zijn post; ieder had een touw op te hijschen of er een te vieren. De +bootsman floot, en in een ommezien was ieder zeil bijgezet of gereefd, +al naar dat het gebeuren moest. In ’t begin scheen mij dat wel +hekserij toe. En gij zult begrijpen, mijnheer Wilson, dat bij zooveel +orde en tucht ieder man in ’t bijzonder van groot gewicht is, +want de minste nalatigheid, waaraan één zich schuldig +maakt, hindert ook dadelijk al de overigen in hun werk en doet alles +verkeerd gaan. Daarbij kan de schuldige ook altijd verzekerd wezen, dat +hij de verdiende straf niet ontgaat. Al had ik aan boord van dat +oorlogsschip ook niet anders geleerd dan mijn tijd en mijne krachten op +de beste wijze te gebruiken, dan had ik daarbij voor mijn volgend leven +al genoeg gewonnen.”</p> +<p>„Gij hebt volkomen gelijk, Flink, en gij moet ons nu leeren, +evenzoo te arbeiden,” antwoordde mijnheer Wilson.</p> +<p>„Wij hebben zooveel te doen, dat ik haast niet weet, waar te +beginnen. Wij moeten werken, zoo goed en zooveel wij kunnen, totdat wij +de dingen een weinig beter in orde hebben gebracht. Tot hiertoe hebben +wij allen braaf ons best gedaan.”</p> +<p>„Wat denkt gij, dat wij het eerst doen moeten, +Flink?”</p> +<p>„Wel, mijnheer, ons eerste werk dient te zijn, dat wij de boot +wat hooger ophalen en zorgen, dat ze geen schade lijdt. Ik reken het +vooreerst toch niet veilig naar de andere zij van het eiland te gaan, +daar er op den duur te veel branding staat en ’t weer ook te +onzeker is, om er voor een uur op te rekenen. Zoo zal het best zijn, +dat wij de boot half in ’t zand begraven en ze dan daarmee geheel +overdekken.</p> +<p>„Dat komt mij zeer goed voor. En wat volgt dan?”</p> +<p>„Ja, ziet gij, de tenten mogen wij ook niet laten staan. We +moeten ze opbreken en ze, als ze goed droog zijn, op eene geschikte +plaats bewaren, daar ze in het vervolg nog goed te pas kunnen +komen.—Dan, mijnheer, moeten we een ruim pakhuis voor +levensmiddelen en verderen voorraad bouwen, met een rieten dak en met +den vloer zoo wat vier voet boven den grond, zoodat onze schapen en +geiten daaronder bij boos weer eene schuilplaats kunnen vinden. Daarmee +kunnen wij schielijk klaar komen; wij hebben slechts drie kanten dicht +te maken, en dat kost met kokosbladeren zooveel moeite niet. Later, +mijnheer, valt er nog een vischvijver aan te leggen en eene zoutpan in +de rotsen uit te houwen; doch dat doen wij eerst, als er geen +dringender werk meer is.—Daarna komen nog twee gewichtige dingen. +Vooreerst moeten wij al, wat wij nog aan de overzijde hebben, nazien, +schriften en terechtleggen, zoodat wij het terstond na den regentijd +<span class="pagenum">[<a id="pb116" href="#pb116" name= +"pb116">116</a>]</span>hierheen kunnen halen. Het tweede is, dat wij +een ontdekkingsreisje door het gansche eiland doen en onderzoeken, wat +het al zoo voortbrengt; want tot hiertoe, mijnheer, weten wij daar nog +bitter weinig van. Wij kunnen misschien nog veel vinden, dat ons van +nut kan zijn; b. v. boomen en vruchten, en ik hoop ook wat meer gras en +voeder voor ons vee, want gij begrijpt licht, mijnheer<span class= +"corr" id="xd21e2709" title="Niet in bron">,</span> als dit zoo +vermeerderen zal, dat we er wezenlijk nut van trekken, zullen wij hier +geen voedsel genoeg voor de dieren hebben.”</p> +<p>„Al wat gij daar zegt, is volkomen waar, Flink,” +antwoordde mijnheer Wilson. „En hoe zullen wij thans onze +krachten verdeelen?”</p> +<p>„Voorshands, mijnheer, zullen wij aan geen verdeeling denken. +Juno heeft met mevrouw binnenshuis volop te doen. Onze Willem, gij en +ik zullen eerst de boot in zekerheid brengen en de tenten en wat er nog +zoo meer is, wegbergen. Dan beginnen wij met het pakhuis en haasten ons +daarmee, zooveel wij kunnen. Heeft Juno soms eens wat tijd over, dan +moet ze kokosbladeren opzamelen tot brand voor den haard. De kleine +Thomas zal wel met haar meegaan en haar wijzen, hoe ze doen +moet.”</p> +<p>„Ja, ja, dat zal ik haar wel wijzen,” zei Thomas en +zette eene hooge borst.</p> +<p>„Nu aanstonds nog niet, jongeheer,” hernam Flink; +„eerst als moeder u en Juno missen kan, dan moet gij het haar +wijzen.—Kom, mijnheer,” vervolgde hij, „wij mogen +thans de paar uren goed weer niet verzuimen, want voordat de dag ten +einde is, krijgen wij zeker nog veel meer regen. Als ge ’t +<span class="corr" id="xd21e2721" title="Bron: geod">goed</span> vindt, +zal ik even de schoppen halen en maar naar de boot vooruitgaan, waar ik +u wacht. Gij en Willem kunt eenige touwen meenemen, een stevigen bos +kokostakken bij elkander binden, dien op de kar laden en daarmee dan +naar het strand komen.”</p> +<p>„We zullen u niet laten wachten, Flink,” antwoordde +mijnheer Wilson.—„Kom, Willem, kom!”</p> +</div> +</div> +<div id="ch31" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">EEN-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">FLINK VERHAALT ZIJNE LEVENSGESCHIEDENIS.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Daar men tot het bouwen van het huis zooveel +kokosboomen geveld had, lagen er nog takken in overvloed in het rond +verstrooid, en vader en zoon hadden er spoedig genoeg bij elkaar.</p> +<p>Aan het strand gekomen, vonden zij dat Flink de boot reeds op het +droge <span class="pagenum">[<a id="pb117" href="#pb117" name= +"pb117">117</a>]</span>gehaald en er ook de rollen reeds ondergeschoven +had, om ze later van de plaats te brengen. Met weinig moeite werd zij +een el of tien hooger op het strand getrokken, totdat Flink verzekerde, +dat de afstand volkomen toereikend was. Toen groeven zij met hunne +schoppen zoo diep, dat het kleine vaartuig halverwege in het zand +wegzonk. Daarop wierpen zij de uitgegraven aarde daarin, totdat de boot +geheel vol was, bedekten die toen zorgvuldig met de meegebrachte takken +en bezwaarden ook deze weder met zand, zoodat zij niet door den wind +konden worden weggeblazen.</p> +<p>„Ik begrijp eigenlijk niet, waarom gij de boot zoo toedekt, +Flink,” merkte Willem aan. „De regen zou haar immers geen +kwaad doen.”</p> +<p>„Neen, de regen zou er weinig aan bederven, jonge vriend; maar +wel de zon, als zij van tijd tot tijd eens weer voor den dag mocht +komen. De zon heeft verbazend veel kracht en kon door haar gloed mijn +arme boot licht geheel in stukken doen springen.”</p> +<p>„O ja, daaraan had ik zoo gauw niet gedacht,” antwoordde +Willem. „Wat dient er nu bij de hand gevat, Flink?”</p> +<p>„Wel, daar we nog twee uren vóór etenstijd +hebben, zoudt gij de vischlijnen nog wel eens kunnen gaan halen, en dan +zullen wij zien wat het geeft.”</p> +<p>„Maar wij kunnen toch niet alle drie met twee lijnen +<span class="corr" id="xd21e2747" title= +"Bron: vischen">visschen</span>?” zeide mijnheer Wilson.</p> +<p>„Neen, mijnheer; maar daar uw zoon er al zeer handig mee is, +moest gij, dunkt mij, hier bij hem blijven, terwijl ik Juno nog wat +hout en prikken help inzamelen. De goede meid was dezen morgen +doodverlegen, toen dit nog zoo nat was; maar is het eens opgestapeld, +dan zal het spoedig drogen. Wees toch vooral voorzichtig, mijnheer +Wilson, en houd de lijnen niet al te stijf vast, daar ge anders gevaar +loopt zelf in ’t water te worden getrokken. Ik heb onzen Willem +vroeger al gewaarschuwd; maar ’t zal toch goed zijn, dat ge een +wakend oog op hem houdt, want hij is jong en wat driftig.”</p> +<p>Daar de oude man Willem met de lijnen juist tegenkwam, herinnerde +hij hem nog eens met een paar woorden het gevaar, dat hij de laatste +maal bij het visschen geloopen had, en ging toen zelf aan het werk, dat +hij zich nog had voorgenomen te doen.</p> +<p>Vader en zoon waren in hunne vangst zeer gelukkig. Voordat de twee +uren om waren, hadden zij acht groote visschen gevangen, die zij aan +den bootshaak hingen en zoo in triomf naar huis droegen. Sinjeur Thomas +juichte overluid, toen hij den voorraad zag en wilde dat men terstond +aan ’t koken en bakken zou gaan. Daar de vangst zoo overvloedig +was, besloot men dan <span class="pagenum">[<a id="pb118" href="#pb118" +name="pb118">118</a>]</span>ook werkelijk het eten uit te stellen, +totdat een gedeelte van de visch was toebereid. Dit was een uitstel, +waarover zich niemand rouwig betoonde, daar zij anders niets dan +pekelvleesch tot middagkost gehad zouden hebben.</p> +<p>Men had zich nauwelijks aan tafel gezet, of de regen kletterde op +het dak neer en binnen een kwartier was de orkaan weer even geweldig en +waren donder en bliksem even vreeselijk als den dag te voren. Al het +werk buitendeurs was dus opeens weer gedaan. Mevrouw Wilson, Juno en +Caroline namen haar naaiwerk, want er viel in overvloed te lappen en te +stoppen, en Flink vond bezigheid voor de rest. Willem en zijn vader +kregen een dik touw te pluizen, waarvan Flink dunner en bruikbaarder +draden maken wilde. De oude man zelf vatte zijne naaipriemen op en +boorde gaten in de venstergordijnen (die maar inderhaast waren +opgehangen), zoodat men ze nu naar welgevallen open en dicht kon +trekken. Ook Thomas kreeg een verward kluwen garen uiteen te haspelen, +wat hij, het leegzitten in het eind toch moe, ook heel geduldig +deed.</p> +<p>Zoodra Flink de gordijnen in orde had, haalde hij een dik pak van +onder de bedstede voor den dag en maakte dat open.</p> +<p>„Ik wil mevrouws slaapplaats nu wat opschikken,” zei de +goede man<span class="corr" id="xd21e2765" title="Bron: :">;</span> +<span class="corr" id="xd21e2768" title= +"Niet in bron">„</span>die dient toch wel wat mooier te wezen dan +die van de anderen.”</p> +<p>Het pak bestond uit de geredde scheepsvlag, die rood van kleur was, +en uit nog eene andere vierkante gele vlag, waarop de naam van het +schip, „De Vrede,” in groote zwarte letters te lezen stond. +Deze beide hing Flink in sierlijke kronkels voor de bedstede op, zoodat +het eene heel aardige vertooning maakte en tevens de ruwe wanden van de +hut geheel aan het oog onttrok.</p> +<p>„Waarlijk, vriend, ge maakt me bijna beschaamd,” zei +mevrouw Wilson, toen hij gedaan had. „Het is bijna al te mooi +voor deze plaats.”</p> +<p>„’t Is toch het beste gebruik, dat we er hier van maken +konden,” zei Flink.</p> +<p>„Och ja, dat vrees ik ook,” merkte mijnheer Wilson +zuchtend aan.</p> +<p>„Flink,” zei Willem, toen het licht op was, „gij +beloofdet mij eens half en half, dat ge mij uwe geschiedenis zoudt +vertellen; ik wou wel, dat ge er ons nu iets van hooren liet, om ons +zoodoende den avond te korten.”</p> +<p>„Welnu, vriend Willem, ik heb het beloofd en ik zal woord +houden. Na ’t hooren van mijne historie zult ge zeggen, dat ik in +mijn tijd heel dwaas en onverstandig gedaan heb; maar dat zal eene +waarschuwing voor u wezen en kan in allen gevalle van eenig nut +zijn.”</p> +<p>„We zullen u met groot genoegen aanhooren,” verzekerde +de moeder.</p> +<p>„Komaan, mevrouw, als gij dan maar luisteren wilt.” Met +deze woorden begon Flink zijne historie, gelijk hier volgt. +<span class="pagenum">[<a id="pb119" href="#pb119" name= +"pb119">119</a>]</span></p> +<div id="xd21e2789" class="div2 section"><span class= +"pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 class="main">GESCHIEDENIS VAN DEN OUDEN FLINK.</h3> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">„Natuurlijk zult ge eerst verlangen te weten, +wie mijne ouders waren. Nu, dat is gauw verteld. Mijn vader was +kapitein van een kof, die van Londen op Hamburg voer; en mijne arme +moeder, God zegene haar! was de dochter van een gepensionneerd +luitenant te land, die een paar maanden na haar trouwen al kwam te +sterven. Het weinige, dat de oude heer haar naliet, kwam bij hetgeen +mijn vader al in de kof had, zoodat hem daar een derde van toekwam; de +beide andere parten behoorden aan een rijken scheepsbouwmeester en +reeder, met name Masterman. Met de profijten van zijn aandeel in het +schip en het geld, dat hij als kapitein verdiende, kon mijn vader het +tamelijk goed stellen. Mijnheer Masterman, die veel met mijn vader +ophad en door vaders overleg en goed oppassen vrij wat geld verdiende, +was er bij, toen vader trouwde; en na mijn geboorte, zoo wat een jaar +daarna, stond hij als peet over mij. Iedereen begreep, dat dit een goed +ding voor mij was, en men wenschte er vader en moeder geluk mee, want +de oude heer Masterman was ongetrouwd en al bij de zestig jaren en had +kind noch kraai in de wereld. De menschen wilden wel zeggen, dat hij +wat heel sterk op geld gesteld was; maar dat was er, zeiden ze, niet +minder om voor mij, want hij kon zijn geld toch onmogelijk in het graf +meenemen.</p> +<p>„Gij zult zien, wat er op die gedachten van de menschen valt +staat te maken, Willem; want een jaar na mijne geboorte verloor mijn +vader zijn leven op zee, bij eene schipbreuk voor Texel, waar zijn +schip met man en muis verging, en mijne moeder bleef weduwe met een +kind pas van de borst, en ze was maar twee-en-twintig jaren oud, de +arme vrouw.</p> +<p>„Daar ’t schip voor twee derden van de waarde was +verzekerd geweest dacht men, dat mijne moeder nog genoeg zou krijgen, +om van te leven: maar tot ieders verwondering kwam mijnheer Masterman +op en zocht te bewijzen, dat alleen zijne twee derde aandeelen in het +vaartuig verzekerd waren geweest.”</p> +<p>„Maar wat is dat, verzekering?” vroeg Willem.</p> +<p>„Dat zal ik u zeggen, mijn beste jongen,” antwoordde +zijn vader. „Verzekering of assurantie is, als men aan menschen, +die men assuradeurs noemt, eene zekere som betaalt, waarover zij dan, +als ’t gebeuren mocht dat een schip of de lading verging of +schade leed, aan de eigenaars van schip en lading de waarde vergoeden +moeten. Men betaalt al naar gelang van ’t gevaar, dat men te +vreezen heeft. In oorlogstijden b. v. betaalt men tien +percent,—dat is, tien gulden voor iedere honderd, die men +verzekert. Vooronderstel <span class="pagenum">[<a id="pb120" href= +"#pb120" name="pb120">120</a>]</span>nu eens, dat ge tienduizend gulden +op een schip en lading verzekeren wilt en men daarvoor tien percent +verlangt, dan hebt ge duizend gulden aan de assuradeurs te betalen, +waartegen dezen u, in geval het schip verloren gaat, de gansche som, +die ge verzekerd hebt en dus tienduizend gulden zullen moeten +vergoeden. Hebt ge het nu gevat, Willem?”</p> +<p>„O ja, heel goed, vader. Evenwel begrijp ik nog niet, hoe een +verzekeraar daarmee geld kan verdienen, want in oorlogstijd worden veel +schepen in den grond geschoten en gekaapt, en dan heeft hij immers +zulke groote sommen te betalen!”</p> +<p>„Ge moet bedenken, Willem, dat voor een enkel schip, dat +verloren gaat, misschien vijftig of meer behouden binnenkomen, en daar +de verzekeraars voor die alle toch betaald worden, doen zij meestal +goede zaken; want dat doen zij zeker, daar er anders niet zooveel +verzekeraars en assurantie-maatschappijen bestaan zouden.—</p> +<p>„Neem mij niet kwalijk, Flink, dat ik u daar zoo in de rede +ben gevallen.”</p> +<p>„O volstrekt niet, mijnheer; men moet geen gelegenheid +verzuimen, om jongelieden onderricht te geven en ik moet zeggen, dat ge +hier nu ook de ouden wijzer gemaakt hebt, daar de zaak mij nog nooit +zoo duidelijk geweest is, als op dit oogenblik. Maar om voort te gaan: +of mijnheer Masterman ’t recht op zijne zijde had of niet, kon op +dat oogenblik geen mensch zeggen; doch dit weet ik, dat de heele wereld +er schande over riep. Het gevolg was, dat mijne moeder weinig of niets +meer van haar weinigje goed overhield, maar ze vond gelukkig vrienden, +en wist er zich, met wat ze door naaien en borduren verdiende, gelukkig +door te slaan, tot ik mijn achtste of negende jaar bereikt +had.”</p> +<p>„Maar uwe peet, mijnheer Masterman, kwam die dan uwe moeder +niet te hulp?” vroeg mijnheer Wilson.</p> +<p>„Neen, mijnheer. Het klinkt vreemd, maar dat deed hij niet; en +dit maakte, dat hij nog meer over de tong ging. Ik denk, dat het juist +deze beschuldigingen waren, waarvan hij zelf toch ook wel iets hooren +moest en welke hij waarschijnlijk aan mijne moeder toeschreef, die hem +afkeerig van ons maakten. Misschien was het ook zijn geweten; want men +zal altijd zien, dat wij degenen haten die wij benadeeld hebben en +verstoord op hen zijn, inplaats van het op onszelven te +wezen.”</p> +<p>„Ongelukkig is er veel waars in uwe opmerking<span class= +"corr" id="xd21e2819" title="Bron: .">,</span>” sprak mijnheer +Wilson; „maar toch was het hoogst vreemd, dat hij zoo iets +deed.”</p> +<p>„Dat was het werkelijk, mijnheer,—althans zoo dacht men +er toen ter <span class="pagenum">[<a id="pb121" href="#pb121" name= +"pb121">121</a>]</span>tijd algemeen over, doch hij was zeer aan +’t geld gehecht en verbitterd over geruchten, die van hem in +omloop waren.—Maar ik zal verder vertellen.</p> +<p>„Ik was een sterke, vlugge, levendige knaap. Zoo dikwijls ik +mijne moeder of de school ontloopen kon, vond men mij vast aan den +waterkant of aan boord van een schip, want alles, wat de zeevaart +aanging, was mijn hoogste lust. In den zomertijd was ik den halven dag +in het water en zoo werd ik een goed zwemmer. Mijne moeder bemerkte +mijn lust in het varen en deed alles, om mij <span class="corr" id= +"xd21e2828" title="Bron: daavan">daarvan</span> terug te brengen. Zij +vertelde mij van de moeiten en gevaren, waaraan een zeeman is +blootgesteld, en eindigde altijd met mijns vaders dood en met een vloed +van tranen.</p> +<p>„Indien mijne moeder zich niet zoo tegen mijn naarzeegaan +verzet had, geloof ik wezenlijk, dat ik aan wal gebleven zou zijn. Als +kind was ik echter trotsch en hardnekkig van aard. Ik moet dat zeker +van mijn vader gehad hebben, want mijne arme moeder, ach! die was de +zachtzinnigheid zelve. Ik kon niet velen, dat een andere jongen deed +wat ik niet doen kon; en om dingen te verrichten, die geen ander wagen +dorst, volvoerde ik soms zulke halsbrekende kunsten, dat het, naar +aller zeggen, wonder boven wonder was, dat ik er niet honderdmaal mijn +leven bij inschoot. Mijne moeder hoorde gedurig van gevaren, waarin ik +verkeerd had, en was dan buiten zichzelve van zorg en angst. In den +beginne beknorde zij mij telkens en smeekte mij toch niet zoo’n +waaghals te zijn; maar later ging ze doorgaans naar haar kamertje en +schreide daar in stilte, want ik was haar eenige troost, hare laatste +hoop en alles wat zij nog op aarde had. Ik heb later dikwijls zelf niet +kunnen begrijpen, hoe ik in dien tijd zoo ongevoelig en hardnekkig kon +zijn. Ik was te jong om te bedenken, welke kwelling ik haar aandeed en +hoe de gedurige bezorgdheid over mij aan haar leven knaagde. Kinderen +voelen dat zoo niet. Deden zij dat, ze zouden anders handelen, want +onze harten zijn op dien leeftijd nog niet verhard, maar worden dat +eerst later.”</p> +<p>„Gij hebt wel gelijk, Flink,” merkte mijnheer Wilson +aan. „Als kinderen werkelijk wisten, hoeveel hunne ouders door +hunne verkeerdheden te lijden hebben, hoezeer ieder bewijs van boosheid +hen verontrust,—zij zouden waarlijk beter zijn.”</p> +<p>„Wij zien het doorgaans eerst in, als het te laat is,” +ging Flink voort. Ik was ruim negen jaren oud, toen eens op een dag, +dat er vrij wat wind woei en het water hol stond, een kabel, waarmede +een schip aan het hoofd vastzat, met een geweldigen slag sprong. Het +losgescheurde eind trof een man, die dicht aan den waterkant gestaan +had en slingerde hem met geweld in het water. Ik hoorde hem schreeuwen +en zag, hoe de menschen op het <span class="pagenum">[<a id="pb122" +href="#pb122" name="pb122">122</a>]</span>hoofd en van de schepen hem +touwen toewierpen; maar hij kon die niet grijpen, daar hij weinig van +’t zwemmen verstond en de zee hol ging. Daar pakte ik een touw, +dat juist werd opgetrokken en sprong hals over kop van het hoofd in +’t water.</p> +<p>„Hoe jong ook, kon ik zwemmen als een eend en ’t gelukte +mij, hem het touw in handen te geven op het oogenblik, dat hij op punt +was van te zinken. Hij klemde zich daar met alle macht aan vast en werd +zoo tot aan de palen voortgetrokken; een poosje later kwam er ook eene +boot, die men inderhaast te water had gebracht en nam ons beiden +behouden op. Wij werden naar eene herberg gebracht en kropen te bed, +totdat men droge kleeren voor ons gehaald had. Toen eerst ontdekte ik, +dat de drenkeling, dien ik gered had, mijn peet, mijnheer Masterman +was.</p> +<p>„Iedereen roemde mij zeer, en waarlijk ofschoon ik dat +misschien zelfs niet zoo zeggen moest, het was ook een stout stuk +geweest voor een jongen van mijne jaren. De matrozen droegen mij als in +triomf naar moeders huis terug. Toen de goede vrouw hoorde wat ik +gedaan had, drukte zij mij vast in hare armen en dan weende zij ook +bitter, als ze aan het gevaar dacht, dat ik had doorgestaan, en zich +daarbij voorstelde, dat mijne stoutmoedigheid mij licht in nog veel +grooter gevaar brengen kon.”</p> +<p>„Maar zij beknorde u ditmaal toch niet om hetgeen gij gedaan +had?”</p> +<p>„O neen, Willem; zij gevoelde, dat ik mijn plicht jegens mijn +medemensch vervuld had: misschien ook, dat ik in dit geval het kwade +met eene goede daad had vergolden; maar van dit laatste zei ze toch +geen woord. Den volgenden dag kwam mijnheer Masterman ons een bezoek +brengen. Hij keek heel beschaamd en verlegen, toen hij naar zijn +petekind vroeg, dat hij zoolang vergeten had. Mijne moeder, die wel +begreep hoe nuttig hij worden kon, ontving hem heel vriendelijk, maar +ik had reeds te dikwijls van zijne verwaarloozing van mij en mijne +moeder en van zijn naar alle waarschijnlijkheid afschuwelijk gedrag +jegens mijn vader hooren spreken en had daardoor een hevigen weerzin +tegen hem opgevat. Zoo kwam het, dat ik zijn vriendelijkheid heel +koeltjes opnam. Ik was wel blij, dat ik hem het leven had gered; maar +ofschoon mijn gevoel mij destijds nog niet recht duidelijk was, moet ik +toch met schaamte bekennen, dat mijne blijdschap niet uit de bewustheid +voortkwam van eene goede daad verricht te hebben, doch veeleer uit +zekere bevredigde wraak, daar ik nu een man, die mij eens zoo slecht +behandelde, tot dankbaarheid jegens mij verplicht had. Dat kwam voort +uit mijn trotschen geest, dien mijne moeder niet buigen kon. Ge ziet, +jongeheer Willem; er stak weinig verdienste in wat ik gedaan +<span class="pagenum">[<a id="pb123" href="#pb123" name= +"pb123">123</a>]</span>had, daar ik na ’t verrichten der daad aan +een gevoel toegaf, dat ik had moeten onderdrukken.”</p> +<p>„Mij dunkt, ik zou in uw geval evenzoo gedacht hebben als gij, +Flink,” gaf Willem ten antwoord.</p> +<p>„Kwaad met goed te vergelden is de groote plicht van een +Christenmensch, en had ik mijnheer Masterman gered met de zekerheid dat +hij het was, dan zou dat prijzenswaardig geweest zijn; maar nu kende ik +hem niet, toen ik hem redde, en het bleef nog altijd de vraag, of ik, +als ik geweten had wie daar in het water omspartelde, mijn leven dan +wel voor hem zou hebben gewaagd. Of, als ik het toch gedaan had, zou +dat dan niet misschien met hetzelfde gevoel geschied zijn, dat mij nu +nog vervulde, nadat ik hem werkelijk gered had,—het gevoel, dat +ik mij voor zijn gedrag jegens mij op hem wreken wilde; want er bestaat +wel geen grooter wraak dan deze, dat men zijn vijand tot dankbaarheid +verplicht.”</p> +<p>„Gij beoordeelt uzelven zeer streng, brave Flink,” zeide +mijnheer Wilson, „en mij dunkt bijna, dat gij uzelven onrecht +aandoet.”</p> +<p>„Toch niet, mijnheer,” hernam de oude man. „Mijn +eerste gevoel, dat dat mij tot handelen aanspoorde, was goed; maar dat, +<span class="corr" id="xd21e2858" title="Bron: waarvan">waaraan</span> +ik later toegaf, nam al de verdienste van mijne daad weder weg. Ik zeg +juist wat ik denk dat waarheid is, en een oud man kan zonder +partijdigheid, maar niet zonder berouw, op het verleden +terugzien.—Doch ik wil nu voortgaan met mijne geschiedenis.</p> +<p>„Mijnheer Masterman’s bezoek duurde niet heel lang. Hij +zeide mijne moeder, dat hij voortaan zorg voor mij zou dragen en mij, +zoodra ik oud genoeg was om de school te verlaten bij eene +scheepstimmerman in de leer zou doen. Tot daartoe bood hij aan, al de +kosten van mijne opvoeding op zich te nemen. Mijne arme moeder was zeer +dankbaar en schreide vreugdetranen. Toen mijnheer Masterman weg was, +omarmde ze mij en zeide mij, dat ze zich nu eerst gelukkig gevoelde, +dat ik eene kostwinning te land krijgen en niet op zee gaan zou. Om +mijn peet recht te doen wedervaren, moet ik zeggen, dat hij trouw zijn +woord hield. Hij zond mijne moeder geld, zoodat ze het beter stellen en +meer genot van haar leven hebben kon. Iedereen wenschte haar ook geluk +en ze kuste mij en plachte altijd te zeggen, <a id="xd21e2863" name= +"xd21e2863"></a>ze dat alles aan mij alleen had te danken.”</p> +<p>„Ach, Flink, wat moet dat u gelukkig gemaakt hebben!” +riep Willem, vol hartelijkheid.</p> +<p>„Ja, jongeheer, dat deed het, maar het maakte mij ook heel +trotsch. Het is vreemd maar toch waar; ik kon mijn afkeer van mijnheer +Masterman <span class="pagenum">[<a id="pb124" href="#pb124" name= +"pb124">124</a>]</span>niet overwinnen; ik had dien te lang in mijn +hart omgedragen. Ik kon nauwelijks verdragen, dat mijne moeder +verplichting aan hem had, of dat hij het schoolgeld voor mij betalen +zou. Hoe jong ik ook was, krenkte die gedachte mijne trotschheid toch +al te zeer, en al was mijne moeder ook nog zoo gelukkig, ik was dat +niet. Daar ik bovendien op een betere school gebracht was en men mij +dwong, bij de andere jongens te blijven, kon ik niet meer, zooals te +voren, aan den havenkant omzwerven en op de schepen gaan, zoodat ik van +mijn liefste genot was beroofd. Destijds zag ik niet in, zooals +tegenwoordig, dat dit alles tot mijn eigen best was. Het verbitterde +mij veeleer, en ik gevoelde mij ongelukkig, enkel omdat ik gedwongen +was, mijn aandacht op de lessen te richten en men mij niet langer mijn +eigen weg liet gaan.</p> +<p>„De meester klaagde over mij; mijnheer Masterman liet mij +roepen en haalde mij terdeeg door. Dit maakte mij nog koppiger, en zoo +werd ik, op mijnheer Masterman’s verlangen, gevoelig gekastijd. +Deze behandeling maakte mij zoo weerspannig, dat ik besloot weg te +loopen en op zee te gaan.</p> +<p>„Gij ziet, Willem, dat ik in dit alles ongelijk had; en dat +hebben alle knapen, die zoo eigenzinnig zijn, als ik te voren was, en +alles beter meenen te weten dan zij, die voor hen zorgen willen. Nu, +stel u eens voor beste jongen, wat door mijn dwaas gedrag +waarschijnlijk voor mij verloren ging. Ik zeg waarschijnlijk, want +niemand kan vooruit zien en zeggen wat de toekomst zal aanbrengen. Naar +allen schijn echter had ik groot vooruitzicht om eene goede opvoeding +te ontvangen,—om later mijnheer Masterman in zijne zaken op te +volgen en, hoogst waarschijnlijk, ook zijn groot vermogen te erven, +zoodat ik mettertijd een gezeten man zou geworden zijn. Misschien had +ik eene goede vrouw gevonden, had kinderen gekregen om mijn geluk nog +grooter te maken,—en in plaats van dat alles ben ik nu een arm, +oud, afgeleefd zeeman op een eenzaam verlaten eiland. Ik maak u daar +opmerkzaam op, Willem, om u te toonen, hoe een enkele onberaden stap in +de jeugd al onze vooruitzichten voor de toekomst kan verijdelen, zoodat +we, in plaats van met gunstig tij te varen, ons leven lang tegen den +stroom der tegenspoeden hebben op te worstelen. Dit was bij mij het +geval, zooals ge uit het vervolg van mijn verhaal zien zult.”</p> +<p>„Dat is inderdaad een goede les, Flink,” zeide de +vader.</p> +<p>„Ja, wel eene goede les, mijnheer, en zoo heb ik ook niet over +mijn lot te klagen, ofschoon mij ook de dwalingen berouwen, die mij +zoover gebracht hebben. Ik ben niet ontevreden met mijn lot, want dat +zou zonde wezen.”</p> +<p>„Uw ongeluk is voor ons allen een onschatbare weldaad +geworden,” <span class="pagenum">[<a id="pb125" href="#pb125" +name="pb125">125</a>]</span>zeide mevrouw Wilson tot den ouden man; +„want waart gij niet op zee gegaan, waart gij niet aan boord +geweest,—wat zou er van ons geworden zijn, nadat al de anderen +ons verlaten hadden?”</p> +<p>„Nu ja, mevrouw, het is altijd nog een troost, te mogen denken +dat zoo’n oud, afgeleefd matroos als ik toch ergens nog nuttig +toe is geweest.—Maar nu, mevrouw, is het de tijd, dat we +doorgaans naar bed gaan, en daarom, dunkt mij, zal ’t het best +zijn, dat ik voor heden afbreek en morgenavond met mijne historie +voortga.”</p> +</div> +</div> +</div> +</div> +<div id="ch32" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">TWEE-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">VERVOLG VAN FLINKS GESCHIEDENIS.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Het blaten der geiten maakte hen den anderen morgen +vroeger dan gewoonlijk wakker. De lucht was zeer opgeklaard, de zon +scheen helder en Flink liet Nanny en haar jongen vrij loopen.</p> +<p>Het gezin had een kostelijk ontbijt van gebakken visch, en daarna +gingen de mannen met Willem terstond weer aan den arbeid. De beide +eerste haalden de tenten omver en spreidden het doek op den grond uit, +om te drogen, terwijl Willem het gevogelte ging opsporen, dat zich in +geen paar dagen had laten zien. Na een half uur zoekens, hoorde hij den +haan in het kokosbosch kraaien en vond spoedig allen bij elkander. Hij +strooide hun een handvol erwten voor, die hij in zijn zak had gestoken, +want het koren had men besloten te sparen, om het zoodra men maar meer +grond had omgespit, uit te zaaien. Als het meel dan ook mocht opraken, +hadden zij aan de landingsplaats nog eenige vaten daarvan over, die bij +de stranding gered waren, en er was dus nog zoo spoedig geen dadelijk +gebrek te vreezen. De hoenders waren zeer hongerig en liepen Willem tot +aan huis na, waar hij hen liet, om naar zijn vader en Flink om te +zien.</p> +<p>„Onze tenten kunnen nu drogen, vriend Willem,” voegde de +oude man hem toe; „zoodat we nu, als uw vader het goedvindt, met +alle macht aan ’t werk willen gaan om een hoenderhok tot stand te +brengen. ’t Zal niet meer dan een dag kosten, en de arme beesten +hebben dan ook een dak. Daar staan vier dikke kokosboomen hier dicht +bij huis; wij willen daaronder een hok bouwen, en dat kan spoedig +gereed zijn.”</p> +<p>Mijnheer Wilson keurde dit plan volkomen goed, en dus ging men +dadelijk <span class="pagenum">[<a id="pb126" href="#pb126" name= +"pb126">126</a>]</span>aan het werk. Van de boomen, die tot het huis +gediend hadden, waren nog eene menigte dunne toppen over; deze +gebruikten zij tot latten en spijkerden ze aan de vier boomstammen, +zoodat zij een regelmatig vierkant vormden, waarna zij nog de sparren +opzetten tot een stevig afloopend dak.</p> +<p>„Dat is nu alleen maar het ruwe werk,” zei Flink; +„we moeten nu een of twee stokken voor de hoenders maken, en dan +de zijden sluiten en het dak met kokosbladeren stevig dekken. Maar +kijk, daar gaat Juno al aan het opscheppen, zoodat we nu maar eerst +schaften moeten.”</p> +<p>Na den maaltijd begon men opnieuw. Mijnheer Wilson verzamelde de +takken, terwijl Flink en Willem de zijden en het dak met bladeren +dekten, zoodat het hoenderhok nog vóór den avond volmaakt +in orde kwam. Willem lokte de hoenders met eenige erwten, en toen zij +onder dak waren, liet hij hen rustig pikken en ging in huis.</p> +<p>„Nu, mijnheer, denk ik, zullen ze spoedig hun weg daarheen +weten te vinden,” sprak Flink, „en later als ik eens tijd +daartoe vind, zal ik ook eene deur voor den ingang maken. Mij dunkt, +dan kunnen wij het opzicht over ons gevogelte veilig aan juffer +Caroline toevertrouwen. Ze zal voor de oude hoenders en de jongen, als +we die eens hebben, zeker wel behoorlijk zorg dragen.”</p> +<p>„Ja, ja, dat moet haar post worden,” riep Willem. +„Ze zal wat blij wezen, als ze koningin wordt van het hoenderhok. +En nu, dunkt me, moeten we aan het oprollen van de zeilen gaan; wij +hebben vandaag een kostelijken dag gehad en misschien zijn we morgen +niet weer zoo gelukkig.”</p> +<p>„Gij hebt volkomen gelijk; wij willen ze onder dak brengen en +onder de bedstede bergen, waar nog ruimte voor alles in overvloed +is.”</p> +<p>Toen men dit alles verricht had, was de zon intusschen ondergegaan, +en zoo keerden ook allen in hunne woning terug. Al spoedig werd Flink +nu verzocht, met zijn historie voort te gaan, en hij deed dit, als +volgt:</p> +<p>„Ik zeide gisteravond, dat ik het besluit nam, om van mijne +kostschool weg te loopen en op zee te gaan; doch hoe ik dat plan +volvoerde, hebt gij nog niet gehoord.—Het was mij niet mogelijk, +onbemerkt te ontsnappen, voordat de overige jongens al te bed waren. De +kamer, waar ik sliep, was op de tweede verdieping; de deuren, dat wist +ik, waren gesloten, maar daar was nog een zolderluik, waardoor men op +het dak kon komen. Het was van binnen gegrendeld, en langs eene ladder +kon men er bij klimmen. Zoo besloot ik dan, langs dien weg de vlucht te +beproeven. Zoodra de andere jongens gerust snorkten, stond ik op, +kleedde mij heel bedaard aan en sloop de kamer uit.</p> +<div class="figure xd21e2918width"><img src="images/p126.jpg" alt= +"Ik zag de schepen in de haven en de zee in de verte." width="487" +height="720"> +<p class="figureHead">Ik zag de schepen in de haven en de zee in de +verte.</p> +</div> +<p><span class="pagenum">[<a id="pb127" href="#pb127" name= +"pb127">127</a>]</span></p> +<p>„Het was heldere maneschijn, en dat was een geluk voor mij, +want zoo kon ik zonder gestommel het luik bereiken. Het kostte mij veel +moeite dat op te lichten, want voor een knaap van mijne jaren was het +heel zwaar; maar eindelijk lukte het toch, en ik kwam gelukkig op het +dak van ’t huis.</p> +<p>„Toen ik in de goot stond, keek ik rond. Ik zag de schepen in +de haven en de zee in de verte, zoodat ik mij verbeeldde al vrij te +zijn en niet bedacht, hoe ver ik nog van den grond was. Eindelijk begon +ik toch te overleggen, hoe daar te komen. Ik ging eenige malen op en +neer, en besloot toen, langs een looden pijp, die van de dakgoot tot +den grond reikte, naar omlaag te klauteren. Ze was juist zoover van den +muur, dat ik haar met mijne dunne vingers omvatten kon, ik was destijds +nog licht als een veer en vlug en lenig als eene kat. Ik klom over den +rand van het dak, klemde mij met handen en knieën aan den looden +pijp en liet mij zachtjes omlaag glijden, tot ik behouden beneden +stond.”</p> +<p>„’t Is wel een wonder, dat gij niet hals en beenen +braakt,” zeide mevrouw Wilson.</p> +<p>„Ja, waarlijk, mevrouw, dat was het ook,—zoo denk ik nog +dikwijls—maar toen dacht ik alleen aan de uitvoering van mijn +onberaden plan. Zoodra ik op het daaronder liggend bloembed te land was +gekomen, liep ik naar het ijzeren traliehek van den tuin, was met een +wip daar overheen en stond zoo op straat. Ik was zonder hoed of pet; +want onze petten hingen beneden in de school aan de +kapstokken,—doch daar bekommerde ik mij niet over. Ik liep, wat +ik loopen kon, naar de haven. Aan het hoofd gekomen, ontdekte ik een +schip dat zijn zeilen al los had gemaakt en op de juist invallende eb +scheen te wachten. De matrozen zongen een vroolijk liedje, terwijl zij +de ankers vóórdraaiden. Zoo stond ik daar en bespiedde +elke beweging van het vaartuig. Reeds overlegde ik of ik er niet naar +toe zou zwemmen, toen ik een man in de jol zag klimmen en naar het +hoofd toe roeien. Ik liep op hem toe, zoodra hij aanlegde om het touw +van een der palen van het hoofd los te maken; en nog eer hij dit gedaan +had, sprong ik, zonder een woord te spreken, in zijne boot.”</p> +<p>„Wat wil je, kleine dreumes,” vroeg de matroos.</p> +<p>„Ik wil mee naar zee,” antwoordde ik hijgend; +„neem mij aan boord,—ik bid u om Gods wil.”</p> +<p>„„Goed,” zei de man; „ik heb mijn kapitein +hooren zeggen, dat hij nog wel een kajuitsjongen gebruiken kon. Kom dus +maar mee, kleine deugniet.”</p> +<p>„Hij roeide naar het schip terug, en ik klom haastig aan +boord.</p> +<p>„„Wie zijt ge?” vroeg de kapitein. <span class= +"pagenum">[<a id="pb128" href="#pb128" name="pb128">128</a>]</span></p> +<p>„Ik gaf ook hem ’t zelfde antwoord, namelijk, dat ik ter +zee wou varen.”</p> +<p>„„Gij zijt nog te klein en te jong.”</p> +<p>„„O neen, neen, vast niet,” was mijn <span class= +"corr" id="xd21e2949" title="Bron: antwooord">antwoord</span>.</p> +<p>„„Wat, denkt ge dan, dat ge al in den mast kunt +klimmen?”</p> +<p>„Dat zult ge dadelijk zien,” riep ik en klauterde als +eene kat langs de touwen op, tot aan de bramra.</p> +<p>„Toen ik weer omlaag bij den kapitein kwam, zeide deze:</p> +<p>„„Nu, ik denk, dat ge mettertijd een goed zeeman kunt +worden. Ik wil u dan aannemen, en zoodra ik te Londen kom, zal ik u als +scheepsjongen inschrijven. Waar is uw pet?”</p> +<p>„„Die heb ik thuis gelaten,” was mijn +antwoord.</p> +<p>„„Dat komt er ook niet op aan; een roode slaapmuts doet +nog beter diensten,” zeide de kapitein en ging in zijne kajuit, +om mij er eene te halen.</p> +<p>„Het vaartuig, waarop ik mij nu bevond, was een kolenschip. +Binnen een half uur waren wij de haven uit en met het opgaan der zon +dobberde ik op wijde zee, die voortaan mijn verblijf zou zijn.</p> +<p>„Zoodra de eerste drukte en werkzaamheid van het ankerlichten +voorbij was, ondervroeg de kapitein mij nader naar mijne betrekkingen. +Hij scheen een ruw en barsch man te zijn en nog voordat de dag ten +einde was, voelde ik bijna berouw over den stap, dien ik gedaan had. +Toen ik mij eindelijk s’avonds doornat en koud, op een paar oude +zeilen neerlei, dacht ik op eens aan mijne moeder en aan het verdriet, +dat ik haar veroorzaken zou. Ik schreide bittere tranen; maar nu was +het te laat.—Ik heb vaak gedacht, mijnheer Wilson, dat het leven +vol zorgen en gevaren, dat ik sinds dien tijd doorworstelen moest, +slechts eene verdiende straf was voor de wreedheid die ik beging door +mijne moeder zoo te verlaten. Ik was immers haar eenige kind: ze had +niemand op de wereld, om lief te hebben, buiten mij, en ik.... brak +haar het hart, tot loon voor àl de liefde en goedheid, die ze +mij van jongsaf had bewezen. Deed ik niet slecht, Willem?”</p> +<p>Hier hield de oude man eene poos op, en ook niemand van de overigen +het een woord hooren. Willem, die het naast bij zijne moeder zat, sloeg +zijn arm om haar hals en kuste haar.</p> +<p>„Ik ben blij dat te zien, mijn beste Willem,” begon +Flink nu weder. „Ik zie daaruit, dat mijne geschiedenis voor u +niet verloren is, en beschouw dien kus als eene plechtige belofte, dat +ge uwe ouders nooit zult verlaten.”</p> +<p>De tranen rolden mevrouw Wilson over de wangen en vurig beantwoordde +zij de omhelzing van haar zoon.</p> +<p>„Ik wil nu liefst maar afbreken,” zeide Flink; „ik +ben niet gestemd om <span class="pagenum">[<a id="pb129" href="#pb129" +name="pb129">129</a>]</span>voort te gaan; mijn hart wordt telkens vol, +als ik mij dat dwaas en slecht bestaan uit mijne jonge dagen +herinner.”</p> +</div> +</div> +<div id="ch33" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">DRIE-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">THOMAS, WAAR IS DE VINGERHOED?</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Den volgenden morgen was het uitstekend schoon weer en +terstond na het ontbijt trok men met de kar naar den schildpadvijver. +Flink had eene stevige piek met een scherpen weerhaak meegenomen en +spietste daarmee den schildpad uit den vijver, die daarop aan land werd +getrokken, op de kar geladen en naar huis overgebracht.</p> +<p>Na het dooden van den schildpad, werd ze in stukken gesneden, en +onder Flinks toezicht koos Juno toen zooveel reepen uit, als ze voor de +soep noodig had. Toen de pot te vuur stond, trokken Flink, mijnheer +Wilson en Willem met zagen en bijlen het bosch in, om de noodige boomen +te vellen voor de voorgenomen bergplaats van hun voorraad, zoodra deze +van de landingsplaats kon worden afgehaald.</p> +<p>„Ik denk, dat het hier in tijd van gevaar onze schuilplaats +wezen moet,” merkte Flink aan. „Daarom heb ik ook deze plek +van het woud uitgekozen; ze is niet al te ver van ons huis af, en als +we het pad er heen met wat kronkels en bochten uithouwen, moet ze wel +voor het gezicht verborgen wezen. Daarbij moeten wij het pad maar zoo +breed maken, dat de kar er even langs kan: ook moeten we de wortels van +de omgekapte boomen uitgraven, daar anders de tronken de aandacht +konden trekken. Niet dat ik denk dat het ons ooit zal te pas komen, +maar toch kan voorzichtigheid nooit schaden en bovendien kost het ons +weinig moeite.”</p> +<p>„Ik ben het volkomen met u eens,” antwoordde mijnheer +Wilson; „’t is in alle gevalle goed, want men weet toch +nooit wat er gebeuren kan.”</p> +<p>„Onder ons, mijnheer, kan ik u wel zeggen, dat de inlanders in +dezen hoek van de wereld de gewoonte hebben van in hunne +kano’s<a class="noteref" id="xd21e2994src" href="#xd21e2994" +name="xd21e2994src">1</a> van ’t eene eiland naar het andere te +gaan, om kokosnoten in te zamelen. Ik kan niet verzekeren, dat de +andere eilanden hier in den omtrek bewoond zijn, maar dat is toch wel +waarschijnlijk en dan blijft altijd de vraag, van welken aard +<span class="pagenum">[<a id="pb130" href="#pb130" name= +"pb130">130</a>]</span>dat volk om ons heen is. Ik durf u dat gerust +zeggen, maar ’t is beter dat mevrouw er niets van te weten komt. +Gij zult toch ook wel zwijgen, beste Willem?”</p> +<p>„O, wees daar gerust op, Flink; ik zal geen woord zeggen, dat +moeder ongerust maakt.”</p> +<p>„Wij zijn nu dicht bij de plek. Ge ziet, mijnheer, dat de +boomen hier op dezen heuvel zeer dicht bij elkander staan. Welnu, een +weinigje verder, wat meer in de laagte, moesten we, dacht me, eene hut +bouwen, die men daar zeker niet zoo gemakkelijk vinden zal.—Ik +geloof,” vervolgde de oude man, toen zij nog een poosje waren +voortgegaan, „dat hier zoo ten naastenbij de rechte plek is; want +we hebben omtrent twee derden van de hoogte achter ons en de helling is +hier nog wel zoo sterk dat het water een vrijen afloop +vindt.”</p> +<p>„En hoe ver zouden we nu wel van huis zijn, Flink? Mij dunkt, +nog zoo heel ver niet.”</p> +<p>„Ik reken nog niet meer dan anderhalven kilometer, in eene +rechte lijn, ofschoon de weg door al zijne bochten wel dubbel zoo ver +moet wezen.”</p> +<p>„Dan, geloof ik, zal deze plaats de beste zijn, en hoe eer wij +beginnen, des te beter.”</p> +<p>„Ik wil nog maar enkel de boomen merken, die staan blijven +mijnheer, en dan die gekapt moeten worden op den stam na, tot op bij de +vier voet hoog van den grond. Vriend Willem, wilt ge zoo goed +zijn<span class="corr" id="xd21e3012" title="Bron: .">,</span> om het +andere eind van de lijn eens aan te vatten?”</p> +<p><a id="xd21e3016" name="xd21e3016"></a>Zoodra nu de omvang van het +gebouw behoorlijk was afgemeten, waren bijl en zaag ook spoedig druk +aan het werk en werd de eene boom na den anderen geveld. Onze drie +vrienden arbeidden tot etenstijd dapper door en verheugden zich niet +weinig in het vooruitzicht, dat na gedaan werk eene lekkere +schildpadsoep hunne belooning wezen zou.</p> +<p>„Willem!” riep mevrouw Wilson, toen zij tegen den middag +thuis kwamen, „en ook gij, beste man! gij zijt door en door nat +van zweet,—ge moet u niet al te zeer vermoeien.”</p> +<p>„Ja, lieve moeder, dat boomen kappen is een warm werk,” +antwoordde Willem; „en hard werken doet een mensch zooveel kwaad +niet, vooral niet als hem een maaltje schildpadsoep wacht. Wij zijn +hongerig als wolven en zullen Juno’s keuken alle eer aandoen. +Hé, Thomas, kom hier, jongen! Ge kijkt zoo zwart. Wat hapert er +aan?”</p> +<p>„Thomas en ik kunnen het niet samen vinden<span class="corr" +id="xd21e3024" title="Bron: .">,</span>” antwoordde mevrouw +<span class="pagenum">[<a id="pb131" href="#pb131" name= +"pb131">131</a>]</span>Wilson, terwijl Thomas enkel zijne lip liet +hangen. „Van morgen zat ik te naaien, goed en wel met mijn +vingerhoed aan de hand, toen Juno mij buiten riep. Ik nam Caroline aan +de hand mee en onze sinjeur Thomas bleef zoolang in huis alleen. Toen +ik terugkwam, stond hij voor de deur, en toen ik mijn werk weer opnam +was mijn vingerhoed nergens te vinden. Ik vroeg hem, of hij dien gehad +had; hij zei, dat hij er naar zien zou. Dat deed hij ook, maar bracht +hem niet weerom. Ik vroeg hem onderscheiden malen, of hij den +vingerhoed had weggenomen; maar zijn eenig antwoord was, dat die wel +weer terecht zou komen. Ik ben overtuigd, dat hij hem verloren heeft, +maar hij wil dat volstrekt niet bekennen. Het gevolg was, dat ik den +heelen ochtend heb moeten zitten zonder een steek te kunnen +doen.”</p> +<p>„Hoor eens hier, Thomas,” zei mijnheer Wilson op +ernstigen toon: „hebt gij den vingerhoed weggenomen?”</p> +<p>„Hij zal wel weer terechtkomen, vader.”</p> +<p>„Dat is geen antwoord, jongeheer. Hebt ge den vingerhoed +weggenomen en verloren misschien?”</p> +<p>„Ik weet heel zeker, dat hij vandaag wel weer terechtkomt, +vader<span class="corr" id="xd21e3037" title= +"Bron: ”,">,”</span> riep Thomas snikkend.</p> +<p>„Dat is alles wat hij mij tot hiertoe geantwoord heeft,” +zeide de moeder.</p> +<p>„Goed, heel goed dan. Daarvoor zal hij ook niets te eten +hebben, voordat wij ook zeker weten, dat de vingerhoed vandaag weer in +moeders handen is.”</p> +<p>Op ’t hooren van deze woorden, begon Thomas te schreien wat +hij kon. Juno verscheen nu juist met de schildpadsoep, die een +aangenamen geur verspreidde. Toen men zich aan tafel neergezet had, +schreide Thomas nog harder. Allen waren zeer hongerig en Willem liet +zijn bord gauw nog eens vullen. Pas had hij echter eenige happen +gedaan, toen hij zijn vinger in den mond stak en daar iets +uithaalde.</p> +<p>„Ha, moeder, daar is de vingerhoed in mijne soep,” riep +hij, „en ik was op het punt van hem door te slikken.”</p> +<p>„Geen wonder, dat onze sinjeur zei, dat hij wel weer terecht +zou komen,” sprak Flink lachend. „Hij dacht hem zekerlijk +wel op te visschen uit hetgeen van onzen maaltijd overbleef. Welnu, +mevrouw, ofschoon ik niet zeggen wil, dat Thomas een zoete jongen is, +moet men toch erkennen, dat hij, toen hij niet zeggen wou waar de +vingerhoed was, er geen leugens bij gebruikte.”</p> +<p>„Neen, neen, jokken deed hij niet,” riep Willem. +„Ik hoop, dat, nu het ding gevonden is, vader hem ook wel +vergeven zal, als hij daarom verzoekt.”</p> +<p>„Thomas, kom hier!” sprak mijnheer Wilson. „Zeg +mij: waarom hebt gij den vingerhoed in de soep geworpen?” +<span class="pagenum">[<a id="pb132" href="#pb132" name= +"pb132">132</a>]</span></p> +<p>„Ik wou de soep eens proeven; ik wou den vingerhoed vol +scheppen. Toen brandde ik mij de vingers en liet ik den vingerhoed bij +ongeluk in den ketel vallen.”</p> +<p>„Nu, een vingerhoed vol was toch ook de heele wereld +niet,” merkte Flink aan. „Maar waarom zeidet gij uwe moeder +niet, waar de vingerhoed was?”</p> +<p>„Och, ik was bang, dat moeder dan al de soep zou weggooien, en +dan kreeg ik er niets van.”</p> +<p>„Ei, ei, was het geval zóó?” sprak de +vader. „Welnu, ik zeide, dat gij niets te eten zoudt hebben, +voordat de vingerhoed gevonden was; daar die nu terug is, kunt gij ook +aan tafel komen. Als u echter in het vervolg weer iets gevraagd wordt +en gij geen antwoord geeft komt gij er zoo gemakkelijk niet af, dat +verzeker ik u.”</p> +<p>Thomas was blij, dat de bestraffing voorbij was, en nog blijder dat +hij een bord soep voor zich kreeg. Het eerste had hij spoedig leeg, en +toen hij om een tweede verzocht, zeide hij: „Thomas zal er geen +vingerhoed weer ingooien; Thomas zal naderhand een kopje +nemen.”</p> +<p>„Massa Thomas, jij nemen moet naderhand niemendal,” +beknorde hem Juno, die naast hem zat. „Jij afblijven moet met de +vingers van de pot,—klein snoepsch jong!”</p> +<p>Na afloop van den maaltijd gingen zij weder aan den arbeid en +keerden eerst tegen het donker terug.</p> +<p>„De wolken komen met drift opzetten, mijnheer,” zeide +Flink; „we zullen van nacht weer onweer krijgen.”</p> +<p>„Dat vrees ik ook; maar we moeten het afwachten.”</p> +<p>„Ja mijnheer, en nu en dan zal de regen en het onweder +voortaan ook wel eens dagen achtereen aanhouden.”</p> +<p>„Flink,” zeide mevrouw Wilson, „als ge niet al te +vermoeid zijt, zoudt ge dan niet met uwe geschiedenis willen +voortgaan?”</p> +<p>„Heel gaarne, mevrouw, als gij dat verlangt,” was het +antwoord. „Ik brak <span class="corr" id="xd21e3081" title= +"Bron: gsteren">gisteren</span> af bij mijne komst aan boord van het +kolenschip, dat naar Londen bestemd was. Wij hadden een goeden wind en +liepen een goede vaart. Ik was heel zeeziek, totdat wij aan den mond +van de Theems kwamen. Daar werd ik weer beter en was, zooals ge wel +denken kunt, zeer verbaasd over de ontelbare menigte schepen, die +onophoudelijk op de rivier heen en weder voeren. Maar mijn kapitein +beviel mij volstrekt niet. Hij was uiterst onbeschoft tegen zijn volk, +en de eene jongen, die aan boord was, ried mij zelfs mijne biezen te +pakken en een ander schip op te zoeken. <span class="pagenum">[<a id= +"pb133" href="#pb133" name="pb133">133</a>]</span>Hij zeide, dat ik mij +voor geen geld aan dezen kapitein verbinden moest; want anders zou hij +mij ook alle dagen slaan en mij even slecht behandelen, als hij zijne +vroegere koksjongens gedaan had. Dat dit zoo was, wist ik wel; want ik +zag meer dan twintigmaal op een dag, hoe de kapitein hem duwen en +stooten gaf, zoodat de arme jongen er soms dagen lang blauwe plekken +van overhield. De matrozen zeiden, dat hij mij vooreerst nog wat +genadiger behandelde, uit vrees dat ik anders nog weigeren zou mij voor +vast bij hem te verbinden, doch dat, als ik dat eens gedaan had, mijn +lot geen haar beter wezen zou. Zoo besloot ik dan, niet langer op het +kolenschip te blijven, en daar de kapitein aan wal was gegaan, had ik +tijd genoeg, om eens rond te zien. Vóór ons, midden op +den stroom, lag een vrij groot schip zeilree. Ik sprak met twee +jongens, die aan den valreep stonden, en hoorde van hen, dat ze het +heel goed aan boord hadden en dat de kapitein nog twee of drie jongens +zocht. Ik ging dan bij hem aan boord en bood hem mijne diensten +aan.</p> +<p>„De kapitein deed mij eene menigte vragen. Ik zeide hem de +waarheid en ook de reden, waarom ik niet op het kolenschip blijven +wilde. Hij was gewillig om mij aan te nemen, en ik ging met hem aan +land, waar hij mij van een behoorlijk stel kleeren liet +voorzien.—Twee dagen later gingen wij onder zeil naar Bombay en +China.”</p> +<p>„Maar gij schreeft toch eerst aan uwe moeder, Flink?” +vroeg Willem.</p> +<p>„Ja, beste jongen, dat deed ik, want de kapitein verlangde het +en schreef zelf eenige regels onder mijn brief, om de goede vrouw te +troosten; maar ongelukkig heeft zij dien brief, die door den hofmeester +naar den wal werd gezonden, nooit ontvangen. Of hij hem verloor of tot +ons vertrek vergat en toen verscheurde,—dat weet ik niet; maar, +zooals ik later vernam, heeft moeder dien nooit in handen +gekregen.”</p> +<p>„Het was uwe schuld dan toch niet, dat de brief niet goed +overkwam,” zeide mevrouw Wilson.</p> +<p>„Neen mevrouw, dat was zeker mijne schuld niet, de eigenlijke +schuld had ik al vroeger op mij geladen.”</p> +<p>„Gij moet u niet langer bij dat deel van uwe geschiedenis +ophouden, Flink; vertel ons liever, wat u op uwe vaart naar +Oost-Indië zoo al overkwam.”</p> +<p>„Welnu dan. Ik was toen heel vlug en levendig voor mijne jaren +en werd weldra de algemeene lieveling, vooral bij de dames, die wij als +passagiers aan boord hadden, enkel omdat ik nog zoo’n kleine +dreumes was. Wij kwamen behouden in Bombay, waar onze passagiers aan +land gingen, en drie weken <span class="pagenum">[<a id="pb134" href= +"#pb134" name="pb134">134</a>]</span>later zeilden we door de straat en +op China aan. Het was juist oorlogstijd en zoo werden we door Fransche +kapers gejaagd; maar we hadden veel volk aan boord en een menigte +stukken, zoodat geen hunner ’t waagde ons aan te vallen. Weldra +kwamen we voorspoedig te Macao<a class="noteref" id="xd21e3103src" +href="#xd21e3103" name="xd21e3103src">2</a> aan, waar we onze lading +losten en thee daarvoor innamen.</p> +<p>„We moesten een tijdlang wachten, omdat er een groot konvooi +bijeen was, en toen gingen we weer naar Engeland onder zeil. Toen we +Isle de France voorbij waren, werd de vloot door een storm verstrooid. +Drie dagen later werden we door een Fransch fregat aangevallen en na +zijn vuur met eenige schoten beantwoord te hebben, waren we gedwongen +onze vlag te strijken.</p> +<p><span class="corr" id="xd21e3109" title= +"Niet in bron">„</span>Een luitenant met veertien man werd bij +ons aan boord gezonden, om ons gevangen te nemen, want we waren een +zeer rijke prijs voor hen. Onze kapitein en de meesten van het volk +werden op het fregat overgebracht; maar tien Lascaren<a class="noteref" +id="xd21e3112src" href="#xd21e3112" name="xd21e3112src">3</a> en de +scheepsjongens bleven op den <span class="corr" id="xd21e3115" title= +"Bron: Oostindievaarder">Oostindiëvaarder</span> om het schip naar +Isle de France<a class="noteref" id="xd21e3118src" href="#xd21e3118" +name="xd21e3118src">4</a> te brengen, dat destijds in de handen der +Franschen was.</p> +<p>„Het kwam me wel wat hard voor, dat ik zoo pas twaalf jaren +oud al naar de gevangenis moest kuieren; maar ik tobde daar toch niet +lang over en was weldra weer zoo vroolijk en dartel als ooit te voren. +Wij waren reeds in ’t gezicht van het eiland en stuurden met eene +frissche koelte op de haven aan, toen zich op eens te loever een schip +vertoonde.</p> +<p>„Ik kon wel niet verstaan wat de Franschen zeiden, maar merkte +toch, dat ze het onderling bijster druk hadden en ijverig met de +kijkers in de weer waren. Jack Romer, mijn kameraad, die al drie jaren +gevaren had, fluisterde mij eindelijk in ’t oor: „Daar is +nog kans, dat we de gevangenschap ontsnappen, want ik moest me al zeer +vergissen, als dat geen Engelsch linieschip is.”</p> +<p>„Eindelijk kwam het op korten afstand, heesch de Engelsche +vlag en deed een schot. De Franschen zochten ons schip voor den wind te +brengen; doch dat hielp hun weinig. De Engelschman won gedurig op ons, +en daar de Franschen dit merkten, pakten zij hunne kleeren met al het +goed, dat zij onzen kapitein en ons volk hadden afgenomen, bijeen. Er +werd ons een kogel toegezonden, die dicht over onze hoofden heen +snorde: de Franschen <span class="pagenum">[<a id="pb135" href="#pb135" +name="pb135">135</a>]</span>lieten toen het roer los, waarop Jack Romer +dat aangreep en met hulp van mij het schip bij den wind bracht. De +Engelschen zonden eene boot aan boord en namen onzen koopvaarder in +bezit, zoodat wij de gevangenschap vooreerst gelukkig ontsnapt +waren.</p> +<p>„Toen de kapitein van ’t Engelsche fregat hoorde, hoe de +Franschen zich tegen ons gedragen hadden, liet hij al hunne bagage +zorgvuldig onderzoeken en hun alles wat zij geplunderd hadden terstond +weer afnemen.”</p> +<p>„Hij zou het recht gehad hebben de Franschen daarvoor al hun +goed af te nemen,” riep Willem.</p> +<p>„Jawel, Willem, daartoe had de kapitein zeker het recht gehad; +maar, wel beschouwd, zou dat toch onrecht geweest zijn, want in dat +geval had hij even oneerlijk gehandeld als zijne vijanden. De kapitein +ontnam hun niets van hun goed, maar liet hun beneden in ’t ruim +opsluiten, waar men geen last van hen had.</p> +<p>„De Engelschen zonden een cadet als prijsmeester aan boord van +ons schip en lieten ons allen, evenals wij door de Franschen genomen +waren, op onzen koopvaarder blijven. De kapitein wou niet meer van zijn +volk missen, dan volstrekt noodig was, en liet dus aan onszelven over +het schip in de haven te brengen.</p> +<p>„Na een kort verblijf vervolgden wij onzen tocht naar Engeland +en waren hartelijk blij, dat wij aan de Franschen ontkomen waren. +Evenwel was onze vreugde niet lang van duur, daar we spoedig merkten, +dat in plaats van eene Fransche gevangenis eene Hollandsche ons lot +moest zijn.”</p> +<p>„Hoe meent ge dat?”</p> +<p>„Luister maar. Twee dagen later, toen wij juist de Kaap +omzeilden, kwam er een ander Fransch vaartuig op ons af en nam ons. +Ditmaal vonden wij geen helpenden vriend in onzen nood, maar werden +aanstonds in de Tafelbaai opgebracht. De kaap de Goede Hoop was +namelijk in ’t bezit van de Hollanders, die evenals de Franschen, +met Engeland in oorlog waren.”</p> +<p>„Maar, Flink, gij zijt toch recht ongelukkig +geweest!<span class="corr" id="xd21e3146" title= +"Niet in bron">”</span> riep mevrouw Wilson op medelijdenden toon +uit.</p> +<p><span class="corr" id="xd21e3150" title= +"Niet in bron">„</span>Ja, mevrouw, dat waren we zeker. Maar ik +was jong en luchthartig en wist mij spoedig in mijn ongeluk te +troosten. Maar kom, ’t is nu tijd om te gaan slapen. Caroline is +al diep in de rust en sinjeur Thomas deed het laatste half uur niets +dan gapen, zoodat we voor van avond hier maar afbreken zullen.” +<span class="pagenum">[<a id="pb136" href="#pb136" name= +"pb136">136</a>]</span></p> +</div> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd21e2994" href="#xd21e2994src" name="xd21e2994">1</a></span> +Kano’s zijn booten, zooals de wilden en Indianen gebruiken.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd21e3103" href="#xd21e3103src" name="xd21e3103">2</a></span> Eene +haven van China, de eenige, die eertijds voor vreemdelingen +openstond.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd21e3112" href="#xd21e3112src" name="xd21e3112">3</a></span> Indische +matrozen, die men bij gebrek aan Europeesche in dienst neemt.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd21e3118" href="#xd21e3118src" name="xd21e3118">4</a></span> Vroeger, +toen wij Hollanders het bezaten, heette dit eiland Mauritius, gelijk +ook tegenwoordig weder, nu het aan de Engelschen toebehoort.</p> +</div> +</div> +<div id="ch34" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">VIER-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">DIE ARME JUNO!—FLINK VERTELT VERDER.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Ze hadden nog maar korten tijd gerust, of er brak een +hevig onweder boven hunne hoofden los. Het bliksemde zoo sterk, dat het +licht zelfs door de reten van de deur en vensters heendrong, en de +donder ratelde zoo hevig door de lucht, dat allen wakker schrikten en +aan geen slapen meer te denken was. De kleinen kreten en sidderden van +angst in de armen van mevrouw Wilson en Juno, die zelven bijna niet +minder ontsteld waren.</p> +<p>„Dat is een vreeselijk weder!” sprak mijnheer Wilson tot +Flink, want beiden waren opgestaan.</p> +<p>„Waarlijk, mijnheer, ik heb nog nooit erger weder +beleefd.”</p> +<p>Bij deze woorden werden beiden, half bedwelmd, op den grond +geslingerd. Een bliksemstraal viel op het huis, zoodat dit met al wat +er in was dreunde en schudde. Een zwavelreuk verspreidde zich overal, +en zoodra de twee weder op hunne voeten stonden, ontdekten zij met +schrik, dat het gansche huis vol rook was. Daarbij kwam nog een +gejammer der vrouwen en het gillen der kinderen, dat zich uit de +bedsteden hooren liet.</p> +<p>„God erbarme zich onzer!” riep Flink, die het eerst +weder tot zijn bewustzijn kwam en nu begon te onderzoeken welke +gevolgen het inslaan wel had gehad; <span class="corr" id="xd21e3170" +title="Niet in bron">„</span>de slag heeft ons getroffen en ik +vrees, dat het huis ergens in brand staat.”</p> +<p>„Vrouw!—kinderen!” schreeuwde de doodelijk +ontstelde vader.</p> +<p>„Gij zijt toch allen onbezeerd?”</p> +<p>„Ja, ja!” riep zijne vrouw, „allen lieve man. +Thomas komt daar juist bij mij.—Maar waar is +Juno?—Juno!”</p> +<p><a id="xd21e3180" name="xd21e3180"></a>Juno gaf geen antwoord. +Willem vloog naar den anderen hoek van het huis. Daar vond hij haar +roerloos op den grond uitgestrekt liggen.</p> +<p>„Ze is dood, vader!<span class="corr" id="xd21e3185" title= +"Niet in bron">”</span> riep hij, hevig verschrikt.</p> +<p>„Help mij haar naar buiten dragen, mijnheer!” riep +Flink, die het arme meisje onderwijl in zijn armen had genomen. +„Ze kan licht alleen maar bedwelmd zijn.”</p> +<p>Gezamenlijk droegen zij het lichaam nu in de open lucht. De regen +kletterde in stroomen neder.</p> +<p>De oude man verliet hen voor eene minuut, om zich te overtuigen, dat +het huis nergens vuur had gevat. Hij bevond, dat het aan den uitersten +hoek in vlam had gestaan; doch deze was door den regen weer uitgedoofd. +<span class="pagenum">[<a id="pb137" href="#pb137" name= +"pb137">137</a>]</span>Toen keerde hij dadelijk naar mijnheer Wilson en +zijn zoon, die zich met Juno bezighielden, terug.</p> +<p>„Ik zal bij ’t meisje blijven, mijnheer,<span class= +"corr" id="xd21e3198" title="Niet in bron">”</span> zeide Flink. +„Ga gij maar met Willem in huis. Mevrouw sterft van schrik, als +ge haar bij al die akeligheid alleen laat.<span class="corr" id= +"xd21e3201" title="Bron: ——">—</span>Kijkt, kijkt, +vriendin Juno is niet dood: ze begint al weer adem te halen.—Ja, +ja, we hadden de goede meid hier ook al slecht kunnen +missen.”</p> +<p>Vader en zoon volgden Flinks raad. Zij vonden mevrouw Wilson bijna +onmachtig van angst en schrik. De heuglijke tijding, die zij +overbrachten, dat Juno niet dood was, bracht echter veel bij om haar +weer eenigszins te doen bekomen. Willem zocht den kleinen Albert tot +bedaren te brengen; en Thomas was na korten tijd vast in slaap in +vaders armen.</p> +<p>Het onweer bedaarde nu van lieverlede en bij het aanbreken van den +dag kwam Flink ook weder met Juno terug. Zij was in zooverre weer +hersteld, dat ze, door hem ondersteund, naar de kamer kon stappen, en +toen werd ze aanstonds te bed geholpen.</p> +<p>Daarop verlieten Flink en mijnheer Wilson het huis om te onderzoeken +of er ook nog verdere schade was aangericht. De bliksem was in de +voorzijde van het huis ingeslagen, juist op de plaats, waar men later +een schoorsteen bouwen wilde. Ze bevonden, dat de hitte den ijzeren +ketel gedeeltelijk had doen smelten; maar wat nog grooter verlies +was—hunne geit, de zwarte Nanni, was gedood; doch hare jongen +waren ongedeerd gebleven.</p> +<p><span class="corr" id="xd21e3211" title= +"Niet in bron">„</span>We zijn inderdaad voor een groot ongeluk +behoed gebleven,” sprak mijnheer Wilson eindelijk.</p> +<p>„Ja, mijnheer!” antwoordde Flink. „Ik dacht al, +dat de arme Juno verloren was.”</p> +<p>„Als ik ’t wel heb, Flink, hebben wij eene rol dik +koperdraad, niet waar?<span class="corr" id="xd21e3218" title= +"Niet in bron">”</span> vroeg mijnheer Wilson.</p> +<p>„Ja, mijnheer, ik dacht daar ook al aan. Het eerste, waaraan +wij denken moeten, is een bliksemafleider.”</p> +<p>Middelerwijl was het helder dag geworden. Mevrouw Wilson kleedde +zichzelve en de kinderen aan. Willem nam vervolgens op zich, voor het +ontbijt te zorgen, en Flink nam uit den onder de bedsteden geborgen +voorraad de bedoelde rol koperdraad op. Hij rolde deze los en boog ze +recht; toen haalde hij de ladder, die op de plaats stond, waar zij +bezig waren hun magazijn te bouwen.</p> +<p>Terstond na het ontbijt ging men aan het werk, om den afleider vast +<span class="pagenum">[<a id="pb138" href="#pb138" name= +"pb138">138</a>]</span>te zetten. Inmiddels moest Willem Juno’s +arbeid verrichten, want deze lag nog te bed en scheen in diepen slaap +verzonken.</p> +<p>„Ik geloof, mijnheer,” zeide Flink, „dat +één dezer beide boomen, die zoo dicht naast elkander +staan, het best tot ons doel passen. Zij zijn niet al te dicht bij het +huis en staan juist zoo, dat de draad den bliksem nog aantrekken +kan.”</p> +<p><span class="corr" id="xd21e3233" title= +"Niet in bron">„</span>Dat komt mij ook zoo voor, Flink; wij +mogen echter beiden niet laten staan.<span class="corr" id="xd21e3236" +title="Niet in bron">”</span></p> +<p>„Neen, mijnheer. Eerst zullen wij echter beiden nog noodig +hebben, om naar boven te klimmen en den draad vast te maken. Is dit +gedaan, dan zullen wij er een omkappen.”</p> +<p>Flink zette de ladder tegen een der beide boomen, nam den hamer en +een zak vol groote spijkers en sloeg een daarvan zoo in den stam, dat +hij de zwaarte van zijn eigen lichaam dragen konde. Boven den eersten +sloeg hij een tweede in, en zoo ging hij voort, totdat hij den top van +den boom bereikt had, waar de beide kruinen bijna in elkander waren +gegroeid. Toen klom hij naar beneden, nam eene zaag en eene handbijl +mede, klom weer naar boven en binnen den tijd van tien minuten was de +kruin van den boom geveld, zoodat nog slechts de slanke, naakte stam +overbleef.</p> +<p>„Wees voorzichtig, Flink, dat gij behouden weer op den grond +komt!” riep mijnheer Wilson angstig.</p> +<p>„Wees volkomen gerust,” klonk de stem van den ouden man +uit de hoogte. „Ik ben wel niet zoo vlug meer als in mijne jonge +jaren, maar heb toch al te dikwijls in vrij wat hooger masten dan deze +gezeten, om ’t klimmen geheel verleerd te zijn.”</p> +<p>Flink kwam dan ook behouden weer beneden en sneed een dunnen stok +met een sterk stuk puntig koperdraad aan het einde, dien hij vervolgens +daarboven aan den kokosstam wilde vastbinden. Nu voor de laatste maal +omhoog klauterende, bond hij den stok stevig aan den boom vast, +vervolgens het eind van het koperdraad aan de daaraan gescherpte +bovenste punt en klom toen af. De andere boom daarnaast werd terstond +geveld en het benedeneinde van het koperdraad aan den voet van den +boom, die den afleider droeg, diep in de aarde begraven.</p> +<p>„Nu hebben we een noodzakelijk werk tot stand gebracht,” +sprak de oude man en wischte zich het zweet van het voorhoofd.</p> +<p>„Ja,” antwoordde de mijnheer Wilson; <span class="corr" +id="xd21e3254" title="Niet in bron">„</span>maar bij ons magazijn +moeten we er nu ook nog een zetten, daar anders onze voorraad gevaar +kon loopen.”</p> +<p>„Dat zal zoo spoedig mogelijk gebeuren.” <span class= +"pagenum">[<a id="pb139" href="#pb139" name="pb139">139</a>]</span></p> +<p>„Ge begrijpt toch wel het doel van zulk een afleider, +Willem?” vroeg zijne vader.</p> +<p>„O ja, vader. De bliksem wordt door het metaal aangetrokken en +moet nu, in plaats van het huis, de spits aan den afleider treffen, bij +den draad nederschieten en op zijn hoogst den grond eens wat opwoelen. +Gij hebt mij dat al vroeger verklaard.”</p> +<p>„Ja, en gij hebt het goed gevat en niet weer vergeten,” +sprak Flink met welgevallen.—„Het onweer komt terug en +misschien nog wel zwaarder,” vervolgde de oude man. „Ik +vrees, dat we vandaag weinig zullen kunnen werken. Ik zal nu eens +spoedig naar ons vee en gevogelte omzien. Naar ik hoop, hebben we geen +verder verlies geleden. Heb gij onderwijl de goedheid, mijnheer, met +Willem de arme geit te begraven. Dat kan nog licht geschieden, voor dat +de storm opnieuw losbreekt.”</p> +<p>Zij trokken Nanni bij de pooten uit de kooi en begroeven haar aan +den voet van den afleider. Juist toen zij gedaan <span class="corr" id= +"xd21e3268" title="Bron: haddenl">hadden,</span> kwam ook Flink terug. +Hij had de geiten en schapen gelukkig gevonden en eene der beide +overige geiten meegebracht, die gedurende het onweder jongen had +geworpen.</p> +<p>„Ik was al bang,” zeide Flink, „dat wij de arme +geitjes na ’t verlies der moeder geen voedsel meer zouden kunnen +geven; maar nu kan deze geit hier alle vier te gelijk zoogen. ’t +Zal haar wel zwaar vallen; doch het kan niet anders. Wij moeten haar +maar rijkelijk voeren.”</p> +<p>Met deze woorden bracht hij de tweede geit ook in de kooi, waar ze +terstond de plaats van de zwarte Nanni innam. Daarop zette men zich aan +tafel. Juno was nu ook weer op en voelde zich volkomen wel, behalve dat +ze voortdurend over zware hoofdpijn klaagde.</p> +<p>Wat Flink voorspeld had, gebeurde ook; de regen keerde met +verdubbelde hevigheid terug, en het was volstrekt onmogelijk iets +buitenshuis te verrichten. Op Willems verzoek ging de oude stuurman met +zijn verhaal voort.</p> +<p>„Zoodra wij met het Fransche schip in de Tafelbaai voor anker +waren gekomen, werden wij allen ontscheept en in eene gevangenis dicht +bij den tuin van den gouverneur opgesloten. Wij werden niet heel streng +bewaakt, daar aan ontvluchten voor ons toch bijna niet te denken viel, +en ik moet zeggen, wij werden in alle opzichten goed behandeld. Daarbij +zei men ons echter dat wij met het eerste oorlogsschip, dat in de Baai +aankwam, naar Holland zouden worden opgezonden, en dit vooruitzicht +beviel ons maar volstrekt niet.</p> +<p>„Gelijk ik vroeger al gezegd heb, waren buiten mij nog eenige +andere knapen gevangen, die tot den Oostindiëvaarder behoorden. +Wij hechtten <span class="pagenum">[<a id="pb140" href="#pb140" name= +"pb140">140</a>]</span>ons aan elkander, niet alleen omdat wij van +gelijke jaren, maar vooral omdat wij reeds zoo lang scheepskameraden +geweest waren. Twee van die jongens, Jack Romer, van wien ge reeds +gehoord hebt, en Wim Hastings waren mijne bijzondere vrienden.</p> +<p><span class="corr" id="xd21e3285" title= +"Niet in bron">„</span>Toen wij op zekeren dag tegen onze +gevangenismuur aanzaten en, om ons in de zon te warmen—want het +was winter,—recht dicht bij elkaar kropen, begon Romer:</p> +<p>„Wat zou ’t ons toch weinig moeite kosten van hier te +ontsnappen, als we maar wisten, waarheen we dan gaan +moesten.”</p> +<p>„Ja,” zei Hastings; „waar konden we anders +heengaan dan naar de Hottentotten en de bloeddorstige wilden? En als we +daar waren, wat zouden we dan aanvangen?”</p> +<p>„Ei wat!” zei ik eindelijk. „Ik wil liever als +vrij mensch onder wilden leven, dan hier zoo in de gevangenis +opgesloten zitten.</p> +<p>„Dit was ons eerste gesprek over dit onderwerp, maar voortaan +kwamen wij er gedurig op terug. Daarbij trof het gelukkig voor ons, dat +twee of drie Hollandsche soldaten van onze gevangeniswacht Engelsch +verstonden, zoodat wij, die ook al iets van het Hollandsch wisten, door +vragen nog al wat van hen te weten konden komen. Zij hadden namelijk al +zeer dikwijls aan de grenzen van de kolonie gelegen en konden ons de +beste inlichtingen geven omtrent den weg, dien men daarheen te nemen +had.</p> +<p>„Zoo gingen wij twee maanden lang voort met vragen te doen en +over ons plan te spreken. Eindelijk besloten wij de vlucht werkelijk te +beproeven.</p> +<p>„Gij begrijpt zelf, Willem, dat dit ook alweder een dwaze +streek was en opnieuw bewijst, hoe weinig knapen in staat zijn, om over +hun eigen best te oordeelen. We konden ons immers slechts in ellende en +gevaar begeven, zonder ook maar eenige kans op ontkomen te hebben. We +hadden veel beter gedaan met te blijven, waar wij waren; maar wat zal +ik zeggen—’t verstand komt eerst met de jaren; en men kan +geen oud hoofd op jonge schouders zetten.</p> +<p>„Wij bewaarden onzen mondkost, kochten eenige lange +Hollandsche messen en pakten onze weinige kleeren in een bundel bij +elkaar. Toen het eindelijk eens een donkere avond was, zochten we +ongemerkt op het plein achter te blijven, terwijl de overige gevangenen +in hunne cellen werden opgesloten, en dit gelukte ons. Wij namen een +langen paal, die in een hoek lag, en zetten dien tegen den muur op, +zoodat hij tot bovenaan reikte. Klimmen konden wij opperbest, en zoo +ontkwamen wij werkelijk en zochten zoo spoedig mogelijk naar den +Tafelberg te ontkomen.<span class="corr" id="xd21e3302" title= +"Niet in bron">”</span> <span class="pagenum">[<a id="pb141" +href="#pb141" name="pb141">141</a>]</span></p> +<p>„Wat reden hadt gij, om daarheen te gaan, Flink?”</p> +<p>„Hastings, die de oudste en ook de welberadenste onder ons +drieën was, oordeelde dat wij ons daar eerst eenige dagen +verborgen konden houden, totdat we vast bepaald hadden wat we dan +eigenlijk wilden aanvangen. Daarenboven moesten we ook zien, of we ons +niet een paar geweren met kruit en lood verschaffen konden. Wij hadden +namelijk eenig geld bij ons, want toen ons schip voor de eerste maal +genomen werd, had de kapitein vooraf een vaatje ropijen,<a class= +"noteref" id="xd21e3310src" href="#xd21e3310" name="xd21e3310src">1</a> +dat hij aan boord had, naar gelang van ’t geen zij te goed hadden +onder de officieren en matrozen verdeeld, daar hij het beter vond, dat +zijn volk dat geld in handen had, dan dat de Franschen ’t +wegnamen, hetgeen anders ongetwijfeld het geval zou zijn geweest. +Gedurende onze gevangenschap hadden wij zeer weinig van ons geld +verteerd; want drank werd niet toegelaten, en aan tabak pruimen en +rooken hadden wij jongens ons nog niet gewend.</p> +<p><span class="corr" id="xd21e3314" title= +"Niet in bron">„</span>Hastings had ook nog eene andere reden, +waarom hij ons aanried op den Tafelberg aan te gaan, te weten: zoodra +onze vlucht bekend werd, zou men ons, dacht hij, patrouilles nazenden, +en deze zouden, naar alle waarschijnlijkheid, den weg naar de +binnenlanden inslaan, zoodat wij, als de eerste nasporing zonder gevolg +geschied was, minder gevaar te vreezen hadden van weer te worden +opgepakt. De soldaten hadden ons van beren en andere wilde dieren +verteld en ons gezegd, hoe gevaarlijk daar te lande het reizen +was;—nu meende Hastings, dat zij, ons niet vindende, denken +zouden, dat we door die beesten verscheurd waren, en dat ze zoo geen +verder onderzoek naar ons zouden doen.</p> +<p>„Ge merkt, Willem, we gebruikten nog al eene zeker soort van +overleg, hoewel we toch maar onverstandige jongens waren.<span class= +"corr" id="xd21e3320" title="Niet in bron">”</span></p> +<p>„Onverstandig, zeker!” merkte mevrouw Wilson +aan;—„zonder te weten waarheen, zoo een land in te gaan, +dat vol wilde menschen en dieren is!”</p> +<p>„Gij hebt gelijk, mevrouw,” antwoordde de oude man; +„dat zult gij hooren, als ik u vertel, wat ons, toen wij pas +eenige uren op weg waren, overkwam.</p> +<p>„Eerst liepen wij op een draf, totdat wij geheel buiten adem +waren, en toen gingen wij zoo snel als onze beenen ons konden dragen. +Wij liepen niet regelrecht op den berg aan, maar namen eene eenigszins +schuinsche richting naar het zuidwesten en meer naar den kant van de +Valsche Baai, zoodat <span class="pagenum">[<a id="pb142" href="#pb142" +name="pb142">142</a>]</span>wij ons verder van de stad verwijderden. +Gij weet nog wel, Willem, ik wees u die baai, toen wij de Kaap +voorbijkwamen.<span class="corr" id="xd21e3331" title= +"Niet in bron">”</span></p> +<p>„Ja, ja, ik herinner het mij nog heel goed, Flink.”</p> +<p>„We waren zoowat vier uren op weg en begonnen moe te worden, +toen de dag aanbrak. Thans zagen we natuurlijk naar eene plaats om, +waar wij ons verbergen konden. We vonden spoedig een hol met een nauwen +ingang, juist ruim genoeg om een half dozijn zulke knapen, als wij +waren, te bevatten en daar kropen wij binnen. De grond was volmaakt +droog, en daar wij heel moe waren, legden wij ons neder.</p> +<p>„Met ons hoofd op onze bundels, wilden we zien, of we ons door +eenige uren slapens verkwikken konden.</p> +<p>„Wij lagen echter pas en hadden de oogen gesloten, toen we op +eens zulk een wonderlijk blaffen, janken en kwetteren hoorden, dat wij +hevig verschrikt weer opsprongen. Dadelijk gluurde Hastings eens daar +buiten en begon te lachen. Ook Romer en ik keken uit en zagen.... wel +honderd-vijftig groote bavianen, die zulke wonderbaarlijke sprongen en +cabriolen maakten, als ik ooit van mijn leven nog gezien had. Zij waren +grooter dan wijzelven—ja, als ze op de achterpooten stonden, +wonnen ze het in lengte ver van ons en daarbij hadden zij groote witte +tanden. Eenigen onder den troep waren wijfjes en droegen hare jongen op +den rug; overigens huppelden die even vlug en vroolijk als de +mannetjes. Ten laatste vertoonden ze zulke potsierlijke kuren en +grappen, dat wij allen het van lachen uitschateren moesten. Op eens, +terwijl we ons nog den buik vasthielden, ontdekten we de grijnzende +tronie van een der grootsten uit den heelen troep op zeer korten +afstand van ons.</p> +<p>„Die knaap was, als door een wonder, boven van de rots tot ons +afgekomen. We sprongen alle drie heel ontsteld in de grot terug, want +de baviaan had vreeselijke tanden en was woest en wild van uitzicht. +Hij liet een gillend geluid hooren; en weldra zagen wij al de anderen, +zoo hard ze maar loopen konden, op het gerucht aankomen.</p> +<p>„Ik zeide straks al, dat het hol ruim genoeg was, om een stuk +of zes, zeven van ons te bergen. Achter dit volgde echter nog eene +kleinere grot, waarin we nog niet geweest waren en die een veel +nauweren ingang had. Romer riep: „Laat ons in dat achterste hol +vluchten; als we de een na den anderen door het gat kruipen, komen wij +er wel.”</p> +<p><span class="corr" id="xd21e3347" title= +"Niet in bron">„</span>Met deze woorden wrong hij zelf zich door +de opening. Hastings volgde met zijn bundel en ik kwam er ook +door,—juist nog bijtijds, want de bavianen hadden eerst buiten +een halve minuut met elkaar gesnaterd, en drongen <span class= +"pagenum">[<a id="pb143" href="#pb143" name="pb143">143</a>]</span>toen +het voorste hol binnen op ’t zelfde oogenblik, dat ik mij in het +achterste redde. Vijf of zes van die beesten vertoonden zich, allen +mannetjes en naar ’t scheen, van de allergrootsten.<a id= +"xd21e3352" name="xd21e3352"></a></p> +<p>„Het eerste, wat zij deden was, dat zij op Romers knapzak +aanvielen. In een ommezien was die opengemaakt. Eerst kwam de mondkost +die terstond in hunne wijde muilen verdween. Toen kwam het overige aan +de beurt en werd eerst terdege besnuffeld en daarna in flarden +gescheurd.</p> +<p>„Zoodra ze hiermee gedaan hadden, naderden twee van de +monsters het achterste hol, waar ze ons in het oog kregen. Een hunner +stak zijne lange pooten naar binnen, om ons naar zich toe te halen, +maar Hastings stak den baviaan met zijn mes, waarop deze zijne armen in +een wip terugtrok. Het was kluchtig te zien, hoe hij aan de overigen +zijn poot vertoonde en dan het bloed met zijne tong aflikte. Een +geschreeuw, zooals toen werd aangeheven, heb ik in mijn leven niet meer +gehoord. Ze waren allen blijkbaar geweldig boos: er kwamen gedurig meer +in het hol en tierden en gierden met de anderen.</p> +<p>„Eindelijk stak een tweede zijn poot uit, maar kreeg een prik, +nog wel zoo raak als de eerste. Ten laatste poogden twee of drie te +gelijk ons aan te pakken; doch wij weerden ons wakker met onze messen +en brachten hun zware wonden toe. Zoo zetten zij wel een uur lang hun +aanval voort. Toen verlieten zij eensklaps het hol, maar bleven huilend +en jankend voor den ingang wacht houden.<a id="xd21e3361" name= +"xd21e3361"></a></p> +<p>„Langzamerhand werden wij de grap hartelijk moe, en Romer zei +al, dat hij liever in de gevangenis was dan hier. Ik voor mij dacht +hetzelfde, maar wij konden ons onmogelijk naar buiten wagen. Hadden wij +dat gedaan, dan zouden de dieren ons zekerlijk in stukken hebben +gescheurd. Wij begrepen dus wel, dat er aan geen ontkomen te denken +was, voordat de dieren, het wachten moede, vanzelf optrokken. Met een +beangst hart zaten wij daar dus. Daarbij kwam nog, dat wij bitter door +den dorst geplaagd werden en in het hol geen water vinden konden.</p> +<p>„Zoo bleven wij nog ruim twee uur als gevangenen van die +leelijke bavianen in het hol opgesloten, toen op eens een der dieren +een gillenden kreet uitstiet, waarop de gansche troep huilend en +schreeuwend, zoo hard hij kon, op den loop ging.</p> +<p>„Wij wachtten nog eenigen tijd, om te zien, of zij ook +terugkomen zouden; toen kwam Hastings het eerst voor den dag, keek +voorzichtig buiten het hol en zeide, dat de gansche troep eindelijk +voor goed weg en er in het rond niets meer te zien was, dan een +Hottentot, die op den grond zat en op eenige <span class= +"pagenum">[<a id="pb144" href="#pb144" name= +"pb144">144</a>]</span>grazende koeien scheen te passen. De een na den +ander slopen wij uit het hol en waren recht verheugd over onze +verlossing.</p> +<p>„Dit was ons eerste avontuur, mijn goede Willem. Wij hadden in +’t gevolg nog eene menigte andere; maar ’t begint nu tijd +te worden om naar bed te gaan. Ik denk, mijnheer Wilson, dat we morgen +een goeden dag zullen hebben, maar met zekerheid zeggen kan men zoo +iets niet.”</p> +<p>„Ik ben brandend nieuwsgierig om te weten wat u later nog al +meer is overkomen, Flink,” verzekerde Willem.</p> +<p>„Nu ja, beste jongen, dat zult gij nog wel te weten komen. +Maar alles heeft zijn tijd en nu is het tijd om te slapen, als ge niet +misschien met mij meegaan wilt, Willem. De lucht is opgeklaard en ik +zou gaarne een paar visschen vangen voor morgen.”</p> +<p>„O zeker, Flink, ik ga mee; ik ben volstrekt niet +moe.”</p> +<p>„Goed dan, hier zijn de lijnen. Goeden nacht, mevrouw; goeden +nacht, mijnheer! Over een uurtje volgen wij u.”</p> +</div> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd21e3310" href="#xd21e3310src" name="xd21e3310">1</a></span> Eene +Oostindische munt. Men heeft zilveren ropijen, die ruim twee, en +gouden, die zestien of zeventien gulden waard zijn.</p> +</div> +</div> +<div id="ch35" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">VIJF-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">EEN RUSTDAG.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">De oude man had zich niet bedrogen. Toen de storm, +waarvan wij boven gesproken hadden, had uitgewoed, werd het weder fraai +en bleef zoo ettelijke dagen. Tengevolge van den slag, die haar +getroffen had, bleef Juno nog eenigen tijd zwak en ontdaan, maar was +toch in staat het middageten klaar te maken en ander licht werk te +doen.</p> +<p>Behalve nu en dan eens eene bui, bleef het weder bijna veertien +dagen achtereen gunstig, en gedurende al dien tijd werkten mijnheer +Wilson, Flink en Willem van ’s morgens vroeg tot ’s avonds +laat aan hun magazijn en waren zoo verlangend dit tot stand te krijgen, +dat zij telkens hoogst vermoeid van hun werk thuis kwamen en Willem +zelfs vergat Flink om de voortzetting van zijne geschiedenis te +vragen.</p> +<p>Eindelijk was het pakhuis gereed. Het was met een bladerendak gedekt +en op drie zijden met gevlochten takken gesloten, doch op de vierde +open, zoodat de lucht er gedurig vrije speling had. Het benedenste +gedeelte, dat tot beschutting van de huisdieren bij nacht en gedurende +den regentijd was ingericht, was insgelijks aan drie zijden gedekt en +kon het vee behoorlijk <span class="pagenum">[<a id="pb145" href= +"#pb145" name="pb145">145</a>]</span>tot stalling dienen. Ook was er +reeds een voetpad door het bosch uitgekapt; doch om de boomwortels uit +te graven, had het tot hiertoe nog aan tijd ontbroken.</p> +<p>Al de voorraad, dien zij hier hadden, werd daarop in het nieuwe +pakhuis geborgen en nu eindelijk konden zij weder aan ander werk +beginnen te denken. Evenwel had men besloten dat de dag na de +voltooiing van het magazijn in de familie als een feestdag zou gevierd +worden,—eene verademing, die zij allen ook zeer noodig hadden. +Willem ving eenige visschen, er was eene schildpad uit den vijver +opgehaald en zoo was het niet alleen een dag van rust, dien zij hadden, +maar een wezenlijk feest.</p> +<p>Mijnheer Wilson was met zijne vrouw en kinderen eene wandeling langs +het strand gaan doen, terwijl Flink met Juno zich met het schoonmaken +van den schildpad bezighield. Willem liet hun de nieuwgebouwde +bergplaats met den veestal zien, waarheen nu ook de geit met hare vier +jongen gebracht was, omdat er geen reden bestond om die langer in het +woonhuis te houden, Daar het weder zoo schoon was, besloot men toen ook +nog den tuin te bezoeken. Hier bevonden zij, dat de zaden, +niettegenstaande den hevigen regen, nog niet begonnen op te komen.</p> +<p>„Ik had toch gedacht, dat het zaad na zooveel regen al verder +zou zijn,” zeide mevrouw Wilson.<a id="xd21e3400" name= +"xd21e3400"></a></p> +<p>„O neen, mijn lieve,” antwoordde haar man. „Het +heeft meer warmte noodig dan de zon in den tegenwoordigen regentijd kan +schenken. Nog eenige dagen als vandaag en gij zult zien, hoe welig het +opschiet.<span class="corr" id="xd21e3404" title= +"Niet in bron">”</span></p> +<p><span class="corr" id="xd21e3408" title= +"Niet in bron">„</span>Laat ons hier op dezen heuvel wat +uitrusten; het is er volmaakt droog,” verzocht zij. „Ik had +nooit gedacht,” vervolgde zij, zich nederzettende, terwijl ze +haar echtgenoot de hand drukte,—„dat ik op een verlaten +eiland zoo gelukkig kon worden. Wat vliegt de tijd hier snel voorbij. +Het gemis van boeken moest mij, meende ik in den beginne, zeer +smartelijk vallen, maar nu merk ik, dat ik tot lezen geen tijd zou +hebben.”</p> +<p>„Werkzaamheid is de bron van geluk, vooral indien men waarlijk +nuttig werkzaam is,” zeide mijnheer Wilson. „Een vlijtig +mensch is altijd ook een gelukkig mensch, als hij namelijk niet al te +ingespannen behoeft te arbeiden; en zelfs hij, die oorzaak tot +droefheid en kommer heeft, zal zijn lijden bij vlijt en arbeid +spoediger vergeten. Ik geloof zeker, dat een ledigganger nooit +werkelijk gelukkig zijn kan en dat zelfs overlading met arbeid beter +is, dan volslagen gebrek daaraan.”</p> +<p>„Maar moeder, wij zullen niet altijd zooveel te doen hebben, +als tegenwoordig.” <span class="pagenum">[<a id="pb146" href= +"#pb146" name="pb146">146</a>]</span></p> +<p>„Natuurlijk niet,” gaf mijnheer Wilson ten antwoord; +<span class="corr" id="xd21e3419" title= +"Niet in bron">„</span>maar dan ook zullen wij in onze boeken een +nieuwe bron van genot vinden. Ik verlang zeer, eens aan de +landingsplaats te komen, om daar te zien, wat er van onze boeken nog +over is en of zij ook erg gehavend zijn. Dat kan echter eerst gebeuren, +als de regen geheel voorbij is en wij onze boot weer gebruiken +kunnen.”</p> +<p>„Waar zijt gij daar toch mee bezig, Thomas?<span class="corr" +id="xd21e3424" title="Niet in bron">”</span> vroeg zijne +moeder.</p> +<p>„Ik maak torretjes dood,” was het antwoord. „O, ik +heb er al een heelen boel kapotgemaakt.”</p> +<p>„Maar waarom maakt gij die arme diertjes toch dood? Ze hebben +u immers geen kwaad gedaan.<span class="corr" id="xd21e3431" title= +"Niet in bron">”</span></p> +<p>„Ik mag die torren niet lijden.”</p> +<p>„Dat is nog geen reden, Thomas; gij moet niet alles doodmaken +wat gij niet lijden moogt. Als ze u bijten of steken, dan moogt gij ze +dooden; maar dieren zonder reden te dooden is wreedheid.”</p> +<p>„Juno slaat ook wel vliegen dood,” zei Thomas.</p> +<p>„Ja, omdat dit somtijds noodig is; maar ze doodt ze zekerlijk +niet alleen omdat ze juist niets beters te doen heeft. Vergeet niet, +wat ik u gezegd heb, Thomas.”</p> +</div> +</div> +<div id="ch36" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">ZES-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">NOG AL ANDER WERK.—FLINK VERVOLGT ZIJNE +GESCHIEDENIS.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">„Welnu, Flink,<span class="corr" id="xd21e3449" +title="Niet in bron">”</span> vroeg mijnheer Wilson den volgenden +dag, „wat moet nu na het ontbijt ons eerste werk zijn?”</p> +<p>„Me dunkt, mijnheer, we gaan allen heen en verzamelen de +takken en twijgen van de gevelde kokosboomen, om ze tot brandstof +bijeen te hebben. Thomas en Juno hebben al een fikschen hoop +opgestapeld en tegen den avond, denk ik, kunnen we een houtstapel klaar +hebben, waarin de regen niet doordringen kan. Daarna zullen we een +zoutpan aanleggen en ook een vischvijver, daar het weer ons toch wel +niet toelaten zal voor langen tijd van huis te gaan. Dat zal ons voor +’t minst eene week kosten; maar dan valt hier vooreerst ook +weinig meer te doen. Ik geloof, dat wij het ergste van den regentijd +reeds achter den rug hebben, over veertien dagen misschien reeds kunnen +wij ons door het bosch wagen en gaan zien, hoe ’t met onze +schatten aan de landingsplaats gesteld is. We zullen de handen vol +hebben <span class="pagenum">[<a id="pb147" href="#pb147" name= +"pb147">147</a>]</span>met alles uit te zoeken en terecht te leggen, +voordat het mooie weer terugkomt, en kunnen het dan dadelijk in onze +boot hierheen brengen en in het pakhuis bergen.”</p> +<p>„En dan doen we eens een reisje over het eiland, niet waar, +Flink?” vroeg Willem. „Ik verlang daar zeer +naar.”</p> +<p>„Ja, Willem; maar dat zal wel het laatst aan de beurt komen; +want we moeten er op rekenen, dat we twee of drie nachten van huis +blijven, en daartoe moet het weder eerst vast en goed zijn.</p> +<p><span class="corr" id="xd21e3461" title= +"Niet in bron">„</span>Evenwel zullen wij het nog doen, voordat +wij onze goederen in de boot hierheen brengen.”</p> +<p>„Maar hoe zullen wij met die zoutpan klaarkomen, Flink? Die +moet immers in de harde rots worden uitgehouwen?”</p> +<p>„Zeker, Willem; maar ik heb daartoe reeds drie of vier +zoogenaamde steenbeitels uitgezocht,—weet gij, van die korte, +dikke, van een scherp eind voorziene ijzeren staven, die ginds in ons +magazijn liggen. Die nemen wij, met een stevigen hamer, en dan zal het +werk ons gemakkelijker van de hand gaan, dan gij denkt, daar de +koraalrotsen, die van buiten zoo hard schijnen, inwendig tamelijk broos +zijn.”</p> +<p>De gansche dag werd verder besteed om de kokostakken tot eene groote +mijt op te stapelen. Flink maakte die naar de wijze der gewone +hooibergen van boven spits, zoodat de regen er op afloopen kon.</p> +<p>„Ziezoo,” zeide de oude man, toen hij eindelijk de +ladder afkwam, „daar hebben wij nu een voorraad voor het volgende +jaar. We hebben nog genoeg over, om er gedurende dezen regentijd mee +toe te komen, en hebben wij eerst droog weder, dan kunnen wij later den +benoodigden brand bijeenbrengen. Deze voorraad hier moet tot het +naastvolgend regenseizoen bespaard blijven.”</p> +<p>De heer Wilson zuchtte en zijn gelaat betrok. Flink merkte dit en +liet er dadelijk op volgen:</p> +<p>„Onze voorzorg zal misschien overtollig zijn, mijnheer; maar +niettegenstaande dat mogen wij ze toch niet verzuimen. Dat kapitein +Osborn, als hij nog in leven is, naar ons zal laten zoeken, daar +twijfel ik geen oogenblik aan, ja, ik geloof zelfs, dat Mackintosh het +niet zal verzuimen. Maar daarbij moogt gij toch niet vergeten, dat +allen kunnen vergaan zijn, terwijl wij zelven in het leven zijn +behouden. Eene kleine boot geeft slechts weinig kans op behoud, als ze +vele honderden mijlen van land is; en zijn ze werkelijk verongelukt, +dan kunnen er misschien nog jaren verloopen, voordat wij door ’t +een of ander schip ontdekt worden.” <span class="pagenum">[<a id= +"pb148" href="#pb148" name="pb148">148</a>]</span></p> +<p>„Ja, Flink, zonder morren moeten wij ons in ons lot trachten +te schikken. Ik heb er mijzelven reeds menigmaal om beschuldigd; maar +zulke sombere gedachten komen toch dikwijls terug, ofschoon ik alle +moeite doe, om ze te onderdrukken.”</p> +<p>„Dat vind ik zeer natuurlijk, mijnheer; maar ge moet toch +altijd het beste hopen. Wildet ge u nog langer kwellen, ge zoudt +daardoor volstrekt niets beter maken.”</p> +<p>„Dat gevoel ik wel, Flink; en als ik zie, hoe tevreden mijne +vrouw onder al deze beproevingen is, dan erger ik mij nog meer over +mijzelven.”</p> +<p>„Eene vrouw, mijnheer, weet het ongeluk altijd beter te +dragen, dan een man. De vrouw is enkel liefde, en heeft zij echtgenoot +en kinderen behouden om zich heen, dan zal zij zich genoegzaam overal +gelukkig gevoelen. De mannen denken in dat opzicht echter geheel +anders. Ze kunnen, gelijk gij thans, niet verdragen, zoo geheel van de +wereld te zijn uitgesloten, en toch zouden zij zich misschien +gelukkiger gevoelen niet met haar in aanraking te zijn, indien zij het +maar goed wilden inzien.”</p> +<p>„Onze eerzucht is het, die ons ongelukkig maakt,” +antwoordde de heer Wilson. „Maar laat ons nu hiervan zwijgen. De +zon is onder; wij zullen in huis gaan.—Kom, Willem!”</p> +<p>Na het avondeten werd Flink door Willem gedrongen, zijne +geschiedenis te vervolgen, wat hij dan ook met de volgende woorden +deed:</p> +<p>„Als ik ’t wel heb, ben ik gebleven, waar de Hottentot, +die de veekudde bewaakte, de bavianen, die ons zoozeer beangst hadden, +verjoeg. Wij verlieten nu dadelijk het hol en zetten ons aan den voet +van de rots neder, waar de Hottentot ons niet kon zien. Hier hielden +wij nu eene soort van krijgsraad. Romer was er voor, dat wij +terugkeeren en ons weer gevangen-geven zouden. Hij zeide, dat het +onzinnig, dwaasheid was, zoo het land door te zwerven, zonder zelfs een +wapen te hebben, om ons tegen de wilde dieren te verdedigen. Spoedig, +oordeelde hij, konden wij nog in veel grooter gevaar komen, dan die +ontmoeting met de apen geweest was. En waarlijk, de jongen had gelijk. +Het zou zeker het verstandigst geweest zijn, wat wij in ons geval +hadden kunnen doen; maar Hastings dacht, dat men ons uitlachen zou, en +de vrees voor bespotting maakte dus, dat wij eindelijk besloten onze +vlucht te vervolgen.</p> +<p>„Onthoud wel, Willem, de vrees om uitgelachen te worden +verleidt niet alleen jongens, maar zelfs volwassen mannen tot uiterst +dwaze handelingen. Wij hadden verkeerd gedaan en wilden enkel uit vrees +voor bespotting onze dwaling niet herstellen; ja, wij hadden zelfs +besloten liever ons leven te <span class="pagenum">[<a id="pb149" href= +"#pb149" name="pb149">149</a>]</span>wagen en ons alle gevaren te +getroosten, dan te verdragen, dat men ons om onze dwaasheid, gelijk wij +eigenlijk verdiend hadden, eens terdege uitlachte. Houd dit goed in uw +geheugen, Willem, en laat u nooit door de vrees van belachelijk te +worden verleiden tot iets, dat verkeerd is, of, hebt gij onrecht +gedaan, u door die vrees afschrikken, om tot uw plicht te +keeren.”</p> +<p>„Ik dank u voor den raad, vriend, en hoop dat Willem hem nooit +vergeten zal,” sprak mijnheer Wilson. „’t Gebeurt +inderdaad meer, dat men door spot, dan door overreding tot een misstap +verleid wordt.”</p> +<p>„Zoo is het mijnheer, en dit was dan ook de reden, waarom wij +ons dolzinnig plan niet opgaven. Toen wij eens tot dit besluit gekomen +waren, was het tweede punt van beraadslaging, hoe wij ons wapens zouden +verschaffen, want zonder deze, begrepen wij wel, was er niets voor ons +te hopen.</p> +<p>„Terwijl wij daarover nog redeneerden, keek ik eens van achter +de rots uit, om te zien waar de Hottentot wel mocht wezen. Ik bemerkte, +dat hij zich in zijn mantel van schaapsvellen gewikkeld en op den grond +te slapen gelegd had. De hottentotten gaan altijd gewapend uit, en zoo +hadden wij bij het verlaten van de grot ook wel gezien, dat hij toen +een geweer in de hand hield. Ik zeide dus tegen Romer en Hastings, dat, +als de man sliep, wij misschien zijn geweer wel ongemerkt in onze +handen konden krijgen.<a id="xd21e3503" name="xd21e3503"></a></p> +<p>„Dat scheen een goede inval, en Hastings bood zich aan, om op +handen en voeten naar hem toe te kruipen, terwijl wij achter de rots +bleven. Uiterst voorzichtig sloop hij nader en vond den man, met het +hoofd in den mantel, vast in slaap. Zoo had hij dus niets te vreezen, +want de Hottentotten zijn vadzig en, eens in slaap, moeilijk wakker te +krijgen, dat wisten we wel.—Hastings pakte eerst het geweer en +bracht het in veiligheid; toen keerde hij terug, sneed den riem door, +waaraan de Hottentot zijn kruithoorn en kogelzakje droeg, en kwam met +alles weer bij ons, zonder dat de man een vinger verroerd had.</p> +<p>„We waren opgetogen van blijdschap over dezen buit en +besloten, heel zachtjes, op eenigen afstand van den man voorbij te +sluipen, zoodat hij, ook als hij eens wakker werd, ons niet in het oog +kon krijgen. Wij keken daarop overal rond, of we misschien ook iemand +anders ontdekten, en gingen toen recht op de Tafelbaai aan, totdat wij +op eenmaal voor eene breede rivier stonden.</p> +<p>„Dat was een tweede gelukkige ontdekking, want we waren +uitermate dorstig. Na gedronken te hebben, zooveel ons lustte, +verborgen wij ons in de nabijheid van de rivier en hielden een maaltijd +van den voorraad, dien wij hadden meegenomen.” <span class= +"pagenum">[<a id="pb150" href="#pb150" name="pb150">150</a>]</span></p> +<p>„Maar, Flink, deedt ge geen kwaad door den Hottentot zoo zijn +geweer te ontstelen?” vroeg Willem.</p> +<p>„Neen, Willem, in dat geval kon dat niet wel als diefstal +beschouwd worden. We waren dus bijna evengoed in oorlog met het land, +als op den tijd, toen men ons tot gevangenen maakte, en hadden ons +geweer evenmin gestolen, als men van onze vijanden zeggen kon, dat zij +ons schip gestolen hadden. Heb ik geen gelijk, mijnheer +Wilson?”</p> +<p>„Ja, dat komt mij wel zoo voor. Als twee natiën met +elkander in oorlog zijn, wordt het wederzijdsch eigendom, als het in +vijandelijke handen valt, steeds als buit beschouwd.<a class="noteref" +id="xd21e3518src" href="#xd21e3518" name="xd21e3518src">1</a> In uwe +omstandigheden hadt gij alle recht om u alles toe te eigenen, wat gij +kondet, als het u dienstig kon wezen tot de vlucht. Echter geloof ik, +dat gij zedelijk misdaan zoudt hebben, als gij moord of ook slechts +moedwilligen roof gepleegd hadt.”</p> +<p>„Juist zoo; maar we waren op onze vlucht in de +noodzakelijkheid gekomen, om ons óf gevangen te geven óf +hen, die ons grijpen wilden, te verslaan, en dan zou niemand ons +beschuldigd hebben, als we onze tegenpartij verslagen +hadden.”</p> +<p>„Toen ge eens gevangen waart, hadt gij, dunkt mij, ook het +recht, om tot herwinning van uwe vrijheid zelfs het uiterste te baat te +nemen. Zoo althans is het algemeen gevoelen.”</p> +<p>„Ja, mijnheer; maar nu verder. Wij wachtten den avond af en +vervolgden toen onzen marsch naar de Valsche baai met allen spoed. Wij +wisten, dat in het dal, of eigenlijk langs de berghelling, enkele +boerenhoeven verstrooid lagen; daar hoopten wij, met goedheid of met +geweld, nog twee geweren te krijgen.</p> +<p>„Het was middernacht en de maan scheen helder, toen wij +eindelijk het water van de Valsche Baai in de verte zagen blinken. Kort +daarop hoorden wij het blaffen van een hond en ontdekten wij op niet +verren afstand twee boerenhofsteden met hare veestallen en boomgaarden. +Nu zagen wij naar eene plaats om, waar wij tot den morgen schuilen +konden, en vonden eindelijk tusschen eenige rotsblokken een plekje +juist zooals wij het wenschten.</p> +<p>„Wij kwamen overeen, dat een van ons waken zou, terwijl de +twee andere sliepen. Hastings nam voor ditmaal dien post op zich. Met +het lichten van den dag wekte hij ons, en toen gingen we dadelijk aan +het ontbijt, Uit onzen schuilhoek hadden we een bijna even ruim +gezicht, alsof we als vogels door <span class="pagenum">[<a id="pb151" +href="#pb151" name="pb151">151</a>]</span>de lucht hadden gevlogen. De +in de diepte liggende boerderijen, met al wat daar voorviel, konden we +nauwkeurig opnemen.<a id="xd21e3534" name="xd21e3534"></a></p> +<p>„De eene hoeve, die vlak onder ons lag, scheen ons veel +kleiner toe, dan de beide andere, die we in de verte ontdekten. Wij +wachtten, totdat wij de menschen buiten zagen komen. Na een half uur +vertoonden zich eenige Hottentotten, en wij zagen hoe zij hunne ossen +voor den wagen spanden. Er werden twaalf paar voorgespannen, en toen +klom de Hottentotsche voerman op den wagen en sloeg den weg in naar de +Kaapstad. Een Hottentotsche jongen en de groote hond gingen met hem +mede.</p> +<p>„Een poosje daarna dreef een andere Hottentot de koeien naar +het dal, om te grazen; vervolgens kwam eene Hollandsche vrouw met twee +kinderen buiten de deur en voederde het pluimgedierte.</p> +<p>„Wij wachtten nog een uur langer; toen vertoonde zich de +huisbaas zelf met eene pijp in den mond en zette zich op de bank voor +het huis neder. Toen zijn pijpje uit was, riep hij, waarop eene +Hottentotsche meid hem tabak en vuur bracht. Anders zagen wij niemand +in de nabijheid en daaruit maakten wij op, dat de boer, zijne vrouw en +de Hottentotsche meid met die beide kinderen de gansche bevolking van +de boerderij zijn moesten.</p> +<p>„Tegen twee uur ’s middags bracht de man zijn paard +buiten en reed weg. Wij zagen, hoe hij bij het wegrijden met de +Hottentotsche vrouw sprak, en kort daarop ging deze met eene mand op +het hoofd naar den kant van het dal.</p> +<p>„Nu, zeide Hastings, was het tijd, om ons te roepen, want nu +was er alleen nog maar eene vrouw in huis,—die wij gemakkelijk +meester konden worden. Echter ging dit nog altijd met vrij wat gevaar +vergezeld, want als zij gerucht maakte en wij vluchten moesten, konden +wij licht gezien en weer opgevangen worden.</p> +<p>„Wij zagen echter wel, dat er geene andere mogelijkheid voor +ons bestond, en dus besloten wij omzichtig naar de hoeve af te dalen en +van de gelegenheid zoo goed mogelijk gebruik te maken. Wij kropen langs +den heuvel neder en bereikten onbemerkt de heg achter de woning. Hier +lagen wij ruim een kwartier op de loer, toen wij, tot onze groote +blijdschap, ook de vrouw, met een kind aan iedere hand, uit het huis +zagen komen. Ze ging zekerlijk aan een van hare buurvrouwen een bezoek +brengen, want ze sloeg den weg naar de verder gelegene hoeve in.</p> +<p>„Zoodra zij eenige honderden passen ver was, kroop Hastings +voorzichtig door de heg en sloop door de achterdeur in het woonhuis. Nu +eenige oogenblikken vertoonde hij zich weer en wenkte ons, dat wij +komen konden. <span class="pagenum">[<a id="pb152" href="#pb152" name= +"pb152">152</a>]</span></p> +<p>„Wij vonden hem reeds in ’t bezit van eene buks en van +een geweer, die voor den schoorsteen op een rek gelegen hadden. In een +ommezien namen wij ook de kruithorens en patroonstasschen, die op +verschillende plaatsen aan den wand hingen, af en hingen die zelven om. +Toen we deze in ons bezit hadden, plaatste Hastings mij als schildwacht +aan de voordeur, opdat men ons niet onverhoeds overvallen zou, terwijl +hij zelf met Romer naar levensmiddelen omzag. Zij vonden drie hammen en +een brood, wel bijna zoo groot als een waschtobbe.</p> +<p>„Hiermede ruim tevreden, besloten wij zonder lang te dralen, +onzen schuilhoek weer op te zoeken. Wij tuurden naar alle kanten +<span class="corr" id="xd21e3555" title="Bron: zond">rond</span>, maar +ontdekten nergens een sterveling, zoodat wij aannemen konden, dat +niemand ons gezien had.</p> +<p>„Omstreeks midden op den heuvel verhief zich een steile, +naakte rotswand, dien wij, om in het dal te komen, noodzakelijk over +moesten, als wij ons niet al te dicht bij het boerenhuis wilden wagen. +Na kort beraad kwamen wij overeen, dat het misschien beter zou zijn hem +nog bij dag te beklimmen, zoodat wij deze zwarigheid op eenmaal +overwonnen hadden en ook verder van de hoeve verwijderd waren. Wij +volvoerden terstond ons besluit, vonden eene zeer veilige schuilplaats, +waar wij ons nederlegden, om na zonsondergang onze reis naar de +binnenlanden voort te zetten.</p> +<p>„We hadden nog geen uur daar gelegen, toen we op den heuvel, +dien wij verlaten hadden, het geschreeuw van onze goede vrienden de +bavianen hoorden. Wij zagen, hoe zij op de boerderij aantrokken, in de +vruchtboomen klauterden en elkaar met verwonderlijke vlugheid de +vruchten toewierpen. De listige dieren hadden evengoed als wij +afgeloerd, dat de kust vrij was, en wilden eene zoo goede gelegenheid +niet ongebruikt laten.</p> +<p>„Zij waren nog druk aan het werk, toen de Hottentot met de +koeien in de verte aankwam. Zoodra hij het huis naderde, hieven zij +allen een schellen kreet aan en maakten zich hals over kop uit de +voeten. Na den herder zagen wij de boerin terugkomen; zij bleef slechts +korten tijd in huis en kwam toen op eens met alle teekenen van schrik +en ontsteltenis buiten de deur. Omtrent één uur +vóór zonsondergang kwam de Hollandsche boer van zijn rit +terug en na weinige minuten begrepen wij uit het luid gejammer en +misbaar in huis, dat hij zijne vrouw sloeg; want, ziet gij, mijnheer +(althans zoo stelden wij ons de zaak voor), doordat zij van huis was +gegaan, hadden de apen ’t gewaagd, den boomgaard te plunderen en +ongetwijfeld dacht men, dat die viervoetige roovers ook de andere +dingen, die in huis vermist werden, hadden meegepakt, daar het wel +bekend is, dat zij alles nemen, wat zij krijgen kunnen. <span class= +"pagenum">[<a id="pb153" href="#pb153" name="pb153">153</a>]</span></p> +<p>„Zoo waren de bavianen, die de arme vrouw zoo in pijn +brachten, voor ons van groot nut, daar zij maakten, dat niemand iets +van ons huisbezoek vermoedde en dus alle gevaar van vervolging van ons +afweerden. Hoogst tevreden met den dienst, dien zij ons dezen avond +deden, vergaven wij hun dan ook gaarne den angst, welken zij ons des +morgens aangejaagd hadden.</p> +<p>„Maar nu, beste Willem, wil ik voor ditmaal afbreken, daar ik +zie, dat het onder mijn praten tamelijk laat is geworden. Het vervolg +dus op een anderen avond.”</p> +</div> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd21e3518" href="#xd21e3518src" name="xd21e3518">1</a></span> Het +nieuwe oorlogsrecht heeft dezen algemeenen regel wel eenigszins +gewijzigd.</p> +</div> +</div> +<div id="ch37" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">ZEVEN-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">KROKODILLEN, HAAIEN, HYENA’S.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Wij verlieten onze vrienden op den avond van den dag, +toen zij hun stapel brandhout tegen het volgende regenseizoen tot stand +gebracht en zich het spoedig aanleggen van een vischvijver en van eene +zoutpan voorgenomen hadden. Met den eersten werd ook reeds dadelijk den +volgenden morgen een begin gemaakt. Flink, mijnheer Wilson en zijn zoon +gingen gezamenlijk naar het strand en kozen, na lang zoeken, ongeveer +honderd schreden van den schildpadvijver, eene plaats, die hun tot dit +doel het meest geschikt voorkwam. Het water was daar vrij ondiep, +zoodat op het punt, dat het verst van den oever verwijderd was, de +diepte niet meer dan drie voet bedroeg.</p> +<p>„Wij hebben hier dus een heel gemakkelijk werk, +mijnheer,” begon Flink<span class="corr" id="xd21e3579" title= +"Bron: ,">.</span> „Al wat we te doen hebben is, dat we steenen +en kleine rotsblokken verzamelen en die zoo op elkaar stapelen, dat ze +binnenwaarts als een muur staan, maar naar buiten schuins afloopen, om +de kracht van de zee te breken, als die onstuimig is. Het water zal +natuurlijk altijd tusschen de steenen heenspoelen en zoo gedurig +ververscht worden. ’t Is waar, we kunnen meestal wel visch +vangen, als we die noodig hebben, maar we hebben niet altoos tijd +daartoe te missen, en zoo is het dus beter een vasten voorraad te +hebben, waarover we ieder oogenblik beschikken kunnen. Ze vangen en +hier in den vijver overplanten, kunnen we zoo dikwijls als er niets +anders te doen valt. Dan kan Juno naderhand altijd maar heengaan en er +met een spies een uitprikken, als wij niet thuis zijn en zij iets voor +de keuken noodig heeft. Het is altijd goed, dat men een voorraad +mondkost tot zijne beschikking klaar heeft.” <span class= +"pagenum">[<a id="pb154" href="#pb154" name="pb154">154</a>]</span></p> +<p>„Maar, Flink, hier in het rond zie ik slechts weinig steenen; +hoe maken wij het, om die van zoo ver te halen?” vroeg +Willem.</p> +<p>„Daartoe zullen wij onze handkar nemen; daar kan een goede +voorraad in ééne vracht op.”</p> +<p>„Maar hoe ze daarop te houden, Flink?”</p> +<p>„Wij binden eene ton aan de as vast. Ik zal dat dadelijk in +orde brengen, en kom er dan mee hier. In dien tusschentijd kunt gij met +uw vader al de steenen oprapen, die hier voor de hand +liggen.”</p> +<p>De oude man kwam weldra met de kar terug, waaraan hij een vat +werkelijk zeer handig had vastgemaakt; en met behulp van dit voertuig +zagen zij nu, dat het bijeenbrengen van steenen hun slechts weinig +moeite behoefde te kosten. Vader en zoon voerden de bouwstoffen aan, en +Flink stond in het water, om den muur op te trekken.</p> +<p>„Wij hebben tot hiertoe een ander werk geheel vergeten, wat we +toch niet verzuimen moesten, mijnheer,” zeide Flink, „en de +vischvijver herinnert mij daaraan.”</p> +<p>„En dat is, Flink?”</p> +<p>„Eene badplaats voor de kinderen, of eigenlijk voor ons allen, +groot en klein. Als de heete dagen aankomen, zullen wij daar behoefte +aan hebben, maar tegen dien tijd kunnen we er ook gemakkelijk mee +klaarkomen. Hier<span class="corr" id="xd21e3600" title= +"Bron: .">,</span> waar het zoo ondiep is, loop ik geen gevaar en kan +ik gerust aan mijn muur voortbouwen; maar als het water mij tot over de +knieën kwaam, zou ik mij wel zorgvuldig in acht nemen; want gij +hebt er geen denkbeeld van, mijnheer, hoe stout en roofzuchtig de +haaien onder deze breedte zijn. Toen ik de laatste maal op St. Helena +was, hadden we daar nog een treurig bewijs van.”</p> +<p>„Vertel het ons toch eens, Flink,” riep Willem.</p> +<p>„Ja zie, ik had zelf niet gedacht, dat het mogelijk was. Ik +weet een geval van dien aard, toen ik in Oost-Indië was, doch dat +was niet met een haai, maar met een kaaiman. Een Hollander stond op +zekeren dag aan het strand en vischte in de haven. Daar komt een +kaaiman of krokodil regelrecht op hem toezwemmen, totdat hij met zijn +snuit nog maar een paar voet van den visscher af is. De Hollander +stoort zich daar echter niet aan, want daar hij op den vasten wal +staat, vreest hij geen gevaar van het monster. Dit keert zich op eens +om, slaat met zijn staart den armen man van den oever weg, zoodat hij +in zee tuimelt, en daar pakt het den ongelukkige aan en duikt met hem +onder.”</p> +<p>„Vreeselijk! Maar een haai kan toch zoo iets niet doen: kan +hij wel, Flink?” <span class="pagenum">[<a id="pb155" href= +"#pb155" name="pb155">155</a>]</span></p> +<p>„Dat zult gij hooren, mijnheer. Er stonden twee soldaten op +Sint Helena op een rots vlak aan zee. De rots was nog wel boven het +water, doch daar de vloed opkwam, sloeg de branding er toch reeds nu en +dan overheen. Daar kwamen twee haaien op hen toezwemmen, juist als die +kaaiman, waarvan ik u verteld heb; de een werpt zich plotseling om en +slingert met een slag van zijn staart een van de soldaten in het water, +dat zeer diep was. De kameraad van den ongelukkige kwam doodelijk +ontsteld naar de kazerne loopen, om het gebeurde te vertellen. Omtrent +eene week later ontdekte men van een schoener in de Zandbaai aan de +andere zij van het eiland een geweldig zwaren haai bij het roer van het +schip. Al spoedig werd er een haak uitgeworpen met een dik stuk spek +daaraan vast, en de knaap raakte gevangen. De matrozen sneden hem de +buik open en vonden met ontzetting het gansche lichaam van den +verongelukten soldaat van het hoofd tot aan de knieën in zijne +maag. Het gedrocht had hem ingeslokt, met uitzondering van de beenen, +die ’t bij ’t sluiten van zijne geweldige kinnebakken had +afgebeten. Ik zag de maag en de ruggegraat van het beest in de kazerne, +en ’t was zekerlijk het grootste monster van die soort, dat ik +mijn leven lang nog ergens gezien had.”</p> +<p>„Ik had niet gedacht, dat die dieren zoo stoutmoedig +waren.”</p> +<p>„Wat ik u vertelde, mijnheer, is de zuivere waarheid, waarvoor +ik kan instaan; en daarom kunnen we niet te voorzichtig wezen, als wij +in het water gaan. Gij hebt immers zelf gezien, hoe schielijk die haai +het arme varken binnen had.”</p> +<p>„En ik mocht toch wel eens weten, hoe het met onze varkens +staat, Flink,” sprak Willem haastig.</p> +<p>„Naar ik gis, zullen ze thans wel biggen hebben; aan voedsel +ontbreekt het hun zeker niet<span class="corr" id="xd21e3620" title= +"Bron: ,">.</span>”</p> +<p>„Kunnen ze dan kokosnoten vreten?”</p> +<p><span class="corr" id="xd21e3626" title= +"Niet in bron">„</span>De oude zeker niet; maar er vallen immers +dagelijks jonge kleine noten van de boomen en daar zijn ze zeer graag +op. Ook vinden ze wortels in overvloed. Als we nog eenigen tijd hier +zijn, kunnen we een goede jacht op hen maken. Dan dienen we evenwel op +onze hoede te zijn, Willem; want toen we de varkens aan wal brachten, +waren ze wel mak, doch in zeer korten tijd worden ze wild en +gevaarlijk. Een wild zwijn is altijd een vreeselijk dier.”</p> +<p><span class="corr" id="xd21e3631" title= +"Niet in bron">„</span>Dat geloof ik wel,” sprak de vader. +„Maar hoe zullen wij jacht op hen maken?”</p> +<p>„Wel, met de honden mijnheer, die hen opjagen, zoodat wij hen +onder <span class="pagenum">[<a id="pb156" href="#pb156" name= +"pb156">156</a>]</span>het schot krijgen. Ik ben blij, dat onze Vixen +eerlang kleintjes te wachten heeft; we zullen meer honden kunnen +gebruiken.”</p> +<p>„Ik ben maar bang, dat we zoodoende meer honden krijgen, dan +we behoorlijk voeden kunnen.”</p> +<p>„Wees daar niet bezorgd voor, mijnheer, zoolang wij de zee +hebben, om ons visch te leveren. Honden houden veel van visch, zelfs +als die rauw is. In de noordelijke landen krijgen ze zelden iets +anders.”</p> +<p>„We zullen ook spoedig jonge lammeren krijgen,—is +’t niet zoo, Flink?”</p> +<p>„Ja, mij dunkt, dat houdt niet lang meer aan. Ik wenschte, dat +wij meer voeder voor die dieren hadden: tegenwoordig vooral is het nog +een schrale tijd voor hen. Aanstaande jaar, als wij meer voeder vinden, +moeten wij het gras inzamelen, om hooi te hebben tegen den winter, of +liever tegen den regentijd, want een winter kennen wij hier niet. Ik +ben vast overtuigd, dat wij aan den zuidkant van ons eiland meer vlak +land zullen vinden, daar het kokosbosch zich daar zeker niet, zooals +hier in het noorden, tot aan zee uitstrekt.<span class="corr" id= +"xd21e3646" title="Niet in bron">”</span></p> +<p>„Ik brand van verlangen, om eindelijk eens een +ontdekkingsreisje te doen,” zeide Willem.</p> +<p>„Nog een weinig geduld, vriendje,” hernam de oude +man<span class="corr" id="xd21e3653" title="Bron: :">,</span> „en +dan weet ik nog niet zeker, of gij wel meegaat; want wij mogen toch +niet alle drie tegelijk gaan en uwe moeder alleen laten.”</p> +<p>„Neen,” zeide mijnheer Wilson, „dat zou zeker niet +goed zijn. Een van ons moet thuis blijven, gij of ik<span class="corr" +id="xd21e3658" title="Bron: ,">.</span>”</p> +<p>Willem gaf geen antwoord; maar men kon duidelijk bemerken, dat de +gedachte, dat hij misschien niet van de partij zou zijn, hem weinig +behaagde.</p> +<p>Zij arbeidden den ganschen dag ijverig door, en de steenen omwalling +van den vijver rees spoedig boven het water op. Met zonsondergang +staakten zij het werk en keerden naar huis terug.</p> +<p>Na het avondeten vatte Flink den draad van zijn verhaal weder op en +vervolgde:</p> +<p>„Wij hielden ons schuil, totdat het donker was, toen wij +opbraken en onze reis voortzetten. Hastings en Romer droegen ieder een +geweer op den schouder en een ham op den rug. Ik, als de kleinste, had +de buks en het groote brood te dragen. Door dit laatste had ik daarvoor +een gat geboord en er een touw doorgehaald, zoodat ik het met gemak op +den rug dragen kon.</p> +<p>„Ons plan was, ons naar het noorden te wenden, daar we wisten +dat we ons in die richting van de kolonie verwijderden, doch Hastings +had beslist, dat we eerst oostwaarts marcheeren en een omweg maken +zouden, om onzen <span class="pagenum">[<a id="pb157" href="#pb157" +name="pb157">157</a>]</span>vervolgers niet misschien in den mond te +loopen. Wij kwamen door de diepe zandvlakte van den baai. Toen deze +allengs begon te rijzen, vertoonde zich meer struikgewas en +kreupelhout; doch nergens ontdekten wij een spoor van aanbouw, en +sedert wij de baai achter ons hadden, kwamen wij ook geen enkel huis of +hof meer voorbij. Tegen twaalf uur in den nacht waren wij zeer vermoeid +en snakten naar een dronk water, maar konden nergens iets ontdekken, +hoewel de heldere maneschijn het bijna zoo licht voor ons maakte als +midden op den dag. Daarentegen hoorden we zeer duidelijk, en dat beviel +ons in ’t geheel niet, het aanhoudend loeien en brullen der wilde +dieren, dat toenam hoe verder we kwamen. Evenwel kregen we geen beest +te zien, en dat was nog een troost voor ons.</p> +<p>„Ten laatste waren wij zoo afgemat, dat we ons allen op eene +rots nederzetten. Ons te slapen leggen, durfden wij niet. Zoo bleven +wij wakker tot aan den morgen en luisterden naar het gehuil en geloei. +Ook sprak niemand van ons een enkel woord, en ik ben verzekerd, dat +Hastings en Romer innerlijk hetzelfde dachten als ik en wel gaarne +gewenscht hadden, dat wij allen weer veilig en wel tusschen de muren +onzer gevangenis zaten.</p> +<p>„Eindelijk brak echter toch de dag aan; de wilde dieren werden +nu stil. Wij gingen voort, totdat we aan een stroom kwamen, waar we +nederzaten en iets tot ontbijt namen. Eerst toen dit gedaan was, keerde +ook onze moed terug. Wij braken op en lachten en praatten onderweg, +zooals wij vroeger ook gedaan hadden.</p> +<p>„We begonnen nu de bergen te beklimmen, die naar het zeggen +van Hastings, de Zwarte Bergen zijn moesten, waarvan de soldaten ons +zooveel verteld hadden. Ze mochten wezen en heeten hoe ze wilden, maar +ze waren heel dor, bar en akelig. Toen de nacht viel, gingen wij aan +het hout sprokkelen en sneden met onze messen takken af, om een vuur +aan te leggen, dat we noodig hadden, niet alleen om ons te verwarmen, +maar ook om de wilde dieren af te weren, wier gehuil zich alweer overal +hooren liet.</p> +<p>„In den loop van den dag hadden wij er reeds twee of drie +gezien, die zich op de vlakke rots in de zon lagen te koesteren. Een +was een panter geweest. We hadden onze geweren geladen, doch onder het +voorbijgaan liet hij ons slechts zijn witte tanden zien, maar bewoog +zich niet. De andere waren te ver van ons af, dan dat wij hen duidelijk +hadden kunnen onderscheiden.</p> +<p>„Zoo staken we dan ons vuur aan en gebruikten ons avondmaal. +Van het brood was nog maar de helft over. Ook de ham was al duchtig +aangesproken, zoodat wij wel begrepen, dat wij spoedig alleen op onze +geweren <span class="pagenum">[<a id="pb158" href="#pb158" name= +"pb158">158</a>]</span>zouden te rekenen hebben, om ons voedsel te +verschaffen. Zoodra wij verzadigd waren, legden wij ons dicht bij het +vuur neer. Onze geweren hadden wij geladen bij ons; onze kruitvoorraad +lag zoo ver van het vuur, dat daarvan geen ongeluk te vreezen was. Bij +onze vermoeidheid lagen wij weldra alle drie vast in slaap. De afspraak +was wel, dat eerst Romer, dan Hastings en eindelijk ik de wacht zou +houden, maar Romer sliep vast in en het gevolg daarvan was, dat ons +vuur niet onderhouden werd.</p> +<p>„Het was omtrent middernacht; toen ik door iets dat mij heet +in het gezicht ademde, gewekt werd; en ik had pas mijne zinnen bij +elkaar en de oogen geopend, of ik voelde, dat ik bij mijn broeksband +werd opgetild en de tanden van een dier in mijn vleesch drongen. Ik +zocht mijne buks te grijpen, maar stak de verkeerde hand uit en kreeg +zoo een nog brandend stuk hout te vatten, waarmee ik mijn vijand naar +de oogen stiet. Hij liet mij oogenblikkelijk los en liep +heen.”</p> +<p>„Aan welk een groot gevaar zijt gij daar ontkomen!” riep +mevrouw Wilson uit.</p> +<p>„Ja, waarlijk, mevrouw; want het beest was een hyena. Gelukkig +is dat woeste dier eigenlijk van een lafhartigen aard; maar had ik dat +brandende hout niet gepakt, dan had het gedrocht mij zeker weggedragen, +want ik was destijds bijzonder klein en teer en het tilde mij van den +grond op, alsof ik maar een veer geweest was.</p> +<p>„De gil, dien ik gaf deed Hastings ontwaken, die zijn geweer +greep en op goed geluk vuur gaf. Ik was doodelijk ontsteld, zooals ge u +wel kunt voorstellen. Wat Romer aangaat, die werd eerst wakker, toen we +hem duchtig schudden, zoo vast was hij in de rust. Deze ontmoeting +maakte ons natuurlijk voorzichtiger en in het vervolg legden wij altijd +twee vuren aan, waartusschen wij sliepen en een van ons moest bestendig +wacht houden.</p> +<p>„Zoo ging het eene volle week voort. Zoodra wij eindelijk het +gebergte beklommen hadden, richten wij ons naar het noorden. Wij hadden +thans kreupelbosch en rotsen achter ons en zagen eene wijde vlakte voor +ons. Onze voorraad was geheel op; één dag moesten wij +zelfs van den ochtend tot den avond geheel vasten. Wij doodden echter +spoedig eene antilope, die men daar te lande een springbok noemt, en +dit gaf ons voedsel voor vier of vijf dagen. Over het geheel ontbrak +het volstrekt niet aan wild, zoodra wij maar in de vlakte waren.</p> +<p>„Maar wacht, daar vergat ik u te vertellen, hoe wij nog eens +aan een dreigend gevaar ontkwamen. Nog voordat wij het vlakke veld +bereikten, hadden wij een groot bosch door te trekken, dat zich langs +het gebergte uitstrekte. <span class="pagenum">[<a id="pb159" href= +"#pb159" name="pb159">159</a>]</span>We hadden tot aan den middag +geloopen en waren moe en af. Wij besloten ons middagmaal te gebruiken +onder een grooten boom en wierpen ons daar in de schaduw op den grond +neer. Hastings lag op zijn rug en keek in den boom op.—Daar +ontdekte hij op eens, boven zijn hoofd op een lagen tak, een panter, +die zich daar op zijn gemak had neergevleid. Met zijn groene, +flonkerende oogen keek hij ons aan en scheen gereed om op ons neer te +springen.</p> +<p>„Hastings greep naar zijn geweer en drukte oogenblikkelijk op +het dier los; want tot lang mikken was geen tijd meer over. De kogel +drong den panter door het lijf en trof, naar het scheen ook zijne +ruggegraat. Hij plofte met luid gebrul op den grond neer, op een +afstand van niet meer dan drie of vier voet van ons af. Op de aan die +dieren eigene wijze kromde hij zich nu, om op Romer los te +springen,—maar hij kon niet meer: zijne ruggegraat was +verbrijzeld en hij had alle kracht in het achterlijf verloren. Hij +wilde zich oprichten, maar zonk dadelijk weer achterover neer. Nooit in +mijn leven heb ik zooveel razernij en woede in een schepsel gezien. Wij +waren in den beginne te hevig verschrikt, om aan vuren te denken; doch +toen wij zagen, dat het beest niet springen kon, rukte Hastings den +sidderenden Romer zijn geweer uit de hand en schoot den panter dwars +door den kop.</p> +<p>„Wij waren nu genoodzaakt om tot onderhoud van ons leven op de +jacht te gaan en werden daardoor van dag tot dag stouter. Onze kleeren +waren alle in flarden gereten; maar we hadden overvloed van kruit en +lood, en op de vlakte liepen antilopen en hertebokken bij honderden +rond, soms in zulke troepen, dat wij ze onmogelijk tellen konden.</p> +<p>„Aan levensmiddelen ontbrak het ons dus volstrekt niet; maar +daarvoor bracht deze overvloed van wild ons in een nog veel grooter +gevaar, want nu voor de eerste maal hoorden wij iederen nacht het +gebrul der leeuwen. Van alle geluiden, die ik ooit hoorde, is dit naar +’t mij voorkomt wel het allerschrikkelijkste. Wij legden groote +vuren aan, om hen van ons verwijderd te houden, maar toch kan ik u +verzekeren, dat we dikwijls nog rilden en beefden, als ze in onze +nabijheid kwamen.”</p> +<p>„Hebt gij ooit van die dieren bij dag ontmoet, Flink?” +vroeg Willem.</p> +<p>„O ja, wij zagen er dikwijls een, doch ze vielen ons toch +nooit aan en wijzelven waren te bang voor hen, om op hen te vuren. Eens +kregen wij van heel nabij met zulk een leeuw te doen. Wij hadden een +hert geschoten en met onze geweren over den schouder drongen wij door +het hooge gras naar de plaats, waar het liggen moest. Toen wij de plek +naderden, hoorden wij een gebrul en zagen ons opeens <span class="corr" +id="xd21e3711" title="Bron: nauwelijk">nauwelijks</span> tien passen +van een leeuw <span class="pagenum">[<a id="pb160" href="#pb160" name= +"pb160">160</a>]</span>verwijderd, die bij het dier, dat wij gedood +hadden, op den grond lag. Zijne oogen schoten vuur op ons en hij had +zich reeds half opgericht, om op ons los te springen. Wij gingen allen +op den loop, zoo hard als wij konden. Ik had geen moed om naar hem te +zien, totdat ik geheel buiten adem was geloopen. De leeuw was tevreden +met onze overhaaste vlucht en nam de moeite niet om ons te vervolgen. +We moesten dien nacht ons met een hongerige maag te slapen leggen.</p> +<p>„We hadden nu zoo al drie weken omgezworven, zonder eigenlijk +te weten waar of waarheen. Slechts zooveel konden we nagaan, dat we +eene noordelijke richting gehouden hadden. Wij waren vreeselijk +vermoeid en uitgeput en kwamen allen overeen, dat wij eene zeer dwaze +daad begaan hadden en heel blij zouden zijn, als wij den terugweg +konden wedervinden. Wij trokken den ganschen dag samen voort, zonder +elkander een woord toe te spreken, dan bij gelegenheid als zich eenig +wild vertoonde. Ik voor mij was zoo bedrukt en moedeloos, dat ik mij +maar liefst op den grond neergelegd zou hebben om dadelijk te sterven. +Het brullen van de leeuwen was mij volstrekt onverschillig geworden en +ik verlangde soms bijna zelfs, dat een mij oppakte en mij maar +schielijk verslond.</p> +<p>„Daar ontmoetten wij onverwacht een troep inboorlingen. Wij +konden niet met elkander spreken, maar zij schenen zeer goedig en +vriendschappelijk jegens ons gezind. Zij behoorden tot de stam der +Karroos, want zij wezen op zichzelven en spraken het woord: +„Karroos,” en dan wezen zij op ons en zeiden: +„Hollanders!” Wij schoten eenig wild en gaven hun dat, +waarmede zij zoo waren ingenomen, dat zij vijf of zes dagen bij ons +bleven.</p> +<p>„Wij zochten door teekens van hen te vernemen, of zich ook een +Hollandsche post of Hoeve in de nabijheid bevond. Zij begrepen ons en +gaven ons een toestemmend antwoord, terwijl zij de plaats, als +noordoostelijk gelegen, met den vinger aanwezen. Wij boden hun een +geschenk aan, als zij ons den weg wilden wijzen; want wij hadden +besloten ons weder aan de Hollanders over te geven en in onze +gevangenis terug te keeren.</p> +<p>„Twee van de mannen toonden zich bereid om met ons mede te +gaan. De overigen van de stam trokken met vrouwen en kinderen naar het +zuiden. Den volgenden dag kwamen wij aan een Hollandschen post, die +Graaf Reinet heette en uit drie of vier hoeven bestond. Wat ons verder +overkwam, hoort gij op een anderen avond, Willem; want het is nu al +laat en hoog tijd om te gaan slapen.” <span class= +"pagenum">[<a id="pb161" href="#pb161" name="pb161">161</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch38" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">ACHT-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">WILLEM WORDT ZIEK.—DE ADERLATING.—FLINKS +VERDERE ONTMOETINGEN.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Het aanleggen van den vischvijver ging vlug voort en +op den derden dag was het werk bijna gereed. Zoodra de vier wanden +stonden schepte Flink zand en gruis uit, zoodat de vijver overal +nagenoeg even diep was en de visschen dus zooveel water hadden, dat de +meeuwen en fregatvogels niet neerschieten en hen als prooi meevoeren +konden.</p> +<p>Terwijl Flink aldus bezig was, brachten vader en zoon nog meer +steenen bijeen, opdat de vijver in vier deelen kon worden afgescheiden, +waarvan het een echter met het ander in verbinding stond. De binnen- +zoowel als de buitenmuren of wallen werden echter breed genoeg gemaakt, +dat men daarop loopen kon, en daardoor werd het mogelijk, de visschen, +wanneer men ze noodig had, alle met den haak te bereiken.</p> +<p>Den dag, nadat de vijver voltooid was, sloeg het weer andermaal om; +doch de stormvlagen waren thans op verre na zoo hevig niet als bij het +begin van den regentijd. De regen viel wel in stroomen neer, maar was +niet meer van zulke vreeselijke bliksem- en donderslagen vergezeld. Ook +duurden de stormvlagen niet meer zoo lang, maar hadden doorgaans reeds +na weinige uren uitgewoed. Zoo dikwijls de lucht eens weer opklaarde, +ging men aan het visschen en had in korten tijd zulk eene menigte +bijeen, dat de vijver daarvan zeer rijkelijk voorzien was.</p> +<p>Daar had opeens iets plaats, dat alle leden onzer kleine kolonie in +eene hooge mate verontrustte. Op zekeren avond namelijk voelde Willem +zich ongesteld, werd koud en huiverig en klaagde vooral over zware +hoofdpijn. Flink had beloofd op dien avond met zijne geschiedenis voort +te gaan, maar Willem was te ziek om op te blijven. Hij werd te bed +gebracht en lag den volgenden morgen in eene hevige koorts.</p> +<p>Zijn vader maakte zich zeer ongerust, want het liet zich van uur tot +uur zorglijker aanzien. Flink had dien nacht bij den zieke gewaakt, +doch ging thans met den beangsten vader naar buiten, om met dezen over +den toestand van zijn zoon te spreken.</p> +<p>„Dat is een erg geval, mijnheer,” begon de brave oude +man. „De arme jongen heeft gisteren onder het werk zijn hoed +afgezet en, naar ik vrees, daardoor een zonnesteek gekregen. Het is +maar ongelukkig, dat wij niet iemand hebben, die hem eens laten +kan.” <span class="pagenum">[<a id="pb162" href="#pb162" name= +"pb162">162</a>]</span></p> +<p>„Ik heb een lancet,” antwoordde mijnheer Wilson: +„maar ik heb van mijn leven nog geene aderlating +gedaan.”</p> +<p>„Ik evenmin, mijnheer; maar als gij een lancet hebt, houd ik +het voor onzen plicht het te wagen. Als gijzelf u daartoe niet geschikt +gevoelt, wil ik althans mijn best doen. Het is immers eene zeer +eenvoudige operatie.”</p> +<p>„Ja, Flink, een van beiden moet er toe overgaan, dat zie ik +wel in.”</p> +<p>„Misschien is mijn hand in dat geval vaster dan de uwe,” +hernam de zeeman. „Ik vrees niets zoozeer, dan dat de koorts naar +het hoofd overslaat.”</p> +<p>„Ja, Flink, ik moet erkennen, het is mij liever als gij de +proef nemen wilt,” antwoordde de vader. „Mijne hand zou +allesbehalve vast zijn; ik beef immers nu reeds voor mijn dierbaar +kind!”</p> +<p>Beiden keerden naar het bed van den zieke terug. Mijnheer Wilson +zocht zijn lancet, en Flink bond Willem onderwijl den arm. Zoodra de +ader gezwollen was, hield hij die met zijn duim vast, en dadelijk +gelukte de eerste proef hem volkomen.</p> +<p>Op Flinks raad werd den lijder eene aanmerkelijke hoeveelheid bloed +afgetapt, en deze scheen zich daardoor zeer verlicht te gevoelen.</p> +<p>Zijn arm werd nu zorgvuldig verbonden, hij dronk nog wat water, +waarnaar hij verlangd had, en legde zich toen op zijn kussen neder.</p> +<p>Den volgenden dag was de koorts bijna nog heviger dan te voren. +Willem werd andermaal gelaten, en zijne beangste moeder waakte aan zijn +bed en smolt weg in tranen. De arme jongen verkeerde eenige dagen in +groot gevaar. In het anders zoo vroolijke en levendige huis was alles +nu even stil en somber.</p> +<p>Het weder werd intusschen van dag tot dag zachter en fraaier, en het +was bijna onmogelijk den wilden Thomas bedaard in huis te houden. Juno +ging elken morgen met hem en den kleinen Albert eene wandeling doen en +hield hem onder haar werk bij zich. Gelukkig had <span class="corr" id= +"xd21e3765" title="Bron: Vixem">Vixen</span> jongen geworpen, en als de +goede meid de kleinen niet meer zoet kon houden, bracht zij hun twee +van de kleine hondjes, om daarmee te spelen. De zachte, stille Caroline +zat heele dagen in de kamer en hield de hand harer lieve moeder in de +hare, of paste Willem op en zat met haar naaiwerk voor zijn bed.</p> +<p>Flink kon onmogelijk langer ledig blijven; hij nam dus hamer en +beitel en werkte zoo dikwijls aan de zoutpan, als men zijne diensten in +huis niet noodig had. Terwijl hij daar zoo op de rotsen bikte, waren +zijne gedachten gedurig met Willem bezig, dien hij om zijn +vriendelijken aard en helder verstand liefhad, alsof hij zijn eigen +kind was.</p> +<p>Op den negenden dag had eene merkbare verandering ten goede plaats +en was de koorts veel minder hevig. Na korten tijd had deze geheel +opgehouden; <span class="pagenum">[<a id="pb163" href="#pb163" name= +"pb163">163</a>]</span>maar de zieke was zoo zwak, dat hij zich de +eerste twee of drie dagen nog niet zonder hulp in zijn bed oprichten +kon. Eerst veertien dagen, nadat de koorts verdwenen was, was hij weder +in staat, om het huis te verlaten.</p> +<p>De vreugde, die bij deze verandering in het gezin heerschte, kan men +zich beter voorstellen dan beschrijven.</p> +<p>Daar men gedurende de herstelling van den zieke toch niet wel iets +van belang ondernemen kon, besloten mijnheer Wilson en Flink, die thans +weder met opgeruimde harten aan den arbeid gingen, daar de zoutpan +gereed was, nu ook eene badplaats aan te leggen. Juno was hun daarbij +behulpzaam en wist zich inderdaad zeer nuttig te maken, daar zij vol +ijver met de kar de benoodigde steenen en rotsblokken aanvoerde. Ook +Thomas werd mede naar het werk genomen, opdat men in huis geen last van +hem zou hebben, terwijl de moeder en Caroline den zieke oppasten.</p> +<p>Toen Willem eindelijk kon uitgaan, was ook de badplaats in orde, +zoodat men thans niet meer van de haaien te vreezen had, Willem kwam +met zijne moeder aan het strand en verheugde zich zeer over het +volbrachte werk.</p> +<p>„Nu, Flink,” zeide hij tot dezen, „nu hebben wij +hier om het huis alles in orde gebracht. Wat ons nu nog te doen staat, +is een tochtje op het eiland en naar onzen voorraad bij de +landingsplaats te gaan zien.”</p> +<p>„Gij hebt gelijk, Willem; het weder is zoo mooi geweest, dat +wij het over weinige dagen wel wagen kunnen; doch in geen geval, +voordat gij wat sterker zijt, want ge moogt niet bij uwe moeder alleen +achterblijven, zoolang gij niet volmaakt wel zijt.”</p> +<p>„Wat, Flink, bij moeder blijven! Ik dacht, dat ik mee zou +gaan?”</p> +<p>„Neen, beste Willem, dat kan nu niet gebeuren. Stel u eens +voor, wij werden door een storm overvallen: gij werd doornat en moest +in uwe natte kleeren slapen,—hoe licht kon de koorts dan +terugkomen, en dan waart gij ver van huis verwijderd. Gij moet nog +langen tijd heel voorzichtig zijn, mijn goede jongen. Kom, ga daar op +die rots zitten, dan kunt ge de frissche zeelucht inademen, en die zal +u goeddoen: maar ge moogt niet te lang stilzitten.”</p> +<p>„O, ik zal mijne vorige krachten spoedig terug hebben, +Flink.”</p> +<p>„Daar twijfel ik ook niet aan, beste Willem; en waarlijk, we +hadden u bezwaarlijk kunnen missen. Ik zal eene schildpad uit den +vijver meenemen, want ge moet thans krachtig voedsel hebben om spoedig +weder flink en sterk te worden.—”</p> +<p>„Het is al lang geleden, dat we niets meer van uwe historie te +hooren <span class="pagenum">[<a id="pb164" href="#pb164" name= +"pb164">164</a>]</span>kregen,” begon Willem, nadat het avondeten +was afgeloopen; „ik zou gaarne hebben, dat ge er thans mee +voortgingt, want het luisteren vermoeit mij nu zeker niet +meer.”</p> +<p>„Van harte gaarne,” antwoordde de oude man; „maar +kunt ge mij nog zeggen, waar ik gebleven ben?—Mijn geheugen is +niet meer van de beste.”</p> +<p>„O ja, Flink, weet gij niet, gij waart in gezelschap van die +wilden op een Hollandschen post aangekomen, die, als ik goed onthouden +heb, Graaf Reinet heette.”</p> +<p>„Juist, juist, mijn jongen. Welnu dan, zoodra hij ons zag +aankomen, kwam de Hollandsche boer uit zijn huis en vroeg ons wie wij +waren<span class="corr" id="xd21e3803" title="Bron: ,">.</span> Wij +vertelden hem, dat wij Engelsche gevangenen waren, die zich weder aan +de overheid wenschen uit te leveren.</p> +<p>„Hij nam ons de wapens af, en zeide dat hij in dit deel des +lands de overheid was, die te bevelen had,—hetgeen wij weldra +ondervonden, dat ten volle waarheid was. „Zonder wapens en +munitie zult gij zeker niet wegloopen,” vervolgde hij. +„Naar de Kaap kan ik u deze eerste twee maanden nog niet +opzenden, en dus, als ge goed te eten wilt hebben, moet ge daarvoor ook +braaf voor mij werken.</p> +<p>„Wij gaven ten antwoord dat wij heel gaarne in alles ons best +zouden doen. Hij zond ons daarop een Hottentotsch meisje, dat ons iets +te eten bracht en ons een klein hok aanwees, waar wij met ons +drieën slapen konden.</p> +<p>„Wij merkten voor ’t overige al spoedig, dat wij met een +ruw, onbeschoft mensch te doen hadden, die ons zwaar werk in overvloed, +maar daarvoor bitter weinig te eten gaf. Hij wilde ons onze geweren +niet weder toevertrouwen, en zoo zond hij zijne Hottentotten met het +vee uit; maar daarvoor moesten wij in den omtrek van het huis zwaren +arbeid doen, en ten laatste behandelde hij ons zelfs wreed en +kwaadaardig. Wanneer hij voor de <span class="corr" id="xd21e3813" +title="Bron: Hottotten">Hottentotten</span> en de andere slaven, die +hij in menigte hield, niet meer te eten had, placht hij met andere +boeren, die in de buurt woonden, op de jacht te gaan en quagga’s +voor hen te schieten. Niemand dan een Hottentot kan nochtans van zulk +vleesch eten.”</p> +<p>„Wat is een quagga?”</p> +<p>„Een wilde ezel, voor een gedeelte gestreept, doch niet zoo +fraai als de zebra, ’t Is een recht sierlijk dier, maar zijn +vleesch is ellendig slecht van smaak. Verbeeld u nu, mijnheer, hij +wilde ons ten laatste, evenals aan de Hottentotten, ook niets anders +dan quaggavleesch te eten geven, terwijl hij met zijne +familie—want hij had eene vrouw met vijf kinderen—schapen +en geitenvleesch in overvloed had, wat werkelijk eene heerlijke kost +is. <span class="pagenum">[<a id="pb165" href="#pb165" name= +"pb165">165</a>]</span></p> +<p>„Wij verzochten hem, ons een geweer te geven, opdat we ons +beter voedsel verschaffen konden; doch hij roste Romer zoo onbarmhartig +af, dat hij in geen twee dagen een lid verroeren kon. De arme +Hottentotten en de slaven kregen bijna dag aan dag slaag. Hij bediende +zich daartoe van een zweep, die uit het vel van een rhinoceros gesneden +was; en dat was een vreeselijk ding, dat den armen mensch bij elken +slag tot diep in het vleesch drong.</p> +<p>„Zoo begon het leven ons werkelijk tot last te worden. Wij +kregen elken dag zwaarder werk, en elken dag werd het monster wreeder +tegen ons. Eindelijk kwamen wij overeen, dat wij dit niet langer +verdragen wilden, en Hastings zeide hem dit op een avond ronduit.</p> +<p>„Dit bracht hem in de hevigste woede: hij riep twee van zijne +slaven, beval hun Hastings aan een wagenrad te binden en zwoer, hem de +huid van het lijf te zullen geeselen. Daarop ging hij in huis om zijne +zweep te halen.</p> +<p>„De slaven grepen Hastings aan en bonden hem aan het rad; want +zij waagden het niet hun meester ongehoorzaam te zijn. Hastings echter +zeide tot ons: „Als ik gezweept word, zijn wij allen verloren. +Thans staat het aan u, om aan ons lijden een einde te maken. Loopt +achter het huis om, en als hij met de zweep komt, gaat dan in huis en +haalt de geweren, die altijd geladen zijn. Houdt hem in het vizier, +totdat ik zelf vrij ben, en dan zullen wij wel een middel vinden, om te +ontkomen. Gij moet dat doen, want ik ben overtuigd, dat hij mij anders +doodslaan en u als weggeloopen gevangenen voor den kop schieten zal, +gelijk hij dat onlangs die beide Hottentotten gedaan heeft.”</p> +<p>„Wat Hastings zeide kwam ons beiden maar al te waarschijnlijk +voor. Toen de boer dus terugkeerde en op Hastings toekwam, die op +ongeveer twintig passen van het huis was vastgebonden, maakten we +schielijk, dat we in huis kwamen. De boerin lag juist ziek; wij +behoefden ons dus aan haar en de kinderen niet te storen. Wij grepen +twee geweren en een lang mes en kwamen te voorschijn juist op het +oogenblik, dat de wreedaard den eersten zweepslag uitdeelde, die ook +zoo geducht neerkwam, dat de arme Hastings als een worm ineenkromp.</p> +<p>„Haastig schoten wij toe; hij keerde zich om en zag ons, die +de geweren al op hem aangelegd hadden, waarop hij zijne zweep dadelijk +liet vallen.</p> +<p>„Nog één slag en ik schiet u voor den +kop!” riep Romer. „Ja!” riep ik; „wij zijn nog +maar jongens, doch ge zult zien, dat ge met Engelschen te doen +hebt.”</p> +<p>„Zoo kwamen wij nader. Romer hield zijn geweer voortdurend op +den <span class="pagenum">[<a id="pb166" href="#pb166" name= +"pb166">166</a>]</span>boer gericht, terwijl ik met het mes de strikken +lossneed, waarmee Hastings was vastgebonden.</p> +<p>„De boer verbleekte en sprak geen woord, zoo ontsteld was hij, +terwijl zijne slaven het terstond op een loopen zetten. Zoodra Hastings +los was, greep hij een dikken houten hamer, waarmee men gewoonlijk +palen in den grond sloeg, en met de woorden: „Daar schurk! dat +hebt ge er voor, dat ge een Engelschman met de zweep durft te lijf +gaan,” sloeg hij den kapenaar en deed hem ter aarde tuimelen.</p> +<p>„De man lag bewusteloos op den grond. Of hij wezenlijk dood +was, wisten we niet. We bonden hem aan het wagenrad en gingen toen +dadelijk weer in huis, waar we kruit, lood en wat wij verder dachten te +kunnen gebruiken, bij elkaar zochten. Vervolgens liepen wij naar den +stal, maakten drie van de beste paarden van den boer los, deden voor +elk van de dieren wat haver in een zak, gebruikten touwen tot halters, +stegen op en renden toen weg zoo hard als we konden. Daar wij wel +begrepen, dat men ons vervolgen zou, galoppeerden we eerst in eene +oostelijke richting, alsof wij naar de Kaapstad wilden gaan. Zoodra wij +echter een grond bereikt hadden, waarop de paardenhoeven geen sporen +achterlieten, wendden wij ons in allerijl noordwaarts en namen den weg +naar het land der Boschjesmannen. Kort nadat wij van koers veranderd +waren, begon de avond te vallen; maar wij reden den ganschen nacht +door, en ofschoon wij op eenigen afstand de leeuwen duidelijk hoorden +brullen, overkwam ons voor ditmaal geen nieuw ongeluk. Met het +aanbreken van den dag lieten wij onze paarden uitrusten, wierpen hun +wat haver voor en legden ons toen zelven neder, om ons met de +meegebrachten voorraad te verkwikken.”</p> +<p>„Hoe lang waart gij in het geheel wel bij dien boer te Graaf +Reinet geweest?”</p> +<p>„Zoo omtrent acht maanden, mijnheer. Wij hadden in dien tijd +niet alleen vrij wat Hollandsch geleerd, maar konden ons ook door de +Hottentotten en andere inlanders doen verstaan. Bovendien hadden wij +eene nauwkeurige kennis van het land verkregen en wisten nu beter dan +te voren, hoe wij ons op onze reis te gedragen hadden.”</p> +<p>„Onder het eten overlegden wij, wat wij thans aanvangen +zouden. Dat de Hollanders ons doodschieten zouden, zoodra zij ons in +handen kregen, dat wisten wij zeer goed en wij twijfelden er ook niet +aan, of zij zouden ons uit al hunne macht vervolgen. Bovendien vreesden +wij, dat wij den boer hadden doodgeslagen en in dat geval wachtte ons +de galg, zoodra wij de Kaap bereikten, zoodat wij doodelijk verlegen +waren wat te doen. <span class="pagenum">[<a id="pb167" href="#pb167" +name="pb167">167</a>]</span></p> +<p>„Eindelijk besloten wij het land van de Boschjesmannen door te +trekken en ons noordwaarts van de Kaap naar het zeestrand te +wenden.</p> +<p>„Na deze afspraak namen wij onze zadels af en bonden onze +paarden aan eenige boomen, waarbij goed gras voor hen was; want hadden +wij hen niet vastgebonden, dan zouden zij denkelijk naar hun ouden stal +terug gegaloppeerd zijn. Wij besloten vooreerst bij voorkeur bij nacht +en niet bij dag te reizen, om geen gevaar te loopen van door onze +vijanden te worden gezien. Met deze gedachten legden wij ons neder en +hadden een langen, vasten slaap.</p> +<p>„Tegen den avond zochten wij water voor onze paarden, gaven +hun andermaal haver en vervolgden toen onzen tocht. Ik kan niet alles +vertellen, wat wij zoo veertig dagen achtereen al hadden uit te staan. +Wij hadden intusschen onze paarden bijna lam en kreupel gereden en +waren daarom genoodzaakt ons bij een stam van inlanders op te houden en +den armen dieren eenige rust te vergunnen. Die inboorlingen noemden +zich Gorraguas, als ik het wel heb en waren een vreedzaam en +zachtzinnig volkje, dat ons rijkelijk van melk voorzag en ons als +vrienden behandelde.</p> +<p>„We hadden evenwel enkele avonturen, die mij nog levendig voor +den geest staan. Zoo, onder andere, kwamen wij eens een bosch door, +waar opeens een rhinoceros op mijn paard toeschoot, dat het gevaar +alleen daardoor ontkwam, door ter zijde te springen en het beest in den +rug te komen; waarop het vreeselijk gedrocht zijn weg vervolgde, zonder +ons verder te verontrusten.</p> +<p>„Iederen dag schoten wij het een of ander dier tot ons +onderhoud: soms eens een gnoe(een heel wonderlijk beest, half koe, half +antilope), of anders een van de hertebokken of wilde geiten, die wij in +menigte ontmoetten.</p> +<p>„Zoo bleven wij omtrent drie weken bij deze menschen en gaven +onze paarden tijd om hunne krachten wat te herstellen, waarop de reis +opnieuw aanving. Wij wendden ons thans meer zuidwaarts en naar de kust; +want de Gorraguas hadden ons gezegd, dat in het noorden een woest volk, +de Kaffers, omzwierf, die ons zeker van kant zouden maken, als wij in +hunne handen vielen.</p> +<p>„Inderdaad wisten wij echter niet, wat wij eigenlijk doen +zouden. Als echt dwaze en onbezonnen knapen, hadden wij, zonder een +bepaald plan, de Kaap verlaten, en nu namen de moeilijkheden en +bezwaren, waaraan wij blootstonden, van dag tot dag toe. Ten laatste +hielden wij het toch voor het verstandigst, om den weg naar de Kaapstad +terug te zoeken en ons weder als gevangenen uit te leveren, want wij +waren dat eeuwige zwerven <span class="pagenum">[<a id="pb168" href= +"#pb168" name="pb168">168</a>]</span>nu hartelijk moe. Wat wij het +allermeest vreesden, was, dat wij dien boer te Graaf Reinet, die ons +zoo gruwelijk mishandeld had, gedood hadden; maar Hastings zeide, dat +hij zich daar volstrekt niet over bekommerde, dat het zijne zaak was en +dat hij de verantwoordelijkheid geheel op zich nam.</p> +<p>„Zoo namen wij dan nu afscheid van onze Gorraguas, die zeer +verblijd waren, dat wij hun al de knoopen, die wij missen konden, tot +een geschenk gaven. Wij trokken naar het zuidoosten, zoodat wij de +zeekust bereiken en tegelijk ook zuidwaarts gaan konden.</p> +<p>„En nu, mijne vrienden, kom ik aan een allerdroevigst ongeluk, +dat ons al spoedig overkwam. Twee dagen nadat wij onze reis weder +hadden aangevangen, leidde onze weg ons over eene met hoog gras +begroeide vlakte. Op eens zagen wij daar een leeuw voor ons, die een +hert, dat hij gedood had, verslond.</p> +<p>„Romer, die Hastings en mij een tiental passen vooruit was, +verschrikte zoo op dat gezicht, dat hij zijn geweer op het dier +afschoot; dit was een groote dwaasheid van hem, die wij ook afgesproken +hadden, altijd te zullen vermijden; want met zulke geringe krachten, +als wij hadden, was het nooit geraden een zoo machtig dier tegen ons in +woede te brengen. De leeuw was licht gekwetst. Met een gebrul, dat men +zekerlijk wel een uur ver hooren kon, sprong hij op Romer los en rukte +hem door een enkelen slag met zijn klauw uit den zadel en op den grond +neer. Onze paarden, die beefden van angst, sprongen achteruit, terwijl +het vreeselijke dier zich kennelijk gereedmaakte, om ook ons aan te +vallen. De leeuw had reeds een sprong naar ons gedaan<span class="corr" +id="xd21e3874" title="Bron: .">,</span> doch onze paarden ontrukten ons +aan het gevaar, en wij konden hen in hunnen loop niet eer tot staan +brengen, voordat wij voor het minst een half uur van de plaats +verwijderd waren.</p> +<p>„Eindelijk kregen wij hen tot staan en zagen in het rond. Daar +ontdekten wij den leeuw, hoe hij juist Romers paard had neergeworpen en +het lichaam van dat arme beest in een soort van galop wegsleepte alsof +hem dat in ’t geheel niet zwaar viel. Wij wachtten, tot hij ver +genoeg verwijderd was, en reden toen naar de plaats terug, waar Romer +was gevallen. Daar lag onze arme makker bebloed en zonder leven: de +eerste slag van den leeuwenklauw had hem het hoofd verbrijzeld.</p> +<p>„Wij waren niet eens in staat om onzen ongelukkigen kameraad +te begraven. Evenwel bedekten we zijn lijk met eenige struiken en +keerden het met diep bedroefd hart den rug toe. Ik voor mij schreide +wel een vol uur lang, terwijl wij verder reden. Hastings sprak geen +enkel woord, totdat het tijd werd, dat wij onze paarden rusten lieten. +<span class="pagenum">[<a id="pb169" href="#pb169" name= +"pb169">169</a>]</span></p> +<p>„Ik heb vergeten u te zeggen, dat de Gorraguas ons geraden +hadden niet langer bij nacht, maar bij den dag te reizen; en zoo hadden +wij hun raad ook opgevolgd. Niettegenstaande het verschrikkelijk +ongeluk, dat ons getroffen had, geloof ik toch, dat hun raad verstandig +en goed gemeend was; want wij ondervonden, dat de leeuwen, zoo dikwijls +wij bij nacht reisden, ons meer dan anders vervolgden.</p> +<p>„Drie dagen na Romers dood kregen wij voor het eerst den +wijden oceaan weer te zien. Het was ons daarbij alsof wij een ouden +vriend ontmoetten. Wij hielden ons dicht aan het strand, maar +ondervonden spoedig, dat wij ons daar niet zoo gemakkelijk als dieper +landwaarts in van wild tot ons voedsel en van hout tot onze vuren +’s nachts voorzien konden, en besloten derhalve de kust andermaal +te verlaten.</p> +<p>„Wij hadden eene uitgestrekte, eentonige vlakte door te +trekken en waren door honger reeds geheel uitgeput, want in geen twee +dagen hadden wij iets over de lippen gehad, toen wij eindelijk een +struisvogel ontmoetten.</p> +<p><span class="corr" id="xd21e3890" title= +"Niet in bron">„</span>Hastings maakte er met zijn paard jacht +op, maar tevergeefs, want de struis kon veel harder loopen dan het +paard. Ik bleef achter en ontdekte tot mijn groote blijdschap het nest +van den vogel, met dertien groote eieren daarin.</p> +<p>„Hastings kwam spoedig terug; zijn paard was geheel vermoeid +en buiten adem. Wij zetten ons neder, maakten vuur aan en braadden twee +van de eieren, ’t geen een heerlijk maal voor ons was. Daarop +namen wij nog vier eieren mede en braken weder op.</p> +<p>„Nog drie volle weken hadden wij niets dan moeite en ellende +door te staan. Op zekeren morgen eindelijk kregen wij den Tafelberg in +het oog en waren zoo verheugd op dat gezicht, alsof wij de witte +krijtrotsen van Engeland vóór ons hadden gehad. In de +hoop van nog vóór den nacht in onze oude gevangenis +gemakkelijk onder dak te zullen komen, dreven wij onze paarden aan, +doch toen wij de baai naderden, zagen wij van de schepen op de reede de +Engelsche vlag waaien.</p> +<p>„Dat te zien verbaasde ons zeer. Een weinigje later ontmoetten +wij echter een Engelsch soldaat en van dezen vernamen wij, dat de Kaap +reeds voor ruim zes maanden door onze troepen veroverd was. Welk een +blijde verrassing dat voor ons was, kunt gij u gemakkelijk voorstellen. +Wij reden de stad binnen en meldden onszelven dadelijk aan bij de +hoofdwacht. De gouverneur liet ons bij zich komen, hoorde onze +geschiedenis en zond ons tot den admiraal, die ons dadelijk aan boord +van zijn eigen schip opnam. <span class="pagenum">[<a id="pb170" href= +"#pb170" name="pb170">170</a>]</span></p> +<p>„En nu, Willem ben ik hier aan eene goede plaats om af te +breken. Bovendien moet gij thans tamelijk vermoeid zijn en dus zal het +’t best zijn, dat we allen ons bed opzoeken.”</p> +</div> +</div> +<div id="ch39" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">NEGEN-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">FLINKS VERDERE REIZEN EN AVONTUREN.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Daar er voor het oogenblik juist geen noodzakelijk +werk te doen was, namen Flink en mijnheer Wilson den volgenden morgen +de vischlijnen op, om den voorraad in hun vijver te vermeerderen. Het +weder was bijzonder fraai, en Willem vergezelde hen, om van de frissche +lucht te genieten, die tegenwoordig de beste medicijn voor hem was.</p> +<p>Toen zij den tuin voorbijkwamen, bemerkten zij, dat de zaadgewassen +reeds een of twee duim boven den grond waren opgeschoten en dat, naar +’t scheen, alles tierig opkwam. Terwijl de beide mannen aan +’t visschen waren, zat Willem rustig bij hen en vroeg aan zijn +vader:</p> +<p>„Van de eilanden hier in de nabuurschap zijn zeker vele +bewoond,—is ’t niet vader?”</p> +<p>„O ja; maar die hier het naast om ons waarschijnlijk niet. +Althans heb ik nooit van reizigers gehoord, die op de eilanden, op een +waarvan wij thans wezen moeten, bewoners gevonden hebben.”</p> +<p>„Welke soort van menschen zijn toch wel de eilanders in deze +zeeën?”</p> +<p>„Ze zijn van heel verschillenden aard. De Nieuw-Zeelanders +zijn in beschaving het verst gevorderd; maar toch moet men nog altijd +menscheneters onder hen vinden. De bewoners van van-Diemensland en +Australië behooren tot denzelfden stam, maar staan op een zeer +laag standpunt,—waarlijk weinig hooger dan de dieren des velds. +Ik geloof, dat zij de ruwsten en onbeschaafdsten zijn van heel het +menschelijk geslacht.”</p> +<p>„Met uw verlof, mijnheer,” viel Flink hem in de rede, +„maar ik heb die menschen zelf gezien en geloof toch een volk te +kennen, dat wel niet zoo talrijk is, maar met de dieren des velds toch +nog meer overeenkomst heeft dan die Zuidzee-eilanders. Ik heb hen eens +van mijn leven gezien en hield hen ook wezenlijk op ’t eerste +gezicht voor beesten en niet voor menschelijke wezens.”</p> +<p>„Waarlijk, Flink? En waar was dat wel?” <span class= +"pagenum">[<a id="pb171" href="#pb171" name="pb171">171</a>]</span></p> +<p>„Op de groote Andamans-eilanden, aan den mond van de Baai van +Bengalen.—Eens dat het een storm woei, lieten wij het anker +vallen te Port Cornwallis,—eene zoo kostelijke haven, dat de +gansche Engelsche vloot er wel in schuilen kon,—en den volgenden +morgen ontdekten we enkele zwarte schepsels, die onder de boomen het +dichtst op het strand op handen en voeten omkropen. Wij namen onze +kijkers in de hand,—want we waren nog wel een paar mijlen van den +wal af,—en toen ze recht overeind gingen staan, merkten wij +eindelijk, dat het werkelijk menschen waren.”</p> +<p>„Zijt gij ook met hen in nadere aanraking gekomen?”</p> +<p>„Neen, mijnheer, ik zelf niet. Maar te Calcutta ontmoette ik +een soldaat, die eenmaal met hen verkeerd had. De Oostindische +Compagnie had namelijk vroeger het plan gehad, om een post op die +eilanden achter te laten en had daartoe eenige troepen afgezonden. De +man vertelde mij, dat zij twee van dat volkje hadden opgevangen: die +waren niet meer dan vier voet lang en uiterst dom en onnoozel. Ze +hadden geene kleeren of iets aan het lijf, hadden geene huizen of +hutten, om in te wonen en al wat ze deden was, dat ze wat struiken en +takken op elkaar stapelden, om daarachter te schuilen tegen het booze +weer.”</p> +<p>„Hadden zij ook wapens?”</p> +<p>„Ja, mijnheer; ze hadden boog en pijlen, maar die waren zoo +ellendig en zoo zwak, dat ze er niets anders dan zeer kleine vogels mee +dooden konden. Bij de landing van ons volk hadden de eilanders al hunne +pijlen op onze soldaten afgeschoten, maar onze soldaten trokken die +weer heel bedaard uit hunne kapotjassen, want ze waren niet dieper +doorgedrongen.”</p> +<p>„Nu, naar uwe beschrijving geloof ik zeker, dat die schepsels +der Andamans-eilanden op een nog lager trap dan de Nieuw-Hollanders +staan. Maar wat deden onze landslieden met de beide gevangenen, die zij +toen opgebracht hadden?”</p> +<p>„Zij lieten hen weer loopen, mijnheer, want de stumpers aten +niets, spraken geen woord en zouden zeker gestorven zijn, als men hen +langer had vastgehouden.”</p> +<p>„Waar kwam het volk, dat deze eilanden bewoonde, vandaan, +vader?”</p> +<p>„Dat is moeilijk te zeggen, Willem; men gelooft over het +algemeen, dat zij zoo langzamerhand, evenals ons eiland hier, bevolkt +werden, namelijk door lieden, die in booten en kano’s de hooge +zee op waren gedreven en evenals wij hun leven door eene landing in +zekerheid brachten.”</p> +<p>„Ja, ja,” zeide Flink, „zoo zal het waarschijnlijk +wel geweest zijn. Zoo moeten ook de Andamans-eilanden door een +slavenschip, dat negers aan <span class="pagenum">[<a id="pb172" href= +"#pb172" name="pb172">172</a>]</span>boord had en gedurende een typhon +op de kust schipbreuk leed, bevolkt zijn geworden.”</p> +<p>„Een typhon, wat is dat, Flink?”</p> +<p>„Zooveel als een orkaan, Willem; hij verheft zich in +Indië doorgaans bij het omslaan der passaatwinden.”</p> +<p>„Ja, ge gebruikt zulke vreemde woorden, passaatwinden, wat +zijn dat weer?”</p> +<p>„Dat zijn winden, die zekere maanden van het jaar bestendig +uit ééne hemelstreek blazen en dan omslaan of omspringen, +om juist in eene tegenovergestelde richting voort te waaien.”</p> +<p>„Zijn dat misschien die zelfde passaatwinden, waarvan ik onzen +armen kapitein Osborn na onze afvaart van het eiland Madera hoorde +spreken?”</p> +<p>„Neen, deze zijn eene bijzondere soort van passaatwinden. Zij +waaien alleen aan den evenaar, eenige graden ten noorden en zuiden er +van, en houden altijd, den loop der zon volgende, de richting van het +oosten naar het westen.”</p> +<p>„Is het misschien de zon, die deze winden +veroorzaakt?”</p> +<p>„Ja, mijn jongen,” antwoordde de vader. „De groote +hitte in de keerkringslanden verdunt de lucht, en zoo ontstaan de +passaatwinden daardoor, dat bij de omwenteling der aarde frissche lucht +in de plaats der verdunde treedt. Ook in eene kamer zult gij opmerken +dat bij een groot vuur een gestadige luchttocht naar den haard plaats +vindt. Op gelijke wijze is de zonnehitte de oorzaak der passaatwinden +in de keerkringsstreken.”</p> +<p>„Ja, beste Willem, me dunkt, ge begrijpt dat nu wel,” +nam Flink het woord: „en de passaatwinden veroorzaken ook den +zoogenaamden golfstroom. De winden, die op den Atlantischen Oceaan +gedurig den loop der zon volgen en in de streek van het oosten naar het +westen waaien, hebben natuurlijk een grooten invloed op de zee en +dringen deze in de Golf van Mexico op, waar zij door de kusten van +Amerika wordt opgehouden, zoodat het water in die golf ettelijke voeten +hooger is, dan in het oostelijke gedeelte van den Atlantischen Oceaan. +Deze opeenhooping van water moet natuurlijk ergens een afloop hebben, +en zoo ontstaat de zoogenaamde golfstroom, waardoor de wateren zich uit +de Golf noordwaarts uitgieten, langs de kusten van Amerika +voortstroomen, zich dan naar het westen keeren, zoodat zij niet ver van +Newfoundland voorbijspoelen, tot eindelijk hun stroom in het noorden +van de Azoren of Westelijke eilanden nagenoeg ophoudt. Ge zult u wel +herinneren, op den dag dat wij onze reis berekenden, die eilanden op de +kaart gezien te hebben.” <span class="pagenum">[<a id="pb173" +href="#pb173" name="pb173">173</a>]</span></p> +<p>„De golfstroom,” voegde de heer Wilson er bij, „is +altijd eenige graden warmer, dan de zee over het geheel, en de reden +daarvan moet wezen, dat het water in de Golf van Mexico door de +ongewone zonnehitte, die daar heerscht, meer dan andere plaatsen +verwarmd wordt. Men herkent dien stroom aan het zeegras, dat hij op de +oppervlakte van het water met zich voert.”</p> +<p>„Heel goed, vader. Maar wat verstaat men dan onder de land- en +zeewinden in West-Indië en andere heete landen?”</p> +<p>„Daaronder verstaat men den wind, die op bepaalde uren van den +dag eerst van het land naar de zee en dan omgekeerd van deze naar het +land waait, zoodat hij gedurende de vierentwintig uren regelmatig +afwisselt. Ook dit verschijnsel is een gevolg van de zonnehitte. De +zeewind begint des morgens en gaat liggen tegen den middag; waarop de +landwind een aanvang neemt en tot middernacht aanhoudt.”</p> +<p>„En dan zijn er,” zeide Flink, „in de nabuurschap +van de passaatstreken enkele breedten, waar de wind zeer onbestendig is +en menig schip al weken achtereen in de windstilte moest blijven +liggen. Dat is telkens eene ware ramp voor de manschap, want het water +aan boord wordt dan doorgaans geheel opgebruikt en men heeft vreeselijk +van de hitte te lijden. Men noemt die breedten de +paardebreedten—waarom, dat weet ik zelf niet recht; ik denk +haast, omdat men paarden, als men die aan boord heeft en zulk eene +windstilte invalt, natuurlijk het eerste opoffert, als er gebrek aan +water komt. Doch ’t wordt tijd, dat wij opbreken, en ook Willem +mag nu wel weer stilletjes in huis gaan.”</p> +<p>Zoo keerden zij gezamenlijk terug naar hunne woning, en na het +avondeten ging de oude stuurman met zijn verhaal aldus <span class= +"corr" id="xd21e3978" title="Bron: poort">voort</span>:</p> +<p>„Ik ben gebleven bij het oogenblik, dat ik op het +admiraalsschip gezonden en als kajuitsjongen onder de manschap +opgenomen werd. Vier jaren omtrent bleef ik op dit schip, kwam in dien +tijd van haven tot haven, van land tot land, totdat ik een stevige +flink uit de kluiten gewasschen knaap werd en als matroos in den +bezaansmast geplaatst werd.</p> +<p>„Dat beviel mij nu recht goed. Ik deed mijn plicht, en het +gevolg was, dat ik nooit straf kreeg. Op een oorlogsschip behoeft men +namelijk nooit voor straffen bevreesd te zijn, als men zijn werk maar +doet, en dit valt niemand heel zwaar, ’t Is heel anders op +koopvaardijschepen, waar zoo weinig matrozen zijn: daar heeft men de +handen altijd vol werk. Natuurlijk vindt men ook op oorlogsschepen +enkele kapiteins, die bijzonder streng en hard zijn, echte +bulderbasten, zooals wij matrozen ze noemen. Ik had evenwel het +<span class="pagenum">[<a id="pb174" href="#pb174" name= +"pb174">174</a>]</span>geluk om onder een zeer braven, menschlievenden +kapitein te dienen, die, ofschoon hij geen verzuim door de vingers zag, +toch heel ongaarne strafte.</p> +<p>„Het eenige, wat mij zwaar op het hart lag, was, dat ik nooit +naar Engeland komen en mijne moeder terugzien kon. Ik had twee of drie +brieven geschreven, maar geen antwoord ontvangen. Ten laatste werd ik +zoo ongeduldig, dat ik besloot, bij de eerste gelegenheid, die zich +aanbood, op mijn eigen houtje de reis naar huis aan te nemen.</p> +<p>„Onze post was toenmaals in West-Indië en ik hield met +Hastings, die even vurig als ik verlangde weg te komen, gedurig raad +over het geval. Wij kwamen eindelijk overeen, dat wij bij de eerste de +beste kans de hielen zouden lichten.</p> +<p>„Ten laatste kwamen wij in Port-Royal op het eiland Jamaica +voor anker.<a id="xd21e3993" name="xd21e3993"></a></p> +<p><span class="corr" id="xd21e3996" title= +"Niet in bron">„</span>Daar lag destijds ook een groot konvooi +Westindievaarders, die gereed waren, om met hunne lading suiker +oogenblikkelijk onder zeil te gaan. We wisten, dat men ons, zoodra wij +maar op een dier schepen komen konden, zorgvuldig tot aan het uur van +het anker lichten aan boord zou verbergen, omdat daar gebrek aan +matrozen was, doordien onze kapitein zooveel volk, als hij maar machtig +kon worden, voor zichzelven geprest had.</p> +<p>„Wij hadden slechts ééne mogelijkheid te +ontkomen:—wanneer we namelijk bij nacht naar een van die schepen +toe zwommen, wat vrij gemakkelijk te doen was, daar ze pas honderd +meter van ons fregat verwijderd lagen. Het eenige, dat we vreesden, +waren de haaien, die zich daar op de reede in menigte vertoonden. +Evenwel waren wij zoo ongeduldig om onze vlucht door te zetten, dat wij +ons door geen gevaar lieten afschrikken, en zoo besloten wij ten +laatste, in den nacht vóór het uitzeilen der +koopvaardijschepen het waagstuk te ondernemen.</p> +<p>„Het was tegen de hondewacht—alles herinner ik mij nog +zeer goed en ik zal er mijn leven lang aan denken, alsof het gisteren +gebeurd was—toen wij ons zachtjes bij den boeg van het schip +lieten neerzakken. Zoodra wij in ’t water waren, zwommen wij op +den Westinjevaarder aan, die het dichtst bij ons lag.</p> +<p>„De schildwacht op de loopplank bemerkte de kabbeling van het +water, dat door ons zwemmen in beweging kwam, en terstond hoorden wij +hem ons aanroepen. Wij gaven natuurlijk geen antwoord, maar repten +armen en beenen wat wij konden, want kort na het aanroepen van den +schildwacht vernamen wij gerucht en begrepen daaruit heel goed, dat de +officier van de wacht eene sloep strijken en ons vervolgen zou. +<span class="pagenum">[<a id="pb175" href="#pb175" name= +"pb175">175</a>]</span></p> +<p>„Ik was Hastings eenige meters vooruit en had juist het +kabeltouw van den Westinjevaarder in de hand, met het voornemen om er +mij bij op te halen, toen ik een luiden gil achter mij hoorde. Toen ik +mij omkeerde, zag ik een haai, die mijn armen Hastings tusschen de +tanden greep en met hem onderdook.</p> +<p>„Ik was zoo ontsteld, dat ik een tijdlang bijna geen lid kon +verroeren. Eindelijk raapte ik mijne hersens weer bijeen en begon, zoo +vlug als ik kon, bij het touw op te klauteren. Ik had dan ook waarlijk +geen tijd te verliezen, want juist schoot een tweede haai op mij los. +Ik was wel al meer dan twee voet boven water, maar toch sprong hij +omhoog en pakte nog even mijn schoen bij den hak, die hij terstond mee +in de diepte sleepte.</p> +<p>„De schrik gaf mij krachten en twee minuten later was ik dan +ook al voor de kluisgaten<a class="noteref" id="xd21e4013src" href= +"#xd21e4013" name="xd21e4013src">1</a>. De matrozen op het schip hadden +ons van boven gezien, en waren getuigen van Hastings akeligen dood +geweest. Zij hielpen mij aan boord en verborgen mij terstond omlaag, +want de boot van het fregat was dicht achter mij.</p> +<p>„Toen de officier van de wacht aan boord kwam, vertelden zij +hem, hoe zij ons dicht bij hun schip gehoord en gezien hadden, toen wij +door de haaien werden ingeslokt.—Het volk in de boot had +Hastings’ gillen duidelijk gehoord, en zoo geloofde de officier +ook terstond, dat wat men hem op de mouw <span class="corr" id= +"xd21e4018" title="Bron: spelde">speldde</span> waarheid was, en roeide +zonder zelfs onderzoek te doen, naar het fregat terug.</p> +<p>„Ik kon hooren, hoe de trom op het fregat al het volk op het +dek riep, daar men toch eerst weten moest, wie de beide menschen waren, +die zoo dat wegzwemmen gewaagd hadden. Een minuut of wat daarna werd er +weer afslag getrommeld, en dus wist ik, dat de namen van mij en van den +armen Hastings voortaan met een dubbele D op de scheepslijst +stonden.</p> +<p>„Maar wat beduidt zoo’n dubbele D.?” vroeg +Willem.</p> +<p>„D. alleen beteekent: deserteur; D. D. wil zeggen, dat men ook +goed en wel dood is.</p> +<p>„Het was wel een wonder, dat ik zoo goed ontkwam, en nog uren +nadat het gebeurd was, kon ik er mij zelf geen begrip van maken. Ik wou +slapen maar ik kon niet; het was alsof mij ’t hart werd +toegeknepen. Telkens, als ik zou inslapen, verbeeldde ik mij, dat de +haai mij beet had gepakt, met luid geschreeuw sprong ik dan op en zocht +opnieuw den slaap te vatten, maar dit lukte niet. <span class= +"pagenum">[<a id="pb176" href="#pb176" name="pb176">176</a>]</span></p> +<p>„De kapitein van mijn nieuw schip vreesde eindelijk, dat mijn +geschreeuw op het fregat gehoord zou worden, en zond mij een glas rum, +dat ik uitdrinken moest. Dit bracht mij eindelijk tot rust en ik +verzonk in diepe slaap.</p> +<p>„Toen ik ontwaakte, had het schip reeds de ankers gelicht en +alle zeilen bijgezet. Nog wel honderd en meer schepen gingen met ons +mede en de oorlogsschepen, die ons konvooi vergezelden, losten gedurig +de stukken en gaven elkaar daar seinen door. Het was wezenlijk een +prachtig gezicht.</p> +<p>„Zoo stuurden we dan met vroolijk hart op het lieve +Oud-Engeland aan. Ik gevoelde mij zoo gelukkig, dat ik, om in vrijheid +te komen, nog gaarne eens al de haaien van de wereld zou hebben +getrotseerd. Nu ging het op het vaderland aan, nu zou ik, na lange +afwezigheid, mijne bekenden weer zien en mijne lieve moeder nog eens +omarmen!”</p> +<p>„Gedurende de reis deed ik mijn best als voormarsgast op het +schip, en de kapitein was zeer met mij ingenomen. Aan den +onderbootsman, die een Schot en een bijzonder vriendelijk en braaf man +was, had ik mijne avonturen verteld. Hij deed mij begrijpen, hoe dwaas +en slecht ik gehandeld had, toen ik al, wat mijne moeder en Masterman +voor mij doen wilden, zoo roekeloos in den wind sloeg. Ik voelde dat +hij gelijk had, en verlangde vuriger dan ooit mijne moeder weer eens in +de armen te sluiten en haar vergiffenis te vragen voor al wat ik had +misdaan.</p> +<p>„Het schip, waarop ik mij bevond, was naar Glasgow +bestemd.</p> +<p>„Bij North Foreland stuurden wij van het groote konvooi af en +kwamen gelukkig in de haven. De kapitein bracht mij bij het kantoor van +het schip, dat mij voor mijne diensten gedurende de overvaart vijftien +pond<a class="noteref" id="xd21e4043src" href="#xd21e4043" name= +"xd21e4043src">2</a> uitbetaalde. Zoodra ik dat geld in handen had, +repte ik mij, wat ik kon, naar Newcastle. Ik had boven op den +postwagen<a class="noteref" id="xd21e4046src" href="#xd21e4046" name= +"xd21e4046src">3</a> eene plaats genomen en raakte daar al spoedig in +gesprek met een heer, die naast mij zat. Ik merkte, dat hij te +Newcastle thuis behoorde, en mijn eerste vraag was, of hij daar ook +zekeren mijnheer Masterman, den scheepsbouwmeester kende.”</p> +<p>„O ja, dien heb ik best gekend; maar hij is nu omtrent een +maand of drie dood.”</p> +<p>„En wie waren zijne erven dan?” vroeg ik. „Hij was +immers heel rijk en had niemand, die hem in den bloede bestond?” +<span class="pagenum">[<a id="pb177" href="#pb177" name= +"pb177">177</a>]</span></p> +<p>„Ja, familie had hij niet,” gaf die heer mij ten +antwoord; „hij vermaakte dan ook zijn heele vermogen aan de stad, +onder voorwaarde, dat men daarvoor zieken- en armhuizen zou oprichten. +In den laatsten tijd had hij, geloof ik, nog een deelhebber in zijne +zaak, en dien gaf hij zaak en winkel over, omdat hij geen familie had +en ’t aan niemand anders geven kon. Vroeger was hij, zooals ik +zeker weet, van voornemen om al zijn geld en goed na te laten aan een +knaap, die Flink heette, en hem eens uit het water had geholpen, maar +die jongen liep weg, ging op zee en heeft sedert niets meer van zich +laten hooren. Men is zijn spoor gevolgd en gelooft, dat hij in +gevangenschap bij de Hollanders gestorven is. Die dwaze +jongen;—hij kon tegenwoordig een man van stand en vermogen +zijn!”</p> +<p>„Ja waarlijk, hij deed zeer dwaas!” was mijn +antwoord.</p> +<p>„Ja, maar niet alleen zichzelven, ook anderen heeft hij +daardoor kwaad gedaan. Zijne arme moeder was heel sterk aan hem gehecht +geweest; zij tobde en kwelde zich toen zij zijn verlies vernam, en had +rust noch duur meer, voordat....”</p> +<p>„Gij wilt toch niet zeggen, dat zij dood is?” riep ik en +vatte den vreemdeling bij den arm.</p> +<p><span class="corr" id="xd21e4072" title= +"Bron: ,">„</span>Ja,” zeide hij en zag mij verwonderd aan, +„zij stierf heel spoedig na den heer Masterman.”</p> +<p>„Ik zonk op de pakkage neer en zou van den wagen gevallen +zijn, als de ander mij niet gegrepen had. Hij riep den koetsier toe, +dat hij moest stilhouden. Samen richtten zij mij toen weer op en +brachten mij binnen in het rijtuig. Gelukkig was daar niemand in; want +ik was geheel buiten mijzelven en weende en klaagde luid, zoodat zij +diep medelijden met mij hadden.”</p> +<p>Flink scheen door zijn verhaal zoo aangedaan dat mijnheer Wilson hem +voorstelde, voor heden af te breken en zich met de overigen ter ruste +te begeven.</p> +<p>„Ik dank u, mijnheer. Gij hebt gelijk; zoo zal het wel beter +zijn, want nog gevoel ik, dat mijne oude oogen van tranen overloopen. +Het is iets vreeselijks, als men zich in later dagen verwijten moet, +dat eigen dwaze levenswandel den dood van eene zoo goede liefhebbende +moeder verhaasten moest. Bij mij was dit het geval, mijn beste Willem, +en uit liefde tot u ben ik daar zoo openhartig voor uitgekomen. Ik +zeide u vroeger reeds, dat eenige gedeelten mijner levensgeschiedenis u +tot waarschuwing dienen konden. Zorg dus, dat ik ze u niet tevergeefs +verteld heb, maar houd ze getrouw in ’t geheugen.” +<span class="pagenum">[<a id="pb178" href="#pb178" name= +"pb178">178</a>]</span></p> +</div> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd21e4013" href="#xd21e4013src" name="xd21e4013">1</a></span> De +linten of gaten, waardoor het ankertouw naar binnenboord gaat.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd21e4043" href="#xd21e4043src" name="xd21e4043">2</a></span> Ruim +ƒ 180.– Hollandsch.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd21e4046" href="#xd21e4046src" name="xd21e4046">3</a></span> De +<span class="corr" id="xd21e4048" title= +"Bron: postwagen">postwagens</span>, destijds in Engeland in gebruik, +hadden <i>outside</i> en <i>inside</i> plaatsen. De eerste, voor den +minderen man, minder kostende, waren bovenop, in de open lucht.</p> +</div> +</div> +<div id="ch40" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">VEERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">FLINKS BEROUW. GELUKKIGE WENDING VAN ZIJN LOT.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Den volgenden morgen bracht Juno voor het ontbijt in +haar schort zes eieren mee, die zij in het hoenderhok gevonden had.</p> +<p>„Kijk, mevrouw, kijk een beetje—kippen eieren +leggen—gauw heelen boel hebben voor massa Willem en heelen boel +voor kleine kippetjes.”</p> +<p>„Gij hebt toch niet alle uit de nesten genomen, Juno; dat +deedt gij immers niet?”</p> +<p>„Neen, mevrouw, ikke laten liggen in ieder nest +één, dat oude kip zien kan.”</p> +<p>„Best, meid; dan zullen wij ze voor onzen Willem klaarmaken, +zooals gij zegt en hopen dat zij hem zijne krachten teruggeven +zullen.”</p> +<p>„O, ik ben weer heel gezond en sterk, moeder,” gaf +Willem ten antwoord. „Ik geloof, dat ’t beter zou zijn, als +ge de eieren aan de hoenders tot uitbroeden overliet.”</p> +<p>„Neen, Willem, het is van veel meer belang, dat gij recht +spoedig weer gezond wordt, dan dat wij zoo spoedig kuikens +krijgen.”</p> +<p>„Thomas ook heel graag eieren lust,” begon de kleine mee +te spreken.</p> +<p>„Ja, ja; maar Thomas kan er nog dadelijk geen krijgen. Thomas +is niet ziek.”</p> +<p>„Thomas buik doet o zoo zeer,” antwoordde de guit.</p> +<p>„Ik vrees zeer, Thomas, dat gij een kleine leugenaar zijt. Ook +zouden eieren voor die buikpijn zeer nadeelig zijn.”</p> +<p>„Thomas krijgt ook hoofdpijn,” klaagde de knaap.</p> +<p>„Eieren deugen niet voor hoofdpijn, Thomas,” antwoordde +zijn vader.</p> +<p>„Ach, Thomas is zoo ziek!” zuchtte de dreumes +opnieuw.</p> +<p>„Dan moet Thomas naar bed gaan en een lepel <span class="corr" +id="xd21e4119" title="Bron: rucinusolie">ricinusolie</span> +innemen.”</p> +<p>„Thomas lust geen ricinusolie; Thomas lust alleen +eieren.”</p> +<p>„Ja, maar Thomas krijgt geen eieren,” gaf de vader +ernstig ten antwoord; „en dus kan hij zijne jokkens wel voor zich +houden. Als wij eens eieren genoeg hebben, dan zal Thomas er ook een +hebben—als hij een brave jongen is, maar anders ook +niet.”</p> +<p>„Ik heb Caroline het opzicht over de hoenders gegeven,” +vervolgde de vader, <span class="corr" id="xd21e4128" title= +"Niet in bron">„</span>en zoo dunkt mij, behoort ook het bewaren +van de eieren tot haar post. Mijn kind begint zoo al heel nuttig voor +ons te worden.”</p> +<p>De twee volgende dagen waren de beide mannen in den tuin met het +<span class="pagenum">[<a id="pb179" href="#pb179" name= +"pb179">179</a>]</span>wieden van het onkruid bezig, dat te gelijk met +de ontkiemende zaaigewassen begon op te schieten. Gedurende dezen tijd +ging Willem met zijn herstel spoedig vooruit.</p> +<p>De beide eerste dagen bracht Juno regelmatig elken morgen drie +eieren uit het hoenderhok mede; maar op den derden morgen was er geen +enkel te vinden. Ook op den vierden dag schenen de vogels niet gelegd +te hebben, waarover mijnheer Wilson zeer verwonderd was, daar de hennen +toch gewoonlijk, als zij eens beginnen te leggen, daarmede geregeld +voortgaan. Op den vijfden morgen zaten allen aan het ontbijt. Slechts +Thomas kwam niet opdagen, zoodat zijne moeder vroeg, waar hij dan toch +stak.</p> +<p>„Ik vermoed, mevrouw,” zeide de oude Flink lachend, +„dat onze sinjeur vandaag zoomin aan het ontbijt als aan de +middagtafel zal verschijnen.”</p> +<p>„Hoe meent gij dat, Flink?” vroeg de moeder.</p> +<p>„Welaan, mevrouw, ik zal ’t u vertellen. Het kwam mij +vreemd voor, dat er nu al een paar ochtenden geen eieren gevonden +waren, en ik dacht of de hoenders ze ook misschien weggelegd konden +hebben, waarom ik dan gisterenavond uitging, om er naar te zoeken. Ik +kon geen eieren ontdekken; maar daarentegen vond ik weldra de doppen, +zorgvuldig onder wat kokosbladeren weggestopt. Nu begreep ik dadelijk, +dat een roofdier, als er zoo een op het eiland was en de eieren gekaapt +had, de doppen althans niet zoo zorgvuldig verbergen zou. Zoo sloot ik +dan van morgen de deur van het hok en liet slechts het kleine luikje +open, waardoor de hoenders naar binnen kruipen. Ik zelf plaatste mij, +nadat zij van stok waren, achter de boomen en wachtte af, wat er verder +gebeuren zou. Weldra zag ik sinjeur Thomas komen aansluipen en op het +hok losgaan. Hij wilde eerst de deur openen, maar vond die gesloten; +zoo kroop hij door het kleine luikje in het hok. Zoodra hij daar binnen +was, liet ik den grendel vallen, maakte dien met een spijker vast en +zoo zit Thomas nu in zijn eigen strikken gevangen.”</p> +<p>„En hij zal ook den ganschen dag daarin blijven, die kleine +snoeper!” riep mijnheer Wilson hartelijk lachende.</p> +<p>„Ja, ja, dat is zijn verdiend loon en zal een goede les voor +hem zijn,” sprak zijne moeder. „We zullen doen, alsof wij +niets van hem merken, al klaagt en jammert hij ook uren +achtereen.”</p> +<p>„O massa Thomas, ikke heel blij, dat jij eindelijk betrapt. +Mooie ding dat, de eiers opslobberen!” jubelde Juno. „Nu +jij niets te eten krijgt,—jij dat ook prettig vindt, +he?”</p> +<p>Mijnheer Wilson, Flink en Willem gingen als gewoonlijk aan hun werk. +Mevrouw was met Juno en de kleine Caroline te huis bezig. Thomas hield +<span class="pagenum">[<a id="pb180" href="#pb180" name= +"pb180">180</a>]</span>zich wel een uur lang doodstil, totdat hij +eindelijk luidkeels begon te schreeuwen. Dat baatte hem echter weinig, +want niemand stoorde zich aan hem. Toen de etenstijd naderde, begon hij +opnieuw te brullen; doch met hetzelfde gevolg. Eerst tegen den avond +werd de deur van het hoenderhok geopend en kreeg de kleine dief +vergunning om voor den dag te komen. Hij keek verlegen op zijn neus en +zette zich, zonder een woord te spreken, in een hoekje neder.</p> +<p>„Nu, jongeheer, hoeveel eieren hebt gij vandaag +gediefd?” vroeg Flink.</p> +<p>„Thomas wil geen eieren meer snoepen,” was zijn +beschaamd antwoord.</p> +<p>„Ja, ja, dat zal ook wèl zoo goed zijn,” +antwoordde zijn vader; „want anders zult ge spoedig ondervinden, +dat gij, in plaats van meer dan anderen te krijgen, integendeel heel +weinig te eten krijgt, gelijk dat vandaag het geval is +geweest.”</p> +<p>„Maar ik heb van middag nog geen eten gehad,” zeide +Thomas.</p> +<p>„Voor vandaag krijgt gij ook geen middageten, daar kunt gij +staat op maken. Wij kunnen u onmogelijk middageten en eieren te gelijk +geven. Begint gij te schreeuwen, dan zal ik u dezen nacht in het +hoenderhok opsluiten. Gij moet thans geduldig tot het avondeten +wachten.”</p> +<p>Thomas begreep, dat aan de zaak niets te veranderen viel en wachtte +dus met hangende lip tot het avondmaal op tafel kwam. Toen zocht hij +zijne scha rijkelijk in te halen.</p> +<p>Na het avondeten ging Flink met zijne geschiedenis aldus voort:</p> +<p>„De laatste maal heb ik u verteld, hoe ik van dien heer op den +postwagen te weten kwam, dat mijne arme moeder, ten gevolge van +kwelling en verdriet over mijn weggaan, gestorven was. Hoe ’t met +mij gedurende die reis gesteld was, kan ik niet beschrijven. Ik was +vreeselijk bedroefd en verslagen totdat wij eindelijk te <span class= +"corr" id="xd21e4171" title="Bron: New-castle">Newcastle</span> +aankwamen, waar ik alle omstandigheden omtrent de ziekte en den dood +van mijne moeder vernemen kon.</p> +<p>„Toen de postwagen stilhield, kwam de heer, die onderwijl +buitenop was blijven zitten, aan het portier, gaf mij de hand en zei +mij:</p> +<p>„Als ik wel heb, zijt gij Masterman Flink, die eens het ruime +sop ingingt; of vergis ik mij misschien?”</p> +<p>„Neen, mijnheer,” zei ik heel verslagen, „ik ben +het wezenlijk.”</p> +<p>„Welnu, wees dan maar zoo neerslachtig niet, jonkman,” +antwoordde hij mij. „Destijds toen ge van huis liept, waart ge +nog een jongen zonder verstand en hadt er geen begrip van, dat uwe +moeder zooveel om u te lijden zou hebben, als ze werkelijk deed. +’t Was niet zoozeer uw wegloopen, dan wel de tijding van uw dood, +wat haar zoo verslagen maakte, en daaraan <span class="pagenum">[<a id= +"pb181" href="#pb181" name="pb181">181</a>]</span>hebt gij geen schuld. +Ge moet thans met mij meegaan, want ik heb u nog veel dingen te +zeggen.”</p> +<p>„Ik zal morgen bij u komen, mijnheer,” antwoordde ik. +„Voordat ik mijne oude buren bezocht heb en op ’t graf van +mijne lieve moeder geweest ben, kan ik toch niets aanvangen, ’t +Is waar, ’t was niet opzettelijk, dat ik moeder zoo ongelukkig +maakte, en aan ’t gerucht van mijn dood heb ikzelf ook geen +schuld; maar toch weet ik wel heel goed, dat zij, als ik niet zoo +gedaan had, nog wel in het leven gebleven en misschien een heel +gelukkig mensch wezen zou.”</p> +<p>„Uit kleine oorzaken, mijn beste Willem, komen vaak de +droevigste gevolgen voort, en als wij, bij het doen van iets, eerst +nadenken wilden, wat er de gevolgen wel van konden zijn, zonden wij ons +veel wroeging en veel berouw in het leven kunnen besparen.</p> +<p>„Die heer gaf mij zijn adres op, en ik beloofde dat ik den +volgenden morgen bij hem zou komen. Toen ging ik naar het huis, waar +mijne moeder gewoond had. Ik wist wel, dat zij daar niet meer was, en +toch was ’t of mijn hart ineenkromp, toen ik daar hardop praten +en lachen hoorde. Ik gluurde eens naar binnen; want de deur stond juist +open. In den hoek, waar mijne moeder altijd placht te zitten, stond een +groote mangel, waaraan twee vrouwen bezig waren. Aan de ronde tafel, +die ik ook nog kende, stonden twee meisjes te plooien en te stijven en +zij riepen me toe, „wat er van mijn dienst was?” Ik keerde +het huis den rug toe en ging bij een buurman, die ik wist dat een goede +kennis van mijne moeder was geweest.</p> +<p>„De vrouw was thuis, maar herkende mij niet, zoodat ik haar +eindelijk zeggen moest wie ik was. Zij had mijne moeder tot aan haar +sterfuur opgepast en vertelde mij al wat ik verlangde te weten.</p> +<p>„Het gaf aan mijn beklemd hart eenige verlichting, toen ik +vernam, dat mijne arme moeder ook zonder mijne schuld wel niet lang +meer geleefd zou hebben, daar zij aan een ongeneeslijke kanker leed; +doch tegelijk vertelde de vrouw mij, dat zij onophoudelijk aan mij +gedacht had en dat mijn naam het laatste woord op hare lippen geweest +was. Ik hoorde ook, dat mijnheer Masterman haar veel goedheid en +genegenheid betoond had.</p> +<p>„Het goede mensch zette hare muts op en geleidde mij naar het +graf der overledene, waar zij mij op mijn verlangen alleen liet. Ik +zette mij op den grasheuvel neder, die het gebeente mijner moeder +overdekte. Met een getroffen hart zat ik daar en weende lang en +bitter.</p> +<p>„Het was reeds geheel donker, toen ik eindelijk het kerkhof +verliet en naar de vriendelijke vrouw terugkeerde, die mijne moeder had +opgepast. <span class="pagenum">[<a id="pb182" href="#pb182" name= +"pb182">182</a>]</span>Ik sprak met haar en haar man tot laat in den +nacht, en daar zij mij een bed aanboden, bleef ik onder hun dak +slapen.</p> +<p>„Den volgenden morgen ging ik uit, om volgens mijne belofte +aan den heer, met wien ik den vorigen dag gereisd had, een bezoek te +brengen. Op het bordje aan zijne deur zag ik, dat hij notaris was. Hij +verzocht mij plaats te nemen, sloot toen de deur zorgvuldig toe en deed +mij allerlei vragen, om zich te overtuigen, dat ik werkelijk Masterman +Flink was. Toen berichtte hij mij, dat hij mijnheer Masterman’s +boedel onder zijn beheer gehad en bij het doorzoeken der papieren een +document gevonden had, dat voor mij van groot gewicht was, daar uit dat +geschrift bleek, dat de verzekering van het schip, ’t welk zooals +ik vroeger reeds verteld heb, aan mijn vader en mijnheer Masterman +toebehoord had en vergaan was, niet voor mijnheer Masterman’s +aandeel alleen, maar ook voor dat mijns vaders had gegolden, zoodat die +mijnheer mijne moeder haar aandeel bedriegelijk onthouden had.</p> +<p>„Hij zeide dat papier korten tijd na mijnheer +Masterman’s dood in eene geheime schuiflade gevonden te hebben. +Daar mijne moeder nochtans overleden was en hij ook mij voor dood +hield, had hij niet kunnen besluiten, om eene zoo onaangename zaak +bekend te maken; maar nu ik weder was opgedaagd, oordeelde hij, dat +zijn plicht van hem eischte het gansche geval open te leggen. Hij bood +zich aan, om de zaak voor mij bij de heeren te bezorgen, aan wie +mijnheer Masterman zijn gansche vermogen had overgedragen, om daarvoor +armen<span class="corr" id="xd21e4205" title="Niet in bron">-</span> en +ziekenhuizen te doen bouwen.</p> +<p>„De verzekering van het schip bedroeg, zeide hij, drie-duizend +pond; een derde deel daarvan kwam aan mijn vader toe, wat alleen +duizend, en met de renten van zoovele jaren, ver over eene som van +tweeduizend pond uitmaakte.</p> +<p>„Dit was natuurlijk eene zeer aangename tijding voor mij, en +gij kunt wel begrijpen, dat ik zijn voorstel dadelijk gretig aannam. +Hij ging terstond aan het werk, vervoegde zich bij den raad van beheer +en legde aan de heeren het bewijs voor; en allen stemden aanstonds +overeen, dat het geld mij eerlijk toekwam en ook zonder uitstel aan mij +moest worden uitbetaald.</p> +<p>„Zoodra het geld in mijne handen was, begon ik dat op allerlei +dwaze manieren weg te gooien. Tot mijn geluk, kwam echter in de eerste +dagen de Schotsche bootsman te voorschijn als de beschermengel, die mij +redden wilde.</p> +<p>„Zoodra ik hem het voorgevallene verteld had, sprak hij zeer +verstandig met mij, bracht mij onder het oog, dat ik thans in de +gelegenheid was, om mij voor mijn gansche leven een zeker bestaan te +verschaffen, en gaf mij <span class="pagenum">[<a id="pb183" href= +"#pb183" name="pb183">183</a>]</span>den raad, om voor mijn geld een +aandeel in een schip te koopen, onder voorwaarde, dat ik er zelf de +kapitein van zou wezen.</p> +<p>„Die inval beviel mij zeer goed. Ik zag wel in, dat ik wederom +zeer onverstandig gehandeld had, en besloot zijn raad te volgen. Eene +enkele zwarigheid hield mij tegen; ik was namelijk nog zeer jong, pas +twintig jaren oud, en had vroeger een schip wel heel goed weten te +sturen, maar mij in den laatsten tijd weinig daarop toegelegd.</p> +<p>„Ik deelde Sanders, zoo heette de bootsman, mijn bezwaar mede; +maar hij stelde mij gerust en sloeg mij voor, dat, als ik hem als +eerste stuurman wilde aanstellen, ook die moeilijkheid uit den weg zou +zijn geruimd, daar hij met het roer goed wist om te gaan en mij +terstond op de eerste reis de stuurmanskunst wel in den grond zou +leeren. Zoo kwam dan eindelijk alles in orde.</p> +<p>„Gelukkig had ik nog niet boven de honderd pond van mijn geld +verteerd, wat evenwel voor dien tijd negentig pond te veel was. Ik +keerde naar Glasgow terug, in gezelschap van Sanders, en deze gaf zich +alle moeite om naar een geschikt schip om te zien.</p> +<p>„Eindelijk vond hij er een, dat tot het van stapel loopen +gereed en, ten gevolge van een door het kantoor, dat het gebouwd had, +geleden bankroet, te koop was<span class="corr" id="xd21e4227" title= +"Bron: ,">.</span> Hij won berichten en vernam, dat eene zeer goede en +aanzienlijke firma het vaartuig waarschijnlijk koopen zou, en toen deed +hij mij een voorslag om een vierde deel in het schip te nemen en +daarover als kapitein bevel te voeren.</p> +<p>„Sanders was algemeen geacht en bezat ieders vertrouwen. Zijne +aanbeveling had dan ook tengevolge, dat de onderhandelende partijen mij +verlangden te zien en te spreken. Hoe jong ik ook was, schenen zij toch +met mij tevreden, en de koop kwam werkelijk tot stand.</p> +<p>„Ik stortte mijn aandeel, dat in twee-duizend pond bestond. +Zoodra het schip van stapel was geloopen, deed ik met Sanders, dien ik +tot eersten stuurman gekozen had, alle moeite om het spoedig geheel +zeilree te maken. Het huis, dat het schip met mij had aangekocht, was +eene Westindische firma, en zoo werd onze bodem natuurlijk tot de vaart +op West-Indië bestemd.</p> +<p>„Na het betalen van mijn aandeel, bleven mij nog drie- of +vierhonderd pond over. Deze besteedde ik tot den aankoop van +speculatie-goederen voor mijne eigene rekening en het verschaffen van +zeemans-instrumenten en dergelijke. Ook aan mijne eigene uitrusting +liet ik het niet ontbreken. Want ziet gij, Willem, ofschoon Sanders mij +zoo ernstig vermaand had, <span class="pagenum">[<a id="pb184" href= +"#pb184" name="pb184">184</a>]</span>voortaan verstandiger te zijn, was +ik toch bij de gedachte, dat ik nu kapitein van mijn eigen schip was, +niet weinig opgeblazen. Voor iemand, die kort te voren nog jongen in +den bezaansmast van een oorlogsschip geweest was, was de verandering +dan ook werkelijk al te spoedig en te groot.</p> +<p>„Ik kleedde mij zeer netjes, droeg fijne overhemden en ringen +aan de vingers; ik trok zelfs handschoenen aan, om witte handen te +krijgen. Inderdaad, als kapitein en deelhebber van een fraai schip was +ik ook een man van gewicht en werd door de overige scheepseigenaars +dikwijls aan tafel genoodigd. Bovendien kon ik het zeer goed doen, want +buiten de winst, die mijn eigen handel afwerpen kon, had ik ongeveer +tien pond als kapitein en daarbij nog het vierde deel aan de +gezamenlijke winsten.</p> +<p>„Dezen tijd kan ik als den voorspoedigsten van mijn gansche +leven beschouwen, en ik zal daar nu bij blijven stilstaan, ofschoon ik +wel vooruit zeggen kan, dat mijne fortuin niet van langen duur +bleef.”</p> +</div> +</div> +<div id="ch41" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">EEN-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">SLOT VAN FLINKS VERHAAL.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Den volgenden dag waren zij bezig met op het +kronkelpad, dat naar het magazijn leidde, de wortels der omgehouwen +kokosboomen weg te ruimen. Zoodra dit gedaan was, richtte Flink nevens +dat magazijn een bliksemafleider op, gelijk hij er bij het woonhuis +reeds een gezet had.</p> +<p>Zij hadden nu eindelijk al het werk, dat zij zich gedurende den +regentijd voorgenomen hadden, tot stand gebracht. De schapen hadden +lammeren geworpen; maar die zoowel als de geiten, begonnen gebrek aan +voeder te krijgen. Eene gansche week lang viel er geen regen meer; de +zon verspreidde reeds krachtige warmte en Flink was van oordeel, dat de +regentijd voorbij moest zijn.</p> +<p>Willem was weder volkomen hersteld en kon in zijn ongeduld +nauwelijks afwachten, dat men het voorgenomen tochtje over het eiland +ondernemen zou, waaraan hij natuurlijk vurig wenschte deel te nemen. Na +rijp beraad werd eindelijk besloten, dat Flink en Willem de eerste +wandeling naar het zuiden doen en zoodra mogelijk terugkeeren zouden, +om te berichten of zij ook wat nieuws ontdekt hadden.</p> +<p>Op een Zaterdagavond werd dit besluit genomen; des Maandags morgens +<span class="pagenum">[<a id="pb185" href="#pb185" name= +"pb185">185</a>]</span>zouden beiden opbreken. De reiszakken werden met +gekookt pekelvleesch en platte koeken, die Juno bereid had, rijkelijk +gevuld. Ieder zou zich van een geweer met kruit en lood voorzien; ook +zouden zij eene wollen deken medenemen, om zich bij nacht daarin te +wikkelen. Flink vergat ook zijn kompas en handbijl niet, om weder, +evenals op hun eersten tocht, de boomen in het wond daarmee te +merken.</p> +<p>De gansche Zondag werd tot het in orde brengen van het noodige +besteed. Na het avondeten, begon de goede oude man:</p> +<p>„Nu, Willem, voordat wij onze reis aanvangen, kan ik mijne +historie nog wel ten einde brengen. Ik heb niet veel meer te vertellen, +want mijn goed geluk duurde niet lang, en na mijne lange Fransche +gevangenschap was al mijn volgend leven eene voortdurende +verwezenlijking van het spreekwoord: Van den regen in den drop, of: Van +den wal in de sloot. Ik bleef er bij staan, hoe ik dat aandeel in het +koopvaardijschip gekocht had en naar mijne gedachten op den besten weg +was om mijn fortuin te maken. Laat mij dus voortgaan.</p> +<p>„Ons schip was eerlang gereed, en zoo zeilden wij in eene +groote vloot naar Barbados uit. Sanders bewees spoedig een kundig +zeeman te zijn, en voordat wij te Barbados aankwamen, had ik van hem al +de kundigheden verkregen, die ik noodig had, om mijn schip zelf +behoorlijk te sturen en te regeeren.</p> +<p>„Sanders zocht de oude ernstige gesprekken te hernieuwen; maar +mijn vermogen had mij te ijdel gemaakt, en nu, daar ik mij ook zonder +zijn bijstand tot mijne taak in staat achtte, hield ik mij niet alleen +op een afstand van hem, maar zocht zelfs den baas over hem te spelen. +Zoo, beste Willem, beloonde ik de goedheid, die hij mij altijd had +bewezen, met den snoodsten ondank. Helaas, dat is in de wereld maar al +te dikwijls het geval.</p> +<p>„Sanders was daar zeer bedroefd over, en bij onze aankomst te +Barbados zeide hij mij, dat hij besloten had het schip te verlaten. Ik +antwoordde hem op hoogen toon, dat hij in alles naar zijne vrije +verkiezing handelen moest. Wat mij het meest daartoe bewoog, was, dat +ik in het hart vurig wenschte van hem ontslagen te worden, alleen omdat +ik gevoelde hem dank verschuldigd te zijn;—met beschaming erken +ik dat, mijn beste Willem. Zoo verliet hij mij dan ook wezenlijk, en ik +was uiterst tevreden, dat hij het deed.</p> +<p>„Mijn schip had weldra zijne volle lading suiker en wachtte +tot eene groote koopvaardijvloot de vaart naar Engeland zou aannemen. +Ik had te Barbados gelegenheid gevonden om vier metalen kanonnen aan te +koopen, <span class="pagenum">[<a id="pb186" href="#pb186" name= +"pb186">186</a>]</span>die ik terstond op mijn dek bracht, terwijl ik +mij rijkelijk van de noodige munitie voorzag. Ik was geweldig trotsch +op mijn schip omdat het zich op de heenreis zulk een vluggen zeiler had +betoond; het had<a id="xd21e4272" name="xd21e4272"></a> zich werkelijk +beter gehouden, dan menig oorlogsschip van ons konvooi, en daar ik nu +zelfs nog stukken aan boord had, meende ik van vijandelijke +kaperschepen volstrekt niets meer te duchten te hebben.</p> +<p>„Wij wachtten nog altijd op ons konvooi, dat evenwel misschien +nog wel een veertien dagen uitblijven kon. In dien tusschentijd brak +een hevige storm los, die mijn schip met de meeste overige vaartuigen +van de ankers sloeg en ons allen gezamenlijk uit de Carlislebaai dreef. +Wij waren genoodzaakt met alle kracht van zeil weer op de haven aan te +sturen, want de storm hield nog met groote woede aan.</p> +<p>„Ik zelf was ’t hartelijk moe, zoo lang op het konvooi +te wachten; daarbij wist ik nog, dat, als ik vóór de +overige Westindievaarders in Engeland aankwam, dit mij tot groot +voordeel kon strekken, en zoo besloot ik dan, om in plaats van +andermaal in de baai terug te keeren, liever zonder bedekking naar +Engeland koers te zetten en mij op de snelle vaart van mijne kiel en op +de stukken, die ik aan boord had, te verlaten. Ik vergat daarbij, dat +de verzekering van mijn schip en lading in Engeland enkel voor het +geval was, dat ik in gezelschap voer, en dat, indien ik die voorzorg +verzuimde, in geval van een ongeluk ook de gansche verzekering nietig +zijn zijn moest.</p> +<p>„Dus ging ik dan naar Engeland onder zeil. Drie weken lang +ging alles uitmuntend: wij ontmoetten slechts zeer weinig schepen. Die, +welke jacht op ons maakten, waren niet tegen ons opgewassen en konden +ons dus niets doen. Reeds stuurden wij met den besten wind op het +Kanaal aan, en ik twijfelde niet meer, of tegen den avond zouden wij de +gewenschte haven binnenloopen, toen ons een Fransche kaper in het +gezicht kwam en aanstonds jacht op ons maakte. Wij waren gedwongen, om +bij den wind te sturen; die woei zeer hard en nam al spoedig onze +groote steng weg.</p> +<p>„Dat was voor ons het grootste ongeluk, dat men zich +voorstellen kon<span class="corr" id="xd21e4282" title= +"Bron: ,">.</span> De kaper kwam nu al nader, achterhaalde ons en tegen +den avond was ik een doodarm Fransch gevangene, want de +verzekeringsgelden had ik verbeurd, omdat ik zonder bedekking het ruime +sop was ingegaan.</p> +<p>„Ik begreep wel, dat ik al mijn ongeluk aan mijzelven te +wijten had. In allen gevalle werd ik hard genoeg gestraft, want bijna +zes volle jaren verzuchtte ik in akelige gevangenschap. Eindelijk +waagde ik met drie of vier rampgenooten de vlucht te beproeven. Wij +hadden duizenderlei ellende <span class="pagenum">[<a id="pb187" href= +"#pb187" name="pb187">187</a>]</span>door te staan en kwamen eindelijk +op een Zweedsch schip, zonder geld, ja bijna zonder een hemd aan het +lijf, om ons tegen de koude te bedekken, in Engeland aan.</p> +<p>„Mij bleef natuurlijk niets overig dan op een ander schip naar +een plaatsje om te zien. Ik wou tweede stuurman worden; maar niemand +wilde mij aannemen. Ik zag er daartoe al te haveloos en te ellendig +uit, en om niet van honger en gebrek om te komen, besloot ik dan +eindelijk mij als gemeen matroos vóór den mast te laten +<span class="corr" id="xd21e4291" title= +"Bron: aanwerpen">aanwerven</span>.</p> +<p>„Er lag een fraai schip in de haven. Daarheen ging ik, om +mijne diensten aan te bieden. De bootsman ging om den kapitein te +halen, en toen deze aan boord kwam, herkende ik—wien denkt gij +wel?—niemand anders dan Sanders!</p> +<p>„Ik hoopte nog, dat hij mij niet zoo dadelijk zou kennen. Doch +bij den eersten oogopslag zag hij, wie ik was en reikte mij de hand +toe. Ik had wel in de zee willen wegzinken! Nooit in mijn leven was ik +zoo beschaamd en verlegen, als op dat oogenblik.</p> +<p>„Sanders merkte dat wel en bracht mij in zijne kajuit. Daar +vertelde ik hem alles, wat met mij gebeurd was. Hij scheen vergeten te +hebben, dat ik mij zoo slecht en gemeen jegens hem gedragen had; hij +bood mij eene plaats op het schip aan en schoot mij zelfs geld voor, om +mij weer nieuw in de kleeren te steken.</p> +<p>„Evenwel, of hij mijn vroeger gedrag al vergeten wou, ik kon +dat niet vergeten. Ik kwam er openlijk voor uit en smeekte hem om +vergiffenis.</p> +<p>„Deze brave man bleef, zoolang hij leefde, mijn beste vriend. +Ik werd na eenigen tijd zijn tweede stuurman en wij raakten weer op een +vertrouwelijken voet met elkander. Mijn ongeluk had mij nederig en +deemoedig gemaakt.</p> +<p>„Na zijn dood bleef ik nog een tijdlang tweede stuurman op +zijn schip, doch in ’t eind werd een ander voor mij +voorgetrokken. Sedert dien tijd diende ik als gemeen matroos op +verschillende schepen. Overal werd ik geacht en goed behandeld. Ik +gevoelde mij, durf ik wel zeggen, nergens ongelukkig, want ik zag recht +goed in, dat rijkdom mij slechts tot dwaasheden verleiden zou.</p> +<p>„Nu, beste Willem, kent gij de historie van Masterman Flink. +Ik hoop dat zij hier en daar iets bevat, wat voor u op den duur nuttig +kan worden. Ik ben thans nog maar een oud man, ’t leven en de +vermoeienissen zat; mijne eenige hoop is in vrede te sterven en nog tot +aan dat oogenblik nuttig te kunnen zijn.” <span class= +"pagenum">[<a id="pb188" href="#pb188" name="pb188">188</a>]</span></p> +<p>„Nuttig zijt gij werkelijk in eene hooge mate geweest,” +zeide mevrouw Wilson, met tranen in de oogen; „en ik hoop, oude, +beste vriend, dat gij nog een langen tijd leven en een hoogen, +gelukkigen ouderdom bereiken zult.”</p> +<p>„Dank u wel, mevrouw,” hernam Flink; „maar over +’t algemeen hebben de matrozen geen zeer lang leven. En waarlijk, +ik zou ’t overschot van mijne dagen ook zeer gaarne op dit kleine +eilandje ten einde brengen. Ik weet, dat gij overigen daar heel anders +over denkt, en dat is ook zeer natuurlijk. Ik ben al een oud man en heb +niets te wachten, voor niets te zorgen; al, wat ik begeer, is nuttige +bezigheid. Gij zijt in vergelijking van mij allen nog jong en wacht nog +veel van de toekomst. Om uwent-, maar niet om mijnentwil hoop ik van +harte, dat men ons zoeken en vinden zal, zoodat gij weer in de woelige +wereld kunt terugkeeren. Ik voor mij zal gaarne ’t overschot van +mijn leven op dit eiland slijten en hoop, dat die kokostakken eens over +mijn graf zullen wuiven. Ik weet niet, maar ik heb er een zeker +voorgevoel van, dat dit ook werkelijk zoo gebeuren zal, en ik kan wel +zeggen, dat die gedachte in zeker opzicht een troost voor mij +is.”</p> +<p>„Neen, neen, daaraan moet gij volstrekt niet denken!” +riep de heer Wilson. „Gij moet eens met ons terugkeeren en uw +ouderdom in ons midden doorbrengen. Gij moet uw zeemansleven opgeven, u +aan onzen haard nederzetten, als gij wilt, en in onzen tuin u in de zon +koesteren. Gij hebt behoefte aan rust en ik vertrouw zeker dat gij nog +een gelukkigen ouderdom zult beleven. In allen gevalle zal het mijne +schuld niet zijn, als die hoop van mij niet vervuld wordt.”</p> +<p>„De mijne evenmin,” voegde zijne vrouw er bij; „ik +zou ontroostbaar zijn, als gij ooit van ons heengingt.”</p> +<p>„Ik dank u, mevrouw en ook u, mijnheer, van ganscher harte +voor uwe goede bedoeling.—Beste Willem, wij moeten voor dag en +voor dauw op en daar wij allen nog eerst samen ontbijten zouden, wordt +het thans, dunkt mij, hoog tijd, om eens met ons hoofdkussen te +spreken.”</p> +<p>„Gij hebt volkomen gelijk,” antwoordde <span class= +"corr" id="xd21e4322" title="Bron: mijn heer">mijnheer</span> +Wilson.</p> +</div> +</div> +<div id="ch42" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">TWEE-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">TWEEDE UITSTAPJE DOOR HET EILAND.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Den volgenden morgen waren allen zeer vroeg op en +ontbeten nog met elkander. De gebakken visch smaakte kostelijk; Thomas +at zoo gulzig, <span class="pagenum">[<a id="pb189" href="#pb189" name= +"pb189">189</a>]</span>dat hij bijna aan eene graat gestikt was, die +hem in de keel bleef steken. Juno deed lang vergeefsche moeite om er +met den vinger bij te komen. Mevrouw Wilson was in grooten angst totdat +het Juno eindelijk gelukte haar met den wijsvinger los te krijgen.</p> +<p>Geweren, reiszakken en al het benoodigde tot de reis waren reeds +vooraf klaargemaakt, en zoo stonden Willem en Flink eindelijk van tafel +op, namen hartelijk afscheid van de achterblijvenden en begaven zich op +weg.</p> +<p>De zon scheen helder, de lucht was reeds tamelijk warm; de dansende +golven van den oceaan glinsterden in de verte en de kokosboomen +schommelden hunne gekuifde kruinen in den zachten wind. Met een +vroolijk hart, braken zij op en riepen de beide herdershonden. Ook +Vixen wilde meegaan, maar moest tot bewaking van de familie +achterblijven.</p> +<p>Het magazijn voorbij, ging het den tegenoverliggenden heuvel op, het +bosch in en weldra werden de bijlen losgemaakt, om de boomen daarmede +te merken. Flink haalde zijn zakkompas voor den dag en regelde daarnaar +de richting van den weg, dien zij nemen wilden.</p> +<p>Een tijdlang ging het zoo voort, zonder dat men een woord sprak, +rechts en links werd de boombast met de bijl geteekend, totdat Flink +andermaal staan bleef, om naar zijn kompas te zien.</p> +<p>„Mij dunkt, Flink, het bosch is hier dichter, dan ik het nog +ergens gezien heb,” zeide Willem.</p> +<p>„Ja, ja, gij hebt gelijk. Naar ’t mij voorkomt, moeten +wij thans omtrent midden op het eiland in het dichtste deel van het +woud zijn. Dat zal wel spoedig blijken. We moeten ons wat meer naar het +Zuiden richten; daarbij zal het goed zijn, dat we stevig doorstappen. +Hoe verder we komen, des te minder hebben we te doen, en we kunnen dan +ook rustig samen praten.”</p> +<p>Zoo stapten zij een half uur wakker voort. Gelijk Flink gezegd had, +werd het bosch allengs minder dicht, maar toch konden zij niets dan +kokosstammen ontdekken. Het was geen lichte arbeid, ieder oogenblik +nieuwe boomen te merken, en het zweet liep hun tappelings over het +gezicht, zoo zwaar begon hun dat ten laatste te vallen.</p> +<p>„Me dunkt, Willem, we moesten eens eene minuut of wat +uitrusten, want anders wordt gij al te moe. Ge zijt nog niet zoo sterk, +als gij vóór uwe ziekte waart.”<a id="xd21e4350" +name="xd21e4350"></a></p> +<p>„Ik ben niet meer zoo goed aan het werk gewoon als vroeger, en +daarom ben ik nu gauwer moe, Flink,” antwoordde Willem en droogde +zich het gezicht met zijn zakdoek af, terwijl hij zijn geweer tegen een +boomstam zette. „Ik heb er niets tegen, dat we eens een poosje +uitblazen. Hoe lang, <span class="pagenum">[<a id="pb190" href="#pb190" +name="pb190">190</a>]</span>denkt ge, zal het nog duren tot we het +bosch achter den rug hebben?”</p> +<p>„Me dunkt, geen half uur meer; of misschien zijn wij er +schielijker uit. Ik weet niet, hoe ver het bosch zich in deze richting +uitstrekt.”</p> +<p>„Wat denkt ge dan zoo al daar achter te vinden?”</p> +<p>„Dat is moeilijk te zeggen. Ik kan alleen zeggen wat ik hoop +te vinden, namelijk een ruim, vlak grasveld tusschen het bosch en de +kust, waar onze schapen en geiten weiden kunnen. Dan was het ook +mogelijk, dat wij buiten de kokossen nog andere boomen, heesters en +struiken vonden; tot hiertoe hebben wij niets dan kokosboomen en +ricinusstruiken gezien. Weet gij nog wel Willem, hoe Thomas het van de +bessen te kwaad gehad heeft? ’t Is onmogelijk te bepalen, mijn +jongen, hoe menigerlei zaadkorrels door vogels of door wind en baren +wel hierheen gebracht zijn.”</p> +<p>„Ja, maar zouden die zaken ook opkomen?”</p> +<p>„Wel zeker, Willem. Ik heb mij wel eens laten vertellen, dat +vele zaadkorrels honderden jaren onder den grond kunnen zitten en +later, als de zon er op schijnt, toch nog opkomen<span class="corr" id= +"xd21e4367" title="Bron: ?">!</span>”</p> +<p>„Nu herinner ik mij,” antwoordde Willem, „dat mijn +vader mij eens vertelde, hoe een gerstekorrel, die voor drie of vier +duizend jaren met eene Egyptische mummie begraven was, zelfs na dien +langen tijd nog opkwam, nadat men haar in den grond had +gestoken.”</p> +<p>„Wat is dat eene mummie, Willem? Van Egypte heb ik wel +gehoord: dat is het land, waar de kinderen Israëls gevangen waren +en waar zij later uittrokken. Dat alles lezen wij in den Bijbel, en ook +van de zeven plagen, waarmede Pharao bezocht werd, totdat hij het +Joodsche volk gaan liet.”</p> +<p>„Ja, ja; hij verdronk met zijn gansche leger, omdat hij hen +achtervolgde en weder terugdrijven wilde.—Eene mummie, Flink, is +het lijk van een mensch, dat na den dood met verschillende specerijen +ingebalsemd wordt, om het tegen verrotting te bewaren. Ik heb er nog +nooit eene gezien, maar weet uit de boeken, dat de Egyptenaren hunne +lijken zoo plachten in te balsemen.—Maar kom, nu kan ik, dunkt +mij, wel weer verder gaan.”</p> +<p>„Goed, Willem; hoe eer wij het bosch achter ons hebben, des te +beter voor ons.”</p> +<p>Zonder oponthoud zetten zij na hunne wandeling voort, en ze waren +nog geen kwartier verder, of Willem riep:</p> +<p>„Flink, ik zie den blauwen hemel! We zijn het bosch weldra ten +einde, en ik ben daar hartelijk blij om, want mijn arm doet mij zeer +van dat aanhoudend kappen.”</p> +<p>„Mij gaat het niet beter, Willem. Ik ben waarlijk even blij +als gij; want <span class="pagenum">[<a id="pb191" href="#pb191" name= +"pb191">191</a>]</span>het werken heeft mij ook vermoeid. Evenwel +moeten wij daarmee nog voortgaan, want anders vinden we onzen weg niet +terug, als wij dien noodig hebben.”</p> +<p>Tien minuten later hadden zij het kokosbosch achter zich en kwamen +te midden van manshooge struiken zoodat zij niet zien konden, hoe ver +zij nog van de kust verwijderd waren.</p> +<p>„Nu, Goddank,” riep Willem en wierp de bijl op den +grond; „ik ben blij, dat dit voorbij is. Nu zullen we ons een +poosje neerzetten, voordat wij verder gaan.”</p> +<p>„Dat is mij wel,” zeide Flink en nam bij Willem +plaats.</p> +<p>„Ik voel mij heden veel meer vermoeid, dan toen wij van de +andere zijde van het eiland door het bosch kwamen. Ik geloof bijna, dat +het weer daaraan schuld is. Komt hier honden; koest daar!”</p> +<p>„Het weer is toch heel mooi, Flink.”</p> +<p>„Nu, ja zeker; maar ik heb u, meen ik, reeds gezegd, dat de +regentijd voor de gezondheid zeer nadeelig is, en zoo denk ik wel +haast, dat ik daarvan nog niet bekomen ben. Gij hebt wezenlijk de +koorts gehad en kunt u natuurlijk niet zeer sterk voelen; maar men kan +toch ook zonder koorts aan zijne gezondheid veel geleden hebben. Ik ben +een oud man, Willem, en begin thans allerlei gebreken te +voelen.”</p> +<p>„Me dunkt, Flink, voordat wij opbreken, moesten wij ons +middagmaal houden; dat zal ons zeker goed doen.”</p> +<p>„Ja, Willem, wij zullen een vroeg maal houden dan raken wij in +allen gevalle eene onzer waterflesschen kwijt. Halt! goed, dat ik het +bedenk. Daar wij toch denzelfden weg terug moeten, konden we onze +reiszakken en al ’t verdere buiten de geweren wel onder deze +boomen laten liggen. Misschien ook dat wij hier wel overnachten zullen, +want ik heb uw vader stellig gezegd, dat hij ons vandaag nog niet terug +wachten moest. Aan uwe moeder wilde ik dat niet zeggen, omdat zij +altijd zoo bezorgd voor u is.”</p> +<p>Hierop werden de knapzakken geopend en het middagmaal gehouden, +waarvan de beide honden rijkelijk hun deel kregen. Na het eten zetten +zij hunne ontdekkingsreis opnieuw voort. Wel tien minuten lang moesten +zij zich door de hooge, dichte struiken een weg banen, totdat zij ten +laatste den uitgang bereikten en toen eene poos zonder een woord te +spreken in het rond zagen.</p> +<p>De zee lag op ongeveer <span class="corr" id="xd21e4408" title= +"Bron: eenhalve">een halve</span> mijl afstands voor hen: het +daartusschen liggende land was eene open vlakte met frisch, heerlijk +gras overdekt, en vormde eene voortreffelijke weideplaats. Hier en daar +was de bodem met <span class="pagenum">[<a id="pb192" href="#pb192" +name="pb192">192</a>]</span>enkele kleine boomgroepen bezet; de kust +vormde geen zandvlakte gelijk op de andere zijde, maar de klippen rezen +tot eene hoogte van twintig tot dertig voet loodrecht uit de zee op en +waren op vele plaatsen met een vreemde, sneeuwwitte stof overdekt.</p> +<p>„Zie, Flink,” begon Willem eindelijk, „daar zou +nog voeder genoeg voor onze kudde zijn, ook als zij tienmaal zoo sterk +werd.”</p> +<p>„Ja, ja, mijn jongen; dat is een groot geluk, en wij hebben +alle reden om dankbaar daarvoor te zijn. Dat is juist wat wij noodig +hadden. Laat ons nu echter wat verder gaan en die boomgroepen +onderzoeken, om te zien, waaruit ze bestaan. Ik zie daar een groot, +breed blad, dat ik, als ik mij niet bedrieg, al dikwijls meer gezien +heb.—Ja, Willem, ik had wel gelijk,” vervolgde hij, nadat +zij de boomen, waarop hij gewezen had, genaderd waren. „Ziehier, +dat is een pisangboom. Hij bot juist uit en zal weldra tien of twaalf +voet hoog zijn. Zijne vrucht smaakt voortreffelijk en zijne bladeren +geven een uitmuntend voedsel voor het vee.”</p> +<p>„Hier is een plant, die ik nog nooit gezien heb,—hier +deze kleine,” zeide Willem, terwijl hij een takje afbrak en dat +zijn ouden vriend toonde.</p> +<p>„Maar ik wel, Willem. Men noemt het gewoonlijk vogelpeper en +de u welbekende Cayennepeper wordt daaruit bereid. Zie, het heeft al +loten; het zal ons bij het koken goede diensten doen, daar we toch geen +peper meer overhebben. Juno zal er wat blij mee zijn. Gij kunt daar +verder uit opmaken, Willem, dat er ook vogels op dit eiland moeten +zijn; althans is dit zeer waarschijnlijk, want de zaden van al deze +planten en boomen kunnen slechts door hen hierheen gedragen zijn. +Pisang en peper dienen vele vogelsoorten tot voedsel. De zaadkorrel, +welk een dezer vogels vallen liet, is opgekomen en heeft verdere loten +om zich heen verspreid, die van jaar tot jaar in talrijkheid en grootte +toenamen. Dit is ook de reden, waarom gij ze alle in afzonderlijke +groepen hier en daar verstrooid ziet. Kijk, daar schiet eene menigte +Pisangplanten uit den bodem op; in weinige weken zullen ze een heel +bosch uitmaken.”</p> +<p>„En wat is dat daar voor eene stekelachtige struik, +Flink?”</p> +<p>„Ik zie niet zoo scherp als gij Willem, en dus dienen wij wat +naderbij te treden. Ha, ik zie het al; het is de zoogenaamde +Westindische stekelbes. Ik ben zeer blij haar gevonden te <span class= +"corr" id="xd21e4425" title="Bron: hebbenl">hebben,</span> want zij kan +ons van groot nut zijn.”</p> +<p>„Is ze goed om te eten, Flink?”</p> +<p>„Dat juist niet; ook prikt ge u met hare stekels licht in de +vingers en kunt ge ze er moeilijk weer uitkrijgen; voor de afwisseling +evenwel zal zij <span class="pagenum">[<a id="pb193" href="#pb193" +name="pb193">193</a>]</span>zoo kwaad niet smaken. Het hoofdnut brengt +die struik nochtans als heg om onzen tuin aan, tot bescherming tegen de +dieren. Zij geeft eene uitmuntende heining en wast zeer snel, zonder +oppassing noodig te hebben. Zie eens, daar staat een halve akker vol +met dat gewas; het is juist aan het bloeien toe. Laat ons nu eens naar +gindsche groep gaan en zien wat het is.”</p> +<p>„Wat is dat voor eene plant, Flink?”</p> +<p>„Ik weet het niet, Willem; ik kan niet zeggen, dat ik ze +vroeger ooit gezien heb.”</p> +<p>„Dan, dunkt mij, zal ik ’t best doen, al de planten, die +gij niet kent, te verzamelen en aan vader te brengen. Hij is een groot +vriend van de kruidkunde en zal ons wel weten te zeggen wat ze +zijn.”</p> +<p>„Braaf! Dat zullen wij doen; dat is een recht goede inval van +u.”</p> +<p>Willem plukte een tak van de onbekende plant af en nam dien mede. +Bij de naaste groep bleef Flink staan en beschouwde haar lang met +groote opmerkzaamheid.</p> +<p>„Wacht, laat zien,” zeide hij eindelijk; „dezen +boom geloof ik te <span class="corr" id="xd21e4447" title= +"Bron: kenen">kennen</span>, althans heb ik hem meer in de heete landen +gezien. Ja, ja, ik heb ’t, Willem; een guayababoom.”</p> +<p>„Hoe, dezelfde, uit wiens vruchten men den guayabawijn +bereidt?”</p> +<p>„Ja, dezelfde.”</p> +<p>„Nu, wat zal Thomas watertanden, als hij daarvan hoort! +Kapitein Osborn gaf ons op onze reis eens guayabamost te proeven, en +Thomas wilde er al meer van hebben, zoo smaakte die hem.”</p> +<p>„Kleine jongens van Thomas’ jaren denken meer aan eten +en drinken dan aan iets anders; dat is natuurlijk, en wij moeten Thomas +daarom niet hard vallen. Hij zal mettertijd een fiksche jongen worden; +geloof dat vrij, Willem<span class="corr" id="xd21e4458" title= +"Bron: ”!">!”</span></p> +<p>„O zeker, dat hoop ik ook, Flink, en ik twijfel er ook in +’t geheel niet aan. Willen we thans verder gaan?”</p> +<p>„Ja; maar welken kant zoudt ge ’t liefst +gaan?”</p> +<p>„Laat ons in de richting van deze vijf boomen voortloopen en +dan tot aan de klippen afdalen. Ik zou gaarne weten hoe het komt, dat +die zoo wit zijn.”</p> +<p>„Komaan dan, als gij het zoo verkiest, beste +jongen.”</p> +<p>„Hé, Flink! wat is dat voor een rumoer? Luister, dat +geschreeuw! Dat moeten apen zijn.”</p> +<p>„Neen, neen, dat zijn geen apen; ik wil u wel aanstonds +zeggen, wat het is, ofschoon ik nog niets zie.—Papegaaien zijn +’t,—ik ken hen aan hun geschreeuw. <span class= +"pagenum">[<a id="pb194" href="#pb194" name="pb194">194</a>]</span>Zie, +Willem, het is niet heel waarschijnlijk, dat apen hierheen gedwaald +zouden zijn, maar wel vogels, en aan hen zijn wij de pisangs en guayaba +en al de andere vruchten verschuldigd, die wij misschien nog ontdekken +zullen.”</p> +<p>Zoodra zij onder de boomen kwamen, ontstond er een oorverdoovend +gefladder en geschreeuw. Meer dan driehonderd papegaaien vlogen +krijschend op en hunne fraaie groene en blauwe pluimen schitterden +prachtig in de stralen der zon.</p> +<p>„Zeide ik het niet, Willem? Nu, dat is eene kostelijke +ontdekking en kan ons van tijd tot tijd aan eene keurige pastei +helpen.”</p> +<p>„Pastei, Flink? Gebruikt men hen dan tot pasteien?”</p> +<p>„O ja, zij smaken heerlijk; in <span class="corr" id= +"xd21e4484" title="Bron: West Indië">West-Indië</span> en +Zuid-Amerika heb ik er mij dikwijls lekker op vergast. Wacht, wacht, +laat ons hier nog een eindje verder op gaan. Ik zie daar een blad, dat +ik gaarne nader onderzoeken zou.”</p> +<p>„De grond schijnt hier moerassig te worden, Flink, dunkt u dat +ook niet?”</p> +<p>„Ja, ja; hier onder onze voeten schuilt water genoeg. Des te +beter voor ons vee; wij graven het dan eenige kommen, als het hierheen +komt. Ha! ik dacht wel, dat ik mij niet bedriegen zou. Zie eens, +Willem! dat is het allerbeste, dat we nog gevonden hebben; nu behoeven +wij niet zoo meer van onze aardappelen af te hangen.”</p> +<p>„Ei, wat is het dan, Flink?”</p> +<p>„Yamswortels, mijn jongen, yams- of broodwortels, die men in +West-Indië in plaats van aardappelen gebruikt. Gij moet namelijk +weten, dat de aardappelen in heete luchtstreken niet lang hunne +oorspronkelijke gedaante behouden.”</p> +<p>„Hoe meent gij dat, Flink?”</p> +<p>„Na een of twee oogsten veranderen zij in zoogenaamde zoete +aardappelen; de yamswortels zijn, naar mijn oordeel, in alle gevallen +beter.”</p> +<p>Op dit oogenblik wierpen de honden zich in het door de yamswortels +gevormde hooge groen en begonnen te blaffen; een poosje daarna hoorde +men een sterk getrappel en gebrom.</p> +<p>„Wat is dat?” riep Willem, die zich juist op den grond +gelegd had, om de yamsplant te onderzoeken en bij dat gerucht ontsteld +opsprong.</p> +<p>De oude man lachte hartelijk.</p> +<p>„Het is niet de eerste maal, Willem,” zeide hij, +„dat ze u een schrik op het lijf hebben <span class="corr" id= +"xd21e4508" title="Bron: gelaagd">gejaagd</span>.”</p> +<p>„Wat! onze varkens zijn het? Wezenlijk?<span class="corr" id= +"xd21e4513" title="Niet in bron">”</span> vroeg de knaap +verwonderd. <span class="pagenum">[<a id="pb195" href="#pb195" name= +"pb195">195</a>]</span></p> +<p>„Wis en zeker: zij hebben de broodwortels in den neus gekregen +en smullen er braaf van, dat moogt gij vrij gelooven.”</p> +<p>Flink verhief zijne stem en klapte in de handen. Weldra hoorde men +onder de bladeren een getrappel en geknor en kort daarop +sprongen—niet zes, maar over de dertig varkens, groote en +<span class="corr" id="xd21e4521" title="Bron: klein">kleine,</span> +uit het groen te voorschijn; en snuivend en knorrend stoof de gansche +kudde in wilden galop langs de vlakte voort, totdat zij het kokosbosch +bereikt had en daarin verdween.</p> +<p>„Maar wat zijn ze wild, Flink!” riep Willem.</p> +<p>„Ja, en ze worden nog met elken <span class="corr" id= +"xd21e4528" title="Bron: dag dag">dag</span> wilder. We moeten de +yamswortels echter tegen hen omheinen, anders blijft er ons niets van +over.”</p> +<p>„Maar ze zullen de heg vernielen, voordat die nog behoorlijk +is opgeschoten.”</p> +<p>„Dat zouden zij wel; maar daartegen maken wij een stevige +omheining van kokospalen en planten aan den buitenkant van die +stekelbessen, welke gij ginds gevonden hebt. Eer nog onze palen +vermolmd zijn, wassen de stekelbessen tot eene heg omhoog, waardoor +geen dier kan heenbreken.—Nu, Willem, moeten wij ons echter eens +naar de kust wenden.”</p> +<p>Toen zij de rotsen naderden, die op enkele plaatsen vijftig ellen +boven den rand des waters uitstaken, merkte Flink aan:</p> +<p>„Nu kan ik u zeggen, jonge vriend, wat de witte plekken ginds +op de klippen te beduiden hebben. Zij zijn afkomstig van de zeevogels, +die hier ieder jaar komen nestelen en hunne jongen uitbroeden. Als +niets hun dat belet, keeren zij telkenreize naar de eigen stee +terug.”</p> +<p>Zij bereikten weldra het bedoelde punt, dat zich uit de verte zoo +wit vertoonde; zij vonden het vol veeren en pluimen, met mest en drek +doormengd.</p> +<p>„Ik zie nergens een nest, Flink: niet eens een spoor van +vroegere nesten.”</p> +<p>„Wel dat is ook niet mogelijk. Hun geheele nest bestaat +namelijk daarin dat zij een rond gat van een halven duim diep in den +grond krabben en dicht naast elkander gezeten hunne eieren in de kuilen +leggen. Spoedig is het tijd dat zij terugkomen; dan zullen wij hun een +bezoek brengen en van hunne eieren medenemen, zooveel als wij er noodig +hebben. Die smaken namelijk lang niet leelijk.”</p> +<p>„Ei, Flink, wat hebben wij vandaag al eene menigte goede +dingen gevonden. Ons uitstapje is toch waarlijk heel gelukkig +uitgevallen.”</p> +<p>„Ja, inderdaad; bedenk slechts, mijn jongen, hoe onze +hulpmiddelen hier van jaar tot jaar vermeerderd kunnen worden, als wij +maar eenigermate vlijtig en arbeidzaam zijn.” <span class= +"pagenum">[<a id="pb196" href="#pb196" name="pb196">196</a>]</span></p> +<p>„Weet ge wat ik daar al dacht, Flink?—We hadden ons huis +misschien liever hier moeten bouwen.”</p> +<p>„O, neen, Willem; we hebben hier niet zulk zuiver water als +daar, en ook niet het zandige strand, dat ons het voordeel van een +schildpad- en een vischvijver verleent. Neen, Willem, ons vee kunnen +wij hier wel laten weiden; we kunnen hier de vruchten in het rond +inoogsten en met de arme vogels deelen; we kunnen de yamswortels en wat +nog verder nuttigs hier voor ons groeit inzamelen; maar ons huis, onze +woning, moet blijven waar het tegenwoordig is.”</p> +<p>„Gij hebt gelijk, Flink; maar het zal een lange weg wezen +hierheen.”</p> +<p>„Ook dat niet, als wij er maar eerst aan gewoon zijn en een +behoorlijk pad gemaakt hebben. Bovendien kunnen wij misschien onze boot +hierheen brengen. Ik zal dadelijk maar eens langs de klippen gaan en +dat onderzoeken.<span class="corr" id="xd21e4560" title= +"Niet in bron">”</span></p> +<p>Zij gingen nu ongeveer een half uur den zeekant langs, totdat zij +aan een punt kwamen, waar de rotsen niet meer zoo hoog waren. Daar +ontdekten zij eene kleine kom, die in de klippen was ingesneden en +slechts een enkelen ingang had.</p> +<p>„Zie eens, Willem, welk eene aardige kleine haven voor onze +boot. Van hier kunnen wij haar met yamswortels laden en naar onze +woonplaats brengen, verondersteld dat wij op de zuidzijde eene +doorvaart voor haar vinden kunnen. Wij hebben daar nog niet naar +omgezien, omdat wij tot hiertoe zoo iets nog niet noodig +hadden.”</p> +<p>„Ja, Flink, dat is waarlijk een aardig, rustig plaatsje voor +onze boot; doch hoe zullen wij het wedervinden, als wij van de andere +zij van het eiland aankomen?”</p> +<p>„O, heel <span class="corr" id="xd21e4571" title= +"Bron: gemakelijk">gemakkelijk</span>, Willem; ik heb slechts een +hoogen stok als merkteeken op te zetten.”</p> +<p>„Wat is dat daar toch voor een ding, Flink?” vroeg +Willem en wees op een voorwerp in de laagte.</p> +<p>„Aha, ik zie het al, jongen; dat is een zeekreeft, die zeer +goed is om te eten. ’t Is wel mogelijk, dat wij dan ook nog eens +een kreeftvijver gaan aanleggen; dan kunnen wij hen in menigte vangen +en krijgen een smakelijk gerecht te meer.”</p> +<p>„En wat zijn dan die kleine ruwe dingen daar beneden aan de +klippen?”</p> +<p>„Dat is eene zeer kleine soort van oesters, die heel zoet +smaken. Ze zijn anders dan die in Europa; ze zijn veel malscher en +smaken nog veel beter.”</p> +<p>„Bravo, Flink, dan hebben wij weer twee nieuwe lekkernijen op +onze tafel,” riep Willem verblijd uit. „Wat worden wij nog +rijk!” <span class="pagenum">[<a id="pb197" href="#pb197" name= +"pb197">197</a>]</span></p> +<p>„Ja, mijn jongen; maar vergeet niet, dat wij ze eerst moeten +vangen, want zonder moeite en arbeid krijgt men in de wereld niets +gedaan.”</p> +<p>„Flink,” begon Willem plotseling weder, „wij +hebben nog drie volle uren dag: willen we niet naar huis gaan en +vertellen, wat we gezien hebben? Moeder zal hartelijk blij wezen, als +zij ons wederziet.”</p> +<p>„Met hart en ziel mijn jongen. Voor een dag hebben wij vrij +wat afgedaan; dus kunnen we nu wel terugkeeren en weer eene week te +huis blijven of althans zoolang men ons daar niet missen kan. Vruchten +zijn er bovendien toch nog niet; het eenige, waarvoor ik zorg wil +dragen, zijn de yamswortels, want ik ben bang, dat onze varkens anders +met het beste wegloopen. Doch laat ons nu op weg gaan en de zaak nader +met uwen vader overleggen.”</p> +<p>Terwijl Willem van het zeestrand naar het kokosbosch terugkeerde, +plukte hij van iedere plant, die hij voorbijkwam een takje af, om dat +voor zijne vader mede te nemen. Weldra vonden zij het plaatsje, waar +zij hunne knapzakken en handbijlen hadden achtergelaten. Van daar +keerden zij langs het vorige pad door het kokosbosch terug en volgden +daarbij de merken, die zij ’s morgens in de boomen hadden +uitgekapt.</p> +<p>Een uur voor zonsondergang kwamen zij bij hunne woning aan en vonden +mijnheer en mevrouw Wilson voor de deur zitten. Juno was met de beide +kleinen aan het strand, en de dreumessen hadden dol veel pleizier met +de schelpen, die zij hier <span class="corr" id="xd21e4596" title= +"Bron: een">en</span> daar op het zand vonden. Willem gaf zijn vader +nauwkeurig verslag van al wat hij ontdekt had en liet hem de monsters +van al de verschillende planten zien, die hij had opgedaan.</p> +<p><span class="corr" id="xd21e4600" title= +"Niet in bron">„</span>Dit hier,” zeide zijn vader, +„is eene algemeene bekende plant, en ’t verwondert mij, dat +onze Flink haar niet kent;—’t is immers hennep.”</p> +<p>„Dien heb ik nooit anders dan tot touw verwerkt gezien,” +betuigde Flink; „maar het zaad ken ik daarom toch heel +wel.”</p> +<p>„Nu, als wij er van noodig hebben, kan ik u zeggen hoe men er +mee moet omgaan,” antwoordde mijnheer Wilson. „Laat zien, +Willem, wat hebt ge nu?”</p> +<p>„Dit vreemde, stekelachtige ding.”</p> +<p>„’t Is de eierplant; ze draagt eene vrucht van vorm en +kleur geheel gelijk een ei. Ik heb wel gehoord, dat die in de heete +luchtstreken wordt gegeten.<span class="corr" id="xd21e4611" title= +"Niet in bron">”</span></p> +<p>„Ja, mijnheer, dat is ook zoo. Men legt ze in met peper en +zout; dat noemt men dan bringal. Me dunkt, dat moet het wel +wezen.<span class="corr" id="xd21e4616" title= +"Niet in bron">”</span></p> +<p>„Vast wel; ge hebt zeker gelijk,” hernam mijnheer +Wilson.—„Foei, Willem, dat hier moest ge toch +kennen.” <span class="pagenum">[<a id="pb198" href="#pb198" name= +"pb198">198</a>]</span></p> +<p>„Het heeft veel van eene wijndruif.”</p> +<p>„Ja; dat is het ook, ’t is eene witte druif. In allen +gevalle kunnen wij ze eten en misschien ook wijn daaruit persen; wie +weet!”</p> +<p>„Nu heb ik nog maar ééne plant, vader. Wat is +dat?”</p> +<p>„Gij hebt het niet gekend, Willem, omdat het zoo hoog +opgeschoten is. ’t Is niets anders dan de gewone +mosterdzaadplant, die wij in Europa in menigte aankweeken. Nu, waarlijk +gij hebt uw dagwerk goed volbracht. Kom, haast u wat, Juno, met de +tafel te dekken, meid. We gaan dus maar naar binnen; want de zon is +reeds aan ’t ondergaan en over een paar minuten is het +donker.<span class="corr" id="xd21e4631" title= +"Niet in bron">”</span></p> +<p>Zoodra zij naar huis teruggekeerd waren, werd over den thans +onderhanden te nemen arbeid beraadslaagd. Na eenig overleg kwam men +overeen, dat het raadzaam zou zijn eerst de boot uit het zand op te +delven. Zoodra deze in orde was gebracht, zouden de klippenreeksen aan +de zuidzijde onderzocht worden, om te zien of er een doorgang door te +vinden was, daar het waarschijnlijk veel tijd zou wegnemen, als men ze +moest omvaren.</p> +<p>Wanneer dit geschied was, wilden mijnheer Wilson, Flink, Willem en +Juno allen te zamen naar de andere zijde van het bosch gaan en eene +tent medenemen, die op den nieuw ontdekten grond zou worden opgeslagen. +Dan wilde men een vlaggestok in de kleine haven planten, om de plaats +daaraan te kunnen herkennen. Dit alles gaf natuurlijk een vrij zwaar +dagwerk; maar toch wilden zij nog den eigen avond terugkeeren, om +mevrouw en de kinderen geen nacht alleen te laten.</p> +<p>Was dit gedaan, dan zouden Flink en Willem assen, raderen en andere +benoodigde dingen, als b. v. zagen, bijlen en spaden, in de boot laden +en om het eiland naar de zuidzijde roeien, om de kleine haven op te +zoeken. Terstond na hunne <span class="corr" id="xd21e4640" title= +"Bron: lading">landing</span> en het in veiligheid brengen van de boot, +zouden zij dan langs het woudpad naar huis terugkeeren.</p> +<p>Het eerstvolgend werk zou dan zijn, het yamsplantsoen te omheinen en +tegen de verwoestingen van de varkens te beschutten.</p> +<p>Tegelijk moesten de schapen en geiten door het bosch worden +gedreven, om op den nieuwen weidegrond hun voedsel te zoeken.</p> +<p>De oude plek zou blijven staan en afgemaaid worden, om hooi te +winnen tegen den regentijd. Flink en Willem zouden eene genoegzame +hoeveelheid kokosboomen vellen, om voor de omheining van het +yamsplantsoen te dienen. Waren de palen eens ingeslagen, dan wilde ook +mijnheer Wilson komen en hun verder de behulpzame hand bieden.</p> +<p>Dit, hoopten zij, zou alles in eene maand zijn afgedaan. Gedurende +dezen <span class="pagenum">[<a id="pb199" href="#pb199" name= +"pb199">199</a>]</span>tijd konden mevrouw Wilson en Juno, die +doorgaans te huis moesten blijven, het onkruid uit den tuin wieden en +de noodige toebereidselen maken tot het planten van een heg. Zoodra dit +gewichtige werk achter den rug was, zou de boot met eene lading +stekelbesstruiken voor de tuinheg in de baai terugkeeren.</p> +<p>Dan wilden zij hunne opmerkzaamheid op den voorraad richten, die uit +de schipbreuk gered was geworden en nog altijd aan de bocht, waar zij +het eerst geland waren, lag opgehoopt. Na alles onderzocht en de +bruikbare artikelen bijeenvergaderd en in het magazijn gebracht te +hebben, zouden zij vervolgens eene regelmatige opneming van het eiland +te land en te water doen en eene teekening daarvan ontwerpen, hetgeen +mijnheer Wilson zeer goed was toevertrouwd.</p> +<p>Dit waren de plannen voor het schoone jaargetijde, dat thans een +aanvang had genomen.</p> +</div> +</div> +<div id="ch43" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">DRIE-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">UITZICHT OP REDDING.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Als naar gewoonte was Flink den volgenden morgen de +eerste, die uit het huis kwam. Hij groette Juno, die hem op den voet +volgde, en ging toen zijne gebruikelijke morgenwandeling doen, om naar +het plantsoen en den verderen voorraad te zien.</p> +<p>Eerst ging hij in den tuin aan den landpunt. Daar nam hij zich voor, +om bij de erwten, die reeds zes of zeven duim boven den grond stonden, +staken te zetten. Vervolgens bezag hij de groote boonen, die voor den +regentijd gepoot waren, en besloot de aarde er rondom om te woelen; +want dit gerecht was voor hen van veel waarde en kon gedurende den +regentijd meermalen de hoofdschotel op hunne tafel worden. Daarna zag +hij, of de augurken al boven den grond kwamen, en ontdekte tot zijne +blijdschap, dat zij welig groeiden.</p> +<p>„We hebben, voor zoover ik weet, wel geen azijn om ze in te +leggen,” dacht hij, „maar dat kan, zooals in Rusland, ook +in zout water gebeuren. In allen gevalle is het eene aangename +afwisseling.”</p> +<p>Eindelijk richtte hij zijn oog naar de zee en monsterde, als +doorgaans<span class="corr" id="xd21e4671" title= +"Niet in bron">,</span> den voor hem liggenden +gezichteinder.—Daar meende hij in het noordwesten <span class= +"pagenum">[<a id="pb200" href="#pb200" name="pb200">200</a>]</span>een +schip te zien. Hij bracht zijn kijker aan het oog, en ziedaar, hij had +zich niet bedrogen,—het was inderdaad een schip in de verte.</p> +<p>Den ouden man begon het hart hevig te kloppen. Hij nam zijn kijker +onder den arm en haalde diep adem, voordat hij zich van de ontroering, +die hem bevangen had, herstellen kon. Na eene minuut zette hij den +kijker opnieuw aan het oog en thans ontdekte hij, dat eene brik met +mars- en bramzeilen regelrecht op het eiland aanstuurde.</p> +<p>Flink wendde zich naar de rotspunt, waar zij gewoonlijk hun visch +plachten te vangen. Daar zette hij zich neder en gaf zich aan zijne +gedachten over. Was dat schip misschien uitgezonden, om hen in hunne +verlatenheid op te zoeken, of was het door een bloot toeval tusschen de +rotsen geraakt? Na kort nadenken, kwam hij echter tot het gevoelen, dat +slechts het toeval het herwaarts geleid had; want niemand kon immers +weten, dat zij gered waren geworden, en nog minder, dat zij zich op dit +eiland bevonden. Dat het schip op het eiland aanhield, was enkel omdat +het water of iets anders wenschte in te nemen. Misschien wilde het ook +zijne koers veranderen en het eiland slechts voorbijzeilen.</p> +<p>„Nu dan, er moge gebeuren wat er wil,” dacht de oude, +<span class="corr" id="xd21e4682" title= +"Niet in bron">„</span>vooreerst zal ik Willems ouders niets van +de zaak zeggen. Het zou wreed zijn eene hoop bij hen op te wekken, die +zoo licht nog kan worden teleurgesteld. Binnen weinig uren zal ’t +immers toch beslist zijn. Maar Willem moet ik het +toevertrouwen,—dat kan niet anders, hij is een brave jongen en +daarbij ook verstandig, ver boven zijne jaren. Als hij in ’t +leven blijft, zal hij eens een knap en, wat meer is, een braaf man +worden.”</p> +<p>Met deze woorden stond Flink op, monsterde het schip nog eenmaal +door zijn kijker en ging toen naar huis. Willem was reeds op; de +anderen daarentegen waren nog bezig met zich aan te kleeden.</p> +<p>„Willem,” begon Flink, terwijl beiden het huis +verlieten, „ik heb u een geheim mede te deelen, dat gij vooreerst +nog aan niemand moogt verklappen, zooals gij zelf wel kunt inzien. +Bovendien zullen weinige uren de zaak beslissen.” Willem gaf +gereedelijk de belofte van stilzwijgendheid. „Ginds op zee +vertoont zich een schip, dat óf een middel kan zijn om ons uit +onze ballingschap te verlossen, óf in ’t ergste geval +langs het eiland voorbijvaart, zonder ons gewaar te worden. Ware dit +laatste zoo, dan zou ’t eene grievende teleurstelling voor uwe +ouders zijn, als zij het te weten kwamen.”</p> +<p>Willem staarde Flink in het gezicht en kon een tijdlang geen woord +uitbrengen, zoo groot was zijne verbazing.</p> +<p>„Ach, Flink, wat zal ik dankbaar zijn! Ik hoop, dat wij +eindelijk verlost <span class="pagenum">[<a id="pb201" href="#pb201" +name="pb201">201</a>]</span>worden, want gij weet niet, hoe mijn arme +vader in het geheim lijdt—en mijne moeder niet minder.”</p> +<p>„Ik weet het wel, Willem, ik weet het zeer goed en vind het +ook natuurlijk. Zij zoeken hun verdriet zoo goed mogelijk te verbergen, +en meer kan men van hen niet verlangen.—Maar nu, Willem, komt het +op een rasch besluit aan: nog vóór het ontbijt moeten wij +aan het werk. Doch wacht eens,—eerst wil ik u het schip +wijzen.”</p> +<p>Flink richtte zijn kijker op het schip, liet zijn instrument tegen +den stam van een kokosboom leunen, en toen bracht Willem zijn oog aan +het glas.</p> +<p><span class="corr" id="xd21e4701" title= +"Niet in bron">„</span>Ziet gij het?”</p> +<p>„O ja, Flink; het komt recht op ons aan.”</p> +<p>„Ja, ja, het stuurt regelrecht op het eiland los. Maar spreek +zoo hard niet, mijn jongen. Ik zal den kijker hier laten; wijzelven +zullen aan het werk gaan; in het voorraadhuis vinden wij eene bijl. +Kom, Willem, gezwind, jongen, voordat uw vader buiten komt.”</p> +<p>Beiden gingen naar het magazijn, om de bijl te halen. Flink zocht +een zeer dunnen kokosstam aan den oever uit. Deze werd geveld en zoodra +hij van den kop ontdaan was, met Willems bijstand naar de landpunt +gebracht.</p> +<p>„Nu, Willem, moet ge eene schop halen en hier een gat graven, +waarin wij dezen stam als een seinstok zetten kunnen. Is dat gedaan, +dan haal ik een klein blok en touw, om de vlaggen, zoodra het schip ze +bemerken kan, aan den stok op te hijschen. Is ’t gat diep genoeg, +dat komt gij aan en doet alsof er niets is voorgevallen. Onder ’t +ontbijt stel ik dan voor, dat wij beiden de boot uit het zand halen en +onderzoeken. Uw vader krijgt zoolang werk, dat hem binnenshuis +houdt.”</p> +<p>„Maar de vlaggen, Flink,—zij hangen voor moeders bed. +Hoe zullen wij die in handen krijgen?”</p> +<p>„Ik zal voorwenden, dat het nu tijd is, om het huis eens +behoorlijk schoon te maken, en daarbij moeten dan de venster- en +bedgordijnen afgenomen en op dezen mooien dag buiten gelucht worden. +Verzoek uw vader daarover het opzicht te houden, terwijl wij de boot +uitgraven. Dat zal allen in huis wel bezighouden.”</p> +<p>„Goed; zoo zal het gaan. Flink.”</p> +<p>Onder het ontbijt zeide Flink, dat hij van plan was om vandaag de +boot uit het zand te graven, en dat Willem hem daarbij best helpen +kon.</p> +<p>„En wat zal ik onderwijl bij de hand nemen?” vroeg +mijnheer Wilson.</p> +<p>„Wel, mijnheer, daar de regen voorbij is, zou het, dunkt mij, +niet kwaad <span class="pagenum">[<a id="pb202" href="#pb202" name= +"pb202">202</a>]</span>zijn, dat wij de bedden eens luchtten. ’t +Is vandaag een warme, mooie dag; als al het beddegoed buiten de deur +gebracht en flink uitgeklopt werd dan kon men het in de zon laten +liggen, en zoo kwam er alweder een noodzakelijk werk +afgedaan.”</p> +<p>„Ja, ja, dat zal zeer goed zijn, Flink,” oordeelde +mevrouw Wilson; <span class="corr" id="xd21e4729" title= +"Niet in bron">„</span>onderwijl kunnen Juno en ik het huis van +boven tot beneden uitstoffen en schoonmaken.”</p> +<p>„Dienden dan de gordijnen ook niet eens afgenomen en in de +lucht gehangen te worden?” vroeg Willem.</p> +<p>„Ja, waarlijk, dat zou zoo kwaad niet zijn,” sprak +Flink. „Bij ’t afnemen der gordijnen en vlaggen willen +wijzelven een handje helpen en ze dan in de lucht uitleggen. Als +mijnheer er niet tegen heeft, kan hij het oppertoezicht over de +schoonmakerij houden en mevrouw en Juno helpen, als zij bijstand noodig +hebben.<span class="corr" id="xd21e4736" title= +"Niet in bron">”</span></p> +<p>„Van harte gaarne,” was het antwoord. „Welnu, het +ontbijt is afgeloopen; zoo zullen we dan maar terstond beginnen, als ge +’t goedvindt.”</p> +<p>Flink en Willem namen de gordijnen en vlaggen af en droegen ze naar +buiten. Op eenigen afstand van de woning werden de eerste op den grond +uitgespreid; maar met de vlaggen liep Willem haastig naar het strand. +Flink haalde blok en lijnen om ze aan den seinstok op te hijschen.</p> +<p>Flinks krijgslist gelukte volkomen. Zonder door de familie gezien te +worden, werd de seinpaal opgericht, in den grond gezet en de vlaggen +tot optrekken gereed gehouden. Vervolgens gingen Flink en Willem naar +den houtstapel. Ieder nam zooveel rijs, als hij dragen kon, om daarmede +een rook te verwekken, die de opmerkzaamheid van het scheepsvolk +trekken moest.</p> +<p>Dit alles nam niet meer dan een uur weg, gedurende welken tijd de +brik haar koers naar het eiland onafgebroken vervolgde. Toen Flink het +schip voor ’t eerst gezien had, was er slechts weinig wind +geweest; onderwijl was de bries echter vrij hevig geworden en de brik +had daarom hare bramzeilen geborgen. Achter het schip was de horizon, +die in den beginne blauw en helder geweest was, allengs met wolken +bedekt geworden en de golven aan de klippen die van het eiland in de +zee uitliepen, werden met wit schuim gekuifd.</p> +<p>„De wind wordt al heviger,” begon Flink; „het +schip moet nu weldra bij ons zijn, als het niet afgeschrikt wordt door +de riffen, die het thans, nu de golven hoog gaan, duidelijker dan te +voren bemerken kan.”</p> +<p>„Ik hoop niet, dat ze zich laten afschrikken,” hernam +Willem. „Hoe ver mag de brik nog wel verwijderd zijn?” +<span class="pagenum">[<a id="pb203" href="#pb203" name= +"pb203">203</a>]</span></p> +<p>„Vijf mijlen omtrent, Willem,—meer niet. De wind is nu +meer naar het zuiden gedraaid en stapelt de wolken ras op. Ik vrees +half, dat wij een duchtigen storm krijgen, ofschoon die niet lang duren +zal. Kom, jongen, laat ons de vlaggen ophijschen; wij mogen niet langer +talmen. Ze zullen braaf in den wind wapperen, zoodat men ze van ginds +af wel al zien kan.”</p> +<p>Zij heschen eerst den langen wimpel op, vervolgens kwam de breede +vlag, waarop de naam van hun verloren schip, De Vrede, met reusachtige +letters geschreven stond.</p> +<p>„Ziedaar,” sprak Flink, nadat de touwen waren +vastgebonden. <span class="corr" id="xd21e4759" title= +"Niet in bron">„</span>Nu zullen we vuur slaan en terdege rook +maken. Dat moet in allen gevalle hunne opmerkzaamheid +trekken.”</p> +<p>Zoodra de kokosbladeren in vlam stonden, werd er water op gegoten, +zoodat zij aan ’t smeulen gingen en een dichte rookkolom er uit +opsteeg.</p> +<p>Het schip naderde in rassche vaart. De beide toeschouwers sloegen +het met gespannen verwachting gade.—Daar op eenmaal zagen zij +vader en moeder, met Thomas en Caroline, ook Juno met den kleinen +Albert op den arm, allen met haastige schreden op het strand +toesnellen.</p> +<p>Ziehier, hoe dit kwam. Thomas, den arbeid moede, had het huis +verlaten en was in zijn eentje naar het strand gestapt. Daar bemerkte +hij eerst de waaiende vlaggen en eindelijk ook het schip, dat naderde. +Oogenblikkelijk rende hij naar huis terug, uit al zijn macht +roepende<span class="corr" id="xd21e4768" title="Bron: ;">:</span> +„Vader! Moeder! Kapitein Osborn is er; hij komt met een groot +schip om ons te halen.” Op dit bericht ijlden beide ouders naar +buiten, ontdekten het schip en de in den wind wapperende vlag en +spoedden zich, gelijk reeds gezegd is, naar Flink en Willem, die bij +den vlaggestok stonden.</p> +<p>„Och, Flink! waarom hebt ge ons dat niet gezegd?” riep +mijnheer Wilson reeds van verre, geheel buiten adem.</p> +<p>„Ik wenschte, dat gij het ook thans nog niet vernomen hadt, +mijnheer,” antwoordde de oude man; „doch dat is te laat. +Het geschiedde voor ’t overige met de beste bedoeling van de +wereld.”</p> +<p>„Ja, waarlijk, dat is zoo, vader!”</p> +<p>Mevrouw Wilson zeeg op de rots neder en brak in tranen uit; haar +echtgenoot was niet minder ontroerd en geschokt.</p> +<p>„Heeft het schip ons reeds opgemerkt, Flink?” vroeg de +laatste eindelijk.</p> +<p>„Neen, mijnheer, nog niet. Dit juist wilde ik afwachten, +voordat ik u de tijding kwam brengen,” was het antwoord.</p> +<p>„De brik verandert haar koers,” merkte Willem aan. +<span class="pagenum">[<a id="pb204" href="#pb204" name= +"pb204">204</a>]</span></p> +<p>„Ja, ja, zij is opgeloefd, waarschijnlijk uit vrees van te na +op de klippen te zullen komen.”</p> +<p>„Zij zal ons toch niet verlaten?” riep mevrouw Wilson +angstig.</p> +<p>„Neen, mevrouw; maar men heeft ons nog niet gezien.”</p> +<p>„Maar nu—nu ziet men ons!” riep Willem en +slingerde zijne muts in de hoogte. „Ziet maar, de brik heeft hare +vlag geheschen.”</p> +<p>„Waarlijk! thans heeft zij ons ontdekt.”</p> +<p>Mijnheer Wilson omarmde zijne echtgenoote, die zich snikkend aan +zijn hals wierp, kuste vol verrukking zijne kinderen en schudde den +ouden Flink vol dankbaarheid de hand. Hij was geheel uitgelaten van +vreugde. Willem was niet minder verrukt, Juno weende en lachte, alles +in één adem, en Thomas vatte de kleine Caroline bij de +handjes en danste met haar om den vlaggestok rond.</p> +<p>Zoodra het gezelschap iets kalmer geworden was, merkte Flink +aan:</p> +<p>„Dat zij ons gezien hebben, mijnheer, daaraan is thans geen +twijfel meer. Wij hebben nu niets haastigers te doen, dan onze boot uit +het zand te halen. Wijzelven kennen wel den doorgang door de klippen, +maar die op het schip niet. Ik twijfel overigens, of zij wel wagen +zullen, voordat de wind eenigszins bedaard is, eene sloep naar wal te +sturen. Gij ziet zelf, mijnheer, de wind is op dit oogenblik vrij +sterk.”</p> +<p>„Maar gij gelooft toch niet, Flink, dat het nog harder zal +beginnen te waaien?”</p> +<p>„Ik moet het u, helaas, bekennen, mijnheer,—ja, dat +geloof ik. Naar het zuiden ziet de hemel er vrij dreigend uit, en +voordat de storm voorbij is, kunnen zij zich moeielijk wagen aan een +eiland, dat gelijk het onze, zoo rondom van de klippen en riffen +omgeven is. ’t Zou inderdaad hoogst roekeloos van hen wezen, als +zij het deden. Doch dit alles moet zich binnen weinige uren +uitwijzen.”</p> +<p>„Maar zelfs als de storm losbreekt, zullen zij toch zekerlijk +het eiland niet verlaten zonder ons mede te nemen?” merkte +mevrouw Wilson aan. „Nadat de storm voorbij is, keeren zij zeker +wel terug.”</p> +<p>Flink zeide niets. De brik had intusschen andermaal gewend, alsof +zij op het eiland wilde aansturen. Weldra echter lag zij weder den wal +uit met den steven noordwaarts.</p> +<p>„Zij verlaat ons!” riep Willem bedroefd.</p> +<p>„Laaghartige schurken!” viel mijnheer Wilson vertoornd +uit.</p> +<p>„Gij geeft hun ten onrechte een zoo harden naam, +mijnheer,” antwoordde Flink. „De storm verheft zich met +geweld en ’t zou zeer gevaarlijk voor hen zijn, als ze daar, waar +ze thans zijn, blijven wilden.” <span class="pagenum">[<a id= +"pb205" href="#pb205" name="pb205">205</a>]</span></p> +<p>Mijnheer Wilson keerde zich tot zijne gade en gaf haar met een +bedrukt gezicht den arm. Zonder een woord te spreken verlieten zij het +strand. De overige familie volgde hen,—alleen Flink bleef bij den +vlaggestok achter. Hoe treurig stak deze doodsche verslagenheid bij de +luidruchtige vreugde af, waarmede zij het huis hadden verlaten!</p> +</div> +</div> +<div id="ch44" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">VIER-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">SPOREN VAN EILANDERS.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Bij zijne thuiskomst vond Flink allen in zoo diepe +treurigheid verzonken, dat hij het niet raadzaam achtte een enkel woord +te spreken. Zoo viel de avond en naderde tijd om naar bed te gaan.</p> +<p>Dien ganschen nacht bulderde de storm onophoudelijk door en het +water werd met emmers uit den hemel gegoten. De kinderen sliepen +gerust, zooals altijd; maar vader en moeder, Willem en Flink deden geen +oog toe, luisterden naar de windvlagen en hielden zich ieder met zijne +eigene gedachten bezig. Sedert hunne komst op het eiland was dit de +onrustigste nacht, dien zij nog beleefd hadden.</p> +<p>Al vóór dag en dauw was Flink in de kleeren en reeds +vóór het opgaan der zon stond hij aan het strand. De +storm had nu zijne grootste hevigheid gehad; maar hoe angstig en scherp +hij ook met zijn kijker rondzag,—van het schip van gisteren was +geen zweem meer te ontdekken.</p> +<p>Hij bleef aan de kust, totdat de tijd van het ontbijt kwam; toen +kwam Willem, om hem te halen en beiden keerden naar huis terug. Bij +zijne komst vond hij mijnheer en mevrouw Wilson bedaarder en kalmer, +dan zij den dag te voren geweest waren. Beiden heetten hun hartelijk +welkom.</p> +<p>„Ik vrees<span class="corr" id="xd21e4836" title= +"Niet in bron">,</span> Flink, dat gij ons weinig goede tijding +brengt,” zeide mijnheer Wilson.</p> +<p>„Waarom dat? Voor ’t overige kunt gij die ook niet +verwachten, voordat de storm geheel en al voorbij is.”</p> +<p>„Zeg mij, Flink,” vroeg mevrouw, „gelooft gij +waarlijk, dat het schip tot ons zal terugkomen?”</p> +<p>„Ik zal u al onze uitzichten doen kennen, mevrouw; meer kan ik +toch bezwaarlijk doen. Zoolang de storm aanhield, kon het schip hier +onmogelijk blijven; dat kunt gij zelve wel begrijpen. Wat de orkaan ten +gevolge had, <span class="pagenum">[<a id="pb206" href="#pb206" name= +"pb206">206</a>]</span>weet niemand onzer te zeggen. Misschien is de +brik in onze nabijheid, als de wind gaat liggen; misschien ook werd zij +door den wind ettelijke honderden mijlen van ons +weggedreven.—Dan, mevrouw, komt de tweede mogelijkheid. Uit de +nadering van het schip tot ons eiland, leid ik af, dat het gebrek aan +het water had. Nu is de vraag of de kapitein misschien niet geraden +acht, om zonder zich verder om ons te bekommeren in de voor hem +bestemde haven binnen te loopen of op eene andere plaats water in te +nemen. Gij weet, mevrouw, dat een kapitein bovenal op ’t belang +van zijne reeders heeft te letten. Wel geloof ik, dat het schip, als +dat zonder nadeel geschieden kan, ongetwijfeld zal terugkeeren. De +eerste vraag is maar—of het kan, dan komt de tweede: of de +kapitein menschlievend genoeg is, om voor ongelukkige medemenschen iets +over te hebben.”</p> +<p>„In dat alles ligt maar weinige troost voor ons opgesloten, +Flink.”</p> +<p>„Maar wat helpt het ook, mijnheer, of wij ons met valsche +verwachtingen vleien en de oogen verblinden?” was het antwoord. +„Evenwel zelfs als het schip zijne reis vervolgde en wij het niet +meer te zien kregen, geloof ik toch dat wij alle reden hebben om blijde +te zijn.”</p> +<p>„En waarom dan<span class="corr" id="xd21e4854" title= +"Niet in bron">,</span> Flink?”</p> +<p>„Wel, mijnheer, vóór de komst van dat schip wist +geen menschelijke ziel, of wij nog in leven waren of niet, en zoo zou +ook niemand naar ons gezocht hebben. Nu evenwel is dit bekend. Uit den +scheepsnaam op onze vlag weten ze wie we zijn, en als ze nu behouden in +de haven aankomen, zullen ze niet nalaten daarvan aan onze vrienden +bericht te brengen. En hebben wij niet alle reden om daarover recht +verheugd te zijn? ’t Kan wezen, dat wij door dit schip niet +verlost worden; maar dan hebben wij althans alle hoop, dat een tweede +naar ons wordt uitgezonden.”</p> +<p>„Dat is waar, Flink. Dat had ik al vroeger moeten bedenken; +maar mijne teleurstelling en mijne wanhoop waren gisteren zoo groot, +dat ik geen redelijk mensch meer was.”</p> +<p>De storm hield nog den ganschen dag aan en scheen nog niet te willen +bedaren, toen zij zich andermaal ter ruste begaven. Den volgenden +morgen was Flink als naar gewoonte weder vroeg op, en ditmaal +vergezelde Willem hem naar het strand.</p> +<p>„Flink! Flink!” riep Willem en wees naar de +zuidoostelijke punt van de klippen. „Wat is dat?—Zie maar! +het is eene boot!”</p> +<p>Flink bracht den kijker aan ’t oog. „Het is eene kano, +Willem; en mij dunkt, er zijn menschen in.”</p> +<p>„Maar, Flink, waar kunnen die vandaan komen? Zie eens, nu zijn +zij <span class="pagenum">[<a id="pb207" href="#pb207" name= +"pb207">207</a>]</span>tusschen de klippen; daar gaan zij immers te +gronde<span class="corr" id="xd21e4871" title="Bron: ,">.</span> Kom, +Flink, laat ons hun te gemoet gaan.”</p> +<p>Zij snelden beiden naar het strand op het punt aan, waar de boot op +de branding voortdanste en wachtten totdat deze op den oever werd +geworpen.</p> +<p>„Willem, die kano moet van het groote eiland ginds hierheen +zijn gedreven,” zeide Flink, wederom door zijn kijker ziende. +„Er zijn twee menschen in en dat zijn inlanders. De arme +schepsels worstelen hard om hun leven en schijnen doodelijk uitgeput. +Doch ’t gevaarlijkste gedeelte van de klippen hebben zij toch +reeds achter zich!”</p> +<p>„Ja,” antwoordde Willem; „spoedig komen ze in +stiller water. Die branding hier aan het strand is evenwel toch al heel +erg.”</p> +<p>„Die zal hun geen kwaad doen, als de kracht hun slechts niet +begeeft. Waarlijk, ze weten recht goed met hun kano om te +gaan.”</p> +<p>Onder dit gesprek was de kano met snelheid de kust genaderd. Een +oogenblik later schoot hij door de branding heen en boorde vast in het +zand. De beide menschen daarin hadden ternauwernood nog kracht genoeg +gehad, om door de branding heen te roeien<span class="corr" id= +"xd21e4885" title="Bron: ,">;</span> toen dit gebeurd was, zegen zij +uitgeput op hunne riemen neder.</p> +<p>„Wij zullen den kano verder ophalen, Willem. De arme schepsels +kunnen geen vinger meer verroeren.”</p> +<p>Nu eerst ontdekte Flink, dat de eilanders beiden van het vrouwelijk +geslacht waren. Hare gezichten waren heel getatoeëerd of met +allerlei vreemde figuren beprikt, wat haar een vreemd voorkomen gaf; +maar voor ’t overige waren zij nog jong en zagen er lang niet +slecht uit.</p> +<p>„Zal ik naar huis loopen en wat eten voor haar halen?” +vroeg Willem.</p> +<p>„Ja, jongen, doe dat. Juno zal u wel wat geven, en als +’t kan, wat warms.”</p> +<p>Willem keerde spoedig met eene gortepap terug, die Juno nog van het +ontbijt had overgehouden en waarvan zij de wilden eenige lepels in den +mond goten, die daarna weldra eenigszins schenen te bekomen. Hierop +liet Willem den ouden Flink bij haar achter en liep naar huis, naar +vader en moeder, om die van de onverwachte gebeurtenis kennis te geven. +Kort daarna kwam hij met zijne moeder terug. De beide wilden waren +intusschen zoover gekomen, dat zij zich oprichten konden, en allen +spanden nu dadelijk hunne krachten in, om den kano zoo ver zij konden +op het land te trekken, ten einde te verhinderen, dat zij door de +golven werd in stukken geslagen.</p> +<p>Zij vonden in de boot niets dan eene kleine mat, benevens de beide +riemen, waarvan de vrouwen zich bediend hadden. De laatste zoowel als +de boot zelve waren op eene heel wonderlijke wijze gemaakt. +<span class="pagenum">[<a id="pb208" href="#pb208" name= +"pb208">208</a>]</span></p> +<p>„Ge ziet, mijnheer,” zeide Flink tot mijnheer Wilson, +„de beide arme schepsels waren zekerlijk tot bewaking in den kano +achtergebleven en zijn nu door den storm van een der zuidoostelijke +eilanden afgedreven. Ze moeten sinds eergisteren met den orkaan gekampt +hebben en hebben in <span class="corr" id="xd21e4903" title= +"Bron: aldien">al dien</span> tijd denkelijk nat noch droog over de +lippen gehad. ’t Is waarlijk een geluk voor haar, dat zij op ons +eiland aandreven.”</p> +<p>„Ja, inderdaad,” hernam mijnheer Wilson. „Voor +’t overige moet ik evenwel zeggen, dat mij zulk een bezoek niet +bijzonder verblijdt. Het is een bewijs voor hetgeen wij tot hiertoe nog +niet met zekerheid geweten hebben, dat wij, namelijk, dichtbij buren +hebben, die ons misschien wel eens heel ten onpas met een bezoek konden +vereeren.”</p> +<p>„Dat is licht mogelijk, mijnheer,” antwoordde Flink: +„maar de arme schepsels die zoo bij ons komen aanspoelen, kunnen +’t geval noch erger noch beter maken. Misschien kan het ons zelfs +tot voordeel strekken; want als deze twee wilden Engelsch leeren, +voordat hare landgenooten ons komen opzoeken, kunnen zij ons tot tolken +dienen en zoo misschien tot de redding van ons leven +bijdragen.”</p> +<p>„Zou zulk een bezoek dan zoo gevaarlijk voor ons uitvallen +Flink?”</p> +<p>„Wel, wilden zijn eens en voor al wilden. Evenals kleine +kinderen, verlangen zij naar alles wat hun in de oogen blinkt, +inzonderheid naar zulke dingen, waarvan zij het gebruik kennen, zooals +ijzer bij voorbeeld. Als zij hierheen kwamen en wij een deel van onze +goederen verborgen, maar ’t overschot aan hen overleverden, dan +konden wij ons leven misschien nog redden. Evenwel kan men ook in dat +geval niet veel op hen vertrouwen, en ik zou stellig aanraden ons ook +tegen eene groote overmacht te verweren, liever dan ons op genade of +ongenade over te geven.”</p> +<p>„Maar, zouden we ons dan ooit met mogelijkheid tegen zulk eene +groote menigte verdedigen kunnen?”</p> +<p>„We moeten behoorlijk zijn voorbereid, mijnheer. Als we ons +maar goed verschanst hebben, kunnen we het tegen een paar honderd wel +opnemen.”</p> +<p>Mijnheer Wilson sloeg de hand aan het voorhoofd.</p> +<p>„’t Is waarlijk niet heel troostrijk,” zeide hij, +na eene poos, „nu op dit oogenblik aan een verdedigingsplan tegen +de wilden te moeten denken, nadat wij voor twee dagen nog hoop hadden +van dit eiland verlost te worden. O, dat die brik zich nog weer liet +zien<span class="corr" id="xd21e4923" title= +"Bron: ?">!</span>”</p> +<p>„De wind gaat langzamerhand liggen, mijnheer!” +antwoordde Flink<span class="corr" id="xd21e4928" title= +"Niet in bron">,</span> „nog vóór den avond hebben +wij kostelijk weer. We kunnen immers later overleggen; in allen gevalle +geef ik deze eerste week alle hoop nog niet op.” <span class= +"pagenum">[<a id="pb209" href="#pb209" name="pb209">209</a>]</span></p> +<p>„Eene heele week, Flink! Och, hoe waar is het, dat +teleurgestelde hoop den mensch geheel wanhopig maakt!”</p> +<p>„’t Is een zware ramp, mijnheer Wilson; evenwel moeten +wij ons schikken. Voor het tegenwoordige zouden we ’t best doen, +als wij deze arme schepsels maar onder dak brachten en maakten, dat ze +weer wat bijkwamen.”</p> +<p>„Ja, Flink; mij dunkt, teekens zullen ze toch wel +verstaan?”</p> +<p>De oude man beduidde haar nu door teekens, dat ze zouden opstaan. +Dit deden zij ook, hoewel niet zonder zwarigheid. Toen ging hij vooruit +en gaf haar een teeken, dat ze volgen zouden. Zij begrepen hem en +poogden te loopen, maar waren zoo zwak, dat zij op den grond zouden +zijn neergevallen, als mijnheer Wilson en zijn zoon haar niet +vastgehouden hadden.</p> +<p>Er was een lange tijd noodig, voordat men haar in het woonhuis had +gebracht. Mevrouw, die van alles onderricht was, ontving haar zeer +vriendelijk, en Juno had een tafel gedekt, die nu voor haar werd +nedergezet. Zij aten een weinig en legden zich toen neder, waarop zij +weldra in diepen slaap verzonken.</p> +<p>„’t Is een geluk voor ons, dat het vrouwen zijn,” +merkte mijnheer Wilson aan; „als het mannen geweest waren, zouden +wij er erger aan toe zijn geweest.”</p> +<p>„Ja, zeker<span class="corr" id="xd21e4947" title= +"Niet in bron">,</span>” hernam Flink; „evenwel mogen wij +ook de vrouwen in den beginne niet al te veel vertrouwen, want ze zijn +en blijven altijd wilden. Als wij nog langer op dit eiland moeten +blijven, kunnen zij in vele opzichten nuttig, ja, zelfs van groote +waarde voor ons zijn, daar zij ons veel werk kunnen helpen +verrichten.”</p> +<p>„Maar waar zullen wij haar van nacht onder dak brengen, +Flink?”</p> +<p>„Ik dacht daar juist over, mijnheer. Ik wenschte, dat wij hier +dichtbij eene loods of een schuurtje hadden; doch bij gemis daarvan +moeten wij haar wel in het magazijn laten slapen.”</p> +<p>„O ja, dat zal zeer goed gaan.”</p> +<p>De vreemde vrouwen hadden zich spoedig van hare uitputting hersteld +en schenen zeer zacht en handelbaar te zijn. Wat zij doen konden, deden +zij gaarne en gewillig en ook hadden zij na verloop van veertien dagen +reeds eenige Engelsche woorden geleerd. Een nieuw tochtje over het +eiland werd afgesproken en op den aanstaanden Maandag vastgesteld, toen +hen een nieuwe ramp trof, die al hunne gemaakte plannen overhoop +wierp.</p> +<p>Des Zaterdagsmorgens, toen Flink als gewoonlijk zijne ronde deed, +daalde hij juist naar het strand neer, toen hij den Indiaanschen kano +vermiste. <span class="pagenum">[<a id="pb210" href="#pb210" name= +"pb210">210</a>]</span>Hij was geheel uit het water opgehaald geworden +en kon dus onmogelijk zijn weggedreven.</p> +<p>Flink ontstelde op dat gezicht. Hij richtte zijn kijker naar den +kant van het groote eiland en meende op verren afstand een donker punt +op het water te ontdekken. Terwijl hij daar nog stond te turen, kwam +Willem ook aan het strand en voegde zich bij zijn ouden vriend.</p> +<p>„Ach, Willem,” riep Flink, „ik vrees, dat de +vrouwen in haren kano ontsnapt zijn. Ga schielijk heen en zie of ze ook +in het magazijn of ergens anders zijn en kom mij dan terstond zeggen, +hoe het is.”</p> +<p>Willem keerde na weinige minuten ademloos terug en meldde, dat de +wilden nergens te vinden waren en bovendien nog eene menigte groote +spijkers en andere stukken ijzerwerk, die in kleine vaatjes in het +magazijn gestaan hadden, moesten hebben medegenomen.<a id="xd21e4968" +name="xd21e4968"></a></p> +<p>„Dat is leelijk, Willem,—waarlijk heel leelijk; het is +voor ons een veel grooter ongeluk, dan dat het schip niet is +teruggekomen.”</p> +<p>„O, Flink, wij zullen ons zonder haar ook wel +redden.”</p> +<p>„Ja, dat wel. Maar als de vrouwen tot haar volk terugkeeren en +daar het ijzer vertoonen, dat ze hebben medegebracht; als ze vertellen, +dat er bij ons nog veel meer te krijgen is,—dan kunt ge er op +rekenen, dat wij spoedig een talrijk bezoek van hare landslieden +krijgen zullen, die meer van ons eigendom halen willen. Ik had daarop +bedacht moeten zijn en den kano niet hier gelaten of haar zelfs +verbrand moeten hebben. Wij moeten dadelijk bij uw vader gaan en met +hem beraadslagen, want hoe eer wij met ons werk aanvangen, des te beter +voor ons. Kom, Willem, kom;—maar vergeet niet uwe moeder de zaak +zoo licht voor te stellen als mogelijk is.<span class="corr" id= +"xd21e4977" title="Niet in bron">”</span></p> +<p>Zoodra zij bij mijnheer Wilson waren, deelden zij hem het +rampspoedige nieuws mede. Hij begreep dadelijk het gevaar, dat er +bestond, doch achtte het raadzaam zijne vrouw daar terstond mee bekend +te maken en haar niets te verbergen. Daarna hielden zij een krijgsraad, +waarbij het volgende plan werd ontworpen.</p> +<p>In de eerste plaats scheen het noodzakelijk het magazijn in een +blokhuis te veranderen, zoodat het iederen vreemdeling onmogelijk moest +worden daarin door te dringen. Zoodra de verschansing voltooid was, +moest de woning naar het magazijn verlegd worden. De voorraad, waarvoor +in het nieuwe blokhuis geene plaats was, moest in hunne tegenwoordige +woning bewaard blijven of in het kokosbosch verborgen worden. Eerst +nadat al deze veiligheidsmaatregelen tegen een onverwachten aanval +genomen waren, wilde <span class="pagenum">[<a id="pb211" href="#pb211" +name="pb211">211</a>]</span>men de vroeger ontworpen plannen ten +uitvoer brengen. Des Maandags wilden zij aan het werk beginnen.</p> +<p>„Ik weet niet hoe het komt, maar ik gevoel thans, nu er gevaar +voor oogen is, oneindig meer moed, dan toen er nog weinig of niets te +vreezen was,” zeide mevrouw Wilson.</p> +<p>„Daar twijfel ik volstrekt niet aan, mevrouw. Ik ben +integendeel overtuigd dat indien uw moed op de proef mocht worden +gesteld, gij die zekerlijk ook zult blijven toonen.”</p> +</div> +</div> +<div id="ch45" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">VIJF-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">KRIJGSRAAD.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Niettegenstaande zij in den beginne alles gedaan +hadden om elkanders moed en vertrouwen op te wekken, bevonden onze +vrienden zich nu toch in zulk een pijnlijken toestand van angst en +verwachting, dat de eerste drie weken na het plotseling verdwijnen van +het schip, ondanks alle plannen en beraadslagingen, in volstrekte +werkeloosheid voorbijgingen, daar zij zich nu eens met de hoop vleiden, +dat het gewenschte schip nog terugkeeren kon, en dan weder bezorgde +blikken naar het eiland wierpen, om zich te overtuigen, dat nog geene +groote vloot van kano’s tot hun verderf in aantocht was.</p> +<p>Zoo waren zij dan ook eens op een morgen met zonsopgang in de +nabijheid van den schildpadvijver en namen den ganschen gezichtseinder +met hun kijker op. Toen begon Flink, zich tot mijnheer Wilson +wendende:</p> +<p>„Waarlijk, mijnheer, die staat van werkeloosheid mag toch niet +langer zoo aanhouden. Voorleden nacht kwam ik op een goeden inval en ik +geloof u thans een voorslag te kunnen doen, dien gij denkelijk zult +goedkeuren. Zoo, dacht ik, moesten we nu maar terstond een krijgsraad +houden en tot een besluit zien te komen.”</p> +<p>„Van harte gaarne, Flink,” antwoordde mijnheer Wilson en +zette zich op een rotsblok neder. „Gij zijt de oudste en +ervarenste van ons drieën;—laat ons hooren, wat gij hebt +voor te slaan.”</p> +<p>„Welnu, mijnheer. Naar ’t mij voorkomt, mogen wij niet +langer in ons huis blijven, want wij konden daar, gelijk ik zeide, +ieder uur van den nacht door de wilden verrast worden en zijn er tegen +overmachtige vijanden zonder alle middelen van verdediging.” +<span class="pagenum">[<a id="pb212" href="#pb212" name= +"pb212">212</a>]</span></p> +<p>„Dat zie ik wel in en heb ik reeds geruimen tijd +ingezien,” was het antwoord; „doch wat zullen we doen? +Zullen wij naar de westkust terugkeeren?”</p> +<p>„Mij dunkt neen, mijnheer,” hernam Flink. „Mijn +voorslag is <span class="corr" id="xd21e5011" title= +"Bron: : deze">deze:</span> wij hebben in ’t zuiden van ’t +eiland een ontdekking gedaan, die voor ons van groot gewicht is. Ik +bedoel daarmee echter niet de vruchten en planten, die wij gevonden +hebben, want deze zijn wel van veel waarde, maar zullen ons slechts +gedurende den zomertijd een desnoods ontbeerlijk genot aanbieden. Groot +nut verleent ons ook het voeder voor het vee, dat wij daar ontdekt +hebben, vooral gedurende den regentijd, maar het hoofdvoordeel brengt +ons dat met yamswortels bezet stuk land aan, dat ons voedsel voor den +winter zal geven. Ze zijn voor ons van het grootste belang en we kunnen +ze niet spoedig genoeg tegen de zwijnen beschutten, die ze ongetwijfeld +met wortel en al opwroeten, als we dat niet tijdig voorkomen. Nu weet +ge zeer goed, mijnheer, wat we vroeger besloten, maar niet volvoerd +hebben. Ik geloof echter, dat de kokosheining nu te veel tijd zal +wegnemen en ’t wel voldoende zal zijn, als wij de yamswortels met +sloot en heg omheinen. Als we daarbij echter gedurig weer naar ons huis +terugkeeren en mevrouw met de kleinen alleen laten moesten, zou dat +zeer lang aanhouden,—en dus stel ik voor, om, daar ’t weder +zoo geheel is opgeklaard en nu wel maanden lang goed blijven zal, onze +tenten daar ter plaatse op te slaan en met de gansche familie naar de +zuidkust te trekken. Zij zullen daar binnenkort geheel thuis en in +allen gevalle veel veiliger zijn, dan als zij zonder eenige verdediging +hier achterbleven.”</p> +<p>„Een uitmuntende raad, Flink; wij worden daardoor zooals gij +opmerkt, voorloopig aan het gevaar onttrokken, en zijn wij eenmaal +daar, dan kunnen wij altijd nog overleggen wat voor ons het beste +is.”</p> +<p>„Juist, mijnheer. Misschien hebben onze vluchtelingen het +eiland in ’t geheel niet bereikt, want de eerste dagen, nadat zij +ons eiland verlieten, hadden zij den wind vlak tegen, en bovendien is +de stroom in deze richting zeer sterk. Zijn ze echter werkelijk +behouden aangeland, dan moeten wij ons op een bezoek van de wilden +voorbereid houden, en als die landen, komen zij natuurlijk regelrecht +op onze tegenwoordige woning aan.”</p> +<p>„Gij wilt toch niet, Flink, dat wij dit gedeelte van ’t +eiland en al de gemakkelijke inrichtingen, die wij er tot stand +brachten, voor altijd verlaten?” vroeg Willem.</p> +<p>„Ei, zeker niet voor altijd, mijn beste Willem; en daarmee kom +ik tot het tweede gedeelte van mijn voorstel.—Zoodra wij met ons +yamsplantsoen <span class="pagenum">[<a id="pb213" href="#pb213" name= +"pb213">213</a>]</span>gereed zijn en alles zoo goed mogelijk in orde +hebben, laten wij mevrouw en de kinderen achter en gaan hier weder aan +den arbeid. Zooals bepaald is, moeten wij ons tegenwoordig woonhuis +opgeven en ons magazijn, dat in het bosch verscholen ligt, tot woning +inrichten en zoodanig versterken, dat wij tegen elken onverhoedschen +aanval van de wilden gedekt zijn; want in eene vaste woning moeten wij +in elk geval terugkeeren, daar wij, als het regenseizoen invalt, niet +meer onder de tenten kunnen blijven.”</p> +<p>„Hoe wilt gij het magazijn dan verschansen, Flink?” +vroeg mijnheer Wilson. „Daarvan weet ik niets.—Wat is zulk +een blokhuis eigenlijk?”</p> +<p>„Dat zal ik u bij gelegenheid uitleggen.—Nu, echter, +mijnheer, komt er nog velerlei. Als de wilden hierheen komen, moeten +wij ons in allen gevalle met vuurwapens tegen hen kunnen verdedigen. +Een enkel man met een geweer achter eene palissade is beter dan +twintig, die alleen met knotsen en lansen gewapend zijn, en +zóó slechts mogen wij hopen onze vijanden op de vlucht te +slaan.”</p> +<p>„Naar het mij voorkomt, is uw plan voortreffelijk, +Flink,” antwoordde mijnheer Wilson. „Hoe spoediger wij +daarmee beginnen, des te beter zal het voor ons zijn.”</p> +<p>„Daar is geen twijfel aan, mijnheer. Het eerste moet wezen, +dat Willem en ik op deze zijde van de klippen een doorgang voor onze +boot opzoeken; dan zullen wij naar de kleine haven omzien, die wij +reeds vroeger ontdekt hebben. Zoodra dit geschied is, keeren wij terug, +brengen tenten en al het noodige in de boot, en hebben wij die eerst +opgeslagen en alles behoorlijk in orde gebracht, dan kan mevrouw met de +kinderen met ons door het bosch trekken en ze in bezit nemen.—Als +we ’t nu over de zaak eens zijn, mijnheer<span class="corr" id= +"xd21e5033" title="Niet in bron">,</span> moesten wij maar zoo spoedig +mogelijk beginnen, want wij hebben zeer veel te doen en mogen niet +vergeten, dat wij, voordat wij met het blokhuis aanvangen, eerst nog +een bezoek op de westkust moeten afleggen, om spijkers en andere +benoodigdheden te halen, en als wij daar toch eens bij zijn, kunnen wij +evengoed ook eene geheele monstering over onzen <span class="corr" id= +"xd21e5036" title="Bron: vooraad">voorraad</span> houden.”</p> +<p>„Wij willen geen dag, geen uur verliezen, Flink; er is toch al +te veel tijd verloren geraakt,” antwoordde mijnheer Wilson. +„Wat zullen wij vandaag bij de hand nemen?”</p> +<p>„Bij het ontbijt zullen wij aan mevrouw ons plan mededeelen; +daarna ga ik met Willem in de boot en zoek eene doorvaart. Gij zelf, +mijnheer, kunt hier blijven en de tenten en al de verdere artikelen, +die wij bij de eerste <span class="pagenum">[<a id="pb214" href= +"#pb214" name="pb214">214</a>]</span>vaart meenemen, bijeenpakken, en +wij zullen, denk ik, tegen het middageten terug zijn.”</p> +<p>Met deze woorden stonden zij op en gingen op het huis aan. Allen +voelden zich innerlijk verlicht, nadat het nieuwe arbeidsplan ontworpen +was, en verheugden zich in het vooruitzicht, dat zij nu alle +menschelijke kracht zouden inspannen, om het hun dreigend gevaar +<span class="corr" id="xd21e5047" title="Bron: of">af</span> te +wenden.</p> +</div> +</div> +<div id="ch46" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">ZES-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">THOMAS EN DE KREEFT.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Het nieuwe plan werd onder ’t ontbijt aan +mevrouw Wilson medegedeeld, en daar zij wel inzag hoe zij daarbij veel +veiliger dan tot hiertoe zijn zouden, gaf zij van harte gaarne hare +toestemming.</p> +<p>Het duurde geen uur, of Flink en Willem hadden de boot in +gereedheid, waarmee zij tusschen de klippen doorroeiden, om eene +doorvaart te zoeken, welke zij ook spoedig, pas twee of drie +kabelslengten van de landpunt, gelukkig ontdekten.</p> +<p>„Dat is een groot geluk, mijn goede Willem,” riep Flink, +„maar nu moeten wij ook een merkteeken zoeken, om den terugweg +spoedig te vinden. Ziet gij die lange zwarte klip ginds;—zij ligt +in eene rechte lijn met den tuin, en als wij dus beide op elkaar +gericht hebben, weten wij dat wij ons in het eigenlijke kanaal +bevinden. Nu hebben wij nog slechts een teeken recht voor ons uit +noodig, om te zien, wanneer wij het kanaal moeten inloopen.”</p> +<p>„Zie Flink, de punt van den schildpadvijver loopt immers recht +op den rechterzijwand van ons huis aan,” hernam Willem.</p> +<p>„Goed opgemerkt; dat kan ons dienen. Nu zullen wij er wakker +op los roeien, zoodat wij tijdig terug kunnen zijn.”</p> +<p>Zij bevonden zich weldra op de zuidzijde van het eiland en roeiden +langs den kust voort.</p> +<p>„Hoe ver schat gij den weg te water, Flink?”</p> +<p>„Dat weet ik zoo juist niet, mijn jongen; mij dunkt echter +vier of vijf mijlen, en zoo mogen wij wel op een goed uur dapper +roeiens rekenen. In allen gevalle kunnen wij met dezen wind, hoe zwak +ook, terugzeilen.”</p> +<p>„Wij zijn thans in zeer diep water,” merkte Willem na +lang zwijgen aan.</p> +<p>„Ja, Willem. Op deze zijde van het eiland kunnen wij dat ook +niet anders <span class="pagenum">[<a id="pb215" href="#pb215" name= +"pb215">215</a>]</span>verwachten, want de koralen wassen alleen op de +zijde, die aan den wind blootstaat. Mij dunkt, wij kunnen van de kleine +haven, die wij onlangs ontdekten, thans niet ver meer verwijderd zijn. +Gij ziet, wij hebben het weideland en de boomgroepen reeds voor oogen. +We zullen een poosje met roeien ophouden en de kust eens bedaard +opnemen.”</p> +<p>„Daar zijn twee rotsen dicht aan den oever, Flink,” riep +Willem met den vinger wijzende. „Weet gij nog wel: ook aan de +buitenste zijde van onze haven stonden twee of drie zulke rotsen dicht +bij elkander.”</p> +<p>„Juist zoo, Willem, en ’t zou mij volstrekt niet +verwonderen, als gij den spijker op den kop had geslagen. Laat ons er +eens heen roeien.”</p> +<p>Zij deden dit en bevonden, tot hunne groote blijdschap, dat zij +werkelijk in de haven waren, waar het water zoo glad en effen als in +een vijver was.</p> +<p>„Welnu, beste jongen, dan zullen wij maar terstond onzen mast +opzetten en op ons gemak naar huis zeilen.”</p> +<p>„Wacht nog een oogenblik, Flink; geef mij den bootshaak eens. +Ik zie daar wat tusschen de klippen omkrabbelen.<span class="corr" id= +"xd21e5088" title="Niet in bron">”</span></p> +<p>Flink gaf den bootshaak aan Willem, die daarmee in het water roerde +en met de ijzeren punt een grooten zeekreeft ophaalde, dien hij met een +ruk in de boot slingerde.</p> +<p>„Dat is weer een kostelijke schotel op onze tafel,” +zeide Flink. „Wij komen dus niet met ledige handen terug en +zullen des te meer welkom zijn. Doch nu dienen we ons ook te reppen, +want we moeten hedennamiddag nog eens en dan wel met een volle lading +hierheen roeien.”</p> +<p>De mast werd opgezet, en zoodra zij met de boot buiten de haven +waren, werd het zeil opgeheschen. In minder dan een uur hadden zij de +landingsplaats bij het woonhuis wederom bereikt.</p> +<p>Willem had den zeekreeft, die slechts ééne schaar had, +uit de boot gebracht en Juno een tweeden waterketel op het vuur gezet, +om dien als een toegift voor het middagmaal te koken.</p> +<p>Thomas trad met zijn zusje Caroline toe, om het beest te bekijken. +Toen hij dit echter genoeg bewonderd had, begon hij het, als naar +gewoonte, te plagen en te kwellen, evenals hij dat op de Kaap ook reeds +den leeuw had gedaan. Eerst stiet hij het met een stok naar de oogen, +toen beproefde hij den staart recht te trekken;—het dier sloeg +echter naar hem en liep weg.</p> +<p>Eindelijk echter wilde hij zijn stok het dier zelfs in den bek +steken; toen hief dit zijn grooten nijper op, pakte hem bij het +gewricht van de hand en klemde zich daar zoo stevig aan vast, dat +Thomas het van pijn uitgilde en als razend met den kreeft aan den arm +ronddanste. Gelukkig voor hem was <span class="pagenum">[<a id="pb216" +href="#pb216" name="pb216">216</a>]</span>het beest reeds zoo lang +buiten het water en <span class="corr" id="xd21e5106" title= +"Bron: bovenndien">bovendien</span> zoo hevig door de ijzeren punt van +den bootshaak getroffen, dat het meer dan halfdood was. Anders zou het +den knaap zwaar gekwetst hebben.</p> +<p>Flink schoot toe en maakte den kreeft van hem los; doch Thomas was +zoo ontsteld, dat hij het hazenpad koos en eerst met loopen ophield, +toen hij wel honderd passen van huis was verwijderd. Daarover schoten +Flink en Juno zoo hartelijk in den lach, dat de tranen hun over de +wangen rolden.</p> +<p>Thomas scheen er zeer gebelgd over, dat hij zich op zoodanige manier +moest laten uitlachen; hij zette zich, na zijne wedloop volbracht te +hebben, pruilend neer en wachtte, totdat hij het eten zag opdragen. +Toen kwam hij eindelijk terug, ofschoon nog altijd met een benepen +gezicht. Den kreeft op tafel ziende komen, scheen hij nog voor zijn +vijand beangst, ofschoon deze nu dood was.</p> +<p>„Nu, Thomas!” zeide zijn vader, „ik denk dat gij +van den kreeft toch niet zult willen eten.”</p> +<p>„Niet eten?” riep Thomas uit. „O ja, ik wil hem +eten, juist omdat hij mij opeten wou.”</p> +<p>„Wat wilt ge er dan voor een stuk van,—de schaar +misschien?” vroeg mijnheer Wilson.</p> +<p>„Ja, de schaar! Dat ondeugende dier,—laat het daar eens +wat tegen doen; om het te plagen wil ik die eten!”</p> +<p>„Waarom hebt gij het beest niet met vrede gelaten, +Thomas?” vroeg zijn vader. „Hadt gij het niet geplaagd, het +zou u niet geknepen hebben. Ik weet zelfs niet of ik er u wel van geven +zal, als gij er van eten wilt om het te plagen.”</p> +<p>„O, ik lust hem ook niet,—ik begeer er ook niets +van,” hernam de kleine stijfkop. „Ik eet veel liever +pekelvleesch.”</p> +<p>„Des te beter; als gij geen kreeft lust, zal men u dat ook +zeker niet opdringen, jongeheer,” antwoordde zijn vader. +„Dus zullen wij hem maar buiten u onder ons verdeelen.”</p> +<p>Thomas was met dit besluit niet bijster in zijn schik, want hij had +er dolgraag een stuk van gehad. Hij zat dus met een hangende lip aan +tafel en keek bitter boos, toe de oude Flink hem zoo lachend toevoegde, +dat hij reeds vóór het eten zijn deel van den kreeft had +gehad. <span class="pagenum">[<a id="pb217" href="#pb217" name= +"pb217">217</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch47" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">ZEVEN-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">TOEBEREIDSELEN TOT DE VERHUIZING.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Terstond na den afloop van den maaltijd hielpen Willem +en Juno de beide roeiers de tentbekleedsels en staken, benevens +schoppen tot slechting van den grond en prikken tot het vastzetten der +tenten, in de boot brengen.</p> +<p>Voordat zij met de boot afstieten, merkte Willem aan:</p> +<p>„Mij dunkt, het zou zoo kwaad niet zijn, als wij voor Flink en +mij het noodige beddegoed meenamen. Wij konden dan nog van avond eene +van de tenten opslaan en den nacht daaronder doorbrengen. Morgen vroeg +konden wij dan de andere in orde brengen en zoo met ons werk een goed +eind vorderen, voordat wij terugkomen.”</p> +<p>„Dat is een zeer goede inval, Willem,” antwoordde Flink. +„Laat eens zien, wat Juno ons te eten mee kan geven; dan zullen +wij uw plan volvoeren, want hoe eer wij allen daar zijn, des te +beter.”</p> +<p>Mijnheer Wilson was van hetzelfde gevoelen en Juno pakte een stuk +pekelvleesch en eenige eierkoeken bijeen, voegde daar nog drie of vier +flesschen water bij en hielp dit alles, benevens allerlei +timmermansgereedschappen, in de boot brengen. Flink had ook nog voor +een touw gezorgd, om de boot aan een paal aan den oever vast te +maken.</p> +<p>Eindelijk stieten zij van wal en hadden in korten tijd de riffen +achter zich. Zij roeiden wakker door, want zij wenschten zoo spoedig +mogelijk de haven te bereiken, hetgeen ook na verloop van een half uur +gelukkig geschiedde.</p> +<p>Zoodra zij aan land waren, maakten zij de boot aan het touw vast en +brachten de lading aan wal; vervolgens droegen zij een deel van het +tentlinnen en de staken naar het naastbijgelegen boschje, dat uit +guayababoomen bestond. Daarop keerden zij naar het strand terug, om ook +het overige te halen, en met drie gangen hadden zij dat verricht.</p> +<p>„Nu moeten wij eens omzien, Willem, waar wij de tent willen +opslaan. Te dicht bij het kokosbosch mag dat niet zijn, want daar +hadden wij te ver water te halen.<span class="corr" id="xd21e5151" +title="Niet in bron">”</span></p> +<p>„Dunkt u niet, Flink, dat de beste plaats bij de benanen zou +zijn? De grond is daar iets hooger en het water vinden wij, zooals gij +weet, juist tusschen de benanen en de yamswortels.”</p> +<p>Zij begaven zich naar de plaats, waar de benanen hare groote, fraaie +bladeren ontplooiden en besloten ten noorden daarvan de tenten op te +slaan, <span class="pagenum">[<a id="pb218" href="#pb218" name= +"pb218">218</a>]</span>vooreerst omdat men die daar, wegens de boomen, +uit zee niet zien kon en ook, dewijl het bosschage gedurende de hitte +van den dag er eene aangename schaduw opleverde.</p> +<p>„Dus moet het dan hier maar zijn, Willem,” zeide Flink. +„Laat ons nu al het noodige gaan halen. Het is hier een goede, +droge grond, die er juist toe geschikt zal zijn.”</p> +<p>Weldra waren zij druk aan het werk en reeds lang voor zonsondergang +was een der tenten opgeslagen en hadden zij ook hunne bedden daarin +gespreid.</p> +<p>„Nu, Willem, verbeeld ik mij toch, zult gij wel tamelijk moe +zijn,” zeide Flink; „ja, ja, zeker, dat moet gij wezen, +want gij hebt den ganschen dag duchtig gearbeid.”</p> +<p>„Ik voel mij juist zoo heel moe niet, Flink; ook is het nu nog +geen tijd om te gaan slapen.”</p> +<p>„Het is nog vroeg; laat ons dan eerst nog onze spaden nemen en +een gat voor het water graven; dan kunnen wij morgen vroeg zien, of dat +goed of slecht is.”</p> +<p>„Ja, dat kunnen wij nog voor het avondeten doen, en dan zal de +rust ons dubbel goed smaken.”</p> +<p>Met dit besluit gingen zij naar het lager gelegen weideland, waar de +bodem vochtig en moerassig was. Daar groeven zij twee kuilen, ieder +ongeveer eene el diep en even breed. Weldra zagen zij het water daarin +opkomen, en toen zij klaar waren, kwam hun dat reeds over den +enkel.</p> +<p>„Aan water zullen wij dus geen gebrek lijden, Flink; als het +ook maar goed om te drinken is.”</p> +<p>„O, daar twijfel ik niet aan, Willem. Overigens hebben wij +veel te doen, voordat de familie hier naar toe kan komen. Doch voor +vandaag is onze taak nu ten einde.”</p> +<p>Zij keerden hierop in de tent terug en lieten zich het pekelvleesch +en de eierkoeken kostelijk smaken. Eindelijk legden zij zich op de +matrassen neder en gaven zich aan de rust over. Na weinige minuten +lagen zij diep in slaap, daar het zware werk van den dag hen inderdaad +zeer vermoeid deed zijn.</p> +<p>Den volgenden morgen met zonsopgang waren zij reeds weder op de +been. Hun eerste werk was naar de waterkuilen om te zien, die zij den +vorigen avond gegraven hadden. Zij vonden deze tot overvloeiens toe +vol; het water was volmaakt zuiver en helder, en bij het proeven +keurden zij het, zoo al niet in alles zoo goed als het andere +bronwater, toch zeer bruikbaar en smakelijk. <span class= +"pagenum">[<a id="pb219" href="#pb219" name="pb219">219</a>]</span></p> +<p>Na zich gewasschen te hebben, keerden zij terug, om te ontbijten, en +gingen toen aan het opslaan der tweede tent, die voor mevrouw en den +kleinen bestemd was en dus met meer zorgvuldigheid moest worden +ingericht. Toen dit gedaan was, werd nog de grond in het rond van het +hooge gras en de struiken ontdaan en binnen in de tent met de spaden +vast en effen gemaakt.</p> +<p>„Nu komt weer een ander werk, Willem, namelijk het bouwen van +een stookplaats voor Juno. Daartoe moeten wij naar het strand gaan en +steenen opzoeken. Wij zullen dit stuk zeildoek meenemen en kunnen +daarin in één gang zooveel als wij noodig hebben +halen.”</p> +<p>Een uur later was ook de vuurhaard gereed, en beiden zagen hun werk +vergenoegd aan en maakten de noodige toebereidselen tot het verdere +werk van den dag.</p> +<p>Men besloot ’s middags de tafels en stoelen, het +keukengereedschap, een gedeelte van de kleeren en het beddegoed en +levensmiddelen voor een paar dagen mede te nemen. Den volgenden morgen +zouden Flink en Willem tijdig terugkomen, en dan wilden allen +gezamenlijk door het bosch naar hunne nieuwe woonplaats opbreken.</p> +<p>De kleine Albert kon thans heel goed alleen loopen en moest slechts +nu en dan een eind ver gedragen worden. Thomas en Caroline moesten +natuurlijk met Juno gaan; de schapen, lammeren, waarvan men vier stuks +had, en de oude en jonge geiten zouden de mannen door het bosch +drijven, waarbij de honden goede diensten konden doen. De hoenders en +het verdere gevogelte moesten echter in het oude hok blijven, daar +Flink en Willem, zoo dikwijls zij hier kwamen, wel eens naar hen omzien +konden.</p> +</div> +</div> +<div id="ch48" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">ACHT-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">VERHUIZING NAAR DE ZUIDKUST.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Ditmaal was de boot zwaar bevracht en men had hard te +roeien en zwaar te werken bij de landing, voordat de verschillende +voorwerpen aan den oever gebracht waren. Willem en Flink waren derhalve +hartelijk blij, toen eindelijk hun dagwerk ten einde was; en zoodra zij +hun avondmaal genuttigd hadden, gingen zij dan ook ter ruste.</p> +<p>Met zonsopgang keerden zij in hunne boot naar de baai terug. Zij +haalden <span class="pagenum">[<a id="pb220" href="#pb220" name= +"pb220">220</a>]</span>eerst de boot op het droge en begaven zich toen +naar het woonhuis, waar zij <span class="corr" id="xd21e5206" title= +"Bron: alleen">allen</span> tot vertrekken gereed vonden.</p> +<p>Mijnheer Wilson had de dieren reeds bij elkaar gebracht, en dus brak +men terstond op. De merken aan de boomen waren nog zeer duidelijk en +zij konden hun weg gemakkelijk weervinden. Des te grooter moeite hadden +zij echter met de schapen en geiten, en de kleine karavaan kwam dus +niet dan langzaam voorwaarts.</p> +<p>Zij hadden drie volle uren noodig, om aan den zoom van het +kokosbosch te komen, en mevrouw Wilson gevoelde zich uiterst vermoeid. +Eindelijk hadden zij de nieuwe woonstede bereikt, en mijnheer Wilson en +zijne vrouw uitten een kreet van bewondering bij het aanschouwen van de +schilderachtige schoonheid van het bekoorlijk oord.</p> +<p>Ook de plek, waar de tenten bij de banaanboomen waren opgeslagen, +droeg beider volle goedkeuring weg; want zij was werkelijk bij uitstek +fraai. Mevrouw Wilson begaf zich in hare tent, om van hare vermoeidheid +uit te rusten. De schapen en geiten liet men vrij in het weideland +omloopen, waar zij terstond met graagte op het frissche voeder +aanvielen. De honden vlijden zich neder en schenen insgelijks van den +verren weg vermoeid.</p> +<p>Juno bracht den kleinen Albert te bed en zocht toen met Willem eenig +brandhout op, om het middageten te koken. Flink ging naar de putten, om +water te halen, terwijl mijnheer Wilson op de vlakte rondwandelde en de +verschillende boomen en struiken onderzocht, die daar groeiden. +Caroline was in de tent bij hare moeder, en sinjeur Thomas had zich op +den grond neergezet en keek met groote oogen verbaasd in het rond.</p> +<p>Spoedig kwam Flink met de wateremmers terug, waarna hij de honden +floot en den weg naar het yamsplantsoen insloeg. Een poosje later stond +Thomas op en volgde hem.</p> +<p>De honden drongen in het yamsplantsoen door en hieven weldra een +verwoed geblaf aan, dat Thomas heel aardig vond, zoodat hij in de +handen klapte en siste, om hen nog meer aan te hitsen. Op eenmaal +echter kwam de gansche kudde zwijnen uit het dichte groen voor den dag +en draafde zoo dicht bij Thomas langs, dat hij het van schrik +uitschreeuwde en zoo lang als hij was op den grond tuimelde.</p> +<p>„Dat had ik wel gedacht, vriendjes, dat gij hier zoudt +wezen,” mompelde Flink, de varkens naziende. „Het werd +waarlijk tijd, dat wij den weg eens voor u afsloten.”</p> +<p>De zwijnen stoven over het veld voort en verdwenen, evenals de +eerste <span class="pagenum">[<a id="pb221" href="#pb221" name= +"pb221">221</a>]</span>maal, in het kokoswoud. Ook Thomas zette het, +zoodra hij maar weer op de been was, wakker op een loopen. De honden +gingen achter de zwijnen aan en bleven een geruimen tijd weg. Ten +laatste zag men hen vermoeid en hijgend terug komen,—een bewijs, +dat zij hunne vervolging een goed eind ver hadden voortgezet.</p> +<p>Voor dag en dauw waren Flink en Willem den volgenden dag reeds weder +bij de hand en gingen door het bosch naar hunne vroegere woning, om het +huisraad, dat daar nog was achtergebleven, in de boot naar de zuidkust +te brengen. Bij hunne aankomst pakten zij al wat nog in huis stond +bijeen, <span class="corr" id="xd21e5230" title= +"Bron: haalde">haalden</span> gezouten vleesch en meel uit het magazijn +en maakten hunne lading vol met een van de nog voorhanden zijnde +schildpadden, die op den rug in de boot werd neergelegd. Tegen het +ontbijt waren zij reeds weder bij de nieuwe woonplaats, waar Juno hen +het meegebrachte naar de tenten hielp brengen.</p> +<p>„Wat is dat hier een kostelijk verblijf!” riep mevrouw +Wilson onwillekeurig uit. „Mij dunkt, wij moesten het altijd tot +ons zomerkwartier kiezen en eerst tegen den regentijd naar het oude +huis terugkeeren.”</p> +<p>„Het is hier zeker gedurende den zomer veel fraaier en +aangenamer; maar in ons huis zijn wij beter door het kokosbosch +gedekt.”</p> +<p>„Ja, dat is waar, en gedurende het regenseizoen is dat voor +ons van veel belang. In den zomer is het daarentegen ook des te warmer, +want wij hebben daar niet de verkoelende zeelucht, die wij hier +genieten. Ik kan u verzekeren<span class="corr" id="xd21e5239" title= +"Bron: .">,</span> Flink, ik ben met den ruil zeer tevreden en het zou +mij spijten, als wij daarheen terugkeeren moesten.”</p> +<p>„Ik heb van morgen ook zulke mooie <span class="corr" id= +"xd21e5244" title="Bron: papagaaien">papegaaien</span> gezien,” +zeide de kleine Caroline. „Ik wou, dat er één van +mij was.”</p> +<p>„Nu, beste meid, ik wil bij gelegenheid eens een jong zien te +krijgen; doch het is er thans nog te vroeg toe,” antwoordde +Flink. „Nu moet ik Juno de schildpad in stukken helpen snijden. +Onze voorraadkamer dienen wij wel daar onder de banaanboomen te +nemen.”</p> +<p>„Maar wat zullen wij verder aanvangen, Flink? Wij mogen toch +niet leegzitten?” vroeg mijnheer Wilson.</p> +<p>„Neen, zeker niet, mijnheer! Dezen dag moeten wij, dunkt mij, +maar besteden om ieder ding op zijne plaats te brengen en de tenten van +binnen gemakkelijk in te richten. Voor het oogenblik staan wij onder +mevrouws orders; morgen zullen wij dan met het graven en het omheinen +van het yamsplantsoen beginnen. We zullen ons daarmee niet zoo te +haasten hebben, want ik verbeeld mij, dat de zwijnen zich er zoo +spoedig niet weer aan <span class="pagenum">[<a id="pb222" href= +"#pb222" name="pb222">222</a>]</span>wagen zullen, daar ik plan heb +onze honden ’s nachts in de yamsvelden vast te binden, en dan zal +hun geblaf hen wel op een afstand houden.”</p> +<p>„Dat is een goede inval, Flink. Zie eens, welk kostelijk voer +onze schapen en geiten hier vinden.”</p> +<p>„Ja, mijnheer; ze moeten ook in het vervolg gedurende het +droge jaargetij hier grazen. Morgen vroeg kunnen wij met graven +beginnen en Willem daarbij wijzen, hoe men de <span class="corr" id= +"xd21e5259" title="Bron: steken">stekken</span> van de stekelbessen, +waarvan wij onze heg willen maken, poten moet. Dan zou ik voorslaan +onzen Willem met dit werk alleen bij moeder achter te laten, terwijl +gij en ik naar de westkust gaan, om onzen voorraad na te zien en al wat +wij nog gebruiken kunnen hierheen te brengen. Ik meen immers u vroeger +te hebben hooren zeggen, dat gij zelf daarheen woudt gaan?”</p> +<p>„Ja, Flink, dat is zoo. Mijne vrouw zal er ook geen bezwaar in +zien eens een dag of drie vier zonder mij te zijn. Als wij eerst alle +dingen hebben nagezien, zal ik teruggaan en aan u en Willem, die het +roeien beter gewoon is dan ik, de zorg overlaten om onzen voorraad over +te brengen. Mij dunkt hierheen zullen wij toch alles niet +halen?”</p> +<p>„Neen, mijnheer; het goed moet naar ons magazijn worden +gebracht. Hebben wij dat werk eerst achter den rug, dan gaan wij met +alle macht aan de versterking van het blokhuis.”</p> +</div> +</div> +<div id="ch49" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">NEGEN-EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">UITSTAPJE NAAR DE WESTKUST.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Den volgenden morgen trokken zij met hunne schoppen +naar het yamsplantsoen en begonnen hun werk. De grond was week en +drassig en zoo ging de arbeid vlug van de hand. De sloot werd ongeveer +een schrede breed gemaakt en de uitgedolven aarde aan den binnenkant +tot een kleinen dam opgeworpen.</p> +<p>Vervolgens ging men naar de plaats, waar de +stekelbeziënstruiken groeiden. Van deze werden de noodige stekken +en afleggers afgesneden en boven op het aarden bed ingeplant. Nog was +de avond niet gevallen, toen zij reeds, op negen of tien dekameters na, +met sloot en heg gereed waren.</p> +<p>„Ik geloof, als dit eens in orde is, de varkens ’t wel +laten zullen er overheen te springen,” sprak Flink. +„Bovendien kan Willem daar evengoed alleen mee klaar komen, als +met behulp van ons beiden.” <span class="pagenum">[<a id="pb223" +href="#pb223" name="pb223">223</a>]</span></p> +<p>„Ja, dat wel, Flink,—maar niet zoo vlug.”</p> +<p>„Ge behoeft u ook niet overmatig in te spannen, beste Willem. +Zorg slechts, dat ge de honden ’s nachts vastlegt, zooals ik den +verloopen nacht gedaan heb, en dan twijfel ik geen oogenblik, of de +varkens zullen na een of twee nieuwe pogingen niet meer +terugkomen.”</p> +<p>„Ik wil zien, of ik niet een van die beesten schieten +kan.”</p> +<p>„Goed; maar kies daartoe vooral een van de jongen,—de +ouden mogen wij niet dooden. Doch nu kunnen wij naar huis gaan; de zon +zal spoedig onder zijn en Juno wacht ons zeker al met het +avondeten.”</p> +<p>Voordat mijnheer Wilson en Flink den anderen morgen opbraken, gaf de +laatste Willem nog allerlei onderrichtingen aangaande de boot, de +reiszakken waren reeds vooraf van levensmiddelen voorzien, en zoo namen +zij dan van mevrouw Wilson afscheid en braken op. Beiden waren met een +geweer gewapend en Flink had nog bovendien eene bijl over den schouder +geworpen.</p> +<p>Zij hadden een verren weg voor zich, want eerst moesten zij naar het +oude woonhuis terugkeeren, om van daar het oude pad door het woud op te +zoeken. Dit was een groote omweg, die nochtans niet kon vermeden +worden, daar zij niets dan de merken aan de boomen hadden om te +volgen.</p> +<p>Bij het woonhuis gekomen, rustten zij een uur uit en gingen toen +naar den tuin, die op de landtong lag. Aardappelen en erwten stonden +uitmuntend en ook de uien begonnen goed op te schieten.</p> +<p>„Wat ziet deze plaats er nu doodsch en eenzaam uit, Flink, nu +men er niets levends meer kan ontdekken,” riep mijnheer Wilson. +„Laat ons verder gaan, ’t wordt mij hier nu benauwd om het +hart.”</p> +<p>Met deze woorden hervatten zij hunne wandeling en hadden na twee +uren de westkust bereikt, op ’t zelfde punt, waar zij ’t +allereerst geland waren. De nabijgelegen klippen waren nog met de +overblijfsels van het schip bezaaid, die in de zon bleekten of in het +zand aan de bocht half bedolven lagen.</p> +<p>Zij gingen dadelijk aan ’t zoeken, doch konden behalve enkele +spieren en teertonnen niets vinden, dat eenige waarde voor hen had. +Duigen en ijzeren hoepels van vaten lagen in menigte in het rond en +Flink meende, dat men die zeer goed tot eene tuinheining gebruiken kon, +als men slechts tijd vond om ze zoo ver te vervoeren. Van het strand +terugkeerende, zetten zij zich neer, om een weinig uit te rusten. Na +een poos begaven zij zich eindelijk naar de tenten in het kokosbosch, +waar zij de verschillende goederen, die na het vergaan van het wrak +waren aangespoeld, geborgen hadden. <span class="pagenum">[<a id= +"pb224" href="#pb224" name="pb224">224</a>]</span></p> +<p>„Ei, zie eens! Ook hier zijn de varkens aan den gang +geweest,” riep Flink; „ze hebben een meelvat opengemaakt. +Hoe dat toeging, begrijp ik niet recht. Zie maar, mijnheer, er moet een +scheur in geweest zijn, anders ware ’t hun zeker niet gelukt. Het +linnen is, vrees ik, tot weinig meer nut. Gelukkig hebben we nog eenige +nieuwe stukken, die ik aan land heb gebracht.—Nu moeten wij eens +zien, mijnheer, in welken staat onze voorraad zich bevindt. Dit hier +zijn enkel meelvaten; wij hebben dus geen gevaar te loopen, als wij ze +openmaken en zien of de inhoud nog bruikbaar is.”</p> +<p>Het eerste vat, dat zij openden, had rondom eene steenharde korst; +toen deze eindelijk met de bijl was <span class="corr" id="xd21e5305" +title="Bron: doorgekopt">doorgekapt</span>, vond men dat het binnenste +nog zeer goed was gebleven.</p> +<p>„Dat is gelukkig, mijnheer; ik hoop, dat het bij de overige +vaten evenzoo zal zijn. Het zeewater heeft er eene dikke korst over +gemaakt en deze heeft het geheel tegen bederf bewaard. Evenwel willen +we alle, ’t een na het ander openmaken. Nu gaan wij ons +middagmaal houden en vervolgens weer aan het werk. We hebben een paar +malen gebraden schildpadvleesch, die Juno voor ons heeft ingepakt en +die smaken zullen.”</p> +<p>Na het eten ging men opnieuw aan het werk. „Ik verlang toch te +zien, wat dáárin mag wezen,” zeide mijnheer Wilson +op de naaste kist wijzende.</p> +<p>Flink begon er dadelijk met zijne bijl aan te breken. Hij rukte het +deksel open en vond een aantal bordpapieren doozen vol klosjes garen, +allerlei band en lint, baleinen en lappen katoen, neteldoek, gaas, +tulle en andere stoffen.</p> +<p>„Dat was zeker voor eene modehandelaarster te Bontany-baai +bestemd,” zei mijnheer Wilson, <span class="corr" id="xd21e5316" +title="Niet in bron">„</span>en misschien heeft ze bitter in +angst gezeten, toen ze het bestemde niet ontving. Evenwel moeten wij +het thans voor mijne vrouw en Caroline in beslag nemen. Zoodra wij tijd +vinden, zullen wij het haar brengen en ze zullen er wat blij mee zijn. +Nu de tweede kist, Flink.”</p> +<p>De volgende kist was zonder slot; het deksel werd opengemaakt en men +vond een dozijn groote vierkante flesschen, die met jenever gevuld +waren.</p> +<p>„Dat is echte Schiedammer,” zeide Flink. „Wat +moeten wij daar mee aanvangen?”</p> +<p>„Wij zullen ze niet weggooien, Flink, maar ze ook slechts bij +gelegenheid als geneesmiddel gebruiken,” antwoordde mijnheer +Wilson. „Wij zijn nu reeds zoo lang aan zuiver bronwater gewend, +dat het zonde zou zijn, als we weer smaak in sterke dranken wilden +krijgen. Als we er plaats voor vinden, zullen we een paar flesschen in +het magazijn brengen. Ze kunnen ons misschien nog soms eens goede +diensten doen.” <span class="pagenum">[<a id="pb225" href= +"#pb225" name="pb225">225</a>]</span></p> +<p>Het volgende vat was weldra geopend, en men vond een tafelservies +van gekleurd porselein met vergulde randen, dat inderdaad zeer fraai +was.</p> +<p>„Nu mijnheer, dat kan u te pas komen, want het begint ons al +langzamerhand aan borden en schotels te ontbreken. Evenwel zou gewoon +steenen goed ons wel dezelfde diensten hebben gedaan.”</p> +<p>„Het zou voor onzen tegenwoordigen toestand ook beter +passen,” was het antwoord. „Niettemin is dit fijn +Chineesche porselein ons even welkom als een eenvoudig stel en mag +daarom niet versmaad worden.”</p> +<p>„Hier is eene doos met uw naam er op, mijnheer,<span class= +"corr" id="xd21e5335" title="Niet in bron">”</span> riep Flink. +„Weet gij, wat er in is?”</p> +<p>„Neen, dat kan ik niet bedenken; maar zie zelf maar eens +na.”</p> +<p>De doos werd geopend en alles scheen door het ingedrongen zeewater +besmet en bedorven. Toen men evenwel het pakpapier had weggenomen, vond +men allerlei soort van schrijfbehoeften, die, met uitzondering van de +buitenste bladen, slechts weinig geleden hadden.</p> +<p>„Dat is een ware schat, Flink. Ik herinner mij nu nog zeer +goed: het bevat papier en pennen met al wat er meer tot schrijven +noodig is; verder prenteboekjes, teekenvoorbeelden, verfdoozen en zoo +al meer, dat ik voor mijne kinderen bestemd had.”</p> +<p>„Ei, waarlijk mijnheer, dat is een geluk. Nu kunnen wij eene +school oprichten, en daar die door de gezamenlijke bevolking van het +eiland bezocht zal worden, moet de beschaving hier weldra algemeen +zijn.”</p> +<p>„Dat willen wij hopen, vriend.—Nu het volgende +vat.”</p> +<p>„Wat daarin is kan men van buiten wel zien,—olie, die +ons heel welkom is, daar onze voorraad kaarsen vrij wat vermindert. +Daar zijn evenwel nog een paar kaarsenkisten, die wij gebruiken kunnen +en bij gelegenheid wel zullen overbrengen. Nu evenwel komt het +allerkostelijkste gedeelte van ons eigendom.”</p> +<p>„En dat is?”</p> +<p>„Al die artikelen, welke ik in de boot aan land bracht, +voordat het schip te gronde ging; want, ziet gij, mijnheer, ijzer +drijft niet, en daarom was ik toen vooral op ijzerwaren van allerlei +soort en op nuttige gereedschappen bedacht. Ik heb een kostelijken +voorraad spijkers: hier drie vaatjes groote en hier twee kleiner soort. +Bovendien bijlen, hamers, schaven, beitels, zagen, klossen bindgaren, +was en hier nog eenige rollen fijn linnen, alles in de beste +orde.”</p> +<p>„Dat is werkelijk voor ons van groote waarde, +Flink.”</p> +<p>„Ja, mijnheer, we zouden er misschien al spoedig gebrek aan +gehad hebben, <span class="pagenum">[<a id="pb226" href="#pb226" name= +"pb226">226</a>]</span>daar de beide wilden bij hare vlucht al ’t +ijzer, dat zij meester konden worden, hebben meegepakt. ’t Was +een geluk voor ons, dat zij niet bij al onzen voorraad konden +komen.—Daar hebt gij nog meer van onzen buit: eenige wateremmers +en ’t voornaamste gereedschap van onzen kok, waar Juno recht blij +mee zal wezen. Hier zijn ook twee lampen. Mij dunkt, ik heb ook nog +eenige pakjes lampepitten op zijde gelegd; ja, ja, dat weet ik +zeker,—en ze zullen wel weer voor den dag komen. Die vaten daar +zijn ’t een met patronen, het ander met <span class="corr" id= +"xd21e5361" title="Bron: kruid">kruit</span>; hier is nog een half vat +met patronen, alles onbeschadigd. Hier ook zes geweren, die evenwel +’t <span class="corr" id="xd21e5364" title= +"Bron: poesten">poetsen</span> wel noodig hebben. Nu, dat is ook +bezwaarlijk anders te wachten.”</p> +<p>„Dat zijn wezenlijk schatten voor ons, Flink; en +toch—hoe goed hebben wij ons tot hiertoe ook zonder dat +gered.”</p> +<p>„O ja, mijnheer; maar des te beter, nu wij ze hebben. Als we +’t magazijn tot onze woonplaats hebben gemaakt, zijn wij dan ook +beter in staat, om ’t in alle opzichten gemakkelijker in te +richten dan ons vorig huis geweest is; want, zie maar, mijnheer, daar +zijn nog al de balken en planken, die Willem en ik in het zand begraven +hebben.—Daarmee kunnen wij een vloer in het huis leggen en +behoorlijke kasten en bedsteden maken.”</p> +<p>„Och, die had ik geheel vergeten, Flink; zooals ge zegt, de +voorraad is tot dat alles dubbel voldoende. Als ik mij slechts die +vrees voor een mogelijken aanval van die wilden uit het hoofd kon +zetten,—me dunkt, dan zouden we hier zelfs op dit eiland een +recht genoeglijk leven kunnen leiden.”</p> +<p>„Weet gij wel, mijnheer, dat het mij van harte genoegen doet u +zoo te hooren spreken? Het bewijst, dat gij tegenwoordig tevredener en +gelukkiger zijt, dan gij vroeger waart.”</p> +<p>„Dat ben ik ook, Flink,—althans dat geloof ik. Misschien +ook, dat het ons van den kant der wilden dreigende gevaar mijne +gedachten zoozeer aftrekt, dat ik mij bij mijn vroegeren wensch, om van +het eiland verlost te worden, niet langer zoo bepalen kan. De eene +bezorgdheid heeft zeker de andere verdrongen en onderdrukt.”</p> +<p>„Het zal wezen, zooals gij zegt, mijnheer;—maar laat ons +nu met ons onderzoek voortgaan. Hier zijn het zeekompas, de +scheepslijnen, de logrol en het dieplood. We zullen die op onze boot +nog wel ergens toe gebruiken kunnen.”</p> +<p>„Ei, met dat kompas ben ik recht in mijn schik, Flink, want +met behulp daarvan kan ik eens, als ik tijd heb, een plan van dit +eiland opmaken. Een zakkompas is te klein daartoe. Ge weet misschien +niet, dat ik in mijne jonge jaren als landmeter naar Sidney +trok?” <span class="pagenum">[<a id="pb227" href="#pb227" name= +"pb227">227</a>]</span></p> +<p>„Neen, dat hebt ge mij nog niet gezegd. Ge zult ons dan zeker +wel <span class="corr" id="xd21e5385" title= +"Bron: nauw keurig">nauwkeurig</span> kunnen opgeven, welke ruimte ons +weideland beslaat.”</p> +<p>„O ja; dat zal ik u zeggen, zoodra wij weer terug zijn. +Inmiddels zal ik hier eenige opmetingen doen, daar wij denkelijk niet +weer zoo spoedig hier zullen komen.”</p> +</div> +</div> +<div id="ch50" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">BIJNA EEN ONGELUK. EEN NIEUWE BRIEVENPOST.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Met het krieken van den dag gingen mijnheer Wilson en +Flink weder aan het werk en openden achtereenvolgens alle kisten en +pakken, die nog van het wrak gered waren geworden. Zij vonden kisten +met kaarsen, drie vaten rijst ten deele goed, ten deele ook beschadigd, +en eene kist met thee en twee balen koffie, welke Flink van boord had +meegenomen. Suiker was echter niet voorhanden, want de kleine voorraad, +dien men gered had, was in den regen weggesmolten.</p> +<p>„Dat is een heel ongeluk, mijnheer. Onze jongeheer Thomas zal +geen thee of koffie zonder suiker lusten en is er dus slecht aan +toe.”</p> +<p>„De jongeheer moet zich leeren behelpen, Flink. We kunnen niet +verwachten hier alles zoo te hebben, alsof de kruidenier vlak naast +onze deur woonde.—Laat ons nu eens zien, hoe ’t met de +onder het zand begraven dingen gesteld is.”</p> +<p>Het zand werd weggeschoffeld en men vond de vaten met pekelvleesch, +alsook de eiken planken in den besten staat. Veel anders daarentegen +was ook geheel verrot en bedorven.</p> +<p>Tegen den middag waren zij met hun werk gereed en daar zij nog tijd +genoeg voor zich hadden, begon mijnheer Wilson met behulp van zijn +kompas eene opmeting van de verschillende landpunten. Toen dit gedaan +was, wierpen zij hunne geweren over den schouder. Flink nam nog eenige +ponden van de beschadigde rijst tot voeder voor de kippen mee en daarna +begaven zij zich gezamenlijk op weg.</p> +<p>Na twee uur bereikten zij hun voormalig woonhuis, rustten in het +magazijn een poosje uit en vervolgden toen hun tocht naar de tenten bij +de weide. Ze waren ongeveer een kwartier gevorderd, toen Flink gerucht +vernam en mijnheer Wilson een teeken tot stilstaan gaf. <span class= +"pagenum">[<a id="pb228" href="#pb228" name="pb228">228</a>]</span></p> +<p>De oude man fluisterde zijn geleider toe, dat de varkens dicht in de +buurt waren en laadde zijn geweer. Mijnheer Wilson deed hetzelfde en +beiden slopen zacht op de plaats toe, van waar het gegrom zich hooren +liet.</p> +<p>Zij kregen de dieren niet in het gezicht, voordat zij die op twintig +passen genaderd waren. Toen hadden zij de gansche kudde vlak voor zich +en de beesten staken de koppen verwonderd omhoog. De oude beren en +zeugen lieten een geknor hooren en snelden op ’t oogenblik, dat +Flink vuur gaf, op de vlucht. Mijnheer Wilson vond geen tijd meer om +los te drukken; doch Flink had een van de biggen geraakt, die nu met +den dood worstelende in haar bloed lag te spartelen.</p> +<p>„Een kostelijk stuk gebraad;—daar kunnen we een +feestmaal van houden!” riep Flink, terwijl zij op het stervende +dier toetraden.</p> +<p>„Ja, dat is waar, Flink!” antwoordde mijnheer Wilson. +„We moeten nu maar zien, hoe we het beest met ons tweeën +naar huis brengen.”</p> +<p>„We zullen het op onze geweren leggen, dan zal de vracht zoo +zwaar niet zijn. ’t Is zeker pas zes maanden oud en aan de +zwaarte kunt gij zien of zij hier ook kostelijk voeder +vinden!”</p> +<p>Spoedig hadden zij het dier op hunne geweren geladen en vervolgden +zoo hun weg. Bij het uittreden van het bosch bespeurden zij Willem en +zijne moeder, die beiden het schot gehoord hadden en hun tegemoet waren +gegaan. Mevrouw Wilson scheen eenigszins angstig te zijn, doch toen zij +het varken in het oog kreeg, ried zij oogenblikkelijk de oorzaak van +het schot.</p> +<p>„Ik moet bekennen, dat ik een beetje ontsteld was, toen ik dat +geweerschot hoorde,” zeide zij, haar echtgenoot omarmende. +„Ik kon namelijk niet verwachten, dat gij vandaag al terugkeeren +zoudt. Wij allen zijn volmaakt wel.”</p> +<p>Willem nam voor zijn vader het overbrengen van het gevelde wild op +zich en deze ging met de moeder naar de tenten.</p> +<p>„Nu, beste Willem, welk nieuws is er hier bij u,” vroeg +Flink.</p> +<p>„O, heel goed nieuws, Flink! Gisteravond, toen ik moe was van +den arbeid, kwam ik op de gedachte om de boot eens te nemen en te zien, +of ik in het diepe water op deze zijde van het eiland niet ook wat +visch vangen kon. Ik kreeg ook wezenlijk drie stuks, die er heel anders +uitzien, dan die wij tusschen de klippen vingen. Wij hadden er +één van bij het ontbijt en één des middags +en zij smaakten uitmuntend.”</p> +<p>„Zijt gij alleen met de boot uit geweest?”</p> +<p>„Neen,—ik nam Juno mee. Moeder zei, dat ze haar wel een +paar uren missen kon. Zij roeit zoo goed als de beste matroos, +Flink.” <span class="pagenum">[<a id="pb229" href="#pb229" name= +"pb229">229</a>]</span></p> +<p>„Ja, ’t is een recht bruikbaar meisje, Willem.—Nu, +met onze monstering zijn wij ook klaargekomen en wij zullen beiden nu +<span class="corr" id="xd21e5436" title="Niet in bron">in</span> +overvloed werk krijgen, maak daar staat op. Ik geloof niet, dat wij in +ééne week alles zullen kunnen vervoeren, en daarom heb ik +gedacht, moeten we al aanstonds morgen beginnen. Eerst willen wij +evenwel hooren, wat uw vader daarvan zegt.”</p> +<p>„O, dat is mij wèl, want ik neem veel liever de +roeiriemen dan de schop in de hand,” zeide Willem. „Ik heb +er niets tegen, als vader het graven en spitten van mij wil +overnemen.”</p> +<p>„Dat zal hij zeker gaarne doen, daar hij natuurlijk liefst bij +moeder en de kleinen wil blijven.”</p> +<p>Zoodra zij de woning bereikt hadden, hing Flink het varken in de +tent, waar Willem, mijnheer Wilson, en hij zelf sliepen, aan den +kruispaal op, zette de geweren tegen den zijwand aan en ging met +Willem, om zijn mes en eenige spanhouten, die hij bij ’t +schoonmaken van het dier noodig had, te halen.</p> +<p>Terwijl beiden weg waren, kwamen Thomas en Caroline aanloopen, om +het dier te bezien. Thomas gaf hoog op van zijne tevredenheid, dat hij +den volgenden dag gebraden varkensribbetjes eten zou, nam <span class= +"corr" id="xd21e5448" title="Bron: een">één</span> van de +geweren en riep: „Pas eens op, Caroline, ik zal het varken +morsdood schieten.”</p> +<p>„Och, Thomas, kom toch niet aan dat geweer!” riep zijne +zuster. „Vader heeft het u immers verboden, en weet ge niet meer +hoe ’t u daar in ’t bosch in de hand afging?”</p> +<p>„O, dat was niemendal,” antwoordde Thomas; „ik wil +u eens wijzen, hoe men een varken doodschiet.”</p> +<p>„Doe ’t niet, Thomas,” riep Caroline; „als +ge ’t doet, ga ik heen en zeg ’t moeder.”</p> +<p>„Dan schiet ik op u,” hernam Thomas en zocht met het +geweer op haar te mikken.</p> +<p>Caroline schrikte daar zóó van, dat zij zoo hard als +zij kon wegliep; maar Thomas spande al zijne kracht in en zocht het +geweer tegen den schouder te brengen. Daarbij trof het, dat hij zijn +vinger aan den trekker bracht en daar hij toevallig het geweer van zijn +vader had genomen, dat nog geladen was, ging dat af en stiet de kolf +hem, die het niet vast tegen den schouder aandrukte, in het gezicht, +zoodat de schok hem twee tanden uitsloeg, de wang kwetste en hem het +bloed uit den neus deed stroomen.</p> +<p>Thomas was door het afgaan van het schot en den bekomen slag zoo +onthutst, dat hij het geweer met een luiden gil uit de handen liet +vallen en naar <span class="pagenum">[<a id="pb230" href="#pb230" name= +"pb230">230</a>]</span>de tenten liep, waar zijne beide ouders zaten, +die op het hooren van den knal waren opgesprongen en hem nu ontsteld te +gemoet vlogen.</p> +<p>Flink en Willem waren ook op het schot oogenblikkelijk toegesneld, +daar zij vreesden dat er een ongeluk gebeurd was. De oude man liep op +Thomas toe, wischte den knaap met de hand het bloed van het gezicht en +ontdekte tot zijne geruststelling, dat deze geene wonde of ander +gevaarlijk letsel had.</p> +<p>„Hij is niet gewond,” riep hij mijnheer Wilson toe, +„hij bloedt enkel uit den neus. Houd op met schreeuwen en gieren, +kwajongen! Wat hadt ge weer uwe handen aan een geweer te +slaan?”</p> +<p>„Het geweer heeft mij op den grond gegooid,” snikte +Thomas, terwijl het bloed hem steeds uit den mond liep.</p> +<p>„Dan hebt ge uw verdiend loon gekregen. Zult gij u voortaan +beter in acht nemen en geen geweer meer aanraken?”</p> +<p>„O, ik zal er mijn leven niet meer aankomen,” jammerde +de kleine. „’t Heeft mij haast doodgeschoten.”</p> +<p>Juno kwam nu met water, om hem het gezicht af te wasschen, en thans +eerst <span class="corr" id="xd21e5478" title= +"Bron: ondekte">ontdekte</span> men, dat hij twee voortanden verloren +had en aan wang en lippen toch vrij wat bezeerd was. Men kleedde hem +uit en legde hem te bed, waar hij weldra in diepen slaap zonk.</p> +<p>„Ik had de geweren daar niet moeten laten staan,” zeide +Flink tot Willem; „dat was een verzuim van mij. Ik dacht zeker, +dat men den kleinen deugniet reeds zoo dikwijls ingeprent had, aan geen +vuurwapens te raken, dat hij dat zeker niet wagen zou. Maar altijd als +er een ongeluk valt aan te richten is hij terstond bij de +hand.”</p> +<p>„Hij mikte op mij en wilde op mij schieten; maar ik ben +weggeloopen,” zeide Caroline.</p> +<p>„Goedertierende Hemel, welk een geluk!” riep de +verschrikte moeder. „Had hij losgedrukt, dan was mijn arm, lief +kind vermoord geworden.—Die afschuwelijke jongen!”</p> +<p>„Hij is ditmaal behoorlijk gestraft, mevrouw, en ik sta er +voor in, dat hij in den eersten tijd geen geweer meer zal +aanraken.”</p> +<p>Den volgenden morgen was het gezicht van onzen jongeheer hoogrood en +gezwollen. Wangen en lippen waren donkerblauw en opgeloopen en het +verlies der beide voortanden misvormde hem nog meer. Gelukkig waren het +nog melktanden geweest, want anders hadden de gevolgen nog droeviger +voor hem kunnen zijn.</p> +<p>Tot het ontbijt werd van het gebraden wild opgedragen en de geur +daarvan <span class="pagenum">[<a id="pb231" href="#pb231" name= +"pb231">231</a>]</span>prikkelde Thomas niet weinig in den neus. Toen +zijn vader hem nu echter nog eens terdege beknorde en hem zeide, dat +hij geen enkel brok van het gebraad proeven zou, begon hij zoo hard te +huilen, dat men hem wegbrengen moest, totdat hij met schreeuwen had +opgehouden.</p> +<p>Na ’t ontbijt zeide Flink, dat hij met Willem in de boot wilde +gaan, om met het zware werk van de overbrenging der vele goederen van +de westkust naar het magazijn een begin te maken, waarbij hij deed +opmerken dat men geen enkelen dag meer te verliezen had. Juno had op +zijn verlangen reeds eene goede portie varkensvleesch voor hen gebraden +en tevens een stuk pekelvleesch gekookt, zoodat zij behoorlijk van +levensmiddelen voorzien waren en dus niets meer hadden, dat hen +tegenhield. Mijnheer Wilson nam de verdere planting der heg op zich en +wilde gedurende hunne afwezigheid de sloot rondom het yamsplantsoen +geheel voltooien.</p> +<p>„Maar hoe lang denkt gij wel met Willem uit te blijven, +Flink?” vroeg de moeder met kennelijke bezorgdheid.</p> +<p>„Wel, laat eens zien, mevrouw; we hebben vandaag +Woensdag,—dan moet ge ons niet vóór Zaterdagavond +terug verwachten. Wij moeten dat alles toch afdoen, en hoe eer het +gebeurd is, des te beter voor ons.”</p> +<p>„Beste Willem, ik word er wezenlijk angstig onder dat gij zoo +lang van ons vandaan zult zijn. Daarbij zult gij altijd bij het water +wezen, en zoo zal ik in gedurige ongerustheid zijn, totdat ik u hier +wederzie.”</p> +<p>„Nu, moeder, dan dien ik u wel met den post te schrijven, om u +te doen weten, hoe ik het heb.”</p> +<p>„Spot niet met mijn angst, kind. Ik wenschte, dat wij een post +hadden en dat gij mij iederen dag schrijven kondet.”</p> +<p>Flink en Willem maakten alle toebereidselen, die hunne langdurige +afwezigheid vereischen kon. Zij namen hunne beddedekens mede; zoo ook +een kleinen ketel, om te koken, en toen eindelijk alles beredderd was, +zeiden zij mijnheer en mevrouw Wilson hartelijk vaarwel.</p> +<p>Juno hielp hun de bagage in de boot brengen. Zij wilden eerst naar +de Oostelijke kust roeien, dáár hunne vracht achterlaten +en vervolgens op het kokosbosch afgaan. Voordat zij van wal stieten, +nam Willem nog Remus, den hond, in de boot op.</p> +<p>„Waartoe neemt gij den hond mee, Willem?? Hij kan hier van +dienst wezen, om de zwijnen te verjagen, en wij hebben misschien last +van hem.”</p> +<p>„Och, laat hem, Flink,—ik moet hem bij mij hebben. Er is +mij daar iets ingevallen—laat mij ditmaal mijn zin doen.” +<span class="pagenum">[<a id="pb232" href="#pb232" name= +"pb232">232</a>]</span></p> +<p>„Goed, Willem: wat mij betreft, moogt gij altijd uw zin +hebben. Gij wenscht den hond bij u te houden, en daarmee +afgedaan.”</p> +<p>„Dag, Juno, houd u goed, meid; we zullen u eene schildpad +meebrengen.”</p> +<p>„Datte vooral doen, massa Flink! Dag, massa Willem! Niet +vergeten, zaterdag weerom wezen en brengen visch en schildpad +mee.”</p> +<p>Het zeil werd opgetrokken, en daar er een frissche wind woei, waren +zij binnen korten tijd in de oostelijke baai. Zij droegen de +levensmiddelen en verdere benoodigdheden in het huis en sloten de deur +toe.</p> +<p>Hierop gingen zij naar het hoenderhok, waar Flink aan de vogels van +de rijst voorwierp, die hij hierheen had medegenomen. Tot hunne groote +tevredenheid telden zij thans over de veertig hoenders, alle gezond en +fiksch, sommige daaronder waren dik en vet, zoodat men hen dadelijk had +kunnen slachten. Daar zij nochtans overvloed van versche levensmiddelen +hadden, was men overeengekomen, hun vooreerst nog te ontzien, omdat de +eieren van meerdere waarde voor hen waren dan de hoenders.</p> +<p>Vervolgens stapten zij weder in de boot en roeiden naar het +kokosboschje<span class="corr" id="xd21e5530" title="Bron: ,">.</span> +De wind blies hun vlak tegen en zoo duurde hunne vaart vrij lang, doch +dit was, gelijk Flink opmerkte, eene zeer gunstige omstandigheid, want +op deze wijze konden zij met de bevrachte boot ook des te sneller naar +de baai terugzeilen.</p> +<p>Aan het kokosbosch geland, verloren zij geen tijd, maar gingen +terstond aan het bevrachten van de boot, zoodat de spijkers benevens de +verdere ijzeren werktuigen van allerlei aard en de gereedschappen, waar +Flink destijds van het schip aan land had gebracht, het grootste +gedeelte van de eerste lading uitmaakten. Een meelvat, eene kist met +kaarsen en eenige stukken linnen maakten de lading eindelijk vol. Zij +riepen Remus, die zich op den zandigen oever in de schaduw van het +geboomte had nedergelegd, en stieten toen af. Het zeil werd geheschen +en een half uur later hadden zij de klippen reeds weder achter zich en +landden in de baai.</p> +<p>„Ik ben recht blij, dat wij deze lading gelukkig overgebracht +hebben, Willem, want ze is voor ons van groote waarde. Nu willen wij +het een na het ander naar het magazijn brengen en daarmee is dan voor +vandaag genoeg afgedaan. Morgen zullen we zien, of we twee ladingen +halen kunnen. Ge denkt toch niet, dat dit u te zwaar zal vallen, beste +jongen?”</p> +<p>„O, we hebben maar vroeg op te staan, en dan zal het best +lukken,” gaf Willem ten antwoord. „Wij zullen nu ons maal +houden en onzen verderen arbeid tot den namiddag uitstellen.” +<span class="pagenum">[<a id="pb233" href="#pb233" name= +"pb233">233</a>]</span></p> +<p>Aan dat maal mocht ook Remus deelnemen, dien Willem van beenderen en +verderen afval rijkelijk voorzag.</p> +<p>„Maar zeg mij toch, Willem,” vroeg Flink, „hoe +waart ge er van morgen toch zoo bizonder <span class="corr" id= +"xd21e5544" title="Bron: opgesteld">op gesteld</span> om den hond mee +te nemen?”</p> +<p>„Dat zal ik u zeggen, Flink. ’t Is mogelijk, dat ik mij +in hem vergis, maar dat geloof ik toch niet. Ik denk namelijk, dat hij +moeder wel een briefje van mij kan overbrengen. Gij weet, dat hij als +men ’t hem gelast, altijd weer naar huis terugkeert, en nu wil ik +eens zien, of hij ook van hier den ganschen weg naar de tenten kan +terugvinden. Ik heb daartoe een stuk papier en potlood +meegenomen.”</p> +<p>Hij haalde dit dadelijk voor den dag en schreef:</p> +<div class="blockquote"> +<p class="first salute">„Lieve moeder!</p> +<p>„Wij zijn heel wèl en zoo even met de eerste lading +voorspoedig aangekomen.</p> +<p class="signed">Uw u hartelijk liefhebbende zoon</p> +<p class="signed">Willem.”</p> +</div> +<p>Willem bond den hond het papier met een eindje touw om den hals, +lokte hem toen buiten het huis en riep:</p> +<p>„Remus, naar huis, beest!—Marsch, weg! Naar huis, +hond!”</p> +<p>De hond keek zijn meester twijfelachtig aan, alsof hij niet recht +wist wat men van hem verlangde; doch Willem nam een steen en deed alsof +hij naar hem gooien wilde. Nu liep het dier een eind weegs voort en +bleef toen weder staan.</p> +<p>„Naar huis, Remus!—Naar huis, hond!” Met deze +woorden hief Willem den steen weder omhoog, terwijl hij zijn bevel +herhaalde en de hond ging nu, zoo hard zijne pooten hem dragen konden, +op den loop.</p> +<p>„Hij is nu in allen gevalle weg,” zeide Willem. +„Mij dunkt, hij zal de tenten wel wedervinden.”</p> +<p>„Dat moet de tijd leeren,” hernam Flink. „Daar we +met eten gedaan hebben, kunnen we nu met het bergen van onze goederen +beginnen.”</p> +<p>„Waar moeten we die dan bergen, Flink?”</p> +<p>„In het magazijn, beste jongen. Dat zal ons wel wat zweet +kosten, want deze kisten en vaatjes met spijkers zijn zwaar en wij +dienen menigen gang te doen, maar het moet toch gebeuren. We hebben +echter nog een uur of drie<span class="corr" id="xd21e5578" title= +"Niet in bron">,</span> vier dag vóór ons, zoodat we ons +niet behoeven te overhaasten.”</p> +<p>Zoodra de gansche lading in het magazijn geborgen was, brachten zij +<span class="pagenum">[<a id="pb234" href="#pb234" name= +"pb234">234</a>]</span>de boot in veiligheid en gingen toen naar het +woonhuis, om zich daar ter ruste te leggen. Op het oogenblik, dat zij +den voet op den drempel zetten, kwam Remus met vroolijke sprongen op +hen toe; maar gelukkig had hij het briefje nog altijd om den hals.</p> +<p>„Daar is de hond, Willem,” riep Flink. „Het +schijnt, dat hij toch niet naar huis heeft willen +terugloopen.”</p> +<p>„Dat spijt mij recht; ik geloofde stellig en zeker, dat hij +het doen zou, en nu heb ik mij toch bedrogen. Wij zullen hem niets te +vreten geven, dan moet hij op ’t laatst toch wel gaan. Maar +wacht,—wacht eens! Kijk, Flink! dat is niet hetzelfde papier, dat +ik hem om den hals bond. Ik geloof ’t althans niet.—Laat +eens zien.”</p> +<p>Dit zeggende nam Willem den hond het briefje van den hals en +las:</p> +<div class="blockquote"> +<p class="first salute">„Beste Willem!</p> +<p>„Uw brief is gelukkig overgekomen en wij zijn recht blij, nu +wij weten dat alles wèl met u is. Schrijf ons elken dag. +’t Was wezenlijk een recht goede inval van u,—en Remus is +een juweel van een hond.</p> +<p class="signed">Uwe u liefhebbende moeder</p> +<p class="signed">Selina Wilson.”</p> +</div> +<p>„Inderdaad, de hond is recht schrander,” riep Flink. +„Waarlijk, ik had er niet de minste gedachte op, dat hij gaan, of +dat hij nog wel op bevel uwer moeder tot ons terugkomen zou.”</p> +<p>„Brave Remus!” riep Willem, het dier liefkoozende. +„Kom hier, mijn jongen; nu zult ge ook lekker smullen van avond, +want ge hebt dat eerlijk verdiend.”</p> +<p>„Dat heeft hij waarlijk. Zie, Willem, daar hebt ge nu een +postinrichting op ons eiland tot stand gebracht, en dat is eene +verbetering van belang. In ernst, jongen, ze kan ons recht nuttig +worden.”</p> +<p>„In allen gevalle kan dat eene groote geruststelling voor +moeder zijn.”</p> +<p>„Ja, vooral dan, als we in ’t vervolg met ons +drieën hier werken moeten, om ’t magazijn in orde en in +staat van tegenweer te brengen.—Nu gaan wij echter terstond +slapen, om morgen met den leeuwrik weer op te zijn, zooals men bij ons +te lande zou zeggen.”</p> +<p>„Hier dienden wij te zeggen, met de papegaaien, want die zijn +de eenige soort van landvogels, die dit eiland rijk schijnt te +wezen.”</p> +<p>„Gij vergeet de duiven, Willem. Ik heb gisteren een paar in +het bosch gezien; maar ze zijn thans juist in den +broeitijd.—Goeden nacht, Willem.” <span class= +"pagenum">[<a id="pb235" href="#pb235" name="pb235">235</a>]</span></p> +<p>Eenige dagen lang werkten allen ijverig door en Remus ging heen en +keerde telkens met goede berichten terug, totdat des Zaterdags de +terugreis werd aanvaard. Bij hunne aankomst vonden zij de gansche +familie aan de kleine haven verzameld en verlangend naar hen +uitziende.</p> +<p>„Welkom thuis, beste Willem!” riep mevrouw Wilson hem +vroolijk toe. „Nu, gij hebt u een man van uw woord betoond en mij +uwe brieven met den post gezonden. Welk een kostelijke inval van u! Ik +zal mij niet meer ongerust maken: ook niet, als gij alle drie eens te +zamen weg zijt.”</p> +<p>„Ik moet Romulus en Vixen ook nog hetzelfde leeren, +moeder.”</p> +<p>„En ik wil het de jongen leeren,” zei Thomas. +„Thomas wil ook brieven schrijven.”</p> +<p>„Ja, ja, Thomas. Tegen dat gij eerst een brief schrijven kunt, +zullen de jongen wel sterk genoeg zijn, om dien te dragen,” +antwoordde Flink. „Uw gezicht is nog tamelijk geschonden, merk +ik. Ge zult nu, hoop ik, geen doode varkens meer willen +schieten.”</p> +<p>„Neen, dat wil ik niet; maar van ’t eerste, dat gij nu +weer doodmaakt, zal ik meer eten, dan ik van dat andere gedaan +heb.”</p> +<p>„Dat is een verstandig woord van u, beste jongen.—Kom +hier, kleine Albert! ik zal u weer een beetje op den arm dragen; wij +beiden hebben nu in zoolang niet samen gespeeld.—Hoe staat het +met de heg en den greppel, mijnheer?”</p> +<p>„Goed, Flink, twee zijden daarvan zijn ten naastebij klaar. +Naar ik reken, zal ik tegen het einde der volgende week het gansche +plantsoen wel behoorlijk omheind hebben.”</p> +<p>„O, ge behoeft u niet al te sterk in te spannen, mijnheer; +want zoo’n groote haast heeft het volstrekt niet. Willem en ik +zullen met het overige wel nagenoeg klaar worden.”</p> +<p>Aan tafel sprak men nog lang van de schranderheid, door Remus bij +het overbrengen der brieven aan den dag gelegd. Mijnheer Wilson +verhaalde daarbij onderscheidene voorbeelden van de scherpzinnigheid +der dieren, totdat Willem zijn vader op eens vroeg, waarin dan +eigenlijk het verschil tusschen verstand en instinct bestond.</p> +<p>„Dat verschil is zeer groot, zooals ik u terstond zal +verklaren. Eerst moet ik echter aanmerken, dat men voorheen placht te +zeggen, dat de mensch door verstand, maar het dier enkel en alleen door +zijn instinct geleid werd, hetgeen onjuist is. De mensch heeft evengoed +als het dier zijn instinct en ook de dieren bezitten verstandelijke +vermogens, ofschoon zij ook meestal enkel aan het instinct +gehoorzamen.” <span class="pagenum">[<a id="pb236" href="#pb236" +name="pb236">236</a>]</span></p> +<p>„Instinct bij dieren is het gevoel, dat dezen aandrijft om +zekere dingen zonder voorafgaand overleg of nadenken te verrichten. De +zwaluw bouwt haar nest, de spin weeft haar web, de bij maakt hare cel +in alles nog evenzoo als zij het voor vierduizend jaren gedaan hebben. +Ik kan u hier reeds doen opmerken, dat een der grootste wonderen van +het instinct in de meetkunstige gedaante der bijencellen bestaat, want +men heeft door afdoende bewijzen aangetoond, dat deze vorm juist die +is, welke de minste opoffering van tijd en moeite vordert. De wonderen +van het instinct vallen bovenal onder zulke dieren in het oog, die in +groote kudden en zwermen samenleven.”</p> +<p>„Verklaar mij dat wat nader, lieve vader.”</p> +<p>„Daartoe behooren b. v. de vele soorten van trekvogels, wilde +ganzen, ooievaars, zeevogels, kraaien en raven. Zij doen hun instinct +blijken door de tochten, die zij uit het eene werelddeel naar het +andere ondernemen,—door de wijze, waarop zij vliegen, opdat zij +den wind zoo weinig mogelijk val en tegenstand bieden. Daarbij houdt +elk dezer dieren zich aan de hem aangewezen plaats met eene bijzondere +nauwgezetheid. Als zij slapen, zetten zij schildwachten uit, die voor +hen waken en hun bij naderend gevaar een teeken geven; datzelfde kan +men niet alleen bij vogels, maar ook bij andere dieren +waarnemen.”</p> +<p>„En hoe is het dan met die, welke in troepen of zwermen leven, +vader?”</p> +<p>„Daartoe behooren de bijen, de mieren en vele andere insecten +en onder de viervoetige dieren de bever. Niets is bewonderenswaardiger +dan de nauwgezetheid, waarmede zij arbeiden, de gemakkelijkheid, +waarmede zij zich de een den ander verstaanbaar maken en de stiptheid, +waarmede ieder in het bijzonder zijn werk verricht,—doch Thomas +geeuwt, alsof hij ons allen wil inslikken en Caroline is al lang in +zoete rust.<span class="corr" id="xd21e5652" title= +"Niet in bron">”</span></p> +<p>„Hun verstand en hun instinct zijn dan beide tegen mij,” +merkte Willem lachend aan, „zoodat ik wel geduld moet hebben. +Maar ik verlang werkelijk zeer over dit punt nog iets meer van u te +hooren.”</p> +<p>„En ik niet minder, Willem,” verzekerde Flink; +„ofschoon ’t mij nu niet onaangenaam is te gaan +rusten.” <span class="pagenum">[<a id="pb237" href="#pb237" name= +"pb237">237</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch51" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">EEN-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">INSTINCT EN VERSTAND.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">De volgende dag was als Zondag aan de rust gewijd.</p> +<p>Toen de familie des avonds vreedzaam bij elkander zat, verzocht +Willem zijn vader, om nu van de verstandelijke vermogens der dieren nog +iets naders te zeggen.</p> +<p>„Dat wil ik gaarne doen,” antwoordde mijnheer Wilson. +„Daar vinden wij dan vooreerst geheugen, en wel inzonderheid een +onthouden van personen en plaatsen, dat in getrouwheid voor dat van ons +menschen zeker niet behoeft onder te doen. Een olifant, die uit zijn +stal weggeloopen en weer in zijne oude bosschen gevlucht was, kende nog +na twintig jaren zijn voormaligen drijver weder. Wat den plaatselijken +zin aangaat, zoo zal b. v. een hond de vroegere woning van zijn heer +terugvinden, ook al was hij er honderd uren ver vandaan geweest. Ook de +papegaai en de <span class="corr" id="xd21e5671" title= +"Bron: kakatoe">kaketoe</span> bezitten een uitmuntend geheugen.</p> +<p>„Een tweede bewijs voor hun geheugen is, dat de dieren +droomen; hoe dikwijls hoort gij Romulus en Remus in den slaap niet +brommen en blaffen?”</p> +<p>„Dat heb ik meermalen opgemerkt, vader.”</p> +<p>„Verder doen zij ook opmerkzaamheid blijken. Zie eens eene +kat, hoe zij uren lang geduldig voor een gat zit en wacht tot de muis +er uitkomt. Eene spin wacht dagen lang, totdat eindelijk eene vlieg in +haar net verward raakt; en zoo zult gij het bij elk dier vinden, als +het op zijne prooi loert.</p> +<p>„Ook een aaneenschakeling van gedachten is bij hen merkbaar, +en wat is dit anders dan eene werkzaamheid van het verstand? Een bewijs +daarvan levert de hond; hij zal b. v. een net gekleed mensch +doodbedaard op zijne deur laten toekomen, terwijl hij dreigend op den +bedelaar aanvliegt. Heeft hij iets te bewaken, dan zult gij altijd +merken, dat hij een voorbijganger ongestoord laat gaan, maar +daarentegen oogenblikkelijk begint te blaffen, als iemand voor hem +staan blijft. Ik heb in Sidney een hond gekend, die op de plantage van +zijn meester de wacht moest houden en telkens, als hij een mensch het +goed hoorde naderen, op den kleinen muur sprong, die de plaats omgaf, +en den aankomeling op zijde bleef, totdat deze de buurt verlaten +had.</p> +<p>„Bij den olifant valt dit vermogen der gedachtenverbinding nog +duidelijker in het oog; hij verstaat wat men hem zegt veel beter dan +eenig ander dier;—zijn verstand is werkelijk ongemeen. Men heeft +hem slechts eene <span class="pagenum">[<a id="pb238" href="#pb238" +name="pb238">238</a>]</span>belooning toe te zeggen, en hij zal de +verwonderlijkste kunststukken verrichten; ook is hij buitengewoon +gevoelig voor lof of blaam.</p> +<p>„In Indië worden de olifanten tot het vervoer van zwaar +geschut gebruikt. Eens gebeurde het, dat een van de fraaiste dezer +dieren vruchteloos zijne krachten inspande, om een kanon door het +moeras te slepen. „Jaagt het luie dier weg,” riep de +commandant van den legertrein, „en laat een ander komen.” +De olifant gevoelde zich door dit verwijt zoo diep gekrenkt, dat hij +’t uiterste beproefde om het stuk met zijn kop voort te stooten, +totdat hij zich den kop verpletterde en dood nederviel.</p> +<p>„Op de beurs te Exeter had men langen tijd een olifant, die +Chunny heette. Dezen had men geleerd, de kleinste geldstukken met zijn +snuit van den grond op te rapen. Eens gebeurde het hem, dat hij een +shilling liet vallen, die daarop tegen den muur aanrolde, zoodat hij er +niet meer bij kon. Chunny blijft staan, bedenkt zich een poosje en +begint eindelijk met zijn snuit zoo geweldig te blazen, dat de +uitgestooten lucht den shilling van den muur af en naar hem toedrijft, +zoodat hij weder in staat is dien te bereiken.</p> +<p>„De dieren bezitten ook nog andere eigenschappen, zooals onder +andere een scherpen zin voor de tijdverdeeling. Zoo kende ik twee +honden, die aan eene dame toebehoorden. Deze dieren mochten altijd +medegaan, wanneer hunne meesteres in de week met haar rijtuig een +toertje ging doen; alleen ’s Zondags, als deze naar de kerk reed, +werden zij natuurlijk niet medegenomen. Nu was het vreemd te zien, hoe +deze beide honden evengoed als hunne meesteres wisten, wanneer het +Zondag was. In de week als het rijtuig voor de deur stilhield, kwamen +zij vroolijk aanspringen en waren, zoodra de tree werd neergelaten, met +een wip daarin; maar ’s Zondags was het, alsof zij niets van het +rijtuig merkten en bleven zij bedaard op hun plaatsje +liggen.<span class="corr" id="xd21e5693" title= +"Niet in bron">”</span></p> +<p>„Dit is waarlijk merkwaardig; wat moet dat een verstandig dier +geweest zijn!” riep Willem verwonderd.</p> +<p>„Ook zijn de dieren voor onderrichting vatbaar, hetgeen +blijkbaar een nieuw bewijs voor hunne verstandelijke vermogens is. De +olifant, het paard, de hond en andere dieren, zelfs vogels, kunnen al +het mogelijke aanleeren. Zoo kan men op kermissen menigmaal +kanarievogels zien, die kanonnetjes afsteken, zich dood houden en +allerlei kunstjes verrichten.”</p> +<p>„Maar nu weet ik nog altijd niet, waar men de grenslijn +tusschen verstand en instinct moet trekken, beste vader.”</p> +<p>„Ik was juist op het punt om daartoe over te gaan, Willem. Als +de dieren bij het uitgaan op hun voedsel, het grootbrengen hunner +jongen en bij hunne voorzorgen tegen gevaren het instinct volgen, dan +gehoorzamen zij daarbij <span class="pagenum">[<a id="pb239" href= +"#pb239" name="pb239">239</a>]</span>aan zekere vaste regelen, waarvan +zij nooit afwijken. Daarbij kunnen echter altijd weer omstandigheden +plaats hebben, waartegen het instinct hun geen hulpmiddelen verschaft, +en het is in zulk een geval, dat hun verstand moet worden te baat +genomen.</p> +<p>„Ik wil dit gezegde nader ophelderen met het voorbeeld van de +bij, die een der dieren is, bij wie het instinct zich het werkzaamst +vertoont. Er is zekere vlinder,—men noemt hem doorgaans den +doodshoofdvlinder,—die zich zeer gaarne op honig vergast. Het +gelukt hem somwijlen in een bijenkorf en tot de cellen door te dringen. +De bijen grijpen dezen vijand dadelijk aan en dooden hem met hare +angels; doch zijn lijk is zoo groot, dat zij het niet uit den korf +kunnen brengen, wat bij kleinere insecten, die bij haar indringen, +regelmatig geschiedt, naardien zij een zeer fijnen reuk schijnen te +bezitten. Wat doen zij dus, om den stank, die van het verrottend +lichaam der kapel te vreezen is, te keer te gaan? Zij overtrekken het +doode diertje met was en balsemen het als ’t ware op deze wijze +in, zoodat zij er volstrekt geen last meer van hebben.”</p> +<p>„Ja, maar kan ’t ook in dit geval niet haar instinct +geweest zijn, vader<span class="corr" id="xd21e5710" title= +"Bron: .">,</span> dat haar zoo handelen deed?” vroeg Willem.</p> +<p>„Als dit geval bij wilde bijen ware voorgekomen, dan kondet +gij die vraag met recht doen, Willem. Nu echter weet gij, dat bijen in +den wilden staat in uitgeholde boomen leven en dat in dit geval de +opening, die naar het hol voert, juist maar even groot genoeg is, dat +de eene bij er na de andere door kan. Natuurlijk kan er dan geen +grooter dier meer indringen, en al wilde het dat ook, zoo zou het +gemakkelijk door den grooten zwerm worden afgeweerd. Ik neem de bijen +nu echter in haren kunstmatigen toestand, als zij in een bijenkorf met +wijde opening opgesloten en aldus aan het vermelde geval blootgesteld +zijn, waarin zij op de gezegde wijze weten te voorzien.”</p> +<p>„Nu heb ik het onderscheid begrepen, vader.”</p> +<p>„Nog een voorbeeld: Een olifant viel eens in een diepen +waterput. Het was onmogelijk hem er uit te halen, en hij had er dus in +moeten omkomen; maar zijn drijver, die wel wist, hoe schrander het dier +was, gaf den raad om eene menigte zware takkenbossen bijeen te brengen +en die den olifant in den put toe te werpen. Het dier begreep dan ook +heel goed, wat men daarmee voorhad. Hij vlijdde de takkebossen op den +grond neder en plaatste zich daarop; zoo ging hij voort de eene laag op +de andere te leggen, tot die zulk eene hoogte bereikt hadden, dat hij +eindelijk uit den kuil komen kon. Er zouden wel menschen zijn, die niet +begrepen, wat zij in een soortgelijk geval met de takkebossen hadden +aan te vangen, als men hun dat niet eerst zeide.” <span class= +"pagenum">[<a id="pb240" href="#pb240" name="pb240">240</a>]</span></p> +<p>Zij arbeidden de volgende gansche week met den grootsten ijver door +en hadden eindelijk op Zaterdagavond hunne taak verricht. Met +uitzondering van de geborgen scheepsplanken, was thans al het overige +naar de oostelijke baai vervoerd. Echter lag er nog veel op het strand +verstrooid, daar de tijd niet toereikend geweest was om alles in het +magazijn te bergen.</p> +<p>Zaterdag, in den vroegen morgen, roeiden zij voor de laatste maal +naar het kokosbosch en Flink zocht onder de wrakhouten, die overal op +het strand verstrooid lagen, een aantal eiken balken en posten op, die +zij daarop deels in de boot brachten, deels aan ’t achtereind +daarvan vastmaakten. Dit gaf een zeer zware lading, zoodat de boot, in +weerwil van de stevige koelte, slechts zeer langzaam door het water +ging.</p> +<p>„Nu, Willem,” begon Flink, „hebben we een moeilijk +werk achter den rug en ik moet zeggen, ’t is hoog tijd dat wij +eindelijk klaarkomen, want onze boot begint vrij zwak en bouwvallig te +worden, zoodat ik haar, zoodra wij eens weer tijd daartoe hebben, +zorgvuldig kalefateren moet.”</p> +<p>„Wij zullen haar nu ook zoo dikwijls niet meer noodig +hebben,” antwoordde Willem; „eenige vaarten naar de kleine +haven zullen wel alles zijn, wat zij voor ons terugkeeren naar de oude +woning heeft te doen.”</p> +<p>„Dat is waar, Willem en zij heeft ook reeds een duchtig lek en +dient althans spoedig met zorg geteerd te worden. Voor een zoo licht +gebouwd, gebrekkig ding, heeft zij hare diensten kostelijk +gedaan.”</p> +<p>„Het heeft mij al dikwijls verwonderd, dat zij zich zoo goed +hield, Flink. Maar wat dunkt u, zullen we nu aanstaanden Maandag naar +het magazijn opbreken en daar in het vervolg onzen intrek +nemen?”</p> +<p>„Zeker, Willem; we mogen dat volstrekt niet langer +uitstellen,” antwoordde Flink. „Uw vader heeft intusschen +zeker heg en sloot rondom het <span class="corr" id="xd21e5735" title= +"Bron: yamplantsoen">yamsplantsoen</span> klaar, en is dit zoo, dan zal +uwe moeder toch ook niet alleen met Juno en de kleinen in de tenten +willen achterblijven. Zoo zullen wij nu het beste doen om naar het oude +huis terug te keeren, totdat het magazijn geheel in orde is gebracht. +Ik voor mij zou echter veel liever zien, dat uw moeder stilletjes bij +de tenten bleef, totdat alles gedaan is.”</p> +<p>„Omdat gij een bezoek van de wilden vreest, Flink?”</p> +<p>„Ja, waarlijk, beste jongen, ik wil het niet +ontkennen.”</p> +<p>„Maar, Flink, als zij komen, dan zien wij dat vroeg genoeg; en +is het dan niet veel beter, dat wij allen bij elkander zijn, zelfs als +wij ons voor hen verbergen moesten, omdat we nog niet behoorlijk waren +voorbereid? Stel u het geval eens voor, dat de wilden het eiland +overvielen en mijne moeder, mijne broertjes en zusjes geheel zonder +<span class="corr" id="xd21e5744" title= +"Bron: beschermng">bescherming</span> vonden, terwijl wijzelven +<span class="pagenum">[<a id="pb241" href="#pb241" name= +"pb241">241</a>]</span>gedwongen waren, ons huis te verlaten,—hoe +schrikkelijk moest dat zijn!”</p> +<p>„Ja, Willem, ik reken er op, dat wij ons in dat geval nog naar +de tenten redden zouden.”</p> +<p>„Dat kunnen wij echter ook allen gezamenlijk, Flink, als wij +maar niet bij nacht verrast worden.”</p> +<p>„Daar moeten wij met alle zorgvuldigheid tegen zoeken te waken +mijn jongen. Gelukkig is het licht in het tegenwoordige seizoen weinig +langer dan drie uren van den hemel. Het komt mij overigens voor, dat +gij gelijk hebt, Willem. Bovendien kan Juno ons goede diensten doen en +wij zullen door haar te eer met ons werk klaarkomen.”</p> +<p>„’t Zou misschien wel het best zijn, dat wij de +beslissing aan vader en moeder overlieten.”</p> +<p>„Dat is waar.—Nu, daar is eindelijk de landpunt ook; wij +zullen onze planken gauw aan land brengen en dan dadelijk weer in zee +steken, want het wordt al tamelijk laat.”</p> +<p>Zij bereikten de kleine haven werkelijk veel later dan gewoonlijk, +waaraan de zware lading schuld was, zoodat de boot niet dan zeer +langzaam naar de baai was voortgedreven. Bij hunne aankomst stonden +vader, moeder en de kinderen allen op het strand hen met ongeduld te +wachten.</p> +<p>„Gij komt van avond laat, vrienden,” begon mevrouw +Wilson. „Ik begon al ongerust te worden, tot ik uwe boot +eindelijk in de verte zag.”</p> +<p>„Ja, lieve moeder, wij konden het niet anders maken; we hadden +nog eene zware lading over te brengen, maar nu zijn wij ook met ons +werk geheel ten einde.”</p> +<p>„Dat hoor ik met blijdschap, Willem, want het valt mij hard, u +zoo dagen achtereen in het geheel niet te zien te krijgen.”</p> +<p>„Ook ik ben met mijn werk klaar,” zeide de heer Wilson: +„dezen morgen heb ik de laatste hand aan de omheining +gelegd.”</p> +<p>„Dat is goed,” sprak Flink; „wij moeten dan eens +weder een krijgsraad houden, die echter nu, denk ik, niet al te lang +duren zal.”</p> +<p>„Ik hoop het althans niet, Flink; want als men van eenerlei +gevoelen is, zal dat zelden het geval zijn. Mijne vrouw wil liefst niet +alleen hier achterblijven en ik zou haar niet gaarne +verlaten;—daarom, dunkt mij, moeten wij Maandag naar onze woning +opbreken.”</p> +<p>„Recht gaarne, mijnheer, als gij dat verkiest,” gaf +Flink ten antwoord.</p> +<p>„Juno, ik hoop toch, dat gij iets goeds te eten hebt?” +riep Willem. „Op mijn woord, ik heb van avond honger voor +tien.” <span class="pagenum">[<a id="pb242" href="#pb242" name= +"pb242">242</a>]</span></p> +<p>„O ja, massa Willem, gebakken visch heele boel; massa zelf die +vanmorgen gevangen heeft.”</p> +<p>„Ik lust liever schildpadsoep,” verklaarde Thomas.</p> +<p>„Ik geloof, dat sinjeur Thomas alles lust behalve +ricinusboonen<span class="corr" id="xd21e5786" title= +"Bron: .">,</span>” zeide Flink lachend. „Niet waar, daar +wilt gij niet meer van eten?”</p> +<p>„Neen, zeker niet; maar ik wil bananen eten, zoodra ze rijp +zijn.”</p> +<p>„O, gij hadt ze zeker ook al vroeger geproefd, als gij er maar +bij had kunnen komen; doch daartoe moet gij eerst nog grooter +worden.”</p> +<p>„Ik zal ook een man worden,” hernam Thomas.</p> +<p>„Dat hoop ik en wel een recht braaf, uitstekend man,” +antwoordde de oude Flink. „Kom, ik zal Juno nu maar eens een +handje helpen, om het eten op te brengen.”</p> +</div> +</div> +<div id="ch52" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">TWEE-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">GROOTHEID VAN HET DIERENRIJK.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">De volgende dag was weder een Zondag en derhalve aan +de rust gewijd. Inderdaad hadden onze vrienden die na den ingespannen +arbeid van de voorgaande week hoog noodig en thans eerst gevoelden zij +recht duidelijk, hoe weldadig zulk een verademing is.</p> +<p>Na het eten hield men raad en kwam overeen, Maandag alle +toebereidselen te maken, om de tenten te verlaten en naar de oude +woning terug te keeren. De schapen en geiten zouden vooreerst aan de +zuidkust blijven, waar zij uitmuntend voedsel in overvloed hadden. Men +wilde slechts eene enkele geit medenemen, die het huisgezin genoegzaam +van melk kon voorzien. Ook besloot men de tenten, met eenig +keukengereedschap daarin, te laten staan, opdat Willem en Flink, als +zij hierheen kwamen, om naar de bananen en yamswortels of naar de +schapen en geiten om te zien, niet onder den blooten hemel zouden +behoeven te slapen en de middelen mochten vinden om zich een behoorlijk +maal te bereiden.</p> +<p>Willem en Flink moesten de bedden enz. in de boot naar de oostkust +brengen, hetgeen in twee vaarten te doen was. Mijnheer en mevrouw +Wilson wilden vroeg ontbijten en dan met de verdere familie door het +bosch op weg gaan.</p> +<p>Des avonds bracht Willem het gesprek weder op de dieren en hunne +<span class="pagenum">[<a id="pb243" href="#pb243" name= +"pb243">243</a>]</span>eigenschappen, daar hij zijn vader gaarne over +dit onderwerp hoorde spreken. In den loop van dit gesprek wierp Willem +eensklaps de vraag op:</p> +<p>„Ei, vader, men zegt wel eens: „zoo dom als een +ezel!” Is de ezel dan werkelijk zulk een dom dier?”</p> +<p>„Neen, Willem; integendeel is hij zeer scherpzinnig en die +benaming wordt hem meer om zijn stroeven, koppigen aard dan om eenige +andere reden gegeven. Men zegt veelal, „dom als een ezel, dom als +een varken of als eene gans,” doch doet die dieren daarbij groot +ongelijk, daar geen van hen dien bijnaam verdient.</p> +<p>„Bij den ezel kan hiervan licht de reden zijn, dat wij in ons +noordelijk vaderland slechts de minste bastaardsoorten bezitten. Klein +en gebrekkig, gelijk wij hen daar zien, geeft men hun noch haver noch +eenig ander krachtig voeder, behandelt hen slecht en zoo is het dan ook +geen wonder, dat zij tot trage, stijfkoppige dieren ontaarden. Het +klimaat van het noordelijk Europa is veel te koud voor den ezel. In het +zuiden van Frankrijk, aan de Middellandsche Zee, waar het veel warmer +is, treffen we den ezel ook als een veel fraaier dier aan.</p> +<p><span class="corr" id="xd21e5819" title= +"Niet in bron">„</span>Wanneer wij hem echter in al zijn +volmaaktheid willen zien, dan moeten wij in de warme luchtstreek naar +Guinea vlak onder den evenaar gaan. Daar, in de heetste streek der +aarde, is het vaderland van den ezel; daar is hij in zijn natuurstaat +een fraai dier, snel als de wind.<span class="corr" id="xd21e5822" +title="Niet in bron">”</span></p> +<p>„Maakt dan het klimaat zulk een groot verschil, +vader?”</p> +<p>„Natuurlijk—en dat niet alleen bij dieren, maar ook bij +boomen en planten en zelfs bij den mensch, totdat hij aan de +verwisseling daarvan gewoon is. De lascaar, d. i. de inlandsche +Indische zeeman, is op de warme, zonnige Indische wateren vol +vroolijkheid en leven, doch zoodra hij in het Britsche Kanaal komt en +de vingers hem van koude verkleumen, wordt hij traag, onwillig, kortom +in alles een beklagenswaardig wezen.</p> +<p>„Onder de dieren vindt men vele, die de verwisseling van +klimaat goed verdragen en zich zelf aan een hun anders geheel vreemd +voedsel gewennen kunnen. Het paard b. v. dat oorspronkelijk in +Arabië te huis behoort, tiert evengoed in de gematigde als in de +koude luchtstreek, daar het zelfs den harden winter in Noord-Amerika en +in Rusland verduren kan. Zoo ook andere huisdieren, als koeien, +schapen, varkens, enz. Eene opmerkelijke bijzonderheid is, dat het +rundvee in Canada gedurende den winter voor een groot deel met visch +wordt gevoed.</p> +<p>„Behalve de reeds opgenoemde, zijn er ook nog andere dieren, +b. v. de wolf, de vos, de haas en het konijn, die onder elke +warmtegraad kunnen <span class="pagenum">[<a id="pb244" href="#pb244" +name="pb244">244</a>]</span>leven. Bij schapen en geiten ziet men een +merkwaardig verschijnsel,—blijkbaar ten bewijze, dat zij bestemd +zijn, om zich overal op de aarde te verbreiden,—dit namelijk, dat +zij onder de heete hemelstreken hun warm, wollig kleed afwerpen en +bijna enkel haren ter bedekking overhouden, terwijl zij hunne warmer +vacht oogenblikkelijk weder aannemen, als zij naar kouder streken +worden overgebracht.<a id="xd21e5836" name="xd21e5836"></a></p> +<p>„Dit toenemen van het ruige bekleedsel is nog bij vele andere +dieren merkbaar zoodra zij uit warmer streken meer naar het noorden +worden overgeplant. Wolven, vossen, hazen en konijnen verkrijgen +langzamerhand eene witte vacht, hoe verder noordelijk zij zich +ophouden. De kleine wezel, die bij ons door de veld- en boschwachters +gedood en aan de schuurdeuren gespijkerd wordt, verandert in Rusland en +in andere koude landen in dat fraaie, witte hermelijntje, welks pels +zoo hooggeschat en door keizers en koningen gedragen wordt.</p> +<p>„Hierbij valt alleen op te merken, Willem, dat zulke dieren, +welke slechts voor een bijzonder werelddeel bestemd werden, ook +doorgaans zoo zijn toegerust, als zij voor hun land best passen, en +daar ook het meest geschikte voedsel voor hunne soort vinden. Neem b. +v. den kameel, een dier, dat uitsluitend voor zijn geboorteland +geschapen werd en zonder ’t welk alle gemeenschap tusschen +Azië en Afrika moest ophouden. Zijne pooten zijn zoo gevormd, dat +hij met gemak door het zand waden kan; hij voedt zich met de schrale +gewassen en ziltige planten, die men daar nog aantreft, en heeft de +bijzondere eigenschap, dat hij in eene soort van tweede maag een +voorraad van water medevoert, om in streken, waar men dat niet vindt, +er zijn leven bij te houden.”</p> +<p>„Er zijn zeker ook vele dieren, die voor den mensch van geen +nut zijn, vader?”</p> +<p>„Vele althans bij wie dit het geval schijnt te wezen, en +enkele zelfs, die hem hoogst verderfelijk zijn. Dit behoort nu eenmaal +tot ons lot; wij mogen hen daarom ook uitroeien en verdelgen, als zij +ons lastig of gevaarlijk worden, gelijk wij dat den distel op het veld +doen. Zoo zij echter ook al van geen nut voor ons zijn, verhoogen zij +toch de schoonheid en rijke verscheidenheid der natuur.<span class= +"corr" id="xd21e5846" title="Niet in bron">”</span> <span class= +"pagenum">[<a id="pb245" href="#pb245" name="pb245">245</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch53" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">DRIE-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">INRICHTING VAN HET BLOKHUIS.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">De volgende morgen was zeer druk en onrustig, want nu +ging men weer aan ’t inpakken en aan de toebereidselen tot de +verhuizing. Juno werd nu hier, dan daar geroepen en moest Carolientje +verzoeken op den ketel te letten en haar te waarschuwen, als het water +begon te koken.</p> +<p>Thomas was, als naar gewoonte, iedereen in den weg. Hij wilde overal +helpen, doch bracht meer van, dan op zijne plaats. Daar hij het evenwel +goed meende, werd hij althans ditmaal niet beknord. Eindelijk zond +Flink, om hem kwijt te worden, hem met een groot pak naar het strand. +Thomas nam den bundel op zijn schouder: maar toen hij, niet weinig +hijgende van het verrichte werk terugkwam en Flink hem een tweeden last +wilde opladen, zei hij toch, dat hij te moe was, en zette zich +stilletjes neer, totdat het ontbijt werd opgedragen, wat echter eerst +geschiedde, toen men met alle toebereidselen gereed was.</p> +<p>Terstond na het ontbijt pakte mevrouw Wilson het keuken- en +tafelgereedschap in een mand bijelkander. Toen begaf de gansche familie +zich eindelijk op weg en trok, in gezelschap van de honden, door het +kokosbosch voort.</p> +<p>De kleine Albert kon nu heel goed loopen en moest slechts nu en dan +door Juno gedragen worden, die hem anders bij de hand had. Caroline +liep naast haar vader en moeder, maar Thomas was te eigenzinnig om met +iemand te gaan en stapte in zijn eentje voort.</p> +<p>Willem en Flink verloren geen tijd, om hunne taak af te doen. +Tafels, stoelen en verder huisraad was het eerste, dat zij in de boot +hadden. Vervolgens werd de eene geit ingescheept en toen stieten zij +met volle lading van land en bereikten de baai lang vóór +de wandelaars, die door het bosch trokken.</p> +<p>Zij brachten de ingeladen goederen spoedig aan land en stieten toen +opnieuw af, om het beddegoed en wat er verder nog was overgebleven af +te halen. Tegen drie uren ’s namiddags kwamen zij met de tweede +en laatste lading in de baai aan, waar de familie voor ongeveer een uur +was <span class="corr" id="xd21e5867" title= +"Bron: aangekokmen">aangekomen</span>. Mijnheer Wilson en Juno waren +reeds druk bezig de uitgeladen stukken naar het huis te dragen.</p> +<p>„Dat zal nu hoop ik, onze laatste vaart geweest zijn voor +langen tijd, Willem,” zeide de oude Flink. „’t Is ook +goed, want onze kleine boot heeft veel geleden en dient, zooals ik u +reeds zeide, eens met zorg te worden nagezien.” <span class= +"pagenum">[<a id="pb246" href="#pb246" name="pb246">246</a>]</span></p> +<p>„Ha, laat mij ’t niet vergeten, Flink, ik heb onlangs de +duiven bij onze erwten gevonden; het wordt dus wel tijd, dat wij ze +plukken. De duiven zijn al heel schielijk vermeerderd,—ik heb er +wel over de dertig geteld.”</p> +<p>Nog vóór den nacht was alles in huis weder op de oude +plaats en even gemakkelijk als te voren ingericht. Zij waren dan allen +ook recht moede geworden en gingen dus vroegtijdig te bed, nadat men +voor den volgenden dag het noodige had afgesproken. Mevrouw Wilson had +zich aangeboden om de keuken en het opzicht over de kleinen zelve voor +hare rekening te nemen, zoodat Juno de mannen den ganschen dag +behulpzaam kon zijn.</p> +<p>Voor dag en dauw gingen Willem en Flink naar de schildpadvijver en +vingen er eene uit, want de tijd naderde, dat men weder nieuwe +schildpadden vangen en in korten tijd den vijver daarmede vullen kon. +Het gevangen dier werd geslacht en een deel daarvan in den pot +gestoken, zoodat mevrouw Wilson het slechts had te braden, en zoodra +het ontbijt was afgeloopen, ging men onverwijld naar het magazijn in +het woud.</p> +<p>Ka een kort beraad met mijnheer Wilson, paalde Flink een van +kokosboomen gevormd vierkant rondom het magazijn af, zoodat op elke +zijde eene ruimte van ongeveer twintig voet vrij bleef, en dit vierkant +moest nu door eene schutting geheel worden ingesloten. De kokosboomen +moesten daarbij tot steunbalken dienen, tusschen welke andere boomen, +die men eerst vellen wilde, tot eene hoogte van veertien voet zouden +worden vastgemaakt. Op deze wijze dachten zij eene palissade tot stand +te brengen, die men niet gemakkelijk beklimmen kon, zoodat zij daardoor +tegen alle aanvallen der wilden beschut waren.</p> +<p>Zoodra de buitenste reeks van boomen gemerkt was, begonnen zij alle +boomen binnen deze en naar buiten tot op een afstand van tien roeden om +te hakken, zoodat zij behoorlijk ruimte tot hun arbeid hadden. Flink +kapte lange balken welke zij van boom tot boom <span class="corr" id= +"xd21e5884" title="Bron: bevestigde">bevestigden</span>, en nu reeds +ondervonden zij het voordeel, dat zij van het bewaren der groote +spijkers hadden, want zonder dezen hadden zij hun werk noch zoo goed +noch zoo rasch kunnen verrichten.</p> +<p>Mijnheer Wilson velde de boomen, Willem en Juno zaagden ze met een +groote timmermanszaag op de behoorlijke lengte af en brachten de +stammen dan bij Flink. Spoedig hadden zij meer omgekapt dan zij +eigenlijk noodig hadden. De kruinen en takken der gevelde boomen werden +opgeraapt en als brandhout op een hoop gestapeld, terwijl mijnheer +Wilson en Flink de palissaden aan de palen begonnen vast te +spijkeren.</p> +<p>Zij hadden den ganschen dag zwaar gearbeid en waren verheugd, toen +<span class="pagenum">[<a id="pb247" href="#pb247" name= +"pb247">247</a>]</span>de avond hun eindelijk eenige verademing +vergunde. Flink was echter nog niet tevreden, maar zeide tot +Willem:</p> +<p>„Daar wij nu weder hier zijn, komt het mij wel noodzakelijk +voor, beste jongen, dat wij, om ongeluk te verhoeden, eene soort van +nachtwacht houden. Ik ga niet te bed, voordat het geheel donker wordt, +wat zoo ongeveer tegen negen uren is: gedurende dien tijd zal ik de zee +nauwkeurig opnemen. Wij hebben wel niet te vreezen, dat de wilden +midden in den nacht komen; maar even voor ’t invallen van de +duisternis of ’s morgens vroeg is dit eer te verwachten, en zoo +moet dus een van ons nog vóór ’t aanbreken van den +dag—dat is tusschen twee of drie uren ’s morgens—op +de been zijn, om te zien of er ook iets van hen te ontdekken is. Is dit +niet het geval, dan kunnen wij natuurlijk weer te bed gaan, daar zij +dan eerst vele uren later kunnen aankomen. Ook moeten wij op wind en +weer acht geven, of die hunne vaart misschien ook begunstigen. Met den +wind kan dit niet eer, dan met het begin van den regentijd het geval +zijn. Hij kan echter ook zeer zwak worden, en dan moet er den wilden +weinig aan gelegen zijn, of hij hun tegen is of niet. Ik heb al veel +over de zaak nagedacht, beste Willem, en geloof dat, ingeval wij een +bezoek van de wilden krijgen, dit met het begin van den regentijd wezen +zal, want dan waait de wind niet regelmatig uit ééne +hemelstreek, zooals thans, maar springt gedurig om, zoodat zij in hunne +kano’s zeilen opzetten en gemakkelijk hierheen komen kunnen, in +plaats van anders veertig of vijftig mijlen ver tegen wind en stroom in +te moeten roeien, wat een allesbehalve lichte arbeid is. Hoe dat zij, +wij mogen zelven geen voorzorg verzuimen en moeten nu reeds scherp naar +de zee uitzien. Ik wil uw vader en moeder liefst voor den tijd niet +ongerust maken, maar u moet ik zeggen, hoe ik er over denk en wat ik +meen, dat wij te doen hebben.”</p> +<p>„Ik geef u volkomen gelijk, Flink, en zal zorg dragen, dat ik +vóór den dag op ben, om den horizon, zoodra ’t +begint te schemeren, met den kijker zoo scherp mogelijk op te nemen. +Neem gij de avondwacht, dan zal ik mij wel met de morgenwacht +belasten.”</p> +<p>„Goed, Willem. Wat voor ’t overige dier wacht aangaat, +kon ik zeer goed beide op mij nemen, maar ik geloof, als gij ’s +morgens opstaat, zullen de anderen dat niet zoo licht als van mij +bemerken, en dat ik ’s avonds nog wat langer dan de familie +opblijf, is men meer van mij gewoon.”</p> +<p>Na dit gesprek hielden Flink en Willem dus gestadig de wacht van den +morgenschemering af, totdat de volle duisternis was ingevallen. +<span class="pagenum">[<a id="pb248" href="#pb248" name= +"pb248">248</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch54" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">VIER-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">GROOT GEVAAR.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Omstreeks veertien dagen lang werd de arbeid bijna +onafgebroken voortgezet, toen er plotseling een voorval plaats greep, +dat de grootste onrust en bezorgdheid wekte. Op zekeren dag, dat de +arbeidenden voor het middageten terugkwamen, vroeg mevrouw Wilson +verwonderd:</p> +<p>„Hoe, is Thomas dan niet bij u geweest?”</p> +<p>„Neen,” gaf haar man ten antwoord; „hij heeft zich +den ganschen voormiddag maar even laten zien. Hij ging na het ontbijt +met ons mee, maar was na een kwartier ook al weer weg.”</p> +<p>„Ja, mevrouw, ikke zeggen; jongetje, jij kokosbladeren helpen +dragen, maar hij toen een, twee, drie, is weggeloopen.”</p> +<p>„Mijn God! waar mag hij dan zijn?” riep de moeder in de +grootste ongerustheid uit.</p> +<p>„Hij zal waarschijnlijk aan ’t strand schelpen zoeken, +mevrouw,” zeide Flink; „misschien ook is hij in den tuin. +Ik zal eens naar hem gaan zien.”</p> +<p>„Ik zal met u gaan, Flink,” zeide Willem.</p> +<p>„Ikke zien hem—ach lieve grutte hemeltje! ikke zien +hem!” riep Juno en wees naar de zee; „hij zitten in de boot +en de boot gaan in zee!”</p> +<p>Het was maar al te waar. Thomas zat werkelijk in de boot, die reeds +van het strand afdreef, en zoo nagenoeg eene kabelslengte daarvan +verwijderd, midden onder de klippen te zien was.</p> +<p>Willem vloog met de snelheid van den wind naar het strand; evenzoo +de vader en Flink. De beangste moeder volgde met Juno op eenigen +afstand.</p> +<p>En er was ook werkelijk geen tijd te verliezen, want de wind blies +gestadig van het land en weldra moest de boot in volle zee zijn. Niet +zoodra was Willem aan het strand gekomen, of hij wierp hoed en buis van +zich en sprong in ’t water. Reeds had hij de helft van den +afstand tusschen het land en de voortdrijvende boot achter zich, toen +de oude Flink, die hem gevolgd was, hem bij den arm vatte.</p> +<p>„Keer oogenblikkelijk terug, Willem!” riep deze op +gebiedenden toon. „Ik zeg, ik gelast het u. Al gaat gij ook +verder, kunt gij toch niet helpen, daar gij u niet zoo goed als ik weet +te redden. Ik zwem toch door en zoo loopen wij beiden dubbel gevaar. +Mijnheer Wilson, roep uw zoon terug. U moet hij gehoorzamen!”</p> +<p>„Willem!” riep zijn vader; „kom oogenblikkelijk +terug: ik gelast het u.” <span class="pagenum">[<a id="pb249" +href="#pb249" name="pb249">249</a>]</span></p> +<p>Willem gehoorzaamde nu en was nog niet uit het water, toen de oude +man reeds tot de eerste klippen was voortgezwommen en nu over de +ondiepe plaatsen over het rif op de boot toewaadde.</p> +<p>„O vader!” riep Willem, „als onze goede oude +vriend verloren ging, zou ik het mijzelven nooit kunnen vergeven. Het +is mij, als of ik niet goed deed met aan u te gehoorzamen. Zie maar, +vader—een, twee, drie haaien, daar dicht voor ons. Hij kan hen +niet ontwijken. Zie, hij is alweer in het diepe water.”</p> +<p>Mijnheer Wilson wierp een vluchtigen blik op de haaien, die slechts +weinige voeten van het strand verwijderd waren, en hield de oogen toen +weder onafgewend op Flinks verdere bewegingen gericht.</p> +<p>Kon de oude man zich door het diepwater tusschen de klippen heen +worstelen, dan was hij als gered te beschouwen, daar de boot thans op +de andere zijde der klippen tegen een rots stiet en vastraakte, waar +het water ondiep was. Het was een oogenblik van onbeschrijfelijken +angst.</p> +<p>Eindelijk had Flink het uiterste rif bereikt; hij greep met de +handen naar een uitstekende rotspunt en klauterde daarbij op.</p> +<p>„Hij is gered, lieve man,—is hij niet?” fluisterde +mevrouw Wilson.</p> +<p>„Ja, ik geloof, thans is hij het!” antwoordde haar man, +toen Flink de rots beklommen had, waar het water hem niet verder dan +tot de enkels reikte. „Ik denk, dat hij tusschen de plaats, waar +hij nu staat en de boot geen diep water meer vinden zal.”</p> +<p>In het volgende oogenblik zag men Flink reeds buiten de klippen en +had hij de boot bij het vooreinde aangevat.</p> +<p>„Hij is behouden in de boot!” riep Willem uit eene +verruimde borst.</p> +<p>„Ja, God zij gedankt!” herhaalde de vader. „Zie de +monsters eens,” vervolgde hij, op de haaien wijzende; „hoe +onrustig zij heen en weer zwemmen; ze hebben hunne prooi in het water +geroken. Het is een zegen, Willem, dat ze juist hier zijn. Zij hadden +evengoed ginds kunnen wezen, toen onze vriend door het ondiepe water +moest waden.”</p> +<p>„Ja, waarlijk, vader. Zie, hij heeft den bootshaak en stoot de +boot van de klippen af in het ondiepe water. O, nu is hij volkomen in +zekerheid.”</p> +<p>Zoover was het echter nog niet. De boot had vroeger tegen de klippen +gestooten en van onderen een lek gekregen, zoodat zij, toen Flink haar +weder in het kanaal bracht, zich terstond met water begon te vullen. +Flink werkte zoo hard als hij kon met den bootshaak; eindelijk trok hij +zijn halsdoek af en stopte het lek daarmede zoo goed dat gaan +wilde.</p> +<p>Dat was beider behoud; maar de boot was bijna tot boven toe +volgeloopen <span class="pagenum">[<a id="pb250" href="#pb250" name= +"pb250">250</a>]</span>en had Flink of zelfs Thomas ook maar de +kleinste beweging gemaakt, dan ware zij oogenblikkelijk omgeslagen. +Daarbij kwam, dat zij het vaarwater tusschen het strand en de klippen, +waar de haaien rondzwommen, nog altijd noodzakelijk moesten +oversteken.</p> +<p>Flink, die het gevaar bemerkte, riep hun, die op het strand stonden, +toe, dat zij met alle macht met steenen naar de haaien moesten gooien, +om die te verjagen. Dat gebeurde terstond. Mijnheer Wilson, Willem en +Juno wierpen onophoudelijk en zelfs de moeder hielp daarbij, daar de +angst voor vriend en kind haar kracht verleende.</p> +<p>De steenworpen hadden het gewenschte gevolg. De haaien zwommen weg +en Flink bereikte behouden het strand op ’t oogenblik, dat de +boot tot den bovensten rand met water gevuld en op het punt was van te +zinken.</p> +<p>Flink droeg den kleinen Thomas aan land. Deze was zóó +verschrikt en verslagen, dat hij niet meer schreien kon. Doodsbleek +stond hij daar en had mond en oogen wijd <span class="corr" id= +"xd21e5970" title="Bron: opengespred">opengesperd</span>. Willem vloog +daarbij op den ouden man toe, drukte hem in zijne armen en riep met +snikkende stem: „Goddank! gij zijt gered, Flink.”</p> +<p>Vader en moeder grepen hem bij de hand en drukten die hartelijk.</p> +<p>Juno wierp eerst Flink een van blijdschap schitterenden blik toe en +nam vervolgens Thomas bij de hand, om hem weg te brengen.</p> +<p>„Kom hier maar, jij stout, ondeugend jonk! Jij slaag zult +krijgen, als heele boel over is.”</p> +<p>Die bedreiging deed Thomas weder tot zichzelven komen en eene keel +opzetten, dat men het wijd en zijd had kunnen hooren.</p> +<p>„Ditmaal was er geen tijd te verliezen, Willem,” zeide +Flink, terwijl zij de beide ouders naar huis vooruitgingen. „Wat +kan zulk een jongen toch een ongeluk en ellende aanrichten!”</p> +<p>„Door zijn doorgestanen angst is hij al zwaar gestraft,” +sprak Willem. „Ik sta er u voor in, dat hij alleen nooit weer een +voet in de boot zal zetten.”</p> +<p>„Neen, dat geloof ik ook niet.—Gij hebt nu echter kunnen +zien, hoe weinig het scheelde, of ik was met boot en al te gronde +gegaan. Maar gelooft gij wel, Willem, dat gij de boot evengoed als ik +aan het strand gebracht hadt, indien gij in mijne plaats daarin geweest +waart?”</p> +<p>„Neen, Flink; want ik moet zeggen, nooit zou ik er aan gedacht +hebben, mijn halsdoek af te doen, om het lek daarmee te stoppen, en had +ik dat ook al gedaan, dan zou ik toch nooit in staat zijn geweest, om +de boot zoo goed te besturen, en had dus zeker moeten verdrinken, +vóórdat ik den oever bereikt had.” <span class= +"pagenum">[<a id="pb251" href="#pb251" name="pb251">251</a>]</span></p> +<p>„Nu, lieve Willem, ik ben een oud zeeman, hetgeen gij niet +zijt, en het is dus geen ijdelheid, als ik zeg, dat gij de boot niet +zoo goed als ik hadt kunnen besturen. Ik zelf had nog maar een of twee +minuten over, en zoo waart gij dus, gelijk gij zelf zegt, naar alle +waarschijnlijkheid gezonken. Ik doe u dit slechts opmerken, om u te +bewijzen, dat ik gelijk had, toen uw vader verzocht u terug te +roepen.”</p> +<p>„Ja, dat hadt gij zeker, Flink; maar Thomas is mijn broeder en +ik gevoelde, dat het eer mijn plicht dan de uwe was, het leven voor hem +te wagen.”</p> +<p>Toen men Thomas den volgenden dag vroeg, wat hem er eigenlijk toe +gebracht had om in de boot te gaan, gaf hij tot aller verbazing ten +antwoord, dat hij naar de tenten had willen terugvaren en zien, of de +bananen ook haast rijp waren. Hij had daar bijzonder veel lust in +gehad, en zou nog vóór het middageten zijn teruggekomen, +zoodat men hem niet gemist zou hebben.</p> +<p>„Als wij u niet nog gelukkig gezien hadden, denk ik, dat ge +wel erger honger zoudt hebben moeten doorstaan, voordat gij bananen +gekregen hadt,” zeide Flink.</p> +<p>„Ik zal ook zeker niet meer in de boot gaan,” beloofde +Thomas.</p> +<p>Het blokhuis was nu bijna gereed. Over de poort was men lang in +beraad. Ten slotte besloot men, deze van sterke eiken posten te maken +en aan de binnenzijde, op ongeveer een voet afstands, eene tweede rij +van deurposten op te richten, zoodat men sterke palen daar tusschendoor +steken en, zoo noodig, een werkelijke barricade tot stand brengen kon. +Op die wijze moest de deur even vast en sterk worden, als ieder ander +deel van de ompaling.</p> +<p>Zoodra dit alles gereed was, moest het magazijn tot woonhuis +ingericht worden, waartoe men de zij-omheining, die uit kokostakken +bestond, wegnemen en er een vasten wand van de boomstammen voor in de +plaats stellen zou.</p> +<p>Nog voordat de week ten einde liep, was de palissade met de poort +gereed, en thans ging men aan het vellen van boomen, om de zijwanden +van het huis daarvan op te trekken.</p> +<p>Dit werk ging zeer vlug van de hand. Terwijl de vader, Willem en +Juno boomen velden en die, op gepaste lengte doorgezaagd, op de kar +naar het magazijn brachten, was Flink bezig, uit een gedeelte van de +verzamelde planken een vloer te leggen. In die week moesten zij echter +twee dagen van hun werk af gaan, om de rijpe tuinvruchten in te +zamelen. Zoodra dit verricht was, ging men opnieuw aan het blokhuis. +Nog twee weken liepen op deze wijze onder rusteloozen arbeid ten einde. +Eindelijk echter was het huis gereed en, met hunne vroegere woning +vergeleken, kon het bijna een paleis <span class="pagenum">[<a id= +"pb252" href="#pb252" name="pb252">252</a>]</span>genoemd worden. Het +was veel grooter, en Flink had het door middel van de scheepsplanken in +drie vertrekken afgedeeld. Het middelste, dat met de huisdeur in +verbinding stond, was tot woon- en eetkamer bestemd en had een venster +naar achteren. De beide zijvertrekken dienden tot slaapkamers, het eene +voor mevrouw Wilson, Juno en de kleinen, het andere voor de mannelijke +helft der familie. Deze inrichting maakte het verblijf in de nieuwe +woning veel gemakkelijker en aangenamer dan in de oude.</p> +<p>„Ziet gij, Willem,” sprak de oude man, toen zij alleen +waren, „wat wij met die scheepsplanken al hebben kunnen +uitrichten? Hadden wij het hout eerst moeten zagen, om vloer en wanden +te krijgen, zoo zou daar zeker wel een half jaar over verloopen +zijn.”</p> +<p>„Ja, en hoe gemakkelijk is het, nu wij overal in den wand +kasten en bergplaatsen hebben.—Wanneer zullen we nu naar ons +nieuw paleis verhuizen?”</p> +<p>„Hoe eer hoe liever, Willem. Wij hebben nog wel veel, zeer +veel werk voor ons, doch we kunnen immers ook buiten het blokhuis +arbeiden.”</p> +<p>„En wat denkt ge met het oude huis aan te vangen?”</p> +<p>„We zullen misschien het best doen, als we dat gedeelte van +onzen voorraad, die voor ons de minste waarde heeft, daar laten +blijven, totdat we in staat zijn om een tweede magazijn binnen de +palissade op te richten.”</p> +<p>„Dan zullen we deze vaten daarheen brengen, want ze nemen ons +hier te veel plaats weg.”</p> +<p>„Alle, behalve dat groote daar. Dat zullen wij noodig hebben +en ik zal er wel ergens een hoek voor vinden.”</p> +<p>„Waartoe dan, Flink?”</p> +<p>„Om er water in te bewaren, mijn jongen.”</p> +<p>„Wij zijn hier evenwel nader bij de bron, dan wij in ons ander +huis waren.”</p> +<p>„Dat weet ik wel; maar misschien belet men ons eens, de +palissade te verlaten, en dan kunnen wij het water hoog noodig +hebben.”</p> +<p>„Ik begrijp u Flink; gij zijt toch altijd op alles +bedacht.”</p> +<p>„Als ik op mijne jaren niet een beetje nadenken geleerd had, +zou ’t er leelijk uitzien, Willem. Ge weet niet, hoe hartelijk ik +verlang de gansche familie hier binnen het blokhuis te zien. Ik zal +niet gerust zijn, voordat ik mijn wensch vervuld zie.”</p> +<p>„En waarom zouden wij het dan maar niet dadelijk +betrekken?”</p> +<p>„Waarom?—Omdat wij nog veel werk te doen hebben en ik +door zooveel haast te maken uwe moeder niet beangstigen wil en in de +meening brengen dat er dadelijk gevaar ophanden is. Maar, geloof mij, +beste Willem, gevaar is er wezenlijk, ik heb er een soort van +voorgevoel van. De gedachte weegt <span class="pagenum">[<a id="pb253" +href="#pb253" name="pb253">253</a>]</span>mij zwaar op het hart en ik +kan ze niet meer van mij afzetten. Ik wilde wel dat gij het voorstel +deedt, om allen maar dadelijk hierheen te verhuizen. De bedsteden zijn +toch ook klaar, tot op de gordijnen na, en die kan ik er vandaag nog +wel voorhangen.”</p> +<p>Tengevolge van dit gesprek stelde Willem aan tafel voor, om den +volgenden dag met pak en zak naar het blokhuis over te trekken, omdat +men, behalve dat men er veel beter gehuisvest was, er ook veel +gemakkelijker arbeiden kon.</p> +<p>Mijnheer Wilson was van hetzelfde gevoelen, terwijl zijne vrouw +daarentegen beter vond er alles eerst netjes in orde te brengen.</p> +<p>„Juist daarom moeten wij er in trekken, mevrouw; want uw +opzicht is volstrekt noodig, om alles naar wensch in te richten. Wij +mannen krijgen niets op zijne rechte plaats, als het niet onder uw oog +geschiedt.”</p> +<p>„Welnu, Flink,” was het antwoord, „als ook gij, +evenals de overigen, tegen mij stemt, moet ik wel toegeven. Als ge +’t goedvindt, willen we morgen dan maar dadelijk met de +verhuizing beginnen.”</p> +<p>„In waarheid, mevrouw, dat zal zoo het best zijn. Dit is de +laatste maand, dat we goed weer te wachten hebben en er blijft ons nog +zeer veel te doen over. Zijn we eerst over, dan zal alles veel vlugger +van de hand gaan, daar we het nader onder ons bereik hebben.”</p> +<p>„Het zij dan zoo, Flink; gij moet dat het best weten. Morgen +zullen we dus onze woning in het blokhuis opslaan.”</p> +<p>„Goddank!” mompelde de oude man. Alleen Willem, die +naast hem zat, had deze woorden verstaan.</p> +<p>De volgende dag werd geheel aan de verhuizing gewijd. Bedden, +huisraad en keukengereedschap werden overgebracht en dien nacht sliep +men voor de eerste maal onder het nieuwe dak. Flink had voor Juno een +aardig huisje tot keuken opgeslagen, en de volgende werkzaamheden namen +de verdere dagen van de week geheel in beslag.</p> +<p>Vooreerst werd de voorraad gemonsterd en geschift. Wat van minder +belang was, zooals b.v. de zout-en meelvaten, benevens de +tuingereedschappen, werd in het oude huis geborgen. Ook de kruitvaten +en het grootste gedeelte van den voorraad patronen werden, tot meerdere +veiligheid, aldaar achtergelaten. Daarentegen bracht men een vat +gezouten rund-, een ander met varkensvleesch, een derde met meel, +benevens al den voorraad spijkers, ijzerwerk en linnen naar het nieuwe +huis over, waarvan de vloer, toen men het tot magazijn inrichtte, vier +voet boven den grond gebouwd was, om voor de schapen en geiten tot stal +te dienen. Daardoor had men een droge en <span class="pagenum">[<a id= +"pb254" href="#pb254" name="pb254">254</a>]</span>tamelijk ruime plaats +gewonnen, waar men nu al, wat men maar wilde, bergen kon. Flink vergat +ook niet, in tusschenuren het groote watervat te vullen; hij had daar +een kraan in gestoken, waardoor men het water aftappen kon.</p> +<p>„Ziezoo, mijnheer,” zeide Flink, toen eindelijk de +Zaterdag gekomen was. „Wij hebben nu weken achtereen ingespannen +gearbeid, maar nu hebben wij het laatste harde werk dan ook gelukkig +achter den rug. Wij zitten nu goed en wel in ons nieuwe huis, al onze +voorraad is onder dak en tegen het weer beschut,—nu mogen wij wel +eens wat adem scheppen. Ik moet nu met Willem van tijd tot tijd eenige +schildpadden vangen, want haar tijd loopt spoedig ten einde. Ook moet +ik de boot oplappen, zoodat we weer een reisje naar de tenten kunnen +doen, om naar ons yamplantsoen en de kudde te zien.”</p> +<p>„Ook naar de bananen en de guayababoomen!” riep Thomas +met drift.</p> +<p>„Ja, waarlijk; die hadden wij geheel en al vergeten,” +zeide zijn moeder.</p> +<p>„’t Is waar, mevrouw, maar dat was geen wonder onder al +die drukte. Er zal, denk ik, echter nog wel wat van over zijn en zoodra +de boot weder te water kan, zal ik er heen gaan en al wat er nog +voorhanden is, meebrengen.”</p> +<p>„Ook moeten wij onze aardappelen en zaden nog +vóór den regentijd in den grond brengen, +Flink.”</p> +<p>„Dat zal goed zijn, als wij er tijd toe vinden, want het mooie +weer houdt vast niet heel lang meer aan. Nu wil ik eerst maar eens naar +de schildpadden omzien. Goeden nacht, mevrouw, slaap rustig; rust wel, +mijnheer;—kom mee, Willem.”</p> +<p>Beiden stapten naar het strand. Onderweg ontmoetten zij Juno, die +uit de keuken kwam. Flink droeg haar op, zooveel hout op te zamelen als +zij kon en alles in een hoek binnen de omheining op te stapelen, om het +nader bij hand te hebben. Dien nacht vingen zij nog zes schildpadden +bij den reeds vergaderden voorraad. Vervolgens namen zij nog met den +kijker den ganschen gezichteinder op, keerden terug, sloten de deur der +palissade en legden zich vermoeid ter ruste. <span class= +"pagenum">[<a id="pb255" href="#pb255" name="pb255">255</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch55" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">VIJF<span class="corr" id="xd21e6085" title= +"Niet in bron">-</span>EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">DE KANO’S ZIJN IN AANTOCHT.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Eene nieuwe week ging voorbij, in welken tijd Flink +met de boot bezig was en Willem met zijn vader den tuin omspitte.</p> +<p>Ook in huis had men de handen vol met eene groote wasch en met +naaien en verstellen, waaraan men den laatsten tijd weinig had kunnen +doen. Mevrouw Wilson, Juno, zelfs de kleine Caroline weerden zich best +en ook Thomas was van veel dienst, want zoo dikwijls men water noodig +had, haalde hij dat en paste bovendien ook nog op zijn broertje Albert. +Hij was wezenlijk zoo handig en vlug, dat de moeder hem bij vader +roemde, waarop onze kleine wildzang niet weinig trotsch was.</p> +<p>Den Maandag daarop zeilden Willem en <span class="corr" id= +"xd21e6096" title="Bron: Filnk">Flink</span> in de boot naar de kleine +haven. De schapen en geiten waren vlug en wel en alles beloofde den +besten wasdom. Van de bananen en guayabavruchten waren reeds vele +gerijpt en afgevallen; doch men vond altijd nog genoeg om er de boot +tot de helft mede te vullen. Op het yamsplantsoen hadden de varkens +geen aanval meer beproefd en ook de tenten waren in goeden staat.</p> +<p>„Wij kunnen niets beters doen, Willem, dan de schapen en +geiten laten, waar ze nu zijn. Komt er een storm, dan kunnen ze in het +bosch schuilen en te eten hebben zij in overvloed, al waren er ook +tienmaal zooveel.”</p> +<p>„Dat komt mij ook zoo voor.”</p> +<p>„Maar over een dag of wat moeten wij hier terugkomen en de +tenten afhalen, die hier gedurende den geheelen regentijd niet mogen +blijven staan<span class="corr" id="xd21e6105" title="Bron: ,">.</span> +Wat dunkt u, Willem, zullen we dan nu maar weer in de boot +gaan?”</p> +<p>„Ja, in allen gevalle zal Thomas recht blij zijn met hetgeen +we meebrengen. Maar wilt gij toch niet eerst eenige yamswortels +uitgraven?”</p> +<p>„Waarlijk, dat was mij geheel door het hoofd gegaan, jongen. +Ik ga dadelijk een schop halen,—in de andere tent zal er nog wel +een staan.”</p> +<p>Na dus ook een voorraad yamswortels te hebben ingezameld, keerden +zij naar huis. Zij hadden hunne woning niet bereikt, toen de hemel +begon te betrekken; het was alsof er een zwaar onweer ophanden was. +Echter regende het niet, voordat zij werkelijk geland waren; toen viel +er eene kleine bui, die de komst van den regentijd aankondigde.</p> +<p>De medegebrachte vruchten waren allen bij uitstek welkom; ’t +was al zoo lang, zoo heel lang, dat zij er geene geproefd hadden. +Thomas vooral viel er met geduchte gulzigheid op aan en zou zich ziek +gegeten hebben, <span class="pagenum">[<a id="pb256" href="#pb256" +name="pb256">256</a>]</span>als zijne moeder niet wijzer geweest was +dan hij en hem niet verboden had voor ditmaal er meer van te +gebruiken.</p> +<p>Den volgenden dag was het helder weer en alles scheen door den +gevallen regen verjongd en verfrischt. Er werd besloten, dat Flink en +Willem den volgenden morgen de tenten van de zuidkust afhalen zouden en +dan nog zooveel yamswortels als de boot bergen kon, meenemen. Beiden +hielden als gewoonlijk hunne avond- en morgenwacht en bij die +gelegenheid ontdekte de oude man, dat de wind thans geheel naar het +oosten was omgeslagen.</p> +<p>„Dat is leelijk voor onze vaart van morgen, Flink,” +merkte Willem aan. „We kunnen wel met het kleine zeil ginds naar +de havenplaats komen, maar dan hebben wij de boot met hare volle lading +terug te roeien.”</p> +<p>„Nu, ik hoop dat het nog maar geen erger gevolgen voor ons +hebben zal,” gaf Flink nadenkend ten antwoord. „Laat ons nu +naar huis en te bed gaan. Ik zal morgen vóór den dag op +zijn;—dus kunt gij dan nog wel wat blijven liggen.”</p> +<p>„Ik word immers toch vóór het daglicht wakker, +Flink,” zeide Willem; „zoodat ik maar dadelijk met u wil +opstaan.”</p> +<p>„Dat is mij ook goed, beste jongen; gij weet, dat ik u altijd +gaarne tot gezelschap heb.”</p> +<p>Den volgenden morgen, bij het eerste krieken van den dag, openden +beiden dan ook reeds de deur der palissade en wandelden gezamenlijk +naar het strand. De wind woei nog altijd, en wel vrij sterk, uit het +oosten en de lucht was geheel betrokken.</p> +<p>Bij het opgaan der zon nam Flink als naar gewoonte zijn kijker en +begon den gezichtseinder in het oosten nauwkeurig op te nemen.</p> +<p>„Ziet gij dan iets, Flink, dat gij den kijker zoolang op dat +ééne punt houdt?” vroeg Willem, toen zijn grijze +makker na lang turen nog geene beweging maakte om den kijker van het +oog te nemen.</p> +<p>„Mijne oude oogen kunnen mij bedriegen; maar ik vrees +werkelijk, dat ik iets zie,” gaf Flink eindelijk ten antwoord. +„Binnen weinige oogenblikken zal ik het met zekerheid kunnen +zeggen.”</p> +<p>Aan de oostelijke kim hing nog eene nevelstreep, zoodat men er niet +duidelijk zien kon. Nauwelijks echter was de zon geheel op, of Flink +die den kijker juist op dat punt gericht hield, riep driftig uit:</p> +<p>„Ja, ja, Willem, ik heb toch gelijk. Ik dacht dadelijk, die +donkere punten, die ik zag, konden wel hunne bruine zeilen +zijn.”</p> +<p>„Zeilen?—Wat zeilen, Flink?” vroeg Willem +haastig.</p> +<p>„De zeilen der Indiaansche kano’s, Willem; ik wist wel, +dat die komen <span class="pagenum">[<a id="pb257" href="#pb257" name= +"pb257">257</a>]</span>zouden. Neem gij den kijker maar eens en zie +zelf;—het schemert mij voor de oogen, zoo sterk heb ik ze +ingespannen.”</p> +<p>„Ja, waarlijk—nu heb ik ze,” riep Willem, na den +kijker gericht te hebben. „Maar, Flink, daar zijn althans wel +twintig tot dertig.”</p> +<p>„En ieder heeft twintig of dertig man in, Willem.”</p> +<p>„Genadige hemel! Wat moeten wij dan doen? Ach, wat zal mijne +lieve moeder ontsteld zijn! Tegen zulk een overmacht kunnen wij immers +volstrekt niets uitrichten, Flink.”</p> +<p>„Ja, ja, Willem, wij kunnen veel uitrichten en moeten ook veel +uitrichten. Dat eenige honderden wilden tegen ons in aantocht +zijn,—lijdt thans geen twijfel meer; maar vergeet niet, dat wij +een blokhuis bezitten, dat niet zoo licht te beklimmen is, dat wij +verder vuurwapens en kruit en lood genoeg in voorraad hebben en hun wel +een gevecht leveren en hen misschien afslaan kunnen, daar zij enkel met +lansen en knotsen gewapend zijn.”</p> +<p>„Wat naderen zij spoedig, Flink; zie maar,—op die wijze +kunnen zij immers in een uur hier zijn.”</p> +<p>„O, neen, beste jongen,—niet eens in twee. Hunne +kano’s zijn zeer groot. Maar we hebben geen tijd te verliezen. Ik +zal hen nog eens in het vizier nemen en hunne sterkte narekenen. Loop +gij onderwijl naar huis en wenk uw vader, dat hij hier bij mij komt. +Dan, Willem, zet alle geweren klaar en haal de kruitvaten en de +patronen uit het oude huis naar het blokhuis. Roep Juno en laat die u +helpen. Wij zullen nog tijd genoeg hebben om dat alles te doen. Als gij +klaar zijt, moet gij terstond weer bij ons komen.”</p> +<p>Onverwijld ging Willem op weg, en een poosje later stond mijnheer +Wilson bij Flink aan het strand.</p> +<p>„Flink,” begon hij, „er is zeker geen goed nieuws? +Willem wilde mij niets zeggen, denkelijk om mijne vrouw niet ongerust +te maken. Wat is er eigenlijk?”</p> +<p>„De wilden zijn in aantocht, mijnheer, en dat wel in groote +menigte. Ik bereken die op tusschen de vijf- en zeshonderd en we moeten +dus met inspanning van alle krachten voor ons leven vechten.”</p> +<p>„Denkt ge dan, dat ons tegen zulk eene overmacht nog eenige +hoop overblijft?” vroeg de heer Wilson doodelijk verschrikt.</p> +<p>„O ja, ik twijfel geen oogenblik, of het is mogelijk. Maar een +harden, dagenlangen strijd hebben wij te wachten,—daarop mogen +wij rekenen.”</p> +<p>Mijnheer Wilson monsterde de naderende vloot met den kijker.</p> +<p>„Waarlijk, eene vreeselijke overmacht, waartegen wij te +worstelen zullen hebben!”</p> +<p>„Ja, mijnheer; maar die geweren achter een stevige +verschansing kunnen <span class="pagenum">[<a id="pb258" href="#pb258" +name="pb258">258</a>]</span>het tegen hunne knotsen en lansen opnemen, +ingeval maar geen onzer gewond wordt.”</p> +<p>„Nu, Flink, wij moeten al onze krachten inspannen. Ik zal u +naar mijn beste vermogen ondersteunen, en ook Willem zal, dat weet ik, +zijn plicht doen. Ik heb immers alles hier, waarvoor een man ooit +strijden kan,—vrouw en kind; maar gij, Flink, hebt niet zulke +banden.”</p> +<p>„Neen, mijnheer; maar daarvoor vecht ik voor mijn leven, dat +ik, al is het niet van zoo bijzonder veel waarde, toch niet gaarne aan +die knapen schenken zou. Bovendien vecht ik voor u en uwe familie, aan +wie ik met hart en ziel verknocht ben.—Maar kom, wij mogen hier +niet langer staan wachten, daar de tijd tot voorbereiding toch al kort +is. Wij moeten aan den binnenkant van onze ompaling nog eenige sterke +eiken posten spijkeren, om bij een aanval daarop te kunnen staan en +over de omheining te kunnen heenvuren. Eerst gaan we echter nog naar +ons oude huis, om daar alles <span class="corr" id="xd21e6183" title= +"Bron: van daan">vandaan</span> te halen; want het oude huis, zullen de +wilden het eerst ontdekken, en misschien vernielen zij er dan alles, +wat ze vinden. De vaten slaan zij zeker in stukken, al ware ’t +enkel om de ijzeren hoepels. In een uur kan er veel geschieden, daar de +tocht zoo groot niet is. Ik geloof, dat wij vooreerst in het blokhuis +alles hebben, wat ons dienstig wezen kan. Juno heeft brandstof genoeg, +en de groote waterton zal het althans wel drie of vier weken uithouden. +Als er nog tijd overschiet, zullen we ook nog met de kar naar het +strand gaan en een paar schildpadden halen tot vermeerdering van onzen +mondvoorraad.”</p> +<p>„Me dunkt, het is thans geen tijd om aan de schildpadden te +denken.”</p> +<p>„Waarom niet, mijnheer? ’t Is toch waarlijk beter, dat +wijzelven die opeten, dan dat de wilden zich er op vergasten. Ik wil er +van halen zooveel ik vinden kan; als wij ze in de schaduw op den grond +leggen, kunnen zij nog weken in het leven blijven.<span class="corr" +id="xd21e6190" title="Niet in bron">”</span></p> +<p>Onder dit gesprek naderden beiden hunne tegenwoordige woning, waar +zij Willem en Juno vonden, die zoo even het kruit en de <span class= +"corr" id="xd21e6195" title="Bron: patronnen">patronen</span> hadden +overgebracht. Mijnheer Wilson ging in de woonkamer, om de noodlottige +tijding aan zijne vrouw mede te deelen, die daardoor, vreesde hij, +doodelijk ontsteld zou wezen.</p> +<p>„Men heeft mij vroeger al gezegd, dat wij zoo iets te wachten +hadden, lieve man,” antwoordde zij. „Zoo komt mij die +tijding dus niet onverwacht, en al wat eene zwakke vrouw doen kan, zal +door mij geschieden. Ik gevoel, dat het mij tot de verdediging mijner +kinderen niet aan moed ontbreekt.”</p> +<p>„Er valt mij wezenlijk een steen van het hart,” riep +mijnheer Wilson, <span class="pagenum">[<a id="pb259" href="#pb259" +name="pb259">259</a>]</span>„nu ik u zoo bedaard en welberaden +vind. Nu ken ik geen angst meer;—maar wij hebben nog veel te +doen.”</p> +<p>„Daarom moet ik helpen, beste Wilson. Wat mij aan kracht te +kort schiet, moet ik door goeden wil vergoeden.”</p> +<p>Met deze woorden volgden beiden Willem, Juno en Flink, die naar het +oude huis op weg waren. De kinderen waren nog alle drie te bed en +gerust in slaap, zoodat men die niet te bewaken had.</p> +</div> +</div> +<div id="ch56" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">ZES-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">LANDING DER WILDEN.—EERSTE AANVAL.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Daar zij bij het oude huis een goed gezicht op de +kano’s hadden, verzuimde Flink niet, zijn kijker op de wilden te +richten, zoo dikwijls hij een vat naar ’t blokhuis heengerold had +en weer met leege handen terugkwam.</p> +<p>Allen zwoegden zich af. Zelfs mevrouw Wilson deed zooveel, als maar +in haar vermogen was, en hielp óf vaten voortrollen óf +droeg wat voor haar krachten niet al te zwaar was. Binnen het uur +hadden zij alles, waaraan hun bijzonder gelegen was, in het blokhuis, +gebracht;—de kano’s waren nog altijd op een aanmerkelijken +afstand van de kust.</p> +<p>„Wij hebben nog een goed uur, voordat zij landen, +mijnheer,” sprak Flink, „en dan kunnen de riffen hen +wellicht vrij wat ophouden. Ik geloof niet, dat ze binnen de twee uren +ontscheept zullen zijn. We hebben nog tijd genoeg tot alles wat ons te +doen valt. Juno, de kar hier.—Willem, neem den +bootshaak,—dan willen we nog gauw eenige schildpadden in het +blokhuis brengen. We kunnen dat zonder u af, mijnheer. Als gij dus zoo +goed wildet zijn, om de geweren na te zien en klaar te maken, konden +wij onderwijl onzen gang gaan.”</p> +<p>„Ja, en dan moet gij ze laden,” zeide mevrouw Wilson, +„en ons wijzen hoe dat gaat. In ’t vervolg kunnen Juno en +ik dat dan doen, zoodat gij enkel hebt te vuren.”</p> +<p>„Dat is een kostelijke inval, mevrouw,” hernam Flink; +„daarmee kunt gij ons wezenlijk een zeer grooten dienst +bewijzen.”</p> +<p>Binnen een half uur hadden Willem en Juno zes schildpadden +aangebracht. Een poosje later kwam ook Flink naar het blokhuis +terug.</p> +<p>„Ik kan onze geit nergens vinden, Willem,” zeide hij; +„maar daar wij toch ook geen voer voor haar hebben, kan zij +evengoed buiten blijven. Als <span class="pagenum">[<a id="pb260" href= +"#pb260" name="pb260">260</a>]</span>zij zulke vreeselijke gedaanten, +als die wilden, ontdekt, zal zij zeker wel een goed heenkomen +zoeken.”</p> +<p>De vaten werden nu aan een kant gerold en tegen de wanden der +omheining opgezet, waarna men er planken overheen legde, op welke men +hoog genoeg staan kon om over de palissade heen te zien en te vuren. +Mevrouw Wilson had zich laten wijzen, hoe men de geweren laden moest, +en Juno werd nu ook in dit werk onderricht.</p> +<p>„Nu, mijnheer, zijn wij op alles voorbereid,” zeide de +oude stuurman. „Mevrouw en Juno kunnen nu eens naar de kinderen +omzien en zorgen, dat wij iets te eten krijgen.”</p> +<p>„Ikke ’t al klaar hebben. Water al koken heelen +tijd,” berichtte Juno.</p> +<p>Zoodra de kinderen waren aangekleed, riep mijnheer Wilson den ouden +Flink, die buiten was en de kano’s gadesloeg, in de woonkamer, en +gebruikte men haastig een ontbijt, ofschoon allen, gelijk men wel +denken kan, te zeer gespannen waren om met smaak te kunnen eten. De +moeder drukte hare kinderen aan haar hart; doch haar moed hield zich +verwonderlijk goed staande.</p> +<p>„Deze angstige spanning is ’t ergste van alles,” +sprak zij ten laatste. „Ik wou, dat zij eindelijk toch maar +kwamen.”</p> +<p>„Zal ik Flink eens gaan opzoeken, lieve, en hooren hoe +’t is? In drie minuten ben ik weer bij u.”</p> +<p>Hij keerde ook zeer spoedig terug en berichtte, dat de kano’s +thans zeer dicht bij de kust waren. De wilden moesten zekerlijk de +doorvaart door de klippen kennen, want zij hadden daar regelrecht op +aangehouden en de zeilen laten vallen. Flink en Willem stonden op den +uitkijk, maar zorgden wel, dat men hen niet zien kon.</p> +<p>„Ik hoop, dat zij niet te lang uitblijven.”</p> +<p>„Maak u over hen niet ongerust, lieve Selina; ’t is het +best, dat zij de bewegingen van den vijand tot op het laatste oogenblik +bespieden.”</p> +<p>Terwijl vader en moeder dus in het blokhuis wachtten, sloegen Willem +en Flink de wilden en al hunne bewegingen met de meeste oplettendheid +gade. Tien of elf kano’s hadden nu hunne bemanning ontscheept; de +anderen volgden dit voorbeeld, zoo vlug als zij konden, en zochten zich +haastig tusschen de klippen door te werken. De wilden waren allen +beschilderd, in krijgsmantels, met pluimen op het hoofd. Hunne wapens +bestonden in lansen en knotsen, en blijkbaar waren zij met een +allesbehalve vredelievend opzet gekomen.</p> +<div class="figure xd21e6253width"><img src="images/p260.jpg" alt= +"Blijkbaar waren zij met een alles behalve vredelievend opzet gekomen." +width="489" height="720"> +<p class="figureHead">Blijkbaar waren zij met een alles behalve +vredelievend opzet gekomen.</p> +</div> +<p>In den beginne hadden zij het druk met de kano’s op het droge +te trekken, <span class="pagenum">[<a id="pb261" href="#pb261" name= +"pb261">261</a>]</span>en daar deze zeer groot en zwaar waren, verliep +er wel een kwartier, voordat dit door allen was geschied. Willem had +dus tijd, om hen nauwkeurig op te nemen.</p> +<p>„Wat schijnt dat een ruwe, wreede bende booswichten te +zijn<span class="corr" id="xd21e6263" title="Bron: .">,</span> +Flink!” merkte hij aan. „Als zij ons in handen kregen, +zouden zij ons zeker allen vermoorden.”</p> +<p>„Daar behoeven wij volstrekt niet aan te twijfelen, Willem; en +we moeten ons dus dapper weren en zorgen, dat we uit hunne handen +blijven. Van kant maken willen zij ons zeker, en ik zou welhaast +gelooven, dat zij ons dan ook nog opeten zouden; ofschoon dat laatste +ons dan zooveel niet deren zou.”</p> +<p>Willem huiverde bij deze gedachte, maar antwoordde toch op vrij +vasten toon:</p> +<p>„Ik zal vechten, zoolang ik nog adem heb. Maar zie Flink, nu +komen zij opzetten, al wat zij loopen kunnen.”</p> +<p>„Ja, ja, recht op het oude huis toe. Wij mogen nu niet langer +wachten.—Kom jongen kom!”</p> +<p>„Ik verbeeldde mij daar straks, toen wij omkeerden, ginds +achter het landpunt nog een ander schip onder zeil te zien, +Flink.”</p> +<p>„Licht mogelijk; misschien een kano, die van nacht van de +anderen is afgeraakt. Kom gauw, Willem.—Luister! ze hebben hun +krijgsgeschreeuw al aangeheven.”</p> +<p>Eene minuut later stonden zij voor de poort van het blokhuis. Zij +traden binnen, sloten de deur achter zich dicht en verzekerden die met +sterke balken, die van binnen in posten sloten.</p> +<p>„Nu, hier zijn wij veilig genoeg,” sprak Flink. +<span class="corr" id="xd21e6283" title= +"Bron: ” ">„</span>En nu maar moed gehouden en ons dapper +geweerd.”</p> +<p>Het gillend geschreeuw der wilden vervulde mevrouw Wilson met +ontzetting en angst. ’t Was nog maar goed, dat zij de Indianen +niet in hunne beschildering en in hun trotschen oorlogspronk gezien +had, want dan zou zij nog veel meer verschrikt zijn geweest.</p> +<p>De kleine Albert en Caroline klemden zich angstig aan haar hals; de +ontsteltenis stond op hun gezicht te lezen. Geen van beiden gaf een +enkel geluid; zij zagen slechts vol verslagenheid rond, als om te +ontdekken, van waar dat ijzingwekkend gerucht kwam, en drongen bevend +al dicht bij hunne moeder.</p> +<p>Thomas daarentegen was bijzonder in de weer, daar hij nu over het +ontbijt, dat de anderen verlaten hadden, geheel alleen baas was en +niemand zijne gulzigheid te keer ging. Juno was buiten bezig en +betoonde in alles veel moed en bedaardheid. <span class= +"pagenum">[<a id="pb262" href="#pb262" name="pb262">262</a>]</span></p> +<p>Mijnheer Wilson had op zich genomen, in de palissade gaten te boren, +zoodat men daar juist de trompen van de geweren doorheen steken en op +de wilden vuren kon, zonder zelf aan gevaar te zijn bloot gesteld. +Willem en Flink daarentegen stonden met geladen geweren op hun post en +sloegen de nadering der vijanden gade.</p> +<p>„Ze zijn thans nog bij ons oude huis bezig, mijnheer,” +zeide Flink<span class="corr" id="xd21e6298" title="Bron: :">;</span> +„maar daar zullen ze zich zeker niet lang ophouden.”</p> +<p>„Daar komen ze,” fluisterde Willem. „Zie eens, +Flink, is dat niet eene van de vrouwen, die ons in haren kano +ontsnapten—zie, die daar met de beide eerste mannen vooraan gaat? +Ja, ja, zij is ’t, ik ben er zeker van.”</p> +<p>„Gij hebt gelijk, het is eene van die twee. Kijk, nu houden ze +halt.—Aha! op het blokhuis waren ze niet bedacht, dat kan men wel +merken. Dat heeft hen eenigszins van streek gebracht. Daar, zie eens, +hoe zij de hoofden bij elkaar steken en druk aan ’t redeneeren +gaan. Zij houden raad over hetgeen er thans gebeuren moet. Die slank +opgeschoten man moet een van hunne opperhoofden zijn.—Ik zal +vechten tot mijn laatsten ademtocht, Willem, dat is mijn vast besluit; +maar ik heb er toch een afkeer van in zulk een geval een begin te +maken. Ik zal mij dus boven de palissade laten zien<span class="corr" +id="xd21e6305" title="Niet in bron">.</span> Vallen zij mij aan, dan +kan ik met een gerust geweten op hen losbranden.”</p> +<p>„Maar pas op, Flink, dat zij u niet raken.”</p> +<p>„Wees gerust, Willem.—Zie, daar komen zij al.”</p> +<p>Met deze woorden stapte Flink op de balken, die van binnen langs de +palissade liepen, zoodat de wilden hem zien konden. Dezen stieten een +vreeselijk gehuil aan, en minstens een dozijn speren vlogen naar de +plaats, waar de oude man stond, en waren zoo goed gericht, dat zij hem +ongetwijfeld gedood zouden hebben, indien hij zich niet oogenblikkelijk +had gebukt.</p> +<p>Drie of vier van de speren bleven in de bovensten rand der palissade +steken; de overige vlogen daar overheen en vielen binnen in de +omheining aan gene zijde van het woonhuis op den grond neder.</p> +<p>„Nu, Willem, maar scherp gemikt!” Doch voordat Willem +nog vuren konde, schoot zijn vader zijn geweer af, en het slank +gewassen opperhoofd tuimelde ter aarde. Mijnheer Wilson had zich +namelijk volgens afspraak derwijze in een hoek geplaatst, dat hij zien +kon, als de wilden zich naar eene andere zijde heen wendden.</p> +<p>Flink en Willem vuurden insgelijks, en men zag nog twee wilden onder +het woest gehuil hunner makkers ter aarde storten. Juno gaf dadelijk de +geladen geweren over en ontving daarvoor de andere, welke zij en +mevrouw Wilson opnieuw laadden. <span class="pagenum">[<a id="pb263" +href="#pb263" name="pb263">263</a>]</span></p> +<p>De moeder had aan Caroline het opzicht over haar jongste broertje +opgedragen. Aan Thomas had zij op het hart gedrukt, dat hij zich heel +stil en bedaard moest houden, waarna zij de deur toesloot en bij Juno +kwam, om met deze voor het laden der geweren te zorgen.</p> +<p>Nu suisden de speren der wilden door de lucht en het was een geluk +voor onze kolonisten, dat zij goed gedekt achter hunne palissade vuren +konden, daar zij anders onvermijdelijk verloren waren geweest. Het +geschreeuw en gehuil werd gestadig heviger, en de wilden begonnen nu +den aanval aan alle zijden. De rapsten en moedigsten onder hen +klauterden als katten tegen de palissade op en bereikten ook werkelijk +den bovensten rand; doch zoodra hunne hoofden daar zichtbaar werden, +trof hen ook onfeilbaar de kogel der verdedigers en stortten zij dood +of zieltogend aan de buitenzijde neder.</p> +<p>Zoo hield het gevecht veel langer dan een uur aan, totdat de +Indianen, die reeds een aanmerkelijk verlies geleden hadden, eindelijk +van den strijd afzagen, waardoor de verdedigers weer tijd kregen om wat +adem te scheppen.</p> +<p>„Nu, bij dezen eersten aanval hebben zij toch bitter weinig +gewonnen,” begon Flink. „Wij hebben ons dapper geweerd en +vooral gij, Willem, hebt u gehouden alsof ge tot soldaat in de wieg +waart gelegd. Ik geloof niet, dat gij uw doel ook maar +ééne enkele maal gemist hebt.”</p> +<p>„Denkt gij, dat zij nu aftrekken zullen?” vroeg mevrouw +Wilson.</p> +<p>„O, neen, mevrouw, nu nog niet. Ze zullen eerst al ’t +mogelijke beproeven, voordat zij ons voor goed verlaten. Gij hebt zelve +wel bespeurd, dat het een dapper slag van volk is en men kan zien, dat +zij met kruit bekend zijn, daar dit hen anders veel erger had doen +schrikken.”</p> +<p>„Dat geloof ik ook,” sprak mijnheer Wilson. „Als +de wilden den knal van geweren voor de eerste maal hooren, zijn zij +doorgaans geheel verplet en verslagen.”</p> +<p>„Ja, mijnheer; maar dat was bij dit volk hier niet het geval, +weshalve ik geloof, dat het wel niet de eerste keer zal wezen, dat zij +met Europeanen slaags zijn.”</p> +<p>„Zijn zij al weg, Flink?” vroeg Willem, die van de +hoogte was afgeklommen, om zijne moeder te omhelzen.</p> +<p>„Neen jongen; ik zie hen thans tusschen de boomen. Zij zitten +in een kring in het rond en houden denkelijk eene gemeenschappelijke +beraadslaging, zooals dat bij die wilde stammen gebruikelijk +is.”</p> +<p>„Nu, ik heb een brandenden dorst,” zeide Willem. +„Juno, breng mij toch gauw eens wat water.”</p> +<p>De zwarte meid ging naar de waterton, om aan Willems verlangen te +<span class="pagenum">[<a id="pb264" href="#pb264" name= +"pb264">264</a>]</span>voldoen, maar kwam na weinige oogenblikken met +ledige handen en hevig ontsteld terug.</p> +<p>„O, massa! O, mevrouw! geen water! Water allemaal +weg!”</p> +<p>„Wat, al ’t water weg?” riepen allen in +één adem.</p> +<p>„Niet een sikkepitje meer in de ton is!”</p> +<p>„Ik heb die toch tot den rand toe gevuld!” riep Flink. +„Ook kon ik niet merken, dat ze eenig lek had. Hoe is dat dus +mogelijk?”</p> +<p>„O, nu ikke ’t al wel begrijpen, mevrouw!” riep +Juno. „Gij weet wel, wij wasschen voor een dag of drie en toen +ikke massa Thomas zenden met kleine emmertje water halen uit de bron. +Hij toen zoo gauw weerom komen en mevrouw toen zeggen, dat hij zoete +jongen was en ook vertellen aan mijnheer. Nu massa Thomas zeker te lui +geweest, om te loopen naar de bron en al het water tappen uit het vat, +en toen vat is leeggeloopen.”</p> +<p>„Ik vrees, dat gij gelijk hebt, Juno,” sprak de +moeder.</p> +<p>„Wat moeten wij nu aanvangen?”</p> +<p>„Ikke gaan en sinjeur Thomas spreken,” riep Juno en +vloog in huis.</p> +<p>„Dat is een zeer droevig geval, mijnheer,” merkte Flink +ernstig aan.</p> +<p>Mijnheer Wilson schudde bedenkelijk het hoofd. Allen zagen het +hachelijke van hun toestand zeer goed in. Indien de wilden het eiland +niet verlieten, moesten zij of van dorst omkomen of zich overgeven, en +in ’t laatste geval konden zij er stellig op rekenen, dat hun +leven verloren was.</p> +<p>Juno kwam terug; haar vermoeden was gegrond geweest. Thomas had zich +gestreeld gevoeld, dat men hem om zijne vlugheid prees, en had de kraan +uit het vat getrokken, zoodat al het water wegliep. Hij begon nu weer +hardop te schreien en beloofde naar gewoonte, dat hij het van zijn +leven niet weer doen zou.</p> +<p>„Zijne beloften komen te laat!” zuchtte de vader. +„Zoo zullen al onze zorgvuldige maatregelen en voorzorgen tegen +dezen aanval door de lichtzinnigheid van een kind verijdeld worden en +zullen wij ons in ’t eind aan onze vijanden moeten +overgeven.”</p> +<p>„Helaas ja, mijnheer!” zeide Flink. „Wij hebben +geen ander vooruitzicht meer, dan dat de wilden afgeschrikt worden en +het eiland spoedig verlaten.”</p> +<p>„Als ik maar iets voor de kinderen had; ik zelve zou er mij +wel buiten behelpen!” klaagde mevrouw Wilson; „maar de arme +kleinen zoo te zien lijden!—Is dan nog niet ergens een weinigje +te vinden, Juno!”</p> +<p>Deze schudde het hoofd. „Allemaal weg, mevrouw; niemendal meer +wezen.”</p> +<p>De moeder zeide nu, zelve nog eens te willen rondzien, en ging met +Juno in huis.</p> +<p>„Dat is een vreeselijk, vreeselijk ding, Flink!” merkte +mijnheer Wilson <span class="pagenum">[<a id="pb265" href="#pb265" +name="pb265">265</a>]</span>aan. „Wat zouden wij thans niet voor +eene regenbui geven, als wij de waterdroppels opvangen +konden!”</p> +<p>„De lucht ziet daar niet naar uit, mijnheer,” gaf de +oude man ten antwoord.</p> +<p>„Ik wou, dat de wilden maar weer kwamen opzetten,” zeide +Willem. „Hoe gauwer ze komen, des te eer zal alles beslist +zijn.”</p> +<p>„Ik geloof niet, dat ze zich vandaag bij licht weer vertoonen +zullen. In den nacht verwacht ik hen echter zeker en zulk een aanval +bij nacht vrees ik tienmaal meer, dan een bij dag. In allen gevalle +moeten wij er onze maatregelen tegen nemen.”</p> +<p>„Goed; maar wat kunnen wij doen, Flink?”</p> +<p>„Vooreerst moeten wij boven onze palissade nieuwe planken van +den eenen boom tot den anderen spijkeren; om onze verschansing aldus +hooger te maken, zoodat de wilden ze minder gemakkelijk beklauteren +kunnen. Eenigen waren op het punt van zich er overheen te wringen. Als +wij dit doen, hebben wij ook geen zoo groote ruimte meer te bewaken en +te verdedigen. Vervolgens moeten wij een groot vuur ontsteken, om niet +geheel in het donker te vechten. Dit geeft aan onze vijanden wel het +voordeel, dat zij door de spleten tusschen de palen heenkijken en +afloeren kunnen waar wij staan, doch daar zij hunne speren toch niet +zoo ver doordrijven zullen, kan dat ons zooveel kwaad niet. Het vuur +moeten wij in ’t midden van de palissade aanleggen en er braaf +teer bijgieten, zoodat het helder brandt, en natuurlijk mogen wij het +niet aansteken, voordat men ons aanvalt. Dan kunnen wij zien, waar zij +trachten in te dringen en op welk punt wij dus te vuren +hebben.”</p> +<p>„Dat voorstel is goed<span class="corr" id="xd21e6399" title= +"Niet in bron">,</span> Flink,” antwoordde mijnheer Wilson. +„Bestond dat ongelukkig gebrek aan water niet, ik zou +waarschijnlijk hoop hebben, dat <span class="corr" id="xd21e6402" +title="Bron: alle">alles</span> nog goed ging.”</p> +<p>„Wij zullen daardoor zekerlijk veel te lijden hebben, +mijnheer; maar wie kan weten, wat de dag van morgen +aanbrengt?”</p> +<p>„’t Is waar, Flink.—Kunt gij iets van de wilden +zien?”</p> +<p>„Neen. Ze hebben de plaats verlaten, waar zij raad hielden en +ik hoor niets meer van hen. Ik vermoed, dat zij zich op dit oogenblik +met hunne dooden en gekwetsten bezighouden.”</p> +<p>Wat Flink voorspeld had, gebeurde ook werkelijk. Dien dag werd er +geen nieuwe aanval meer ondernomen en allen waren volijverig bezig met +het maken van toebereidselen tegen den nacht. Zij spijkerden boven de +palissade nieuwe posten en planken aan de boomstammen, zoodat drie +zijden van hunne verschansing althans vijf voet hooger werden en +moeielijk meer te <span class="pagenum">[<a id="pb266" href="#pb266" +name="pb266">266</a>]</span>beklimmen waren. Bovendien werd eene groote +teerton met kokosbladeren, teer en hout opgevuld, zoodat men tegen dat +het vereischt werd, een helder vlammend vuur in gereedheid had.</p> +<p>Aan middag- of avondeten mochten zij echter niet denken, want zij +hadden niets dan pekelvleesch en levende schildpad en Flink gaf hun den +raad, om liever in het geheel niets te gebruiken, daar eten den dorst +slechts vermeerderen moest.</p> +<p>De arme kinderen hadden daardoor veel uit te staan; de kleine Albert +kermde en riep gedurig: „Water, water!” Caroline wist, dat +dit er niet was, en hield zich stil,—het arme schaap, ofschoon +’t gemis haar zeer zwaar viel. Thomas echter, de oorzaak van al +deze ellende, was de ongeduldigste van allen en gierde van tijd tot +tijd zoo luid, dat Willem, die innerlijk woedend op hem was, hem +eindelijk een duchtigen oorveeg gaf, waarop hij, uit vrees dat er een +andere volgen mocht, nog slechts stil bleef voortkreunen.</p> +</div> +</div> +<div id="ch57" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">ZEVEN-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">AANVAL BIJ NACHT.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">De schemering was nauwelijks gevallen, toen het kermen +der kinderen op eens door het gillend gehuil der wilden overschreeuwd +werd, die thans, gelijk Flink wel voorzegd had, een nachtelijken aanval +beproeven wilden.</p> +<p>Op alle punten te gelijk werd de omheining nu aangevallen en de +wilden gaven zich alle moeite, om over den wand heen te klauteren. Van +tijd tot tijd werden er enkele speren geslingerd en het was blijkbaar, +dat zij zich door hunne overmacht den toegang hoopten te +verschaffen.</p> +<p>Het was recht goed, dat Flink de voorzichtigheid had gehad van +nieuwe planken boven de oorspronkelijke palissade te spijkeren, want +anders zouden de wilden zonder twijfel hun opzet bereikt hebben. Nog +voordat het vuur, dat Juno op Flinks bevel ontstoken had, genoeg +helderheid verspreidde, waren reeds drie of vier van de stormers op de +palissade geklauterd, maar op het oogenblik dat zij zich daarboven +vertoonden, door Willem en zijn vader neergeschoten.</p> +<p>Toen het vuur eerst recht helder opvlamde, kon men beter op de +Indianen mikken, en velen hunner vielen bij de poging om over de +palissade te komen. De aanval duurde over het uur. Toen schenen de +wilden in te zien, dat het <span class="pagenum">[<a id="pb267" href= +"#pb267" name="pb267">267</a>]</span>hun op deze wijze niet zou +gelukken, en trokken andermaal terug, terwijl zij hunne dooden en +gekwetsten evenals vroeger medenamen.</p> +<p>„Nu, hoop ik, zullen zij zich toch weder inschepen en het +eiland verlaten,” sprak mijnheer Wilson, zich tot Flink +wendende.</p> +<p>„Ik wensch van harte, dat zij dat doen mogen, mijnheer. Het is +niet zoo heel onmogelijk, ofschoon men ’t nog niet met zekerheid +zeggen kan. Ik heb al nagedacht, of wij hunne verdere bewegingen ook +van eenig hooggelegen punt bespieden konden. Ziedaar den +kokosboom,” vervolgde hij en wees op een van de boomen, die in +hunne palissadenlinie stonden: „hij is veel hooger dan al de +anderen, en als wij van voet tot voet groote spijkers daarin slaan, +kunnen wij hem gemakkelijk beklimmen en van die hoogte de gansche baai +overzien. Dan wisten wij althans wat de vijand in zijn schild +voert.”</p> +<p>„Ja, dat is waar, Flink, maar stelt men zich niet te zeer +bloot, door daar naar boven te klimmen?”</p> +<p>„O, neen, mijnheer; gij ziet immers, de kokosboomen zijn +rondom op zulk een afstand van de palissade geveld, dat geen van de +wilden naderen kan, zonder van dien uitkijk zoo tijdig gezien te +worden, dat hij, die boven is, weer omlaag kan komen, nog voordat zijn +vijand in staat is zijne speer te gebruiken.”</p> +<p>„In allen gevalle zou ik ’t echter niet +vóór het aanbreken van den dag beproeven, daar wij toch +niet weten, of er niet eenigen aan den voet van de palissade op den +loer liggen.”</p> +<p>„Dat is zeker wel mogelijk, mijnheer; en daarom zullen wij het +tot den vroegen morgen uitstellen. Gelukkig hebben wij nog genoeg +groote spijkers overgehouden.”</p> +<p>Na dit gesprek ging mijnheer Wilson in huis. Flink gaf aan Willem +den raad, om zich neer te leggen en een paar uren te slapen, terwijl +hijzelf de wacht zou houden. Als dan mijnheer Wilson tegen den morgen +weer buitenkwam, kon hijzelf nog eene poos uitrusten.</p> +<p>„Ik kan niet slapen, Flink! Ik kan mijn dorst onmogelijk meer +overwinnen,” gaf Willem geheel verslagen ten antwoord.</p> +<p>„Ja, beste jongen, ’t is zekerlijk een zware pijn; ik +voel dat evengoed als gij. En wat moeten die arme kleinen er niet onder +lijden! Ik beklaag hen van harte.”</p> +<p>„Het meeste medelijden heb ik met moeder, Flink,” +vervolgde Willem. „Het moet vreeselijk voor haar zijn, het lijden +der kleinen zoo aan te zien en hen toch niet te kunnen helpen.” +<span class="pagenum">[<a id="pb268" href="#pb268" name= +"pb268">268</a>]</span></p> +<p>„Ja, waarlijk, Willem, dat moet voor eene moeder een +vreeselijk lijden wezen. Misschien hebben de wilden zich echter morgen +vroeg uit de voeten gemaakt, en dan heeft ons lijden op eens een +einde.”</p> +<p>„Ik hoop, dat het zoo wezen zal, Flink; evenwel schijnen zij +mij moedig en vastberaden toe.”</p> +<p>„Ja, zeker,—voor hen is ijzer zooveel als goud, en wat +doen beschaafde menschen al niet om goud te winnen! Kom, kom, Willem, +ga toch althans een poosje liggen, al kunt gij ook niet +slapen.”</p> +<p>Intusschen had mijnheer Wilson zijne arme vrouw en kinderen bezocht. +De kleinen jammerden nog altijd om water, in weerwil van alles wat de +goede moeder beproefde om hen tot bedaren te brengen, terwijl ze tranen +van wanhoop vergoot, als ze zich over haar lieven kleinen Albert +neerboog.</p> +<p>Juno was naar buiten gegaan en had met eene schop zoo diep in den +grond gegraven, als ze maar kon, in de flauwe hoop van toch misschien +eenig water te zullen vinden,—maar vruchteloos. Treurig en +radeloos kwam zij naar huis terug.</p> +<p>Er was geen ander middel dan geduld en volharding. Geduld kon men +echter van zulke kleine kinderen onmogelijk verwachten. De kleine +Caroline alleen scheen bedaard en sprak geen woord.</p> +<p>Mijnheer Wilson bleef nog twee of drie uren bij zijn vrouw en hielp +haar de kinderen stilhouden, zoo goed dat gaan wilde. Eindelijk kwam +hij buiten en vond Flink nog op zijn post.</p> +<p>„Ach, vriend,” zuchtte hij, „ik stond liever +honderdmaal een aanval van die wilden door, dan dat ik nog vijf minuten +langer in huis ware gebleven en de ellende van vrouw en kinderen mede +had aangezien<span class="corr" id="xd21e6473" title= +"Bron: ,">.</span>”</p> +<p>„Dat geloof ik gaarne, mijnheer,” antwoordde de oude +man. „Maar houd moed en laat ons het beste hopen. Ik houd het +voor heel waarschijnlijk, dat de wilden na deze tweede nederlaag het +eiland verlaten zullen.”</p> +<p>„Ik wou, dat ik ’t zelfde gelooven kon, Flink; het zou +mij innig gelukkig maken.—Doch ik kom hier, om de wacht van u +over te nemen. Wilt gij ook niet een poosje rusten?”</p> +<p>„Ja, mijnheer als gij ’t goedvindt, ga ik dan ook wat +liggen. Over twee uren kunt gij mij weer roepen: de dag zal dan juist +aanbreken, en dan wil ik aan het werk gaan, terwijl gijzelf ook eenige +rust geniet.<span class="corr" id="xd21e6482" title= +"Niet in bron">”</span></p> +<p>Mijnheer Wilson nam zijn post op de palissade in en bleef aan zijne +eigene gedachten overgelaten.</p> +<p>Met het krieken van den dag werd Flink wakker en loste mijnheer +Wilson af. Deze ging echter niet in huis terug, maar legde zich op de +<span class="pagenum">[<a id="pb269" href="#pb269" name= +"pb269">269</a>]</span>boomtakken neder, waar Flink aan Willems zijde +had uitgerust.</p> +<p>Zoodra de oude man hamer en spijkers bij de hand had, riep hij +Willem om hem te helpen en gezamenlijk begonnen zij nu de spijkers in +een kokosboom te slaan, waarbij een van hen voortdurend naar de wilden +uitkeek, terwijl de ander het werk voortzette.</p> +<p>In minder dan een uur waren zij tot de bovenste takken onder den +kruin gevorderd, op welke hoogte zij een uitgestrekt gezicht over de +baai en het eiland hadden. Willem had het laatste dozijn spijkers in +den stam geslagen en was de eerste, die boven uitzien kon. Na eenigen +tijd keerde hij tot zijn ouden vriend terug.</p> +<p>„Ik kan alles overzien, Flink. Ze hebben het oude huis geheel +omvergehaald; de meeste mannen zijn daar in het rond gelegerd en slapen +onder hunne krijgsmantels. Sommigen van de vrouwen loopen van de +kano’s heen en weer. De kano’s liggen aan het +strand.<span class="corr" id="xd21e6497" title= +"Niet in bron">”</span></p> +<p>„Zij hebben het oude huis zeker alleen overhoop gehaald, om +althans de spijkers mee te nemen. Hebt gij niets van hunne dooden +bemerkt?”</p> +<p><span class="corr" id="xd21e6504" title= +"Niet in bron">„</span>Neen, ik heb niet lang rondgekeken, maar +wil nog eens naar boven klimmen. Ik kwam beneden, omdat de handen mij +zeer deden van het lange kloppen, dewijl de hamer zoo zwaar te houden +was. Over een paar minuten zal ik gemakkelijk weer boven komen. De +lippen branden mij, Flink; ze zijn geheel opgezwollen en het vel barst +mij open. Ik had nooit gedacht, dat de dorst zoo iets vreeselijks was. +Wezenlijk, onze arme Thomas is al meer dan genoeg gestraft.”</p> +<p>„Een kind denkt nooit aan de gevolgen, Willem. Ook hadden wij +nooit kunnen denken, dat zijne onnoozelheid zooveel ellende veroorzaken +zou. Het was enkel een van zijn kinderachtige streken en wat er ook de +gevolgen van wezen mogen, moeten we hem die toch nooit hard te laste +leggen.”</p> +<p>„Ik had gehoopt, in de boomen boven nog een paar kokosnooten +te vinden; maar daar was geen enkele te zien.”</p> +<p>„En al hadt ge ook een gevonden, er zou in dit jaargetij toch +geen melk in zijn. Als de wilden zich evenwel vandaag niet uit de +voeten maken, Willem, dan moet er iets gedaan worden. Ik wou wel, dat +gij nog eens naar boven klomt en rondzaagt, of ze nog in het geheel +geen toebereidselen maken om af te trekken.”</p> +<p>Willem klauterde dus nog eens omhoog en bleef daar eenige minuten +scherp rondkijken.</p> +<p>„Nu zijn zij allen op de been en zwermen als bijen +rond,” berichtte hij, toen hij weder beneden was. „Mannen +telde ik twee honderd en zestig, met <span class="pagenum">[<a id= +"pb270" href="#pb270" name="pb270">270</a>]</span>krijgsmantels om en +pluimen op het hoofd. De vrouwen gaan op en af en halen water bij de +bron. Bij de kano’s is anders niemand, dan acht of tien vrouwen +misschien, die zich met de handen tegen het hoofd slaan en allerlei +vreemde fratsen maken. Ik begrijp niet recht wat zij eindelijk +uitvoeren; maar allen maken dezelfde wonderlijke bewegingen.”</p> +<p>„Aha, ik weet al wat zij doen, Willem. Zij snijden zichzelven +met messen of ander scherp tuig;—dat is zoo het gebruik bij dit +volk. Al de dooden worden in kano’s neergelegd en die vrouwen +weeklagen thans over hare lijken. Misschien dat zij nu toch aftrekken, +omdat de dooden reeds in de kano’s gebracht zijn;—doch dat +moeten wij afwachten.”</p> +<p>Men kon uit den top van den kokosboom bespeuren, dat de wilden des +voormiddags een krijgsraad hielden: want zij zaten allen in een wijden +kring in het rond en een hunner stond op en hield eene rede, waarbij +hij met wilde gebaren speer en knots over zijn hoofd rondzwaaide.</p> +<p>Later ging de vergadering uiteen en men zag de wilden overal met het +vellen van boomen bezig, waarvan zij het rijs zorgvuldig <span class= +"corr" id="xd21e6525" title= +"Bron: bijeenbrachtten">bijeenbrachten</span>. Flink sloeg hen een +geruimen tijd nauwlettend gade en kwam eindelijk vóór +zonsondergang weer van zijn boom beneden.</p> +<p>„Mijnheer Wilson,” sprak hij, „naar mijn oordeel +zal men ons van nacht met rust laten, maar hebben wij morgen een +ernstigen aanval te wachten<span class="corr" id="xd21e6530" title= +"Niet in bron">.</span> De wilden vellen boomen en maken groote +takkenbossen klaar. Dat gaat wel wat langzaam in zijn werk, omdat hunne +bijlen van steen en niet al te scherp zijn; maar met hun ijver en hun +groot aantal handen kunnen zij toch veel af, te meer, daar ik vermoed, +dat zij den ganschen nacht zullen doorwerken, tot zij zooveel +takkenbossen bij elkander hebben als noodig is.”</p> +<p>„Wat denkt gij dan wel, Flink, dat zij met dat boomen omkappen +en die takkenbossen van zins zijn?”</p> +<p>„Ze zullen die óf hoog voor onze palissade opstapelen, +om zoo daar overheen te kunnen komen, óf ze zullen ze op hoopen +leggen en in brand steken, om ons door vuur uit onze sterkte te +verdrijven.”</p> +<p>„Denkt gij, dat hun dat gelukken zal?”</p> +<p>„Niet zonder zeer zwaar verlies. Misschien gelukt het ons nog, +hen af te slaan; doch een harde worsteling is ophanden, veel zwaarder +dan wij tot hiertoe nog gehad hebben. De vrouwen moeten ons vlijtig de +geweren helpen laden, zoodat wij zoo snel mogelijk vuren kunnen. Hunne +poging om onze verschansing in brand te steken, zou ik zooveel niet +achten, als die rook er maar niet bij was. De kokosstammen, vooral als +daar, gelijk bij onze palissaden, de bast nog omzit, smeulen eerst +langen tijd, voordat ze <span class="pagenum">[<a id="pb271" href= +"#pb271" name="pb271">271</a>]</span>vlam vatten en het vuur der +takkenbossen kan niet lang aanhouden, al is het in den beginne ook nog +zoo geweldig.”</p> +<p>„Maar Flink, bedenk eens, hoe kunnen wij bij ons tegenwoordig +gebrek aan water nog kracht genoeg overhouden om onzen vijand midden in +een verstikkenden kring van rook en vlammen het hoofd te bieden? Wij +moeten immers zeker van uitputting bezwijken.”</p> +<p>„Wij moeten het beste hopen, mijnheer Wilson, en onze uiterste +krachten inspannen. Mocht mij in het gevecht iets overkomen, mijnheer, +vergeet dan niet om, ingeval er geen ander behoud meer opzit, van den +rook gebruik te maken, om door het woud een uitweg naar de zuidkust te +zoeken. Ik twijfel niet, of dat zal u wel gelukken. De aanval wordt +natuurlijk van de oostzijde ondernomen, van waar thans de wind waait. +Gij moet dus naar het westen zien te ontkomen.—Ik heb Willem al +gewezen, hoe men door de palissade heen breken kan als de nood het +vordert. Als de wilden ons blokhuis innemen, zullen zij in het eerste +oogenblik niet aan u denken. Misschien dat ze zich in het geheel niet +meer om u bekommeren, als zij eenmaal van alles wat in huis is meester +zijn.”</p> +<p>„Maar waarom zegt gij dat zoo—„als mij iets mocht +overkomen,<span class="corr" id="xd21e6550" title= +"Niet in bron">”</span> Flink?” vroeg Willem bezorgd.</p> +<p>„Ei, jongen, omdat de wilden mij evengoed als u kwetsen of +dooden kunnen, als zij de takkenbossen zoo hoog opstapelen, dat het hun +gelukt, over de palissade heen te komen.”</p> +<p>„Natuurlijk,” hernam Willem; „maar vooreerst zijn +zij hier nog niet binnen en het zal hun bloed kosten, voordat zij het +zoover hebben gebracht.”</p> +<p>Flink bood zich nu aan, om de wacht te houden tot twaalf uren, +wanneer hij den heer Wilson wekken wilde.</p> +<p>Zij hadden gedurende de beide laatste dagen slechts zeer weinig +gegeten. Men had eene schildpad geslacht en er eenige stukken van +gebraden; maar het eten vermeerderde hun dorst slechts en zelfs de +kinderen versmaadden alle spijs. De ellende der familie was thans tot +eene vreeselijke hoogte geklommen en de arme moeder was der wanhoop +nabij.</p> +<p>Zoodra mijnheer Wilson in huis terug was gegaan, riep Flink Willem +en zeide tot hem:</p> +<p>„Luister, Willem; wij moeten noodzakelijk water hebben. Ik kan +het jammeren der kleinen en den vreeselijken doodsangst van uwe goede +moeder onmogelijk langer aanzien. Bovendien zouden wij zonder water +geheel buiten staat zijn, om de wilden morgen af te slaan. Wij moeten +immers letterlijk stikken, zoodra zij het vuur tegen onze palissade +leggen. Ik heb daarom <span class="pagenum">[<a id="pb272" href= +"#pb272" name="pb272">272</a>]</span>besloten, om een van onze tonnen +te nemen, en ze aan de bron te gaan vullen. Misschien gelukt mij dat, +misschien ook niet,—maar <span class="corr" id="xd21e6568" title= +"Bron: beproven">beproeven</span> moet ik het. Val ik,—nu, dan is +het niet anders!”</p> +<p>„Waarom wilt gij mij niet liever laten gaan Flink?” +vroeg Willem.</p> +<p>„Om vele redenen niet, beste jongen. De voornaamste daarvan +is, dat ik niet geloof, dat gij er zoo goed toe in staat zoudt zijn, +als ik mogelijk. Ik zal den mantel en de pluimen van een der wilden, +die binnen de palissade vielen, nemen en met behulp van die verkleeding +mijn plan misschien gelukkig volbrengen. Wapens zal ik, met +uitzondering van een enkele speer, niet meenemen, omdat die mij slechts +hinderen en de last, dien ik te dragen heb, onnoodig verzwaren zouden. +Let nu wel op, beste jongen. Gij moet mij de poort uitlaten; als ik +buiten ben, schuift gij tot meerdere zekerheid een van de kruisbalken +er voor. Dit zal de poort, ingeval van een aanval, wel zoolang doen +houden, totdat het gelukt er ook de andere palen voor te leggen. Wacht +dan mijne terugkomst af en houd u klaar om mij dadelijk weer binnen te +laten. Zeg, Willem, hebt gij mij goed begrepen?”</p> +<p>„Jawel, Flink; maar ik moet bekennen, dat een doodelijke angst +mij overvalt.—Als u eens een ongeluk overkwam, wat zou dat een +ontzettende slag voor ons wezen!”</p> +<p>„Dat is nu eenmaal niet te veranderen, Willem. Water moet er +komen, als ’t maar eenigszins mogelijk is; en nu is het oogenblik +daartoe gunstiger dan later, als onze vijanden meer op hunne hoede +zullen zijn.”</p> +<p>Flink ging nu eene ton opzoeken, die bij de twee emmers water +bevatten kon. Vervolgens voorzag hij zich van den mantel en het +hoofdversiersel van een wilde en nam het vat op den schouder en de +speer in de hand. Willem schoof de dwarsbalken, die de deur sloten, +zacht terug, en nadat Flink zich overtuigd had, dat achter de palissade +niemand verscholen was, drukte hij Willem de hand, stak de open ruimte +buiten de omheining over en verdween in het kokosbosch.</p> +<p><a id="xd21e6582" name="xd21e6582"></a>Willem sloot de deur weder, +gelijk hem gezegd was, schoof er zekerheidshalve een der dwarsbalken +voor en bleef angstig wachtend op zijn post. Hij was in een staat van +vreeselijke spanning; het minste geritsel, zelfs het zachtste suizen +van den wind door de takken van het geboomte deed hem beven en rillen. +Zoo stond hij ettelijke minuten met het geweer in de hand en gereed om +op het eerste oogenblik vuur te geven.</p> +<p>„Nu wordt het tijd, dat hij terugkomt,” dacht hij. +„De afstand is nauwelijks honderd passen en toch heb ik nog geen +geluid vernomen.” Eindelijk meende hij zachte voetstappen te +hooren. Ja, het was werkelijk zoo; de <span class="pagenum">[<a id= +"pb273" href="#pb273" name="pb273">273</a>]</span>oude man keerde terug +en wel zonder dat hem iets was overkomen.</p> +<p>Willem had de hand reeds aan den kruisbalk, om dezen weg te schuiven +en de poort te openen;—daar hoorde hij plotseling een gerucht, +als van twee, die aan het worstelen waren en kort daarop een zwaren +val.</p> +<p>Oogenblikkelijk rukte hij den balk weg en trok de deur open, juist +toen Flink hem bij zijn naam riep. Met zijn geweer gewapend sprong +Willem naar buiten. Daar vond hij Flink op den grond liggen en aan +’t worstelen met een wilde, die op hem lag en hem zijne speer op +de borst had gezet. In een ommezien legde Willem zijn geweer aan en gaf +vuur. De Indiaan plofte dood aan Flinks zijde neder.</p> +<p>„Neem schielijk het water aan, Willem!” riep Flink, met +flauwe stem. „Ik zal beproeven of ik nog kracht genoeg heb om +naar binnen te kruipen.”</p> +<p>De knaap greep het watervaatje en droeg dat binnen de verschansing. +Toen vloog hij terug naar den ouden man, die op de knieën lag.</p> +<p>Mijnheer Wilson was bij het hooren van dat schot oogenblikkelijk +opgesprongen en naar buiten gesneld. Toen hij de poort open vond, +volgde hij zijn zoon en zag, hoe deze den trouwen Flink zocht op te +richten. Beide namen den braven oude onder een arm en zoo sleepten zij +hem met moeite naar binnen. De poort werd aanstonds gesloten en nu +eerst konden zij naar hun ouden vriend omzien.</p> +<p>„Zijt gij gewond, Flink?” vroeg Willem met bevende +lippen.</p> +<p>„Ja, beste jongen, dat ben ik,—doodelijk gewond, naar ik +vrees. Zijne speer heeft mij de borst doorboord.—Water, +schielijk, water!”</p> +<p>„Ach, dat wij maar iets voor u hadden!” jammerde +mijnheer Wilson.</p> +<p>„Wij hebben het, vader!” riep Willem. „Maar het is +duur betaald,” voegde hij er treurig bij.</p> +<p>Willem ging een glas halen, nam de spon uit het vat en liet het +water loopen. Den eersten dronk bracht hij aan Flink, die het vocht +gretig inzwolg.</p> +<p><span class="corr" id="xd21e6610" title= +"Niet in bron">„</span>Leg mij nu op deze kokosbladeren neer, +mijn jongen.—Ga en geef aan den anderen ook wat te drinken; als +zij allen gehad hebben, kom dan hier bij mij terug. Zeg uwe moeder +niets van mijne verwonding.—Ga en doe wat ik u verzocht +heb.”</p> +<p>„Vader, neemt gij het water,—neem, bid ik u,” riep +Willem. „Ik kan mijn Flink niet verlaten.”</p> +<p>„Dat zal ik doen, mijn zoon,” zeide mijnheer Wilson; +„maar drink eerst toch zelf een weinig.”</p> +<p>Willem, die eene onmacht nabij was, dronk het glas ledig. Terstond +gevoelde <span class="pagenum">[<a id="pb274" href="#pb274" name= +"pb274">274</a>]</span>hij zich als opnieuw gesterkt en wendde zich tot +den ouden man, die voortdurend zwaar ademhaalde, maar geen woord +sprak.</p> +<p>De vader vloog heen, om aan vrouw en kinderen den lang gewenschten +laafdronk te verstrekken.</p> +</div> +</div> +<div id="ch58" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">ACHT-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">ONVERWACHTE UITKOMST.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Willem had ondertusschen zijn armen vriend de +kleederen uitgetrokken, om zijne wonden nader te kunnen onderzoeken. Na +eene korte poos kwam zijn vader terug, die zijn versmachtend gezin in +allerijl gedrenkt had.</p> +<p>„Het zou misschien beter zijn, dat wij hem naar dien anderen +hoop bladeren droegen, hij zal daar veel gemakkelijker liggen,” +sloeg Willem voor.</p> +<p>Flink fluisterde slechts: „Meer water! Meer water!” De +knaap voldeed aan zijn verlangen en droeg hem toen, met behulp van zijn +vader, naar een beter plaatsje. Zoodra zij hem daar neergelegd hadden, +keerde Flink zich op de andere zijde om en een donkere bloedstroom +gutste uit zijn borst.</p> +<p>„Nu voel ik mij beter,” zeide hij op fluisterenden toon. +„Verbind de wonde, Willem. Een oud man, zooals ik, heeft niet +veel bloed te verliezen.”</p> +<p>Mijnheer Wilson en Willem schoven zijn hemd ter zijde en +onderzochten de wonde. De speer was hem diep in de longen gedrongen. +Willem trok oogenblikkelijk zijn eigen hemd uit, scheurde het in +stukken en verbond de wonde, zoodat er geen bloed meer uit kon +vloeien.</p> +<p>Flink had er, toen men hem van zijn eerste leger had opgenomen, zeer +machteloos en uitgeput uitgezien; doch nu herstelde hij zich +langzamerhand en kon weer zacht spreken.—Op dit oogenblik kwam +mevrouw Wilson uit huis aansnellen.</p> +<p>„Waar is de goede, brave man—onze redder?” riep +zij. „Ik moet hem zelve danken!”</p> +<p>Mijnheer Wilson vatte haar bij den arm.</p> +<p>„Hij is gewond, lieve vrouw; ik vrees zeer gevaarlijk gewond. +Ik wilde u dat niet dadelijk zeggen.”</p> +<p>Hij zeide haar thans met weinige woorden wat er voorgevallen was en +bracht haar toen bij Flinks leger. Mevrouw Wilson knielde aan zijne +zijde neder, nam zijne hand en barstte in tranen uit. <span class= +"pagenum">[<a id="pb275" href="#pb275" name="pb275">275</a>]</span></p> +<p>„Ween niet om mij, lieve mevrouw,” zeide de oude man. +„Mijne uren zijn geteld; het bedroeft mij slechts, dat ik u niet +meer van dienst zal kunnen wezen.”</p> +<p>„Lieve, beste vriend!” snikte mevrouw Wilson; „hoe +ons lot zich ook immer wenden moge, zoolang ik het leven behoud, zal ik +nimmer, nimmer vergeten wat gij voor mij en de mijnen gedaan +hebt.”</p> +<p>Met deze woorden boog de bedroefde vrouw zich over den lijder neder, +kuste hem op het voorhoofd en richtte zich daarna op, om schreiend naar +huis te keeren.</p> +<p>„Willem,” fluisterde Flink, „ik kan nu niet +spreken. Beur mijn hoofd een weinig op en verlaat mij dan. ’t Is +beter voor mij, dat gij mij alleen laat. Gij hebt al in lang niet meer +op den uitkijk gestaan; doe dat en kom over een half uur hier weer bij +mij. Ga gij ook, mijnheer; ik wil zien of ik een weinig rusten +kan.”</p> +<p>Vader en zoon voldeden aan dit verlangen. Zij traden weer op de +planken en zagen naar alle kanten scherp rond, of zij ook iets +ontdekken konden. Zij bespeurden niets en klommen dus weder naar +beneden.</p> +<p>„Dat is een onoverkomelijke slag, mijn zoon,” begon de +vader.</p> +<p>Willem schudde het hoofd. „Hij wilde mij volstrekt niet laten +gaan, vader,” antwoordde hij eindelijk; „en nu wenschte ik, +dat ik het toch gedaan had. Ik vrees, dat hij zwaar gewond is; dunkt u +dat ook niet, vader?”</p> +<p>„Ik durf niet hopen, Willem, dat hij er weer van opkomt. Wij +zullen hem morgen gevoelig missen, als men ons aanvalt. Ik vrees zeer +voor den afloop.”</p> +<p>„Ik weet niet wat ik zeggen moet, vader. Maar dat gevoel ik, +sinds wij ons weer met water verkwikt hebben, kan ik tweemaal zooveel +doen, dan waartoe ik anders in staat zou zijn geweest.”</p> +<p>„Het gaat mij evenzoo, beste jongen; maar toch, wat kunnen +twee menschen tegen zulk eene overmacht?”</p> +<p>„Als moeder en Juno de geweren voor ons laden, zullen wij +thans voor ’t minst evenveel kunnen uitrichten, als waartoe wij +gisteren in onzen uitgeputten toestand met ons drieën in staat +waren.”</p> +<p>„Dat is wel mogelijk, Willem. In allen gevalle willen wij ons +best doen, want wij strijden immers voor ons eigen behoud en voor +’t leven van hen, die ons het liefst op aarde zijn.”</p> +<p>Willem sloop zacht op Flinks leger toe en bevond dat de oude man +sluimerde, zoo hij al niet vast in slaap lag. Hij stoorde hem derhalve +niet, maar keerde tot zijn vader terug. <span class="pagenum">[<a id= +"pb276" href="#pb276" name="pb276">276</a>]</span></p> +<p>Zij droegen het watervat gezamenlijk in huis en stelden het onder +het opzicht der moeder, opdat geen enkele drup nutteloos mocht verloren +gaan. Thans eerst nu de dorst gelescht was, begonnen allen ook de +kwelling van den honger te gevoelen.</p> +<p>Juno en Willem gingen daarom aan het werk, sneden de schildpad in +stukken en roosterden die bij het vuur. Zij namen allen een hartig maal +en misschien had het eten hun in hun gansche leven niet zoo lekker +gesmaakt als ditmaal.</p> +<p>Het was bijna reeds dag, toen Willem, die herhaalde malen zacht naar +Flink was komen zien om zich te overtuigen, dat hij nog sliep, den +gewonde eindelijk met de oogen open vond.</p> +<p>„Hoe gaat het, Flink; hoe voelt gij u nu,<span class="corr" +id="xd21e6687" title="Niet in bron">”</span> vroeg hij, vol +deelneming.</p> +<p>„Ik voel mij heel licht en wel, Willem, en heb niet veel pijn. +Ik geloof evenwel, dat het met mij ten einde loopt en dat het niet lang +meer zal aanhouden. Denk er aan, Willem, dat gij, als gij genoodzaakt +wordt de versterking te verlaten, u om mij niet bekommeren moogt. Ik +zal blijven, waar ik nu ben. Langer leven kan ik immers toch niet, en +als gij mij meesleepen wildet, zou dit mijn einde maar +verhaasten.”</p> +<p>„Ik zou liever sterven dan u verlaten, Flink!”</p> +<p>„Neen, neen, mijn jongen—dat is dwaas en verkeerd +gesproken. Gij hebt uwe moeder en de kleinen, die gij redden moet. +Beloof mij, dat gij doen zult wat ik u gezegd heb.”</p> +<p>Willem aarzelde.</p> +<p>„Het is uw plicht, jongen, wat ik van u verlang. Ik ken uw +gevoel heel wel, maar gij moogt daar ditmaal niet aan toegeven. Beloof +mij dat, als gij mijn sterfuur niet verzwaren wilt.”</p> +<p>Willem drukte zijn ouden vriend de hand. Zijn hart was te +vol,—hij kon niet spreken.</p> +<p>„Met het aanbreken van den dag zullen zij terugkomen, +Willem,—althans dat verwacht ik. Gij hebt weinig tijd meer te +verliezen. Klim op onzen uitkijk en blijf daar, tot het licht aan den +hemel komt. Bespied hen, zoolang gij dat zonder gevaar doen kunt. Kom +dan beneden en zeg mij, wat gij gezien hebt.”</p> +<p>Flinks stem werd al zwakker en zwakker, daar het vele spreken hem +reeds al te veel vermoeid had. Hij wenkte Willem, die oogenblikkelijk +in den boom klauterde en daar, totdat het licht werd, de wacht +hield.</p> +<p>Toen de ochtendschemering aanbrak, bemerkte hij, dat de wilden op de +been kwamen. Zij hadden hunne takkenbossen aan de noordzijde +bijeengebracht <span class="pagenum">[<a id="pb277" href="#pb277" name= +"pb277">277</a>]</span>en maakten alle toebereidselen tot een spoedigen +aanval. Ten laatste zag hij ieder van hen een takkenbos op den schouder +nemen, en zoo trokken zij in eene lange rij op het blokhuis aan.</p> +<p>Willem was in een ommezien omlaag en riep zijn vader, die juist met +zijne vrouw sprak. Al de geweren stonden gereed, en mevrouw Wilson +plaatste zich met Juno dicht bij de palissade, om ze terstond na het +afvuren opnieuw te laden.</p> +<p>„Wij moeten op hen losbranden, zoodra wij zeker zijn van hen +niet te missen, mijn jongen,” zei de vader. „Hoe langer wij +hen van ons lijf houden, des te beter voor ons.”</p> +<p>Zoodra de eerste wilden op vijftig passen afstands waren gaven +beiden vuur, en twee van hunne vijanden vielen. Zij gingen voort, de +eerste tien minuten met veel geluk op de bestormers te schieten; maar +nu kwamen de wilden in dichter troepen opzetten en gebruikten bovendien +nog de voorzichtigheid van de takkenbossen voor hun lichaam te houden, +ten einde bij het naderen der palissade beter bedekt te zijn.</p> +<p>Op deze wijze gelukte het hun werkelijk den voet der palissade +zonder zwaar verlies te bereiken, en daar begonnen zij hunne +takkenbossen op een hoop op te stapelen. Vader en zoon onderhielden nog +bij voortduring een levendig vuur tegen hunne vijanden, maar niet met +dezelfde gunstige uitwerking als in den beginne.</p> +<p>Er vielen wel <span class="corr" id="xd21e6721" title= +"Bron: ettelijk">ettelijke</span> wilden, doch de takkenbossen rezen al +hooger en hooger op, totdat ze bijna de gaten in de palissade +bereikten, waardoor men tot hiertoe gevuurd had. Daarbij gaven de +Indianen aan hun houtberg eene schuins omloopende richting, zoodat het +kennelijk was, dat zij langs dezen weg opklimmen en de versterking +stormenderhand innemen wilden.</p> +<p>Eindelijk schenen de takkenbossen alle te hoop gebracht, want de +wilden trokken thans weer tot aan den rand van het bosch terug.</p> +<p>„Zij zijn weg, vader,” riep Willem; „maar zij +zullen terugkomen, en ik vrees dat het dan met ons gedaan zal +zijn.”</p> +<p>„Dat vrees ik ook, mijn dappere jongen,” antwoordde +mijnheer Wilson. „Ze hebben zich allen verwijderd, om zich tot +een algemeenen storm te ordenen, en nu zal het hun mogelijk zijn in +onze verschansing door te dringen. Ik had waarlijk liever, dat zij maar +de takkenbossen hadden aangestoken. Daar hadden wij althans naar Flinks +aanwijzing kunnen ontkomen. Nu vrees ik, dat geen hoop meer over +is.”</p> +<p>„Zeg daar moeder toch geen woord van!” bad Willem. +„Wij willen ons tot het laatst verweren, totdat wij eindelijk +bezwijken moeten.” <span class="pagenum">[<a id="pb278" href= +"#pb278" name="pb278">278</a>]</span></p> +<p>„Ik zou uwe lieve moeder nog gaarne eens tot afscheid +omhelzen,” sprak de vader. „Maar neen,—nu zou dat +zwakheid zijn. Ik zal het liever laten. Daar komen zij, Willem! Nu dan, +mijn kind, mijn Willem, vaarwel!”</p> +<p>De gansche troep wilden rukte thans in een dichte hoop uit het bosch +op. Zij hieven een vervaarlijk gillend geschreeuw aan, dat mevrouw +Wilson en Juno met ontzetting vervulde. Niettemin weken de beide +moedige vrouwen geen oogenblik van hare standplaats.</p> +<p>De Indianen waren nu weder tot op vijftig passen genaderd, en de +beide verdedigers openden andermaal hun vuur. Dit werd door de wilden +met woest getier beantwoord, en dezen waren reeds aan den voet van hun +houthoop gekomen. Doch daar op eens hoorde men onder het knallen der +geweren en het getier der bestormers een luid gedonder. De boomen in +het rond kraakten, en beide partijen bleven roerloos van verbazing. Een +tweede en een derde donderslag volgde. De hoop takkenbossen voor de +palissade stoof uiteen en de wilden tuimelden bij hoopen ter aarde.</p> +<p>„Dat moeten kanonnen van een schip zijn, vader!” riep +Willem. „Wij zijn gered! Wij zijn gered!”</p> +<p>„Het is niet anders mogelijk; wij zijn als door een wonder +gered,” riep ook de vader in de hoogste verbazing.</p> +<p>De wilden, geheel verbijsterd, staakten hun aanval. Nog eens en +andermaal dreunde het geschutgedonder door de lucht. Kogels en +kartetsen fluitend en gierend door het woud. Eindelijk kwam er nog een +volle laag;—toen keerden de wilden om en vluchtten naar hunne +kano’s. Na eenige oogenblikken was er geen enkele meer te +zien.</p> +<p>„Wij zijn gered!” riep mijnheer Wilson, sprong van de +plank neer en drukte zijn vrouw in de armen.</p> +<p>„Een groote schoener, vader! Hij vuurt op de wilden, die reeds +bij hunne booten zijn. Zij vallen overal neer; daar springen al enkelen +in ’t water! Ginds komt eene sloep vol gewapende matrozen op den +oever aan.—Zij landt bij den tuin. Drie van de kano’s zijn +vol met wilden, die wegroeien willen.—Daar valt weer eene +laag.—Twee kano’s zijn in den grond geboord, +vader!—De boot is geland. Het volk komt regelrecht hier naar +toe!”</p> +<p>Na deze laatste uitroeping kwam Willem haastig naar beneden. Zoodra +hij de voeten op den grond had, vloog hij naar de deur der omheining en +begon de balken weg te schuiven. Hij had juist den laatsten in de hand +toen hij den tred der bevrijders buiten hoorde. Hij rukte de poort +open.... en lag een oogenblik later in de armen van—kapitein +Osborn. <span class="pagenum">[<a id="pb279" href="#pb279" name= +"pb279">279</a>]</span></p> +<p>Men zal zich herinneren, dat reeds ettelijke maanden vroeger eene +brik in de nabijheid van het eiland verschenen, maar tot grievende +teleurstelling onzer eilandbewoners weder verdwenen was, zonder terug +te keeren, hoewel zij de opgeheschen vlag van de Vrede wel herkend +moest hebben.</p> +<p>Ziehier, hoe het met de zaak was. Het volk aan boord van die brik +had niet alleen Flink’s seinen bemerkt, maar ook den naam van De +Vrede op de opgehaalde vlag gelezen. De hevige storm, die toen losbrak, +had hen echter zoo ver zuidwaarts gedreven, dat de kapitein van de brik +aan zijn plicht jegens zijn patroons dacht te kort te zullen doen, +indien hij zooveel tijd verloor, als noodig was, om midden door dien +storm weder naar het eiland op te werken. De lading, die hij aan boord +had, was van dien aard, dat zij noodzakelijk in waarde verliezen moest, +wanneer zij niet als eene der eersten op de markt kwam. Hij besloot +derhalve met volle zeilen op Sidney koers te zetten; dat was namelijk +de haven, naar welke hij bestemd was.</p> +<p>Uit het begin van ons verhaal zullen onze lezers nog wel weten, hoe +kapitein Osborn door Mackintosh en de overige matrozen van de Vrede in +een bewusteloozen toestand in de boot werd gebracht. Hij kwam echter +langzamerhand weer tot zichzelven en was in een stormachtigen nacht, +waarin de manschap de grootste moeite had gehad om zich vlot te houden, +weer in zooverre bekomen, dat hij zich door Mackintosh het vroeger +gebeurde kon laten verhalen, alsmede de oorzaak waarom hij zich thans +in eene open boot op zee bevond. Den volgenden morgen ging de storm +liggen, en zij hadden het geluk een schip te ontmoeten, dat naar +Van-Diemensland bestemd was en hen allen bereidwillig aan boord +nam.</p> +<p>Na het verhaal van Mackintosh twijfelde kapitein Osborn geen +oogenblik aan den ondergang der familie Wilson, en het vergaan van de +Vrede en van zijne passagiers werd aan de eigenaars naar behooren +bekend gemaakt.</p> +<p>Bij zijne aankomst in Van-Diemensland gevoelde kapitein Osborn zich +door de schoonheid en vruchtbaarheid van dat oord zoodanig +aangetrokken, dat hij besloot aldaar eenige landerijen aan te koopen en +er zich vreedzaam als burger neer te zetten. Misschien wel dat ook de +herinnering van het groote gevaar, dat hij op zijn laatsten zeetocht +had doorgestaan, bij hem tot de opvatting van dit besluit niet weinig +had bijgedragen.</p> +<p>Overeenkomstig zijn plan had hij een landgoed aangekocht, waar hij +de veeteelt op eene groote schaal drijven wilde. Hij was op eene +schoener naar Sidney gegaan, om daar de aankomst van eene groote kudde +vee, die hij uit Engeland ontboden had, af te wachten, toen de reeds +vermelde brik in de haven binnenliep en berichtte, dat men op het +kleine eiland blanke <span class="pagenum">[<a id="pb280" href="#pb280" +name="pb280">280</a>]</span>bewoners ontdekt en op eene door hen +opgeheschen vlag den naam van De Vrede gelezen had.</p> +<p>Zoodra kapitein Osborn dit vernam, zocht hij den kapitein van de +brik op en deed bij hem een nauwkeurig onderzoek naar de nadere +bijzonderheden van zijne ontdekking. Hij bevond, dat de geographische +lengte en breedte van het eiland zoo tamelijk overeenkwamen met de +plaats, waar zij hun schip hadden verlaten, en hield zich nu ten volle +overtuigd, dat de familie Wilson als door een wonder in het leven moest +zijn <span class="corr" id="xd21e6770" title= +"Bron: gebleken">gebleven</span>. Terstond begaf hij zich nu naar den +gouverneur van Nieuw-Zuid-Wales en maakte hem met al de vereischte +omstandigheden bekend. Deze hoorde hem met belangstelling aan en stelde +terstond een gewapenden schoener van de regeering tot zijne +beschikking, ingeval hij zelf mede uitgaan en zijne voormalige +scheepsgenooten opzoeken wilde.</p> +<p>Kapitein Osborn was hier terstond toe bereid, daar een korte +afwezigheid hem bovendien toch niet benadeelde; en reeds weinig dagen +daarna lichtte de schoener het anker.</p> +<p>Deze kwam in de nabijheid van het eiland aan op denzelfden morgen, +dat de wilden met hunne vloot van kano’s hunne landing +bewerkstelligden, en had Flink op het oogenblik, toen Willem hem bij +het haastig terugkeeren van het oude woonhuis verzekerde, „dat +hij aan de landpunt in de nabijheid van den tuin nog een ander vaartuig +onder zeil had gezien,”—tijd gehad, om zijn kijker te +gebruiken, dan zou hij ontdekt hebben, dat het de schoener en niet, +zooals hij vermoedde, een kano was, die in den nacht van de overige +booten was afgeraakt.</p> +<p>De schoener lag op dat oogenblik op het rif aan. Hij wendde toen +weder van den wal uit en zond eene boot af, om eene geschikte +ankerplaats op te zoeken.</p> +<p>Terwijl de manschappen in de boot met looden bezig waren, ontdekten +zij de wilden in hunne kano’s en hoorden het geknal der +vuurwapens gedurende den eersten aanval. Bij hunne terugkomst aan boord +berichtten zij wat zij gehoord en gezien hadden, en hoe het +waarschijnlijk was, dat de Europeanen op het eiland door de wilden +werden aangevallen.</p> +<p>Daar de boot eerst tegen den avond aan boord was teruggekomen, had +men geen tijd om nader onderzoek te doen, en thans geschiedde de +nachtelijke aanval en hoorde men andermaal geweerschoten vallen.</p> +<div class="figure xd21e6785width"><img src="images/p280.jpg" alt= +"Het volk komt regelrecht hier naar toe." width="491" height="720"> +<p class="figureHead">Het volk komt regelrecht hier naar toe.</p> +</div> +<p>Dit boezemde kapitein Osborn den wensch in, om zoo schielijk +mogelijk te landen; doch daar de wilden in groote getale op het eiland +zijn moesten, terwijl de bemanning van den schoener uit niet meer dan +vijf-en-twintig <span class="pagenum">[<a id="pb281" href="#pb281" +name="pb281">281</a>]</span>koppen bestond, hield de commandant van het +schip dat voor al te onvoorzichtig. Daarom wilde hij den schoener met +allen spoed voor anker zien te brengen, opdat die de landing dekken +mocht. Dan zou het den matrozen vergund zijn aan wal te gaan.</p> +<p>De boot had bericht gebracht, dat bij de landpunt aan den tuin +ondiep water en goede ankergrond te vinden was, en alle toebereidselen +werden gemaakt, om den volgenden morgen met het aanbreken van den dag +op de kust aan te loopen. Ongelukkigerwijze ging de wind liggen en +bleef het ’t beste gedeelte van den volgenden dag stil, en zoo +kwam het, dat zij eerst den ochtend daarna, juist toen de wilden hun +laatsten aanval beproefden, inloopen konden.</p> +<p>Toen dit geschied was, opende de schoener het vuur van zijne +stukken. Met welk gevolg, is bekend, de wilden vluchtten naar alle +richtingen. De boot werd daarop bemand, kapitein Osborn stelde zichzelf +aan het hoofd der landingstroepen en kwam zoo nog tijdig tot behoud der +hard bedreigde belegerden opdagen.</p> +<p>Wie kan zich de verrukking van mijnheer Wilson en zijne echtgenoote +voorstellen, toen deze hun ouden vriend Osborn weer voor hunne oogen +zagen staan.—Alle gevaar was nu immers geweken. De gelande +matrozen trokken onder commando van den bootsman uit, om te +onderzoeken, of er misschien nog van de wilden op het eiland waren. Met +uitzondering van de dooden en stervenden waren allen echter op eenige +van de kleinere kano’s ontsnapt.</p> +<p>Kapitein Osborn bleef bij de Wilsons achter en verhaalde hun met +weinig woorden zijne eigen geschiedenis. Zij onderrichtten hem op hunne +beurt van den toestand van den ouden armen Flink, tot wien Willem zich +oogenblikkelijk weder begeven had, zoodra hij kapitein Osborn met vader +en moeder in gesprek zag.</p> +<p>Osborn snelde nu dadelijk toe, om zijn ouden stuurman en vriend te +zien. Deze herkende hem ook aanstonds<span class="corr" id="xd21e6803" +title="Niet in bron">,</span> d. i. zijne stem, want de oogen van den +ouden man waren reeds zoo zwak geworden, dat hij bezwaarlijk iets meer +onderscheiden kon.</p> +<p>„Dat is kapitein Osborn,—dien ken ik,” fluisterde +hij, met zwakke stem. „Gij zijt nog even bijtijds gekomen, +mijnheer. Ik wist wel, dat gij komen zoudt, en heb dat ook altijd +gezegd. Neem daarvoor den dank van een stervende aan.”</p> +<p>„Ik hoop, dat het zoo erg niet met u wezen zal, Flink. Wij +hebben een dokter aan boord, en ik zal hem terstond laten halen.” +<span class="pagenum">[<a id="pb282" href="#pb282" name= +"pb282">282</a>]</span></p> +<p>„Mij kan geen dokter meer helpen,” hernam Flink. +„Het zal geen uur meer duren, of ’t is uit met mij. Het is +mij een groote blijdschap, dat ik mijne lieve vrienden hier nog gered +heb gezien.”</p> +<p>„Ik zal in allen gevalle om den dokter zenden,” zeide +kapitein Osborn, „ofschoon ik wel zie, dat die weinig helpen kan. +De hand des doods heeft hem reeds aangevat.”</p> +<p>Mijnheer Wilson verliet met vrouw en vriend het leger van den +stervende; allen waren door het bijgewoonde tooneel uiterst getroffen. +Alleen Willem bleef bij Flink achter en reikte hem water toe, zoo +dikwijls hij daarnaar vroeg. Eenige minuten daarna sloeg de oude man +andermaal de oogen op.</p> +<p>„Zijt gij bij mij, Willem? Ik kan u niet zien. Luister, beste +jongen. Begraaf mij onder de boomen op den heuvel, boven de bron. Daar +wensch ik te liggen. De onnoozele kleine Thomas,—laat hem nooit +weten, dat hij de oorzaak van mijn dood geweest is. Breng hem nog eens +hier bij mij,—en Juno en Caroline ook. Ik wil allen vaarwel +zeggen, Willem.”</p> +<p>Willem schoten de oogen vol tranen; hij liep naar huis en maakte +vader en moeder met Flinks verlangen bekend.</p> +<p>Allen kwamen, om het laatste vaarwel van den stervende te ontvangen. +Flink riep ieder bij zijn naam, den een na den ander. Zij knielden toen +bij hem neder en kusten hem. Hij zeide hun met zwakke stem vaarwel; +eindelijk gingen zijne woorden in een onverstaanbaar gefluister over. +Zoo stonden zij stil en weenend rondom zijn leger geschaard. Slechts +Willem knielde aan zijne zijde neder en hield zijn hoofd omvat. In +’t einde liet de stervende dit voorover op de borst zinken +en—was niet meer.</p> +<p>„Nu is alles voorbij,” sprak mijnheer Wilson diep +bedroefd. Hierop leidde hij zijne vrouw met de kleinen in huis terug; +alleen Juno en Willem bleven bij het lijk achter. De arme meid barstte +zoodra haar heer en mevrouw zich verwijderd hadden en zij aan haar +gevoel den vrijen loop durfde geven, in luide jammertonen uit en wrong +als radeloos de handen.</p> +<p>Willem drukte hem de oogen toe. Juno haalde de oude scheepsvlag, +welke zij toen over zijn lijk uitspreidden. Vervolgens gingen beiden de +familie opzoeken.</p> +<p>In den tijd, dien Willem bij Flink had doorgebracht was de +commandant van den schoener met een tweede afdeeling geland, die hij +insgelijks uitzond om het eiland te doorkruisen en verstrooide +vluchtelingen uit de schaar der wilden op te zoeken, doch er was +niemand meer te ontdekken.</p> +<p>Kapitein Osborn stelde den commandant aan de familie Wilson voor, en +men maakte nu dadelijk afspraak tot het inschepen van deze laatste. +<span class="pagenum">[<a id="pb283" href="#pb283" name= +"pb283">283</a>]</span>Den volgenden dag zou tot het pakken en inladen +van alle goederen besteed worden; den dag daarop zou de familie aan +boord gaan.</p> +<p>Willem gewaagde van Flinks wensch ten aanzien van zijne begrafenis. +De commandant van den schoener gaf dadelijk last om eene kist te +vervaardigen en op de door Willem aangeduide plaats een graf te +delven.</p> +<p>Men kwam overeen, dat de geiten en overige dieren, met uitzondering +van de honden, op het eiland zouden blijven, ten dienste van hen, die +misschien in de toekomst een dergelijk ongeluk ondergaan mochten, als +de manschap en de passagiers van De Vrede getroffen had.</p> +<p>De booten kwamen den volgenden morgen tijdig aan land en namen de +bagage in. Mijnheer Wilson wilde verder niets medenemen, wat voor +latere schipbreukelingen van waarde kon zijn. Het huisraad, al het +timmermansgereedschap, ijzerwerk en spijkers, verder pekelvleesch en +meel, werd in het huis achtergelaten en weggeborgen. Zoo was hetgeen +men had in te schepen dan ook van weinig omvang en dus weldra aan boord +gebracht.</p> +</div> +</div> +<div id="ch59" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">NEGEN-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">BESLUIT.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">De drukte en de haast van de toebereidselen tot het +vertrek van het eiland, alsmede de snelle opvolging der gebeurtenissen, +die zich in de tijdruimte van weinige dagen hadden opgedrongen, hadden +Willem en zijne ouders slechts weinig tijd tot nadenken overgelaten. +Eindelijk echter was al het noodige beschikt en had de commandant van +den schoener geen reden meer om hen tot spoed aan te drijven. Zij +hadden in den loop van den namiddag het laatste aan boord gezonden, en +den volgenden dag, zoo was de afspraak, zou men onder zeil gaan.</p> +<p>Nu hadden zij rust, om het verlies van hun ouden vriend eerst recht +diep te gevoelen, en bitter beklaagden zij hun lot, dat hem niet +veroorloofd had gezamenlijk met hem naar Sidney te stevenen. Zij hadden +altijd de hoop gekoesterd, dat zij eens van het eiland verlost zouden +worden, en in deze hoop hadden zij zich er aan gewend den eerwaardigen +ouden Flink als een lid van hunne toekomstige huishouding te +beschouwen. Thans, nu hunne vurige wenschen waren bekroond,—nu +was het gevoel der vreugde en dankbaarheid met diepen kommer vermengd; +ja, zoo groot was de droefheid <span class="pagenum">[<a id="pb284" +href="#pb284" name="pb284">284</a>]</span>over het verlies van hun +redder en beschermer, dat zij met blijdschap op het eiland zouden +gebleven zijn, als zij hem daardoor wederom in het leven hadden kunnen +roepen.</p> +<p>Kapitein Osborn, de commandant en de matrozen van den schoener +hadden voor dien nacht afscheid van hen genomen en waren aan boord +gegaan, na vooraf de noodige beschikkingen gemaakt te hebben tot Flinks +teraardebestelling, die den volgenden morgen vóór het +lichten der ankers zou plaats vinden. De kinderen waren te bed gebracht +en Juno was naar buiten gegaan; de ouders met hun zoon zaten in het nu +half ledige vertrek, toen Juno weder binnentrad. Het arme meisje had +blijkbaar bitter geschreid.</p> +<p>„Zeg, Juno,” begon mijnheer Wilson, om het pijnlijk +stilzwijgen af te breken, dat reeds eene poos vóór hare +binnenkomst geheerscht had. „Zijt gij niet blij, dat wij nu het +eiland verlaten zullen?”</p> +<p>„Vroeger ikke heel blij zou zijn geweest, maar nu mij niet +sikkepitje schelen kan,” was het antwoord. „Het eiland heel +lieve plaats,—alles heel gelukkig, tot de wilden komen. Als zij +niet vermoord hadden ouden Flink, ik ook niet veel om de wilden geven +zou.”</p> +<p>„Ja, waarlijk,” viel mevrouw Wilson haar in de rede, +„dat is voor ons allen een harde slag. Ik had altijd gehoopt den +goeden Flink in zijn ouderdom te kunnen oppassen en hem onze +dankbaarheid te bewijzen; maar nu....”</p> +<p>„De helft van mijn vermogen gaf ik, als wij hem behouden +hadden<span class="corr" id="xd21e6862" title= +"Bron: ’">,</span>” sprak de vader.</p> +<p>„Ach, massa!” snikte Juno, „ikke daar effentjes +buiten bij hem zitten; ikke de vlag oplichten en hem in ’t +gezicht kijken.—Och, wat goed, vriendelijk en gerust zijn +gezicht!—Ikke haast denken, dat hij mij toelachen,—en ikke +hardop schreien moest. O, massa Thomas,—dat allemaal om jou, +stout jonk!”</p> +<p>„Zijn verlies grieft mij dubbel, omdat zijn dood aan de +onnadenkendheid van een mijner kinderen te wijten is,” hernam +mijnheer Wilson. „Welk eene vreeselijke les voor Thomas, als hij +eens tot de jaren komt, om de gevolgen van zijn daad geheel te +beseffen!”</p> +<p>„Daar mag hij nooit iets van te weten komen, vader,” +riep Willem, die tot hiertoe treurend in een hoek had gezeten. +„Eene van Flinks laatste beden was, dat Thomas de oorzaak van +zijn dood nooit vernemen zou. Ik moest hem dat plechtig +beloven.”</p> +<p>„Zijne laatste wenschen zullen ons heilig zijn, mijn beste +jongen,” verzekerde zijn vader; „want wat zijn wij aan den +goeden braven man al niet verschuldigd! Toen de overigen ons verlieten +en ons aan den ondergang <span class="pagenum">[<a id="pb285" href= +"#pb285" name="pb285">285</a>]</span>prijsgaven, bleef hij bij ons, om +ons lot te deelen, op een oogenblik, dat alle uitzicht bestond, dat de +oceaan ons verzwelgen zou. Door zijne bekwaamheid en ondervinding +werden wij gered en bereikten wij gelukkig dit eiland. Hij zorgde voor +onze behoeften, verplaatste ons in een behagelijken toestand, leerde +ons hoe wij onze middelen tot ons best aanwenden konden, was in alles +onze raadgever, en ik mag wel zeggen onze beschermer en redder. Wat zou +er zonder hem van ons geworden zijn? Zonder zijne zorgvuldigheid hadden +wij nog in den laatsten tijd onder de knotsen en speren der wilden den +dood gevonden. Zijne zelfopoffering was het, die ons het water +verschafte, dat ons leven redde, en juist deze daad was het, waarbij +hij zijn leven voor ons opofferde. Welk een schoon voorbeeld van moed +en zelfopoffering heeft hij ons altijd gegeven!”</p> +<p>„Ach! ware hij niet zoo plotseling uit ons midden +genomen!—Had hij nog slechts weinige dagen geleefd, zoodat wij om +zijn sterfbed hadden kunnen staan, hem de trouwe oogen in vrede hadden +kunnen sluiten!....” zeide mevrouw Wilson en schreide aan de +borst van haar echtgenoot.</p> +<p>Na eenigen tijd waren zij weder eenigszins tot kalmte gekomen, doch +eene sombere stilte, slechts nu en dan door Juno’s zuchten +afgebroken, bleef in den familiekring heerschen. Willems hart was +overvol. Hij kon eene geruime poos geen woord uiten. Eindelijk zeide +hij met gebroken stem:</p> +<p>„Ik gevoel, dat ik een vriend verloren heb, dien ik naast +vader en moeder boven alles liefhad. Ik kan mijzelven maar niet +vergeven, dat ik hem dat water halen liet. Het was mijn plicht geweest, +en ik had voor hem moeten gaan.”</p> +<p>„En toch, mijn lieve zoon, zouden wij u ook zwaar gemist +hebben. Gij hadt er immers ook het leven bij kunnen inschieten,” +riep zijne moeder.</p> +<p>Den volgenden morgen waren zij vroeg op de been en pakten alles +bijeen, wat nog mede naar boord moest worden genomen. Weinig woorden +werden gesproken, want een weemoedige, plechtige ernst heerschte in +aller gemoed.</p> +<p>Zij wachtten op de komst van kapitein Osborn en van de manschap van +den schoener, om het lijk van stuurman Flink ter aarde te bestellen. +Willem was van tijd tot tijd naar buiten gegaan, om naar het schip uit +te zien. Hij kwam nu binnen en berichtte, dat twee booten op de kust +aanroeiden.</p> +<p>Weinige minuten later verscheen kapitein Osborn met den commandant +van het schip. Na een kort onderhoud verlieten beiden het huis, om de +noodige orders te geven.</p> +<p>Men had de kist mede aan land gebracht. Flinks stoffelijk overschot +werd daarin neergelegd en zijne laatste woning alstoen gesloten. Willem +was <span class="pagenum">[<a id="pb286" href="#pb286" name= +"pb286">286</a>]</span>daarbij tegenwoordig, en de tranen rolden hem +langs de wangen, toen het deksel dichtviel en hij zijn goeden ouden +vriend voor de laatste maal gezien had.</p> +<p>Binnen een half uur waren alle toebereidselen gemaakt en werd de +familie buiten geroepen. Het werd zoo ingericht, dat Willem, zijn +vader, kapitein Osborn en Juno—de arme meid had er uitdrukkelijk +om verzocht—de slippen van het lijkkleed te dragen hadden.</p> +<p>De kist, met de koninklijke vlag overdekt, werd door zes matrozen op +de schouders genomen en ten grave gedragen. Achter haar gingen mevrouw +Wilson en hare kinderen en vervolgens de commandant van den schoener +met eenigen van zijn volk. Mijnheer Wilson hield een toespraak, slechts +nu en dan door Juno’s snikken afgebroken en het graf werd +dichtgemaakt, waarop allen zich stil en treurig verwijderden.</p> +<p>Op Willems verzoek had de commandant een stevig traliehek rondom het +graf laten zetten; midden op den grafheuvel werd een paal opgericht, +waarop de naam van den afgestorvene en de dag van zijn dood vermeld +stonden.</p> +<p>Zoodra dit verricht was, volgde Willem met een diepen zucht den +commandant naar het huis, om te berichten, dat alles was afgeloopen en +dat de boot wachtte.</p> +<p>„Kom, lieve vrouw,” zeide mijnheer Wilson tot zijne +echtgenoote.</p> +<p>„Ik ga, ik ga,” antwoordde deze: „maar ik weet +niet, hoe het komt,—thans, nu het uur geslagen heeft,—dat +het mij zooveel kost dit eiland te verlaten. Ware Flink nog in leven, +mij dunkt, ik zou wenschen hier altijd te blijven.”</p> +<p>„Ik begrijp, dat gij ontroerd zijt, lieve; maar wij mogen +kapitein Osborn niet al te lang ophouden.”</p> +<p>„Ik wenschte dat wij nog eens tijd hadden om al die lieve +plekjes van ons verblijf,—den tuin, de bron, de vijvers te +bezoeken. Zelfs van de dieren zou ik gaarne afscheid nemen, Wilson. +Misschien is het een zwakheid,—maar ik kan ze niet +onderdrukken.”</p> +<p>„Laten wij onze geit ook hier, moeder,” vroeg Caroline, +„en al onze aardige kippen?”</p> +<p>„Ja, lieve meid; geiten en vogels blijven achter voor andere +menschen, die misschien na ons op dit eiland kunnen landen.”</p> +<p>„En moeten de schildpadden dan ook in den vijver +blijven?” vroeg Thomas. „Schildpadsoep is zoo lekker. Ik +houd veel van schildpad.”</p> +<p>„Dat is geen kwade inval,” merkte kapitein Osborn aan. +„De schildpadden <span class="pagenum">[<a id="pb287" href= +"#pb287" name="pb287">287</a>]</span>konden wij wel aan boord brengen; +dat zal toch zooveel tijd niet wegnemen.”</p> +<p>„O neen,” zeide de commandant. „Kom, haast u, +jongens! roeit met eene van de booten naar de vijver en brengt de +schildpadden aan boord.”</p> +<p>Daar dit eenig oponthoud veroorzaakte, ging mevrouw Wilson naar +Flinks graf, om het hek en het opschrift te zien, waarvan Willem haar +gezegd had, dat het voorzien was geworden. Zij zou daar nog langer aan +den arm van haar man vertoefd hebben, als kapitein Osborn niet was +komen zeggen, dat de sloep nu wachtte.</p> +<p>Dewijl mijnheer Wilson bemerkte, dat de commandant van den schoener +de eilanden nog vóór het vallen van de duisternis uit het +gezicht wenschte te hebben, leidde hij zijne vrouw nu zonder verwijl +naar het strand. Allen stapten in de boot en waren weldra op het dek +van den schoener. Daar stonden zij met de oogen onafgewend op het +eiland gericht, terwijl de matrozen de ankers lichtten.</p> +<p>Eindelijk werden de zeilen bijgezet en het schip stuurde langs de +landpunt bij den tuin voorbij. Eene frissche koelte begunstigde hunne +vaart en zoo werden alle voorwerpen aan de kust hoe langer hoe +onduidelijker. Maar nog altijd dwaalden hunne blikken in verschillende +richting rond.</p> +<p>Juno en Willem stonden op de verschansing. Onze jonge vriend had den +kijker in de hand en hield dien vast aan het oog gedrukt, toen kapitein +Osborn hem vroeg, waarop hij tuurde.</p> +<p>„Ik zeg Flinks graf mijn laatst vaarwel,” was het +antwoord.</p> +<p>„Hij wezenlijk heel goede man was,” fluisterde Juno met +een diepen zucht.</p> +<p>Terwijl ze naar het Westen stuurden, kwamen zij de bocht voorbij, +waar zij het eerst geland waren, en mijnheer Wilson maakte zijne vrouw +op dit punt opmerkzaam. Deze zag een tijdlang zwijgend daarheen en +keerde zich toen om met de woorden:</p> +<p>„Wij zullen zeker nooit gelukkiger wezen, Wilson, dan wij op +dit eiland waren!”</p> +<p>„Wij mogen inderdaad tevreden zijn, als wij nooit minder +gelukkig worden, lieve,” antwoordde haar echtgenoot.</p> +<p>De schoener kliefde stout de golven en het eiland onttrok zich +allengs aan hun gezicht. Na eenigen tijd was het aan den horizon +verdwenen en alleen de toppen der kokosboomen bleven zichtbaar; maar +ook deze doken eindelijk onder. Juno <span class="corr" id="xd21e6944" +title="Bron: wachtten">wachtte</span> tot het laatst, en toen er in +’t eind niets meer te zien was, wuifde zij met haar zakdoek naar +de plaats van het eiland, als om dat het laatste vaarwel te zeggen. +<span class="pagenum">[<a id="pb288" href="#pb288" name= +"pb288">288</a>]</span></p> +<p>De wind bleef voortdurend gunstig, en na eene voorspoedige vaart van +vier weken, kwamen zij in de haven van Sidney aan, die zij reeds zoo +lang geleden met het goede schip De Vrede gedacht hadden te zullen +bereiken.</p> +<p>Mijnheer Wilson vond bij zijne aankomst te Sidney zijne bezittingen +en kudden aanmerkelijk vermeerderd. Zijn zaakwaarnemer, die de goederen +gedurende zijne afwezigheid beheerd had, was een vlijtig, eerlijk man +geweest.</p> +<p>Men had, wel is waar, algemeen geloofd, dat de gansche familie bij +de schipbreuk was omgekomen en dat de goederen dus op verwijderde +bloedverwanten zouden overgaan, maar erfeniszaken nemen altijd een +langen tijd weg, en het duurde vele maanden voordat men stellige +berichten uit Engeland ontving; en hieraan was het toe te schrijven, +dat, bij gebrek aan alle zekere doodstijding, de goederen nog niet +verdeeld, maar altijd nog in handen der executeurs waren.</p> +<p>Mijnheer en mevrouw Wilson beleefden nog het geluk van al hunne +kinderen volwassen te zien.</p> +<p>Willem erfde het grootste deel van zijns vaders bezittingen, nadat +hij hem jaren lang in het bestuur daarvan behulpzaam was geweest. Hij +trouwde en kreeg een talrijk kroost.</p> +<p>Sinjeur Thomas werd, niettegenstaande al zijne zotte kuren, een +flink man, nadat hij als jongeling in den krijgsdienst was getreden. +Hij is tegenwoordig majoor en moet in zooverre aan zijne jeugdige +gewoonten getrouw zijn gebleven, dat hij, ondanks zijn zwaren dienst +nog altijd een onverdroten tafelmakker is, op wiens fijnen smaak men +gerust staat kan maken.</p> +<p>Caroline gaf hare hand aan een jongen predikant en werd eene +voortreffelijke echtgenoote en moeder. De kleine Albert ging in +zeedienst en staat, terwijl ik dit schrijf, reeds op het punt van +kapitein te worden.</p> +<p>Mijnheer en mevrouw Wilson zijn reeds beiden dood; maar de trouwe +Juno leeft nog en woont bij Willem in huis. Haar grootste vermaak is, +diens kinderen op haar schoot te hebben en hun lange verhalen van het +eiland te doen, waarbij ze nog bijna altijd in tranen uitbarst, als zij +over dien goeden ouden stuurman Flink en zijn dood en begrafenis +spreekt.</p> +</div> +</div> +</div> +<div class="back"> +<div class="div1" id="toc"> +<h2 class="main">Inhoudsopgave</h2> +<ul> +<li><a href="#ch1">HET SCHIP DE VREDE. STUURMAN +FLINK.</a> <span class="tocPageNum"><a class= +"pageref" href="#ch1">5</a></span></li> +<li><a href="#ch2">DE FAMILIE WILSON.</a> +<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href= +"#ch2">8</a></span></li> +<li><a href="#ch3">KAAP DE GOEDE HOOP.</a> +<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href= +"#ch3">12</a></span></li> +<li><a href="#ch4">EEN STORM OP ZEE.</a> +<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href= +"#ch4">15</a></span></li> +<li><a href="#ch5">HET WRAK.</a> <span class= +"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch5">20</a></span></li> +<li><a href="#ch6">ALS HET WATER TOT DE LIPPEN KOMT, IS OOK VAAK +UITKOMST NABIJ.</a> <span class= +"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch6">24</a></span></li> +<li><a href="#ch7">DE SCHIPBREUK.</a> +<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href= +"#ch7">29</a></span></li> +<li><a href="#ch8">TROOST IN HET ONGELUK.</a> +<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href= +"#ch8">36</a></span></li> +<li><a href="#ch9">HET EILAND.</a> <span class= +"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch9">39</a></span></li> +<li><a href="#ch10">LANDING.</a> <span class= +"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch10">43</a></span></li> +<li><a href="#ch11">HET ONTBIJT.</a> +<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href= +"#ch11">46</a></span></li> +<li><a href="#ch12">DE HAAIEN.</a> <span class= +"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch12">49</a></span></li> +<li><a href="#ch13">EERSTE VERRICHTINGEN OP HET +EILAND.</a> <span class="tocPageNum"><a class= +"pageref" href="#ch13">54</a></span></li> +<li><a href="#ch14">EERSTE UITSTAPJE OP HET +EILAND.</a> <span class="tocPageNum"><a class= +"pageref" href="#ch14">57</a></span></li> +<li><a href="#ch15">DE OOSTZIJDE VAN HET +EILAND.</a> <span class="tocPageNum"><a class= +"pageref" href="#ch15">63</a></span></li> +<li><a href="#ch16">WATER.</a> <span class= +"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch16">66</a></span></li> +<li><a href="#ch17">STORM AAN LAND.</a> +<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href= +"#ch17">70</a></span></li> +<li><a href="#ch18">NA REGEN VOLGT +ZONNESCHIJN.</a> <span class= +"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch18">72</a></span></li> +<li><a href="#ch19">DE WONDEREN DER NATUUR.</a> +<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href= +"#ch19">75</a></span></li> +<li><a href="#ch20">VERHUIZING NAAR DE +OOSTZIJDE.</a> <span class= +"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch20">78</a></span></li> +<li><a href="#ch21">FLINK EN WILLEM.</a> +<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href= +"#ch21">81</a></span></li> +<li><a href="#ch22">AANKOMST OP DE NIEUWE +WOONPLAATS.</a> <span class= +"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch22">85</a></span></li> +<li><a href="#ch23">ALGEMEENE TEVREDENHEID MET HET NIEUWE +VERBLIJF.</a> <span class= +"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch23">89</a></span></li> +<li><a href="#ch24">VERDERE VERRICHTINGEN IN DE NIEUWE +VOLKPLANTING.</a> <span class= +"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch24">92</a></span></li> +<li><a href="#ch25">GEVOLGEN DER +ONGEHOORZAAMHEID.</a> <span class= +"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch25">94</a></span></li> +<li><a href="#ch26">EEN ONAARDIG KIND.</a> +<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href= +"#ch26">97</a></span></li> +<li><a href="#ch27">GESPREK TUSSCHEN VADER EN +ZOON.</a> <span class="tocPageNum"><a class= +"pageref" href="#ch27">101</a></span></li> +<li><a href="#ch28">DE VISCHVANGST.</a> +<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href= +"#ch28">106</a></span></li> +<li><a href="#ch29">HET NIEUWE HUIS.</a> +<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href= +"#ch29">109</a></span></li> +<li><a href="#ch30">PLAN VOOR DE TOEKOMST.</a> +<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href= +"#ch30">111</a></span></li> +<li><a href="#ch31">FLINK VERHAALT ZIJNE +LEVENSGESCHIEDENIS.</a> <span class= +"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch31">116</a></span> +<ul> +<li><a href="#xd21e2789">GESCHIEDENIS VAN DEN OUDEN +FLINK.</a> <span class="tocPageNum"><a class= +"pageref" href="#xd21e2789">119</a></span></li> +</ul> +</li> +<li><a href="#ch32">VERVOLG VAN FLINKS +GESCHIEDENIS.</a> <span class= +"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch32">125</a></span></li> +<li><a href="#ch33">THOMAS, WAAR IS DE +VINGERHOED?</a> <span class= +"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch33">129</a></span></li> +<li><a href="#ch34">DIE ARME JUNO!—FLINK VERTELT +VERDER.</a> <span class="tocPageNum"><a class= +"pageref" href="#ch34">136</a></span></li> +<li><a href="#ch35">EEN RUSTDAG.</a> +<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href= +"#ch35">144</a></span></li> +<li><a href="#ch36">NOG AL ANDER WERK.—FLINK VERVOLGT ZIJNE +GESCHIEDENIS.</a> <span class= +"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch36">146</a></span></li> +<li><a href="#ch37">KROKODILLEN, HAAIEN, +HYENA’S.</a> <span class= +"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch37">153</a></span></li> +<li><a href="#ch38">WILLEM WORDT ZIEK.—DE +ADERLATING.—FLINKS VERDERE +ONTMOETINGEN.</a> <span class= +"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch38">161</a></span></li> +<li><a href="#ch39">FLINKS VERDERE REIZEN EN +AVONTUREN.</a> <span class= +"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch39">170</a></span></li> +<li><a href="#ch40">FLINKS BEROUW. GELUKKIGE WENDING VAN ZIJN +LOT.</a> <span class="tocPageNum"><a class= +"pageref" href="#ch40">178</a></span></li> +<li><a href="#ch41">SLOT VAN FLINKS +VERHAAL.</a> <span class="tocPageNum"><a class= +"pageref" href="#ch41">184</a></span></li> +<li><a href="#ch42">TWEEDE UITSTAPJE DOOR HET +EILAND.</a> <span class="tocPageNum"><a class= +"pageref" href="#ch42">188</a></span></li> +<li><a href="#ch43">UITZICHT OP REDDING.</a> +<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href= +"#ch43">199</a></span></li> +<li><a href="#ch44">SPOREN VAN EILANDERS.</a> +<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href= +"#ch44">205</a></span></li> +<li><a href="#ch45">KRIJGSRAAD.</a> +<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href= +"#ch45">211</a></span></li> +<li><a href="#ch46">THOMAS EN DE KREEFT.</a> +<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href= +"#ch46">214</a></span></li> +<li><a href="#ch47">TOEBEREIDSELEN TOT DE +VERHUIZING.</a> <span class= +"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch47">217</a></span></li> +<li><a href="#ch48">VERHUIZING NAAR DE +ZUIDKUST.</a> <span class= +"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch48">219</a></span></li> +<li><a href="#ch49">UITSTAPJE NAAR DE +WESTKUST.</a> <span class= +"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch49">222</a></span></li> +<li><a href="#ch50">BIJNA EEN ONGELUK. EEN NIEUWE +BRIEVENPOST.</a> <span class= +"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch50">227</a></span></li> +<li><a href="#ch51">INSTINCT EN VERSTAND.</a> +<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href= +"#ch51">237</a></span></li> +<li><a href="#ch52">GROOTHEID VAN HET +DIERENRIJK.</a> <span class= +"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch52">242</a></span></li> +<li><a href="#ch53">INRICHTING VAN HET +BLOKHUIS.</a> <span class= +"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch53">245</a></span></li> +<li><a href="#ch54">GROOT GEVAAR.</a> +<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href= +"#ch54">248</a></span></li> +<li><a href="#ch55">DE KANO’S ZIJN IN +AANTOCHT.</a> <span class= +"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch55">255</a></span></li> +<li><a href="#ch56">LANDING DER WILDEN.—EERSTE +AANVAL.</a> <span class="tocPageNum"><a class= +"pageref" href="#ch56">259</a></span></li> +<li><a href="#ch57">AANVAL BIJ NACHT.</a> +<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href= +"#ch57">266</a></span></li> +<li><a href="#ch58">ONVERWACHTE UITKOMST.</a> +<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href= +"#ch58">274</a></span></li> +<li><a href="#ch59">BESLUIT.</a> <span class= +"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch59">283</a></span></li> +</ul> +</div> +<div class="transcribernote"> +<h2 class="main">Colofon</h2> +<h3 class="main">Beschikbaarheid</h3> +<p class="first">Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen +overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het +kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de +<a class="exlink xd21e51" title="Externe link" href= +"http://www.gutenberg.org/license" rel="license">Project Gutenberg +Licentie</a> bij dit eBoek of on-line op <a class="exlink xd21e51" +title="Externe link" href= +"http://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>.</p> +<p>Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd +correctieteam op <a class="exlink xd21e51" title="Externe link" href= +"http://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>.</p> +<p>De scans waarmee dit eBoek is gemaakt zijn beschikbaar op het +Internet Archive (<a class="seclink xd21e51" title="Externe link" href= +"https://archive.org/details/StuurmanFlink">link</a>).</p> +<p>Dit boek is een vertaling van <i lang="en"><a class="pglink xd21e51" +title="Link naar Project Gutenberg eboek" href= +"http://www.gutenberg.org/ebooks/21552">Masterman Ready: The Wreck of +the “Pacific”</a></i>.</p> +<h3 class="main">Codering</h3> +<p class="first">Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke +schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn +stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn +verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het +einde van dit boek.</p> +<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3> +<ul> +<li>2013-12-13 Begonnen.</li> +</ul> +<h3 class="main">Externe Referenties</h3> +<p>Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn +dat deze links voor u niet werken.</p> +<h3 class="main">Verbeteringen</h3> +<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p> +<table class="correctiontable" summary= +"Overzicht van verbeteringen aangebracht in de tekst."> +<tr> +<th>Bladzijde</th> +<th>Bron</th> +<th>Verbetering</th> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e192">5</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e280">9</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e289">10</a>, <a class="pageref" href="#xd21e296">10</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e323">10</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e420">13</a>, <a class="pageref" href="#xd21e727">28</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e763">29</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e919">38</a>, <a class="pageref" href="#xd21e973">41</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e1090">47</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e1156">49</a>, <a class="pageref" href="#xd21e1330">55</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e1688">70</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e1892">80</a>, <a class="pageref" href="#xd21e2027">84</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e2248">92</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e2768">118</a>, <a class="pageref" href="#xd21e3109">134</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e3150">135</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e3170">136</a>, <a class="pageref" href="#xd21e3211">137</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e3233">138</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e3254">138</a>, <a class="pageref" href="#xd21e3285">140</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e3314">141</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e3347">142</a>, <a class="pageref" href="#xd21e3408">145</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e3419">146</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e3461">147</a>, <a class="pageref" href="#xd21e3626">155</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e3631">155</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e3890">169</a>, <a class="pageref" href="#xd21e3996">174</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e4128">178</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e4600">197</a>, <a class="pageref" href="#xd21e4682">200</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e4701">201</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e4729">202</a>, <a class="pageref" href="#xd21e4759">203</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e5316">224</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e5819">243</a>, <a class="pageref" href="#xd21e6504">269</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e6610">273</a></td> +<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40 bottom">„</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e253">8</a></td> +<td class="width40 bottom">famlie</td> +<td class="width40 bottom">familie</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e274">9</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e356">11</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e392">12</a>, <a class="pageref" href="#xd21e498">17</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e622">23</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e642">24</a>, <a class="pageref" href="#xd21e655">25</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e924">39</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e944">40</a>, <a class="pageref" href="#xd21e1201">50</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e1317">55</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e1489">62</a>, <a class="pageref" href="#xd21e1830">78</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e2099">88</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e2138">88</a>, <a class="pageref" href="#xd21e3146">135</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e3185">136</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e3198">137</a>, <a class="pageref" href="#xd21e3218">137</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e3236">138</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e3302">140</a>, <a class="pageref" href="#xd21e3320">141</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e3331">142</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e3404">145</a>, <a class="pageref" href="#xd21e3424">146</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e3431">146</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e3449">146</a>, <a class="pageref" href="#xd21e3646">156</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e4513">194</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e4560">196</a>, <a class="pageref" href="#xd21e4611">197</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e4616">197</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e4631">198</a>, <a class="pageref" href="#xd21e4736">202</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e4977">210</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e5088">215</a>, <a class="pageref" href="#xd21e5151">217</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e5335">225</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e5652">236</a>, <a class="pageref" href="#xd21e5693">238</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e5822">243</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e5846">244</a>, <a class="pageref" href="#xd21e6190">258</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e6482">268</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e6497">269</a>, <a class="pageref" href="#xd21e6550">271</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e6687">276</a></td> +<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40 bottom">”</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e292">10</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e1225">51</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e1265">53</a>, <a class="pageref" href="#xd21e1415">59</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e2819">120</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e3012">130</a>, <a class="pageref" href="#xd21e3024">130</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e3600">154</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e3874">168</a>, <a class="pageref" href="#xd21e5239">221</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e5710">239</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e5786">242</a>, <a class="pageref" href="#xd21e6263">261</a></td> +<td class="width40 bottom">.</td> +<td class="width40 bottom">,</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e299">10</a></td> +<td class="width40 bottom">handen</td> +<td class="width40 bottom">honden</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e333">11</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e1055">45</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e1749">74</a>, <a class="pageref" href="#xd21e1945">82</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e1981">83</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e2125">88</a>, <a class="pageref" href="#xd21e2162">89</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e2175">90</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e3579">153</a>, <a class="pageref" href="#xd21e3620">155</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e3658">156</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e3803">164</a>, <a class="pageref" href="#xd21e4227">183</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e4282">186</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e4871">207</a>, <a class="pageref" href="#xd21e5530">232</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e6105">255</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e6473">268</a></td> +<td class="width40 bottom">,</td> +<td class="width40 bottom">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e349">11</a></td> +<td class="width40 bottom">Ruggelinks</td> +<td class="width40 bottom">Ruggelings</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e425">13</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e489">17</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e1285">53</a>, <a class="pageref" href="#xd21e1963">82</a></td> +<td class="width40 bottom">!</td> +<td class="width40 bottom">?</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e431">13</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e1542">64</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e1756">74</a>, <a class="pageref" href="#xd21e1916">81</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e2709">116</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e4671">199</a>, <a class="pageref" href="#xd21e4836">205</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e4854">206</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e4928">208</a>, <a class="pageref" href="#xd21e4947">209</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e5033">213</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e5578">233</a>, <a class="pageref" href="#xd21e6399">265</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e6803">281</a></td> +<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40 bottom">,</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e515">18</a></td> +<td class="width40 bottom">bazaan</td> +<td class="width40 bottom">bezaan</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e521">18</a></td> +<td class="width40 bottom">gelegenheiden</td> +<td class="width40 bottom">gelegenheden</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e566">21</a></td> +<td class="width40 bottom">schrikkeliijk</td> +<td class="width40 bottom">schrikkelijk</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e648">25</a></td> +<td class="width40 bottom">geheele</td> +<td class="width40 bottom">geheel</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e680">26</a></td> +<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40 bottom">is</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e705">27</a></td> +<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40 bottom">?</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e745">29</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e770">30</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e1432">60</a>, <a class="pageref" href="#xd21e1673">69</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e1754">74</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e1862">79</a>, <a class="pageref" href="#xd21e2237">92</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e3016">130</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e6582">272</a></td> +<td class="width40 bottom">„</td> +<td class="width40 bottom">[<i>Verwijderd</i>]</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e855">35</a></td> +<td class="width40 bottom">Toen</td> +<td class="width40 bottom">toen</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e877">36</a></td> +<td class="width40 bottom">..</td> +<td class="width40 bottom">...</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e913">38</a></td> +<td class="width40 bottom">lekten</td> +<td class="width40 bottom">likten</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1030">44</a></td> +<td class="width40 bottom">berijpen</td> +<td class="width40 bottom">begrijpen</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1039">44</a></td> +<td class="width40 bottom">voorgegevallene</td> +<td class="width40 bottom">voorgevallene</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1108">47</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e1185">50</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e1206">50</a>, <a class="pageref" href="#xd21e2765">118</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e6298">262</a></td> +<td class="width40 bottom">:</td> +<td class="width40 bottom">;</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1111">47</a></td> +<td class="width40 bottom">tweeërleei</td> +<td class="width40 bottom">tweeërlei</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1122">48</a></td> +<td class="width40 bottom">zulen</td> +<td class="width40 bottom">zullen</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1292">54</a></td> +<td class="width40 bottom">meee</td> +<td class="width40 bottom">mee</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1445">60</a></td> +<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40 bottom">!</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1494">62</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e1886">80</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e4367">190</a>, <a class="pageref" href="#xd21e4923">208</a></td> +<td class="width40 bottom">?</td> +<td class="width40 bottom">!</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1671">69</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e2539">106</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e3352">143</a>, <a class="pageref" href="#xd21e3361">143</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e3400">145</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e3503">149</a>, <a class="pageref" href="#xd21e3534">151</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e3993">174</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e4968">210</a>, <a class="pageref" href="#xd21e5836">244</a></td> +<td class="width40 bottom">”</td> +<td class="width40 bottom">[<i>Verwijderd</i>]</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1710">71</a></td> +<td class="width40 bottom">;</td> +<td class="width40 bottom">,</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1738">74</a></td> +<td class="width40 bottom">sparrend</td> +<td class="width40 bottom">spattend</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1789">76</a></td> +<td class="width40 bottom">toerijkend</td> +<td class="width40 bottom">toereikend</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1800">76</a></td> +<td class="width40 bottom">al</td> +<td class="width40 bottom">als</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1848">79</a></td> +<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40 bottom">den</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1853">79</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e5206">220</a></td> +<td class="width40 bottom">alleen</td> +<td class="width40 bottom">allen</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1913">81</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e6862">284</a></td> +<td class="width40 bottom">’</td> +<td class="width40 bottom">,</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1970">82</a></td> +<td class="width40 bottom">ikek</td> +<td class="width40 bottom">ikke</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1990">83</a></td> +<td class="width40 bottom">at</td> +<td class="width40 bottom">af</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2032">84</a></td> +<td class="width40 bottom">aangedaan</td> +<td class="width40 bottom">aan gedaan</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2035">84</a></td> +<td class="width40 bottom">hieronder</td> +<td class="width40 bottom">hier onder</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2059">85</a></td> +<td class="width40 bottom">bindep</td> +<td class="width40 bottom">binden</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2064">85</a></td> +<td class="width40 bottom">er</td> +<td class="width40 bottom">en</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2198">91</a></td> +<td class="width40 bottom">pekelkleesch</td> +<td class="width40 bottom">pekelvleesch</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2243">92</a></td> +<td class="width40 bottom">verrchtingen</td> +<td class="width40 bottom">verrichtingen</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2278">94</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e3653">156</a></td> +<td class="width40 bottom">:</td> +<td class="width40 bottom">,</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2298">95</a></td> +<td class="width40 bottom">niet</td> +<td class="width40 bottom">niets</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2400">99</a></td> +<td class="width40 bottom">het het</td> +<td class="width40 bottom">het</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2482">102</a></td> +<td class="width40 bottom">”?</td> +<td class="width40 bottom">?”</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2516">104</a></td> +<td class="width40 bottom">kolonien</td> +<td class="width40 bottom">koloniën</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2614">110</a></td> +<td class="width40 bottom">moet</td> +<td class="width40 bottom">maar</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2721">116</a></td> +<td class="width40 bottom">geod</td> +<td class="width40 bottom">goed</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2747">117</a></td> +<td class="width40 bottom">vischen</td> +<td class="width40 bottom">visschen</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2828">121</a></td> +<td class="width40 bottom">daavan</td> +<td class="width40 bottom">daarvan</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2858">123</a></td> +<td class="width40 bottom">waarvan</td> +<td class="width40 bottom">waaraan</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2863">123</a></td> +<td class="width40 bottom">dat</td> +<td class="width40 bottom">[<i>Verwijderd</i>]</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2949">128</a></td> +<td class="width40 bottom">antwooord</td> +<td class="width40 bottom">antwoord</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3037">131</a></td> +<td class="width40 bottom">”,</td> +<td class="width40 bottom">,”</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3081">132</a></td> +<td class="width40 bottom">gsteren</td> +<td class="width40 bottom">gisteren</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3115">134</a></td> +<td class="width40 bottom">Oostindievaarder</td> +<td class="width40 bottom">Oostindiëvaarder</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3180">136</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e4272">186</a></td> +<td class="width40 bottom">,</td> +<td class="width40 bottom">[<i>Verwijderd</i>]</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3201">137</a></td> +<td class="width40 bottom">——</td> +<td class="width40 bottom">—</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3268">139</a></td> +<td class="width40 bottom">haddenl</td> +<td class="width40 bottom">hadden,</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3555">152</a></td> +<td class="width40 bottom">zond</td> +<td class="width40 bottom">rond</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3711">159</a></td> +<td class="width40 bottom">nauwelijk</td> +<td class="width40 bottom">nauwelijks</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3765">162</a></td> +<td class="width40 bottom">Vixem</td> +<td class="width40 bottom">Vixen</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3813">164</a></td> +<td class="width40 bottom">Hottotten</td> +<td class="width40 bottom">Hottentotten</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3978">173</a></td> +<td class="width40 bottom">poort</td> +<td class="width40 bottom">voort</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4018">175</a></td> +<td class="width40 bottom">spelde</td> +<td class="width40 bottom">speldde</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4048">176</a></td> +<td class="width40 bottom">postwagen</td> +<td class="width40 bottom">postwagens</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4072">177</a></td> +<td class="width40 bottom">,</td> +<td class="width40 bottom">„</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4119">178</a></td> +<td class="width40 bottom">rucinusolie</td> +<td class="width40 bottom">ricinusolie</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4171">180</a></td> +<td class="width40 bottom">New-castle</td> +<td class="width40 bottom">Newcastle</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4205">182</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e6085">255</a></td> +<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40 bottom">-</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4291">187</a></td> +<td class="width40 bottom">aanwerpen</td> +<td class="width40 bottom">aanwerven</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4322">188</a></td> +<td class="width40 bottom">mijn heer</td> +<td class="width40 bottom">mijnheer</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4350">189</a></td> +<td class="width40 bottom">’</td> +<td class="width40 bottom">[<i>Verwijderd</i>]</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4408">191</a></td> +<td class="width40 bottom">eenhalve</td> +<td class="width40 bottom">een halve</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4425">192</a></td> +<td class="width40 bottom">hebbenl</td> +<td class="width40 bottom">hebben,</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4447">193</a></td> +<td class="width40 bottom">kenen</td> +<td class="width40 bottom">kennen</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4458">193</a></td> +<td class="width40 bottom">”!</td> +<td class="width40 bottom">!”</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4484">194</a></td> +<td class="width40 bottom">West Indië</td> +<td class="width40 bottom">West-Indië</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4508">194</a></td> +<td class="width40 bottom">gelaagd</td> +<td class="width40 bottom">gejaagd</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4521">195</a></td> +<td class="width40 bottom">klein</td> +<td class="width40 bottom">kleine,</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4528">195</a></td> +<td class="width40 bottom">dag dag</td> +<td class="width40 bottom">dag</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4571">196</a></td> +<td class="width40 bottom">gemakelijk</td> +<td class="width40 bottom">gemakkelijk</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4596">197</a></td> +<td class="width40 bottom">een</td> +<td class="width40 bottom">en</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4640">198</a></td> +<td class="width40 bottom">lading</td> +<td class="width40 bottom">landing</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4768">203</a></td> +<td class="width40 bottom">;</td> +<td class="width40 bottom">:</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4885">207</a></td> +<td class="width40 bottom">,</td> +<td class="width40 bottom">;</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4903">208</a></td> +<td class="width40 bottom">aldien</td> +<td class="width40 bottom">al dien</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5011">212</a></td> +<td class="width40 bottom">: deze</td> +<td class="width40 bottom">deze:</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5036">213</a></td> +<td class="width40 bottom">vooraad</td> +<td class="width40 bottom">voorraad</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5047">214</a></td> +<td class="width40 bottom">of</td> +<td class="width40 bottom">af</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5106">216</a></td> +<td class="width40 bottom">bovenndien</td> +<td class="width40 bottom">bovendien</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5230">221</a></td> +<td class="width40 bottom">haalde</td> +<td class="width40 bottom">haalden</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5244">221</a></td> +<td class="width40 bottom">papagaaien</td> +<td class="width40 bottom">papegaaien</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5259">222</a></td> +<td class="width40 bottom">steken</td> +<td class="width40 bottom">stekken</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5305">224</a></td> +<td class="width40 bottom">doorgekopt</td> +<td class="width40 bottom">doorgekapt</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5361">226</a></td> +<td class="width40 bottom">kruid</td> +<td class="width40 bottom">kruit</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5364">226</a></td> +<td class="width40 bottom">poesten</td> +<td class="width40 bottom">poetsen</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5385">227</a></td> +<td class="width40 bottom">nauw keurig</td> +<td class="width40 bottom">nauwkeurig</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5436">229</a></td> +<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40 bottom">in</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5448">229</a></td> +<td class="width40 bottom">een</td> +<td class="width40 bottom">één</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5478">230</a></td> +<td class="width40 bottom">ondekte</td> +<td class="width40 bottom">ontdekte</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5544">233</a></td> +<td class="width40 bottom">opgesteld</td> +<td class="width40 bottom">op gesteld</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5671">237</a></td> +<td class="width40 bottom">kakatoe</td> +<td class="width40 bottom">kaketoe</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5735">240</a></td> +<td class="width40 bottom">yamplantsoen</td> +<td class="width40 bottom">yamsplantsoen</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5744">240</a></td> +<td class="width40 bottom">beschermng</td> +<td class="width40 bottom">bescherming</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5867">245</a></td> +<td class="width40 bottom">aangekokmen</td> +<td class="width40 bottom">aangekomen</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5884">246</a></td> +<td class="width40 bottom">bevestigde</td> +<td class="width40 bottom">bevestigden</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5970">250</a></td> +<td class="width40 bottom">opengespred</td> +<td class="width40 bottom">opengesperd</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e6096">255</a></td> +<td class="width40 bottom">Filnk</td> +<td class="width40 bottom">Flink</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e6183">258</a></td> +<td class="width40 bottom">van daan</td> +<td class="width40 bottom">vandaan</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e6195">258</a></td> +<td class="width40 bottom">patronnen</td> +<td class="width40 bottom">patronen</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e6283">261</a></td> +<td class="width40 bottom">”</td> +<td class="width40 bottom">„</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e6305">262</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e6530">270</a></td> +<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40 bottom">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e6402">265</a></td> +<td class="width40 bottom">alle</td> +<td class="width40 bottom">alles</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e6525">270</a></td> +<td class="width40 bottom">bijeenbrachtten</td> +<td class="width40 bottom">bijeenbrachten</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e6568">272</a></td> +<td class="width40 bottom">beproven</td> +<td class="width40 bottom">beproeven</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e6721">277</a></td> +<td class="width40 bottom">ettelijk</td> +<td class="width40 bottom">ettelijke</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e6770">280</a></td> +<td class="width40 bottom">gebleken</td> +<td class="width40 bottom">gebleven</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e6944">287</a></td> +<td class="width40 bottom">wachtten</td> +<td class="width40 bottom">wachtte</td> +</tr> +</table> +</div> +</div> + +<div>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 44758 ***</div> +</body> +</html> diff --git a/44758-h/images/book.png b/44758-h/images/book.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..963d165 --- /dev/null +++ b/44758-h/images/book.png diff --git a/44758-h/images/card.png b/44758-h/images/card.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..1ffbe1a --- /dev/null +++ b/44758-h/images/card.png diff --git a/44758-h/images/external.png b/44758-h/images/external.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..ba4f205 --- /dev/null +++ b/44758-h/images/external.png diff --git a/44758-h/images/frontcover.jpg b/44758-h/images/frontcover.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..3d9b0ec --- /dev/null +++ b/44758-h/images/frontcover.jpg diff --git a/44758-h/images/p043.jpg b/44758-h/images/p043.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..a9dbfe5 --- /dev/null +++ b/44758-h/images/p043.jpg diff --git a/44758-h/images/p126.jpg b/44758-h/images/p126.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..480c6ee --- /dev/null +++ b/44758-h/images/p126.jpg diff --git a/44758-h/images/p260.jpg b/44758-h/images/p260.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..3c60d74 --- /dev/null +++ b/44758-h/images/p260.jpg diff --git a/44758-h/images/p280.jpg b/44758-h/images/p280.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..1df38e6 --- /dev/null +++ b/44758-h/images/p280.jpg diff --git a/44758-h/images/titlepage.png b/44758-h/images/titlepage.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..2f1dedb --- /dev/null +++ b/44758-h/images/titlepage.png diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..7ee043d --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #44758 (https://www.gutenberg.org/ebooks/44758) diff --git a/old/44758-8.txt b/old/44758-8.txt new file mode 100644 index 0000000..16a9aaa --- /dev/null +++ b/old/44758-8.txt @@ -0,0 +1,14444 @@ +The Project Gutenberg EBook of Stuurman Flink, by Kapitein Marryat + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org/license + + +Title: Stuurman Flink + De schipbreuk van + +Author: Kapitein Marryat + +Illustrator: Johan Braakensiek + +Translator: J.J.A. Goeverneur + +Release Date: January 26, 2014 [EBook #44758] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK STUURMAN FLINK *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project +Gutenberg. + + + + + + + + + STUURMAN FLINK + OF + DE SCHIPBREUK VAN "DE VREDE" + + + NAAR HET ENGELSCH + VAN + KAPITEIN MARRYAT + + DOOR + J. J. A. GOEVERNEUR + + Geïllustreerd door JOHAN BRAAKENSIEK + + + NEGENDE DRUK + AMSTERDAM--VAN HOLKEMA & WARENDORF + + + + + + + + Typ. De Erven H. van Munster & Zoon, Amsterdam. + + + + + + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +HET SCHIP DE VREDE. STUURMAN FLINK. + + +Het was in de maand October, 18**, dat De Vrede, een groot +koopvaardijschip, door harden wind gedreven, de wateren kliefde van den +wijden Atlantischen Oceaan. Het schip had slechts weinig zeil bij, want +de wind was zoo sterk, dat het doek door de woedende stooten en rukken +in flarden zou zijn gereten, en pijlsnel schoot het vaartuig over de +hooggaande golven, die het schuimend volgden en het beurtelings ten +hemel opbeurden of diep in de holle zee bedolven, zoodat men had kunnen +denken, dat het daaruit nooit weer zou te voorschijn komen. Evenwel +was het schip hecht en stevig en de kapitein een goed zeeman, die +alles deed, wat hij tot behoud van zijn bodem dienstig achtte. + +De kapitein stond bij het stuurrad en hield een wakend oog op de +mannen aan het roer, want hierop vooral moet men acht geven, als het +schip recht vóór een harden wind zeilt. Terwijl hij hier zoo in het +rond en van tijd tot tijd ook naar de lucht zag, neuriede hij een +oud zeemansliedje, dat begint: + + + "'t Is alles water, wat men ziet, + En donkre, zwarte lucht!" + + +En zoo was het ook waarlijk. Zij dobberden midden op den oceaan, geen +ander vaartuig was te zien, de hemel was overdekt met donkere wolken, +welke de storm woedend voor zich uit joeg, de golven stapelden zich +tot bergen op en deden het schuim omhoogspatten, terwijl de wind +akelig door het want floot en huilde. + +Buiten den scheepskapitein en de beide mannen aan het roer, waren er +nog twee andere personen op het dek: de eerste een knaap van omstreeks +twaalf jaren, de ander een oud, verweerd zeeman, wiens grijze haren +in den wind fladderden, toen hij naar het achterdek van het schip +ging en overboord keek. + +Op eens zag de knaap, hoe een geweldig zware golf tegen den spiegel +van het schip kwam aanrollen. Angstig greep hij den oude bij den arm +vast en riep: "Kijk, zal die groote golf niet over ons heele schip +heen slaan, Flink?" + +"Neen, Willem, wees maar gerust. Merkt ge niet, hoe ze ons schip in +de hoogte tilt? En kijk, nu is ze al onder ons door gegaan en zijn +wij gelukkig over haar heen. Maar 't kon licht gebeuren, dat een +tweede golf nog hooger klom, en dan zou het slecht met u afloopen, +als ik mijzelf en u meteen hier niet stevig vasthield. De zee zou u +zeker overboord spoelen." + +"Ik houd niet van de zee, Flink; ik wou wel, dat we weer op het +vasteland waren," antwoordde de knaap. "Zie de golven daar recht +vooruit;--is 't niet, alsof ze van het schip geen stuk heel wilden +laten?" + +"Ja, ja, ze zijn vrij wild, en daarbij loeien ze zoo, alsof ze boos +waren dat zij het schip niet in de diepte begraven kunnen. Maar daaraan +ben ik gewoon, Willem, en op een goed schip, met een braven kapitein +en wakker volk, ben ik niet bang voor zulk een storm." + +"Maar vaak gaan er toch schepen ten gronde, en dan verdrinken allen, +die er op zijn, niet waar?" + +"Ja, Willem, en soms vergaat wel eens een schip, terwijl het volk +aan boord daar het minst op bedacht is." + +"Wat zijn dat toch voor kleine vogels, die zoo laag over het water +vliegen?" + +"Ei, dat zijn moeder Carey's [1] kuikens, zooals wij zeelui ze +noemen. Ze vertoonen zich alleen bij storm, of als er boos weer +ophanden is." + +"Zeg, Flink, hebt gij wel eens op een woest eiland schipbreuk geleden, +zooals Robinson Crusoë?" + +"Ja, jongenlief, ik heb wel al schipbreuk geleden, maar van Robinson +Crusoë heb ik mijn leven niet gehoord. Er zijn zoovelen, die hun +schip verloren en zwaren nood hadden door te staan, terwijl nog ruim +zoovelen daarbij omkwamen en dus van hunne ontmoetingen niet meer +vertellen konden, dat het niet heel denkelijk is dat ik uit al die +menigte den man, dien gij daar noemt, zou gekend hebben." + +"O, dat staat alles in een boek, dat ik gelezen heb. Ik kon het +u wel alles van stukje tot beetje vertellen--en wil dat ook doen, +zoodra de zee weer bedaard is; maar wees nu zoo goed en breng mij +weer naar beneden, want ik heb moeder beloofd niet al te lang hier +boven te blijven." + +"En wat ge beloofd hebt, moet ge als een flinke jongen altijd houden," +zei de oude man. "Kom, geef mij de hand maar, en ik zal wel zorgen, +dat ge zonder vallen of stooten door het luik komt. Als het beter +weer is, zult ge van mijne schipbreuk hooren en dan moet gij mij ook +eens zeggen, wat ge van dien Robinson Crusoë weet." + +Met deze woorden bracht de oude zeeman den kleinen Willem tot aan de +deur der kajuit en keerde toen op het dek terug, waar hij de wacht had. + +Stuurman Flink had nu al ruim vijftig jaren op zee rondgezworven; +hij was nog pas tien jaren oud, toen hij op een kolenschip als +koksjongen zijn eerste reis deed. Door zijn voortdurend verblijf in +de open lucht was zijn gezicht donkerbruin gekleurd en diepe rimpels +lagen in zijne wangen, hoewel hij nog altijd een flink en sterk man +was gebleven. Hij had jaren achtereen aan boord van een oorlogschip +gediend en daarop alle werelddeelen bezocht; hij wist dan ook vele +vreemde geschiedenissen te vertellen. Maar al klonken die ook nog zoo +vreemd, men mocht hem vrij gelooven, daar nooit een onwaar woord over +zijn lippen kwam. + +Hij verstond de stuurmanskunst vrij goed, kon dus lezen en schrijven +en was een verstandig en braaf man. De naam Flink paste zeer goed voor +hem, want altijd was hij flink en vlug bij de hand en in oogenblikken +van nood en gevaar zoo welberaden, dat de kapitein hem niet zelden +om raad vroeg en zich daar gewoonlijk wel bij bevond. Op deze reis +bekleedde hij den rang van tweeden stuurman. + +Zooals wij reeds weten, was De Vrede een fraai schip van meer dan +vier honderd tonnen en zoo hecht en sterk gebouwd, dat men het zeer +goed tegen een hevigen storm bestand kon achten. De tegenwoordige +bestemming van het vaartuig was Nieuw-Zuid-Wales, [2] waarheen het eene +kostbare lading Engelsche goederen had over te brengen. De kapitein +was een bekwaam zeeman en bovendien een braaf mensch van een altijd +vroolijk en opgeruimd humeur, die de dingen steeds in hun beste licht +beschouwde en ook, als 't geluk hem soms eens tegenliep, eer geneigd +was daarmee te lachen, dan dadelijk een zuur gezicht te trekken. Zijn +naam was Osborn. De eerste stuurman heette Mackintosh en was een +Schot. Ofschoon barsch en ruw van aard, nam hij toch zijn dienst +aan boord voorbeeldig waar en was een man, op wien kapitein Osborn +zich verlaten kon, hoewel deze anders niet van hem hield. Met Flink +hebben wij reeds kennis gemaakt en van de matrozen aan boord behoeven +wij niet meer te zeggen, dan dat zij in het geheel dertien in getal +waren. Dit was zekerlijk eene nauwelijks toereikende bemanning voor +zulk een groot schip en oorspronkelijk waren er ook meer geweest; +doch op den dag vóór het onder zeil gaan, hadden vijf mannen, +uit ontevredenheid over de behandeling, die Mackintosh, de eerste +stuurman, hun aandeed, het schip eensklaps weer verlaten, waardoor +de kapitein gedwongen was geweest in zee te steken, zonder anderen in +hunne plaats te hebben aangeworven. Gelijk in het vervolg blijken zal, +was dit voor het schip eene zeer noodlottige omstandigheid. + + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +DE FAMILIE WILSON. + + +De jonge Willem was de oudste zoon eener familie, die uit vader, +moeder en vier kinderen bestond en zich thans in haar geheel aan boord +van De Vrede bevond. De vader, mijnheer Wilson, was een verstandig, +welonderricht man, die jaren lang een post bij het bestuur te Sidney, +de hoofdplaats van Nieuw-Zuid-Wales, bekleed had en nu, na een +driejarig verlof, uit Engeland derwaarts terugkeerde. Hij had van de +regeering een duizend of wat morgen land aangekocht; dit was sedert +aanmerkelijk in waarde gerezen en de schapen en veeteelt, waarop hij +zich toelegde, hadden hem reeds groote winsten opgeleverd. Gedurende +zijne afwezigheid in Engeland had zijn rentmeester zijne belangen met +veel zorg behartigd, en zelf bracht hij nu eene menigte voorwerpen +van allerlei aard mede, zoo tot verbetering zijner landerijen als tot +eigen gebruik, b. v. huismeubelen, gereedschappen voor den landbouw, +verschillende zaden en gewassen, rundvee en nog meer, te veel om op +te noemen. + +Mevrouw Wilson was een lieve, zachte vrouw, die echter veel sukkelde +en allesbehalve sterk was. Op den oudsten zoon, Willem, een sterken, +vluggen knaap, vol geest en leven, volgde Thomas, een door en door +goede jongen van bij de acht jaar oud, maar zoo dom en onhandig, +dat er geen voorbeeld van was en men hem geen ommezien alleen kon +laten. Caroline, een meisje van zeven jaren, was het derde en de pas +éénjarige Albert het jongste kind. Tot oppassing van dezen laatste +vooral diende een jonge negerin van de Kaap de Goede Hoop, die naar +Sidney overgekomen en mevrouw Wilson naar Engeland gevolgd was. Wij +hebben nu al de personen aan boord van De Vrede opgenoemd; maar bijna +hadden wij onder de levende schepselen twee herdershonden van mijnheer +Wilson vergeten en een kleinen dashond, die de bijzondere lieveling +van zijn meester, kapitein Osborn was. + +Eerst op den vierden dag na de losbarsting, begon de storm te bedaren +en nam allengs af, totdat hij eindelijk in bijna geheele windstilte +overging. De matrozen, die al dien tijd dag en nacht op het dek +gewaakt hadden, hingen hunne van regen en zeewater doorweekte +kleeren in het want te drogen en konden nu zelven rust nemen en +hunne krachten herstellen. Een zachte wind blies in de zeilen, de +zee was weer effen en het schip legde in zijne rassche vaart bij de +vijf mijlen in het uur af. Mevrouw Wilson had een mantel omgeslagen +en zat op eene bank op het achterdek. Haar man en hare kinderen waren +bij haar en verheugden zich in het kostelijke weer, toen ook kapitein +Osborn die met zijn sextant den stand der zon had waargenomen, met +een lachend gezicht op hen toekwam en riep: + +"Wel Thomas, jongen, ge zult zeker wel hartelijk blij zijn, dat de +storm over is?" + +"O, ik ben niet bang geweest," antwoordde Thomas. "Ik was maar boos, +dat ik altijd mijne soep stortte. Maar Juno is eens van haar stoel +gerold en lag met broertje op den grond te spartelen, totdat eindelijk +papa kwam en haar weer ophielp." + +"Goddank, dat mijn kleine Albert zich niet doodelijk bezeerd +heeft!" zeide de moeder, met een blik vol liefde op haar kind. + +"En dat zou hij zich zeker gedaan hebben, had Juno niet zoo geheel +alleen aan het kind en geen oogenblik aan zichzelve gedacht," zeide +de vader. + +"Ja, dat is waar," hernam kapitein Osborn. "Zij redde het kind, +maar zal haar eigen hoofd wel terdeeg gevoeld hebben." + +"Ikke een harden bons kreeg op mijn kop," verzekerde Juno en grijnsde, +dat hare witte tanden tot aan de ooren zichtbaar werden. + +"Gelukkig, dat ge er zulk een dik wollig overtreksel over hebt," +zei de kapitein lachend. "Maar word niet boos, Juno; waarlijk, ge +zijt een goed meisje, en wij allen houden veel van u." + +"Het is twaalf uren naar de zon, mijnheer," kwam Mackintosh, de eerste +stuurman, den kapitein berichten. + +"Maak mij dan de breedte op, stuurman, en ik zal terstond de lengte +berekenen. Over vijf minuten, mijnheer Wilson, zal ik u op de kaart +aanwijzen, waar wij ons thans op zee bevinden." + +"Ha, daar komen ook onze honden eens boven kijken," riep Willem op eens +uit. "Ik wed, dat ze met dat mooie weer even blij zijn als wij. Hier, +Romulus! Remus hier!" + +"Ei, mijnheer," zei Flink, die dicht bij hen stond, "ik heb u al lang +eens een vraag willen doen. Uwe honden daar hebben een paar zulke +wonderlijke namen, die ik in mijn leven nog niet gehoord heb. Romulus +en Remus--wie waren dat?" + +"Zoo heetten twee broeders in den overouden tijd," antwoordde de +heer Wilson. "Zij waren als schaapherders opgewassen en bouwden de +stad Rome, die naderhand zoo beroemd en zoo machtig werd en waarover +Romulus als eerste koning regeerde." + +"En verbeeld u eens, Flink; toen ze nog klein waren, werden zij door +eene wolvin gezoogd," vervolgde Willem. "Wat zegt ge van zoo iets, +man?" + +"Door eene wolvin? Dat was zeker eene vreemde soort van minne voor +een paar jonge prinsen," antwoordde Flink. + +"En Romulus sloeg zijn broeder dood." + +"Geen wonder, als men rekent wat zoogster ze hadden," merkte Flink +aan. "Maar waarom deed hij dat?" + +"Omdat Remus zoo goed springen kon," zeide Willem lachend. + +"De jongeheer wil mij zeker wat wijsmaken?" riep Flink en zag den +vader vragend aan. + +"Dat juist niet. De geschiedenis vertelt, dat Remus zijn broeder +om den lagen stadsmuur, die deze gebouwd had, bespotte en, om hem +te tergen, daar losweg overheen sprong. Dit moet Romulus zoo euvel +hebben opgenomen, dat hij hem in drift doodsloeg. Evenwel, op zulke +oude verhalen kan men niet altijd zoo vast staat maken." + +"En ik wil ook niet hopen, dat beiden werkelijk broeders geweest zijn," +hernam Flink; "hoewel--'t oude spreekwoord heeft het zoo mis niet: + + + "Twee meesters onder 't zelfde dak + Geeft altijd moeite en ongemak. + + +"Men hoort tegenwoordig nog wel eens van Rome spreken; is dat misschien +nog diezelfde stad?" + +"Ja," antwoordde Willem; "het zijn de puinhoopen van die oude." + +"Een mensch is toch nooit uitgeleerd," zeide Flink. "Vandaag heb ik +weer vrij wat nieuws gehoord, en dat kan men altijd en overal, als +men zijn mond maar tot vragen weet te gebruiken. Ik ben een oud man en +weet weinig buiten 't geen tot mijn beroep behoort; maar toch zou ik +veel minder weten, als ik geen onderzoek naar de dingen had gedaan, +zonder mij te schamen om voor mijne onwetendheid uit te komen. Dat +is het eenige middel om iets goeds te leeren, jongeheer." + +"Gij geeft daar mijn zoon kostelijken raad, Flink;--en pas op, mijn +kind, dat gij dien nooit vergeet," sprak de vader. "Gij behoeft u +nooit te schamen, naar iets te vragen, dat gij niet weet of begrijpt." + +"Dat doe ik ook altijd, vader. Heb ik u niet al naar heel veel dingen +gevraagd, Flink?" + +"Ja, ja, dat hebt gij; en gij vraagt doorgaans vrij verstandig voor een +knaap van uwe jaren. Ik wou maar, dat ik uwe vragen beter beantwoorden +kon, dan ik daar soms toe in staat ben, lieve jongen." + +"Nu zou ik toch liefst weer naar beneden willen, lieve," zeide mevrouw +Wilson eindelijk. "Flink zal wel zoo goed zijn den kleine voor mij +te dragen." + +"Van harte gaarne, mevrouw," antwoordde Flink. "Komaan dan, Juno, +geef mij het kind en ga gij vooruit.--Ruggelings, domme meid! Hoe +dikwijls moet ik u dat nog zeggen? 'k Voorzie, dat gij nog eens hals +over kop de trap aftuimelt." + +"En breken mijn nek," zei Juno. + +"Ja, of een arm of een been! En wie zal dan het kind dragen?" + +Zoodra allen weder in de kajuit waren, namen de kapitein en mijnheer +Wilson de kaart voor zich en zochten daarop de plaats, waar het schip +zich thans bevond. Zij zagen, dat zij nog dertig mijlen van de Kaap +de Goede Hoop verwijderd waren. + +"Als de wind aanhoudt, kunnen wij daar morgen zijn," zeide mijnheer +Wilson tot zijne vrouw. "Misschien kan onze Juno daar haar vader en +moeder wedervinden." + +De arme Juno schudde het hoofd, en de tranen rolden over hare donkere +wangen, terwijl zij vertelde, dat hare ouders een Hollandschen veeboer +toebehoorden, die met hen diep landwaarts in getrokken was. Zij was +nog maar een klein kind geweest, toen men haar van hare ouders afnam, +en had alleen in de Kaapstad moeten achterblijven. + +"Maar nu zijt gij vrij, Juno," zeide mevrouw Wilson. "Gij zijt in +Engeland geweest, en allen, die dat land eens betreden hebben, zijn +van dat oogenblik af vrije menschen." + +"Ja, mevrouw, Juno vrij zijn, maar Juno toch geen vader hebben en +geen moeder," antwoordde het arme meisje en weende bitter. De kleine +Albert sloeg nu echter de armpjes om haar hals, en weldra lachte zij +weer en speelde vroolijk met het lieve kind. + + + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +KAAP DE GOEDE HOOP. + + +Den volgenden morgen zag men de Kaap voor zich en liet in de Tafelbaai +het anker vallen. + +"Waarom noemt men dit hier de Tafelbaai, Flink?" vroeg Willem. + +"Denkelijk is dat, omdat die groote berg daar de Tafelberg heet, +jongeheer, gij ziet, hoe zijn top heel vlak is." + +"Ja waarlijk, hij is zoo vlak als eene tafel." + +"Maar nu en dan ziet men witte wolken zich op eene zonderlinge wijze +rondom de toppen samenpakken en dan zeggen de zeelieden, dat de tafel +gedekt wordt, of ook wel, dat de berg zijn pruik opzet. Men ziet dat +niet graag, omdat er doorgaans ruw en stormachtig weer op volgt." + +"Dan hoop ik dat die tafel, zoolang wij hier zijn, maar ongedekt mag +blijven. Wij hebben al storm en onweer genoeg gehad, en moeder is er +nog zwak en ziek van. Wat is dat eene mooie stad, Flink!" + +"Wij zullen hier twee dagen voor anker blijven, mijnheer," kwam +kapitein Osborn den heer Wilson berichten, "en zoo gij en mevrouw +aan wal wenscht te gaan, is daar gelegenheid toe." + +"Ik zal bij mijne vrouw gaan en het haar vragen," zeide Willems vader +en ging met dezen in de kajuit. + +Mevrouw Wilson was zeer blijde, dat het schip nu althans eenigen tijd +stil zou liggen, maar voelde zich te zwak om aan land te gaan. Er +werd dus besloten, dat zij met de beide jongste kinderen aan boord +zou blijven, terwijl haar man de beide oudsten, Willem en Thomas, +den volgenden dag naar de Kaapstad medenam, van waar hij beloofde +nog vóór den avond terug te zullen zijn. + +Den volgenden morgen liet kapitein Osborn een groote sloep uitzetten +en zich daarin met mijnheer Wilson, Willem en Thomas naar den wal +roeien. Thomas had aan zijne moeder beloofd, dat hij heel zoet en +gehoorzaam zou wezen; maar dat deed hij altijd en had het altijd +ook weer vergeten, zoodra hij haar maar uit het gezicht was. Van de +landingsplaats gingen zij naar een vriend van den kapitein, die in +de stad woonde. Hier bleven zij een half uur, om een glas limonade +te drinken, want het was zeer warm, en toen besloot men naar den tuin +van de Compagnie te gaan, om de wilde dieren te zien, die daar bewaard +werden. Willem was met dit plan zeer ingenomen en zijn broertje klapte +in de handen van blijdschap. + +"Vader, waarom heet die tuin de tuin van de Compagnie?" vroeg Willem. + +"Omdat hij door de Hollandsch-Oostindische Compagnie is aangelegd, +in den tijd, toen de Kaap nog aan de Hollanders toebehoorde. Het +is eigenlijk een plantentuin, waar men evenwel ook wilde dieren +bewaart. Vroeger had men er hier een groote menigte, doch tegenwoordig +zijn de reizigers er minder nieuwsgierig naar, daar men ze ook in +Europa genoeg te zien kan krijgen." + +"En wat zullen we dan al zien?" vroeg Thomas. + +"Gij zult leeuwen zien, mijn jongen, ik weet niet hoeveel wel, +allemaal in één hok bijeen," antwoordde kapitein Osborn. + +"O, dat is goed! Ik heb nog nooit een leeuw gezien." + +"Maar pas op, kind, dat gij niet te dicht bij het hok komt." + +"Neen, zeker niet," beloofde Thomas. + +Zoodra zij binnen het tuinhek waren wilde Thomas ontloopen, uit +ongeduld om de leeuwen toch vooral spoedig te zien, maar kapitein +Osborn haalde hem gelukkig weder in en hield hem nu stevig bij de +hand vast. + +"Hier zijn een paar zonderlinge vogels," zeide de heer, die bij +hen was. "Men noemt ze secretarisvogels, om de veeren, die hun daar +achter aan den kop uitsteken, evenals de veer van de pen, die een +klerk of schrijver soms wel achter het oor draagt. Het zijn echter +zeer nuttige dieren, daar zij de slangen dooden en, als zij konden, +alleen van slangen en adders leven zouden. Zij pakken die beesten +met hunne klauwen aan en drukken ze met zooveel geweld, dat zij in +een oogenblik dood zijn." + +"Vindt men veel slangen in dit land?" vroeg Willem. + +"Ja, en zeer vergiftige slangen," antwoordde zijn vader, "waarom +deze vogels hier dan ook van groot nut zijn. Gij kunt daaruit zien, +Willem, hoe geen dier, vooral geen van de schadelijke soorten, zich +al te sterk vermenigvuldigen kan, maar op zijne beurt weer de prooi +van andere roofdieren wordt. En zoo is het overal; in elk land, waar +eenig dier in groote menigte voorhanden is, vindt gij ook zeker een +tweede, 't welk dat eerste vervolgt en tot buit maakt. De secretaris +bewoont dit land, waar slangen in menigte zijn, om deze te dooden; +in Europa daarentegen, waar minder vergiftige slangen zijn, zou deze +vogel ook weinig nut doen." + +"Maar, vader, sommige dieren, zooals de leeuw en de olifant zijn zoo +groot en sterk, dat andere ze bijna niet vernielen kunnen." + +"Dat is waar, maar die grootere dieren vermenigvuldigen zich niet +zoo sterk als andere en daarom neemt hun aantal ook veel minder +schielijk toe. Een paar olifanten b. v. krijgt in den tijd van twee +of meer jaren maar één enkel jong, terwijl de konijntjes, die de +buit van zooveel andere dieren en vogels zijn, tot in het oneindige +vermeerderen zouden, indien hunne toeneming niet op die wijze werd +te keer gegaan. Ik heb ergens gelezen, dat een paar konijnen met hun +gebroed, dat zich even snel weer vermeerdert, in een enkel jaar tot +vele honderden kan aangroeien." + +Onder zulke gesprekken had men het verblijf der leeuwen weldra +bereikt. Het was een ruim, rond plein, dat, van boven open en rondom +tusschen hooge muren besloten, slechts eene enkele opening voor de +toeschouwers had. Deze opening was breed en van boven tot onder met +hechte ijzeren staven bezet, die echter zoo ver van elkaar afstonden, +dat de leeuwen er met hunne klauwen wel tusschendoor konden tasten, +waarom de kinderen dan ook gewaarschuwd werden, er vooral niet te +dicht bij te komen. Het was kostelijk om te zien, hoe acht of tien +van die edele dieren daar in allerlei houding in het rond lagen, zich +koesterden in de heete zon en met hunne breede, borstelige staarten +den grond zweepten, zonder zich, naar 't scheen, aan de menschen +daar buiten in het minst te storen. Willem bleef op een behoorlijken +afstand van de tralies staan en keek aandachtig toe. Ook de kleine +Thomas zette groote oogen op en was in den beginne niet weinig bang; +maar dat ging over en hij werd spoedig stouter. De heer, die bij hen +was en langen tijd aan de Kaap gewoond had, verhaalde eenige zeer +onderhoudende anecdoten aangaande den leeuw, waarnaar het gansche +gezelschap zoo aandachtig luisterde, dat niemand merkte, hoe Thomas +opnieuw ontsnapt en naar den ingang van het leeuwenhok teruggeloopen +was. Hij stond eerst een tijdlang naar de dieren te kijken, maar wilde +toen ook, dat zij eens wat beweging maken zouden. Om hen hiertoe te +dwingen, nam hij eindelijk een steen op en wierp dien naar den jongen, +nagenoeg driejarigen leeuw, die het dichtst bij den ingang lag. Deze +scheen dit niet te bemerken, want hij verroerde zich niet, ofschoon +hij het oog niet van den onvoorzichtigen knaap afwendde. Hierdoor +werd onze Thomas gedurig stouter, wierp nog een steen en nog een en +kwam daarbij telkens dichter bij het hok. + +Op eens hief de leeuw nu een vreeselijk gebrul aan en sprong op Thomas +los, terwijl hij met zulk een woede tegen de ijzeren staven van zijn +hok opvloog, dat deze kletterden en dreunden en de kalk op enkele +plaatsen van de steenen viel. Doodelijk verschrikt, gilde de jongen +het uit en tuimelde achterover in het gras, 't geen zijn behoud was, +want ware hij voorovergevallen, dan zou het dier hem zekerlijk met +zijne klauwen hebben aangepakt. Zijn vader en kapitein Osborn schoten +dadelijk toe en hielpen hem op. Zoodra hij weder adem kon halen, +begon hij te huilen van angst, terwijl de leeuw voor de tralies stond +en brullend en loeiend met den staart in het rond sloeg. + +"Breng mij weg,--breng mij weer op het schip!" kreet Thomas en trilde +als een blad. + +"Wat hebt gij gedaan, jongen?" vroeg kapitein Osborn. + +"Ik zal u nooit weer met steenen gooien, heer leeuw; neen, neen, +nooit van mijn leven meer!" riep de knaap en zag ontzet naar het +vergramde dier om. + +De heer Wilson bracht hem zijne onvoorzichtigheid ernstig onder het +oog, en van lieverlede kwam hij nu tot bedaren, maar was toch niet +gerust, voordat men van de leeuwen niets meer hooren of zien kon. + +Zij bezochten thans ook nog de overige dieren, die hier te zien +waren, en van nu af aan hield Thomas zich van alle op een eerbiedigen +afstand. Zelfs waagde hij het niet bij een schaap te komen, dat op +de Kaap thuis behoort en een dikken vetstaart van verscheiden ponden +zwaarte heeft. + +Na alles bekeken te hebben, gingen zij weder naar het huis van den +vreemden heer, die hun te eten had verzocht, en na den maaltijd keerden +allen naar het schip terug. Toen Thomas' moeder van het avontuur +hoorde, dat hij met den leeuw had gehad, verzekerde zij, dat zij zulk +een ongehoorzaam kind nooit weer uit haar gezicht zou laten gaan. + + + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +EEN STORM OP ZEE. + + +Den volgenden morgen werden levensmiddelen en versch water aan boord +genomen en zette De Vrede opnieuw hare zeilen in top, terwijl men +alle hoop op eene voorspoedige reis begon op te vatten, daar het +schip dagen achtereen met goeden wind zijne vaart vervolgde. Dit was +nochtans niet van duur. Er volgde eene windstilte die bijna drie volle +dagen aanhield, en gedurende dezen tijd was ook zelfs geen schijn van +wind op de breede watervlakte te bespeuren. De geheele natuur scheen +in diepe rust verzonken, en geen ander levend wezen vertoonde zich, +dan nu en dan een enkele albatros, die met half geopende vlerken +het schip een tijdlang bijbleef en de stukjes brood oppikte, die men +overboord uitstrooide. + +"Wat is dat voor een groote vogel, Flink?" vroeg Willem. + +"Dat is een albatros, Willem, de grootste zeevogel dien wij hebben. Ik +zag er eens een schieten, wiens uitgestrekte vlerken van het eene +tot het andere einde wel ruim elf voet lang waren." + +"Dat is de eerste, dien ik ooit gezien heb." + +"Omdat men ze ten noorden van de Kaap ook zelden vindt. Men zegt, +dat zij onder het vliegen slapen kunnen en zich dan met den kop op +de vlerken hoog boven in de lucht laten drijven." + +"Hoe komt het, vader," vroeg Willem dezen, die naast hem stond, +"dat onder de vogels de een zwemmen kan en de ander niet? Weet gij +nog, toen Thomas eens een van onze hoenders in den grooten vijver +had gejaagd, hoe het arme beest in het water omspartelde tot zijne +vleugels nat werden en het niet langer kon boven houden, zoodat het +verdrinken moest? Hoe maakt een zeevogel het dan, om zich zoo lang +boven water te houden?" + +"De zwemvogels, mijn jongen, zijn van eene soort van olie voorzien, +waarmede zij hunne vederen van buiten bestrijken, en deze olie maakt +dat het water daar niet indringt. Hebt gij nooit van eenden op het +land gezien, hoe zij met den snavel in hare vederen omplozen? Zij +gebruiken dan die olie, om de veeren waterdicht te maken." + +"Hoe vreemd!" + +"Ja, wel merkwaardig.--Maar, daar komt Juno zeggen, dat de thee +gezet is." + +Den derden dag na het invallen der stilte meende kapitein Osborn +uit het diepe dalen van zijn barometer te moeten opmaken, dat er een +hevige storm ophanden was, en verzuimde dus niet, alle toebereidselen +te maken, om dien bij zijn losbreken het hoofd te bieden. En inderdaad +had hij zich niet bedrogen. Tegen middernacht stegen plotseling donkere +wolken aan den hemel op en pakten zich allengs dichter en dreigender +opeen. Vlammende bliksemstralen doorkruisten in alle richtingen de +nachtelijke duisternis, en toen de wolkgevaarten hooger klommen, stak +ook de wind op, doch aanvankelijk slechts met enkele zware rukken, +die eerlang weder door doodelijke stilte werden gevolgd. + +"Uit wat hoek, Flink, denkt ge, dat wij den wind te wachten +hebben?" vroeg kapitein Osborn. + +"Om u de waarheid te zeggen, kapitein, geloof ik niet, dat hij lang +in ééne richting blijven zal. Het zal eerst misschien duchtig uit +het noorden blazen, maar dan, denk ik, zal hij wel spoedig naar eene +andere streek overslaan en dan ons nog veel harder op het lijf vallen." + +"Wat zegt gij, Mackintosh?" + +"Wij zullen wind genoeg hebben en een duchtig aanhoudenden storm +bovendien," antwoordde deze. "Hoe eer wij de luiken schalmen, des te +beter zal het zijn." + +De heer Wilson had met Willem dit gesprek aangehoord, en daar Flink +op het gelaat van zijn jongen vriend bij die laatste woorden eenige +ongerustheid meende te lezen, klopte hij hem op den schouder en +vermaande hem, zich niet vóór den tijd beangst te maken. + +"Voor mijzelf ben ik niet bang, Flink," verzekerde de moedige knaap; +"maar moeder is deze beide laatste dagen weer zoo zwak geweest, +dat ik om háár wel wenschen zou, dat de storm uitbleef." + +"Maar, Flink," vroeg de kapitein verder, "wat doet u denken, dat de +wind draaien zal?" + +"Och, ik weet het zelf niet," antwoordde de oude man; "misschien vergis +ik mij ook en kan stuurman Mackintosh gelijk hebben. De wind komt uit +het noordoosten; zooveel schijnt althans zeker." Met deze woorden trad +hij op het nachthuisje toe en zag opmerkzaam op het kompas. Vader en +zoon keerden inmiddels naar de kajuit terug, en ook Mackintosh ging, +om de noodige orders aan het volk te geven. Zoodra allen weg waren, +vervoegde Flink zich weder bij den kapitein en zeide: + +"Kapitein, het past mij niet, den stuurman tegen te spreken, maar in +een geval als dit moet ieder vrij voor zijn gevoelen uitkomen. Ik zou +het mijne ook verdedigd hebben, als de vreemde heer met zijn zoon er +niet bijgestaan hadden; maar nu wil ik u wel zeggen, dat wij nog iets +ergers dan een storm te wachten hebben. Ik ben vroeger al meer onder +deze breedte geweest en ben een oud zeeman, zooals gij weet. Daar is +iets in de lucht, dat bemerkte ik voor drie dagen al. Ik ben zeker, +dat het niet tot een storm, neen, dat het tot een volslagen orkaan +komen zal,--en wat het ergste daarbij is, dat die denkelijk veel +langer zal aanhouden, dan een storm doorgaans doet. Ik heb nauwkeurig +op alles gelet en zelfs de vogels zeggen mij zoo, en die bedriegen +nooit, daar het de natuur zelve is, die hen onderricht. De stilte tot +hiertoe was niets anders dan de rust van den wind, die altijd zijn +hevigst woeden voorafgaat.--En nu weet gij mijne vaste overtuiging." + +"Ik vrees, man, dat gij maar al te zeer gelijk hebt. Zorg dan, +dat de bramraas neerkomen en laat al de kleine zeilen in de marsen +opruimen. Besla den bezaan en doe den gaffel strijken. Ik wil zelf +mee naar voren gaan." + +Er was werkelijk geen tijd te verliezen; want aan deze bevelen was +nauwelijks voldaan, toen reeds een heftige storm uit het noordoosten +losbrak. De zee rees met ontzettende snelheid; in allerijl werd +het eene marszeil na het andere geborgen en het vaartuig vloog, +enkel met gereefde fok en stormstagzeilen, door den wind gedreven, +over de donkere golven. Slechts met de grootste inspanning gelukte +het den drie mannen aan het rad, het roer vast te houden, zoo geweldig +sloeg de hooggaande zee tegen de zijden van het schip. Niet een enkele +onder de bij andere gelegenheden zoo zorgelooze matrozen waagde het +gedurende dezen nacht een oog te sluiten, en in angstige verwachtingen +zagen allen het aanbreken van den dag te gemoet. Tegen drie uren in +den morgen ging de wind plotseling liggen, doch slechts voor eenige +minuten, waarop hij, gelijk Flink voorspeld had, weder met nieuwe +woede uit een anderen hoek het schip bestookte en de laatste zeilen +aan flarden scheurde, die nog eenigen tijd aan de raas fladderden en +eindelijk door den storm ver lijwaarts geslingerd werden. + +De hemel was in dikke duisternis gehuld en alleen het schuim, dat de +woelende zee rondom het schip deed opspatten, verspreidde nu en dan een +zwakken, akeligen lichtglans. De wind was nu naar het west-noordwesten +gedraaid en zoo moest ook het schip zijn koers veranderen en was +men gedwongen zich aan het geweld van den orkaan over te geven. Dit +geschiedde ook, doch hieruit ontstond een nieuw bezwaar, want daar +de zeeën in de vroegere windrichting uit het noordoosten liepen, +kreeg het schip die op eenmaal dwars in, gelijk de zeelieden het +noemen, en sloegen ieder oogenblik stortzeeën overboord, die alles, +wat niet vaststond, wegspoelden. Zoo werd ook een der matrozen van +het dek afgerukt en was reddeloos verloren, daar in zulk een orkaan +aan pogingen tot redding niet te denken viel. Kapitein Osborn stond +op het achterdek en hield zich aan een van de korvijnagels vast, +terwijl hij Mackintosh, die bij hem was, toeriep: + +"Wat dunkt u, hoe lang kan dat nog duren?" + +"Misschien langer dan het schip zelf," antwoordde de stuurman met +allen ernst. + +"Dat wil ik nog niet hopen," hernam de kapitein; "en erger kan het +toch niet worden. Wat zegt gij, Flink?" + +"We hebben nu meer van ginder boven dan van de zee onder ons te +vreezen," riep de tweede stuurman en wees naar de nokken van de raas, +aan beide einden waarvan de electrische stof als kleine vuurballen +vlamde. "Zie die twee wolkjes, die op elkaar stooten; als ik...." + +Flink had geen tijd om uit te spreken, daar een blauwe bliksemstraal +den toeschouwers het gezicht verblindde en hen toen eenige seconden +achtereen in zwarte duisternis hulde. Daarop volgde een vreeselijke +donderslag, die het schip in zijn gansche lengte deed sidderen en +schudden. Een dof gekraak--een ontzettende slag--een doffe kreet +werd gehoord, en toen zij de verblinde oogen weer opslaan konden, +zagen zij den fokkemast als een dun riet tot beneden toe gespleten +en het schip in lichtelaaien gloed. De mannen aan het rad, geheel +verblind en verbijsterd door het licht, konden het roer niet langer +regeeren; het schip loefde op--krak! daar sloeg de groote mast over +zij--en alles was opschudding en verwarring. De Vrede was op eenmaal +een hulpeloos wrak geworden. + +Gelukkig--want anders ware alles reddeloos verloren geweest--werd +de vlam door de zware golven, die over den bak heenrolden, spoedig +gebluscht, doch nu lag het schip weerloos, aan de golven ten prooi, +hevig te stooten tegen de overboord geslagen, slechts door het want +nog vastgehouden masten. Zoodra zij van hun eersten schrik bekomen +waren, liepen Flink en de eerste stuurman naar het rad en zochten het +schip weder voor den wind te brengen; doch hunne poging mislukte, want +fokkemast en hoofdmast waren weg en alleen de bezaansmast was nog over, +waardoor het schip juist belet werd naar het roer te luisteren. De +wakkere Flink liet twee matrozen dit laatste aanvatten; terwijl hij +Mackintosh een teeken gaf want de wind huilde nu te sterk, dan dat +men elkanders woorden nog had kunnen verstaan, eene bijl opgreep en +het bezaanswant van zijn mast loshakte. De kruissteng en de top van +den bezaansmast stortten overboord en zoo gelukte het hun eindelijk, +het vaartuig voor den wind te brengen. Het vereischte nu nog veel tijd +en inspanning, het wrak geheel van zijne masten vrij te maken, en toen +men eindelijk tijd kreeg om op het dek rond te zien, vermiste men vier +man, die door den bliksem gedood of onder den fokkemast verpletterd +waren, zoodat thans, buiten kapitein Osborn en de beide stuurlieden, +nog maar acht matrozen aan boord overig waren. + + + + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + +HET WRAK. + + +Een zeeman geeft in het gevaar den moed niet op, zoolang hij nog +eenige kans ziet om zich door eigen inspanning van het verderf te +redden. Het verlies van hunne kameraden, die zoo plotseling uit hun +midden gerukt waren,--de ellendige toestand van het schip,--de woeste +golven, die hen als in een breeden waterkuil dreigden te begraven, +het huilen van den orkaan,--de sissende bliksem,--het ratelen van den +donder--dat alles kon hen niet weerhouden te doen, wat de nood van +hen eischte. Mackintosh, de eerste stuurman, verzamelde zijn volk +en sloeg zelf de handen aan het werk, om een blok en strop aan den +nog rookenden stomp van den fokkemast vast te maken. Een touw werd +door het blok geschoren en het groote bramzeil opgeheschen, zoodat +het wrak weder met versnelde vaart voor den wind uitvloog en beter +naar het roer luisterde. + +Het schip was weer voor den wind, en in vergelijking met vroeger +tamelijk zeker, hoewel de narollende baren het van tijd tot tijd +geweldig schokten. Andermaal begon de avond te vallen en nog was aan +geen rust te denken. De manschap was door de onophoudelijke inspanning +reeds ten hoogste afgemat. Kapitein Osborn en Flink waren meermalen +in de kajuit geweest, om de beangste passagiers te troosten en gerust +te stellen. Buiten zichzelven van angst en bezorgdheid, was mevrouw +Wilson ernstig ongesteld, en haar man waakte aan haar bed. De kinderen +werden vermaand in de hut bedaard te blijven en de kleine kwam niet +uit de armen der onvermoeide en zorgdragende Juno. + +Reeds liep de derde dag van den storm ten einde en nog deden zich +geene geruststellende teekens op. Door het onophoudelijk breken der +stortzeeën over het achterschip, waren de kompashuisjes weggespoeld en +men kon nu niet langer den koers, waarin het schip tot hiertoe gestuurd +was, noch den doorloopen afstand bepalen. Het vreeselijk beuken en +stooten der golven had reeds een lek teweeggebracht en zooveel was met +zekerheid vooruit te zien, dat, zoo de storm niet spoedig bedaarde, +de bodem niet lang meer tegen de zee bestand zou zijn. + +Van dit oogenblik af stonden angst en moedeloosheid op des kapiteins +gelaat te lezen. De verantwoordelijkheid, die op hem rustte, +drukte hem zwaar;--zelfs als nog enkelen er het leven afbrachten, +had hij een kostbaar schip en eene nog veel kostbaarder lading te +verliezen. Men naderde immers thans een punt, waar de oceaan met lage +koraalriffen en eilandjes bezaaid was en moest met recht vreezen, +in den tegenwoordigen hulpeloozen toestand, zonder een enkel middel +van tegenstand, door wind en golven op een daarvan geworpen te worden. + +De oude stuurman stond naast hem, toen de kapitein zeide: + +"Ik heb slechten moed, Flink. Wij loopen het gevaar in den mond en +hebben geen middel om het te ontwijken." + +"Dat is, helaas, zoo; alle middelen zijn ons benomen." + +"Er was menig man," sprak kapitein Osborn met ernst, "die mij benijdde, +toen ik dit fraaie schip onder mij kreeg. Zou thans een hunner met +mij willen ruilen?" + +"Ik denk voor 't naast--neen, kapitein, ofschoon geen mensch weet wat +de dag van morgen mee kan brengen. Vol hoop liept gij met dit schip +het zeegat uit; nu voelt gij, niet zonder grond, zoo iets, dat veel +van moedeloosheid heeft. Maar wie weet? In allen gevalle hebt gij uw +plicht gedaan en geen braaf man kan meer doen. Ik wou maar, kapitein, +dat Mackintosh niet zoo schrikkelijk vloekte. Ik verbeeld mij altijd, +dat de storm er sterker om huilt." + +"Gij hebt gelijk," was het antwoord; "maar houd vast, Flink: daar +komt weer eene zee." + +Onze vriend had nog even tijd, om met beide handen de korvijnagels beet +te pakken, toen zulk een watervloed zich over het schip uitstortte, dat +zij een tijdlang met de voeten van boord werden gespoeld. Echter lieten +zij hun houvast niet los en konden eindelijk weer op de been komen. + +"Dat heeft hem weer een knauw gegeven, wed ik," zeide Flink en nam +den hoed af om het water weg te schudden. + +"Zoo vrees ik; het beste schip, dat ooit zee bouwde, is tegen zulke +stooten niet bestand," antwoordde de kapitein. "En nu juist, met ons +doodmoe volk, zie ik geen mogelijkheid, om meer zeil bij te krijgen." + +Den geheelen nacht door schoot het schip weder met vogelsnelheid over +het water voort. Met het krieken van den dag ging de storm liggen en +werd de verbolgen zee bedaarder; maar nog altijd moest men het schip +voor den wind houden, want nadat dit reeds zoo geteisterd was, durfde +men niet bijsteken. Men maakte thans toebereidselen, om noodmasten op +te richten en de vermoeide matrozen waren daar juist druk mede bezig, +toen de heer Wilson met zijn zoon Willem op het dek kwam. + +Willem staarde in het rond. Tot zijne verbazing zag hij, hoe de slanke +masten met al hunne touwen en zeilen verdwenen waren en het gansche +dek in een staat van wanorde en verwarring voor hem lag. + +"Zie, mijn jongen," sprak de vader, "wat ellende en vernieling hier +heeft plaats gehad. Zie nu, 's menschen trotschheid is vernederd." + +"Ja, Willem," riep Flink hem toe; "zie maar eens aandachtig rond!" + +"Maar vader," vroeg Willem na eene poos, "hoe moeten wij nu zonder +masten en zeilen naar Sidney komen?" + +"Wel, vriend Willem," antwoordde Flink, "wij moeten alles doen, wat +maar in onze macht staat. Wij zeelieden staan zelden lang verlegen +en, als 't goed gaat, zult gij ons vóór den nacht wel weer onder een +lap of wat zeil zien. Wij hebben onze groote masten verloren; daarom +moeten wij noodmasten opzetten, zooals men ze noemt--of kleine masten +met klein zeil, en die brengen ons ook misschien nog wel naar Sidney +toe.--Hoe maakt de goede mevrouw het, mijnheer?" vervolgde Flink, +zich tot den vader keerende. "Is zij wat beter?" + +"Ik vrees, dat zij zeer ziek en zwak is," was het antwoord. "Alleen +goed weer kan haar weer eenigszins doen bijkomen. Denkt gij, dat het +nu opklaren zal?" + +"Neen, mijnheer, om u de waarheid te zeggen, vrees ik, dat het nog +erger gaat spoken. Ik heb den kapitein mijne gedachten niet gezegd, +want een mensch kan zich vergissen; maar toch, ik blijf er bij--ik heb +niet tevergeefs volle vijftig jaren op zee omgezwalkt. De nevelbank, +die daar ginder bijeentrekt, bevalt mij niet en 't zou mij niet +verwonderen, als het nog eens uit denzelfden hoek begon te blazen en +wel nog voordat het nacht wordt." + +"Het zij zoo!" sprak de heer Wilson. "Echter vrees ik zeer voor mijne +vrouw, die al zoo door de zeeziekte verzwakt is." + +"Daarover zou ik mij niet al te ongerust maken, mijnheer, want ik +heb nog nooit gehoord, dat menschen aan die kwaal gestorven zijn, +hoeveel zij er ook door te lijden hadden.--Weet gij al Willem, dat +wij eenigen van ons volk verloren hebben in den tijd, dat gij niet +boven geweest zijt?" + +"Neen, ik hoorde den kok daar wel iets van mompelen, maar wilde hem +niet vragen, omdat moeder reeds zoo in angst was." + +"Dat was heel braaf van u, mijn jongen; maar denk eens: we hebben vijf +van onze rapste en beste matrozen verloren. Seevers werd overboord +geslagen,--Fennings en Master zijn door den bliksem gedood,--en Jones +en Emery zijn door den vallenden fokkemast getroffen. Gelooft gij +wel, Willem, dat niet één dezer lieden er aan dacht, toen wij de +Kaap verlieten of zelfs maar een dag of een enkel uur voordat het +geschiedde, dat weldra hunne lichamen honderden mijlen ver van het +land op zee zouden omdobberen?" + +"Ik ben van oordeel," zeide mijnheer Wilson, "dat een zeeman eigenlijk +geen recht heeft om te trouwen." + +"Dat is ook altijd mijn gevoelen geweest," antwoordde Flink; "en +zeker, menige arme verlaten matrozenvrouw, als zij 's nachts op haar +bed naar den storm en regen luisterde, heeft evenzoo gedacht." + +"Met mijne toestemming," vervolgde de vader, "zullen mijn zoons +nooit ter zee gaan, zoolang ik nog een andere betrekking voor hen +vinden kan." + +"En gij hebt gelijk, mijnheer Wilson. Men zegt wel, dat het niets +helpt, een knaap tegen te houden, wanneer hij zich het varen eens in +het hoofd heeft gezet;--maar ik voor mij denk in dat geval anders. Ik +geloof, dat een vader recht heeft om neen te zeggen; want ziet gij, +mijnheer, zoo jong als zulk een knaap het baaitje aantrekt, heeft hij +nog zijn volle verstand en oordeel niet. Ieder stoute, moedige jongen +wil het zeegat uit,--dat is heel natuurlijk; maar als de meesten onder +hen voor de ronde waarheid uitkwamen, zouden zij moeten zeggen, dat +het niet zoozeer het verlangen naar zee was, dat hen verleidde, als +wel de wensch, om de school of zelfs het vaderlijk huis te verlaten, +waar zij onder het opzicht van meesters of ouders stonden." + +"Juist, juist, Flink; zij willen onafhankelijk zijn en dat hopen zij +op zee te worden." + +"Maar daar bedriegen zij zich geweldig in; want, geloof mij, op de +gansche wijde wereld wordt geen slaaf zoo gekweld en geplaagd, als +zulk een arme knaap in de eerste tien jaren van zijn zeeleven. Voor +ééne berisping, die hij aan land verdient, krijgt hij aan boord +tiendubbel slagen en nooit vindt zulk een mensch de liefde en de +genegenheid weder, die hij op vasten wal achterliet. Het is een hard +leven en er zijn slechts enkelen, die het zich niet bitter beklaagd +hebben en niet gaarne zouden willen terugkeeren--als hunne schaamte +hen daarvan niet terughield." + +"Dat is de zuivere waarheid, Flink, en daarom geloof ik ook, dat een +vader ten volle recht heeft, als hij zijn zoon niet toelaat, ter zee +te gaan, zoolang hij hem op eenige andere wijze een behoorlijk bestaan +kan verschaffen. Het zal daarom toch nooit aan matrozen ontbreken, +daar er nog altijd arme jongens in menigte zijn, voor wie hunne +betrekkingen niet beter zorgen kunnen, en voor zulke lieden is de +zee zekerlijk de beste keus, daar zij hier geen ander kapitaal dan +moed en ijver tot hunne bevordering noodig hebben." + +"Datzelfde heb ik ook steeds gedacht, mijnheer," hernam Flink. "Maar +hoe maakt uw zoon Thomas het toch, en de andere kleinen en de arme +Juno?" + +"Die zijn allen vrij wel, behalve dat zij zich nu en dan door +uitglijden eens wat zeer deden, als het schip zoo geweldig +slingerde. Maar ik mag hier niet langer blijven," vervolgde de heer +Wilson; "mijn arme vrouw zal naar mij verlangen. Wilt gij nog langer +op het dek blijven, Willem?" + +"'t Is beter, dat hij met u omlaag gaat;" zeide Flink; "wij allen +hebben hier de handen te vol en ik kan mij niet met hem bemoeien. Dezen +nacht hebben wij weer geen rust te wachten, 't moge gaan hoe 't wil, +daar ons getal thans zoo klein is. Goedennacht dan, heerschappen, +rust wel!" + + + + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + +ALS HET WATER TOT DE LIPPEN KOMT, IS OOK VAAK UITKOMST NABIJ. + + +Toen vader en zoon in de kajuit kwamen, vonden zij er dadelijk handen +vol werk. De hofmeester had een schotel erwtensoep voor de kinderen +gebracht en deze was brandend heet. Thomas, die naast zijn zusje in +'t bed overeind zat, had Juno, die met den rechterarm haar kleinen +Albert vasthield, het bord uit de linkerhand getrokken en dit in zijn +ongeduld over de arme Caroline uitgestort, die een kreet gaf van pijn; +terwijl Juno, vol verlangen om Caroline te helpen, opgesprongen en op +den grond gevallen was met den kleine, die, hoewel niet bezeerd, nu +ook een geduchte keel opzette. Tot overmaat van ramp was Juno op des +kapiteins dashond neergekomen en deze had haar daarvoor in het been +gebeten, waarop ook Juno het luid uitschreeuwde en mevrouw Wilson, +bevend en radeloos van angst, zich van hare kussens had opgericht +en gaarne had willen, maar niet kunnen helpen. Daar kwam haar man +gelukkig nog juist bijtijds, om Juno met den kleine op te helpen. Hij +zocht vervolgens de arme Caroline tot bedaren te brengen, die zich, +gelijk nu bleek, nog niet zoo erg gebrand had, als men verwachtte. + +"Massa Thomas ben toch stout ondeugend jonk," jammerde de negerin +en wreef zich het been. De "ondeugende jonk" oordeelde maar 't best, +zich stil te houden;--hij werd terdeeg beknord. De hofmeester kwam de +tafel schoonmaken, en zoo keerde alles eindelijk weder tot de vorige +orde terug. + +Onderwijl was men ook op het dek niet werkeloos gebleven. De timmerman +had eene opening voor een der stengen gemaakt, die den grooten mast +moest vervangen; terwijl het andere volk het want weder in gereedheid +bracht. Ongelukkig had het schip een lek gekregen en vier handen +waren aan de pompen bezig en moesten daar bijna voortdurend werkzaam +zijn. Gelijk Flink voorzegd had, was ook de nacht niet daar, of de wind +verhief zich weder, de zee werd holler en woester en het lek nam zoo +toe, dat men elk ander werk moest opgeven, om alleen bij de pompen te +blijven. Zoo duurde de storm twee volle dagen lang, totdat de geheel +uitgeputte matrozen te laatste ook niet meer pompen konden. Aan den +gang van het schip was te zien, dat er reeds veel water in het ruim was +binnengedrongen, en thans--om het ongeluk ten top te voeren--gebeurde +er nog eene nieuwe ramp, die de ernstigste gevolgen had. + +Kapitein Osborn was vóór op het schip en gaf eenige orders aan zijn +volk, toen de blokstrop, die de groote bramra aan den stomp van den +fokkemast vasthield, eensklaps losging, zoodat ra en zeil op het dek +neerploften en den kapitein bewusteloos deden neervallen. Zoolang +hij aan hun hoofd had gestaan, hadden de matrozen, vol eerbied voor +zijne erkende bekwaamheid als zeeman en bemoedigd door het hem eigen +goed humeur, hunne taak gaarne en gewillig verricht, maar thans, +nu hij, zoo al niet dood, toch in allen gevalle buiten kennis en +tot handelen niet in staat was, thans werd het op eenmaal anders en +ontbrak het geheel aan het vereischte gezag. Mackintosh was bij het +volk te weinig bemind, dan dat zijne woorden eenigen invloed hadden +kunnen uitoefenen. Zij sloegen zijn vermaningen en bevelen in den +wind en staken de hoofden bijeen, om onderling te beraadslagen. + +"Het ergste is geleden. De orkaan is gebroken, mannen, en wij hebben +nu goed weer te wachten," merkte Flink aan en vervoegde zich bij de +matrozen aan het volkslogies. "De wind is haast op, zooals gij zelven +zien kunt." + +"Ja, en het schip is ook haast op," antwoordde een matroos; "daar is +nog veel minder aan te twijfelen." + +"Een paar uren stevig aan de pompen gewerkt, dat zou nu goed doen," +vervolgde Flink. "Wat zegt gij, jongens?" + +"Een stevig oorlam zou ons meer goed doen," hernam de zeeman. "Wat +zegt gij, jongens? De kapitein, als hij spreken kon, de arme drommel, +zou ons dat zeker niet weigeren." + +"Wat zijt gij van zins, jongen?" vroeg Mackintosh. "Ge wilt u toch +niet dronken drinken, hoop ik?" + +"Waarom niet?" riep een ander uit den hoop. "Het schip moet toch +spoedig te gronde gaan." + +"Dat is mogelijk,--ik wil het niet tegenspreken," zeide Mackintosh; +"maar dat is nog geen grond, waarom wij niet gered zouden worden. Als +ge u nu echter dronken drinkt, is er geen denken aan, dat een van +ons er het leven zou afbrengen en mij is mijn leven lief. Ik ben +bereid om u in alles bij te staan, waartoe gij besluiten mocht, en +gij hebt maar te zeggen wat gebeuren moet; maar drank zult gij niet +hebben. Zoolang ik het beletten kan, kunt gij daar staat op maken." + +"En hoe zoudt gij ons dat beletten?" vroeg een der matrozen op +dreigenden toon. + +"Twee vastberaden mannen kunnen veel doen,--ik mag zeggen drie, want +in dit geval is stuurman Flink op mijne zijde en ook op den passagier +in de kajuit kan ik tot bijstand rekenen. Bedenkt, dat alle geweren +in de kajuit zijn. Maar waarom zouden we samen twisten?--Zegt mij +ronduit, wat ge denkt te doen; en als ge nog niets besloten hebt, +wilt ge dan nog naar mijn voorslag luisteren?" + +Daar des stuurmans moed en vastberadenheid wel bekend waren, +beraadslaagden de matrozen nog een tijdlang samen en vroegen hem toen +naar zijn plan. + +"Wij hebben nog een goede boot," antwoordde Mackintosh, "de nieuwe +sloep is behouden. De andere booten, weet gij, zijn overboord gespoeld, +met uitzondering van de kleine boot achter, die nochtans onbruikbaar +is, daar de zee ze bijna verbrijzeld heeft. Nu kunnen wij niet heel +ver meer van de eilanden af wezen, ja, ik geloof zelfs dat wij er reeds +tusschen zijn. Laten wij de boot van al het noodige voorzien en daartoe +getroost en vlug te werk gaan. Neemt zooveel drank, als gij weet, dat +u niet schaden kan en laat ons ook nog een goeden voorraad daarvan +medenemen. De sloep is met mast, tuig en riemen in goeden staat en +het moest al vreemd zijn, zoo zij ons niet ergens behouden aan land +bracht.--Kameraad Flink, is de raad, dien ik hier geef, goed of niet?" + +"Volkomen goed, Mackintosh;--slechts nog één ding: wat moet er van de +kajuitpassagiers, de vrouwen en kinderen worden? En wilt gij onzen +armen kapitein, die daar ligt te ijlen, hulpeloos achterlaten? Of +wat wilt gij anders aanvangen?" + +"Wij willen den kapitein niet verlaten!" riep een van de matrozen. + +"Neen--neen, onze kapitein moet mee!" herhaalden de overigen. + +"En de passagiers?" + +"Het spijt mij van hen," antwoordde de eerste spreker; "maar wij +zullen genoeg te doen hebben, om ons eigen leven te redden. De boot +kan ons nauwelijks bergen." + +"Ik moet u gelijk geven, jongens," sprak Mackintosh. "Het hemd is +nader dan de rok. Welaan dus, wat zegt gij?--Blijft het besloten?" + +"Ja!" riepen de matrozen eenstemmig, en Flink wist wel, dat hier iets +tegen in te brengen geheel vruchteloos zijn zou. + +Zij gingen nu terstond tot het uitrusten der boot en het aanbrengen +van den vereischten voorraad over. Beschuit, pekelvleesch, +eenige tonnen water, een vat met rum werden bij de valreeptrap +bijeengebracht. Mackintosh haalde zijn octant, een kompas en eenige +geweren met kruit en lood boven; de timmerman maakte met de hulp van +een matroos eene opening in de verschansing, om de boot daardoor van +boord neer te laten; want thans, nu de masten ontbraken, kon men die +natuurlijk niet daaraan ophijschen. Na verloop van een uur was alles +gereed. Een lang touw werd aan de boot vastgesjord, deze hierop aan +de opening gesleept, waardoor zij te water gaan moest en het schip +vervolgens dwarswinds gebracht. Flink had aan dit werk niet geholpen, +maar een-, of tweemaal gepeild, om te onderzoeken of het water in het +schip ook geklommen was en zich daarna bij kapitein Osborn neergezet, +die nog altijd bewusteloos lag van den slag, die hem op het hoofd +had getroffen. Toen het schip in den wind was gebracht, kwam mijnheer +Wilson boven en zag rond. + +Hij zag de boot gereed om af te loopen, water en proviand bij het +boord en het schip langzaam met de deining voortdrijven.--Eindelijk +ontdekte hij Flink, aan de zijde gezeten van den kapitein, die daar +schijnbaar dood nederlag. + +"Wat beduidt dit alles, Flink?" vroeg hij. "Willen zij het schip +verlaten? En hebben zij hun kapitein omgebracht?" + +"Neen, mijnheer, zoo erg is 't nog niet. De arme kapitein is door +de vallende ra getroffen en ligt sedert buiten kennis; maar wat het +andere aangaat, ik vrees, dat het zoo besloten is. Gij ziet, dat men +daar de boot van boord stoot." + +"Maar mijne arme vrouw! Zij is nooit in staat om mee te gaan; ze kan +zich nauwelijks verroeren,--ze is doodzwak!" + +"Ik moet u tot mijn leedwezen zeggen, dat die dáár ook niet voornemens +zijn uzelf of uwe vrouw en uwe kinderen mee te nemen." + +"Wat! ze willen ons hier laten omkomen? Barmhartige Hemel! hoe +wreed,--hoe barbaarsch!" + +"Het is niet menschlievend van hen gehandeld, mijnheer; maar ziet gij, +zoo is de natuur van den mensch. Als eens 't leven er mee gemoeid is, +dan denkt iedereen aan zichzelf, want het leven is zoet. Zij zijn +niet harder tegen u, dan zij ook tegen elkaar zijn zouden, als zij +te sterk in aantal waren en de boot niet allen opnemen kon. Ik heb +dat al zelf mede beleefd," antwoordde de oude man zeer ernstig. + +"Mijne vrouw! mijne arme kinderen!" riep de wanhopende vader en bedekte +het gezicht met beide handen. "Doch ik wil met hen spreken," vervolgde +hij; "zeker zullen zij naar het gebod der menschelijkheid luisteren, +en in allen gevalle heeft stuurman Mackintosh nog wel eenigen invloed +op hen. Gelooft gij dat ook niet, Flink?" + +"Daar gij mij dat vraagt, mijnheer, moet ik u zeggen, dat er geen +harder hart onder hen is, dan dat van Mackintosh en dat het u evenmin +helpen zal, of gij met hem spreekt of met een van de overigen. Ook moet +gij die menschen niet te streng beoordeelen: de sloep is klein en kan +met den voorraad, dien zij meenemen, ook niet meer koppen bergen;--dáár +zit de zwarigheid. Wou men u en uwe familie nog innemen, dan kon +dat de oorzaak van alles zijn. Geloof mij, als ik zelf anders dacht, +zou ik zeker alles doen, om hen over te halen; doch het helpt niets." + +"Maar wat dan te doen, Flink? Gaat gij niet met hen mede?" + +"Neen, mijnheer Wilson. Ik heb het laatste uur daarover nagedacht +en ben nu besloten bij u achter te blijven. Zij willen den armen +kapitein meenemen, om hem misschien te redden, en vroegen ook mij; +maar ik blijf hier." + +"Om met ons om te komen?" was de verbaasde vraag. + +"Al naar 't God behaagt, mijnheer Wilson. Ik ben oud en grijs, aan +mij is weinig gelegen; ik hoop ook, dat ik mij zoo goed op den dood +heb voorbereid, als dat in mijne geringe krachten stond. Geloof mij, +mijnheer, ik denk veel meer aan uwe kinderen, dan aan mijzelven. Het +scheelt mij weinig, of ik een paar jaren vroeger of later sterf, doch +'t zou mij diep ter harte gaan, als zulke lieve bloempjes al zoo in de +eerste lente werden afgesneden. Ik kan van nut zijn door mijn blijven, +want ik draag een ouden kop op mijne schouders en voor geen geld zou +ik u aan het verderf overlaten, zoolang gij nog misschien gered kunt +worden, wanneer ge slechts wist, hoe te doen. Maar zie, daar komen +de matrozen; de boot is geheel klaar en zij willen nu onzen braven +kapitein wegdragen." + +De zeelieden traden toe en beurden den nog altijd bewusteloozen +kapitein op. Onder het weggaan riep een hunner: "Kom, stuurman, +wij hebben geen tijd meer te verliezen." + +"Denkt niet aan mij, vrienden; ik blijf hier op het wrak," antwoordde +Flink. "Ik wensch u van ganscher harte eene behouden vaart. En aan +u, Mackintosh, heb ik slechts dit ééne verzoek: als gij gered zijt, +vergeet dan niet, wie ge hier aan boord hebt gelaten en laat ons dan +tusschen de eilanden opzoeken." + +"Gekheid, Flink, kom mee in de boot!" antwoordde de eerste stuurman. + +"Ik zal hier blijven; kameraad; en ik bid u alleen, dat gij doen zult, +wat ik van u verlang. Laat aan mijnheer Wilsons vrienden weten, wat +hier is voorgevallen en waar men ons het best kan opsporen. Dat is +alles, wat ik van u verlang. Wilt gij mij dit ééne beloven?" + +"Ja, Flink, ik wil, wanneer gij dan toch bepaald besloten hebt te +blijven. Maar," vervolgde hij, op Flink toetredende en hem in het +oor fluisterende, "het is waarachtig gekheid:--kom mee, man!" + +"Vaarwel dan, vriend Mackintosh," antwoordde Flink en gaf hem de +hand. "Gij zult zeker uwe belofte houden?" + +Na nog vele verdere vermaningen van de zijde der matrozen waarvoor +Flink echter doof bleef, stak de boot eindelijk af en stuurde naar +het noordoosten. + + + + + + + +ZEVENDE HOOFDSTUK. + +DE SCHIPBREUK. + + +Een tijdlang, nadat de boot het schip verlaten had, stond de oude +Flink met over elkaar geslagen armen zwijgend uit te zien. Mijnheer +Wilson stond bij hem. Hij kon geen woord spreken, het hart was hem +te vol. Naarmate de sloep zich verder van het schip verwijderde, +scheen ook zijne laatste hoop meer en meer te verdwijnen en schenen +vrouw en kinderen, hijzelf en de oude man, die aan zijne zijde stond, +aan een onvermijdelijken ondergang prijsgegeven. Zijne gelaatstrekken +drukten volslagen moedeloosheid en vertwijfeling uit. Ten laatste +nam Flink het woord: + +"Zij denken zeker, dat zij zichzelven redden en dat wij vergaan zullen, +mijnheer, doch het kan nog wel anders loopen." + +"Het is waar," antwoordde de bedroefde vader; "maar welke hoop ons +nog zou overblijven op een zinkend schip, met zoovele hulpelooze +wezens om ons heen, dat, moet ik bekennen, kan ik niet begrijpen." + +"Wij moeten ons best doen en dan ons aan Gods wil onderwerpen," +hernam de oude zeeman en ging toen naar achteren, waar hij het roer +weder oplegde, zoodat het schip andermaal voor den wind kwam. + +Wat Flink aan de matrozen voorspeld had, voordat zij het schip +verlieten geschiedde werkelijk; de storm had uitgewoed en ook de zee +was reeds aanmerkelijk bedaard. Niettemin dreef het schip slechts +langzaam door het water en na eenigen tijd zette Flink het stuurrad +vast en kwam weder bij den heer Wilson op het voordek. Deze had zich, +in een staat van wanhoop naar het scheen, op het zeil neergeworpen, +waarop kapitein Osborn na zijne verwonding gelegd was. + +"Het doet mij leed, mijnheer, dat ik u storen moet; maar voelt gij u +door troosteloosheid overweldigd, dan kan u ik misschien een weinig +hoop geven." + +"Ik heb gebeden," antwoordde Wilson en stond op: "en sedert heb ik +mijn zinnen zooveel mogelijk bijeenverzameld, die zekerlijk zeer +verward zijn. Wat mij het meest beangst, is, hoe onzen hulpeloozen +toestand aan mijne lieve vrouw mede te deelen." + +"Ik zou er rond voor uitkomen, indien ik onzen toestand als hopeloos +beschouwde," hernam Flink; "maar hopen blijft zelfs in het ergste +geval geoorloofd. Doch luister, mijnheer, ik wil als zeeman spreken +en u zeggen, welke mogelijkheid er thans nog voor ons over is. Het +schip is half vol water geloopen, daar 't geweld van den storm de naden +opende waardoor het naar binnen drong; maar nu, sedert de zee bedaarde, +heeft zich dat al vrij wat weer hersteld. Ik heb in het ruim gepeild +en bevonden, dat het water deze beide laatste uren maar een paar +duim gewassen is en daar het schip langzamerhand zijne naden weder +sluit, zal het spoedig nog wel beter worden. Indien het goede weder +vooreerst aanhoudt, behoeven wij niet te vreezen, dat het schip zoo +spoedig zinken zal; en daar wij ons nu tusschen de eilanden bevinden, +is het niet onmogelijk, ja zelfs waarschijnlijk, dat wij ons vaartuig +op een daarvan zullen kunnen laten stranden en zoo nog lijf en leven +redden. Dat alles heb ik bedacht, toen ik weigerde in de boot te +gaan, en ik bedacht ook, mijnheer, dat indien ik u evenals de anderen +verliet, gij voor uzelf niet in staat zijn zoudt, van zoovele gunstige +omstandigheden, die tot ons behoud misschien nog bijdragen kunnen, +behoorlijk partij te trekken.--Daarom ben ik gebleven en hoop het +werktuig te worden, dat u en al de uwen uit dezen akeligen toestand +redt. Mij dunkt, het zou nu 't best zijn, dat gij weer in de kajuit +gingt, uwe arme vrouw met een vroolijk gezicht de gunstige verandering +van het weer berichttet en haar zeidet, dat wij hoop hebben, aan eene +of andere veilige kust te landen. Als zij nog niet weet, dat het volk +het schip verlaten heeft, moet gij haar daar niets van doen merken. Gij +kunt immers zeggen, dat de hofmeester met de andere matrozen aan het +werk is, want dat is hij ook waarlijk, en zoo het mogelijk was, zou ik +u raden, alles, wat sedert is voorgevallen, te verzwijgen. Uw Willem +moogt gij het wel toevertrouwen, of liever, zend hem boven bij mij +en ik zal met hem spreken.--Zeg nu, wat dunkt u van de zaak, mijnheer?" + +"Ik weet nauwelijks, Flink, wat ik denken of hoe ik u voor uwe +zelfopoffering in dezen nood behoorlijk danken moet. Wees verzekerd, +uw raad is voortreffelijk; ik zal hem in alles ten stipste opvolgen, +en mocht het ons gelukken den dood te ontgaan, die ons thans van alle +kanten aangrijnst, dan zal mijne dankbaarheid...." + +"Spreek daar niet van, mijnheer; ik ben een oud man, heb slechts weinig +behoeften en mijn leven is ook maar van gering nut. Wat ik wensch te +behouden is de bewustheid, dat ik in dezen toestand mijn plicht naar +mijn beste vermogen heb zoeken te vervullen. Wat kan de wereld veel +aanlokkelijks hebben voor een man, die zich altijd met moeite door +het leven heeft heen geworsteld en thans vrienden noch magen bezit, +die zich om zijn dood bekommeren! Niettemin dank ik u hartelijk, +mijnheer Wilson; maar nu zal 't beter zijn, dat gij naar omlaag gaat, +terwijl ik hierboven een wakend oog houd." + +De heer Wilson drukte den braven man met hartelijkheid de hand en +ging toen naar beneden, zonder verder een woord te spreken. Hij vond +zijne vrouw in slaap; ook de kinderen lagen rustig in hunne bedden; +alleen Juno en Willem waren op. + +Willem gaf zijn vader een teeken dat zijn moeder sliep, en zeide +zachtjes: "Ik wou niet uit de kajuit gaan, terwijl gij boven op +het dek waart; maar de hofmeester heeft zich in geen twee uren meer +laten zien. Hij kwam nog om de geit te melken en na dien tijd niet +meer. Geen van ons allen heeft nog ontbijt gehad." + +"Willem, ga op het dek," antwoordde zijn vader. "Flink heeft u iets +te zeggen. Ik wil zoolang hier blijven." + +Onze jonge vriend vervoegde zich bij Flink, die hem in korte woorden +met den toestand bekendmaakte, waarin zij zich thans bevonden. Hij +bracht hem onder het oog, hoe noodzakelijk het was dat hij alles +beproefde wat in zijne macht stond, om zijn vader en hem (Flink) +te ondersteunen en zijne moeder in haar lijdenden toestand niet te +verontrusten. Gelijk natuurlijk is, maakte, wat hij hier hoorde, +op Willem een diepen indruk, doch hij vatte toch spoedig weer moed +en beloofde in alles zijn best te zullen doen. + +"Maar, Flink," zeide hij, "de hofmeester, weet ge, is nu met de +anderen weg, en als moeder wakker wordt, zal hare eerste vraag zijn, +of wij al ontbijt gehad hebben. Wat kan ik doen?" + +"Dat weet ik niet; maar mij dunkt, ge kunt eene van de geiten melken, +als ik u dat voorgedaan heb, en onderwijl wil ik voor het verdere +zorgen. Ik kan wel eens van het dek, want het schip stuurt nu zichzelf +vrij goed.--En, Willem, ik heb juist voordat gij kwaamt, naar het +water omgezien en geloof, dat wij niet veel meer inkrijgen. En," +vervolgde hij en liet zijne oogen in het rond gaan, "wij zullen goed +weer krijgen en ook nog voor den nacht eene kalme zee." + +Daar beiden elkander hielpen, was het ontbijt spoedig gereed, terwijl +mevrouw Wilson nog voortdurend in een gezonden slaap lag. De beweging +van het schip was thans zeer gering, daar het ingedrongen water zijn +diepgang aanmerkelijk had doen toenemen. Zee en wind waren bedaard +en de zon scheen helder en verwarmend aan den hemel. De boot had men +reeds eenigen tijd geheel uit het gezicht verloren en het wrak stuurde +zacht, niet sneller dan drie mijlen in het uur, door het water heen, +want het had slechts een enkel zeil, het groote bramzeil namelijk, +dat men op den stomp van den fokkemast had bijgezet. + +Flink was voor eenige oogenblikken in de kajuit gegaan en sloeg +mijnheer Wilson voor, Juno met de drie kleinen op het dek te +zenden. "Het verveelt hen, hier zoo stil te zijn," zeide hij; +"en daar mevrouw eindelijk eens gerust slaapt, zou het jammer zijn, +haar te wekken. Daar zij zooveel geleden heeft, kan haar slaap nog +wel eenige uren aanhouden, en hoe langer, hoe beter, want zij zal +hare krachten misschien spoedig noodig hebben." + +Mijnheer Wilson keurde dezen voorslag goed en ging met Juno en de +kinderen op het dek, terwijl hij Willem achterliet, om bij zijne +moeder te waken. De goede negerin was uiterst verbaasd, toen zij de +trap opkwam en den staat van het schip en de afwezigheid der matrozen +ontdekte; doch haar meester verhaalde haar wat er was voorgevallen, met +de ernstige vermaning, om er zijne vrouw geen woord van te zeggen. Juno +beloofde dit, ofschoon het arme meisje wel bemerkte in welk gevaar +men verkeerde, en toen zij den kleinen Albert aan hare borst drukte, +rolden haar twee zware tranen over de wangen neer. Zij dacht daarbij +niet aan zichzelve, maar wat er van dat lieve kleine schaap worden +moest. Zelfs Thomas en Caroline konden niet nalaten te vragen, waar +de masten en zeilen gebleven waren en waarom kapitein Osborn hun niet +wat lekkers bracht. + +"Zie, zie daar ginder eens, mijnheer!" riep Flink en wees naar een +hoop drijvend zeewier. + +"Ik zie het wel," was het antwoord; "maar wat zou dat?" + +"Dat alleen zou op zichzelf nog niet veel beteekenen," hernam Flink; +"maar wij zeelieden hebben nog andere merkteekenen, waarop wij +afgaan. Ziet gij ginder die vogels wel over het water heenstrijken?" + +"O ja, zeer duidelijk." + +"Welnu, die vogels begeven zich nooit ver van land. Thans begrijpt +ge wat ik meen.--En nu, mijnheer, ga ik mijn octant eens halen en +al kan ik onze lengte nog niet dadelijk vinden, zoo kan ik toch de +breedte wel bepalen. Als wij de kaart raadplegen, kunnen wij dan wel +ongeveer gissen, waar wij zijn, als wij eens land voor ons zien. Het +is nu omtrent middag," vervolgde Flink, terwijl hij zijne berekening +maakte; "de zon rijst heel langzaam.--Zoo'n kind is toch een gelukkig +schepsel! Zie eens, mijnheer, spelen uwe kleintjes daar niet zoo +vroolijk, alsof er geen gevaar in de wereld was en ze thuis in de +kinderkamer waren? Ofschoon er niets is, dat mij meer leed doet, +als het gebeurt denk ik toch vaak, mijnheer, dat het een werkelijk +geluk voor zulk een wicht is, als het al vroeg wordt weggenomen en +dat de ouders niet goed doen, daar zoo bitter over te klagen." + +"Gij kunt gelijk hebben," gaf de vader ten antwoord en wierp daarbij +een treurigen blik op zijne lievelingen. + +"Het is twaalf uren, mijnheer. Ik ga beneden gauw onze breedte +berekenen en zal dan de kaart hier meebrengen." + +Mijnheer Wilson bleef boven. Spoedig was hij in diepe, sombere +gedachten verzonken. Geen wonder ook! Het schip een zinkend, +verlaten wrak,--hij alleen op de breede watervlakte met vrouw en +kinderen,--niemand tot zijnen bijstand dan een enkel mensch: en had +ook deze ééne hem eens verlaten, gelijk de overigen deden, wat ware +dan waarschijnlijk zijn lot geweest? De uiterste hulpeloosheid. En +nu, wat hadden ze nu te hopen? Hunne stoutste hoop was, nog eenig +eiland te bereiken en, gelukte dit, wellicht was het dan een woest +eiland, misschien zelfs wel door wilden bewoond.--Wat was dan het +vooruitzicht?--Vermoord te worden of van honger en dorst om te +komen! Of gesteld ook, dat zij de middelen tot hun levensonderhoud +vonden, wat dan nog? Zouden zij hun leven daar slijten moeten en +onbekend en onbemerkt wegsterven? Het was eerst nadat hij deze treurige +gedachten als met geweld had verbannen, dat de bedrukte man gevoelde +moed te bezitten, om elke beproeving, die hem nog verder mocht worden +opgelegd, als man door te staan. + +"Hier is de kaart, mijnheer," riep Flink. "Ik heb met eene +potloodstreep onze breedte aangeduid. Zooals gij ziet, gaat zij juist +midden door deze groep eilanden, en, naar 't mij voorkomt, moeten wij +er op dit oogenblik reeds tusschenin of er althans niet ver meer af +zijn. Nu wil ik zorgen, dat wij vanmiddag iets te schaften krijgen, +en dan moeten wij op den uitkijk, of zich ook land vertoont. Wilt gij +onderwijl uwe oogen maar gebruiken, vooral naar voren en lijwaarts +uit?" + +De onvermoeide man ging zien, wat hij voor den maaltijd bijeen +kon brengen; en gebrek daaraan bestond er niet, daar de matrozen +bij hun vertrek slechts weinig en wat het naast bij de hand lag +hadden meegenomen. Weldra vond hij een stuk pekelspek en eenige +aardappelen, die hij in de braadpan legde en waarvan hij zich een +voor de omstandigheden kostelijk gerecht beloofde. + +Mijnheer Wilson stond nog voorop en zag over den boeg uit, toen de +stuurman weer bij hem kwam. + +"Flink, mij dunkt, ik zie iets, doch ik kan niet met zekerheid zeggen, +wat het is. Het schijnt in de lucht te hangen en toch kunnen het geen +wolken zijn. Zie eens, dáár, waar ik met den vinger heen wijs." + +"Gij hebt gelijk, mijnheer," riep Flink; "daar is iets. Het is niet +het land, dat gij ziet, maar 't zijn boomen, die weerkaatst worden, +gelijk men het noemt, waardoor het den schijn heeft, of zij in de +lucht zweefden. Dit is een eiland; gij kunt daar staat op maken. Ik +ga mijn kijker halen en dan zullen wij meer zien." + +"Het is werkelijk land mijnheer," verzekerde hij, na het door zijn +kijker te hebben opgenomen.--"Ja, ja, het is zoo," ging hij nadenkend +voort. "Ik wenschte, dat wij het vroeger ontdekt hadden; en toch +moeten wij dankbaar zijn." + +"Hoe zoo, Flink?" + +"Ik meen maar.... daar het schip zoo langzaam over het water glijdt, +vrees ik, dat wij de kust niet voor den donker halen zullen, en ik +had die liever nog bij daglicht bereikt, om eene gunstige plaats tot +stranden te kunnen kiezen." + +"Er is weinig wind op dit oogenblik." + +"We willen dan hopen, dat we wat meer krijgen," antwoordde Flink; +"zoo niet, zullen we toch ons best doen. Maar nu is mijne plaats +aan het roer, want wij moeten recht op het eiland aanhouden. Het +te laten liggen gaat niet, want ofschoon het schip niet zooveel +water meer maakt, als het gedaan heeft, wil ik u toch wel zeggen, +dat het zich bezwaarlijk vierentwintig uren meer boven zal kunnen +houden. Toen ik dezen morgen in het ruim peilde, dacht ik anders, +maar daareven, bij het halen van het vleesch, ontdekte ik, dat wij +in grooter gevaar verkeeren, dan ik had geloofd. Het land ligt daar +nu echter vóór ons en wij hebben alle hoop." + +"Gelukkig!" sprak mijnheer Wilson. + +Flink begaf zich aan het roer en richtte den koers recht op de kust, +die niet zoo ver af lag, als men in den beginne geloofd had, daar het +eiland zeer laag en vlak bleek te zijn. Van lieverlede verhief de wind +zich eenigermate en dreef het schip rasscher voort. Aldra zag men de +boomen, die eerst in de lucht schenen te zweven, te gelijk met het +land en kon men dit als een laag, met groepen van kokosboomen overdekt +koraaleiland onderscheiden. Van tijd tot tijd vertrouwde Flink het +roer aan mijnheer Wilson toe en ging naar voren, om door zijn kijker +te turen. Toen zij nog drie of vier mijlen van land verwijderd waren, +kwam Flink van den bak terug en riep: "Ik geloof mijn weg nu vrij +duidelijk voor mij te zien. Ge ziet, we zijn loefwaarts van het eiland +en zulke koraalbanken hebben dáár altijd diep water, maar de klippen +en ondiepten aan lij. We moeten de eene of andere kleine kloof in het +koraal opzoeken en het schip daar doorheen brengen, omdat het anders +licht weer van den grond afraakt en in het diepe water terugvalt. Mij +dunkt, ik heb al een plek in 't oog, waar ik het schip veilig op het +droge kan zetten. Gij ziet daar die kokosboomen dicht bij elkander op +het strand? Welnu, mijnheer, ik kan ze niet goed zien, terwijl ik het +roer houd, maar ga gij naar voren en let wel op. Moet ik meer rechts +sturen, steek dan de rechter-, meer links, steek dan de linkerhand op +en zijn wij in de juiste richting, dan laat gij de hand weer zakken." + +"Ik begrijp u volkomen," antwoordde mijnheer Wilson, die nu naar +voren ging en den koers bedachtzaam aangaf. Zoo kwam men allengs +nader. Op eene halve mijl afstands van de kust verkreeg het water +eene andere kleur, waarover Flink zich zeer verheugde, doordien hij +daaruit afleidde, dat de oever in dit geval minder steil dan gewoonlijk +zijn zou. Niettemin was het toch een beangstigend gevoel, zoo op een +geheel onbekend strand aan te loopen. Nog slechts eene kabelslengte +waren zij daarvan af en nog schuurde het schip den grond niet. Nog wat +verder en een dof gekraak steeg uit de diepte op, 't was het breken en +afbrokkelen der koraalboomen, die in gansche wouden onder het water +voortwassen.--Toen opnieuw een gekraak, doch ditmaal sterker dan +eerst;--toen herhaalde malen eene slingerende schommeling;--toen een +schok, een stoot, die het wrak, nu de branding het voor de laatste +maal in de hoogte beurde, tot in zijn binnenste deed sidderen en +kreunen;--toen bleef het vast en onbeweeglijk zitten. Flink liet het +roer varen, om zich van de ligging van het schip te overtuigen. Hij +zag over den boeg naar alle zijden rond en bevond, dat het geteisterd +wrak van het zoo trotsche schip De Vrede op een bed van koraalklippen +roerloos vastzat. + + + + + + + +ACHTSTE HOOFDSTUK. + +TROOST IN HET ONGELUK. + + +Nauwelijks was dit gebeurd, of Willem kwam uit de kajuit aanloopen +en riep: "Vader, moeder zendt mij bij u. Zij is wakker geworden door +het gekraak van het schip en zeer ontsteld. Wilt gij niet eens bij +haar komen?" + +"Ja, mijn beste jongen, dadelijk," was het antwoord. + +"Wat is er dan toch, lieve, en waar zijt gij allen geweest?" riep +mevrouw Wilson, toen haar man voor haar bed trad. "Ik ben zoo geweldig +verschrikt:--ik lag gerust in slaap en werd door een vreeselijk +leven gewekt." + +"Wees gerust, lieve," antwoordde haar echtgenoot. "Wij hebben in groot +gevaar verkeerd, maar thans, hoop ik, zijn wij behouden. Zeg mij, +voelt gij u niet beter na uwe lange rust?" + +"O ja, veel beter--veel sterker; doch zeg mij toch, wat er gebeurd is." + +"Veel, veel, beste vrouw, reeds voordat gij in slaap waart. Wij hebben +'t voor u geheim gehouden; maar thans, nu wij denkelijk spoedig aan +land zullen gaan--..." + +"Aan land gaan?" + +"Ja, aan land. Welnu, wees maar bedaard en laat mij u vertellen, wat +er al is voorgevallen en hoezeer wij reden hebben om dankbaar te zijn." + +Mijnheer Wilson gaf nu een nauwkeurig verslag van al het tot dusver +gebeurde. Zijne vrouw hoorde hem aan zonder een woord te spreken, +maar toen hij geëindigd had, zonk zij in zijn armen en weende +bitterlijk. Hij deed alles om haar te troosten, tot eindelijk Juno +met de kinderen terugkwam, want het was vrij laat geworden. + +"Nu, mijnheer," riep Flink, toen de heer Wilson weer bij hem op het +dek kwam, "ik heb eens goed rondgekeken en vind, dat wij alle reden +hebben om blij en dankbaar te zijn. Het schip ligt vast genoeg en zal +zich niet verroeren, totdat er een nieuwe storm komt en het in stukken +slaat. Zoo iets is echter vooreerst niet te vreezen. De weinige wind, +die er nu nog is, gaat langzamerhand liggen en nog vóór den dag van +morgen zullen wij volmaakt stil weer hebben." + +"Ik geef toe, Flink, dat er geen dadelijk gevaar is; maar hoe zullen +wij aan wal komen--en, zijn wij daar, waarvan in de toekomst leven?" + +"Ook daarover heb ik nagedacht en ik zal uw en zelfs Willems +bijstand verzoeken, om de kleine boot aan boord te krijgen, waar ik ze +kalefateren kan. De kiel is beschadigd, maar ik heb het timmermanswerk +meer bij de hand gehad en met wat dik geteerd zeildoek zal ik haar +wel zoo waterdicht maken, dat zij ons allen veilig aan land brengt." + +"En als wij nu aan land zijn?" + +"Ei, mijnheer, waar kokosboomen in zoo groote menigte voorhanden zijn, +als op het eiland vóór ons, is zeker geen hongersnood te vreezen, zelfs +als wij niet nog al den proviand van ons schip hadden. Leelijker zal +het er licht met het water uitzien, want het eiland is laag en smal; +maar een mensch kan ook niet verwachten alles altijd zoo te vinden, +als hij het juist wenscht." + +"Ik dank den hemel voor onze aanvankelijke redding, mijn vriend; maar +heb toch nog altijd een gevoel van onrust in mijne borst, dat ik niet +meester kan worden. Wij hebben hier zulk een woest eiland voor ons, +dat misschien nooit door een ander schip wordt aangedaan, zoodat er +weinig hoop voor ons is, om het ooit weer te kunnen verlaten. Hier +zullen wij leven en sterven,--hier zullen mijne arme kinderen +opgroeien--ja zelfs oud worden, nadat zij u en hun vader en moeder +begraven hebben, en dan zullen zij die volgen in hetzelfde graf. Al +hunne vooruitzichten en ook de mijne--ze zijn verijdeld,--al mijne +verwachtingen teleurgesteld. O, het is een treurig, ja een wreed lot, +Flink! Moet gij dat zelf niet erkennen?" + +"Mijnheer Wilson, in vergelijking met u ben ik een oud man, en als +zoodanig mag ik wel zeggen, dat gij u ondankbaar toont, wanneer gij op +die wijze aan uwe smart toegeeft. En bovendien, wie weet of uit het +schijnbaar kwaad niet nog veel goeds voor ons kan voortvloeien? Gij +spreekt daar van uwe kinderen en hunne vooruitzichten, mijnheer; maar +kunt gij wel zeggen, wat hun lot zou geweest zijn, als zij Sidney +gelukkig bereikt hadden? Hoevele kinderen geven aanleiding tot de +schoonste verwachtingen! En als zij tot rijpheid komen, vervullen zij +dan altijd de hoop hunner ouders? Vergeef mij, mijnheer Wilson, ik +hoop U niet beleedigd te hebben, maar waarlijk, ik voel mij verplicht +zoo te spreken, als ik gedaan heb." + +"Gij hebt mij met volle recht bestraft, Flink, en van ganscher harte +dank ik u daarvoor," antwoordde de ander en drukte den zeeman diep +bewogen de hand. "Ik wil niet langer klagen, neen; ik wil mij, zoo +goed ik kan, aan mijn lot onderwerpen. Ik moet mij van nu af onder +uwe orders stellen; want in onzen tegenwoordigen toestand zijt gij +mijn meerdere: kennis en ervaring is hier zooveel als macht. Kunnen +wij vandaag nog iets doen?" + +"Ik wel, mijnheer Wilson, maar gij kunt mij morgen vroeg eerst +helpen. Ofschoon neen, wacht--gij kunt mij deze twee spieren nog naar +'t achterdek helpen dragen; dan kan ik een bok opzetten en alles +voor morgen klaarmaken, om de boot in te zetten. Gij ziet zelf, met +zoo weinig armen aan boord en zonder masten, moeten we onze eigen +krachten wel beproeven." + +De heer Wilson deed wat van hem verlangd werd. "Ga thans gerust naar +beneden, mijnheer," zeide Flink; "maar laat Willem vooral de honden +losmaken en hun wat te eten geven. De arme dieren hebben wij immers +geheel vergeten. Ik zal van nacht wacht houden, want ik heb nog veel +te doen en te overleggen; en dus wel te rusten, mijnheer." + +Toen Flink alleen was, bond hij de spieren van boven stevig aan elkaar +vast en maakte een takel gereed voor den volgenden morgen. Nadat +dit verricht was, zette hij zich op een der kippenhokken neder en +verzonk in gepeins. In 't eind door waken en vermoeienis uitgeput, +viel de oude man in diepen slaap. Met het aanbreken van den dag werd +hij gewekt door de honden, die, door Willem losgelaten en nadat ze +in het schip de ronde gedaan en niemand gevonden hadden, weder naar +de kajuit waren teruggekeerd en voor de deur waren ingeslapen. Toen +zij met zonsopgang weer op het dek kwamen en daar den ouden Flink op +het hoenderhok slapende vonden, sprongen zij bij hem op en likten hem +vol blijdschap de handen en het gezicht. "Aha," zeide de oude man, +terwijl hij van zijn hard leger opstond, "gij zult alle drie van +nut zijn, verbeeld ik mij. Koest Viven, koest--arme dier! Gij hebt +een goeden meester verloren, naar ik vrees." "Stil--laat mij nu eens +zien," vervolgde hij, in zichzelf sprekende. "Eerst,--maar ik wil de +lei en een stuk krijt halen en alles opschrijven; want mijn geheugen +is niet zoo goed meer als in mijne jonge jaren." + +Flink legde de lei op het hoenderhok en schreef daar toen met krijt +op: "drie honden, twee geiten en Billy; de big (ik meen, dat wij +vijf varkens hadden in 't geheel; hoenders die zijn er genoeg); +drie of vier paar duiven (zooveel zeker); (de koe is gaan liggen en +zal wel niet meer opstaan;--dan moeten wij haar slachten); dan het +paar merino-schapen, dat mijnheer Wilson toekomt. Aan levend vee dus +geen gebrek. Nu--wat hebben we eerst noodig, als we allen aan wal +zijn?--Een spier en het groot-bramzeil tot een tent, of twee trossen, +een paar matrassen voor mevrouw en de kleinen, twee bijlen, hamer, boor +en spijkers; wat te eten--ja en ook wat om dat te snijden.--Ziezoo, +dat is voor een gezin genoeg," besloot Flink zijne alleenspraak. "Nu +wil ik schielijk vuur aanmaken, 't water overhangen en, daar ik dat +toch heb, een paar stukken rund- en varkensvleesch koken om mee aan +land te nemen. Dan wil ik mijnheer roepen, want ik reken, dat wij +een zwaren werkdag in het vooruitzicht hebben." + + + + + + + +NEGENDE HOOFDSTUK. + +HET EILAND. + + +Zoodra Flink het voorgenomene verricht en de dieren gevoederd had, +ging hij in de kajuit en wekte vader en zoon. Met vereenigde krachten +werd de bok opgericht en vastgezet; vervolgens haakte men de boot in, +maar om deze onbeschadigd over het boord te hijschen, werd nog de +hulp van een vierden persoon vereischt. + +"Willem, loop schielijk naar Juno en zeg haar, dat zij op het dek +moet komen, om ons te helpen;--wij moeten allen de handen uit de mouw +steken! Uw moeder zal de kleinen wel een poosje bij zich nemen." + +De knaap was in een ommezien met Juno terug, die eene sterke meid +was en braaf hielp om de boot uit te zetten, waarna zij naar de +kajuit terugkeerde. + +De boot werd onderstboven gekeerd en Flink begon zijn arbeid, terwijl +mijnheer Wilson den teerpot op het vuur zette en alles gereedmaakte, +om het zeildoek, zoodra 't was opgespijkerd, behoorlijk te teren. Het +liep reeds tegen den middag, toen Flink, die er duchtig op los hamerde, +met het lappen der boot klaar kwam. Nu moest hij die nog met zeildoek +bekleeden, dat vooraf door en door goed met teer was doortrokken. + +"Zoo, denk ik, zal het wel gaan, mijnheer," zeide hij. "Wij moeten +haar nu naar den valreep brengen en in zee laten. Het is een geluk +voor ons, dat zij de verschansing al vroeger weggenomen en ons daardoor +nu vrij wat moeite bespaard hebben." + +Er werd een touw aan de boot vastgemaakt. Vervolgens werd zij door de +beide mannen met vereende krachten neergelaten en scheen, tot hunne +groote blijdschap, slechts weinig water in te laten. + +"Wat dunkt u nu 't best, mijnheer: zullen wij eerst de kinderen of +liever vooraf het noodzakelijkste aan land brengen?" + +"Hoe denkt gij daar zelf over, Flink?" + +"Ik? Ei, mij dunkt, daar het water nu zoo glad als een spiegel is en +wij ook overal landen kunnen, moesten gij en ik maar eerst overroeien, +om de kust eens op te nemen. Het is slechts een klein tochtje en zal +ons weinig tijd doen verliezen." + +"Zeer goed, Flink; maar eerst wil ik dat even aan mijne vrouw gaan +zeggen." + +"En in dien tusschentijd zal ik het zeil en eenige andere dingen in +de boot brengen; dan gaat er geen tijd verloren." + +Flink haalde het zeil, eene bijl, een geweer en eenig +touwwerk. Mijnheer Wilson was spoedig terug. Toen lieten zij zich +zakken in de boot en roeiden naar het land. + +Bij het betreden van den wal bevonden zij, dat zij van het binnenste +van het land niets zien konden, wijl de kokosboomen overal zoo dicht +stonden. Aan hunne linkerhand echter, op ongeveer een vierde mijl +afstands, ontdekten zij eene kleine zandige bocht, geheel omgeven +met struikgewas, dat zich tot aan het hooge woud uitstrekte. + +"Daar," riep Flink, met den vinger er heen wijzende, "daar is onze +plaats. Laat ons weer in de boot gaan en er heen roeien; het is een +korte afstand voor ons, maar zou een lange weg zijn, indien wij ons +goed er naar toe moesten sleepen." + +In weinige minuten bereikten zij de bocht; het water had weinig diepte +en was zoo helder als kristal, zoodat zij de fraaiste schelpen op den +bodem ontdekten en zagen hoe de visschen in alle richtingen vroolijk +voortschoten. + +Het vlakke oeverzand liep bij de vijftig passen landwaarts in en +dan nam het kreupelbosch een aanvang, dat zich, met hier en daar een +enkelen kokosboom daartusschen, bijna even ver uitstrekte, tot het +ten laatste het hooge woud bereikte. Na weinige riemslagen schuurde +de boot het witte zand en zij stapten aan wal. + +"Welk eene heerlijke plek is dit!" riep de heer Wilson; "en wellicht +werd zij nog nooit door een sterveling betreden." + +"Zoo gij het goedvindt," antwoordde Flink, "willen wij het bosch een +eind weegs ingaan. Neem echter het geweer mede, mijnheer. Niet, dat +er veel kans is, dat wij het noodig zullen hebben; men vindt zelden +een wild dier op deze kleine eilanden, of 't mochten soms een paar +zwijnen zijn, er vroeger aan land gezet,--maar men kan toch niet te +voorzichtig zijn. Ik heb vroeger met een kapitein gevaren, die zelden +een woest eiland aandeed, zonder er een paar biggen of eenig ander +gedierte tot aanfokking achter te laten, voor 't geval, dat eens een +mensch daar schipbreuk lijden mocht. Een mooie trek, niet waar?" + +"Dat was het zeker, vriend. Ziehier het bosch dan; wat wilt gij nu?" + +"Ik zag naar eene plek uit, om voor het oogenblik eene tent op +te slaan, mijnheer, en geloof, dat deze kleine hoogte daartoe wel +geschikt is, totdat wij verder onderzoek doen en een betere woonstee +vinden kunnen. Nu dadelijk hebben wij echter geen tijd, want wij dienen +nog vrij wat riemslagen te doen, voordat het avond wordt. Mij dunkt, +wij moesten het zeil en het andere goed nu eerst maar aan wal brengen +en dan weer naar boord gaan." + +Onder het terugroeien naar het wrak, zeide Flink: "Daar bedenk ik, +mijnheer, wat mogelijk wel het best zal zijn. Mevrouw zal zich toch +niet al te ongerust maken, als gij niet bij haar zijt?--Zoo niet, +zou ik zeggen, dat wij Juno en den kleinen Thomas eerst aan land +moesten brengen, omdat zij daar dadelijk van dienst kunnen zijn." + +"Ik geloof niet, dat zij zich beangst zal maken, als wij haar met +Willem en de kinderen aan boord achterlaten, wanneer ik maar weer +bij haar ben, als zij met het kleintje het schip verlaat." + +"Welnu, zooals gij goedvindt, mijnheer. Wij laten Willem dus aan +boord en ditmaal zet ik Juno met den kleinen Thomas over. Ook wil +ik daarbij de honden niet vergeten; zij kunnen tot onze bescherming +strekken, ingeval er iets gebeuren mocht. Terwijl gij met Juno aan +land dan bezig zijt, roei ik terug en haal de andere dingen, die wij +voor een begin noodig hebben." + +Terstond toen zij op het schip aankwamen, snelde mijnheer Wilson +naar zijne vrouw om haar door het verhaal van wat zij gezien hadden +te verblijden, en verkreeg ook gereedelijk hare toestemming tot +het door Flink ontworpen plan. Terwijl de heer Wilson beneden was, +had Flink de beide spieren, waaruit de bok bestond, losgebonden en +ze in 't water neergelaten, om ze aan een stuk touw aan de boot met +deze naar den oever te boegseeren. Een paar minuten later verscheen +Juno met Thomas op het dek. Flink pakte nog eenig timmergereedschap +benevens een paar spaden in de boot, haalde ten laatste de honden nog, +en voor de tweede maal landden zij in de zandige bocht. Thomas staarde +langen tijd als verbijsterd rond, maar sprak geen woord, totdat hij +aan het strand eenige bonte schelpen ontdekte, waarover hij luide +juichkreten aanhief en die hij met beide handen begon op te rapen. De +honden blaften en liepen in hun blijdschap, dat zij eindelijk weer op +vasten grond waren, als dol en uitgelaten heen en weer. Ook Juno lachte +en klapte in de handen, toen zij in het rond zag, en zeide tot Flink: +"Wat ijselijk mooi land hier is, hier ikke wel wonen wil." + +"Nu zal ik een tijdlang met u aan land blijven, mijnheer Wilson," +zeide de oude zeeman. "Eerst willen wij het geweer laden, en dan moet +gij dien kleinen jongeheer eens terechtzetten, die merk ik, alles +met handen voelen en tasten moet. Wij met ons beiden zullen het zeil +hierheen dragen; Juno kan het gereedschap nemen, en dan hebben wij +nog eene vracht aan de spieren, het touw en wat wij meer vinden. Kom, +kleine handjegauw, gij kunt althans een van de spaden dragen en dan +zijt gij toch ook tot iets nut. Geen van ons mag vandaag luieren." + +Na eene lading op de kleine, vroeger door Flink gekozen hoogte gebracht +te hebben, keerden zij naar het strand terug en haalden de spieren +en het verdere gereedschap. Thomas droeg deze tweede reis de andere +schop en was niet weinig trotsch, dat men hem zoo goed gebruiken kon. + +"Deze beide boomen zijn volmaakt tot ons doel geschikt," zeide Flink, +"en staan ook juist ver genoeg van elkander. Wij moeten de spieren +daar bovenaan vastbinden en dan het zeil daarover werpen, dat hierop +aan weerszijden met pinnen in den grond wordt vastgemaakt. Dat is +althans voldoende voor een begin; de volgende reis breng ik nog meer +zeildoek over en dan maken wij tusschen gindsche twee boomen nog een +tweede tent. Dan hebben we voor 't minst toch onze twee tenten: de +eene voor mevrouw, Juno en de beide jongens, de andere voor Willem, +onzen knappen Thomas hier en ons beiden. Nu, mijnheer, zal ik u de +spieren nog helpen vastmaken. Het overige moet ik dan aan uw eigen +zorg overlaten, om spoedig weer aan boord terug te zijn." + +"Hoe kunnen wij echter zoo hoog reiken, Flink?" + +"Wel, dat is zeer eenvoudig. Wij binden eerst de eerste spier zoo +hoog als wij met gemak doen kunnen; dan klimmen wij daarop en brengen +de volgende waar zij behoort. Ik zal nog eene spier aan wal brengen, +die voor de tweede tent kan dienen." + +Zoodra de spier op de vereischte hoogte vastzat, wierpen zij het +zeil daarover en bij het uitbreiden daarvan bevonden zij, dat zij +eene zeer bruikbare tent van behoorlijke hoogte verkregen hadden. + +"Nu, mijnheer, ga ik weer naar boord. Gij kunt inmiddels van het hout +daar prikken snijden en het zeil daarmee in den grond vastslaan. Als +gij dan met de schop den tentrand met zand bedekt, dat de einden +neerdrukt, zal alles redelijk goed sluiten. Hier is mijn mes, zoo +gij er zelf geen bij u hebt." + +"Ik zal in alles mijn best doen," verzekerde mijnheer Wilson. "Als +ik zoover ben, kan Juno mij het doek vast helpen aantrekken." + +"Goed; en onderwijl neemt Juno eene schop en maakt den grond onder +de tent schoon en effen, ruimt alle dorre kokosbladeren weg en ziet +daarbij wel toe, dat er niet het een en ander ongedierte onder schuilen +blijft. Gij kleine Tom, moet niet wegloopen en moogt ook niet bij de +bijlen komen, want zoodra ge die aanraakt, snijden ze u. Ook moeten +wij afspraak maken, mijnheer, dat gij, zoodra u iets overkomt en gij +mij noodig hebt, dadelijk het geweer lost. In een oogenblik ben ik dan +bij u. Maar dat is wel niet waarschijnlijk," besloot Flink eindelijk, +ging naar de baai, stapte in de boot en roeide naar het schip terug. + + + + + + + +TIENDE HOOFDSTUK. + +LANDING. + + +Na zijne komst aan boord ging Flink eerst in de kajuit, om mevrouw +Wilson te vertellen wat er al gedaan was. Deze was natuurlijk +eenigszins bezorgd, dat haar man zoo alleen was achtergebleven; maar +Flink stelde haar weder gerust en zeide haar, hoe hij met mijn heer +Wilson was overeengekomen, dat deze bij het geringste onraad door +het losbranden van zijn geweer een teeken geven zou. + +Hierop begaf hij zich naar de zeilkooi, om eenig doek, een nieuw +bramzeil benevens bindtouw, naalden en zeilgaren te halen. Nauwelijks +had hij dit opgepakt, toen op eens, juist toen hij zijn voet op de +trap zette, de knal van een geweer gehoord werd en mevrouw Wilson, +doodelijk verschrikt, uit de kajuit kwam vliegen. De oude man nam +oogenblikkelijk een ander geweer, liet zich daarmee in de boot +afzakken en repte zich, wat hij kon, naar de kust. Toen hij geheel +buiten adem aanlandde, vond hij mijnheer en Juno aan de tent bezig, +Thomas zat daarbij en schreide en snikte al zijn best. Gelijk nu bleek, +was de kleine deugniet, terwijl de anderen druk aan 't werk waren, +naar het geweer geslopen, dat men tegen een boom had gezet. Na het +een poosje van alle kanten bekeken te hebben, kwam hij met de hand +aan den trekker. Het schot viel. Daar echter de tromp van 't geweer +gelukkig naar boven gericht was, deed het niemand schade, ofschoon +het den kleinen schutter toch duur te staan had kunnen komen,--en +wee onzen Thomas, als die hem op het hoofd ware gevallen! Hij zou +er dood onder gebleven zijn. Zijn vader, die wel begrijpen kon wat +ontsteltenis dat schot aan boord veroorzaken moest, had hem duchtig +onder handen genomen, en daar zat Thomas nu en schreide tranen met +tuiten, om te toonen, hoe bitter berouw hij had. + +"'t Zal wel het best zijn, dat ik dadelijk terugroei en mevrouw zeg +wat hier gebeurd is," zeide Flink. + +"Ja, doe dat, mijn goede vriend," bad mijnheer Wilson hem. + +Dus keerde de oude man naar het schip terug en berichtte het +voorgevallene. Vervolgens ging hij aan zijn arbeid. Vooreerst liet +hij des zeilmakers zak met al het noodige, als priemen, garen, +enz., in de boot neer, vervolgens twee matrassen en beddedekens uit +de bovenkajuit, de bakpan met het pekelvleesch en eindelijk nog een +spier, die hij weder achter aan de boot vastmaakte. Daarmee had hij +zijne lading overvol; doch daar hij anders geen volk inhad, kwam +hij nog al spoedig over. De twee aan land hielpen hem alles naar de +hoogte overbrengen en hier werd de nokbalk der tweede tent spoedig +aan twee andere boomen vastgehecht. Juno had de eerste tent van binnen +netjes schoongemaakt en daarbij, naar zij verzekerde, geenerlei dier +of insect onder het dorre loof gevonden. Voordat Flink vertrok, gaf +hij Thomas een stok in de hand en zeide hem op het vleesch te passen +en toe te zien, dat de honden daar niet bij kwamen; waarop Thomas, +die al weer in vroolijk humeur was, zijn stok schouderde en zoo +parmantig op schildwacht stond als een oud grenadier. + +Onze stuurman roeide nog tweemaal naar het schip en bracht meer +beddegoed, een zak met scheepsbeschuit, een tweeden met aardappelen, +borden, messen, lepels, vorken en allerlei keukengereedschap van +daar mede. Hierop wees hij Juno, hoe zij de einden van de eerste +tent met het garen en 't zeildoek, dat hij had meegebracht, aaneen +moest hechten; zoodat de tent rondom dicht en goed gesloten werd; en +Juno nam naald en draad en piekte er dapper op los. Uiterst voldaan, +dat het meisje zoozeer haar best deed en zich zonder vreemde hulp +redden kon, zei Flink ten laatste: "Mijnheer, wij hebben nog maar +twee uren dag en het begint dus tijd te worden, dat ook mevrouw van +het schip komt. Als ge 't goedvindt, willen we gaan en haar met de +kinderen halen. Voor den eersten nacht aan land zullen wij het, denk +ik, vrij goed hebben. Zoo 't weer goed blijft, kunnen wij morgen een +heel stuk verder komen,--en waarlijk, 't is noodig dat wij, zoolang +het zóó blijft, ons uiterste best doen, om alles aan wal te krijgen, +daar één duchtige storm het wrak waarschijnlijk geheel in stukken +zal slaan. Ik heb alles zelf mee in het ruim helpen stuwen en weet +de meeste dingen daar te vinden ofschoon wij er, vrees ik, niet veel +meer uit zullen krijgen, dat ons van dienst kan zijn." + +Aan boord gekomen, ging mijnheer Wilson zijne vrouw dadelijk het +voorstel doen, om thans mee aan land te gaan. Zij was zeer aangedaan en +nog zwak en ongesteld, maar toch hield zij zich recht moedig en kwam, +ondersteund door haar man, op het dek, waarheen Willem met zijn kleine +broertje op den arm volgde, terwijl Flink zijne zuster Caroline aan +de hand leidde. Het koste vrij wat moeite om allen goed in de boot te +krijgen; maar dit gelukte toch eindelijk. De arme vrouw was echter +zoo zwak, dat haar man haar in zijne armen overeind moest houden en +zijn riem aan Willem overgeven. Zij landden gelukkig en brachten de +zieke in de tent, waar men haar op een der bedden nederlegde. Zij +verzocht om een weinig water. + +"En ik, oude domkop, heb vergeten dat mee te nemen; doch ik ga het +terstond halen," riep Flink. "Zoo druk allen mogelijken voorraad +over te slepen en toch het allernoodzakelijkste voor den mensch te +vergeten! Wij moeten zoo spoedig mogelijk hier op dit eiland naar +water omzien daar dit ons vrij wat moeite kan besparen." + +Flink keerde zoo snel mogelijk naar boord terug en bracht twee vaatjes +water mede, welke hij en Willem naar de tent rolden. + +"Voor vandaag heb ik nu mijne laatste reis gedaan," zeide de oude +man. "Ik ben moe--doodmoe." + +"Dat geloof ik wel, mijn goede vriend," antwoordde mijnheer +Wilson. "Gij hebt vele nachten achtereen gewaakt en over dag hard +gearbeid. Aan verder werk moet gij heden niet meer denken." + +"En ik heb geen eten geproefd vandaag en zelfs geen druppel water +over mijne lippen gebracht," vervolgde Flink en zette zich op den +grond neder. + +"Hoe is het, beste Flink, zijt gij niet wel?" vroeg Willem. + +"Een beetje flauw, mijn jongen; ik ben niet meer zoo jong als +vroeger. Kunt ge mij wat water aanreiken?" + +"Wacht, Willem, dat zal ik doen," zei zijn vader en haalde een tinnen +kan, die hij pas voor zijne vrouw gevuld had. "Hier, Flink, drink en +wel bekome 't u!" + +"Het zal spoedig beter zijn, mijnheer. Ik zal mij een poosje neerleggen +en dan een beschuit met wat vleesch gebruiken." + +De goede oude man was werkelijk geheel uitgeput, doch na iets +gegeten te hebben, voelde hij zich spoedig veel beter. Juno was zeer +ijverig. Ze had aan de kinderen wat pekelvleesch en beschuit gegeven; +de jongste, benevens Thomas en Caroline, waren te bed gebracht, +en de tweede tent was genoegzaam gereed. + +"Voor dezen nacht zal het zeer goed gaan, Juno," zeide haar +meester. "Wij hebben vandaag veel afgedaan en de rust zal daar goed +op smaken." + + + + + + + +ELFDE HOOFDSTUK. + +HET ONTBIJT. + + +Mijnheer Wilson was den volgenden ochtend de eerste die ontwaakte en +opstond. Hij verliet de tent en liet de oogen in het rond gaan. De +hemel was helder als kristal. Een frisch morgenwindje streek over +de watervlakte en de kleine golfjes speelden op het witte zand +van de bocht. Aan de linkerzijde van deze klom het land tot kleine +heuvels op, boven welke zich de voortzetting van het kokosbosch statig +verhief. Rechts rees eene lange reeks koraalriffen genoegzaam loodrecht +uit de zee op en paalde aan het frissche groen der heuvelhelling en aan +het struikgewas, terwijl het wrak van De Vrede zich, als hoofdfiguur +in deze schilderij, zwart en roerloos, als een gestrand zeemonster, +aan den toeschouwer vertoonde. De zon brandde, waar zij hare stralen +werpen kon, doch onder de kokosboomen, waar Wilson stond, was eene +koele verkwikkende schaduw. + +De uitnemende schoonheid van dit tooneel, hoewel eenigszins gematigd +door de treurige vertooning van het gestrande vaartuig, maakte een +diepen indruk op den bekommerden huisvader, die daar in diep nadenken +verzonken stond. + +"Ja," dacht hij, "ware ik de wereld en hare beslommeringen moe geweest +en had ik een oord gezocht, waar vrede en schoonheid om den prijs +dingen, ik zou dat hier gevonden hebben. Hoe heerlijk is dat gezicht +hier! Wat kalmte, wat zoeten weemoed wekt het op? Hoe genadig zijn wij +bewaard, toen alle hoop reeds verdwenen scheen; hoe weldadig werden +wij verzorgd na onze werkelijke redding--en toch--toch waagde ik het +te klagen, toen vurige dankbaarheid mijn eenig gevoel had behooren +te zijn!" + +Hij keerde naar zijne tent terug. Willem, Thomas en stuurman Flink +lagen nog in diepen slaap. "Brave oude man," sprak hij bij zichzelf, +"als wij ooit weder in de woelige samenleving terugkeeren, zal uwe +goedheid haar loon erlangen; voor zoover het in mijne macht staat u te +vergelden. Een edel hart is hier onder de ruwe schors verborgen. Zonder +zijne verknochtheid,--zijne voorbeeldelooze zelfopoffering, zou ik, +zouden deze lieve hulpelooze wezens niet meer bestaan!" + +De honden, die in de tent gekropen waren en zich nevens Willem en +Thomas op de matrassen hadden neergelegd, rezen nu op en naderden +vleiend hun meester. Deze beweging deed Willem ontwaken. Zijn vader +gaf hem een wenk, dat hij Flink niet wekken moest, en zachtjes kleedde +hij zich aan en kwam buiten. + +"Zal ik niet liever Juno wekken, vader?" vroeg hij. "Ik kan dat +denkelijk wel doen zonder moeder te storen." + +"Doe het dan, mijn jongen, ik ga onderwijl zien, wat voor +keukengereedschap Flink al aan land heeft gebracht." + +Willem was spoedig terug en berichtte, dat moeder nog gezond en vast +sliep en dat Juno was opgestaan, zonder haar of de beide kleinen +wakker te maken. + +"Goed, dan zullen wij zien, of we niet een ontbijt voor hen gereed +kunnen maken, Willem. Deze dorre kokosbladeren zullen heerlijk +branden." + +"Maar, vader, waar krijgen wij het vuur vandaan? Wij hebben geen +tondeldoos en ook geen zwam of vuurslag." + +"Neen, maar er zijn nog andere middelen, mijn zoon, ofschoon de tondel +meestal daarbij noodig is. De wilden maken vuur door een week stuk +hout tegen een hard voorwerp aan te wrijven. Ik vrees, dat ons dit +niet zoo spoedig gelukken zou; maar wij hebben kruit en kunnen dit +als tondel gebruiken, als wij 't nat maken en op een stuk papier of, +nog beter, op zacht hout wrijven. Het kruit aansteken kunnen wij op +tweeërlei manier: door middel van steen en vuurslag, of anders met +behulp van een brandglas." + +"Maar een brandglas hebben wij niet." + +"Neen; maar wij kunnen er een uit een verrekijker nemen als wij weer +eens aan boord komen. Voor 't oogenblik hebben wij geen ander middel +dan met het geweer." + +"Maar, vader, als ons vuur aan is, wat zullen wij dan nog koken? Wij +hebben immers thee noch koffie." + +"Dat is waar; ik geloof niet, dat wij een van beide rijk zijn." + +"Aardappelen hebben wij wel, vader." + +"Ja, mijn jongen; maar dunkt het u niet beter, dat wij ons +vooreerst met koud vleesch en beschuit behelpen en de aardappelen +sparen? Misschien hebben wij die alle noodig om te poten. Doch +waarom gaan wij niet zelven aan boord van het schip? Gij kunt de +riemen vrij goed hanteeren en wij moeten thans leeren arbeiden en +niet alles aan den braven Flink overlaten. Het zal nog wel een tijd +aanhouden, voordat wij zoo handig en op alles gevat zijn als de oude +man, maar al doende leert men, en wij willen ten minste onzen goeden +wil toonen. Kom, Willem." + +Zij gingen naar de bocht. De kleine boot lag nog aan het strand en +schommelde zacht op de spelende golven. Zij bonden ze los en stapten +er in. + +"Ik weet, waar de kok zijne thee en koffie bewaarde, vader," zei +Willem onder het roeien. "Moeder zal die gaarne bij haar ontbijt +hebben, en ik kan ook de geiten melken voor kleinen Albert." + +Hoewel geen van beiden in het roeien zeer bedreven, kwamen zij toch +spoedig aan de zijde van het wrak en klommen zonder moeite aan boord, +na de boot eerst stevig te hebben vastgebonden. + +Willem liep eerst naar de kajuit om thee en koffie te zoeken en liet +zijn vader inmiddels andere benoodigdheden bijeenpakken, terwijl bij +de geiten melkte en de melk in een tinnen schotel deed. Vervolgens +goot hij ze in een zuivere flesch over, opdat zij niet zuur zou worden +en keerde toen naar zijn vader terug. + +"Ik heb deze beide korven met eene menigte dingen gevuld, die uwe +moeder zeer welkom zullen zijn, Willem. Wat zullen wij verder nog +meenemen?" + +"Dezen verrekijker in allen gevalle, lieve vader; en dan willen wij +alle kleeren en linnengoed inpakken;--dat zal moeder verrassen. Het +linnen ligt in de koffers; wij zullen er zeildoek omheen slaan. En dan, +vader, zullen we ook eenige van de boeken meebrengen." + +"Dat is uitmuntend, Willem," antwoordde de vader. "Ik wil eerst alles +inladen en dan terugkomen en het overschot halen." + +Binnen het uur waren zij weer aan land. Daar vonden zij Juno, die +zich intusschen gewasschen had en nu aan de bocht op hen wachtte, +om hen bij het lossen behulpzaam te zijn. + +"Wel, Juno, hoe hebt gij 't van morgen?" + +"Ikke heel goed, massa," was haar antwoord en op 't helder water +wijzende, vervolgde zij: "Daar zwemmen geducht veel visch hier." + +"Ja, als wij maar vischtuig hadden," antwoordde mijnheer Wilson. "Flink +zal wel ergens haken en snoeren voor ons weten op te schommelen. Kom, +meid, breng dezen bundel linnen naar uwe tent; het overige kunnen +wij alleen wel bezorgen." + +"En neem ook deze flesch melk, Juno; ik heb haar voor kleinen Albert +meegebracht," zeide Willem. + +"Dankje, dankje wel, massa Willem; datte heel zoet zijn van jonk +massa." + +"En haast u maar wat, Juno; want daar is Thomas ook al op de been en +springt in zijn hemd rond." + +Bij de tenten vonden zij allen wakker, met uitzondering van den ouden +stuurman, die nog zeer vast scheen te slapen. Mevrouw Wilson had een +zeer goeden nacht gehad en voelde zich verfrischt en gesterkt. Willem +wreef een stuk papier met kruit in en bracht het door de glazen van +den kijker aan het branden, waarop spoedig een helder vuur vroolijk +opvlamde. Zijn vader had onderwijl aan het strand drie groote steenen +gezocht, waarop de ketel geplaatst werd; en na een half uur kookte +het water en was de thee gezet. + + + + + + + +TWAALFDE HOOFDSTUK. + +DE HAAIEN. + + +Juno had de kinderen naar de bocht meegenomen en, tot aan de knieën +in het water wadende, hen daarin gedompeld, als het eenvoudigste +middel om hen te wasschen. Vervolgens had zij hen aangekleed en aan +mevrouw overgegeven, waarna zij Willem de kopjes en borden voor het +ontbijt hielp bijeenzoeken. Alles werd sierlijk en net tusschen de +beide tenten op den grond uitgezet en toen sloeg Willem voor, den +goeden ouden Flink te wekken. + +"Doe dat mijn jongen, nu is het tijd;--hij zal ook wel iets tot +ontbijt willen hebben." + +Willem trad op Flink toe en tikte hem zacht op den schouder. + +"Hoe is 't, Flink, hebt gij nu goed uitgeslapen?" vroeg hij, toen de +oude man opstond. + +"Ja, beste jongen. Ik ben terdeeg onder zeil geweest, dunkt mij; +maar nu wil ik mij haasten en zien, of ik wat tot ontbijt voor u +allen klaar kan krijgen." + +"Doe uw best maar," was Willems lachend antwoord. + +Het aankleeden kostte Flink weinig moeite of tijd, daar hij bij +'t slapen gaan enkel zijn buis had uitgetrokken. Hij schoot dit +weer aan en kwam toen buiten. Hoe vreemd stond hij te kijken, toen +hij het gansche gezelschap met mevrouw Wilson, die met den kleinen +was meegekomen, verzameld vond aan 't ontbijt, dat op den grond +gereedstond. + +"Goeden morgen, Flink," zeide mevrouw Wilson en reikte hem vriendelijk +de hand. Ook haar man schudde de zijne en wenschte hem goedenmorgen. + +"Gij hebt een langen, vasten slaap gehad, Flink," zeide hij, "en ik +wou u na dien zwaren dag van gisteren niet te vroeg wekken." + +"Ik dank u voor uwe goedheid, mijnheer, en ben hartelijk blij, mevrouw, +dat ik u zoo wel vind," antwoordde de oude man. "Ik heb geen berouw +over mijn lang slapen, nu ik zie, dat gij allen u ook zonder mij zoo +kostelijk redden kunt." + +"Ja, maar juist dat kunnen wij niet, vrees ik," hernam mevrouw +Wilson. "Wat zou zonder u en zonder uwe goedheid van ons geworden +zijn?" + +"Wij kunnen wel een ontbijt zonder u gereedmaken," zeide haar man; +"maar zonder u, brave vriend, hadden wij dat op dit oogenblik niet +meer noodig gehad. Onder het eten zullen wij u alles vertellen wat +wij gedaan hebben." + +Terwijl zij nu bij elkaar zaten, vertelde Willem zijn vriend, +hoe zij naar boord geroeid waren en wat zij van daar al hadden +medegebracht. Hij zeide hem ook, hoe Juno de kleinen in het water +had laten spartelen en hoe dat zeebad allen zoo goed bevallen was. + +"Maar dat mag Juno volstrekt niet meer doen," sprak Flink "voordat +ik eerst goed onderzoek gedaan heb. Gij weet wel, dat rondom deze +eilanden haaien in menigte loeren en dat het daarom hoogst gevaarlijk +is, in het water te gaan." + +"Mijn God, lieve man, wat gevaar zijn onze kinderen daar dan weer +ontkomen!" riep de bezorgde moeder met innerlijke huivering. + +"Dat is waar," vervolgde Flink. "Evenwel zijn die booze gasten minder +talrijk aan de loefzijde van de eilanden, ofschoon deze vlakke baai +eene al te geschikte plaats voor hen is, dan dat zij er niet dikwijls +komen zouden. Dus, Juno, zou ik u raden, niet weer te water te gaan, +voordat ik eene plek heb opgezocht, waar gij veilig baden kunt. Nu +echter is daar nog geen tijd toe, en zoodra wij uit het schip alles +aan wal hebben, wat ons dienstig is, moeten wij eerst overleggen, +of wij hier blijven willen of niet." + +"Hier blijven of niet, Flink hoe meent gij dat?" + +"Wij hebben hier tot nog toe geen water gevonden en dit is toch de +eerste behoefte des levens;--als er op deze zijde van 't eiland geen +water te vinden is, moeten wij onze tenten ergens anders opslaan." + +"Dat begrijp ik, zal noodig wezen," antwoordde de heer Wilson. + +"Ik wenschte wel, dat wij tijd hadden om eenig onderzoek te doen." + +"Dat kunnen wij ook; maar wij mogen daarom het fraaie weer niet +ongebruikt laten voorbijgaan. Morgen kan het licht weer stormen en +dan hebben we geen gelegenheid om iets van boord te krijgen. Het zou +goed zijn, dat wij thans opbraken, mijnheer: gij, Willem en ik. Gij +en uw zoon blijven aan boord, om het noodzakelijke bijeen te zoeken +en ik zal de goederen in de bocht brengen, waar Juno ze afhaalt." + +In den loop van den dag haalden zij nog eene menigte dingen, waarvan +zij verwachten konden in de toekomst dienst te zullen hebben. Nog vóór +den middag waren de kleinere zeilen en al het touwwerk, bindgaren +en doek, verder kleine tonnen, zagen, beitels en groote spijkers, +eindelijk planken van iepen- en eikenhout aan wal gebracht. Na het +gebruiken van een hartig maal begonnen zij den arbeid opnieuw. Stoelen +en tafels uit de kajuit, de gezamenlijke kleedingstukken, eenige +kisten met kaarsen, twee balen koffie, twee met rijst en twee met +scheepsbeschuit, verscheidene stukken rund- en varkensvleesch, +zakken met meel (men had veel moeite gedaan, om een geheel vat +naar boven te krijgen, doch dit was niet gelukt), dan eindelijk de +slijpsteen, nog meer drinkwater en mijnheer Wilson's huisapotheek +werden achtereenvolgens ontscheept. Toen Flink andermaal terugkwam, +zeide hij: "Onze boot begint sterk te lekken en zal niet veel reizen +meer doen kunnen, voordat ik ze gebreeuwd heb. Ook heeft Juno nog +niet de helft van 't goed naar de tenten gebracht; de last is voor +één persoon te zwaar. Me dunkt, we kunnen het er heden bij laten, +mijnheer Wilson, als wij voor den donker maar eerst al de dieren +aan land hebben. Ik wil die niet gaarne aan hunne eigen zwemkunst +overlaten en toch zijn het lastige potentaten in eene boot. De koe +kunnen wij niet over krijgen; zij ligt altijd nog en zal ook wel +niet meer opstaan;--zoo gaat het meestal met de beesten. Echter heb +ik haar nog rijkelijk hooi voorgestrooid en als zij niet opstaat, +moet ik haar slachten en het vleesch inzouten." + +Flink ging in het ruim, en het geknor van het varken liet zich +weldra hooren. Hij had het over den rug geworpen en hield het bij de +achterpooten vast. Zoo kwam hij er mee op het dek en liet het toen +over de verschansing in zee neerploffen. Het zwijn spartelde eenigen +tijd besluiteloos rond, maar keerde toen den kop van het schip af en +zwom op het land aan. + +"Het gaat regelrecht op den oever los," merkte Flink aan, die het +met de beide anderen naoogde, maar een oogenblik later riep hij: + +"Ik heb het wel gevreesd,--'t is verloren!" + +"Hoe zoo?" vroeg mijnheer Wilson. + +"Ziet gij dat zwarte ding daar, hoe 't pijlsnel over het water op +het dier toeschiet? Dat is de staart van een haai en nu heeft het +arme beest zijn langsten tijd van het leven gehad.--Kijk, daar gaat +het al!" vervolgde Flink, toen het zwijn met een zwaren slag onder +water verdween. "Die is er geweest. Beter dat stomme dier, dan uwe +lieve kleinen, niet waar, mijnheer Wilson?" + +"Ja, waarachtig!--Misschien is het monster dicht bij hen geweest, +toen Juno met hen in het water stond." + +"De slokop was zeker niet ver uit de buurt," antwoordde Flink; +"maar nu moet hij zich met dien eenen hap tevreden stellen, want meer +krijgt hij van ons niet. Wij zullen nu naar omlaag gaan en de andere +vier varkens de pooten vastbinden; dan brengen wij ze in de boot, +die met al wat er in is, dan hare behoorlijke lading heeft." + +Met de zwijnen in de boot, roeide Flink nu naar land, terwijl vader +en zoon de schapen en geiten op het dek brachten en voor de volgende +reis gereed hielden. + +"Dat zal voor heden de laatste maal zijn," riep de oude man bij zijne +terugkomst, "en, vergis ik mij niet, de laatste maal in vele dagen, +daar de wolken hare koppen ginder weer braaf beginnen op te steken. We +zullen nog een zak met koren voor het vee meenemen, en dan zeggen we +het schip voor een tijdlang vaarwel. Ik heb de koe weer een voorraad +water en hooi voorgezet, maar geloof niet, dat wij haar nog levend +vinden zullen bij onze terugkomst." + +Door de zwaarte van het graan ging de boot ditmaal zeer diep. Echter +brachten zij het gelukkig nog tot den oever, ofschoon ditmaal niet +zonder veel water in te krijgen. Willem dreef de schapen en geiten +naar de tenten, waar zij zich rustig nederlegden; de zwijnen waren +weggeloopen en ook de hoenders hadden zich verstrooid, 't geen trouwens +niet anders te verwachten was. Het strand was geheel overdekt met de +menigte van goederen, die men heden had aangebracht. + +"Wij hebben ons vandaag dapper geweerd, mijnheer Wilson," zeide Flink +met een vergenoegden blik op al dien voorraad, "en ook de kleine +boot heeft zich goed gehouden. Voordat ik haar wat heb nagezien, +mogen wij ons er echter niet weer in wagen." + +Het was hun na het harde dagwerk allesbehalve onaangenaam, dat Juno +voor koffie had gezorgd, en onder het drinken verhaalden zij mevrouw +Wilson, hoe het arme varken op eene zoo gruwelijke wijze door den +haai verslonden was. De moeder drukte bij het hooren hiervan haar +zoontje onstuimig aan het hart, en toen zij haar hoofd weer ophief, +glinsterden tranen van dankbaarheid in hare zachte oogen. Ook de goede +Juno was ontsteld en verzekerde in hare gebroken taal, voortaan wel +zorg te zullen dragen, dat die booze zeeduivels niet bij hare lieve, +kleine massa's komen konden. + +"Wij zullen hier morgen volop te doen hebben met al dat goed uit +te zoeken en het eene behoorlijke plaats te geven," sprak mijnheer +Wilson tot Flink. + +"Wij zullen een langen tijd de handen nog terdege vol hebben," hernam +deze. "Over een paar maanden omtrent kan de regentijd invallen, en +zoo er eenigszins mogelijkheid toe is, moeten wij nog voor dien tijd +onder dak zijn. Zonder eene degelijke beschutting kunnen wij dit weer +niet afwachten, dat zeker tot het einde van het jaar aanhouden zal." + +"Waarmee moeten wij dan eerst beginnen?" vroeg mijnheer Wilson. + +"Morgen zullen wij 't best doen nog een of twee tenten op te slaan, +om al de aan land gebrachte goederen daaronder te bergen. Hierna kunnen +wij eens zien, waar wij onzen rijkdom voor de toekomst bewaren willen, +en ook nagaan, wat ons nogal zoo ontbreekt." + +"Zeer goed; en wat moet er dan gebeuren?" + +"Dan, mijnheer, dienen wij, dunkt me een klein tochtje naar het +binnenste van het eiland te doen en de plek uit te zoeken, waar wij +ons huis zullen opbouwen." + +"Kunnen wij een huis bouwen?" riep Willem verbaasd. + +"Wel zeker, mijn kind; en dat zal ons minder moeite kosten, dan gij +u misschien voorstelt. Er is geen nuttiger boom dan de kokosboom en +daarbij is zijn hout zoo licht, dat wij het gemakkelijk van de plaats +kunnen krijgen." + +"En waarin bestaat dan het groote nut van dien boom?" vroeg mevrouw +Wilson. + +"Dat zal ik u vertellen, mevrouw. Vooreerst geeft hij u hout, om er een +huis van te bouwen; dan hebt gij de schors, waaruit ge touw, koord en, +zoo gij verkiest, ook vischnetten maken kunt; vervolgens de bladeren, +om uwe woning en, wilt ge, ook uw hoofd daar mee te dekken, want men +kan zeer goed hoeden en ook manden daarvan vlechten. Verder hebben wij +de vrucht, eene noot, die zeer goed te eten en ook gekookt voedzaam +en lekker is. In de jonge noot is de zeer gezonde melk besloten +en bovendien geeft zij nog lampolie en hare schil drinknappen en +veldflesschen, als men die anders niet heeft. Eindelijk kan men nog een +wijn uit den boom tappen, die versch gebruikt een aangename drank is, +maar bedwelmt en dronken maakt, als hij langer bewaard wordt; en van +dezen wijn kan men dan ook een zeer sterken drank brouwen. Oordeel nu +zelve maar eens, mevrouw: kent gij een anderen boom, die den mensch +zooveel nut aanbrengt en hem, zooals deze, bijna van al wat hij noodig +heeft, voorziet?" + +"Waarlijk, daar heb ik nooit iets van geweten," was het antwoord. + +"In allen gevalle zijn hier boomen in menigte," zeide Willem. + +"Ja, ja, mijn jongen, daar is hier geen gebrek aan; en dat verheugt +mij hartelijk, want als er maar weinig waren, zou ik er niet gaarne +een van omhouwen. Misschien konden in het vervolg nog anderen hier +schipbreuk lijden en daarbij het noodzakelijkste missen, zoodat zij +gedwongen waren, geheel alleen van de weinige kokosboomen te leven." + +"Maar nu, geloof ik, zou 't voor allen goed zijn, dat wij te bed +gingen," zeide mevrouw Wilson. + + + + + + + +DERTIENDE HOOFDSTUK. + +EERSTE VERRICHTINGEN OP HET EILAND. + + +Wij kunnen voortaan in de geschiedenis van ons gezelschap op het eiland +niet meer, als tot hiertoe, de dagelijksche verrichtingen optellen, +daar wij genoeg te doen zullen hebben met de belangrijkste voorvallen +en ontmoetingen van elken dag behoorlijk te vermelden. Den volgenden +morgen na het ontbijt zeide Flink: + +"Nu, mijnheer Wilson, moeten wij krijgsraad houden en aangaande een +ontdekkingsreisje op morgen een besluit nemen. Is dit bepaald, dan +zullen wij wel middel vinden, om dezen dag verder op eene nuttige +wijze te besteden. De eerste vraag is: wie zullen mee van de partij +zijn? Mag ik weten, hoe gij daarover denkt?" + +"Wel, vriend," antwoordde mijnheer Wilson, "mij dunkt, wij beiden, +gij en ik, zullen gaan." + +"Toch beiden niet te gelijk, lieve man?" viel zijne vrouw hem in de +rede. "Gij kunt u ook wel zonder mijn man redden, niet waar, Flink." + +"Ik had zeker wel gewenscht mijnheer Wilson en zijn goeden raad bij mij +te hebben," was het antwoord; "maar ik heb er ook al over nagedacht en +geloof zelf, dat de kleine Willem geene toereikende bescherming voor u +is; of althans zoudt gij hem daar niet voor houden, en dat komt voor +uwe bezorgdheid nagenoeg op 't zelfde uit. Dus, als mijnheer er niet +tegen heeft, zal 't het best zijn, dat hij u gezelschap blijft houden." + +"Wilt gij echter geheel alleen gaan, Flink?" vroeg de heer Wilson. + +"Neen mijnheer; ik geloof niet, dat dit goed en verstandig zou zijn. Er +kon mij immers een ongeluk overkomen, want niemand kan zeggen, wat +er gebeuren kan. Ofschoon er alle schijn van veiligheid voorhanden +is. Daarom wenschte ik wel iemand bij mij te hebben; de vraag is maar, +of dat Willem of Juno zal zijn." + +"Neem mij mee!" riep Thomas op eens. + +"U meenemen, kleine man!" zei Flink lachend; "dan diende ook Juno mee +te gaan, om op u te passen. Neen, men kan u hier zeker niet missen; +uwe moeder zou verlegen staan, als gij weg waart. Gij kunt zoo mooi +brandhout en drooge prikken opzamelen en op uw zusje en kleine broertje +passen, dat moeder zonder u geen raad meer weten zou. Dus moet Juno +of broer Willem met mij gaan." + +"En wien van beiden hadt gij 't liefst, Flink?" vroeg mevrouw Wilson. + +"Uw zoon Willem, mevrouw,--hem verreweg 't liefst, als gij hem aan +mijne zorg wilt toevertrouwen. Ik vreesde enkel, dat gij misschien +zwarigheid zoudt maken." + +"Ik heb het liever niet; ik zou mij liever een poos lang zonder Juno +behelpen," antwoordde de moeder. "Maar neen, ik heb ongelijk, lieve +man," vervolgde zij zich tot haren man wendende, die haar bestraffend +aanzag. "Ja, ik heb ongelijk. Ziekte en lijden hebben mij niet alleen +zwak en vreesachtig, maar, vrees ik, ook zelfzuchtig gemaakt. Ik +wil mij daartegen verzetten. Tot hiertoe ben ik u lang tot last en +bezwaar geweest, maar dat zal, hoop ik, eerlang beter worden en dan +zal ik mij ook nuttig zoeken te maken. Zoo gij 't beter acht, lieve +Wilson, dat gij zelf, in plaats van Willem, met Flink gaat,--ik ben +er nu niet meer tegen, 't was heusch zeer verkeerd van mij, dat ik er +mij een oogenblik tegen verzette. Ga dus gerust met onzen vriend mede." + +"Dat mijnheer meegaat is niet noodig, mevrouw," hernam Flink; "uw +wakkere Willem kan mij dezelfde diensten doen. Geloof mij, ik zou +van harte gaarne alleen gaan: ik heb geen vrees, dat mij iets kwaads +bejegenen zal; maar toch weten wij niets van den dag van morgen. Ik +kon immers ook ziek,--kon door eenig toeval overvallen worden, ik +ben een oud man; en dan, dacht ik, als mij een ongeluk trof, kondt +gij mij missen. Dat is alles;--ik zeide 't niet uit eigenbelang." + +"Daar ben ik volkomen van overtuigd, mijn goede oude vriend," +antwoordde mevrouw Wilson; "maar eene moeder is soms al heel dwaas +en onverstandig." + +"Vergeef mij, mevrouw, niet dwaas, zooals gij zegt; slechts soms al +te bezorgd en angstvallig." + +"Genoeg, Flink. Onze Willem zal dan met u gaan, dat is bepaald en +besloten," besliste de vader ten laatste. "Wat is nu aan de beurt?" + +"Vooreerst moeten wij ons nu tot onzen marsch gereedmaken. Wij moeten +wat mondkost en wat water bij ons hebben, daarbij een geweer en kruit, +eene groote bijl voor mij en een kleinere voor mijn reismakker. Ook +zal het goed zijn, dat Romulus en Remus meegaan; het dashondje kunt ge +hier bij u houden. Gij, Willem, kunt nu dadelijk vier halve fleschjes +met water vullen, terwijl ik voor ieder van ons een linnen knapzak +in elkander naai." + +"En wat zal ik doen?" vroeg mijnheer Wilson. + +"Gij, mijnheer, zoudt ons een grooten dienst kunnen doen, als +gij zoo goed waart, deze twee bijlen op de slijpsteen wat aan te +scherpen. Thomas zal wel draaien. 't Is een sterke, fiksche jongen en +frisch te arbeiden is altijd zijn lust en zijn leven." Thomas stond +dadelijk op. Hij was juist sterk genoeg, om den steen rond te draaien; +maar gewoonlijk wilde hij liever spelen dan werken. Nu de oude man +echter gezegd had, dat dit laatste zijn lust was wilde hij dat ook met +de daad bewijzen en sloofde zich af, wat hij kon. Flink zat daarbij +zijne reiszakken te naaien, en zoo vaak onze jongeheer lust gevoelde +om het werk te staken, prees Flink hem, dat hij zich zoo dapper weerde +en vertelde aan zijne moeder welk een knappe jongen hij was. Zoo dan +ging Thomas, die zich gaarne hoorde prijzen, met zijn werk voort, +totdat de zweetdruppels hem op het voorhoofd stonden. Vóór het avond +werd, waren de bijlen geslepen, de zakken klaar en was alles gereed +voor den volgenden morgen. + +"Wanneer wilt gij morgen op weg gaan, Flink?" vroeg mevrouw Wilson. + +"Het zal goed zijn, dat wij met het eerste daglicht opbreken, daar +de hitte zoo vroeg nog niet sterk is." + +"En tegen wanneer denkt gij terug te zijn?" + +"Ja, zie, mevrouw, wij hebben voorraad voor drie dagen bij ons. Als +wij morgen, Woensdag, in de vroegte opstappen, kunnen we misschien +Vrijdagavond hier terug zijn. In allen gevalle denk ik niet, dat het +later dan Zaterdagochtend worden zal." + +"Goeden nacht, dan--en vaarwel, lieve moeder!" zeide Willem. "Ik zal +u morgen vroeg niet meer zien." + +"God zegene en behoede u, mijn lief kind!" sprak deze. "Pas toch vooral +goed op hem, Flink! En ook gij--goede reis en tot spoedig wederzien!" + +De beangste moeder ging in hare tent, om de tranen te verbergen, +die zij niet kon weerhouden. "Het is nog geheel nieuw voor haar," +merkte Flink aan; "als zij er meer aan gewoon is, zal eene korte +scheiding haar zoo hard niet meer vallen." + +"Dat vertrouw ik ook," antwoordde haar echtgenoot; "maar zij is nu +nog zenuwachtig en ongesteld; en in aanmerking nemende, dat zij tot +dusverre zelden langer dan een uur van hare kinderen gescheiden +is geweest en haar zoon nu weggaat, zonder dat zij zelfs weet +waarheen,--houdt zij zich, dunkt mij, nog al vrij standvastig." + +"Ja, waarlijk, mijnheer, dat doet zij," erkende Flink; "de angst eener +moeder is even natuurlijk als hare liefde. In allen gevalle wil ik, ook +indien ik alles wat ik wenschte niet op eenmaal verrichten kan, toch +op den bepaalden dag terug zijn en dan later nog eens een reisje doen." + +"Doe dat, Flink; dat zal haar geruststellen. En nu, vaarwel; wees +voorspoedig en moogt gij uw doel bereiken!" + + + + + + + +VEERTIENDE HOOFDSTUK. + +EERSTE UITSTAPJE OP HET EILAND. + + +Nog vóór de zon was Flink op en wekte ook Willem uit den +slaap. Zwijgend kleedden zij zich aan en vermeden elk gerucht, +dat de moeder had kunnen doen ontwaken. Hunne reiszakken waren +reeds gepakt. In ieder was een portie vleesch, dat zij dadelijk +onder elkander verdeeld hadden, benevens twee waterfleschjes, in +kokosbladeren gewikkeld, opdat zij minder licht breken zouden. Flink, +die den grootsten reiszak droeg, had nog beschuit en verscheidene +andere dingen bij zich, waarvan hij zich voor het geval van nood had +voorzien. Om het lijf had hij twee strikken geknoopt, om, als dit +vereischt werd, de honden daaraan vast te binden. + +Zoodra zij de reiszakken hadden omgehangen, nam Flink bijl en geweer +en vroeg Willem, of hij wel dacht een kleine spade, die zij te gelijk +met de schoppen van het wrak gehaald hadden, op den schouder te kunnen +dragen. De knaap antwoordde toestemmend. De honden, die schenen te +weten, dat zij meegaan mochten stonden klaar, en nu ging de oude man +naar een der watertonnen, nam zelf een duchtigen slok, spoorde Willem +tot hetzelfde aan en liet toen ook de honden drinken, zooveel zij +lustten. Hierop, juist toen de zon aan den hemel opging, traden zij +het kokosbosch in en hadden de tenten spoedig uit het gezicht verloren. + +"Nu, reiskameraad," begon Flink en stond stil, toen zij een twintig +schreden ver waren, "weet gij ook, op welke wijze wij den terugweg +vinden kunnen? Gij ziet, in het dichte bosch konden wij licht verdwalen +en er is geen pad, dat ons dan leiden zou." + +"Neen, waarlijk, dat weet ik niet; ik dacht daar juist aan, toen gij +er over begont, en ook Klein Duimpje viel mij in, die broodkruimels +uitstrooide om zijn weg weerom te vinden, maar hem toch niet vond, +omdat de vogels zijne kruimels hadden opgepikt." + +"Ge ziet dus, dat Klein Duimpje de zaak niet goed overlegd had, en +wij moeten het hem zoeken te verbeteren. Wij moeten doen, zooals de +Amerikanen doen in hunne bosschen: wij moeten de boomen merken. Dit +geschiedt door een enkelen slag met de scherpe bijl een kerfje in de +schors van den boom te houwen, dat hun tot teeken dient, waaraan zij +hun weg herkennen. Zij merken daarbij niet elken boom, maar altijd +den tiende of zoo, die aan hun pad staat, en dan beurtelings een +aan den rechter- en een aan de linkerhand. Het kost slechts weinig +moeite; zij doen het onder het gaan, zonder dat het hen een oogenblik +ophoudt. Laat ons nu ook daarmee beginnen; gij neemt de rechterkant: +het zal u gemakkelijker vallen de bijl in de rechterhand te houden; +ik voor mij kan evengoed ook de linker gebruiken. Zie, zoo maakt men +slechts een kerfje in den bast:--de zwaarte van de bijl doet het bijna +alleen en dat kan ons jaren lang tot wegwijzer door het woud dienen." + +"Dat is heerlijk bedacht!" riep Willem, en beiden vervolgden nu hun +marsch, terwijl zij de boomen rechts en links op gezette afstanden +teekenden. + +"Ik heb evenwel ook nog een anderen vriend in den zak," begon Flink +weder, "en ik zal dien moeten gebruiken." + +"Wat is dat?" + +"Het zakkompas van den armen kapitein Osborn. Gij ziet, Willem, +het merken der boomen zal ons wel onzen terugweg aanduiden, maar kan +ons niet zeggen, in welken koers we thans te sturen hebben. Op dit +oogenblik weet ik nog, dat wij den rechten weg houden, daar ik door +het geboomte achter mij heen zien kan: maar dikwijls zal dit niet +mogelijk zijn en dan moet ik met mijn kompas te rade gaan." + +"Dat begrijp ik zeer goed; maar zeg mij, Flink, waartoe nemen wij die +schop mede? Hoe kan ons die van dienst zijn? Gij zeidet er gisteren +morgen niets van, dat gij er eene mee woudt nemen." + +"Neen, Willem, en ik zweeg er opzettelijk van, omdat ik uwe moeder +niet beangst wilde maken. U echter durf ik wel zeggen, dat ik zelf +omtrent één ding zeer bezorgd ben, en dat is, of hier water te vinden +is of niet. Is er geen water, dan moeten wij het eiland wat vroeger +of later toch verlaten, want men kan wel eenig water verkrijgen door +kuilen in het zand te graven, doch dat is ziltig zeewater en zou ons +bij voortgezet gebruik allen ziek maken. Van het schip hebben wij +niet veel meegebracht, en als er stormachtig weer komt, kunnen wij er +ook niet meer vandaan halen. Nu gebeurt het echter dikwijls, dat er +ergens zoet water is, zonder dat men het aan den grond zien kan,--men +moet er dan naar graven, en daartoe heb ik de spade meegebracht." + +"Gij denkt toch aan alles, Flink." + +"O neen, mijn goede Willem, dat doe ik niet altijd. 't Is waar, in +onzen tegenwoordigen toestand denk ik meer aan wat noodig is, dan +misschien uw vader en uwe moeder; maar dat is, omdat zij nog nooit +geweten hebben, wat het is aan zichzelf alleen te zijn overgelaten. Zij +zijn nog nooit in 't geval geweest, dat zij genoodzaakt waren aan +zulke dingen te denken; als men echter zijn gansche leven op zee +zwalkte, zooals ik--als men schipbreuk heeft geleden en rampen +en gevaren van allerlei aard doorgestaan,--als men gedwongen was, +uitkomst te verzinnen of te gronde te gaan, dan, Willem, verzamelt +men zich nuttige kundigheden, niet alleen uit zijn eigen lijden, +maar ook uit het verhaal van anderen, wanneer men hoort, hoe die +zich er in de ellende hebben weten door te worstelen. Nood, zegt +men, is de moeder der wijsheid, en dat is werkelijk waar, Willem, +want hij scherpt het verstand; en het is dikwijls opmerkelijk, wat +vele menschen, vooral zeelieden, als de nood hen tot handelen drijft, +met de eenvoudigste middelen tot stand brengen." + +"En waar gaan wij dan nu naar toe, Flink?" + +"Recht op de lijzijde van het eiland aan; en ik hoop, dat wij nog +vóór het vallen van den donker daar zijn zullen." + +"Waarom noemt gij dat de lijzijde van het eiland?" + +"Omdat de wind tusschen deze eilanden genoegzaam altijd uit dezelfde +richting waait. Wij landden op de windzijde; thans hebben wij den +wind in den rug; steek uw vinger maar eens op en gij zult hem zelfs +hier in het bosch nog voelen." + +"Neen, ik merk niets," verzekerde de knaap, terwijl hij den vinger +omhoog hield. + +"Maak uw vinger dan eens nat en beproef het nog eens." + +Willem bevochtigde zijn vinger met de tong en stak hem nogmaals +op. "Ja, nu voel ik het. Maar hoe komt dat?" + +"De wind droogt de vochtigheid van uw hand op; daardoor ontstaat koude, +en deze is het, die gij voelt." + +Op eenmaal begonnen de honden te knorren, sprongen toen vooruit en +blaften luid. + +"Wat kan dat wezen?" riep Willem. + +"Blijf staan, jongen," sprak Flink en spande den haan; "ik zal vooruit +gaan en zien." De oude man sloop zachtjes voorwaarts, het geweer +voorzichtig tegen de heup drukkende. Het geblaf der honden verdubbelde, +en uit een hoop dorre kokosbladeren stoven daar op eenmaal.... al de +varkens, die men een paar dagen te voren had laten loopen, voor den +dag en zetten het op een galoppeeren, met de honden achter hen aan. + +"Het zijn onze varkens maar, Willem," riep Flink lachend, "Ik had +nooit gedacht, dat een tam zwijn iemand zoo kon doen schrikken.--Hier, +Romulus! Koest, Remus!" vervolgde hij, de honden roepende. "Nu, Willem, +daar hebt gij ons eerste avontuur." + +"Ik hoop, dat wij er geen gevaarlijker beleven zullen," gaf de knaap +lachend ten antwoord. "Evenwel, ik wil wel bekennen, dat ik vrij wat +ontsteld was." + +"Geen wonder, want ofschoon al niet waarschijnlijk, zou het toch +mogelijk zijn, dat zich roofdieren of zelfs wilden op dit eiland +ophielden. Wij moeten in een onbekend land steeds op het ergste gevat +zijn, Willem. Men kan verschrikt wezen en daarom toch, evenals gij +daareven, moedig standhouden. Wie echter bevreesd is, loopt weg." + +"Ik geloof niet, dat ik ooit wegloopen en u verlaten zal, als er +gevaar aanwezig is, Flink." + +"Ik vertrouw er gerust op, Willem, dat gij dat niet doen zult; maar +daarom moet gij toch niet onbezonnen en te haastig zijn. Wij willen +nu verder gaan, als ik eerst mijn haan in rust gezet heb. Daar mij +dit nu juist invalt, Willem, en gij dikwijls een geweer bij u zult +hebben,--denk er toch aan, jongen, dat gij nooit uw haan gespannen +laat. Ik heb daardoor alleen, dat velen den haan spanden en naderhand +vergaten hem weder in rust te zetten, meer ongelukken zien gebeuren, +dan gij u ooit zoudt voorstellen. Span nooit den haan, zoolang gij niet +vuren wilt;--dezen raad moet gij altijd in gedachten houden. Nu moet +ik eens op het kompas zien, want wij hebben op eens eene veranderde +richting, zoodat ik niet meer weet, welken weg in te slaan.--Ziezoo, +nu is alles goed. Vooruit, honden!" + +Nog langer dan een uur vervolgden de wandelaars hun weg door het +kokosbosch en vergaten daarbij niet, al voortgaande, de boomen rechts +en links te teekenen. Eindelijk kozen zij een plekje uit, om er hun +ontbijt te gebruiken, en de honden strekten zich daarbij nevens hen +op den grond neer. + +"Geef de dieren geen water en geen gezouten vleesch; geef hun niets +dan beschuit." + +"Maar zij zijn zoo dorstig; moet ik hun niet een weinig te drinken +geven?" + +"Neen; vooreerst omdat wij alles voor onszelven noodig hebben, en +bovendien verlang ik juist, dat zij dorstig zijn. En ook gij, Willem, +volg mijn raad en drink maar weinig water op eens. Weinig is volkomen +toereikend, om den dorst te lesschen, en hoe meer gij drinkt, des te +meer voelt gij dorst." + +"Dan dien ik ook wel niet te veel gezouten vleesch te eten." + +"Juist; hoe minder gij eet, des te beter, als wij geen water vinden +en onze fleschjes weer vullen kunnen." + +"Maar wij hebben onze bijlen immers en kunnen van tijd tot tijd ook +eene kokosnoot afslaan en de melk daarvan drinken?" + +"Ja, en het is een geluk voor ons, dat wij die uitkomst altijd nog +hebben; maar toch zou kokosmelk alleen ons slecht bevallen, ook als +die het gansche jaar door volop te krijgen ware.--Nu, Willem, willen +wij weer opstappen, als gij niet te moe zijt." + +"Volstrekt niet; ik ben alleen moe niets dan de stammen der boomen +te zien, en zal hartelijk blij zijn, als wij het bosch eens achter +den rug hebben." + +"Hoe meer wij ons haasten, des te beter dus," antwoordde Flink. "Voor +zoover ik dit eiland bij onze aankomst beoordeelen kon, moeten wij +thans ongeveer halfweg zijn." + +De wandelaars begaven zich met vernieuwde krachten op weg. + +Na een half uur bevonden zij, dat de grond niet meer zoo effen was +als vroeger en beurtelings begon te rijzen en te dalen. + +"Het is mij zeer lief, dat ik het eiland hier niet meer zoo vlak vind, +Willem. Wij hebben zoo meer vooruitzicht om water te vinden." + +"Ei, zie eens; daar wordt het nog steiler," merkte Willem aan, +terwijl hij een boom teekende; "daar is immers wezenlijk een heuvel." + +"Des te beter;--wakker voorwaarts!" + +De bodem was thans meer golvend geworden. Echter was hij nog altijd met +kokosboomen overdekt, die zelfs nog dichter stonden, dan tot dusver +het geval was geweest. Zij vervolgden hun marsch, waarbij zij van +tijd tot tijd op het kompas zagen, totdat Willem zijne vermoeidheid +niet langer verbergen kon, want de weg door het woud was thans nog +bezwaarlijker geworden dan in den beginne. + +"Hoeveel mijlen denkt ge wel, dat we nu al gegaan zijn, Flink?" vroeg +hij ten laatste. + +"Acht ongeveer, denk ik." + +"Niet meer dan acht?" + +"Neen, ik geloof niet, dat we, door elkaar gerekend, meer dan twee +mijlen in het uur hebben afgelegd. Het gaat maar langzaam, als men +naar het kompas reist en daarbij altijd de boomen merken moet; maar +mij dunkt, dat het woud vóór ons lichter wordt, van den top van dezen +heuvel gezien." + +"Ja, dat is zoo, Flink; ik verbeeld mij, den blauwen hemel weer +te zien." + +"Uwe oogen zijn jonger dan de mijne, Willem, en mogelijk hebt gij +goed gezien. We zullen dat spoedig vernemen." + +Zij daalden nu in een ravijn neer en klommen vervolgens weer een +tweeden heuvel op. Zoodra zij boven kwamen, riep Willem overluid: +"De zee, Flink! daar is de zee!" + +"Zeer goed, Willem; ik voor mij heb daar volstrekt niets tegen." + +"Ik dacht al, dat wij nooit een einde aan dat donkere bosch zouden +zien," sprak de knaap en snelde ongeduldig vooruit; eindelijk stond +hij aan den uitersten zoom van het kokoswoud en bleef staan. Flink +stond spoedig aan zijne zijde, en beiden vestigden nu hunne oogen op +het voor hen uitgebreide landschap. + + + + + + + +VIJFTIENDE HOOFDSTUK. + +DE OOSTZIJDE VAN HET EILAND. + + +"O hoe heerlijk!" riep Willem ten laatste: "zeker, hier zou moeder +recht gaarne wonen. Ik hield de andere zij van het eiland voor heel +lief, maar zij is toch niets bij deze vergeleken." + +"Het is hier werkelijk fraai," antwoordde Flink in diepe gedachten. + +Men kan zich trouwens niet licht een liefelijker tooneel +voorstellen. Het kokoswoud werd ongeveer een vierde mijl van de kust +eensklaps afgebroken door eene steile helling, die zich bij de dertig +voeten boven het strand verhief. Dit strand zelf was een golvende, +hier en daar met struiken begroeide groene vlakte en strekte zich +tot op ongeveer vijftig schreden afstands van het water uit, waar +het in verblindend wit zand overging, door 't welk enkele smalle +klippenreeksen van den oever landwaarts opliepen. Het water was +van eene helder blauwe kleur en brak slechts aan de klippen in wit +schuim. De riffen strekten zich mijlen ver van den oever in zee +uit en op enkele plaatsen staken de punten der rotsen boven den +rand des waters uit. Talrijke scharen van zeevogels hadden zich op +die hoogten genesteld; anderen wiegden zich in de heldere lucht of +schoten van tijd tot tijd in de blauwe zee neer, waaruit zij dan met +hunne klauwen een van de visschen ophaalden, welke in menigte aan de +zandbanken speelden en dikwijls zelf in vroolijke sprongen uit het +water opwipten. De kust had de gedaante van een hoefijzer en vormde +eene baai, besloten tusschen twee boschachtige landtongen, die zich +aan weerszijden ver in zee uitstrekten. De horizon was helder en +scherp tegen de zee afgeteekend. + +Flink bleef een tijdlang stom, liet zijne oogen rechts en links langs +den gezichteinder gaan, monsterde scherp de riffen in de verte en +wierp toen een vorschenden blik op het land vóór hem. + +"Waaraan denkt gij, Flink?" vroeg Willem ten laatste. + +"Ik?--Ik denk dat wij zoo spoedig mogelijk naar water moeten omzien." + +"Maar waarom zuchttet gij daareven?" + +"Omdat ik niet, gelijk ik verwacht had, nog een ander eiland aan +lij ontdekken kan en er dus bijna geene mogelijkheid voorhanden is, +dat wij dit hier verlaten. Bovendien is deze bocht hoe fraai gelegen +ook, toch vol riffen, en ik zie nergens een ingang, wat de zaak om +velerlei redenen hoogst bezwaarlijk maakt. Evenwel kunnen wij niet +terstond op het eerste gezicht oordeelen. Eerst willen wij gaan +zitten en ons middagmaal houden, dan kunnen wij verder zien. Halt, +halt!--voordat wij van de plaats gaan, moeten wij aan de boomen bij +den uitgang van het bosch een duidelijk teeken maken; zonder dat, +zouden wij bij het terugkeeren onze merken moeielijk wedervinden." + +Hij sneed twee witte streepen in de stammen der kokosboomen en daalde +toen met Willem naar het vlakke veld neer, waar zij zich neervlijden +en hun eenvoudigen maaltijd hielden. Zoodra dit verricht was, stonden +zij weder op en gingen aan het zeestrand. Flink keerde zich naar de +landzijde, in de hoop van ergens eene kleine beekbedding of holte +te ontdekken, die mogelijk zoet water bevatten kon. "Hier zijn +eenige plekken," zeide hij en wees ze met den vinger aan, "waar +het water in den regentijd zijn afloop gehad heeft; wij moeten ze +zorgvuldig onderzoeken, maar nu niet. Daartoe hebben wij morgen tijd +genoeg. Eerst moet ik een middel uitvinden om onze kleine boot door +gindsche klippen heen te krijgen; anders hebben wij een vreeselijken +arbeid, als wij naar deze plaats verhuizen, namelijk, zoo wij al onze +bezittingen door het woud aansleepen moesten en dat zou ons weken, zoo +niet maanden kosten. Dus willen wij vandaag de kust goed onderzoeken, +Willem, en dan morgen naar zoet water omzien." + +"Zie de honden eens, Flink; ze drinken zelfs zeewater, de arme +beesten!" + +"Zij zullen er niet veel van nemen. Zie, ze loopen er al van weg." + +"Wat zijn die koralen fraai! Zie, ze groeien als jonge boomen onder het +water.--Ha, daar is een bloem, die op de rots uit het water opschiet." + +"Raak haar eens met den vinger aan, Willem," sprak Flink. + +Willem deed dit, en de bloem, gelijk hij haar noemde, sloot zich +oogenblikkelijk. + +"Hoe, wat is dat? Het is vleesch en leeft!" + +"Dat is het ook. Ik heb ze vroeger meer gezien; men noemt ze, meen ik, +zee-anemonen, doch ik kon nooit te weten komen, of het schelpdieren +zijn of niet. De natuur is toch bewonderenswaardig! Maar laat ons +nu die landtong eens opgaan en zien, of wij ook een doorgang door +de riffen vinden kunnen. De zon gaat onder en wij hebben nu nog maar +één uur licht. Vooraf moeten wij ook nog eene slaapplaats opzoeken." + +"Maar wat is dat?" riep Willem en wees naar het zand;--"dat ronde, +zwarte ding?" + +"Iets, dat ik blij ben hier te zien; eene schildpad. Zij komen om +dezen tijd tegen den avond aan land, om hare eieren te leggen, die +zij onder het zand begraven." + +"Kunnen wij haar niet vangen?" + +"O ja; als wij haar slechts stilletjes naderen. Maar vooral moogt +gij haar niet in den rug komen, want dan werpt zij met haar staart +en hare achterpooten of vinnen zulk een wolk van zand over u heen, +dat gij er blind van wordt en zij gemakkelijk kan ontsnappen. Om +deze beesten te vangen, moet men hen van boven aanvatten en bij een +der voorvinnen op den rug omwentelen. Dan kunnen zij zich niet meer +bewegen en blijven stil liggen." + +"Laat ons het dan eens met deze hier beproeven." + +"Dat zou zeer onverstandig zijn, mijn beste Willem, daar wij het beest +toch niet mee kunnen nemen en het morgen in de hitte sterven zou, +zonder dat iemand er dienst van had. Men mag geen schepsel doelloos +van het leven berooven, en zoo wij nu deze schildpad vermaakshalve +dooden wilden, kon het licht gebeuren, dat wij een andermaal, als +wij ze noodig hadden, er geen vonden." + +"Dat had ik niet bedacht, Flink. Als wij eens hier wonen, kunnen wij +ze, hoop ik, zoo dikwijls vangen, als wij verkiezen." + +"Neen, dat is niet waarschijnlijk; zij komen alleen gedurende den +broeitijd aan land. Maar wij willen ergens een schildpadvijver +aanleggen, die uit zee frisch water krijgt en waaruit zij ons niet +weder ontsnappen kunnen. Die wij dan vangen, zetten wij in den vijver +en halen ze er uit, zoo dikwijls wij lust hebben." + +"Dat is een zeer goed plan," antwoordde Willem. + +Onder zulke gesprekken vervolgden zij hunne wandeling. Zij moesten zich +met moeite een weg banen door het struikgewas, dat verder den landtong +op steeds dichter werd, en stonden weldra op den uitersten uithoek. + +"Wat is dat daar ginder?" riep Willem en wees met de hand naar de +rechterzijde. + +"Dat is een tweede eiland, Willem, en ik ben zeer verheugd het te +zien, ofschoon 't al niet gemakkelijk te bereiken zal zijn, als +wij eens genoodzaakt mochten worden dit eiland hier om gebrek aan +water te verlaten. Echter is 't nog altijd mogelijk, dat dit ons +gelukken kan. In allen gevalle is het een veel grooter eiland dan +het onze," vervolgde Flink en mat met de oogen de uitgestrektheid +van den gezichteinder, aan welks rand hij de toppen der boomen zien +kon. "Kom nu, jonge kameraad; voor onzen eersten dag hebben wij ons +redelijk goed gehouden. Ik ben vrij moe, en gij, dunkt mij, zult ook +uwe beenen wel voelen. Laat ons dus omkeeren en naar eene rustplaats +voor den nacht omzien." + +Zij keerden naar den zoom van het kokosbosch terug. Daar pakten zij +eenige hoopen dorre bladeren opeen en bereidden zich daaruit een +zachte legerstede onder de boomen. + +"Nu nog een teugje water gedronken en ons dan tot rusten neergelegd," +zeide de oude man. "Zie de lange schaduw, Willem, die de boomen in +de zon werpen! Binnen een paar minuten zal deze geheel onder zijn." + +"Mag ik onzen honden nu water geven? Zie eens, de arme Remus heeft +de tong uit den bek hangen en lekt aan de flesschen,--zoo'n dorst +heeft hij." + +"Neen, neen, zij krijgen nu niets. Gij zult dit hard vinden, maar het +moet zoo wezen. Morgen kunnen wij de scherpe zintuigen dezer dieren +noodig hebben: hun dorst zal hun dan dubbel oplettend maken en kan +ons van groot nut zijn. Wij weten nooit, welk lot ons boven het +hoofd hangt. Had gij voor eene maand wel gedacht, dat gij u nu in +'t gezelschap van een oud man op dit eiland bevinden en daar onder +den blooten hemel slapen zoudt? Als iemand u dat toen voorspeld had, +zoudt gij het nooit geloofd hebben. En nu goeden nacht, mijn jongen!" + + + + + + + +ZESTIENDE HOOFDSTUK. + +WATER. + + +Willem sliep zoo goed, alsof hij op het zachtste bed en in een warm +vertrek gerust had, en Flink insgelijks. Beiden ontwaakten eerst, +toen de zon lang aan den hemel stond. De arme honden leden hevige +dorst, en het deed Willem zeer aan het hart, te zien hoe zij huilend +en bijna versmachtend met uitgestrekte tongen tot hem opkeken. + +"Hoe is 't Willem," vroeg Flink hem, "willen we, voordat we opbreken, +ons ontbijt nemen, of zullen wij eerst eene wandeling doen?" + +"Flink, ik kan waarlijk zelf geen droppel drinken, ofschoon ik heel +dorstig ben, voordat gij aan deze arme beesten een weinigje water +geeft." + +"Ik heb medelijden met de arme stomme schepsels, zoo goed als gij, +jongen, en geloof mij, het geschiedt niet uit onbarmhartigheid, +maar integendeel tot hun eigen en ons aller best, dat ik hun dat +nog onthoud. Laat ons dan maar dadelijk eens de ronde doen en zien, +of wij niet ergens water vinden. Daar ginder bij die kleine kloof aan +de rechterhand willen wij het eerst beproeven, en lukt het daar niet, +dan gaan wij verder op en zien, waar het water gedurende den regentijd +zijn afloop gehad heeft." + +De knaap keurde dit dadelijk goed. De honden volgden hen, en Flink +had nog eene schop bij zich, die hij op den schouder droeg. Spoedig +kwamen zij in de kleine laagte, waar de dieren den neus aan den grond +brachten en hijgend rondsnuffelden. + +Het oog van den ouden man volgde aandachtig al hunne bewegingen, +totdat zij zich eindelijk kreunend nederlegden. + +"Wij moeten verder gaan, Willem," zeide hij, in gedachten +verzonken. Zoo naderden zij eene plaats, waar een afloop van het water +scheen geweest te zijn; de honden snuffelden hier nog ijveriger rond. + +"Gij ziet, Willem, de arme dieren verlangen nu zoo geweldig naar +water, dat zij het zeker oproepen, als het ergens voorhanden is, +terwijl wij zonder hen nooit iets hadden kunnen vinden. Ik reken +niet op eene openliggende wel, maar daarom is het toch wel mogelijk, +dat hier of daar onder den grond water verborgen zit. Dit gedeelte +van het strand is niet ver genoeg van zee verwijderd, anders zou ik +hier in het zand daarnaar graven." + +"In het zand! Zou dat dan niet zout smaken?" vroeg Willem. + +"Op behoorlijken afstand van het zeestrand niet: want gij moet weten, +mijn jongen, dat het zand al langzamerhand het zeewater reinigt, +zoodat men, als de zandige oever breed is, op punten, die het verst +van het hoogste zeepeil af liggen, bij opgraving dikwijls zoetwater +vindt, dat wel wat ziltig, maar toch goed om te drinken is. Ik wou +wel, dat deze omstandigheid onder de zeelieden beter bekend was, +dan zij werkelijk is;--menig brave jongen zou daardoor een langzamen +marteldood ontgaan zijn. Er is niets vreeselijkers dan gebrek aan +water te lijden. Ik weet wat het is op een pintje elken dag bepaald +te zijn en hoop dat nooit weer te ondervinden." + +"Zie eens, Flink, hoe druk Romulus en Remus met hunne pooten daar +omlaag den grond opkrabben." + +"Den Hemel zij dank, mijn goede Willem; gij weet niet, wat blijde +tijding gij mij daar verkondigt, want om de waarheid te zeggen, +begon ik mij al ernstig ongerust te maken." + +"Maar waarom wroeten zij dan toch zoo?" + +"Wel omdat daar water is. Nu ziet gij, hoe goed het was, dat wij hen +eenige uren dorst lieten lijden: 't is waarschijnlijk ons aller behoud, +daar wij eene wel moesten vinden of anders het eiland verlaten. Wij +zullen de dieren nu met de schop helpen, en spoedig zullen ze drinken +hebben in overvloed." + +De oude man ijlde op de plaats toe, waar de honden nog altijd met +wroeten voortgingen. Zij waren tot den vochtigen bodem gekomen +en werkten zoo ijverig, dat Flink moeite had hen van de stee te +verdrijven, om zelfs de spade te kunnen gebruiken. Hij had pas twee +voet diep gegraven, of het water begon te borrelen, en in minder +dan vijf minuten was er reeds zooveel voorhanden, dat de honden naar +hartelust drinken konden. + +"Zie eens, Willem, hoe hen dat verkwikt. Dit was het eenige, dat ons +ontbrak: maar ook iets, dat onontbeerlijk is. Thans hebben wij alles, +wat wij op dit eiland wenschen kunnen, en zoo wij maar tevreden zijn, +moeten wij hier recht gelukkig worden,--ja, rijker dan menigeen, die +zich afslooft om rijkdommen bijeen te schrapen en toch niet weet wat +gebruik hij er van maken moet. Kijk, onze goede dieren hebben nu ten +laatste ook genoeg,--en wat hebben ze zich kogelrond gedronken! Wat +dunkt u, Willem, zullen we thans omkeeren en zien, dat wij wat te +eten krijgen?" + +"Ja," antwoordde deze; "nu zal mij dat eerst recht smaken en wil ik +ook weer een duchtigen slok water nemen." + +"Dit is hier een rijke bron, daar ben ik zeker van," zeide Flink, +terwijl zij naar de plaats van hun nachtleger terugkeerden en hunne +knapzakken onderzochten; "maar wij moeten haar hooger op onder de +boomen nasporen, waar geen zon komt: daar hebben wij het water altijd +koel en frisch en kan het niet opdrogen.--We zullen de handen vol +werk krijgen, en dat voor maanden, indien we hier blijven willen. De +plaats, waar we nu zijn, zal eene kostelijke gelegenheid wezen, +om daarop ons huis te bouwen." + +Zoodra zij hun eenvoudig maal genuttigd hadden, stond de oude man +weer op en zei: + +"Kom jongen, nu naar 't strand! Ik heb nog geen opening tusschen de +klippen gevonden, en daar ons bootje altijd dezen kant van het eiland +langs moet komen, dien ik toch te zien, of er niet een behoorlijke +doortocht te vinden is. Het komt mij voor, dat de branding niet tot +dat punt ginds reikt, en als daar een doorvaart is, mochten wij ons +wel gelukkig rekenen." + +Aan den uithoek van de landtong gekomen, bevonden zij, dat Flink zich +in zijn vermoeden niet had bedrogen. Het water was diep tot dicht aan +het strand en vormde een kanaal van ettelijke roeden breedte. De zee +was zoo effen, het water zoo glad en doorschijnend, dat zij tot op +den rotsachtigen grond neerzien konden en de visschen in de diepte +zagen zwemmen. + +"Zie eens," riep Willem en wees naar een punt op eenigen afstand in +zee, "daar is een groote haai, Flink." + +"Ja, ik zie hem wel," antwoordde deze. "Hier in het rond zijn die +zeker in menigte, en gij moet uiterst voorzichtig zijn, als gij in +het water gaat. De haaien houden zich altijd aan lij van de eilanden +op, en in plaats van den eenen, dien wij ginds vonden, toen Juno uw +broertje baadde, kunt gij hier vijftig zien. Het eerste, waaraan wij +thans denken moeten, is dat wij zoo schielijk mogelijk van de andere +zijde hierheen zoeken te verhuizen." + +"Zullen wij vandaag nog teruggaan?" + +"Ik denk van ja, want hier kunnen wij toch niets doen, terwijl uwe +moeder zeker reeds in angst en zorgen over u is. Het is nog geen +middag, naar 't mij voorkomt, en wij hebben nog tijd genoeg vóór ons, +daar wij nu een bekend pad gaan en ons niet met merken en zoeken +hebben op te houden. Onze bijlen en de schop kunnen wij hier laten; +ze mee terug te sleepen zou vergeefsche moeite zijn. Het geweer zal +ik bij mij houden, want ofschoon niet waarschijnlijk, kan dat toch +te pas komen. Eerst zullen wij nog eens teruggaan en zien, of onze +wel goed water geeft, en dan trekken wij op." + +Het strand langs gaande, zagen zij vele zeevogels, die dicht om +hen heen fladderden. Plotseling kwam een zwerm visschen in bonte +verwarring op den oever schieten; haar volgden eenige grootere, die +nu ook op het drooge lagen en naar water snakten, totdat de zeevogels +op eens dicht voor de beide wandelaars neerstreken, de visschen in +hunne klauwen oppakten en met die prooi ijlings wegvlogen. + +"Dat is toch vreemd," riep Willem verwonderd. + +"Ja, Willem, dat is het werkelijk. Maar daaraan kunt gij zien, hoe +het in de wereld gaat: de kleine visschen werden door de grootere +gejaagd en vluchtten in hunne angst op den oever. Die grootere waren +zelve zoo begeerig, dat ook zij aan land kwamen, en toen schoten de +vogels toe en pakten groot en klein op. Daar ligt een goede leering +in, Willem: als men iets te driftig najaagt, stort men zich licht +blindelings in gevaar." + +"Maar de kleine visschen hadden toch niets, dat zij najaagden." + +"Neen, ik bedoelde daarmee de grootere slechts;--bij de kleine was +het hier van den regen in den drop, zooals het spreekwoord zegt. Maar +laat ons nu naar de wel gaan." + +Zij vonden het gat, dat Flink gegraven had, geheel met water gevuld, +en toen zij dit proefden, was het volmaakt zoet en aangenaam van +smaak. Zeer verheugd over deze ontdekking, legden zij de dingen, die +zij wilden achterlaten, onder de gemerkte kokosboomen neer, dekten +er eenige takken en bladeren overheen en namen toen met hunne honden +de terugreis aan naar de kleine bocht. + + + + + + + +ZEVENTIENDE HOOFDSTUK. + +STORM AAN LAND. + + +De teekens, die zij den vorigen dag gemaakt hadden, volgende, kwamen +onze landontdekkers zeer spoedig door het woud en waren binnen twee +uren dicht aan den uitgang, terwijl zij op den heenweg bijna acht +uren hadden noodig gehad, om denzelfden afstand af te leggen. + +"Ik voel den wind al, Flink," zeide Willem, "en wij moeten het bosch +nu bijna ten einde zijn. Het komt mij voor, dat het zeer donker is." + +"Dat heb ik daar ook al gedacht," antwoordde de oude man, "en 't zou +me niet verwonderen, dat er weer een storm in aantocht was. We moeten +ons dus haasten, daar uwe moeder zeker ongerust zal zijn." + +Het waaien en schudden der boomtakken, nu en dan eene windvlaag, +waarop een zonderling gehuil en gekraak volgde, dit alles overtuigde +hem spoedig, dat er werkelijk een storm te vreezen was; en toen zij +uit het bosch traden, zagen zij den hemel, zoover hun oog reikte, met +een donkere loodkleur overtrokken en van het vroolijk glanzend blauw, +waarin hij zich tot hiertoe vertoond had, was geen spoor meer overig. + +"Daar komt inderdaad een storm, en dat met volle zeilen," zeide Flink +bij het verlaten van het woud. "Schielijk naar de tenten, jongen; wij +moeten zorgen, dat alles zoo zeker zij, als wij het met mogelijkheid +maken kunnen." + +De honden liepen vooruit en hun geblaf lokte mijnheer Wilson en +Juno naar buiten, die zoodra zij de beide aankomenden zagen, aan de +moeder, die met de kinderen binnen was gebleven, het afgesproken +teeken gaven. Een oogenblik later lag de knaap in de armen zijner +hoogst verheugde moeder. + +"Ik ben blij, dat gij terug zijt, Flink," sprak mijnheer Wilson en +schudde hem de hand, nadat hij Willem omhelsd had; "want ik vrees, +dat er boos weer ophanden is." + +"Dat is zeker," antwoordde Flink, "en wij moeten ons op een +stormachtigen nacht voorbereiden. De hemel ziet er wezenlijk +schrikwekkend uit. Het zal een van de stormen zijn, die gewoonlijk +den regentijd voorafgaan. Intusschen brengen wij u goede tijding, +mijnheer, en moeten dit als eene aansporing beschouwen, om onze +verhuizing zooveel mogelijk te verhaasten. Na dezen storm zullen wij +eene maand of daaromtrent goed weder hebben, misschien nu en dan +eens met een kleinen storm daartusschen. Daartoe moeten wij thans +terdeeg aan het werk; en als gij 't goed vindt, mijnheer, zullen wij +nu dadelijk den eersten noodigen maatregel van voorzorg nemen en naar +het strand gaan, gij, Juno, Willem en ik. Daar moeten wij onze boot, +zoover wij kunnen, op het drooge sleepen, want de zee zal hoog gaan +en spoedig zal die boot onzen voornaamsten steun uitmaken." + +Flink ging nu de einden der tentsparren afzagen, ten einde ze onder +de kiel der boot te leggen en zoo als rollen te gebruiken, en daarop +daalden alle vier van den oever af. Met gezamenlijke krachten gelukte +het spoedig, de boot hoog op tusschen de struiken te sleepen, waar +Flink haar inderdaad ten volle in zekerheid verklaarde. + +"Ik was eigenlijk voornemens, zonder uitstel aan het oplappen er van +te gaan," zeide hij: "maar nu moet ik wachten, tot de storm voorbij +is. Ook had ik gehoopt, nog eens aan boord te zullen kunnen gaan, +om nog eenige dingen te halen, die mij later invielen dat ons nuttig +konden zijn, en dan te zien, of onze arme koe nog in leven is; maar +ik vrees zeer," vervolgde hij, naar de lucht ziende, "dat wij het +wrak van De Vrede nooit weer betreden zullen. Hoor het loeien van den +opkomenden storm, mijnheer; zie, hoe de zeevogels rondfladderen en +krassen, alsof ze ons onheil te voorspellen hadden! Doch we mogen +niet te lang dralen, mijnheer;--de tenten moeten steviger worden +vastgemaakt, zoodat ze tegen de windstooten bestand zijn, want het +zou een leelijk ding voor mevrouw en de kleinen zijn, als ze eens +onverwacht werden opgenomen en naar den boschkant heengeblazen." + +Toen zij bij de tenten terugkwamen, vonden zij den kleinen Thomas, +die met veel deftigheid op hen toetrad. + +"Ei, dag, Thomas;--hoe gaat het u?" vroeg Willem. + +"O, heel goed; ik ben wel en moeder ook; gij hadt gerust weg kunnen +blijven; ik zorg voor hen allemaal." + +"Daar twijfel ik geen oogenblik aan, mijn beste jongen; gij zult wel +goed voor alles gezorgd hebben," gaf Flink ten antwoord. "Nu moet gij +ons helpen, om zeildoek en touw bijeen te zoeken, opdat wij den regen +beletten in moeders tent te dringen. Zoo, geef mij de hand maar en +kom mee; wij zullen 't aan Willem overlaten, aan moeder te vertellen, +wat wij onderwijl gedaan hebben." + +Met de hulp van mijnheer Wilson pakte Flink stukken zeildoek en touwen, +zooveel hij noodig had, bijeen en begon die als een dubbel dek tot +beschutting tegen den regen over de tenten uit te spreiden. Het +linnen werd door middel van stevige lijnen en koorden aan de boomen +vastgemaakt, om te verhinderen dat de tenten omverwoeien, terwijl Juno +gebruikt werd om de greppel, die reeds om de tenten heen liep, met +eene schop nog verder uit te diepen, zoodat het water een behoorlijken +afloop had. Zij werkten ijverig door, totdat alles verricht was, +en zetten zich toen tot het gebruiken van een eenvoudigen maaltijd +neder. Al voortarbeidende, had Flink mijnheer Wilson zijne ontdekkingen +op het jongste verkenningstochtje meegedeeld, en allen hadden hartelijk +gelachen, toen hij het avontuur met de varkens vertelde. + +Na het ondergaan der zon werd het weder nog dreigender. De wind +blies reeds hevig, de rotsige bocht werd door de golven gezweept en +was met wit schuim overdekt, terwijl de branding woest brulde, zoo +dikwijls zij over het zand van den oever brak. De geheele familie, +met uitzondering van Flink, was te bed gegaan; deze had gezegd, het +weer nog een weinig te willen afwachten, voordat hij zich ter ruste +legde. De oude man ging naar den oever en zette zich op den rand van +de boot, die zij daar straks eerst tusschen de struiken in veiligheid +gebracht hadden. Hier bleef hij zitten en liet het scherpe grijze oog +rondgaan in de verte, die slechts ééne dichte donkere massa vormde, +waarin alleen het witte schuim van het water nu en dan enkele flauwe +lichttinten wierp. + +Nog niet lang had hij daar in gedachten verdiept gezeten of een +vurige bliksemstraal benam den ouden man voor een korten tijd het +gezicht. "De storm zal weldra zijne volle hoogte bereikt hebben," dacht +hij. "Ik zal naar de tenten gaan en zien, of die het tegen den wind +uithouden kunnen." Hij nam den terugweg aan, en nu begon de regen in +stroomen neer te plassen en bulderde de wind met verdubbelde woede. In +weinige minuten nam de duisternis zoodanig toe, dat hij het pad naar +de hoogte slechts met moeite vinden kon. Hij keerde zich in 't rond, +doch kon niets zien, daar de regen hem de oogen verblindde. Daar hij +toch niets doen kon, liep hij de tent in, om daar te schuilen, maar +legde zich niet neer, in de verwachting dat zijn bijstand misschien +spoedig zou vereischt worden. Hoewel al de overigen te bed waren +gegaan, hadden slechts Thomas en de beide kleinen zich ontkleed, +doch vader, moeder, Willem en Juno zich gekleed en al ter ruste gelegd. + + + + + + + +ACHTTIENDE HOOFDSTUK. + +NA REGEN VOLGT ZONNESCHIJN. + + +De storm woedde nu met geweld en bliksem en donder wisselden elkaar +onophoudelijk af. De kinderen werden wakker en hieven een luid gejammer +aan, totdat het eindelijk gelukte hen tot bedaren en weder in slaap +te brengen. De wind loeide verschrikkelijk en stond met zijn volle +kracht op de tenten, waar de regen kletterend op neer sloeg. Het +eene oogenblik werd het linnen binnenwaarts gedrukt en schuurden en +kraakten de touwen, alsof zij dadelijk in stukken zouden springen; dan +weder dreef de tegenovergestelde luchtstroom het fladderende zeildoek +naar buiten, terwijl de regen reeds op onderscheidene plaatsen begon +door te dringen. Het was stikdonker en de woede der elementen scheen +eindelijk haar toppunt te hebben bereikt. Gelijk wij vroeger gezegd +hebben, was mevrouw Wilson's tent niet zoover van het strand verwijderd +als de tweede later opgerichte en stond dus ook meer aan den wind +blootgesteld. Tegen middernacht scheen de gansche natuur in oproer +te geraken. Op eens hoorden de mannen een luid gekraak, dat dadelijk +door het noodgeschrei van mevrouw Wilson en Juno gevolgd werd. De +tentprikken waren uit den grond gerukt en de verschrikte vrouwen zoo +op eenmaal van alle dak en beschutting beroofd. Terstond vloog de oude +man naar buiten en Willem en zijn vader volgden hem op den voet. De +wind was zoo sterk, de regen sloeg hun zoo heftig in het gezicht en +de nacht was zoo donker, dat zij alle krachten noodig hadden, om de +vrouwen en kinderen uit de omvergeworpen tent te bevrijden. De kleine +Thomas was de eerste, dien Flink beet kreeg. Zijn moed was geheel weg, +hij gilde van angst en was niet tot bedaren te brengen, Willem nam +zijn broertje Albert op den arm en droeg hem in de andere tent, waar +Thomas in zijn doornat hemd op den grond omkroop en de jammerlijkste +klaagtonen liet hooren. Juno, mevrouw Wilson en de kleine Caroline +werden het laatst onder de tweede tent in veiligheid gebracht. Gelukkig +had niemand zich bezeerd, maar allen waren doodelijk ontsteld en de +kleine schreide en snikte luid, wat echter nauwelijks gehoord werd, +daar het loeien der zee en het bulderen der windvlagen alle andere +geluiden geheel verdoofde. Het was een lange vreeselijke nacht, +dien men zoo in angst en zorg doorbracht, tot eindelijk de lang +gewenschte morgen aanbrak. Met de eerste schemering verliet Flink de +tent en bevond tot zijne geruststelling, dat de storm reeds zijne +woede had uitgeput en merkbaar aan het afnemen was. Nochtans was +het heden niet zulk een heldere vroolijke morgen, als waaraan zij +sinds hunne landing op het eiland gewoon waren; de hemel stond nog +dreigend, en zwart en wild dreven de wolken daaraan rond; de zon bleef +onzichtbaar en niet een enkel plekje blauw was door de nevelachtige +atmosfeer te bemerken. Het regende nog voortdurend, ofschoon niet +sterk meer, en de grond was doorweekt en glibberig. De kleine baai, +die nog den avond te voren een zoo stil en vreedzaam aanzien had, +was thans door wildschuimende en loeiende golven opgevuld en de +branding sloeg ver over het strand heen. De gezichteinder was mistig en +onduidelijk; men kon den hemel niet van het water onderkennen en het +gansche eiland scheen in een wijden kring van wit spattend zeeschuim +besloten. Flink wendde zijne oogen naar de plaats, waar het schip op +de riffen had vastgezeten. Daar was niets meer te zien,--het wrak +was op eens verdwenen! slechts hier en daar zag men er de planken +en luiken van, die met alles, wat in het ruim geborgen was geweest, +overal ronddreven of nog in de woeste branding het strand beurtelings +naderden en ontvloden. + +"Ik dacht wel, dat het zoo gaan zou," zeide Flink tot mijnheer Wilson, +die hem gevolgd was, om eens naar het schip om te zien; "zie maar, +de storm heeft het geheel in splinters geslagen. Dat kan ons tot +aansporing zijn, om hier niet langer te blijven. Wij moeten van 't +goede weer, dat wij voor 't invallen van den regentijd waarschijnlijk +nog hebben zullen, zooveel mogelijk partij trekken en mogen volstrekt +geen tijd verliezen." + +"Ik ben dat volkomen met u eens, Flink," antwoordde mijnheer +Wilson.--"Dat daar is ook eene aanmaning om spoed te maken," en hij +wees naar de door den wind omvergeworpen tent. "Het is wezenlijk een +geluk, dat geen van de onzen daarbij letsel heeft bekomen." + +"Ja, waarlijk, mijnheer; maar de storm is nu gebroken en morgen zullen +wij weer mooi weer hebben. Laat ons nu eens gaan opnemen, wat wij +met de tent doen kunnen. Willem en Juno zullen in dien tusschentijd +wel naar een ontbijt voor ons omzien." + +Met deze woorden gingen zij aan den arbeid. Zij voorzagen de tent +opnieuw van stevige prikken en touwen en brachten haar weldra weder +in behoorlijken staat, behalve dat de bedden en dekens nog doornat +waren en in den wind moesten worden te drogen gehangen. Nadat dit +gedaan was, zetten zij zich neder tot het ontbijt, waartoe Juno hen +juist was komen roepen. + +"Voor 't oogenblik kunnen wij weinig meer doen, mijnheer," zeide +Flink. "Tegen den avond zal het linnen zoo nat niet meer zijn, en dan +zullen wij er beter mee kunnen omgaan. Eindelijk zie ik eene opening +in de wolken, die spoedig ander weer belooft; de storm was ook al te +hevig, om heel lang aan te houden. En nu," vervolgde hij, "willen we +nog eerst al onze krachten inspannen, om de aangespoelde goederen +te redden, die, als ze te lang omdrijven, tegen de rotsen worden +stukgeslagen. Juno kunnen wij daarbij missen, en ik hoop, dat wij +ons ook zonder den braven Thomas wel redden zullen. Het is beter, dat +hij bij moeder blijft en zorgt, dat haar hier geen ongeluk overkomt." + +Thomas was echter door het gebeurde van dien nacht nog geheel uit +zijn humeur en verkoos boe noch ba te zeggen. + + + + + + + +NEGENTIENDE HOOFDSTUK. + +DE WONDEREN DER NATUUR. + + +Weldra stonden zij aan het strand. Flink had onder den reeds geborgen +voorraad een stevig, lang touw opgezocht en daarmede werden nu de +tonnen en wat meer nog van het verbrijzelde schip door de golven +werd aangespoeld, vastgebonden en zoover mogelijk op het drooge +gesleept. Dit werk hield hen gedurende het grootste gedeelte van +den dag bezig en nog hadden zij niet het vierde deel der goederen +bijeengebracht, die zich binnen hun bereik ophoopten behalve nog de +menigte van gereedschappen, die buiten op de zee en aan den ingang +der bocht omdobberden. + +"Kom mijnheer," zeide Flink eindelijk, "voor vandaag hebben wij onze +taak verricht. Morgen zullen wij nog meer kunnen uitvoeren, want de zee +wordt nu reeds weer effen en de zon komt van achter gindsche wolken +te voorschijn. Wij moeten nu ook voor onze maag zorgen en dan zien, +hoe wij ons dezen nacht het best behelpen kunnen." + +De eene tent, die door den storm was verschoond gebleven, werd aan +mevrouw Wilson en hare kinderen afgestaan en de andere, zoo goed het +geschieden kon, weer inderhaast hersteld. Het beddegoed was nog op +verre na niet droog, en dus nam men zijne toevlucht tot eenige zeilen, +die dieper in het bosch minder van den regen hadden te lijden gehad, +en spreidde die op den grond uit, om er de vermoeide leden gedurende +den nacht op uit te strekken. + +Den volgenden morgen scheen de zon helder en vroolijk. De lucht was +geurig en frisch; een zacht windje speelde over het water en er was +bijna in het geheel geen branding meer. Voortdurend werden allerlei +overblijfselen van het wrak door den wind aan land gebracht; vele +goederen waren gedurende den nacht langs het strand opeengehoopt en +bij eene menigte andere had men slechts geringe moeite noodig om ze +geheel in veiligheid te brengen. Het scheen wel dat de stroom des +waters recht op de bocht stond, want van de voorwerpen, die eerst +buiten in de zee hadden omgedreven, kwamen nu de meeste van lieverlede +in deze richting aan land gespoeld. De beide mannen werkten tot aan +het uur van het ontbijt door en hadden toen een aantal tonnen, vaten +en kisten aan den oever gehaald. + +Dadelijk na het ontbijt keerden zij naar de baai terug om hun arbeid +voort te zetten. + +"Zie eens, Flink, wat is dat?" vroeg Willem, die bij hem was en op +een zwart punt wees, dat langzaam kwam aandrijven. + +"Dat is onze arme koe; en als gij nauwkeuriger toeziet, zult gij ook +de haaien bemerken, die op het kreng azen. Ziet gij wel?" + +"O ja, duidelijk en wat een menigte zijn er!" + +"Er zijn er zeker genoeg om twintig koeien te verslinden; en wees +dus maar voorzichtig, Willem als gij in het water gaat, en pas op, +dat Thomas er niet te dicht bij komt, want de haaien geven om geen +ondiepte, als ze een buit voor zich zien.--Maar nu moet ik u beiden +overlaten nog zooveel van het wrak te redden, als gij kunt, terwijl ik +onze boot nazie en haar weer in orde breng. Wij zullen haar binnenkort +noodig hebben, en hoe eer wij haar gebruiken kunnen, des te beter." + +De oude man ging het gereedschap halen, dat hij tot herstelling van +de boot noodig had. Inmiddels verzamelden vader en zoon ijverig de +verschillende voorwerpen, die aan het strand spoelden, en rolden de +vaten zoo ver opwaarts, als zij konden. De houten en balken van het +schip lieten zij aan het spel der golven over, omdat zij daarvan reeds +zulk een voorraad bijeen hadden, als voor den eersten, ja voor langen, +langen tijd toereikend kon geacht worden. + +Daar Flink zekerlijk eenige dagen noodig zou hebben, om de boot weder +waterdicht en bruikbaar te maken, besloot mijnheer Wilson nu ook op +zijne beurt eens met Willem naar de andere zijde van het eiland te +gaan; en daar zijne vrouw er geen bezwaar in vond met Flink en Juno +alleen te blijven, begaven beide zich den derden dag na den storm +al vroegtijdig op weg. Willem ging vooruit en richtte zich naar de +teekenen, die op de kokosboomen te zien waren. In twee uren tijds +hadden zij ditmaal de plaats hunner bestemming bereikt. + +"Is het hier niet schoon, vader?" riep Willem uit. + +"Ja, heerlijk, verrukkelijk, mijn beste jongen," was het antwoord. + +"Ik kon mij bijna niets fraaiers voorstellen dan het plekje op de +andere zijde van het eiland, waar wij tot hiertoe woonden, maar dit +overtreft het nog zoowel in verscheidenheid als in uitgestrektheid." + +"En nu moeten wij eens naar de wel gaan zien, vader," vervolgde Willem +en wees den weg dien zij hadden in te slaan. + +De door Flink gegraven kuil en de geheele holte, waarin deze gelegen +was, stond tot overvloeiens vol en bevatte het heerlijkste water. Na +zich hiervan overtuigd te hebben, wandelden zij het strand langs naar +de zandige baai en zetten zich daar op eene koraalklip neder. + +"Wie had ooit gedacht, Willem," begon de vader, "dat dit eiland +met zoovele andere, die in menigte in den Stillen Oceaan verstrooid +liggen, zijn ontstaan aan kleine nietige insecten kon te danken hebben, +die nauwelijks zoo groot als eene speldeknop zijn!" + +"Insecten, vader?" riep de knaap uit. + +"Ja! insecten. Geef mij dat stukje dood koraal eens. Ziet gij die +honderden ronde kleine gaatjes in elk takje, tot zelfs in het kleinste +toe? Verbeeld u nu, in ieder dier kleine openingen woonde eens een +zee-insect, en naarmate die insecten aangroeiden, groeiden ook de +takken der koraalboomen uit." + +"Ja, dat begrijp ik wel. Maar hoe kan men weten, dat dit eiland door +hen gemaakt is? Zoo iets gaat mijn begrip geheel te boven." + +"En toch is het waar, Willem, dat genoegzaam alle eilanden in dit +gedeelten van den oceaan door den arbeid en den wasdom dezer kleine +dieren ontstaan zijn. Het koraal was aanvankelijk op den bodem der zee, +waar het door wind en golven niet gestoord wordt. Al langzamerhand +schiet het hooger op, tot het eindelijk bijna tot aan de oppervlakte +des waters reikt. Dan is het juist als die klippen, welke gij ginds +ziet, Willem, en van nu af wordt het door het geweld van wind en +baren, die het gedurig afbrokkelen, in zijn groei belemmerd en kan +zich daarom ook niet boven de zee verheffen; want als dit het geval +werd, dan moesten de kleine dieren natuurlijk sterven." + +"Maar hoe ontstaat daar nog een eiland uit?" + +"Dat geschiedt slechts zeer langzaam en na verloop van veel tijd; ook +hangt daarbij veel van het toeval af. Zoo kan b. v. een boomstam, die +in zee omdrijft en misschien met schelpen en schaaldieren overdekt is, +op de koraalriffen blijven vastzitten. Zoo iets zou een toereikend +begin zijn, want het kon boven water blijven en de koralen aan de +windzijde beschutten, tot zich een vlakke rots, van gelijke hoogte +met de zee, had vastgezet. De zeevogels zoeken gaarne eene plaats om +uit te rusten. Zij zouden deze hier schielijk gevonden hebben en van +hunne uitwerpselen moest dan na verloop van tijd eene kleine plek boven +water ontstaan, waarop vervolgens ook nog andere drijvende voorwerpen +konden blijven hechten. Over zee verwaaide landvogels vallen daarop +neder en de in hunne maag bevatte zaadkorrels schieten, eens gevallen, +tot struiken en boomen op." + +"Dat kan ik goed begrijpen." + +"Welnu dan; op die wijze is de eerste grondslag om het zoo eens te +noemen tot een eiland gelegd, en eens zóóver, neemt dit ook spoedig +toe, want thans zijn de koralen tegen den wind gedekt en groeien +welig op. Merkt gij wel, hoe breed en hoog de koraalklippen op deze +zijde van het eiland, waar stormvlagen en golfslag haar niet zoo deren +kunnen, oprijzen, terwijl dit aan de windzijde, waar onze tenten staan, +zoo geheel anders is? Evenzoo onttrekt die eerste kleine plek boven +water de koraalgewassen aan den wind, en dan neemt het eilandje ras +in wasdom toe; want de vogels rusten er niet alleen, maar nestelen +er ook en broeden er jongen uit, zoodat de omvang van jaar tot jaar +grooter wordt. Ten laatste komt dan nog eene kokosnoot op de golven +aandrijven--en die vrucht is juist geschikt, om zich op zoo'n wijze +voort te planten, want hare buitenste schil is hard en waterdicht +en meteen zoo licht, dat ze op 't water drijft en daarin, zonder te +verrotten, maanden kan blijven liggen. Zij schiet wortel, wordt een +boom, die zijne breede takken telken jare verder uitbreidt en door +zijn dorrend loof gedurig meer teelaarde om zich heen verzamelt. De +rijpe noten vallen in deze vetten bodem, kiemen schieten op,--en zoo +gaat het voort, jaar in jaar uit, totdat het eiland zoo groot en zoo +dicht met boomen bezet is, als dat waarop wij nu op dit oogenblik +staan. Is dat niet verwonderlijk?" + +"Hé, hoe merkwaardig!" antwoordde Willem. + +Eenige minuten na dit gesprek bleven vader en zoon zwijgend +zitten. Toen stond de eerste op en zeide: "Kom, Willem, laat ons +nu terugkeeren; wij hebben nog drie uren licht en willen tijdig +thuis zijn." + +"Ja vooral vóór het avondeten, vader," antwoordde de knaap, "dat ik +alle eer zal aandoen. Hoe eer wij er zijn, des te beter." + + + + + + + +TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + +VERHUIZING NAAR DE OOSTZIJDE. + + +Alles was nu zoover gereed, dat men zonder twijfel met het opbreken +naar de lijzijde van het eiland beginnen kon. Flink had de boot bijna +weder klaar; hij had haar geheel vernieuwd en daarbij nog van een mast +en zeilen voorzien. Mijnheer Wilson en Willem gingen voort met het +verzamelen van goederen, die nog voortdurend werden aangespoeld, en +kozen bij voorkeur dezulke, die in de open lucht aan bederf onderhevig +zijn. Al wat zij van dezen aard vonden, werd naar het kokosboschje +gebracht, om het althans aan de hitte der zon te onttrekken, doch er +werd dagelijks zulk een menigte van alles aan land geworpen, dat zij +nauwelijks wisten, wat zij al bijeen hadden. Echter versmaadden zij +niets, maar borgen de eene kist na de andere en wachtten op eene andere +gelegenheid om den inhoud er van te onderzoeken. Ten laatste droegen +zij het verzamelde op groote hoopen en bedekten die behoorlijk met +zand, daar het in den korten tijd, die hun overig bleef, onmogelijk +was de velerlei goederen van het strand weg te brengen. + +Ook mevrouw Wilson, die nu weer volkomen hersteld was, en Juno bleven +niet werkloos. Zij hadden al het noodige zoo goed zij konden in +pakken saamgebonden, om het gemakkelijk naar de nieuwe woonplaats te +kunnen overbrengen. Op den achtsten dag na den storm waren allen met +hun werk gereed en nu werd ten besluite eene groote raadsvergadering +gehouden. Men kwam overeen, dat Flink het beddegoed en het zeildoek +van de eene tent in de boot pakken en Willem op zijne eerste vaart +medenemen zou. Na dit vervoerd te hebben, zou hij terugkeeren, om eene +tweede vracht te laden, en dan moest de familie door het bosch naar +de andere zijde van het eiland trekken en daar met den heer Wilson +blijven, terwijl Flink met Willem de tweede tent ging halen. Daarna +zou de boot nog zooveel reizen doen, als het weder toeliet, tot +alles, wat men voor het begin noodig had, naar de nieuwe woonstede +was overgebracht. + +Het was een lieve stille morgen, toen Flink en Willem met de zwaar +beladen boot van land stieten. Zoodra zij buiten de bocht waren, +trokken zij het zeil op en stevenden met gunstigen wind langs de kust +voort. Binnen twee uren hadden zij de oostkust bereikt. De landtong, +aan wier spits de doorgang door de klippen zich bevond, was geen mijl +meer van hen verwijderd, en nu lieten zij het zeil vallen en roeiden +in het kanaal, om in de zandige baai te landen. + +"Gij ziet, Willem, hoe gelukkig het voor ons treft, dat wij altijd +een goeden wind zullen hebben, als wij met de bevrachte boot hierheen +gaan, en slechts het leege vaartuig hebben terug te roeien." + +"Ja, dat treft heel gelukkig. Hoe ver zou het wel zijn van de bocht +ginds tot aan dit gedeelte van het eiland?" + +"Zes of zeven mijlen, verder niet. Het eiland is lang en smal, +zooals gij ziet. Laat ons nu ons boeltje aan land dragen, dan kunnen +wij lang voor donker in onze bocht terug zijn. Uwe moeder zag niet +bijzonder gaarne, dat gij andermaal op zee gingt, Willem;--ik heb +dat wel bemerkt; en wij moeten dus niet lang uitblijven." + +De boot was spoedig gelost; doch het kostte meer tijd de goederen ver +genoeg op het land te dragen. "Zulk een storm, als wij onlangs hadden, +zullen wij hier denkelijk niet meer hebben uit te staan," zeide Flink; +"want wij zijn daartegen door het kokosbosch in zijne gansche diepte +gedekt. Van den wind zullen wij nauwelijks iets merken, maar des te +meer van den regen, die in gansche stroomen op ons neerkomen zal." + +"Ik moet eens even naar onze bron gaan zien en er een goeden dronk +uithalen," sprak Willem. + +"Doe dat; maar laat mij niet te lang in de boot wachten." + +Willem berichtte, dat de bron tot den rand toe vol was en hij in zijn +leven geen zoo heerlijk water gedronken had. Daarop staken zij van +wal en waren na ruim twee uren roeiens weder aan den ingang van de +bocht, waar mevrouw Wilson met Thomas aan de hand op hen wachtte en +hun reeds van verre met haar zakdoek toewuifde. + +Bij het aan land stappen ontvingen zij de gelukwenschen der gansche +familie over den gunstigen uitslag van hunne eerste vaart, en allen +waren blij, dat de afstand zooveel korter was, dan men aanvankelijk +geloofd had. + +"Den volgenden keer ga ik mee," zei Thomas met veel deftigheid. + +"Alles op zijn tijd; als de jongeheer Thomas nog een weinigje grooter +is," antwoordde Flink. + +"Massa Thomas komen mij help te melken de geit?" vroeg Juno. + +"Ja, ja, de geiten melken!" riep de kleine schelm en huppelde +vroolijk heen. + +"Zoo altijd pekelvleesch en scheepsbeschuit moet u toch +vervelen, mevrouw," zeide Flink, toen zij zich weder tot eten +nederzetten. "Zoodra wij echter in ons nieuw verblijf zijn, hoop ik +wel wat beter voedsel voor u op te doen. Tegenwoordig is het nog hard +werk en harde kost." + +"Zoolang de kinderen er geen hinder van hebben, kan ik mij dat +heel goed getroosten, ofschoon ik wel bekennen wil, dat ik na dien +laatsten storm hartelijk verlang hier vandaan te komen, vooral na +de verleidelijke beschrijving, die Willem mij van onze aanstaande +woonplaats gegeven heeft. Het moet een waar paradijs zijn! Wanneer +zullen wij opbreken, Flink?" + +"Niet vóór overmorgen, mevrouw; want, ziet gij, ik heb eerst nog eene +tweede reis te doen, om het keukengereedschap en de bundels, die +gij gepakt hebt, over te brengen. Als gij Juno morgen missen kunt, +moet zij met Willem door het bosch gaan, en dan kunnen wij de eene +tent voor u en de kinderen opzetten. Uw man kan dan achterblijven." + +"Zeer goed, Flink; en zou 't niet het best zijn, dat zij dan meteen +de schapen en de geiten meenamen?" + +"Ik ben blij, mevrouw, dat gij daaraan gedacht hebt; wij kunnen +daardoor vrij wat tijd besparen." + + + + + + + +EEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + +FLINK EN WILLEM. + + +De oude man had zijne boot reeds lang weder volgeladen en onder zeil +gebracht, voordat de overige leden der familie nog op waren. Deze waren +nog niet aangekleed, toen hij zijne gansche vracht reeds gelost had en +zich vervolgens neerzette, om zijn ontbijt te nuttigen. Daarna droeg +hij al de goederen naar de plek, waar hij eene tent wilde opslaan, +en maakte hiertoe het noodige gereed, terwijl hij nog de komst van +Willem en Juno wilde afwachten, die hem dan helpen konden om de staken +vast te binden en het linnen daar overheen te trekken. + +Tegen tien uren 's morgens verscheen Willem met eene der geiten aan +een touw, terwijl de overige los volgden. Na hem kwam Juno met de +schapen, van welke zij er ook een vasthield; de andere hadden zich +geduldig bij den trein aangesloten. + +"Daar zijn wij eindelijk," riep Willem lachend. "Wij hebben in het +bosch de handen vol werk gehad, want die domme Nanni, de geit, liep +altijd om de eene zij van den boom, als ik aan de andere was, zoodat ik +het touw dan wel gedurig moest loslaten. Wij hebben de varkens ook weer +ontmoet, en ge hadt eens moeten hooren, Flink, hoe Juno het uitgierde." + +"Ikke denken, dat wilde beest loopen in de bosch," zeide Juno. "O, wat +ijselijk mooie plaats hier! Hier massaas zeker dolgraag wonen zullen." + +"Ja, het is wezenlijk eene heerlijke plaats, Juno; en hier kunt gij ook +weer wasschen en plassen, en zult het water niet behoeven te ontzien." + +"Daar denk ik juist over, hoe wij ons gevogelte het best over zullen +brengen," zeide Willem: "het is wel niet heel wild, maar laat zich +toch niet opvangen." + +"Ik zal ze morgen meenemen, vriend Willem," zeide Flink. + +"Maar hoe zult gij ze in handen krijgen?" + +"Doodeenvoudig; men wacht, tot ze 's avonds op hun tak zitten, en +dan kan men ze met de hand aanvatten, als men lust heeft." + +"En de duiven en de varkens laten wij in 't wild loopen, denk ik, +en hun eigen kost zoeken?" + +"Zeker; het is het beste, wat wij met hen doen kunnen. De varkens +zullen onder de kokosboomen altijd genoeg voedsel vinden en schielijk +jongen in menigte krijgen." + +"En dan zullen wij hen schieten, niet waar?" + +"Ja, Willem, dat zullen wij, en ook duiven, wanneer die zich eerst +genoegzaam vermeerderd hebben; zoodat wij, als wij hier zoolang +blijven, in het vervolg ook onze vrije jacht zullen krijgen. Spoedig +zullen wij behoorlijk van alles voorzien zijn en levensmiddelen +in overvloed tot onze beschikking hebben; elk komend jaar zal ons +rijker maken. Maar nu moet gij de tent helpen opslaan en ieder ding +op zijn plaats brengen, zoodat uwe moeder bij hare komst alles recht +gemakkelijk en netjes vindt. Zij zal wel zeer moe wezen, als zij hier +komt; want de wandeling is voor haar een heel eind." + +"Moeder is veel beter, dan zij in lang geweest is," antwoordde +Willem. "Ik hoop, dat zij spoedig weder volkomen gezond zal zijn, +en dat wordt zij zeker, als zij hier maar een poosje gewoond heeft." + +"Wij hebben nog zeer veel werk voor ons, meer dan wij vóór den +regentijd gedaan kunnen krijgen, en dat is waarlijk jammer, hoewel +'t nu eenmaal niet te veranderen is. Vandaag over een jaar zullen +wij alles hier beter in orde hebben." + +"Wel, wat hebben wij dan nog te doen, als onze tenten er eens staan +en wij ons goed overgebracht hebben?" + +"In de eerste plaats moeten wij een huis bouwen, en dat zal ons vrij +wat tijd kosten. Wij dienen ons te haasten, opdat het zoo schielijk +mogelijk klaar kome. Dan moeten wij een kleinen tuin aanleggen en +de zaden, die uw vader uit Engeland heeft meegebracht, in den grond +brengen." + +"O, dat is een allerprettigst werk. Waar kan dat het best geschieden, +Flink?" + +"Ik heb reeds naar eene geschikte plaats omgezien. Wij moeten dwars +over die landtong eene omheining aanleggen en al het struikgewas met +den wortel uitroeien. De grond is er opperbest." + +"En wat komt dan aan de beurt?" + +"Dan moeten wij een pakhuis aanleggen voor al den voorraad, dien wij +verzameld hebben en die nog in het bosch en op het strand verstrooid +ligt. Daar moeten wij alles laten, tot wij tijd hebben, om het te +onderzoeken; en dan dienen wij te overleggen, hoevele reizen wij nog +met onze kleine boot te doen hebben, om alles hierheen te brengen." + +"Ja, dat is alles waar. Valt er dan nog meer te doen?" + +"O, nog werk in overvloed! Wij moeten een vijver voor schildpadden +een anderen voor visch aanleggen en eene badplaats voor Juno zoeken, +waar zij de kinderen wasschen kan." + +"Ja, ja, en ikke mijzelf ook," zeide Juno. + +"Wel, dat is den moriaan gewasschen; ofschoon ik wel weet, Juno, +dat gij een zindelijk meisje zijt, al is uwe huid ook niet heel +blank.--Maar vooreerst, Willem, moeten we onze wel in goeden staat +brengen, zoodat we altijd rijkelijk versch water hebben. En daar +hebt ge nu werk genoeg en wel zwaar werk, althans voor een vol jaar, +en hoe langer wij hier samenwonen, des te meer behoeften zullen wij +langzamerhand ook ontdekken." + +"Nu, laat moeder en de kleinen maar eerst hier zijn, dan zullen wij +dapper aan den gang gaan." + +"Ik wenschte van ganscher harte, dat alles reeds gedaan was, mijn beste +Willem," vervolgde Flink. "In allen gevalle hoop ik nog lang genoeg +te leven, om dat alles tot stand te zien gebracht. Ik zou u allen +gaarne in onbezorgde omstandigheden achterlaten en met de zekerheid, +dat gij u in het vervolg ook zonder mij goed kondet redden." + +"Maar hoe kunt gij zoo spreken, Flink? Gij zijt wel oud, maar daarbij +toch gezond en sterk." + +"Nu nog wel, mijn goede jongen; maar gij weet, hoe onzeker het leven +van den mensch is. Gij zijt jong en gezond en een lang leven schijnt +voor u weggelegd, maar toch, wie kan zeggen, of gij niet misschien +morgen reeds heengegaan en door vader en moeder bitter beweend zult +worden? En zou ik, een oud man, die al zooveel moeite en ongemakken heb +doorgestaan, dan nog op een lang leven rekenen? Neen--neen, Willem, +dat ware in de jeugd dwaasheid, maar bij een grijsaard zwakheid en +waanzinnigheid. En toch zou ik gaarne hier blijven, zoolang ik nog +nuttig zijn kan, en dan, dunkt mij, als mijne taak ten einde is, +kon ik in vrede de oogen sluiten. Ik verlang niet dit eiland ooit +weer te verlaten en heb een soort van voorgevoel, dat mijn gebeente +hier eens rusten zal." + +Een tijdlang werkten zij voort zonder een woord te spreken. Het +linnen voor de tent werd uitgespannen en met prikken in den grond +vastgeslagen. Eindelijk brak Willem het stilzwijgen af. + +"Flink, hebt gij mij niet eens gezegd, dat uw voornaam Masterman is?" + +"Ja, zoo is het ook, Willem." + +"Dat is toch een wonderlijke voornaam! Werdt gij misschien naar een +ander zoo genoemd?" + +"Dat raadt gij goed; hij was een zeer rijk man, mijn peet." + +"Weet gij wat, Flink!--ik zou gaarne uwe geschiedenis eens hooren +vertellen,--ik meen namelijk uwe gansche levenshistorie, van toen +gij een kind waart af." + +"Nu, dat kan nog wel eens gebeuren, Willem, en waarlijk, er zijn vele +voorvallen in mijn leven, die anderen wel tot eene goede leering konden +dienen. Dat kan ik echter eerst doen, als wij met ons werk klaar zijn, +nu is de tijd er te kostbaar toe." + +"Hoe oud zijt gij wel, Flink?" + +"Vier-en-zestig al ruim, mijn jongen. Dat is een hooge ouderdom voor +een zeeman. Ik had ook geen dienst meer op een schip kunnen krijgen, +als ik niet met verscheidene kapiteins zoo goed bekend was geweest." + +"Maar waarom zegt gij, een hoogen ouderdom voor een zeeman?" + +"Omdat de matrozen zelden zoo lang leven als andere lieden, deels +wegens de ongemakken, die zij moeten doorstaan, deels ook door eigen +schuld, omdat zij te veel sterke drank gebruiken. Daarbij zijn zij +ook vaak zorgeloos, bekommeren zich al te weinig om hunne gezondheid, +zoodat hunne levenskracht vroeger uitgeput raakt, dan dit op het +vasteland gewoonlijk het geval is." + +"Maar gij gebruikt tegenwoordig immers geen sterke drank meer?" + +"Neen, nooit, Willem; maar in vroeger jaren was ik even dwaas als de +anderen.--Kom, Juno, het wachten is alleen op u; breng de bedden eens +hier. Wij hebben nog maar twee of drie uren tot onze beschikking. Wat +zullen wij nu 't eerst aanvangen Willem?" + +"Zou 't niet goed wezen, dat wij terstond eene stookplaats zochten, om +den pot te koken? Juno en ik konden daartoe de steenen wel aanbrengen?" + +"Gij toont overleg, mijn beste jongen;--juist datzelfde wou ik +voorslaan, als gij het niet gedaan hadt. Ik zal morgen lang vóór +u hier zijn en wel zorg dragen, dat gij bij uwe aankomst het eten +gereed vindt." + +"Ik heb een flesch met water in mijn reiszak meegebracht," vervolgde +Willem, "niet zoozeer om dat water, als omdat ik de geiten melken en +de melk voor mijn kleine broertje meenemen wou." + +"Daar hebt gij braaf en broederlijk aan gedaan. Nu frisch aan 't +werk! Terwijl gij met Juno steenen haalt, zal ik al het overige goed +hier onder de boomen wegbergen." + +"Kunnen wij de schapen en geiten los laten loopen, Flink?" + +"Gerust; ge hebt niet te vreezen, dat ze zullen wegloopen. Het +groene voeder is hier beter dan op de andere zijde van het eiland en +daarbij overvloedig voorhanden. Geloof mij, ze zullen heel bedaard +hier blijven." + +"Goed dan zal ik Nanni loslaten, zoodra Juno haar gemolken heeft; +doch dat is vandaag ook ons laatste werk hier.--Laat ons nu eens zien, +Juno, hoeveel steenen wij in één vracht dragen kunnen." + +Een uur later was de stookplaats gereed, had Flink zijne taak +volbracht, waren de geiten gemolken en druk aan 't grazen en namen +Willem en Juno den terugweg door het woud aan. + +Flink keerde naar het strand terug. Toen hij dat langs wandelde, zag +hij eene kleine schildpad liggen. Behoedzaam sloop hij op haar toe, +zoodat hij tusschen haar en het water kwam te staan, en toen greep +hij haar plotseling aan en kantelde haar gelukkig op den rug om. + +"Ziezoo, dat is onze hoofdschotel voor morgen," zeide hij, terwijl +hij in zijne boot klom. Met forsche handen greep hij de riemen aan +en roeide naar de bocht terug. + + + + + + + +TWEE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + +AANKOMST OP DE NIEUWE WOONPLAATS. + + +Flink landde in de bocht, trok de boot aan wal en ging toen naar de +tenten, waar hij het gansche gezelschap bij elkaar vond, aandachtig +luisterende naar het verhaal, dat door Willem van de verrichtingen en +ontmoetingen van dien dag gedaan werd. Bij Flinks komst werd dadelijk +alles voor morgen afgesproken. Toen ging men slapen, en alleen de +oude man en Willem bleven nog een poosje op, om de hoenders te vangen +en hun de pooten saam te binden, zoodat men ze den volgenden ochtend +gemakkelijk in de boot vervoeren kon. + +Vóór dag en dauw werden de kleinen gewekt en zoo schielijk mogelijk +aangekleed, omdat Flink de tent, waarin moeder en kinderen geslapen +hadden, in de boot wilde medenemen. Met uitzondering van dezen en +van Thomas, die in de vrouwentent--gelijk men haar noemde--onder dak +was, hadden de overigen onder den blooten hemel geslapen, op stukken +zeildoek, welke men daartoe onder de dichte kokosboomen op den grond +had uitgespreid. Wat was dat eene drukte en eene opschudding op dezen +morgen! Alles kwam in rep en roer. Zoodra mevrouw Wilson gekleed was, +werd de tent omvergehaald en met beddegoed en alle verder toebehooren +in de boot geladen. Na een hartig ontbijt gingen ook borden, messen, +lepels en andere kleinigheden scheep; toen legde Flink de hoenders +daar bovenop, en in een ommezien was hij uit het gezicht. + +Een weinig later maakte zich ook het verdere gezelschap tot de reis +door het kokosbosch gereed. Willem ging met de drie honden vooruit +en wees den weg. Hem volgde zijn vader met Albert op den arm, Juno +met de kleine Caroline, en eindelijk mevrouw Wilson met Thomas aan +de hand, die volgens zijn zeggen, op zijne moeder passen moest. Met +een weemoedig gevoel zeiden zij de plaats vaarwel, die hen na zooveel +doorgestane gevaren het eerst had opgenomen. Nog eenmaal zagen zij +naar de bocht en de overblijfsels van het wrak en de scheepslading, die +naar alle zijden verstrooid lagen om en toen traden zij het woud in. + +Flink was in minder dan twee uren aan de nieuw gekozene verblijfplaats +aangekomen en onverwijld aan land gestapt. Voordat hij zijne lading +begon te lossen, wilde hij nog naar de schildpad zien, die hij den +vorigen dag op het strand had omgekeerd. Hij vond het beest nog, +gelijk hij het gelaten had, doodde het en wiesch het zorgvuldig af. Nu +ging hij naar de nieuw aangelegde stookplaats, legde het vuur aan; +vulde den ijzeren ketel met water en zette hem op het vuur te koken. + +Hierop sneed hij een stuk van de schildpad af en legde het met eenige +sneden pekelvleesch in den ketel, dekte dezen en liet alles behoorlijk +doorkoken. Het overschot van de schildpad hing hij in de schaduw op, +waarna hij naar het strand terugkeerde, om eindelijk de lading uit +de boot te brengen. Hij bond de arme hoenders los, welker pooten in +den beginne heel stijf waren, doch die zich spoedig weer herstelden +en toen terstond ijverig naar voeder rondzochten. + +Flink nam de schotels, messen, vorken en andere kleinigheden uit +de boot en droeg ze naar de nieuwe tent, waarna hij naar het vuur +omzag en nog meer hout onder den ketel legde. Vervolgens haalde hij +het beddegoed en het linnen voor de tweede tent, benevens de staken, +die hij achter aan de boot had vastgemaakt. Hij had bijna drie volle +uren noodig om alles naar de nieuwe woonstede over te brengen, want +deze lag eenigszins van het strand verwijderd en enkele dingen waren +zwaar, zoodat de oude man hartelijk blij was, toen hij zijn werk +verricht had en zich eindelijk kon neerzetten, om wat uit te rusten. + +"Me dunkt toch, het is haast tijd, dat zij komen konden," dacht Flink; +"zij moeten nu al bijna vier uren onder weg zijn. Maar misschien zijn +ze later vertrokken. Het is geen gemakkelijk ding, een hoop vrouwen met +kinderen in beweging te brengen." Zoo wachtte hij nog een kwartier, +stookte het vuur op en vergat ook niet van tijd tot tijd de soep af +te schuimen, tot eensklaps de drie honden op hem kwamen toespringen. + +"Nu kunnen zij niet ver meer verwijderd zijn," dacht de oude man. + +En dat waren zij werkelijk niet; want eenige minuten later verscheen +het gansche gezelschap, en dat wel zeer verhit en afgemat, gelijk +hij dan ook niet anders verwacht had. Hij hoorde nu, dat de kleine +Caroline, na een poosje geloopen te hebben, bitter over vermoeidheid +geklaagd had, zoodat Juno haar had moeten dragen. Later had ook mevrouw +Wilson zich doodelijk vermoeid gevoeld en had men een kwartiertje +moeten rusten. Daarop kwam sinjeur Thomas, die niet bij moeder had +willen blijven, maar gedurig heen en weer was geloopen en verklaarde +dat hij moe was en dat men hem dragen moest; en daar er niemand was, +die dit doen kon, begon hij te schreien en te klagen, totdat men +besloot andermaal halt te houden, opdat hij eenigermate bekomen +zou. Eindelijk begon de kleine ongelukkig nog honger te krijgen en +te schreeuwen. De vreesachtige Caroline werd beangst, toen men zoo +lang in het donkere bosch omdwalen moest, en weende mee. Thomas, dien +de goede Willem een eind ver als een zak op den rug had gedragen, +zette, toen hij eindelijk zijn eigen beenen weer gebruiken moest, +eene geweldige keel op. Zoo moest men alweer halt maken, en eerst +nadat men zich door een dronk uit Willem's flesch verkwikt had, ging +het weer eenigszins beter, tot het gezelschap ten laatste zóó moe en +uitgeput bij Flink aankwam, dat mevrouw Wilson zich met de kleinen +eenigen tijd in de tent moest nederleggen, voordat zij van de plaats, +waar zij in het vervolg wonen zouden, ook maar iets had gezien. + +"Mij dunkt," zeide mijnheer Wilson, na de kleine aan Juno te hebben +overgegeven, "dat de dagreis van heden, hoe klein ook, het beste +bewijs is, hoe hulpeloos wij zonder u zijn zouden, Flink." + +"Ik ben recht blij, dat gij eindelijk hier zijt, mijnheer," antwoordde +de oude man. "Het is mij een zwaar pak van het hart, want nu eerst zal +het met ons allen beter gaan. Me dunkt, na eenigen tijd zult gij hier +recht genoeglijk kunnen wonen, maar daartoe hebben wij nog veel te +doen. Zoodra mevrouw wat heeft uitgerust, willen wij ons middagmaal +gebruiken en dan onze eigene tent vastmaken, wat nog werk en omslag +genoeg zal wezen. Morgen zullen wij dan ernstig met onzen nieuwen +arbeid aanvangen." + +"Gaat gij morgen naar onze oude bocht terug, Flink?" + +"Ja mijnheer. Wij moeten onzen voorraad hier hebben, rund- en +varkensvleesch, meel en erwten en nog veel andere dingen, die wij +niet missen kunnen. Met drie reizen heb ik den leeftocht over; het +overige kunnen wij later onderzoeken en onder dak brengen, als wij +er eens tijd toe vinden. Zoodra ik deze drie reizen met mijne boot +gedaan heb, kunnen wij dan gezamenlijk aan het werk gaan." + +"Maar in dezen tusschentijd kan ik toch ook wel iets doen?" + +"O ja, er is werk in overvloed voor u." + +"Wilt gij Willem meenemen?" + +"Neen, mijnheer; hij zal hier meer van nut zijn, en ik kan mij ook +zonder hem redden." + +Mijnheer Wilson ging nu in de tent en vond zijne vrouw weer vrij +wat van hare vermoeidheid bekomen, maar al de kinderen vast in +slaap. Men wachtte nog een half uur en wekte toen Thomas en Caroline, +om gezamenlijk aan tafel te kunnen gaan. + +"Hé, beste Flink," riep Willem, toen deze het deksel van den ketel nam, +"wat een heerlijke soep hebt gij daar toch!" + +"Dat is een zondagskostje, waarop ik u dezen eersten middag +eens onthalen wou," antwoordde Flink. "Ik weet dat gij allen het +pekelvleesch eindelijk van harte moe zijt, en daarom zult gij vandaag +eens als aan eene burgermeesterstafel smullen." + +"Maar zeg, Flink, wat is het?" vroeg mevrouw Wilson. "De reuk er van +is heerlijk althans." + +"Eene schildpadsoep, mevrouw; en ik hoop, dat ze u smaken +zal. Wanneer ze u bevalt, kan ik haar u, nu wij eens hier zijn, +wel meer voorzetten." + +"Waarlijk zij smaakt keurig, maar er moet nog een weinig zout in. Gij +hebt dat toch nog, Juno?" + +"Maar sikkepitte meer. Haast altemaal op," antwoordde deze. + +"Hoe moeten wij het dan maken, als onze zoutvoorraad ten einde +loopt?" vroeg mevrouw Wilson. + +"Juno moet ander halen," gaf Flink ten antwoord. + +"Ikke halen ander?--Ikke hebben geen zier meer," hernam Juno en zag +den ouden man verwonderd aan. + +"Daar buiten is het in overvloed, Juno," zeide mijnheer Wilson en +wees naar den zeekant. + +"Ikke niets daarvan zien kan," antwoordde zij. + +"Hoe meent gij dat, lieve?" vroeg mevrouw Wilson eindelijk. + +"Ik meen alleen, dat wij, als wij zout noodig hebben, ons dat zelven +bereiden kunnen, zooveel wij verkiezen. Wij hebben slechts zeewater +in een ketel te koken, of ook tusschen de klippen ginds eene drogerij +aan te leggen, daar de zon dan het water doet verdampen en het zout +op den grond achterlaat. Flink weet dat zoo goed als ik. Op een +dezer beide manieren wordt het zout altijd gewonnen, door uitdampen +of anders door verkoken, wat eigenlijk hetzelfde is, behalve dat men +er spoediger mee klaar komt." + +"Eerlang zullen wij daar het noodige toe gereed maken, mevrouw," +zeide Flink; "en ik zal dan Juno wijzen, hoe zij zichzelve altijd +redden kan." + +Iedereen vond de soep uitmuntend. Thomas hield zijn bord zoo dikwijls +bij, dat zijne moeder hem eindelijk niet meer geven durfde. Na +geëindigden maaltijd bleef mevrouw Wilson met de kinderen alleen, +terwijl haar man en Flink met behulp van Juno en Willem de tweede +tent opsloegen en alles vóór den nacht in gereedheid brachten. Het +was reeds vrij donker, toen zij hiermee klaar waren. + + + + + + + +DRIE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + +ALGEMEENE TEVREDENHEID MET HET NIEUWE VERBLIJF. + + +Mijnheer Wilson was den volgenden morgen het eerst op en zeide tot +Flink, toen deze een poos later uit de tent trad: + +"Ik kan u zeggen, vriend, dat ik mij, sedert ik hier ben, veel +opgeruimder en beter gestemd gevoel dan vroeger. Op de andere zijde +van het eiland herinnerde alles mij onze schipbreuk en moest ik +onophoudelijk aan mijn verloren vaderland denken, terwijl het mij hier +is, of wij er reeds lang te huis waren en er vrijwillig ons verblijf +gekozen hadden." + +"Dat gevoel zal van dag tot dag levendiger bij u worden, vertrouw +ik, mijnheer; want het is doelloos en zelfs dwaas, als de mensch +onophoudelijk over zijn ongeluk jammert. Wij bovenal hebben alle +reden om innig dankbaar en tevreden te zijn." + +"Ik erken dat volgaarne, brave man.--Wat is dan nu het eerste, dat +gij denkt aan te vangen?" + +"Waar wij bovenal behoefte aan hebben, is een toereikende voorraad van +zoet water en daarom wenschte ik wel, dat gij en uw zoon Willem--dáár +komt hij al! Goede morgen, mijn jongen!--ik zei daar, dat gij beiden +geen beter werk doen kondet, dan de bron verder tot stand te brengen, +terwijl ik mij weer op de vaart begeef. Ik bracht gisteren nog een +schop mee, en zoo kunt gij gelijktijdig arbeiden; maar laat ons eerst +naar de tent gaan, want Juno, zie ik, heeft het ontbijt klaar.--Ge +begrijpt wel, mijnheer, dat wij de wel tot in het kokosbosch nasporen +moeten, waar zij in de schaduw tegen de zon gedekt is. Dat kan licht +gebeuren, als gij tegen de hoogte aan opwerkt en ziet, hoe het water +van boven neerstroomt. Hebt ge dat gevonden, dan graaft gij een gat, +wijd genoeg, om er een van onze watertonnen, die ik van avond mee wil +brengen, in neer te laten. Is deze behoorlijk in den grond vastgezet, +dan zullen wij haar altijd vol water vinden, en hoe schielijk wij ze +ook leegscheppen, zal de wel haar toch bestendig weer aanvallen." + +"Ik begrijp u zeer goed," antwoordde mijnheer Wilson. "Dat zal dan +heden ons werk zijn, voor zoolang gij afwezig zijt." + +"Nu goed; dus heb ik zelf niets meer te doen, dan met Juno over het +middageten te spreken," hernam Flink. "Daarna schielijk een mondvol +tot ontbijt en dan weg;--dit kostelijk weder mag niet ongebruikt +voorbijgaan." + +De oude man zeide Juno, om het varkensvleesch in de braadpan te +bakken en ook eenige sneden van de schildpad af te snijden en tegen +den middag te koken, waarbij zij ook de van gisteren overgebleven +soep nog opwarmen kon; en daarop stapte hij met een beschuit en een +stuk rundvleesch naar de boot en stak alleen van land. Vader en zoon +gingen inmiddels ook ijverig aan het werk, en tegen den middag reeds +had de kuil de breedte en diepte, welke Flink hun had aangewezen. Eerst +toen zij zoover waren, staakten zij hun arbeid en gingen naar de tent, +waar mevrouw Wilson met het herstellen der kleederen van hare kinderen +bezig was. + +"Gij kunt u niet voorstellen, hoeveel beter ik mij gevoel, sinds wij +hier zijn," zeide zij en drukte de hand van haar man, toen die zich +aan hare zijde neerzette. + +"Ik hoop lieve, dat dit een voorgevoel is van ons toekomstig geluk," +antwoordde hij. "Ik verzeker u, dat ik hetzelfde voel en dezen morgen +heb ik dit onzen braven Flink ook reeds gezegd." + +"Ik gevoel, dat ik hier mijn leven lang gelukkig zou kunnen zijn, +zoo kalm, zoo vreedzaam en daarbij zoo verrukkelijk schoon is het +hier. Weet gij echter, wat ik mis?--Er zijn hier geen zangvogels, +zooals in ons vaderland." + +"'t Is waar, ik heb tot hiertoe ook nog maar enkel zeevogels +bemerkt. Hebt gij al andere gezien, Willem?" + +"Eens maar, vader, heb ik in de verte een vlucht gezien. Flink was +niet bij mij en dus wist ik niet, wat voor vogels het waren. Ze +schenen mij echter niet zoo klein, als andere zangvogels, maar voor +'t minst van de grootte eener duif.--Kijk, daar komt Flink den hoek +om," vervolgde hij. "Wat zeilt die kleine boot toch hard! En 't moet +toch wel zwaar werk voor den ouden man zijn, zoo heel alleen tegen +den stroom op naar de bocht te roeien.--Juno is het eten klaar?" + +"Ja, massa Willem, in een ommezien klaar wezen." + +"Wij willen hem tegemoet gaan en hem nog vóór den eten van het een +en ander ontlasten." + +Zij deden dit, en Willem rolde de ledige waterton, die Flink had +medegebracht, naar de nieuw gegraven bron. + +De sneden schildpad werden even luid geprezen, als de soep van den +vorigen avond en inderdaad, nadat men zoo lang op taai pekelvleesch +gekauwd had, moest eene afwisseling met versche spijzen allen bij +uitstek gewenscht voorkomen. + +"En nu naar de bron; zij moet heden nog klaar," riep Willem, zoodra +de maaltijd was afgeloopen. + +"Gij arbeidt als een dijkgraver, Willem," merkte zijn moeder lachend +aan. + +"Dat moet ik ook, moeder. Ik moet thans leeren alles met mijne handen +te doen." + +"En spoedig zal het door uwe gewoonte een tweede natuur worden," +zei Flink. + +Bij de bron gekomen, zagen zij tot hunne verbazing, dat het eerst +voor een paar uren gegraven gat bijna tot den rand toe met water +was opgevuld. + +"O wee," riep Willem, "nu zullen wij eerst al dat water dienen uit +te scheppen, om de ton er in te krijgen!" + +"Kom, kom, jongen, bedenk u eens goed," zei de vader. "Het water +vloeit zoo sterk, dat zulk uitscheppen geen gemakkelijk ding zou +zijn. Kunnen wij de zaak niet anders aanvatten?" + +"Ja, vader; maar de ton zal toch bovendrijven." + +"Zeker, zooals zij nu is, doet zij dat vast. Doch is er geen middel +om haar te doen zinken?" + +"O ja, nu begrijp ik het. Wij moeten eenige gaatjes in den bodem boren; +dan zal zij volloopen en vanzelf naar den grond gaan." + +"Heel goed, jongen," sprak Flink. "Ik dacht wel, dat zoo iets zou +moeten gebeuren en heb daarom de groote boor bij mij gestoken." + +De oude man boorde vier gaten in den bodem der ton, en terwijl zij +nu op het water dreef, drong dit langzamerhand naar binnen, zoodat +het vat al dieper en dieper zonk. Zoodra de rand daarvan met de +oppervlakte des waters gelijk stond, vulden zij de tusschenruimte +behoorlijk met zand op en was de bron gereed. + +"Morgen als het water goed gezakt is, zal het zoo helder en +doorschijnend zijn als kristal, en zoo zal het blijven, als men het +niet moedwillig troebel maakt," voorspelde Flink. "Alweer dus een +stuk werk tot stand gebracht! Nu zullen we nog al het overige goed +uit de boot halen." + + + + + + + +VIER-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + +VERDERE VERRICHTINGEN IN DE NIEUWE VOLKPLANTING. + + +"Daar wij nog zoo velerlei dingen te doen hebben," zeide mijnheer +Wilson den volgenden morgen tot zijn ouden vriend, "zullen wij een +geregeld plan voor alles ontwerpen. Van de wijze, waarop men het +aanvat, hangt het welgelukken van een werk grootendeels af. Zeg +mij dus, welk werk gij ons voor de volgende week zoo al zoudt +voorslaan. Morgen is 't Zondag, en ofschoon wij dien dag tot nu toe +nog niet behoorlijk hebben kunnen vieren, geloof ik toch, dat wij +hem ditmaal kunnen en moeten gedenken." + +"Ja, mijnheer, dat moeten wij en 't zelfde zou ik u hebben +voorgeslagen. Morgen zullen wij van onzen arbeid uitrusten en Zondag +houden. En wat nu uw voorslag aangaat, mijnheer,--of zullen wij ook +eens hooren wat mevrouw zegt?" + +"Gij moet er thans niet om denken, dat gij vrouwen of althans +fijne dames bij u hebt," viel mevrouw Wilson hem in de rede. "Mijne +gezondheid en kracht keeren meer en meer terug en ik hoop u spoedig +wezenlijk van nut zijne. Ik neem op mij, Juno in alle huiselijke +verrichtingen te helpen, voor koken en wasschen te zorgen, op de +kinderen te passen, de kleederen te herstellen en alles te doen, wat +mijne krachten mij toelaten. Word ik sterker, dan zal ik beproeven +wat ik meer kan doen, en in alle gevalle zult gij, zoo niet den +ganschen, toch een groot gedeelte van den dag over Juno's diensten +kunnen beschikken." + +"Daarmee kunnen wij ons vooreerst ook heel goed vergenoegen, +mevrouw," hernam de oude zeeman. "Maar nu verder, mijnheer. De beide +dringendste verrichtingen, na het bouwen van een huis, zijn vooreerst +het omspitten van een stuk land voor onze aardappelen en tuinzaden +en dan het aanleggen van een vijver voor schildpadden, opdat wij van +die dieren vangen en daarin zetten, voordat de tijd voorbij is." + +"Heel goed," was het antwoord; "maar wat dient er eerst gereed +te zijn?" + +"Mij dunkt de vijver daar, die slechts weinige dagen werks behoeft te +kosten, als gij met Juno en Willem daaraan arbeidt. Ik voor mij heb +de gansche aanstaande week uw bijstand niet noodig. Ik wil eerst eene +plek in de buurt opzoeken, waar het hout het dichtst staat;--daar zal +ik dan de boomen omhakken en eene ruimte maken, waar in het vervolg +onze pakhuizen kunnen staan, en zoodra de regentijd voorbij is, brengen +wij dan al onzen voorraad van ginds naar hier over. Dat zal mij wel de +geheele week ophouden, daar het vellen en op eene behoorlijke lengte +afzagen van de boomen voor ons nieuwe huis geen gemakkelijk werk +is. Ben ik daarmee klaar, dan moeten wij al onze krachten vereenigen +en terstond tot het opslaan eener woning overgaan. Haardstede en +vensters kunnen misschien eerst later klaar komen. Het voornaamste is, +dat wij onder dak zijn en droge slaapplaatsen hebben." + +"Denkt gij dan wezenlijk, dat daar nog kans toe is? Wanneer oordeelt +gij, moet het regenseizoen invallen?" + +"Met drie of vier weken. Het begin staat niet altijd zoo geregeld vast, +maar veel later wordt het zeker niet. Is de volgende week voorbij, +dan zal ik waarschijnlijk altijd twee of misschien wel al de leden +van de familie gebruiken kunnen. Ha! daar valt mij in, dat ik toch +nog eens naar de bocht terug moet." + +"Waartoe dat?" + +"Herinnert gij u de kar op twee wielen nog, mijnheer, die in stroo +was ingepakt en door den storm aan land werd geworpen? Gij lachtet, +toen gij haar zaagt en dacht, dat zij ons thans maar van weinig nut +zou zijn; en toch, mijnheer, zullen as en wielen ons nu goed te pas +komen, daar wij naar de plaats, waar ik de boomen vel, een breed pad +aanleggen en dan onze stammen veel gemakkelijker voortkruien kunnen, +dan zoo wij die dragen of sleepen moesten." + +"Dat is een kostelijke inval, Flink. Zoo zal zeker vrij wat werk +bespaard worden." + +"Dat denk ik ook, mijnheer. Willem en ik zullen Maandagmorgen al +vroeg opbreken, om vóór het ontbijt terug te zijn. Vandaag willen +wij nog de plekken opzoeken, waar onze tuin aangelegd, de vijver +gemaakt en het geboomte geveld worden moet. Dat is een werk voor ons, +mijnheer. Willem en Juno kunnen intusschen de dingen hier wat beter +oppakken, totdat wij ze gebruiken moeten." + +Terstond daalden de beide mannen naar het strand af, en na de riffen +aandachtig te hebben opgenomen, zeide Flink: "Gij ziet, mijnheer, +tot een vijver voor schildpadden hebben wij niet veel water noodig, +want als hij te diep is, kost het ons maar dubbele moeite de beesten +op te vangen. Alles wat wij verlangen, is eene plaats in het water, +met een lagen dam van steenen omringd, zoodat de dieren niet ontsnappen +kunnen, want tot klauteren zijn ze niet in staat, hoewel ze met hunne +zwempooten heel goed op het afhellende strand kunnen voortspartelen. Nu +zie, mijnheer, de klip ginds is hoog genoeg boven water; de ruimte +tusschen haar en het strand is diep genoeg en de rotsen aan den +oever sluiten deze zijde bijna geheel af en beletten de dieren dus +langs den oever voort te kruipen, zoodat zij ons niet meer ontkomen +kunnen. Wij hebben dus weinig meer te doen, dan de beide andere kanten +op te vullen, en onze vijver is zoo goed als hij wezen moet." + +"Ik zie, dat dit niet veel moeite zal kosten, als wij maar genoeg +losse rotsblokken vinden kunnen." + +"Bijna alle, die op het strand liggen, zijn los," verzekerde Flink, +"en hier dicht vóór ons vinden wij ze in menigte. Sommige zijn wel +te zwaar om gedragen te worden; doch die kunnen wij met breektangen +en hefboomen van de plaats krijgen;--wij hebben twee of drie van die +dingen bij ons. Nu, mijnheer, moesten wij Willem en Juno een teeken +geven en hen dadelijk aan het werk zetten. Vóór den middag kunnen +zij nog vrij wat afdoen." + +Mijnheer Wilson riep en wenkte met zijn hoed, waarop Willem en de +negerin dadelijk aankwamen. Juno werd gezonden om twee breekijzers te +halen, terwijl Willem van Flink vernam wat zij te doen hadden. Toen +Juno met de werktuigen terug was, bleven de beide mannen nog een +tijdlang bij hen en hielpen hen aan hun werk, waarna zij verder gingen, +om eene geschikte plaats voor een tuin op te zoeken + + + + + + + +VIJF-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + +GEVOLGEN DER ONGEHOORZAAMHEID. + + +Mijnheer Wilson en Flink vervolgden hunne wandeling langs het strand +tot aan het punt, dat deze laatste tot het aanleggen van een tuin +'t best geschikt achtte. Wel is waar was de laag teelaarde op den +rotsigen bodem niet dik, maar de grond was toch vrij goed en tamelijk +uitgestrekt. Daarenboven was de plaats dáár, waar zij aan het andere +land vastzat, zeer smal, zoodat men geene uitgestrekte omheining +noodig had. + +"Gij ziet, mijnheer," merkte Flink aan, "het aanleggen eener heg +kunnen wij uitstellen tot de regentijd voorbij is, of als het weer +dat vergunt, kunnen wij er dien toe gebruiken. De zaadgewassen en de +aardappelen zullen eerst na de regen opkomen, en zoo hebben wij niets +anders te doen, dan den grond om te spitten en zoo schielijk mogelijk +aan het poten te gaan. De struiken ginds moeten weggeruimd worden; +maar dat is weinig moeite, omdat de grond zoo licht is. Wij hebben +ook maar een deel van uwe zaden uit te strooien, want dit jaar kunnen +wij nog geen grooten tuin aanleggen; doch onze aardappelen moeten +alle gepoot worden, al konden wij ook niets anders meer uitrichten." + +"Als we geene omheining te maken hebben," antwoordde de heer Wilson, +"kunnen we dunkt mij, in eene week tijds grond genoeg bearbeiden, +om alles, wat ons 't eerst noodig is, aan te planten." + +"We dienen eerst het kleine struikgewas uit te roeien en den grond +om te spitten," vervolgde Flink. "De zwaardere stammen en stronken +kunnen we, als het ons dadelijk aan tijd ontbreekt, in den beginne +veilig laten staan. Hier kan onze Thomas een handje helpen, als gij +hem de uitgegraven wortels laat wegdragen.--Laat ons nu in het bosch +gaan en eene plaats uitkiezen, waar ik de boomen vellen zal. Ik voor +mij heb al eene keuze gedaan, zoo gij er niets tegen hebt. De plek +is dáár, een vijftig roeden op zij van de tent. Van hier hebben wij +bij de honderd roeden het bosch in te gaan." + +Beiden volgden de door Flink aangewezen richting, totdat zij aan eene +kleine hoogte kwamen, waar de boomen zoo dicht stonden, dat het moeite +kostte daar een pad door te breken. + +"Hier zijn we, waar we wezen moeten, mijnheer," sprak Flink. "Ik zou +voorstellen, al het zware hout, dat wij tot onze woning noodig hebben, +uit dit gedeelte van het bosch te nemen en eene open vierkante +plaats uit te houwen, op 't midden waarvan wij onze pakhuizen +kunnen bouwen. Tegenwoordig is de noodzakelijkheid van zoo iets niet +waarschijnlijk; maar ziet gij, mijnheer, in geval van nood kan men +deze plek met weinig moeite tot een vast punt van verdediging maken; +want als wij hier en daar tusschen de boomen nog eenige palissaden +zetten, hebben wij eene volmaakt goede verschansing, zooals men die +in West-Indië tegen de wilden gebruikt." + +"Volkomen waar, mijn goede raadsman. Evenwel hoop ik van harte, +dat zulke verdedigingsmiddelen ons nooit te pas zullen komen." + +"Ook ik hoop datzelfde, mijnheer; maar voorzichtigheid gaat boven +alles. Intusschen hebben we eerst nog veel anders te bedenken en te +doen. Het eten zal nu wel klaar zijn. Laat ons zien, dat wij ons deel +krijgen, en dan terstond ons werk aanvatten. Ik zie altijd gaarne +een begin, al is het ook nog zoo gering." + +Ook Willem en Juno kwamen nu aan den maaltijd, die mevrouw Wilson +bereid had. Beiden stond het gezonde zweet op het voorhoofd, want +het was hard werk wat zij te doen hadden; maar beider wil was goed +en zij wilden gedaan krijgen wat eens begonnen was. Thomas was +den ganschen morgen uiterst oproerig geweest en had overal slechts +stoornis veroorzaakt. Zijne les had hij niet geleerd, maar daarvoor, +ofschoon het hem meer dan eens verboden was, met vuur gespeeld en +de kleine Caroline de hand gebrand. Zoodra zijn vader nu echter van +zijne ondeugendheid hoorde, werd de stoute jongen tot zijne straf +veroordeeld om vandaag geen eten te krijgen, en zoo zat hij daar boos +en grommend de verdwijnende spijzen na te kijken, zonder dat het hem +nochtans inviel, voor zijne ondeugendheid vergiffenis te vragen. Na +het eten nam mijnheer Wilson schop en houweel om naar de plaats van +hun toekomstigen tuin te gaan, en zijne vrouw verzocht hem, Thomas +mee te nemen, daar zij zeer veel te doen had en niet zoo gemakkelijk +op hem als op de kleine Caroline passen kon. Zoo vatte de vader den +jongen bij de hand en nam hem mee naar de plaats, waar hij arbeiden +wilde. Daar deed hij hem op den grond nederzitten, terwijl hij zelf +de struiken begon uit te roeien. + +Hij werkte ijverig voort, en toen hij eenigszins gevorderd was, liet +hij het afgehouwen struikgewas door Thomas wat verder wegdragen en in +eene hoop op elkaar pakken. De kleine jongen deed dit echter ongaarne, +daar hij nog altijd in een boos humeur was. Nadat de vader eene vrij +groote ruimte van struiken ontdaan had, nam hij zijne schop en begon +de wortels uit te graven, waarbij hij aan Thomas overliet, zich naar +eigen verkiezing te vermaken. Zoo zag hij niet, waarmee de knaap wel +een uur lang bezig was, terwijl hij zelf druk voortarbeidde. Toen +opeens echter hoorde hij een luid kreunen, en op de vraag naar de +oorzaak daarvan, gaf Thomas geen antwoord, maar jammerde al sterker, +tot hij eindelijk de handen op de maag legde en zoo hard als hij kon +begon te schreeuwen. Daar hij zware pijn scheen te lijden, liet de +vader zijn arbeid rusten en bracht hem naar de tent, waar mevrouw +Wilson, door het gekerm verontrust, hem te gemoet kwam. Thomas +verkoos overigens niet, ergens op te antwoorden, en ging met huilen +en jammeren voort, zoodat vader en moeder niet begrijpen konden, +wat er de oorzaak van was. De oude Flink, die dat gekerm zoo lang +hoorde aanhouden, dacht dat er een ernstig ongeluk was voorgevallen, +en kwam nu ook aan. Toen hij hoorde wat er gebeurd was, zeide hij: + +"Maak er staat op, mijnheer, de jongen heeft iets gegeten, dat hem nu +kwalijk bekomt. Zeg, sinjeur Thomas, wat hebt gij in den mond gestoken, +toen gij daar alleen waart?" + +"Bessen," was het snikkend antwoord. + +"Dat dacht ik wel, mevrouw," vervolgde Flink. "Ik wil eens gaan zien, +wat voor soort van bessen het waren." + +De oude man ging ijlings naar de plaats, waar mijnheer Wilson gewerkt +had. De moeder was inmiddels grootelijks beangst, dat het kind iets +vergiftigs mocht hebben ingekregen, terwijl de vader uit zijne kleine +apotheek een fleschje ricinusolie ging halen. + +Flink kwam juist terug, toen ook de heer Wilson in de tent trad met het +fleschje, waaruit hij den zieken jongen eenige droppels wilde ingeven. + +"O, neen, mijnheer," zeide de oude man, die een takje in de hand +hield, toen hij hoorde, welke medicijn het was; "daar moet gij hem +niet van ingeven, want, naar het mij voorkomt, heeft hij er al te +veel van gebruikt. Zie, als ik 't niet mis heb,--en mij dunkt, ik +ben vrij zeker van mijne zaak,--is dit de ricinusplant; en hier zijn +eenige van de bessen, waarvan onze sinjeur gesnoept heeft. Niet waar, +Thomas, hiervan hebt gij gegeten?" + +"Ja.--O, wat heb ik er eene pijn van!" kermde de knaap. + +"Dat is verdiend loon. Geef hem maar iets warm te drinken mevrouw, +en het zal wel spoedig beter zijn. Onze jongeheer zal nu denkelijk +wel onthouden, dat men geen vreemde bessen of vruchten plukken mag, +zonder vooraf te weten, dat ze goed om te eten zijn." + +Gelijk Flink gezegd had, was het ook. Evenwel was Thomas den ganschen +dag nog ziek en misselijk, en moest al zeer vroeg naar bed worden +gebracht. + + + + + + + +ZES-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + +EEN ONAARDIG KIND. + + +Den anderen morgen, toen al de overigen druk aan het werk waren, +zat mevrouw Wilson voor hare tent. De kleine Albert kroop aan hare +voeten op den grond om: Caroline was naarstig met hare breikous bezig, +en sinjeur Thomas groef kuilen in het zand, in elken waarvan hij een +steentje legde. + +"Wat doet gij toch, Thomas?" vroeg zijne moeder. + +"Spelen, moeder; ik maak een tuin." + +"Een tuin! Dan moest gij er ook eenige boomen in planten." + +"Neen, ik zaai zaden: zie hier maar," riep Thomas en wees op zijne +steenen. + +"Steenen kunnen niet groeien; niet waar, moeder?" vroeg de kleine +Caroline. + +"Neen, lieve meid, dat kunnen zij niet. Steenen schieten niet uit de +aarde op, maar wel het zaad van planten en bloemen." + +"Dat weet ik ook wel," zeide Thomas. "Ik doe maar zoo omdat ik geen +zaad heb." + +"Maar gij zeidet daar straks toch, dat gij zaad zaaidet en geen +steenen." + +"O, dat verbeeld ik mij maar zoo, en dan is het ook precies 't zelfde." + +"Toch niet zoo precies 't zelfde, mijn jongen. Bedenk maar eens; als +gij gisteren, in plaats van die leelijke bessen te eten, u slechts +verbeeld hadt, dat gij ze at,--zou dat niet beter voor u geweest zijn?" + +"Ik wil er ook niet weer van proeven," zeide de knaap. + +"Neen, van die bessen niet; maar als gij iets anders ziet, waar ge +trek in krijgt, dan vrees ik half en half dat ge het weer proeven zult, +en dan kon 't licht even erg of nog erger dan gisteren gaan." + +"Ik heb zin in kokosnoten. Waarom krijgen wij daar nooit van? Daar +boven aan de boomen hangen er toch nog genoeg." + +"Maar wie zal zoo hoog klimmen, om ze te plukken? Wilt gij dat zelf +doen, Thomas?" + +"Neen, maar waarom doet Flink dat niet, of vader, of Willem? Waarom +stuurt ge Juno niet in den boom? Ik wil kokosnoten hebben." + +"Die zullen er ons wel eens wat van meebrengen, als zij niet zooveel +meer te doen hebben; maar nu is het geen tijd daartoe. Ziet ge niet, +hoe druk allen aan het werk zijn?" + +"Ik lust graag schildpadsoep," vervolgde Thomas. + +"Willem en Juno maken een vijver, om daar schildpadden in te doen, +en dan krijgen we die meer te eten. Ge moet bedenken, dat wij niet +altijd alles krijgen kunnen, waar we lust in hebben." + +"Eene schildpad, moeder, wat is dat?" vroeg de kleine Caroline. + +"Dat is eene soort van dier, dat in het water leeft en toch geen +visch is." + +"O, gebakken visch, daar houd ik ook veel van," riep Thomas +weder. "Waarom krijgen wij geen gebakken visch?" + +"Omdat iedereen thans te veel werk heeft, om ze te kunnen +vangen. Naderhand zult ge zeker ook wel nu en dan eens visch +krijgen. Maar kom, lieve Thomas, ga eens heen en haal uw broertje +Albert terug. Hij is daar veel te dicht bij onze geit gekropen, +en die stoot soms wel." + +Thomas deed wat hem gezegd was. De kleine was vlak bij het jonge bokje, +dat sedert vrij groot was geworden, en Thomas haalde hem daar vandaan, +maar kon daarbij niet nalaten, eens even met zijn voet naar het dier +te schoppen. + +"Thomas, Thomas, doe dat toch niet; hij kon u stooten en u bitter +zeer doen." + +"Ik ben niet bang voor hem," riep Thomas, terwijl hij Albert met de +eene hand vasthield en voortging naar den bok te schoppen. Deze had +echter geen lust om dat langer te verdragen. Hij dook met den kop +neer, sprong op Thomas toe en stiet hem tegen de borst, zoodat hij +over Albert heen op den grond rolde. De kleine schreeuwde, en ook +onze mijnheer Thomas riep om hulp. Mevrouw Wilson schoot toe en nam +haar zoontje op den arm, terwijl Thomas die nu vrij wat bang was, +zich aan haar japon vasthield en angstig naar den bok omzag, die zeer +geneigd scheen om zijn aanval te hernieuwen. + +"Waarom doet gij ook niet wat men u zegt, Thomas? Ik zei u immers +wel, dat hij u stooten zou," zeide de moeder en zocht Albert gerust +te stellen. + +"Ik geef niet om tien bokken," antwoordde Thomas, nu hij zag dat het +beest hem niet verder volgde. + +"Ja, ja, nu de bok weg is, hebt gij verbazend veel moed. Gij zijt +toch een recht ondeugende jongen, die nooit gehoorzaamt, als men u +iets zegt. Weet gij nog wel van dien leeuw aan de Kaap?" + +"Ik ben niet bang voor een leeuw," zei Thomas. + +"Dat geloof ik, nu er nergens een te zien is; maar gij zoudt niet +weinig schrikken en schreeuwen, als er eensklaps een voor u stond." + +"Ik heb hem toch wel met steenen gegooid," vervolgde de knaap. + +"Ja, dat hebt gij gedaan; en als gij het gelaten hadt, zou de leeuw +u niet zoo hebben doen schrikken, evenmin als de bok u daareven op +den grond zou hebben geworpen," antwoordde de moeder. + +"Sik stoot nooit naar mij, moeder," zeide Caroline. + +"Neen, lieve, omdat gij hem nooit plaagt! maar Thomas houdt er veel van +de dieren te kwellen en wordt daar dan ook telkens voor gestraft. Het +is heel stout van hem, dat hij het doet, vooral daar vader en moeder +hem gedurig zeggen, dat hij het laten moet. Goede kinderen gehoorzamen +altijd aan hunne ouders; maar Thomas is geen goed kind." + +"Van morgen, toen ik mijne les zoo goed opzei, zeidet gij toch, +dat ik een brave jongen was, moeder," zeide Thomas beschaamd. + +"Ja, ja, toen waart gij dat ook; maar gij moet altijd braaf en +gehoorzaam zijn." + +"Dat kan ik niet altijd wezen," antwoordde de knaap. "Ik heb honger; +wanneer krijg ik van middag eten?" + +"Het wordt nu spoedig tijd, jongen; maar ge moet wachten, tot allen +van het werk terug zijn." + +"Daar komt Flink met een zak op den schouder," riep Thomas. Na weinige +oogenblikken stond deze dan ook voor mevrouw Wilson en legde zijn +zak op den grond neer. + +"Ik heb u wat jonge kokosnoten meegebracht en daarbij ook een paar +oudere," zeide hij. "Ze zijn van de boomen, die ik heb omgehouwen." + +"Ha, kokosnoten, die lust ik graag!" riep Thomas en klapte in de +handen. + +"Zeide ik niet, Thomas, dat wij ze mettertijd wel krijgen zouden? Kijk, +nu komen ze schielijker, dan wij verwacht hadden.--Ge schijnt recht +warm, Flink." + +"Ja, mevrouw," antwoordde deze en wischte zich het zweet van het +voorhoofd, "'t Is ook een warm werk, daar in het bosch geen koeltje +waait. Weet ge ook nog iets, dat ik van onze landingsplaats kan +meebrengen? Ik ga er dadelijk na het eten naar toe." + +"En om wat te doen?" + +"Ik moet de kar halen, om onze stammen uit het bosch te brengen, +en daartoe moet ik eerst een behoorlijk pad banen. Maar ditmaal heb +ik Willem noodig, om mij een handje te helpen." + +"O, Willem zal zeker gaarne meegaan. Dat is eene verademing, nadat +hij zoo lang met die zware steenen gesleept heeft.--Ik weet op +'t oogenblik niets meer, dat wij noodig hebben," vervolgde mevrouw +Wilson. "Daar komt Willem met Juno, en ook mijn man heeft, zie ik, +de schop neergelegd. Kom, lieve Caroline, pas gij nu op Albert, +terwijl ik het eten voor u allen opdraag." + +De oude man was haar hiertoe behulpzaam. Het eten werd op den grond +gezet, want hunne stoelen en tafels hadden zij nog niet naar de nieuwe +woning meegenomen, daar zij die wel dachten te kunnen missen, totdat +het huis was opgebouwd. Willem berichtte, dat hij den volgenden dag met +den vijver hoopte klaar te komen. Zijn vader had reeds zooveel grond +omgespit, dat men den van het wrak geredden halven zak aardappelen +daarin poten kon, en 't was dus vooruit te zien, dat binnen twee dagen +allen te zamen met vereende krachten tot het vellen en vervoeren der +boomen zouden kunnen overgaan. + +Na het eten roeide Flink met Willem in de boot weg en keerde nog voor +den donker met de kar en eenige andere goederen, die de lading vol +maakten, terug. Ook hadden zij eenige dikke balken op het sleeptouw +genomen, die Flink tot deurposten van het huis gebruiken wilde. De +heer Wilson had voor dien namiddag zijn werk laten rusten en daarvoor +Juno aan het hare geholpen. Naar zijn zeggen, was de vijver, zoo al +nog niet klaar, toch reeds zoo ver gevorderd, dat de schildpadden, +eens daarin zijnde, er niet gemakkelijk zouden uitkomen. + + + + + + + +ZEVEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + +GESPREK TUSSCHEN VADER EN ZOON. + + +"Nu beste Willem," zeide Flink, "als ge niet al te slaperig zijt, +hebt ge misschien wel lust om van avond mee te gaan en te zien, of +wij niet eenige schildpadden kunnen vangen. De broeitijd loopt spoedig +ten einde en dan zullen zij zich niet meer op het eiland laten zien." + +"O ja, Flink, ik wil graag meegaan." + +"Goed dan; maar wij moeten wachten, totdat het donker is. De maan +zal van nacht niet lang schijnen en dat treft juist goed voor ons." + +Zoodra de zon onder was, stapten beiden naar het strand en zetten +zich daar bedaard op een rotsblok neer. Het duurde niet lang, of +Flink ontdekte een schildpad, die op het zand voortkrabbelde. Hij +wenkte Willem, hem stilletjes te volgen en ging behoedzaam naar den +waterkant, zoodat hij het beest den terugtocht naar zee afsneed. + +Zoodra de schildpad hen gewaar werd, snelde zij op het water toe, +doch had het geluk niet van te ontkomen, daar Flink haar haastig bij +een harer voorste zwempooten aanpakte en haar toen zonder moeite op +den rug omwentelde. + +"Zóó, Willem, als ik daar deed, moet men de schildpadden altijd +omdraaien. Gij moet daarbij echter oppassen, dat gij niet te dicht bij +hare tanden komt, wat u licht een vinger zou kosten. Zooals het dier nu +ligt, kan het niet meer van de plaats, en wij zullen het morgenochtend +evenzoo vinden. Laat ons nu eens langs het strand voortgaan en zien, +of er nog meer te vangen zijn." + +Beiden bleven nog tot middernacht op en vingen in dien tijd zestien, +deels groote, deels kleine schildpadden. + +"Mij dunkt, dat is voor ditmaal genoeg," zeide Flink toen. "Wij hebben +in dezen nacht voor langen tijd voorraad ingezameld. Over drie of vier +dagen willen wij eens zien, of wij onzen rijkdom niet nog vermeerderen +kunnen, en morgen vroeg brengen wij onze vangst in den vijver." + +"Hoe zullen wij die groote dieren echter wegdragen?" + +"Dat behoeft niet veel moeite te kosten. We schuiven hen op een stuk +oud zeildoek en brengen hen op die wijze van de plaats. Op het gladde +zand is daar weinig kracht toe noodig." + +"Waarom vangen we ook niet visschen, Flink? Wij konden die immers +ook bij de schildpadden in den vijver doen." + +"Zij zouden daar niet lang in blijven, Willem, en al deden zij dat +ook, dan zouden wij er hen toch moeilijk uit kunnen krijgen. Wij +moeten mettertijd een afzonderlijken vischvijver aanleggen; maar +vooreerst hebben wij nog wel noodiger dingen te doen. Ik ben al +voornemens geweest eenige hengelsnoeren klaar te maken, maar kon er +niet toe komen en ben daar nu al te moe en te slaperig toe. Zoodra +het huis echter gebouwd is, zullen we eens uitgaan en gij zult +oppervisschersbaas zijn, als ik u eerst gewezen heb, hoe ge doen moet." + +"En niet waar, bij nacht bijten de visschen ook aan?" + +"O ja, en zelfs nog beter, dan bij dag." + +"Nu goed, bezorg mij dan een snoer en zeg mij, hoe ik doen moet. Ik +zal elken avond, als 't werk af is, nog een uurtje of langer visschen, +Thomas vraagt al gedurig om gebakken visch, en ik weet, dat moeder +het gezouten vleesch hartelijk moe is en 't ook voor Caroline niet +gezond vindt. Zij was recht blij, toen gij haar eergisteren die +kokosnoten bracht." + +"Goed, goed, mijn jongen. Ik zal morgenavond een stukje kaars opzoeken +en twee hengelsnoeren voor ons klaarmaken. Maar ik moet bij u wezen, +vriend Willem. In allen gevallen hebben wij hier niet veel licht +noodig." + +"Neen, wij zijn al blij, dat wij eindelijk te bed komen. Daar in de +bocht staan nog twee of drie kisten met kaarsen, maar hoe moeten wij +het maken, als die voorraad in 't vervolg eens opraakt?" + +"Dan branden wij kokosnotenolie en daar zal het ons nooit aan +ontbreken. En nu goeden nacht, mijn jongen." + +Den volgenden ochtend nog vóór het ontbijt waren alle handen bezig +om de schildpadden in den vijver te brengen, die tegen den middag +door Willem en Juno geheel voltooid werd. Ook mijnheer Wilson had +tegen etenstijd eene genoegzame uitgestrektheid gronds ter bebouwing +gereedgemaakt, en daar zijne vrouw Juno dien middag het linnengoed +moest laten uitwasschen, kwam men overeen, dat Flink met Willem en zijn +vader gezamenlijk naar den tuin zouden gaan en de aardappelen poten. + +De oude man werkte met de spade, terwijl vader en zoon de aardappelen +in stukken sneden, zoodat op ieder stuk een oog kwam. Terwijl zij op +deze wijze bezig waren zeide Willem tot zijn vader in den loop van +het gesprek onder andere: + +"Vader, gij beloofdet mij, den dag nadat wij de Kaap de Goede Hoop +verlieten, dat gij mij verklaren woudt, waarom deze zoo genoemd wordt +en dat ik daarbij ook iets over de koloniën in het algemeen hooren +zou. Wilt gij nu misschien zoo goed zijn?" + +"Recht gaarne, beste jongen; maar gij moet wel opletten, en als gij mij +niet goed begrijpt, verzuim dan niet, mij dat terstond te zeggen, opdat +ik het u duidelijker trachte te verklaren. Gij hebt wel meer hooren +zeggen, dat de Engelschen tegenwoordig de meesters van de zee zijn, +en dat is werkelijk zoo, ofschoon dat in alle tijden niet het geval +is geweest. De vroegste zeevaarders onder de nieuwere volken waren de +Spanjaarden en Portugeezen. Door de Spanjaarden werd Zuid-Amerika, +door de Portugeezen werden de Oost-Indiën ontdekt. Destijds, het is +nu meer dan driehonderd jaren geleden, was Engeland niet de machtige +staat, die het thans is en had vergelijkenderwijze slechts weinig +schepen, ook konden de Engelschen, wat ondernemingsgeest betreft, +bij de toenmalige Spanjaarden en Portugeezen niet halen. De laatsten +zochten een weg naar Oost-Indië te vinden en deden daarbij de Kaap de +Goede Hoop aan. In die dagen echter waren de schepen, in vergelijking +met de tegenwoordige, slechts zeer klein te noemen en op de hoogte van +deze kaap stormde het zoo geweldig, dat zij die niet durfden omzeilen +en haar daarom den naam van Stormkaap gaven. Ten laatste gelukte het +hun nochtans om de kaap heen te komen en van toen af noemden zij deze +Coba da Buona Speranza of Kaap de Goede Hoop. Zij bereikten gelukkig +het lang gewenschte Indië, veroverden daar verscheidene gewichtige +punten en grondvestten een handel, die voor hun land een bron van +grooten rijkdom werd, Gij begrijpt mij toch, Willem?" + +"Ja vader." + +"Welnu, weet gij, de mensch is aanvankelijk kind, rijpt allengs tot +man, bereikt als zoodanig het toppunt zijner kracht, neemt weder af, +wordt oud en sterft; en gelijk dit met elken mensch in het bijzonder +het geval is, heeft het ook met geheele volkeren plaats. Het +Portugeesche volk was toenmaals in zijn mannelijke kracht, maar +andere natiën kwamen en groeiden nevens Portugal op, onder anderen +de Hollanders, die den Portugeezen het eerst den handel op Indië +betwistten. Dezen ontrukten hun eindelijk ook de eene kolonie na de +andere en namen den geheelen handel voor zich in beslag. Thans eerst +braken de Engelschen zich baan, veroverden zoowel de Hollandsche als de +Portugeesche koloniën en handhaafden zich sedert grootendeels in haar +bezit. Portugal, dat eens door het moedigste volk der wereld bewoond +was, is thans geheel in het niet teruggezonken. Ook de Hollanders +hebben veel van hun vroeger zoo machtigen invloed verloren, terwijl de +zon, gelijk men te recht zegt, in het Britsche rijk nimmer ondergaat: +want daar zijne koloniën op alle punten der aarde verstrooid zijn, +moeten voortdurend eenige daarvan door de zon beschenen worden." + +"Dat alles, beste vader, begrijp ik zeer goed; maar zeg mij nu eens, +waarom streeft Engeland en elk ander volk zoo ijverig naar het bezit +der zoogenaamde koloniën?" + +"Omdat deze op de welvaart van het moederland een onberekenbaren +invloed uitoefenen. Zoolang zij nog in hare kindsheid zijn, +veroorzaken zij aan dat moederland doorgaans veel onkosten en uitgaven, +maar breiden zij zich uit en worden zij sterker, dan zijn zij ook +al spoedig in staat, om die vroegere schuld af te doen, door hare +eigene voortbrengselen voor die der nijverheid van het moederland in +betaling te geven. Deze ruilhandel is voor beide kanten voordeelig. Het +moederland trekt er echter de meeste winst van, daar dit zichzelf +het recht voorbehoudt om de koloniën van al wat zij noodig hebben +te voorzien en daardoor aan zijne eigene bevolking eene markt tot +vertier openstelt, waarop geene vreemde mededinging te duchten is. De +betrekking tusschen beiden kan niet beter vergeleken worden, dan met +die tusschen ouders en kind. Gedurende hare kindsheid wordt de kolonie +door het moederland als een kind opgevoed en onderhouden. Naarmate +zij in bloei en kracht toeneemt, wordt echter ook hare verplichting +grooter, om het geleende met interest terug te geven. En hiermede +houdt de vergelijking nog niet op. Zoodra de kolonie sterk genoeg +geworden is om voor zich zelve te zorgen, werpt zij het juk der +overheersching af en verklaart zich onafhankelijk, evenals de zoon, +die tot man opgegroeid, zijns vaders huis verlaat om zijne eigene zaken +te beginnen en zijn eigen kost te verdienen. Dit wordt even zeker het +geval, als het zeker is dat de vogel, zoodra hij goed vliegen kan, +het ouderlijke nest verlaat en op eigen wieken gaat drijven. Wij +hebben daar een sprekend voorbeeld van in de Vereenigde Staten van +Noord-Amerika, die vóór vijftig jaren nog koloniën van Groot-Brittanje +waren, maar nu reeds zelve een der machtigste onafhankelijke natiën +der wereld zijn." + +"Maar vader, is het niet vreeselijk ondankbaar van eene kolonie, +wanneer zij zoo van het moederland, dat haar zoo lang beschermde +afvalt, zoodra zij de bescherming niet meer noodig heeft?" + +"Dat schijnt in den beginne werkelijk zoo, Willem; doch als wij de +zaak van meer nabij beschouwen, zal ons oordeel denkelijk anders +uitvallen. Het moederland heeft gedurende het lange tijdsverloop, +dat de kolonie noodig had om tot haar staat van onafhankelijkheid +te geraken, volkomen gelegenheid gehad, om zich voor alles, wat +het vroeger voor dezen deed, genoegzaam schadeloos te stellen, en na +verloop van tijd worden de rechten, die het moederland zich aanmatigt, +voor de koloniën ook werkelijk al te drukkend. Gij weet, men mag een +volwassen mensch niet op dezelfde wijze behandelen als een kind." + +"Nu, vader, heb ik nog eene andere vraag te doen. Gij zeidet, dat de +volken rijzen en dalen, en hebt daarbij de Portugeezen tot voorbeeld +aangevoerd. Zal Engeland, dat nu zoo groot is, ooit vallen en even +onbeduidend worden, als Portugal tegenwoordig?" + +"Die vraag kunnen wij alleen beantwoorden door op de geschiedenis +te zien, en deze leert ons, dat dit het lot van alle volken is. Dus +moeten wij verwachten, dat een dergelijk lot ook Engeland eens treffen +zal. Tegenwoordig zien wij daar nog geen schijn van, evenmin als wij +van de verborgen kiem des doods in ons eigen lichaam iets bespeuren; +en toch komt de tijd, dat de mensch sterven moet, en evenzoo is het +met de volken en landen gelegen. Denkt gij wel, dat de Portugeezen, +in den tijd, toen zij zoo hoog stonden, ooit gedacht hebben, dat +zij zoo laag, als zij nu staan, dalen zouden? Zouden zij het geloofd +hebben, als men het hun voorspeld had? Ja, mijn beste jongen, ook de +Engelsche natie zal mettertijd het lot ondergaan, dat alle andere +volken vóór haar heeft getroffen. Er zijn velerlei oorzaken, welk +dien tijd verhaasten kunnen of langer doen uitblijven, maar vroeger +of later zal Engeland ophouden de koningin der zee te zijn en zijne +koloniën niet langer over alle werelddeelen uitstrekken." + +"Ik hoop evenwel, dat die tijd nog veraf zal zijn." + +"Dat hoopt ook ieder echt Engelschman, die zijn vaderland waarachtig +lief heeft. Herinner u, dat, toen het Romeinsche rijk zijne grootste +hoogte bereikt had, Groot-Britanje maar enkel door wilden en barbaren +bewoond was. Het Romeinsche rijk is thans verdwenen en leeft alleen +nog in de geschiedenis en in de overblijfsels van vroegere grootheid, +terwijl Engeland zich rangschikt onder de machtigste volken. Hoe +is het grootste gedeelte van het vasteland van Afrika bevolkt? Met +negers en barbaren; maar wie weet, wat nog in vervolg van tijd uit +dezen worden kan?" + +"Wat! zouden die negers ooit een beschaafd volk worden?" + +"Op dezelfde wijze hadden ook de Romeinen in vroeger dagen kunnen +vragen: Hoe! zouden die Britsche barbaren ooit een machtig en beschaafd +volk worden? En gij ziet toch, dat zij het werkelijk geworden zijn." + +"Maar de negers, vader,--die zijn immers zwart!" + +"Dat zijn zij; maar wat doet dat ertoe? Wat de donkere kleur der +huid aangaat, is de meerderheid der Mooren bijna even zwart als de +negers en toch waren die eens een groote natie en daarbij nog het +meest verlichte volk van hun tijd, dat zich door allerlei schoone +hoedanigheden, door adel, grootmoedigheid, door fijnheid van vormen +en ridderlijken zin onderscheidde. Zij veroverden het grootste +gedeelte van Spanje en handhaafden zich eeuwen in het bezit daarvan, +verbreidden er daar toen nog onbekende kunsten en wetenschappen, en +betoonden zich even dapper en heldhaftig, als zij edel en deugdzaam +waren. Hebt gij de geschiedenis der Mooren in Spanje nooit gelezen?" + +"Neen, vader; maar ik zou ze zeer graag leeren kennen." + +"Ik ben zeker, dat gij haar dan lief krijgen zoudt. Het is eene +geschiedenis vol avonturen en afwisselende gebeurtenissen, zooals +gij nog geen andere kent. Ik had haar onder de boeken, die ik voor +Sidney had meegenomen, maar of ze gered zijn weet ik niet. We zullen +later wel eens tijd vinden, om daarnaar te zien." + +"Ik meen, vader, dat twee kisten met boeken zijn aangespoeld." + +"Ja, twee of drie; maar als ik 't wèl heb, had ik er in het geheel +vijftien of zestien.--Ziezoo, wij hebben de aardappelen nu in stukken +gesneden en zullen Flink helpen, om ze met de meegebrachte zaden in +den grond te brengen." + + + + + + + +ACHT-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + +DE VISCHVANGST. + + +Dien avond bleef Flink nog een paar uren bij kaarslicht op, waarbij +Willem hem gezelschap hield, en besteedde zijn tijd om de vischsnoeren +klaar te maken en van lood en haken te voorzien. Eindelijk had hij +er twee gereed. + +"Wat moeten wij tot aas nemen, Flink?" + +"Wel liefst een van de schaaldieren, die in menigte op het strand +liggen, ofschoon een stuk spek ons, denk ik, evengoed dienen kan." + +"En waar ergens zullen wij visschen, Flink?" + +"De beste plaats zal wel ginds, ver aan 't uiterste van de landpunt +zijn, waar ik met de boot door de klippen kom. Het water is daar diep +tot aan de rotsen." + +"Ik heb al eens gedacht, Flink, of die klipganzen en fregatvogels +ook goed om te eten zouden zijn." + +"Niet heel best, vriend Willem. Zij zijn taai en hebben een +sterken vischsmaak. Alleen in 't geval, dat wij niets beters krijgen +kunnen, willen wij er eens de proef van nemen. Nu wij het zaad en de +aardappelen in den grond hebben, moeten wij van morgen af met alle +macht aan 't vellen en aanvoeren van boomstammen gaan. Uw vader en +ik zullen, dunkt mij, het vlugst met de bijl kunnen omgaan, en gij +kunt dan met Juno de stammen op onze kar laden en ze naar de plek +brengen, waar ons huis zal staan. Maar 't is al laat, en wij zullen +'t best doen nu naar bed te gaan." + +Onze Willem had echter in stilte een ander plan gemaakt. Hij wist, +dat hij zijne moeder met wat visch zeer verblijden kon, en dus besloot +hij bij den helderen maneschijn eens te beproeven, of hij, voordat +hij slapen ging, nog niet een zootje vangen kon. Daartoe wachtte +hij bedaard den tijd af, dat Flink even vast als de anderen in rust +was. Toen sloop hij voetje voor voetje met zijn vischtuig weg en liep +naar het strand, waar hij drie of vier schelpen opzocht en tusschen +twee steenen openbrak, om de diertjes er uit als aas aan zijn haak te +steken. Hierop ging hij eerst naar het hem aangewezen punt. 't Was een +heerlijke nacht; het water was glad als een spiegel en de stralen der +maan drongen tot bijna op den grond er van door. Willem wierp zijn +snoer uit, en zoodra het lood den grond geraakt had, trok hij het +omtrent een voet in de hoogte, gelijk hem door den ouden stuurman +gewezen was. Geen halve minuut was zijne lijn nog in het water, of +daar werd zoo sterk aan getrokken, dat hij, op zoo'n ruk niet bedacht, +bijna het evenwicht had verloren en hals over kop in het water was +gebuiteld. De visch moest groot en sterk zijn, want de lijn slipte +hem door de hand en sneed hem in den vinger. Na een poosje kreeg hij +die echter weer goed vast, trok ze naar zich toe en een groote visch +met zilveren schubben, van althans negen of tien pond zwaar, was zijn +eerste vangst. Zoodra hij zijn buit zoover op het land had, dat die +niet meer in het water kon springen, maakte Willem den visch van den +hengel los en besloot nog eenmaal zijn geluk te beproeven. Zijne lijn +was ditmaal niet langer dan de eerste maal in het water, toen er weer +met geweld aan getrokken werd; doch nu was de knaap daarop bedacht, +vierde de lijn en liet den visch daaraan spartelen, tot hij moe werd; +waarop hij hem zonder veel moeite optrok en met blijdschap ontdekte, +dat deze nog zwaarder dan de vorige was. Met zijne vangst tevreden, +wond hij de lijn weder op, stak een touw door de kieuwen der visschen +en sleepte ze zoo naar de tenten, waar hij ze aan de tentstang ophing, +opdat de honden er niet bij zouden komen. Een kwartier later lag hij +gerust in slaap. Den volgenden morgen was Willem ook weer de eerste, +die opstond en met luid gejuich zijn buit vertoonde; maar de oude +Flink schudde daarover tegen verwachting verdrietig het hoofd. + +"Gij hebt zeer verkeerd gedaan, Willem," zeide hij, "met u buiten mijn +weten aan een zoo groot gevaar bloot te stellen. Als gij besloten +hadt uit visschen te gaan, waarom hebt ge mij daar dan niet iets +van gezegd? Ik zou dan meegegaan zijn. Gij zegt zelf, dat de visch u +bijna in 't water had getrokken. Verbeeld u nu eens, dat dat werkelijk +gebeurd was; dan waart gij verloren geweest, want de rotsen zijn zoo +hoog en steil, dat gij er niet uit hadt kunnen klauteren, voordat een +haai u gepakt had. Stel u nu maar een oogenblik het verdriet voor, +dat gij uw vader en allen, die u zoo liefhebben, veroorzaakt zoudt +hebben. Verbeeld u de droefheid en de vertwijfeling uwer arme moeder, +als ze dat bericht ontving en gij niet meer te vinden of te zien +geweest waart." + +"Ik begrijp 't nu wel, ik deed heel verkeerd, Flink; maar ik wilde +mijne goede moeder zoo graag eens verrassen." + +"Dat is reden genoeg voor ons om u uwe onbedachtzaamheid te vergeven; +maar doe het toch niet weer. Geloof mij, ik ben altijd bereid en +gewillig om overal met u mee te gaan. En nu geen woord meer van de +zaak. Niemand moet vernemen, in welk gevaar ge verkeerd hebt, want +nu is alles toch gelukkig voorbij. En gij zelf, mijn jongen, moet +het een oud man ook niet kwalijk nemen, dat hij u eens een beetje +hard beknort." + +"Neen, waarlijk, Flink, dat komt niet in mijn hart op, want ik weet +immers, dat ik onberaden gehandeld heb; maar ik dacht volstrekt niet +dat er eenig gevaar aan verbonden was." + +"Daar komt uwe moeder uit hare tent," zeide Flink. "Goeden morgen +mevrouw! Wel gerust? Nu zult ge niet raden, wat Willem van nacht +voor u gedaan heeft. Kijk hier, daar hangen twee bazen van visschen, +waaraan wij heerlijk smullen zullen--dat verzeker ik u." + +"O, daar ben ik recht blij mee!" riep mevrouw Wilson. "Thomas, kom +toch gauw eens hier! Hebt ge wel zin in gebakken visch?" + +"O, die lust ik zoo graag!" zei Thomas. + +"Kijk dan eens daar aan den tentstaak." + +Sinjeur Thomas klapte in den handen, danste als een dolleman in +het rond en hield niet op te roepen: "We eten gebakken visch van +middag,--Caroline, gebakken visch! Gebakken visch, zooveel we maar +lusten." + +Na het ontbijt trokken allen naar het bosch, waar Flink de boomen +gekapt had, en namen onderstel en raderen en een paar stevige touwen +mede. De beide mannen velden de boomen en bonden ze aan de kar vast, +die toen door Juno en Willem naar de plaats werd getrokken, waar het +huis zou worden gebouwd. + +Niemand keek zuur, toen zij tot den maaltijd geroepen werden, want +allen hadden een zwaar en vermoeiend werk gehad. Alleen Thomas had, +behalve tot allerlei kattekwaad, geen hand of vinger uitgestoken, +maar was toch aan tafel zoo gulzig, dat zijne moeder ten laatste zei: +"Neen, jongenlief; men bindt een zak wel eens toe, al is hij nog +niet vol. De kat zal nu met uw leege maag niet wegloopen, en ziek +eten moogt ge u hier niet." + +In den nacht, die hierop volgde, stapten Flink en Willem, hoe doodmoe +zij ook waren, naar het strand en vingen nog acht schildpadden. Het +verdere gedeelte van de week gingen zij voort met het omkappen en +vervoeren van kokosboomen, totdat zij eindelijk genoeg meenden te +hebben, om met het bouwen van het nieuwe huis te beginnen. De Zondag +werd weder in rust doorgebracht, 's Maandagsnachts vingen zij weder +negen schildpadden en drie zware visschen en 's morgens daarop sloeg +men de eerste hand aan het zetten van de nieuwe woning. + + + + + + + +NEGEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + +HET NIEUWE HUIS. + + +Flink had reeds in voorraad de benoodigde deurposten en vensterkozijnen +saamgesteld uit het timmerhout, dat van het wrak in de bocht was +aangespoeld. Nu heide hij dan vier palen, in elken hoek een, in den +grond en maakte, met hulp van mijnheer Wilson, in elken kokosstam +boven en beneden eene insnede voor eene tweeden en derden stam, die +daarmede aan weerszijden overkruis kwam te liggen. De stammen werden +dan om den ander op elkaar gelegd, zoodat zij goed vast sloten, en +men had de reten nu nog slechts met kokosbladeren aan te vullen, die +dicht opeengeperst tusschen de balken werden ingeschoven. Dit laatste +werk werd aan Willem en Juno opgedragen, en zoo rees het nieuwe huis +langzamerhand van den grond omhoog. De haard en de schoorsteen konden +niet te gelijk met de muren worden opgebouwd, want daartoe had men of +leem te vinden of schelpen tot kalk te branden, om ze daarmee en met +steenen op te trekken; doch de plaats werd er voor opengelaten. Drie +weken achtereen arbeidden zij op deze wijze duchtig door. Toen de vier +muren eens stonden, begon men met het dak en de bekleeding daarvan, +welke laatste door middel van kokosbladen geschiedde, die, in bossen +gebonden, door Flink op de wijze van een rieten dak saamgevoegd en +met stevige prikken aan de balken vastgemaakt werden. Tegen het einde +der derde week was de woning in zooverre gereed, dat zij toereikende +beschutting tegen het weder verleende. Dat werd nu ook werkelijk +hoog tijd, want het weder was allengs anders geworden; er begonnen +zich wolken saam te pakken en de regentijd nam een begin. Na eenige +regenvlagen helderde de hemel nog eens weder op. + +"Nu hebben wij geen tijd meer te verliezen," zeide Flink tot mijnheer +Wilson. "Wij hebben hard gewerkt, maar moeten nu een paar dagen nog +harder werken. Het binnenste van ons huis dient klaargemaakt te worden, +zoodat mevrouw er zoo spoedig mogelijk intrekken kan." + +De aarde binnen in het huis werd vastgestampt, zoodat men een +behoorlijken vloer kreeg. Aan weerszijden langs de wanden van het +gebouw liep eene rij van bedsteden, twee voet hoog boven den grond en +met katoenen gordijnen, die men 's nachts neerlaten kon. Daarna deden +Flink en Willem nog een laatste reisje naar de bocht, om tafels en +stoelen te halen, en zij kwamen terug, juist voordat de eerste storm +van het jaargetijde losbrak. Het beddegoed en al wat men meer noodig +had, werd nu in het huis gebracht, en bij 't grootere zette men nog +een ander huisje, waar men koken kon, totdat haard en schoorsteen +gereed zouden zijn. + +Op een laten Zaterdagavond hield de familie eindelijk haar intocht in +het nieuwe huis, en dat juist van pas, want het zou leelijk gegaan +zijn, als het toen niet had kunnen gebeuren. 's Zondagsmorgens toch +brak de eerste storm al los. De wind bulderde met geweld en een geluk +was het voor onze vrienden, dat zij onder dak waren, want de windvlagen +werden zoo geweldig, dat de kokosboomen zweepten, kraakten en de +kruinen bogen, alsof zij dunne rietstaven waren. De bliksem kronkelde +door de lucht, de eene donderslag volgde den anderen, terwijl het water +in stroomen uit de lucht viel en een tweede zondvloed in aantocht +scheen. Het vee liep van de weide af en zocht eene schuilplaats +onder het dichte geboomte; de honden kropen onder de bedsteden, +en ofschoon het pas middag was, werd het toch zoo donker, dat men, +om iets te zien, de lichten moest aansteken. "Daar hebben we dus nu +den regentijd, waarvan ge ons zooveel verteld hebt, Flink," zeide +mevrouw Wilson. "Blijft dat weer lang zoo? Wat moeten we nu doen?" + +"Neen, mevrouw, zoo voortduren zal het niet. Tusschenbeide zal ook de +zon schijnen, maar niet lang. Wij zullen dagelijks wel nu en dan eens +uit kunnen gaan, maar 't kan ook vele dagen zonder ophouden regenen, +en dan moeten we in huis arbeiden. Ik durf wel zeggen, dat het ons +nooit aan werk zal ontbreken." + +"Wij mogen wel blij zijn, dat wij een dak hebben, waaronder wij ons +hoofd veilig kunnen neerleggen. In de tenten zou het niet uit te +houden geweest zijn." + +"Dat wist ik wel, mevrouw, en daarom juist had ik geen rust, voordat +het huis gereed was." + +Hoe hevig de regen ook tegen de muren aansloeg, kon hij toch niet door +het dak dringen. Flink en Willem gingen naar buiten, om de boot op eene +plaats te brengen, waar zij niet door den storm kon beschadigd worden, +en kwamen tot op het hemd toe nat terug. Zij moesten zich thans weer +met koude spijzen behelpen, maar waren toch gelukkig. De storm woedde +den ganschen nacht onafgebroken voort; doch zij sliepen gerust en +droog, en toen zij tegen den morgen door het rollen van den donder +en de kletterende regenvlagen gewekt werden, waren zij dankbaar, dat +zij op dit woeste eiland zulk een veilige woonstede gevonden hadden. + + + + + + + +DERTIGSTE HOOFDSTUK. + +PLAN VOOR DE TOEKOMST. + + +Toen zij den tweeden morgen opstonden, was de lucht echter weer +opgeklaard en scheen de zon vriendelijk en helder. Flink en Juno +waren de eersten buiten de deur,--Flink met zijn kijker onder den +arm, dien hij alleen meenam, als hij des morgens zijn ronde deed, +zooals hij dat noemde. + +"Wel, Juno," zeide Flink, "dat is een heerlijke morgen na al dat +onweer." + +"Ja, massa Flink, heele mooie morgen, maar hoe ikke vuur aan krijg +en maak water kook voor dat ontbijt? Warempel, ikke niet weet, want +sprik en rijs alleboel klesnat." + +"Dat geloof ik wel, meid; maar voordat ik gisteren ging slapen, +dekte ik de kolen met asch toe, lei daar eenige steenen op en toen nog +een laag van takken en bladeren, zoodat ge, denk ik, nog wel wat vuur +vinden zult. Ge ziet, Juno; we moeten ons behelpen. We kunnen niet alle +dingen te gelijk doen; maar toekomende jaar, bij leven en welzijn, +zullen we een goeden stapel brandhout, met een dak er over, tegen +den regentijd gereed hebben, zoodat we niet weer verlegen staan. Ik +wou mijn morgenronde gaan doen, maar wil nu nog wat blijven en u een +handje helpen." + +"Als 't je blief, massa Flink; veel, ijselijke boel regen gevallen +van nacht." + +"Ja, Juno, niet weinig. Ge moet ook niet denken, dat het water uit +de wel van morgen heel helder zal wezen, 't Is zelfs wel mogelijk, +dat ge van de bron in het geheel niets ziet.--Daar is toch nog wat +hout, dat niet doornat is." + +"O, ikke al hebben vuur zatter," riep Juno, die de takken en steenen +had weggeruimd en nu op hare knieën lag, om de kolen aan te blazen. + +"Nu zult ge u dus wel kunnen redden, Juno," zei Flink; "bovendien zal +onze jongeheer Willem wel dadelijk hier zijn, zoodat ik kan opstappen." + +De oude man floot de honden, die vroolijk kwamen aanspringen, en begon +toen zijne morgenwandeling. Hij begaf zich eerst naar de bron in de +kloof, maar in plaats van de borrelende wel en het kristalheldere +water, dat anders over de boorden der ton heenstroomde, vond hij een +drabbige, slijkerige beek, die klotsend van de hoogte neerstortte en +maakte, dat van de bron in het geheel niets te zien was. + +Flink waadde door den stroom, want hij wilde naar den schildpadvijver +gaan zien, die nog verderop was gelegen. Hier was alles in orde, en nu +plaste hij nog eenmaal door het water, dat den zandigen oever geheel +overstroomd had, totdat hij aan de landtong kwam, waar zijne boot +geborgen lag. Hij had haar te dien einde achter en voor met een stevig +touw vastgebonden en een zwaren steen als anker daaraan gehangen. + +Van dit punt zag hij als gewoonlijk met zijn kijker uit,--niet omdat +hij op de waarschijnlijkheid rekende, dat een schip tusschen deze +eilanden en klippen verdwalen zou, maar toch, daar die mogelijkheid +bestond, nam hij doorgaans deze moeite, ofschoon nooit als mijnheer +Wilson bij hem was, daar hij wel bemerkte, dat deze daardoor bedroefd +en somber gestemd werd. Als gewoonlijk nam hij ook ditmaal, na gedaan +onderzoek, zijn kijker weer onder den arm en zuchtte: "Dat helpt +immers toch niet." + +Daar de storm van land af had geblazen, bevond hij nu, dat de boot +zoover was afgedreven, dat hij haar niet meer bereiken kon. + +"Dat is wat moois!" dacht hij. "Hoe kon ik zoo dom zijn van dat +ding niet aan een touw vast te sjorren? Er naar toe zwemmen en een +maaltijd voor Jantje Haai worden, wil ik ook niet. Maar wacht,--laat +eens zien!" Met deze woorden haalde hij de lijnen en strengen, die tot +de takelage van het scheepje behoorden en die hij ergens op een droge +plek aan de kust geborgen had en knoopte ze aan elkander. Vervolgens +bond hij een stuk hout van twee voet lengte ongeveer op 't midden aan +de lijn vast. Dit zocht hij nu door middel van het touw in de boot +te slingeren en na eenige vergeefsche pogingen gelukte hem dit. Het +hout raakte onder tusschen de ribben van de boot vast en zoo werd +het mogelijk, de boot behoedzaam aan land te trekken. Nadat hij het +water had uitgeloosd, dat zij gedurende den storm had ingekregen, +verliet hij het strand en ging een bezoek aan den tuin brengen. + +"Nu moet ik onze schapen en geiten nog opzoeken," zeide Flink, "en +dan is mijne morgenwandeling gedaan.--Kom, Romulus! Kom Remus! Waar +zijt gij, jongens?" + +De honden schenen te merken wat hij wilde en liepen al snuffelend +vooruit. Spoedig hadden zij de schapen en twee der geiten dan ook +opgespoord; maar de derde was nergens te zien. + +"Wel, waar kan onze zwarte Nanni dan toch zitten?" mompelde de oude +man, die onderwijl een poosje had uitgerust. Eindelijk hoorde hij +onder het dichte kreupelhout een geblaat, waarop hij dadelijk afging, +terwijl de honden hem volgden. + +"Dat dacht ik al half," riep hij, toen hij Nanni met twee pas geboren +jongen bij haar onder de struiken vond liggen. "Komt, kleine beestjes, +we moeten een betere plaats voor u vinden," zeide hij en nam op +iederen arm een. "Koest, Romulus, koest dan!" dreigde hij den hond, +die naar de diertjes opsprong. "Wat zijn dat voor kuren? Koest!--Ha +ha, daar ligt ge al en hebt nu uw verdiend loon." + +En zoo was het ook; want Nanni, die niet dulden wou, dat de hond hare +jongen te na kwam, was op hem toegesprongen en had hem zoo gestooten, +dat hij hals over kop op den grond buitelde. + +Met de geitjes op den arm wandelde Flink nu naar huis terug en werd +door de moeder op den voet gevolgd. Hij vond mijnheer en mevrouw Wilson +en al de kinderen reeds aangekleed. Caroline en Thomas juichten van +blijdschap, toen zij de jonge geitjes zagen, en zelfs de kleine Albert +kraaide het uit. Zoodra Flink ze op den grond legde, hadden ook Thomas +en Caroline al spoedig een van de aardige diertjes op den arm. + +"Ik heb een aanwas voor de familie meegebracht, mevrouw," zeide Flink, +"en moet u wel verzoeken, de kleintjes in huis te dulden, totdat ik +eene andere geschikter plaats voor hen vinden kan. Dat is echter maar +een begin; ik verwacht, dat wij spoedig meer zullen hebben." + +Zoodra men de kleinen bewegen kon, de geitjes over te geven, werd +Nanni in een hok vastgebonden, waar ze zeer tevreden scheen en hare +kleinen zoogde en likte. Juno en Willem brachten het ontbijt binnen, +en na den afloop daarvan zeide mijnheer Wilson: + +"Nu Flink, dienden we wel eens raad te houden, om aan ieder van +ons zijne bijzondere werkzaamheden en verrichtingen gedurende den +regentijd aan te wijzen. Wij hebben zeer veel te doen en kunnen geen +leegloopers zijn." + +"Ja mijnheer, wij hebben zeer veel te doen, en om met alles klaar +te komen, moeten wij met orde en naar een geregeld plan te werk +gaan. Ik ben al oud genoeg om te weten, hoeveel tijd men door een +regelmatige verdeeling zijner uren winnen kan. Zoo, bij voorbeeld, +wordt op een goed bestuurd oorlogsschip veel meer gedaan, dan men +op een koopvaardijschip in dubbel zooveel tijd uitvoert. En hoe dat +zoo? Omdat ieder ding op zijne plaats en er eene bijzondere plaats +voor ieder ding is. Heeft men dus iets noodig, dan behoeft men zijn +tijd althans niet met zoeken te verliezen, daar ieder weet, waar hij +het zijne halen moet. Bovendien weet ieder ook wat hij te doen heeft +en dus kan er nooit verwarring ontstaan." + +"Ik ben 't volkomen met u eens, Flink," viel mevrouw Wilson hem in +de rede; "orde is de hoofdzaak. Terwijl een slordig meisje nog naar +haar vingerhoed zoekt, heeft een ander, dat beter op hare zaken past, +haar werk al lang af; en ik beloof u, zoodra de bergplanken en kastjes +klaar zijn, zal ik zorgen, dat hier binnenshuis ieder ding op zijne +plaats, en dat ook eene bijzondere plaats voor elk ding zal wezen." + +"Ik vraag verschooning, mevrouw, als ik te veel praat; maar ik kan u +verzekeren, dat ik nooit zou geweten hebben, hoeveel men met orde en +stiptheid kan uitrichten, als ik niet aan boord van een oorlogsschip +gediend had. Ik had al een langen tijd op koopvaardijschepen gevaren, +waar altijd, zelfs als er niets te doen is, drukte en verwarring +heerscht; maar hier vond ik, dat alles in stilte en geregeld werd +afgedaan. Nooit had iemand een woord te spreken, dan alleen de +officier, die juist den dienst had. Ieder man was op zijn post; ieder +had een touw op te hijschen of er een te vieren. De bootsman floot, +en in een ommezien was ieder zeil bijgezet of gereefd, al naar dat het +gebeuren moest. In 't begin scheen mij dat wel hekserij toe. En gij +zult begrijpen, mijnheer Wilson, dat bij zooveel orde en tucht ieder +man in 't bijzonder van groot gewicht is, want de minste nalatigheid, +waaraan één zich schuldig maakt, hindert ook dadelijk al de overigen +in hun werk en doet alles verkeerd gaan. Daarbij kan de schuldige ook +altijd verzekerd wezen, dat hij de verdiende straf niet ontgaat. Al +had ik aan boord van dat oorlogsschip ook niet anders geleerd dan +mijn tijd en mijne krachten op de beste wijze te gebruiken, dan had +ik daarbij voor mijn volgend leven al genoeg gewonnen." + +"Gij hebt volkomen gelijk, Flink, en gij moet ons nu leeren, evenzoo +te arbeiden," antwoordde mijnheer Wilson. + +"Wij hebben zooveel te doen, dat ik haast niet weet, waar te +beginnen. Wij moeten werken, zoo goed en zooveel wij kunnen, totdat +wij de dingen een weinig beter in orde hebben gebracht. Tot hiertoe +hebben wij allen braaf ons best gedaan." + +"Wat denkt gij, dat wij het eerst doen moeten, Flink?" + +"Wel, mijnheer, ons eerste werk dient te zijn, dat wij de boot wat +hooger ophalen en zorgen, dat ze geen schade lijdt. Ik reken het +vooreerst toch niet veilig naar de andere zij van het eiland te gaan, +daar er op den duur te veel branding staat en 't weer ook te onzeker +is, om er voor een uur op te rekenen. Zoo zal het best zijn, dat wij +de boot half in 't zand begraven en ze dan daarmee geheel overdekken. + +"Dat komt mij zeer goed voor. En wat volgt dan?" + +"Ja, ziet gij, de tenten mogen wij ook niet laten staan. We moeten +ze opbreken en ze, als ze goed droog zijn, op eene geschikte plaats +bewaren, daar ze in het vervolg nog goed te pas kunnen komen.--Dan, +mijnheer, moeten we een ruim pakhuis voor levensmiddelen en verderen +voorraad bouwen, met een rieten dak en met den vloer zoo wat vier voet +boven den grond, zoodat onze schapen en geiten daaronder bij boos weer +eene schuilplaats kunnen vinden. Daarmee kunnen wij schielijk klaar +komen; wij hebben slechts drie kanten dicht te maken, en dat kost met +kokosbladeren zooveel moeite niet. Later, mijnheer, valt er nog een +vischvijver aan te leggen en eene zoutpan in de rotsen uit te houwen; +doch dat doen wij eerst, als er geen dringender werk meer is.--Daarna +komen nog twee gewichtige dingen. Vooreerst moeten wij al, wat wij nog +aan de overzijde hebben, nazien, schriften en terechtleggen, zoodat +wij het terstond na den regentijd hierheen kunnen halen. Het tweede +is, dat wij een ontdekkingsreisje door het gansche eiland doen en +onderzoeken, wat het al zoo voortbrengt; want tot hiertoe, mijnheer, +weten wij daar nog bitter weinig van. Wij kunnen misschien nog veel +vinden, dat ons van nut kan zijn; b. v. boomen en vruchten, en ik hoop +ook wat meer gras en voeder voor ons vee, want gij begrijpt licht, +mijnheer, als dit zoo vermeerderen zal, dat we er wezenlijk nut van +trekken, zullen wij hier geen voedsel genoeg voor de dieren hebben." + +"Al wat gij daar zegt, is volkomen waar, Flink," antwoordde mijnheer +Wilson. "En hoe zullen wij thans onze krachten verdeelen?" + +"Voorshands, mijnheer, zullen wij aan geen verdeeling denken. Juno +heeft met mevrouw binnenshuis volop te doen. Onze Willem, gij en ik +zullen eerst de boot in zekerheid brengen en de tenten en wat er nog +zoo meer is, wegbergen. Dan beginnen wij met het pakhuis en haasten +ons daarmee, zooveel wij kunnen. Heeft Juno soms eens wat tijd over, +dan moet ze kokosbladeren opzamelen tot brand voor den haard. De kleine +Thomas zal wel met haar meegaan en haar wijzen, hoe ze doen moet." + +"Ja, ja, dat zal ik haar wel wijzen," zei Thomas en zette eene +hooge borst. + +"Nu aanstonds nog niet, jongeheer," hernam Flink; "eerst als moeder +u en Juno missen kan, dan moet gij het haar wijzen.--Kom, mijnheer," +vervolgde hij, "wij mogen thans de paar uren goed weer niet verzuimen, +want voordat de dag ten einde is, krijgen wij zeker nog veel meer +regen. Als ge 't goed vindt, zal ik even de schoppen halen en maar +naar de boot vooruitgaan, waar ik u wacht. Gij en Willem kunt eenige +touwen meenemen, een stevigen bos kokostakken bij elkander binden, +dien op de kar laden en daarmee dan naar het strand komen." + +"We zullen u niet laten wachten, Flink," antwoordde mijnheer +Wilson.--"Kom, Willem, kom!" + + + + + + + +EEN-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK. + +FLINK VERHAALT ZIJNE LEVENSGESCHIEDENIS. + + +Daar men tot het bouwen van het huis zooveel kokosboomen geveld had, +lagen er nog takken in overvloed in het rond verstrooid, en vader en +zoon hadden er spoedig genoeg bij elkaar. + +Aan het strand gekomen, vonden zij dat Flink de boot reeds op het +droge gehaald en er ook de rollen reeds ondergeschoven had, om ze +later van de plaats te brengen. Met weinig moeite werd zij een el +of tien hooger op het strand getrokken, totdat Flink verzekerde, +dat de afstand volkomen toereikend was. Toen groeven zij met hunne +schoppen zoo diep, dat het kleine vaartuig halverwege in het zand +wegzonk. Daarop wierpen zij de uitgegraven aarde daarin, totdat de +boot geheel vol was, bedekten die toen zorgvuldig met de meegebrachte +takken en bezwaarden ook deze weder met zand, zoodat zij niet door +den wind konden worden weggeblazen. + +"Ik begrijp eigenlijk niet, waarom gij de boot zoo toedekt, Flink," +merkte Willem aan. "De regen zou haar immers geen kwaad doen." + +"Neen, de regen zou er weinig aan bederven, jonge vriend; maar wel de +zon, als zij van tijd tot tijd eens weer voor den dag mocht komen. De +zon heeft verbazend veel kracht en kon door haar gloed mijn arme boot +licht geheel in stukken doen springen." + +"O ja, daaraan had ik zoo gauw niet gedacht," antwoordde Willem. "Wat +dient er nu bij de hand gevat, Flink?" + +"Wel, daar we nog twee uren vóór etenstijd hebben, zoudt gij de +vischlijnen nog wel eens kunnen gaan halen, en dan zullen wij zien +wat het geeft." + +"Maar wij kunnen toch niet alle drie met twee lijnen visschen?" zeide +mijnheer Wilson. + +"Neen, mijnheer; maar daar uw zoon er al zeer handig mee is, moest +gij, dunkt mij, hier bij hem blijven, terwijl ik Juno nog wat hout en +prikken help inzamelen. De goede meid was dezen morgen doodverlegen, +toen dit nog zoo nat was; maar is het eens opgestapeld, dan zal +het spoedig drogen. Wees toch vooral voorzichtig, mijnheer Wilson, +en houd de lijnen niet al te stijf vast, daar ge anders gevaar loopt +zelf in 't water te worden getrokken. Ik heb onzen Willem vroeger al +gewaarschuwd; maar 't zal toch goed zijn, dat ge een wakend oog op +hem houdt, want hij is jong en wat driftig." + +Daar de oude man Willem met de lijnen juist tegenkwam, herinnerde +hij hem nog eens met een paar woorden het gevaar, dat hij de laatste +maal bij het visschen geloopen had, en ging toen zelf aan het werk, +dat hij zich nog had voorgenomen te doen. + +Vader en zoon waren in hunne vangst zeer gelukkig. Voordat de twee uren +om waren, hadden zij acht groote visschen gevangen, die zij aan den +bootshaak hingen en zoo in triomf naar huis droegen. Sinjeur Thomas +juichte overluid, toen hij den voorraad zag en wilde dat men terstond +aan 't koken en bakken zou gaan. Daar de vangst zoo overvloedig was, +besloot men dan ook werkelijk het eten uit te stellen, totdat een +gedeelte van de visch was toebereid. Dit was een uitstel, waarover +zich niemand rouwig betoonde, daar zij anders niets dan pekelvleesch +tot middagkost gehad zouden hebben. + +Men had zich nauwelijks aan tafel gezet, of de regen kletterde op het +dak neer en binnen een kwartier was de orkaan weer even geweldig en +waren donder en bliksem even vreeselijk als den dag te voren. Al het +werk buitendeurs was dus opeens weer gedaan. Mevrouw Wilson, Juno en +Caroline namen haar naaiwerk, want er viel in overvloed te lappen en +te stoppen, en Flink vond bezigheid voor de rest. Willem en zijn vader +kregen een dik touw te pluizen, waarvan Flink dunner en bruikbaarder +draden maken wilde. De oude man zelf vatte zijne naaipriemen op +en boorde gaten in de venstergordijnen (die maar inderhaast waren +opgehangen), zoodat men ze nu naar welgevallen open en dicht kon +trekken. Ook Thomas kreeg een verward kluwen garen uiteen te haspelen, +wat hij, het leegzitten in het eind toch moe, ook heel geduldig deed. + +Zoodra Flink de gordijnen in orde had, haalde hij een dik pak van +onder de bedstede voor den dag en maakte dat open. + +"Ik wil mevrouws slaapplaats nu wat opschikken," zei de goede man; +"die dient toch wel wat mooier te wezen dan die van de anderen." + +Het pak bestond uit de geredde scheepsvlag, die rood van kleur was, en +uit nog eene andere vierkante gele vlag, waarop de naam van het schip, +"De Vrede," in groote zwarte letters te lezen stond. Deze beide hing +Flink in sierlijke kronkels voor de bedstede op, zoodat het eene heel +aardige vertooning maakte en tevens de ruwe wanden van de hut geheel +aan het oog onttrok. + +"Waarlijk, vriend, ge maakt me bijna beschaamd," zei mevrouw Wilson, +toen hij gedaan had. "Het is bijna al te mooi voor deze plaats." + +"'t Is toch het beste gebruik, dat we er hier van maken konden," +zei Flink. + +"Och ja, dat vrees ik ook," merkte mijnheer Wilson zuchtend aan. + +"Flink," zei Willem, toen het licht op was, "gij beloofdet mij eens +half en half, dat ge mij uwe geschiedenis zoudt vertellen; ik wou wel, +dat ge er ons nu iets van hooren liet, om ons zoodoende den avond +te korten." + +"Welnu, vriend Willem, ik heb het beloofd en ik zal woord houden. Na +'t hooren van mijne historie zult ge zeggen, dat ik in mijn tijd heel +dwaas en onverstandig gedaan heb; maar dat zal eene waarschuwing voor +u wezen en kan in allen gevalle van eenig nut zijn." + +"We zullen u met groot genoegen aanhooren," verzekerde de moeder. + +"Komaan, mevrouw, als gij dan maar luisteren wilt." Met deze woorden +begon Flink zijne historie, gelijk hier volgt. + + + + +GESCHIEDENIS VAN DEN OUDEN FLINK. + +"Natuurlijk zult ge eerst verlangen te weten, wie mijne ouders +waren. Nu, dat is gauw verteld. Mijn vader was kapitein van een kof, +die van Londen op Hamburg voer; en mijne arme moeder, God zegene +haar! was de dochter van een gepensionneerd luitenant te land, die een +paar maanden na haar trouwen al kwam te sterven. Het weinige, dat de +oude heer haar naliet, kwam bij hetgeen mijn vader al in de kof had, +zoodat hem daar een derde van toekwam; de beide andere parten behoorden +aan een rijken scheepsbouwmeester en reeder, met name Masterman. Met +de profijten van zijn aandeel in het schip en het geld, dat hij als +kapitein verdiende, kon mijn vader het tamelijk goed stellen. Mijnheer +Masterman, die veel met mijn vader ophad en door vaders overleg en +goed oppassen vrij wat geld verdiende, was er bij, toen vader trouwde; +en na mijn geboorte, zoo wat een jaar daarna, stond hij als peet over +mij. Iedereen begreep, dat dit een goed ding voor mij was, en men +wenschte er vader en moeder geluk mee, want de oude heer Masterman +was ongetrouwd en al bij de zestig jaren en had kind noch kraai in +de wereld. De menschen wilden wel zeggen, dat hij wat heel sterk op +geld gesteld was; maar dat was er, zeiden ze, niet minder om voor mij, +want hij kon zijn geld toch onmogelijk in het graf meenemen. + +"Gij zult zien, wat er op die gedachten van de menschen valt staat +te maken, Willem; want een jaar na mijne geboorte verloor mijn vader +zijn leven op zee, bij eene schipbreuk voor Texel, waar zijn schip +met man en muis verging, en mijne moeder bleef weduwe met een kind pas +van de borst, en ze was maar twee-en-twintig jaren oud, de arme vrouw. + +"Daar 't schip voor twee derden van de waarde was verzekerd geweest +dacht men, dat mijne moeder nog genoeg zou krijgen, om van te leven: +maar tot ieders verwondering kwam mijnheer Masterman op en zocht +te bewijzen, dat alleen zijne twee derde aandeelen in het vaartuig +verzekerd waren geweest." + +"Maar wat is dat, verzekering?" vroeg Willem. + +"Dat zal ik u zeggen, mijn beste jongen," antwoordde zijn +vader. "Verzekering of assurantie is, als men aan menschen, die men +assuradeurs noemt, eene zekere som betaalt, waarover zij dan, als +'t gebeuren mocht dat een schip of de lading verging of schade leed, +aan de eigenaars van schip en lading de waarde vergoeden moeten. Men +betaalt al naar gelang van 't gevaar, dat men te vreezen heeft. In +oorlogstijden b. v. betaalt men tien percent,--dat is, tien gulden +voor iedere honderd, die men verzekert. Vooronderstel nu eens, dat +ge tienduizend gulden op een schip en lading verzekeren wilt en men +daarvoor tien percent verlangt, dan hebt ge duizend gulden aan de +assuradeurs te betalen, waartegen dezen u, in geval het schip verloren +gaat, de gansche som, die ge verzekerd hebt en dus tienduizend gulden +zullen moeten vergoeden. Hebt ge het nu gevat, Willem?" + +"O ja, heel goed, vader. Evenwel begrijp ik nog niet, hoe een +verzekeraar daarmee geld kan verdienen, want in oorlogstijd worden +veel schepen in den grond geschoten en gekaapt, en dan heeft hij +immers zulke groote sommen te betalen!" + +"Ge moet bedenken, Willem, dat voor een enkel schip, dat verloren +gaat, misschien vijftig of meer behouden binnenkomen, en daar de +verzekeraars voor die alle toch betaald worden, doen zij meestal +goede zaken; want dat doen zij zeker, daar er anders niet zooveel +verzekeraars en assurantie-maatschappijen bestaan zouden.-- + +"Neem mij niet kwalijk, Flink, dat ik u daar zoo in de rede ben +gevallen." + +"O volstrekt niet, mijnheer; men moet geen gelegenheid verzuimen, +om jongelieden onderricht te geven en ik moet zeggen, dat ge hier +nu ook de ouden wijzer gemaakt hebt, daar de zaak mij nog nooit zoo +duidelijk geweest is, als op dit oogenblik. Maar om voort te gaan: +of mijnheer Masterman 't recht op zijne zijde had of niet, kon op dat +oogenblik geen mensch zeggen; doch dit weet ik, dat de heele wereld +er schande over riep. Het gevolg was, dat mijne moeder weinig of niets +meer van haar weinigje goed overhield, maar ze vond gelukkig vrienden, +en wist er zich, met wat ze door naaien en borduren verdiende, gelukkig +door te slaan, tot ik mijn achtste of negende jaar bereikt had." + +"Maar uwe peet, mijnheer Masterman, kwam die dan uwe moeder niet te +hulp?" vroeg mijnheer Wilson. + +"Neen, mijnheer. Het klinkt vreemd, maar dat deed hij niet; en dit +maakte, dat hij nog meer over de tong ging. Ik denk, dat het juist +deze beschuldigingen waren, waarvan hij zelf toch ook wel iets hooren +moest en welke hij waarschijnlijk aan mijne moeder toeschreef, die hem +afkeerig van ons maakten. Misschien was het ook zijn geweten; want +men zal altijd zien, dat wij degenen haten die wij benadeeld hebben +en verstoord op hen zijn, inplaats van het op onszelven te wezen." + +"Ongelukkig is er veel waars in uwe opmerking," sprak mijnheer Wilson; +"maar toch was het hoogst vreemd, dat hij zoo iets deed." + +"Dat was het werkelijk, mijnheer,--althans zoo dacht men er toen +ter tijd algemeen over, doch hij was zeer aan 't geld gehecht en +verbitterd over geruchten, die van hem in omloop waren.--Maar ik zal +verder vertellen. + +"Ik was een sterke, vlugge, levendige knaap. Zoo dikwijls ik mijne +moeder of de school ontloopen kon, vond men mij vast aan den waterkant +of aan boord van een schip, want alles, wat de zeevaart aanging, was +mijn hoogste lust. In den zomertijd was ik den halven dag in het water +en zoo werd ik een goed zwemmer. Mijne moeder bemerkte mijn lust in +het varen en deed alles, om mij daarvan terug te brengen. Zij vertelde +mij van de moeiten en gevaren, waaraan een zeeman is blootgesteld, +en eindigde altijd met mijns vaders dood en met een vloed van tranen. + +"Indien mijne moeder zich niet zoo tegen mijn naarzeegaan verzet had, +geloof ik wezenlijk, dat ik aan wal gebleven zou zijn. Als kind +was ik echter trotsch en hardnekkig van aard. Ik moet dat zeker +van mijn vader gehad hebben, want mijne arme moeder, ach! die was +de zachtzinnigheid zelve. Ik kon niet velen, dat een andere jongen +deed wat ik niet doen kon; en om dingen te verrichten, die geen +ander wagen dorst, volvoerde ik soms zulke halsbrekende kunsten, +dat het, naar aller zeggen, wonder boven wonder was, dat ik er niet +honderdmaal mijn leven bij inschoot. Mijne moeder hoorde gedurig +van gevaren, waarin ik verkeerd had, en was dan buiten zichzelve van +zorg en angst. In den beginne beknorde zij mij telkens en smeekte mij +toch niet zoo'n waaghals te zijn; maar later ging ze doorgaans naar +haar kamertje en schreide daar in stilte, want ik was haar eenige +troost, hare laatste hoop en alles wat zij nog op aarde had. Ik heb +later dikwijls zelf niet kunnen begrijpen, hoe ik in dien tijd zoo +ongevoelig en hardnekkig kon zijn. Ik was te jong om te bedenken, +welke kwelling ik haar aandeed en hoe de gedurige bezorgdheid over mij +aan haar leven knaagde. Kinderen voelen dat zoo niet. Deden zij dat, +ze zouden anders handelen, want onze harten zijn op dien leeftijd +nog niet verhard, maar worden dat eerst later." + +"Gij hebt wel gelijk, Flink," merkte mijnheer Wilson aan. "Als kinderen +werkelijk wisten, hoeveel hunne ouders door hunne verkeerdheden te +lijden hebben, hoezeer ieder bewijs van boosheid hen verontrust,--zij +zouden waarlijk beter zijn." + +"Wij zien het doorgaans eerst in, als het te laat is," ging Flink +voort. Ik was ruim negen jaren oud, toen eens op een dag, dat er vrij +wat wind woei en het water hol stond, een kabel, waarmede een schip aan +het hoofd vastzat, met een geweldigen slag sprong. Het losgescheurde +eind trof een man, die dicht aan den waterkant gestaan had en slingerde +hem met geweld in het water. Ik hoorde hem schreeuwen en zag, hoe de +menschen op het hoofd en van de schepen hem touwen toewierpen; maar +hij kon die niet grijpen, daar hij weinig van 't zwemmen verstond en +de zee hol ging. Daar pakte ik een touw, dat juist werd opgetrokken +en sprong hals over kop van het hoofd in 't water. + +"Hoe jong ook, kon ik zwemmen als een eend en 't gelukte mij, hem het +touw in handen te geven op het oogenblik, dat hij op punt was van te +zinken. Hij klemde zich daar met alle macht aan vast en werd zoo tot +aan de palen voortgetrokken; een poosje later kwam er ook eene boot, +die men inderhaast te water had gebracht en nam ons beiden behouden +op. Wij werden naar eene herberg gebracht en kropen te bed, totdat +men droge kleeren voor ons gehaald had. Toen eerst ontdekte ik, dat +de drenkeling, dien ik gered had, mijn peet, mijnheer Masterman was. + +"Iedereen roemde mij zeer, en waarlijk ofschoon ik dat misschien +zelfs niet zoo zeggen moest, het was ook een stout stuk geweest voor +een jongen van mijne jaren. De matrozen droegen mij als in triomf +naar moeders huis terug. Toen de goede vrouw hoorde wat ik gedaan +had, drukte zij mij vast in hare armen en dan weende zij ook bitter, +als ze aan het gevaar dacht, dat ik had doorgestaan, en zich daarbij +voorstelde, dat mijne stoutmoedigheid mij licht in nog veel grooter +gevaar brengen kon." + +"Maar zij beknorde u ditmaal toch niet om hetgeen gij gedaan had?" + +"O neen, Willem; zij gevoelde, dat ik mijn plicht jegens mijn +medemensch vervuld had: misschien ook, dat ik in dit geval het kwade +met eene goede daad had vergolden; maar van dit laatste zei ze toch +geen woord. Den volgenden dag kwam mijnheer Masterman ons een bezoek +brengen. Hij keek heel beschaamd en verlegen, toen hij naar zijn +petekind vroeg, dat hij zoolang vergeten had. Mijne moeder, die wel +begreep hoe nuttig hij worden kon, ontving hem heel vriendelijk, +maar ik had reeds te dikwijls van zijne verwaarloozing van mij en +mijne moeder en van zijn naar alle waarschijnlijkheid afschuwelijk +gedrag jegens mijn vader hooren spreken en had daardoor een hevigen +weerzin tegen hem opgevat. Zoo kwam het, dat ik zijn vriendelijkheid +heel koeltjes opnam. Ik was wel blij, dat ik hem het leven had gered; +maar ofschoon mijn gevoel mij destijds nog niet recht duidelijk was, +moet ik toch met schaamte bekennen, dat mijne blijdschap niet uit +de bewustheid voortkwam van eene goede daad verricht te hebben, doch +veeleer uit zekere bevredigde wraak, daar ik nu een man, die mij eens +zoo slecht behandelde, tot dankbaarheid jegens mij verplicht had. Dat +kwam voort uit mijn trotschen geest, dien mijne moeder niet buigen +kon. Ge ziet, jongeheer Willem; er stak weinig verdienste in wat ik +gedaan had, daar ik na 't verrichten der daad aan een gevoel toegaf, +dat ik had moeten onderdrukken." + +"Mij dunkt, ik zou in uw geval evenzoo gedacht hebben als gij, Flink," +gaf Willem ten antwoord. + +"Kwaad met goed te vergelden is de groote plicht van een +Christenmensch, en had ik mijnheer Masterman gered met de zekerheid +dat hij het was, dan zou dat prijzenswaardig geweest zijn; maar nu +kende ik hem niet, toen ik hem redde, en het bleef nog altijd de +vraag, of ik, als ik geweten had wie daar in het water omspartelde, +mijn leven dan wel voor hem zou hebben gewaagd. Of, als ik het toch +gedaan had, zou dat dan niet misschien met hetzelfde gevoel geschied +zijn, dat mij nu nog vervulde, nadat ik hem werkelijk gered had,--het +gevoel, dat ik mij voor zijn gedrag jegens mij op hem wreken wilde; +want er bestaat wel geen grooter wraak dan deze, dat men zijn vijand +tot dankbaarheid verplicht." + +"Gij beoordeelt uzelven zeer streng, brave Flink," zeide mijnheer +Wilson, "en mij dunkt bijna, dat gij uzelven onrecht aandoet." + +"Toch niet, mijnheer," hernam de oude man. "Mijn eerste gevoel, dat +dat mij tot handelen aanspoorde, was goed; maar dat, waaraan ik later +toegaf, nam al de verdienste van mijne daad weder weg. Ik zeg juist +wat ik denk dat waarheid is, en een oud man kan zonder partijdigheid, +maar niet zonder berouw, op het verleden terugzien.--Doch ik wil nu +voortgaan met mijne geschiedenis. + +"Mijnheer Masterman's bezoek duurde niet heel lang. Hij zeide mijne +moeder, dat hij voortaan zorg voor mij zou dragen en mij, zoodra ik +oud genoeg was om de school te verlaten bij eene scheepstimmerman in +de leer zou doen. Tot daartoe bood hij aan, al de kosten van mijne +opvoeding op zich te nemen. Mijne arme moeder was zeer dankbaar en +schreide vreugdetranen. Toen mijnheer Masterman weg was, omarmde ze +mij en zeide mij, dat ze zich nu eerst gelukkig gevoelde, dat ik +eene kostwinning te land krijgen en niet op zee gaan zou. Om mijn +peet recht te doen wedervaren, moet ik zeggen, dat hij trouw zijn +woord hield. Hij zond mijne moeder geld, zoodat ze het beter stellen +en meer genot van haar leven hebben kon. Iedereen wenschte haar ook +geluk en ze kuste mij en plachte altijd te zeggen, ze dat alles aan +mij alleen had te danken." + +"Ach, Flink, wat moet dat u gelukkig gemaakt hebben!" riep Willem, +vol hartelijkheid. + +"Ja, jongeheer, dat deed het, maar het maakte mij ook heel trotsch. Het +is vreemd maar toch waar; ik kon mijn afkeer van mijnheer Masterman +niet overwinnen; ik had dien te lang in mijn hart omgedragen. Ik +kon nauwelijks verdragen, dat mijne moeder verplichting aan hem had, +of dat hij het schoolgeld voor mij betalen zou. Hoe jong ik ook was, +krenkte die gedachte mijne trotschheid toch al te zeer, en al was mijne +moeder ook nog zoo gelukkig, ik was dat niet. Daar ik bovendien op een +betere school gebracht was en men mij dwong, bij de andere jongens +te blijven, kon ik niet meer, zooals te voren, aan den havenkant +omzwerven en op de schepen gaan, zoodat ik van mijn liefste genot was +beroofd. Destijds zag ik niet in, zooals tegenwoordig, dat dit alles +tot mijn eigen best was. Het verbitterde mij veeleer, en ik gevoelde +mij ongelukkig, enkel omdat ik gedwongen was, mijn aandacht op de +lessen te richten en men mij niet langer mijn eigen weg liet gaan. + +"De meester klaagde over mij; mijnheer Masterman liet mij roepen en +haalde mij terdeeg door. Dit maakte mij nog koppiger, en zoo werd ik, +op mijnheer Masterman's verlangen, gevoelig gekastijd. Deze behandeling +maakte mij zoo weerspannig, dat ik besloot weg te loopen en op zee +te gaan. + +"Gij ziet, Willem, dat ik in dit alles ongelijk had; en dat hebben +alle knapen, die zoo eigenzinnig zijn, als ik te voren was, en alles +beter meenen te weten dan zij, die voor hen zorgen willen. Nu, stel +u eens voor beste jongen, wat door mijn dwaas gedrag waarschijnlijk +voor mij verloren ging. Ik zeg waarschijnlijk, want niemand kan +vooruit zien en zeggen wat de toekomst zal aanbrengen. Naar allen +schijn echter had ik groot vooruitzicht om eene goede opvoeding te +ontvangen,--om later mijnheer Masterman in zijne zaken op te volgen +en, hoogst waarschijnlijk, ook zijn groot vermogen te erven, zoodat +ik mettertijd een gezeten man zou geworden zijn. Misschien had ik eene +goede vrouw gevonden, had kinderen gekregen om mijn geluk nog grooter +te maken,--en in plaats van dat alles ben ik nu een arm, oud, afgeleefd +zeeman op een eenzaam verlaten eiland. Ik maak u daar opmerkzaam op, +Willem, om u te toonen, hoe een enkele onberaden stap in de jeugd al +onze vooruitzichten voor de toekomst kan verijdelen, zoodat we, in +plaats van met gunstig tij te varen, ons leven lang tegen den stroom +der tegenspoeden hebben op te worstelen. Dit was bij mij het geval, +zooals ge uit het vervolg van mijn verhaal zien zult." + +"Dat is inderdaad een goede les, Flink," zeide de vader. + +"Ja, wel eene goede les, mijnheer, en zoo heb ik ook niet over mijn +lot te klagen, ofschoon mij ook de dwalingen berouwen, die mij zoover +gebracht hebben. Ik ben niet ontevreden met mijn lot, want dat zou +zonde wezen." + +"Uw ongeluk is voor ons allen een onschatbare weldaad geworden," zeide +mevrouw Wilson tot den ouden man; "want waart gij niet op zee gegaan, +waart gij niet aan boord geweest,--wat zou er van ons geworden zijn, +nadat al de anderen ons verlaten hadden?" + +"Nu ja, mevrouw, het is altijd nog een troost, te mogen denken dat +zoo'n oud, afgeleefd matroos als ik toch ergens nog nuttig toe is +geweest.--Maar nu, mevrouw, is het de tijd, dat we doorgaans naar bed +gaan, en daarom, dunkt mij, zal 't het best zijn, dat ik voor heden +afbreek en morgenavond met mijne historie voortga." + + + + + + + +TWEE-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK. + +VERVOLG VAN FLINKS GESCHIEDENIS. + + +Het blaten der geiten maakte hen den anderen morgen vroeger dan +gewoonlijk wakker. De lucht was zeer opgeklaard, de zon scheen helder +en Flink liet Nanny en haar jongen vrij loopen. + +Het gezin had een kostelijk ontbijt van gebakken visch, en daarna +gingen de mannen met Willem terstond weer aan den arbeid. De beide +eerste haalden de tenten omver en spreidden het doek op den grond +uit, om te drogen, terwijl Willem het gevogelte ging opsporen, dat +zich in geen paar dagen had laten zien. Na een half uur zoekens, +hoorde hij den haan in het kokosbosch kraaien en vond spoedig allen +bij elkander. Hij strooide hun een handvol erwten voor, die hij in +zijn zak had gestoken, want het koren had men besloten te sparen, +om het zoodra men maar meer grond had omgespit, uit te zaaien. Als +het meel dan ook mocht opraken, hadden zij aan de landingsplaats +nog eenige vaten daarvan over, die bij de stranding gered waren, +en er was dus nog zoo spoedig geen dadelijk gebrek te vreezen. De +hoenders waren zeer hongerig en liepen Willem tot aan huis na, waar +hij hen liet, om naar zijn vader en Flink om te zien. + +"Onze tenten kunnen nu drogen, vriend Willem," voegde de oude man hem +toe; "zoodat we nu, als uw vader het goedvindt, met alle macht aan +'t werk willen gaan om een hoenderhok tot stand te brengen. 't Zal +niet meer dan een dag kosten, en de arme beesten hebben dan ook een +dak. Daar staan vier dikke kokosboomen hier dicht bij huis; wij willen +daaronder een hok bouwen, en dat kan spoedig gereed zijn." + +Mijnheer Wilson keurde dit plan volkomen goed, en dus ging men dadelijk +aan het werk. Van de boomen, die tot het huis gediend hadden, waren +nog eene menigte dunne toppen over; deze gebruikten zij tot latten +en spijkerden ze aan de vier boomstammen, zoodat zij een regelmatig +vierkant vormden, waarna zij nog de sparren opzetten tot een stevig +afloopend dak. + +"Dat is nu alleen maar het ruwe werk," zei Flink; "we moeten nu een +of twee stokken voor de hoenders maken, en dan de zijden sluiten en +het dak met kokosbladeren stevig dekken. Maar kijk, daar gaat Juno +al aan het opscheppen, zoodat we nu maar eerst schaften moeten." + +Na den maaltijd begon men opnieuw. Mijnheer Wilson verzamelde de +takken, terwijl Flink en Willem de zijden en het dak met bladeren +dekten, zoodat het hoenderhok nog vóór den avond volmaakt in orde +kwam. Willem lokte de hoenders met eenige erwten, en toen zij onder +dak waren, liet hij hen rustig pikken en ging in huis. + +"Nu, mijnheer, denk ik, zullen ze spoedig hun weg daarheen weten te +vinden," sprak Flink, "en later als ik eens tijd daartoe vind, zal +ik ook eene deur voor den ingang maken. Mij dunkt, dan kunnen wij het +opzicht over ons gevogelte veilig aan juffer Caroline toevertrouwen. Ze +zal voor de oude hoenders en de jongen, als we die eens hebben, +zeker wel behoorlijk zorg dragen." + +"Ja, ja, dat moet haar post worden," riep Willem. "Ze zal wat blij +wezen, als ze koningin wordt van het hoenderhok. En nu, dunkt me, +moeten we aan het oprollen van de zeilen gaan; wij hebben vandaag +een kostelijken dag gehad en misschien zijn we morgen niet weer +zoo gelukkig." + +"Gij hebt volkomen gelijk; wij willen ze onder dak brengen en onder +de bedstede bergen, waar nog ruimte voor alles in overvloed is." + +Toen men dit alles verricht had, was de zon intusschen ondergegaan, en +zoo keerden ook allen in hunne woning terug. Al spoedig werd Flink nu +verzocht, met zijn historie voort te gaan, en hij deed dit, als volgt: + +"Ik zeide gisteravond, dat ik het besluit nam, om van mijne kostschool +weg te loopen en op zee te gaan; doch hoe ik dat plan volvoerde, +hebt gij nog niet gehoord.--Het was mij niet mogelijk, onbemerkt te +ontsnappen, voordat de overige jongens al te bed waren. De kamer, +waar ik sliep, was op de tweede verdieping; de deuren, dat wist ik, +waren gesloten, maar daar was nog een zolderluik, waardoor men op het +dak kon komen. Het was van binnen gegrendeld, en langs eene ladder +kon men er bij klimmen. Zoo besloot ik dan, langs dien weg de vlucht +te beproeven. Zoodra de andere jongens gerust snorkten, stond ik op, +kleedde mij heel bedaard aan en sloop de kamer uit. + +"Het was heldere maneschijn, en dat was een geluk voor mij, want zoo +kon ik zonder gestommel het luik bereiken. Het kostte mij veel moeite +dat op te lichten, want voor een knaap van mijne jaren was het heel +zwaar; maar eindelijk lukte het toch, en ik kwam gelukkig op het dak +van 't huis. + +"Toen ik in de goot stond, keek ik rond. Ik zag de schepen in de haven +en de zee in de verte, zoodat ik mij verbeeldde al vrij te zijn en +niet bedacht, hoe ver ik nog van den grond was. Eindelijk begon ik toch +te overleggen, hoe daar te komen. Ik ging eenige malen op en neer, en +besloot toen, langs een looden pijp, die van de dakgoot tot den grond +reikte, naar omlaag te klauteren. Ze was juist zoover van den muur, +dat ik haar met mijne dunne vingers omvatten kon, ik was destijds nog +licht als een veer en vlug en lenig als eene kat. Ik klom over den +rand van het dak, klemde mij met handen en knieën aan den looden pijp +en liet mij zachtjes omlaag glijden, tot ik behouden beneden stond." + +"'t Is wel een wonder, dat gij niet hals en beenen braakt," zeide +mevrouw Wilson. + +"Ja, waarlijk, mevrouw, dat was het ook,--zoo denk ik nog +dikwijls--maar toen dacht ik alleen aan de uitvoering van mijn +onberaden plan. Zoodra ik op het daaronder liggend bloembed te +land was gekomen, liep ik naar het ijzeren traliehek van den tuin, +was met een wip daar overheen en stond zoo op straat. Ik was zonder +hoed of pet; want onze petten hingen beneden in de school aan de +kapstokken,--doch daar bekommerde ik mij niet over. Ik liep, wat ik +loopen kon, naar de haven. Aan het hoofd gekomen, ontdekte ik een schip +dat zijn zeilen al los had gemaakt en op de juist invallende eb scheen +te wachten. De matrozen zongen een vroolijk liedje, terwijl zij de +ankers vóórdraaiden. Zoo stond ik daar en bespiedde elke beweging van +het vaartuig. Reeds overlegde ik of ik er niet naar toe zou zwemmen, +toen ik een man in de jol zag klimmen en naar het hoofd toe roeien. Ik +liep op hem toe, zoodra hij aanlegde om het touw van een der palen +van het hoofd los te maken; en nog eer hij dit gedaan had, sprong ik, +zonder een woord te spreken, in zijne boot." + +"Wat wil je, kleine dreumes," vroeg de matroos. + +"Ik wil mee naar zee," antwoordde ik hijgend; "neem mij aan boord,--ik +bid u om Gods wil." + +""Goed," zei de man; "ik heb mijn kapitein hooren zeggen, dat hij +nog wel een kajuitsjongen gebruiken kon. Kom dus maar mee, kleine +deugniet." + +"Hij roeide naar het schip terug, en ik klom haastig aan boord. + +""Wie zijt ge?" vroeg de kapitein. + +"Ik gaf ook hem 't zelfde antwoord, namelijk, dat ik ter zee wou +varen." + +""Gij zijt nog te klein en te jong." + +""O neen, neen, vast niet," was mijn antwoord. + +""Wat, denkt ge dan, dat ge al in den mast kunt klimmen?" + +"Dat zult ge dadelijk zien," riep ik en klauterde als eene kat langs +de touwen op, tot aan de bramra. + +"Toen ik weer omlaag bij den kapitein kwam, zeide deze: + +""Nu, ik denk, dat ge mettertijd een goed zeeman kunt worden. Ik wil +u dan aannemen, en zoodra ik te Londen kom, zal ik u als scheepsjongen +inschrijven. Waar is uw pet?" + +""Die heb ik thuis gelaten," was mijn antwoord. + +""Dat komt er ook niet op aan; een roode slaapmuts doet nog beter +diensten," zeide de kapitein en ging in zijne kajuit, om mij er eene +te halen. + +"Het vaartuig, waarop ik mij nu bevond, was een kolenschip. Binnen +een half uur waren wij de haven uit en met het opgaan der zon dobberde +ik op wijde zee, die voortaan mijn verblijf zou zijn. + +"Zoodra de eerste drukte en werkzaamheid van het ankerlichten voorbij +was, ondervroeg de kapitein mij nader naar mijne betrekkingen. Hij +scheen een ruw en barsch man te zijn en nog voordat de dag ten einde +was, voelde ik bijna berouw over den stap, dien ik gedaan had. Toen +ik mij eindelijk s'avonds doornat en koud, op een paar oude zeilen +neerlei, dacht ik op eens aan mijne moeder en aan het verdriet, dat ik +haar veroorzaken zou. Ik schreide bittere tranen; maar nu was het te +laat.--Ik heb vaak gedacht, mijnheer Wilson, dat het leven vol zorgen +en gevaren, dat ik sinds dien tijd doorworstelen moest, slechts eene +verdiende straf was voor de wreedheid die ik beging door mijne moeder +zoo te verlaten. Ik was immers haar eenige kind: ze had niemand op de +wereld, om lief te hebben, buiten mij, en ik.... brak haar het hart, +tot loon voor àl de liefde en goedheid, die ze mij van jongsaf had +bewezen. Deed ik niet slecht, Willem?" + +Hier hield de oude man eene poos op, en ook niemand van de overigen +het een woord hooren. Willem, die het naast bij zijne moeder zat, +sloeg zijn arm om haar hals en kuste haar. + +"Ik ben blij dat te zien, mijn beste Willem," begon Flink nu weder. "Ik +zie daaruit, dat mijne geschiedenis voor u niet verloren is, en +beschouw dien kus als eene plechtige belofte, dat ge uwe ouders nooit +zult verlaten." + +De tranen rolden mevrouw Wilson over de wangen en vurig beantwoordde +zij de omhelzing van haar zoon. + +"Ik wil nu liefst maar afbreken," zeide Flink; "ik ben niet gestemd +om voort te gaan; mijn hart wordt telkens vol, als ik mij dat dwaas +en slecht bestaan uit mijne jonge dagen herinner." + + + + + + + +DRIE-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK. + +THOMAS, WAAR IS DE VINGERHOED? + + +Den volgenden morgen was het uitstekend schoon weer en terstond na het +ontbijt trok men met de kar naar den schildpadvijver. Flink had eene +stevige piek met een scherpen weerhaak meegenomen en spietste daarmee +den schildpad uit den vijver, die daarop aan land werd getrokken, +op de kar geladen en naar huis overgebracht. + +Na het dooden van den schildpad, werd ze in stukken gesneden, en onder +Flinks toezicht koos Juno toen zooveel reepen uit, als ze voor de +soep noodig had. Toen de pot te vuur stond, trokken Flink, mijnheer +Wilson en Willem met zagen en bijlen het bosch in, om de noodige +boomen te vellen voor de voorgenomen bergplaats van hun voorraad, +zoodra deze van de landingsplaats kon worden afgehaald. + +"Ik denk, dat het hier in tijd van gevaar onze schuilplaats wezen +moet," merkte Flink aan. "Daarom heb ik ook deze plek van het woud +uitgekozen; ze is niet al te ver van ons huis af, en als we het pad +er heen met wat kronkels en bochten uithouwen, moet ze wel voor het +gezicht verborgen wezen. Daarbij moeten wij het pad maar zoo breed +maken, dat de kar er even langs kan: ook moeten we de wortels van +de omgekapte boomen uitgraven, daar anders de tronken de aandacht +konden trekken. Niet dat ik denk dat het ons ooit zal te pas komen, +maar toch kan voorzichtigheid nooit schaden en bovendien kost het +ons weinig moeite." + +"Ik ben het volkomen met u eens," antwoordde mijnheer Wilson; "'t is +in alle gevalle goed, want men weet toch nooit wat er gebeuren kan." + +"Onder ons, mijnheer, kan ik u wel zeggen, dat de inlanders in dezen +hoek van de wereld de gewoonte hebben van in hunne kano's [3] van 't +eene eiland naar het andere te gaan, om kokosnoten in te zamelen. Ik +kan niet verzekeren, dat de andere eilanden hier in den omtrek bewoond +zijn, maar dat is toch wel waarschijnlijk en dan blijft altijd de +vraag, van welken aard dat volk om ons heen is. Ik durf u dat gerust +zeggen, maar 't is beter dat mevrouw er niets van te weten komt. Gij +zult toch ook wel zwijgen, beste Willem?" + +"O, wees daar gerust op, Flink; ik zal geen woord zeggen, dat moeder +ongerust maakt." + +"Wij zijn nu dicht bij de plek. Ge ziet, mijnheer, dat de boomen hier +op dezen heuvel zeer dicht bij elkander staan. Welnu, een weinigje +verder, wat meer in de laagte, moesten we, dacht me, eene hut bouwen, +die men daar zeker niet zoo gemakkelijk vinden zal.--Ik geloof," +vervolgde de oude man, toen zij nog een poosje waren voortgegaan, +"dat hier zoo ten naastenbij de rechte plek is; want we hebben omtrent +twee derden van de hoogte achter ons en de helling is hier nog wel +zoo sterk dat het water een vrijen afloop vindt." + +"En hoe ver zouden we nu wel van huis zijn, Flink? Mij dunkt, nog +zoo heel ver niet." + +"Ik reken nog niet meer dan anderhalven kilometer, in eene rechte lijn, +ofschoon de weg door al zijne bochten wel dubbel zoo ver moet wezen." + +"Dan, geloof ik, zal deze plaats de beste zijn, en hoe eer wij +beginnen, des te beter." + +"Ik wil nog maar enkel de boomen merken, die staan blijven mijnheer, +en dan die gekapt moeten worden op den stam na, tot op bij de vier +voet hoog van den grond. Vriend Willem, wilt ge zoo goed zijn, om +het andere eind van de lijn eens aan te vatten?" + +Zoodra nu de omvang van het gebouw behoorlijk was afgemeten, waren +bijl en zaag ook spoedig druk aan het werk en werd de eene boom na +den anderen geveld. Onze drie vrienden arbeidden tot etenstijd dapper +door en verheugden zich niet weinig in het vooruitzicht, dat na gedaan +werk eene lekkere schildpadsoep hunne belooning wezen zou. + +"Willem!" riep mevrouw Wilson, toen zij tegen den middag thuis kwamen, +"en ook gij, beste man! gij zijt door en door nat van zweet,--ge moet +u niet al te zeer vermoeien." + +"Ja, lieve moeder, dat boomen kappen is een warm werk," antwoordde +Willem; "en hard werken doet een mensch zooveel kwaad niet, vooral +niet als hem een maaltje schildpadsoep wacht. Wij zijn hongerig als +wolven en zullen Juno's keuken alle eer aandoen. Hé, Thomas, kom hier, +jongen! Ge kijkt zoo zwart. Wat hapert er aan?" + +"Thomas en ik kunnen het niet samen vinden," antwoordde mevrouw Wilson, +terwijl Thomas enkel zijne lip liet hangen. "Van morgen zat ik te +naaien, goed en wel met mijn vingerhoed aan de hand, toen Juno mij +buiten riep. Ik nam Caroline aan de hand mee en onze sinjeur Thomas +bleef zoolang in huis alleen. Toen ik terugkwam, stond hij voor de +deur, en toen ik mijn werk weer opnam was mijn vingerhoed nergens +te vinden. Ik vroeg hem, of hij dien gehad had; hij zei, dat hij +er naar zien zou. Dat deed hij ook, maar bracht hem niet weerom. Ik +vroeg hem onderscheiden malen, of hij den vingerhoed had weggenomen; +maar zijn eenig antwoord was, dat die wel weer terecht zou komen. Ik +ben overtuigd, dat hij hem verloren heeft, maar hij wil dat volstrekt +niet bekennen. Het gevolg was, dat ik den heelen ochtend heb moeten +zitten zonder een steek te kunnen doen." + +"Hoor eens hier, Thomas," zei mijnheer Wilson op ernstigen toon: +"hebt gij den vingerhoed weggenomen?" + +"Hij zal wel weer terechtkomen, vader." + +"Dat is geen antwoord, jongeheer. Hebt ge den vingerhoed weggenomen +en verloren misschien?" + +"Ik weet heel zeker, dat hij vandaag wel weer terechtkomt, vader," +riep Thomas snikkend. + +"Dat is alles wat hij mij tot hiertoe geantwoord heeft," zeide +de moeder. + +"Goed, heel goed dan. Daarvoor zal hij ook niets te eten hebben, +voordat wij ook zeker weten, dat de vingerhoed vandaag weer in moeders +handen is." + +Op 't hooren van deze woorden, begon Thomas te schreien wat hij +kon. Juno verscheen nu juist met de schildpadsoep, die een aangenamen +geur verspreidde. Toen men zich aan tafel neergezet had, schreide +Thomas nog harder. Allen waren zeer hongerig en Willem liet zijn +bord gauw nog eens vullen. Pas had hij echter eenige happen gedaan, +toen hij zijn vinger in den mond stak en daar iets uithaalde. + +"Ha, moeder, daar is de vingerhoed in mijne soep," riep hij, "en ik +was op het punt van hem door te slikken." + +"Geen wonder, dat onze sinjeur zei, dat hij wel weer terecht zou +komen," sprak Flink lachend. "Hij dacht hem zekerlijk wel op te +visschen uit hetgeen van onzen maaltijd overbleef. Welnu, mevrouw, +ofschoon ik niet zeggen wil, dat Thomas een zoete jongen is, moet men +toch erkennen, dat hij, toen hij niet zeggen wou waar de vingerhoed +was, er geen leugens bij gebruikte." + +"Neen, neen, jokken deed hij niet," riep Willem. "Ik hoop, dat, +nu het ding gevonden is, vader hem ook wel vergeven zal, als hij +daarom verzoekt." + +"Thomas, kom hier!" sprak mijnheer Wilson. "Zeg mij: waarom hebt gij +den vingerhoed in de soep geworpen?" + +"Ik wou de soep eens proeven; ik wou den vingerhoed vol scheppen. Toen +brandde ik mij de vingers en liet ik den vingerhoed bij ongeluk in +den ketel vallen." + +"Nu, een vingerhoed vol was toch ook de heele wereld niet," merkte +Flink aan. "Maar waarom zeidet gij uwe moeder niet, waar de vingerhoed +was?" + +"Och, ik was bang, dat moeder dan al de soep zou weggooien, en dan +kreeg ik er niets van." + +"Ei, ei, was het geval zóó?" sprak de vader. "Welnu, ik zeide, dat +gij niets te eten zoudt hebben, voordat de vingerhoed gevonden was; +daar die nu terug is, kunt gij ook aan tafel komen. Als u echter in +het vervolg weer iets gevraagd wordt en gij geen antwoord geeft komt +gij er zoo gemakkelijk niet af, dat verzeker ik u." + +Thomas was blij, dat de bestraffing voorbij was, en nog blijder dat +hij een bord soep voor zich kreeg. Het eerste had hij spoedig leeg, +en toen hij om een tweede verzocht, zeide hij: "Thomas zal er geen +vingerhoed weer ingooien; Thomas zal naderhand een kopje nemen." + +"Massa Thomas, jij nemen moet naderhand niemendal," beknorde hem +Juno, die naast hem zat. "Jij afblijven moet met de vingers van de +pot,--klein snoepsch jong!" + +Na afloop van den maaltijd gingen zij weder aan den arbeid en keerden +eerst tegen het donker terug. + +"De wolken komen met drift opzetten, mijnheer," zeide Flink; "we +zullen van nacht weer onweer krijgen." + +"Dat vrees ik ook; maar we moeten het afwachten." + +"Ja mijnheer, en nu en dan zal de regen en het onweder voortaan ook +wel eens dagen achtereen aanhouden." + +"Flink," zeide mevrouw Wilson, "als ge niet al te vermoeid zijt, +zoudt ge dan niet met uwe geschiedenis willen voortgaan?" + +"Heel gaarne, mevrouw, als gij dat verlangt," was het antwoord. "Ik +brak gisteren af bij mijne komst aan boord van het kolenschip, +dat naar Londen bestemd was. Wij hadden een goeden wind en liepen +een goede vaart. Ik was heel zeeziek, totdat wij aan den mond van +de Theems kwamen. Daar werd ik weer beter en was, zooals ge wel +denken kunt, zeer verbaasd over de ontelbare menigte schepen, die +onophoudelijk op de rivier heen en weder voeren. Maar mijn kapitein +beviel mij volstrekt niet. Hij was uiterst onbeschoft tegen zijn +volk, en de eene jongen, die aan boord was, ried mij zelfs mijne +biezen te pakken en een ander schip op te zoeken. Hij zeide, dat ik +mij voor geen geld aan dezen kapitein verbinden moest; want anders +zou hij mij ook alle dagen slaan en mij even slecht behandelen, als +hij zijne vroegere koksjongens gedaan had. Dat dit zoo was, wist ik +wel; want ik zag meer dan twintigmaal op een dag, hoe de kapitein hem +duwen en stooten gaf, zoodat de arme jongen er soms dagen lang blauwe +plekken van overhield. De matrozen zeiden, dat hij mij vooreerst nog +wat genadiger behandelde, uit vrees dat ik anders nog weigeren zou mij +voor vast bij hem te verbinden, doch dat, als ik dat eens gedaan had, +mijn lot geen haar beter wezen zou. Zoo besloot ik dan, niet langer +op het kolenschip te blijven, en daar de kapitein aan wal was gegaan, +had ik tijd genoeg, om eens rond te zien. Vóór ons, midden op den +stroom, lag een vrij groot schip zeilree. Ik sprak met twee jongens, +die aan den valreep stonden, en hoorde van hen, dat ze het heel goed +aan boord hadden en dat de kapitein nog twee of drie jongens zocht. Ik +ging dan bij hem aan boord en bood hem mijne diensten aan. + +"De kapitein deed mij eene menigte vragen. Ik zeide hem de waarheid +en ook de reden, waarom ik niet op het kolenschip blijven wilde. Hij +was gewillig om mij aan te nemen, en ik ging met hem aan land, waar +hij mij van een behoorlijk stel kleeren liet voorzien.--Twee dagen +later gingen wij onder zeil naar Bombay en China." + +"Maar gij schreeft toch eerst aan uwe moeder, Flink?" vroeg Willem. + +"Ja, beste jongen, dat deed ik, want de kapitein verlangde het en +schreef zelf eenige regels onder mijn brief, om de goede vrouw te +troosten; maar ongelukkig heeft zij dien brief, die door den hofmeester +naar den wal werd gezonden, nooit ontvangen. Of hij hem verloor of +tot ons vertrek vergat en toen verscheurde,--dat weet ik niet; maar, +zooals ik later vernam, heeft moeder dien nooit in handen gekregen." + +"Het was uwe schuld dan toch niet, dat de brief niet goed overkwam," +zeide mevrouw Wilson. + +"Neen mevrouw, dat was zeker mijne schuld niet, de eigenlijke schuld +had ik al vroeger op mij geladen." + +"Gij moet u niet langer bij dat deel van uwe geschiedenis ophouden, +Flink; vertel ons liever, wat u op uwe vaart naar Oost-Indië zoo +al overkwam." + +"Welnu dan. Ik was toen heel vlug en levendig voor mijne jaren en +werd weldra de algemeene lieveling, vooral bij de dames, die wij als +passagiers aan boord hadden, enkel omdat ik nog zoo'n kleine dreumes +was. Wij kwamen behouden in Bombay, waar onze passagiers aan land +gingen, en drie weken later zeilden we door de straat en op China +aan. Het was juist oorlogstijd en zoo werden we door Fransche kapers +gejaagd; maar we hadden veel volk aan boord en een menigte stukken, +zoodat geen hunner 't waagde ons aan te vallen. Weldra kwamen we +voorspoedig te Macao [4] aan, waar we onze lading losten en thee +daarvoor innamen. + +"We moesten een tijdlang wachten, omdat er een groot konvooi bijeen +was, en toen gingen we weer naar Engeland onder zeil. Toen we Isle de +France voorbij waren, werd de vloot door een storm verstrooid. Drie +dagen later werden we door een Fransch fregat aangevallen en na zijn +vuur met eenige schoten beantwoord te hebben, waren we gedwongen onze +vlag te strijken. + +"Een luitenant met veertien man werd bij ons aan boord gezonden, +om ons gevangen te nemen, want we waren een zeer rijke prijs voor +hen. Onze kapitein en de meesten van het volk werden op het fregat +overgebracht; maar tien Lascaren [5] en de scheepsjongens bleven op +den Oostindiëvaarder om het schip naar Isle de France [6] te brengen, +dat destijds in de handen der Franschen was. + +"Het kwam me wel wat hard voor, dat ik zoo pas twaalf jaren oud al naar +de gevangenis moest kuieren; maar ik tobde daar toch niet lang over +en was weldra weer zoo vroolijk en dartel als ooit te voren. Wij waren +reeds in 't gezicht van het eiland en stuurden met eene frissche koelte +op de haven aan, toen zich op eens te loever een schip vertoonde. + +"Ik kon wel niet verstaan wat de Franschen zeiden, maar merkte toch, +dat ze het onderling bijster druk hadden en ijverig met de kijkers in +de weer waren. Jack Romer, mijn kameraad, die al drie jaren gevaren +had, fluisterde mij eindelijk in 't oor: "Daar is nog kans, dat we +de gevangenschap ontsnappen, want ik moest me al zeer vergissen, +als dat geen Engelsch linieschip is." + +"Eindelijk kwam het op korten afstand, heesch de Engelsche vlag en deed +een schot. De Franschen zochten ons schip voor den wind te brengen; +doch dat hielp hun weinig. De Engelschman won gedurig op ons, en daar +de Franschen dit merkten, pakten zij hunne kleeren met al het goed, +dat zij onzen kapitein en ons volk hadden afgenomen, bijeen. Er werd +ons een kogel toegezonden, die dicht over onze hoofden heen snorde: +de Franschen lieten toen het roer los, waarop Jack Romer dat aangreep +en met hulp van mij het schip bij den wind bracht. De Engelschen +zonden eene boot aan boord en namen onzen koopvaarder in bezit, +zoodat wij de gevangenschap vooreerst gelukkig ontsnapt waren. + +"Toen de kapitein van 't Engelsche fregat hoorde, hoe de Franschen +zich tegen ons gedragen hadden, liet hij al hunne bagage zorgvuldig +onderzoeken en hun alles wat zij geplunderd hadden terstond weer +afnemen." + +"Hij zou het recht gehad hebben de Franschen daarvoor al hun goed af +te nemen," riep Willem. + +"Jawel, Willem, daartoe had de kapitein zeker het recht gehad; maar, +wel beschouwd, zou dat toch onrecht geweest zijn, want in dat geval had +hij even oneerlijk gehandeld als zijne vijanden. De kapitein ontnam +hun niets van hun goed, maar liet hun beneden in 't ruim opsluiten, +waar men geen last van hen had. + +"De Engelschen zonden een cadet als prijsmeester aan boord van ons +schip en lieten ons allen, evenals wij door de Franschen genomen waren, +op onzen koopvaarder blijven. De kapitein wou niet meer van zijn volk +missen, dan volstrekt noodig was, en liet dus aan onszelven over het +schip in de haven te brengen. + +"Na een kort verblijf vervolgden wij onzen tocht naar Engeland en waren +hartelijk blij, dat wij aan de Franschen ontkomen waren. Evenwel was +onze vreugde niet lang van duur, daar we spoedig merkten, dat in plaats +van eene Fransche gevangenis eene Hollandsche ons lot moest zijn." + +"Hoe meent ge dat?" + +"Luister maar. Twee dagen later, toen wij juist de Kaap omzeilden, +kwam er een ander Fransch vaartuig op ons af en nam ons. Ditmaal +vonden wij geen helpenden vriend in onzen nood, maar werden aanstonds +in de Tafelbaai opgebracht. De kaap de Goede Hoop was namelijk in +'t bezit van de Hollanders, die evenals de Franschen, met Engeland +in oorlog waren." + +"Maar, Flink, gij zijt toch recht ongelukkig geweest!" riep mevrouw +Wilson op medelijdenden toon uit. + +"Ja, mevrouw, dat waren we zeker. Maar ik was jong en luchthartig en +wist mij spoedig in mijn ongeluk te troosten. Maar kom, 't is nu tijd +om te gaan slapen. Caroline is al diep in de rust en sinjeur Thomas +deed het laatste half uur niets dan gapen, zoodat we voor van avond +hier maar afbreken zullen." + + + + + + + +VIER-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK. + +DIE ARME JUNO!--FLINK VERTELT VERDER. + + +Ze hadden nog maar korten tijd gerust, of er brak een hevig onweder +boven hunne hoofden los. Het bliksemde zoo sterk, dat het licht +zelfs door de reten van de deur en vensters heendrong, en de donder +ratelde zoo hevig door de lucht, dat allen wakker schrikten en aan +geen slapen meer te denken was. De kleinen kreten en sidderden van +angst in de armen van mevrouw Wilson en Juno, die zelven bijna niet +minder ontsteld waren. + +"Dat is een vreeselijk weder!" sprak mijnheer Wilson tot Flink, +want beiden waren opgestaan. + +"Waarlijk, mijnheer, ik heb nog nooit erger weder beleefd." + +Bij deze woorden werden beiden, half bedwelmd, op den grond +geslingerd. Een bliksemstraal viel op het huis, zoodat dit met al +wat er in was dreunde en schudde. Een zwavelreuk verspreidde zich +overal, en zoodra de twee weder op hunne voeten stonden, ontdekten +zij met schrik, dat het gansche huis vol rook was. Daarbij kwam nog +een gejammer der vrouwen en het gillen der kinderen, dat zich uit de +bedsteden hooren liet. + +"God erbarme zich onzer!" riep Flink, die het eerst weder tot zijn +bewustzijn kwam en nu begon te onderzoeken welke gevolgen het inslaan +wel had gehad; "de slag heeft ons getroffen en ik vrees, dat het huis +ergens in brand staat." + +"Vrouw!--kinderen!" schreeuwde de doodelijk ontstelde vader. + +"Gij zijt toch allen onbezeerd?" + +"Ja, ja!" riep zijne vrouw, "allen lieve man. Thomas komt daar juist +bij mij.--Maar waar is Juno?--Juno!" + +Juno gaf geen antwoord. Willem vloog naar den anderen hoek van het +huis. Daar vond hij haar roerloos op den grond uitgestrekt liggen. + +"Ze is dood, vader!" riep hij, hevig verschrikt. + +"Help mij haar naar buiten dragen, mijnheer!" riep Flink, die het arme +meisje onderwijl in zijn armen had genomen. "Ze kan licht alleen maar +bedwelmd zijn." + +Gezamenlijk droegen zij het lichaam nu in de open lucht. De regen +kletterde in stroomen neder. + +De oude man verliet hen voor eene minuut, om zich te overtuigen, +dat het huis nergens vuur had gevat. Hij bevond, dat het aan den +uitersten hoek in vlam had gestaan; doch deze was door den regen weer +uitgedoofd. Toen keerde hij dadelijk naar mijnheer Wilson en zijn zoon, +die zich met Juno bezighielden, terug. + +"Ik zal bij 't meisje blijven, mijnheer," zeide Flink. "Ga gij maar +met Willem in huis. Mevrouw sterft van schrik, als ge haar bij al die +akeligheid alleen laat.--Kijkt, kijkt, vriendin Juno is niet dood: +ze begint al weer adem te halen.--Ja, ja, we hadden de goede meid +hier ook al slecht kunnen missen." + +Vader en zoon volgden Flinks raad. Zij vonden mevrouw Wilson +bijna onmachtig van angst en schrik. De heuglijke tijding, die zij +overbrachten, dat Juno niet dood was, bracht echter veel bij om haar +weer eenigszins te doen bekomen. Willem zocht den kleinen Albert tot +bedaren te brengen; en Thomas was na korten tijd vast in slaap in +vaders armen. + +Het onweer bedaarde nu van lieverlede en bij het aanbreken van den +dag kwam Flink ook weder met Juno terug. Zij was in zooverre weer +hersteld, dat ze, door hem ondersteund, naar de kamer kon stappen, +en toen werd ze aanstonds te bed geholpen. + +Daarop verlieten Flink en mijnheer Wilson het huis om te onderzoeken +of er ook nog verdere schade was aangericht. De bliksem was in de +voorzijde van het huis ingeslagen, juist op de plaats, waar men later +een schoorsteen bouwen wilde. Ze bevonden, dat de hitte den ijzeren +ketel gedeeltelijk had doen smelten; maar wat nog grooter verlies +was--hunne geit, de zwarte Nanni, was gedood; doch hare jongen waren +ongedeerd gebleven. + +"We zijn inderdaad voor een groot ongeluk behoed gebleven," sprak +mijnheer Wilson eindelijk. + +"Ja, mijnheer!" antwoordde Flink. "Ik dacht al, dat de arme Juno +verloren was." + +"Als ik 't wel heb, Flink, hebben wij eene rol dik koperdraad, niet +waar?" vroeg mijnheer Wilson. + +"Ja, mijnheer, ik dacht daar ook al aan. Het eerste, waaraan wij +denken moeten, is een bliksemafleider." + +Middelerwijl was het helder dag geworden. Mevrouw Wilson kleedde +zichzelve en de kinderen aan. Willem nam vervolgens op zich, voor het +ontbijt te zorgen, en Flink nam uit den onder de bedsteden geborgen +voorraad de bedoelde rol koperdraad op. Hij rolde deze los en boog +ze recht; toen haalde hij de ladder, die op de plaats stond, waar +zij bezig waren hun magazijn te bouwen. + +Terstond na het ontbijt ging men aan het werk, om den afleider vast +te zetten. Inmiddels moest Willem Juno's arbeid verrichten, want deze +lag nog te bed en scheen in diepen slaap verzonken. + +"Ik geloof, mijnheer," zeide Flink, "dat één dezer beide boomen, +die zoo dicht naast elkander staan, het best tot ons doel passen. Zij +zijn niet al te dicht bij het huis en staan juist zoo, dat de draad +den bliksem nog aantrekken kan." + +"Dat komt mij ook zoo voor, Flink; wij mogen echter beiden niet +laten staan." + +"Neen, mijnheer. Eerst zullen wij echter beiden nog noodig hebben, +om naar boven te klimmen en den draad vast te maken. Is dit gedaan, +dan zullen wij er een omkappen." + +Flink zette de ladder tegen een der beide boomen, nam den hamer en +een zak vol groote spijkers en sloeg een daarvan zoo in den stam, +dat hij de zwaarte van zijn eigen lichaam dragen konde. Boven den +eersten sloeg hij een tweede in, en zoo ging hij voort, totdat hij +den top van den boom bereikt had, waar de beide kruinen bijna in +elkander waren gegroeid. Toen klom hij naar beneden, nam eene zaag +en eene handbijl mede, klom weer naar boven en binnen den tijd van +tien minuten was de kruin van den boom geveld, zoodat nog slechts de +slanke, naakte stam overbleef. + +"Wees voorzichtig, Flink, dat gij behouden weer op den grond +komt!" riep mijnheer Wilson angstig. + +"Wees volkomen gerust," klonk de stem van den ouden man uit de +hoogte. "Ik ben wel niet zoo vlug meer als in mijne jonge jaren, maar +heb toch al te dikwijls in vrij wat hooger masten dan deze gezeten, +om 't klimmen geheel verleerd te zijn." + +Flink kwam dan ook behouden weer beneden en sneed een dunnen stok met +een sterk stuk puntig koperdraad aan het einde, dien hij vervolgens +daarboven aan den kokosstam wilde vastbinden. Nu voor de laatste +maal omhoog klauterende, bond hij den stok stevig aan den boom vast, +vervolgens het eind van het koperdraad aan de daaraan gescherpte +bovenste punt en klom toen af. De andere boom daarnaast werd terstond +geveld en het benedeneinde van het koperdraad aan den voet van den +boom, die den afleider droeg, diep in de aarde begraven. + +"Nu hebben we een noodzakelijk werk tot stand gebracht," sprak de +oude man en wischte zich het zweet van het voorhoofd. + +"Ja," antwoordde de mijnheer Wilson; "maar bij ons magazijn moeten we +er nu ook nog een zetten, daar anders onze voorraad gevaar kon loopen." + +"Dat zal zoo spoedig mogelijk gebeuren." + +"Ge begrijpt toch wel het doel van zulk een afleider, Willem?" vroeg +zijne vader. + +"O ja, vader. De bliksem wordt door het metaal aangetrokken en moet +nu, in plaats van het huis, de spits aan den afleider treffen, bij den +draad nederschieten en op zijn hoogst den grond eens wat opwoelen. Gij +hebt mij dat al vroeger verklaard." + +"Ja, en gij hebt het goed gevat en niet weer vergeten," sprak Flink met +welgevallen.--"Het onweer komt terug en misschien nog wel zwaarder," +vervolgde de oude man. "Ik vrees, dat we vandaag weinig zullen kunnen +werken. Ik zal nu eens spoedig naar ons vee en gevogelte omzien. Naar +ik hoop, hebben we geen verder verlies geleden. Heb gij onderwijl de +goedheid, mijnheer, met Willem de arme geit te begraven. Dat kan nog +licht geschieden, voor dat de storm opnieuw losbreekt." + +Zij trokken Nanni bij de pooten uit de kooi en begroeven haar aan den +voet van den afleider. Juist toen zij gedaan hadden, kwam ook Flink +terug. Hij had de geiten en schapen gelukkig gevonden en eene der +beide overige geiten meegebracht, die gedurende het onweder jongen +had geworpen. + +"Ik was al bang," zeide Flink, "dat wij de arme geitjes na 't verlies +der moeder geen voedsel meer zouden kunnen geven; maar nu kan deze +geit hier alle vier te gelijk zoogen. 't Zal haar wel zwaar vallen; +doch het kan niet anders. Wij moeten haar maar rijkelijk voeren." + +Met deze woorden bracht hij de tweede geit ook in de kooi, waar ze +terstond de plaats van de zwarte Nanni innam. Daarop zette men zich +aan tafel. Juno was nu ook weer op en voelde zich volkomen wel, +behalve dat ze voortdurend over zware hoofdpijn klaagde. + +Wat Flink voorspeld had, gebeurde ook; de regen keerde met verdubbelde +hevigheid terug, en het was volstrekt onmogelijk iets buitenshuis +te verrichten. Op Willems verzoek ging de oude stuurman met zijn +verhaal voort. + +"Zoodra wij met het Fransche schip in de Tafelbaai voor anker waren +gekomen, werden wij allen ontscheept en in eene gevangenis dicht bij +den tuin van den gouverneur opgesloten. Wij werden niet heel streng +bewaakt, daar aan ontvluchten voor ons toch bijna niet te denken viel, +en ik moet zeggen, wij werden in alle opzichten goed behandeld. Daarbij +zei men ons echter dat wij met het eerste oorlogsschip, dat in de Baai +aankwam, naar Holland zouden worden opgezonden, en dit vooruitzicht +beviel ons maar volstrekt niet. + +"Gelijk ik vroeger al gezegd heb, waren buiten mij nog eenige andere +knapen gevangen, die tot den Oostindiëvaarder behoorden. Wij hechtten +ons aan elkander, niet alleen omdat wij van gelijke jaren, maar vooral +omdat wij reeds zoo lang scheepskameraden geweest waren. Twee van die +jongens, Jack Romer, van wien ge reeds gehoord hebt, en Wim Hastings +waren mijne bijzondere vrienden. + +"Toen wij op zekeren dag tegen onze gevangenismuur aanzaten en, +om ons in de zon te warmen--want het was winter,--recht dicht bij +elkaar kropen, begon Romer: + +"Wat zou 't ons toch weinig moeite kosten van hier te ontsnappen, +als we maar wisten, waarheen we dan gaan moesten." + +"Ja," zei Hastings; "waar konden we anders heengaan dan naar de +Hottentotten en de bloeddorstige wilden? En als we daar waren, wat +zouden we dan aanvangen?" + +"Ei wat!" zei ik eindelijk. "Ik wil liever als vrij mensch onder +wilden leven, dan hier zoo in de gevangenis opgesloten zitten. + +"Dit was ons eerste gesprek over dit onderwerp, maar voortaan kwamen +wij er gedurig op terug. Daarbij trof het gelukkig voor ons, dat +twee of drie Hollandsche soldaten van onze gevangeniswacht Engelsch +verstonden, zoodat wij, die ook al iets van het Hollandsch wisten, +door vragen nog al wat van hen te weten konden komen. Zij hadden +namelijk al zeer dikwijls aan de grenzen van de kolonie gelegen en +konden ons de beste inlichtingen geven omtrent den weg, dien men +daarheen te nemen had. + +"Zoo gingen wij twee maanden lang voort met vragen te doen en over +ons plan te spreken. Eindelijk besloten wij de vlucht werkelijk +te beproeven. + +"Gij begrijpt zelf, Willem, dat dit ook alweder een dwaze streek +was en opnieuw bewijst, hoe weinig knapen in staat zijn, om over hun +eigen best te oordeelen. We konden ons immers slechts in ellende en +gevaar begeven, zonder ook maar eenige kans op ontkomen te hebben. We +hadden veel beter gedaan met te blijven, waar wij waren; maar wat +zal ik zeggen--'t verstand komt eerst met de jaren; en men kan geen +oud hoofd op jonge schouders zetten. + +"Wij bewaarden onzen mondkost, kochten eenige lange Hollandsche messen +en pakten onze weinige kleeren in een bundel bij elkaar. Toen het +eindelijk eens een donkere avond was, zochten we ongemerkt op het plein +achter te blijven, terwijl de overige gevangenen in hunne cellen werden +opgesloten, en dit gelukte ons. Wij namen een langen paal, die in een +hoek lag, en zetten dien tegen den muur op, zoodat hij tot bovenaan +reikte. Klimmen konden wij opperbest, en zoo ontkwamen wij werkelijk +en zochten zoo spoedig mogelijk naar den Tafelberg te ontkomen." + +"Wat reden hadt gij, om daarheen te gaan, Flink?" + +"Hastings, die de oudste en ook de welberadenste onder ons drieën +was, oordeelde dat wij ons daar eerst eenige dagen verborgen konden +houden, totdat we vast bepaald hadden wat we dan eigenlijk wilden +aanvangen. Daarenboven moesten we ook zien, of we ons niet een paar +geweren met kruit en lood verschaffen konden. Wij hadden namelijk eenig +geld bij ons, want toen ons schip voor de eerste maal genomen werd, had +de kapitein vooraf een vaatje ropijen, [7] dat hij aan boord had, naar +gelang van 't geen zij te goed hadden onder de officieren en matrozen +verdeeld, daar hij het beter vond, dat zijn volk dat geld in handen +had, dan dat de Franschen 't wegnamen, hetgeen anders ongetwijfeld +het geval zou zijn geweest. Gedurende onze gevangenschap hadden wij +zeer weinig van ons geld verteerd; want drank werd niet toegelaten, +en aan tabak pruimen en rooken hadden wij jongens ons nog niet gewend. + +"Hastings had ook nog eene andere reden, waarom hij ons aanried op +den Tafelberg aan te gaan, te weten: zoodra onze vlucht bekend werd, +zou men ons, dacht hij, patrouilles nazenden, en deze zouden, naar alle +waarschijnlijkheid, den weg naar de binnenlanden inslaan, zoodat wij, +als de eerste nasporing zonder gevolg geschied was, minder gevaar te +vreezen hadden van weer te worden opgepakt. De soldaten hadden ons +van beren en andere wilde dieren verteld en ons gezegd, hoe gevaarlijk +daar te lande het reizen was;--nu meende Hastings, dat zij, ons niet +vindende, denken zouden, dat we door die beesten verscheurd waren, +en dat ze zoo geen verder onderzoek naar ons zouden doen. + +"Ge merkt, Willem, we gebruikten nog al eene zeker soort van overleg, +hoewel we toch maar onverstandige jongens waren." + +"Onverstandig, zeker!" merkte mevrouw Wilson aan;--"zonder te weten +waarheen, zoo een land in te gaan, dat vol wilde menschen en dieren +is!" + +"Gij hebt gelijk, mevrouw," antwoordde de oude man; "dat zult gij +hooren, als ik u vertel, wat ons, toen wij pas eenige uren op weg +waren, overkwam. + +"Eerst liepen wij op een draf, totdat wij geheel buiten adem waren, +en toen gingen wij zoo snel als onze beenen ons konden dragen. Wij +liepen niet regelrecht op den berg aan, maar namen eene eenigszins +schuinsche richting naar het zuidwesten en meer naar den kant van de +Valsche Baai, zoodat wij ons verder van de stad verwijderden. Gij weet +nog wel, Willem, ik wees u die baai, toen wij de Kaap voorbijkwamen." + +"Ja, ja, ik herinner het mij nog heel goed, Flink." + +"We waren zoowat vier uren op weg en begonnen moe te worden, toen de +dag aanbrak. Thans zagen we natuurlijk naar eene plaats om, waar wij +ons verbergen konden. We vonden spoedig een hol met een nauwen ingang, +juist ruim genoeg om een half dozijn zulke knapen, als wij waren, +te bevatten en daar kropen wij binnen. De grond was volmaakt droog, +en daar wij heel moe waren, legden wij ons neder. + +"Met ons hoofd op onze bundels, wilden we zien, of we ons door eenige +uren slapens verkwikken konden. + +"Wij lagen echter pas en hadden de oogen gesloten, toen we op eens +zulk een wonderlijk blaffen, janken en kwetteren hoorden, dat wij +hevig verschrikt weer opsprongen. Dadelijk gluurde Hastings eens daar +buiten en begon te lachen. Ook Romer en ik keken uit en zagen.... wel +honderd-vijftig groote bavianen, die zulke wonderbaarlijke sprongen +en cabriolen maakten, als ik ooit van mijn leven nog gezien had. Zij +waren grooter dan wijzelven--ja, als ze op de achterpooten stonden, +wonnen ze het in lengte ver van ons en daarbij hadden zij groote +witte tanden. Eenigen onder den troep waren wijfjes en droegen hare +jongen op den rug; overigens huppelden die even vlug en vroolijk als +de mannetjes. Ten laatste vertoonden ze zulke potsierlijke kuren en +grappen, dat wij allen het van lachen uitschateren moesten. Op eens, +terwijl we ons nog den buik vasthielden, ontdekten we de grijnzende +tronie van een der grootsten uit den heelen troep op zeer korten +afstand van ons. + +"Die knaap was, als door een wonder, boven van de rots tot ons +afgekomen. We sprongen alle drie heel ontsteld in de grot terug, +want de baviaan had vreeselijke tanden en was woest en wild van +uitzicht. Hij liet een gillend geluid hooren; en weldra zagen wij al +de anderen, zoo hard ze maar loopen konden, op het gerucht aankomen. + +"Ik zeide straks al, dat het hol ruim genoeg was, om een stuk of zes, +zeven van ons te bergen. Achter dit volgde echter nog eene kleinere +grot, waarin we nog niet geweest waren en die een veel nauweren +ingang had. Romer riep: "Laat ons in dat achterste hol vluchten; +als we de een na den anderen door het gat kruipen, komen wij er wel." + +"Met deze woorden wrong hij zelf zich door de opening. Hastings volgde +met zijn bundel en ik kwam er ook door,--juist nog bijtijds, want de +bavianen hadden eerst buiten een halve minuut met elkaar gesnaterd, +en drongen toen het voorste hol binnen op 't zelfde oogenblik, dat +ik mij in het achterste redde. Vijf of zes van die beesten vertoonden +zich, allen mannetjes en naar 't scheen, van de allergrootsten. + +"Het eerste, wat zij deden was, dat zij op Romers knapzak aanvielen. In +een ommezien was die opengemaakt. Eerst kwam de mondkost die terstond +in hunne wijde muilen verdween. Toen kwam het overige aan de beurt +en werd eerst terdege besnuffeld en daarna in flarden gescheurd. + +"Zoodra ze hiermee gedaan hadden, naderden twee van de monsters +het achterste hol, waar ze ons in het oog kregen. Een hunner stak +zijne lange pooten naar binnen, om ons naar zich toe te halen, maar +Hastings stak den baviaan met zijn mes, waarop deze zijne armen in +een wip terugtrok. Het was kluchtig te zien, hoe hij aan de overigen +zijn poot vertoonde en dan het bloed met zijne tong aflikte. Een +geschreeuw, zooals toen werd aangeheven, heb ik in mijn leven niet +meer gehoord. Ze waren allen blijkbaar geweldig boos: er kwamen +gedurig meer in het hol en tierden en gierden met de anderen. + +"Eindelijk stak een tweede zijn poot uit, maar kreeg een prik, +nog wel zoo raak als de eerste. Ten laatste poogden twee of drie te +gelijk ons aan te pakken; doch wij weerden ons wakker met onze messen +en brachten hun zware wonden toe. Zoo zetten zij wel een uur lang +hun aanval voort. Toen verlieten zij eensklaps het hol, maar bleven +huilend en jankend voor den ingang wacht houden. + +"Langzamerhand werden wij de grap hartelijk moe, en Romer zei al, +dat hij liever in de gevangenis was dan hier. Ik voor mij dacht +hetzelfde, maar wij konden ons onmogelijk naar buiten wagen. Hadden +wij dat gedaan, dan zouden de dieren ons zekerlijk in stukken hebben +gescheurd. Wij begrepen dus wel, dat er aan geen ontkomen te denken +was, voordat de dieren, het wachten moede, vanzelf optrokken. Met +een beangst hart zaten wij daar dus. Daarbij kwam nog, dat wij bitter +door den dorst geplaagd werden en in het hol geen water vinden konden. + +"Zoo bleven wij nog ruim twee uur als gevangenen van die leelijke +bavianen in het hol opgesloten, toen op eens een der dieren een +gillenden kreet uitstiet, waarop de gansche troep huilend en +schreeuwend, zoo hard hij kon, op den loop ging. + +"Wij wachtten nog eenigen tijd, om te zien, of zij ook terugkomen +zouden; toen kwam Hastings het eerst voor den dag, keek voorzichtig +buiten het hol en zeide, dat de gansche troep eindelijk voor goed +weg en er in het rond niets meer te zien was, dan een Hottentot, die +op den grond zat en op eenige grazende koeien scheen te passen. De +een na den ander slopen wij uit het hol en waren recht verheugd over +onze verlossing. + +"Dit was ons eerste avontuur, mijn goede Willem. Wij hadden in 't +gevolg nog eene menigte andere; maar 't begint nu tijd te worden om +naar bed te gaan. Ik denk, mijnheer Wilson, dat we morgen een goeden +dag zullen hebben, maar met zekerheid zeggen kan men zoo iets niet." + +"Ik ben brandend nieuwsgierig om te weten wat u later nog al meer is +overkomen, Flink," verzekerde Willem. + +"Nu ja, beste jongen, dat zult gij nog wel te weten komen. Maar alles +heeft zijn tijd en nu is het tijd om te slapen, als ge niet misschien +met mij meegaan wilt, Willem. De lucht is opgeklaard en ik zou gaarne +een paar visschen vangen voor morgen." + +"O zeker, Flink, ik ga mee; ik ben volstrekt niet moe." + +"Goed dan, hier zijn de lijnen. Goeden nacht, mevrouw; goeden nacht, +mijnheer! Over een uurtje volgen wij u." + + + + + + + +VIJF-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK. + +EEN RUSTDAG. + + +De oude man had zich niet bedrogen. Toen de storm, waarvan wij boven +gesproken hadden, had uitgewoed, werd het weder fraai en bleef zoo +ettelijke dagen. Tengevolge van den slag, die haar getroffen had, +bleef Juno nog eenigen tijd zwak en ontdaan, maar was toch in staat +het middageten klaar te maken en ander licht werk te doen. + +Behalve nu en dan eens eene bui, bleef het weder bijna veertien dagen +achtereen gunstig, en gedurende al dien tijd werkten mijnheer Wilson, +Flink en Willem van 's morgens vroeg tot 's avonds laat aan hun +magazijn en waren zoo verlangend dit tot stand te krijgen, dat zij +telkens hoogst vermoeid van hun werk thuis kwamen en Willem zelfs +vergat Flink om de voortzetting van zijne geschiedenis te vragen. + +Eindelijk was het pakhuis gereed. Het was met een bladerendak gedekt +en op drie zijden met gevlochten takken gesloten, doch op de vierde +open, zoodat de lucht er gedurig vrije speling had. Het benedenste +gedeelte, dat tot beschutting van de huisdieren bij nacht en gedurende +den regentijd was ingericht, was insgelijks aan drie zijden gedekt +en kon het vee behoorlijk tot stalling dienen. Ook was er reeds een +voetpad door het bosch uitgekapt; doch om de boomwortels uit te graven, +had het tot hiertoe nog aan tijd ontbroken. + +Al de voorraad, dien zij hier hadden, werd daarop in het nieuwe pakhuis +geborgen en nu eindelijk konden zij weder aan ander werk beginnen +te denken. Evenwel had men besloten dat de dag na de voltooiing van +het magazijn in de familie als een feestdag zou gevierd worden,--eene +verademing, die zij allen ook zeer noodig hadden. Willem ving eenige +visschen, er was eene schildpad uit den vijver opgehaald en zoo +was het niet alleen een dag van rust, dien zij hadden, maar een +wezenlijk feest. + +Mijnheer Wilson was met zijne vrouw en kinderen eene wandeling langs +het strand gaan doen, terwijl Flink met Juno zich met het schoonmaken +van den schildpad bezighield. Willem liet hun de nieuwgebouwde +bergplaats met den veestal zien, waarheen nu ook de geit met hare +vier jongen gebracht was, omdat er geen reden bestond om die langer +in het woonhuis te houden, Daar het weder zoo schoon was, besloot men +toen ook nog den tuin te bezoeken. Hier bevonden zij, dat de zaden, +niettegenstaande den hevigen regen, nog niet begonnen op te komen. + +"Ik had toch gedacht, dat het zaad na zooveel regen al verder zou +zijn," zeide mevrouw Wilson. + +"O neen, mijn lieve," antwoordde haar man. "Het heeft meer warmte +noodig dan de zon in den tegenwoordigen regentijd kan schenken. Nog +eenige dagen als vandaag en gij zult zien, hoe welig het opschiet." + +"Laat ons hier op dezen heuvel wat uitrusten; het is er volmaakt +droog," verzocht zij. "Ik had nooit gedacht," vervolgde zij, zich +nederzettende, terwijl ze haar echtgenoot de hand drukte,--"dat ik +op een verlaten eiland zoo gelukkig kon worden. Wat vliegt de tijd +hier snel voorbij. Het gemis van boeken moest mij, meende ik in den +beginne, zeer smartelijk vallen, maar nu merk ik, dat ik tot lezen +geen tijd zou hebben." + +"Werkzaamheid is de bron van geluk, vooral indien men waarlijk nuttig +werkzaam is," zeide mijnheer Wilson. "Een vlijtig mensch is altijd ook +een gelukkig mensch, als hij namelijk niet al te ingespannen behoeft +te arbeiden; en zelfs hij, die oorzaak tot droefheid en kommer heeft, +zal zijn lijden bij vlijt en arbeid spoediger vergeten. Ik geloof +zeker, dat een ledigganger nooit werkelijk gelukkig zijn kan en dat +zelfs overlading met arbeid beter is, dan volslagen gebrek daaraan." + +"Maar moeder, wij zullen niet altijd zooveel te doen hebben, als +tegenwoordig." + +"Natuurlijk niet," gaf mijnheer Wilson ten antwoord; "maar dan ook +zullen wij in onze boeken een nieuwe bron van genot vinden. Ik verlang +zeer, eens aan de landingsplaats te komen, om daar te zien, wat er +van onze boeken nog over is en of zij ook erg gehavend zijn. Dat kan +echter eerst gebeuren, als de regen geheel voorbij is en wij onze +boot weer gebruiken kunnen." + +"Waar zijt gij daar toch mee bezig, Thomas?" vroeg zijne moeder. + +"Ik maak torretjes dood," was het antwoord. "O, ik heb er al een +heelen boel kapotgemaakt." + +"Maar waarom maakt gij die arme diertjes toch dood? Ze hebben u immers +geen kwaad gedaan." + +"Ik mag die torren niet lijden." + +"Dat is nog geen reden, Thomas; gij moet niet alles doodmaken wat gij +niet lijden moogt. Als ze u bijten of steken, dan moogt gij ze dooden; +maar dieren zonder reden te dooden is wreedheid." + +"Juno slaat ook wel vliegen dood," zei Thomas. + +"Ja, omdat dit somtijds noodig is; maar ze doodt ze zekerlijk niet +alleen omdat ze juist niets beters te doen heeft. Vergeet niet, +wat ik u gezegd heb, Thomas." + + + + + + + +ZES-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK. + +NOG AL ANDER WERK.--FLINK VERVOLGT ZIJNE GESCHIEDENIS. + + +"Welnu, Flink," vroeg mijnheer Wilson den volgenden dag, "wat moet +nu na het ontbijt ons eerste werk zijn?" + +"Me dunkt, mijnheer, we gaan allen heen en verzamelen de takken en +twijgen van de gevelde kokosboomen, om ze tot brandstof bijeen te +hebben. Thomas en Juno hebben al een fikschen hoop opgestapeld en +tegen den avond, denk ik, kunnen we een houtstapel klaar hebben, +waarin de regen niet doordringen kan. Daarna zullen we een zoutpan +aanleggen en ook een vischvijver, daar het weer ons toch wel niet +toelaten zal voor langen tijd van huis te gaan. Dat zal ons voor 't +minst eene week kosten; maar dan valt hier vooreerst ook weinig meer +te doen. Ik geloof, dat wij het ergste van den regentijd reeds achter +den rug hebben, over veertien dagen misschien reeds kunnen wij ons +door het bosch wagen en gaan zien, hoe 't met onze schatten aan de +landingsplaats gesteld is. We zullen de handen vol hebben met alles +uit te zoeken en terecht te leggen, voordat het mooie weer terugkomt, +en kunnen het dan dadelijk in onze boot hierheen brengen en in het +pakhuis bergen." + +"En dan doen we eens een reisje over het eiland, niet waar, +Flink?" vroeg Willem. "Ik verlang daar zeer naar." + +"Ja, Willem; maar dat zal wel het laatst aan de beurt komen; want we +moeten er op rekenen, dat we twee of drie nachten van huis blijven, +en daartoe moet het weder eerst vast en goed zijn. + +"Evenwel zullen wij het nog doen, voordat wij onze goederen in de +boot hierheen brengen." + +"Maar hoe zullen wij met die zoutpan klaarkomen, Flink? Die moet +immers in de harde rots worden uitgehouwen?" + +"Zeker, Willem; maar ik heb daartoe reeds drie of vier zoogenaamde +steenbeitels uitgezocht,--weet gij, van die korte, dikke, van een +scherp eind voorziene ijzeren staven, die ginds in ons magazijn +liggen. Die nemen wij, met een stevigen hamer, en dan zal het werk ons +gemakkelijker van de hand gaan, dan gij denkt, daar de koraalrotsen, +die van buiten zoo hard schijnen, inwendig tamelijk broos zijn." + +De gansche dag werd verder besteed om de kokostakken tot eene groote +mijt op te stapelen. Flink maakte die naar de wijze der gewone +hooibergen van boven spits, zoodat de regen er op afloopen kon. + +"Ziezoo," zeide de oude man, toen hij eindelijk de ladder afkwam, +"daar hebben wij nu een voorraad voor het volgende jaar. We hebben +nog genoeg over, om er gedurende dezen regentijd mee toe te komen, +en hebben wij eerst droog weder, dan kunnen wij later den benoodigden +brand bijeenbrengen. Deze voorraad hier moet tot het naastvolgend +regenseizoen bespaard blijven." + +De heer Wilson zuchtte en zijn gelaat betrok. Flink merkte dit en +liet er dadelijk op volgen: + +"Onze voorzorg zal misschien overtollig zijn, mijnheer; maar +niettegenstaande dat mogen wij ze toch niet verzuimen. Dat kapitein +Osborn, als hij nog in leven is, naar ons zal laten zoeken, daar +twijfel ik geen oogenblik aan, ja, ik geloof zelfs, dat Mackintosh +het niet zal verzuimen. Maar daarbij moogt gij toch niet vergeten, +dat allen kunnen vergaan zijn, terwijl wij zelven in het leven zijn +behouden. Eene kleine boot geeft slechts weinig kans op behoud, als ze +vele honderden mijlen van land is; en zijn ze werkelijk verongelukt, +dan kunnen er misschien nog jaren verloopen, voordat wij door 't een +of ander schip ontdekt worden." + +"Ja, Flink, zonder morren moeten wij ons in ons lot trachten te +schikken. Ik heb er mijzelven reeds menigmaal om beschuldigd; maar +zulke sombere gedachten komen toch dikwijls terug, ofschoon ik alle +moeite doe, om ze te onderdrukken." + +"Dat vind ik zeer natuurlijk, mijnheer; maar ge moet toch altijd +het beste hopen. Wildet ge u nog langer kwellen, ge zoudt daardoor +volstrekt niets beter maken." + +"Dat gevoel ik wel, Flink; en als ik zie, hoe tevreden mijne vrouw +onder al deze beproevingen is, dan erger ik mij nog meer over +mijzelven." + +"Eene vrouw, mijnheer, weet het ongeluk altijd beter te dragen, +dan een man. De vrouw is enkel liefde, en heeft zij echtgenoot en +kinderen behouden om zich heen, dan zal zij zich genoegzaam overal +gelukkig gevoelen. De mannen denken in dat opzicht echter geheel +anders. Ze kunnen, gelijk gij thans, niet verdragen, zoo geheel van +de wereld te zijn uitgesloten, en toch zouden zij zich misschien +gelukkiger gevoelen niet met haar in aanraking te zijn, indien zij +het maar goed wilden inzien." + +"Onze eerzucht is het, die ons ongelukkig maakt," antwoordde de +heer Wilson. "Maar laat ons nu hiervan zwijgen. De zon is onder; +wij zullen in huis gaan.--Kom, Willem!" + +Na het avondeten werd Flink door Willem gedrongen, zijne geschiedenis +te vervolgen, wat hij dan ook met de volgende woorden deed: + +"Als ik 't wel heb, ben ik gebleven, waar de Hottentot, die de veekudde +bewaakte, de bavianen, die ons zoozeer beangst hadden, verjoeg. Wij +verlieten nu dadelijk het hol en zetten ons aan den voet van de rots +neder, waar de Hottentot ons niet kon zien. Hier hielden wij nu eene +soort van krijgsraad. Romer was er voor, dat wij terugkeeren en ons +weer gevangen-geven zouden. Hij zeide, dat het onzinnig, dwaasheid +was, zoo het land door te zwerven, zonder zelfs een wapen te hebben, +om ons tegen de wilde dieren te verdedigen. Spoedig, oordeelde hij, +konden wij nog in veel grooter gevaar komen, dan die ontmoeting met +de apen geweest was. En waarlijk, de jongen had gelijk. Het zou zeker +het verstandigst geweest zijn, wat wij in ons geval hadden kunnen +doen; maar Hastings dacht, dat men ons uitlachen zou, en de vrees +voor bespotting maakte dus, dat wij eindelijk besloten onze vlucht +te vervolgen. + +"Onthoud wel, Willem, de vrees om uitgelachen te worden verleidt +niet alleen jongens, maar zelfs volwassen mannen tot uiterst dwaze +handelingen. Wij hadden verkeerd gedaan en wilden enkel uit vrees +voor bespotting onze dwaling niet herstellen; ja, wij hadden zelfs +besloten liever ons leven te wagen en ons alle gevaren te getroosten, +dan te verdragen, dat men ons om onze dwaasheid, gelijk wij eigenlijk +verdiend hadden, eens terdege uitlachte. Houd dit goed in uw geheugen, +Willem, en laat u nooit door de vrees van belachelijk te worden +verleiden tot iets, dat verkeerd is, of, hebt gij onrecht gedaan, +u door die vrees afschrikken, om tot uw plicht te keeren." + +"Ik dank u voor den raad, vriend, en hoop dat Willem hem nooit +vergeten zal," sprak mijnheer Wilson. "'t Gebeurt inderdaad meer, +dat men door spot, dan door overreding tot een misstap verleid wordt." + +"Zoo is het mijnheer, en dit was dan ook de reden, waarom wij ons +dolzinnig plan niet opgaven. Toen wij eens tot dit besluit gekomen +waren, was het tweede punt van beraadslaging, hoe wij ons wapens +zouden verschaffen, want zonder deze, begrepen wij wel, was er niets +voor ons te hopen. + +"Terwijl wij daarover nog redeneerden, keek ik eens van achter de +rots uit, om te zien waar de Hottentot wel mocht wezen. Ik bemerkte, +dat hij zich in zijn mantel van schaapsvellen gewikkeld en op den +grond te slapen gelegd had. De hottentotten gaan altijd gewapend +uit, en zoo hadden wij bij het verlaten van de grot ook wel gezien, +dat hij toen een geweer in de hand hield. Ik zeide dus tegen Romer +en Hastings, dat, als de man sliep, wij misschien zijn geweer wel +ongemerkt in onze handen konden krijgen. + +"Dat scheen een goede inval, en Hastings bood zich aan, om op +handen en voeten naar hem toe te kruipen, terwijl wij achter de rots +bleven. Uiterst voorzichtig sloop hij nader en vond den man, met het +hoofd in den mantel, vast in slaap. Zoo had hij dus niets te vreezen, +want de Hottentotten zijn vadzig en, eens in slaap, moeilijk wakker +te krijgen, dat wisten we wel.--Hastings pakte eerst het geweer en +bracht het in veiligheid; toen keerde hij terug, sneed den riem door, +waaraan de Hottentot zijn kruithoorn en kogelzakje droeg, en kwam +met alles weer bij ons, zonder dat de man een vinger verroerd had. + +"We waren opgetogen van blijdschap over dezen buit en besloten, +heel zachtjes, op eenigen afstand van den man voorbij te sluipen, +zoodat hij, ook als hij eens wakker werd, ons niet in het oog kon +krijgen. Wij keken daarop overal rond, of we misschien ook iemand +anders ontdekten, en gingen toen recht op de Tafelbaai aan, totdat +wij op eenmaal voor eene breede rivier stonden. + +"Dat was een tweede gelukkige ontdekking, want we waren uitermate +dorstig. Na gedronken te hebben, zooveel ons lustte, verborgen wij +ons in de nabijheid van de rivier en hielden een maaltijd van den +voorraad, dien wij hadden meegenomen." + +"Maar, Flink, deedt ge geen kwaad door den Hottentot zoo zijn geweer +te ontstelen?" vroeg Willem. + +"Neen, Willem, in dat geval kon dat niet wel als diefstal beschouwd +worden. We waren dus bijna evengoed in oorlog met het land, als op +den tijd, toen men ons tot gevangenen maakte, en hadden ons geweer +evenmin gestolen, als men van onze vijanden zeggen kon, dat zij ons +schip gestolen hadden. Heb ik geen gelijk, mijnheer Wilson?" + +"Ja, dat komt mij wel zoo voor. Als twee natiën met elkander in +oorlog zijn, wordt het wederzijdsch eigendom, als het in vijandelijke +handen valt, steeds als buit beschouwd. [8] In uwe omstandigheden hadt +gij alle recht om u alles toe te eigenen, wat gij kondet, als het u +dienstig kon wezen tot de vlucht. Echter geloof ik, dat gij zedelijk +misdaan zoudt hebben, als gij moord of ook slechts moedwilligen roof +gepleegd hadt." + +"Juist zoo; maar we waren op onze vlucht in de noodzakelijkheid +gekomen, om ons óf gevangen te geven óf hen, die ons grijpen wilden, +te verslaan, en dan zou niemand ons beschuldigd hebben, als we onze +tegenpartij verslagen hadden." + +"Toen ge eens gevangen waart, hadt gij, dunkt mij, ook het recht, +om tot herwinning van uwe vrijheid zelfs het uiterste te baat te +nemen. Zoo althans is het algemeen gevoelen." + +"Ja, mijnheer; maar nu verder. Wij wachtten den avond af en vervolgden +toen onzen marsch naar de Valsche baai met allen spoed. Wij wisten, +dat in het dal, of eigenlijk langs de berghelling, enkele boerenhoeven +verstrooid lagen; daar hoopten wij, met goedheid of met geweld, +nog twee geweren te krijgen. + +"Het was middernacht en de maan scheen helder, toen wij eindelijk +het water van de Valsche Baai in de verte zagen blinken. Kort daarop +hoorden wij het blaffen van een hond en ontdekten wij op niet verren +afstand twee boerenhofsteden met hare veestallen en boomgaarden. Nu +zagen wij naar eene plaats om, waar wij tot den morgen schuilen +konden, en vonden eindelijk tusschen eenige rotsblokken een plekje +juist zooals wij het wenschten. + +"Wij kwamen overeen, dat een van ons waken zou, terwijl de twee andere +sliepen. Hastings nam voor ditmaal dien post op zich. Met het lichten +van den dag wekte hij ons, en toen gingen we dadelijk aan het ontbijt, +Uit onzen schuilhoek hadden we een bijna even ruim gezicht, alsof we +als vogels door de lucht hadden gevlogen. De in de diepte liggende +boerderijen, met al wat daar voorviel, konden we nauwkeurig opnemen. + +"De eene hoeve, die vlak onder ons lag, scheen ons veel kleiner toe, +dan de beide andere, die we in de verte ontdekten. Wij wachtten, +totdat wij de menschen buiten zagen komen. Na een half uur vertoonden +zich eenige Hottentotten, en wij zagen hoe zij hunne ossen voor den +wagen spanden. Er werden twaalf paar voorgespannen, en toen klom +de Hottentotsche voerman op den wagen en sloeg den weg in naar de +Kaapstad. Een Hottentotsche jongen en de groote hond gingen met +hem mede. + +"Een poosje daarna dreef een andere Hottentot de koeien naar het dal, +om te grazen; vervolgens kwam eene Hollandsche vrouw met twee kinderen +buiten de deur en voederde het pluimgedierte. + +"Wij wachtten nog een uur langer; toen vertoonde zich de huisbaas +zelf met eene pijp in den mond en zette zich op de bank voor het huis +neder. Toen zijn pijpje uit was, riep hij, waarop eene Hottentotsche +meid hem tabak en vuur bracht. Anders zagen wij niemand in de nabijheid +en daaruit maakten wij op, dat de boer, zijne vrouw en de Hottentotsche +meid met die beide kinderen de gansche bevolking van de boerderij +zijn moesten. + +"Tegen twee uur 's middags bracht de man zijn paard buiten en reed +weg. Wij zagen, hoe hij bij het wegrijden met de Hottentotsche vrouw +sprak, en kort daarop ging deze met eene mand op het hoofd naar den +kant van het dal. + +"Nu, zeide Hastings, was het tijd, om ons te roepen, want nu was er +alleen nog maar eene vrouw in huis,--die wij gemakkelijk meester konden +worden. Echter ging dit nog altijd met vrij wat gevaar vergezeld, +want als zij gerucht maakte en wij vluchten moesten, konden wij licht +gezien en weer opgevangen worden. + +"Wij zagen echter wel, dat er geene andere mogelijkheid voor ons +bestond, en dus besloten wij omzichtig naar de hoeve af te dalen en +van de gelegenheid zoo goed mogelijk gebruik te maken. Wij kropen langs +den heuvel neder en bereikten onbemerkt de heg achter de woning. Hier +lagen wij ruim een kwartier op de loer, toen wij, tot onze groote +blijdschap, ook de vrouw, met een kind aan iedere hand, uit het huis +zagen komen. Ze ging zekerlijk aan een van hare buurvrouwen een bezoek +brengen, want ze sloeg den weg naar de verder gelegene hoeve in. + +"Zoodra zij eenige honderden passen ver was, kroop Hastings voorzichtig +door de heg en sloop door de achterdeur in het woonhuis. Nu eenige +oogenblikken vertoonde hij zich weer en wenkte ons, dat wij komen +konden. + +"Wij vonden hem reeds in 't bezit van eene buks en van een geweer, +die voor den schoorsteen op een rek gelegen hadden. In een ommezien +namen wij ook de kruithorens en patroonstasschen, die op verschillende +plaatsen aan den wand hingen, af en hingen die zelven om. Toen we +deze in ons bezit hadden, plaatste Hastings mij als schildwacht aan +de voordeur, opdat men ons niet onverhoeds overvallen zou, terwijl +hij zelf met Romer naar levensmiddelen omzag. Zij vonden drie hammen +en een brood, wel bijna zoo groot als een waschtobbe. + +"Hiermede ruim tevreden, besloten wij zonder lang te dralen, onzen +schuilhoek weer op te zoeken. Wij tuurden naar alle kanten rond, +maar ontdekten nergens een sterveling, zoodat wij aannemen konden, +dat niemand ons gezien had. + +"Omstreeks midden op den heuvel verhief zich een steile, naakte +rotswand, dien wij, om in het dal te komen, noodzakelijk over moesten, +als wij ons niet al te dicht bij het boerenhuis wilden wagen. Na kort +beraad kwamen wij overeen, dat het misschien beter zou zijn hem nog +bij dag te beklimmen, zoodat wij deze zwarigheid op eenmaal overwonnen +hadden en ook verder van de hoeve verwijderd waren. Wij volvoerden +terstond ons besluit, vonden eene zeer veilige schuilplaats, waar wij +ons nederlegden, om na zonsondergang onze reis naar de binnenlanden +voort te zetten. + +"We hadden nog geen uur daar gelegen, toen we op den heuvel, dien +wij verlaten hadden, het geschreeuw van onze goede vrienden de +bavianen hoorden. Wij zagen, hoe zij op de boerderij aantrokken, +in de vruchtboomen klauterden en elkaar met verwonderlijke vlugheid +de vruchten toewierpen. De listige dieren hadden evengoed als wij +afgeloerd, dat de kust vrij was, en wilden eene zoo goede gelegenheid +niet ongebruikt laten. + +"Zij waren nog druk aan het werk, toen de Hottentot met de koeien in +de verte aankwam. Zoodra hij het huis naderde, hieven zij allen een +schellen kreet aan en maakten zich hals over kop uit de voeten. Na den +herder zagen wij de boerin terugkomen; zij bleef slechts korten tijd in +huis en kwam toen op eens met alle teekenen van schrik en ontsteltenis +buiten de deur. Omtrent één uur vóór zonsondergang kwam de Hollandsche +boer van zijn rit terug en na weinige minuten begrepen wij uit het +luid gejammer en misbaar in huis, dat hij zijne vrouw sloeg; want, +ziet gij, mijnheer (althans zoo stelden wij ons de zaak voor), doordat +zij van huis was gegaan, hadden de apen 't gewaagd, den boomgaard +te plunderen en ongetwijfeld dacht men, dat die viervoetige roovers +ook de andere dingen, die in huis vermist werden, hadden meegepakt, +daar het wel bekend is, dat zij alles nemen, wat zij krijgen kunnen. + +"Zoo waren de bavianen, die de arme vrouw zoo in pijn brachten, +voor ons van groot nut, daar zij maakten, dat niemand iets van +ons huisbezoek vermoedde en dus alle gevaar van vervolging van ons +afweerden. Hoogst tevreden met den dienst, dien zij ons dezen avond +deden, vergaven wij hun dan ook gaarne den angst, welken zij ons des +morgens aangejaagd hadden. + +"Maar nu, beste Willem, wil ik voor ditmaal afbreken, daar ik zie, +dat het onder mijn praten tamelijk laat is geworden. Het vervolg dus +op een anderen avond." + + + + + + + +ZEVEN-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK. + +KROKODILLEN, HAAIEN, HYENA'S. + + +Wij verlieten onze vrienden op den avond van den dag, toen zij hun +stapel brandhout tegen het volgende regenseizoen tot stand gebracht en +zich het spoedig aanleggen van een vischvijver en van eene zoutpan +voorgenomen hadden. Met den eersten werd ook reeds dadelijk den +volgenden morgen een begin gemaakt. Flink, mijnheer Wilson en zijn +zoon gingen gezamenlijk naar het strand en kozen, na lang zoeken, +ongeveer honderd schreden van den schildpadvijver, eene plaats, die +hun tot dit doel het meest geschikt voorkwam. Het water was daar vrij +ondiep, zoodat op het punt, dat het verst van den oever verwijderd was, +de diepte niet meer dan drie voet bedroeg. + +"Wij hebben hier dus een heel gemakkelijk werk, mijnheer," begon +Flink. "Al wat we te doen hebben is, dat we steenen en kleine +rotsblokken verzamelen en die zoo op elkaar stapelen, dat ze +binnenwaarts als een muur staan, maar naar buiten schuins afloopen, +om de kracht van de zee te breken, als die onstuimig is. Het water +zal natuurlijk altijd tusschen de steenen heenspoelen en zoo gedurig +ververscht worden. 't Is waar, we kunnen meestal wel visch vangen, +als we die noodig hebben, maar we hebben niet altoos tijd daartoe +te missen, en zoo is het dus beter een vasten voorraad te hebben, +waarover we ieder oogenblik beschikken kunnen. Ze vangen en hier in +den vijver overplanten, kunnen we zoo dikwijls als er niets anders +te doen valt. Dan kan Juno naderhand altijd maar heengaan en er met +een spies een uitprikken, als wij niet thuis zijn en zij iets voor +de keuken noodig heeft. Het is altijd goed, dat men een voorraad +mondkost tot zijne beschikking klaar heeft." + +"Maar, Flink, hier in het rond zie ik slechts weinig steenen; hoe +maken wij het, om die van zoo ver te halen?" vroeg Willem. + +"Daartoe zullen wij onze handkar nemen; daar kan een goede voorraad +in ééne vracht op." + +"Maar hoe ze daarop te houden, Flink?" + +"Wij binden eene ton aan de as vast. Ik zal dat dadelijk in orde +brengen, en kom er dan mee hier. In dien tusschentijd kunt gij met +uw vader al de steenen oprapen, die hier voor de hand liggen." + +De oude man kwam weldra met de kar terug, waaraan hij een vat werkelijk +zeer handig had vastgemaakt; en met behulp van dit voertuig zagen +zij nu, dat het bijeenbrengen van steenen hun slechts weinig moeite +behoefde te kosten. Vader en zoon voerden de bouwstoffen aan, en +Flink stond in het water, om den muur op te trekken. + +"Wij hebben tot hiertoe een ander werk geheel vergeten, wat we toch +niet verzuimen moesten, mijnheer," zeide Flink, "en de vischvijver +herinnert mij daaraan." + +"En dat is, Flink?" + +"Eene badplaats voor de kinderen, of eigenlijk voor ons allen, groot +en klein. Als de heete dagen aankomen, zullen wij daar behoefte +aan hebben, maar tegen dien tijd kunnen we er ook gemakkelijk mee +klaarkomen. Hier, waar het zoo ondiep is, loop ik geen gevaar en kan ik +gerust aan mijn muur voortbouwen; maar als het water mij tot over de +knieën kwaam, zou ik mij wel zorgvuldig in acht nemen; want gij hebt +er geen denkbeeld van, mijnheer, hoe stout en roofzuchtig de haaien +onder deze breedte zijn. Toen ik de laatste maal op St. Helena was, +hadden we daar nog een treurig bewijs van." + +"Vertel het ons toch eens, Flink," riep Willem. + +"Ja zie, ik had zelf niet gedacht, dat het mogelijk was. Ik weet een +geval van dien aard, toen ik in Oost-Indië was, doch dat was niet +met een haai, maar met een kaaiman. Een Hollander stond op zekeren +dag aan het strand en vischte in de haven. Daar komt een kaaiman of +krokodil regelrecht op hem toezwemmen, totdat hij met zijn snuit nog +maar een paar voet van den visscher af is. De Hollander stoort zich +daar echter niet aan, want daar hij op den vasten wal staat, vreest +hij geen gevaar van het monster. Dit keert zich op eens om, slaat +met zijn staart den armen man van den oever weg, zoodat hij in zee +tuimelt, en daar pakt het den ongelukkige aan en duikt met hem onder." + +"Vreeselijk! Maar een haai kan toch zoo iets niet doen: kan hij wel, +Flink?" + +"Dat zult gij hooren, mijnheer. Er stonden twee soldaten op Sint +Helena op een rots vlak aan zee. De rots was nog wel boven het water, +doch daar de vloed opkwam, sloeg de branding er toch reeds nu en +dan overheen. Daar kwamen twee haaien op hen toezwemmen, juist als +die kaaiman, waarvan ik u verteld heb; de een werpt zich plotseling +om en slingert met een slag van zijn staart een van de soldaten +in het water, dat zeer diep was. De kameraad van den ongelukkige +kwam doodelijk ontsteld naar de kazerne loopen, om het gebeurde te +vertellen. Omtrent eene week later ontdekte men van een schoener in +de Zandbaai aan de andere zij van het eiland een geweldig zwaren haai +bij het roer van het schip. Al spoedig werd er een haak uitgeworpen +met een dik stuk spek daaraan vast, en de knaap raakte gevangen. De +matrozen sneden hem de buik open en vonden met ontzetting het gansche +lichaam van den verongelukten soldaat van het hoofd tot aan de knieën +in zijne maag. Het gedrocht had hem ingeslokt, met uitzondering van +de beenen, die 't bij 't sluiten van zijne geweldige kinnebakken +had afgebeten. Ik zag de maag en de ruggegraat van het beest in de +kazerne, en 't was zekerlijk het grootste monster van die soort, +dat ik mijn leven lang nog ergens gezien had." + +"Ik had niet gedacht, dat die dieren zoo stoutmoedig waren." + +"Wat ik u vertelde, mijnheer, is de zuivere waarheid, waarvoor ik kan +instaan; en daarom kunnen we niet te voorzichtig wezen, als wij in +het water gaan. Gij hebt immers zelf gezien, hoe schielijk die haai +het arme varken binnen had." + +"En ik mocht toch wel eens weten, hoe het met onze varkens staat, +Flink," sprak Willem haastig. + +"Naar ik gis, zullen ze thans wel biggen hebben; aan voedsel ontbreekt +het hun zeker niet." + +"Kunnen ze dan kokosnoten vreten?" + +"De oude zeker niet; maar er vallen immers dagelijks jonge kleine +noten van de boomen en daar zijn ze zeer graag op. Ook vinden ze +wortels in overvloed. Als we nog eenigen tijd hier zijn, kunnen we een +goede jacht op hen maken. Dan dienen we evenwel op onze hoede te zijn, +Willem; want toen we de varkens aan wal brachten, waren ze wel mak, +doch in zeer korten tijd worden ze wild en gevaarlijk. Een wild zwijn +is altijd een vreeselijk dier." + +"Dat geloof ik wel," sprak de vader. "Maar hoe zullen wij jacht op +hen maken?" + +"Wel, met de honden mijnheer, die hen opjagen, zoodat wij hen onder +het schot krijgen. Ik ben blij, dat onze Vixen eerlang kleintjes te +wachten heeft; we zullen meer honden kunnen gebruiken." + +"Ik ben maar bang, dat we zoodoende meer honden krijgen, dan we +behoorlijk voeden kunnen." + +"Wees daar niet bezorgd voor, mijnheer, zoolang wij de zee hebben, +om ons visch te leveren. Honden houden veel van visch, zelfs als die +rauw is. In de noordelijke landen krijgen ze zelden iets anders." + +"We zullen ook spoedig jonge lammeren krijgen,--is 't niet zoo, Flink?" + +"Ja, mij dunkt, dat houdt niet lang meer aan. Ik wenschte, dat wij +meer voeder voor die dieren hadden: tegenwoordig vooral is het nog een +schrale tijd voor hen. Aanstaande jaar, als wij meer voeder vinden, +moeten wij het gras inzamelen, om hooi te hebben tegen den winter, of +liever tegen den regentijd, want een winter kennen wij hier niet. Ik +ben vast overtuigd, dat wij aan den zuidkant van ons eiland meer +vlak land zullen vinden, daar het kokosbosch zich daar zeker niet, +zooals hier in het noorden, tot aan zee uitstrekt." + +"Ik brand van verlangen, om eindelijk eens een ontdekkingsreisje te +doen," zeide Willem. + +"Nog een weinig geduld, vriendje," hernam de oude man, "en dan weet +ik nog niet zeker, of gij wel meegaat; want wij mogen toch niet alle +drie tegelijk gaan en uwe moeder alleen laten." + +"Neen," zeide mijnheer Wilson, "dat zou zeker niet goed zijn. Een +van ons moet thuis blijven, gij of ik." + +Willem gaf geen antwoord; maar men kon duidelijk bemerken, dat de +gedachte, dat hij misschien niet van de partij zou zijn, hem weinig +behaagde. + +Zij arbeidden den ganschen dag ijverig door, en de steenen omwalling +van den vijver rees spoedig boven het water op. Met zonsondergang +staakten zij het werk en keerden naar huis terug. + +Na het avondeten vatte Flink den draad van zijn verhaal weder op +en vervolgde: + +"Wij hielden ons schuil, totdat het donker was, toen wij opbraken en +onze reis voortzetten. Hastings en Romer droegen ieder een geweer op +den schouder en een ham op den rug. Ik, als de kleinste, had de buks +en het groote brood te dragen. Door dit laatste had ik daarvoor een +gat geboord en er een touw doorgehaald, zoodat ik het met gemak op +den rug dragen kon. + +"Ons plan was, ons naar het noorden te wenden, daar we wisten dat we +ons in die richting van de kolonie verwijderden, doch Hastings had +beslist, dat we eerst oostwaarts marcheeren en een omweg maken zouden, +om onzen vervolgers niet misschien in den mond te loopen. Wij kwamen +door de diepe zandvlakte van den baai. Toen deze allengs begon te +rijzen, vertoonde zich meer struikgewas en kreupelhout; doch nergens +ontdekten wij een spoor van aanbouw, en sedert wij de baai achter +ons hadden, kwamen wij ook geen enkel huis of hof meer voorbij. Tegen +twaalf uur in den nacht waren wij zeer vermoeid en snakten naar een +dronk water, maar konden nergens iets ontdekken, hoewel de heldere +maneschijn het bijna zoo licht voor ons maakte als midden op den +dag. Daarentegen hoorden we zeer duidelijk, en dat beviel ons in +'t geheel niet, het aanhoudend loeien en brullen der wilde dieren, +dat toenam hoe verder we kwamen. Evenwel kregen we geen beest te zien, +en dat was nog een troost voor ons. + +"Ten laatste waren wij zoo afgemat, dat we ons allen op eene rots +nederzetten. Ons te slapen leggen, durfden wij niet. Zoo bleven wij +wakker tot aan den morgen en luisterden naar het gehuil en geloei. Ook +sprak niemand van ons een enkel woord, en ik ben verzekerd, dat +Hastings en Romer innerlijk hetzelfde dachten als ik en wel gaarne +gewenscht hadden, dat wij allen weer veilig en wel tusschen de muren +onzer gevangenis zaten. + +"Eindelijk brak echter toch de dag aan; de wilde dieren werden nu +stil. Wij gingen voort, totdat we aan een stroom kwamen, waar we +nederzaten en iets tot ontbijt namen. Eerst toen dit gedaan was, +keerde ook onze moed terug. Wij braken op en lachten en praatten +onderweg, zooals wij vroeger ook gedaan hadden. + +"We begonnen nu de bergen te beklimmen, die naar het zeggen van +Hastings, de Zwarte Bergen zijn moesten, waarvan de soldaten ons +zooveel verteld hadden. Ze mochten wezen en heeten hoe ze wilden, +maar ze waren heel dor, bar en akelig. Toen de nacht viel, gingen +wij aan het hout sprokkelen en sneden met onze messen takken af, +om een vuur aan te leggen, dat we noodig hadden, niet alleen om ons +te verwarmen, maar ook om de wilde dieren af te weren, wier gehuil +zich alweer overal hooren liet. + +"In den loop van den dag hadden wij er reeds twee of drie gezien, +die zich op de vlakke rots in de zon lagen te koesteren. Een was +een panter geweest. We hadden onze geweren geladen, doch onder het +voorbijgaan liet hij ons slechts zijn witte tanden zien, maar bewoog +zich niet. De andere waren te ver van ons af, dan dat wij hen duidelijk +hadden kunnen onderscheiden. + +"Zoo staken we dan ons vuur aan en gebruikten ons avondmaal. Van +het brood was nog maar de helft over. Ook de ham was al duchtig +aangesproken, zoodat wij wel begrepen, dat wij spoedig alleen op onze +geweren zouden te rekenen hebben, om ons voedsel te verschaffen. Zoodra +wij verzadigd waren, legden wij ons dicht bij het vuur neer. Onze +geweren hadden wij geladen bij ons; onze kruitvoorraad lag zoo ver +van het vuur, dat daarvan geen ongeluk te vreezen was. Bij onze +vermoeidheid lagen wij weldra alle drie vast in slaap. De afspraak +was wel, dat eerst Romer, dan Hastings en eindelijk ik de wacht zou +houden, maar Romer sliep vast in en het gevolg daarvan was, dat ons +vuur niet onderhouden werd. + +"Het was omtrent middernacht; toen ik door iets dat mij heet in het +gezicht ademde, gewekt werd; en ik had pas mijne zinnen bij elkaar +en de oogen geopend, of ik voelde, dat ik bij mijn broeksband werd +opgetild en de tanden van een dier in mijn vleesch drongen. Ik zocht +mijne buks te grijpen, maar stak de verkeerde hand uit en kreeg zoo +een nog brandend stuk hout te vatten, waarmee ik mijn vijand naar de +oogen stiet. Hij liet mij oogenblikkelijk los en liep heen." + +"Aan welk een groot gevaar zijt gij daar ontkomen!" riep mevrouw +Wilson uit. + +"Ja, waarlijk, mevrouw; want het beest was een hyena. Gelukkig is +dat woeste dier eigenlijk van een lafhartigen aard; maar had ik dat +brandende hout niet gepakt, dan had het gedrocht mij zeker weggedragen, +want ik was destijds bijzonder klein en teer en het tilde mij van +den grond op, alsof ik maar een veer geweest was. + +"De gil, dien ik gaf deed Hastings ontwaken, die zijn geweer greep en +op goed geluk vuur gaf. Ik was doodelijk ontsteld, zooals ge u wel +kunt voorstellen. Wat Romer aangaat, die werd eerst wakker, toen we +hem duchtig schudden, zoo vast was hij in de rust. Deze ontmoeting +maakte ons natuurlijk voorzichtiger en in het vervolg legden wij +altijd twee vuren aan, waartusschen wij sliepen en een van ons moest +bestendig wacht houden. + +"Zoo ging het eene volle week voort. Zoodra wij eindelijk het gebergte +beklommen hadden, richten wij ons naar het noorden. Wij hadden thans +kreupelbosch en rotsen achter ons en zagen eene wijde vlakte voor +ons. Onze voorraad was geheel op; één dag moesten wij zelfs van den +ochtend tot den avond geheel vasten. Wij doodden echter spoedig eene +antilope, die men daar te lande een springbok noemt, en dit gaf ons +voedsel voor vier of vijf dagen. Over het geheel ontbrak het volstrekt +niet aan wild, zoodra wij maar in de vlakte waren. + +"Maar wacht, daar vergat ik u te vertellen, hoe wij nog eens aan een +dreigend gevaar ontkwamen. Nog voordat wij het vlakke veld bereikten, +hadden wij een groot bosch door te trekken, dat zich langs het +gebergte uitstrekte. We hadden tot aan den middag geloopen en waren +moe en af. Wij besloten ons middagmaal te gebruiken onder een grooten +boom en wierpen ons daar in de schaduw op den grond neer. Hastings +lag op zijn rug en keek in den boom op.--Daar ontdekte hij op eens, +boven zijn hoofd op een lagen tak, een panter, die zich daar op zijn +gemak had neergevleid. Met zijn groene, flonkerende oogen keek hij +ons aan en scheen gereed om op ons neer te springen. + +"Hastings greep naar zijn geweer en drukte oogenblikkelijk op het dier +los; want tot lang mikken was geen tijd meer over. De kogel drong den +panter door het lijf en trof, naar het scheen ook zijne ruggegraat. Hij +plofte met luid gebrul op den grond neer, op een afstand van niet +meer dan drie of vier voet van ons af. Op de aan die dieren eigene +wijze kromde hij zich nu, om op Romer los te springen,--maar hij kon +niet meer: zijne ruggegraat was verbrijzeld en hij had alle kracht +in het achterlijf verloren. Hij wilde zich oprichten, maar zonk +dadelijk weer achterover neer. Nooit in mijn leven heb ik zooveel +razernij en woede in een schepsel gezien. Wij waren in den beginne +te hevig verschrikt, om aan vuren te denken; doch toen wij zagen, +dat het beest niet springen kon, rukte Hastings den sidderenden Romer +zijn geweer uit de hand en schoot den panter dwars door den kop. + +"Wij waren nu genoodzaakt om tot onderhoud van ons leven op de jacht +te gaan en werden daardoor van dag tot dag stouter. Onze kleeren waren +alle in flarden gereten; maar we hadden overvloed van kruit en lood, +en op de vlakte liepen antilopen en hertebokken bij honderden rond, +soms in zulke troepen, dat wij ze onmogelijk tellen konden. + +"Aan levensmiddelen ontbrak het ons dus volstrekt niet; maar daarvoor +bracht deze overvloed van wild ons in een nog veel grooter gevaar, +want nu voor de eerste maal hoorden wij iederen nacht het gebrul der +leeuwen. Van alle geluiden, die ik ooit hoorde, is dit naar 't mij +voorkomt wel het allerschrikkelijkste. Wij legden groote vuren aan, +om hen van ons verwijderd te houden, maar toch kan ik u verzekeren, dat +we dikwijls nog rilden en beefden, als ze in onze nabijheid kwamen." + +"Hebt gij ooit van die dieren bij dag ontmoet, Flink?" vroeg Willem. + +"O ja, wij zagen er dikwijls een, doch ze vielen ons toch nooit aan +en wijzelven waren te bang voor hen, om op hen te vuren. Eens kregen +wij van heel nabij met zulk een leeuw te doen. Wij hadden een hert +geschoten en met onze geweren over den schouder drongen wij door het +hooge gras naar de plaats, waar het liggen moest. Toen wij de plek +naderden, hoorden wij een gebrul en zagen ons opeens nauwelijks tien +passen van een leeuw verwijderd, die bij het dier, dat wij gedood +hadden, op den grond lag. Zijne oogen schoten vuur op ons en hij +had zich reeds half opgericht, om op ons los te springen. Wij gingen +allen op den loop, zoo hard als wij konden. Ik had geen moed om naar +hem te zien, totdat ik geheel buiten adem was geloopen. De leeuw was +tevreden met onze overhaaste vlucht en nam de moeite niet om ons +te vervolgen. We moesten dien nacht ons met een hongerige maag te +slapen leggen. + +"We hadden nu zoo al drie weken omgezworven, zonder eigenlijk +te weten waar of waarheen. Slechts zooveel konden we nagaan, dat +we eene noordelijke richting gehouden hadden. Wij waren vreeselijk +vermoeid en uitgeput en kwamen allen overeen, dat wij eene zeer dwaze +daad begaan hadden en heel blij zouden zijn, als wij den terugweg +konden wedervinden. Wij trokken den ganschen dag samen voort, zonder +elkander een woord toe te spreken, dan bij gelegenheid als zich +eenig wild vertoonde. Ik voor mij was zoo bedrukt en moedeloos, dat +ik mij maar liefst op den grond neergelegd zou hebben om dadelijk te +sterven. Het brullen van de leeuwen was mij volstrekt onverschillig +geworden en ik verlangde soms bijna zelfs, dat een mij oppakte en +mij maar schielijk verslond. + +"Daar ontmoetten wij onverwacht een troep inboorlingen. Wij konden niet +met elkander spreken, maar zij schenen zeer goedig en vriendschappelijk +jegens ons gezind. Zij behoorden tot de stam der Karroos, want zij +wezen op zichzelven en spraken het woord: "Karroos," en dan wezen +zij op ons en zeiden: "Hollanders!" Wij schoten eenig wild en gaven +hun dat, waarmede zij zoo waren ingenomen, dat zij vijf of zes dagen +bij ons bleven. + +"Wij zochten door teekens van hen te vernemen, of zich ook een +Hollandsche post of Hoeve in de nabijheid bevond. Zij begrepen ons +en gaven ons een toestemmend antwoord, terwijl zij de plaats, als +noordoostelijk gelegen, met den vinger aanwezen. Wij boden hun een +geschenk aan, als zij ons den weg wilden wijzen; want wij hadden +besloten ons weder aan de Hollanders over te geven en in onze +gevangenis terug te keeren. + +"Twee van de mannen toonden zich bereid om met ons mede te gaan. De +overigen van de stam trokken met vrouwen en kinderen naar het +zuiden. Den volgenden dag kwamen wij aan een Hollandschen post, +die Graaf Reinet heette en uit drie of vier hoeven bestond. Wat ons +verder overkwam, hoort gij op een anderen avond, Willem; want het is +nu al laat en hoog tijd om te gaan slapen." + + + + + + + +ACHT-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK. + +WILLEM WORDT ZIEK.--DE ADERLATING.--FLINKS VERDERE ONTMOETINGEN. + + +Het aanleggen van den vischvijver ging vlug voort en op den derden dag +was het werk bijna gereed. Zoodra de vier wanden stonden schepte Flink +zand en gruis uit, zoodat de vijver overal nagenoeg even diep was en +de visschen dus zooveel water hadden, dat de meeuwen en fregatvogels +niet neerschieten en hen als prooi meevoeren konden. + +Terwijl Flink aldus bezig was, brachten vader en zoon nog meer steenen +bijeen, opdat de vijver in vier deelen kon worden afgescheiden, +waarvan het een echter met het ander in verbinding stond. De binnen- +zoowel als de buitenmuren of wallen werden echter breed genoeg gemaakt, +dat men daarop loopen kon, en daardoor werd het mogelijk, de visschen, +wanneer men ze noodig had, alle met den haak te bereiken. + +Den dag, nadat de vijver voltooid was, sloeg het weer andermaal om; +doch de stormvlagen waren thans op verre na zoo hevig niet als bij +het begin van den regentijd. De regen viel wel in stroomen neer, +maar was niet meer van zulke vreeselijke bliksem- en donderslagen +vergezeld. Ook duurden de stormvlagen niet meer zoo lang, maar hadden +doorgaans reeds na weinige uren uitgewoed. Zoo dikwijls de lucht eens +weer opklaarde, ging men aan het visschen en had in korten tijd zulk +eene menigte bijeen, dat de vijver daarvan zeer rijkelijk voorzien was. + +Daar had opeens iets plaats, dat alle leden onzer kleine kolonie in +eene hooge mate verontrustte. Op zekeren avond namelijk voelde Willem +zich ongesteld, werd koud en huiverig en klaagde vooral over zware +hoofdpijn. Flink had beloofd op dien avond met zijne geschiedenis +voort te gaan, maar Willem was te ziek om op te blijven. Hij werd te +bed gebracht en lag den volgenden morgen in eene hevige koorts. + +Zijn vader maakte zich zeer ongerust, want het liet zich van uur tot +uur zorglijker aanzien. Flink had dien nacht bij den zieke gewaakt, +doch ging thans met den beangsten vader naar buiten, om met dezen +over den toestand van zijn zoon te spreken. + +"Dat is een erg geval, mijnheer," begon de brave oude man. "De arme +jongen heeft gisteren onder het werk zijn hoed afgezet en, naar ik +vrees, daardoor een zonnesteek gekregen. Het is maar ongelukkig, +dat wij niet iemand hebben, die hem eens laten kan." + +"Ik heb een lancet," antwoordde mijnheer Wilson: "maar ik heb van +mijn leven nog geene aderlating gedaan." + +"Ik evenmin, mijnheer; maar als gij een lancet hebt, houd ik het +voor onzen plicht het te wagen. Als gijzelf u daartoe niet geschikt +gevoelt, wil ik althans mijn best doen. Het is immers eene zeer +eenvoudige operatie." + +"Ja, Flink, een van beiden moet er toe overgaan, dat zie ik wel in." + +"Misschien is mijn hand in dat geval vaster dan de uwe," hernam de +zeeman. "Ik vrees niets zoozeer, dan dat de koorts naar het hoofd +overslaat." + +"Ja, Flink, ik moet erkennen, het is mij liever als gij de proef nemen +wilt," antwoordde de vader. "Mijne hand zou allesbehalve vast zijn; +ik beef immers nu reeds voor mijn dierbaar kind!" + +Beiden keerden naar het bed van den zieke terug. Mijnheer Wilson zocht +zijn lancet, en Flink bond Willem onderwijl den arm. Zoodra de ader +gezwollen was, hield hij die met zijn duim vast, en dadelijk gelukte +de eerste proef hem volkomen. + +Op Flinks raad werd den lijder eene aanmerkelijke hoeveelheid bloed +afgetapt, en deze scheen zich daardoor zeer verlicht te gevoelen. + +Zijn arm werd nu zorgvuldig verbonden, hij dronk nog wat water, +waarnaar hij verlangd had, en legde zich toen op zijn kussen neder. + +Den volgenden dag was de koorts bijna nog heviger dan te voren. Willem +werd andermaal gelaten, en zijne beangste moeder waakte aan zijn +bed en smolt weg in tranen. De arme jongen verkeerde eenige dagen +in groot gevaar. In het anders zoo vroolijke en levendige huis was +alles nu even stil en somber. + +Het weder werd intusschen van dag tot dag zachter en fraaier, en het +was bijna onmogelijk den wilden Thomas bedaard in huis te houden. Juno +ging elken morgen met hem en den kleinen Albert eene wandeling doen +en hield hem onder haar werk bij zich. Gelukkig had Vixen jongen +geworpen, en als de goede meid de kleinen niet meer zoet kon houden, +bracht zij hun twee van de kleine hondjes, om daarmee te spelen. De +zachte, stille Caroline zat heele dagen in de kamer en hield de hand +harer lieve moeder in de hare, of paste Willem op en zat met haar +naaiwerk voor zijn bed. + +Flink kon onmogelijk langer ledig blijven; hij nam dus hamer en beitel +en werkte zoo dikwijls aan de zoutpan, als men zijne diensten in huis +niet noodig had. Terwijl hij daar zoo op de rotsen bikte, waren zijne +gedachten gedurig met Willem bezig, dien hij om zijn vriendelijken +aard en helder verstand liefhad, alsof hij zijn eigen kind was. + +Op den negenden dag had eene merkbare verandering ten goede plaats +en was de koorts veel minder hevig. Na korten tijd had deze geheel +opgehouden; maar de zieke was zoo zwak, dat hij zich de eerste twee +of drie dagen nog niet zonder hulp in zijn bed oprichten kon. Eerst +veertien dagen, nadat de koorts verdwenen was, was hij weder in staat, +om het huis te verlaten. + +De vreugde, die bij deze verandering in het gezin heerschte, kan men +zich beter voorstellen dan beschrijven. + +Daar men gedurende de herstelling van den zieke toch niet wel iets van +belang ondernemen kon, besloten mijnheer Wilson en Flink, die thans +weder met opgeruimde harten aan den arbeid gingen, daar de zoutpan +gereed was, nu ook eene badplaats aan te leggen. Juno was hun daarbij +behulpzaam en wist zich inderdaad zeer nuttig te maken, daar zij vol +ijver met de kar de benoodigde steenen en rotsblokken aanvoerde. Ook +Thomas werd mede naar het werk genomen, opdat men in huis geen last +van hem zou hebben, terwijl de moeder en Caroline den zieke oppasten. + +Toen Willem eindelijk kon uitgaan, was ook de badplaats in orde, zoodat +men thans niet meer van de haaien te vreezen had, Willem kwam met zijne +moeder aan het strand en verheugde zich zeer over het volbrachte werk. + +"Nu, Flink," zeide hij tot dezen, "nu hebben wij hier om het huis +alles in orde gebracht. Wat ons nu nog te doen staat, is een tochtje op +het eiland en naar onzen voorraad bij de landingsplaats te gaan zien." + +"Gij hebt gelijk, Willem; het weder is zoo mooi geweest, dat wij het +over weinige dagen wel wagen kunnen; doch in geen geval, voordat +gij wat sterker zijt, want ge moogt niet bij uwe moeder alleen +achterblijven, zoolang gij niet volmaakt wel zijt." + +"Wat, Flink, bij moeder blijven! Ik dacht, dat ik mee zou gaan?" + +"Neen, beste Willem, dat kan nu niet gebeuren. Stel u eens voor, +wij werden door een storm overvallen: gij werd doornat en moest in +uwe natte kleeren slapen,--hoe licht kon de koorts dan terugkomen, en +dan waart gij ver van huis verwijderd. Gij moet nog langen tijd heel +voorzichtig zijn, mijn goede jongen. Kom, ga daar op die rots zitten, +dan kunt ge de frissche zeelucht inademen, en die zal u goeddoen: +maar ge moogt niet te lang stilzitten." + +"O, ik zal mijne vorige krachten spoedig terug hebben, Flink." + +"Daar twijfel ik ook niet aan, beste Willem; en waarlijk, we hadden +u bezwaarlijk kunnen missen. Ik zal eene schildpad uit den vijver +meenemen, want ge moet thans krachtig voedsel hebben om spoedig weder +flink en sterk te worden.--" + +"Het is al lang geleden, dat we niets meer van uwe historie te hooren +kregen," begon Willem, nadat het avondeten was afgeloopen; "ik zou +gaarne hebben, dat ge er thans mee voortgingt, want het luisteren +vermoeit mij nu zeker niet meer." + +"Van harte gaarne," antwoordde de oude man; "maar kunt ge mij nog +zeggen, waar ik gebleven ben?--Mijn geheugen is niet meer van de +beste." + +"O ja, Flink, weet gij niet, gij waart in gezelschap van die wilden +op een Hollandschen post aangekomen, die, als ik goed onthouden heb, +Graaf Reinet heette." + +"Juist, juist, mijn jongen. Welnu dan, zoodra hij ons zag aankomen, +kwam de Hollandsche boer uit zijn huis en vroeg ons wie wij waren. Wij +vertelden hem, dat wij Engelsche gevangenen waren, die zich weder +aan de overheid wenschen uit te leveren. + +"Hij nam ons de wapens af, en zeide dat hij in dit deel des lands de +overheid was, die te bevelen had,--hetgeen wij weldra ondervonden, +dat ten volle waarheid was. "Zonder wapens en munitie zult gij zeker +niet wegloopen," vervolgde hij. "Naar de Kaap kan ik u deze eerste twee +maanden nog niet opzenden, en dus, als ge goed te eten wilt hebben, +moet ge daarvoor ook braaf voor mij werken. + +"Wij gaven ten antwoord dat wij heel gaarne in alles ons best zouden +doen. Hij zond ons daarop een Hottentotsch meisje, dat ons iets te +eten bracht en ons een klein hok aanwees, waar wij met ons drieën +slapen konden. + +"Wij merkten voor 't overige al spoedig, dat wij met een ruw, +onbeschoft mensch te doen hadden, die ons zwaar werk in overvloed, +maar daarvoor bitter weinig te eten gaf. Hij wilde ons onze geweren +niet weder toevertrouwen, en zoo zond hij zijne Hottentotten met +het vee uit; maar daarvoor moesten wij in den omtrek van het huis +zwaren arbeid doen, en ten laatste behandelde hij ons zelfs wreed en +kwaadaardig. Wanneer hij voor de Hottentotten en de andere slaven, +die hij in menigte hield, niet meer te eten had, placht hij met andere +boeren, die in de buurt woonden, op de jacht te gaan en quagga's +voor hen te schieten. Niemand dan een Hottentot kan nochtans van zulk +vleesch eten." + +"Wat is een quagga?" + +"Een wilde ezel, voor een gedeelte gestreept, doch niet zoo fraai als +de zebra, 't Is een recht sierlijk dier, maar zijn vleesch is ellendig +slecht van smaak. Verbeeld u nu, mijnheer, hij wilde ons ten laatste, +evenals aan de Hottentotten, ook niets anders dan quaggavleesch te +eten geven, terwijl hij met zijne familie--want hij had eene vrouw +met vijf kinderen--schapen en geitenvleesch in overvloed had, wat +werkelijk eene heerlijke kost is. + +"Wij verzochten hem, ons een geweer te geven, opdat we ons beter +voedsel verschaffen konden; doch hij roste Romer zoo onbarmhartig af, +dat hij in geen twee dagen een lid verroeren kon. De arme Hottentotten +en de slaven kregen bijna dag aan dag slaag. Hij bediende zich daartoe +van een zweep, die uit het vel van een rhinoceros gesneden was; en +dat was een vreeselijk ding, dat den armen mensch bij elken slag tot +diep in het vleesch drong. + +"Zoo begon het leven ons werkelijk tot last te worden. Wij kregen +elken dag zwaarder werk, en elken dag werd het monster wreeder tegen +ons. Eindelijk kwamen wij overeen, dat wij dit niet langer verdragen +wilden, en Hastings zeide hem dit op een avond ronduit. + +"Dit bracht hem in de hevigste woede: hij riep twee van zijne slaven, +beval hun Hastings aan een wagenrad te binden en zwoer, hem de huid +van het lijf te zullen geeselen. Daarop ging hij in huis om zijne +zweep te halen. + +"De slaven grepen Hastings aan en bonden hem aan het rad; want zij +waagden het niet hun meester ongehoorzaam te zijn. Hastings echter +zeide tot ons: "Als ik gezweept word, zijn wij allen verloren. Thans +staat het aan u, om aan ons lijden een einde te maken. Loopt achter +het huis om, en als hij met de zweep komt, gaat dan in huis en +haalt de geweren, die altijd geladen zijn. Houdt hem in het vizier, +totdat ik zelf vrij ben, en dan zullen wij wel een middel vinden, +om te ontkomen. Gij moet dat doen, want ik ben overtuigd, dat hij mij +anders doodslaan en u als weggeloopen gevangenen voor den kop schieten +zal, gelijk hij dat onlangs die beide Hottentotten gedaan heeft." + +"Wat Hastings zeide kwam ons beiden maar al te waarschijnlijk +voor. Toen de boer dus terugkeerde en op Hastings toekwam, die +op ongeveer twintig passen van het huis was vastgebonden, maakten +we schielijk, dat we in huis kwamen. De boerin lag juist ziek; wij +behoefden ons dus aan haar en de kinderen niet te storen. Wij grepen +twee geweren en een lang mes en kwamen te voorschijn juist op het +oogenblik, dat de wreedaard den eersten zweepslag uitdeelde, die ook +zoo geducht neerkwam, dat de arme Hastings als een worm ineenkromp. + +"Haastig schoten wij toe; hij keerde zich om en zag ons, die de +geweren al op hem aangelegd hadden, waarop hij zijne zweep dadelijk +liet vallen. + +"Nog één slag en ik schiet u voor den kop!" riep Romer. "Ja!" riep ik; +"wij zijn nog maar jongens, doch ge zult zien, dat ge met Engelschen +te doen hebt." + +"Zoo kwamen wij nader. Romer hield zijn geweer voortdurend op den +boer gericht, terwijl ik met het mes de strikken lossneed, waarmee +Hastings was vastgebonden. + +"De boer verbleekte en sprak geen woord, zoo ontsteld was hij, terwijl +zijne slaven het terstond op een loopen zetten. Zoodra Hastings los +was, greep hij een dikken houten hamer, waarmee men gewoonlijk palen +in den grond sloeg, en met de woorden: "Daar schurk! dat hebt ge +er voor, dat ge een Engelschman met de zweep durft te lijf gaan," +sloeg hij den kapenaar en deed hem ter aarde tuimelen. + +"De man lag bewusteloos op den grond. Of hij wezenlijk dood was, +wisten we niet. We bonden hem aan het wagenrad en gingen toen dadelijk +weer in huis, waar we kruit, lood en wat wij verder dachten te kunnen +gebruiken, bij elkaar zochten. Vervolgens liepen wij naar den stal, +maakten drie van de beste paarden van den boer los, deden voor elk van +de dieren wat haver in een zak, gebruikten touwen tot halters, stegen +op en renden toen weg zoo hard als we konden. Daar wij wel begrepen, +dat men ons vervolgen zou, galoppeerden we eerst in eene oostelijke +richting, alsof wij naar de Kaapstad wilden gaan. Zoodra wij echter een +grond bereikt hadden, waarop de paardenhoeven geen sporen achterlieten, +wendden wij ons in allerijl noordwaarts en namen den weg naar het +land der Boschjesmannen. Kort nadat wij van koers veranderd waren, +begon de avond te vallen; maar wij reden den ganschen nacht door, en +ofschoon wij op eenigen afstand de leeuwen duidelijk hoorden brullen, +overkwam ons voor ditmaal geen nieuw ongeluk. Met het aanbreken van +den dag lieten wij onze paarden uitrusten, wierpen hun wat haver voor +en legden ons toen zelven neder, om ons met de meegebrachten voorraad +te verkwikken." + +"Hoe lang waart gij in het geheel wel bij dien boer te Graaf Reinet +geweest?" + +"Zoo omtrent acht maanden, mijnheer. Wij hadden in dien tijd niet +alleen vrij wat Hollandsch geleerd, maar konden ons ook door de +Hottentotten en andere inlanders doen verstaan. Bovendien hadden wij +eene nauwkeurige kennis van het land verkregen en wisten nu beter +dan te voren, hoe wij ons op onze reis te gedragen hadden." + +"Onder het eten overlegden wij, wat wij thans aanvangen zouden. Dat de +Hollanders ons doodschieten zouden, zoodra zij ons in handen kregen, +dat wisten wij zeer goed en wij twijfelden er ook niet aan, of zij +zouden ons uit al hunne macht vervolgen. Bovendien vreesden wij, dat +wij den boer hadden doodgeslagen en in dat geval wachtte ons de galg, +zoodra wij de Kaap bereikten, zoodat wij doodelijk verlegen waren +wat te doen. + +"Eindelijk besloten wij het land van de Boschjesmannen door te trekken +en ons noordwaarts van de Kaap naar het zeestrand te wenden. + +"Na deze afspraak namen wij onze zadels af en bonden onze paarden +aan eenige boomen, waarbij goed gras voor hen was; want hadden wij +hen niet vastgebonden, dan zouden zij denkelijk naar hun ouden stal +terug gegaloppeerd zijn. Wij besloten vooreerst bij voorkeur bij +nacht en niet bij dag te reizen, om geen gevaar te loopen van door +onze vijanden te worden gezien. Met deze gedachten legden wij ons +neder en hadden een langen, vasten slaap. + +"Tegen den avond zochten wij water voor onze paarden, gaven hun +andermaal haver en vervolgden toen onzen tocht. Ik kan niet alles +vertellen, wat wij zoo veertig dagen achtereen al hadden uit te +staan. Wij hadden intusschen onze paarden bijna lam en kreupel gereden +en waren daarom genoodzaakt ons bij een stam van inlanders op te +houden en den armen dieren eenige rust te vergunnen. Die inboorlingen +noemden zich Gorraguas, als ik het wel heb en waren een vreedzaam +en zachtzinnig volkje, dat ons rijkelijk van melk voorzag en ons als +vrienden behandelde. + +"We hadden evenwel enkele avonturen, die mij nog levendig voor den +geest staan. Zoo, onder andere, kwamen wij eens een bosch door, +waar opeens een rhinoceros op mijn paard toeschoot, dat het gevaar +alleen daardoor ontkwam, door ter zijde te springen en het beest in +den rug te komen; waarop het vreeselijk gedrocht zijn weg vervolgde, +zonder ons verder te verontrusten. + +"Iederen dag schoten wij het een of ander dier tot ons onderhoud: soms +eens een gnoe(een heel wonderlijk beest, half koe, half antilope), +of anders een van de hertebokken of wilde geiten, die wij in menigte +ontmoetten. + +"Zoo bleven wij omtrent drie weken bij deze menschen en gaven onze +paarden tijd om hunne krachten wat te herstellen, waarop de reis +opnieuw aanving. Wij wendden ons thans meer zuidwaarts en naar de +kust; want de Gorraguas hadden ons gezegd, dat in het noorden een +woest volk, de Kaffers, omzwierf, die ons zeker van kant zouden maken, +als wij in hunne handen vielen. + +"Inderdaad wisten wij echter niet, wat wij eigenlijk doen zouden. Als +echt dwaze en onbezonnen knapen, hadden wij, zonder een bepaald +plan, de Kaap verlaten, en nu namen de moeilijkheden en bezwaren, +waaraan wij blootstonden, van dag tot dag toe. Ten laatste hielden +wij het toch voor het verstandigst, om den weg naar de Kaapstad +terug te zoeken en ons weder als gevangenen uit te leveren, want wij +waren dat eeuwige zwerven nu hartelijk moe. Wat wij het allermeest +vreesden, was, dat wij dien boer te Graaf Reinet, die ons zoo gruwelijk +mishandeld had, gedood hadden; maar Hastings zeide, dat hij zich daar +volstrekt niet over bekommerde, dat het zijne zaak was en dat hij de +verantwoordelijkheid geheel op zich nam. + +"Zoo namen wij dan nu afscheid van onze Gorraguas, die zeer verblijd +waren, dat wij hun al de knoopen, die wij missen konden, tot een +geschenk gaven. Wij trokken naar het zuidoosten, zoodat wij de zeekust +bereiken en tegelijk ook zuidwaarts gaan konden. + +"En nu, mijne vrienden, kom ik aan een allerdroevigst ongeluk, dat +ons al spoedig overkwam. Twee dagen nadat wij onze reis weder hadden +aangevangen, leidde onze weg ons over eene met hoog gras begroeide +vlakte. Op eens zagen wij daar een leeuw voor ons, die een hert, +dat hij gedood had, verslond. + +"Romer, die Hastings en mij een tiental passen vooruit was, verschrikte +zoo op dat gezicht, dat hij zijn geweer op het dier afschoot; dit +was een groote dwaasheid van hem, die wij ook afgesproken hadden, +altijd te zullen vermijden; want met zulke geringe krachten, als +wij hadden, was het nooit geraden een zoo machtig dier tegen ons in +woede te brengen. De leeuw was licht gekwetst. Met een gebrul, dat +men zekerlijk wel een uur ver hooren kon, sprong hij op Romer los en +rukte hem door een enkelen slag met zijn klauw uit den zadel en op den +grond neer. Onze paarden, die beefden van angst, sprongen achteruit, +terwijl het vreeselijke dier zich kennelijk gereedmaakte, om ook +ons aan te vallen. De leeuw had reeds een sprong naar ons gedaan, +doch onze paarden ontrukten ons aan het gevaar, en wij konden hen in +hunnen loop niet eer tot staan brengen, voordat wij voor het minst +een half uur van de plaats verwijderd waren. + +"Eindelijk kregen wij hen tot staan en zagen in het rond. Daar +ontdekten wij den leeuw, hoe hij juist Romers paard had neergeworpen +en het lichaam van dat arme beest in een soort van galop wegsleepte +alsof hem dat in 't geheel niet zwaar viel. Wij wachtten, tot hij +ver genoeg verwijderd was, en reden toen naar de plaats terug, waar +Romer was gevallen. Daar lag onze arme makker bebloed en zonder leven: +de eerste slag van den leeuwenklauw had hem het hoofd verbrijzeld. + +"Wij waren niet eens in staat om onzen ongelukkigen kameraad te +begraven. Evenwel bedekten we zijn lijk met eenige struiken en keerden +het met diep bedroefd hart den rug toe. Ik voor mij schreide wel een +vol uur lang, terwijl wij verder reden. Hastings sprak geen enkel +woord, totdat het tijd werd, dat wij onze paarden rusten lieten. + +"Ik heb vergeten u te zeggen, dat de Gorraguas ons geraden hadden niet +langer bij nacht, maar bij den dag te reizen; en zoo hadden wij hun +raad ook opgevolgd. Niettegenstaande het verschrikkelijk ongeluk, +dat ons getroffen had, geloof ik toch, dat hun raad verstandig en +goed gemeend was; want wij ondervonden, dat de leeuwen, zoo dikwijls +wij bij nacht reisden, ons meer dan anders vervolgden. + +"Drie dagen na Romers dood kregen wij voor het eerst den wijden +oceaan weer te zien. Het was ons daarbij alsof wij een ouden vriend +ontmoetten. Wij hielden ons dicht aan het strand, maar ondervonden +spoedig, dat wij ons daar niet zoo gemakkelijk als dieper landwaarts +in van wild tot ons voedsel en van hout tot onze vuren 's nachts +voorzien konden, en besloten derhalve de kust andermaal te verlaten. + +"Wij hadden eene uitgestrekte, eentonige vlakte door te trekken +en waren door honger reeds geheel uitgeput, want in geen twee +dagen hadden wij iets over de lippen gehad, toen wij eindelijk een +struisvogel ontmoetten. + +"Hastings maakte er met zijn paard jacht op, maar tevergeefs, want +de struis kon veel harder loopen dan het paard. Ik bleef achter +en ontdekte tot mijn groote blijdschap het nest van den vogel, met +dertien groote eieren daarin. + +"Hastings kwam spoedig terug; zijn paard was geheel vermoeid en buiten +adem. Wij zetten ons neder, maakten vuur aan en braadden twee van de +eieren, 't geen een heerlijk maal voor ons was. Daarop namen wij nog +vier eieren mede en braken weder op. + +"Nog drie volle weken hadden wij niets dan moeite en ellende door te +staan. Op zekeren morgen eindelijk kregen wij den Tafelberg in het oog +en waren zoo verheugd op dat gezicht, alsof wij de witte krijtrotsen +van Engeland vóór ons hadden gehad. In de hoop van nog vóór den nacht +in onze oude gevangenis gemakkelijk onder dak te zullen komen, dreven +wij onze paarden aan, doch toen wij de baai naderden, zagen wij van +de schepen op de reede de Engelsche vlag waaien. + +"Dat te zien verbaasde ons zeer. Een weinigje later ontmoetten wij +echter een Engelsch soldaat en van dezen vernamen wij, dat de Kaap +reeds voor ruim zes maanden door onze troepen veroverd was. Welk +een blijde verrassing dat voor ons was, kunt gij u gemakkelijk +voorstellen. Wij reden de stad binnen en meldden onszelven dadelijk +aan bij de hoofdwacht. De gouverneur liet ons bij zich komen, hoorde +onze geschiedenis en zond ons tot den admiraal, die ons dadelijk aan +boord van zijn eigen schip opnam. + +"En nu, Willem ben ik hier aan eene goede plaats om af te +breken. Bovendien moet gij thans tamelijk vermoeid zijn en dus zal het +'t best zijn, dat we allen ons bed opzoeken." + + + + + + + +NEGEN-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK. + +FLINKS VERDERE REIZEN EN AVONTUREN. + + +Daar er voor het oogenblik juist geen noodzakelijk werk te doen was, +namen Flink en mijnheer Wilson den volgenden morgen de vischlijnen op, +om den voorraad in hun vijver te vermeerderen. Het weder was bijzonder +fraai, en Willem vergezelde hen, om van de frissche lucht te genieten, +die tegenwoordig de beste medicijn voor hem was. + +Toen zij den tuin voorbijkwamen, bemerkten zij, dat de zaadgewassen +reeds een of twee duim boven den grond waren opgeschoten en dat, +naar 't scheen, alles tierig opkwam. Terwijl de beide mannen aan +'t visschen waren, zat Willem rustig bij hen en vroeg aan zijn vader: + +"Van de eilanden hier in de nabuurschap zijn zeker vele bewoond,--is +'t niet vader?" + +"O ja; maar die hier het naast om ons waarschijnlijk niet. Althans +heb ik nooit van reizigers gehoord, die op de eilanden, op een waarvan +wij thans wezen moeten, bewoners gevonden hebben." + +"Welke soort van menschen zijn toch wel de eilanders in deze zeeën?" + +"Ze zijn van heel verschillenden aard. De Nieuw-Zeelanders zijn +in beschaving het verst gevorderd; maar toch moet men nog altijd +menscheneters onder hen vinden. De bewoners van van-Diemensland en +Australië behooren tot denzelfden stam, maar staan op een zeer laag +standpunt,--waarlijk weinig hooger dan de dieren des velds. Ik geloof, +dat zij de ruwsten en onbeschaafdsten zijn van heel het menschelijk +geslacht." + +"Met uw verlof, mijnheer," viel Flink hem in de rede, "maar ik heb +die menschen zelf gezien en geloof toch een volk te kennen, dat +wel niet zoo talrijk is, maar met de dieren des velds toch nog meer +overeenkomst heeft dan die Zuidzee-eilanders. Ik heb hen eens van +mijn leven gezien en hield hen ook wezenlijk op 't eerste gezicht +voor beesten en niet voor menschelijke wezens." + +"Waarlijk, Flink? En waar was dat wel?" + +"Op de groote Andamans-eilanden, aan den mond van de Baai van +Bengalen.--Eens dat het een storm woei, lieten wij het anker vallen te +Port Cornwallis,--eene zoo kostelijke haven, dat de gansche Engelsche +vloot er wel in schuilen kon,--en den volgenden morgen ontdekten +we enkele zwarte schepsels, die onder de boomen het dichtst op het +strand op handen en voeten omkropen. Wij namen onze kijkers in de +hand,--want we waren nog wel een paar mijlen van den wal af,--en +toen ze recht overeind gingen staan, merkten wij eindelijk, dat het +werkelijk menschen waren." + +"Zijt gij ook met hen in nadere aanraking gekomen?" + +"Neen, mijnheer, ik zelf niet. Maar te Calcutta ontmoette ik een +soldaat, die eenmaal met hen verkeerd had. De Oostindische Compagnie +had namelijk vroeger het plan gehad, om een post op die eilanden achter +te laten en had daartoe eenige troepen afgezonden. De man vertelde +mij, dat zij twee van dat volkje hadden opgevangen: die waren niet +meer dan vier voet lang en uiterst dom en onnoozel. Ze hadden geene +kleeren of iets aan het lijf, hadden geene huizen of hutten, om in +te wonen en al wat ze deden was, dat ze wat struiken en takken op +elkaar stapelden, om daarachter te schuilen tegen het booze weer." + +"Hadden zij ook wapens?" + +"Ja, mijnheer; ze hadden boog en pijlen, maar die waren zoo ellendig +en zoo zwak, dat ze er niets anders dan zeer kleine vogels mee dooden +konden. Bij de landing van ons volk hadden de eilanders al hunne +pijlen op onze soldaten afgeschoten, maar onze soldaten trokken die +weer heel bedaard uit hunne kapotjassen, want ze waren niet dieper +doorgedrongen." + +"Nu, naar uwe beschrijving geloof ik zeker, dat die schepsels der +Andamans-eilanden op een nog lager trap dan de Nieuw-Hollanders +staan. Maar wat deden onze landslieden met de beide gevangenen, +die zij toen opgebracht hadden?" + +"Zij lieten hen weer loopen, mijnheer, want de stumpers aten niets, +spraken geen woord en zouden zeker gestorven zijn, als men hen langer +had vastgehouden." + +"Waar kwam het volk, dat deze eilanden bewoonde, vandaan, vader?" + +"Dat is moeilijk te zeggen, Willem; men gelooft over het algemeen, +dat zij zoo langzamerhand, evenals ons eiland hier, bevolkt werden, +namelijk door lieden, die in booten en kano's de hooge zee op waren +gedreven en evenals wij hun leven door eene landing in zekerheid +brachten." + +"Ja, ja," zeide Flink, "zoo zal het waarschijnlijk wel geweest +zijn. Zoo moeten ook de Andamans-eilanden door een slavenschip, dat +negers aan boord had en gedurende een typhon op de kust schipbreuk +leed, bevolkt zijn geworden." + +"Een typhon, wat is dat, Flink?" + +"Zooveel als een orkaan, Willem; hij verheft zich in Indië doorgaans +bij het omslaan der passaatwinden." + +"Ja, ge gebruikt zulke vreemde woorden, passaatwinden, wat zijn +dat weer?" + +"Dat zijn winden, die zekere maanden van het jaar bestendig uit ééne +hemelstreek blazen en dan omslaan of omspringen, om juist in eene +tegenovergestelde richting voort te waaien." + +"Zijn dat misschien die zelfde passaatwinden, waarvan ik onzen armen +kapitein Osborn na onze afvaart van het eiland Madera hoorde spreken?" + +"Neen, deze zijn eene bijzondere soort van passaatwinden. Zij waaien +alleen aan den evenaar, eenige graden ten noorden en zuiden er van, +en houden altijd, den loop der zon volgende, de richting van het +oosten naar het westen." + +"Is het misschien de zon, die deze winden veroorzaakt?" + +"Ja, mijn jongen," antwoordde de vader. "De groote hitte in de +keerkringslanden verdunt de lucht, en zoo ontstaan de passaatwinden +daardoor, dat bij de omwenteling der aarde frissche lucht in de plaats +der verdunde treedt. Ook in eene kamer zult gij opmerken dat bij een +groot vuur een gestadige luchttocht naar den haard plaats vindt. Op +gelijke wijze is de zonnehitte de oorzaak der passaatwinden in de +keerkringsstreken." + +"Ja, beste Willem, me dunkt, ge begrijpt dat nu wel," nam Flink +het woord: "en de passaatwinden veroorzaken ook den zoogenaamden +golfstroom. De winden, die op den Atlantischen Oceaan gedurig den +loop der zon volgen en in de streek van het oosten naar het westen +waaien, hebben natuurlijk een grooten invloed op de zee en dringen +deze in de Golf van Mexico op, waar zij door de kusten van Amerika +wordt opgehouden, zoodat het water in die golf ettelijke voeten hooger +is, dan in het oostelijke gedeelte van den Atlantischen Oceaan. Deze +opeenhooping van water moet natuurlijk ergens een afloop hebben, en +zoo ontstaat de zoogenaamde golfstroom, waardoor de wateren zich uit de +Golf noordwaarts uitgieten, langs de kusten van Amerika voortstroomen, +zich dan naar het westen keeren, zoodat zij niet ver van Newfoundland +voorbijspoelen, tot eindelijk hun stroom in het noorden van de Azoren +of Westelijke eilanden nagenoeg ophoudt. Ge zult u wel herinneren, +op den dag dat wij onze reis berekenden, die eilanden op de kaart +gezien te hebben." + +"De golfstroom," voegde de heer Wilson er bij, "is altijd eenige graden +warmer, dan de zee over het geheel, en de reden daarvan moet wezen, +dat het water in de Golf van Mexico door de ongewone zonnehitte, die +daar heerscht, meer dan andere plaatsen verwarmd wordt. Men herkent +dien stroom aan het zeegras, dat hij op de oppervlakte van het water +met zich voert." + +"Heel goed, vader. Maar wat verstaat men dan onder de land- en +zeewinden in West-Indië en andere heete landen?" + +"Daaronder verstaat men den wind, die op bepaalde uren van den dag +eerst van het land naar de zee en dan omgekeerd van deze naar het +land waait, zoodat hij gedurende de vierentwintig uren regelmatig +afwisselt. Ook dit verschijnsel is een gevolg van de zonnehitte. De +zeewind begint des morgens en gaat liggen tegen den middag; waarop +de landwind een aanvang neemt en tot middernacht aanhoudt." + +"En dan zijn er," zeide Flink, "in de nabuurschap van de passaatstreken +enkele breedten, waar de wind zeer onbestendig is en menig schip al +weken achtereen in de windstilte moest blijven liggen. Dat is telkens +eene ware ramp voor de manschap, want het water aan boord wordt dan +doorgaans geheel opgebruikt en men heeft vreeselijk van de hitte te +lijden. Men noemt die breedten de paardebreedten--waarom, dat weet ik +zelf niet recht; ik denk haast, omdat men paarden, als men die aan +boord heeft en zulk eene windstilte invalt, natuurlijk het eerste +opoffert, als er gebrek aan water komt. Doch 't wordt tijd, dat wij +opbreken, en ook Willem mag nu wel weer stilletjes in huis gaan." + +Zoo keerden zij gezamenlijk terug naar hunne woning, en na het +avondeten ging de oude stuurman met zijn verhaal aldus voort: + +"Ik ben gebleven bij het oogenblik, dat ik op het admiraalsschip +gezonden en als kajuitsjongen onder de manschap opgenomen werd. Vier +jaren omtrent bleef ik op dit schip, kwam in dien tijd van haven tot +haven, van land tot land, totdat ik een stevige flink uit de kluiten +gewasschen knaap werd en als matroos in den bezaansmast geplaatst werd. + +"Dat beviel mij nu recht goed. Ik deed mijn plicht, en het gevolg was, +dat ik nooit straf kreeg. Op een oorlogsschip behoeft men namelijk +nooit voor straffen bevreesd te zijn, als men zijn werk maar doet, en +dit valt niemand heel zwaar, 't Is heel anders op koopvaardijschepen, +waar zoo weinig matrozen zijn: daar heeft men de handen altijd vol +werk. Natuurlijk vindt men ook op oorlogsschepen enkele kapiteins, +die bijzonder streng en hard zijn, echte bulderbasten, zooals wij +matrozen ze noemen. Ik had evenwel het geluk om onder een zeer braven, +menschlievenden kapitein te dienen, die, ofschoon hij geen verzuim +door de vingers zag, toch heel ongaarne strafte. + +"Het eenige, wat mij zwaar op het hart lag, was, dat ik nooit naar +Engeland komen en mijne moeder terugzien kon. Ik had twee of drie +brieven geschreven, maar geen antwoord ontvangen. Ten laatste werd +ik zoo ongeduldig, dat ik besloot, bij de eerste gelegenheid, die +zich aanbood, op mijn eigen houtje de reis naar huis aan te nemen. + +"Onze post was toenmaals in West-Indië en ik hield met Hastings, +die even vurig als ik verlangde weg te komen, gedurig raad over het +geval. Wij kwamen eindelijk overeen, dat wij bij de eerste de beste +kans de hielen zouden lichten. + +"Ten laatste kwamen wij in Port-Royal op het eiland Jamaica voor anker. + +"Daar lag destijds ook een groot konvooi Westindievaarders, die +gereed waren, om met hunne lading suiker oogenblikkelijk onder zeil +te gaan. We wisten, dat men ons, zoodra wij maar op een dier schepen +komen konden, zorgvuldig tot aan het uur van het anker lichten aan +boord zou verbergen, omdat daar gebrek aan matrozen was, doordien +onze kapitein zooveel volk, als hij maar machtig kon worden, voor +zichzelven geprest had. + +"Wij hadden slechts ééne mogelijkheid te ontkomen:--wanneer we namelijk +bij nacht naar een van die schepen toe zwommen, wat vrij gemakkelijk +te doen was, daar ze pas honderd meter van ons fregat verwijderd +lagen. Het eenige, dat we vreesden, waren de haaien, die zich daar +op de reede in menigte vertoonden. Evenwel waren wij zoo ongeduldig +om onze vlucht door te zetten, dat wij ons door geen gevaar lieten +afschrikken, en zoo besloten wij ten laatste, in den nacht vóór het +uitzeilen der koopvaardijschepen het waagstuk te ondernemen. + +"Het was tegen de hondewacht--alles herinner ik mij nog zeer goed en ik +zal er mijn leven lang aan denken, alsof het gisteren gebeurd was--toen +wij ons zachtjes bij den boeg van het schip lieten neerzakken. Zoodra +wij in 't water waren, zwommen wij op den Westinjevaarder aan, die +het dichtst bij ons lag. + +"De schildwacht op de loopplank bemerkte de kabbeling van het water, +dat door ons zwemmen in beweging kwam, en terstond hoorden wij hem ons +aanroepen. Wij gaven natuurlijk geen antwoord, maar repten armen en +beenen wat wij konden, want kort na het aanroepen van den schildwacht +vernamen wij gerucht en begrepen daaruit heel goed, dat de officier +van de wacht eene sloep strijken en ons vervolgen zou. + +"Ik was Hastings eenige meters vooruit en had juist het kabeltouw van +den Westinjevaarder in de hand, met het voornemen om er mij bij op te +halen, toen ik een luiden gil achter mij hoorde. Toen ik mij omkeerde, +zag ik een haai, die mijn armen Hastings tusschen de tanden greep en +met hem onderdook. + +"Ik was zoo ontsteld, dat ik een tijdlang bijna geen lid kon +verroeren. Eindelijk raapte ik mijne hersens weer bijeen en begon, +zoo vlug als ik kon, bij het touw op te klauteren. Ik had dan ook +waarlijk geen tijd te verliezen, want juist schoot een tweede haai +op mij los. Ik was wel al meer dan twee voet boven water, maar toch +sprong hij omhoog en pakte nog even mijn schoen bij den hak, die hij +terstond mee in de diepte sleepte. + +"De schrik gaf mij krachten en twee minuten later was ik dan ook al +voor de kluisgaten [9]. De matrozen op het schip hadden ons van boven +gezien, en waren getuigen van Hastings akeligen dood geweest. Zij +hielpen mij aan boord en verborgen mij terstond omlaag, want de boot +van het fregat was dicht achter mij. + +"Toen de officier van de wacht aan boord kwam, vertelden zij hem, +hoe zij ons dicht bij hun schip gehoord en gezien hadden, toen wij +door de haaien werden ingeslokt.--Het volk in de boot had Hastings' +gillen duidelijk gehoord, en zoo geloofde de officier ook terstond, +dat wat men hem op de mouw speldde waarheid was, en roeide zonder +zelfs onderzoek te doen, naar het fregat terug. + +"Ik kon hooren, hoe de trom op het fregat al het volk op het dek riep, +daar men toch eerst weten moest, wie de beide menschen waren, die zoo +dat wegzwemmen gewaagd hadden. Een minuut of wat daarna werd er weer +afslag getrommeld, en dus wist ik, dat de namen van mij en van den +armen Hastings voortaan met een dubbele D op de scheepslijst stonden. + +"Maar wat beduidt zoo'n dubbele D.?" vroeg Willem. + +"D. alleen beteekent: deserteur; D. D. wil zeggen, dat men ook goed +en wel dood is. + +"Het was wel een wonder, dat ik zoo goed ontkwam, en nog uren nadat het +gebeurd was, kon ik er mij zelf geen begrip van maken. Ik wou slapen +maar ik kon niet; het was alsof mij 't hart werd toegeknepen. Telkens, +als ik zou inslapen, verbeeldde ik mij, dat de haai mij beet had +gepakt, met luid geschreeuw sprong ik dan op en zocht opnieuw den +slaap te vatten, maar dit lukte niet. + +"De kapitein van mijn nieuw schip vreesde eindelijk, dat mijn +geschreeuw op het fregat gehoord zou worden, en zond mij een glas +rum, dat ik uitdrinken moest. Dit bracht mij eindelijk tot rust en +ik verzonk in diepe slaap. + +"Toen ik ontwaakte, had het schip reeds de ankers gelicht en alle +zeilen bijgezet. Nog wel honderd en meer schepen gingen met ons mede +en de oorlogsschepen, die ons konvooi vergezelden, losten gedurig +de stukken en gaven elkaar daar seinen door. Het was wezenlijk een +prachtig gezicht. + +"Zoo stuurden we dan met vroolijk hart op het lieve Oud-Engeland +aan. Ik gevoelde mij zoo gelukkig, dat ik, om in vrijheid te komen, +nog gaarne eens al de haaien van de wereld zou hebben getrotseerd. Nu +ging het op het vaderland aan, nu zou ik, na lange afwezigheid, +mijne bekenden weer zien en mijne lieve moeder nog eens omarmen!" + +"Gedurende de reis deed ik mijn best als voormarsgast op het schip, +en de kapitein was zeer met mij ingenomen. Aan den onderbootsman, +die een Schot en een bijzonder vriendelijk en braaf man was, had ik +mijne avonturen verteld. Hij deed mij begrijpen, hoe dwaas en slecht +ik gehandeld had, toen ik al, wat mijne moeder en Masterman voor mij +doen wilden, zoo roekeloos in den wind sloeg. Ik voelde dat hij gelijk +had, en verlangde vuriger dan ooit mijne moeder weer eens in de armen +te sluiten en haar vergiffenis te vragen voor al wat ik had misdaan. + +"Het schip, waarop ik mij bevond, was naar Glasgow bestemd. + +"Bij North Foreland stuurden wij van het groote konvooi af en kwamen +gelukkig in de haven. De kapitein bracht mij bij het kantoor van het +schip, dat mij voor mijne diensten gedurende de overvaart vijftien +pond [10] uitbetaalde. Zoodra ik dat geld in handen had, repte ik mij, +wat ik kon, naar Newcastle. Ik had boven op den postwagen [11] eene +plaats genomen en raakte daar al spoedig in gesprek met een heer, +die naast mij zat. Ik merkte, dat hij te Newcastle thuis behoorde, +en mijn eerste vraag was, of hij daar ook zekeren mijnheer Masterman, +den scheepsbouwmeester kende." + +"O ja, dien heb ik best gekend; maar hij is nu omtrent een maand of +drie dood." + +"En wie waren zijne erven dan?" vroeg ik. "Hij was immers heel rijk +en had niemand, die hem in den bloede bestond?" + +"Ja, familie had hij niet," gaf die heer mij ten antwoord; "hij +vermaakte dan ook zijn heele vermogen aan de stad, onder voorwaarde, +dat men daarvoor zieken- en armhuizen zou oprichten. In den laatsten +tijd had hij, geloof ik, nog een deelhebber in zijne zaak, en dien gaf +hij zaak en winkel over, omdat hij geen familie had en 't aan niemand +anders geven kon. Vroeger was hij, zooals ik zeker weet, van voornemen +om al zijn geld en goed na te laten aan een knaap, die Flink heette, +en hem eens uit het water had geholpen, maar die jongen liep weg, +ging op zee en heeft sedert niets meer van zich laten hooren. Men +is zijn spoor gevolgd en gelooft, dat hij in gevangenschap bij de +Hollanders gestorven is. Die dwaze jongen;--hij kon tegenwoordig een +man van stand en vermogen zijn!" + +"Ja waarlijk, hij deed zeer dwaas!" was mijn antwoord. + +"Ja, maar niet alleen zichzelven, ook anderen heeft hij daardoor kwaad +gedaan. Zijne arme moeder was heel sterk aan hem gehecht geweest; +zij tobde en kwelde zich toen zij zijn verlies vernam, en had rust +noch duur meer, voordat...." + +"Gij wilt toch niet zeggen, dat zij dood is?" riep ik en vatte den +vreemdeling bij den arm. + +"Ja," zeide hij en zag mij verwonderd aan, "zij stierf heel spoedig +na den heer Masterman." + +"Ik zonk op de pakkage neer en zou van den wagen gevallen zijn, als +de ander mij niet gegrepen had. Hij riep den koetsier toe, dat hij +moest stilhouden. Samen richtten zij mij toen weer op en brachten +mij binnen in het rijtuig. Gelukkig was daar niemand in; want ik was +geheel buiten mijzelven en weende en klaagde luid, zoodat zij diep +medelijden met mij hadden." + +Flink scheen door zijn verhaal zoo aangedaan dat mijnheer Wilson hem +voorstelde, voor heden af te breken en zich met de overigen ter ruste +te begeven. + +"Ik dank u, mijnheer. Gij hebt gelijk; zoo zal het wel beter zijn, +want nog gevoel ik, dat mijne oude oogen van tranen overloopen. Het +is iets vreeselijks, als men zich in later dagen verwijten moet, +dat eigen dwaze levenswandel den dood van eene zoo goede liefhebbende +moeder verhaasten moest. Bij mij was dit het geval, mijn beste Willem, +en uit liefde tot u ben ik daar zoo openhartig voor uitgekomen. Ik +zeide u vroeger reeds, dat eenige gedeelten mijner levensgeschiedenis +u tot waarschuwing dienen konden. Zorg dus, dat ik ze u niet tevergeefs +verteld heb, maar houd ze getrouw in 't geheugen." + + + + + + + +VEERTIGSTE HOOFDSTUK. + +FLINKS BEROUW. GELUKKIGE WENDING VAN ZIJN LOT. + + +Den volgenden morgen bracht Juno voor het ontbijt in haar schort zes +eieren mee, die zij in het hoenderhok gevonden had. + +"Kijk, mevrouw, kijk een beetje--kippen eieren leggen--gauw heelen +boel hebben voor massa Willem en heelen boel voor kleine kippetjes." + +"Gij hebt toch niet alle uit de nesten genomen, Juno; dat deedt gij +immers niet?" + +"Neen, mevrouw, ikke laten liggen in ieder nest één, dat oude kip +zien kan." + +"Best, meid; dan zullen wij ze voor onzen Willem klaarmaken, zooals +gij zegt en hopen dat zij hem zijne krachten teruggeven zullen." + +"O, ik ben weer heel gezond en sterk, moeder," gaf Willem ten +antwoord. "Ik geloof, dat 't beter zou zijn, als ge de eieren aan de +hoenders tot uitbroeden overliet." + +"Neen, Willem, het is van veel meer belang, dat gij recht spoedig +weer gezond wordt, dan dat wij zoo spoedig kuikens krijgen." + +"Thomas ook heel graag eieren lust," begon de kleine mee te spreken. + +"Ja, ja; maar Thomas kan er nog dadelijk geen krijgen. Thomas is +niet ziek." + +"Thomas buik doet o zoo zeer," antwoordde de guit. + +"Ik vrees zeer, Thomas, dat gij een kleine leugenaar zijt. Ook zouden +eieren voor die buikpijn zeer nadeelig zijn." + +"Thomas krijgt ook hoofdpijn," klaagde de knaap. + +"Eieren deugen niet voor hoofdpijn, Thomas," antwoordde zijn vader. + +"Ach, Thomas is zoo ziek!" zuchtte de dreumes opnieuw. + +"Dan moet Thomas naar bed gaan en een lepel ricinusolie innemen." + +"Thomas lust geen ricinusolie; Thomas lust alleen eieren." + +"Ja, maar Thomas krijgt geen eieren," gaf de vader ernstig ten +antwoord; "en dus kan hij zijne jokkens wel voor zich houden. Als wij +eens eieren genoeg hebben, dan zal Thomas er ook een hebben--als hij +een brave jongen is, maar anders ook niet." + +"Ik heb Caroline het opzicht over de hoenders gegeven," vervolgde de +vader, "en zoo dunkt mij, behoort ook het bewaren van de eieren tot +haar post. Mijn kind begint zoo al heel nuttig voor ons te worden." + +De twee volgende dagen waren de beide mannen in den tuin met het +wieden van het onkruid bezig, dat te gelijk met de ontkiemende +zaaigewassen begon op te schieten. Gedurende dezen tijd ging Willem +met zijn herstel spoedig vooruit. + +De beide eerste dagen bracht Juno regelmatig elken morgen drie eieren +uit het hoenderhok mede; maar op den derden morgen was er geen enkel +te vinden. Ook op den vierden dag schenen de vogels niet gelegd te +hebben, waarover mijnheer Wilson zeer verwonderd was, daar de hennen +toch gewoonlijk, als zij eens beginnen te leggen, daarmede geregeld +voortgaan. Op den vijfden morgen zaten allen aan het ontbijt. Slechts +Thomas kwam niet opdagen, zoodat zijne moeder vroeg, waar hij dan +toch stak. + +"Ik vermoed, mevrouw," zeide de oude Flink lachend, "dat onze sinjeur +vandaag zoomin aan het ontbijt als aan de middagtafel zal verschijnen." + +"Hoe meent gij dat, Flink?" vroeg de moeder. + +"Welaan, mevrouw, ik zal 't u vertellen. Het kwam mij vreemd voor, dat +er nu al een paar ochtenden geen eieren gevonden waren, en ik dacht +of de hoenders ze ook misschien weggelegd konden hebben, waarom ik +dan gisterenavond uitging, om er naar te zoeken. Ik kon geen eieren +ontdekken; maar daarentegen vond ik weldra de doppen, zorgvuldig +onder wat kokosbladeren weggestopt. Nu begreep ik dadelijk, dat een +roofdier, als er zoo een op het eiland was en de eieren gekaapt had, +de doppen althans niet zoo zorgvuldig verbergen zou. Zoo sloot ik +dan van morgen de deur van het hok en liet slechts het kleine luikje +open, waardoor de hoenders naar binnen kruipen. Ik zelf plaatste mij, +nadat zij van stok waren, achter de boomen en wachtte af, wat er +verder gebeuren zou. Weldra zag ik sinjeur Thomas komen aansluipen +en op het hok losgaan. Hij wilde eerst de deur openen, maar vond die +gesloten; zoo kroop hij door het kleine luikje in het hok. Zoodra +hij daar binnen was, liet ik den grendel vallen, maakte dien met een +spijker vast en zoo zit Thomas nu in zijn eigen strikken gevangen." + +"En hij zal ook den ganschen dag daarin blijven, die kleine +snoeper!" riep mijnheer Wilson hartelijk lachende. + +"Ja, ja, dat is zijn verdiend loon en zal een goede les voor hem zijn," +sprak zijne moeder. "We zullen doen, alsof wij niets van hem merken, +al klaagt en jammert hij ook uren achtereen." + +"O massa Thomas, ikke heel blij, dat jij eindelijk betrapt. Mooie +ding dat, de eiers opslobberen!" jubelde Juno. "Nu jij niets te eten +krijgt,--jij dat ook prettig vindt, he?" + +Mijnheer Wilson, Flink en Willem gingen als gewoonlijk aan hun +werk. Mevrouw was met Juno en de kleine Caroline te huis bezig. Thomas +hield zich wel een uur lang doodstil, totdat hij eindelijk luidkeels +begon te schreeuwen. Dat baatte hem echter weinig, want niemand +stoorde zich aan hem. Toen de etenstijd naderde, begon hij opnieuw +te brullen; doch met hetzelfde gevolg. Eerst tegen den avond werd de +deur van het hoenderhok geopend en kreeg de kleine dief vergunning om +voor den dag te komen. Hij keek verlegen op zijn neus en zette zich, +zonder een woord te spreken, in een hoekje neder. + +"Nu, jongeheer, hoeveel eieren hebt gij vandaag gediefd?" vroeg Flink. + +"Thomas wil geen eieren meer snoepen," was zijn beschaamd antwoord. + +"Ja, ja, dat zal ook wèl zoo goed zijn," antwoordde zijn vader; +"want anders zult ge spoedig ondervinden, dat gij, in plaats van +meer dan anderen te krijgen, integendeel heel weinig te eten krijgt, +gelijk dat vandaag het geval is geweest." + +"Maar ik heb van middag nog geen eten gehad," zeide Thomas. + +"Voor vandaag krijgt gij ook geen middageten, daar kunt gij staat +op maken. Wij kunnen u onmogelijk middageten en eieren te gelijk +geven. Begint gij te schreeuwen, dan zal ik u dezen nacht in het +hoenderhok opsluiten. Gij moet thans geduldig tot het avondeten +wachten." + +Thomas begreep, dat aan de zaak niets te veranderen viel en wachtte +dus met hangende lip tot het avondmaal op tafel kwam. Toen zocht hij +zijne scha rijkelijk in te halen. + +Na het avondeten ging Flink met zijne geschiedenis aldus voort: + +"De laatste maal heb ik u verteld, hoe ik van dien heer op den +postwagen te weten kwam, dat mijne arme moeder, ten gevolge van +kwelling en verdriet over mijn weggaan, gestorven was. Hoe 't met +mij gedurende die reis gesteld was, kan ik niet beschrijven. Ik was +vreeselijk bedroefd en verslagen totdat wij eindelijk te Newcastle +aankwamen, waar ik alle omstandigheden omtrent de ziekte en den dood +van mijne moeder vernemen kon. + +"Toen de postwagen stilhield, kwam de heer, die onderwijl buitenop +was blijven zitten, aan het portier, gaf mij de hand en zei mij: + +"Als ik wel heb, zijt gij Masterman Flink, die eens het ruime sop +ingingt; of vergis ik mij misschien?" + +"Neen, mijnheer," zei ik heel verslagen, "ik ben het wezenlijk." + +"Welnu, wees dan maar zoo neerslachtig niet, jonkman," antwoordde +hij mij. "Destijds toen ge van huis liept, waart ge nog een jongen +zonder verstand en hadt er geen begrip van, dat uwe moeder zooveel +om u te lijden zou hebben, als ze werkelijk deed. 't Was niet zoozeer +uw wegloopen, dan wel de tijding van uw dood, wat haar zoo verslagen +maakte, en daaraan hebt gij geen schuld. Ge moet thans met mij meegaan, +want ik heb u nog veel dingen te zeggen." + +"Ik zal morgen bij u komen, mijnheer," antwoordde ik. "Voordat ik mijne +oude buren bezocht heb en op 't graf van mijne lieve moeder geweest +ben, kan ik toch niets aanvangen, 't Is waar, 't was niet opzettelijk, +dat ik moeder zoo ongelukkig maakte, en aan 't gerucht van mijn dood +heb ikzelf ook geen schuld; maar toch weet ik wel heel goed, dat zij, +als ik niet zoo gedaan had, nog wel in het leven gebleven en misschien +een heel gelukkig mensch wezen zou." + +"Uit kleine oorzaken, mijn beste Willem, komen vaak de droevigste +gevolgen voort, en als wij, bij het doen van iets, eerst nadenken +wilden, wat er de gevolgen wel van konden zijn, zonden wij ons veel +wroeging en veel berouw in het leven kunnen besparen. + +"Die heer gaf mij zijn adres op, en ik beloofde dat ik den volgenden +morgen bij hem zou komen. Toen ging ik naar het huis, waar mijne moeder +gewoond had. Ik wist wel, dat zij daar niet meer was, en toch was 't of +mijn hart ineenkromp, toen ik daar hardop praten en lachen hoorde. Ik +gluurde eens naar binnen; want de deur stond juist open. In den hoek, +waar mijne moeder altijd placht te zitten, stond een groote mangel, +waaraan twee vrouwen bezig waren. Aan de ronde tafel, die ik ook nog +kende, stonden twee meisjes te plooien en te stijven en zij riepen +me toe, "wat er van mijn dienst was?" Ik keerde het huis den rug toe +en ging bij een buurman, die ik wist dat een goede kennis van mijne +moeder was geweest. + +"De vrouw was thuis, maar herkende mij niet, zoodat ik haar eindelijk +zeggen moest wie ik was. Zij had mijne moeder tot aan haar sterfuur +opgepast en vertelde mij al wat ik verlangde te weten. + +"Het gaf aan mijn beklemd hart eenige verlichting, toen ik vernam, dat +mijne arme moeder ook zonder mijne schuld wel niet lang meer geleefd +zou hebben, daar zij aan een ongeneeslijke kanker leed; doch tegelijk +vertelde de vrouw mij, dat zij onophoudelijk aan mij gedacht had en dat +mijn naam het laatste woord op hare lippen geweest was. Ik hoorde ook, +dat mijnheer Masterman haar veel goedheid en genegenheid betoond had. + +"Het goede mensch zette hare muts op en geleidde mij naar het graf der +overledene, waar zij mij op mijn verlangen alleen liet. Ik zette mij +op den grasheuvel neder, die het gebeente mijner moeder overdekte. Met +een getroffen hart zat ik daar en weende lang en bitter. + +"Het was reeds geheel donker, toen ik eindelijk het kerkhof verliet +en naar de vriendelijke vrouw terugkeerde, die mijne moeder had +opgepast. Ik sprak met haar en haar man tot laat in den nacht, en +daar zij mij een bed aanboden, bleef ik onder hun dak slapen. + +"Den volgenden morgen ging ik uit, om volgens mijne belofte aan +den heer, met wien ik den vorigen dag gereisd had, een bezoek te +brengen. Op het bordje aan zijne deur zag ik, dat hij notaris was. Hij +verzocht mij plaats te nemen, sloot toen de deur zorgvuldig toe en +deed mij allerlei vragen, om zich te overtuigen, dat ik werkelijk +Masterman Flink was. Toen berichtte hij mij, dat hij mijnheer +Masterman's boedel onder zijn beheer gehad en bij het doorzoeken der +papieren een document gevonden had, dat voor mij van groot gewicht +was, daar uit dat geschrift bleek, dat de verzekering van het schip, +'t welk zooals ik vroeger reeds verteld heb, aan mijn vader en mijnheer +Masterman toebehoord had en vergaan was, niet voor mijnheer Masterman's +aandeel alleen, maar ook voor dat mijns vaders had gegolden, zoodat +die mijnheer mijne moeder haar aandeel bedriegelijk onthouden had. + +"Hij zeide dat papier korten tijd na mijnheer Masterman's dood +in eene geheime schuiflade gevonden te hebben. Daar mijne moeder +nochtans overleden was en hij ook mij voor dood hield, had hij niet +kunnen besluiten, om eene zoo onaangename zaak bekend te maken; +maar nu ik weder was opgedaagd, oordeelde hij, dat zijn plicht van +hem eischte het gansche geval open te leggen. Hij bood zich aan, +om de zaak voor mij bij de heeren te bezorgen, aan wie mijnheer +Masterman zijn gansche vermogen had overgedragen, om daarvoor armen- +en ziekenhuizen te doen bouwen. + +"De verzekering van het schip bedroeg, zeide hij, drie-duizend pond; +een derde deel daarvan kwam aan mijn vader toe, wat alleen duizend, +en met de renten van zoovele jaren, ver over eene som van tweeduizend +pond uitmaakte. + +"Dit was natuurlijk eene zeer aangename tijding voor mij, en gij kunt +wel begrijpen, dat ik zijn voorstel dadelijk gretig aannam. Hij ging +terstond aan het werk, vervoegde zich bij den raad van beheer en legde +aan de heeren het bewijs voor; en allen stemden aanstonds overeen, +dat het geld mij eerlijk toekwam en ook zonder uitstel aan mij moest +worden uitbetaald. + +"Zoodra het geld in mijne handen was, begon ik dat op allerlei dwaze +manieren weg te gooien. Tot mijn geluk, kwam echter in de eerste +dagen de Schotsche bootsman te voorschijn als de beschermengel, +die mij redden wilde. + +"Zoodra ik hem het voorgevallene verteld had, sprak hij zeer verstandig +met mij, bracht mij onder het oog, dat ik thans in de gelegenheid +was, om mij voor mijn gansche leven een zeker bestaan te verschaffen, +en gaf mij den raad, om voor mijn geld een aandeel in een schip te +koopen, onder voorwaarde, dat ik er zelf de kapitein van zou wezen. + +"Die inval beviel mij zeer goed. Ik zag wel in, dat ik wederom zeer +onverstandig gehandeld had, en besloot zijn raad te volgen. Eene +enkele zwarigheid hield mij tegen; ik was namelijk nog zeer jong, +pas twintig jaren oud, en had vroeger een schip wel heel goed weten +te sturen, maar mij in den laatsten tijd weinig daarop toegelegd. + +"Ik deelde Sanders, zoo heette de bootsman, mijn bezwaar mede; maar +hij stelde mij gerust en sloeg mij voor, dat, als ik hem als eerste +stuurman wilde aanstellen, ook die moeilijkheid uit den weg zou zijn +geruimd, daar hij met het roer goed wist om te gaan en mij terstond +op de eerste reis de stuurmanskunst wel in den grond zou leeren. Zoo +kwam dan eindelijk alles in orde. + +"Gelukkig had ik nog niet boven de honderd pond van mijn geld verteerd, +wat evenwel voor dien tijd negentig pond te veel was. Ik keerde naar +Glasgow terug, in gezelschap van Sanders, en deze gaf zich alle moeite +om naar een geschikt schip om te zien. + +"Eindelijk vond hij er een, dat tot het van stapel loopen gereed en, +ten gevolge van een door het kantoor, dat het gebouwd had, geleden +bankroet, te koop was. Hij won berichten en vernam, dat eene zeer +goede en aanzienlijke firma het vaartuig waarschijnlijk koopen zou, +en toen deed hij mij een voorslag om een vierde deel in het schip te +nemen en daarover als kapitein bevel te voeren. + +"Sanders was algemeen geacht en bezat ieders vertrouwen. Zijne +aanbeveling had dan ook tengevolge, dat de onderhandelende partijen +mij verlangden te zien en te spreken. Hoe jong ik ook was, schenen +zij toch met mij tevreden, en de koop kwam werkelijk tot stand. + +"Ik stortte mijn aandeel, dat in twee-duizend pond bestond. Zoodra +het schip van stapel was geloopen, deed ik met Sanders, dien ik +tot eersten stuurman gekozen had, alle moeite om het spoedig geheel +zeilree te maken. Het huis, dat het schip met mij had aangekocht, +was eene Westindische firma, en zoo werd onze bodem natuurlijk tot +de vaart op West-Indië bestemd. + +"Na het betalen van mijn aandeel, bleven mij nog drie- of +vierhonderd pond over. Deze besteedde ik tot den aankoop van +speculatie-goederen voor mijne eigene rekening en het verschaffen van +zeemans-instrumenten en dergelijke. Ook aan mijne eigene uitrusting +liet ik het niet ontbreken. Want ziet gij, Willem, ofschoon Sanders +mij zoo ernstig vermaand had, voortaan verstandiger te zijn, was ik +toch bij de gedachte, dat ik nu kapitein van mijn eigen schip was, +niet weinig opgeblazen. Voor iemand, die kort te voren nog jongen in +den bezaansmast van een oorlogsschip geweest was, was de verandering +dan ook werkelijk al te spoedig en te groot. + +"Ik kleedde mij zeer netjes, droeg fijne overhemden en ringen +aan de vingers; ik trok zelfs handschoenen aan, om witte handen te +krijgen. Inderdaad, als kapitein en deelhebber van een fraai schip was +ik ook een man van gewicht en werd door de overige scheepseigenaars +dikwijls aan tafel genoodigd. Bovendien kon ik het zeer goed doen, +want buiten de winst, die mijn eigen handel afwerpen kon, had ik +ongeveer tien pond als kapitein en daarbij nog het vierde deel aan +de gezamenlijke winsten. + +"Dezen tijd kan ik als den voorspoedigsten van mijn gansche leven +beschouwen, en ik zal daar nu bij blijven stilstaan, ofschoon ik wel +vooruit zeggen kan, dat mijne fortuin niet van langen duur bleef." + + + + + + + +EEN-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK. + +SLOT VAN FLINKS VERHAAL. + + +Den volgenden dag waren zij bezig met op het kronkelpad, dat naar +het magazijn leidde, de wortels der omgehouwen kokosboomen weg te +ruimen. Zoodra dit gedaan was, richtte Flink nevens dat magazijn een +bliksemafleider op, gelijk hij er bij het woonhuis reeds een gezet had. + +Zij hadden nu eindelijk al het werk, dat zij zich gedurende den +regentijd voorgenomen hadden, tot stand gebracht. De schapen hadden +lammeren geworpen; maar die zoowel als de geiten, begonnen gebrek aan +voeder te krijgen. Eene gansche week lang viel er geen regen meer; +de zon verspreidde reeds krachtige warmte en Flink was van oordeel, +dat de regentijd voorbij moest zijn. + +Willem was weder volkomen hersteld en kon in zijn ongeduld nauwelijks +afwachten, dat men het voorgenomen tochtje over het eiland ondernemen +zou, waaraan hij natuurlijk vurig wenschte deel te nemen. Na rijp +beraad werd eindelijk besloten, dat Flink en Willem de eerste wandeling +naar het zuiden doen en zoodra mogelijk terugkeeren zouden, om te +berichten of zij ook wat nieuws ontdekt hadden. + +Op een Zaterdagavond werd dit besluit genomen; des Maandags morgens +zouden beiden opbreken. De reiszakken werden met gekookt pekelvleesch +en platte koeken, die Juno bereid had, rijkelijk gevuld. Ieder zou +zich van een geweer met kruit en lood voorzien; ook zouden zij eene +wollen deken medenemen, om zich bij nacht daarin te wikkelen. Flink +vergat ook zijn kompas en handbijl niet, om weder, evenals op hun +eersten tocht, de boomen in het wond daarmee te merken. + +De gansche Zondag werd tot het in orde brengen van het noodige +besteed. Na het avondeten, begon de goede oude man: + +"Nu, Willem, voordat wij onze reis aanvangen, kan ik mijne historie nog +wel ten einde brengen. Ik heb niet veel meer te vertellen, want mijn +goed geluk duurde niet lang, en na mijne lange Fransche gevangenschap +was al mijn volgend leven eene voortdurende verwezenlijking van het +spreekwoord: Van den regen in den drop, of: Van den wal in de sloot. Ik +bleef er bij staan, hoe ik dat aandeel in het koopvaardijschip gekocht +had en naar mijne gedachten op den besten weg was om mijn fortuin te +maken. Laat mij dus voortgaan. + +"Ons schip was eerlang gereed, en zoo zeilden wij in eene groote vloot +naar Barbados uit. Sanders bewees spoedig een kundig zeeman te zijn, +en voordat wij te Barbados aankwamen, had ik van hem al de kundigheden +verkregen, die ik noodig had, om mijn schip zelf behoorlijk te sturen +en te regeeren. + +"Sanders zocht de oude ernstige gesprekken te hernieuwen; maar mijn +vermogen had mij te ijdel gemaakt, en nu, daar ik mij ook zonder zijn +bijstand tot mijne taak in staat achtte, hield ik mij niet alleen op +een afstand van hem, maar zocht zelfs den baas over hem te spelen. Zoo, +beste Willem, beloonde ik de goedheid, die hij mij altijd had bewezen, +met den snoodsten ondank. Helaas, dat is in de wereld maar al te +dikwijls het geval. + +"Sanders was daar zeer bedroefd over, en bij onze aankomst te Barbados +zeide hij mij, dat hij besloten had het schip te verlaten. Ik +antwoordde hem op hoogen toon, dat hij in alles naar zijne vrije +verkiezing handelen moest. Wat mij het meest daartoe bewoog, was, +dat ik in het hart vurig wenschte van hem ontslagen te worden, alleen +omdat ik gevoelde hem dank verschuldigd te zijn;--met beschaming erken +ik dat, mijn beste Willem. Zoo verliet hij mij dan ook wezenlijk, +en ik was uiterst tevreden, dat hij het deed. + +"Mijn schip had weldra zijne volle lading suiker en wachtte tot eene +groote koopvaardijvloot de vaart naar Engeland zou aannemen. Ik had te +Barbados gelegenheid gevonden om vier metalen kanonnen aan te koopen, +die ik terstond op mijn dek bracht, terwijl ik mij rijkelijk van +de noodige munitie voorzag. Ik was geweldig trotsch op mijn schip +omdat het zich op de heenreis zulk een vluggen zeiler had betoond; +het had zich werkelijk beter gehouden, dan menig oorlogsschip van ons +konvooi, en daar ik nu zelfs nog stukken aan boord had, meende ik van +vijandelijke kaperschepen volstrekt niets meer te duchten te hebben. + +"Wij wachtten nog altijd op ons konvooi, dat evenwel misschien nog +wel een veertien dagen uitblijven kon. In dien tusschentijd brak een +hevige storm los, die mijn schip met de meeste overige vaartuigen +van de ankers sloeg en ons allen gezamenlijk uit de Carlislebaai +dreef. Wij waren genoodzaakt met alle kracht van zeil weer op de +haven aan te sturen, want de storm hield nog met groote woede aan. + +"Ik zelf was 't hartelijk moe, zoo lang op het konvooi te wachten; +daarbij wist ik nog, dat, als ik vóór de overige Westindievaarders +in Engeland aankwam, dit mij tot groot voordeel kon strekken, en zoo +besloot ik dan, om in plaats van andermaal in de baai terug te keeren, +liever zonder bedekking naar Engeland koers te zetten en mij op de +snelle vaart van mijne kiel en op de stukken, die ik aan boord had, +te verlaten. Ik vergat daarbij, dat de verzekering van mijn schip en +lading in Engeland enkel voor het geval was, dat ik in gezelschap +voer, en dat, indien ik die voorzorg verzuimde, in geval van een +ongeluk ook de gansche verzekering nietig zijn zijn moest. + +"Dus ging ik dan naar Engeland onder zeil. Drie weken lang ging alles +uitmuntend: wij ontmoetten slechts zeer weinig schepen. Die, welke +jacht op ons maakten, waren niet tegen ons opgewassen en konden ons dus +niets doen. Reeds stuurden wij met den besten wind op het Kanaal aan, +en ik twijfelde niet meer, of tegen den avond zouden wij de gewenschte +haven binnenloopen, toen ons een Fransche kaper in het gezicht kwam +en aanstonds jacht op ons maakte. Wij waren gedwongen, om bij den wind +te sturen; die woei zeer hard en nam al spoedig onze groote steng weg. + +"Dat was voor ons het grootste ongeluk, dat men zich voorstellen +kon. De kaper kwam nu al nader, achterhaalde ons en tegen den avond +was ik een doodarm Fransch gevangene, want de verzekeringsgelden had +ik verbeurd, omdat ik zonder bedekking het ruime sop was ingegaan. + +"Ik begreep wel, dat ik al mijn ongeluk aan mijzelven te wijten had. In +allen gevalle werd ik hard genoeg gestraft, want bijna zes volle jaren +verzuchtte ik in akelige gevangenschap. Eindelijk waagde ik met drie +of vier rampgenooten de vlucht te beproeven. Wij hadden duizenderlei +ellende door te staan en kwamen eindelijk op een Zweedsch schip, +zonder geld, ja bijna zonder een hemd aan het lijf, om ons tegen de +koude te bedekken, in Engeland aan. + +"Mij bleef natuurlijk niets overig dan op een ander schip naar een +plaatsje om te zien. Ik wou tweede stuurman worden; maar niemand wilde +mij aannemen. Ik zag er daartoe al te haveloos en te ellendig uit, +en om niet van honger en gebrek om te komen, besloot ik dan eindelijk +mij als gemeen matroos vóór den mast te laten aanwerven. + +"Er lag een fraai schip in de haven. Daarheen ging ik, om mijne +diensten aan te bieden. De bootsman ging om den kapitein te halen, +en toen deze aan boord kwam, herkende ik--wien denkt gij wel?--niemand +anders dan Sanders! + +"Ik hoopte nog, dat hij mij niet zoo dadelijk zou kennen. Doch bij den +eersten oogopslag zag hij, wie ik was en reikte mij de hand toe. Ik +had wel in de zee willen wegzinken! Nooit in mijn leven was ik zoo +beschaamd en verlegen, als op dat oogenblik. + +"Sanders merkte dat wel en bracht mij in zijne kajuit. Daar vertelde +ik hem alles, wat met mij gebeurd was. Hij scheen vergeten te hebben, +dat ik mij zoo slecht en gemeen jegens hem gedragen had; hij bood +mij eene plaats op het schip aan en schoot mij zelfs geld voor, +om mij weer nieuw in de kleeren te steken. + +"Evenwel, of hij mijn vroeger gedrag al vergeten wou, ik kon dat niet +vergeten. Ik kwam er openlijk voor uit en smeekte hem om vergiffenis. + +"Deze brave man bleef, zoolang hij leefde, mijn beste vriend. Ik +werd na eenigen tijd zijn tweede stuurman en wij raakten weer op een +vertrouwelijken voet met elkander. Mijn ongeluk had mij nederig en +deemoedig gemaakt. + +"Na zijn dood bleef ik nog een tijdlang tweede stuurman op zijn schip, +doch in 't eind werd een ander voor mij voorgetrokken. Sedert dien +tijd diende ik als gemeen matroos op verschillende schepen. Overal +werd ik geacht en goed behandeld. Ik gevoelde mij, durf ik wel zeggen, +nergens ongelukkig, want ik zag recht goed in, dat rijkdom mij slechts +tot dwaasheden verleiden zou. + +"Nu, beste Willem, kent gij de historie van Masterman Flink. Ik +hoop dat zij hier en daar iets bevat, wat voor u op den duur nuttig +kan worden. Ik ben thans nog maar een oud man, 't leven en de +vermoeienissen zat; mijne eenige hoop is in vrede te sterven en nog +tot aan dat oogenblik nuttig te kunnen zijn." + +"Nuttig zijt gij werkelijk in eene hooge mate geweest," zeide mevrouw +Wilson, met tranen in de oogen; "en ik hoop, oude, beste vriend, +dat gij nog een langen tijd leven en een hoogen, gelukkigen ouderdom +bereiken zult." + +"Dank u wel, mevrouw," hernam Flink; "maar over 't algemeen hebben +de matrozen geen zeer lang leven. En waarlijk, ik zou 't overschot +van mijne dagen ook zeer gaarne op dit kleine eilandje ten einde +brengen. Ik weet, dat gij overigen daar heel anders over denkt, en dat +is ook zeer natuurlijk. Ik ben al een oud man en heb niets te wachten, +voor niets te zorgen; al, wat ik begeer, is nuttige bezigheid. Gij +zijt in vergelijking van mij allen nog jong en wacht nog veel van de +toekomst. Om uwent-, maar niet om mijnentwil hoop ik van harte, dat +men ons zoeken en vinden zal, zoodat gij weer in de woelige wereld +kunt terugkeeren. Ik voor mij zal gaarne 't overschot van mijn leven +op dit eiland slijten en hoop, dat die kokostakken eens over mijn +graf zullen wuiven. Ik weet niet, maar ik heb er een zeker voorgevoel +van, dat dit ook werkelijk zoo gebeuren zal, en ik kan wel zeggen, +dat die gedachte in zeker opzicht een troost voor mij is." + +"Neen, neen, daaraan moet gij volstrekt niet denken!" riep de heer +Wilson. "Gij moet eens met ons terugkeeren en uw ouderdom in ons +midden doorbrengen. Gij moet uw zeemansleven opgeven, u aan onzen haard +nederzetten, als gij wilt, en in onzen tuin u in de zon koesteren. Gij +hebt behoefte aan rust en ik vertrouw zeker dat gij nog een gelukkigen +ouderdom zult beleven. In allen gevalle zal het mijne schuld niet zijn, +als die hoop van mij niet vervuld wordt." + +"De mijne evenmin," voegde zijne vrouw er bij; "ik zou ontroostbaar +zijn, als gij ooit van ons heengingt." + +"Ik dank u, mevrouw en ook u, mijnheer, van ganscher harte voor uwe +goede bedoeling.--Beste Willem, wij moeten voor dag en voor dauw op +en daar wij allen nog eerst samen ontbijten zouden, wordt het thans, +dunkt mij, hoog tijd, om eens met ons hoofdkussen te spreken." + +"Gij hebt volkomen gelijk," antwoordde mijnheer Wilson. + + + + + + + +TWEE-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK. + +TWEEDE UITSTAPJE DOOR HET EILAND. + + +Den volgenden morgen waren allen zeer vroeg op en ontbeten nog met +elkander. De gebakken visch smaakte kostelijk; Thomas at zoo gulzig, +dat hij bijna aan eene graat gestikt was, die hem in de keel bleef +steken. Juno deed lang vergeefsche moeite om er met den vinger bij te +komen. Mevrouw Wilson was in grooten angst totdat het Juno eindelijk +gelukte haar met den wijsvinger los te krijgen. + +Geweren, reiszakken en al het benoodigde tot de reis waren reeds vooraf +klaargemaakt, en zoo stonden Willem en Flink eindelijk van tafel op, +namen hartelijk afscheid van de achterblijvenden en begaven zich +op weg. + +De zon scheen helder, de lucht was reeds tamelijk warm; de dansende +golven van den oceaan glinsterden in de verte en de kokosboomen +schommelden hunne gekuifde kruinen in den zachten wind. Met een +vroolijk hart, braken zij op en riepen de beide herdershonden. Ook +Vixen wilde meegaan, maar moest tot bewaking van de familie +achterblijven. + +Het magazijn voorbij, ging het den tegenoverliggenden heuvel op, +het bosch in en weldra werden de bijlen losgemaakt, om de boomen +daarmede te merken. Flink haalde zijn zakkompas voor den dag en +regelde daarnaar de richting van den weg, dien zij nemen wilden. + +Een tijdlang ging het zoo voort, zonder dat men een woord sprak, +rechts en links werd de boombast met de bijl geteekend, totdat Flink +andermaal staan bleef, om naar zijn kompas te zien. + +"Mij dunkt, Flink, het bosch is hier dichter, dan ik het nog ergens +gezien heb," zeide Willem. + +"Ja, ja, gij hebt gelijk. Naar 't mij voorkomt, moeten wij thans +omtrent midden op het eiland in het dichtste deel van het woud +zijn. Dat zal wel spoedig blijken. We moeten ons wat meer naar +het Zuiden richten; daarbij zal het goed zijn, dat we stevig +doorstappen. Hoe verder we komen, des te minder hebben we te doen, +en we kunnen dan ook rustig samen praten." + +Zoo stapten zij een half uur wakker voort. Gelijk Flink gezegd had, +werd het bosch allengs minder dicht, maar toch konden zij niets dan +kokosstammen ontdekken. Het was geen lichte arbeid, ieder oogenblik +nieuwe boomen te merken, en het zweet liep hun tappelings over het +gezicht, zoo zwaar begon hun dat ten laatste te vallen. + +"Me dunkt, Willem, we moesten eens eene minuut of wat uitrusten, +want anders wordt gij al te moe. Ge zijt nog niet zoo sterk, als gij +vóór uwe ziekte waart." + +"Ik ben niet meer zoo goed aan het werk gewoon als vroeger, en +daarom ben ik nu gauwer moe, Flink," antwoordde Willem en droogde +zich het gezicht met zijn zakdoek af, terwijl hij zijn geweer tegen +een boomstam zette. "Ik heb er niets tegen, dat we eens een poosje +uitblazen. Hoe lang, denkt ge, zal het nog duren tot we het bosch +achter den rug hebben?" + +"Me dunkt, geen half uur meer; of misschien zijn wij er schielijker +uit. Ik weet niet, hoe ver het bosch zich in deze richting uitstrekt." + +"Wat denkt ge dan zoo al daar achter te vinden?" + +"Dat is moeilijk te zeggen. Ik kan alleen zeggen wat ik hoop te +vinden, namelijk een ruim, vlak grasveld tusschen het bosch en de +kust, waar onze schapen en geiten weiden kunnen. Dan was het ook +mogelijk, dat wij buiten de kokossen nog andere boomen, heesters +en struiken vonden; tot hiertoe hebben wij niets dan kokosboomen +en ricinusstruiken gezien. Weet gij nog wel Willem, hoe Thomas het +van de bessen te kwaad gehad heeft? 't Is onmogelijk te bepalen, +mijn jongen, hoe menigerlei zaadkorrels door vogels of door wind en +baren wel hierheen gebracht zijn." + +"Ja, maar zouden die zaken ook opkomen?" + +"Wel zeker, Willem. Ik heb mij wel eens laten vertellen, dat vele +zaadkorrels honderden jaren onder den grond kunnen zitten en later, +als de zon er op schijnt, toch nog opkomen!" + +"Nu herinner ik mij," antwoordde Willem, "dat mijn vader mij eens +vertelde, hoe een gerstekorrel, die voor drie of vier duizend jaren +met eene Egyptische mummie begraven was, zelfs na dien langen tijd +nog opkwam, nadat men haar in den grond had gestoken." + +"Wat is dat eene mummie, Willem? Van Egypte heb ik wel gehoord: dat is +het land, waar de kinderen Israëls gevangen waren en waar zij later +uittrokken. Dat alles lezen wij in den Bijbel, en ook van de zeven +plagen, waarmede Pharao bezocht werd, totdat hij het Joodsche volk +gaan liet." + +"Ja, ja; hij verdronk met zijn gansche leger, omdat hij hen +achtervolgde en weder terugdrijven wilde.--Eene mummie, Flink, is +het lijk van een mensch, dat na den dood met verschillende specerijen +ingebalsemd wordt, om het tegen verrotting te bewaren. Ik heb er nog +nooit eene gezien, maar weet uit de boeken, dat de Egyptenaren hunne +lijken zoo plachten in te balsemen.--Maar kom, nu kan ik, dunkt mij, +wel weer verder gaan." + +"Goed, Willem; hoe eer wij het bosch achter ons hebben, des te beter +voor ons." + +Zonder oponthoud zetten zij na hunne wandeling voort, en ze waren +nog geen kwartier verder, of Willem riep: + +"Flink, ik zie den blauwen hemel! We zijn het bosch weldra ten einde, +en ik ben daar hartelijk blij om, want mijn arm doet mij zeer van +dat aanhoudend kappen." + +"Mij gaat het niet beter, Willem. Ik ben waarlijk even blij als gij; +want het werken heeft mij ook vermoeid. Evenwel moeten wij daarmee +nog voortgaan, want anders vinden we onzen weg niet terug, als wij +dien noodig hebben." + +Tien minuten later hadden zij het kokosbosch achter zich en kwamen +te midden van manshooge struiken zoodat zij niet zien konden, hoe +ver zij nog van de kust verwijderd waren. + +"Nu, Goddank," riep Willem en wierp de bijl op den grond; "ik ben +blij, dat dit voorbij is. Nu zullen we ons een poosje neerzetten, +voordat wij verder gaan." + +"Dat is mij wel," zeide Flink en nam bij Willem plaats. + +"Ik voel mij heden veel meer vermoeid, dan toen wij van de andere +zijde van het eiland door het bosch kwamen. Ik geloof bijna, dat het +weer daaraan schuld is. Komt hier honden; koest daar!" + +"Het weer is toch heel mooi, Flink." + +"Nu, ja zeker; maar ik heb u, meen ik, reeds gezegd, dat de regentijd +voor de gezondheid zeer nadeelig is, en zoo denk ik wel haast, dat +ik daarvan nog niet bekomen ben. Gij hebt wezenlijk de koorts gehad +en kunt u natuurlijk niet zeer sterk voelen; maar men kan toch ook +zonder koorts aan zijne gezondheid veel geleden hebben. Ik ben een +oud man, Willem, en begin thans allerlei gebreken te voelen." + +"Me dunkt, Flink, voordat wij opbreken, moesten wij ons middagmaal +houden; dat zal ons zeker goed doen." + +"Ja, Willem, wij zullen een vroeg maal houden dan raken wij in allen +gevalle eene onzer waterflesschen kwijt. Halt! goed, dat ik het +bedenk. Daar wij toch denzelfden weg terug moeten, konden we onze +reiszakken en al 't verdere buiten de geweren wel onder deze boomen +laten liggen. Misschien ook dat wij hier wel overnachten zullen, +want ik heb uw vader stellig gezegd, dat hij ons vandaag nog niet +terug wachten moest. Aan uwe moeder wilde ik dat niet zeggen, omdat +zij altijd zoo bezorgd voor u is." + +Hierop werden de knapzakken geopend en het middagmaal gehouden, +waarvan de beide honden rijkelijk hun deel kregen. Na het eten zetten +zij hunne ontdekkingsreis opnieuw voort. Wel tien minuten lang moesten +zij zich door de hooge, dichte struiken een weg banen, totdat zij ten +laatste den uitgang bereikten en toen eene poos zonder een woord te +spreken in het rond zagen. + +De zee lag op ongeveer een halve mijl afstands voor hen: het +daartusschen liggende land was eene open vlakte met frisch, heerlijk +gras overdekt, en vormde eene voortreffelijke weideplaats. Hier en +daar was de bodem met enkele kleine boomgroepen bezet; de kust vormde +geen zandvlakte gelijk op de andere zijde, maar de klippen rezen tot +eene hoogte van twintig tot dertig voet loodrecht uit de zee op en +waren op vele plaatsen met een vreemde, sneeuwwitte stof overdekt. + +"Zie, Flink," begon Willem eindelijk, "daar zou nog voeder genoeg +voor onze kudde zijn, ook als zij tienmaal zoo sterk werd." + +"Ja, ja, mijn jongen; dat is een groot geluk, en wij hebben alle reden +om dankbaar daarvoor te zijn. Dat is juist wat wij noodig hadden. Laat +ons nu echter wat verder gaan en die boomgroepen onderzoeken, om te +zien, waaruit ze bestaan. Ik zie daar een groot, breed blad, dat ik, +als ik mij niet bedrieg, al dikwijls meer gezien heb.--Ja, Willem, +ik had wel gelijk," vervolgde hij, nadat zij de boomen, waarop hij +gewezen had, genaderd waren. "Ziehier, dat is een pisangboom. Hij bot +juist uit en zal weldra tien of twaalf voet hoog zijn. Zijne vrucht +smaakt voortreffelijk en zijne bladeren geven een uitmuntend voedsel +voor het vee." + +"Hier is een plant, die ik nog nooit gezien heb,--hier deze kleine," +zeide Willem, terwijl hij een takje afbrak en dat zijn ouden vriend +toonde. + +"Maar ik wel, Willem. Men noemt het gewoonlijk vogelpeper en de u +welbekende Cayennepeper wordt daaruit bereid. Zie, het heeft al loten; +het zal ons bij het koken goede diensten doen, daar we toch geen peper +meer overhebben. Juno zal er wat blij mee zijn. Gij kunt daar verder +uit opmaken, Willem, dat er ook vogels op dit eiland moeten zijn; +althans is dit zeer waarschijnlijk, want de zaden van al deze planten +en boomen kunnen slechts door hen hierheen gedragen zijn. Pisang +en peper dienen vele vogelsoorten tot voedsel. De zaadkorrel, welk +een dezer vogels vallen liet, is opgekomen en heeft verdere loten om +zich heen verspreid, die van jaar tot jaar in talrijkheid en grootte +toenamen. Dit is ook de reden, waarom gij ze alle in afzonderlijke +groepen hier en daar verstrooid ziet. Kijk, daar schiet eene menigte +Pisangplanten uit den bodem op; in weinige weken zullen ze een heel +bosch uitmaken." + +"En wat is dat daar voor eene stekelachtige struik, Flink?" + +"Ik zie niet zoo scherp als gij Willem, en dus dienen wij wat naderbij +te treden. Ha, ik zie het al; het is de zoogenaamde Westindische +stekelbes. Ik ben zeer blij haar gevonden te hebben, want zij kan +ons van groot nut zijn." + +"Is ze goed om te eten, Flink?" + +"Dat juist niet; ook prikt ge u met hare stekels licht in de vingers +en kunt ge ze er moeilijk weer uitkrijgen; voor de afwisseling evenwel +zal zij zoo kwaad niet smaken. Het hoofdnut brengt die struik nochtans +als heg om onzen tuin aan, tot bescherming tegen de dieren. Zij geeft +eene uitmuntende heining en wast zeer snel, zonder oppassing noodig +te hebben. Zie eens, daar staat een halve akker vol met dat gewas; +het is juist aan het bloeien toe. Laat ons nu eens naar gindsche +groep gaan en zien wat het is." + +"Wat is dat voor eene plant, Flink?" + +"Ik weet het niet, Willem; ik kan niet zeggen, dat ik ze vroeger ooit +gezien heb." + +"Dan, dunkt mij, zal ik 't best doen, al de planten, die gij niet +kent, te verzamelen en aan vader te brengen. Hij is een groot vriend +van de kruidkunde en zal ons wel weten te zeggen wat ze zijn." + +"Braaf! Dat zullen wij doen; dat is een recht goede inval van u." + +Willem plukte een tak van de onbekende plant af en nam dien mede. Bij +de naaste groep bleef Flink staan en beschouwde haar lang met groote +opmerkzaamheid. + +"Wacht, laat zien," zeide hij eindelijk; "dezen boom geloof ik te +kennen, althans heb ik hem meer in de heete landen gezien. Ja, ja, +ik heb 't, Willem; een guayababoom." + +"Hoe, dezelfde, uit wiens vruchten men den guayabawijn bereidt?" + +"Ja, dezelfde." + +"Nu, wat zal Thomas watertanden, als hij daarvan hoort! Kapitein +Osborn gaf ons op onze reis eens guayabamost te proeven, en Thomas +wilde er al meer van hebben, zoo smaakte die hem." + +"Kleine jongens van Thomas' jaren denken meer aan eten en drinken +dan aan iets anders; dat is natuurlijk, en wij moeten Thomas daarom +niet hard vallen. Hij zal mettertijd een fiksche jongen worden; +geloof dat vrij, Willem!" + +"O zeker, dat hoop ik ook, Flink, en ik twijfel er ook in 't geheel +niet aan. Willen we thans verder gaan?" + +"Ja; maar welken kant zoudt ge 't liefst gaan?" + +"Laat ons in de richting van deze vijf boomen voortloopen en dan tot +aan de klippen afdalen. Ik zou gaarne weten hoe het komt, dat die +zoo wit zijn." + +"Komaan dan, als gij het zoo verkiest, beste jongen." + +"Hé, Flink! wat is dat voor een rumoer? Luister, dat geschreeuw! Dat +moeten apen zijn." + +"Neen, neen, dat zijn geen apen; ik wil u wel aanstonds zeggen, wat +het is, ofschoon ik nog niets zie.--Papegaaien zijn 't,--ik ken hen +aan hun geschreeuw. Zie, Willem, het is niet heel waarschijnlijk, +dat apen hierheen gedwaald zouden zijn, maar wel vogels, en aan hen +zijn wij de pisangs en guayaba en al de andere vruchten verschuldigd, +die wij misschien nog ontdekken zullen." + +Zoodra zij onder de boomen kwamen, ontstond er een oorverdoovend +gefladder en geschreeuw. Meer dan driehonderd papegaaien vlogen +krijschend op en hunne fraaie groene en blauwe pluimen schitterden +prachtig in de stralen der zon. + +"Zeide ik het niet, Willem? Nu, dat is eene kostelijke ontdekking en +kan ons van tijd tot tijd aan eene keurige pastei helpen." + +"Pastei, Flink? Gebruikt men hen dan tot pasteien?" + +"O ja, zij smaken heerlijk; in West-Indië en Zuid-Amerika heb ik er +mij dikwijls lekker op vergast. Wacht, wacht, laat ons hier nog een +eindje verder op gaan. Ik zie daar een blad, dat ik gaarne nader +onderzoeken zou." + +"De grond schijnt hier moerassig te worden, Flink, dunkt u dat +ook niet?" + +"Ja, ja; hier onder onze voeten schuilt water genoeg. Des te beter +voor ons vee; wij graven het dan eenige kommen, als het hierheen +komt. Ha! ik dacht wel, dat ik mij niet bedriegen zou. Zie eens, +Willem! dat is het allerbeste, dat we nog gevonden hebben; nu behoeven +wij niet zoo meer van onze aardappelen af te hangen." + +"Ei, wat is het dan, Flink?" + +"Yamswortels, mijn jongen, yams- of broodwortels, die men in West-Indië +in plaats van aardappelen gebruikt. Gij moet namelijk weten, dat de +aardappelen in heete luchtstreken niet lang hunne oorspronkelijke +gedaante behouden." + +"Hoe meent gij dat, Flink?" + +"Na een of twee oogsten veranderen zij in zoogenaamde zoete +aardappelen; de yamswortels zijn, naar mijn oordeel, in alle gevallen +beter." + +Op dit oogenblik wierpen de honden zich in het door de yamswortels +gevormde hooge groen en begonnen te blaffen; een poosje daarna hoorde +men een sterk getrappel en gebrom. + +"Wat is dat?" riep Willem, die zich juist op den grond gelegd had, +om de yamsplant te onderzoeken en bij dat gerucht ontsteld opsprong. + +De oude man lachte hartelijk. + +"Het is niet de eerste maal, Willem," zeide hij, "dat ze u een schrik +op het lijf hebben gejaagd." + +"Wat! onze varkens zijn het? Wezenlijk?" vroeg de knaap verwonderd. + +"Wis en zeker: zij hebben de broodwortels in den neus gekregen en +smullen er braaf van, dat moogt gij vrij gelooven." + +Flink verhief zijne stem en klapte in de handen. Weldra hoorde men +onder de bladeren een getrappel en geknor en kort daarop sprongen--niet +zes, maar over de dertig varkens, groote en kleine, uit het groen te +voorschijn; en snuivend en knorrend stoof de gansche kudde in wilden +galop langs de vlakte voort, totdat zij het kokosbosch bereikt had +en daarin verdween. + +"Maar wat zijn ze wild, Flink!" riep Willem. + +"Ja, en ze worden nog met elken dag wilder. We moeten de yamswortels +echter tegen hen omheinen, anders blijft er ons niets van over." + +"Maar ze zullen de heg vernielen, voordat die nog behoorlijk is +opgeschoten." + +"Dat zouden zij wel; maar daartegen maken wij een stevige omheining +van kokospalen en planten aan den buitenkant van die stekelbessen, +welke gij ginds gevonden hebt. Eer nog onze palen vermolmd zijn, +wassen de stekelbessen tot eene heg omhoog, waardoor geen dier kan +heenbreken.--Nu, Willem, moeten wij ons echter eens naar de kust +wenden." + +Toen zij de rotsen naderden, die op enkele plaatsen vijftig ellen +boven den rand des waters uitstaken, merkte Flink aan: + +"Nu kan ik u zeggen, jonge vriend, wat de witte plekken ginds op +de klippen te beduiden hebben. Zij zijn afkomstig van de zeevogels, +die hier ieder jaar komen nestelen en hunne jongen uitbroeden. Als +niets hun dat belet, keeren zij telkenreize naar de eigen stee terug." + +Zij bereikten weldra het bedoelde punt, dat zich uit de verte zoo +wit vertoonde; zij vonden het vol veeren en pluimen, met mest en +drek doormengd. + +"Ik zie nergens een nest, Flink: niet eens een spoor van vroegere +nesten." + +"Wel dat is ook niet mogelijk. Hun geheele nest bestaat namelijk +daarin dat zij een rond gat van een halven duim diep in den grond +krabben en dicht naast elkander gezeten hunne eieren in de kuilen +leggen. Spoedig is het tijd dat zij terugkomen; dan zullen wij hun +een bezoek brengen en van hunne eieren medenemen, zooveel als wij er +noodig hebben. Die smaken namelijk lang niet leelijk." + +"Ei, Flink, wat hebben wij vandaag al eene menigte goede dingen +gevonden. Ons uitstapje is toch waarlijk heel gelukkig uitgevallen." + +"Ja, inderdaad; bedenk slechts, mijn jongen, hoe onze hulpmiddelen hier +van jaar tot jaar vermeerderd kunnen worden, als wij maar eenigermate +vlijtig en arbeidzaam zijn." + +"Weet ge wat ik daar al dacht, Flink?--We hadden ons huis misschien +liever hier moeten bouwen." + +"O, neen, Willem; we hebben hier niet zulk zuiver water als daar, en +ook niet het zandige strand, dat ons het voordeel van een schildpad- +en een vischvijver verleent. Neen, Willem, ons vee kunnen wij hier +wel laten weiden; we kunnen hier de vruchten in het rond inoogsten en +met de arme vogels deelen; we kunnen de yamswortels en wat nog verder +nuttigs hier voor ons groeit inzamelen; maar ons huis, onze woning, +moet blijven waar het tegenwoordig is." + +"Gij hebt gelijk, Flink; maar het zal een lange weg wezen hierheen." + +"Ook dat niet, als wij er maar eerst aan gewoon zijn en een behoorlijk +pad gemaakt hebben. Bovendien kunnen wij misschien onze boot hierheen +brengen. Ik zal dadelijk maar eens langs de klippen gaan en dat +onderzoeken." + +Zij gingen nu ongeveer een half uur den zeekant langs, totdat zij +aan een punt kwamen, waar de rotsen niet meer zoo hoog waren. Daar +ontdekten zij eene kleine kom, die in de klippen was ingesneden en +slechts een enkelen ingang had. + +"Zie eens, Willem, welk eene aardige kleine haven voor onze boot. Van +hier kunnen wij haar met yamswortels laden en naar onze woonplaats +brengen, verondersteld dat wij op de zuidzijde eene doorvaart voor +haar vinden kunnen. Wij hebben daar nog niet naar omgezien, omdat +wij tot hiertoe zoo iets nog niet noodig hadden." + +"Ja, Flink, dat is waarlijk een aardig, rustig plaatsje voor onze +boot; doch hoe zullen wij het wedervinden, als wij van de andere zij +van het eiland aankomen?" + +"O, heel gemakkelijk, Willem; ik heb slechts een hoogen stok als +merkteeken op te zetten." + +"Wat is dat daar toch voor een ding, Flink?" vroeg Willem en wees op +een voorwerp in de laagte. + +"Aha, ik zie het al, jongen; dat is een zeekreeft, die zeer goed is om +te eten. 't Is wel mogelijk, dat wij dan ook nog eens een kreeftvijver +gaan aanleggen; dan kunnen wij hen in menigte vangen en krijgen een +smakelijk gerecht te meer." + +"En wat zijn dan die kleine ruwe dingen daar beneden aan de klippen?" + +"Dat is eene zeer kleine soort van oesters, die heel zoet smaken. Ze +zijn anders dan die in Europa; ze zijn veel malscher en smaken nog +veel beter." + +"Bravo, Flink, dan hebben wij weer twee nieuwe lekkernijen op onze +tafel," riep Willem verblijd uit. "Wat worden wij nog rijk!" + +"Ja, mijn jongen; maar vergeet niet, dat wij ze eerst moeten vangen, +want zonder moeite en arbeid krijgt men in de wereld niets gedaan." + +"Flink," begon Willem plotseling weder, "wij hebben nog drie volle +uren dag: willen we niet naar huis gaan en vertellen, wat we gezien +hebben? Moeder zal hartelijk blij wezen, als zij ons wederziet." + +"Met hart en ziel mijn jongen. Voor een dag hebben wij vrij wat +afgedaan; dus kunnen we nu wel terugkeeren en weer eene week te huis +blijven of althans zoolang men ons daar niet missen kan. Vruchten zijn +er bovendien toch nog niet; het eenige, waarvoor ik zorg wil dragen, +zijn de yamswortels, want ik ben bang, dat onze varkens anders met +het beste wegloopen. Doch laat ons nu op weg gaan en de zaak nader +met uwen vader overleggen." + +Terwijl Willem van het zeestrand naar het kokosbosch terugkeerde, +plukte hij van iedere plant, die hij voorbijkwam een takje af, om +dat voor zijne vader mede te nemen. Weldra vonden zij het plaatsje, +waar zij hunne knapzakken en handbijlen hadden achtergelaten. Van daar +keerden zij langs het vorige pad door het kokosbosch terug en volgden +daarbij de merken, die zij 's morgens in de boomen hadden uitgekapt. + +Een uur voor zonsondergang kwamen zij bij hunne woning aan en vonden +mijnheer en mevrouw Wilson voor de deur zitten. Juno was met de beide +kleinen aan het strand, en de dreumessen hadden dol veel pleizier +met de schelpen, die zij hier en daar op het zand vonden. Willem gaf +zijn vader nauwkeurig verslag van al wat hij ontdekt had en liet hem +de monsters van al de verschillende planten zien, die hij had opgedaan. + +"Dit hier," zeide zijn vader, "is eene algemeene bekende plant, en 't +verwondert mij, dat onze Flink haar niet kent;--'t is immers hennep." + +"Dien heb ik nooit anders dan tot touw verwerkt gezien," betuigde +Flink; "maar het zaad ken ik daarom toch heel wel." + +"Nu, als wij er van noodig hebben, kan ik u zeggen hoe men er mee +moet omgaan," antwoordde mijnheer Wilson. "Laat zien, Willem, wat +hebt ge nu?" + +"Dit vreemde, stekelachtige ding." + +"'t Is de eierplant; ze draagt eene vrucht van vorm en kleur geheel +gelijk een ei. Ik heb wel gehoord, dat die in de heete luchtstreken +wordt gegeten." + +"Ja, mijnheer, dat is ook zoo. Men legt ze in met peper en zout; +dat noemt men dan bringal. Me dunkt, dat moet het wel wezen." + +"Vast wel; ge hebt zeker gelijk," hernam mijnheer Wilson.--"Foei, +Willem, dat hier moest ge toch kennen." + +"Het heeft veel van eene wijndruif." + +"Ja; dat is het ook, 't is eene witte druif. In allen gevalle kunnen +wij ze eten en misschien ook wijn daaruit persen; wie weet!" + +"Nu heb ik nog maar ééne plant, vader. Wat is dat?" + +"Gij hebt het niet gekend, Willem, omdat het zoo hoog opgeschoten +is. 't Is niets anders dan de gewone mosterdzaadplant, die wij in +Europa in menigte aankweeken. Nu, waarlijk gij hebt uw dagwerk goed +volbracht. Kom, haast u wat, Juno, met de tafel te dekken, meid. We +gaan dus maar naar binnen; want de zon is reeds aan 't ondergaan en +over een paar minuten is het donker." + +Zoodra zij naar huis teruggekeerd waren, werd over den thans +onderhanden te nemen arbeid beraadslaagd. Na eenig overleg kwam men +overeen, dat het raadzaam zou zijn eerst de boot uit het zand op te +delven. Zoodra deze in orde was gebracht, zouden de klippenreeksen +aan de zuidzijde onderzocht worden, om te zien of er een doorgang +door te vinden was, daar het waarschijnlijk veel tijd zou wegnemen, +als men ze moest omvaren. + +Wanneer dit geschied was, wilden mijnheer Wilson, Flink, Willem +en Juno allen te zamen naar de andere zijde van het bosch gaan en +eene tent medenemen, die op den nieuw ontdekten grond zou worden +opgeslagen. Dan wilde men een vlaggestok in de kleine haven planten, +om de plaats daaraan te kunnen herkennen. Dit alles gaf natuurlijk +een vrij zwaar dagwerk; maar toch wilden zij nog den eigen avond +terugkeeren, om mevrouw en de kinderen geen nacht alleen te laten. + +Was dit gedaan, dan zouden Flink en Willem assen, raderen en andere +benoodigde dingen, als b. v. zagen, bijlen en spaden, in de boot +laden en om het eiland naar de zuidzijde roeien, om de kleine haven +op te zoeken. Terstond na hunne landing en het in veiligheid brengen +van de boot, zouden zij dan langs het woudpad naar huis terugkeeren. + +Het eerstvolgend werk zou dan zijn, het yamsplantsoen te omheinen en +tegen de verwoestingen van de varkens te beschutten. + +Tegelijk moesten de schapen en geiten door het bosch worden gedreven, +om op den nieuwen weidegrond hun voedsel te zoeken. + +De oude plek zou blijven staan en afgemaaid worden, om hooi te winnen +tegen den regentijd. Flink en Willem zouden eene genoegzame hoeveelheid +kokosboomen vellen, om voor de omheining van het yamsplantsoen te +dienen. Waren de palen eens ingeslagen, dan wilde ook mijnheer Wilson +komen en hun verder de behulpzame hand bieden. + +Dit, hoopten zij, zou alles in eene maand zijn afgedaan. Gedurende +dezen tijd konden mevrouw Wilson en Juno, die doorgaans te huis moesten +blijven, het onkruid uit den tuin wieden en de noodige toebereidselen +maken tot het planten van een heg. Zoodra dit gewichtige werk achter +den rug was, zou de boot met eene lading stekelbesstruiken voor de +tuinheg in de baai terugkeeren. + +Dan wilden zij hunne opmerkzaamheid op den voorraad richten, die uit +de schipbreuk gered was geworden en nog altijd aan de bocht, waar +zij het eerst geland waren, lag opgehoopt. Na alles onderzocht en +de bruikbare artikelen bijeenvergaderd en in het magazijn gebracht +te hebben, zouden zij vervolgens eene regelmatige opneming van het +eiland te land en te water doen en eene teekening daarvan ontwerpen, +hetgeen mijnheer Wilson zeer goed was toevertrouwd. + +Dit waren de plannen voor het schoone jaargetijde, dat thans een +aanvang had genomen. + + + + + + + +DRIE-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK. + +UITZICHT OP REDDING. + + +Als naar gewoonte was Flink den volgenden morgen de eerste, die uit +het huis kwam. Hij groette Juno, die hem op den voet volgde, en ging +toen zijne gebruikelijke morgenwandeling doen, om naar het plantsoen +en den verderen voorraad te zien. + +Eerst ging hij in den tuin aan den landpunt. Daar nam hij zich voor, +om bij de erwten, die reeds zes of zeven duim boven den grond stonden, +staken te zetten. Vervolgens bezag hij de groote boonen, die voor den +regentijd gepoot waren, en besloot de aarde er rondom om te woelen; +want dit gerecht was voor hen van veel waarde en kon gedurende den +regentijd meermalen de hoofdschotel op hunne tafel worden. Daarna +zag hij, of de augurken al boven den grond kwamen, en ontdekte tot +zijne blijdschap, dat zij welig groeiden. + +"We hebben, voor zoover ik weet, wel geen azijn om ze in te leggen," +dacht hij, "maar dat kan, zooals in Rusland, ook in zout water +gebeuren. In allen gevalle is het eene aangename afwisseling." + +Eindelijk richtte hij zijn oog naar de zee en monsterde, als +doorgaans, den voor hem liggenden gezichteinder.--Daar meende hij in +het noordwesten een schip te zien. Hij bracht zijn kijker aan het oog, +en ziedaar, hij had zich niet bedrogen,--het was inderdaad een schip +in de verte. + +Den ouden man begon het hart hevig te kloppen. Hij nam zijn kijker +onder den arm en haalde diep adem, voordat hij zich van de ontroering, +die hem bevangen had, herstellen kon. Na eene minuut zette hij den +kijker opnieuw aan het oog en thans ontdekte hij, dat eene brik met +mars- en bramzeilen regelrecht op het eiland aanstuurde. + +Flink wendde zich naar de rotspunt, waar zij gewoonlijk hun visch +plachten te vangen. Daar zette hij zich neder en gaf zich aan zijne +gedachten over. Was dat schip misschien uitgezonden, om hen in hunne +verlatenheid op te zoeken, of was het door een bloot toeval tusschen de +rotsen geraakt? Na kort nadenken, kwam hij echter tot het gevoelen, dat +slechts het toeval het herwaarts geleid had; want niemand kon immers +weten, dat zij gered waren geworden, en nog minder, dat zij zich op +dit eiland bevonden. Dat het schip op het eiland aanhield, was enkel +omdat het water of iets anders wenschte in te nemen. Misschien wilde +het ook zijne koers veranderen en het eiland slechts voorbijzeilen. + +"Nu dan, er moge gebeuren wat er wil," dacht de oude, "vooreerst +zal ik Willems ouders niets van de zaak zeggen. Het zou wreed +zijn eene hoop bij hen op te wekken, die zoo licht nog kan worden +teleurgesteld. Binnen weinig uren zal 't immers toch beslist zijn. Maar +Willem moet ik het toevertrouwen,--dat kan niet anders, hij is een +brave jongen en daarbij ook verstandig, ver boven zijne jaren. Als +hij in 't leven blijft, zal hij eens een knap en, wat meer is, een +braaf man worden." + +Met deze woorden stond Flink op, monsterde het schip nog eenmaal door +zijn kijker en ging toen naar huis. Willem was reeds op; de anderen +daarentegen waren nog bezig met zich aan te kleeden. + +"Willem," begon Flink, terwijl beiden het huis verlieten, "ik heb +u een geheim mede te deelen, dat gij vooreerst nog aan niemand +moogt verklappen, zooals gij zelf wel kunt inzien. Bovendien zullen +weinige uren de zaak beslissen." Willem gaf gereedelijk de belofte +van stilzwijgendheid. "Ginds op zee vertoont zich een schip, dat óf +een middel kan zijn om ons uit onze ballingschap te verlossen, óf in +'t ergste geval langs het eiland voorbijvaart, zonder ons gewaar te +worden. Ware dit laatste zoo, dan zou 't eene grievende teleurstelling +voor uwe ouders zijn, als zij het te weten kwamen." + +Willem staarde Flink in het gezicht en kon een tijdlang geen woord +uitbrengen, zoo groot was zijne verbazing. + +"Ach, Flink, wat zal ik dankbaar zijn! Ik hoop, dat wij eindelijk +verlost worden, want gij weet niet, hoe mijn arme vader in het geheim +lijdt--en mijne moeder niet minder." + +"Ik weet het wel, Willem, ik weet het zeer goed en vind het ook +natuurlijk. Zij zoeken hun verdriet zoo goed mogelijk te verbergen, +en meer kan men van hen niet verlangen.--Maar nu, Willem, komt het +op een rasch besluit aan: nog vóór het ontbijt moeten wij aan het +werk. Doch wacht eens,--eerst wil ik u het schip wijzen." + +Flink richtte zijn kijker op het schip, liet zijn instrument tegen +den stam van een kokosboom leunen, en toen bracht Willem zijn oog +aan het glas. + +"Ziet gij het?" + +"O ja, Flink; het komt recht op ons aan." + +"Ja, ja, het stuurt regelrecht op het eiland los. Maar spreek zoo hard +niet, mijn jongen. Ik zal den kijker hier laten; wijzelven zullen +aan het werk gaan; in het voorraadhuis vinden wij eene bijl. Kom, +Willem, gezwind, jongen, voordat uw vader buiten komt." + +Beiden gingen naar het magazijn, om de bijl te halen. Flink zocht +een zeer dunnen kokosstam aan den oever uit. Deze werd geveld en +zoodra hij van den kop ontdaan was, met Willems bijstand naar de +landpunt gebracht. + +"Nu, Willem, moet ge eene schop halen en hier een gat graven, waarin +wij dezen stam als een seinstok zetten kunnen. Is dat gedaan, dan +haal ik een klein blok en touw, om de vlaggen, zoodra het schip ze +bemerken kan, aan den stok op te hijschen. Is 't gat diep genoeg, +dat komt gij aan en doet alsof er niets is voorgevallen. Onder 't +ontbijt stel ik dan voor, dat wij beiden de boot uit het zand halen en +onderzoeken. Uw vader krijgt zoolang werk, dat hem binnenshuis houdt." + +"Maar de vlaggen, Flink,--zij hangen voor moeders bed. Hoe zullen +wij die in handen krijgen?" + +"Ik zal voorwenden, dat het nu tijd is, om het huis eens behoorlijk +schoon te maken, en daarbij moeten dan de venster- en bedgordijnen +afgenomen en op dezen mooien dag buiten gelucht worden. Verzoek +uw vader daarover het opzicht te houden, terwijl wij de boot +uitgraven. Dat zal allen in huis wel bezighouden." + +"Goed; zoo zal het gaan. Flink." + +Onder het ontbijt zeide Flink, dat hij van plan was om vandaag de +boot uit het zand te graven, en dat Willem hem daarbij best helpen kon. + +"En wat zal ik onderwijl bij de hand nemen?" vroeg mijnheer Wilson. + +"Wel, mijnheer, daar de regen voorbij is, zou het, dunkt mij, niet +kwaad zijn, dat wij de bedden eens luchtten. 't Is vandaag een warme, +mooie dag; als al het beddegoed buiten de deur gebracht en flink +uitgeklopt werd dan kon men het in de zon laten liggen, en zoo kwam +er alweder een noodzakelijk werk afgedaan." + +"Ja, ja, dat zal zeer goed zijn, Flink," oordeelde mevrouw Wilson; +"onderwijl kunnen Juno en ik het huis van boven tot beneden uitstoffen +en schoonmaken." + +"Dienden dan de gordijnen ook niet eens afgenomen en in de lucht +gehangen te worden?" vroeg Willem. + +"Ja, waarlijk, dat zou zoo kwaad niet zijn," sprak Flink. "Bij 't +afnemen der gordijnen en vlaggen willen wijzelven een handje helpen +en ze dan in de lucht uitleggen. Als mijnheer er niet tegen heeft, +kan hij het oppertoezicht over de schoonmakerij houden en mevrouw en +Juno helpen, als zij bijstand noodig hebben." + +"Van harte gaarne," was het antwoord. "Welnu, het ontbijt is +afgeloopen; zoo zullen we dan maar terstond beginnen, als ge +'t goedvindt." + +Flink en Willem namen de gordijnen en vlaggen af en droegen ze naar +buiten. Op eenigen afstand van de woning werden de eerste op den +grond uitgespreid; maar met de vlaggen liep Willem haastig naar +het strand. Flink haalde blok en lijnen om ze aan den seinstok op +te hijschen. + +Flinks krijgslist gelukte volkomen. Zonder door de familie gezien te +worden, werd de seinpaal opgericht, in den grond gezet en de vlaggen +tot optrekken gereed gehouden. Vervolgens gingen Flink en Willem +naar den houtstapel. Ieder nam zooveel rijs, als hij dragen kon, +om daarmede een rook te verwekken, die de opmerkzaamheid van het +scheepsvolk trekken moest. + +Dit alles nam niet meer dan een uur weg, gedurende welken tijd de brik +haar koers naar het eiland onafgebroken vervolgde. Toen Flink het +schip voor 't eerst gezien had, was er slechts weinig wind geweest; +onderwijl was de bries echter vrij hevig geworden en de brik had +daarom hare bramzeilen geborgen. Achter het schip was de horizon, +die in den beginne blauw en helder geweest was, allengs met wolken +bedekt geworden en de golven aan de klippen die van het eiland in de +zee uitliepen, werden met wit schuim gekuifd. + +"De wind wordt al heviger," begon Flink; "het schip moet nu weldra +bij ons zijn, als het niet afgeschrikt wordt door de riffen, die het +thans, nu de golven hoog gaan, duidelijker dan te voren bemerken kan." + +"Ik hoop niet, dat ze zich laten afschrikken," hernam Willem. "Hoe +ver mag de brik nog wel verwijderd zijn?" + +"Vijf mijlen omtrent, Willem,--meer niet. De wind is nu meer naar +het zuiden gedraaid en stapelt de wolken ras op. Ik vrees half, +dat wij een duchtigen storm krijgen, ofschoon die niet lang duren +zal. Kom, jongen, laat ons de vlaggen ophijschen; wij mogen niet +langer talmen. Ze zullen braaf in den wind wapperen, zoodat men ze +van ginds af wel al zien kan." + +Zij heschen eerst den langen wimpel op, vervolgens kwam de breede +vlag, waarop de naam van hun verloren schip, De Vrede, met reusachtige +letters geschreven stond. + +"Ziedaar," sprak Flink, nadat de touwen waren vastgebonden. "Nu zullen +we vuur slaan en terdege rook maken. Dat moet in allen gevalle hunne +opmerkzaamheid trekken." + +Zoodra de kokosbladeren in vlam stonden, werd er water op gegoten, +zoodat zij aan 't smeulen gingen en een dichte rookkolom er uit +opsteeg. + +Het schip naderde in rassche vaart. De beide toeschouwers sloegen het +met gespannen verwachting gade.--Daar op eenmaal zagen zij vader en +moeder, met Thomas en Caroline, ook Juno met den kleinen Albert op +den arm, allen met haastige schreden op het strand toesnellen. + +Ziehier, hoe dit kwam. Thomas, den arbeid moede, had het huis +verlaten en was in zijn eentje naar het strand gestapt. Daar +bemerkte hij eerst de waaiende vlaggen en eindelijk ook het schip, +dat naderde. Oogenblikkelijk rende hij naar huis terug, uit al zijn +macht roepende: "Vader! Moeder! Kapitein Osborn is er; hij komt met +een groot schip om ons te halen." Op dit bericht ijlden beide ouders +naar buiten, ontdekten het schip en de in den wind wapperende vlag +en spoedden zich, gelijk reeds gezegd is, naar Flink en Willem, +die bij den vlaggestok stonden. + +"Och, Flink! waarom hebt ge ons dat niet gezegd?" riep mijnheer Wilson +reeds van verre, geheel buiten adem. + +"Ik wenschte, dat gij het ook thans nog niet vernomen hadt, mijnheer," +antwoordde de oude man; "doch dat is te laat. Het geschiedde voor +'t overige met de beste bedoeling van de wereld." + +"Ja, waarlijk, dat is zoo, vader!" + +Mevrouw Wilson zeeg op de rots neder en brak in tranen uit; haar +echtgenoot was niet minder ontroerd en geschokt. + +"Heeft het schip ons reeds opgemerkt, Flink?" vroeg de laatste +eindelijk. + +"Neen, mijnheer, nog niet. Dit juist wilde ik afwachten, voordat ik +u de tijding kwam brengen," was het antwoord. + +"De brik verandert haar koers," merkte Willem aan. + +"Ja, ja, zij is opgeloefd, waarschijnlijk uit vrees van te na op de +klippen te zullen komen." + +"Zij zal ons toch niet verlaten?" riep mevrouw Wilson angstig. + +"Neen, mevrouw; maar men heeft ons nog niet gezien." + +"Maar nu--nu ziet men ons!" riep Willem en slingerde zijne muts in +de hoogte. "Ziet maar, de brik heeft hare vlag geheschen." + +"Waarlijk! thans heeft zij ons ontdekt." + +Mijnheer Wilson omarmde zijne echtgenoote, die zich snikkend aan +zijn hals wierp, kuste vol verrukking zijne kinderen en schudde +den ouden Flink vol dankbaarheid de hand. Hij was geheel uitgelaten +van vreugde. Willem was niet minder verrukt, Juno weende en lachte, +alles in één adem, en Thomas vatte de kleine Caroline bij de handjes +en danste met haar om den vlaggestok rond. + +Zoodra het gezelschap iets kalmer geworden was, merkte Flink aan: + +"Dat zij ons gezien hebben, mijnheer, daaraan is thans geen twijfel +meer. Wij hebben nu niets haastigers te doen, dan onze boot uit het +zand te halen. Wijzelven kennen wel den doorgang door de klippen, +maar die op het schip niet. Ik twijfel overigens, of zij wel wagen +zullen, voordat de wind eenigszins bedaard is, eene sloep naar wal +te sturen. Gij ziet zelf, mijnheer, de wind is op dit oogenblik +vrij sterk." + +"Maar gij gelooft toch niet, Flink, dat het nog harder zal beginnen +te waaien?" + +"Ik moet het u, helaas, bekennen, mijnheer,--ja, dat geloof ik. Naar +het zuiden ziet de hemel er vrij dreigend uit, en voordat de storm +voorbij is, kunnen zij zich moeielijk wagen aan een eiland, dat +gelijk het onze, zoo rondom van de klippen en riffen omgeven is. 't +Zou inderdaad hoogst roekeloos van hen wezen, als zij het deden. Doch +dit alles moet zich binnen weinige uren uitwijzen." + +"Maar zelfs als de storm losbreekt, zullen zij toch zekerlijk het +eiland niet verlaten zonder ons mede te nemen?" merkte mevrouw Wilson +aan. "Nadat de storm voorbij is, keeren zij zeker wel terug." + +Flink zeide niets. De brik had intusschen andermaal gewend, alsof +zij op het eiland wilde aansturen. Weldra echter lag zij weder den +wal uit met den steven noordwaarts. + +"Zij verlaat ons!" riep Willem bedroefd. + +"Laaghartige schurken!" viel mijnheer Wilson vertoornd uit. + +"Gij geeft hun ten onrechte een zoo harden naam, mijnheer," antwoordde +Flink. "De storm verheft zich met geweld en 't zou zeer gevaarlijk +voor hen zijn, als ze daar, waar ze thans zijn, blijven wilden." + +Mijnheer Wilson keerde zich tot zijne gade en gaf haar met een +bedrukt gezicht den arm. Zonder een woord te spreken verlieten zij +het strand. De overige familie volgde hen,--alleen Flink bleef bij +den vlaggestok achter. Hoe treurig stak deze doodsche verslagenheid +bij de luidruchtige vreugde af, waarmede zij het huis hadden verlaten! + + + + + + + +VIER-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK. + +SPOREN VAN EILANDERS. + + +Bij zijne thuiskomst vond Flink allen in zoo diepe treurigheid +verzonken, dat hij het niet raadzaam achtte een enkel woord te +spreken. Zoo viel de avond en naderde tijd om naar bed te gaan. + +Dien ganschen nacht bulderde de storm onophoudelijk door en het water +werd met emmers uit den hemel gegoten. De kinderen sliepen gerust, +zooals altijd; maar vader en moeder, Willem en Flink deden geen oog +toe, luisterden naar de windvlagen en hielden zich ieder met zijne +eigene gedachten bezig. Sedert hunne komst op het eiland was dit de +onrustigste nacht, dien zij nog beleefd hadden. + +Al vóór dag en dauw was Flink in de kleeren en reeds vóór het opgaan +der zon stond hij aan het strand. De storm had nu zijne grootste +hevigheid gehad; maar hoe angstig en scherp hij ook met zijn kijker +rondzag,--van het schip van gisteren was geen zweem meer te ontdekken. + +Hij bleef aan de kust, totdat de tijd van het ontbijt kwam; toen kwam +Willem, om hem te halen en beiden keerden naar huis terug. Bij zijne +komst vond hij mijnheer en mevrouw Wilson bedaarder en kalmer, dan zij +den dag te voren geweest waren. Beiden heetten hun hartelijk welkom. + +"Ik vrees, Flink, dat gij ons weinig goede tijding brengt," zeide +mijnheer Wilson. + +"Waarom dat? Voor 't overige kunt gij die ook niet verwachten, +voordat de storm geheel en al voorbij is." + +"Zeg mij, Flink," vroeg mevrouw, "gelooft gij waarlijk, dat het schip +tot ons zal terugkomen?" + +"Ik zal u al onze uitzichten doen kennen, mevrouw; meer kan ik toch +bezwaarlijk doen. Zoolang de storm aanhield, kon het schip hier +onmogelijk blijven; dat kunt gij zelve wel begrijpen. Wat de orkaan +ten gevolge had, weet niemand onzer te zeggen. Misschien is de brik +in onze nabijheid, als de wind gaat liggen; misschien ook werd zij +door den wind ettelijke honderden mijlen van ons weggedreven.--Dan, +mevrouw, komt de tweede mogelijkheid. Uit de nadering van het schip +tot ons eiland, leid ik af, dat het gebrek aan het water had. Nu is +de vraag of de kapitein misschien niet geraden acht, om zonder zich +verder om ons te bekommeren in de voor hem bestemde haven binnen te +loopen of op eene andere plaats water in te nemen. Gij weet, mevrouw, +dat een kapitein bovenal op 't belang van zijne reeders heeft te +letten. Wel geloof ik, dat het schip, als dat zonder nadeel geschieden +kan, ongetwijfeld zal terugkeeren. De eerste vraag is maar--of het +kan, dan komt de tweede: of de kapitein menschlievend genoeg is, +om voor ongelukkige medemenschen iets over te hebben." + +"In dat alles ligt maar weinige troost voor ons opgesloten, Flink." + +"Maar wat helpt het ook, mijnheer, of wij ons met valsche verwachtingen +vleien en de oogen verblinden?" was het antwoord. "Evenwel zelfs als +het schip zijne reis vervolgde en wij het niet meer te zien kregen, +geloof ik toch dat wij alle reden hebben om blijde te zijn." + +"En waarom dan, Flink?" + +"Wel, mijnheer, vóór de komst van dat schip wist geen menschelijke +ziel, of wij nog in leven waren of niet, en zoo zou ook niemand naar +ons gezocht hebben. Nu evenwel is dit bekend. Uit den scheepsnaam op +onze vlag weten ze wie we zijn, en als ze nu behouden in de haven +aankomen, zullen ze niet nalaten daarvan aan onze vrienden bericht +te brengen. En hebben wij niet alle reden om daarover recht verheugd +te zijn? 't Kan wezen, dat wij door dit schip niet verlost worden; +maar dan hebben wij althans alle hoop, dat een tweede naar ons wordt +uitgezonden." + +"Dat is waar, Flink. Dat had ik al vroeger moeten bedenken; maar +mijne teleurstelling en mijne wanhoop waren gisteren zoo groot, +dat ik geen redelijk mensch meer was." + +De storm hield nog den ganschen dag aan en scheen nog niet te willen +bedaren, toen zij zich andermaal ter ruste begaven. Den volgenden +morgen was Flink als naar gewoonte weder vroeg op, en ditmaal +vergezelde Willem hem naar het strand. + +"Flink! Flink!" riep Willem en wees naar de zuidoostelijke punt van +de klippen. "Wat is dat?--Zie maar! het is eene boot!" + +Flink bracht den kijker aan 't oog. "Het is eene kano, Willem; en +mij dunkt, er zijn menschen in." + +"Maar, Flink, waar kunnen die vandaan komen? Zie eens, nu zijn zij +tusschen de klippen; daar gaan zij immers te gronde. Kom, Flink, +laat ons hun te gemoet gaan." + +Zij snelden beiden naar het strand op het punt aan, waar de boot +op de branding voortdanste en wachtten totdat deze op den oever +werd geworpen. + +"Willem, die kano moet van het groote eiland ginds hierheen zijn +gedreven," zeide Flink, wederom door zijn kijker ziende. "Er zijn twee +menschen in en dat zijn inlanders. De arme schepsels worstelen hard +om hun leven en schijnen doodelijk uitgeput. Doch 't gevaarlijkste +gedeelte van de klippen hebben zij toch reeds achter zich!" + +"Ja," antwoordde Willem; "spoedig komen ze in stiller water. Die +branding hier aan het strand is evenwel toch al heel erg." + +"Die zal hun geen kwaad doen, als de kracht hun slechts niet +begeeft. Waarlijk, ze weten recht goed met hun kano om te gaan." + +Onder dit gesprek was de kano met snelheid de kust genaderd. Een +oogenblik later schoot hij door de branding heen en boorde vast in +het zand. De beide menschen daarin hadden ternauwernood nog kracht +genoeg gehad, om door de branding heen te roeien; toen dit gebeurd was, +zegen zij uitgeput op hunne riemen neder. + +"Wij zullen den kano verder ophalen, Willem. De arme schepsels kunnen +geen vinger meer verroeren." + +Nu eerst ontdekte Flink, dat de eilanders beiden van het vrouwelijk +geslacht waren. Hare gezichten waren heel getatoeëerd of met allerlei +vreemde figuren beprikt, wat haar een vreemd voorkomen gaf; maar voor +'t overige waren zij nog jong en zagen er lang niet slecht uit. + +"Zal ik naar huis loopen en wat eten voor haar halen?" vroeg Willem. + +"Ja, jongen, doe dat. Juno zal u wel wat geven, en als 't kan, +wat warms." + +Willem keerde spoedig met eene gortepap terug, die Juno nog van het +ontbijt had overgehouden en waarvan zij de wilden eenige lepels in den +mond goten, die daarna weldra eenigszins schenen te bekomen. Hierop +liet Willem den ouden Flink bij haar achter en liep naar huis, naar +vader en moeder, om die van de onverwachte gebeurtenis kennis te +geven. Kort daarna kwam hij met zijne moeder terug. De beide wilden +waren intusschen zoover gekomen, dat zij zich oprichten konden, en +allen spanden nu dadelijk hunne krachten in, om den kano zoo ver zij +konden op het land te trekken, ten einde te verhinderen, dat zij door +de golven werd in stukken geslagen. + +Zij vonden in de boot niets dan eene kleine mat, benevens de beide +riemen, waarvan de vrouwen zich bediend hadden. De laatste zoowel +als de boot zelve waren op eene heel wonderlijke wijze gemaakt. + +"Ge ziet, mijnheer," zeide Flink tot mijnheer Wilson, "de beide arme +schepsels waren zekerlijk tot bewaking in den kano achtergebleven +en zijn nu door den storm van een der zuidoostelijke eilanden +afgedreven. Ze moeten sinds eergisteren met den orkaan gekampt hebben +en hebben in al dien tijd denkelijk nat noch droog over de lippen +gehad. 't Is waarlijk een geluk voor haar, dat zij op ons eiland +aandreven." + +"Ja, inderdaad," hernam mijnheer Wilson. "Voor 't overige moet ik +evenwel zeggen, dat mij zulk een bezoek niet bijzonder verblijdt. Het +is een bewijs voor hetgeen wij tot hiertoe nog niet met zekerheid +geweten hebben, dat wij, namelijk, dichtbij buren hebben, die ons +misschien wel eens heel ten onpas met een bezoek konden vereeren." + +"Dat is licht mogelijk, mijnheer," antwoordde Flink: "maar de arme +schepsels die zoo bij ons komen aanspoelen, kunnen 't geval noch erger +noch beter maken. Misschien kan het ons zelfs tot voordeel strekken; +want als deze twee wilden Engelsch leeren, voordat hare landgenooten +ons komen opzoeken, kunnen zij ons tot tolken dienen en zoo misschien +tot de redding van ons leven bijdragen." + +"Zou zulk een bezoek dan zoo gevaarlijk voor ons uitvallen Flink?" + +"Wel, wilden zijn eens en voor al wilden. Evenals kleine kinderen, +verlangen zij naar alles wat hun in de oogen blinkt, inzonderheid +naar zulke dingen, waarvan zij het gebruik kennen, zooals ijzer bij +voorbeeld. Als zij hierheen kwamen en wij een deel van onze goederen +verborgen, maar 't overschot aan hen overleverden, dan konden wij +ons leven misschien nog redden. Evenwel kan men ook in dat geval niet +veel op hen vertrouwen, en ik zou stellig aanraden ons ook tegen eene +groote overmacht te verweren, liever dan ons op genade of ongenade +over te geven." + +"Maar, zouden we ons dan ooit met mogelijkheid tegen zulk eene groote +menigte verdedigen kunnen?" + +"We moeten behoorlijk zijn voorbereid, mijnheer. Als we ons maar goed +verschanst hebben, kunnen we het tegen een paar honderd wel opnemen." + +Mijnheer Wilson sloeg de hand aan het voorhoofd. + +"'t Is waarlijk niet heel troostrijk," zeide hij, na eene poos, +"nu op dit oogenblik aan een verdedigingsplan tegen de wilden te +moeten denken, nadat wij voor twee dagen nog hoop hadden van dit +eiland verlost te worden. O, dat die brik zich nog weer liet zien!" + +"De wind gaat langzamerhand liggen, mijnheer!" antwoordde Flink, +"nog vóór den avond hebben wij kostelijk weer. We kunnen immers later +overleggen; in allen gevalle geef ik deze eerste week alle hoop nog +niet op." + +"Eene heele week, Flink! Och, hoe waar is het, dat teleurgestelde +hoop den mensch geheel wanhopig maakt!" + +"'t Is een zware ramp, mijnheer Wilson; evenwel moeten wij ons +schikken. Voor het tegenwoordige zouden we 't best doen, als wij +deze arme schepsels maar onder dak brachten en maakten, dat ze weer +wat bijkwamen." + +"Ja, Flink; mij dunkt, teekens zullen ze toch wel verstaan?" + +De oude man beduidde haar nu door teekens, dat ze zouden opstaan. Dit +deden zij ook, hoewel niet zonder zwarigheid. Toen ging hij vooruit +en gaf haar een teeken, dat ze volgen zouden. Zij begrepen hem +en poogden te loopen, maar waren zoo zwak, dat zij op den grond +zouden zijn neergevallen, als mijnheer Wilson en zijn zoon haar niet +vastgehouden hadden. + +Er was een lange tijd noodig, voordat men haar in het woonhuis had +gebracht. Mevrouw, die van alles onderricht was, ontving haar zeer +vriendelijk, en Juno had een tafel gedekt, die nu voor haar werd +nedergezet. Zij aten een weinig en legden zich toen neder, waarop +zij weldra in diepen slaap verzonken. + +"'t Is een geluk voor ons, dat het vrouwen zijn," merkte mijnheer +Wilson aan; "als het mannen geweest waren, zouden wij er erger aan +toe zijn geweest." + +"Ja, zeker," hernam Flink; "evenwel mogen wij ook de vrouwen in den +beginne niet al te veel vertrouwen, want ze zijn en blijven altijd +wilden. Als wij nog langer op dit eiland moeten blijven, kunnen zij +in vele opzichten nuttig, ja, zelfs van groote waarde voor ons zijn, +daar zij ons veel werk kunnen helpen verrichten." + +"Maar waar zullen wij haar van nacht onder dak brengen, Flink?" + +"Ik dacht daar juist over, mijnheer. Ik wenschte, dat wij hier +dichtbij eene loods of een schuurtje hadden; doch bij gemis daarvan +moeten wij haar wel in het magazijn laten slapen." + +"O ja, dat zal zeer goed gaan." + +De vreemde vrouwen hadden zich spoedig van hare uitputting hersteld en +schenen zeer zacht en handelbaar te zijn. Wat zij doen konden, deden +zij gaarne en gewillig en ook hadden zij na verloop van veertien dagen +reeds eenige Engelsche woorden geleerd. Een nieuw tochtje over het +eiland werd afgesproken en op den aanstaanden Maandag vastgesteld, toen +hen een nieuwe ramp trof, die al hunne gemaakte plannen overhoop wierp. + +Des Zaterdagsmorgens, toen Flink als gewoonlijk zijne ronde deed, +daalde hij juist naar het strand neer, toen hij den Indiaanschen kano +vermiste. Hij was geheel uit het water opgehaald geworden en kon dus +onmogelijk zijn weggedreven. + +Flink ontstelde op dat gezicht. Hij richtte zijn kijker naar den +kant van het groote eiland en meende op verren afstand een donker +punt op het water te ontdekken. Terwijl hij daar nog stond te turen, +kwam Willem ook aan het strand en voegde zich bij zijn ouden vriend. + +"Ach, Willem," riep Flink, "ik vrees, dat de vrouwen in haren kano +ontsnapt zijn. Ga schielijk heen en zie of ze ook in het magazijn of +ergens anders zijn en kom mij dan terstond zeggen, hoe het is." + +Willem keerde na weinige minuten ademloos terug en meldde, dat de +wilden nergens te vinden waren en bovendien nog eene menigte groote +spijkers en andere stukken ijzerwerk, die in kleine vaatjes in het +magazijn gestaan hadden, moesten hebben medegenomen. + +"Dat is leelijk, Willem,--waarlijk heel leelijk; het is voor ons een +veel grooter ongeluk, dan dat het schip niet is teruggekomen." + +"O, Flink, wij zullen ons zonder haar ook wel redden." + +"Ja, dat wel. Maar als de vrouwen tot haar volk terugkeeren en daar +het ijzer vertoonen, dat ze hebben medegebracht; als ze vertellen, +dat er bij ons nog veel meer te krijgen is,--dan kunt ge er op rekenen, +dat wij spoedig een talrijk bezoek van hare landslieden krijgen zullen, +die meer van ons eigendom halen willen. Ik had daarop bedacht moeten +zijn en den kano niet hier gelaten of haar zelfs verbrand moeten +hebben. Wij moeten dadelijk bij uw vader gaan en met hem beraadslagen, +want hoe eer wij met ons werk aanvangen, des te beter voor ons. Kom, +Willem, kom;--maar vergeet niet uwe moeder de zaak zoo licht voor te +stellen als mogelijk is." + +Zoodra zij bij mijnheer Wilson waren, deelden zij hem het rampspoedige +nieuws mede. Hij begreep dadelijk het gevaar, dat er bestond, doch +achtte het raadzaam zijne vrouw daar terstond mee bekend te maken en +haar niets te verbergen. Daarna hielden zij een krijgsraad, waarbij +het volgende plan werd ontworpen. + +In de eerste plaats scheen het noodzakelijk het magazijn in een +blokhuis te veranderen, zoodat het iederen vreemdeling onmogelijk moest +worden daarin door te dringen. Zoodra de verschansing voltooid was, +moest de woning naar het magazijn verlegd worden. De voorraad, waarvoor +in het nieuwe blokhuis geene plaats was, moest in hunne tegenwoordige +woning bewaard blijven of in het kokosbosch verborgen worden. Eerst +nadat al deze veiligheidsmaatregelen tegen een onverwachten aanval +genomen waren, wilde men de vroeger ontworpen plannen ten uitvoer +brengen. Des Maandags wilden zij aan het werk beginnen. + +"Ik weet niet hoe het komt, maar ik gevoel thans, nu er gevaar voor +oogen is, oneindig meer moed, dan toen er nog weinig of niets te +vreezen was," zeide mevrouw Wilson. + +"Daar twijfel ik volstrekt niet aan, mevrouw. Ik ben integendeel +overtuigd dat indien uw moed op de proef mocht worden gesteld, gij +die zekerlijk ook zult blijven toonen." + + + + + + + +VIJF-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK. + +KRIJGSRAAD. + + +Niettegenstaande zij in den beginne alles gedaan hadden om elkanders +moed en vertrouwen op te wekken, bevonden onze vrienden zich nu toch in +zulk een pijnlijken toestand van angst en verwachting, dat de eerste +drie weken na het plotseling verdwijnen van het schip, ondanks alle +plannen en beraadslagingen, in volstrekte werkeloosheid voorbijgingen, +daar zij zich nu eens met de hoop vleiden, dat het gewenschte schip +nog terugkeeren kon, en dan weder bezorgde blikken naar het eiland +wierpen, om zich te overtuigen, dat nog geene groote vloot van kano's +tot hun verderf in aantocht was. + +Zoo waren zij dan ook eens op een morgen met zonsopgang in de nabijheid +van den schildpadvijver en namen den ganschen gezichtseinder met hun +kijker op. Toen begon Flink, zich tot mijnheer Wilson wendende: + +"Waarlijk, mijnheer, die staat van werkeloosheid mag toch niet langer +zoo aanhouden. Voorleden nacht kwam ik op een goeden inval en ik +geloof u thans een voorslag te kunnen doen, dien gij denkelijk zult +goedkeuren. Zoo, dacht ik, moesten we nu maar terstond een krijgsraad +houden en tot een besluit zien te komen." + +"Van harte gaarne, Flink," antwoordde mijnheer Wilson en zette zich +op een rotsblok neder. "Gij zijt de oudste en ervarenste van ons +drieën;--laat ons hooren, wat gij hebt voor te slaan." + +"Welnu, mijnheer. Naar 't mij voorkomt, mogen wij niet langer in ons +huis blijven, want wij konden daar, gelijk ik zeide, ieder uur van +den nacht door de wilden verrast worden en zijn er tegen overmachtige +vijanden zonder alle middelen van verdediging." + +"Dat zie ik wel in en heb ik reeds geruimen tijd ingezien," was +het antwoord; "doch wat zullen we doen? Zullen wij naar de westkust +terugkeeren?" + +"Mij dunkt neen, mijnheer," hernam Flink. "Mijn voorslag is deze: +wij hebben in 't zuiden van 't eiland een ontdekking gedaan, die voor +ons van groot gewicht is. Ik bedoel daarmee echter niet de vruchten +en planten, die wij gevonden hebben, want deze zijn wel van veel +waarde, maar zullen ons slechts gedurende den zomertijd een desnoods +ontbeerlijk genot aanbieden. Groot nut verleent ons ook het voeder voor +het vee, dat wij daar ontdekt hebben, vooral gedurende den regentijd, +maar het hoofdvoordeel brengt ons dat met yamswortels bezet stuk +land aan, dat ons voedsel voor den winter zal geven. Ze zijn voor ons +van het grootste belang en we kunnen ze niet spoedig genoeg tegen de +zwijnen beschutten, die ze ongetwijfeld met wortel en al opwroeten, +als we dat niet tijdig voorkomen. Nu weet ge zeer goed, mijnheer, +wat we vroeger besloten, maar niet volvoerd hebben. Ik geloof echter, +dat de kokosheining nu te veel tijd zal wegnemen en 't wel voldoende +zal zijn, als wij de yamswortels met sloot en heg omheinen. Als we +daarbij echter gedurig weer naar ons huis terugkeeren en mevrouw met +de kleinen alleen laten moesten, zou dat zeer lang aanhouden,--en +dus stel ik voor, om, daar 't weder zoo geheel is opgeklaard en nu +wel maanden lang goed blijven zal, onze tenten daar ter plaatse op +te slaan en met de gansche familie naar de zuidkust te trekken. Zij +zullen daar binnenkort geheel thuis en in allen gevalle veel veiliger +zijn, dan als zij zonder eenige verdediging hier achterbleven." + +"Een uitmuntende raad, Flink; wij worden daardoor zooals gij opmerkt, +voorloopig aan het gevaar onttrokken, en zijn wij eenmaal daar, +dan kunnen wij altijd nog overleggen wat voor ons het beste is." + +"Juist, mijnheer. Misschien hebben onze vluchtelingen het eiland in +'t geheel niet bereikt, want de eerste dagen, nadat zij ons eiland +verlieten, hadden zij den wind vlak tegen, en bovendien is de stroom in +deze richting zeer sterk. Zijn ze echter werkelijk behouden aangeland, +dan moeten wij ons op een bezoek van de wilden voorbereid houden, en +als die landen, komen zij natuurlijk regelrecht op onze tegenwoordige +woning aan." + +"Gij wilt toch niet, Flink, dat wij dit gedeelte van 't eiland en +al de gemakkelijke inrichtingen, die wij er tot stand brachten, +voor altijd verlaten?" vroeg Willem. + +"Ei, zeker niet voor altijd, mijn beste Willem; en daarmee kom +ik tot het tweede gedeelte van mijn voorstel.--Zoodra wij met ons +yamsplantsoen gereed zijn en alles zoo goed mogelijk in orde hebben, +laten wij mevrouw en de kinderen achter en gaan hier weder aan +den arbeid. Zooals bepaald is, moeten wij ons tegenwoordig woonhuis +opgeven en ons magazijn, dat in het bosch verscholen ligt, tot woning +inrichten en zoodanig versterken, dat wij tegen elken onverhoedschen +aanval van de wilden gedekt zijn; want in eene vaste woning moeten +wij in elk geval terugkeeren, daar wij, als het regenseizoen invalt, +niet meer onder de tenten kunnen blijven." + +"Hoe wilt gij het magazijn dan verschansen, Flink?" vroeg mijnheer +Wilson. "Daarvan weet ik niets.--Wat is zulk een blokhuis eigenlijk?" + +"Dat zal ik u bij gelegenheid uitleggen.--Nu, echter, mijnheer, +komt er nog velerlei. Als de wilden hierheen komen, moeten wij ons +in allen gevalle met vuurwapens tegen hen kunnen verdedigen. Een +enkel man met een geweer achter eene palissade is beter dan twintig, +die alleen met knotsen en lansen gewapend zijn, en zóó slechts mogen +wij hopen onze vijanden op de vlucht te slaan." + +"Naar het mij voorkomt, is uw plan voortreffelijk, Flink," antwoordde +mijnheer Wilson. "Hoe spoediger wij daarmee beginnen, des te beter +zal het voor ons zijn." + +"Daar is geen twijfel aan, mijnheer. Het eerste moet wezen, dat +Willem en ik op deze zijde van de klippen een doorgang voor onze boot +opzoeken; dan zullen wij naar de kleine haven omzien, die wij reeds +vroeger ontdekt hebben. Zoodra dit geschied is, keeren wij terug, +brengen tenten en al het noodige in de boot, en hebben wij die eerst +opgeslagen en alles behoorlijk in orde gebracht, dan kan mevrouw met de +kinderen met ons door het bosch trekken en ze in bezit nemen.--Als we +'t nu over de zaak eens zijn, mijnheer, moesten wij maar zoo spoedig +mogelijk beginnen, want wij hebben zeer veel te doen en mogen niet +vergeten, dat wij, voordat wij met het blokhuis aanvangen, eerst +nog een bezoek op de westkust moeten afleggen, om spijkers en andere +benoodigdheden te halen, en als wij daar toch eens bij zijn, kunnen +wij evengoed ook eene geheele monstering over onzen voorraad houden." + +"Wij willen geen dag, geen uur verliezen, Flink; er is toch al te +veel tijd verloren geraakt," antwoordde mijnheer Wilson. "Wat zullen +wij vandaag bij de hand nemen?" + +"Bij het ontbijt zullen wij aan mevrouw ons plan mededeelen; daarna ga +ik met Willem in de boot en zoek eene doorvaart. Gij zelf, mijnheer, +kunt hier blijven en de tenten en al de verdere artikelen, die wij +bij de eerste vaart meenemen, bijeenpakken, en wij zullen, denk ik, +tegen het middageten terug zijn." + +Met deze woorden stonden zij op en gingen op het huis aan. Allen +voelden zich innerlijk verlicht, nadat het nieuwe arbeidsplan +ontworpen was, en verheugden zich in het vooruitzicht, dat zij nu alle +menschelijke kracht zouden inspannen, om het hun dreigend gevaar af +te wenden. + + + + + + + +ZES-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK. + +THOMAS EN DE KREEFT. + + +Het nieuwe plan werd onder 't ontbijt aan mevrouw Wilson medegedeeld, +en daar zij wel inzag hoe zij daarbij veel veiliger dan tot hiertoe +zijn zouden, gaf zij van harte gaarne hare toestemming. + +Het duurde geen uur, of Flink en Willem hadden de boot in gereedheid, +waarmee zij tusschen de klippen doorroeiden, om eene doorvaart te +zoeken, welke zij ook spoedig, pas twee of drie kabelslengten van de +landpunt, gelukkig ontdekten. + +"Dat is een groot geluk, mijn goede Willem," riep Flink, "maar nu +moeten wij ook een merkteeken zoeken, om den terugweg spoedig te +vinden. Ziet gij die lange zwarte klip ginds;--zij ligt in eene rechte +lijn met den tuin, en als wij dus beide op elkaar gericht hebben, +weten wij dat wij ons in het eigenlijke kanaal bevinden. Nu hebben +wij nog slechts een teeken recht voor ons uit noodig, om te zien, +wanneer wij het kanaal moeten inloopen." + +"Zie Flink, de punt van den schildpadvijver loopt immers recht op +den rechterzijwand van ons huis aan," hernam Willem. + +"Goed opgemerkt; dat kan ons dienen. Nu zullen wij er wakker op los +roeien, zoodat wij tijdig terug kunnen zijn." + +Zij bevonden zich weldra op de zuidzijde van het eiland en roeiden +langs den kust voort. + +"Hoe ver schat gij den weg te water, Flink?" + +"Dat weet ik zoo juist niet, mijn jongen; mij dunkt echter vier of vijf +mijlen, en zoo mogen wij wel op een goed uur dapper roeiens rekenen. In +allen gevalle kunnen wij met dezen wind, hoe zwak ook, terugzeilen." + +"Wij zijn thans in zeer diep water," merkte Willem na lang zwijgen aan. + +"Ja, Willem. Op deze zijde van het eiland kunnen wij dat ook niet +anders verwachten, want de koralen wassen alleen op de zijde, die +aan den wind blootstaat. Mij dunkt, wij kunnen van de kleine haven, +die wij onlangs ontdekten, thans niet ver meer verwijderd zijn. Gij +ziet, wij hebben het weideland en de boomgroepen reeds voor oogen. We +zullen een poosje met roeien ophouden en de kust eens bedaard opnemen." + +"Daar zijn twee rotsen dicht aan den oever, Flink," riep Willem met +den vinger wijzende. "Weet gij nog wel: ook aan de buitenste zijde +van onze haven stonden twee of drie zulke rotsen dicht bij elkander." + +"Juist zoo, Willem, en 't zou mij volstrekt niet verwonderen, als +gij den spijker op den kop had geslagen. Laat ons er eens heen roeien." + +Zij deden dit en bevonden, tot hunne groote blijdschap, dat zij +werkelijk in de haven waren, waar het water zoo glad en effen als in +een vijver was. + +"Welnu, beste jongen, dan zullen wij maar terstond onzen mast opzetten +en op ons gemak naar huis zeilen." + +"Wacht nog een oogenblik, Flink; geef mij den bootshaak eens. Ik zie +daar wat tusschen de klippen omkrabbelen." + +Flink gaf den bootshaak aan Willem, die daarmee in het water roerde +en met de ijzeren punt een grooten zeekreeft ophaalde, dien hij met +een ruk in de boot slingerde. + +"Dat is weer een kostelijke schotel op onze tafel," zeide Flink. "Wij +komen dus niet met ledige handen terug en zullen des te meer welkom +zijn. Doch nu dienen we ons ook te reppen, want we moeten hedennamiddag +nog eens en dan wel met een volle lading hierheen roeien." + +De mast werd opgezet, en zoodra zij met de boot buiten de haven +waren, werd het zeil opgeheschen. In minder dan een uur hadden zij +de landingsplaats bij het woonhuis wederom bereikt. + +Willem had den zeekreeft, die slechts ééne schaar had, uit de boot +gebracht en Juno een tweeden waterketel op het vuur gezet, om dien +als een toegift voor het middagmaal te koken. + +Thomas trad met zijn zusje Caroline toe, om het beest te bekijken. Toen +hij dit echter genoeg bewonderd had, begon hij het, als naar gewoonte, +te plagen en te kwellen, evenals hij dat op de Kaap ook reeds den +leeuw had gedaan. Eerst stiet hij het met een stok naar de oogen, +toen beproefde hij den staart recht te trekken;--het dier sloeg echter +naar hem en liep weg. + +Eindelijk echter wilde hij zijn stok het dier zelfs in den bek steken; +toen hief dit zijn grooten nijper op, pakte hem bij het gewricht van de +hand en klemde zich daar zoo stevig aan vast, dat Thomas het van pijn +uitgilde en als razend met den kreeft aan den arm ronddanste. Gelukkig +voor hem was het beest reeds zoo lang buiten het water en bovendien +zoo hevig door de ijzeren punt van den bootshaak getroffen, dat het +meer dan halfdood was. Anders zou het den knaap zwaar gekwetst hebben. + +Flink schoot toe en maakte den kreeft van hem los; doch Thomas was +zoo ontsteld, dat hij het hazenpad koos en eerst met loopen ophield, +toen hij wel honderd passen van huis was verwijderd. Daarover schoten +Flink en Juno zoo hartelijk in den lach, dat de tranen hun over de +wangen rolden. + +Thomas scheen er zeer gebelgd over, dat hij zich op zoodanige +manier moest laten uitlachen; hij zette zich, na zijne wedloop +volbracht te hebben, pruilend neer en wachtte, totdat hij het eten +zag opdragen. Toen kwam hij eindelijk terug, ofschoon nog altijd met +een benepen gezicht. Den kreeft op tafel ziende komen, scheen hij +nog voor zijn vijand beangst, ofschoon deze nu dood was. + +"Nu, Thomas!" zeide zijn vader, "ik denk dat gij van den kreeft toch +niet zult willen eten." + +"Niet eten?" riep Thomas uit. "O ja, ik wil hem eten, juist omdat +hij mij opeten wou." + +"Wat wilt ge er dan voor een stuk van,--de schaar misschien?" vroeg +mijnheer Wilson. + +"Ja, de schaar! Dat ondeugende dier,--laat het daar eens wat tegen +doen; om het te plagen wil ik die eten!" + +"Waarom hebt gij het beest niet met vrede gelaten, Thomas?" vroeg +zijn vader. "Hadt gij het niet geplaagd, het zou u niet geknepen +hebben. Ik weet zelfs niet of ik er u wel van geven zal, als gij er +van eten wilt om het te plagen." + +"O, ik lust hem ook niet,--ik begeer er ook niets van," hernam de +kleine stijfkop. "Ik eet veel liever pekelvleesch." + +"Des te beter; als gij geen kreeft lust, zal men u dat ook zeker +niet opdringen, jongeheer," antwoordde zijn vader. "Dus zullen wij +hem maar buiten u onder ons verdeelen." + +Thomas was met dit besluit niet bijster in zijn schik, want hij had +er dolgraag een stuk van gehad. Hij zat dus met een hangende lip aan +tafel en keek bitter boos, toe de oude Flink hem zoo lachend toevoegde, +dat hij reeds vóór het eten zijn deel van den kreeft had gehad. + + + + + + + +ZEVEN-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK. + +TOEBEREIDSELEN TOT DE VERHUIZING. + + +Terstond na den afloop van den maaltijd hielpen Willem en Juno de +beide roeiers de tentbekleedsels en staken, benevens schoppen tot +slechting van den grond en prikken tot het vastzetten der tenten, +in de boot brengen. + +Voordat zij met de boot afstieten, merkte Willem aan: + +"Mij dunkt, het zou zoo kwaad niet zijn, als wij voor Flink en mij +het noodige beddegoed meenamen. Wij konden dan nog van avond eene +van de tenten opslaan en den nacht daaronder doorbrengen. Morgen +vroeg konden wij dan de andere in orde brengen en zoo met ons werk +een goed eind vorderen, voordat wij terugkomen." + +"Dat is een zeer goede inval, Willem," antwoordde Flink. "Laat eens +zien, wat Juno ons te eten mee kan geven; dan zullen wij uw plan +volvoeren, want hoe eer wij allen daar zijn, des te beter." + +Mijnheer Wilson was van hetzelfde gevoelen en Juno pakte een stuk +pekelvleesch en eenige eierkoeken bijeen, voegde daar nog drie +of vier flesschen water bij en hielp dit alles, benevens allerlei +timmermansgereedschappen, in de boot brengen. Flink had ook nog voor +een touw gezorgd, om de boot aan een paal aan den oever vast te maken. + +Eindelijk stieten zij van wal en hadden in korten tijd de riffen +achter zich. Zij roeiden wakker door, want zij wenschten zoo spoedig +mogelijk de haven te bereiken, hetgeen ook na verloop van een half +uur gelukkig geschiedde. + +Zoodra zij aan land waren, maakten zij de boot aan het touw vast en +brachten de lading aan wal; vervolgens droegen zij een deel van het +tentlinnen en de staken naar het naastbijgelegen boschje, dat uit +guayababoomen bestond. Daarop keerden zij naar het strand terug, om +ook het overige te halen, en met drie gangen hadden zij dat verricht. + +"Nu moeten wij eens omzien, Willem, waar wij de tent willen opslaan. Te +dicht bij het kokosbosch mag dat niet zijn, want daar hadden wij te +ver water te halen." + +"Dunkt u niet, Flink, dat de beste plaats bij de benanen zou zijn? De +grond is daar iets hooger en het water vinden wij, zooals gij weet, +juist tusschen de benanen en de yamswortels." + +Zij begaven zich naar de plaats, waar de benanen hare groote, fraaie +bladeren ontplooiden en besloten ten noorden daarvan de tenten op te +slaan, vooreerst omdat men die daar, wegens de boomen, uit zee niet +zien kon en ook, dewijl het bosschage gedurende de hitte van den dag +er eene aangename schaduw opleverde. + +"Dus moet het dan hier maar zijn, Willem," zeide Flink. "Laat ons +nu al het noodige gaan halen. Het is hier een goede, droge grond, +die er juist toe geschikt zal zijn." + +Weldra waren zij druk aan het werk en reeds lang voor zonsondergang +was een der tenten opgeslagen en hadden zij ook hunne bedden daarin +gespreid. + +"Nu, Willem, verbeeld ik mij toch, zult gij wel tamelijk moe zijn," +zeide Flink; "ja, ja, zeker, dat moet gij wezen, want gij hebt den +ganschen dag duchtig gearbeid." + +"Ik voel mij juist zoo heel moe niet, Flink; ook is het nu nog geen +tijd om te gaan slapen." + +"Het is nog vroeg; laat ons dan eerst nog onze spaden nemen en een +gat voor het water graven; dan kunnen wij morgen vroeg zien, of dat +goed of slecht is." + +"Ja, dat kunnen wij nog voor het avondeten doen, en dan zal de rust +ons dubbel goed smaken." + +Met dit besluit gingen zij naar het lager gelegen weideland, waar de +bodem vochtig en moerassig was. Daar groeven zij twee kuilen, ieder +ongeveer eene el diep en even breed. Weldra zagen zij het water daarin +opkomen, en toen zij klaar waren, kwam hun dat reeds over den enkel. + +"Aan water zullen wij dus geen gebrek lijden, Flink; als het ook maar +goed om te drinken is." + +"O, daar twijfel ik niet aan, Willem. Overigens hebben wij veel te +doen, voordat de familie hier naar toe kan komen. Doch voor vandaag +is onze taak nu ten einde." + +Zij keerden hierop in de tent terug en lieten zich het pekelvleesch +en de eierkoeken kostelijk smaken. Eindelijk legden zij zich op de +matrassen neder en gaven zich aan de rust over. Na weinige minuten +lagen zij diep in slaap, daar het zware werk van den dag hen inderdaad +zeer vermoeid deed zijn. + +Den volgenden morgen met zonsopgang waren zij reeds weder op de +been. Hun eerste werk was naar de waterkuilen om te zien, die zij den +vorigen avond gegraven hadden. Zij vonden deze tot overvloeiens toe +vol; het water was volmaakt zuiver en helder, en bij het proeven +keurden zij het, zoo al niet in alles zoo goed als het andere +bronwater, toch zeer bruikbaar en smakelijk. + +Na zich gewasschen te hebben, keerden zij terug, om te ontbijten, +en gingen toen aan het opslaan der tweede tent, die voor mevrouw en +den kleinen bestemd was en dus met meer zorgvuldigheid moest worden +ingericht. Toen dit gedaan was, werd nog de grond in het rond van het +hooge gras en de struiken ontdaan en binnen in de tent met de spaden +vast en effen gemaakt. + +"Nu komt weer een ander werk, Willem, namelijk het bouwen van een +stookplaats voor Juno. Daartoe moeten wij naar het strand gaan en +steenen opzoeken. Wij zullen dit stuk zeildoek meenemen en kunnen +daarin in één gang zooveel als wij noodig hebben halen." + +Een uur later was ook de vuurhaard gereed, en beiden zagen hun werk +vergenoegd aan en maakten de noodige toebereidselen tot het verdere +werk van den dag. + +Men besloot 's middags de tafels en stoelen, het keukengereedschap, +een gedeelte van de kleeren en het beddegoed en levensmiddelen voor +een paar dagen mede te nemen. Den volgenden morgen zouden Flink en +Willem tijdig terugkomen, en dan wilden allen gezamenlijk door het +bosch naar hunne nieuwe woonplaats opbreken. + +De kleine Albert kon thans heel goed alleen loopen en moest slechts +nu en dan een eind ver gedragen worden. Thomas en Caroline moesten +natuurlijk met Juno gaan; de schapen, lammeren, waarvan men vier +stuks had, en de oude en jonge geiten zouden de mannen door het bosch +drijven, waarbij de honden goede diensten konden doen. De hoenders +en het verdere gevogelte moesten echter in het oude hok blijven, +daar Flink en Willem, zoo dikwijls zij hier kwamen, wel eens naar +hen omzien konden. + + + + + + + +ACHT-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK. + +VERHUIZING NAAR DE ZUIDKUST. + + +Ditmaal was de boot zwaar bevracht en men had hard te roeien en zwaar +te werken bij de landing, voordat de verschillende voorwerpen aan den +oever gebracht waren. Willem en Flink waren derhalve hartelijk blij, +toen eindelijk hun dagwerk ten einde was; en zoodra zij hun avondmaal +genuttigd hadden, gingen zij dan ook ter ruste. + +Met zonsopgang keerden zij in hunne boot naar de baai terug. Zij +haalden eerst de boot op het droge en begaven zich toen naar het +woonhuis, waar zij allen tot vertrekken gereed vonden. + +Mijnheer Wilson had de dieren reeds bij elkaar gebracht, en dus brak +men terstond op. De merken aan de boomen waren nog zeer duidelijk +en zij konden hun weg gemakkelijk weervinden. Des te grooter moeite +hadden zij echter met de schapen en geiten, en de kleine karavaan +kwam dus niet dan langzaam voorwaarts. + +Zij hadden drie volle uren noodig, om aan den zoom van het kokosbosch +te komen, en mevrouw Wilson gevoelde zich uiterst vermoeid. Eindelijk +hadden zij de nieuwe woonstede bereikt, en mijnheer Wilson en zijne +vrouw uitten een kreet van bewondering bij het aanschouwen van de +schilderachtige schoonheid van het bekoorlijk oord. + +Ook de plek, waar de tenten bij de banaanboomen waren opgeslagen, +droeg beider volle goedkeuring weg; want zij was werkelijk bij +uitstek fraai. Mevrouw Wilson begaf zich in hare tent, om van hare +vermoeidheid uit te rusten. De schapen en geiten liet men vrij in +het weideland omloopen, waar zij terstond met graagte op het frissche +voeder aanvielen. De honden vlijden zich neder en schenen insgelijks +van den verren weg vermoeid. + +Juno bracht den kleinen Albert te bed en zocht toen met Willem +eenig brandhout op, om het middageten te koken. Flink ging naar +de putten, om water te halen, terwijl mijnheer Wilson op de vlakte +rondwandelde en de verschillende boomen en struiken onderzocht, die +daar groeiden. Caroline was in de tent bij hare moeder, en sinjeur +Thomas had zich op den grond neergezet en keek met groote oogen +verbaasd in het rond. + +Spoedig kwam Flink met de wateremmers terug, waarna hij de honden +floot en den weg naar het yamsplantsoen insloeg. Een poosje later +stond Thomas op en volgde hem. + +De honden drongen in het yamsplantsoen door en hieven weldra een +verwoed geblaf aan, dat Thomas heel aardig vond, zoodat hij in de +handen klapte en siste, om hen nog meer aan te hitsen. Op eenmaal +echter kwam de gansche kudde zwijnen uit het dichte groen voor den +dag en draafde zoo dicht bij Thomas langs, dat hij het van schrik +uitschreeuwde en zoo lang als hij was op den grond tuimelde. + +"Dat had ik wel gedacht, vriendjes, dat gij hier zoudt wezen," +mompelde Flink, de varkens naziende. "Het werd waarlijk tijd, dat +wij den weg eens voor u afsloten." + +De zwijnen stoven over het veld voort en verdwenen, evenals de eerste +maal, in het kokoswoud. Ook Thomas zette het, zoodra hij maar weer op +de been was, wakker op een loopen. De honden gingen achter de zwijnen +aan en bleven een geruimen tijd weg. Ten laatste zag men hen vermoeid +en hijgend terug komen,--een bewijs, dat zij hunne vervolging een +goed eind ver hadden voortgezet. + +Voor dag en dauw waren Flink en Willem den volgenden dag reeds weder +bij de hand en gingen door het bosch naar hunne vroegere woning, +om het huisraad, dat daar nog was achtergebleven, in de boot naar +de zuidkust te brengen. Bij hunne aankomst pakten zij al wat nog in +huis stond bijeen, haalden gezouten vleesch en meel uit het magazijn +en maakten hunne lading vol met een van de nog voorhanden zijnde +schildpadden, die op den rug in de boot werd neergelegd. Tegen het +ontbijt waren zij reeds weder bij de nieuwe woonplaats, waar Juno +hen het meegebrachte naar de tenten hielp brengen. + +"Wat is dat hier een kostelijk verblijf!" riep mevrouw Wilson +onwillekeurig uit. "Mij dunkt, wij moesten het altijd tot ons +zomerkwartier kiezen en eerst tegen den regentijd naar het oude +huis terugkeeren." + +"Het is hier zeker gedurende den zomer veel fraaier en aangenamer; +maar in ons huis zijn wij beter door het kokosbosch gedekt." + +"Ja, dat is waar, en gedurende het regenseizoen is dat voor ons van +veel belang. In den zomer is het daarentegen ook des te warmer, want +wij hebben daar niet de verkoelende zeelucht, die wij hier genieten. Ik +kan u verzekeren, Flink, ik ben met den ruil zeer tevreden en het +zou mij spijten, als wij daarheen terugkeeren moesten." + +"Ik heb van morgen ook zulke mooie papegaaien gezien," zeide de kleine +Caroline. "Ik wou, dat er één van mij was." + +"Nu, beste meid, ik wil bij gelegenheid eens een jong zien te krijgen; +doch het is er thans nog te vroeg toe," antwoordde Flink. "Nu moet +ik Juno de schildpad in stukken helpen snijden. Onze voorraadkamer +dienen wij wel daar onder de banaanboomen te nemen." + +"Maar wat zullen wij verder aanvangen, Flink? Wij mogen toch niet +leegzitten?" vroeg mijnheer Wilson. + +"Neen, zeker niet, mijnheer! Dezen dag moeten wij, dunkt mij, +maar besteden om ieder ding op zijne plaats te brengen en de tenten +van binnen gemakkelijk in te richten. Voor het oogenblik staan wij +onder mevrouws orders; morgen zullen wij dan met het graven en het +omheinen van het yamsplantsoen beginnen. We zullen ons daarmee niet +zoo te haasten hebben, want ik verbeeld mij, dat de zwijnen zich er +zoo spoedig niet weer aan wagen zullen, daar ik plan heb onze honden +'s nachts in de yamsvelden vast te binden, en dan zal hun geblaf hen +wel op een afstand houden." + +"Dat is een goede inval, Flink. Zie eens, welk kostelijk voer onze +schapen en geiten hier vinden." + +"Ja, mijnheer; ze moeten ook in het vervolg gedurende het droge +jaargetij hier grazen. Morgen vroeg kunnen wij met graven beginnen +en Willem daarbij wijzen, hoe men de stekken van de stekelbessen, +waarvan wij onze heg willen maken, poten moet. Dan zou ik voorslaan +onzen Willem met dit werk alleen bij moeder achter te laten, terwijl +gij en ik naar de westkust gaan, om onzen voorraad na te zien en al +wat wij nog gebruiken kunnen hierheen te brengen. Ik meen immers u +vroeger te hebben hooren zeggen, dat gij zelf daarheen woudt gaan?" + +"Ja, Flink, dat is zoo. Mijne vrouw zal er ook geen bezwaar in zien +eens een dag of drie vier zonder mij te zijn. Als wij eerst alle +dingen hebben nagezien, zal ik teruggaan en aan u en Willem, die het +roeien beter gewoon is dan ik, de zorg overlaten om onzen voorraad +over te brengen. Mij dunkt hierheen zullen wij toch alles niet halen?" + +"Neen, mijnheer; het goed moet naar ons magazijn worden +gebracht. Hebben wij dat werk eerst achter den rug, dan gaan wij met +alle macht aan de versterking van het blokhuis." + + + + + + + +NEGEN-EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK. + +UITSTAPJE NAAR DE WESTKUST. + + +Den volgenden morgen trokken zij met hunne schoppen naar het +yamsplantsoen en begonnen hun werk. De grond was week en drassig +en zoo ging de arbeid vlug van de hand. De sloot werd ongeveer een +schrede breed gemaakt en de uitgedolven aarde aan den binnenkant tot +een kleinen dam opgeworpen. + +Vervolgens ging men naar de plaats, waar de stekelbeziënstruiken +groeiden. Van deze werden de noodige stekken en afleggers afgesneden +en boven op het aarden bed ingeplant. Nog was de avond niet gevallen, +toen zij reeds, op negen of tien dekameters na, met sloot en heg +gereed waren. + +"Ik geloof, als dit eens in orde is, de varkens 't wel laten zullen +er overheen te springen," sprak Flink. "Bovendien kan Willem daar +evengoed alleen mee klaar komen, als met behulp van ons beiden." + +"Ja, dat wel, Flink,--maar niet zoo vlug." + +"Ge behoeft u ook niet overmatig in te spannen, beste Willem. Zorg +slechts, dat ge de honden 's nachts vastlegt, zooals ik den verloopen +nacht gedaan heb, en dan twijfel ik geen oogenblik, of de varkens +zullen na een of twee nieuwe pogingen niet meer terugkomen." + +"Ik wil zien, of ik niet een van die beesten schieten kan." + +"Goed; maar kies daartoe vooral een van de jongen,--de ouden mogen +wij niet dooden. Doch nu kunnen wij naar huis gaan; de zon zal spoedig +onder zijn en Juno wacht ons zeker al met het avondeten." + +Voordat mijnheer Wilson en Flink den anderen morgen opbraken, gaf +de laatste Willem nog allerlei onderrichtingen aangaande de boot, +de reiszakken waren reeds vooraf van levensmiddelen voorzien, en zoo +namen zij dan van mevrouw Wilson afscheid en braken op. Beiden waren +met een geweer gewapend en Flink had nog bovendien eene bijl over +den schouder geworpen. + +Zij hadden een verren weg voor zich, want eerst moesten zij naar het +oude woonhuis terugkeeren, om van daar het oude pad door het woud op +te zoeken. Dit was een groote omweg, die nochtans niet kon vermeden +worden, daar zij niets dan de merken aan de boomen hadden om te volgen. + +Bij het woonhuis gekomen, rustten zij een uur uit en gingen toen +naar den tuin, die op de landtong lag. Aardappelen en erwten stonden +uitmuntend en ook de uien begonnen goed op te schieten. + +"Wat ziet deze plaats er nu doodsch en eenzaam uit, Flink, nu men er +niets levends meer kan ontdekken," riep mijnheer Wilson. "Laat ons +verder gaan, 't wordt mij hier nu benauwd om het hart." + +Met deze woorden hervatten zij hunne wandeling en hadden na twee +uren de westkust bereikt, op 't zelfde punt, waar zij 't allereerst +geland waren. De nabijgelegen klippen waren nog met de overblijfsels +van het schip bezaaid, die in de zon bleekten of in het zand aan de +bocht half bedolven lagen. + +Zij gingen dadelijk aan 't zoeken, doch konden behalve enkele spieren +en teertonnen niets vinden, dat eenige waarde voor hen had. Duigen +en ijzeren hoepels van vaten lagen in menigte in het rond en Flink +meende, dat men die zeer goed tot eene tuinheining gebruiken kon, +als men slechts tijd vond om ze zoo ver te vervoeren. Van het strand +terugkeerende, zetten zij zich neer, om een weinig uit te rusten. Na +een poos begaven zij zich eindelijk naar de tenten in het kokosbosch, +waar zij de verschillende goederen, die na het vergaan van het wrak +waren aangespoeld, geborgen hadden. + +"Ei, zie eens! Ook hier zijn de varkens aan den gang geweest," +riep Flink; "ze hebben een meelvat opengemaakt. Hoe dat toeging, +begrijp ik niet recht. Zie maar, mijnheer, er moet een scheur in +geweest zijn, anders ware 't hun zeker niet gelukt. Het linnen is, +vrees ik, tot weinig meer nut. Gelukkig hebben we nog eenige nieuwe +stukken, die ik aan land heb gebracht.--Nu moeten wij eens zien, +mijnheer, in welken staat onze voorraad zich bevindt. Dit hier zijn +enkel meelvaten; wij hebben dus geen gevaar te loopen, als wij ze +openmaken en zien of de inhoud nog bruikbaar is." + +Het eerste vat, dat zij openden, had rondom eene steenharde korst; +toen deze eindelijk met de bijl was doorgekapt, vond men dat het +binnenste nog zeer goed was gebleven. + +"Dat is gelukkig, mijnheer; ik hoop, dat het bij de overige vaten +evenzoo zal zijn. Het zeewater heeft er eene dikke korst over gemaakt +en deze heeft het geheel tegen bederf bewaard. Evenwel willen we +alle, 't een na het ander openmaken. Nu gaan wij ons middagmaal +houden en vervolgens weer aan het werk. We hebben een paar malen +gebraden schildpadvleesch, die Juno voor ons heeft ingepakt en die +smaken zullen." + +Na het eten ging men opnieuw aan het werk. "Ik verlang toch te +zien, wat dáárin mag wezen," zeide mijnheer Wilson op de naaste +kist wijzende. + +Flink begon er dadelijk met zijne bijl aan te breken. Hij rukte het +deksel open en vond een aantal bordpapieren doozen vol klosjes garen, +allerlei band en lint, baleinen en lappen katoen, neteldoek, gaas, +tulle en andere stoffen. + +"Dat was zeker voor eene modehandelaarster te Bontany-baai bestemd," +zei mijnheer Wilson, "en misschien heeft ze bitter in angst gezeten, +toen ze het bestemde niet ontving. Evenwel moeten wij het thans voor +mijne vrouw en Caroline in beslag nemen. Zoodra wij tijd vinden, +zullen wij het haar brengen en ze zullen er wat blij mee zijn. Nu de +tweede kist, Flink." + +De volgende kist was zonder slot; het deksel werd opengemaakt en +men vond een dozijn groote vierkante flesschen, die met jenever +gevuld waren. + +"Dat is echte Schiedammer," zeide Flink. "Wat moeten wij daar mee +aanvangen?" + +"Wij zullen ze niet weggooien, Flink, maar ze ook slechts bij +gelegenheid als geneesmiddel gebruiken," antwoordde mijnheer +Wilson. "Wij zijn nu reeds zoo lang aan zuiver bronwater gewend, +dat het zonde zou zijn, als we weer smaak in sterke dranken wilden +krijgen. Als we er plaats voor vinden, zullen we een paar flesschen +in het magazijn brengen. Ze kunnen ons misschien nog soms eens goede +diensten doen." + +Het volgende vat was weldra geopend, en men vond een tafelservies van +gekleurd porselein met vergulde randen, dat inderdaad zeer fraai was. + +"Nu mijnheer, dat kan u te pas komen, want het begint ons al +langzamerhand aan borden en schotels te ontbreken. Evenwel zou gewoon +steenen goed ons wel dezelfde diensten hebben gedaan." + +"Het zou voor onzen tegenwoordigen toestand ook beter passen," was +het antwoord. "Niettemin is dit fijn Chineesche porselein ons even +welkom als een eenvoudig stel en mag daarom niet versmaad worden." + +"Hier is eene doos met uw naam er op, mijnheer," riep Flink. "Weet gij, +wat er in is?" + +"Neen, dat kan ik niet bedenken; maar zie zelf maar eens na." + +De doos werd geopend en alles scheen door het ingedrongen zeewater +besmet en bedorven. Toen men evenwel het pakpapier had weggenomen, +vond men allerlei soort van schrijfbehoeften, die, met uitzondering +van de buitenste bladen, slechts weinig geleden hadden. + +"Dat is een ware schat, Flink. Ik herinner mij nu nog zeer goed: het +bevat papier en pennen met al wat er meer tot schrijven noodig is; +verder prenteboekjes, teekenvoorbeelden, verfdoozen en zoo al meer, +dat ik voor mijne kinderen bestemd had." + +"Ei, waarlijk mijnheer, dat is een geluk. Nu kunnen wij eene school +oprichten, en daar die door de gezamenlijke bevolking van het eiland +bezocht zal worden, moet de beschaving hier weldra algemeen zijn." + +"Dat willen wij hopen, vriend.--Nu het volgende vat." + +"Wat daarin is kan men van buiten wel zien,--olie, die ons heel welkom +is, daar onze voorraad kaarsen vrij wat vermindert. Daar zijn evenwel +nog een paar kaarsenkisten, die wij gebruiken kunnen en bij gelegenheid +wel zullen overbrengen. Nu evenwel komt het allerkostelijkste gedeelte +van ons eigendom." + +"En dat is?" + +"Al die artikelen, welke ik in de boot aan land bracht, voordat +het schip te gronde ging; want, ziet gij, mijnheer, ijzer drijft +niet, en daarom was ik toen vooral op ijzerwaren van allerlei +soort en op nuttige gereedschappen bedacht. Ik heb een kostelijken +voorraad spijkers: hier drie vaatjes groote en hier twee kleiner +soort. Bovendien bijlen, hamers, schaven, beitels, zagen, klossen +bindgaren, was en hier nog eenige rollen fijn linnen, alles in de +beste orde." + +"Dat is werkelijk voor ons van groote waarde, Flink." + +"Ja, mijnheer, we zouden er misschien al spoedig gebrek aan gehad +hebben, daar de beide wilden bij hare vlucht al 't ijzer, dat zij +meester konden worden, hebben meegepakt. 't Was een geluk voor ons, +dat zij niet bij al onzen voorraad konden komen.--Daar hebt gij nog +meer van onzen buit: eenige wateremmers en 't voornaamste gereedschap +van onzen kok, waar Juno recht blij mee zal wezen. Hier zijn ook twee +lampen. Mij dunkt, ik heb ook nog eenige pakjes lampepitten op zijde +gelegd; ja, ja, dat weet ik zeker,--en ze zullen wel weer voor den dag +komen. Die vaten daar zijn 't een met patronen, het ander met kruit; +hier is nog een half vat met patronen, alles onbeschadigd. Hier ook +zes geweren, die evenwel 't poetsen wel noodig hebben. Nu, dat is +ook bezwaarlijk anders te wachten." + +"Dat zijn wezenlijk schatten voor ons, Flink; en toch--hoe goed hebben +wij ons tot hiertoe ook zonder dat gered." + +"O ja, mijnheer; maar des te beter, nu wij ze hebben. Als we +'t magazijn tot onze woonplaats hebben gemaakt, zijn wij dan ook +beter in staat, om 't in alle opzichten gemakkelijker in te richten +dan ons vorig huis geweest is; want, zie maar, mijnheer, daar zijn +nog al de balken en planken, die Willem en ik in het zand begraven +hebben.--Daarmee kunnen wij een vloer in het huis leggen en behoorlijke +kasten en bedsteden maken." + +"Och, die had ik geheel vergeten, Flink; zooals ge zegt, de voorraad +is tot dat alles dubbel voldoende. Als ik mij slechts die vrees voor +een mogelijken aanval van die wilden uit het hoofd kon zetten,--me +dunkt, dan zouden we hier zelfs op dit eiland een recht genoeglijk +leven kunnen leiden." + +"Weet gij wel, mijnheer, dat het mij van harte genoegen doet u zoo +te hooren spreken? Het bewijst, dat gij tegenwoordig tevredener en +gelukkiger zijt, dan gij vroeger waart." + +"Dat ben ik ook, Flink,--althans dat geloof ik. Misschien ook, dat het +ons van den kant der wilden dreigende gevaar mijne gedachten zoozeer +aftrekt, dat ik mij bij mijn vroegeren wensch, om van het eiland +verlost te worden, niet langer zoo bepalen kan. De eene bezorgdheid +heeft zeker de andere verdrongen en onderdrukt." + +"Het zal wezen, zooals gij zegt, mijnheer;--maar laat ons nu met +ons onderzoek voortgaan. Hier zijn het zeekompas, de scheepslijnen, +de logrol en het dieplood. We zullen die op onze boot nog wel ergens +toe gebruiken kunnen." + +"Ei, met dat kompas ben ik recht in mijn schik, Flink, want met +behulp daarvan kan ik eens, als ik tijd heb, een plan van dit eiland +opmaken. Een zakkompas is te klein daartoe. Ge weet misschien niet, +dat ik in mijne jonge jaren als landmeter naar Sidney trok?" + +"Neen, dat hebt ge mij nog niet gezegd. Ge zult ons dan zeker wel +nauwkeurig kunnen opgeven, welke ruimte ons weideland beslaat." + +"O ja; dat zal ik u zeggen, zoodra wij weer terug zijn. Inmiddels +zal ik hier eenige opmetingen doen, daar wij denkelijk niet weer zoo +spoedig hier zullen komen." + + + + + + + +VIJFTIGSTE HOOFDSTUK. + +BIJNA EEN ONGELUK. EEN NIEUWE BRIEVENPOST. + + +Met het krieken van den dag gingen mijnheer Wilson en Flink weder +aan het werk en openden achtereenvolgens alle kisten en pakken, +die nog van het wrak gered waren geworden. Zij vonden kisten met +kaarsen, drie vaten rijst ten deele goed, ten deele ook beschadigd, +en eene kist met thee en twee balen koffie, welke Flink van boord had +meegenomen. Suiker was echter niet voorhanden, want de kleine voorraad, +dien men gered had, was in den regen weggesmolten. + +"Dat is een heel ongeluk, mijnheer. Onze jongeheer Thomas zal geen +thee of koffie zonder suiker lusten en is er dus slecht aan toe." + +"De jongeheer moet zich leeren behelpen, Flink. We kunnen niet +verwachten hier alles zoo te hebben, alsof de kruidenier vlak naast +onze deur woonde.--Laat ons nu eens zien, hoe 't met de onder het +zand begraven dingen gesteld is." + +Het zand werd weggeschoffeld en men vond de vaten met pekelvleesch, +alsook de eiken planken in den besten staat. Veel anders daarentegen +was ook geheel verrot en bedorven. + +Tegen den middag waren zij met hun werk gereed en daar zij nog +tijd genoeg voor zich hadden, begon mijnheer Wilson met behulp van +zijn kompas eene opmeting van de verschillende landpunten. Toen dit +gedaan was, wierpen zij hunne geweren over den schouder. Flink nam +nog eenige ponden van de beschadigde rijst tot voeder voor de kippen +mee en daarna begaven zij zich gezamenlijk op weg. + +Na twee uur bereikten zij hun voormalig woonhuis, rustten in het +magazijn een poosje uit en vervolgden toen hun tocht naar de tenten +bij de weide. Ze waren ongeveer een kwartier gevorderd, toen Flink +gerucht vernam en mijnheer Wilson een teeken tot stilstaan gaf. + +De oude man fluisterde zijn geleider toe, dat de varkens dicht in de +buurt waren en laadde zijn geweer. Mijnheer Wilson deed hetzelfde +en beiden slopen zacht op de plaats toe, van waar het gegrom zich +hooren liet. + +Zij kregen de dieren niet in het gezicht, voordat zij die op twintig +passen genaderd waren. Toen hadden zij de gansche kudde vlak voor +zich en de beesten staken de koppen verwonderd omhoog. De oude beren +en zeugen lieten een geknor hooren en snelden op 't oogenblik, dat +Flink vuur gaf, op de vlucht. Mijnheer Wilson vond geen tijd meer om +los te drukken; doch Flink had een van de biggen geraakt, die nu met +den dood worstelende in haar bloed lag te spartelen. + +"Een kostelijk stuk gebraad;--daar kunnen we een feestmaal van +houden!" riep Flink, terwijl zij op het stervende dier toetraden. + +"Ja, dat is waar, Flink!" antwoordde mijnheer Wilson. "We moeten nu +maar zien, hoe we het beest met ons tweeën naar huis brengen." + +"We zullen het op onze geweren leggen, dan zal de vracht zoo zwaar +niet zijn. 't Is zeker pas zes maanden oud en aan de zwaarte kunt +gij zien of zij hier ook kostelijk voeder vinden!" + +Spoedig hadden zij het dier op hunne geweren geladen en vervolgden +zoo hun weg. Bij het uittreden van het bosch bespeurden zij Willem +en zijne moeder, die beiden het schot gehoord hadden en hun tegemoet +waren gegaan. Mevrouw Wilson scheen eenigszins angstig te zijn, +doch toen zij het varken in het oog kreeg, ried zij oogenblikkelijk +de oorzaak van het schot. + +"Ik moet bekennen, dat ik een beetje ontsteld was, toen ik dat +geweerschot hoorde," zeide zij, haar echtgenoot omarmende. "Ik kon +namelijk niet verwachten, dat gij vandaag al terugkeeren zoudt. Wij +allen zijn volmaakt wel." + +Willem nam voor zijn vader het overbrengen van het gevelde wild op +zich en deze ging met de moeder naar de tenten. + +"Nu, beste Willem, welk nieuws is er hier bij u," vroeg Flink. + +"O, heel goed nieuws, Flink! Gisteravond, toen ik moe was van den +arbeid, kwam ik op de gedachte om de boot eens te nemen en te zien, +of ik in het diepe water op deze zijde van het eiland niet ook wat +visch vangen kon. Ik kreeg ook wezenlijk drie stuks, die er heel +anders uitzien, dan die wij tusschen de klippen vingen. Wij hadden er +één van bij het ontbijt en één des middags en zij smaakten uitmuntend." + +"Zijt gij alleen met de boot uit geweest?" + +"Neen,--ik nam Juno mee. Moeder zei, dat ze haar wel een paar uren +missen kon. Zij roeit zoo goed als de beste matroos, Flink." + +"Ja, 't is een recht bruikbaar meisje, Willem.--Nu, met onze monstering +zijn wij ook klaargekomen en wij zullen beiden nu in overvloed werk +krijgen, maak daar staat op. Ik geloof niet, dat wij in ééne week +alles zullen kunnen vervoeren, en daarom heb ik gedacht, moeten we +al aanstonds morgen beginnen. Eerst willen wij evenwel hooren, wat +uw vader daarvan zegt." + +"O, dat is mij wèl, want ik neem veel liever de roeiriemen dan de +schop in de hand," zeide Willem. "Ik heb er niets tegen, als vader +het graven en spitten van mij wil overnemen." + +"Dat zal hij zeker gaarne doen, daar hij natuurlijk liefst bij moeder +en de kleinen wil blijven." + +Zoodra zij de woning bereikt hadden, hing Flink het varken in de tent, +waar Willem, mijnheer Wilson, en hij zelf sliepen, aan den kruispaal +op, zette de geweren tegen den zijwand aan en ging met Willem, om +zijn mes en eenige spanhouten, die hij bij 't schoonmaken van het +dier noodig had, te halen. + +Terwijl beiden weg waren, kwamen Thomas en Caroline aanloopen, om +het dier te bezien. Thomas gaf hoog op van zijne tevredenheid, dat +hij den volgenden dag gebraden varkensribbetjes eten zou, nam één +van de geweren en riep: "Pas eens op, Caroline, ik zal het varken +morsdood schieten." + +"Och, Thomas, kom toch niet aan dat geweer!" riep zijne zuster. "Vader +heeft het u immers verboden, en weet ge niet meer hoe 't u daar in +'t bosch in de hand afging?" + +"O, dat was niemendal," antwoordde Thomas; "ik wil u eens wijzen, +hoe men een varken doodschiet." + +"Doe 't niet, Thomas," riep Caroline; "als ge 't doet, ga ik heen en +zeg 't moeder." + +"Dan schiet ik op u," hernam Thomas en zocht met het geweer op haar +te mikken. + +Caroline schrikte daar zóó van, dat zij zoo hard als zij kon wegliep; +maar Thomas spande al zijne kracht in en zocht het geweer tegen den +schouder te brengen. Daarbij trof het, dat hij zijn vinger aan den +trekker bracht en daar hij toevallig het geweer van zijn vader had +genomen, dat nog geladen was, ging dat af en stiet de kolf hem, die +het niet vast tegen den schouder aandrukte, in het gezicht, zoodat +de schok hem twee tanden uitsloeg, de wang kwetste en hem het bloed +uit den neus deed stroomen. + +Thomas was door het afgaan van het schot en den bekomen slag zoo +onthutst, dat hij het geweer met een luiden gil uit de handen liet +vallen en naar de tenten liep, waar zijne beide ouders zaten, die +op het hooren van den knal waren opgesprongen en hem nu ontsteld te +gemoet vlogen. + +Flink en Willem waren ook op het schot oogenblikkelijk toegesneld, +daar zij vreesden dat er een ongeluk gebeurd was. De oude man liep op +Thomas toe, wischte den knaap met de hand het bloed van het gezicht +en ontdekte tot zijne geruststelling, dat deze geene wonde of ander +gevaarlijk letsel had. + +"Hij is niet gewond," riep hij mijnheer Wilson toe, "hij bloedt enkel +uit den neus. Houd op met schreeuwen en gieren, kwajongen! Wat hadt +ge weer uwe handen aan een geweer te slaan?" + +"Het geweer heeft mij op den grond gegooid," snikte Thomas, terwijl +het bloed hem steeds uit den mond liep. + +"Dan hebt ge uw verdiend loon gekregen. Zult gij u voortaan beter in +acht nemen en geen geweer meer aanraken?" + +"O, ik zal er mijn leven niet meer aankomen," jammerde de kleine. "'t +Heeft mij haast doodgeschoten." + +Juno kwam nu met water, om hem het gezicht af te wasschen, en thans +eerst ontdekte men, dat hij twee voortanden verloren had en aan wang +en lippen toch vrij wat bezeerd was. Men kleedde hem uit en legde +hem te bed, waar hij weldra in diepen slaap zonk. + +"Ik had de geweren daar niet moeten laten staan," zeide Flink tot +Willem; "dat was een verzuim van mij. Ik dacht zeker, dat men den +kleinen deugniet reeds zoo dikwijls ingeprent had, aan geen vuurwapens +te raken, dat hij dat zeker niet wagen zou. Maar altijd als er een +ongeluk valt aan te richten is hij terstond bij de hand." + +"Hij mikte op mij en wilde op mij schieten; maar ik ben weggeloopen," +zeide Caroline. + +"Goedertierende Hemel, welk een geluk!" riep de verschrikte +moeder. "Had hij losgedrukt, dan was mijn arm, lief kind vermoord +geworden.--Die afschuwelijke jongen!" + +"Hij is ditmaal behoorlijk gestraft, mevrouw, en ik sta er voor in, +dat hij in den eersten tijd geen geweer meer zal aanraken." + +Den volgenden morgen was het gezicht van onzen jongeheer hoogrood +en gezwollen. Wangen en lippen waren donkerblauw en opgeloopen en +het verlies der beide voortanden misvormde hem nog meer. Gelukkig +waren het nog melktanden geweest, want anders hadden de gevolgen nog +droeviger voor hem kunnen zijn. + +Tot het ontbijt werd van het gebraden wild opgedragen en de geur +daarvan prikkelde Thomas niet weinig in den neus. Toen zijn vader +hem nu echter nog eens terdege beknorde en hem zeide, dat hij geen +enkel brok van het gebraad proeven zou, begon hij zoo hard te huilen, +dat men hem wegbrengen moest, totdat hij met schreeuwen had opgehouden. + +Na 't ontbijt zeide Flink, dat hij met Willem in de boot wilde +gaan, om met het zware werk van de overbrenging der vele goederen +van de westkust naar het magazijn een begin te maken, waarbij hij +deed opmerken dat men geen enkelen dag meer te verliezen had. Juno +had op zijn verlangen reeds eene goede portie varkensvleesch voor +hen gebraden en tevens een stuk pekelvleesch gekookt, zoodat zij +behoorlijk van levensmiddelen voorzien waren en dus niets meer hadden, +dat hen tegenhield. Mijnheer Wilson nam de verdere planting der heg +op zich en wilde gedurende hunne afwezigheid de sloot rondom het +yamsplantsoen geheel voltooien. + +"Maar hoe lang denkt gij wel met Willem uit te blijven, Flink?" vroeg +de moeder met kennelijke bezorgdheid. + +"Wel, laat eens zien, mevrouw; we hebben vandaag Woensdag,--dan moet +ge ons niet vóór Zaterdagavond terug verwachten. Wij moeten dat alles +toch afdoen, en hoe eer het gebeurd is, des te beter voor ons." + +"Beste Willem, ik word er wezenlijk angstig onder dat gij zoo lang van +ons vandaan zult zijn. Daarbij zult gij altijd bij het water wezen, en +zoo zal ik in gedurige ongerustheid zijn, totdat ik u hier wederzie." + +"Nu, moeder, dan dien ik u wel met den post te schrijven, om u te +doen weten, hoe ik het heb." + +"Spot niet met mijn angst, kind. Ik wenschte, dat wij een post hadden +en dat gij mij iederen dag schrijven kondet." + +Flink en Willem maakten alle toebereidselen, die hunne langdurige +afwezigheid vereischen kon. Zij namen hunne beddedekens mede; zoo ook +een kleinen ketel, om te koken, en toen eindelijk alles beredderd was, +zeiden zij mijnheer en mevrouw Wilson hartelijk vaarwel. + +Juno hielp hun de bagage in de boot brengen. Zij wilden eerst naar de +Oostelijke kust roeien, dáár hunne vracht achterlaten en vervolgens +op het kokosbosch afgaan. Voordat zij van wal stieten, nam Willem +nog Remus, den hond, in de boot op. + +"Waartoe neemt gij den hond mee, Willem?? Hij kan hier van dienst +wezen, om de zwijnen te verjagen, en wij hebben misschien last +van hem." + +"Och, laat hem, Flink,--ik moet hem bij mij hebben. Er is mij daar +iets ingevallen--laat mij ditmaal mijn zin doen." + +"Goed, Willem: wat mij betreft, moogt gij altijd uw zin hebben. Gij +wenscht den hond bij u te houden, en daarmee afgedaan." + +"Dag, Juno, houd u goed, meid; we zullen u eene schildpad meebrengen." + +"Datte vooral doen, massa Flink! Dag, massa Willem! Niet vergeten, +zaterdag weerom wezen en brengen visch en schildpad mee." + +Het zeil werd opgetrokken, en daar er een frissche wind woei, waren zij +binnen korten tijd in de oostelijke baai. Zij droegen de levensmiddelen +en verdere benoodigdheden in het huis en sloten de deur toe. + +Hierop gingen zij naar het hoenderhok, waar Flink aan de vogels van +de rijst voorwierp, die hij hierheen had medegenomen. Tot hunne groote +tevredenheid telden zij thans over de veertig hoenders, alle gezond en +fiksch, sommige daaronder waren dik en vet, zoodat men hen dadelijk had +kunnen slachten. Daar zij nochtans overvloed van versche levensmiddelen +hadden, was men overeengekomen, hun vooreerst nog te ontzien, omdat +de eieren van meerdere waarde voor hen waren dan de hoenders. + +Vervolgens stapten zij weder in de boot en roeiden naar het +kokosboschje. De wind blies hun vlak tegen en zoo duurde hunne vaart +vrij lang, doch dit was, gelijk Flink opmerkte, eene zeer gunstige +omstandigheid, want op deze wijze konden zij met de bevrachte boot +ook des te sneller naar de baai terugzeilen. + +Aan het kokosbosch geland, verloren zij geen tijd, maar gingen +terstond aan het bevrachten van de boot, zoodat de spijkers benevens +de verdere ijzeren werktuigen van allerlei aard en de gereedschappen, +waar Flink destijds van het schip aan land had gebracht, het grootste +gedeelte van de eerste lading uitmaakten. Een meelvat, eene kist met +kaarsen en eenige stukken linnen maakten de lading eindelijk vol. Zij +riepen Remus, die zich op den zandigen oever in de schaduw van het +geboomte had nedergelegd, en stieten toen af. Het zeil werd geheschen +en een half uur later hadden zij de klippen reeds weder achter zich +en landden in de baai. + +"Ik ben recht blij, dat wij deze lading gelukkig overgebracht hebben, +Willem, want ze is voor ons van groote waarde. Nu willen wij het +een na het ander naar het magazijn brengen en daarmee is dan voor +vandaag genoeg afgedaan. Morgen zullen we zien, of we twee ladingen +halen kunnen. Ge denkt toch niet, dat dit u te zwaar zal vallen, +beste jongen?" + +"O, we hebben maar vroeg op te staan, en dan zal het best lukken," +gaf Willem ten antwoord. "Wij zullen nu ons maal houden en onzen +verderen arbeid tot den namiddag uitstellen." + +Aan dat maal mocht ook Remus deelnemen, dien Willem van beenderen en +verderen afval rijkelijk voorzag. + +"Maar zeg mij toch, Willem," vroeg Flink, "hoe waart ge er van morgen +toch zoo bizonder op gesteld om den hond mee te nemen?" + +"Dat zal ik u zeggen, Flink. 't Is mogelijk, dat ik mij in hem vergis, +maar dat geloof ik toch niet. Ik denk namelijk, dat hij moeder wel +een briefje van mij kan overbrengen. Gij weet, dat hij als men 't hem +gelast, altijd weer naar huis terugkeert, en nu wil ik eens zien, of +hij ook van hier den ganschen weg naar de tenten kan terugvinden. Ik +heb daartoe een stuk papier en potlood meegenomen." + +Hij haalde dit dadelijk voor den dag en schreef: + + + "Lieve moeder! + + "Wij zijn heel wèl en zoo even met de eerste lading + voorspoedig aangekomen. + + Uw u hartelijk liefhebbende zoon + + Willem." + + +Willem bond den hond het papier met een eindje touw om den hals, +lokte hem toen buiten het huis en riep: + +"Remus, naar huis, beest!--Marsch, weg! Naar huis, hond!" + +De hond keek zijn meester twijfelachtig aan, alsof hij niet recht +wist wat men van hem verlangde; doch Willem nam een steen en deed +alsof hij naar hem gooien wilde. Nu liep het dier een eind weegs +voort en bleef toen weder staan. + +"Naar huis, Remus!--Naar huis, hond!" Met deze woorden hief Willem +den steen weder omhoog, terwijl hij zijn bevel herhaalde en de hond +ging nu, zoo hard zijne pooten hem dragen konden, op den loop. + +"Hij is nu in allen gevalle weg," zeide Willem. "Mij dunkt, hij zal +de tenten wel wedervinden." + +"Dat moet de tijd leeren," hernam Flink. "Daar we met eten gedaan +hebben, kunnen we nu met het bergen van onze goederen beginnen." + +"Waar moeten we die dan bergen, Flink?" + +"In het magazijn, beste jongen. Dat zal ons wel wat zweet kosten, +want deze kisten en vaatjes met spijkers zijn zwaar en wij dienen +menigen gang te doen, maar het moet toch gebeuren. We hebben echter +nog een uur of drie, vier dag vóór ons, zoodat we ons niet behoeven +te overhaasten." + +Zoodra de gansche lading in het magazijn geborgen was, brachten zij +de boot in veiligheid en gingen toen naar het woonhuis, om zich daar +ter ruste te leggen. Op het oogenblik, dat zij den voet op den drempel +zetten, kwam Remus met vroolijke sprongen op hen toe; maar gelukkig +had hij het briefje nog altijd om den hals. + +"Daar is de hond, Willem," riep Flink. "Het schijnt, dat hij toch +niet naar huis heeft willen terugloopen." + +"Dat spijt mij recht; ik geloofde stellig en zeker, dat hij het doen +zou, en nu heb ik mij toch bedrogen. Wij zullen hem niets te vreten +geven, dan moet hij op 't laatst toch wel gaan. Maar wacht,--wacht +eens! Kijk, Flink! dat is niet hetzelfde papier, dat ik hem om den +hals bond. Ik geloof 't althans niet.--Laat eens zien." + +Dit zeggende nam Willem den hond het briefje van den hals en las: + + + "Beste Willem! + + "Uw brief is gelukkig overgekomen en wij zijn recht blij, nu + wij weten dat alles wèl met u is. Schrijf ons elken dag. 't Was + wezenlijk een recht goede inval van u,--en Remus is een juweel + van een hond. + + + Uwe u liefhebbende moeder + + Selina Wilson." + + +"Inderdaad, de hond is recht schrander," riep Flink. "Waarlijk, ik +had er niet de minste gedachte op, dat hij gaan, of dat hij nog wel +op bevel uwer moeder tot ons terugkomen zou." + +"Brave Remus!" riep Willem, het dier liefkoozende. "Kom hier, mijn +jongen; nu zult ge ook lekker smullen van avond, want ge hebt dat +eerlijk verdiend." + +"Dat heeft hij waarlijk. Zie, Willem, daar hebt ge nu een +postinrichting op ons eiland tot stand gebracht, en dat is eene +verbetering van belang. In ernst, jongen, ze kan ons recht nuttig +worden." + +"In allen gevalle kan dat eene groote geruststelling voor moeder zijn." + +"Ja, vooral dan, als we in 't vervolg met ons drieën hier werken +moeten, om 't magazijn in orde en in staat van tegenweer te +brengen.--Nu gaan wij echter terstond slapen, om morgen met den +leeuwrik weer op te zijn, zooals men bij ons te lande zou zeggen." + +"Hier dienden wij te zeggen, met de papegaaien, want die zijn de +eenige soort van landvogels, die dit eiland rijk schijnt te wezen." + +"Gij vergeet de duiven, Willem. Ik heb gisteren een paar in het bosch +gezien; maar ze zijn thans juist in den broeitijd.--Goeden nacht, +Willem." + +Eenige dagen lang werkten allen ijverig door en Remus ging heen en +keerde telkens met goede berichten terug, totdat des Zaterdags de +terugreis werd aanvaard. Bij hunne aankomst vonden zij de gansche +familie aan de kleine haven verzameld en verlangend naar hen uitziende. + +"Welkom thuis, beste Willem!" riep mevrouw Wilson hem vroolijk +toe. "Nu, gij hebt u een man van uw woord betoond en mij uwe brieven +met den post gezonden. Welk een kostelijke inval van u! Ik zal mij +niet meer ongerust maken: ook niet, als gij alle drie eens te zamen +weg zijt." + +"Ik moet Romulus en Vixen ook nog hetzelfde leeren, moeder." + +"En ik wil het de jongen leeren," zei Thomas. "Thomas wil ook brieven +schrijven." + +"Ja, ja, Thomas. Tegen dat gij eerst een brief schrijven kunt, zullen +de jongen wel sterk genoeg zijn, om dien te dragen," antwoordde +Flink. "Uw gezicht is nog tamelijk geschonden, merk ik. Ge zult nu, +hoop ik, geen doode varkens meer willen schieten." + +"Neen, dat wil ik niet; maar van 't eerste, dat gij nu weer doodmaakt, +zal ik meer eten, dan ik van dat andere gedaan heb." + +"Dat is een verstandig woord van u, beste jongen.--Kom hier, kleine +Albert! ik zal u weer een beetje op den arm dragen; wij beiden hebben +nu in zoolang niet samen gespeeld.--Hoe staat het met de heg en den +greppel, mijnheer?" + +"Goed, Flink, twee zijden daarvan zijn ten naastebij klaar. Naar ik +reken, zal ik tegen het einde der volgende week het gansche plantsoen +wel behoorlijk omheind hebben." + +"O, ge behoeft u niet al te sterk in te spannen, mijnheer; want zoo'n +groote haast heeft het volstrekt niet. Willem en ik zullen met het +overige wel nagenoeg klaar worden." + +Aan tafel sprak men nog lang van de schranderheid, door Remus bij het +overbrengen der brieven aan den dag gelegd. Mijnheer Wilson verhaalde +daarbij onderscheidene voorbeelden van de scherpzinnigheid der dieren, +totdat Willem zijn vader op eens vroeg, waarin dan eigenlijk het +verschil tusschen verstand en instinct bestond. + +"Dat verschil is zeer groot, zooals ik u terstond zal verklaren. Eerst +moet ik echter aanmerken, dat men voorheen placht te zeggen, dat de +mensch door verstand, maar het dier enkel en alleen door zijn instinct +geleid werd, hetgeen onjuist is. De mensch heeft evengoed als het +dier zijn instinct en ook de dieren bezitten verstandelijke vermogens, +ofschoon zij ook meestal enkel aan het instinct gehoorzamen." + +"Instinct bij dieren is het gevoel, dat dezen aandrijft om zekere +dingen zonder voorafgaand overleg of nadenken te verrichten. De zwaluw +bouwt haar nest, de spin weeft haar web, de bij maakt hare cel in +alles nog evenzoo als zij het voor vierduizend jaren gedaan hebben. Ik +kan u hier reeds doen opmerken, dat een der grootste wonderen van het +instinct in de meetkunstige gedaante der bijencellen bestaat, want men +heeft door afdoende bewijzen aangetoond, dat deze vorm juist die is, +welke de minste opoffering van tijd en moeite vordert. De wonderen +van het instinct vallen bovenal onder zulke dieren in het oog, die +in groote kudden en zwermen samenleven." + +"Verklaar mij dat wat nader, lieve vader." + +"Daartoe behooren b. v. de vele soorten van trekvogels, wilde ganzen, +ooievaars, zeevogels, kraaien en raven. Zij doen hun instinct blijken +door de tochten, die zij uit het eene werelddeel naar het andere +ondernemen,--door de wijze, waarop zij vliegen, opdat zij den wind +zoo weinig mogelijk val en tegenstand bieden. Daarbij houdt elk +dezer dieren zich aan de hem aangewezen plaats met eene bijzondere +nauwgezetheid. Als zij slapen, zetten zij schildwachten uit, die voor +hen waken en hun bij naderend gevaar een teeken geven; datzelfde kan +men niet alleen bij vogels, maar ook bij andere dieren waarnemen." + +"En hoe is het dan met die, welke in troepen of zwermen leven, vader?" + +"Daartoe behooren de bijen, de mieren en vele andere insecten en onder +de viervoetige dieren de bever. Niets is bewonderenswaardiger dan de +nauwgezetheid, waarmede zij arbeiden, de gemakkelijkheid, waarmede +zij zich de een den ander verstaanbaar maken en de stiptheid, waarmede +ieder in het bijzonder zijn werk verricht,--doch Thomas geeuwt, alsof +hij ons allen wil inslikken en Caroline is al lang in zoete rust." + +"Hun verstand en hun instinct zijn dan beide tegen mij," merkte +Willem lachend aan, "zoodat ik wel geduld moet hebben. Maar ik verlang +werkelijk zeer over dit punt nog iets meer van u te hooren." + +"En ik niet minder, Willem," verzekerde Flink; "ofschoon 't mij nu +niet onaangenaam is te gaan rusten." + + + + + + + +EEN-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK. + +INSTINCT EN VERSTAND. + + +De volgende dag was als Zondag aan de rust gewijd. + +Toen de familie des avonds vreedzaam bij elkander zat, verzocht Willem +zijn vader, om nu van de verstandelijke vermogens der dieren nog iets +naders te zeggen. + +"Dat wil ik gaarne doen," antwoordde mijnheer Wilson. "Daar vinden wij +dan vooreerst geheugen, en wel inzonderheid een onthouden van personen +en plaatsen, dat in getrouwheid voor dat van ons menschen zeker niet +behoeft onder te doen. Een olifant, die uit zijn stal weggeloopen en +weer in zijne oude bosschen gevlucht was, kende nog na twintig jaren +zijn voormaligen drijver weder. Wat den plaatselijken zin aangaat, +zoo zal b. v. een hond de vroegere woning van zijn heer terugvinden, +ook al was hij er honderd uren ver vandaan geweest. Ook de papegaai +en de kaketoe bezitten een uitmuntend geheugen. + +"Een tweede bewijs voor hun geheugen is, dat de dieren droomen; +hoe dikwijls hoort gij Romulus en Remus in den slaap niet brommen +en blaffen?" + +"Dat heb ik meermalen opgemerkt, vader." + +"Verder doen zij ook opmerkzaamheid blijken. Zie eens eene kat, +hoe zij uren lang geduldig voor een gat zit en wacht tot de muis +er uitkomt. Eene spin wacht dagen lang, totdat eindelijk eene vlieg +in haar net verward raakt; en zoo zult gij het bij elk dier vinden, +als het op zijne prooi loert. + +"Ook een aaneenschakeling van gedachten is bij hen merkbaar, +en wat is dit anders dan eene werkzaamheid van het verstand? Een +bewijs daarvan levert de hond; hij zal b. v. een net gekleed mensch +doodbedaard op zijne deur laten toekomen, terwijl hij dreigend op +den bedelaar aanvliegt. Heeft hij iets te bewaken, dan zult gij +altijd merken, dat hij een voorbijganger ongestoord laat gaan, maar +daarentegen oogenblikkelijk begint te blaffen, als iemand voor hem +staan blijft. Ik heb in Sidney een hond gekend, die op de plantage van +zijn meester de wacht moest houden en telkens, als hij een mensch het +goed hoorde naderen, op den kleinen muur sprong, die de plaats omgaf, +en den aankomeling op zijde bleef, totdat deze de buurt verlaten had. + +"Bij den olifant valt dit vermogen der gedachtenverbinding nog +duidelijker in het oog; hij verstaat wat men hem zegt veel beter dan +eenig ander dier;--zijn verstand is werkelijk ongemeen. Men heeft hem +slechts eene belooning toe te zeggen, en hij zal de verwonderlijkste +kunststukken verrichten; ook is hij buitengewoon gevoelig voor lof +of blaam. + +"In Indië worden de olifanten tot het vervoer van zwaar geschut +gebruikt. Eens gebeurde het, dat een van de fraaiste dezer dieren +vruchteloos zijne krachten inspande, om een kanon door het moeras +te slepen. "Jaagt het luie dier weg," riep de commandant van den +legertrein, "en laat een ander komen." De olifant gevoelde zich +door dit verwijt zoo diep gekrenkt, dat hij 't uiterste beproefde +om het stuk met zijn kop voort te stooten, totdat hij zich den kop +verpletterde en dood nederviel. + +"Op de beurs te Exeter had men langen tijd een olifant, die Chunny +heette. Dezen had men geleerd, de kleinste geldstukken met zijn snuit +van den grond op te rapen. Eens gebeurde het hem, dat hij een shilling +liet vallen, die daarop tegen den muur aanrolde, zoodat hij er niet +meer bij kon. Chunny blijft staan, bedenkt zich een poosje en begint +eindelijk met zijn snuit zoo geweldig te blazen, dat de uitgestooten +lucht den shilling van den muur af en naar hem toedrijft, zoodat hij +weder in staat is dien te bereiken. + +"De dieren bezitten ook nog andere eigenschappen, zooals onder +andere een scherpen zin voor de tijdverdeeling. Zoo kende ik twee +honden, die aan eene dame toebehoorden. Deze dieren mochten altijd +medegaan, wanneer hunne meesteres in de week met haar rijtuig een +toertje ging doen; alleen 's Zondags, als deze naar de kerk reed, +werden zij natuurlijk niet medegenomen. Nu was het vreemd te zien, +hoe deze beide honden evengoed als hunne meesteres wisten, wanneer het +Zondag was. In de week als het rijtuig voor de deur stilhield, kwamen +zij vroolijk aanspringen en waren, zoodra de tree werd neergelaten, +met een wip daarin; maar 's Zondags was het, alsof zij niets van het +rijtuig merkten en bleven zij bedaard op hun plaatsje liggen." + +"Dit is waarlijk merkwaardig; wat moet dat een verstandig dier geweest +zijn!" riep Willem verwonderd. + +"Ook zijn de dieren voor onderrichting vatbaar, hetgeen blijkbaar +een nieuw bewijs voor hunne verstandelijke vermogens is. De olifant, +het paard, de hond en andere dieren, zelfs vogels, kunnen al het +mogelijke aanleeren. Zoo kan men op kermissen menigmaal kanarievogels +zien, die kanonnetjes afsteken, zich dood houden en allerlei kunstjes +verrichten." + +"Maar nu weet ik nog altijd niet, waar men de grenslijn tusschen +verstand en instinct moet trekken, beste vader." + +"Ik was juist op het punt om daartoe over te gaan, Willem. Als +de dieren bij het uitgaan op hun voedsel, het grootbrengen hunner +jongen en bij hunne voorzorgen tegen gevaren het instinct volgen, dan +gehoorzamen zij daarbij aan zekere vaste regelen, waarvan zij nooit +afwijken. Daarbij kunnen echter altijd weer omstandigheden plaats +hebben, waartegen het instinct hun geen hulpmiddelen verschaft, en +het is in zulk een geval, dat hun verstand moet worden te baat genomen. + +"Ik wil dit gezegde nader ophelderen met het voorbeeld van de bij, +die een der dieren is, bij wie het instinct zich het werkzaamst +vertoont. Er is zekere vlinder,--men noemt hem doorgaans den +doodshoofdvlinder,--die zich zeer gaarne op honig vergast. Het gelukt +hem somwijlen in een bijenkorf en tot de cellen door te dringen. De +bijen grijpen dezen vijand dadelijk aan en dooden hem met hare +angels; doch zijn lijk is zoo groot, dat zij het niet uit den korf +kunnen brengen, wat bij kleinere insecten, die bij haar indringen, +regelmatig geschiedt, naardien zij een zeer fijnen reuk schijnen +te bezitten. Wat doen zij dus, om den stank, die van het verrottend +lichaam der kapel te vreezen is, te keer te gaan? Zij overtrekken het +doode diertje met was en balsemen het als 't ware op deze wijze in, +zoodat zij er volstrekt geen last meer van hebben." + +"Ja, maar kan 't ook in dit geval niet haar instinct geweest zijn, +vader, dat haar zoo handelen deed?" vroeg Willem. + +"Als dit geval bij wilde bijen ware voorgekomen, dan kondet gij die +vraag met recht doen, Willem. Nu echter weet gij, dat bijen in den +wilden staat in uitgeholde boomen leven en dat in dit geval de opening, +die naar het hol voert, juist maar even groot genoeg is, dat de eene +bij er na de andere door kan. Natuurlijk kan er dan geen grooter +dier meer indringen, en al wilde het dat ook, zoo zou het gemakkelijk +door den grooten zwerm worden afgeweerd. Ik neem de bijen nu echter +in haren kunstmatigen toestand, als zij in een bijenkorf met wijde +opening opgesloten en aldus aan het vermelde geval blootgesteld zijn, +waarin zij op de gezegde wijze weten te voorzien." + +"Nu heb ik het onderscheid begrepen, vader." + +"Nog een voorbeeld: Een olifant viel eens in een diepen waterput. Het +was onmogelijk hem er uit te halen, en hij had er dus in moeten +omkomen; maar zijn drijver, die wel wist, hoe schrander het dier was, +gaf den raad om eene menigte zware takkenbossen bijeen te brengen en +die den olifant in den put toe te werpen. Het dier begreep dan ook +heel goed, wat men daarmee voorhad. Hij vlijdde de takkebossen op +den grond neder en plaatste zich daarop; zoo ging hij voort de eene +laag op de andere te leggen, tot die zulk eene hoogte bereikt hadden, +dat hij eindelijk uit den kuil komen kon. Er zouden wel menschen zijn, +die niet begrepen, wat zij in een soortgelijk geval met de takkebossen +hadden aan te vangen, als men hun dat niet eerst zeide." + +Zij arbeidden de volgende gansche week met den grootsten ijver +door en hadden eindelijk op Zaterdagavond hunne taak verricht. Met +uitzondering van de geborgen scheepsplanken, was thans al het overige +naar de oostelijke baai vervoerd. Echter lag er nog veel op het strand +verstrooid, daar de tijd niet toereikend geweest was om alles in het +magazijn te bergen. + +Zaterdag, in den vroegen morgen, roeiden zij voor de laatste maal naar +het kokosbosch en Flink zocht onder de wrakhouten, die overal op het +strand verstrooid lagen, een aantal eiken balken en posten op, die +zij daarop deels in de boot brachten, deels aan 't achtereind daarvan +vastmaakten. Dit gaf een zeer zware lading, zoodat de boot, in weerwil +van de stevige koelte, slechts zeer langzaam door het water ging. + +"Nu, Willem," begon Flink, "hebben we een moeilijk werk achter den rug +en ik moet zeggen, 't is hoog tijd dat wij eindelijk klaarkomen, want +onze boot begint vrij zwak en bouwvallig te worden, zoodat ik haar, +zoodra wij eens weer tijd daartoe hebben, zorgvuldig kalefateren moet." + +"Wij zullen haar nu ook zoo dikwijls niet meer noodig hebben," +antwoordde Willem; "eenige vaarten naar de kleine haven zullen wel +alles zijn, wat zij voor ons terugkeeren naar de oude woning heeft +te doen." + +"Dat is waar, Willem en zij heeft ook reeds een duchtig lek en dient +althans spoedig met zorg geteerd te worden. Voor een zoo licht gebouwd, +gebrekkig ding, heeft zij hare diensten kostelijk gedaan." + +"Het heeft mij al dikwijls verwonderd, dat zij zich zoo goed hield, +Flink. Maar wat dunkt u, zullen we nu aanstaanden Maandag naar het +magazijn opbreken en daar in het vervolg onzen intrek nemen?" + +"Zeker, Willem; we mogen dat volstrekt niet langer uitstellen," +antwoordde Flink. "Uw vader heeft intusschen zeker heg en sloot +rondom het yamsplantsoen klaar, en is dit zoo, dan zal uwe moeder +toch ook niet alleen met Juno en de kleinen in de tenten willen +achterblijven. Zoo zullen wij nu het beste doen om naar het oude huis +terug te keeren, totdat het magazijn geheel in orde is gebracht. Ik +voor mij zou echter veel liever zien, dat uw moeder stilletjes bij +de tenten bleef, totdat alles gedaan is." + +"Omdat gij een bezoek van de wilden vreest, Flink?" + +"Ja, waarlijk, beste jongen, ik wil het niet ontkennen." + +"Maar, Flink, als zij komen, dan zien wij dat vroeg genoeg; en is het +dan niet veel beter, dat wij allen bij elkander zijn, zelfs als wij +ons voor hen verbergen moesten, omdat we nog niet behoorlijk waren +voorbereid? Stel u het geval eens voor, dat de wilden het eiland +overvielen en mijne moeder, mijne broertjes en zusjes geheel zonder +bescherming vonden, terwijl wijzelven gedwongen waren, ons huis te +verlaten,--hoe schrikkelijk moest dat zijn!" + +"Ja, Willem, ik reken er op, dat wij ons in dat geval nog naar de +tenten redden zouden." + +"Dat kunnen wij echter ook allen gezamenlijk, Flink, als wij maar +niet bij nacht verrast worden." + +"Daar moeten wij met alle zorgvuldigheid tegen zoeken te waken mijn +jongen. Gelukkig is het licht in het tegenwoordige seizoen weinig +langer dan drie uren van den hemel. Het komt mij overigens voor, +dat gij gelijk hebt, Willem. Bovendien kan Juno ons goede diensten +doen en wij zullen door haar te eer met ons werk klaarkomen." + +"'t Zou misschien wel het best zijn, dat wij de beslissing aan vader +en moeder overlieten." + +"Dat is waar.--Nu, daar is eindelijk de landpunt ook; wij zullen onze +planken gauw aan land brengen en dan dadelijk weer in zee steken, +want het wordt al tamelijk laat." + +Zij bereikten de kleine haven werkelijk veel later dan gewoonlijk, +waaraan de zware lading schuld was, zoodat de boot niet dan zeer +langzaam naar de baai was voortgedreven. Bij hunne aankomst stonden +vader, moeder en de kinderen allen op het strand hen met ongeduld +te wachten. + +"Gij komt van avond laat, vrienden," begon mevrouw Wilson. "Ik begon +al ongerust te worden, tot ik uwe boot eindelijk in de verte zag." + +"Ja, lieve moeder, wij konden het niet anders maken; we hadden nog +eene zware lading over te brengen, maar nu zijn wij ook met ons werk +geheel ten einde." + +"Dat hoor ik met blijdschap, Willem, want het valt mij hard, u zoo +dagen achtereen in het geheel niet te zien te krijgen." + +"Ook ik ben met mijn werk klaar," zeide de heer Wilson: "dezen morgen +heb ik de laatste hand aan de omheining gelegd." + +"Dat is goed," sprak Flink; "wij moeten dan eens weder een krijgsraad +houden, die echter nu, denk ik, niet al te lang duren zal." + +"Ik hoop het althans niet, Flink; want als men van eenerlei gevoelen +is, zal dat zelden het geval zijn. Mijne vrouw wil liefst niet alleen +hier achterblijven en ik zou haar niet gaarne verlaten;--daarom, +dunkt mij, moeten wij Maandag naar onze woning opbreken." + +"Recht gaarne, mijnheer, als gij dat verkiest," gaf Flink ten antwoord. + +"Juno, ik hoop toch, dat gij iets goeds te eten hebt?" riep Willem. "Op +mijn woord, ik heb van avond honger voor tien." + +"O ja, massa Willem, gebakken visch heele boel; massa zelf die +vanmorgen gevangen heeft." + +"Ik lust liever schildpadsoep," verklaarde Thomas. + +"Ik geloof, dat sinjeur Thomas alles lust behalve ricinusboonen," +zeide Flink lachend. "Niet waar, daar wilt gij niet meer van eten?" + +"Neen, zeker niet; maar ik wil bananen eten, zoodra ze rijp zijn." + +"O, gij hadt ze zeker ook al vroeger geproefd, als gij er maar bij +had kunnen komen; doch daartoe moet gij eerst nog grooter worden." + +"Ik zal ook een man worden," hernam Thomas. + +"Dat hoop ik en wel een recht braaf, uitstekend man," antwoordde de +oude Flink. "Kom, ik zal Juno nu maar eens een handje helpen, om het +eten op te brengen." + + + + + + + +TWEE-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK. + +GROOTHEID VAN HET DIERENRIJK. + + +De volgende dag was weder een Zondag en derhalve aan de rust +gewijd. Inderdaad hadden onze vrienden die na den ingespannen arbeid +van de voorgaande week hoog noodig en thans eerst gevoelden zij recht +duidelijk, hoe weldadig zulk een verademing is. + +Na het eten hield men raad en kwam overeen, Maandag alle toebereidselen +te maken, om de tenten te verlaten en naar de oude woning terug te +keeren. De schapen en geiten zouden vooreerst aan de zuidkust blijven, +waar zij uitmuntend voedsel in overvloed hadden. Men wilde slechts +eene enkele geit medenemen, die het huisgezin genoegzaam van melk +kon voorzien. Ook besloot men de tenten, met eenig keukengereedschap +daarin, te laten staan, opdat Willem en Flink, als zij hierheen kwamen, +om naar de bananen en yamswortels of naar de schapen en geiten om te +zien, niet onder den blooten hemel zouden behoeven te slapen en de +middelen mochten vinden om zich een behoorlijk maal te bereiden. + +Willem en Flink moesten de bedden enz. in de boot naar de oostkust +brengen, hetgeen in twee vaarten te doen was. Mijnheer en mevrouw +Wilson wilden vroeg ontbijten en dan met de verdere familie door het +bosch op weg gaan. + +Des avonds bracht Willem het gesprek weder op de dieren en hunne +eigenschappen, daar hij zijn vader gaarne over dit onderwerp hoorde +spreken. In den loop van dit gesprek wierp Willem eensklaps de +vraag op: + +"Ei, vader, men zegt wel eens: "zoo dom als een ezel!" Is de ezel +dan werkelijk zulk een dom dier?" + +"Neen, Willem; integendeel is hij zeer scherpzinnig en die benaming +wordt hem meer om zijn stroeven, koppigen aard dan om eenige andere +reden gegeven. Men zegt veelal, "dom als een ezel, dom als een varken +of als eene gans," doch doet die dieren daarbij groot ongelijk, +daar geen van hen dien bijnaam verdient. + +"Bij den ezel kan hiervan licht de reden zijn, dat wij in ons +noordelijk vaderland slechts de minste bastaardsoorten bezitten. Klein +en gebrekkig, gelijk wij hen daar zien, geeft men hun noch haver noch +eenig ander krachtig voeder, behandelt hen slecht en zoo is het dan +ook geen wonder, dat zij tot trage, stijfkoppige dieren ontaarden. Het +klimaat van het noordelijk Europa is veel te koud voor den ezel. In +het zuiden van Frankrijk, aan de Middellandsche Zee, waar het veel +warmer is, treffen we den ezel ook als een veel fraaier dier aan. + +"Wanneer wij hem echter in al zijn volmaaktheid willen zien, dan +moeten wij in de warme luchtstreek naar Guinea vlak onder den evenaar +gaan. Daar, in de heetste streek der aarde, is het vaderland van +den ezel; daar is hij in zijn natuurstaat een fraai dier, snel als +de wind." + +"Maakt dan het klimaat zulk een groot verschil, vader?" + +"Natuurlijk--en dat niet alleen bij dieren, maar ook bij boomen en +planten en zelfs bij den mensch, totdat hij aan de verwisseling daarvan +gewoon is. De lascaar, d. i. de inlandsche Indische zeeman, is op de +warme, zonnige Indische wateren vol vroolijkheid en leven, doch zoodra +hij in het Britsche Kanaal komt en de vingers hem van koude verkleumen, +wordt hij traag, onwillig, kortom in alles een beklagenswaardig wezen. + +"Onder de dieren vindt men vele, die de verwisseling van klimaat +goed verdragen en zich zelf aan een hun anders geheel vreemd voedsel +gewennen kunnen. Het paard b. v. dat oorspronkelijk in Arabië te huis +behoort, tiert evengoed in de gematigde als in de koude luchtstreek, +daar het zelfs den harden winter in Noord-Amerika en in Rusland +verduren kan. Zoo ook andere huisdieren, als koeien, schapen, varkens, +enz. Eene opmerkelijke bijzonderheid is, dat het rundvee in Canada +gedurende den winter voor een groot deel met visch wordt gevoed. + +"Behalve de reeds opgenoemde, zijn er ook nog andere dieren, b. v. de +wolf, de vos, de haas en het konijn, die onder elke warmtegraad +kunnen leven. Bij schapen en geiten ziet men een merkwaardig +verschijnsel,--blijkbaar ten bewijze, dat zij bestemd zijn, om zich +overal op de aarde te verbreiden,--dit namelijk, dat zij onder de heete +hemelstreken hun warm, wollig kleed afwerpen en bijna enkel haren ter +bedekking overhouden, terwijl zij hunne warmer vacht oogenblikkelijk +weder aannemen, als zij naar kouder streken worden overgebracht. + +"Dit toenemen van het ruige bekleedsel is nog bij vele andere dieren +merkbaar zoodra zij uit warmer streken meer naar het noorden worden +overgeplant. Wolven, vossen, hazen en konijnen verkrijgen langzamerhand +eene witte vacht, hoe verder noordelijk zij zich ophouden. De kleine +wezel, die bij ons door de veld- en boschwachters gedood en aan de +schuurdeuren gespijkerd wordt, verandert in Rusland en in andere koude +landen in dat fraaie, witte hermelijntje, welks pels zoo hooggeschat +en door keizers en koningen gedragen wordt. + +"Hierbij valt alleen op te merken, Willem, dat zulke dieren, welke +slechts voor een bijzonder werelddeel bestemd werden, ook doorgaans +zoo zijn toegerust, als zij voor hun land best passen, en daar ook +het meest geschikte voedsel voor hunne soort vinden. Neem b. v. den +kameel, een dier, dat uitsluitend voor zijn geboorteland geschapen +werd en zonder 't welk alle gemeenschap tusschen Azië en Afrika moest +ophouden. Zijne pooten zijn zoo gevormd, dat hij met gemak door het +zand waden kan; hij voedt zich met de schrale gewassen en ziltige +planten, die men daar nog aantreft, en heeft de bijzondere eigenschap, +dat hij in eene soort van tweede maag een voorraad van water medevoert, +om in streken, waar men dat niet vindt, er zijn leven bij te houden." + +"Er zijn zeker ook vele dieren, die voor den mensch van geen nut +zijn, vader?" + +"Vele althans bij wie dit het geval schijnt te wezen, en enkele zelfs, +die hem hoogst verderfelijk zijn. Dit behoort nu eenmaal tot ons lot; +wij mogen hen daarom ook uitroeien en verdelgen, als zij ons lastig +of gevaarlijk worden, gelijk wij dat den distel op het veld doen. Zoo +zij echter ook al van geen nut voor ons zijn, verhoogen zij toch de +schoonheid en rijke verscheidenheid der natuur." + + + + + + + +DRIE-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK. + +INRICHTING VAN HET BLOKHUIS. + + +De volgende morgen was zeer druk en onrustig, want nu ging men weer aan +'t inpakken en aan de toebereidselen tot de verhuizing. Juno werd nu +hier, dan daar geroepen en moest Carolientje verzoeken op den ketel +te letten en haar te waarschuwen, als het water begon te koken. + +Thomas was, als naar gewoonte, iedereen in den weg. Hij wilde overal +helpen, doch bracht meer van, dan op zijne plaats. Daar hij het +evenwel goed meende, werd hij althans ditmaal niet beknord. Eindelijk +zond Flink, om hem kwijt te worden, hem met een groot pak naar +het strand. Thomas nam den bundel op zijn schouder: maar toen hij, +niet weinig hijgende van het verrichte werk terugkwam en Flink hem +een tweeden last wilde opladen, zei hij toch, dat hij te moe was, en +zette zich stilletjes neer, totdat het ontbijt werd opgedragen, wat +echter eerst geschiedde, toen men met alle toebereidselen gereed was. + +Terstond na het ontbijt pakte mevrouw Wilson het keuken- en +tafelgereedschap in een mand bijelkander. Toen begaf de gansche +familie zich eindelijk op weg en trok, in gezelschap van de honden, +door het kokosbosch voort. + +De kleine Albert kon nu heel goed loopen en moest slechts nu en dan +door Juno gedragen worden, die hem anders bij de hand had. Caroline +liep naast haar vader en moeder, maar Thomas was te eigenzinnig om +met iemand te gaan en stapte in zijn eentje voort. + +Willem en Flink verloren geen tijd, om hunne taak af te doen. Tafels, +stoelen en verder huisraad was het eerste, dat zij in de boot +hadden. Vervolgens werd de eene geit ingescheept en toen stieten zij +met volle lading van land en bereikten de baai lang vóór de wandelaars, +die door het bosch trokken. + +Zij brachten de ingeladen goederen spoedig aan land en stieten toen +opnieuw af, om het beddegoed en wat er verder nog was overgebleven +af te halen. Tegen drie uren 's namiddags kwamen zij met de tweede +en laatste lading in de baai aan, waar de familie voor ongeveer een +uur was aangekomen. Mijnheer Wilson en Juno waren reeds druk bezig +de uitgeladen stukken naar het huis te dragen. + +"Dat zal nu hoop ik, onze laatste vaart geweest zijn voor langen tijd, +Willem," zeide de oude Flink. "'t Is ook goed, want onze kleine boot +heeft veel geleden en dient, zooals ik u reeds zeide, eens met zorg +te worden nagezien." + +"Ha, laat mij 't niet vergeten, Flink, ik heb onlangs de duiven bij +onze erwten gevonden; het wordt dus wel tijd, dat wij ze plukken. De +duiven zijn al heel schielijk vermeerderd,--ik heb er wel over de +dertig geteld." + +Nog vóór den nacht was alles in huis weder op de oude plaats en even +gemakkelijk als te voren ingericht. Zij waren dan allen ook recht moede +geworden en gingen dus vroegtijdig te bed, nadat men voor den volgenden +dag het noodige had afgesproken. Mevrouw Wilson had zich aangeboden +om de keuken en het opzicht over de kleinen zelve voor hare rekening +te nemen, zoodat Juno de mannen den ganschen dag behulpzaam kon zijn. + +Voor dag en dauw gingen Willem en Flink naar de schildpadvijver +en vingen er eene uit, want de tijd naderde, dat men weder nieuwe +schildpadden vangen en in korten tijd den vijver daarmede vullen +kon. Het gevangen dier werd geslacht en een deel daarvan in den pot +gestoken, zoodat mevrouw Wilson het slechts had te braden, en zoodra +het ontbijt was afgeloopen, ging men onverwijld naar het magazijn in +het woud. + +Ka een kort beraad met mijnheer Wilson, paalde Flink een van +kokosboomen gevormd vierkant rondom het magazijn af, zoodat op elke +zijde eene ruimte van ongeveer twintig voet vrij bleef, en dit vierkant +moest nu door eene schutting geheel worden ingesloten. De kokosboomen +moesten daarbij tot steunbalken dienen, tusschen welke andere boomen, +die men eerst vellen wilde, tot eene hoogte van veertien voet zouden +worden vastgemaakt. Op deze wijze dachten zij eene palissade tot +stand te brengen, die men niet gemakkelijk beklimmen kon, zoodat zij +daardoor tegen alle aanvallen der wilden beschut waren. + +Zoodra de buitenste reeks van boomen gemerkt was, begonnen zij alle +boomen binnen deze en naar buiten tot op een afstand van tien roeden om +te hakken, zoodat zij behoorlijk ruimte tot hun arbeid hadden. Flink +kapte lange balken welke zij van boom tot boom bevestigden, en nu +reeds ondervonden zij het voordeel, dat zij van het bewaren der groote +spijkers hadden, want zonder dezen hadden zij hun werk noch zoo goed +noch zoo rasch kunnen verrichten. + +Mijnheer Wilson velde de boomen, Willem en Juno zaagden ze met +een groote timmermanszaag op de behoorlijke lengte af en brachten +de stammen dan bij Flink. Spoedig hadden zij meer omgekapt dan zij +eigenlijk noodig hadden. De kruinen en takken der gevelde boomen werden +opgeraapt en als brandhout op een hoop gestapeld, terwijl mijnheer +Wilson en Flink de palissaden aan de palen begonnen vast te spijkeren. + +Zij hadden den ganschen dag zwaar gearbeid en waren verheugd, toen +de avond hun eindelijk eenige verademing vergunde. Flink was echter +nog niet tevreden, maar zeide tot Willem: + +"Daar wij nu weder hier zijn, komt het mij wel noodzakelijk voor, +beste jongen, dat wij, om ongeluk te verhoeden, eene soort van +nachtwacht houden. Ik ga niet te bed, voordat het geheel donker +wordt, wat zoo ongeveer tegen negen uren is: gedurende dien tijd +zal ik de zee nauwkeurig opnemen. Wij hebben wel niet te vreezen, +dat de wilden midden in den nacht komen; maar even voor 't invallen +van de duisternis of 's morgens vroeg is dit eer te verwachten, en +zoo moet dus een van ons nog vóór 't aanbreken van den dag--dat is +tusschen twee of drie uren 's morgens--op de been zijn, om te zien of +er ook iets van hen te ontdekken is. Is dit niet het geval, dan kunnen +wij natuurlijk weer te bed gaan, daar zij dan eerst vele uren later +kunnen aankomen. Ook moeten wij op wind en weer acht geven, of die +hunne vaart misschien ook begunstigen. Met den wind kan dit niet eer, +dan met het begin van den regentijd het geval zijn. Hij kan echter ook +zeer zwak worden, en dan moet er den wilden weinig aan gelegen zijn, +of hij hun tegen is of niet. Ik heb al veel over de zaak nagedacht, +beste Willem, en geloof dat, ingeval wij een bezoek van de wilden +krijgen, dit met het begin van den regentijd wezen zal, want dan +waait de wind niet regelmatig uit ééne hemelstreek, zooals thans, +maar springt gedurig om, zoodat zij in hunne kano's zeilen opzetten +en gemakkelijk hierheen komen kunnen, in plaats van anders veertig +of vijftig mijlen ver tegen wind en stroom in te moeten roeien, wat +een allesbehalve lichte arbeid is. Hoe dat zij, wij mogen zelven geen +voorzorg verzuimen en moeten nu reeds scherp naar de zee uitzien. Ik +wil uw vader en moeder liefst voor den tijd niet ongerust maken, +maar u moet ik zeggen, hoe ik er over denk en wat ik meen, dat wij +te doen hebben." + +"Ik geef u volkomen gelijk, Flink, en zal zorg dragen, dat ik vóór +den dag op ben, om den horizon, zoodra 't begint te schemeren, met +den kijker zoo scherp mogelijk op te nemen. Neem gij de avondwacht, +dan zal ik mij wel met de morgenwacht belasten." + +"Goed, Willem. Wat voor 't overige dier wacht aangaat, kon ik zeer +goed beide op mij nemen, maar ik geloof, als gij 's morgens opstaat, +zullen de anderen dat niet zoo licht als van mij bemerken, en dat ik +'s avonds nog wat langer dan de familie opblijf, is men meer van +mij gewoon." + +Na dit gesprek hielden Flink en Willem dus gestadig de wacht van den +morgenschemering af, totdat de volle duisternis was ingevallen. + + + + + + + +VIER-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK. + +GROOT GEVAAR. + + +Omstreeks veertien dagen lang werd de arbeid bijna onafgebroken +voortgezet, toen er plotseling een voorval plaats greep, dat +de grootste onrust en bezorgdheid wekte. Op zekeren dag, dat de +arbeidenden voor het middageten terugkwamen, vroeg mevrouw Wilson +verwonderd: + +"Hoe, is Thomas dan niet bij u geweest?" + +"Neen," gaf haar man ten antwoord; "hij heeft zich den ganschen +voormiddag maar even laten zien. Hij ging na het ontbijt met ons mee, +maar was na een kwartier ook al weer weg." + +"Ja, mevrouw, ikke zeggen; jongetje, jij kokosbladeren helpen dragen, +maar hij toen een, twee, drie, is weggeloopen." + +"Mijn God! waar mag hij dan zijn?" riep de moeder in de grootste +ongerustheid uit. + +"Hij zal waarschijnlijk aan 't strand schelpen zoeken, mevrouw," +zeide Flink; "misschien ook is hij in den tuin. Ik zal eens naar hem +gaan zien." + +"Ik zal met u gaan, Flink," zeide Willem. + +"Ikke zien hem--ach lieve grutte hemeltje! ikke zien hem!" riep Juno +en wees naar de zee; "hij zitten in de boot en de boot gaan in zee!" + +Het was maar al te waar. Thomas zat werkelijk in de boot, die reeds +van het strand afdreef, en zoo nagenoeg eene kabelslengte daarvan +verwijderd, midden onder de klippen te zien was. + +Willem vloog met de snelheid van den wind naar het strand; evenzoo de +vader en Flink. De beangste moeder volgde met Juno op eenigen afstand. + +En er was ook werkelijk geen tijd te verliezen, want de wind blies +gestadig van het land en weldra moest de boot in volle zee zijn. Niet +zoodra was Willem aan het strand gekomen, of hij wierp hoed en buis +van zich en sprong in 't water. Reeds had hij de helft van den afstand +tusschen het land en de voortdrijvende boot achter zich, toen de oude +Flink, die hem gevolgd was, hem bij den arm vatte. + +"Keer oogenblikkelijk terug, Willem!" riep deze op gebiedenden +toon. "Ik zeg, ik gelast het u. Al gaat gij ook verder, kunt gij toch +niet helpen, daar gij u niet zoo goed als ik weet te redden. Ik zwem +toch door en zoo loopen wij beiden dubbel gevaar. Mijnheer Wilson, +roep uw zoon terug. U moet hij gehoorzamen!" + +"Willem!" riep zijn vader; "kom oogenblikkelijk terug: ik gelast +het u." + +Willem gehoorzaamde nu en was nog niet uit het water, toen de oude +man reeds tot de eerste klippen was voortgezwommen en nu over de +ondiepe plaatsen over het rif op de boot toewaadde. + +"O vader!" riep Willem, "als onze goede oude vriend verloren ging, +zou ik het mijzelven nooit kunnen vergeven. Het is mij, als of ik +niet goed deed met aan u te gehoorzamen. Zie maar, vader--een, twee, +drie haaien, daar dicht voor ons. Hij kan hen niet ontwijken. Zie, +hij is alweer in het diepe water." + +Mijnheer Wilson wierp een vluchtigen blik op de haaien, die slechts +weinige voeten van het strand verwijderd waren, en hield de oogen +toen weder onafgewend op Flinks verdere bewegingen gericht. + +Kon de oude man zich door het diepwater tusschen de klippen heen +worstelen, dan was hij als gered te beschouwen, daar de boot thans op +de andere zijde der klippen tegen een rots stiet en vastraakte, waar +het water ondiep was. Het was een oogenblik van onbeschrijfelijken +angst. + +Eindelijk had Flink het uiterste rif bereikt; hij greep met de handen +naar een uitstekende rotspunt en klauterde daarbij op. + +"Hij is gered, lieve man,--is hij niet?" fluisterde mevrouw Wilson. + +"Ja, ik geloof, thans is hij het!" antwoordde haar man, toen Flink de +rots beklommen had, waar het water hem niet verder dan tot de enkels +reikte. "Ik denk, dat hij tusschen de plaats, waar hij nu staat en +de boot geen diep water meer vinden zal." + +In het volgende oogenblik zag men Flink reeds buiten de klippen en +had hij de boot bij het vooreinde aangevat. + +"Hij is behouden in de boot!" riep Willem uit eene verruimde borst. + +"Ja, God zij gedankt!" herhaalde de vader. "Zie de monsters eens," +vervolgde hij, op de haaien wijzende; "hoe onrustig zij heen en weer +zwemmen; ze hebben hunne prooi in het water geroken. Het is een zegen, +Willem, dat ze juist hier zijn. Zij hadden evengoed ginds kunnen wezen, +toen onze vriend door het ondiepe water moest waden." + +"Ja, waarlijk, vader. Zie, hij heeft den bootshaak en stoot de boot +van de klippen af in het ondiepe water. O, nu is hij volkomen in +zekerheid." + +Zoover was het echter nog niet. De boot had vroeger tegen de klippen +gestooten en van onderen een lek gekregen, zoodat zij, toen Flink +haar weder in het kanaal bracht, zich terstond met water begon +te vullen. Flink werkte zoo hard als hij kon met den bootshaak; +eindelijk trok hij zijn halsdoek af en stopte het lek daarmede zoo +goed dat gaan wilde. + +Dat was beider behoud; maar de boot was bijna tot boven toe volgeloopen +en had Flink of zelfs Thomas ook maar de kleinste beweging gemaakt, +dan ware zij oogenblikkelijk omgeslagen. Daarbij kwam, dat zij +het vaarwater tusschen het strand en de klippen, waar de haaien +rondzwommen, nog altijd noodzakelijk moesten oversteken. + +Flink, die het gevaar bemerkte, riep hun, die op het strand stonden, +toe, dat zij met alle macht met steenen naar de haaien moesten gooien, +om die te verjagen. Dat gebeurde terstond. Mijnheer Wilson, Willem +en Juno wierpen onophoudelijk en zelfs de moeder hielp daarbij, +daar de angst voor vriend en kind haar kracht verleende. + +De steenworpen hadden het gewenschte gevolg. De haaien zwommen weg en +Flink bereikte behouden het strand op 't oogenblik, dat de boot tot +den bovensten rand met water gevuld en op het punt was van te zinken. + +Flink droeg den kleinen Thomas aan land. Deze was zóó verschrikt en +verslagen, dat hij niet meer schreien kon. Doodsbleek stond hij daar +en had mond en oogen wijd opengesperd. Willem vloog daarbij op den +ouden man toe, drukte hem in zijne armen en riep met snikkende stem: +"Goddank! gij zijt gered, Flink." + +Vader en moeder grepen hem bij de hand en drukten die hartelijk. + +Juno wierp eerst Flink een van blijdschap schitterenden blik toe en +nam vervolgens Thomas bij de hand, om hem weg te brengen. + +"Kom hier maar, jij stout, ondeugend jonk! Jij slaag zult krijgen, +als heele boel over is." + +Die bedreiging deed Thomas weder tot zichzelven komen en eene keel +opzetten, dat men het wijd en zijd had kunnen hooren. + +"Ditmaal was er geen tijd te verliezen, Willem," zeide Flink, terwijl +zij de beide ouders naar huis vooruitgingen. "Wat kan zulk een jongen +toch een ongeluk en ellende aanrichten!" + +"Door zijn doorgestanen angst is hij al zwaar gestraft," sprak +Willem. "Ik sta er u voor in, dat hij alleen nooit weer een voet in +de boot zal zetten." + +"Neen, dat geloof ik ook niet.--Gij hebt nu echter kunnen zien, hoe +weinig het scheelde, of ik was met boot en al te gronde gegaan. Maar +gelooft gij wel, Willem, dat gij de boot evengoed als ik aan het +strand gebracht hadt, indien gij in mijne plaats daarin geweest waart?" + +"Neen, Flink; want ik moet zeggen, nooit zou ik er aan gedacht hebben, +mijn halsdoek af te doen, om het lek daarmee te stoppen, en had ik +dat ook al gedaan, dan zou ik toch nooit in staat zijn geweest, om +de boot zoo goed te besturen, en had dus zeker moeten verdrinken, +vóórdat ik den oever bereikt had." + +"Nu, lieve Willem, ik ben een oud zeeman, hetgeen gij niet zijt, +en het is dus geen ijdelheid, als ik zeg, dat gij de boot niet zoo +goed als ik hadt kunnen besturen. Ik zelf had nog maar een of twee +minuten over, en zoo waart gij dus, gelijk gij zelf zegt, naar alle +waarschijnlijkheid gezonken. Ik doe u dit slechts opmerken, om u te +bewijzen, dat ik gelijk had, toen uw vader verzocht u terug te roepen." + +"Ja, dat hadt gij zeker, Flink; maar Thomas is mijn broeder en ik +gevoelde, dat het eer mijn plicht dan de uwe was, het leven voor hem +te wagen." + +Toen men Thomas den volgenden dag vroeg, wat hem er eigenlijk toe +gebracht had om in de boot te gaan, gaf hij tot aller verbazing ten +antwoord, dat hij naar de tenten had willen terugvaren en zien, of +de bananen ook haast rijp waren. Hij had daar bijzonder veel lust in +gehad, en zou nog vóór het middageten zijn teruggekomen, zoodat men +hem niet gemist zou hebben. + +"Als wij u niet nog gelukkig gezien hadden, denk ik, dat ge wel erger +honger zoudt hebben moeten doorstaan, voordat gij bananen gekregen +hadt," zeide Flink. + +"Ik zal ook zeker niet meer in de boot gaan," beloofde Thomas. + +Het blokhuis was nu bijna gereed. Over de poort was men lang in +beraad. Ten slotte besloot men, deze van sterke eiken posten te +maken en aan de binnenzijde, op ongeveer een voet afstands, eene +tweede rij van deurposten op te richten, zoodat men sterke palen daar +tusschendoor steken en, zoo noodig, een werkelijke barricade tot stand +brengen kon. Op die wijze moest de deur even vast en sterk worden, +als ieder ander deel van de ompaling. + +Zoodra dit alles gereed was, moest het magazijn tot woonhuis ingericht +worden, waartoe men de zij-omheining, die uit kokostakken bestond, +wegnemen en er een vasten wand van de boomstammen voor in de plaats +stellen zou. + +Nog voordat de week ten einde liep, was de palissade met de poort +gereed, en thans ging men aan het vellen van boomen, om de zijwanden +van het huis daarvan op te trekken. + +Dit werk ging zeer vlug van de hand. Terwijl de vader, Willem en Juno +boomen velden en die, op gepaste lengte doorgezaagd, op de kar naar het +magazijn brachten, was Flink bezig, uit een gedeelte van de verzamelde +planken een vloer te leggen. In die week moesten zij echter twee dagen +van hun werk af gaan, om de rijpe tuinvruchten in te zamelen. Zoodra +dit verricht was, ging men opnieuw aan het blokhuis. Nog twee weken +liepen op deze wijze onder rusteloozen arbeid ten einde. Eindelijk +echter was het huis gereed en, met hunne vroegere woning vergeleken, +kon het bijna een paleis genoemd worden. Het was veel grooter, en +Flink had het door middel van de scheepsplanken in drie vertrekken +afgedeeld. Het middelste, dat met de huisdeur in verbinding stond, +was tot woon- en eetkamer bestemd en had een venster naar achteren. De +beide zijvertrekken dienden tot slaapkamers, het eene voor mevrouw +Wilson, Juno en de kleinen, het andere voor de mannelijke helft der +familie. Deze inrichting maakte het verblijf in de nieuwe woning veel +gemakkelijker en aangenamer dan in de oude. + +"Ziet gij, Willem," sprak de oude man, toen zij alleen waren, "wat +wij met die scheepsplanken al hebben kunnen uitrichten? Hadden wij +het hout eerst moeten zagen, om vloer en wanden te krijgen, zoo zou +daar zeker wel een half jaar over verloopen zijn." + +"Ja, en hoe gemakkelijk is het, nu wij overal in den wand kasten +en bergplaatsen hebben.--Wanneer zullen we nu naar ons nieuw paleis +verhuizen?" + +"Hoe eer hoe liever, Willem. Wij hebben nog wel veel, zeer veel werk +voor ons, doch we kunnen immers ook buiten het blokhuis arbeiden." + +"En wat denkt ge met het oude huis aan te vangen?" + +"We zullen misschien het best doen, als we dat gedeelte van onzen +voorraad, die voor ons de minste waarde heeft, daar laten blijven, +totdat we in staat zijn om een tweede magazijn binnen de palissade +op te richten." + +"Dan zullen we deze vaten daarheen brengen, want ze nemen ons hier +te veel plaats weg." + +"Alle, behalve dat groote daar. Dat zullen wij noodig hebben en ik +zal er wel ergens een hoek voor vinden." + +"Waartoe dan, Flink?" + +"Om er water in te bewaren, mijn jongen." + +"Wij zijn hier evenwel nader bij de bron, dan wij in ons ander +huis waren." + +"Dat weet ik wel; maar misschien belet men ons eens, de palissade te +verlaten, en dan kunnen wij het water hoog noodig hebben." + +"Ik begrijp u Flink; gij zijt toch altijd op alles bedacht." + +"Als ik op mijne jaren niet een beetje nadenken geleerd had, zou 't +er leelijk uitzien, Willem. Ge weet niet, hoe hartelijk ik verlang de +gansche familie hier binnen het blokhuis te zien. Ik zal niet gerust +zijn, voordat ik mijn wensch vervuld zie." + +"En waarom zouden wij het dan maar niet dadelijk betrekken?" + +"Waarom?--Omdat wij nog veel werk te doen hebben en ik door zooveel +haast te maken uwe moeder niet beangstigen wil en in de meening brengen +dat er dadelijk gevaar ophanden is. Maar, geloof mij, beste Willem, +gevaar is er wezenlijk, ik heb er een soort van voorgevoel van. De +gedachte weegt mij zwaar op het hart en ik kan ze niet meer van mij +afzetten. Ik wilde wel dat gij het voorstel deedt, om allen maar +dadelijk hierheen te verhuizen. De bedsteden zijn toch ook klaar, +tot op de gordijnen na, en die kan ik er vandaag nog wel voorhangen." + +Tengevolge van dit gesprek stelde Willem aan tafel voor, om den +volgenden dag met pak en zak naar het blokhuis over te trekken, +omdat men, behalve dat men er veel beter gehuisvest was, er ook veel +gemakkelijker arbeiden kon. + +Mijnheer Wilson was van hetzelfde gevoelen, terwijl zijne vrouw +daarentegen beter vond er alles eerst netjes in orde te brengen. + +"Juist daarom moeten wij er in trekken, mevrouw; want uw opzicht is +volstrekt noodig, om alles naar wensch in te richten. Wij mannen +krijgen niets op zijne rechte plaats, als het niet onder uw oog +geschiedt." + +"Welnu, Flink," was het antwoord, "als ook gij, evenals de overigen, +tegen mij stemt, moet ik wel toegeven. Als ge 't goedvindt, willen +we morgen dan maar dadelijk met de verhuizing beginnen." + +"In waarheid, mevrouw, dat zal zoo het best zijn. Dit is de laatste +maand, dat we goed weer te wachten hebben en er blijft ons nog zeer +veel te doen over. Zijn we eerst over, dan zal alles veel vlugger +van de hand gaan, daar we het nader onder ons bereik hebben." + +"Het zij dan zoo, Flink; gij moet dat het best weten. Morgen zullen +we dus onze woning in het blokhuis opslaan." + +"Goddank!" mompelde de oude man. Alleen Willem, die naast hem zat, +had deze woorden verstaan. + +De volgende dag werd geheel aan de verhuizing gewijd. Bedden, huisraad +en keukengereedschap werden overgebracht en dien nacht sliep men voor +de eerste maal onder het nieuwe dak. Flink had voor Juno een aardig +huisje tot keuken opgeslagen, en de volgende werkzaamheden namen de +verdere dagen van de week geheel in beslag. + +Vooreerst werd de voorraad gemonsterd en geschift. Wat van +minder belang was, zooals b.v. de zout-en meelvaten, benevens de +tuingereedschappen, werd in het oude huis geborgen. Ook de kruitvaten +en het grootste gedeelte van den voorraad patronen werden, tot +meerdere veiligheid, aldaar achtergelaten. Daarentegen bracht men een +vat gezouten rund-, een ander met varkensvleesch, een derde met meel, +benevens al den voorraad spijkers, ijzerwerk en linnen naar het nieuwe +huis over, waarvan de vloer, toen men het tot magazijn inrichtte, +vier voet boven den grond gebouwd was, om voor de schapen en geiten +tot stal te dienen. Daardoor had men een droge en tamelijk ruime plaats +gewonnen, waar men nu al, wat men maar wilde, bergen kon. Flink vergat +ook niet, in tusschenuren het groote watervat te vullen; hij had daar +een kraan in gestoken, waardoor men het water aftappen kon. + +"Ziezoo, mijnheer," zeide Flink, toen eindelijk de Zaterdag gekomen +was. "Wij hebben nu weken achtereen ingespannen gearbeid, maar +nu hebben wij het laatste harde werk dan ook gelukkig achter den +rug. Wij zitten nu goed en wel in ons nieuwe huis, al onze voorraad is +onder dak en tegen het weer beschut,--nu mogen wij wel eens wat adem +scheppen. Ik moet nu met Willem van tijd tot tijd eenige schildpadden +vangen, want haar tijd loopt spoedig ten einde. Ook moet ik de boot +oplappen, zoodat we weer een reisje naar de tenten kunnen doen, +om naar ons yamplantsoen en de kudde te zien." + +"Ook naar de bananen en de guayababoomen!" riep Thomas met drift. + +"Ja, waarlijk; die hadden wij geheel en al vergeten," zeide zijn +moeder. + +"'t Is waar, mevrouw, maar dat was geen wonder onder al die drukte. Er +zal, denk ik, echter nog wel wat van over zijn en zoodra de boot +weder te water kan, zal ik er heen gaan en al wat er nog voorhanden +is, meebrengen." + +"Ook moeten wij onze aardappelen en zaden nog vóór den regentijd in +den grond brengen, Flink." + +"Dat zal goed zijn, als wij er tijd toe vinden, want het mooie weer +houdt vast niet heel lang meer aan. Nu wil ik eerst maar eens naar de +schildpadden omzien. Goeden nacht, mevrouw, slaap rustig; rust wel, +mijnheer;--kom mee, Willem." + +Beiden stapten naar het strand. Onderweg ontmoetten zij Juno, die uit +de keuken kwam. Flink droeg haar op, zooveel hout op te zamelen als +zij kon en alles in een hoek binnen de omheining op te stapelen, +om het nader bij hand te hebben. Dien nacht vingen zij nog zes +schildpadden bij den reeds vergaderden voorraad. Vervolgens namen +zij nog met den kijker den ganschen gezichteinder op, keerden terug, +sloten de deur der palissade en legden zich vermoeid ter ruste. + + + + + + + +VIJF-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK. + +DE KANO'S ZIJN IN AANTOCHT. + + +Eene nieuwe week ging voorbij, in welken tijd Flink met de boot bezig +was en Willem met zijn vader den tuin omspitte. + +Ook in huis had men de handen vol met eene groote wasch en met naaien +en verstellen, waaraan men den laatsten tijd weinig had kunnen +doen. Mevrouw Wilson, Juno, zelfs de kleine Caroline weerden zich +best en ook Thomas was van veel dienst, want zoo dikwijls men water +noodig had, haalde hij dat en paste bovendien ook nog op zijn broertje +Albert. Hij was wezenlijk zoo handig en vlug, dat de moeder hem bij +vader roemde, waarop onze kleine wildzang niet weinig trotsch was. + +Den Maandag daarop zeilden Willem en Flink in de boot naar de kleine +haven. De schapen en geiten waren vlug en wel en alles beloofde den +besten wasdom. Van de bananen en guayabavruchten waren reeds vele +gerijpt en afgevallen; doch men vond altijd nog genoeg om er de boot +tot de helft mede te vullen. Op het yamsplantsoen hadden de varkens +geen aanval meer beproefd en ook de tenten waren in goeden staat. + +"Wij kunnen niets beters doen, Willem, dan de schapen en geiten laten, +waar ze nu zijn. Komt er een storm, dan kunnen ze in het bosch schuilen +en te eten hebben zij in overvloed, al waren er ook tienmaal zooveel." + +"Dat komt mij ook zoo voor." + +"Maar over een dag of wat moeten wij hier terugkomen en de tenten +afhalen, die hier gedurende den geheelen regentijd niet mogen blijven +staan. Wat dunkt u, Willem, zullen we dan nu maar weer in de boot +gaan?" + +"Ja, in allen gevalle zal Thomas recht blij zijn met hetgeen +we meebrengen. Maar wilt gij toch niet eerst eenige yamswortels +uitgraven?" + +"Waarlijk, dat was mij geheel door het hoofd gegaan, jongen. Ik ga +dadelijk een schop halen,--in de andere tent zal er nog wel een staan." + +Na dus ook een voorraad yamswortels te hebben ingezameld, keerden zij +naar huis. Zij hadden hunne woning niet bereikt, toen de hemel begon +te betrekken; het was alsof er een zwaar onweer ophanden was. Echter +regende het niet, voordat zij werkelijk geland waren; toen viel er +eene kleine bui, die de komst van den regentijd aankondigde. + +De medegebrachte vruchten waren allen bij uitstek welkom; 't was al +zoo lang, zoo heel lang, dat zij er geene geproefd hadden. Thomas +vooral viel er met geduchte gulzigheid op aan en zou zich ziek gegeten +hebben, als zijne moeder niet wijzer geweest was dan hij en hem niet +verboden had voor ditmaal er meer van te gebruiken. + +Den volgenden dag was het helder weer en alles scheen door den gevallen +regen verjongd en verfrischt. Er werd besloten, dat Flink en Willem den +volgenden morgen de tenten van de zuidkust afhalen zouden en dan nog +zooveel yamswortels als de boot bergen kon, meenemen. Beiden hielden +als gewoonlijk hunne avond- en morgenwacht en bij die gelegenheid +ontdekte de oude man, dat de wind thans geheel naar het oosten was +omgeslagen. + +"Dat is leelijk voor onze vaart van morgen, Flink," merkte Willem +aan. "We kunnen wel met het kleine zeil ginds naar de havenplaats +komen, maar dan hebben wij de boot met hare volle lading terug +te roeien." + +"Nu, ik hoop dat het nog maar geen erger gevolgen voor ons hebben +zal," gaf Flink nadenkend ten antwoord. "Laat ons nu naar huis en te +bed gaan. Ik zal morgen vóór den dag op zijn;--dus kunt gij dan nog +wel wat blijven liggen." + +"Ik word immers toch vóór het daglicht wakker, Flink," zeide Willem; +"zoodat ik maar dadelijk met u wil opstaan." + +"Dat is mij ook goed, beste jongen; gij weet, dat ik u altijd gaarne +tot gezelschap heb." + +Den volgenden morgen, bij het eerste krieken van den dag, openden +beiden dan ook reeds de deur der palissade en wandelden gezamenlijk +naar het strand. De wind woei nog altijd, en wel vrij sterk, uit het +oosten en de lucht was geheel betrokken. + +Bij het opgaan der zon nam Flink als naar gewoonte zijn kijker en +begon den gezichtseinder in het oosten nauwkeurig op te nemen. + +"Ziet gij dan iets, Flink, dat gij den kijker zoolang op dat ééne +punt houdt?" vroeg Willem, toen zijn grijze makker na lang turen nog +geene beweging maakte om den kijker van het oog te nemen. + +"Mijne oude oogen kunnen mij bedriegen; maar ik vrees werkelijk, +dat ik iets zie," gaf Flink eindelijk ten antwoord. "Binnen weinige +oogenblikken zal ik het met zekerheid kunnen zeggen." + +Aan de oostelijke kim hing nog eene nevelstreep, zoodat men er niet +duidelijk zien kon. Nauwelijks echter was de zon geheel op, of Flink +die den kijker juist op dat punt gericht hield, riep driftig uit: + +"Ja, ja, Willem, ik heb toch gelijk. Ik dacht dadelijk, die donkere +punten, die ik zag, konden wel hunne bruine zeilen zijn." + +"Zeilen?--Wat zeilen, Flink?" vroeg Willem haastig. + +"De zeilen der Indiaansche kano's, Willem; ik wist wel, dat die komen +zouden. Neem gij den kijker maar eens en zie zelf;--het schemert mij +voor de oogen, zoo sterk heb ik ze ingespannen." + +"Ja, waarlijk--nu heb ik ze," riep Willem, na den kijker gericht te +hebben. "Maar, Flink, daar zijn althans wel twintig tot dertig." + +"En ieder heeft twintig of dertig man in, Willem." + +"Genadige hemel! Wat moeten wij dan doen? Ach, wat zal mijne lieve +moeder ontsteld zijn! Tegen zulk een overmacht kunnen wij immers +volstrekt niets uitrichten, Flink." + +"Ja, ja, Willem, wij kunnen veel uitrichten en moeten ook veel +uitrichten. Dat eenige honderden wilden tegen ons in aantocht +zijn,--lijdt thans geen twijfel meer; maar vergeet niet, dat wij een +blokhuis bezitten, dat niet zoo licht te beklimmen is, dat wij verder +vuurwapens en kruit en lood genoeg in voorraad hebben en hun wel een +gevecht leveren en hen misschien afslaan kunnen, daar zij enkel met +lansen en knotsen gewapend zijn." + +"Wat naderen zij spoedig, Flink; zie maar,--op die wijze kunnen zij +immers in een uur hier zijn." + +"O, neen, beste jongen,--niet eens in twee. Hunne kano's zijn zeer +groot. Maar we hebben geen tijd te verliezen. Ik zal hen nog eens in +het vizier nemen en hunne sterkte narekenen. Loop gij onderwijl naar +huis en wenk uw vader, dat hij hier bij mij komt. Dan, Willem, zet +alle geweren klaar en haal de kruitvaten en de patronen uit het oude +huis naar het blokhuis. Roep Juno en laat die u helpen. Wij zullen +nog tijd genoeg hebben om dat alles te doen. Als gij klaar zijt, +moet gij terstond weer bij ons komen." + +Onverwijld ging Willem op weg, en een poosje later stond mijnheer +Wilson bij Flink aan het strand. + +"Flink," begon hij, "er is zeker geen goed nieuws? Willem wilde mij +niets zeggen, denkelijk om mijne vrouw niet ongerust te maken. Wat +is er eigenlijk?" + +"De wilden zijn in aantocht, mijnheer, en dat wel in groote menigte. Ik +bereken die op tusschen de vijf- en zeshonderd en we moeten dus met +inspanning van alle krachten voor ons leven vechten." + +"Denkt ge dan, dat ons tegen zulk eene overmacht nog eenige hoop +overblijft?" vroeg de heer Wilson doodelijk verschrikt. + +"O ja, ik twijfel geen oogenblik, of het is mogelijk. Maar een harden, +dagenlangen strijd hebben wij te wachten,--daarop mogen wij rekenen." + +Mijnheer Wilson monsterde de naderende vloot met den kijker. + +"Waarlijk, eene vreeselijke overmacht, waartegen wij te worstelen +zullen hebben!" + +"Ja, mijnheer; maar die geweren achter een stevige verschansing kunnen +het tegen hunne knotsen en lansen opnemen, ingeval maar geen onzer +gewond wordt." + +"Nu, Flink, wij moeten al onze krachten inspannen. Ik zal u naar +mijn beste vermogen ondersteunen, en ook Willem zal, dat weet ik, +zijn plicht doen. Ik heb immers alles hier, waarvoor een man ooit +strijden kan,--vrouw en kind; maar gij, Flink, hebt niet zulke banden." + +"Neen, mijnheer; maar daarvoor vecht ik voor mijn leven, dat ik, +al is het niet van zoo bijzonder veel waarde, toch niet gaarne aan +die knapen schenken zou. Bovendien vecht ik voor u en uwe familie, +aan wie ik met hart en ziel verknocht ben.--Maar kom, wij mogen hier +niet langer staan wachten, daar de tijd tot voorbereiding toch al kort +is. Wij moeten aan den binnenkant van onze ompaling nog eenige sterke +eiken posten spijkeren, om bij een aanval daarop te kunnen staan en +over de omheining te kunnen heenvuren. Eerst gaan we echter nog naar +ons oude huis, om daar alles vandaan te halen; want het oude huis, +zullen de wilden het eerst ontdekken, en misschien vernielen zij er +dan alles, wat ze vinden. De vaten slaan zij zeker in stukken, al ware +'t enkel om de ijzeren hoepels. In een uur kan er veel geschieden, +daar de tocht zoo groot niet is. Ik geloof, dat wij vooreerst in +het blokhuis alles hebben, wat ons dienstig wezen kan. Juno heeft +brandstof genoeg, en de groote waterton zal het althans wel drie of +vier weken uithouden. Als er nog tijd overschiet, zullen we ook nog +met de kar naar het strand gaan en een paar schildpadden halen tot +vermeerdering van onzen mondvoorraad." + +"Me dunkt, het is thans geen tijd om aan de schildpadden te denken." + +"Waarom niet, mijnheer? 't Is toch waarlijk beter, dat wijzelven die +opeten, dan dat de wilden zich er op vergasten. Ik wil er van halen +zooveel ik vinden kan; als wij ze in de schaduw op den grond leggen, +kunnen zij nog weken in het leven blijven." + +Onder dit gesprek naderden beiden hunne tegenwoordige woning, waar zij +Willem en Juno vonden, die zoo even het kruit en de patronen hadden +overgebracht. Mijnheer Wilson ging in de woonkamer, om de noodlottige +tijding aan zijne vrouw mede te deelen, die daardoor, vreesde hij, +doodelijk ontsteld zou wezen. + +"Men heeft mij vroeger al gezegd, dat wij zoo iets te wachten +hadden, lieve man," antwoordde zij. "Zoo komt mij die tijding dus +niet onverwacht, en al wat eene zwakke vrouw doen kan, zal door mij +geschieden. Ik gevoel, dat het mij tot de verdediging mijner kinderen +niet aan moed ontbreekt." + +"Er valt mij wezenlijk een steen van het hart," riep mijnheer Wilson, +"nu ik u zoo bedaard en welberaden vind. Nu ken ik geen angst +meer;--maar wij hebben nog veel te doen." + +"Daarom moet ik helpen, beste Wilson. Wat mij aan kracht te kort +schiet, moet ik door goeden wil vergoeden." + +Met deze woorden volgden beiden Willem, Juno en Flink, die naar het +oude huis op weg waren. De kinderen waren nog alle drie te bed en +gerust in slaap, zoodat men die niet te bewaken had. + + + + + + + +ZES-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK. + +LANDING DER WILDEN.--EERSTE AANVAL. + + +Daar zij bij het oude huis een goed gezicht op de kano's hadden, +verzuimde Flink niet, zijn kijker op de wilden te richten, zoo +dikwijls hij een vat naar 't blokhuis heengerold had en weer met +leege handen terugkwam. + +Allen zwoegden zich af. Zelfs mevrouw Wilson deed zooveel, als maar +in haar vermogen was, en hielp óf vaten voortrollen óf droeg wat voor +haar krachten niet al te zwaar was. Binnen het uur hadden zij alles, +waaraan hun bijzonder gelegen was, in het blokhuis, gebracht;--de +kano's waren nog altijd op een aanmerkelijken afstand van de kust. + +"Wij hebben nog een goed uur, voordat zij landen, mijnheer," sprak +Flink, "en dan kunnen de riffen hen wellicht vrij wat ophouden. Ik +geloof niet, dat ze binnen de twee uren ontscheept zullen zijn. We +hebben nog tijd genoeg tot alles wat ons te doen valt. Juno, de kar +hier.--Willem, neem den bootshaak,--dan willen we nog gauw eenige +schildpadden in het blokhuis brengen. We kunnen dat zonder u af, +mijnheer. Als gij dus zoo goed wildet zijn, om de geweren na te zien +en klaar te maken, konden wij onderwijl onzen gang gaan." + +"Ja, en dan moet gij ze laden," zeide mevrouw Wilson, "en ons wijzen +hoe dat gaat. In 't vervolg kunnen Juno en ik dat dan doen, zoodat +gij enkel hebt te vuren." + +"Dat is een kostelijke inval, mevrouw," hernam Flink; "daarmee kunt +gij ons wezenlijk een zeer grooten dienst bewijzen." + +Binnen een half uur hadden Willem en Juno zes schildpadden +aangebracht. Een poosje later kwam ook Flink naar het blokhuis terug. + +"Ik kan onze geit nergens vinden, Willem," zeide hij; "maar daar +wij toch ook geen voer voor haar hebben, kan zij evengoed buiten +blijven. Als zij zulke vreeselijke gedaanten, als die wilden, ontdekt, +zal zij zeker wel een goed heenkomen zoeken." + +De vaten werden nu aan een kant gerold en tegen de wanden der omheining +opgezet, waarna men er planken overheen legde, op welke men hoog genoeg +staan kon om over de palissade heen te zien en te vuren. Mevrouw Wilson +had zich laten wijzen, hoe men de geweren laden moest, en Juno werd +nu ook in dit werk onderricht. + +"Nu, mijnheer, zijn wij op alles voorbereid," zeide de oude +stuurman. "Mevrouw en Juno kunnen nu eens naar de kinderen omzien en +zorgen, dat wij iets te eten krijgen." + +"Ikke 't al klaar hebben. Water al koken heelen tijd," berichtte Juno. + +Zoodra de kinderen waren aangekleed, riep mijnheer Wilson den ouden +Flink, die buiten was en de kano's gadesloeg, in de woonkamer, en +gebruikte men haastig een ontbijt, ofschoon allen, gelijk men wel +denken kan, te zeer gespannen waren om met smaak te kunnen eten. De +moeder drukte hare kinderen aan haar hart; doch haar moed hield zich +verwonderlijk goed staande. + +"Deze angstige spanning is 't ergste van alles," sprak zij ten +laatste. "Ik wou, dat zij eindelijk toch maar kwamen." + +"Zal ik Flink eens gaan opzoeken, lieve, en hooren hoe 't is? In drie +minuten ben ik weer bij u." + +Hij keerde ook zeer spoedig terug en berichtte, dat de kano's thans +zeer dicht bij de kust waren. De wilden moesten zekerlijk de doorvaart +door de klippen kennen, want zij hadden daar regelrecht op aangehouden +en de zeilen laten vallen. Flink en Willem stonden op den uitkijk, +maar zorgden wel, dat men hen niet zien kon. + +"Ik hoop, dat zij niet te lang uitblijven." + +"Maak u over hen niet ongerust, lieve Selina; 't is het best, dat zij +de bewegingen van den vijand tot op het laatste oogenblik bespieden." + +Terwijl vader en moeder dus in het blokhuis wachtten, sloegen Willem +en Flink de wilden en al hunne bewegingen met de meeste oplettendheid +gade. Tien of elf kano's hadden nu hunne bemanning ontscheept; de +anderen volgden dit voorbeeld, zoo vlug als zij konden, en zochten +zich haastig tusschen de klippen door te werken. De wilden waren +allen beschilderd, in krijgsmantels, met pluimen op het hoofd. Hunne +wapens bestonden in lansen en knotsen, en blijkbaar waren zij met +een allesbehalve vredelievend opzet gekomen. + +In den beginne hadden zij het druk met de kano's op het droge te +trekken, en daar deze zeer groot en zwaar waren, verliep er wel een +kwartier, voordat dit door allen was geschied. Willem had dus tijd, +om hen nauwkeurig op te nemen. + +"Wat schijnt dat een ruwe, wreede bende booswichten te zijn, +Flink!" merkte hij aan. "Als zij ons in handen kregen, zouden zij +ons zeker allen vermoorden." + +"Daar behoeven wij volstrekt niet aan te twijfelen, Willem; en +we moeten ons dus dapper weren en zorgen, dat we uit hunne handen +blijven. Van kant maken willen zij ons zeker, en ik zou welhaast +gelooven, dat zij ons dan ook nog opeten zouden; ofschoon dat laatste +ons dan zooveel niet deren zou." + +Willem huiverde bij deze gedachte, maar antwoordde toch op vrij +vasten toon: + +"Ik zal vechten, zoolang ik nog adem heb. Maar zie Flink, nu komen +zij opzetten, al wat zij loopen kunnen." + +"Ja, ja, recht op het oude huis toe. Wij mogen nu niet langer +wachten.--Kom jongen kom!" + +"Ik verbeeldde mij daar straks, toen wij omkeerden, ginds achter het +landpunt nog een ander schip onder zeil te zien, Flink." + +"Licht mogelijk; misschien een kano, die van nacht van de anderen is +afgeraakt. Kom gauw, Willem.--Luister! ze hebben hun krijgsgeschreeuw +al aangeheven." + +Eene minuut later stonden zij voor de poort van het blokhuis. Zij +traden binnen, sloten de deur achter zich dicht en verzekerden die +met sterke balken, die van binnen in posten sloten. + +"Nu, hier zijn wij veilig genoeg," sprak Flink. "En nu maar moed +gehouden en ons dapper geweerd." + +Het gillend geschreeuw der wilden vervulde mevrouw Wilson met +ontzetting en angst. 't Was nog maar goed, dat zij de Indianen niet +in hunne beschildering en in hun trotschen oorlogspronk gezien had, +want dan zou zij nog veel meer verschrikt zijn geweest. + +De kleine Albert en Caroline klemden zich angstig aan haar hals; +de ontsteltenis stond op hun gezicht te lezen. Geen van beiden gaf +een enkel geluid; zij zagen slechts vol verslagenheid rond, als om +te ontdekken, van waar dat ijzingwekkend gerucht kwam, en drongen +bevend al dicht bij hunne moeder. + +Thomas daarentegen was bijzonder in de weer, daar hij nu over het +ontbijt, dat de anderen verlaten hadden, geheel alleen baas was +en niemand zijne gulzigheid te keer ging. Juno was buiten bezig en +betoonde in alles veel moed en bedaardheid. + +Mijnheer Wilson had op zich genomen, in de palissade gaten te boren, +zoodat men daar juist de trompen van de geweren doorheen steken +en op de wilden vuren kon, zonder zelf aan gevaar te zijn bloot +gesteld. Willem en Flink daarentegen stonden met geladen geweren op +hun post en sloegen de nadering der vijanden gade. + +"Ze zijn thans nog bij ons oude huis bezig, mijnheer," zeide Flink; +"maar daar zullen ze zich zeker niet lang ophouden." + +"Daar komen ze," fluisterde Willem. "Zie eens, Flink, is dat niet +eene van de vrouwen, die ons in haren kano ontsnapten--zie, die daar +met de beide eerste mannen vooraan gaat? Ja, ja, zij is 't, ik ben +er zeker van." + +"Gij hebt gelijk, het is eene van die twee. Kijk, nu houden ze +halt.--Aha! op het blokhuis waren ze niet bedacht, dat kan men wel +merken. Dat heeft hen eenigszins van streek gebracht. Daar, zie +eens, hoe zij de hoofden bij elkaar steken en druk aan 't redeneeren +gaan. Zij houden raad over hetgeen er thans gebeuren moet. Die slank +opgeschoten man moet een van hunne opperhoofden zijn.--Ik zal vechten +tot mijn laatsten ademtocht, Willem, dat is mijn vast besluit; maar ik +heb er toch een afkeer van in zulk een geval een begin te maken. Ik +zal mij dus boven de palissade laten zien. Vallen zij mij aan, dan +kan ik met een gerust geweten op hen losbranden." + +"Maar pas op, Flink, dat zij u niet raken." + +"Wees gerust, Willem.--Zie, daar komen zij al." + +Met deze woorden stapte Flink op de balken, die van binnen langs de +palissade liepen, zoodat de wilden hem zien konden. Dezen stieten +een vreeselijk gehuil aan, en minstens een dozijn speren vlogen +naar de plaats, waar de oude man stond, en waren zoo goed gericht, +dat zij hem ongetwijfeld gedood zouden hebben, indien hij zich niet +oogenblikkelijk had gebukt. + +Drie of vier van de speren bleven in de bovensten rand der palissade +steken; de overige vlogen daar overheen en vielen binnen in de +omheining aan gene zijde van het woonhuis op den grond neder. + +"Nu, Willem, maar scherp gemikt!" Doch voordat Willem nog vuren konde, +schoot zijn vader zijn geweer af, en het slank gewassen opperhoofd +tuimelde ter aarde. Mijnheer Wilson had zich namelijk volgens afspraak +derwijze in een hoek geplaatst, dat hij zien kon, als de wilden zich +naar eene andere zijde heen wendden. + +Flink en Willem vuurden insgelijks, en men zag nog twee wilden onder +het woest gehuil hunner makkers ter aarde storten. Juno gaf dadelijk +de geladen geweren over en ontving daarvoor de andere, welke zij en +mevrouw Wilson opnieuw laadden. + +De moeder had aan Caroline het opzicht over haar jongste broertje +opgedragen. Aan Thomas had zij op het hart gedrukt, dat hij zich heel +stil en bedaard moest houden, waarna zij de deur toesloot en bij Juno +kwam, om met deze voor het laden der geweren te zorgen. + +Nu suisden de speren der wilden door de lucht en het was een geluk +voor onze kolonisten, dat zij goed gedekt achter hunne palissade vuren +konden, daar zij anders onvermijdelijk verloren waren geweest. Het +geschreeuw en gehuil werd gestadig heviger, en de wilden begonnen +nu den aanval aan alle zijden. De rapsten en moedigsten onder hen +klauterden als katten tegen de palissade op en bereikten ook werkelijk +den bovensten rand; doch zoodra hunne hoofden daar zichtbaar werden, +trof hen ook onfeilbaar de kogel der verdedigers en stortten zij dood +of zieltogend aan de buitenzijde neder. + +Zoo hield het gevecht veel langer dan een uur aan, totdat de Indianen, +die reeds een aanmerkelijk verlies geleden hadden, eindelijk van den +strijd afzagen, waardoor de verdedigers weer tijd kregen om wat adem +te scheppen. + +"Nu, bij dezen eersten aanval hebben zij toch bitter weinig gewonnen," +begon Flink. "Wij hebben ons dapper geweerd en vooral gij, Willem, +hebt u gehouden alsof ge tot soldaat in de wieg waart gelegd. Ik +geloof niet, dat gij uw doel ook maar ééne enkele maal gemist hebt." + +"Denkt gij, dat zij nu aftrekken zullen?" vroeg mevrouw Wilson. + +"O, neen, mevrouw, nu nog niet. Ze zullen eerst al 't mogelijke +beproeven, voordat zij ons voor goed verlaten. Gij hebt zelve wel +bespeurd, dat het een dapper slag van volk is en men kan zien, +dat zij met kruit bekend zijn, daar dit hen anders veel erger had +doen schrikken." + +"Dat geloof ik ook," sprak mijnheer Wilson. "Als de wilden den knal +van geweren voor de eerste maal hooren, zijn zij doorgaans geheel +verplet en verslagen." + +"Ja, mijnheer; maar dat was bij dit volk hier niet het geval, weshalve +ik geloof, dat het wel niet de eerste keer zal wezen, dat zij met +Europeanen slaags zijn." + +"Zijn zij al weg, Flink?" vroeg Willem, die van de hoogte was +afgeklommen, om zijne moeder te omhelzen. + +"Neen jongen; ik zie hen thans tusschen de boomen. Zij zitten in +een kring in het rond en houden denkelijk eene gemeenschappelijke +beraadslaging, zooals dat bij die wilde stammen gebruikelijk is." + +"Nu, ik heb een brandenden dorst," zeide Willem. "Juno, breng mij +toch gauw eens wat water." + +De zwarte meid ging naar de waterton, om aan Willems verlangen te +voldoen, maar kwam na weinige oogenblikken met ledige handen en hevig +ontsteld terug. + +"O, massa! O, mevrouw! geen water! Water allemaal weg!" + +"Wat, al 't water weg?" riepen allen in één adem. + +"Niet een sikkepitje meer in de ton is!" + +"Ik heb die toch tot den rand toe gevuld!" riep Flink. "Ook kon ik +niet merken, dat ze eenig lek had. Hoe is dat dus mogelijk?" + +"O, nu ikke 't al wel begrijpen, mevrouw!" riep Juno. "Gij weet wel, +wij wasschen voor een dag of drie en toen ikke massa Thomas zenden met +kleine emmertje water halen uit de bron. Hij toen zoo gauw weerom komen +en mevrouw toen zeggen, dat hij zoete jongen was en ook vertellen aan +mijnheer. Nu massa Thomas zeker te lui geweest, om te loopen naar de +bron en al het water tappen uit het vat, en toen vat is leeggeloopen." + +"Ik vrees, dat gij gelijk hebt, Juno," sprak de moeder. + +"Wat moeten wij nu aanvangen?" + +"Ikke gaan en sinjeur Thomas spreken," riep Juno en vloog in huis. + +"Dat is een zeer droevig geval, mijnheer," merkte Flink ernstig aan. + +Mijnheer Wilson schudde bedenkelijk het hoofd. Allen zagen het +hachelijke van hun toestand zeer goed in. Indien de wilden het eiland +niet verlieten, moesten zij of van dorst omkomen of zich overgeven, +en in 't laatste geval konden zij er stellig op rekenen, dat hun +leven verloren was. + +Juno kwam terug; haar vermoeden was gegrond geweest. Thomas had zich +gestreeld gevoeld, dat men hem om zijne vlugheid prees, en had de +kraan uit het vat getrokken, zoodat al het water wegliep. Hij begon +nu weer hardop te schreien en beloofde naar gewoonte, dat hij het +van zijn leven niet weer doen zou. + +"Zijne beloften komen te laat!" zuchtte de vader. "Zoo zullen al +onze zorgvuldige maatregelen en voorzorgen tegen dezen aanval door +de lichtzinnigheid van een kind verijdeld worden en zullen wij ons in +'t eind aan onze vijanden moeten overgeven." + +"Helaas ja, mijnheer!" zeide Flink. "Wij hebben geen ander vooruitzicht +meer, dan dat de wilden afgeschrikt worden en het eiland spoedig +verlaten." + +"Als ik maar iets voor de kinderen had; ik zelve zou er mij wel buiten +behelpen!" klaagde mevrouw Wilson; "maar de arme kleinen zoo te zien +lijden!--Is dan nog niet ergens een weinigje te vinden, Juno!" + +Deze schudde het hoofd. "Allemaal weg, mevrouw; niemendal meer wezen." + +De moeder zeide nu, zelve nog eens te willen rondzien, en ging met +Juno in huis. + +"Dat is een vreeselijk, vreeselijk ding, Flink!" merkte mijnheer +Wilson aan. "Wat zouden wij thans niet voor eene regenbui geven, +als wij de waterdroppels opvangen konden!" + +"De lucht ziet daar niet naar uit, mijnheer," gaf de oude man ten +antwoord. + +"Ik wou, dat de wilden maar weer kwamen opzetten," zeide Willem. "Hoe +gauwer ze komen, des te eer zal alles beslist zijn." + +"Ik geloof niet, dat ze zich vandaag bij licht weer vertoonen +zullen. In den nacht verwacht ik hen echter zeker en zulk een aanval +bij nacht vrees ik tienmaal meer, dan een bij dag. In allen gevalle +moeten wij er onze maatregelen tegen nemen." + +"Goed; maar wat kunnen wij doen, Flink?" + +"Vooreerst moeten wij boven onze palissade nieuwe planken van den +eenen boom tot den anderen spijkeren; om onze verschansing aldus +hooger te maken, zoodat de wilden ze minder gemakkelijk beklauteren +kunnen. Eenigen waren op het punt van zich er overheen te wringen. Als +wij dit doen, hebben wij ook geen zoo groote ruimte meer te bewaken +en te verdedigen. Vervolgens moeten wij een groot vuur ontsteken, om +niet geheel in het donker te vechten. Dit geeft aan onze vijanden wel +het voordeel, dat zij door de spleten tusschen de palen heenkijken +en afloeren kunnen waar wij staan, doch daar zij hunne speren toch +niet zoo ver doordrijven zullen, kan dat ons zooveel kwaad niet. Het +vuur moeten wij in 't midden van de palissade aanleggen en er braaf +teer bijgieten, zoodat het helder brandt, en natuurlijk mogen wij het +niet aansteken, voordat men ons aanvalt. Dan kunnen wij zien, waar +zij trachten in te dringen en op welk punt wij dus te vuren hebben." + +"Dat voorstel is goed, Flink," antwoordde mijnheer Wilson. "Bestond dat +ongelukkig gebrek aan water niet, ik zou waarschijnlijk hoop hebben, +dat alles nog goed ging." + +"Wij zullen daardoor zekerlijk veel te lijden hebben, mijnheer; +maar wie kan weten, wat de dag van morgen aanbrengt?" + +"'t Is waar, Flink.--Kunt gij iets van de wilden zien?" + +"Neen. Ze hebben de plaats verlaten, waar zij raad hielden en ik +hoor niets meer van hen. Ik vermoed, dat zij zich op dit oogenblik +met hunne dooden en gekwetsten bezighouden." + +Wat Flink voorspeld had, gebeurde ook werkelijk. Dien dag werd er +geen nieuwe aanval meer ondernomen en allen waren volijverig bezig +met het maken van toebereidselen tegen den nacht. Zij spijkerden +boven de palissade nieuwe posten en planken aan de boomstammen, zoodat +drie zijden van hunne verschansing althans vijf voet hooger werden en +moeielijk meer te beklimmen waren. Bovendien werd eene groote teerton +met kokosbladeren, teer en hout opgevuld, zoodat men tegen dat het +vereischt werd, een helder vlammend vuur in gereedheid had. + +Aan middag- of avondeten mochten zij echter niet denken, want zij +hadden niets dan pekelvleesch en levende schildpad en Flink gaf hun +den raad, om liever in het geheel niets te gebruiken, daar eten den +dorst slechts vermeerderen moest. + +De arme kinderen hadden daardoor veel uit te staan; de kleine Albert +kermde en riep gedurig: "Water, water!" Caroline wist, dat dit er niet +was, en hield zich stil,--het arme schaap, ofschoon 't gemis haar +zeer zwaar viel. Thomas echter, de oorzaak van al deze ellende, was +de ongeduldigste van allen en gierde van tijd tot tijd zoo luid, dat +Willem, die innerlijk woedend op hem was, hem eindelijk een duchtigen +oorveeg gaf, waarop hij, uit vrees dat er een andere volgen mocht, +nog slechts stil bleef voortkreunen. + + + + + + + +ZEVEN-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK. + +AANVAL BIJ NACHT. + + +De schemering was nauwelijks gevallen, toen het kermen der kinderen +op eens door het gillend gehuil der wilden overschreeuwd werd, +die thans, gelijk Flink wel voorzegd had, een nachtelijken aanval +beproeven wilden. + +Op alle punten te gelijk werd de omheining nu aangevallen en de wilden +gaven zich alle moeite, om over den wand heen te klauteren. Van tijd +tot tijd werden er enkele speren geslingerd en het was blijkbaar, +dat zij zich door hunne overmacht den toegang hoopten te verschaffen. + +Het was recht goed, dat Flink de voorzichtigheid had gehad van nieuwe +planken boven de oorspronkelijke palissade te spijkeren, want anders +zouden de wilden zonder twijfel hun opzet bereikt hebben. Nog voordat +het vuur, dat Juno op Flinks bevel ontstoken had, genoeg helderheid +verspreidde, waren reeds drie of vier van de stormers op de palissade +geklauterd, maar op het oogenblik dat zij zich daarboven vertoonden, +door Willem en zijn vader neergeschoten. + +Toen het vuur eerst recht helder opvlamde, kon men beter op de +Indianen mikken, en velen hunner vielen bij de poging om over de +palissade te komen. De aanval duurde over het uur. Toen schenen +de wilden in te zien, dat het hun op deze wijze niet zou gelukken, +en trokken andermaal terug, terwijl zij hunne dooden en gekwetsten +evenals vroeger medenamen. + +"Nu, hoop ik, zullen zij zich toch weder inschepen en het eiland +verlaten," sprak mijnheer Wilson, zich tot Flink wendende. + +"Ik wensch van harte, dat zij dat doen mogen, mijnheer. Het is niet +zoo heel onmogelijk, ofschoon men 't nog niet met zekerheid zeggen +kan. Ik heb al nagedacht, of wij hunne verdere bewegingen ook van eenig +hooggelegen punt bespieden konden. Ziedaar den kokosboom," vervolgde +hij en wees op een van de boomen, die in hunne palissadenlinie stonden: +"hij is veel hooger dan al de anderen, en als wij van voet tot voet +groote spijkers daarin slaan, kunnen wij hem gemakkelijk beklimmen +en van die hoogte de gansche baai overzien. Dan wisten wij althans +wat de vijand in zijn schild voert." + +"Ja, dat is waar, Flink, maar stelt men zich niet te zeer bloot, +door daar naar boven te klimmen?" + +"O, neen, mijnheer; gij ziet immers, de kokosboomen zijn rondom op +zulk een afstand van de palissade geveld, dat geen van de wilden +naderen kan, zonder van dien uitkijk zoo tijdig gezien te worden, +dat hij, die boven is, weer omlaag kan komen, nog voordat zijn vijand +in staat is zijne speer te gebruiken." + +"In allen gevalle zou ik 't echter niet vóór het aanbreken van den +dag beproeven, daar wij toch niet weten, of er niet eenigen aan den +voet van de palissade op den loer liggen." + +"Dat is zeker wel mogelijk, mijnheer; en daarom zullen wij het tot +den vroegen morgen uitstellen. Gelukkig hebben wij nog genoeg groote +spijkers overgehouden." + +Na dit gesprek ging mijnheer Wilson in huis. Flink gaf aan Willem +den raad, om zich neer te leggen en een paar uren te slapen, terwijl +hijzelf de wacht zou houden. Als dan mijnheer Wilson tegen den morgen +weer buitenkwam, kon hijzelf nog eene poos uitrusten. + +"Ik kan niet slapen, Flink! Ik kan mijn dorst onmogelijk meer +overwinnen," gaf Willem geheel verslagen ten antwoord. + +"Ja, beste jongen, 't is zekerlijk een zware pijn; ik voel dat evengoed +als gij. En wat moeten die arme kleinen er niet onder lijden! Ik +beklaag hen van harte." + +"Het meeste medelijden heb ik met moeder, Flink," vervolgde +Willem. "Het moet vreeselijk voor haar zijn, het lijden der kleinen +zoo aan te zien en hen toch niet te kunnen helpen." + +"Ja, waarlijk, Willem, dat moet voor eene moeder een vreeselijk +lijden wezen. Misschien hebben de wilden zich echter morgen vroeg +uit de voeten gemaakt, en dan heeft ons lijden op eens een einde." + +"Ik hoop, dat het zoo wezen zal, Flink; evenwel schijnen zij mij +moedig en vastberaden toe." + +"Ja, zeker,--voor hen is ijzer zooveel als goud, en wat doen beschaafde +menschen al niet om goud te winnen! Kom, kom, Willem, ga toch althans +een poosje liggen, al kunt gij ook niet slapen." + +Intusschen had mijnheer Wilson zijne arme vrouw en kinderen bezocht. De +kleinen jammerden nog altijd om water, in weerwil van alles wat de +goede moeder beproefde om hen tot bedaren te brengen, terwijl ze +tranen van wanhoop vergoot, als ze zich over haar lieven kleinen +Albert neerboog. + +Juno was naar buiten gegaan en had met eene schop zoo diep in den +grond gegraven, als ze maar kon, in de flauwe hoop van toch misschien +eenig water te zullen vinden,--maar vruchteloos. Treurig en radeloos +kwam zij naar huis terug. + +Er was geen ander middel dan geduld en volharding. Geduld kon men +echter van zulke kleine kinderen onmogelijk verwachten. De kleine +Caroline alleen scheen bedaard en sprak geen woord. + +Mijnheer Wilson bleef nog twee of drie uren bij zijn vrouw en hielp +haar de kinderen stilhouden, zoo goed dat gaan wilde. Eindelijk kwam +hij buiten en vond Flink nog op zijn post. + +"Ach, vriend," zuchtte hij, "ik stond liever honderdmaal een aanval +van die wilden door, dan dat ik nog vijf minuten langer in huis ware +gebleven en de ellende van vrouw en kinderen mede had aangezien." + +"Dat geloof ik gaarne, mijnheer," antwoordde de oude man. "Maar houd +moed en laat ons het beste hopen. Ik houd het voor heel waarschijnlijk, +dat de wilden na deze tweede nederlaag het eiland verlaten zullen." + +"Ik wou, dat ik 't zelfde gelooven kon, Flink; het zou mij innig +gelukkig maken.--Doch ik kom hier, om de wacht van u over te +nemen. Wilt gij ook niet een poosje rusten?" + +"Ja, mijnheer als gij 't goedvindt, ga ik dan ook wat liggen. Over +twee uren kunt gij mij weer roepen: de dag zal dan juist aanbreken, en +dan wil ik aan het werk gaan, terwijl gijzelf ook eenige rust geniet." + +Mijnheer Wilson nam zijn post op de palissade in en bleef aan zijne +eigene gedachten overgelaten. + +Met het krieken van den dag werd Flink wakker en loste mijnheer +Wilson af. Deze ging echter niet in huis terug, maar legde zich op +de boomtakken neder, waar Flink aan Willems zijde had uitgerust. + +Zoodra de oude man hamer en spijkers bij de hand had, riep hij Willem +om hem te helpen en gezamenlijk begonnen zij nu de spijkers in een +kokosboom te slaan, waarbij een van hen voortdurend naar de wilden +uitkeek, terwijl de ander het werk voortzette. + +In minder dan een uur waren zij tot de bovenste takken onder den kruin +gevorderd, op welke hoogte zij een uitgestrekt gezicht over de baai +en het eiland hadden. Willem had het laatste dozijn spijkers in den +stam geslagen en was de eerste, die boven uitzien kon. Na eenigen +tijd keerde hij tot zijn ouden vriend terug. + +"Ik kan alles overzien, Flink. Ze hebben het oude huis geheel +omvergehaald; de meeste mannen zijn daar in het rond gelegerd en +slapen onder hunne krijgsmantels. Sommigen van de vrouwen loopen van +de kano's heen en weer. De kano's liggen aan het strand." + +"Zij hebben het oude huis zeker alleen overhoop gehaald, om althans +de spijkers mee te nemen. Hebt gij niets van hunne dooden bemerkt?" + +"Neen, ik heb niet lang rondgekeken, maar wil nog eens naar boven +klimmen. Ik kwam beneden, omdat de handen mij zeer deden van het +lange kloppen, dewijl de hamer zoo zwaar te houden was. Over een paar +minuten zal ik gemakkelijk weer boven komen. De lippen branden mij, +Flink; ze zijn geheel opgezwollen en het vel barst mij open. Ik had +nooit gedacht, dat de dorst zoo iets vreeselijks was. Wezenlijk, +onze arme Thomas is al meer dan genoeg gestraft." + +"Een kind denkt nooit aan de gevolgen, Willem. Ook hadden wij nooit +kunnen denken, dat zijne onnoozelheid zooveel ellende veroorzaken +zou. Het was enkel een van zijn kinderachtige streken en wat er ook +de gevolgen van wezen mogen, moeten we hem die toch nooit hard te +laste leggen." + +"Ik had gehoopt, in de boomen boven nog een paar kokosnooten te vinden; +maar daar was geen enkele te zien." + +"En al hadt ge ook een gevonden, er zou in dit jaargetij toch geen +melk in zijn. Als de wilden zich evenwel vandaag niet uit de voeten +maken, Willem, dan moet er iets gedaan worden. Ik wou wel, dat gij +nog eens naar boven klomt en rondzaagt, of ze nog in het geheel geen +toebereidselen maken om af te trekken." + +Willem klauterde dus nog eens omhoog en bleef daar eenige minuten +scherp rondkijken. + +"Nu zijn zij allen op de been en zwermen als bijen rond," berichtte +hij, toen hij weder beneden was. "Mannen telde ik twee honderd en +zestig, met krijgsmantels om en pluimen op het hoofd. De vrouwen gaan +op en af en halen water bij de bron. Bij de kano's is anders niemand, +dan acht of tien vrouwen misschien, die zich met de handen tegen het +hoofd slaan en allerlei vreemde fratsen maken. Ik begrijp niet recht +wat zij eindelijk uitvoeren; maar allen maken dezelfde wonderlijke +bewegingen." + +"Aha, ik weet al wat zij doen, Willem. Zij snijden zichzelven met +messen of ander scherp tuig;--dat is zoo het gebruik bij dit volk. Al +de dooden worden in kano's neergelegd en die vrouwen weeklagen thans +over hare lijken. Misschien dat zij nu toch aftrekken, omdat de dooden +reeds in de kano's gebracht zijn;--doch dat moeten wij afwachten." + +Men kon uit den top van den kokosboom bespeuren, dat de wilden des +voormiddags een krijgsraad hielden: want zij zaten allen in een wijden +kring in het rond en een hunner stond op en hield eene rede, waarbij +hij met wilde gebaren speer en knots over zijn hoofd rondzwaaide. + +Later ging de vergadering uiteen en men zag de wilden overal +met het vellen van boomen bezig, waarvan zij het rijs zorgvuldig +bijeenbrachten. Flink sloeg hen een geruimen tijd nauwlettend gade +en kwam eindelijk vóór zonsondergang weer van zijn boom beneden. + +"Mijnheer Wilson," sprak hij, "naar mijn oordeel zal men ons van +nacht met rust laten, maar hebben wij morgen een ernstigen aanval +te wachten. De wilden vellen boomen en maken groote takkenbossen +klaar. Dat gaat wel wat langzaam in zijn werk, omdat hunne bijlen +van steen en niet al te scherp zijn; maar met hun ijver en hun groot +aantal handen kunnen zij toch veel af, te meer, daar ik vermoed, dat +zij den ganschen nacht zullen doorwerken, tot zij zooveel takkenbossen +bij elkander hebben als noodig is." + +"Wat denkt gij dan wel, Flink, dat zij met dat boomen omkappen en +die takkenbossen van zins zijn?" + +"Ze zullen die óf hoog voor onze palissade opstapelen, om zoo daar +overheen te kunnen komen, óf ze zullen ze op hoopen leggen en in +brand steken, om ons door vuur uit onze sterkte te verdrijven." + +"Denkt gij, dat hun dat gelukken zal?" + +"Niet zonder zeer zwaar verlies. Misschien gelukt het ons nog, hen af +te slaan; doch een harde worsteling is ophanden, veel zwaarder dan wij +tot hiertoe nog gehad hebben. De vrouwen moeten ons vlijtig de geweren +helpen laden, zoodat wij zoo snel mogelijk vuren kunnen. Hunne poging +om onze verschansing in brand te steken, zou ik zooveel niet achten, +als die rook er maar niet bij was. De kokosstammen, vooral als daar, +gelijk bij onze palissaden, de bast nog omzit, smeulen eerst langen +tijd, voordat ze vlam vatten en het vuur der takkenbossen kan niet +lang aanhouden, al is het in den beginne ook nog zoo geweldig." + +"Maar Flink, bedenk eens, hoe kunnen wij bij ons tegenwoordig gebrek +aan water nog kracht genoeg overhouden om onzen vijand midden in +een verstikkenden kring van rook en vlammen het hoofd te bieden? Wij +moeten immers zeker van uitputting bezwijken." + +"Wij moeten het beste hopen, mijnheer Wilson, en onze uiterste krachten +inspannen. Mocht mij in het gevecht iets overkomen, mijnheer, +vergeet dan niet om, ingeval er geen ander behoud meer opzit, +van den rook gebruik te maken, om door het woud een uitweg naar de +zuidkust te zoeken. Ik twijfel niet, of dat zal u wel gelukken. De +aanval wordt natuurlijk van de oostzijde ondernomen, van waar thans +de wind waait. Gij moet dus naar het westen zien te ontkomen.--Ik +heb Willem al gewezen, hoe men door de palissade heen breken kan als +de nood het vordert. Als de wilden ons blokhuis innemen, zullen zij +in het eerste oogenblik niet aan u denken. Misschien dat ze zich in +het geheel niet meer om u bekommeren, als zij eenmaal van alles wat +in huis is meester zijn." + +"Maar waarom zegt gij dat zoo--"als mij iets mocht overkomen," +Flink?" vroeg Willem bezorgd. + +"Ei, jongen, omdat de wilden mij evengoed als u kwetsen of dooden +kunnen, als zij de takkenbossen zoo hoog opstapelen, dat het hun +gelukt, over de palissade heen te komen." + +"Natuurlijk," hernam Willem; "maar vooreerst zijn zij hier nog niet +binnen en het zal hun bloed kosten, voordat zij het zoover hebben +gebracht." + +Flink bood zich nu aan, om de wacht te houden tot twaalf uren, +wanneer hij den heer Wilson wekken wilde. + +Zij hadden gedurende de beide laatste dagen slechts zeer weinig +gegeten. Men had eene schildpad geslacht en er eenige stukken van +gebraden; maar het eten vermeerderde hun dorst slechts en zelfs de +kinderen versmaadden alle spijs. De ellende der familie was thans +tot eene vreeselijke hoogte geklommen en de arme moeder was der +wanhoop nabij. + +Zoodra mijnheer Wilson in huis terug was gegaan, riep Flink Willem +en zeide tot hem: + +"Luister, Willem; wij moeten noodzakelijk water hebben. Ik kan het +jammeren der kleinen en den vreeselijken doodsangst van uwe goede +moeder onmogelijk langer aanzien. Bovendien zouden wij zonder water +geheel buiten staat zijn, om de wilden morgen af te slaan. Wij +moeten immers letterlijk stikken, zoodra zij het vuur tegen onze +palissade leggen. Ik heb daarom besloten, om een van onze tonnen te +nemen, en ze aan de bron te gaan vullen. Misschien gelukt mij dat, +misschien ook niet,--maar beproeven moet ik het. Val ik,--nu, dan is +het niet anders!" + +"Waarom wilt gij mij niet liever laten gaan Flink?" vroeg Willem. + +"Om vele redenen niet, beste jongen. De voornaamste daarvan is, +dat ik niet geloof, dat gij er zoo goed toe in staat zoudt zijn, +als ik mogelijk. Ik zal den mantel en de pluimen van een der +wilden, die binnen de palissade vielen, nemen en met behulp van die +verkleeding mijn plan misschien gelukkig volbrengen. Wapens zal ik, +met uitzondering van een enkele speer, niet meenemen, omdat die mij +slechts hinderen en de last, dien ik te dragen heb, onnoodig verzwaren +zouden. Let nu wel op, beste jongen. Gij moet mij de poort uitlaten; +als ik buiten ben, schuift gij tot meerdere zekerheid een van de +kruisbalken er voor. Dit zal de poort, ingeval van een aanval, wel +zoolang doen houden, totdat het gelukt er ook de andere palen voor te +leggen. Wacht dan mijne terugkomst af en houd u klaar om mij dadelijk +weer binnen te laten. Zeg, Willem, hebt gij mij goed begrepen?" + +"Jawel, Flink; maar ik moet bekennen, dat een doodelijke angst mij +overvalt.--Als u eens een ongeluk overkwam, wat zou dat een ontzettende +slag voor ons wezen!" + +"Dat is nu eenmaal niet te veranderen, Willem. Water moet er komen, +als 't maar eenigszins mogelijk is; en nu is het oogenblik daartoe +gunstiger dan later, als onze vijanden meer op hunne hoede zullen +zijn." + +Flink ging nu eene ton opzoeken, die bij de twee emmers water +bevatten kon. Vervolgens voorzag hij zich van den mantel en het +hoofdversiersel van een wilde en nam het vat op den schouder en de +speer in de hand. Willem schoof de dwarsbalken, die de deur sloten, +zacht terug, en nadat Flink zich overtuigd had, dat achter de palissade +niemand verscholen was, drukte hij Willem de hand, stak de open ruimte +buiten de omheining over en verdween in het kokosbosch. + +Willem sloot de deur weder, gelijk hem gezegd was, schoof er +zekerheidshalve een der dwarsbalken voor en bleef angstig wachtend op +zijn post. Hij was in een staat van vreeselijke spanning; het minste +geritsel, zelfs het zachtste suizen van den wind door de takken van +het geboomte deed hem beven en rillen. Zoo stond hij ettelijke minuten +met het geweer in de hand en gereed om op het eerste oogenblik vuur +te geven. + +"Nu wordt het tijd, dat hij terugkomt," dacht hij. "De afstand +is nauwelijks honderd passen en toch heb ik nog geen geluid +vernomen." Eindelijk meende hij zachte voetstappen te hooren. Ja, +het was werkelijk zoo; de oude man keerde terug en wel zonder dat +hem iets was overkomen. + +Willem had de hand reeds aan den kruisbalk, om dezen weg te schuiven +en de poort te openen;--daar hoorde hij plotseling een gerucht, als +van twee, die aan het worstelen waren en kort daarop een zwaren val. + +Oogenblikkelijk rukte hij den balk weg en trok de deur open, juist +toen Flink hem bij zijn naam riep. Met zijn geweer gewapend sprong +Willem naar buiten. Daar vond hij Flink op den grond liggen en aan +'t worstelen met een wilde, die op hem lag en hem zijne speer op de +borst had gezet. In een ommezien legde Willem zijn geweer aan en gaf +vuur. De Indiaan plofte dood aan Flinks zijde neder. + +"Neem schielijk het water aan, Willem!" riep Flink, met flauwe +stem. "Ik zal beproeven of ik nog kracht genoeg heb om naar binnen +te kruipen." + +De knaap greep het watervaatje en droeg dat binnen de +verschansing. Toen vloog hij terug naar den ouden man, die op de +knieën lag. + +Mijnheer Wilson was bij het hooren van dat schot oogenblikkelijk +opgesprongen en naar buiten gesneld. Toen hij de poort open vond, +volgde hij zijn zoon en zag, hoe deze den trouwen Flink zocht op te +richten. Beide namen den braven oude onder een arm en zoo sleepten +zij hem met moeite naar binnen. De poort werd aanstonds gesloten en +nu eerst konden zij naar hun ouden vriend omzien. + +"Zijt gij gewond, Flink?" vroeg Willem met bevende lippen. + +"Ja, beste jongen, dat ben ik,--doodelijk gewond, naar ik vrees. Zijne +speer heeft mij de borst doorboord.--Water, schielijk, water!" + +"Ach, dat wij maar iets voor u hadden!" jammerde mijnheer Wilson. + +"Wij hebben het, vader!" riep Willem. "Maar het is duur betaald," +voegde hij er treurig bij. + +Willem ging een glas halen, nam de spon uit het vat en liet het +water loopen. Den eersten dronk bracht hij aan Flink, die het vocht +gretig inzwolg. + +"Leg mij nu op deze kokosbladeren neer, mijn jongen.--Ga en geef aan +den anderen ook wat te drinken; als zij allen gehad hebben, kom dan +hier bij mij terug. Zeg uwe moeder niets van mijne verwonding.--Ga +en doe wat ik u verzocht heb." + +"Vader, neemt gij het water,--neem, bid ik u," riep Willem. "Ik kan +mijn Flink niet verlaten." + +"Dat zal ik doen, mijn zoon," zeide mijnheer Wilson; "maar drink +eerst toch zelf een weinig." + +Willem, die eene onmacht nabij was, dronk het glas ledig. Terstond +gevoelde hij zich als opnieuw gesterkt en wendde zich tot den ouden +man, die voortdurend zwaar ademhaalde, maar geen woord sprak. + +De vader vloog heen, om aan vrouw en kinderen den lang gewenschten +laafdronk te verstrekken. + + + + + + + +ACHT-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK. + +ONVERWACHTE UITKOMST. + + +Willem had ondertusschen zijn armen vriend de kleederen uitgetrokken, +om zijne wonden nader te kunnen onderzoeken. Na eene korte poos kwam +zijn vader terug, die zijn versmachtend gezin in allerijl gedrenkt had. + +"Het zou misschien beter zijn, dat wij hem naar dien anderen hoop +bladeren droegen, hij zal daar veel gemakkelijker liggen," sloeg +Willem voor. + +Flink fluisterde slechts: "Meer water! Meer water!" De knaap voldeed +aan zijn verlangen en droeg hem toen, met behulp van zijn vader, +naar een beter plaatsje. Zoodra zij hem daar neergelegd hadden, +keerde Flink zich op de andere zijde om en een donkere bloedstroom +gutste uit zijn borst. + +"Nu voel ik mij beter," zeide hij op fluisterenden toon. "Verbind +de wonde, Willem. Een oud man, zooals ik, heeft niet veel bloed +te verliezen." + +Mijnheer Wilson en Willem schoven zijn hemd ter zijde en onderzochten +de wonde. De speer was hem diep in de longen gedrongen. Willem trok +oogenblikkelijk zijn eigen hemd uit, scheurde het in stukken en +verbond de wonde, zoodat er geen bloed meer uit kon vloeien. + +Flink had er, toen men hem van zijn eerste leger had opgenomen, +zeer machteloos en uitgeput uitgezien; doch nu herstelde hij zich +langzamerhand en kon weer zacht spreken.--Op dit oogenblik kwam +mevrouw Wilson uit huis aansnellen. + +"Waar is de goede, brave man--onze redder?" riep zij. "Ik moet hem +zelve danken!" + +Mijnheer Wilson vatte haar bij den arm. + +"Hij is gewond, lieve vrouw; ik vrees zeer gevaarlijk gewond. Ik +wilde u dat niet dadelijk zeggen." + +Hij zeide haar thans met weinige woorden wat er voorgevallen was en +bracht haar toen bij Flinks leger. Mevrouw Wilson knielde aan zijne +zijde neder, nam zijne hand en barstte in tranen uit. + +"Ween niet om mij, lieve mevrouw," zeide de oude man. "Mijne uren +zijn geteld; het bedroeft mij slechts, dat ik u niet meer van dienst +zal kunnen wezen." + +"Lieve, beste vriend!" snikte mevrouw Wilson; "hoe ons lot zich +ook immer wenden moge, zoolang ik het leven behoud, zal ik nimmer, +nimmer vergeten wat gij voor mij en de mijnen gedaan hebt." + +Met deze woorden boog de bedroefde vrouw zich over den lijder neder, +kuste hem op het voorhoofd en richtte zich daarna op, om schreiend +naar huis te keeren. + +"Willem," fluisterde Flink, "ik kan nu niet spreken. Beur mijn hoofd +een weinig op en verlaat mij dan. 't Is beter voor mij, dat gij mij +alleen laat. Gij hebt al in lang niet meer op den uitkijk gestaan; +doe dat en kom over een half uur hier weer bij mij. Ga gij ook, +mijnheer; ik wil zien of ik een weinig rusten kan." + +Vader en zoon voldeden aan dit verlangen. Zij traden weer op de planken +en zagen naar alle kanten scherp rond, of zij ook iets ontdekken +konden. Zij bespeurden niets en klommen dus weder naar beneden. + +"Dat is een onoverkomelijke slag, mijn zoon," begon de vader. + +Willem schudde het hoofd. "Hij wilde mij volstrekt niet laten gaan, +vader," antwoordde hij eindelijk; "en nu wenschte ik, dat ik het +toch gedaan had. Ik vrees, dat hij zwaar gewond is; dunkt u dat ook +niet, vader?" + +"Ik durf niet hopen, Willem, dat hij er weer van opkomt. Wij zullen +hem morgen gevoelig missen, als men ons aanvalt. Ik vrees zeer voor +den afloop." + +"Ik weet niet wat ik zeggen moet, vader. Maar dat gevoel ik, sinds +wij ons weer met water verkwikt hebben, kan ik tweemaal zooveel doen, +dan waartoe ik anders in staat zou zijn geweest." + +"Het gaat mij evenzoo, beste jongen; maar toch, wat kunnen twee +menschen tegen zulk eene overmacht?" + +"Als moeder en Juno de geweren voor ons laden, zullen wij thans voor +'t minst evenveel kunnen uitrichten, als waartoe wij gisteren in +onzen uitgeputten toestand met ons drieën in staat waren." + +"Dat is wel mogelijk, Willem. In allen gevalle willen wij ons best +doen, want wij strijden immers voor ons eigen behoud en voor 't leven +van hen, die ons het liefst op aarde zijn." + +Willem sloop zacht op Flinks leger toe en bevond dat de oude man +sluimerde, zoo hij al niet vast in slaap lag. Hij stoorde hem derhalve +niet, maar keerde tot zijn vader terug. + +Zij droegen het watervat gezamenlijk in huis en stelden het onder het +opzicht der moeder, opdat geen enkele drup nutteloos mocht verloren +gaan. Thans eerst nu de dorst gelescht was, begonnen allen ook de +kwelling van den honger te gevoelen. + +Juno en Willem gingen daarom aan het werk, sneden de schildpad in +stukken en roosterden die bij het vuur. Zij namen allen een hartig +maal en misschien had het eten hun in hun gansche leven niet zoo +lekker gesmaakt als ditmaal. + +Het was bijna reeds dag, toen Willem, die herhaalde malen zacht naar +Flink was komen zien om zich te overtuigen, dat hij nog sliep, den +gewonde eindelijk met de oogen open vond. + +"Hoe gaat het, Flink; hoe voelt gij u nu," vroeg hij, vol deelneming. + +"Ik voel mij heel licht en wel, Willem, en heb niet veel pijn. Ik +geloof evenwel, dat het met mij ten einde loopt en dat het niet lang +meer zal aanhouden. Denk er aan, Willem, dat gij, als gij genoodzaakt +wordt de versterking te verlaten, u om mij niet bekommeren moogt. Ik +zal blijven, waar ik nu ben. Langer leven kan ik immers toch niet, +en als gij mij meesleepen wildet, zou dit mijn einde maar verhaasten." + +"Ik zou liever sterven dan u verlaten, Flink!" + +"Neen, neen, mijn jongen--dat is dwaas en verkeerd gesproken. Gij +hebt uwe moeder en de kleinen, die gij redden moet. Beloof mij, +dat gij doen zult wat ik u gezegd heb." + +Willem aarzelde. + +"Het is uw plicht, jongen, wat ik van u verlang. Ik ken uw gevoel heel +wel, maar gij moogt daar ditmaal niet aan toegeven. Beloof mij dat, +als gij mijn sterfuur niet verzwaren wilt." + +Willem drukte zijn ouden vriend de hand. Zijn hart was te vol,--hij +kon niet spreken. + +"Met het aanbreken van den dag zullen zij terugkomen, Willem,--althans +dat verwacht ik. Gij hebt weinig tijd meer te verliezen. Klim op onzen +uitkijk en blijf daar, tot het licht aan den hemel komt. Bespied hen, +zoolang gij dat zonder gevaar doen kunt. Kom dan beneden en zeg mij, +wat gij gezien hebt." + +Flinks stem werd al zwakker en zwakker, daar het vele spreken hem +reeds al te veel vermoeid had. Hij wenkte Willem, die oogenblikkelijk +in den boom klauterde en daar, totdat het licht werd, de wacht hield. + +Toen de ochtendschemering aanbrak, bemerkte hij, dat de wilden op +de been kwamen. Zij hadden hunne takkenbossen aan de noordzijde +bijeengebracht en maakten alle toebereidselen tot een spoedigen +aanval. Ten laatste zag hij ieder van hen een takkenbos op den schouder +nemen, en zoo trokken zij in eene lange rij op het blokhuis aan. + +Willem was in een ommezien omlaag en riep zijn vader, die juist met +zijne vrouw sprak. Al de geweren stonden gereed, en mevrouw Wilson +plaatste zich met Juno dicht bij de palissade, om ze terstond na het +afvuren opnieuw te laden. + +"Wij moeten op hen losbranden, zoodra wij zeker zijn van hen niet te +missen, mijn jongen," zei de vader. "Hoe langer wij hen van ons lijf +houden, des te beter voor ons." + +Zoodra de eerste wilden op vijftig passen afstands waren gaven beiden +vuur, en twee van hunne vijanden vielen. Zij gingen voort, de eerste +tien minuten met veel geluk op de bestormers te schieten; maar nu +kwamen de wilden in dichter troepen opzetten en gebruikten bovendien +nog de voorzichtigheid van de takkenbossen voor hun lichaam te houden, +ten einde bij het naderen der palissade beter bedekt te zijn. + +Op deze wijze gelukte het hun werkelijk den voet der palissade zonder +zwaar verlies te bereiken, en daar begonnen zij hunne takkenbossen op +een hoop op te stapelen. Vader en zoon onderhielden nog bij voortduring +een levendig vuur tegen hunne vijanden, maar niet met dezelfde gunstige +uitwerking als in den beginne. + +Er vielen wel ettelijke wilden, doch de takkenbossen rezen al hooger +en hooger op, totdat ze bijna de gaten in de palissade bereikten, +waardoor men tot hiertoe gevuurd had. Daarbij gaven de Indianen aan hun +houtberg eene schuins omloopende richting, zoodat het kennelijk was, +dat zij langs dezen weg opklimmen en de versterking stormenderhand +innemen wilden. + +Eindelijk schenen de takkenbossen alle te hoop gebracht, want de +wilden trokken thans weer tot aan den rand van het bosch terug. + +"Zij zijn weg, vader," riep Willem; "maar zij zullen terugkomen, +en ik vrees dat het dan met ons gedaan zal zijn." + +"Dat vrees ik ook, mijn dappere jongen," antwoordde mijnheer +Wilson. "Ze hebben zich allen verwijderd, om zich tot een algemeenen +storm te ordenen, en nu zal het hun mogelijk zijn in onze verschansing +door te dringen. Ik had waarlijk liever, dat zij maar de takkenbossen +hadden aangestoken. Daar hadden wij althans naar Flinks aanwijzing +kunnen ontkomen. Nu vrees ik, dat geen hoop meer over is." + +"Zeg daar moeder toch geen woord van!" bad Willem. "Wij willen ons +tot het laatst verweren, totdat wij eindelijk bezwijken moeten." + +"Ik zou uwe lieve moeder nog gaarne eens tot afscheid omhelzen," +sprak de vader. "Maar neen,--nu zou dat zwakheid zijn. Ik zal het +liever laten. Daar komen zij, Willem! Nu dan, mijn kind, mijn Willem, +vaarwel!" + +De gansche troep wilden rukte thans in een dichte hoop uit het bosch +op. Zij hieven een vervaarlijk gillend geschreeuw aan, dat mevrouw +Wilson en Juno met ontzetting vervulde. Niettemin weken de beide +moedige vrouwen geen oogenblik van hare standplaats. + +De Indianen waren nu weder tot op vijftig passen genaderd, en de beide +verdedigers openden andermaal hun vuur. Dit werd door de wilden met +woest getier beantwoord, en dezen waren reeds aan den voet van hun +houthoop gekomen. Doch daar op eens hoorde men onder het knallen der +geweren en het getier der bestormers een luid gedonder. De boomen in +het rond kraakten, en beide partijen bleven roerloos van verbazing. Een +tweede en een derde donderslag volgde. De hoop takkenbossen voor de +palissade stoof uiteen en de wilden tuimelden bij hoopen ter aarde. + +"Dat moeten kanonnen van een schip zijn, vader!" riep Willem. "Wij +zijn gered! Wij zijn gered!" + +"Het is niet anders mogelijk; wij zijn als door een wonder gered," +riep ook de vader in de hoogste verbazing. + +De wilden, geheel verbijsterd, staakten hun aanval. Nog eens en +andermaal dreunde het geschutgedonder door de lucht. Kogels en +kartetsen fluitend en gierend door het woud. Eindelijk kwam er nog +een volle laag;--toen keerden de wilden om en vluchtten naar hunne +kano's. Na eenige oogenblikken was er geen enkele meer te zien. + +"Wij zijn gered!" riep mijnheer Wilson, sprong van de plank neer en +drukte zijn vrouw in de armen. + +"Een groote schoener, vader! Hij vuurt op de wilden, die reeds bij +hunne booten zijn. Zij vallen overal neer; daar springen al enkelen in +'t water! Ginds komt eene sloep vol gewapende matrozen op den oever +aan.--Zij landt bij den tuin. Drie van de kano's zijn vol met wilden, +die wegroeien willen.--Daar valt weer eene laag.--Twee kano's zijn in +den grond geboord, vader!--De boot is geland. Het volk komt regelrecht +hier naar toe!" + +Na deze laatste uitroeping kwam Willem haastig naar beneden. Zoodra +hij de voeten op den grond had, vloog hij naar de deur der omheining +en begon de balken weg te schuiven. Hij had juist den laatsten in de +hand toen hij den tred der bevrijders buiten hoorde. Hij rukte de poort +open.... en lag een oogenblik later in de armen van--kapitein Osborn. + +Men zal zich herinneren, dat reeds ettelijke maanden vroeger eene +brik in de nabijheid van het eiland verschenen, maar tot grievende +teleurstelling onzer eilandbewoners weder verdwenen was, zonder terug +te keeren, hoewel zij de opgeheschen vlag van de Vrede wel herkend +moest hebben. + +Ziehier, hoe het met de zaak was. Het volk aan boord van die brik had +niet alleen Flink's seinen bemerkt, maar ook den naam van De Vrede op +de opgehaalde vlag gelezen. De hevige storm, die toen losbrak, had hen +echter zoo ver zuidwaarts gedreven, dat de kapitein van de brik aan +zijn plicht jegens zijn patroons dacht te kort te zullen doen, indien +hij zooveel tijd verloor, als noodig was, om midden door dien storm +weder naar het eiland op te werken. De lading, die hij aan boord had, +was van dien aard, dat zij noodzakelijk in waarde verliezen moest, +wanneer zij niet als eene der eersten op de markt kwam. Hij besloot +derhalve met volle zeilen op Sidney koers te zetten; dat was namelijk +de haven, naar welke hij bestemd was. + +Uit het begin van ons verhaal zullen onze lezers nog wel weten, hoe +kapitein Osborn door Mackintosh en de overige matrozen van de Vrede in +een bewusteloozen toestand in de boot werd gebracht. Hij kwam echter +langzamerhand weer tot zichzelven en was in een stormachtigen nacht, +waarin de manschap de grootste moeite had gehad om zich vlot te houden, +weer in zooverre bekomen, dat hij zich door Mackintosh het vroeger +gebeurde kon laten verhalen, alsmede de oorzaak waarom hij zich thans +in eene open boot op zee bevond. Den volgenden morgen ging de storm +liggen, en zij hadden het geluk een schip te ontmoeten, dat naar +Van-Diemensland bestemd was en hen allen bereidwillig aan boord nam. + +Na het verhaal van Mackintosh twijfelde kapitein Osborn geen oogenblik +aan den ondergang der familie Wilson, en het vergaan van de Vrede +en van zijne passagiers werd aan de eigenaars naar behooren bekend +gemaakt. + +Bij zijne aankomst in Van-Diemensland gevoelde kapitein Osborn +zich door de schoonheid en vruchtbaarheid van dat oord zoodanig +aangetrokken, dat hij besloot aldaar eenige landerijen aan te koopen +en er zich vreedzaam als burger neer te zetten. Misschien wel dat +ook de herinnering van het groote gevaar, dat hij op zijn laatsten +zeetocht had doorgestaan, bij hem tot de opvatting van dit besluit +niet weinig had bijgedragen. + +Overeenkomstig zijn plan had hij een landgoed aangekocht, waar hij +de veeteelt op eene groote schaal drijven wilde. Hij was op eene +schoener naar Sidney gegaan, om daar de aankomst van eene groote +kudde vee, die hij uit Engeland ontboden had, af te wachten, toen +de reeds vermelde brik in de haven binnenliep en berichtte, dat men +op het kleine eiland blanke bewoners ontdekt en op eene door hen +opgeheschen vlag den naam van De Vrede gelezen had. + +Zoodra kapitein Osborn dit vernam, zocht hij den kapitein van de +brik op en deed bij hem een nauwkeurig onderzoek naar de nadere +bijzonderheden van zijne ontdekking. Hij bevond, dat de geographische +lengte en breedte van het eiland zoo tamelijk overeenkwamen met de +plaats, waar zij hun schip hadden verlaten, en hield zich nu ten volle +overtuigd, dat de familie Wilson als door een wonder in het leven +moest zijn gebleven. Terstond begaf hij zich nu naar den gouverneur +van Nieuw-Zuid-Wales en maakte hem met al de vereischte omstandigheden +bekend. Deze hoorde hem met belangstelling aan en stelde terstond een +gewapenden schoener van de regeering tot zijne beschikking, ingeval hij +zelf mede uitgaan en zijne voormalige scheepsgenooten opzoeken wilde. + +Kapitein Osborn was hier terstond toe bereid, daar een korte +afwezigheid hem bovendien toch niet benadeelde; en reeds weinig dagen +daarna lichtte de schoener het anker. + +Deze kwam in de nabijheid van het eiland aan op denzelfden morgen, dat +de wilden met hunne vloot van kano's hunne landing bewerkstelligden, +en had Flink op het oogenblik, toen Willem hem bij het haastig +terugkeeren van het oude woonhuis verzekerde, "dat hij aan de +landpunt in de nabijheid van den tuin nog een ander vaartuig onder +zeil had gezien,"--tijd gehad, om zijn kijker te gebruiken, dan zou +hij ontdekt hebben, dat het de schoener en niet, zooals hij vermoedde, +een kano was, die in den nacht van de overige booten was afgeraakt. + +De schoener lag op dat oogenblik op het rif aan. Hij wendde toen weder +van den wal uit en zond eene boot af, om eene geschikte ankerplaats +op te zoeken. + +Terwijl de manschappen in de boot met looden bezig waren, ontdekten +zij de wilden in hunne kano's en hoorden het geknal der vuurwapens +gedurende den eersten aanval. Bij hunne terugkomst aan boord berichtten +zij wat zij gehoord en gezien hadden, en hoe het waarschijnlijk was, +dat de Europeanen op het eiland door de wilden werden aangevallen. + +Daar de boot eerst tegen den avond aan boord was teruggekomen, had +men geen tijd om nader onderzoek te doen, en thans geschiedde de +nachtelijke aanval en hoorde men andermaal geweerschoten vallen. + +Dit boezemde kapitein Osborn den wensch in, om zoo schielijk mogelijk +te landen; doch daar de wilden in groote getale op het eiland zijn +moesten, terwijl de bemanning van den schoener uit niet meer dan +vijf-en-twintig koppen bestond, hield de commandant van het schip +dat voor al te onvoorzichtig. Daarom wilde hij den schoener met +allen spoed voor anker zien te brengen, opdat die de landing dekken +mocht. Dan zou het den matrozen vergund zijn aan wal te gaan. + +De boot had bericht gebracht, dat bij de landpunt aan den tuin ondiep +water en goede ankergrond te vinden was, en alle toebereidselen werden +gemaakt, om den volgenden morgen met het aanbreken van den dag op de +kust aan te loopen. Ongelukkigerwijze ging de wind liggen en bleef +het 't beste gedeelte van den volgenden dag stil, en zoo kwam het, +dat zij eerst den ochtend daarna, juist toen de wilden hun laatsten +aanval beproefden, inloopen konden. + +Toen dit geschied was, opende de schoener het vuur van zijne +stukken. Met welk gevolg, is bekend, de wilden vluchtten naar alle +richtingen. De boot werd daarop bemand, kapitein Osborn stelde zichzelf +aan het hoofd der landingstroepen en kwam zoo nog tijdig tot behoud +der hard bedreigde belegerden opdagen. + +Wie kan zich de verrukking van mijnheer Wilson en zijne echtgenoote +voorstellen, toen deze hun ouden vriend Osborn weer voor hunne oogen +zagen staan.--Alle gevaar was nu immers geweken. De gelande matrozen +trokken onder commando van den bootsman uit, om te onderzoeken, of er +misschien nog van de wilden op het eiland waren. Met uitzondering van +de dooden en stervenden waren allen echter op eenige van de kleinere +kano's ontsnapt. + +Kapitein Osborn bleef bij de Wilsons achter en verhaalde hun met +weinig woorden zijne eigen geschiedenis. Zij onderrichtten hem op +hunne beurt van den toestand van den ouden armen Flink, tot wien +Willem zich oogenblikkelijk weder begeven had, zoodra hij kapitein +Osborn met vader en moeder in gesprek zag. + +Osborn snelde nu dadelijk toe, om zijn ouden stuurman en vriend te +zien. Deze herkende hem ook aanstonds, d. i. zijne stem, want de oogen +van den ouden man waren reeds zoo zwak geworden, dat hij bezwaarlijk +iets meer onderscheiden kon. + +"Dat is kapitein Osborn,--dien ken ik," fluisterde hij, met zwakke +stem. "Gij zijt nog even bijtijds gekomen, mijnheer. Ik wist wel, +dat gij komen zoudt, en heb dat ook altijd gezegd. Neem daarvoor den +dank van een stervende aan." + +"Ik hoop, dat het zoo erg niet met u wezen zal, Flink. Wij hebben +een dokter aan boord, en ik zal hem terstond laten halen." + +"Mij kan geen dokter meer helpen," hernam Flink. "Het zal geen uur +meer duren, of 't is uit met mij. Het is mij een groote blijdschap, +dat ik mijne lieve vrienden hier nog gered heb gezien." + +"Ik zal in allen gevalle om den dokter zenden," zeide kapitein Osborn, +"ofschoon ik wel zie, dat die weinig helpen kan. De hand des doods +heeft hem reeds aangevat." + +Mijnheer Wilson verliet met vrouw en vriend het leger van den +stervende; allen waren door het bijgewoonde tooneel uiterst +getroffen. Alleen Willem bleef bij Flink achter en reikte hem water +toe, zoo dikwijls hij daarnaar vroeg. Eenige minuten daarna sloeg de +oude man andermaal de oogen op. + +"Zijt gij bij mij, Willem? Ik kan u niet zien. Luister, beste +jongen. Begraaf mij onder de boomen op den heuvel, boven de bron. Daar +wensch ik te liggen. De onnoozele kleine Thomas,--laat hem nooit +weten, dat hij de oorzaak van mijn dood geweest is. Breng hem nog +eens hier bij mij,--en Juno en Caroline ook. Ik wil allen vaarwel +zeggen, Willem." + +Willem schoten de oogen vol tranen; hij liep naar huis en maakte +vader en moeder met Flinks verlangen bekend. + +Allen kwamen, om het laatste vaarwel van den stervende te +ontvangen. Flink riep ieder bij zijn naam, den een na den ander. Zij +knielden toen bij hem neder en kusten hem. Hij zeide hun met zwakke +stem vaarwel; eindelijk gingen zijne woorden in een onverstaanbaar +gefluister over. Zoo stonden zij stil en weenend rondom zijn leger +geschaard. Slechts Willem knielde aan zijne zijde neder en hield zijn +hoofd omvat. In 't einde liet de stervende dit voorover op de borst +zinken en--was niet meer. + +"Nu is alles voorbij," sprak mijnheer Wilson diep bedroefd. Hierop +leidde hij zijne vrouw met de kleinen in huis terug; alleen Juno +en Willem bleven bij het lijk achter. De arme meid barstte zoodra +haar heer en mevrouw zich verwijderd hadden en zij aan haar gevoel +den vrijen loop durfde geven, in luide jammertonen uit en wrong als +radeloos de handen. + +Willem drukte hem de oogen toe. Juno haalde de oude scheepsvlag, +welke zij toen over zijn lijk uitspreidden. Vervolgens gingen beiden +de familie opzoeken. + +In den tijd, dien Willem bij Flink had doorgebracht was de commandant +van den schoener met een tweede afdeeling geland, die hij insgelijks +uitzond om het eiland te doorkruisen en verstrooide vluchtelingen +uit de schaar der wilden op te zoeken, doch er was niemand meer +te ontdekken. + +Kapitein Osborn stelde den commandant aan de familie Wilson voor, en +men maakte nu dadelijk afspraak tot het inschepen van deze laatste. Den +volgenden dag zou tot het pakken en inladen van alle goederen besteed +worden; den dag daarop zou de familie aan boord gaan. + +Willem gewaagde van Flinks wensch ten aanzien van zijne begrafenis. De +commandant van den schoener gaf dadelijk last om eene kist te +vervaardigen en op de door Willem aangeduide plaats een graf te delven. + +Men kwam overeen, dat de geiten en overige dieren, met uitzondering +van de honden, op het eiland zouden blijven, ten dienste van hen, +die misschien in de toekomst een dergelijk ongeluk ondergaan mochten, +als de manschap en de passagiers van De Vrede getroffen had. + +De booten kwamen den volgenden morgen tijdig aan land en namen de +bagage in. Mijnheer Wilson wilde verder niets medenemen, wat voor +latere schipbreukelingen van waarde kon zijn. Het huisraad, al het +timmermansgereedschap, ijzerwerk en spijkers, verder pekelvleesch en +meel, werd in het huis achtergelaten en weggeborgen. Zoo was hetgeen +men had in te schepen dan ook van weinig omvang en dus weldra aan +boord gebracht. + + + + + + + +NEGEN-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK. + +BESLUIT. + + +De drukte en de haast van de toebereidselen tot het vertrek van het +eiland, alsmede de snelle opvolging der gebeurtenissen, die zich in +de tijdruimte van weinige dagen hadden opgedrongen, hadden Willem en +zijne ouders slechts weinig tijd tot nadenken overgelaten. Eindelijk +echter was al het noodige beschikt en had de commandant van den +schoener geen reden meer om hen tot spoed aan te drijven. Zij hadden +in den loop van den namiddag het laatste aan boord gezonden, en den +volgenden dag, zoo was de afspraak, zou men onder zeil gaan. + +Nu hadden zij rust, om het verlies van hun ouden vriend eerst recht +diep te gevoelen, en bitter beklaagden zij hun lot, dat hem niet +veroorloofd had gezamenlijk met hem naar Sidney te stevenen. Zij +hadden altijd de hoop gekoesterd, dat zij eens van het eiland verlost +zouden worden, en in deze hoop hadden zij zich er aan gewend den +eerwaardigen ouden Flink als een lid van hunne toekomstige huishouding +te beschouwen. Thans, nu hunne vurige wenschen waren bekroond,--nu was +het gevoel der vreugde en dankbaarheid met diepen kommer vermengd; +ja, zoo groot was de droefheid over het verlies van hun redder en +beschermer, dat zij met blijdschap op het eiland zouden gebleven zijn, +als zij hem daardoor wederom in het leven hadden kunnen roepen. + +Kapitein Osborn, de commandant en de matrozen van den schoener hadden +voor dien nacht afscheid van hen genomen en waren aan boord gegaan, +na vooraf de noodige beschikkingen gemaakt te hebben tot Flinks +teraardebestelling, die den volgenden morgen vóór het lichten der +ankers zou plaats vinden. De kinderen waren te bed gebracht en Juno +was naar buiten gegaan; de ouders met hun zoon zaten in het nu half +ledige vertrek, toen Juno weder binnentrad. Het arme meisje had +blijkbaar bitter geschreid. + +"Zeg, Juno," begon mijnheer Wilson, om het pijnlijk stilzwijgen +af te breken, dat reeds eene poos vóór hare binnenkomst geheerscht +had. "Zijt gij niet blij, dat wij nu het eiland verlaten zullen?" + +"Vroeger ikke heel blij zou zijn geweest, maar nu mij niet sikkepitje +schelen kan," was het antwoord. "Het eiland heel lieve plaats,--alles +heel gelukkig, tot de wilden komen. Als zij niet vermoord hadden +ouden Flink, ik ook niet veel om de wilden geven zou." + +"Ja, waarlijk," viel mevrouw Wilson haar in de rede, "dat is voor ons +allen een harde slag. Ik had altijd gehoopt den goeden Flink in zijn +ouderdom te kunnen oppassen en hem onze dankbaarheid te bewijzen; +maar nu...." + +"De helft van mijn vermogen gaf ik, als wij hem behouden hadden," +sprak de vader. + +"Ach, massa!" snikte Juno, "ikke daar effentjes buiten bij hem zitten; +ikke de vlag oplichten en hem in 't gezicht kijken.--Och, wat goed, +vriendelijk en gerust zijn gezicht!--Ikke haast denken, dat hij mij +toelachen,--en ikke hardop schreien moest. O, massa Thomas,--dat +allemaal om jou, stout jonk!" + +"Zijn verlies grieft mij dubbel, omdat zijn dood aan de onnadenkendheid +van een mijner kinderen te wijten is," hernam mijnheer Wilson. "Welk +eene vreeselijke les voor Thomas, als hij eens tot de jaren komt, +om de gevolgen van zijn daad geheel te beseffen!" + +"Daar mag hij nooit iets van te weten komen, vader," riep Willem, +die tot hiertoe treurend in een hoek had gezeten. "Eene van Flinks +laatste beden was, dat Thomas de oorzaak van zijn dood nooit vernemen +zou. Ik moest hem dat plechtig beloven." + +"Zijne laatste wenschen zullen ons heilig zijn, mijn beste jongen," +verzekerde zijn vader; "want wat zijn wij aan den goeden braven man +al niet verschuldigd! Toen de overigen ons verlieten en ons aan den +ondergang prijsgaven, bleef hij bij ons, om ons lot te deelen, op een +oogenblik, dat alle uitzicht bestond, dat de oceaan ons verzwelgen +zou. Door zijne bekwaamheid en ondervinding werden wij gered en +bereikten wij gelukkig dit eiland. Hij zorgde voor onze behoeften, +verplaatste ons in een behagelijken toestand, leerde ons hoe wij onze +middelen tot ons best aanwenden konden, was in alles onze raadgever, +en ik mag wel zeggen onze beschermer en redder. Wat zou er zonder +hem van ons geworden zijn? Zonder zijne zorgvuldigheid hadden wij nog +in den laatsten tijd onder de knotsen en speren der wilden den dood +gevonden. Zijne zelfopoffering was het, die ons het water verschafte, +dat ons leven redde, en juist deze daad was het, waarbij hij zijn +leven voor ons opofferde. Welk een schoon voorbeeld van moed en +zelfopoffering heeft hij ons altijd gegeven!" + +"Ach! ware hij niet zoo plotseling uit ons midden genomen!--Had +hij nog slechts weinige dagen geleefd, zoodat wij om zijn sterfbed +hadden kunnen staan, hem de trouwe oogen in vrede hadden kunnen +sluiten!...." zeide mevrouw Wilson en schreide aan de borst van +haar echtgenoot. + +Na eenigen tijd waren zij weder eenigszins tot kalmte gekomen, doch +eene sombere stilte, slechts nu en dan door Juno's zuchten afgebroken, +bleef in den familiekring heerschen. Willems hart was overvol. Hij +kon eene geruime poos geen woord uiten. Eindelijk zeide hij met +gebroken stem: + +"Ik gevoel, dat ik een vriend verloren heb, dien ik naast vader en +moeder boven alles liefhad. Ik kan mijzelven maar niet vergeven, +dat ik hem dat water halen liet. Het was mijn plicht geweest, en ik +had voor hem moeten gaan." + +"En toch, mijn lieve zoon, zouden wij u ook zwaar gemist hebben. Gij +hadt er immers ook het leven bij kunnen inschieten," riep zijne moeder. + +Den volgenden morgen waren zij vroeg op de been en pakten alles +bijeen, wat nog mede naar boord moest worden genomen. Weinig woorden +werden gesproken, want een weemoedige, plechtige ernst heerschte in +aller gemoed. + +Zij wachtten op de komst van kapitein Osborn en van de manschap van den +schoener, om het lijk van stuurman Flink ter aarde te bestellen. Willem +was van tijd tot tijd naar buiten gegaan, om naar het schip uit te +zien. Hij kwam nu binnen en berichtte, dat twee booten op de kust +aanroeiden. + +Weinige minuten later verscheen kapitein Osborn met den commandant +van het schip. Na een kort onderhoud verlieten beiden het huis, +om de noodige orders te geven. + +Men had de kist mede aan land gebracht. Flinks stoffelijk overschot +werd daarin neergelegd en zijne laatste woning alstoen gesloten. Willem +was daarbij tegenwoordig, en de tranen rolden hem langs de wangen, +toen het deksel dichtviel en hij zijn goeden ouden vriend voor de +laatste maal gezien had. + +Binnen een half uur waren alle toebereidselen gemaakt en werd de +familie buiten geroepen. Het werd zoo ingericht, dat Willem, zijn +vader, kapitein Osborn en Juno--de arme meid had er uitdrukkelijk om +verzocht--de slippen van het lijkkleed te dragen hadden. + +De kist, met de koninklijke vlag overdekt, werd door zes matrozen +op de schouders genomen en ten grave gedragen. Achter haar gingen +mevrouw Wilson en hare kinderen en vervolgens de commandant van +den schoener met eenigen van zijn volk. Mijnheer Wilson hield een +toespraak, slechts nu en dan door Juno's snikken afgebroken en het +graf werd dichtgemaakt, waarop allen zich stil en treurig verwijderden. + +Op Willems verzoek had de commandant een stevig traliehek rondom het +graf laten zetten; midden op den grafheuvel werd een paal opgericht, +waarop de naam van den afgestorvene en de dag van zijn dood vermeld +stonden. + +Zoodra dit verricht was, volgde Willem met een diepen zucht den +commandant naar het huis, om te berichten, dat alles was afgeloopen +en dat de boot wachtte. + +"Kom, lieve vrouw," zeide mijnheer Wilson tot zijne echtgenoote. + +"Ik ga, ik ga," antwoordde deze: "maar ik weet niet, hoe het +komt,--thans, nu het uur geslagen heeft,--dat het mij zooveel kost +dit eiland te verlaten. Ware Flink nog in leven, mij dunkt, ik zou +wenschen hier altijd te blijven." + +"Ik begrijp, dat gij ontroerd zijt, lieve; maar wij mogen kapitein +Osborn niet al te lang ophouden." + +"Ik wenschte dat wij nog eens tijd hadden om al die lieve plekjes +van ons verblijf,--den tuin, de bron, de vijvers te bezoeken. Zelfs +van de dieren zou ik gaarne afscheid nemen, Wilson. Misschien is het +een zwakheid,--maar ik kan ze niet onderdrukken." + +"Laten wij onze geit ook hier, moeder," vroeg Caroline, "en al onze +aardige kippen?" + +"Ja, lieve meid; geiten en vogels blijven achter voor andere menschen, +die misschien na ons op dit eiland kunnen landen." + +"En moeten de schildpadden dan ook in den vijver blijven?" vroeg +Thomas. "Schildpadsoep is zoo lekker. Ik houd veel van schildpad." + +"Dat is geen kwade inval," merkte kapitein Osborn aan. "De schildpadden +konden wij wel aan boord brengen; dat zal toch zooveel tijd niet +wegnemen." + +"O neen," zeide de commandant. "Kom, haast u, jongens! roeit met eene +van de booten naar de vijver en brengt de schildpadden aan boord." + +Daar dit eenig oponthoud veroorzaakte, ging mevrouw Wilson naar Flinks +graf, om het hek en het opschrift te zien, waarvan Willem haar gezegd +had, dat het voorzien was geworden. Zij zou daar nog langer aan den +arm van haar man vertoefd hebben, als kapitein Osborn niet was komen +zeggen, dat de sloep nu wachtte. + +Dewijl mijnheer Wilson bemerkte, dat de commandant van den schoener +de eilanden nog vóór het vallen van de duisternis uit het gezicht +wenschte te hebben, leidde hij zijne vrouw nu zonder verwijl naar +het strand. Allen stapten in de boot en waren weldra op het dek van +den schoener. Daar stonden zij met de oogen onafgewend op het eiland +gericht, terwijl de matrozen de ankers lichtten. + +Eindelijk werden de zeilen bijgezet en het schip stuurde langs de +landpunt bij den tuin voorbij. Eene frissche koelte begunstigde +hunne vaart en zoo werden alle voorwerpen aan de kust hoe langer hoe +onduidelijker. Maar nog altijd dwaalden hunne blikken in verschillende +richting rond. + +Juno en Willem stonden op de verschansing. Onze jonge vriend had +den kijker in de hand en hield dien vast aan het oog gedrukt, toen +kapitein Osborn hem vroeg, waarop hij tuurde. + +"Ik zeg Flinks graf mijn laatst vaarwel," was het antwoord. + +"Hij wezenlijk heel goede man was," fluisterde Juno met een diepen +zucht. + +Terwijl ze naar het Westen stuurden, kwamen zij de bocht voorbij, +waar zij het eerst geland waren, en mijnheer Wilson maakte zijne vrouw +op dit punt opmerkzaam. Deze zag een tijdlang zwijgend daarheen en +keerde zich toen om met de woorden: + +"Wij zullen zeker nooit gelukkiger wezen, Wilson, dan wij op dit +eiland waren!" + +"Wij mogen inderdaad tevreden zijn, als wij nooit minder gelukkig +worden, lieve," antwoordde haar echtgenoot. + +De schoener kliefde stout de golven en het eiland onttrok zich allengs +aan hun gezicht. Na eenigen tijd was het aan den horizon verdwenen +en alleen de toppen der kokosboomen bleven zichtbaar; maar ook deze +doken eindelijk onder. Juno wachtte tot het laatst, en toen er in +'t eind niets meer te zien was, wuifde zij met haar zakdoek naar de +plaats van het eiland, als om dat het laatste vaarwel te zeggen. + +De wind bleef voortdurend gunstig, en na eene voorspoedige vaart van +vier weken, kwamen zij in de haven van Sidney aan, die zij reeds zoo +lang geleden met het goede schip De Vrede gedacht hadden te zullen +bereiken. + +Mijnheer Wilson vond bij zijne aankomst te Sidney zijne bezittingen en +kudden aanmerkelijk vermeerderd. Zijn zaakwaarnemer, die de goederen +gedurende zijne afwezigheid beheerd had, was een vlijtig, eerlijk +man geweest. + +Men had, wel is waar, algemeen geloofd, dat de gansche familie bij +de schipbreuk was omgekomen en dat de goederen dus op verwijderde +bloedverwanten zouden overgaan, maar erfeniszaken nemen altijd een +langen tijd weg, en het duurde vele maanden voordat men stellige +berichten uit Engeland ontving; en hieraan was het toe te schrijven, +dat, bij gebrek aan alle zekere doodstijding, de goederen nog niet +verdeeld, maar altijd nog in handen der executeurs waren. + +Mijnheer en mevrouw Wilson beleefden nog het geluk van al hunne +kinderen volwassen te zien. + +Willem erfde het grootste deel van zijns vaders bezittingen, nadat +hij hem jaren lang in het bestuur daarvan behulpzaam was geweest. Hij +trouwde en kreeg een talrijk kroost. + +Sinjeur Thomas werd, niettegenstaande al zijne zotte kuren, een flink +man, nadat hij als jongeling in den krijgsdienst was getreden. Hij is +tegenwoordig majoor en moet in zooverre aan zijne jeugdige gewoonten +getrouw zijn gebleven, dat hij, ondanks zijn zwaren dienst nog altijd +een onverdroten tafelmakker is, op wiens fijnen smaak men gerust +staat kan maken. + +Caroline gaf hare hand aan een jongen predikant en werd eene +voortreffelijke echtgenoote en moeder. De kleine Albert ging in +zeedienst en staat, terwijl ik dit schrijf, reeds op het punt van +kapitein te worden. + +Mijnheer en mevrouw Wilson zijn reeds beiden dood; maar de trouwe Juno +leeft nog en woont bij Willem in huis. Haar grootste vermaak is, diens +kinderen op haar schoot te hebben en hun lange verhalen van het eiland +te doen, waarbij ze nog bijna altijd in tranen uitbarst, als zij over +dien goeden ouden stuurman Flink en zijn dood en begrafenis spreekt. + + + + + + + +AANTEEKENINGEN + + +[1] Moeder Carey is in de taal der Engelsche matrozen de zee zelve, +die hen van der jeugd af op haren schoot draagt en hun kost en +onderhoud verschaft. + +[2] Eene bezitting der Engelschen in Z. O. gedeelte van Nieuw Holland, +waar zij hunne misdadigers heen zonden. De hoofdplaats heet Sidney. + +[3] Kano's zijn booten, zooals de wilden en Indianen gebruiken. + +[4] Eene haven van China, de eenige, die eertijds voor vreemdelingen +openstond. + +[5] Indische matrozen, die men bij gebrek aan Europeesche in dienst +neemt. + +[6] Vroeger, toen wij Hollanders het bezaten, heette dit eiland +Mauritius, gelijk ook tegenwoordig weder, nu het aan de Engelschen +toebehoort. + +[7] Eene Oostindische munt. Men heeft zilveren ropijen, die ruim twee, +en gouden, die zestien of zeventien gulden waard zijn. + +[8] Het nieuwe oorlogsrecht heeft dezen algemeenen regel wel eenigszins +gewijzigd. + +[9] De linten of gaten, waardoor het ankertouw naar binnenboord gaat. + +[10] Ruim f 180.-- Hollandsch. + +[11] De postwagens, destijds in Engeland in gebruik, hadden outside +en inside plaatsen. De eerste, voor den minderen man, minder kostende, +waren bovenop, in de open lucht. + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Stuurman Flink, by Kapitein Marryat + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK STUURMAN FLINK *** + +***** This file should be named 44758-8.txt or 44758-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/4/4/7/5/44758/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project +Gutenberg. + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org/license + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/old/44758-8.zip b/old/44758-8.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..00cacf0 --- /dev/null +++ b/old/44758-8.zip diff --git a/old/44758-h.zip b/old/44758-h.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..4d1db32 --- /dev/null +++ b/old/44758-h.zip diff --git a/old/44758-h/44758-h.htm b/old/44758-h/44758-h.htm new file mode 100644 index 0000000..e310342 --- /dev/null +++ b/old/44758-h/44758-h.htm @@ -0,0 +1,15126 @@ +<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" +"http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd"> +<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source on 2014-01-26T11:57:47Z. --> +<html lang="nl-1900"> +<head> +<meta name="generator" content= +"HTML Tidy for Windows (vers 25 March 2009), see www.w3.org"> +<title>Stuurman Flink of de schipbreuk van „De +Vrede”</title> +<meta http-equiv="content-type" content="text/html; charset=us-ascii"> +<meta name="generator" content= +"tei2html.xsl, see http://code.google.com/p/tei2html/"> +<meta name="author" content="Frederick Marryat (1792–1848)"> +<link rel="coverpage" href="images/frontcover.jpg"> +<link rel="schema.DC" href= +"http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/"> +<meta name="DC.Creator" content="Frederick Marryat (1792–1848)"> +<meta name="DC.Title" content= +"Stuurman Flink of de schipbreuk van „De Vrede”"> +<meta name="DC.Language" content="nl-1900"> +<meta name="DC.Format" content="text/html"> +<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg"> +<meta name="DC:Subject" content="#####"> +<style type="text/css"> +body +{ +font-family: "Times New Roman", Times, serif; +font-size: 100%; +line-height: 1.2em; +margin: 1.58em 16%; +text-align: left; +} +/* Titlepage */ +.titlePage +{ +border: #DDDDDD 2px solid; +margin: 3em 0% 7em 0%; +padding: 5em 10% 6em 10%; +text-align: center; +} +.titlePage .docTitle +{ +line-height: 3.5em; +margin: 2em 0% 2em 0%; +font-weight: bold; +} +.titlePage .docTitle .mainTitle +{ +font-size: 1.8em; +} +.titlePage .docTitle .subTitle, .titlePage .docTitle .seriesTitle, .titlePage .docTitle .volumeTitle +{ +font-size: 1.44em; +} +.titlePage .byline +{ +margin: 2em 0% 2em 0%; +font-size:1.2em; +line-height:1.72em; +} +.titlePage .byline .docAuthor +{ +font-size: 1.2em; +font-weight: bold; +} +.titlePage .figure +{ +margin: 2em 0% 2em 0%; +margin-left: auto; +margin-right: auto; +} +.titlePage .docImprint +{ +margin: 4em 0% 0em 0%; +font-size: 1.2em; +line-height: 1.72em; +} +.titlePage .docImprint .docDate +{ +font-size: 1.2em; +font-weight: bold; +} +/* End Titlepage */ +.transcribernote +{ +background-color:#DDE; +border:black 1px dotted; +color:#000; +font-family:sans-serif; +font-size:80%; +margin:2em 5%; +padding:1em; +} +.advertisment +{ +background-color:#FFFEE0; +border:black 1px dotted; +color:#000; +margin:2em 5%; +padding:1em; +} +.correctiontable +{ +width: 75%; +} +.width20 +{ +width: 20%; +} +.width40 +{ +width: 40%; +} +.indextoc +{ +text-align: center; +} +.div0 +{ +padding-top: 5.6em; +} +.div1 +{ +padding-top: 4.8em; +} +.index +{ +font-size: 80%; +} +.div2 +{ +padding-top: 3.6em; +} +.div3, .div4, .div5 +{ +padding-top: 2.4em; +} +.footnotes .body, +.footnotes .div1 +{ +padding: 0; +} +.apparatusnote +{ +text-decoration: none; +} +table.alignedtext, table.alignedverse +{ +border-collapse: collapse; +} +table.alignedtext td +{ +vertical-align: top; +width: 50%; +} +table.alignedverse +{ +vertical-align: top; +} +table.alignedtext td.first, table.alignedverse td.first +{ +border-width: 0 0.2px 0 0; +border-color: gray; +border-style: solid; +padding-right: 10px; +} +table.alignedtext td.second, table.alignedverse td.second +{ +padding-left: 10px; +} +table.alignedverse td.first, table.alignedverse td.second +{ +width: 45%; +} +table.alignedverse td.linenumbers +{ +width: 10%; +} +h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4 +{ +clear: both; +font-style: normal; +text-transform: none; +} +h3, .h3 +{ +font-size:1.2em; +line-height:1.2em; +} +h3.label +{ +font-size:1em; +line-height:1.2em; +margin-bottom:0; +} +h4, .h4 +{ +font-size:1em; +line-height:1.2em; +} +.alignleft +{ +text-align:left; +} +.alignright +{ +text-align:right; +} +.alignblock +{ +text-align:justify; +} +p.tb, hr.tb +{ +margin-top: 1.6em; +margin-bottom: 1.6em; +margin-left: auto; +margin-right: auto; +text-align: center; +} +p.argument, p.note, p.tocArgument +{ +font-size:0.9em; +line-height:1.2em; +text-indent:0; +} +p.argument, p.tocArgument +{ +margin:1.58em 10%; +} +p.tocPart +{ +margin:1.58em 0%; +font-variant: small-caps; +} +p.tocChapter +{ +margin:1.58em 0%; +} +p.tocSection +{ +margin:0.7em 5%; +} +.opener, .address +{ +margin-top: 1.6em; +margin-bottom: 1.6em; +} +.addrline +{ +margin-top: 0; +margin-bottom: 0; +} +.dateline +{ +margin-top: 1.6em; +margin-bottom: 1.6em; +text-align: right; +} +.salute +{ +margin-top: 1.6em; +margin-left: 3.58em; +text-indent: -2em; +} +.signed +{ +margin-top: 1.6em; +margin-left: 3.58em; +text-indent: -2em; +} +.epigraph +{ +font-size:0.9em; +line-height:1.2em; +width: 60%; +margin-left: auto; +} +.epigraph span.bibl +{ +display: block; +text-align: right; +} +.trailer +{ +clear: both; +padding-top: 2.4em; +padding-bottom: 1.6em; +} +.figure +{ +margin-left: auto; +margin-right: auto; +} +.floatLeft +{ +float:left; +margin:10px 10px 10px 0; +} +.floatRight +{ +float:right; +margin:10px 0 10px 10px; +} +p.figureHead +{ +font-size:100%; +text-align:center; +} +.figAnnotation +{ +font-size:80%; +position:relative; +margin: 0 auto; /* center this */ +} +.figTopLeft, .figBottomLeft +{ +float: left; +} +.figTop, .figBottom +{ +} +.figTopRight, .figBottomRight +{ +float: right; +} +.hangq +{ +text-indent: -0.32em; +} +.hangqq +{ +text-indent: -0.40em; +} +.hangqqq +{ +text-indent: -0.71em; +} +.figure p +{ +font-size:80%; +margin-top:0; +text-align:center; +} +img +{ +border-width:0; +} +p.smallprint,li.smallprint +{ +color:#666666; +font-size:80%; +} +span.parnum +{ +font-weight: bold; +} +.marginnote +{ +font-size:0.8em; +height:0; +left:1%; +line-height:1.2em; +position:absolute; +text-indent:0; +width:14%; +} +.pagenum +{ +display:inline; +font-size:70%; +font-style:normal; +margin:0; +padding:0; +position:absolute; +right:1%; +text-align:right; +} +a.noteref, a.pseudonoteref +{ +font-size: 80%; +text-decoration: none; +vertical-align: 0.25em; +} +.displayfootnote +{ +display: none; +} +div.footnotes +{ +font-size: 80%; +margin-top: 1em; +padding: 0; +} +hr.fnsep +{ +margin-left: 0; +margin-right: 0; +text-align: left; +width: 25%; +} +p.footnote +{ +margin-bottom: 0.5em; +margin-top: 0.5em; +} +p.footnote .label +{ +float:left; +width:2em; +height:12pt; +display:block; +} +/* Tables */ +tr, td, th +{ +vertical-align: top; +} +td.bottom +{ +vertical-align: bottom; +} +td.label, tr.label td +{ +font-weight: bold; +} +td.unit, tr.unit td +{ +font-style: italic; +} +span.sum +{ +padding-top: 2px; border-top: solid black 1px; +} +/* Table border styles */ +/* Table with borders on the outside and between the table head and data. */ +table.borderOutside +{ +border-collapse: collapse; +} +table.borderOutside td +{ +padding-left: 4px; +padding-right: 4px; +} +table.borderOutside .cellHeadTop, table.borderOutside .cellTop +{ +border-top: 2px solid black; +} +table.borderOutside .cellHeadBottom +{ +border-bottom: 1px solid black; +} +table.borderOutside .cellBottom +{ +border-bottom: 2px solid black; +} +table.borderOutside .cellLeft, table.borderOutside .cellHeadLeft +{ +border-left: 2px solid black; +} +table.borderOutside .cellRight, table.borderOutside .cellHeadRight +{ +border-right: 2px solid black; +} +/* Table with borders on the vertical inside edges. */ +table.verticalBorderInside +{ +border-collapse: collapse; +} +table.verticalBorderInside td +{ +padding-left: 4px; +padding-right: 4px; +border-left: 1px solid black; +} +table.verticalBorderInside .cellHeadTop, table.verticalBorderInside .cellTop +{ +border-top: 2px solid black; +} +table.verticalBorderInside .cellHeadBottom +{ +border-bottom: 1px solid black; +} +table.verticalBorderInside .cellBottom +{ +border-bottom: 2px solid black; +} +table.verticalBorderInside .cellLeft, table.verticalBorderInside .cellHeadLeft +{ +border-left: 0px solid black; +} +/* Table with borders on all edges, outer edges somewhat fatter. */ +table.borderAll +{ +border-collapse: collapse; +} +table.borderAll td +{ +padding-left: 4px; +padding-right: 4px; +border: 1px solid black; +} +table.borderAll .cellHeadTop, table.borderAll .cellTop +{ +border-top: 2px solid black; +} +table.borderAll .cellHeadBottom +{ +border-bottom: 1px solid black; +} +table.borderAll .cellBottom +{ +border-bottom: 2px solid black; +} +table.borderAll .cellLeft, table.borderAll .cellHeadLeft +{ +border-left: 2px solid black; +} +table.borderAll .cellRight, table.borderAll .cellHeadRight +{ +border-right: 2px solid black; +} +/* Special purpose tables: */ +table.intralinear +{ +display: inline; +border-collapse: collapse; +} +table.intralinear td +{ +font-size: small; +text-align: center; +} +table.ditto +{ +display: inline; +border-collapse: collapse; +vertical-align: bottom; +} +table.ditto tr.s +{ +height: 0; +color: white; +line-height: 0; +} +table.ditto tr.s td +{ +padding: 0px; +} +table.ditto tr.d td +{ +text-align: center; +line-height: 10pt; +} +/* Poetry */ +.lgouter +{ +margin-left: auto; +margin-right: auto; +display:table; /* used to make the block shrink to the actual size */ +} +.lg +{ +text-align: left; +} +.lg h4, .lgouter h4 +{ +font-weight: normal; +} +.lg .linenum, .sp .linenum, .lgouter .linenum +{ +color:#777; +font-size:90%; +left: 16%; +margin:0; +position:absolute; +text-align:center; +text-indent:0; +top:auto; +width:1.75em; +} +p.line +{ +margin: 0 0% 0 0%; +} +span.hemistich /* invisible text to achieve visual effect of hemistich indentation. */ +{ +color: white; +} +.versenum +{ +font-weight:bold; +} +/* Drama */ +.speaker +{ +font-weight: bold; +margin-bottom: 0.4em; +} +.sp .line +{ +margin: 0 10%; +text-align: left; +} +/* End Drama */ +/* right aligned page number in table of contents */ +span.tocPageNum, span.flushright +{ +position: absolute; +right: 16%; +top: auto; +} +table.tocList +{ +width: 100%; +margin-left: auto; +margin-right: auto; +border-width: 0; +border-collapse: collapse; +} +td.tocPageNum, td.tocDivNum +{ +text-align: right; +width: 10%; +border-width: 0; +} +td.tocDivNum +{ +padding-left: 0; +padding-right: 0.5em; +} +td.tocPageNum +{ +padding-left: 0.5em; +padding-right: 0; +} +td.tocDivTitle +{ +width: auto; +} +span.corr, span.gap +{ +border-bottom:1px dotted red; +} +span.abbr +{ +border-bottom:1px dotted gray; +} +span.measure +{ +border-bottom:1px dotted green; +} +/* Font Styles and Colors */ +.ex +{ +letter-spacing: 0.2em; +} +.sc +{ +font-variant: small-caps; +} +.uc +{ +text-transform: uppercase; +} +.tt +{ +font-family: monospace; +} +.underline +{ +text-decoration: underline; +} +/* overline is actually a bit too high; overtilde is approximated with overline */ +.overline, .overtilde +{ +text-decoration: overline; +} +.rm +{ +font-style: normal; +} +.red +{ +color: red; +} +/* End Font Styles and Colors */ +hr +{ +clear:both; +height:1px; +margin-left:auto; +margin-right:auto; +margin-top:1em; +text-align:center; +width:45%; +} +.aligncenter, div.figure +{ +text-align:center; +} +h1, h2 +{ +font-size:1.44em; +line-height:1.5em; +} +h1.label, h2.label +{ +font-size:1.2em; +line-height:1.2em; +margin-bottom:0; +} +h5, h6 +{ +font-size:1em; +font-style:italic; +line-height:1em; +} +p +{ +text-indent:0; +} +p.firstlinecaps:first-line +{ +text-transform: uppercase; +} +p.dropcap:first-letter +{ +float: left; +clear: left; +margin: 0em 0.05em 0 0; +padding: 0px; +line-height: 0.8em; +font-size: 420%; +vertical-align:super; +} +.lg +{ +padding: .5em 0% .5em 0%; +} +p.quote,div.blockquote, div.argument +{ +font-size:0.9em; +line-height:1.2em; +margin:1.58em 5%; +} +.pagenum a, a.noteref:hover, a.hidden:hover, a.hidden +{ +text-decoration:none; +} +ul { list-style-type: none; } +.castlist, .castitem { list-style-type: none; } +/* External Links */ +.pglink, .catlink, .exlink, .wplink, .biblink, .seclink +{ +background-repeat: no-repeat; +background-position: right center; +} +.pglink +{ +background-image: url(images/book.png); +padding-right: 18px; +} +.catlink +{ +background-image: url(images/card.png); +padding-right: 17px; +} +.exlink, .wplink, .biblink, .seclink +{ +background-image: url(images/external.png); +padding-right: 13px; +} +.pglink:hover +{ +background-color: #DCFFDC; +} +.catlink:hover +{ +background-color: #FFFFDC; +} +.exlink:hover, .wplink:hover, .biblink:hover +{ +background-color: #FFDCDC; +} +body +{ +background: #FFFFFF; +font-family: "Times New Roman", Times, serif; +} +body, a.hidden +{ +color: black; +} +h1, .h1 +{ +padding-bottom: 5em; +} +h1, h2, .h1, .h2 +{ +text-align: center; +font-variant: small-caps; +font-weight: normal; +} +p.byline +{ +text-align: center; +font-style: italic; +margin-bottom: 2em; +} +.figureHead, .noteref, .pseudonoteref, .marginnote, p.legend, .versenum +{ +color: #660000; +} +.rightnote, .pagenum, .linenum, .pagenum a +{ +color: #AAAAAA; +} +a.hidden:hover, a.noteref:hover +{ +color: red; +} +h1, h2, h3, h4, h5, h6 +{ +font-weight: normal; +} +table +{ +margin-left: auto; +margin-right: auto; +} +.tablecaption +{ +text-align: center; +} +.pagenum, .linenum +{ +speak: none; +} +</style> + +<style type="text/css"> +.xd21e120width +{ +width:489px; +} +.xd21e126 +{ +text-align:center; +} +.xd21e135width +{ +width:434px; +} +.xd21e1005width +{ +width:485px; +} +.xd21e2918width +{ +width:487px; +} +.xd21e6253width +{ +width:489px; +} +.xd21e6785width +{ +width:491px; +} +</style> +</head> +<body> + + +<pre> + +The Project Gutenberg EBook of Stuurman Flink, by Kapitein Marryat + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org/license + + +Title: Stuurman Flink + De schipbreuk van + +Author: Kapitein Marryat + +Illustrator: Johan Braakensiek + +Translator: J.J.A. Goeverneur + +Release Date: January 26, 2014 [EBook #44758] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ASCII + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK STUURMAN FLINK *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project +Gutenberg. + + + + + + +</pre> + +<div class="front"> +<div class="div1 cover"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divBody"> +<p class="first"></p> +<div class="figure xd21e120width"><img src="images/frontcover.jpg" alt= +"Oorspronkelijke voorkant." width="489" height="720"></div> +</div> +</div> +<div class="div1 frenchtitle"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divBody"> +<p class="first xd21e126">STUURMAN FLINK<br> +OF<br> +DE SCHIPBREUK VAN „DE VREDE”</p> +</div> +</div> +<div class="div1 titlepage"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divBody"> +<p class="first"></p> +<div class="figure xd21e135width"><img src="images/titlepage.png" alt= +"Oorspronkelijke titelpagina." width="434" height="720"></div> +</div> +</div> +<div class="titlePage"> +<div class="docTitle"> +<div class="mainTitle">STUURMAN FLINK</div> +<div class="subTitle">OF</div> +<div class="subTitle">DE SCHIPBREUK VAN „DE VREDE”</div> +</div> +<div class="byline">NAAR HET ENGELSCH<br> +VAN<br> +<span class="docAuthor">KAPITEIN MARRYAT</span><br> +DOOR<br> +<span class="docAuthor">J. J. A. GOEVERNEUR</span><br> +Geïllustreerd door <span class="docAuthor">JOHAN +BRAAKENSIEK</span></div> +<div class="docImprint">NEGENDE DRUK<br> +AMSTERDAM—VAN HOLKEMA & WARENDORF</div> +</div> +<div class="div1 imprint"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divBody"> +<p class="first xd21e126">Typ. <span class="sc">De Erven H. van Munster +& Zoon</span>, Amsterdam. <span class="pagenum">[<a id="pb5" href= +"#pb5" name="pb5">5</a>]</span></p> +</div> +</div> +</div> +<div class="body"> +<div id="ch1" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">EERSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">HET SCHIP DE VREDE. STUURMAN FLINK.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Het was in de maand October, 18**, dat De Vrede, een +groot koopvaardijschip, door harden wind gedreven, de wateren kliefde +van den wijden Atlantischen Oceaan. Het schip had slechts weinig zeil +bij, want de wind was zoo sterk, dat het doek door de woedende stooten +en rukken in flarden zou zijn gereten, en pijlsnel schoot het vaartuig +over de hooggaande golven, die het schuimend volgden en het beurtelings +ten hemel opbeurden of diep in de holle zee bedolven, zoodat men had +kunnen denken, dat het daaruit nooit weer zou te voorschijn komen. +Evenwel was het schip hecht en stevig en de kapitein een goed zeeman, +die alles deed, wat hij tot behoud van zijn bodem dienstig achtte.</p> +<p>De kapitein stond bij het stuurrad en hield een wakend oog op de +mannen aan het roer, want hierop vooral moet men acht geven, als het +schip recht vóór een harden wind zeilt. Terwijl hij hier +zoo in het rond en van tijd tot tijd ook naar de lucht zag, neuriede +hij een oud zeemansliedje, dat begint:</p> +<div class="lgouter"> +<p class="line"><span class="corr" id="xd21e192" title= +"Niet in bron">„</span>’t Is alles water, wat men ziet,</p> +<p class="line">En donkre, zwarte lucht!”</p> +</div> +<p class="first">En zoo was het ook waarlijk. Zij dobberden midden op +den oceaan, geen ander vaartuig was te zien, de hemel was overdekt met +donkere wolken, welke de storm woedend voor zich uit joeg, de golven +stapelden zich tot bergen op en deden het schuim omhoogspatten, terwijl +de wind akelig door het want floot en huilde.</p> +<p>Buiten den scheepskapitein en de beide mannen aan het roer, waren er +<span class="pagenum">[<a id="pb6" href="#pb6" name= +"pb6">6</a>]</span>nog twee andere personen op het dek: de eerste een +knaap van omstreeks twaalf jaren, de ander een oud, verweerd zeeman, +wiens grijze haren in den wind fladderden, toen hij naar het achterdek +van het schip ging en overboord keek.</p> +<p>Op eens zag de knaap, hoe een geweldig zware golf tegen den spiegel +van het schip kwam aanrollen. Angstig greep hij den oude bij den arm +vast en riep: „Kijk, zal die groote golf niet over ons heele +schip heen slaan, Flink?”</p> +<p>„Neen, Willem, wees maar gerust. Merkt ge niet, hoe ze ons +schip in de hoogte tilt? En kijk, nu is ze al onder ons door gegaan en +zijn wij gelukkig over haar heen. Maar ’t kon licht gebeuren, dat +een tweede golf nog hooger klom, en dan zou het slecht met u afloopen, +als ik mijzelf en u meteen hier niet stevig vasthield. De zee zou u +zeker overboord spoelen.”</p> +<p>„Ik houd niet van de zee, Flink; ik wou wel, dat we weer op +het vasteland waren,” antwoordde de knaap. „Zie de golven +daar recht vooruit;—is ’t niet, alsof ze van het schip geen +stuk heel wilden laten?”</p> +<p>„Ja, ja, ze zijn vrij wild, en daarbij loeien ze zoo, alsof ze +boos waren dat zij het schip niet in de diepte begraven kunnen. Maar +daaraan ben ik gewoon, Willem, en op een goed schip, met een braven +kapitein en wakker volk, ben ik niet bang voor zulk een +storm.”</p> +<p>„Maar vaak gaan er toch schepen ten gronde, en dan verdrinken +allen, die er op zijn, niet waar?”</p> +<p>„Ja, Willem, en soms vergaat wel eens een schip, terwijl het +volk aan boord daar het minst op bedacht is.”</p> +<p>„Wat zijn dat toch voor kleine vogels, die zoo laag over het +water vliegen?”</p> +<p>„Ei, dat zijn moeder Carey’s<a class="noteref" id= +"xd21e220src" href="#xd21e220" name="xd21e220src">1</a> kuikens, zooals +wij zeelui ze noemen. Ze vertoonen zich alleen bij storm, of als er +boos weer ophanden is.”</p> +<p>„Zeg, Flink, hebt gij wel eens op een woest eiland schipbreuk +geleden, zooals Robinson Crusoë?”</p> +<p>„Ja, jongenlief, ik heb wel al schipbreuk geleden, maar van +Robinson Crusoë heb ik mijn leven niet gehoord. Er zijn zoovelen, +die hun schip verloren en zwaren nood hadden door te staan, terwijl nog +ruim zoovelen daarbij omkwamen en dus van hunne ontmoetingen niet meer +vertellen konden, dat het niet heel denkelijk is dat ik uit al die +menigte den man, dien gij daar noemt, zou gekend hebben.” +<span class="pagenum">[<a id="pb7" href="#pb7" name= +"pb7">7</a>]</span></p> +<p>„O, dat staat alles in een boek, dat ik gelezen heb. Ik kon +het u wel alles van stukje tot beetje vertellen—en wil dat ook +doen, zoodra de zee weer bedaard is; maar wees nu zoo goed en breng mij +weer naar beneden, want ik heb moeder beloofd niet al te lang hier +boven te blijven.”</p> +<p>„En wat ge beloofd hebt, moet ge als een flinke jongen altijd +houden,” zei de oude man. „Kom, geef mij de hand maar, en +ik zal wel zorgen, dat ge zonder vallen of stooten door het luik komt. +Als het beter weer is, zult ge van mijne schipbreuk hooren en dan moet +gij mij ook eens zeggen, wat ge van dien Robinson Crusoë +weet.”</p> +<p>Met deze woorden bracht de oude zeeman den kleinen Willem tot aan de +deur der kajuit en keerde toen op het dek terug, waar hij de wacht +had.</p> +<p>Stuurman Flink had nu al ruim vijftig jaren op zee rondgezworven; +hij was nog pas tien jaren oud, toen hij op een kolenschip als +koksjongen zijn eerste reis deed. Door zijn voortdurend verblijf in de +open lucht was zijn gezicht donkerbruin gekleurd en diepe rimpels lagen +in zijne wangen, hoewel hij nog altijd een flink en sterk man was +gebleven. Hij had jaren achtereen aan boord van een oorlogschip gediend +en daarop alle werelddeelen bezocht; hij wist dan ook vele vreemde +geschiedenissen te vertellen. Maar al klonken die ook nog zoo vreemd, +men mocht hem vrij gelooven, daar nooit een onwaar woord over zijn +lippen kwam.</p> +<p>Hij verstond de stuurmanskunst vrij goed, kon dus lezen en schrijven +en was een verstandig en braaf man. De naam Flink paste zeer goed voor +hem, want altijd was hij flink en vlug bij de hand en in oogenblikken +van nood en gevaar zoo welberaden, dat de kapitein hem niet zelden om +raad vroeg en zich daar gewoonlijk wel bij bevond. Op deze reis +bekleedde hij den rang van tweeden stuurman.</p> +<p>Zooals wij reeds weten, was De Vrede een fraai schip van meer dan +vier honderd tonnen en zoo hecht en sterk gebouwd, dat men het zeer +goed tegen een hevigen storm bestand kon achten. De tegenwoordige +bestemming van het vaartuig was Nieuw-Zuid-Wales,<a class="noteref" id= +"xd21e241src" href="#xd21e241" name="xd21e241src">2</a> waarheen het +eene kostbare lading Engelsche goederen had over te brengen. De +kapitein was een bekwaam zeeman en bovendien een braaf mensch van een +altijd vroolijk en opgeruimd humeur, die de dingen steeds in hun beste +licht beschouwde en ook, als ’t geluk hem soms eens tegenliep, +eer geneigd was daarmee te lachen, dan dadelijk een zuur gezicht te +trekken. Zijn naam was Osborn. De eerste stuurman <span class= +"pagenum">[<a id="pb8" href="#pb8" name="pb8">8</a>]</span>heette +Mackintosh en was een Schot. Ofschoon barsch en ruw van aard, nam hij +toch zijn dienst aan boord voorbeeldig waar en was een man, op wien +kapitein Osborn zich verlaten kon, hoewel deze anders niet van hem +hield. Met Flink hebben wij reeds kennis gemaakt en van de matrozen aan +boord behoeven wij niet meer te zeggen, dan dat zij in het geheel +dertien in getal waren. Dit was zekerlijk eene nauwelijks toereikende +bemanning voor zulk een groot schip en oorspronkelijk waren er ook meer +geweest; doch op den dag vóór het onder zeil gaan, hadden +vijf mannen, uit ontevredenheid over de behandeling, die Mackintosh, de +eerste stuurman, hun aandeed, het schip eensklaps weer verlaten, +waardoor de kapitein gedwongen was geweest in zee te steken, zonder +anderen in hunne plaats te hebben aangeworven. Gelijk in het vervolg +blijken zal, was dit voor het schip eene zeer noodlottige +omstandigheid.</p> +</div> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd21e220" href="#xd21e220src" name="xd21e220">1</a></span> Moeder +Carey is in de taal der Engelsche matrozen de zee zelve, die hen van +der jeugd af op haren schoot draagt en hun kost en onderhoud +verschaft.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd21e241" href="#xd21e241src" name="xd21e241">2</a></span> Eene +bezitting der Engelschen in Z. O. gedeelte van Nieuw Holland, waar zij +hunne misdadigers heen zonden. De hoofdplaats heet Sidney.</p> +</div> +</div> +<div id="ch2" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">TWEEDE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">DE FAMILIE WILSON.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">De jonge Willem was de oudste zoon eener <span class= +"corr" id="xd21e253" title="Bron: famlie">familie</span>, die uit +vader, moeder en vier kinderen bestond en zich thans in haar geheel aan +boord van De Vrede bevond. De vader, mijnheer Wilson, was een +verstandig, welonderricht man, die jaren lang een post bij het bestuur +te Sidney, de hoofdplaats van Nieuw-Zuid-Wales, bekleed had en nu, na +een driejarig verlof, uit Engeland derwaarts terugkeerde. Hij had van +de regeering een duizend of wat morgen land aangekocht; dit was sedert +aanmerkelijk in waarde gerezen en de schapen en veeteelt, waarop hij +zich toelegde, hadden hem reeds groote winsten opgeleverd. Gedurende +zijne afwezigheid in Engeland had zijn rentmeester zijne belangen met +veel zorg behartigd, en zelf bracht hij nu eene menigte voorwerpen van +allerlei aard mede, zoo tot verbetering zijner landerijen als tot eigen +gebruik, b. v. huismeubelen, gereedschappen voor den landbouw, +verschillende zaden en gewassen, rundvee en nog meer, te veel om op te +noemen.</p> +<p>Mevrouw Wilson was een lieve, zachte vrouw, die echter veel sukkelde +en allesbehalve sterk was. Op den oudsten zoon, Willem, een sterken, +vluggen knaap, vol geest en leven, volgde Thomas, een door en door +goede jongen van bij de acht jaar oud, maar zoo dom en onhandig, dat er +geen <span class="pagenum">[<a id="pb9" href="#pb9" name= +"pb9">9</a>]</span>voorbeeld van was en men hem geen ommezien alleen +kon laten. Caroline, een meisje van zeven jaren, was het derde en de +pas éénjarige Albert het jongste kind. Tot oppassing van +dezen laatste vooral diende een jonge negerin van de Kaap de Goede +Hoop, die naar Sidney overgekomen en mevrouw Wilson naar Engeland +gevolgd was. Wij hebben nu al de personen aan boord van De Vrede +opgenoemd; maar bijna hadden wij onder de levende schepselen twee +herdershonden van mijnheer Wilson vergeten en een kleinen dashond, die +de bijzondere lieveling van zijn meester, kapitein Osborn was.</p> +<p>Eerst op den vierden dag na de losbarsting, begon de storm te +bedaren en nam allengs af, totdat hij eindelijk in bijna geheele +windstilte overging. De matrozen, die al dien tijd dag en nacht op het +dek gewaakt hadden, hingen hunne van regen en zeewater doorweekte +kleeren in het want te drogen en konden nu zelven rust nemen en hunne +krachten herstellen. Een zachte wind blies in de zeilen, de zee was +weer effen en het schip legde in zijne rassche vaart bij de vijf mijlen +in het uur af. Mevrouw Wilson had een mantel omgeslagen en zat op eene +bank op het achterdek. Haar man en hare kinderen waren bij haar en +verheugden zich in het kostelijke weer, toen ook kapitein Osborn die +met zijn sextant den stand der zon had waargenomen, met een lachend +gezicht op hen toekwam en riep:</p> +<p>„Wel Thomas, jongen, ge zult zeker wel hartelijk blij zijn, +dat de storm over is?”</p> +<p>„O, ik ben niet bang geweest,” antwoordde Thomas. +„Ik was maar boos, dat ik altijd mijne soep stortte. Maar Juno is +eens van haar stoel gerold en lag met broertje op den grond te +spartelen, totdat eindelijk papa kwam en haar weer ophielp.”</p> +<p>„Goddank, dat mijn kleine Albert zich niet doodelijk bezeerd +heeft!” zeide de moeder, met een blik vol liefde op haar +kind.</p> +<p>„En dat zou hij zich zeker gedaan hebben, had Juno niet zoo +geheel alleen aan het kind en geen oogenblik aan zichzelve +gedacht,” zeide de vader.</p> +<p>„Ja, dat is waar,” hernam kapitein Osborn. „Zij +redde het kind, maar zal haar eigen hoofd wel terdeeg gevoeld +hebben.”</p> +<p>„Ikke een harden bons kreeg op mijn kop,<span class="corr" id= +"xd21e274" title="Niet in bron">”</span> verzekerde Juno en +grijnsde, dat hare witte tanden tot aan de ooren zichtbaar werden.</p> +<p>„Gelukkig, dat ge er zulk een dik wollig overtreksel over +hebt,” zei de kapitein lachend. <span class="corr" id="xd21e280" +title="Niet in bron">„</span>Maar word niet boos, Juno; waarlijk, +ge zijt een goed meisje, en wij allen houden veel van u.” +<span class="pagenum">[<a id="pb10" href="#pb10" name= +"pb10">10</a>]</span></p> +<p>„Het is twaalf uren naar de zon, mijnheer,” kwam +Mackintosh, de eerste stuurman, den kapitein berichten.</p> +<p>„Maak mij dan de breedte op, stuurman, en ik zal terstond de +lengte berekenen. Over vijf minuten, mijnheer Wilson, zal ik u op de +kaart aanwijzen, waar wij ons thans op zee bevinden.”</p> +<p><span class="corr" id="xd21e289" title= +"Niet in bron">„</span>Ha, daar komen ook onze honden eens boven +kijken<span class="corr" id="xd21e292" title="Bron: .">,</span>” +riep Willem op eens uit. „Ik wed, dat ze met dat mooie weer even +blij zijn als wij. Hier, Romulus! Remus hier!”</p> +<p><span class="corr" id="xd21e296" title= +"Niet in bron">„</span>Ei, mijnheer,” zei Flink, die dicht +bij hen stond, „ik heb u al lang eens een vraag willen doen. Uwe +<span class="corr" id="xd21e299" title="Bron: handen">honden</span> +daar hebben een paar zulke wonderlijke namen, die ik in mijn leven nog +niet gehoord heb. Romulus en Remus—wie waren dat?”</p> +<p>„Zoo heetten twee broeders in den overouden tijd,” +antwoordde de heer Wilson. „Zij waren als schaapherders +opgewassen en bouwden de stad Rome, die naderhand zoo beroemd en zoo +machtig werd en waarover Romulus als eerste koning regeerde.”</p> +<p>„En verbeeld u eens, Flink; toen ze nog klein waren, werden +zij door eene wolvin gezoogd,” vervolgde Willem. „Wat zegt +ge van zoo iets, man?”</p> +<p>„Door eene wolvin? Dat was zeker eene vreemde soort van minne +voor een paar jonge prinsen,” antwoordde Flink.</p> +<p>„En Romulus sloeg zijn broeder dood.”</p> +<p>„Geen wonder, als men rekent wat zoogster ze hadden,” +merkte Flink aan. „Maar waarom deed hij dat?”</p> +<p>„Omdat Remus zoo goed springen kon,” zeide Willem +lachend.</p> +<p>„De jongeheer wil mij zeker wat wijsmaken?” riep Flink +en zag den vader vragend aan.</p> +<p>„Dat juist niet. De geschiedenis vertelt, dat Remus zijn +broeder om den lagen stadsmuur, die deze gebouwd had, bespotte en, om +hem te tergen, daar losweg overheen sprong. Dit moet Romulus zoo euvel +hebben opgenomen, dat hij hem in drift doodsloeg. Evenwel, op zulke +oude verhalen kan men niet altijd zoo vast staat maken.”</p> +<p>„En ik wil ook niet hopen, dat beiden werkelijk broeders +geweest zijn,” hernam Flink; „hoewel—’t oude +spreekwoord heeft het zoo mis niet:</p> +<div class="lgouter"> +<p class="line"><span class="corr" id="xd21e323" title= +"Niet in bron">„</span>Twee meesters onder ’t zelfde +dak</p> +<p class="line">Geeft altijd moeite en ongemak.</p> +</div> +<p class="first">„Men hoort tegenwoordig nog wel eens van Rome +spreken; is dat misschien nog diezelfde stad?” <span class= +"pagenum">[<a id="pb11" href="#pb11" name="pb11">11</a>]</span></p> +<p>„Ja,” antwoordde Willem; „het zijn de puinhoopen +van die oude<span class="corr" id="xd21e333" title= +"Bron: ,">.</span>”</p> +<p>„Een mensch is toch nooit uitgeleerd,” zeide Flink. +„Vandaag heb ik weer vrij wat nieuws gehoord, en dat kan men +altijd en overal, als men zijn mond maar tot vragen weet te gebruiken. +Ik ben een oud man en weet weinig buiten ’t geen tot mijn beroep +behoort; maar toch zou ik veel minder weten, als ik geen onderzoek naar +de dingen had gedaan, zonder mij te schamen om voor mijne onwetendheid +uit te komen. Dat is het eenige middel om iets goeds te leeren, +jongeheer.”</p> +<p>„Gij geeft daar mijn zoon kostelijken raad, Flink;—en +pas op, mijn kind, dat gij dien nooit vergeet,” sprak de vader. +„Gij behoeft u nooit te schamen, naar iets te vragen, dat gij +niet weet of begrijpt.”</p> +<p>„Dat doe ik ook altijd, vader. Heb ik u niet al naar heel veel +dingen gevraagd, Flink?”</p> +<p>„Ja, ja, dat hebt gij; en gij vraagt doorgaans vrij verstandig +voor een knaap van uwe jaren. Ik wou maar, dat ik uwe vragen beter +beantwoorden kon, dan ik daar soms toe in staat ben, lieve +jongen.”</p> +<p>„Nu zou ik toch liefst weer naar beneden willen, lieve,” +zeide mevrouw Wilson eindelijk. „Flink zal wel zoo goed zijn den +kleine voor mij te dragen.”</p> +<p>„Van harte gaarne, mevrouw,” antwoordde Flink. +„Komaan dan, Juno, geef mij het kind en ga gij +vooruit.—<span class="corr" id="xd21e349" title= +"Bron: Ruggelinks">Ruggelings</span>, domme meid! Hoe dikwijls moet ik +u dat nog zeggen? ’k Voorzie, dat gij nog eens hals over kop de +trap aftuimelt.”</p> +<p>„En breken mijn nek,” zei Juno.</p> +<p>„Ja, of een arm of een been! En wie zal dan het kind +dragen?<span class="corr" id="xd21e356" title= +"Niet in bron">”</span></p> +<p>Zoodra allen weder in de kajuit waren, namen de kapitein en mijnheer +Wilson de kaart voor zich en zochten daarop de plaats, waar het schip +zich thans bevond. Zij zagen, dat zij nog dertig mijlen van de Kaap de +Goede Hoop verwijderd waren.</p> +<p>„Als de wind aanhoudt, kunnen wij daar morgen zijn,” +zeide mijnheer Wilson tot zijne vrouw. „Misschien kan onze Juno +daar haar vader en moeder wedervinden.”</p> +<p>De arme Juno schudde het hoofd, en de tranen rolden over hare +donkere wangen, terwijl zij vertelde, dat hare ouders een Hollandschen +veeboer toebehoorden, die met hen diep landwaarts in getrokken was. Zij +was nog maar een klein kind geweest, toen men haar van hare ouders +afnam, en had alleen in de Kaapstad moeten achterblijven.</p> +<p>„Maar nu zijt gij vrij, Juno,” zeide mevrouw Wilson. +„Gij zijt in Engeland <span class="pagenum">[<a id="pb12" href= +"#pb12" name="pb12">12</a>]</span>geweest, en allen, die dat land eens +betreden hebben, zijn van dat oogenblik af vrije menschen.”</p> +<p>„Ja, mevrouw, Juno vrij zijn, maar Juno toch geen vader hebben +en geen moeder,” antwoordde het arme meisje en weende bitter. De +kleine Albert sloeg nu echter de armpjes om haar hals, en weldra lachte +zij weer en speelde vroolijk met het lieve kind.</p> +</div> +</div> +<div id="ch3" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">DERDE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">KAAP DE GOEDE HOOP.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Den volgenden morgen zag men de Kaap voor zich en liet +in de Tafelbaai het anker vallen.</p> +<p>„Waarom noemt men dit hier de Tafelbaai, Flink?” vroeg +Willem.</p> +<p>„Denkelijk is dat, omdat die groote berg daar de Tafelberg +heet, jongeheer, gij ziet, hoe zijn top heel vlak is.”</p> +<p>„Ja waarlijk, hij is zoo vlak als eene tafel.”</p> +<p>„Maar nu en dan ziet men witte wolken zich op eene zonderlinge +wijze rondom de toppen samenpakken en dan zeggen de zeelieden, dat de +tafel gedekt wordt, of ook wel, dat de berg zijn pruik opzet. Men ziet +dat niet graag, omdat er doorgaans ruw en stormachtig weer op +volgt.”</p> +<p>„Dan hoop ik dat die tafel, zoolang wij hier zijn, maar +ongedekt mag blijven. Wij hebben al storm en onweer genoeg gehad, en +moeder is er nog zwak en ziek van. Wat is dat eene mooie stad, +Flink!”</p> +<p>„Wij zullen hier twee dagen voor anker blijven, +mijnheer,” kwam kapitein Osborn den heer Wilson berichten, +„en zoo gij en mevrouw aan wal wenscht te gaan, is daar +gelegenheid toe.”</p> +<p>„Ik zal bij mijne vrouw gaan en het haar vragen,<span class= +"corr" id="xd21e392" title="Niet in bron">”</span> zeide Willems +vader en ging met dezen in de kajuit.</p> +<p>Mevrouw Wilson was zeer blijde, dat het schip nu althans eenigen +tijd stil zou liggen, maar voelde zich te zwak om aan land te gaan. Er +werd dus besloten, dat zij met de beide jongste kinderen aan boord zou +blijven, terwijl haar man de beide oudsten, Willem en Thomas, den +volgenden dag naar de Kaapstad medenam, van waar hij beloofde nog +vóór den avond terug te zullen zijn.</p> +<p>Den volgenden morgen liet kapitein Osborn een groote sloep uitzetten +<span class="pagenum">[<a id="pb13" href="#pb13" name= +"pb13">13</a>]</span>en zich daarin met mijnheer Wilson, Willem en +Thomas naar den wal roeien. Thomas had aan zijne moeder beloofd, dat +hij heel zoet en gehoorzaam zou wezen; maar dat deed hij altijd en had +het altijd ook weer vergeten, zoodra hij haar maar uit het gezicht was. +Van de landingsplaats gingen zij naar een vriend van den kapitein, die +in de stad woonde. Hier bleven zij een half uur, om een glas limonade +te drinken, want het was zeer warm, en toen besloot men naar den tuin +van de Compagnie te gaan, om de wilde dieren te zien, die daar bewaard +werden. Willem was met dit plan zeer ingenomen en zijn broertje klapte +in de handen van blijdschap.</p> +<p>„Vader, waarom heet die tuin de tuin van de Compagnie?” +vroeg Willem.</p> +<p>„Omdat hij door de Hollandsch-Oostindische Compagnie is +aangelegd, in den tijd, toen de Kaap nog aan de Hollanders toebehoorde. +Het is eigenlijk een plantentuin, waar men evenwel ook wilde dieren +bewaart. Vroeger had men er hier een groote menigte, doch tegenwoordig +zijn de reizigers er minder nieuwsgierig naar, daar men ze ook in +Europa genoeg te zien kan krijgen.”</p> +<p>„En wat zullen we dan al zien?” vroeg Thomas.</p> +<p>„Gij zult leeuwen zien, mijn jongen, ik weet niet hoeveel wel, +allemaal in één hok bijeen,” antwoordde kapitein +Osborn.</p> +<p>„O, dat is goed! Ik heb nog nooit een leeuw gezien.”</p> +<p>„Maar pas op, kind, dat gij niet te dicht bij het hok +komt.”</p> +<p>„Neen, zeker niet,” beloofde Thomas.</p> +<p>Zoodra zij binnen het tuinhek waren wilde Thomas ontloopen, uit +ongeduld om de leeuwen toch vooral spoedig te zien, maar kapitein +Osborn haalde hem gelukkig weder in en hield hem nu stevig bij de hand +vast.</p> +<p>„Hier zijn een paar zonderlinge vogels,” zeide de heer, +die bij hen was. <span class="corr" id="xd21e420" title= +"Niet in bron">„</span>Men noemt ze secretarisvogels, om de +veeren, die hun daar achter aan den kop uitsteken, evenals de veer van +de pen, die een klerk of schrijver soms wel achter het oor draagt. Het +zijn echter zeer nuttige dieren, daar zij de slangen dooden en, als zij +konden, alleen van slangen en adders leven zouden. Zij pakken die +beesten met hunne klauwen aan en drukken ze met zooveel geweld, dat zij +in een oogenblik dood zijn.”</p> +<p>„Vindt men veel slangen in dit land<span class="corr" id= +"xd21e425" title="Bron: !">?</span>” vroeg Willem.</p> +<p>„Ja, en zeer vergiftige slangen,” antwoordde zijn vader, +„waarom deze vogels hier dan ook van groot nut zijn. Gij kunt +daaruit zien<span class="corr" id="xd21e431" title= +"Niet in bron">,</span> Willem, hoe geen dier, vooral geen van de +schadelijke soorten, zich al te sterk vermenigvuldigen kan, maar op +zijne beurt weer de prooi van andere roofdieren wordt. En zoo is het +overal; in elk land, waar eenig dier in groote menigte <span class= +"pagenum">[<a id="pb14" href="#pb14" name= +"pb14">14</a>]</span>voorhanden is, vindt gij ook zeker een tweede, +’t welk dat eerste vervolgt en tot buit maakt. De secretaris +bewoont dit land, waar slangen in menigte zijn, om deze te dooden; in +Europa daarentegen, waar minder vergiftige slangen zijn, zou deze vogel +ook weinig nut doen.”</p> +<p>„Maar, vader, sommige dieren, zooals de leeuw en de olifant +zijn zoo groot en sterk, dat andere ze bijna niet vernielen +kunnen.”</p> +<p>„Dat is waar, maar die grootere dieren vermenigvuldigen zich +niet zoo sterk als andere en daarom neemt hun aantal ook veel minder +schielijk toe. Een paar olifanten b. v. krijgt in den tijd van twee of +meer jaren maar één enkel jong, terwijl de konijntjes, +die de buit van zooveel andere dieren en vogels zijn, tot in het +oneindige vermeerderen zouden, indien hunne toeneming niet op die wijze +werd te keer gegaan. Ik heb ergens gelezen, dat een paar konijnen met +hun gebroed, dat zich even snel weer vermeerdert, in een enkel jaar tot +vele honderden kan aangroeien.”</p> +<p>Onder zulke gesprekken had men het verblijf der leeuwen weldra +bereikt. Het was een ruim, rond plein, dat, van boven open en rondom +tusschen hooge muren besloten, slechts eene enkele opening voor de +toeschouwers had. Deze opening was breed en van boven tot onder met +hechte ijzeren staven bezet, die echter zoo ver van elkaar afstonden, +dat de leeuwen er met hunne klauwen wel tusschendoor konden tasten, +waarom de kinderen dan ook gewaarschuwd werden, er vooral niet te dicht +bij te komen. Het was kostelijk om te zien, hoe acht of tien van die +edele dieren daar in allerlei houding in het rond lagen, zich +koesterden in de heete zon en met hunne breede, borstelige staarten den +grond zweepten, zonder zich, naar ’t scheen, aan de menschen daar +buiten in het minst te storen. Willem bleef op een behoorlijken afstand +van de tralies staan en keek aandachtig toe. Ook de kleine Thomas zette +groote oogen op en was in den beginne niet weinig bang; maar dat ging +over en hij werd spoedig stouter. De heer, die bij hen was en langen +tijd aan de Kaap gewoond had, verhaalde eenige zeer onderhoudende +anecdoten aangaande den leeuw, waarnaar het gansche gezelschap zoo +aandachtig luisterde, dat niemand merkte, hoe Thomas opnieuw ontsnapt +en naar den ingang van het leeuwenhok teruggeloopen was. Hij stond +eerst een tijdlang naar de dieren te kijken, maar wilde toen ook, dat +zij eens wat beweging maken zouden. Om hen hiertoe te dwingen, nam hij +eindelijk een steen op en wierp dien naar den jongen, nagenoeg +driejarigen leeuw, die het dichtst bij den ingang lag. Deze scheen dit +niet te bemerken, want hij verroerde zich niet, ofschoon hij het oog +niet van den onvoorzichtigen knaap afwendde. Hierdoor werd onze Thomas +gedurig stouter, wierp <span class="pagenum">[<a id="pb15" href="#pb15" +name="pb15">15</a>]</span>nog een steen en nog een en kwam daarbij +telkens dichter bij het hok.</p> +<p>Op eens hief de leeuw nu een vreeselijk gebrul aan en sprong op +Thomas los, terwijl hij met zulk een woede tegen de ijzeren staven van +zijn hok opvloog, dat deze kletterden en dreunden en de kalk op enkele +plaatsen van de steenen viel. Doodelijk verschrikt, gilde de jongen het +uit en tuimelde achterover in het gras, ’t geen zijn behoud was, +want ware hij voorovergevallen, dan zou het dier hem zekerlijk met +zijne klauwen hebben aangepakt. Zijn vader en kapitein Osborn schoten +dadelijk toe en hielpen hem op. Zoodra hij weder adem kon halen, begon +hij te huilen van angst, terwijl de leeuw voor de tralies stond en +brullend en loeiend met den staart in het rond sloeg.</p> +<p>„Breng mij weg,—breng mij weer op het schip!” +kreet Thomas en trilde als een blad.</p> +<p>„Wat hebt gij gedaan, jongen?” vroeg kapitein +Osborn.</p> +<p>„Ik zal u nooit weer met steenen gooien, heer leeuw; neen, +neen, nooit van mijn leven meer!” riep de knaap en zag ontzet +naar het vergramde dier om.</p> +<p>De heer Wilson bracht hem zijne onvoorzichtigheid ernstig onder het +oog, en van lieverlede kwam hij nu tot bedaren, maar was toch niet +gerust, voordat men van de leeuwen niets meer hooren of zien kon.</p> +<p>Zij bezochten thans ook nog de overige dieren, die hier te zien +waren, en van nu af aan hield Thomas zich van alle op een eerbiedigen +afstand. Zelfs waagde hij het niet bij een schaap te komen, dat op de +Kaap thuis behoort en een dikken vetstaart van verscheiden ponden +zwaarte heeft.</p> +<p>Na alles bekeken te hebben, gingen zij weder naar het huis van den +vreemden heer, die hun te eten had verzocht, en na den maaltijd keerden +allen naar het schip terug. Toen Thomas’ moeder van het avontuur +hoorde, dat hij met den leeuw had gehad, verzekerde zij, dat zij zulk +een ongehoorzaam kind nooit weer uit haar gezicht zou laten gaan.</p> +</div> +</div> +<div id="ch4" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">VIERDE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">EEN STORM OP ZEE.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Den volgenden morgen werden levensmiddelen en versch +water aan boord genomen en zette De Vrede opnieuw hare zeilen in top, +terwijl men alle hoop op eene voorspoedige reis begon op te vatten, +daar het schip dagen achtereen met goeden wind zijne vaart vervolgde. +Dit was nochtans <span class="pagenum">[<a id="pb16" href="#pb16" name= +"pb16">16</a>]</span>niet van duur. Er volgde eene windstilte die bijna +drie volle dagen aanhield, en gedurende dezen tijd was ook zelfs geen +schijn van wind op de breede watervlakte te bespeuren. De geheele +natuur scheen in diepe rust verzonken, en geen ander levend wezen +vertoonde zich, dan nu en dan een enkele albatros, die met half +geopende vlerken het schip een tijdlang bijbleef en de stukjes brood +oppikte, die men overboord uitstrooide.</p> +<p>„Wat is dat voor een groote vogel, Flink?” vroeg +Willem.</p> +<p>„Dat is een albatros, Willem, de grootste zeevogel dien wij +hebben. Ik zag er eens een schieten, wiens uitgestrekte vlerken van het +eene tot het andere einde wel ruim elf voet lang waren.”</p> +<p>„Dat is de eerste, dien ik ooit gezien heb.”</p> +<p>„Omdat men ze ten noorden van de Kaap ook zelden vindt. Men +zegt, dat zij onder het vliegen slapen kunnen en zich dan met den kop +op de vlerken hoog boven in de lucht laten drijven.”</p> +<p>„Hoe komt het, vader,” vroeg Willem dezen, die naast hem +stond, „dat onder de vogels de een zwemmen kan en de ander niet? +Weet gij nog, toen Thomas eens een van onze hoenders in den grooten +vijver had gejaagd, hoe het arme beest in het water omspartelde tot +zijne vleugels nat werden en het niet langer kon boven houden, zoodat +het verdrinken moest? Hoe maakt een zeevogel het dan, om zich zoo lang +boven water te houden?”</p> +<p>„De zwemvogels, mijn jongen, zijn van eene soort van olie +voorzien, waarmede zij hunne vederen van buiten bestrijken, en deze +olie maakt dat het water daar niet indringt. Hebt gij nooit van eenden +op het land gezien, hoe zij met den snavel in hare vederen omplozen? +Zij gebruiken dan die olie, om de veeren waterdicht te +maken.”</p> +<p>„Hoe vreemd!”</p> +<p>„Ja, wel merkwaardig.—Maar, daar komt Juno zeggen, dat +de thee gezet is.”</p> +<p>Den derden dag na het invallen der stilte meende kapitein Osborn uit +het diepe dalen van zijn barometer te moeten opmaken, dat er een hevige +storm ophanden was, en verzuimde dus niet, alle toebereidselen te +maken, om dien bij zijn losbreken het hoofd te bieden. En inderdaad had +hij zich niet bedrogen. Tegen middernacht stegen plotseling donkere +wolken aan den hemel op en pakten zich allengs dichter en dreigender +opeen. Vlammende bliksemstralen doorkruisten in alle richtingen de +nachtelijke duisternis, en toen de wolkgevaarten hooger klommen, stak +ook de wind op, doch aanvankelijk slechts met enkele zware rukken, die +eerlang weder door doodelijke stilte werden gevolgd. <span class= +"pagenum">[<a id="pb17" href="#pb17" name="pb17">17</a>]</span></p> +<p>„Uit wat hoek, Flink, denkt ge, dat wij den wind te wachten +hebben<span class="corr" id="xd21e489" title="Bron: !">?</span>” +vroeg kapitein Osborn.</p> +<p>„Om u de waarheid te zeggen, kapitein, geloof ik niet, dat hij +lang in ééne richting blijven zal. Het zal eerst +misschien duchtig uit het noorden blazen, maar dan, denk ik, zal hij +wel spoedig naar eene andere streek overslaan en dan ons nog veel +harder op het lijf vallen.”</p> +<p>„Wat zegt gij, Mackintosh?”</p> +<p>„Wij zullen wind genoeg hebben en een duchtig aanhoudenden +storm bovendien,<span class="corr" id="xd21e498" title= +"Niet in bron">”</span> antwoordde deze. „Hoe eer wij de +luiken schalmen, des te beter zal het zijn.”</p> +<p>De heer Wilson had met Willem dit gesprek aangehoord, en daar Flink +op het gelaat van zijn jongen vriend bij die laatste woorden eenige +ongerustheid meende te lezen, klopte hij hem op den schouder en +vermaande hem, zich niet vóór den tijd beangst te +maken.</p> +<p>„Voor mijzelf ben ik niet bang, Flink,” verzekerde de +moedige knaap; „maar moeder is deze beide laatste dagen weer zoo +zwak geweest, dat ik om háár wel wenschen zou, dat de +storm uitbleef.”</p> +<p>„Maar, Flink,” vroeg de kapitein verder, „wat doet +u denken, dat de wind draaien zal?”</p> +<p>„Och, ik weet het zelf niet,” antwoordde de oude man; +„misschien vergis ik mij ook en kan stuurman Mackintosh gelijk +hebben. De wind komt uit het noordoosten; zooveel schijnt althans +zeker.” Met deze woorden trad hij op het nachthuisje toe en zag +opmerkzaam op het kompas. Vader en zoon keerden inmiddels naar de +kajuit terug, en ook Mackintosh ging, om de noodige orders aan het volk +te geven. Zoodra allen weg waren, vervoegde Flink zich weder bij den +kapitein en zeide:</p> +<p>„Kapitein, het past mij niet, den stuurman tegen te spreken, +maar in een geval als dit moet ieder vrij voor zijn gevoelen uitkomen. +Ik zou het mijne ook verdedigd hebben, als de vreemde heer met zijn +zoon er niet bijgestaan hadden; maar nu wil ik u wel zeggen, dat wij +nog iets ergers dan een storm te wachten hebben. Ik ben vroeger al meer +onder deze breedte geweest en ben een oud zeeman, zooals gij weet. Daar +is iets in de lucht, dat bemerkte ik voor drie dagen al. Ik ben zeker, +dat het niet tot een storm, neen, dat het tot een volslagen orkaan +komen zal,—en wat het ergste daarbij is, dat die denkelijk veel +langer zal aanhouden, dan een storm doorgaans doet. Ik heb nauwkeurig +op alles gelet en zelfs de vogels zeggen mij zoo, en die bedriegen +nooit, daar het de natuur zelve is, die hen onderricht. De stilte tot +hiertoe was niets anders dan de rust van den wind, die altijd +<span class="pagenum">[<a id="pb18" href="#pb18" name= +"pb18">18</a>]</span>zijn hevigst woeden voorafgaat.—En nu weet +gij mijne vaste overtuiging.”</p> +<p>„Ik vrees, man, dat gij maar al te zeer gelijk hebt. Zorg dan, +dat de bramraas neerkomen en laat al de kleine zeilen in de marsen +opruimen. Besla den <span class="corr" id="xd21e515" title= +"Bron: bazaan">bezaan</span> en doe den gaffel strijken. Ik wil zelf +mee naar voren gaan.”</p> +<p>Er was werkelijk geen tijd te verliezen; want aan deze bevelen was +nauwelijks voldaan, toen reeds een heftige storm uit het noordoosten +losbrak. De zee rees met ontzettende snelheid; in allerijl werd het +eene marszeil na het andere geborgen en het vaartuig vloog, enkel met +gereefde fok en stormstagzeilen, door den wind gedreven, over de +donkere golven. Slechts met de grootste inspanning gelukte het den drie +mannen aan het rad, het roer vast te houden, zoo geweldig sloeg de +hooggaande zee tegen de zijden van het schip. Niet een enkele onder de +bij andere <span class="corr" id="xd21e521" title= +"Bron: gelegenheiden">gelegenheden</span> zoo zorgelooze matrozen +waagde het gedurende dezen nacht een oog te sluiten, en in angstige +verwachtingen zagen allen het aanbreken van den dag te gemoet. Tegen +drie uren in den morgen ging de wind plotseling liggen, doch slechts +voor eenige minuten, waarop hij, gelijk Flink voorspeld had, weder met +nieuwe woede uit een anderen hoek het schip bestookte en de laatste +zeilen aan flarden scheurde, die nog eenigen tijd aan de raas +fladderden en eindelijk door den storm ver lijwaarts geslingerd +werden.</p> +<p>De hemel was in dikke duisternis gehuld en alleen het schuim, dat de +woelende zee rondom het schip deed opspatten, verspreidde nu en dan een +zwakken, akeligen lichtglans. De wind was nu naar het west-noordwesten +gedraaid en zoo moest ook het schip zijn koers veranderen en was men +gedwongen zich aan het geweld van den orkaan over te geven. Dit +geschiedde ook, doch hieruit ontstond een nieuw bezwaar, want daar de +zeeën in de vroegere windrichting uit het noordoosten liepen, +kreeg het schip die op eenmaal dwars in, gelijk de zeelieden het +noemen, en sloegen ieder oogenblik stortzeeën overboord, die +alles, wat niet vaststond, wegspoelden. Zoo werd ook een der matrozen +van het dek afgerukt en was reddeloos verloren, daar in zulk een orkaan +aan pogingen tot redding niet te denken viel. Kapitein Osborn stond op +het achterdek en hield zich aan een van de korvijnagels vast, terwijl +hij Mackintosh, die bij hem was, toeriep:</p> +<p>„Wat dunkt u, hoe lang kan dat nog duren?”</p> +<p>„Misschien langer dan het schip zelf,” antwoordde de +stuurman met allen ernst.</p> +<p>„Dat wil ik nog niet hopen,” hernam de kapitein; +„en erger kan het toch niet worden. Wat zegt gij, +Flink?”</p> +<p>„We hebben nu meer van ginder boven dan van de zee onder ons +te <span class="pagenum">[<a id="pb19" href="#pb19" name= +"pb19">19</a>]</span>vreezen,” riep de tweede stuurman en wees +naar de nokken van de raas, aan beide einden waarvan de electrische +stof als kleine vuurballen vlamde. „Zie die twee wolkjes, die op +elkaar stooten; als ik....”</p> +<p>Flink had geen tijd om uit te spreken, daar een blauwe bliksemstraal +den toeschouwers het gezicht verblindde en hen toen eenige seconden +achtereen in zwarte duisternis hulde. Daarop volgde een vreeselijke +donderslag, die het schip in zijn gansche lengte deed sidderen en +schudden. Een dof gekraak—een ontzettende slag—een doffe +kreet werd gehoord, en toen zij de verblinde oogen weer opslaan konden, +zagen zij den fokkemast als een dun riet tot beneden toe gespleten en +het schip in lichtelaaien gloed. De mannen aan het rad, geheel verblind +en verbijsterd door het licht, konden het roer niet langer regeeren; +het schip loefde op—krak! daar sloeg de groote mast over +zij—en alles was opschudding en verwarring. De Vrede was op +eenmaal een hulpeloos wrak geworden.</p> +<p>Gelukkig—want anders ware alles reddeloos verloren +geweest—werd de vlam door de zware golven, die over den bak +heenrolden, spoedig gebluscht, doch nu lag het schip weerloos, aan de +golven ten prooi, hevig te stooten tegen de overboord geslagen, slechts +door het want nog vastgehouden masten. Zoodra zij van hun eersten +schrik bekomen waren, liepen Flink en de eerste stuurman naar het rad +en zochten het schip weder voor den wind te brengen; doch hunne poging +mislukte, want fokkemast en hoofdmast waren weg en alleen de +bezaansmast was nog over, waardoor het schip juist belet werd naar het +roer te luisteren. De wakkere Flink liet twee matrozen dit laatste +aanvatten; terwijl hij Mackintosh een teeken gaf want de wind huilde nu +te sterk, dan dat men elkanders woorden nog had kunnen verstaan, eene +bijl opgreep en het bezaanswant van zijn mast loshakte. De kruissteng +en de top van den bezaansmast stortten overboord en zoo gelukte het hun +eindelijk, het vaartuig voor den wind te brengen. Het vereischte nu nog +veel tijd en inspanning, het wrak geheel van zijne masten vrij te +maken, en toen men eindelijk tijd kreeg om op het dek rond te zien, +vermiste men vier man, die door den bliksem gedood of onder den +fokkemast verpletterd waren, zoodat thans, buiten kapitein Osborn en de +beide stuurlieden, nog maar acht matrozen aan boord overig waren. +<span class="pagenum">[<a id="pb20" href="#pb20" name= +"pb20">20</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch5" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">VIJFDE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">HET WRAK.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Een zeeman geeft in het gevaar den moed niet op, +zoolang hij nog eenige kans ziet om zich door eigen inspanning van het +verderf te redden. Het verlies van hunne kameraden, die zoo plotseling +uit hun midden gerukt waren,—de ellendige toestand van het +schip,—de woeste golven, die hen als in een breeden waterkuil +dreigden te begraven, het huilen van den orkaan,—de sissende +bliksem,—het ratelen van den donder—dat alles kon hen niet +weerhouden te doen, wat de nood van hen eischte. Mackintosh, de eerste +stuurman, verzamelde zijn volk en sloeg zelf de handen aan het werk, om +een blok en strop aan den nog rookenden stomp van den fokkemast vast te +maken. Een touw werd door het blok geschoren en het groote bramzeil +opgeheschen, zoodat het wrak weder met versnelde vaart voor den wind +uitvloog en beter naar het roer luisterde.</p> +<p>Het schip was weer voor den wind, en in vergelijking met vroeger +tamelijk zeker, hoewel de narollende baren het van tijd tot tijd +geweldig schokten. Andermaal begon de avond te vallen en nog was aan +geen rust te denken. De manschap was door de onophoudelijke inspanning +reeds ten hoogste afgemat. Kapitein Osborn en Flink waren meermalen in +de kajuit geweest, om de beangste passagiers te troosten en gerust te +stellen. Buiten zichzelven van angst en bezorgdheid, was mevrouw Wilson +ernstig ongesteld, en haar man waakte aan haar bed. De kinderen werden +vermaand in de hut bedaard te blijven en de kleine kwam niet uit de +armen der onvermoeide en zorgdragende Juno.</p> +<p>Reeds liep de derde dag van den storm ten einde en nog deden zich +geene geruststellende teekens op. Door het onophoudelijk breken der +stortzeeën over het achterschip, waren de kompashuisjes +weggespoeld en men kon nu niet langer den koers, waarin het schip tot +hiertoe gestuurd was, noch den doorloopen afstand bepalen. Het +vreeselijk beuken en stooten der golven had reeds een lek +teweeggebracht en zooveel was met zekerheid vooruit te zien, dat, zoo +de storm niet spoedig bedaarde, de bodem niet lang meer tegen de zee +bestand zou zijn.</p> +<p>Van dit oogenblik af stonden angst en moedeloosheid op des kapiteins +gelaat te lezen. De verantwoordelijkheid, die op hem rustte, drukte hem +zwaar;—zelfs als nog enkelen er het leven afbrachten, had hij een +kostbaar schip en eene nog veel kostbaarder lading te verliezen. Men +naderde immers <span class="pagenum">[<a id="pb21" href="#pb21" name= +"pb21">21</a>]</span>thans een punt, waar de oceaan met lage +koraalriffen en eilandjes bezaaid was en moest met recht vreezen, in +den tegenwoordigen hulpeloozen toestand, zonder een enkel middel van +tegenstand, door wind en golven op een daarvan geworpen te worden.</p> +<p>De oude stuurman stond naast hem, toen de kapitein zeide:</p> +<p>„Ik heb slechten moed, Flink. Wij loopen het gevaar in den +mond en hebben geen middel om het te ontwijken.”</p> +<p>„Dat is, helaas, zoo; alle middelen zijn ons +benomen.”</p> +<p>„Er was menig man,” sprak kapitein Osborn met ernst, +„die mij benijdde, toen ik dit fraaie schip onder mij kreeg. Zou +thans een hunner met mij willen ruilen?”</p> +<p>„Ik denk voor ’t naast—neen, kapitein, ofschoon +geen mensch weet wat de dag van morgen mee kan brengen. Vol hoop liept +gij met dit schip het zeegat uit; nu voelt gij, niet zonder grond, zoo +iets, dat veel van moedeloosheid heeft. Maar wie weet? In allen gevalle +hebt gij uw plicht gedaan en geen braaf man kan meer doen. Ik wou maar, +kapitein, dat Mackintosh niet zoo <span class="corr" id="xd21e566" +title="Bron: schrikkeliijk">schrikkelijk</span> vloekte. Ik verbeeld +mij altijd, dat de storm er sterker om huilt.”</p> +<p>„Gij hebt gelijk,” was het antwoord; „maar houd +vast, Flink: daar komt weer eene zee.”</p> +<p>Onze vriend had nog even tijd, om met beide handen de korvijnagels +beet te pakken, toen zulk een watervloed zich over het schip +uitstortte, dat zij een tijdlang met de voeten van boord werden +gespoeld. Echter lieten zij hun houvast niet los en konden eindelijk +weer op de been komen.</p> +<p>„Dat heeft hem weer een knauw gegeven, wed ik,” zeide +Flink en nam den hoed af om het water weg te schudden.</p> +<p>„Zoo vrees ik; het beste schip, dat ooit zee bouwde, is tegen +zulke stooten niet bestand,” antwoordde de kapitein. „En nu +juist, met ons doodmoe volk, zie ik geen mogelijkheid, om meer zeil bij +te krijgen.”</p> +<p>Den geheelen nacht door schoot het schip weder met vogelsnelheid +over het water voort. Met het krieken van den dag ging de storm liggen +en werd de verbolgen zee bedaarder; maar nog altijd moest men het schip +voor den wind houden, want nadat dit reeds zoo geteisterd was, durfde +men niet bijsteken. Men maakte thans toebereidselen, om noodmasten op +te richten en de vermoeide matrozen waren daar juist druk mede bezig, +toen de heer Wilson met zijn zoon Willem op het dek kwam.</p> +<p>Willem staarde in het rond. Tot zijne verbazing zag hij, hoe de +slanke <span class="pagenum">[<a id="pb22" href="#pb22" name= +"pb22">22</a>]</span>masten met al hunne touwen en zeilen verdwenen +waren en het gansche dek in een staat van wanorde en verwarring voor +hem lag.</p> +<p>„Zie, mijn jongen,” sprak de vader, „wat ellende +en vernieling hier heeft plaats gehad. Zie nu, ’s menschen +trotschheid is vernederd.”</p> +<p>„Ja, Willem,” riep Flink hem toe; „zie maar eens +aandachtig rond!”</p> +<p>„Maar vader,” vroeg Willem na eene poos, „hoe +moeten wij nu zonder masten en zeilen naar Sidney komen?”</p> +<p>„Wel, vriend Willem,” antwoordde Flink, „wij +moeten alles doen, wat maar in onze macht staat. Wij zeelieden staan +zelden lang verlegen en, als ’t goed gaat, zult gij ons +vóór den nacht wel weer onder een lap of wat zeil zien. +Wij hebben onze groote masten verloren; daarom moeten wij noodmasten +opzetten, zooals men ze noemt—of kleine masten met klein zeil, en +die brengen ons ook misschien nog wel naar Sidney toe.—Hoe maakt +de goede mevrouw het, mijnheer?” vervolgde Flink, zich tot den +vader keerende. „Is zij wat beter?”</p> +<p>„Ik vrees, dat zij zeer ziek en zwak is,” was het +antwoord. „Alleen goed weer kan haar weer eenigszins doen +bijkomen. Denkt gij, dat het nu opklaren zal?”</p> +<p>„Neen, mijnheer, om u de waarheid te zeggen, vrees ik, dat het +nog erger gaat spoken. Ik heb den kapitein mijne gedachten niet gezegd, +want een mensch kan zich vergissen; maar toch, ik blijf er bij—ik +heb niet tevergeefs volle vijftig jaren op zee omgezwalkt. De +nevelbank, die daar ginder bijeentrekt, bevalt mij niet en ’t zou +mij niet verwonderen, als het nog eens uit denzelfden hoek begon te +blazen en wel nog voordat het nacht wordt.”</p> +<p>„Het zij zoo!” sprak de heer Wilson. „Echter vrees +ik zeer voor mijne vrouw, die al zoo door de zeeziekte verzwakt +is.”</p> +<p>„Daarover zou ik mij niet al te ongerust maken, mijnheer, want +ik heb nog nooit gehoord, dat menschen aan die kwaal gestorven zijn, +hoeveel zij er ook door te lijden hadden.—Weet gij al Willem, dat +wij eenigen van ons volk verloren hebben in den tijd, dat gij niet +boven geweest zijt?”</p> +<p>„Neen, ik hoorde den kok daar wel iets van mompelen, maar +wilde hem niet vragen, omdat moeder reeds zoo in angst was.”</p> +<p>„Dat was heel braaf van u, mijn jongen; maar denk eens: we +hebben vijf van onze rapste en beste matrozen verloren. Seevers werd +overboord geslagen,—Fennings en Master zijn door den bliksem +gedood,—en Jones en Emery zijn door den vallenden fokkemast +getroffen. Gelooft gij wel, Willem, dat niet één dezer +lieden er aan dacht, toen wij de Kaap verlieten of zelfs maar een dag +of een enkel uur voordat het geschiedde, dat weldra <span class= +"pagenum">[<a id="pb23" href="#pb23" name="pb23">23</a>]</span>hunne +lichamen honderden mijlen ver van het land op zee zouden +omdobberen?”</p> +<p>„Ik ben van oordeel,” zeide mijnheer Wilson, „dat +een zeeman eigenlijk geen recht heeft om te trouwen.”</p> +<p>„Dat is ook altijd mijn gevoelen geweest,” antwoordde +Flink; „en zeker, menige arme verlaten matrozenvrouw, als zij +’s nachts op haar bed naar den storm en regen luisterde, heeft +evenzoo gedacht.”</p> +<p>„Met mijne toestemming,” vervolgde de vader, +„zullen mijn zoons nooit ter zee gaan, zoolang ik nog een andere +betrekking voor hen vinden kan.”</p> +<p>„En gij hebt gelijk, mijnheer Wilson. Men zegt wel, dat het +niets helpt, een knaap tegen te houden, wanneer hij zich het varen eens +in het hoofd heeft gezet;—maar ik voor mij denk in dat geval +anders. Ik geloof, dat een vader recht heeft om neen te zeggen; want +ziet gij, mijnheer, zoo jong als zulk een knaap het baaitje aantrekt, +heeft hij nog zijn volle verstand en oordeel niet. Ieder stoute, +moedige jongen wil het zeegat uit,—dat is heel natuurlijk; maar +als de meesten onder hen voor de ronde waarheid uitkwamen, zouden zij +moeten zeggen, dat het niet zoozeer het verlangen naar zee was, dat hen +verleidde, als wel de wensch, om de school of zelfs het vaderlijk huis +te verlaten, waar zij onder het opzicht van meesters of ouders +stonden.”</p> +<p>„Juist, juist, Flink; zij willen onafhankelijk zijn en dat +hopen zij op zee te worden.”</p> +<p>„Maar daar bedriegen zij zich geweldig in; want, geloof mij, +op de gansche wijde wereld wordt geen slaaf zoo gekweld en geplaagd, +als zulk een arme knaap in de eerste tien jaren van zijn zeeleven. Voor +ééne berisping, die hij aan land verdient, krijgt hij aan +boord tiendubbel slagen en nooit vindt zulk een mensch de liefde en de +genegenheid weder, die hij op vasten wal achterliet. Het is een hard +leven en er zijn slechts enkelen, die het zich niet bitter beklaagd +hebben en niet gaarne zouden willen terugkeeren—als hunne +schaamte hen daarvan niet terughield.”</p> +<p>„Dat is de zuivere waarheid, Flink, en daarom geloof ik ook, +dat een vader ten volle recht heeft, als hij zijn zoon niet toelaat, +ter zee te gaan, zoolang hij hem op eenige andere wijze een behoorlijk +bestaan kan verschaffen. Het zal daarom toch nooit aan matrozen +ontbreken, daar er nog altijd arme jongens in menigte zijn, voor wie +hunne betrekkingen niet beter zorgen kunnen, en voor zulke lieden is de +zee zekerlijk de beste keus, daar zij hier geen ander kapitaal dan moed +en ijver tot hunne bevordering noodig hebben.<span class="corr" id= +"xd21e622" title="Niet in bron">”</span></p> +<p>„Datzelfde heb ik ook steeds gedacht, mijnheer,” hernam +Flink. „Maar <span class="pagenum">[<a id="pb24" href="#pb24" +name="pb24">24</a>]</span>hoe maakt uw zoon Thomas het toch, en de +andere kleinen en de arme Juno?”</p> +<p>„Die zijn allen vrij wel, behalve dat zij zich nu en dan door +uitglijden eens wat zeer deden, als het schip zoo geweldig slingerde. +Maar ik mag hier niet langer blijven,” vervolgde de heer Wilson; +„mijn arme vrouw zal naar mij verlangen. Wilt gij nog langer op +het dek blijven, Willem?”</p> +<p>„’t Is beter, dat hij met u omlaag gaat;” zeide +Flink; „wij allen hebben hier de handen te vol en ik kan mij niet +met hem bemoeien. Dezen nacht hebben wij weer geen rust te wachten, +’t moge gaan hoe ’t wil, daar ons getal thans zoo klein is. +Goedennacht dan, heerschappen, rust wel!”</p> +</div> +</div> +<div id="ch6" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">ZESDE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">ALS HET WATER TOT DE LIPPEN KOMT, IS OOK VAAK UITKOMST +NABIJ.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Toen vader en zoon in de kajuit kwamen, vonden zij er +dadelijk handen vol werk. De hofmeester had een schotel erwtensoep voor +de kinderen gebracht en deze was brandend heet. Thomas, die naast zijn +zusje in ’t bed overeind zat, had Juno, die met den rechterarm +haar kleinen Albert vasthield, het bord uit de linkerhand getrokken en +dit in zijn ongeduld over de arme Caroline uitgestort, die een kreet +gaf van pijn; terwijl Juno, vol verlangen om Caroline te helpen, +opgesprongen en op den grond gevallen was met den kleine, die, hoewel +niet bezeerd, nu ook een geduchte keel opzette. Tot overmaat van ramp +was Juno op des kapiteins dashond neergekomen en deze had haar daarvoor +in het been gebeten, waarop ook Juno het luid uitschreeuwde en mevrouw +Wilson, bevend en radeloos van angst, zich van hare kussens had +opgericht en gaarne had willen, maar niet kunnen helpen. Daar kwam haar +man gelukkig nog juist bijtijds, om Juno met den kleine op te helpen. +Hij zocht vervolgens de arme Caroline tot bedaren te brengen, die zich, +gelijk nu bleek, nog niet zoo erg gebrand had, als men verwachtte.</p> +<p>„Massa Thomas ben toch stout ondeugend jonk,<span class="corr" +id="xd21e642" title="Niet in bron">”</span> jammerde de negerin +en wreef zich het been. De „ondeugende jonk” oordeelde maar +’t best, zich stil te houden;—hij werd terdeeg beknord. De +hofmeester kwam de tafel schoonmaken, en zoo keerde alles eindelijk +weder tot de vorige orde terug. <span class="pagenum">[<a id="pb25" +href="#pb25" name="pb25">25</a>]</span></p> +<p>Onderwijl was men ook op het dek niet werkeloos gebleven. De +timmerman had eene opening voor een der stengen gemaakt, die den +grooten mast moest vervangen; terwijl het andere volk het want weder in +gereedheid bracht. Ongelukkig had het schip een lek gekregen en vier +handen waren aan de pompen bezig en moesten daar bijna voortdurend +werkzaam zijn. Gelijk Flink voorzegd had, was ook de nacht niet daar, +of de wind verhief zich weder, de zee werd holler en woester en het lek +nam zoo toe, dat men elk ander werk moest opgeven, om alleen bij de +pompen te blijven. Zoo duurde de storm twee volle dagen lang, totdat de +<span class="corr" id="xd21e648" title="Bron: geheele">geheel</span> +uitgeputte matrozen te laatste ook niet meer pompen konden. Aan den +gang van het schip was te zien, dat er reeds veel water in het ruim was +binnengedrongen, en thans—om het ongeluk ten top te +voeren—gebeurde er nog eene nieuwe ramp, die de ernstigste +gevolgen had.</p> +<p>Kapitein Osborn was vóór op het schip en gaf eenige +orders aan zijn volk, toen de blokstrop, die de groote bramra aan den +stomp van den fokkemast vasthield, eensklaps losging, zoodat ra en zeil +op het dek neerploften en den kapitein bewusteloos deden neervallen. +Zoolang hij aan hun hoofd had gestaan, hadden de matrozen, vol eerbied +voor zijne erkende bekwaamheid als zeeman en bemoedigd door het hem +eigen goed humeur, hunne taak gaarne en gewillig verricht, maar thans, +nu hij, zoo al niet dood, toch in allen gevalle buiten kennis en tot +handelen niet in staat was, thans werd het op eenmaal anders en ontbrak +het geheel aan het vereischte gezag. Mackintosh was bij het volk te +weinig bemind, dan dat zijne woorden eenigen invloed hadden kunnen +uitoefenen. Zij sloegen zijn vermaningen en bevelen in den wind en +staken de hoofden bijeen, om onderling te beraadslagen.</p> +<p>„Het ergste is geleden. De orkaan is gebroken, mannen, en wij +hebben nu goed weer te wachten,” merkte Flink aan en vervoegde +zich bij de matrozen aan het volkslogies. „De wind is haast op, +zooals gij zelven zien kunt.<span class="corr" id="xd21e655" title= +"Niet in bron">”</span></p> +<p>„Ja, en het schip is ook haast op,” antwoordde een +matroos; „daar is nog veel minder aan te twijfelen.”</p> +<p>„Een paar uren stevig aan de pompen gewerkt, dat zou nu goed +doen,” vervolgde Flink. „Wat zegt gij, jongens?”</p> +<p>„Een stevig oorlam zou ons meer goed doen,” hernam de +zeeman. „Wat zegt gij, jongens? De kapitein, als hij spreken kon, +de arme drommel, zou ons dat zeker niet weigeren.”</p> +<p>„Wat zijt gij van zins, jongen?” vroeg Mackintosh. +„Ge wilt u toch niet dronken drinken, hoop ik?” +<span class="pagenum">[<a id="pb26" href="#pb26" name= +"pb26">26</a>]</span></p> +<p>„Waarom niet?” riep een ander uit den hoop. „Het +schip moet toch spoedig te gronde gaan.”</p> +<p>„Dat is mogelijk,—ik wil het niet tegenspreken,” +zeide Mackintosh; „maar dat is nog geen grond, waarom wij niet +gered zouden worden. Als ge u nu echter dronken drinkt, is er geen +denken aan, dat een van ons er het leven zou afbrengen en mij is mijn +leven lief. Ik ben bereid om u in alles bij te staan, waartoe gij +besluiten mocht, en gij hebt maar te zeggen wat gebeuren moet; maar +drank zult gij niet hebben. Zoolang ik het beletten kan, kunt gij daar +staat op maken.”</p> +<p>„En hoe zoudt gij ons dat beletten?” vroeg een der +matrozen op dreigenden toon.</p> +<p>„Twee vastberaden mannen kunnen veel doen,—ik mag zeggen +drie, want in dit geval is stuurman Flink op mijne zijde en ook op den +passagier in de kajuit kan ik tot bijstand rekenen. Bedenkt, dat alle +geweren in de kajuit zijn. Maar waarom zouden we samen +twisten?—Zegt mij ronduit, wat ge denkt te doen; en als ge nog +niets besloten hebt, wilt ge dan nog naar mijn voorslag +luisteren?”</p> +<p>Daar des stuurmans moed en vastberadenheid wel bekend waren, +beraadslaagden de matrozen nog een tijdlang samen en vroegen hem toen +naar zijn plan.</p> +<p>„Wij hebben nog een goede boot,” antwoordde Mackintosh, +„de nieuwe sloep <span class="corr" id="xd21e680" title= +"Niet in bron">is</span> behouden. De andere booten, weet gij, zijn +overboord gespoeld, met uitzondering van de kleine boot achter, die +nochtans onbruikbaar is, daar de zee ze bijna verbrijzeld heeft. Nu +kunnen wij niet heel ver meer van de eilanden af wezen, ja, ik geloof +zelfs dat wij er reeds tusschen zijn. Laten wij de boot van al het +noodige voorzien en daartoe getroost en vlug te werk gaan. Neemt +zooveel drank, als gij weet, dat u niet schaden kan en laat ons ook nog +een goeden voorraad daarvan medenemen. De sloep is met mast, tuig en +riemen in goeden staat en het moest al vreemd zijn, zoo zij ons niet +ergens behouden aan land bracht.—Kameraad Flink, is de raad, dien +ik hier geef, goed of niet?”</p> +<p>„Volkomen goed, Mackintosh;—slechts nog +één ding: wat moet er van de kajuitpassagiers, de vrouwen +en kinderen worden? En wilt gij onzen armen kapitein, die daar ligt te +ijlen, hulpeloos achterlaten? Of wat wilt gij anders +aanvangen?”</p> +<p>„Wij willen den kapitein niet verlaten!” riep een van de +matrozen.</p> +<p>„Neen—neen, onze kapitein moet mee!” herhaalden de +overigen.</p> +<p>„En de passagiers?” <span class="pagenum">[<a id="pb27" +href="#pb27" name="pb27">27</a>]</span></p> +<p>„Het spijt mij van hen,” antwoordde de eerste spreker; +„maar wij zullen genoeg te doen hebben, om ons eigen leven te +redden. De boot kan ons nauwelijks bergen.”</p> +<p>„Ik moet u gelijk geven, jongens,” sprak Mackintosh. +„Het hemd is nader dan de rok. Welaan dus, wat zegt +gij?—Blijft het besloten?”</p> +<p>„Ja!” riepen de matrozen eenstemmig, en Flink wist wel, +dat hier iets tegen in te brengen geheel vruchteloos zijn zou.</p> +<p>Zij gingen nu terstond tot het uitrusten der boot en het aanbrengen +van den vereischten voorraad over. Beschuit, pekelvleesch, eenige +tonnen water, een vat met rum werden bij de valreeptrap bijeengebracht. +Mackintosh haalde zijn octant, een kompas en eenige geweren met kruit +en lood boven; de timmerman maakte met de hulp van een matroos eene +opening in de verschansing, om de boot daardoor van boord neer te +laten; want thans, nu de masten ontbraken, kon men die natuurlijk niet +daaraan ophijschen. Na verloop van een uur was alles gereed. Een lang +touw werd aan de boot vastgesjord, deze hierop aan de opening gesleept, +waardoor zij te water gaan moest en het schip vervolgens dwarswinds +gebracht. Flink had aan dit werk niet geholpen, maar een-, of tweemaal +gepeild, om te onderzoeken of het water in het schip ook geklommen was +en zich daarna bij kapitein Osborn neergezet, die nog altijd +bewusteloos lag van den slag, die hem op het hoofd had getroffen. Toen +het schip in den wind was gebracht, kwam mijnheer Wilson boven en zag +rond.</p> +<p>Hij zag de boot gereed om af te loopen, water en proviand bij het +boord en het schip langzaam met de deining +voortdrijven.—Eindelijk ontdekte hij Flink, aan de zijde gezeten +van den kapitein, die daar schijnbaar dood nederlag.</p> +<p>„Wat beduidt dit alles, Flink?” vroeg hij. „Willen +zij het schip verlaten<span class="corr" id="xd21e705" title= +"Niet in bron">?</span> En hebben zij hun kapitein +omgebracht?”</p> +<p>„Neen, mijnheer, zoo erg is ’t nog niet. De arme +kapitein is door de vallende ra getroffen en ligt sedert buiten kennis; +maar wat het andere aangaat, ik vrees, dat het zoo besloten is. Gij +ziet, dat men daar de boot van boord stoot.”</p> +<p>„Maar mijne arme vrouw! Zij is nooit in staat om mee te gaan; +ze kan zich nauwelijks verroeren,—ze is doodzwak!”</p> +<p>„Ik moet u tot mijn leedwezen zeggen, dat die +dáár ook niet voornemens zijn uzelf of uwe vrouw en uwe +kinderen mee te nemen.”</p> +<p>„Wat! ze willen ons hier laten omkomen? Barmhartige Hemel! hoe +wreed,—hoe barbaarsch!” <span class="pagenum">[<a id="pb28" +href="#pb28" name="pb28">28</a>]</span></p> +<p>„Het is niet menschlievend van hen gehandeld, mijnheer; maar +ziet gij, zoo is de natuur van den mensch. Als eens ’t leven er +mee gemoeid is, dan denkt iedereen aan zichzelf, want het leven is +zoet. Zij zijn niet harder tegen u, dan zij ook tegen elkaar zijn +zouden, als zij te sterk in aantal waren en de boot niet allen opnemen +kon. Ik heb dat al zelf mede beleefd,” antwoordde de oude man +zeer ernstig.</p> +<p>„Mijne vrouw! mijne arme kinderen!” riep de wanhopende +vader en bedekte het gezicht met beide handen. „Doch ik wil met +hen spreken,” vervolgde hij; „zeker zullen zij naar het +gebod der menschelijkheid luisteren, en in allen gevalle heeft stuurman +Mackintosh nog wel eenigen invloed op hen. Gelooft gij dat ook niet, +Flink?”</p> +<p>„Daar gij mij dat vraagt, mijnheer, moet ik u zeggen, dat er +geen harder hart onder hen is, dan dat van Mackintosh en dat het u +evenmin helpen zal, of gij met hem spreekt of met een van de overigen. +Ook moet gij die menschen niet te streng beoordeelen: de sloep is klein +en kan met den voorraad, dien zij meenemen, ook niet meer koppen +bergen;—dáár zit de zwarigheid. Wou men u en uwe +familie nog innemen, dan kon dat de oorzaak van alles zijn. Geloof mij, +als ik zelf anders dacht, zou ik zeker alles doen, om hen over te +halen; doch het helpt niets.”</p> +<p>„Maar wat dan te doen, Flink? Gaat gij niet met hen +mede?”</p> +<p><span class="corr" id="xd21e727" title= +"Niet in bron">„</span>Neen, mijnheer Wilson. Ik heb het laatste +uur daarover nagedacht en ben nu besloten bij u achter te blijven. Zij +willen den armen kapitein meenemen, om hem misschien te redden, en +vroegen ook mij; maar ik blijf hier.”</p> +<p>„Om met ons om te komen?” was de verbaasde vraag.</p> +<p>„Al naar ’t God behaagt, mijnheer Wilson. Ik ben oud en +grijs, aan mij is weinig gelegen; ik hoop ook, dat ik mij zoo goed op +den dood heb voorbereid, als dat in mijne geringe krachten stond. +Geloof mij, mijnheer, ik denk veel meer aan uwe kinderen, dan aan +mijzelven. Het scheelt mij weinig, of ik een paar jaren vroeger of +later sterf, doch ’t zou mij diep ter harte gaan, als zulke lieve +bloempjes al zoo in de eerste lente werden afgesneden. Ik kan van nut +zijn door mijn blijven, want ik draag een ouden kop op mijne schouders +en voor geen geld zou ik u aan het verderf overlaten, zoolang gij nog +misschien gered kunt worden, wanneer ge slechts wist, hoe te doen. Maar +zie, daar komen de matrozen; de boot is geheel klaar en zij willen nu +onzen braven kapitein wegdragen.”</p> +<p>De zeelieden traden toe en beurden den nog altijd bewusteloozen +kapitein op. Onder het weggaan riep een hunner: „Kom, stuurman, +wij hebben geen tijd meer te verliezen.” <span class= +"pagenum">[<a id="pb29" href="#pb29" name="pb29">29</a>]</span></p> +<p>„Denkt niet aan mij, vrienden; ik blijf hier op het +wrak,” antwoordde Flink. „Ik wensch u van ganscher harte +eene behouden vaart. En aan u, Mackintosh, heb ik slechts dit +ééne verzoek: als gij gered zijt, vergeet dan niet, wie +ge hier aan boord hebt gelaten en laat ons dan tusschen de eilanden +opzoeken.”</p> +<p>„Gekheid, Flink, kom mee in de boot!” antwoordde de +eerste stuurman.</p> +<p>„Ik zal hier blijven; kameraad; en ik bid u alleen, dat gij +doen zult, wat ik van u verlang. Laat aan mijnheer Wilsons vrienden +weten, wat hier is voorgevallen en waar men ons het best kan opsporen. +Dat is alles, wat ik van u verlang. Wilt gij mij dit ééne +beloven?”</p> +<p>„Ja, Flink, ik wil, wanneer gij dan toch bepaald besloten hebt +te blijven. <a id="xd21e745" name="xd21e745"></a>Maar,” vervolgde +hij, op Flink toetredende en hem in het oor fluisterende, „het is +waarachtig gekheid:—kom mee, man!”</p> +<p>„Vaarwel dan, vriend Mackintosh,” antwoordde Flink en +gaf hem de hand. „Gij zult zeker uwe belofte houden?”</p> +<p>Na nog vele verdere vermaningen van de zijde der matrozen waarvoor +Flink echter doof bleef, stak de boot eindelijk af en stuurde naar het +noordoosten.</p> +</div> +</div> +<div id="ch7" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">ZEVENDE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">DE SCHIPBREUK.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Een tijdlang, nadat de boot het schip verlaten had, +stond de oude Flink met over elkaar geslagen armen zwijgend uit te +zien. Mijnheer Wilson stond bij hem. Hij kon geen woord spreken, het +hart was hem te vol. Naarmate de sloep zich verder van het schip +verwijderde, scheen ook zijne laatste hoop meer en meer te verdwijnen +en schenen vrouw en kinderen, hijzelf en de oude man, die aan zijne +zijde stond, aan een onvermijdelijken ondergang prijsgegeven. Zijne +gelaatstrekken drukten volslagen moedeloosheid en vertwijfeling uit. +Ten laatste nam Flink het woord:</p> +<p>„Zij denken zeker, dat zij zichzelven redden en dat wij +vergaan zullen, mijnheer, doch het kan nog wel anders +loopen.”</p> +<p>„Het is waar,” antwoordde de bedroefde vader; +<span class="corr" id="xd21e763" title= +"Niet in bron">„</span>maar welke hoop ons nog zou overblijven op +een zinkend schip, met zoovele hulpelooze wezens om ons heen, dat, moet +ik bekennen, kan ik niet begrijpen.” <span class= +"pagenum">[<a id="pb30" href="#pb30" name="pb30">30</a>]</span></p> +<p>„Wij moeten ons best doen en dan ons aan Gods wil +onderwerpen,” hernam de oude zeeman en ging toen naar achteren, +waar hij het roer weder oplegde, zoodat het schip andermaal voor den +wind kwam.</p> +<p><a id="xd21e770" name="xd21e770"></a>Wat Flink aan de matrozen +voorspeld had, voordat zij het schip verlieten geschiedde werkelijk; de +storm had uitgewoed en ook de zee was reeds aanmerkelijk bedaard. +Niettemin dreef het schip slechts langzaam door het water en na eenigen +tijd zette Flink het stuurrad vast en kwam weder bij den heer Wilson op +het voordek. Deze had zich, in een staat van wanhoop naar het scheen, +op het zeil neergeworpen, waarop kapitein Osborn na zijne verwonding +gelegd was.</p> +<p>„Het doet mij leed, mijnheer, dat ik u storen moet; maar voelt +gij u door troosteloosheid overweldigd, dan kan u ik misschien een +weinig hoop geven.”</p> +<p>„Ik heb gebeden,” antwoordde Wilson en stond op: +„en sedert heb ik mijn zinnen zooveel mogelijk bijeenverzameld, +die zekerlijk zeer verward zijn. Wat mij het meest beangst, is, hoe +onzen hulpeloozen toestand aan mijne lieve vrouw mede te +deelen.”</p> +<p>„Ik zou er rond voor uitkomen, indien ik onzen toestand als +hopeloos beschouwde,” hernam Flink; „maar hopen blijft +zelfs in het ergste geval geoorloofd. Doch luister, mijnheer, ik wil +als zeeman spreken en u zeggen, welke mogelijkheid er thans nog voor +ons over is. Het schip is half vol water geloopen, daar ’t geweld +van den storm de naden opende waardoor het naar binnen drong; maar nu, +sedert de zee bedaarde, heeft zich dat al vrij wat weer hersteld. Ik +heb in het ruim gepeild en bevonden, dat het water deze beide laatste +uren maar een paar duim gewassen is en daar het schip langzamerhand +zijne naden weder sluit, zal het spoedig nog wel beter worden. Indien +het goede weder vooreerst aanhoudt, behoeven wij niet te vreezen, dat +het schip zoo spoedig zinken zal; en daar wij ons nu tusschen de +eilanden bevinden, is het niet onmogelijk, ja zelfs waarschijnlijk, dat +wij ons vaartuig op een daarvan zullen kunnen laten stranden en zoo nog +lijf en leven redden. Dat alles heb ik bedacht, toen ik weigerde in de +boot te gaan, en ik bedacht ook, mijnheer, dat indien ik u evenals de +anderen verliet, gij voor uzelf niet in staat zijn zoudt, van zoovele +gunstige omstandigheden, die tot ons behoud misschien nog bijdragen +kunnen, behoorlijk partij te trekken.—Daarom ben ik gebleven en +hoop het werktuig te worden, dat u en al de uwen uit dezen akeligen +toestand redt. Mij dunkt, het zou nu ’t best zijn, dat gij weer +in de kajuit gingt, uwe arme vrouw met een vroolijk gezicht de gunstige +verandering van het weer berichttet en haar zeidet, dat wij hoop +hebben, aan eene of andere veilige kust te landen. <span class= +"pagenum">[<a id="pb31" href="#pb31" name="pb31">31</a>]</span>Als zij +nog niet weet, dat het volk het schip verlaten heeft, moet gij haar +daar niets van doen merken. Gij kunt immers zeggen, dat de hofmeester +met de andere matrozen aan het werk is, want dat is hij ook waarlijk, +en zoo het mogelijk was, zou ik u raden, alles, wat sedert is +voorgevallen, te verzwijgen. Uw Willem moogt gij het wel toevertrouwen, +of liever, zend hem boven bij mij en ik zal met hem spreken.—Zeg +nu, wat dunkt u van de zaak, mijnheer?”</p> +<p>„Ik weet nauwelijks, Flink, wat ik denken of hoe ik u voor uwe +zelfopoffering in dezen nood behoorlijk danken moet. Wees verzekerd, uw +raad is voortreffelijk; ik zal hem in alles ten stipste opvolgen, en +mocht het ons gelukken den dood te ontgaan, die ons thans van alle +kanten aangrijnst, dan zal mijne dankbaarheid....”</p> +<p>„Spreek daar niet van, mijnheer; ik ben een oud man, heb +slechts weinig behoeften en mijn leven is ook maar van gering nut. Wat +ik wensch te behouden is de bewustheid, dat ik in dezen toestand mijn +plicht naar mijn beste vermogen heb zoeken te vervullen. Wat kan de +wereld veel aanlokkelijks hebben voor een man, die zich altijd met +moeite door het leven heeft heen geworsteld en thans vrienden noch +magen bezit, die zich om zijn dood bekommeren! Niettemin dank ik u +hartelijk, mijnheer Wilson; maar nu zal ’t beter zijn, dat gij +naar omlaag gaat, terwijl ik hierboven een wakend oog houd.”</p> +<p>De heer Wilson drukte den braven man met hartelijkheid de hand en +ging toen naar beneden, zonder verder een woord te spreken. Hij vond +zijne vrouw in slaap; ook de kinderen lagen rustig in hunne bedden; +alleen Juno en Willem waren op.</p> +<p>Willem gaf zijn vader een teeken dat zijn moeder sliep, en zeide +zachtjes: „Ik wou niet uit de kajuit gaan, terwijl gij boven op +het dek waart; maar de hofmeester heeft zich in geen twee uren meer +laten zien. Hij kwam nog om de geit te melken en na dien tijd niet +meer. Geen van ons allen heeft nog ontbijt gehad.”</p> +<p>„Willem, ga op het dek,” antwoordde zijn vader. +„Flink heeft u iets te zeggen. Ik wil zoolang hier +blijven.”</p> +<p>Onze jonge vriend vervoegde zich bij Flink, die hem in korte woorden +met den toestand bekendmaakte, waarin zij zich thans bevonden. Hij +bracht hem onder het oog, hoe noodzakelijk het was dat hij alles +beproefde wat in zijne macht stond, om zijn vader en hem (Flink) te +ondersteunen en zijne moeder in haar lijdenden toestand niet te +verontrusten. Gelijk natuurlijk is, maakte, wat hij hier hoorde, op +Willem een diepen indruk, <span class="pagenum">[<a id="pb32" href= +"#pb32" name="pb32">32</a>]</span>doch hij vatte toch spoedig weer moed +en beloofde in alles zijn best te zullen doen.</p> +<p>„Maar, Flink,” zeide hij, „de hofmeester, weet ge, +is nu met de anderen weg, en als moeder wakker wordt, zal hare eerste +vraag zijn, of wij al ontbijt gehad hebben. Wat kan ik doen?”</p> +<p>„Dat weet ik niet; maar mij dunkt, ge kunt eene van de geiten +melken, als ik u dat voorgedaan heb, en onderwijl wil ik voor het +verdere zorgen. Ik kan wel eens van het dek, want het schip stuurt nu +zichzelf vrij goed.—En, Willem, ik heb juist voordat gij kwaamt, +naar het water omgezien en geloof, dat wij niet veel meer inkrijgen. +En,” vervolgde hij en liet zijne oogen in het rond gaan, +„wij zullen goed weer krijgen en ook nog voor den nacht eene +kalme zee.”</p> +<p>Daar beiden elkander hielpen, was het ontbijt spoedig gereed, +terwijl mevrouw Wilson nog voortdurend in een gezonden slaap lag. De +beweging van het schip was thans zeer gering, daar het ingedrongen +water zijn diepgang aanmerkelijk had doen toenemen. Zee en wind waren +bedaard en de zon scheen helder en verwarmend aan den hemel. De boot +had men reeds eenigen tijd geheel uit het gezicht verloren en het wrak +stuurde zacht, niet sneller dan drie mijlen in het uur, door het water +heen, want het had slechts een enkel zeil, het groote bramzeil +namelijk, dat men op den stomp van den fokkemast had bijgezet.</p> +<p>Flink was voor eenige oogenblikken in de kajuit gegaan en sloeg +mijnheer Wilson voor, Juno met de drie kleinen op het dek te zenden. +„Het verveelt hen, hier zoo stil te zijn,” zeide hij; +„en daar mevrouw eindelijk eens gerust slaapt, zou het jammer +zijn, haar te wekken. Daar zij zooveel geleden heeft, kan haar slaap +nog wel eenige uren aanhouden, en hoe langer, hoe beter, want zij zal +hare krachten misschien spoedig noodig hebben.”</p> +<p>Mijnheer Wilson keurde dezen voorslag goed en ging met Juno en de +kinderen op het dek, terwijl hij Willem achterliet, om bij zijne moeder +te waken. De goede negerin was uiterst verbaasd, toen zij de trap +opkwam en den staat van het schip en de afwezigheid der matrozen +ontdekte; doch haar meester verhaalde haar wat er was voorgevallen, met +de ernstige vermaning, om er zijne vrouw geen woord van te zeggen. Juno +beloofde dit, ofschoon het arme meisje wel bemerkte in welk gevaar men +verkeerde, en toen zij den kleinen Albert aan hare borst drukte, rolden +haar twee zware tranen over de wangen neer. Zij dacht daarbij niet aan +zichzelve, maar wat er van dat lieve kleine schaap worden moest. Zelfs +Thomas en Caroline konden <span class="pagenum">[<a id="pb33" href= +"#pb33" name="pb33">33</a>]</span>niet nalaten te vragen, waar de +masten en zeilen gebleven waren en waarom kapitein Osborn hun niet wat +lekkers bracht.</p> +<p>„Zie, zie daar ginder eens, mijnheer!” riep Flink en +wees naar een hoop drijvend zeewier.</p> +<p>„Ik zie het wel,” was het antwoord; „maar wat zou +dat?”</p> +<p>„Dat alleen zou op zichzelf nog niet veel beteekenen,” +hernam Flink; „maar wij zeelieden hebben nog andere merkteekenen, +waarop wij afgaan. Ziet gij ginder die vogels wel over het water +heenstrijken?”</p> +<p>„O ja, zeer duidelijk.”</p> +<p>„Welnu, die vogels begeven zich nooit ver van land. Thans +begrijpt ge wat ik meen.—En nu, mijnheer, ga ik mijn octant eens +halen en al kan ik onze lengte nog niet dadelijk vinden, zoo kan ik +toch de breedte wel bepalen. Als wij de kaart raadplegen, kunnen wij +dan wel ongeveer gissen, waar wij zijn, als wij eens land voor ons +zien. Het is nu omtrent middag,” vervolgde Flink, terwijl hij +zijne berekening maakte; „de zon rijst heel +langzaam.—Zoo’n kind is toch een gelukkig schepsel! Zie +eens, mijnheer, spelen uwe kleintjes daar niet zoo vroolijk, alsof er +geen gevaar in de wereld was en ze thuis in de kinderkamer waren? +Ofschoon er niets is, dat mij meer leed doet, als het gebeurt denk ik +toch vaak, mijnheer, dat het een werkelijk geluk voor zulk een wicht +is, als het al vroeg wordt weggenomen en dat de ouders niet goed doen, +daar zoo bitter over te klagen.”</p> +<p>„Gij kunt gelijk hebben,” gaf de vader ten antwoord en +wierp daarbij een treurigen blik op zijne lievelingen.</p> +<p>„Het is twaalf uren, mijnheer. Ik ga beneden gauw onze breedte +berekenen en zal dan de kaart hier meebrengen.”</p> +<p>Mijnheer Wilson bleef boven. Spoedig was hij in diepe, sombere +gedachten verzonken. Geen wonder ook! Het schip een zinkend, verlaten +wrak,—hij alleen op de breede watervlakte met vrouw en +kinderen,—niemand tot zijnen bijstand dan een enkel mensch: en +had ook deze ééne hem eens verlaten, gelijk de overigen +deden, wat ware dan waarschijnlijk zijn lot geweest? De uiterste +hulpeloosheid. En nu, wat hadden ze nu te hopen? Hunne stoutste hoop +was, nog eenig eiland te bereiken en, gelukte dit, wellicht was het dan +een woest eiland, misschien zelfs wel door wilden bewoond.—Wat +was dan het vooruitzicht?—Vermoord te worden of van honger en +dorst om te komen! Of gesteld ook, dat zij de middelen tot hun +levensonderhoud vonden, wat dan nog? Zouden zij hun leven daar slijten +moeten en onbekend en onbemerkt wegsterven? Het was eerst nadat hij +deze treurige gedachten als met geweld had verbannen, dat de bedrukte +<span class="pagenum">[<a id="pb34" href="#pb34" name= +"pb34">34</a>]</span>man gevoelde moed te bezitten, om elke beproeving, +die hem nog verder mocht worden opgelegd, als man door te staan.</p> +<p>„Hier is de kaart, mijnheer,” riep Flink. „Ik heb +met eene potloodstreep onze breedte aangeduid. Zooals gij ziet, gaat +zij juist midden door deze groep eilanden, en, naar ’t mij +voorkomt, moeten wij er op dit oogenblik reeds tusschenin of er althans +niet ver meer af zijn. Nu wil ik zorgen, dat wij vanmiddag iets te +schaften krijgen, en dan moeten wij op den uitkijk, of zich ook land +vertoont. Wilt gij onderwijl uwe oogen maar gebruiken, vooral naar +voren en lijwaarts uit?”</p> +<p>De onvermoeide man ging zien, wat hij voor den maaltijd bijeen kon +brengen; en gebrek daaraan bestond er niet, daar de matrozen bij hun +vertrek slechts weinig en wat het naast bij de hand lag hadden +meegenomen. Weldra vond hij een stuk pekelspek en eenige aardappelen, +die hij in de braadpan legde en waarvan hij zich een voor de +omstandigheden kostelijk gerecht beloofde.</p> +<p>Mijnheer Wilson stond nog voorop en zag over den boeg uit, toen de +stuurman weer bij hem kwam.</p> +<p>„Flink, mij dunkt, ik zie iets, doch ik kan niet met zekerheid +zeggen, wat het is. Het schijnt in de lucht te hangen en toch kunnen +het geen wolken zijn. Zie eens, dáár, waar ik met den +vinger heen wijs.”</p> +<p>„Gij hebt gelijk, mijnheer,” riep Flink; „daar is +iets. Het is niet het land, dat gij ziet, maar ’t zijn boomen, +die weerkaatst worden, gelijk men het noemt, waardoor het den schijn +heeft, of zij in de lucht zweefden. Dit is een eiland; gij kunt daar +staat op maken. Ik ga mijn kijker halen en dan zullen wij meer +zien.”</p> +<p>„Het is werkelijk land mijnheer,” verzekerde hij, na het +door zijn kijker te hebben opgenomen.—„Ja, ja, het is +zoo,” ging hij nadenkend voort. „Ik wenschte, dat wij het +vroeger ontdekt hadden; en toch moeten wij dankbaar zijn.”</p> +<p>„Hoe zoo, Flink?”</p> +<p>„Ik meen maar.... daar het schip zoo langzaam over het water +glijdt, vrees ik, dat wij de kust niet voor den donker halen zullen, en +ik had die liever nog bij daglicht bereikt, om eene gunstige plaats tot +stranden te kunnen kiezen.”</p> +<p>„Er is weinig wind op dit oogenblik.”</p> +<p>„We willen dan hopen, dat we wat meer krijgen,” +antwoordde Flink; „zoo niet, zullen we toch ons best doen. Maar +nu is mijne plaats aan het roer, want wij moeten recht op het eiland +aanhouden. Het te laten liggen gaat <span class="pagenum">[<a id="pb35" +href="#pb35" name="pb35">35</a>]</span>niet, want ofschoon het schip +niet zooveel water meer maakt, als het gedaan heeft, wil ik u toch wel +zeggen, dat het zich bezwaarlijk vierentwintig uren meer boven zal +kunnen houden. Toen ik dezen morgen in het ruim peilde, dacht ik +anders, maar daareven, bij het halen van het vleesch, ontdekte ik, dat +wij in grooter gevaar verkeeren, dan ik had geloofd. Het land ligt daar +nu echter vóór ons en wij hebben alle hoop.”</p> +<p>„Gelukkig!” sprak mijnheer Wilson.</p> +<p>Flink begaf zich aan het roer en richtte den koers recht op de kust, +die niet zoo ver af lag, als men in den beginne geloofd had, daar het +eiland zeer laag en vlak bleek te zijn. Van lieverlede verhief de wind +zich eenigermate en dreef het schip rasscher voort. Aldra zag men de +boomen, die eerst in de lucht schenen te zweven, te gelijk met het land +en kon men dit als een laag, met groepen van kokosboomen overdekt +koraaleiland onderscheiden. Van tijd tot tijd vertrouwde Flink het roer +aan mijnheer Wilson toe en ging naar voren, om door zijn kijker te +turen. Toen zij nog drie of vier mijlen van land verwijderd waren, kwam +Flink van den bak terug en riep: „Ik geloof mijn weg nu vrij +duidelijk voor mij te zien. Ge ziet, we zijn loefwaarts van het eiland +en zulke koraalbanken hebben dáár altijd diep water, maar +de klippen en ondiepten aan lij. We moeten de eene of andere kleine +kloof in het koraal opzoeken en het schip daar doorheen brengen, omdat +het anders licht weer van den grond afraakt en in het diepe water +terugvalt. Mij dunkt, ik heb al een plek in ’t oog, waar ik het +schip veilig op het droge kan zetten. Gij ziet daar die kokosboomen +dicht bij elkander op het strand? Welnu, mijnheer, ik kan ze niet goed +zien, terwijl ik het roer houd, maar ga gij naar voren en let wel op. +Moet ik meer rechts sturen, steek dan de rechter-, meer links, steek +dan de linkerhand op en zijn wij in de juiste richting, dan laat gij de +hand weer zakken.”</p> +<p>„Ik begrijp u volkomen,” antwoordde mijnheer Wilson, die +nu naar voren ging en den koers bedachtzaam aangaf. Zoo kwam men +allengs nader. Op eene halve mijl afstands van de kust verkreeg het +water eene andere kleur, waarover Flink zich zeer verheugde, doordien +hij daaruit afleidde, dat de oever in dit geval minder steil dan +gewoonlijk zijn zou. Niettemin was het toch een beangstigend gevoel, +zoo op een geheel onbekend strand aan te loopen. Nog slechts eene +kabelslengte waren zij daarvan af en nog schuurde het schip den grond +niet. Nog wat verder en een dof gekraak steeg uit de diepte op, +’t was het breken en afbrokkelen der koraalboomen, die in gansche +wouden onder het water voortwassen.—Toen opnieuw een gekraak, +doch ditmaal sterker dan eerst;—<span class="corr" id="xd21e855" +title="Bron: Toen">toen</span> herhaalde malen eene slingerende +<span class="pagenum">[<a id="pb36" href="#pb36" name= +"pb36">36</a>]</span>schommeling;—toen een schok, een stoot, die +het wrak, nu de branding het voor de laatste maal in de hoogte beurde, +tot in zijn binnenste deed sidderen en kreunen;—toen bleef het +vast en onbeweeglijk zitten. Flink liet het roer varen, om zich van de +ligging van het schip te overtuigen. Hij zag over den boeg naar alle +zijden rond en bevond, dat het geteisterd wrak van het zoo trotsche +schip De Vrede op een bed van koraalklippen roerloos vastzat.</p> +</div> +</div> +<div id="ch8" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">ACHTSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">TROOST IN HET ONGELUK.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Nauwelijks was dit gebeurd, of Willem kwam uit de +kajuit aanloopen en riep: „Vader, moeder zendt mij bij u. Zij is +wakker geworden door het gekraak van het schip en zeer ontsteld. Wilt +gij niet eens bij haar komen?”</p> +<p>„Ja, mijn beste jongen, dadelijk,” was het antwoord.</p> +<p>„Wat is er dan toch, lieve, en waar zijt gij allen +geweest?” riep mevrouw Wilson, toen haar man voor haar bed trad. +„Ik ben zoo geweldig verschrikt:—ik lag gerust in slaap en +werd door een vreeselijk leven gewekt.”</p> +<p>„Wees gerust, lieve,” antwoordde haar echtgenoot. +„Wij hebben in groot gevaar verkeerd, maar thans, hoop ik, zijn +wij behouden. Zeg mij, voelt gij u niet beter na uwe lange +rust?”</p> +<p>„O ja, veel beter—veel sterker; doch zeg mij toch, wat +er gebeurd is.”</p> +<p>„Veel, veel, beste vrouw, reeds voordat gij in slaap waart. +Wij hebben ’t voor u geheim gehouden; maar thans, nu wij +denkelijk spoedig aan land zullen gaan—<span class="corr" id= +"xd21e877" title="Bron: ..">...</span>”</p> +<p>„Aan land gaan?”</p> +<p>„Ja, aan land. Welnu, wees maar bedaard en laat mij u +vertellen, wat er al is voorgevallen en hoezeer wij reden hebben om +dankbaar te zijn.”</p> +<p>Mijnheer Wilson gaf nu een nauwkeurig verslag van al het tot dusver +gebeurde. Zijne vrouw hoorde hem aan zonder een woord te spreken, maar +toen hij geëindigd had, zonk zij in zijn armen en weende +bitterlijk. Hij deed alles om haar te troosten, tot eindelijk Juno met +de kinderen terugkwam, want het was vrij laat geworden.</p> +<p>„Nu, mijnheer,” riep Flink, toen de heer Wilson weer bij +hem op het dek kwam, „ik heb eens goed rondgekeken en vind, dat +wij alle reden hebben <span class="pagenum">[<a id="pb37" href="#pb37" +name="pb37">37</a>]</span>om blij en dankbaar te zijn. Het schip ligt +vast genoeg en zal zich niet verroeren, totdat er een nieuwe storm komt +en het in stukken slaat. Zoo iets is echter vooreerst niet te vreezen. +De weinige wind, die er nu nog is, gaat langzamerhand liggen en nog +vóór den dag van morgen zullen wij volmaakt stil weer +hebben.”</p> +<p>„Ik geef toe, Flink, dat er geen dadelijk gevaar is; maar hoe +zullen wij aan wal komen—en, zijn wij daar, waarvan in de +toekomst leven?”</p> +<p>„Ook daarover heb ik nagedacht en ik zal uw en zelfs Willems +bijstand verzoeken, om de kleine boot aan boord te krijgen, waar ik ze +kalefateren kan. De kiel is beschadigd, maar ik heb het timmermanswerk +meer bij de hand gehad en met wat dik geteerd zeildoek zal ik haar wel +zoo waterdicht maken, dat zij ons allen veilig aan land +brengt.”</p> +<p>„En als wij nu aan land zijn?”</p> +<p>„Ei, mijnheer, waar kokosboomen in zoo groote menigte +voorhanden zijn, als op het eiland vóór ons, is zeker +geen hongersnood te vreezen, zelfs als wij niet nog al den proviand van +ons schip hadden. Leelijker zal het er licht met het water uitzien, +want het eiland is laag en smal; maar een mensch kan ook niet +verwachten alles altijd zoo te vinden, als hij het juist +wenscht.”</p> +<p>„Ik dank den hemel voor onze aanvankelijke redding, mijn +vriend; maar heb toch nog altijd een gevoel van onrust in mijne borst, +dat ik niet meester kan worden. Wij hebben hier zulk een woest eiland +voor ons, dat misschien nooit door een ander schip wordt aangedaan, +zoodat er weinig hoop voor ons is, om het ooit weer te kunnen verlaten. +Hier zullen wij leven en sterven,—hier zullen mijne arme kinderen +opgroeien—ja zelfs oud worden, nadat zij u en hun vader en moeder +begraven hebben, en dan zullen zij die volgen in hetzelfde graf. Al +hunne vooruitzichten en ook de mijne—ze zijn verijdeld,—al +mijne verwachtingen teleurgesteld. O, het is een treurig, ja een wreed +lot, Flink! Moet gij dat zelf niet erkennen?”</p> +<p>„Mijnheer Wilson, in vergelijking met u ben ik een oud man, en +als zoodanig mag ik wel zeggen, dat gij u ondankbaar toont, wanneer gij +op die wijze aan uwe smart toegeeft. En bovendien, wie weet of uit het +schijnbaar kwaad niet nog veel goeds voor ons kan voortvloeien? Gij +spreekt daar van uwe kinderen en hunne vooruitzichten, mijnheer; maar +kunt gij wel zeggen, wat hun lot zou geweest zijn, als zij Sidney +gelukkig bereikt hadden? Hoevele kinderen geven aanleiding tot de +schoonste verwachtingen! En als zij tot rijpheid komen, vervullen zij +dan altijd de hoop hunner ouders? Vergeef mij, mijnheer Wilson, ik hoop +U niet beleedigd te <span class="pagenum">[<a id="pb38" href="#pb38" +name="pb38">38</a>]</span>hebben, maar waarlijk, ik voel mij verplicht +zoo te spreken, als ik gedaan heb.”</p> +<p>„Gij hebt mij met volle recht bestraft, Flink, en van ganscher +harte dank ik u daarvoor,” antwoordde de ander en drukte den +zeeman diep bewogen de hand. „Ik wil niet langer klagen, neen; ik +wil mij, zoo goed ik kan, aan mijn lot onderwerpen. Ik moet mij van nu +af onder uwe orders stellen; want in onzen tegenwoordigen toestand zijt +gij mijn meerdere: kennis en ervaring is hier zooveel als macht. Kunnen +wij vandaag nog iets doen?”</p> +<p>„Ik wel, mijnheer Wilson, maar gij kunt mij morgen vroeg eerst +helpen. Ofschoon neen, wacht—gij kunt mij deze twee spieren nog +naar ’t achterdek helpen dragen; dan kan ik een bok opzetten en +alles voor morgen klaarmaken, om de boot in te zetten. Gij ziet zelf, +met zoo weinig armen aan boord en zonder masten, moeten we onze eigen +krachten wel beproeven.”</p> +<p>De heer Wilson deed wat van hem verlangd werd. „Ga thans +gerust naar beneden, mijnheer,” zeide Flink; „maar laat +Willem vooral de honden losmaken en hun wat te eten geven. De arme +dieren hebben wij immers geheel vergeten. Ik zal van nacht wacht +houden, want ik heb nog veel te doen en te overleggen; en dus wel te +rusten, mijnheer.”</p> +<p>Toen Flink alleen was, bond hij de spieren van boven stevig aan +elkaar vast en maakte een takel gereed voor den volgenden morgen. Nadat +dit verricht was, zette hij zich op een der kippenhokken neder en +verzonk in gepeins. In ’t eind door waken en vermoeienis +uitgeput, viel de oude man in diepen slaap. Met het aanbreken van den +dag werd hij gewekt door de honden, die, door Willem losgelaten en +nadat ze in het schip de ronde gedaan en niemand gevonden hadden, weder +naar de kajuit waren teruggekeerd en voor de deur waren ingeslapen. +Toen zij met zonsopgang weer op het dek kwamen en daar den ouden Flink +op het hoenderhok slapende vonden, sprongen zij bij hem op en +<span class="corr" id="xd21e913" title="Bron: lekten">likten</span> hem +vol blijdschap de handen en het gezicht. „Aha,” zeide de +oude man, terwijl hij van zijn hard leger opstond, „gij zult alle +drie van nut zijn, verbeeld ik mij. Koest Viven, koest—arme dier! +Gij hebt een goeden meester verloren, naar ik vrees.” +„Stil—laat mij nu eens zien,” vervolgde hij, in +zichzelf sprekende. „Eerst,—maar ik wil de lei en een stuk +krijt halen en alles opschrijven; want mijn geheugen is niet zoo goed +meer als in mijne jonge jaren.”</p> +<p>Flink legde de lei op het hoenderhok en schreef daar toen met krijt +op: <span class="corr" id="xd21e919" title= +"Niet in bron">„</span>drie honden, twee geiten en Billy; de big +(ik meen, dat wij vijf varkens <span class="pagenum">[<a id="pb39" +href="#pb39" name="pb39">39</a>]</span>hadden in ’t geheel; +hoenders die zijn er genoeg); drie of vier paar duiven (zooveel zeker); +(de koe is gaan liggen en zal wel niet meer opstaan;—dan moeten +wij haar slachten); dan het paar merino-schapen, dat mijnheer Wilson +toekomt. Aan levend vee dus geen gebrek. Nu—wat hebben we eerst +noodig, als we allen aan wal zijn?—Een spier en het +groot-bramzeil tot een tent, of twee trossen, een paar matrassen voor +mevrouw en de kleinen, twee bijlen, hamer, boor en spijkers; wat te +eten—ja en ook wat om dat te snijden.—Ziezoo, dat is voor +een gezin genoeg,” besloot Flink zijne alleenspraak. „Nu +wil ik schielijk vuur aanmaken, ’t water overhangen en, daar ik +dat toch heb, een paar stukken rund- en varkensvleesch koken om mee aan +land te nemen. Dan wil ik mijnheer roepen, want ik reken, dat wij een +zwaren werkdag in het vooruitzicht hebben.<span class="corr" id= +"xd21e924" title="Niet in bron">”</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch9" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">NEGENDE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">HET EILAND.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Zoodra Flink het voorgenomene verricht en de dieren +gevoederd had, ging hij in de kajuit en wekte vader en zoon. Met +vereenigde krachten werd de bok opgericht en vastgezet; vervolgens +haakte men de boot in, maar om deze onbeschadigd over het boord te +hijschen, werd nog de hulp van een vierden persoon vereischt.</p> +<p>„Willem, loop schielijk naar Juno en zeg haar, dat zij op het +dek moet komen, om ons te helpen;—wij moeten allen de handen uit +de mouw steken! Uw moeder zal de kleinen wel een poosje bij zich +nemen.”</p> +<p>De knaap was in een ommezien met Juno terug, die eene sterke meid +was en braaf hielp om de boot uit te zetten, waarna zij naar de kajuit +terugkeerde.</p> +<p>De boot werd onderstboven gekeerd en Flink begon zijn arbeid, +terwijl mijnheer Wilson den teerpot op het vuur zette en alles +gereedmaakte, om het zeildoek, zoodra ’t was opgespijkerd, +behoorlijk te teren. Het liep reeds tegen den middag, toen Flink, die +er duchtig op los hamerde, met het lappen der boot klaar kwam. Nu moest +hij die nog met zeildoek bekleeden, dat vooraf door en door goed met +teer was doortrokken.</p> +<p>„Zoo, denk ik, zal het wel gaan, mijnheer,” zeide hij. +„Wij moeten haar <span class="pagenum">[<a id="pb40" href="#pb40" +name="pb40">40</a>]</span>nu naar den valreep brengen en in zee laten. +Het is een geluk voor ons, dat zij de verschansing al vroeger +weggenomen en ons daardoor nu vrij wat moeite bespaard +hebben.<span class="corr" id="xd21e944" title= +"Niet in bron">”</span></p> +<p>Er werd een touw aan de boot vastgemaakt. Vervolgens werd zij door +de beide mannen met vereende krachten neergelaten en scheen, tot hunne +groote blijdschap, slechts weinig water in te laten.</p> +<p>„Wat dunkt u nu ’t best, mijnheer: zullen wij eerst de +kinderen of liever vooraf het noodzakelijkste aan land +brengen?”</p> +<p>„Hoe denkt gij daar zelf over, Flink?”</p> +<p>„Ik? Ei, mij dunkt, daar het water nu zoo glad als een spiegel +is en wij ook overal landen kunnen, moesten gij en ik maar eerst +overroeien, om de kust eens op te nemen. Het is slechts een klein +tochtje en zal ons weinig tijd doen verliezen.”</p> +<p>„Zeer goed, Flink; maar eerst wil ik dat even aan mijne vrouw +gaan zeggen.”</p> +<p>„En in dien tusschentijd zal ik het zeil en eenige andere +dingen in de boot brengen; dan gaat er geen tijd verloren.”</p> +<p>Flink haalde het zeil, eene bijl, een geweer en eenig touwwerk. +Mijnheer Wilson was spoedig terug. Toen lieten zij zich zakken in de +boot en roeiden naar het land.</p> +<p>Bij het betreden van den wal bevonden zij, dat zij van het binnenste +van het land niets zien konden, wijl de kokosboomen overal zoo dicht +stonden. Aan hunne linkerhand echter, op ongeveer een vierde mijl +afstands, ontdekten zij eene kleine zandige bocht, geheel omgeven met +struikgewas, dat zich tot aan het hooge woud uitstrekte.</p> +<p>„Daar,” riep Flink, met den vinger er heen wijzende, +„daar is onze plaats. Laat ons weer in de boot gaan en er heen +roeien; het is een korte afstand voor ons, maar zou een lange weg zijn, +indien wij ons goed er naar toe moesten sleepen.”</p> +<p>In weinige minuten bereikten zij de bocht; het water had weinig +diepte en was zoo helder als kristal, zoodat zij de fraaiste schelpen +op den bodem ontdekten en zagen hoe de visschen in alle richtingen +vroolijk voortschoten.</p> +<p>Het vlakke oeverzand liep bij de vijftig passen landwaarts in en dan +nam het kreupelbosch een aanvang, dat zich, met hier en daar een +enkelen kokosboom daartusschen, bijna even ver uitstrekte, tot het ten +laatste het hooge woud bereikte. Na weinige riemslagen schuurde de boot +het witte zand en zij stapten aan wal. <span class="pagenum">[<a id= +"pb41" href="#pb41" name="pb41">41</a>]</span></p> +<p>„Welk eene heerlijke plek is dit!” riep de heer Wilson; +<span class="corr" id="xd21e973" title="Niet in bron">„</span>en +wellicht werd zij nog nooit door een sterveling betreden.”</p> +<p>„Zoo gij het goedvindt,” antwoordde Flink, „willen +wij het bosch een eind weegs ingaan. Neem echter het geweer mede, +mijnheer. Niet, dat er veel kans is, dat wij het noodig zullen hebben; +men vindt zelden een wild dier op deze kleine eilanden, of ’t +mochten soms een paar zwijnen zijn, er vroeger aan land +gezet,—maar men kan toch niet te voorzichtig zijn. Ik heb vroeger +met een kapitein gevaren, die zelden een woest eiland aandeed, zonder +er een paar biggen of eenig ander gedierte tot aanfokking achter te +laten, voor ’t geval, dat eens een mensch daar schipbreuk lijden +mocht. Een mooie trek, niet waar?”</p> +<p>„Dat was het zeker, vriend. Ziehier het bosch dan; wat wilt +gij nu?”</p> +<p>„Ik zag naar eene plek uit, om voor het oogenblik eene tent op +te slaan, mijnheer, en geloof, dat deze kleine hoogte daartoe wel +geschikt is, totdat wij verder onderzoek doen en een betere woonstee +vinden kunnen. Nu dadelijk hebben wij echter geen tijd, want wij dienen +nog vrij wat riemslagen te doen, voordat het avond wordt. Mij dunkt, +wij moesten het zeil en het andere goed nu eerst maar aan wal brengen +en dan weer naar boord gaan.”</p> +<p>Onder het terugroeien naar het wrak, zeide Flink: „Daar bedenk +ik, mijnheer, wat mogelijk wel het best zal zijn. Mevrouw zal zich toch +niet al te ongerust maken, als gij niet bij haar zijt?—Zoo niet, +zou ik zeggen, dat wij Juno en den kleinen Thomas eerst aan land +moesten brengen, omdat zij daar dadelijk van dienst kunnen +zijn.”</p> +<p>„Ik geloof niet, dat zij zich beangst zal maken, als wij haar +met Willem en de kinderen aan boord achterlaten, wanneer ik maar weer +bij haar ben, als zij met het kleintje het schip verlaat.”</p> +<p>„Welnu, zooals gij goedvindt, mijnheer. Wij laten Willem dus +aan boord en ditmaal zet ik Juno met den kleinen Thomas over. Ook wil +ik daarbij de honden niet vergeten; zij kunnen tot onze bescherming +strekken, ingeval er iets gebeuren mocht. Terwijl gij met Juno aan land +dan bezig zijt, roei ik terug en haal de andere dingen, die wij voor +een begin noodig hebben.”</p> +<p>Terstond toen zij op het schip aankwamen, snelde mijnheer Wilson +naar zijne vrouw om haar door het verhaal van wat zij gezien hadden te +verblijden, en verkreeg ook gereedelijk hare toestemming tot het door +Flink ontworpen plan. Terwijl de heer Wilson beneden was, had Flink de +beide spieren, waaruit de bok bestond, losgebonden en ze in ’t +water neergelaten, om ze aan een stuk touw aan de boot met deze naar +den oever te boegseeren. <span class="pagenum">[<a id="pb42" href= +"#pb42" name="pb42">42</a>]</span>Een paar minuten later verscheen Juno +met Thomas op het dek. Flink pakte nog eenig timmergereedschap benevens +een paar spaden in de boot, haalde ten laatste de honden nog, en voor +de tweede maal landden zij in de zandige bocht. Thomas staarde langen +tijd als verbijsterd rond, maar sprak geen woord, totdat hij aan het +strand eenige bonte schelpen ontdekte, waarover hij luide juichkreten +aanhief en die hij met beide handen begon op te rapen. De honden +blaften en liepen in hun blijdschap, dat zij eindelijk weer op vasten +grond waren, als dol en uitgelaten heen en weer. Ook Juno lachte en +klapte in de handen, toen zij in het rond zag, en zeide tot Flink: +„Wat ijselijk mooi land hier is, hier ikke wel wonen +wil.”</p> +<p>„Nu zal ik een tijdlang met u aan land blijven, mijnheer +Wilson,” zeide de oude zeeman. „Eerst willen wij het geweer +laden, en dan moet gij dien kleinen jongeheer eens terechtzetten, die +merk ik, alles met handen voelen en tasten moet. Wij met ons beiden +zullen het zeil hierheen dragen; Juno kan het gereedschap nemen, en dan +hebben wij nog eene vracht aan de spieren, het touw en wat wij meer +vinden. Kom, kleine handjegauw, gij kunt althans een van de spaden +dragen en dan zijt gij toch ook tot iets nut. Geen van ons mag vandaag +luieren.”</p> +<p>Na eene lading op de kleine, vroeger door Flink gekozen hoogte +gebracht te hebben, keerden zij naar het strand terug en haalden de +spieren en het verdere gereedschap. Thomas droeg deze tweede reis de +andere schop en was niet weinig trotsch, dat men hem zoo goed gebruiken +kon.</p> +<p>„Deze beide boomen zijn volmaakt tot ons doel geschikt,” +zeide Flink, „en staan ook juist ver genoeg van elkander. Wij +moeten de spieren daar bovenaan vastbinden en dan het zeil daarover +werpen, dat hierop aan weerszijden met pinnen in den grond wordt +vastgemaakt. Dat is althans voldoende voor een begin; de volgende reis +breng ik nog meer zeildoek over en dan maken wij tusschen gindsche twee +boomen nog een tweede tent. Dan hebben we voor ’t minst toch onze +twee tenten: de eene voor mevrouw, Juno en de beide jongens, de andere +voor Willem, onzen knappen Thomas hier en ons beiden. Nu, mijnheer, zal +ik u de spieren nog helpen vastmaken. Het overige moet ik dan aan uw +eigen zorg overlaten, om spoedig weer aan boord terug te +zijn.”</p> +<p>„Hoe kunnen wij echter zoo hoog reiken, Flink?”</p> +<p>„Wel, dat is zeer eenvoudig. Wij binden eerst de eerste spier +zoo hoog als wij met gemak doen kunnen; dan klimmen wij daarop en +brengen de volgende waar zij behoort. Ik zal nog eene spier aan wal +brengen, die voor de tweede tent kan dienen.”</p> +<div class="figure xd21e1005width"><img src="images/p043.jpg" alt= +"Het kostte vrij wat moeite om allen goed in de boot te krijgen." +width="485" height="720"> +<p class="figureHead">Het kostte vrij wat moeite om allen goed in de +boot te krijgen.</p> +</div> +<p><span class="pagenum">[<a id="pb43" href="#pb43" name= +"pb43">43</a>]</span></p> +<p>Zoodra de spier op de vereischte hoogte vastzat, wierpen zij het +zeil daarover en bij het uitbreiden daarvan bevonden zij, dat zij eene +zeer bruikbare tent van behoorlijke hoogte verkregen hadden.</p> +<p>„Nu, mijnheer, ga ik weer naar boord. Gij kunt inmiddels van +het hout daar prikken snijden en het zeil daarmee in den grond +vastslaan. Als gij dan met de schop den tentrand met zand bedekt, dat +de einden neerdrukt, zal alles redelijk goed sluiten. Hier is mijn mes, +zoo gij er zelf geen bij u hebt.”</p> +<p>„Ik zal in alles mijn best doen,” verzekerde mijnheer +Wilson. „Als ik zoover ben, kan Juno mij het doek vast helpen +aantrekken.”</p> +<p>„Goed; en onderwijl neemt Juno eene schop en maakt den grond +onder de tent schoon en effen, ruimt alle dorre kokosbladeren weg en +ziet daarbij wel toe, dat er niet het een en ander ongedierte onder +schuilen blijft. Gij kleine Tom, moet niet wegloopen en moogt ook niet +bij de bijlen komen, want zoodra ge die aanraakt, snijden ze u. Ook +moeten wij afspraak maken, mijnheer, dat gij, zoodra u iets overkomt en +gij mij noodig hebt, dadelijk het geweer lost. In een oogenblik ben ik +dan bij u. Maar dat is wel niet waarschijnlijk,” besloot Flink +eindelijk, ging naar de baai, stapte in de boot en roeide naar het +schip terug.</p> +</div> +</div> +<div id="ch10" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">TIENDE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">LANDING.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Na zijne komst aan boord ging Flink eerst in de +kajuit, om mevrouw Wilson te vertellen wat er al gedaan was. Deze was +natuurlijk eenigszins bezorgd, dat haar man zoo alleen was +achtergebleven; maar Flink stelde haar weder gerust en zeide haar, hoe +hij met mijn heer Wilson was overeengekomen, dat deze bij het geringste +onraad door het losbranden van zijn geweer een teeken geven zou.</p> +<p>Hierop begaf hij zich naar de zeilkooi, om eenig doek, een nieuw +bramzeil benevens bindtouw, naalden en zeilgaren te halen. Nauwelijks +had hij dit opgepakt, toen op eens, juist toen hij zijn voet op de trap +zette, de knal van een geweer gehoord werd en mevrouw Wilson, doodelijk +verschrikt, uit de kajuit kwam vliegen. De oude man nam oogenblikkelijk +een ander geweer, liet zich daarmee in de boot afzakken en repte zich, +wat hij kon, <span class="pagenum">[<a id="pb44" href="#pb44" name= +"pb44">44</a>]</span>naar de kust. Toen hij geheel buiten adem +aanlandde, vond hij mijnheer en Juno aan de tent bezig, Thomas zat +daarbij en schreide en snikte al zijn best. Gelijk nu bleek, was de +kleine deugniet, terwijl de anderen druk aan ’t werk waren, naar +het geweer geslopen, dat men tegen een boom had gezet. Na het een +poosje van alle kanten bekeken te hebben, kwam hij met de hand aan den +trekker. Het schot viel. Daar echter de tromp van ’t geweer +gelukkig naar boven gericht was, deed het niemand schade, ofschoon het +den kleinen schutter toch duur te staan had kunnen komen,—en wee +onzen Thomas, als die hem op het hoofd ware gevallen! Hij zou er dood +onder gebleven zijn. Zijn vader, die wel <span class="corr" id= +"xd21e1030" title="Bron: berijpen">begrijpen</span> kon wat +ontsteltenis dat schot aan boord veroorzaken moest, had hem duchtig +onder handen genomen, en daar zat Thomas nu en schreide tranen met +tuiten, om te toonen, hoe bitter berouw hij had.</p> +<p>„’t Zal wel het best zijn, dat ik dadelijk terugroei en +mevrouw zeg wat hier gebeurd is,” zeide Flink.</p> +<p>„Ja, doe dat, mijn goede vriend,” bad mijnheer Wilson +hem.</p> +<p>Dus keerde de oude man naar het schip terug en berichtte het +<span class="corr" id="xd21e1039" title= +"Bron: voorgegevallene">voorgevallene</span>. Vervolgens ging hij aan +zijn arbeid. Vooreerst liet hij des zeilmakers zak met al het noodige, +als priemen, garen, enz., in de boot neer, vervolgens twee matrassen en +beddedekens uit de bovenkajuit, de bakpan met het pekelvleesch en +eindelijk nog een spier, die hij weder achter aan de boot vastmaakte. +Daarmee had hij zijne lading overvol; doch daar hij anders geen volk +inhad, kwam hij nog al spoedig over. De twee aan land hielpen hem alles +naar de hoogte overbrengen en hier werd de nokbalk der tweede tent +spoedig aan twee andere boomen vastgehecht. Juno had de eerste tent van +binnen netjes schoongemaakt en daarbij, naar zij verzekerde, geenerlei +dier of insect onder het dorre loof gevonden. Voordat Flink vertrok, +gaf hij Thomas een stok in de hand en zeide hem op het vleesch te +passen en toe te zien, dat de honden daar niet bij kwamen; waarop +Thomas, die al weer in vroolijk humeur was, zijn stok schouderde en zoo +parmantig op schildwacht stond als een oud grenadier.</p> +<p>Onze stuurman roeide nog tweemaal naar het schip en bracht meer +beddegoed, een zak met scheepsbeschuit, een tweeden met aardappelen, +borden, messen, lepels, vorken en allerlei keukengereedschap van daar +mede. Hierop wees hij Juno, hoe zij de einden van de eerste tent met +het garen en ’t zeildoek, dat hij had meegebracht, aaneen moest +hechten; zoodat de tent rondom dicht en goed gesloten werd; en Juno nam +naald en draad en piekte er dapper op los. Uiterst voldaan, dat het +meisje zoozeer haar <span class="pagenum">[<a id="pb45" href="#pb45" +name="pb45">45</a>]</span>best deed en zich zonder vreemde hulp redden +kon, zei Flink ten laatste: „Mijnheer, wij hebben nog maar twee +uren dag en het begint dus tijd te worden, dat ook mevrouw van het +schip komt. Als ge ’t goedvindt, willen we gaan en haar met de +kinderen halen. Voor den eersten nacht aan land zullen wij het, denk +ik, vrij goed hebben. Zoo ’t weer goed blijft, kunnen wij morgen +een heel stuk verder komen,—en waarlijk, ’t is noodig dat +wij, zoolang het zóó blijft, ons uiterste best doen, om +alles aan wal te krijgen, daar één duchtige storm het +wrak waarschijnlijk geheel in stukken zal slaan. Ik heb alles zelf mee +in het ruim helpen stuwen en weet de meeste dingen daar te vinden +ofschoon wij er, vrees ik, niet veel meer uit zullen krijgen, dat ons +van dienst kan zijn.”</p> +<p>Aan boord gekomen, ging mijnheer Wilson zijne vrouw dadelijk het +voorstel doen, om thans mee aan land te gaan. Zij was zeer aangedaan en +nog zwak en ongesteld, maar toch hield zij zich recht moedig en kwam, +ondersteund door haar man, op het dek, waarheen Willem met zijn kleine +broertje op den arm volgde, terwijl Flink zijne zuster Caroline aan de +hand leidde. Het koste vrij wat moeite om allen goed in de boot te +krijgen; maar dit gelukte toch eindelijk. De arme vrouw was echter zoo +zwak, dat haar man haar in zijne armen overeind moest houden en zijn +riem aan Willem overgeven. Zij landden gelukkig en brachten de zieke in +de tent, waar men haar op een der bedden nederlegde. Zij verzocht om +een weinig water.</p> +<p>„En ik, oude domkop, heb vergeten dat mee te nemen; doch ik ga +het terstond halen,” riep Flink. „Zoo druk allen mogelijken +voorraad over te slepen en toch het allernoodzakelijkste voor den +mensch te vergeten! Wij moeten zoo spoedig mogelijk hier op dit eiland +naar water omzien daar dit ons vrij wat moeite kan besparen.”</p> +<p>Flink keerde zoo snel mogelijk naar boord terug en bracht twee +vaatjes water mede, welke hij en Willem naar de tent rolden.</p> +<p>„Voor vandaag heb ik nu mijne laatste reis gedaan,” +zeide de oude man. „Ik ben moe—doodmoe<span class="corr" +id="xd21e1055" title="Bron: ,">.</span>”</p> +<p>„Dat geloof ik wel, mijn goede vriend,” antwoordde +mijnheer Wilson. „Gij hebt vele nachten achtereen gewaakt en over +dag hard gearbeid. Aan verder werk moet gij heden niet meer +denken.”</p> +<p>„En ik heb geen eten geproefd vandaag en zelfs geen druppel +water over mijne lippen gebracht,” vervolgde Flink en zette zich +op den grond neder.</p> +<p>„Hoe is het, beste Flink, zijt gij niet wel?” vroeg +Willem. <span class="pagenum">[<a id="pb46" href="#pb46" name= +"pb46">46</a>]</span></p> +<p>„Een beetje flauw, mijn jongen; ik ben niet meer zoo jong als +vroeger. Kunt ge mij wat water aanreiken?”</p> +<p>„Wacht, Willem, dat zal ik doen,” zei zijn vader en +haalde een tinnen kan, die hij pas voor zijne vrouw gevuld had. +„Hier, Flink, drink en wel bekome ’t u!”</p> +<p>„Het zal spoedig beter zijn, mijnheer. Ik zal mij een poosje +neerleggen en dan een beschuit met wat vleesch gebruiken.”</p> +<p>De goede oude man was werkelijk geheel uitgeput, doch na iets +gegeten te hebben, voelde hij zich spoedig veel beter. Juno was zeer +ijverig. Ze had aan de kinderen wat pekelvleesch en beschuit gegeven; +de jongste, benevens Thomas en Caroline, waren te bed gebracht, en de +tweede tent was genoegzaam gereed.</p> +<p>„Voor dezen nacht zal het zeer goed gaan, Juno,” zeide +haar meester. „Wij hebben vandaag veel afgedaan en de rust zal +daar goed op smaken.”</p> +</div> +</div> +<div id="ch11" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">ELFDE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">HET ONTBIJT.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Mijnheer Wilson was den volgenden ochtend de eerste +die ontwaakte en opstond. Hij verliet de tent en liet de oogen in het +rond gaan. De hemel was helder als kristal. Een frisch morgenwindje +streek over de watervlakte en de kleine golfjes speelden op het witte +zand van de bocht. Aan de linkerzijde van deze klom het land tot kleine +heuvels op, boven welke zich de voortzetting van het kokosbosch statig +verhief. Rechts rees eene lange reeks koraalriffen genoegzaam loodrecht +uit de zee op en paalde aan het frissche groen der heuvelhelling en aan +het struikgewas, terwijl het wrak van De Vrede zich, als hoofdfiguur in +deze schilderij, zwart en roerloos, als een gestrand zeemonster, aan +den toeschouwer vertoonde. De zon brandde, waar zij hare stralen werpen +kon, doch onder de kokosboomen, waar Wilson stond, was eene koele +verkwikkende schaduw.</p> +<p>De uitnemende schoonheid van dit tooneel, hoewel eenigszins gematigd +door de treurige vertooning van het gestrande vaartuig, maakte een +diepen indruk op den bekommerden huisvader, die daar in diep nadenken +verzonken stond.</p> +<p>„Ja,” dacht hij, „ware ik de wereld en hare +beslommeringen moe geweest <span class="pagenum">[<a id="pb47" href= +"#pb47" name="pb47">47</a>]</span>en had ik een oord gezocht, waar +vrede en schoonheid om den prijs dingen, ik zou dat hier gevonden +hebben. Hoe heerlijk is dat gezicht hier! Wat kalmte, wat zoeten +weemoed wekt het op? Hoe genadig zijn wij bewaard, toen alle hoop reeds +verdwenen scheen; hoe weldadig werden wij verzorgd na onze werkelijke +redding—en toch—toch waagde ik het te klagen, toen vurige +dankbaarheid mijn eenig gevoel had behooren te zijn!”</p> +<p>Hij keerde naar zijne tent terug. Willem, Thomas en stuurman Flink +lagen nog in diepen slaap. „Brave oude man,” sprak hij bij +zichzelf, <span class="corr" id="xd21e1090" title= +"Niet in bron">„</span>als wij ooit weder in de woelige +samenleving terugkeeren, zal uwe goedheid haar loon erlangen; voor +zoover het in mijne macht staat u te vergelden. Een edel hart is hier +onder de ruwe schors verborgen. Zonder zijne verknochtheid,—zijne +voorbeeldelooze zelfopoffering, zou ik, zouden deze lieve hulpelooze +wezens niet meer bestaan!”</p> +<p>De honden, die in de tent gekropen waren en zich nevens Willem en +Thomas op de matrassen hadden neergelegd, rezen nu op en naderden +vleiend hun meester. Deze beweging deed Willem ontwaken. Zijn vader gaf +hem een wenk, dat hij Flink niet wekken moest, en zachtjes kleedde hij +zich aan en kwam buiten.</p> +<p>„Zal ik niet liever Juno wekken, vader?” vroeg hij. +„Ik kan dat denkelijk wel doen zonder moeder te +storen.”</p> +<p>„Doe het dan, mijn jongen, ik ga onderwijl zien, wat voor +keukengereedschap Flink al aan land heeft gebracht.”</p> +<p>Willem was spoedig terug en berichtte, dat moeder nog gezond en vast +sliep en dat Juno was opgestaan, zonder haar of de beide kleinen wakker +te maken.</p> +<p>„Goed, dan zullen wij zien, of we niet een ontbijt voor hen +gereed kunnen maken, Willem. Deze dorre kokosbladeren zullen heerlijk +branden.”</p> +<p>„Maar, vader, waar krijgen wij het vuur vandaan? Wij hebben +geen tondeldoos en ook geen zwam of vuurslag.”</p> +<p>„Neen, maar er zijn nog andere middelen, mijn zoon, ofschoon +de tondel meestal daarbij noodig is. De wilden maken vuur door een week +stuk hout tegen een hard voorwerp aan te wrijven. Ik vrees, dat ons dit +niet zoo spoedig gelukken zou<span class="corr" id="xd21e1108" title= +"Bron: :">;</span> maar wij hebben kruit en kunnen dit als tondel +gebruiken, als wij ’t nat maken en op een stuk papier of, nog +beter, op zacht hout wrijven. Het kruit aansteken kunnen wij op +<span class="corr" id="xd21e1111" title= +"Bron: tweeërleei">tweeërlei</span> manier: door middel van +steen en vuurslag, of anders met behulp van een brandglas.”</p> +<p>„Maar een brandglas hebben wij niet.”</p> +<p>„Neen; maar wij kunnen er een uit een verrekijker nemen als +wij weer <span class="pagenum">[<a id="pb48" href="#pb48" name= +"pb48">48</a>]</span>eens aan boord komen. Voor ’t oogenblik +hebben wij geen ander middel dan met het geweer.”</p> +<p>„Maar, vader, als ons vuur aan is, wat <span class="corr" id= +"xd21e1122" title="Bron: zulen">zullen</span> wij dan nog koken? Wij +hebben immers thee noch koffie.”</p> +<p>„Dat is waar; ik geloof niet, dat wij een van beide rijk +zijn.”</p> +<p>„Aardappelen hebben wij wel, vader.”</p> +<p>„Ja, mijn jongen; maar dunkt het u niet beter, dat wij ons +vooreerst met koud vleesch en beschuit behelpen en de aardappelen +sparen? Misschien hebben wij die alle noodig om te poten. Doch waarom +gaan wij niet zelven aan boord van het schip? Gij kunt de riemen vrij +goed hanteeren en wij moeten thans leeren arbeiden en niet alles aan +den braven Flink overlaten. Het zal nog wel een tijd aanhouden, voordat +wij zoo handig en op alles gevat zijn als de oude man, maar al doende +leert men, en wij willen ten minste onzen goeden wil toonen. Kom, +Willem.”</p> +<p>Zij gingen naar de bocht. De kleine boot lag nog aan het strand en +schommelde zacht op de spelende golven. Zij bonden ze los en stapten er +in.</p> +<p>„Ik weet, waar de kok zijne thee en koffie bewaarde, +vader,” zei Willem onder het roeien. „Moeder zal die gaarne +bij haar ontbijt hebben, en ik kan ook de geiten melken voor kleinen +Albert.”</p> +<p>Hoewel geen van beiden in het roeien zeer bedreven, kwamen zij toch +spoedig aan de zijde van het wrak en klommen zonder moeite aan boord, +na de boot eerst stevig te hebben vastgebonden.</p> +<p>Willem liep eerst naar de kajuit om thee en koffie te zoeken en liet +zijn vader inmiddels andere benoodigdheden bijeenpakken, terwijl bij de +geiten melkte en de melk in een tinnen schotel deed. Vervolgens goot +hij ze in een zuivere flesch over, opdat zij niet zuur zou worden en +keerde toen naar zijn vader terug.</p> +<p>„Ik heb deze beide korven met eene menigte dingen gevuld, die +uwe moeder zeer welkom zullen zijn, Willem. Wat zullen wij verder nog +meenemen?”</p> +<p>„Dezen verrekijker in allen gevalle, lieve vader; en dan +willen wij alle kleeren en linnengoed inpakken;—dat zal moeder +verrassen. Het linnen ligt in de koffers; wij zullen er zeildoek omheen +slaan. En dan, vader, zullen we ook eenige van de boeken +meebrengen.”</p> +<p>„Dat is uitmuntend, Willem,” antwoordde de vader. +„Ik wil eerst alles inladen en dan terugkomen en het overschot +halen.”</p> +<p>Binnen het uur waren zij weer aan land. Daar vonden zij Juno, die +zich <span class="pagenum">[<a id="pb49" href="#pb49" name= +"pb49">49</a>]</span>intusschen gewasschen had en nu aan de bocht op +hen wachtte, om hen bij het lossen behulpzaam te zijn.</p> +<p>„Wel, Juno, hoe hebt gij ’t van morgen?”</p> +<p>„Ikke heel goed, massa,” was haar antwoord en op +’t helder water wijzende, vervolgde zij: „Daar zwemmen +geducht veel visch hier.”</p> +<p>„Ja, als wij maar vischtuig hadden,” antwoordde mijnheer +Wilson. <span class="corr" id="xd21e1156" title= +"Niet in bron">„</span>Flink zal wel ergens haken en snoeren voor +ons weten op te schommelen. Kom, meid, breng dezen bundel linnen naar +uwe tent; het overige kunnen wij alleen wel bezorgen.”</p> +<p>„En neem ook deze flesch melk, Juno; ik heb haar voor kleinen +Albert meegebracht,” zeide Willem.</p> +<p>„Dankje, dankje wel, massa Willem; datte heel zoet zijn van +jonk massa.”</p> +<p>„En haast u maar wat, Juno; want daar is Thomas ook al op de +been en springt in zijn hemd rond.”</p> +<p>Bij de tenten vonden zij allen wakker, met uitzondering van den +ouden stuurman, die nog zeer vast scheen te slapen. Mevrouw Wilson had +een zeer goeden nacht gehad en voelde zich verfrischt en gesterkt. +Willem wreef een stuk papier met kruit in en bracht het door de glazen +van den kijker aan het branden, waarop spoedig een helder vuur vroolijk +opvlamde. Zijn vader had onderwijl aan het strand drie groote steenen +gezocht, waarop de ketel geplaatst werd; en na een half uur kookte het +water en was de thee gezet.</p> +</div> +</div> +<div id="ch12" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">TWAALFDE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">DE HAAIEN.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Juno had de kinderen naar de bocht meegenomen en, tot +aan de knieën in het water wadende, hen daarin gedompeld, als het +eenvoudigste middel om hen te wasschen. Vervolgens had zij hen +aangekleed en aan mevrouw overgegeven, waarna zij Willem de kopjes en +borden voor het ontbijt hielp bijeenzoeken. Alles werd sierlijk en net +tusschen de beide tenten op den grond uitgezet en toen sloeg Willem +voor, den goeden ouden Flink te wekken.</p> +<p>„Doe dat mijn jongen, nu is het tijd;—hij zal ook wel +iets tot ontbijt willen hebben.”</p> +<p>Willem trad op Flink toe en tikte hem zacht op den schouder. +<span class="pagenum">[<a id="pb50" href="#pb50" name= +"pb50">50</a>]</span></p> +<p>„Hoe is ’t, Flink, hebt gij nu goed uitgeslapen?” +vroeg hij, toen de oude man opstond.</p> +<p>„Ja, beste jongen. Ik ben terdeeg onder zeil geweest, dunkt +mij<span class="corr" id="xd21e1185" title="Bron: :">;</span> maar nu +wil ik mij haasten en zien, of ik wat tot ontbijt voor u allen klaar +kan krijgen.”</p> +<p>„Doe uw best maar,” was Willems lachend antwoord.</p> +<p>Het aankleeden kostte Flink weinig moeite of tijd, daar hij bij +’t slapen gaan enkel zijn buis had uitgetrokken. Hij schoot dit +weer aan en kwam toen buiten. Hoe vreemd stond hij te kijken, toen hij +het gansche gezelschap met mevrouw Wilson, die met den kleinen was +meegekomen, verzameld vond aan ’t ontbijt, dat op den grond +gereedstond.</p> +<p>„Goeden morgen, Flink,” zeide mevrouw Wilson en reikte +hem vriendelijk de hand. Ook haar man schudde de zijne en wenschte hem +goedenmorgen.</p> +<p>„Gij hebt een langen, vasten slaap gehad, Flink,” zeide +hij, „en ik wou u na dien zwaren dag van gisteren niet te vroeg +wekken.”</p> +<p>„Ik dank u voor uwe goedheid, mijnheer, en ben hartelijk blij, +mevrouw, dat ik u zoo wel vind,” antwoordde de oude man. +„Ik heb geen berouw over mijn lang slapen, nu ik zie, dat gij +allen u ook zonder mij zoo kostelijk redden kunt.”</p> +<p>„Ja, maar juist dat kunnen wij niet, vrees ik,” hernam +mevrouw Wilson. „Wat zou zonder u en zonder uwe goedheid van ons +geworden zijn?<span class="corr" id="xd21e1201" title= +"Niet in bron">”</span></p> +<p>„Wij kunnen wel een ontbijt zonder u gereedmaken,” zeide +haar man<span class="corr" id="xd21e1206" title="Bron: :">;</span> +„maar zonder u, brave vriend, hadden wij dat op dit oogenblik +niet meer noodig gehad. Onder het eten zullen wij u alles vertellen wat +wij gedaan hebben.”</p> +<p>Terwijl zij nu bij elkaar zaten, vertelde Willem zijn vriend, hoe +zij naar boord geroeid waren en wat zij van daar al hadden +medegebracht. Hij zeide hem ook, hoe Juno de kleinen in het water had +laten spartelen en hoe dat zeebad allen zoo goed bevallen was.</p> +<p>„Maar dat mag Juno volstrekt niet meer doen,” sprak +Flink „voordat ik eerst goed onderzoek gedaan heb. Gij weet wel, +dat rondom deze eilanden haaien in menigte loeren en dat het daarom +hoogst gevaarlijk is, in het water te gaan.”</p> +<p>„Mijn God, lieve man, wat gevaar zijn onze kinderen daar dan +weer ontkomen!” riep de bezorgde moeder met innerlijke +huivering.</p> +<p>„Dat is waar,” vervolgde Flink. „Evenwel zijn die +booze gasten minder talrijk aan de loefzijde van de eilanden, ofschoon +deze vlakke baai eene al te geschikte plaats voor hen is, dan dat zij +er niet dikwijls komen zouden. <span class="pagenum">[<a id="pb51" +href="#pb51" name="pb51">51</a>]</span>Dus, Juno, zou ik u raden, niet +weer te water te gaan, voordat ik eene plek heb opgezocht, waar gij +veilig baden kunt. Nu echter is daar nog geen tijd toe, en zoodra wij +uit het schip alles aan wal hebben, wat ons dienstig is, moeten wij +eerst overleggen, of wij hier blijven willen of niet.”</p> +<p>„Hier blijven of niet, Flink hoe meent gij dat?”</p> +<p>„Wij hebben hier tot nog toe geen water gevonden en dit is +toch de eerste behoefte des levens;—als er op deze zijde van +’t eiland geen water te vinden is, moeten wij onze tenten ergens +anders opslaan.”</p> +<p>„Dat begrijp ik, zal noodig wezen<span class="corr" id= +"xd21e1225" title="Bron: .">,</span>” antwoordde de heer +Wilson.</p> +<p>„Ik wenschte wel, dat wij tijd hadden om eenig onderzoek te +doen.”</p> +<p>„Dat kunnen wij ook; maar wij mogen daarom het fraaie weer +niet ongebruikt laten voorbijgaan. Morgen kan het licht weer stormen en +dan hebben we geen gelegenheid om iets van boord te krijgen. Het zou +goed zijn, dat wij thans opbraken, mijnheer: gij, Willem en ik. Gij en +uw zoon blijven aan boord, om het noodzakelijke bijeen te zoeken en ik +zal de goederen in de bocht brengen, waar Juno ze afhaalt.”</p> +<p>In den loop van den dag haalden zij nog eene menigte dingen, waarvan +zij verwachten konden in de toekomst dienst te zullen hebben. Nog +vóór den middag waren de kleinere zeilen en al het +touwwerk, bindgaren en doek, verder kleine tonnen, zagen, beitels en +groote spijkers, eindelijk planken van iepen- en eikenhout aan wal +gebracht. Na het gebruiken van een hartig maal begonnen zij den arbeid +opnieuw. Stoelen en tafels uit de kajuit, de gezamenlijke +kleedingstukken, eenige kisten met kaarsen, twee balen koffie, twee met +rijst en twee met scheepsbeschuit, verscheidene stukken rund- en +varkensvleesch, zakken met meel (men had veel moeite gedaan, om een +geheel vat naar boven te krijgen, doch dit was niet gelukt), dan +eindelijk de slijpsteen, nog meer drinkwater en mijnheer Wilson’s +huisapotheek werden achtereenvolgens ontscheept. Toen Flink andermaal +terugkwam, zeide hij: „Onze boot begint sterk te lekken en zal +niet veel reizen meer doen kunnen, voordat ik ze gebreeuwd heb. Ook +heeft Juno nog niet de helft van ’t goed naar de tenten gebracht; +de last is voor één persoon te zwaar. Me dunkt, we kunnen +het er heden bij laten, mijnheer Wilson, als wij voor den donker maar +eerst al de dieren aan land hebben. Ik wil die niet gaarne aan hunne +eigen zwemkunst overlaten en toch zijn het lastige potentaten in eene +boot. De koe kunnen wij niet over krijgen; zij ligt altijd nog en zal +ook wel niet meer opstaan;—zoo gaat het meestal met de beesten. +Echter heb ik haar nog rijkelijk hooi voorgestrooid en als zij niet +opstaat, moet ik haar slachten en het vleesch inzouten.” +<span class="pagenum">[<a id="pb52" href="#pb52" name= +"pb52">52</a>]</span></p> +<p>Flink ging in het ruim, en het geknor van het varken liet zich +weldra hooren. Hij had het over den rug geworpen en hield het bij de +achterpooten vast. Zoo kwam hij er mee op het dek en liet het toen over +de verschansing in zee neerploffen. Het zwijn spartelde eenigen tijd +besluiteloos rond, maar keerde toen den kop van het schip af en zwom op +het land aan.</p> +<p>„Het gaat regelrecht op den oever los,” merkte Flink +aan, die het met de beide anderen naoogde, maar een oogenblik later +riep hij:</p> +<p>„Ik heb het wel gevreesd,—’t is +verloren!”</p> +<p>„Hoe zoo?” vroeg mijnheer Wilson.</p> +<p>„Ziet gij dat zwarte ding daar, hoe ’t pijlsnel over het +water op het dier toeschiet? Dat is de staart van een haai en nu heeft +het arme beest zijn langsten tijd van het leven gehad.—Kijk, daar +gaat het al!” vervolgde Flink, toen het zwijn met een zwaren slag +onder water verdween. „Die is er geweest. Beter dat stomme dier, +dan uwe lieve kleinen, niet waar, mijnheer Wilson?”</p> +<p>„Ja, waarachtig!—Misschien is het monster dicht bij hen +geweest, toen Juno met hen in het water stond.”</p> +<p>„De slokop was zeker niet ver uit de buurt,” antwoordde +Flink; „maar nu moet hij zich met dien eenen hap tevreden +stellen, want meer krijgt hij van ons niet. Wij zullen nu naar omlaag +gaan en de andere vier varkens de pooten vastbinden; dan brengen wij ze +in de boot, die met al wat er in is, dan hare behoorlijke lading +heeft.”</p> +<p>Met de zwijnen in de boot, roeide Flink nu naar land, terwijl vader +en zoon de schapen en geiten op het dek brachten en voor de volgende +reis gereed hielden.</p> +<p>„Dat zal voor heden de laatste maal zijn,” riep de oude +man bij zijne terugkomst, „en, vergis ik mij niet, de laatste +maal in vele dagen, daar de wolken hare koppen ginder weer braaf +beginnen op te steken. We zullen nog een zak met koren voor het vee +meenemen, en dan zeggen we het schip voor een tijdlang vaarwel. Ik heb +de koe weer een voorraad water en hooi voorgezet, maar geloof niet, dat +wij haar nog levend vinden zullen bij onze terugkomst.”</p> +<p>Door de zwaarte van het graan ging de boot ditmaal zeer diep. Echter +brachten zij het gelukkig nog tot den oever, ofschoon ditmaal niet +zonder veel water in te krijgen. Willem dreef de schapen en geiten naar +de tenten, waar zij zich rustig nederlegden; de zwijnen waren +weggeloopen en ook de hoenders hadden zich verstrooid, ’t geen +trouwens niet anders te verwachten <span class="pagenum">[<a id="pb53" +href="#pb53" name="pb53">53</a>]</span>was. Het strand was geheel +overdekt met de menigte van goederen, die men heden had +aangebracht.</p> +<p>„Wij hebben ons vandaag dapper geweerd, mijnheer +Wilson,” zeide Flink met een vergenoegden blik op al dien +voorraad, „en ook de kleine boot heeft zich goed gehouden. +Voordat ik haar wat heb nagezien, mogen wij ons er echter niet weer in +wagen.”</p> +<p>Het was hun na het harde dagwerk allesbehalve onaangenaam, dat Juno +voor koffie had gezorgd, en onder het drinken verhaalden zij mevrouw +Wilson, hoe het arme varken op eene zoo gruwelijke wijze door den haai +verslonden was. De moeder drukte bij het hooren hiervan haar zoontje +onstuimig aan het hart, en toen zij haar hoofd weer ophief, glinsterden +tranen van dankbaarheid in hare zachte oogen. Ook de goede Juno was +ontsteld en verzekerde in hare gebroken taal, voortaan wel zorg te +zullen dragen, dat die booze zeeduivels niet bij hare lieve, kleine +massa’s komen konden.</p> +<p>„Wij zullen hier morgen volop te doen hebben met al dat goed +uit te zoeken en het eene behoorlijke plaats te geven<span class="corr" +id="xd21e1265" title="Bron: .">,</span>” sprak mijnheer Wilson +tot Flink.</p> +<p>„Wij zullen een langen tijd de handen nog terdege vol +hebben,” hernam deze. „Over een paar maanden omtrent kan de +regentijd invallen, en zoo er eenigszins mogelijkheid toe is, moeten +wij nog voor dien tijd onder dak zijn. Zonder eene degelijke +beschutting kunnen wij dit weer niet afwachten, dat zeker tot het einde +van het jaar aanhouden zal.”</p> +<p>„Waarmee moeten wij dan eerst beginnen?” vroeg mijnheer +Wilson.</p> +<p>„Morgen zullen wij ’t best doen nog een of twee tenten +op te slaan, om al de aan land gebrachte goederen daaronder te bergen. +Hierna kunnen wij eens zien, waar wij onzen rijkdom voor de toekomst +bewaren willen, en ook nagaan, wat ons nogal zoo ontbreekt.”</p> +<p>„Zeer goed; en wat moet er dan gebeuren?”</p> +<p>„Dan, mijnheer, dienen wij, dunkt me een klein tochtje naar +het binnenste van het eiland te doen en de plek uit te zoeken, waar wij +ons huis zullen opbouwen.”</p> +<p>„Kunnen wij een huis bouwen?” riep Willem verbaasd.</p> +<p>„Wel zeker, mijn kind; en dat zal ons minder moeite kosten, +dan gij u misschien voorstelt. Er is geen nuttiger boom dan de +kokosboom en daarbij is zijn hout zoo licht, dat wij het gemakkelijk +van de plaats kunnen krijgen.”</p> +<p>„En waarin bestaat dan het groote nut van dien +boom<span class="corr" id="xd21e1285" title="Bron: !">?</span>” +vroeg mevrouw Wilson.</p> +<p>„Dat zal ik u vertellen, mevrouw. Vooreerst geeft hij u hout, +om er een <span class="pagenum">[<a id="pb54" href="#pb54" name= +"pb54">54</a>]</span>huis van te bouwen; dan hebt gij de schors, +waaruit ge touw, koord en, zoo gij verkiest, ook vischnetten maken +kunt; vervolgens de bladeren, om uwe woning en, wilt ge, ook uw hoofd +daar <span class="corr" id="xd21e1292" title="Bron: meee">mee</span> te +dekken, want men kan zeer goed hoeden en ook manden daarvan vlechten. +Verder hebben wij de vrucht, eene noot, die zeer goed te eten en ook +gekookt voedzaam en lekker is. In de jonge noot is de zeer gezonde melk +besloten en bovendien geeft zij nog lampolie en hare schil drinknappen +en veldflesschen, als men die anders niet heeft. Eindelijk kan men nog +een wijn uit den boom tappen, die versch gebruikt een aangename drank +is, maar bedwelmt en dronken maakt, als hij langer bewaard wordt; en +van dezen wijn kan men dan ook een zeer sterken drank brouwen. Oordeel +nu zelve maar eens, mevrouw: kent gij een anderen boom, die den mensch +zooveel nut aanbrengt en hem, zooals deze, bijna van al wat hij noodig +heeft, voorziet?”</p> +<p>„Waarlijk, daar heb ik nooit iets van geweten,” was het +antwoord.</p> +<p>„In allen gevalle zijn hier boomen in menigte,” zeide +Willem.</p> +<p>„Ja, ja, mijn jongen, daar is hier geen gebrek aan; en dat +verheugt mij hartelijk, want als er maar weinig waren, zou ik er niet +gaarne een van omhouwen. Misschien konden in het vervolg nog anderen +hier schipbreuk lijden en daarbij het noodzakelijkste missen, zoodat +zij gedwongen waren, geheel alleen van de weinige kokosboomen te +leven.”</p> +<p>„Maar nu, geloof ik, zou ’t voor allen goed zijn, dat +wij te bed gingen,” zeide mevrouw Wilson.</p> +</div> +</div> +<div id="ch13" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">DERTIENDE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">EERSTE VERRICHTINGEN OP HET EILAND.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Wij kunnen voortaan in de geschiedenis van ons +gezelschap op het eiland niet meer, als tot hiertoe, de dagelijksche +verrichtingen optellen, daar wij genoeg te doen zullen hebben met de +belangrijkste voorvallen en ontmoetingen van elken dag behoorlijk te +vermelden. Den volgenden morgen na het ontbijt zeide Flink:</p> +<p>„Nu, mijnheer Wilson, moeten wij krijgsraad houden en +aangaande een ontdekkingsreisje op morgen een besluit nemen. Is dit +bepaald, dan zullen wij wel middel vinden, om dezen dag verder op eene +nuttige wijze te besteden. De eerste vraag is: wie zullen mee van de +partij zijn? Mag ik weten, hoe gij daarover denkt?” <span class= +"pagenum">[<a id="pb55" href="#pb55" name="pb55">55</a>]</span></p> +<p>„Wel, vriend,” antwoordde mijnheer Wilson, „mij +dunkt, wij beiden, gij en ik, zullen gaan.”</p> +<p>„Toch beiden niet te gelijk, lieve man?” viel zijne +vrouw hem in de rede. „Gij kunt u ook wel zonder mijn man redden, +niet waar, Flink.<span class="corr" id="xd21e1317" title= +"Niet in bron">”</span></p> +<p>„Ik had zeker wel gewenscht mijnheer Wilson en zijn goeden +raad bij mij te hebben,” was het antwoord; „maar ik heb er +ook al over nagedacht en geloof zelf, dat de kleine Willem geene +toereikende bescherming voor u is; of althans zoudt gij hem daar niet +voor houden, en dat komt voor uwe bezorgdheid nagenoeg op ’t +zelfde uit. Dus, als mijnheer er niet tegen heeft, zal ’t het +best zijn, dat hij u gezelschap blijft houden.”</p> +<p>„Wilt gij echter geheel alleen gaan, Flink?” vroeg de +heer Wilson.</p> +<p>„Neen mijnheer; ik geloof niet, dat dit goed en verstandig zou +zijn. Er kon mij immers een ongeluk overkomen, want niemand kan zeggen, +wat er gebeuren kan. Ofschoon er alle schijn van veiligheid voorhanden +is. Daarom wenschte ik wel iemand bij mij te hebben; de vraag is maar, +of dat Willem of Juno zal zijn.”</p> +<p>„Neem mij mee!” riep Thomas op eens.</p> +<p>„U meenemen, kleine man!” zei Flink lachend; +<span class="corr" id="xd21e1330" title= +"Niet in bron">„</span>dan diende ook Juno mee te gaan, om op u +te passen. Neen, men kan u hier zeker niet missen; uwe moeder zou +verlegen staan, als gij weg waart. Gij kunt zoo mooi brandhout en +drooge prikken opzamelen en op uw zusje en kleine broertje passen, dat +moeder zonder u geen raad meer weten zou. Dus moet Juno of broer Willem +met mij gaan.”</p> +<p>„En wien van beiden hadt gij ’t liefst, Flink?” +vroeg mevrouw Wilson.</p> +<p>„Uw zoon Willem, mevrouw,—hem verreweg ’t liefst, +als gij hem aan mijne zorg wilt toevertrouwen. Ik vreesde enkel, dat +gij misschien zwarigheid zoudt maken.”</p> +<p>„Ik heb het liever niet; ik zou mij liever een poos lang +zonder Juno behelpen,” antwoordde de moeder. „Maar neen, ik +heb ongelijk, lieve man,” vervolgde zij zich tot haren man +wendende, die haar bestraffend aanzag. „Ja, ik heb ongelijk. +Ziekte en lijden hebben mij niet alleen zwak en vreesachtig, maar, +vrees ik, ook zelfzuchtig gemaakt. Ik wil mij daartegen verzetten. Tot +hiertoe ben ik u lang tot last en bezwaar geweest, maar dat zal, hoop +ik, eerlang beter worden en dan zal ik mij ook nuttig zoeken te maken. +Zoo gij ’t beter acht, lieve Wilson, dat gij zelf, in plaats van +Willem, met Flink gaat,—ik ben er nu niet meer tegen, ’t +was heusch zeer verkeerd van mij, dat ik er mij een oogenblik tegen +verzette. Ga dus gerust met onzen vriend mede.” <span class= +"pagenum">[<a id="pb56" href="#pb56" name="pb56">56</a>]</span></p> +<p>„Dat mijnheer meegaat is niet noodig, mevrouw,” hernam +Flink; „uw wakkere Willem kan mij dezelfde diensten doen. Geloof +mij, ik zou van harte gaarne alleen gaan: ik heb geen vrees, dat mij +iets kwaads bejegenen zal; maar toch weten wij niets van den dag van +morgen. Ik kon immers ook ziek,—kon door eenig toeval overvallen +worden, ik ben een oud man; en dan, dacht ik, als mij een ongeluk trof, +kondt gij mij missen. Dat is alles;—ik zeide ’t niet uit +eigenbelang.”</p> +<p>„Daar ben ik volkomen van overtuigd, mijn goede oude +vriend,” antwoordde mevrouw Wilson; „maar eene moeder is +soms al heel dwaas en onverstandig.”</p> +<p>„Vergeef mij, mevrouw, niet dwaas, zooals gij zegt; slechts +soms al te bezorgd en angstvallig.”</p> +<p>„Genoeg, Flink. Onze Willem zal dan met u gaan, dat is bepaald +en besloten,” besliste de vader ten laatste. „Wat is nu aan +de beurt?”</p> +<p>„Vooreerst moeten wij ons nu tot onzen marsch gereedmaken. Wij +moeten wat mondkost en wat water bij ons hebben, daarbij een geweer en +kruit, eene groote bijl voor mij en een kleinere voor mijn reismakker. +Ook zal het goed zijn, dat Romulus en Remus meegaan; het dashondje kunt +ge hier bij u houden. Gij, Willem, kunt nu dadelijk vier halve +fleschjes met water vullen, terwijl ik voor ieder van ons een linnen +knapzak in elkander naai.”</p> +<p>„En wat zal <i>ik</i> doen?” vroeg mijnheer Wilson.</p> +<p>„Gij, mijnheer, zoudt ons een grooten dienst kunnen doen, als +gij zoo goed waart, deze twee bijlen op de slijpsteen wat aan te +scherpen. Thomas zal wel draaien. ’t Is een sterke, fiksche +jongen en frisch te arbeiden is altijd zijn lust en zijn leven.” +Thomas stond dadelijk op. Hij was juist sterk genoeg, om den steen rond +te draaien; maar gewoonlijk wilde hij liever spelen dan werken. Nu de +oude man echter gezegd had, dat dit laatste zijn lust was wilde hij dat +ook met de daad bewijzen en sloofde zich af, wat hij kon. Flink zat +daarbij zijne reiszakken te naaien, en zoo vaak onze jongeheer lust +gevoelde om het werk te staken, prees Flink hem, dat hij zich zoo +dapper weerde en vertelde aan zijne moeder welk een knappe jongen hij +was. Zoo dan ging Thomas, die zich gaarne hoorde prijzen, met zijn werk +voort, totdat de zweetdruppels hem op het voorhoofd stonden. +Vóór het avond werd, waren de bijlen geslepen, de zakken +klaar en was alles gereed voor den volgenden morgen.</p> +<p>„Wanneer wilt gij morgen op weg gaan, Flink?” vroeg +mevrouw Wilson.</p> +<p>„Het zal goed zijn, dat wij met het eerste daglicht opbreken, +daar de hitte zoo vroeg nog niet sterk is.” <span class= +"pagenum">[<a id="pb57" href="#pb57" name="pb57">57</a>]</span></p> +<p>„En tegen wanneer denkt gij terug te zijn?”</p> +<p>„Ja, zie, mevrouw, wij hebben voorraad voor drie dagen bij +ons. Als wij morgen, Woensdag, in de vroegte opstappen, kunnen we +misschien Vrijdagavond hier terug zijn. In allen gevalle denk ik niet, +dat het later dan Zaterdagochtend worden zal.”</p> +<p>„Goeden nacht, dan—en vaarwel, lieve moeder!” +zeide Willem. „Ik zal u morgen vroeg niet meer zien.”</p> +<p>„God zegene en behoede u, mijn lief kind!” sprak deze. +„Pas toch vooral goed op hem, Flink! En ook gij—goede reis +en tot spoedig wederzien!”</p> +<p>De beangste moeder ging in hare tent, om de tranen te verbergen, die +zij niet kon weerhouden. „Het is nog geheel nieuw voor +haar,” merkte Flink aan; „als zij er meer aan gewoon is, +zal eene korte scheiding haar zoo hard niet meer vallen.”</p> +<p>„Dat vertrouw ik ook,” antwoordde haar echtgenoot; +„maar zij is nu nog zenuwachtig en ongesteld; en in aanmerking +nemende, dat zij tot dusverre zelden langer dan een uur van hare +kinderen gescheiden is geweest en haar zoon nu weggaat, zonder dat zij +zelfs weet waarheen,—houdt zij zich, dunkt mij, nog al vrij +standvastig.”</p> +<p>„Ja, waarlijk, mijnheer, dat doet zij,” erkende Flink; +„de angst eener moeder is even natuurlijk als hare liefde. In +allen gevalle wil ik, ook indien ik alles wat ik wenschte niet op +eenmaal verrichten kan, toch op den bepaalden dag terug zijn en dan +later nog eens een reisje doen.”</p> +<p>„Doe dat, Flink; dat zal haar geruststellen. En nu, vaarwel; +wees voorspoedig en moogt gij uw doel bereiken!”</p> +</div> +</div> +<div id="ch14" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">VEERTIENDE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">EERSTE UITSTAPJE OP HET EILAND.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Nog vóór de zon was Flink op en wekte +ook Willem uit den slaap. Zwijgend kleedden zij zich aan en vermeden +elk gerucht, dat de moeder had kunnen doen ontwaken. Hunne reiszakken +waren reeds gepakt. In ieder was een portie vleesch, dat zij dadelijk +onder elkander verdeeld hadden, benevens twee waterfleschjes, in +kokosbladeren gewikkeld, opdat zij minder licht breken zouden. Flink, +die den grootsten reiszak droeg, had nog beschuit en verscheidene +andere dingen bij zich, waarvan hij zich voor het <span class= +"pagenum">[<a id="pb58" href="#pb58" name="pb58">58</a>]</span>geval +van nood had voorzien. Om het lijf had hij twee strikken geknoopt, om, +als dit vereischt werd, de honden daaraan vast te binden.</p> +<p>Zoodra zij de reiszakken hadden omgehangen, nam Flink bijl en geweer +en vroeg Willem, of hij wel dacht een kleine spade, die zij te gelijk +met de schoppen van het wrak gehaald hadden, op den schouder te kunnen +dragen. De knaap antwoordde toestemmend. De honden, die schenen te +weten, dat zij meegaan mochten stonden klaar, en nu ging de oude man +naar een der watertonnen, nam zelf een duchtigen slok, spoorde Willem +tot hetzelfde aan en liet toen ook de honden drinken, zooveel zij +lustten. Hierop, juist toen de zon aan den hemel opging, traden zij het +kokosbosch in en hadden de tenten spoedig uit het gezicht verloren.</p> +<p>„Nu, reiskameraad,” begon Flink en stond stil, toen zij +een twintig schreden ver waren, „weet gij ook, op welke wijze wij +den terugweg vinden kunnen? Gij ziet, in het dichte bosch konden wij +licht verdwalen en er is geen pad, dat ons dan leiden zou.”</p> +<p>„Neen, waarlijk, dat weet ik niet; ik dacht daar juist aan, +toen gij er over begont, en ook Klein Duimpje viel mij in, die +broodkruimels uitstrooide om zijn weg weerom te vinden, maar hem toch +niet vond, omdat de vogels zijne kruimels hadden opgepikt.”</p> +<p>„Ge ziet dus, dat Klein Duimpje de zaak niet goed overlegd +had, en wij moeten het hem zoeken te verbeteren. Wij moeten doen, +zooals de Amerikanen doen in hunne bosschen: wij moeten de boomen +merken. Dit geschiedt door een enkelen slag met de scherpe bijl een +kerfje in de schors van den boom te houwen, dat hun tot teeken dient, +waaraan zij hun weg herkennen. Zij merken daarbij niet elken boom, maar +altijd den tiende of zoo, die aan hun pad staat, en dan beurtelings een +aan den rechter- en een aan de linkerhand. Het kost slechts weinig +moeite; zij doen het onder het gaan, zonder dat het hen een oogenblik +ophoudt. Laat ons nu ook daarmee beginnen; gij neemt de rechterkant: +het zal u gemakkelijker vallen de bijl in de rechterhand te houden; ik +voor mij kan evengoed ook de linker gebruiken. Zie, zoo maakt men +slechts een kerfje in den bast:—de zwaarte van de bijl doet het +bijna alleen en dat kan ons jaren lang tot wegwijzer door het woud +dienen.”</p> +<p>„Dat is heerlijk bedacht!” riep Willem, en beiden +vervolgden nu hun marsch, terwijl zij de boomen rechts en links op +gezette afstanden teekenden.</p> +<p>„Ik heb evenwel ook nog een anderen vriend in den zak,” +begon Flink weder, „en ik zal dien moeten gebruiken.” +<span class="pagenum">[<a id="pb59" href="#pb59" name= +"pb59">59</a>]</span></p> +<p>„Wat is dat?”</p> +<p>„Het zakkompas van den armen kapitein Osborn. Gij ziet, +Willem, het merken der boomen zal ons wel onzen terugweg aanduiden, +maar kan ons niet zeggen, in welken koers we thans te sturen hebben. Op +dit oogenblik weet ik nog, dat wij den rechten weg houden, daar ik door +het geboomte achter mij heen zien kan: maar dikwijls zal dit niet +mogelijk zijn en dan moet ik met mijn kompas te rade gaan.”</p> +<p>„Dat begrijp ik zeer goed; maar zeg mij, Flink, waartoe nemen +wij die schop mede? Hoe kan ons die van dienst zijn? Gij zeidet er +gisteren morgen niets van, dat gij er eene mee woudt nemen.”</p> +<p>„Neen, Willem, en ik zweeg er opzettelijk van, omdat ik uwe +moeder niet beangst wilde maken. U echter durf ik wel zeggen, dat ik +zelf omtrent één ding zeer bezorgd ben, en dat is, of +hier water te vinden is of niet. Is er geen water, dan moeten wij het +eiland wat vroeger of later toch verlaten, want men kan wel eenig water +verkrijgen door kuilen in het zand te graven, doch dat is ziltig +zeewater en zou ons bij voortgezet gebruik allen ziek maken. Van het +schip hebben wij niet veel meegebracht, en als er stormachtig weer +komt, kunnen wij er ook niet meer vandaan halen. Nu gebeurt het echter +dikwijls, dat er ergens zoet water is, zonder dat men het aan den grond +zien kan,—men moet er dan naar graven, en daartoe heb ik de spade +meegebracht.”</p> +<p>„Gij denkt toch aan alles, Flink.”</p> +<p>„O neen, mijn goede Willem, dat doe ik niet altijd. ’t +Is waar, in onzen tegenwoordigen toestand denk ik meer aan wat noodig +is, dan misschien uw vader en uwe moeder; maar dat is, omdat zij nog +nooit geweten hebben, wat het is aan zichzelf alleen te zijn +overgelaten. Zij zijn nog nooit in ’t geval geweest, dat zij +genoodzaakt waren aan zulke dingen te denken; als men echter zijn +gansche leven op zee zwalkte, zooals ik—als men schipbreuk heeft +geleden en rampen en gevaren van allerlei aard doorgestaan<span class= +"corr" id="xd21e1415" title="Bron: .">,</span>—als men gedwongen +was, uitkomst te verzinnen of te gronde te gaan, dan, Willem, verzamelt +men zich nuttige kundigheden, niet alleen uit zijn eigen lijden, maar +ook uit het verhaal van anderen, wanneer men hoort, hoe die zich er in +de ellende hebben weten door te worstelen. Nood, zegt men, is de moeder +der wijsheid, en dat is werkelijk waar, Willem, want hij scherpt het +verstand; en het is dikwijls opmerkelijk, wat vele menschen, vooral +zeelieden, als de nood hen tot handelen drijft, met de eenvoudigste +middelen tot stand brengen.”</p> +<p>„En waar gaan wij dan nu naar toe, Flink?” <span class= +"pagenum">[<a id="pb60" href="#pb60" name="pb60">60</a>]</span></p> +<p>„Recht op de lijzijde van het eiland aan; en ik hoop, dat wij +nog vóór het vallen van den donker daar zijn +zullen.”</p> +<p>„Waarom noemt gij dat de lijzijde van het eiland?”</p> +<p>„Omdat de wind tusschen deze eilanden genoegzaam altijd uit +dezelfde richting waait. Wij landden op de windzijde; thans hebben wij +den wind in den rug; steek uw vinger maar eens op en gij zult hem zelfs +hier in het bosch nog voelen.”</p> +<p>„Neen, ik merk niets,” verzekerde de knaap, terwijl hij +den vinger omhoog hield.</p> +<p>„Maak uw vinger dan eens nat en beproef het nog +eens.”</p> +<p><a id="xd21e1432" name="xd21e1432"></a>Willem bevochtigde zijn +vinger met de tong en stak hem nogmaals op. „Ja, nu voel ik het. +Maar hoe komt dat?”</p> +<p>„De wind droogt de vochtigheid van uw hand op; daardoor +ontstaat koude, en deze is het, die gij voelt.”</p> +<p>Op eenmaal begonnen de honden te knorren, sprongen toen vooruit en +blaften luid.</p> +<p>„Wat kan dat wezen?” riep Willem.</p> +<p>„Blijf staan, jongen,” sprak Flink en spande den haan; +„ik zal vooruit gaan en zien.” De oude man sloop zachtjes +voorwaarts, het geweer voorzichtig tegen de heup drukkende. Het geblaf +der honden verdubbelde, en uit een hoop dorre kokosbladeren stoven daar +op eenmaal.... al de varkens, die men een paar dagen te voren had laten +loopen, voor den dag en zetten het op een galoppeeren, met de honden +achter hen aan.</p> +<p>„Het zijn onze varkens maar, Willem,” riep Flink +lachend, „Ik had nooit gedacht, dat een tam zwijn iemand zoo kon +doen schrikken.—Hier, Romulus! Koest, Remus<span class="corr" id= +"xd21e1445" title="Niet in bron">!</span>” vervolgde hij, de +honden roepende. „Nu, Willem, daar hebt gij ons eerste +avontuur.”</p> +<p>„Ik hoop, dat wij er geen gevaarlijker beleven zullen,” +gaf de knaap lachend ten antwoord. „Evenwel, ik wil wel bekennen, +dat ik vrij wat ontsteld was.”</p> +<p>„Geen wonder, want ofschoon al niet waarschijnlijk, zou het +toch mogelijk zijn, dat zich roofdieren of zelfs wilden op dit eiland +ophielden. Wij moeten in een onbekend land steeds op het ergste gevat +zijn, Willem. Men kan verschrikt wezen en daarom toch, evenals gij +daareven, moedig standhouden. Wie echter bevreesd is, loopt +weg.”</p> +<p>„Ik geloof niet, dat ik ooit wegloopen en u verlaten zal, als +er gevaar aanwezig is, Flink.”</p> +<p>„Ik vertrouw er gerust op, Willem, dat gij dat niet doen zult; +maar daarom <span class="pagenum">[<a id="pb61" href="#pb61" name= +"pb61">61</a>]</span>moet gij toch niet onbezonnen en te haastig zijn. +Wij willen nu verder gaan, als ik eerst mijn haan in rust gezet heb. +Daar mij dit nu juist invalt, Willem, en gij dikwijls een geweer bij u +zult hebben,—denk er toch aan, jongen, dat gij nooit uw haan +gespannen laat. Ik heb daardoor alleen, dat velen den haan spanden en +naderhand vergaten hem weder in rust te zetten, meer ongelukken zien +gebeuren, dan gij u ooit zoudt voorstellen. Span nooit den haan, +zoolang gij niet vuren wilt;—dezen raad moet gij altijd in +gedachten houden. Nu moet ik eens op het kompas zien, want wij hebben +op eens eene veranderde richting, zoodat ik niet meer weet, welken weg +in te slaan.—Ziezoo, nu is alles goed. Vooruit, +honden!”</p> +<p>Nog langer dan een uur vervolgden de wandelaars hun weg door het +kokosbosch en vergaten daarbij niet, al voortgaande, de boomen rechts +en links te teekenen. Eindelijk kozen zij een plekje uit, om er hun +ontbijt te gebruiken, en de honden strekten zich daarbij nevens hen op +den grond neer.</p> +<p>„Geef de dieren geen water en geen gezouten vleesch; geef hun +niets dan beschuit.”</p> +<p>„Maar zij zijn zoo dorstig; moet ik hun niet een weinig te +drinken geven?”</p> +<p>„Neen; vooreerst omdat wij alles voor onszelven noodig hebben, +en bovendien verlang ik juist, dat zij dorstig zijn. En ook gij, +Willem, volg mijn raad en drink maar weinig water op eens. Weinig is +volkomen toereikend, om den dorst te lesschen, en hoe meer gij drinkt, +des te meer voelt gij dorst.”</p> +<p>„Dan dien ik ook wel niet te veel gezouten vleesch te +eten.”</p> +<p>„Juist; hoe minder gij eet, des te beter, als wij geen water +vinden en onze fleschjes weer vullen kunnen.”</p> +<p>„Maar wij hebben onze bijlen immers en kunnen van tijd tot +tijd ook eene kokosnoot afslaan en de melk daarvan drinken?”</p> +<p>„Ja, en het is een geluk voor ons, dat wij die uitkomst altijd +nog hebben; maar toch zou kokosmelk alleen ons slecht bevallen, ook als +die het gansche jaar door volop te krijgen ware.—Nu, Willem, +willen wij weer opstappen, als gij niet te moe zijt.”</p> +<p>„Volstrekt niet; ik ben alleen moe niets dan de stammen der +boomen te zien, en zal hartelijk blij zijn, als wij het bosch eens +achter den rug hebben.”</p> +<p>„Hoe meer wij ons haasten, des te beter dus,” antwoordde +Flink. „Voor zoover ik dit eiland bij onze aankomst beoordeelen +kon, moeten wij thans ongeveer halfweg zijn.”</p> +<p>De wandelaars begaven zich met vernieuwde krachten op weg. +<span class="pagenum">[<a id="pb62" href="#pb62" name= +"pb62">62</a>]</span></p> +<p>Na een half uur bevonden zij, dat de grond niet meer zoo effen was +als vroeger en beurtelings begon te rijzen en te dalen.</p> +<p>„Het is mij zeer lief, dat ik het eiland hier niet meer zoo +vlak vind, Willem. Wij hebben zoo meer vooruitzicht om water te +vinden.”</p> +<p>„Ei, zie eens; daar wordt het nog steiler,<span class="corr" +id="xd21e1489" title="Niet in bron">”</span> merkte Willem aan, +terwijl hij een boom teekende; „daar is immers wezenlijk een +heuvel.”</p> +<p>„Des te beter;—wakker voorwaarts<span class="corr" id= +"xd21e1494" title="Bron: ?">!</span>”</p> +<p>De bodem was thans meer golvend geworden. Echter was hij nog altijd +met kokosboomen overdekt, die zelfs nog dichter stonden, dan tot dusver +het geval was geweest. Zij vervolgden hun marsch, waarbij zij van tijd +tot tijd op het kompas zagen, totdat Willem zijne vermoeidheid niet +langer verbergen kon, want de weg door het woud was thans nog +bezwaarlijker geworden dan in den beginne.</p> +<p>„Hoeveel mijlen denkt ge wel, dat we nu al gegaan zijn, +Flink?” vroeg hij ten laatste.</p> +<p>„Acht ongeveer, denk ik.”</p> +<p>„Niet meer dan acht?”</p> +<p>„Neen, ik geloof niet, dat we, door elkaar gerekend, meer dan +twee mijlen in het uur hebben afgelegd. Het gaat maar langzaam, als men +naar het kompas reist en daarbij altijd de boomen merken moet; maar mij +dunkt, dat het woud vóór ons lichter wordt, van den top +van dezen heuvel gezien.”</p> +<p>„Ja, dat is zoo, Flink; ik verbeeld mij, den blauwen hemel +weer te zien.”</p> +<p>„Uwe oogen zijn jonger dan de mijne, Willem, en mogelijk hebt +gij goed gezien. We zullen dat spoedig vernemen.”</p> +<p>Zij daalden nu in een ravijn neer en klommen vervolgens weer een +tweeden heuvel op. Zoodra zij boven kwamen, riep Willem overluid: +„De zee, Flink! daar is de zee!”</p> +<p>„Zeer goed, Willem; ik voor mij heb daar volstrekt niets +tegen.”</p> +<p>„Ik dacht al, dat wij nooit een einde aan dat donkere bosch +zouden zien,” sprak de knaap en snelde ongeduldig vooruit; +eindelijk stond hij aan den uitersten zoom van het kokoswoud en bleef +staan. Flink stond spoedig aan zijne zijde, en beiden vestigden nu +hunne oogen op het voor hen uitgebreide landschap. <span class= +"pagenum">[<a id="pb63" href="#pb63" name="pb63">63</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch15" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">VIJFTIENDE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">DE OOSTZIJDE VAN HET EILAND.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">„O hoe heerlijk!” riep Willem ten laatste: +„zeker, hier zou moeder recht gaarne wonen. Ik hield de andere +zij van het eiland voor heel lief, maar zij is toch niets bij deze +vergeleken.”</p> +<p>„Het is hier werkelijk fraai,” antwoordde Flink in diepe +gedachten.</p> +<p>Men kan zich trouwens niet licht een liefelijker tooneel +voorstellen. Het kokoswoud werd ongeveer een vierde mijl van de kust +eensklaps afgebroken door eene steile helling, die zich bij de dertig +voeten boven het strand verhief. Dit strand zelf was een golvende, hier +en daar met struiken begroeide groene vlakte en strekte zich tot op +ongeveer vijftig schreden afstands van het water uit, waar het in +verblindend wit zand overging, door ’t welk enkele smalle +klippenreeksen van den oever landwaarts opliepen. Het water was van +eene helder blauwe kleur en brak slechts aan de klippen in wit schuim. +De riffen strekten zich mijlen ver van den oever in zee uit en op +enkele plaatsen staken de punten der rotsen boven den rand des waters +uit. Talrijke scharen van zeevogels hadden zich op die hoogten +genesteld; anderen wiegden zich in de heldere lucht of schoten van tijd +tot tijd in de blauwe zee neer, waaruit zij dan met hunne klauwen een +van de visschen ophaalden, welke in menigte aan de zandbanken speelden +en dikwijls zelf in vroolijke sprongen uit het water opwipten. De kust +had de gedaante van een hoefijzer en vormde eene baai, besloten +tusschen twee boschachtige landtongen, die zich aan weerszijden ver in +zee uitstrekten. De horizon was helder en scherp tegen de zee +afgeteekend.</p> +<p>Flink bleef een tijdlang stom, liet zijne oogen rechts en links +langs den gezichteinder gaan, monsterde scherp de riffen in de verte en +wierp toen een vorschenden blik op het land vóór hem.</p> +<p>„Waaraan denkt gij, Flink?” vroeg Willem ten +laatste.</p> +<p>„Ik?—Ik denk dat wij zoo spoedig mogelijk naar water +moeten omzien.”</p> +<p>„Maar waarom zuchttet gij daareven?”</p> +<p>„Omdat ik niet, gelijk ik verwacht had, nog een ander eiland +aan lij ontdekken kan en er dus bijna geene mogelijkheid voorhanden is, +dat wij dit hier verlaten. Bovendien is deze bocht hoe fraai gelegen +ook, toch vol riffen, en ik zie nergens een ingang, wat de zaak om +velerlei redenen hoogst bezwaarlijk maakt. Evenwel kunnen wij niet +terstond op het eerste gezicht <span class="pagenum">[<a id="pb64" +href="#pb64" name="pb64">64</a>]</span>oordeelen. Eerst willen wij gaan +zitten en ons middagmaal houden<span class="corr" id="xd21e1542" title= +"Niet in bron">,</span> dan kunnen wij verder zien. Halt, +halt!—voordat wij van de plaats gaan, moeten wij aan de boomen +bij den uitgang van het bosch een duidelijk teeken maken; zonder dat, +zouden wij bij het terugkeeren onze merken moeielijk +wedervinden.”</p> +<p>Hij sneed twee witte streepen in de stammen der kokosboomen en +daalde toen met Willem naar het vlakke veld neer, waar zij zich +neervlijden en hun eenvoudigen maaltijd hielden. Zoodra dit verricht +was, stonden zij weder op en gingen aan het zeestrand. Flink keerde +zich naar de landzijde, in de hoop van ergens eene kleine beekbedding +of holte te ontdekken, die mogelijk zoet water bevatten kon. +„Hier zijn eenige plekken,” zeide hij en wees ze met den +vinger aan, „waar het water in den regentijd zijn afloop gehad +heeft; wij moeten ze zorgvuldig onderzoeken, maar nu niet. Daartoe +hebben wij morgen tijd genoeg. Eerst moet ik een middel uitvinden om +onze kleine boot door gindsche klippen heen te krijgen; anders hebben +wij een vreeselijken arbeid, als wij naar deze plaats verhuizen, +namelijk, zoo wij al onze bezittingen door het woud aansleepen moesten +en dat zou ons weken, zoo niet maanden kosten. Dus willen wij vandaag +de kust goed onderzoeken, Willem, en dan morgen naar zoet water +omzien.”</p> +<p>„Zie de honden eens, Flink; ze drinken zelfs zeewater, de arme +beesten!”</p> +<p>„Zij zullen er niet veel van nemen. Zie, ze loopen er al van +weg.”</p> +<p>„Wat zijn die koralen fraai! Zie, ze groeien als jonge boomen +onder het water.—Ha, daar is een bloem, die op de rots uit het +water opschiet.”</p> +<p>„Raak haar eens met den vinger aan, Willem,” sprak +Flink.</p> +<p>Willem deed dit, en de bloem, gelijk hij haar noemde, sloot zich +oogenblikkelijk.</p> +<p>„Hoe, wat is dat? Het is vleesch en leeft!”</p> +<p>„Dat is het ook. Ik heb ze vroeger meer gezien; men noemt ze, +meen ik, zee-anemonen, doch ik kon nooit te weten komen, of het +schelpdieren zijn of niet. De natuur is toch bewonderenswaardig! Maar +laat ons nu die landtong eens opgaan en zien, of wij ook een doorgang +door de riffen vinden kunnen. De zon gaat onder en wij hebben nu nog +maar één uur licht. Vooraf moeten wij ook nog eene +slaapplaats opzoeken.”</p> +<p>„Maar wat is dat?” riep Willem en wees naar het +zand;—„dat ronde, zwarte ding?”</p> +<p>„Iets, dat ik blij ben hier te zien; eene schildpad. Zij komen +om dezen tijd tegen den avond aan land, om hare eieren te leggen, die +zij onder het zand begraven.” <span class="pagenum">[<a id="pb65" +href="#pb65" name="pb65">65</a>]</span></p> +<p>„Kunnen wij haar niet vangen?”</p> +<p>„O ja; als wij haar slechts stilletjes naderen. Maar vooral +moogt gij haar niet in den rug komen, want dan werpt zij met haar +staart en hare achterpooten of vinnen zulk een wolk van zand over u +heen, dat gij er blind van wordt en zij gemakkelijk kan ontsnappen. Om +deze beesten te vangen, moet men hen van boven aanvatten en bij een der +voorvinnen op den rug omwentelen. Dan kunnen zij zich niet meer bewegen +en blijven stil liggen.”</p> +<p>„Laat ons het dan eens met deze hier beproeven.”</p> +<p>„Dat zou zeer onverstandig zijn, mijn beste Willem, daar wij +het beest toch niet mee kunnen nemen en het morgen in de hitte sterven +zou, zonder dat iemand er dienst van had. Men mag geen schepsel +doelloos van het leven berooven, en zoo wij nu deze schildpad +vermaakshalve dooden wilden, kon het licht gebeuren, dat wij een +andermaal, als wij ze noodig hadden, er geen vonden.”</p> +<p>„Dat had ik niet bedacht, Flink. Als wij eens hier wonen, +kunnen wij ze, hoop ik, zoo dikwijls vangen, als wij +verkiezen.”</p> +<p>„Neen, dat is niet waarschijnlijk; zij komen alleen gedurende +den broeitijd aan land. Maar wij willen ergens een schildpadvijver +aanleggen, die uit zee frisch water krijgt en waaruit zij ons niet +weder ontsnappen kunnen. Die wij dan vangen, zetten wij in den vijver +en halen ze er uit, zoo dikwijls wij lust hebben.”</p> +<p>„Dat is een zeer goed plan,” antwoordde Willem.</p> +<p>Onder zulke gesprekken vervolgden zij hunne wandeling. Zij moesten +zich met moeite een weg banen door het struikgewas, dat verder den +landtong op steeds dichter werd, en stonden weldra op den uitersten +uithoek.</p> +<p>„Wat is dat daar ginder?” riep Willem en wees met de +hand naar de rechterzijde.</p> +<p>„Dat is een tweede eiland, Willem, en ik ben zeer verheugd het +te zien, ofschoon ’t al niet gemakkelijk te bereiken zal zijn, +als wij eens genoodzaakt mochten worden dit eiland hier om gebrek aan +water te verlaten. Echter is ’t nog altijd mogelijk, dat dit ons +gelukken kan. In allen gevalle is het een veel grooter eiland dan het +onze,” vervolgde Flink en mat met de oogen de uitgestrektheid van +den gezichteinder, aan welks rand hij de toppen der boomen zien kon. +„Kom nu, jonge kameraad; voor onzen eersten dag hebben wij ons +redelijk goed gehouden. Ik ben vrij moe, en gij, dunkt mij, zult ook +uwe beenen wel voelen. Laat ons dus omkeeren en naar eene rustplaats +voor den nacht omzien.”</p> +<p>Zij keerden naar den zoom van het kokosbosch terug. Daar pakten zij +<span class="pagenum">[<a id="pb66" href="#pb66" name= +"pb66">66</a>]</span>eenige hoopen dorre bladeren opeen en bereidden +zich daaruit een zachte legerstede onder de boomen.</p> +<p>„Nu nog een teugje water gedronken en ons dan tot rusten +neergelegd,” zeide de oude man. „Zie de lange schaduw, +Willem, die de boomen in de zon werpen! Binnen een paar minuten zal +deze geheel onder zijn.”</p> +<p>„Mag ik onzen honden nu water geven? Zie eens, de arme Remus +heeft de tong uit den bek hangen en lekt aan de +flesschen,—zoo’n dorst heeft hij.”</p> +<p>„Neen, neen, zij krijgen nu niets. Gij zult dit hard vinden, +maar het moet zoo wezen. Morgen kunnen wij de scherpe zintuigen dezer +dieren noodig hebben: hun dorst zal hun dan dubbel oplettend maken en +kan ons van groot nut zijn. Wij weten nooit, welk lot ons boven het +hoofd hangt. Had gij voor eene maand wel gedacht, dat gij u nu in +’t gezelschap van een oud man op dit eiland bevinden en daar +onder den blooten hemel slapen zoudt? Als iemand u dat toen voorspeld +had, zoudt gij het nooit geloofd hebben. En nu goeden nacht, mijn +jongen!”</p> +</div> +</div> +<div id="ch16" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">ZESTIENDE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">WATER.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Willem sliep zoo goed, alsof hij op het zachtste bed +en in een warm vertrek gerust had, en Flink insgelijks. Beiden +ontwaakten eerst, toen de zon lang aan den hemel stond. De arme honden +leden hevige dorst, en het deed Willem zeer aan het hart, te zien hoe +zij huilend en bijna versmachtend met uitgestrekte tongen tot hem +opkeken.</p> +<p>„Hoe is ’t Willem,” vroeg Flink hem, „willen +we, voordat we opbreken, ons ontbijt nemen, of zullen wij eerst eene +wandeling doen?”</p> +<p>„Flink, ik kan waarlijk zelf geen droppel drinken, ofschoon ik +heel dorstig ben, voordat gij aan deze arme beesten een weinigje water +geeft.”</p> +<p>„Ik heb medelijden met de arme stomme schepsels, zoo goed als +gij, jongen, en geloof mij, het geschiedt niet uit onbarmhartigheid, +maar integendeel tot hun eigen en ons aller best, dat ik hun dat nog +onthoud. Laat ons dan maar dadelijk eens de ronde doen en zien, of wij +niet ergens water vinden. Daar ginder bij die kleine kloof aan de +rechterhand willen wij het eerst beproeven, en lukt het daar niet, dan +gaan wij verder op en zien, waar het water gedurende den regentijd zijn +afloop gehad heeft.” <span class="pagenum">[<a id="pb67" href= +"#pb67" name="pb67">67</a>]</span></p> +<p>De knaap keurde dit dadelijk goed. De honden volgden hen, en Flink +had nog eene schop bij zich, die hij op den schouder droeg. Spoedig +kwamen zij in de kleine laagte, waar de dieren den neus aan den grond +brachten en hijgend rondsnuffelden.</p> +<p>Het oog van den ouden man volgde aandachtig al hunne bewegingen, +totdat zij zich eindelijk kreunend nederlegden.</p> +<p>„Wij moeten verder gaan, Willem,” zeide hij, in +gedachten verzonken. Zoo naderden zij eene plaats, waar een afloop van +het water scheen geweest te zijn; de honden snuffelden hier nog +ijveriger rond.</p> +<p>„Gij ziet, Willem, de arme dieren verlangen nu zoo geweldig +naar water, dat zij het zeker oproepen, als het ergens voorhanden is, +terwijl wij zonder hen nooit iets hadden kunnen vinden. Ik reken niet +op eene openliggende wel, maar daarom is het toch wel mogelijk, dat +hier of daar onder den grond water verborgen zit. Dit gedeelte van het +strand is niet ver genoeg van zee verwijderd, anders zou ik hier in het +zand daarnaar graven.”</p> +<p>„In het zand! Zou dat dan niet zout smaken?” vroeg +Willem.</p> +<p>„Op behoorlijken afstand van het zeestrand niet: want gij moet +weten, mijn jongen, dat het zand al langzamerhand het zeewater reinigt, +zoodat men, als de zandige oever breed is, op punten, die het verst van +het hoogste zeepeil af liggen, bij opgraving dikwijls zoetwater vindt, +dat wel wat ziltig, maar toch goed om te drinken is. Ik wou wel, dat +deze omstandigheid onder de zeelieden beter bekend was, dan zij +werkelijk is;—menig brave jongen zou daardoor een langzamen +marteldood ontgaan zijn. Er is niets vreeselijkers dan gebrek aan water +te lijden. Ik weet wat het is op een pintje elken dag bepaald te zijn +en hoop dat nooit weer te ondervinden.”</p> +<p>„Zie eens, Flink, hoe druk Romulus en Remus met hunne pooten +daar omlaag den grond opkrabben.”</p> +<p>„Den Hemel zij dank, mijn goede Willem; gij weet niet, wat +blijde tijding gij mij daar verkondigt, want om de waarheid te zeggen, +begon ik mij al ernstig ongerust te maken.”</p> +<p>„Maar waarom wroeten zij dan toch zoo?”</p> +<p>„Wel omdat daar water is. Nu ziet gij, hoe goed het was, dat +wij hen eenige uren dorst lieten lijden: ’t is waarschijnlijk ons +aller behoud, daar wij eene wel moesten vinden of anders het eiland +verlaten. Wij zullen de dieren nu met de schop helpen, en spoedig +zullen ze drinken hebben in overvloed.”</p> +<p>De oude man ijlde op de plaats toe, waar de honden nog altijd met +wroeten voortgingen. Zij waren tot den vochtigen bodem gekomen en +werkten zoo ijverig, dat Flink moeite had hen van de stee te +verdrijven, om zelfs de spade <span class="pagenum">[<a id="pb68" href= +"#pb68" name="pb68">68</a>]</span>te kunnen gebruiken. Hij had pas twee +voet diep gegraven, of het water begon te borrelen, en in minder dan +vijf minuten was er reeds zooveel voorhanden, dat de honden naar +hartelust drinken konden.</p> +<p>„Zie eens, Willem, hoe hen dat verkwikt. Dit was het eenige, +dat ons ontbrak: maar ook iets, dat onontbeerlijk is. Thans hebben wij +alles, wat wij op dit eiland wenschen kunnen, en zoo wij maar tevreden +zijn, moeten wij hier recht gelukkig worden,—ja, rijker dan +menigeen, die zich afslooft om rijkdommen bijeen te schrapen en toch +niet weet wat gebruik hij er van maken moet. Kijk, onze goede dieren +hebben nu ten laatste ook genoeg,—en wat hebben ze zich kogelrond +gedronken! Wat dunkt u, Willem, zullen we thans omkeeren en zien, dat +wij wat te eten krijgen?”</p> +<p>„Ja,” antwoordde deze; „nu zal mij dat eerst recht +smaken en wil ik ook weer een duchtigen slok water nemen.”</p> +<p>„Dit is hier een rijke bron, daar ben ik zeker van,” +zeide Flink, terwijl zij naar de plaats van hun nachtleger terugkeerden +en hunne knapzakken onderzochten; „maar wij moeten haar hooger op +onder de boomen nasporen, waar geen zon komt: daar hebben wij het water +altijd koel en frisch en kan het niet opdrogen.—We zullen de +handen vol werk krijgen, en dat voor maanden, indien we hier blijven +willen. De plaats, waar we nu zijn, zal eene kostelijke gelegenheid +wezen, om daarop ons huis te bouwen.”</p> +<p>Zoodra zij hun eenvoudig maal genuttigd hadden, stond de oude man +weer op en zei:</p> +<p>„Kom jongen, nu naar ’t strand! Ik heb nog geen opening +tusschen de klippen gevonden, en daar ons bootje altijd dezen kant van +het eiland langs moet komen, dien ik toch te zien, of er niet een +behoorlijke doortocht te vinden is. Het komt mij voor, dat de branding +niet tot dat punt ginds reikt, en als daar een doorvaart is, mochten +wij ons wel gelukkig rekenen.”</p> +<p>Aan den uithoek van de landtong gekomen, bevonden zij, dat Flink +zich in zijn vermoeden niet had bedrogen. Het water was diep tot dicht +aan het strand en vormde een kanaal van ettelijke roeden breedte. De +zee was zoo effen, het water zoo glad en doorschijnend, dat zij tot op +den rotsachtigen grond neerzien konden en de visschen in de diepte +zagen zwemmen.</p> +<p>„Zie eens,” riep Willem en wees naar een punt op eenigen +afstand in zee, „daar is een groote haai, Flink.”</p> +<p>„Ja, ik zie hem wel,” antwoordde deze. „Hier in +het rond zijn die zeker in menigte, en gij moet uiterst voorzichtig +zijn, als gij in het water gaat. De haaien houden zich altijd aan lij +van de eilanden op, en in plaats van den eenen, dien wij ginds vonden, +toen Juno uw broertje baadde, kunt gij hier <span class= +"pagenum">[<a id="pb69" href="#pb69" name="pb69">69</a>]</span>vijftig +zien. Het eerste, waaraan wij thans denken moeten, is dat wij zoo +schielijk mogelijk van de andere zijde hierheen zoeken te +verhuizen.”</p> +<p>„Zullen wij vandaag nog teruggaan?”</p> +<p>„Ik denk van ja, want hier kunnen wij toch niets doen, terwijl +uwe moeder zeker reeds in angst en zorgen over u is. Het is nog geen +middag, naar ’t mij voorkomt, en wij hebben nog tijd genoeg +vóór ons, daar wij nu een bekend pad gaan en ons niet met +merken en zoeken hebben op te houden. Onze bijlen en de schop kunnen +wij hier laten; ze mee terug te sleepen zou vergeefsche moeite zijn. +Het geweer zal ik bij mij houden, want ofschoon niet waarschijnlijk, +kan dat toch te pas komen. Eerst zullen wij nog eens teruggaan en zien, +of onze wel goed water geeft, en dan trekken wij op.”</p> +<p>Het strand langs gaande, zagen zij vele zeevogels, die dicht om hen +heen fladderden. Plotseling kwam een zwerm visschen in bonte verwarring +op den oever schieten; haar volgden eenige grootere, die nu ook op het +drooge lagen en naar water snakten, totdat de zeevogels op eens dicht +voor de beide wandelaars neerstreken, de visschen in hunne klauwen +oppakten en met die prooi ijlings wegvlogen.</p> +<p>„Dat is toch vreemd,” riep Willem verwonderd.</p> +<p>„Ja, Willem, dat is het werkelijk. Maar daaraan kunt gij zien, +hoe het in de wereld gaat: de kleine visschen werden door de grootere +gejaagd en vluchtten in hunne angst op den oever. Die grootere waren +zelve zoo begeerig, dat ook zij aan land kwamen, en toen schoten de +vogels toe en pakten groot en klein op. Daar ligt een goede leering in, +Willem: als men iets te driftig najaagt, stort men zich licht +blindelings in gevaar.”</p> +<p>„Maar de kleine visschen hadden toch niets, dat zij +najaagden.”</p> +<p>„Neen, ik bedoelde daarmee de grootere slechts;—bij de +kleine was het hier van den regen in den drop,<a id="xd21e1671" name= +"xd21e1671"></a> zooals het spreekwoord zegt. <a id="xd21e1673" name= +"xd21e1673"></a>Maar laat ons nu naar de wel gaan.”</p> +<p>Zij vonden het gat, dat Flink gegraven had, geheel met water gevuld, +en toen zij dit proefden, was het volmaakt zoet en aangenaam van smaak. +Zeer verheugd over deze ontdekking, legden zij de dingen, die zij +wilden achterlaten, onder de gemerkte kokosboomen neer, dekten er +eenige takken en bladeren overheen en namen toen met hunne honden de +terugreis aan naar de kleine bocht. <span class="pagenum">[<a id="pb70" +href="#pb70" name="pb70">70</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch17" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">STORM AAN LAND.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">De teekens, die zij den vorigen dag gemaakt hadden, +volgende, kwamen onze landontdekkers zeer spoedig door het woud en +waren binnen twee uren dicht aan den uitgang, terwijl zij op den +heenweg bijna acht uren hadden noodig gehad, om denzelfden afstand af +te leggen.</p> +<p>„Ik voel den wind al, Flink,” zeide Willem, „en +wij moeten het bosch nu bijna ten einde zijn. Het komt mij voor, dat +het zeer donker is.”</p> +<p><span class="corr" id="xd21e1688" title= +"Niet in bron">„</span>Dat heb ik daar ook al gedacht,” +antwoordde de oude man, „en ’t zou me niet verwonderen, dat +er weer een storm in aantocht was. We moeten ons dus haasten, daar uwe +moeder zeker ongerust zal zijn.”</p> +<p>Het waaien en schudden der boomtakken, nu en dan eene windvlaag, +waarop een zonderling gehuil en gekraak volgde, dit alles overtuigde +hem spoedig, dat er werkelijk een storm te vreezen was; en toen zij uit +het bosch traden, zagen zij den hemel, zoover hun oog reikte, met een +donkere loodkleur overtrokken en van het vroolijk glanzend blauw, +waarin hij zich tot hiertoe vertoond had, was geen spoor meer +overig.</p> +<p>„Daar komt inderdaad een storm, en dat met volle +zeilen,” zeide Flink bij het verlaten van het woud. +„Schielijk naar de tenten, jongen; wij moeten zorgen, dat alles +zoo zeker zij, als wij het met mogelijkheid maken kunnen.”</p> +<p>De honden liepen vooruit en hun geblaf lokte mijnheer Wilson en Juno +naar buiten, die zoodra zij de beide aankomenden zagen, aan de moeder, +die met de kinderen binnen was gebleven, het afgesproken teeken gaven. +Een oogenblik later lag de knaap in de armen zijner hoogst verheugde +moeder.</p> +<p>„Ik ben blij, dat gij terug zijt, Flink,” sprak mijnheer +Wilson en schudde hem de hand, nadat hij Willem omhelsd had; +„want ik vrees, dat er boos weer ophanden is.”</p> +<p>„Dat is zeker,” antwoordde Flink, „en wij moeten +ons op een stormachtigen nacht voorbereiden. De hemel ziet er wezenlijk +schrikwekkend uit. Het zal een van de stormen zijn, die gewoonlijk den +regentijd voorafgaan. Intusschen brengen wij u goede tijding, mijnheer, +en moeten dit als eene aansporing beschouwen, om onze verhuizing +zooveel mogelijk te verhaasten. Na dezen storm zullen wij eene maand of +daaromtrent goed weder hebben, misschien nu en dan eens met een kleinen +storm daartusschen. Daartoe moeten wij thans terdeeg aan het werk; en +als gij ’t goed vindt, mijnheer, zullen wij <span class= +"pagenum">[<a id="pb71" href="#pb71" name="pb71">71</a>]</span>nu +dadelijk den eersten noodigen maatregel van voorzorg nemen en naar het +strand gaan, gij, Juno, Willem en ik. Daar moeten wij onze boot, zoover +wij kunnen, op het drooge sleepen, want de zee zal hoog gaan en spoedig +zal die boot onzen voornaamsten steun uitmaken.”</p> +<p>Flink ging nu de einden der tentsparren afzagen, ten einde ze onder +de kiel der boot te leggen en zoo als rollen te gebruiken, en daarop +daalden alle vier van den oever af. Met gezamenlijke krachten gelukte +het spoedig, de boot hoog op tusschen de struiken te sleepen, waar +Flink haar inderdaad ten volle in zekerheid verklaarde.</p> +<p>„Ik was eigenlijk voornemens, zonder uitstel aan het oplappen +er van te gaan,” zeide hij: „maar nu moet ik wachten, tot +de storm voorbij is. Ook had ik gehoopt, nog eens aan boord te zullen +kunnen gaan, om nog eenige dingen te halen, die mij later invielen dat +ons nuttig konden zijn, en dan te zien, of onze arme koe nog in leven +is; maar ik vrees zeer,” vervolgde hij, naar de lucht ziende, +„dat wij het wrak van De Vrede nooit weer betreden zullen. Hoor +het loeien van den opkomenden storm, mijnheer; zie, hoe de zeevogels +rondfladderen en krassen, alsof ze ons onheil te voorspellen hadden! +Doch we mogen niet te lang dralen, mijnheer;—de tenten moeten +steviger worden vastgemaakt, zoodat ze tegen de windstooten bestand +zijn, want het zou een leelijk ding voor mevrouw en de kleinen zijn, +als ze eens onverwacht werden opgenomen en naar den boschkant +heengeblazen.”</p> +<p>Toen zij bij de tenten terugkwamen, vonden zij den kleinen +Thomas<span class="corr" id="xd21e1710" title="Bron: ;">,</span> die +met veel deftigheid op hen toetrad.</p> +<p>„Ei, dag, Thomas;—hoe gaat het u?” vroeg +Willem.</p> +<p>„O, heel goed; ik ben wel en moeder ook; gij hadt gerust weg +kunnen blijven; ik zorg voor hen allemaal.”</p> +<p>„Daar twijfel ik geen oogenblik aan, mijn beste jongen; gij +zult wel goed voor alles gezorgd hebben,” gaf Flink ten antwoord. +„Nu moet gij ons helpen, om zeildoek en touw bijeen te zoeken, +opdat wij den regen beletten in moeders tent te dringen. Zoo, geef mij +de hand maar en kom mee; wij zullen ’t aan Willem overlaten, aan +moeder te vertellen, wat wij onderwijl gedaan hebben.”</p> +<p>Met de hulp van mijnheer Wilson pakte Flink stukken zeildoek en +touwen, zooveel hij noodig had, bijeen en begon die als een dubbel dek +tot beschutting tegen den regen over de tenten uit te spreiden. Het +linnen werd door middel van stevige lijnen en koorden aan de boomen +vastgemaakt, om te verhinderen dat de tenten omverwoeien, terwijl Juno +gebruikt werd om de greppel, die reeds om de tenten heen liep, met eene +schop nog verder <span class="pagenum">[<a id="pb72" href="#pb72" name= +"pb72">72</a>]</span>uit te diepen, zoodat het water een behoorlijken +afloop had. Zij werkten ijverig door, totdat alles verricht was, en +zetten zich toen tot het gebruiken van een eenvoudigen maaltijd neder. +Al voortarbeidende, had Flink mijnheer Wilson zijne ontdekkingen op het +jongste verkenningstochtje meegedeeld, en allen hadden hartelijk +gelachen, toen hij het avontuur met de varkens vertelde.</p> +<p>Na het ondergaan der zon werd het weder nog dreigender. De wind +blies reeds hevig, de rotsige bocht werd door de golven gezweept en was +met wit schuim overdekt, terwijl de branding woest brulde, zoo dikwijls +zij over het zand van den oever brak. De geheele familie, met +uitzondering van Flink, was te bed gegaan; deze had gezegd, het weer +nog een weinig te willen afwachten, voordat hij zich ter ruste legde. +De oude man ging naar den oever en zette zich op den rand van de boot, +die zij daar straks eerst tusschen de struiken in veiligheid gebracht +hadden. Hier bleef hij zitten en liet het scherpe grijze oog rondgaan +in de verte, die slechts ééne dichte donkere massa +vormde, waarin alleen het witte schuim van het water nu en dan enkele +flauwe lichttinten wierp.</p> +<p>Nog niet lang had hij daar in gedachten verdiept gezeten of een +vurige bliksemstraal benam den ouden man voor een korten tijd het +gezicht. „De storm zal weldra zijne volle hoogte bereikt +hebben,” dacht hij. „Ik zal naar de tenten gaan en zien, of +die het tegen den wind uithouden kunnen.” Hij nam den terugweg +aan, en nu begon de regen in stroomen neer te plassen en bulderde de +wind met verdubbelde woede. In weinige minuten nam de duisternis +zoodanig toe, dat hij het pad naar de hoogte slechts met moeite vinden +kon. Hij keerde zich in ’t rond, doch kon niets zien, daar de +regen hem de oogen verblindde. Daar hij toch niets doen kon, liep hij +de tent in, om daar te schuilen, maar legde zich niet neer, in de +verwachting dat zijn bijstand misschien spoedig zou vereischt worden. +Hoewel al de overigen te bed waren gegaan, hadden slechts Thomas en de +beide kleinen zich ontkleed, doch vader, moeder, Willem en Juno zich +gekleed en al ter ruste gelegd.</p> +</div> +</div> +<div id="ch18" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">ACHTTIENDE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">NA REGEN VOLGT ZONNESCHIJN.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">De storm woedde nu met geweld en bliksem en donder +wisselden elkaar onophoudelijk af. De kinderen werden wakker en hieven +een luid gejammer aan, totdat het eindelijk gelukte hen tot bedaren en +weder in slaap te brengen. <span class="pagenum">[<a id="pb73" href= +"#pb73" name="pb73">73</a>]</span>De wind loeide verschrikkelijk en +stond met zijn volle kracht op de tenten, waar de regen kletterend op +neer sloeg. Het eene oogenblik werd het linnen binnenwaarts gedrukt en +schuurden en kraakten de touwen, alsof zij dadelijk in stukken zouden +springen; dan weder dreef de tegenovergestelde luchtstroom het +fladderende zeildoek naar buiten, terwijl de regen reeds op +onderscheidene plaatsen begon door te dringen. Het was stikdonker en de +woede der elementen scheen eindelijk haar toppunt te hebben bereikt. +Gelijk wij vroeger gezegd hebben, was mevrouw Wilson’s tent niet +zoover van het strand verwijderd als de tweede later opgerichte en +stond dus ook meer aan den wind blootgesteld. Tegen middernacht scheen +de gansche natuur in oproer te geraken. Op eens hoorden de mannen een +luid gekraak, dat dadelijk door het noodgeschrei van mevrouw Wilson en +Juno gevolgd werd. De tentprikken waren uit den grond gerukt en de +verschrikte vrouwen zoo op eenmaal van alle dak en beschutting beroofd. +Terstond vloog de oude man naar buiten en Willem en zijn vader volgden +hem op den voet. De wind was zoo sterk, de regen sloeg hun zoo heftig +in het gezicht en de nacht was zoo donker, dat zij alle krachten noodig +hadden, om de vrouwen en kinderen uit de omvergeworpen tent te +bevrijden. De kleine Thomas was de eerste, dien Flink beet kreeg. Zijn +moed was geheel weg, hij gilde van angst en was niet tot bedaren te +brengen, Willem nam zijn broertje Albert op den arm en droeg hem in de +andere tent, waar Thomas in zijn doornat hemd op den grond omkroop en +de jammerlijkste klaagtonen liet hooren. Juno, mevrouw Wilson en de +kleine Caroline werden het laatst onder de tweede tent in veiligheid +gebracht. Gelukkig had niemand zich bezeerd, maar allen waren doodelijk +ontsteld en de kleine schreide en snikte luid, wat echter nauwelijks +gehoord werd, daar het loeien der zee en het bulderen der windvlagen +alle andere geluiden geheel verdoofde. Het was een lange vreeselijke +nacht, dien men zoo in angst en zorg doorbracht, tot eindelijk de lang +gewenschte morgen aanbrak. Met de eerste schemering verliet Flink de +tent en bevond tot zijne geruststelling, dat de storm reeds zijne woede +had uitgeput en merkbaar aan het afnemen was. Nochtans was het heden +niet zulk een heldere vroolijke morgen, als waaraan zij sinds hunne +landing op het eiland gewoon waren; de hemel stond nog dreigend, en +zwart en wild dreven de wolken daaraan rond; de zon bleef onzichtbaar +en niet een enkel plekje blauw was door de nevelachtige atmosfeer te +bemerken. Het regende nog voortdurend, ofschoon niet sterk meer, en de +grond was doorweekt en glibberig. De kleine baai, die nog den avond te +voren een zoo stil en vreedzaam aanzien had, was thans door +wildschuimende en loeiende golven opgevuld <span class= +"pagenum">[<a id="pb74" href="#pb74" name="pb74">74</a>]</span>en de +branding sloeg ver over het strand heen. De gezichteinder was mistig en +onduidelijk; men kon den hemel niet van het water onderkennen en het +gansche eiland scheen in een wijden kring van wit <span class="corr" +id="xd21e1738" title="Bron: sparrend">spattend</span> zeeschuim +besloten. Flink wendde zijne oogen naar de plaats, waar het schip op de +riffen had vastgezeten. Daar was niets meer te zien,—het wrak was +op eens verdwenen! slechts hier en daar zag men er de planken en luiken +van, die met alles, wat in het ruim geborgen was geweest, overal +ronddreven of nog in de woeste branding het strand beurtelings naderden +en ontvloden.</p> +<p>„Ik dacht wel, dat het zoo gaan zou,” zeide Flink tot +mijnheer Wilson, die hem gevolgd was, om eens naar het schip om te +zien; „zie maar, de storm heeft het geheel in splinters geslagen. +Dat kan ons tot aansporing zijn, om hier niet langer te blijven. Wij +moeten van ’t goede weer, dat wij voor ’t invallen van den +regentijd waarschijnlijk nog hebben zullen, zooveel mogelijk partij +trekken en mogen volstrekt geen tijd verliezen.”</p> +<p>„Ik ben dat volkomen met u eens, Flink,” antwoordde +mijnheer Wilson.—„Dat daar is ook eene aanmaning om spoed +te maken,” en hij wees naar de door den wind omvergeworpen tent. +„Het is wezenlijk een geluk, dat geen van de onzen daarbij letsel +heeft bekomen.”</p> +<p>„Ja, waarlijk, mijnheer; maar de storm is nu gebroken en +morgen zullen wij weer mooi weer hebben. Laat ons nu eens gaan opnemen, +wat wij met de tent doen kunnen. Willem en Juno zullen in dien +tusschentijd wel naar een ontbijt voor ons omzien.”</p> +<p>Met deze woorden gingen zij aan den arbeid. Zij voorzagen de tent +opnieuw van stevige prikken en touwen en brachten haar weldra weder in +behoorlijken staat, behalve dat de bedden en dekens nog doornat waren +en in den wind moesten worden te drogen gehangen. Nadat dit gedaan was, +zetten zij zich neder tot het ontbijt, waartoe Juno hen juist was komen +roepen<span class="corr" id="xd21e1749" title="Bron: ,">.</span></p> +<p>„Voor ’t oogenblik kunnen wij weinig meer doen, +mijnheer,” zeide Flink. „Tegen den avond zal het linnen zoo +nat niet meer zijn, en dan zullen wij er beter mee kunnen omgaan. +Eindelijk zie ik eene opening in de wolken, die spoedig ander weer +belooft; de storm was ook al te hevig, om heel lang aan te houden. +<a id="xd21e1754" name="xd21e1754"></a>En nu<span class="corr" id= +"xd21e1756" title="Niet in bron">,</span>” vervolgde hij, +„willen we nog eerst al onze krachten inspannen, om de +aangespoelde goederen te redden, die, als ze te lang omdrijven, tegen +de rotsen worden stukgeslagen. Juno kunnen wij daarbij missen, en ik +hoop, dat wij ons ook zonder den braven Thomas wel redden zullen. Het +is beter, dat hij bij moeder blijft en zorgt, dat haar hier geen +ongeluk overkomt.”</p> +<p>Thomas was echter door het gebeurde van dien nacht nog geheel uit +zijn humeur en verkoos boe noch ba te zeggen. <span class= +"pagenum">[<a id="pb75" href="#pb75" name="pb75">75</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch19" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">NEGENTIENDE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">DE WONDEREN DER NATUUR.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Weldra stonden zij aan het strand. Flink had onder den +reeds geborgen voorraad een stevig, lang touw opgezocht en daarmede +werden nu de tonnen en wat meer nog van het verbrijzelde schip door de +golven werd aangespoeld, vastgebonden en zoover mogelijk op het drooge +gesleept. Dit werk hield hen gedurende het grootste gedeelte van den +dag bezig en nog hadden zij niet het vierde deel der goederen +bijeengebracht, die zich binnen hun bereik ophoopten behalve nog de +menigte van gereedschappen, die buiten op de zee en aan den ingang der +bocht omdobberden.</p> +<p>„Kom mijnheer,” zeide Flink eindelijk, „voor +vandaag hebben wij onze taak verricht. Morgen zullen wij nog meer +kunnen uitvoeren, want de zee wordt nu reeds weer effen en de zon komt +van achter gindsche wolken te voorschijn. Wij moeten nu ook voor onze +maag zorgen en dan zien, hoe wij ons dezen nacht het best behelpen +kunnen.”</p> +<p>De eene tent, die door den storm was verschoond gebleven, werd aan +mevrouw Wilson en hare kinderen afgestaan en de andere, zoo goed het +geschieden kon, weer inderhaast hersteld. Het beddegoed was nog op +verre na niet droog, en dus nam men zijne toevlucht tot eenige zeilen, +die dieper in het bosch minder van den regen hadden te lijden gehad, en +spreidde die op den grond uit, om er de vermoeide leden gedurende den +nacht op uit te strekken.</p> +<p>Den volgenden morgen scheen de zon helder en vroolijk. De lucht was +geurig en frisch; een zacht windje speelde over het water en er was +bijna in het geheel geen branding meer. Voortdurend werden allerlei +overblijfselen van het wrak door den wind aan land gebracht; vele +goederen waren gedurende den nacht langs het strand opeengehoopt en bij +eene menigte andere had men slechts geringe moeite noodig om ze geheel +in veiligheid te brengen. Het scheen wel dat de stroom des waters recht +op de bocht stond, want van de voorwerpen, die eerst buiten in de zee +hadden omgedreven, kwamen nu de meeste van lieverlede in deze richting +aan land gespoeld. De beide mannen werkten tot aan het uur van het +ontbijt door en hadden toen een aantal tonnen, vaten en kisten aan den +oever gehaald.</p> +<p>Dadelijk na het ontbijt keerden zij naar de baai terug om hun arbeid +voort te zetten.</p> +<p>„Zie eens, Flink, wat is dat?” vroeg Willem, die bij hem +was en op een zwart punt wees, dat langzaam kwam aandrijven. +<span class="pagenum">[<a id="pb76" href="#pb76" name= +"pb76">76</a>]</span></p> +<p>„Dat is onze arme koe; en als gij nauwkeuriger toeziet, zult +gij ook de haaien bemerken, die op het kreng azen. Ziet gij +wel?”</p> +<p>„O ja, duidelijk en wat een menigte zijn er!”</p> +<p>„Er zijn er zeker genoeg om twintig koeien te verslinden; en +wees dus maar voorzichtig, Willem als gij in het water gaat, en pas op, +dat Thomas er niet te dicht bij komt, want de haaien geven om geen +ondiepte, als ze een buit voor zich zien.—Maar nu moet ik u +beiden overlaten nog zooveel van het wrak te redden, als gij kunt, +terwijl ik onze boot nazie en haar weer in orde breng. Wij zullen haar +binnenkort noodig hebben, en hoe eer wij haar gebruiken kunnen, des te +beter.”</p> +<p>De oude man ging het gereedschap halen, dat hij tot herstelling van +de boot noodig had. Inmiddels verzamelden vader en zoon ijverig de +verschillende voorwerpen, die aan het strand spoelden, en rolden de +vaten zoo ver opwaarts, als zij konden. De houten en balken van het +schip lieten zij aan het spel der golven over, omdat zij daarvan reeds +zulk een voorraad bijeen hadden, als voor den eersten, ja voor langen, +langen tijd <span class="corr" id="xd21e1789" title= +"Bron: toerijkend">toereikend</span> kon geacht worden.</p> +<p>Daar Flink zekerlijk eenige dagen noodig zou hebben, om de boot +weder waterdicht en bruikbaar te maken, besloot mijnheer Wilson nu ook +op zijne beurt eens met Willem naar de andere zijde van het eiland te +gaan; en daar zijne vrouw er geen bezwaar in vond met Flink en Juno +alleen te blijven, begaven beide zich den derden dag na den storm al +vroegtijdig op weg. Willem ging vooruit en richtte zich naar de +teekenen, die op de kokosboomen te zien waren. In twee uren tijds +hadden zij ditmaal de plaats hunner bestemming bereikt.</p> +<p>„Is het hier niet schoon, vader?” riep Willem uit.</p> +<p>„Ja, heerlijk, verrukkelijk, mijn beste jongen,” was het +antwoord.</p> +<p>„Ik kon mij bijna niets fraaiers voorstellen dan het plekje op +de andere zijde van het eiland, waar wij tot hiertoe woonden, maar dit +overtreft het nog zoowel in verscheidenheid <span class="corr" id= +"xd21e1800" title="Bron: al">als</span> in uitgestrektheid.”</p> +<p>„En nu moeten wij eens naar de wel gaan zien, vader,” +vervolgde Willem en wees den weg dien zij hadden in te slaan.</p> +<p>De door Flink gegraven kuil en de geheele holte, waarin deze gelegen +was, stond tot overvloeiens vol en bevatte het heerlijkste water. Na +zich hiervan overtuigd te hebben, wandelden zij het strand langs naar +de zandige baai en zetten zich daar op eene koraalklip neder.</p> +<p>„Wie had ooit gedacht, Willem,” begon de vader, +„dat dit eiland met zoovele andere, die in menigte in den Stillen +Oceaan verstrooid liggen, zijn <span class="pagenum">[<a id="pb77" +href="#pb77" name="pb77">77</a>]</span>ontstaan aan kleine nietige +insecten kon te danken hebben, die nauwelijks zoo groot als eene +speldeknop zijn!”</p> +<p>„Insecten, vader?” riep de knaap uit.</p> +<p>„Ja! insecten. Geef mij dat stukje dood koraal eens. Ziet gij +die honderden ronde kleine gaatjes in elk takje, tot zelfs in het +kleinste toe? Verbeeld u nu, in ieder dier kleine openingen woonde eens +een zee-insect, en naarmate die insecten aangroeiden, groeiden ook de +takken der koraalboomen uit.”</p> +<p>„Ja, dat begrijp ik wel. Maar hoe kan men weten, dat dit +eiland door hen gemaakt is? Zoo iets gaat mijn begrip geheel te +boven.”</p> +<p>„En toch is het waar, Willem, dat genoegzaam alle eilanden in +dit gedeelten van den oceaan door den arbeid en den wasdom dezer kleine +dieren ontstaan zijn. Het koraal was aanvankelijk op den bodem der zee, +waar het door wind en golven niet gestoord wordt. Al langzamerhand +schiet het hooger op, tot het eindelijk bijna tot aan de oppervlakte +des waters reikt. Dan is het juist als die klippen, welke gij ginds +ziet, Willem, en van nu af wordt het door het geweld van wind en baren, +die het gedurig afbrokkelen, in zijn groei belemmerd en kan zich daarom +ook niet boven de zee verheffen; want als dit het geval werd, dan +moesten de kleine dieren natuurlijk sterven.”</p> +<p>„Maar hoe ontstaat daar nog een eiland uit?”</p> +<p>„Dat geschiedt slechts zeer langzaam en na verloop van veel +tijd; ook hangt daarbij veel van het toeval af. Zoo kan b. v. een +boomstam, die in zee omdrijft en misschien met schelpen en schaaldieren +overdekt is, op de koraalriffen blijven vastzitten. Zoo iets zou een +toereikend begin zijn, want het kon boven water blijven en de koralen +aan de windzijde beschutten, tot zich een vlakke rots, van gelijke +hoogte met de zee, had vastgezet. De zeevogels zoeken gaarne eene +plaats om uit te rusten. Zij zouden deze hier schielijk gevonden hebben +en van hunne uitwerpselen moest dan na verloop van tijd eene kleine +plek boven water ontstaan, waarop vervolgens ook nog andere drijvende +voorwerpen konden blijven hechten. Over zee verwaaide landvogels vallen +daarop neder en de in hunne maag bevatte zaadkorrels schieten, eens +gevallen, tot struiken en boomen op.”</p> +<p>„Dat kan ik goed begrijpen.”</p> +<p>„Welnu dan; op die wijze is de eerste grondslag om het zoo +eens te noemen tot een eiland gelegd, en eens zóóver, +neemt dit ook spoedig toe, want thans zijn de koralen tegen den wind +gedekt en groeien welig op. Merkt gij wel, hoe breed en hoog de +koraalklippen op deze zijde van het eiland, waar stormvlagen en +golfslag haar niet zoo deren kunnen, oprijzen, terwijl dit aan de +windzijde, waar onze tenten staan, zoo geheel anders is? Evenzoo +onttrekt <span class="pagenum">[<a id="pb78" href="#pb78" name= +"pb78">78</a>]</span>die eerste kleine plek boven water de +koraalgewassen aan den wind, en dan neemt het eilandje ras in wasdom +toe; want de vogels rusten er niet alleen, maar nestelen er ook en +broeden er jongen uit, zoodat de omvang van jaar tot jaar grooter +wordt. Ten laatste komt dan nog eene kokosnoot op de golven +aandrijven—en die vrucht is juist geschikt, om zich op +zoo’n wijze voort te planten, want hare buitenste schil is hard +en waterdicht en meteen zoo licht, dat ze op ’t water drijft en +daarin, zonder te verrotten, maanden kan blijven liggen. Zij schiet +wortel, wordt een boom, die zijne breede takken telken jare verder +uitbreidt en door zijn dorrend loof gedurig meer teelaarde om zich heen +verzamelt. De rijpe noten vallen in deze vetten bodem, kiemen schieten +op,—en zoo gaat het voort, jaar in jaar uit, totdat het eiland +zoo groot en zoo dicht met boomen bezet is, als dat waarop wij nu op +dit oogenblik staan. Is dat niet verwonderlijk?<span class="corr" id= +"xd21e1830" title="Niet in bron">”</span></p> +<p>„Hé, hoe merkwaardig!” antwoordde Willem.</p> +<p>Eenige minuten na dit gesprek bleven vader en zoon zwijgend zitten. +Toen stond de eerste op en zeide: „Kom, Willem, laat ons nu +terugkeeren; wij hebben nog drie uren licht en willen tijdig thuis +zijn.”</p> +<p>„Ja vooral vóór het avondeten, vader,” +antwoordde de knaap, „dat ik alle eer zal aandoen. Hoe eer wij er +zijn, des te beter.”</p> +</div> +</div> +<div id="ch20" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">TWINTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">VERHUIZING NAAR DE OOSTZIJDE.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Alles was nu zoover gereed, dat men zonder twijfel met +het opbreken naar de lijzijde van het eiland beginnen kon. Flink had de +boot bijna weder klaar; hij had haar geheel vernieuwd en daarbij nog +van een mast en zeilen voorzien. Mijnheer Wilson en Willem gingen voort +met het verzamelen van goederen, die nog voortdurend werden +aangespoeld, en kozen bij voorkeur dezulke, die in de open lucht aan +bederf onderhevig zijn. Al wat zij van dezen aard vonden, werd naar het +kokosboschje gebracht, om het althans aan de hitte der zon te +onttrekken, doch er werd dagelijks zulk een menigte van alles aan land +geworpen, dat zij nauwelijks wisten, wat zij al bijeen hadden. Echter +versmaadden zij niets, maar borgen de eene kist na de andere en +wachtten op eene andere gelegenheid om den inhoud er van te +onderzoeken. Ten laatste droegen zij het verzamelde op groote hoopen +<span class="pagenum">[<a id="pb79" href="#pb79" name= +"pb79">79</a>]</span>en bedekten die behoorlijk met zand, daar het in +<span class="corr" id="xd21e1848" title="Niet in bron">den</span> +korten tijd, die hun overig bleef, onmogelijk was de velerlei goederen +van het strand weg te brengen.</p> +<p>Ook mevrouw Wilson, die nu weer volkomen hersteld was, en Juno +bleven niet werkloos. Zij hadden al het noodige zoo goed zij konden in +pakken saamgebonden, om het gemakkelijk naar de nieuwe woonplaats te +kunnen overbrengen. Op den achtsten dag na den storm waren <span class= +"corr" id="xd21e1853" title="Bron: alleen">allen</span> met hun werk +gereed en nu werd ten besluite eene groote raadsvergadering gehouden. +Men kwam overeen, dat Flink het beddegoed en het zeildoek van de eene +tent in de boot pakken en Willem op zijne eerste vaart medenemen zou. +Na dit vervoerd te hebben, zou hij terugkeeren, om eene tweede vracht +te laden, en dan moest de familie door het bosch naar de andere zijde +van het eiland trekken en daar met den heer Wilson blijven, terwijl +Flink met Willem de tweede tent ging halen. Daarna zou de boot nog +zooveel reizen doen, als het weder toeliet, tot alles, wat men voor het +begin noodig had, naar de nieuwe woonstede was overgebracht.</p> +<p>Het was een lieve stille morgen, toen Flink en Willem met de zwaar +beladen boot van land stieten. Zoodra zij buiten de bocht waren, +trokken zij het zeil op en stevenden met gunstigen wind langs de kust +voort. Binnen twee uren hadden zij de oostkust bereikt. De landtong, +aan wier spits de doorgang door de klippen zich bevond, was geen mijl +meer van hen verwijderd, en nu lieten zij het zeil vallen en roeiden in +het kanaal, om in de zandige baai te landen.</p> +<p>„Gij ziet, Willem, hoe gelukkig het voor ons treft, dat wij +altijd een goeden wind zullen hebben, als wij met de bevrachte boot +hierheen gaan, en slechts het leege vaartuig hebben terug te +roeien.”</p> +<p>„<a id="xd21e1862" name="xd21e1862"></a>Ja, dat treft heel +gelukkig. Hoe ver zou het wel zijn van de bocht ginds tot aan dit +gedeelte van het eiland?”</p> +<p>„Zes of zeven mijlen, verder niet. Het eiland is lang en smal, +zooals gij ziet. Laat ons nu ons boeltje aan land dragen, dan kunnen +wij lang voor donker in onze bocht terug zijn. Uwe moeder zag niet +bijzonder gaarne, dat gij andermaal op zee gingt, Willem;—ik heb +dat wel bemerkt; en wij moeten dus niet lang uitblijven.”</p> +<p>De boot was spoedig gelost; doch het kostte meer tijd de goederen +ver genoeg op het land te dragen. „Zulk een storm, als wij +onlangs hadden, zullen wij hier denkelijk niet meer hebben uit te +staan,” zeide Flink; „want wij zijn daartegen door het +kokosbosch in zijne gansche diepte gedekt. Van den wind zullen wij +nauwelijks iets merken, maar des te meer van den regen, die in gansche +stroomen op ons neerkomen zal.” <span class="pagenum">[<a id= +"pb80" href="#pb80" name="pb80">80</a>]</span></p> +<p>„Ik moet eens even naar onze bron gaan zien en er een goeden +dronk uithalen,” sprak Willem.</p> +<p>„Doe dat; maar laat mij niet te lang in de boot +wachten.”</p> +<p>Willem berichtte, dat de bron tot den rand toe vol was en hij in +zijn leven geen zoo heerlijk water gedronken had. Daarop staken zij van +wal en waren na ruim twee uren roeiens weder aan den ingang van de +bocht, waar mevrouw Wilson met Thomas aan de hand op hen wachtte en hun +reeds van verre met haar zakdoek toewuifde.</p> +<p>Bij het aan land stappen ontvingen zij de gelukwenschen der gansche +familie over den gunstigen uitslag van hunne eerste vaart, en allen +waren blij, dat de afstand zooveel korter was, dan men aanvankelijk +geloofd had.</p> +<p>„Den volgenden keer ga ik mee,” zei Thomas met veel +deftigheid.</p> +<p>„Alles op zijn tijd; als de jongeheer Thomas nog een weinigje +grooter is,” antwoordde Flink.</p> +<p>„Massa Thomas komen mij help te melken de geit?” vroeg +Juno.</p> +<p>„Ja, ja, de geiten melken<span class="corr" id="xd21e1886" +title="Bron: ?">!</span>” riep de kleine schelm en huppelde +vroolijk heen.</p> +<p>„Zoo altijd pekelvleesch en scheepsbeschuit moet u toch +vervelen, mevrouw,” zeide Flink, toen zij zich weder tot eten +nederzetten. „Zoodra wij echter in ons nieuw verblijf zijn, hoop +ik wel wat beter voedsel voor u op te doen. Tegenwoordig is het nog +hard werk en harde kost.”</p> +<p><span class="corr" id="xd21e1892" title= +"Niet in bron">„</span>Zoolang de kinderen er geen hinder van +hebben, kan ik mij dat heel goed getroosten, ofschoon ik wel bekennen +wil, dat ik na dien laatsten storm hartelijk verlang hier vandaan te +komen, vooral na de verleidelijke beschrijving, die Willem mij van onze +aanstaande woonplaats gegeven heeft. Het moet een waar paradijs zijn! +Wanneer zullen wij opbreken, Flink?”</p> +<p>„Niet vóór overmorgen, mevrouw; want, ziet gij, +ik heb eerst nog eene tweede reis te doen, om het keukengereedschap en +de bundels, die gij gepakt hebt, over te brengen. Als gij Juno morgen +missen kunt, moet zij met Willem door het bosch gaan, en dan kunnen wij +de eene tent voor u en de kinderen opzetten. Uw man kan dan +achterblijven.”</p> +<p>„Zeer goed, Flink; en zou ’t niet het best zijn, dat zij +dan meteen de schapen en de geiten meenamen?”</p> +<p>„Ik ben blij, mevrouw, dat gij daaraan gedacht hebt; wij +kunnen daardoor vrij wat tijd besparen.” <span class= +"pagenum">[<a id="pb81" href="#pb81" name="pb81">81</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch21" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">EEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">FLINK EN WILLEM.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">De oude man had zijne boot reeds lang weder volgeladen +en onder zeil gebracht, voordat de overige leden der familie nog op +waren. Deze waren nog niet aangekleed, toen hij zijne gansche vracht +reeds gelost had en zich vervolgens neerzette, om zijn ontbijt te +nuttigen. Daarna droeg hij al de goederen naar de plek, waar hij eene +tent wilde opslaan, en maakte hiertoe het noodige gereed, terwijl hij +nog de komst van Willem en Juno wilde afwachten, die hem dan helpen +konden om de staken vast te binden en het linnen daar overheen te +trekken.</p> +<p>Tegen tien uren ’s morgens verscheen Willem met eene der +geiten aan een touw, terwijl de overige los volgden. Na hem kwam Juno +met de schapen, van welke zij er ook een vasthield; de andere hadden +zich geduldig bij den trein aangesloten.</p> +<p>„Daar zijn wij eindelijk<span class="corr" id="xd21e1913" +title="Bron: ’">,</span>” riep Willem lachend. „Wij +hebben in het bosch de handen vol werk gehad, want die domme Nanni, de +geit, liep altijd om de eene zij van den boom, als ik aan de andere +was, zoodat ik het touw dan wel gedurig moest loslaten. Wij hebben de +varkens ook weer ontmoet, en ge hadt eens moeten hooren<span class= +"corr" id="xd21e1916" title="Niet in bron">,</span> Flink, hoe Juno het +uitgierde.”</p> +<p>„Ikke denken, dat wilde beest loopen in de bosch,” zeide +Juno. „O, wat ijselijk mooie plaats hier! Hier massaas zeker +dolgraag wonen zullen.”</p> +<p>„Ja, het is wezenlijk eene heerlijke plaats, Juno; en hier +kunt gij ook weer wasschen en plassen, en zult het water niet behoeven +te ontzien.”</p> +<p>„Daar denk ik juist over, hoe wij ons gevogelte het best over +zullen brengen,” zeide Willem: „het is wel niet heel wild, +maar laat zich toch niet opvangen.”</p> +<p>„Ik zal ze morgen meenemen, vriend Willem,” zeide +Flink.</p> +<p>„Maar hoe zult gij ze in handen krijgen?”</p> +<p>„Doodeenvoudig; men wacht, tot ze ’s avonds op hun tak +zitten, en dan kan men ze met de hand aanvatten, als men lust +heeft.”</p> +<p>„En de duiven en de varkens laten wij in ’t wild loopen, +denk ik, en hun eigen kost zoeken?”</p> +<p>„Zeker; het is het beste, wat wij met hen doen kunnen. De +varkens zullen onder de kokosboomen altijd genoeg voedsel vinden en +schielijk jongen in menigte krijgen.”</p> +<p>„En dan zullen wij hen schieten, niet waar?” +<span class="pagenum">[<a id="pb82" href="#pb82" name= +"pb82">82</a>]</span></p> +<p>„Ja, Willem, dat zullen wij, en ook duiven, wanneer die zich +eerst genoegzaam vermeerderd hebben; zoodat wij, als wij hier zoolang +blijven, in het vervolg ook onze vrije jacht zullen krijgen. Spoedig +zullen wij behoorlijk van alles voorzien zijn en levensmiddelen in +overvloed tot onze beschikking hebben; elk komend jaar zal ons rijker +maken. Maar nu moet gij de tent helpen opslaan en ieder ding op zijn +plaats brengen, zoodat uwe moeder bij hare komst alles recht +gemakkelijk en netjes vindt. Zij zal wel zeer moe wezen, als zij hier +komt; want de wandeling is voor haar een heel eind.”</p> +<p>„Moeder is veel beter, dan zij in lang geweest is,” +antwoordde Willem. „Ik hoop, dat zij spoedig weder volkomen +gezond zal zijn, en dat wordt zij zeker, als zij hier maar een poosje +gewoond heeft.”</p> +<p>„Wij hebben nog zeer veel werk voor ons, meer dan wij +vóór den regentijd gedaan kunnen krijgen, en dat is +waarlijk jammer, hoewel ’t nu eenmaal niet te veranderen is. +Vandaag over een jaar zullen wij alles hier beter in orde +hebben<span class="corr" id="xd21e1945" title= +"Bron: ,">.</span>”</p> +<p>„Wel, wat hebben wij dan nog te doen, als onze tenten er eens +staan en wij ons goed overgebracht hebben?”</p> +<p>„In de eerste plaats moeten wij een huis bouwen, en dat zal +ons vrij wat tijd kosten. Wij dienen ons te haasten, opdat het zoo +schielijk mogelijk klaar kome. Dan moeten wij een kleinen tuin +aanleggen en de zaden, die uw vader uit Engeland heeft meegebracht, in +den grond brengen.”</p> +<p>„O, dat is een allerprettigst werk. Waar kan dat het best +geschieden, Flink?”</p> +<p>„Ik heb reeds naar eene geschikte plaats omgezien. Wij moeten +dwars over die landtong eene omheining aanleggen en al het struikgewas +met den wortel uitroeien. De grond is er opperbest.”</p> +<p>„En wat komt dan aan de beurt?”</p> +<p>„Dan moeten wij een pakhuis aanleggen voor al den voorraad, +dien wij verzameld hebben en die nog in het bosch en op het strand +verstrooid ligt. Daar moeten wij alles laten, tot wij tijd hebben, om +het te onderzoeken; en dan dienen wij te overleggen, hoevele reizen wij +nog met onze kleine boot te doen hebben, om alles hierheen te +brengen.”</p> +<p>„Ja, dat is alles waar. Valt er dan nog meer te +doen<span class="corr" id="xd21e1963" title= +"Bron: !">?</span>”</p> +<p>„O, nog werk in overvloed! Wij moeten een vijver voor +schildpadden een anderen voor visch aanleggen en eene badplaats voor +Juno zoeken, waar zij de kinderen wasschen kan.”</p> +<p>„Ja, ja, en <span class="corr" id="xd21e1970" title= +"Bron: ikek">ikke</span> mijzelf ook,” zeide Juno.</p> +<p>„Wel, dat is den moriaan gewasschen; ofschoon ik wel weet, +Juno, dat <span class="pagenum">[<a id="pb83" href="#pb83" name= +"pb83">83</a>]</span>gij een zindelijk meisje zijt, al is uwe huid ook +niet heel blank.—Maar vooreerst, Willem, moeten we onze wel in +goeden staat brengen, zoodat we altijd rijkelijk versch water hebben. +En daar hebt ge nu werk genoeg en wel zwaar werk, althans voor een vol +jaar, en hoe langer wij hier samenwonen, des te meer behoeften zullen +wij langzamerhand ook ontdekken.”</p> +<p>„Nu, laat moeder en de kleinen maar eerst hier zijn, dan +zullen wij dapper aan den gang gaan.”</p> +<p>„Ik wenschte van ganscher harte, dat alles reeds gedaan was, +mijn beste Willem,” vervolgde Flink. „In allen gevalle hoop +ik nog lang genoeg te leven, om dat alles tot stand te zien gebracht. +Ik zou u allen gaarne in onbezorgde omstandigheden achterlaten en met +de zekerheid, dat gij u in het vervolg ook zonder mij goed kondet +redden<span class="corr" id="xd21e1981" title= +"Bron: ,">.</span>”</p> +<p>„Maar hoe kunt gij zoo spreken, Flink? Gij zijt wel oud, maar +daarbij toch gezond en sterk.”</p> +<p>„Nu nog wel, mijn goede jongen; maar gij weet, hoe onzeker het +leven van den mensch is. Gij zijt jong en gezond en een lang leven +schijnt voor u weggelegd, maar toch, wie kan zeggen, of gij niet +misschien morgen reeds heengegaan en door vader en moeder bitter +beweend zult worden? En zou ik, een oud man, die al zooveel moeite en +ongemakken heb doorgestaan, dan nog op een lang leven rekenen? +Neen—neen, Willem, dat ware in de jeugd dwaasheid, maar bij een +grijsaard zwakheid en waanzinnigheid. En toch zou ik gaarne hier +blijven, zoolang ik nog nuttig zijn kan, en dan, dunkt mij, als mijne +taak ten einde is, kon ik in vrede de oogen sluiten. Ik verlang niet +dit eiland ooit weer te verlaten en heb een soort van voorgevoel, dat +mijn gebeente hier eens rusten zal.”</p> +<p>Een tijdlang werkten zij voort zonder een woord te spreken. Het +linnen voor de tent werd uitgespannen en met prikken in den grond +vastgeslagen. Eindelijk brak Willem het stilzwijgen <span class="corr" +id="xd21e1990" title="Bron: at">af</span>.</p> +<p>„Flink, hebt gij mij niet eens gezegd, dat uw voornaam +Masterman is?”</p> +<p>„Ja, zoo is het ook, Willem.”</p> +<p>„Dat is toch een wonderlijke voornaam! Werdt gij misschien +naar een ander zoo genoemd?”</p> +<p>„Dat raadt gij goed; hij was een zeer rijk man, mijn +peet.”</p> +<p>„Weet gij wat, Flink!—ik zou gaarne uwe geschiedenis +eens hooren vertellen,—ik meen namelijk uwe gansche +levenshistorie, van toen gij een kind waart af.”</p> +<p>„Nu, dat kan nog wel eens gebeuren, Willem, en waarlijk, er +zijn vele voorvallen in mijn leven, die anderen wel tot eene goede +leering konden <span class="pagenum">[<a id="pb84" href="#pb84" name= +"pb84">84</a>]</span>dienen. Dat kan ik echter eerst doen, als wij met +ons werk klaar zijn, nu is de tijd er te kostbaar toe.”</p> +<p>„Hoe oud zijt gij wel, Flink?”</p> +<p>„Vier-en-zestig al ruim, mijn jongen. Dat is een hooge +ouderdom voor een zeeman. Ik had ook geen dienst meer op een schip +kunnen krijgen, als ik niet met verscheidene kapiteins zoo goed bekend +was geweest.”</p> +<p>„Maar waarom zegt gij, een hoogen ouderdom voor een +zeeman?”</p> +<p>„Omdat de matrozen zelden zoo lang leven als andere lieden, +deels wegens de ongemakken, die zij moeten doorstaan, deels ook door +eigen schuld, omdat zij te veel sterke drank gebruiken. Daarbij zijn +zij ook vaak zorgeloos, bekommeren zich al te weinig om hunne +gezondheid, zoodat hunne levenskracht vroeger uitgeput raakt, dan dit +op het vasteland gewoonlijk het geval is.”</p> +<p>„Maar gij gebruikt tegenwoordig immers geen sterke drank +meer?”</p> +<p>„Neen, nooit, Willem; maar in vroeger jaren was ik even dwaas +als de anderen.—Kom, Juno, het wachten is alleen op u; breng de +bedden eens hier. Wij hebben nog maar twee of drie uren tot onze +beschikking. Wat zullen wij nu ’t eerst aanvangen +Willem?”</p> +<p>„Zou ’t niet goed wezen, dat wij terstond eene +stookplaats zochten, om den pot te koken? Juno en ik konden daartoe de +steenen wel aanbrengen?”</p> +<p>„Gij toont overleg, mijn beste jongen;—juist datzelfde +wou ik voorslaan, als gij het niet gedaan hadt. Ik zal morgen lang +vóór u hier zijn en wel zorg dragen, dat gij bij uwe +aankomst het eten gereed vindt.”</p> +<p>„Ik heb een flesch met water in mijn reiszak +meegebracht,” vervolgde Willem, <span class="corr" id="xd21e2027" +title="Niet in bron">„</span>niet zoozeer om dat water, als omdat +ik de geiten melken en de melk voor mijn kleine broertje meenemen +wou.”</p> +<p>„Daar hebt gij braaf en broederlijk <span class="corr" id= +"xd21e2032" title="Bron: aangedaan">aan gedaan</span>. Nu frisch aan +’t werk! Terwijl gij met Juno steenen haalt, zal ik al het +overige goed <span class="corr" id="xd21e2035" title= +"Bron: hieronder">hier onder</span> de boomen wegbergen.”</p> +<p>„Kunnen wij de schapen en geiten los laten loopen, +Flink?”</p> +<p>„Gerust; ge hebt niet te vreezen, dat ze zullen wegloopen. Het +groene voeder is hier beter dan op de andere zijde van het eiland en +daarbij overvloedig voorhanden. Geloof mij, ze zullen heel bedaard hier +blijven.”</p> +<p>„Goed dan zal ik Nanni loslaten, zoodra Juno haar gemolken +heeft; doch dat is vandaag ook ons laatste werk hier.—Laat ons nu +eens zien, Juno, hoeveel steenen wij in één vracht dragen +kunnen.”</p> +<p>Een uur later was de stookplaats gereed, had Flink zijne taak +volbracht, <span class="pagenum">[<a id="pb85" href="#pb85" name= +"pb85">85</a>]</span>waren de geiten gemolken en druk aan ’t +grazen en namen Willem en Juno den terugweg door het woud aan.</p> +<p>Flink keerde naar het strand terug. Toen hij dat langs wandelde, zag +hij eene kleine schildpad liggen. Behoedzaam sloop hij op haar toe, +zoodat hij tusschen haar en het water kwam te staan, en toen greep hij +haar plotseling aan en kantelde haar gelukkig op den rug om.</p> +<p>„Ziezoo, dat is onze hoofdschotel voor morgen,” zeide +hij, terwijl hij in zijne boot klom. Met forsche handen greep hij de +riemen aan en roeide naar de bocht terug.</p> +</div> +</div> +<div id="ch22" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">TWEE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">AANKOMST OP DE NIEUWE WOONPLAATS.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Flink landde in de bocht, trok de boot aan wal en ging +toen naar de tenten, waar hij het gansche gezelschap bij elkaar vond, +aandachtig luisterende naar het verhaal, dat door Willem van de +verrichtingen en ontmoetingen van dien dag gedaan werd. Bij Flinks +komst werd dadelijk alles voor morgen afgesproken. Toen ging men +slapen, en alleen de oude man en Willem bleven nog een poosje op, om de +hoenders te vangen en hun de pooten saam te <span class="corr" id= +"xd21e2059" title="Bron: bindep">binden</span>, zoodat men ze den +volgenden ochtend gemakkelijk in de boot vervoeren kon.</p> +<p>Vóór dag en dauw werden de kleinen gewekt en zoo +schielijk mogelijk aangekleed, omdat Flink de tent, waarin moeder en +kinderen geslapen hadden, in de boot wilde medenemen. Met uitzondering +van dezen en van Thomas, die in de vrouwentent—gelijk men haar +noemde—onder dak was, hadden de overigen onder den blooten hemel +geslapen, op stukken zeildoek, welke men daartoe onder de dichte +kokosboomen op den grond had uitgespreid. Wat was dat eene drukte en +eene opschudding op dezen morgen! Alles kwam in rep <span class="corr" +id="xd21e2064" title="Bron: er">en</span> roer. Zoodra mevrouw Wilson +gekleed was, werd de tent omvergehaald en met beddegoed en alle verder +toebehooren in de boot geladen. Na een hartig ontbijt gingen ook +borden, messen, lepels en andere kleinigheden scheep; toen legde Flink +de hoenders daar bovenop, en in een ommezien was hij uit het +gezicht.</p> +<p>Een weinig later maakte zich ook het verdere gezelschap tot de reis +door het kokosbosch gereed. Willem ging met de drie honden vooruit en +wees <span class="pagenum">[<a id="pb86" href="#pb86" name= +"pb86">86</a>]</span>den weg. Hem volgde zijn vader met Albert op den +arm, Juno met de kleine Caroline, en eindelijk mevrouw Wilson met +Thomas aan de hand, die volgens zijn zeggen, op zijne moeder passen +moest. Met een weemoedig gevoel zeiden zij de plaats vaarwel, die hen +na zooveel doorgestane gevaren het eerst had opgenomen. Nog eenmaal +zagen zij naar de bocht en de overblijfsels van het wrak en de +scheepslading, die naar alle zijden verstrooid lagen om en toen traden +zij het woud in.</p> +<p>Flink was in minder dan twee uren aan de nieuw gekozene +verblijfplaats aangekomen en onverwijld aan land gestapt. Voordat hij +zijne lading begon te lossen, wilde hij nog naar de schildpad zien, die +hij den vorigen dag op het strand had omgekeerd. Hij vond het beest +nog, gelijk hij het gelaten had, doodde het en wiesch het zorgvuldig +af. Nu ging hij naar de nieuw aangelegde stookplaats, legde het vuur +aan; vulde den ijzeren ketel met water en zette hem op het vuur te +koken.</p> +<p>Hierop sneed hij een stuk van de schildpad af en legde het met +eenige sneden pekelvleesch in den ketel, dekte dezen en liet alles +behoorlijk doorkoken. Het overschot van de schildpad hing hij in de +schaduw op, waarna hij naar het strand terugkeerde, om eindelijk de +lading uit de boot te brengen. Hij bond de arme hoenders los, welker +pooten in den beginne heel stijf waren, doch die zich spoedig weer +herstelden en toen terstond ijverig naar voeder rondzochten.</p> +<p>Flink nam de schotels, messen, vorken en andere kleinigheden uit de +boot en droeg ze naar de nieuwe tent, waarna hij naar het vuur omzag en +nog meer hout onder den ketel legde. Vervolgens haalde hij het +beddegoed en het linnen voor de tweede tent, benevens de staken, die +hij achter aan de boot had vastgemaakt. Hij had bijna drie volle uren +noodig om alles naar de nieuwe woonstede over te brengen, want deze lag +eenigszins van het strand verwijderd en enkele dingen waren zwaar, +zoodat de oude man hartelijk blij was, toen hij zijn werk verricht had +en zich eindelijk kon neerzetten, om wat uit te rusten.</p> +<p>„Me dunkt toch, het is haast tijd, dat zij komen +konden,” dacht Flink; „zij moeten nu al bijna vier uren +onder weg zijn. Maar misschien zijn ze later vertrokken. Het is geen +gemakkelijk ding, een hoop vrouwen met kinderen in beweging te +brengen.” Zoo wachtte hij nog een kwartier, stookte het vuur op +en vergat ook niet van tijd tot tijd de soep af te schuimen, tot +eensklaps de drie honden op hem kwamen toespringen.</p> +<p>„Nu kunnen zij niet ver meer verwijderd zijn,” dacht de +oude man.</p> +<p>En dat waren zij werkelijk niet; want eenige minuten later verscheen +<span class="pagenum">[<a id="pb87" href="#pb87" name= +"pb87">87</a>]</span>het gansche gezelschap, en dat wel zeer verhit en +afgemat, gelijk hij dan ook niet anders verwacht had. Hij hoorde nu, +dat de kleine Caroline, na een poosje geloopen te hebben, bitter over +vermoeidheid geklaagd had, zoodat Juno haar had moeten dragen. Later +had ook mevrouw Wilson zich doodelijk vermoeid gevoeld en had men een +kwartiertje moeten rusten. Daarop kwam sinjeur Thomas, die niet bij +moeder had willen blijven, maar gedurig heen en weer was geloopen en +verklaarde dat hij moe was en dat men hem dragen moest; en daar er +niemand was, die dit doen kon, begon hij te schreien en te klagen, +totdat men besloot andermaal halt te houden, opdat hij eenigermate +bekomen zou. Eindelijk begon de kleine ongelukkig nog honger te krijgen +en te schreeuwen. De vreesachtige Caroline werd beangst, toen men zoo +lang in het donkere bosch omdwalen moest, en weende mee. Thomas, dien +de goede Willem een eind ver als een zak op den rug had gedragen, +zette, toen hij eindelijk zijn eigen beenen weer gebruiken moest, eene +geweldige keel op. Zoo moest men alweer halt maken, en eerst nadat men +zich door een dronk uit Willem’s flesch verkwikt had, ging het +weer eenigszins beter, tot het gezelschap ten laatste zóó +moe en uitgeput bij Flink aankwam, dat mevrouw Wilson zich met de +kleinen eenigen tijd in de tent moest nederleggen, voordat zij van de +plaats, waar zij in het vervolg wonen zouden, ook maar iets had +gezien.</p> +<p>„Mij dunkt,” zeide mijnheer Wilson, na de kleine aan +Juno te hebben overgegeven, „dat de dagreis van heden, hoe klein +ook, het beste bewijs is, hoe hulpeloos wij zonder u zijn zouden, +Flink.”</p> +<p>„Ik ben recht blij, dat gij eindelijk hier zijt, +mijnheer,” antwoordde de oude man. „Het is mij een zwaar +pak van het hart, want nu eerst zal het met ons allen beter gaan. Me +dunkt, na eenigen tijd zult gij hier recht genoeglijk kunnen wonen, +maar daartoe hebben wij nog veel te doen. Zoodra mevrouw wat heeft +uitgerust, willen wij ons middagmaal gebruiken en dan onze eigene tent +vastmaken, wat nog werk en omslag genoeg zal wezen. Morgen zullen wij +dan ernstig met onzen nieuwen arbeid aanvangen.”</p> +<p>„Gaat gij morgen naar onze oude bocht terug, Flink?”</p> +<p>„Ja mijnheer. Wij moeten onzen voorraad hier hebben, rund- en +varkensvleesch, meel en erwten en nog veel andere dingen, die wij niet +missen kunnen. Met drie reizen heb ik den leeftocht over; het overige +kunnen wij later onderzoeken en onder dak brengen, als wij er eens tijd +toe vinden. Zoodra ik deze drie reizen met mijne boot gedaan heb, +kunnen wij dan gezamenlijk aan het werk gaan.”</p> +<p>„Maar in dezen tusschentijd kan ik toch ook wel iets +doen?” <span class="pagenum">[<a id="pb88" href="#pb88" name= +"pb88">88</a>]</span></p> +<p>„O ja, er is werk in overvloed voor u.<span class="corr" id= +"xd21e2099" title="Niet in bron">”</span></p> +<p>„Wilt gij Willem meenemen?”</p> +<p>„Neen, mijnheer; hij zal hier meer van nut zijn, en ik kan mij +ook zonder hem redden.”</p> +<p>Mijnheer Wilson ging nu in de tent en vond zijne vrouw weer vrij wat +van hare vermoeidheid bekomen, maar al de kinderen vast in slaap. Men +wachtte nog een half uur en wekte toen Thomas en Caroline, om +gezamenlijk aan tafel te kunnen gaan.</p> +<p>„Hé, beste Flink,” riep Willem, toen deze het +deksel van den ketel nam, „wat een heerlijke soep hebt gij daar +toch!”</p> +<p>„Dat is een zondagskostje, waarop ik u dezen eersten middag +eens onthalen wou,” antwoordde Flink. „Ik weet dat gij +allen het pekelvleesch eindelijk van harte moe zijt, en daarom zult gij +vandaag eens als aan eene burgermeesterstafel smullen.”</p> +<p>„Maar zeg, Flink, wat is het?” vroeg mevrouw Wilson. +„De reuk er van is heerlijk althans.”</p> +<p>„Eene schildpadsoep, mevrouw; en ik hoop, dat ze u smaken zal. +Wanneer ze u bevalt, kan ik haar u, nu wij eens hier zijn, wel meer +voorzetten.”</p> +<p>„Waarlijk zij smaakt keurig, maar er moet nog een weinig zout +in. Gij hebt dat toch nog, Juno?”</p> +<p>„Maar sikkepitte meer. Haast altemaal op,” antwoordde +deze.</p> +<p>„Hoe moeten wij het dan maken, als onze zoutvoorraad ten einde +loopt?” vroeg mevrouw Wilson.</p> +<p>„Juno moet ander halen,” gaf Flink ten +antwoord<span class="corr" id="xd21e2125" title="Bron: ,">.</span></p> +<p>„Ikke halen ander?—Ikke hebben geen zier meer,” +hernam Juno en zag den ouden man verwonderd aan.</p> +<p>„Daar buiten is het in overvloed, Juno,” zeide mijnheer +Wilson en wees naar den zeekant.</p> +<p>„Ikke niets daarvan zien kan,” antwoordde zij.</p> +<p>„Hoe meent gij dat, lieve?” vroeg mevrouw Wilson +eindelijk.</p> +<p>„Ik meen alleen, dat wij, als wij zout noodig hebben, ons dat +zelven bereiden kunnen, zooveel wij verkiezen. Wij hebben slechts +zeewater in een ketel te koken, of ook tusschen de klippen ginds eene +drogerij aan te leggen, daar de zon dan het water doet verdampen en het +zout op den grond achterlaat. Flink weet dat zoo goed als ik. Op een +dezer beide manieren wordt het zout altijd gewonnen, door uitdampen of +anders door verkoken, wat eigenlijk hetzelfde is, behalve dat men er +spoediger mee klaar komt.<span class="corr" id="xd21e2138" title= +"Niet in bron">”</span></p> +<p>„Eerlang zullen wij daar het noodige toe gereed maken, +mevrouw,” <span class="pagenum">[<a id="pb89" href="#pb89" name= +"pb89">89</a>]</span>zeide Flink; „en ik zal dan Juno wijzen, hoe +zij zichzelve altijd redden kan.”</p> +<p>Iedereen vond de soep uitmuntend. Thomas hield zijn bord zoo +dikwijls bij, dat zijne moeder hem eindelijk niet meer geven durfde. Na +geëindigden maaltijd bleef mevrouw Wilson met de kinderen alleen, +terwijl haar man en Flink met behulp van Juno en Willem de tweede tent +opsloegen en alles vóór den nacht in gereedheid brachten. +Het was reeds vrij donker, toen zij hiermee klaar waren.</p> +</div> +</div> +<div id="ch23" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">DRIE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">ALGEMEENE TEVREDENHEID MET HET NIEUWE VERBLIJF.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Mijnheer Wilson was den volgenden morgen het eerst op +en zeide tot Flink, toen deze een poos later uit de tent trad:</p> +<p>„Ik kan u zeggen, vriend, dat ik mij, sedert ik hier ben, veel +opgeruimder en beter gestemd gevoel dan vroeger. Op de andere zijde van +het eiland herinnerde alles mij onze schipbreuk en moest ik +onophoudelijk aan mijn verloren vaderland denken, terwijl het mij hier +is, of wij er reeds lang te huis waren en er vrijwillig ons verblijf +gekozen hadden.”</p> +<p>„Dat gevoel zal van dag tot dag levendiger bij u worden, +vertrouw ik, mijnheer; want het is doelloos en zelfs dwaas, als de +mensch onophoudelijk over zijn ongeluk jammert. Wij bovenal hebben alle +reden om innig dankbaar en tevreden te zijn.”</p> +<p>„Ik erken dat volgaarne, brave man<span class="corr" id= +"xd21e2162" title="Bron: ,">.</span>—Wat is dan nu het eerste, +dat gij denkt aan te vangen?”</p> +<p>„Waar wij bovenal behoefte aan hebben, is een toereikende +voorraad van zoet water en daarom wenschte ik wel, dat gij en uw zoon +Willem—dáár komt hij al! Goede morgen, mijn +jongen!—ik zei daar, dat gij beiden geen beter werk doen kondet, +dan de bron verder tot stand te brengen, terwijl ik mij weer op de +vaart begeef. Ik bracht gisteren nog een schop mee, en zoo kunt gij +gelijktijdig arbeiden; maar laat ons eerst naar de tent gaan, want +Juno, zie ik, heeft het ontbijt klaar.—Ge begrijpt wel, mijnheer, +dat wij de wel tot in het kokosbosch nasporen moeten, waar zij in de +schaduw tegen de zon gedekt is. Dat kan licht gebeuren, als gij tegen +de hoogte aan opwerkt en ziet, hoe het water van boven neerstroomt. +Hebt ge dat <span class="pagenum">[<a id="pb90" href="#pb90" name= +"pb90">90</a>]</span>gevonden, dan graaft gij een gat, wijd genoeg, om +er een van onze watertonnen, die ik van avond mee wil brengen, in neer +te laten. Is deze behoorlijk in den grond vastgezet, dan zullen wij +haar altijd vol water vinden, en hoe schielijk wij ze ook leegscheppen, +zal de wel haar toch bestendig weer aanvallen.”</p> +<p>„Ik begrijp u zeer goed,” antwoordde mijnheer Wilson. +„Dat zal dan heden ons werk zijn, voor zoolang gij afwezig +zijt.”</p> +<p>„Nu goed; dus heb ik zelf niets meer te doen, dan met Juno +over het middageten te spreken,” hernam Flink. „Daarna +schielijk een mondvol tot ontbijt en dan weg;—dit kostelijk weder +mag niet ongebruikt voorbijgaan.”</p> +<p>De oude man zeide Juno, om het varkensvleesch in de braadpan te +bakken en ook eenige sneden van de schildpad af te snijden en tegen den +middag te koken, waarbij zij ook de van gisteren overgebleven soep nog +opwarmen kon; en daarop stapte hij met een beschuit en een stuk +rundvleesch naar de boot en stak alleen van land. Vader en zoon gingen +inmiddels ook ijverig aan het werk, en tegen den middag reeds had de +kuil de breedte en diepte, welke Flink hun had aangewezen<span class= +"corr" id="xd21e2175" title="Bron: ,">.</span> Eerst toen zij zoover +waren, staakten zij hun arbeid en gingen naar de tent, waar mevrouw +Wilson met het herstellen der kleederen van hare kinderen bezig +was.</p> +<p>„Gij kunt u niet voorstellen, hoeveel beter ik mij gevoel, +sinds wij hier zijn,” zeide zij en drukte de hand van haar man, +toen die zich aan hare zijde neerzette.</p> +<p>„Ik hoop lieve, dat dit een voorgevoel is van ons toekomstig +geluk,” antwoordde hij. „Ik verzeker u, dat ik hetzelfde +voel en dezen morgen heb ik dit onzen braven Flink ook reeds +gezegd.”</p> +<p>„Ik gevoel, dat ik hier mijn leven lang gelukkig zou kunnen +zijn, zoo kalm, zoo vreedzaam en daarbij zoo verrukkelijk schoon is het +hier. Weet gij echter, wat ik mis?—Er zijn hier geen zangvogels, +zooals in ons vaderland.”</p> +<p>„’t Is waar, ik heb tot hiertoe ook nog maar enkel +zeevogels bemerkt. Hebt gij al andere gezien, Willem?”</p> +<p>„Eens maar, vader, heb ik in de verte een vlucht gezien. Flink +was niet bij mij en dus wist ik niet, wat voor vogels het waren. Ze +schenen mij echter niet zoo klein, als andere zangvogels, maar voor +’t minst van de grootte eener duif.—Kijk, daar komt Flink +den hoek om,” vervolgde hij. „Wat zeilt die kleine boot +toch hard! En ’t moet toch wel zwaar werk voor den ouden man +zijn, zoo heel alleen tegen den stroom op naar de bocht te +roeien.—Juno is het eten klaar?” <span class= +"pagenum">[<a id="pb91" href="#pb91" name="pb91">91</a>]</span></p> +<p>„Ja, massa Willem, in een ommezien klaar wezen.”</p> +<p>„Wij willen hem tegemoet gaan en hem nog vóór +den eten van het een en ander ontlasten.”</p> +<p>Zij deden dit, en Willem rolde de ledige waterton, die Flink had +medegebracht, naar de nieuw gegraven bron.</p> +<p>De sneden schildpad werden even luid geprezen, als de soep van den +vorigen avond en inderdaad, nadat men zoo lang op taai <span class= +"corr" id="xd21e2198" title="Bron: pekelkleesch">pekelvleesch</span> +gekauwd had, moest eene afwisseling met versche spijzen allen bij +uitstek gewenscht voorkomen.</p> +<p>„En nu naar de bron; zij moet heden nog klaar,” riep +Willem, zoodra de maaltijd was afgeloopen.</p> +<p>„Gij arbeidt als een dijkgraver, Willem,” merkte zijn +moeder lachend aan.</p> +<p>„Dat moet ik ook, moeder. Ik moet thans leeren alles met mijne +handen te doen.”</p> +<p>„En spoedig zal het door uwe gewoonte een tweede natuur +worden,” zei Flink.</p> +<p>Bij de bron gekomen, zagen zij tot hunne verbazing, dat het eerst +voor een paar uren gegraven gat bijna tot den rand toe met water was +opgevuld.</p> +<p>„O wee,” riep Willem, „nu zullen wij eerst al dat +water dienen uit te scheppen, om de ton er in te krijgen!”</p> +<p>„Kom, kom, jongen, bedenk u eens goed,” zei de vader. +„Het water vloeit zoo sterk, dat zulk uitscheppen geen +gemakkelijk ding zou zijn. Kunnen wij de zaak niet anders +aanvatten?”</p> +<p>„Ja, vader; maar de ton zal toch bovendrijven.”</p> +<p>„Zeker, zooals zij nu is, doet zij dat vast. Doch is er geen +middel om haar te doen zinken?”</p> +<p>„O ja, nu begrijp ik het. Wij moeten eenige gaatjes in den +bodem boren; dan zal zij volloopen en vanzelf naar den grond +gaan.”</p> +<p>„Heel goed, jongen,” sprak Flink. „Ik dacht wel, +dat zoo iets zou moeten gebeuren en heb daarom de groote boor bij mij +gestoken.”</p> +<p>De oude man boorde vier gaten in den bodem der ton, en terwijl zij +nu op het water dreef, drong dit langzamerhand naar binnen, zoodat het +vat al dieper en dieper zonk. Zoodra de rand daarvan met de oppervlakte +des waters gelijk stond, vulden zij de tusschenruimte behoorlijk met +zand op en was de bron gereed.</p> +<p>„Morgen als het water goed gezakt is, zal het zoo helder en +doorschijnend zijn als kristal, en zoo zal het blijven, als men het +niet moedwillig troebel <span class="pagenum">[<a id="pb92" href= +"#pb92" name="pb92">92</a>]</span>maakt,” voorspelde Flink. +„Alweer dus een stuk werk tot stand gebracht! Nu zullen we nog al +het overige goed uit de boot halen.”</p> +</div> +</div> +<div id="ch24" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">VIER-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">VERDERE VERRICHTINGEN IN DE NIEUWE VOLKPLANTING.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">„Daar wij nog zoo velerlei dingen te doen +hebben,” zeide mijnheer Wilson den volgenden morgen tot zijn +ouden vriend, „zullen wij een geregeld plan voor alles ontwerpen. +Van de wijze, waarop men het aanvat, hangt het welgelukken van een werk +grootendeels af. Zeg mij dus, welk werk gij ons voor de volgende week +zoo al zoudt voorslaan. <a id="xd21e2237" name="xd21e2237"></a>Morgen +is ’t Zondag, en ofschoon wij dien dag tot nu toe nog niet +behoorlijk hebben kunnen vieren, geloof ik toch, dat wij hem ditmaal +kunnen en moeten gedenken.”</p> +<p>„Ja, mijnheer, dat moeten wij en ’t zelfde zou ik u +hebben voorgeslagen. Morgen zullen wij van onzen arbeid uitrusten en +Zondag houden. En wat nu uw voorslag aangaat, mijnheer,—of zullen +wij ook eens hooren wat mevrouw zegt?”</p> +<p>„Gij moet er thans niet om denken, dat gij vrouwen of althans +fijne dames bij u hebt,” viel mevrouw Wilson hem in de rede. +„Mijne gezondheid en kracht keeren meer en meer terug en ik hoop +u spoedig wezenlijk van nut zijne. Ik neem op mij, Juno in alle +huiselijke <span class="corr" id="xd21e2243" title= +"Bron: verrchtingen">verrichtingen</span> te helpen, voor koken en +wasschen te zorgen, op de kinderen te passen, de kleederen te +herstellen en alles te doen, wat mijne krachten mij toelaten. Word ik +sterker, dan zal ik beproeven wat ik meer kan doen, en in alle gevalle +zult gij, zoo niet den ganschen, toch een groot gedeelte van den dag +over Juno’s diensten kunnen beschikken.”</p> +<p>„Daarmee kunnen wij ons vooreerst ook heel goed vergenoegen, +mevrouw,” hernam de oude zeeman. <span class="corr" id= +"xd21e2248" title="Niet in bron">„</span>Maar nu verder, +mijnheer. De beide dringendste verrichtingen, na het bouwen van een +huis, zijn vooreerst het omspitten van een stuk land voor onze +aardappelen en tuinzaden en dan het aanleggen van een vijver voor +schildpadden, opdat wij van die dieren vangen en daarin zetten, voordat +de tijd voorbij is.”</p> +<p>„Heel goed,” was het antwoord; „maar wat dient er +eerst gereed te zijn?”</p> +<p>„Mij dunkt de vijver daar, die slechts weinige dagen werks +behoeft te kosten, als gij met Juno en Willem daaraan arbeidt. Ik voor +mij heb <span class="pagenum">[<a id="pb93" href="#pb93" name= +"pb93">93</a>]</span>de gansche aanstaande week uw bijstand niet +noodig. Ik wil eerst eene plek in de buurt opzoeken, waar het hout het +dichtst staat;—daar zal ik dan de boomen omhakken en eene ruimte +maken, waar in het vervolg onze pakhuizen kunnen staan, en zoodra de +regentijd voorbij is, brengen wij dan al onzen voorraad van ginds naar +hier over. Dat zal mij wel de geheele week ophouden, daar het vellen en +op eene behoorlijke lengte afzagen van de boomen voor ons nieuwe huis +geen gemakkelijk werk is. Ben ik daarmee klaar, dan moeten wij al onze +krachten vereenigen en terstond tot het opslaan eener woning overgaan. +Haardstede en vensters kunnen misschien eerst later klaar komen. Het +voornaamste is, dat wij onder dak zijn en droge slaapplaatsen +hebben.”</p> +<p>„Denkt gij dan wezenlijk, dat daar nog kans toe is? Wanneer +oordeelt gij, moet het regenseizoen invallen?”</p> +<p>„Met drie of vier weken. Het begin staat niet altijd zoo +geregeld vast, maar veel later wordt het zeker niet. Is de volgende +week voorbij, dan zal ik waarschijnlijk altijd twee of misschien wel al +de leden van de familie gebruiken kunnen. Ha! daar valt mij in, dat ik +toch nog eens naar de bocht terug moet.”</p> +<p>„Waartoe dat?”</p> +<p>„Herinnert gij u de kar op twee wielen nog, mijnheer, die in +stroo was ingepakt en door den storm aan land werd geworpen? Gij +lachtet, toen gij haar zaagt en dacht, dat zij ons thans maar van +weinig nut zou zijn; en toch, mijnheer, zullen as en wielen ons nu goed +te pas komen, daar wij naar de plaats, waar ik de boomen vel, een breed +pad aanleggen en dan onze stammen veel gemakkelijker voortkruien +kunnen, dan zoo wij die dragen of sleepen moesten.”</p> +<p>„Dat is een kostelijke inval, Flink. Zoo zal zeker vrij wat +werk bespaard worden.”</p> +<p>„Dat denk ik ook, mijnheer. Willem en ik zullen Maandagmorgen +al vroeg opbreken, om vóór het ontbijt terug te zijn. +Vandaag willen wij nog de plekken opzoeken, waar onze tuin aangelegd, +de vijver gemaakt en het geboomte geveld worden moet. Dat is een werk +voor ons, mijnheer. Willem en Juno kunnen intusschen de dingen hier wat +beter oppakken, totdat wij ze gebruiken moeten.”</p> +<p>Terstond daalden de beide mannen naar het strand af, en na de riffen +aandachtig te hebben opgenomen, zeide Flink: „Gij ziet, mijnheer, +tot een vijver voor schildpadden hebben wij niet veel water noodig, +want als hij te diep is, kost het ons maar dubbele moeite de beesten op +te vangen. Alles <span class="pagenum">[<a id="pb94" href="#pb94" name= +"pb94">94</a>]</span>wat wij verlangen, is eene plaats in het water, +met een lagen dam van steenen omringd, zoodat de dieren niet ontsnappen +kunnen, want tot klauteren zijn ze niet in staat, hoewel ze met hunne +zwempooten heel goed op het afhellende strand kunnen voortspartelen. Nu +zie, mijnheer, de klip ginds is hoog genoeg boven water; de ruimte +tusschen haar en het strand is diep genoeg en de rotsen aan den oever +sluiten deze zijde bijna geheel af en beletten de dieren dus langs den +oever voort te kruipen, zoodat zij ons niet meer ontkomen kunnen. Wij +hebben dus weinig meer te doen, dan de beide andere kanten op te +vullen, en onze vijver is zoo goed als hij wezen moet.”</p> +<p>„Ik zie, dat dit niet veel moeite zal kosten, als wij maar +genoeg losse rotsblokken vinden kunnen.”</p> +<p>„Bijna alle, die op het strand liggen, zijn los,” +verzekerde Flink<span class="corr" id="xd21e2278" title= +"Bron: :">,</span> „en hier dicht vóór ons vinden +wij ze in menigte. Sommige zijn wel te zwaar om gedragen te worden; +doch die kunnen wij met breektangen en hefboomen van de plaats +krijgen;—wij hebben twee of drie van die dingen bij ons. Nu, +mijnheer, moesten wij Willem en Juno een teeken geven en hen dadelijk +aan het werk zetten. Vóór den middag kunnen zij nog vrij +wat afdoen.”</p> +<p>Mijnheer Wilson riep en wenkte met zijn hoed, waarop Willem en de +negerin dadelijk aankwamen. Juno werd gezonden om twee breekijzers te +halen, terwijl Willem van Flink vernam wat zij te doen hadden. Toen +Juno met de werktuigen terug was, bleven de beide mannen nog een +tijdlang bij hen en hielpen hen aan hun werk, waarna zij verder gingen, +om eene geschikte plaats voor een tuin op te zoeken</p> +</div> +</div> +<div id="ch25" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">VIJF-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">GEVOLGEN DER ONGEHOORZAAMHEID.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Mijnheer Wilson en Flink vervolgden hunne wandeling +langs het strand tot aan het punt, dat deze laatste tot het aanleggen +van een tuin ’t best geschikt achtte. Wel is waar was de laag +teelaarde op den rotsigen bodem niet dik, maar de grond was toch vrij +goed en tamelijk uitgestrekt. Daarenboven was de plaats +dáár, waar zij aan het andere land vastzat, zeer smal, +zoodat men geene uitgestrekte omheining noodig had.</p> +<p>„Gij ziet, mijnheer,” merkte Flink aan, „het +aanleggen eener heg kunnen wij uitstellen tot de regentijd voorbij is, +of als het weer dat vergunt, kunnen <span class="pagenum">[<a id="pb95" +href="#pb95" name="pb95">95</a>]</span>wij er dien toe gebruiken. De +zaadgewassen en de aardappelen zullen eerst na de regen opkomen, en zoo +hebben wij niets anders te doen, dan den grond om te spitten en zoo +schielijk mogelijk aan het poten te gaan. De struiken ginds moeten +weggeruimd worden; maar dat is weinig moeite, omdat de grond zoo licht +is. Wij hebben ook maar een deel van uwe zaden uit te strooien, want +dit jaar kunnen wij nog geen grooten tuin aanleggen; doch onze +aardappelen moeten alle gepoot worden, al konden wij ook niets anders +meer uitrichten.”</p> +<p>„Als we geene omheining te maken hebben,” antwoordde de +heer Wilson, „kunnen we dunkt mij, in eene week tijds grond +genoeg bearbeiden, om alles, wat ons ’t eerst noodig is, aan te +planten.”</p> +<p>„We dienen eerst het kleine struikgewas uit te roeien en den +grond om te spitten,” vervolgde Flink. „De zwaardere +stammen en stronken kunnen we, als het ons dadelijk aan tijd ontbreekt, +in den beginne veilig laten staan. Hier kan onze Thomas een handje +helpen, als gij hem de uitgegraven wortels laat wegdragen.—Laat +ons nu in het bosch gaan en eene plaats uitkiezen, waar ik de boomen +vellen zal. Ik voor mij heb al eene keuze gedaan, zoo gij er +<span class="corr" id="xd21e2298" title="Bron: niet">niets</span> tegen +hebt. De plek is dáár, een vijftig roeden op zij van de +tent. Van hier hebben wij bij de honderd roeden het bosch in te +gaan.”</p> +<p>Beiden volgden de door Flink aangewezen richting, totdat zij aan +eene kleine hoogte kwamen, waar de boomen zoo dicht stonden, dat het +moeite kostte daar een pad door te breken.</p> +<p>„Hier zijn we, waar we wezen moeten, mijnheer,” sprak +Flink. „Ik zou voorstellen, al het zware hout, dat wij tot onze +woning noodig hebben, uit dit gedeelte van het bosch te nemen en eene +open vierkante plaats uit te houwen, op ’t midden waarvan wij +onze pakhuizen kunnen bouwen. Tegenwoordig is de noodzakelijkheid van +zoo iets niet waarschijnlijk; maar ziet gij, mijnheer, in geval van +nood kan men deze plek met weinig moeite tot een vast punt van +verdediging maken; want als wij hier en daar tusschen de boomen nog +eenige palissaden zetten, hebben wij eene volmaakt goede verschansing, +zooals men die in West-Indië tegen de wilden gebruikt.”</p> +<p>„Volkomen waar, mijn goede raadsman. Evenwel hoop ik van +harte, dat zulke verdedigingsmiddelen ons nooit te pas zullen +komen.”</p> +<p>„Ook ik hoop datzelfde, mijnheer; maar voorzichtigheid gaat +boven alles. Intusschen hebben we eerst nog veel anders te bedenken en +te doen. Het eten zal nu wel klaar zijn. Laat ons zien, dat wij ons +deel krijgen, en dan <span class="pagenum">[<a id="pb96" href="#pb96" +name="pb96">96</a>]</span>terstond ons werk aanvatten. Ik zie altijd +gaarne een begin, al is het ook nog zoo gering.”</p> +<p>Ook Willem en Juno kwamen nu aan den maaltijd, die mevrouw Wilson +bereid had. Beiden stond het gezonde zweet op het voorhoofd, want het +was hard werk wat zij te doen hadden; maar beider wil was goed en zij +wilden gedaan krijgen wat eens begonnen was. Thomas was den ganschen +morgen uiterst oproerig geweest en had overal slechts stoornis +veroorzaakt. Zijne les had hij niet geleerd, maar daarvoor, ofschoon +het hem meer dan eens verboden was, met vuur gespeeld en de kleine +Caroline de hand gebrand. Zoodra zijn vader nu echter van zijne +ondeugendheid hoorde, werd de stoute jongen tot zijne straf veroordeeld +om vandaag geen eten te krijgen, en zoo zat hij daar boos en grommend +de verdwijnende spijzen na te kijken, zonder dat het hem nochtans +inviel, voor zijne ondeugendheid vergiffenis te vragen. Na het eten nam +mijnheer Wilson schop en houweel om naar de plaats van hun toekomstigen +tuin te gaan, en zijne vrouw verzocht hem, Thomas mee te nemen, daar +zij zeer veel te doen had en niet zoo gemakkelijk op hem als op de +kleine Caroline passen kon. Zoo vatte de vader den jongen bij de hand +en nam hem mee naar de plaats, waar hij arbeiden wilde. Daar deed hij +hem op den grond nederzitten, terwijl hij zelf de struiken begon uit te +roeien.</p> +<p>Hij werkte ijverig voort, en toen hij eenigszins gevorderd was, liet +hij het afgehouwen struikgewas door Thomas wat verder wegdragen en in +eene hoop op elkaar pakken. De kleine jongen deed dit echter ongaarne, +daar hij nog altijd in een boos humeur was. Nadat de vader eene vrij +groote ruimte van struiken ontdaan had, nam hij zijne schop en begon de +wortels uit te graven, waarbij hij aan Thomas overliet, zich naar eigen +verkiezing te vermaken. Zoo zag hij niet, waarmee de knaap wel een uur +lang bezig was, terwijl hij zelf druk voortarbeidde. Toen opeens echter +hoorde hij een luid kreunen, en op de vraag naar de oorzaak daarvan, +gaf Thomas geen antwoord, maar jammerde al sterker, tot hij eindelijk +de handen op de maag legde en zoo hard als hij kon begon te schreeuwen. +Daar hij zware pijn scheen te lijden, liet de vader zijn arbeid rusten +en bracht hem naar de tent, waar mevrouw Wilson, door het gekerm +verontrust, hem te gemoet kwam. Thomas verkoos overigens niet, ergens +op te antwoorden, en ging met huilen en jammeren voort, zoodat vader en +moeder niet begrijpen konden, wat er de oorzaak van was. De oude Flink, +die dat gekerm zoo lang hoorde aanhouden, dacht dat er een ernstig +ongeluk was voorgevallen, en kwam nu ook aan. Toen hij hoorde wat er +gebeurd was, zeide hij: <span class="pagenum">[<a id="pb97" href= +"#pb97" name="pb97">97</a>]</span></p> +<p>„Maak er staat op, mijnheer, de jongen heeft iets gegeten, dat +hem nu kwalijk bekomt. Zeg, sinjeur Thomas, wat hebt gij in den mond +gestoken, toen gij daar alleen waart?”</p> +<p>„Bessen,” was het snikkend antwoord.</p> +<p>„Dat dacht ik wel, mevrouw,” vervolgde Flink. „Ik +wil eens gaan zien, wat voor soort van bessen het waren.”</p> +<p>De oude man ging ijlings naar de plaats, waar mijnheer Wilson +gewerkt had. De moeder was inmiddels grootelijks beangst, dat het kind +iets vergiftigs mocht hebben ingekregen, terwijl de vader uit zijne +kleine apotheek een fleschje ricinusolie ging halen.</p> +<p>Flink kwam juist terug, toen ook de heer Wilson in de tent trad met +het fleschje, waaruit hij den zieken jongen eenige droppels wilde +ingeven.</p> +<p>„O, neen, mijnheer,” zeide de oude man, die een takje in +de hand hield, toen hij hoorde, welke medicijn het was; „daar +moet gij hem niet van ingeven, want, naar het mij voorkomt, heeft hij +er al te veel van gebruikt. Zie, als ik ’t niet mis heb,—en +mij dunkt, ik ben vrij zeker van mijne zaak,—is dit de +ricinusplant; en hier zijn eenige van de bessen, waarvan onze sinjeur +gesnoept heeft. Niet waar, Thomas, hiervan hebt gij gegeten?”</p> +<p>„Ja.—O, wat heb ik er eene pijn van!” kermde de +knaap.</p> +<p>„Dat is verdiend loon. Geef hem maar iets warm te drinken +mevrouw, en het zal wel spoedig beter zijn. Onze jongeheer zal nu +denkelijk wel onthouden, dat men geen vreemde bessen of vruchten +plukken mag, zonder vooraf te weten, dat ze goed om te eten +zijn.”</p> +<p>Gelijk Flink gezegd had, was het ook. Evenwel was Thomas den +ganschen dag nog ziek en misselijk, en moest al zeer vroeg naar bed +worden gebracht.</p> +</div> +</div> +<div id="ch26" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">ZES-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">EEN ONAARDIG KIND.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Den anderen morgen, toen al de overigen druk aan het +werk waren, zat mevrouw Wilson voor hare tent. De kleine Albert kroop +aan hare voeten op den grond om: Caroline was naarstig met hare +breikous bezig, en sinjeur Thomas groef kuilen in het zand, in elken +waarvan hij een steentje legde.</p> +<p>„Wat doet gij toch, Thomas?” vroeg zijne moeder.</p> +<p>„Spelen, moeder; ik maak een tuin.” <span class= +"pagenum">[<a id="pb98" href="#pb98" name="pb98">98</a>]</span></p> +<p>„Een tuin! Dan moest gij er ook eenige boomen in +planten.”</p> +<p>„Neen, ik zaai zaden: zie hier maar,” riep Thomas en +wees op zijne steenen.</p> +<p>„Steenen kunnen niet groeien; niet waar, moeder?” vroeg +de kleine Caroline.</p> +<p>„Neen, lieve meid, dat kunnen zij niet. Steenen schieten niet +uit de aarde op, maar wel het zaad van planten en bloemen.”</p> +<p>„Dat weet ik ook wel,” zeide Thomas. „Ik doe maar +zoo omdat ik geen zaad heb.”</p> +<p>„Maar gij zeidet daar straks toch, dat gij zaad zaaidet en +geen steenen.”</p> +<p>„O, dat verbeeld ik mij maar zoo, en dan is het ook precies +’t zelfde.”</p> +<p>„Toch niet zoo precies ’t zelfde, mijn jongen. Bedenk +maar eens; als gij gisteren, in plaats van die leelijke bessen te eten, +u slechts verbeeld hadt, dat gij ze at,—zou dat niet beter voor u +geweest zijn?”</p> +<p>„Ik wil er ook niet weer van proeven,” zeide de +knaap.</p> +<p>„Neen, van die bessen niet; maar als gij iets anders ziet, +waar ge trek in krijgt, dan vrees ik half en half dat ge het weer +proeven zult, en dan kon ’t licht even erg of nog erger dan +gisteren gaan.”</p> +<p>„Ik heb zin in kokosnoten. Waarom krijgen wij daar nooit van? +Daar boven aan de boomen hangen er toch nog genoeg.”</p> +<p>„Maar wie zal zoo hoog klimmen, om ze te plukken? Wilt gij dat +zelf doen, Thomas?”</p> +<p>„Neen, maar waarom doet Flink dat niet, of vader, of Willem? +Waarom stuurt ge Juno niet in den boom? Ik wil kokosnoten +hebben.”</p> +<p>„Die zullen er ons wel eens wat van meebrengen, als zij niet +zooveel meer te doen hebben; maar nu is het geen tijd daartoe. Ziet ge +niet, hoe druk allen aan het werk zijn?”</p> +<p>„Ik lust graag schildpadsoep,” vervolgde Thomas.</p> +<p>„Willem en Juno maken een vijver, om daar schildpadden in te +doen, en dan krijgen we die meer te eten. Ge moet bedenken, dat wij +niet altijd alles krijgen kunnen, waar we lust in hebben.”</p> +<p>„Eene schildpad, moeder, wat is dat?” vroeg de kleine +Caroline.</p> +<p>„Dat is eene soort van dier, dat in het water leeft en toch +geen visch is.”</p> +<p>„O, gebakken visch, daar houd ik ook veel van,” riep +Thomas weder. „Waarom krijgen wij geen gebakken visch?”</p> +<p>„Omdat iedereen thans te veel werk heeft, om ze te kunnen +vangen. Naderhand zult ge zeker ook wel nu en dan eens visch krijgen. +Maar kom, lieve Thomas, ga eens heen en haal uw broertje Albert terug. +Hij is daar veel te dicht bij onze geit gekropen, en die stoot soms +wel.” <span class="pagenum">[<a id="pb99" href="#pb99" name= +"pb99">99</a>]</span></p> +<p>Thomas deed wat hem gezegd was. De kleine was vlak bij het jonge +bokje, dat sedert vrij groot was geworden, en Thomas haalde hem daar +vandaan, maar kon daarbij niet nalaten, eens even met zijn voet naar +het dier te schoppen.</p> +<p>„Thomas, Thomas, doe dat toch niet; hij kon u stooten en u +bitter zeer doen.”</p> +<p>„Ik ben niet bang voor hem,” riep Thomas, terwijl hij +Albert met de eene hand vasthield en voortging naar den bok te +schoppen. Deze had echter geen lust om dat langer te verdragen. Hij +dook met den kop neer, sprong op Thomas toe en stiet hem tegen de +borst, zoodat hij over Albert heen op den grond rolde. De kleine +schreeuwde, en ook onze mijnheer Thomas riep om hulp. Mevrouw Wilson +schoot toe en nam haar zoontje op den arm, terwijl Thomas die nu vrij +wat bang was, zich aan haar japon vasthield en angstig naar den bok +omzag, die zeer geneigd scheen om zijn aanval te hernieuwen.</p> +<p>„Waarom doet gij ook niet wat men u zegt, Thomas? Ik zei u +immers wel, dat hij u stooten zou,” zeide de moeder en zocht +Albert gerust te stellen.</p> +<p>„Ik geef niet om tien bokken,” antwoordde Thomas, nu hij +zag dat <span class="corr" id="xd21e2400" title= +"Bron: het het">het</span> beest hem niet verder volgde.</p> +<p>„Ja, ja, nu de bok weg is, hebt gij verbazend veel moed. Gij +zijt toch een recht ondeugende jongen, die nooit gehoorzaamt, als men u +iets zegt. Weet gij nog wel van dien leeuw aan de Kaap?”</p> +<p>„Ik ben niet bang voor een leeuw,” zei Thomas.</p> +<p>„Dat geloof ik, nu er nergens een te zien is; maar gij zoudt +niet weinig schrikken en schreeuwen, als er eensklaps een voor u +stond.”</p> +<p>„Ik heb hem toch wel met steenen gegooid,” vervolgde de +knaap.</p> +<p>„Ja, dat hebt gij gedaan; en als gij het gelaten hadt, zou de +leeuw u niet zoo hebben doen schrikken, evenmin als de bok u daareven +op den grond zou hebben geworpen,” antwoordde de moeder.</p> +<p>„Sik stoot nooit naar mij, moeder,” zeide Caroline.</p> +<p>„Neen, lieve, omdat gij hem nooit plaagt! maar Thomas houdt er +veel van de dieren te kwellen en wordt daar dan ook telkens voor +gestraft. Het is heel stout van hem, dat hij het doet, vooral daar +vader en moeder hem gedurig zeggen, dat hij het laten moet. Goede +kinderen gehoorzamen altijd aan hunne ouders; maar Thomas is geen goed +kind.”</p> +<p>„Van morgen, toen ik mijne les zoo goed opzei, zeidet gij +toch, dat ik een brave jongen was, moeder,” zeide Thomas +beschaamd. <span class="pagenum">[<a id="pb100" href="#pb100" name= +"pb100">100</a>]</span></p> +<p>„Ja, ja, toen waart gij dat ook; maar gij moet altijd braaf en +gehoorzaam zijn.”</p> +<p>„Dat kan ik niet altijd wezen,” antwoordde de knaap. +„Ik heb honger; wanneer krijg ik van middag eten?”</p> +<p>„Het wordt nu spoedig tijd, jongen; maar ge moet wachten, tot +allen van het werk terug zijn.”</p> +<p>„Daar komt Flink met een zak op den schouder,” riep +Thomas. Na weinige oogenblikken stond deze dan ook voor mevrouw Wilson +en legde zijn zak op den grond neer.</p> +<p>„Ik heb u wat jonge kokosnoten meegebracht en daarbij ook een +paar oudere,” zeide hij. „Ze zijn van de boomen, die ik heb +omgehouwen.”</p> +<p>„Ha, kokosnoten, die lust ik graag!” riep Thomas en +klapte in de handen.</p> +<p>„Zeide ik niet, Thomas, dat wij ze mettertijd wel krijgen +zouden? Kijk, nu komen ze schielijker, dan wij verwacht +hadden.—Ge schijnt recht warm, Flink.”</p> +<p>„Ja, mevrouw,” antwoordde deze en wischte zich het zweet +van het voorhoofd, „’t Is ook een warm werk, daar in het +bosch geen koeltje waait. Weet ge ook nog iets, dat ik van onze +landingsplaats kan meebrengen? Ik ga er dadelijk na het eten naar +toe.”</p> +<p>„En om wat te doen?”</p> +<p>„Ik moet de kar halen, om onze stammen uit het bosch te +brengen, en daartoe moet ik eerst een behoorlijk pad banen. Maar +ditmaal heb ik Willem noodig, om mij een handje te helpen.”</p> +<p>„O, Willem zal zeker gaarne meegaan. Dat is eene verademing, +nadat hij zoo lang met die zware steenen gesleept heeft.—Ik weet +op ’t oogenblik niets meer, dat wij noodig hebben,” +vervolgde mevrouw Wilson. „Daar komt Willem met Juno, en ook mijn +man heeft, zie ik, de schop neergelegd. Kom, lieve Caroline, pas gij nu +op Albert, terwijl ik het eten voor u allen opdraag.”</p> +<p>De oude man was haar hiertoe behulpzaam. Het eten werd op den grond +gezet, want hunne stoelen en tafels hadden zij nog niet naar de nieuwe +woning meegenomen, daar zij die wel dachten te kunnen missen, totdat +het huis was opgebouwd. Willem berichtte, dat hij den volgenden dag met +den vijver hoopte klaar te komen. Zijn vader had reeds zooveel grond +omgespit, dat men den van het wrak geredden halven zak aardappelen +daarin poten kon, en ’t was dus vooruit te zien, dat binnen twee +dagen allen te zamen met vereende krachten tot het vellen en vervoeren +der boomen zouden kunnen overgaan. <span class="pagenum">[<a id="pb101" +href="#pb101" name="pb101">101</a>]</span></p> +<p>Na het eten roeide Flink met Willem in de boot weg en keerde nog +voor den donker met de kar en eenige andere goederen, die de lading vol +maakten, terug. Ook hadden zij eenige dikke balken op het sleeptouw +genomen, die Flink tot deurposten van het huis gebruiken wilde. De heer +Wilson had voor dien namiddag zijn werk laten rusten en daarvoor Juno +aan het hare geholpen. Naar zijn zeggen, was de vijver, zoo al nog niet +klaar, toch reeds zoo ver gevorderd, dat de schildpadden, eens daarin +zijnde, er niet gemakkelijk zouden uitkomen.</p> +</div> +</div> +<div id="ch27" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">ZEVEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">GESPREK TUSSCHEN VADER EN ZOON.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">„Nu beste Willem,” zeide Flink, „als +ge niet al te slaperig zijt, hebt ge misschien wel lust om van avond +mee te gaan en te zien, of wij niet eenige schildpadden kunnen vangen. +De broeitijd loopt spoedig ten einde en dan zullen zij zich niet meer +op het eiland laten zien.”</p> +<p>„O ja, Flink, ik wil graag meegaan.”</p> +<p>„Goed dan; maar wij moeten wachten, totdat het donker is. De +maan zal van nacht niet lang schijnen en dat treft juist goed voor +ons.”</p> +<p>Zoodra de zon onder was, stapten beiden naar het strand en zetten +zich daar bedaard op een rotsblok neer. Het duurde niet lang, of Flink +ontdekte een schildpad, die op het zand voortkrabbelde. Hij wenkte +Willem, hem stilletjes te volgen en ging behoedzaam naar den waterkant, +zoodat hij het beest den terugtocht naar zee afsneed.</p> +<p>Zoodra de schildpad hen gewaar werd, snelde zij op het water toe, +doch had het geluk niet van te ontkomen, daar Flink haar haastig bij +een harer voorste zwempooten aanpakte en haar toen zonder moeite op den +rug omwentelde.</p> +<p>„Zóó, Willem, als ik daar deed, moet men de +schildpadden altijd omdraaien. Gij moet daarbij echter oppassen, dat +gij niet te dicht bij hare tanden komt, wat u licht een vinger zou +kosten. Zooals het dier nu ligt, kan het niet meer van de plaats, en +wij zullen het morgenochtend evenzoo vinden. Laat ons nu eens langs het +strand voortgaan en zien, of er nog meer te vangen zijn.”</p> +<p>Beiden bleven nog tot middernacht op en vingen in dien tijd zestien, +deels groote, deels kleine schildpadden. <span class="pagenum">[<a id= +"pb102" href="#pb102" name="pb102">102</a>]</span></p> +<p>„Mij dunkt, dat is voor ditmaal genoeg,” zeide Flink +toen. „Wij hebben in dezen nacht voor langen tijd voorraad +ingezameld. Over drie of vier dagen willen wij eens zien, of wij onzen +rijkdom niet nog vermeerderen kunnen, en morgen vroeg brengen wij onze +vangst in den vijver.”</p> +<p>„Hoe zullen wij die groote dieren echter wegdragen?”</p> +<p>„Dat behoeft niet veel moeite te kosten. We schuiven hen op +een stuk oud zeildoek en brengen hen op die wijze van de plaats. Op het +gladde zand is daar weinig kracht toe noodig.”</p> +<p>„Waarom vangen we ook niet visschen, Flink? Wij konden die +immers ook bij de schildpadden in den vijver doen.”</p> +<p>„Zij zouden daar niet lang in blijven, Willem, en al deden zij +dat ook, dan zouden wij er hen toch moeilijk uit kunnen krijgen. Wij +moeten mettertijd een afzonderlijken vischvijver aanleggen; maar +vooreerst hebben wij nog wel noodiger dingen te doen. Ik ben al +voornemens geweest eenige hengelsnoeren klaar te maken, maar kon er +niet toe komen en ben daar nu al te moe en te slaperig toe. Zoodra het +huis echter gebouwd is, zullen we eens uitgaan en gij zult +oppervisschersbaas zijn, als ik u eerst gewezen heb, hoe ge doen +moet.”</p> +<p>„En niet waar, bij nacht bijten de visschen ook +aan<span class="corr" id="xd21e2482" title= +"Bron: ”?">?”</span></p> +<p>„O ja, en zelfs nog beter, dan bij dag.”</p> +<p>„Nu goed, bezorg mij dan een snoer en zeg mij, hoe ik doen +moet. Ik zal elken avond, als ’t werk af is, nog een uurtje of +langer visschen, Thomas vraagt al gedurig om gebakken visch, en ik +weet, dat moeder het gezouten vleesch hartelijk moe is en ’t ook +voor Caroline niet gezond vindt. Zij was recht blij, toen gij haar +eergisteren die kokosnoten bracht.”</p> +<p>„Goed, goed, mijn jongen. Ik zal morgenavond een stukje kaars +opzoeken en twee hengelsnoeren voor ons klaarmaken. Maar ik moet bij u +wezen, vriend Willem. In allen gevallen hebben wij hier niet veel licht +noodig.”</p> +<p>„Neen, wij zijn al blij, dat wij eindelijk te bed komen. Daar +in de bocht staan nog twee of drie kisten met kaarsen, maar hoe moeten +wij het maken, als die voorraad in ’t vervolg eens +opraakt?”</p> +<p>„Dan branden wij kokosnotenolie en daar zal het ons nooit aan +ontbreken. En nu goeden nacht, mijn jongen.”</p> +<p>Den volgenden ochtend nog vóór het ontbijt waren alle +handen bezig om de schildpadden in den vijver te brengen, die tegen den +middag door Willem en Juno geheel voltooid werd. Ook mijnheer Wilson +had tegen etenstijd eene genoegzame uitgestrektheid gronds ter +bebouwing gereedgemaakt, en daar zijne vrouw Juno dien middag het +linnengoed moest laten uitwasschen, <span class="pagenum">[<a id= +"pb103" href="#pb103" name="pb103">103</a>]</span>kwam men overeen, dat +Flink met Willem en zijn vader gezamenlijk naar den tuin zouden gaan en +de aardappelen poten.</p> +<p>De oude man werkte met de spade, terwijl vader en zoon de +aardappelen in stukken sneden, zoodat op ieder stuk een oog kwam. +Terwijl zij op deze wijze bezig waren zeide Willem tot zijn vader in +den loop van het gesprek onder andere:</p> +<p>„Vader, gij beloofdet mij, den dag nadat wij de Kaap de Goede +Hoop verlieten, dat gij mij verklaren woudt, waarom deze zoo genoemd +wordt en dat ik daarbij ook iets over de koloniën in het algemeen +hooren zou. Wilt gij nu misschien zoo goed zijn?”</p> +<p>„Recht gaarne, beste jongen; maar gij moet wel opletten, en +als gij mij niet goed begrijpt, verzuim dan niet, mij dat terstond te +zeggen, opdat ik het u duidelijker trachte te verklaren. Gij hebt wel +meer hooren zeggen, dat de Engelschen tegenwoordig de meesters van de +zee zijn, en dat is werkelijk zoo, ofschoon dat in alle tijden niet het +geval is geweest. De vroegste zeevaarders onder de nieuwere volken +waren de Spanjaarden en Portugeezen. Door de Spanjaarden werd +Zuid-Amerika, door de Portugeezen werden de Oost-Indiën ontdekt. +Destijds, het is nu meer dan driehonderd jaren geleden, was Engeland +niet de machtige staat, die het thans is en had vergelijkenderwijze +slechts weinig schepen, ook konden de Engelschen, wat ondernemingsgeest +betreft, bij de toenmalige Spanjaarden en Portugeezen niet halen. De +laatsten zochten een weg naar Oost-Indië te vinden en deden +daarbij de Kaap de Goede Hoop aan. In die dagen echter waren de +schepen, in vergelijking met de tegenwoordige, slechts zeer klein te +noemen en op de hoogte van deze kaap stormde het zoo geweldig, dat zij +die niet durfden omzeilen en haar daarom den naam van Stormkaap gaven. +Ten laatste gelukte het hun nochtans om de kaap heen te komen en van +toen af noemden zij deze Coba da Buona Speranza of Kaap de Goede Hoop. +Zij bereikten gelukkig het lang gewenschte Indië, veroverden daar +verscheidene gewichtige punten en grondvestten een handel, die voor hun +land een bron van grooten rijkdom werd, Gij begrijpt mij toch, +Willem?”</p> +<p>„Ja vader.”</p> +<p>„Welnu, weet gij, de mensch is aanvankelijk kind, rijpt +allengs tot man, bereikt als zoodanig het toppunt zijner kracht, neemt +weder af, wordt oud en sterft; en gelijk dit met elken mensch in het +bijzonder het geval is, heeft het ook met geheele volkeren plaats. Het +Portugeesche volk was toenmaals in zijn mannelijke kracht, maar andere +natiën kwamen en groeiden nevens Portugal op, onder anderen de +Hollanders, die den Portugeezen het eerst <span class="pagenum">[<a id= +"pb104" href="#pb104" name="pb104">104</a>]</span>den handel op +Indië betwistten. Dezen ontrukten hun eindelijk ook de eene +kolonie na de andere en namen den geheelen handel voor zich in beslag. +Thans eerst braken de Engelschen zich baan, veroverden zoowel de +Hollandsche als de Portugeesche koloniën en handhaafden zich +sedert grootendeels in haar bezit. Portugal, dat eens door het +moedigste volk der wereld bewoond was, is thans geheel in het niet +teruggezonken. Ook de Hollanders hebben veel van hun vroeger zoo +machtigen invloed verloren, terwijl de zon, gelijk men te recht zegt, +in het Britsche rijk nimmer ondergaat: want daar zijne koloniën op +alle punten der aarde verstrooid zijn, moeten voortdurend eenige +daarvan door de zon beschenen worden.”</p> +<p>„Dat alles, beste vader, begrijp ik zeer goed; maar zeg mij nu +eens, waarom streeft Engeland en elk ander volk zoo ijverig naar het +bezit der zoogenaamde koloniën?”</p> +<p>„Omdat deze op de welvaart van het moederland een +onberekenbaren invloed uitoefenen. Zoolang zij nog in hare kindsheid +zijn, veroorzaken zij aan dat moederland doorgaans veel onkosten en +uitgaven, maar breiden zij zich uit en worden zij sterker, dan zijn zij +ook al spoedig in staat, om die vroegere schuld af te doen, door hare +eigene voortbrengselen voor die der nijverheid van het moederland in +betaling te geven. Deze ruilhandel is voor beide kanten voordeelig. Het +moederland trekt er echter de meeste winst van, daar dit zichzelf het +recht voorbehoudt om de koloniën van al wat zij noodig hebben te +voorzien en daardoor aan zijne eigene bevolking eene markt tot vertier +openstelt, waarop geene vreemde mededinging te duchten is. De +betrekking tusschen beiden kan niet beter vergeleken worden, dan met +die tusschen ouders en kind. Gedurende hare kindsheid wordt de kolonie +door het moederland als een kind opgevoed en onderhouden. Naarmate zij +in bloei en kracht toeneemt, wordt echter ook hare verplichting +grooter, om het geleende met interest terug te geven. En hiermede houdt +de vergelijking nog niet op. Zoodra de kolonie sterk genoeg geworden is +om voor zich zelve te zorgen, werpt zij het juk der overheersching af +en verklaart zich onafhankelijk, evenals de zoon, die tot man +opgegroeid, zijns vaders huis verlaat om zijne eigene zaken te beginnen +en zijn eigen kost te verdienen. Dit wordt even zeker het geval, als +het zeker is dat de vogel, zoodra hij goed vliegen kan, het ouderlijke +nest verlaat en op eigen wieken gaat drijven. Wij hebben daar een +sprekend voorbeeld van in de Vereenigde Staten van Noord-Amerika, die +vóór vijftig jaren nog <span class="corr" id="xd21e2516" +title="Bron: kolonien">koloniën</span> van Groot-Brittanje waren, +maar nu reeds zelve een der machtigste onafhankelijke natiën der +wereld zijn.” <span class="pagenum">[<a id="pb105" href="#pb105" +name="pb105">105</a>]</span></p> +<p>„Maar vader, is het niet vreeselijk ondankbaar van eene +kolonie, wanneer zij zoo van het moederland, dat haar zoo lang +beschermde afvalt, zoodra zij de bescherming niet meer noodig +heeft?”</p> +<p>„Dat schijnt in den beginne werkelijk zoo, Willem; doch als +wij de zaak van meer nabij beschouwen, zal ons oordeel denkelijk anders +uitvallen. Het moederland heeft gedurende het lange tijdsverloop, dat +de kolonie noodig had om tot haar staat van onafhankelijkheid te +geraken, volkomen gelegenheid gehad, om zich voor alles, wat het +vroeger voor dezen deed, genoegzaam schadeloos te stellen, en na +verloop van tijd worden de rechten, die het moederland zich aanmatigt, +voor de koloniën ook werkelijk al te drukkend. Gij weet, men mag +een volwassen mensch niet op dezelfde wijze behandelen als een +kind.”</p> +<p>„Nu, vader, heb ik nog eene andere vraag te doen. Gij zeidet, +dat de volken rijzen en dalen, en hebt daarbij de Portugeezen tot +voorbeeld aangevoerd. Zal Engeland, dat nu zoo groot is, ooit vallen en +even onbeduidend worden, als Portugal tegenwoordig?”</p> +<p>„Die vraag kunnen wij alleen beantwoorden door op de +geschiedenis te zien, en deze leert ons, dat dit het lot van alle +volken is. Dus moeten wij verwachten, dat een dergelijk lot ook +Engeland eens treffen zal. Tegenwoordig zien wij daar nog geen schijn +van, evenmin als wij van de verborgen kiem des doods in ons eigen +lichaam iets bespeuren; en toch komt de tijd, dat de mensch sterven +moet, en evenzoo is het met de volken en landen gelegen. Denkt gij wel, +dat de Portugeezen, in den tijd, toen zij zoo hoog stonden, ooit +gedacht hebben, dat zij zoo laag, als zij nu staan, dalen zouden? +Zouden zij het geloofd hebben, als men het hun voorspeld had? Ja, mijn +beste jongen, ook de Engelsche natie zal mettertijd het lot ondergaan, +dat alle andere volken vóór haar heeft getroffen. Er zijn +velerlei oorzaken, welk dien tijd verhaasten kunnen of langer doen +uitblijven, maar vroeger of later zal Engeland ophouden de koningin der +zee te zijn en zijne koloniën niet langer over alle werelddeelen +uitstrekken.”</p> +<p>„Ik hoop evenwel, dat die tijd nog veraf zal zijn.”</p> +<p>„Dat hoopt ook ieder echt Engelschman, die zijn vaderland +waarachtig lief heeft. Herinner u, dat, toen het Romeinsche rijk zijne +grootste hoogte bereikt had, Groot-Britanje maar enkel door wilden en +barbaren bewoond was. Het Romeinsche rijk is thans verdwenen en leeft +alleen nog in de geschiedenis en in de overblijfsels van vroegere +grootheid, terwijl Engeland zich rangschikt onder de machtigste volken. +Hoe is het grootste gedeelte van het vasteland van Afrika bevolkt? Met +negers en barbaren; <span class="pagenum">[<a id="pb106" href="#pb106" +name="pb106">106</a>]</span>maar wie weet, wat nog in vervolg van tijd +uit dezen worden kan?”</p> +<p>„Wat! zouden die negers ooit een beschaafd volk +worden?”</p> +<p>„Op dezelfde wijze hadden ook de Romeinen in vroeger dagen +kunnen vragen: Hoe! zouden die Britsche barbaren ooit een machtig en +beschaafd volk worden?<a id="xd21e2539" name="xd21e2539"></a> En gij +ziet toch, dat zij het werkelijk geworden zijn.”</p> +<p>„Maar de negers, vader,—die zijn immers +zwart!”</p> +<p>„Dat zijn zij; maar wat doet dat ertoe? Wat de donkere kleur +der huid aangaat, is de meerderheid der Mooren bijna even zwart als de +negers en toch waren die eens een groote natie en daarbij nog het meest +verlichte volk van hun tijd, dat zich door allerlei schoone +hoedanigheden, door adel, grootmoedigheid, door fijnheid van vormen en +ridderlijken zin onderscheidde. Zij veroverden het grootste gedeelte +van Spanje en handhaafden zich eeuwen in het bezit daarvan, verbreidden +er daar toen nog onbekende kunsten en wetenschappen, en betoonden zich +even dapper en heldhaftig, als zij edel en deugdzaam waren. Hebt gij de +geschiedenis der Mooren in Spanje nooit gelezen?”</p> +<p>„Neen, vader; maar ik zou ze zeer graag leeren +kennen.”</p> +<p>„Ik ben zeker, dat gij haar dan lief krijgen zoudt. Het is +eene geschiedenis vol avonturen en afwisselende gebeurtenissen, zooals +gij nog geen andere kent. Ik had haar onder de boeken, die ik voor +Sidney had meegenomen, maar of ze gered zijn weet ik niet. We zullen +later wel eens tijd vinden, om daarnaar te zien.”</p> +<p>„Ik meen, vader, dat twee kisten met boeken zijn +aangespoeld.”</p> +<p>„Ja, twee of drie; maar als ik ’t wèl heb, had ik +er in het geheel vijftien of zestien.—Ziezoo, wij hebben de +aardappelen nu in stukken gesneden en zullen Flink helpen, om ze met de +meegebrachte zaden in den grond te brengen.”</p> +</div> +</div> +<div id="ch28" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">ACHT-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">DE VISCHVANGST.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Dien avond bleef Flink nog een paar uren bij +kaarslicht op, waarbij Willem hem gezelschap hield, en besteedde zijn +tijd om de vischsnoeren klaar te maken en van lood en haken te +voorzien. Eindelijk had hij er twee gereed.</p> +<p>„Wat moeten wij tot aas nemen, Flink?” <span class= +"pagenum">[<a id="pb107" href="#pb107" name="pb107">107</a>]</span></p> +<p>„Wel liefst een van de schaaldieren, die in menigte op het +strand liggen, ofschoon een stuk spek ons, denk ik, evengoed dienen +kan.”</p> +<p>„En waar ergens zullen wij visschen, Flink?”</p> +<p>„De beste plaats zal wel ginds, ver aan ’t uiterste van +de landpunt zijn, waar ik met de boot door de klippen kom. Het water is +daar diep tot aan de rotsen.”</p> +<p>„Ik heb al eens gedacht, Flink, of die klipganzen en +fregatvogels ook goed om te eten zouden zijn.”</p> +<p>„Niet heel best, vriend Willem. Zij zijn taai en hebben een +sterken vischsmaak. Alleen in ’t geval, dat wij niets beters +krijgen kunnen, willen wij er eens de proef van nemen. Nu wij het zaad +en de aardappelen in den grond hebben, moeten wij van morgen af met +alle macht aan ’t vellen en aanvoeren van boomstammen gaan. Uw +vader en ik zullen, dunkt mij, het vlugst met de bijl kunnen omgaan, en +gij kunt dan met Juno de stammen op onze kar laden en ze naar de plek +brengen, waar ons huis zal staan. Maar ’t is al laat, en wij +zullen ’t best doen nu naar bed te gaan.”</p> +<p>Onze Willem had echter in stilte een ander plan gemaakt. Hij wist, +dat hij zijne moeder met wat visch zeer verblijden kon, en dus besloot +hij bij den helderen maneschijn eens te beproeven, of hij, voordat hij +slapen ging, nog niet een zootje vangen kon. Daartoe wachtte hij +bedaard den tijd af, dat Flink even vast als de anderen in rust was. +Toen sloop hij voetje voor voetje met zijn vischtuig weg en liep naar +het strand, waar hij drie of vier schelpen opzocht en tusschen twee +steenen openbrak, om de diertjes er uit als aas aan zijn haak te +steken. Hierop ging hij eerst naar het hem aangewezen punt. ’t +Was een heerlijke nacht; het water was glad als een spiegel en de +stralen der maan drongen tot bijna op den grond er van door. Willem +wierp zijn snoer uit, en zoodra het lood den grond geraakt had, trok +hij het omtrent een voet in de hoogte, gelijk hem door den ouden +stuurman gewezen was. Geen halve minuut was zijne lijn nog in het +water, of daar werd zoo sterk aan getrokken, dat hij, op zoo’n +ruk niet bedacht, bijna het evenwicht had verloren en hals over kop in +het water was gebuiteld. De visch moest groot en sterk zijn, want de +lijn slipte hem door de hand en sneed hem in den vinger. Na een poosje +kreeg hij die echter weer goed vast, trok ze naar zich toe en een +groote visch met zilveren schubben, van althans negen of tien pond +zwaar, was zijn eerste vangst. Zoodra hij zijn buit zoover op het land +had, dat die niet meer in het water kon springen, maakte Willem den +visch van den hengel los en besloot nog eenmaal zijn geluk te +beproeven. Zijne lijn was ditmaal niet langer dan de eerste maal +<span class="pagenum">[<a id="pb108" href="#pb108" name= +"pb108">108</a>]</span>in het water, toen er weer met geweld aan +getrokken werd; doch nu was de knaap daarop bedacht, vierde de lijn en +liet den visch daaraan spartelen, tot hij moe werd; waarop hij hem +zonder veel moeite optrok en met blijdschap ontdekte, dat deze nog +zwaarder dan de vorige was. Met zijne vangst tevreden, wond hij de lijn +weder op, stak een touw door de kieuwen der visschen en sleepte ze zoo +naar de tenten, waar hij ze aan de tentstang ophing, opdat de honden er +niet bij zouden komen. Een kwartier later lag hij gerust in slaap. Den +volgenden morgen was Willem ook weer de eerste, die opstond en met luid +gejuich zijn buit vertoonde; maar de oude Flink schudde daarover tegen +verwachting verdrietig het hoofd.</p> +<p>„Gij hebt zeer verkeerd gedaan, Willem,” zeide hij, +„met u buiten mijn weten aan een zoo groot gevaar bloot te +stellen. Als gij besloten hadt uit visschen te gaan, waarom hebt ge mij +daar dan niet iets van gezegd? Ik zou dan meegegaan zijn. Gij zegt +zelf, dat de visch u bijna in ’t water had getrokken. Verbeeld u +nu eens, dat dat werkelijk gebeurd was; dan waart gij verloren geweest, +want de rotsen zijn zoo hoog en steil, dat gij er niet uit hadt kunnen +klauteren, voordat een haai u gepakt had. Stel u nu maar een oogenblik +het verdriet voor, dat gij uw vader en allen, die u zoo liefhebben, +veroorzaakt zoudt hebben. Verbeeld u de droefheid en de vertwijfeling +uwer arme moeder, als ze dat bericht ontving en gij niet meer te vinden +of te zien geweest waart.”</p> +<p>„Ik begrijp ’t nu wel, ik deed heel verkeerd, Flink; +maar ik wilde mijne goede moeder zoo graag eens verrassen.”</p> +<p>„Dat is reden genoeg voor ons om u uwe onbedachtzaamheid te +vergeven; maar doe het toch niet weer. Geloof mij, ik ben altijd bereid +en gewillig om overal met u mee te gaan. En nu geen woord meer van de +zaak. Niemand moet vernemen, in welk gevaar ge verkeerd hebt, want nu +is alles toch gelukkig voorbij. En gij zelf, mijn jongen, moet het een +oud man ook niet kwalijk nemen, dat hij u eens een beetje hard +beknort.”</p> +<p>„Neen, waarlijk, Flink, dat komt niet in mijn hart op, want ik +weet immers, dat ik onberaden gehandeld heb; maar ik dacht volstrekt +niet dat er eenig gevaar aan verbonden was.”</p> +<p>„Daar komt uwe moeder uit hare tent,” zeide Flink. +„Goeden morgen mevrouw! Wel gerust? Nu zult ge niet raden, wat +Willem van nacht voor u gedaan heeft. Kijk hier, daar hangen twee bazen +van visschen, waaraan wij heerlijk smullen zullen—dat verzeker ik +u.”</p> +<p>„O, daar ben ik recht blij mee!” riep mevrouw Wilson. +„Thomas, kom toch gauw eens hier! Hebt ge wel zin in gebakken +visch?” <span class="pagenum">[<a id="pb109" href="#pb109" name= +"pb109">109</a>]</span></p> +<p>„O, die lust ik zoo graag!” zei Thomas.</p> +<p>„Kijk dan eens daar aan den tentstaak.”</p> +<p>Sinjeur Thomas klapte in den handen, danste als een dolleman in het +rond en hield niet op te roepen: „We eten gebakken visch van +middag,—Caroline, gebakken visch! Gebakken visch, zooveel we maar +lusten.”</p> +<p>Na het ontbijt trokken allen naar het bosch, waar Flink de boomen +gekapt had, en namen onderstel en raderen en een paar stevige touwen +mede. De beide mannen velden de boomen en bonden ze aan de kar vast, +die toen door Juno en Willem naar de plaats werd getrokken, waar het +huis zou worden gebouwd.</p> +<p>Niemand keek zuur, toen zij tot den maaltijd geroepen werden, want +allen hadden een zwaar en vermoeiend werk gehad. Alleen Thomas had, +behalve tot allerlei kattekwaad, geen hand of vinger uitgestoken, maar +was toch aan tafel zoo gulzig, dat zijne moeder ten laatste zei: +„Neen, jongenlief; men bindt een zak wel eens toe, al is hij nog +niet vol. De kat zal nu met uw leege maag niet wegloopen, en ziek eten +moogt ge u hier niet.”</p> +<p>In den nacht, die hierop volgde, stapten Flink en Willem, hoe +doodmoe zij ook waren, naar het strand en vingen nog acht schildpadden. +Het verdere gedeelte van de week gingen zij voort met het omkappen en +vervoeren van kokosboomen, totdat zij eindelijk genoeg meenden te +hebben, om met het bouwen van het nieuwe huis te beginnen. De Zondag +werd weder in rust doorgebracht, ’s Maandagsnachts vingen zij +weder negen schildpadden en drie zware visschen en ’s morgens +daarop sloeg men de eerste hand aan het zetten van de nieuwe +woning.</p> +</div> +</div> +<div id="ch29" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">NEGEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">HET NIEUWE HUIS.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Flink had reeds in voorraad de benoodigde deurposten +en vensterkozijnen saamgesteld uit het timmerhout, dat van het wrak in +de bocht was aangespoeld. Nu heide hij dan vier palen, in elken hoek +een, in den grond en maakte, met hulp van mijnheer Wilson, in elken +kokosstam boven en beneden eene insnede voor eene tweeden en derden +stam, die daarmede aan weerszijden overkruis kwam te liggen. De stammen +werden dan om <span class="pagenum">[<a id="pb110" href="#pb110" name= +"pb110">110</a>]</span>den ander op elkaar gelegd, zoodat zij goed vast +sloten, en men had de reten nu nog slechts met kokosbladeren aan te +vullen, die dicht opeengeperst tusschen de balken werden ingeschoven. +Dit laatste werk werd aan Willem en Juno opgedragen, en zoo rees het +nieuwe huis langzamerhand van den grond omhoog. De haard en de +schoorsteen konden niet te gelijk met de muren worden opgebouwd, want +daartoe had men of leem te vinden of schelpen tot kalk te branden, om +ze daarmee en met steenen op te trekken; doch de plaats werd er voor +opengelaten. Drie weken achtereen arbeidden zij op deze wijze duchtig +door. Toen de vier muren eens stonden, begon men met het dak en de +bekleeding daarvan, welke laatste door middel van kokosbladen +geschiedde, die, in bossen gebonden, door Flink op de wijze van een +rieten dak saamgevoegd en met stevige prikken aan de balken vastgemaakt +werden. Tegen het einde der derde week was de woning in zooverre +gereed, dat zij toereikende beschutting tegen het weder verleende. Dat +werd nu ook werkelijk hoog tijd, want het weder was allengs anders +geworden; er begonnen zich wolken saam te pakken en de regentijd nam +een begin. Na eenige regenvlagen helderde de hemel nog eens weder +op.</p> +<p>„Nu hebben wij geen tijd meer te verliezen,” zeide Flink +tot mijnheer Wilson. „Wij hebben hard gewerkt, <span class="corr" +id="xd21e2614" title="Bron: moet">maar</span> moeten nu een paar dagen +nog harder werken. Het binnenste van ons huis dient klaargemaakt te +worden, zoodat mevrouw er zoo spoedig mogelijk intrekken +kan.”</p> +<p>De aarde binnen in het huis werd vastgestampt, zoodat men een +behoorlijken vloer kreeg. Aan weerszijden langs de wanden van het +gebouw liep eene rij van bedsteden, twee voet hoog boven den grond en +met katoenen gordijnen, die men ’s nachts neerlaten kon. Daarna +deden Flink en Willem nog een laatste reisje naar de bocht, om tafels +en stoelen te halen, en zij kwamen terug, juist voordat de eerste storm +van het jaargetijde losbrak. Het beddegoed en al wat men meer noodig +had, werd nu in het huis gebracht, en bij ’t grootere zette men +nog een ander huisje, waar men koken kon, totdat haard en schoorsteen +gereed zouden zijn.</p> +<p>Op een laten Zaterdagavond hield de familie eindelijk haar intocht +in het nieuwe huis, en dat juist van pas, want het zou leelijk gegaan +zijn, als het toen niet had kunnen gebeuren. ’s Zondagsmorgens +toch brak de eerste storm al los. De wind bulderde met geweld en een +geluk was het voor onze vrienden, dat zij onder dak waren, want de +windvlagen werden zoo geweldig, dat de kokosboomen zweepten, kraakten +en de kruinen bogen, alsof zij dunne rietstaven waren. De bliksem +kronkelde door de lucht, de eene donderslag volgde den anderen, terwijl +het water in stroomen uit de lucht <span class="pagenum">[<a id="pb111" +href="#pb111" name="pb111">111</a>]</span>viel en een tweede zondvloed +in aantocht scheen. Het vee liep van de weide af en zocht eene +schuilplaats onder het dichte geboomte; de honden kropen onder de +bedsteden, en ofschoon het pas middag was, werd het toch zoo donker, +dat men, om iets te zien, de lichten moest aansteken. „Daar +hebben we dus nu den regentijd, waarvan ge ons zooveel verteld hebt, +Flink,” zeide mevrouw Wilson. „Blijft dat weer lang zoo? +Wat moeten we nu doen?”</p> +<p>„Neen, mevrouw, zoo voortduren zal het niet. Tusschenbeide zal +ook de zon schijnen, maar niet lang. Wij zullen dagelijks wel nu en dan +eens uit kunnen gaan, maar ’t kan ook vele dagen zonder ophouden +regenen, en dan moeten we in huis arbeiden. Ik durf wel zeggen, dat het +ons nooit aan werk zal ontbreken.”</p> +<p>„Wij mogen wel blij zijn, dat wij een dak hebben, waaronder +wij ons hoofd veilig kunnen neerleggen. In de tenten zou het niet uit +te houden geweest zijn.”</p> +<p>„Dat wist ik wel, mevrouw, en daarom juist had ik geen rust, +voordat het huis gereed was.”</p> +<p>Hoe hevig de regen ook tegen de muren aansloeg, kon hij toch niet +door het dak dringen. Flink en Willem gingen naar buiten, om de boot op +eene plaats te brengen, waar zij niet door den storm kon beschadigd +worden, en kwamen tot op het hemd toe nat terug. Zij moesten zich thans +weer met koude spijzen behelpen, maar waren toch gelukkig. De storm +woedde den ganschen nacht onafgebroken voort; doch zij sliepen gerust +en droog, en toen zij tegen den morgen door het rollen van den donder +en de kletterende regenvlagen gewekt werden, waren zij dankbaar, dat +zij op dit woeste eiland zulk een veilige woonstede gevonden +hadden.</p> +</div> +</div> +<div id="ch30" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">DERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">PLAN VOOR DE TOEKOMST.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Toen zij den tweeden morgen opstonden, was de lucht +echter weer opgeklaard en scheen de zon vriendelijk en helder. Flink en +Juno waren de eersten buiten de deur,—Flink met zijn kijker onder +den arm, dien hij alleen meenam, als hij des morgens zijn ronde deed, +zooals hij dat noemde.</p> +<p>„Wel, Juno,” zeide Flink, „dat is een heerlijke +morgen na al dat onweer.” <span class="pagenum">[<a id="pb112" +href="#pb112" name="pb112">112</a>]</span></p> +<p>„Ja, massa Flink, heele mooie morgen, maar hoe ikke vuur aan +krijg en maak water kook voor dat ontbijt? Warempel, ikke niet weet, +want sprik en rijs alleboel klesnat.”</p> +<p>„Dat geloof ik wel, meid; maar voordat ik gisteren ging +slapen, dekte ik de kolen met asch toe, lei daar eenige steenen op en +toen nog een laag van takken en bladeren, zoodat ge, denk ik, nog wel +wat vuur vinden zult. Ge ziet, Juno; we moeten ons behelpen. We kunnen +niet alle dingen te gelijk doen; maar toekomende jaar, bij leven en +welzijn, zullen we een goeden stapel brandhout, met een dak er over, +tegen den regentijd gereed hebben, zoodat we niet weer verlegen staan. +Ik wou mijn morgenronde gaan doen, maar wil nu nog wat blijven en u een +handje helpen.”</p> +<p>„Als ’t je blief, massa Flink; veel, ijselijke boel +regen gevallen van nacht.”</p> +<p>„Ja, Juno, niet weinig. Ge moet ook niet denken, dat het water +uit de wel van morgen heel helder zal wezen, ’t Is zelfs wel +mogelijk, dat ge van de bron in het geheel niets ziet.—Daar is +toch nog wat hout, dat niet doornat is.”</p> +<p>„O, ikke al hebben vuur zatter,” riep Juno, die de +takken en steenen had weggeruimd en nu op hare knieën lag, om de +kolen aan te blazen.</p> +<p>„Nu zult ge u dus wel kunnen redden, Juno,” zei Flink; +„bovendien zal onze jongeheer Willem wel dadelijk hier zijn, +zoodat ik kan opstappen.”</p> +<p>De oude man floot de honden, die vroolijk kwamen aanspringen, en +begon toen zijne morgenwandeling. Hij begaf zich eerst naar de bron in +de kloof, maar in plaats van de borrelende wel en het kristalheldere +water, dat anders over de boorden der ton heenstroomde, vond hij een +drabbige, slijkerige beek, die klotsend van de hoogte neerstortte en +maakte, dat van de bron in het geheel niets te zien was.</p> +<p>Flink waadde door den stroom, want hij wilde naar den +schildpadvijver gaan zien, die nog verderop was gelegen. Hier was alles +in orde, en nu plaste hij nog eenmaal door het water, dat den zandigen +oever geheel overstroomd had, totdat hij aan de landtong kwam, waar +zijne boot geborgen lag. Hij had haar te dien einde achter en voor met +een stevig touw vastgebonden en een zwaren steen als anker daaraan +gehangen.</p> +<p>Van dit punt zag hij als gewoonlijk met zijn kijker uit,—niet +omdat hij op de waarschijnlijkheid rekende, dat een schip tusschen deze +eilanden en klippen verdwalen zou, maar toch, daar die mogelijkheid +bestond, nam hij doorgaans deze moeite, ofschoon nooit als mijnheer +Wilson bij hem was, daar hij wel bemerkte, dat deze daardoor bedroefd +en somber gestemd werd. Als gewoonlijk nam hij ook ditmaal, na gedaan +onderzoek, zijn <span class="pagenum">[<a id="pb113" href="#pb113" +name="pb113">113</a>]</span>kijker weer onder den arm en zuchtte: +„Dat helpt immers toch niet.”</p> +<p>Daar de storm van land af had geblazen, bevond hij nu, dat de boot +zoover was afgedreven, dat hij haar niet meer bereiken kon.</p> +<p>„Dat is wat moois!” dacht hij. „Hoe kon ik zoo dom +zijn van dat ding niet aan een touw vast te sjorren? Er naar toe +zwemmen en een maaltijd voor Jantje Haai worden, wil ik ook niet. Maar +wacht,—laat eens zien!” Met deze woorden haalde hij de +lijnen en strengen, die tot de takelage van het scheepje behoorden en +die hij ergens op een droge plek aan de kust geborgen had en knoopte ze +aan elkander. Vervolgens bond hij een stuk hout van twee voet lengte +ongeveer op ’t midden aan de lijn vast. Dit zocht hij nu door +middel van het touw in de boot te slingeren en na eenige vergeefsche +pogingen gelukte hem dit. Het hout raakte onder tusschen de ribben van +de boot vast en zoo werd het mogelijk, de boot behoedzaam aan land te +trekken. Nadat hij het water had uitgeloosd, dat zij gedurende den +storm had ingekregen, verliet hij het strand en ging een bezoek aan den +tuin brengen.</p> +<p>„Nu moet ik onze schapen en geiten nog opzoeken,” zeide +Flink, „en dan is mijne morgenwandeling gedaan.—Kom, +Romulus! Kom Remus! Waar zijt gij, jongens?”</p> +<p>De honden schenen te merken wat hij wilde en liepen al snuffelend +vooruit. Spoedig hadden zij de schapen en twee der geiten dan ook +opgespoord; maar de derde was nergens te zien.</p> +<p>„Wel, waar kan onze zwarte Nanni dan toch zitten?” +mompelde de oude man, die onderwijl een poosje had uitgerust. Eindelijk +hoorde hij onder het dichte kreupelhout een geblaat, waarop hij +dadelijk afging, terwijl de honden hem volgden.</p> +<p>„Dat dacht ik al half,” riep hij, toen hij Nanni met +twee pas geboren jongen bij haar onder de struiken vond liggen. +„Komt, kleine beestjes, we moeten een betere plaats voor u +vinden,” zeide hij en nam op iederen arm een. „Koest, +Romulus, koest dan!” dreigde hij den hond, die naar de diertjes +opsprong. „Wat zijn dat voor kuren? Koest!—Ha ha, daar ligt +ge al en hebt nu uw verdiend loon.”</p> +<p>En zoo was het ook; want Nanni, die niet dulden wou, dat de hond +hare jongen te na kwam, was op hem toegesprongen en had hem zoo +gestooten, dat hij hals over kop op den grond buitelde.</p> +<p>Met de geitjes op den arm wandelde Flink nu naar huis terug en werd +door de moeder op den voet gevolgd. Hij vond mijnheer en mevrouw Wilson +en al de kinderen reeds aangekleed. Caroline en Thomas juichten van +blijdschap, <span class="pagenum">[<a id="pb114" href="#pb114" name= +"pb114">114</a>]</span>toen zij de jonge geitjes zagen, en zelfs de +kleine Albert kraaide het uit. Zoodra Flink ze op den grond legde, +hadden ook Thomas en Caroline al spoedig een van de aardige diertjes op +den arm.</p> +<p>„Ik heb een aanwas voor de familie meegebracht, +mevrouw,” zeide Flink, „en moet u wel verzoeken, de +kleintjes in huis te dulden, totdat ik eene andere geschikter plaats +voor hen vinden kan. Dat is echter maar een begin; ik verwacht, dat wij +spoedig meer zullen hebben.”</p> +<p>Zoodra men de kleinen bewegen kon, de geitjes over te geven, werd +Nanni in een hok vastgebonden, waar ze zeer tevreden scheen en hare +kleinen zoogde en likte. Juno en Willem brachten het ontbijt binnen, en +na den afloop daarvan zeide mijnheer Wilson:</p> +<p>„Nu Flink, dienden we wel eens raad te houden, om aan ieder +van ons zijne bijzondere werkzaamheden en verrichtingen gedurende den +regentijd aan te wijzen. Wij hebben zeer veel te doen en kunnen geen +leegloopers zijn.”</p> +<p>„Ja mijnheer, wij hebben zeer veel te doen, en om met alles +klaar te komen, moeten wij met orde en naar een geregeld plan te werk +gaan. Ik ben al oud genoeg om te weten, hoeveel tijd men door een +regelmatige verdeeling zijner uren winnen kan. Zoo, bij voorbeeld, +wordt op een goed bestuurd oorlogsschip veel meer gedaan, dan men op +een koopvaardijschip in dubbel zooveel tijd uitvoert. En hoe dat zoo? +Omdat ieder ding op zijne plaats en er eene bijzondere plaats voor +ieder ding is. Heeft men dus iets noodig, dan behoeft men zijn tijd +althans niet met zoeken te verliezen, daar ieder weet, waar hij het +zijne halen moet. Bovendien weet ieder ook wat hij te doen heeft en dus +kan er nooit verwarring ontstaan.”</p> +<p>„Ik ben ’t volkomen met u eens, Flink,” viel +mevrouw Wilson hem in de rede; „orde is de hoofdzaak. Terwijl een +slordig meisje nog naar haar vingerhoed zoekt, heeft een ander, dat +beter op hare zaken past, haar werk al lang af; en ik beloof u, zoodra +de bergplanken en kastjes klaar zijn, zal ik zorgen, dat hier +binnenshuis ieder ding op zijne plaats, en dat ook eene bijzondere +plaats voor elk ding zal wezen.”</p> +<p>„Ik vraag verschooning, mevrouw, als ik te veel praat; maar ik +kan u verzekeren, dat ik nooit zou geweten hebben, hoeveel men met orde +en stiptheid kan uitrichten, als ik niet aan boord van een oorlogsschip +gediend had. Ik had al een langen tijd op koopvaardijschepen gevaren, +waar altijd, zelfs als er niets te doen is, drukte en verwarring +heerscht; maar hier vond ik, dat alles in stilte en geregeld werd +afgedaan. Nooit had iemand een woord te spreken, dan alleen de +officier, die juist den dienst had. Ieder man was <span class= +"pagenum">[<a id="pb115" href="#pb115" name="pb115">115</a>]</span>op +zijn post; ieder had een touw op te hijschen of er een te vieren. De +bootsman floot, en in een ommezien was ieder zeil bijgezet of gereefd, +al naar dat het gebeuren moest. In ’t begin scheen mij dat wel +hekserij toe. En gij zult begrijpen, mijnheer Wilson, dat bij zooveel +orde en tucht ieder man in ’t bijzonder van groot gewicht is, +want de minste nalatigheid, waaraan één zich schuldig +maakt, hindert ook dadelijk al de overigen in hun werk en doet alles +verkeerd gaan. Daarbij kan de schuldige ook altijd verzekerd wezen, dat +hij de verdiende straf niet ontgaat. Al had ik aan boord van dat +oorlogsschip ook niet anders geleerd dan mijn tijd en mijne krachten op +de beste wijze te gebruiken, dan had ik daarbij voor mijn volgend leven +al genoeg gewonnen.”</p> +<p>„Gij hebt volkomen gelijk, Flink, en gij moet ons nu leeren, +evenzoo te arbeiden,” antwoordde mijnheer Wilson.</p> +<p>„Wij hebben zooveel te doen, dat ik haast niet weet, waar te +beginnen. Wij moeten werken, zoo goed en zooveel wij kunnen, totdat wij +de dingen een weinig beter in orde hebben gebracht. Tot hiertoe hebben +wij allen braaf ons best gedaan.”</p> +<p>„Wat denkt gij, dat wij het eerst doen moeten, +Flink?”</p> +<p>„Wel, mijnheer, ons eerste werk dient te zijn, dat wij de boot +wat hooger ophalen en zorgen, dat ze geen schade lijdt. Ik reken het +vooreerst toch niet veilig naar de andere zij van het eiland te gaan, +daar er op den duur te veel branding staat en ’t weer ook te +onzeker is, om er voor een uur op te rekenen. Zoo zal het best zijn, +dat wij de boot half in ’t zand begraven en ze dan daarmee geheel +overdekken.</p> +<p>„Dat komt mij zeer goed voor. En wat volgt dan?”</p> +<p>„Ja, ziet gij, de tenten mogen wij ook niet laten staan. We +moeten ze opbreken en ze, als ze goed droog zijn, op eene geschikte +plaats bewaren, daar ze in het vervolg nog goed te pas kunnen +komen.—Dan, mijnheer, moeten we een ruim pakhuis voor +levensmiddelen en verderen voorraad bouwen, met een rieten dak en met +den vloer zoo wat vier voet boven den grond, zoodat onze schapen en +geiten daaronder bij boos weer eene schuilplaats kunnen vinden. Daarmee +kunnen wij schielijk klaar komen; wij hebben slechts drie kanten dicht +te maken, en dat kost met kokosbladeren zooveel moeite niet. Later, +mijnheer, valt er nog een vischvijver aan te leggen en eene zoutpan in +de rotsen uit te houwen; doch dat doen wij eerst, als er geen +dringender werk meer is.—Daarna komen nog twee gewichtige dingen. +Vooreerst moeten wij al, wat wij nog aan de overzijde hebben, nazien, +schriften en terechtleggen, zoodat wij het terstond na den regentijd +<span class="pagenum">[<a id="pb116" href="#pb116" name= +"pb116">116</a>]</span>hierheen kunnen halen. Het tweede is, dat wij +een ontdekkingsreisje door het gansche eiland doen en onderzoeken, wat +het al zoo voortbrengt; want tot hiertoe, mijnheer, weten wij daar nog +bitter weinig van. Wij kunnen misschien nog veel vinden, dat ons van +nut kan zijn; b. v. boomen en vruchten, en ik hoop ook wat meer gras en +voeder voor ons vee, want gij begrijpt licht, mijnheer<span class= +"corr" id="xd21e2709" title="Niet in bron">,</span> als dit zoo +vermeerderen zal, dat we er wezenlijk nut van trekken, zullen wij hier +geen voedsel genoeg voor de dieren hebben.”</p> +<p>„Al wat gij daar zegt, is volkomen waar, Flink,” +antwoordde mijnheer Wilson. „En hoe zullen wij thans onze +krachten verdeelen?”</p> +<p>„Voorshands, mijnheer, zullen wij aan geen verdeeling denken. +Juno heeft met mevrouw binnenshuis volop te doen. Onze Willem, gij en +ik zullen eerst de boot in zekerheid brengen en de tenten en wat er nog +zoo meer is, wegbergen. Dan beginnen wij met het pakhuis en haasten ons +daarmee, zooveel wij kunnen. Heeft Juno soms eens wat tijd over, dan +moet ze kokosbladeren opzamelen tot brand voor den haard. De kleine +Thomas zal wel met haar meegaan en haar wijzen, hoe ze doen +moet.”</p> +<p>„Ja, ja, dat zal ik haar wel wijzen,” zei Thomas en +zette eene hooge borst.</p> +<p>„Nu aanstonds nog niet, jongeheer,” hernam Flink; +„eerst als moeder u en Juno missen kan, dan moet gij het haar +wijzen.—Kom, mijnheer,” vervolgde hij, „wij mogen +thans de paar uren goed weer niet verzuimen, want voordat de dag ten +einde is, krijgen wij zeker nog veel meer regen. Als ge ’t +<span class="corr" id="xd21e2721" title="Bron: geod">goed</span> vindt, +zal ik even de schoppen halen en maar naar de boot vooruitgaan, waar ik +u wacht. Gij en Willem kunt eenige touwen meenemen, een stevigen bos +kokostakken bij elkander binden, dien op de kar laden en daarmee dan +naar het strand komen.”</p> +<p>„We zullen u niet laten wachten, Flink,” antwoordde +mijnheer Wilson.—„Kom, Willem, kom!”</p> +</div> +</div> +<div id="ch31" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">EEN-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">FLINK VERHAALT ZIJNE LEVENSGESCHIEDENIS.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Daar men tot het bouwen van het huis zooveel +kokosboomen geveld had, lagen er nog takken in overvloed in het rond +verstrooid, en vader en zoon hadden er spoedig genoeg bij elkaar.</p> +<p>Aan het strand gekomen, vonden zij dat Flink de boot reeds op het +droge <span class="pagenum">[<a id="pb117" href="#pb117" name= +"pb117">117</a>]</span>gehaald en er ook de rollen reeds ondergeschoven +had, om ze later van de plaats te brengen. Met weinig moeite werd zij +een el of tien hooger op het strand getrokken, totdat Flink verzekerde, +dat de afstand volkomen toereikend was. Toen groeven zij met hunne +schoppen zoo diep, dat het kleine vaartuig halverwege in het zand +wegzonk. Daarop wierpen zij de uitgegraven aarde daarin, totdat de boot +geheel vol was, bedekten die toen zorgvuldig met de meegebrachte takken +en bezwaarden ook deze weder met zand, zoodat zij niet door den wind +konden worden weggeblazen.</p> +<p>„Ik begrijp eigenlijk niet, waarom gij de boot zoo toedekt, +Flink,” merkte Willem aan. „De regen zou haar immers geen +kwaad doen.”</p> +<p>„Neen, de regen zou er weinig aan bederven, jonge vriend; maar +wel de zon, als zij van tijd tot tijd eens weer voor den dag mocht +komen. De zon heeft verbazend veel kracht en kon door haar gloed mijn +arme boot licht geheel in stukken doen springen.”</p> +<p>„O ja, daaraan had ik zoo gauw niet gedacht,” antwoordde +Willem. „Wat dient er nu bij de hand gevat, Flink?”</p> +<p>„Wel, daar we nog twee uren vóór etenstijd +hebben, zoudt gij de vischlijnen nog wel eens kunnen gaan halen, en dan +zullen wij zien wat het geeft.”</p> +<p>„Maar wij kunnen toch niet alle drie met twee lijnen +<span class="corr" id="xd21e2747" title= +"Bron: vischen">visschen</span>?” zeide mijnheer Wilson.</p> +<p>„Neen, mijnheer; maar daar uw zoon er al zeer handig mee is, +moest gij, dunkt mij, hier bij hem blijven, terwijl ik Juno nog wat +hout en prikken help inzamelen. De goede meid was dezen morgen +doodverlegen, toen dit nog zoo nat was; maar is het eens opgestapeld, +dan zal het spoedig drogen. Wees toch vooral voorzichtig, mijnheer +Wilson, en houd de lijnen niet al te stijf vast, daar ge anders gevaar +loopt zelf in ’t water te worden getrokken. Ik heb onzen Willem +vroeger al gewaarschuwd; maar ’t zal toch goed zijn, dat ge een +wakend oog op hem houdt, want hij is jong en wat driftig.”</p> +<p>Daar de oude man Willem met de lijnen juist tegenkwam, herinnerde +hij hem nog eens met een paar woorden het gevaar, dat hij de laatste +maal bij het visschen geloopen had, en ging toen zelf aan het werk, dat +hij zich nog had voorgenomen te doen.</p> +<p>Vader en zoon waren in hunne vangst zeer gelukkig. Voordat de twee +uren om waren, hadden zij acht groote visschen gevangen, die zij aan +den bootshaak hingen en zoo in triomf naar huis droegen. Sinjeur Thomas +juichte overluid, toen hij den voorraad zag en wilde dat men terstond +aan ’t koken en bakken zou gaan. Daar de vangst zoo overvloedig +was, besloot men dan <span class="pagenum">[<a id="pb118" href="#pb118" +name="pb118">118</a>]</span>ook werkelijk het eten uit te stellen, +totdat een gedeelte van de visch was toebereid. Dit was een uitstel, +waarover zich niemand rouwig betoonde, daar zij anders niets dan +pekelvleesch tot middagkost gehad zouden hebben.</p> +<p>Men had zich nauwelijks aan tafel gezet, of de regen kletterde op +het dak neer en binnen een kwartier was de orkaan weer even geweldig en +waren donder en bliksem even vreeselijk als den dag te voren. Al het +werk buitendeurs was dus opeens weer gedaan. Mevrouw Wilson, Juno en +Caroline namen haar naaiwerk, want er viel in overvloed te lappen en te +stoppen, en Flink vond bezigheid voor de rest. Willem en zijn vader +kregen een dik touw te pluizen, waarvan Flink dunner en bruikbaarder +draden maken wilde. De oude man zelf vatte zijne naaipriemen op en +boorde gaten in de venstergordijnen (die maar inderhaast waren +opgehangen), zoodat men ze nu naar welgevallen open en dicht kon +trekken. Ook Thomas kreeg een verward kluwen garen uiteen te haspelen, +wat hij, het leegzitten in het eind toch moe, ook heel geduldig +deed.</p> +<p>Zoodra Flink de gordijnen in orde had, haalde hij een dik pak van +onder de bedstede voor den dag en maakte dat open.</p> +<p>„Ik wil mevrouws slaapplaats nu wat opschikken,” zei de +goede man<span class="corr" id="xd21e2765" title="Bron: :">;</span> +<span class="corr" id="xd21e2768" title= +"Niet in bron">„</span>die dient toch wel wat mooier te wezen dan +die van de anderen.”</p> +<p>Het pak bestond uit de geredde scheepsvlag, die rood van kleur was, +en uit nog eene andere vierkante gele vlag, waarop de naam van het +schip, „De Vrede,” in groote zwarte letters te lezen stond. +Deze beide hing Flink in sierlijke kronkels voor de bedstede op, zoodat +het eene heel aardige vertooning maakte en tevens de ruwe wanden van de +hut geheel aan het oog onttrok.</p> +<p>„Waarlijk, vriend, ge maakt me bijna beschaamd,” zei +mevrouw Wilson, toen hij gedaan had. „Het is bijna al te mooi +voor deze plaats.”</p> +<p>„’t Is toch het beste gebruik, dat we er hier van maken +konden,” zei Flink.</p> +<p>„Och ja, dat vrees ik ook,” merkte mijnheer Wilson +zuchtend aan.</p> +<p>„Flink,” zei Willem, toen het licht op was, „gij +beloofdet mij eens half en half, dat ge mij uwe geschiedenis zoudt +vertellen; ik wou wel, dat ge er ons nu iets van hooren liet, om ons +zoodoende den avond te korten.”</p> +<p>„Welnu, vriend Willem, ik heb het beloofd en ik zal woord +houden. Na ’t hooren van mijne historie zult ge zeggen, dat ik in +mijn tijd heel dwaas en onverstandig gedaan heb; maar dat zal eene +waarschuwing voor u wezen en kan in allen gevalle van eenig nut +zijn.”</p> +<p>„We zullen u met groot genoegen aanhooren,” verzekerde +de moeder.</p> +<p>„Komaan, mevrouw, als gij dan maar luisteren wilt.” Met +deze woorden begon Flink zijne historie, gelijk hier volgt. +<span class="pagenum">[<a id="pb119" href="#pb119" name= +"pb119">119</a>]</span></p> +<div id="xd21e2789" class="div2 section"><span class= +"pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h3 class="main">GESCHIEDENIS VAN DEN OUDEN FLINK.</h3> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">„Natuurlijk zult ge eerst verlangen te weten, +wie mijne ouders waren. Nu, dat is gauw verteld. Mijn vader was +kapitein van een kof, die van Londen op Hamburg voer; en mijne arme +moeder, God zegene haar! was de dochter van een gepensionneerd +luitenant te land, die een paar maanden na haar trouwen al kwam te +sterven. Het weinige, dat de oude heer haar naliet, kwam bij hetgeen +mijn vader al in de kof had, zoodat hem daar een derde van toekwam; de +beide andere parten behoorden aan een rijken scheepsbouwmeester en +reeder, met name Masterman. Met de profijten van zijn aandeel in het +schip en het geld, dat hij als kapitein verdiende, kon mijn vader het +tamelijk goed stellen. Mijnheer Masterman, die veel met mijn vader +ophad en door vaders overleg en goed oppassen vrij wat geld verdiende, +was er bij, toen vader trouwde; en na mijn geboorte, zoo wat een jaar +daarna, stond hij als peet over mij. Iedereen begreep, dat dit een goed +ding voor mij was, en men wenschte er vader en moeder geluk mee, want +de oude heer Masterman was ongetrouwd en al bij de zestig jaren en had +kind noch kraai in de wereld. De menschen wilden wel zeggen, dat hij +wat heel sterk op geld gesteld was; maar dat was er, zeiden ze, niet +minder om voor mij, want hij kon zijn geld toch onmogelijk in het graf +meenemen.</p> +<p>„Gij zult zien, wat er op die gedachten van de menschen valt +staat te maken, Willem; want een jaar na mijne geboorte verloor mijn +vader zijn leven op zee, bij eene schipbreuk voor Texel, waar zijn +schip met man en muis verging, en mijne moeder bleef weduwe met een +kind pas van de borst, en ze was maar twee-en-twintig jaren oud, de +arme vrouw.</p> +<p>„Daar ’t schip voor twee derden van de waarde was +verzekerd geweest dacht men, dat mijne moeder nog genoeg zou krijgen, +om van te leven: maar tot ieders verwondering kwam mijnheer Masterman +op en zocht te bewijzen, dat alleen zijne twee derde aandeelen in het +vaartuig verzekerd waren geweest.”</p> +<p>„Maar wat is dat, verzekering?” vroeg Willem.</p> +<p>„Dat zal ik u zeggen, mijn beste jongen,” antwoordde +zijn vader. „Verzekering of assurantie is, als men aan menschen, +die men assuradeurs noemt, eene zekere som betaalt, waarover zij dan, +als ’t gebeuren mocht dat een schip of de lading verging of +schade leed, aan de eigenaars van schip en lading de waarde vergoeden +moeten. Men betaalt al naar gelang van ’t gevaar, dat men te +vreezen heeft. In oorlogstijden b. v. betaalt men tien +percent,—dat is, tien gulden voor iedere honderd, die men +verzekert. Vooronderstel <span class="pagenum">[<a id="pb120" href= +"#pb120" name="pb120">120</a>]</span>nu eens, dat ge tienduizend gulden +op een schip en lading verzekeren wilt en men daarvoor tien percent +verlangt, dan hebt ge duizend gulden aan de assuradeurs te betalen, +waartegen dezen u, in geval het schip verloren gaat, de gansche som, +die ge verzekerd hebt en dus tienduizend gulden zullen moeten +vergoeden. Hebt ge het nu gevat, Willem?”</p> +<p>„O ja, heel goed, vader. Evenwel begrijp ik nog niet, hoe een +verzekeraar daarmee geld kan verdienen, want in oorlogstijd worden veel +schepen in den grond geschoten en gekaapt, en dan heeft hij immers +zulke groote sommen te betalen!”</p> +<p>„Ge moet bedenken, Willem, dat voor een enkel schip, dat +verloren gaat, misschien vijftig of meer behouden binnenkomen, en daar +de verzekeraars voor die alle toch betaald worden, doen zij meestal +goede zaken; want dat doen zij zeker, daar er anders niet zooveel +verzekeraars en assurantie-maatschappijen bestaan zouden.—</p> +<p>„Neem mij niet kwalijk, Flink, dat ik u daar zoo in de rede +ben gevallen.”</p> +<p>„O volstrekt niet, mijnheer; men moet geen gelegenheid +verzuimen, om jongelieden onderricht te geven en ik moet zeggen, dat ge +hier nu ook de ouden wijzer gemaakt hebt, daar de zaak mij nog nooit +zoo duidelijk geweest is, als op dit oogenblik. Maar om voort te gaan: +of mijnheer Masterman ’t recht op zijne zijde had of niet, kon op +dat oogenblik geen mensch zeggen; doch dit weet ik, dat de heele wereld +er schande over riep. Het gevolg was, dat mijne moeder weinig of niets +meer van haar weinigje goed overhield, maar ze vond gelukkig vrienden, +en wist er zich, met wat ze door naaien en borduren verdiende, gelukkig +door te slaan, tot ik mijn achtste of negende jaar bereikt +had.”</p> +<p>„Maar uwe peet, mijnheer Masterman, kwam die dan uwe moeder +niet te hulp?” vroeg mijnheer Wilson.</p> +<p>„Neen, mijnheer. Het klinkt vreemd, maar dat deed hij niet; en +dit maakte, dat hij nog meer over de tong ging. Ik denk, dat het juist +deze beschuldigingen waren, waarvan hij zelf toch ook wel iets hooren +moest en welke hij waarschijnlijk aan mijne moeder toeschreef, die hem +afkeerig van ons maakten. Misschien was het ook zijn geweten; want men +zal altijd zien, dat wij degenen haten die wij benadeeld hebben en +verstoord op hen zijn, inplaats van het op onszelven te +wezen.”</p> +<p>„Ongelukkig is er veel waars in uwe opmerking<span class= +"corr" id="xd21e2819" title="Bron: .">,</span>” sprak mijnheer +Wilson; „maar toch was het hoogst vreemd, dat hij zoo iets +deed.”</p> +<p>„Dat was het werkelijk, mijnheer,—althans zoo dacht men +er toen ter <span class="pagenum">[<a id="pb121" href="#pb121" name= +"pb121">121</a>]</span>tijd algemeen over, doch hij was zeer aan +’t geld gehecht en verbitterd over geruchten, die van hem in +omloop waren.—Maar ik zal verder vertellen.</p> +<p>„Ik was een sterke, vlugge, levendige knaap. Zoo dikwijls ik +mijne moeder of de school ontloopen kon, vond men mij vast aan den +waterkant of aan boord van een schip, want alles, wat de zeevaart +aanging, was mijn hoogste lust. In den zomertijd was ik den halven dag +in het water en zoo werd ik een goed zwemmer. Mijne moeder bemerkte +mijn lust in het varen en deed alles, om mij <span class="corr" id= +"xd21e2828" title="Bron: daavan">daarvan</span> terug te brengen. Zij +vertelde mij van de moeiten en gevaren, waaraan een zeeman is +blootgesteld, en eindigde altijd met mijns vaders dood en met een vloed +van tranen.</p> +<p>„Indien mijne moeder zich niet zoo tegen mijn naarzeegaan +verzet had, geloof ik wezenlijk, dat ik aan wal gebleven zou zijn. Als +kind was ik echter trotsch en hardnekkig van aard. Ik moet dat zeker +van mijn vader gehad hebben, want mijne arme moeder, ach! die was de +zachtzinnigheid zelve. Ik kon niet velen, dat een andere jongen deed +wat ik niet doen kon; en om dingen te verrichten, die geen ander wagen +dorst, volvoerde ik soms zulke halsbrekende kunsten, dat het, naar +aller zeggen, wonder boven wonder was, dat ik er niet honderdmaal mijn +leven bij inschoot. Mijne moeder hoorde gedurig van gevaren, waarin ik +verkeerd had, en was dan buiten zichzelve van zorg en angst. In den +beginne beknorde zij mij telkens en smeekte mij toch niet zoo’n +waaghals te zijn; maar later ging ze doorgaans naar haar kamertje en +schreide daar in stilte, want ik was haar eenige troost, hare laatste +hoop en alles wat zij nog op aarde had. Ik heb later dikwijls zelf niet +kunnen begrijpen, hoe ik in dien tijd zoo ongevoelig en hardnekkig kon +zijn. Ik was te jong om te bedenken, welke kwelling ik haar aandeed en +hoe de gedurige bezorgdheid over mij aan haar leven knaagde. Kinderen +voelen dat zoo niet. Deden zij dat, ze zouden anders handelen, want +onze harten zijn op dien leeftijd nog niet verhard, maar worden dat +eerst later.”</p> +<p>„Gij hebt wel gelijk, Flink,” merkte mijnheer Wilson +aan. „Als kinderen werkelijk wisten, hoeveel hunne ouders door +hunne verkeerdheden te lijden hebben, hoezeer ieder bewijs van boosheid +hen verontrust,—zij zouden waarlijk beter zijn.”</p> +<p>„Wij zien het doorgaans eerst in, als het te laat is,” +ging Flink voort. Ik was ruim negen jaren oud, toen eens op een dag, +dat er vrij wat wind woei en het water hol stond, een kabel, waarmede +een schip aan het hoofd vastzat, met een geweldigen slag sprong. Het +losgescheurde eind trof een man, die dicht aan den waterkant gestaan +had en slingerde hem met geweld in het water. Ik hoorde hem schreeuwen +en zag, hoe de menschen op het <span class="pagenum">[<a id="pb122" +href="#pb122" name="pb122">122</a>]</span>hoofd en van de schepen hem +touwen toewierpen; maar hij kon die niet grijpen, daar hij weinig van +’t zwemmen verstond en de zee hol ging. Daar pakte ik een touw, +dat juist werd opgetrokken en sprong hals over kop van het hoofd in +’t water.</p> +<p>„Hoe jong ook, kon ik zwemmen als een eend en ’t gelukte +mij, hem het touw in handen te geven op het oogenblik, dat hij op punt +was van te zinken. Hij klemde zich daar met alle macht aan vast en werd +zoo tot aan de palen voortgetrokken; een poosje later kwam er ook eene +boot, die men inderhaast te water had gebracht en nam ons beiden +behouden op. Wij werden naar eene herberg gebracht en kropen te bed, +totdat men droge kleeren voor ons gehaald had. Toen eerst ontdekte ik, +dat de drenkeling, dien ik gered had, mijn peet, mijnheer Masterman +was.</p> +<p>„Iedereen roemde mij zeer, en waarlijk ofschoon ik dat +misschien zelfs niet zoo zeggen moest, het was ook een stout stuk +geweest voor een jongen van mijne jaren. De matrozen droegen mij als in +triomf naar moeders huis terug. Toen de goede vrouw hoorde wat ik +gedaan had, drukte zij mij vast in hare armen en dan weende zij ook +bitter, als ze aan het gevaar dacht, dat ik had doorgestaan, en zich +daarbij voorstelde, dat mijne stoutmoedigheid mij licht in nog veel +grooter gevaar brengen kon.”</p> +<p>„Maar zij beknorde u ditmaal toch niet om hetgeen gij gedaan +had?”</p> +<p>„O neen, Willem; zij gevoelde, dat ik mijn plicht jegens mijn +medemensch vervuld had: misschien ook, dat ik in dit geval het kwade +met eene goede daad had vergolden; maar van dit laatste zei ze toch +geen woord. Den volgenden dag kwam mijnheer Masterman ons een bezoek +brengen. Hij keek heel beschaamd en verlegen, toen hij naar zijn +petekind vroeg, dat hij zoolang vergeten had. Mijne moeder, die wel +begreep hoe nuttig hij worden kon, ontving hem heel vriendelijk, maar +ik had reeds te dikwijls van zijne verwaarloozing van mij en mijne +moeder en van zijn naar alle waarschijnlijkheid afschuwelijk gedrag +jegens mijn vader hooren spreken en had daardoor een hevigen weerzin +tegen hem opgevat. Zoo kwam het, dat ik zijn vriendelijkheid heel +koeltjes opnam. Ik was wel blij, dat ik hem het leven had gered; maar +ofschoon mijn gevoel mij destijds nog niet recht duidelijk was, moet ik +toch met schaamte bekennen, dat mijne blijdschap niet uit de bewustheid +voortkwam van eene goede daad verricht te hebben, doch veeleer uit +zekere bevredigde wraak, daar ik nu een man, die mij eens zoo slecht +behandelde, tot dankbaarheid jegens mij verplicht had. Dat kwam voort +uit mijn trotschen geest, dien mijne moeder niet buigen kon. Ge ziet, +jongeheer Willem; er stak weinig verdienste in wat ik gedaan +<span class="pagenum">[<a id="pb123" href="#pb123" name= +"pb123">123</a>]</span>had, daar ik na ’t verrichten der daad aan +een gevoel toegaf, dat ik had moeten onderdrukken.”</p> +<p>„Mij dunkt, ik zou in uw geval evenzoo gedacht hebben als gij, +Flink,” gaf Willem ten antwoord.</p> +<p>„Kwaad met goed te vergelden is de groote plicht van een +Christenmensch, en had ik mijnheer Masterman gered met de zekerheid dat +hij het was, dan zou dat prijzenswaardig geweest zijn; maar nu kende ik +hem niet, toen ik hem redde, en het bleef nog altijd de vraag, of ik, +als ik geweten had wie daar in het water omspartelde, mijn leven dan +wel voor hem zou hebben gewaagd. Of, als ik het toch gedaan had, zou +dat dan niet misschien met hetzelfde gevoel geschied zijn, dat mij nu +nog vervulde, nadat ik hem werkelijk gered had,—het gevoel, dat +ik mij voor zijn gedrag jegens mij op hem wreken wilde; want er bestaat +wel geen grooter wraak dan deze, dat men zijn vijand tot dankbaarheid +verplicht.”</p> +<p>„Gij beoordeelt uzelven zeer streng, brave Flink,” zeide +mijnheer Wilson, „en mij dunkt bijna, dat gij uzelven onrecht +aandoet.”</p> +<p>„Toch niet, mijnheer,” hernam de oude man. „Mijn +eerste gevoel, dat dat mij tot handelen aanspoorde, was goed; maar dat, +<span class="corr" id="xd21e2858" title="Bron: waarvan">waaraan</span> +ik later toegaf, nam al de verdienste van mijne daad weder weg. Ik zeg +juist wat ik denk dat waarheid is, en een oud man kan zonder +partijdigheid, maar niet zonder berouw, op het verleden +terugzien.—Doch ik wil nu voortgaan met mijne geschiedenis.</p> +<p>„Mijnheer Masterman’s bezoek duurde niet heel lang. Hij +zeide mijne moeder, dat hij voortaan zorg voor mij zou dragen en mij, +zoodra ik oud genoeg was om de school te verlaten bij eene +scheepstimmerman in de leer zou doen. Tot daartoe bood hij aan, al de +kosten van mijne opvoeding op zich te nemen. Mijne arme moeder was zeer +dankbaar en schreide vreugdetranen. Toen mijnheer Masterman weg was, +omarmde ze mij en zeide mij, dat ze zich nu eerst gelukkig gevoelde, +dat ik eene kostwinning te land krijgen en niet op zee gaan zou. Om +mijn peet recht te doen wedervaren, moet ik zeggen, dat hij trouw zijn +woord hield. Hij zond mijne moeder geld, zoodat ze het beter stellen en +meer genot van haar leven hebben kon. Iedereen wenschte haar ook geluk +en ze kuste mij en plachte altijd te zeggen, <a id="xd21e2863" name= +"xd21e2863"></a>ze dat alles aan mij alleen had te danken.”</p> +<p>„Ach, Flink, wat moet dat u gelukkig gemaakt hebben!” +riep Willem, vol hartelijkheid.</p> +<p>„Ja, jongeheer, dat deed het, maar het maakte mij ook heel +trotsch. Het is vreemd maar toch waar; ik kon mijn afkeer van mijnheer +Masterman <span class="pagenum">[<a id="pb124" href="#pb124" name= +"pb124">124</a>]</span>niet overwinnen; ik had dien te lang in mijn +hart omgedragen. Ik kon nauwelijks verdragen, dat mijne moeder +verplichting aan hem had, of dat hij het schoolgeld voor mij betalen +zou. Hoe jong ik ook was, krenkte die gedachte mijne trotschheid toch +al te zeer, en al was mijne moeder ook nog zoo gelukkig, ik was dat +niet. Daar ik bovendien op een betere school gebracht was en men mij +dwong, bij de andere jongens te blijven, kon ik niet meer, zooals te +voren, aan den havenkant omzwerven en op de schepen gaan, zoodat ik van +mijn liefste genot was beroofd. Destijds zag ik niet in, zooals +tegenwoordig, dat dit alles tot mijn eigen best was. Het verbitterde +mij veeleer, en ik gevoelde mij ongelukkig, enkel omdat ik gedwongen +was, mijn aandacht op de lessen te richten en men mij niet langer mijn +eigen weg liet gaan.</p> +<p>„De meester klaagde over mij; mijnheer Masterman liet mij +roepen en haalde mij terdeeg door. Dit maakte mij nog koppiger, en zoo +werd ik, op mijnheer Masterman’s verlangen, gevoelig gekastijd. +Deze behandeling maakte mij zoo weerspannig, dat ik besloot weg te +loopen en op zee te gaan.</p> +<p>„Gij ziet, Willem, dat ik in dit alles ongelijk had; en dat +hebben alle knapen, die zoo eigenzinnig zijn, als ik te voren was, en +alles beter meenen te weten dan zij, die voor hen zorgen willen. Nu, +stel u eens voor beste jongen, wat door mijn dwaas gedrag +waarschijnlijk voor mij verloren ging. Ik zeg waarschijnlijk, want +niemand kan vooruit zien en zeggen wat de toekomst zal aanbrengen. Naar +allen schijn echter had ik groot vooruitzicht om eene goede opvoeding +te ontvangen,—om later mijnheer Masterman in zijne zaken op te +volgen en, hoogst waarschijnlijk, ook zijn groot vermogen te erven, +zoodat ik mettertijd een gezeten man zou geworden zijn. Misschien had +ik eene goede vrouw gevonden, had kinderen gekregen om mijn geluk nog +grooter te maken,—en in plaats van dat alles ben ik nu een arm, +oud, afgeleefd zeeman op een eenzaam verlaten eiland. Ik maak u daar +opmerkzaam op, Willem, om u te toonen, hoe een enkele onberaden stap in +de jeugd al onze vooruitzichten voor de toekomst kan verijdelen, zoodat +we, in plaats van met gunstig tij te varen, ons leven lang tegen den +stroom der tegenspoeden hebben op te worstelen. Dit was bij mij het +geval, zooals ge uit het vervolg van mijn verhaal zien zult.”</p> +<p>„Dat is inderdaad een goede les, Flink,” zeide de +vader.</p> +<p>„Ja, wel eene goede les, mijnheer, en zoo heb ik ook niet over +mijn lot te klagen, ofschoon mij ook de dwalingen berouwen, die mij +zoover gebracht hebben. Ik ben niet ontevreden met mijn lot, want dat +zou zonde wezen.”</p> +<p>„Uw ongeluk is voor ons allen een onschatbare weldaad +geworden,” <span class="pagenum">[<a id="pb125" href="#pb125" +name="pb125">125</a>]</span>zeide mevrouw Wilson tot den ouden man; +„want waart gij niet op zee gegaan, waart gij niet aan boord +geweest,—wat zou er van ons geworden zijn, nadat al de anderen +ons verlaten hadden?”</p> +<p>„Nu ja, mevrouw, het is altijd nog een troost, te mogen denken +dat zoo’n oud, afgeleefd matroos als ik toch ergens nog nuttig +toe is geweest.—Maar nu, mevrouw, is het de tijd, dat we +doorgaans naar bed gaan, en daarom, dunkt mij, zal ’t het best +zijn, dat ik voor heden afbreek en morgenavond met mijne historie +voortga.”</p> +</div> +</div> +</div> +</div> +<div id="ch32" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">TWEE-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">VERVOLG VAN FLINKS GESCHIEDENIS.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Het blaten der geiten maakte hen den anderen morgen +vroeger dan gewoonlijk wakker. De lucht was zeer opgeklaard, de zon +scheen helder en Flink liet Nanny en haar jongen vrij loopen.</p> +<p>Het gezin had een kostelijk ontbijt van gebakken visch, en daarna +gingen de mannen met Willem terstond weer aan den arbeid. De beide +eerste haalden de tenten omver en spreidden het doek op den grond uit, +om te drogen, terwijl Willem het gevogelte ging opsporen, dat zich in +geen paar dagen had laten zien. Na een half uur zoekens, hoorde hij den +haan in het kokosbosch kraaien en vond spoedig allen bij elkander. Hij +strooide hun een handvol erwten voor, die hij in zijn zak had gestoken, +want het koren had men besloten te sparen, om het zoodra men maar meer +grond had omgespit, uit te zaaien. Als het meel dan ook mocht opraken, +hadden zij aan de landingsplaats nog eenige vaten daarvan over, die bij +de stranding gered waren, en er was dus nog zoo spoedig geen dadelijk +gebrek te vreezen. De hoenders waren zeer hongerig en liepen Willem tot +aan huis na, waar hij hen liet, om naar zijn vader en Flink om te +zien.</p> +<p>„Onze tenten kunnen nu drogen, vriend Willem,” voegde de +oude man hem toe; „zoodat we nu, als uw vader het goedvindt, met +alle macht aan ’t werk willen gaan om een hoenderhok tot stand te +brengen. ’t Zal niet meer dan een dag kosten, en de arme beesten +hebben dan ook een dak. Daar staan vier dikke kokosboomen hier dicht +bij huis; wij willen daaronder een hok bouwen, en dat kan spoedig +gereed zijn.”</p> +<p>Mijnheer Wilson keurde dit plan volkomen goed, en dus ging men +dadelijk <span class="pagenum">[<a id="pb126" href="#pb126" name= +"pb126">126</a>]</span>aan het werk. Van de boomen, die tot het huis +gediend hadden, waren nog eene menigte dunne toppen over; deze +gebruikten zij tot latten en spijkerden ze aan de vier boomstammen, +zoodat zij een regelmatig vierkant vormden, waarna zij nog de sparren +opzetten tot een stevig afloopend dak.</p> +<p>„Dat is nu alleen maar het ruwe werk,” zei Flink; +„we moeten nu een of twee stokken voor de hoenders maken, en dan +de zijden sluiten en het dak met kokosbladeren stevig dekken. Maar +kijk, daar gaat Juno al aan het opscheppen, zoodat we nu maar eerst +schaften moeten.”</p> +<p>Na den maaltijd begon men opnieuw. Mijnheer Wilson verzamelde de +takken, terwijl Flink en Willem de zijden en het dak met bladeren +dekten, zoodat het hoenderhok nog vóór den avond volmaakt +in orde kwam. Willem lokte de hoenders met eenige erwten, en toen zij +onder dak waren, liet hij hen rustig pikken en ging in huis.</p> +<p>„Nu, mijnheer, denk ik, zullen ze spoedig hun weg daarheen +weten te vinden,” sprak Flink, „en later als ik eens tijd +daartoe vind, zal ik ook eene deur voor den ingang maken. Mij dunkt, +dan kunnen wij het opzicht over ons gevogelte veilig aan juffer +Caroline toevertrouwen. Ze zal voor de oude hoenders en de jongen, als +we die eens hebben, zeker wel behoorlijk zorg dragen.”</p> +<p>„Ja, ja, dat moet haar post worden,” riep Willem. +„Ze zal wat blij wezen, als ze koningin wordt van het hoenderhok. +En nu, dunkt me, moeten we aan het oprollen van de zeilen gaan; wij +hebben vandaag een kostelijken dag gehad en misschien zijn we morgen +niet weer zoo gelukkig.”</p> +<p>„Gij hebt volkomen gelijk; wij willen ze onder dak brengen en +onder de bedstede bergen, waar nog ruimte voor alles in overvloed +is.”</p> +<p>Toen men dit alles verricht had, was de zon intusschen ondergegaan, +en zoo keerden ook allen in hunne woning terug. Al spoedig werd Flink +nu verzocht, met zijn historie voort te gaan, en hij deed dit, als +volgt:</p> +<p>„Ik zeide gisteravond, dat ik het besluit nam, om van mijne +kostschool weg te loopen en op zee te gaan; doch hoe ik dat plan +volvoerde, hebt gij nog niet gehoord.—Het was mij niet mogelijk, +onbemerkt te ontsnappen, voordat de overige jongens al te bed waren. De +kamer, waar ik sliep, was op de tweede verdieping; de deuren, dat wist +ik, waren gesloten, maar daar was nog een zolderluik, waardoor men op +het dak kon komen. Het was van binnen gegrendeld, en langs eene ladder +kon men er bij klimmen. Zoo besloot ik dan, langs dien weg de vlucht te +beproeven. Zoodra de andere jongens gerust snorkten, stond ik op, +kleedde mij heel bedaard aan en sloop de kamer uit.</p> +<div class="figure xd21e2918width"><img src="images/p126.jpg" alt= +"Ik zag de schepen in de haven en de zee in de verte." width="487" +height="720"> +<p class="figureHead">Ik zag de schepen in de haven en de zee in de +verte.</p> +</div> +<p><span class="pagenum">[<a id="pb127" href="#pb127" name= +"pb127">127</a>]</span></p> +<p>„Het was heldere maneschijn, en dat was een geluk voor mij, +want zoo kon ik zonder gestommel het luik bereiken. Het kostte mij veel +moeite dat op te lichten, want voor een knaap van mijne jaren was het +heel zwaar; maar eindelijk lukte het toch, en ik kwam gelukkig op het +dak van ’t huis.</p> +<p>„Toen ik in de goot stond, keek ik rond. Ik zag de schepen in +de haven en de zee in de verte, zoodat ik mij verbeeldde al vrij te +zijn en niet bedacht, hoe ver ik nog van den grond was. Eindelijk begon +ik toch te overleggen, hoe daar te komen. Ik ging eenige malen op en +neer, en besloot toen, langs een looden pijp, die van de dakgoot tot +den grond reikte, naar omlaag te klauteren. Ze was juist zoover van den +muur, dat ik haar met mijne dunne vingers omvatten kon, ik was destijds +nog licht als een veer en vlug en lenig als eene kat. Ik klom over den +rand van het dak, klemde mij met handen en knieën aan den looden +pijp en liet mij zachtjes omlaag glijden, tot ik behouden beneden +stond.”</p> +<p>„’t Is wel een wonder, dat gij niet hals en beenen +braakt,” zeide mevrouw Wilson.</p> +<p>„Ja, waarlijk, mevrouw, dat was het ook,—zoo denk ik nog +dikwijls—maar toen dacht ik alleen aan de uitvoering van mijn +onberaden plan. Zoodra ik op het daaronder liggend bloembed te land was +gekomen, liep ik naar het ijzeren traliehek van den tuin, was met een +wip daar overheen en stond zoo op straat. Ik was zonder hoed of pet; +want onze petten hingen beneden in de school aan de +kapstokken,—doch daar bekommerde ik mij niet over. Ik liep, wat +ik loopen kon, naar de haven. Aan het hoofd gekomen, ontdekte ik een +schip dat zijn zeilen al los had gemaakt en op de juist invallende eb +scheen te wachten. De matrozen zongen een vroolijk liedje, terwijl zij +de ankers vóórdraaiden. Zoo stond ik daar en bespiedde +elke beweging van het vaartuig. Reeds overlegde ik of ik er niet naar +toe zou zwemmen, toen ik een man in de jol zag klimmen en naar het +hoofd toe roeien. Ik liep op hem toe, zoodra hij aanlegde om het touw +van een der palen van het hoofd los te maken; en nog eer hij dit gedaan +had, sprong ik, zonder een woord te spreken, in zijne boot.”</p> +<p>„Wat wil je, kleine dreumes,” vroeg de matroos.</p> +<p>„Ik wil mee naar zee,” antwoordde ik hijgend; +„neem mij aan boord,—ik bid u om Gods wil.”</p> +<p>„„Goed,” zei de man; „ik heb mijn kapitein +hooren zeggen, dat hij nog wel een kajuitsjongen gebruiken kon. Kom dus +maar mee, kleine deugniet.”</p> +<p>„Hij roeide naar het schip terug, en ik klom haastig aan +boord.</p> +<p>„„Wie zijt ge?” vroeg de kapitein. <span class= +"pagenum">[<a id="pb128" href="#pb128" name="pb128">128</a>]</span></p> +<p>„Ik gaf ook hem ’t zelfde antwoord, namelijk, dat ik ter +zee wou varen.”</p> +<p>„„Gij zijt nog te klein en te jong.”</p> +<p>„„O neen, neen, vast niet,” was mijn <span class= +"corr" id="xd21e2949" title="Bron: antwooord">antwoord</span>.</p> +<p>„„Wat, denkt ge dan, dat ge al in den mast kunt +klimmen?”</p> +<p>„Dat zult ge dadelijk zien,” riep ik en klauterde als +eene kat langs de touwen op, tot aan de bramra.</p> +<p>„Toen ik weer omlaag bij den kapitein kwam, zeide deze:</p> +<p>„„Nu, ik denk, dat ge mettertijd een goed zeeman kunt +worden. Ik wil u dan aannemen, en zoodra ik te Londen kom, zal ik u als +scheepsjongen inschrijven. Waar is uw pet?”</p> +<p>„„Die heb ik thuis gelaten,” was mijn +antwoord.</p> +<p>„„Dat komt er ook niet op aan; een roode slaapmuts doet +nog beter diensten,” zeide de kapitein en ging in zijne kajuit, +om mij er eene te halen.</p> +<p>„Het vaartuig, waarop ik mij nu bevond, was een kolenschip. +Binnen een half uur waren wij de haven uit en met het opgaan der zon +dobberde ik op wijde zee, die voortaan mijn verblijf zou zijn.</p> +<p>„Zoodra de eerste drukte en werkzaamheid van het ankerlichten +voorbij was, ondervroeg de kapitein mij nader naar mijne betrekkingen. +Hij scheen een ruw en barsch man te zijn en nog voordat de dag ten +einde was, voelde ik bijna berouw over den stap, dien ik gedaan had. +Toen ik mij eindelijk s’avonds doornat en koud, op een paar oude +zeilen neerlei, dacht ik op eens aan mijne moeder en aan het verdriet, +dat ik haar veroorzaken zou. Ik schreide bittere tranen; maar nu was +het te laat.—Ik heb vaak gedacht, mijnheer Wilson, dat het leven +vol zorgen en gevaren, dat ik sinds dien tijd doorworstelen moest, +slechts eene verdiende straf was voor de wreedheid die ik beging door +mijne moeder zoo te verlaten. Ik was immers haar eenige kind: ze had +niemand op de wereld, om lief te hebben, buiten mij, en ik.... brak +haar het hart, tot loon voor àl de liefde en goedheid, die ze +mij van jongsaf had bewezen. Deed ik niet slecht, Willem?”</p> +<p>Hier hield de oude man eene poos op, en ook niemand van de overigen +het een woord hooren. Willem, die het naast bij zijne moeder zat, sloeg +zijn arm om haar hals en kuste haar.</p> +<p>„Ik ben blij dat te zien, mijn beste Willem,” begon +Flink nu weder. „Ik zie daaruit, dat mijne geschiedenis voor u +niet verloren is, en beschouw dien kus als eene plechtige belofte, dat +ge uwe ouders nooit zult verlaten.”</p> +<p>De tranen rolden mevrouw Wilson over de wangen en vurig beantwoordde +zij de omhelzing van haar zoon.</p> +<p>„Ik wil nu liefst maar afbreken,” zeide Flink; „ik +ben niet gestemd om <span class="pagenum">[<a id="pb129" href="#pb129" +name="pb129">129</a>]</span>voort te gaan; mijn hart wordt telkens vol, +als ik mij dat dwaas en slecht bestaan uit mijne jonge dagen +herinner.”</p> +</div> +</div> +<div id="ch33" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">DRIE-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">THOMAS, WAAR IS DE VINGERHOED?</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Den volgenden morgen was het uitstekend schoon weer en +terstond na het ontbijt trok men met de kar naar den schildpadvijver. +Flink had eene stevige piek met een scherpen weerhaak meegenomen en +spietste daarmee den schildpad uit den vijver, die daarop aan land werd +getrokken, op de kar geladen en naar huis overgebracht.</p> +<p>Na het dooden van den schildpad, werd ze in stukken gesneden, en +onder Flinks toezicht koos Juno toen zooveel reepen uit, als ze voor de +soep noodig had. Toen de pot te vuur stond, trokken Flink, mijnheer +Wilson en Willem met zagen en bijlen het bosch in, om de noodige boomen +te vellen voor de voorgenomen bergplaats van hun voorraad, zoodra deze +van de landingsplaats kon worden afgehaald.</p> +<p>„Ik denk, dat het hier in tijd van gevaar onze schuilplaats +wezen moet,” merkte Flink aan. „Daarom heb ik ook deze plek +van het woud uitgekozen; ze is niet al te ver van ons huis af, en als +we het pad er heen met wat kronkels en bochten uithouwen, moet ze wel +voor het gezicht verborgen wezen. Daarbij moeten wij het pad maar zoo +breed maken, dat de kar er even langs kan: ook moeten we de wortels van +de omgekapte boomen uitgraven, daar anders de tronken de aandacht +konden trekken. Niet dat ik denk dat het ons ooit zal te pas komen, +maar toch kan voorzichtigheid nooit schaden en bovendien kost het ons +weinig moeite.”</p> +<p>„Ik ben het volkomen met u eens,” antwoordde mijnheer +Wilson; „’t is in alle gevalle goed, want men weet toch +nooit wat er gebeuren kan.”</p> +<p>„Onder ons, mijnheer, kan ik u wel zeggen, dat de inlanders in +dezen hoek van de wereld de gewoonte hebben van in hunne +kano’s<a class="noteref" id="xd21e2994src" href="#xd21e2994" +name="xd21e2994src">1</a> van ’t eene eiland naar het andere te +gaan, om kokosnoten in te zamelen. Ik kan niet verzekeren, dat de +andere eilanden hier in den omtrek bewoond zijn, maar dat is toch wel +waarschijnlijk en dan blijft altijd de vraag, van welken aard +<span class="pagenum">[<a id="pb130" href="#pb130" name= +"pb130">130</a>]</span>dat volk om ons heen is. Ik durf u dat gerust +zeggen, maar ’t is beter dat mevrouw er niets van te weten komt. +Gij zult toch ook wel zwijgen, beste Willem?”</p> +<p>„O, wees daar gerust op, Flink; ik zal geen woord zeggen, dat +moeder ongerust maakt.”</p> +<p>„Wij zijn nu dicht bij de plek. Ge ziet, mijnheer, dat de +boomen hier op dezen heuvel zeer dicht bij elkander staan. Welnu, een +weinigje verder, wat meer in de laagte, moesten we, dacht me, eene hut +bouwen, die men daar zeker niet zoo gemakkelijk vinden zal.—Ik +geloof,” vervolgde de oude man, toen zij nog een poosje waren +voortgegaan, „dat hier zoo ten naastenbij de rechte plek is; want +we hebben omtrent twee derden van de hoogte achter ons en de helling is +hier nog wel zoo sterk dat het water een vrijen afloop +vindt.”</p> +<p>„En hoe ver zouden we nu wel van huis zijn, Flink? Mij dunkt, +nog zoo heel ver niet.”</p> +<p>„Ik reken nog niet meer dan anderhalven kilometer, in eene +rechte lijn, ofschoon de weg door al zijne bochten wel dubbel zoo ver +moet wezen.”</p> +<p>„Dan, geloof ik, zal deze plaats de beste zijn, en hoe eer wij +beginnen, des te beter.”</p> +<p>„Ik wil nog maar enkel de boomen merken, die staan blijven +mijnheer, en dan die gekapt moeten worden op den stam na, tot op bij de +vier voet hoog van den grond. Vriend Willem, wilt ge zoo goed +zijn<span class="corr" id="xd21e3012" title="Bron: .">,</span> om het +andere eind van de lijn eens aan te vatten?”</p> +<p><a id="xd21e3016" name="xd21e3016"></a>Zoodra nu de omvang van het +gebouw behoorlijk was afgemeten, waren bijl en zaag ook spoedig druk +aan het werk en werd de eene boom na den anderen geveld. Onze drie +vrienden arbeidden tot etenstijd dapper door en verheugden zich niet +weinig in het vooruitzicht, dat na gedaan werk eene lekkere +schildpadsoep hunne belooning wezen zou.</p> +<p>„Willem!” riep mevrouw Wilson, toen zij tegen den middag +thuis kwamen, „en ook gij, beste man! gij zijt door en door nat +van zweet,—ge moet u niet al te zeer vermoeien.”</p> +<p>„Ja, lieve moeder, dat boomen kappen is een warm werk,” +antwoordde Willem; „en hard werken doet een mensch zooveel kwaad +niet, vooral niet als hem een maaltje schildpadsoep wacht. Wij zijn +hongerig als wolven en zullen Juno’s keuken alle eer aandoen. +Hé, Thomas, kom hier, jongen! Ge kijkt zoo zwart. Wat hapert er +aan?”</p> +<p>„Thomas en ik kunnen het niet samen vinden<span class="corr" +id="xd21e3024" title="Bron: .">,</span>” antwoordde mevrouw +<span class="pagenum">[<a id="pb131" href="#pb131" name= +"pb131">131</a>]</span>Wilson, terwijl Thomas enkel zijne lip liet +hangen. „Van morgen zat ik te naaien, goed en wel met mijn +vingerhoed aan de hand, toen Juno mij buiten riep. Ik nam Caroline aan +de hand mee en onze sinjeur Thomas bleef zoolang in huis alleen. Toen +ik terugkwam, stond hij voor de deur, en toen ik mijn werk weer opnam +was mijn vingerhoed nergens te vinden. Ik vroeg hem, of hij dien gehad +had; hij zei, dat hij er naar zien zou. Dat deed hij ook, maar bracht +hem niet weerom. Ik vroeg hem onderscheiden malen, of hij den +vingerhoed had weggenomen; maar zijn eenig antwoord was, dat die wel +weer terecht zou komen. Ik ben overtuigd, dat hij hem verloren heeft, +maar hij wil dat volstrekt niet bekennen. Het gevolg was, dat ik den +heelen ochtend heb moeten zitten zonder een steek te kunnen +doen.”</p> +<p>„Hoor eens hier, Thomas,” zei mijnheer Wilson op +ernstigen toon: „hebt gij den vingerhoed weggenomen?”</p> +<p>„Hij zal wel weer terechtkomen, vader.”</p> +<p>„Dat is geen antwoord, jongeheer. Hebt ge den vingerhoed +weggenomen en verloren misschien?”</p> +<p>„Ik weet heel zeker, dat hij vandaag wel weer terechtkomt, +vader<span class="corr" id="xd21e3037" title= +"Bron: ”,">,”</span> riep Thomas snikkend.</p> +<p>„Dat is alles wat hij mij tot hiertoe geantwoord heeft,” +zeide de moeder.</p> +<p>„Goed, heel goed dan. Daarvoor zal hij ook niets te eten +hebben, voordat wij ook zeker weten, dat de vingerhoed vandaag weer in +moeders handen is.”</p> +<p>Op ’t hooren van deze woorden, begon Thomas te schreien wat +hij kon. Juno verscheen nu juist met de schildpadsoep, die een +aangenamen geur verspreidde. Toen men zich aan tafel neergezet had, +schreide Thomas nog harder. Allen waren zeer hongerig en Willem liet +zijn bord gauw nog eens vullen. Pas had hij echter eenige happen +gedaan, toen hij zijn vinger in den mond stak en daar iets +uithaalde.</p> +<p>„Ha, moeder, daar is de vingerhoed in mijne soep,” riep +hij, „en ik was op het punt van hem door te slikken.”</p> +<p>„Geen wonder, dat onze sinjeur zei, dat hij wel weer terecht +zou komen,” sprak Flink lachend. „Hij dacht hem zekerlijk +wel op te visschen uit hetgeen van onzen maaltijd overbleef. Welnu, +mevrouw, ofschoon ik niet zeggen wil, dat Thomas een zoete jongen is, +moet men toch erkennen, dat hij, toen hij niet zeggen wou waar de +vingerhoed was, er geen leugens bij gebruikte.”</p> +<p>„Neen, neen, jokken deed hij niet,” riep Willem. +„Ik hoop, dat, nu het ding gevonden is, vader hem ook wel +vergeven zal, als hij daarom verzoekt.”</p> +<p>„Thomas, kom hier!” sprak mijnheer Wilson. „Zeg +mij: waarom hebt gij den vingerhoed in de soep geworpen?” +<span class="pagenum">[<a id="pb132" href="#pb132" name= +"pb132">132</a>]</span></p> +<p>„Ik wou de soep eens proeven; ik wou den vingerhoed vol +scheppen. Toen brandde ik mij de vingers en liet ik den vingerhoed bij +ongeluk in den ketel vallen.”</p> +<p>„Nu, een vingerhoed vol was toch ook de heele wereld +niet,” merkte Flink aan. „Maar waarom zeidet gij uwe moeder +niet, waar de vingerhoed was?”</p> +<p>„Och, ik was bang, dat moeder dan al de soep zou weggooien, en +dan kreeg ik er niets van.”</p> +<p>„Ei, ei, was het geval zóó?” sprak de +vader. „Welnu, ik zeide, dat gij niets te eten zoudt hebben, +voordat de vingerhoed gevonden was; daar die nu terug is, kunt gij ook +aan tafel komen. Als u echter in het vervolg weer iets gevraagd wordt +en gij geen antwoord geeft komt gij er zoo gemakkelijk niet af, dat +verzeker ik u.”</p> +<p>Thomas was blij, dat de bestraffing voorbij was, en nog blijder dat +hij een bord soep voor zich kreeg. Het eerste had hij spoedig leeg, en +toen hij om een tweede verzocht, zeide hij: „Thomas zal er geen +vingerhoed weer ingooien; Thomas zal naderhand een kopje +nemen.”</p> +<p>„Massa Thomas, jij nemen moet naderhand niemendal,” +beknorde hem Juno, die naast hem zat. „Jij afblijven moet met de +vingers van de pot,—klein snoepsch jong!”</p> +<p>Na afloop van den maaltijd gingen zij weder aan den arbeid en +keerden eerst tegen het donker terug.</p> +<p>„De wolken komen met drift opzetten, mijnheer,” zeide +Flink; „we zullen van nacht weer onweer krijgen.”</p> +<p>„Dat vrees ik ook; maar we moeten het afwachten.”</p> +<p>„Ja mijnheer, en nu en dan zal de regen en het onweder +voortaan ook wel eens dagen achtereen aanhouden.”</p> +<p>„Flink,” zeide mevrouw Wilson, „als ge niet al te +vermoeid zijt, zoudt ge dan niet met uwe geschiedenis willen +voortgaan?”</p> +<p>„Heel gaarne, mevrouw, als gij dat verlangt,” was het +antwoord. „Ik brak <span class="corr" id="xd21e3081" title= +"Bron: gsteren">gisteren</span> af bij mijne komst aan boord van het +kolenschip, dat naar Londen bestemd was. Wij hadden een goeden wind en +liepen een goede vaart. Ik was heel zeeziek, totdat wij aan den mond +van de Theems kwamen. Daar werd ik weer beter en was, zooals ge wel +denken kunt, zeer verbaasd over de ontelbare menigte schepen, die +onophoudelijk op de rivier heen en weder voeren. Maar mijn kapitein +beviel mij volstrekt niet. Hij was uiterst onbeschoft tegen zijn volk, +en de eene jongen, die aan boord was, ried mij zelfs mijne biezen te +pakken en een ander schip op te zoeken. <span class="pagenum">[<a id= +"pb133" href="#pb133" name="pb133">133</a>]</span>Hij zeide, dat ik mij +voor geen geld aan dezen kapitein verbinden moest; want anders zou hij +mij ook alle dagen slaan en mij even slecht behandelen, als hij zijne +vroegere koksjongens gedaan had. Dat dit zoo was, wist ik wel; want ik +zag meer dan twintigmaal op een dag, hoe de kapitein hem duwen en +stooten gaf, zoodat de arme jongen er soms dagen lang blauwe plekken +van overhield. De matrozen zeiden, dat hij mij vooreerst nog wat +genadiger behandelde, uit vrees dat ik anders nog weigeren zou mij voor +vast bij hem te verbinden, doch dat, als ik dat eens gedaan had, mijn +lot geen haar beter wezen zou. Zoo besloot ik dan, niet langer op het +kolenschip te blijven, en daar de kapitein aan wal was gegaan, had ik +tijd genoeg, om eens rond te zien. Vóór ons, midden op +den stroom, lag een vrij groot schip zeilree. Ik sprak met twee +jongens, die aan den valreep stonden, en hoorde van hen, dat ze het +heel goed aan boord hadden en dat de kapitein nog twee of drie jongens +zocht. Ik ging dan bij hem aan boord en bood hem mijne diensten +aan.</p> +<p>„De kapitein deed mij eene menigte vragen. Ik zeide hem de +waarheid en ook de reden, waarom ik niet op het kolenschip blijven +wilde. Hij was gewillig om mij aan te nemen, en ik ging met hem aan +land, waar hij mij van een behoorlijk stel kleeren liet +voorzien.—Twee dagen later gingen wij onder zeil naar Bombay en +China.”</p> +<p>„Maar gij schreeft toch eerst aan uwe moeder, Flink?” +vroeg Willem.</p> +<p>„Ja, beste jongen, dat deed ik, want de kapitein verlangde het +en schreef zelf eenige regels onder mijn brief, om de goede vrouw te +troosten; maar ongelukkig heeft zij dien brief, die door den hofmeester +naar den wal werd gezonden, nooit ontvangen. Of hij hem verloor of tot +ons vertrek vergat en toen verscheurde,—dat weet ik niet; maar, +zooals ik later vernam, heeft moeder dien nooit in handen +gekregen.”</p> +<p>„Het was uwe schuld dan toch niet, dat de brief niet goed +overkwam,” zeide mevrouw Wilson.</p> +<p>„Neen mevrouw, dat was zeker mijne schuld niet, de eigenlijke +schuld had ik al vroeger op mij geladen.”</p> +<p>„Gij moet u niet langer bij dat deel van uwe geschiedenis +ophouden, Flink; vertel ons liever, wat u op uwe vaart naar +Oost-Indië zoo al overkwam.”</p> +<p>„Welnu dan. Ik was toen heel vlug en levendig voor mijne jaren +en werd weldra de algemeene lieveling, vooral bij de dames, die wij als +passagiers aan boord hadden, enkel omdat ik nog zoo’n kleine +dreumes was. Wij kwamen behouden in Bombay, waar onze passagiers aan +land gingen, en drie weken <span class="pagenum">[<a id="pb134" href= +"#pb134" name="pb134">134</a>]</span>later zeilden we door de straat en +op China aan. Het was juist oorlogstijd en zoo werden we door Fransche +kapers gejaagd; maar we hadden veel volk aan boord en een menigte +stukken, zoodat geen hunner ’t waagde ons aan te vallen. Weldra +kwamen we voorspoedig te Macao<a class="noteref" id="xd21e3103src" +href="#xd21e3103" name="xd21e3103src">2</a> aan, waar we onze lading +losten en thee daarvoor innamen.</p> +<p>„We moesten een tijdlang wachten, omdat er een groot konvooi +bijeen was, en toen gingen we weer naar Engeland onder zeil. Toen we +Isle de France voorbij waren, werd de vloot door een storm verstrooid. +Drie dagen later werden we door een Fransch fregat aangevallen en na +zijn vuur met eenige schoten beantwoord te hebben, waren we gedwongen +onze vlag te strijken.</p> +<p><span class="corr" id="xd21e3109" title= +"Niet in bron">„</span>Een luitenant met veertien man werd bij +ons aan boord gezonden, om ons gevangen te nemen, want we waren een +zeer rijke prijs voor hen. Onze kapitein en de meesten van het volk +werden op het fregat overgebracht; maar tien Lascaren<a class="noteref" +id="xd21e3112src" href="#xd21e3112" name="xd21e3112src">3</a> en de +scheepsjongens bleven op den <span class="corr" id="xd21e3115" title= +"Bron: Oostindievaarder">Oostindiëvaarder</span> om het schip naar +Isle de France<a class="noteref" id="xd21e3118src" href="#xd21e3118" +name="xd21e3118src">4</a> te brengen, dat destijds in de handen der +Franschen was.</p> +<p>„Het kwam me wel wat hard voor, dat ik zoo pas twaalf jaren +oud al naar de gevangenis moest kuieren; maar ik tobde daar toch niet +lang over en was weldra weer zoo vroolijk en dartel als ooit te voren. +Wij waren reeds in ’t gezicht van het eiland en stuurden met eene +frissche koelte op de haven aan, toen zich op eens te loever een schip +vertoonde.</p> +<p>„Ik kon wel niet verstaan wat de Franschen zeiden, maar merkte +toch, dat ze het onderling bijster druk hadden en ijverig met de +kijkers in de weer waren. Jack Romer, mijn kameraad, die al drie jaren +gevaren had, fluisterde mij eindelijk in ’t oor: „Daar is +nog kans, dat we de gevangenschap ontsnappen, want ik moest me al zeer +vergissen, als dat geen Engelsch linieschip is.”</p> +<p>„Eindelijk kwam het op korten afstand, heesch de Engelsche +vlag en deed een schot. De Franschen zochten ons schip voor den wind te +brengen; doch dat hielp hun weinig. De Engelschman won gedurig op ons, +en daar de Franschen dit merkten, pakten zij hunne kleeren met al het +goed, dat zij onzen kapitein en ons volk hadden afgenomen, bijeen. Er +werd ons een kogel toegezonden, die dicht over onze hoofden heen +snorde: de Franschen <span class="pagenum">[<a id="pb135" href="#pb135" +name="pb135">135</a>]</span>lieten toen het roer los, waarop Jack Romer +dat aangreep en met hulp van mij het schip bij den wind bracht. De +Engelschen zonden eene boot aan boord en namen onzen koopvaarder in +bezit, zoodat wij de gevangenschap vooreerst gelukkig ontsnapt +waren.</p> +<p>„Toen de kapitein van ’t Engelsche fregat hoorde, hoe de +Franschen zich tegen ons gedragen hadden, liet hij al hunne bagage +zorgvuldig onderzoeken en hun alles wat zij geplunderd hadden terstond +weer afnemen.”</p> +<p>„Hij zou het recht gehad hebben de Franschen daarvoor al hun +goed af te nemen,” riep Willem.</p> +<p>„Jawel, Willem, daartoe had de kapitein zeker het recht gehad; +maar, wel beschouwd, zou dat toch onrecht geweest zijn, want in dat +geval had hij even oneerlijk gehandeld als zijne vijanden. De kapitein +ontnam hun niets van hun goed, maar liet hun beneden in ’t ruim +opsluiten, waar men geen last van hen had.</p> +<p>„De Engelschen zonden een cadet als prijsmeester aan boord van +ons schip en lieten ons allen, evenals wij door de Franschen genomen +waren, op onzen koopvaarder blijven. De kapitein wou niet meer van zijn +volk missen, dan volstrekt noodig was, en liet dus aan onszelven over +het schip in de haven te brengen.</p> +<p>„Na een kort verblijf vervolgden wij onzen tocht naar Engeland +en waren hartelijk blij, dat wij aan de Franschen ontkomen waren. +Evenwel was onze vreugde niet lang van duur, daar we spoedig merkten, +dat in plaats van eene Fransche gevangenis eene Hollandsche ons lot +moest zijn.”</p> +<p>„Hoe meent ge dat?”</p> +<p>„Luister maar. Twee dagen later, toen wij juist de Kaap +omzeilden, kwam er een ander Fransch vaartuig op ons af en nam ons. +Ditmaal vonden wij geen helpenden vriend in onzen nood, maar werden +aanstonds in de Tafelbaai opgebracht. De kaap de Goede Hoop was +namelijk in ’t bezit van de Hollanders, die evenals de Franschen, +met Engeland in oorlog waren.”</p> +<p>„Maar, Flink, gij zijt toch recht ongelukkig +geweest!<span class="corr" id="xd21e3146" title= +"Niet in bron">”</span> riep mevrouw Wilson op medelijdenden toon +uit.</p> +<p><span class="corr" id="xd21e3150" title= +"Niet in bron">„</span>Ja, mevrouw, dat waren we zeker. Maar ik +was jong en luchthartig en wist mij spoedig in mijn ongeluk te +troosten. Maar kom, ’t is nu tijd om te gaan slapen. Caroline is +al diep in de rust en sinjeur Thomas deed het laatste half uur niets +dan gapen, zoodat we voor van avond hier maar afbreken zullen.” +<span class="pagenum">[<a id="pb136" href="#pb136" name= +"pb136">136</a>]</span></p> +</div> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd21e2994" href="#xd21e2994src" name="xd21e2994">1</a></span> +Kano’s zijn booten, zooals de wilden en Indianen gebruiken.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd21e3103" href="#xd21e3103src" name="xd21e3103">2</a></span> Eene +haven van China, de eenige, die eertijds voor vreemdelingen +openstond.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd21e3112" href="#xd21e3112src" name="xd21e3112">3</a></span> Indische +matrozen, die men bij gebrek aan Europeesche in dienst neemt.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd21e3118" href="#xd21e3118src" name="xd21e3118">4</a></span> Vroeger, +toen wij Hollanders het bezaten, heette dit eiland Mauritius, gelijk +ook tegenwoordig weder, nu het aan de Engelschen toebehoort.</p> +</div> +</div> +<div id="ch34" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">VIER-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">DIE ARME JUNO!—FLINK VERTELT VERDER.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Ze hadden nog maar korten tijd gerust, of er brak een +hevig onweder boven hunne hoofden los. Het bliksemde zoo sterk, dat het +licht zelfs door de reten van de deur en vensters heendrong, en de +donder ratelde zoo hevig door de lucht, dat allen wakker schrikten en +aan geen slapen meer te denken was. De kleinen kreten en sidderden van +angst in de armen van mevrouw Wilson en Juno, die zelven bijna niet +minder ontsteld waren.</p> +<p>„Dat is een vreeselijk weder!” sprak mijnheer Wilson tot +Flink, want beiden waren opgestaan.</p> +<p>„Waarlijk, mijnheer, ik heb nog nooit erger weder +beleefd.”</p> +<p>Bij deze woorden werden beiden, half bedwelmd, op den grond +geslingerd. Een bliksemstraal viel op het huis, zoodat dit met al wat +er in was dreunde en schudde. Een zwavelreuk verspreidde zich overal, +en zoodra de twee weder op hunne voeten stonden, ontdekten zij met +schrik, dat het gansche huis vol rook was. Daarbij kwam nog een +gejammer der vrouwen en het gillen der kinderen, dat zich uit de +bedsteden hooren liet.</p> +<p>„God erbarme zich onzer!” riep Flink, die het eerst +weder tot zijn bewustzijn kwam en nu begon te onderzoeken welke +gevolgen het inslaan wel had gehad; <span class="corr" id="xd21e3170" +title="Niet in bron">„</span>de slag heeft ons getroffen en ik +vrees, dat het huis ergens in brand staat.”</p> +<p>„Vrouw!—kinderen!” schreeuwde de doodelijk +ontstelde vader.</p> +<p>„Gij zijt toch allen onbezeerd?”</p> +<p>„Ja, ja!” riep zijne vrouw, „allen lieve man. +Thomas komt daar juist bij mij.—Maar waar is +Juno?—Juno!”</p> +<p><a id="xd21e3180" name="xd21e3180"></a>Juno gaf geen antwoord. +Willem vloog naar den anderen hoek van het huis. Daar vond hij haar +roerloos op den grond uitgestrekt liggen.</p> +<p>„Ze is dood, vader!<span class="corr" id="xd21e3185" title= +"Niet in bron">”</span> riep hij, hevig verschrikt.</p> +<p>„Help mij haar naar buiten dragen, mijnheer!” riep +Flink, die het arme meisje onderwijl in zijn armen had genomen. +„Ze kan licht alleen maar bedwelmd zijn.”</p> +<p>Gezamenlijk droegen zij het lichaam nu in de open lucht. De regen +kletterde in stroomen neder.</p> +<p>De oude man verliet hen voor eene minuut, om zich te overtuigen, dat +het huis nergens vuur had gevat. Hij bevond, dat het aan den uitersten +hoek in vlam had gestaan; doch deze was door den regen weer uitgedoofd. +<span class="pagenum">[<a id="pb137" href="#pb137" name= +"pb137">137</a>]</span>Toen keerde hij dadelijk naar mijnheer Wilson en +zijn zoon, die zich met Juno bezighielden, terug.</p> +<p>„Ik zal bij ’t meisje blijven, mijnheer,<span class= +"corr" id="xd21e3198" title="Niet in bron">”</span> zeide Flink. +„Ga gij maar met Willem in huis. Mevrouw sterft van schrik, als +ge haar bij al die akeligheid alleen laat.<span class="corr" id= +"xd21e3201" title="Bron: ——">—</span>Kijkt, kijkt, +vriendin Juno is niet dood: ze begint al weer adem te halen.—Ja, +ja, we hadden de goede meid hier ook al slecht kunnen +missen.”</p> +<p>Vader en zoon volgden Flinks raad. Zij vonden mevrouw Wilson bijna +onmachtig van angst en schrik. De heuglijke tijding, die zij +overbrachten, dat Juno niet dood was, bracht echter veel bij om haar +weer eenigszins te doen bekomen. Willem zocht den kleinen Albert tot +bedaren te brengen; en Thomas was na korten tijd vast in slaap in +vaders armen.</p> +<p>Het onweer bedaarde nu van lieverlede en bij het aanbreken van den +dag kwam Flink ook weder met Juno terug. Zij was in zooverre weer +hersteld, dat ze, door hem ondersteund, naar de kamer kon stappen, en +toen werd ze aanstonds te bed geholpen.</p> +<p>Daarop verlieten Flink en mijnheer Wilson het huis om te onderzoeken +of er ook nog verdere schade was aangericht. De bliksem was in de +voorzijde van het huis ingeslagen, juist op de plaats, waar men later +een schoorsteen bouwen wilde. Ze bevonden, dat de hitte den ijzeren +ketel gedeeltelijk had doen smelten; maar wat nog grooter verlies +was—hunne geit, de zwarte Nanni, was gedood; doch hare jongen +waren ongedeerd gebleven.</p> +<p><span class="corr" id="xd21e3211" title= +"Niet in bron">„</span>We zijn inderdaad voor een groot ongeluk +behoed gebleven,” sprak mijnheer Wilson eindelijk.</p> +<p>„Ja, mijnheer!” antwoordde Flink. „Ik dacht al, +dat de arme Juno verloren was.”</p> +<p>„Als ik ’t wel heb, Flink, hebben wij eene rol dik +koperdraad, niet waar?<span class="corr" id="xd21e3218" title= +"Niet in bron">”</span> vroeg mijnheer Wilson.</p> +<p>„Ja, mijnheer, ik dacht daar ook al aan. Het eerste, waaraan +wij denken moeten, is een bliksemafleider.”</p> +<p>Middelerwijl was het helder dag geworden. Mevrouw Wilson kleedde +zichzelve en de kinderen aan. Willem nam vervolgens op zich, voor het +ontbijt te zorgen, en Flink nam uit den onder de bedsteden geborgen +voorraad de bedoelde rol koperdraad op. Hij rolde deze los en boog ze +recht; toen haalde hij de ladder, die op de plaats stond, waar zij +bezig waren hun magazijn te bouwen.</p> +<p>Terstond na het ontbijt ging men aan het werk, om den afleider vast +<span class="pagenum">[<a id="pb138" href="#pb138" name= +"pb138">138</a>]</span>te zetten. Inmiddels moest Willem Juno’s +arbeid verrichten, want deze lag nog te bed en scheen in diepen slaap +verzonken.</p> +<p>„Ik geloof, mijnheer,” zeide Flink, „dat +één dezer beide boomen, die zoo dicht naast elkander +staan, het best tot ons doel passen. Zij zijn niet al te dicht bij het +huis en staan juist zoo, dat de draad den bliksem nog aantrekken +kan.”</p> +<p><span class="corr" id="xd21e3233" title= +"Niet in bron">„</span>Dat komt mij ook zoo voor, Flink; wij +mogen echter beiden niet laten staan.<span class="corr" id="xd21e3236" +title="Niet in bron">”</span></p> +<p>„Neen, mijnheer. Eerst zullen wij echter beiden nog noodig +hebben, om naar boven te klimmen en den draad vast te maken. Is dit +gedaan, dan zullen wij er een omkappen.”</p> +<p>Flink zette de ladder tegen een der beide boomen, nam den hamer en +een zak vol groote spijkers en sloeg een daarvan zoo in den stam, dat +hij de zwaarte van zijn eigen lichaam dragen konde. Boven den eersten +sloeg hij een tweede in, en zoo ging hij voort, totdat hij den top van +den boom bereikt had, waar de beide kruinen bijna in elkander waren +gegroeid. Toen klom hij naar beneden, nam eene zaag en eene handbijl +mede, klom weer naar boven en binnen den tijd van tien minuten was de +kruin van den boom geveld, zoodat nog slechts de slanke, naakte stam +overbleef.</p> +<p>„Wees voorzichtig, Flink, dat gij behouden weer op den grond +komt!” riep mijnheer Wilson angstig.</p> +<p>„Wees volkomen gerust,” klonk de stem van den ouden man +uit de hoogte. „Ik ben wel niet zoo vlug meer als in mijne jonge +jaren, maar heb toch al te dikwijls in vrij wat hooger masten dan deze +gezeten, om ’t klimmen geheel verleerd te zijn.”</p> +<p>Flink kwam dan ook behouden weer beneden en sneed een dunnen stok +met een sterk stuk puntig koperdraad aan het einde, dien hij vervolgens +daarboven aan den kokosstam wilde vastbinden. Nu voor de laatste maal +omhoog klauterende, bond hij den stok stevig aan den boom vast, +vervolgens het eind van het koperdraad aan de daaraan gescherpte +bovenste punt en klom toen af. De andere boom daarnaast werd terstond +geveld en het benedeneinde van het koperdraad aan den voet van den +boom, die den afleider droeg, diep in de aarde begraven.</p> +<p>„Nu hebben we een noodzakelijk werk tot stand gebracht,” +sprak de oude man en wischte zich het zweet van het voorhoofd.</p> +<p>„Ja,” antwoordde de mijnheer Wilson; <span class="corr" +id="xd21e3254" title="Niet in bron">„</span>maar bij ons magazijn +moeten we er nu ook nog een zetten, daar anders onze voorraad gevaar +kon loopen.”</p> +<p>„Dat zal zoo spoedig mogelijk gebeuren.” <span class= +"pagenum">[<a id="pb139" href="#pb139" name="pb139">139</a>]</span></p> +<p>„Ge begrijpt toch wel het doel van zulk een afleider, +Willem?” vroeg zijne vader.</p> +<p>„O ja, vader. De bliksem wordt door het metaal aangetrokken en +moet nu, in plaats van het huis, de spits aan den afleider treffen, bij +den draad nederschieten en op zijn hoogst den grond eens wat opwoelen. +Gij hebt mij dat al vroeger verklaard.”</p> +<p>„Ja, en gij hebt het goed gevat en niet weer vergeten,” +sprak Flink met welgevallen.—„Het onweer komt terug en +misschien nog wel zwaarder,” vervolgde de oude man. „Ik +vrees, dat we vandaag weinig zullen kunnen werken. Ik zal nu eens +spoedig naar ons vee en gevogelte omzien. Naar ik hoop, hebben we geen +verder verlies geleden. Heb gij onderwijl de goedheid, mijnheer, met +Willem de arme geit te begraven. Dat kan nog licht geschieden, voor dat +de storm opnieuw losbreekt.”</p> +<p>Zij trokken Nanni bij de pooten uit de kooi en begroeven haar aan +den voet van den afleider. Juist toen zij gedaan <span class="corr" id= +"xd21e3268" title="Bron: haddenl">hadden,</span> kwam ook Flink terug. +Hij had de geiten en schapen gelukkig gevonden en eene der beide +overige geiten meegebracht, die gedurende het onweder jongen had +geworpen.</p> +<p>„Ik was al bang,” zeide Flink, „dat wij de arme +geitjes na ’t verlies der moeder geen voedsel meer zouden kunnen +geven; maar nu kan deze geit hier alle vier te gelijk zoogen. ’t +Zal haar wel zwaar vallen; doch het kan niet anders. Wij moeten haar +maar rijkelijk voeren.”</p> +<p>Met deze woorden bracht hij de tweede geit ook in de kooi, waar ze +terstond de plaats van de zwarte Nanni innam. Daarop zette men zich aan +tafel. Juno was nu ook weer op en voelde zich volkomen wel, behalve dat +ze voortdurend over zware hoofdpijn klaagde.</p> +<p>Wat Flink voorspeld had, gebeurde ook; de regen keerde met +verdubbelde hevigheid terug, en het was volstrekt onmogelijk iets +buitenshuis te verrichten. Op Willems verzoek ging de oude stuurman met +zijn verhaal voort.</p> +<p>„Zoodra wij met het Fransche schip in de Tafelbaai voor anker +waren gekomen, werden wij allen ontscheept en in eene gevangenis dicht +bij den tuin van den gouverneur opgesloten. Wij werden niet heel streng +bewaakt, daar aan ontvluchten voor ons toch bijna niet te denken viel, +en ik moet zeggen, wij werden in alle opzichten goed behandeld. Daarbij +zei men ons echter dat wij met het eerste oorlogsschip, dat in de Baai +aankwam, naar Holland zouden worden opgezonden, en dit vooruitzicht +beviel ons maar volstrekt niet.</p> +<p>„Gelijk ik vroeger al gezegd heb, waren buiten mij nog eenige +andere knapen gevangen, die tot den Oostindiëvaarder behoorden. +Wij hechtten <span class="pagenum">[<a id="pb140" href="#pb140" name= +"pb140">140</a>]</span>ons aan elkander, niet alleen omdat wij van +gelijke jaren, maar vooral omdat wij reeds zoo lang scheepskameraden +geweest waren. Twee van die jongens, Jack Romer, van wien ge reeds +gehoord hebt, en Wim Hastings waren mijne bijzondere vrienden.</p> +<p><span class="corr" id="xd21e3285" title= +"Niet in bron">„</span>Toen wij op zekeren dag tegen onze +gevangenismuur aanzaten en, om ons in de zon te warmen—want het +was winter,—recht dicht bij elkaar kropen, begon Romer:</p> +<p>„Wat zou ’t ons toch weinig moeite kosten van hier te +ontsnappen, als we maar wisten, waarheen we dan gaan +moesten.”</p> +<p>„Ja,” zei Hastings; „waar konden we anders +heengaan dan naar de Hottentotten en de bloeddorstige wilden? En als we +daar waren, wat zouden we dan aanvangen?”</p> +<p>„Ei wat!” zei ik eindelijk. „Ik wil liever als +vrij mensch onder wilden leven, dan hier zoo in de gevangenis +opgesloten zitten.</p> +<p>„Dit was ons eerste gesprek over dit onderwerp, maar voortaan +kwamen wij er gedurig op terug. Daarbij trof het gelukkig voor ons, dat +twee of drie Hollandsche soldaten van onze gevangeniswacht Engelsch +verstonden, zoodat wij, die ook al iets van het Hollandsch wisten, door +vragen nog al wat van hen te weten konden komen. Zij hadden namelijk al +zeer dikwijls aan de grenzen van de kolonie gelegen en konden ons de +beste inlichtingen geven omtrent den weg, dien men daarheen te nemen +had.</p> +<p>„Zoo gingen wij twee maanden lang voort met vragen te doen en +over ons plan te spreken. Eindelijk besloten wij de vlucht werkelijk te +beproeven.</p> +<p>„Gij begrijpt zelf, Willem, dat dit ook alweder een dwaze +streek was en opnieuw bewijst, hoe weinig knapen in staat zijn, om over +hun eigen best te oordeelen. We konden ons immers slechts in ellende en +gevaar begeven, zonder ook maar eenige kans op ontkomen te hebben. We +hadden veel beter gedaan met te blijven, waar wij waren; maar wat zal +ik zeggen—’t verstand komt eerst met de jaren; en men kan +geen oud hoofd op jonge schouders zetten.</p> +<p>„Wij bewaarden onzen mondkost, kochten eenige lange +Hollandsche messen en pakten onze weinige kleeren in een bundel bij +elkaar. Toen het eindelijk eens een donkere avond was, zochten we +ongemerkt op het plein achter te blijven, terwijl de overige gevangenen +in hunne cellen werden opgesloten, en dit gelukte ons. Wij namen een +langen paal, die in een hoek lag, en zetten dien tegen den muur op, +zoodat hij tot bovenaan reikte. Klimmen konden wij opperbest, en zoo +ontkwamen wij werkelijk en zochten zoo spoedig mogelijk naar den +Tafelberg te ontkomen.<span class="corr" id="xd21e3302" title= +"Niet in bron">”</span> <span class="pagenum">[<a id="pb141" +href="#pb141" name="pb141">141</a>]</span></p> +<p>„Wat reden hadt gij, om daarheen te gaan, Flink?”</p> +<p>„Hastings, die de oudste en ook de welberadenste onder ons +drieën was, oordeelde dat wij ons daar eerst eenige dagen +verborgen konden houden, totdat we vast bepaald hadden wat we dan +eigenlijk wilden aanvangen. Daarenboven moesten we ook zien, of we ons +niet een paar geweren met kruit en lood verschaffen konden. Wij hadden +namelijk eenig geld bij ons, want toen ons schip voor de eerste maal +genomen werd, had de kapitein vooraf een vaatje ropijen,<a class= +"noteref" id="xd21e3310src" href="#xd21e3310" name="xd21e3310src">1</a> +dat hij aan boord had, naar gelang van ’t geen zij te goed hadden +onder de officieren en matrozen verdeeld, daar hij het beter vond, dat +zijn volk dat geld in handen had, dan dat de Franschen ’t +wegnamen, hetgeen anders ongetwijfeld het geval zou zijn geweest. +Gedurende onze gevangenschap hadden wij zeer weinig van ons geld +verteerd; want drank werd niet toegelaten, en aan tabak pruimen en +rooken hadden wij jongens ons nog niet gewend.</p> +<p><span class="corr" id="xd21e3314" title= +"Niet in bron">„</span>Hastings had ook nog eene andere reden, +waarom hij ons aanried op den Tafelberg aan te gaan, te weten: zoodra +onze vlucht bekend werd, zou men ons, dacht hij, patrouilles nazenden, +en deze zouden, naar alle waarschijnlijkheid, den weg naar de +binnenlanden inslaan, zoodat wij, als de eerste nasporing zonder gevolg +geschied was, minder gevaar te vreezen hadden van weer te worden +opgepakt. De soldaten hadden ons van beren en andere wilde dieren +verteld en ons gezegd, hoe gevaarlijk daar te lande het reizen +was;—nu meende Hastings, dat zij, ons niet vindende, denken +zouden, dat we door die beesten verscheurd waren, en dat ze zoo geen +verder onderzoek naar ons zouden doen.</p> +<p>„Ge merkt, Willem, we gebruikten nog al eene zeker soort van +overleg, hoewel we toch maar onverstandige jongens waren.<span class= +"corr" id="xd21e3320" title="Niet in bron">”</span></p> +<p>„Onverstandig, zeker!” merkte mevrouw Wilson +aan;—„zonder te weten waarheen, zoo een land in te gaan, +dat vol wilde menschen en dieren is!”</p> +<p>„Gij hebt gelijk, mevrouw,” antwoordde de oude man; +„dat zult gij hooren, als ik u vertel, wat ons, toen wij pas +eenige uren op weg waren, overkwam.</p> +<p>„Eerst liepen wij op een draf, totdat wij geheel buiten adem +waren, en toen gingen wij zoo snel als onze beenen ons konden dragen. +Wij liepen niet regelrecht op den berg aan, maar namen eene eenigszins +schuinsche richting naar het zuidwesten en meer naar den kant van de +Valsche Baai, zoodat <span class="pagenum">[<a id="pb142" href="#pb142" +name="pb142">142</a>]</span>wij ons verder van de stad verwijderden. +Gij weet nog wel, Willem, ik wees u die baai, toen wij de Kaap +voorbijkwamen.<span class="corr" id="xd21e3331" title= +"Niet in bron">”</span></p> +<p>„Ja, ja, ik herinner het mij nog heel goed, Flink.”</p> +<p>„We waren zoowat vier uren op weg en begonnen moe te worden, +toen de dag aanbrak. Thans zagen we natuurlijk naar eene plaats om, +waar wij ons verbergen konden. We vonden spoedig een hol met een nauwen +ingang, juist ruim genoeg om een half dozijn zulke knapen, als wij +waren, te bevatten en daar kropen wij binnen. De grond was volmaakt +droog, en daar wij heel moe waren, legden wij ons neder.</p> +<p>„Met ons hoofd op onze bundels, wilden we zien, of we ons door +eenige uren slapens verkwikken konden.</p> +<p>„Wij lagen echter pas en hadden de oogen gesloten, toen we op +eens zulk een wonderlijk blaffen, janken en kwetteren hoorden, dat wij +hevig verschrikt weer opsprongen. Dadelijk gluurde Hastings eens daar +buiten en begon te lachen. Ook Romer en ik keken uit en zagen.... wel +honderd-vijftig groote bavianen, die zulke wonderbaarlijke sprongen en +cabriolen maakten, als ik ooit van mijn leven nog gezien had. Zij waren +grooter dan wijzelven—ja, als ze op de achterpooten stonden, +wonnen ze het in lengte ver van ons en daarbij hadden zij groote witte +tanden. Eenigen onder den troep waren wijfjes en droegen hare jongen op +den rug; overigens huppelden die even vlug en vroolijk als de +mannetjes. Ten laatste vertoonden ze zulke potsierlijke kuren en +grappen, dat wij allen het van lachen uitschateren moesten. Op eens, +terwijl we ons nog den buik vasthielden, ontdekten we de grijnzende +tronie van een der grootsten uit den heelen troep op zeer korten +afstand van ons.</p> +<p>„Die knaap was, als door een wonder, boven van de rots tot ons +afgekomen. We sprongen alle drie heel ontsteld in de grot terug, want +de baviaan had vreeselijke tanden en was woest en wild van uitzicht. +Hij liet een gillend geluid hooren; en weldra zagen wij al de anderen, +zoo hard ze maar loopen konden, op het gerucht aankomen.</p> +<p>„Ik zeide straks al, dat het hol ruim genoeg was, om een stuk +of zes, zeven van ons te bergen. Achter dit volgde echter nog eene +kleinere grot, waarin we nog niet geweest waren en die een veel +nauweren ingang had. Romer riep: „Laat ons in dat achterste hol +vluchten; als we de een na den anderen door het gat kruipen, komen wij +er wel.”</p> +<p><span class="corr" id="xd21e3347" title= +"Niet in bron">„</span>Met deze woorden wrong hij zelf zich door +de opening. Hastings volgde met zijn bundel en ik kwam er ook +door,—juist nog bijtijds, want de bavianen hadden eerst buiten +een halve minuut met elkaar gesnaterd, en drongen <span class= +"pagenum">[<a id="pb143" href="#pb143" name="pb143">143</a>]</span>toen +het voorste hol binnen op ’t zelfde oogenblik, dat ik mij in het +achterste redde. Vijf of zes van die beesten vertoonden zich, allen +mannetjes en naar ’t scheen, van de allergrootsten.<a id= +"xd21e3352" name="xd21e3352"></a></p> +<p>„Het eerste, wat zij deden was, dat zij op Romers knapzak +aanvielen. In een ommezien was die opengemaakt. Eerst kwam de mondkost +die terstond in hunne wijde muilen verdween. Toen kwam het overige aan +de beurt en werd eerst terdege besnuffeld en daarna in flarden +gescheurd.</p> +<p>„Zoodra ze hiermee gedaan hadden, naderden twee van de +monsters het achterste hol, waar ze ons in het oog kregen. Een hunner +stak zijne lange pooten naar binnen, om ons naar zich toe te halen, +maar Hastings stak den baviaan met zijn mes, waarop deze zijne armen in +een wip terugtrok. Het was kluchtig te zien, hoe hij aan de overigen +zijn poot vertoonde en dan het bloed met zijne tong aflikte. Een +geschreeuw, zooals toen werd aangeheven, heb ik in mijn leven niet meer +gehoord. Ze waren allen blijkbaar geweldig boos: er kwamen gedurig meer +in het hol en tierden en gierden met de anderen.</p> +<p>„Eindelijk stak een tweede zijn poot uit, maar kreeg een prik, +nog wel zoo raak als de eerste. Ten laatste poogden twee of drie te +gelijk ons aan te pakken; doch wij weerden ons wakker met onze messen +en brachten hun zware wonden toe. Zoo zetten zij wel een uur lang hun +aanval voort. Toen verlieten zij eensklaps het hol, maar bleven huilend +en jankend voor den ingang wacht houden.<a id="xd21e3361" name= +"xd21e3361"></a></p> +<p>„Langzamerhand werden wij de grap hartelijk moe, en Romer zei +al, dat hij liever in de gevangenis was dan hier. Ik voor mij dacht +hetzelfde, maar wij konden ons onmogelijk naar buiten wagen. Hadden wij +dat gedaan, dan zouden de dieren ons zekerlijk in stukken hebben +gescheurd. Wij begrepen dus wel, dat er aan geen ontkomen te denken +was, voordat de dieren, het wachten moede, vanzelf optrokken. Met een +beangst hart zaten wij daar dus. Daarbij kwam nog, dat wij bitter door +den dorst geplaagd werden en in het hol geen water vinden konden.</p> +<p>„Zoo bleven wij nog ruim twee uur als gevangenen van die +leelijke bavianen in het hol opgesloten, toen op eens een der dieren +een gillenden kreet uitstiet, waarop de gansche troep huilend en +schreeuwend, zoo hard hij kon, op den loop ging.</p> +<p>„Wij wachtten nog eenigen tijd, om te zien, of zij ook +terugkomen zouden; toen kwam Hastings het eerst voor den dag, keek +voorzichtig buiten het hol en zeide, dat de gansche troep eindelijk +voor goed weg en er in het rond niets meer te zien was, dan een +Hottentot, die op den grond zat en op eenige <span class= +"pagenum">[<a id="pb144" href="#pb144" name= +"pb144">144</a>]</span>grazende koeien scheen te passen. De een na den +ander slopen wij uit het hol en waren recht verheugd over onze +verlossing.</p> +<p>„Dit was ons eerste avontuur, mijn goede Willem. Wij hadden in +’t gevolg nog eene menigte andere; maar ’t begint nu tijd +te worden om naar bed te gaan. Ik denk, mijnheer Wilson, dat we morgen +een goeden dag zullen hebben, maar met zekerheid zeggen kan men zoo +iets niet.”</p> +<p>„Ik ben brandend nieuwsgierig om te weten wat u later nog al +meer is overkomen, Flink,” verzekerde Willem.</p> +<p>„Nu ja, beste jongen, dat zult gij nog wel te weten komen. +Maar alles heeft zijn tijd en nu is het tijd om te slapen, als ge niet +misschien met mij meegaan wilt, Willem. De lucht is opgeklaard en ik +zou gaarne een paar visschen vangen voor morgen.”</p> +<p>„O zeker, Flink, ik ga mee; ik ben volstrekt niet +moe.”</p> +<p>„Goed dan, hier zijn de lijnen. Goeden nacht, mevrouw; goeden +nacht, mijnheer! Over een uurtje volgen wij u.”</p> +</div> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd21e3310" href="#xd21e3310src" name="xd21e3310">1</a></span> Eene +Oostindische munt. Men heeft zilveren ropijen, die ruim twee, en +gouden, die zestien of zeventien gulden waard zijn.</p> +</div> +</div> +<div id="ch35" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">VIJF-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">EEN RUSTDAG.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">De oude man had zich niet bedrogen. Toen de storm, +waarvan wij boven gesproken hadden, had uitgewoed, werd het weder fraai +en bleef zoo ettelijke dagen. Tengevolge van den slag, die haar +getroffen had, bleef Juno nog eenigen tijd zwak en ontdaan, maar was +toch in staat het middageten klaar te maken en ander licht werk te +doen.</p> +<p>Behalve nu en dan eens eene bui, bleef het weder bijna veertien +dagen achtereen gunstig, en gedurende al dien tijd werkten mijnheer +Wilson, Flink en Willem van ’s morgens vroeg tot ’s avonds +laat aan hun magazijn en waren zoo verlangend dit tot stand te krijgen, +dat zij telkens hoogst vermoeid van hun werk thuis kwamen en Willem +zelfs vergat Flink om de voortzetting van zijne geschiedenis te +vragen.</p> +<p>Eindelijk was het pakhuis gereed. Het was met een bladerendak gedekt +en op drie zijden met gevlochten takken gesloten, doch op de vierde +open, zoodat de lucht er gedurig vrije speling had. Het benedenste +gedeelte, dat tot beschutting van de huisdieren bij nacht en gedurende +den regentijd was ingericht, was insgelijks aan drie zijden gedekt en +kon het vee behoorlijk <span class="pagenum">[<a id="pb145" href= +"#pb145" name="pb145">145</a>]</span>tot stalling dienen. Ook was er +reeds een voetpad door het bosch uitgekapt; doch om de boomwortels uit +te graven, had het tot hiertoe nog aan tijd ontbroken.</p> +<p>Al de voorraad, dien zij hier hadden, werd daarop in het nieuwe +pakhuis geborgen en nu eindelijk konden zij weder aan ander werk +beginnen te denken. Evenwel had men besloten dat de dag na de +voltooiing van het magazijn in de familie als een feestdag zou gevierd +worden,—eene verademing, die zij allen ook zeer noodig hadden. +Willem ving eenige visschen, er was eene schildpad uit den vijver +opgehaald en zoo was het niet alleen een dag van rust, dien zij hadden, +maar een wezenlijk feest.</p> +<p>Mijnheer Wilson was met zijne vrouw en kinderen eene wandeling langs +het strand gaan doen, terwijl Flink met Juno zich met het schoonmaken +van den schildpad bezighield. Willem liet hun de nieuwgebouwde +bergplaats met den veestal zien, waarheen nu ook de geit met hare vier +jongen gebracht was, omdat er geen reden bestond om die langer in het +woonhuis te houden, Daar het weder zoo schoon was, besloot men toen ook +nog den tuin te bezoeken. Hier bevonden zij, dat de zaden, +niettegenstaande den hevigen regen, nog niet begonnen op te komen.</p> +<p>„Ik had toch gedacht, dat het zaad na zooveel regen al verder +zou zijn,” zeide mevrouw Wilson.<a id="xd21e3400" name= +"xd21e3400"></a></p> +<p>„O neen, mijn lieve,” antwoordde haar man. „Het +heeft meer warmte noodig dan de zon in den tegenwoordigen regentijd kan +schenken. Nog eenige dagen als vandaag en gij zult zien, hoe welig het +opschiet.<span class="corr" id="xd21e3404" title= +"Niet in bron">”</span></p> +<p><span class="corr" id="xd21e3408" title= +"Niet in bron">„</span>Laat ons hier op dezen heuvel wat +uitrusten; het is er volmaakt droog,” verzocht zij. „Ik had +nooit gedacht,” vervolgde zij, zich nederzettende, terwijl ze +haar echtgenoot de hand drukte,—„dat ik op een verlaten +eiland zoo gelukkig kon worden. Wat vliegt de tijd hier snel voorbij. +Het gemis van boeken moest mij, meende ik in den beginne, zeer +smartelijk vallen, maar nu merk ik, dat ik tot lezen geen tijd zou +hebben.”</p> +<p>„Werkzaamheid is de bron van geluk, vooral indien men waarlijk +nuttig werkzaam is,” zeide mijnheer Wilson. „Een vlijtig +mensch is altijd ook een gelukkig mensch, als hij namelijk niet al te +ingespannen behoeft te arbeiden; en zelfs hij, die oorzaak tot +droefheid en kommer heeft, zal zijn lijden bij vlijt en arbeid +spoediger vergeten. Ik geloof zeker, dat een ledigganger nooit +werkelijk gelukkig zijn kan en dat zelfs overlading met arbeid beter +is, dan volslagen gebrek daaraan.”</p> +<p>„Maar moeder, wij zullen niet altijd zooveel te doen hebben, +als tegenwoordig.” <span class="pagenum">[<a id="pb146" href= +"#pb146" name="pb146">146</a>]</span></p> +<p>„Natuurlijk niet,” gaf mijnheer Wilson ten antwoord; +<span class="corr" id="xd21e3419" title= +"Niet in bron">„</span>maar dan ook zullen wij in onze boeken een +nieuwe bron van genot vinden. Ik verlang zeer, eens aan de +landingsplaats te komen, om daar te zien, wat er van onze boeken nog +over is en of zij ook erg gehavend zijn. Dat kan echter eerst gebeuren, +als de regen geheel voorbij is en wij onze boot weer gebruiken +kunnen.”</p> +<p>„Waar zijt gij daar toch mee bezig, Thomas?<span class="corr" +id="xd21e3424" title="Niet in bron">”</span> vroeg zijne +moeder.</p> +<p>„Ik maak torretjes dood,” was het antwoord. „O, ik +heb er al een heelen boel kapotgemaakt.”</p> +<p>„Maar waarom maakt gij die arme diertjes toch dood? Ze hebben +u immers geen kwaad gedaan.<span class="corr" id="xd21e3431" title= +"Niet in bron">”</span></p> +<p>„Ik mag die torren niet lijden.”</p> +<p>„Dat is nog geen reden, Thomas; gij moet niet alles doodmaken +wat gij niet lijden moogt. Als ze u bijten of steken, dan moogt gij ze +dooden; maar dieren zonder reden te dooden is wreedheid.”</p> +<p>„Juno slaat ook wel vliegen dood,” zei Thomas.</p> +<p>„Ja, omdat dit somtijds noodig is; maar ze doodt ze zekerlijk +niet alleen omdat ze juist niets beters te doen heeft. Vergeet niet, +wat ik u gezegd heb, Thomas.”</p> +</div> +</div> +<div id="ch36" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">ZES-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">NOG AL ANDER WERK.—FLINK VERVOLGT ZIJNE +GESCHIEDENIS.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">„Welnu, Flink,<span class="corr" id="xd21e3449" +title="Niet in bron">”</span> vroeg mijnheer Wilson den volgenden +dag, „wat moet nu na het ontbijt ons eerste werk zijn?”</p> +<p>„Me dunkt, mijnheer, we gaan allen heen en verzamelen de +takken en twijgen van de gevelde kokosboomen, om ze tot brandstof +bijeen te hebben. Thomas en Juno hebben al een fikschen hoop +opgestapeld en tegen den avond, denk ik, kunnen we een houtstapel klaar +hebben, waarin de regen niet doordringen kan. Daarna zullen we een +zoutpan aanleggen en ook een vischvijver, daar het weer ons toch wel +niet toelaten zal voor langen tijd van huis te gaan. Dat zal ons voor +’t minst eene week kosten; maar dan valt hier vooreerst ook +weinig meer te doen. Ik geloof, dat wij het ergste van den regentijd +reeds achter den rug hebben, over veertien dagen misschien reeds kunnen +wij ons door het bosch wagen en gaan zien, hoe ’t met onze +schatten aan de landingsplaats gesteld is. We zullen de handen vol +hebben <span class="pagenum">[<a id="pb147" href="#pb147" name= +"pb147">147</a>]</span>met alles uit te zoeken en terecht te leggen, +voordat het mooie weer terugkomt, en kunnen het dan dadelijk in onze +boot hierheen brengen en in het pakhuis bergen.”</p> +<p>„En dan doen we eens een reisje over het eiland, niet waar, +Flink?” vroeg Willem. „Ik verlang daar zeer +naar.”</p> +<p>„Ja, Willem; maar dat zal wel het laatst aan de beurt komen; +want we moeten er op rekenen, dat we twee of drie nachten van huis +blijven, en daartoe moet het weder eerst vast en goed zijn.</p> +<p><span class="corr" id="xd21e3461" title= +"Niet in bron">„</span>Evenwel zullen wij het nog doen, voordat +wij onze goederen in de boot hierheen brengen.”</p> +<p>„Maar hoe zullen wij met die zoutpan klaarkomen, Flink? Die +moet immers in de harde rots worden uitgehouwen?”</p> +<p>„Zeker, Willem; maar ik heb daartoe reeds drie of vier +zoogenaamde steenbeitels uitgezocht,—weet gij, van die korte, +dikke, van een scherp eind voorziene ijzeren staven, die ginds in ons +magazijn liggen. Die nemen wij, met een stevigen hamer, en dan zal het +werk ons gemakkelijker van de hand gaan, dan gij denkt, daar de +koraalrotsen, die van buiten zoo hard schijnen, inwendig tamelijk broos +zijn.”</p> +<p>De gansche dag werd verder besteed om de kokostakken tot eene groote +mijt op te stapelen. Flink maakte die naar de wijze der gewone +hooibergen van boven spits, zoodat de regen er op afloopen kon.</p> +<p>„Ziezoo,” zeide de oude man, toen hij eindelijk de +ladder afkwam, „daar hebben wij nu een voorraad voor het volgende +jaar. We hebben nog genoeg over, om er gedurende dezen regentijd mee +toe te komen, en hebben wij eerst droog weder, dan kunnen wij later den +benoodigden brand bijeenbrengen. Deze voorraad hier moet tot het +naastvolgend regenseizoen bespaard blijven.”</p> +<p>De heer Wilson zuchtte en zijn gelaat betrok. Flink merkte dit en +liet er dadelijk op volgen:</p> +<p>„Onze voorzorg zal misschien overtollig zijn, mijnheer; maar +niettegenstaande dat mogen wij ze toch niet verzuimen. Dat kapitein +Osborn, als hij nog in leven is, naar ons zal laten zoeken, daar +twijfel ik geen oogenblik aan, ja, ik geloof zelfs, dat Mackintosh het +niet zal verzuimen. Maar daarbij moogt gij toch niet vergeten, dat +allen kunnen vergaan zijn, terwijl wij zelven in het leven zijn +behouden. Eene kleine boot geeft slechts weinig kans op behoud, als ze +vele honderden mijlen van land is; en zijn ze werkelijk verongelukt, +dan kunnen er misschien nog jaren verloopen, voordat wij door ’t +een of ander schip ontdekt worden.” <span class="pagenum">[<a id= +"pb148" href="#pb148" name="pb148">148</a>]</span></p> +<p>„Ja, Flink, zonder morren moeten wij ons in ons lot trachten +te schikken. Ik heb er mijzelven reeds menigmaal om beschuldigd; maar +zulke sombere gedachten komen toch dikwijls terug, ofschoon ik alle +moeite doe, om ze te onderdrukken.”</p> +<p>„Dat vind ik zeer natuurlijk, mijnheer; maar ge moet toch +altijd het beste hopen. Wildet ge u nog langer kwellen, ge zoudt +daardoor volstrekt niets beter maken.”</p> +<p>„Dat gevoel ik wel, Flink; en als ik zie, hoe tevreden mijne +vrouw onder al deze beproevingen is, dan erger ik mij nog meer over +mijzelven.”</p> +<p>„Eene vrouw, mijnheer, weet het ongeluk altijd beter te +dragen, dan een man. De vrouw is enkel liefde, en heeft zij echtgenoot +en kinderen behouden om zich heen, dan zal zij zich genoegzaam overal +gelukkig gevoelen. De mannen denken in dat opzicht echter geheel +anders. Ze kunnen, gelijk gij thans, niet verdragen, zoo geheel van de +wereld te zijn uitgesloten, en toch zouden zij zich misschien +gelukkiger gevoelen niet met haar in aanraking te zijn, indien zij het +maar goed wilden inzien.”</p> +<p>„Onze eerzucht is het, die ons ongelukkig maakt,” +antwoordde de heer Wilson. „Maar laat ons nu hiervan zwijgen. De +zon is onder; wij zullen in huis gaan.—Kom, Willem!”</p> +<p>Na het avondeten werd Flink door Willem gedrongen, zijne +geschiedenis te vervolgen, wat hij dan ook met de volgende woorden +deed:</p> +<p>„Als ik ’t wel heb, ben ik gebleven, waar de Hottentot, +die de veekudde bewaakte, de bavianen, die ons zoozeer beangst hadden, +verjoeg. Wij verlieten nu dadelijk het hol en zetten ons aan den voet +van de rots neder, waar de Hottentot ons niet kon zien. Hier hielden +wij nu eene soort van krijgsraad. Romer was er voor, dat wij +terugkeeren en ons weer gevangen-geven zouden. Hij zeide, dat het +onzinnig, dwaasheid was, zoo het land door te zwerven, zonder zelfs een +wapen te hebben, om ons tegen de wilde dieren te verdedigen. Spoedig, +oordeelde hij, konden wij nog in veel grooter gevaar komen, dan die +ontmoeting met de apen geweest was. En waarlijk, de jongen had gelijk. +Het zou zeker het verstandigst geweest zijn, wat wij in ons geval +hadden kunnen doen; maar Hastings dacht, dat men ons uitlachen zou, en +de vrees voor bespotting maakte dus, dat wij eindelijk besloten onze +vlucht te vervolgen.</p> +<p>„Onthoud wel, Willem, de vrees om uitgelachen te worden +verleidt niet alleen jongens, maar zelfs volwassen mannen tot uiterst +dwaze handelingen. Wij hadden verkeerd gedaan en wilden enkel uit vrees +voor bespotting onze dwaling niet herstellen; ja, wij hadden zelfs +besloten liever ons leven te <span class="pagenum">[<a id="pb149" href= +"#pb149" name="pb149">149</a>]</span>wagen en ons alle gevaren te +getroosten, dan te verdragen, dat men ons om onze dwaasheid, gelijk wij +eigenlijk verdiend hadden, eens terdege uitlachte. Houd dit goed in uw +geheugen, Willem, en laat u nooit door de vrees van belachelijk te +worden verleiden tot iets, dat verkeerd is, of, hebt gij onrecht +gedaan, u door die vrees afschrikken, om tot uw plicht te +keeren.”</p> +<p>„Ik dank u voor den raad, vriend, en hoop dat Willem hem nooit +vergeten zal,” sprak mijnheer Wilson. „’t Gebeurt +inderdaad meer, dat men door spot, dan door overreding tot een misstap +verleid wordt.”</p> +<p>„Zoo is het mijnheer, en dit was dan ook de reden, waarom wij +ons dolzinnig plan niet opgaven. Toen wij eens tot dit besluit gekomen +waren, was het tweede punt van beraadslaging, hoe wij ons wapens zouden +verschaffen, want zonder deze, begrepen wij wel, was er niets voor ons +te hopen.</p> +<p>„Terwijl wij daarover nog redeneerden, keek ik eens van achter +de rots uit, om te zien waar de Hottentot wel mocht wezen. Ik bemerkte, +dat hij zich in zijn mantel van schaapsvellen gewikkeld en op den grond +te slapen gelegd had. De hottentotten gaan altijd gewapend uit, en zoo +hadden wij bij het verlaten van de grot ook wel gezien, dat hij toen +een geweer in de hand hield. Ik zeide dus tegen Romer en Hastings, dat, +als de man sliep, wij misschien zijn geweer wel ongemerkt in onze +handen konden krijgen.<a id="xd21e3503" name="xd21e3503"></a></p> +<p>„Dat scheen een goede inval, en Hastings bood zich aan, om op +handen en voeten naar hem toe te kruipen, terwijl wij achter de rots +bleven. Uiterst voorzichtig sloop hij nader en vond den man, met het +hoofd in den mantel, vast in slaap. Zoo had hij dus niets te vreezen, +want de Hottentotten zijn vadzig en, eens in slaap, moeilijk wakker te +krijgen, dat wisten we wel.—Hastings pakte eerst het geweer en +bracht het in veiligheid; toen keerde hij terug, sneed den riem door, +waaraan de Hottentot zijn kruithoorn en kogelzakje droeg, en kwam met +alles weer bij ons, zonder dat de man een vinger verroerd had.</p> +<p>„We waren opgetogen van blijdschap over dezen buit en +besloten, heel zachtjes, op eenigen afstand van den man voorbij te +sluipen, zoodat hij, ook als hij eens wakker werd, ons niet in het oog +kon krijgen. Wij keken daarop overal rond, of we misschien ook iemand +anders ontdekten, en gingen toen recht op de Tafelbaai aan, totdat wij +op eenmaal voor eene breede rivier stonden.</p> +<p>„Dat was een tweede gelukkige ontdekking, want we waren +uitermate dorstig. Na gedronken te hebben, zooveel ons lustte, +verborgen wij ons in de nabijheid van de rivier en hielden een maaltijd +van den voorraad, dien wij hadden meegenomen.” <span class= +"pagenum">[<a id="pb150" href="#pb150" name="pb150">150</a>]</span></p> +<p>„Maar, Flink, deedt ge geen kwaad door den Hottentot zoo zijn +geweer te ontstelen?” vroeg Willem.</p> +<p>„Neen, Willem, in dat geval kon dat niet wel als diefstal +beschouwd worden. We waren dus bijna evengoed in oorlog met het land, +als op den tijd, toen men ons tot gevangenen maakte, en hadden ons +geweer evenmin gestolen, als men van onze vijanden zeggen kon, dat zij +ons schip gestolen hadden. Heb ik geen gelijk, mijnheer +Wilson?”</p> +<p>„Ja, dat komt mij wel zoo voor. Als twee natiën met +elkander in oorlog zijn, wordt het wederzijdsch eigendom, als het in +vijandelijke handen valt, steeds als buit beschouwd.<a class="noteref" +id="xd21e3518src" href="#xd21e3518" name="xd21e3518src">1</a> In uwe +omstandigheden hadt gij alle recht om u alles toe te eigenen, wat gij +kondet, als het u dienstig kon wezen tot de vlucht. Echter geloof ik, +dat gij zedelijk misdaan zoudt hebben, als gij moord of ook slechts +moedwilligen roof gepleegd hadt.”</p> +<p>„Juist zoo; maar we waren op onze vlucht in de +noodzakelijkheid gekomen, om ons óf gevangen te geven óf +hen, die ons grijpen wilden, te verslaan, en dan zou niemand ons +beschuldigd hebben, als we onze tegenpartij verslagen +hadden.”</p> +<p>„Toen ge eens gevangen waart, hadt gij, dunkt mij, ook het +recht, om tot herwinning van uwe vrijheid zelfs het uiterste te baat te +nemen. Zoo althans is het algemeen gevoelen.”</p> +<p>„Ja, mijnheer; maar nu verder. Wij wachtten den avond af en +vervolgden toen onzen marsch naar de Valsche baai met allen spoed. Wij +wisten, dat in het dal, of eigenlijk langs de berghelling, enkele +boerenhoeven verstrooid lagen; daar hoopten wij, met goedheid of met +geweld, nog twee geweren te krijgen.</p> +<p>„Het was middernacht en de maan scheen helder, toen wij +eindelijk het water van de Valsche Baai in de verte zagen blinken. Kort +daarop hoorden wij het blaffen van een hond en ontdekten wij op niet +verren afstand twee boerenhofsteden met hare veestallen en boomgaarden. +Nu zagen wij naar eene plaats om, waar wij tot den morgen schuilen +konden, en vonden eindelijk tusschen eenige rotsblokken een plekje +juist zooals wij het wenschten.</p> +<p>„Wij kwamen overeen, dat een van ons waken zou, terwijl de +twee andere sliepen. Hastings nam voor ditmaal dien post op zich. Met +het lichten van den dag wekte hij ons, en toen gingen we dadelijk aan +het ontbijt, Uit onzen schuilhoek hadden we een bijna even ruim +gezicht, alsof we als vogels door <span class="pagenum">[<a id="pb151" +href="#pb151" name="pb151">151</a>]</span>de lucht hadden gevlogen. De +in de diepte liggende boerderijen, met al wat daar voorviel, konden we +nauwkeurig opnemen.<a id="xd21e3534" name="xd21e3534"></a></p> +<p>„De eene hoeve, die vlak onder ons lag, scheen ons veel +kleiner toe, dan de beide andere, die we in de verte ontdekten. Wij +wachtten, totdat wij de menschen buiten zagen komen. Na een half uur +vertoonden zich eenige Hottentotten, en wij zagen hoe zij hunne ossen +voor den wagen spanden. Er werden twaalf paar voorgespannen, en toen +klom de Hottentotsche voerman op den wagen en sloeg den weg in naar de +Kaapstad. Een Hottentotsche jongen en de groote hond gingen met hem +mede.</p> +<p>„Een poosje daarna dreef een andere Hottentot de koeien naar +het dal, om te grazen; vervolgens kwam eene Hollandsche vrouw met twee +kinderen buiten de deur en voederde het pluimgedierte.</p> +<p>„Wij wachtten nog een uur langer; toen vertoonde zich de +huisbaas zelf met eene pijp in den mond en zette zich op de bank voor +het huis neder. Toen zijn pijpje uit was, riep hij, waarop eene +Hottentotsche meid hem tabak en vuur bracht. Anders zagen wij niemand +in de nabijheid en daaruit maakten wij op, dat de boer, zijne vrouw en +de Hottentotsche meid met die beide kinderen de gansche bevolking van +de boerderij zijn moesten.</p> +<p>„Tegen twee uur ’s middags bracht de man zijn paard +buiten en reed weg. Wij zagen, hoe hij bij het wegrijden met de +Hottentotsche vrouw sprak, en kort daarop ging deze met eene mand op +het hoofd naar den kant van het dal.</p> +<p>„Nu, zeide Hastings, was het tijd, om ons te roepen, want nu +was er alleen nog maar eene vrouw in huis,—die wij gemakkelijk +meester konden worden. Echter ging dit nog altijd met vrij wat gevaar +vergezeld, want als zij gerucht maakte en wij vluchten moesten, konden +wij licht gezien en weer opgevangen worden.</p> +<p>„Wij zagen echter wel, dat er geene andere mogelijkheid voor +ons bestond, en dus besloten wij omzichtig naar de hoeve af te dalen en +van de gelegenheid zoo goed mogelijk gebruik te maken. Wij kropen langs +den heuvel neder en bereikten onbemerkt de heg achter de woning. Hier +lagen wij ruim een kwartier op de loer, toen wij, tot onze groote +blijdschap, ook de vrouw, met een kind aan iedere hand, uit het huis +zagen komen. Ze ging zekerlijk aan een van hare buurvrouwen een bezoek +brengen, want ze sloeg den weg naar de verder gelegene hoeve in.</p> +<p>„Zoodra zij eenige honderden passen ver was, kroop Hastings +voorzichtig door de heg en sloop door de achterdeur in het woonhuis. Nu +eenige oogenblikken vertoonde hij zich weer en wenkte ons, dat wij +komen konden. <span class="pagenum">[<a id="pb152" href="#pb152" name= +"pb152">152</a>]</span></p> +<p>„Wij vonden hem reeds in ’t bezit van eene buks en van +een geweer, die voor den schoorsteen op een rek gelegen hadden. In een +ommezien namen wij ook de kruithorens en patroonstasschen, die op +verschillende plaatsen aan den wand hingen, af en hingen die zelven om. +Toen we deze in ons bezit hadden, plaatste Hastings mij als schildwacht +aan de voordeur, opdat men ons niet onverhoeds overvallen zou, terwijl +hij zelf met Romer naar levensmiddelen omzag. Zij vonden drie hammen en +een brood, wel bijna zoo groot als een waschtobbe.</p> +<p>„Hiermede ruim tevreden, besloten wij zonder lang te dralen, +onzen schuilhoek weer op te zoeken. Wij tuurden naar alle kanten +<span class="corr" id="xd21e3555" title="Bron: zond">rond</span>, maar +ontdekten nergens een sterveling, zoodat wij aannemen konden, dat +niemand ons gezien had.</p> +<p>„Omstreeks midden op den heuvel verhief zich een steile, +naakte rotswand, dien wij, om in het dal te komen, noodzakelijk over +moesten, als wij ons niet al te dicht bij het boerenhuis wilden wagen. +Na kort beraad kwamen wij overeen, dat het misschien beter zou zijn hem +nog bij dag te beklimmen, zoodat wij deze zwarigheid op eenmaal +overwonnen hadden en ook verder van de hoeve verwijderd waren. Wij +volvoerden terstond ons besluit, vonden eene zeer veilige schuilplaats, +waar wij ons nederlegden, om na zonsondergang onze reis naar de +binnenlanden voort te zetten.</p> +<p>„We hadden nog geen uur daar gelegen, toen we op den heuvel, +dien wij verlaten hadden, het geschreeuw van onze goede vrienden de +bavianen hoorden. Wij zagen, hoe zij op de boerderij aantrokken, in de +vruchtboomen klauterden en elkaar met verwonderlijke vlugheid de +vruchten toewierpen. De listige dieren hadden evengoed als wij +afgeloerd, dat de kust vrij was, en wilden eene zoo goede gelegenheid +niet ongebruikt laten.</p> +<p>„Zij waren nog druk aan het werk, toen de Hottentot met de +koeien in de verte aankwam. Zoodra hij het huis naderde, hieven zij +allen een schellen kreet aan en maakten zich hals over kop uit de +voeten. Na den herder zagen wij de boerin terugkomen; zij bleef slechts +korten tijd in huis en kwam toen op eens met alle teekenen van schrik +en ontsteltenis buiten de deur. Omtrent één uur +vóór zonsondergang kwam de Hollandsche boer van zijn rit +terug en na weinige minuten begrepen wij uit het luid gejammer en +misbaar in huis, dat hij zijne vrouw sloeg; want, ziet gij, mijnheer +(althans zoo stelden wij ons de zaak voor), doordat zij van huis was +gegaan, hadden de apen ’t gewaagd, den boomgaard te plunderen en +ongetwijfeld dacht men, dat die viervoetige roovers ook de andere +dingen, die in huis vermist werden, hadden meegepakt, daar het wel +bekend is, dat zij alles nemen, wat zij krijgen kunnen. <span class= +"pagenum">[<a id="pb153" href="#pb153" name="pb153">153</a>]</span></p> +<p>„Zoo waren de bavianen, die de arme vrouw zoo in pijn +brachten, voor ons van groot nut, daar zij maakten, dat niemand iets +van ons huisbezoek vermoedde en dus alle gevaar van vervolging van ons +afweerden. Hoogst tevreden met den dienst, dien zij ons dezen avond +deden, vergaven wij hun dan ook gaarne den angst, welken zij ons des +morgens aangejaagd hadden.</p> +<p>„Maar nu, beste Willem, wil ik voor ditmaal afbreken, daar ik +zie, dat het onder mijn praten tamelijk laat is geworden. Het vervolg +dus op een anderen avond.”</p> +</div> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd21e3518" href="#xd21e3518src" name="xd21e3518">1</a></span> Het +nieuwe oorlogsrecht heeft dezen algemeenen regel wel eenigszins +gewijzigd.</p> +</div> +</div> +<div id="ch37" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">ZEVEN-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">KROKODILLEN, HAAIEN, HYENA’S.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Wij verlieten onze vrienden op den avond van den dag, +toen zij hun stapel brandhout tegen het volgende regenseizoen tot stand +gebracht en zich het spoedig aanleggen van een vischvijver en van eene +zoutpan voorgenomen hadden. Met den eersten werd ook reeds dadelijk den +volgenden morgen een begin gemaakt. Flink, mijnheer Wilson en zijn zoon +gingen gezamenlijk naar het strand en kozen, na lang zoeken, ongeveer +honderd schreden van den schildpadvijver, eene plaats, die hun tot dit +doel het meest geschikt voorkwam. Het water was daar vrij ondiep, +zoodat op het punt, dat het verst van den oever verwijderd was, de +diepte niet meer dan drie voet bedroeg.</p> +<p>„Wij hebben hier dus een heel gemakkelijk werk, +mijnheer,” begon Flink<span class="corr" id="xd21e3579" title= +"Bron: ,">.</span> „Al wat we te doen hebben is, dat we steenen +en kleine rotsblokken verzamelen en die zoo op elkaar stapelen, dat ze +binnenwaarts als een muur staan, maar naar buiten schuins afloopen, om +de kracht van de zee te breken, als die onstuimig is. Het water zal +natuurlijk altijd tusschen de steenen heenspoelen en zoo gedurig +ververscht worden. ’t Is waar, we kunnen meestal wel visch +vangen, als we die noodig hebben, maar we hebben niet altoos tijd +daartoe te missen, en zoo is het dus beter een vasten voorraad te +hebben, waarover we ieder oogenblik beschikken kunnen. Ze vangen en +hier in den vijver overplanten, kunnen we zoo dikwijls als er niets +anders te doen valt. Dan kan Juno naderhand altijd maar heengaan en er +met een spies een uitprikken, als wij niet thuis zijn en zij iets voor +de keuken noodig heeft. Het is altijd goed, dat men een voorraad +mondkost tot zijne beschikking klaar heeft.” <span class= +"pagenum">[<a id="pb154" href="#pb154" name="pb154">154</a>]</span></p> +<p>„Maar, Flink, hier in het rond zie ik slechts weinig steenen; +hoe maken wij het, om die van zoo ver te halen?” vroeg +Willem.</p> +<p>„Daartoe zullen wij onze handkar nemen; daar kan een goede +voorraad in ééne vracht op.”</p> +<p>„Maar hoe ze daarop te houden, Flink?”</p> +<p>„Wij binden eene ton aan de as vast. Ik zal dat dadelijk in +orde brengen, en kom er dan mee hier. In dien tusschentijd kunt gij met +uw vader al de steenen oprapen, die hier voor de hand +liggen.”</p> +<p>De oude man kwam weldra met de kar terug, waaraan hij een vat +werkelijk zeer handig had vastgemaakt; en met behulp van dit voertuig +zagen zij nu, dat het bijeenbrengen van steenen hun slechts weinig +moeite behoefde te kosten. Vader en zoon voerden de bouwstoffen aan, en +Flink stond in het water, om den muur op te trekken.</p> +<p>„Wij hebben tot hiertoe een ander werk geheel vergeten, wat we +toch niet verzuimen moesten, mijnheer,” zeide Flink, „en de +vischvijver herinnert mij daaraan.”</p> +<p>„En dat is, Flink?”</p> +<p>„Eene badplaats voor de kinderen, of eigenlijk voor ons allen, +groot en klein. Als de heete dagen aankomen, zullen wij daar behoefte +aan hebben, maar tegen dien tijd kunnen we er ook gemakkelijk mee +klaarkomen. Hier<span class="corr" id="xd21e3600" title= +"Bron: .">,</span> waar het zoo ondiep is, loop ik geen gevaar en kan +ik gerust aan mijn muur voortbouwen; maar als het water mij tot over de +knieën kwaam, zou ik mij wel zorgvuldig in acht nemen; want gij +hebt er geen denkbeeld van, mijnheer, hoe stout en roofzuchtig de +haaien onder deze breedte zijn. Toen ik de laatste maal op St. Helena +was, hadden we daar nog een treurig bewijs van.”</p> +<p>„Vertel het ons toch eens, Flink,” riep Willem.</p> +<p>„Ja zie, ik had zelf niet gedacht, dat het mogelijk was. Ik +weet een geval van dien aard, toen ik in Oost-Indië was, doch dat +was niet met een haai, maar met een kaaiman. Een Hollander stond op +zekeren dag aan het strand en vischte in de haven. Daar komt een +kaaiman of krokodil regelrecht op hem toezwemmen, totdat hij met zijn +snuit nog maar een paar voet van den visscher af is. De Hollander +stoort zich daar echter niet aan, want daar hij op den vasten wal +staat, vreest hij geen gevaar van het monster. Dit keert zich op eens +om, slaat met zijn staart den armen man van den oever weg, zoodat hij +in zee tuimelt, en daar pakt het den ongelukkige aan en duikt met hem +onder.”</p> +<p>„Vreeselijk! Maar een haai kan toch zoo iets niet doen: kan +hij wel, Flink?” <span class="pagenum">[<a id="pb155" href= +"#pb155" name="pb155">155</a>]</span></p> +<p>„Dat zult gij hooren, mijnheer. Er stonden twee soldaten op +Sint Helena op een rots vlak aan zee. De rots was nog wel boven het +water, doch daar de vloed opkwam, sloeg de branding er toch reeds nu en +dan overheen. Daar kwamen twee haaien op hen toezwemmen, juist als die +kaaiman, waarvan ik u verteld heb; de een werpt zich plotseling om en +slingert met een slag van zijn staart een van de soldaten in het water, +dat zeer diep was. De kameraad van den ongelukkige kwam doodelijk +ontsteld naar de kazerne loopen, om het gebeurde te vertellen. Omtrent +eene week later ontdekte men van een schoener in de Zandbaai aan de +andere zij van het eiland een geweldig zwaren haai bij het roer van het +schip. Al spoedig werd er een haak uitgeworpen met een dik stuk spek +daaraan vast, en de knaap raakte gevangen. De matrozen sneden hem de +buik open en vonden met ontzetting het gansche lichaam van den +verongelukten soldaat van het hoofd tot aan de knieën in zijne +maag. Het gedrocht had hem ingeslokt, met uitzondering van de beenen, +die ’t bij ’t sluiten van zijne geweldige kinnebakken had +afgebeten. Ik zag de maag en de ruggegraat van het beest in de kazerne, +en ’t was zekerlijk het grootste monster van die soort, dat ik +mijn leven lang nog ergens gezien had.”</p> +<p>„Ik had niet gedacht, dat die dieren zoo stoutmoedig +waren.”</p> +<p>„Wat ik u vertelde, mijnheer, is de zuivere waarheid, waarvoor +ik kan instaan; en daarom kunnen we niet te voorzichtig wezen, als wij +in het water gaan. Gij hebt immers zelf gezien, hoe schielijk die haai +het arme varken binnen had.”</p> +<p>„En ik mocht toch wel eens weten, hoe het met onze varkens +staat, Flink,” sprak Willem haastig.</p> +<p>„Naar ik gis, zullen ze thans wel biggen hebben; aan voedsel +ontbreekt het hun zeker niet<span class="corr" id="xd21e3620" title= +"Bron: ,">.</span>”</p> +<p>„Kunnen ze dan kokosnoten vreten?”</p> +<p><span class="corr" id="xd21e3626" title= +"Niet in bron">„</span>De oude zeker niet; maar er vallen immers +dagelijks jonge kleine noten van de boomen en daar zijn ze zeer graag +op. Ook vinden ze wortels in overvloed. Als we nog eenigen tijd hier +zijn, kunnen we een goede jacht op hen maken. Dan dienen we evenwel op +onze hoede te zijn, Willem; want toen we de varkens aan wal brachten, +waren ze wel mak, doch in zeer korten tijd worden ze wild en +gevaarlijk. Een wild zwijn is altijd een vreeselijk dier.”</p> +<p><span class="corr" id="xd21e3631" title= +"Niet in bron">„</span>Dat geloof ik wel,” sprak de vader. +„Maar hoe zullen wij jacht op hen maken?”</p> +<p>„Wel, met de honden mijnheer, die hen opjagen, zoodat wij hen +onder <span class="pagenum">[<a id="pb156" href="#pb156" name= +"pb156">156</a>]</span>het schot krijgen. Ik ben blij, dat onze Vixen +eerlang kleintjes te wachten heeft; we zullen meer honden kunnen +gebruiken.”</p> +<p>„Ik ben maar bang, dat we zoodoende meer honden krijgen, dan +we behoorlijk voeden kunnen.”</p> +<p>„Wees daar niet bezorgd voor, mijnheer, zoolang wij de zee +hebben, om ons visch te leveren. Honden houden veel van visch, zelfs +als die rauw is. In de noordelijke landen krijgen ze zelden iets +anders.”</p> +<p>„We zullen ook spoedig jonge lammeren krijgen,—is +’t niet zoo, Flink?”</p> +<p>„Ja, mij dunkt, dat houdt niet lang meer aan. Ik wenschte, dat +wij meer voeder voor die dieren hadden: tegenwoordig vooral is het nog +een schrale tijd voor hen. Aanstaande jaar, als wij meer voeder vinden, +moeten wij het gras inzamelen, om hooi te hebben tegen den winter, of +liever tegen den regentijd, want een winter kennen wij hier niet. Ik +ben vast overtuigd, dat wij aan den zuidkant van ons eiland meer vlak +land zullen vinden, daar het kokosbosch zich daar zeker niet, zooals +hier in het noorden, tot aan zee uitstrekt.<span class="corr" id= +"xd21e3646" title="Niet in bron">”</span></p> +<p>„Ik brand van verlangen, om eindelijk eens een +ontdekkingsreisje te doen,” zeide Willem.</p> +<p>„Nog een weinig geduld, vriendje,” hernam de oude +man<span class="corr" id="xd21e3653" title="Bron: :">,</span> „en +dan weet ik nog niet zeker, of gij wel meegaat; want wij mogen toch +niet alle drie tegelijk gaan en uwe moeder alleen laten.”</p> +<p>„Neen,” zeide mijnheer Wilson, „dat zou zeker niet +goed zijn. Een van ons moet thuis blijven, gij of ik<span class="corr" +id="xd21e3658" title="Bron: ,">.</span>”</p> +<p>Willem gaf geen antwoord; maar men kon duidelijk bemerken, dat de +gedachte, dat hij misschien niet van de partij zou zijn, hem weinig +behaagde.</p> +<p>Zij arbeidden den ganschen dag ijverig door, en de steenen omwalling +van den vijver rees spoedig boven het water op. Met zonsondergang +staakten zij het werk en keerden naar huis terug.</p> +<p>Na het avondeten vatte Flink den draad van zijn verhaal weder op en +vervolgde:</p> +<p>„Wij hielden ons schuil, totdat het donker was, toen wij +opbraken en onze reis voortzetten. Hastings en Romer droegen ieder een +geweer op den schouder en een ham op den rug. Ik, als de kleinste, had +de buks en het groote brood te dragen. Door dit laatste had ik daarvoor +een gat geboord en er een touw doorgehaald, zoodat ik het met gemak op +den rug dragen kon.</p> +<p>„Ons plan was, ons naar het noorden te wenden, daar we wisten +dat we ons in die richting van de kolonie verwijderden, doch Hastings +had beslist, dat we eerst oostwaarts marcheeren en een omweg maken +zouden, om onzen <span class="pagenum">[<a id="pb157" href="#pb157" +name="pb157">157</a>]</span>vervolgers niet misschien in den mond te +loopen. Wij kwamen door de diepe zandvlakte van den baai. Toen deze +allengs begon te rijzen, vertoonde zich meer struikgewas en +kreupelhout; doch nergens ontdekten wij een spoor van aanbouw, en +sedert wij de baai achter ons hadden, kwamen wij ook geen enkel huis of +hof meer voorbij. Tegen twaalf uur in den nacht waren wij zeer vermoeid +en snakten naar een dronk water, maar konden nergens iets ontdekken, +hoewel de heldere maneschijn het bijna zoo licht voor ons maakte als +midden op den dag. Daarentegen hoorden we zeer duidelijk, en dat beviel +ons in ’t geheel niet, het aanhoudend loeien en brullen der wilde +dieren, dat toenam hoe verder we kwamen. Evenwel kregen we geen beest +te zien, en dat was nog een troost voor ons.</p> +<p>„Ten laatste waren wij zoo afgemat, dat we ons allen op eene +rots nederzetten. Ons te slapen leggen, durfden wij niet. Zoo bleven +wij wakker tot aan den morgen en luisterden naar het gehuil en geloei. +Ook sprak niemand van ons een enkel woord, en ik ben verzekerd, dat +Hastings en Romer innerlijk hetzelfde dachten als ik en wel gaarne +gewenscht hadden, dat wij allen weer veilig en wel tusschen de muren +onzer gevangenis zaten.</p> +<p>„Eindelijk brak echter toch de dag aan; de wilde dieren werden +nu stil. Wij gingen voort, totdat we aan een stroom kwamen, waar we +nederzaten en iets tot ontbijt namen. Eerst toen dit gedaan was, keerde +ook onze moed terug. Wij braken op en lachten en praatten onderweg, +zooals wij vroeger ook gedaan hadden.</p> +<p>„We begonnen nu de bergen te beklimmen, die naar het zeggen +van Hastings, de Zwarte Bergen zijn moesten, waarvan de soldaten ons +zooveel verteld hadden. Ze mochten wezen en heeten hoe ze wilden, maar +ze waren heel dor, bar en akelig. Toen de nacht viel, gingen wij aan +het hout sprokkelen en sneden met onze messen takken af, om een vuur +aan te leggen, dat we noodig hadden, niet alleen om ons te verwarmen, +maar ook om de wilde dieren af te weren, wier gehuil zich alweer overal +hooren liet.</p> +<p>„In den loop van den dag hadden wij er reeds twee of drie +gezien, die zich op de vlakke rots in de zon lagen te koesteren. Een +was een panter geweest. We hadden onze geweren geladen, doch onder het +voorbijgaan liet hij ons slechts zijn witte tanden zien, maar bewoog +zich niet. De andere waren te ver van ons af, dan dat wij hen duidelijk +hadden kunnen onderscheiden.</p> +<p>„Zoo staken we dan ons vuur aan en gebruikten ons avondmaal. +Van het brood was nog maar de helft over. Ook de ham was al duchtig +aangesproken, zoodat wij wel begrepen, dat wij spoedig alleen op onze +geweren <span class="pagenum">[<a id="pb158" href="#pb158" name= +"pb158">158</a>]</span>zouden te rekenen hebben, om ons voedsel te +verschaffen. Zoodra wij verzadigd waren, legden wij ons dicht bij het +vuur neer. Onze geweren hadden wij geladen bij ons; onze kruitvoorraad +lag zoo ver van het vuur, dat daarvan geen ongeluk te vreezen was. Bij +onze vermoeidheid lagen wij weldra alle drie vast in slaap. De afspraak +was wel, dat eerst Romer, dan Hastings en eindelijk ik de wacht zou +houden, maar Romer sliep vast in en het gevolg daarvan was, dat ons +vuur niet onderhouden werd.</p> +<p>„Het was omtrent middernacht; toen ik door iets dat mij heet +in het gezicht ademde, gewekt werd; en ik had pas mijne zinnen bij +elkaar en de oogen geopend, of ik voelde, dat ik bij mijn broeksband +werd opgetild en de tanden van een dier in mijn vleesch drongen. Ik +zocht mijne buks te grijpen, maar stak de verkeerde hand uit en kreeg +zoo een nog brandend stuk hout te vatten, waarmee ik mijn vijand naar +de oogen stiet. Hij liet mij oogenblikkelijk los en liep +heen.”</p> +<p>„Aan welk een groot gevaar zijt gij daar ontkomen!” riep +mevrouw Wilson uit.</p> +<p>„Ja, waarlijk, mevrouw; want het beest was een hyena. Gelukkig +is dat woeste dier eigenlijk van een lafhartigen aard; maar had ik dat +brandende hout niet gepakt, dan had het gedrocht mij zeker weggedragen, +want ik was destijds bijzonder klein en teer en het tilde mij van den +grond op, alsof ik maar een veer geweest was.</p> +<p>„De gil, dien ik gaf deed Hastings ontwaken, die zijn geweer +greep en op goed geluk vuur gaf. Ik was doodelijk ontsteld, zooals ge u +wel kunt voorstellen. Wat Romer aangaat, die werd eerst wakker, toen we +hem duchtig schudden, zoo vast was hij in de rust. Deze ontmoeting +maakte ons natuurlijk voorzichtiger en in het vervolg legden wij altijd +twee vuren aan, waartusschen wij sliepen en een van ons moest bestendig +wacht houden.</p> +<p>„Zoo ging het eene volle week voort. Zoodra wij eindelijk het +gebergte beklommen hadden, richten wij ons naar het noorden. Wij hadden +thans kreupelbosch en rotsen achter ons en zagen eene wijde vlakte voor +ons. Onze voorraad was geheel op; één dag moesten wij +zelfs van den ochtend tot den avond geheel vasten. Wij doodden echter +spoedig eene antilope, die men daar te lande een springbok noemt, en +dit gaf ons voedsel voor vier of vijf dagen. Over het geheel ontbrak +het volstrekt niet aan wild, zoodra wij maar in de vlakte waren.</p> +<p>„Maar wacht, daar vergat ik u te vertellen, hoe wij nog eens +aan een dreigend gevaar ontkwamen. Nog voordat wij het vlakke veld +bereikten, hadden wij een groot bosch door te trekken, dat zich langs +het gebergte uitstrekte. <span class="pagenum">[<a id="pb159" href= +"#pb159" name="pb159">159</a>]</span>We hadden tot aan den middag +geloopen en waren moe en af. Wij besloten ons middagmaal te gebruiken +onder een grooten boom en wierpen ons daar in de schaduw op den grond +neer. Hastings lag op zijn rug en keek in den boom op.—Daar +ontdekte hij op eens, boven zijn hoofd op een lagen tak, een panter, +die zich daar op zijn gemak had neergevleid. Met zijn groene, +flonkerende oogen keek hij ons aan en scheen gereed om op ons neer te +springen.</p> +<p>„Hastings greep naar zijn geweer en drukte oogenblikkelijk op +het dier los; want tot lang mikken was geen tijd meer over. De kogel +drong den panter door het lijf en trof, naar het scheen ook zijne +ruggegraat. Hij plofte met luid gebrul op den grond neer, op een +afstand van niet meer dan drie of vier voet van ons af. Op de aan die +dieren eigene wijze kromde hij zich nu, om op Romer los te +springen,—maar hij kon niet meer: zijne ruggegraat was +verbrijzeld en hij had alle kracht in het achterlijf verloren. Hij +wilde zich oprichten, maar zonk dadelijk weer achterover neer. Nooit in +mijn leven heb ik zooveel razernij en woede in een schepsel gezien. Wij +waren in den beginne te hevig verschrikt, om aan vuren te denken; doch +toen wij zagen, dat het beest niet springen kon, rukte Hastings den +sidderenden Romer zijn geweer uit de hand en schoot den panter dwars +door den kop.</p> +<p>„Wij waren nu genoodzaakt om tot onderhoud van ons leven op de +jacht te gaan en werden daardoor van dag tot dag stouter. Onze kleeren +waren alle in flarden gereten; maar we hadden overvloed van kruit en +lood, en op de vlakte liepen antilopen en hertebokken bij honderden +rond, soms in zulke troepen, dat wij ze onmogelijk tellen konden.</p> +<p>„Aan levensmiddelen ontbrak het ons dus volstrekt niet; maar +daarvoor bracht deze overvloed van wild ons in een nog veel grooter +gevaar, want nu voor de eerste maal hoorden wij iederen nacht het +gebrul der leeuwen. Van alle geluiden, die ik ooit hoorde, is dit naar +’t mij voorkomt wel het allerschrikkelijkste. Wij legden groote +vuren aan, om hen van ons verwijderd te houden, maar toch kan ik u +verzekeren, dat we dikwijls nog rilden en beefden, als ze in onze +nabijheid kwamen.”</p> +<p>„Hebt gij ooit van die dieren bij dag ontmoet, Flink?” +vroeg Willem.</p> +<p>„O ja, wij zagen er dikwijls een, doch ze vielen ons toch +nooit aan en wijzelven waren te bang voor hen, om op hen te vuren. Eens +kregen wij van heel nabij met zulk een leeuw te doen. Wij hadden een +hert geschoten en met onze geweren over den schouder drongen wij door +het hooge gras naar de plaats, waar het liggen moest. Toen wij de plek +naderden, hoorden wij een gebrul en zagen ons opeens <span class="corr" +id="xd21e3711" title="Bron: nauwelijk">nauwelijks</span> tien passen +van een leeuw <span class="pagenum">[<a id="pb160" href="#pb160" name= +"pb160">160</a>]</span>verwijderd, die bij het dier, dat wij gedood +hadden, op den grond lag. Zijne oogen schoten vuur op ons en hij had +zich reeds half opgericht, om op ons los te springen. Wij gingen allen +op den loop, zoo hard als wij konden. Ik had geen moed om naar hem te +zien, totdat ik geheel buiten adem was geloopen. De leeuw was tevreden +met onze overhaaste vlucht en nam de moeite niet om ons te vervolgen. +We moesten dien nacht ons met een hongerige maag te slapen leggen.</p> +<p>„We hadden nu zoo al drie weken omgezworven, zonder eigenlijk +te weten waar of waarheen. Slechts zooveel konden we nagaan, dat we +eene noordelijke richting gehouden hadden. Wij waren vreeselijk +vermoeid en uitgeput en kwamen allen overeen, dat wij eene zeer dwaze +daad begaan hadden en heel blij zouden zijn, als wij den terugweg +konden wedervinden. Wij trokken den ganschen dag samen voort, zonder +elkander een woord toe te spreken, dan bij gelegenheid als zich eenig +wild vertoonde. Ik voor mij was zoo bedrukt en moedeloos, dat ik mij +maar liefst op den grond neergelegd zou hebben om dadelijk te sterven. +Het brullen van de leeuwen was mij volstrekt onverschillig geworden en +ik verlangde soms bijna zelfs, dat een mij oppakte en mij maar +schielijk verslond.</p> +<p>„Daar ontmoetten wij onverwacht een troep inboorlingen. Wij +konden niet met elkander spreken, maar zij schenen zeer goedig en +vriendschappelijk jegens ons gezind. Zij behoorden tot de stam der +Karroos, want zij wezen op zichzelven en spraken het woord: +„Karroos,” en dan wezen zij op ons en zeiden: +„Hollanders!” Wij schoten eenig wild en gaven hun dat, +waarmede zij zoo waren ingenomen, dat zij vijf of zes dagen bij ons +bleven.</p> +<p>„Wij zochten door teekens van hen te vernemen, of zich ook een +Hollandsche post of Hoeve in de nabijheid bevond. Zij begrepen ons en +gaven ons een toestemmend antwoord, terwijl zij de plaats, als +noordoostelijk gelegen, met den vinger aanwezen. Wij boden hun een +geschenk aan, als zij ons den weg wilden wijzen; want wij hadden +besloten ons weder aan de Hollanders over te geven en in onze +gevangenis terug te keeren.</p> +<p>„Twee van de mannen toonden zich bereid om met ons mede te +gaan. De overigen van de stam trokken met vrouwen en kinderen naar het +zuiden. Den volgenden dag kwamen wij aan een Hollandschen post, die +Graaf Reinet heette en uit drie of vier hoeven bestond. Wat ons verder +overkwam, hoort gij op een anderen avond, Willem; want het is nu al +laat en hoog tijd om te gaan slapen.” <span class= +"pagenum">[<a id="pb161" href="#pb161" name="pb161">161</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch38" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">ACHT-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">WILLEM WORDT ZIEK.—DE ADERLATING.—FLINKS +VERDERE ONTMOETINGEN.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Het aanleggen van den vischvijver ging vlug voort en +op den derden dag was het werk bijna gereed. Zoodra de vier wanden +stonden schepte Flink zand en gruis uit, zoodat de vijver overal +nagenoeg even diep was en de visschen dus zooveel water hadden, dat de +meeuwen en fregatvogels niet neerschieten en hen als prooi meevoeren +konden.</p> +<p>Terwijl Flink aldus bezig was, brachten vader en zoon nog meer +steenen bijeen, opdat de vijver in vier deelen kon worden afgescheiden, +waarvan het een echter met het ander in verbinding stond. De binnen- +zoowel als de buitenmuren of wallen werden echter breed genoeg gemaakt, +dat men daarop loopen kon, en daardoor werd het mogelijk, de visschen, +wanneer men ze noodig had, alle met den haak te bereiken.</p> +<p>Den dag, nadat de vijver voltooid was, sloeg het weer andermaal om; +doch de stormvlagen waren thans op verre na zoo hevig niet als bij het +begin van den regentijd. De regen viel wel in stroomen neer, maar was +niet meer van zulke vreeselijke bliksem- en donderslagen vergezeld. Ook +duurden de stormvlagen niet meer zoo lang, maar hadden doorgaans reeds +na weinige uren uitgewoed. Zoo dikwijls de lucht eens weer opklaarde, +ging men aan het visschen en had in korten tijd zulk eene menigte +bijeen, dat de vijver daarvan zeer rijkelijk voorzien was.</p> +<p>Daar had opeens iets plaats, dat alle leden onzer kleine kolonie in +eene hooge mate verontrustte. Op zekeren avond namelijk voelde Willem +zich ongesteld, werd koud en huiverig en klaagde vooral over zware +hoofdpijn. Flink had beloofd op dien avond met zijne geschiedenis voort +te gaan, maar Willem was te ziek om op te blijven. Hij werd te bed +gebracht en lag den volgenden morgen in eene hevige koorts.</p> +<p>Zijn vader maakte zich zeer ongerust, want het liet zich van uur tot +uur zorglijker aanzien. Flink had dien nacht bij den zieke gewaakt, +doch ging thans met den beangsten vader naar buiten, om met dezen over +den toestand van zijn zoon te spreken.</p> +<p>„Dat is een erg geval, mijnheer,” begon de brave oude +man. „De arme jongen heeft gisteren onder het werk zijn hoed +afgezet en, naar ik vrees, daardoor een zonnesteek gekregen. Het is +maar ongelukkig, dat wij niet iemand hebben, die hem eens laten +kan.” <span class="pagenum">[<a id="pb162" href="#pb162" name= +"pb162">162</a>]</span></p> +<p>„Ik heb een lancet,” antwoordde mijnheer Wilson: +„maar ik heb van mijn leven nog geene aderlating +gedaan.”</p> +<p>„Ik evenmin, mijnheer; maar als gij een lancet hebt, houd ik +het voor onzen plicht het te wagen. Als gijzelf u daartoe niet geschikt +gevoelt, wil ik althans mijn best doen. Het is immers eene zeer +eenvoudige operatie.”</p> +<p>„Ja, Flink, een van beiden moet er toe overgaan, dat zie ik +wel in.”</p> +<p>„Misschien is mijn hand in dat geval vaster dan de uwe,” +hernam de zeeman. „Ik vrees niets zoozeer, dan dat de koorts naar +het hoofd overslaat.”</p> +<p>„Ja, Flink, ik moet erkennen, het is mij liever als gij de +proef nemen wilt,” antwoordde de vader. „Mijne hand zou +allesbehalve vast zijn; ik beef immers nu reeds voor mijn dierbaar +kind!”</p> +<p>Beiden keerden naar het bed van den zieke terug. Mijnheer Wilson +zocht zijn lancet, en Flink bond Willem onderwijl den arm. Zoodra de +ader gezwollen was, hield hij die met zijn duim vast, en dadelijk +gelukte de eerste proef hem volkomen.</p> +<p>Op Flinks raad werd den lijder eene aanmerkelijke hoeveelheid bloed +afgetapt, en deze scheen zich daardoor zeer verlicht te gevoelen.</p> +<p>Zijn arm werd nu zorgvuldig verbonden, hij dronk nog wat water, +waarnaar hij verlangd had, en legde zich toen op zijn kussen neder.</p> +<p>Den volgenden dag was de koorts bijna nog heviger dan te voren. +Willem werd andermaal gelaten, en zijne beangste moeder waakte aan zijn +bed en smolt weg in tranen. De arme jongen verkeerde eenige dagen in +groot gevaar. In het anders zoo vroolijke en levendige huis was alles +nu even stil en somber.</p> +<p>Het weder werd intusschen van dag tot dag zachter en fraaier, en het +was bijna onmogelijk den wilden Thomas bedaard in huis te houden. Juno +ging elken morgen met hem en den kleinen Albert eene wandeling doen en +hield hem onder haar werk bij zich. Gelukkig had <span class="corr" id= +"xd21e3765" title="Bron: Vixem">Vixen</span> jongen geworpen, en als de +goede meid de kleinen niet meer zoet kon houden, bracht zij hun twee +van de kleine hondjes, om daarmee te spelen. De zachte, stille Caroline +zat heele dagen in de kamer en hield de hand harer lieve moeder in de +hare, of paste Willem op en zat met haar naaiwerk voor zijn bed.</p> +<p>Flink kon onmogelijk langer ledig blijven; hij nam dus hamer en +beitel en werkte zoo dikwijls aan de zoutpan, als men zijne diensten in +huis niet noodig had. Terwijl hij daar zoo op de rotsen bikte, waren +zijne gedachten gedurig met Willem bezig, dien hij om zijn +vriendelijken aard en helder verstand liefhad, alsof hij zijn eigen +kind was.</p> +<p>Op den negenden dag had eene merkbare verandering ten goede plaats +en was de koorts veel minder hevig. Na korten tijd had deze geheel +opgehouden; <span class="pagenum">[<a id="pb163" href="#pb163" name= +"pb163">163</a>]</span>maar de zieke was zoo zwak, dat hij zich de +eerste twee of drie dagen nog niet zonder hulp in zijn bed oprichten +kon. Eerst veertien dagen, nadat de koorts verdwenen was, was hij weder +in staat, om het huis te verlaten.</p> +<p>De vreugde, die bij deze verandering in het gezin heerschte, kan men +zich beter voorstellen dan beschrijven.</p> +<p>Daar men gedurende de herstelling van den zieke toch niet wel iets +van belang ondernemen kon, besloten mijnheer Wilson en Flink, die thans +weder met opgeruimde harten aan den arbeid gingen, daar de zoutpan +gereed was, nu ook eene badplaats aan te leggen. Juno was hun daarbij +behulpzaam en wist zich inderdaad zeer nuttig te maken, daar zij vol +ijver met de kar de benoodigde steenen en rotsblokken aanvoerde. Ook +Thomas werd mede naar het werk genomen, opdat men in huis geen last van +hem zou hebben, terwijl de moeder en Caroline den zieke oppasten.</p> +<p>Toen Willem eindelijk kon uitgaan, was ook de badplaats in orde, +zoodat men thans niet meer van de haaien te vreezen had, Willem kwam +met zijne moeder aan het strand en verheugde zich zeer over het +volbrachte werk.</p> +<p>„Nu, Flink,” zeide hij tot dezen, „nu hebben wij +hier om het huis alles in orde gebracht. Wat ons nu nog te doen staat, +is een tochtje op het eiland en naar onzen voorraad bij de +landingsplaats te gaan zien.”</p> +<p>„Gij hebt gelijk, Willem; het weder is zoo mooi geweest, dat +wij het over weinige dagen wel wagen kunnen; doch in geen geval, +voordat gij wat sterker zijt, want ge moogt niet bij uwe moeder alleen +achterblijven, zoolang gij niet volmaakt wel zijt.”</p> +<p>„Wat, Flink, bij moeder blijven! Ik dacht, dat ik mee zou +gaan?”</p> +<p>„Neen, beste Willem, dat kan nu niet gebeuren. Stel u eens +voor, wij werden door een storm overvallen: gij werd doornat en moest +in uwe natte kleeren slapen,—hoe licht kon de koorts dan +terugkomen, en dan waart gij ver van huis verwijderd. Gij moet nog +langen tijd heel voorzichtig zijn, mijn goede jongen. Kom, ga daar op +die rots zitten, dan kunt ge de frissche zeelucht inademen, en die zal +u goeddoen: maar ge moogt niet te lang stilzitten.”</p> +<p>„O, ik zal mijne vorige krachten spoedig terug hebben, +Flink.”</p> +<p>„Daar twijfel ik ook niet aan, beste Willem; en waarlijk, we +hadden u bezwaarlijk kunnen missen. Ik zal eene schildpad uit den +vijver meenemen, want ge moet thans krachtig voedsel hebben om spoedig +weder flink en sterk te worden.—”</p> +<p>„Het is al lang geleden, dat we niets meer van uwe historie te +hooren <span class="pagenum">[<a id="pb164" href="#pb164" name= +"pb164">164</a>]</span>kregen,” begon Willem, nadat het avondeten +was afgeloopen; „ik zou gaarne hebben, dat ge er thans mee +voortgingt, want het luisteren vermoeit mij nu zeker niet +meer.”</p> +<p>„Van harte gaarne,” antwoordde de oude man; „maar +kunt ge mij nog zeggen, waar ik gebleven ben?—Mijn geheugen is +niet meer van de beste.”</p> +<p>„O ja, Flink, weet gij niet, gij waart in gezelschap van die +wilden op een Hollandschen post aangekomen, die, als ik goed onthouden +heb, Graaf Reinet heette.”</p> +<p>„Juist, juist, mijn jongen. Welnu dan, zoodra hij ons zag +aankomen, kwam de Hollandsche boer uit zijn huis en vroeg ons wie wij +waren<span class="corr" id="xd21e3803" title="Bron: ,">.</span> Wij +vertelden hem, dat wij Engelsche gevangenen waren, die zich weder aan +de overheid wenschen uit te leveren.</p> +<p>„Hij nam ons de wapens af, en zeide dat hij in dit deel des +lands de overheid was, die te bevelen had,—hetgeen wij weldra +ondervonden, dat ten volle waarheid was. „Zonder wapens en +munitie zult gij zeker niet wegloopen,” vervolgde hij. +„Naar de Kaap kan ik u deze eerste twee maanden nog niet +opzenden, en dus, als ge goed te eten wilt hebben, moet ge daarvoor ook +braaf voor mij werken.</p> +<p>„Wij gaven ten antwoord dat wij heel gaarne in alles ons best +zouden doen. Hij zond ons daarop een Hottentotsch meisje, dat ons iets +te eten bracht en ons een klein hok aanwees, waar wij met ons +drieën slapen konden.</p> +<p>„Wij merkten voor ’t overige al spoedig, dat wij met een +ruw, onbeschoft mensch te doen hadden, die ons zwaar werk in overvloed, +maar daarvoor bitter weinig te eten gaf. Hij wilde ons onze geweren +niet weder toevertrouwen, en zoo zond hij zijne Hottentotten met het +vee uit; maar daarvoor moesten wij in den omtrek van het huis zwaren +arbeid doen, en ten laatste behandelde hij ons zelfs wreed en +kwaadaardig. Wanneer hij voor de <span class="corr" id="xd21e3813" +title="Bron: Hottotten">Hottentotten</span> en de andere slaven, die +hij in menigte hield, niet meer te eten had, placht hij met andere +boeren, die in de buurt woonden, op de jacht te gaan en quagga’s +voor hen te schieten. Niemand dan een Hottentot kan nochtans van zulk +vleesch eten.”</p> +<p>„Wat is een quagga?”</p> +<p>„Een wilde ezel, voor een gedeelte gestreept, doch niet zoo +fraai als de zebra, ’t Is een recht sierlijk dier, maar zijn +vleesch is ellendig slecht van smaak. Verbeeld u nu, mijnheer, hij +wilde ons ten laatste, evenals aan de Hottentotten, ook niets anders +dan quaggavleesch te eten geven, terwijl hij met zijne +familie—want hij had eene vrouw met vijf kinderen—schapen +en geitenvleesch in overvloed had, wat werkelijk eene heerlijke kost +is. <span class="pagenum">[<a id="pb165" href="#pb165" name= +"pb165">165</a>]</span></p> +<p>„Wij verzochten hem, ons een geweer te geven, opdat we ons +beter voedsel verschaffen konden; doch hij roste Romer zoo onbarmhartig +af, dat hij in geen twee dagen een lid verroeren kon. De arme +Hottentotten en de slaven kregen bijna dag aan dag slaag. Hij bediende +zich daartoe van een zweep, die uit het vel van een rhinoceros gesneden +was; en dat was een vreeselijk ding, dat den armen mensch bij elken +slag tot diep in het vleesch drong.</p> +<p>„Zoo begon het leven ons werkelijk tot last te worden. Wij +kregen elken dag zwaarder werk, en elken dag werd het monster wreeder +tegen ons. Eindelijk kwamen wij overeen, dat wij dit niet langer +verdragen wilden, en Hastings zeide hem dit op een avond ronduit.</p> +<p>„Dit bracht hem in de hevigste woede: hij riep twee van zijne +slaven, beval hun Hastings aan een wagenrad te binden en zwoer, hem de +huid van het lijf te zullen geeselen. Daarop ging hij in huis om zijne +zweep te halen.</p> +<p>„De slaven grepen Hastings aan en bonden hem aan het rad; want +zij waagden het niet hun meester ongehoorzaam te zijn. Hastings echter +zeide tot ons: „Als ik gezweept word, zijn wij allen verloren. +Thans staat het aan u, om aan ons lijden een einde te maken. Loopt +achter het huis om, en als hij met de zweep komt, gaat dan in huis en +haalt de geweren, die altijd geladen zijn. Houdt hem in het vizier, +totdat ik zelf vrij ben, en dan zullen wij wel een middel vinden, om te +ontkomen. Gij moet dat doen, want ik ben overtuigd, dat hij mij anders +doodslaan en u als weggeloopen gevangenen voor den kop schieten zal, +gelijk hij dat onlangs die beide Hottentotten gedaan heeft.”</p> +<p>„Wat Hastings zeide kwam ons beiden maar al te waarschijnlijk +voor. Toen de boer dus terugkeerde en op Hastings toekwam, die op +ongeveer twintig passen van het huis was vastgebonden, maakten we +schielijk, dat we in huis kwamen. De boerin lag juist ziek; wij +behoefden ons dus aan haar en de kinderen niet te storen. Wij grepen +twee geweren en een lang mes en kwamen te voorschijn juist op het +oogenblik, dat de wreedaard den eersten zweepslag uitdeelde, die ook +zoo geducht neerkwam, dat de arme Hastings als een worm ineenkromp.</p> +<p>„Haastig schoten wij toe; hij keerde zich om en zag ons, die +de geweren al op hem aangelegd hadden, waarop hij zijne zweep dadelijk +liet vallen.</p> +<p>„Nog één slag en ik schiet u voor den +kop!” riep Romer. „Ja!” riep ik; „wij zijn nog +maar jongens, doch ge zult zien, dat ge met Engelschen te doen +hebt.”</p> +<p>„Zoo kwamen wij nader. Romer hield zijn geweer voortdurend op +den <span class="pagenum">[<a id="pb166" href="#pb166" name= +"pb166">166</a>]</span>boer gericht, terwijl ik met het mes de strikken +lossneed, waarmee Hastings was vastgebonden.</p> +<p>„De boer verbleekte en sprak geen woord, zoo ontsteld was hij, +terwijl zijne slaven het terstond op een loopen zetten. Zoodra Hastings +los was, greep hij een dikken houten hamer, waarmee men gewoonlijk +palen in den grond sloeg, en met de woorden: „Daar schurk! dat +hebt ge er voor, dat ge een Engelschman met de zweep durft te lijf +gaan,” sloeg hij den kapenaar en deed hem ter aarde tuimelen.</p> +<p>„De man lag bewusteloos op den grond. Of hij wezenlijk dood +was, wisten we niet. We bonden hem aan het wagenrad en gingen toen +dadelijk weer in huis, waar we kruit, lood en wat wij verder dachten te +kunnen gebruiken, bij elkaar zochten. Vervolgens liepen wij naar den +stal, maakten drie van de beste paarden van den boer los, deden voor +elk van de dieren wat haver in een zak, gebruikten touwen tot halters, +stegen op en renden toen weg zoo hard als we konden. Daar wij wel +begrepen, dat men ons vervolgen zou, galoppeerden we eerst in eene +oostelijke richting, alsof wij naar de Kaapstad wilden gaan. Zoodra wij +echter een grond bereikt hadden, waarop de paardenhoeven geen sporen +achterlieten, wendden wij ons in allerijl noordwaarts en namen den weg +naar het land der Boschjesmannen. Kort nadat wij van koers veranderd +waren, begon de avond te vallen; maar wij reden den ganschen nacht +door, en ofschoon wij op eenigen afstand de leeuwen duidelijk hoorden +brullen, overkwam ons voor ditmaal geen nieuw ongeluk. Met het +aanbreken van den dag lieten wij onze paarden uitrusten, wierpen hun +wat haver voor en legden ons toen zelven neder, om ons met de +meegebrachten voorraad te verkwikken.”</p> +<p>„Hoe lang waart gij in het geheel wel bij dien boer te Graaf +Reinet geweest?”</p> +<p>„Zoo omtrent acht maanden, mijnheer. Wij hadden in dien tijd +niet alleen vrij wat Hollandsch geleerd, maar konden ons ook door de +Hottentotten en andere inlanders doen verstaan. Bovendien hadden wij +eene nauwkeurige kennis van het land verkregen en wisten nu beter dan +te voren, hoe wij ons op onze reis te gedragen hadden.”</p> +<p>„Onder het eten overlegden wij, wat wij thans aanvangen +zouden. Dat de Hollanders ons doodschieten zouden, zoodra zij ons in +handen kregen, dat wisten wij zeer goed en wij twijfelden er ook niet +aan, of zij zouden ons uit al hunne macht vervolgen. Bovendien vreesden +wij, dat wij den boer hadden doodgeslagen en in dat geval wachtte ons +de galg, zoodra wij de Kaap bereikten, zoodat wij doodelijk verlegen +waren wat te doen. <span class="pagenum">[<a id="pb167" href="#pb167" +name="pb167">167</a>]</span></p> +<p>„Eindelijk besloten wij het land van de Boschjesmannen door te +trekken en ons noordwaarts van de Kaap naar het zeestrand te +wenden.</p> +<p>„Na deze afspraak namen wij onze zadels af en bonden onze +paarden aan eenige boomen, waarbij goed gras voor hen was; want hadden +wij hen niet vastgebonden, dan zouden zij denkelijk naar hun ouden stal +terug gegaloppeerd zijn. Wij besloten vooreerst bij voorkeur bij nacht +en niet bij dag te reizen, om geen gevaar te loopen van door onze +vijanden te worden gezien. Met deze gedachten legden wij ons neder en +hadden een langen, vasten slaap.</p> +<p>„Tegen den avond zochten wij water voor onze paarden, gaven +hun andermaal haver en vervolgden toen onzen tocht. Ik kan niet alles +vertellen, wat wij zoo veertig dagen achtereen al hadden uit te staan. +Wij hadden intusschen onze paarden bijna lam en kreupel gereden en +waren daarom genoodzaakt ons bij een stam van inlanders op te houden en +den armen dieren eenige rust te vergunnen. Die inboorlingen noemden +zich Gorraguas, als ik het wel heb en waren een vreedzaam en +zachtzinnig volkje, dat ons rijkelijk van melk voorzag en ons als +vrienden behandelde.</p> +<p>„We hadden evenwel enkele avonturen, die mij nog levendig voor +den geest staan. Zoo, onder andere, kwamen wij eens een bosch door, +waar opeens een rhinoceros op mijn paard toeschoot, dat het gevaar +alleen daardoor ontkwam, door ter zijde te springen en het beest in den +rug te komen; waarop het vreeselijk gedrocht zijn weg vervolgde, zonder +ons verder te verontrusten.</p> +<p>„Iederen dag schoten wij het een of ander dier tot ons +onderhoud: soms eens een gnoe(een heel wonderlijk beest, half koe, half +antilope), of anders een van de hertebokken of wilde geiten, die wij in +menigte ontmoetten.</p> +<p>„Zoo bleven wij omtrent drie weken bij deze menschen en gaven +onze paarden tijd om hunne krachten wat te herstellen, waarop de reis +opnieuw aanving. Wij wendden ons thans meer zuidwaarts en naar de kust; +want de Gorraguas hadden ons gezegd, dat in het noorden een woest volk, +de Kaffers, omzwierf, die ons zeker van kant zouden maken, als wij in +hunne handen vielen.</p> +<p>„Inderdaad wisten wij echter niet, wat wij eigenlijk doen +zouden. Als echt dwaze en onbezonnen knapen, hadden wij, zonder een +bepaald plan, de Kaap verlaten, en nu namen de moeilijkheden en +bezwaren, waaraan wij blootstonden, van dag tot dag toe. Ten laatste +hielden wij het toch voor het verstandigst, om den weg naar de Kaapstad +terug te zoeken en ons weder als gevangenen uit te leveren, want wij +waren dat eeuwige zwerven <span class="pagenum">[<a id="pb168" href= +"#pb168" name="pb168">168</a>]</span>nu hartelijk moe. Wat wij het +allermeest vreesden, was, dat wij dien boer te Graaf Reinet, die ons +zoo gruwelijk mishandeld had, gedood hadden; maar Hastings zeide, dat +hij zich daar volstrekt niet over bekommerde, dat het zijne zaak was en +dat hij de verantwoordelijkheid geheel op zich nam.</p> +<p>„Zoo namen wij dan nu afscheid van onze Gorraguas, die zeer +verblijd waren, dat wij hun al de knoopen, die wij missen konden, tot +een geschenk gaven. Wij trokken naar het zuidoosten, zoodat wij de +zeekust bereiken en tegelijk ook zuidwaarts gaan konden.</p> +<p>„En nu, mijne vrienden, kom ik aan een allerdroevigst ongeluk, +dat ons al spoedig overkwam. Twee dagen nadat wij onze reis weder +hadden aangevangen, leidde onze weg ons over eene met hoog gras +begroeide vlakte. Op eens zagen wij daar een leeuw voor ons, die een +hert, dat hij gedood had, verslond.</p> +<p>„Romer, die Hastings en mij een tiental passen vooruit was, +verschrikte zoo op dat gezicht, dat hij zijn geweer op het dier +afschoot; dit was een groote dwaasheid van hem, die wij ook afgesproken +hadden, altijd te zullen vermijden; want met zulke geringe krachten, +als wij hadden, was het nooit geraden een zoo machtig dier tegen ons in +woede te brengen. De leeuw was licht gekwetst. Met een gebrul, dat men +zekerlijk wel een uur ver hooren kon, sprong hij op Romer los en rukte +hem door een enkelen slag met zijn klauw uit den zadel en op den grond +neer. Onze paarden, die beefden van angst, sprongen achteruit, terwijl +het vreeselijke dier zich kennelijk gereedmaakte, om ook ons aan te +vallen. De leeuw had reeds een sprong naar ons gedaan<span class="corr" +id="xd21e3874" title="Bron: .">,</span> doch onze paarden ontrukten ons +aan het gevaar, en wij konden hen in hunnen loop niet eer tot staan +brengen, voordat wij voor het minst een half uur van de plaats +verwijderd waren.</p> +<p>„Eindelijk kregen wij hen tot staan en zagen in het rond. Daar +ontdekten wij den leeuw, hoe hij juist Romers paard had neergeworpen en +het lichaam van dat arme beest in een soort van galop wegsleepte alsof +hem dat in ’t geheel niet zwaar viel. Wij wachtten, tot hij ver +genoeg verwijderd was, en reden toen naar de plaats terug, waar Romer +was gevallen. Daar lag onze arme makker bebloed en zonder leven: de +eerste slag van den leeuwenklauw had hem het hoofd verbrijzeld.</p> +<p>„Wij waren niet eens in staat om onzen ongelukkigen kameraad +te begraven. Evenwel bedekten we zijn lijk met eenige struiken en +keerden het met diep bedroefd hart den rug toe. Ik voor mij schreide +wel een vol uur lang, terwijl wij verder reden. Hastings sprak geen +enkel woord, totdat het tijd werd, dat wij onze paarden rusten lieten. +<span class="pagenum">[<a id="pb169" href="#pb169" name= +"pb169">169</a>]</span></p> +<p>„Ik heb vergeten u te zeggen, dat de Gorraguas ons geraden +hadden niet langer bij nacht, maar bij den dag te reizen; en zoo hadden +wij hun raad ook opgevolgd. Niettegenstaande het verschrikkelijk +ongeluk, dat ons getroffen had, geloof ik toch, dat hun raad verstandig +en goed gemeend was; want wij ondervonden, dat de leeuwen, zoo dikwijls +wij bij nacht reisden, ons meer dan anders vervolgden.</p> +<p>„Drie dagen na Romers dood kregen wij voor het eerst den +wijden oceaan weer te zien. Het was ons daarbij alsof wij een ouden +vriend ontmoetten. Wij hielden ons dicht aan het strand, maar +ondervonden spoedig, dat wij ons daar niet zoo gemakkelijk als dieper +landwaarts in van wild tot ons voedsel en van hout tot onze vuren +’s nachts voorzien konden, en besloten derhalve de kust andermaal +te verlaten.</p> +<p>„Wij hadden eene uitgestrekte, eentonige vlakte door te +trekken en waren door honger reeds geheel uitgeput, want in geen twee +dagen hadden wij iets over de lippen gehad, toen wij eindelijk een +struisvogel ontmoetten.</p> +<p><span class="corr" id="xd21e3890" title= +"Niet in bron">„</span>Hastings maakte er met zijn paard jacht +op, maar tevergeefs, want de struis kon veel harder loopen dan het +paard. Ik bleef achter en ontdekte tot mijn groote blijdschap het nest +van den vogel, met dertien groote eieren daarin.</p> +<p>„Hastings kwam spoedig terug; zijn paard was geheel vermoeid +en buiten adem. Wij zetten ons neder, maakten vuur aan en braadden twee +van de eieren, ’t geen een heerlijk maal voor ons was. Daarop +namen wij nog vier eieren mede en braken weder op.</p> +<p>„Nog drie volle weken hadden wij niets dan moeite en ellende +door te staan. Op zekeren morgen eindelijk kregen wij den Tafelberg in +het oog en waren zoo verheugd op dat gezicht, alsof wij de witte +krijtrotsen van Engeland vóór ons hadden gehad. In de +hoop van nog vóór den nacht in onze oude gevangenis +gemakkelijk onder dak te zullen komen, dreven wij onze paarden aan, +doch toen wij de baai naderden, zagen wij van de schepen op de reede de +Engelsche vlag waaien.</p> +<p>„Dat te zien verbaasde ons zeer. Een weinigje later ontmoetten +wij echter een Engelsch soldaat en van dezen vernamen wij, dat de Kaap +reeds voor ruim zes maanden door onze troepen veroverd was. Welk een +blijde verrassing dat voor ons was, kunt gij u gemakkelijk voorstellen. +Wij reden de stad binnen en meldden onszelven dadelijk aan bij de +hoofdwacht. De gouverneur liet ons bij zich komen, hoorde onze +geschiedenis en zond ons tot den admiraal, die ons dadelijk aan boord +van zijn eigen schip opnam. <span class="pagenum">[<a id="pb170" href= +"#pb170" name="pb170">170</a>]</span></p> +<p>„En nu, Willem ben ik hier aan eene goede plaats om af te +breken. Bovendien moet gij thans tamelijk vermoeid zijn en dus zal het +’t best zijn, dat we allen ons bed opzoeken.”</p> +</div> +</div> +<div id="ch39" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">NEGEN-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">FLINKS VERDERE REIZEN EN AVONTUREN.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Daar er voor het oogenblik juist geen noodzakelijk +werk te doen was, namen Flink en mijnheer Wilson den volgenden morgen +de vischlijnen op, om den voorraad in hun vijver te vermeerderen. Het +weder was bijzonder fraai, en Willem vergezelde hen, om van de frissche +lucht te genieten, die tegenwoordig de beste medicijn voor hem was.</p> +<p>Toen zij den tuin voorbijkwamen, bemerkten zij, dat de zaadgewassen +reeds een of twee duim boven den grond waren opgeschoten en dat, naar +’t scheen, alles tierig opkwam. Terwijl de beide mannen aan +’t visschen waren, zat Willem rustig bij hen en vroeg aan zijn +vader:</p> +<p>„Van de eilanden hier in de nabuurschap zijn zeker vele +bewoond,—is ’t niet vader?”</p> +<p>„O ja; maar die hier het naast om ons waarschijnlijk niet. +Althans heb ik nooit van reizigers gehoord, die op de eilanden, op een +waarvan wij thans wezen moeten, bewoners gevonden hebben.”</p> +<p>„Welke soort van menschen zijn toch wel de eilanders in deze +zeeën?”</p> +<p>„Ze zijn van heel verschillenden aard. De Nieuw-Zeelanders +zijn in beschaving het verst gevorderd; maar toch moet men nog altijd +menscheneters onder hen vinden. De bewoners van van-Diemensland en +Australië behooren tot denzelfden stam, maar staan op een zeer +laag standpunt,—waarlijk weinig hooger dan de dieren des velds. +Ik geloof, dat zij de ruwsten en onbeschaafdsten zijn van heel het +menschelijk geslacht.”</p> +<p>„Met uw verlof, mijnheer,” viel Flink hem in de rede, +„maar ik heb die menschen zelf gezien en geloof toch een volk te +kennen, dat wel niet zoo talrijk is, maar met de dieren des velds toch +nog meer overeenkomst heeft dan die Zuidzee-eilanders. Ik heb hen eens +van mijn leven gezien en hield hen ook wezenlijk op ’t eerste +gezicht voor beesten en niet voor menschelijke wezens.”</p> +<p>„Waarlijk, Flink? En waar was dat wel?” <span class= +"pagenum">[<a id="pb171" href="#pb171" name="pb171">171</a>]</span></p> +<p>„Op de groote Andamans-eilanden, aan den mond van de Baai van +Bengalen.—Eens dat het een storm woei, lieten wij het anker +vallen te Port Cornwallis,—eene zoo kostelijke haven, dat de +gansche Engelsche vloot er wel in schuilen kon,—en den volgenden +morgen ontdekten we enkele zwarte schepsels, die onder de boomen het +dichtst op het strand op handen en voeten omkropen. Wij namen onze +kijkers in de hand,—want we waren nog wel een paar mijlen van den +wal af,—en toen ze recht overeind gingen staan, merkten wij +eindelijk, dat het werkelijk menschen waren.”</p> +<p>„Zijt gij ook met hen in nadere aanraking gekomen?”</p> +<p>„Neen, mijnheer, ik zelf niet. Maar te Calcutta ontmoette ik +een soldaat, die eenmaal met hen verkeerd had. De Oostindische +Compagnie had namelijk vroeger het plan gehad, om een post op die +eilanden achter te laten en had daartoe eenige troepen afgezonden. De +man vertelde mij, dat zij twee van dat volkje hadden opgevangen: die +waren niet meer dan vier voet lang en uiterst dom en onnoozel. Ze +hadden geene kleeren of iets aan het lijf, hadden geene huizen of +hutten, om in te wonen en al wat ze deden was, dat ze wat struiken en +takken op elkaar stapelden, om daarachter te schuilen tegen het booze +weer.”</p> +<p>„Hadden zij ook wapens?”</p> +<p>„Ja, mijnheer; ze hadden boog en pijlen, maar die waren zoo +ellendig en zoo zwak, dat ze er niets anders dan zeer kleine vogels mee +dooden konden. Bij de landing van ons volk hadden de eilanders al hunne +pijlen op onze soldaten afgeschoten, maar onze soldaten trokken die +weer heel bedaard uit hunne kapotjassen, want ze waren niet dieper +doorgedrongen.”</p> +<p>„Nu, naar uwe beschrijving geloof ik zeker, dat die schepsels +der Andamans-eilanden op een nog lager trap dan de Nieuw-Hollanders +staan. Maar wat deden onze landslieden met de beide gevangenen, die zij +toen opgebracht hadden?”</p> +<p>„Zij lieten hen weer loopen, mijnheer, want de stumpers aten +niets, spraken geen woord en zouden zeker gestorven zijn, als men hen +langer had vastgehouden.”</p> +<p>„Waar kwam het volk, dat deze eilanden bewoonde, vandaan, +vader?”</p> +<p>„Dat is moeilijk te zeggen, Willem; men gelooft over het +algemeen, dat zij zoo langzamerhand, evenals ons eiland hier, bevolkt +werden, namelijk door lieden, die in booten en kano’s de hooge +zee op waren gedreven en evenals wij hun leven door eene landing in +zekerheid brachten.”</p> +<p>„Ja, ja,” zeide Flink, „zoo zal het waarschijnlijk +wel geweest zijn. Zoo moeten ook de Andamans-eilanden door een +slavenschip, dat negers aan <span class="pagenum">[<a id="pb172" href= +"#pb172" name="pb172">172</a>]</span>boord had en gedurende een typhon +op de kust schipbreuk leed, bevolkt zijn geworden.”</p> +<p>„Een typhon, wat is dat, Flink?”</p> +<p>„Zooveel als een orkaan, Willem; hij verheft zich in +Indië doorgaans bij het omslaan der passaatwinden.”</p> +<p>„Ja, ge gebruikt zulke vreemde woorden, passaatwinden, wat +zijn dat weer?”</p> +<p>„Dat zijn winden, die zekere maanden van het jaar bestendig +uit ééne hemelstreek blazen en dan omslaan of omspringen, +om juist in eene tegenovergestelde richting voort te waaien.”</p> +<p>„Zijn dat misschien die zelfde passaatwinden, waarvan ik onzen +armen kapitein Osborn na onze afvaart van het eiland Madera hoorde +spreken?”</p> +<p>„Neen, deze zijn eene bijzondere soort van passaatwinden. Zij +waaien alleen aan den evenaar, eenige graden ten noorden en zuiden er +van, en houden altijd, den loop der zon volgende, de richting van het +oosten naar het westen.”</p> +<p>„Is het misschien de zon, die deze winden +veroorzaakt?”</p> +<p>„Ja, mijn jongen,” antwoordde de vader. „De groote +hitte in de keerkringslanden verdunt de lucht, en zoo ontstaan de +passaatwinden daardoor, dat bij de omwenteling der aarde frissche lucht +in de plaats der verdunde treedt. Ook in eene kamer zult gij opmerken +dat bij een groot vuur een gestadige luchttocht naar den haard plaats +vindt. Op gelijke wijze is de zonnehitte de oorzaak der passaatwinden +in de keerkringsstreken.”</p> +<p>„Ja, beste Willem, me dunkt, ge begrijpt dat nu wel,” +nam Flink het woord: „en de passaatwinden veroorzaken ook den +zoogenaamden golfstroom. De winden, die op den Atlantischen Oceaan +gedurig den loop der zon volgen en in de streek van het oosten naar het +westen waaien, hebben natuurlijk een grooten invloed op de zee en +dringen deze in de Golf van Mexico op, waar zij door de kusten van +Amerika wordt opgehouden, zoodat het water in die golf ettelijke voeten +hooger is, dan in het oostelijke gedeelte van den Atlantischen Oceaan. +Deze opeenhooping van water moet natuurlijk ergens een afloop hebben, +en zoo ontstaat de zoogenaamde golfstroom, waardoor de wateren zich uit +de Golf noordwaarts uitgieten, langs de kusten van Amerika +voortstroomen, zich dan naar het westen keeren, zoodat zij niet ver van +Newfoundland voorbijspoelen, tot eindelijk hun stroom in het noorden +van de Azoren of Westelijke eilanden nagenoeg ophoudt. Ge zult u wel +herinneren, op den dag dat wij onze reis berekenden, die eilanden op de +kaart gezien te hebben.” <span class="pagenum">[<a id="pb173" +href="#pb173" name="pb173">173</a>]</span></p> +<p>„De golfstroom,” voegde de heer Wilson er bij, „is +altijd eenige graden warmer, dan de zee over het geheel, en de reden +daarvan moet wezen, dat het water in de Golf van Mexico door de +ongewone zonnehitte, die daar heerscht, meer dan andere plaatsen +verwarmd wordt. Men herkent dien stroom aan het zeegras, dat hij op de +oppervlakte van het water met zich voert.”</p> +<p>„Heel goed, vader. Maar wat verstaat men dan onder de land- en +zeewinden in West-Indië en andere heete landen?”</p> +<p>„Daaronder verstaat men den wind, die op bepaalde uren van den +dag eerst van het land naar de zee en dan omgekeerd van deze naar het +land waait, zoodat hij gedurende de vierentwintig uren regelmatig +afwisselt. Ook dit verschijnsel is een gevolg van de zonnehitte. De +zeewind begint des morgens en gaat liggen tegen den middag; waarop de +landwind een aanvang neemt en tot middernacht aanhoudt.”</p> +<p>„En dan zijn er,” zeide Flink, „in de nabuurschap +van de passaatstreken enkele breedten, waar de wind zeer onbestendig is +en menig schip al weken achtereen in de windstilte moest blijven +liggen. Dat is telkens eene ware ramp voor de manschap, want het water +aan boord wordt dan doorgaans geheel opgebruikt en men heeft vreeselijk +van de hitte te lijden. Men noemt die breedten de +paardebreedten—waarom, dat weet ik zelf niet recht; ik denk +haast, omdat men paarden, als men die aan boord heeft en zulk eene +windstilte invalt, natuurlijk het eerste opoffert, als er gebrek aan +water komt. Doch ’t wordt tijd, dat wij opbreken, en ook Willem +mag nu wel weer stilletjes in huis gaan.”</p> +<p>Zoo keerden zij gezamenlijk terug naar hunne woning, en na het +avondeten ging de oude stuurman met zijn verhaal aldus <span class= +"corr" id="xd21e3978" title="Bron: poort">voort</span>:</p> +<p>„Ik ben gebleven bij het oogenblik, dat ik op het +admiraalsschip gezonden en als kajuitsjongen onder de manschap +opgenomen werd. Vier jaren omtrent bleef ik op dit schip, kwam in dien +tijd van haven tot haven, van land tot land, totdat ik een stevige +flink uit de kluiten gewasschen knaap werd en als matroos in den +bezaansmast geplaatst werd.</p> +<p>„Dat beviel mij nu recht goed. Ik deed mijn plicht, en het +gevolg was, dat ik nooit straf kreeg. Op een oorlogsschip behoeft men +namelijk nooit voor straffen bevreesd te zijn, als men zijn werk maar +doet, en dit valt niemand heel zwaar, ’t Is heel anders op +koopvaardijschepen, waar zoo weinig matrozen zijn: daar heeft men de +handen altijd vol werk. Natuurlijk vindt men ook op oorlogsschepen +enkele kapiteins, die bijzonder streng en hard zijn, echte +bulderbasten, zooals wij matrozen ze noemen. Ik had evenwel het +<span class="pagenum">[<a id="pb174" href="#pb174" name= +"pb174">174</a>]</span>geluk om onder een zeer braven, menschlievenden +kapitein te dienen, die, ofschoon hij geen verzuim door de vingers zag, +toch heel ongaarne strafte.</p> +<p>„Het eenige, wat mij zwaar op het hart lag, was, dat ik nooit +naar Engeland komen en mijne moeder terugzien kon. Ik had twee of drie +brieven geschreven, maar geen antwoord ontvangen. Ten laatste werd ik +zoo ongeduldig, dat ik besloot, bij de eerste gelegenheid, die zich +aanbood, op mijn eigen houtje de reis naar huis aan te nemen.</p> +<p>„Onze post was toenmaals in West-Indië en ik hield met +Hastings, die even vurig als ik verlangde weg te komen, gedurig raad +over het geval. Wij kwamen eindelijk overeen, dat wij bij de eerste de +beste kans de hielen zouden lichten.</p> +<p>„Ten laatste kwamen wij in Port-Royal op het eiland Jamaica +voor anker.<a id="xd21e3993" name="xd21e3993"></a></p> +<p><span class="corr" id="xd21e3996" title= +"Niet in bron">„</span>Daar lag destijds ook een groot konvooi +Westindievaarders, die gereed waren, om met hunne lading suiker +oogenblikkelijk onder zeil te gaan. We wisten, dat men ons, zoodra wij +maar op een dier schepen komen konden, zorgvuldig tot aan het uur van +het anker lichten aan boord zou verbergen, omdat daar gebrek aan +matrozen was, doordien onze kapitein zooveel volk, als hij maar machtig +kon worden, voor zichzelven geprest had.</p> +<p>„Wij hadden slechts ééne mogelijkheid te +ontkomen:—wanneer we namelijk bij nacht naar een van die schepen +toe zwommen, wat vrij gemakkelijk te doen was, daar ze pas honderd +meter van ons fregat verwijderd lagen. Het eenige, dat we vreesden, +waren de haaien, die zich daar op de reede in menigte vertoonden. +Evenwel waren wij zoo ongeduldig om onze vlucht door te zetten, dat wij +ons door geen gevaar lieten afschrikken, en zoo besloten wij ten +laatste, in den nacht vóór het uitzeilen der +koopvaardijschepen het waagstuk te ondernemen.</p> +<p>„Het was tegen de hondewacht—alles herinner ik mij nog +zeer goed en ik zal er mijn leven lang aan denken, alsof het gisteren +gebeurd was—toen wij ons zachtjes bij den boeg van het schip +lieten neerzakken. Zoodra wij in ’t water waren, zwommen wij op +den Westinjevaarder aan, die het dichtst bij ons lag.</p> +<p>„De schildwacht op de loopplank bemerkte de kabbeling van het +water, dat door ons zwemmen in beweging kwam, en terstond hoorden wij +hem ons aanroepen. Wij gaven natuurlijk geen antwoord, maar repten +armen en beenen wat wij konden, want kort na het aanroepen van den +schildwacht vernamen wij gerucht en begrepen daaruit heel goed, dat de +officier van de wacht eene sloep strijken en ons vervolgen zou. +<span class="pagenum">[<a id="pb175" href="#pb175" name= +"pb175">175</a>]</span></p> +<p>„Ik was Hastings eenige meters vooruit en had juist het +kabeltouw van den Westinjevaarder in de hand, met het voornemen om er +mij bij op te halen, toen ik een luiden gil achter mij hoorde. Toen ik +mij omkeerde, zag ik een haai, die mijn armen Hastings tusschen de +tanden greep en met hem onderdook.</p> +<p>„Ik was zoo ontsteld, dat ik een tijdlang bijna geen lid kon +verroeren. Eindelijk raapte ik mijne hersens weer bijeen en begon, zoo +vlug als ik kon, bij het touw op te klauteren. Ik had dan ook waarlijk +geen tijd te verliezen, want juist schoot een tweede haai op mij los. +Ik was wel al meer dan twee voet boven water, maar toch sprong hij +omhoog en pakte nog even mijn schoen bij den hak, die hij terstond mee +in de diepte sleepte.</p> +<p>„De schrik gaf mij krachten en twee minuten later was ik dan +ook al voor de kluisgaten<a class="noteref" id="xd21e4013src" href= +"#xd21e4013" name="xd21e4013src">1</a>. De matrozen op het schip hadden +ons van boven gezien, en waren getuigen van Hastings akeligen dood +geweest. Zij hielpen mij aan boord en verborgen mij terstond omlaag, +want de boot van het fregat was dicht achter mij.</p> +<p>„Toen de officier van de wacht aan boord kwam, vertelden zij +hem, hoe zij ons dicht bij hun schip gehoord en gezien hadden, toen wij +door de haaien werden ingeslokt.—Het volk in de boot had +Hastings’ gillen duidelijk gehoord, en zoo geloofde de officier +ook terstond, dat wat men hem op de mouw <span class="corr" id= +"xd21e4018" title="Bron: spelde">speldde</span> waarheid was, en roeide +zonder zelfs onderzoek te doen, naar het fregat terug.</p> +<p>„Ik kon hooren, hoe de trom op het fregat al het volk op het +dek riep, daar men toch eerst weten moest, wie de beide menschen waren, +die zoo dat wegzwemmen gewaagd hadden. Een minuut of wat daarna werd er +weer afslag getrommeld, en dus wist ik, dat de namen van mij en van den +armen Hastings voortaan met een dubbele D op de scheepslijst +stonden.</p> +<p>„Maar wat beduidt zoo’n dubbele D.?” vroeg +Willem.</p> +<p>„D. alleen beteekent: deserteur; D. D. wil zeggen, dat men ook +goed en wel dood is.</p> +<p>„Het was wel een wonder, dat ik zoo goed ontkwam, en nog uren +nadat het gebeurd was, kon ik er mij zelf geen begrip van maken. Ik wou +slapen maar ik kon niet; het was alsof mij ’t hart werd +toegeknepen. Telkens, als ik zou inslapen, verbeeldde ik mij, dat de +haai mij beet had gepakt, met luid geschreeuw sprong ik dan op en zocht +opnieuw den slaap te vatten, maar dit lukte niet. <span class= +"pagenum">[<a id="pb176" href="#pb176" name="pb176">176</a>]</span></p> +<p>„De kapitein van mijn nieuw schip vreesde eindelijk, dat mijn +geschreeuw op het fregat gehoord zou worden, en zond mij een glas rum, +dat ik uitdrinken moest. Dit bracht mij eindelijk tot rust en ik +verzonk in diepe slaap.</p> +<p>„Toen ik ontwaakte, had het schip reeds de ankers gelicht en +alle zeilen bijgezet. Nog wel honderd en meer schepen gingen met ons +mede en de oorlogsschepen, die ons konvooi vergezelden, losten gedurig +de stukken en gaven elkaar daar seinen door. Het was wezenlijk een +prachtig gezicht.</p> +<p>„Zoo stuurden we dan met vroolijk hart op het lieve +Oud-Engeland aan. Ik gevoelde mij zoo gelukkig, dat ik, om in vrijheid +te komen, nog gaarne eens al de haaien van de wereld zou hebben +getrotseerd. Nu ging het op het vaderland aan, nu zou ik, na lange +afwezigheid, mijne bekenden weer zien en mijne lieve moeder nog eens +omarmen!”</p> +<p>„Gedurende de reis deed ik mijn best als voormarsgast op het +schip, en de kapitein was zeer met mij ingenomen. Aan den +onderbootsman, die een Schot en een bijzonder vriendelijk en braaf man +was, had ik mijne avonturen verteld. Hij deed mij begrijpen, hoe dwaas +en slecht ik gehandeld had, toen ik al, wat mijne moeder en Masterman +voor mij doen wilden, zoo roekeloos in den wind sloeg. Ik voelde dat +hij gelijk had, en verlangde vuriger dan ooit mijne moeder weer eens in +de armen te sluiten en haar vergiffenis te vragen voor al wat ik had +misdaan.</p> +<p>„Het schip, waarop ik mij bevond, was naar Glasgow +bestemd.</p> +<p>„Bij North Foreland stuurden wij van het groote konvooi af en +kwamen gelukkig in de haven. De kapitein bracht mij bij het kantoor van +het schip, dat mij voor mijne diensten gedurende de overvaart vijftien +pond<a class="noteref" id="xd21e4043src" href="#xd21e4043" name= +"xd21e4043src">2</a> uitbetaalde. Zoodra ik dat geld in handen had, +repte ik mij, wat ik kon, naar Newcastle. Ik had boven op den +postwagen<a class="noteref" id="xd21e4046src" href="#xd21e4046" name= +"xd21e4046src">3</a> eene plaats genomen en raakte daar al spoedig in +gesprek met een heer, die naast mij zat. Ik merkte, dat hij te +Newcastle thuis behoorde, en mijn eerste vraag was, of hij daar ook +zekeren mijnheer Masterman, den scheepsbouwmeester kende.”</p> +<p>„O ja, dien heb ik best gekend; maar hij is nu omtrent een +maand of drie dood.”</p> +<p>„En wie waren zijne erven dan?” vroeg ik. „Hij was +immers heel rijk en had niemand, die hem in den bloede bestond?” +<span class="pagenum">[<a id="pb177" href="#pb177" name= +"pb177">177</a>]</span></p> +<p>„Ja, familie had hij niet,” gaf die heer mij ten +antwoord; „hij vermaakte dan ook zijn heele vermogen aan de stad, +onder voorwaarde, dat men daarvoor zieken- en armhuizen zou oprichten. +In den laatsten tijd had hij, geloof ik, nog een deelhebber in zijne +zaak, en dien gaf hij zaak en winkel over, omdat hij geen familie had +en ’t aan niemand anders geven kon. Vroeger was hij, zooals ik +zeker weet, van voornemen om al zijn geld en goed na te laten aan een +knaap, die Flink heette, en hem eens uit het water had geholpen, maar +die jongen liep weg, ging op zee en heeft sedert niets meer van zich +laten hooren. Men is zijn spoor gevolgd en gelooft, dat hij in +gevangenschap bij de Hollanders gestorven is. Die dwaze +jongen;—hij kon tegenwoordig een man van stand en vermogen +zijn!”</p> +<p>„Ja waarlijk, hij deed zeer dwaas!” was mijn +antwoord.</p> +<p>„Ja, maar niet alleen zichzelven, ook anderen heeft hij +daardoor kwaad gedaan. Zijne arme moeder was heel sterk aan hem gehecht +geweest; zij tobde en kwelde zich toen zij zijn verlies vernam, en had +rust noch duur meer, voordat....”</p> +<p>„Gij wilt toch niet zeggen, dat zij dood is?” riep ik en +vatte den vreemdeling bij den arm.</p> +<p><span class="corr" id="xd21e4072" title= +"Bron: ,">„</span>Ja,” zeide hij en zag mij verwonderd aan, +„zij stierf heel spoedig na den heer Masterman.”</p> +<p>„Ik zonk op de pakkage neer en zou van den wagen gevallen +zijn, als de ander mij niet gegrepen had. Hij riep den koetsier toe, +dat hij moest stilhouden. Samen richtten zij mij toen weer op en +brachten mij binnen in het rijtuig. Gelukkig was daar niemand in; want +ik was geheel buiten mijzelven en weende en klaagde luid, zoodat zij +diep medelijden met mij hadden.”</p> +<p>Flink scheen door zijn verhaal zoo aangedaan dat mijnheer Wilson hem +voorstelde, voor heden af te breken en zich met de overigen ter ruste +te begeven.</p> +<p>„Ik dank u, mijnheer. Gij hebt gelijk; zoo zal het wel beter +zijn, want nog gevoel ik, dat mijne oude oogen van tranen overloopen. +Het is iets vreeselijks, als men zich in later dagen verwijten moet, +dat eigen dwaze levenswandel den dood van eene zoo goede liefhebbende +moeder verhaasten moest. Bij mij was dit het geval, mijn beste Willem, +en uit liefde tot u ben ik daar zoo openhartig voor uitgekomen. Ik +zeide u vroeger reeds, dat eenige gedeelten mijner levensgeschiedenis u +tot waarschuwing dienen konden. Zorg dus, dat ik ze u niet tevergeefs +verteld heb, maar houd ze getrouw in ’t geheugen.” +<span class="pagenum">[<a id="pb178" href="#pb178" name= +"pb178">178</a>]</span></p> +</div> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd21e4013" href="#xd21e4013src" name="xd21e4013">1</a></span> De +linten of gaten, waardoor het ankertouw naar binnenboord gaat.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd21e4043" href="#xd21e4043src" name="xd21e4043">2</a></span> Ruim +ƒ 180.– Hollandsch.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd21e4046" href="#xd21e4046src" name="xd21e4046">3</a></span> De +<span class="corr" id="xd21e4048" title= +"Bron: postwagen">postwagens</span>, destijds in Engeland in gebruik, +hadden <i>outside</i> en <i>inside</i> plaatsen. De eerste, voor den +minderen man, minder kostende, waren bovenop, in de open lucht.</p> +</div> +</div> +<div id="ch40" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">VEERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">FLINKS BEROUW. GELUKKIGE WENDING VAN ZIJN LOT.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Den volgenden morgen bracht Juno voor het ontbijt in +haar schort zes eieren mee, die zij in het hoenderhok gevonden had.</p> +<p>„Kijk, mevrouw, kijk een beetje—kippen eieren +leggen—gauw heelen boel hebben voor massa Willem en heelen boel +voor kleine kippetjes.”</p> +<p>„Gij hebt toch niet alle uit de nesten genomen, Juno; dat +deedt gij immers niet?”</p> +<p>„Neen, mevrouw, ikke laten liggen in ieder nest +één, dat oude kip zien kan.”</p> +<p>„Best, meid; dan zullen wij ze voor onzen Willem klaarmaken, +zooals gij zegt en hopen dat zij hem zijne krachten teruggeven +zullen.”</p> +<p>„O, ik ben weer heel gezond en sterk, moeder,” gaf +Willem ten antwoord. „Ik geloof, dat ’t beter zou zijn, als +ge de eieren aan de hoenders tot uitbroeden overliet.”</p> +<p>„Neen, Willem, het is van veel meer belang, dat gij recht +spoedig weer gezond wordt, dan dat wij zoo spoedig kuikens +krijgen.”</p> +<p>„Thomas ook heel graag eieren lust,” begon de kleine mee +te spreken.</p> +<p>„Ja, ja; maar Thomas kan er nog dadelijk geen krijgen. Thomas +is niet ziek.”</p> +<p>„Thomas buik doet o zoo zeer,” antwoordde de guit.</p> +<p>„Ik vrees zeer, Thomas, dat gij een kleine leugenaar zijt. Ook +zouden eieren voor die buikpijn zeer nadeelig zijn.”</p> +<p>„Thomas krijgt ook hoofdpijn,” klaagde de knaap.</p> +<p>„Eieren deugen niet voor hoofdpijn, Thomas,” antwoordde +zijn vader.</p> +<p>„Ach, Thomas is zoo ziek!” zuchtte de dreumes +opnieuw.</p> +<p>„Dan moet Thomas naar bed gaan en een lepel <span class="corr" +id="xd21e4119" title="Bron: rucinusolie">ricinusolie</span> +innemen.”</p> +<p>„Thomas lust geen ricinusolie; Thomas lust alleen +eieren.”</p> +<p>„Ja, maar Thomas krijgt geen eieren,” gaf de vader +ernstig ten antwoord; „en dus kan hij zijne jokkens wel voor zich +houden. Als wij eens eieren genoeg hebben, dan zal Thomas er ook een +hebben—als hij een brave jongen is, maar anders ook +niet.”</p> +<p>„Ik heb Caroline het opzicht over de hoenders gegeven,” +vervolgde de vader, <span class="corr" id="xd21e4128" title= +"Niet in bron">„</span>en zoo dunkt mij, behoort ook het bewaren +van de eieren tot haar post. Mijn kind begint zoo al heel nuttig voor +ons te worden.”</p> +<p>De twee volgende dagen waren de beide mannen in den tuin met het +<span class="pagenum">[<a id="pb179" href="#pb179" name= +"pb179">179</a>]</span>wieden van het onkruid bezig, dat te gelijk met +de ontkiemende zaaigewassen begon op te schieten. Gedurende dezen tijd +ging Willem met zijn herstel spoedig vooruit.</p> +<p>De beide eerste dagen bracht Juno regelmatig elken morgen drie +eieren uit het hoenderhok mede; maar op den derden morgen was er geen +enkel te vinden. Ook op den vierden dag schenen de vogels niet gelegd +te hebben, waarover mijnheer Wilson zeer verwonderd was, daar de hennen +toch gewoonlijk, als zij eens beginnen te leggen, daarmede geregeld +voortgaan. Op den vijfden morgen zaten allen aan het ontbijt. Slechts +Thomas kwam niet opdagen, zoodat zijne moeder vroeg, waar hij dan toch +stak.</p> +<p>„Ik vermoed, mevrouw,” zeide de oude Flink lachend, +„dat onze sinjeur vandaag zoomin aan het ontbijt als aan de +middagtafel zal verschijnen.”</p> +<p>„Hoe meent gij dat, Flink?” vroeg de moeder.</p> +<p>„Welaan, mevrouw, ik zal ’t u vertellen. Het kwam mij +vreemd voor, dat er nu al een paar ochtenden geen eieren gevonden +waren, en ik dacht of de hoenders ze ook misschien weggelegd konden +hebben, waarom ik dan gisterenavond uitging, om er naar te zoeken. Ik +kon geen eieren ontdekken; maar daarentegen vond ik weldra de doppen, +zorgvuldig onder wat kokosbladeren weggestopt. Nu begreep ik dadelijk, +dat een roofdier, als er zoo een op het eiland was en de eieren gekaapt +had, de doppen althans niet zoo zorgvuldig verbergen zou. Zoo sloot ik +dan van morgen de deur van het hok en liet slechts het kleine luikje +open, waardoor de hoenders naar binnen kruipen. Ik zelf plaatste mij, +nadat zij van stok waren, achter de boomen en wachtte af, wat er verder +gebeuren zou. Weldra zag ik sinjeur Thomas komen aansluipen en op het +hok losgaan. Hij wilde eerst de deur openen, maar vond die gesloten; +zoo kroop hij door het kleine luikje in het hok. Zoodra hij daar binnen +was, liet ik den grendel vallen, maakte dien met een spijker vast en +zoo zit Thomas nu in zijn eigen strikken gevangen.”</p> +<p>„En hij zal ook den ganschen dag daarin blijven, die kleine +snoeper!” riep mijnheer Wilson hartelijk lachende.</p> +<p>„Ja, ja, dat is zijn verdiend loon en zal een goede les voor +hem zijn,” sprak zijne moeder. „We zullen doen, alsof wij +niets van hem merken, al klaagt en jammert hij ook uren +achtereen.”</p> +<p>„O massa Thomas, ikke heel blij, dat jij eindelijk betrapt. +Mooie ding dat, de eiers opslobberen!” jubelde Juno. „Nu +jij niets te eten krijgt,—jij dat ook prettig vindt, +he?”</p> +<p>Mijnheer Wilson, Flink en Willem gingen als gewoonlijk aan hun werk. +Mevrouw was met Juno en de kleine Caroline te huis bezig. Thomas hield +<span class="pagenum">[<a id="pb180" href="#pb180" name= +"pb180">180</a>]</span>zich wel een uur lang doodstil, totdat hij +eindelijk luidkeels begon te schreeuwen. Dat baatte hem echter weinig, +want niemand stoorde zich aan hem. Toen de etenstijd naderde, begon hij +opnieuw te brullen; doch met hetzelfde gevolg. Eerst tegen den avond +werd de deur van het hoenderhok geopend en kreeg de kleine dief +vergunning om voor den dag te komen. Hij keek verlegen op zijn neus en +zette zich, zonder een woord te spreken, in een hoekje neder.</p> +<p>„Nu, jongeheer, hoeveel eieren hebt gij vandaag +gediefd?” vroeg Flink.</p> +<p>„Thomas wil geen eieren meer snoepen,” was zijn +beschaamd antwoord.</p> +<p>„Ja, ja, dat zal ook wèl zoo goed zijn,” +antwoordde zijn vader; „want anders zult ge spoedig ondervinden, +dat gij, in plaats van meer dan anderen te krijgen, integendeel heel +weinig te eten krijgt, gelijk dat vandaag het geval is +geweest.”</p> +<p>„Maar ik heb van middag nog geen eten gehad,” zeide +Thomas.</p> +<p>„Voor vandaag krijgt gij ook geen middageten, daar kunt gij +staat op maken. Wij kunnen u onmogelijk middageten en eieren te gelijk +geven. Begint gij te schreeuwen, dan zal ik u dezen nacht in het +hoenderhok opsluiten. Gij moet thans geduldig tot het avondeten +wachten.”</p> +<p>Thomas begreep, dat aan de zaak niets te veranderen viel en wachtte +dus met hangende lip tot het avondmaal op tafel kwam. Toen zocht hij +zijne scha rijkelijk in te halen.</p> +<p>Na het avondeten ging Flink met zijne geschiedenis aldus voort:</p> +<p>„De laatste maal heb ik u verteld, hoe ik van dien heer op den +postwagen te weten kwam, dat mijne arme moeder, ten gevolge van +kwelling en verdriet over mijn weggaan, gestorven was. Hoe ’t met +mij gedurende die reis gesteld was, kan ik niet beschrijven. Ik was +vreeselijk bedroefd en verslagen totdat wij eindelijk te <span class= +"corr" id="xd21e4171" title="Bron: New-castle">Newcastle</span> +aankwamen, waar ik alle omstandigheden omtrent de ziekte en den dood +van mijne moeder vernemen kon.</p> +<p>„Toen de postwagen stilhield, kwam de heer, die onderwijl +buitenop was blijven zitten, aan het portier, gaf mij de hand en zei +mij:</p> +<p>„Als ik wel heb, zijt gij Masterman Flink, die eens het ruime +sop ingingt; of vergis ik mij misschien?”</p> +<p>„Neen, mijnheer,” zei ik heel verslagen, „ik ben +het wezenlijk.”</p> +<p>„Welnu, wees dan maar zoo neerslachtig niet, jonkman,” +antwoordde hij mij. „Destijds toen ge van huis liept, waart ge +nog een jongen zonder verstand en hadt er geen begrip van, dat uwe +moeder zooveel om u te lijden zou hebben, als ze werkelijk deed. +’t Was niet zoozeer uw wegloopen, dan wel de tijding van uw dood, +wat haar zoo verslagen maakte, en daaraan <span class="pagenum">[<a id= +"pb181" href="#pb181" name="pb181">181</a>]</span>hebt gij geen schuld. +Ge moet thans met mij meegaan, want ik heb u nog veel dingen te +zeggen.”</p> +<p>„Ik zal morgen bij u komen, mijnheer,” antwoordde ik. +„Voordat ik mijne oude buren bezocht heb en op ’t graf van +mijne lieve moeder geweest ben, kan ik toch niets aanvangen, ’t +Is waar, ’t was niet opzettelijk, dat ik moeder zoo ongelukkig +maakte, en aan ’t gerucht van mijn dood heb ikzelf ook geen +schuld; maar toch weet ik wel heel goed, dat zij, als ik niet zoo +gedaan had, nog wel in het leven gebleven en misschien een heel +gelukkig mensch wezen zou.”</p> +<p>„Uit kleine oorzaken, mijn beste Willem, komen vaak de +droevigste gevolgen voort, en als wij, bij het doen van iets, eerst +nadenken wilden, wat er de gevolgen wel van konden zijn, zonden wij ons +veel wroeging en veel berouw in het leven kunnen besparen.</p> +<p>„Die heer gaf mij zijn adres op, en ik beloofde dat ik den +volgenden morgen bij hem zou komen. Toen ging ik naar het huis, waar +mijne moeder gewoond had. Ik wist wel, dat zij daar niet meer was, en +toch was ’t of mijn hart ineenkromp, toen ik daar hardop praten +en lachen hoorde. Ik gluurde eens naar binnen; want de deur stond juist +open. In den hoek, waar mijne moeder altijd placht te zitten, stond een +groote mangel, waaraan twee vrouwen bezig waren. Aan de ronde tafel, +die ik ook nog kende, stonden twee meisjes te plooien en te stijven en +zij riepen me toe, „wat er van mijn dienst was?” Ik keerde +het huis den rug toe en ging bij een buurman, die ik wist dat een goede +kennis van mijne moeder was geweest.</p> +<p>„De vrouw was thuis, maar herkende mij niet, zoodat ik haar +eindelijk zeggen moest wie ik was. Zij had mijne moeder tot aan haar +sterfuur opgepast en vertelde mij al wat ik verlangde te weten.</p> +<p>„Het gaf aan mijn beklemd hart eenige verlichting, toen ik +vernam, dat mijne arme moeder ook zonder mijne schuld wel niet lang +meer geleefd zou hebben, daar zij aan een ongeneeslijke kanker leed; +doch tegelijk vertelde de vrouw mij, dat zij onophoudelijk aan mij +gedacht had en dat mijn naam het laatste woord op hare lippen geweest +was. Ik hoorde ook, dat mijnheer Masterman haar veel goedheid en +genegenheid betoond had.</p> +<p>„Het goede mensch zette hare muts op en geleidde mij naar het +graf der overledene, waar zij mij op mijn verlangen alleen liet. Ik +zette mij op den grasheuvel neder, die het gebeente mijner moeder +overdekte. Met een getroffen hart zat ik daar en weende lang en +bitter.</p> +<p>„Het was reeds geheel donker, toen ik eindelijk het kerkhof +verliet en naar de vriendelijke vrouw terugkeerde, die mijne moeder had +opgepast. <span class="pagenum">[<a id="pb182" href="#pb182" name= +"pb182">182</a>]</span>Ik sprak met haar en haar man tot laat in den +nacht, en daar zij mij een bed aanboden, bleef ik onder hun dak +slapen.</p> +<p>„Den volgenden morgen ging ik uit, om volgens mijne belofte +aan den heer, met wien ik den vorigen dag gereisd had, een bezoek te +brengen. Op het bordje aan zijne deur zag ik, dat hij notaris was. Hij +verzocht mij plaats te nemen, sloot toen de deur zorgvuldig toe en deed +mij allerlei vragen, om zich te overtuigen, dat ik werkelijk Masterman +Flink was. Toen berichtte hij mij, dat hij mijnheer Masterman’s +boedel onder zijn beheer gehad en bij het doorzoeken der papieren een +document gevonden had, dat voor mij van groot gewicht was, daar uit dat +geschrift bleek, dat de verzekering van het schip, ’t welk zooals +ik vroeger reeds verteld heb, aan mijn vader en mijnheer Masterman +toebehoord had en vergaan was, niet voor mijnheer Masterman’s +aandeel alleen, maar ook voor dat mijns vaders had gegolden, zoodat die +mijnheer mijne moeder haar aandeel bedriegelijk onthouden had.</p> +<p>„Hij zeide dat papier korten tijd na mijnheer +Masterman’s dood in eene geheime schuiflade gevonden te hebben. +Daar mijne moeder nochtans overleden was en hij ook mij voor dood +hield, had hij niet kunnen besluiten, om eene zoo onaangename zaak +bekend te maken; maar nu ik weder was opgedaagd, oordeelde hij, dat +zijn plicht van hem eischte het gansche geval open te leggen. Hij bood +zich aan, om de zaak voor mij bij de heeren te bezorgen, aan wie +mijnheer Masterman zijn gansche vermogen had overgedragen, om daarvoor +armen<span class="corr" id="xd21e4205" title="Niet in bron">-</span> en +ziekenhuizen te doen bouwen.</p> +<p>„De verzekering van het schip bedroeg, zeide hij, drie-duizend +pond; een derde deel daarvan kwam aan mijn vader toe, wat alleen +duizend, en met de renten van zoovele jaren, ver over eene som van +tweeduizend pond uitmaakte.</p> +<p>„Dit was natuurlijk eene zeer aangename tijding voor mij, en +gij kunt wel begrijpen, dat ik zijn voorstel dadelijk gretig aannam. +Hij ging terstond aan het werk, vervoegde zich bij den raad van beheer +en legde aan de heeren het bewijs voor; en allen stemden aanstonds +overeen, dat het geld mij eerlijk toekwam en ook zonder uitstel aan mij +moest worden uitbetaald.</p> +<p>„Zoodra het geld in mijne handen was, begon ik dat op allerlei +dwaze manieren weg te gooien. Tot mijn geluk, kwam echter in de eerste +dagen de Schotsche bootsman te voorschijn als de beschermengel, die mij +redden wilde.</p> +<p>„Zoodra ik hem het voorgevallene verteld had, sprak hij zeer +verstandig met mij, bracht mij onder het oog, dat ik thans in de +gelegenheid was, om mij voor mijn gansche leven een zeker bestaan te +verschaffen, en gaf mij <span class="pagenum">[<a id="pb183" href= +"#pb183" name="pb183">183</a>]</span>den raad, om voor mijn geld een +aandeel in een schip te koopen, onder voorwaarde, dat ik er zelf de +kapitein van zou wezen.</p> +<p>„Die inval beviel mij zeer goed. Ik zag wel in, dat ik wederom +zeer onverstandig gehandeld had, en besloot zijn raad te volgen. Eene +enkele zwarigheid hield mij tegen; ik was namelijk nog zeer jong, pas +twintig jaren oud, en had vroeger een schip wel heel goed weten te +sturen, maar mij in den laatsten tijd weinig daarop toegelegd.</p> +<p>„Ik deelde Sanders, zoo heette de bootsman, mijn bezwaar mede; +maar hij stelde mij gerust en sloeg mij voor, dat, als ik hem als +eerste stuurman wilde aanstellen, ook die moeilijkheid uit den weg zou +zijn geruimd, daar hij met het roer goed wist om te gaan en mij +terstond op de eerste reis de stuurmanskunst wel in den grond zou +leeren. Zoo kwam dan eindelijk alles in orde.</p> +<p>„Gelukkig had ik nog niet boven de honderd pond van mijn geld +verteerd, wat evenwel voor dien tijd negentig pond te veel was. Ik +keerde naar Glasgow terug, in gezelschap van Sanders, en deze gaf zich +alle moeite om naar een geschikt schip om te zien.</p> +<p>„Eindelijk vond hij er een, dat tot het van stapel loopen +gereed en, ten gevolge van een door het kantoor, dat het gebouwd had, +geleden bankroet, te koop was<span class="corr" id="xd21e4227" title= +"Bron: ,">.</span> Hij won berichten en vernam, dat eene zeer goede en +aanzienlijke firma het vaartuig waarschijnlijk koopen zou, en toen deed +hij mij een voorslag om een vierde deel in het schip te nemen en +daarover als kapitein bevel te voeren.</p> +<p>„Sanders was algemeen geacht en bezat ieders vertrouwen. Zijne +aanbeveling had dan ook tengevolge, dat de onderhandelende partijen mij +verlangden te zien en te spreken. Hoe jong ik ook was, schenen zij toch +met mij tevreden, en de koop kwam werkelijk tot stand.</p> +<p>„Ik stortte mijn aandeel, dat in twee-duizend pond bestond. +Zoodra het schip van stapel was geloopen, deed ik met Sanders, dien ik +tot eersten stuurman gekozen had, alle moeite om het spoedig geheel +zeilree te maken. Het huis, dat het schip met mij had aangekocht, was +eene Westindische firma, en zoo werd onze bodem natuurlijk tot de vaart +op West-Indië bestemd.</p> +<p>„Na het betalen van mijn aandeel, bleven mij nog drie- of +vierhonderd pond over. Deze besteedde ik tot den aankoop van +speculatie-goederen voor mijne eigene rekening en het verschaffen van +zeemans-instrumenten en dergelijke. Ook aan mijne eigene uitrusting +liet ik het niet ontbreken. Want ziet gij, Willem, ofschoon Sanders mij +zoo ernstig vermaand had, <span class="pagenum">[<a id="pb184" href= +"#pb184" name="pb184">184</a>]</span>voortaan verstandiger te zijn, was +ik toch bij de gedachte, dat ik nu kapitein van mijn eigen schip was, +niet weinig opgeblazen. Voor iemand, die kort te voren nog jongen in +den bezaansmast van een oorlogsschip geweest was, was de verandering +dan ook werkelijk al te spoedig en te groot.</p> +<p>„Ik kleedde mij zeer netjes, droeg fijne overhemden en ringen +aan de vingers; ik trok zelfs handschoenen aan, om witte handen te +krijgen. Inderdaad, als kapitein en deelhebber van een fraai schip was +ik ook een man van gewicht en werd door de overige scheepseigenaars +dikwijls aan tafel genoodigd. Bovendien kon ik het zeer goed doen, want +buiten de winst, die mijn eigen handel afwerpen kon, had ik ongeveer +tien pond als kapitein en daarbij nog het vierde deel aan de +gezamenlijke winsten.</p> +<p>„Dezen tijd kan ik als den voorspoedigsten van mijn gansche +leven beschouwen, en ik zal daar nu bij blijven stilstaan, ofschoon ik +wel vooruit zeggen kan, dat mijne fortuin niet van langen duur +bleef.”</p> +</div> +</div> +<div id="ch41" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">EEN-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">SLOT VAN FLINKS VERHAAL.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Den volgenden dag waren zij bezig met op het +kronkelpad, dat naar het magazijn leidde, de wortels der omgehouwen +kokosboomen weg te ruimen. Zoodra dit gedaan was, richtte Flink nevens +dat magazijn een bliksemafleider op, gelijk hij er bij het woonhuis +reeds een gezet had.</p> +<p>Zij hadden nu eindelijk al het werk, dat zij zich gedurende den +regentijd voorgenomen hadden, tot stand gebracht. De schapen hadden +lammeren geworpen; maar die zoowel als de geiten, begonnen gebrek aan +voeder te krijgen. Eene gansche week lang viel er geen regen meer; de +zon verspreidde reeds krachtige warmte en Flink was van oordeel, dat de +regentijd voorbij moest zijn.</p> +<p>Willem was weder volkomen hersteld en kon in zijn ongeduld +nauwelijks afwachten, dat men het voorgenomen tochtje over het eiland +ondernemen zou, waaraan hij natuurlijk vurig wenschte deel te nemen. Na +rijp beraad werd eindelijk besloten, dat Flink en Willem de eerste +wandeling naar het zuiden doen en zoodra mogelijk terugkeeren zouden, +om te berichten of zij ook wat nieuws ontdekt hadden.</p> +<p>Op een Zaterdagavond werd dit besluit genomen; des Maandags morgens +<span class="pagenum">[<a id="pb185" href="#pb185" name= +"pb185">185</a>]</span>zouden beiden opbreken. De reiszakken werden met +gekookt pekelvleesch en platte koeken, die Juno bereid had, rijkelijk +gevuld. Ieder zou zich van een geweer met kruit en lood voorzien; ook +zouden zij eene wollen deken medenemen, om zich bij nacht daarin te +wikkelen. Flink vergat ook zijn kompas en handbijl niet, om weder, +evenals op hun eersten tocht, de boomen in het wond daarmee te +merken.</p> +<p>De gansche Zondag werd tot het in orde brengen van het noodige +besteed. Na het avondeten, begon de goede oude man:</p> +<p>„Nu, Willem, voordat wij onze reis aanvangen, kan ik mijne +historie nog wel ten einde brengen. Ik heb niet veel meer te vertellen, +want mijn goed geluk duurde niet lang, en na mijne lange Fransche +gevangenschap was al mijn volgend leven eene voortdurende +verwezenlijking van het spreekwoord: Van den regen in den drop, of: Van +den wal in de sloot. Ik bleef er bij staan, hoe ik dat aandeel in het +koopvaardijschip gekocht had en naar mijne gedachten op den besten weg +was om mijn fortuin te maken. Laat mij dus voortgaan.</p> +<p>„Ons schip was eerlang gereed, en zoo zeilden wij in eene +groote vloot naar Barbados uit. Sanders bewees spoedig een kundig +zeeman te zijn, en voordat wij te Barbados aankwamen, had ik van hem al +de kundigheden verkregen, die ik noodig had, om mijn schip zelf +behoorlijk te sturen en te regeeren.</p> +<p>„Sanders zocht de oude ernstige gesprekken te hernieuwen; maar +mijn vermogen had mij te ijdel gemaakt, en nu, daar ik mij ook zonder +zijn bijstand tot mijne taak in staat achtte, hield ik mij niet alleen +op een afstand van hem, maar zocht zelfs den baas over hem te spelen. +Zoo, beste Willem, beloonde ik de goedheid, die hij mij altijd had +bewezen, met den snoodsten ondank. Helaas, dat is in de wereld maar al +te dikwijls het geval.</p> +<p>„Sanders was daar zeer bedroefd over, en bij onze aankomst te +Barbados zeide hij mij, dat hij besloten had het schip te verlaten. Ik +antwoordde hem op hoogen toon, dat hij in alles naar zijne vrije +verkiezing handelen moest. Wat mij het meest daartoe bewoog, was, dat +ik in het hart vurig wenschte van hem ontslagen te worden, alleen omdat +ik gevoelde hem dank verschuldigd te zijn;—met beschaming erken +ik dat, mijn beste Willem. Zoo verliet hij mij dan ook wezenlijk, en ik +was uiterst tevreden, dat hij het deed.</p> +<p>„Mijn schip had weldra zijne volle lading suiker en wachtte +tot eene groote koopvaardijvloot de vaart naar Engeland zou aannemen. +Ik had te Barbados gelegenheid gevonden om vier metalen kanonnen aan te +koopen, <span class="pagenum">[<a id="pb186" href="#pb186" name= +"pb186">186</a>]</span>die ik terstond op mijn dek bracht, terwijl ik +mij rijkelijk van de noodige munitie voorzag. Ik was geweldig trotsch +op mijn schip omdat het zich op de heenreis zulk een vluggen zeiler had +betoond; het had<a id="xd21e4272" name="xd21e4272"></a> zich werkelijk +beter gehouden, dan menig oorlogsschip van ons konvooi, en daar ik nu +zelfs nog stukken aan boord had, meende ik van vijandelijke +kaperschepen volstrekt niets meer te duchten te hebben.</p> +<p>„Wij wachtten nog altijd op ons konvooi, dat evenwel misschien +nog wel een veertien dagen uitblijven kon. In dien tusschentijd brak +een hevige storm los, die mijn schip met de meeste overige vaartuigen +van de ankers sloeg en ons allen gezamenlijk uit de Carlislebaai dreef. +Wij waren genoodzaakt met alle kracht van zeil weer op de haven aan te +sturen, want de storm hield nog met groote woede aan.</p> +<p>„Ik zelf was ’t hartelijk moe, zoo lang op het konvooi +te wachten; daarbij wist ik nog, dat, als ik vóór de +overige Westindievaarders in Engeland aankwam, dit mij tot groot +voordeel kon strekken, en zoo besloot ik dan, om in plaats van +andermaal in de baai terug te keeren, liever zonder bedekking naar +Engeland koers te zetten en mij op de snelle vaart van mijne kiel en op +de stukken, die ik aan boord had, te verlaten. Ik vergat daarbij, dat +de verzekering van mijn schip en lading in Engeland enkel voor het +geval was, dat ik in gezelschap voer, en dat, indien ik die voorzorg +verzuimde, in geval van een ongeluk ook de gansche verzekering nietig +zijn zijn moest.</p> +<p>„Dus ging ik dan naar Engeland onder zeil. Drie weken lang +ging alles uitmuntend: wij ontmoetten slechts zeer weinig schepen. Die, +welke jacht op ons maakten, waren niet tegen ons opgewassen en konden +ons dus niets doen. Reeds stuurden wij met den besten wind op het +Kanaal aan, en ik twijfelde niet meer, of tegen den avond zouden wij de +gewenschte haven binnenloopen, toen ons een Fransche kaper in het +gezicht kwam en aanstonds jacht op ons maakte. Wij waren gedwongen, om +bij den wind te sturen; die woei zeer hard en nam al spoedig onze +groote steng weg.</p> +<p>„Dat was voor ons het grootste ongeluk, dat men zich +voorstellen kon<span class="corr" id="xd21e4282" title= +"Bron: ,">.</span> De kaper kwam nu al nader, achterhaalde ons en tegen +den avond was ik een doodarm Fransch gevangene, want de +verzekeringsgelden had ik verbeurd, omdat ik zonder bedekking het ruime +sop was ingegaan.</p> +<p>„Ik begreep wel, dat ik al mijn ongeluk aan mijzelven te +wijten had. In allen gevalle werd ik hard genoeg gestraft, want bijna +zes volle jaren verzuchtte ik in akelige gevangenschap. Eindelijk +waagde ik met drie of vier rampgenooten de vlucht te beproeven. Wij +hadden duizenderlei ellende <span class="pagenum">[<a id="pb187" href= +"#pb187" name="pb187">187</a>]</span>door te staan en kwamen eindelijk +op een Zweedsch schip, zonder geld, ja bijna zonder een hemd aan het +lijf, om ons tegen de koude te bedekken, in Engeland aan.</p> +<p>„Mij bleef natuurlijk niets overig dan op een ander schip naar +een plaatsje om te zien. Ik wou tweede stuurman worden; maar niemand +wilde mij aannemen. Ik zag er daartoe al te haveloos en te ellendig +uit, en om niet van honger en gebrek om te komen, besloot ik dan +eindelijk mij als gemeen matroos vóór den mast te laten +<span class="corr" id="xd21e4291" title= +"Bron: aanwerpen">aanwerven</span>.</p> +<p>„Er lag een fraai schip in de haven. Daarheen ging ik, om +mijne diensten aan te bieden. De bootsman ging om den kapitein te +halen, en toen deze aan boord kwam, herkende ik—wien denkt gij +wel?—niemand anders dan Sanders!</p> +<p>„Ik hoopte nog, dat hij mij niet zoo dadelijk zou kennen. Doch +bij den eersten oogopslag zag hij, wie ik was en reikte mij de hand +toe. Ik had wel in de zee willen wegzinken! Nooit in mijn leven was ik +zoo beschaamd en verlegen, als op dat oogenblik.</p> +<p>„Sanders merkte dat wel en bracht mij in zijne kajuit. Daar +vertelde ik hem alles, wat met mij gebeurd was. Hij scheen vergeten te +hebben, dat ik mij zoo slecht en gemeen jegens hem gedragen had; hij +bood mij eene plaats op het schip aan en schoot mij zelfs geld voor, om +mij weer nieuw in de kleeren te steken.</p> +<p>„Evenwel, of hij mijn vroeger gedrag al vergeten wou, ik kon +dat niet vergeten. Ik kwam er openlijk voor uit en smeekte hem om +vergiffenis.</p> +<p>„Deze brave man bleef, zoolang hij leefde, mijn beste vriend. +Ik werd na eenigen tijd zijn tweede stuurman en wij raakten weer op een +vertrouwelijken voet met elkander. Mijn ongeluk had mij nederig en +deemoedig gemaakt.</p> +<p>„Na zijn dood bleef ik nog een tijdlang tweede stuurman op +zijn schip, doch in ’t eind werd een ander voor mij +voorgetrokken. Sedert dien tijd diende ik als gemeen matroos op +verschillende schepen. Overal werd ik geacht en goed behandeld. Ik +gevoelde mij, durf ik wel zeggen, nergens ongelukkig, want ik zag recht +goed in, dat rijkdom mij slechts tot dwaasheden verleiden zou.</p> +<p>„Nu, beste Willem, kent gij de historie van Masterman Flink. +Ik hoop dat zij hier en daar iets bevat, wat voor u op den duur nuttig +kan worden. Ik ben thans nog maar een oud man, ’t leven en de +vermoeienissen zat; mijne eenige hoop is in vrede te sterven en nog tot +aan dat oogenblik nuttig te kunnen zijn.” <span class= +"pagenum">[<a id="pb188" href="#pb188" name="pb188">188</a>]</span></p> +<p>„Nuttig zijt gij werkelijk in eene hooge mate geweest,” +zeide mevrouw Wilson, met tranen in de oogen; „en ik hoop, oude, +beste vriend, dat gij nog een langen tijd leven en een hoogen, +gelukkigen ouderdom bereiken zult.”</p> +<p>„Dank u wel, mevrouw,” hernam Flink; „maar over +’t algemeen hebben de matrozen geen zeer lang leven. En waarlijk, +ik zou ’t overschot van mijne dagen ook zeer gaarne op dit kleine +eilandje ten einde brengen. Ik weet, dat gij overigen daar heel anders +over denkt, en dat is ook zeer natuurlijk. Ik ben al een oud man en heb +niets te wachten, voor niets te zorgen; al, wat ik begeer, is nuttige +bezigheid. Gij zijt in vergelijking van mij allen nog jong en wacht nog +veel van de toekomst. Om uwent-, maar niet om mijnentwil hoop ik van +harte, dat men ons zoeken en vinden zal, zoodat gij weer in de woelige +wereld kunt terugkeeren. Ik voor mij zal gaarne ’t overschot van +mijn leven op dit eiland slijten en hoop, dat die kokostakken eens over +mijn graf zullen wuiven. Ik weet niet, maar ik heb er een zeker +voorgevoel van, dat dit ook werkelijk zoo gebeuren zal, en ik kan wel +zeggen, dat die gedachte in zeker opzicht een troost voor mij +is.”</p> +<p>„Neen, neen, daaraan moet gij volstrekt niet denken!” +riep de heer Wilson. „Gij moet eens met ons terugkeeren en uw +ouderdom in ons midden doorbrengen. Gij moet uw zeemansleven opgeven, u +aan onzen haard nederzetten, als gij wilt, en in onzen tuin u in de zon +koesteren. Gij hebt behoefte aan rust en ik vertrouw zeker dat gij nog +een gelukkigen ouderdom zult beleven. In allen gevalle zal het mijne +schuld niet zijn, als die hoop van mij niet vervuld wordt.”</p> +<p>„De mijne evenmin,” voegde zijne vrouw er bij; „ik +zou ontroostbaar zijn, als gij ooit van ons heengingt.”</p> +<p>„Ik dank u, mevrouw en ook u, mijnheer, van ganscher harte +voor uwe goede bedoeling.—Beste Willem, wij moeten voor dag en +voor dauw op en daar wij allen nog eerst samen ontbijten zouden, wordt +het thans, dunkt mij, hoog tijd, om eens met ons hoofdkussen te +spreken.”</p> +<p>„Gij hebt volkomen gelijk,” antwoordde <span class= +"corr" id="xd21e4322" title="Bron: mijn heer">mijnheer</span> +Wilson.</p> +</div> +</div> +<div id="ch42" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">TWEE-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">TWEEDE UITSTAPJE DOOR HET EILAND.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Den volgenden morgen waren allen zeer vroeg op en +ontbeten nog met elkander. De gebakken visch smaakte kostelijk; Thomas +at zoo gulzig, <span class="pagenum">[<a id="pb189" href="#pb189" name= +"pb189">189</a>]</span>dat hij bijna aan eene graat gestikt was, die +hem in de keel bleef steken. Juno deed lang vergeefsche moeite om er +met den vinger bij te komen. Mevrouw Wilson was in grooten angst totdat +het Juno eindelijk gelukte haar met den wijsvinger los te krijgen.</p> +<p>Geweren, reiszakken en al het benoodigde tot de reis waren reeds +vooraf klaargemaakt, en zoo stonden Willem en Flink eindelijk van tafel +op, namen hartelijk afscheid van de achterblijvenden en begaven zich op +weg.</p> +<p>De zon scheen helder, de lucht was reeds tamelijk warm; de dansende +golven van den oceaan glinsterden in de verte en de kokosboomen +schommelden hunne gekuifde kruinen in den zachten wind. Met een +vroolijk hart, braken zij op en riepen de beide herdershonden. Ook +Vixen wilde meegaan, maar moest tot bewaking van de familie +achterblijven.</p> +<p>Het magazijn voorbij, ging het den tegenoverliggenden heuvel op, het +bosch in en weldra werden de bijlen losgemaakt, om de boomen daarmede +te merken. Flink haalde zijn zakkompas voor den dag en regelde daarnaar +de richting van den weg, dien zij nemen wilden.</p> +<p>Een tijdlang ging het zoo voort, zonder dat men een woord sprak, +rechts en links werd de boombast met de bijl geteekend, totdat Flink +andermaal staan bleef, om naar zijn kompas te zien.</p> +<p>„Mij dunkt, Flink, het bosch is hier dichter, dan ik het nog +ergens gezien heb,” zeide Willem.</p> +<p>„Ja, ja, gij hebt gelijk. Naar ’t mij voorkomt, moeten +wij thans omtrent midden op het eiland in het dichtste deel van het +woud zijn. Dat zal wel spoedig blijken. We moeten ons wat meer naar het +Zuiden richten; daarbij zal het goed zijn, dat we stevig doorstappen. +Hoe verder we komen, des te minder hebben we te doen, en we kunnen dan +ook rustig samen praten.”</p> +<p>Zoo stapten zij een half uur wakker voort. Gelijk Flink gezegd had, +werd het bosch allengs minder dicht, maar toch konden zij niets dan +kokosstammen ontdekken. Het was geen lichte arbeid, ieder oogenblik +nieuwe boomen te merken, en het zweet liep hun tappelings over het +gezicht, zoo zwaar begon hun dat ten laatste te vallen.</p> +<p>„Me dunkt, Willem, we moesten eens eene minuut of wat +uitrusten, want anders wordt gij al te moe. Ge zijt nog niet zoo sterk, +als gij vóór uwe ziekte waart.”<a id="xd21e4350" +name="xd21e4350"></a></p> +<p>„Ik ben niet meer zoo goed aan het werk gewoon als vroeger, en +daarom ben ik nu gauwer moe, Flink,” antwoordde Willem en droogde +zich het gezicht met zijn zakdoek af, terwijl hij zijn geweer tegen een +boomstam zette. „Ik heb er niets tegen, dat we eens een poosje +uitblazen. Hoe lang, <span class="pagenum">[<a id="pb190" href="#pb190" +name="pb190">190</a>]</span>denkt ge, zal het nog duren tot we het +bosch achter den rug hebben?”</p> +<p>„Me dunkt, geen half uur meer; of misschien zijn wij er +schielijker uit. Ik weet niet, hoe ver het bosch zich in deze richting +uitstrekt.”</p> +<p>„Wat denkt ge dan zoo al daar achter te vinden?”</p> +<p>„Dat is moeilijk te zeggen. Ik kan alleen zeggen wat ik hoop +te vinden, namelijk een ruim, vlak grasveld tusschen het bosch en de +kust, waar onze schapen en geiten weiden kunnen. Dan was het ook +mogelijk, dat wij buiten de kokossen nog andere boomen, heesters en +struiken vonden; tot hiertoe hebben wij niets dan kokosboomen en +ricinusstruiken gezien. Weet gij nog wel Willem, hoe Thomas het van de +bessen te kwaad gehad heeft? ’t Is onmogelijk te bepalen, mijn +jongen, hoe menigerlei zaadkorrels door vogels of door wind en baren +wel hierheen gebracht zijn.”</p> +<p>„Ja, maar zouden die zaken ook opkomen?”</p> +<p>„Wel zeker, Willem. Ik heb mij wel eens laten vertellen, dat +vele zaadkorrels honderden jaren onder den grond kunnen zitten en +later, als de zon er op schijnt, toch nog opkomen<span class="corr" id= +"xd21e4367" title="Bron: ?">!</span>”</p> +<p>„Nu herinner ik mij,” antwoordde Willem, „dat mijn +vader mij eens vertelde, hoe een gerstekorrel, die voor drie of vier +duizend jaren met eene Egyptische mummie begraven was, zelfs na dien +langen tijd nog opkwam, nadat men haar in den grond had +gestoken.”</p> +<p>„Wat is dat eene mummie, Willem? Van Egypte heb ik wel +gehoord: dat is het land, waar de kinderen Israëls gevangen waren +en waar zij later uittrokken. Dat alles lezen wij in den Bijbel, en ook +van de zeven plagen, waarmede Pharao bezocht werd, totdat hij het +Joodsche volk gaan liet.”</p> +<p>„Ja, ja; hij verdronk met zijn gansche leger, omdat hij hen +achtervolgde en weder terugdrijven wilde.—Eene mummie, Flink, is +het lijk van een mensch, dat na den dood met verschillende specerijen +ingebalsemd wordt, om het tegen verrotting te bewaren. Ik heb er nog +nooit eene gezien, maar weet uit de boeken, dat de Egyptenaren hunne +lijken zoo plachten in te balsemen.—Maar kom, nu kan ik, dunkt +mij, wel weer verder gaan.”</p> +<p>„Goed, Willem; hoe eer wij het bosch achter ons hebben, des te +beter voor ons.”</p> +<p>Zonder oponthoud zetten zij na hunne wandeling voort, en ze waren +nog geen kwartier verder, of Willem riep:</p> +<p>„Flink, ik zie den blauwen hemel! We zijn het bosch weldra ten +einde, en ik ben daar hartelijk blij om, want mijn arm doet mij zeer +van dat aanhoudend kappen.”</p> +<p>„Mij gaat het niet beter, Willem. Ik ben waarlijk even blij +als gij; want <span class="pagenum">[<a id="pb191" href="#pb191" name= +"pb191">191</a>]</span>het werken heeft mij ook vermoeid. Evenwel +moeten wij daarmee nog voortgaan, want anders vinden we onzen weg niet +terug, als wij dien noodig hebben.”</p> +<p>Tien minuten later hadden zij het kokosbosch achter zich en kwamen +te midden van manshooge struiken zoodat zij niet zien konden, hoe ver +zij nog van de kust verwijderd waren.</p> +<p>„Nu, Goddank,” riep Willem en wierp de bijl op den +grond; „ik ben blij, dat dit voorbij is. Nu zullen we ons een +poosje neerzetten, voordat wij verder gaan.”</p> +<p>„Dat is mij wel,” zeide Flink en nam bij Willem +plaats.</p> +<p>„Ik voel mij heden veel meer vermoeid, dan toen wij van de +andere zijde van het eiland door het bosch kwamen. Ik geloof bijna, dat +het weer daaraan schuld is. Komt hier honden; koest daar!”</p> +<p>„Het weer is toch heel mooi, Flink.”</p> +<p>„Nu, ja zeker; maar ik heb u, meen ik, reeds gezegd, dat de +regentijd voor de gezondheid zeer nadeelig is, en zoo denk ik wel +haast, dat ik daarvan nog niet bekomen ben. Gij hebt wezenlijk de +koorts gehad en kunt u natuurlijk niet zeer sterk voelen; maar men kan +toch ook zonder koorts aan zijne gezondheid veel geleden hebben. Ik ben +een oud man, Willem, en begin thans allerlei gebreken te +voelen.”</p> +<p>„Me dunkt, Flink, voordat wij opbreken, moesten wij ons +middagmaal houden; dat zal ons zeker goed doen.”</p> +<p>„Ja, Willem, wij zullen een vroeg maal houden dan raken wij in +allen gevalle eene onzer waterflesschen kwijt. Halt! goed, dat ik het +bedenk. Daar wij toch denzelfden weg terug moeten, konden we onze +reiszakken en al ’t verdere buiten de geweren wel onder deze +boomen laten liggen. Misschien ook dat wij hier wel overnachten zullen, +want ik heb uw vader stellig gezegd, dat hij ons vandaag nog niet terug +wachten moest. Aan uwe moeder wilde ik dat niet zeggen, omdat zij +altijd zoo bezorgd voor u is.”</p> +<p>Hierop werden de knapzakken geopend en het middagmaal gehouden, +waarvan de beide honden rijkelijk hun deel kregen. Na het eten zetten +zij hunne ontdekkingsreis opnieuw voort. Wel tien minuten lang moesten +zij zich door de hooge, dichte struiken een weg banen, totdat zij ten +laatste den uitgang bereikten en toen eene poos zonder een woord te +spreken in het rond zagen.</p> +<p>De zee lag op ongeveer <span class="corr" id="xd21e4408" title= +"Bron: eenhalve">een halve</span> mijl afstands voor hen: het +daartusschen liggende land was eene open vlakte met frisch, heerlijk +gras overdekt, en vormde eene voortreffelijke weideplaats. Hier en daar +was de bodem met <span class="pagenum">[<a id="pb192" href="#pb192" +name="pb192">192</a>]</span>enkele kleine boomgroepen bezet; de kust +vormde geen zandvlakte gelijk op de andere zijde, maar de klippen rezen +tot eene hoogte van twintig tot dertig voet loodrecht uit de zee op en +waren op vele plaatsen met een vreemde, sneeuwwitte stof overdekt.</p> +<p>„Zie, Flink,” begon Willem eindelijk, „daar zou +nog voeder genoeg voor onze kudde zijn, ook als zij tienmaal zoo sterk +werd.”</p> +<p>„Ja, ja, mijn jongen; dat is een groot geluk, en wij hebben +alle reden om dankbaar daarvoor te zijn. Dat is juist wat wij noodig +hadden. Laat ons nu echter wat verder gaan en die boomgroepen +onderzoeken, om te zien, waaruit ze bestaan. Ik zie daar een groot, +breed blad, dat ik, als ik mij niet bedrieg, al dikwijls meer gezien +heb.—Ja, Willem, ik had wel gelijk,” vervolgde hij, nadat +zij de boomen, waarop hij gewezen had, genaderd waren. „Ziehier, +dat is een pisangboom. Hij bot juist uit en zal weldra tien of twaalf +voet hoog zijn. Zijne vrucht smaakt voortreffelijk en zijne bladeren +geven een uitmuntend voedsel voor het vee.”</p> +<p>„Hier is een plant, die ik nog nooit gezien heb,—hier +deze kleine,” zeide Willem, terwijl hij een takje afbrak en dat +zijn ouden vriend toonde.</p> +<p>„Maar ik wel, Willem. Men noemt het gewoonlijk vogelpeper en +de u welbekende Cayennepeper wordt daaruit bereid. Zie, het heeft al +loten; het zal ons bij het koken goede diensten doen, daar we toch geen +peper meer overhebben. Juno zal er wat blij mee zijn. Gij kunt daar +verder uit opmaken, Willem, dat er ook vogels op dit eiland moeten +zijn; althans is dit zeer waarschijnlijk, want de zaden van al deze +planten en boomen kunnen slechts door hen hierheen gedragen zijn. +Pisang en peper dienen vele vogelsoorten tot voedsel. De zaadkorrel, +welk een dezer vogels vallen liet, is opgekomen en heeft verdere loten +om zich heen verspreid, die van jaar tot jaar in talrijkheid en grootte +toenamen. Dit is ook de reden, waarom gij ze alle in afzonderlijke +groepen hier en daar verstrooid ziet. Kijk, daar schiet eene menigte +Pisangplanten uit den bodem op; in weinige weken zullen ze een heel +bosch uitmaken.”</p> +<p>„En wat is dat daar voor eene stekelachtige struik, +Flink?”</p> +<p>„Ik zie niet zoo scherp als gij Willem, en dus dienen wij wat +naderbij te treden. Ha, ik zie het al; het is de zoogenaamde +Westindische stekelbes. Ik ben zeer blij haar gevonden te <span class= +"corr" id="xd21e4425" title="Bron: hebbenl">hebben,</span> want zij kan +ons van groot nut zijn.”</p> +<p>„Is ze goed om te eten, Flink?”</p> +<p>„Dat juist niet; ook prikt ge u met hare stekels licht in de +vingers en kunt ge ze er moeilijk weer uitkrijgen; voor de afwisseling +evenwel zal zij <span class="pagenum">[<a id="pb193" href="#pb193" +name="pb193">193</a>]</span>zoo kwaad niet smaken. Het hoofdnut brengt +die struik nochtans als heg om onzen tuin aan, tot bescherming tegen de +dieren. Zij geeft eene uitmuntende heining en wast zeer snel, zonder +oppassing noodig te hebben. Zie eens, daar staat een halve akker vol +met dat gewas; het is juist aan het bloeien toe. Laat ons nu eens naar +gindsche groep gaan en zien wat het is.”</p> +<p>„Wat is dat voor eene plant, Flink?”</p> +<p>„Ik weet het niet, Willem; ik kan niet zeggen, dat ik ze +vroeger ooit gezien heb.”</p> +<p>„Dan, dunkt mij, zal ik ’t best doen, al de planten, die +gij niet kent, te verzamelen en aan vader te brengen. Hij is een groot +vriend van de kruidkunde en zal ons wel weten te zeggen wat ze +zijn.”</p> +<p>„Braaf! Dat zullen wij doen; dat is een recht goede inval van +u.”</p> +<p>Willem plukte een tak van de onbekende plant af en nam dien mede. +Bij de naaste groep bleef Flink staan en beschouwde haar lang met +groote opmerkzaamheid.</p> +<p>„Wacht, laat zien,” zeide hij eindelijk; „dezen +boom geloof ik te <span class="corr" id="xd21e4447" title= +"Bron: kenen">kennen</span>, althans heb ik hem meer in de heete landen +gezien. Ja, ja, ik heb ’t, Willem; een guayababoom.”</p> +<p>„Hoe, dezelfde, uit wiens vruchten men den guayabawijn +bereidt?”</p> +<p>„Ja, dezelfde.”</p> +<p>„Nu, wat zal Thomas watertanden, als hij daarvan hoort! +Kapitein Osborn gaf ons op onze reis eens guayabamost te proeven, en +Thomas wilde er al meer van hebben, zoo smaakte die hem.”</p> +<p>„Kleine jongens van Thomas’ jaren denken meer aan eten +en drinken dan aan iets anders; dat is natuurlijk, en wij moeten Thomas +daarom niet hard vallen. Hij zal mettertijd een fiksche jongen worden; +geloof dat vrij, Willem<span class="corr" id="xd21e4458" title= +"Bron: ”!">!”</span></p> +<p>„O zeker, dat hoop ik ook, Flink, en ik twijfel er ook in +’t geheel niet aan. Willen we thans verder gaan?”</p> +<p>„Ja; maar welken kant zoudt ge ’t liefst +gaan?”</p> +<p>„Laat ons in de richting van deze vijf boomen voortloopen en +dan tot aan de klippen afdalen. Ik zou gaarne weten hoe het komt, dat +die zoo wit zijn.”</p> +<p>„Komaan dan, als gij het zoo verkiest, beste +jongen.”</p> +<p>„Hé, Flink! wat is dat voor een rumoer? Luister, dat +geschreeuw! Dat moeten apen zijn.”</p> +<p>„Neen, neen, dat zijn geen apen; ik wil u wel aanstonds +zeggen, wat het is, ofschoon ik nog niets zie.—Papegaaien zijn +’t,—ik ken hen aan hun geschreeuw. <span class= +"pagenum">[<a id="pb194" href="#pb194" name="pb194">194</a>]</span>Zie, +Willem, het is niet heel waarschijnlijk, dat apen hierheen gedwaald +zouden zijn, maar wel vogels, en aan hen zijn wij de pisangs en guayaba +en al de andere vruchten verschuldigd, die wij misschien nog ontdekken +zullen.”</p> +<p>Zoodra zij onder de boomen kwamen, ontstond er een oorverdoovend +gefladder en geschreeuw. Meer dan driehonderd papegaaien vlogen +krijschend op en hunne fraaie groene en blauwe pluimen schitterden +prachtig in de stralen der zon.</p> +<p>„Zeide ik het niet, Willem? Nu, dat is eene kostelijke +ontdekking en kan ons van tijd tot tijd aan eene keurige pastei +helpen.”</p> +<p>„Pastei, Flink? Gebruikt men hen dan tot pasteien?”</p> +<p>„O ja, zij smaken heerlijk; in <span class="corr" id= +"xd21e4484" title="Bron: West Indië">West-Indië</span> en +Zuid-Amerika heb ik er mij dikwijls lekker op vergast. Wacht, wacht, +laat ons hier nog een eindje verder op gaan. Ik zie daar een blad, dat +ik gaarne nader onderzoeken zou.”</p> +<p>„De grond schijnt hier moerassig te worden, Flink, dunkt u dat +ook niet?”</p> +<p>„Ja, ja; hier onder onze voeten schuilt water genoeg. Des te +beter voor ons vee; wij graven het dan eenige kommen, als het hierheen +komt. Ha! ik dacht wel, dat ik mij niet bedriegen zou. Zie eens, +Willem! dat is het allerbeste, dat we nog gevonden hebben; nu behoeven +wij niet zoo meer van onze aardappelen af te hangen.”</p> +<p>„Ei, wat is het dan, Flink?”</p> +<p>„Yamswortels, mijn jongen, yams- of broodwortels, die men in +West-Indië in plaats van aardappelen gebruikt. Gij moet namelijk +weten, dat de aardappelen in heete luchtstreken niet lang hunne +oorspronkelijke gedaante behouden.”</p> +<p>„Hoe meent gij dat, Flink?”</p> +<p>„Na een of twee oogsten veranderen zij in zoogenaamde zoete +aardappelen; de yamswortels zijn, naar mijn oordeel, in alle gevallen +beter.”</p> +<p>Op dit oogenblik wierpen de honden zich in het door de yamswortels +gevormde hooge groen en begonnen te blaffen; een poosje daarna hoorde +men een sterk getrappel en gebrom.</p> +<p>„Wat is dat?” riep Willem, die zich juist op den grond +gelegd had, om de yamsplant te onderzoeken en bij dat gerucht ontsteld +opsprong.</p> +<p>De oude man lachte hartelijk.</p> +<p>„Het is niet de eerste maal, Willem,” zeide hij, +„dat ze u een schrik op het lijf hebben <span class="corr" id= +"xd21e4508" title="Bron: gelaagd">gejaagd</span>.”</p> +<p>„Wat! onze varkens zijn het? Wezenlijk?<span class="corr" id= +"xd21e4513" title="Niet in bron">”</span> vroeg de knaap +verwonderd. <span class="pagenum">[<a id="pb195" href="#pb195" name= +"pb195">195</a>]</span></p> +<p>„Wis en zeker: zij hebben de broodwortels in den neus gekregen +en smullen er braaf van, dat moogt gij vrij gelooven.”</p> +<p>Flink verhief zijne stem en klapte in de handen. Weldra hoorde men +onder de bladeren een getrappel en geknor en kort daarop +sprongen—niet zes, maar over de dertig varkens, groote en +<span class="corr" id="xd21e4521" title="Bron: klein">kleine,</span> +uit het groen te voorschijn; en snuivend en knorrend stoof de gansche +kudde in wilden galop langs de vlakte voort, totdat zij het kokosbosch +bereikt had en daarin verdween.</p> +<p>„Maar wat zijn ze wild, Flink!” riep Willem.</p> +<p>„Ja, en ze worden nog met elken <span class="corr" id= +"xd21e4528" title="Bron: dag dag">dag</span> wilder. We moeten de +yamswortels echter tegen hen omheinen, anders blijft er ons niets van +over.”</p> +<p>„Maar ze zullen de heg vernielen, voordat die nog behoorlijk +is opgeschoten.”</p> +<p>„Dat zouden zij wel; maar daartegen maken wij een stevige +omheining van kokospalen en planten aan den buitenkant van die +stekelbessen, welke gij ginds gevonden hebt. Eer nog onze palen +vermolmd zijn, wassen de stekelbessen tot eene heg omhoog, waardoor +geen dier kan heenbreken.—Nu, Willem, moeten wij ons echter eens +naar de kust wenden.”</p> +<p>Toen zij de rotsen naderden, die op enkele plaatsen vijftig ellen +boven den rand des waters uitstaken, merkte Flink aan:</p> +<p>„Nu kan ik u zeggen, jonge vriend, wat de witte plekken ginds +op de klippen te beduiden hebben. Zij zijn afkomstig van de zeevogels, +die hier ieder jaar komen nestelen en hunne jongen uitbroeden. Als +niets hun dat belet, keeren zij telkenreize naar de eigen stee +terug.”</p> +<p>Zij bereikten weldra het bedoelde punt, dat zich uit de verte zoo +wit vertoonde; zij vonden het vol veeren en pluimen, met mest en drek +doormengd.</p> +<p>„Ik zie nergens een nest, Flink: niet eens een spoor van +vroegere nesten.”</p> +<p>„Wel dat is ook niet mogelijk. Hun geheele nest bestaat +namelijk daarin dat zij een rond gat van een halven duim diep in den +grond krabben en dicht naast elkander gezeten hunne eieren in de kuilen +leggen. Spoedig is het tijd dat zij terugkomen; dan zullen wij hun een +bezoek brengen en van hunne eieren medenemen, zooveel als wij er noodig +hebben. Die smaken namelijk lang niet leelijk.”</p> +<p>„Ei, Flink, wat hebben wij vandaag al eene menigte goede +dingen gevonden. Ons uitstapje is toch waarlijk heel gelukkig +uitgevallen.”</p> +<p>„Ja, inderdaad; bedenk slechts, mijn jongen, hoe onze +hulpmiddelen hier van jaar tot jaar vermeerderd kunnen worden, als wij +maar eenigermate vlijtig en arbeidzaam zijn.” <span class= +"pagenum">[<a id="pb196" href="#pb196" name="pb196">196</a>]</span></p> +<p>„Weet ge wat ik daar al dacht, Flink?—We hadden ons huis +misschien liever hier moeten bouwen.”</p> +<p>„O, neen, Willem; we hebben hier niet zulk zuiver water als +daar, en ook niet het zandige strand, dat ons het voordeel van een +schildpad- en een vischvijver verleent. Neen, Willem, ons vee kunnen +wij hier wel laten weiden; we kunnen hier de vruchten in het rond +inoogsten en met de arme vogels deelen; we kunnen de yamswortels en wat +nog verder nuttigs hier voor ons groeit inzamelen; maar ons huis, onze +woning, moet blijven waar het tegenwoordig is.”</p> +<p>„Gij hebt gelijk, Flink; maar het zal een lange weg wezen +hierheen.”</p> +<p>„Ook dat niet, als wij er maar eerst aan gewoon zijn en een +behoorlijk pad gemaakt hebben. Bovendien kunnen wij misschien onze boot +hierheen brengen. Ik zal dadelijk maar eens langs de klippen gaan en +dat onderzoeken.<span class="corr" id="xd21e4560" title= +"Niet in bron">”</span></p> +<p>Zij gingen nu ongeveer een half uur den zeekant langs, totdat zij +aan een punt kwamen, waar de rotsen niet meer zoo hoog waren. Daar +ontdekten zij eene kleine kom, die in de klippen was ingesneden en +slechts een enkelen ingang had.</p> +<p>„Zie eens, Willem, welk eene aardige kleine haven voor onze +boot. Van hier kunnen wij haar met yamswortels laden en naar onze +woonplaats brengen, verondersteld dat wij op de zuidzijde eene +doorvaart voor haar vinden kunnen. Wij hebben daar nog niet naar +omgezien, omdat wij tot hiertoe zoo iets nog niet noodig +hadden.”</p> +<p>„Ja, Flink, dat is waarlijk een aardig, rustig plaatsje voor +onze boot; doch hoe zullen wij het wedervinden, als wij van de andere +zij van het eiland aankomen?”</p> +<p>„O, heel <span class="corr" id="xd21e4571" title= +"Bron: gemakelijk">gemakkelijk</span>, Willem; ik heb slechts een +hoogen stok als merkteeken op te zetten.”</p> +<p>„Wat is dat daar toch voor een ding, Flink?” vroeg +Willem en wees op een voorwerp in de laagte.</p> +<p>„Aha, ik zie het al, jongen; dat is een zeekreeft, die zeer +goed is om te eten. ’t Is wel mogelijk, dat wij dan ook nog eens +een kreeftvijver gaan aanleggen; dan kunnen wij hen in menigte vangen +en krijgen een smakelijk gerecht te meer.”</p> +<p>„En wat zijn dan die kleine ruwe dingen daar beneden aan de +klippen?”</p> +<p>„Dat is eene zeer kleine soort van oesters, die heel zoet +smaken. Ze zijn anders dan die in Europa; ze zijn veel malscher en +smaken nog veel beter.”</p> +<p>„Bravo, Flink, dan hebben wij weer twee nieuwe lekkernijen op +onze tafel,” riep Willem verblijd uit. „Wat worden wij nog +rijk!” <span class="pagenum">[<a id="pb197" href="#pb197" name= +"pb197">197</a>]</span></p> +<p>„Ja, mijn jongen; maar vergeet niet, dat wij ze eerst moeten +vangen, want zonder moeite en arbeid krijgt men in de wereld niets +gedaan.”</p> +<p>„Flink,” begon Willem plotseling weder, „wij +hebben nog drie volle uren dag: willen we niet naar huis gaan en +vertellen, wat we gezien hebben? Moeder zal hartelijk blij wezen, als +zij ons wederziet.”</p> +<p>„Met hart en ziel mijn jongen. Voor een dag hebben wij vrij +wat afgedaan; dus kunnen we nu wel terugkeeren en weer eene week te +huis blijven of althans zoolang men ons daar niet missen kan. Vruchten +zijn er bovendien toch nog niet; het eenige, waarvoor ik zorg wil +dragen, zijn de yamswortels, want ik ben bang, dat onze varkens anders +met het beste wegloopen. Doch laat ons nu op weg gaan en de zaak nader +met uwen vader overleggen.”</p> +<p>Terwijl Willem van het zeestrand naar het kokosbosch terugkeerde, +plukte hij van iedere plant, die hij voorbijkwam een takje af, om dat +voor zijne vader mede te nemen. Weldra vonden zij het plaatsje, waar +zij hunne knapzakken en handbijlen hadden achtergelaten. Van daar +keerden zij langs het vorige pad door het kokosbosch terug en volgden +daarbij de merken, die zij ’s morgens in de boomen hadden +uitgekapt.</p> +<p>Een uur voor zonsondergang kwamen zij bij hunne woning aan en vonden +mijnheer en mevrouw Wilson voor de deur zitten. Juno was met de beide +kleinen aan het strand, en de dreumessen hadden dol veel pleizier met +de schelpen, die zij hier <span class="corr" id="xd21e4596" title= +"Bron: een">en</span> daar op het zand vonden. Willem gaf zijn vader +nauwkeurig verslag van al wat hij ontdekt had en liet hem de monsters +van al de verschillende planten zien, die hij had opgedaan.</p> +<p><span class="corr" id="xd21e4600" title= +"Niet in bron">„</span>Dit hier,” zeide zijn vader, +„is eene algemeene bekende plant, en ’t verwondert mij, dat +onze Flink haar niet kent;—’t is immers hennep.”</p> +<p>„Dien heb ik nooit anders dan tot touw verwerkt gezien,” +betuigde Flink; „maar het zaad ken ik daarom toch heel +wel.”</p> +<p>„Nu, als wij er van noodig hebben, kan ik u zeggen hoe men er +mee moet omgaan,” antwoordde mijnheer Wilson. „Laat zien, +Willem, wat hebt ge nu?”</p> +<p>„Dit vreemde, stekelachtige ding.”</p> +<p>„’t Is de eierplant; ze draagt eene vrucht van vorm en +kleur geheel gelijk een ei. Ik heb wel gehoord, dat die in de heete +luchtstreken wordt gegeten.<span class="corr" id="xd21e4611" title= +"Niet in bron">”</span></p> +<p>„Ja, mijnheer, dat is ook zoo. Men legt ze in met peper en +zout; dat noemt men dan bringal. Me dunkt, dat moet het wel +wezen.<span class="corr" id="xd21e4616" title= +"Niet in bron">”</span></p> +<p>„Vast wel; ge hebt zeker gelijk,” hernam mijnheer +Wilson.—„Foei, Willem, dat hier moest ge toch +kennen.” <span class="pagenum">[<a id="pb198" href="#pb198" name= +"pb198">198</a>]</span></p> +<p>„Het heeft veel van eene wijndruif.”</p> +<p>„Ja; dat is het ook, ’t is eene witte druif. In allen +gevalle kunnen wij ze eten en misschien ook wijn daaruit persen; wie +weet!”</p> +<p>„Nu heb ik nog maar ééne plant, vader. Wat is +dat?”</p> +<p>„Gij hebt het niet gekend, Willem, omdat het zoo hoog +opgeschoten is. ’t Is niets anders dan de gewone +mosterdzaadplant, die wij in Europa in menigte aankweeken. Nu, waarlijk +gij hebt uw dagwerk goed volbracht. Kom, haast u wat, Juno, met de +tafel te dekken, meid. We gaan dus maar naar binnen; want de zon is +reeds aan ’t ondergaan en over een paar minuten is het +donker.<span class="corr" id="xd21e4631" title= +"Niet in bron">”</span></p> +<p>Zoodra zij naar huis teruggekeerd waren, werd over den thans +onderhanden te nemen arbeid beraadslaagd. Na eenig overleg kwam men +overeen, dat het raadzaam zou zijn eerst de boot uit het zand op te +delven. Zoodra deze in orde was gebracht, zouden de klippenreeksen aan +de zuidzijde onderzocht worden, om te zien of er een doorgang door te +vinden was, daar het waarschijnlijk veel tijd zou wegnemen, als men ze +moest omvaren.</p> +<p>Wanneer dit geschied was, wilden mijnheer Wilson, Flink, Willem en +Juno allen te zamen naar de andere zijde van het bosch gaan en eene +tent medenemen, die op den nieuw ontdekten grond zou worden opgeslagen. +Dan wilde men een vlaggestok in de kleine haven planten, om de plaats +daaraan te kunnen herkennen. Dit alles gaf natuurlijk een vrij zwaar +dagwerk; maar toch wilden zij nog den eigen avond terugkeeren, om +mevrouw en de kinderen geen nacht alleen te laten.</p> +<p>Was dit gedaan, dan zouden Flink en Willem assen, raderen en andere +benoodigde dingen, als b. v. zagen, bijlen en spaden, in de boot laden +en om het eiland naar de zuidzijde roeien, om de kleine haven op te +zoeken. Terstond na hunne <span class="corr" id="xd21e4640" title= +"Bron: lading">landing</span> en het in veiligheid brengen van de boot, +zouden zij dan langs het woudpad naar huis terugkeeren.</p> +<p>Het eerstvolgend werk zou dan zijn, het yamsplantsoen te omheinen en +tegen de verwoestingen van de varkens te beschutten.</p> +<p>Tegelijk moesten de schapen en geiten door het bosch worden +gedreven, om op den nieuwen weidegrond hun voedsel te zoeken.</p> +<p>De oude plek zou blijven staan en afgemaaid worden, om hooi te +winnen tegen den regentijd. Flink en Willem zouden eene genoegzame +hoeveelheid kokosboomen vellen, om voor de omheining van het +yamsplantsoen te dienen. Waren de palen eens ingeslagen, dan wilde ook +mijnheer Wilson komen en hun verder de behulpzame hand bieden.</p> +<p>Dit, hoopten zij, zou alles in eene maand zijn afgedaan. Gedurende +dezen <span class="pagenum">[<a id="pb199" href="#pb199" name= +"pb199">199</a>]</span>tijd konden mevrouw Wilson en Juno, die +doorgaans te huis moesten blijven, het onkruid uit den tuin wieden en +de noodige toebereidselen maken tot het planten van een heg. Zoodra dit +gewichtige werk achter den rug was, zou de boot met eene lading +stekelbesstruiken voor de tuinheg in de baai terugkeeren.</p> +<p>Dan wilden zij hunne opmerkzaamheid op den voorraad richten, die uit +de schipbreuk gered was geworden en nog altijd aan de bocht, waar zij +het eerst geland waren, lag opgehoopt. Na alles onderzocht en de +bruikbare artikelen bijeenvergaderd en in het magazijn gebracht te +hebben, zouden zij vervolgens eene regelmatige opneming van het eiland +te land en te water doen en eene teekening daarvan ontwerpen, hetgeen +mijnheer Wilson zeer goed was toevertrouwd.</p> +<p>Dit waren de plannen voor het schoone jaargetijde, dat thans een +aanvang had genomen.</p> +</div> +</div> +<div id="ch43" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">DRIE-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">UITZICHT OP REDDING.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Als naar gewoonte was Flink den volgenden morgen de +eerste, die uit het huis kwam. Hij groette Juno, die hem op den voet +volgde, en ging toen zijne gebruikelijke morgenwandeling doen, om naar +het plantsoen en den verderen voorraad te zien.</p> +<p>Eerst ging hij in den tuin aan den landpunt. Daar nam hij zich voor, +om bij de erwten, die reeds zes of zeven duim boven den grond stonden, +staken te zetten. Vervolgens bezag hij de groote boonen, die voor den +regentijd gepoot waren, en besloot de aarde er rondom om te woelen; +want dit gerecht was voor hen van veel waarde en kon gedurende den +regentijd meermalen de hoofdschotel op hunne tafel worden. Daarna zag +hij, of de augurken al boven den grond kwamen, en ontdekte tot zijne +blijdschap, dat zij welig groeiden.</p> +<p>„We hebben, voor zoover ik weet, wel geen azijn om ze in te +leggen,” dacht hij, „maar dat kan, zooals in Rusland, ook +in zout water gebeuren. In allen gevalle is het eene aangename +afwisseling.”</p> +<p>Eindelijk richtte hij zijn oog naar de zee en monsterde, als +doorgaans<span class="corr" id="xd21e4671" title= +"Niet in bron">,</span> den voor hem liggenden +gezichteinder.—Daar meende hij in het noordwesten <span class= +"pagenum">[<a id="pb200" href="#pb200" name="pb200">200</a>]</span>een +schip te zien. Hij bracht zijn kijker aan het oog, en ziedaar, hij had +zich niet bedrogen,—het was inderdaad een schip in de verte.</p> +<p>Den ouden man begon het hart hevig te kloppen. Hij nam zijn kijker +onder den arm en haalde diep adem, voordat hij zich van de ontroering, +die hem bevangen had, herstellen kon. Na eene minuut zette hij den +kijker opnieuw aan het oog en thans ontdekte hij, dat eene brik met +mars- en bramzeilen regelrecht op het eiland aanstuurde.</p> +<p>Flink wendde zich naar de rotspunt, waar zij gewoonlijk hun visch +plachten te vangen. Daar zette hij zich neder en gaf zich aan zijne +gedachten over. Was dat schip misschien uitgezonden, om hen in hunne +verlatenheid op te zoeken, of was het door een bloot toeval tusschen de +rotsen geraakt? Na kort nadenken, kwam hij echter tot het gevoelen, dat +slechts het toeval het herwaarts geleid had; want niemand kon immers +weten, dat zij gered waren geworden, en nog minder, dat zij zich op dit +eiland bevonden. Dat het schip op het eiland aanhield, was enkel omdat +het water of iets anders wenschte in te nemen. Misschien wilde het ook +zijne koers veranderen en het eiland slechts voorbijzeilen.</p> +<p>„Nu dan, er moge gebeuren wat er wil,” dacht de oude, +<span class="corr" id="xd21e4682" title= +"Niet in bron">„</span>vooreerst zal ik Willems ouders niets van +de zaak zeggen. Het zou wreed zijn eene hoop bij hen op te wekken, die +zoo licht nog kan worden teleurgesteld. Binnen weinig uren zal ’t +immers toch beslist zijn. Maar Willem moet ik het +toevertrouwen,—dat kan niet anders, hij is een brave jongen en +daarbij ook verstandig, ver boven zijne jaren. Als hij in ’t +leven blijft, zal hij eens een knap en, wat meer is, een braaf man +worden.”</p> +<p>Met deze woorden stond Flink op, monsterde het schip nog eenmaal +door zijn kijker en ging toen naar huis. Willem was reeds op; de +anderen daarentegen waren nog bezig met zich aan te kleeden.</p> +<p>„Willem,” begon Flink, terwijl beiden het huis +verlieten, „ik heb u een geheim mede te deelen, dat gij vooreerst +nog aan niemand moogt verklappen, zooals gij zelf wel kunt inzien. +Bovendien zullen weinige uren de zaak beslissen.” Willem gaf +gereedelijk de belofte van stilzwijgendheid. „Ginds op zee +vertoont zich een schip, dat óf een middel kan zijn om ons uit +onze ballingschap te verlossen, óf in ’t ergste geval +langs het eiland voorbijvaart, zonder ons gewaar te worden. Ware dit +laatste zoo, dan zou ’t eene grievende teleurstelling voor uwe +ouders zijn, als zij het te weten kwamen.”</p> +<p>Willem staarde Flink in het gezicht en kon een tijdlang geen woord +uitbrengen, zoo groot was zijne verbazing.</p> +<p>„Ach, Flink, wat zal ik dankbaar zijn! Ik hoop, dat wij +eindelijk verlost <span class="pagenum">[<a id="pb201" href="#pb201" +name="pb201">201</a>]</span>worden, want gij weet niet, hoe mijn arme +vader in het geheim lijdt—en mijne moeder niet minder.”</p> +<p>„Ik weet het wel, Willem, ik weet het zeer goed en vind het +ook natuurlijk. Zij zoeken hun verdriet zoo goed mogelijk te verbergen, +en meer kan men van hen niet verlangen.—Maar nu, Willem, komt het +op een rasch besluit aan: nog vóór het ontbijt moeten wij +aan het werk. Doch wacht eens,—eerst wil ik u het schip +wijzen.”</p> +<p>Flink richtte zijn kijker op het schip, liet zijn instrument tegen +den stam van een kokosboom leunen, en toen bracht Willem zijn oog aan +het glas.</p> +<p><span class="corr" id="xd21e4701" title= +"Niet in bron">„</span>Ziet gij het?”</p> +<p>„O ja, Flink; het komt recht op ons aan.”</p> +<p>„Ja, ja, het stuurt regelrecht op het eiland los. Maar spreek +zoo hard niet, mijn jongen. Ik zal den kijker hier laten; wijzelven +zullen aan het werk gaan; in het voorraadhuis vinden wij eene bijl. +Kom, Willem, gezwind, jongen, voordat uw vader buiten komt.”</p> +<p>Beiden gingen naar het magazijn, om de bijl te halen. Flink zocht +een zeer dunnen kokosstam aan den oever uit. Deze werd geveld en zoodra +hij van den kop ontdaan was, met Willems bijstand naar de landpunt +gebracht.</p> +<p>„Nu, Willem, moet ge eene schop halen en hier een gat graven, +waarin wij dezen stam als een seinstok zetten kunnen. Is dat gedaan, +dan haal ik een klein blok en touw, om de vlaggen, zoodra het schip ze +bemerken kan, aan den stok op te hijschen. Is ’t gat diep genoeg, +dat komt gij aan en doet alsof er niets is voorgevallen. Onder ’t +ontbijt stel ik dan voor, dat wij beiden de boot uit het zand halen en +onderzoeken. Uw vader krijgt zoolang werk, dat hem binnenshuis +houdt.”</p> +<p>„Maar de vlaggen, Flink,—zij hangen voor moeders bed. +Hoe zullen wij die in handen krijgen?”</p> +<p>„Ik zal voorwenden, dat het nu tijd is, om het huis eens +behoorlijk schoon te maken, en daarbij moeten dan de venster- en +bedgordijnen afgenomen en op dezen mooien dag buiten gelucht worden. +Verzoek uw vader daarover het opzicht te houden, terwijl wij de boot +uitgraven. Dat zal allen in huis wel bezighouden.”</p> +<p>„Goed; zoo zal het gaan. Flink.”</p> +<p>Onder het ontbijt zeide Flink, dat hij van plan was om vandaag de +boot uit het zand te graven, en dat Willem hem daarbij best helpen +kon.</p> +<p>„En wat zal ik onderwijl bij de hand nemen?” vroeg +mijnheer Wilson.</p> +<p>„Wel, mijnheer, daar de regen voorbij is, zou het, dunkt mij, +niet kwaad <span class="pagenum">[<a id="pb202" href="#pb202" name= +"pb202">202</a>]</span>zijn, dat wij de bedden eens luchtten. ’t +Is vandaag een warme, mooie dag; als al het beddegoed buiten de deur +gebracht en flink uitgeklopt werd dan kon men het in de zon laten +liggen, en zoo kwam er alweder een noodzakelijk werk +afgedaan.”</p> +<p>„Ja, ja, dat zal zeer goed zijn, Flink,” oordeelde +mevrouw Wilson; <span class="corr" id="xd21e4729" title= +"Niet in bron">„</span>onderwijl kunnen Juno en ik het huis van +boven tot beneden uitstoffen en schoonmaken.”</p> +<p>„Dienden dan de gordijnen ook niet eens afgenomen en in de +lucht gehangen te worden?” vroeg Willem.</p> +<p>„Ja, waarlijk, dat zou zoo kwaad niet zijn,” sprak +Flink. „Bij ’t afnemen der gordijnen en vlaggen willen +wijzelven een handje helpen en ze dan in de lucht uitleggen. Als +mijnheer er niet tegen heeft, kan hij het oppertoezicht over de +schoonmakerij houden en mevrouw en Juno helpen, als zij bijstand noodig +hebben.<span class="corr" id="xd21e4736" title= +"Niet in bron">”</span></p> +<p>„Van harte gaarne,” was het antwoord. „Welnu, het +ontbijt is afgeloopen; zoo zullen we dan maar terstond beginnen, als ge +’t goedvindt.”</p> +<p>Flink en Willem namen de gordijnen en vlaggen af en droegen ze naar +buiten. Op eenigen afstand van de woning werden de eerste op den grond +uitgespreid; maar met de vlaggen liep Willem haastig naar het strand. +Flink haalde blok en lijnen om ze aan den seinstok op te hijschen.</p> +<p>Flinks krijgslist gelukte volkomen. Zonder door de familie gezien te +worden, werd de seinpaal opgericht, in den grond gezet en de vlaggen +tot optrekken gereed gehouden. Vervolgens gingen Flink en Willem naar +den houtstapel. Ieder nam zooveel rijs, als hij dragen kon, om daarmede +een rook te verwekken, die de opmerkzaamheid van het scheepsvolk +trekken moest.</p> +<p>Dit alles nam niet meer dan een uur weg, gedurende welken tijd de +brik haar koers naar het eiland onafgebroken vervolgde. Toen Flink het +schip voor ’t eerst gezien had, was er slechts weinig wind +geweest; onderwijl was de bries echter vrij hevig geworden en de brik +had daarom hare bramzeilen geborgen. Achter het schip was de horizon, +die in den beginne blauw en helder geweest was, allengs met wolken +bedekt geworden en de golven aan de klippen die van het eiland in de +zee uitliepen, werden met wit schuim gekuifd.</p> +<p>„De wind wordt al heviger,” begon Flink; „het +schip moet nu weldra bij ons zijn, als het niet afgeschrikt wordt door +de riffen, die het thans, nu de golven hoog gaan, duidelijker dan te +voren bemerken kan.”</p> +<p>„Ik hoop niet, dat ze zich laten afschrikken,” hernam +Willem. „Hoe ver mag de brik nog wel verwijderd zijn?” +<span class="pagenum">[<a id="pb203" href="#pb203" name= +"pb203">203</a>]</span></p> +<p>„Vijf mijlen omtrent, Willem,—meer niet. De wind is nu +meer naar het zuiden gedraaid en stapelt de wolken ras op. Ik vrees +half, dat wij een duchtigen storm krijgen, ofschoon die niet lang duren +zal. Kom, jongen, laat ons de vlaggen ophijschen; wij mogen niet langer +talmen. Ze zullen braaf in den wind wapperen, zoodat men ze van ginds +af wel al zien kan.”</p> +<p>Zij heschen eerst den langen wimpel op, vervolgens kwam de breede +vlag, waarop de naam van hun verloren schip, De Vrede, met reusachtige +letters geschreven stond.</p> +<p>„Ziedaar,” sprak Flink, nadat de touwen waren +vastgebonden. <span class="corr" id="xd21e4759" title= +"Niet in bron">„</span>Nu zullen we vuur slaan en terdege rook +maken. Dat moet in allen gevalle hunne opmerkzaamheid +trekken.”</p> +<p>Zoodra de kokosbladeren in vlam stonden, werd er water op gegoten, +zoodat zij aan ’t smeulen gingen en een dichte rookkolom er uit +opsteeg.</p> +<p>Het schip naderde in rassche vaart. De beide toeschouwers sloegen +het met gespannen verwachting gade.—Daar op eenmaal zagen zij +vader en moeder, met Thomas en Caroline, ook Juno met den kleinen +Albert op den arm, allen met haastige schreden op het strand +toesnellen.</p> +<p>Ziehier, hoe dit kwam. Thomas, den arbeid moede, had het huis +verlaten en was in zijn eentje naar het strand gestapt. Daar bemerkte +hij eerst de waaiende vlaggen en eindelijk ook het schip, dat naderde. +Oogenblikkelijk rende hij naar huis terug, uit al zijn macht +roepende<span class="corr" id="xd21e4768" title="Bron: ;">:</span> +„Vader! Moeder! Kapitein Osborn is er; hij komt met een groot +schip om ons te halen.” Op dit bericht ijlden beide ouders naar +buiten, ontdekten het schip en de in den wind wapperende vlag en +spoedden zich, gelijk reeds gezegd is, naar Flink en Willem, die bij +den vlaggestok stonden.</p> +<p>„Och, Flink! waarom hebt ge ons dat niet gezegd?” riep +mijnheer Wilson reeds van verre, geheel buiten adem.</p> +<p>„Ik wenschte, dat gij het ook thans nog niet vernomen hadt, +mijnheer,” antwoordde de oude man; „doch dat is te laat. +Het geschiedde voor ’t overige met de beste bedoeling van de +wereld.”</p> +<p>„Ja, waarlijk, dat is zoo, vader!”</p> +<p>Mevrouw Wilson zeeg op de rots neder en brak in tranen uit; haar +echtgenoot was niet minder ontroerd en geschokt.</p> +<p>„Heeft het schip ons reeds opgemerkt, Flink?” vroeg de +laatste eindelijk.</p> +<p>„Neen, mijnheer, nog niet. Dit juist wilde ik afwachten, +voordat ik u de tijding kwam brengen,” was het antwoord.</p> +<p>„De brik verandert haar koers,” merkte Willem aan. +<span class="pagenum">[<a id="pb204" href="#pb204" name= +"pb204">204</a>]</span></p> +<p>„Ja, ja, zij is opgeloefd, waarschijnlijk uit vrees van te na +op de klippen te zullen komen.”</p> +<p>„Zij zal ons toch niet verlaten?” riep mevrouw Wilson +angstig.</p> +<p>„Neen, mevrouw; maar men heeft ons nog niet gezien.”</p> +<p>„Maar nu—nu ziet men ons!” riep Willem en +slingerde zijne muts in de hoogte. „Ziet maar, de brik heeft hare +vlag geheschen.”</p> +<p>„Waarlijk! thans heeft zij ons ontdekt.”</p> +<p>Mijnheer Wilson omarmde zijne echtgenoote, die zich snikkend aan +zijn hals wierp, kuste vol verrukking zijne kinderen en schudde den +ouden Flink vol dankbaarheid de hand. Hij was geheel uitgelaten van +vreugde. Willem was niet minder verrukt, Juno weende en lachte, alles +in één adem, en Thomas vatte de kleine Caroline bij de +handjes en danste met haar om den vlaggestok rond.</p> +<p>Zoodra het gezelschap iets kalmer geworden was, merkte Flink +aan:</p> +<p>„Dat zij ons gezien hebben, mijnheer, daaraan is thans geen +twijfel meer. Wij hebben nu niets haastigers te doen, dan onze boot uit +het zand te halen. Wijzelven kennen wel den doorgang door de klippen, +maar die op het schip niet. Ik twijfel overigens, of zij wel wagen +zullen, voordat de wind eenigszins bedaard is, eene sloep naar wal te +sturen. Gij ziet zelf, mijnheer, de wind is op dit oogenblik vrij +sterk.”</p> +<p>„Maar gij gelooft toch niet, Flink, dat het nog harder zal +beginnen te waaien?”</p> +<p>„Ik moet het u, helaas, bekennen, mijnheer,—ja, dat +geloof ik. Naar het zuiden ziet de hemel er vrij dreigend uit, en +voordat de storm voorbij is, kunnen zij zich moeielijk wagen aan een +eiland, dat gelijk het onze, zoo rondom van de klippen en riffen +omgeven is. ’t Zou inderdaad hoogst roekeloos van hen wezen, als +zij het deden. Doch dit alles moet zich binnen weinige uren +uitwijzen.”</p> +<p>„Maar zelfs als de storm losbreekt, zullen zij toch zekerlijk +het eiland niet verlaten zonder ons mede te nemen?” merkte +mevrouw Wilson aan. „Nadat de storm voorbij is, keeren zij zeker +wel terug.”</p> +<p>Flink zeide niets. De brik had intusschen andermaal gewend, alsof +zij op het eiland wilde aansturen. Weldra echter lag zij weder den wal +uit met den steven noordwaarts.</p> +<p>„Zij verlaat ons!” riep Willem bedroefd.</p> +<p>„Laaghartige schurken!” viel mijnheer Wilson vertoornd +uit.</p> +<p>„Gij geeft hun ten onrechte een zoo harden naam, +mijnheer,” antwoordde Flink. „De storm verheft zich met +geweld en ’t zou zeer gevaarlijk voor hen zijn, als ze daar, waar +ze thans zijn, blijven wilden.” <span class="pagenum">[<a id= +"pb205" href="#pb205" name="pb205">205</a>]</span></p> +<p>Mijnheer Wilson keerde zich tot zijne gade en gaf haar met een +bedrukt gezicht den arm. Zonder een woord te spreken verlieten zij het +strand. De overige familie volgde hen,—alleen Flink bleef bij den +vlaggestok achter. Hoe treurig stak deze doodsche verslagenheid bij de +luidruchtige vreugde af, waarmede zij het huis hadden verlaten!</p> +</div> +</div> +<div id="ch44" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">VIER-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">SPOREN VAN EILANDERS.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Bij zijne thuiskomst vond Flink allen in zoo diepe +treurigheid verzonken, dat hij het niet raadzaam achtte een enkel woord +te spreken. Zoo viel de avond en naderde tijd om naar bed te gaan.</p> +<p>Dien ganschen nacht bulderde de storm onophoudelijk door en het +water werd met emmers uit den hemel gegoten. De kinderen sliepen +gerust, zooals altijd; maar vader en moeder, Willem en Flink deden geen +oog toe, luisterden naar de windvlagen en hielden zich ieder met zijne +eigene gedachten bezig. Sedert hunne komst op het eiland was dit de +onrustigste nacht, dien zij nog beleefd hadden.</p> +<p>Al vóór dag en dauw was Flink in de kleeren en reeds +vóór het opgaan der zon stond hij aan het strand. De +storm had nu zijne grootste hevigheid gehad; maar hoe angstig en scherp +hij ook met zijn kijker rondzag,—van het schip van gisteren was +geen zweem meer te ontdekken.</p> +<p>Hij bleef aan de kust, totdat de tijd van het ontbijt kwam; toen +kwam Willem, om hem te halen en beiden keerden naar huis terug. Bij +zijne komst vond hij mijnheer en mevrouw Wilson bedaarder en kalmer, +dan zij den dag te voren geweest waren. Beiden heetten hun hartelijk +welkom.</p> +<p>„Ik vrees<span class="corr" id="xd21e4836" title= +"Niet in bron">,</span> Flink, dat gij ons weinig goede tijding +brengt,” zeide mijnheer Wilson.</p> +<p>„Waarom dat? Voor ’t overige kunt gij die ook niet +verwachten, voordat de storm geheel en al voorbij is.”</p> +<p>„Zeg mij, Flink,” vroeg mevrouw, „gelooft gij +waarlijk, dat het schip tot ons zal terugkomen?”</p> +<p>„Ik zal u al onze uitzichten doen kennen, mevrouw; meer kan ik +toch bezwaarlijk doen. Zoolang de storm aanhield, kon het schip hier +onmogelijk blijven; dat kunt gij zelve wel begrijpen. Wat de orkaan ten +gevolge had, <span class="pagenum">[<a id="pb206" href="#pb206" name= +"pb206">206</a>]</span>weet niemand onzer te zeggen. Misschien is de +brik in onze nabijheid, als de wind gaat liggen; misschien ook werd zij +door den wind ettelijke honderden mijlen van ons +weggedreven.—Dan, mevrouw, komt de tweede mogelijkheid. Uit de +nadering van het schip tot ons eiland, leid ik af, dat het gebrek aan +het water had. Nu is de vraag of de kapitein misschien niet geraden +acht, om zonder zich verder om ons te bekommeren in de voor hem +bestemde haven binnen te loopen of op eene andere plaats water in te +nemen. Gij weet, mevrouw, dat een kapitein bovenal op ’t belang +van zijne reeders heeft te letten. Wel geloof ik, dat het schip, als +dat zonder nadeel geschieden kan, ongetwijfeld zal terugkeeren. De +eerste vraag is maar—of het kan, dan komt de tweede: of de +kapitein menschlievend genoeg is, om voor ongelukkige medemenschen iets +over te hebben.”</p> +<p>„In dat alles ligt maar weinige troost voor ons opgesloten, +Flink.”</p> +<p>„Maar wat helpt het ook, mijnheer, of wij ons met valsche +verwachtingen vleien en de oogen verblinden?” was het antwoord. +„Evenwel zelfs als het schip zijne reis vervolgde en wij het niet +meer te zien kregen, geloof ik toch dat wij alle reden hebben om blijde +te zijn.”</p> +<p>„En waarom dan<span class="corr" id="xd21e4854" title= +"Niet in bron">,</span> Flink?”</p> +<p>„Wel, mijnheer, vóór de komst van dat schip wist +geen menschelijke ziel, of wij nog in leven waren of niet, en zoo zou +ook niemand naar ons gezocht hebben. Nu evenwel is dit bekend. Uit den +scheepsnaam op onze vlag weten ze wie we zijn, en als ze nu behouden in +de haven aankomen, zullen ze niet nalaten daarvan aan onze vrienden +bericht te brengen. En hebben wij niet alle reden om daarover recht +verheugd te zijn? ’t Kan wezen, dat wij door dit schip niet +verlost worden; maar dan hebben wij althans alle hoop, dat een tweede +naar ons wordt uitgezonden.”</p> +<p>„Dat is waar, Flink. Dat had ik al vroeger moeten bedenken; +maar mijne teleurstelling en mijne wanhoop waren gisteren zoo groot, +dat ik geen redelijk mensch meer was.”</p> +<p>De storm hield nog den ganschen dag aan en scheen nog niet te willen +bedaren, toen zij zich andermaal ter ruste begaven. Den volgenden +morgen was Flink als naar gewoonte weder vroeg op, en ditmaal +vergezelde Willem hem naar het strand.</p> +<p>„Flink! Flink!” riep Willem en wees naar de +zuidoostelijke punt van de klippen. „Wat is dat?—Zie maar! +het is eene boot!”</p> +<p>Flink bracht den kijker aan ’t oog. „Het is eene kano, +Willem; en mij dunkt, er zijn menschen in.”</p> +<p>„Maar, Flink, waar kunnen die vandaan komen? Zie eens, nu zijn +zij <span class="pagenum">[<a id="pb207" href="#pb207" name= +"pb207">207</a>]</span>tusschen de klippen; daar gaan zij immers te +gronde<span class="corr" id="xd21e4871" title="Bron: ,">.</span> Kom, +Flink, laat ons hun te gemoet gaan.”</p> +<p>Zij snelden beiden naar het strand op het punt aan, waar de boot op +de branding voortdanste en wachtten totdat deze op den oever werd +geworpen.</p> +<p>„Willem, die kano moet van het groote eiland ginds hierheen +zijn gedreven,” zeide Flink, wederom door zijn kijker ziende. +„Er zijn twee menschen in en dat zijn inlanders. De arme +schepsels worstelen hard om hun leven en schijnen doodelijk uitgeput. +Doch ’t gevaarlijkste gedeelte van de klippen hebben zij toch +reeds achter zich!”</p> +<p>„Ja,” antwoordde Willem; „spoedig komen ze in +stiller water. Die branding hier aan het strand is evenwel toch al heel +erg.”</p> +<p>„Die zal hun geen kwaad doen, als de kracht hun slechts niet +begeeft. Waarlijk, ze weten recht goed met hun kano om te +gaan.”</p> +<p>Onder dit gesprek was de kano met snelheid de kust genaderd. Een +oogenblik later schoot hij door de branding heen en boorde vast in het +zand. De beide menschen daarin hadden ternauwernood nog kracht genoeg +gehad, om door de branding heen te roeien<span class="corr" id= +"xd21e4885" title="Bron: ,">;</span> toen dit gebeurd was, zegen zij +uitgeput op hunne riemen neder.</p> +<p>„Wij zullen den kano verder ophalen, Willem. De arme schepsels +kunnen geen vinger meer verroeren.”</p> +<p>Nu eerst ontdekte Flink, dat de eilanders beiden van het vrouwelijk +geslacht waren. Hare gezichten waren heel getatoeëerd of met +allerlei vreemde figuren beprikt, wat haar een vreemd voorkomen gaf; +maar voor ’t overige waren zij nog jong en zagen er lang niet +slecht uit.</p> +<p>„Zal ik naar huis loopen en wat eten voor haar halen?” +vroeg Willem.</p> +<p>„Ja, jongen, doe dat. Juno zal u wel wat geven, en als +’t kan, wat warms.”</p> +<p>Willem keerde spoedig met eene gortepap terug, die Juno nog van het +ontbijt had overgehouden en waarvan zij de wilden eenige lepels in den +mond goten, die daarna weldra eenigszins schenen te bekomen. Hierop +liet Willem den ouden Flink bij haar achter en liep naar huis, naar +vader en moeder, om die van de onverwachte gebeurtenis kennis te geven. +Kort daarna kwam hij met zijne moeder terug. De beide wilden waren +intusschen zoover gekomen, dat zij zich oprichten konden, en allen +spanden nu dadelijk hunne krachten in, om den kano zoo ver zij konden +op het land te trekken, ten einde te verhinderen, dat zij door de +golven werd in stukken geslagen.</p> +<p>Zij vonden in de boot niets dan eene kleine mat, benevens de beide +riemen, waarvan de vrouwen zich bediend hadden. De laatste zoowel als +de boot zelve waren op eene heel wonderlijke wijze gemaakt. +<span class="pagenum">[<a id="pb208" href="#pb208" name= +"pb208">208</a>]</span></p> +<p>„Ge ziet, mijnheer,” zeide Flink tot mijnheer Wilson, +„de beide arme schepsels waren zekerlijk tot bewaking in den kano +achtergebleven en zijn nu door den storm van een der zuidoostelijke +eilanden afgedreven. Ze moeten sinds eergisteren met den orkaan gekampt +hebben en hebben in <span class="corr" id="xd21e4903" title= +"Bron: aldien">al dien</span> tijd denkelijk nat noch droog over de +lippen gehad. ’t Is waarlijk een geluk voor haar, dat zij op ons +eiland aandreven.”</p> +<p>„Ja, inderdaad,” hernam mijnheer Wilson. „Voor +’t overige moet ik evenwel zeggen, dat mij zulk een bezoek niet +bijzonder verblijdt. Het is een bewijs voor hetgeen wij tot hiertoe nog +niet met zekerheid geweten hebben, dat wij, namelijk, dichtbij buren +hebben, die ons misschien wel eens heel ten onpas met een bezoek konden +vereeren.”</p> +<p>„Dat is licht mogelijk, mijnheer,” antwoordde Flink: +„maar de arme schepsels die zoo bij ons komen aanspoelen, kunnen +’t geval noch erger noch beter maken. Misschien kan het ons zelfs +tot voordeel strekken; want als deze twee wilden Engelsch leeren, +voordat hare landgenooten ons komen opzoeken, kunnen zij ons tot tolken +dienen en zoo misschien tot de redding van ons leven +bijdragen.”</p> +<p>„Zou zulk een bezoek dan zoo gevaarlijk voor ons uitvallen +Flink?”</p> +<p>„Wel, wilden zijn eens en voor al wilden. Evenals kleine +kinderen, verlangen zij naar alles wat hun in de oogen blinkt, +inzonderheid naar zulke dingen, waarvan zij het gebruik kennen, zooals +ijzer bij voorbeeld. Als zij hierheen kwamen en wij een deel van onze +goederen verborgen, maar ’t overschot aan hen overleverden, dan +konden wij ons leven misschien nog redden. Evenwel kan men ook in dat +geval niet veel op hen vertrouwen, en ik zou stellig aanraden ons ook +tegen eene groote overmacht te verweren, liever dan ons op genade of +ongenade over te geven.”</p> +<p>„Maar, zouden we ons dan ooit met mogelijkheid tegen zulk eene +groote menigte verdedigen kunnen?”</p> +<p>„We moeten behoorlijk zijn voorbereid, mijnheer. Als we ons +maar goed verschanst hebben, kunnen we het tegen een paar honderd wel +opnemen.”</p> +<p>Mijnheer Wilson sloeg de hand aan het voorhoofd.</p> +<p>„’t Is waarlijk niet heel troostrijk,” zeide hij, +na eene poos, „nu op dit oogenblik aan een verdedigingsplan tegen +de wilden te moeten denken, nadat wij voor twee dagen nog hoop hadden +van dit eiland verlost te worden. O, dat die brik zich nog weer liet +zien<span class="corr" id="xd21e4923" title= +"Bron: ?">!</span>”</p> +<p>„De wind gaat langzamerhand liggen, mijnheer!” +antwoordde Flink<span class="corr" id="xd21e4928" title= +"Niet in bron">,</span> „nog vóór den avond hebben +wij kostelijk weer. We kunnen immers later overleggen; in allen gevalle +geef ik deze eerste week alle hoop nog niet op.” <span class= +"pagenum">[<a id="pb209" href="#pb209" name="pb209">209</a>]</span></p> +<p>„Eene heele week, Flink! Och, hoe waar is het, dat +teleurgestelde hoop den mensch geheel wanhopig maakt!”</p> +<p>„’t Is een zware ramp, mijnheer Wilson; evenwel moeten +wij ons schikken. Voor het tegenwoordige zouden we ’t best doen, +als wij deze arme schepsels maar onder dak brachten en maakten, dat ze +weer wat bijkwamen.”</p> +<p>„Ja, Flink; mij dunkt, teekens zullen ze toch wel +verstaan?”</p> +<p>De oude man beduidde haar nu door teekens, dat ze zouden opstaan. +Dit deden zij ook, hoewel niet zonder zwarigheid. Toen ging hij vooruit +en gaf haar een teeken, dat ze volgen zouden. Zij begrepen hem en +poogden te loopen, maar waren zoo zwak, dat zij op den grond zouden +zijn neergevallen, als mijnheer Wilson en zijn zoon haar niet +vastgehouden hadden.</p> +<p>Er was een lange tijd noodig, voordat men haar in het woonhuis had +gebracht. Mevrouw, die van alles onderricht was, ontving haar zeer +vriendelijk, en Juno had een tafel gedekt, die nu voor haar werd +nedergezet. Zij aten een weinig en legden zich toen neder, waarop zij +weldra in diepen slaap verzonken.</p> +<p>„’t Is een geluk voor ons, dat het vrouwen zijn,” +merkte mijnheer Wilson aan; „als het mannen geweest waren, zouden +wij er erger aan toe zijn geweest.”</p> +<p>„Ja, zeker<span class="corr" id="xd21e4947" title= +"Niet in bron">,</span>” hernam Flink; „evenwel mogen wij +ook de vrouwen in den beginne niet al te veel vertrouwen, want ze zijn +en blijven altijd wilden. Als wij nog langer op dit eiland moeten +blijven, kunnen zij in vele opzichten nuttig, ja, zelfs van groote +waarde voor ons zijn, daar zij ons veel werk kunnen helpen +verrichten.”</p> +<p>„Maar waar zullen wij haar van nacht onder dak brengen, +Flink?”</p> +<p>„Ik dacht daar juist over, mijnheer. Ik wenschte, dat wij hier +dichtbij eene loods of een schuurtje hadden; doch bij gemis daarvan +moeten wij haar wel in het magazijn laten slapen.”</p> +<p>„O ja, dat zal zeer goed gaan.”</p> +<p>De vreemde vrouwen hadden zich spoedig van hare uitputting hersteld +en schenen zeer zacht en handelbaar te zijn. Wat zij doen konden, deden +zij gaarne en gewillig en ook hadden zij na verloop van veertien dagen +reeds eenige Engelsche woorden geleerd. Een nieuw tochtje over het +eiland werd afgesproken en op den aanstaanden Maandag vastgesteld, toen +hen een nieuwe ramp trof, die al hunne gemaakte plannen overhoop +wierp.</p> +<p>Des Zaterdagsmorgens, toen Flink als gewoonlijk zijne ronde deed, +daalde hij juist naar het strand neer, toen hij den Indiaanschen kano +vermiste. <span class="pagenum">[<a id="pb210" href="#pb210" name= +"pb210">210</a>]</span>Hij was geheel uit het water opgehaald geworden +en kon dus onmogelijk zijn weggedreven.</p> +<p>Flink ontstelde op dat gezicht. Hij richtte zijn kijker naar den +kant van het groote eiland en meende op verren afstand een donker punt +op het water te ontdekken. Terwijl hij daar nog stond te turen, kwam +Willem ook aan het strand en voegde zich bij zijn ouden vriend.</p> +<p>„Ach, Willem,” riep Flink, „ik vrees, dat de +vrouwen in haren kano ontsnapt zijn. Ga schielijk heen en zie of ze ook +in het magazijn of ergens anders zijn en kom mij dan terstond zeggen, +hoe het is.”</p> +<p>Willem keerde na weinige minuten ademloos terug en meldde, dat de +wilden nergens te vinden waren en bovendien nog eene menigte groote +spijkers en andere stukken ijzerwerk, die in kleine vaatjes in het +magazijn gestaan hadden, moesten hebben medegenomen.<a id="xd21e4968" +name="xd21e4968"></a></p> +<p>„Dat is leelijk, Willem,—waarlijk heel leelijk; het is +voor ons een veel grooter ongeluk, dan dat het schip niet is +teruggekomen.”</p> +<p>„O, Flink, wij zullen ons zonder haar ook wel +redden.”</p> +<p>„Ja, dat wel. Maar als de vrouwen tot haar volk terugkeeren en +daar het ijzer vertoonen, dat ze hebben medegebracht; als ze vertellen, +dat er bij ons nog veel meer te krijgen is,—dan kunt ge er op +rekenen, dat wij spoedig een talrijk bezoek van hare landslieden +krijgen zullen, die meer van ons eigendom halen willen. Ik had daarop +bedacht moeten zijn en den kano niet hier gelaten of haar zelfs +verbrand moeten hebben. Wij moeten dadelijk bij uw vader gaan en met +hem beraadslagen, want hoe eer wij met ons werk aanvangen, des te beter +voor ons. Kom, Willem, kom;—maar vergeet niet uwe moeder de zaak +zoo licht voor te stellen als mogelijk is.<span class="corr" id= +"xd21e4977" title="Niet in bron">”</span></p> +<p>Zoodra zij bij mijnheer Wilson waren, deelden zij hem het +rampspoedige nieuws mede. Hij begreep dadelijk het gevaar, dat er +bestond, doch achtte het raadzaam zijne vrouw daar terstond mee bekend +te maken en haar niets te verbergen. Daarna hielden zij een krijgsraad, +waarbij het volgende plan werd ontworpen.</p> +<p>In de eerste plaats scheen het noodzakelijk het magazijn in een +blokhuis te veranderen, zoodat het iederen vreemdeling onmogelijk moest +worden daarin door te dringen. Zoodra de verschansing voltooid was, +moest de woning naar het magazijn verlegd worden. De voorraad, waarvoor +in het nieuwe blokhuis geene plaats was, moest in hunne tegenwoordige +woning bewaard blijven of in het kokosbosch verborgen worden. Eerst +nadat al deze veiligheidsmaatregelen tegen een onverwachten aanval +genomen waren, wilde <span class="pagenum">[<a id="pb211" href="#pb211" +name="pb211">211</a>]</span>men de vroeger ontworpen plannen ten +uitvoer brengen. Des Maandags wilden zij aan het werk beginnen.</p> +<p>„Ik weet niet hoe het komt, maar ik gevoel thans, nu er gevaar +voor oogen is, oneindig meer moed, dan toen er nog weinig of niets te +vreezen was,” zeide mevrouw Wilson.</p> +<p>„Daar twijfel ik volstrekt niet aan, mevrouw. Ik ben +integendeel overtuigd dat indien uw moed op de proef mocht worden +gesteld, gij die zekerlijk ook zult blijven toonen.”</p> +</div> +</div> +<div id="ch45" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">VIJF-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">KRIJGSRAAD.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Niettegenstaande zij in den beginne alles gedaan +hadden om elkanders moed en vertrouwen op te wekken, bevonden onze +vrienden zich nu toch in zulk een pijnlijken toestand van angst en +verwachting, dat de eerste drie weken na het plotseling verdwijnen van +het schip, ondanks alle plannen en beraadslagingen, in volstrekte +werkeloosheid voorbijgingen, daar zij zich nu eens met de hoop vleiden, +dat het gewenschte schip nog terugkeeren kon, en dan weder bezorgde +blikken naar het eiland wierpen, om zich te overtuigen, dat nog geene +groote vloot van kano’s tot hun verderf in aantocht was.</p> +<p>Zoo waren zij dan ook eens op een morgen met zonsopgang in de +nabijheid van den schildpadvijver en namen den ganschen gezichtseinder +met hun kijker op. Toen begon Flink, zich tot mijnheer Wilson +wendende:</p> +<p>„Waarlijk, mijnheer, die staat van werkeloosheid mag toch niet +langer zoo aanhouden. Voorleden nacht kwam ik op een goeden inval en ik +geloof u thans een voorslag te kunnen doen, dien gij denkelijk zult +goedkeuren. Zoo, dacht ik, moesten we nu maar terstond een krijgsraad +houden en tot een besluit zien te komen.”</p> +<p>„Van harte gaarne, Flink,” antwoordde mijnheer Wilson en +zette zich op een rotsblok neder. „Gij zijt de oudste en +ervarenste van ons drieën;—laat ons hooren, wat gij hebt +voor te slaan.”</p> +<p>„Welnu, mijnheer. Naar ’t mij voorkomt, mogen wij niet +langer in ons huis blijven, want wij konden daar, gelijk ik zeide, +ieder uur van den nacht door de wilden verrast worden en zijn er tegen +overmachtige vijanden zonder alle middelen van verdediging.” +<span class="pagenum">[<a id="pb212" href="#pb212" name= +"pb212">212</a>]</span></p> +<p>„Dat zie ik wel in en heb ik reeds geruimen tijd +ingezien,” was het antwoord; „doch wat zullen we doen? +Zullen wij naar de westkust terugkeeren?”</p> +<p>„Mij dunkt neen, mijnheer,” hernam Flink. „Mijn +voorslag is <span class="corr" id="xd21e5011" title= +"Bron: : deze">deze:</span> wij hebben in ’t zuiden van ’t +eiland een ontdekking gedaan, die voor ons van groot gewicht is. Ik +bedoel daarmee echter niet de vruchten en planten, die wij gevonden +hebben, want deze zijn wel van veel waarde, maar zullen ons slechts +gedurende den zomertijd een desnoods ontbeerlijk genot aanbieden. Groot +nut verleent ons ook het voeder voor het vee, dat wij daar ontdekt +hebben, vooral gedurende den regentijd, maar het hoofdvoordeel brengt +ons dat met yamswortels bezet stuk land aan, dat ons voedsel voor den +winter zal geven. Ze zijn voor ons van het grootste belang en we kunnen +ze niet spoedig genoeg tegen de zwijnen beschutten, die ze ongetwijfeld +met wortel en al opwroeten, als we dat niet tijdig voorkomen. Nu weet +ge zeer goed, mijnheer, wat we vroeger besloten, maar niet volvoerd +hebben. Ik geloof echter, dat de kokosheining nu te veel tijd zal +wegnemen en ’t wel voldoende zal zijn, als wij de yamswortels met +sloot en heg omheinen. Als we daarbij echter gedurig weer naar ons huis +terugkeeren en mevrouw met de kleinen alleen laten moesten, zou dat +zeer lang aanhouden,—en dus stel ik voor, om, daar ’t weder +zoo geheel is opgeklaard en nu wel maanden lang goed blijven zal, onze +tenten daar ter plaatse op te slaan en met de gansche familie naar de +zuidkust te trekken. Zij zullen daar binnenkort geheel thuis en in +allen gevalle veel veiliger zijn, dan als zij zonder eenige verdediging +hier achterbleven.”</p> +<p>„Een uitmuntende raad, Flink; wij worden daardoor zooals gij +opmerkt, voorloopig aan het gevaar onttrokken, en zijn wij eenmaal +daar, dan kunnen wij altijd nog overleggen wat voor ons het beste +is.”</p> +<p>„Juist, mijnheer. Misschien hebben onze vluchtelingen het +eiland in ’t geheel niet bereikt, want de eerste dagen, nadat zij +ons eiland verlieten, hadden zij den wind vlak tegen, en bovendien is +de stroom in deze richting zeer sterk. Zijn ze echter werkelijk +behouden aangeland, dan moeten wij ons op een bezoek van de wilden +voorbereid houden, en als die landen, komen zij natuurlijk regelrecht +op onze tegenwoordige woning aan.”</p> +<p>„Gij wilt toch niet, Flink, dat wij dit gedeelte van ’t +eiland en al de gemakkelijke inrichtingen, die wij er tot stand +brachten, voor altijd verlaten?” vroeg Willem.</p> +<p>„Ei, zeker niet voor altijd, mijn beste Willem; en daarmee kom +ik tot het tweede gedeelte van mijn voorstel.—Zoodra wij met ons +yamsplantsoen <span class="pagenum">[<a id="pb213" href="#pb213" name= +"pb213">213</a>]</span>gereed zijn en alles zoo goed mogelijk in orde +hebben, laten wij mevrouw en de kinderen achter en gaan hier weder aan +den arbeid. Zooals bepaald is, moeten wij ons tegenwoordig woonhuis +opgeven en ons magazijn, dat in het bosch verscholen ligt, tot woning +inrichten en zoodanig versterken, dat wij tegen elken onverhoedschen +aanval van de wilden gedekt zijn; want in eene vaste woning moeten wij +in elk geval terugkeeren, daar wij, als het regenseizoen invalt, niet +meer onder de tenten kunnen blijven.”</p> +<p>„Hoe wilt gij het magazijn dan verschansen, Flink?” +vroeg mijnheer Wilson. „Daarvan weet ik niets.—Wat is zulk +een blokhuis eigenlijk?”</p> +<p>„Dat zal ik u bij gelegenheid uitleggen.—Nu, echter, +mijnheer, komt er nog velerlei. Als de wilden hierheen komen, moeten +wij ons in allen gevalle met vuurwapens tegen hen kunnen verdedigen. +Een enkel man met een geweer achter eene palissade is beter dan +twintig, die alleen met knotsen en lansen gewapend zijn, en +zóó slechts mogen wij hopen onze vijanden op de vlucht te +slaan.”</p> +<p>„Naar het mij voorkomt, is uw plan voortreffelijk, +Flink,” antwoordde mijnheer Wilson. „Hoe spoediger wij +daarmee beginnen, des te beter zal het voor ons zijn.”</p> +<p>„Daar is geen twijfel aan, mijnheer. Het eerste moet wezen, +dat Willem en ik op deze zijde van de klippen een doorgang voor onze +boot opzoeken; dan zullen wij naar de kleine haven omzien, die wij +reeds vroeger ontdekt hebben. Zoodra dit geschied is, keeren wij terug, +brengen tenten en al het noodige in de boot, en hebben wij die eerst +opgeslagen en alles behoorlijk in orde gebracht, dan kan mevrouw met de +kinderen met ons door het bosch trekken en ze in bezit nemen.—Als +we ’t nu over de zaak eens zijn, mijnheer<span class="corr" id= +"xd21e5033" title="Niet in bron">,</span> moesten wij maar zoo spoedig +mogelijk beginnen, want wij hebben zeer veel te doen en mogen niet +vergeten, dat wij, voordat wij met het blokhuis aanvangen, eerst nog +een bezoek op de westkust moeten afleggen, om spijkers en andere +benoodigdheden te halen, en als wij daar toch eens bij zijn, kunnen wij +evengoed ook eene geheele monstering over onzen <span class="corr" id= +"xd21e5036" title="Bron: vooraad">voorraad</span> houden.”</p> +<p>„Wij willen geen dag, geen uur verliezen, Flink; er is toch al +te veel tijd verloren geraakt,” antwoordde mijnheer Wilson. +„Wat zullen wij vandaag bij de hand nemen?”</p> +<p>„Bij het ontbijt zullen wij aan mevrouw ons plan mededeelen; +daarna ga ik met Willem in de boot en zoek eene doorvaart. Gij zelf, +mijnheer, kunt hier blijven en de tenten en al de verdere artikelen, +die wij bij de eerste <span class="pagenum">[<a id="pb214" href= +"#pb214" name="pb214">214</a>]</span>vaart meenemen, bijeenpakken, en +wij zullen, denk ik, tegen het middageten terug zijn.”</p> +<p>Met deze woorden stonden zij op en gingen op het huis aan. Allen +voelden zich innerlijk verlicht, nadat het nieuwe arbeidsplan ontworpen +was, en verheugden zich in het vooruitzicht, dat zij nu alle +menschelijke kracht zouden inspannen, om het hun dreigend gevaar +<span class="corr" id="xd21e5047" title="Bron: of">af</span> te +wenden.</p> +</div> +</div> +<div id="ch46" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">ZES-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">THOMAS EN DE KREEFT.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Het nieuwe plan werd onder ’t ontbijt aan +mevrouw Wilson medegedeeld, en daar zij wel inzag hoe zij daarbij veel +veiliger dan tot hiertoe zijn zouden, gaf zij van harte gaarne hare +toestemming.</p> +<p>Het duurde geen uur, of Flink en Willem hadden de boot in +gereedheid, waarmee zij tusschen de klippen doorroeiden, om eene +doorvaart te zoeken, welke zij ook spoedig, pas twee of drie +kabelslengten van de landpunt, gelukkig ontdekten.</p> +<p>„Dat is een groot geluk, mijn goede Willem,” riep Flink, +„maar nu moeten wij ook een merkteeken zoeken, om den terugweg +spoedig te vinden. Ziet gij die lange zwarte klip ginds;—zij ligt +in eene rechte lijn met den tuin, en als wij dus beide op elkaar +gericht hebben, weten wij dat wij ons in het eigenlijke kanaal +bevinden. Nu hebben wij nog slechts een teeken recht voor ons uit +noodig, om te zien, wanneer wij het kanaal moeten inloopen.”</p> +<p>„Zie Flink, de punt van den schildpadvijver loopt immers recht +op den rechterzijwand van ons huis aan,” hernam Willem.</p> +<p>„Goed opgemerkt; dat kan ons dienen. Nu zullen wij er wakker +op los roeien, zoodat wij tijdig terug kunnen zijn.”</p> +<p>Zij bevonden zich weldra op de zuidzijde van het eiland en roeiden +langs den kust voort.</p> +<p>„Hoe ver schat gij den weg te water, Flink?”</p> +<p>„Dat weet ik zoo juist niet, mijn jongen; mij dunkt echter +vier of vijf mijlen, en zoo mogen wij wel op een goed uur dapper +roeiens rekenen. In allen gevalle kunnen wij met dezen wind, hoe zwak +ook, terugzeilen.”</p> +<p>„Wij zijn thans in zeer diep water,” merkte Willem na +lang zwijgen aan.</p> +<p>„Ja, Willem. Op deze zijde van het eiland kunnen wij dat ook +niet anders <span class="pagenum">[<a id="pb215" href="#pb215" name= +"pb215">215</a>]</span>verwachten, want de koralen wassen alleen op de +zijde, die aan den wind blootstaat. Mij dunkt, wij kunnen van de kleine +haven, die wij onlangs ontdekten, thans niet ver meer verwijderd zijn. +Gij ziet, wij hebben het weideland en de boomgroepen reeds voor oogen. +We zullen een poosje met roeien ophouden en de kust eens bedaard +opnemen.”</p> +<p>„Daar zijn twee rotsen dicht aan den oever, Flink,” riep +Willem met den vinger wijzende. „Weet gij nog wel: ook aan de +buitenste zijde van onze haven stonden twee of drie zulke rotsen dicht +bij elkander.”</p> +<p>„Juist zoo, Willem, en ’t zou mij volstrekt niet +verwonderen, als gij den spijker op den kop had geslagen. Laat ons er +eens heen roeien.”</p> +<p>Zij deden dit en bevonden, tot hunne groote blijdschap, dat zij +werkelijk in de haven waren, waar het water zoo glad en effen als in +een vijver was.</p> +<p>„Welnu, beste jongen, dan zullen wij maar terstond onzen mast +opzetten en op ons gemak naar huis zeilen.”</p> +<p>„Wacht nog een oogenblik, Flink; geef mij den bootshaak eens. +Ik zie daar wat tusschen de klippen omkrabbelen.<span class="corr" id= +"xd21e5088" title="Niet in bron">”</span></p> +<p>Flink gaf den bootshaak aan Willem, die daarmee in het water roerde +en met de ijzeren punt een grooten zeekreeft ophaalde, dien hij met een +ruk in de boot slingerde.</p> +<p>„Dat is weer een kostelijke schotel op onze tafel,” +zeide Flink. „Wij komen dus niet met ledige handen terug en +zullen des te meer welkom zijn. Doch nu dienen we ons ook te reppen, +want we moeten hedennamiddag nog eens en dan wel met een volle lading +hierheen roeien.”</p> +<p>De mast werd opgezet, en zoodra zij met de boot buiten de haven +waren, werd het zeil opgeheschen. In minder dan een uur hadden zij de +landingsplaats bij het woonhuis wederom bereikt.</p> +<p>Willem had den zeekreeft, die slechts ééne schaar had, +uit de boot gebracht en Juno een tweeden waterketel op het vuur gezet, +om dien als een toegift voor het middagmaal te koken.</p> +<p>Thomas trad met zijn zusje Caroline toe, om het beest te bekijken. +Toen hij dit echter genoeg bewonderd had, begon hij het, als naar +gewoonte, te plagen en te kwellen, evenals hij dat op de Kaap ook reeds +den leeuw had gedaan. Eerst stiet hij het met een stok naar de oogen, +toen beproefde hij den staart recht te trekken;—het dier sloeg +echter naar hem en liep weg.</p> +<p>Eindelijk echter wilde hij zijn stok het dier zelfs in den bek +steken; toen hief dit zijn grooten nijper op, pakte hem bij het +gewricht van de hand en klemde zich daar zoo stevig aan vast, dat +Thomas het van pijn uitgilde en als razend met den kreeft aan den arm +ronddanste. Gelukkig voor hem was <span class="pagenum">[<a id="pb216" +href="#pb216" name="pb216">216</a>]</span>het beest reeds zoo lang +buiten het water en <span class="corr" id="xd21e5106" title= +"Bron: bovenndien">bovendien</span> zoo hevig door de ijzeren punt van +den bootshaak getroffen, dat het meer dan halfdood was. Anders zou het +den knaap zwaar gekwetst hebben.</p> +<p>Flink schoot toe en maakte den kreeft van hem los; doch Thomas was +zoo ontsteld, dat hij het hazenpad koos en eerst met loopen ophield, +toen hij wel honderd passen van huis was verwijderd. Daarover schoten +Flink en Juno zoo hartelijk in den lach, dat de tranen hun over de +wangen rolden.</p> +<p>Thomas scheen er zeer gebelgd over, dat hij zich op zoodanige manier +moest laten uitlachen; hij zette zich, na zijne wedloop volbracht te +hebben, pruilend neer en wachtte, totdat hij het eten zag opdragen. +Toen kwam hij eindelijk terug, ofschoon nog altijd met een benepen +gezicht. Den kreeft op tafel ziende komen, scheen hij nog voor zijn +vijand beangst, ofschoon deze nu dood was.</p> +<p>„Nu, Thomas!” zeide zijn vader, „ik denk dat gij +van den kreeft toch niet zult willen eten.”</p> +<p>„Niet eten?” riep Thomas uit. „O ja, ik wil hem +eten, juist omdat hij mij opeten wou.”</p> +<p>„Wat wilt ge er dan voor een stuk van,—de schaar +misschien?” vroeg mijnheer Wilson.</p> +<p>„Ja, de schaar! Dat ondeugende dier,—laat het daar eens +wat tegen doen; om het te plagen wil ik die eten!”</p> +<p>„Waarom hebt gij het beest niet met vrede gelaten, +Thomas?” vroeg zijn vader. „Hadt gij het niet geplaagd, het +zou u niet geknepen hebben. Ik weet zelfs niet of ik er u wel van geven +zal, als gij er van eten wilt om het te plagen.”</p> +<p>„O, ik lust hem ook niet,—ik begeer er ook niets +van,” hernam de kleine stijfkop. „Ik eet veel liever +pekelvleesch.”</p> +<p>„Des te beter; als gij geen kreeft lust, zal men u dat ook +zeker niet opdringen, jongeheer,” antwoordde zijn vader. +„Dus zullen wij hem maar buiten u onder ons verdeelen.”</p> +<p>Thomas was met dit besluit niet bijster in zijn schik, want hij had +er dolgraag een stuk van gehad. Hij zat dus met een hangende lip aan +tafel en keek bitter boos, toe de oude Flink hem zoo lachend toevoegde, +dat hij reeds vóór het eten zijn deel van den kreeft had +gehad. <span class="pagenum">[<a id="pb217" href="#pb217" name= +"pb217">217</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch47" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">ZEVEN-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">TOEBEREIDSELEN TOT DE VERHUIZING.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Terstond na den afloop van den maaltijd hielpen Willem +en Juno de beide roeiers de tentbekleedsels en staken, benevens +schoppen tot slechting van den grond en prikken tot het vastzetten der +tenten, in de boot brengen.</p> +<p>Voordat zij met de boot afstieten, merkte Willem aan:</p> +<p>„Mij dunkt, het zou zoo kwaad niet zijn, als wij voor Flink en +mij het noodige beddegoed meenamen. Wij konden dan nog van avond eene +van de tenten opslaan en den nacht daaronder doorbrengen. Morgen vroeg +konden wij dan de andere in orde brengen en zoo met ons werk een goed +eind vorderen, voordat wij terugkomen.”</p> +<p>„Dat is een zeer goede inval, Willem,” antwoordde Flink. +„Laat eens zien, wat Juno ons te eten mee kan geven; dan zullen +wij uw plan volvoeren, want hoe eer wij allen daar zijn, des te +beter.”</p> +<p>Mijnheer Wilson was van hetzelfde gevoelen en Juno pakte een stuk +pekelvleesch en eenige eierkoeken bijeen, voegde daar nog drie of vier +flesschen water bij en hielp dit alles, benevens allerlei +timmermansgereedschappen, in de boot brengen. Flink had ook nog voor +een touw gezorgd, om de boot aan een paal aan den oever vast te +maken.</p> +<p>Eindelijk stieten zij van wal en hadden in korten tijd de riffen +achter zich. Zij roeiden wakker door, want zij wenschten zoo spoedig +mogelijk de haven te bereiken, hetgeen ook na verloop van een half uur +gelukkig geschiedde.</p> +<p>Zoodra zij aan land waren, maakten zij de boot aan het touw vast en +brachten de lading aan wal; vervolgens droegen zij een deel van het +tentlinnen en de staken naar het naastbijgelegen boschje, dat uit +guayababoomen bestond. Daarop keerden zij naar het strand terug, om ook +het overige te halen, en met drie gangen hadden zij dat verricht.</p> +<p>„Nu moeten wij eens omzien, Willem, waar wij de tent willen +opslaan. Te dicht bij het kokosbosch mag dat niet zijn, want daar +hadden wij te ver water te halen.<span class="corr" id="xd21e5151" +title="Niet in bron">”</span></p> +<p>„Dunkt u niet, Flink, dat de beste plaats bij de benanen zou +zijn? De grond is daar iets hooger en het water vinden wij, zooals gij +weet, juist tusschen de benanen en de yamswortels.”</p> +<p>Zij begaven zich naar de plaats, waar de benanen hare groote, fraaie +bladeren ontplooiden en besloten ten noorden daarvan de tenten op te +slaan, <span class="pagenum">[<a id="pb218" href="#pb218" name= +"pb218">218</a>]</span>vooreerst omdat men die daar, wegens de boomen, +uit zee niet zien kon en ook, dewijl het bosschage gedurende de hitte +van den dag er eene aangename schaduw opleverde.</p> +<p>„Dus moet het dan hier maar zijn, Willem,” zeide Flink. +„Laat ons nu al het noodige gaan halen. Het is hier een goede, +droge grond, die er juist toe geschikt zal zijn.”</p> +<p>Weldra waren zij druk aan het werk en reeds lang voor zonsondergang +was een der tenten opgeslagen en hadden zij ook hunne bedden daarin +gespreid.</p> +<p>„Nu, Willem, verbeeld ik mij toch, zult gij wel tamelijk moe +zijn,” zeide Flink; „ja, ja, zeker, dat moet gij wezen, +want gij hebt den ganschen dag duchtig gearbeid.”</p> +<p>„Ik voel mij juist zoo heel moe niet, Flink; ook is het nu nog +geen tijd om te gaan slapen.”</p> +<p>„Het is nog vroeg; laat ons dan eerst nog onze spaden nemen en +een gat voor het water graven; dan kunnen wij morgen vroeg zien, of dat +goed of slecht is.”</p> +<p>„Ja, dat kunnen wij nog voor het avondeten doen, en dan zal de +rust ons dubbel goed smaken.”</p> +<p>Met dit besluit gingen zij naar het lager gelegen weideland, waar de +bodem vochtig en moerassig was. Daar groeven zij twee kuilen, ieder +ongeveer eene el diep en even breed. Weldra zagen zij het water daarin +opkomen, en toen zij klaar waren, kwam hun dat reeds over den +enkel.</p> +<p>„Aan water zullen wij dus geen gebrek lijden, Flink; als het +ook maar goed om te drinken is.”</p> +<p>„O, daar twijfel ik niet aan, Willem. Overigens hebben wij +veel te doen, voordat de familie hier naar toe kan komen. Doch voor +vandaag is onze taak nu ten einde.”</p> +<p>Zij keerden hierop in de tent terug en lieten zich het pekelvleesch +en de eierkoeken kostelijk smaken. Eindelijk legden zij zich op de +matrassen neder en gaven zich aan de rust over. Na weinige minuten +lagen zij diep in slaap, daar het zware werk van den dag hen inderdaad +zeer vermoeid deed zijn.</p> +<p>Den volgenden morgen met zonsopgang waren zij reeds weder op de +been. Hun eerste werk was naar de waterkuilen om te zien, die zij den +vorigen avond gegraven hadden. Zij vonden deze tot overvloeiens toe +vol; het water was volmaakt zuiver en helder, en bij het proeven +keurden zij het, zoo al niet in alles zoo goed als het andere +bronwater, toch zeer bruikbaar en smakelijk. <span class= +"pagenum">[<a id="pb219" href="#pb219" name="pb219">219</a>]</span></p> +<p>Na zich gewasschen te hebben, keerden zij terug, om te ontbijten, en +gingen toen aan het opslaan der tweede tent, die voor mevrouw en den +kleinen bestemd was en dus met meer zorgvuldigheid moest worden +ingericht. Toen dit gedaan was, werd nog de grond in het rond van het +hooge gras en de struiken ontdaan en binnen in de tent met de spaden +vast en effen gemaakt.</p> +<p>„Nu komt weer een ander werk, Willem, namelijk het bouwen van +een stookplaats voor Juno. Daartoe moeten wij naar het strand gaan en +steenen opzoeken. Wij zullen dit stuk zeildoek meenemen en kunnen +daarin in één gang zooveel als wij noodig hebben +halen.”</p> +<p>Een uur later was ook de vuurhaard gereed, en beiden zagen hun werk +vergenoegd aan en maakten de noodige toebereidselen tot het verdere +werk van den dag.</p> +<p>Men besloot ’s middags de tafels en stoelen, het +keukengereedschap, een gedeelte van de kleeren en het beddegoed en +levensmiddelen voor een paar dagen mede te nemen. Den volgenden morgen +zouden Flink en Willem tijdig terugkomen, en dan wilden allen +gezamenlijk door het bosch naar hunne nieuwe woonplaats opbreken.</p> +<p>De kleine Albert kon thans heel goed alleen loopen en moest slechts +nu en dan een eind ver gedragen worden. Thomas en Caroline moesten +natuurlijk met Juno gaan; de schapen, lammeren, waarvan men vier stuks +had, en de oude en jonge geiten zouden de mannen door het bosch +drijven, waarbij de honden goede diensten konden doen. De hoenders en +het verdere gevogelte moesten echter in het oude hok blijven, daar +Flink en Willem, zoo dikwijls zij hier kwamen, wel eens naar hen omzien +konden.</p> +</div> +</div> +<div id="ch48" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">ACHT-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">VERHUIZING NAAR DE ZUIDKUST.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Ditmaal was de boot zwaar bevracht en men had hard te +roeien en zwaar te werken bij de landing, voordat de verschillende +voorwerpen aan den oever gebracht waren. Willem en Flink waren derhalve +hartelijk blij, toen eindelijk hun dagwerk ten einde was; en zoodra zij +hun avondmaal genuttigd hadden, gingen zij dan ook ter ruste.</p> +<p>Met zonsopgang keerden zij in hunne boot naar de baai terug. Zij +haalden <span class="pagenum">[<a id="pb220" href="#pb220" name= +"pb220">220</a>]</span>eerst de boot op het droge en begaven zich toen +naar het woonhuis, waar zij <span class="corr" id="xd21e5206" title= +"Bron: alleen">allen</span> tot vertrekken gereed vonden.</p> +<p>Mijnheer Wilson had de dieren reeds bij elkaar gebracht, en dus brak +men terstond op. De merken aan de boomen waren nog zeer duidelijk en +zij konden hun weg gemakkelijk weervinden. Des te grooter moeite hadden +zij echter met de schapen en geiten, en de kleine karavaan kwam dus +niet dan langzaam voorwaarts.</p> +<p>Zij hadden drie volle uren noodig, om aan den zoom van het +kokosbosch te komen, en mevrouw Wilson gevoelde zich uiterst vermoeid. +Eindelijk hadden zij de nieuwe woonstede bereikt, en mijnheer Wilson en +zijne vrouw uitten een kreet van bewondering bij het aanschouwen van de +schilderachtige schoonheid van het bekoorlijk oord.</p> +<p>Ook de plek, waar de tenten bij de banaanboomen waren opgeslagen, +droeg beider volle goedkeuring weg; want zij was werkelijk bij uitstek +fraai. Mevrouw Wilson begaf zich in hare tent, om van hare vermoeidheid +uit te rusten. De schapen en geiten liet men vrij in het weideland +omloopen, waar zij terstond met graagte op het frissche voeder +aanvielen. De honden vlijden zich neder en schenen insgelijks van den +verren weg vermoeid.</p> +<p>Juno bracht den kleinen Albert te bed en zocht toen met Willem eenig +brandhout op, om het middageten te koken. Flink ging naar de putten, om +water te halen, terwijl mijnheer Wilson op de vlakte rondwandelde en de +verschillende boomen en struiken onderzocht, die daar groeiden. +Caroline was in de tent bij hare moeder, en sinjeur Thomas had zich op +den grond neergezet en keek met groote oogen verbaasd in het rond.</p> +<p>Spoedig kwam Flink met de wateremmers terug, waarna hij de honden +floot en den weg naar het yamsplantsoen insloeg. Een poosje later stond +Thomas op en volgde hem.</p> +<p>De honden drongen in het yamsplantsoen door en hieven weldra een +verwoed geblaf aan, dat Thomas heel aardig vond, zoodat hij in de +handen klapte en siste, om hen nog meer aan te hitsen. Op eenmaal +echter kwam de gansche kudde zwijnen uit het dichte groen voor den dag +en draafde zoo dicht bij Thomas langs, dat hij het van schrik +uitschreeuwde en zoo lang als hij was op den grond tuimelde.</p> +<p>„Dat had ik wel gedacht, vriendjes, dat gij hier zoudt +wezen,” mompelde Flink, de varkens naziende. „Het werd +waarlijk tijd, dat wij den weg eens voor u afsloten.”</p> +<p>De zwijnen stoven over het veld voort en verdwenen, evenals de +eerste <span class="pagenum">[<a id="pb221" href="#pb221" name= +"pb221">221</a>]</span>maal, in het kokoswoud. Ook Thomas zette het, +zoodra hij maar weer op de been was, wakker op een loopen. De honden +gingen achter de zwijnen aan en bleven een geruimen tijd weg. Ten +laatste zag men hen vermoeid en hijgend terug komen,—een bewijs, +dat zij hunne vervolging een goed eind ver hadden voortgezet.</p> +<p>Voor dag en dauw waren Flink en Willem den volgenden dag reeds weder +bij de hand en gingen door het bosch naar hunne vroegere woning, om het +huisraad, dat daar nog was achtergebleven, in de boot naar de zuidkust +te brengen. Bij hunne aankomst pakten zij al wat nog in huis stond +bijeen, <span class="corr" id="xd21e5230" title= +"Bron: haalde">haalden</span> gezouten vleesch en meel uit het magazijn +en maakten hunne lading vol met een van de nog voorhanden zijnde +schildpadden, die op den rug in de boot werd neergelegd. Tegen het +ontbijt waren zij reeds weder bij de nieuwe woonplaats, waar Juno hen +het meegebrachte naar de tenten hielp brengen.</p> +<p>„Wat is dat hier een kostelijk verblijf!” riep mevrouw +Wilson onwillekeurig uit. „Mij dunkt, wij moesten het altijd tot +ons zomerkwartier kiezen en eerst tegen den regentijd naar het oude +huis terugkeeren.”</p> +<p>„Het is hier zeker gedurende den zomer veel fraaier en +aangenamer; maar in ons huis zijn wij beter door het kokosbosch +gedekt.”</p> +<p>„Ja, dat is waar, en gedurende het regenseizoen is dat voor +ons van veel belang. In den zomer is het daarentegen ook des te warmer, +want wij hebben daar niet de verkoelende zeelucht, die wij hier +genieten. Ik kan u verzekeren<span class="corr" id="xd21e5239" title= +"Bron: .">,</span> Flink, ik ben met den ruil zeer tevreden en het zou +mij spijten, als wij daarheen terugkeeren moesten.”</p> +<p>„Ik heb van morgen ook zulke mooie <span class="corr" id= +"xd21e5244" title="Bron: papagaaien">papegaaien</span> gezien,” +zeide de kleine Caroline. „Ik wou, dat er één van +mij was.”</p> +<p>„Nu, beste meid, ik wil bij gelegenheid eens een jong zien te +krijgen; doch het is er thans nog te vroeg toe,” antwoordde +Flink. „Nu moet ik Juno de schildpad in stukken helpen snijden. +Onze voorraadkamer dienen wij wel daar onder de banaanboomen te +nemen.”</p> +<p>„Maar wat zullen wij verder aanvangen, Flink? Wij mogen toch +niet leegzitten?” vroeg mijnheer Wilson.</p> +<p>„Neen, zeker niet, mijnheer! Dezen dag moeten wij, dunkt mij, +maar besteden om ieder ding op zijne plaats te brengen en de tenten van +binnen gemakkelijk in te richten. Voor het oogenblik staan wij onder +mevrouws orders; morgen zullen wij dan met het graven en het omheinen +van het yamsplantsoen beginnen. We zullen ons daarmee niet zoo te +haasten hebben, want ik verbeeld mij, dat de zwijnen zich er zoo +spoedig niet weer aan <span class="pagenum">[<a id="pb222" href= +"#pb222" name="pb222">222</a>]</span>wagen zullen, daar ik plan heb +onze honden ’s nachts in de yamsvelden vast te binden, en dan zal +hun geblaf hen wel op een afstand houden.”</p> +<p>„Dat is een goede inval, Flink. Zie eens, welk kostelijk voer +onze schapen en geiten hier vinden.”</p> +<p>„Ja, mijnheer; ze moeten ook in het vervolg gedurende het +droge jaargetij hier grazen. Morgen vroeg kunnen wij met graven +beginnen en Willem daarbij wijzen, hoe men de <span class="corr" id= +"xd21e5259" title="Bron: steken">stekken</span> van de stekelbessen, +waarvan wij onze heg willen maken, poten moet. Dan zou ik voorslaan +onzen Willem met dit werk alleen bij moeder achter te laten, terwijl +gij en ik naar de westkust gaan, om onzen voorraad na te zien en al wat +wij nog gebruiken kunnen hierheen te brengen. Ik meen immers u vroeger +te hebben hooren zeggen, dat gij zelf daarheen woudt gaan?”</p> +<p>„Ja, Flink, dat is zoo. Mijne vrouw zal er ook geen bezwaar in +zien eens een dag of drie vier zonder mij te zijn. Als wij eerst alle +dingen hebben nagezien, zal ik teruggaan en aan u en Willem, die het +roeien beter gewoon is dan ik, de zorg overlaten om onzen voorraad over +te brengen. Mij dunkt hierheen zullen wij toch alles niet +halen?”</p> +<p>„Neen, mijnheer; het goed moet naar ons magazijn worden +gebracht. Hebben wij dat werk eerst achter den rug, dan gaan wij met +alle macht aan de versterking van het blokhuis.”</p> +</div> +</div> +<div id="ch49" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">NEGEN-EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">UITSTAPJE NAAR DE WESTKUST.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Den volgenden morgen trokken zij met hunne schoppen +naar het yamsplantsoen en begonnen hun werk. De grond was week en +drassig en zoo ging de arbeid vlug van de hand. De sloot werd ongeveer +een schrede breed gemaakt en de uitgedolven aarde aan den binnenkant +tot een kleinen dam opgeworpen.</p> +<p>Vervolgens ging men naar de plaats, waar de +stekelbeziënstruiken groeiden. Van deze werden de noodige stekken +en afleggers afgesneden en boven op het aarden bed ingeplant. Nog was +de avond niet gevallen, toen zij reeds, op negen of tien dekameters na, +met sloot en heg gereed waren.</p> +<p>„Ik geloof, als dit eens in orde is, de varkens ’t wel +laten zullen er overheen te springen,” sprak Flink. +„Bovendien kan Willem daar evengoed alleen mee klaar komen, als +met behulp van ons beiden.” <span class="pagenum">[<a id="pb223" +href="#pb223" name="pb223">223</a>]</span></p> +<p>„Ja, dat wel, Flink,—maar niet zoo vlug.”</p> +<p>„Ge behoeft u ook niet overmatig in te spannen, beste Willem. +Zorg slechts, dat ge de honden ’s nachts vastlegt, zooals ik den +verloopen nacht gedaan heb, en dan twijfel ik geen oogenblik, of de +varkens zullen na een of twee nieuwe pogingen niet meer +terugkomen.”</p> +<p>„Ik wil zien, of ik niet een van die beesten schieten +kan.”</p> +<p>„Goed; maar kies daartoe vooral een van de jongen,—de +ouden mogen wij niet dooden. Doch nu kunnen wij naar huis gaan; de zon +zal spoedig onder zijn en Juno wacht ons zeker al met het +avondeten.”</p> +<p>Voordat mijnheer Wilson en Flink den anderen morgen opbraken, gaf de +laatste Willem nog allerlei onderrichtingen aangaande de boot, de +reiszakken waren reeds vooraf van levensmiddelen voorzien, en zoo namen +zij dan van mevrouw Wilson afscheid en braken op. Beiden waren met een +geweer gewapend en Flink had nog bovendien eene bijl over den schouder +geworpen.</p> +<p>Zij hadden een verren weg voor zich, want eerst moesten zij naar het +oude woonhuis terugkeeren, om van daar het oude pad door het woud op te +zoeken. Dit was een groote omweg, die nochtans niet kon vermeden +worden, daar zij niets dan de merken aan de boomen hadden om te +volgen.</p> +<p>Bij het woonhuis gekomen, rustten zij een uur uit en gingen toen +naar den tuin, die op de landtong lag. Aardappelen en erwten stonden +uitmuntend en ook de uien begonnen goed op te schieten.</p> +<p>„Wat ziet deze plaats er nu doodsch en eenzaam uit, Flink, nu +men er niets levends meer kan ontdekken,” riep mijnheer Wilson. +„Laat ons verder gaan, ’t wordt mij hier nu benauwd om het +hart.”</p> +<p>Met deze woorden hervatten zij hunne wandeling en hadden na twee +uren de westkust bereikt, op ’t zelfde punt, waar zij ’t +allereerst geland waren. De nabijgelegen klippen waren nog met de +overblijfsels van het schip bezaaid, die in de zon bleekten of in het +zand aan de bocht half bedolven lagen.</p> +<p>Zij gingen dadelijk aan ’t zoeken, doch konden behalve enkele +spieren en teertonnen niets vinden, dat eenige waarde voor hen had. +Duigen en ijzeren hoepels van vaten lagen in menigte in het rond en +Flink meende, dat men die zeer goed tot eene tuinheining gebruiken kon, +als men slechts tijd vond om ze zoo ver te vervoeren. Van het strand +terugkeerende, zetten zij zich neer, om een weinig uit te rusten. Na +een poos begaven zij zich eindelijk naar de tenten in het kokosbosch, +waar zij de verschillende goederen, die na het vergaan van het wrak +waren aangespoeld, geborgen hadden. <span class="pagenum">[<a id= +"pb224" href="#pb224" name="pb224">224</a>]</span></p> +<p>„Ei, zie eens! Ook hier zijn de varkens aan den gang +geweest,” riep Flink; „ze hebben een meelvat opengemaakt. +Hoe dat toeging, begrijp ik niet recht. Zie maar, mijnheer, er moet een +scheur in geweest zijn, anders ware ’t hun zeker niet gelukt. Het +linnen is, vrees ik, tot weinig meer nut. Gelukkig hebben we nog eenige +nieuwe stukken, die ik aan land heb gebracht.—Nu moeten wij eens +zien, mijnheer, in welken staat onze voorraad zich bevindt. Dit hier +zijn enkel meelvaten; wij hebben dus geen gevaar te loopen, als wij ze +openmaken en zien of de inhoud nog bruikbaar is.”</p> +<p>Het eerste vat, dat zij openden, had rondom eene steenharde korst; +toen deze eindelijk met de bijl was <span class="corr" id="xd21e5305" +title="Bron: doorgekopt">doorgekapt</span>, vond men dat het binnenste +nog zeer goed was gebleven.</p> +<p>„Dat is gelukkig, mijnheer; ik hoop, dat het bij de overige +vaten evenzoo zal zijn. Het zeewater heeft er eene dikke korst over +gemaakt en deze heeft het geheel tegen bederf bewaard. Evenwel willen +we alle, ’t een na het ander openmaken. Nu gaan wij ons +middagmaal houden en vervolgens weer aan het werk. We hebben een paar +malen gebraden schildpadvleesch, die Juno voor ons heeft ingepakt en +die smaken zullen.”</p> +<p>Na het eten ging men opnieuw aan het werk. „Ik verlang toch te +zien, wat dáárin mag wezen,” zeide mijnheer Wilson +op de naaste kist wijzende.</p> +<p>Flink begon er dadelijk met zijne bijl aan te breken. Hij rukte het +deksel open en vond een aantal bordpapieren doozen vol klosjes garen, +allerlei band en lint, baleinen en lappen katoen, neteldoek, gaas, +tulle en andere stoffen.</p> +<p>„Dat was zeker voor eene modehandelaarster te Bontany-baai +bestemd,” zei mijnheer Wilson, <span class="corr" id="xd21e5316" +title="Niet in bron">„</span>en misschien heeft ze bitter in +angst gezeten, toen ze het bestemde niet ontving. Evenwel moeten wij +het thans voor mijne vrouw en Caroline in beslag nemen. Zoodra wij tijd +vinden, zullen wij het haar brengen en ze zullen er wat blij mee zijn. +Nu de tweede kist, Flink.”</p> +<p>De volgende kist was zonder slot; het deksel werd opengemaakt en men +vond een dozijn groote vierkante flesschen, die met jenever gevuld +waren.</p> +<p>„Dat is echte Schiedammer,” zeide Flink. „Wat +moeten wij daar mee aanvangen?”</p> +<p>„Wij zullen ze niet weggooien, Flink, maar ze ook slechts bij +gelegenheid als geneesmiddel gebruiken,” antwoordde mijnheer +Wilson. „Wij zijn nu reeds zoo lang aan zuiver bronwater gewend, +dat het zonde zou zijn, als we weer smaak in sterke dranken wilden +krijgen. Als we er plaats voor vinden, zullen we een paar flesschen in +het magazijn brengen. Ze kunnen ons misschien nog soms eens goede +diensten doen.” <span class="pagenum">[<a id="pb225" href= +"#pb225" name="pb225">225</a>]</span></p> +<p>Het volgende vat was weldra geopend, en men vond een tafelservies +van gekleurd porselein met vergulde randen, dat inderdaad zeer fraai +was.</p> +<p>„Nu mijnheer, dat kan u te pas komen, want het begint ons al +langzamerhand aan borden en schotels te ontbreken. Evenwel zou gewoon +steenen goed ons wel dezelfde diensten hebben gedaan.”</p> +<p>„Het zou voor onzen tegenwoordigen toestand ook beter +passen,” was het antwoord. „Niettemin is dit fijn +Chineesche porselein ons even welkom als een eenvoudig stel en mag +daarom niet versmaad worden.”</p> +<p>„Hier is eene doos met uw naam er op, mijnheer,<span class= +"corr" id="xd21e5335" title="Niet in bron">”</span> riep Flink. +„Weet gij, wat er in is?”</p> +<p>„Neen, dat kan ik niet bedenken; maar zie zelf maar eens +na.”</p> +<p>De doos werd geopend en alles scheen door het ingedrongen zeewater +besmet en bedorven. Toen men evenwel het pakpapier had weggenomen, vond +men allerlei soort van schrijfbehoeften, die, met uitzondering van de +buitenste bladen, slechts weinig geleden hadden.</p> +<p>„Dat is een ware schat, Flink. Ik herinner mij nu nog zeer +goed: het bevat papier en pennen met al wat er meer tot schrijven +noodig is; verder prenteboekjes, teekenvoorbeelden, verfdoozen en zoo +al meer, dat ik voor mijne kinderen bestemd had.”</p> +<p>„Ei, waarlijk mijnheer, dat is een geluk. Nu kunnen wij eene +school oprichten, en daar die door de gezamenlijke bevolking van het +eiland bezocht zal worden, moet de beschaving hier weldra algemeen +zijn.”</p> +<p>„Dat willen wij hopen, vriend.—Nu het volgende +vat.”</p> +<p>„Wat daarin is kan men van buiten wel zien,—olie, die +ons heel welkom is, daar onze voorraad kaarsen vrij wat vermindert. +Daar zijn evenwel nog een paar kaarsenkisten, die wij gebruiken kunnen +en bij gelegenheid wel zullen overbrengen. Nu evenwel komt het +allerkostelijkste gedeelte van ons eigendom.”</p> +<p>„En dat is?”</p> +<p>„Al die artikelen, welke ik in de boot aan land bracht, +voordat het schip te gronde ging; want, ziet gij, mijnheer, ijzer +drijft niet, en daarom was ik toen vooral op ijzerwaren van allerlei +soort en op nuttige gereedschappen bedacht. Ik heb een kostelijken +voorraad spijkers: hier drie vaatjes groote en hier twee kleiner soort. +Bovendien bijlen, hamers, schaven, beitels, zagen, klossen bindgaren, +was en hier nog eenige rollen fijn linnen, alles in de beste +orde.”</p> +<p>„Dat is werkelijk voor ons van groote waarde, +Flink.”</p> +<p>„Ja, mijnheer, we zouden er misschien al spoedig gebrek aan +gehad hebben, <span class="pagenum">[<a id="pb226" href="#pb226" name= +"pb226">226</a>]</span>daar de beide wilden bij hare vlucht al ’t +ijzer, dat zij meester konden worden, hebben meegepakt. ’t Was +een geluk voor ons, dat zij niet bij al onzen voorraad konden +komen.—Daar hebt gij nog meer van onzen buit: eenige wateremmers +en ’t voornaamste gereedschap van onzen kok, waar Juno recht blij +mee zal wezen. Hier zijn ook twee lampen. Mij dunkt, ik heb ook nog +eenige pakjes lampepitten op zijde gelegd; ja, ja, dat weet ik +zeker,—en ze zullen wel weer voor den dag komen. Die vaten daar +zijn ’t een met patronen, het ander met <span class="corr" id= +"xd21e5361" title="Bron: kruid">kruit</span>; hier is nog een half vat +met patronen, alles onbeschadigd. Hier ook zes geweren, die evenwel +’t <span class="corr" id="xd21e5364" title= +"Bron: poesten">poetsen</span> wel noodig hebben. Nu, dat is ook +bezwaarlijk anders te wachten.”</p> +<p>„Dat zijn wezenlijk schatten voor ons, Flink; en +toch—hoe goed hebben wij ons tot hiertoe ook zonder dat +gered.”</p> +<p>„O ja, mijnheer; maar des te beter, nu wij ze hebben. Als we +’t magazijn tot onze woonplaats hebben gemaakt, zijn wij dan ook +beter in staat, om ’t in alle opzichten gemakkelijker in te +richten dan ons vorig huis geweest is; want, zie maar, mijnheer, daar +zijn nog al de balken en planken, die Willem en ik in het zand begraven +hebben.—Daarmee kunnen wij een vloer in het huis leggen en +behoorlijke kasten en bedsteden maken.”</p> +<p>„Och, die had ik geheel vergeten, Flink; zooals ge zegt, de +voorraad is tot dat alles dubbel voldoende. Als ik mij slechts die +vrees voor een mogelijken aanval van die wilden uit het hoofd kon +zetten,—me dunkt, dan zouden we hier zelfs op dit eiland een +recht genoeglijk leven kunnen leiden.”</p> +<p>„Weet gij wel, mijnheer, dat het mij van harte genoegen doet u +zoo te hooren spreken? Het bewijst, dat gij tegenwoordig tevredener en +gelukkiger zijt, dan gij vroeger waart.”</p> +<p>„Dat ben ik ook, Flink,—althans dat geloof ik. Misschien +ook, dat het ons van den kant der wilden dreigende gevaar mijne +gedachten zoozeer aftrekt, dat ik mij bij mijn vroegeren wensch, om van +het eiland verlost te worden, niet langer zoo bepalen kan. De eene +bezorgdheid heeft zeker de andere verdrongen en onderdrukt.”</p> +<p>„Het zal wezen, zooals gij zegt, mijnheer;—maar laat ons +nu met ons onderzoek voortgaan. Hier zijn het zeekompas, de +scheepslijnen, de logrol en het dieplood. We zullen die op onze boot +nog wel ergens toe gebruiken kunnen.”</p> +<p>„Ei, met dat kompas ben ik recht in mijn schik, Flink, want +met behulp daarvan kan ik eens, als ik tijd heb, een plan van dit +eiland opmaken. Een zakkompas is te klein daartoe. Ge weet misschien +niet, dat ik in mijne jonge jaren als landmeter naar Sidney +trok?” <span class="pagenum">[<a id="pb227" href="#pb227" name= +"pb227">227</a>]</span></p> +<p>„Neen, dat hebt ge mij nog niet gezegd. Ge zult ons dan zeker +wel <span class="corr" id="xd21e5385" title= +"Bron: nauw keurig">nauwkeurig</span> kunnen opgeven, welke ruimte ons +weideland beslaat.”</p> +<p>„O ja; dat zal ik u zeggen, zoodra wij weer terug zijn. +Inmiddels zal ik hier eenige opmetingen doen, daar wij denkelijk niet +weer zoo spoedig hier zullen komen.”</p> +</div> +</div> +<div id="ch50" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">BIJNA EEN ONGELUK. EEN NIEUWE BRIEVENPOST.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Met het krieken van den dag gingen mijnheer Wilson en +Flink weder aan het werk en openden achtereenvolgens alle kisten en +pakken, die nog van het wrak gered waren geworden. Zij vonden kisten +met kaarsen, drie vaten rijst ten deele goed, ten deele ook beschadigd, +en eene kist met thee en twee balen koffie, welke Flink van boord had +meegenomen. Suiker was echter niet voorhanden, want de kleine voorraad, +dien men gered had, was in den regen weggesmolten.</p> +<p>„Dat is een heel ongeluk, mijnheer. Onze jongeheer Thomas zal +geen thee of koffie zonder suiker lusten en is er dus slecht aan +toe.”</p> +<p>„De jongeheer moet zich leeren behelpen, Flink. We kunnen niet +verwachten hier alles zoo te hebben, alsof de kruidenier vlak naast +onze deur woonde.—Laat ons nu eens zien, hoe ’t met de +onder het zand begraven dingen gesteld is.”</p> +<p>Het zand werd weggeschoffeld en men vond de vaten met pekelvleesch, +alsook de eiken planken in den besten staat. Veel anders daarentegen +was ook geheel verrot en bedorven.</p> +<p>Tegen den middag waren zij met hun werk gereed en daar zij nog tijd +genoeg voor zich hadden, begon mijnheer Wilson met behulp van zijn +kompas eene opmeting van de verschillende landpunten. Toen dit gedaan +was, wierpen zij hunne geweren over den schouder. Flink nam nog eenige +ponden van de beschadigde rijst tot voeder voor de kippen mee en daarna +begaven zij zich gezamenlijk op weg.</p> +<p>Na twee uur bereikten zij hun voormalig woonhuis, rustten in het +magazijn een poosje uit en vervolgden toen hun tocht naar de tenten bij +de weide. Ze waren ongeveer een kwartier gevorderd, toen Flink gerucht +vernam en mijnheer Wilson een teeken tot stilstaan gaf. <span class= +"pagenum">[<a id="pb228" href="#pb228" name="pb228">228</a>]</span></p> +<p>De oude man fluisterde zijn geleider toe, dat de varkens dicht in de +buurt waren en laadde zijn geweer. Mijnheer Wilson deed hetzelfde en +beiden slopen zacht op de plaats toe, van waar het gegrom zich hooren +liet.</p> +<p>Zij kregen de dieren niet in het gezicht, voordat zij die op twintig +passen genaderd waren. Toen hadden zij de gansche kudde vlak voor zich +en de beesten staken de koppen verwonderd omhoog. De oude beren en +zeugen lieten een geknor hooren en snelden op ’t oogenblik, dat +Flink vuur gaf, op de vlucht. Mijnheer Wilson vond geen tijd meer om +los te drukken; doch Flink had een van de biggen geraakt, die nu met +den dood worstelende in haar bloed lag te spartelen.</p> +<p>„Een kostelijk stuk gebraad;—daar kunnen we een +feestmaal van houden!” riep Flink, terwijl zij op het stervende +dier toetraden.</p> +<p>„Ja, dat is waar, Flink!” antwoordde mijnheer Wilson. +„We moeten nu maar zien, hoe we het beest met ons tweeën +naar huis brengen.”</p> +<p>„We zullen het op onze geweren leggen, dan zal de vracht zoo +zwaar niet zijn. ’t Is zeker pas zes maanden oud en aan de +zwaarte kunt gij zien of zij hier ook kostelijk voeder +vinden!”</p> +<p>Spoedig hadden zij het dier op hunne geweren geladen en vervolgden +zoo hun weg. Bij het uittreden van het bosch bespeurden zij Willem en +zijne moeder, die beiden het schot gehoord hadden en hun tegemoet waren +gegaan. Mevrouw Wilson scheen eenigszins angstig te zijn, doch toen zij +het varken in het oog kreeg, ried zij oogenblikkelijk de oorzaak van +het schot.</p> +<p>„Ik moet bekennen, dat ik een beetje ontsteld was, toen ik dat +geweerschot hoorde,” zeide zij, haar echtgenoot omarmende. +„Ik kon namelijk niet verwachten, dat gij vandaag al terugkeeren +zoudt. Wij allen zijn volmaakt wel.”</p> +<p>Willem nam voor zijn vader het overbrengen van het gevelde wild op +zich en deze ging met de moeder naar de tenten.</p> +<p>„Nu, beste Willem, welk nieuws is er hier bij u,” vroeg +Flink.</p> +<p>„O, heel goed nieuws, Flink! Gisteravond, toen ik moe was van +den arbeid, kwam ik op de gedachte om de boot eens te nemen en te zien, +of ik in het diepe water op deze zijde van het eiland niet ook wat +visch vangen kon. Ik kreeg ook wezenlijk drie stuks, die er heel anders +uitzien, dan die wij tusschen de klippen vingen. Wij hadden er +één van bij het ontbijt en één des middags +en zij smaakten uitmuntend.”</p> +<p>„Zijt gij alleen met de boot uit geweest?”</p> +<p>„Neen,—ik nam Juno mee. Moeder zei, dat ze haar wel een +paar uren missen kon. Zij roeit zoo goed als de beste matroos, +Flink.” <span class="pagenum">[<a id="pb229" href="#pb229" name= +"pb229">229</a>]</span></p> +<p>„Ja, ’t is een recht bruikbaar meisje, Willem.—Nu, +met onze monstering zijn wij ook klaargekomen en wij zullen beiden nu +<span class="corr" id="xd21e5436" title="Niet in bron">in</span> +overvloed werk krijgen, maak daar staat op. Ik geloof niet, dat wij in +ééne week alles zullen kunnen vervoeren, en daarom heb ik +gedacht, moeten we al aanstonds morgen beginnen. Eerst willen wij +evenwel hooren, wat uw vader daarvan zegt.”</p> +<p>„O, dat is mij wèl, want ik neem veel liever de +roeiriemen dan de schop in de hand,” zeide Willem. „Ik heb +er niets tegen, als vader het graven en spitten van mij wil +overnemen.”</p> +<p>„Dat zal hij zeker gaarne doen, daar hij natuurlijk liefst bij +moeder en de kleinen wil blijven.”</p> +<p>Zoodra zij de woning bereikt hadden, hing Flink het varken in de +tent, waar Willem, mijnheer Wilson, en hij zelf sliepen, aan den +kruispaal op, zette de geweren tegen den zijwand aan en ging met +Willem, om zijn mes en eenige spanhouten, die hij bij ’t +schoonmaken van het dier noodig had, te halen.</p> +<p>Terwijl beiden weg waren, kwamen Thomas en Caroline aanloopen, om +het dier te bezien. Thomas gaf hoog op van zijne tevredenheid, dat hij +den volgenden dag gebraden varkensribbetjes eten zou, nam <span class= +"corr" id="xd21e5448" title="Bron: een">één</span> van de +geweren en riep: „Pas eens op, Caroline, ik zal het varken +morsdood schieten.”</p> +<p>„Och, Thomas, kom toch niet aan dat geweer!” riep zijne +zuster. „Vader heeft het u immers verboden, en weet ge niet meer +hoe ’t u daar in ’t bosch in de hand afging?”</p> +<p>„O, dat was niemendal,” antwoordde Thomas; „ik wil +u eens wijzen, hoe men een varken doodschiet.”</p> +<p>„Doe ’t niet, Thomas,” riep Caroline; „als +ge ’t doet, ga ik heen en zeg ’t moeder.”</p> +<p>„Dan schiet ik op u,” hernam Thomas en zocht met het +geweer op haar te mikken.</p> +<p>Caroline schrikte daar zóó van, dat zij zoo hard als +zij kon wegliep; maar Thomas spande al zijne kracht in en zocht het +geweer tegen den schouder te brengen. Daarbij trof het, dat hij zijn +vinger aan den trekker bracht en daar hij toevallig het geweer van zijn +vader had genomen, dat nog geladen was, ging dat af en stiet de kolf +hem, die het niet vast tegen den schouder aandrukte, in het gezicht, +zoodat de schok hem twee tanden uitsloeg, de wang kwetste en hem het +bloed uit den neus deed stroomen.</p> +<p>Thomas was door het afgaan van het schot en den bekomen slag zoo +onthutst, dat hij het geweer met een luiden gil uit de handen liet +vallen en naar <span class="pagenum">[<a id="pb230" href="#pb230" name= +"pb230">230</a>]</span>de tenten liep, waar zijne beide ouders zaten, +die op het hooren van den knal waren opgesprongen en hem nu ontsteld te +gemoet vlogen.</p> +<p>Flink en Willem waren ook op het schot oogenblikkelijk toegesneld, +daar zij vreesden dat er een ongeluk gebeurd was. De oude man liep op +Thomas toe, wischte den knaap met de hand het bloed van het gezicht en +ontdekte tot zijne geruststelling, dat deze geene wonde of ander +gevaarlijk letsel had.</p> +<p>„Hij is niet gewond,” riep hij mijnheer Wilson toe, +„hij bloedt enkel uit den neus. Houd op met schreeuwen en gieren, +kwajongen! Wat hadt ge weer uwe handen aan een geweer te +slaan?”</p> +<p>„Het geweer heeft mij op den grond gegooid,” snikte +Thomas, terwijl het bloed hem steeds uit den mond liep.</p> +<p>„Dan hebt ge uw verdiend loon gekregen. Zult gij u voortaan +beter in acht nemen en geen geweer meer aanraken?”</p> +<p>„O, ik zal er mijn leven niet meer aankomen,” jammerde +de kleine. „’t Heeft mij haast doodgeschoten.”</p> +<p>Juno kwam nu met water, om hem het gezicht af te wasschen, en thans +eerst <span class="corr" id="xd21e5478" title= +"Bron: ondekte">ontdekte</span> men, dat hij twee voortanden verloren +had en aan wang en lippen toch vrij wat bezeerd was. Men kleedde hem +uit en legde hem te bed, waar hij weldra in diepen slaap zonk.</p> +<p>„Ik had de geweren daar niet moeten laten staan,” zeide +Flink tot Willem; „dat was een verzuim van mij. Ik dacht zeker, +dat men den kleinen deugniet reeds zoo dikwijls ingeprent had, aan geen +vuurwapens te raken, dat hij dat zeker niet wagen zou. Maar altijd als +er een ongeluk valt aan te richten is hij terstond bij de +hand.”</p> +<p>„Hij mikte op mij en wilde op mij schieten; maar ik ben +weggeloopen,” zeide Caroline.</p> +<p>„Goedertierende Hemel, welk een geluk!” riep de +verschrikte moeder. „Had hij losgedrukt, dan was mijn arm, lief +kind vermoord geworden.—Die afschuwelijke jongen!”</p> +<p>„Hij is ditmaal behoorlijk gestraft, mevrouw, en ik sta er +voor in, dat hij in den eersten tijd geen geweer meer zal +aanraken.”</p> +<p>Den volgenden morgen was het gezicht van onzen jongeheer hoogrood en +gezwollen. Wangen en lippen waren donkerblauw en opgeloopen en het +verlies der beide voortanden misvormde hem nog meer. Gelukkig waren het +nog melktanden geweest, want anders hadden de gevolgen nog droeviger +voor hem kunnen zijn.</p> +<p>Tot het ontbijt werd van het gebraden wild opgedragen en de geur +daarvan <span class="pagenum">[<a id="pb231" href="#pb231" name= +"pb231">231</a>]</span>prikkelde Thomas niet weinig in den neus. Toen +zijn vader hem nu echter nog eens terdege beknorde en hem zeide, dat +hij geen enkel brok van het gebraad proeven zou, begon hij zoo hard te +huilen, dat men hem wegbrengen moest, totdat hij met schreeuwen had +opgehouden.</p> +<p>Na ’t ontbijt zeide Flink, dat hij met Willem in de boot wilde +gaan, om met het zware werk van de overbrenging der vele goederen van +de westkust naar het magazijn een begin te maken, waarbij hij deed +opmerken dat men geen enkelen dag meer te verliezen had. Juno had op +zijn verlangen reeds eene goede portie varkensvleesch voor hen gebraden +en tevens een stuk pekelvleesch gekookt, zoodat zij behoorlijk van +levensmiddelen voorzien waren en dus niets meer hadden, dat hen +tegenhield. Mijnheer Wilson nam de verdere planting der heg op zich en +wilde gedurende hunne afwezigheid de sloot rondom het yamsplantsoen +geheel voltooien.</p> +<p>„Maar hoe lang denkt gij wel met Willem uit te blijven, +Flink?” vroeg de moeder met kennelijke bezorgdheid.</p> +<p>„Wel, laat eens zien, mevrouw; we hebben vandaag +Woensdag,—dan moet ge ons niet vóór Zaterdagavond +terug verwachten. Wij moeten dat alles toch afdoen, en hoe eer het +gebeurd is, des te beter voor ons.”</p> +<p>„Beste Willem, ik word er wezenlijk angstig onder dat gij zoo +lang van ons vandaan zult zijn. Daarbij zult gij altijd bij het water +wezen, en zoo zal ik in gedurige ongerustheid zijn, totdat ik u hier +wederzie.”</p> +<p>„Nu, moeder, dan dien ik u wel met den post te schrijven, om u +te doen weten, hoe ik het heb.”</p> +<p>„Spot niet met mijn angst, kind. Ik wenschte, dat wij een post +hadden en dat gij mij iederen dag schrijven kondet.”</p> +<p>Flink en Willem maakten alle toebereidselen, die hunne langdurige +afwezigheid vereischen kon. Zij namen hunne beddedekens mede; zoo ook +een kleinen ketel, om te koken, en toen eindelijk alles beredderd was, +zeiden zij mijnheer en mevrouw Wilson hartelijk vaarwel.</p> +<p>Juno hielp hun de bagage in de boot brengen. Zij wilden eerst naar +de Oostelijke kust roeien, dáár hunne vracht achterlaten +en vervolgens op het kokosbosch afgaan. Voordat zij van wal stieten, +nam Willem nog Remus, den hond, in de boot op.</p> +<p>„Waartoe neemt gij den hond mee, Willem?? Hij kan hier van +dienst wezen, om de zwijnen te verjagen, en wij hebben misschien last +van hem.”</p> +<p>„Och, laat hem, Flink,—ik moet hem bij mij hebben. Er is +mij daar iets ingevallen—laat mij ditmaal mijn zin doen.” +<span class="pagenum">[<a id="pb232" href="#pb232" name= +"pb232">232</a>]</span></p> +<p>„Goed, Willem: wat mij betreft, moogt gij altijd uw zin +hebben. Gij wenscht den hond bij u te houden, en daarmee +afgedaan.”</p> +<p>„Dag, Juno, houd u goed, meid; we zullen u eene schildpad +meebrengen.”</p> +<p>„Datte vooral doen, massa Flink! Dag, massa Willem! Niet +vergeten, zaterdag weerom wezen en brengen visch en schildpad +mee.”</p> +<p>Het zeil werd opgetrokken, en daar er een frissche wind woei, waren +zij binnen korten tijd in de oostelijke baai. Zij droegen de +levensmiddelen en verdere benoodigdheden in het huis en sloten de deur +toe.</p> +<p>Hierop gingen zij naar het hoenderhok, waar Flink aan de vogels van +de rijst voorwierp, die hij hierheen had medegenomen. Tot hunne groote +tevredenheid telden zij thans over de veertig hoenders, alle gezond en +fiksch, sommige daaronder waren dik en vet, zoodat men hen dadelijk had +kunnen slachten. Daar zij nochtans overvloed van versche levensmiddelen +hadden, was men overeengekomen, hun vooreerst nog te ontzien, omdat de +eieren van meerdere waarde voor hen waren dan de hoenders.</p> +<p>Vervolgens stapten zij weder in de boot en roeiden naar het +kokosboschje<span class="corr" id="xd21e5530" title="Bron: ,">.</span> +De wind blies hun vlak tegen en zoo duurde hunne vaart vrij lang, doch +dit was, gelijk Flink opmerkte, eene zeer gunstige omstandigheid, want +op deze wijze konden zij met de bevrachte boot ook des te sneller naar +de baai terugzeilen.</p> +<p>Aan het kokosbosch geland, verloren zij geen tijd, maar gingen +terstond aan het bevrachten van de boot, zoodat de spijkers benevens de +verdere ijzeren werktuigen van allerlei aard en de gereedschappen, waar +Flink destijds van het schip aan land had gebracht, het grootste +gedeelte van de eerste lading uitmaakten. Een meelvat, eene kist met +kaarsen en eenige stukken linnen maakten de lading eindelijk vol. Zij +riepen Remus, die zich op den zandigen oever in de schaduw van het +geboomte had nedergelegd, en stieten toen af. Het zeil werd geheschen +en een half uur later hadden zij de klippen reeds weder achter zich en +landden in de baai.</p> +<p>„Ik ben recht blij, dat wij deze lading gelukkig overgebracht +hebben, Willem, want ze is voor ons van groote waarde. Nu willen wij +het een na het ander naar het magazijn brengen en daarmee is dan voor +vandaag genoeg afgedaan. Morgen zullen we zien, of we twee ladingen +halen kunnen. Ge denkt toch niet, dat dit u te zwaar zal vallen, beste +jongen?”</p> +<p>„O, we hebben maar vroeg op te staan, en dan zal het best +lukken,” gaf Willem ten antwoord. „Wij zullen nu ons maal +houden en onzen verderen arbeid tot den namiddag uitstellen.” +<span class="pagenum">[<a id="pb233" href="#pb233" name= +"pb233">233</a>]</span></p> +<p>Aan dat maal mocht ook Remus deelnemen, dien Willem van beenderen en +verderen afval rijkelijk voorzag.</p> +<p>„Maar zeg mij toch, Willem,” vroeg Flink, „hoe +waart ge er van morgen toch zoo bizonder <span class="corr" id= +"xd21e5544" title="Bron: opgesteld">op gesteld</span> om den hond mee +te nemen?”</p> +<p>„Dat zal ik u zeggen, Flink. ’t Is mogelijk, dat ik mij +in hem vergis, maar dat geloof ik toch niet. Ik denk namelijk, dat hij +moeder wel een briefje van mij kan overbrengen. Gij weet, dat hij als +men ’t hem gelast, altijd weer naar huis terugkeert, en nu wil ik +eens zien, of hij ook van hier den ganschen weg naar de tenten kan +terugvinden. Ik heb daartoe een stuk papier en potlood +meegenomen.”</p> +<p>Hij haalde dit dadelijk voor den dag en schreef:</p> +<div class="blockquote"> +<p class="first salute">„Lieve moeder!</p> +<p>„Wij zijn heel wèl en zoo even met de eerste lading +voorspoedig aangekomen.</p> +<p class="signed">Uw u hartelijk liefhebbende zoon</p> +<p class="signed">Willem.”</p> +</div> +<p>Willem bond den hond het papier met een eindje touw om den hals, +lokte hem toen buiten het huis en riep:</p> +<p>„Remus, naar huis, beest!—Marsch, weg! Naar huis, +hond!”</p> +<p>De hond keek zijn meester twijfelachtig aan, alsof hij niet recht +wist wat men van hem verlangde; doch Willem nam een steen en deed alsof +hij naar hem gooien wilde. Nu liep het dier een eind weegs voort en +bleef toen weder staan.</p> +<p>„Naar huis, Remus!—Naar huis, hond!” Met deze +woorden hief Willem den steen weder omhoog, terwijl hij zijn bevel +herhaalde en de hond ging nu, zoo hard zijne pooten hem dragen konden, +op den loop.</p> +<p>„Hij is nu in allen gevalle weg,” zeide Willem. +„Mij dunkt, hij zal de tenten wel wedervinden.”</p> +<p>„Dat moet de tijd leeren,” hernam Flink. „Daar we +met eten gedaan hebben, kunnen we nu met het bergen van onze goederen +beginnen.”</p> +<p>„Waar moeten we die dan bergen, Flink?”</p> +<p>„In het magazijn, beste jongen. Dat zal ons wel wat zweet +kosten, want deze kisten en vaatjes met spijkers zijn zwaar en wij +dienen menigen gang te doen, maar het moet toch gebeuren. We hebben +echter nog een uur of drie<span class="corr" id="xd21e5578" title= +"Niet in bron">,</span> vier dag vóór ons, zoodat we ons +niet behoeven te overhaasten.”</p> +<p>Zoodra de gansche lading in het magazijn geborgen was, brachten zij +<span class="pagenum">[<a id="pb234" href="#pb234" name= +"pb234">234</a>]</span>de boot in veiligheid en gingen toen naar het +woonhuis, om zich daar ter ruste te leggen. Op het oogenblik, dat zij +den voet op den drempel zetten, kwam Remus met vroolijke sprongen op +hen toe; maar gelukkig had hij het briefje nog altijd om den hals.</p> +<p>„Daar is de hond, Willem,” riep Flink. „Het +schijnt, dat hij toch niet naar huis heeft willen +terugloopen.”</p> +<p>„Dat spijt mij recht; ik geloofde stellig en zeker, dat hij +het doen zou, en nu heb ik mij toch bedrogen. Wij zullen hem niets te +vreten geven, dan moet hij op ’t laatst toch wel gaan. Maar +wacht,—wacht eens! Kijk, Flink! dat is niet hetzelfde papier, dat +ik hem om den hals bond. Ik geloof ’t althans niet.—Laat +eens zien.”</p> +<p>Dit zeggende nam Willem den hond het briefje van den hals en +las:</p> +<div class="blockquote"> +<p class="first salute">„Beste Willem!</p> +<p>„Uw brief is gelukkig overgekomen en wij zijn recht blij, nu +wij weten dat alles wèl met u is. Schrijf ons elken dag. +’t Was wezenlijk een recht goede inval van u,—en Remus is +een juweel van een hond.</p> +<p class="signed">Uwe u liefhebbende moeder</p> +<p class="signed">Selina Wilson.”</p> +</div> +<p>„Inderdaad, de hond is recht schrander,” riep Flink. +„Waarlijk, ik had er niet de minste gedachte op, dat hij gaan, of +dat hij nog wel op bevel uwer moeder tot ons terugkomen zou.”</p> +<p>„Brave Remus!” riep Willem, het dier liefkoozende. +„Kom hier, mijn jongen; nu zult ge ook lekker smullen van avond, +want ge hebt dat eerlijk verdiend.”</p> +<p>„Dat heeft hij waarlijk. Zie, Willem, daar hebt ge nu een +postinrichting op ons eiland tot stand gebracht, en dat is eene +verbetering van belang. In ernst, jongen, ze kan ons recht nuttig +worden.”</p> +<p>„In allen gevalle kan dat eene groote geruststelling voor +moeder zijn.”</p> +<p>„Ja, vooral dan, als we in ’t vervolg met ons +drieën hier werken moeten, om ’t magazijn in orde en in +staat van tegenweer te brengen.—Nu gaan wij echter terstond +slapen, om morgen met den leeuwrik weer op te zijn, zooals men bij ons +te lande zou zeggen.”</p> +<p>„Hier dienden wij te zeggen, met de papegaaien, want die zijn +de eenige soort van landvogels, die dit eiland rijk schijnt te +wezen.”</p> +<p>„Gij vergeet de duiven, Willem. Ik heb gisteren een paar in +het bosch gezien; maar ze zijn thans juist in den +broeitijd.—Goeden nacht, Willem.” <span class= +"pagenum">[<a id="pb235" href="#pb235" name="pb235">235</a>]</span></p> +<p>Eenige dagen lang werkten allen ijverig door en Remus ging heen en +keerde telkens met goede berichten terug, totdat des Zaterdags de +terugreis werd aanvaard. Bij hunne aankomst vonden zij de gansche +familie aan de kleine haven verzameld en verlangend naar hen +uitziende.</p> +<p>„Welkom thuis, beste Willem!” riep mevrouw Wilson hem +vroolijk toe. „Nu, gij hebt u een man van uw woord betoond en mij +uwe brieven met den post gezonden. Welk een kostelijke inval van u! Ik +zal mij niet meer ongerust maken: ook niet, als gij alle drie eens te +zamen weg zijt.”</p> +<p>„Ik moet Romulus en Vixen ook nog hetzelfde leeren, +moeder.”</p> +<p>„En ik wil het de jongen leeren,” zei Thomas. +„Thomas wil ook brieven schrijven.”</p> +<p>„Ja, ja, Thomas. Tegen dat gij eerst een brief schrijven kunt, +zullen de jongen wel sterk genoeg zijn, om dien te dragen,” +antwoordde Flink. „Uw gezicht is nog tamelijk geschonden, merk +ik. Ge zult nu, hoop ik, geen doode varkens meer willen +schieten.”</p> +<p>„Neen, dat wil ik niet; maar van ’t eerste, dat gij nu +weer doodmaakt, zal ik meer eten, dan ik van dat andere gedaan +heb.”</p> +<p>„Dat is een verstandig woord van u, beste jongen.—Kom +hier, kleine Albert! ik zal u weer een beetje op den arm dragen; wij +beiden hebben nu in zoolang niet samen gespeeld.—Hoe staat het +met de heg en den greppel, mijnheer?”</p> +<p>„Goed, Flink, twee zijden daarvan zijn ten naastebij klaar. +Naar ik reken, zal ik tegen het einde der volgende week het gansche +plantsoen wel behoorlijk omheind hebben.”</p> +<p>„O, ge behoeft u niet al te sterk in te spannen, mijnheer; +want zoo’n groote haast heeft het volstrekt niet. Willem en ik +zullen met het overige wel nagenoeg klaar worden.”</p> +<p>Aan tafel sprak men nog lang van de schranderheid, door Remus bij +het overbrengen der brieven aan den dag gelegd. Mijnheer Wilson +verhaalde daarbij onderscheidene voorbeelden van de scherpzinnigheid +der dieren, totdat Willem zijn vader op eens vroeg, waarin dan +eigenlijk het verschil tusschen verstand en instinct bestond.</p> +<p>„Dat verschil is zeer groot, zooals ik u terstond zal +verklaren. Eerst moet ik echter aanmerken, dat men voorheen placht te +zeggen, dat de mensch door verstand, maar het dier enkel en alleen door +zijn instinct geleid werd, hetgeen onjuist is. De mensch heeft evengoed +als het dier zijn instinct en ook de dieren bezitten verstandelijke +vermogens, ofschoon zij ook meestal enkel aan het instinct +gehoorzamen.” <span class="pagenum">[<a id="pb236" href="#pb236" +name="pb236">236</a>]</span></p> +<p>„Instinct bij dieren is het gevoel, dat dezen aandrijft om +zekere dingen zonder voorafgaand overleg of nadenken te verrichten. De +zwaluw bouwt haar nest, de spin weeft haar web, de bij maakt hare cel +in alles nog evenzoo als zij het voor vierduizend jaren gedaan hebben. +Ik kan u hier reeds doen opmerken, dat een der grootste wonderen van +het instinct in de meetkunstige gedaante der bijencellen bestaat, want +men heeft door afdoende bewijzen aangetoond, dat deze vorm juist die +is, welke de minste opoffering van tijd en moeite vordert. De wonderen +van het instinct vallen bovenal onder zulke dieren in het oog, die in +groote kudden en zwermen samenleven.”</p> +<p>„Verklaar mij dat wat nader, lieve vader.”</p> +<p>„Daartoe behooren b. v. de vele soorten van trekvogels, wilde +ganzen, ooievaars, zeevogels, kraaien en raven. Zij doen hun instinct +blijken door de tochten, die zij uit het eene werelddeel naar het +andere ondernemen,—door de wijze, waarop zij vliegen, opdat zij +den wind zoo weinig mogelijk val en tegenstand bieden. Daarbij houdt +elk dezer dieren zich aan de hem aangewezen plaats met eene bijzondere +nauwgezetheid. Als zij slapen, zetten zij schildwachten uit, die voor +hen waken en hun bij naderend gevaar een teeken geven; datzelfde kan +men niet alleen bij vogels, maar ook bij andere dieren +waarnemen.”</p> +<p>„En hoe is het dan met die, welke in troepen of zwermen leven, +vader?”</p> +<p>„Daartoe behooren de bijen, de mieren en vele andere insecten +en onder de viervoetige dieren de bever. Niets is bewonderenswaardiger +dan de nauwgezetheid, waarmede zij arbeiden, de gemakkelijkheid, +waarmede zij zich de een den ander verstaanbaar maken en de stiptheid, +waarmede ieder in het bijzonder zijn werk verricht,—doch Thomas +geeuwt, alsof hij ons allen wil inslikken en Caroline is al lang in +zoete rust.<span class="corr" id="xd21e5652" title= +"Niet in bron">”</span></p> +<p>„Hun verstand en hun instinct zijn dan beide tegen mij,” +merkte Willem lachend aan, „zoodat ik wel geduld moet hebben. +Maar ik verlang werkelijk zeer over dit punt nog iets meer van u te +hooren.”</p> +<p>„En ik niet minder, Willem,” verzekerde Flink; +„ofschoon ’t mij nu niet onaangenaam is te gaan +rusten.” <span class="pagenum">[<a id="pb237" href="#pb237" name= +"pb237">237</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch51" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">EEN-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">INSTINCT EN VERSTAND.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">De volgende dag was als Zondag aan de rust gewijd.</p> +<p>Toen de familie des avonds vreedzaam bij elkander zat, verzocht +Willem zijn vader, om nu van de verstandelijke vermogens der dieren nog +iets naders te zeggen.</p> +<p>„Dat wil ik gaarne doen,” antwoordde mijnheer Wilson. +„Daar vinden wij dan vooreerst geheugen, en wel inzonderheid een +onthouden van personen en plaatsen, dat in getrouwheid voor dat van ons +menschen zeker niet behoeft onder te doen. Een olifant, die uit zijn +stal weggeloopen en weer in zijne oude bosschen gevlucht was, kende nog +na twintig jaren zijn voormaligen drijver weder. Wat den plaatselijken +zin aangaat, zoo zal b. v. een hond de vroegere woning van zijn heer +terugvinden, ook al was hij er honderd uren ver vandaan geweest. Ook de +papegaai en de <span class="corr" id="xd21e5671" title= +"Bron: kakatoe">kaketoe</span> bezitten een uitmuntend geheugen.</p> +<p>„Een tweede bewijs voor hun geheugen is, dat de dieren +droomen; hoe dikwijls hoort gij Romulus en Remus in den slaap niet +brommen en blaffen?”</p> +<p>„Dat heb ik meermalen opgemerkt, vader.”</p> +<p>„Verder doen zij ook opmerkzaamheid blijken. Zie eens eene +kat, hoe zij uren lang geduldig voor een gat zit en wacht tot de muis +er uitkomt. Eene spin wacht dagen lang, totdat eindelijk eene vlieg in +haar net verward raakt; en zoo zult gij het bij elk dier vinden, als +het op zijne prooi loert.</p> +<p>„Ook een aaneenschakeling van gedachten is bij hen merkbaar, +en wat is dit anders dan eene werkzaamheid van het verstand? Een bewijs +daarvan levert de hond; hij zal b. v. een net gekleed mensch +doodbedaard op zijne deur laten toekomen, terwijl hij dreigend op den +bedelaar aanvliegt. Heeft hij iets te bewaken, dan zult gij altijd +merken, dat hij een voorbijganger ongestoord laat gaan, maar +daarentegen oogenblikkelijk begint te blaffen, als iemand voor hem +staan blijft. Ik heb in Sidney een hond gekend, die op de plantage van +zijn meester de wacht moest houden en telkens, als hij een mensch het +goed hoorde naderen, op den kleinen muur sprong, die de plaats omgaf, +en den aankomeling op zijde bleef, totdat deze de buurt verlaten +had.</p> +<p>„Bij den olifant valt dit vermogen der gedachtenverbinding nog +duidelijker in het oog; hij verstaat wat men hem zegt veel beter dan +eenig ander dier;—zijn verstand is werkelijk ongemeen. Men heeft +hem slechts eene <span class="pagenum">[<a id="pb238" href="#pb238" +name="pb238">238</a>]</span>belooning toe te zeggen, en hij zal de +verwonderlijkste kunststukken verrichten; ook is hij buitengewoon +gevoelig voor lof of blaam.</p> +<p>„In Indië worden de olifanten tot het vervoer van zwaar +geschut gebruikt. Eens gebeurde het, dat een van de fraaiste dezer +dieren vruchteloos zijne krachten inspande, om een kanon door het +moeras te slepen. „Jaagt het luie dier weg,” riep de +commandant van den legertrein, „en laat een ander komen.” +De olifant gevoelde zich door dit verwijt zoo diep gekrenkt, dat hij +’t uiterste beproefde om het stuk met zijn kop voort te stooten, +totdat hij zich den kop verpletterde en dood nederviel.</p> +<p>„Op de beurs te Exeter had men langen tijd een olifant, die +Chunny heette. Dezen had men geleerd, de kleinste geldstukken met zijn +snuit van den grond op te rapen. Eens gebeurde het hem, dat hij een +shilling liet vallen, die daarop tegen den muur aanrolde, zoodat hij er +niet meer bij kon. Chunny blijft staan, bedenkt zich een poosje en +begint eindelijk met zijn snuit zoo geweldig te blazen, dat de +uitgestooten lucht den shilling van den muur af en naar hem toedrijft, +zoodat hij weder in staat is dien te bereiken.</p> +<p>„De dieren bezitten ook nog andere eigenschappen, zooals onder +andere een scherpen zin voor de tijdverdeeling. Zoo kende ik twee +honden, die aan eene dame toebehoorden. Deze dieren mochten altijd +medegaan, wanneer hunne meesteres in de week met haar rijtuig een +toertje ging doen; alleen ’s Zondags, als deze naar de kerk reed, +werden zij natuurlijk niet medegenomen. Nu was het vreemd te zien, hoe +deze beide honden evengoed als hunne meesteres wisten, wanneer het +Zondag was. In de week als het rijtuig voor de deur stilhield, kwamen +zij vroolijk aanspringen en waren, zoodra de tree werd neergelaten, met +een wip daarin; maar ’s Zondags was het, alsof zij niets van het +rijtuig merkten en bleven zij bedaard op hun plaatsje +liggen.<span class="corr" id="xd21e5693" title= +"Niet in bron">”</span></p> +<p>„Dit is waarlijk merkwaardig; wat moet dat een verstandig dier +geweest zijn!” riep Willem verwonderd.</p> +<p>„Ook zijn de dieren voor onderrichting vatbaar, hetgeen +blijkbaar een nieuw bewijs voor hunne verstandelijke vermogens is. De +olifant, het paard, de hond en andere dieren, zelfs vogels, kunnen al +het mogelijke aanleeren. Zoo kan men op kermissen menigmaal +kanarievogels zien, die kanonnetjes afsteken, zich dood houden en +allerlei kunstjes verrichten.”</p> +<p>„Maar nu weet ik nog altijd niet, waar men de grenslijn +tusschen verstand en instinct moet trekken, beste vader.”</p> +<p>„Ik was juist op het punt om daartoe over te gaan, Willem. Als +de dieren bij het uitgaan op hun voedsel, het grootbrengen hunner +jongen en bij hunne voorzorgen tegen gevaren het instinct volgen, dan +gehoorzamen zij daarbij <span class="pagenum">[<a id="pb239" href= +"#pb239" name="pb239">239</a>]</span>aan zekere vaste regelen, waarvan +zij nooit afwijken. Daarbij kunnen echter altijd weer omstandigheden +plaats hebben, waartegen het instinct hun geen hulpmiddelen verschaft, +en het is in zulk een geval, dat hun verstand moet worden te baat +genomen.</p> +<p>„Ik wil dit gezegde nader ophelderen met het voorbeeld van de +bij, die een der dieren is, bij wie het instinct zich het werkzaamst +vertoont. Er is zekere vlinder,—men noemt hem doorgaans den +doodshoofdvlinder,—die zich zeer gaarne op honig vergast. Het +gelukt hem somwijlen in een bijenkorf en tot de cellen door te dringen. +De bijen grijpen dezen vijand dadelijk aan en dooden hem met hare +angels; doch zijn lijk is zoo groot, dat zij het niet uit den korf +kunnen brengen, wat bij kleinere insecten, die bij haar indringen, +regelmatig geschiedt, naardien zij een zeer fijnen reuk schijnen te +bezitten. Wat doen zij dus, om den stank, die van het verrottend +lichaam der kapel te vreezen is, te keer te gaan? Zij overtrekken het +doode diertje met was en balsemen het als ’t ware op deze wijze +in, zoodat zij er volstrekt geen last meer van hebben.”</p> +<p>„Ja, maar kan ’t ook in dit geval niet haar instinct +geweest zijn, vader<span class="corr" id="xd21e5710" title= +"Bron: .">,</span> dat haar zoo handelen deed?” vroeg Willem.</p> +<p>„Als dit geval bij wilde bijen ware voorgekomen, dan kondet +gij die vraag met recht doen, Willem. Nu echter weet gij, dat bijen in +den wilden staat in uitgeholde boomen leven en dat in dit geval de +opening, die naar het hol voert, juist maar even groot genoeg is, dat +de eene bij er na de andere door kan. Natuurlijk kan er dan geen +grooter dier meer indringen, en al wilde het dat ook, zoo zou het +gemakkelijk door den grooten zwerm worden afgeweerd. Ik neem de bijen +nu echter in haren kunstmatigen toestand, als zij in een bijenkorf met +wijde opening opgesloten en aldus aan het vermelde geval blootgesteld +zijn, waarin zij op de gezegde wijze weten te voorzien.”</p> +<p>„Nu heb ik het onderscheid begrepen, vader.”</p> +<p>„Nog een voorbeeld: Een olifant viel eens in een diepen +waterput. Het was onmogelijk hem er uit te halen, en hij had er dus in +moeten omkomen; maar zijn drijver, die wel wist, hoe schrander het dier +was, gaf den raad om eene menigte zware takkenbossen bijeen te brengen +en die den olifant in den put toe te werpen. Het dier begreep dan ook +heel goed, wat men daarmee voorhad. Hij vlijdde de takkebossen op den +grond neder en plaatste zich daarop; zoo ging hij voort de eene laag op +de andere te leggen, tot die zulk eene hoogte bereikt hadden, dat hij +eindelijk uit den kuil komen kon. Er zouden wel menschen zijn, die niet +begrepen, wat zij in een soortgelijk geval met de takkebossen hadden +aan te vangen, als men hun dat niet eerst zeide.” <span class= +"pagenum">[<a id="pb240" href="#pb240" name="pb240">240</a>]</span></p> +<p>Zij arbeidden de volgende gansche week met den grootsten ijver door +en hadden eindelijk op Zaterdagavond hunne taak verricht. Met +uitzondering van de geborgen scheepsplanken, was thans al het overige +naar de oostelijke baai vervoerd. Echter lag er nog veel op het strand +verstrooid, daar de tijd niet toereikend geweest was om alles in het +magazijn te bergen.</p> +<p>Zaterdag, in den vroegen morgen, roeiden zij voor de laatste maal +naar het kokosbosch en Flink zocht onder de wrakhouten, die overal op +het strand verstrooid lagen, een aantal eiken balken en posten op, die +zij daarop deels in de boot brachten, deels aan ’t achtereind +daarvan vastmaakten. Dit gaf een zeer zware lading, zoodat de boot, in +weerwil van de stevige koelte, slechts zeer langzaam door het water +ging.</p> +<p>„Nu, Willem,” begon Flink, „hebben we een moeilijk +werk achter den rug en ik moet zeggen, ’t is hoog tijd dat wij +eindelijk klaarkomen, want onze boot begint vrij zwak en bouwvallig te +worden, zoodat ik haar, zoodra wij eens weer tijd daartoe hebben, +zorgvuldig kalefateren moet.”</p> +<p>„Wij zullen haar nu ook zoo dikwijls niet meer noodig +hebben,” antwoordde Willem; „eenige vaarten naar de kleine +haven zullen wel alles zijn, wat zij voor ons terugkeeren naar de oude +woning heeft te doen.”</p> +<p>„Dat is waar, Willem en zij heeft ook reeds een duchtig lek en +dient althans spoedig met zorg geteerd te worden. Voor een zoo licht +gebouwd, gebrekkig ding, heeft zij hare diensten kostelijk +gedaan.”</p> +<p>„Het heeft mij al dikwijls verwonderd, dat zij zich zoo goed +hield, Flink. Maar wat dunkt u, zullen we nu aanstaanden Maandag naar +het magazijn opbreken en daar in het vervolg onzen intrek +nemen?”</p> +<p>„Zeker, Willem; we mogen dat volstrekt niet langer +uitstellen,” antwoordde Flink. „Uw vader heeft intusschen +zeker heg en sloot rondom het <span class="corr" id="xd21e5735" title= +"Bron: yamplantsoen">yamsplantsoen</span> klaar, en is dit zoo, dan zal +uwe moeder toch ook niet alleen met Juno en de kleinen in de tenten +willen achterblijven. Zoo zullen wij nu het beste doen om naar het oude +huis terug te keeren, totdat het magazijn geheel in orde is gebracht. +Ik voor mij zou echter veel liever zien, dat uw moeder stilletjes bij +de tenten bleef, totdat alles gedaan is.”</p> +<p>„Omdat gij een bezoek van de wilden vreest, Flink?”</p> +<p>„Ja, waarlijk, beste jongen, ik wil het niet +ontkennen.”</p> +<p>„Maar, Flink, als zij komen, dan zien wij dat vroeg genoeg; en +is het dan niet veel beter, dat wij allen bij elkander zijn, zelfs als +wij ons voor hen verbergen moesten, omdat we nog niet behoorlijk waren +voorbereid? Stel u het geval eens voor, dat de wilden het eiland +overvielen en mijne moeder, mijne broertjes en zusjes geheel zonder +<span class="corr" id="xd21e5744" title= +"Bron: beschermng">bescherming</span> vonden, terwijl wijzelven +<span class="pagenum">[<a id="pb241" href="#pb241" name= +"pb241">241</a>]</span>gedwongen waren, ons huis te verlaten,—hoe +schrikkelijk moest dat zijn!”</p> +<p>„Ja, Willem, ik reken er op, dat wij ons in dat geval nog naar +de tenten redden zouden.”</p> +<p>„Dat kunnen wij echter ook allen gezamenlijk, Flink, als wij +maar niet bij nacht verrast worden.”</p> +<p>„Daar moeten wij met alle zorgvuldigheid tegen zoeken te waken +mijn jongen. Gelukkig is het licht in het tegenwoordige seizoen weinig +langer dan drie uren van den hemel. Het komt mij overigens voor, dat +gij gelijk hebt, Willem. Bovendien kan Juno ons goede diensten doen en +wij zullen door haar te eer met ons werk klaarkomen.”</p> +<p>„’t Zou misschien wel het best zijn, dat wij de +beslissing aan vader en moeder overlieten.”</p> +<p>„Dat is waar.—Nu, daar is eindelijk de landpunt ook; wij +zullen onze planken gauw aan land brengen en dan dadelijk weer in zee +steken, want het wordt al tamelijk laat.”</p> +<p>Zij bereikten de kleine haven werkelijk veel later dan gewoonlijk, +waaraan de zware lading schuld was, zoodat de boot niet dan zeer +langzaam naar de baai was voortgedreven. Bij hunne aankomst stonden +vader, moeder en de kinderen allen op het strand hen met ongeduld te +wachten.</p> +<p>„Gij komt van avond laat, vrienden,” begon mevrouw +Wilson. „Ik begon al ongerust te worden, tot ik uwe boot +eindelijk in de verte zag.”</p> +<p>„Ja, lieve moeder, wij konden het niet anders maken; we hadden +nog eene zware lading over te brengen, maar nu zijn wij ook met ons +werk geheel ten einde.”</p> +<p>„Dat hoor ik met blijdschap, Willem, want het valt mij hard, u +zoo dagen achtereen in het geheel niet te zien te krijgen.”</p> +<p>„Ook ik ben met mijn werk klaar,” zeide de heer Wilson: +„dezen morgen heb ik de laatste hand aan de omheining +gelegd.”</p> +<p>„Dat is goed,” sprak Flink; „wij moeten dan eens +weder een krijgsraad houden, die echter nu, denk ik, niet al te lang +duren zal.”</p> +<p>„Ik hoop het althans niet, Flink; want als men van eenerlei +gevoelen is, zal dat zelden het geval zijn. Mijne vrouw wil liefst niet +alleen hier achterblijven en ik zou haar niet gaarne +verlaten;—daarom, dunkt mij, moeten wij Maandag naar onze woning +opbreken.”</p> +<p>„Recht gaarne, mijnheer, als gij dat verkiest,” gaf +Flink ten antwoord.</p> +<p>„Juno, ik hoop toch, dat gij iets goeds te eten hebt?” +riep Willem. „Op mijn woord, ik heb van avond honger voor +tien.” <span class="pagenum">[<a id="pb242" href="#pb242" name= +"pb242">242</a>]</span></p> +<p>„O ja, massa Willem, gebakken visch heele boel; massa zelf die +vanmorgen gevangen heeft.”</p> +<p>„Ik lust liever schildpadsoep,” verklaarde Thomas.</p> +<p>„Ik geloof, dat sinjeur Thomas alles lust behalve +ricinusboonen<span class="corr" id="xd21e5786" title= +"Bron: .">,</span>” zeide Flink lachend. „Niet waar, daar +wilt gij niet meer van eten?”</p> +<p>„Neen, zeker niet; maar ik wil bananen eten, zoodra ze rijp +zijn.”</p> +<p>„O, gij hadt ze zeker ook al vroeger geproefd, als gij er maar +bij had kunnen komen; doch daartoe moet gij eerst nog grooter +worden.”</p> +<p>„Ik zal ook een man worden,” hernam Thomas.</p> +<p>„Dat hoop ik en wel een recht braaf, uitstekend man,” +antwoordde de oude Flink. „Kom, ik zal Juno nu maar eens een +handje helpen, om het eten op te brengen.”</p> +</div> +</div> +<div id="ch52" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">TWEE-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">GROOTHEID VAN HET DIERENRIJK.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">De volgende dag was weder een Zondag en derhalve aan +de rust gewijd. Inderdaad hadden onze vrienden die na den ingespannen +arbeid van de voorgaande week hoog noodig en thans eerst gevoelden zij +recht duidelijk, hoe weldadig zulk een verademing is.</p> +<p>Na het eten hield men raad en kwam overeen, Maandag alle +toebereidselen te maken, om de tenten te verlaten en naar de oude +woning terug te keeren. De schapen en geiten zouden vooreerst aan de +zuidkust blijven, waar zij uitmuntend voedsel in overvloed hadden. Men +wilde slechts eene enkele geit medenemen, die het huisgezin genoegzaam +van melk kon voorzien. Ook besloot men de tenten, met eenig +keukengereedschap daarin, te laten staan, opdat Willem en Flink, als +zij hierheen kwamen, om naar de bananen en yamswortels of naar de +schapen en geiten om te zien, niet onder den blooten hemel zouden +behoeven te slapen en de middelen mochten vinden om zich een behoorlijk +maal te bereiden.</p> +<p>Willem en Flink moesten de bedden enz. in de boot naar de oostkust +brengen, hetgeen in twee vaarten te doen was. Mijnheer en mevrouw +Wilson wilden vroeg ontbijten en dan met de verdere familie door het +bosch op weg gaan.</p> +<p>Des avonds bracht Willem het gesprek weder op de dieren en hunne +<span class="pagenum">[<a id="pb243" href="#pb243" name= +"pb243">243</a>]</span>eigenschappen, daar hij zijn vader gaarne over +dit onderwerp hoorde spreken. In den loop van dit gesprek wierp Willem +eensklaps de vraag op:</p> +<p>„Ei, vader, men zegt wel eens: „zoo dom als een +ezel!” Is de ezel dan werkelijk zulk een dom dier?”</p> +<p>„Neen, Willem; integendeel is hij zeer scherpzinnig en die +benaming wordt hem meer om zijn stroeven, koppigen aard dan om eenige +andere reden gegeven. Men zegt veelal, „dom als een ezel, dom als +een varken of als eene gans,” doch doet die dieren daarbij groot +ongelijk, daar geen van hen dien bijnaam verdient.</p> +<p>„Bij den ezel kan hiervan licht de reden zijn, dat wij in ons +noordelijk vaderland slechts de minste bastaardsoorten bezitten. Klein +en gebrekkig, gelijk wij hen daar zien, geeft men hun noch haver noch +eenig ander krachtig voeder, behandelt hen slecht en zoo is het dan ook +geen wonder, dat zij tot trage, stijfkoppige dieren ontaarden. Het +klimaat van het noordelijk Europa is veel te koud voor den ezel. In het +zuiden van Frankrijk, aan de Middellandsche Zee, waar het veel warmer +is, treffen we den ezel ook als een veel fraaier dier aan.</p> +<p><span class="corr" id="xd21e5819" title= +"Niet in bron">„</span>Wanneer wij hem echter in al zijn +volmaaktheid willen zien, dan moeten wij in de warme luchtstreek naar +Guinea vlak onder den evenaar gaan. Daar, in de heetste streek der +aarde, is het vaderland van den ezel; daar is hij in zijn natuurstaat +een fraai dier, snel als de wind.<span class="corr" id="xd21e5822" +title="Niet in bron">”</span></p> +<p>„Maakt dan het klimaat zulk een groot verschil, +vader?”</p> +<p>„Natuurlijk—en dat niet alleen bij dieren, maar ook bij +boomen en planten en zelfs bij den mensch, totdat hij aan de +verwisseling daarvan gewoon is. De lascaar, d. i. de inlandsche +Indische zeeman, is op de warme, zonnige Indische wateren vol +vroolijkheid en leven, doch zoodra hij in het Britsche Kanaal komt en +de vingers hem van koude verkleumen, wordt hij traag, onwillig, kortom +in alles een beklagenswaardig wezen.</p> +<p>„Onder de dieren vindt men vele, die de verwisseling van +klimaat goed verdragen en zich zelf aan een hun anders geheel vreemd +voedsel gewennen kunnen. Het paard b. v. dat oorspronkelijk in +Arabië te huis behoort, tiert evengoed in de gematigde als in de +koude luchtstreek, daar het zelfs den harden winter in Noord-Amerika en +in Rusland verduren kan. Zoo ook andere huisdieren, als koeien, +schapen, varkens, enz. Eene opmerkelijke bijzonderheid is, dat het +rundvee in Canada gedurende den winter voor een groot deel met visch +wordt gevoed.</p> +<p>„Behalve de reeds opgenoemde, zijn er ook nog andere dieren, +b. v. de wolf, de vos, de haas en het konijn, die onder elke +warmtegraad kunnen <span class="pagenum">[<a id="pb244" href="#pb244" +name="pb244">244</a>]</span>leven. Bij schapen en geiten ziet men een +merkwaardig verschijnsel,—blijkbaar ten bewijze, dat zij bestemd +zijn, om zich overal op de aarde te verbreiden,—dit namelijk, dat +zij onder de heete hemelstreken hun warm, wollig kleed afwerpen en +bijna enkel haren ter bedekking overhouden, terwijl zij hunne warmer +vacht oogenblikkelijk weder aannemen, als zij naar kouder streken +worden overgebracht.<a id="xd21e5836" name="xd21e5836"></a></p> +<p>„Dit toenemen van het ruige bekleedsel is nog bij vele andere +dieren merkbaar zoodra zij uit warmer streken meer naar het noorden +worden overgeplant. Wolven, vossen, hazen en konijnen verkrijgen +langzamerhand eene witte vacht, hoe verder noordelijk zij zich +ophouden. De kleine wezel, die bij ons door de veld- en boschwachters +gedood en aan de schuurdeuren gespijkerd wordt, verandert in Rusland en +in andere koude landen in dat fraaie, witte hermelijntje, welks pels +zoo hooggeschat en door keizers en koningen gedragen wordt.</p> +<p>„Hierbij valt alleen op te merken, Willem, dat zulke dieren, +welke slechts voor een bijzonder werelddeel bestemd werden, ook +doorgaans zoo zijn toegerust, als zij voor hun land best passen, en +daar ook het meest geschikte voedsel voor hunne soort vinden. Neem b. +v. den kameel, een dier, dat uitsluitend voor zijn geboorteland +geschapen werd en zonder ’t welk alle gemeenschap tusschen +Azië en Afrika moest ophouden. Zijne pooten zijn zoo gevormd, dat +hij met gemak door het zand waden kan; hij voedt zich met de schrale +gewassen en ziltige planten, die men daar nog aantreft, en heeft de +bijzondere eigenschap, dat hij in eene soort van tweede maag een +voorraad van water medevoert, om in streken, waar men dat niet vindt, +er zijn leven bij te houden.”</p> +<p>„Er zijn zeker ook vele dieren, die voor den mensch van geen +nut zijn, vader?”</p> +<p>„Vele althans bij wie dit het geval schijnt te wezen, en +enkele zelfs, die hem hoogst verderfelijk zijn. Dit behoort nu eenmaal +tot ons lot; wij mogen hen daarom ook uitroeien en verdelgen, als zij +ons lastig of gevaarlijk worden, gelijk wij dat den distel op het veld +doen. Zoo zij echter ook al van geen nut voor ons zijn, verhoogen zij +toch de schoonheid en rijke verscheidenheid der natuur.<span class= +"corr" id="xd21e5846" title="Niet in bron">”</span> <span class= +"pagenum">[<a id="pb245" href="#pb245" name="pb245">245</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch53" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">DRIE-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">INRICHTING VAN HET BLOKHUIS.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">De volgende morgen was zeer druk en onrustig, want nu +ging men weer aan ’t inpakken en aan de toebereidselen tot de +verhuizing. Juno werd nu hier, dan daar geroepen en moest Carolientje +verzoeken op den ketel te letten en haar te waarschuwen, als het water +begon te koken.</p> +<p>Thomas was, als naar gewoonte, iedereen in den weg. Hij wilde overal +helpen, doch bracht meer van, dan op zijne plaats. Daar hij het evenwel +goed meende, werd hij althans ditmaal niet beknord. Eindelijk zond +Flink, om hem kwijt te worden, hem met een groot pak naar het strand. +Thomas nam den bundel op zijn schouder: maar toen hij, niet weinig +hijgende van het verrichte werk terugkwam en Flink hem een tweeden last +wilde opladen, zei hij toch, dat hij te moe was, en zette zich +stilletjes neer, totdat het ontbijt werd opgedragen, wat echter eerst +geschiedde, toen men met alle toebereidselen gereed was.</p> +<p>Terstond na het ontbijt pakte mevrouw Wilson het keuken- en +tafelgereedschap in een mand bijelkander. Toen begaf de gansche familie +zich eindelijk op weg en trok, in gezelschap van de honden, door het +kokosbosch voort.</p> +<p>De kleine Albert kon nu heel goed loopen en moest slechts nu en dan +door Juno gedragen worden, die hem anders bij de hand had. Caroline +liep naast haar vader en moeder, maar Thomas was te eigenzinnig om met +iemand te gaan en stapte in zijn eentje voort.</p> +<p>Willem en Flink verloren geen tijd, om hunne taak af te doen. +Tafels, stoelen en verder huisraad was het eerste, dat zij in de boot +hadden. Vervolgens werd de eene geit ingescheept en toen stieten zij +met volle lading van land en bereikten de baai lang vóór +de wandelaars, die door het bosch trokken.</p> +<p>Zij brachten de ingeladen goederen spoedig aan land en stieten toen +opnieuw af, om het beddegoed en wat er verder nog was overgebleven af +te halen. Tegen drie uren ’s namiddags kwamen zij met de tweede +en laatste lading in de baai aan, waar de familie voor ongeveer een uur +was <span class="corr" id="xd21e5867" title= +"Bron: aangekokmen">aangekomen</span>. Mijnheer Wilson en Juno waren +reeds druk bezig de uitgeladen stukken naar het huis te dragen.</p> +<p>„Dat zal nu hoop ik, onze laatste vaart geweest zijn voor +langen tijd, Willem,” zeide de oude Flink. „’t Is ook +goed, want onze kleine boot heeft veel geleden en dient, zooals ik u +reeds zeide, eens met zorg te worden nagezien.” <span class= +"pagenum">[<a id="pb246" href="#pb246" name="pb246">246</a>]</span></p> +<p>„Ha, laat mij ’t niet vergeten, Flink, ik heb onlangs de +duiven bij onze erwten gevonden; het wordt dus wel tijd, dat wij ze +plukken. De duiven zijn al heel schielijk vermeerderd,—ik heb er +wel over de dertig geteld.”</p> +<p>Nog vóór den nacht was alles in huis weder op de oude +plaats en even gemakkelijk als te voren ingericht. Zij waren dan allen +ook recht moede geworden en gingen dus vroegtijdig te bed, nadat men +voor den volgenden dag het noodige had afgesproken. Mevrouw Wilson had +zich aangeboden om de keuken en het opzicht over de kleinen zelve voor +hare rekening te nemen, zoodat Juno de mannen den ganschen dag +behulpzaam kon zijn.</p> +<p>Voor dag en dauw gingen Willem en Flink naar de schildpadvijver en +vingen er eene uit, want de tijd naderde, dat men weder nieuwe +schildpadden vangen en in korten tijd den vijver daarmede vullen kon. +Het gevangen dier werd geslacht en een deel daarvan in den pot +gestoken, zoodat mevrouw Wilson het slechts had te braden, en zoodra +het ontbijt was afgeloopen, ging men onverwijld naar het magazijn in +het woud.</p> +<p>Ka een kort beraad met mijnheer Wilson, paalde Flink een van +kokosboomen gevormd vierkant rondom het magazijn af, zoodat op elke +zijde eene ruimte van ongeveer twintig voet vrij bleef, en dit vierkant +moest nu door eene schutting geheel worden ingesloten. De kokosboomen +moesten daarbij tot steunbalken dienen, tusschen welke andere boomen, +die men eerst vellen wilde, tot eene hoogte van veertien voet zouden +worden vastgemaakt. Op deze wijze dachten zij eene palissade tot stand +te brengen, die men niet gemakkelijk beklimmen kon, zoodat zij daardoor +tegen alle aanvallen der wilden beschut waren.</p> +<p>Zoodra de buitenste reeks van boomen gemerkt was, begonnen zij alle +boomen binnen deze en naar buiten tot op een afstand van tien roeden om +te hakken, zoodat zij behoorlijk ruimte tot hun arbeid hadden. Flink +kapte lange balken welke zij van boom tot boom <span class="corr" id= +"xd21e5884" title="Bron: bevestigde">bevestigden</span>, en nu reeds +ondervonden zij het voordeel, dat zij van het bewaren der groote +spijkers hadden, want zonder dezen hadden zij hun werk noch zoo goed +noch zoo rasch kunnen verrichten.</p> +<p>Mijnheer Wilson velde de boomen, Willem en Juno zaagden ze met een +groote timmermanszaag op de behoorlijke lengte af en brachten de +stammen dan bij Flink. Spoedig hadden zij meer omgekapt dan zij +eigenlijk noodig hadden. De kruinen en takken der gevelde boomen werden +opgeraapt en als brandhout op een hoop gestapeld, terwijl mijnheer +Wilson en Flink de palissaden aan de palen begonnen vast te +spijkeren.</p> +<p>Zij hadden den ganschen dag zwaar gearbeid en waren verheugd, toen +<span class="pagenum">[<a id="pb247" href="#pb247" name= +"pb247">247</a>]</span>de avond hun eindelijk eenige verademing +vergunde. Flink was echter nog niet tevreden, maar zeide tot +Willem:</p> +<p>„Daar wij nu weder hier zijn, komt het mij wel noodzakelijk +voor, beste jongen, dat wij, om ongeluk te verhoeden, eene soort van +nachtwacht houden. Ik ga niet te bed, voordat het geheel donker wordt, +wat zoo ongeveer tegen negen uren is: gedurende dien tijd zal ik de zee +nauwkeurig opnemen. Wij hebben wel niet te vreezen, dat de wilden +midden in den nacht komen; maar even voor ’t invallen van de +duisternis of ’s morgens vroeg is dit eer te verwachten, en zoo +moet dus een van ons nog vóór ’t aanbreken van den +dag—dat is tusschen twee of drie uren ’s morgens—op +de been zijn, om te zien of er ook iets van hen te ontdekken is. Is dit +niet het geval, dan kunnen wij natuurlijk weer te bed gaan, daar zij +dan eerst vele uren later kunnen aankomen. Ook moeten wij op wind en +weer acht geven, of die hunne vaart misschien ook begunstigen. Met den +wind kan dit niet eer, dan met het begin van den regentijd het geval +zijn. Hij kan echter ook zeer zwak worden, en dan moet er den wilden +weinig aan gelegen zijn, of hij hun tegen is of niet. Ik heb al veel +over de zaak nagedacht, beste Willem, en geloof dat, ingeval wij een +bezoek van de wilden krijgen, dit met het begin van den regentijd wezen +zal, want dan waait de wind niet regelmatig uit ééne +hemelstreek, zooals thans, maar springt gedurig om, zoodat zij in hunne +kano’s zeilen opzetten en gemakkelijk hierheen komen kunnen, in +plaats van anders veertig of vijftig mijlen ver tegen wind en stroom in +te moeten roeien, wat een allesbehalve lichte arbeid is. Hoe dat zij, +wij mogen zelven geen voorzorg verzuimen en moeten nu reeds scherp naar +de zee uitzien. Ik wil uw vader en moeder liefst voor den tijd niet +ongerust maken, maar u moet ik zeggen, hoe ik er over denk en wat ik +meen, dat wij te doen hebben.”</p> +<p>„Ik geef u volkomen gelijk, Flink, en zal zorg dragen, dat ik +vóór den dag op ben, om den horizon, zoodra ’t +begint te schemeren, met den kijker zoo scherp mogelijk op te nemen. +Neem gij de avondwacht, dan zal ik mij wel met de morgenwacht +belasten.”</p> +<p>„Goed, Willem. Wat voor ’t overige dier wacht aangaat, +kon ik zeer goed beide op mij nemen, maar ik geloof, als gij ’s +morgens opstaat, zullen de anderen dat niet zoo licht als van mij +bemerken, en dat ik ’s avonds nog wat langer dan de familie +opblijf, is men meer van mij gewoon.”</p> +<p>Na dit gesprek hielden Flink en Willem dus gestadig de wacht van den +morgenschemering af, totdat de volle duisternis was ingevallen. +<span class="pagenum">[<a id="pb248" href="#pb248" name= +"pb248">248</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch54" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">VIER-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">GROOT GEVAAR.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Omstreeks veertien dagen lang werd de arbeid bijna +onafgebroken voortgezet, toen er plotseling een voorval plaats greep, +dat de grootste onrust en bezorgdheid wekte. Op zekeren dag, dat de +arbeidenden voor het middageten terugkwamen, vroeg mevrouw Wilson +verwonderd:</p> +<p>„Hoe, is Thomas dan niet bij u geweest?”</p> +<p>„Neen,” gaf haar man ten antwoord; „hij heeft zich +den ganschen voormiddag maar even laten zien. Hij ging na het ontbijt +met ons mee, maar was na een kwartier ook al weer weg.”</p> +<p>„Ja, mevrouw, ikke zeggen; jongetje, jij kokosbladeren helpen +dragen, maar hij toen een, twee, drie, is weggeloopen.”</p> +<p>„Mijn God! waar mag hij dan zijn?” riep de moeder in de +grootste ongerustheid uit.</p> +<p>„Hij zal waarschijnlijk aan ’t strand schelpen zoeken, +mevrouw,” zeide Flink; „misschien ook is hij in den tuin. +Ik zal eens naar hem gaan zien.”</p> +<p>„Ik zal met u gaan, Flink,” zeide Willem.</p> +<p>„Ikke zien hem—ach lieve grutte hemeltje! ikke zien +hem!” riep Juno en wees naar de zee; „hij zitten in de boot +en de boot gaan in zee!”</p> +<p>Het was maar al te waar. Thomas zat werkelijk in de boot, die reeds +van het strand afdreef, en zoo nagenoeg eene kabelslengte daarvan +verwijderd, midden onder de klippen te zien was.</p> +<p>Willem vloog met de snelheid van den wind naar het strand; evenzoo +de vader en Flink. De beangste moeder volgde met Juno op eenigen +afstand.</p> +<p>En er was ook werkelijk geen tijd te verliezen, want de wind blies +gestadig van het land en weldra moest de boot in volle zee zijn. Niet +zoodra was Willem aan het strand gekomen, of hij wierp hoed en buis van +zich en sprong in ’t water. Reeds had hij de helft van den +afstand tusschen het land en de voortdrijvende boot achter zich, toen +de oude Flink, die hem gevolgd was, hem bij den arm vatte.</p> +<p>„Keer oogenblikkelijk terug, Willem!” riep deze op +gebiedenden toon. „Ik zeg, ik gelast het u. Al gaat gij ook +verder, kunt gij toch niet helpen, daar gij u niet zoo goed als ik weet +te redden. Ik zwem toch door en zoo loopen wij beiden dubbel gevaar. +Mijnheer Wilson, roep uw zoon terug. U moet hij gehoorzamen!”</p> +<p>„Willem!” riep zijn vader; „kom oogenblikkelijk +terug: ik gelast het u.” <span class="pagenum">[<a id="pb249" +href="#pb249" name="pb249">249</a>]</span></p> +<p>Willem gehoorzaamde nu en was nog niet uit het water, toen de oude +man reeds tot de eerste klippen was voortgezwommen en nu over de +ondiepe plaatsen over het rif op de boot toewaadde.</p> +<p>„O vader!” riep Willem, „als onze goede oude +vriend verloren ging, zou ik het mijzelven nooit kunnen vergeven. Het +is mij, als of ik niet goed deed met aan u te gehoorzamen. Zie maar, +vader—een, twee, drie haaien, daar dicht voor ons. Hij kan hen +niet ontwijken. Zie, hij is alweer in het diepe water.”</p> +<p>Mijnheer Wilson wierp een vluchtigen blik op de haaien, die slechts +weinige voeten van het strand verwijderd waren, en hield de oogen toen +weder onafgewend op Flinks verdere bewegingen gericht.</p> +<p>Kon de oude man zich door het diepwater tusschen de klippen heen +worstelen, dan was hij als gered te beschouwen, daar de boot thans op +de andere zijde der klippen tegen een rots stiet en vastraakte, waar +het water ondiep was. Het was een oogenblik van onbeschrijfelijken +angst.</p> +<p>Eindelijk had Flink het uiterste rif bereikt; hij greep met de +handen naar een uitstekende rotspunt en klauterde daarbij op.</p> +<p>„Hij is gered, lieve man,—is hij niet?” fluisterde +mevrouw Wilson.</p> +<p>„Ja, ik geloof, thans is hij het!” antwoordde haar man, +toen Flink de rots beklommen had, waar het water hem niet verder dan +tot de enkels reikte. „Ik denk, dat hij tusschen de plaats, waar +hij nu staat en de boot geen diep water meer vinden zal.”</p> +<p>In het volgende oogenblik zag men Flink reeds buiten de klippen en +had hij de boot bij het vooreinde aangevat.</p> +<p>„Hij is behouden in de boot!” riep Willem uit eene +verruimde borst.</p> +<p>„Ja, God zij gedankt!” herhaalde de vader. „Zie de +monsters eens,” vervolgde hij, op de haaien wijzende; „hoe +onrustig zij heen en weer zwemmen; ze hebben hunne prooi in het water +geroken. Het is een zegen, Willem, dat ze juist hier zijn. Zij hadden +evengoed ginds kunnen wezen, toen onze vriend door het ondiepe water +moest waden.”</p> +<p>„Ja, waarlijk, vader. Zie, hij heeft den bootshaak en stoot de +boot van de klippen af in het ondiepe water. O, nu is hij volkomen in +zekerheid.”</p> +<p>Zoover was het echter nog niet. De boot had vroeger tegen de klippen +gestooten en van onderen een lek gekregen, zoodat zij, toen Flink haar +weder in het kanaal bracht, zich terstond met water begon te vullen. +Flink werkte zoo hard als hij kon met den bootshaak; eindelijk trok hij +zijn halsdoek af en stopte het lek daarmede zoo goed dat gaan +wilde.</p> +<p>Dat was beider behoud; maar de boot was bijna tot boven toe +volgeloopen <span class="pagenum">[<a id="pb250" href="#pb250" name= +"pb250">250</a>]</span>en had Flink of zelfs Thomas ook maar de +kleinste beweging gemaakt, dan ware zij oogenblikkelijk omgeslagen. +Daarbij kwam, dat zij het vaarwater tusschen het strand en de klippen, +waar de haaien rondzwommen, nog altijd noodzakelijk moesten +oversteken.</p> +<p>Flink, die het gevaar bemerkte, riep hun, die op het strand stonden, +toe, dat zij met alle macht met steenen naar de haaien moesten gooien, +om die te verjagen. Dat gebeurde terstond. Mijnheer Wilson, Willem en +Juno wierpen onophoudelijk en zelfs de moeder hielp daarbij, daar de +angst voor vriend en kind haar kracht verleende.</p> +<p>De steenworpen hadden het gewenschte gevolg. De haaien zwommen weg +en Flink bereikte behouden het strand op ’t oogenblik, dat de +boot tot den bovensten rand met water gevuld en op het punt was van te +zinken.</p> +<p>Flink droeg den kleinen Thomas aan land. Deze was zóó +verschrikt en verslagen, dat hij niet meer schreien kon. Doodsbleek +stond hij daar en had mond en oogen wijd <span class="corr" id= +"xd21e5970" title="Bron: opengespred">opengesperd</span>. Willem vloog +daarbij op den ouden man toe, drukte hem in zijne armen en riep met +snikkende stem: „Goddank! gij zijt gered, Flink.”</p> +<p>Vader en moeder grepen hem bij de hand en drukten die hartelijk.</p> +<p>Juno wierp eerst Flink een van blijdschap schitterenden blik toe en +nam vervolgens Thomas bij de hand, om hem weg te brengen.</p> +<p>„Kom hier maar, jij stout, ondeugend jonk! Jij slaag zult +krijgen, als heele boel over is.”</p> +<p>Die bedreiging deed Thomas weder tot zichzelven komen en eene keel +opzetten, dat men het wijd en zijd had kunnen hooren.</p> +<p>„Ditmaal was er geen tijd te verliezen, Willem,” zeide +Flink, terwijl zij de beide ouders naar huis vooruitgingen. „Wat +kan zulk een jongen toch een ongeluk en ellende aanrichten!”</p> +<p>„Door zijn doorgestanen angst is hij al zwaar gestraft,” +sprak Willem. „Ik sta er u voor in, dat hij alleen nooit weer een +voet in de boot zal zetten.”</p> +<p>„Neen, dat geloof ik ook niet.—Gij hebt nu echter kunnen +zien, hoe weinig het scheelde, of ik was met boot en al te gronde +gegaan. Maar gelooft gij wel, Willem, dat gij de boot evengoed als ik +aan het strand gebracht hadt, indien gij in mijne plaats daarin geweest +waart?”</p> +<p>„Neen, Flink; want ik moet zeggen, nooit zou ik er aan gedacht +hebben, mijn halsdoek af te doen, om het lek daarmee te stoppen, en had +ik dat ook al gedaan, dan zou ik toch nooit in staat zijn geweest, om +de boot zoo goed te besturen, en had dus zeker moeten verdrinken, +vóórdat ik den oever bereikt had.” <span class= +"pagenum">[<a id="pb251" href="#pb251" name="pb251">251</a>]</span></p> +<p>„Nu, lieve Willem, ik ben een oud zeeman, hetgeen gij niet +zijt, en het is dus geen ijdelheid, als ik zeg, dat gij de boot niet +zoo goed als ik hadt kunnen besturen. Ik zelf had nog maar een of twee +minuten over, en zoo waart gij dus, gelijk gij zelf zegt, naar alle +waarschijnlijkheid gezonken. Ik doe u dit slechts opmerken, om u te +bewijzen, dat ik gelijk had, toen uw vader verzocht u terug te +roepen.”</p> +<p>„Ja, dat hadt gij zeker, Flink; maar Thomas is mijn broeder en +ik gevoelde, dat het eer mijn plicht dan de uwe was, het leven voor hem +te wagen.”</p> +<p>Toen men Thomas den volgenden dag vroeg, wat hem er eigenlijk toe +gebracht had om in de boot te gaan, gaf hij tot aller verbazing ten +antwoord, dat hij naar de tenten had willen terugvaren en zien, of de +bananen ook haast rijp waren. Hij had daar bijzonder veel lust in +gehad, en zou nog vóór het middageten zijn teruggekomen, +zoodat men hem niet gemist zou hebben.</p> +<p>„Als wij u niet nog gelukkig gezien hadden, denk ik, dat ge +wel erger honger zoudt hebben moeten doorstaan, voordat gij bananen +gekregen hadt,” zeide Flink.</p> +<p>„Ik zal ook zeker niet meer in de boot gaan,” beloofde +Thomas.</p> +<p>Het blokhuis was nu bijna gereed. Over de poort was men lang in +beraad. Ten slotte besloot men, deze van sterke eiken posten te maken +en aan de binnenzijde, op ongeveer een voet afstands, eene tweede rij +van deurposten op te richten, zoodat men sterke palen daar tusschendoor +steken en, zoo noodig, een werkelijke barricade tot stand brengen kon. +Op die wijze moest de deur even vast en sterk worden, als ieder ander +deel van de ompaling.</p> +<p>Zoodra dit alles gereed was, moest het magazijn tot woonhuis +ingericht worden, waartoe men de zij-omheining, die uit kokostakken +bestond, wegnemen en er een vasten wand van de boomstammen voor in de +plaats stellen zou.</p> +<p>Nog voordat de week ten einde liep, was de palissade met de poort +gereed, en thans ging men aan het vellen van boomen, om de zijwanden +van het huis daarvan op te trekken.</p> +<p>Dit werk ging zeer vlug van de hand. Terwijl de vader, Willem en +Juno boomen velden en die, op gepaste lengte doorgezaagd, op de kar +naar het magazijn brachten, was Flink bezig, uit een gedeelte van de +verzamelde planken een vloer te leggen. In die week moesten zij echter +twee dagen van hun werk af gaan, om de rijpe tuinvruchten in te +zamelen. Zoodra dit verricht was, ging men opnieuw aan het blokhuis. +Nog twee weken liepen op deze wijze onder rusteloozen arbeid ten einde. +Eindelijk echter was het huis gereed en, met hunne vroegere woning +vergeleken, kon het bijna een paleis <span class="pagenum">[<a id= +"pb252" href="#pb252" name="pb252">252</a>]</span>genoemd worden. Het +was veel grooter, en Flink had het door middel van de scheepsplanken in +drie vertrekken afgedeeld. Het middelste, dat met de huisdeur in +verbinding stond, was tot woon- en eetkamer bestemd en had een venster +naar achteren. De beide zijvertrekken dienden tot slaapkamers, het eene +voor mevrouw Wilson, Juno en de kleinen, het andere voor de mannelijke +helft der familie. Deze inrichting maakte het verblijf in de nieuwe +woning veel gemakkelijker en aangenamer dan in de oude.</p> +<p>„Ziet gij, Willem,” sprak de oude man, toen zij alleen +waren, „wat wij met die scheepsplanken al hebben kunnen +uitrichten? Hadden wij het hout eerst moeten zagen, om vloer en wanden +te krijgen, zoo zou daar zeker wel een half jaar over verloopen +zijn.”</p> +<p>„Ja, en hoe gemakkelijk is het, nu wij overal in den wand +kasten en bergplaatsen hebben.—Wanneer zullen we nu naar ons +nieuw paleis verhuizen?”</p> +<p>„Hoe eer hoe liever, Willem. Wij hebben nog wel veel, zeer +veel werk voor ons, doch we kunnen immers ook buiten het blokhuis +arbeiden.”</p> +<p>„En wat denkt ge met het oude huis aan te vangen?”</p> +<p>„We zullen misschien het best doen, als we dat gedeelte van +onzen voorraad, die voor ons de minste waarde heeft, daar laten +blijven, totdat we in staat zijn om een tweede magazijn binnen de +palissade op te richten.”</p> +<p>„Dan zullen we deze vaten daarheen brengen, want ze nemen ons +hier te veel plaats weg.”</p> +<p>„Alle, behalve dat groote daar. Dat zullen wij noodig hebben +en ik zal er wel ergens een hoek voor vinden.”</p> +<p>„Waartoe dan, Flink?”</p> +<p>„Om er water in te bewaren, mijn jongen.”</p> +<p>„Wij zijn hier evenwel nader bij de bron, dan wij in ons ander +huis waren.”</p> +<p>„Dat weet ik wel; maar misschien belet men ons eens, de +palissade te verlaten, en dan kunnen wij het water hoog noodig +hebben.”</p> +<p>„Ik begrijp u Flink; gij zijt toch altijd op alles +bedacht.”</p> +<p>„Als ik op mijne jaren niet een beetje nadenken geleerd had, +zou ’t er leelijk uitzien, Willem. Ge weet niet, hoe hartelijk ik +verlang de gansche familie hier binnen het blokhuis te zien. Ik zal +niet gerust zijn, voordat ik mijn wensch vervuld zie.”</p> +<p>„En waarom zouden wij het dan maar niet dadelijk +betrekken?”</p> +<p>„Waarom?—Omdat wij nog veel werk te doen hebben en ik +door zooveel haast te maken uwe moeder niet beangstigen wil en in de +meening brengen dat er dadelijk gevaar ophanden is. Maar, geloof mij, +beste Willem, gevaar is er wezenlijk, ik heb er een soort van +voorgevoel van. De gedachte weegt <span class="pagenum">[<a id="pb253" +href="#pb253" name="pb253">253</a>]</span>mij zwaar op het hart en ik +kan ze niet meer van mij afzetten. Ik wilde wel dat gij het voorstel +deedt, om allen maar dadelijk hierheen te verhuizen. De bedsteden zijn +toch ook klaar, tot op de gordijnen na, en die kan ik er vandaag nog +wel voorhangen.”</p> +<p>Tengevolge van dit gesprek stelde Willem aan tafel voor, om den +volgenden dag met pak en zak naar het blokhuis over te trekken, omdat +men, behalve dat men er veel beter gehuisvest was, er ook veel +gemakkelijker arbeiden kon.</p> +<p>Mijnheer Wilson was van hetzelfde gevoelen, terwijl zijne vrouw +daarentegen beter vond er alles eerst netjes in orde te brengen.</p> +<p>„Juist daarom moeten wij er in trekken, mevrouw; want uw +opzicht is volstrekt noodig, om alles naar wensch in te richten. Wij +mannen krijgen niets op zijne rechte plaats, als het niet onder uw oog +geschiedt.”</p> +<p>„Welnu, Flink,” was het antwoord, „als ook gij, +evenals de overigen, tegen mij stemt, moet ik wel toegeven. Als ge +’t goedvindt, willen we morgen dan maar dadelijk met de +verhuizing beginnen.”</p> +<p>„In waarheid, mevrouw, dat zal zoo het best zijn. Dit is de +laatste maand, dat we goed weer te wachten hebben en er blijft ons nog +zeer veel te doen over. Zijn we eerst over, dan zal alles veel vlugger +van de hand gaan, daar we het nader onder ons bereik hebben.”</p> +<p>„Het zij dan zoo, Flink; gij moet dat het best weten. Morgen +zullen we dus onze woning in het blokhuis opslaan.”</p> +<p>„Goddank!” mompelde de oude man. Alleen Willem, die +naast hem zat, had deze woorden verstaan.</p> +<p>De volgende dag werd geheel aan de verhuizing gewijd. Bedden, +huisraad en keukengereedschap werden overgebracht en dien nacht sliep +men voor de eerste maal onder het nieuwe dak. Flink had voor Juno een +aardig huisje tot keuken opgeslagen, en de volgende werkzaamheden namen +de verdere dagen van de week geheel in beslag.</p> +<p>Vooreerst werd de voorraad gemonsterd en geschift. Wat van minder +belang was, zooals b.v. de zout-en meelvaten, benevens de +tuingereedschappen, werd in het oude huis geborgen. Ook de kruitvaten +en het grootste gedeelte van den voorraad patronen werden, tot meerdere +veiligheid, aldaar achtergelaten. Daarentegen bracht men een vat +gezouten rund-, een ander met varkensvleesch, een derde met meel, +benevens al den voorraad spijkers, ijzerwerk en linnen naar het nieuwe +huis over, waarvan de vloer, toen men het tot magazijn inrichtte, vier +voet boven den grond gebouwd was, om voor de schapen en geiten tot stal +te dienen. Daardoor had men een droge en <span class="pagenum">[<a id= +"pb254" href="#pb254" name="pb254">254</a>]</span>tamelijk ruime plaats +gewonnen, waar men nu al, wat men maar wilde, bergen kon. Flink vergat +ook niet, in tusschenuren het groote watervat te vullen; hij had daar +een kraan in gestoken, waardoor men het water aftappen kon.</p> +<p>„Ziezoo, mijnheer,” zeide Flink, toen eindelijk de +Zaterdag gekomen was. „Wij hebben nu weken achtereen ingespannen +gearbeid, maar nu hebben wij het laatste harde werk dan ook gelukkig +achter den rug. Wij zitten nu goed en wel in ons nieuwe huis, al onze +voorraad is onder dak en tegen het weer beschut,—nu mogen wij wel +eens wat adem scheppen. Ik moet nu met Willem van tijd tot tijd eenige +schildpadden vangen, want haar tijd loopt spoedig ten einde. Ook moet +ik de boot oplappen, zoodat we weer een reisje naar de tenten kunnen +doen, om naar ons yamplantsoen en de kudde te zien.”</p> +<p>„Ook naar de bananen en de guayababoomen!” riep Thomas +met drift.</p> +<p>„Ja, waarlijk; die hadden wij geheel en al vergeten,” +zeide zijn moeder.</p> +<p>„’t Is waar, mevrouw, maar dat was geen wonder onder al +die drukte. Er zal, denk ik, echter nog wel wat van over zijn en zoodra +de boot weder te water kan, zal ik er heen gaan en al wat er nog +voorhanden is, meebrengen.”</p> +<p>„Ook moeten wij onze aardappelen en zaden nog +vóór den regentijd in den grond brengen, +Flink.”</p> +<p>„Dat zal goed zijn, als wij er tijd toe vinden, want het mooie +weer houdt vast niet heel lang meer aan. Nu wil ik eerst maar eens naar +de schildpadden omzien. Goeden nacht, mevrouw, slaap rustig; rust wel, +mijnheer;—kom mee, Willem.”</p> +<p>Beiden stapten naar het strand. Onderweg ontmoetten zij Juno, die +uit de keuken kwam. Flink droeg haar op, zooveel hout op te zamelen als +zij kon en alles in een hoek binnen de omheining op te stapelen, om het +nader bij hand te hebben. Dien nacht vingen zij nog zes schildpadden +bij den reeds vergaderden voorraad. Vervolgens namen zij nog met den +kijker den ganschen gezichteinder op, keerden terug, sloten de deur der +palissade en legden zich vermoeid ter ruste. <span class= +"pagenum">[<a id="pb255" href="#pb255" name="pb255">255</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch55" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">VIJF<span class="corr" id="xd21e6085" title= +"Niet in bron">-</span>EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">DE KANO’S ZIJN IN AANTOCHT.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Eene nieuwe week ging voorbij, in welken tijd Flink +met de boot bezig was en Willem met zijn vader den tuin omspitte.</p> +<p>Ook in huis had men de handen vol met eene groote wasch en met +naaien en verstellen, waaraan men den laatsten tijd weinig had kunnen +doen. Mevrouw Wilson, Juno, zelfs de kleine Caroline weerden zich best +en ook Thomas was van veel dienst, want zoo dikwijls men water noodig +had, haalde hij dat en paste bovendien ook nog op zijn broertje Albert. +Hij was wezenlijk zoo handig en vlug, dat de moeder hem bij vader +roemde, waarop onze kleine wildzang niet weinig trotsch was.</p> +<p>Den Maandag daarop zeilden Willem en <span class="corr" id= +"xd21e6096" title="Bron: Filnk">Flink</span> in de boot naar de kleine +haven. De schapen en geiten waren vlug en wel en alles beloofde den +besten wasdom. Van de bananen en guayabavruchten waren reeds vele +gerijpt en afgevallen; doch men vond altijd nog genoeg om er de boot +tot de helft mede te vullen. Op het yamsplantsoen hadden de varkens +geen aanval meer beproefd en ook de tenten waren in goeden staat.</p> +<p>„Wij kunnen niets beters doen, Willem, dan de schapen en +geiten laten, waar ze nu zijn. Komt er een storm, dan kunnen ze in het +bosch schuilen en te eten hebben zij in overvloed, al waren er ook +tienmaal zooveel.”</p> +<p>„Dat komt mij ook zoo voor.”</p> +<p>„Maar over een dag of wat moeten wij hier terugkomen en de +tenten afhalen, die hier gedurende den geheelen regentijd niet mogen +blijven staan<span class="corr" id="xd21e6105" title="Bron: ,">.</span> +Wat dunkt u, Willem, zullen we dan nu maar weer in de boot +gaan?”</p> +<p>„Ja, in allen gevalle zal Thomas recht blij zijn met hetgeen +we meebrengen. Maar wilt gij toch niet eerst eenige yamswortels +uitgraven?”</p> +<p>„Waarlijk, dat was mij geheel door het hoofd gegaan, jongen. +Ik ga dadelijk een schop halen,—in de andere tent zal er nog wel +een staan.”</p> +<p>Na dus ook een voorraad yamswortels te hebben ingezameld, keerden +zij naar huis. Zij hadden hunne woning niet bereikt, toen de hemel +begon te betrekken; het was alsof er een zwaar onweer ophanden was. +Echter regende het niet, voordat zij werkelijk geland waren; toen viel +er eene kleine bui, die de komst van den regentijd aankondigde.</p> +<p>De medegebrachte vruchten waren allen bij uitstek welkom; ’t +was al zoo lang, zoo heel lang, dat zij er geene geproefd hadden. +Thomas vooral viel er met geduchte gulzigheid op aan en zou zich ziek +gegeten hebben, <span class="pagenum">[<a id="pb256" href="#pb256" +name="pb256">256</a>]</span>als zijne moeder niet wijzer geweest was +dan hij en hem niet verboden had voor ditmaal er meer van te +gebruiken.</p> +<p>Den volgenden dag was het helder weer en alles scheen door den +gevallen regen verjongd en verfrischt. Er werd besloten, dat Flink en +Willem den volgenden morgen de tenten van de zuidkust afhalen zouden en +dan nog zooveel yamswortels als de boot bergen kon, meenemen. Beiden +hielden als gewoonlijk hunne avond- en morgenwacht en bij die +gelegenheid ontdekte de oude man, dat de wind thans geheel naar het +oosten was omgeslagen.</p> +<p>„Dat is leelijk voor onze vaart van morgen, Flink,” +merkte Willem aan. „We kunnen wel met het kleine zeil ginds naar +de havenplaats komen, maar dan hebben wij de boot met hare volle lading +terug te roeien.”</p> +<p>„Nu, ik hoop dat het nog maar geen erger gevolgen voor ons +hebben zal,” gaf Flink nadenkend ten antwoord. „Laat ons nu +naar huis en te bed gaan. Ik zal morgen vóór den dag op +zijn;—dus kunt gij dan nog wel wat blijven liggen.”</p> +<p>„Ik word immers toch vóór het daglicht wakker, +Flink,” zeide Willem; „zoodat ik maar dadelijk met u wil +opstaan.”</p> +<p>„Dat is mij ook goed, beste jongen; gij weet, dat ik u altijd +gaarne tot gezelschap heb.”</p> +<p>Den volgenden morgen, bij het eerste krieken van den dag, openden +beiden dan ook reeds de deur der palissade en wandelden gezamenlijk +naar het strand. De wind woei nog altijd, en wel vrij sterk, uit het +oosten en de lucht was geheel betrokken.</p> +<p>Bij het opgaan der zon nam Flink als naar gewoonte zijn kijker en +begon den gezichtseinder in het oosten nauwkeurig op te nemen.</p> +<p>„Ziet gij dan iets, Flink, dat gij den kijker zoolang op dat +ééne punt houdt?” vroeg Willem, toen zijn grijze +makker na lang turen nog geene beweging maakte om den kijker van het +oog te nemen.</p> +<p>„Mijne oude oogen kunnen mij bedriegen; maar ik vrees +werkelijk, dat ik iets zie,” gaf Flink eindelijk ten antwoord. +„Binnen weinige oogenblikken zal ik het met zekerheid kunnen +zeggen.”</p> +<p>Aan de oostelijke kim hing nog eene nevelstreep, zoodat men er niet +duidelijk zien kon. Nauwelijks echter was de zon geheel op, of Flink +die den kijker juist op dat punt gericht hield, riep driftig uit:</p> +<p>„Ja, ja, Willem, ik heb toch gelijk. Ik dacht dadelijk, die +donkere punten, die ik zag, konden wel hunne bruine zeilen +zijn.”</p> +<p>„Zeilen?—Wat zeilen, Flink?” vroeg Willem +haastig.</p> +<p>„De zeilen der Indiaansche kano’s, Willem; ik wist wel, +dat die komen <span class="pagenum">[<a id="pb257" href="#pb257" name= +"pb257">257</a>]</span>zouden. Neem gij den kijker maar eens en zie +zelf;—het schemert mij voor de oogen, zoo sterk heb ik ze +ingespannen.”</p> +<p>„Ja, waarlijk—nu heb ik ze,” riep Willem, na den +kijker gericht te hebben. „Maar, Flink, daar zijn althans wel +twintig tot dertig.”</p> +<p>„En ieder heeft twintig of dertig man in, Willem.”</p> +<p>„Genadige hemel! Wat moeten wij dan doen? Ach, wat zal mijne +lieve moeder ontsteld zijn! Tegen zulk een overmacht kunnen wij immers +volstrekt niets uitrichten, Flink.”</p> +<p>„Ja, ja, Willem, wij kunnen veel uitrichten en moeten ook veel +uitrichten. Dat eenige honderden wilden tegen ons in aantocht +zijn,—lijdt thans geen twijfel meer; maar vergeet niet, dat wij +een blokhuis bezitten, dat niet zoo licht te beklimmen is, dat wij +verder vuurwapens en kruit en lood genoeg in voorraad hebben en hun wel +een gevecht leveren en hen misschien afslaan kunnen, daar zij enkel met +lansen en knotsen gewapend zijn.”</p> +<p>„Wat naderen zij spoedig, Flink; zie maar,—op die wijze +kunnen zij immers in een uur hier zijn.”</p> +<p>„O, neen, beste jongen,—niet eens in twee. Hunne +kano’s zijn zeer groot. Maar we hebben geen tijd te verliezen. Ik +zal hen nog eens in het vizier nemen en hunne sterkte narekenen. Loop +gij onderwijl naar huis en wenk uw vader, dat hij hier bij mij komt. +Dan, Willem, zet alle geweren klaar en haal de kruitvaten en de +patronen uit het oude huis naar het blokhuis. Roep Juno en laat die u +helpen. Wij zullen nog tijd genoeg hebben om dat alles te doen. Als gij +klaar zijt, moet gij terstond weer bij ons komen.”</p> +<p>Onverwijld ging Willem op weg, en een poosje later stond mijnheer +Wilson bij Flink aan het strand.</p> +<p>„Flink,” begon hij, „er is zeker geen goed nieuws? +Willem wilde mij niets zeggen, denkelijk om mijne vrouw niet ongerust +te maken. Wat is er eigenlijk?”</p> +<p>„De wilden zijn in aantocht, mijnheer, en dat wel in groote +menigte. Ik bereken die op tusschen de vijf- en zeshonderd en we moeten +dus met inspanning van alle krachten voor ons leven vechten.”</p> +<p>„Denkt ge dan, dat ons tegen zulk eene overmacht nog eenige +hoop overblijft?” vroeg de heer Wilson doodelijk verschrikt.</p> +<p>„O ja, ik twijfel geen oogenblik, of het is mogelijk. Maar een +harden, dagenlangen strijd hebben wij te wachten,—daarop mogen +wij rekenen.”</p> +<p>Mijnheer Wilson monsterde de naderende vloot met den kijker.</p> +<p>„Waarlijk, eene vreeselijke overmacht, waartegen wij te +worstelen zullen hebben!”</p> +<p>„Ja, mijnheer; maar die geweren achter een stevige +verschansing kunnen <span class="pagenum">[<a id="pb258" href="#pb258" +name="pb258">258</a>]</span>het tegen hunne knotsen en lansen opnemen, +ingeval maar geen onzer gewond wordt.”</p> +<p>„Nu, Flink, wij moeten al onze krachten inspannen. Ik zal u +naar mijn beste vermogen ondersteunen, en ook Willem zal, dat weet ik, +zijn plicht doen. Ik heb immers alles hier, waarvoor een man ooit +strijden kan,—vrouw en kind; maar gij, Flink, hebt niet zulke +banden.”</p> +<p>„Neen, mijnheer; maar daarvoor vecht ik voor mijn leven, dat +ik, al is het niet van zoo bijzonder veel waarde, toch niet gaarne aan +die knapen schenken zou. Bovendien vecht ik voor u en uwe familie, aan +wie ik met hart en ziel verknocht ben.—Maar kom, wij mogen hier +niet langer staan wachten, daar de tijd tot voorbereiding toch al kort +is. Wij moeten aan den binnenkant van onze ompaling nog eenige sterke +eiken posten spijkeren, om bij een aanval daarop te kunnen staan en +over de omheining te kunnen heenvuren. Eerst gaan we echter nog naar +ons oude huis, om daar alles <span class="corr" id="xd21e6183" title= +"Bron: van daan">vandaan</span> te halen; want het oude huis, zullen de +wilden het eerst ontdekken, en misschien vernielen zij er dan alles, +wat ze vinden. De vaten slaan zij zeker in stukken, al ware ’t +enkel om de ijzeren hoepels. In een uur kan er veel geschieden, daar de +tocht zoo groot niet is. Ik geloof, dat wij vooreerst in het blokhuis +alles hebben, wat ons dienstig wezen kan. Juno heeft brandstof genoeg, +en de groote waterton zal het althans wel drie of vier weken uithouden. +Als er nog tijd overschiet, zullen we ook nog met de kar naar het +strand gaan en een paar schildpadden halen tot vermeerdering van onzen +mondvoorraad.”</p> +<p>„Me dunkt, het is thans geen tijd om aan de schildpadden te +denken.”</p> +<p>„Waarom niet, mijnheer? ’t Is toch waarlijk beter, dat +wijzelven die opeten, dan dat de wilden zich er op vergasten. Ik wil er +van halen zooveel ik vinden kan; als wij ze in de schaduw op den grond +leggen, kunnen zij nog weken in het leven blijven.<span class="corr" +id="xd21e6190" title="Niet in bron">”</span></p> +<p>Onder dit gesprek naderden beiden hunne tegenwoordige woning, waar +zij Willem en Juno vonden, die zoo even het kruit en de <span class= +"corr" id="xd21e6195" title="Bron: patronnen">patronen</span> hadden +overgebracht. Mijnheer Wilson ging in de woonkamer, om de noodlottige +tijding aan zijne vrouw mede te deelen, die daardoor, vreesde hij, +doodelijk ontsteld zou wezen.</p> +<p>„Men heeft mij vroeger al gezegd, dat wij zoo iets te wachten +hadden, lieve man,” antwoordde zij. „Zoo komt mij die +tijding dus niet onverwacht, en al wat eene zwakke vrouw doen kan, zal +door mij geschieden. Ik gevoel, dat het mij tot de verdediging mijner +kinderen niet aan moed ontbreekt.”</p> +<p>„Er valt mij wezenlijk een steen van het hart,” riep +mijnheer Wilson, <span class="pagenum">[<a id="pb259" href="#pb259" +name="pb259">259</a>]</span>„nu ik u zoo bedaard en welberaden +vind. Nu ken ik geen angst meer;—maar wij hebben nog veel te +doen.”</p> +<p>„Daarom moet ik helpen, beste Wilson. Wat mij aan kracht te +kort schiet, moet ik door goeden wil vergoeden.”</p> +<p>Met deze woorden volgden beiden Willem, Juno en Flink, die naar het +oude huis op weg waren. De kinderen waren nog alle drie te bed en +gerust in slaap, zoodat men die niet te bewaken had.</p> +</div> +</div> +<div id="ch56" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">ZES-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">LANDING DER WILDEN.—EERSTE AANVAL.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Daar zij bij het oude huis een goed gezicht op de +kano’s hadden, verzuimde Flink niet, zijn kijker op de wilden te +richten, zoo dikwijls hij een vat naar ’t blokhuis heengerold had +en weer met leege handen terugkwam.</p> +<p>Allen zwoegden zich af. Zelfs mevrouw Wilson deed zooveel, als maar +in haar vermogen was, en hielp óf vaten voortrollen óf +droeg wat voor haar krachten niet al te zwaar was. Binnen het uur +hadden zij alles, waaraan hun bijzonder gelegen was, in het blokhuis, +gebracht;—de kano’s waren nog altijd op een aanmerkelijken +afstand van de kust.</p> +<p>„Wij hebben nog een goed uur, voordat zij landen, +mijnheer,” sprak Flink, „en dan kunnen de riffen hen +wellicht vrij wat ophouden. Ik geloof niet, dat ze binnen de twee uren +ontscheept zullen zijn. We hebben nog tijd genoeg tot alles wat ons te +doen valt. Juno, de kar hier.—Willem, neem den +bootshaak,—dan willen we nog gauw eenige schildpadden in het +blokhuis brengen. We kunnen dat zonder u af, mijnheer. Als gij dus zoo +goed wildet zijn, om de geweren na te zien en klaar te maken, konden +wij onderwijl onzen gang gaan.”</p> +<p>„Ja, en dan moet gij ze laden,” zeide mevrouw Wilson, +„en ons wijzen hoe dat gaat. In ’t vervolg kunnen Juno en +ik dat dan doen, zoodat gij enkel hebt te vuren.”</p> +<p>„Dat is een kostelijke inval, mevrouw,” hernam Flink; +„daarmee kunt gij ons wezenlijk een zeer grooten dienst +bewijzen.”</p> +<p>Binnen een half uur hadden Willem en Juno zes schildpadden +aangebracht. Een poosje later kwam ook Flink naar het blokhuis +terug.</p> +<p>„Ik kan onze geit nergens vinden, Willem,” zeide hij; +„maar daar wij toch ook geen voer voor haar hebben, kan zij +evengoed buiten blijven. Als <span class="pagenum">[<a id="pb260" href= +"#pb260" name="pb260">260</a>]</span>zij zulke vreeselijke gedaanten, +als die wilden, ontdekt, zal zij zeker wel een goed heenkomen +zoeken.”</p> +<p>De vaten werden nu aan een kant gerold en tegen de wanden der +omheining opgezet, waarna men er planken overheen legde, op welke men +hoog genoeg staan kon om over de palissade heen te zien en te vuren. +Mevrouw Wilson had zich laten wijzen, hoe men de geweren laden moest, +en Juno werd nu ook in dit werk onderricht.</p> +<p>„Nu, mijnheer, zijn wij op alles voorbereid,” zeide de +oude stuurman. „Mevrouw en Juno kunnen nu eens naar de kinderen +omzien en zorgen, dat wij iets te eten krijgen.”</p> +<p>„Ikke ’t al klaar hebben. Water al koken heelen +tijd,” berichtte Juno.</p> +<p>Zoodra de kinderen waren aangekleed, riep mijnheer Wilson den ouden +Flink, die buiten was en de kano’s gadesloeg, in de woonkamer, en +gebruikte men haastig een ontbijt, ofschoon allen, gelijk men wel +denken kan, te zeer gespannen waren om met smaak te kunnen eten. De +moeder drukte hare kinderen aan haar hart; doch haar moed hield zich +verwonderlijk goed staande.</p> +<p>„Deze angstige spanning is ’t ergste van alles,” +sprak zij ten laatste. „Ik wou, dat zij eindelijk toch maar +kwamen.”</p> +<p>„Zal ik Flink eens gaan opzoeken, lieve, en hooren hoe +’t is? In drie minuten ben ik weer bij u.”</p> +<p>Hij keerde ook zeer spoedig terug en berichtte, dat de kano’s +thans zeer dicht bij de kust waren. De wilden moesten zekerlijk de +doorvaart door de klippen kennen, want zij hadden daar regelrecht op +aangehouden en de zeilen laten vallen. Flink en Willem stonden op den +uitkijk, maar zorgden wel, dat men hen niet zien kon.</p> +<p>„Ik hoop, dat zij niet te lang uitblijven.”</p> +<p>„Maak u over hen niet ongerust, lieve Selina; ’t is het +best, dat zij de bewegingen van den vijand tot op het laatste oogenblik +bespieden.”</p> +<p>Terwijl vader en moeder dus in het blokhuis wachtten, sloegen Willem +en Flink de wilden en al hunne bewegingen met de meeste oplettendheid +gade. Tien of elf kano’s hadden nu hunne bemanning ontscheept; de +anderen volgden dit voorbeeld, zoo vlug als zij konden, en zochten zich +haastig tusschen de klippen door te werken. De wilden waren allen +beschilderd, in krijgsmantels, met pluimen op het hoofd. Hunne wapens +bestonden in lansen en knotsen, en blijkbaar waren zij met een +allesbehalve vredelievend opzet gekomen.</p> +<div class="figure xd21e6253width"><img src="images/p260.jpg" alt= +"Blijkbaar waren zij met een alles behalve vredelievend opzet gekomen." +width="489" height="720"> +<p class="figureHead">Blijkbaar waren zij met een alles behalve +vredelievend opzet gekomen.</p> +</div> +<p>In den beginne hadden zij het druk met de kano’s op het droge +te trekken, <span class="pagenum">[<a id="pb261" href="#pb261" name= +"pb261">261</a>]</span>en daar deze zeer groot en zwaar waren, verliep +er wel een kwartier, voordat dit door allen was geschied. Willem had +dus tijd, om hen nauwkeurig op te nemen.</p> +<p>„Wat schijnt dat een ruwe, wreede bende booswichten te +zijn<span class="corr" id="xd21e6263" title="Bron: .">,</span> +Flink!” merkte hij aan. „Als zij ons in handen kregen, +zouden zij ons zeker allen vermoorden.”</p> +<p>„Daar behoeven wij volstrekt niet aan te twijfelen, Willem; en +we moeten ons dus dapper weren en zorgen, dat we uit hunne handen +blijven. Van kant maken willen zij ons zeker, en ik zou welhaast +gelooven, dat zij ons dan ook nog opeten zouden; ofschoon dat laatste +ons dan zooveel niet deren zou.”</p> +<p>Willem huiverde bij deze gedachte, maar antwoordde toch op vrij +vasten toon:</p> +<p>„Ik zal vechten, zoolang ik nog adem heb. Maar zie Flink, nu +komen zij opzetten, al wat zij loopen kunnen.”</p> +<p>„Ja, ja, recht op het oude huis toe. Wij mogen nu niet langer +wachten.—Kom jongen kom!”</p> +<p>„Ik verbeeldde mij daar straks, toen wij omkeerden, ginds +achter het landpunt nog een ander schip onder zeil te zien, +Flink.”</p> +<p>„Licht mogelijk; misschien een kano, die van nacht van de +anderen is afgeraakt. Kom gauw, Willem.—Luister! ze hebben hun +krijgsgeschreeuw al aangeheven.”</p> +<p>Eene minuut later stonden zij voor de poort van het blokhuis. Zij +traden binnen, sloten de deur achter zich dicht en verzekerden die met +sterke balken, die van binnen in posten sloten.</p> +<p>„Nu, hier zijn wij veilig genoeg,” sprak Flink. +<span class="corr" id="xd21e6283" title= +"Bron: ” ">„</span>En nu maar moed gehouden en ons dapper +geweerd.”</p> +<p>Het gillend geschreeuw der wilden vervulde mevrouw Wilson met +ontzetting en angst. ’t Was nog maar goed, dat zij de Indianen +niet in hunne beschildering en in hun trotschen oorlogspronk gezien +had, want dan zou zij nog veel meer verschrikt zijn geweest.</p> +<p>De kleine Albert en Caroline klemden zich angstig aan haar hals; de +ontsteltenis stond op hun gezicht te lezen. Geen van beiden gaf een +enkel geluid; zij zagen slechts vol verslagenheid rond, als om te +ontdekken, van waar dat ijzingwekkend gerucht kwam, en drongen bevend +al dicht bij hunne moeder.</p> +<p>Thomas daarentegen was bijzonder in de weer, daar hij nu over het +ontbijt, dat de anderen verlaten hadden, geheel alleen baas was en +niemand zijne gulzigheid te keer ging. Juno was buiten bezig en +betoonde in alles veel moed en bedaardheid. <span class= +"pagenum">[<a id="pb262" href="#pb262" name="pb262">262</a>]</span></p> +<p>Mijnheer Wilson had op zich genomen, in de palissade gaten te boren, +zoodat men daar juist de trompen van de geweren doorheen steken en op +de wilden vuren kon, zonder zelf aan gevaar te zijn bloot gesteld. +Willem en Flink daarentegen stonden met geladen geweren op hun post en +sloegen de nadering der vijanden gade.</p> +<p>„Ze zijn thans nog bij ons oude huis bezig, mijnheer,” +zeide Flink<span class="corr" id="xd21e6298" title="Bron: :">;</span> +„maar daar zullen ze zich zeker niet lang ophouden.”</p> +<p>„Daar komen ze,” fluisterde Willem. „Zie eens, +Flink, is dat niet eene van de vrouwen, die ons in haren kano +ontsnapten—zie, die daar met de beide eerste mannen vooraan gaat? +Ja, ja, zij is ’t, ik ben er zeker van.”</p> +<p>„Gij hebt gelijk, het is eene van die twee. Kijk, nu houden ze +halt.—Aha! op het blokhuis waren ze niet bedacht, dat kan men wel +merken. Dat heeft hen eenigszins van streek gebracht. Daar, zie eens, +hoe zij de hoofden bij elkaar steken en druk aan ’t redeneeren +gaan. Zij houden raad over hetgeen er thans gebeuren moet. Die slank +opgeschoten man moet een van hunne opperhoofden zijn.—Ik zal +vechten tot mijn laatsten ademtocht, Willem, dat is mijn vast besluit; +maar ik heb er toch een afkeer van in zulk een geval een begin te +maken. Ik zal mij dus boven de palissade laten zien<span class="corr" +id="xd21e6305" title="Niet in bron">.</span> Vallen zij mij aan, dan +kan ik met een gerust geweten op hen losbranden.”</p> +<p>„Maar pas op, Flink, dat zij u niet raken.”</p> +<p>„Wees gerust, Willem.—Zie, daar komen zij al.”</p> +<p>Met deze woorden stapte Flink op de balken, die van binnen langs de +palissade liepen, zoodat de wilden hem zien konden. Dezen stieten een +vreeselijk gehuil aan, en minstens een dozijn speren vlogen naar de +plaats, waar de oude man stond, en waren zoo goed gericht, dat zij hem +ongetwijfeld gedood zouden hebben, indien hij zich niet oogenblikkelijk +had gebukt.</p> +<p>Drie of vier van de speren bleven in de bovensten rand der palissade +steken; de overige vlogen daar overheen en vielen binnen in de +omheining aan gene zijde van het woonhuis op den grond neder.</p> +<p>„Nu, Willem, maar scherp gemikt!” Doch voordat Willem +nog vuren konde, schoot zijn vader zijn geweer af, en het slank +gewassen opperhoofd tuimelde ter aarde. Mijnheer Wilson had zich +namelijk volgens afspraak derwijze in een hoek geplaatst, dat hij zien +kon, als de wilden zich naar eene andere zijde heen wendden.</p> +<p>Flink en Willem vuurden insgelijks, en men zag nog twee wilden onder +het woest gehuil hunner makkers ter aarde storten. Juno gaf dadelijk de +geladen geweren over en ontving daarvoor de andere, welke zij en +mevrouw Wilson opnieuw laadden. <span class="pagenum">[<a id="pb263" +href="#pb263" name="pb263">263</a>]</span></p> +<p>De moeder had aan Caroline het opzicht over haar jongste broertje +opgedragen. Aan Thomas had zij op het hart gedrukt, dat hij zich heel +stil en bedaard moest houden, waarna zij de deur toesloot en bij Juno +kwam, om met deze voor het laden der geweren te zorgen.</p> +<p>Nu suisden de speren der wilden door de lucht en het was een geluk +voor onze kolonisten, dat zij goed gedekt achter hunne palissade vuren +konden, daar zij anders onvermijdelijk verloren waren geweest. Het +geschreeuw en gehuil werd gestadig heviger, en de wilden begonnen nu +den aanval aan alle zijden. De rapsten en moedigsten onder hen +klauterden als katten tegen de palissade op en bereikten ook werkelijk +den bovensten rand; doch zoodra hunne hoofden daar zichtbaar werden, +trof hen ook onfeilbaar de kogel der verdedigers en stortten zij dood +of zieltogend aan de buitenzijde neder.</p> +<p>Zoo hield het gevecht veel langer dan een uur aan, totdat de +Indianen, die reeds een aanmerkelijk verlies geleden hadden, eindelijk +van den strijd afzagen, waardoor de verdedigers weer tijd kregen om wat +adem te scheppen.</p> +<p>„Nu, bij dezen eersten aanval hebben zij toch bitter weinig +gewonnen,” begon Flink. „Wij hebben ons dapper geweerd en +vooral gij, Willem, hebt u gehouden alsof ge tot soldaat in de wieg +waart gelegd. Ik geloof niet, dat gij uw doel ook maar +ééne enkele maal gemist hebt.”</p> +<p>„Denkt gij, dat zij nu aftrekken zullen?” vroeg mevrouw +Wilson.</p> +<p>„O, neen, mevrouw, nu nog niet. Ze zullen eerst al ’t +mogelijke beproeven, voordat zij ons voor goed verlaten. Gij hebt zelve +wel bespeurd, dat het een dapper slag van volk is en men kan zien, dat +zij met kruit bekend zijn, daar dit hen anders veel erger had doen +schrikken.”</p> +<p>„Dat geloof ik ook,” sprak mijnheer Wilson. „Als +de wilden den knal van geweren voor de eerste maal hooren, zijn zij +doorgaans geheel verplet en verslagen.”</p> +<p>„Ja, mijnheer; maar dat was bij dit volk hier niet het geval, +weshalve ik geloof, dat het wel niet de eerste keer zal wezen, dat zij +met Europeanen slaags zijn.”</p> +<p>„Zijn zij al weg, Flink?” vroeg Willem, die van de +hoogte was afgeklommen, om zijne moeder te omhelzen.</p> +<p>„Neen jongen; ik zie hen thans tusschen de boomen. Zij zitten +in een kring in het rond en houden denkelijk eene gemeenschappelijke +beraadslaging, zooals dat bij die wilde stammen gebruikelijk +is.”</p> +<p>„Nu, ik heb een brandenden dorst,” zeide Willem. +„Juno, breng mij toch gauw eens wat water.”</p> +<p>De zwarte meid ging naar de waterton, om aan Willems verlangen te +<span class="pagenum">[<a id="pb264" href="#pb264" name= +"pb264">264</a>]</span>voldoen, maar kwam na weinige oogenblikken met +ledige handen en hevig ontsteld terug.</p> +<p>„O, massa! O, mevrouw! geen water! Water allemaal +weg!”</p> +<p>„Wat, al ’t water weg?” riepen allen in +één adem.</p> +<p>„Niet een sikkepitje meer in de ton is!”</p> +<p>„Ik heb die toch tot den rand toe gevuld!” riep Flink. +„Ook kon ik niet merken, dat ze eenig lek had. Hoe is dat dus +mogelijk?”</p> +<p>„O, nu ikke ’t al wel begrijpen, mevrouw!” riep +Juno. „Gij weet wel, wij wasschen voor een dag of drie en toen +ikke massa Thomas zenden met kleine emmertje water halen uit de bron. +Hij toen zoo gauw weerom komen en mevrouw toen zeggen, dat hij zoete +jongen was en ook vertellen aan mijnheer. Nu massa Thomas zeker te lui +geweest, om te loopen naar de bron en al het water tappen uit het vat, +en toen vat is leeggeloopen.”</p> +<p>„Ik vrees, dat gij gelijk hebt, Juno,” sprak de +moeder.</p> +<p>„Wat moeten wij nu aanvangen?”</p> +<p>„Ikke gaan en sinjeur Thomas spreken,” riep Juno en +vloog in huis.</p> +<p>„Dat is een zeer droevig geval, mijnheer,” merkte Flink +ernstig aan.</p> +<p>Mijnheer Wilson schudde bedenkelijk het hoofd. Allen zagen het +hachelijke van hun toestand zeer goed in. Indien de wilden het eiland +niet verlieten, moesten zij of van dorst omkomen of zich overgeven, en +in ’t laatste geval konden zij er stellig op rekenen, dat hun +leven verloren was.</p> +<p>Juno kwam terug; haar vermoeden was gegrond geweest. Thomas had zich +gestreeld gevoeld, dat men hem om zijne vlugheid prees, en had de kraan +uit het vat getrokken, zoodat al het water wegliep. Hij begon nu weer +hardop te schreien en beloofde naar gewoonte, dat hij het van zijn +leven niet weer doen zou.</p> +<p>„Zijne beloften komen te laat!” zuchtte de vader. +„Zoo zullen al onze zorgvuldige maatregelen en voorzorgen tegen +dezen aanval door de lichtzinnigheid van een kind verijdeld worden en +zullen wij ons in ’t eind aan onze vijanden moeten +overgeven.”</p> +<p>„Helaas ja, mijnheer!” zeide Flink. „Wij hebben +geen ander vooruitzicht meer, dan dat de wilden afgeschrikt worden en +het eiland spoedig verlaten.”</p> +<p>„Als ik maar iets voor de kinderen had; ik zelve zou er mij +wel buiten behelpen!” klaagde mevrouw Wilson; „maar de arme +kleinen zoo te zien lijden!—Is dan nog niet ergens een weinigje +te vinden, Juno!”</p> +<p>Deze schudde het hoofd. „Allemaal weg, mevrouw; niemendal meer +wezen.”</p> +<p>De moeder zeide nu, zelve nog eens te willen rondzien, en ging met +Juno in huis.</p> +<p>„Dat is een vreeselijk, vreeselijk ding, Flink!” merkte +mijnheer Wilson <span class="pagenum">[<a id="pb265" href="#pb265" +name="pb265">265</a>]</span>aan. „Wat zouden wij thans niet voor +eene regenbui geven, als wij de waterdroppels opvangen +konden!”</p> +<p>„De lucht ziet daar niet naar uit, mijnheer,” gaf de +oude man ten antwoord.</p> +<p>„Ik wou, dat de wilden maar weer kwamen opzetten,” zeide +Willem. „Hoe gauwer ze komen, des te eer zal alles beslist +zijn.”</p> +<p>„Ik geloof niet, dat ze zich vandaag bij licht weer vertoonen +zullen. In den nacht verwacht ik hen echter zeker en zulk een aanval +bij nacht vrees ik tienmaal meer, dan een bij dag. In allen gevalle +moeten wij er onze maatregelen tegen nemen.”</p> +<p>„Goed; maar wat kunnen wij doen, Flink?”</p> +<p>„Vooreerst moeten wij boven onze palissade nieuwe planken van +den eenen boom tot den anderen spijkeren; om onze verschansing aldus +hooger te maken, zoodat de wilden ze minder gemakkelijk beklauteren +kunnen. Eenigen waren op het punt van zich er overheen te wringen. Als +wij dit doen, hebben wij ook geen zoo groote ruimte meer te bewaken en +te verdedigen. Vervolgens moeten wij een groot vuur ontsteken, om niet +geheel in het donker te vechten. Dit geeft aan onze vijanden wel het +voordeel, dat zij door de spleten tusschen de palen heenkijken en +afloeren kunnen waar wij staan, doch daar zij hunne speren toch niet +zoo ver doordrijven zullen, kan dat ons zooveel kwaad niet. Het vuur +moeten wij in ’t midden van de palissade aanleggen en er braaf +teer bijgieten, zoodat het helder brandt, en natuurlijk mogen wij het +niet aansteken, voordat men ons aanvalt. Dan kunnen wij zien, waar zij +trachten in te dringen en op welk punt wij dus te vuren +hebben.”</p> +<p>„Dat voorstel is goed<span class="corr" id="xd21e6399" title= +"Niet in bron">,</span> Flink,” antwoordde mijnheer Wilson. +„Bestond dat ongelukkig gebrek aan water niet, ik zou +waarschijnlijk hoop hebben, dat <span class="corr" id="xd21e6402" +title="Bron: alle">alles</span> nog goed ging.”</p> +<p>„Wij zullen daardoor zekerlijk veel te lijden hebben, +mijnheer; maar wie kan weten, wat de dag van morgen +aanbrengt?”</p> +<p>„’t Is waar, Flink.—Kunt gij iets van de wilden +zien?”</p> +<p>„Neen. Ze hebben de plaats verlaten, waar zij raad hielden en +ik hoor niets meer van hen. Ik vermoed, dat zij zich op dit oogenblik +met hunne dooden en gekwetsten bezighouden.”</p> +<p>Wat Flink voorspeld had, gebeurde ook werkelijk. Dien dag werd er +geen nieuwe aanval meer ondernomen en allen waren volijverig bezig met +het maken van toebereidselen tegen den nacht. Zij spijkerden boven de +palissade nieuwe posten en planken aan de boomstammen, zoodat drie +zijden van hunne verschansing althans vijf voet hooger werden en +moeielijk meer te <span class="pagenum">[<a id="pb266" href="#pb266" +name="pb266">266</a>]</span>beklimmen waren. Bovendien werd eene groote +teerton met kokosbladeren, teer en hout opgevuld, zoodat men tegen dat +het vereischt werd, een helder vlammend vuur in gereedheid had.</p> +<p>Aan middag- of avondeten mochten zij echter niet denken, want zij +hadden niets dan pekelvleesch en levende schildpad en Flink gaf hun den +raad, om liever in het geheel niets te gebruiken, daar eten den dorst +slechts vermeerderen moest.</p> +<p>De arme kinderen hadden daardoor veel uit te staan; de kleine Albert +kermde en riep gedurig: „Water, water!” Caroline wist, dat +dit er niet was, en hield zich stil,—het arme schaap, ofschoon +’t gemis haar zeer zwaar viel. Thomas echter, de oorzaak van al +deze ellende, was de ongeduldigste van allen en gierde van tijd tot +tijd zoo luid, dat Willem, die innerlijk woedend op hem was, hem +eindelijk een duchtigen oorveeg gaf, waarop hij, uit vrees dat er een +andere volgen mocht, nog slechts stil bleef voortkreunen.</p> +</div> +</div> +<div id="ch57" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">ZEVEN-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">AANVAL BIJ NACHT.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">De schemering was nauwelijks gevallen, toen het kermen +der kinderen op eens door het gillend gehuil der wilden overschreeuwd +werd, die thans, gelijk Flink wel voorzegd had, een nachtelijken aanval +beproeven wilden.</p> +<p>Op alle punten te gelijk werd de omheining nu aangevallen en de +wilden gaven zich alle moeite, om over den wand heen te klauteren. Van +tijd tot tijd werden er enkele speren geslingerd en het was blijkbaar, +dat zij zich door hunne overmacht den toegang hoopten te +verschaffen.</p> +<p>Het was recht goed, dat Flink de voorzichtigheid had gehad van +nieuwe planken boven de oorspronkelijke palissade te spijkeren, want +anders zouden de wilden zonder twijfel hun opzet bereikt hebben. Nog +voordat het vuur, dat Juno op Flinks bevel ontstoken had, genoeg +helderheid verspreidde, waren reeds drie of vier van de stormers op de +palissade geklauterd, maar op het oogenblik dat zij zich daarboven +vertoonden, door Willem en zijn vader neergeschoten.</p> +<p>Toen het vuur eerst recht helder opvlamde, kon men beter op de +Indianen mikken, en velen hunner vielen bij de poging om over de +palissade te komen. De aanval duurde over het uur. Toen schenen de +wilden in te zien, dat het <span class="pagenum">[<a id="pb267" href= +"#pb267" name="pb267">267</a>]</span>hun op deze wijze niet zou +gelukken, en trokken andermaal terug, terwijl zij hunne dooden en +gekwetsten evenals vroeger medenamen.</p> +<p>„Nu, hoop ik, zullen zij zich toch weder inschepen en het +eiland verlaten,” sprak mijnheer Wilson, zich tot Flink +wendende.</p> +<p>„Ik wensch van harte, dat zij dat doen mogen, mijnheer. Het is +niet zoo heel onmogelijk, ofschoon men ’t nog niet met zekerheid +zeggen kan. Ik heb al nagedacht, of wij hunne verdere bewegingen ook +van eenig hooggelegen punt bespieden konden. Ziedaar den +kokosboom,” vervolgde hij en wees op een van de boomen, die in +hunne palissadenlinie stonden: „hij is veel hooger dan al de +anderen, en als wij van voet tot voet groote spijkers daarin slaan, +kunnen wij hem gemakkelijk beklimmen en van die hoogte de gansche baai +overzien. Dan wisten wij althans wat de vijand in zijn schild +voert.”</p> +<p>„Ja, dat is waar, Flink, maar stelt men zich niet te zeer +bloot, door daar naar boven te klimmen?”</p> +<p>„O, neen, mijnheer; gij ziet immers, de kokosboomen zijn +rondom op zulk een afstand van de palissade geveld, dat geen van de +wilden naderen kan, zonder van dien uitkijk zoo tijdig gezien te +worden, dat hij, die boven is, weer omlaag kan komen, nog voordat zijn +vijand in staat is zijne speer te gebruiken.”</p> +<p>„In allen gevalle zou ik ’t echter niet +vóór het aanbreken van den dag beproeven, daar wij toch +niet weten, of er niet eenigen aan den voet van de palissade op den +loer liggen.”</p> +<p>„Dat is zeker wel mogelijk, mijnheer; en daarom zullen wij het +tot den vroegen morgen uitstellen. Gelukkig hebben wij nog genoeg +groote spijkers overgehouden.”</p> +<p>Na dit gesprek ging mijnheer Wilson in huis. Flink gaf aan Willem +den raad, om zich neer te leggen en een paar uren te slapen, terwijl +hijzelf de wacht zou houden. Als dan mijnheer Wilson tegen den morgen +weer buitenkwam, kon hijzelf nog eene poos uitrusten.</p> +<p>„Ik kan niet slapen, Flink! Ik kan mijn dorst onmogelijk meer +overwinnen,” gaf Willem geheel verslagen ten antwoord.</p> +<p>„Ja, beste jongen, ’t is zekerlijk een zware pijn; ik +voel dat evengoed als gij. En wat moeten die arme kleinen er niet onder +lijden! Ik beklaag hen van harte.”</p> +<p>„Het meeste medelijden heb ik met moeder, Flink,” +vervolgde Willem. „Het moet vreeselijk voor haar zijn, het lijden +der kleinen zoo aan te zien en hen toch niet te kunnen helpen.” +<span class="pagenum">[<a id="pb268" href="#pb268" name= +"pb268">268</a>]</span></p> +<p>„Ja, waarlijk, Willem, dat moet voor eene moeder een +vreeselijk lijden wezen. Misschien hebben de wilden zich echter morgen +vroeg uit de voeten gemaakt, en dan heeft ons lijden op eens een +einde.”</p> +<p>„Ik hoop, dat het zoo wezen zal, Flink; evenwel schijnen zij +mij moedig en vastberaden toe.”</p> +<p>„Ja, zeker,—voor hen is ijzer zooveel als goud, en wat +doen beschaafde menschen al niet om goud te winnen! Kom, kom, Willem, +ga toch althans een poosje liggen, al kunt gij ook niet +slapen.”</p> +<p>Intusschen had mijnheer Wilson zijne arme vrouw en kinderen bezocht. +De kleinen jammerden nog altijd om water, in weerwil van alles wat de +goede moeder beproefde om hen tot bedaren te brengen, terwijl ze tranen +van wanhoop vergoot, als ze zich over haar lieven kleinen Albert +neerboog.</p> +<p>Juno was naar buiten gegaan en had met eene schop zoo diep in den +grond gegraven, als ze maar kon, in de flauwe hoop van toch misschien +eenig water te zullen vinden,—maar vruchteloos. Treurig en +radeloos kwam zij naar huis terug.</p> +<p>Er was geen ander middel dan geduld en volharding. Geduld kon men +echter van zulke kleine kinderen onmogelijk verwachten. De kleine +Caroline alleen scheen bedaard en sprak geen woord.</p> +<p>Mijnheer Wilson bleef nog twee of drie uren bij zijn vrouw en hielp +haar de kinderen stilhouden, zoo goed dat gaan wilde. Eindelijk kwam +hij buiten en vond Flink nog op zijn post.</p> +<p>„Ach, vriend,” zuchtte hij, „ik stond liever +honderdmaal een aanval van die wilden door, dan dat ik nog vijf minuten +langer in huis ware gebleven en de ellende van vrouw en kinderen mede +had aangezien<span class="corr" id="xd21e6473" title= +"Bron: ,">.</span>”</p> +<p>„Dat geloof ik gaarne, mijnheer,” antwoordde de oude +man. „Maar houd moed en laat ons het beste hopen. Ik houd het +voor heel waarschijnlijk, dat de wilden na deze tweede nederlaag het +eiland verlaten zullen.”</p> +<p>„Ik wou, dat ik ’t zelfde gelooven kon, Flink; het zou +mij innig gelukkig maken.—Doch ik kom hier, om de wacht van u +over te nemen. Wilt gij ook niet een poosje rusten?”</p> +<p>„Ja, mijnheer als gij ’t goedvindt, ga ik dan ook wat +liggen. Over twee uren kunt gij mij weer roepen: de dag zal dan juist +aanbreken, en dan wil ik aan het werk gaan, terwijl gijzelf ook eenige +rust geniet.<span class="corr" id="xd21e6482" title= +"Niet in bron">”</span></p> +<p>Mijnheer Wilson nam zijn post op de palissade in en bleef aan zijne +eigene gedachten overgelaten.</p> +<p>Met het krieken van den dag werd Flink wakker en loste mijnheer +Wilson af. Deze ging echter niet in huis terug, maar legde zich op de +<span class="pagenum">[<a id="pb269" href="#pb269" name= +"pb269">269</a>]</span>boomtakken neder, waar Flink aan Willems zijde +had uitgerust.</p> +<p>Zoodra de oude man hamer en spijkers bij de hand had, riep hij +Willem om hem te helpen en gezamenlijk begonnen zij nu de spijkers in +een kokosboom te slaan, waarbij een van hen voortdurend naar de wilden +uitkeek, terwijl de ander het werk voortzette.</p> +<p>In minder dan een uur waren zij tot de bovenste takken onder den +kruin gevorderd, op welke hoogte zij een uitgestrekt gezicht over de +baai en het eiland hadden. Willem had het laatste dozijn spijkers in +den stam geslagen en was de eerste, die boven uitzien kon. Na eenigen +tijd keerde hij tot zijn ouden vriend terug.</p> +<p>„Ik kan alles overzien, Flink. Ze hebben het oude huis geheel +omvergehaald; de meeste mannen zijn daar in het rond gelegerd en slapen +onder hunne krijgsmantels. Sommigen van de vrouwen loopen van de +kano’s heen en weer. De kano’s liggen aan het +strand.<span class="corr" id="xd21e6497" title= +"Niet in bron">”</span></p> +<p>„Zij hebben het oude huis zeker alleen overhoop gehaald, om +althans de spijkers mee te nemen. Hebt gij niets van hunne dooden +bemerkt?”</p> +<p><span class="corr" id="xd21e6504" title= +"Niet in bron">„</span>Neen, ik heb niet lang rondgekeken, maar +wil nog eens naar boven klimmen. Ik kwam beneden, omdat de handen mij +zeer deden van het lange kloppen, dewijl de hamer zoo zwaar te houden +was. Over een paar minuten zal ik gemakkelijk weer boven komen. De +lippen branden mij, Flink; ze zijn geheel opgezwollen en het vel barst +mij open. Ik had nooit gedacht, dat de dorst zoo iets vreeselijks was. +Wezenlijk, onze arme Thomas is al meer dan genoeg gestraft.”</p> +<p>„Een kind denkt nooit aan de gevolgen, Willem. Ook hadden wij +nooit kunnen denken, dat zijne onnoozelheid zooveel ellende veroorzaken +zou. Het was enkel een van zijn kinderachtige streken en wat er ook de +gevolgen van wezen mogen, moeten we hem die toch nooit hard te laste +leggen.”</p> +<p>„Ik had gehoopt, in de boomen boven nog een paar kokosnooten +te vinden; maar daar was geen enkele te zien.”</p> +<p>„En al hadt ge ook een gevonden, er zou in dit jaargetij toch +geen melk in zijn. Als de wilden zich evenwel vandaag niet uit de +voeten maken, Willem, dan moet er iets gedaan worden. Ik wou wel, dat +gij nog eens naar boven klomt en rondzaagt, of ze nog in het geheel +geen toebereidselen maken om af te trekken.”</p> +<p>Willem klauterde dus nog eens omhoog en bleef daar eenige minuten +scherp rondkijken.</p> +<p>„Nu zijn zij allen op de been en zwermen als bijen +rond,” berichtte hij, toen hij weder beneden was. „Mannen +telde ik twee honderd en zestig, met <span class="pagenum">[<a id= +"pb270" href="#pb270" name="pb270">270</a>]</span>krijgsmantels om en +pluimen op het hoofd. De vrouwen gaan op en af en halen water bij de +bron. Bij de kano’s is anders niemand, dan acht of tien vrouwen +misschien, die zich met de handen tegen het hoofd slaan en allerlei +vreemde fratsen maken. Ik begrijp niet recht wat zij eindelijk +uitvoeren; maar allen maken dezelfde wonderlijke bewegingen.”</p> +<p>„Aha, ik weet al wat zij doen, Willem. Zij snijden zichzelven +met messen of ander scherp tuig;—dat is zoo het gebruik bij dit +volk. Al de dooden worden in kano’s neergelegd en die vrouwen +weeklagen thans over hare lijken. Misschien dat zij nu toch aftrekken, +omdat de dooden reeds in de kano’s gebracht zijn;—doch dat +moeten wij afwachten.”</p> +<p>Men kon uit den top van den kokosboom bespeuren, dat de wilden des +voormiddags een krijgsraad hielden: want zij zaten allen in een wijden +kring in het rond en een hunner stond op en hield eene rede, waarbij +hij met wilde gebaren speer en knots over zijn hoofd rondzwaaide.</p> +<p>Later ging de vergadering uiteen en men zag de wilden overal met het +vellen van boomen bezig, waarvan zij het rijs zorgvuldig <span class= +"corr" id="xd21e6525" title= +"Bron: bijeenbrachtten">bijeenbrachten</span>. Flink sloeg hen een +geruimen tijd nauwlettend gade en kwam eindelijk vóór +zonsondergang weer van zijn boom beneden.</p> +<p>„Mijnheer Wilson,” sprak hij, „naar mijn oordeel +zal men ons van nacht met rust laten, maar hebben wij morgen een +ernstigen aanval te wachten<span class="corr" id="xd21e6530" title= +"Niet in bron">.</span> De wilden vellen boomen en maken groote +takkenbossen klaar. Dat gaat wel wat langzaam in zijn werk, omdat hunne +bijlen van steen en niet al te scherp zijn; maar met hun ijver en hun +groot aantal handen kunnen zij toch veel af, te meer, daar ik vermoed, +dat zij den ganschen nacht zullen doorwerken, tot zij zooveel +takkenbossen bij elkander hebben als noodig is.”</p> +<p>„Wat denkt gij dan wel, Flink, dat zij met dat boomen omkappen +en die takkenbossen van zins zijn?”</p> +<p>„Ze zullen die óf hoog voor onze palissade opstapelen, +om zoo daar overheen te kunnen komen, óf ze zullen ze op hoopen +leggen en in brand steken, om ons door vuur uit onze sterkte te +verdrijven.”</p> +<p>„Denkt gij, dat hun dat gelukken zal?”</p> +<p>„Niet zonder zeer zwaar verlies. Misschien gelukt het ons nog, +hen af te slaan; doch een harde worsteling is ophanden, veel zwaarder +dan wij tot hiertoe nog gehad hebben. De vrouwen moeten ons vlijtig de +geweren helpen laden, zoodat wij zoo snel mogelijk vuren kunnen. Hunne +poging om onze verschansing in brand te steken, zou ik zooveel niet +achten, als die rook er maar niet bij was. De kokosstammen, vooral als +daar, gelijk bij onze palissaden, de bast nog omzit, smeulen eerst +langen tijd, voordat ze <span class="pagenum">[<a id="pb271" href= +"#pb271" name="pb271">271</a>]</span>vlam vatten en het vuur der +takkenbossen kan niet lang aanhouden, al is het in den beginne ook nog +zoo geweldig.”</p> +<p>„Maar Flink, bedenk eens, hoe kunnen wij bij ons tegenwoordig +gebrek aan water nog kracht genoeg overhouden om onzen vijand midden in +een verstikkenden kring van rook en vlammen het hoofd te bieden? Wij +moeten immers zeker van uitputting bezwijken.”</p> +<p>„Wij moeten het beste hopen, mijnheer Wilson, en onze uiterste +krachten inspannen. Mocht mij in het gevecht iets overkomen, mijnheer, +vergeet dan niet om, ingeval er geen ander behoud meer opzit, van den +rook gebruik te maken, om door het woud een uitweg naar de zuidkust te +zoeken. Ik twijfel niet, of dat zal u wel gelukken. De aanval wordt +natuurlijk van de oostzijde ondernomen, van waar thans de wind waait. +Gij moet dus naar het westen zien te ontkomen.—Ik heb Willem al +gewezen, hoe men door de palissade heen breken kan als de nood het +vordert. Als de wilden ons blokhuis innemen, zullen zij in het eerste +oogenblik niet aan u denken. Misschien dat ze zich in het geheel niet +meer om u bekommeren, als zij eenmaal van alles wat in huis is meester +zijn.”</p> +<p>„Maar waarom zegt gij dat zoo—„als mij iets mocht +overkomen,<span class="corr" id="xd21e6550" title= +"Niet in bron">”</span> Flink?” vroeg Willem bezorgd.</p> +<p>„Ei, jongen, omdat de wilden mij evengoed als u kwetsen of +dooden kunnen, als zij de takkenbossen zoo hoog opstapelen, dat het hun +gelukt, over de palissade heen te komen.”</p> +<p>„Natuurlijk,” hernam Willem; „maar vooreerst zijn +zij hier nog niet binnen en het zal hun bloed kosten, voordat zij het +zoover hebben gebracht.”</p> +<p>Flink bood zich nu aan, om de wacht te houden tot twaalf uren, +wanneer hij den heer Wilson wekken wilde.</p> +<p>Zij hadden gedurende de beide laatste dagen slechts zeer weinig +gegeten. Men had eene schildpad geslacht en er eenige stukken van +gebraden; maar het eten vermeerderde hun dorst slechts en zelfs de +kinderen versmaadden alle spijs. De ellende der familie was thans tot +eene vreeselijke hoogte geklommen en de arme moeder was der wanhoop +nabij.</p> +<p>Zoodra mijnheer Wilson in huis terug was gegaan, riep Flink Willem +en zeide tot hem:</p> +<p>„Luister, Willem; wij moeten noodzakelijk water hebben. Ik kan +het jammeren der kleinen en den vreeselijken doodsangst van uwe goede +moeder onmogelijk langer aanzien. Bovendien zouden wij zonder water +geheel buiten staat zijn, om de wilden morgen af te slaan. Wij moeten +immers letterlijk stikken, zoodra zij het vuur tegen onze palissade +leggen. Ik heb daarom <span class="pagenum">[<a id="pb272" href= +"#pb272" name="pb272">272</a>]</span>besloten, om een van onze tonnen +te nemen, en ze aan de bron te gaan vullen. Misschien gelukt mij dat, +misschien ook niet,—maar <span class="corr" id="xd21e6568" title= +"Bron: beproven">beproeven</span> moet ik het. Val ik,—nu, dan is +het niet anders!”</p> +<p>„Waarom wilt gij mij niet liever laten gaan Flink?” +vroeg Willem.</p> +<p>„Om vele redenen niet, beste jongen. De voornaamste daarvan +is, dat ik niet geloof, dat gij er zoo goed toe in staat zoudt zijn, +als ik mogelijk. Ik zal den mantel en de pluimen van een der wilden, +die binnen de palissade vielen, nemen en met behulp van die verkleeding +mijn plan misschien gelukkig volbrengen. Wapens zal ik, met +uitzondering van een enkele speer, niet meenemen, omdat die mij slechts +hinderen en de last, dien ik te dragen heb, onnoodig verzwaren zouden. +Let nu wel op, beste jongen. Gij moet mij de poort uitlaten; als ik +buiten ben, schuift gij tot meerdere zekerheid een van de kruisbalken +er voor. Dit zal de poort, ingeval van een aanval, wel zoolang doen +houden, totdat het gelukt er ook de andere palen voor te leggen. Wacht +dan mijne terugkomst af en houd u klaar om mij dadelijk weer binnen te +laten. Zeg, Willem, hebt gij mij goed begrepen?”</p> +<p>„Jawel, Flink; maar ik moet bekennen, dat een doodelijke angst +mij overvalt.—Als u eens een ongeluk overkwam, wat zou dat een +ontzettende slag voor ons wezen!”</p> +<p>„Dat is nu eenmaal niet te veranderen, Willem. Water moet er +komen, als ’t maar eenigszins mogelijk is; en nu is het oogenblik +daartoe gunstiger dan later, als onze vijanden meer op hunne hoede +zullen zijn.”</p> +<p>Flink ging nu eene ton opzoeken, die bij de twee emmers water +bevatten kon. Vervolgens voorzag hij zich van den mantel en het +hoofdversiersel van een wilde en nam het vat op den schouder en de +speer in de hand. Willem schoof de dwarsbalken, die de deur sloten, +zacht terug, en nadat Flink zich overtuigd had, dat achter de palissade +niemand verscholen was, drukte hij Willem de hand, stak de open ruimte +buiten de omheining over en verdween in het kokosbosch.</p> +<p><a id="xd21e6582" name="xd21e6582"></a>Willem sloot de deur weder, +gelijk hem gezegd was, schoof er zekerheidshalve een der dwarsbalken +voor en bleef angstig wachtend op zijn post. Hij was in een staat van +vreeselijke spanning; het minste geritsel, zelfs het zachtste suizen +van den wind door de takken van het geboomte deed hem beven en rillen. +Zoo stond hij ettelijke minuten met het geweer in de hand en gereed om +op het eerste oogenblik vuur te geven.</p> +<p>„Nu wordt het tijd, dat hij terugkomt,” dacht hij. +„De afstand is nauwelijks honderd passen en toch heb ik nog geen +geluid vernomen.” Eindelijk meende hij zachte voetstappen te +hooren. Ja, het was werkelijk zoo; de <span class="pagenum">[<a id= +"pb273" href="#pb273" name="pb273">273</a>]</span>oude man keerde terug +en wel zonder dat hem iets was overkomen.</p> +<p>Willem had de hand reeds aan den kruisbalk, om dezen weg te schuiven +en de poort te openen;—daar hoorde hij plotseling een gerucht, +als van twee, die aan het worstelen waren en kort daarop een zwaren +val.</p> +<p>Oogenblikkelijk rukte hij den balk weg en trok de deur open, juist +toen Flink hem bij zijn naam riep. Met zijn geweer gewapend sprong +Willem naar buiten. Daar vond hij Flink op den grond liggen en aan +’t worstelen met een wilde, die op hem lag en hem zijne speer op +de borst had gezet. In een ommezien legde Willem zijn geweer aan en gaf +vuur. De Indiaan plofte dood aan Flinks zijde neder.</p> +<p>„Neem schielijk het water aan, Willem!” riep Flink, met +flauwe stem. „Ik zal beproeven of ik nog kracht genoeg heb om +naar binnen te kruipen.”</p> +<p>De knaap greep het watervaatje en droeg dat binnen de verschansing. +Toen vloog hij terug naar den ouden man, die op de knieën lag.</p> +<p>Mijnheer Wilson was bij het hooren van dat schot oogenblikkelijk +opgesprongen en naar buiten gesneld. Toen hij de poort open vond, +volgde hij zijn zoon en zag, hoe deze den trouwen Flink zocht op te +richten. Beide namen den braven oude onder een arm en zoo sleepten zij +hem met moeite naar binnen. De poort werd aanstonds gesloten en nu +eerst konden zij naar hun ouden vriend omzien.</p> +<p>„Zijt gij gewond, Flink?” vroeg Willem met bevende +lippen.</p> +<p>„Ja, beste jongen, dat ben ik,—doodelijk gewond, naar ik +vrees. Zijne speer heeft mij de borst doorboord.—Water, +schielijk, water!”</p> +<p>„Ach, dat wij maar iets voor u hadden!” jammerde +mijnheer Wilson.</p> +<p>„Wij hebben het, vader!” riep Willem. „Maar het is +duur betaald,” voegde hij er treurig bij.</p> +<p>Willem ging een glas halen, nam de spon uit het vat en liet het +water loopen. Den eersten dronk bracht hij aan Flink, die het vocht +gretig inzwolg.</p> +<p><span class="corr" id="xd21e6610" title= +"Niet in bron">„</span>Leg mij nu op deze kokosbladeren neer, +mijn jongen.—Ga en geef aan den anderen ook wat te drinken; als +zij allen gehad hebben, kom dan hier bij mij terug. Zeg uwe moeder +niets van mijne verwonding.—Ga en doe wat ik u verzocht +heb.”</p> +<p>„Vader, neemt gij het water,—neem, bid ik u,” riep +Willem. „Ik kan mijn Flink niet verlaten.”</p> +<p>„Dat zal ik doen, mijn zoon,” zeide mijnheer Wilson; +„maar drink eerst toch zelf een weinig.”</p> +<p>Willem, die eene onmacht nabij was, dronk het glas ledig. Terstond +gevoelde <span class="pagenum">[<a id="pb274" href="#pb274" name= +"pb274">274</a>]</span>hij zich als opnieuw gesterkt en wendde zich tot +den ouden man, die voortdurend zwaar ademhaalde, maar geen woord +sprak.</p> +<p>De vader vloog heen, om aan vrouw en kinderen den lang gewenschten +laafdronk te verstrekken.</p> +</div> +</div> +<div id="ch58" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">ACHT-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">ONVERWACHTE UITKOMST.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Willem had ondertusschen zijn armen vriend de +kleederen uitgetrokken, om zijne wonden nader te kunnen onderzoeken. Na +eene korte poos kwam zijn vader terug, die zijn versmachtend gezin in +allerijl gedrenkt had.</p> +<p>„Het zou misschien beter zijn, dat wij hem naar dien anderen +hoop bladeren droegen, hij zal daar veel gemakkelijker liggen,” +sloeg Willem voor.</p> +<p>Flink fluisterde slechts: „Meer water! Meer water!” De +knaap voldeed aan zijn verlangen en droeg hem toen, met behulp van zijn +vader, naar een beter plaatsje. Zoodra zij hem daar neergelegd hadden, +keerde Flink zich op de andere zijde om en een donkere bloedstroom +gutste uit zijn borst.</p> +<p>„Nu voel ik mij beter,” zeide hij op fluisterenden toon. +„Verbind de wonde, Willem. Een oud man, zooals ik, heeft niet +veel bloed te verliezen.”</p> +<p>Mijnheer Wilson en Willem schoven zijn hemd ter zijde en +onderzochten de wonde. De speer was hem diep in de longen gedrongen. +Willem trok oogenblikkelijk zijn eigen hemd uit, scheurde het in +stukken en verbond de wonde, zoodat er geen bloed meer uit kon +vloeien.</p> +<p>Flink had er, toen men hem van zijn eerste leger had opgenomen, zeer +machteloos en uitgeput uitgezien; doch nu herstelde hij zich +langzamerhand en kon weer zacht spreken.—Op dit oogenblik kwam +mevrouw Wilson uit huis aansnellen.</p> +<p>„Waar is de goede, brave man—onze redder?” riep +zij. „Ik moet hem zelve danken!”</p> +<p>Mijnheer Wilson vatte haar bij den arm.</p> +<p>„Hij is gewond, lieve vrouw; ik vrees zeer gevaarlijk gewond. +Ik wilde u dat niet dadelijk zeggen.”</p> +<p>Hij zeide haar thans met weinige woorden wat er voorgevallen was en +bracht haar toen bij Flinks leger. Mevrouw Wilson knielde aan zijne +zijde neder, nam zijne hand en barstte in tranen uit. <span class= +"pagenum">[<a id="pb275" href="#pb275" name="pb275">275</a>]</span></p> +<p>„Ween niet om mij, lieve mevrouw,” zeide de oude man. +„Mijne uren zijn geteld; het bedroeft mij slechts, dat ik u niet +meer van dienst zal kunnen wezen.”</p> +<p>„Lieve, beste vriend!” snikte mevrouw Wilson; „hoe +ons lot zich ook immer wenden moge, zoolang ik het leven behoud, zal ik +nimmer, nimmer vergeten wat gij voor mij en de mijnen gedaan +hebt.”</p> +<p>Met deze woorden boog de bedroefde vrouw zich over den lijder neder, +kuste hem op het voorhoofd en richtte zich daarna op, om schreiend naar +huis te keeren.</p> +<p>„Willem,” fluisterde Flink, „ik kan nu niet +spreken. Beur mijn hoofd een weinig op en verlaat mij dan. ’t Is +beter voor mij, dat gij mij alleen laat. Gij hebt al in lang niet meer +op den uitkijk gestaan; doe dat en kom over een half uur hier weer bij +mij. Ga gij ook, mijnheer; ik wil zien of ik een weinig rusten +kan.”</p> +<p>Vader en zoon voldeden aan dit verlangen. Zij traden weer op de +planken en zagen naar alle kanten scherp rond, of zij ook iets +ontdekken konden. Zij bespeurden niets en klommen dus weder naar +beneden.</p> +<p>„Dat is een onoverkomelijke slag, mijn zoon,” begon de +vader.</p> +<p>Willem schudde het hoofd. „Hij wilde mij volstrekt niet laten +gaan, vader,” antwoordde hij eindelijk; „en nu wenschte ik, +dat ik het toch gedaan had. Ik vrees, dat hij zwaar gewond is; dunkt u +dat ook niet, vader?”</p> +<p>„Ik durf niet hopen, Willem, dat hij er weer van opkomt. Wij +zullen hem morgen gevoelig missen, als men ons aanvalt. Ik vrees zeer +voor den afloop.”</p> +<p>„Ik weet niet wat ik zeggen moet, vader. Maar dat gevoel ik, +sinds wij ons weer met water verkwikt hebben, kan ik tweemaal zooveel +doen, dan waartoe ik anders in staat zou zijn geweest.”</p> +<p>„Het gaat mij evenzoo, beste jongen; maar toch, wat kunnen +twee menschen tegen zulk eene overmacht?”</p> +<p>„Als moeder en Juno de geweren voor ons laden, zullen wij +thans voor ’t minst evenveel kunnen uitrichten, als waartoe wij +gisteren in onzen uitgeputten toestand met ons drieën in staat +waren.”</p> +<p>„Dat is wel mogelijk, Willem. In allen gevalle willen wij ons +best doen, want wij strijden immers voor ons eigen behoud en voor +’t leven van hen, die ons het liefst op aarde zijn.”</p> +<p>Willem sloop zacht op Flinks leger toe en bevond dat de oude man +sluimerde, zoo hij al niet vast in slaap lag. Hij stoorde hem derhalve +niet, maar keerde tot zijn vader terug. <span class="pagenum">[<a id= +"pb276" href="#pb276" name="pb276">276</a>]</span></p> +<p>Zij droegen het watervat gezamenlijk in huis en stelden het onder +het opzicht der moeder, opdat geen enkele drup nutteloos mocht verloren +gaan. Thans eerst nu de dorst gelescht was, begonnen allen ook de +kwelling van den honger te gevoelen.</p> +<p>Juno en Willem gingen daarom aan het werk, sneden de schildpad in +stukken en roosterden die bij het vuur. Zij namen allen een hartig maal +en misschien had het eten hun in hun gansche leven niet zoo lekker +gesmaakt als ditmaal.</p> +<p>Het was bijna reeds dag, toen Willem, die herhaalde malen zacht naar +Flink was komen zien om zich te overtuigen, dat hij nog sliep, den +gewonde eindelijk met de oogen open vond.</p> +<p>„Hoe gaat het, Flink; hoe voelt gij u nu,<span class="corr" +id="xd21e6687" title="Niet in bron">”</span> vroeg hij, vol +deelneming.</p> +<p>„Ik voel mij heel licht en wel, Willem, en heb niet veel pijn. +Ik geloof evenwel, dat het met mij ten einde loopt en dat het niet lang +meer zal aanhouden. Denk er aan, Willem, dat gij, als gij genoodzaakt +wordt de versterking te verlaten, u om mij niet bekommeren moogt. Ik +zal blijven, waar ik nu ben. Langer leven kan ik immers toch niet, en +als gij mij meesleepen wildet, zou dit mijn einde maar +verhaasten.”</p> +<p>„Ik zou liever sterven dan u verlaten, Flink!”</p> +<p>„Neen, neen, mijn jongen—dat is dwaas en verkeerd +gesproken. Gij hebt uwe moeder en de kleinen, die gij redden moet. +Beloof mij, dat gij doen zult wat ik u gezegd heb.”</p> +<p>Willem aarzelde.</p> +<p>„Het is uw plicht, jongen, wat ik van u verlang. Ik ken uw +gevoel heel wel, maar gij moogt daar ditmaal niet aan toegeven. Beloof +mij dat, als gij mijn sterfuur niet verzwaren wilt.”</p> +<p>Willem drukte zijn ouden vriend de hand. Zijn hart was te +vol,—hij kon niet spreken.</p> +<p>„Met het aanbreken van den dag zullen zij terugkomen, +Willem,—althans dat verwacht ik. Gij hebt weinig tijd meer te +verliezen. Klim op onzen uitkijk en blijf daar, tot het licht aan den +hemel komt. Bespied hen, zoolang gij dat zonder gevaar doen kunt. Kom +dan beneden en zeg mij, wat gij gezien hebt.”</p> +<p>Flinks stem werd al zwakker en zwakker, daar het vele spreken hem +reeds al te veel vermoeid had. Hij wenkte Willem, die oogenblikkelijk +in den boom klauterde en daar, totdat het licht werd, de wacht +hield.</p> +<p>Toen de ochtendschemering aanbrak, bemerkte hij, dat de wilden op de +been kwamen. Zij hadden hunne takkenbossen aan de noordzijde +bijeengebracht <span class="pagenum">[<a id="pb277" href="#pb277" name= +"pb277">277</a>]</span>en maakten alle toebereidselen tot een spoedigen +aanval. Ten laatste zag hij ieder van hen een takkenbos op den schouder +nemen, en zoo trokken zij in eene lange rij op het blokhuis aan.</p> +<p>Willem was in een ommezien omlaag en riep zijn vader, die juist met +zijne vrouw sprak. Al de geweren stonden gereed, en mevrouw Wilson +plaatste zich met Juno dicht bij de palissade, om ze terstond na het +afvuren opnieuw te laden.</p> +<p>„Wij moeten op hen losbranden, zoodra wij zeker zijn van hen +niet te missen, mijn jongen,” zei de vader. „Hoe langer wij +hen van ons lijf houden, des te beter voor ons.”</p> +<p>Zoodra de eerste wilden op vijftig passen afstands waren gaven +beiden vuur, en twee van hunne vijanden vielen. Zij gingen voort, de +eerste tien minuten met veel geluk op de bestormers te schieten; maar +nu kwamen de wilden in dichter troepen opzetten en gebruikten bovendien +nog de voorzichtigheid van de takkenbossen voor hun lichaam te houden, +ten einde bij het naderen der palissade beter bedekt te zijn.</p> +<p>Op deze wijze gelukte het hun werkelijk den voet der palissade +zonder zwaar verlies te bereiken, en daar begonnen zij hunne +takkenbossen op een hoop op te stapelen. Vader en zoon onderhielden nog +bij voortduring een levendig vuur tegen hunne vijanden, maar niet met +dezelfde gunstige uitwerking als in den beginne.</p> +<p>Er vielen wel <span class="corr" id="xd21e6721" title= +"Bron: ettelijk">ettelijke</span> wilden, doch de takkenbossen rezen al +hooger en hooger op, totdat ze bijna de gaten in de palissade +bereikten, waardoor men tot hiertoe gevuurd had. Daarbij gaven de +Indianen aan hun houtberg eene schuins omloopende richting, zoodat het +kennelijk was, dat zij langs dezen weg opklimmen en de versterking +stormenderhand innemen wilden.</p> +<p>Eindelijk schenen de takkenbossen alle te hoop gebracht, want de +wilden trokken thans weer tot aan den rand van het bosch terug.</p> +<p>„Zij zijn weg, vader,” riep Willem; „maar zij +zullen terugkomen, en ik vrees dat het dan met ons gedaan zal +zijn.”</p> +<p>„Dat vrees ik ook, mijn dappere jongen,” antwoordde +mijnheer Wilson. „Ze hebben zich allen verwijderd, om zich tot +een algemeenen storm te ordenen, en nu zal het hun mogelijk zijn in +onze verschansing door te dringen. Ik had waarlijk liever, dat zij maar +de takkenbossen hadden aangestoken. Daar hadden wij althans naar Flinks +aanwijzing kunnen ontkomen. Nu vrees ik, dat geen hoop meer over +is.”</p> +<p>„Zeg daar moeder toch geen woord van!” bad Willem. +„Wij willen ons tot het laatst verweren, totdat wij eindelijk +bezwijken moeten.” <span class="pagenum">[<a id="pb278" href= +"#pb278" name="pb278">278</a>]</span></p> +<p>„Ik zou uwe lieve moeder nog gaarne eens tot afscheid +omhelzen,” sprak de vader. „Maar neen,—nu zou dat +zwakheid zijn. Ik zal het liever laten. Daar komen zij, Willem! Nu dan, +mijn kind, mijn Willem, vaarwel!”</p> +<p>De gansche troep wilden rukte thans in een dichte hoop uit het bosch +op. Zij hieven een vervaarlijk gillend geschreeuw aan, dat mevrouw +Wilson en Juno met ontzetting vervulde. Niettemin weken de beide +moedige vrouwen geen oogenblik van hare standplaats.</p> +<p>De Indianen waren nu weder tot op vijftig passen genaderd, en de +beide verdedigers openden andermaal hun vuur. Dit werd door de wilden +met woest getier beantwoord, en dezen waren reeds aan den voet van hun +houthoop gekomen. Doch daar op eens hoorde men onder het knallen der +geweren en het getier der bestormers een luid gedonder. De boomen in +het rond kraakten, en beide partijen bleven roerloos van verbazing. Een +tweede en een derde donderslag volgde. De hoop takkenbossen voor de +palissade stoof uiteen en de wilden tuimelden bij hoopen ter aarde.</p> +<p>„Dat moeten kanonnen van een schip zijn, vader!” riep +Willem. „Wij zijn gered! Wij zijn gered!”</p> +<p>„Het is niet anders mogelijk; wij zijn als door een wonder +gered,” riep ook de vader in de hoogste verbazing.</p> +<p>De wilden, geheel verbijsterd, staakten hun aanval. Nog eens en +andermaal dreunde het geschutgedonder door de lucht. Kogels en +kartetsen fluitend en gierend door het woud. Eindelijk kwam er nog een +volle laag;—toen keerden de wilden om en vluchtten naar hunne +kano’s. Na eenige oogenblikken was er geen enkele meer te +zien.</p> +<p>„Wij zijn gered!” riep mijnheer Wilson, sprong van de +plank neer en drukte zijn vrouw in de armen.</p> +<p>„Een groote schoener, vader! Hij vuurt op de wilden, die reeds +bij hunne booten zijn. Zij vallen overal neer; daar springen al enkelen +in ’t water! Ginds komt eene sloep vol gewapende matrozen op den +oever aan.—Zij landt bij den tuin. Drie van de kano’s zijn +vol met wilden, die wegroeien willen.—Daar valt weer eene +laag.—Twee kano’s zijn in den grond geboord, +vader!—De boot is geland. Het volk komt regelrecht hier naar +toe!”</p> +<p>Na deze laatste uitroeping kwam Willem haastig naar beneden. Zoodra +hij de voeten op den grond had, vloog hij naar de deur der omheining en +begon de balken weg te schuiven. Hij had juist den laatsten in de hand +toen hij den tred der bevrijders buiten hoorde. Hij rukte de poort +open.... en lag een oogenblik later in de armen van—kapitein +Osborn. <span class="pagenum">[<a id="pb279" href="#pb279" name= +"pb279">279</a>]</span></p> +<p>Men zal zich herinneren, dat reeds ettelijke maanden vroeger eene +brik in de nabijheid van het eiland verschenen, maar tot grievende +teleurstelling onzer eilandbewoners weder verdwenen was, zonder terug +te keeren, hoewel zij de opgeheschen vlag van de Vrede wel herkend +moest hebben.</p> +<p>Ziehier, hoe het met de zaak was. Het volk aan boord van die brik +had niet alleen Flink’s seinen bemerkt, maar ook den naam van De +Vrede op de opgehaalde vlag gelezen. De hevige storm, die toen losbrak, +had hen echter zoo ver zuidwaarts gedreven, dat de kapitein van de brik +aan zijn plicht jegens zijn patroons dacht te kort te zullen doen, +indien hij zooveel tijd verloor, als noodig was, om midden door dien +storm weder naar het eiland op te werken. De lading, die hij aan boord +had, was van dien aard, dat zij noodzakelijk in waarde verliezen moest, +wanneer zij niet als eene der eersten op de markt kwam. Hij besloot +derhalve met volle zeilen op Sidney koers te zetten; dat was namelijk +de haven, naar welke hij bestemd was.</p> +<p>Uit het begin van ons verhaal zullen onze lezers nog wel weten, hoe +kapitein Osborn door Mackintosh en de overige matrozen van de Vrede in +een bewusteloozen toestand in de boot werd gebracht. Hij kwam echter +langzamerhand weer tot zichzelven en was in een stormachtigen nacht, +waarin de manschap de grootste moeite had gehad om zich vlot te houden, +weer in zooverre bekomen, dat hij zich door Mackintosh het vroeger +gebeurde kon laten verhalen, alsmede de oorzaak waarom hij zich thans +in eene open boot op zee bevond. Den volgenden morgen ging de storm +liggen, en zij hadden het geluk een schip te ontmoeten, dat naar +Van-Diemensland bestemd was en hen allen bereidwillig aan boord +nam.</p> +<p>Na het verhaal van Mackintosh twijfelde kapitein Osborn geen +oogenblik aan den ondergang der familie Wilson, en het vergaan van de +Vrede en van zijne passagiers werd aan de eigenaars naar behooren +bekend gemaakt.</p> +<p>Bij zijne aankomst in Van-Diemensland gevoelde kapitein Osborn zich +door de schoonheid en vruchtbaarheid van dat oord zoodanig +aangetrokken, dat hij besloot aldaar eenige landerijen aan te koopen en +er zich vreedzaam als burger neer te zetten. Misschien wel dat ook de +herinnering van het groote gevaar, dat hij op zijn laatsten zeetocht +had doorgestaan, bij hem tot de opvatting van dit besluit niet weinig +had bijgedragen.</p> +<p>Overeenkomstig zijn plan had hij een landgoed aangekocht, waar hij +de veeteelt op eene groote schaal drijven wilde. Hij was op eene +schoener naar Sidney gegaan, om daar de aankomst van eene groote kudde +vee, die hij uit Engeland ontboden had, af te wachten, toen de reeds +vermelde brik in de haven binnenliep en berichtte, dat men op het +kleine eiland blanke <span class="pagenum">[<a id="pb280" href="#pb280" +name="pb280">280</a>]</span>bewoners ontdekt en op eene door hen +opgeheschen vlag den naam van De Vrede gelezen had.</p> +<p>Zoodra kapitein Osborn dit vernam, zocht hij den kapitein van de +brik op en deed bij hem een nauwkeurig onderzoek naar de nadere +bijzonderheden van zijne ontdekking. Hij bevond, dat de geographische +lengte en breedte van het eiland zoo tamelijk overeenkwamen met de +plaats, waar zij hun schip hadden verlaten, en hield zich nu ten volle +overtuigd, dat de familie Wilson als door een wonder in het leven moest +zijn <span class="corr" id="xd21e6770" title= +"Bron: gebleken">gebleven</span>. Terstond begaf hij zich nu naar den +gouverneur van Nieuw-Zuid-Wales en maakte hem met al de vereischte +omstandigheden bekend. Deze hoorde hem met belangstelling aan en stelde +terstond een gewapenden schoener van de regeering tot zijne +beschikking, ingeval hij zelf mede uitgaan en zijne voormalige +scheepsgenooten opzoeken wilde.</p> +<p>Kapitein Osborn was hier terstond toe bereid, daar een korte +afwezigheid hem bovendien toch niet benadeelde; en reeds weinig dagen +daarna lichtte de schoener het anker.</p> +<p>Deze kwam in de nabijheid van het eiland aan op denzelfden morgen, +dat de wilden met hunne vloot van kano’s hunne landing +bewerkstelligden, en had Flink op het oogenblik, toen Willem hem bij +het haastig terugkeeren van het oude woonhuis verzekerde, „dat +hij aan de landpunt in de nabijheid van den tuin nog een ander vaartuig +onder zeil had gezien,”—tijd gehad, om zijn kijker te +gebruiken, dan zou hij ontdekt hebben, dat het de schoener en niet, +zooals hij vermoedde, een kano was, die in den nacht van de overige +booten was afgeraakt.</p> +<p>De schoener lag op dat oogenblik op het rif aan. Hij wendde toen +weder van den wal uit en zond eene boot af, om eene geschikte +ankerplaats op te zoeken.</p> +<p>Terwijl de manschappen in de boot met looden bezig waren, ontdekten +zij de wilden in hunne kano’s en hoorden het geknal der +vuurwapens gedurende den eersten aanval. Bij hunne terugkomst aan boord +berichtten zij wat zij gehoord en gezien hadden, en hoe het +waarschijnlijk was, dat de Europeanen op het eiland door de wilden +werden aangevallen.</p> +<p>Daar de boot eerst tegen den avond aan boord was teruggekomen, had +men geen tijd om nader onderzoek te doen, en thans geschiedde de +nachtelijke aanval en hoorde men andermaal geweerschoten vallen.</p> +<div class="figure xd21e6785width"><img src="images/p280.jpg" alt= +"Het volk komt regelrecht hier naar toe." width="491" height="720"> +<p class="figureHead">Het volk komt regelrecht hier naar toe.</p> +</div> +<p>Dit boezemde kapitein Osborn den wensch in, om zoo schielijk +mogelijk te landen; doch daar de wilden in groote getale op het eiland +zijn moesten, terwijl de bemanning van den schoener uit niet meer dan +vijf-en-twintig <span class="pagenum">[<a id="pb281" href="#pb281" +name="pb281">281</a>]</span>koppen bestond, hield de commandant van het +schip dat voor al te onvoorzichtig. Daarom wilde hij den schoener met +allen spoed voor anker zien te brengen, opdat die de landing dekken +mocht. Dan zou het den matrozen vergund zijn aan wal te gaan.</p> +<p>De boot had bericht gebracht, dat bij de landpunt aan den tuin +ondiep water en goede ankergrond te vinden was, en alle toebereidselen +werden gemaakt, om den volgenden morgen met het aanbreken van den dag +op de kust aan te loopen. Ongelukkigerwijze ging de wind liggen en +bleef het ’t beste gedeelte van den volgenden dag stil, en zoo +kwam het, dat zij eerst den ochtend daarna, juist toen de wilden hun +laatsten aanval beproefden, inloopen konden.</p> +<p>Toen dit geschied was, opende de schoener het vuur van zijne +stukken. Met welk gevolg, is bekend, de wilden vluchtten naar alle +richtingen. De boot werd daarop bemand, kapitein Osborn stelde zichzelf +aan het hoofd der landingstroepen en kwam zoo nog tijdig tot behoud der +hard bedreigde belegerden opdagen.</p> +<p>Wie kan zich de verrukking van mijnheer Wilson en zijne echtgenoote +voorstellen, toen deze hun ouden vriend Osborn weer voor hunne oogen +zagen staan.—Alle gevaar was nu immers geweken. De gelande +matrozen trokken onder commando van den bootsman uit, om te +onderzoeken, of er misschien nog van de wilden op het eiland waren. Met +uitzondering van de dooden en stervenden waren allen echter op eenige +van de kleinere kano’s ontsnapt.</p> +<p>Kapitein Osborn bleef bij de Wilsons achter en verhaalde hun met +weinig woorden zijne eigen geschiedenis. Zij onderrichtten hem op hunne +beurt van den toestand van den ouden armen Flink, tot wien Willem zich +oogenblikkelijk weder begeven had, zoodra hij kapitein Osborn met vader +en moeder in gesprek zag.</p> +<p>Osborn snelde nu dadelijk toe, om zijn ouden stuurman en vriend te +zien. Deze herkende hem ook aanstonds<span class="corr" id="xd21e6803" +title="Niet in bron">,</span> d. i. zijne stem, want de oogen van den +ouden man waren reeds zoo zwak geworden, dat hij bezwaarlijk iets meer +onderscheiden kon.</p> +<p>„Dat is kapitein Osborn,—dien ken ik,” fluisterde +hij, met zwakke stem. „Gij zijt nog even bijtijds gekomen, +mijnheer. Ik wist wel, dat gij komen zoudt, en heb dat ook altijd +gezegd. Neem daarvoor den dank van een stervende aan.”</p> +<p>„Ik hoop, dat het zoo erg niet met u wezen zal, Flink. Wij +hebben een dokter aan boord, en ik zal hem terstond laten halen.” +<span class="pagenum">[<a id="pb282" href="#pb282" name= +"pb282">282</a>]</span></p> +<p>„Mij kan geen dokter meer helpen,” hernam Flink. +„Het zal geen uur meer duren, of ’t is uit met mij. Het is +mij een groote blijdschap, dat ik mijne lieve vrienden hier nog gered +heb gezien.”</p> +<p>„Ik zal in allen gevalle om den dokter zenden,” zeide +kapitein Osborn, „ofschoon ik wel zie, dat die weinig helpen kan. +De hand des doods heeft hem reeds aangevat.”</p> +<p>Mijnheer Wilson verliet met vrouw en vriend het leger van den +stervende; allen waren door het bijgewoonde tooneel uiterst getroffen. +Alleen Willem bleef bij Flink achter en reikte hem water toe, zoo +dikwijls hij daarnaar vroeg. Eenige minuten daarna sloeg de oude man +andermaal de oogen op.</p> +<p>„Zijt gij bij mij, Willem? Ik kan u niet zien. Luister, beste +jongen. Begraaf mij onder de boomen op den heuvel, boven de bron. Daar +wensch ik te liggen. De onnoozele kleine Thomas,—laat hem nooit +weten, dat hij de oorzaak van mijn dood geweest is. Breng hem nog eens +hier bij mij,—en Juno en Caroline ook. Ik wil allen vaarwel +zeggen, Willem.”</p> +<p>Willem schoten de oogen vol tranen; hij liep naar huis en maakte +vader en moeder met Flinks verlangen bekend.</p> +<p>Allen kwamen, om het laatste vaarwel van den stervende te ontvangen. +Flink riep ieder bij zijn naam, den een na den ander. Zij knielden toen +bij hem neder en kusten hem. Hij zeide hun met zwakke stem vaarwel; +eindelijk gingen zijne woorden in een onverstaanbaar gefluister over. +Zoo stonden zij stil en weenend rondom zijn leger geschaard. Slechts +Willem knielde aan zijne zijde neder en hield zijn hoofd omvat. In +’t einde liet de stervende dit voorover op de borst zinken +en—was niet meer.</p> +<p>„Nu is alles voorbij,” sprak mijnheer Wilson diep +bedroefd. Hierop leidde hij zijne vrouw met de kleinen in huis terug; +alleen Juno en Willem bleven bij het lijk achter. De arme meid barstte +zoodra haar heer en mevrouw zich verwijderd hadden en zij aan haar +gevoel den vrijen loop durfde geven, in luide jammertonen uit en wrong +als radeloos de handen.</p> +<p>Willem drukte hem de oogen toe. Juno haalde de oude scheepsvlag, +welke zij toen over zijn lijk uitspreidden. Vervolgens gingen beiden de +familie opzoeken.</p> +<p>In den tijd, dien Willem bij Flink had doorgebracht was de +commandant van den schoener met een tweede afdeeling geland, die hij +insgelijks uitzond om het eiland te doorkruisen en verstrooide +vluchtelingen uit de schaar der wilden op te zoeken, doch er was +niemand meer te ontdekken.</p> +<p>Kapitein Osborn stelde den commandant aan de familie Wilson voor, en +men maakte nu dadelijk afspraak tot het inschepen van deze laatste. +<span class="pagenum">[<a id="pb283" href="#pb283" name= +"pb283">283</a>]</span>Den volgenden dag zou tot het pakken en inladen +van alle goederen besteed worden; den dag daarop zou de familie aan +boord gaan.</p> +<p>Willem gewaagde van Flinks wensch ten aanzien van zijne begrafenis. +De commandant van den schoener gaf dadelijk last om eene kist te +vervaardigen en op de door Willem aangeduide plaats een graf te +delven.</p> +<p>Men kwam overeen, dat de geiten en overige dieren, met uitzondering +van de honden, op het eiland zouden blijven, ten dienste van hen, die +misschien in de toekomst een dergelijk ongeluk ondergaan mochten, als +de manschap en de passagiers van De Vrede getroffen had.</p> +<p>De booten kwamen den volgenden morgen tijdig aan land en namen de +bagage in. Mijnheer Wilson wilde verder niets medenemen, wat voor +latere schipbreukelingen van waarde kon zijn. Het huisraad, al het +timmermansgereedschap, ijzerwerk en spijkers, verder pekelvleesch en +meel, werd in het huis achtergelaten en weggeborgen. Zoo was hetgeen +men had in te schepen dan ook van weinig omvang en dus weldra aan boord +gebracht.</p> +</div> +</div> +<div id="ch59" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">NEGEN-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">BESLUIT.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">De drukte en de haast van de toebereidselen tot het +vertrek van het eiland, alsmede de snelle opvolging der gebeurtenissen, +die zich in de tijdruimte van weinige dagen hadden opgedrongen, hadden +Willem en zijne ouders slechts weinig tijd tot nadenken overgelaten. +Eindelijk echter was al het noodige beschikt en had de commandant van +den schoener geen reden meer om hen tot spoed aan te drijven. Zij +hadden in den loop van den namiddag het laatste aan boord gezonden, en +den volgenden dag, zoo was de afspraak, zou men onder zeil gaan.</p> +<p>Nu hadden zij rust, om het verlies van hun ouden vriend eerst recht +diep te gevoelen, en bitter beklaagden zij hun lot, dat hem niet +veroorloofd had gezamenlijk met hem naar Sidney te stevenen. Zij hadden +altijd de hoop gekoesterd, dat zij eens van het eiland verlost zouden +worden, en in deze hoop hadden zij zich er aan gewend den eerwaardigen +ouden Flink als een lid van hunne toekomstige huishouding te +beschouwen. Thans, nu hunne vurige wenschen waren bekroond,—nu +was het gevoel der vreugde en dankbaarheid met diepen kommer vermengd; +ja, zoo groot was de droefheid <span class="pagenum">[<a id="pb284" +href="#pb284" name="pb284">284</a>]</span>over het verlies van hun +redder en beschermer, dat zij met blijdschap op het eiland zouden +gebleven zijn, als zij hem daardoor wederom in het leven hadden kunnen +roepen.</p> +<p>Kapitein Osborn, de commandant en de matrozen van den schoener +hadden voor dien nacht afscheid van hen genomen en waren aan boord +gegaan, na vooraf de noodige beschikkingen gemaakt te hebben tot Flinks +teraardebestelling, die den volgenden morgen vóór het +lichten der ankers zou plaats vinden. De kinderen waren te bed gebracht +en Juno was naar buiten gegaan; de ouders met hun zoon zaten in het nu +half ledige vertrek, toen Juno weder binnentrad. Het arme meisje had +blijkbaar bitter geschreid.</p> +<p>„Zeg, Juno,” begon mijnheer Wilson, om het pijnlijk +stilzwijgen af te breken, dat reeds eene poos vóór hare +binnenkomst geheerscht had. „Zijt gij niet blij, dat wij nu het +eiland verlaten zullen?”</p> +<p>„Vroeger ikke heel blij zou zijn geweest, maar nu mij niet +sikkepitje schelen kan,” was het antwoord. „Het eiland heel +lieve plaats,—alles heel gelukkig, tot de wilden komen. Als zij +niet vermoord hadden ouden Flink, ik ook niet veel om de wilden geven +zou.”</p> +<p>„Ja, waarlijk,” viel mevrouw Wilson haar in de rede, +„dat is voor ons allen een harde slag. Ik had altijd gehoopt den +goeden Flink in zijn ouderdom te kunnen oppassen en hem onze +dankbaarheid te bewijzen; maar nu....”</p> +<p>„De helft van mijn vermogen gaf ik, als wij hem behouden +hadden<span class="corr" id="xd21e6862" title= +"Bron: ’">,</span>” sprak de vader.</p> +<p>„Ach, massa!” snikte Juno, „ikke daar effentjes +buiten bij hem zitten; ikke de vlag oplichten en hem in ’t +gezicht kijken.—Och, wat goed, vriendelijk en gerust zijn +gezicht!—Ikke haast denken, dat hij mij toelachen,—en ikke +hardop schreien moest. O, massa Thomas,—dat allemaal om jou, +stout jonk!”</p> +<p>„Zijn verlies grieft mij dubbel, omdat zijn dood aan de +onnadenkendheid van een mijner kinderen te wijten is,” hernam +mijnheer Wilson. „Welk eene vreeselijke les voor Thomas, als hij +eens tot de jaren komt, om de gevolgen van zijn daad geheel te +beseffen!”</p> +<p>„Daar mag hij nooit iets van te weten komen, vader,” +riep Willem, die tot hiertoe treurend in een hoek had gezeten. +„Eene van Flinks laatste beden was, dat Thomas de oorzaak van +zijn dood nooit vernemen zou. Ik moest hem dat plechtig +beloven.”</p> +<p>„Zijne laatste wenschen zullen ons heilig zijn, mijn beste +jongen,” verzekerde zijn vader; „want wat zijn wij aan den +goeden braven man al niet verschuldigd! Toen de overigen ons verlieten +en ons aan den ondergang <span class="pagenum">[<a id="pb285" href= +"#pb285" name="pb285">285</a>]</span>prijsgaven, bleef hij bij ons, om +ons lot te deelen, op een oogenblik, dat alle uitzicht bestond, dat de +oceaan ons verzwelgen zou. Door zijne bekwaamheid en ondervinding +werden wij gered en bereikten wij gelukkig dit eiland. Hij zorgde voor +onze behoeften, verplaatste ons in een behagelijken toestand, leerde +ons hoe wij onze middelen tot ons best aanwenden konden, was in alles +onze raadgever, en ik mag wel zeggen onze beschermer en redder. Wat zou +er zonder hem van ons geworden zijn? Zonder zijne zorgvuldigheid hadden +wij nog in den laatsten tijd onder de knotsen en speren der wilden den +dood gevonden. Zijne zelfopoffering was het, die ons het water +verschafte, dat ons leven redde, en juist deze daad was het, waarbij +hij zijn leven voor ons opofferde. Welk een schoon voorbeeld van moed +en zelfopoffering heeft hij ons altijd gegeven!”</p> +<p>„Ach! ware hij niet zoo plotseling uit ons midden +genomen!—Had hij nog slechts weinige dagen geleefd, zoodat wij om +zijn sterfbed hadden kunnen staan, hem de trouwe oogen in vrede hadden +kunnen sluiten!....” zeide mevrouw Wilson en schreide aan de +borst van haar echtgenoot.</p> +<p>Na eenigen tijd waren zij weder eenigszins tot kalmte gekomen, doch +eene sombere stilte, slechts nu en dan door Juno’s zuchten +afgebroken, bleef in den familiekring heerschen. Willems hart was +overvol. Hij kon eene geruime poos geen woord uiten. Eindelijk zeide +hij met gebroken stem:</p> +<p>„Ik gevoel, dat ik een vriend verloren heb, dien ik naast +vader en moeder boven alles liefhad. Ik kan mijzelven maar niet +vergeven, dat ik hem dat water halen liet. Het was mijn plicht geweest, +en ik had voor hem moeten gaan.”</p> +<p>„En toch, mijn lieve zoon, zouden wij u ook zwaar gemist +hebben. Gij hadt er immers ook het leven bij kunnen inschieten,” +riep zijne moeder.</p> +<p>Den volgenden morgen waren zij vroeg op de been en pakten alles +bijeen, wat nog mede naar boord moest worden genomen. Weinig woorden +werden gesproken, want een weemoedige, plechtige ernst heerschte in +aller gemoed.</p> +<p>Zij wachtten op de komst van kapitein Osborn en van de manschap van +den schoener, om het lijk van stuurman Flink ter aarde te bestellen. +Willem was van tijd tot tijd naar buiten gegaan, om naar het schip uit +te zien. Hij kwam nu binnen en berichtte, dat twee booten op de kust +aanroeiden.</p> +<p>Weinige minuten later verscheen kapitein Osborn met den commandant +van het schip. Na een kort onderhoud verlieten beiden het huis, om de +noodige orders te geven.</p> +<p>Men had de kist mede aan land gebracht. Flinks stoffelijk overschot +werd daarin neergelegd en zijne laatste woning alstoen gesloten. Willem +was <span class="pagenum">[<a id="pb286" href="#pb286" name= +"pb286">286</a>]</span>daarbij tegenwoordig, en de tranen rolden hem +langs de wangen, toen het deksel dichtviel en hij zijn goeden ouden +vriend voor de laatste maal gezien had.</p> +<p>Binnen een half uur waren alle toebereidselen gemaakt en werd de +familie buiten geroepen. Het werd zoo ingericht, dat Willem, zijn +vader, kapitein Osborn en Juno—de arme meid had er uitdrukkelijk +om verzocht—de slippen van het lijkkleed te dragen hadden.</p> +<p>De kist, met de koninklijke vlag overdekt, werd door zes matrozen op +de schouders genomen en ten grave gedragen. Achter haar gingen mevrouw +Wilson en hare kinderen en vervolgens de commandant van den schoener +met eenigen van zijn volk. Mijnheer Wilson hield een toespraak, slechts +nu en dan door Juno’s snikken afgebroken en het graf werd +dichtgemaakt, waarop allen zich stil en treurig verwijderden.</p> +<p>Op Willems verzoek had de commandant een stevig traliehek rondom het +graf laten zetten; midden op den grafheuvel werd een paal opgericht, +waarop de naam van den afgestorvene en de dag van zijn dood vermeld +stonden.</p> +<p>Zoodra dit verricht was, volgde Willem met een diepen zucht den +commandant naar het huis, om te berichten, dat alles was afgeloopen en +dat de boot wachtte.</p> +<p>„Kom, lieve vrouw,” zeide mijnheer Wilson tot zijne +echtgenoote.</p> +<p>„Ik ga, ik ga,” antwoordde deze: „maar ik weet +niet, hoe het komt,—thans, nu het uur geslagen heeft,—dat +het mij zooveel kost dit eiland te verlaten. Ware Flink nog in leven, +mij dunkt, ik zou wenschen hier altijd te blijven.”</p> +<p>„Ik begrijp, dat gij ontroerd zijt, lieve; maar wij mogen +kapitein Osborn niet al te lang ophouden.”</p> +<p>„Ik wenschte dat wij nog eens tijd hadden om al die lieve +plekjes van ons verblijf,—den tuin, de bron, de vijvers te +bezoeken. Zelfs van de dieren zou ik gaarne afscheid nemen, Wilson. +Misschien is het een zwakheid,—maar ik kan ze niet +onderdrukken.”</p> +<p>„Laten wij onze geit ook hier, moeder,” vroeg Caroline, +„en al onze aardige kippen?”</p> +<p>„Ja, lieve meid; geiten en vogels blijven achter voor andere +menschen, die misschien na ons op dit eiland kunnen landen.”</p> +<p>„En moeten de schildpadden dan ook in den vijver +blijven?” vroeg Thomas. „Schildpadsoep is zoo lekker. Ik +houd veel van schildpad.”</p> +<p>„Dat is geen kwade inval,” merkte kapitein Osborn aan. +„De schildpadden <span class="pagenum">[<a id="pb287" href= +"#pb287" name="pb287">287</a>]</span>konden wij wel aan boord brengen; +dat zal toch zooveel tijd niet wegnemen.”</p> +<p>„O neen,” zeide de commandant. „Kom, haast u, +jongens! roeit met eene van de booten naar de vijver en brengt de +schildpadden aan boord.”</p> +<p>Daar dit eenig oponthoud veroorzaakte, ging mevrouw Wilson naar +Flinks graf, om het hek en het opschrift te zien, waarvan Willem haar +gezegd had, dat het voorzien was geworden. Zij zou daar nog langer aan +den arm van haar man vertoefd hebben, als kapitein Osborn niet was +komen zeggen, dat de sloep nu wachtte.</p> +<p>Dewijl mijnheer Wilson bemerkte, dat de commandant van den schoener +de eilanden nog vóór het vallen van de duisternis uit het +gezicht wenschte te hebben, leidde hij zijne vrouw nu zonder verwijl +naar het strand. Allen stapten in de boot en waren weldra op het dek +van den schoener. Daar stonden zij met de oogen onafgewend op het +eiland gericht, terwijl de matrozen de ankers lichtten.</p> +<p>Eindelijk werden de zeilen bijgezet en het schip stuurde langs de +landpunt bij den tuin voorbij. Eene frissche koelte begunstigde hunne +vaart en zoo werden alle voorwerpen aan de kust hoe langer hoe +onduidelijker. Maar nog altijd dwaalden hunne blikken in verschillende +richting rond.</p> +<p>Juno en Willem stonden op de verschansing. Onze jonge vriend had den +kijker in de hand en hield dien vast aan het oog gedrukt, toen kapitein +Osborn hem vroeg, waarop hij tuurde.</p> +<p>„Ik zeg Flinks graf mijn laatst vaarwel,” was het +antwoord.</p> +<p>„Hij wezenlijk heel goede man was,” fluisterde Juno met +een diepen zucht.</p> +<p>Terwijl ze naar het Westen stuurden, kwamen zij de bocht voorbij, +waar zij het eerst geland waren, en mijnheer Wilson maakte zijne vrouw +op dit punt opmerkzaam. Deze zag een tijdlang zwijgend daarheen en +keerde zich toen om met de woorden:</p> +<p>„Wij zullen zeker nooit gelukkiger wezen, Wilson, dan wij op +dit eiland waren!”</p> +<p>„Wij mogen inderdaad tevreden zijn, als wij nooit minder +gelukkig worden, lieve,” antwoordde haar echtgenoot.</p> +<p>De schoener kliefde stout de golven en het eiland onttrok zich +allengs aan hun gezicht. Na eenigen tijd was het aan den horizon +verdwenen en alleen de toppen der kokosboomen bleven zichtbaar; maar +ook deze doken eindelijk onder. Juno <span class="corr" id="xd21e6944" +title="Bron: wachtten">wachtte</span> tot het laatst, en toen er in +’t eind niets meer te zien was, wuifde zij met haar zakdoek naar +de plaats van het eiland, als om dat het laatste vaarwel te zeggen. +<span class="pagenum">[<a id="pb288" href="#pb288" name= +"pb288">288</a>]</span></p> +<p>De wind bleef voortdurend gunstig, en na eene voorspoedige vaart van +vier weken, kwamen zij in de haven van Sidney aan, die zij reeds zoo +lang geleden met het goede schip De Vrede gedacht hadden te zullen +bereiken.</p> +<p>Mijnheer Wilson vond bij zijne aankomst te Sidney zijne bezittingen +en kudden aanmerkelijk vermeerderd. Zijn zaakwaarnemer, die de goederen +gedurende zijne afwezigheid beheerd had, was een vlijtig, eerlijk man +geweest.</p> +<p>Men had, wel is waar, algemeen geloofd, dat de gansche familie bij +de schipbreuk was omgekomen en dat de goederen dus op verwijderde +bloedverwanten zouden overgaan, maar erfeniszaken nemen altijd een +langen tijd weg, en het duurde vele maanden voordat men stellige +berichten uit Engeland ontving; en hieraan was het toe te schrijven, +dat, bij gebrek aan alle zekere doodstijding, de goederen nog niet +verdeeld, maar altijd nog in handen der executeurs waren.</p> +<p>Mijnheer en mevrouw Wilson beleefden nog het geluk van al hunne +kinderen volwassen te zien.</p> +<p>Willem erfde het grootste deel van zijns vaders bezittingen, nadat +hij hem jaren lang in het bestuur daarvan behulpzaam was geweest. Hij +trouwde en kreeg een talrijk kroost.</p> +<p>Sinjeur Thomas werd, niettegenstaande al zijne zotte kuren, een +flink man, nadat hij als jongeling in den krijgsdienst was getreden. +Hij is tegenwoordig majoor en moet in zooverre aan zijne jeugdige +gewoonten getrouw zijn gebleven, dat hij, ondanks zijn zwaren dienst +nog altijd een onverdroten tafelmakker is, op wiens fijnen smaak men +gerust staat kan maken.</p> +<p>Caroline gaf hare hand aan een jongen predikant en werd eene +voortreffelijke echtgenoote en moeder. De kleine Albert ging in +zeedienst en staat, terwijl ik dit schrijf, reeds op het punt van +kapitein te worden.</p> +<p>Mijnheer en mevrouw Wilson zijn reeds beiden dood; maar de trouwe +Juno leeft nog en woont bij Willem in huis. Haar grootste vermaak is, +diens kinderen op haar schoot te hebben en hun lange verhalen van het +eiland te doen, waarbij ze nog bijna altijd in tranen uitbarst, als zij +over dien goeden ouden stuurman Flink en zijn dood en begrafenis +spreekt.</p> +</div> +</div> +</div> +<div class="back"> +<div class="div1" id="toc"> +<h2 class="main">Inhoudsopgave</h2> +<ul> +<li><a href="#ch1">HET SCHIP DE VREDE. STUURMAN +FLINK.</a> <span class="tocPageNum"><a class= +"pageref" href="#ch1">5</a></span></li> +<li><a href="#ch2">DE FAMILIE WILSON.</a> +<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href= +"#ch2">8</a></span></li> +<li><a href="#ch3">KAAP DE GOEDE HOOP.</a> +<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href= +"#ch3">12</a></span></li> +<li><a href="#ch4">EEN STORM OP ZEE.</a> +<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href= +"#ch4">15</a></span></li> +<li><a href="#ch5">HET WRAK.</a> <span class= +"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch5">20</a></span></li> +<li><a href="#ch6">ALS HET WATER TOT DE LIPPEN KOMT, IS OOK VAAK +UITKOMST NABIJ.</a> <span class= +"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch6">24</a></span></li> +<li><a href="#ch7">DE SCHIPBREUK.</a> +<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href= +"#ch7">29</a></span></li> +<li><a href="#ch8">TROOST IN HET ONGELUK.</a> +<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href= +"#ch8">36</a></span></li> +<li><a href="#ch9">HET EILAND.</a> <span class= +"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch9">39</a></span></li> +<li><a href="#ch10">LANDING.</a> <span class= +"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch10">43</a></span></li> +<li><a href="#ch11">HET ONTBIJT.</a> +<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href= +"#ch11">46</a></span></li> +<li><a href="#ch12">DE HAAIEN.</a> <span class= +"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch12">49</a></span></li> +<li><a href="#ch13">EERSTE VERRICHTINGEN OP HET +EILAND.</a> <span class="tocPageNum"><a class= +"pageref" href="#ch13">54</a></span></li> +<li><a href="#ch14">EERSTE UITSTAPJE OP HET +EILAND.</a> <span class="tocPageNum"><a class= +"pageref" href="#ch14">57</a></span></li> +<li><a href="#ch15">DE OOSTZIJDE VAN HET +EILAND.</a> <span class="tocPageNum"><a class= +"pageref" href="#ch15">63</a></span></li> +<li><a href="#ch16">WATER.</a> <span class= +"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch16">66</a></span></li> +<li><a href="#ch17">STORM AAN LAND.</a> +<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href= +"#ch17">70</a></span></li> +<li><a href="#ch18">NA REGEN VOLGT +ZONNESCHIJN.</a> <span class= +"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch18">72</a></span></li> +<li><a href="#ch19">DE WONDEREN DER NATUUR.</a> +<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href= +"#ch19">75</a></span></li> +<li><a href="#ch20">VERHUIZING NAAR DE +OOSTZIJDE.</a> <span class= +"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch20">78</a></span></li> +<li><a href="#ch21">FLINK EN WILLEM.</a> +<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href= +"#ch21">81</a></span></li> +<li><a href="#ch22">AANKOMST OP DE NIEUWE +WOONPLAATS.</a> <span class= +"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch22">85</a></span></li> +<li><a href="#ch23">ALGEMEENE TEVREDENHEID MET HET NIEUWE +VERBLIJF.</a> <span class= +"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch23">89</a></span></li> +<li><a href="#ch24">VERDERE VERRICHTINGEN IN DE NIEUWE +VOLKPLANTING.</a> <span class= +"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch24">92</a></span></li> +<li><a href="#ch25">GEVOLGEN DER +ONGEHOORZAAMHEID.</a> <span class= +"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch25">94</a></span></li> +<li><a href="#ch26">EEN ONAARDIG KIND.</a> +<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href= +"#ch26">97</a></span></li> +<li><a href="#ch27">GESPREK TUSSCHEN VADER EN +ZOON.</a> <span class="tocPageNum"><a class= +"pageref" href="#ch27">101</a></span></li> +<li><a href="#ch28">DE VISCHVANGST.</a> +<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href= +"#ch28">106</a></span></li> +<li><a href="#ch29">HET NIEUWE HUIS.</a> +<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href= +"#ch29">109</a></span></li> +<li><a href="#ch30">PLAN VOOR DE TOEKOMST.</a> +<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href= +"#ch30">111</a></span></li> +<li><a href="#ch31">FLINK VERHAALT ZIJNE +LEVENSGESCHIEDENIS.</a> <span class= +"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch31">116</a></span> +<ul> +<li><a href="#xd21e2789">GESCHIEDENIS VAN DEN OUDEN +FLINK.</a> <span class="tocPageNum"><a class= +"pageref" href="#xd21e2789">119</a></span></li> +</ul> +</li> +<li><a href="#ch32">VERVOLG VAN FLINKS +GESCHIEDENIS.</a> <span class= +"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch32">125</a></span></li> +<li><a href="#ch33">THOMAS, WAAR IS DE +VINGERHOED?</a> <span class= +"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch33">129</a></span></li> +<li><a href="#ch34">DIE ARME JUNO!—FLINK VERTELT +VERDER.</a> <span class="tocPageNum"><a class= +"pageref" href="#ch34">136</a></span></li> +<li><a href="#ch35">EEN RUSTDAG.</a> +<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href= +"#ch35">144</a></span></li> +<li><a href="#ch36">NOG AL ANDER WERK.—FLINK VERVOLGT ZIJNE +GESCHIEDENIS.</a> <span class= +"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch36">146</a></span></li> +<li><a href="#ch37">KROKODILLEN, HAAIEN, +HYENA’S.</a> <span class= +"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch37">153</a></span></li> +<li><a href="#ch38">WILLEM WORDT ZIEK.—DE +ADERLATING.—FLINKS VERDERE +ONTMOETINGEN.</a> <span class= +"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch38">161</a></span></li> +<li><a href="#ch39">FLINKS VERDERE REIZEN EN +AVONTUREN.</a> <span class= +"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch39">170</a></span></li> +<li><a href="#ch40">FLINKS BEROUW. GELUKKIGE WENDING VAN ZIJN +LOT.</a> <span class="tocPageNum"><a class= +"pageref" href="#ch40">178</a></span></li> +<li><a href="#ch41">SLOT VAN FLINKS +VERHAAL.</a> <span class="tocPageNum"><a class= +"pageref" href="#ch41">184</a></span></li> +<li><a href="#ch42">TWEEDE UITSTAPJE DOOR HET +EILAND.</a> <span class="tocPageNum"><a class= +"pageref" href="#ch42">188</a></span></li> +<li><a href="#ch43">UITZICHT OP REDDING.</a> +<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href= +"#ch43">199</a></span></li> +<li><a href="#ch44">SPOREN VAN EILANDERS.</a> +<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href= +"#ch44">205</a></span></li> +<li><a href="#ch45">KRIJGSRAAD.</a> +<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href= +"#ch45">211</a></span></li> +<li><a href="#ch46">THOMAS EN DE KREEFT.</a> +<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href= +"#ch46">214</a></span></li> +<li><a href="#ch47">TOEBEREIDSELEN TOT DE +VERHUIZING.</a> <span class= +"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch47">217</a></span></li> +<li><a href="#ch48">VERHUIZING NAAR DE +ZUIDKUST.</a> <span class= +"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch48">219</a></span></li> +<li><a href="#ch49">UITSTAPJE NAAR DE +WESTKUST.</a> <span class= +"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch49">222</a></span></li> +<li><a href="#ch50">BIJNA EEN ONGELUK. EEN NIEUWE +BRIEVENPOST.</a> <span class= +"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch50">227</a></span></li> +<li><a href="#ch51">INSTINCT EN VERSTAND.</a> +<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href= +"#ch51">237</a></span></li> +<li><a href="#ch52">GROOTHEID VAN HET +DIERENRIJK.</a> <span class= +"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch52">242</a></span></li> +<li><a href="#ch53">INRICHTING VAN HET +BLOKHUIS.</a> <span class= +"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch53">245</a></span></li> +<li><a href="#ch54">GROOT GEVAAR.</a> +<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href= +"#ch54">248</a></span></li> +<li><a href="#ch55">DE KANO’S ZIJN IN +AANTOCHT.</a> <span class= +"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch55">255</a></span></li> +<li><a href="#ch56">LANDING DER WILDEN.—EERSTE +AANVAL.</a> <span class="tocPageNum"><a class= +"pageref" href="#ch56">259</a></span></li> +<li><a href="#ch57">AANVAL BIJ NACHT.</a> +<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href= +"#ch57">266</a></span></li> +<li><a href="#ch58">ONVERWACHTE UITKOMST.</a> +<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href= +"#ch58">274</a></span></li> +<li><a href="#ch59">BESLUIT.</a> <span class= +"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch59">283</a></span></li> +</ul> +</div> +<div class="transcribernote"> +<h2 class="main">Colofon</h2> +<h3 class="main">Beschikbaarheid</h3> +<p class="first">Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen +overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het +kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de +<a class="exlink xd21e51" title="Externe link" href= +"http://www.gutenberg.org/license" rel="license">Project Gutenberg +Licentie</a> bij dit eBoek of on-line op <a class="exlink xd21e51" +title="Externe link" href= +"http://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>.</p> +<p>Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd +correctieteam op <a class="exlink xd21e51" title="Externe link" href= +"http://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>.</p> +<p>De scans waarmee dit eBoek is gemaakt zijn beschikbaar op het +Internet Archive (<a class="seclink xd21e51" title="Externe link" href= +"https://archive.org/details/StuurmanFlink">link</a>).</p> +<p>Dit boek is een vertaling van <i lang="en"><a class="pglink xd21e51" +title="Link naar Project Gutenberg eboek" href= +"http://www.gutenberg.org/ebooks/21552">Masterman Ready: The Wreck of +the “Pacific”</a></i>.</p> +<h3 class="main">Codering</h3> +<p class="first">Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke +schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn +stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn +verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het +einde van dit boek.</p> +<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3> +<ul> +<li>2013-12-13 Begonnen.</li> +</ul> +<h3 class="main">Externe Referenties</h3> +<p>Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn +dat deze links voor u niet werken.</p> +<h3 class="main">Verbeteringen</h3> +<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p> +<table class="correctiontable" summary= +"Overzicht van verbeteringen aangebracht in de tekst."> +<tr> +<th>Bladzijde</th> +<th>Bron</th> +<th>Verbetering</th> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e192">5</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e280">9</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e289">10</a>, <a class="pageref" href="#xd21e296">10</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e323">10</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e420">13</a>, <a class="pageref" href="#xd21e727">28</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e763">29</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e919">38</a>, <a class="pageref" href="#xd21e973">41</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e1090">47</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e1156">49</a>, <a class="pageref" href="#xd21e1330">55</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e1688">70</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e1892">80</a>, <a class="pageref" href="#xd21e2027">84</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e2248">92</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e2768">118</a>, <a class="pageref" href="#xd21e3109">134</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e3150">135</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e3170">136</a>, <a class="pageref" href="#xd21e3211">137</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e3233">138</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e3254">138</a>, <a class="pageref" href="#xd21e3285">140</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e3314">141</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e3347">142</a>, <a class="pageref" href="#xd21e3408">145</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e3419">146</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e3461">147</a>, <a class="pageref" href="#xd21e3626">155</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e3631">155</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e3890">169</a>, <a class="pageref" href="#xd21e3996">174</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e4128">178</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e4600">197</a>, <a class="pageref" href="#xd21e4682">200</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e4701">201</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e4729">202</a>, <a class="pageref" href="#xd21e4759">203</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e5316">224</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e5819">243</a>, <a class="pageref" href="#xd21e6504">269</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e6610">273</a></td> +<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40 bottom">„</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e253">8</a></td> +<td class="width40 bottom">famlie</td> +<td class="width40 bottom">familie</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e274">9</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e356">11</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e392">12</a>, <a class="pageref" href="#xd21e498">17</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e622">23</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e642">24</a>, <a class="pageref" href="#xd21e655">25</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e924">39</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e944">40</a>, <a class="pageref" href="#xd21e1201">50</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e1317">55</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e1489">62</a>, <a class="pageref" href="#xd21e1830">78</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e2099">88</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e2138">88</a>, <a class="pageref" href="#xd21e3146">135</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e3185">136</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e3198">137</a>, <a class="pageref" href="#xd21e3218">137</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e3236">138</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e3302">140</a>, <a class="pageref" href="#xd21e3320">141</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e3331">142</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e3404">145</a>, <a class="pageref" href="#xd21e3424">146</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e3431">146</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e3449">146</a>, <a class="pageref" href="#xd21e3646">156</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e4513">194</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e4560">196</a>, <a class="pageref" href="#xd21e4611">197</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e4616">197</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e4631">198</a>, <a class="pageref" href="#xd21e4736">202</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e4977">210</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e5088">215</a>, <a class="pageref" href="#xd21e5151">217</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e5335">225</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e5652">236</a>, <a class="pageref" href="#xd21e5693">238</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e5822">243</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e5846">244</a>, <a class="pageref" href="#xd21e6190">258</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e6482">268</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e6497">269</a>, <a class="pageref" href="#xd21e6550">271</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e6687">276</a></td> +<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40 bottom">”</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e292">10</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e1225">51</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e1265">53</a>, <a class="pageref" href="#xd21e1415">59</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e2819">120</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e3012">130</a>, <a class="pageref" href="#xd21e3024">130</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e3600">154</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e3874">168</a>, <a class="pageref" href="#xd21e5239">221</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e5710">239</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e5786">242</a>, <a class="pageref" href="#xd21e6263">261</a></td> +<td class="width40 bottom">.</td> +<td class="width40 bottom">,</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e299">10</a></td> +<td class="width40 bottom">handen</td> +<td class="width40 bottom">honden</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e333">11</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e1055">45</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e1749">74</a>, <a class="pageref" href="#xd21e1945">82</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e1981">83</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e2125">88</a>, <a class="pageref" href="#xd21e2162">89</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e2175">90</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e3579">153</a>, <a class="pageref" href="#xd21e3620">155</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e3658">156</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e3803">164</a>, <a class="pageref" href="#xd21e4227">183</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e4282">186</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e4871">207</a>, <a class="pageref" href="#xd21e5530">232</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e6105">255</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e6473">268</a></td> +<td class="width40 bottom">,</td> +<td class="width40 bottom">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e349">11</a></td> +<td class="width40 bottom">Ruggelinks</td> +<td class="width40 bottom">Ruggelings</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e425">13</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e489">17</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e1285">53</a>, <a class="pageref" href="#xd21e1963">82</a></td> +<td class="width40 bottom">!</td> +<td class="width40 bottom">?</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e431">13</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e1542">64</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e1756">74</a>, <a class="pageref" href="#xd21e1916">81</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e2709">116</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e4671">199</a>, <a class="pageref" href="#xd21e4836">205</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e4854">206</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e4928">208</a>, <a class="pageref" href="#xd21e4947">209</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e5033">213</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e5578">233</a>, <a class="pageref" href="#xd21e6399">265</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e6803">281</a></td> +<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40 bottom">,</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e515">18</a></td> +<td class="width40 bottom">bazaan</td> +<td class="width40 bottom">bezaan</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e521">18</a></td> +<td class="width40 bottom">gelegenheiden</td> +<td class="width40 bottom">gelegenheden</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e566">21</a></td> +<td class="width40 bottom">schrikkeliijk</td> +<td class="width40 bottom">schrikkelijk</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e648">25</a></td> +<td class="width40 bottom">geheele</td> +<td class="width40 bottom">geheel</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e680">26</a></td> +<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40 bottom">is</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e705">27</a></td> +<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40 bottom">?</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e745">29</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e770">30</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e1432">60</a>, <a class="pageref" href="#xd21e1673">69</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e1754">74</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e1862">79</a>, <a class="pageref" href="#xd21e2237">92</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e3016">130</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e6582">272</a></td> +<td class="width40 bottom">„</td> +<td class="width40 bottom">[<i>Verwijderd</i>]</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e855">35</a></td> +<td class="width40 bottom">Toen</td> +<td class="width40 bottom">toen</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e877">36</a></td> +<td class="width40 bottom">..</td> +<td class="width40 bottom">...</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e913">38</a></td> +<td class="width40 bottom">lekten</td> +<td class="width40 bottom">likten</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1030">44</a></td> +<td class="width40 bottom">berijpen</td> +<td class="width40 bottom">begrijpen</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1039">44</a></td> +<td class="width40 bottom">voorgegevallene</td> +<td class="width40 bottom">voorgevallene</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1108">47</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e1185">50</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e1206">50</a>, <a class="pageref" href="#xd21e2765">118</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e6298">262</a></td> +<td class="width40 bottom">:</td> +<td class="width40 bottom">;</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1111">47</a></td> +<td class="width40 bottom">tweeërleei</td> +<td class="width40 bottom">tweeërlei</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1122">48</a></td> +<td class="width40 bottom">zulen</td> +<td class="width40 bottom">zullen</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1292">54</a></td> +<td class="width40 bottom">meee</td> +<td class="width40 bottom">mee</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1445">60</a></td> +<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40 bottom">!</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1494">62</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e1886">80</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e4367">190</a>, <a class="pageref" href="#xd21e4923">208</a></td> +<td class="width40 bottom">?</td> +<td class="width40 bottom">!</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1671">69</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e2539">106</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e3352">143</a>, <a class="pageref" href="#xd21e3361">143</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e3400">145</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e3503">149</a>, <a class="pageref" href="#xd21e3534">151</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e3993">174</a>, <a class="pageref" href= +"#xd21e4968">210</a>, <a class="pageref" href="#xd21e5836">244</a></td> +<td class="width40 bottom">”</td> +<td class="width40 bottom">[<i>Verwijderd</i>]</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1710">71</a></td> +<td class="width40 bottom">;</td> +<td class="width40 bottom">,</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1738">74</a></td> +<td class="width40 bottom">sparrend</td> +<td class="width40 bottom">spattend</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1789">76</a></td> +<td class="width40 bottom">toerijkend</td> +<td class="width40 bottom">toereikend</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1800">76</a></td> +<td class="width40 bottom">al</td> +<td class="width40 bottom">als</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1848">79</a></td> +<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40 bottom">den</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1853">79</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e5206">220</a></td> +<td class="width40 bottom">alleen</td> +<td class="width40 bottom">allen</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1913">81</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e6862">284</a></td> +<td class="width40 bottom">’</td> +<td class="width40 bottom">,</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1970">82</a></td> +<td class="width40 bottom">ikek</td> +<td class="width40 bottom">ikke</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1990">83</a></td> +<td class="width40 bottom">at</td> +<td class="width40 bottom">af</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2032">84</a></td> +<td class="width40 bottom">aangedaan</td> +<td class="width40 bottom">aan gedaan</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2035">84</a></td> +<td class="width40 bottom">hieronder</td> +<td class="width40 bottom">hier onder</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2059">85</a></td> +<td class="width40 bottom">bindep</td> +<td class="width40 bottom">binden</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2064">85</a></td> +<td class="width40 bottom">er</td> +<td class="width40 bottom">en</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2198">91</a></td> +<td class="width40 bottom">pekelkleesch</td> +<td class="width40 bottom">pekelvleesch</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2243">92</a></td> +<td class="width40 bottom">verrchtingen</td> +<td class="width40 bottom">verrichtingen</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2278">94</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e3653">156</a></td> +<td class="width40 bottom">:</td> +<td class="width40 bottom">,</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2298">95</a></td> +<td class="width40 bottom">niet</td> +<td class="width40 bottom">niets</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2400">99</a></td> +<td class="width40 bottom">het het</td> +<td class="width40 bottom">het</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2482">102</a></td> +<td class="width40 bottom">”?</td> +<td class="width40 bottom">?”</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2516">104</a></td> +<td class="width40 bottom">kolonien</td> +<td class="width40 bottom">koloniën</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2614">110</a></td> +<td class="width40 bottom">moet</td> +<td class="width40 bottom">maar</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2721">116</a></td> +<td class="width40 bottom">geod</td> +<td class="width40 bottom">goed</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2747">117</a></td> +<td class="width40 bottom">vischen</td> +<td class="width40 bottom">visschen</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2828">121</a></td> +<td class="width40 bottom">daavan</td> +<td class="width40 bottom">daarvan</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2858">123</a></td> +<td class="width40 bottom">waarvan</td> +<td class="width40 bottom">waaraan</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2863">123</a></td> +<td class="width40 bottom">dat</td> +<td class="width40 bottom">[<i>Verwijderd</i>]</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2949">128</a></td> +<td class="width40 bottom">antwooord</td> +<td class="width40 bottom">antwoord</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3037">131</a></td> +<td class="width40 bottom">”,</td> +<td class="width40 bottom">,”</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3081">132</a></td> +<td class="width40 bottom">gsteren</td> +<td class="width40 bottom">gisteren</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3115">134</a></td> +<td class="width40 bottom">Oostindievaarder</td> +<td class="width40 bottom">Oostindiëvaarder</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3180">136</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e4272">186</a></td> +<td class="width40 bottom">,</td> +<td class="width40 bottom">[<i>Verwijderd</i>]</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3201">137</a></td> +<td class="width40 bottom">——</td> +<td class="width40 bottom">—</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3268">139</a></td> +<td class="width40 bottom">haddenl</td> +<td class="width40 bottom">hadden,</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3555">152</a></td> +<td class="width40 bottom">zond</td> +<td class="width40 bottom">rond</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3711">159</a></td> +<td class="width40 bottom">nauwelijk</td> +<td class="width40 bottom">nauwelijks</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3765">162</a></td> +<td class="width40 bottom">Vixem</td> +<td class="width40 bottom">Vixen</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3813">164</a></td> +<td class="width40 bottom">Hottotten</td> +<td class="width40 bottom">Hottentotten</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3978">173</a></td> +<td class="width40 bottom">poort</td> +<td class="width40 bottom">voort</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4018">175</a></td> +<td class="width40 bottom">spelde</td> +<td class="width40 bottom">speldde</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4048">176</a></td> +<td class="width40 bottom">postwagen</td> +<td class="width40 bottom">postwagens</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4072">177</a></td> +<td class="width40 bottom">,</td> +<td class="width40 bottom">„</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4119">178</a></td> +<td class="width40 bottom">rucinusolie</td> +<td class="width40 bottom">ricinusolie</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4171">180</a></td> +<td class="width40 bottom">New-castle</td> +<td class="width40 bottom">Newcastle</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4205">182</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e6085">255</a></td> +<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40 bottom">-</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4291">187</a></td> +<td class="width40 bottom">aanwerpen</td> +<td class="width40 bottom">aanwerven</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4322">188</a></td> +<td class="width40 bottom">mijn heer</td> +<td class="width40 bottom">mijnheer</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4350">189</a></td> +<td class="width40 bottom">’</td> +<td class="width40 bottom">[<i>Verwijderd</i>]</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4408">191</a></td> +<td class="width40 bottom">eenhalve</td> +<td class="width40 bottom">een halve</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4425">192</a></td> +<td class="width40 bottom">hebbenl</td> +<td class="width40 bottom">hebben,</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4447">193</a></td> +<td class="width40 bottom">kenen</td> +<td class="width40 bottom">kennen</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4458">193</a></td> +<td class="width40 bottom">”!</td> +<td class="width40 bottom">!”</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4484">194</a></td> +<td class="width40 bottom">West Indië</td> +<td class="width40 bottom">West-Indië</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4508">194</a></td> +<td class="width40 bottom">gelaagd</td> +<td class="width40 bottom">gejaagd</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4521">195</a></td> +<td class="width40 bottom">klein</td> +<td class="width40 bottom">kleine,</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4528">195</a></td> +<td class="width40 bottom">dag dag</td> +<td class="width40 bottom">dag</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4571">196</a></td> +<td class="width40 bottom">gemakelijk</td> +<td class="width40 bottom">gemakkelijk</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4596">197</a></td> +<td class="width40 bottom">een</td> +<td class="width40 bottom">en</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4640">198</a></td> +<td class="width40 bottom">lading</td> +<td class="width40 bottom">landing</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4768">203</a></td> +<td class="width40 bottom">;</td> +<td class="width40 bottom">:</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4885">207</a></td> +<td class="width40 bottom">,</td> +<td class="width40 bottom">;</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4903">208</a></td> +<td class="width40 bottom">aldien</td> +<td class="width40 bottom">al dien</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5011">212</a></td> +<td class="width40 bottom">: deze</td> +<td class="width40 bottom">deze:</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5036">213</a></td> +<td class="width40 bottom">vooraad</td> +<td class="width40 bottom">voorraad</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5047">214</a></td> +<td class="width40 bottom">of</td> +<td class="width40 bottom">af</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5106">216</a></td> +<td class="width40 bottom">bovenndien</td> +<td class="width40 bottom">bovendien</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5230">221</a></td> +<td class="width40 bottom">haalde</td> +<td class="width40 bottom">haalden</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5244">221</a></td> +<td class="width40 bottom">papagaaien</td> +<td class="width40 bottom">papegaaien</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5259">222</a></td> +<td class="width40 bottom">steken</td> +<td class="width40 bottom">stekken</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5305">224</a></td> +<td class="width40 bottom">doorgekopt</td> +<td class="width40 bottom">doorgekapt</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5361">226</a></td> +<td class="width40 bottom">kruid</td> +<td class="width40 bottom">kruit</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5364">226</a></td> +<td class="width40 bottom">poesten</td> +<td class="width40 bottom">poetsen</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5385">227</a></td> +<td class="width40 bottom">nauw keurig</td> +<td class="width40 bottom">nauwkeurig</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5436">229</a></td> +<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40 bottom">in</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5448">229</a></td> +<td class="width40 bottom">een</td> +<td class="width40 bottom">één</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5478">230</a></td> +<td class="width40 bottom">ondekte</td> +<td class="width40 bottom">ontdekte</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5544">233</a></td> +<td class="width40 bottom">opgesteld</td> +<td class="width40 bottom">op gesteld</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5671">237</a></td> +<td class="width40 bottom">kakatoe</td> +<td class="width40 bottom">kaketoe</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5735">240</a></td> +<td class="width40 bottom">yamplantsoen</td> +<td class="width40 bottom">yamsplantsoen</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5744">240</a></td> +<td class="width40 bottom">beschermng</td> +<td class="width40 bottom">bescherming</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5867">245</a></td> +<td class="width40 bottom">aangekokmen</td> +<td class="width40 bottom">aangekomen</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5884">246</a></td> +<td class="width40 bottom">bevestigde</td> +<td class="width40 bottom">bevestigden</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5970">250</a></td> +<td class="width40 bottom">opengespred</td> +<td class="width40 bottom">opengesperd</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e6096">255</a></td> +<td class="width40 bottom">Filnk</td> +<td class="width40 bottom">Flink</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e6183">258</a></td> +<td class="width40 bottom">van daan</td> +<td class="width40 bottom">vandaan</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e6195">258</a></td> +<td class="width40 bottom">patronnen</td> +<td class="width40 bottom">patronen</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e6283">261</a></td> +<td class="width40 bottom">”</td> +<td class="width40 bottom">„</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e6305">262</a>, +<a class="pageref" href="#xd21e6530">270</a></td> +<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40 bottom">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e6402">265</a></td> +<td class="width40 bottom">alle</td> +<td class="width40 bottom">alles</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e6525">270</a></td> +<td class="width40 bottom">bijeenbrachtten</td> +<td class="width40 bottom">bijeenbrachten</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e6568">272</a></td> +<td class="width40 bottom">beproven</td> +<td class="width40 bottom">beproeven</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e6721">277</a></td> +<td class="width40 bottom">ettelijk</td> +<td class="width40 bottom">ettelijke</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e6770">280</a></td> +<td class="width40 bottom">gebleken</td> +<td class="width40 bottom">gebleven</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e6944">287</a></td> +<td class="width40 bottom">wachtten</td> +<td class="width40 bottom">wachtte</td> +</tr> +</table> +</div> +</div> + + + + + + + +<pre> + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Stuurman Flink, by Kapitein Marryat + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK STUURMAN FLINK *** + +***** This file should be named 44758-h.htm or 44758-h.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/4/4/7/5/44758/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project +Gutenberg. + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org/license + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + + +</pre> + +</body> +</html> diff --git a/old/44758-h/images/book.png b/old/44758-h/images/book.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..963d165 --- /dev/null +++ b/old/44758-h/images/book.png diff --git a/old/44758-h/images/card.png b/old/44758-h/images/card.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..1ffbe1a --- /dev/null +++ b/old/44758-h/images/card.png diff --git a/old/44758-h/images/external.png b/old/44758-h/images/external.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..ba4f205 --- /dev/null +++ b/old/44758-h/images/external.png diff --git a/old/44758-h/images/frontcover.jpg b/old/44758-h/images/frontcover.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..3d9b0ec --- /dev/null +++ b/old/44758-h/images/frontcover.jpg diff --git a/old/44758-h/images/p043.jpg b/old/44758-h/images/p043.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..a9dbfe5 --- /dev/null +++ b/old/44758-h/images/p043.jpg diff --git a/old/44758-h/images/p126.jpg b/old/44758-h/images/p126.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..480c6ee --- /dev/null +++ b/old/44758-h/images/p126.jpg diff --git a/old/44758-h/images/p260.jpg b/old/44758-h/images/p260.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..3c60d74 --- /dev/null +++ b/old/44758-h/images/p260.jpg diff --git a/old/44758-h/images/p280.jpg b/old/44758-h/images/p280.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..1df38e6 --- /dev/null +++ b/old/44758-h/images/p280.jpg diff --git a/old/44758-h/images/titlepage.png b/old/44758-h/images/titlepage.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..2f1dedb --- /dev/null +++ b/old/44758-h/images/titlepage.png |
