summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
authorRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-14 18:56:47 -0700
committerRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-14 18:56:47 -0700
commit083fdaaf48bdb4fabd826091603e39cae61e1503 (patch)
treef90f7afb38aeb8f165982b5df5504c0b456a90da
initial commit of ebook 44758HEADmain
-rw-r--r--.gitattributes3
-rw-r--r--44758-0.txt14046
-rw-r--r--44758-h/44758-h.htm14706
-rw-r--r--44758-h/images/book.pngbin0 -> 364 bytes
-rw-r--r--44758-h/images/card.pngbin0 -> 249 bytes
-rw-r--r--44758-h/images/external.pngbin0 -> 172 bytes
-rw-r--r--44758-h/images/frontcover.jpgbin0 -> 103522 bytes
-rw-r--r--44758-h/images/p043.jpgbin0 -> 142264 bytes
-rw-r--r--44758-h/images/p126.jpgbin0 -> 147451 bytes
-rw-r--r--44758-h/images/p260.jpgbin0 -> 137988 bytes
-rw-r--r--44758-h/images/p280.jpgbin0 -> 144009 bytes
-rw-r--r--44758-h/images/titlepage.pngbin0 -> 14822 bytes
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
-rw-r--r--old/44758-8.txt14444
-rw-r--r--old/44758-8.zipbin0 -> 261366 bytes
-rw-r--r--old/44758-h.zipbin0 -> 977591 bytes
-rw-r--r--old/44758-h/44758-h.htm15126
-rw-r--r--old/44758-h/images/book.pngbin0 -> 364 bytes
-rw-r--r--old/44758-h/images/card.pngbin0 -> 249 bytes
-rw-r--r--old/44758-h/images/external.pngbin0 -> 172 bytes
-rw-r--r--old/44758-h/images/frontcover.jpgbin0 -> 103522 bytes
-rw-r--r--old/44758-h/images/p043.jpgbin0 -> 142264 bytes
-rw-r--r--old/44758-h/images/p126.jpgbin0 -> 147451 bytes
-rw-r--r--old/44758-h/images/p260.jpgbin0 -> 137988 bytes
-rw-r--r--old/44758-h/images/p280.jpgbin0 -> 144009 bytes
-rw-r--r--old/44758-h/images/titlepage.pngbin0 -> 14822 bytes
27 files changed, 58338 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..6833f05
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,3 @@
+* text=auto
+*.txt text
+*.md text
diff --git a/44758-0.txt b/44758-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..d5b7497
--- /dev/null
+++ b/44758-0.txt
@@ -0,0 +1,14046 @@
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 44758 ***
+
+ STUURMAN FLINK
+ OF
+ DE SCHIPBREUK VAN "DE VREDE"
+
+
+ NAAR HET ENGELSCH
+ VAN
+ KAPITEIN MARRYAT
+
+ DOOR
+ J. J. A. GOEVERNEUR
+
+ Geïllustreerd door JOHAN BRAAKENSIEK
+
+
+ NEGENDE DRUK
+ AMSTERDAM--VAN HOLKEMA & WARENDORF
+
+
+
+
+
+
+
+ Typ. De Erven H. van Munster & Zoon, Amsterdam.
+
+
+
+
+
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+HET SCHIP DE VREDE. STUURMAN FLINK.
+
+
+Het was in de maand October, 18**, dat De Vrede, een groot
+koopvaardijschip, door harden wind gedreven, de wateren kliefde van den
+wijden Atlantischen Oceaan. Het schip had slechts weinig zeil bij, want
+de wind was zoo sterk, dat het doek door de woedende stooten en rukken
+in flarden zou zijn gereten, en pijlsnel schoot het vaartuig over de
+hooggaande golven, die het schuimend volgden en het beurtelings ten
+hemel opbeurden of diep in de holle zee bedolven, zoodat men had kunnen
+denken, dat het daaruit nooit weer zou te voorschijn komen. Evenwel
+was het schip hecht en stevig en de kapitein een goed zeeman, die
+alles deed, wat hij tot behoud van zijn bodem dienstig achtte.
+
+De kapitein stond bij het stuurrad en hield een wakend oog op de
+mannen aan het roer, want hierop vooral moet men acht geven, als het
+schip recht vóór een harden wind zeilt. Terwijl hij hier zoo in het
+rond en van tijd tot tijd ook naar de lucht zag, neuriede hij een
+oud zeemansliedje, dat begint:
+
+
+ "'t Is alles water, wat men ziet,
+ En donkre, zwarte lucht!"
+
+
+En zoo was het ook waarlijk. Zij dobberden midden op den oceaan, geen
+ander vaartuig was te zien, de hemel was overdekt met donkere wolken,
+welke de storm woedend voor zich uit joeg, de golven stapelden zich
+tot bergen op en deden het schuim omhoogspatten, terwijl de wind
+akelig door het want floot en huilde.
+
+Buiten den scheepskapitein en de beide mannen aan het roer, waren er
+nog twee andere personen op het dek: de eerste een knaap van omstreeks
+twaalf jaren, de ander een oud, verweerd zeeman, wiens grijze haren
+in den wind fladderden, toen hij naar het achterdek van het schip
+ging en overboord keek.
+
+Op eens zag de knaap, hoe een geweldig zware golf tegen den spiegel
+van het schip kwam aanrollen. Angstig greep hij den oude bij den arm
+vast en riep: "Kijk, zal die groote golf niet over ons heele schip
+heen slaan, Flink?"
+
+"Neen, Willem, wees maar gerust. Merkt ge niet, hoe ze ons schip in
+de hoogte tilt? En kijk, nu is ze al onder ons door gegaan en zijn
+wij gelukkig over haar heen. Maar 't kon licht gebeuren, dat een
+tweede golf nog hooger klom, en dan zou het slecht met u afloopen,
+als ik mijzelf en u meteen hier niet stevig vasthield. De zee zou u
+zeker overboord spoelen."
+
+"Ik houd niet van de zee, Flink; ik wou wel, dat we weer op het
+vasteland waren," antwoordde de knaap. "Zie de golven daar recht
+vooruit;--is 't niet, alsof ze van het schip geen stuk heel wilden
+laten?"
+
+"Ja, ja, ze zijn vrij wild, en daarbij loeien ze zoo, alsof ze boos
+waren dat zij het schip niet in de diepte begraven kunnen. Maar daaraan
+ben ik gewoon, Willem, en op een goed schip, met een braven kapitein
+en wakker volk, ben ik niet bang voor zulk een storm."
+
+"Maar vaak gaan er toch schepen ten gronde, en dan verdrinken allen,
+die er op zijn, niet waar?"
+
+"Ja, Willem, en soms vergaat wel eens een schip, terwijl het volk
+aan boord daar het minst op bedacht is."
+
+"Wat zijn dat toch voor kleine vogels, die zoo laag over het water
+vliegen?"
+
+"Ei, dat zijn moeder Carey's [1] kuikens, zooals wij zeelui ze
+noemen. Ze vertoonen zich alleen bij storm, of als er boos weer
+ophanden is."
+
+"Zeg, Flink, hebt gij wel eens op een woest eiland schipbreuk geleden,
+zooals Robinson Crusoë?"
+
+"Ja, jongenlief, ik heb wel al schipbreuk geleden, maar van Robinson
+Crusoë heb ik mijn leven niet gehoord. Er zijn zoovelen, die hun
+schip verloren en zwaren nood hadden door te staan, terwijl nog ruim
+zoovelen daarbij omkwamen en dus van hunne ontmoetingen niet meer
+vertellen konden, dat het niet heel denkelijk is dat ik uit al die
+menigte den man, dien gij daar noemt, zou gekend hebben."
+
+"O, dat staat alles in een boek, dat ik gelezen heb. Ik kon het
+u wel alles van stukje tot beetje vertellen--en wil dat ook doen,
+zoodra de zee weer bedaard is; maar wees nu zoo goed en breng mij
+weer naar beneden, want ik heb moeder beloofd niet al te lang hier
+boven te blijven."
+
+"En wat ge beloofd hebt, moet ge als een flinke jongen altijd houden,"
+zei de oude man. "Kom, geef mij de hand maar, en ik zal wel zorgen,
+dat ge zonder vallen of stooten door het luik komt. Als het beter
+weer is, zult ge van mijne schipbreuk hooren en dan moet gij mij ook
+eens zeggen, wat ge van dien Robinson Crusoë weet."
+
+Met deze woorden bracht de oude zeeman den kleinen Willem tot aan de
+deur der kajuit en keerde toen op het dek terug, waar hij de wacht had.
+
+Stuurman Flink had nu al ruim vijftig jaren op zee rondgezworven;
+hij was nog pas tien jaren oud, toen hij op een kolenschip als
+koksjongen zijn eerste reis deed. Door zijn voortdurend verblijf in
+de open lucht was zijn gezicht donkerbruin gekleurd en diepe rimpels
+lagen in zijne wangen, hoewel hij nog altijd een flink en sterk man
+was gebleven. Hij had jaren achtereen aan boord van een oorlogschip
+gediend en daarop alle werelddeelen bezocht; hij wist dan ook vele
+vreemde geschiedenissen te vertellen. Maar al klonken die ook nog zoo
+vreemd, men mocht hem vrij gelooven, daar nooit een onwaar woord over
+zijn lippen kwam.
+
+Hij verstond de stuurmanskunst vrij goed, kon dus lezen en schrijven
+en was een verstandig en braaf man. De naam Flink paste zeer goed voor
+hem, want altijd was hij flink en vlug bij de hand en in oogenblikken
+van nood en gevaar zoo welberaden, dat de kapitein hem niet zelden
+om raad vroeg en zich daar gewoonlijk wel bij bevond. Op deze reis
+bekleedde hij den rang van tweeden stuurman.
+
+Zooals wij reeds weten, was De Vrede een fraai schip van meer dan
+vier honderd tonnen en zoo hecht en sterk gebouwd, dat men het zeer
+goed tegen een hevigen storm bestand kon achten. De tegenwoordige
+bestemming van het vaartuig was Nieuw-Zuid-Wales, [2] waarheen het eene
+kostbare lading Engelsche goederen had over te brengen. De kapitein
+was een bekwaam zeeman en bovendien een braaf mensch van een altijd
+vroolijk en opgeruimd humeur, die de dingen steeds in hun beste licht
+beschouwde en ook, als 't geluk hem soms eens tegenliep, eer geneigd
+was daarmee te lachen, dan dadelijk een zuur gezicht te trekken. Zijn
+naam was Osborn. De eerste stuurman heette Mackintosh en was een
+Schot. Ofschoon barsch en ruw van aard, nam hij toch zijn dienst
+aan boord voorbeeldig waar en was een man, op wien kapitein Osborn
+zich verlaten kon, hoewel deze anders niet van hem hield. Met Flink
+hebben wij reeds kennis gemaakt en van de matrozen aan boord behoeven
+wij niet meer te zeggen, dan dat zij in het geheel dertien in getal
+waren. Dit was zekerlijk eene nauwelijks toereikende bemanning voor
+zulk een groot schip en oorspronkelijk waren er ook meer geweest;
+doch op den dag vóór het onder zeil gaan, hadden vijf mannen,
+uit ontevredenheid over de behandeling, die Mackintosh, de eerste
+stuurman, hun aandeed, het schip eensklaps weer verlaten, waardoor
+de kapitein gedwongen was geweest in zee te steken, zonder anderen in
+hunne plaats te hebben aangeworven. Gelijk in het vervolg blijken zal,
+was dit voor het schip eene zeer noodlottige omstandigheid.
+
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+DE FAMILIE WILSON.
+
+
+De jonge Willem was de oudste zoon eener familie, die uit vader,
+moeder en vier kinderen bestond en zich thans in haar geheel aan boord
+van De Vrede bevond. De vader, mijnheer Wilson, was een verstandig,
+welonderricht man, die jaren lang een post bij het bestuur te Sidney,
+de hoofdplaats van Nieuw-Zuid-Wales, bekleed had en nu, na een
+driejarig verlof, uit Engeland derwaarts terugkeerde. Hij had van de
+regeering een duizend of wat morgen land aangekocht; dit was sedert
+aanmerkelijk in waarde gerezen en de schapen en veeteelt, waarop hij
+zich toelegde, hadden hem reeds groote winsten opgeleverd. Gedurende
+zijne afwezigheid in Engeland had zijn rentmeester zijne belangen met
+veel zorg behartigd, en zelf bracht hij nu eene menigte voorwerpen
+van allerlei aard mede, zoo tot verbetering zijner landerijen als tot
+eigen gebruik, b. v. huismeubelen, gereedschappen voor den landbouw,
+verschillende zaden en gewassen, rundvee en nog meer, te veel om op
+te noemen.
+
+Mevrouw Wilson was een lieve, zachte vrouw, die echter veel sukkelde
+en allesbehalve sterk was. Op den oudsten zoon, Willem, een sterken,
+vluggen knaap, vol geest en leven, volgde Thomas, een door en door
+goede jongen van bij de acht jaar oud, maar zoo dom en onhandig,
+dat er geen voorbeeld van was en men hem geen ommezien alleen kon
+laten. Caroline, een meisje van zeven jaren, was het derde en de pas
+éénjarige Albert het jongste kind. Tot oppassing van dezen laatste
+vooral diende een jonge negerin van de Kaap de Goede Hoop, die naar
+Sidney overgekomen en mevrouw Wilson naar Engeland gevolgd was. Wij
+hebben nu al de personen aan boord van De Vrede opgenoemd; maar bijna
+hadden wij onder de levende schepselen twee herdershonden van mijnheer
+Wilson vergeten en een kleinen dashond, die de bijzondere lieveling
+van zijn meester, kapitein Osborn was.
+
+Eerst op den vierden dag na de losbarsting, begon de storm te bedaren
+en nam allengs af, totdat hij eindelijk in bijna geheele windstilte
+overging. De matrozen, die al dien tijd dag en nacht op het dek
+gewaakt hadden, hingen hunne van regen en zeewater doorweekte
+kleeren in het want te drogen en konden nu zelven rust nemen en
+hunne krachten herstellen. Een zachte wind blies in de zeilen, de
+zee was weer effen en het schip legde in zijne rassche vaart bij de
+vijf mijlen in het uur af. Mevrouw Wilson had een mantel omgeslagen
+en zat op eene bank op het achterdek. Haar man en hare kinderen waren
+bij haar en verheugden zich in het kostelijke weer, toen ook kapitein
+Osborn die met zijn sextant den stand der zon had waargenomen, met
+een lachend gezicht op hen toekwam en riep:
+
+"Wel Thomas, jongen, ge zult zeker wel hartelijk blij zijn, dat de
+storm over is?"
+
+"O, ik ben niet bang geweest," antwoordde Thomas. "Ik was maar boos,
+dat ik altijd mijne soep stortte. Maar Juno is eens van haar stoel
+gerold en lag met broertje op den grond te spartelen, totdat eindelijk
+papa kwam en haar weer ophielp."
+
+"Goddank, dat mijn kleine Albert zich niet doodelijk bezeerd
+heeft!" zeide de moeder, met een blik vol liefde op haar kind.
+
+"En dat zou hij zich zeker gedaan hebben, had Juno niet zoo geheel
+alleen aan het kind en geen oogenblik aan zichzelve gedacht," zeide
+de vader.
+
+"Ja, dat is waar," hernam kapitein Osborn. "Zij redde het kind,
+maar zal haar eigen hoofd wel terdeeg gevoeld hebben."
+
+"Ikke een harden bons kreeg op mijn kop," verzekerde Juno en grijnsde,
+dat hare witte tanden tot aan de ooren zichtbaar werden.
+
+"Gelukkig, dat ge er zulk een dik wollig overtreksel over hebt,"
+zei de kapitein lachend. "Maar word niet boos, Juno; waarlijk, ge
+zijt een goed meisje, en wij allen houden veel van u."
+
+"Het is twaalf uren naar de zon, mijnheer," kwam Mackintosh, de eerste
+stuurman, den kapitein berichten.
+
+"Maak mij dan de breedte op, stuurman, en ik zal terstond de lengte
+berekenen. Over vijf minuten, mijnheer Wilson, zal ik u op de kaart
+aanwijzen, waar wij ons thans op zee bevinden."
+
+"Ha, daar komen ook onze honden eens boven kijken," riep Willem op eens
+uit. "Ik wed, dat ze met dat mooie weer even blij zijn als wij. Hier,
+Romulus! Remus hier!"
+
+"Ei, mijnheer," zei Flink, die dicht bij hen stond, "ik heb u al lang
+eens een vraag willen doen. Uwe honden daar hebben een paar zulke
+wonderlijke namen, die ik in mijn leven nog niet gehoord heb. Romulus
+en Remus--wie waren dat?"
+
+"Zoo heetten twee broeders in den overouden tijd," antwoordde de
+heer Wilson. "Zij waren als schaapherders opgewassen en bouwden de
+stad Rome, die naderhand zoo beroemd en zoo machtig werd en waarover
+Romulus als eerste koning regeerde."
+
+"En verbeeld u eens, Flink; toen ze nog klein waren, werden zij door
+eene wolvin gezoogd," vervolgde Willem. "Wat zegt ge van zoo iets,
+man?"
+
+"Door eene wolvin? Dat was zeker eene vreemde soort van minne voor
+een paar jonge prinsen," antwoordde Flink.
+
+"En Romulus sloeg zijn broeder dood."
+
+"Geen wonder, als men rekent wat zoogster ze hadden," merkte Flink
+aan. "Maar waarom deed hij dat?"
+
+"Omdat Remus zoo goed springen kon," zeide Willem lachend.
+
+"De jongeheer wil mij zeker wat wijsmaken?" riep Flink en zag den
+vader vragend aan.
+
+"Dat juist niet. De geschiedenis vertelt, dat Remus zijn broeder
+om den lagen stadsmuur, die deze gebouwd had, bespotte en, om hem
+te tergen, daar losweg overheen sprong. Dit moet Romulus zoo euvel
+hebben opgenomen, dat hij hem in drift doodsloeg. Evenwel, op zulke
+oude verhalen kan men niet altijd zoo vast staat maken."
+
+"En ik wil ook niet hopen, dat beiden werkelijk broeders geweest zijn,"
+hernam Flink; "hoewel--'t oude spreekwoord heeft het zoo mis niet:
+
+
+ "Twee meesters onder 't zelfde dak
+ Geeft altijd moeite en ongemak.
+
+
+"Men hoort tegenwoordig nog wel eens van Rome spreken; is dat misschien
+nog diezelfde stad?"
+
+"Ja," antwoordde Willem; "het zijn de puinhoopen van die oude."
+
+"Een mensch is toch nooit uitgeleerd," zeide Flink. "Vandaag heb ik
+weer vrij wat nieuws gehoord, en dat kan men altijd en overal, als
+men zijn mond maar tot vragen weet te gebruiken. Ik ben een oud man en
+weet weinig buiten 't geen tot mijn beroep behoort; maar toch zou ik
+veel minder weten, als ik geen onderzoek naar de dingen had gedaan,
+zonder mij te schamen om voor mijne onwetendheid uit te komen. Dat
+is het eenige middel om iets goeds te leeren, jongeheer."
+
+"Gij geeft daar mijn zoon kostelijken raad, Flink;--en pas op, mijn
+kind, dat gij dien nooit vergeet," sprak de vader. "Gij behoeft u
+nooit te schamen, naar iets te vragen, dat gij niet weet of begrijpt."
+
+"Dat doe ik ook altijd, vader. Heb ik u niet al naar heel veel dingen
+gevraagd, Flink?"
+
+"Ja, ja, dat hebt gij; en gij vraagt doorgaans vrij verstandig voor een
+knaap van uwe jaren. Ik wou maar, dat ik uwe vragen beter beantwoorden
+kon, dan ik daar soms toe in staat ben, lieve jongen."
+
+"Nu zou ik toch liefst weer naar beneden willen, lieve," zeide mevrouw
+Wilson eindelijk. "Flink zal wel zoo goed zijn den kleine voor mij
+te dragen."
+
+"Van harte gaarne, mevrouw," antwoordde Flink. "Komaan dan, Juno,
+geef mij het kind en ga gij vooruit.--Ruggelings, domme meid! Hoe
+dikwijls moet ik u dat nog zeggen? 'k Voorzie, dat gij nog eens hals
+over kop de trap aftuimelt."
+
+"En breken mijn nek," zei Juno.
+
+"Ja, of een arm of een been! En wie zal dan het kind dragen?"
+
+Zoodra allen weder in de kajuit waren, namen de kapitein en mijnheer
+Wilson de kaart voor zich en zochten daarop de plaats, waar het schip
+zich thans bevond. Zij zagen, dat zij nog dertig mijlen van de Kaap
+de Goede Hoop verwijderd waren.
+
+"Als de wind aanhoudt, kunnen wij daar morgen zijn," zeide mijnheer
+Wilson tot zijne vrouw. "Misschien kan onze Juno daar haar vader en
+moeder wedervinden."
+
+De arme Juno schudde het hoofd, en de tranen rolden over hare donkere
+wangen, terwijl zij vertelde, dat hare ouders een Hollandschen veeboer
+toebehoorden, die met hen diep landwaarts in getrokken was. Zij was
+nog maar een klein kind geweest, toen men haar van hare ouders afnam,
+en had alleen in de Kaapstad moeten achterblijven.
+
+"Maar nu zijt gij vrij, Juno," zeide mevrouw Wilson. "Gij zijt in
+Engeland geweest, en allen, die dat land eens betreden hebben, zijn
+van dat oogenblik af vrije menschen."
+
+"Ja, mevrouw, Juno vrij zijn, maar Juno toch geen vader hebben en
+geen moeder," antwoordde het arme meisje en weende bitter. De kleine
+Albert sloeg nu echter de armpjes om haar hals, en weldra lachte zij
+weer en speelde vroolijk met het lieve kind.
+
+
+
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+KAAP DE GOEDE HOOP.
+
+
+Den volgenden morgen zag men de Kaap voor zich en liet in de Tafelbaai
+het anker vallen.
+
+"Waarom noemt men dit hier de Tafelbaai, Flink?" vroeg Willem.
+
+"Denkelijk is dat, omdat die groote berg daar de Tafelberg heet,
+jongeheer, gij ziet, hoe zijn top heel vlak is."
+
+"Ja waarlijk, hij is zoo vlak als eene tafel."
+
+"Maar nu en dan ziet men witte wolken zich op eene zonderlinge wijze
+rondom de toppen samenpakken en dan zeggen de zeelieden, dat de tafel
+gedekt wordt, of ook wel, dat de berg zijn pruik opzet. Men ziet dat
+niet graag, omdat er doorgaans ruw en stormachtig weer op volgt."
+
+"Dan hoop ik dat die tafel, zoolang wij hier zijn, maar ongedekt mag
+blijven. Wij hebben al storm en onweer genoeg gehad, en moeder is er
+nog zwak en ziek van. Wat is dat eene mooie stad, Flink!"
+
+"Wij zullen hier twee dagen voor anker blijven, mijnheer," kwam
+kapitein Osborn den heer Wilson berichten, "en zoo gij en mevrouw
+aan wal wenscht te gaan, is daar gelegenheid toe."
+
+"Ik zal bij mijne vrouw gaan en het haar vragen," zeide Willems vader
+en ging met dezen in de kajuit.
+
+Mevrouw Wilson was zeer blijde, dat het schip nu althans eenigen tijd
+stil zou liggen, maar voelde zich te zwak om aan land te gaan. Er
+werd dus besloten, dat zij met de beide jongste kinderen aan boord
+zou blijven, terwijl haar man de beide oudsten, Willem en Thomas,
+den volgenden dag naar de Kaapstad medenam, van waar hij beloofde
+nog vóór den avond terug te zullen zijn.
+
+Den volgenden morgen liet kapitein Osborn een groote sloep uitzetten
+en zich daarin met mijnheer Wilson, Willem en Thomas naar den wal
+roeien. Thomas had aan zijne moeder beloofd, dat hij heel zoet en
+gehoorzaam zou wezen; maar dat deed hij altijd en had het altijd
+ook weer vergeten, zoodra hij haar maar uit het gezicht was. Van de
+landingsplaats gingen zij naar een vriend van den kapitein, die in
+de stad woonde. Hier bleven zij een half uur, om een glas limonade
+te drinken, want het was zeer warm, en toen besloot men naar den tuin
+van de Compagnie te gaan, om de wilde dieren te zien, die daar bewaard
+werden. Willem was met dit plan zeer ingenomen en zijn broertje klapte
+in de handen van blijdschap.
+
+"Vader, waarom heet die tuin de tuin van de Compagnie?" vroeg Willem.
+
+"Omdat hij door de Hollandsch-Oostindische Compagnie is aangelegd,
+in den tijd, toen de Kaap nog aan de Hollanders toebehoorde. Het
+is eigenlijk een plantentuin, waar men evenwel ook wilde dieren
+bewaart. Vroeger had men er hier een groote menigte, doch tegenwoordig
+zijn de reizigers er minder nieuwsgierig naar, daar men ze ook in
+Europa genoeg te zien kan krijgen."
+
+"En wat zullen we dan al zien?" vroeg Thomas.
+
+"Gij zult leeuwen zien, mijn jongen, ik weet niet hoeveel wel,
+allemaal in één hok bijeen," antwoordde kapitein Osborn.
+
+"O, dat is goed! Ik heb nog nooit een leeuw gezien."
+
+"Maar pas op, kind, dat gij niet te dicht bij het hok komt."
+
+"Neen, zeker niet," beloofde Thomas.
+
+Zoodra zij binnen het tuinhek waren wilde Thomas ontloopen, uit
+ongeduld om de leeuwen toch vooral spoedig te zien, maar kapitein
+Osborn haalde hem gelukkig weder in en hield hem nu stevig bij de
+hand vast.
+
+"Hier zijn een paar zonderlinge vogels," zeide de heer, die bij
+hen was. "Men noemt ze secretarisvogels, om de veeren, die hun daar
+achter aan den kop uitsteken, evenals de veer van de pen, die een
+klerk of schrijver soms wel achter het oor draagt. Het zijn echter
+zeer nuttige dieren, daar zij de slangen dooden en, als zij konden,
+alleen van slangen en adders leven zouden. Zij pakken die beesten
+met hunne klauwen aan en drukken ze met zooveel geweld, dat zij in
+een oogenblik dood zijn."
+
+"Vindt men veel slangen in dit land?" vroeg Willem.
+
+"Ja, en zeer vergiftige slangen," antwoordde zijn vader, "waarom
+deze vogels hier dan ook van groot nut zijn. Gij kunt daaruit zien,
+Willem, hoe geen dier, vooral geen van de schadelijke soorten, zich
+al te sterk vermenigvuldigen kan, maar op zijne beurt weer de prooi
+van andere roofdieren wordt. En zoo is het overal; in elk land, waar
+eenig dier in groote menigte voorhanden is, vindt gij ook zeker een
+tweede, 't welk dat eerste vervolgt en tot buit maakt. De secretaris
+bewoont dit land, waar slangen in menigte zijn, om deze te dooden;
+in Europa daarentegen, waar minder vergiftige slangen zijn, zou deze
+vogel ook weinig nut doen."
+
+"Maar, vader, sommige dieren, zooals de leeuw en de olifant zijn zoo
+groot en sterk, dat andere ze bijna niet vernielen kunnen."
+
+"Dat is waar, maar die grootere dieren vermenigvuldigen zich niet
+zoo sterk als andere en daarom neemt hun aantal ook veel minder
+schielijk toe. Een paar olifanten b. v. krijgt in den tijd van twee
+of meer jaren maar één enkel jong, terwijl de konijntjes, die de
+buit van zooveel andere dieren en vogels zijn, tot in het oneindige
+vermeerderen zouden, indien hunne toeneming niet op die wijze werd
+te keer gegaan. Ik heb ergens gelezen, dat een paar konijnen met hun
+gebroed, dat zich even snel weer vermeerdert, in een enkel jaar tot
+vele honderden kan aangroeien."
+
+Onder zulke gesprekken had men het verblijf der leeuwen weldra
+bereikt. Het was een ruim, rond plein, dat, van boven open en rondom
+tusschen hooge muren besloten, slechts eene enkele opening voor de
+toeschouwers had. Deze opening was breed en van boven tot onder met
+hechte ijzeren staven bezet, die echter zoo ver van elkaar afstonden,
+dat de leeuwen er met hunne klauwen wel tusschendoor konden tasten,
+waarom de kinderen dan ook gewaarschuwd werden, er vooral niet te
+dicht bij te komen. Het was kostelijk om te zien, hoe acht of tien
+van die edele dieren daar in allerlei houding in het rond lagen, zich
+koesterden in de heete zon en met hunne breede, borstelige staarten
+den grond zweepten, zonder zich, naar 't scheen, aan de menschen
+daar buiten in het minst te storen. Willem bleef op een behoorlijken
+afstand van de tralies staan en keek aandachtig toe. Ook de kleine
+Thomas zette groote oogen op en was in den beginne niet weinig bang;
+maar dat ging over en hij werd spoedig stouter. De heer, die bij hen
+was en langen tijd aan de Kaap gewoond had, verhaalde eenige zeer
+onderhoudende anecdoten aangaande den leeuw, waarnaar het gansche
+gezelschap zoo aandachtig luisterde, dat niemand merkte, hoe Thomas
+opnieuw ontsnapt en naar den ingang van het leeuwenhok teruggeloopen
+was. Hij stond eerst een tijdlang naar de dieren te kijken, maar wilde
+toen ook, dat zij eens wat beweging maken zouden. Om hen hiertoe te
+dwingen, nam hij eindelijk een steen op en wierp dien naar den jongen,
+nagenoeg driejarigen leeuw, die het dichtst bij den ingang lag. Deze
+scheen dit niet te bemerken, want hij verroerde zich niet, ofschoon
+hij het oog niet van den onvoorzichtigen knaap afwendde. Hierdoor
+werd onze Thomas gedurig stouter, wierp nog een steen en nog een en
+kwam daarbij telkens dichter bij het hok.
+
+Op eens hief de leeuw nu een vreeselijk gebrul aan en sprong op Thomas
+los, terwijl hij met zulk een woede tegen de ijzeren staven van zijn
+hok opvloog, dat deze kletterden en dreunden en de kalk op enkele
+plaatsen van de steenen viel. Doodelijk verschrikt, gilde de jongen
+het uit en tuimelde achterover in het gras, 't geen zijn behoud was,
+want ware hij voorovergevallen, dan zou het dier hem zekerlijk met
+zijne klauwen hebben aangepakt. Zijn vader en kapitein Osborn schoten
+dadelijk toe en hielpen hem op. Zoodra hij weder adem kon halen,
+begon hij te huilen van angst, terwijl de leeuw voor de tralies stond
+en brullend en loeiend met den staart in het rond sloeg.
+
+"Breng mij weg,--breng mij weer op het schip!" kreet Thomas en trilde
+als een blad.
+
+"Wat hebt gij gedaan, jongen?" vroeg kapitein Osborn.
+
+"Ik zal u nooit weer met steenen gooien, heer leeuw; neen, neen,
+nooit van mijn leven meer!" riep de knaap en zag ontzet naar het
+vergramde dier om.
+
+De heer Wilson bracht hem zijne onvoorzichtigheid ernstig onder het
+oog, en van lieverlede kwam hij nu tot bedaren, maar was toch niet
+gerust, voordat men van de leeuwen niets meer hooren of zien kon.
+
+Zij bezochten thans ook nog de overige dieren, die hier te zien
+waren, en van nu af aan hield Thomas zich van alle op een eerbiedigen
+afstand. Zelfs waagde hij het niet bij een schaap te komen, dat op
+de Kaap thuis behoort en een dikken vetstaart van verscheiden ponden
+zwaarte heeft.
+
+Na alles bekeken te hebben, gingen zij weder naar het huis van den
+vreemden heer, die hun te eten had verzocht, en na den maaltijd keerden
+allen naar het schip terug. Toen Thomas' moeder van het avontuur
+hoorde, dat hij met den leeuw had gehad, verzekerde zij, dat zij zulk
+een ongehoorzaam kind nooit weer uit haar gezicht zou laten gaan.
+
+
+
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+EEN STORM OP ZEE.
+
+
+Den volgenden morgen werden levensmiddelen en versch water aan boord
+genomen en zette De Vrede opnieuw hare zeilen in top, terwijl men
+alle hoop op eene voorspoedige reis begon op te vatten, daar het
+schip dagen achtereen met goeden wind zijne vaart vervolgde. Dit was
+nochtans niet van duur. Er volgde eene windstilte die bijna drie volle
+dagen aanhield, en gedurende dezen tijd was ook zelfs geen schijn van
+wind op de breede watervlakte te bespeuren. De geheele natuur scheen
+in diepe rust verzonken, en geen ander levend wezen vertoonde zich,
+dan nu en dan een enkele albatros, die met half geopende vlerken
+het schip een tijdlang bijbleef en de stukjes brood oppikte, die men
+overboord uitstrooide.
+
+"Wat is dat voor een groote vogel, Flink?" vroeg Willem.
+
+"Dat is een albatros, Willem, de grootste zeevogel dien wij hebben. Ik
+zag er eens een schieten, wiens uitgestrekte vlerken van het eene
+tot het andere einde wel ruim elf voet lang waren."
+
+"Dat is de eerste, dien ik ooit gezien heb."
+
+"Omdat men ze ten noorden van de Kaap ook zelden vindt. Men zegt,
+dat zij onder het vliegen slapen kunnen en zich dan met den kop op
+de vlerken hoog boven in de lucht laten drijven."
+
+"Hoe komt het, vader," vroeg Willem dezen, die naast hem stond,
+"dat onder de vogels de een zwemmen kan en de ander niet? Weet gij
+nog, toen Thomas eens een van onze hoenders in den grooten vijver
+had gejaagd, hoe het arme beest in het water omspartelde tot zijne
+vleugels nat werden en het niet langer kon boven houden, zoodat het
+verdrinken moest? Hoe maakt een zeevogel het dan, om zich zoo lang
+boven water te houden?"
+
+"De zwemvogels, mijn jongen, zijn van eene soort van olie voorzien,
+waarmede zij hunne vederen van buiten bestrijken, en deze olie maakt
+dat het water daar niet indringt. Hebt gij nooit van eenden op het
+land gezien, hoe zij met den snavel in hare vederen omplozen? Zij
+gebruiken dan die olie, om de veeren waterdicht te maken."
+
+"Hoe vreemd!"
+
+"Ja, wel merkwaardig.--Maar, daar komt Juno zeggen, dat de thee
+gezet is."
+
+Den derden dag na het invallen der stilte meende kapitein Osborn
+uit het diepe dalen van zijn barometer te moeten opmaken, dat er een
+hevige storm ophanden was, en verzuimde dus niet, alle toebereidselen
+te maken, om dien bij zijn losbreken het hoofd te bieden. En inderdaad
+had hij zich niet bedrogen. Tegen middernacht stegen plotseling donkere
+wolken aan den hemel op en pakten zich allengs dichter en dreigender
+opeen. Vlammende bliksemstralen doorkruisten in alle richtingen de
+nachtelijke duisternis, en toen de wolkgevaarten hooger klommen, stak
+ook de wind op, doch aanvankelijk slechts met enkele zware rukken,
+die eerlang weder door doodelijke stilte werden gevolgd.
+
+"Uit wat hoek, Flink, denkt ge, dat wij den wind te wachten
+hebben?" vroeg kapitein Osborn.
+
+"Om u de waarheid te zeggen, kapitein, geloof ik niet, dat hij lang
+in ééne richting blijven zal. Het zal eerst misschien duchtig uit
+het noorden blazen, maar dan, denk ik, zal hij wel spoedig naar eene
+andere streek overslaan en dan ons nog veel harder op het lijf vallen."
+
+"Wat zegt gij, Mackintosh?"
+
+"Wij zullen wind genoeg hebben en een duchtig aanhoudenden storm
+bovendien," antwoordde deze. "Hoe eer wij de luiken schalmen, des te
+beter zal het zijn."
+
+De heer Wilson had met Willem dit gesprek aangehoord, en daar Flink
+op het gelaat van zijn jongen vriend bij die laatste woorden eenige
+ongerustheid meende te lezen, klopte hij hem op den schouder en
+vermaande hem, zich niet vóór den tijd beangst te maken.
+
+"Voor mijzelf ben ik niet bang, Flink," verzekerde de moedige knaap;
+"maar moeder is deze beide laatste dagen weer zoo zwak geweest,
+dat ik om háár wel wenschen zou, dat de storm uitbleef."
+
+"Maar, Flink," vroeg de kapitein verder, "wat doet u denken, dat de
+wind draaien zal?"
+
+"Och, ik weet het zelf niet," antwoordde de oude man; "misschien vergis
+ik mij ook en kan stuurman Mackintosh gelijk hebben. De wind komt uit
+het noordoosten; zooveel schijnt althans zeker." Met deze woorden trad
+hij op het nachthuisje toe en zag opmerkzaam op het kompas. Vader en
+zoon keerden inmiddels naar de kajuit terug, en ook Mackintosh ging,
+om de noodige orders aan het volk te geven. Zoodra allen weg waren,
+vervoegde Flink zich weder bij den kapitein en zeide:
+
+"Kapitein, het past mij niet, den stuurman tegen te spreken, maar in
+een geval als dit moet ieder vrij voor zijn gevoelen uitkomen. Ik zou
+het mijne ook verdedigd hebben, als de vreemde heer met zijn zoon er
+niet bijgestaan hadden; maar nu wil ik u wel zeggen, dat wij nog iets
+ergers dan een storm te wachten hebben. Ik ben vroeger al meer onder
+deze breedte geweest en ben een oud zeeman, zooals gij weet. Daar is
+iets in de lucht, dat bemerkte ik voor drie dagen al. Ik ben zeker,
+dat het niet tot een storm, neen, dat het tot een volslagen orkaan
+komen zal,--en wat het ergste daarbij is, dat die denkelijk veel
+langer zal aanhouden, dan een storm doorgaans doet. Ik heb nauwkeurig
+op alles gelet en zelfs de vogels zeggen mij zoo, en die bedriegen
+nooit, daar het de natuur zelve is, die hen onderricht. De stilte tot
+hiertoe was niets anders dan de rust van den wind, die altijd zijn
+hevigst woeden voorafgaat.--En nu weet gij mijne vaste overtuiging."
+
+"Ik vrees, man, dat gij maar al te zeer gelijk hebt. Zorg dan,
+dat de bramraas neerkomen en laat al de kleine zeilen in de marsen
+opruimen. Besla den bezaan en doe den gaffel strijken. Ik wil zelf
+mee naar voren gaan."
+
+Er was werkelijk geen tijd te verliezen; want aan deze bevelen was
+nauwelijks voldaan, toen reeds een heftige storm uit het noordoosten
+losbrak. De zee rees met ontzettende snelheid; in allerijl werd
+het eene marszeil na het andere geborgen en het vaartuig vloog,
+enkel met gereefde fok en stormstagzeilen, door den wind gedreven,
+over de donkere golven. Slechts met de grootste inspanning gelukte
+het den drie mannen aan het rad, het roer vast te houden, zoo geweldig
+sloeg de hooggaande zee tegen de zijden van het schip. Niet een enkele
+onder de bij andere gelegenheden zoo zorgelooze matrozen waagde het
+gedurende dezen nacht een oog te sluiten, en in angstige verwachtingen
+zagen allen het aanbreken van den dag te gemoet. Tegen drie uren in
+den morgen ging de wind plotseling liggen, doch slechts voor eenige
+minuten, waarop hij, gelijk Flink voorspeld had, weder met nieuwe
+woede uit een anderen hoek het schip bestookte en de laatste zeilen
+aan flarden scheurde, die nog eenigen tijd aan de raas fladderden en
+eindelijk door den storm ver lijwaarts geslingerd werden.
+
+De hemel was in dikke duisternis gehuld en alleen het schuim, dat de
+woelende zee rondom het schip deed opspatten, verspreidde nu en dan een
+zwakken, akeligen lichtglans. De wind was nu naar het west-noordwesten
+gedraaid en zoo moest ook het schip zijn koers veranderen en was
+men gedwongen zich aan het geweld van den orkaan over te geven. Dit
+geschiedde ook, doch hieruit ontstond een nieuw bezwaar, want daar
+de zeeën in de vroegere windrichting uit het noordoosten liepen,
+kreeg het schip die op eenmaal dwars in, gelijk de zeelieden het
+noemen, en sloegen ieder oogenblik stortzeeën overboord, die alles,
+wat niet vaststond, wegspoelden. Zoo werd ook een der matrozen van
+het dek afgerukt en was reddeloos verloren, daar in zulk een orkaan
+aan pogingen tot redding niet te denken viel. Kapitein Osborn stond
+op het achterdek en hield zich aan een van de korvijnagels vast,
+terwijl hij Mackintosh, die bij hem was, toeriep:
+
+"Wat dunkt u, hoe lang kan dat nog duren?"
+
+"Misschien langer dan het schip zelf," antwoordde de stuurman met
+allen ernst.
+
+"Dat wil ik nog niet hopen," hernam de kapitein; "en erger kan het
+toch niet worden. Wat zegt gij, Flink?"
+
+"We hebben nu meer van ginder boven dan van de zee onder ons te
+vreezen," riep de tweede stuurman en wees naar de nokken van de raas,
+aan beide einden waarvan de electrische stof als kleine vuurballen
+vlamde. "Zie die twee wolkjes, die op elkaar stooten; als ik...."
+
+Flink had geen tijd om uit te spreken, daar een blauwe bliksemstraal
+den toeschouwers het gezicht verblindde en hen toen eenige seconden
+achtereen in zwarte duisternis hulde. Daarop volgde een vreeselijke
+donderslag, die het schip in zijn gansche lengte deed sidderen en
+schudden. Een dof gekraak--een ontzettende slag--een doffe kreet
+werd gehoord, en toen zij de verblinde oogen weer opslaan konden,
+zagen zij den fokkemast als een dun riet tot beneden toe gespleten
+en het schip in lichtelaaien gloed. De mannen aan het rad, geheel
+verblind en verbijsterd door het licht, konden het roer niet langer
+regeeren; het schip loefde op--krak! daar sloeg de groote mast over
+zij--en alles was opschudding en verwarring. De Vrede was op eenmaal
+een hulpeloos wrak geworden.
+
+Gelukkig--want anders ware alles reddeloos verloren geweest--werd
+de vlam door de zware golven, die over den bak heenrolden, spoedig
+gebluscht, doch nu lag het schip weerloos, aan de golven ten prooi,
+hevig te stooten tegen de overboord geslagen, slechts door het want
+nog vastgehouden masten. Zoodra zij van hun eersten schrik bekomen
+waren, liepen Flink en de eerste stuurman naar het rad en zochten het
+schip weder voor den wind te brengen; doch hunne poging mislukte, want
+fokkemast en hoofdmast waren weg en alleen de bezaansmast was nog over,
+waardoor het schip juist belet werd naar het roer te luisteren. De
+wakkere Flink liet twee matrozen dit laatste aanvatten; terwijl hij
+Mackintosh een teeken gaf want de wind huilde nu te sterk, dan dat
+men elkanders woorden nog had kunnen verstaan, eene bijl opgreep en
+het bezaanswant van zijn mast loshakte. De kruissteng en de top van
+den bezaansmast stortten overboord en zoo gelukte het hun eindelijk,
+het vaartuig voor den wind te brengen. Het vereischte nu nog veel tijd
+en inspanning, het wrak geheel van zijne masten vrij te maken, en toen
+men eindelijk tijd kreeg om op het dek rond te zien, vermiste men vier
+man, die door den bliksem gedood of onder den fokkemast verpletterd
+waren, zoodat thans, buiten kapitein Osborn en de beide stuurlieden,
+nog maar acht matrozen aan boord overig waren.
+
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+HET WRAK.
+
+
+Een zeeman geeft in het gevaar den moed niet op, zoolang hij nog
+eenige kans ziet om zich door eigen inspanning van het verderf te
+redden. Het verlies van hunne kameraden, die zoo plotseling uit hun
+midden gerukt waren,--de ellendige toestand van het schip,--de woeste
+golven, die hen als in een breeden waterkuil dreigden te begraven,
+het huilen van den orkaan,--de sissende bliksem,--het ratelen van den
+donder--dat alles kon hen niet weerhouden te doen, wat de nood van
+hen eischte. Mackintosh, de eerste stuurman, verzamelde zijn volk
+en sloeg zelf de handen aan het werk, om een blok en strop aan den
+nog rookenden stomp van den fokkemast vast te maken. Een touw werd
+door het blok geschoren en het groote bramzeil opgeheschen, zoodat
+het wrak weder met versnelde vaart voor den wind uitvloog en beter
+naar het roer luisterde.
+
+Het schip was weer voor den wind, en in vergelijking met vroeger
+tamelijk zeker, hoewel de narollende baren het van tijd tot tijd
+geweldig schokten. Andermaal begon de avond te vallen en nog was aan
+geen rust te denken. De manschap was door de onophoudelijke inspanning
+reeds ten hoogste afgemat. Kapitein Osborn en Flink waren meermalen
+in de kajuit geweest, om de beangste passagiers te troosten en gerust
+te stellen. Buiten zichzelven van angst en bezorgdheid, was mevrouw
+Wilson ernstig ongesteld, en haar man waakte aan haar bed. De kinderen
+werden vermaand in de hut bedaard te blijven en de kleine kwam niet
+uit de armen der onvermoeide en zorgdragende Juno.
+
+Reeds liep de derde dag van den storm ten einde en nog deden zich
+geene geruststellende teekens op. Door het onophoudelijk breken der
+stortzeeën over het achterschip, waren de kompashuisjes weggespoeld en
+men kon nu niet langer den koers, waarin het schip tot hiertoe gestuurd
+was, noch den doorloopen afstand bepalen. Het vreeselijk beuken en
+stooten der golven had reeds een lek teweeggebracht en zooveel was met
+zekerheid vooruit te zien, dat, zoo de storm niet spoedig bedaarde,
+de bodem niet lang meer tegen de zee bestand zou zijn.
+
+Van dit oogenblik af stonden angst en moedeloosheid op des kapiteins
+gelaat te lezen. De verantwoordelijkheid, die op hem rustte,
+drukte hem zwaar;--zelfs als nog enkelen er het leven afbrachten,
+had hij een kostbaar schip en eene nog veel kostbaarder lading te
+verliezen. Men naderde immers thans een punt, waar de oceaan met lage
+koraalriffen en eilandjes bezaaid was en moest met recht vreezen,
+in den tegenwoordigen hulpeloozen toestand, zonder een enkel middel
+van tegenstand, door wind en golven op een daarvan geworpen te worden.
+
+De oude stuurman stond naast hem, toen de kapitein zeide:
+
+"Ik heb slechten moed, Flink. Wij loopen het gevaar in den mond en
+hebben geen middel om het te ontwijken."
+
+"Dat is, helaas, zoo; alle middelen zijn ons benomen."
+
+"Er was menig man," sprak kapitein Osborn met ernst, "die mij benijdde,
+toen ik dit fraaie schip onder mij kreeg. Zou thans een hunner met
+mij willen ruilen?"
+
+"Ik denk voor 't naast--neen, kapitein, ofschoon geen mensch weet wat
+de dag van morgen mee kan brengen. Vol hoop liept gij met dit schip
+het zeegat uit; nu voelt gij, niet zonder grond, zoo iets, dat veel
+van moedeloosheid heeft. Maar wie weet? In allen gevalle hebt gij uw
+plicht gedaan en geen braaf man kan meer doen. Ik wou maar, kapitein,
+dat Mackintosh niet zoo schrikkelijk vloekte. Ik verbeeld mij altijd,
+dat de storm er sterker om huilt."
+
+"Gij hebt gelijk," was het antwoord; "maar houd vast, Flink: daar
+komt weer eene zee."
+
+Onze vriend had nog even tijd, om met beide handen de korvijnagels beet
+te pakken, toen zulk een watervloed zich over het schip uitstortte, dat
+zij een tijdlang met de voeten van boord werden gespoeld. Echter lieten
+zij hun houvast niet los en konden eindelijk weer op de been komen.
+
+"Dat heeft hem weer een knauw gegeven, wed ik," zeide Flink en nam
+den hoed af om het water weg te schudden.
+
+"Zoo vrees ik; het beste schip, dat ooit zee bouwde, is tegen zulke
+stooten niet bestand," antwoordde de kapitein. "En nu juist, met ons
+doodmoe volk, zie ik geen mogelijkheid, om meer zeil bij te krijgen."
+
+Den geheelen nacht door schoot het schip weder met vogelsnelheid over
+het water voort. Met het krieken van den dag ging de storm liggen en
+werd de verbolgen zee bedaarder; maar nog altijd moest men het schip
+voor den wind houden, want nadat dit reeds zoo geteisterd was, durfde
+men niet bijsteken. Men maakte thans toebereidselen, om noodmasten op
+te richten en de vermoeide matrozen waren daar juist druk mede bezig,
+toen de heer Wilson met zijn zoon Willem op het dek kwam.
+
+Willem staarde in het rond. Tot zijne verbazing zag hij, hoe de slanke
+masten met al hunne touwen en zeilen verdwenen waren en het gansche
+dek in een staat van wanorde en verwarring voor hem lag.
+
+"Zie, mijn jongen," sprak de vader, "wat ellende en vernieling hier
+heeft plaats gehad. Zie nu, 's menschen trotschheid is vernederd."
+
+"Ja, Willem," riep Flink hem toe; "zie maar eens aandachtig rond!"
+
+"Maar vader," vroeg Willem na eene poos, "hoe moeten wij nu zonder
+masten en zeilen naar Sidney komen?"
+
+"Wel, vriend Willem," antwoordde Flink, "wij moeten alles doen, wat
+maar in onze macht staat. Wij zeelieden staan zelden lang verlegen
+en, als 't goed gaat, zult gij ons vóór den nacht wel weer onder een
+lap of wat zeil zien. Wij hebben onze groote masten verloren; daarom
+moeten wij noodmasten opzetten, zooals men ze noemt--of kleine masten
+met klein zeil, en die brengen ons ook misschien nog wel naar Sidney
+toe.--Hoe maakt de goede mevrouw het, mijnheer?" vervolgde Flink,
+zich tot den vader keerende. "Is zij wat beter?"
+
+"Ik vrees, dat zij zeer ziek en zwak is," was het antwoord. "Alleen
+goed weer kan haar weer eenigszins doen bijkomen. Denkt gij, dat het
+nu opklaren zal?"
+
+"Neen, mijnheer, om u de waarheid te zeggen, vrees ik, dat het nog
+erger gaat spoken. Ik heb den kapitein mijne gedachten niet gezegd,
+want een mensch kan zich vergissen; maar toch, ik blijf er bij--ik heb
+niet tevergeefs volle vijftig jaren op zee omgezwalkt. De nevelbank,
+die daar ginder bijeentrekt, bevalt mij niet en 't zou mij niet
+verwonderen, als het nog eens uit denzelfden hoek begon te blazen en
+wel nog voordat het nacht wordt."
+
+"Het zij zoo!" sprak de heer Wilson. "Echter vrees ik zeer voor mijne
+vrouw, die al zoo door de zeeziekte verzwakt is."
+
+"Daarover zou ik mij niet al te ongerust maken, mijnheer, want ik
+heb nog nooit gehoord, dat menschen aan die kwaal gestorven zijn,
+hoeveel zij er ook door te lijden hadden.--Weet gij al Willem, dat
+wij eenigen van ons volk verloren hebben in den tijd, dat gij niet
+boven geweest zijt?"
+
+"Neen, ik hoorde den kok daar wel iets van mompelen, maar wilde hem
+niet vragen, omdat moeder reeds zoo in angst was."
+
+"Dat was heel braaf van u, mijn jongen; maar denk eens: we hebben vijf
+van onze rapste en beste matrozen verloren. Seevers werd overboord
+geslagen,--Fennings en Master zijn door den bliksem gedood,--en Jones
+en Emery zijn door den vallenden fokkemast getroffen. Gelooft gij
+wel, Willem, dat niet één dezer lieden er aan dacht, toen wij de
+Kaap verlieten of zelfs maar een dag of een enkel uur voordat het
+geschiedde, dat weldra hunne lichamen honderden mijlen ver van het
+land op zee zouden omdobberen?"
+
+"Ik ben van oordeel," zeide mijnheer Wilson, "dat een zeeman eigenlijk
+geen recht heeft om te trouwen."
+
+"Dat is ook altijd mijn gevoelen geweest," antwoordde Flink; "en
+zeker, menige arme verlaten matrozenvrouw, als zij 's nachts op haar
+bed naar den storm en regen luisterde, heeft evenzoo gedacht."
+
+"Met mijne toestemming," vervolgde de vader, "zullen mijn zoons
+nooit ter zee gaan, zoolang ik nog een andere betrekking voor hen
+vinden kan."
+
+"En gij hebt gelijk, mijnheer Wilson. Men zegt wel, dat het niets
+helpt, een knaap tegen te houden, wanneer hij zich het varen eens in
+het hoofd heeft gezet;--maar ik voor mij denk in dat geval anders. Ik
+geloof, dat een vader recht heeft om neen te zeggen; want ziet gij,
+mijnheer, zoo jong als zulk een knaap het baaitje aantrekt, heeft hij
+nog zijn volle verstand en oordeel niet. Ieder stoute, moedige jongen
+wil het zeegat uit,--dat is heel natuurlijk; maar als de meesten onder
+hen voor de ronde waarheid uitkwamen, zouden zij moeten zeggen, dat
+het niet zoozeer het verlangen naar zee was, dat hen verleidde, als
+wel de wensch, om de school of zelfs het vaderlijk huis te verlaten,
+waar zij onder het opzicht van meesters of ouders stonden."
+
+"Juist, juist, Flink; zij willen onafhankelijk zijn en dat hopen zij
+op zee te worden."
+
+"Maar daar bedriegen zij zich geweldig in; want, geloof mij, op de
+gansche wijde wereld wordt geen slaaf zoo gekweld en geplaagd, als
+zulk een arme knaap in de eerste tien jaren van zijn zeeleven. Voor
+ééne berisping, die hij aan land verdient, krijgt hij aan boord
+tiendubbel slagen en nooit vindt zulk een mensch de liefde en de
+genegenheid weder, die hij op vasten wal achterliet. Het is een hard
+leven en er zijn slechts enkelen, die het zich niet bitter beklaagd
+hebben en niet gaarne zouden willen terugkeeren--als hunne schaamte
+hen daarvan niet terughield."
+
+"Dat is de zuivere waarheid, Flink, en daarom geloof ik ook, dat een
+vader ten volle recht heeft, als hij zijn zoon niet toelaat, ter zee
+te gaan, zoolang hij hem op eenige andere wijze een behoorlijk bestaan
+kan verschaffen. Het zal daarom toch nooit aan matrozen ontbreken,
+daar er nog altijd arme jongens in menigte zijn, voor wie hunne
+betrekkingen niet beter zorgen kunnen, en voor zulke lieden is de
+zee zekerlijk de beste keus, daar zij hier geen ander kapitaal dan
+moed en ijver tot hunne bevordering noodig hebben."
+
+"Datzelfde heb ik ook steeds gedacht, mijnheer," hernam Flink. "Maar
+hoe maakt uw zoon Thomas het toch, en de andere kleinen en de arme
+Juno?"
+
+"Die zijn allen vrij wel, behalve dat zij zich nu en dan door
+uitglijden eens wat zeer deden, als het schip zoo geweldig
+slingerde. Maar ik mag hier niet langer blijven," vervolgde de heer
+Wilson; "mijn arme vrouw zal naar mij verlangen. Wilt gij nog langer
+op het dek blijven, Willem?"
+
+"'t Is beter, dat hij met u omlaag gaat;" zeide Flink; "wij allen
+hebben hier de handen te vol en ik kan mij niet met hem bemoeien. Dezen
+nacht hebben wij weer geen rust te wachten, 't moge gaan hoe 't wil,
+daar ons getal thans zoo klein is. Goedennacht dan, heerschappen,
+rust wel!"
+
+
+
+
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+ALS HET WATER TOT DE LIPPEN KOMT, IS OOK VAAK UITKOMST NABIJ.
+
+
+Toen vader en zoon in de kajuit kwamen, vonden zij er dadelijk handen
+vol werk. De hofmeester had een schotel erwtensoep voor de kinderen
+gebracht en deze was brandend heet. Thomas, die naast zijn zusje in
+'t bed overeind zat, had Juno, die met den rechterarm haar kleinen
+Albert vasthield, het bord uit de linkerhand getrokken en dit in zijn
+ongeduld over de arme Caroline uitgestort, die een kreet gaf van pijn;
+terwijl Juno, vol verlangen om Caroline te helpen, opgesprongen en op
+den grond gevallen was met den kleine, die, hoewel niet bezeerd, nu
+ook een geduchte keel opzette. Tot overmaat van ramp was Juno op des
+kapiteins dashond neergekomen en deze had haar daarvoor in het been
+gebeten, waarop ook Juno het luid uitschreeuwde en mevrouw Wilson,
+bevend en radeloos van angst, zich van hare kussens had opgericht
+en gaarne had willen, maar niet kunnen helpen. Daar kwam haar man
+gelukkig nog juist bijtijds, om Juno met den kleine op te helpen. Hij
+zocht vervolgens de arme Caroline tot bedaren te brengen, die zich,
+gelijk nu bleek, nog niet zoo erg gebrand had, als men verwachtte.
+
+"Massa Thomas ben toch stout ondeugend jonk," jammerde de negerin
+en wreef zich het been. De "ondeugende jonk" oordeelde maar 't best,
+zich stil te houden;--hij werd terdeeg beknord. De hofmeester kwam de
+tafel schoonmaken, en zoo keerde alles eindelijk weder tot de vorige
+orde terug.
+
+Onderwijl was men ook op het dek niet werkeloos gebleven. De timmerman
+had eene opening voor een der stengen gemaakt, die den grooten mast
+moest vervangen; terwijl het andere volk het want weder in gereedheid
+bracht. Ongelukkig had het schip een lek gekregen en vier handen
+waren aan de pompen bezig en moesten daar bijna voortdurend werkzaam
+zijn. Gelijk Flink voorzegd had, was ook de nacht niet daar, of de wind
+verhief zich weder, de zee werd holler en woester en het lek nam zoo
+toe, dat men elk ander werk moest opgeven, om alleen bij de pompen te
+blijven. Zoo duurde de storm twee volle dagen lang, totdat de geheel
+uitgeputte matrozen te laatste ook niet meer pompen konden. Aan den
+gang van het schip was te zien, dat er reeds veel water in het ruim was
+binnengedrongen, en thans--om het ongeluk ten top te voeren--gebeurde
+er nog eene nieuwe ramp, die de ernstigste gevolgen had.
+
+Kapitein Osborn was vóór op het schip en gaf eenige orders aan zijn
+volk, toen de blokstrop, die de groote bramra aan den stomp van den
+fokkemast vasthield, eensklaps losging, zoodat ra en zeil op het dek
+neerploften en den kapitein bewusteloos deden neervallen. Zoolang
+hij aan hun hoofd had gestaan, hadden de matrozen, vol eerbied voor
+zijne erkende bekwaamheid als zeeman en bemoedigd door het hem eigen
+goed humeur, hunne taak gaarne en gewillig verricht, maar thans,
+nu hij, zoo al niet dood, toch in allen gevalle buiten kennis en
+tot handelen niet in staat was, thans werd het op eenmaal anders en
+ontbrak het geheel aan het vereischte gezag. Mackintosh was bij het
+volk te weinig bemind, dan dat zijne woorden eenigen invloed hadden
+kunnen uitoefenen. Zij sloegen zijn vermaningen en bevelen in den
+wind en staken de hoofden bijeen, om onderling te beraadslagen.
+
+"Het ergste is geleden. De orkaan is gebroken, mannen, en wij hebben
+nu goed weer te wachten," merkte Flink aan en vervoegde zich bij de
+matrozen aan het volkslogies. "De wind is haast op, zooals gij zelven
+zien kunt."
+
+"Ja, en het schip is ook haast op," antwoordde een matroos; "daar is
+nog veel minder aan te twijfelen."
+
+"Een paar uren stevig aan de pompen gewerkt, dat zou nu goed doen,"
+vervolgde Flink. "Wat zegt gij, jongens?"
+
+"Een stevig oorlam zou ons meer goed doen," hernam de zeeman. "Wat
+zegt gij, jongens? De kapitein, als hij spreken kon, de arme drommel,
+zou ons dat zeker niet weigeren."
+
+"Wat zijt gij van zins, jongen?" vroeg Mackintosh. "Ge wilt u toch
+niet dronken drinken, hoop ik?"
+
+"Waarom niet?" riep een ander uit den hoop. "Het schip moet toch
+spoedig te gronde gaan."
+
+"Dat is mogelijk,--ik wil het niet tegenspreken," zeide Mackintosh;
+"maar dat is nog geen grond, waarom wij niet gered zouden worden. Als
+ge u nu echter dronken drinkt, is er geen denken aan, dat een van
+ons er het leven zou afbrengen en mij is mijn leven lief. Ik ben
+bereid om u in alles bij te staan, waartoe gij besluiten mocht, en
+gij hebt maar te zeggen wat gebeuren moet; maar drank zult gij niet
+hebben. Zoolang ik het beletten kan, kunt gij daar staat op maken."
+
+"En hoe zoudt gij ons dat beletten?" vroeg een der matrozen op
+dreigenden toon.
+
+"Twee vastberaden mannen kunnen veel doen,--ik mag zeggen drie, want
+in dit geval is stuurman Flink op mijne zijde en ook op den passagier
+in de kajuit kan ik tot bijstand rekenen. Bedenkt, dat alle geweren
+in de kajuit zijn. Maar waarom zouden we samen twisten?--Zegt mij
+ronduit, wat ge denkt te doen; en als ge nog niets besloten hebt,
+wilt ge dan nog naar mijn voorslag luisteren?"
+
+Daar des stuurmans moed en vastberadenheid wel bekend waren,
+beraadslaagden de matrozen nog een tijdlang samen en vroegen hem toen
+naar zijn plan.
+
+"Wij hebben nog een goede boot," antwoordde Mackintosh, "de nieuwe
+sloep is behouden. De andere booten, weet gij, zijn overboord gespoeld,
+met uitzondering van de kleine boot achter, die nochtans onbruikbaar
+is, daar de zee ze bijna verbrijzeld heeft. Nu kunnen wij niet heel
+ver meer van de eilanden af wezen, ja, ik geloof zelfs dat wij er reeds
+tusschen zijn. Laten wij de boot van al het noodige voorzien en daartoe
+getroost en vlug te werk gaan. Neemt zooveel drank, als gij weet, dat
+u niet schaden kan en laat ons ook nog een goeden voorraad daarvan
+medenemen. De sloep is met mast, tuig en riemen in goeden staat en
+het moest al vreemd zijn, zoo zij ons niet ergens behouden aan land
+bracht.--Kameraad Flink, is de raad, dien ik hier geef, goed of niet?"
+
+"Volkomen goed, Mackintosh;--slechts nog één ding: wat moet er van de
+kajuitpassagiers, de vrouwen en kinderen worden? En wilt gij onzen
+armen kapitein, die daar ligt te ijlen, hulpeloos achterlaten? Of
+wat wilt gij anders aanvangen?"
+
+"Wij willen den kapitein niet verlaten!" riep een van de matrozen.
+
+"Neen--neen, onze kapitein moet mee!" herhaalden de overigen.
+
+"En de passagiers?"
+
+"Het spijt mij van hen," antwoordde de eerste spreker; "maar wij
+zullen genoeg te doen hebben, om ons eigen leven te redden. De boot
+kan ons nauwelijks bergen."
+
+"Ik moet u gelijk geven, jongens," sprak Mackintosh. "Het hemd is
+nader dan de rok. Welaan dus, wat zegt gij?--Blijft het besloten?"
+
+"Ja!" riepen de matrozen eenstemmig, en Flink wist wel, dat hier iets
+tegen in te brengen geheel vruchteloos zijn zou.
+
+Zij gingen nu terstond tot het uitrusten der boot en het aanbrengen
+van den vereischten voorraad over. Beschuit, pekelvleesch,
+eenige tonnen water, een vat met rum werden bij de valreeptrap
+bijeengebracht. Mackintosh haalde zijn octant, een kompas en eenige
+geweren met kruit en lood boven; de timmerman maakte met de hulp van
+een matroos eene opening in de verschansing, om de boot daardoor van
+boord neer te laten; want thans, nu de masten ontbraken, kon men die
+natuurlijk niet daaraan ophijschen. Na verloop van een uur was alles
+gereed. Een lang touw werd aan de boot vastgesjord, deze hierop aan
+de opening gesleept, waardoor zij te water gaan moest en het schip
+vervolgens dwarswinds gebracht. Flink had aan dit werk niet geholpen,
+maar een-, of tweemaal gepeild, om te onderzoeken of het water in het
+schip ook geklommen was en zich daarna bij kapitein Osborn neergezet,
+die nog altijd bewusteloos lag van den slag, die hem op het hoofd
+had getroffen. Toen het schip in den wind was gebracht, kwam mijnheer
+Wilson boven en zag rond.
+
+Hij zag de boot gereed om af te loopen, water en proviand bij het
+boord en het schip langzaam met de deining voortdrijven.--Eindelijk
+ontdekte hij Flink, aan de zijde gezeten van den kapitein, die daar
+schijnbaar dood nederlag.
+
+"Wat beduidt dit alles, Flink?" vroeg hij. "Willen zij het schip
+verlaten? En hebben zij hun kapitein omgebracht?"
+
+"Neen, mijnheer, zoo erg is 't nog niet. De arme kapitein is door
+de vallende ra getroffen en ligt sedert buiten kennis; maar wat het
+andere aangaat, ik vrees, dat het zoo besloten is. Gij ziet, dat men
+daar de boot van boord stoot."
+
+"Maar mijne arme vrouw! Zij is nooit in staat om mee te gaan; ze kan
+zich nauwelijks verroeren,--ze is doodzwak!"
+
+"Ik moet u tot mijn leedwezen zeggen, dat die dáár ook niet voornemens
+zijn uzelf of uwe vrouw en uwe kinderen mee te nemen."
+
+"Wat! ze willen ons hier laten omkomen? Barmhartige Hemel! hoe
+wreed,--hoe barbaarsch!"
+
+"Het is niet menschlievend van hen gehandeld, mijnheer; maar ziet gij,
+zoo is de natuur van den mensch. Als eens 't leven er mee gemoeid is,
+dan denkt iedereen aan zichzelf, want het leven is zoet. Zij zijn
+niet harder tegen u, dan zij ook tegen elkaar zijn zouden, als zij
+te sterk in aantal waren en de boot niet allen opnemen kon. Ik heb
+dat al zelf mede beleefd," antwoordde de oude man zeer ernstig.
+
+"Mijne vrouw! mijne arme kinderen!" riep de wanhopende vader en bedekte
+het gezicht met beide handen. "Doch ik wil met hen spreken," vervolgde
+hij; "zeker zullen zij naar het gebod der menschelijkheid luisteren,
+en in allen gevalle heeft stuurman Mackintosh nog wel eenigen invloed
+op hen. Gelooft gij dat ook niet, Flink?"
+
+"Daar gij mij dat vraagt, mijnheer, moet ik u zeggen, dat er geen
+harder hart onder hen is, dan dat van Mackintosh en dat het u evenmin
+helpen zal, of gij met hem spreekt of met een van de overigen. Ook moet
+gij die menschen niet te streng beoordeelen: de sloep is klein en kan
+met den voorraad, dien zij meenemen, ook niet meer koppen bergen;--dáár
+zit de zwarigheid. Wou men u en uwe familie nog innemen, dan kon
+dat de oorzaak van alles zijn. Geloof mij, als ik zelf anders dacht,
+zou ik zeker alles doen, om hen over te halen; doch het helpt niets."
+
+"Maar wat dan te doen, Flink? Gaat gij niet met hen mede?"
+
+"Neen, mijnheer Wilson. Ik heb het laatste uur daarover nagedacht
+en ben nu besloten bij u achter te blijven. Zij willen den armen
+kapitein meenemen, om hem misschien te redden, en vroegen ook mij;
+maar ik blijf hier."
+
+"Om met ons om te komen?" was de verbaasde vraag.
+
+"Al naar 't God behaagt, mijnheer Wilson. Ik ben oud en grijs, aan
+mij is weinig gelegen; ik hoop ook, dat ik mij zoo goed op den dood
+heb voorbereid, als dat in mijne geringe krachten stond. Geloof mij,
+mijnheer, ik denk veel meer aan uwe kinderen, dan aan mijzelven. Het
+scheelt mij weinig, of ik een paar jaren vroeger of later sterf, doch
+'t zou mij diep ter harte gaan, als zulke lieve bloempjes al zoo in de
+eerste lente werden afgesneden. Ik kan van nut zijn door mijn blijven,
+want ik draag een ouden kop op mijne schouders en voor geen geld zou
+ik u aan het verderf overlaten, zoolang gij nog misschien gered kunt
+worden, wanneer ge slechts wist, hoe te doen. Maar zie, daar komen
+de matrozen; de boot is geheel klaar en zij willen nu onzen braven
+kapitein wegdragen."
+
+De zeelieden traden toe en beurden den nog altijd bewusteloozen
+kapitein op. Onder het weggaan riep een hunner: "Kom, stuurman,
+wij hebben geen tijd meer te verliezen."
+
+"Denkt niet aan mij, vrienden; ik blijf hier op het wrak," antwoordde
+Flink. "Ik wensch u van ganscher harte eene behouden vaart. En aan
+u, Mackintosh, heb ik slechts dit ééne verzoek: als gij gered zijt,
+vergeet dan niet, wie ge hier aan boord hebt gelaten en laat ons dan
+tusschen de eilanden opzoeken."
+
+"Gekheid, Flink, kom mee in de boot!" antwoordde de eerste stuurman.
+
+"Ik zal hier blijven; kameraad; en ik bid u alleen, dat gij doen zult,
+wat ik van u verlang. Laat aan mijnheer Wilsons vrienden weten, wat
+hier is voorgevallen en waar men ons het best kan opsporen. Dat is
+alles, wat ik van u verlang. Wilt gij mij dit ééne beloven?"
+
+"Ja, Flink, ik wil, wanneer gij dan toch bepaald besloten hebt te
+blijven. Maar," vervolgde hij, op Flink toetredende en hem in het
+oor fluisterende, "het is waarachtig gekheid:--kom mee, man!"
+
+"Vaarwel dan, vriend Mackintosh," antwoordde Flink en gaf hem de
+hand. "Gij zult zeker uwe belofte houden?"
+
+Na nog vele verdere vermaningen van de zijde der matrozen waarvoor
+Flink echter doof bleef, stak de boot eindelijk af en stuurde naar
+het noordoosten.
+
+
+
+
+
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+DE SCHIPBREUK.
+
+
+Een tijdlang, nadat de boot het schip verlaten had, stond de oude
+Flink met over elkaar geslagen armen zwijgend uit te zien. Mijnheer
+Wilson stond bij hem. Hij kon geen woord spreken, het hart was hem
+te vol. Naarmate de sloep zich verder van het schip verwijderde,
+scheen ook zijne laatste hoop meer en meer te verdwijnen en schenen
+vrouw en kinderen, hijzelf en de oude man, die aan zijne zijde stond,
+aan een onvermijdelijken ondergang prijsgegeven. Zijne gelaatstrekken
+drukten volslagen moedeloosheid en vertwijfeling uit. Ten laatste
+nam Flink het woord:
+
+"Zij denken zeker, dat zij zichzelven redden en dat wij vergaan zullen,
+mijnheer, doch het kan nog wel anders loopen."
+
+"Het is waar," antwoordde de bedroefde vader; "maar welke hoop ons
+nog zou overblijven op een zinkend schip, met zoovele hulpelooze
+wezens om ons heen, dat, moet ik bekennen, kan ik niet begrijpen."
+
+"Wij moeten ons best doen en dan ons aan Gods wil onderwerpen,"
+hernam de oude zeeman en ging toen naar achteren, waar hij het roer
+weder oplegde, zoodat het schip andermaal voor den wind kwam.
+
+Wat Flink aan de matrozen voorspeld had, voordat zij het schip
+verlieten geschiedde werkelijk; de storm had uitgewoed en ook de zee
+was reeds aanmerkelijk bedaard. Niettemin dreef het schip slechts
+langzaam door het water en na eenigen tijd zette Flink het stuurrad
+vast en kwam weder bij den heer Wilson op het voordek. Deze had zich,
+in een staat van wanhoop naar het scheen, op het zeil neergeworpen,
+waarop kapitein Osborn na zijne verwonding gelegd was.
+
+"Het doet mij leed, mijnheer, dat ik u storen moet; maar voelt gij u
+door troosteloosheid overweldigd, dan kan u ik misschien een weinig
+hoop geven."
+
+"Ik heb gebeden," antwoordde Wilson en stond op: "en sedert heb ik
+mijn zinnen zooveel mogelijk bijeenverzameld, die zekerlijk zeer
+verward zijn. Wat mij het meest beangst, is, hoe onzen hulpeloozen
+toestand aan mijne lieve vrouw mede te deelen."
+
+"Ik zou er rond voor uitkomen, indien ik onzen toestand als hopeloos
+beschouwde," hernam Flink; "maar hopen blijft zelfs in het ergste
+geval geoorloofd. Doch luister, mijnheer, ik wil als zeeman spreken
+en u zeggen, welke mogelijkheid er thans nog voor ons over is. Het
+schip is half vol water geloopen, daar 't geweld van den storm de naden
+opende waardoor het naar binnen drong; maar nu, sedert de zee bedaarde,
+heeft zich dat al vrij wat weer hersteld. Ik heb in het ruim gepeild
+en bevonden, dat het water deze beide laatste uren maar een paar
+duim gewassen is en daar het schip langzamerhand zijne naden weder
+sluit, zal het spoedig nog wel beter worden. Indien het goede weder
+vooreerst aanhoudt, behoeven wij niet te vreezen, dat het schip zoo
+spoedig zinken zal; en daar wij ons nu tusschen de eilanden bevinden,
+is het niet onmogelijk, ja zelfs waarschijnlijk, dat wij ons vaartuig
+op een daarvan zullen kunnen laten stranden en zoo nog lijf en leven
+redden. Dat alles heb ik bedacht, toen ik weigerde in de boot te
+gaan, en ik bedacht ook, mijnheer, dat indien ik u evenals de anderen
+verliet, gij voor uzelf niet in staat zijn zoudt, van zoovele gunstige
+omstandigheden, die tot ons behoud misschien nog bijdragen kunnen,
+behoorlijk partij te trekken.--Daarom ben ik gebleven en hoop het
+werktuig te worden, dat u en al de uwen uit dezen akeligen toestand
+redt. Mij dunkt, het zou nu 't best zijn, dat gij weer in de kajuit
+gingt, uwe arme vrouw met een vroolijk gezicht de gunstige verandering
+van het weer berichttet en haar zeidet, dat wij hoop hebben, aan eene
+of andere veilige kust te landen. Als zij nog niet weet, dat het volk
+het schip verlaten heeft, moet gij haar daar niets van doen merken. Gij
+kunt immers zeggen, dat de hofmeester met de andere matrozen aan het
+werk is, want dat is hij ook waarlijk, en zoo het mogelijk was, zou ik
+u raden, alles, wat sedert is voorgevallen, te verzwijgen. Uw Willem
+moogt gij het wel toevertrouwen, of liever, zend hem boven bij mij
+en ik zal met hem spreken.--Zeg nu, wat dunkt u van de zaak, mijnheer?"
+
+"Ik weet nauwelijks, Flink, wat ik denken of hoe ik u voor uwe
+zelfopoffering in dezen nood behoorlijk danken moet. Wees verzekerd,
+uw raad is voortreffelijk; ik zal hem in alles ten stipste opvolgen,
+en mocht het ons gelukken den dood te ontgaan, die ons thans van alle
+kanten aangrijnst, dan zal mijne dankbaarheid...."
+
+"Spreek daar niet van, mijnheer; ik ben een oud man, heb slechts weinig
+behoeften en mijn leven is ook maar van gering nut. Wat ik wensch te
+behouden is de bewustheid, dat ik in dezen toestand mijn plicht naar
+mijn beste vermogen heb zoeken te vervullen. Wat kan de wereld veel
+aanlokkelijks hebben voor een man, die zich altijd met moeite door
+het leven heeft heen geworsteld en thans vrienden noch magen bezit,
+die zich om zijn dood bekommeren! Niettemin dank ik u hartelijk,
+mijnheer Wilson; maar nu zal 't beter zijn, dat gij naar omlaag gaat,
+terwijl ik hierboven een wakend oog houd."
+
+De heer Wilson drukte den braven man met hartelijkheid de hand en
+ging toen naar beneden, zonder verder een woord te spreken. Hij vond
+zijne vrouw in slaap; ook de kinderen lagen rustig in hunne bedden;
+alleen Juno en Willem waren op.
+
+Willem gaf zijn vader een teeken dat zijn moeder sliep, en zeide
+zachtjes: "Ik wou niet uit de kajuit gaan, terwijl gij boven op
+het dek waart; maar de hofmeester heeft zich in geen twee uren meer
+laten zien. Hij kwam nog om de geit te melken en na dien tijd niet
+meer. Geen van ons allen heeft nog ontbijt gehad."
+
+"Willem, ga op het dek," antwoordde zijn vader. "Flink heeft u iets
+te zeggen. Ik wil zoolang hier blijven."
+
+Onze jonge vriend vervoegde zich bij Flink, die hem in korte woorden
+met den toestand bekendmaakte, waarin zij zich thans bevonden. Hij
+bracht hem onder het oog, hoe noodzakelijk het was dat hij alles
+beproefde wat in zijne macht stond, om zijn vader en hem (Flink)
+te ondersteunen en zijne moeder in haar lijdenden toestand niet te
+verontrusten. Gelijk natuurlijk is, maakte, wat hij hier hoorde,
+op Willem een diepen indruk, doch hij vatte toch spoedig weer moed
+en beloofde in alles zijn best te zullen doen.
+
+"Maar, Flink," zeide hij, "de hofmeester, weet ge, is nu met de
+anderen weg, en als moeder wakker wordt, zal hare eerste vraag zijn,
+of wij al ontbijt gehad hebben. Wat kan ik doen?"
+
+"Dat weet ik niet; maar mij dunkt, ge kunt eene van de geiten melken,
+als ik u dat voorgedaan heb, en onderwijl wil ik voor het verdere
+zorgen. Ik kan wel eens van het dek, want het schip stuurt nu zichzelf
+vrij goed.--En, Willem, ik heb juist voordat gij kwaamt, naar het
+water omgezien en geloof, dat wij niet veel meer inkrijgen. En,"
+vervolgde hij en liet zijne oogen in het rond gaan, "wij zullen goed
+weer krijgen en ook nog voor den nacht eene kalme zee."
+
+Daar beiden elkander hielpen, was het ontbijt spoedig gereed, terwijl
+mevrouw Wilson nog voortdurend in een gezonden slaap lag. De beweging
+van het schip was thans zeer gering, daar het ingedrongen water zijn
+diepgang aanmerkelijk had doen toenemen. Zee en wind waren bedaard
+en de zon scheen helder en verwarmend aan den hemel. De boot had men
+reeds eenigen tijd geheel uit het gezicht verloren en het wrak stuurde
+zacht, niet sneller dan drie mijlen in het uur, door het water heen,
+want het had slechts een enkel zeil, het groote bramzeil namelijk,
+dat men op den stomp van den fokkemast had bijgezet.
+
+Flink was voor eenige oogenblikken in de kajuit gegaan en sloeg
+mijnheer Wilson voor, Juno met de drie kleinen op het dek te
+zenden. "Het verveelt hen, hier zoo stil te zijn," zeide hij;
+"en daar mevrouw eindelijk eens gerust slaapt, zou het jammer zijn,
+haar te wekken. Daar zij zooveel geleden heeft, kan haar slaap nog
+wel eenige uren aanhouden, en hoe langer, hoe beter, want zij zal
+hare krachten misschien spoedig noodig hebben."
+
+Mijnheer Wilson keurde dezen voorslag goed en ging met Juno en de
+kinderen op het dek, terwijl hij Willem achterliet, om bij zijne
+moeder te waken. De goede negerin was uiterst verbaasd, toen zij de
+trap opkwam en den staat van het schip en de afwezigheid der matrozen
+ontdekte; doch haar meester verhaalde haar wat er was voorgevallen, met
+de ernstige vermaning, om er zijne vrouw geen woord van te zeggen. Juno
+beloofde dit, ofschoon het arme meisje wel bemerkte in welk gevaar
+men verkeerde, en toen zij den kleinen Albert aan hare borst drukte,
+rolden haar twee zware tranen over de wangen neer. Zij dacht daarbij
+niet aan zichzelve, maar wat er van dat lieve kleine schaap worden
+moest. Zelfs Thomas en Caroline konden niet nalaten te vragen, waar
+de masten en zeilen gebleven waren en waarom kapitein Osborn hun niet
+wat lekkers bracht.
+
+"Zie, zie daar ginder eens, mijnheer!" riep Flink en wees naar een
+hoop drijvend zeewier.
+
+"Ik zie het wel," was het antwoord; "maar wat zou dat?"
+
+"Dat alleen zou op zichzelf nog niet veel beteekenen," hernam Flink;
+"maar wij zeelieden hebben nog andere merkteekenen, waarop wij
+afgaan. Ziet gij ginder die vogels wel over het water heenstrijken?"
+
+"O ja, zeer duidelijk."
+
+"Welnu, die vogels begeven zich nooit ver van land. Thans begrijpt
+ge wat ik meen.--En nu, mijnheer, ga ik mijn octant eens halen en
+al kan ik onze lengte nog niet dadelijk vinden, zoo kan ik toch de
+breedte wel bepalen. Als wij de kaart raadplegen, kunnen wij dan wel
+ongeveer gissen, waar wij zijn, als wij eens land voor ons zien. Het
+is nu omtrent middag," vervolgde Flink, terwijl hij zijne berekening
+maakte; "de zon rijst heel langzaam.--Zoo'n kind is toch een gelukkig
+schepsel! Zie eens, mijnheer, spelen uwe kleintjes daar niet zoo
+vroolijk, alsof er geen gevaar in de wereld was en ze thuis in de
+kinderkamer waren? Ofschoon er niets is, dat mij meer leed doet,
+als het gebeurt denk ik toch vaak, mijnheer, dat het een werkelijk
+geluk voor zulk een wicht is, als het al vroeg wordt weggenomen en
+dat de ouders niet goed doen, daar zoo bitter over te klagen."
+
+"Gij kunt gelijk hebben," gaf de vader ten antwoord en wierp daarbij
+een treurigen blik op zijne lievelingen.
+
+"Het is twaalf uren, mijnheer. Ik ga beneden gauw onze breedte
+berekenen en zal dan de kaart hier meebrengen."
+
+Mijnheer Wilson bleef boven. Spoedig was hij in diepe, sombere
+gedachten verzonken. Geen wonder ook! Het schip een zinkend,
+verlaten wrak,--hij alleen op de breede watervlakte met vrouw en
+kinderen,--niemand tot zijnen bijstand dan een enkel mensch: en had
+ook deze ééne hem eens verlaten, gelijk de overigen deden, wat ware
+dan waarschijnlijk zijn lot geweest? De uiterste hulpeloosheid. En
+nu, wat hadden ze nu te hopen? Hunne stoutste hoop was, nog eenig
+eiland te bereiken en, gelukte dit, wellicht was het dan een woest
+eiland, misschien zelfs wel door wilden bewoond.--Wat was dan het
+vooruitzicht?--Vermoord te worden of van honger en dorst om te
+komen! Of gesteld ook, dat zij de middelen tot hun levensonderhoud
+vonden, wat dan nog? Zouden zij hun leven daar slijten moeten en
+onbekend en onbemerkt wegsterven? Het was eerst nadat hij deze treurige
+gedachten als met geweld had verbannen, dat de bedrukte man gevoelde
+moed te bezitten, om elke beproeving, die hem nog verder mocht worden
+opgelegd, als man door te staan.
+
+"Hier is de kaart, mijnheer," riep Flink. "Ik heb met eene
+potloodstreep onze breedte aangeduid. Zooals gij ziet, gaat zij juist
+midden door deze groep eilanden, en, naar 't mij voorkomt, moeten wij
+er op dit oogenblik reeds tusschenin of er althans niet ver meer af
+zijn. Nu wil ik zorgen, dat wij vanmiddag iets te schaften krijgen,
+en dan moeten wij op den uitkijk, of zich ook land vertoont. Wilt gij
+onderwijl uwe oogen maar gebruiken, vooral naar voren en lijwaarts
+uit?"
+
+De onvermoeide man ging zien, wat hij voor den maaltijd bijeen
+kon brengen; en gebrek daaraan bestond er niet, daar de matrozen
+bij hun vertrek slechts weinig en wat het naast bij de hand lag
+hadden meegenomen. Weldra vond hij een stuk pekelspek en eenige
+aardappelen, die hij in de braadpan legde en waarvan hij zich een
+voor de omstandigheden kostelijk gerecht beloofde.
+
+Mijnheer Wilson stond nog voorop en zag over den boeg uit, toen de
+stuurman weer bij hem kwam.
+
+"Flink, mij dunkt, ik zie iets, doch ik kan niet met zekerheid zeggen,
+wat het is. Het schijnt in de lucht te hangen en toch kunnen het geen
+wolken zijn. Zie eens, dáár, waar ik met den vinger heen wijs."
+
+"Gij hebt gelijk, mijnheer," riep Flink; "daar is iets. Het is niet
+het land, dat gij ziet, maar 't zijn boomen, die weerkaatst worden,
+gelijk men het noemt, waardoor het den schijn heeft, of zij in de
+lucht zweefden. Dit is een eiland; gij kunt daar staat op maken. Ik
+ga mijn kijker halen en dan zullen wij meer zien."
+
+"Het is werkelijk land mijnheer," verzekerde hij, na het door zijn
+kijker te hebben opgenomen.--"Ja, ja, het is zoo," ging hij nadenkend
+voort. "Ik wenschte, dat wij het vroeger ontdekt hadden; en toch
+moeten wij dankbaar zijn."
+
+"Hoe zoo, Flink?"
+
+"Ik meen maar.... daar het schip zoo langzaam over het water glijdt,
+vrees ik, dat wij de kust niet voor den donker halen zullen, en ik
+had die liever nog bij daglicht bereikt, om eene gunstige plaats tot
+stranden te kunnen kiezen."
+
+"Er is weinig wind op dit oogenblik."
+
+"We willen dan hopen, dat we wat meer krijgen," antwoordde Flink;
+"zoo niet, zullen we toch ons best doen. Maar nu is mijne plaats
+aan het roer, want wij moeten recht op het eiland aanhouden. Het
+te laten liggen gaat niet, want ofschoon het schip niet zooveel
+water meer maakt, als het gedaan heeft, wil ik u toch wel zeggen,
+dat het zich bezwaarlijk vierentwintig uren meer boven zal kunnen
+houden. Toen ik dezen morgen in het ruim peilde, dacht ik anders,
+maar daareven, bij het halen van het vleesch, ontdekte ik, dat wij
+in grooter gevaar verkeeren, dan ik had geloofd. Het land ligt daar
+nu echter vóór ons en wij hebben alle hoop."
+
+"Gelukkig!" sprak mijnheer Wilson.
+
+Flink begaf zich aan het roer en richtte den koers recht op de kust,
+die niet zoo ver af lag, als men in den beginne geloofd had, daar het
+eiland zeer laag en vlak bleek te zijn. Van lieverlede verhief de wind
+zich eenigermate en dreef het schip rasscher voort. Aldra zag men de
+boomen, die eerst in de lucht schenen te zweven, te gelijk met het
+land en kon men dit als een laag, met groepen van kokosboomen overdekt
+koraaleiland onderscheiden. Van tijd tot tijd vertrouwde Flink het
+roer aan mijnheer Wilson toe en ging naar voren, om door zijn kijker
+te turen. Toen zij nog drie of vier mijlen van land verwijderd waren,
+kwam Flink van den bak terug en riep: "Ik geloof mijn weg nu vrij
+duidelijk voor mij te zien. Ge ziet, we zijn loefwaarts van het eiland
+en zulke koraalbanken hebben dáár altijd diep water, maar de klippen
+en ondiepten aan lij. We moeten de eene of andere kleine kloof in het
+koraal opzoeken en het schip daar doorheen brengen, omdat het anders
+licht weer van den grond afraakt en in het diepe water terugvalt. Mij
+dunkt, ik heb al een plek in 't oog, waar ik het schip veilig op het
+droge kan zetten. Gij ziet daar die kokosboomen dicht bij elkander op
+het strand? Welnu, mijnheer, ik kan ze niet goed zien, terwijl ik het
+roer houd, maar ga gij naar voren en let wel op. Moet ik meer rechts
+sturen, steek dan de rechter-, meer links, steek dan de linkerhand op
+en zijn wij in de juiste richting, dan laat gij de hand weer zakken."
+
+"Ik begrijp u volkomen," antwoordde mijnheer Wilson, die nu naar
+voren ging en den koers bedachtzaam aangaf. Zoo kwam men allengs
+nader. Op eene halve mijl afstands van de kust verkreeg het water
+eene andere kleur, waarover Flink zich zeer verheugde, doordien hij
+daaruit afleidde, dat de oever in dit geval minder steil dan gewoonlijk
+zijn zou. Niettemin was het toch een beangstigend gevoel, zoo op een
+geheel onbekend strand aan te loopen. Nog slechts eene kabelslengte
+waren zij daarvan af en nog schuurde het schip den grond niet. Nog wat
+verder en een dof gekraak steeg uit de diepte op, 't was het breken en
+afbrokkelen der koraalboomen, die in gansche wouden onder het water
+voortwassen.--Toen opnieuw een gekraak, doch ditmaal sterker dan
+eerst;--toen herhaalde malen eene slingerende schommeling;--toen een
+schok, een stoot, die het wrak, nu de branding het voor de laatste
+maal in de hoogte beurde, tot in zijn binnenste deed sidderen en
+kreunen;--toen bleef het vast en onbeweeglijk zitten. Flink liet het
+roer varen, om zich van de ligging van het schip te overtuigen. Hij
+zag over den boeg naar alle zijden rond en bevond, dat het geteisterd
+wrak van het zoo trotsche schip De Vrede op een bed van koraalklippen
+roerloos vastzat.
+
+
+
+
+
+
+
+ACHTSTE HOOFDSTUK.
+
+TROOST IN HET ONGELUK.
+
+
+Nauwelijks was dit gebeurd, of Willem kwam uit de kajuit aanloopen
+en riep: "Vader, moeder zendt mij bij u. Zij is wakker geworden door
+het gekraak van het schip en zeer ontsteld. Wilt gij niet eens bij
+haar komen?"
+
+"Ja, mijn beste jongen, dadelijk," was het antwoord.
+
+"Wat is er dan toch, lieve, en waar zijt gij allen geweest?" riep
+mevrouw Wilson, toen haar man voor haar bed trad. "Ik ben zoo geweldig
+verschrikt:--ik lag gerust in slaap en werd door een vreeselijk
+leven gewekt."
+
+"Wees gerust, lieve," antwoordde haar echtgenoot. "Wij hebben in groot
+gevaar verkeerd, maar thans, hoop ik, zijn wij behouden. Zeg mij,
+voelt gij u niet beter na uwe lange rust?"
+
+"O ja, veel beter--veel sterker; doch zeg mij toch, wat er gebeurd is."
+
+"Veel, veel, beste vrouw, reeds voordat gij in slaap waart. Wij hebben
+'t voor u geheim gehouden; maar thans, nu wij denkelijk spoedig aan
+land zullen gaan--..."
+
+"Aan land gaan?"
+
+"Ja, aan land. Welnu, wees maar bedaard en laat mij u vertellen, wat
+er al is voorgevallen en hoezeer wij reden hebben om dankbaar te zijn."
+
+Mijnheer Wilson gaf nu een nauwkeurig verslag van al het tot dusver
+gebeurde. Zijne vrouw hoorde hem aan zonder een woord te spreken,
+maar toen hij geëindigd had, zonk zij in zijn armen en weende
+bitterlijk. Hij deed alles om haar te troosten, tot eindelijk Juno
+met de kinderen terugkwam, want het was vrij laat geworden.
+
+"Nu, mijnheer," riep Flink, toen de heer Wilson weer bij hem op het
+dek kwam, "ik heb eens goed rondgekeken en vind, dat wij alle reden
+hebben om blij en dankbaar te zijn. Het schip ligt vast genoeg en zal
+zich niet verroeren, totdat er een nieuwe storm komt en het in stukken
+slaat. Zoo iets is echter vooreerst niet te vreezen. De weinige wind,
+die er nu nog is, gaat langzamerhand liggen en nog vóór den dag van
+morgen zullen wij volmaakt stil weer hebben."
+
+"Ik geef toe, Flink, dat er geen dadelijk gevaar is; maar hoe zullen
+wij aan wal komen--en, zijn wij daar, waarvan in de toekomst leven?"
+
+"Ook daarover heb ik nagedacht en ik zal uw en zelfs Willems
+bijstand verzoeken, om de kleine boot aan boord te krijgen, waar ik ze
+kalefateren kan. De kiel is beschadigd, maar ik heb het timmermanswerk
+meer bij de hand gehad en met wat dik geteerd zeildoek zal ik haar
+wel zoo waterdicht maken, dat zij ons allen veilig aan land brengt."
+
+"En als wij nu aan land zijn?"
+
+"Ei, mijnheer, waar kokosboomen in zoo groote menigte voorhanden zijn,
+als op het eiland vóór ons, is zeker geen hongersnood te vreezen, zelfs
+als wij niet nog al den proviand van ons schip hadden. Leelijker zal
+het er licht met het water uitzien, want het eiland is laag en smal;
+maar een mensch kan ook niet verwachten alles altijd zoo te vinden,
+als hij het juist wenscht."
+
+"Ik dank den hemel voor onze aanvankelijke redding, mijn vriend; maar
+heb toch nog altijd een gevoel van onrust in mijne borst, dat ik niet
+meester kan worden. Wij hebben hier zulk een woest eiland voor ons,
+dat misschien nooit door een ander schip wordt aangedaan, zoodat er
+weinig hoop voor ons is, om het ooit weer te kunnen verlaten. Hier
+zullen wij leven en sterven,--hier zullen mijne arme kinderen
+opgroeien--ja zelfs oud worden, nadat zij u en hun vader en moeder
+begraven hebben, en dan zullen zij die volgen in hetzelfde graf. Al
+hunne vooruitzichten en ook de mijne--ze zijn verijdeld,--al mijne
+verwachtingen teleurgesteld. O, het is een treurig, ja een wreed lot,
+Flink! Moet gij dat zelf niet erkennen?"
+
+"Mijnheer Wilson, in vergelijking met u ben ik een oud man, en als
+zoodanig mag ik wel zeggen, dat gij u ondankbaar toont, wanneer gij op
+die wijze aan uwe smart toegeeft. En bovendien, wie weet of uit het
+schijnbaar kwaad niet nog veel goeds voor ons kan voortvloeien? Gij
+spreekt daar van uwe kinderen en hunne vooruitzichten, mijnheer; maar
+kunt gij wel zeggen, wat hun lot zou geweest zijn, als zij Sidney
+gelukkig bereikt hadden? Hoevele kinderen geven aanleiding tot de
+schoonste verwachtingen! En als zij tot rijpheid komen, vervullen zij
+dan altijd de hoop hunner ouders? Vergeef mij, mijnheer Wilson, ik
+hoop U niet beleedigd te hebben, maar waarlijk, ik voel mij verplicht
+zoo te spreken, als ik gedaan heb."
+
+"Gij hebt mij met volle recht bestraft, Flink, en van ganscher harte
+dank ik u daarvoor," antwoordde de ander en drukte den zeeman diep
+bewogen de hand. "Ik wil niet langer klagen, neen; ik wil mij, zoo
+goed ik kan, aan mijn lot onderwerpen. Ik moet mij van nu af onder
+uwe orders stellen; want in onzen tegenwoordigen toestand zijt gij
+mijn meerdere: kennis en ervaring is hier zooveel als macht. Kunnen
+wij vandaag nog iets doen?"
+
+"Ik wel, mijnheer Wilson, maar gij kunt mij morgen vroeg eerst
+helpen. Ofschoon neen, wacht--gij kunt mij deze twee spieren nog naar
+'t achterdek helpen dragen; dan kan ik een bok opzetten en alles
+voor morgen klaarmaken, om de boot in te zetten. Gij ziet zelf, met
+zoo weinig armen aan boord en zonder masten, moeten we onze eigen
+krachten wel beproeven."
+
+De heer Wilson deed wat van hem verlangd werd. "Ga thans gerust naar
+beneden, mijnheer," zeide Flink; "maar laat Willem vooral de honden
+losmaken en hun wat te eten geven. De arme dieren hebben wij immers
+geheel vergeten. Ik zal van nacht wacht houden, want ik heb nog veel
+te doen en te overleggen; en dus wel te rusten, mijnheer."
+
+Toen Flink alleen was, bond hij de spieren van boven stevig aan elkaar
+vast en maakte een takel gereed voor den volgenden morgen. Nadat
+dit verricht was, zette hij zich op een der kippenhokken neder en
+verzonk in gepeins. In 't eind door waken en vermoeienis uitgeput,
+viel de oude man in diepen slaap. Met het aanbreken van den dag werd
+hij gewekt door de honden, die, door Willem losgelaten en nadat ze
+in het schip de ronde gedaan en niemand gevonden hadden, weder naar
+de kajuit waren teruggekeerd en voor de deur waren ingeslapen. Toen
+zij met zonsopgang weer op het dek kwamen en daar den ouden Flink op
+het hoenderhok slapende vonden, sprongen zij bij hem op en likten hem
+vol blijdschap de handen en het gezicht. "Aha," zeide de oude man,
+terwijl hij van zijn hard leger opstond, "gij zult alle drie van
+nut zijn, verbeeld ik mij. Koest Viven, koest--arme dier! Gij hebt
+een goeden meester verloren, naar ik vrees." "Stil--laat mij nu eens
+zien," vervolgde hij, in zichzelf sprekende. "Eerst,--maar ik wil de
+lei en een stuk krijt halen en alles opschrijven; want mijn geheugen
+is niet zoo goed meer als in mijne jonge jaren."
+
+Flink legde de lei op het hoenderhok en schreef daar toen met krijt
+op: "drie honden, twee geiten en Billy; de big (ik meen, dat wij
+vijf varkens hadden in 't geheel; hoenders die zijn er genoeg);
+drie of vier paar duiven (zooveel zeker); (de koe is gaan liggen en
+zal wel niet meer opstaan;--dan moeten wij haar slachten); dan het
+paar merino-schapen, dat mijnheer Wilson toekomt. Aan levend vee dus
+geen gebrek. Nu--wat hebben we eerst noodig, als we allen aan wal
+zijn?--Een spier en het groot-bramzeil tot een tent, of twee trossen,
+een paar matrassen voor mevrouw en de kleinen, twee bijlen, hamer, boor
+en spijkers; wat te eten--ja en ook wat om dat te snijden.--Ziezoo,
+dat is voor een gezin genoeg," besloot Flink zijne alleenspraak. "Nu
+wil ik schielijk vuur aanmaken, 't water overhangen en, daar ik dat
+toch heb, een paar stukken rund- en varkensvleesch koken om mee aan
+land te nemen. Dan wil ik mijnheer roepen, want ik reken, dat wij
+een zwaren werkdag in het vooruitzicht hebben."
+
+
+
+
+
+
+
+NEGENDE HOOFDSTUK.
+
+HET EILAND.
+
+
+Zoodra Flink het voorgenomene verricht en de dieren gevoederd had,
+ging hij in de kajuit en wekte vader en zoon. Met vereenigde krachten
+werd de bok opgericht en vastgezet; vervolgens haakte men de boot in,
+maar om deze onbeschadigd over het boord te hijschen, werd nog de
+hulp van een vierden persoon vereischt.
+
+"Willem, loop schielijk naar Juno en zeg haar, dat zij op het dek
+moet komen, om ons te helpen;--wij moeten allen de handen uit de mouw
+steken! Uw moeder zal de kleinen wel een poosje bij zich nemen."
+
+De knaap was in een ommezien met Juno terug, die eene sterke meid
+was en braaf hielp om de boot uit te zetten, waarna zij naar de
+kajuit terugkeerde.
+
+De boot werd onderstboven gekeerd en Flink begon zijn arbeid, terwijl
+mijnheer Wilson den teerpot op het vuur zette en alles gereedmaakte,
+om het zeildoek, zoodra 't was opgespijkerd, behoorlijk te teren. Het
+liep reeds tegen den middag, toen Flink, die er duchtig op los hamerde,
+met het lappen der boot klaar kwam. Nu moest hij die nog met zeildoek
+bekleeden, dat vooraf door en door goed met teer was doortrokken.
+
+"Zoo, denk ik, zal het wel gaan, mijnheer," zeide hij. "Wij moeten
+haar nu naar den valreep brengen en in zee laten. Het is een geluk
+voor ons, dat zij de verschansing al vroeger weggenomen en ons daardoor
+nu vrij wat moeite bespaard hebben."
+
+Er werd een touw aan de boot vastgemaakt. Vervolgens werd zij door de
+beide mannen met vereende krachten neergelaten en scheen, tot hunne
+groote blijdschap, slechts weinig water in te laten.
+
+"Wat dunkt u nu 't best, mijnheer: zullen wij eerst de kinderen of
+liever vooraf het noodzakelijkste aan land brengen?"
+
+"Hoe denkt gij daar zelf over, Flink?"
+
+"Ik? Ei, mij dunkt, daar het water nu zoo glad als een spiegel is en
+wij ook overal landen kunnen, moesten gij en ik maar eerst overroeien,
+om de kust eens op te nemen. Het is slechts een klein tochtje en zal
+ons weinig tijd doen verliezen."
+
+"Zeer goed, Flink; maar eerst wil ik dat even aan mijne vrouw gaan
+zeggen."
+
+"En in dien tusschentijd zal ik het zeil en eenige andere dingen in
+de boot brengen; dan gaat er geen tijd verloren."
+
+Flink haalde het zeil, eene bijl, een geweer en eenig
+touwwerk. Mijnheer Wilson was spoedig terug. Toen lieten zij zich
+zakken in de boot en roeiden naar het land.
+
+Bij het betreden van den wal bevonden zij, dat zij van het binnenste
+van het land niets zien konden, wijl de kokosboomen overal zoo dicht
+stonden. Aan hunne linkerhand echter, op ongeveer een vierde mijl
+afstands, ontdekten zij eene kleine zandige bocht, geheel omgeven
+met struikgewas, dat zich tot aan het hooge woud uitstrekte.
+
+"Daar," riep Flink, met den vinger er heen wijzende, "daar is onze
+plaats. Laat ons weer in de boot gaan en er heen roeien; het is een
+korte afstand voor ons, maar zou een lange weg zijn, indien wij ons
+goed er naar toe moesten sleepen."
+
+In weinige minuten bereikten zij de bocht; het water had weinig diepte
+en was zoo helder als kristal, zoodat zij de fraaiste schelpen op den
+bodem ontdekten en zagen hoe de visschen in alle richtingen vroolijk
+voortschoten.
+
+Het vlakke oeverzand liep bij de vijftig passen landwaarts in en
+dan nam het kreupelbosch een aanvang, dat zich, met hier en daar een
+enkelen kokosboom daartusschen, bijna even ver uitstrekte, tot het
+ten laatste het hooge woud bereikte. Na weinige riemslagen schuurde
+de boot het witte zand en zij stapten aan wal.
+
+"Welk eene heerlijke plek is dit!" riep de heer Wilson; "en wellicht
+werd zij nog nooit door een sterveling betreden."
+
+"Zoo gij het goedvindt," antwoordde Flink, "willen wij het bosch een
+eind weegs ingaan. Neem echter het geweer mede, mijnheer. Niet, dat
+er veel kans is, dat wij het noodig zullen hebben; men vindt zelden
+een wild dier op deze kleine eilanden, of 't mochten soms een paar
+zwijnen zijn, er vroeger aan land gezet,--maar men kan toch niet te
+voorzichtig zijn. Ik heb vroeger met een kapitein gevaren, die zelden
+een woest eiland aandeed, zonder er een paar biggen of eenig ander
+gedierte tot aanfokking achter te laten, voor 't geval, dat eens een
+mensch daar schipbreuk lijden mocht. Een mooie trek, niet waar?"
+
+"Dat was het zeker, vriend. Ziehier het bosch dan; wat wilt gij nu?"
+
+"Ik zag naar eene plek uit, om voor het oogenblik eene tent op
+te slaan, mijnheer, en geloof, dat deze kleine hoogte daartoe wel
+geschikt is, totdat wij verder onderzoek doen en een betere woonstee
+vinden kunnen. Nu dadelijk hebben wij echter geen tijd, want wij dienen
+nog vrij wat riemslagen te doen, voordat het avond wordt. Mij dunkt,
+wij moesten het zeil en het andere goed nu eerst maar aan wal brengen
+en dan weer naar boord gaan."
+
+Onder het terugroeien naar het wrak, zeide Flink: "Daar bedenk ik,
+mijnheer, wat mogelijk wel het best zal zijn. Mevrouw zal zich toch
+niet al te ongerust maken, als gij niet bij haar zijt?--Zoo niet,
+zou ik zeggen, dat wij Juno en den kleinen Thomas eerst aan land
+moesten brengen, omdat zij daar dadelijk van dienst kunnen zijn."
+
+"Ik geloof niet, dat zij zich beangst zal maken, als wij haar met
+Willem en de kinderen aan boord achterlaten, wanneer ik maar weer
+bij haar ben, als zij met het kleintje het schip verlaat."
+
+"Welnu, zooals gij goedvindt, mijnheer. Wij laten Willem dus aan
+boord en ditmaal zet ik Juno met den kleinen Thomas over. Ook wil
+ik daarbij de honden niet vergeten; zij kunnen tot onze bescherming
+strekken, ingeval er iets gebeuren mocht. Terwijl gij met Juno aan
+land dan bezig zijt, roei ik terug en haal de andere dingen, die wij
+voor een begin noodig hebben."
+
+Terstond toen zij op het schip aankwamen, snelde mijnheer Wilson
+naar zijne vrouw om haar door het verhaal van wat zij gezien hadden
+te verblijden, en verkreeg ook gereedelijk hare toestemming tot
+het door Flink ontworpen plan. Terwijl de heer Wilson beneden was,
+had Flink de beide spieren, waaruit de bok bestond, losgebonden en
+ze in 't water neergelaten, om ze aan een stuk touw aan de boot met
+deze naar den oever te boegseeren. Een paar minuten later verscheen
+Juno met Thomas op het dek. Flink pakte nog eenig timmergereedschap
+benevens een paar spaden in de boot, haalde ten laatste de honden nog,
+en voor de tweede maal landden zij in de zandige bocht. Thomas staarde
+langen tijd als verbijsterd rond, maar sprak geen woord, totdat hij
+aan het strand eenige bonte schelpen ontdekte, waarover hij luide
+juichkreten aanhief en die hij met beide handen begon op te rapen. De
+honden blaften en liepen in hun blijdschap, dat zij eindelijk weer op
+vasten grond waren, als dol en uitgelaten heen en weer. Ook Juno lachte
+en klapte in de handen, toen zij in het rond zag, en zeide tot Flink:
+"Wat ijselijk mooi land hier is, hier ikke wel wonen wil."
+
+"Nu zal ik een tijdlang met u aan land blijven, mijnheer Wilson,"
+zeide de oude zeeman. "Eerst willen wij het geweer laden, en dan moet
+gij dien kleinen jongeheer eens terechtzetten, die merk ik, alles
+met handen voelen en tasten moet. Wij met ons beiden zullen het zeil
+hierheen dragen; Juno kan het gereedschap nemen, en dan hebben wij
+nog eene vracht aan de spieren, het touw en wat wij meer vinden. Kom,
+kleine handjegauw, gij kunt althans een van de spaden dragen en dan
+zijt gij toch ook tot iets nut. Geen van ons mag vandaag luieren."
+
+Na eene lading op de kleine, vroeger door Flink gekozen hoogte gebracht
+te hebben, keerden zij naar het strand terug en haalden de spieren
+en het verdere gereedschap. Thomas droeg deze tweede reis de andere
+schop en was niet weinig trotsch, dat men hem zoo goed gebruiken kon.
+
+"Deze beide boomen zijn volmaakt tot ons doel geschikt," zeide Flink,
+"en staan ook juist ver genoeg van elkander. Wij moeten de spieren
+daar bovenaan vastbinden en dan het zeil daarover werpen, dat hierop
+aan weerszijden met pinnen in den grond wordt vastgemaakt. Dat is
+althans voldoende voor een begin; de volgende reis breng ik nog meer
+zeildoek over en dan maken wij tusschen gindsche twee boomen nog een
+tweede tent. Dan hebben we voor 't minst toch onze twee tenten: de
+eene voor mevrouw, Juno en de beide jongens, de andere voor Willem,
+onzen knappen Thomas hier en ons beiden. Nu, mijnheer, zal ik u de
+spieren nog helpen vastmaken. Het overige moet ik dan aan uw eigen
+zorg overlaten, om spoedig weer aan boord terug te zijn."
+
+"Hoe kunnen wij echter zoo hoog reiken, Flink?"
+
+"Wel, dat is zeer eenvoudig. Wij binden eerst de eerste spier zoo
+hoog als wij met gemak doen kunnen; dan klimmen wij daarop en brengen
+de volgende waar zij behoort. Ik zal nog eene spier aan wal brengen,
+die voor de tweede tent kan dienen."
+
+Zoodra de spier op de vereischte hoogte vastzat, wierpen zij het
+zeil daarover en bij het uitbreiden daarvan bevonden zij, dat zij
+eene zeer bruikbare tent van behoorlijke hoogte verkregen hadden.
+
+"Nu, mijnheer, ga ik weer naar boord. Gij kunt inmiddels van het hout
+daar prikken snijden en het zeil daarmee in den grond vastslaan. Als
+gij dan met de schop den tentrand met zand bedekt, dat de einden
+neerdrukt, zal alles redelijk goed sluiten. Hier is mijn mes, zoo
+gij er zelf geen bij u hebt."
+
+"Ik zal in alles mijn best doen," verzekerde mijnheer Wilson. "Als
+ik zoover ben, kan Juno mij het doek vast helpen aantrekken."
+
+"Goed; en onderwijl neemt Juno eene schop en maakt den grond onder
+de tent schoon en effen, ruimt alle dorre kokosbladeren weg en ziet
+daarbij wel toe, dat er niet het een en ander ongedierte onder schuilen
+blijft. Gij kleine Tom, moet niet wegloopen en moogt ook niet bij de
+bijlen komen, want zoodra ge die aanraakt, snijden ze u. Ook moeten
+wij afspraak maken, mijnheer, dat gij, zoodra u iets overkomt en gij
+mij noodig hebt, dadelijk het geweer lost. In een oogenblik ben ik dan
+bij u. Maar dat is wel niet waarschijnlijk," besloot Flink eindelijk,
+ging naar de baai, stapte in de boot en roeide naar het schip terug.
+
+
+
+
+
+
+
+TIENDE HOOFDSTUK.
+
+LANDING.
+
+
+Na zijne komst aan boord ging Flink eerst in de kajuit, om mevrouw
+Wilson te vertellen wat er al gedaan was. Deze was natuurlijk
+eenigszins bezorgd, dat haar man zoo alleen was achtergebleven; maar
+Flink stelde haar weder gerust en zeide haar, hoe hij met mijn heer
+Wilson was overeengekomen, dat deze bij het geringste onraad door
+het losbranden van zijn geweer een teeken geven zou.
+
+Hierop begaf hij zich naar de zeilkooi, om eenig doek, een nieuw
+bramzeil benevens bindtouw, naalden en zeilgaren te halen. Nauwelijks
+had hij dit opgepakt, toen op eens, juist toen hij zijn voet op de
+trap zette, de knal van een geweer gehoord werd en mevrouw Wilson,
+doodelijk verschrikt, uit de kajuit kwam vliegen. De oude man nam
+oogenblikkelijk een ander geweer, liet zich daarmee in de boot
+afzakken en repte zich, wat hij kon, naar de kust. Toen hij geheel
+buiten adem aanlandde, vond hij mijnheer en Juno aan de tent bezig,
+Thomas zat daarbij en schreide en snikte al zijn best. Gelijk nu bleek,
+was de kleine deugniet, terwijl de anderen druk aan 't werk waren,
+naar het geweer geslopen, dat men tegen een boom had gezet. Na het
+een poosje van alle kanten bekeken te hebben, kwam hij met de hand
+aan den trekker. Het schot viel. Daar echter de tromp van 't geweer
+gelukkig naar boven gericht was, deed het niemand schade, ofschoon
+het den kleinen schutter toch duur te staan had kunnen komen,--en
+wee onzen Thomas, als die hem op het hoofd ware gevallen! Hij zou
+er dood onder gebleven zijn. Zijn vader, die wel begrijpen kon wat
+ontsteltenis dat schot aan boord veroorzaken moest, had hem duchtig
+onder handen genomen, en daar zat Thomas nu en schreide tranen met
+tuiten, om te toonen, hoe bitter berouw hij had.
+
+"'t Zal wel het best zijn, dat ik dadelijk terugroei en mevrouw zeg
+wat hier gebeurd is," zeide Flink.
+
+"Ja, doe dat, mijn goede vriend," bad mijnheer Wilson hem.
+
+Dus keerde de oude man naar het schip terug en berichtte het
+voorgevallene. Vervolgens ging hij aan zijn arbeid. Vooreerst liet
+hij des zeilmakers zak met al het noodige, als priemen, garen,
+enz., in de boot neer, vervolgens twee matrassen en beddedekens uit
+de bovenkajuit, de bakpan met het pekelvleesch en eindelijk nog een
+spier, die hij weder achter aan de boot vastmaakte. Daarmee had hij
+zijne lading overvol; doch daar hij anders geen volk inhad, kwam
+hij nog al spoedig over. De twee aan land hielpen hem alles naar de
+hoogte overbrengen en hier werd de nokbalk der tweede tent spoedig
+aan twee andere boomen vastgehecht. Juno had de eerste tent van binnen
+netjes schoongemaakt en daarbij, naar zij verzekerde, geenerlei dier
+of insect onder het dorre loof gevonden. Voordat Flink vertrok, gaf
+hij Thomas een stok in de hand en zeide hem op het vleesch te passen
+en toe te zien, dat de honden daar niet bij kwamen; waarop Thomas,
+die al weer in vroolijk humeur was, zijn stok schouderde en zoo
+parmantig op schildwacht stond als een oud grenadier.
+
+Onze stuurman roeide nog tweemaal naar het schip en bracht meer
+beddegoed, een zak met scheepsbeschuit, een tweeden met aardappelen,
+borden, messen, lepels, vorken en allerlei keukengereedschap van
+daar mede. Hierop wees hij Juno, hoe zij de einden van de eerste
+tent met het garen en 't zeildoek, dat hij had meegebracht, aaneen
+moest hechten; zoodat de tent rondom dicht en goed gesloten werd; en
+Juno nam naald en draad en piekte er dapper op los. Uiterst voldaan,
+dat het meisje zoozeer haar best deed en zich zonder vreemde hulp
+redden kon, zei Flink ten laatste: "Mijnheer, wij hebben nog maar
+twee uren dag en het begint dus tijd te worden, dat ook mevrouw van
+het schip komt. Als ge 't goedvindt, willen we gaan en haar met de
+kinderen halen. Voor den eersten nacht aan land zullen wij het, denk
+ik, vrij goed hebben. Zoo 't weer goed blijft, kunnen wij morgen een
+heel stuk verder komen,--en waarlijk, 't is noodig dat wij, zoolang
+het zóó blijft, ons uiterste best doen, om alles aan wal te krijgen,
+daar één duchtige storm het wrak waarschijnlijk geheel in stukken
+zal slaan. Ik heb alles zelf mee in het ruim helpen stuwen en weet
+de meeste dingen daar te vinden ofschoon wij er, vrees ik, niet veel
+meer uit zullen krijgen, dat ons van dienst kan zijn."
+
+Aan boord gekomen, ging mijnheer Wilson zijne vrouw dadelijk het
+voorstel doen, om thans mee aan land te gaan. Zij was zeer aangedaan en
+nog zwak en ongesteld, maar toch hield zij zich recht moedig en kwam,
+ondersteund door haar man, op het dek, waarheen Willem met zijn kleine
+broertje op den arm volgde, terwijl Flink zijne zuster Caroline aan
+de hand leidde. Het koste vrij wat moeite om allen goed in de boot te
+krijgen; maar dit gelukte toch eindelijk. De arme vrouw was echter
+zoo zwak, dat haar man haar in zijne armen overeind moest houden en
+zijn riem aan Willem overgeven. Zij landden gelukkig en brachten de
+zieke in de tent, waar men haar op een der bedden nederlegde. Zij
+verzocht om een weinig water.
+
+"En ik, oude domkop, heb vergeten dat mee te nemen; doch ik ga het
+terstond halen," riep Flink. "Zoo druk allen mogelijken voorraad
+over te slepen en toch het allernoodzakelijkste voor den mensch te
+vergeten! Wij moeten zoo spoedig mogelijk hier op dit eiland naar
+water omzien daar dit ons vrij wat moeite kan besparen."
+
+Flink keerde zoo snel mogelijk naar boord terug en bracht twee vaatjes
+water mede, welke hij en Willem naar de tent rolden.
+
+"Voor vandaag heb ik nu mijne laatste reis gedaan," zeide de oude
+man. "Ik ben moe--doodmoe."
+
+"Dat geloof ik wel, mijn goede vriend," antwoordde mijnheer
+Wilson. "Gij hebt vele nachten achtereen gewaakt en over dag hard
+gearbeid. Aan verder werk moet gij heden niet meer denken."
+
+"En ik heb geen eten geproefd vandaag en zelfs geen druppel water
+over mijne lippen gebracht," vervolgde Flink en zette zich op den
+grond neder.
+
+"Hoe is het, beste Flink, zijt gij niet wel?" vroeg Willem.
+
+"Een beetje flauw, mijn jongen; ik ben niet meer zoo jong als
+vroeger. Kunt ge mij wat water aanreiken?"
+
+"Wacht, Willem, dat zal ik doen," zei zijn vader en haalde een tinnen
+kan, die hij pas voor zijne vrouw gevuld had. "Hier, Flink, drink en
+wel bekome 't u!"
+
+"Het zal spoedig beter zijn, mijnheer. Ik zal mij een poosje neerleggen
+en dan een beschuit met wat vleesch gebruiken."
+
+De goede oude man was werkelijk geheel uitgeput, doch na iets
+gegeten te hebben, voelde hij zich spoedig veel beter. Juno was zeer
+ijverig. Ze had aan de kinderen wat pekelvleesch en beschuit gegeven;
+de jongste, benevens Thomas en Caroline, waren te bed gebracht,
+en de tweede tent was genoegzaam gereed.
+
+"Voor dezen nacht zal het zeer goed gaan, Juno," zeide haar
+meester. "Wij hebben vandaag veel afgedaan en de rust zal daar goed
+op smaken."
+
+
+
+
+
+
+
+ELFDE HOOFDSTUK.
+
+HET ONTBIJT.
+
+
+Mijnheer Wilson was den volgenden ochtend de eerste die ontwaakte en
+opstond. Hij verliet de tent en liet de oogen in het rond gaan. De
+hemel was helder als kristal. Een frisch morgenwindje streek over
+de watervlakte en de kleine golfjes speelden op het witte zand
+van de bocht. Aan de linkerzijde van deze klom het land tot kleine
+heuvels op, boven welke zich de voortzetting van het kokosbosch statig
+verhief. Rechts rees eene lange reeks koraalriffen genoegzaam loodrecht
+uit de zee op en paalde aan het frissche groen der heuvelhelling en aan
+het struikgewas, terwijl het wrak van De Vrede zich, als hoofdfiguur
+in deze schilderij, zwart en roerloos, als een gestrand zeemonster,
+aan den toeschouwer vertoonde. De zon brandde, waar zij hare stralen
+werpen kon, doch onder de kokosboomen, waar Wilson stond, was eene
+koele verkwikkende schaduw.
+
+De uitnemende schoonheid van dit tooneel, hoewel eenigszins gematigd
+door de treurige vertooning van het gestrande vaartuig, maakte een
+diepen indruk op den bekommerden huisvader, die daar in diep nadenken
+verzonken stond.
+
+"Ja," dacht hij, "ware ik de wereld en hare beslommeringen moe geweest
+en had ik een oord gezocht, waar vrede en schoonheid om den prijs
+dingen, ik zou dat hier gevonden hebben. Hoe heerlijk is dat gezicht
+hier! Wat kalmte, wat zoeten weemoed wekt het op? Hoe genadig zijn wij
+bewaard, toen alle hoop reeds verdwenen scheen; hoe weldadig werden
+wij verzorgd na onze werkelijke redding--en toch--toch waagde ik het
+te klagen, toen vurige dankbaarheid mijn eenig gevoel had behooren
+te zijn!"
+
+Hij keerde naar zijne tent terug. Willem, Thomas en stuurman Flink
+lagen nog in diepen slaap. "Brave oude man," sprak hij bij zichzelf,
+"als wij ooit weder in de woelige samenleving terugkeeren, zal uwe
+goedheid haar loon erlangen; voor zoover het in mijne macht staat u te
+vergelden. Een edel hart is hier onder de ruwe schors verborgen. Zonder
+zijne verknochtheid,--zijne voorbeeldelooze zelfopoffering, zou ik,
+zouden deze lieve hulpelooze wezens niet meer bestaan!"
+
+De honden, die in de tent gekropen waren en zich nevens Willem en
+Thomas op de matrassen hadden neergelegd, rezen nu op en naderden
+vleiend hun meester. Deze beweging deed Willem ontwaken. Zijn vader
+gaf hem een wenk, dat hij Flink niet wekken moest, en zachtjes kleedde
+hij zich aan en kwam buiten.
+
+"Zal ik niet liever Juno wekken, vader?" vroeg hij. "Ik kan dat
+denkelijk wel doen zonder moeder te storen."
+
+"Doe het dan, mijn jongen, ik ga onderwijl zien, wat voor
+keukengereedschap Flink al aan land heeft gebracht."
+
+Willem was spoedig terug en berichtte, dat moeder nog gezond en vast
+sliep en dat Juno was opgestaan, zonder haar of de beide kleinen
+wakker te maken.
+
+"Goed, dan zullen wij zien, of we niet een ontbijt voor hen gereed
+kunnen maken, Willem. Deze dorre kokosbladeren zullen heerlijk
+branden."
+
+"Maar, vader, waar krijgen wij het vuur vandaan? Wij hebben geen
+tondeldoos en ook geen zwam of vuurslag."
+
+"Neen, maar er zijn nog andere middelen, mijn zoon, ofschoon de tondel
+meestal daarbij noodig is. De wilden maken vuur door een week stuk
+hout tegen een hard voorwerp aan te wrijven. Ik vrees, dat ons dit
+niet zoo spoedig gelukken zou; maar wij hebben kruit en kunnen dit
+als tondel gebruiken, als wij 't nat maken en op een stuk papier of,
+nog beter, op zacht hout wrijven. Het kruit aansteken kunnen wij op
+tweeërlei manier: door middel van steen en vuurslag, of anders met
+behulp van een brandglas."
+
+"Maar een brandglas hebben wij niet."
+
+"Neen; maar wij kunnen er een uit een verrekijker nemen als wij weer
+eens aan boord komen. Voor 't oogenblik hebben wij geen ander middel
+dan met het geweer."
+
+"Maar, vader, als ons vuur aan is, wat zullen wij dan nog koken? Wij
+hebben immers thee noch koffie."
+
+"Dat is waar; ik geloof niet, dat wij een van beide rijk zijn."
+
+"Aardappelen hebben wij wel, vader."
+
+"Ja, mijn jongen; maar dunkt het u niet beter, dat wij ons
+vooreerst met koud vleesch en beschuit behelpen en de aardappelen
+sparen? Misschien hebben wij die alle noodig om te poten. Doch
+waarom gaan wij niet zelven aan boord van het schip? Gij kunt de
+riemen vrij goed hanteeren en wij moeten thans leeren arbeiden en
+niet alles aan den braven Flink overlaten. Het zal nog wel een tijd
+aanhouden, voordat wij zoo handig en op alles gevat zijn als de oude
+man, maar al doende leert men, en wij willen ten minste onzen goeden
+wil toonen. Kom, Willem."
+
+Zij gingen naar de bocht. De kleine boot lag nog aan het strand en
+schommelde zacht op de spelende golven. Zij bonden ze los en stapten
+er in.
+
+"Ik weet, waar de kok zijne thee en koffie bewaarde, vader," zei
+Willem onder het roeien. "Moeder zal die gaarne bij haar ontbijt
+hebben, en ik kan ook de geiten melken voor kleinen Albert."
+
+Hoewel geen van beiden in het roeien zeer bedreven, kwamen zij toch
+spoedig aan de zijde van het wrak en klommen zonder moeite aan boord,
+na de boot eerst stevig te hebben vastgebonden.
+
+Willem liep eerst naar de kajuit om thee en koffie te zoeken en liet
+zijn vader inmiddels andere benoodigdheden bijeenpakken, terwijl bij
+de geiten melkte en de melk in een tinnen schotel deed. Vervolgens
+goot hij ze in een zuivere flesch over, opdat zij niet zuur zou worden
+en keerde toen naar zijn vader terug.
+
+"Ik heb deze beide korven met eene menigte dingen gevuld, die uwe
+moeder zeer welkom zullen zijn, Willem. Wat zullen wij verder nog
+meenemen?"
+
+"Dezen verrekijker in allen gevalle, lieve vader; en dan willen wij
+alle kleeren en linnengoed inpakken;--dat zal moeder verrassen. Het
+linnen ligt in de koffers; wij zullen er zeildoek omheen slaan. En dan,
+vader, zullen we ook eenige van de boeken meebrengen."
+
+"Dat is uitmuntend, Willem," antwoordde de vader. "Ik wil eerst alles
+inladen en dan terugkomen en het overschot halen."
+
+Binnen het uur waren zij weer aan land. Daar vonden zij Juno, die
+zich intusschen gewasschen had en nu aan de bocht op hen wachtte,
+om hen bij het lossen behulpzaam te zijn.
+
+"Wel, Juno, hoe hebt gij 't van morgen?"
+
+"Ikke heel goed, massa," was haar antwoord en op 't helder water
+wijzende, vervolgde zij: "Daar zwemmen geducht veel visch hier."
+
+"Ja, als wij maar vischtuig hadden," antwoordde mijnheer Wilson. "Flink
+zal wel ergens haken en snoeren voor ons weten op te schommelen. Kom,
+meid, breng dezen bundel linnen naar uwe tent; het overige kunnen
+wij alleen wel bezorgen."
+
+"En neem ook deze flesch melk, Juno; ik heb haar voor kleinen Albert
+meegebracht," zeide Willem.
+
+"Dankje, dankje wel, massa Willem; datte heel zoet zijn van jonk
+massa."
+
+"En haast u maar wat, Juno; want daar is Thomas ook al op de been en
+springt in zijn hemd rond."
+
+Bij de tenten vonden zij allen wakker, met uitzondering van den ouden
+stuurman, die nog zeer vast scheen te slapen. Mevrouw Wilson had een
+zeer goeden nacht gehad en voelde zich verfrischt en gesterkt. Willem
+wreef een stuk papier met kruit in en bracht het door de glazen van
+den kijker aan het branden, waarop spoedig een helder vuur vroolijk
+opvlamde. Zijn vader had onderwijl aan het strand drie groote steenen
+gezocht, waarop de ketel geplaatst werd; en na een half uur kookte
+het water en was de thee gezet.
+
+
+
+
+
+
+
+TWAALFDE HOOFDSTUK.
+
+DE HAAIEN.
+
+
+Juno had de kinderen naar de bocht meegenomen en, tot aan de knieën
+in het water wadende, hen daarin gedompeld, als het eenvoudigste
+middel om hen te wasschen. Vervolgens had zij hen aangekleed en aan
+mevrouw overgegeven, waarna zij Willem de kopjes en borden voor het
+ontbijt hielp bijeenzoeken. Alles werd sierlijk en net tusschen de
+beide tenten op den grond uitgezet en toen sloeg Willem voor, den
+goeden ouden Flink te wekken.
+
+"Doe dat mijn jongen, nu is het tijd;--hij zal ook wel iets tot
+ontbijt willen hebben."
+
+Willem trad op Flink toe en tikte hem zacht op den schouder.
+
+"Hoe is 't, Flink, hebt gij nu goed uitgeslapen?" vroeg hij, toen de
+oude man opstond.
+
+"Ja, beste jongen. Ik ben terdeeg onder zeil geweest, dunkt mij;
+maar nu wil ik mij haasten en zien, of ik wat tot ontbijt voor u
+allen klaar kan krijgen."
+
+"Doe uw best maar," was Willems lachend antwoord.
+
+Het aankleeden kostte Flink weinig moeite of tijd, daar hij bij
+'t slapen gaan enkel zijn buis had uitgetrokken. Hij schoot dit
+weer aan en kwam toen buiten. Hoe vreemd stond hij te kijken, toen
+hij het gansche gezelschap met mevrouw Wilson, die met den kleinen
+was meegekomen, verzameld vond aan 't ontbijt, dat op den grond
+gereedstond.
+
+"Goeden morgen, Flink," zeide mevrouw Wilson en reikte hem vriendelijk
+de hand. Ook haar man schudde de zijne en wenschte hem goedenmorgen.
+
+"Gij hebt een langen, vasten slaap gehad, Flink," zeide hij, "en ik
+wou u na dien zwaren dag van gisteren niet te vroeg wekken."
+
+"Ik dank u voor uwe goedheid, mijnheer, en ben hartelijk blij, mevrouw,
+dat ik u zoo wel vind," antwoordde de oude man. "Ik heb geen berouw
+over mijn lang slapen, nu ik zie, dat gij allen u ook zonder mij zoo
+kostelijk redden kunt."
+
+"Ja, maar juist dat kunnen wij niet, vrees ik," hernam mevrouw
+Wilson. "Wat zou zonder u en zonder uwe goedheid van ons geworden
+zijn?"
+
+"Wij kunnen wel een ontbijt zonder u gereedmaken," zeide haar man;
+"maar zonder u, brave vriend, hadden wij dat op dit oogenblik niet
+meer noodig gehad. Onder het eten zullen wij u alles vertellen wat
+wij gedaan hebben."
+
+Terwijl zij nu bij elkaar zaten, vertelde Willem zijn vriend,
+hoe zij naar boord geroeid waren en wat zij van daar al hadden
+medegebracht. Hij zeide hem ook, hoe Juno de kleinen in het water
+had laten spartelen en hoe dat zeebad allen zoo goed bevallen was.
+
+"Maar dat mag Juno volstrekt niet meer doen," sprak Flink "voordat
+ik eerst goed onderzoek gedaan heb. Gij weet wel, dat rondom deze
+eilanden haaien in menigte loeren en dat het daarom hoogst gevaarlijk
+is, in het water te gaan."
+
+"Mijn God, lieve man, wat gevaar zijn onze kinderen daar dan weer
+ontkomen!" riep de bezorgde moeder met innerlijke huivering.
+
+"Dat is waar," vervolgde Flink. "Evenwel zijn die booze gasten minder
+talrijk aan de loefzijde van de eilanden, ofschoon deze vlakke baai
+eene al te geschikte plaats voor hen is, dan dat zij er niet dikwijls
+komen zouden. Dus, Juno, zou ik u raden, niet weer te water te gaan,
+voordat ik eene plek heb opgezocht, waar gij veilig baden kunt. Nu
+echter is daar nog geen tijd toe, en zoodra wij uit het schip alles
+aan wal hebben, wat ons dienstig is, moeten wij eerst overleggen,
+of wij hier blijven willen of niet."
+
+"Hier blijven of niet, Flink hoe meent gij dat?"
+
+"Wij hebben hier tot nog toe geen water gevonden en dit is toch de
+eerste behoefte des levens;--als er op deze zijde van 't eiland geen
+water te vinden is, moeten wij onze tenten ergens anders opslaan."
+
+"Dat begrijp ik, zal noodig wezen," antwoordde de heer Wilson.
+
+"Ik wenschte wel, dat wij tijd hadden om eenig onderzoek te doen."
+
+"Dat kunnen wij ook; maar wij mogen daarom het fraaie weer niet
+ongebruikt laten voorbijgaan. Morgen kan het licht weer stormen en
+dan hebben we geen gelegenheid om iets van boord te krijgen. Het zou
+goed zijn, dat wij thans opbraken, mijnheer: gij, Willem en ik. Gij
+en uw zoon blijven aan boord, om het noodzakelijke bijeen te zoeken
+en ik zal de goederen in de bocht brengen, waar Juno ze afhaalt."
+
+In den loop van den dag haalden zij nog eene menigte dingen, waarvan
+zij verwachten konden in de toekomst dienst te zullen hebben. Nog vóór
+den middag waren de kleinere zeilen en al het touwwerk, bindgaren
+en doek, verder kleine tonnen, zagen, beitels en groote spijkers,
+eindelijk planken van iepen- en eikenhout aan wal gebracht. Na het
+gebruiken van een hartig maal begonnen zij den arbeid opnieuw. Stoelen
+en tafels uit de kajuit, de gezamenlijke kleedingstukken, eenige
+kisten met kaarsen, twee balen koffie, twee met rijst en twee met
+scheepsbeschuit, verscheidene stukken rund- en varkensvleesch,
+zakken met meel (men had veel moeite gedaan, om een geheel vat
+naar boven te krijgen, doch dit was niet gelukt), dan eindelijk de
+slijpsteen, nog meer drinkwater en mijnheer Wilson's huisapotheek
+werden achtereenvolgens ontscheept. Toen Flink andermaal terugkwam,
+zeide hij: "Onze boot begint sterk te lekken en zal niet veel reizen
+meer doen kunnen, voordat ik ze gebreeuwd heb. Ook heeft Juno nog
+niet de helft van 't goed naar de tenten gebracht; de last is voor
+één persoon te zwaar. Me dunkt, we kunnen het er heden bij laten,
+mijnheer Wilson, als wij voor den donker maar eerst al de dieren
+aan land hebben. Ik wil die niet gaarne aan hunne eigen zwemkunst
+overlaten en toch zijn het lastige potentaten in eene boot. De koe
+kunnen wij niet over krijgen; zij ligt altijd nog en zal ook wel
+niet meer opstaan;--zoo gaat het meestal met de beesten. Echter heb
+ik haar nog rijkelijk hooi voorgestrooid en als zij niet opstaat,
+moet ik haar slachten en het vleesch inzouten."
+
+Flink ging in het ruim, en het geknor van het varken liet zich
+weldra hooren. Hij had het over den rug geworpen en hield het bij de
+achterpooten vast. Zoo kwam hij er mee op het dek en liet het toen
+over de verschansing in zee neerploffen. Het zwijn spartelde eenigen
+tijd besluiteloos rond, maar keerde toen den kop van het schip af en
+zwom op het land aan.
+
+"Het gaat regelrecht op den oever los," merkte Flink aan, die het
+met de beide anderen naoogde, maar een oogenblik later riep hij:
+
+"Ik heb het wel gevreesd,--'t is verloren!"
+
+"Hoe zoo?" vroeg mijnheer Wilson.
+
+"Ziet gij dat zwarte ding daar, hoe 't pijlsnel over het water op
+het dier toeschiet? Dat is de staart van een haai en nu heeft het
+arme beest zijn langsten tijd van het leven gehad.--Kijk, daar gaat
+het al!" vervolgde Flink, toen het zwijn met een zwaren slag onder
+water verdween. "Die is er geweest. Beter dat stomme dier, dan uwe
+lieve kleinen, niet waar, mijnheer Wilson?"
+
+"Ja, waarachtig!--Misschien is het monster dicht bij hen geweest,
+toen Juno met hen in het water stond."
+
+"De slokop was zeker niet ver uit de buurt," antwoordde Flink;
+"maar nu moet hij zich met dien eenen hap tevreden stellen, want meer
+krijgt hij van ons niet. Wij zullen nu naar omlaag gaan en de andere
+vier varkens de pooten vastbinden; dan brengen wij ze in de boot,
+die met al wat er in is, dan hare behoorlijke lading heeft."
+
+Met de zwijnen in de boot, roeide Flink nu naar land, terwijl vader
+en zoon de schapen en geiten op het dek brachten en voor de volgende
+reis gereed hielden.
+
+"Dat zal voor heden de laatste maal zijn," riep de oude man bij zijne
+terugkomst, "en, vergis ik mij niet, de laatste maal in vele dagen,
+daar de wolken hare koppen ginder weer braaf beginnen op te steken. We
+zullen nog een zak met koren voor het vee meenemen, en dan zeggen we
+het schip voor een tijdlang vaarwel. Ik heb de koe weer een voorraad
+water en hooi voorgezet, maar geloof niet, dat wij haar nog levend
+vinden zullen bij onze terugkomst."
+
+Door de zwaarte van het graan ging de boot ditmaal zeer diep. Echter
+brachten zij het gelukkig nog tot den oever, ofschoon ditmaal niet
+zonder veel water in te krijgen. Willem dreef de schapen en geiten
+naar de tenten, waar zij zich rustig nederlegden; de zwijnen waren
+weggeloopen en ook de hoenders hadden zich verstrooid, 't geen trouwens
+niet anders te verwachten was. Het strand was geheel overdekt met de
+menigte van goederen, die men heden had aangebracht.
+
+"Wij hebben ons vandaag dapper geweerd, mijnheer Wilson," zeide Flink
+met een vergenoegden blik op al dien voorraad, "en ook de kleine
+boot heeft zich goed gehouden. Voordat ik haar wat heb nagezien,
+mogen wij ons er echter niet weer in wagen."
+
+Het was hun na het harde dagwerk allesbehalve onaangenaam, dat Juno
+voor koffie had gezorgd, en onder het drinken verhaalden zij mevrouw
+Wilson, hoe het arme varken op eene zoo gruwelijke wijze door den
+haai verslonden was. De moeder drukte bij het hooren hiervan haar
+zoontje onstuimig aan het hart, en toen zij haar hoofd weer ophief,
+glinsterden tranen van dankbaarheid in hare zachte oogen. Ook de goede
+Juno was ontsteld en verzekerde in hare gebroken taal, voortaan wel
+zorg te zullen dragen, dat die booze zeeduivels niet bij hare lieve,
+kleine massa's komen konden.
+
+"Wij zullen hier morgen volop te doen hebben met al dat goed uit
+te zoeken en het eene behoorlijke plaats te geven," sprak mijnheer
+Wilson tot Flink.
+
+"Wij zullen een langen tijd de handen nog terdege vol hebben," hernam
+deze. "Over een paar maanden omtrent kan de regentijd invallen, en
+zoo er eenigszins mogelijkheid toe is, moeten wij nog voor dien tijd
+onder dak zijn. Zonder eene degelijke beschutting kunnen wij dit weer
+niet afwachten, dat zeker tot het einde van het jaar aanhouden zal."
+
+"Waarmee moeten wij dan eerst beginnen?" vroeg mijnheer Wilson.
+
+"Morgen zullen wij 't best doen nog een of twee tenten op te slaan,
+om al de aan land gebrachte goederen daaronder te bergen. Hierna kunnen
+wij eens zien, waar wij onzen rijkdom voor de toekomst bewaren willen,
+en ook nagaan, wat ons nogal zoo ontbreekt."
+
+"Zeer goed; en wat moet er dan gebeuren?"
+
+"Dan, mijnheer, dienen wij, dunkt me een klein tochtje naar het
+binnenste van het eiland te doen en de plek uit te zoeken, waar wij
+ons huis zullen opbouwen."
+
+"Kunnen wij een huis bouwen?" riep Willem verbaasd.
+
+"Wel zeker, mijn kind; en dat zal ons minder moeite kosten, dan gij
+u misschien voorstelt. Er is geen nuttiger boom dan de kokosboom en
+daarbij is zijn hout zoo licht, dat wij het gemakkelijk van de plaats
+kunnen krijgen."
+
+"En waarin bestaat dan het groote nut van dien boom?" vroeg mevrouw
+Wilson.
+
+"Dat zal ik u vertellen, mevrouw. Vooreerst geeft hij u hout, om er een
+huis van te bouwen; dan hebt gij de schors, waaruit ge touw, koord en,
+zoo gij verkiest, ook vischnetten maken kunt; vervolgens de bladeren,
+om uwe woning en, wilt ge, ook uw hoofd daar mee te dekken, want men
+kan zeer goed hoeden en ook manden daarvan vlechten. Verder hebben wij
+de vrucht, eene noot, die zeer goed te eten en ook gekookt voedzaam
+en lekker is. In de jonge noot is de zeer gezonde melk besloten
+en bovendien geeft zij nog lampolie en hare schil drinknappen en
+veldflesschen, als men die anders niet heeft. Eindelijk kan men nog een
+wijn uit den boom tappen, die versch gebruikt een aangename drank is,
+maar bedwelmt en dronken maakt, als hij langer bewaard wordt; en van
+dezen wijn kan men dan ook een zeer sterken drank brouwen. Oordeel nu
+zelve maar eens, mevrouw: kent gij een anderen boom, die den mensch
+zooveel nut aanbrengt en hem, zooals deze, bijna van al wat hij noodig
+heeft, voorziet?"
+
+"Waarlijk, daar heb ik nooit iets van geweten," was het antwoord.
+
+"In allen gevalle zijn hier boomen in menigte," zeide Willem.
+
+"Ja, ja, mijn jongen, daar is hier geen gebrek aan; en dat verheugt
+mij hartelijk, want als er maar weinig waren, zou ik er niet gaarne
+een van omhouwen. Misschien konden in het vervolg nog anderen hier
+schipbreuk lijden en daarbij het noodzakelijkste missen, zoodat zij
+gedwongen waren, geheel alleen van de weinige kokosboomen te leven."
+
+"Maar nu, geloof ik, zou 't voor allen goed zijn, dat wij te bed
+gingen," zeide mevrouw Wilson.
+
+
+
+
+
+
+
+DERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+EERSTE VERRICHTINGEN OP HET EILAND.
+
+
+Wij kunnen voortaan in de geschiedenis van ons gezelschap op het eiland
+niet meer, als tot hiertoe, de dagelijksche verrichtingen optellen,
+daar wij genoeg te doen zullen hebben met de belangrijkste voorvallen
+en ontmoetingen van elken dag behoorlijk te vermelden. Den volgenden
+morgen na het ontbijt zeide Flink:
+
+"Nu, mijnheer Wilson, moeten wij krijgsraad houden en aangaande een
+ontdekkingsreisje op morgen een besluit nemen. Is dit bepaald, dan
+zullen wij wel middel vinden, om dezen dag verder op eene nuttige
+wijze te besteden. De eerste vraag is: wie zullen mee van de partij
+zijn? Mag ik weten, hoe gij daarover denkt?"
+
+"Wel, vriend," antwoordde mijnheer Wilson, "mij dunkt, wij beiden,
+gij en ik, zullen gaan."
+
+"Toch beiden niet te gelijk, lieve man?" viel zijne vrouw hem in de
+rede. "Gij kunt u ook wel zonder mijn man redden, niet waar, Flink."
+
+"Ik had zeker wel gewenscht mijnheer Wilson en zijn goeden raad bij mij
+te hebben," was het antwoord; "maar ik heb er ook al over nagedacht en
+geloof zelf, dat de kleine Willem geene toereikende bescherming voor u
+is; of althans zoudt gij hem daar niet voor houden, en dat komt voor
+uwe bezorgdheid nagenoeg op 't zelfde uit. Dus, als mijnheer er niet
+tegen heeft, zal 't het best zijn, dat hij u gezelschap blijft houden."
+
+"Wilt gij echter geheel alleen gaan, Flink?" vroeg de heer Wilson.
+
+"Neen mijnheer; ik geloof niet, dat dit goed en verstandig zou zijn. Er
+kon mij immers een ongeluk overkomen, want niemand kan zeggen, wat
+er gebeuren kan. Ofschoon er alle schijn van veiligheid voorhanden
+is. Daarom wenschte ik wel iemand bij mij te hebben; de vraag is maar,
+of dat Willem of Juno zal zijn."
+
+"Neem mij mee!" riep Thomas op eens.
+
+"U meenemen, kleine man!" zei Flink lachend; "dan diende ook Juno mee
+te gaan, om op u te passen. Neen, men kan u hier zeker niet missen;
+uwe moeder zou verlegen staan, als gij weg waart. Gij kunt zoo mooi
+brandhout en drooge prikken opzamelen en op uw zusje en kleine broertje
+passen, dat moeder zonder u geen raad meer weten zou. Dus moet Juno
+of broer Willem met mij gaan."
+
+"En wien van beiden hadt gij 't liefst, Flink?" vroeg mevrouw Wilson.
+
+"Uw zoon Willem, mevrouw,--hem verreweg 't liefst, als gij hem aan
+mijne zorg wilt toevertrouwen. Ik vreesde enkel, dat gij misschien
+zwarigheid zoudt maken."
+
+"Ik heb het liever niet; ik zou mij liever een poos lang zonder Juno
+behelpen," antwoordde de moeder. "Maar neen, ik heb ongelijk, lieve
+man," vervolgde zij zich tot haren man wendende, die haar bestraffend
+aanzag. "Ja, ik heb ongelijk. Ziekte en lijden hebben mij niet alleen
+zwak en vreesachtig, maar, vrees ik, ook zelfzuchtig gemaakt. Ik
+wil mij daartegen verzetten. Tot hiertoe ben ik u lang tot last en
+bezwaar geweest, maar dat zal, hoop ik, eerlang beter worden en dan
+zal ik mij ook nuttig zoeken te maken. Zoo gij 't beter acht, lieve
+Wilson, dat gij zelf, in plaats van Willem, met Flink gaat,--ik ben
+er nu niet meer tegen, 't was heusch zeer verkeerd van mij, dat ik er
+mij een oogenblik tegen verzette. Ga dus gerust met onzen vriend mede."
+
+"Dat mijnheer meegaat is niet noodig, mevrouw," hernam Flink; "uw
+wakkere Willem kan mij dezelfde diensten doen. Geloof mij, ik zou
+van harte gaarne alleen gaan: ik heb geen vrees, dat mij iets kwaads
+bejegenen zal; maar toch weten wij niets van den dag van morgen. Ik
+kon immers ook ziek,--kon door eenig toeval overvallen worden, ik
+ben een oud man; en dan, dacht ik, als mij een ongeluk trof, kondt
+gij mij missen. Dat is alles;--ik zeide 't niet uit eigenbelang."
+
+"Daar ben ik volkomen van overtuigd, mijn goede oude vriend,"
+antwoordde mevrouw Wilson; "maar eene moeder is soms al heel dwaas
+en onverstandig."
+
+"Vergeef mij, mevrouw, niet dwaas, zooals gij zegt; slechts soms al
+te bezorgd en angstvallig."
+
+"Genoeg, Flink. Onze Willem zal dan met u gaan, dat is bepaald en
+besloten," besliste de vader ten laatste. "Wat is nu aan de beurt?"
+
+"Vooreerst moeten wij ons nu tot onzen marsch gereedmaken. Wij moeten
+wat mondkost en wat water bij ons hebben, daarbij een geweer en kruit,
+eene groote bijl voor mij en een kleinere voor mijn reismakker. Ook
+zal het goed zijn, dat Romulus en Remus meegaan; het dashondje kunt ge
+hier bij u houden. Gij, Willem, kunt nu dadelijk vier halve fleschjes
+met water vullen, terwijl ik voor ieder van ons een linnen knapzak
+in elkander naai."
+
+"En wat zal ik doen?" vroeg mijnheer Wilson.
+
+"Gij, mijnheer, zoudt ons een grooten dienst kunnen doen, als
+gij zoo goed waart, deze twee bijlen op de slijpsteen wat aan te
+scherpen. Thomas zal wel draaien. 't Is een sterke, fiksche jongen en
+frisch te arbeiden is altijd zijn lust en zijn leven." Thomas stond
+dadelijk op. Hij was juist sterk genoeg, om den steen rond te draaien;
+maar gewoonlijk wilde hij liever spelen dan werken. Nu de oude man
+echter gezegd had, dat dit laatste zijn lust was wilde hij dat ook met
+de daad bewijzen en sloofde zich af, wat hij kon. Flink zat daarbij
+zijne reiszakken te naaien, en zoo vaak onze jongeheer lust gevoelde
+om het werk te staken, prees Flink hem, dat hij zich zoo dapper weerde
+en vertelde aan zijne moeder welk een knappe jongen hij was. Zoo dan
+ging Thomas, die zich gaarne hoorde prijzen, met zijn werk voort,
+totdat de zweetdruppels hem op het voorhoofd stonden. Vóór het avond
+werd, waren de bijlen geslepen, de zakken klaar en was alles gereed
+voor den volgenden morgen.
+
+"Wanneer wilt gij morgen op weg gaan, Flink?" vroeg mevrouw Wilson.
+
+"Het zal goed zijn, dat wij met het eerste daglicht opbreken, daar
+de hitte zoo vroeg nog niet sterk is."
+
+"En tegen wanneer denkt gij terug te zijn?"
+
+"Ja, zie, mevrouw, wij hebben voorraad voor drie dagen bij ons. Als
+wij morgen, Woensdag, in de vroegte opstappen, kunnen we misschien
+Vrijdagavond hier terug zijn. In allen gevalle denk ik niet, dat het
+later dan Zaterdagochtend worden zal."
+
+"Goeden nacht, dan--en vaarwel, lieve moeder!" zeide Willem. "Ik zal
+u morgen vroeg niet meer zien."
+
+"God zegene en behoede u, mijn lief kind!" sprak deze. "Pas toch vooral
+goed op hem, Flink! En ook gij--goede reis en tot spoedig wederzien!"
+
+De beangste moeder ging in hare tent, om de tranen te verbergen,
+die zij niet kon weerhouden. "Het is nog geheel nieuw voor haar,"
+merkte Flink aan; "als zij er meer aan gewoon is, zal eene korte
+scheiding haar zoo hard niet meer vallen."
+
+"Dat vertrouw ik ook," antwoordde haar echtgenoot; "maar zij is nu
+nog zenuwachtig en ongesteld; en in aanmerking nemende, dat zij tot
+dusverre zelden langer dan een uur van hare kinderen gescheiden
+is geweest en haar zoon nu weggaat, zonder dat zij zelfs weet
+waarheen,--houdt zij zich, dunkt mij, nog al vrij standvastig."
+
+"Ja, waarlijk, mijnheer, dat doet zij," erkende Flink; "de angst eener
+moeder is even natuurlijk als hare liefde. In allen gevalle wil ik, ook
+indien ik alles wat ik wenschte niet op eenmaal verrichten kan, toch
+op den bepaalden dag terug zijn en dan later nog eens een reisje doen."
+
+"Doe dat, Flink; dat zal haar geruststellen. En nu, vaarwel; wees
+voorspoedig en moogt gij uw doel bereiken!"
+
+
+
+
+
+
+
+VEERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+EERSTE UITSTAPJE OP HET EILAND.
+
+
+Nog vóór de zon was Flink op en wekte ook Willem uit den
+slaap. Zwijgend kleedden zij zich aan en vermeden elk gerucht,
+dat de moeder had kunnen doen ontwaken. Hunne reiszakken waren
+reeds gepakt. In ieder was een portie vleesch, dat zij dadelijk
+onder elkander verdeeld hadden, benevens twee waterfleschjes, in
+kokosbladeren gewikkeld, opdat zij minder licht breken zouden. Flink,
+die den grootsten reiszak droeg, had nog beschuit en verscheidene
+andere dingen bij zich, waarvan hij zich voor het geval van nood had
+voorzien. Om het lijf had hij twee strikken geknoopt, om, als dit
+vereischt werd, de honden daaraan vast te binden.
+
+Zoodra zij de reiszakken hadden omgehangen, nam Flink bijl en geweer
+en vroeg Willem, of hij wel dacht een kleine spade, die zij te gelijk
+met de schoppen van het wrak gehaald hadden, op den schouder te kunnen
+dragen. De knaap antwoordde toestemmend. De honden, die schenen te
+weten, dat zij meegaan mochten stonden klaar, en nu ging de oude man
+naar een der watertonnen, nam zelf een duchtigen slok, spoorde Willem
+tot hetzelfde aan en liet toen ook de honden drinken, zooveel zij
+lustten. Hierop, juist toen de zon aan den hemel opging, traden zij
+het kokosbosch in en hadden de tenten spoedig uit het gezicht verloren.
+
+"Nu, reiskameraad," begon Flink en stond stil, toen zij een twintig
+schreden ver waren, "weet gij ook, op welke wijze wij den terugweg
+vinden kunnen? Gij ziet, in het dichte bosch konden wij licht verdwalen
+en er is geen pad, dat ons dan leiden zou."
+
+"Neen, waarlijk, dat weet ik niet; ik dacht daar juist aan, toen gij
+er over begont, en ook Klein Duimpje viel mij in, die broodkruimels
+uitstrooide om zijn weg weerom te vinden, maar hem toch niet vond,
+omdat de vogels zijne kruimels hadden opgepikt."
+
+"Ge ziet dus, dat Klein Duimpje de zaak niet goed overlegd had, en
+wij moeten het hem zoeken te verbeteren. Wij moeten doen, zooals de
+Amerikanen doen in hunne bosschen: wij moeten de boomen merken. Dit
+geschiedt door een enkelen slag met de scherpe bijl een kerfje in de
+schors van den boom te houwen, dat hun tot teeken dient, waaraan zij
+hun weg herkennen. Zij merken daarbij niet elken boom, maar altijd
+den tiende of zoo, die aan hun pad staat, en dan beurtelings een
+aan den rechter- en een aan de linkerhand. Het kost slechts weinig
+moeite; zij doen het onder het gaan, zonder dat het hen een oogenblik
+ophoudt. Laat ons nu ook daarmee beginnen; gij neemt de rechterkant:
+het zal u gemakkelijker vallen de bijl in de rechterhand te houden;
+ik voor mij kan evengoed ook de linker gebruiken. Zie, zoo maakt men
+slechts een kerfje in den bast:--de zwaarte van de bijl doet het bijna
+alleen en dat kan ons jaren lang tot wegwijzer door het woud dienen."
+
+"Dat is heerlijk bedacht!" riep Willem, en beiden vervolgden nu hun
+marsch, terwijl zij de boomen rechts en links op gezette afstanden
+teekenden.
+
+"Ik heb evenwel ook nog een anderen vriend in den zak," begon Flink
+weder, "en ik zal dien moeten gebruiken."
+
+"Wat is dat?"
+
+"Het zakkompas van den armen kapitein Osborn. Gij ziet, Willem,
+het merken der boomen zal ons wel onzen terugweg aanduiden, maar kan
+ons niet zeggen, in welken koers we thans te sturen hebben. Op dit
+oogenblik weet ik nog, dat wij den rechten weg houden, daar ik door
+het geboomte achter mij heen zien kan: maar dikwijls zal dit niet
+mogelijk zijn en dan moet ik met mijn kompas te rade gaan."
+
+"Dat begrijp ik zeer goed; maar zeg mij, Flink, waartoe nemen wij die
+schop mede? Hoe kan ons die van dienst zijn? Gij zeidet er gisteren
+morgen niets van, dat gij er eene mee woudt nemen."
+
+"Neen, Willem, en ik zweeg er opzettelijk van, omdat ik uwe moeder
+niet beangst wilde maken. U echter durf ik wel zeggen, dat ik zelf
+omtrent één ding zeer bezorgd ben, en dat is, of hier water te vinden
+is of niet. Is er geen water, dan moeten wij het eiland wat vroeger
+of later toch verlaten, want men kan wel eenig water verkrijgen door
+kuilen in het zand te graven, doch dat is ziltig zeewater en zou ons
+bij voortgezet gebruik allen ziek maken. Van het schip hebben wij
+niet veel meegebracht, en als er stormachtig weer komt, kunnen wij er
+ook niet meer vandaan halen. Nu gebeurt het echter dikwijls, dat er
+ergens zoet water is, zonder dat men het aan den grond zien kan,--men
+moet er dan naar graven, en daartoe heb ik de spade meegebracht."
+
+"Gij denkt toch aan alles, Flink."
+
+"O neen, mijn goede Willem, dat doe ik niet altijd. 't Is waar, in
+onzen tegenwoordigen toestand denk ik meer aan wat noodig is, dan
+misschien uw vader en uwe moeder; maar dat is, omdat zij nog nooit
+geweten hebben, wat het is aan zichzelf alleen te zijn overgelaten. Zij
+zijn nog nooit in 't geval geweest, dat zij genoodzaakt waren aan
+zulke dingen te denken; als men echter zijn gansche leven op zee
+zwalkte, zooals ik--als men schipbreuk heeft geleden en rampen
+en gevaren van allerlei aard doorgestaan,--als men gedwongen was,
+uitkomst te verzinnen of te gronde te gaan, dan, Willem, verzamelt
+men zich nuttige kundigheden, niet alleen uit zijn eigen lijden,
+maar ook uit het verhaal van anderen, wanneer men hoort, hoe die
+zich er in de ellende hebben weten door te worstelen. Nood, zegt
+men, is de moeder der wijsheid, en dat is werkelijk waar, Willem,
+want hij scherpt het verstand; en het is dikwijls opmerkelijk, wat
+vele menschen, vooral zeelieden, als de nood hen tot handelen drijft,
+met de eenvoudigste middelen tot stand brengen."
+
+"En waar gaan wij dan nu naar toe, Flink?"
+
+"Recht op de lijzijde van het eiland aan; en ik hoop, dat wij nog
+vóór het vallen van den donker daar zijn zullen."
+
+"Waarom noemt gij dat de lijzijde van het eiland?"
+
+"Omdat de wind tusschen deze eilanden genoegzaam altijd uit dezelfde
+richting waait. Wij landden op de windzijde; thans hebben wij den
+wind in den rug; steek uw vinger maar eens op en gij zult hem zelfs
+hier in het bosch nog voelen."
+
+"Neen, ik merk niets," verzekerde de knaap, terwijl hij den vinger
+omhoog hield.
+
+"Maak uw vinger dan eens nat en beproef het nog eens."
+
+Willem bevochtigde zijn vinger met de tong en stak hem nogmaals
+op. "Ja, nu voel ik het. Maar hoe komt dat?"
+
+"De wind droogt de vochtigheid van uw hand op; daardoor ontstaat koude,
+en deze is het, die gij voelt."
+
+Op eenmaal begonnen de honden te knorren, sprongen toen vooruit en
+blaften luid.
+
+"Wat kan dat wezen?" riep Willem.
+
+"Blijf staan, jongen," sprak Flink en spande den haan; "ik zal vooruit
+gaan en zien." De oude man sloop zachtjes voorwaarts, het geweer
+voorzichtig tegen de heup drukkende. Het geblaf der honden verdubbelde,
+en uit een hoop dorre kokosbladeren stoven daar op eenmaal.... al de
+varkens, die men een paar dagen te voren had laten loopen, voor den
+dag en zetten het op een galoppeeren, met de honden achter hen aan.
+
+"Het zijn onze varkens maar, Willem," riep Flink lachend, "Ik had
+nooit gedacht, dat een tam zwijn iemand zoo kon doen schrikken.--Hier,
+Romulus! Koest, Remus!" vervolgde hij, de honden roepende. "Nu, Willem,
+daar hebt gij ons eerste avontuur."
+
+"Ik hoop, dat wij er geen gevaarlijker beleven zullen," gaf de knaap
+lachend ten antwoord. "Evenwel, ik wil wel bekennen, dat ik vrij wat
+ontsteld was."
+
+"Geen wonder, want ofschoon al niet waarschijnlijk, zou het toch
+mogelijk zijn, dat zich roofdieren of zelfs wilden op dit eiland
+ophielden. Wij moeten in een onbekend land steeds op het ergste gevat
+zijn, Willem. Men kan verschrikt wezen en daarom toch, evenals gij
+daareven, moedig standhouden. Wie echter bevreesd is, loopt weg."
+
+"Ik geloof niet, dat ik ooit wegloopen en u verlaten zal, als er
+gevaar aanwezig is, Flink."
+
+"Ik vertrouw er gerust op, Willem, dat gij dat niet doen zult; maar
+daarom moet gij toch niet onbezonnen en te haastig zijn. Wij willen
+nu verder gaan, als ik eerst mijn haan in rust gezet heb. Daar mij
+dit nu juist invalt, Willem, en gij dikwijls een geweer bij u zult
+hebben,--denk er toch aan, jongen, dat gij nooit uw haan gespannen
+laat. Ik heb daardoor alleen, dat velen den haan spanden en naderhand
+vergaten hem weder in rust te zetten, meer ongelukken zien gebeuren,
+dan gij u ooit zoudt voorstellen. Span nooit den haan, zoolang gij niet
+vuren wilt;--dezen raad moet gij altijd in gedachten houden. Nu moet
+ik eens op het kompas zien, want wij hebben op eens eene veranderde
+richting, zoodat ik niet meer weet, welken weg in te slaan.--Ziezoo,
+nu is alles goed. Vooruit, honden!"
+
+Nog langer dan een uur vervolgden de wandelaars hun weg door het
+kokosbosch en vergaten daarbij niet, al voortgaande, de boomen rechts
+en links te teekenen. Eindelijk kozen zij een plekje uit, om er hun
+ontbijt te gebruiken, en de honden strekten zich daarbij nevens hen
+op den grond neer.
+
+"Geef de dieren geen water en geen gezouten vleesch; geef hun niets
+dan beschuit."
+
+"Maar zij zijn zoo dorstig; moet ik hun niet een weinig te drinken
+geven?"
+
+"Neen; vooreerst omdat wij alles voor onszelven noodig hebben, en
+bovendien verlang ik juist, dat zij dorstig zijn. En ook gij, Willem,
+volg mijn raad en drink maar weinig water op eens. Weinig is volkomen
+toereikend, om den dorst te lesschen, en hoe meer gij drinkt, des te
+meer voelt gij dorst."
+
+"Dan dien ik ook wel niet te veel gezouten vleesch te eten."
+
+"Juist; hoe minder gij eet, des te beter, als wij geen water vinden
+en onze fleschjes weer vullen kunnen."
+
+"Maar wij hebben onze bijlen immers en kunnen van tijd tot tijd ook
+eene kokosnoot afslaan en de melk daarvan drinken?"
+
+"Ja, en het is een geluk voor ons, dat wij die uitkomst altijd nog
+hebben; maar toch zou kokosmelk alleen ons slecht bevallen, ook als
+die het gansche jaar door volop te krijgen ware.--Nu, Willem, willen
+wij weer opstappen, als gij niet te moe zijt."
+
+"Volstrekt niet; ik ben alleen moe niets dan de stammen der boomen
+te zien, en zal hartelijk blij zijn, als wij het bosch eens achter
+den rug hebben."
+
+"Hoe meer wij ons haasten, des te beter dus," antwoordde Flink. "Voor
+zoover ik dit eiland bij onze aankomst beoordeelen kon, moeten wij
+thans ongeveer halfweg zijn."
+
+De wandelaars begaven zich met vernieuwde krachten op weg.
+
+Na een half uur bevonden zij, dat de grond niet meer zoo effen was
+als vroeger en beurtelings begon te rijzen en te dalen.
+
+"Het is mij zeer lief, dat ik het eiland hier niet meer zoo vlak vind,
+Willem. Wij hebben zoo meer vooruitzicht om water te vinden."
+
+"Ei, zie eens; daar wordt het nog steiler," merkte Willem aan,
+terwijl hij een boom teekende; "daar is immers wezenlijk een heuvel."
+
+"Des te beter;--wakker voorwaarts!"
+
+De bodem was thans meer golvend geworden. Echter was hij nog altijd met
+kokosboomen overdekt, die zelfs nog dichter stonden, dan tot dusver
+het geval was geweest. Zij vervolgden hun marsch, waarbij zij van
+tijd tot tijd op het kompas zagen, totdat Willem zijne vermoeidheid
+niet langer verbergen kon, want de weg door het woud was thans nog
+bezwaarlijker geworden dan in den beginne.
+
+"Hoeveel mijlen denkt ge wel, dat we nu al gegaan zijn, Flink?" vroeg
+hij ten laatste.
+
+"Acht ongeveer, denk ik."
+
+"Niet meer dan acht?"
+
+"Neen, ik geloof niet, dat we, door elkaar gerekend, meer dan twee
+mijlen in het uur hebben afgelegd. Het gaat maar langzaam, als men
+naar het kompas reist en daarbij altijd de boomen merken moet; maar
+mij dunkt, dat het woud vóór ons lichter wordt, van den top van dezen
+heuvel gezien."
+
+"Ja, dat is zoo, Flink; ik verbeeld mij, den blauwen hemel weer
+te zien."
+
+"Uwe oogen zijn jonger dan de mijne, Willem, en mogelijk hebt gij
+goed gezien. We zullen dat spoedig vernemen."
+
+Zij daalden nu in een ravijn neer en klommen vervolgens weer een
+tweeden heuvel op. Zoodra zij boven kwamen, riep Willem overluid:
+"De zee, Flink! daar is de zee!"
+
+"Zeer goed, Willem; ik voor mij heb daar volstrekt niets tegen."
+
+"Ik dacht al, dat wij nooit een einde aan dat donkere bosch zouden
+zien," sprak de knaap en snelde ongeduldig vooruit; eindelijk stond
+hij aan den uitersten zoom van het kokoswoud en bleef staan. Flink
+stond spoedig aan zijne zijde, en beiden vestigden nu hunne oogen op
+het voor hen uitgebreide landschap.
+
+
+
+
+
+
+
+VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
+
+DE OOSTZIJDE VAN HET EILAND.
+
+
+"O hoe heerlijk!" riep Willem ten laatste: "zeker, hier zou moeder
+recht gaarne wonen. Ik hield de andere zij van het eiland voor heel
+lief, maar zij is toch niets bij deze vergeleken."
+
+"Het is hier werkelijk fraai," antwoordde Flink in diepe gedachten.
+
+Men kan zich trouwens niet licht een liefelijker tooneel
+voorstellen. Het kokoswoud werd ongeveer een vierde mijl van de kust
+eensklaps afgebroken door eene steile helling, die zich bij de dertig
+voeten boven het strand verhief. Dit strand zelf was een golvende,
+hier en daar met struiken begroeide groene vlakte en strekte zich
+tot op ongeveer vijftig schreden afstands van het water uit, waar
+het in verblindend wit zand overging, door 't welk enkele smalle
+klippenreeksen van den oever landwaarts opliepen. Het water was
+van eene helder blauwe kleur en brak slechts aan de klippen in wit
+schuim. De riffen strekten zich mijlen ver van den oever in zee
+uit en op enkele plaatsen staken de punten der rotsen boven den
+rand des waters uit. Talrijke scharen van zeevogels hadden zich op
+die hoogten genesteld; anderen wiegden zich in de heldere lucht of
+schoten van tijd tot tijd in de blauwe zee neer, waaruit zij dan met
+hunne klauwen een van de visschen ophaalden, welke in menigte aan de
+zandbanken speelden en dikwijls zelf in vroolijke sprongen uit het
+water opwipten. De kust had de gedaante van een hoefijzer en vormde
+eene baai, besloten tusschen twee boschachtige landtongen, die zich
+aan weerszijden ver in zee uitstrekten. De horizon was helder en
+scherp tegen de zee afgeteekend.
+
+Flink bleef een tijdlang stom, liet zijne oogen rechts en links langs
+den gezichteinder gaan, monsterde scherp de riffen in de verte en
+wierp toen een vorschenden blik op het land vóór hem.
+
+"Waaraan denkt gij, Flink?" vroeg Willem ten laatste.
+
+"Ik?--Ik denk dat wij zoo spoedig mogelijk naar water moeten omzien."
+
+"Maar waarom zuchttet gij daareven?"
+
+"Omdat ik niet, gelijk ik verwacht had, nog een ander eiland aan
+lij ontdekken kan en er dus bijna geene mogelijkheid voorhanden is,
+dat wij dit hier verlaten. Bovendien is deze bocht hoe fraai gelegen
+ook, toch vol riffen, en ik zie nergens een ingang, wat de zaak om
+velerlei redenen hoogst bezwaarlijk maakt. Evenwel kunnen wij niet
+terstond op het eerste gezicht oordeelen. Eerst willen wij gaan
+zitten en ons middagmaal houden, dan kunnen wij verder zien. Halt,
+halt!--voordat wij van de plaats gaan, moeten wij aan de boomen bij
+den uitgang van het bosch een duidelijk teeken maken; zonder dat,
+zouden wij bij het terugkeeren onze merken moeielijk wedervinden."
+
+Hij sneed twee witte streepen in de stammen der kokosboomen en daalde
+toen met Willem naar het vlakke veld neer, waar zij zich neervlijden
+en hun eenvoudigen maaltijd hielden. Zoodra dit verricht was, stonden
+zij weder op en gingen aan het zeestrand. Flink keerde zich naar de
+landzijde, in de hoop van ergens eene kleine beekbedding of holte
+te ontdekken, die mogelijk zoet water bevatten kon. "Hier zijn
+eenige plekken," zeide hij en wees ze met den vinger aan, "waar
+het water in den regentijd zijn afloop gehad heeft; wij moeten ze
+zorgvuldig onderzoeken, maar nu niet. Daartoe hebben wij morgen tijd
+genoeg. Eerst moet ik een middel uitvinden om onze kleine boot door
+gindsche klippen heen te krijgen; anders hebben wij een vreeselijken
+arbeid, als wij naar deze plaats verhuizen, namelijk, zoo wij al onze
+bezittingen door het woud aansleepen moesten en dat zou ons weken, zoo
+niet maanden kosten. Dus willen wij vandaag de kust goed onderzoeken,
+Willem, en dan morgen naar zoet water omzien."
+
+"Zie de honden eens, Flink; ze drinken zelfs zeewater, de arme
+beesten!"
+
+"Zij zullen er niet veel van nemen. Zie, ze loopen er al van weg."
+
+"Wat zijn die koralen fraai! Zie, ze groeien als jonge boomen onder het
+water.--Ha, daar is een bloem, die op de rots uit het water opschiet."
+
+"Raak haar eens met den vinger aan, Willem," sprak Flink.
+
+Willem deed dit, en de bloem, gelijk hij haar noemde, sloot zich
+oogenblikkelijk.
+
+"Hoe, wat is dat? Het is vleesch en leeft!"
+
+"Dat is het ook. Ik heb ze vroeger meer gezien; men noemt ze, meen ik,
+zee-anemonen, doch ik kon nooit te weten komen, of het schelpdieren
+zijn of niet. De natuur is toch bewonderenswaardig! Maar laat ons
+nu die landtong eens opgaan en zien, of wij ook een doorgang door
+de riffen vinden kunnen. De zon gaat onder en wij hebben nu nog maar
+één uur licht. Vooraf moeten wij ook nog eene slaapplaats opzoeken."
+
+"Maar wat is dat?" riep Willem en wees naar het zand;--"dat ronde,
+zwarte ding?"
+
+"Iets, dat ik blij ben hier te zien; eene schildpad. Zij komen om
+dezen tijd tegen den avond aan land, om hare eieren te leggen, die
+zij onder het zand begraven."
+
+"Kunnen wij haar niet vangen?"
+
+"O ja; als wij haar slechts stilletjes naderen. Maar vooral moogt
+gij haar niet in den rug komen, want dan werpt zij met haar staart
+en hare achterpooten of vinnen zulk een wolk van zand over u heen,
+dat gij er blind van wordt en zij gemakkelijk kan ontsnappen. Om
+deze beesten te vangen, moet men hen van boven aanvatten en bij een
+der voorvinnen op den rug omwentelen. Dan kunnen zij zich niet meer
+bewegen en blijven stil liggen."
+
+"Laat ons het dan eens met deze hier beproeven."
+
+"Dat zou zeer onverstandig zijn, mijn beste Willem, daar wij het beest
+toch niet mee kunnen nemen en het morgen in de hitte sterven zou,
+zonder dat iemand er dienst van had. Men mag geen schepsel doelloos
+van het leven berooven, en zoo wij nu deze schildpad vermaakshalve
+dooden wilden, kon het licht gebeuren, dat wij een andermaal, als
+wij ze noodig hadden, er geen vonden."
+
+"Dat had ik niet bedacht, Flink. Als wij eens hier wonen, kunnen wij
+ze, hoop ik, zoo dikwijls vangen, als wij verkiezen."
+
+"Neen, dat is niet waarschijnlijk; zij komen alleen gedurende den
+broeitijd aan land. Maar wij willen ergens een schildpadvijver
+aanleggen, die uit zee frisch water krijgt en waaruit zij ons niet
+weder ontsnappen kunnen. Die wij dan vangen, zetten wij in den vijver
+en halen ze er uit, zoo dikwijls wij lust hebben."
+
+"Dat is een zeer goed plan," antwoordde Willem.
+
+Onder zulke gesprekken vervolgden zij hunne wandeling. Zij moesten zich
+met moeite een weg banen door het struikgewas, dat verder den landtong
+op steeds dichter werd, en stonden weldra op den uitersten uithoek.
+
+"Wat is dat daar ginder?" riep Willem en wees met de hand naar de
+rechterzijde.
+
+"Dat is een tweede eiland, Willem, en ik ben zeer verheugd het te
+zien, ofschoon 't al niet gemakkelijk te bereiken zal zijn, als
+wij eens genoodzaakt mochten worden dit eiland hier om gebrek aan
+water te verlaten. Echter is 't nog altijd mogelijk, dat dit ons
+gelukken kan. In allen gevalle is het een veel grooter eiland dan
+het onze," vervolgde Flink en mat met de oogen de uitgestrektheid
+van den gezichteinder, aan welks rand hij de toppen der boomen zien
+kon. "Kom nu, jonge kameraad; voor onzen eersten dag hebben wij ons
+redelijk goed gehouden. Ik ben vrij moe, en gij, dunkt mij, zult ook
+uwe beenen wel voelen. Laat ons dus omkeeren en naar eene rustplaats
+voor den nacht omzien."
+
+Zij keerden naar den zoom van het kokosbosch terug. Daar pakten zij
+eenige hoopen dorre bladeren opeen en bereidden zich daaruit een
+zachte legerstede onder de boomen.
+
+"Nu nog een teugje water gedronken en ons dan tot rusten neergelegd,"
+zeide de oude man. "Zie de lange schaduw, Willem, die de boomen in
+de zon werpen! Binnen een paar minuten zal deze geheel onder zijn."
+
+"Mag ik onzen honden nu water geven? Zie eens, de arme Remus heeft
+de tong uit den bek hangen en lekt aan de flesschen,--zoo'n dorst
+heeft hij."
+
+"Neen, neen, zij krijgen nu niets. Gij zult dit hard vinden, maar het
+moet zoo wezen. Morgen kunnen wij de scherpe zintuigen dezer dieren
+noodig hebben: hun dorst zal hun dan dubbel oplettend maken en kan
+ons van groot nut zijn. Wij weten nooit, welk lot ons boven het
+hoofd hangt. Had gij voor eene maand wel gedacht, dat gij u nu in
+'t gezelschap van een oud man op dit eiland bevinden en daar onder
+den blooten hemel slapen zoudt? Als iemand u dat toen voorspeld had,
+zoudt gij het nooit geloofd hebben. En nu goeden nacht, mijn jongen!"
+
+
+
+
+
+
+
+ZESTIENDE HOOFDSTUK.
+
+WATER.
+
+
+Willem sliep zoo goed, alsof hij op het zachtste bed en in een warm
+vertrek gerust had, en Flink insgelijks. Beiden ontwaakten eerst,
+toen de zon lang aan den hemel stond. De arme honden leden hevige
+dorst, en het deed Willem zeer aan het hart, te zien hoe zij huilend
+en bijna versmachtend met uitgestrekte tongen tot hem opkeken.
+
+"Hoe is 't Willem," vroeg Flink hem, "willen we, voordat we opbreken,
+ons ontbijt nemen, of zullen wij eerst eene wandeling doen?"
+
+"Flink, ik kan waarlijk zelf geen droppel drinken, ofschoon ik heel
+dorstig ben, voordat gij aan deze arme beesten een weinigje water
+geeft."
+
+"Ik heb medelijden met de arme stomme schepsels, zoo goed als gij,
+jongen, en geloof mij, het geschiedt niet uit onbarmhartigheid,
+maar integendeel tot hun eigen en ons aller best, dat ik hun dat
+nog onthoud. Laat ons dan maar dadelijk eens de ronde doen en zien,
+of wij niet ergens water vinden. Daar ginder bij die kleine kloof aan
+de rechterhand willen wij het eerst beproeven, en lukt het daar niet,
+dan gaan wij verder op en zien, waar het water gedurende den regentijd
+zijn afloop gehad heeft."
+
+De knaap keurde dit dadelijk goed. De honden volgden hen, en Flink
+had nog eene schop bij zich, die hij op den schouder droeg. Spoedig
+kwamen zij in de kleine laagte, waar de dieren den neus aan den grond
+brachten en hijgend rondsnuffelden.
+
+Het oog van den ouden man volgde aandachtig al hunne bewegingen,
+totdat zij zich eindelijk kreunend nederlegden.
+
+"Wij moeten verder gaan, Willem," zeide hij, in gedachten
+verzonken. Zoo naderden zij eene plaats, waar een afloop van het water
+scheen geweest te zijn; de honden snuffelden hier nog ijveriger rond.
+
+"Gij ziet, Willem, de arme dieren verlangen nu zoo geweldig naar
+water, dat zij het zeker oproepen, als het ergens voorhanden is,
+terwijl wij zonder hen nooit iets hadden kunnen vinden. Ik reken
+niet op eene openliggende wel, maar daarom is het toch wel mogelijk,
+dat hier of daar onder den grond water verborgen zit. Dit gedeelte
+van het strand is niet ver genoeg van zee verwijderd, anders zou ik
+hier in het zand daarnaar graven."
+
+"In het zand! Zou dat dan niet zout smaken?" vroeg Willem.
+
+"Op behoorlijken afstand van het zeestrand niet: want gij moet weten,
+mijn jongen, dat het zand al langzamerhand het zeewater reinigt,
+zoodat men, als de zandige oever breed is, op punten, die het verst
+van het hoogste zeepeil af liggen, bij opgraving dikwijls zoetwater
+vindt, dat wel wat ziltig, maar toch goed om te drinken is. Ik wou
+wel, dat deze omstandigheid onder de zeelieden beter bekend was,
+dan zij werkelijk is;--menig brave jongen zou daardoor een langzamen
+marteldood ontgaan zijn. Er is niets vreeselijkers dan gebrek aan
+water te lijden. Ik weet wat het is op een pintje elken dag bepaald
+te zijn en hoop dat nooit weer te ondervinden."
+
+"Zie eens, Flink, hoe druk Romulus en Remus met hunne pooten daar
+omlaag den grond opkrabben."
+
+"Den Hemel zij dank, mijn goede Willem; gij weet niet, wat blijde
+tijding gij mij daar verkondigt, want om de waarheid te zeggen,
+begon ik mij al ernstig ongerust te maken."
+
+"Maar waarom wroeten zij dan toch zoo?"
+
+"Wel omdat daar water is. Nu ziet gij, hoe goed het was, dat wij hen
+eenige uren dorst lieten lijden: 't is waarschijnlijk ons aller behoud,
+daar wij eene wel moesten vinden of anders het eiland verlaten. Wij
+zullen de dieren nu met de schop helpen, en spoedig zullen ze drinken
+hebben in overvloed."
+
+De oude man ijlde op de plaats toe, waar de honden nog altijd met
+wroeten voortgingen. Zij waren tot den vochtigen bodem gekomen
+en werkten zoo ijverig, dat Flink moeite had hen van de stee te
+verdrijven, om zelfs de spade te kunnen gebruiken. Hij had pas twee
+voet diep gegraven, of het water begon te borrelen, en in minder
+dan vijf minuten was er reeds zooveel voorhanden, dat de honden naar
+hartelust drinken konden.
+
+"Zie eens, Willem, hoe hen dat verkwikt. Dit was het eenige, dat ons
+ontbrak: maar ook iets, dat onontbeerlijk is. Thans hebben wij alles,
+wat wij op dit eiland wenschen kunnen, en zoo wij maar tevreden zijn,
+moeten wij hier recht gelukkig worden,--ja, rijker dan menigeen, die
+zich afslooft om rijkdommen bijeen te schrapen en toch niet weet wat
+gebruik hij er van maken moet. Kijk, onze goede dieren hebben nu ten
+laatste ook genoeg,--en wat hebben ze zich kogelrond gedronken! Wat
+dunkt u, Willem, zullen we thans omkeeren en zien, dat wij wat te
+eten krijgen?"
+
+"Ja," antwoordde deze; "nu zal mij dat eerst recht smaken en wil ik
+ook weer een duchtigen slok water nemen."
+
+"Dit is hier een rijke bron, daar ben ik zeker van," zeide Flink,
+terwijl zij naar de plaats van hun nachtleger terugkeerden en hunne
+knapzakken onderzochten; "maar wij moeten haar hooger op onder de
+boomen nasporen, waar geen zon komt: daar hebben wij het water altijd
+koel en frisch en kan het niet opdrogen.--We zullen de handen vol
+werk krijgen, en dat voor maanden, indien we hier blijven willen. De
+plaats, waar we nu zijn, zal eene kostelijke gelegenheid wezen,
+om daarop ons huis te bouwen."
+
+Zoodra zij hun eenvoudig maal genuttigd hadden, stond de oude man
+weer op en zei:
+
+"Kom jongen, nu naar 't strand! Ik heb nog geen opening tusschen de
+klippen gevonden, en daar ons bootje altijd dezen kant van het eiland
+langs moet komen, dien ik toch te zien, of er niet een behoorlijke
+doortocht te vinden is. Het komt mij voor, dat de branding niet tot
+dat punt ginds reikt, en als daar een doorvaart is, mochten wij ons
+wel gelukkig rekenen."
+
+Aan den uithoek van de landtong gekomen, bevonden zij, dat Flink zich
+in zijn vermoeden niet had bedrogen. Het water was diep tot dicht aan
+het strand en vormde een kanaal van ettelijke roeden breedte. De zee
+was zoo effen, het water zoo glad en doorschijnend, dat zij tot op
+den rotsachtigen grond neerzien konden en de visschen in de diepte
+zagen zwemmen.
+
+"Zie eens," riep Willem en wees naar een punt op eenigen afstand in
+zee, "daar is een groote haai, Flink."
+
+"Ja, ik zie hem wel," antwoordde deze. "Hier in het rond zijn die
+zeker in menigte, en gij moet uiterst voorzichtig zijn, als gij in
+het water gaat. De haaien houden zich altijd aan lij van de eilanden
+op, en in plaats van den eenen, dien wij ginds vonden, toen Juno uw
+broertje baadde, kunt gij hier vijftig zien. Het eerste, waaraan wij
+thans denken moeten, is dat wij zoo schielijk mogelijk van de andere
+zijde hierheen zoeken te verhuizen."
+
+"Zullen wij vandaag nog teruggaan?"
+
+"Ik denk van ja, want hier kunnen wij toch niets doen, terwijl uwe
+moeder zeker reeds in angst en zorgen over u is. Het is nog geen
+middag, naar 't mij voorkomt, en wij hebben nog tijd genoeg vóór ons,
+daar wij nu een bekend pad gaan en ons niet met merken en zoeken
+hebben op te houden. Onze bijlen en de schop kunnen wij hier laten;
+ze mee terug te sleepen zou vergeefsche moeite zijn. Het geweer zal
+ik bij mij houden, want ofschoon niet waarschijnlijk, kan dat toch
+te pas komen. Eerst zullen wij nog eens teruggaan en zien, of onze
+wel goed water geeft, en dan trekken wij op."
+
+Het strand langs gaande, zagen zij vele zeevogels, die dicht om
+hen heen fladderden. Plotseling kwam een zwerm visschen in bonte
+verwarring op den oever schieten; haar volgden eenige grootere, die
+nu ook op het drooge lagen en naar water snakten, totdat de zeevogels
+op eens dicht voor de beide wandelaars neerstreken, de visschen in
+hunne klauwen oppakten en met die prooi ijlings wegvlogen.
+
+"Dat is toch vreemd," riep Willem verwonderd.
+
+"Ja, Willem, dat is het werkelijk. Maar daaraan kunt gij zien, hoe
+het in de wereld gaat: de kleine visschen werden door de grootere
+gejaagd en vluchtten in hunne angst op den oever. Die grootere waren
+zelve zoo begeerig, dat ook zij aan land kwamen, en toen schoten de
+vogels toe en pakten groot en klein op. Daar ligt een goede leering
+in, Willem: als men iets te driftig najaagt, stort men zich licht
+blindelings in gevaar."
+
+"Maar de kleine visschen hadden toch niets, dat zij najaagden."
+
+"Neen, ik bedoelde daarmee de grootere slechts;--bij de kleine was
+het hier van den regen in den drop, zooals het spreekwoord zegt. Maar
+laat ons nu naar de wel gaan."
+
+Zij vonden het gat, dat Flink gegraven had, geheel met water gevuld,
+en toen zij dit proefden, was het volmaakt zoet en aangenaam van
+smaak. Zeer verheugd over deze ontdekking, legden zij de dingen, die
+zij wilden achterlaten, onder de gemerkte kokosboomen neer, dekten
+er eenige takken en bladeren overheen en namen toen met hunne honden
+de terugreis aan naar de kleine bocht.
+
+
+
+
+
+
+
+ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
+
+STORM AAN LAND.
+
+
+De teekens, die zij den vorigen dag gemaakt hadden, volgende, kwamen
+onze landontdekkers zeer spoedig door het woud en waren binnen twee
+uren dicht aan den uitgang, terwijl zij op den heenweg bijna acht
+uren hadden noodig gehad, om denzelfden afstand af te leggen.
+
+"Ik voel den wind al, Flink," zeide Willem, "en wij moeten het bosch
+nu bijna ten einde zijn. Het komt mij voor, dat het zeer donker is."
+
+"Dat heb ik daar ook al gedacht," antwoordde de oude man, "en 't zou
+me niet verwonderen, dat er weer een storm in aantocht was. We moeten
+ons dus haasten, daar uwe moeder zeker ongerust zal zijn."
+
+Het waaien en schudden der boomtakken, nu en dan eene windvlaag,
+waarop een zonderling gehuil en gekraak volgde, dit alles overtuigde
+hem spoedig, dat er werkelijk een storm te vreezen was; en toen zij
+uit het bosch traden, zagen zij den hemel, zoover hun oog reikte, met
+een donkere loodkleur overtrokken en van het vroolijk glanzend blauw,
+waarin hij zich tot hiertoe vertoond had, was geen spoor meer overig.
+
+"Daar komt inderdaad een storm, en dat met volle zeilen," zeide Flink
+bij het verlaten van het woud. "Schielijk naar de tenten, jongen; wij
+moeten zorgen, dat alles zoo zeker zij, als wij het met mogelijkheid
+maken kunnen."
+
+De honden liepen vooruit en hun geblaf lokte mijnheer Wilson en
+Juno naar buiten, die zoodra zij de beide aankomenden zagen, aan de
+moeder, die met de kinderen binnen was gebleven, het afgesproken
+teeken gaven. Een oogenblik later lag de knaap in de armen zijner
+hoogst verheugde moeder.
+
+"Ik ben blij, dat gij terug zijt, Flink," sprak mijnheer Wilson en
+schudde hem de hand, nadat hij Willem omhelsd had; "want ik vrees,
+dat er boos weer ophanden is."
+
+"Dat is zeker," antwoordde Flink, "en wij moeten ons op een
+stormachtigen nacht voorbereiden. De hemel ziet er wezenlijk
+schrikwekkend uit. Het zal een van de stormen zijn, die gewoonlijk
+den regentijd voorafgaan. Intusschen brengen wij u goede tijding,
+mijnheer, en moeten dit als eene aansporing beschouwen, om onze
+verhuizing zooveel mogelijk te verhaasten. Na dezen storm zullen wij
+eene maand of daaromtrent goed weder hebben, misschien nu en dan
+eens met een kleinen storm daartusschen. Daartoe moeten wij thans
+terdeeg aan het werk; en als gij 't goed vindt, mijnheer, zullen wij
+nu dadelijk den eersten noodigen maatregel van voorzorg nemen en naar
+het strand gaan, gij, Juno, Willem en ik. Daar moeten wij onze boot,
+zoover wij kunnen, op het drooge sleepen, want de zee zal hoog gaan
+en spoedig zal die boot onzen voornaamsten steun uitmaken."
+
+Flink ging nu de einden der tentsparren afzagen, ten einde ze onder
+de kiel der boot te leggen en zoo als rollen te gebruiken, en daarop
+daalden alle vier van den oever af. Met gezamenlijke krachten gelukte
+het spoedig, de boot hoog op tusschen de struiken te sleepen, waar
+Flink haar inderdaad ten volle in zekerheid verklaarde.
+
+"Ik was eigenlijk voornemens, zonder uitstel aan het oplappen er van
+te gaan," zeide hij: "maar nu moet ik wachten, tot de storm voorbij
+is. Ook had ik gehoopt, nog eens aan boord te zullen kunnen gaan,
+om nog eenige dingen te halen, die mij later invielen dat ons nuttig
+konden zijn, en dan te zien, of onze arme koe nog in leven is; maar
+ik vrees zeer," vervolgde hij, naar de lucht ziende, "dat wij het
+wrak van De Vrede nooit weer betreden zullen. Hoor het loeien van den
+opkomenden storm, mijnheer; zie, hoe de zeevogels rondfladderen en
+krassen, alsof ze ons onheil te voorspellen hadden! Doch we mogen
+niet te lang dralen, mijnheer;--de tenten moeten steviger worden
+vastgemaakt, zoodat ze tegen de windstooten bestand zijn, want het
+zou een leelijk ding voor mevrouw en de kleinen zijn, als ze eens
+onverwacht werden opgenomen en naar den boschkant heengeblazen."
+
+Toen zij bij de tenten terugkwamen, vonden zij den kleinen Thomas,
+die met veel deftigheid op hen toetrad.
+
+"Ei, dag, Thomas;--hoe gaat het u?" vroeg Willem.
+
+"O, heel goed; ik ben wel en moeder ook; gij hadt gerust weg kunnen
+blijven; ik zorg voor hen allemaal."
+
+"Daar twijfel ik geen oogenblik aan, mijn beste jongen; gij zult wel
+goed voor alles gezorgd hebben," gaf Flink ten antwoord. "Nu moet gij
+ons helpen, om zeildoek en touw bijeen te zoeken, opdat wij den regen
+beletten in moeders tent te dringen. Zoo, geef mij de hand maar en
+kom mee; wij zullen 't aan Willem overlaten, aan moeder te vertellen,
+wat wij onderwijl gedaan hebben."
+
+Met de hulp van mijnheer Wilson pakte Flink stukken zeildoek en touwen,
+zooveel hij noodig had, bijeen en begon die als een dubbel dek tot
+beschutting tegen den regen over de tenten uit te spreiden. Het
+linnen werd door middel van stevige lijnen en koorden aan de boomen
+vastgemaakt, om te verhinderen dat de tenten omverwoeien, terwijl Juno
+gebruikt werd om de greppel, die reeds om de tenten heen liep, met
+eene schop nog verder uit te diepen, zoodat het water een behoorlijken
+afloop had. Zij werkten ijverig door, totdat alles verricht was,
+en zetten zich toen tot het gebruiken van een eenvoudigen maaltijd
+neder. Al voortarbeidende, had Flink mijnheer Wilson zijne ontdekkingen
+op het jongste verkenningstochtje meegedeeld, en allen hadden hartelijk
+gelachen, toen hij het avontuur met de varkens vertelde.
+
+Na het ondergaan der zon werd het weder nog dreigender. De wind
+blies reeds hevig, de rotsige bocht werd door de golven gezweept en
+was met wit schuim overdekt, terwijl de branding woest brulde, zoo
+dikwijls zij over het zand van den oever brak. De geheele familie,
+met uitzondering van Flink, was te bed gegaan; deze had gezegd, het
+weer nog een weinig te willen afwachten, voordat hij zich ter ruste
+legde. De oude man ging naar den oever en zette zich op den rand van
+de boot, die zij daar straks eerst tusschen de struiken in veiligheid
+gebracht hadden. Hier bleef hij zitten en liet het scherpe grijze oog
+rondgaan in de verte, die slechts ééne dichte donkere massa vormde,
+waarin alleen het witte schuim van het water nu en dan enkele flauwe
+lichttinten wierp.
+
+Nog niet lang had hij daar in gedachten verdiept gezeten of een
+vurige bliksemstraal benam den ouden man voor een korten tijd het
+gezicht. "De storm zal weldra zijne volle hoogte bereikt hebben," dacht
+hij. "Ik zal naar de tenten gaan en zien, of die het tegen den wind
+uithouden kunnen." Hij nam den terugweg aan, en nu begon de regen in
+stroomen neer te plassen en bulderde de wind met verdubbelde woede. In
+weinige minuten nam de duisternis zoodanig toe, dat hij het pad naar
+de hoogte slechts met moeite vinden kon. Hij keerde zich in 't rond,
+doch kon niets zien, daar de regen hem de oogen verblindde. Daar hij
+toch niets doen kon, liep hij de tent in, om daar te schuilen, maar
+legde zich niet neer, in de verwachting dat zijn bijstand misschien
+spoedig zou vereischt worden. Hoewel al de overigen te bed waren
+gegaan, hadden slechts Thomas en de beide kleinen zich ontkleed,
+doch vader, moeder, Willem en Juno zich gekleed en al ter ruste gelegd.
+
+
+
+
+
+
+
+ACHTTIENDE HOOFDSTUK.
+
+NA REGEN VOLGT ZONNESCHIJN.
+
+
+De storm woedde nu met geweld en bliksem en donder wisselden elkaar
+onophoudelijk af. De kinderen werden wakker en hieven een luid gejammer
+aan, totdat het eindelijk gelukte hen tot bedaren en weder in slaap
+te brengen. De wind loeide verschrikkelijk en stond met zijn volle
+kracht op de tenten, waar de regen kletterend op neer sloeg. Het
+eene oogenblik werd het linnen binnenwaarts gedrukt en schuurden en
+kraakten de touwen, alsof zij dadelijk in stukken zouden springen; dan
+weder dreef de tegenovergestelde luchtstroom het fladderende zeildoek
+naar buiten, terwijl de regen reeds op onderscheidene plaatsen begon
+door te dringen. Het was stikdonker en de woede der elementen scheen
+eindelijk haar toppunt te hebben bereikt. Gelijk wij vroeger gezegd
+hebben, was mevrouw Wilson's tent niet zoover van het strand verwijderd
+als de tweede later opgerichte en stond dus ook meer aan den wind
+blootgesteld. Tegen middernacht scheen de gansche natuur in oproer
+te geraken. Op eens hoorden de mannen een luid gekraak, dat dadelijk
+door het noodgeschrei van mevrouw Wilson en Juno gevolgd werd. De
+tentprikken waren uit den grond gerukt en de verschrikte vrouwen zoo
+op eenmaal van alle dak en beschutting beroofd. Terstond vloog de oude
+man naar buiten en Willem en zijn vader volgden hem op den voet. De
+wind was zoo sterk, de regen sloeg hun zoo heftig in het gezicht en
+de nacht was zoo donker, dat zij alle krachten noodig hadden, om de
+vrouwen en kinderen uit de omvergeworpen tent te bevrijden. De kleine
+Thomas was de eerste, dien Flink beet kreeg. Zijn moed was geheel weg,
+hij gilde van angst en was niet tot bedaren te brengen, Willem nam
+zijn broertje Albert op den arm en droeg hem in de andere tent, waar
+Thomas in zijn doornat hemd op den grond omkroop en de jammerlijkste
+klaagtonen liet hooren. Juno, mevrouw Wilson en de kleine Caroline
+werden het laatst onder de tweede tent in veiligheid gebracht. Gelukkig
+had niemand zich bezeerd, maar allen waren doodelijk ontsteld en de
+kleine schreide en snikte luid, wat echter nauwelijks gehoord werd,
+daar het loeien der zee en het bulderen der windvlagen alle andere
+geluiden geheel verdoofde. Het was een lange vreeselijke nacht,
+dien men zoo in angst en zorg doorbracht, tot eindelijk de lang
+gewenschte morgen aanbrak. Met de eerste schemering verliet Flink de
+tent en bevond tot zijne geruststelling, dat de storm reeds zijne
+woede had uitgeput en merkbaar aan het afnemen was. Nochtans was
+het heden niet zulk een heldere vroolijke morgen, als waaraan zij
+sinds hunne landing op het eiland gewoon waren; de hemel stond nog
+dreigend, en zwart en wild dreven de wolken daaraan rond; de zon bleef
+onzichtbaar en niet een enkel plekje blauw was door de nevelachtige
+atmosfeer te bemerken. Het regende nog voortdurend, ofschoon niet
+sterk meer, en de grond was doorweekt en glibberig. De kleine baai,
+die nog den avond te voren een zoo stil en vreedzaam aanzien had,
+was thans door wildschuimende en loeiende golven opgevuld en de
+branding sloeg ver over het strand heen. De gezichteinder was mistig en
+onduidelijk; men kon den hemel niet van het water onderkennen en het
+gansche eiland scheen in een wijden kring van wit spattend zeeschuim
+besloten. Flink wendde zijne oogen naar de plaats, waar het schip op
+de riffen had vastgezeten. Daar was niets meer te zien,--het wrak
+was op eens verdwenen! slechts hier en daar zag men er de planken
+en luiken van, die met alles, wat in het ruim geborgen was geweest,
+overal ronddreven of nog in de woeste branding het strand beurtelings
+naderden en ontvloden.
+
+"Ik dacht wel, dat het zoo gaan zou," zeide Flink tot mijnheer Wilson,
+die hem gevolgd was, om eens naar het schip om te zien; "zie maar,
+de storm heeft het geheel in splinters geslagen. Dat kan ons tot
+aansporing zijn, om hier niet langer te blijven. Wij moeten van 't
+goede weer, dat wij voor 't invallen van den regentijd waarschijnlijk
+nog hebben zullen, zooveel mogelijk partij trekken en mogen volstrekt
+geen tijd verliezen."
+
+"Ik ben dat volkomen met u eens, Flink," antwoordde mijnheer
+Wilson.--"Dat daar is ook eene aanmaning om spoed te maken," en hij
+wees naar de door den wind omvergeworpen tent. "Het is wezenlijk een
+geluk, dat geen van de onzen daarbij letsel heeft bekomen."
+
+"Ja, waarlijk, mijnheer; maar de storm is nu gebroken en morgen zullen
+wij weer mooi weer hebben. Laat ons nu eens gaan opnemen, wat wij
+met de tent doen kunnen. Willem en Juno zullen in dien tusschentijd
+wel naar een ontbijt voor ons omzien."
+
+Met deze woorden gingen zij aan den arbeid. Zij voorzagen de tent
+opnieuw van stevige prikken en touwen en brachten haar weldra weder
+in behoorlijken staat, behalve dat de bedden en dekens nog doornat
+waren en in den wind moesten worden te drogen gehangen. Nadat dit
+gedaan was, zetten zij zich neder tot het ontbijt, waartoe Juno hen
+juist was komen roepen.
+
+"Voor 't oogenblik kunnen wij weinig meer doen, mijnheer," zeide
+Flink. "Tegen den avond zal het linnen zoo nat niet meer zijn, en dan
+zullen wij er beter mee kunnen omgaan. Eindelijk zie ik eene opening
+in de wolken, die spoedig ander weer belooft; de storm was ook al te
+hevig, om heel lang aan te houden. En nu," vervolgde hij, "willen we
+nog eerst al onze krachten inspannen, om de aangespoelde goederen
+te redden, die, als ze te lang omdrijven, tegen de rotsen worden
+stukgeslagen. Juno kunnen wij daarbij missen, en ik hoop, dat wij
+ons ook zonder den braven Thomas wel redden zullen. Het is beter, dat
+hij bij moeder blijft en zorgt, dat haar hier geen ongeluk overkomt."
+
+Thomas was echter door het gebeurde van dien nacht nog geheel uit
+zijn humeur en verkoos boe noch ba te zeggen.
+
+
+
+
+
+
+
+NEGENTIENDE HOOFDSTUK.
+
+DE WONDEREN DER NATUUR.
+
+
+Weldra stonden zij aan het strand. Flink had onder den reeds geborgen
+voorraad een stevig, lang touw opgezocht en daarmede werden nu de
+tonnen en wat meer nog van het verbrijzelde schip door de golven
+werd aangespoeld, vastgebonden en zoover mogelijk op het drooge
+gesleept. Dit werk hield hen gedurende het grootste gedeelte van
+den dag bezig en nog hadden zij niet het vierde deel der goederen
+bijeengebracht, die zich binnen hun bereik ophoopten behalve nog de
+menigte van gereedschappen, die buiten op de zee en aan den ingang
+der bocht omdobberden.
+
+"Kom mijnheer," zeide Flink eindelijk, "voor vandaag hebben wij onze
+taak verricht. Morgen zullen wij nog meer kunnen uitvoeren, want de zee
+wordt nu reeds weer effen en de zon komt van achter gindsche wolken
+te voorschijn. Wij moeten nu ook voor onze maag zorgen en dan zien,
+hoe wij ons dezen nacht het best behelpen kunnen."
+
+De eene tent, die door den storm was verschoond gebleven, werd aan
+mevrouw Wilson en hare kinderen afgestaan en de andere, zoo goed het
+geschieden kon, weer inderhaast hersteld. Het beddegoed was nog op
+verre na niet droog, en dus nam men zijne toevlucht tot eenige zeilen,
+die dieper in het bosch minder van den regen hadden te lijden gehad,
+en spreidde die op den grond uit, om er de vermoeide leden gedurende
+den nacht op uit te strekken.
+
+Den volgenden morgen scheen de zon helder en vroolijk. De lucht was
+geurig en frisch; een zacht windje speelde over het water en er was
+bijna in het geheel geen branding meer. Voortdurend werden allerlei
+overblijfselen van het wrak door den wind aan land gebracht; vele
+goederen waren gedurende den nacht langs het strand opeengehoopt en
+bij eene menigte andere had men slechts geringe moeite noodig om ze
+geheel in veiligheid te brengen. Het scheen wel dat de stroom des
+waters recht op de bocht stond, want van de voorwerpen, die eerst
+buiten in de zee hadden omgedreven, kwamen nu de meeste van lieverlede
+in deze richting aan land gespoeld. De beide mannen werkten tot aan
+het uur van het ontbijt door en hadden toen een aantal tonnen, vaten
+en kisten aan den oever gehaald.
+
+Dadelijk na het ontbijt keerden zij naar de baai terug om hun arbeid
+voort te zetten.
+
+"Zie eens, Flink, wat is dat?" vroeg Willem, die bij hem was en op
+een zwart punt wees, dat langzaam kwam aandrijven.
+
+"Dat is onze arme koe; en als gij nauwkeuriger toeziet, zult gij ook
+de haaien bemerken, die op het kreng azen. Ziet gij wel?"
+
+"O ja, duidelijk en wat een menigte zijn er!"
+
+"Er zijn er zeker genoeg om twintig koeien te verslinden; en wees
+dus maar voorzichtig, Willem als gij in het water gaat, en pas op,
+dat Thomas er niet te dicht bij komt, want de haaien geven om geen
+ondiepte, als ze een buit voor zich zien.--Maar nu moet ik u beiden
+overlaten nog zooveel van het wrak te redden, als gij kunt, terwijl ik
+onze boot nazie en haar weer in orde breng. Wij zullen haar binnenkort
+noodig hebben, en hoe eer wij haar gebruiken kunnen, des te beter."
+
+De oude man ging het gereedschap halen, dat hij tot herstelling van
+de boot noodig had. Inmiddels verzamelden vader en zoon ijverig de
+verschillende voorwerpen, die aan het strand spoelden, en rolden de
+vaten zoo ver opwaarts, als zij konden. De houten en balken van het
+schip lieten zij aan het spel der golven over, omdat zij daarvan reeds
+zulk een voorraad bijeen hadden, als voor den eersten, ja voor langen,
+langen tijd toereikend kon geacht worden.
+
+Daar Flink zekerlijk eenige dagen noodig zou hebben, om de boot weder
+waterdicht en bruikbaar te maken, besloot mijnheer Wilson nu ook op
+zijne beurt eens met Willem naar de andere zijde van het eiland te
+gaan; en daar zijne vrouw er geen bezwaar in vond met Flink en Juno
+alleen te blijven, begaven beide zich den derden dag na den storm
+al vroegtijdig op weg. Willem ging vooruit en richtte zich naar de
+teekenen, die op de kokosboomen te zien waren. In twee uren tijds
+hadden zij ditmaal de plaats hunner bestemming bereikt.
+
+"Is het hier niet schoon, vader?" riep Willem uit.
+
+"Ja, heerlijk, verrukkelijk, mijn beste jongen," was het antwoord.
+
+"Ik kon mij bijna niets fraaiers voorstellen dan het plekje op de
+andere zijde van het eiland, waar wij tot hiertoe woonden, maar dit
+overtreft het nog zoowel in verscheidenheid als in uitgestrektheid."
+
+"En nu moeten wij eens naar de wel gaan zien, vader," vervolgde Willem
+en wees den weg dien zij hadden in te slaan.
+
+De door Flink gegraven kuil en de geheele holte, waarin deze gelegen
+was, stond tot overvloeiens vol en bevatte het heerlijkste water. Na
+zich hiervan overtuigd te hebben, wandelden zij het strand langs naar
+de zandige baai en zetten zich daar op eene koraalklip neder.
+
+"Wie had ooit gedacht, Willem," begon de vader, "dat dit eiland
+met zoovele andere, die in menigte in den Stillen Oceaan verstrooid
+liggen, zijn ontstaan aan kleine nietige insecten kon te danken hebben,
+die nauwelijks zoo groot als eene speldeknop zijn!"
+
+"Insecten, vader?" riep de knaap uit.
+
+"Ja! insecten. Geef mij dat stukje dood koraal eens. Ziet gij die
+honderden ronde kleine gaatjes in elk takje, tot zelfs in het kleinste
+toe? Verbeeld u nu, in ieder dier kleine openingen woonde eens een
+zee-insect, en naarmate die insecten aangroeiden, groeiden ook de
+takken der koraalboomen uit."
+
+"Ja, dat begrijp ik wel. Maar hoe kan men weten, dat dit eiland door
+hen gemaakt is? Zoo iets gaat mijn begrip geheel te boven."
+
+"En toch is het waar, Willem, dat genoegzaam alle eilanden in dit
+gedeelten van den oceaan door den arbeid en den wasdom dezer kleine
+dieren ontstaan zijn. Het koraal was aanvankelijk op den bodem der zee,
+waar het door wind en golven niet gestoord wordt. Al langzamerhand
+schiet het hooger op, tot het eindelijk bijna tot aan de oppervlakte
+des waters reikt. Dan is het juist als die klippen, welke gij ginds
+ziet, Willem, en van nu af wordt het door het geweld van wind en
+baren, die het gedurig afbrokkelen, in zijn groei belemmerd en kan
+zich daarom ook niet boven de zee verheffen; want als dit het geval
+werd, dan moesten de kleine dieren natuurlijk sterven."
+
+"Maar hoe ontstaat daar nog een eiland uit?"
+
+"Dat geschiedt slechts zeer langzaam en na verloop van veel tijd; ook
+hangt daarbij veel van het toeval af. Zoo kan b. v. een boomstam, die
+in zee omdrijft en misschien met schelpen en schaaldieren overdekt is,
+op de koraalriffen blijven vastzitten. Zoo iets zou een toereikend
+begin zijn, want het kon boven water blijven en de koralen aan de
+windzijde beschutten, tot zich een vlakke rots, van gelijke hoogte
+met de zee, had vastgezet. De zeevogels zoeken gaarne eene plaats om
+uit te rusten. Zij zouden deze hier schielijk gevonden hebben en van
+hunne uitwerpselen moest dan na verloop van tijd eene kleine plek boven
+water ontstaan, waarop vervolgens ook nog andere drijvende voorwerpen
+konden blijven hechten. Over zee verwaaide landvogels vallen daarop
+neder en de in hunne maag bevatte zaadkorrels schieten, eens gevallen,
+tot struiken en boomen op."
+
+"Dat kan ik goed begrijpen."
+
+"Welnu dan; op die wijze is de eerste grondslag om het zoo eens te
+noemen tot een eiland gelegd, en eens zóóver, neemt dit ook spoedig
+toe, want thans zijn de koralen tegen den wind gedekt en groeien
+welig op. Merkt gij wel, hoe breed en hoog de koraalklippen op deze
+zijde van het eiland, waar stormvlagen en golfslag haar niet zoo deren
+kunnen, oprijzen, terwijl dit aan de windzijde, waar onze tenten staan,
+zoo geheel anders is? Evenzoo onttrekt die eerste kleine plek boven
+water de koraalgewassen aan den wind, en dan neemt het eilandje ras
+in wasdom toe; want de vogels rusten er niet alleen, maar nestelen
+er ook en broeden er jongen uit, zoodat de omvang van jaar tot jaar
+grooter wordt. Ten laatste komt dan nog eene kokosnoot op de golven
+aandrijven--en die vrucht is juist geschikt, om zich op zoo'n wijze
+voort te planten, want hare buitenste schil is hard en waterdicht
+en meteen zoo licht, dat ze op 't water drijft en daarin, zonder te
+verrotten, maanden kan blijven liggen. Zij schiet wortel, wordt een
+boom, die zijne breede takken telken jare verder uitbreidt en door
+zijn dorrend loof gedurig meer teelaarde om zich heen verzamelt. De
+rijpe noten vallen in deze vetten bodem, kiemen schieten op,--en zoo
+gaat het voort, jaar in jaar uit, totdat het eiland zoo groot en zoo
+dicht met boomen bezet is, als dat waarop wij nu op dit oogenblik
+staan. Is dat niet verwonderlijk?"
+
+"Hé, hoe merkwaardig!" antwoordde Willem.
+
+Eenige minuten na dit gesprek bleven vader en zoon zwijgend
+zitten. Toen stond de eerste op en zeide: "Kom, Willem, laat ons
+nu terugkeeren; wij hebben nog drie uren licht en willen tijdig
+thuis zijn."
+
+"Ja vooral vóór het avondeten, vader," antwoordde de knaap, "dat ik
+alle eer zal aandoen. Hoe eer wij er zijn, des te beter."
+
+
+
+
+
+
+
+TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+VERHUIZING NAAR DE OOSTZIJDE.
+
+
+Alles was nu zoover gereed, dat men zonder twijfel met het opbreken
+naar de lijzijde van het eiland beginnen kon. Flink had de boot bijna
+weder klaar; hij had haar geheel vernieuwd en daarbij nog van een mast
+en zeilen voorzien. Mijnheer Wilson en Willem gingen voort met het
+verzamelen van goederen, die nog voortdurend werden aangespoeld, en
+kozen bij voorkeur dezulke, die in de open lucht aan bederf onderhevig
+zijn. Al wat zij van dezen aard vonden, werd naar het kokosboschje
+gebracht, om het althans aan de hitte der zon te onttrekken, doch er
+werd dagelijks zulk een menigte van alles aan land geworpen, dat zij
+nauwelijks wisten, wat zij al bijeen hadden. Echter versmaadden zij
+niets, maar borgen de eene kist na de andere en wachtten op eene andere
+gelegenheid om den inhoud er van te onderzoeken. Ten laatste droegen
+zij het verzamelde op groote hoopen en bedekten die behoorlijk met
+zand, daar het in den korten tijd, die hun overig bleef, onmogelijk
+was de velerlei goederen van het strand weg te brengen.
+
+Ook mevrouw Wilson, die nu weer volkomen hersteld was, en Juno bleven
+niet werkloos. Zij hadden al het noodige zoo goed zij konden in
+pakken saamgebonden, om het gemakkelijk naar de nieuwe woonplaats te
+kunnen overbrengen. Op den achtsten dag na den storm waren allen met
+hun werk gereed en nu werd ten besluite eene groote raadsvergadering
+gehouden. Men kwam overeen, dat Flink het beddegoed en het zeildoek
+van de eene tent in de boot pakken en Willem op zijne eerste vaart
+medenemen zou. Na dit vervoerd te hebben, zou hij terugkeeren, om eene
+tweede vracht te laden, en dan moest de familie door het bosch naar
+de andere zijde van het eiland trekken en daar met den heer Wilson
+blijven, terwijl Flink met Willem de tweede tent ging halen. Daarna
+zou de boot nog zooveel reizen doen, als het weder toeliet, tot
+alles, wat men voor het begin noodig had, naar de nieuwe woonstede
+was overgebracht.
+
+Het was een lieve stille morgen, toen Flink en Willem met de zwaar
+beladen boot van land stieten. Zoodra zij buiten de bocht waren,
+trokken zij het zeil op en stevenden met gunstigen wind langs de kust
+voort. Binnen twee uren hadden zij de oostkust bereikt. De landtong,
+aan wier spits de doorgang door de klippen zich bevond, was geen mijl
+meer van hen verwijderd, en nu lieten zij het zeil vallen en roeiden
+in het kanaal, om in de zandige baai te landen.
+
+"Gij ziet, Willem, hoe gelukkig het voor ons treft, dat wij altijd
+een goeden wind zullen hebben, als wij met de bevrachte boot hierheen
+gaan, en slechts het leege vaartuig hebben terug te roeien."
+
+"Ja, dat treft heel gelukkig. Hoe ver zou het wel zijn van de bocht
+ginds tot aan dit gedeelte van het eiland?"
+
+"Zes of zeven mijlen, verder niet. Het eiland is lang en smal,
+zooals gij ziet. Laat ons nu ons boeltje aan land dragen, dan kunnen
+wij lang voor donker in onze bocht terug zijn. Uwe moeder zag niet
+bijzonder gaarne, dat gij andermaal op zee gingt, Willem;--ik heb
+dat wel bemerkt; en wij moeten dus niet lang uitblijven."
+
+De boot was spoedig gelost; doch het kostte meer tijd de goederen ver
+genoeg op het land te dragen. "Zulk een storm, als wij onlangs hadden,
+zullen wij hier denkelijk niet meer hebben uit te staan," zeide Flink;
+"want wij zijn daartegen door het kokosbosch in zijne gansche diepte
+gedekt. Van den wind zullen wij nauwelijks iets merken, maar des te
+meer van den regen, die in gansche stroomen op ons neerkomen zal."
+
+"Ik moet eens even naar onze bron gaan zien en er een goeden dronk
+uithalen," sprak Willem.
+
+"Doe dat; maar laat mij niet te lang in de boot wachten."
+
+Willem berichtte, dat de bron tot den rand toe vol was en hij in zijn
+leven geen zoo heerlijk water gedronken had. Daarop staken zij van
+wal en waren na ruim twee uren roeiens weder aan den ingang van de
+bocht, waar mevrouw Wilson met Thomas aan de hand op hen wachtte en
+hun reeds van verre met haar zakdoek toewuifde.
+
+Bij het aan land stappen ontvingen zij de gelukwenschen der gansche
+familie over den gunstigen uitslag van hunne eerste vaart, en allen
+waren blij, dat de afstand zooveel korter was, dan men aanvankelijk
+geloofd had.
+
+"Den volgenden keer ga ik mee," zei Thomas met veel deftigheid.
+
+"Alles op zijn tijd; als de jongeheer Thomas nog een weinigje grooter
+is," antwoordde Flink.
+
+"Massa Thomas komen mij help te melken de geit?" vroeg Juno.
+
+"Ja, ja, de geiten melken!" riep de kleine schelm en huppelde
+vroolijk heen.
+
+"Zoo altijd pekelvleesch en scheepsbeschuit moet u toch
+vervelen, mevrouw," zeide Flink, toen zij zich weder tot eten
+nederzetten. "Zoodra wij echter in ons nieuw verblijf zijn, hoop ik
+wel wat beter voedsel voor u op te doen. Tegenwoordig is het nog hard
+werk en harde kost."
+
+"Zoolang de kinderen er geen hinder van hebben, kan ik mij dat
+heel goed getroosten, ofschoon ik wel bekennen wil, dat ik na dien
+laatsten storm hartelijk verlang hier vandaan te komen, vooral na
+de verleidelijke beschrijving, die Willem mij van onze aanstaande
+woonplaats gegeven heeft. Het moet een waar paradijs zijn! Wanneer
+zullen wij opbreken, Flink?"
+
+"Niet vóór overmorgen, mevrouw; want, ziet gij, ik heb eerst nog eene
+tweede reis te doen, om het keukengereedschap en de bundels, die
+gij gepakt hebt, over te brengen. Als gij Juno morgen missen kunt,
+moet zij met Willem door het bosch gaan, en dan kunnen wij de eene
+tent voor u en de kinderen opzetten. Uw man kan dan achterblijven."
+
+"Zeer goed, Flink; en zou 't niet het best zijn, dat zij dan meteen
+de schapen en de geiten meenamen?"
+
+"Ik ben blij, mevrouw, dat gij daaraan gedacht hebt; wij kunnen
+daardoor vrij wat tijd besparen."
+
+
+
+
+
+
+
+EEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+FLINK EN WILLEM.
+
+
+De oude man had zijne boot reeds lang weder volgeladen en onder zeil
+gebracht, voordat de overige leden der familie nog op waren. Deze waren
+nog niet aangekleed, toen hij zijne gansche vracht reeds gelost had en
+zich vervolgens neerzette, om zijn ontbijt te nuttigen. Daarna droeg
+hij al de goederen naar de plek, waar hij eene tent wilde opslaan,
+en maakte hiertoe het noodige gereed, terwijl hij nog de komst van
+Willem en Juno wilde afwachten, die hem dan helpen konden om de staken
+vast te binden en het linnen daar overheen te trekken.
+
+Tegen tien uren 's morgens verscheen Willem met eene der geiten aan
+een touw, terwijl de overige los volgden. Na hem kwam Juno met de
+schapen, van welke zij er ook een vasthield; de andere hadden zich
+geduldig bij den trein aangesloten.
+
+"Daar zijn wij eindelijk," riep Willem lachend. "Wij hebben in het
+bosch de handen vol werk gehad, want die domme Nanni, de geit, liep
+altijd om de eene zij van den boom, als ik aan de andere was, zoodat ik
+het touw dan wel gedurig moest loslaten. Wij hebben de varkens ook weer
+ontmoet, en ge hadt eens moeten hooren, Flink, hoe Juno het uitgierde."
+
+"Ikke denken, dat wilde beest loopen in de bosch," zeide Juno. "O, wat
+ijselijk mooie plaats hier! Hier massaas zeker dolgraag wonen zullen."
+
+"Ja, het is wezenlijk eene heerlijke plaats, Juno; en hier kunt gij ook
+weer wasschen en plassen, en zult het water niet behoeven te ontzien."
+
+"Daar denk ik juist over, hoe wij ons gevogelte het best over zullen
+brengen," zeide Willem: "het is wel niet heel wild, maar laat zich
+toch niet opvangen."
+
+"Ik zal ze morgen meenemen, vriend Willem," zeide Flink.
+
+"Maar hoe zult gij ze in handen krijgen?"
+
+"Doodeenvoudig; men wacht, tot ze 's avonds op hun tak zitten, en
+dan kan men ze met de hand aanvatten, als men lust heeft."
+
+"En de duiven en de varkens laten wij in 't wild loopen, denk ik,
+en hun eigen kost zoeken?"
+
+"Zeker; het is het beste, wat wij met hen doen kunnen. De varkens
+zullen onder de kokosboomen altijd genoeg voedsel vinden en schielijk
+jongen in menigte krijgen."
+
+"En dan zullen wij hen schieten, niet waar?"
+
+"Ja, Willem, dat zullen wij, en ook duiven, wanneer die zich eerst
+genoegzaam vermeerderd hebben; zoodat wij, als wij hier zoolang
+blijven, in het vervolg ook onze vrije jacht zullen krijgen. Spoedig
+zullen wij behoorlijk van alles voorzien zijn en levensmiddelen
+in overvloed tot onze beschikking hebben; elk komend jaar zal ons
+rijker maken. Maar nu moet gij de tent helpen opslaan en ieder ding
+op zijn plaats brengen, zoodat uwe moeder bij hare komst alles recht
+gemakkelijk en netjes vindt. Zij zal wel zeer moe wezen, als zij hier
+komt; want de wandeling is voor haar een heel eind."
+
+"Moeder is veel beter, dan zij in lang geweest is," antwoordde
+Willem. "Ik hoop, dat zij spoedig weder volkomen gezond zal zijn,
+en dat wordt zij zeker, als zij hier maar een poosje gewoond heeft."
+
+"Wij hebben nog zeer veel werk voor ons, meer dan wij vóór den
+regentijd gedaan kunnen krijgen, en dat is waarlijk jammer, hoewel
+'t nu eenmaal niet te veranderen is. Vandaag over een jaar zullen
+wij alles hier beter in orde hebben."
+
+"Wel, wat hebben wij dan nog te doen, als onze tenten er eens staan
+en wij ons goed overgebracht hebben?"
+
+"In de eerste plaats moeten wij een huis bouwen, en dat zal ons vrij
+wat tijd kosten. Wij dienen ons te haasten, opdat het zoo schielijk
+mogelijk klaar kome. Dan moeten wij een kleinen tuin aanleggen en
+de zaden, die uw vader uit Engeland heeft meegebracht, in den grond
+brengen."
+
+"O, dat is een allerprettigst werk. Waar kan dat het best geschieden,
+Flink?"
+
+"Ik heb reeds naar eene geschikte plaats omgezien. Wij moeten dwars
+over die landtong eene omheining aanleggen en al het struikgewas met
+den wortel uitroeien. De grond is er opperbest."
+
+"En wat komt dan aan de beurt?"
+
+"Dan moeten wij een pakhuis aanleggen voor al den voorraad, dien wij
+verzameld hebben en die nog in het bosch en op het strand verstrooid
+ligt. Daar moeten wij alles laten, tot wij tijd hebben, om het te
+onderzoeken; en dan dienen wij te overleggen, hoevele reizen wij nog
+met onze kleine boot te doen hebben, om alles hierheen te brengen."
+
+"Ja, dat is alles waar. Valt er dan nog meer te doen?"
+
+"O, nog werk in overvloed! Wij moeten een vijver voor schildpadden
+een anderen voor visch aanleggen en eene badplaats voor Juno zoeken,
+waar zij de kinderen wasschen kan."
+
+"Ja, ja, en ikke mijzelf ook," zeide Juno.
+
+"Wel, dat is den moriaan gewasschen; ofschoon ik wel weet, Juno,
+dat gij een zindelijk meisje zijt, al is uwe huid ook niet heel
+blank.--Maar vooreerst, Willem, moeten we onze wel in goeden staat
+brengen, zoodat we altijd rijkelijk versch water hebben. En daar
+hebt ge nu werk genoeg en wel zwaar werk, althans voor een vol jaar,
+en hoe langer wij hier samenwonen, des te meer behoeften zullen wij
+langzamerhand ook ontdekken."
+
+"Nu, laat moeder en de kleinen maar eerst hier zijn, dan zullen wij
+dapper aan den gang gaan."
+
+"Ik wenschte van ganscher harte, dat alles reeds gedaan was, mijn beste
+Willem," vervolgde Flink. "In allen gevalle hoop ik nog lang genoeg
+te leven, om dat alles tot stand te zien gebracht. Ik zou u allen
+gaarne in onbezorgde omstandigheden achterlaten en met de zekerheid,
+dat gij u in het vervolg ook zonder mij goed kondet redden."
+
+"Maar hoe kunt gij zoo spreken, Flink? Gij zijt wel oud, maar daarbij
+toch gezond en sterk."
+
+"Nu nog wel, mijn goede jongen; maar gij weet, hoe onzeker het leven
+van den mensch is. Gij zijt jong en gezond en een lang leven schijnt
+voor u weggelegd, maar toch, wie kan zeggen, of gij niet misschien
+morgen reeds heengegaan en door vader en moeder bitter beweend zult
+worden? En zou ik, een oud man, die al zooveel moeite en ongemakken heb
+doorgestaan, dan nog op een lang leven rekenen? Neen--neen, Willem,
+dat ware in de jeugd dwaasheid, maar bij een grijsaard zwakheid en
+waanzinnigheid. En toch zou ik gaarne hier blijven, zoolang ik nog
+nuttig zijn kan, en dan, dunkt mij, als mijne taak ten einde is,
+kon ik in vrede de oogen sluiten. Ik verlang niet dit eiland ooit
+weer te verlaten en heb een soort van voorgevoel, dat mijn gebeente
+hier eens rusten zal."
+
+Een tijdlang werkten zij voort zonder een woord te spreken. Het
+linnen voor de tent werd uitgespannen en met prikken in den grond
+vastgeslagen. Eindelijk brak Willem het stilzwijgen af.
+
+"Flink, hebt gij mij niet eens gezegd, dat uw voornaam Masterman is?"
+
+"Ja, zoo is het ook, Willem."
+
+"Dat is toch een wonderlijke voornaam! Werdt gij misschien naar een
+ander zoo genoemd?"
+
+"Dat raadt gij goed; hij was een zeer rijk man, mijn peet."
+
+"Weet gij wat, Flink!--ik zou gaarne uwe geschiedenis eens hooren
+vertellen,--ik meen namelijk uwe gansche levenshistorie, van toen
+gij een kind waart af."
+
+"Nu, dat kan nog wel eens gebeuren, Willem, en waarlijk, er zijn vele
+voorvallen in mijn leven, die anderen wel tot eene goede leering konden
+dienen. Dat kan ik echter eerst doen, als wij met ons werk klaar zijn,
+nu is de tijd er te kostbaar toe."
+
+"Hoe oud zijt gij wel, Flink?"
+
+"Vier-en-zestig al ruim, mijn jongen. Dat is een hooge ouderdom voor
+een zeeman. Ik had ook geen dienst meer op een schip kunnen krijgen,
+als ik niet met verscheidene kapiteins zoo goed bekend was geweest."
+
+"Maar waarom zegt gij, een hoogen ouderdom voor een zeeman?"
+
+"Omdat de matrozen zelden zoo lang leven als andere lieden, deels
+wegens de ongemakken, die zij moeten doorstaan, deels ook door eigen
+schuld, omdat zij te veel sterke drank gebruiken. Daarbij zijn zij
+ook vaak zorgeloos, bekommeren zich al te weinig om hunne gezondheid,
+zoodat hunne levenskracht vroeger uitgeput raakt, dan dit op het
+vasteland gewoonlijk het geval is."
+
+"Maar gij gebruikt tegenwoordig immers geen sterke drank meer?"
+
+"Neen, nooit, Willem; maar in vroeger jaren was ik even dwaas als de
+anderen.--Kom, Juno, het wachten is alleen op u; breng de bedden eens
+hier. Wij hebben nog maar twee of drie uren tot onze beschikking. Wat
+zullen wij nu 't eerst aanvangen Willem?"
+
+"Zou 't niet goed wezen, dat wij terstond eene stookplaats zochten, om
+den pot te koken? Juno en ik konden daartoe de steenen wel aanbrengen?"
+
+"Gij toont overleg, mijn beste jongen;--juist datzelfde wou ik
+voorslaan, als gij het niet gedaan hadt. Ik zal morgen lang vóór
+u hier zijn en wel zorg dragen, dat gij bij uwe aankomst het eten
+gereed vindt."
+
+"Ik heb een flesch met water in mijn reiszak meegebracht," vervolgde
+Willem, "niet zoozeer om dat water, als omdat ik de geiten melken en
+de melk voor mijn kleine broertje meenemen wou."
+
+"Daar hebt gij braaf en broederlijk aan gedaan. Nu frisch aan 't
+werk! Terwijl gij met Juno steenen haalt, zal ik al het overige goed
+hier onder de boomen wegbergen."
+
+"Kunnen wij de schapen en geiten los laten loopen, Flink?"
+
+"Gerust; ge hebt niet te vreezen, dat ze zullen wegloopen. Het
+groene voeder is hier beter dan op de andere zijde van het eiland en
+daarbij overvloedig voorhanden. Geloof mij, ze zullen heel bedaard
+hier blijven."
+
+"Goed dan zal ik Nanni loslaten, zoodra Juno haar gemolken heeft;
+doch dat is vandaag ook ons laatste werk hier.--Laat ons nu eens zien,
+Juno, hoeveel steenen wij in één vracht dragen kunnen."
+
+Een uur later was de stookplaats gereed, had Flink zijne taak
+volbracht, waren de geiten gemolken en druk aan 't grazen en namen
+Willem en Juno den terugweg door het woud aan.
+
+Flink keerde naar het strand terug. Toen hij dat langs wandelde, zag
+hij eene kleine schildpad liggen. Behoedzaam sloop hij op haar toe,
+zoodat hij tusschen haar en het water kwam te staan, en toen greep
+hij haar plotseling aan en kantelde haar gelukkig op den rug om.
+
+"Ziezoo, dat is onze hoofdschotel voor morgen," zeide hij, terwijl
+hij in zijne boot klom. Met forsche handen greep hij de riemen aan
+en roeide naar de bocht terug.
+
+
+
+
+
+
+
+TWEE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+AANKOMST OP DE NIEUWE WOONPLAATS.
+
+
+Flink landde in de bocht, trok de boot aan wal en ging toen naar de
+tenten, waar hij het gansche gezelschap bij elkaar vond, aandachtig
+luisterende naar het verhaal, dat door Willem van de verrichtingen en
+ontmoetingen van dien dag gedaan werd. Bij Flinks komst werd dadelijk
+alles voor morgen afgesproken. Toen ging men slapen, en alleen de
+oude man en Willem bleven nog een poosje op, om de hoenders te vangen
+en hun de pooten saam te binden, zoodat men ze den volgenden ochtend
+gemakkelijk in de boot vervoeren kon.
+
+Vóór dag en dauw werden de kleinen gewekt en zoo schielijk mogelijk
+aangekleed, omdat Flink de tent, waarin moeder en kinderen geslapen
+hadden, in de boot wilde medenemen. Met uitzondering van dezen en
+van Thomas, die in de vrouwentent--gelijk men haar noemde--onder dak
+was, hadden de overigen onder den blooten hemel geslapen, op stukken
+zeildoek, welke men daartoe onder de dichte kokosboomen op den grond
+had uitgespreid. Wat was dat eene drukte en eene opschudding op dezen
+morgen! Alles kwam in rep en roer. Zoodra mevrouw Wilson gekleed was,
+werd de tent omvergehaald en met beddegoed en alle verder toebehooren
+in de boot geladen. Na een hartig ontbijt gingen ook borden, messen,
+lepels en andere kleinigheden scheep; toen legde Flink de hoenders
+daar bovenop, en in een ommezien was hij uit het gezicht.
+
+Een weinig later maakte zich ook het verdere gezelschap tot de reis
+door het kokosbosch gereed. Willem ging met de drie honden vooruit
+en wees den weg. Hem volgde zijn vader met Albert op den arm, Juno
+met de kleine Caroline, en eindelijk mevrouw Wilson met Thomas aan
+de hand, die volgens zijn zeggen, op zijne moeder passen moest. Met
+een weemoedig gevoel zeiden zij de plaats vaarwel, die hen na zooveel
+doorgestane gevaren het eerst had opgenomen. Nog eenmaal zagen zij
+naar de bocht en de overblijfsels van het wrak en de scheepslading, die
+naar alle zijden verstrooid lagen om en toen traden zij het woud in.
+
+Flink was in minder dan twee uren aan de nieuw gekozene verblijfplaats
+aangekomen en onverwijld aan land gestapt. Voordat hij zijne lading
+begon te lossen, wilde hij nog naar de schildpad zien, die hij den
+vorigen dag op het strand had omgekeerd. Hij vond het beest nog,
+gelijk hij het gelaten had, doodde het en wiesch het zorgvuldig af. Nu
+ging hij naar de nieuw aangelegde stookplaats, legde het vuur aan;
+vulde den ijzeren ketel met water en zette hem op het vuur te koken.
+
+Hierop sneed hij een stuk van de schildpad af en legde het met eenige
+sneden pekelvleesch in den ketel, dekte dezen en liet alles behoorlijk
+doorkoken. Het overschot van de schildpad hing hij in de schaduw op,
+waarna hij naar het strand terugkeerde, om eindelijk de lading uit
+de boot te brengen. Hij bond de arme hoenders los, welker pooten in
+den beginne heel stijf waren, doch die zich spoedig weer herstelden
+en toen terstond ijverig naar voeder rondzochten.
+
+Flink nam de schotels, messen, vorken en andere kleinigheden uit
+de boot en droeg ze naar de nieuwe tent, waarna hij naar het vuur
+omzag en nog meer hout onder den ketel legde. Vervolgens haalde hij
+het beddegoed en het linnen voor de tweede tent, benevens de staken,
+die hij achter aan de boot had vastgemaakt. Hij had bijna drie volle
+uren noodig om alles naar de nieuwe woonstede over te brengen, want
+deze lag eenigszins van het strand verwijderd en enkele dingen waren
+zwaar, zoodat de oude man hartelijk blij was, toen hij zijn werk
+verricht had en zich eindelijk kon neerzetten, om wat uit te rusten.
+
+"Me dunkt toch, het is haast tijd, dat zij komen konden," dacht Flink;
+"zij moeten nu al bijna vier uren onder weg zijn. Maar misschien zijn
+ze later vertrokken. Het is geen gemakkelijk ding, een hoop vrouwen met
+kinderen in beweging te brengen." Zoo wachtte hij nog een kwartier,
+stookte het vuur op en vergat ook niet van tijd tot tijd de soep af
+te schuimen, tot eensklaps de drie honden op hem kwamen toespringen.
+
+"Nu kunnen zij niet ver meer verwijderd zijn," dacht de oude man.
+
+En dat waren zij werkelijk niet; want eenige minuten later verscheen
+het gansche gezelschap, en dat wel zeer verhit en afgemat, gelijk
+hij dan ook niet anders verwacht had. Hij hoorde nu, dat de kleine
+Caroline, na een poosje geloopen te hebben, bitter over vermoeidheid
+geklaagd had, zoodat Juno haar had moeten dragen. Later had ook mevrouw
+Wilson zich doodelijk vermoeid gevoeld en had men een kwartiertje
+moeten rusten. Daarop kwam sinjeur Thomas, die niet bij moeder had
+willen blijven, maar gedurig heen en weer was geloopen en verklaarde
+dat hij moe was en dat men hem dragen moest; en daar er niemand was,
+die dit doen kon, begon hij te schreien en te klagen, totdat men
+besloot andermaal halt te houden, opdat hij eenigermate bekomen
+zou. Eindelijk begon de kleine ongelukkig nog honger te krijgen en
+te schreeuwen. De vreesachtige Caroline werd beangst, toen men zoo
+lang in het donkere bosch omdwalen moest, en weende mee. Thomas, dien
+de goede Willem een eind ver als een zak op den rug had gedragen,
+zette, toen hij eindelijk zijn eigen beenen weer gebruiken moest,
+eene geweldige keel op. Zoo moest men alweer halt maken, en eerst
+nadat men zich door een dronk uit Willem's flesch verkwikt had, ging
+het weer eenigszins beter, tot het gezelschap ten laatste zóó moe en
+uitgeput bij Flink aankwam, dat mevrouw Wilson zich met de kleinen
+eenigen tijd in de tent moest nederleggen, voordat zij van de plaats,
+waar zij in het vervolg wonen zouden, ook maar iets had gezien.
+
+"Mij dunkt," zeide mijnheer Wilson, na de kleine aan Juno te hebben
+overgegeven, "dat de dagreis van heden, hoe klein ook, het beste
+bewijs is, hoe hulpeloos wij zonder u zijn zouden, Flink."
+
+"Ik ben recht blij, dat gij eindelijk hier zijt, mijnheer," antwoordde
+de oude man. "Het is mij een zwaar pak van het hart, want nu eerst zal
+het met ons allen beter gaan. Me dunkt, na eenigen tijd zult gij hier
+recht genoeglijk kunnen wonen, maar daartoe hebben wij nog veel te
+doen. Zoodra mevrouw wat heeft uitgerust, willen wij ons middagmaal
+gebruiken en dan onze eigene tent vastmaken, wat nog werk en omslag
+genoeg zal wezen. Morgen zullen wij dan ernstig met onzen nieuwen
+arbeid aanvangen."
+
+"Gaat gij morgen naar onze oude bocht terug, Flink?"
+
+"Ja mijnheer. Wij moeten onzen voorraad hier hebben, rund- en
+varkensvleesch, meel en erwten en nog veel andere dingen, die wij
+niet missen kunnen. Met drie reizen heb ik den leeftocht over; het
+overige kunnen wij later onderzoeken en onder dak brengen, als wij
+er eens tijd toe vinden. Zoodra ik deze drie reizen met mijne boot
+gedaan heb, kunnen wij dan gezamenlijk aan het werk gaan."
+
+"Maar in dezen tusschentijd kan ik toch ook wel iets doen?"
+
+"O ja, er is werk in overvloed voor u."
+
+"Wilt gij Willem meenemen?"
+
+"Neen, mijnheer; hij zal hier meer van nut zijn, en ik kan mij ook
+zonder hem redden."
+
+Mijnheer Wilson ging nu in de tent en vond zijne vrouw weer vrij
+wat van hare vermoeidheid bekomen, maar al de kinderen vast in
+slaap. Men wachtte nog een half uur en wekte toen Thomas en Caroline,
+om gezamenlijk aan tafel te kunnen gaan.
+
+"Hé, beste Flink," riep Willem, toen deze het deksel van den ketel nam,
+"wat een heerlijke soep hebt gij daar toch!"
+
+"Dat is een zondagskostje, waarop ik u dezen eersten middag
+eens onthalen wou," antwoordde Flink. "Ik weet dat gij allen het
+pekelvleesch eindelijk van harte moe zijt, en daarom zult gij vandaag
+eens als aan eene burgermeesterstafel smullen."
+
+"Maar zeg, Flink, wat is het?" vroeg mevrouw Wilson. "De reuk er van
+is heerlijk althans."
+
+"Eene schildpadsoep, mevrouw; en ik hoop, dat ze u smaken
+zal. Wanneer ze u bevalt, kan ik haar u, nu wij eens hier zijn,
+wel meer voorzetten."
+
+"Waarlijk zij smaakt keurig, maar er moet nog een weinig zout in. Gij
+hebt dat toch nog, Juno?"
+
+"Maar sikkepitte meer. Haast altemaal op," antwoordde deze.
+
+"Hoe moeten wij het dan maken, als onze zoutvoorraad ten einde
+loopt?" vroeg mevrouw Wilson.
+
+"Juno moet ander halen," gaf Flink ten antwoord.
+
+"Ikke halen ander?--Ikke hebben geen zier meer," hernam Juno en zag
+den ouden man verwonderd aan.
+
+"Daar buiten is het in overvloed, Juno," zeide mijnheer Wilson en
+wees naar den zeekant.
+
+"Ikke niets daarvan zien kan," antwoordde zij.
+
+"Hoe meent gij dat, lieve?" vroeg mevrouw Wilson eindelijk.
+
+"Ik meen alleen, dat wij, als wij zout noodig hebben, ons dat zelven
+bereiden kunnen, zooveel wij verkiezen. Wij hebben slechts zeewater
+in een ketel te koken, of ook tusschen de klippen ginds eene drogerij
+aan te leggen, daar de zon dan het water doet verdampen en het zout
+op den grond achterlaat. Flink weet dat zoo goed als ik. Op een
+dezer beide manieren wordt het zout altijd gewonnen, door uitdampen
+of anders door verkoken, wat eigenlijk hetzelfde is, behalve dat men
+er spoediger mee klaar komt."
+
+"Eerlang zullen wij daar het noodige toe gereed maken, mevrouw,"
+zeide Flink; "en ik zal dan Juno wijzen, hoe zij zichzelve altijd
+redden kan."
+
+Iedereen vond de soep uitmuntend. Thomas hield zijn bord zoo dikwijls
+bij, dat zijne moeder hem eindelijk niet meer geven durfde. Na
+geëindigden maaltijd bleef mevrouw Wilson met de kinderen alleen,
+terwijl haar man en Flink met behulp van Juno en Willem de tweede
+tent opsloegen en alles vóór den nacht in gereedheid brachten. Het
+was reeds vrij donker, toen zij hiermee klaar waren.
+
+
+
+
+
+
+
+DRIE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+ALGEMEENE TEVREDENHEID MET HET NIEUWE VERBLIJF.
+
+
+Mijnheer Wilson was den volgenden morgen het eerst op en zeide tot
+Flink, toen deze een poos later uit de tent trad:
+
+"Ik kan u zeggen, vriend, dat ik mij, sedert ik hier ben, veel
+opgeruimder en beter gestemd gevoel dan vroeger. Op de andere zijde
+van het eiland herinnerde alles mij onze schipbreuk en moest ik
+onophoudelijk aan mijn verloren vaderland denken, terwijl het mij hier
+is, of wij er reeds lang te huis waren en er vrijwillig ons verblijf
+gekozen hadden."
+
+"Dat gevoel zal van dag tot dag levendiger bij u worden, vertrouw
+ik, mijnheer; want het is doelloos en zelfs dwaas, als de mensch
+onophoudelijk over zijn ongeluk jammert. Wij bovenal hebben alle
+reden om innig dankbaar en tevreden te zijn."
+
+"Ik erken dat volgaarne, brave man.--Wat is dan nu het eerste, dat
+gij denkt aan te vangen?"
+
+"Waar wij bovenal behoefte aan hebben, is een toereikende voorraad van
+zoet water en daarom wenschte ik wel, dat gij en uw zoon Willem--dáár
+komt hij al! Goede morgen, mijn jongen!--ik zei daar, dat gij beiden
+geen beter werk doen kondet, dan de bron verder tot stand te brengen,
+terwijl ik mij weer op de vaart begeef. Ik bracht gisteren nog een
+schop mee, en zoo kunt gij gelijktijdig arbeiden; maar laat ons eerst
+naar de tent gaan, want Juno, zie ik, heeft het ontbijt klaar.--Ge
+begrijpt wel, mijnheer, dat wij de wel tot in het kokosbosch nasporen
+moeten, waar zij in de schaduw tegen de zon gedekt is. Dat kan licht
+gebeuren, als gij tegen de hoogte aan opwerkt en ziet, hoe het water
+van boven neerstroomt. Hebt ge dat gevonden, dan graaft gij een gat,
+wijd genoeg, om er een van onze watertonnen, die ik van avond mee wil
+brengen, in neer te laten. Is deze behoorlijk in den grond vastgezet,
+dan zullen wij haar altijd vol water vinden, en hoe schielijk wij ze
+ook leegscheppen, zal de wel haar toch bestendig weer aanvallen."
+
+"Ik begrijp u zeer goed," antwoordde mijnheer Wilson. "Dat zal dan
+heden ons werk zijn, voor zoolang gij afwezig zijt."
+
+"Nu goed; dus heb ik zelf niets meer te doen, dan met Juno over het
+middageten te spreken," hernam Flink. "Daarna schielijk een mondvol
+tot ontbijt en dan weg;--dit kostelijk weder mag niet ongebruikt
+voorbijgaan."
+
+De oude man zeide Juno, om het varkensvleesch in de braadpan te
+bakken en ook eenige sneden van de schildpad af te snijden en tegen
+den middag te koken, waarbij zij ook de van gisteren overgebleven
+soep nog opwarmen kon; en daarop stapte hij met een beschuit en een
+stuk rundvleesch naar de boot en stak alleen van land. Vader en zoon
+gingen inmiddels ook ijverig aan het werk, en tegen den middag reeds
+had de kuil de breedte en diepte, welke Flink hun had aangewezen. Eerst
+toen zij zoover waren, staakten zij hun arbeid en gingen naar de tent,
+waar mevrouw Wilson met het herstellen der kleederen van hare kinderen
+bezig was.
+
+"Gij kunt u niet voorstellen, hoeveel beter ik mij gevoel, sinds wij
+hier zijn," zeide zij en drukte de hand van haar man, toen die zich
+aan hare zijde neerzette.
+
+"Ik hoop lieve, dat dit een voorgevoel is van ons toekomstig geluk,"
+antwoordde hij. "Ik verzeker u, dat ik hetzelfde voel en dezen morgen
+heb ik dit onzen braven Flink ook reeds gezegd."
+
+"Ik gevoel, dat ik hier mijn leven lang gelukkig zou kunnen zijn,
+zoo kalm, zoo vreedzaam en daarbij zoo verrukkelijk schoon is het
+hier. Weet gij echter, wat ik mis?--Er zijn hier geen zangvogels,
+zooals in ons vaderland."
+
+"'t Is waar, ik heb tot hiertoe ook nog maar enkel zeevogels
+bemerkt. Hebt gij al andere gezien, Willem?"
+
+"Eens maar, vader, heb ik in de verte een vlucht gezien. Flink was
+niet bij mij en dus wist ik niet, wat voor vogels het waren. Ze
+schenen mij echter niet zoo klein, als andere zangvogels, maar voor
+'t minst van de grootte eener duif.--Kijk, daar komt Flink den hoek
+om," vervolgde hij. "Wat zeilt die kleine boot toch hard! En 't moet
+toch wel zwaar werk voor den ouden man zijn, zoo heel alleen tegen
+den stroom op naar de bocht te roeien.--Juno is het eten klaar?"
+
+"Ja, massa Willem, in een ommezien klaar wezen."
+
+"Wij willen hem tegemoet gaan en hem nog vóór den eten van het een
+en ander ontlasten."
+
+Zij deden dit, en Willem rolde de ledige waterton, die Flink had
+medegebracht, naar de nieuw gegraven bron.
+
+De sneden schildpad werden even luid geprezen, als de soep van den
+vorigen avond en inderdaad, nadat men zoo lang op taai pekelvleesch
+gekauwd had, moest eene afwisseling met versche spijzen allen bij
+uitstek gewenscht voorkomen.
+
+"En nu naar de bron; zij moet heden nog klaar," riep Willem, zoodra
+de maaltijd was afgeloopen.
+
+"Gij arbeidt als een dijkgraver, Willem," merkte zijn moeder lachend
+aan.
+
+"Dat moet ik ook, moeder. Ik moet thans leeren alles met mijne handen
+te doen."
+
+"En spoedig zal het door uwe gewoonte een tweede natuur worden,"
+zei Flink.
+
+Bij de bron gekomen, zagen zij tot hunne verbazing, dat het eerst
+voor een paar uren gegraven gat bijna tot den rand toe met water
+was opgevuld.
+
+"O wee," riep Willem, "nu zullen wij eerst al dat water dienen uit
+te scheppen, om de ton er in te krijgen!"
+
+"Kom, kom, jongen, bedenk u eens goed," zei de vader. "Het water
+vloeit zoo sterk, dat zulk uitscheppen geen gemakkelijk ding zou
+zijn. Kunnen wij de zaak niet anders aanvatten?"
+
+"Ja, vader; maar de ton zal toch bovendrijven."
+
+"Zeker, zooals zij nu is, doet zij dat vast. Doch is er geen middel
+om haar te doen zinken?"
+
+"O ja, nu begrijp ik het. Wij moeten eenige gaatjes in den bodem boren;
+dan zal zij volloopen en vanzelf naar den grond gaan."
+
+"Heel goed, jongen," sprak Flink. "Ik dacht wel, dat zoo iets zou
+moeten gebeuren en heb daarom de groote boor bij mij gestoken."
+
+De oude man boorde vier gaten in den bodem der ton, en terwijl zij
+nu op het water dreef, drong dit langzamerhand naar binnen, zoodat
+het vat al dieper en dieper zonk. Zoodra de rand daarvan met de
+oppervlakte des waters gelijk stond, vulden zij de tusschenruimte
+behoorlijk met zand op en was de bron gereed.
+
+"Morgen als het water goed gezakt is, zal het zoo helder en
+doorschijnend zijn als kristal, en zoo zal het blijven, als men het
+niet moedwillig troebel maakt," voorspelde Flink. "Alweer dus een
+stuk werk tot stand gebracht! Nu zullen we nog al het overige goed
+uit de boot halen."
+
+
+
+
+
+
+
+VIER-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+VERDERE VERRICHTINGEN IN DE NIEUWE VOLKPLANTING.
+
+
+"Daar wij nog zoo velerlei dingen te doen hebben," zeide mijnheer
+Wilson den volgenden morgen tot zijn ouden vriend, "zullen wij een
+geregeld plan voor alles ontwerpen. Van de wijze, waarop men het
+aanvat, hangt het welgelukken van een werk grootendeels af. Zeg
+mij dus, welk werk gij ons voor de volgende week zoo al zoudt
+voorslaan. Morgen is 't Zondag, en ofschoon wij dien dag tot nu toe
+nog niet behoorlijk hebben kunnen vieren, geloof ik toch, dat wij
+hem ditmaal kunnen en moeten gedenken."
+
+"Ja, mijnheer, dat moeten wij en 't zelfde zou ik u hebben
+voorgeslagen. Morgen zullen wij van onzen arbeid uitrusten en Zondag
+houden. En wat nu uw voorslag aangaat, mijnheer,--of zullen wij ook
+eens hooren wat mevrouw zegt?"
+
+"Gij moet er thans niet om denken, dat gij vrouwen of althans
+fijne dames bij u hebt," viel mevrouw Wilson hem in de rede. "Mijne
+gezondheid en kracht keeren meer en meer terug en ik hoop u spoedig
+wezenlijk van nut zijne. Ik neem op mij, Juno in alle huiselijke
+verrichtingen te helpen, voor koken en wasschen te zorgen, op de
+kinderen te passen, de kleederen te herstellen en alles te doen, wat
+mijne krachten mij toelaten. Word ik sterker, dan zal ik beproeven
+wat ik meer kan doen, en in alle gevalle zult gij, zoo niet den
+ganschen, toch een groot gedeelte van den dag over Juno's diensten
+kunnen beschikken."
+
+"Daarmee kunnen wij ons vooreerst ook heel goed vergenoegen,
+mevrouw," hernam de oude zeeman. "Maar nu verder, mijnheer. De beide
+dringendste verrichtingen, na het bouwen van een huis, zijn vooreerst
+het omspitten van een stuk land voor onze aardappelen en tuinzaden
+en dan het aanleggen van een vijver voor schildpadden, opdat wij van
+die dieren vangen en daarin zetten, voordat de tijd voorbij is."
+
+"Heel goed," was het antwoord; "maar wat dient er eerst gereed
+te zijn?"
+
+"Mij dunkt de vijver daar, die slechts weinige dagen werks behoeft te
+kosten, als gij met Juno en Willem daaraan arbeidt. Ik voor mij heb
+de gansche aanstaande week uw bijstand niet noodig. Ik wil eerst eene
+plek in de buurt opzoeken, waar het hout het dichtst staat;--daar zal
+ik dan de boomen omhakken en eene ruimte maken, waar in het vervolg
+onze pakhuizen kunnen staan, en zoodra de regentijd voorbij is, brengen
+wij dan al onzen voorraad van ginds naar hier over. Dat zal mij wel de
+geheele week ophouden, daar het vellen en op eene behoorlijke lengte
+afzagen van de boomen voor ons nieuwe huis geen gemakkelijk werk
+is. Ben ik daarmee klaar, dan moeten wij al onze krachten vereenigen
+en terstond tot het opslaan eener woning overgaan. Haardstede en
+vensters kunnen misschien eerst later klaar komen. Het voornaamste is,
+dat wij onder dak zijn en droge slaapplaatsen hebben."
+
+"Denkt gij dan wezenlijk, dat daar nog kans toe is? Wanneer oordeelt
+gij, moet het regenseizoen invallen?"
+
+"Met drie of vier weken. Het begin staat niet altijd zoo geregeld vast,
+maar veel later wordt het zeker niet. Is de volgende week voorbij,
+dan zal ik waarschijnlijk altijd twee of misschien wel al de leden
+van de familie gebruiken kunnen. Ha! daar valt mij in, dat ik toch
+nog eens naar de bocht terug moet."
+
+"Waartoe dat?"
+
+"Herinnert gij u de kar op twee wielen nog, mijnheer, die in stroo
+was ingepakt en door den storm aan land werd geworpen? Gij lachtet,
+toen gij haar zaagt en dacht, dat zij ons thans maar van weinig nut
+zou zijn; en toch, mijnheer, zullen as en wielen ons nu goed te pas
+komen, daar wij naar de plaats, waar ik de boomen vel, een breed pad
+aanleggen en dan onze stammen veel gemakkelijker voortkruien kunnen,
+dan zoo wij die dragen of sleepen moesten."
+
+"Dat is een kostelijke inval, Flink. Zoo zal zeker vrij wat werk
+bespaard worden."
+
+"Dat denk ik ook, mijnheer. Willem en ik zullen Maandagmorgen al
+vroeg opbreken, om vóór het ontbijt terug te zijn. Vandaag willen
+wij nog de plekken opzoeken, waar onze tuin aangelegd, de vijver
+gemaakt en het geboomte geveld worden moet. Dat is een werk voor ons,
+mijnheer. Willem en Juno kunnen intusschen de dingen hier wat beter
+oppakken, totdat wij ze gebruiken moeten."
+
+Terstond daalden de beide mannen naar het strand af, en na de riffen
+aandachtig te hebben opgenomen, zeide Flink: "Gij ziet, mijnheer,
+tot een vijver voor schildpadden hebben wij niet veel water noodig,
+want als hij te diep is, kost het ons maar dubbele moeite de beesten
+op te vangen. Alles wat wij verlangen, is eene plaats in het water,
+met een lagen dam van steenen omringd, zoodat de dieren niet ontsnappen
+kunnen, want tot klauteren zijn ze niet in staat, hoewel ze met hunne
+zwempooten heel goed op het afhellende strand kunnen voortspartelen. Nu
+zie, mijnheer, de klip ginds is hoog genoeg boven water; de ruimte
+tusschen haar en het strand is diep genoeg en de rotsen aan den
+oever sluiten deze zijde bijna geheel af en beletten de dieren dus
+langs den oever voort te kruipen, zoodat zij ons niet meer ontkomen
+kunnen. Wij hebben dus weinig meer te doen, dan de beide andere kanten
+op te vullen, en onze vijver is zoo goed als hij wezen moet."
+
+"Ik zie, dat dit niet veel moeite zal kosten, als wij maar genoeg
+losse rotsblokken vinden kunnen."
+
+"Bijna alle, die op het strand liggen, zijn los," verzekerde Flink,
+"en hier dicht vóór ons vinden wij ze in menigte. Sommige zijn wel
+te zwaar om gedragen te worden; doch die kunnen wij met breektangen
+en hefboomen van de plaats krijgen;--wij hebben twee of drie van die
+dingen bij ons. Nu, mijnheer, moesten wij Willem en Juno een teeken
+geven en hen dadelijk aan het werk zetten. Vóór den middag kunnen
+zij nog vrij wat afdoen."
+
+Mijnheer Wilson riep en wenkte met zijn hoed, waarop Willem en de
+negerin dadelijk aankwamen. Juno werd gezonden om twee breekijzers te
+halen, terwijl Willem van Flink vernam wat zij te doen hadden. Toen
+Juno met de werktuigen terug was, bleven de beide mannen nog een
+tijdlang bij hen en hielpen hen aan hun werk, waarna zij verder gingen,
+om eene geschikte plaats voor een tuin op te zoeken
+
+
+
+
+
+
+
+VIJF-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+GEVOLGEN DER ONGEHOORZAAMHEID.
+
+
+Mijnheer Wilson en Flink vervolgden hunne wandeling langs het strand
+tot aan het punt, dat deze laatste tot het aanleggen van een tuin
+'t best geschikt achtte. Wel is waar was de laag teelaarde op den
+rotsigen bodem niet dik, maar de grond was toch vrij goed en tamelijk
+uitgestrekt. Daarenboven was de plaats dáár, waar zij aan het andere
+land vastzat, zeer smal, zoodat men geene uitgestrekte omheining
+noodig had.
+
+"Gij ziet, mijnheer," merkte Flink aan, "het aanleggen eener heg
+kunnen wij uitstellen tot de regentijd voorbij is, of als het weer
+dat vergunt, kunnen wij er dien toe gebruiken. De zaadgewassen en de
+aardappelen zullen eerst na de regen opkomen, en zoo hebben wij niets
+anders te doen, dan den grond om te spitten en zoo schielijk mogelijk
+aan het poten te gaan. De struiken ginds moeten weggeruimd worden;
+maar dat is weinig moeite, omdat de grond zoo licht is. Wij hebben
+ook maar een deel van uwe zaden uit te strooien, want dit jaar kunnen
+wij nog geen grooten tuin aanleggen; doch onze aardappelen moeten
+alle gepoot worden, al konden wij ook niets anders meer uitrichten."
+
+"Als we geene omheining te maken hebben," antwoordde de heer Wilson,
+"kunnen we dunkt mij, in eene week tijds grond genoeg bearbeiden,
+om alles, wat ons 't eerst noodig is, aan te planten."
+
+"We dienen eerst het kleine struikgewas uit te roeien en den grond
+om te spitten," vervolgde Flink. "De zwaardere stammen en stronken
+kunnen we, als het ons dadelijk aan tijd ontbreekt, in den beginne
+veilig laten staan. Hier kan onze Thomas een handje helpen, als gij
+hem de uitgegraven wortels laat wegdragen.--Laat ons nu in het bosch
+gaan en eene plaats uitkiezen, waar ik de boomen vellen zal. Ik voor
+mij heb al eene keuze gedaan, zoo gij er niets tegen hebt. De plek
+is dáár, een vijftig roeden op zij van de tent. Van hier hebben wij
+bij de honderd roeden het bosch in te gaan."
+
+Beiden volgden de door Flink aangewezen richting, totdat zij aan eene
+kleine hoogte kwamen, waar de boomen zoo dicht stonden, dat het moeite
+kostte daar een pad door te breken.
+
+"Hier zijn we, waar we wezen moeten, mijnheer," sprak Flink. "Ik zou
+voorstellen, al het zware hout, dat wij tot onze woning noodig hebben,
+uit dit gedeelte van het bosch te nemen en eene open vierkante
+plaats uit te houwen, op 't midden waarvan wij onze pakhuizen
+kunnen bouwen. Tegenwoordig is de noodzakelijkheid van zoo iets niet
+waarschijnlijk; maar ziet gij, mijnheer, in geval van nood kan men
+deze plek met weinig moeite tot een vast punt van verdediging maken;
+want als wij hier en daar tusschen de boomen nog eenige palissaden
+zetten, hebben wij eene volmaakt goede verschansing, zooals men die
+in West-Indië tegen de wilden gebruikt."
+
+"Volkomen waar, mijn goede raadsman. Evenwel hoop ik van harte,
+dat zulke verdedigingsmiddelen ons nooit te pas zullen komen."
+
+"Ook ik hoop datzelfde, mijnheer; maar voorzichtigheid gaat boven
+alles. Intusschen hebben we eerst nog veel anders te bedenken en te
+doen. Het eten zal nu wel klaar zijn. Laat ons zien, dat wij ons deel
+krijgen, en dan terstond ons werk aanvatten. Ik zie altijd gaarne
+een begin, al is het ook nog zoo gering."
+
+Ook Willem en Juno kwamen nu aan den maaltijd, die mevrouw Wilson
+bereid had. Beiden stond het gezonde zweet op het voorhoofd, want
+het was hard werk wat zij te doen hadden; maar beider wil was goed
+en zij wilden gedaan krijgen wat eens begonnen was. Thomas was
+den ganschen morgen uiterst oproerig geweest en had overal slechts
+stoornis veroorzaakt. Zijne les had hij niet geleerd, maar daarvoor,
+ofschoon het hem meer dan eens verboden was, met vuur gespeeld en
+de kleine Caroline de hand gebrand. Zoodra zijn vader nu echter van
+zijne ondeugendheid hoorde, werd de stoute jongen tot zijne straf
+veroordeeld om vandaag geen eten te krijgen, en zoo zat hij daar boos
+en grommend de verdwijnende spijzen na te kijken, zonder dat het hem
+nochtans inviel, voor zijne ondeugendheid vergiffenis te vragen. Na
+het eten nam mijnheer Wilson schop en houweel om naar de plaats van
+hun toekomstigen tuin te gaan, en zijne vrouw verzocht hem, Thomas
+mee te nemen, daar zij zeer veel te doen had en niet zoo gemakkelijk
+op hem als op de kleine Caroline passen kon. Zoo vatte de vader den
+jongen bij de hand en nam hem mee naar de plaats, waar hij arbeiden
+wilde. Daar deed hij hem op den grond nederzitten, terwijl hij zelf
+de struiken begon uit te roeien.
+
+Hij werkte ijverig voort, en toen hij eenigszins gevorderd was, liet
+hij het afgehouwen struikgewas door Thomas wat verder wegdragen en in
+eene hoop op elkaar pakken. De kleine jongen deed dit echter ongaarne,
+daar hij nog altijd in een boos humeur was. Nadat de vader eene vrij
+groote ruimte van struiken ontdaan had, nam hij zijne schop en begon
+de wortels uit te graven, waarbij hij aan Thomas overliet, zich naar
+eigen verkiezing te vermaken. Zoo zag hij niet, waarmee de knaap wel
+een uur lang bezig was, terwijl hij zelf druk voortarbeidde. Toen
+opeens echter hoorde hij een luid kreunen, en op de vraag naar de
+oorzaak daarvan, gaf Thomas geen antwoord, maar jammerde al sterker,
+tot hij eindelijk de handen op de maag legde en zoo hard als hij kon
+begon te schreeuwen. Daar hij zware pijn scheen te lijden, liet de
+vader zijn arbeid rusten en bracht hem naar de tent, waar mevrouw
+Wilson, door het gekerm verontrust, hem te gemoet kwam. Thomas
+verkoos overigens niet, ergens op te antwoorden, en ging met huilen
+en jammeren voort, zoodat vader en moeder niet begrijpen konden,
+wat er de oorzaak van was. De oude Flink, die dat gekerm zoo lang
+hoorde aanhouden, dacht dat er een ernstig ongeluk was voorgevallen,
+en kwam nu ook aan. Toen hij hoorde wat er gebeurd was, zeide hij:
+
+"Maak er staat op, mijnheer, de jongen heeft iets gegeten, dat hem nu
+kwalijk bekomt. Zeg, sinjeur Thomas, wat hebt gij in den mond gestoken,
+toen gij daar alleen waart?"
+
+"Bessen," was het snikkend antwoord.
+
+"Dat dacht ik wel, mevrouw," vervolgde Flink. "Ik wil eens gaan zien,
+wat voor soort van bessen het waren."
+
+De oude man ging ijlings naar de plaats, waar mijnheer Wilson gewerkt
+had. De moeder was inmiddels grootelijks beangst, dat het kind iets
+vergiftigs mocht hebben ingekregen, terwijl de vader uit zijne kleine
+apotheek een fleschje ricinusolie ging halen.
+
+Flink kwam juist terug, toen ook de heer Wilson in de tent trad met het
+fleschje, waaruit hij den zieken jongen eenige droppels wilde ingeven.
+
+"O, neen, mijnheer," zeide de oude man, die een takje in de hand
+hield, toen hij hoorde, welke medicijn het was; "daar moet gij hem
+niet van ingeven, want, naar het mij voorkomt, heeft hij er al te
+veel van gebruikt. Zie, als ik 't niet mis heb,--en mij dunkt, ik
+ben vrij zeker van mijne zaak,--is dit de ricinusplant; en hier zijn
+eenige van de bessen, waarvan onze sinjeur gesnoept heeft. Niet waar,
+Thomas, hiervan hebt gij gegeten?"
+
+"Ja.--O, wat heb ik er eene pijn van!" kermde de knaap.
+
+"Dat is verdiend loon. Geef hem maar iets warm te drinken mevrouw,
+en het zal wel spoedig beter zijn. Onze jongeheer zal nu denkelijk
+wel onthouden, dat men geen vreemde bessen of vruchten plukken mag,
+zonder vooraf te weten, dat ze goed om te eten zijn."
+
+Gelijk Flink gezegd had, was het ook. Evenwel was Thomas den ganschen
+dag nog ziek en misselijk, en moest al zeer vroeg naar bed worden
+gebracht.
+
+
+
+
+
+
+
+ZES-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+EEN ONAARDIG KIND.
+
+
+Den anderen morgen, toen al de overigen druk aan het werk waren,
+zat mevrouw Wilson voor hare tent. De kleine Albert kroop aan hare
+voeten op den grond om: Caroline was naarstig met hare breikous bezig,
+en sinjeur Thomas groef kuilen in het zand, in elken waarvan hij een
+steentje legde.
+
+"Wat doet gij toch, Thomas?" vroeg zijne moeder.
+
+"Spelen, moeder; ik maak een tuin."
+
+"Een tuin! Dan moest gij er ook eenige boomen in planten."
+
+"Neen, ik zaai zaden: zie hier maar," riep Thomas en wees op zijne
+steenen.
+
+"Steenen kunnen niet groeien; niet waar, moeder?" vroeg de kleine
+Caroline.
+
+"Neen, lieve meid, dat kunnen zij niet. Steenen schieten niet uit de
+aarde op, maar wel het zaad van planten en bloemen."
+
+"Dat weet ik ook wel," zeide Thomas. "Ik doe maar zoo omdat ik geen
+zaad heb."
+
+"Maar gij zeidet daar straks toch, dat gij zaad zaaidet en geen
+steenen."
+
+"O, dat verbeeld ik mij maar zoo, en dan is het ook precies 't zelfde."
+
+"Toch niet zoo precies 't zelfde, mijn jongen. Bedenk maar eens; als
+gij gisteren, in plaats van die leelijke bessen te eten, u slechts
+verbeeld hadt, dat gij ze at,--zou dat niet beter voor u geweest zijn?"
+
+"Ik wil er ook niet weer van proeven," zeide de knaap.
+
+"Neen, van die bessen niet; maar als gij iets anders ziet, waar ge
+trek in krijgt, dan vrees ik half en half dat ge het weer proeven zult,
+en dan kon 't licht even erg of nog erger dan gisteren gaan."
+
+"Ik heb zin in kokosnoten. Waarom krijgen wij daar nooit van? Daar
+boven aan de boomen hangen er toch nog genoeg."
+
+"Maar wie zal zoo hoog klimmen, om ze te plukken? Wilt gij dat zelf
+doen, Thomas?"
+
+"Neen, maar waarom doet Flink dat niet, of vader, of Willem? Waarom
+stuurt ge Juno niet in den boom? Ik wil kokosnoten hebben."
+
+"Die zullen er ons wel eens wat van meebrengen, als zij niet zooveel
+meer te doen hebben; maar nu is het geen tijd daartoe. Ziet ge niet,
+hoe druk allen aan het werk zijn?"
+
+"Ik lust graag schildpadsoep," vervolgde Thomas.
+
+"Willem en Juno maken een vijver, om daar schildpadden in te doen,
+en dan krijgen we die meer te eten. Ge moet bedenken, dat wij niet
+altijd alles krijgen kunnen, waar we lust in hebben."
+
+"Eene schildpad, moeder, wat is dat?" vroeg de kleine Caroline.
+
+"Dat is eene soort van dier, dat in het water leeft en toch geen
+visch is."
+
+"O, gebakken visch, daar houd ik ook veel van," riep Thomas
+weder. "Waarom krijgen wij geen gebakken visch?"
+
+"Omdat iedereen thans te veel werk heeft, om ze te kunnen
+vangen. Naderhand zult ge zeker ook wel nu en dan eens visch
+krijgen. Maar kom, lieve Thomas, ga eens heen en haal uw broertje
+Albert terug. Hij is daar veel te dicht bij onze geit gekropen,
+en die stoot soms wel."
+
+Thomas deed wat hem gezegd was. De kleine was vlak bij het jonge bokje,
+dat sedert vrij groot was geworden, en Thomas haalde hem daar vandaan,
+maar kon daarbij niet nalaten, eens even met zijn voet naar het dier
+te schoppen.
+
+"Thomas, Thomas, doe dat toch niet; hij kon u stooten en u bitter
+zeer doen."
+
+"Ik ben niet bang voor hem," riep Thomas, terwijl hij Albert met de
+eene hand vasthield en voortging naar den bok te schoppen. Deze had
+echter geen lust om dat langer te verdragen. Hij dook met den kop
+neer, sprong op Thomas toe en stiet hem tegen de borst, zoodat hij
+over Albert heen op den grond rolde. De kleine schreeuwde, en ook
+onze mijnheer Thomas riep om hulp. Mevrouw Wilson schoot toe en nam
+haar zoontje op den arm, terwijl Thomas die nu vrij wat bang was,
+zich aan haar japon vasthield en angstig naar den bok omzag, die zeer
+geneigd scheen om zijn aanval te hernieuwen.
+
+"Waarom doet gij ook niet wat men u zegt, Thomas? Ik zei u immers
+wel, dat hij u stooten zou," zeide de moeder en zocht Albert gerust
+te stellen.
+
+"Ik geef niet om tien bokken," antwoordde Thomas, nu hij zag dat het
+beest hem niet verder volgde.
+
+"Ja, ja, nu de bok weg is, hebt gij verbazend veel moed. Gij zijt
+toch een recht ondeugende jongen, die nooit gehoorzaamt, als men u
+iets zegt. Weet gij nog wel van dien leeuw aan de Kaap?"
+
+"Ik ben niet bang voor een leeuw," zei Thomas.
+
+"Dat geloof ik, nu er nergens een te zien is; maar gij zoudt niet
+weinig schrikken en schreeuwen, als er eensklaps een voor u stond."
+
+"Ik heb hem toch wel met steenen gegooid," vervolgde de knaap.
+
+"Ja, dat hebt gij gedaan; en als gij het gelaten hadt, zou de leeuw
+u niet zoo hebben doen schrikken, evenmin als de bok u daareven op
+den grond zou hebben geworpen," antwoordde de moeder.
+
+"Sik stoot nooit naar mij, moeder," zeide Caroline.
+
+"Neen, lieve, omdat gij hem nooit plaagt! maar Thomas houdt er veel van
+de dieren te kwellen en wordt daar dan ook telkens voor gestraft. Het
+is heel stout van hem, dat hij het doet, vooral daar vader en moeder
+hem gedurig zeggen, dat hij het laten moet. Goede kinderen gehoorzamen
+altijd aan hunne ouders; maar Thomas is geen goed kind."
+
+"Van morgen, toen ik mijne les zoo goed opzei, zeidet gij toch,
+dat ik een brave jongen was, moeder," zeide Thomas beschaamd.
+
+"Ja, ja, toen waart gij dat ook; maar gij moet altijd braaf en
+gehoorzaam zijn."
+
+"Dat kan ik niet altijd wezen," antwoordde de knaap. "Ik heb honger;
+wanneer krijg ik van middag eten?"
+
+"Het wordt nu spoedig tijd, jongen; maar ge moet wachten, tot allen
+van het werk terug zijn."
+
+"Daar komt Flink met een zak op den schouder," riep Thomas. Na weinige
+oogenblikken stond deze dan ook voor mevrouw Wilson en legde zijn
+zak op den grond neer.
+
+"Ik heb u wat jonge kokosnoten meegebracht en daarbij ook een paar
+oudere," zeide hij. "Ze zijn van de boomen, die ik heb omgehouwen."
+
+"Ha, kokosnoten, die lust ik graag!" riep Thomas en klapte in de
+handen.
+
+"Zeide ik niet, Thomas, dat wij ze mettertijd wel krijgen zouden? Kijk,
+nu komen ze schielijker, dan wij verwacht hadden.--Ge schijnt recht
+warm, Flink."
+
+"Ja, mevrouw," antwoordde deze en wischte zich het zweet van het
+voorhoofd, "'t Is ook een warm werk, daar in het bosch geen koeltje
+waait. Weet ge ook nog iets, dat ik van onze landingsplaats kan
+meebrengen? Ik ga er dadelijk na het eten naar toe."
+
+"En om wat te doen?"
+
+"Ik moet de kar halen, om onze stammen uit het bosch te brengen,
+en daartoe moet ik eerst een behoorlijk pad banen. Maar ditmaal heb
+ik Willem noodig, om mij een handje te helpen."
+
+"O, Willem zal zeker gaarne meegaan. Dat is eene verademing, nadat
+hij zoo lang met die zware steenen gesleept heeft.--Ik weet op
+'t oogenblik niets meer, dat wij noodig hebben," vervolgde mevrouw
+Wilson. "Daar komt Willem met Juno, en ook mijn man heeft, zie ik,
+de schop neergelegd. Kom, lieve Caroline, pas gij nu op Albert,
+terwijl ik het eten voor u allen opdraag."
+
+De oude man was haar hiertoe behulpzaam. Het eten werd op den grond
+gezet, want hunne stoelen en tafels hadden zij nog niet naar de nieuwe
+woning meegenomen, daar zij die wel dachten te kunnen missen, totdat
+het huis was opgebouwd. Willem berichtte, dat hij den volgenden dag met
+den vijver hoopte klaar te komen. Zijn vader had reeds zooveel grond
+omgespit, dat men den van het wrak geredden halven zak aardappelen
+daarin poten kon, en 't was dus vooruit te zien, dat binnen twee dagen
+allen te zamen met vereende krachten tot het vellen en vervoeren der
+boomen zouden kunnen overgaan.
+
+Na het eten roeide Flink met Willem in de boot weg en keerde nog voor
+den donker met de kar en eenige andere goederen, die de lading vol
+maakten, terug. Ook hadden zij eenige dikke balken op het sleeptouw
+genomen, die Flink tot deurposten van het huis gebruiken wilde. De
+heer Wilson had voor dien namiddag zijn werk laten rusten en daarvoor
+Juno aan het hare geholpen. Naar zijn zeggen, was de vijver, zoo al
+nog niet klaar, toch reeds zoo ver gevorderd, dat de schildpadden,
+eens daarin zijnde, er niet gemakkelijk zouden uitkomen.
+
+
+
+
+
+
+
+ZEVEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+GESPREK TUSSCHEN VADER EN ZOON.
+
+
+"Nu beste Willem," zeide Flink, "als ge niet al te slaperig zijt,
+hebt ge misschien wel lust om van avond mee te gaan en te zien, of
+wij niet eenige schildpadden kunnen vangen. De broeitijd loopt spoedig
+ten einde en dan zullen zij zich niet meer op het eiland laten zien."
+
+"O ja, Flink, ik wil graag meegaan."
+
+"Goed dan; maar wij moeten wachten, totdat het donker is. De maan
+zal van nacht niet lang schijnen en dat treft juist goed voor ons."
+
+Zoodra de zon onder was, stapten beiden naar het strand en zetten
+zich daar bedaard op een rotsblok neer. Het duurde niet lang, of
+Flink ontdekte een schildpad, die op het zand voortkrabbelde. Hij
+wenkte Willem, hem stilletjes te volgen en ging behoedzaam naar den
+waterkant, zoodat hij het beest den terugtocht naar zee afsneed.
+
+Zoodra de schildpad hen gewaar werd, snelde zij op het water toe,
+doch had het geluk niet van te ontkomen, daar Flink haar haastig bij
+een harer voorste zwempooten aanpakte en haar toen zonder moeite op
+den rug omwentelde.
+
+"Zóó, Willem, als ik daar deed, moet men de schildpadden altijd
+omdraaien. Gij moet daarbij echter oppassen, dat gij niet te dicht bij
+hare tanden komt, wat u licht een vinger zou kosten. Zooals het dier nu
+ligt, kan het niet meer van de plaats, en wij zullen het morgenochtend
+evenzoo vinden. Laat ons nu eens langs het strand voortgaan en zien,
+of er nog meer te vangen zijn."
+
+Beiden bleven nog tot middernacht op en vingen in dien tijd zestien,
+deels groote, deels kleine schildpadden.
+
+"Mij dunkt, dat is voor ditmaal genoeg," zeide Flink toen. "Wij hebben
+in dezen nacht voor langen tijd voorraad ingezameld. Over drie of vier
+dagen willen wij eens zien, of wij onzen rijkdom niet nog vermeerderen
+kunnen, en morgen vroeg brengen wij onze vangst in den vijver."
+
+"Hoe zullen wij die groote dieren echter wegdragen?"
+
+"Dat behoeft niet veel moeite te kosten. We schuiven hen op een stuk
+oud zeildoek en brengen hen op die wijze van de plaats. Op het gladde
+zand is daar weinig kracht toe noodig."
+
+"Waarom vangen we ook niet visschen, Flink? Wij konden die immers
+ook bij de schildpadden in den vijver doen."
+
+"Zij zouden daar niet lang in blijven, Willem, en al deden zij dat
+ook, dan zouden wij er hen toch moeilijk uit kunnen krijgen. Wij
+moeten mettertijd een afzonderlijken vischvijver aanleggen; maar
+vooreerst hebben wij nog wel noodiger dingen te doen. Ik ben al
+voornemens geweest eenige hengelsnoeren klaar te maken, maar kon er
+niet toe komen en ben daar nu al te moe en te slaperig toe. Zoodra
+het huis echter gebouwd is, zullen we eens uitgaan en gij zult
+oppervisschersbaas zijn, als ik u eerst gewezen heb, hoe ge doen moet."
+
+"En niet waar, bij nacht bijten de visschen ook aan?"
+
+"O ja, en zelfs nog beter, dan bij dag."
+
+"Nu goed, bezorg mij dan een snoer en zeg mij, hoe ik doen moet. Ik
+zal elken avond, als 't werk af is, nog een uurtje of langer visschen,
+Thomas vraagt al gedurig om gebakken visch, en ik weet, dat moeder
+het gezouten vleesch hartelijk moe is en 't ook voor Caroline niet
+gezond vindt. Zij was recht blij, toen gij haar eergisteren die
+kokosnoten bracht."
+
+"Goed, goed, mijn jongen. Ik zal morgenavond een stukje kaars opzoeken
+en twee hengelsnoeren voor ons klaarmaken. Maar ik moet bij u wezen,
+vriend Willem. In allen gevallen hebben wij hier niet veel licht
+noodig."
+
+"Neen, wij zijn al blij, dat wij eindelijk te bed komen. Daar in de
+bocht staan nog twee of drie kisten met kaarsen, maar hoe moeten wij
+het maken, als die voorraad in 't vervolg eens opraakt?"
+
+"Dan branden wij kokosnotenolie en daar zal het ons nooit aan
+ontbreken. En nu goeden nacht, mijn jongen."
+
+Den volgenden ochtend nog vóór het ontbijt waren alle handen bezig
+om de schildpadden in den vijver te brengen, die tegen den middag
+door Willem en Juno geheel voltooid werd. Ook mijnheer Wilson had
+tegen etenstijd eene genoegzame uitgestrektheid gronds ter bebouwing
+gereedgemaakt, en daar zijne vrouw Juno dien middag het linnengoed
+moest laten uitwasschen, kwam men overeen, dat Flink met Willem en zijn
+vader gezamenlijk naar den tuin zouden gaan en de aardappelen poten.
+
+De oude man werkte met de spade, terwijl vader en zoon de aardappelen
+in stukken sneden, zoodat op ieder stuk een oog kwam. Terwijl zij op
+deze wijze bezig waren zeide Willem tot zijn vader in den loop van
+het gesprek onder andere:
+
+"Vader, gij beloofdet mij, den dag nadat wij de Kaap de Goede Hoop
+verlieten, dat gij mij verklaren woudt, waarom deze zoo genoemd wordt
+en dat ik daarbij ook iets over de koloniën in het algemeen hooren
+zou. Wilt gij nu misschien zoo goed zijn?"
+
+"Recht gaarne, beste jongen; maar gij moet wel opletten, en als gij mij
+niet goed begrijpt, verzuim dan niet, mij dat terstond te zeggen, opdat
+ik het u duidelijker trachte te verklaren. Gij hebt wel meer hooren
+zeggen, dat de Engelschen tegenwoordig de meesters van de zee zijn,
+en dat is werkelijk zoo, ofschoon dat in alle tijden niet het geval
+is geweest. De vroegste zeevaarders onder de nieuwere volken waren de
+Spanjaarden en Portugeezen. Door de Spanjaarden werd Zuid-Amerika,
+door de Portugeezen werden de Oost-Indiën ontdekt. Destijds, het is
+nu meer dan driehonderd jaren geleden, was Engeland niet de machtige
+staat, die het thans is en had vergelijkenderwijze slechts weinig
+schepen, ook konden de Engelschen, wat ondernemingsgeest betreft,
+bij de toenmalige Spanjaarden en Portugeezen niet halen. De laatsten
+zochten een weg naar Oost-Indië te vinden en deden daarbij de Kaap de
+Goede Hoop aan. In die dagen echter waren de schepen, in vergelijking
+met de tegenwoordige, slechts zeer klein te noemen en op de hoogte van
+deze kaap stormde het zoo geweldig, dat zij die niet durfden omzeilen
+en haar daarom den naam van Stormkaap gaven. Ten laatste gelukte het
+hun nochtans om de kaap heen te komen en van toen af noemden zij deze
+Coba da Buona Speranza of Kaap de Goede Hoop. Zij bereikten gelukkig
+het lang gewenschte Indië, veroverden daar verscheidene gewichtige
+punten en grondvestten een handel, die voor hun land een bron van
+grooten rijkdom werd, Gij begrijpt mij toch, Willem?"
+
+"Ja vader."
+
+"Welnu, weet gij, de mensch is aanvankelijk kind, rijpt allengs tot
+man, bereikt als zoodanig het toppunt zijner kracht, neemt weder af,
+wordt oud en sterft; en gelijk dit met elken mensch in het bijzonder
+het geval is, heeft het ook met geheele volkeren plaats. Het
+Portugeesche volk was toenmaals in zijn mannelijke kracht, maar
+andere natiën kwamen en groeiden nevens Portugal op, onder anderen
+de Hollanders, die den Portugeezen het eerst den handel op Indië
+betwistten. Dezen ontrukten hun eindelijk ook de eene kolonie na de
+andere en namen den geheelen handel voor zich in beslag. Thans eerst
+braken de Engelschen zich baan, veroverden zoowel de Hollandsche als de
+Portugeesche koloniën en handhaafden zich sedert grootendeels in haar
+bezit. Portugal, dat eens door het moedigste volk der wereld bewoond
+was, is thans geheel in het niet teruggezonken. Ook de Hollanders
+hebben veel van hun vroeger zoo machtigen invloed verloren, terwijl de
+zon, gelijk men te recht zegt, in het Britsche rijk nimmer ondergaat:
+want daar zijne koloniën op alle punten der aarde verstrooid zijn,
+moeten voortdurend eenige daarvan door de zon beschenen worden."
+
+"Dat alles, beste vader, begrijp ik zeer goed; maar zeg mij nu eens,
+waarom streeft Engeland en elk ander volk zoo ijverig naar het bezit
+der zoogenaamde koloniën?"
+
+"Omdat deze op de welvaart van het moederland een onberekenbaren
+invloed uitoefenen. Zoolang zij nog in hare kindsheid zijn,
+veroorzaken zij aan dat moederland doorgaans veel onkosten en uitgaven,
+maar breiden zij zich uit en worden zij sterker, dan zijn zij ook
+al spoedig in staat, om die vroegere schuld af te doen, door hare
+eigene voortbrengselen voor die der nijverheid van het moederland in
+betaling te geven. Deze ruilhandel is voor beide kanten voordeelig. Het
+moederland trekt er echter de meeste winst van, daar dit zichzelf
+het recht voorbehoudt om de koloniën van al wat zij noodig hebben
+te voorzien en daardoor aan zijne eigene bevolking eene markt tot
+vertier openstelt, waarop geene vreemde mededinging te duchten is. De
+betrekking tusschen beiden kan niet beter vergeleken worden, dan met
+die tusschen ouders en kind. Gedurende hare kindsheid wordt de kolonie
+door het moederland als een kind opgevoed en onderhouden. Naarmate
+zij in bloei en kracht toeneemt, wordt echter ook hare verplichting
+grooter, om het geleende met interest terug te geven. En hiermede
+houdt de vergelijking nog niet op. Zoodra de kolonie sterk genoeg
+geworden is om voor zich zelve te zorgen, werpt zij het juk der
+overheersching af en verklaart zich onafhankelijk, evenals de zoon,
+die tot man opgegroeid, zijns vaders huis verlaat om zijne eigene zaken
+te beginnen en zijn eigen kost te verdienen. Dit wordt even zeker het
+geval, als het zeker is dat de vogel, zoodra hij goed vliegen kan,
+het ouderlijke nest verlaat en op eigen wieken gaat drijven. Wij
+hebben daar een sprekend voorbeeld van in de Vereenigde Staten van
+Noord-Amerika, die vóór vijftig jaren nog koloniën van Groot-Brittanje
+waren, maar nu reeds zelve een der machtigste onafhankelijke natiën
+der wereld zijn."
+
+"Maar vader, is het niet vreeselijk ondankbaar van eene kolonie,
+wanneer zij zoo van het moederland, dat haar zoo lang beschermde
+afvalt, zoodra zij de bescherming niet meer noodig heeft?"
+
+"Dat schijnt in den beginne werkelijk zoo, Willem; doch als wij de
+zaak van meer nabij beschouwen, zal ons oordeel denkelijk anders
+uitvallen. Het moederland heeft gedurende het lange tijdsverloop,
+dat de kolonie noodig had om tot haar staat van onafhankelijkheid
+te geraken, volkomen gelegenheid gehad, om zich voor alles, wat
+het vroeger voor dezen deed, genoegzaam schadeloos te stellen, en na
+verloop van tijd worden de rechten, die het moederland zich aanmatigt,
+voor de koloniën ook werkelijk al te drukkend. Gij weet, men mag een
+volwassen mensch niet op dezelfde wijze behandelen als een kind."
+
+"Nu, vader, heb ik nog eene andere vraag te doen. Gij zeidet, dat de
+volken rijzen en dalen, en hebt daarbij de Portugeezen tot voorbeeld
+aangevoerd. Zal Engeland, dat nu zoo groot is, ooit vallen en even
+onbeduidend worden, als Portugal tegenwoordig?"
+
+"Die vraag kunnen wij alleen beantwoorden door op de geschiedenis
+te zien, en deze leert ons, dat dit het lot van alle volken is. Dus
+moeten wij verwachten, dat een dergelijk lot ook Engeland eens treffen
+zal. Tegenwoordig zien wij daar nog geen schijn van, evenmin als wij
+van de verborgen kiem des doods in ons eigen lichaam iets bespeuren;
+en toch komt de tijd, dat de mensch sterven moet, en evenzoo is het
+met de volken en landen gelegen. Denkt gij wel, dat de Portugeezen,
+in den tijd, toen zij zoo hoog stonden, ooit gedacht hebben, dat
+zij zoo laag, als zij nu staan, dalen zouden? Zouden zij het geloofd
+hebben, als men het hun voorspeld had? Ja, mijn beste jongen, ook de
+Engelsche natie zal mettertijd het lot ondergaan, dat alle andere
+volken vóór haar heeft getroffen. Er zijn velerlei oorzaken, welk
+dien tijd verhaasten kunnen of langer doen uitblijven, maar vroeger
+of later zal Engeland ophouden de koningin der zee te zijn en zijne
+koloniën niet langer over alle werelddeelen uitstrekken."
+
+"Ik hoop evenwel, dat die tijd nog veraf zal zijn."
+
+"Dat hoopt ook ieder echt Engelschman, die zijn vaderland waarachtig
+lief heeft. Herinner u, dat, toen het Romeinsche rijk zijne grootste
+hoogte bereikt had, Groot-Britanje maar enkel door wilden en barbaren
+bewoond was. Het Romeinsche rijk is thans verdwenen en leeft alleen
+nog in de geschiedenis en in de overblijfsels van vroegere grootheid,
+terwijl Engeland zich rangschikt onder de machtigste volken. Hoe
+is het grootste gedeelte van het vasteland van Afrika bevolkt? Met
+negers en barbaren; maar wie weet, wat nog in vervolg van tijd uit
+dezen worden kan?"
+
+"Wat! zouden die negers ooit een beschaafd volk worden?"
+
+"Op dezelfde wijze hadden ook de Romeinen in vroeger dagen kunnen
+vragen: Hoe! zouden die Britsche barbaren ooit een machtig en beschaafd
+volk worden? En gij ziet toch, dat zij het werkelijk geworden zijn."
+
+"Maar de negers, vader,--die zijn immers zwart!"
+
+"Dat zijn zij; maar wat doet dat ertoe? Wat de donkere kleur der
+huid aangaat, is de meerderheid der Mooren bijna even zwart als de
+negers en toch waren die eens een groote natie en daarbij nog het
+meest verlichte volk van hun tijd, dat zich door allerlei schoone
+hoedanigheden, door adel, grootmoedigheid, door fijnheid van vormen
+en ridderlijken zin onderscheidde. Zij veroverden het grootste
+gedeelte van Spanje en handhaafden zich eeuwen in het bezit daarvan,
+verbreidden er daar toen nog onbekende kunsten en wetenschappen, en
+betoonden zich even dapper en heldhaftig, als zij edel en deugdzaam
+waren. Hebt gij de geschiedenis der Mooren in Spanje nooit gelezen?"
+
+"Neen, vader; maar ik zou ze zeer graag leeren kennen."
+
+"Ik ben zeker, dat gij haar dan lief krijgen zoudt. Het is eene
+geschiedenis vol avonturen en afwisselende gebeurtenissen, zooals
+gij nog geen andere kent. Ik had haar onder de boeken, die ik voor
+Sidney had meegenomen, maar of ze gered zijn weet ik niet. We zullen
+later wel eens tijd vinden, om daarnaar te zien."
+
+"Ik meen, vader, dat twee kisten met boeken zijn aangespoeld."
+
+"Ja, twee of drie; maar als ik 't wèl heb, had ik er in het geheel
+vijftien of zestien.--Ziezoo, wij hebben de aardappelen nu in stukken
+gesneden en zullen Flink helpen, om ze met de meegebrachte zaden in
+den grond te brengen."
+
+
+
+
+
+
+
+ACHT-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+DE VISCHVANGST.
+
+
+Dien avond bleef Flink nog een paar uren bij kaarslicht op, waarbij
+Willem hem gezelschap hield, en besteedde zijn tijd om de vischsnoeren
+klaar te maken en van lood en haken te voorzien. Eindelijk had hij
+er twee gereed.
+
+"Wat moeten wij tot aas nemen, Flink?"
+
+"Wel liefst een van de schaaldieren, die in menigte op het strand
+liggen, ofschoon een stuk spek ons, denk ik, evengoed dienen kan."
+
+"En waar ergens zullen wij visschen, Flink?"
+
+"De beste plaats zal wel ginds, ver aan 't uiterste van de landpunt
+zijn, waar ik met de boot door de klippen kom. Het water is daar diep
+tot aan de rotsen."
+
+"Ik heb al eens gedacht, Flink, of die klipganzen en fregatvogels
+ook goed om te eten zouden zijn."
+
+"Niet heel best, vriend Willem. Zij zijn taai en hebben een
+sterken vischsmaak. Alleen in 't geval, dat wij niets beters krijgen
+kunnen, willen wij er eens de proef van nemen. Nu wij het zaad en de
+aardappelen in den grond hebben, moeten wij van morgen af met alle
+macht aan 't vellen en aanvoeren van boomstammen gaan. Uw vader en
+ik zullen, dunkt mij, het vlugst met de bijl kunnen omgaan, en gij
+kunt dan met Juno de stammen op onze kar laden en ze naar de plek
+brengen, waar ons huis zal staan. Maar 't is al laat, en wij zullen
+'t best doen nu naar bed te gaan."
+
+Onze Willem had echter in stilte een ander plan gemaakt. Hij wist,
+dat hij zijne moeder met wat visch zeer verblijden kon, en dus besloot
+hij bij den helderen maneschijn eens te beproeven, of hij, voordat
+hij slapen ging, nog niet een zootje vangen kon. Daartoe wachtte
+hij bedaard den tijd af, dat Flink even vast als de anderen in rust
+was. Toen sloop hij voetje voor voetje met zijn vischtuig weg en liep
+naar het strand, waar hij drie of vier schelpen opzocht en tusschen
+twee steenen openbrak, om de diertjes er uit als aas aan zijn haak te
+steken. Hierop ging hij eerst naar het hem aangewezen punt. 't Was een
+heerlijke nacht; het water was glad als een spiegel en de stralen der
+maan drongen tot bijna op den grond er van door. Willem wierp zijn
+snoer uit, en zoodra het lood den grond geraakt had, trok hij het
+omtrent een voet in de hoogte, gelijk hem door den ouden stuurman
+gewezen was. Geen halve minuut was zijne lijn nog in het water, of
+daar werd zoo sterk aan getrokken, dat hij, op zoo'n ruk niet bedacht,
+bijna het evenwicht had verloren en hals over kop in het water was
+gebuiteld. De visch moest groot en sterk zijn, want de lijn slipte
+hem door de hand en sneed hem in den vinger. Na een poosje kreeg hij
+die echter weer goed vast, trok ze naar zich toe en een groote visch
+met zilveren schubben, van althans negen of tien pond zwaar, was zijn
+eerste vangst. Zoodra hij zijn buit zoover op het land had, dat die
+niet meer in het water kon springen, maakte Willem den visch van den
+hengel los en besloot nog eenmaal zijn geluk te beproeven. Zijne lijn
+was ditmaal niet langer dan de eerste maal in het water, toen er weer
+met geweld aan getrokken werd; doch nu was de knaap daarop bedacht,
+vierde de lijn en liet den visch daaraan spartelen, tot hij moe werd;
+waarop hij hem zonder veel moeite optrok en met blijdschap ontdekte,
+dat deze nog zwaarder dan de vorige was. Met zijne vangst tevreden,
+wond hij de lijn weder op, stak een touw door de kieuwen der visschen
+en sleepte ze zoo naar de tenten, waar hij ze aan de tentstang ophing,
+opdat de honden er niet bij zouden komen. Een kwartier later lag hij
+gerust in slaap. Den volgenden morgen was Willem ook weer de eerste,
+die opstond en met luid gejuich zijn buit vertoonde; maar de oude
+Flink schudde daarover tegen verwachting verdrietig het hoofd.
+
+"Gij hebt zeer verkeerd gedaan, Willem," zeide hij, "met u buiten mijn
+weten aan een zoo groot gevaar bloot te stellen. Als gij besloten
+hadt uit visschen te gaan, waarom hebt ge mij daar dan niet iets
+van gezegd? Ik zou dan meegegaan zijn. Gij zegt zelf, dat de visch u
+bijna in 't water had getrokken. Verbeeld u nu eens, dat dat werkelijk
+gebeurd was; dan waart gij verloren geweest, want de rotsen zijn zoo
+hoog en steil, dat gij er niet uit hadt kunnen klauteren, voordat een
+haai u gepakt had. Stel u nu maar een oogenblik het verdriet voor,
+dat gij uw vader en allen, die u zoo liefhebben, veroorzaakt zoudt
+hebben. Verbeeld u de droefheid en de vertwijfeling uwer arme moeder,
+als ze dat bericht ontving en gij niet meer te vinden of te zien
+geweest waart."
+
+"Ik begrijp 't nu wel, ik deed heel verkeerd, Flink; maar ik wilde
+mijne goede moeder zoo graag eens verrassen."
+
+"Dat is reden genoeg voor ons om u uwe onbedachtzaamheid te vergeven;
+maar doe het toch niet weer. Geloof mij, ik ben altijd bereid en
+gewillig om overal met u mee te gaan. En nu geen woord meer van de
+zaak. Niemand moet vernemen, in welk gevaar ge verkeerd hebt, want
+nu is alles toch gelukkig voorbij. En gij zelf, mijn jongen, moet
+het een oud man ook niet kwalijk nemen, dat hij u eens een beetje
+hard beknort."
+
+"Neen, waarlijk, Flink, dat komt niet in mijn hart op, want ik weet
+immers, dat ik onberaden gehandeld heb; maar ik dacht volstrekt niet
+dat er eenig gevaar aan verbonden was."
+
+"Daar komt uwe moeder uit hare tent," zeide Flink. "Goeden morgen
+mevrouw! Wel gerust? Nu zult ge niet raden, wat Willem van nacht
+voor u gedaan heeft. Kijk hier, daar hangen twee bazen van visschen,
+waaraan wij heerlijk smullen zullen--dat verzeker ik u."
+
+"O, daar ben ik recht blij mee!" riep mevrouw Wilson. "Thomas, kom
+toch gauw eens hier! Hebt ge wel zin in gebakken visch?"
+
+"O, die lust ik zoo graag!" zei Thomas.
+
+"Kijk dan eens daar aan den tentstaak."
+
+Sinjeur Thomas klapte in den handen, danste als een dolleman in
+het rond en hield niet op te roepen: "We eten gebakken visch van
+middag,--Caroline, gebakken visch! Gebakken visch, zooveel we maar
+lusten."
+
+Na het ontbijt trokken allen naar het bosch, waar Flink de boomen
+gekapt had, en namen onderstel en raderen en een paar stevige touwen
+mede. De beide mannen velden de boomen en bonden ze aan de kar vast,
+die toen door Juno en Willem naar de plaats werd getrokken, waar het
+huis zou worden gebouwd.
+
+Niemand keek zuur, toen zij tot den maaltijd geroepen werden, want
+allen hadden een zwaar en vermoeiend werk gehad. Alleen Thomas had,
+behalve tot allerlei kattekwaad, geen hand of vinger uitgestoken,
+maar was toch aan tafel zoo gulzig, dat zijne moeder ten laatste zei:
+"Neen, jongenlief; men bindt een zak wel eens toe, al is hij nog
+niet vol. De kat zal nu met uw leege maag niet wegloopen, en ziek
+eten moogt ge u hier niet."
+
+In den nacht, die hierop volgde, stapten Flink en Willem, hoe doodmoe
+zij ook waren, naar het strand en vingen nog acht schildpadden. Het
+verdere gedeelte van de week gingen zij voort met het omkappen en
+vervoeren van kokosboomen, totdat zij eindelijk genoeg meenden te
+hebben, om met het bouwen van het nieuwe huis te beginnen. De Zondag
+werd weder in rust doorgebracht, 's Maandagsnachts vingen zij weder
+negen schildpadden en drie zware visschen en 's morgens daarop sloeg
+men de eerste hand aan het zetten van de nieuwe woning.
+
+
+
+
+
+
+
+NEGEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+HET NIEUWE HUIS.
+
+
+Flink had reeds in voorraad de benoodigde deurposten en vensterkozijnen
+saamgesteld uit het timmerhout, dat van het wrak in de bocht was
+aangespoeld. Nu heide hij dan vier palen, in elken hoek een, in den
+grond en maakte, met hulp van mijnheer Wilson, in elken kokosstam
+boven en beneden eene insnede voor eene tweeden en derden stam, die
+daarmede aan weerszijden overkruis kwam te liggen. De stammen werden
+dan om den ander op elkaar gelegd, zoodat zij goed vast sloten, en
+men had de reten nu nog slechts met kokosbladeren aan te vullen, die
+dicht opeengeperst tusschen de balken werden ingeschoven. Dit laatste
+werk werd aan Willem en Juno opgedragen, en zoo rees het nieuwe huis
+langzamerhand van den grond omhoog. De haard en de schoorsteen konden
+niet te gelijk met de muren worden opgebouwd, want daartoe had men of
+leem te vinden of schelpen tot kalk te branden, om ze daarmee en met
+steenen op te trekken; doch de plaats werd er voor opengelaten. Drie
+weken achtereen arbeidden zij op deze wijze duchtig door. Toen de vier
+muren eens stonden, begon men met het dak en de bekleeding daarvan,
+welke laatste door middel van kokosbladen geschiedde, die, in bossen
+gebonden, door Flink op de wijze van een rieten dak saamgevoegd en
+met stevige prikken aan de balken vastgemaakt werden. Tegen het einde
+der derde week was de woning in zooverre gereed, dat zij toereikende
+beschutting tegen het weder verleende. Dat werd nu ook werkelijk
+hoog tijd, want het weder was allengs anders geworden; er begonnen
+zich wolken saam te pakken en de regentijd nam een begin. Na eenige
+regenvlagen helderde de hemel nog eens weder op.
+
+"Nu hebben wij geen tijd meer te verliezen," zeide Flink tot mijnheer
+Wilson. "Wij hebben hard gewerkt, maar moeten nu een paar dagen nog
+harder werken. Het binnenste van ons huis dient klaargemaakt te worden,
+zoodat mevrouw er zoo spoedig mogelijk intrekken kan."
+
+De aarde binnen in het huis werd vastgestampt, zoodat men een
+behoorlijken vloer kreeg. Aan weerszijden langs de wanden van het
+gebouw liep eene rij van bedsteden, twee voet hoog boven den grond en
+met katoenen gordijnen, die men 's nachts neerlaten kon. Daarna deden
+Flink en Willem nog een laatste reisje naar de bocht, om tafels en
+stoelen te halen, en zij kwamen terug, juist voordat de eerste storm
+van het jaargetijde losbrak. Het beddegoed en al wat men meer noodig
+had, werd nu in het huis gebracht, en bij 't grootere zette men nog
+een ander huisje, waar men koken kon, totdat haard en schoorsteen
+gereed zouden zijn.
+
+Op een laten Zaterdagavond hield de familie eindelijk haar intocht in
+het nieuwe huis, en dat juist van pas, want het zou leelijk gegaan
+zijn, als het toen niet had kunnen gebeuren. 's Zondagsmorgens toch
+brak de eerste storm al los. De wind bulderde met geweld en een geluk
+was het voor onze vrienden, dat zij onder dak waren, want de windvlagen
+werden zoo geweldig, dat de kokosboomen zweepten, kraakten en de
+kruinen bogen, alsof zij dunne rietstaven waren. De bliksem kronkelde
+door de lucht, de eene donderslag volgde den anderen, terwijl het water
+in stroomen uit de lucht viel en een tweede zondvloed in aantocht
+scheen. Het vee liep van de weide af en zocht eene schuilplaats
+onder het dichte geboomte; de honden kropen onder de bedsteden,
+en ofschoon het pas middag was, werd het toch zoo donker, dat men,
+om iets te zien, de lichten moest aansteken. "Daar hebben we dus nu
+den regentijd, waarvan ge ons zooveel verteld hebt, Flink," zeide
+mevrouw Wilson. "Blijft dat weer lang zoo? Wat moeten we nu doen?"
+
+"Neen, mevrouw, zoo voortduren zal het niet. Tusschenbeide zal ook de
+zon schijnen, maar niet lang. Wij zullen dagelijks wel nu en dan eens
+uit kunnen gaan, maar 't kan ook vele dagen zonder ophouden regenen,
+en dan moeten we in huis arbeiden. Ik durf wel zeggen, dat het ons
+nooit aan werk zal ontbreken."
+
+"Wij mogen wel blij zijn, dat wij een dak hebben, waaronder wij ons
+hoofd veilig kunnen neerleggen. In de tenten zou het niet uit te
+houden geweest zijn."
+
+"Dat wist ik wel, mevrouw, en daarom juist had ik geen rust, voordat
+het huis gereed was."
+
+Hoe hevig de regen ook tegen de muren aansloeg, kon hij toch niet door
+het dak dringen. Flink en Willem gingen naar buiten, om de boot op eene
+plaats te brengen, waar zij niet door den storm kon beschadigd worden,
+en kwamen tot op het hemd toe nat terug. Zij moesten zich thans weer
+met koude spijzen behelpen, maar waren toch gelukkig. De storm woedde
+den ganschen nacht onafgebroken voort; doch zij sliepen gerust en
+droog, en toen zij tegen den morgen door het rollen van den donder
+en de kletterende regenvlagen gewekt werden, waren zij dankbaar, dat
+zij op dit woeste eiland zulk een veilige woonstede gevonden hadden.
+
+
+
+
+
+
+
+DERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+PLAN VOOR DE TOEKOMST.
+
+
+Toen zij den tweeden morgen opstonden, was de lucht echter weer
+opgeklaard en scheen de zon vriendelijk en helder. Flink en Juno
+waren de eersten buiten de deur,--Flink met zijn kijker onder den
+arm, dien hij alleen meenam, als hij des morgens zijn ronde deed,
+zooals hij dat noemde.
+
+"Wel, Juno," zeide Flink, "dat is een heerlijke morgen na al dat
+onweer."
+
+"Ja, massa Flink, heele mooie morgen, maar hoe ikke vuur aan krijg
+en maak water kook voor dat ontbijt? Warempel, ikke niet weet, want
+sprik en rijs alleboel klesnat."
+
+"Dat geloof ik wel, meid; maar voordat ik gisteren ging slapen,
+dekte ik de kolen met asch toe, lei daar eenige steenen op en toen nog
+een laag van takken en bladeren, zoodat ge, denk ik, nog wel wat vuur
+vinden zult. Ge ziet, Juno; we moeten ons behelpen. We kunnen niet alle
+dingen te gelijk doen; maar toekomende jaar, bij leven en welzijn,
+zullen we een goeden stapel brandhout, met een dak er over, tegen
+den regentijd gereed hebben, zoodat we niet weer verlegen staan. Ik
+wou mijn morgenronde gaan doen, maar wil nu nog wat blijven en u een
+handje helpen."
+
+"Als 't je blief, massa Flink; veel, ijselijke boel regen gevallen
+van nacht."
+
+"Ja, Juno, niet weinig. Ge moet ook niet denken, dat het water uit
+de wel van morgen heel helder zal wezen, 't Is zelfs wel mogelijk,
+dat ge van de bron in het geheel niets ziet.--Daar is toch nog wat
+hout, dat niet doornat is."
+
+"O, ikke al hebben vuur zatter," riep Juno, die de takken en steenen
+had weggeruimd en nu op hare knieën lag, om de kolen aan te blazen.
+
+"Nu zult ge u dus wel kunnen redden, Juno," zei Flink; "bovendien zal
+onze jongeheer Willem wel dadelijk hier zijn, zoodat ik kan opstappen."
+
+De oude man floot de honden, die vroolijk kwamen aanspringen, en begon
+toen zijne morgenwandeling. Hij begaf zich eerst naar de bron in de
+kloof, maar in plaats van de borrelende wel en het kristalheldere
+water, dat anders over de boorden der ton heenstroomde, vond hij een
+drabbige, slijkerige beek, die klotsend van de hoogte neerstortte en
+maakte, dat van de bron in het geheel niets te zien was.
+
+Flink waadde door den stroom, want hij wilde naar den schildpadvijver
+gaan zien, die nog verderop was gelegen. Hier was alles in orde, en nu
+plaste hij nog eenmaal door het water, dat den zandigen oever geheel
+overstroomd had, totdat hij aan de landtong kwam, waar zijne boot
+geborgen lag. Hij had haar te dien einde achter en voor met een stevig
+touw vastgebonden en een zwaren steen als anker daaraan gehangen.
+
+Van dit punt zag hij als gewoonlijk met zijn kijker uit,--niet omdat
+hij op de waarschijnlijkheid rekende, dat een schip tusschen deze
+eilanden en klippen verdwalen zou, maar toch, daar die mogelijkheid
+bestond, nam hij doorgaans deze moeite, ofschoon nooit als mijnheer
+Wilson bij hem was, daar hij wel bemerkte, dat deze daardoor bedroefd
+en somber gestemd werd. Als gewoonlijk nam hij ook ditmaal, na gedaan
+onderzoek, zijn kijker weer onder den arm en zuchtte: "Dat helpt
+immers toch niet."
+
+Daar de storm van land af had geblazen, bevond hij nu, dat de boot
+zoover was afgedreven, dat hij haar niet meer bereiken kon.
+
+"Dat is wat moois!" dacht hij. "Hoe kon ik zoo dom zijn van dat
+ding niet aan een touw vast te sjorren? Er naar toe zwemmen en een
+maaltijd voor Jantje Haai worden, wil ik ook niet. Maar wacht,--laat
+eens zien!" Met deze woorden haalde hij de lijnen en strengen, die tot
+de takelage van het scheepje behoorden en die hij ergens op een droge
+plek aan de kust geborgen had en knoopte ze aan elkander. Vervolgens
+bond hij een stuk hout van twee voet lengte ongeveer op 't midden aan
+de lijn vast. Dit zocht hij nu door middel van het touw in de boot
+te slingeren en na eenige vergeefsche pogingen gelukte hem dit. Het
+hout raakte onder tusschen de ribben van de boot vast en zoo werd
+het mogelijk, de boot behoedzaam aan land te trekken. Nadat hij het
+water had uitgeloosd, dat zij gedurende den storm had ingekregen,
+verliet hij het strand en ging een bezoek aan den tuin brengen.
+
+"Nu moet ik onze schapen en geiten nog opzoeken," zeide Flink, "en
+dan is mijne morgenwandeling gedaan.--Kom, Romulus! Kom Remus! Waar
+zijt gij, jongens?"
+
+De honden schenen te merken wat hij wilde en liepen al snuffelend
+vooruit. Spoedig hadden zij de schapen en twee der geiten dan ook
+opgespoord; maar de derde was nergens te zien.
+
+"Wel, waar kan onze zwarte Nanni dan toch zitten?" mompelde de oude
+man, die onderwijl een poosje had uitgerust. Eindelijk hoorde hij
+onder het dichte kreupelhout een geblaat, waarop hij dadelijk afging,
+terwijl de honden hem volgden.
+
+"Dat dacht ik al half," riep hij, toen hij Nanni met twee pas geboren
+jongen bij haar onder de struiken vond liggen. "Komt, kleine beestjes,
+we moeten een betere plaats voor u vinden," zeide hij en nam op
+iederen arm een. "Koest, Romulus, koest dan!" dreigde hij den hond,
+die naar de diertjes opsprong. "Wat zijn dat voor kuren? Koest!--Ha
+ha, daar ligt ge al en hebt nu uw verdiend loon."
+
+En zoo was het ook; want Nanni, die niet dulden wou, dat de hond hare
+jongen te na kwam, was op hem toegesprongen en had hem zoo gestooten,
+dat hij hals over kop op den grond buitelde.
+
+Met de geitjes op den arm wandelde Flink nu naar huis terug en werd
+door de moeder op den voet gevolgd. Hij vond mijnheer en mevrouw Wilson
+en al de kinderen reeds aangekleed. Caroline en Thomas juichten van
+blijdschap, toen zij de jonge geitjes zagen, en zelfs de kleine Albert
+kraaide het uit. Zoodra Flink ze op den grond legde, hadden ook Thomas
+en Caroline al spoedig een van de aardige diertjes op den arm.
+
+"Ik heb een aanwas voor de familie meegebracht, mevrouw," zeide Flink,
+"en moet u wel verzoeken, de kleintjes in huis te dulden, totdat ik
+eene andere geschikter plaats voor hen vinden kan. Dat is echter maar
+een begin; ik verwacht, dat wij spoedig meer zullen hebben."
+
+Zoodra men de kleinen bewegen kon, de geitjes over te geven, werd
+Nanni in een hok vastgebonden, waar ze zeer tevreden scheen en hare
+kleinen zoogde en likte. Juno en Willem brachten het ontbijt binnen,
+en na den afloop daarvan zeide mijnheer Wilson:
+
+"Nu Flink, dienden we wel eens raad te houden, om aan ieder van
+ons zijne bijzondere werkzaamheden en verrichtingen gedurende den
+regentijd aan te wijzen. Wij hebben zeer veel te doen en kunnen geen
+leegloopers zijn."
+
+"Ja mijnheer, wij hebben zeer veel te doen, en om met alles klaar
+te komen, moeten wij met orde en naar een geregeld plan te werk
+gaan. Ik ben al oud genoeg om te weten, hoeveel tijd men door een
+regelmatige verdeeling zijner uren winnen kan. Zoo, bij voorbeeld,
+wordt op een goed bestuurd oorlogsschip veel meer gedaan, dan men
+op een koopvaardijschip in dubbel zooveel tijd uitvoert. En hoe dat
+zoo? Omdat ieder ding op zijne plaats en er eene bijzondere plaats
+voor ieder ding is. Heeft men dus iets noodig, dan behoeft men zijn
+tijd althans niet met zoeken te verliezen, daar ieder weet, waar hij
+het zijne halen moet. Bovendien weet ieder ook wat hij te doen heeft
+en dus kan er nooit verwarring ontstaan."
+
+"Ik ben 't volkomen met u eens, Flink," viel mevrouw Wilson hem in
+de rede; "orde is de hoofdzaak. Terwijl een slordig meisje nog naar
+haar vingerhoed zoekt, heeft een ander, dat beter op hare zaken past,
+haar werk al lang af; en ik beloof u, zoodra de bergplanken en kastjes
+klaar zijn, zal ik zorgen, dat hier binnenshuis ieder ding op zijne
+plaats, en dat ook eene bijzondere plaats voor elk ding zal wezen."
+
+"Ik vraag verschooning, mevrouw, als ik te veel praat; maar ik kan u
+verzekeren, dat ik nooit zou geweten hebben, hoeveel men met orde en
+stiptheid kan uitrichten, als ik niet aan boord van een oorlogsschip
+gediend had. Ik had al een langen tijd op koopvaardijschepen gevaren,
+waar altijd, zelfs als er niets te doen is, drukte en verwarring
+heerscht; maar hier vond ik, dat alles in stilte en geregeld werd
+afgedaan. Nooit had iemand een woord te spreken, dan alleen de
+officier, die juist den dienst had. Ieder man was op zijn post; ieder
+had een touw op te hijschen of er een te vieren. De bootsman floot,
+en in een ommezien was ieder zeil bijgezet of gereefd, al naar dat het
+gebeuren moest. In 't begin scheen mij dat wel hekserij toe. En gij
+zult begrijpen, mijnheer Wilson, dat bij zooveel orde en tucht ieder
+man in 't bijzonder van groot gewicht is, want de minste nalatigheid,
+waaraan één zich schuldig maakt, hindert ook dadelijk al de overigen
+in hun werk en doet alles verkeerd gaan. Daarbij kan de schuldige ook
+altijd verzekerd wezen, dat hij de verdiende straf niet ontgaat. Al
+had ik aan boord van dat oorlogsschip ook niet anders geleerd dan
+mijn tijd en mijne krachten op de beste wijze te gebruiken, dan had
+ik daarbij voor mijn volgend leven al genoeg gewonnen."
+
+"Gij hebt volkomen gelijk, Flink, en gij moet ons nu leeren, evenzoo
+te arbeiden," antwoordde mijnheer Wilson.
+
+"Wij hebben zooveel te doen, dat ik haast niet weet, waar te
+beginnen. Wij moeten werken, zoo goed en zooveel wij kunnen, totdat
+wij de dingen een weinig beter in orde hebben gebracht. Tot hiertoe
+hebben wij allen braaf ons best gedaan."
+
+"Wat denkt gij, dat wij het eerst doen moeten, Flink?"
+
+"Wel, mijnheer, ons eerste werk dient te zijn, dat wij de boot wat
+hooger ophalen en zorgen, dat ze geen schade lijdt. Ik reken het
+vooreerst toch niet veilig naar de andere zij van het eiland te gaan,
+daar er op den duur te veel branding staat en 't weer ook te onzeker
+is, om er voor een uur op te rekenen. Zoo zal het best zijn, dat wij
+de boot half in 't zand begraven en ze dan daarmee geheel overdekken.
+
+"Dat komt mij zeer goed voor. En wat volgt dan?"
+
+"Ja, ziet gij, de tenten mogen wij ook niet laten staan. We moeten
+ze opbreken en ze, als ze goed droog zijn, op eene geschikte plaats
+bewaren, daar ze in het vervolg nog goed te pas kunnen komen.--Dan,
+mijnheer, moeten we een ruim pakhuis voor levensmiddelen en verderen
+voorraad bouwen, met een rieten dak en met den vloer zoo wat vier voet
+boven den grond, zoodat onze schapen en geiten daaronder bij boos weer
+eene schuilplaats kunnen vinden. Daarmee kunnen wij schielijk klaar
+komen; wij hebben slechts drie kanten dicht te maken, en dat kost met
+kokosbladeren zooveel moeite niet. Later, mijnheer, valt er nog een
+vischvijver aan te leggen en eene zoutpan in de rotsen uit te houwen;
+doch dat doen wij eerst, als er geen dringender werk meer is.--Daarna
+komen nog twee gewichtige dingen. Vooreerst moeten wij al, wat wij nog
+aan de overzijde hebben, nazien, schriften en terechtleggen, zoodat
+wij het terstond na den regentijd hierheen kunnen halen. Het tweede
+is, dat wij een ontdekkingsreisje door het gansche eiland doen en
+onderzoeken, wat het al zoo voortbrengt; want tot hiertoe, mijnheer,
+weten wij daar nog bitter weinig van. Wij kunnen misschien nog veel
+vinden, dat ons van nut kan zijn; b. v. boomen en vruchten, en ik hoop
+ook wat meer gras en voeder voor ons vee, want gij begrijpt licht,
+mijnheer, als dit zoo vermeerderen zal, dat we er wezenlijk nut van
+trekken, zullen wij hier geen voedsel genoeg voor de dieren hebben."
+
+"Al wat gij daar zegt, is volkomen waar, Flink," antwoordde mijnheer
+Wilson. "En hoe zullen wij thans onze krachten verdeelen?"
+
+"Voorshands, mijnheer, zullen wij aan geen verdeeling denken. Juno
+heeft met mevrouw binnenshuis volop te doen. Onze Willem, gij en ik
+zullen eerst de boot in zekerheid brengen en de tenten en wat er nog
+zoo meer is, wegbergen. Dan beginnen wij met het pakhuis en haasten
+ons daarmee, zooveel wij kunnen. Heeft Juno soms eens wat tijd over,
+dan moet ze kokosbladeren opzamelen tot brand voor den haard. De kleine
+Thomas zal wel met haar meegaan en haar wijzen, hoe ze doen moet."
+
+"Ja, ja, dat zal ik haar wel wijzen," zei Thomas en zette eene
+hooge borst.
+
+"Nu aanstonds nog niet, jongeheer," hernam Flink; "eerst als moeder
+u en Juno missen kan, dan moet gij het haar wijzen.--Kom, mijnheer,"
+vervolgde hij, "wij mogen thans de paar uren goed weer niet verzuimen,
+want voordat de dag ten einde is, krijgen wij zeker nog veel meer
+regen. Als ge 't goed vindt, zal ik even de schoppen halen en maar
+naar de boot vooruitgaan, waar ik u wacht. Gij en Willem kunt eenige
+touwen meenemen, een stevigen bos kokostakken bij elkander binden,
+dien op de kar laden en daarmee dan naar het strand komen."
+
+"We zullen u niet laten wachten, Flink," antwoordde mijnheer
+Wilson.--"Kom, Willem, kom!"
+
+
+
+
+
+
+
+EEN-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+FLINK VERHAALT ZIJNE LEVENSGESCHIEDENIS.
+
+
+Daar men tot het bouwen van het huis zooveel kokosboomen geveld had,
+lagen er nog takken in overvloed in het rond verstrooid, en vader en
+zoon hadden er spoedig genoeg bij elkaar.
+
+Aan het strand gekomen, vonden zij dat Flink de boot reeds op het
+droge gehaald en er ook de rollen reeds ondergeschoven had, om ze
+later van de plaats te brengen. Met weinig moeite werd zij een el
+of tien hooger op het strand getrokken, totdat Flink verzekerde,
+dat de afstand volkomen toereikend was. Toen groeven zij met hunne
+schoppen zoo diep, dat het kleine vaartuig halverwege in het zand
+wegzonk. Daarop wierpen zij de uitgegraven aarde daarin, totdat de
+boot geheel vol was, bedekten die toen zorgvuldig met de meegebrachte
+takken en bezwaarden ook deze weder met zand, zoodat zij niet door
+den wind konden worden weggeblazen.
+
+"Ik begrijp eigenlijk niet, waarom gij de boot zoo toedekt, Flink,"
+merkte Willem aan. "De regen zou haar immers geen kwaad doen."
+
+"Neen, de regen zou er weinig aan bederven, jonge vriend; maar wel de
+zon, als zij van tijd tot tijd eens weer voor den dag mocht komen. De
+zon heeft verbazend veel kracht en kon door haar gloed mijn arme boot
+licht geheel in stukken doen springen."
+
+"O ja, daaraan had ik zoo gauw niet gedacht," antwoordde Willem. "Wat
+dient er nu bij de hand gevat, Flink?"
+
+"Wel, daar we nog twee uren vóór etenstijd hebben, zoudt gij de
+vischlijnen nog wel eens kunnen gaan halen, en dan zullen wij zien
+wat het geeft."
+
+"Maar wij kunnen toch niet alle drie met twee lijnen visschen?" zeide
+mijnheer Wilson.
+
+"Neen, mijnheer; maar daar uw zoon er al zeer handig mee is, moest
+gij, dunkt mij, hier bij hem blijven, terwijl ik Juno nog wat hout en
+prikken help inzamelen. De goede meid was dezen morgen doodverlegen,
+toen dit nog zoo nat was; maar is het eens opgestapeld, dan zal
+het spoedig drogen. Wees toch vooral voorzichtig, mijnheer Wilson,
+en houd de lijnen niet al te stijf vast, daar ge anders gevaar loopt
+zelf in 't water te worden getrokken. Ik heb onzen Willem vroeger al
+gewaarschuwd; maar 't zal toch goed zijn, dat ge een wakend oog op
+hem houdt, want hij is jong en wat driftig."
+
+Daar de oude man Willem met de lijnen juist tegenkwam, herinnerde
+hij hem nog eens met een paar woorden het gevaar, dat hij de laatste
+maal bij het visschen geloopen had, en ging toen zelf aan het werk,
+dat hij zich nog had voorgenomen te doen.
+
+Vader en zoon waren in hunne vangst zeer gelukkig. Voordat de twee uren
+om waren, hadden zij acht groote visschen gevangen, die zij aan den
+bootshaak hingen en zoo in triomf naar huis droegen. Sinjeur Thomas
+juichte overluid, toen hij den voorraad zag en wilde dat men terstond
+aan 't koken en bakken zou gaan. Daar de vangst zoo overvloedig was,
+besloot men dan ook werkelijk het eten uit te stellen, totdat een
+gedeelte van de visch was toebereid. Dit was een uitstel, waarover
+zich niemand rouwig betoonde, daar zij anders niets dan pekelvleesch
+tot middagkost gehad zouden hebben.
+
+Men had zich nauwelijks aan tafel gezet, of de regen kletterde op het
+dak neer en binnen een kwartier was de orkaan weer even geweldig en
+waren donder en bliksem even vreeselijk als den dag te voren. Al het
+werk buitendeurs was dus opeens weer gedaan. Mevrouw Wilson, Juno en
+Caroline namen haar naaiwerk, want er viel in overvloed te lappen en
+te stoppen, en Flink vond bezigheid voor de rest. Willem en zijn vader
+kregen een dik touw te pluizen, waarvan Flink dunner en bruikbaarder
+draden maken wilde. De oude man zelf vatte zijne naaipriemen op
+en boorde gaten in de venstergordijnen (die maar inderhaast waren
+opgehangen), zoodat men ze nu naar welgevallen open en dicht kon
+trekken. Ook Thomas kreeg een verward kluwen garen uiteen te haspelen,
+wat hij, het leegzitten in het eind toch moe, ook heel geduldig deed.
+
+Zoodra Flink de gordijnen in orde had, haalde hij een dik pak van
+onder de bedstede voor den dag en maakte dat open.
+
+"Ik wil mevrouws slaapplaats nu wat opschikken," zei de goede man;
+"die dient toch wel wat mooier te wezen dan die van de anderen."
+
+Het pak bestond uit de geredde scheepsvlag, die rood van kleur was, en
+uit nog eene andere vierkante gele vlag, waarop de naam van het schip,
+"De Vrede," in groote zwarte letters te lezen stond. Deze beide hing
+Flink in sierlijke kronkels voor de bedstede op, zoodat het eene heel
+aardige vertooning maakte en tevens de ruwe wanden van de hut geheel
+aan het oog onttrok.
+
+"Waarlijk, vriend, ge maakt me bijna beschaamd," zei mevrouw Wilson,
+toen hij gedaan had. "Het is bijna al te mooi voor deze plaats."
+
+"'t Is toch het beste gebruik, dat we er hier van maken konden,"
+zei Flink.
+
+"Och ja, dat vrees ik ook," merkte mijnheer Wilson zuchtend aan.
+
+"Flink," zei Willem, toen het licht op was, "gij beloofdet mij eens
+half en half, dat ge mij uwe geschiedenis zoudt vertellen; ik wou wel,
+dat ge er ons nu iets van hooren liet, om ons zoodoende den avond
+te korten."
+
+"Welnu, vriend Willem, ik heb het beloofd en ik zal woord houden. Na
+'t hooren van mijne historie zult ge zeggen, dat ik in mijn tijd heel
+dwaas en onverstandig gedaan heb; maar dat zal eene waarschuwing voor
+u wezen en kan in allen gevalle van eenig nut zijn."
+
+"We zullen u met groot genoegen aanhooren," verzekerde de moeder.
+
+"Komaan, mevrouw, als gij dan maar luisteren wilt." Met deze woorden
+begon Flink zijne historie, gelijk hier volgt.
+
+
+
+
+GESCHIEDENIS VAN DEN OUDEN FLINK.
+
+"Natuurlijk zult ge eerst verlangen te weten, wie mijne ouders
+waren. Nu, dat is gauw verteld. Mijn vader was kapitein van een kof,
+die van Londen op Hamburg voer; en mijne arme moeder, God zegene
+haar! was de dochter van een gepensionneerd luitenant te land, die een
+paar maanden na haar trouwen al kwam te sterven. Het weinige, dat de
+oude heer haar naliet, kwam bij hetgeen mijn vader al in de kof had,
+zoodat hem daar een derde van toekwam; de beide andere parten behoorden
+aan een rijken scheepsbouwmeester en reeder, met name Masterman. Met
+de profijten van zijn aandeel in het schip en het geld, dat hij als
+kapitein verdiende, kon mijn vader het tamelijk goed stellen. Mijnheer
+Masterman, die veel met mijn vader ophad en door vaders overleg en
+goed oppassen vrij wat geld verdiende, was er bij, toen vader trouwde;
+en na mijn geboorte, zoo wat een jaar daarna, stond hij als peet over
+mij. Iedereen begreep, dat dit een goed ding voor mij was, en men
+wenschte er vader en moeder geluk mee, want de oude heer Masterman
+was ongetrouwd en al bij de zestig jaren en had kind noch kraai in
+de wereld. De menschen wilden wel zeggen, dat hij wat heel sterk op
+geld gesteld was; maar dat was er, zeiden ze, niet minder om voor mij,
+want hij kon zijn geld toch onmogelijk in het graf meenemen.
+
+"Gij zult zien, wat er op die gedachten van de menschen valt staat
+te maken, Willem; want een jaar na mijne geboorte verloor mijn vader
+zijn leven op zee, bij eene schipbreuk voor Texel, waar zijn schip
+met man en muis verging, en mijne moeder bleef weduwe met een kind pas
+van de borst, en ze was maar twee-en-twintig jaren oud, de arme vrouw.
+
+"Daar 't schip voor twee derden van de waarde was verzekerd geweest
+dacht men, dat mijne moeder nog genoeg zou krijgen, om van te leven:
+maar tot ieders verwondering kwam mijnheer Masterman op en zocht
+te bewijzen, dat alleen zijne twee derde aandeelen in het vaartuig
+verzekerd waren geweest."
+
+"Maar wat is dat, verzekering?" vroeg Willem.
+
+"Dat zal ik u zeggen, mijn beste jongen," antwoordde zijn
+vader. "Verzekering of assurantie is, als men aan menschen, die men
+assuradeurs noemt, eene zekere som betaalt, waarover zij dan, als
+'t gebeuren mocht dat een schip of de lading verging of schade leed,
+aan de eigenaars van schip en lading de waarde vergoeden moeten. Men
+betaalt al naar gelang van 't gevaar, dat men te vreezen heeft. In
+oorlogstijden b. v. betaalt men tien percent,--dat is, tien gulden
+voor iedere honderd, die men verzekert. Vooronderstel nu eens, dat
+ge tienduizend gulden op een schip en lading verzekeren wilt en men
+daarvoor tien percent verlangt, dan hebt ge duizend gulden aan de
+assuradeurs te betalen, waartegen dezen u, in geval het schip verloren
+gaat, de gansche som, die ge verzekerd hebt en dus tienduizend gulden
+zullen moeten vergoeden. Hebt ge het nu gevat, Willem?"
+
+"O ja, heel goed, vader. Evenwel begrijp ik nog niet, hoe een
+verzekeraar daarmee geld kan verdienen, want in oorlogstijd worden
+veel schepen in den grond geschoten en gekaapt, en dan heeft hij
+immers zulke groote sommen te betalen!"
+
+"Ge moet bedenken, Willem, dat voor een enkel schip, dat verloren
+gaat, misschien vijftig of meer behouden binnenkomen, en daar de
+verzekeraars voor die alle toch betaald worden, doen zij meestal
+goede zaken; want dat doen zij zeker, daar er anders niet zooveel
+verzekeraars en assurantie-maatschappijen bestaan zouden.--
+
+"Neem mij niet kwalijk, Flink, dat ik u daar zoo in de rede ben
+gevallen."
+
+"O volstrekt niet, mijnheer; men moet geen gelegenheid verzuimen,
+om jongelieden onderricht te geven en ik moet zeggen, dat ge hier
+nu ook de ouden wijzer gemaakt hebt, daar de zaak mij nog nooit zoo
+duidelijk geweest is, als op dit oogenblik. Maar om voort te gaan:
+of mijnheer Masterman 't recht op zijne zijde had of niet, kon op dat
+oogenblik geen mensch zeggen; doch dit weet ik, dat de heele wereld
+er schande over riep. Het gevolg was, dat mijne moeder weinig of niets
+meer van haar weinigje goed overhield, maar ze vond gelukkig vrienden,
+en wist er zich, met wat ze door naaien en borduren verdiende, gelukkig
+door te slaan, tot ik mijn achtste of negende jaar bereikt had."
+
+"Maar uwe peet, mijnheer Masterman, kwam die dan uwe moeder niet te
+hulp?" vroeg mijnheer Wilson.
+
+"Neen, mijnheer. Het klinkt vreemd, maar dat deed hij niet; en dit
+maakte, dat hij nog meer over de tong ging. Ik denk, dat het juist
+deze beschuldigingen waren, waarvan hij zelf toch ook wel iets hooren
+moest en welke hij waarschijnlijk aan mijne moeder toeschreef, die hem
+afkeerig van ons maakten. Misschien was het ook zijn geweten; want
+men zal altijd zien, dat wij degenen haten die wij benadeeld hebben
+en verstoord op hen zijn, inplaats van het op onszelven te wezen."
+
+"Ongelukkig is er veel waars in uwe opmerking," sprak mijnheer Wilson;
+"maar toch was het hoogst vreemd, dat hij zoo iets deed."
+
+"Dat was het werkelijk, mijnheer,--althans zoo dacht men er toen
+ter tijd algemeen over, doch hij was zeer aan 't geld gehecht en
+verbitterd over geruchten, die van hem in omloop waren.--Maar ik zal
+verder vertellen.
+
+"Ik was een sterke, vlugge, levendige knaap. Zoo dikwijls ik mijne
+moeder of de school ontloopen kon, vond men mij vast aan den waterkant
+of aan boord van een schip, want alles, wat de zeevaart aanging, was
+mijn hoogste lust. In den zomertijd was ik den halven dag in het water
+en zoo werd ik een goed zwemmer. Mijne moeder bemerkte mijn lust in
+het varen en deed alles, om mij daarvan terug te brengen. Zij vertelde
+mij van de moeiten en gevaren, waaraan een zeeman is blootgesteld,
+en eindigde altijd met mijns vaders dood en met een vloed van tranen.
+
+"Indien mijne moeder zich niet zoo tegen mijn naarzeegaan verzet had,
+geloof ik wezenlijk, dat ik aan wal gebleven zou zijn. Als kind
+was ik echter trotsch en hardnekkig van aard. Ik moet dat zeker
+van mijn vader gehad hebben, want mijne arme moeder, ach! die was
+de zachtzinnigheid zelve. Ik kon niet velen, dat een andere jongen
+deed wat ik niet doen kon; en om dingen te verrichten, die geen
+ander wagen dorst, volvoerde ik soms zulke halsbrekende kunsten,
+dat het, naar aller zeggen, wonder boven wonder was, dat ik er niet
+honderdmaal mijn leven bij inschoot. Mijne moeder hoorde gedurig
+van gevaren, waarin ik verkeerd had, en was dan buiten zichzelve van
+zorg en angst. In den beginne beknorde zij mij telkens en smeekte mij
+toch niet zoo'n waaghals te zijn; maar later ging ze doorgaans naar
+haar kamertje en schreide daar in stilte, want ik was haar eenige
+troost, hare laatste hoop en alles wat zij nog op aarde had. Ik heb
+later dikwijls zelf niet kunnen begrijpen, hoe ik in dien tijd zoo
+ongevoelig en hardnekkig kon zijn. Ik was te jong om te bedenken,
+welke kwelling ik haar aandeed en hoe de gedurige bezorgdheid over mij
+aan haar leven knaagde. Kinderen voelen dat zoo niet. Deden zij dat,
+ze zouden anders handelen, want onze harten zijn op dien leeftijd
+nog niet verhard, maar worden dat eerst later."
+
+"Gij hebt wel gelijk, Flink," merkte mijnheer Wilson aan. "Als kinderen
+werkelijk wisten, hoeveel hunne ouders door hunne verkeerdheden te
+lijden hebben, hoezeer ieder bewijs van boosheid hen verontrust,--zij
+zouden waarlijk beter zijn."
+
+"Wij zien het doorgaans eerst in, als het te laat is," ging Flink
+voort. Ik was ruim negen jaren oud, toen eens op een dag, dat er vrij
+wat wind woei en het water hol stond, een kabel, waarmede een schip aan
+het hoofd vastzat, met een geweldigen slag sprong. Het losgescheurde
+eind trof een man, die dicht aan den waterkant gestaan had en slingerde
+hem met geweld in het water. Ik hoorde hem schreeuwen en zag, hoe de
+menschen op het hoofd en van de schepen hem touwen toewierpen; maar
+hij kon die niet grijpen, daar hij weinig van 't zwemmen verstond en
+de zee hol ging. Daar pakte ik een touw, dat juist werd opgetrokken
+en sprong hals over kop van het hoofd in 't water.
+
+"Hoe jong ook, kon ik zwemmen als een eend en 't gelukte mij, hem het
+touw in handen te geven op het oogenblik, dat hij op punt was van te
+zinken. Hij klemde zich daar met alle macht aan vast en werd zoo tot
+aan de palen voortgetrokken; een poosje later kwam er ook eene boot,
+die men inderhaast te water had gebracht en nam ons beiden behouden
+op. Wij werden naar eene herberg gebracht en kropen te bed, totdat
+men droge kleeren voor ons gehaald had. Toen eerst ontdekte ik, dat
+de drenkeling, dien ik gered had, mijn peet, mijnheer Masterman was.
+
+"Iedereen roemde mij zeer, en waarlijk ofschoon ik dat misschien
+zelfs niet zoo zeggen moest, het was ook een stout stuk geweest voor
+een jongen van mijne jaren. De matrozen droegen mij als in triomf
+naar moeders huis terug. Toen de goede vrouw hoorde wat ik gedaan
+had, drukte zij mij vast in hare armen en dan weende zij ook bitter,
+als ze aan het gevaar dacht, dat ik had doorgestaan, en zich daarbij
+voorstelde, dat mijne stoutmoedigheid mij licht in nog veel grooter
+gevaar brengen kon."
+
+"Maar zij beknorde u ditmaal toch niet om hetgeen gij gedaan had?"
+
+"O neen, Willem; zij gevoelde, dat ik mijn plicht jegens mijn
+medemensch vervuld had: misschien ook, dat ik in dit geval het kwade
+met eene goede daad had vergolden; maar van dit laatste zei ze toch
+geen woord. Den volgenden dag kwam mijnheer Masterman ons een bezoek
+brengen. Hij keek heel beschaamd en verlegen, toen hij naar zijn
+petekind vroeg, dat hij zoolang vergeten had. Mijne moeder, die wel
+begreep hoe nuttig hij worden kon, ontving hem heel vriendelijk,
+maar ik had reeds te dikwijls van zijne verwaarloozing van mij en
+mijne moeder en van zijn naar alle waarschijnlijkheid afschuwelijk
+gedrag jegens mijn vader hooren spreken en had daardoor een hevigen
+weerzin tegen hem opgevat. Zoo kwam het, dat ik zijn vriendelijkheid
+heel koeltjes opnam. Ik was wel blij, dat ik hem het leven had gered;
+maar ofschoon mijn gevoel mij destijds nog niet recht duidelijk was,
+moet ik toch met schaamte bekennen, dat mijne blijdschap niet uit
+de bewustheid voortkwam van eene goede daad verricht te hebben, doch
+veeleer uit zekere bevredigde wraak, daar ik nu een man, die mij eens
+zoo slecht behandelde, tot dankbaarheid jegens mij verplicht had. Dat
+kwam voort uit mijn trotschen geest, dien mijne moeder niet buigen
+kon. Ge ziet, jongeheer Willem; er stak weinig verdienste in wat ik
+gedaan had, daar ik na 't verrichten der daad aan een gevoel toegaf,
+dat ik had moeten onderdrukken."
+
+"Mij dunkt, ik zou in uw geval evenzoo gedacht hebben als gij, Flink,"
+gaf Willem ten antwoord.
+
+"Kwaad met goed te vergelden is de groote plicht van een
+Christenmensch, en had ik mijnheer Masterman gered met de zekerheid
+dat hij het was, dan zou dat prijzenswaardig geweest zijn; maar nu
+kende ik hem niet, toen ik hem redde, en het bleef nog altijd de
+vraag, of ik, als ik geweten had wie daar in het water omspartelde,
+mijn leven dan wel voor hem zou hebben gewaagd. Of, als ik het toch
+gedaan had, zou dat dan niet misschien met hetzelfde gevoel geschied
+zijn, dat mij nu nog vervulde, nadat ik hem werkelijk gered had,--het
+gevoel, dat ik mij voor zijn gedrag jegens mij op hem wreken wilde;
+want er bestaat wel geen grooter wraak dan deze, dat men zijn vijand
+tot dankbaarheid verplicht."
+
+"Gij beoordeelt uzelven zeer streng, brave Flink," zeide mijnheer
+Wilson, "en mij dunkt bijna, dat gij uzelven onrecht aandoet."
+
+"Toch niet, mijnheer," hernam de oude man. "Mijn eerste gevoel, dat
+dat mij tot handelen aanspoorde, was goed; maar dat, waaraan ik later
+toegaf, nam al de verdienste van mijne daad weder weg. Ik zeg juist
+wat ik denk dat waarheid is, en een oud man kan zonder partijdigheid,
+maar niet zonder berouw, op het verleden terugzien.--Doch ik wil nu
+voortgaan met mijne geschiedenis.
+
+"Mijnheer Masterman's bezoek duurde niet heel lang. Hij zeide mijne
+moeder, dat hij voortaan zorg voor mij zou dragen en mij, zoodra ik
+oud genoeg was om de school te verlaten bij eene scheepstimmerman in
+de leer zou doen. Tot daartoe bood hij aan, al de kosten van mijne
+opvoeding op zich te nemen. Mijne arme moeder was zeer dankbaar en
+schreide vreugdetranen. Toen mijnheer Masterman weg was, omarmde ze
+mij en zeide mij, dat ze zich nu eerst gelukkig gevoelde, dat ik
+eene kostwinning te land krijgen en niet op zee gaan zou. Om mijn
+peet recht te doen wedervaren, moet ik zeggen, dat hij trouw zijn
+woord hield. Hij zond mijne moeder geld, zoodat ze het beter stellen
+en meer genot van haar leven hebben kon. Iedereen wenschte haar ook
+geluk en ze kuste mij en plachte altijd te zeggen, ze dat alles aan
+mij alleen had te danken."
+
+"Ach, Flink, wat moet dat u gelukkig gemaakt hebben!" riep Willem,
+vol hartelijkheid.
+
+"Ja, jongeheer, dat deed het, maar het maakte mij ook heel trotsch. Het
+is vreemd maar toch waar; ik kon mijn afkeer van mijnheer Masterman
+niet overwinnen; ik had dien te lang in mijn hart omgedragen. Ik
+kon nauwelijks verdragen, dat mijne moeder verplichting aan hem had,
+of dat hij het schoolgeld voor mij betalen zou. Hoe jong ik ook was,
+krenkte die gedachte mijne trotschheid toch al te zeer, en al was mijne
+moeder ook nog zoo gelukkig, ik was dat niet. Daar ik bovendien op een
+betere school gebracht was en men mij dwong, bij de andere jongens
+te blijven, kon ik niet meer, zooals te voren, aan den havenkant
+omzwerven en op de schepen gaan, zoodat ik van mijn liefste genot was
+beroofd. Destijds zag ik niet in, zooals tegenwoordig, dat dit alles
+tot mijn eigen best was. Het verbitterde mij veeleer, en ik gevoelde
+mij ongelukkig, enkel omdat ik gedwongen was, mijn aandacht op de
+lessen te richten en men mij niet langer mijn eigen weg liet gaan.
+
+"De meester klaagde over mij; mijnheer Masterman liet mij roepen en
+haalde mij terdeeg door. Dit maakte mij nog koppiger, en zoo werd ik,
+op mijnheer Masterman's verlangen, gevoelig gekastijd. Deze behandeling
+maakte mij zoo weerspannig, dat ik besloot weg te loopen en op zee
+te gaan.
+
+"Gij ziet, Willem, dat ik in dit alles ongelijk had; en dat hebben
+alle knapen, die zoo eigenzinnig zijn, als ik te voren was, en alles
+beter meenen te weten dan zij, die voor hen zorgen willen. Nu, stel
+u eens voor beste jongen, wat door mijn dwaas gedrag waarschijnlijk
+voor mij verloren ging. Ik zeg waarschijnlijk, want niemand kan
+vooruit zien en zeggen wat de toekomst zal aanbrengen. Naar allen
+schijn echter had ik groot vooruitzicht om eene goede opvoeding te
+ontvangen,--om later mijnheer Masterman in zijne zaken op te volgen
+en, hoogst waarschijnlijk, ook zijn groot vermogen te erven, zoodat
+ik mettertijd een gezeten man zou geworden zijn. Misschien had ik eene
+goede vrouw gevonden, had kinderen gekregen om mijn geluk nog grooter
+te maken,--en in plaats van dat alles ben ik nu een arm, oud, afgeleefd
+zeeman op een eenzaam verlaten eiland. Ik maak u daar opmerkzaam op,
+Willem, om u te toonen, hoe een enkele onberaden stap in de jeugd al
+onze vooruitzichten voor de toekomst kan verijdelen, zoodat we, in
+plaats van met gunstig tij te varen, ons leven lang tegen den stroom
+der tegenspoeden hebben op te worstelen. Dit was bij mij het geval,
+zooals ge uit het vervolg van mijn verhaal zien zult."
+
+"Dat is inderdaad een goede les, Flink," zeide de vader.
+
+"Ja, wel eene goede les, mijnheer, en zoo heb ik ook niet over mijn
+lot te klagen, ofschoon mij ook de dwalingen berouwen, die mij zoover
+gebracht hebben. Ik ben niet ontevreden met mijn lot, want dat zou
+zonde wezen."
+
+"Uw ongeluk is voor ons allen een onschatbare weldaad geworden," zeide
+mevrouw Wilson tot den ouden man; "want waart gij niet op zee gegaan,
+waart gij niet aan boord geweest,--wat zou er van ons geworden zijn,
+nadat al de anderen ons verlaten hadden?"
+
+"Nu ja, mevrouw, het is altijd nog een troost, te mogen denken dat
+zoo'n oud, afgeleefd matroos als ik toch ergens nog nuttig toe is
+geweest.--Maar nu, mevrouw, is het de tijd, dat we doorgaans naar bed
+gaan, en daarom, dunkt mij, zal 't het best zijn, dat ik voor heden
+afbreek en morgenavond met mijne historie voortga."
+
+
+
+
+
+
+
+TWEE-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+VERVOLG VAN FLINKS GESCHIEDENIS.
+
+
+Het blaten der geiten maakte hen den anderen morgen vroeger dan
+gewoonlijk wakker. De lucht was zeer opgeklaard, de zon scheen helder
+en Flink liet Nanny en haar jongen vrij loopen.
+
+Het gezin had een kostelijk ontbijt van gebakken visch, en daarna
+gingen de mannen met Willem terstond weer aan den arbeid. De beide
+eerste haalden de tenten omver en spreidden het doek op den grond
+uit, om te drogen, terwijl Willem het gevogelte ging opsporen, dat
+zich in geen paar dagen had laten zien. Na een half uur zoekens,
+hoorde hij den haan in het kokosbosch kraaien en vond spoedig allen
+bij elkander. Hij strooide hun een handvol erwten voor, die hij in
+zijn zak had gestoken, want het koren had men besloten te sparen,
+om het zoodra men maar meer grond had omgespit, uit te zaaien. Als
+het meel dan ook mocht opraken, hadden zij aan de landingsplaats
+nog eenige vaten daarvan over, die bij de stranding gered waren,
+en er was dus nog zoo spoedig geen dadelijk gebrek te vreezen. De
+hoenders waren zeer hongerig en liepen Willem tot aan huis na, waar
+hij hen liet, om naar zijn vader en Flink om te zien.
+
+"Onze tenten kunnen nu drogen, vriend Willem," voegde de oude man hem
+toe; "zoodat we nu, als uw vader het goedvindt, met alle macht aan
+'t werk willen gaan om een hoenderhok tot stand te brengen. 't Zal
+niet meer dan een dag kosten, en de arme beesten hebben dan ook een
+dak. Daar staan vier dikke kokosboomen hier dicht bij huis; wij willen
+daaronder een hok bouwen, en dat kan spoedig gereed zijn."
+
+Mijnheer Wilson keurde dit plan volkomen goed, en dus ging men dadelijk
+aan het werk. Van de boomen, die tot het huis gediend hadden, waren
+nog eene menigte dunne toppen over; deze gebruikten zij tot latten
+en spijkerden ze aan de vier boomstammen, zoodat zij een regelmatig
+vierkant vormden, waarna zij nog de sparren opzetten tot een stevig
+afloopend dak.
+
+"Dat is nu alleen maar het ruwe werk," zei Flink; "we moeten nu een
+of twee stokken voor de hoenders maken, en dan de zijden sluiten en
+het dak met kokosbladeren stevig dekken. Maar kijk, daar gaat Juno
+al aan het opscheppen, zoodat we nu maar eerst schaften moeten."
+
+Na den maaltijd begon men opnieuw. Mijnheer Wilson verzamelde de
+takken, terwijl Flink en Willem de zijden en het dak met bladeren
+dekten, zoodat het hoenderhok nog vóór den avond volmaakt in orde
+kwam. Willem lokte de hoenders met eenige erwten, en toen zij onder
+dak waren, liet hij hen rustig pikken en ging in huis.
+
+"Nu, mijnheer, denk ik, zullen ze spoedig hun weg daarheen weten te
+vinden," sprak Flink, "en later als ik eens tijd daartoe vind, zal
+ik ook eene deur voor den ingang maken. Mij dunkt, dan kunnen wij het
+opzicht over ons gevogelte veilig aan juffer Caroline toevertrouwen. Ze
+zal voor de oude hoenders en de jongen, als we die eens hebben,
+zeker wel behoorlijk zorg dragen."
+
+"Ja, ja, dat moet haar post worden," riep Willem. "Ze zal wat blij
+wezen, als ze koningin wordt van het hoenderhok. En nu, dunkt me,
+moeten we aan het oprollen van de zeilen gaan; wij hebben vandaag
+een kostelijken dag gehad en misschien zijn we morgen niet weer
+zoo gelukkig."
+
+"Gij hebt volkomen gelijk; wij willen ze onder dak brengen en onder
+de bedstede bergen, waar nog ruimte voor alles in overvloed is."
+
+Toen men dit alles verricht had, was de zon intusschen ondergegaan, en
+zoo keerden ook allen in hunne woning terug. Al spoedig werd Flink nu
+verzocht, met zijn historie voort te gaan, en hij deed dit, als volgt:
+
+"Ik zeide gisteravond, dat ik het besluit nam, om van mijne kostschool
+weg te loopen en op zee te gaan; doch hoe ik dat plan volvoerde,
+hebt gij nog niet gehoord.--Het was mij niet mogelijk, onbemerkt te
+ontsnappen, voordat de overige jongens al te bed waren. De kamer,
+waar ik sliep, was op de tweede verdieping; de deuren, dat wist ik,
+waren gesloten, maar daar was nog een zolderluik, waardoor men op het
+dak kon komen. Het was van binnen gegrendeld, en langs eene ladder
+kon men er bij klimmen. Zoo besloot ik dan, langs dien weg de vlucht
+te beproeven. Zoodra de andere jongens gerust snorkten, stond ik op,
+kleedde mij heel bedaard aan en sloop de kamer uit.
+
+"Het was heldere maneschijn, en dat was een geluk voor mij, want zoo
+kon ik zonder gestommel het luik bereiken. Het kostte mij veel moeite
+dat op te lichten, want voor een knaap van mijne jaren was het heel
+zwaar; maar eindelijk lukte het toch, en ik kwam gelukkig op het dak
+van 't huis.
+
+"Toen ik in de goot stond, keek ik rond. Ik zag de schepen in de haven
+en de zee in de verte, zoodat ik mij verbeeldde al vrij te zijn en
+niet bedacht, hoe ver ik nog van den grond was. Eindelijk begon ik toch
+te overleggen, hoe daar te komen. Ik ging eenige malen op en neer, en
+besloot toen, langs een looden pijp, die van de dakgoot tot den grond
+reikte, naar omlaag te klauteren. Ze was juist zoover van den muur,
+dat ik haar met mijne dunne vingers omvatten kon, ik was destijds nog
+licht als een veer en vlug en lenig als eene kat. Ik klom over den
+rand van het dak, klemde mij met handen en knieën aan den looden pijp
+en liet mij zachtjes omlaag glijden, tot ik behouden beneden stond."
+
+"'t Is wel een wonder, dat gij niet hals en beenen braakt," zeide
+mevrouw Wilson.
+
+"Ja, waarlijk, mevrouw, dat was het ook,--zoo denk ik nog
+dikwijls--maar toen dacht ik alleen aan de uitvoering van mijn
+onberaden plan. Zoodra ik op het daaronder liggend bloembed te
+land was gekomen, liep ik naar het ijzeren traliehek van den tuin,
+was met een wip daar overheen en stond zoo op straat. Ik was zonder
+hoed of pet; want onze petten hingen beneden in de school aan de
+kapstokken,--doch daar bekommerde ik mij niet over. Ik liep, wat ik
+loopen kon, naar de haven. Aan het hoofd gekomen, ontdekte ik een schip
+dat zijn zeilen al los had gemaakt en op de juist invallende eb scheen
+te wachten. De matrozen zongen een vroolijk liedje, terwijl zij de
+ankers vóórdraaiden. Zoo stond ik daar en bespiedde elke beweging van
+het vaartuig. Reeds overlegde ik of ik er niet naar toe zou zwemmen,
+toen ik een man in de jol zag klimmen en naar het hoofd toe roeien. Ik
+liep op hem toe, zoodra hij aanlegde om het touw van een der palen
+van het hoofd los te maken; en nog eer hij dit gedaan had, sprong ik,
+zonder een woord te spreken, in zijne boot."
+
+"Wat wil je, kleine dreumes," vroeg de matroos.
+
+"Ik wil mee naar zee," antwoordde ik hijgend; "neem mij aan boord,--ik
+bid u om Gods wil."
+
+""Goed," zei de man; "ik heb mijn kapitein hooren zeggen, dat hij
+nog wel een kajuitsjongen gebruiken kon. Kom dus maar mee, kleine
+deugniet."
+
+"Hij roeide naar het schip terug, en ik klom haastig aan boord.
+
+""Wie zijt ge?" vroeg de kapitein.
+
+"Ik gaf ook hem 't zelfde antwoord, namelijk, dat ik ter zee wou
+varen."
+
+""Gij zijt nog te klein en te jong."
+
+""O neen, neen, vast niet," was mijn antwoord.
+
+""Wat, denkt ge dan, dat ge al in den mast kunt klimmen?"
+
+"Dat zult ge dadelijk zien," riep ik en klauterde als eene kat langs
+de touwen op, tot aan de bramra.
+
+"Toen ik weer omlaag bij den kapitein kwam, zeide deze:
+
+""Nu, ik denk, dat ge mettertijd een goed zeeman kunt worden. Ik wil
+u dan aannemen, en zoodra ik te Londen kom, zal ik u als scheepsjongen
+inschrijven. Waar is uw pet?"
+
+""Die heb ik thuis gelaten," was mijn antwoord.
+
+""Dat komt er ook niet op aan; een roode slaapmuts doet nog beter
+diensten," zeide de kapitein en ging in zijne kajuit, om mij er eene
+te halen.
+
+"Het vaartuig, waarop ik mij nu bevond, was een kolenschip. Binnen
+een half uur waren wij de haven uit en met het opgaan der zon dobberde
+ik op wijde zee, die voortaan mijn verblijf zou zijn.
+
+"Zoodra de eerste drukte en werkzaamheid van het ankerlichten voorbij
+was, ondervroeg de kapitein mij nader naar mijne betrekkingen. Hij
+scheen een ruw en barsch man te zijn en nog voordat de dag ten einde
+was, voelde ik bijna berouw over den stap, dien ik gedaan had. Toen
+ik mij eindelijk s'avonds doornat en koud, op een paar oude zeilen
+neerlei, dacht ik op eens aan mijne moeder en aan het verdriet, dat ik
+haar veroorzaken zou. Ik schreide bittere tranen; maar nu was het te
+laat.--Ik heb vaak gedacht, mijnheer Wilson, dat het leven vol zorgen
+en gevaren, dat ik sinds dien tijd doorworstelen moest, slechts eene
+verdiende straf was voor de wreedheid die ik beging door mijne moeder
+zoo te verlaten. Ik was immers haar eenige kind: ze had niemand op de
+wereld, om lief te hebben, buiten mij, en ik.... brak haar het hart,
+tot loon voor àl de liefde en goedheid, die ze mij van jongsaf had
+bewezen. Deed ik niet slecht, Willem?"
+
+Hier hield de oude man eene poos op, en ook niemand van de overigen
+het een woord hooren. Willem, die het naast bij zijne moeder zat,
+sloeg zijn arm om haar hals en kuste haar.
+
+"Ik ben blij dat te zien, mijn beste Willem," begon Flink nu weder. "Ik
+zie daaruit, dat mijne geschiedenis voor u niet verloren is, en
+beschouw dien kus als eene plechtige belofte, dat ge uwe ouders nooit
+zult verlaten."
+
+De tranen rolden mevrouw Wilson over de wangen en vurig beantwoordde
+zij de omhelzing van haar zoon.
+
+"Ik wil nu liefst maar afbreken," zeide Flink; "ik ben niet gestemd
+om voort te gaan; mijn hart wordt telkens vol, als ik mij dat dwaas
+en slecht bestaan uit mijne jonge dagen herinner."
+
+
+
+
+
+
+
+DRIE-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+THOMAS, WAAR IS DE VINGERHOED?
+
+
+Den volgenden morgen was het uitstekend schoon weer en terstond na het
+ontbijt trok men met de kar naar den schildpadvijver. Flink had eene
+stevige piek met een scherpen weerhaak meegenomen en spietste daarmee
+den schildpad uit den vijver, die daarop aan land werd getrokken,
+op de kar geladen en naar huis overgebracht.
+
+Na het dooden van den schildpad, werd ze in stukken gesneden, en onder
+Flinks toezicht koos Juno toen zooveel reepen uit, als ze voor de
+soep noodig had. Toen de pot te vuur stond, trokken Flink, mijnheer
+Wilson en Willem met zagen en bijlen het bosch in, om de noodige
+boomen te vellen voor de voorgenomen bergplaats van hun voorraad,
+zoodra deze van de landingsplaats kon worden afgehaald.
+
+"Ik denk, dat het hier in tijd van gevaar onze schuilplaats wezen
+moet," merkte Flink aan. "Daarom heb ik ook deze plek van het woud
+uitgekozen; ze is niet al te ver van ons huis af, en als we het pad
+er heen met wat kronkels en bochten uithouwen, moet ze wel voor het
+gezicht verborgen wezen. Daarbij moeten wij het pad maar zoo breed
+maken, dat de kar er even langs kan: ook moeten we de wortels van
+de omgekapte boomen uitgraven, daar anders de tronken de aandacht
+konden trekken. Niet dat ik denk dat het ons ooit zal te pas komen,
+maar toch kan voorzichtigheid nooit schaden en bovendien kost het
+ons weinig moeite."
+
+"Ik ben het volkomen met u eens," antwoordde mijnheer Wilson; "'t is
+in alle gevalle goed, want men weet toch nooit wat er gebeuren kan."
+
+"Onder ons, mijnheer, kan ik u wel zeggen, dat de inlanders in dezen
+hoek van de wereld de gewoonte hebben van in hunne kano's [3] van 't
+eene eiland naar het andere te gaan, om kokosnoten in te zamelen. Ik
+kan niet verzekeren, dat de andere eilanden hier in den omtrek bewoond
+zijn, maar dat is toch wel waarschijnlijk en dan blijft altijd de
+vraag, van welken aard dat volk om ons heen is. Ik durf u dat gerust
+zeggen, maar 't is beter dat mevrouw er niets van te weten komt. Gij
+zult toch ook wel zwijgen, beste Willem?"
+
+"O, wees daar gerust op, Flink; ik zal geen woord zeggen, dat moeder
+ongerust maakt."
+
+"Wij zijn nu dicht bij de plek. Ge ziet, mijnheer, dat de boomen hier
+op dezen heuvel zeer dicht bij elkander staan. Welnu, een weinigje
+verder, wat meer in de laagte, moesten we, dacht me, eene hut bouwen,
+die men daar zeker niet zoo gemakkelijk vinden zal.--Ik geloof,"
+vervolgde de oude man, toen zij nog een poosje waren voortgegaan,
+"dat hier zoo ten naastenbij de rechte plek is; want we hebben omtrent
+twee derden van de hoogte achter ons en de helling is hier nog wel
+zoo sterk dat het water een vrijen afloop vindt."
+
+"En hoe ver zouden we nu wel van huis zijn, Flink? Mij dunkt, nog
+zoo heel ver niet."
+
+"Ik reken nog niet meer dan anderhalven kilometer, in eene rechte lijn,
+ofschoon de weg door al zijne bochten wel dubbel zoo ver moet wezen."
+
+"Dan, geloof ik, zal deze plaats de beste zijn, en hoe eer wij
+beginnen, des te beter."
+
+"Ik wil nog maar enkel de boomen merken, die staan blijven mijnheer,
+en dan die gekapt moeten worden op den stam na, tot op bij de vier
+voet hoog van den grond. Vriend Willem, wilt ge zoo goed zijn, om
+het andere eind van de lijn eens aan te vatten?"
+
+Zoodra nu de omvang van het gebouw behoorlijk was afgemeten, waren
+bijl en zaag ook spoedig druk aan het werk en werd de eene boom na
+den anderen geveld. Onze drie vrienden arbeidden tot etenstijd dapper
+door en verheugden zich niet weinig in het vooruitzicht, dat na gedaan
+werk eene lekkere schildpadsoep hunne belooning wezen zou.
+
+"Willem!" riep mevrouw Wilson, toen zij tegen den middag thuis kwamen,
+"en ook gij, beste man! gij zijt door en door nat van zweet,--ge moet
+u niet al te zeer vermoeien."
+
+"Ja, lieve moeder, dat boomen kappen is een warm werk," antwoordde
+Willem; "en hard werken doet een mensch zooveel kwaad niet, vooral
+niet als hem een maaltje schildpadsoep wacht. Wij zijn hongerig als
+wolven en zullen Juno's keuken alle eer aandoen. Hé, Thomas, kom hier,
+jongen! Ge kijkt zoo zwart. Wat hapert er aan?"
+
+"Thomas en ik kunnen het niet samen vinden," antwoordde mevrouw Wilson,
+terwijl Thomas enkel zijne lip liet hangen. "Van morgen zat ik te
+naaien, goed en wel met mijn vingerhoed aan de hand, toen Juno mij
+buiten riep. Ik nam Caroline aan de hand mee en onze sinjeur Thomas
+bleef zoolang in huis alleen. Toen ik terugkwam, stond hij voor de
+deur, en toen ik mijn werk weer opnam was mijn vingerhoed nergens
+te vinden. Ik vroeg hem, of hij dien gehad had; hij zei, dat hij
+er naar zien zou. Dat deed hij ook, maar bracht hem niet weerom. Ik
+vroeg hem onderscheiden malen, of hij den vingerhoed had weggenomen;
+maar zijn eenig antwoord was, dat die wel weer terecht zou komen. Ik
+ben overtuigd, dat hij hem verloren heeft, maar hij wil dat volstrekt
+niet bekennen. Het gevolg was, dat ik den heelen ochtend heb moeten
+zitten zonder een steek te kunnen doen."
+
+"Hoor eens hier, Thomas," zei mijnheer Wilson op ernstigen toon:
+"hebt gij den vingerhoed weggenomen?"
+
+"Hij zal wel weer terechtkomen, vader."
+
+"Dat is geen antwoord, jongeheer. Hebt ge den vingerhoed weggenomen
+en verloren misschien?"
+
+"Ik weet heel zeker, dat hij vandaag wel weer terechtkomt, vader,"
+riep Thomas snikkend.
+
+"Dat is alles wat hij mij tot hiertoe geantwoord heeft," zeide
+de moeder.
+
+"Goed, heel goed dan. Daarvoor zal hij ook niets te eten hebben,
+voordat wij ook zeker weten, dat de vingerhoed vandaag weer in moeders
+handen is."
+
+Op 't hooren van deze woorden, begon Thomas te schreien wat hij
+kon. Juno verscheen nu juist met de schildpadsoep, die een aangenamen
+geur verspreidde. Toen men zich aan tafel neergezet had, schreide
+Thomas nog harder. Allen waren zeer hongerig en Willem liet zijn
+bord gauw nog eens vullen. Pas had hij echter eenige happen gedaan,
+toen hij zijn vinger in den mond stak en daar iets uithaalde.
+
+"Ha, moeder, daar is de vingerhoed in mijne soep," riep hij, "en ik
+was op het punt van hem door te slikken."
+
+"Geen wonder, dat onze sinjeur zei, dat hij wel weer terecht zou
+komen," sprak Flink lachend. "Hij dacht hem zekerlijk wel op te
+visschen uit hetgeen van onzen maaltijd overbleef. Welnu, mevrouw,
+ofschoon ik niet zeggen wil, dat Thomas een zoete jongen is, moet men
+toch erkennen, dat hij, toen hij niet zeggen wou waar de vingerhoed
+was, er geen leugens bij gebruikte."
+
+"Neen, neen, jokken deed hij niet," riep Willem. "Ik hoop, dat,
+nu het ding gevonden is, vader hem ook wel vergeven zal, als hij
+daarom verzoekt."
+
+"Thomas, kom hier!" sprak mijnheer Wilson. "Zeg mij: waarom hebt gij
+den vingerhoed in de soep geworpen?"
+
+"Ik wou de soep eens proeven; ik wou den vingerhoed vol scheppen. Toen
+brandde ik mij de vingers en liet ik den vingerhoed bij ongeluk in
+den ketel vallen."
+
+"Nu, een vingerhoed vol was toch ook de heele wereld niet," merkte
+Flink aan. "Maar waarom zeidet gij uwe moeder niet, waar de vingerhoed
+was?"
+
+"Och, ik was bang, dat moeder dan al de soep zou weggooien, en dan
+kreeg ik er niets van."
+
+"Ei, ei, was het geval zóó?" sprak de vader. "Welnu, ik zeide, dat
+gij niets te eten zoudt hebben, voordat de vingerhoed gevonden was;
+daar die nu terug is, kunt gij ook aan tafel komen. Als u echter in
+het vervolg weer iets gevraagd wordt en gij geen antwoord geeft komt
+gij er zoo gemakkelijk niet af, dat verzeker ik u."
+
+Thomas was blij, dat de bestraffing voorbij was, en nog blijder dat
+hij een bord soep voor zich kreeg. Het eerste had hij spoedig leeg,
+en toen hij om een tweede verzocht, zeide hij: "Thomas zal er geen
+vingerhoed weer ingooien; Thomas zal naderhand een kopje nemen."
+
+"Massa Thomas, jij nemen moet naderhand niemendal," beknorde hem
+Juno, die naast hem zat. "Jij afblijven moet met de vingers van de
+pot,--klein snoepsch jong!"
+
+Na afloop van den maaltijd gingen zij weder aan den arbeid en keerden
+eerst tegen het donker terug.
+
+"De wolken komen met drift opzetten, mijnheer," zeide Flink; "we
+zullen van nacht weer onweer krijgen."
+
+"Dat vrees ik ook; maar we moeten het afwachten."
+
+"Ja mijnheer, en nu en dan zal de regen en het onweder voortaan ook
+wel eens dagen achtereen aanhouden."
+
+"Flink," zeide mevrouw Wilson, "als ge niet al te vermoeid zijt,
+zoudt ge dan niet met uwe geschiedenis willen voortgaan?"
+
+"Heel gaarne, mevrouw, als gij dat verlangt," was het antwoord. "Ik
+brak gisteren af bij mijne komst aan boord van het kolenschip,
+dat naar Londen bestemd was. Wij hadden een goeden wind en liepen
+een goede vaart. Ik was heel zeeziek, totdat wij aan den mond van
+de Theems kwamen. Daar werd ik weer beter en was, zooals ge wel
+denken kunt, zeer verbaasd over de ontelbare menigte schepen, die
+onophoudelijk op de rivier heen en weder voeren. Maar mijn kapitein
+beviel mij volstrekt niet. Hij was uiterst onbeschoft tegen zijn
+volk, en de eene jongen, die aan boord was, ried mij zelfs mijne
+biezen te pakken en een ander schip op te zoeken. Hij zeide, dat ik
+mij voor geen geld aan dezen kapitein verbinden moest; want anders
+zou hij mij ook alle dagen slaan en mij even slecht behandelen, als
+hij zijne vroegere koksjongens gedaan had. Dat dit zoo was, wist ik
+wel; want ik zag meer dan twintigmaal op een dag, hoe de kapitein hem
+duwen en stooten gaf, zoodat de arme jongen er soms dagen lang blauwe
+plekken van overhield. De matrozen zeiden, dat hij mij vooreerst nog
+wat genadiger behandelde, uit vrees dat ik anders nog weigeren zou mij
+voor vast bij hem te verbinden, doch dat, als ik dat eens gedaan had,
+mijn lot geen haar beter wezen zou. Zoo besloot ik dan, niet langer
+op het kolenschip te blijven, en daar de kapitein aan wal was gegaan,
+had ik tijd genoeg, om eens rond te zien. Vóór ons, midden op den
+stroom, lag een vrij groot schip zeilree. Ik sprak met twee jongens,
+die aan den valreep stonden, en hoorde van hen, dat ze het heel goed
+aan boord hadden en dat de kapitein nog twee of drie jongens zocht. Ik
+ging dan bij hem aan boord en bood hem mijne diensten aan.
+
+"De kapitein deed mij eene menigte vragen. Ik zeide hem de waarheid
+en ook de reden, waarom ik niet op het kolenschip blijven wilde. Hij
+was gewillig om mij aan te nemen, en ik ging met hem aan land, waar
+hij mij van een behoorlijk stel kleeren liet voorzien.--Twee dagen
+later gingen wij onder zeil naar Bombay en China."
+
+"Maar gij schreeft toch eerst aan uwe moeder, Flink?" vroeg Willem.
+
+"Ja, beste jongen, dat deed ik, want de kapitein verlangde het en
+schreef zelf eenige regels onder mijn brief, om de goede vrouw te
+troosten; maar ongelukkig heeft zij dien brief, die door den hofmeester
+naar den wal werd gezonden, nooit ontvangen. Of hij hem verloor of
+tot ons vertrek vergat en toen verscheurde,--dat weet ik niet; maar,
+zooals ik later vernam, heeft moeder dien nooit in handen gekregen."
+
+"Het was uwe schuld dan toch niet, dat de brief niet goed overkwam,"
+zeide mevrouw Wilson.
+
+"Neen mevrouw, dat was zeker mijne schuld niet, de eigenlijke schuld
+had ik al vroeger op mij geladen."
+
+"Gij moet u niet langer bij dat deel van uwe geschiedenis ophouden,
+Flink; vertel ons liever, wat u op uwe vaart naar Oost-Indië zoo
+al overkwam."
+
+"Welnu dan. Ik was toen heel vlug en levendig voor mijne jaren en
+werd weldra de algemeene lieveling, vooral bij de dames, die wij als
+passagiers aan boord hadden, enkel omdat ik nog zoo'n kleine dreumes
+was. Wij kwamen behouden in Bombay, waar onze passagiers aan land
+gingen, en drie weken later zeilden we door de straat en op China
+aan. Het was juist oorlogstijd en zoo werden we door Fransche kapers
+gejaagd; maar we hadden veel volk aan boord en een menigte stukken,
+zoodat geen hunner 't waagde ons aan te vallen. Weldra kwamen we
+voorspoedig te Macao [4] aan, waar we onze lading losten en thee
+daarvoor innamen.
+
+"We moesten een tijdlang wachten, omdat er een groot konvooi bijeen
+was, en toen gingen we weer naar Engeland onder zeil. Toen we Isle de
+France voorbij waren, werd de vloot door een storm verstrooid. Drie
+dagen later werden we door een Fransch fregat aangevallen en na zijn
+vuur met eenige schoten beantwoord te hebben, waren we gedwongen onze
+vlag te strijken.
+
+"Een luitenant met veertien man werd bij ons aan boord gezonden,
+om ons gevangen te nemen, want we waren een zeer rijke prijs voor
+hen. Onze kapitein en de meesten van het volk werden op het fregat
+overgebracht; maar tien Lascaren [5] en de scheepsjongens bleven op
+den Oostindiëvaarder om het schip naar Isle de France [6] te brengen,
+dat destijds in de handen der Franschen was.
+
+"Het kwam me wel wat hard voor, dat ik zoo pas twaalf jaren oud al naar
+de gevangenis moest kuieren; maar ik tobde daar toch niet lang over
+en was weldra weer zoo vroolijk en dartel als ooit te voren. Wij waren
+reeds in 't gezicht van het eiland en stuurden met eene frissche koelte
+op de haven aan, toen zich op eens te loever een schip vertoonde.
+
+"Ik kon wel niet verstaan wat de Franschen zeiden, maar merkte toch,
+dat ze het onderling bijster druk hadden en ijverig met de kijkers in
+de weer waren. Jack Romer, mijn kameraad, die al drie jaren gevaren
+had, fluisterde mij eindelijk in 't oor: "Daar is nog kans, dat we
+de gevangenschap ontsnappen, want ik moest me al zeer vergissen,
+als dat geen Engelsch linieschip is."
+
+"Eindelijk kwam het op korten afstand, heesch de Engelsche vlag en deed
+een schot. De Franschen zochten ons schip voor den wind te brengen;
+doch dat hielp hun weinig. De Engelschman won gedurig op ons, en daar
+de Franschen dit merkten, pakten zij hunne kleeren met al het goed,
+dat zij onzen kapitein en ons volk hadden afgenomen, bijeen. Er werd
+ons een kogel toegezonden, die dicht over onze hoofden heen snorde:
+de Franschen lieten toen het roer los, waarop Jack Romer dat aangreep
+en met hulp van mij het schip bij den wind bracht. De Engelschen
+zonden eene boot aan boord en namen onzen koopvaarder in bezit,
+zoodat wij de gevangenschap vooreerst gelukkig ontsnapt waren.
+
+"Toen de kapitein van 't Engelsche fregat hoorde, hoe de Franschen
+zich tegen ons gedragen hadden, liet hij al hunne bagage zorgvuldig
+onderzoeken en hun alles wat zij geplunderd hadden terstond weer
+afnemen."
+
+"Hij zou het recht gehad hebben de Franschen daarvoor al hun goed af
+te nemen," riep Willem.
+
+"Jawel, Willem, daartoe had de kapitein zeker het recht gehad; maar,
+wel beschouwd, zou dat toch onrecht geweest zijn, want in dat geval had
+hij even oneerlijk gehandeld als zijne vijanden. De kapitein ontnam
+hun niets van hun goed, maar liet hun beneden in 't ruim opsluiten,
+waar men geen last van hen had.
+
+"De Engelschen zonden een cadet als prijsmeester aan boord van ons
+schip en lieten ons allen, evenals wij door de Franschen genomen waren,
+op onzen koopvaarder blijven. De kapitein wou niet meer van zijn volk
+missen, dan volstrekt noodig was, en liet dus aan onszelven over het
+schip in de haven te brengen.
+
+"Na een kort verblijf vervolgden wij onzen tocht naar Engeland en waren
+hartelijk blij, dat wij aan de Franschen ontkomen waren. Evenwel was
+onze vreugde niet lang van duur, daar we spoedig merkten, dat in plaats
+van eene Fransche gevangenis eene Hollandsche ons lot moest zijn."
+
+"Hoe meent ge dat?"
+
+"Luister maar. Twee dagen later, toen wij juist de Kaap omzeilden,
+kwam er een ander Fransch vaartuig op ons af en nam ons. Ditmaal
+vonden wij geen helpenden vriend in onzen nood, maar werden aanstonds
+in de Tafelbaai opgebracht. De kaap de Goede Hoop was namelijk in
+'t bezit van de Hollanders, die evenals de Franschen, met Engeland
+in oorlog waren."
+
+"Maar, Flink, gij zijt toch recht ongelukkig geweest!" riep mevrouw
+Wilson op medelijdenden toon uit.
+
+"Ja, mevrouw, dat waren we zeker. Maar ik was jong en luchthartig en
+wist mij spoedig in mijn ongeluk te troosten. Maar kom, 't is nu tijd
+om te gaan slapen. Caroline is al diep in de rust en sinjeur Thomas
+deed het laatste half uur niets dan gapen, zoodat we voor van avond
+hier maar afbreken zullen."
+
+
+
+
+
+
+
+VIER-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+DIE ARME JUNO!--FLINK VERTELT VERDER.
+
+
+Ze hadden nog maar korten tijd gerust, of er brak een hevig onweder
+boven hunne hoofden los. Het bliksemde zoo sterk, dat het licht
+zelfs door de reten van de deur en vensters heendrong, en de donder
+ratelde zoo hevig door de lucht, dat allen wakker schrikten en aan
+geen slapen meer te denken was. De kleinen kreten en sidderden van
+angst in de armen van mevrouw Wilson en Juno, die zelven bijna niet
+minder ontsteld waren.
+
+"Dat is een vreeselijk weder!" sprak mijnheer Wilson tot Flink,
+want beiden waren opgestaan.
+
+"Waarlijk, mijnheer, ik heb nog nooit erger weder beleefd."
+
+Bij deze woorden werden beiden, half bedwelmd, op den grond
+geslingerd. Een bliksemstraal viel op het huis, zoodat dit met al
+wat er in was dreunde en schudde. Een zwavelreuk verspreidde zich
+overal, en zoodra de twee weder op hunne voeten stonden, ontdekten
+zij met schrik, dat het gansche huis vol rook was. Daarbij kwam nog
+een gejammer der vrouwen en het gillen der kinderen, dat zich uit de
+bedsteden hooren liet.
+
+"God erbarme zich onzer!" riep Flink, die het eerst weder tot zijn
+bewustzijn kwam en nu begon te onderzoeken welke gevolgen het inslaan
+wel had gehad; "de slag heeft ons getroffen en ik vrees, dat het huis
+ergens in brand staat."
+
+"Vrouw!--kinderen!" schreeuwde de doodelijk ontstelde vader.
+
+"Gij zijt toch allen onbezeerd?"
+
+"Ja, ja!" riep zijne vrouw, "allen lieve man. Thomas komt daar juist
+bij mij.--Maar waar is Juno?--Juno!"
+
+Juno gaf geen antwoord. Willem vloog naar den anderen hoek van het
+huis. Daar vond hij haar roerloos op den grond uitgestrekt liggen.
+
+"Ze is dood, vader!" riep hij, hevig verschrikt.
+
+"Help mij haar naar buiten dragen, mijnheer!" riep Flink, die het arme
+meisje onderwijl in zijn armen had genomen. "Ze kan licht alleen maar
+bedwelmd zijn."
+
+Gezamenlijk droegen zij het lichaam nu in de open lucht. De regen
+kletterde in stroomen neder.
+
+De oude man verliet hen voor eene minuut, om zich te overtuigen,
+dat het huis nergens vuur had gevat. Hij bevond, dat het aan den
+uitersten hoek in vlam had gestaan; doch deze was door den regen weer
+uitgedoofd. Toen keerde hij dadelijk naar mijnheer Wilson en zijn zoon,
+die zich met Juno bezighielden, terug.
+
+"Ik zal bij 't meisje blijven, mijnheer," zeide Flink. "Ga gij maar
+met Willem in huis. Mevrouw sterft van schrik, als ge haar bij al die
+akeligheid alleen laat.--Kijkt, kijkt, vriendin Juno is niet dood:
+ze begint al weer adem te halen.--Ja, ja, we hadden de goede meid
+hier ook al slecht kunnen missen."
+
+Vader en zoon volgden Flinks raad. Zij vonden mevrouw Wilson
+bijna onmachtig van angst en schrik. De heuglijke tijding, die zij
+overbrachten, dat Juno niet dood was, bracht echter veel bij om haar
+weer eenigszins te doen bekomen. Willem zocht den kleinen Albert tot
+bedaren te brengen; en Thomas was na korten tijd vast in slaap in
+vaders armen.
+
+Het onweer bedaarde nu van lieverlede en bij het aanbreken van den
+dag kwam Flink ook weder met Juno terug. Zij was in zooverre weer
+hersteld, dat ze, door hem ondersteund, naar de kamer kon stappen,
+en toen werd ze aanstonds te bed geholpen.
+
+Daarop verlieten Flink en mijnheer Wilson het huis om te onderzoeken
+of er ook nog verdere schade was aangericht. De bliksem was in de
+voorzijde van het huis ingeslagen, juist op de plaats, waar men later
+een schoorsteen bouwen wilde. Ze bevonden, dat de hitte den ijzeren
+ketel gedeeltelijk had doen smelten; maar wat nog grooter verlies
+was--hunne geit, de zwarte Nanni, was gedood; doch hare jongen waren
+ongedeerd gebleven.
+
+"We zijn inderdaad voor een groot ongeluk behoed gebleven," sprak
+mijnheer Wilson eindelijk.
+
+"Ja, mijnheer!" antwoordde Flink. "Ik dacht al, dat de arme Juno
+verloren was."
+
+"Als ik 't wel heb, Flink, hebben wij eene rol dik koperdraad, niet
+waar?" vroeg mijnheer Wilson.
+
+"Ja, mijnheer, ik dacht daar ook al aan. Het eerste, waaraan wij
+denken moeten, is een bliksemafleider."
+
+Middelerwijl was het helder dag geworden. Mevrouw Wilson kleedde
+zichzelve en de kinderen aan. Willem nam vervolgens op zich, voor het
+ontbijt te zorgen, en Flink nam uit den onder de bedsteden geborgen
+voorraad de bedoelde rol koperdraad op. Hij rolde deze los en boog
+ze recht; toen haalde hij de ladder, die op de plaats stond, waar
+zij bezig waren hun magazijn te bouwen.
+
+Terstond na het ontbijt ging men aan het werk, om den afleider vast
+te zetten. Inmiddels moest Willem Juno's arbeid verrichten, want deze
+lag nog te bed en scheen in diepen slaap verzonken.
+
+"Ik geloof, mijnheer," zeide Flink, "dat één dezer beide boomen,
+die zoo dicht naast elkander staan, het best tot ons doel passen. Zij
+zijn niet al te dicht bij het huis en staan juist zoo, dat de draad
+den bliksem nog aantrekken kan."
+
+"Dat komt mij ook zoo voor, Flink; wij mogen echter beiden niet
+laten staan."
+
+"Neen, mijnheer. Eerst zullen wij echter beiden nog noodig hebben,
+om naar boven te klimmen en den draad vast te maken. Is dit gedaan,
+dan zullen wij er een omkappen."
+
+Flink zette de ladder tegen een der beide boomen, nam den hamer en
+een zak vol groote spijkers en sloeg een daarvan zoo in den stam,
+dat hij de zwaarte van zijn eigen lichaam dragen konde. Boven den
+eersten sloeg hij een tweede in, en zoo ging hij voort, totdat hij
+den top van den boom bereikt had, waar de beide kruinen bijna in
+elkander waren gegroeid. Toen klom hij naar beneden, nam eene zaag
+en eene handbijl mede, klom weer naar boven en binnen den tijd van
+tien minuten was de kruin van den boom geveld, zoodat nog slechts de
+slanke, naakte stam overbleef.
+
+"Wees voorzichtig, Flink, dat gij behouden weer op den grond
+komt!" riep mijnheer Wilson angstig.
+
+"Wees volkomen gerust," klonk de stem van den ouden man uit de
+hoogte. "Ik ben wel niet zoo vlug meer als in mijne jonge jaren, maar
+heb toch al te dikwijls in vrij wat hooger masten dan deze gezeten,
+om 't klimmen geheel verleerd te zijn."
+
+Flink kwam dan ook behouden weer beneden en sneed een dunnen stok met
+een sterk stuk puntig koperdraad aan het einde, dien hij vervolgens
+daarboven aan den kokosstam wilde vastbinden. Nu voor de laatste
+maal omhoog klauterende, bond hij den stok stevig aan den boom vast,
+vervolgens het eind van het koperdraad aan de daaraan gescherpte
+bovenste punt en klom toen af. De andere boom daarnaast werd terstond
+geveld en het benedeneinde van het koperdraad aan den voet van den
+boom, die den afleider droeg, diep in de aarde begraven.
+
+"Nu hebben we een noodzakelijk werk tot stand gebracht," sprak de
+oude man en wischte zich het zweet van het voorhoofd.
+
+"Ja," antwoordde de mijnheer Wilson; "maar bij ons magazijn moeten we
+er nu ook nog een zetten, daar anders onze voorraad gevaar kon loopen."
+
+"Dat zal zoo spoedig mogelijk gebeuren."
+
+"Ge begrijpt toch wel het doel van zulk een afleider, Willem?" vroeg
+zijne vader.
+
+"O ja, vader. De bliksem wordt door het metaal aangetrokken en moet
+nu, in plaats van het huis, de spits aan den afleider treffen, bij den
+draad nederschieten en op zijn hoogst den grond eens wat opwoelen. Gij
+hebt mij dat al vroeger verklaard."
+
+"Ja, en gij hebt het goed gevat en niet weer vergeten," sprak Flink met
+welgevallen.--"Het onweer komt terug en misschien nog wel zwaarder,"
+vervolgde de oude man. "Ik vrees, dat we vandaag weinig zullen kunnen
+werken. Ik zal nu eens spoedig naar ons vee en gevogelte omzien. Naar
+ik hoop, hebben we geen verder verlies geleden. Heb gij onderwijl de
+goedheid, mijnheer, met Willem de arme geit te begraven. Dat kan nog
+licht geschieden, voor dat de storm opnieuw losbreekt."
+
+Zij trokken Nanni bij de pooten uit de kooi en begroeven haar aan den
+voet van den afleider. Juist toen zij gedaan hadden, kwam ook Flink
+terug. Hij had de geiten en schapen gelukkig gevonden en eene der
+beide overige geiten meegebracht, die gedurende het onweder jongen
+had geworpen.
+
+"Ik was al bang," zeide Flink, "dat wij de arme geitjes na 't verlies
+der moeder geen voedsel meer zouden kunnen geven; maar nu kan deze
+geit hier alle vier te gelijk zoogen. 't Zal haar wel zwaar vallen;
+doch het kan niet anders. Wij moeten haar maar rijkelijk voeren."
+
+Met deze woorden bracht hij de tweede geit ook in de kooi, waar ze
+terstond de plaats van de zwarte Nanni innam. Daarop zette men zich
+aan tafel. Juno was nu ook weer op en voelde zich volkomen wel,
+behalve dat ze voortdurend over zware hoofdpijn klaagde.
+
+Wat Flink voorspeld had, gebeurde ook; de regen keerde met verdubbelde
+hevigheid terug, en het was volstrekt onmogelijk iets buitenshuis
+te verrichten. Op Willems verzoek ging de oude stuurman met zijn
+verhaal voort.
+
+"Zoodra wij met het Fransche schip in de Tafelbaai voor anker waren
+gekomen, werden wij allen ontscheept en in eene gevangenis dicht bij
+den tuin van den gouverneur opgesloten. Wij werden niet heel streng
+bewaakt, daar aan ontvluchten voor ons toch bijna niet te denken viel,
+en ik moet zeggen, wij werden in alle opzichten goed behandeld. Daarbij
+zei men ons echter dat wij met het eerste oorlogsschip, dat in de Baai
+aankwam, naar Holland zouden worden opgezonden, en dit vooruitzicht
+beviel ons maar volstrekt niet.
+
+"Gelijk ik vroeger al gezegd heb, waren buiten mij nog eenige andere
+knapen gevangen, die tot den Oostindiëvaarder behoorden. Wij hechtten
+ons aan elkander, niet alleen omdat wij van gelijke jaren, maar vooral
+omdat wij reeds zoo lang scheepskameraden geweest waren. Twee van die
+jongens, Jack Romer, van wien ge reeds gehoord hebt, en Wim Hastings
+waren mijne bijzondere vrienden.
+
+"Toen wij op zekeren dag tegen onze gevangenismuur aanzaten en,
+om ons in de zon te warmen--want het was winter,--recht dicht bij
+elkaar kropen, begon Romer:
+
+"Wat zou 't ons toch weinig moeite kosten van hier te ontsnappen,
+als we maar wisten, waarheen we dan gaan moesten."
+
+"Ja," zei Hastings; "waar konden we anders heengaan dan naar de
+Hottentotten en de bloeddorstige wilden? En als we daar waren, wat
+zouden we dan aanvangen?"
+
+"Ei wat!" zei ik eindelijk. "Ik wil liever als vrij mensch onder
+wilden leven, dan hier zoo in de gevangenis opgesloten zitten.
+
+"Dit was ons eerste gesprek over dit onderwerp, maar voortaan kwamen
+wij er gedurig op terug. Daarbij trof het gelukkig voor ons, dat
+twee of drie Hollandsche soldaten van onze gevangeniswacht Engelsch
+verstonden, zoodat wij, die ook al iets van het Hollandsch wisten,
+door vragen nog al wat van hen te weten konden komen. Zij hadden
+namelijk al zeer dikwijls aan de grenzen van de kolonie gelegen en
+konden ons de beste inlichtingen geven omtrent den weg, dien men
+daarheen te nemen had.
+
+"Zoo gingen wij twee maanden lang voort met vragen te doen en over
+ons plan te spreken. Eindelijk besloten wij de vlucht werkelijk
+te beproeven.
+
+"Gij begrijpt zelf, Willem, dat dit ook alweder een dwaze streek
+was en opnieuw bewijst, hoe weinig knapen in staat zijn, om over hun
+eigen best te oordeelen. We konden ons immers slechts in ellende en
+gevaar begeven, zonder ook maar eenige kans op ontkomen te hebben. We
+hadden veel beter gedaan met te blijven, waar wij waren; maar wat
+zal ik zeggen--'t verstand komt eerst met de jaren; en men kan geen
+oud hoofd op jonge schouders zetten.
+
+"Wij bewaarden onzen mondkost, kochten eenige lange Hollandsche messen
+en pakten onze weinige kleeren in een bundel bij elkaar. Toen het
+eindelijk eens een donkere avond was, zochten we ongemerkt op het plein
+achter te blijven, terwijl de overige gevangenen in hunne cellen werden
+opgesloten, en dit gelukte ons. Wij namen een langen paal, die in een
+hoek lag, en zetten dien tegen den muur op, zoodat hij tot bovenaan
+reikte. Klimmen konden wij opperbest, en zoo ontkwamen wij werkelijk
+en zochten zoo spoedig mogelijk naar den Tafelberg te ontkomen."
+
+"Wat reden hadt gij, om daarheen te gaan, Flink?"
+
+"Hastings, die de oudste en ook de welberadenste onder ons drieën
+was, oordeelde dat wij ons daar eerst eenige dagen verborgen konden
+houden, totdat we vast bepaald hadden wat we dan eigenlijk wilden
+aanvangen. Daarenboven moesten we ook zien, of we ons niet een paar
+geweren met kruit en lood verschaffen konden. Wij hadden namelijk eenig
+geld bij ons, want toen ons schip voor de eerste maal genomen werd, had
+de kapitein vooraf een vaatje ropijen, [7] dat hij aan boord had, naar
+gelang van 't geen zij te goed hadden onder de officieren en matrozen
+verdeeld, daar hij het beter vond, dat zijn volk dat geld in handen
+had, dan dat de Franschen 't wegnamen, hetgeen anders ongetwijfeld
+het geval zou zijn geweest. Gedurende onze gevangenschap hadden wij
+zeer weinig van ons geld verteerd; want drank werd niet toegelaten,
+en aan tabak pruimen en rooken hadden wij jongens ons nog niet gewend.
+
+"Hastings had ook nog eene andere reden, waarom hij ons aanried op
+den Tafelberg aan te gaan, te weten: zoodra onze vlucht bekend werd,
+zou men ons, dacht hij, patrouilles nazenden, en deze zouden, naar alle
+waarschijnlijkheid, den weg naar de binnenlanden inslaan, zoodat wij,
+als de eerste nasporing zonder gevolg geschied was, minder gevaar te
+vreezen hadden van weer te worden opgepakt. De soldaten hadden ons
+van beren en andere wilde dieren verteld en ons gezegd, hoe gevaarlijk
+daar te lande het reizen was;--nu meende Hastings, dat zij, ons niet
+vindende, denken zouden, dat we door die beesten verscheurd waren,
+en dat ze zoo geen verder onderzoek naar ons zouden doen.
+
+"Ge merkt, Willem, we gebruikten nog al eene zeker soort van overleg,
+hoewel we toch maar onverstandige jongens waren."
+
+"Onverstandig, zeker!" merkte mevrouw Wilson aan;--"zonder te weten
+waarheen, zoo een land in te gaan, dat vol wilde menschen en dieren
+is!"
+
+"Gij hebt gelijk, mevrouw," antwoordde de oude man; "dat zult gij
+hooren, als ik u vertel, wat ons, toen wij pas eenige uren op weg
+waren, overkwam.
+
+"Eerst liepen wij op een draf, totdat wij geheel buiten adem waren,
+en toen gingen wij zoo snel als onze beenen ons konden dragen. Wij
+liepen niet regelrecht op den berg aan, maar namen eene eenigszins
+schuinsche richting naar het zuidwesten en meer naar den kant van de
+Valsche Baai, zoodat wij ons verder van de stad verwijderden. Gij weet
+nog wel, Willem, ik wees u die baai, toen wij de Kaap voorbijkwamen."
+
+"Ja, ja, ik herinner het mij nog heel goed, Flink."
+
+"We waren zoowat vier uren op weg en begonnen moe te worden, toen de
+dag aanbrak. Thans zagen we natuurlijk naar eene plaats om, waar wij
+ons verbergen konden. We vonden spoedig een hol met een nauwen ingang,
+juist ruim genoeg om een half dozijn zulke knapen, als wij waren,
+te bevatten en daar kropen wij binnen. De grond was volmaakt droog,
+en daar wij heel moe waren, legden wij ons neder.
+
+"Met ons hoofd op onze bundels, wilden we zien, of we ons door eenige
+uren slapens verkwikken konden.
+
+"Wij lagen echter pas en hadden de oogen gesloten, toen we op eens
+zulk een wonderlijk blaffen, janken en kwetteren hoorden, dat wij
+hevig verschrikt weer opsprongen. Dadelijk gluurde Hastings eens daar
+buiten en begon te lachen. Ook Romer en ik keken uit en zagen.... wel
+honderd-vijftig groote bavianen, die zulke wonderbaarlijke sprongen
+en cabriolen maakten, als ik ooit van mijn leven nog gezien had. Zij
+waren grooter dan wijzelven--ja, als ze op de achterpooten stonden,
+wonnen ze het in lengte ver van ons en daarbij hadden zij groote
+witte tanden. Eenigen onder den troep waren wijfjes en droegen hare
+jongen op den rug; overigens huppelden die even vlug en vroolijk als
+de mannetjes. Ten laatste vertoonden ze zulke potsierlijke kuren en
+grappen, dat wij allen het van lachen uitschateren moesten. Op eens,
+terwijl we ons nog den buik vasthielden, ontdekten we de grijnzende
+tronie van een der grootsten uit den heelen troep op zeer korten
+afstand van ons.
+
+"Die knaap was, als door een wonder, boven van de rots tot ons
+afgekomen. We sprongen alle drie heel ontsteld in de grot terug,
+want de baviaan had vreeselijke tanden en was woest en wild van
+uitzicht. Hij liet een gillend geluid hooren; en weldra zagen wij al
+de anderen, zoo hard ze maar loopen konden, op het gerucht aankomen.
+
+"Ik zeide straks al, dat het hol ruim genoeg was, om een stuk of zes,
+zeven van ons te bergen. Achter dit volgde echter nog eene kleinere
+grot, waarin we nog niet geweest waren en die een veel nauweren
+ingang had. Romer riep: "Laat ons in dat achterste hol vluchten;
+als we de een na den anderen door het gat kruipen, komen wij er wel."
+
+"Met deze woorden wrong hij zelf zich door de opening. Hastings volgde
+met zijn bundel en ik kwam er ook door,--juist nog bijtijds, want de
+bavianen hadden eerst buiten een halve minuut met elkaar gesnaterd,
+en drongen toen het voorste hol binnen op 't zelfde oogenblik, dat
+ik mij in het achterste redde. Vijf of zes van die beesten vertoonden
+zich, allen mannetjes en naar 't scheen, van de allergrootsten.
+
+"Het eerste, wat zij deden was, dat zij op Romers knapzak aanvielen. In
+een ommezien was die opengemaakt. Eerst kwam de mondkost die terstond
+in hunne wijde muilen verdween. Toen kwam het overige aan de beurt
+en werd eerst terdege besnuffeld en daarna in flarden gescheurd.
+
+"Zoodra ze hiermee gedaan hadden, naderden twee van de monsters
+het achterste hol, waar ze ons in het oog kregen. Een hunner stak
+zijne lange pooten naar binnen, om ons naar zich toe te halen, maar
+Hastings stak den baviaan met zijn mes, waarop deze zijne armen in
+een wip terugtrok. Het was kluchtig te zien, hoe hij aan de overigen
+zijn poot vertoonde en dan het bloed met zijne tong aflikte. Een
+geschreeuw, zooals toen werd aangeheven, heb ik in mijn leven niet
+meer gehoord. Ze waren allen blijkbaar geweldig boos: er kwamen
+gedurig meer in het hol en tierden en gierden met de anderen.
+
+"Eindelijk stak een tweede zijn poot uit, maar kreeg een prik,
+nog wel zoo raak als de eerste. Ten laatste poogden twee of drie te
+gelijk ons aan te pakken; doch wij weerden ons wakker met onze messen
+en brachten hun zware wonden toe. Zoo zetten zij wel een uur lang
+hun aanval voort. Toen verlieten zij eensklaps het hol, maar bleven
+huilend en jankend voor den ingang wacht houden.
+
+"Langzamerhand werden wij de grap hartelijk moe, en Romer zei al,
+dat hij liever in de gevangenis was dan hier. Ik voor mij dacht
+hetzelfde, maar wij konden ons onmogelijk naar buiten wagen. Hadden
+wij dat gedaan, dan zouden de dieren ons zekerlijk in stukken hebben
+gescheurd. Wij begrepen dus wel, dat er aan geen ontkomen te denken
+was, voordat de dieren, het wachten moede, vanzelf optrokken. Met
+een beangst hart zaten wij daar dus. Daarbij kwam nog, dat wij bitter
+door den dorst geplaagd werden en in het hol geen water vinden konden.
+
+"Zoo bleven wij nog ruim twee uur als gevangenen van die leelijke
+bavianen in het hol opgesloten, toen op eens een der dieren een
+gillenden kreet uitstiet, waarop de gansche troep huilend en
+schreeuwend, zoo hard hij kon, op den loop ging.
+
+"Wij wachtten nog eenigen tijd, om te zien, of zij ook terugkomen
+zouden; toen kwam Hastings het eerst voor den dag, keek voorzichtig
+buiten het hol en zeide, dat de gansche troep eindelijk voor goed
+weg en er in het rond niets meer te zien was, dan een Hottentot, die
+op den grond zat en op eenige grazende koeien scheen te passen. De
+een na den ander slopen wij uit het hol en waren recht verheugd over
+onze verlossing.
+
+"Dit was ons eerste avontuur, mijn goede Willem. Wij hadden in 't
+gevolg nog eene menigte andere; maar 't begint nu tijd te worden om
+naar bed te gaan. Ik denk, mijnheer Wilson, dat we morgen een goeden
+dag zullen hebben, maar met zekerheid zeggen kan men zoo iets niet."
+
+"Ik ben brandend nieuwsgierig om te weten wat u later nog al meer is
+overkomen, Flink," verzekerde Willem.
+
+"Nu ja, beste jongen, dat zult gij nog wel te weten komen. Maar alles
+heeft zijn tijd en nu is het tijd om te slapen, als ge niet misschien
+met mij meegaan wilt, Willem. De lucht is opgeklaard en ik zou gaarne
+een paar visschen vangen voor morgen."
+
+"O zeker, Flink, ik ga mee; ik ben volstrekt niet moe."
+
+"Goed dan, hier zijn de lijnen. Goeden nacht, mevrouw; goeden nacht,
+mijnheer! Over een uurtje volgen wij u."
+
+
+
+
+
+
+
+VIJF-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+EEN RUSTDAG.
+
+
+De oude man had zich niet bedrogen. Toen de storm, waarvan wij boven
+gesproken hadden, had uitgewoed, werd het weder fraai en bleef zoo
+ettelijke dagen. Tengevolge van den slag, die haar getroffen had,
+bleef Juno nog eenigen tijd zwak en ontdaan, maar was toch in staat
+het middageten klaar te maken en ander licht werk te doen.
+
+Behalve nu en dan eens eene bui, bleef het weder bijna veertien dagen
+achtereen gunstig, en gedurende al dien tijd werkten mijnheer Wilson,
+Flink en Willem van 's morgens vroeg tot 's avonds laat aan hun
+magazijn en waren zoo verlangend dit tot stand te krijgen, dat zij
+telkens hoogst vermoeid van hun werk thuis kwamen en Willem zelfs
+vergat Flink om de voortzetting van zijne geschiedenis te vragen.
+
+Eindelijk was het pakhuis gereed. Het was met een bladerendak gedekt
+en op drie zijden met gevlochten takken gesloten, doch op de vierde
+open, zoodat de lucht er gedurig vrije speling had. Het benedenste
+gedeelte, dat tot beschutting van de huisdieren bij nacht en gedurende
+den regentijd was ingericht, was insgelijks aan drie zijden gedekt
+en kon het vee behoorlijk tot stalling dienen. Ook was er reeds een
+voetpad door het bosch uitgekapt; doch om de boomwortels uit te graven,
+had het tot hiertoe nog aan tijd ontbroken.
+
+Al de voorraad, dien zij hier hadden, werd daarop in het nieuwe pakhuis
+geborgen en nu eindelijk konden zij weder aan ander werk beginnen
+te denken. Evenwel had men besloten dat de dag na de voltooiing van
+het magazijn in de familie als een feestdag zou gevierd worden,--eene
+verademing, die zij allen ook zeer noodig hadden. Willem ving eenige
+visschen, er was eene schildpad uit den vijver opgehaald en zoo
+was het niet alleen een dag van rust, dien zij hadden, maar een
+wezenlijk feest.
+
+Mijnheer Wilson was met zijne vrouw en kinderen eene wandeling langs
+het strand gaan doen, terwijl Flink met Juno zich met het schoonmaken
+van den schildpad bezighield. Willem liet hun de nieuwgebouwde
+bergplaats met den veestal zien, waarheen nu ook de geit met hare
+vier jongen gebracht was, omdat er geen reden bestond om die langer
+in het woonhuis te houden, Daar het weder zoo schoon was, besloot men
+toen ook nog den tuin te bezoeken. Hier bevonden zij, dat de zaden,
+niettegenstaande den hevigen regen, nog niet begonnen op te komen.
+
+"Ik had toch gedacht, dat het zaad na zooveel regen al verder zou
+zijn," zeide mevrouw Wilson.
+
+"O neen, mijn lieve," antwoordde haar man. "Het heeft meer warmte
+noodig dan de zon in den tegenwoordigen regentijd kan schenken. Nog
+eenige dagen als vandaag en gij zult zien, hoe welig het opschiet."
+
+"Laat ons hier op dezen heuvel wat uitrusten; het is er volmaakt
+droog," verzocht zij. "Ik had nooit gedacht," vervolgde zij, zich
+nederzettende, terwijl ze haar echtgenoot de hand drukte,--"dat ik
+op een verlaten eiland zoo gelukkig kon worden. Wat vliegt de tijd
+hier snel voorbij. Het gemis van boeken moest mij, meende ik in den
+beginne, zeer smartelijk vallen, maar nu merk ik, dat ik tot lezen
+geen tijd zou hebben."
+
+"Werkzaamheid is de bron van geluk, vooral indien men waarlijk nuttig
+werkzaam is," zeide mijnheer Wilson. "Een vlijtig mensch is altijd ook
+een gelukkig mensch, als hij namelijk niet al te ingespannen behoeft
+te arbeiden; en zelfs hij, die oorzaak tot droefheid en kommer heeft,
+zal zijn lijden bij vlijt en arbeid spoediger vergeten. Ik geloof
+zeker, dat een ledigganger nooit werkelijk gelukkig zijn kan en dat
+zelfs overlading met arbeid beter is, dan volslagen gebrek daaraan."
+
+"Maar moeder, wij zullen niet altijd zooveel te doen hebben, als
+tegenwoordig."
+
+"Natuurlijk niet," gaf mijnheer Wilson ten antwoord; "maar dan ook
+zullen wij in onze boeken een nieuwe bron van genot vinden. Ik verlang
+zeer, eens aan de landingsplaats te komen, om daar te zien, wat er
+van onze boeken nog over is en of zij ook erg gehavend zijn. Dat kan
+echter eerst gebeuren, als de regen geheel voorbij is en wij onze
+boot weer gebruiken kunnen."
+
+"Waar zijt gij daar toch mee bezig, Thomas?" vroeg zijne moeder.
+
+"Ik maak torretjes dood," was het antwoord. "O, ik heb er al een
+heelen boel kapotgemaakt."
+
+"Maar waarom maakt gij die arme diertjes toch dood? Ze hebben u immers
+geen kwaad gedaan."
+
+"Ik mag die torren niet lijden."
+
+"Dat is nog geen reden, Thomas; gij moet niet alles doodmaken wat gij
+niet lijden moogt. Als ze u bijten of steken, dan moogt gij ze dooden;
+maar dieren zonder reden te dooden is wreedheid."
+
+"Juno slaat ook wel vliegen dood," zei Thomas.
+
+"Ja, omdat dit somtijds noodig is; maar ze doodt ze zekerlijk niet
+alleen omdat ze juist niets beters te doen heeft. Vergeet niet,
+wat ik u gezegd heb, Thomas."
+
+
+
+
+
+
+
+ZES-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+NOG AL ANDER WERK.--FLINK VERVOLGT ZIJNE GESCHIEDENIS.
+
+
+"Welnu, Flink," vroeg mijnheer Wilson den volgenden dag, "wat moet
+nu na het ontbijt ons eerste werk zijn?"
+
+"Me dunkt, mijnheer, we gaan allen heen en verzamelen de takken en
+twijgen van de gevelde kokosboomen, om ze tot brandstof bijeen te
+hebben. Thomas en Juno hebben al een fikschen hoop opgestapeld en
+tegen den avond, denk ik, kunnen we een houtstapel klaar hebben,
+waarin de regen niet doordringen kan. Daarna zullen we een zoutpan
+aanleggen en ook een vischvijver, daar het weer ons toch wel niet
+toelaten zal voor langen tijd van huis te gaan. Dat zal ons voor 't
+minst eene week kosten; maar dan valt hier vooreerst ook weinig meer
+te doen. Ik geloof, dat wij het ergste van den regentijd reeds achter
+den rug hebben, over veertien dagen misschien reeds kunnen wij ons
+door het bosch wagen en gaan zien, hoe 't met onze schatten aan de
+landingsplaats gesteld is. We zullen de handen vol hebben met alles
+uit te zoeken en terecht te leggen, voordat het mooie weer terugkomt,
+en kunnen het dan dadelijk in onze boot hierheen brengen en in het
+pakhuis bergen."
+
+"En dan doen we eens een reisje over het eiland, niet waar,
+Flink?" vroeg Willem. "Ik verlang daar zeer naar."
+
+"Ja, Willem; maar dat zal wel het laatst aan de beurt komen; want we
+moeten er op rekenen, dat we twee of drie nachten van huis blijven,
+en daartoe moet het weder eerst vast en goed zijn.
+
+"Evenwel zullen wij het nog doen, voordat wij onze goederen in de
+boot hierheen brengen."
+
+"Maar hoe zullen wij met die zoutpan klaarkomen, Flink? Die moet
+immers in de harde rots worden uitgehouwen?"
+
+"Zeker, Willem; maar ik heb daartoe reeds drie of vier zoogenaamde
+steenbeitels uitgezocht,--weet gij, van die korte, dikke, van een
+scherp eind voorziene ijzeren staven, die ginds in ons magazijn
+liggen. Die nemen wij, met een stevigen hamer, en dan zal het werk ons
+gemakkelijker van de hand gaan, dan gij denkt, daar de koraalrotsen,
+die van buiten zoo hard schijnen, inwendig tamelijk broos zijn."
+
+De gansche dag werd verder besteed om de kokostakken tot eene groote
+mijt op te stapelen. Flink maakte die naar de wijze der gewone
+hooibergen van boven spits, zoodat de regen er op afloopen kon.
+
+"Ziezoo," zeide de oude man, toen hij eindelijk de ladder afkwam,
+"daar hebben wij nu een voorraad voor het volgende jaar. We hebben
+nog genoeg over, om er gedurende dezen regentijd mee toe te komen,
+en hebben wij eerst droog weder, dan kunnen wij later den benoodigden
+brand bijeenbrengen. Deze voorraad hier moet tot het naastvolgend
+regenseizoen bespaard blijven."
+
+De heer Wilson zuchtte en zijn gelaat betrok. Flink merkte dit en
+liet er dadelijk op volgen:
+
+"Onze voorzorg zal misschien overtollig zijn, mijnheer; maar
+niettegenstaande dat mogen wij ze toch niet verzuimen. Dat kapitein
+Osborn, als hij nog in leven is, naar ons zal laten zoeken, daar
+twijfel ik geen oogenblik aan, ja, ik geloof zelfs, dat Mackintosh
+het niet zal verzuimen. Maar daarbij moogt gij toch niet vergeten,
+dat allen kunnen vergaan zijn, terwijl wij zelven in het leven zijn
+behouden. Eene kleine boot geeft slechts weinig kans op behoud, als ze
+vele honderden mijlen van land is; en zijn ze werkelijk verongelukt,
+dan kunnen er misschien nog jaren verloopen, voordat wij door 't een
+of ander schip ontdekt worden."
+
+"Ja, Flink, zonder morren moeten wij ons in ons lot trachten te
+schikken. Ik heb er mijzelven reeds menigmaal om beschuldigd; maar
+zulke sombere gedachten komen toch dikwijls terug, ofschoon ik alle
+moeite doe, om ze te onderdrukken."
+
+"Dat vind ik zeer natuurlijk, mijnheer; maar ge moet toch altijd
+het beste hopen. Wildet ge u nog langer kwellen, ge zoudt daardoor
+volstrekt niets beter maken."
+
+"Dat gevoel ik wel, Flink; en als ik zie, hoe tevreden mijne vrouw
+onder al deze beproevingen is, dan erger ik mij nog meer over
+mijzelven."
+
+"Eene vrouw, mijnheer, weet het ongeluk altijd beter te dragen,
+dan een man. De vrouw is enkel liefde, en heeft zij echtgenoot en
+kinderen behouden om zich heen, dan zal zij zich genoegzaam overal
+gelukkig gevoelen. De mannen denken in dat opzicht echter geheel
+anders. Ze kunnen, gelijk gij thans, niet verdragen, zoo geheel van
+de wereld te zijn uitgesloten, en toch zouden zij zich misschien
+gelukkiger gevoelen niet met haar in aanraking te zijn, indien zij
+het maar goed wilden inzien."
+
+"Onze eerzucht is het, die ons ongelukkig maakt," antwoordde de
+heer Wilson. "Maar laat ons nu hiervan zwijgen. De zon is onder;
+wij zullen in huis gaan.--Kom, Willem!"
+
+Na het avondeten werd Flink door Willem gedrongen, zijne geschiedenis
+te vervolgen, wat hij dan ook met de volgende woorden deed:
+
+"Als ik 't wel heb, ben ik gebleven, waar de Hottentot, die de veekudde
+bewaakte, de bavianen, die ons zoozeer beangst hadden, verjoeg. Wij
+verlieten nu dadelijk het hol en zetten ons aan den voet van de rots
+neder, waar de Hottentot ons niet kon zien. Hier hielden wij nu eene
+soort van krijgsraad. Romer was er voor, dat wij terugkeeren en ons
+weer gevangen-geven zouden. Hij zeide, dat het onzinnig, dwaasheid
+was, zoo het land door te zwerven, zonder zelfs een wapen te hebben,
+om ons tegen de wilde dieren te verdedigen. Spoedig, oordeelde hij,
+konden wij nog in veel grooter gevaar komen, dan die ontmoeting met
+de apen geweest was. En waarlijk, de jongen had gelijk. Het zou zeker
+het verstandigst geweest zijn, wat wij in ons geval hadden kunnen
+doen; maar Hastings dacht, dat men ons uitlachen zou, en de vrees
+voor bespotting maakte dus, dat wij eindelijk besloten onze vlucht
+te vervolgen.
+
+"Onthoud wel, Willem, de vrees om uitgelachen te worden verleidt
+niet alleen jongens, maar zelfs volwassen mannen tot uiterst dwaze
+handelingen. Wij hadden verkeerd gedaan en wilden enkel uit vrees
+voor bespotting onze dwaling niet herstellen; ja, wij hadden zelfs
+besloten liever ons leven te wagen en ons alle gevaren te getroosten,
+dan te verdragen, dat men ons om onze dwaasheid, gelijk wij eigenlijk
+verdiend hadden, eens terdege uitlachte. Houd dit goed in uw geheugen,
+Willem, en laat u nooit door de vrees van belachelijk te worden
+verleiden tot iets, dat verkeerd is, of, hebt gij onrecht gedaan,
+u door die vrees afschrikken, om tot uw plicht te keeren."
+
+"Ik dank u voor den raad, vriend, en hoop dat Willem hem nooit
+vergeten zal," sprak mijnheer Wilson. "'t Gebeurt inderdaad meer,
+dat men door spot, dan door overreding tot een misstap verleid wordt."
+
+"Zoo is het mijnheer, en dit was dan ook de reden, waarom wij ons
+dolzinnig plan niet opgaven. Toen wij eens tot dit besluit gekomen
+waren, was het tweede punt van beraadslaging, hoe wij ons wapens
+zouden verschaffen, want zonder deze, begrepen wij wel, was er niets
+voor ons te hopen.
+
+"Terwijl wij daarover nog redeneerden, keek ik eens van achter de
+rots uit, om te zien waar de Hottentot wel mocht wezen. Ik bemerkte,
+dat hij zich in zijn mantel van schaapsvellen gewikkeld en op den
+grond te slapen gelegd had. De hottentotten gaan altijd gewapend
+uit, en zoo hadden wij bij het verlaten van de grot ook wel gezien,
+dat hij toen een geweer in de hand hield. Ik zeide dus tegen Romer
+en Hastings, dat, als de man sliep, wij misschien zijn geweer wel
+ongemerkt in onze handen konden krijgen.
+
+"Dat scheen een goede inval, en Hastings bood zich aan, om op
+handen en voeten naar hem toe te kruipen, terwijl wij achter de rots
+bleven. Uiterst voorzichtig sloop hij nader en vond den man, met het
+hoofd in den mantel, vast in slaap. Zoo had hij dus niets te vreezen,
+want de Hottentotten zijn vadzig en, eens in slaap, moeilijk wakker
+te krijgen, dat wisten we wel.--Hastings pakte eerst het geweer en
+bracht het in veiligheid; toen keerde hij terug, sneed den riem door,
+waaraan de Hottentot zijn kruithoorn en kogelzakje droeg, en kwam
+met alles weer bij ons, zonder dat de man een vinger verroerd had.
+
+"We waren opgetogen van blijdschap over dezen buit en besloten,
+heel zachtjes, op eenigen afstand van den man voorbij te sluipen,
+zoodat hij, ook als hij eens wakker werd, ons niet in het oog kon
+krijgen. Wij keken daarop overal rond, of we misschien ook iemand
+anders ontdekten, en gingen toen recht op de Tafelbaai aan, totdat
+wij op eenmaal voor eene breede rivier stonden.
+
+"Dat was een tweede gelukkige ontdekking, want we waren uitermate
+dorstig. Na gedronken te hebben, zooveel ons lustte, verborgen wij
+ons in de nabijheid van de rivier en hielden een maaltijd van den
+voorraad, dien wij hadden meegenomen."
+
+"Maar, Flink, deedt ge geen kwaad door den Hottentot zoo zijn geweer
+te ontstelen?" vroeg Willem.
+
+"Neen, Willem, in dat geval kon dat niet wel als diefstal beschouwd
+worden. We waren dus bijna evengoed in oorlog met het land, als op
+den tijd, toen men ons tot gevangenen maakte, en hadden ons geweer
+evenmin gestolen, als men van onze vijanden zeggen kon, dat zij ons
+schip gestolen hadden. Heb ik geen gelijk, mijnheer Wilson?"
+
+"Ja, dat komt mij wel zoo voor. Als twee natiën met elkander in
+oorlog zijn, wordt het wederzijdsch eigendom, als het in vijandelijke
+handen valt, steeds als buit beschouwd. [8] In uwe omstandigheden hadt
+gij alle recht om u alles toe te eigenen, wat gij kondet, als het u
+dienstig kon wezen tot de vlucht. Echter geloof ik, dat gij zedelijk
+misdaan zoudt hebben, als gij moord of ook slechts moedwilligen roof
+gepleegd hadt."
+
+"Juist zoo; maar we waren op onze vlucht in de noodzakelijkheid
+gekomen, om ons óf gevangen te geven óf hen, die ons grijpen wilden,
+te verslaan, en dan zou niemand ons beschuldigd hebben, als we onze
+tegenpartij verslagen hadden."
+
+"Toen ge eens gevangen waart, hadt gij, dunkt mij, ook het recht,
+om tot herwinning van uwe vrijheid zelfs het uiterste te baat te
+nemen. Zoo althans is het algemeen gevoelen."
+
+"Ja, mijnheer; maar nu verder. Wij wachtten den avond af en vervolgden
+toen onzen marsch naar de Valsche baai met allen spoed. Wij wisten,
+dat in het dal, of eigenlijk langs de berghelling, enkele boerenhoeven
+verstrooid lagen; daar hoopten wij, met goedheid of met geweld,
+nog twee geweren te krijgen.
+
+"Het was middernacht en de maan scheen helder, toen wij eindelijk
+het water van de Valsche Baai in de verte zagen blinken. Kort daarop
+hoorden wij het blaffen van een hond en ontdekten wij op niet verren
+afstand twee boerenhofsteden met hare veestallen en boomgaarden. Nu
+zagen wij naar eene plaats om, waar wij tot den morgen schuilen
+konden, en vonden eindelijk tusschen eenige rotsblokken een plekje
+juist zooals wij het wenschten.
+
+"Wij kwamen overeen, dat een van ons waken zou, terwijl de twee andere
+sliepen. Hastings nam voor ditmaal dien post op zich. Met het lichten
+van den dag wekte hij ons, en toen gingen we dadelijk aan het ontbijt,
+Uit onzen schuilhoek hadden we een bijna even ruim gezicht, alsof we
+als vogels door de lucht hadden gevlogen. De in de diepte liggende
+boerderijen, met al wat daar voorviel, konden we nauwkeurig opnemen.
+
+"De eene hoeve, die vlak onder ons lag, scheen ons veel kleiner toe,
+dan de beide andere, die we in de verte ontdekten. Wij wachtten,
+totdat wij de menschen buiten zagen komen. Na een half uur vertoonden
+zich eenige Hottentotten, en wij zagen hoe zij hunne ossen voor den
+wagen spanden. Er werden twaalf paar voorgespannen, en toen klom
+de Hottentotsche voerman op den wagen en sloeg den weg in naar de
+Kaapstad. Een Hottentotsche jongen en de groote hond gingen met
+hem mede.
+
+"Een poosje daarna dreef een andere Hottentot de koeien naar het dal,
+om te grazen; vervolgens kwam eene Hollandsche vrouw met twee kinderen
+buiten de deur en voederde het pluimgedierte.
+
+"Wij wachtten nog een uur langer; toen vertoonde zich de huisbaas
+zelf met eene pijp in den mond en zette zich op de bank voor het huis
+neder. Toen zijn pijpje uit was, riep hij, waarop eene Hottentotsche
+meid hem tabak en vuur bracht. Anders zagen wij niemand in de nabijheid
+en daaruit maakten wij op, dat de boer, zijne vrouw en de Hottentotsche
+meid met die beide kinderen de gansche bevolking van de boerderij
+zijn moesten.
+
+"Tegen twee uur 's middags bracht de man zijn paard buiten en reed
+weg. Wij zagen, hoe hij bij het wegrijden met de Hottentotsche vrouw
+sprak, en kort daarop ging deze met eene mand op het hoofd naar den
+kant van het dal.
+
+"Nu, zeide Hastings, was het tijd, om ons te roepen, want nu was er
+alleen nog maar eene vrouw in huis,--die wij gemakkelijk meester konden
+worden. Echter ging dit nog altijd met vrij wat gevaar vergezeld,
+want als zij gerucht maakte en wij vluchten moesten, konden wij licht
+gezien en weer opgevangen worden.
+
+"Wij zagen echter wel, dat er geene andere mogelijkheid voor ons
+bestond, en dus besloten wij omzichtig naar de hoeve af te dalen en
+van de gelegenheid zoo goed mogelijk gebruik te maken. Wij kropen langs
+den heuvel neder en bereikten onbemerkt de heg achter de woning. Hier
+lagen wij ruim een kwartier op de loer, toen wij, tot onze groote
+blijdschap, ook de vrouw, met een kind aan iedere hand, uit het huis
+zagen komen. Ze ging zekerlijk aan een van hare buurvrouwen een bezoek
+brengen, want ze sloeg den weg naar de verder gelegene hoeve in.
+
+"Zoodra zij eenige honderden passen ver was, kroop Hastings voorzichtig
+door de heg en sloop door de achterdeur in het woonhuis. Nu eenige
+oogenblikken vertoonde hij zich weer en wenkte ons, dat wij komen
+konden.
+
+"Wij vonden hem reeds in 't bezit van eene buks en van een geweer,
+die voor den schoorsteen op een rek gelegen hadden. In een ommezien
+namen wij ook de kruithorens en patroonstasschen, die op verschillende
+plaatsen aan den wand hingen, af en hingen die zelven om. Toen we
+deze in ons bezit hadden, plaatste Hastings mij als schildwacht aan
+de voordeur, opdat men ons niet onverhoeds overvallen zou, terwijl
+hij zelf met Romer naar levensmiddelen omzag. Zij vonden drie hammen
+en een brood, wel bijna zoo groot als een waschtobbe.
+
+"Hiermede ruim tevreden, besloten wij zonder lang te dralen, onzen
+schuilhoek weer op te zoeken. Wij tuurden naar alle kanten rond,
+maar ontdekten nergens een sterveling, zoodat wij aannemen konden,
+dat niemand ons gezien had.
+
+"Omstreeks midden op den heuvel verhief zich een steile, naakte
+rotswand, dien wij, om in het dal te komen, noodzakelijk over moesten,
+als wij ons niet al te dicht bij het boerenhuis wilden wagen. Na kort
+beraad kwamen wij overeen, dat het misschien beter zou zijn hem nog
+bij dag te beklimmen, zoodat wij deze zwarigheid op eenmaal overwonnen
+hadden en ook verder van de hoeve verwijderd waren. Wij volvoerden
+terstond ons besluit, vonden eene zeer veilige schuilplaats, waar wij
+ons nederlegden, om na zonsondergang onze reis naar de binnenlanden
+voort te zetten.
+
+"We hadden nog geen uur daar gelegen, toen we op den heuvel, dien
+wij verlaten hadden, het geschreeuw van onze goede vrienden de
+bavianen hoorden. Wij zagen, hoe zij op de boerderij aantrokken,
+in de vruchtboomen klauterden en elkaar met verwonderlijke vlugheid
+de vruchten toewierpen. De listige dieren hadden evengoed als wij
+afgeloerd, dat de kust vrij was, en wilden eene zoo goede gelegenheid
+niet ongebruikt laten.
+
+"Zij waren nog druk aan het werk, toen de Hottentot met de koeien in
+de verte aankwam. Zoodra hij het huis naderde, hieven zij allen een
+schellen kreet aan en maakten zich hals over kop uit de voeten. Na den
+herder zagen wij de boerin terugkomen; zij bleef slechts korten tijd in
+huis en kwam toen op eens met alle teekenen van schrik en ontsteltenis
+buiten de deur. Omtrent één uur vóór zonsondergang kwam de Hollandsche
+boer van zijn rit terug en na weinige minuten begrepen wij uit het
+luid gejammer en misbaar in huis, dat hij zijne vrouw sloeg; want,
+ziet gij, mijnheer (althans zoo stelden wij ons de zaak voor), doordat
+zij van huis was gegaan, hadden de apen 't gewaagd, den boomgaard
+te plunderen en ongetwijfeld dacht men, dat die viervoetige roovers
+ook de andere dingen, die in huis vermist werden, hadden meegepakt,
+daar het wel bekend is, dat zij alles nemen, wat zij krijgen kunnen.
+
+"Zoo waren de bavianen, die de arme vrouw zoo in pijn brachten,
+voor ons van groot nut, daar zij maakten, dat niemand iets van
+ons huisbezoek vermoedde en dus alle gevaar van vervolging van ons
+afweerden. Hoogst tevreden met den dienst, dien zij ons dezen avond
+deden, vergaven wij hun dan ook gaarne den angst, welken zij ons des
+morgens aangejaagd hadden.
+
+"Maar nu, beste Willem, wil ik voor ditmaal afbreken, daar ik zie,
+dat het onder mijn praten tamelijk laat is geworden. Het vervolg dus
+op een anderen avond."
+
+
+
+
+
+
+
+ZEVEN-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+KROKODILLEN, HAAIEN, HYENA'S.
+
+
+Wij verlieten onze vrienden op den avond van den dag, toen zij hun
+stapel brandhout tegen het volgende regenseizoen tot stand gebracht en
+zich het spoedig aanleggen van een vischvijver en van eene zoutpan
+voorgenomen hadden. Met den eersten werd ook reeds dadelijk den
+volgenden morgen een begin gemaakt. Flink, mijnheer Wilson en zijn
+zoon gingen gezamenlijk naar het strand en kozen, na lang zoeken,
+ongeveer honderd schreden van den schildpadvijver, eene plaats, die
+hun tot dit doel het meest geschikt voorkwam. Het water was daar vrij
+ondiep, zoodat op het punt, dat het verst van den oever verwijderd was,
+de diepte niet meer dan drie voet bedroeg.
+
+"Wij hebben hier dus een heel gemakkelijk werk, mijnheer," begon
+Flink. "Al wat we te doen hebben is, dat we steenen en kleine
+rotsblokken verzamelen en die zoo op elkaar stapelen, dat ze
+binnenwaarts als een muur staan, maar naar buiten schuins afloopen,
+om de kracht van de zee te breken, als die onstuimig is. Het water
+zal natuurlijk altijd tusschen de steenen heenspoelen en zoo gedurig
+ververscht worden. 't Is waar, we kunnen meestal wel visch vangen,
+als we die noodig hebben, maar we hebben niet altoos tijd daartoe
+te missen, en zoo is het dus beter een vasten voorraad te hebben,
+waarover we ieder oogenblik beschikken kunnen. Ze vangen en hier in
+den vijver overplanten, kunnen we zoo dikwijls als er niets anders
+te doen valt. Dan kan Juno naderhand altijd maar heengaan en er met
+een spies een uitprikken, als wij niet thuis zijn en zij iets voor
+de keuken noodig heeft. Het is altijd goed, dat men een voorraad
+mondkost tot zijne beschikking klaar heeft."
+
+"Maar, Flink, hier in het rond zie ik slechts weinig steenen; hoe
+maken wij het, om die van zoo ver te halen?" vroeg Willem.
+
+"Daartoe zullen wij onze handkar nemen; daar kan een goede voorraad
+in ééne vracht op."
+
+"Maar hoe ze daarop te houden, Flink?"
+
+"Wij binden eene ton aan de as vast. Ik zal dat dadelijk in orde
+brengen, en kom er dan mee hier. In dien tusschentijd kunt gij met
+uw vader al de steenen oprapen, die hier voor de hand liggen."
+
+De oude man kwam weldra met de kar terug, waaraan hij een vat werkelijk
+zeer handig had vastgemaakt; en met behulp van dit voertuig zagen
+zij nu, dat het bijeenbrengen van steenen hun slechts weinig moeite
+behoefde te kosten. Vader en zoon voerden de bouwstoffen aan, en
+Flink stond in het water, om den muur op te trekken.
+
+"Wij hebben tot hiertoe een ander werk geheel vergeten, wat we toch
+niet verzuimen moesten, mijnheer," zeide Flink, "en de vischvijver
+herinnert mij daaraan."
+
+"En dat is, Flink?"
+
+"Eene badplaats voor de kinderen, of eigenlijk voor ons allen, groot
+en klein. Als de heete dagen aankomen, zullen wij daar behoefte
+aan hebben, maar tegen dien tijd kunnen we er ook gemakkelijk mee
+klaarkomen. Hier, waar het zoo ondiep is, loop ik geen gevaar en kan ik
+gerust aan mijn muur voortbouwen; maar als het water mij tot over de
+knieën kwaam, zou ik mij wel zorgvuldig in acht nemen; want gij hebt
+er geen denkbeeld van, mijnheer, hoe stout en roofzuchtig de haaien
+onder deze breedte zijn. Toen ik de laatste maal op St. Helena was,
+hadden we daar nog een treurig bewijs van."
+
+"Vertel het ons toch eens, Flink," riep Willem.
+
+"Ja zie, ik had zelf niet gedacht, dat het mogelijk was. Ik weet een
+geval van dien aard, toen ik in Oost-Indië was, doch dat was niet
+met een haai, maar met een kaaiman. Een Hollander stond op zekeren
+dag aan het strand en vischte in de haven. Daar komt een kaaiman of
+krokodil regelrecht op hem toezwemmen, totdat hij met zijn snuit nog
+maar een paar voet van den visscher af is. De Hollander stoort zich
+daar echter niet aan, want daar hij op den vasten wal staat, vreest
+hij geen gevaar van het monster. Dit keert zich op eens om, slaat
+met zijn staart den armen man van den oever weg, zoodat hij in zee
+tuimelt, en daar pakt het den ongelukkige aan en duikt met hem onder."
+
+"Vreeselijk! Maar een haai kan toch zoo iets niet doen: kan hij wel,
+Flink?"
+
+"Dat zult gij hooren, mijnheer. Er stonden twee soldaten op Sint
+Helena op een rots vlak aan zee. De rots was nog wel boven het water,
+doch daar de vloed opkwam, sloeg de branding er toch reeds nu en
+dan overheen. Daar kwamen twee haaien op hen toezwemmen, juist als
+die kaaiman, waarvan ik u verteld heb; de een werpt zich plotseling
+om en slingert met een slag van zijn staart een van de soldaten
+in het water, dat zeer diep was. De kameraad van den ongelukkige
+kwam doodelijk ontsteld naar de kazerne loopen, om het gebeurde te
+vertellen. Omtrent eene week later ontdekte men van een schoener in
+de Zandbaai aan de andere zij van het eiland een geweldig zwaren haai
+bij het roer van het schip. Al spoedig werd er een haak uitgeworpen
+met een dik stuk spek daaraan vast, en de knaap raakte gevangen. De
+matrozen sneden hem de buik open en vonden met ontzetting het gansche
+lichaam van den verongelukten soldaat van het hoofd tot aan de knieën
+in zijne maag. Het gedrocht had hem ingeslokt, met uitzondering van
+de beenen, die 't bij 't sluiten van zijne geweldige kinnebakken
+had afgebeten. Ik zag de maag en de ruggegraat van het beest in de
+kazerne, en 't was zekerlijk het grootste monster van die soort,
+dat ik mijn leven lang nog ergens gezien had."
+
+"Ik had niet gedacht, dat die dieren zoo stoutmoedig waren."
+
+"Wat ik u vertelde, mijnheer, is de zuivere waarheid, waarvoor ik kan
+instaan; en daarom kunnen we niet te voorzichtig wezen, als wij in
+het water gaan. Gij hebt immers zelf gezien, hoe schielijk die haai
+het arme varken binnen had."
+
+"En ik mocht toch wel eens weten, hoe het met onze varkens staat,
+Flink," sprak Willem haastig.
+
+"Naar ik gis, zullen ze thans wel biggen hebben; aan voedsel ontbreekt
+het hun zeker niet."
+
+"Kunnen ze dan kokosnoten vreten?"
+
+"De oude zeker niet; maar er vallen immers dagelijks jonge kleine
+noten van de boomen en daar zijn ze zeer graag op. Ook vinden ze
+wortels in overvloed. Als we nog eenigen tijd hier zijn, kunnen we een
+goede jacht op hen maken. Dan dienen we evenwel op onze hoede te zijn,
+Willem; want toen we de varkens aan wal brachten, waren ze wel mak,
+doch in zeer korten tijd worden ze wild en gevaarlijk. Een wild zwijn
+is altijd een vreeselijk dier."
+
+"Dat geloof ik wel," sprak de vader. "Maar hoe zullen wij jacht op
+hen maken?"
+
+"Wel, met de honden mijnheer, die hen opjagen, zoodat wij hen onder
+het schot krijgen. Ik ben blij, dat onze Vixen eerlang kleintjes te
+wachten heeft; we zullen meer honden kunnen gebruiken."
+
+"Ik ben maar bang, dat we zoodoende meer honden krijgen, dan we
+behoorlijk voeden kunnen."
+
+"Wees daar niet bezorgd voor, mijnheer, zoolang wij de zee hebben,
+om ons visch te leveren. Honden houden veel van visch, zelfs als die
+rauw is. In de noordelijke landen krijgen ze zelden iets anders."
+
+"We zullen ook spoedig jonge lammeren krijgen,--is 't niet zoo, Flink?"
+
+"Ja, mij dunkt, dat houdt niet lang meer aan. Ik wenschte, dat wij
+meer voeder voor die dieren hadden: tegenwoordig vooral is het nog een
+schrale tijd voor hen. Aanstaande jaar, als wij meer voeder vinden,
+moeten wij het gras inzamelen, om hooi te hebben tegen den winter, of
+liever tegen den regentijd, want een winter kennen wij hier niet. Ik
+ben vast overtuigd, dat wij aan den zuidkant van ons eiland meer
+vlak land zullen vinden, daar het kokosbosch zich daar zeker niet,
+zooals hier in het noorden, tot aan zee uitstrekt."
+
+"Ik brand van verlangen, om eindelijk eens een ontdekkingsreisje te
+doen," zeide Willem.
+
+"Nog een weinig geduld, vriendje," hernam de oude man, "en dan weet
+ik nog niet zeker, of gij wel meegaat; want wij mogen toch niet alle
+drie tegelijk gaan en uwe moeder alleen laten."
+
+"Neen," zeide mijnheer Wilson, "dat zou zeker niet goed zijn. Een
+van ons moet thuis blijven, gij of ik."
+
+Willem gaf geen antwoord; maar men kon duidelijk bemerken, dat de
+gedachte, dat hij misschien niet van de partij zou zijn, hem weinig
+behaagde.
+
+Zij arbeidden den ganschen dag ijverig door, en de steenen omwalling
+van den vijver rees spoedig boven het water op. Met zonsondergang
+staakten zij het werk en keerden naar huis terug.
+
+Na het avondeten vatte Flink den draad van zijn verhaal weder op
+en vervolgde:
+
+"Wij hielden ons schuil, totdat het donker was, toen wij opbraken en
+onze reis voortzetten. Hastings en Romer droegen ieder een geweer op
+den schouder en een ham op den rug. Ik, als de kleinste, had de buks
+en het groote brood te dragen. Door dit laatste had ik daarvoor een
+gat geboord en er een touw doorgehaald, zoodat ik het met gemak op
+den rug dragen kon.
+
+"Ons plan was, ons naar het noorden te wenden, daar we wisten dat we
+ons in die richting van de kolonie verwijderden, doch Hastings had
+beslist, dat we eerst oostwaarts marcheeren en een omweg maken zouden,
+om onzen vervolgers niet misschien in den mond te loopen. Wij kwamen
+door de diepe zandvlakte van den baai. Toen deze allengs begon te
+rijzen, vertoonde zich meer struikgewas en kreupelhout; doch nergens
+ontdekten wij een spoor van aanbouw, en sedert wij de baai achter
+ons hadden, kwamen wij ook geen enkel huis of hof meer voorbij. Tegen
+twaalf uur in den nacht waren wij zeer vermoeid en snakten naar een
+dronk water, maar konden nergens iets ontdekken, hoewel de heldere
+maneschijn het bijna zoo licht voor ons maakte als midden op den
+dag. Daarentegen hoorden we zeer duidelijk, en dat beviel ons in
+'t geheel niet, het aanhoudend loeien en brullen der wilde dieren,
+dat toenam hoe verder we kwamen. Evenwel kregen we geen beest te zien,
+en dat was nog een troost voor ons.
+
+"Ten laatste waren wij zoo afgemat, dat we ons allen op eene rots
+nederzetten. Ons te slapen leggen, durfden wij niet. Zoo bleven wij
+wakker tot aan den morgen en luisterden naar het gehuil en geloei. Ook
+sprak niemand van ons een enkel woord, en ik ben verzekerd, dat
+Hastings en Romer innerlijk hetzelfde dachten als ik en wel gaarne
+gewenscht hadden, dat wij allen weer veilig en wel tusschen de muren
+onzer gevangenis zaten.
+
+"Eindelijk brak echter toch de dag aan; de wilde dieren werden nu
+stil. Wij gingen voort, totdat we aan een stroom kwamen, waar we
+nederzaten en iets tot ontbijt namen. Eerst toen dit gedaan was,
+keerde ook onze moed terug. Wij braken op en lachten en praatten
+onderweg, zooals wij vroeger ook gedaan hadden.
+
+"We begonnen nu de bergen te beklimmen, die naar het zeggen van
+Hastings, de Zwarte Bergen zijn moesten, waarvan de soldaten ons
+zooveel verteld hadden. Ze mochten wezen en heeten hoe ze wilden,
+maar ze waren heel dor, bar en akelig. Toen de nacht viel, gingen
+wij aan het hout sprokkelen en sneden met onze messen takken af,
+om een vuur aan te leggen, dat we noodig hadden, niet alleen om ons
+te verwarmen, maar ook om de wilde dieren af te weren, wier gehuil
+zich alweer overal hooren liet.
+
+"In den loop van den dag hadden wij er reeds twee of drie gezien,
+die zich op de vlakke rots in de zon lagen te koesteren. Een was
+een panter geweest. We hadden onze geweren geladen, doch onder het
+voorbijgaan liet hij ons slechts zijn witte tanden zien, maar bewoog
+zich niet. De andere waren te ver van ons af, dan dat wij hen duidelijk
+hadden kunnen onderscheiden.
+
+"Zoo staken we dan ons vuur aan en gebruikten ons avondmaal. Van
+het brood was nog maar de helft over. Ook de ham was al duchtig
+aangesproken, zoodat wij wel begrepen, dat wij spoedig alleen op onze
+geweren zouden te rekenen hebben, om ons voedsel te verschaffen. Zoodra
+wij verzadigd waren, legden wij ons dicht bij het vuur neer. Onze
+geweren hadden wij geladen bij ons; onze kruitvoorraad lag zoo ver
+van het vuur, dat daarvan geen ongeluk te vreezen was. Bij onze
+vermoeidheid lagen wij weldra alle drie vast in slaap. De afspraak
+was wel, dat eerst Romer, dan Hastings en eindelijk ik de wacht zou
+houden, maar Romer sliep vast in en het gevolg daarvan was, dat ons
+vuur niet onderhouden werd.
+
+"Het was omtrent middernacht; toen ik door iets dat mij heet in het
+gezicht ademde, gewekt werd; en ik had pas mijne zinnen bij elkaar
+en de oogen geopend, of ik voelde, dat ik bij mijn broeksband werd
+opgetild en de tanden van een dier in mijn vleesch drongen. Ik zocht
+mijne buks te grijpen, maar stak de verkeerde hand uit en kreeg zoo
+een nog brandend stuk hout te vatten, waarmee ik mijn vijand naar de
+oogen stiet. Hij liet mij oogenblikkelijk los en liep heen."
+
+"Aan welk een groot gevaar zijt gij daar ontkomen!" riep mevrouw
+Wilson uit.
+
+"Ja, waarlijk, mevrouw; want het beest was een hyena. Gelukkig is
+dat woeste dier eigenlijk van een lafhartigen aard; maar had ik dat
+brandende hout niet gepakt, dan had het gedrocht mij zeker weggedragen,
+want ik was destijds bijzonder klein en teer en het tilde mij van
+den grond op, alsof ik maar een veer geweest was.
+
+"De gil, dien ik gaf deed Hastings ontwaken, die zijn geweer greep en
+op goed geluk vuur gaf. Ik was doodelijk ontsteld, zooals ge u wel
+kunt voorstellen. Wat Romer aangaat, die werd eerst wakker, toen we
+hem duchtig schudden, zoo vast was hij in de rust. Deze ontmoeting
+maakte ons natuurlijk voorzichtiger en in het vervolg legden wij
+altijd twee vuren aan, waartusschen wij sliepen en een van ons moest
+bestendig wacht houden.
+
+"Zoo ging het eene volle week voort. Zoodra wij eindelijk het gebergte
+beklommen hadden, richten wij ons naar het noorden. Wij hadden thans
+kreupelbosch en rotsen achter ons en zagen eene wijde vlakte voor
+ons. Onze voorraad was geheel op; één dag moesten wij zelfs van den
+ochtend tot den avond geheel vasten. Wij doodden echter spoedig eene
+antilope, die men daar te lande een springbok noemt, en dit gaf ons
+voedsel voor vier of vijf dagen. Over het geheel ontbrak het volstrekt
+niet aan wild, zoodra wij maar in de vlakte waren.
+
+"Maar wacht, daar vergat ik u te vertellen, hoe wij nog eens aan een
+dreigend gevaar ontkwamen. Nog voordat wij het vlakke veld bereikten,
+hadden wij een groot bosch door te trekken, dat zich langs het
+gebergte uitstrekte. We hadden tot aan den middag geloopen en waren
+moe en af. Wij besloten ons middagmaal te gebruiken onder een grooten
+boom en wierpen ons daar in de schaduw op den grond neer. Hastings
+lag op zijn rug en keek in den boom op.--Daar ontdekte hij op eens,
+boven zijn hoofd op een lagen tak, een panter, die zich daar op zijn
+gemak had neergevleid. Met zijn groene, flonkerende oogen keek hij
+ons aan en scheen gereed om op ons neer te springen.
+
+"Hastings greep naar zijn geweer en drukte oogenblikkelijk op het dier
+los; want tot lang mikken was geen tijd meer over. De kogel drong den
+panter door het lijf en trof, naar het scheen ook zijne ruggegraat. Hij
+plofte met luid gebrul op den grond neer, op een afstand van niet
+meer dan drie of vier voet van ons af. Op de aan die dieren eigene
+wijze kromde hij zich nu, om op Romer los te springen,--maar hij kon
+niet meer: zijne ruggegraat was verbrijzeld en hij had alle kracht
+in het achterlijf verloren. Hij wilde zich oprichten, maar zonk
+dadelijk weer achterover neer. Nooit in mijn leven heb ik zooveel
+razernij en woede in een schepsel gezien. Wij waren in den beginne
+te hevig verschrikt, om aan vuren te denken; doch toen wij zagen,
+dat het beest niet springen kon, rukte Hastings den sidderenden Romer
+zijn geweer uit de hand en schoot den panter dwars door den kop.
+
+"Wij waren nu genoodzaakt om tot onderhoud van ons leven op de jacht
+te gaan en werden daardoor van dag tot dag stouter. Onze kleeren waren
+alle in flarden gereten; maar we hadden overvloed van kruit en lood,
+en op de vlakte liepen antilopen en hertebokken bij honderden rond,
+soms in zulke troepen, dat wij ze onmogelijk tellen konden.
+
+"Aan levensmiddelen ontbrak het ons dus volstrekt niet; maar daarvoor
+bracht deze overvloed van wild ons in een nog veel grooter gevaar,
+want nu voor de eerste maal hoorden wij iederen nacht het gebrul der
+leeuwen. Van alle geluiden, die ik ooit hoorde, is dit naar 't mij
+voorkomt wel het allerschrikkelijkste. Wij legden groote vuren aan,
+om hen van ons verwijderd te houden, maar toch kan ik u verzekeren, dat
+we dikwijls nog rilden en beefden, als ze in onze nabijheid kwamen."
+
+"Hebt gij ooit van die dieren bij dag ontmoet, Flink?" vroeg Willem.
+
+"O ja, wij zagen er dikwijls een, doch ze vielen ons toch nooit aan
+en wijzelven waren te bang voor hen, om op hen te vuren. Eens kregen
+wij van heel nabij met zulk een leeuw te doen. Wij hadden een hert
+geschoten en met onze geweren over den schouder drongen wij door het
+hooge gras naar de plaats, waar het liggen moest. Toen wij de plek
+naderden, hoorden wij een gebrul en zagen ons opeens nauwelijks tien
+passen van een leeuw verwijderd, die bij het dier, dat wij gedood
+hadden, op den grond lag. Zijne oogen schoten vuur op ons en hij
+had zich reeds half opgericht, om op ons los te springen. Wij gingen
+allen op den loop, zoo hard als wij konden. Ik had geen moed om naar
+hem te zien, totdat ik geheel buiten adem was geloopen. De leeuw was
+tevreden met onze overhaaste vlucht en nam de moeite niet om ons
+te vervolgen. We moesten dien nacht ons met een hongerige maag te
+slapen leggen.
+
+"We hadden nu zoo al drie weken omgezworven, zonder eigenlijk
+te weten waar of waarheen. Slechts zooveel konden we nagaan, dat
+we eene noordelijke richting gehouden hadden. Wij waren vreeselijk
+vermoeid en uitgeput en kwamen allen overeen, dat wij eene zeer dwaze
+daad begaan hadden en heel blij zouden zijn, als wij den terugweg
+konden wedervinden. Wij trokken den ganschen dag samen voort, zonder
+elkander een woord toe te spreken, dan bij gelegenheid als zich
+eenig wild vertoonde. Ik voor mij was zoo bedrukt en moedeloos, dat
+ik mij maar liefst op den grond neergelegd zou hebben om dadelijk te
+sterven. Het brullen van de leeuwen was mij volstrekt onverschillig
+geworden en ik verlangde soms bijna zelfs, dat een mij oppakte en
+mij maar schielijk verslond.
+
+"Daar ontmoetten wij onverwacht een troep inboorlingen. Wij konden niet
+met elkander spreken, maar zij schenen zeer goedig en vriendschappelijk
+jegens ons gezind. Zij behoorden tot de stam der Karroos, want zij
+wezen op zichzelven en spraken het woord: "Karroos," en dan wezen
+zij op ons en zeiden: "Hollanders!" Wij schoten eenig wild en gaven
+hun dat, waarmede zij zoo waren ingenomen, dat zij vijf of zes dagen
+bij ons bleven.
+
+"Wij zochten door teekens van hen te vernemen, of zich ook een
+Hollandsche post of Hoeve in de nabijheid bevond. Zij begrepen ons
+en gaven ons een toestemmend antwoord, terwijl zij de plaats, als
+noordoostelijk gelegen, met den vinger aanwezen. Wij boden hun een
+geschenk aan, als zij ons den weg wilden wijzen; want wij hadden
+besloten ons weder aan de Hollanders over te geven en in onze
+gevangenis terug te keeren.
+
+"Twee van de mannen toonden zich bereid om met ons mede te gaan. De
+overigen van de stam trokken met vrouwen en kinderen naar het
+zuiden. Den volgenden dag kwamen wij aan een Hollandschen post,
+die Graaf Reinet heette en uit drie of vier hoeven bestond. Wat ons
+verder overkwam, hoort gij op een anderen avond, Willem; want het is
+nu al laat en hoog tijd om te gaan slapen."
+
+
+
+
+
+
+
+ACHT-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+WILLEM WORDT ZIEK.--DE ADERLATING.--FLINKS VERDERE ONTMOETINGEN.
+
+
+Het aanleggen van den vischvijver ging vlug voort en op den derden dag
+was het werk bijna gereed. Zoodra de vier wanden stonden schepte Flink
+zand en gruis uit, zoodat de vijver overal nagenoeg even diep was en
+de visschen dus zooveel water hadden, dat de meeuwen en fregatvogels
+niet neerschieten en hen als prooi meevoeren konden.
+
+Terwijl Flink aldus bezig was, brachten vader en zoon nog meer steenen
+bijeen, opdat de vijver in vier deelen kon worden afgescheiden,
+waarvan het een echter met het ander in verbinding stond. De binnen-
+zoowel als de buitenmuren of wallen werden echter breed genoeg gemaakt,
+dat men daarop loopen kon, en daardoor werd het mogelijk, de visschen,
+wanneer men ze noodig had, alle met den haak te bereiken.
+
+Den dag, nadat de vijver voltooid was, sloeg het weer andermaal om;
+doch de stormvlagen waren thans op verre na zoo hevig niet als bij
+het begin van den regentijd. De regen viel wel in stroomen neer,
+maar was niet meer van zulke vreeselijke bliksem- en donderslagen
+vergezeld. Ook duurden de stormvlagen niet meer zoo lang, maar hadden
+doorgaans reeds na weinige uren uitgewoed. Zoo dikwijls de lucht eens
+weer opklaarde, ging men aan het visschen en had in korten tijd zulk
+eene menigte bijeen, dat de vijver daarvan zeer rijkelijk voorzien was.
+
+Daar had opeens iets plaats, dat alle leden onzer kleine kolonie in
+eene hooge mate verontrustte. Op zekeren avond namelijk voelde Willem
+zich ongesteld, werd koud en huiverig en klaagde vooral over zware
+hoofdpijn. Flink had beloofd op dien avond met zijne geschiedenis
+voort te gaan, maar Willem was te ziek om op te blijven. Hij werd te
+bed gebracht en lag den volgenden morgen in eene hevige koorts.
+
+Zijn vader maakte zich zeer ongerust, want het liet zich van uur tot
+uur zorglijker aanzien. Flink had dien nacht bij den zieke gewaakt,
+doch ging thans met den beangsten vader naar buiten, om met dezen
+over den toestand van zijn zoon te spreken.
+
+"Dat is een erg geval, mijnheer," begon de brave oude man. "De arme
+jongen heeft gisteren onder het werk zijn hoed afgezet en, naar ik
+vrees, daardoor een zonnesteek gekregen. Het is maar ongelukkig,
+dat wij niet iemand hebben, die hem eens laten kan."
+
+"Ik heb een lancet," antwoordde mijnheer Wilson: "maar ik heb van
+mijn leven nog geene aderlating gedaan."
+
+"Ik evenmin, mijnheer; maar als gij een lancet hebt, houd ik het
+voor onzen plicht het te wagen. Als gijzelf u daartoe niet geschikt
+gevoelt, wil ik althans mijn best doen. Het is immers eene zeer
+eenvoudige operatie."
+
+"Ja, Flink, een van beiden moet er toe overgaan, dat zie ik wel in."
+
+"Misschien is mijn hand in dat geval vaster dan de uwe," hernam de
+zeeman. "Ik vrees niets zoozeer, dan dat de koorts naar het hoofd
+overslaat."
+
+"Ja, Flink, ik moet erkennen, het is mij liever als gij de proef nemen
+wilt," antwoordde de vader. "Mijne hand zou allesbehalve vast zijn;
+ik beef immers nu reeds voor mijn dierbaar kind!"
+
+Beiden keerden naar het bed van den zieke terug. Mijnheer Wilson zocht
+zijn lancet, en Flink bond Willem onderwijl den arm. Zoodra de ader
+gezwollen was, hield hij die met zijn duim vast, en dadelijk gelukte
+de eerste proef hem volkomen.
+
+Op Flinks raad werd den lijder eene aanmerkelijke hoeveelheid bloed
+afgetapt, en deze scheen zich daardoor zeer verlicht te gevoelen.
+
+Zijn arm werd nu zorgvuldig verbonden, hij dronk nog wat water,
+waarnaar hij verlangd had, en legde zich toen op zijn kussen neder.
+
+Den volgenden dag was de koorts bijna nog heviger dan te voren. Willem
+werd andermaal gelaten, en zijne beangste moeder waakte aan zijn
+bed en smolt weg in tranen. De arme jongen verkeerde eenige dagen
+in groot gevaar. In het anders zoo vroolijke en levendige huis was
+alles nu even stil en somber.
+
+Het weder werd intusschen van dag tot dag zachter en fraaier, en het
+was bijna onmogelijk den wilden Thomas bedaard in huis te houden. Juno
+ging elken morgen met hem en den kleinen Albert eene wandeling doen
+en hield hem onder haar werk bij zich. Gelukkig had Vixen jongen
+geworpen, en als de goede meid de kleinen niet meer zoet kon houden,
+bracht zij hun twee van de kleine hondjes, om daarmee te spelen. De
+zachte, stille Caroline zat heele dagen in de kamer en hield de hand
+harer lieve moeder in de hare, of paste Willem op en zat met haar
+naaiwerk voor zijn bed.
+
+Flink kon onmogelijk langer ledig blijven; hij nam dus hamer en beitel
+en werkte zoo dikwijls aan de zoutpan, als men zijne diensten in huis
+niet noodig had. Terwijl hij daar zoo op de rotsen bikte, waren zijne
+gedachten gedurig met Willem bezig, dien hij om zijn vriendelijken
+aard en helder verstand liefhad, alsof hij zijn eigen kind was.
+
+Op den negenden dag had eene merkbare verandering ten goede plaats
+en was de koorts veel minder hevig. Na korten tijd had deze geheel
+opgehouden; maar de zieke was zoo zwak, dat hij zich de eerste twee
+of drie dagen nog niet zonder hulp in zijn bed oprichten kon. Eerst
+veertien dagen, nadat de koorts verdwenen was, was hij weder in staat,
+om het huis te verlaten.
+
+De vreugde, die bij deze verandering in het gezin heerschte, kan men
+zich beter voorstellen dan beschrijven.
+
+Daar men gedurende de herstelling van den zieke toch niet wel iets van
+belang ondernemen kon, besloten mijnheer Wilson en Flink, die thans
+weder met opgeruimde harten aan den arbeid gingen, daar de zoutpan
+gereed was, nu ook eene badplaats aan te leggen. Juno was hun daarbij
+behulpzaam en wist zich inderdaad zeer nuttig te maken, daar zij vol
+ijver met de kar de benoodigde steenen en rotsblokken aanvoerde. Ook
+Thomas werd mede naar het werk genomen, opdat men in huis geen last
+van hem zou hebben, terwijl de moeder en Caroline den zieke oppasten.
+
+Toen Willem eindelijk kon uitgaan, was ook de badplaats in orde, zoodat
+men thans niet meer van de haaien te vreezen had, Willem kwam met zijne
+moeder aan het strand en verheugde zich zeer over het volbrachte werk.
+
+"Nu, Flink," zeide hij tot dezen, "nu hebben wij hier om het huis
+alles in orde gebracht. Wat ons nu nog te doen staat, is een tochtje op
+het eiland en naar onzen voorraad bij de landingsplaats te gaan zien."
+
+"Gij hebt gelijk, Willem; het weder is zoo mooi geweest, dat wij het
+over weinige dagen wel wagen kunnen; doch in geen geval, voordat
+gij wat sterker zijt, want ge moogt niet bij uwe moeder alleen
+achterblijven, zoolang gij niet volmaakt wel zijt."
+
+"Wat, Flink, bij moeder blijven! Ik dacht, dat ik mee zou gaan?"
+
+"Neen, beste Willem, dat kan nu niet gebeuren. Stel u eens voor,
+wij werden door een storm overvallen: gij werd doornat en moest in
+uwe natte kleeren slapen,--hoe licht kon de koorts dan terugkomen, en
+dan waart gij ver van huis verwijderd. Gij moet nog langen tijd heel
+voorzichtig zijn, mijn goede jongen. Kom, ga daar op die rots zitten,
+dan kunt ge de frissche zeelucht inademen, en die zal u goeddoen:
+maar ge moogt niet te lang stilzitten."
+
+"O, ik zal mijne vorige krachten spoedig terug hebben, Flink."
+
+"Daar twijfel ik ook niet aan, beste Willem; en waarlijk, we hadden
+u bezwaarlijk kunnen missen. Ik zal eene schildpad uit den vijver
+meenemen, want ge moet thans krachtig voedsel hebben om spoedig weder
+flink en sterk te worden.--"
+
+"Het is al lang geleden, dat we niets meer van uwe historie te hooren
+kregen," begon Willem, nadat het avondeten was afgeloopen; "ik zou
+gaarne hebben, dat ge er thans mee voortgingt, want het luisteren
+vermoeit mij nu zeker niet meer."
+
+"Van harte gaarne," antwoordde de oude man; "maar kunt ge mij nog
+zeggen, waar ik gebleven ben?--Mijn geheugen is niet meer van de
+beste."
+
+"O ja, Flink, weet gij niet, gij waart in gezelschap van die wilden
+op een Hollandschen post aangekomen, die, als ik goed onthouden heb,
+Graaf Reinet heette."
+
+"Juist, juist, mijn jongen. Welnu dan, zoodra hij ons zag aankomen,
+kwam de Hollandsche boer uit zijn huis en vroeg ons wie wij waren. Wij
+vertelden hem, dat wij Engelsche gevangenen waren, die zich weder
+aan de overheid wenschen uit te leveren.
+
+"Hij nam ons de wapens af, en zeide dat hij in dit deel des lands de
+overheid was, die te bevelen had,--hetgeen wij weldra ondervonden,
+dat ten volle waarheid was. "Zonder wapens en munitie zult gij zeker
+niet wegloopen," vervolgde hij. "Naar de Kaap kan ik u deze eerste twee
+maanden nog niet opzenden, en dus, als ge goed te eten wilt hebben,
+moet ge daarvoor ook braaf voor mij werken.
+
+"Wij gaven ten antwoord dat wij heel gaarne in alles ons best zouden
+doen. Hij zond ons daarop een Hottentotsch meisje, dat ons iets te
+eten bracht en ons een klein hok aanwees, waar wij met ons drieën
+slapen konden.
+
+"Wij merkten voor 't overige al spoedig, dat wij met een ruw,
+onbeschoft mensch te doen hadden, die ons zwaar werk in overvloed,
+maar daarvoor bitter weinig te eten gaf. Hij wilde ons onze geweren
+niet weder toevertrouwen, en zoo zond hij zijne Hottentotten met
+het vee uit; maar daarvoor moesten wij in den omtrek van het huis
+zwaren arbeid doen, en ten laatste behandelde hij ons zelfs wreed en
+kwaadaardig. Wanneer hij voor de Hottentotten en de andere slaven,
+die hij in menigte hield, niet meer te eten had, placht hij met andere
+boeren, die in de buurt woonden, op de jacht te gaan en quagga's
+voor hen te schieten. Niemand dan een Hottentot kan nochtans van zulk
+vleesch eten."
+
+"Wat is een quagga?"
+
+"Een wilde ezel, voor een gedeelte gestreept, doch niet zoo fraai als
+de zebra, 't Is een recht sierlijk dier, maar zijn vleesch is ellendig
+slecht van smaak. Verbeeld u nu, mijnheer, hij wilde ons ten laatste,
+evenals aan de Hottentotten, ook niets anders dan quaggavleesch te
+eten geven, terwijl hij met zijne familie--want hij had eene vrouw
+met vijf kinderen--schapen en geitenvleesch in overvloed had, wat
+werkelijk eene heerlijke kost is.
+
+"Wij verzochten hem, ons een geweer te geven, opdat we ons beter
+voedsel verschaffen konden; doch hij roste Romer zoo onbarmhartig af,
+dat hij in geen twee dagen een lid verroeren kon. De arme Hottentotten
+en de slaven kregen bijna dag aan dag slaag. Hij bediende zich daartoe
+van een zweep, die uit het vel van een rhinoceros gesneden was; en
+dat was een vreeselijk ding, dat den armen mensch bij elken slag tot
+diep in het vleesch drong.
+
+"Zoo begon het leven ons werkelijk tot last te worden. Wij kregen
+elken dag zwaarder werk, en elken dag werd het monster wreeder tegen
+ons. Eindelijk kwamen wij overeen, dat wij dit niet langer verdragen
+wilden, en Hastings zeide hem dit op een avond ronduit.
+
+"Dit bracht hem in de hevigste woede: hij riep twee van zijne slaven,
+beval hun Hastings aan een wagenrad te binden en zwoer, hem de huid
+van het lijf te zullen geeselen. Daarop ging hij in huis om zijne
+zweep te halen.
+
+"De slaven grepen Hastings aan en bonden hem aan het rad; want zij
+waagden het niet hun meester ongehoorzaam te zijn. Hastings echter
+zeide tot ons: "Als ik gezweept word, zijn wij allen verloren. Thans
+staat het aan u, om aan ons lijden een einde te maken. Loopt achter
+het huis om, en als hij met de zweep komt, gaat dan in huis en
+haalt de geweren, die altijd geladen zijn. Houdt hem in het vizier,
+totdat ik zelf vrij ben, en dan zullen wij wel een middel vinden,
+om te ontkomen. Gij moet dat doen, want ik ben overtuigd, dat hij mij
+anders doodslaan en u als weggeloopen gevangenen voor den kop schieten
+zal, gelijk hij dat onlangs die beide Hottentotten gedaan heeft."
+
+"Wat Hastings zeide kwam ons beiden maar al te waarschijnlijk
+voor. Toen de boer dus terugkeerde en op Hastings toekwam, die
+op ongeveer twintig passen van het huis was vastgebonden, maakten
+we schielijk, dat we in huis kwamen. De boerin lag juist ziek; wij
+behoefden ons dus aan haar en de kinderen niet te storen. Wij grepen
+twee geweren en een lang mes en kwamen te voorschijn juist op het
+oogenblik, dat de wreedaard den eersten zweepslag uitdeelde, die ook
+zoo geducht neerkwam, dat de arme Hastings als een worm ineenkromp.
+
+"Haastig schoten wij toe; hij keerde zich om en zag ons, die de
+geweren al op hem aangelegd hadden, waarop hij zijne zweep dadelijk
+liet vallen.
+
+"Nog één slag en ik schiet u voor den kop!" riep Romer. "Ja!" riep ik;
+"wij zijn nog maar jongens, doch ge zult zien, dat ge met Engelschen
+te doen hebt."
+
+"Zoo kwamen wij nader. Romer hield zijn geweer voortdurend op den
+boer gericht, terwijl ik met het mes de strikken lossneed, waarmee
+Hastings was vastgebonden.
+
+"De boer verbleekte en sprak geen woord, zoo ontsteld was hij, terwijl
+zijne slaven het terstond op een loopen zetten. Zoodra Hastings los
+was, greep hij een dikken houten hamer, waarmee men gewoonlijk palen
+in den grond sloeg, en met de woorden: "Daar schurk! dat hebt ge
+er voor, dat ge een Engelschman met de zweep durft te lijf gaan,"
+sloeg hij den kapenaar en deed hem ter aarde tuimelen.
+
+"De man lag bewusteloos op den grond. Of hij wezenlijk dood was,
+wisten we niet. We bonden hem aan het wagenrad en gingen toen dadelijk
+weer in huis, waar we kruit, lood en wat wij verder dachten te kunnen
+gebruiken, bij elkaar zochten. Vervolgens liepen wij naar den stal,
+maakten drie van de beste paarden van den boer los, deden voor elk van
+de dieren wat haver in een zak, gebruikten touwen tot halters, stegen
+op en renden toen weg zoo hard als we konden. Daar wij wel begrepen,
+dat men ons vervolgen zou, galoppeerden we eerst in eene oostelijke
+richting, alsof wij naar de Kaapstad wilden gaan. Zoodra wij echter een
+grond bereikt hadden, waarop de paardenhoeven geen sporen achterlieten,
+wendden wij ons in allerijl noordwaarts en namen den weg naar het
+land der Boschjesmannen. Kort nadat wij van koers veranderd waren,
+begon de avond te vallen; maar wij reden den ganschen nacht door, en
+ofschoon wij op eenigen afstand de leeuwen duidelijk hoorden brullen,
+overkwam ons voor ditmaal geen nieuw ongeluk. Met het aanbreken van
+den dag lieten wij onze paarden uitrusten, wierpen hun wat haver voor
+en legden ons toen zelven neder, om ons met de meegebrachten voorraad
+te verkwikken."
+
+"Hoe lang waart gij in het geheel wel bij dien boer te Graaf Reinet
+geweest?"
+
+"Zoo omtrent acht maanden, mijnheer. Wij hadden in dien tijd niet
+alleen vrij wat Hollandsch geleerd, maar konden ons ook door de
+Hottentotten en andere inlanders doen verstaan. Bovendien hadden wij
+eene nauwkeurige kennis van het land verkregen en wisten nu beter
+dan te voren, hoe wij ons op onze reis te gedragen hadden."
+
+"Onder het eten overlegden wij, wat wij thans aanvangen zouden. Dat de
+Hollanders ons doodschieten zouden, zoodra zij ons in handen kregen,
+dat wisten wij zeer goed en wij twijfelden er ook niet aan, of zij
+zouden ons uit al hunne macht vervolgen. Bovendien vreesden wij, dat
+wij den boer hadden doodgeslagen en in dat geval wachtte ons de galg,
+zoodra wij de Kaap bereikten, zoodat wij doodelijk verlegen waren
+wat te doen.
+
+"Eindelijk besloten wij het land van de Boschjesmannen door te trekken
+en ons noordwaarts van de Kaap naar het zeestrand te wenden.
+
+"Na deze afspraak namen wij onze zadels af en bonden onze paarden
+aan eenige boomen, waarbij goed gras voor hen was; want hadden wij
+hen niet vastgebonden, dan zouden zij denkelijk naar hun ouden stal
+terug gegaloppeerd zijn. Wij besloten vooreerst bij voorkeur bij
+nacht en niet bij dag te reizen, om geen gevaar te loopen van door
+onze vijanden te worden gezien. Met deze gedachten legden wij ons
+neder en hadden een langen, vasten slaap.
+
+"Tegen den avond zochten wij water voor onze paarden, gaven hun
+andermaal haver en vervolgden toen onzen tocht. Ik kan niet alles
+vertellen, wat wij zoo veertig dagen achtereen al hadden uit te
+staan. Wij hadden intusschen onze paarden bijna lam en kreupel gereden
+en waren daarom genoodzaakt ons bij een stam van inlanders op te
+houden en den armen dieren eenige rust te vergunnen. Die inboorlingen
+noemden zich Gorraguas, als ik het wel heb en waren een vreedzaam
+en zachtzinnig volkje, dat ons rijkelijk van melk voorzag en ons als
+vrienden behandelde.
+
+"We hadden evenwel enkele avonturen, die mij nog levendig voor den
+geest staan. Zoo, onder andere, kwamen wij eens een bosch door,
+waar opeens een rhinoceros op mijn paard toeschoot, dat het gevaar
+alleen daardoor ontkwam, door ter zijde te springen en het beest in
+den rug te komen; waarop het vreeselijk gedrocht zijn weg vervolgde,
+zonder ons verder te verontrusten.
+
+"Iederen dag schoten wij het een of ander dier tot ons onderhoud: soms
+eens een gnoe(een heel wonderlijk beest, half koe, half antilope),
+of anders een van de hertebokken of wilde geiten, die wij in menigte
+ontmoetten.
+
+"Zoo bleven wij omtrent drie weken bij deze menschen en gaven onze
+paarden tijd om hunne krachten wat te herstellen, waarop de reis
+opnieuw aanving. Wij wendden ons thans meer zuidwaarts en naar de
+kust; want de Gorraguas hadden ons gezegd, dat in het noorden een
+woest volk, de Kaffers, omzwierf, die ons zeker van kant zouden maken,
+als wij in hunne handen vielen.
+
+"Inderdaad wisten wij echter niet, wat wij eigenlijk doen zouden. Als
+echt dwaze en onbezonnen knapen, hadden wij, zonder een bepaald
+plan, de Kaap verlaten, en nu namen de moeilijkheden en bezwaren,
+waaraan wij blootstonden, van dag tot dag toe. Ten laatste hielden
+wij het toch voor het verstandigst, om den weg naar de Kaapstad
+terug te zoeken en ons weder als gevangenen uit te leveren, want wij
+waren dat eeuwige zwerven nu hartelijk moe. Wat wij het allermeest
+vreesden, was, dat wij dien boer te Graaf Reinet, die ons zoo gruwelijk
+mishandeld had, gedood hadden; maar Hastings zeide, dat hij zich daar
+volstrekt niet over bekommerde, dat het zijne zaak was en dat hij de
+verantwoordelijkheid geheel op zich nam.
+
+"Zoo namen wij dan nu afscheid van onze Gorraguas, die zeer verblijd
+waren, dat wij hun al de knoopen, die wij missen konden, tot een
+geschenk gaven. Wij trokken naar het zuidoosten, zoodat wij de zeekust
+bereiken en tegelijk ook zuidwaarts gaan konden.
+
+"En nu, mijne vrienden, kom ik aan een allerdroevigst ongeluk, dat
+ons al spoedig overkwam. Twee dagen nadat wij onze reis weder hadden
+aangevangen, leidde onze weg ons over eene met hoog gras begroeide
+vlakte. Op eens zagen wij daar een leeuw voor ons, die een hert,
+dat hij gedood had, verslond.
+
+"Romer, die Hastings en mij een tiental passen vooruit was, verschrikte
+zoo op dat gezicht, dat hij zijn geweer op het dier afschoot; dit
+was een groote dwaasheid van hem, die wij ook afgesproken hadden,
+altijd te zullen vermijden; want met zulke geringe krachten, als
+wij hadden, was het nooit geraden een zoo machtig dier tegen ons in
+woede te brengen. De leeuw was licht gekwetst. Met een gebrul, dat
+men zekerlijk wel een uur ver hooren kon, sprong hij op Romer los en
+rukte hem door een enkelen slag met zijn klauw uit den zadel en op den
+grond neer. Onze paarden, die beefden van angst, sprongen achteruit,
+terwijl het vreeselijke dier zich kennelijk gereedmaakte, om ook
+ons aan te vallen. De leeuw had reeds een sprong naar ons gedaan,
+doch onze paarden ontrukten ons aan het gevaar, en wij konden hen in
+hunnen loop niet eer tot staan brengen, voordat wij voor het minst
+een half uur van de plaats verwijderd waren.
+
+"Eindelijk kregen wij hen tot staan en zagen in het rond. Daar
+ontdekten wij den leeuw, hoe hij juist Romers paard had neergeworpen
+en het lichaam van dat arme beest in een soort van galop wegsleepte
+alsof hem dat in 't geheel niet zwaar viel. Wij wachtten, tot hij
+ver genoeg verwijderd was, en reden toen naar de plaats terug, waar
+Romer was gevallen. Daar lag onze arme makker bebloed en zonder leven:
+de eerste slag van den leeuwenklauw had hem het hoofd verbrijzeld.
+
+"Wij waren niet eens in staat om onzen ongelukkigen kameraad te
+begraven. Evenwel bedekten we zijn lijk met eenige struiken en keerden
+het met diep bedroefd hart den rug toe. Ik voor mij schreide wel een
+vol uur lang, terwijl wij verder reden. Hastings sprak geen enkel
+woord, totdat het tijd werd, dat wij onze paarden rusten lieten.
+
+"Ik heb vergeten u te zeggen, dat de Gorraguas ons geraden hadden niet
+langer bij nacht, maar bij den dag te reizen; en zoo hadden wij hun
+raad ook opgevolgd. Niettegenstaande het verschrikkelijk ongeluk,
+dat ons getroffen had, geloof ik toch, dat hun raad verstandig en
+goed gemeend was; want wij ondervonden, dat de leeuwen, zoo dikwijls
+wij bij nacht reisden, ons meer dan anders vervolgden.
+
+"Drie dagen na Romers dood kregen wij voor het eerst den wijden
+oceaan weer te zien. Het was ons daarbij alsof wij een ouden vriend
+ontmoetten. Wij hielden ons dicht aan het strand, maar ondervonden
+spoedig, dat wij ons daar niet zoo gemakkelijk als dieper landwaarts
+in van wild tot ons voedsel en van hout tot onze vuren 's nachts
+voorzien konden, en besloten derhalve de kust andermaal te verlaten.
+
+"Wij hadden eene uitgestrekte, eentonige vlakte door te trekken
+en waren door honger reeds geheel uitgeput, want in geen twee
+dagen hadden wij iets over de lippen gehad, toen wij eindelijk een
+struisvogel ontmoetten.
+
+"Hastings maakte er met zijn paard jacht op, maar tevergeefs, want
+de struis kon veel harder loopen dan het paard. Ik bleef achter
+en ontdekte tot mijn groote blijdschap het nest van den vogel, met
+dertien groote eieren daarin.
+
+"Hastings kwam spoedig terug; zijn paard was geheel vermoeid en buiten
+adem. Wij zetten ons neder, maakten vuur aan en braadden twee van de
+eieren, 't geen een heerlijk maal voor ons was. Daarop namen wij nog
+vier eieren mede en braken weder op.
+
+"Nog drie volle weken hadden wij niets dan moeite en ellende door te
+staan. Op zekeren morgen eindelijk kregen wij den Tafelberg in het oog
+en waren zoo verheugd op dat gezicht, alsof wij de witte krijtrotsen
+van Engeland vóór ons hadden gehad. In de hoop van nog vóór den nacht
+in onze oude gevangenis gemakkelijk onder dak te zullen komen, dreven
+wij onze paarden aan, doch toen wij de baai naderden, zagen wij van
+de schepen op de reede de Engelsche vlag waaien.
+
+"Dat te zien verbaasde ons zeer. Een weinigje later ontmoetten wij
+echter een Engelsch soldaat en van dezen vernamen wij, dat de Kaap
+reeds voor ruim zes maanden door onze troepen veroverd was. Welk
+een blijde verrassing dat voor ons was, kunt gij u gemakkelijk
+voorstellen. Wij reden de stad binnen en meldden onszelven dadelijk
+aan bij de hoofdwacht. De gouverneur liet ons bij zich komen, hoorde
+onze geschiedenis en zond ons tot den admiraal, die ons dadelijk aan
+boord van zijn eigen schip opnam.
+
+"En nu, Willem ben ik hier aan eene goede plaats om af te
+breken. Bovendien moet gij thans tamelijk vermoeid zijn en dus zal het
+'t best zijn, dat we allen ons bed opzoeken."
+
+
+
+
+
+
+
+NEGEN-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+FLINKS VERDERE REIZEN EN AVONTUREN.
+
+
+Daar er voor het oogenblik juist geen noodzakelijk werk te doen was,
+namen Flink en mijnheer Wilson den volgenden morgen de vischlijnen op,
+om den voorraad in hun vijver te vermeerderen. Het weder was bijzonder
+fraai, en Willem vergezelde hen, om van de frissche lucht te genieten,
+die tegenwoordig de beste medicijn voor hem was.
+
+Toen zij den tuin voorbijkwamen, bemerkten zij, dat de zaadgewassen
+reeds een of twee duim boven den grond waren opgeschoten en dat,
+naar 't scheen, alles tierig opkwam. Terwijl de beide mannen aan
+'t visschen waren, zat Willem rustig bij hen en vroeg aan zijn vader:
+
+"Van de eilanden hier in de nabuurschap zijn zeker vele bewoond,--is
+'t niet vader?"
+
+"O ja; maar die hier het naast om ons waarschijnlijk niet. Althans
+heb ik nooit van reizigers gehoord, die op de eilanden, op een waarvan
+wij thans wezen moeten, bewoners gevonden hebben."
+
+"Welke soort van menschen zijn toch wel de eilanders in deze zeeën?"
+
+"Ze zijn van heel verschillenden aard. De Nieuw-Zeelanders zijn
+in beschaving het verst gevorderd; maar toch moet men nog altijd
+menscheneters onder hen vinden. De bewoners van van-Diemensland en
+Australië behooren tot denzelfden stam, maar staan op een zeer laag
+standpunt,--waarlijk weinig hooger dan de dieren des velds. Ik geloof,
+dat zij de ruwsten en onbeschaafdsten zijn van heel het menschelijk
+geslacht."
+
+"Met uw verlof, mijnheer," viel Flink hem in de rede, "maar ik heb
+die menschen zelf gezien en geloof toch een volk te kennen, dat
+wel niet zoo talrijk is, maar met de dieren des velds toch nog meer
+overeenkomst heeft dan die Zuidzee-eilanders. Ik heb hen eens van
+mijn leven gezien en hield hen ook wezenlijk op 't eerste gezicht
+voor beesten en niet voor menschelijke wezens."
+
+"Waarlijk, Flink? En waar was dat wel?"
+
+"Op de groote Andamans-eilanden, aan den mond van de Baai van
+Bengalen.--Eens dat het een storm woei, lieten wij het anker vallen te
+Port Cornwallis,--eene zoo kostelijke haven, dat de gansche Engelsche
+vloot er wel in schuilen kon,--en den volgenden morgen ontdekten
+we enkele zwarte schepsels, die onder de boomen het dichtst op het
+strand op handen en voeten omkropen. Wij namen onze kijkers in de
+hand,--want we waren nog wel een paar mijlen van den wal af,--en
+toen ze recht overeind gingen staan, merkten wij eindelijk, dat het
+werkelijk menschen waren."
+
+"Zijt gij ook met hen in nadere aanraking gekomen?"
+
+"Neen, mijnheer, ik zelf niet. Maar te Calcutta ontmoette ik een
+soldaat, die eenmaal met hen verkeerd had. De Oostindische Compagnie
+had namelijk vroeger het plan gehad, om een post op die eilanden achter
+te laten en had daartoe eenige troepen afgezonden. De man vertelde
+mij, dat zij twee van dat volkje hadden opgevangen: die waren niet
+meer dan vier voet lang en uiterst dom en onnoozel. Ze hadden geene
+kleeren of iets aan het lijf, hadden geene huizen of hutten, om in
+te wonen en al wat ze deden was, dat ze wat struiken en takken op
+elkaar stapelden, om daarachter te schuilen tegen het booze weer."
+
+"Hadden zij ook wapens?"
+
+"Ja, mijnheer; ze hadden boog en pijlen, maar die waren zoo ellendig
+en zoo zwak, dat ze er niets anders dan zeer kleine vogels mee dooden
+konden. Bij de landing van ons volk hadden de eilanders al hunne
+pijlen op onze soldaten afgeschoten, maar onze soldaten trokken die
+weer heel bedaard uit hunne kapotjassen, want ze waren niet dieper
+doorgedrongen."
+
+"Nu, naar uwe beschrijving geloof ik zeker, dat die schepsels der
+Andamans-eilanden op een nog lager trap dan de Nieuw-Hollanders
+staan. Maar wat deden onze landslieden met de beide gevangenen,
+die zij toen opgebracht hadden?"
+
+"Zij lieten hen weer loopen, mijnheer, want de stumpers aten niets,
+spraken geen woord en zouden zeker gestorven zijn, als men hen langer
+had vastgehouden."
+
+"Waar kwam het volk, dat deze eilanden bewoonde, vandaan, vader?"
+
+"Dat is moeilijk te zeggen, Willem; men gelooft over het algemeen,
+dat zij zoo langzamerhand, evenals ons eiland hier, bevolkt werden,
+namelijk door lieden, die in booten en kano's de hooge zee op waren
+gedreven en evenals wij hun leven door eene landing in zekerheid
+brachten."
+
+"Ja, ja," zeide Flink, "zoo zal het waarschijnlijk wel geweest
+zijn. Zoo moeten ook de Andamans-eilanden door een slavenschip, dat
+negers aan boord had en gedurende een typhon op de kust schipbreuk
+leed, bevolkt zijn geworden."
+
+"Een typhon, wat is dat, Flink?"
+
+"Zooveel als een orkaan, Willem; hij verheft zich in Indië doorgaans
+bij het omslaan der passaatwinden."
+
+"Ja, ge gebruikt zulke vreemde woorden, passaatwinden, wat zijn
+dat weer?"
+
+"Dat zijn winden, die zekere maanden van het jaar bestendig uit ééne
+hemelstreek blazen en dan omslaan of omspringen, om juist in eene
+tegenovergestelde richting voort te waaien."
+
+"Zijn dat misschien die zelfde passaatwinden, waarvan ik onzen armen
+kapitein Osborn na onze afvaart van het eiland Madera hoorde spreken?"
+
+"Neen, deze zijn eene bijzondere soort van passaatwinden. Zij waaien
+alleen aan den evenaar, eenige graden ten noorden en zuiden er van,
+en houden altijd, den loop der zon volgende, de richting van het
+oosten naar het westen."
+
+"Is het misschien de zon, die deze winden veroorzaakt?"
+
+"Ja, mijn jongen," antwoordde de vader. "De groote hitte in de
+keerkringslanden verdunt de lucht, en zoo ontstaan de passaatwinden
+daardoor, dat bij de omwenteling der aarde frissche lucht in de plaats
+der verdunde treedt. Ook in eene kamer zult gij opmerken dat bij een
+groot vuur een gestadige luchttocht naar den haard plaats vindt. Op
+gelijke wijze is de zonnehitte de oorzaak der passaatwinden in de
+keerkringsstreken."
+
+"Ja, beste Willem, me dunkt, ge begrijpt dat nu wel," nam Flink
+het woord: "en de passaatwinden veroorzaken ook den zoogenaamden
+golfstroom. De winden, die op den Atlantischen Oceaan gedurig den
+loop der zon volgen en in de streek van het oosten naar het westen
+waaien, hebben natuurlijk een grooten invloed op de zee en dringen
+deze in de Golf van Mexico op, waar zij door de kusten van Amerika
+wordt opgehouden, zoodat het water in die golf ettelijke voeten hooger
+is, dan in het oostelijke gedeelte van den Atlantischen Oceaan. Deze
+opeenhooping van water moet natuurlijk ergens een afloop hebben, en
+zoo ontstaat de zoogenaamde golfstroom, waardoor de wateren zich uit de
+Golf noordwaarts uitgieten, langs de kusten van Amerika voortstroomen,
+zich dan naar het westen keeren, zoodat zij niet ver van Newfoundland
+voorbijspoelen, tot eindelijk hun stroom in het noorden van de Azoren
+of Westelijke eilanden nagenoeg ophoudt. Ge zult u wel herinneren,
+op den dag dat wij onze reis berekenden, die eilanden op de kaart
+gezien te hebben."
+
+"De golfstroom," voegde de heer Wilson er bij, "is altijd eenige graden
+warmer, dan de zee over het geheel, en de reden daarvan moet wezen,
+dat het water in de Golf van Mexico door de ongewone zonnehitte, die
+daar heerscht, meer dan andere plaatsen verwarmd wordt. Men herkent
+dien stroom aan het zeegras, dat hij op de oppervlakte van het water
+met zich voert."
+
+"Heel goed, vader. Maar wat verstaat men dan onder de land- en
+zeewinden in West-Indië en andere heete landen?"
+
+"Daaronder verstaat men den wind, die op bepaalde uren van den dag
+eerst van het land naar de zee en dan omgekeerd van deze naar het
+land waait, zoodat hij gedurende de vierentwintig uren regelmatig
+afwisselt. Ook dit verschijnsel is een gevolg van de zonnehitte. De
+zeewind begint des morgens en gaat liggen tegen den middag; waarop
+de landwind een aanvang neemt en tot middernacht aanhoudt."
+
+"En dan zijn er," zeide Flink, "in de nabuurschap van de passaatstreken
+enkele breedten, waar de wind zeer onbestendig is en menig schip al
+weken achtereen in de windstilte moest blijven liggen. Dat is telkens
+eene ware ramp voor de manschap, want het water aan boord wordt dan
+doorgaans geheel opgebruikt en men heeft vreeselijk van de hitte te
+lijden. Men noemt die breedten de paardebreedten--waarom, dat weet ik
+zelf niet recht; ik denk haast, omdat men paarden, als men die aan
+boord heeft en zulk eene windstilte invalt, natuurlijk het eerste
+opoffert, als er gebrek aan water komt. Doch 't wordt tijd, dat wij
+opbreken, en ook Willem mag nu wel weer stilletjes in huis gaan."
+
+Zoo keerden zij gezamenlijk terug naar hunne woning, en na het
+avondeten ging de oude stuurman met zijn verhaal aldus voort:
+
+"Ik ben gebleven bij het oogenblik, dat ik op het admiraalsschip
+gezonden en als kajuitsjongen onder de manschap opgenomen werd. Vier
+jaren omtrent bleef ik op dit schip, kwam in dien tijd van haven tot
+haven, van land tot land, totdat ik een stevige flink uit de kluiten
+gewasschen knaap werd en als matroos in den bezaansmast geplaatst werd.
+
+"Dat beviel mij nu recht goed. Ik deed mijn plicht, en het gevolg was,
+dat ik nooit straf kreeg. Op een oorlogsschip behoeft men namelijk
+nooit voor straffen bevreesd te zijn, als men zijn werk maar doet, en
+dit valt niemand heel zwaar, 't Is heel anders op koopvaardijschepen,
+waar zoo weinig matrozen zijn: daar heeft men de handen altijd vol
+werk. Natuurlijk vindt men ook op oorlogsschepen enkele kapiteins,
+die bijzonder streng en hard zijn, echte bulderbasten, zooals wij
+matrozen ze noemen. Ik had evenwel het geluk om onder een zeer braven,
+menschlievenden kapitein te dienen, die, ofschoon hij geen verzuim
+door de vingers zag, toch heel ongaarne strafte.
+
+"Het eenige, wat mij zwaar op het hart lag, was, dat ik nooit naar
+Engeland komen en mijne moeder terugzien kon. Ik had twee of drie
+brieven geschreven, maar geen antwoord ontvangen. Ten laatste werd
+ik zoo ongeduldig, dat ik besloot, bij de eerste gelegenheid, die
+zich aanbood, op mijn eigen houtje de reis naar huis aan te nemen.
+
+"Onze post was toenmaals in West-Indië en ik hield met Hastings,
+die even vurig als ik verlangde weg te komen, gedurig raad over het
+geval. Wij kwamen eindelijk overeen, dat wij bij de eerste de beste
+kans de hielen zouden lichten.
+
+"Ten laatste kwamen wij in Port-Royal op het eiland Jamaica voor anker.
+
+"Daar lag destijds ook een groot konvooi Westindievaarders, die
+gereed waren, om met hunne lading suiker oogenblikkelijk onder zeil
+te gaan. We wisten, dat men ons, zoodra wij maar op een dier schepen
+komen konden, zorgvuldig tot aan het uur van het anker lichten aan
+boord zou verbergen, omdat daar gebrek aan matrozen was, doordien
+onze kapitein zooveel volk, als hij maar machtig kon worden, voor
+zichzelven geprest had.
+
+"Wij hadden slechts ééne mogelijkheid te ontkomen:--wanneer we namelijk
+bij nacht naar een van die schepen toe zwommen, wat vrij gemakkelijk
+te doen was, daar ze pas honderd meter van ons fregat verwijderd
+lagen. Het eenige, dat we vreesden, waren de haaien, die zich daar
+op de reede in menigte vertoonden. Evenwel waren wij zoo ongeduldig
+om onze vlucht door te zetten, dat wij ons door geen gevaar lieten
+afschrikken, en zoo besloten wij ten laatste, in den nacht vóór het
+uitzeilen der koopvaardijschepen het waagstuk te ondernemen.
+
+"Het was tegen de hondewacht--alles herinner ik mij nog zeer goed en ik
+zal er mijn leven lang aan denken, alsof het gisteren gebeurd was--toen
+wij ons zachtjes bij den boeg van het schip lieten neerzakken. Zoodra
+wij in 't water waren, zwommen wij op den Westinjevaarder aan, die
+het dichtst bij ons lag.
+
+"De schildwacht op de loopplank bemerkte de kabbeling van het water,
+dat door ons zwemmen in beweging kwam, en terstond hoorden wij hem ons
+aanroepen. Wij gaven natuurlijk geen antwoord, maar repten armen en
+beenen wat wij konden, want kort na het aanroepen van den schildwacht
+vernamen wij gerucht en begrepen daaruit heel goed, dat de officier
+van de wacht eene sloep strijken en ons vervolgen zou.
+
+"Ik was Hastings eenige meters vooruit en had juist het kabeltouw van
+den Westinjevaarder in de hand, met het voornemen om er mij bij op te
+halen, toen ik een luiden gil achter mij hoorde. Toen ik mij omkeerde,
+zag ik een haai, die mijn armen Hastings tusschen de tanden greep en
+met hem onderdook.
+
+"Ik was zoo ontsteld, dat ik een tijdlang bijna geen lid kon
+verroeren. Eindelijk raapte ik mijne hersens weer bijeen en begon,
+zoo vlug als ik kon, bij het touw op te klauteren. Ik had dan ook
+waarlijk geen tijd te verliezen, want juist schoot een tweede haai
+op mij los. Ik was wel al meer dan twee voet boven water, maar toch
+sprong hij omhoog en pakte nog even mijn schoen bij den hak, die hij
+terstond mee in de diepte sleepte.
+
+"De schrik gaf mij krachten en twee minuten later was ik dan ook al
+voor de kluisgaten [9]. De matrozen op het schip hadden ons van boven
+gezien, en waren getuigen van Hastings akeligen dood geweest. Zij
+hielpen mij aan boord en verborgen mij terstond omlaag, want de boot
+van het fregat was dicht achter mij.
+
+"Toen de officier van de wacht aan boord kwam, vertelden zij hem,
+hoe zij ons dicht bij hun schip gehoord en gezien hadden, toen wij
+door de haaien werden ingeslokt.--Het volk in de boot had Hastings'
+gillen duidelijk gehoord, en zoo geloofde de officier ook terstond,
+dat wat men hem op de mouw speldde waarheid was, en roeide zonder
+zelfs onderzoek te doen, naar het fregat terug.
+
+"Ik kon hooren, hoe de trom op het fregat al het volk op het dek riep,
+daar men toch eerst weten moest, wie de beide menschen waren, die zoo
+dat wegzwemmen gewaagd hadden. Een minuut of wat daarna werd er weer
+afslag getrommeld, en dus wist ik, dat de namen van mij en van den
+armen Hastings voortaan met een dubbele D op de scheepslijst stonden.
+
+"Maar wat beduidt zoo'n dubbele D.?" vroeg Willem.
+
+"D. alleen beteekent: deserteur; D. D. wil zeggen, dat men ook goed
+en wel dood is.
+
+"Het was wel een wonder, dat ik zoo goed ontkwam, en nog uren nadat het
+gebeurd was, kon ik er mij zelf geen begrip van maken. Ik wou slapen
+maar ik kon niet; het was alsof mij 't hart werd toegeknepen. Telkens,
+als ik zou inslapen, verbeeldde ik mij, dat de haai mij beet had
+gepakt, met luid geschreeuw sprong ik dan op en zocht opnieuw den
+slaap te vatten, maar dit lukte niet.
+
+"De kapitein van mijn nieuw schip vreesde eindelijk, dat mijn
+geschreeuw op het fregat gehoord zou worden, en zond mij een glas
+rum, dat ik uitdrinken moest. Dit bracht mij eindelijk tot rust en
+ik verzonk in diepe slaap.
+
+"Toen ik ontwaakte, had het schip reeds de ankers gelicht en alle
+zeilen bijgezet. Nog wel honderd en meer schepen gingen met ons mede
+en de oorlogsschepen, die ons konvooi vergezelden, losten gedurig
+de stukken en gaven elkaar daar seinen door. Het was wezenlijk een
+prachtig gezicht.
+
+"Zoo stuurden we dan met vroolijk hart op het lieve Oud-Engeland
+aan. Ik gevoelde mij zoo gelukkig, dat ik, om in vrijheid te komen,
+nog gaarne eens al de haaien van de wereld zou hebben getrotseerd. Nu
+ging het op het vaderland aan, nu zou ik, na lange afwezigheid,
+mijne bekenden weer zien en mijne lieve moeder nog eens omarmen!"
+
+"Gedurende de reis deed ik mijn best als voormarsgast op het schip,
+en de kapitein was zeer met mij ingenomen. Aan den onderbootsman,
+die een Schot en een bijzonder vriendelijk en braaf man was, had ik
+mijne avonturen verteld. Hij deed mij begrijpen, hoe dwaas en slecht
+ik gehandeld had, toen ik al, wat mijne moeder en Masterman voor mij
+doen wilden, zoo roekeloos in den wind sloeg. Ik voelde dat hij gelijk
+had, en verlangde vuriger dan ooit mijne moeder weer eens in de armen
+te sluiten en haar vergiffenis te vragen voor al wat ik had misdaan.
+
+"Het schip, waarop ik mij bevond, was naar Glasgow bestemd.
+
+"Bij North Foreland stuurden wij van het groote konvooi af en kwamen
+gelukkig in de haven. De kapitein bracht mij bij het kantoor van het
+schip, dat mij voor mijne diensten gedurende de overvaart vijftien
+pond [10] uitbetaalde. Zoodra ik dat geld in handen had, repte ik mij,
+wat ik kon, naar Newcastle. Ik had boven op den postwagen [11] eene
+plaats genomen en raakte daar al spoedig in gesprek met een heer,
+die naast mij zat. Ik merkte, dat hij te Newcastle thuis behoorde,
+en mijn eerste vraag was, of hij daar ook zekeren mijnheer Masterman,
+den scheepsbouwmeester kende."
+
+"O ja, dien heb ik best gekend; maar hij is nu omtrent een maand of
+drie dood."
+
+"En wie waren zijne erven dan?" vroeg ik. "Hij was immers heel rijk
+en had niemand, die hem in den bloede bestond?"
+
+"Ja, familie had hij niet," gaf die heer mij ten antwoord; "hij
+vermaakte dan ook zijn heele vermogen aan de stad, onder voorwaarde,
+dat men daarvoor zieken- en armhuizen zou oprichten. In den laatsten
+tijd had hij, geloof ik, nog een deelhebber in zijne zaak, en dien gaf
+hij zaak en winkel over, omdat hij geen familie had en 't aan niemand
+anders geven kon. Vroeger was hij, zooals ik zeker weet, van voornemen
+om al zijn geld en goed na te laten aan een knaap, die Flink heette,
+en hem eens uit het water had geholpen, maar die jongen liep weg,
+ging op zee en heeft sedert niets meer van zich laten hooren. Men
+is zijn spoor gevolgd en gelooft, dat hij in gevangenschap bij de
+Hollanders gestorven is. Die dwaze jongen;--hij kon tegenwoordig een
+man van stand en vermogen zijn!"
+
+"Ja waarlijk, hij deed zeer dwaas!" was mijn antwoord.
+
+"Ja, maar niet alleen zichzelven, ook anderen heeft hij daardoor kwaad
+gedaan. Zijne arme moeder was heel sterk aan hem gehecht geweest;
+zij tobde en kwelde zich toen zij zijn verlies vernam, en had rust
+noch duur meer, voordat...."
+
+"Gij wilt toch niet zeggen, dat zij dood is?" riep ik en vatte den
+vreemdeling bij den arm.
+
+"Ja," zeide hij en zag mij verwonderd aan, "zij stierf heel spoedig
+na den heer Masterman."
+
+"Ik zonk op de pakkage neer en zou van den wagen gevallen zijn, als
+de ander mij niet gegrepen had. Hij riep den koetsier toe, dat hij
+moest stilhouden. Samen richtten zij mij toen weer op en brachten
+mij binnen in het rijtuig. Gelukkig was daar niemand in; want ik was
+geheel buiten mijzelven en weende en klaagde luid, zoodat zij diep
+medelijden met mij hadden."
+
+Flink scheen door zijn verhaal zoo aangedaan dat mijnheer Wilson hem
+voorstelde, voor heden af te breken en zich met de overigen ter ruste
+te begeven.
+
+"Ik dank u, mijnheer. Gij hebt gelijk; zoo zal het wel beter zijn,
+want nog gevoel ik, dat mijne oude oogen van tranen overloopen. Het
+is iets vreeselijks, als men zich in later dagen verwijten moet,
+dat eigen dwaze levenswandel den dood van eene zoo goede liefhebbende
+moeder verhaasten moest. Bij mij was dit het geval, mijn beste Willem,
+en uit liefde tot u ben ik daar zoo openhartig voor uitgekomen. Ik
+zeide u vroeger reeds, dat eenige gedeelten mijner levensgeschiedenis
+u tot waarschuwing dienen konden. Zorg dus, dat ik ze u niet tevergeefs
+verteld heb, maar houd ze getrouw in 't geheugen."
+
+
+
+
+
+
+
+VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+FLINKS BEROUW. GELUKKIGE WENDING VAN ZIJN LOT.
+
+
+Den volgenden morgen bracht Juno voor het ontbijt in haar schort zes
+eieren mee, die zij in het hoenderhok gevonden had.
+
+"Kijk, mevrouw, kijk een beetje--kippen eieren leggen--gauw heelen
+boel hebben voor massa Willem en heelen boel voor kleine kippetjes."
+
+"Gij hebt toch niet alle uit de nesten genomen, Juno; dat deedt gij
+immers niet?"
+
+"Neen, mevrouw, ikke laten liggen in ieder nest één, dat oude kip
+zien kan."
+
+"Best, meid; dan zullen wij ze voor onzen Willem klaarmaken, zooals
+gij zegt en hopen dat zij hem zijne krachten teruggeven zullen."
+
+"O, ik ben weer heel gezond en sterk, moeder," gaf Willem ten
+antwoord. "Ik geloof, dat 't beter zou zijn, als ge de eieren aan de
+hoenders tot uitbroeden overliet."
+
+"Neen, Willem, het is van veel meer belang, dat gij recht spoedig
+weer gezond wordt, dan dat wij zoo spoedig kuikens krijgen."
+
+"Thomas ook heel graag eieren lust," begon de kleine mee te spreken.
+
+"Ja, ja; maar Thomas kan er nog dadelijk geen krijgen. Thomas is
+niet ziek."
+
+"Thomas buik doet o zoo zeer," antwoordde de guit.
+
+"Ik vrees zeer, Thomas, dat gij een kleine leugenaar zijt. Ook zouden
+eieren voor die buikpijn zeer nadeelig zijn."
+
+"Thomas krijgt ook hoofdpijn," klaagde de knaap.
+
+"Eieren deugen niet voor hoofdpijn, Thomas," antwoordde zijn vader.
+
+"Ach, Thomas is zoo ziek!" zuchtte de dreumes opnieuw.
+
+"Dan moet Thomas naar bed gaan en een lepel ricinusolie innemen."
+
+"Thomas lust geen ricinusolie; Thomas lust alleen eieren."
+
+"Ja, maar Thomas krijgt geen eieren," gaf de vader ernstig ten
+antwoord; "en dus kan hij zijne jokkens wel voor zich houden. Als wij
+eens eieren genoeg hebben, dan zal Thomas er ook een hebben--als hij
+een brave jongen is, maar anders ook niet."
+
+"Ik heb Caroline het opzicht over de hoenders gegeven," vervolgde de
+vader, "en zoo dunkt mij, behoort ook het bewaren van de eieren tot
+haar post. Mijn kind begint zoo al heel nuttig voor ons te worden."
+
+De twee volgende dagen waren de beide mannen in den tuin met het
+wieden van het onkruid bezig, dat te gelijk met de ontkiemende
+zaaigewassen begon op te schieten. Gedurende dezen tijd ging Willem
+met zijn herstel spoedig vooruit.
+
+De beide eerste dagen bracht Juno regelmatig elken morgen drie eieren
+uit het hoenderhok mede; maar op den derden morgen was er geen enkel
+te vinden. Ook op den vierden dag schenen de vogels niet gelegd te
+hebben, waarover mijnheer Wilson zeer verwonderd was, daar de hennen
+toch gewoonlijk, als zij eens beginnen te leggen, daarmede geregeld
+voortgaan. Op den vijfden morgen zaten allen aan het ontbijt. Slechts
+Thomas kwam niet opdagen, zoodat zijne moeder vroeg, waar hij dan
+toch stak.
+
+"Ik vermoed, mevrouw," zeide de oude Flink lachend, "dat onze sinjeur
+vandaag zoomin aan het ontbijt als aan de middagtafel zal verschijnen."
+
+"Hoe meent gij dat, Flink?" vroeg de moeder.
+
+"Welaan, mevrouw, ik zal 't u vertellen. Het kwam mij vreemd voor, dat
+er nu al een paar ochtenden geen eieren gevonden waren, en ik dacht
+of de hoenders ze ook misschien weggelegd konden hebben, waarom ik
+dan gisterenavond uitging, om er naar te zoeken. Ik kon geen eieren
+ontdekken; maar daarentegen vond ik weldra de doppen, zorgvuldig
+onder wat kokosbladeren weggestopt. Nu begreep ik dadelijk, dat een
+roofdier, als er zoo een op het eiland was en de eieren gekaapt had,
+de doppen althans niet zoo zorgvuldig verbergen zou. Zoo sloot ik
+dan van morgen de deur van het hok en liet slechts het kleine luikje
+open, waardoor de hoenders naar binnen kruipen. Ik zelf plaatste mij,
+nadat zij van stok waren, achter de boomen en wachtte af, wat er
+verder gebeuren zou. Weldra zag ik sinjeur Thomas komen aansluipen
+en op het hok losgaan. Hij wilde eerst de deur openen, maar vond die
+gesloten; zoo kroop hij door het kleine luikje in het hok. Zoodra
+hij daar binnen was, liet ik den grendel vallen, maakte dien met een
+spijker vast en zoo zit Thomas nu in zijn eigen strikken gevangen."
+
+"En hij zal ook den ganschen dag daarin blijven, die kleine
+snoeper!" riep mijnheer Wilson hartelijk lachende.
+
+"Ja, ja, dat is zijn verdiend loon en zal een goede les voor hem zijn,"
+sprak zijne moeder. "We zullen doen, alsof wij niets van hem merken,
+al klaagt en jammert hij ook uren achtereen."
+
+"O massa Thomas, ikke heel blij, dat jij eindelijk betrapt. Mooie
+ding dat, de eiers opslobberen!" jubelde Juno. "Nu jij niets te eten
+krijgt,--jij dat ook prettig vindt, he?"
+
+Mijnheer Wilson, Flink en Willem gingen als gewoonlijk aan hun
+werk. Mevrouw was met Juno en de kleine Caroline te huis bezig. Thomas
+hield zich wel een uur lang doodstil, totdat hij eindelijk luidkeels
+begon te schreeuwen. Dat baatte hem echter weinig, want niemand
+stoorde zich aan hem. Toen de etenstijd naderde, begon hij opnieuw
+te brullen; doch met hetzelfde gevolg. Eerst tegen den avond werd de
+deur van het hoenderhok geopend en kreeg de kleine dief vergunning om
+voor den dag te komen. Hij keek verlegen op zijn neus en zette zich,
+zonder een woord te spreken, in een hoekje neder.
+
+"Nu, jongeheer, hoeveel eieren hebt gij vandaag gediefd?" vroeg Flink.
+
+"Thomas wil geen eieren meer snoepen," was zijn beschaamd antwoord.
+
+"Ja, ja, dat zal ook wèl zoo goed zijn," antwoordde zijn vader;
+"want anders zult ge spoedig ondervinden, dat gij, in plaats van
+meer dan anderen te krijgen, integendeel heel weinig te eten krijgt,
+gelijk dat vandaag het geval is geweest."
+
+"Maar ik heb van middag nog geen eten gehad," zeide Thomas.
+
+"Voor vandaag krijgt gij ook geen middageten, daar kunt gij staat
+op maken. Wij kunnen u onmogelijk middageten en eieren te gelijk
+geven. Begint gij te schreeuwen, dan zal ik u dezen nacht in het
+hoenderhok opsluiten. Gij moet thans geduldig tot het avondeten
+wachten."
+
+Thomas begreep, dat aan de zaak niets te veranderen viel en wachtte
+dus met hangende lip tot het avondmaal op tafel kwam. Toen zocht hij
+zijne scha rijkelijk in te halen.
+
+Na het avondeten ging Flink met zijne geschiedenis aldus voort:
+
+"De laatste maal heb ik u verteld, hoe ik van dien heer op den
+postwagen te weten kwam, dat mijne arme moeder, ten gevolge van
+kwelling en verdriet over mijn weggaan, gestorven was. Hoe 't met
+mij gedurende die reis gesteld was, kan ik niet beschrijven. Ik was
+vreeselijk bedroefd en verslagen totdat wij eindelijk te Newcastle
+aankwamen, waar ik alle omstandigheden omtrent de ziekte en den dood
+van mijne moeder vernemen kon.
+
+"Toen de postwagen stilhield, kwam de heer, die onderwijl buitenop
+was blijven zitten, aan het portier, gaf mij de hand en zei mij:
+
+"Als ik wel heb, zijt gij Masterman Flink, die eens het ruime sop
+ingingt; of vergis ik mij misschien?"
+
+"Neen, mijnheer," zei ik heel verslagen, "ik ben het wezenlijk."
+
+"Welnu, wees dan maar zoo neerslachtig niet, jonkman," antwoordde
+hij mij. "Destijds toen ge van huis liept, waart ge nog een jongen
+zonder verstand en hadt er geen begrip van, dat uwe moeder zooveel
+om u te lijden zou hebben, als ze werkelijk deed. 't Was niet zoozeer
+uw wegloopen, dan wel de tijding van uw dood, wat haar zoo verslagen
+maakte, en daaraan hebt gij geen schuld. Ge moet thans met mij meegaan,
+want ik heb u nog veel dingen te zeggen."
+
+"Ik zal morgen bij u komen, mijnheer," antwoordde ik. "Voordat ik mijne
+oude buren bezocht heb en op 't graf van mijne lieve moeder geweest
+ben, kan ik toch niets aanvangen, 't Is waar, 't was niet opzettelijk,
+dat ik moeder zoo ongelukkig maakte, en aan 't gerucht van mijn dood
+heb ikzelf ook geen schuld; maar toch weet ik wel heel goed, dat zij,
+als ik niet zoo gedaan had, nog wel in het leven gebleven en misschien
+een heel gelukkig mensch wezen zou."
+
+"Uit kleine oorzaken, mijn beste Willem, komen vaak de droevigste
+gevolgen voort, en als wij, bij het doen van iets, eerst nadenken
+wilden, wat er de gevolgen wel van konden zijn, zonden wij ons veel
+wroeging en veel berouw in het leven kunnen besparen.
+
+"Die heer gaf mij zijn adres op, en ik beloofde dat ik den volgenden
+morgen bij hem zou komen. Toen ging ik naar het huis, waar mijne moeder
+gewoond had. Ik wist wel, dat zij daar niet meer was, en toch was 't of
+mijn hart ineenkromp, toen ik daar hardop praten en lachen hoorde. Ik
+gluurde eens naar binnen; want de deur stond juist open. In den hoek,
+waar mijne moeder altijd placht te zitten, stond een groote mangel,
+waaraan twee vrouwen bezig waren. Aan de ronde tafel, die ik ook nog
+kende, stonden twee meisjes te plooien en te stijven en zij riepen
+me toe, "wat er van mijn dienst was?" Ik keerde het huis den rug toe
+en ging bij een buurman, die ik wist dat een goede kennis van mijne
+moeder was geweest.
+
+"De vrouw was thuis, maar herkende mij niet, zoodat ik haar eindelijk
+zeggen moest wie ik was. Zij had mijne moeder tot aan haar sterfuur
+opgepast en vertelde mij al wat ik verlangde te weten.
+
+"Het gaf aan mijn beklemd hart eenige verlichting, toen ik vernam, dat
+mijne arme moeder ook zonder mijne schuld wel niet lang meer geleefd
+zou hebben, daar zij aan een ongeneeslijke kanker leed; doch tegelijk
+vertelde de vrouw mij, dat zij onophoudelijk aan mij gedacht had en dat
+mijn naam het laatste woord op hare lippen geweest was. Ik hoorde ook,
+dat mijnheer Masterman haar veel goedheid en genegenheid betoond had.
+
+"Het goede mensch zette hare muts op en geleidde mij naar het graf der
+overledene, waar zij mij op mijn verlangen alleen liet. Ik zette mij
+op den grasheuvel neder, die het gebeente mijner moeder overdekte. Met
+een getroffen hart zat ik daar en weende lang en bitter.
+
+"Het was reeds geheel donker, toen ik eindelijk het kerkhof verliet
+en naar de vriendelijke vrouw terugkeerde, die mijne moeder had
+opgepast. Ik sprak met haar en haar man tot laat in den nacht, en
+daar zij mij een bed aanboden, bleef ik onder hun dak slapen.
+
+"Den volgenden morgen ging ik uit, om volgens mijne belofte aan
+den heer, met wien ik den vorigen dag gereisd had, een bezoek te
+brengen. Op het bordje aan zijne deur zag ik, dat hij notaris was. Hij
+verzocht mij plaats te nemen, sloot toen de deur zorgvuldig toe en
+deed mij allerlei vragen, om zich te overtuigen, dat ik werkelijk
+Masterman Flink was. Toen berichtte hij mij, dat hij mijnheer
+Masterman's boedel onder zijn beheer gehad en bij het doorzoeken der
+papieren een document gevonden had, dat voor mij van groot gewicht
+was, daar uit dat geschrift bleek, dat de verzekering van het schip,
+'t welk zooals ik vroeger reeds verteld heb, aan mijn vader en mijnheer
+Masterman toebehoord had en vergaan was, niet voor mijnheer Masterman's
+aandeel alleen, maar ook voor dat mijns vaders had gegolden, zoodat
+die mijnheer mijne moeder haar aandeel bedriegelijk onthouden had.
+
+"Hij zeide dat papier korten tijd na mijnheer Masterman's dood
+in eene geheime schuiflade gevonden te hebben. Daar mijne moeder
+nochtans overleden was en hij ook mij voor dood hield, had hij niet
+kunnen besluiten, om eene zoo onaangename zaak bekend te maken;
+maar nu ik weder was opgedaagd, oordeelde hij, dat zijn plicht van
+hem eischte het gansche geval open te leggen. Hij bood zich aan,
+om de zaak voor mij bij de heeren te bezorgen, aan wie mijnheer
+Masterman zijn gansche vermogen had overgedragen, om daarvoor armen-
+en ziekenhuizen te doen bouwen.
+
+"De verzekering van het schip bedroeg, zeide hij, drie-duizend pond;
+een derde deel daarvan kwam aan mijn vader toe, wat alleen duizend,
+en met de renten van zoovele jaren, ver over eene som van tweeduizend
+pond uitmaakte.
+
+"Dit was natuurlijk eene zeer aangename tijding voor mij, en gij kunt
+wel begrijpen, dat ik zijn voorstel dadelijk gretig aannam. Hij ging
+terstond aan het werk, vervoegde zich bij den raad van beheer en legde
+aan de heeren het bewijs voor; en allen stemden aanstonds overeen,
+dat het geld mij eerlijk toekwam en ook zonder uitstel aan mij moest
+worden uitbetaald.
+
+"Zoodra het geld in mijne handen was, begon ik dat op allerlei dwaze
+manieren weg te gooien. Tot mijn geluk, kwam echter in de eerste
+dagen de Schotsche bootsman te voorschijn als de beschermengel,
+die mij redden wilde.
+
+"Zoodra ik hem het voorgevallene verteld had, sprak hij zeer verstandig
+met mij, bracht mij onder het oog, dat ik thans in de gelegenheid
+was, om mij voor mijn gansche leven een zeker bestaan te verschaffen,
+en gaf mij den raad, om voor mijn geld een aandeel in een schip te
+koopen, onder voorwaarde, dat ik er zelf de kapitein van zou wezen.
+
+"Die inval beviel mij zeer goed. Ik zag wel in, dat ik wederom zeer
+onverstandig gehandeld had, en besloot zijn raad te volgen. Eene
+enkele zwarigheid hield mij tegen; ik was namelijk nog zeer jong,
+pas twintig jaren oud, en had vroeger een schip wel heel goed weten
+te sturen, maar mij in den laatsten tijd weinig daarop toegelegd.
+
+"Ik deelde Sanders, zoo heette de bootsman, mijn bezwaar mede; maar
+hij stelde mij gerust en sloeg mij voor, dat, als ik hem als eerste
+stuurman wilde aanstellen, ook die moeilijkheid uit den weg zou zijn
+geruimd, daar hij met het roer goed wist om te gaan en mij terstond
+op de eerste reis de stuurmanskunst wel in den grond zou leeren. Zoo
+kwam dan eindelijk alles in orde.
+
+"Gelukkig had ik nog niet boven de honderd pond van mijn geld verteerd,
+wat evenwel voor dien tijd negentig pond te veel was. Ik keerde naar
+Glasgow terug, in gezelschap van Sanders, en deze gaf zich alle moeite
+om naar een geschikt schip om te zien.
+
+"Eindelijk vond hij er een, dat tot het van stapel loopen gereed en,
+ten gevolge van een door het kantoor, dat het gebouwd had, geleden
+bankroet, te koop was. Hij won berichten en vernam, dat eene zeer
+goede en aanzienlijke firma het vaartuig waarschijnlijk koopen zou,
+en toen deed hij mij een voorslag om een vierde deel in het schip te
+nemen en daarover als kapitein bevel te voeren.
+
+"Sanders was algemeen geacht en bezat ieders vertrouwen. Zijne
+aanbeveling had dan ook tengevolge, dat de onderhandelende partijen
+mij verlangden te zien en te spreken. Hoe jong ik ook was, schenen
+zij toch met mij tevreden, en de koop kwam werkelijk tot stand.
+
+"Ik stortte mijn aandeel, dat in twee-duizend pond bestond. Zoodra
+het schip van stapel was geloopen, deed ik met Sanders, dien ik
+tot eersten stuurman gekozen had, alle moeite om het spoedig geheel
+zeilree te maken. Het huis, dat het schip met mij had aangekocht,
+was eene Westindische firma, en zoo werd onze bodem natuurlijk tot
+de vaart op West-Indië bestemd.
+
+"Na het betalen van mijn aandeel, bleven mij nog drie- of
+vierhonderd pond over. Deze besteedde ik tot den aankoop van
+speculatie-goederen voor mijne eigene rekening en het verschaffen van
+zeemans-instrumenten en dergelijke. Ook aan mijne eigene uitrusting
+liet ik het niet ontbreken. Want ziet gij, Willem, ofschoon Sanders
+mij zoo ernstig vermaand had, voortaan verstandiger te zijn, was ik
+toch bij de gedachte, dat ik nu kapitein van mijn eigen schip was,
+niet weinig opgeblazen. Voor iemand, die kort te voren nog jongen in
+den bezaansmast van een oorlogsschip geweest was, was de verandering
+dan ook werkelijk al te spoedig en te groot.
+
+"Ik kleedde mij zeer netjes, droeg fijne overhemden en ringen
+aan de vingers; ik trok zelfs handschoenen aan, om witte handen te
+krijgen. Inderdaad, als kapitein en deelhebber van een fraai schip was
+ik ook een man van gewicht en werd door de overige scheepseigenaars
+dikwijls aan tafel genoodigd. Bovendien kon ik het zeer goed doen,
+want buiten de winst, die mijn eigen handel afwerpen kon, had ik
+ongeveer tien pond als kapitein en daarbij nog het vierde deel aan
+de gezamenlijke winsten.
+
+"Dezen tijd kan ik als den voorspoedigsten van mijn gansche leven
+beschouwen, en ik zal daar nu bij blijven stilstaan, ofschoon ik wel
+vooruit zeggen kan, dat mijne fortuin niet van langen duur bleef."
+
+
+
+
+
+
+
+EEN-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+SLOT VAN FLINKS VERHAAL.
+
+
+Den volgenden dag waren zij bezig met op het kronkelpad, dat naar
+het magazijn leidde, de wortels der omgehouwen kokosboomen weg te
+ruimen. Zoodra dit gedaan was, richtte Flink nevens dat magazijn een
+bliksemafleider op, gelijk hij er bij het woonhuis reeds een gezet had.
+
+Zij hadden nu eindelijk al het werk, dat zij zich gedurende den
+regentijd voorgenomen hadden, tot stand gebracht. De schapen hadden
+lammeren geworpen; maar die zoowel als de geiten, begonnen gebrek aan
+voeder te krijgen. Eene gansche week lang viel er geen regen meer;
+de zon verspreidde reeds krachtige warmte en Flink was van oordeel,
+dat de regentijd voorbij moest zijn.
+
+Willem was weder volkomen hersteld en kon in zijn ongeduld nauwelijks
+afwachten, dat men het voorgenomen tochtje over het eiland ondernemen
+zou, waaraan hij natuurlijk vurig wenschte deel te nemen. Na rijp
+beraad werd eindelijk besloten, dat Flink en Willem de eerste wandeling
+naar het zuiden doen en zoodra mogelijk terugkeeren zouden, om te
+berichten of zij ook wat nieuws ontdekt hadden.
+
+Op een Zaterdagavond werd dit besluit genomen; des Maandags morgens
+zouden beiden opbreken. De reiszakken werden met gekookt pekelvleesch
+en platte koeken, die Juno bereid had, rijkelijk gevuld. Ieder zou
+zich van een geweer met kruit en lood voorzien; ook zouden zij eene
+wollen deken medenemen, om zich bij nacht daarin te wikkelen. Flink
+vergat ook zijn kompas en handbijl niet, om weder, evenals op hun
+eersten tocht, de boomen in het wond daarmee te merken.
+
+De gansche Zondag werd tot het in orde brengen van het noodige
+besteed. Na het avondeten, begon de goede oude man:
+
+"Nu, Willem, voordat wij onze reis aanvangen, kan ik mijne historie nog
+wel ten einde brengen. Ik heb niet veel meer te vertellen, want mijn
+goed geluk duurde niet lang, en na mijne lange Fransche gevangenschap
+was al mijn volgend leven eene voortdurende verwezenlijking van het
+spreekwoord: Van den regen in den drop, of: Van den wal in de sloot. Ik
+bleef er bij staan, hoe ik dat aandeel in het koopvaardijschip gekocht
+had en naar mijne gedachten op den besten weg was om mijn fortuin te
+maken. Laat mij dus voortgaan.
+
+"Ons schip was eerlang gereed, en zoo zeilden wij in eene groote vloot
+naar Barbados uit. Sanders bewees spoedig een kundig zeeman te zijn,
+en voordat wij te Barbados aankwamen, had ik van hem al de kundigheden
+verkregen, die ik noodig had, om mijn schip zelf behoorlijk te sturen
+en te regeeren.
+
+"Sanders zocht de oude ernstige gesprekken te hernieuwen; maar mijn
+vermogen had mij te ijdel gemaakt, en nu, daar ik mij ook zonder zijn
+bijstand tot mijne taak in staat achtte, hield ik mij niet alleen op
+een afstand van hem, maar zocht zelfs den baas over hem te spelen. Zoo,
+beste Willem, beloonde ik de goedheid, die hij mij altijd had bewezen,
+met den snoodsten ondank. Helaas, dat is in de wereld maar al te
+dikwijls het geval.
+
+"Sanders was daar zeer bedroefd over, en bij onze aankomst te Barbados
+zeide hij mij, dat hij besloten had het schip te verlaten. Ik
+antwoordde hem op hoogen toon, dat hij in alles naar zijne vrije
+verkiezing handelen moest. Wat mij het meest daartoe bewoog, was,
+dat ik in het hart vurig wenschte van hem ontslagen te worden, alleen
+omdat ik gevoelde hem dank verschuldigd te zijn;--met beschaming erken
+ik dat, mijn beste Willem. Zoo verliet hij mij dan ook wezenlijk,
+en ik was uiterst tevreden, dat hij het deed.
+
+"Mijn schip had weldra zijne volle lading suiker en wachtte tot eene
+groote koopvaardijvloot de vaart naar Engeland zou aannemen. Ik had te
+Barbados gelegenheid gevonden om vier metalen kanonnen aan te koopen,
+die ik terstond op mijn dek bracht, terwijl ik mij rijkelijk van
+de noodige munitie voorzag. Ik was geweldig trotsch op mijn schip
+omdat het zich op de heenreis zulk een vluggen zeiler had betoond;
+het had zich werkelijk beter gehouden, dan menig oorlogsschip van ons
+konvooi, en daar ik nu zelfs nog stukken aan boord had, meende ik van
+vijandelijke kaperschepen volstrekt niets meer te duchten te hebben.
+
+"Wij wachtten nog altijd op ons konvooi, dat evenwel misschien nog
+wel een veertien dagen uitblijven kon. In dien tusschentijd brak een
+hevige storm los, die mijn schip met de meeste overige vaartuigen
+van de ankers sloeg en ons allen gezamenlijk uit de Carlislebaai
+dreef. Wij waren genoodzaakt met alle kracht van zeil weer op de
+haven aan te sturen, want de storm hield nog met groote woede aan.
+
+"Ik zelf was 't hartelijk moe, zoo lang op het konvooi te wachten;
+daarbij wist ik nog, dat, als ik vóór de overige Westindievaarders
+in Engeland aankwam, dit mij tot groot voordeel kon strekken, en zoo
+besloot ik dan, om in plaats van andermaal in de baai terug te keeren,
+liever zonder bedekking naar Engeland koers te zetten en mij op de
+snelle vaart van mijne kiel en op de stukken, die ik aan boord had,
+te verlaten. Ik vergat daarbij, dat de verzekering van mijn schip en
+lading in Engeland enkel voor het geval was, dat ik in gezelschap
+voer, en dat, indien ik die voorzorg verzuimde, in geval van een
+ongeluk ook de gansche verzekering nietig zijn zijn moest.
+
+"Dus ging ik dan naar Engeland onder zeil. Drie weken lang ging alles
+uitmuntend: wij ontmoetten slechts zeer weinig schepen. Die, welke
+jacht op ons maakten, waren niet tegen ons opgewassen en konden ons dus
+niets doen. Reeds stuurden wij met den besten wind op het Kanaal aan,
+en ik twijfelde niet meer, of tegen den avond zouden wij de gewenschte
+haven binnenloopen, toen ons een Fransche kaper in het gezicht kwam
+en aanstonds jacht op ons maakte. Wij waren gedwongen, om bij den wind
+te sturen; die woei zeer hard en nam al spoedig onze groote steng weg.
+
+"Dat was voor ons het grootste ongeluk, dat men zich voorstellen
+kon. De kaper kwam nu al nader, achterhaalde ons en tegen den avond
+was ik een doodarm Fransch gevangene, want de verzekeringsgelden had
+ik verbeurd, omdat ik zonder bedekking het ruime sop was ingegaan.
+
+"Ik begreep wel, dat ik al mijn ongeluk aan mijzelven te wijten had. In
+allen gevalle werd ik hard genoeg gestraft, want bijna zes volle jaren
+verzuchtte ik in akelige gevangenschap. Eindelijk waagde ik met drie
+of vier rampgenooten de vlucht te beproeven. Wij hadden duizenderlei
+ellende door te staan en kwamen eindelijk op een Zweedsch schip,
+zonder geld, ja bijna zonder een hemd aan het lijf, om ons tegen de
+koude te bedekken, in Engeland aan.
+
+"Mij bleef natuurlijk niets overig dan op een ander schip naar een
+plaatsje om te zien. Ik wou tweede stuurman worden; maar niemand wilde
+mij aannemen. Ik zag er daartoe al te haveloos en te ellendig uit,
+en om niet van honger en gebrek om te komen, besloot ik dan eindelijk
+mij als gemeen matroos vóór den mast te laten aanwerven.
+
+"Er lag een fraai schip in de haven. Daarheen ging ik, om mijne
+diensten aan te bieden. De bootsman ging om den kapitein te halen,
+en toen deze aan boord kwam, herkende ik--wien denkt gij wel?--niemand
+anders dan Sanders!
+
+"Ik hoopte nog, dat hij mij niet zoo dadelijk zou kennen. Doch bij den
+eersten oogopslag zag hij, wie ik was en reikte mij de hand toe. Ik
+had wel in de zee willen wegzinken! Nooit in mijn leven was ik zoo
+beschaamd en verlegen, als op dat oogenblik.
+
+"Sanders merkte dat wel en bracht mij in zijne kajuit. Daar vertelde
+ik hem alles, wat met mij gebeurd was. Hij scheen vergeten te hebben,
+dat ik mij zoo slecht en gemeen jegens hem gedragen had; hij bood
+mij eene plaats op het schip aan en schoot mij zelfs geld voor,
+om mij weer nieuw in de kleeren te steken.
+
+"Evenwel, of hij mijn vroeger gedrag al vergeten wou, ik kon dat niet
+vergeten. Ik kwam er openlijk voor uit en smeekte hem om vergiffenis.
+
+"Deze brave man bleef, zoolang hij leefde, mijn beste vriend. Ik
+werd na eenigen tijd zijn tweede stuurman en wij raakten weer op een
+vertrouwelijken voet met elkander. Mijn ongeluk had mij nederig en
+deemoedig gemaakt.
+
+"Na zijn dood bleef ik nog een tijdlang tweede stuurman op zijn schip,
+doch in 't eind werd een ander voor mij voorgetrokken. Sedert dien
+tijd diende ik als gemeen matroos op verschillende schepen. Overal
+werd ik geacht en goed behandeld. Ik gevoelde mij, durf ik wel zeggen,
+nergens ongelukkig, want ik zag recht goed in, dat rijkdom mij slechts
+tot dwaasheden verleiden zou.
+
+"Nu, beste Willem, kent gij de historie van Masterman Flink. Ik
+hoop dat zij hier en daar iets bevat, wat voor u op den duur nuttig
+kan worden. Ik ben thans nog maar een oud man, 't leven en de
+vermoeienissen zat; mijne eenige hoop is in vrede te sterven en nog
+tot aan dat oogenblik nuttig te kunnen zijn."
+
+"Nuttig zijt gij werkelijk in eene hooge mate geweest," zeide mevrouw
+Wilson, met tranen in de oogen; "en ik hoop, oude, beste vriend,
+dat gij nog een langen tijd leven en een hoogen, gelukkigen ouderdom
+bereiken zult."
+
+"Dank u wel, mevrouw," hernam Flink; "maar over 't algemeen hebben
+de matrozen geen zeer lang leven. En waarlijk, ik zou 't overschot
+van mijne dagen ook zeer gaarne op dit kleine eilandje ten einde
+brengen. Ik weet, dat gij overigen daar heel anders over denkt, en dat
+is ook zeer natuurlijk. Ik ben al een oud man en heb niets te wachten,
+voor niets te zorgen; al, wat ik begeer, is nuttige bezigheid. Gij
+zijt in vergelijking van mij allen nog jong en wacht nog veel van de
+toekomst. Om uwent-, maar niet om mijnentwil hoop ik van harte, dat
+men ons zoeken en vinden zal, zoodat gij weer in de woelige wereld
+kunt terugkeeren. Ik voor mij zal gaarne 't overschot van mijn leven
+op dit eiland slijten en hoop, dat die kokostakken eens over mijn
+graf zullen wuiven. Ik weet niet, maar ik heb er een zeker voorgevoel
+van, dat dit ook werkelijk zoo gebeuren zal, en ik kan wel zeggen,
+dat die gedachte in zeker opzicht een troost voor mij is."
+
+"Neen, neen, daaraan moet gij volstrekt niet denken!" riep de heer
+Wilson. "Gij moet eens met ons terugkeeren en uw ouderdom in ons
+midden doorbrengen. Gij moet uw zeemansleven opgeven, u aan onzen haard
+nederzetten, als gij wilt, en in onzen tuin u in de zon koesteren. Gij
+hebt behoefte aan rust en ik vertrouw zeker dat gij nog een gelukkigen
+ouderdom zult beleven. In allen gevalle zal het mijne schuld niet zijn,
+als die hoop van mij niet vervuld wordt."
+
+"De mijne evenmin," voegde zijne vrouw er bij; "ik zou ontroostbaar
+zijn, als gij ooit van ons heengingt."
+
+"Ik dank u, mevrouw en ook u, mijnheer, van ganscher harte voor uwe
+goede bedoeling.--Beste Willem, wij moeten voor dag en voor dauw op
+en daar wij allen nog eerst samen ontbijten zouden, wordt het thans,
+dunkt mij, hoog tijd, om eens met ons hoofdkussen te spreken."
+
+"Gij hebt volkomen gelijk," antwoordde mijnheer Wilson.
+
+
+
+
+
+
+
+TWEE-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+TWEEDE UITSTAPJE DOOR HET EILAND.
+
+
+Den volgenden morgen waren allen zeer vroeg op en ontbeten nog met
+elkander. De gebakken visch smaakte kostelijk; Thomas at zoo gulzig,
+dat hij bijna aan eene graat gestikt was, die hem in de keel bleef
+steken. Juno deed lang vergeefsche moeite om er met den vinger bij te
+komen. Mevrouw Wilson was in grooten angst totdat het Juno eindelijk
+gelukte haar met den wijsvinger los te krijgen.
+
+Geweren, reiszakken en al het benoodigde tot de reis waren reeds vooraf
+klaargemaakt, en zoo stonden Willem en Flink eindelijk van tafel op,
+namen hartelijk afscheid van de achterblijvenden en begaven zich
+op weg.
+
+De zon scheen helder, de lucht was reeds tamelijk warm; de dansende
+golven van den oceaan glinsterden in de verte en de kokosboomen
+schommelden hunne gekuifde kruinen in den zachten wind. Met een
+vroolijk hart, braken zij op en riepen de beide herdershonden. Ook
+Vixen wilde meegaan, maar moest tot bewaking van de familie
+achterblijven.
+
+Het magazijn voorbij, ging het den tegenoverliggenden heuvel op,
+het bosch in en weldra werden de bijlen losgemaakt, om de boomen
+daarmede te merken. Flink haalde zijn zakkompas voor den dag en
+regelde daarnaar de richting van den weg, dien zij nemen wilden.
+
+Een tijdlang ging het zoo voort, zonder dat men een woord sprak,
+rechts en links werd de boombast met de bijl geteekend, totdat Flink
+andermaal staan bleef, om naar zijn kompas te zien.
+
+"Mij dunkt, Flink, het bosch is hier dichter, dan ik het nog ergens
+gezien heb," zeide Willem.
+
+"Ja, ja, gij hebt gelijk. Naar 't mij voorkomt, moeten wij thans
+omtrent midden op het eiland in het dichtste deel van het woud
+zijn. Dat zal wel spoedig blijken. We moeten ons wat meer naar
+het Zuiden richten; daarbij zal het goed zijn, dat we stevig
+doorstappen. Hoe verder we komen, des te minder hebben we te doen,
+en we kunnen dan ook rustig samen praten."
+
+Zoo stapten zij een half uur wakker voort. Gelijk Flink gezegd had,
+werd het bosch allengs minder dicht, maar toch konden zij niets dan
+kokosstammen ontdekken. Het was geen lichte arbeid, ieder oogenblik
+nieuwe boomen te merken, en het zweet liep hun tappelings over het
+gezicht, zoo zwaar begon hun dat ten laatste te vallen.
+
+"Me dunkt, Willem, we moesten eens eene minuut of wat uitrusten,
+want anders wordt gij al te moe. Ge zijt nog niet zoo sterk, als gij
+vóór uwe ziekte waart."
+
+"Ik ben niet meer zoo goed aan het werk gewoon als vroeger, en
+daarom ben ik nu gauwer moe, Flink," antwoordde Willem en droogde
+zich het gezicht met zijn zakdoek af, terwijl hij zijn geweer tegen
+een boomstam zette. "Ik heb er niets tegen, dat we eens een poosje
+uitblazen. Hoe lang, denkt ge, zal het nog duren tot we het bosch
+achter den rug hebben?"
+
+"Me dunkt, geen half uur meer; of misschien zijn wij er schielijker
+uit. Ik weet niet, hoe ver het bosch zich in deze richting uitstrekt."
+
+"Wat denkt ge dan zoo al daar achter te vinden?"
+
+"Dat is moeilijk te zeggen. Ik kan alleen zeggen wat ik hoop te
+vinden, namelijk een ruim, vlak grasveld tusschen het bosch en de
+kust, waar onze schapen en geiten weiden kunnen. Dan was het ook
+mogelijk, dat wij buiten de kokossen nog andere boomen, heesters
+en struiken vonden; tot hiertoe hebben wij niets dan kokosboomen
+en ricinusstruiken gezien. Weet gij nog wel Willem, hoe Thomas het
+van de bessen te kwaad gehad heeft? 't Is onmogelijk te bepalen,
+mijn jongen, hoe menigerlei zaadkorrels door vogels of door wind en
+baren wel hierheen gebracht zijn."
+
+"Ja, maar zouden die zaken ook opkomen?"
+
+"Wel zeker, Willem. Ik heb mij wel eens laten vertellen, dat vele
+zaadkorrels honderden jaren onder den grond kunnen zitten en later,
+als de zon er op schijnt, toch nog opkomen!"
+
+"Nu herinner ik mij," antwoordde Willem, "dat mijn vader mij eens
+vertelde, hoe een gerstekorrel, die voor drie of vier duizend jaren
+met eene Egyptische mummie begraven was, zelfs na dien langen tijd
+nog opkwam, nadat men haar in den grond had gestoken."
+
+"Wat is dat eene mummie, Willem? Van Egypte heb ik wel gehoord: dat is
+het land, waar de kinderen Israëls gevangen waren en waar zij later
+uittrokken. Dat alles lezen wij in den Bijbel, en ook van de zeven
+plagen, waarmede Pharao bezocht werd, totdat hij het Joodsche volk
+gaan liet."
+
+"Ja, ja; hij verdronk met zijn gansche leger, omdat hij hen
+achtervolgde en weder terugdrijven wilde.--Eene mummie, Flink, is
+het lijk van een mensch, dat na den dood met verschillende specerijen
+ingebalsemd wordt, om het tegen verrotting te bewaren. Ik heb er nog
+nooit eene gezien, maar weet uit de boeken, dat de Egyptenaren hunne
+lijken zoo plachten in te balsemen.--Maar kom, nu kan ik, dunkt mij,
+wel weer verder gaan."
+
+"Goed, Willem; hoe eer wij het bosch achter ons hebben, des te beter
+voor ons."
+
+Zonder oponthoud zetten zij na hunne wandeling voort, en ze waren
+nog geen kwartier verder, of Willem riep:
+
+"Flink, ik zie den blauwen hemel! We zijn het bosch weldra ten einde,
+en ik ben daar hartelijk blij om, want mijn arm doet mij zeer van
+dat aanhoudend kappen."
+
+"Mij gaat het niet beter, Willem. Ik ben waarlijk even blij als gij;
+want het werken heeft mij ook vermoeid. Evenwel moeten wij daarmee
+nog voortgaan, want anders vinden we onzen weg niet terug, als wij
+dien noodig hebben."
+
+Tien minuten later hadden zij het kokosbosch achter zich en kwamen
+te midden van manshooge struiken zoodat zij niet zien konden, hoe
+ver zij nog van de kust verwijderd waren.
+
+"Nu, Goddank," riep Willem en wierp de bijl op den grond; "ik ben
+blij, dat dit voorbij is. Nu zullen we ons een poosje neerzetten,
+voordat wij verder gaan."
+
+"Dat is mij wel," zeide Flink en nam bij Willem plaats.
+
+"Ik voel mij heden veel meer vermoeid, dan toen wij van de andere
+zijde van het eiland door het bosch kwamen. Ik geloof bijna, dat het
+weer daaraan schuld is. Komt hier honden; koest daar!"
+
+"Het weer is toch heel mooi, Flink."
+
+"Nu, ja zeker; maar ik heb u, meen ik, reeds gezegd, dat de regentijd
+voor de gezondheid zeer nadeelig is, en zoo denk ik wel haast, dat
+ik daarvan nog niet bekomen ben. Gij hebt wezenlijk de koorts gehad
+en kunt u natuurlijk niet zeer sterk voelen; maar men kan toch ook
+zonder koorts aan zijne gezondheid veel geleden hebben. Ik ben een
+oud man, Willem, en begin thans allerlei gebreken te voelen."
+
+"Me dunkt, Flink, voordat wij opbreken, moesten wij ons middagmaal
+houden; dat zal ons zeker goed doen."
+
+"Ja, Willem, wij zullen een vroeg maal houden dan raken wij in allen
+gevalle eene onzer waterflesschen kwijt. Halt! goed, dat ik het
+bedenk. Daar wij toch denzelfden weg terug moeten, konden we onze
+reiszakken en al 't verdere buiten de geweren wel onder deze boomen
+laten liggen. Misschien ook dat wij hier wel overnachten zullen,
+want ik heb uw vader stellig gezegd, dat hij ons vandaag nog niet
+terug wachten moest. Aan uwe moeder wilde ik dat niet zeggen, omdat
+zij altijd zoo bezorgd voor u is."
+
+Hierop werden de knapzakken geopend en het middagmaal gehouden,
+waarvan de beide honden rijkelijk hun deel kregen. Na het eten zetten
+zij hunne ontdekkingsreis opnieuw voort. Wel tien minuten lang moesten
+zij zich door de hooge, dichte struiken een weg banen, totdat zij ten
+laatste den uitgang bereikten en toen eene poos zonder een woord te
+spreken in het rond zagen.
+
+De zee lag op ongeveer een halve mijl afstands voor hen: het
+daartusschen liggende land was eene open vlakte met frisch, heerlijk
+gras overdekt, en vormde eene voortreffelijke weideplaats. Hier en
+daar was de bodem met enkele kleine boomgroepen bezet; de kust vormde
+geen zandvlakte gelijk op de andere zijde, maar de klippen rezen tot
+eene hoogte van twintig tot dertig voet loodrecht uit de zee op en
+waren op vele plaatsen met een vreemde, sneeuwwitte stof overdekt.
+
+"Zie, Flink," begon Willem eindelijk, "daar zou nog voeder genoeg
+voor onze kudde zijn, ook als zij tienmaal zoo sterk werd."
+
+"Ja, ja, mijn jongen; dat is een groot geluk, en wij hebben alle reden
+om dankbaar daarvoor te zijn. Dat is juist wat wij noodig hadden. Laat
+ons nu echter wat verder gaan en die boomgroepen onderzoeken, om te
+zien, waaruit ze bestaan. Ik zie daar een groot, breed blad, dat ik,
+als ik mij niet bedrieg, al dikwijls meer gezien heb.--Ja, Willem,
+ik had wel gelijk," vervolgde hij, nadat zij de boomen, waarop hij
+gewezen had, genaderd waren. "Ziehier, dat is een pisangboom. Hij bot
+juist uit en zal weldra tien of twaalf voet hoog zijn. Zijne vrucht
+smaakt voortreffelijk en zijne bladeren geven een uitmuntend voedsel
+voor het vee."
+
+"Hier is een plant, die ik nog nooit gezien heb,--hier deze kleine,"
+zeide Willem, terwijl hij een takje afbrak en dat zijn ouden vriend
+toonde.
+
+"Maar ik wel, Willem. Men noemt het gewoonlijk vogelpeper en de u
+welbekende Cayennepeper wordt daaruit bereid. Zie, het heeft al loten;
+het zal ons bij het koken goede diensten doen, daar we toch geen peper
+meer overhebben. Juno zal er wat blij mee zijn. Gij kunt daar verder
+uit opmaken, Willem, dat er ook vogels op dit eiland moeten zijn;
+althans is dit zeer waarschijnlijk, want de zaden van al deze planten
+en boomen kunnen slechts door hen hierheen gedragen zijn. Pisang
+en peper dienen vele vogelsoorten tot voedsel. De zaadkorrel, welk
+een dezer vogels vallen liet, is opgekomen en heeft verdere loten om
+zich heen verspreid, die van jaar tot jaar in talrijkheid en grootte
+toenamen. Dit is ook de reden, waarom gij ze alle in afzonderlijke
+groepen hier en daar verstrooid ziet. Kijk, daar schiet eene menigte
+Pisangplanten uit den bodem op; in weinige weken zullen ze een heel
+bosch uitmaken."
+
+"En wat is dat daar voor eene stekelachtige struik, Flink?"
+
+"Ik zie niet zoo scherp als gij Willem, en dus dienen wij wat naderbij
+te treden. Ha, ik zie het al; het is de zoogenaamde Westindische
+stekelbes. Ik ben zeer blij haar gevonden te hebben, want zij kan
+ons van groot nut zijn."
+
+"Is ze goed om te eten, Flink?"
+
+"Dat juist niet; ook prikt ge u met hare stekels licht in de vingers
+en kunt ge ze er moeilijk weer uitkrijgen; voor de afwisseling evenwel
+zal zij zoo kwaad niet smaken. Het hoofdnut brengt die struik nochtans
+als heg om onzen tuin aan, tot bescherming tegen de dieren. Zij geeft
+eene uitmuntende heining en wast zeer snel, zonder oppassing noodig
+te hebben. Zie eens, daar staat een halve akker vol met dat gewas;
+het is juist aan het bloeien toe. Laat ons nu eens naar gindsche
+groep gaan en zien wat het is."
+
+"Wat is dat voor eene plant, Flink?"
+
+"Ik weet het niet, Willem; ik kan niet zeggen, dat ik ze vroeger ooit
+gezien heb."
+
+"Dan, dunkt mij, zal ik 't best doen, al de planten, die gij niet
+kent, te verzamelen en aan vader te brengen. Hij is een groot vriend
+van de kruidkunde en zal ons wel weten te zeggen wat ze zijn."
+
+"Braaf! Dat zullen wij doen; dat is een recht goede inval van u."
+
+Willem plukte een tak van de onbekende plant af en nam dien mede. Bij
+de naaste groep bleef Flink staan en beschouwde haar lang met groote
+opmerkzaamheid.
+
+"Wacht, laat zien," zeide hij eindelijk; "dezen boom geloof ik te
+kennen, althans heb ik hem meer in de heete landen gezien. Ja, ja,
+ik heb 't, Willem; een guayababoom."
+
+"Hoe, dezelfde, uit wiens vruchten men den guayabawijn bereidt?"
+
+"Ja, dezelfde."
+
+"Nu, wat zal Thomas watertanden, als hij daarvan hoort! Kapitein
+Osborn gaf ons op onze reis eens guayabamost te proeven, en Thomas
+wilde er al meer van hebben, zoo smaakte die hem."
+
+"Kleine jongens van Thomas' jaren denken meer aan eten en drinken
+dan aan iets anders; dat is natuurlijk, en wij moeten Thomas daarom
+niet hard vallen. Hij zal mettertijd een fiksche jongen worden;
+geloof dat vrij, Willem!"
+
+"O zeker, dat hoop ik ook, Flink, en ik twijfel er ook in 't geheel
+niet aan. Willen we thans verder gaan?"
+
+"Ja; maar welken kant zoudt ge 't liefst gaan?"
+
+"Laat ons in de richting van deze vijf boomen voortloopen en dan tot
+aan de klippen afdalen. Ik zou gaarne weten hoe het komt, dat die
+zoo wit zijn."
+
+"Komaan dan, als gij het zoo verkiest, beste jongen."
+
+"Hé, Flink! wat is dat voor een rumoer? Luister, dat geschreeuw! Dat
+moeten apen zijn."
+
+"Neen, neen, dat zijn geen apen; ik wil u wel aanstonds zeggen, wat
+het is, ofschoon ik nog niets zie.--Papegaaien zijn 't,--ik ken hen
+aan hun geschreeuw. Zie, Willem, het is niet heel waarschijnlijk,
+dat apen hierheen gedwaald zouden zijn, maar wel vogels, en aan hen
+zijn wij de pisangs en guayaba en al de andere vruchten verschuldigd,
+die wij misschien nog ontdekken zullen."
+
+Zoodra zij onder de boomen kwamen, ontstond er een oorverdoovend
+gefladder en geschreeuw. Meer dan driehonderd papegaaien vlogen
+krijschend op en hunne fraaie groene en blauwe pluimen schitterden
+prachtig in de stralen der zon.
+
+"Zeide ik het niet, Willem? Nu, dat is eene kostelijke ontdekking en
+kan ons van tijd tot tijd aan eene keurige pastei helpen."
+
+"Pastei, Flink? Gebruikt men hen dan tot pasteien?"
+
+"O ja, zij smaken heerlijk; in West-Indië en Zuid-Amerika heb ik er
+mij dikwijls lekker op vergast. Wacht, wacht, laat ons hier nog een
+eindje verder op gaan. Ik zie daar een blad, dat ik gaarne nader
+onderzoeken zou."
+
+"De grond schijnt hier moerassig te worden, Flink, dunkt u dat
+ook niet?"
+
+"Ja, ja; hier onder onze voeten schuilt water genoeg. Des te beter
+voor ons vee; wij graven het dan eenige kommen, als het hierheen
+komt. Ha! ik dacht wel, dat ik mij niet bedriegen zou. Zie eens,
+Willem! dat is het allerbeste, dat we nog gevonden hebben; nu behoeven
+wij niet zoo meer van onze aardappelen af te hangen."
+
+"Ei, wat is het dan, Flink?"
+
+"Yamswortels, mijn jongen, yams- of broodwortels, die men in West-Indië
+in plaats van aardappelen gebruikt. Gij moet namelijk weten, dat de
+aardappelen in heete luchtstreken niet lang hunne oorspronkelijke
+gedaante behouden."
+
+"Hoe meent gij dat, Flink?"
+
+"Na een of twee oogsten veranderen zij in zoogenaamde zoete
+aardappelen; de yamswortels zijn, naar mijn oordeel, in alle gevallen
+beter."
+
+Op dit oogenblik wierpen de honden zich in het door de yamswortels
+gevormde hooge groen en begonnen te blaffen; een poosje daarna hoorde
+men een sterk getrappel en gebrom.
+
+"Wat is dat?" riep Willem, die zich juist op den grond gelegd had,
+om de yamsplant te onderzoeken en bij dat gerucht ontsteld opsprong.
+
+De oude man lachte hartelijk.
+
+"Het is niet de eerste maal, Willem," zeide hij, "dat ze u een schrik
+op het lijf hebben gejaagd."
+
+"Wat! onze varkens zijn het? Wezenlijk?" vroeg de knaap verwonderd.
+
+"Wis en zeker: zij hebben de broodwortels in den neus gekregen en
+smullen er braaf van, dat moogt gij vrij gelooven."
+
+Flink verhief zijne stem en klapte in de handen. Weldra hoorde men
+onder de bladeren een getrappel en geknor en kort daarop sprongen--niet
+zes, maar over de dertig varkens, groote en kleine, uit het groen te
+voorschijn; en snuivend en knorrend stoof de gansche kudde in wilden
+galop langs de vlakte voort, totdat zij het kokosbosch bereikt had
+en daarin verdween.
+
+"Maar wat zijn ze wild, Flink!" riep Willem.
+
+"Ja, en ze worden nog met elken dag wilder. We moeten de yamswortels
+echter tegen hen omheinen, anders blijft er ons niets van over."
+
+"Maar ze zullen de heg vernielen, voordat die nog behoorlijk is
+opgeschoten."
+
+"Dat zouden zij wel; maar daartegen maken wij een stevige omheining
+van kokospalen en planten aan den buitenkant van die stekelbessen,
+welke gij ginds gevonden hebt. Eer nog onze palen vermolmd zijn,
+wassen de stekelbessen tot eene heg omhoog, waardoor geen dier kan
+heenbreken.--Nu, Willem, moeten wij ons echter eens naar de kust
+wenden."
+
+Toen zij de rotsen naderden, die op enkele plaatsen vijftig ellen
+boven den rand des waters uitstaken, merkte Flink aan:
+
+"Nu kan ik u zeggen, jonge vriend, wat de witte plekken ginds op
+de klippen te beduiden hebben. Zij zijn afkomstig van de zeevogels,
+die hier ieder jaar komen nestelen en hunne jongen uitbroeden. Als
+niets hun dat belet, keeren zij telkenreize naar de eigen stee terug."
+
+Zij bereikten weldra het bedoelde punt, dat zich uit de verte zoo
+wit vertoonde; zij vonden het vol veeren en pluimen, met mest en
+drek doormengd.
+
+"Ik zie nergens een nest, Flink: niet eens een spoor van vroegere
+nesten."
+
+"Wel dat is ook niet mogelijk. Hun geheele nest bestaat namelijk
+daarin dat zij een rond gat van een halven duim diep in den grond
+krabben en dicht naast elkander gezeten hunne eieren in de kuilen
+leggen. Spoedig is het tijd dat zij terugkomen; dan zullen wij hun
+een bezoek brengen en van hunne eieren medenemen, zooveel als wij er
+noodig hebben. Die smaken namelijk lang niet leelijk."
+
+"Ei, Flink, wat hebben wij vandaag al eene menigte goede dingen
+gevonden. Ons uitstapje is toch waarlijk heel gelukkig uitgevallen."
+
+"Ja, inderdaad; bedenk slechts, mijn jongen, hoe onze hulpmiddelen hier
+van jaar tot jaar vermeerderd kunnen worden, als wij maar eenigermate
+vlijtig en arbeidzaam zijn."
+
+"Weet ge wat ik daar al dacht, Flink?--We hadden ons huis misschien
+liever hier moeten bouwen."
+
+"O, neen, Willem; we hebben hier niet zulk zuiver water als daar, en
+ook niet het zandige strand, dat ons het voordeel van een schildpad-
+en een vischvijver verleent. Neen, Willem, ons vee kunnen wij hier
+wel laten weiden; we kunnen hier de vruchten in het rond inoogsten en
+met de arme vogels deelen; we kunnen de yamswortels en wat nog verder
+nuttigs hier voor ons groeit inzamelen; maar ons huis, onze woning,
+moet blijven waar het tegenwoordig is."
+
+"Gij hebt gelijk, Flink; maar het zal een lange weg wezen hierheen."
+
+"Ook dat niet, als wij er maar eerst aan gewoon zijn en een behoorlijk
+pad gemaakt hebben. Bovendien kunnen wij misschien onze boot hierheen
+brengen. Ik zal dadelijk maar eens langs de klippen gaan en dat
+onderzoeken."
+
+Zij gingen nu ongeveer een half uur den zeekant langs, totdat zij
+aan een punt kwamen, waar de rotsen niet meer zoo hoog waren. Daar
+ontdekten zij eene kleine kom, die in de klippen was ingesneden en
+slechts een enkelen ingang had.
+
+"Zie eens, Willem, welk eene aardige kleine haven voor onze boot. Van
+hier kunnen wij haar met yamswortels laden en naar onze woonplaats
+brengen, verondersteld dat wij op de zuidzijde eene doorvaart voor
+haar vinden kunnen. Wij hebben daar nog niet naar omgezien, omdat
+wij tot hiertoe zoo iets nog niet noodig hadden."
+
+"Ja, Flink, dat is waarlijk een aardig, rustig plaatsje voor onze
+boot; doch hoe zullen wij het wedervinden, als wij van de andere zij
+van het eiland aankomen?"
+
+"O, heel gemakkelijk, Willem; ik heb slechts een hoogen stok als
+merkteeken op te zetten."
+
+"Wat is dat daar toch voor een ding, Flink?" vroeg Willem en wees op
+een voorwerp in de laagte.
+
+"Aha, ik zie het al, jongen; dat is een zeekreeft, die zeer goed is om
+te eten. 't Is wel mogelijk, dat wij dan ook nog eens een kreeftvijver
+gaan aanleggen; dan kunnen wij hen in menigte vangen en krijgen een
+smakelijk gerecht te meer."
+
+"En wat zijn dan die kleine ruwe dingen daar beneden aan de klippen?"
+
+"Dat is eene zeer kleine soort van oesters, die heel zoet smaken. Ze
+zijn anders dan die in Europa; ze zijn veel malscher en smaken nog
+veel beter."
+
+"Bravo, Flink, dan hebben wij weer twee nieuwe lekkernijen op onze
+tafel," riep Willem verblijd uit. "Wat worden wij nog rijk!"
+
+"Ja, mijn jongen; maar vergeet niet, dat wij ze eerst moeten vangen,
+want zonder moeite en arbeid krijgt men in de wereld niets gedaan."
+
+"Flink," begon Willem plotseling weder, "wij hebben nog drie volle
+uren dag: willen we niet naar huis gaan en vertellen, wat we gezien
+hebben? Moeder zal hartelijk blij wezen, als zij ons wederziet."
+
+"Met hart en ziel mijn jongen. Voor een dag hebben wij vrij wat
+afgedaan; dus kunnen we nu wel terugkeeren en weer eene week te huis
+blijven of althans zoolang men ons daar niet missen kan. Vruchten zijn
+er bovendien toch nog niet; het eenige, waarvoor ik zorg wil dragen,
+zijn de yamswortels, want ik ben bang, dat onze varkens anders met
+het beste wegloopen. Doch laat ons nu op weg gaan en de zaak nader
+met uwen vader overleggen."
+
+Terwijl Willem van het zeestrand naar het kokosbosch terugkeerde,
+plukte hij van iedere plant, die hij voorbijkwam een takje af, om
+dat voor zijne vader mede te nemen. Weldra vonden zij het plaatsje,
+waar zij hunne knapzakken en handbijlen hadden achtergelaten. Van daar
+keerden zij langs het vorige pad door het kokosbosch terug en volgden
+daarbij de merken, die zij 's morgens in de boomen hadden uitgekapt.
+
+Een uur voor zonsondergang kwamen zij bij hunne woning aan en vonden
+mijnheer en mevrouw Wilson voor de deur zitten. Juno was met de beide
+kleinen aan het strand, en de dreumessen hadden dol veel pleizier
+met de schelpen, die zij hier en daar op het zand vonden. Willem gaf
+zijn vader nauwkeurig verslag van al wat hij ontdekt had en liet hem
+de monsters van al de verschillende planten zien, die hij had opgedaan.
+
+"Dit hier," zeide zijn vader, "is eene algemeene bekende plant, en 't
+verwondert mij, dat onze Flink haar niet kent;--'t is immers hennep."
+
+"Dien heb ik nooit anders dan tot touw verwerkt gezien," betuigde
+Flink; "maar het zaad ken ik daarom toch heel wel."
+
+"Nu, als wij er van noodig hebben, kan ik u zeggen hoe men er mee
+moet omgaan," antwoordde mijnheer Wilson. "Laat zien, Willem, wat
+hebt ge nu?"
+
+"Dit vreemde, stekelachtige ding."
+
+"'t Is de eierplant; ze draagt eene vrucht van vorm en kleur geheel
+gelijk een ei. Ik heb wel gehoord, dat die in de heete luchtstreken
+wordt gegeten."
+
+"Ja, mijnheer, dat is ook zoo. Men legt ze in met peper en zout;
+dat noemt men dan bringal. Me dunkt, dat moet het wel wezen."
+
+"Vast wel; ge hebt zeker gelijk," hernam mijnheer Wilson.--"Foei,
+Willem, dat hier moest ge toch kennen."
+
+"Het heeft veel van eene wijndruif."
+
+"Ja; dat is het ook, 't is eene witte druif. In allen gevalle kunnen
+wij ze eten en misschien ook wijn daaruit persen; wie weet!"
+
+"Nu heb ik nog maar ééne plant, vader. Wat is dat?"
+
+"Gij hebt het niet gekend, Willem, omdat het zoo hoog opgeschoten
+is. 't Is niets anders dan de gewone mosterdzaadplant, die wij in
+Europa in menigte aankweeken. Nu, waarlijk gij hebt uw dagwerk goed
+volbracht. Kom, haast u wat, Juno, met de tafel te dekken, meid. We
+gaan dus maar naar binnen; want de zon is reeds aan 't ondergaan en
+over een paar minuten is het donker."
+
+Zoodra zij naar huis teruggekeerd waren, werd over den thans
+onderhanden te nemen arbeid beraadslaagd. Na eenig overleg kwam men
+overeen, dat het raadzaam zou zijn eerst de boot uit het zand op te
+delven. Zoodra deze in orde was gebracht, zouden de klippenreeksen
+aan de zuidzijde onderzocht worden, om te zien of er een doorgang
+door te vinden was, daar het waarschijnlijk veel tijd zou wegnemen,
+als men ze moest omvaren.
+
+Wanneer dit geschied was, wilden mijnheer Wilson, Flink, Willem
+en Juno allen te zamen naar de andere zijde van het bosch gaan en
+eene tent medenemen, die op den nieuw ontdekten grond zou worden
+opgeslagen. Dan wilde men een vlaggestok in de kleine haven planten,
+om de plaats daaraan te kunnen herkennen. Dit alles gaf natuurlijk
+een vrij zwaar dagwerk; maar toch wilden zij nog den eigen avond
+terugkeeren, om mevrouw en de kinderen geen nacht alleen te laten.
+
+Was dit gedaan, dan zouden Flink en Willem assen, raderen en andere
+benoodigde dingen, als b. v. zagen, bijlen en spaden, in de boot
+laden en om het eiland naar de zuidzijde roeien, om de kleine haven
+op te zoeken. Terstond na hunne landing en het in veiligheid brengen
+van de boot, zouden zij dan langs het woudpad naar huis terugkeeren.
+
+Het eerstvolgend werk zou dan zijn, het yamsplantsoen te omheinen en
+tegen de verwoestingen van de varkens te beschutten.
+
+Tegelijk moesten de schapen en geiten door het bosch worden gedreven,
+om op den nieuwen weidegrond hun voedsel te zoeken.
+
+De oude plek zou blijven staan en afgemaaid worden, om hooi te winnen
+tegen den regentijd. Flink en Willem zouden eene genoegzame hoeveelheid
+kokosboomen vellen, om voor de omheining van het yamsplantsoen te
+dienen. Waren de palen eens ingeslagen, dan wilde ook mijnheer Wilson
+komen en hun verder de behulpzame hand bieden.
+
+Dit, hoopten zij, zou alles in eene maand zijn afgedaan. Gedurende
+dezen tijd konden mevrouw Wilson en Juno, die doorgaans te huis moesten
+blijven, het onkruid uit den tuin wieden en de noodige toebereidselen
+maken tot het planten van een heg. Zoodra dit gewichtige werk achter
+den rug was, zou de boot met eene lading stekelbesstruiken voor de
+tuinheg in de baai terugkeeren.
+
+Dan wilden zij hunne opmerkzaamheid op den voorraad richten, die uit
+de schipbreuk gered was geworden en nog altijd aan de bocht, waar
+zij het eerst geland waren, lag opgehoopt. Na alles onderzocht en
+de bruikbare artikelen bijeenvergaderd en in het magazijn gebracht
+te hebben, zouden zij vervolgens eene regelmatige opneming van het
+eiland te land en te water doen en eene teekening daarvan ontwerpen,
+hetgeen mijnheer Wilson zeer goed was toevertrouwd.
+
+Dit waren de plannen voor het schoone jaargetijde, dat thans een
+aanvang had genomen.
+
+
+
+
+
+
+
+DRIE-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+UITZICHT OP REDDING.
+
+
+Als naar gewoonte was Flink den volgenden morgen de eerste, die uit
+het huis kwam. Hij groette Juno, die hem op den voet volgde, en ging
+toen zijne gebruikelijke morgenwandeling doen, om naar het plantsoen
+en den verderen voorraad te zien.
+
+Eerst ging hij in den tuin aan den landpunt. Daar nam hij zich voor,
+om bij de erwten, die reeds zes of zeven duim boven den grond stonden,
+staken te zetten. Vervolgens bezag hij de groote boonen, die voor den
+regentijd gepoot waren, en besloot de aarde er rondom om te woelen;
+want dit gerecht was voor hen van veel waarde en kon gedurende den
+regentijd meermalen de hoofdschotel op hunne tafel worden. Daarna
+zag hij, of de augurken al boven den grond kwamen, en ontdekte tot
+zijne blijdschap, dat zij welig groeiden.
+
+"We hebben, voor zoover ik weet, wel geen azijn om ze in te leggen,"
+dacht hij, "maar dat kan, zooals in Rusland, ook in zout water
+gebeuren. In allen gevalle is het eene aangename afwisseling."
+
+Eindelijk richtte hij zijn oog naar de zee en monsterde, als
+doorgaans, den voor hem liggenden gezichteinder.--Daar meende hij in
+het noordwesten een schip te zien. Hij bracht zijn kijker aan het oog,
+en ziedaar, hij had zich niet bedrogen,--het was inderdaad een schip
+in de verte.
+
+Den ouden man begon het hart hevig te kloppen. Hij nam zijn kijker
+onder den arm en haalde diep adem, voordat hij zich van de ontroering,
+die hem bevangen had, herstellen kon. Na eene minuut zette hij den
+kijker opnieuw aan het oog en thans ontdekte hij, dat eene brik met
+mars- en bramzeilen regelrecht op het eiland aanstuurde.
+
+Flink wendde zich naar de rotspunt, waar zij gewoonlijk hun visch
+plachten te vangen. Daar zette hij zich neder en gaf zich aan zijne
+gedachten over. Was dat schip misschien uitgezonden, om hen in hunne
+verlatenheid op te zoeken, of was het door een bloot toeval tusschen de
+rotsen geraakt? Na kort nadenken, kwam hij echter tot het gevoelen, dat
+slechts het toeval het herwaarts geleid had; want niemand kon immers
+weten, dat zij gered waren geworden, en nog minder, dat zij zich op
+dit eiland bevonden. Dat het schip op het eiland aanhield, was enkel
+omdat het water of iets anders wenschte in te nemen. Misschien wilde
+het ook zijne koers veranderen en het eiland slechts voorbijzeilen.
+
+"Nu dan, er moge gebeuren wat er wil," dacht de oude, "vooreerst
+zal ik Willems ouders niets van de zaak zeggen. Het zou wreed
+zijn eene hoop bij hen op te wekken, die zoo licht nog kan worden
+teleurgesteld. Binnen weinig uren zal 't immers toch beslist zijn. Maar
+Willem moet ik het toevertrouwen,--dat kan niet anders, hij is een
+brave jongen en daarbij ook verstandig, ver boven zijne jaren. Als
+hij in 't leven blijft, zal hij eens een knap en, wat meer is, een
+braaf man worden."
+
+Met deze woorden stond Flink op, monsterde het schip nog eenmaal door
+zijn kijker en ging toen naar huis. Willem was reeds op; de anderen
+daarentegen waren nog bezig met zich aan te kleeden.
+
+"Willem," begon Flink, terwijl beiden het huis verlieten, "ik heb
+u een geheim mede te deelen, dat gij vooreerst nog aan niemand
+moogt verklappen, zooals gij zelf wel kunt inzien. Bovendien zullen
+weinige uren de zaak beslissen." Willem gaf gereedelijk de belofte
+van stilzwijgendheid. "Ginds op zee vertoont zich een schip, dat óf
+een middel kan zijn om ons uit onze ballingschap te verlossen, óf in
+'t ergste geval langs het eiland voorbijvaart, zonder ons gewaar te
+worden. Ware dit laatste zoo, dan zou 't eene grievende teleurstelling
+voor uwe ouders zijn, als zij het te weten kwamen."
+
+Willem staarde Flink in het gezicht en kon een tijdlang geen woord
+uitbrengen, zoo groot was zijne verbazing.
+
+"Ach, Flink, wat zal ik dankbaar zijn! Ik hoop, dat wij eindelijk
+verlost worden, want gij weet niet, hoe mijn arme vader in het geheim
+lijdt--en mijne moeder niet minder."
+
+"Ik weet het wel, Willem, ik weet het zeer goed en vind het ook
+natuurlijk. Zij zoeken hun verdriet zoo goed mogelijk te verbergen,
+en meer kan men van hen niet verlangen.--Maar nu, Willem, komt het
+op een rasch besluit aan: nog vóór het ontbijt moeten wij aan het
+werk. Doch wacht eens,--eerst wil ik u het schip wijzen."
+
+Flink richtte zijn kijker op het schip, liet zijn instrument tegen
+den stam van een kokosboom leunen, en toen bracht Willem zijn oog
+aan het glas.
+
+"Ziet gij het?"
+
+"O ja, Flink; het komt recht op ons aan."
+
+"Ja, ja, het stuurt regelrecht op het eiland los. Maar spreek zoo hard
+niet, mijn jongen. Ik zal den kijker hier laten; wijzelven zullen
+aan het werk gaan; in het voorraadhuis vinden wij eene bijl. Kom,
+Willem, gezwind, jongen, voordat uw vader buiten komt."
+
+Beiden gingen naar het magazijn, om de bijl te halen. Flink zocht
+een zeer dunnen kokosstam aan den oever uit. Deze werd geveld en
+zoodra hij van den kop ontdaan was, met Willems bijstand naar de
+landpunt gebracht.
+
+"Nu, Willem, moet ge eene schop halen en hier een gat graven, waarin
+wij dezen stam als een seinstok zetten kunnen. Is dat gedaan, dan
+haal ik een klein blok en touw, om de vlaggen, zoodra het schip ze
+bemerken kan, aan den stok op te hijschen. Is 't gat diep genoeg,
+dat komt gij aan en doet alsof er niets is voorgevallen. Onder 't
+ontbijt stel ik dan voor, dat wij beiden de boot uit het zand halen en
+onderzoeken. Uw vader krijgt zoolang werk, dat hem binnenshuis houdt."
+
+"Maar de vlaggen, Flink,--zij hangen voor moeders bed. Hoe zullen
+wij die in handen krijgen?"
+
+"Ik zal voorwenden, dat het nu tijd is, om het huis eens behoorlijk
+schoon te maken, en daarbij moeten dan de venster- en bedgordijnen
+afgenomen en op dezen mooien dag buiten gelucht worden. Verzoek
+uw vader daarover het opzicht te houden, terwijl wij de boot
+uitgraven. Dat zal allen in huis wel bezighouden."
+
+"Goed; zoo zal het gaan. Flink."
+
+Onder het ontbijt zeide Flink, dat hij van plan was om vandaag de
+boot uit het zand te graven, en dat Willem hem daarbij best helpen kon.
+
+"En wat zal ik onderwijl bij de hand nemen?" vroeg mijnheer Wilson.
+
+"Wel, mijnheer, daar de regen voorbij is, zou het, dunkt mij, niet
+kwaad zijn, dat wij de bedden eens luchtten. 't Is vandaag een warme,
+mooie dag; als al het beddegoed buiten de deur gebracht en flink
+uitgeklopt werd dan kon men het in de zon laten liggen, en zoo kwam
+er alweder een noodzakelijk werk afgedaan."
+
+"Ja, ja, dat zal zeer goed zijn, Flink," oordeelde mevrouw Wilson;
+"onderwijl kunnen Juno en ik het huis van boven tot beneden uitstoffen
+en schoonmaken."
+
+"Dienden dan de gordijnen ook niet eens afgenomen en in de lucht
+gehangen te worden?" vroeg Willem.
+
+"Ja, waarlijk, dat zou zoo kwaad niet zijn," sprak Flink. "Bij 't
+afnemen der gordijnen en vlaggen willen wijzelven een handje helpen
+en ze dan in de lucht uitleggen. Als mijnheer er niet tegen heeft,
+kan hij het oppertoezicht over de schoonmakerij houden en mevrouw en
+Juno helpen, als zij bijstand noodig hebben."
+
+"Van harte gaarne," was het antwoord. "Welnu, het ontbijt is
+afgeloopen; zoo zullen we dan maar terstond beginnen, als ge
+'t goedvindt."
+
+Flink en Willem namen de gordijnen en vlaggen af en droegen ze naar
+buiten. Op eenigen afstand van de woning werden de eerste op den
+grond uitgespreid; maar met de vlaggen liep Willem haastig naar
+het strand. Flink haalde blok en lijnen om ze aan den seinstok op
+te hijschen.
+
+Flinks krijgslist gelukte volkomen. Zonder door de familie gezien te
+worden, werd de seinpaal opgericht, in den grond gezet en de vlaggen
+tot optrekken gereed gehouden. Vervolgens gingen Flink en Willem
+naar den houtstapel. Ieder nam zooveel rijs, als hij dragen kon,
+om daarmede een rook te verwekken, die de opmerkzaamheid van het
+scheepsvolk trekken moest.
+
+Dit alles nam niet meer dan een uur weg, gedurende welken tijd de brik
+haar koers naar het eiland onafgebroken vervolgde. Toen Flink het
+schip voor 't eerst gezien had, was er slechts weinig wind geweest;
+onderwijl was de bries echter vrij hevig geworden en de brik had
+daarom hare bramzeilen geborgen. Achter het schip was de horizon,
+die in den beginne blauw en helder geweest was, allengs met wolken
+bedekt geworden en de golven aan de klippen die van het eiland in de
+zee uitliepen, werden met wit schuim gekuifd.
+
+"De wind wordt al heviger," begon Flink; "het schip moet nu weldra
+bij ons zijn, als het niet afgeschrikt wordt door de riffen, die het
+thans, nu de golven hoog gaan, duidelijker dan te voren bemerken kan."
+
+"Ik hoop niet, dat ze zich laten afschrikken," hernam Willem. "Hoe
+ver mag de brik nog wel verwijderd zijn?"
+
+"Vijf mijlen omtrent, Willem,--meer niet. De wind is nu meer naar
+het zuiden gedraaid en stapelt de wolken ras op. Ik vrees half,
+dat wij een duchtigen storm krijgen, ofschoon die niet lang duren
+zal. Kom, jongen, laat ons de vlaggen ophijschen; wij mogen niet
+langer talmen. Ze zullen braaf in den wind wapperen, zoodat men ze
+van ginds af wel al zien kan."
+
+Zij heschen eerst den langen wimpel op, vervolgens kwam de breede
+vlag, waarop de naam van hun verloren schip, De Vrede, met reusachtige
+letters geschreven stond.
+
+"Ziedaar," sprak Flink, nadat de touwen waren vastgebonden. "Nu zullen
+we vuur slaan en terdege rook maken. Dat moet in allen gevalle hunne
+opmerkzaamheid trekken."
+
+Zoodra de kokosbladeren in vlam stonden, werd er water op gegoten,
+zoodat zij aan 't smeulen gingen en een dichte rookkolom er uit
+opsteeg.
+
+Het schip naderde in rassche vaart. De beide toeschouwers sloegen het
+met gespannen verwachting gade.--Daar op eenmaal zagen zij vader en
+moeder, met Thomas en Caroline, ook Juno met den kleinen Albert op
+den arm, allen met haastige schreden op het strand toesnellen.
+
+Ziehier, hoe dit kwam. Thomas, den arbeid moede, had het huis
+verlaten en was in zijn eentje naar het strand gestapt. Daar
+bemerkte hij eerst de waaiende vlaggen en eindelijk ook het schip,
+dat naderde. Oogenblikkelijk rende hij naar huis terug, uit al zijn
+macht roepende: "Vader! Moeder! Kapitein Osborn is er; hij komt met
+een groot schip om ons te halen." Op dit bericht ijlden beide ouders
+naar buiten, ontdekten het schip en de in den wind wapperende vlag
+en spoedden zich, gelijk reeds gezegd is, naar Flink en Willem,
+die bij den vlaggestok stonden.
+
+"Och, Flink! waarom hebt ge ons dat niet gezegd?" riep mijnheer Wilson
+reeds van verre, geheel buiten adem.
+
+"Ik wenschte, dat gij het ook thans nog niet vernomen hadt, mijnheer,"
+antwoordde de oude man; "doch dat is te laat. Het geschiedde voor
+'t overige met de beste bedoeling van de wereld."
+
+"Ja, waarlijk, dat is zoo, vader!"
+
+Mevrouw Wilson zeeg op de rots neder en brak in tranen uit; haar
+echtgenoot was niet minder ontroerd en geschokt.
+
+"Heeft het schip ons reeds opgemerkt, Flink?" vroeg de laatste
+eindelijk.
+
+"Neen, mijnheer, nog niet. Dit juist wilde ik afwachten, voordat ik
+u de tijding kwam brengen," was het antwoord.
+
+"De brik verandert haar koers," merkte Willem aan.
+
+"Ja, ja, zij is opgeloefd, waarschijnlijk uit vrees van te na op de
+klippen te zullen komen."
+
+"Zij zal ons toch niet verlaten?" riep mevrouw Wilson angstig.
+
+"Neen, mevrouw; maar men heeft ons nog niet gezien."
+
+"Maar nu--nu ziet men ons!" riep Willem en slingerde zijne muts in
+de hoogte. "Ziet maar, de brik heeft hare vlag geheschen."
+
+"Waarlijk! thans heeft zij ons ontdekt."
+
+Mijnheer Wilson omarmde zijne echtgenoote, die zich snikkend aan
+zijn hals wierp, kuste vol verrukking zijne kinderen en schudde
+den ouden Flink vol dankbaarheid de hand. Hij was geheel uitgelaten
+van vreugde. Willem was niet minder verrukt, Juno weende en lachte,
+alles in één adem, en Thomas vatte de kleine Caroline bij de handjes
+en danste met haar om den vlaggestok rond.
+
+Zoodra het gezelschap iets kalmer geworden was, merkte Flink aan:
+
+"Dat zij ons gezien hebben, mijnheer, daaraan is thans geen twijfel
+meer. Wij hebben nu niets haastigers te doen, dan onze boot uit het
+zand te halen. Wijzelven kennen wel den doorgang door de klippen,
+maar die op het schip niet. Ik twijfel overigens, of zij wel wagen
+zullen, voordat de wind eenigszins bedaard is, eene sloep naar wal
+te sturen. Gij ziet zelf, mijnheer, de wind is op dit oogenblik
+vrij sterk."
+
+"Maar gij gelooft toch niet, Flink, dat het nog harder zal beginnen
+te waaien?"
+
+"Ik moet het u, helaas, bekennen, mijnheer,--ja, dat geloof ik. Naar
+het zuiden ziet de hemel er vrij dreigend uit, en voordat de storm
+voorbij is, kunnen zij zich moeielijk wagen aan een eiland, dat
+gelijk het onze, zoo rondom van de klippen en riffen omgeven is. 't
+Zou inderdaad hoogst roekeloos van hen wezen, als zij het deden. Doch
+dit alles moet zich binnen weinige uren uitwijzen."
+
+"Maar zelfs als de storm losbreekt, zullen zij toch zekerlijk het
+eiland niet verlaten zonder ons mede te nemen?" merkte mevrouw Wilson
+aan. "Nadat de storm voorbij is, keeren zij zeker wel terug."
+
+Flink zeide niets. De brik had intusschen andermaal gewend, alsof
+zij op het eiland wilde aansturen. Weldra echter lag zij weder den
+wal uit met den steven noordwaarts.
+
+"Zij verlaat ons!" riep Willem bedroefd.
+
+"Laaghartige schurken!" viel mijnheer Wilson vertoornd uit.
+
+"Gij geeft hun ten onrechte een zoo harden naam, mijnheer," antwoordde
+Flink. "De storm verheft zich met geweld en 't zou zeer gevaarlijk
+voor hen zijn, als ze daar, waar ze thans zijn, blijven wilden."
+
+Mijnheer Wilson keerde zich tot zijne gade en gaf haar met een
+bedrukt gezicht den arm. Zonder een woord te spreken verlieten zij
+het strand. De overige familie volgde hen,--alleen Flink bleef bij
+den vlaggestok achter. Hoe treurig stak deze doodsche verslagenheid
+bij de luidruchtige vreugde af, waarmede zij het huis hadden verlaten!
+
+
+
+
+
+
+
+VIER-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+SPOREN VAN EILANDERS.
+
+
+Bij zijne thuiskomst vond Flink allen in zoo diepe treurigheid
+verzonken, dat hij het niet raadzaam achtte een enkel woord te
+spreken. Zoo viel de avond en naderde tijd om naar bed te gaan.
+
+Dien ganschen nacht bulderde de storm onophoudelijk door en het water
+werd met emmers uit den hemel gegoten. De kinderen sliepen gerust,
+zooals altijd; maar vader en moeder, Willem en Flink deden geen oog
+toe, luisterden naar de windvlagen en hielden zich ieder met zijne
+eigene gedachten bezig. Sedert hunne komst op het eiland was dit de
+onrustigste nacht, dien zij nog beleefd hadden.
+
+Al vóór dag en dauw was Flink in de kleeren en reeds vóór het opgaan
+der zon stond hij aan het strand. De storm had nu zijne grootste
+hevigheid gehad; maar hoe angstig en scherp hij ook met zijn kijker
+rondzag,--van het schip van gisteren was geen zweem meer te ontdekken.
+
+Hij bleef aan de kust, totdat de tijd van het ontbijt kwam; toen kwam
+Willem, om hem te halen en beiden keerden naar huis terug. Bij zijne
+komst vond hij mijnheer en mevrouw Wilson bedaarder en kalmer, dan zij
+den dag te voren geweest waren. Beiden heetten hun hartelijk welkom.
+
+"Ik vrees, Flink, dat gij ons weinig goede tijding brengt," zeide
+mijnheer Wilson.
+
+"Waarom dat? Voor 't overige kunt gij die ook niet verwachten,
+voordat de storm geheel en al voorbij is."
+
+"Zeg mij, Flink," vroeg mevrouw, "gelooft gij waarlijk, dat het schip
+tot ons zal terugkomen?"
+
+"Ik zal u al onze uitzichten doen kennen, mevrouw; meer kan ik toch
+bezwaarlijk doen. Zoolang de storm aanhield, kon het schip hier
+onmogelijk blijven; dat kunt gij zelve wel begrijpen. Wat de orkaan
+ten gevolge had, weet niemand onzer te zeggen. Misschien is de brik
+in onze nabijheid, als de wind gaat liggen; misschien ook werd zij
+door den wind ettelijke honderden mijlen van ons weggedreven.--Dan,
+mevrouw, komt de tweede mogelijkheid. Uit de nadering van het schip
+tot ons eiland, leid ik af, dat het gebrek aan het water had. Nu is
+de vraag of de kapitein misschien niet geraden acht, om zonder zich
+verder om ons te bekommeren in de voor hem bestemde haven binnen te
+loopen of op eene andere plaats water in te nemen. Gij weet, mevrouw,
+dat een kapitein bovenal op 't belang van zijne reeders heeft te
+letten. Wel geloof ik, dat het schip, als dat zonder nadeel geschieden
+kan, ongetwijfeld zal terugkeeren. De eerste vraag is maar--of het
+kan, dan komt de tweede: of de kapitein menschlievend genoeg is,
+om voor ongelukkige medemenschen iets over te hebben."
+
+"In dat alles ligt maar weinige troost voor ons opgesloten, Flink."
+
+"Maar wat helpt het ook, mijnheer, of wij ons met valsche verwachtingen
+vleien en de oogen verblinden?" was het antwoord. "Evenwel zelfs als
+het schip zijne reis vervolgde en wij het niet meer te zien kregen,
+geloof ik toch dat wij alle reden hebben om blijde te zijn."
+
+"En waarom dan, Flink?"
+
+"Wel, mijnheer, vóór de komst van dat schip wist geen menschelijke
+ziel, of wij nog in leven waren of niet, en zoo zou ook niemand naar
+ons gezocht hebben. Nu evenwel is dit bekend. Uit den scheepsnaam op
+onze vlag weten ze wie we zijn, en als ze nu behouden in de haven
+aankomen, zullen ze niet nalaten daarvan aan onze vrienden bericht
+te brengen. En hebben wij niet alle reden om daarover recht verheugd
+te zijn? 't Kan wezen, dat wij door dit schip niet verlost worden;
+maar dan hebben wij althans alle hoop, dat een tweede naar ons wordt
+uitgezonden."
+
+"Dat is waar, Flink. Dat had ik al vroeger moeten bedenken; maar
+mijne teleurstelling en mijne wanhoop waren gisteren zoo groot,
+dat ik geen redelijk mensch meer was."
+
+De storm hield nog den ganschen dag aan en scheen nog niet te willen
+bedaren, toen zij zich andermaal ter ruste begaven. Den volgenden
+morgen was Flink als naar gewoonte weder vroeg op, en ditmaal
+vergezelde Willem hem naar het strand.
+
+"Flink! Flink!" riep Willem en wees naar de zuidoostelijke punt van
+de klippen. "Wat is dat?--Zie maar! het is eene boot!"
+
+Flink bracht den kijker aan 't oog. "Het is eene kano, Willem; en
+mij dunkt, er zijn menschen in."
+
+"Maar, Flink, waar kunnen die vandaan komen? Zie eens, nu zijn zij
+tusschen de klippen; daar gaan zij immers te gronde. Kom, Flink,
+laat ons hun te gemoet gaan."
+
+Zij snelden beiden naar het strand op het punt aan, waar de boot
+op de branding voortdanste en wachtten totdat deze op den oever
+werd geworpen.
+
+"Willem, die kano moet van het groote eiland ginds hierheen zijn
+gedreven," zeide Flink, wederom door zijn kijker ziende. "Er zijn twee
+menschen in en dat zijn inlanders. De arme schepsels worstelen hard
+om hun leven en schijnen doodelijk uitgeput. Doch 't gevaarlijkste
+gedeelte van de klippen hebben zij toch reeds achter zich!"
+
+"Ja," antwoordde Willem; "spoedig komen ze in stiller water. Die
+branding hier aan het strand is evenwel toch al heel erg."
+
+"Die zal hun geen kwaad doen, als de kracht hun slechts niet
+begeeft. Waarlijk, ze weten recht goed met hun kano om te gaan."
+
+Onder dit gesprek was de kano met snelheid de kust genaderd. Een
+oogenblik later schoot hij door de branding heen en boorde vast in
+het zand. De beide menschen daarin hadden ternauwernood nog kracht
+genoeg gehad, om door de branding heen te roeien; toen dit gebeurd was,
+zegen zij uitgeput op hunne riemen neder.
+
+"Wij zullen den kano verder ophalen, Willem. De arme schepsels kunnen
+geen vinger meer verroeren."
+
+Nu eerst ontdekte Flink, dat de eilanders beiden van het vrouwelijk
+geslacht waren. Hare gezichten waren heel getatoeëerd of met allerlei
+vreemde figuren beprikt, wat haar een vreemd voorkomen gaf; maar voor
+'t overige waren zij nog jong en zagen er lang niet slecht uit.
+
+"Zal ik naar huis loopen en wat eten voor haar halen?" vroeg Willem.
+
+"Ja, jongen, doe dat. Juno zal u wel wat geven, en als 't kan,
+wat warms."
+
+Willem keerde spoedig met eene gortepap terug, die Juno nog van het
+ontbijt had overgehouden en waarvan zij de wilden eenige lepels in den
+mond goten, die daarna weldra eenigszins schenen te bekomen. Hierop
+liet Willem den ouden Flink bij haar achter en liep naar huis, naar
+vader en moeder, om die van de onverwachte gebeurtenis kennis te
+geven. Kort daarna kwam hij met zijne moeder terug. De beide wilden
+waren intusschen zoover gekomen, dat zij zich oprichten konden, en
+allen spanden nu dadelijk hunne krachten in, om den kano zoo ver zij
+konden op het land te trekken, ten einde te verhinderen, dat zij door
+de golven werd in stukken geslagen.
+
+Zij vonden in de boot niets dan eene kleine mat, benevens de beide
+riemen, waarvan de vrouwen zich bediend hadden. De laatste zoowel
+als de boot zelve waren op eene heel wonderlijke wijze gemaakt.
+
+"Ge ziet, mijnheer," zeide Flink tot mijnheer Wilson, "de beide arme
+schepsels waren zekerlijk tot bewaking in den kano achtergebleven
+en zijn nu door den storm van een der zuidoostelijke eilanden
+afgedreven. Ze moeten sinds eergisteren met den orkaan gekampt hebben
+en hebben in al dien tijd denkelijk nat noch droog over de lippen
+gehad. 't Is waarlijk een geluk voor haar, dat zij op ons eiland
+aandreven."
+
+"Ja, inderdaad," hernam mijnheer Wilson. "Voor 't overige moet ik
+evenwel zeggen, dat mij zulk een bezoek niet bijzonder verblijdt. Het
+is een bewijs voor hetgeen wij tot hiertoe nog niet met zekerheid
+geweten hebben, dat wij, namelijk, dichtbij buren hebben, die ons
+misschien wel eens heel ten onpas met een bezoek konden vereeren."
+
+"Dat is licht mogelijk, mijnheer," antwoordde Flink: "maar de arme
+schepsels die zoo bij ons komen aanspoelen, kunnen 't geval noch erger
+noch beter maken. Misschien kan het ons zelfs tot voordeel strekken;
+want als deze twee wilden Engelsch leeren, voordat hare landgenooten
+ons komen opzoeken, kunnen zij ons tot tolken dienen en zoo misschien
+tot de redding van ons leven bijdragen."
+
+"Zou zulk een bezoek dan zoo gevaarlijk voor ons uitvallen Flink?"
+
+"Wel, wilden zijn eens en voor al wilden. Evenals kleine kinderen,
+verlangen zij naar alles wat hun in de oogen blinkt, inzonderheid
+naar zulke dingen, waarvan zij het gebruik kennen, zooals ijzer bij
+voorbeeld. Als zij hierheen kwamen en wij een deel van onze goederen
+verborgen, maar 't overschot aan hen overleverden, dan konden wij
+ons leven misschien nog redden. Evenwel kan men ook in dat geval niet
+veel op hen vertrouwen, en ik zou stellig aanraden ons ook tegen eene
+groote overmacht te verweren, liever dan ons op genade of ongenade
+over te geven."
+
+"Maar, zouden we ons dan ooit met mogelijkheid tegen zulk eene groote
+menigte verdedigen kunnen?"
+
+"We moeten behoorlijk zijn voorbereid, mijnheer. Als we ons maar goed
+verschanst hebben, kunnen we het tegen een paar honderd wel opnemen."
+
+Mijnheer Wilson sloeg de hand aan het voorhoofd.
+
+"'t Is waarlijk niet heel troostrijk," zeide hij, na eene poos,
+"nu op dit oogenblik aan een verdedigingsplan tegen de wilden te
+moeten denken, nadat wij voor twee dagen nog hoop hadden van dit
+eiland verlost te worden. O, dat die brik zich nog weer liet zien!"
+
+"De wind gaat langzamerhand liggen, mijnheer!" antwoordde Flink,
+"nog vóór den avond hebben wij kostelijk weer. We kunnen immers later
+overleggen; in allen gevalle geef ik deze eerste week alle hoop nog
+niet op."
+
+"Eene heele week, Flink! Och, hoe waar is het, dat teleurgestelde
+hoop den mensch geheel wanhopig maakt!"
+
+"'t Is een zware ramp, mijnheer Wilson; evenwel moeten wij ons
+schikken. Voor het tegenwoordige zouden we 't best doen, als wij
+deze arme schepsels maar onder dak brachten en maakten, dat ze weer
+wat bijkwamen."
+
+"Ja, Flink; mij dunkt, teekens zullen ze toch wel verstaan?"
+
+De oude man beduidde haar nu door teekens, dat ze zouden opstaan. Dit
+deden zij ook, hoewel niet zonder zwarigheid. Toen ging hij vooruit
+en gaf haar een teeken, dat ze volgen zouden. Zij begrepen hem
+en poogden te loopen, maar waren zoo zwak, dat zij op den grond
+zouden zijn neergevallen, als mijnheer Wilson en zijn zoon haar niet
+vastgehouden hadden.
+
+Er was een lange tijd noodig, voordat men haar in het woonhuis had
+gebracht. Mevrouw, die van alles onderricht was, ontving haar zeer
+vriendelijk, en Juno had een tafel gedekt, die nu voor haar werd
+nedergezet. Zij aten een weinig en legden zich toen neder, waarop
+zij weldra in diepen slaap verzonken.
+
+"'t Is een geluk voor ons, dat het vrouwen zijn," merkte mijnheer
+Wilson aan; "als het mannen geweest waren, zouden wij er erger aan
+toe zijn geweest."
+
+"Ja, zeker," hernam Flink; "evenwel mogen wij ook de vrouwen in den
+beginne niet al te veel vertrouwen, want ze zijn en blijven altijd
+wilden. Als wij nog langer op dit eiland moeten blijven, kunnen zij
+in vele opzichten nuttig, ja, zelfs van groote waarde voor ons zijn,
+daar zij ons veel werk kunnen helpen verrichten."
+
+"Maar waar zullen wij haar van nacht onder dak brengen, Flink?"
+
+"Ik dacht daar juist over, mijnheer. Ik wenschte, dat wij hier
+dichtbij eene loods of een schuurtje hadden; doch bij gemis daarvan
+moeten wij haar wel in het magazijn laten slapen."
+
+"O ja, dat zal zeer goed gaan."
+
+De vreemde vrouwen hadden zich spoedig van hare uitputting hersteld en
+schenen zeer zacht en handelbaar te zijn. Wat zij doen konden, deden
+zij gaarne en gewillig en ook hadden zij na verloop van veertien dagen
+reeds eenige Engelsche woorden geleerd. Een nieuw tochtje over het
+eiland werd afgesproken en op den aanstaanden Maandag vastgesteld, toen
+hen een nieuwe ramp trof, die al hunne gemaakte plannen overhoop wierp.
+
+Des Zaterdagsmorgens, toen Flink als gewoonlijk zijne ronde deed,
+daalde hij juist naar het strand neer, toen hij den Indiaanschen kano
+vermiste. Hij was geheel uit het water opgehaald geworden en kon dus
+onmogelijk zijn weggedreven.
+
+Flink ontstelde op dat gezicht. Hij richtte zijn kijker naar den
+kant van het groote eiland en meende op verren afstand een donker
+punt op het water te ontdekken. Terwijl hij daar nog stond te turen,
+kwam Willem ook aan het strand en voegde zich bij zijn ouden vriend.
+
+"Ach, Willem," riep Flink, "ik vrees, dat de vrouwen in haren kano
+ontsnapt zijn. Ga schielijk heen en zie of ze ook in het magazijn of
+ergens anders zijn en kom mij dan terstond zeggen, hoe het is."
+
+Willem keerde na weinige minuten ademloos terug en meldde, dat de
+wilden nergens te vinden waren en bovendien nog eene menigte groote
+spijkers en andere stukken ijzerwerk, die in kleine vaatjes in het
+magazijn gestaan hadden, moesten hebben medegenomen.
+
+"Dat is leelijk, Willem,--waarlijk heel leelijk; het is voor ons een
+veel grooter ongeluk, dan dat het schip niet is teruggekomen."
+
+"O, Flink, wij zullen ons zonder haar ook wel redden."
+
+"Ja, dat wel. Maar als de vrouwen tot haar volk terugkeeren en daar
+het ijzer vertoonen, dat ze hebben medegebracht; als ze vertellen,
+dat er bij ons nog veel meer te krijgen is,--dan kunt ge er op rekenen,
+dat wij spoedig een talrijk bezoek van hare landslieden krijgen zullen,
+die meer van ons eigendom halen willen. Ik had daarop bedacht moeten
+zijn en den kano niet hier gelaten of haar zelfs verbrand moeten
+hebben. Wij moeten dadelijk bij uw vader gaan en met hem beraadslagen,
+want hoe eer wij met ons werk aanvangen, des te beter voor ons. Kom,
+Willem, kom;--maar vergeet niet uwe moeder de zaak zoo licht voor te
+stellen als mogelijk is."
+
+Zoodra zij bij mijnheer Wilson waren, deelden zij hem het rampspoedige
+nieuws mede. Hij begreep dadelijk het gevaar, dat er bestond, doch
+achtte het raadzaam zijne vrouw daar terstond mee bekend te maken en
+haar niets te verbergen. Daarna hielden zij een krijgsraad, waarbij
+het volgende plan werd ontworpen.
+
+In de eerste plaats scheen het noodzakelijk het magazijn in een
+blokhuis te veranderen, zoodat het iederen vreemdeling onmogelijk moest
+worden daarin door te dringen. Zoodra de verschansing voltooid was,
+moest de woning naar het magazijn verlegd worden. De voorraad, waarvoor
+in het nieuwe blokhuis geene plaats was, moest in hunne tegenwoordige
+woning bewaard blijven of in het kokosbosch verborgen worden. Eerst
+nadat al deze veiligheidsmaatregelen tegen een onverwachten aanval
+genomen waren, wilde men de vroeger ontworpen plannen ten uitvoer
+brengen. Des Maandags wilden zij aan het werk beginnen.
+
+"Ik weet niet hoe het komt, maar ik gevoel thans, nu er gevaar voor
+oogen is, oneindig meer moed, dan toen er nog weinig of niets te
+vreezen was," zeide mevrouw Wilson.
+
+"Daar twijfel ik volstrekt niet aan, mevrouw. Ik ben integendeel
+overtuigd dat indien uw moed op de proef mocht worden gesteld, gij
+die zekerlijk ook zult blijven toonen."
+
+
+
+
+
+
+
+VIJF-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+KRIJGSRAAD.
+
+
+Niettegenstaande zij in den beginne alles gedaan hadden om elkanders
+moed en vertrouwen op te wekken, bevonden onze vrienden zich nu toch in
+zulk een pijnlijken toestand van angst en verwachting, dat de eerste
+drie weken na het plotseling verdwijnen van het schip, ondanks alle
+plannen en beraadslagingen, in volstrekte werkeloosheid voorbijgingen,
+daar zij zich nu eens met de hoop vleiden, dat het gewenschte schip
+nog terugkeeren kon, en dan weder bezorgde blikken naar het eiland
+wierpen, om zich te overtuigen, dat nog geene groote vloot van kano's
+tot hun verderf in aantocht was.
+
+Zoo waren zij dan ook eens op een morgen met zonsopgang in de nabijheid
+van den schildpadvijver en namen den ganschen gezichtseinder met hun
+kijker op. Toen begon Flink, zich tot mijnheer Wilson wendende:
+
+"Waarlijk, mijnheer, die staat van werkeloosheid mag toch niet langer
+zoo aanhouden. Voorleden nacht kwam ik op een goeden inval en ik
+geloof u thans een voorslag te kunnen doen, dien gij denkelijk zult
+goedkeuren. Zoo, dacht ik, moesten we nu maar terstond een krijgsraad
+houden en tot een besluit zien te komen."
+
+"Van harte gaarne, Flink," antwoordde mijnheer Wilson en zette zich
+op een rotsblok neder. "Gij zijt de oudste en ervarenste van ons
+drieën;--laat ons hooren, wat gij hebt voor te slaan."
+
+"Welnu, mijnheer. Naar 't mij voorkomt, mogen wij niet langer in ons
+huis blijven, want wij konden daar, gelijk ik zeide, ieder uur van
+den nacht door de wilden verrast worden en zijn er tegen overmachtige
+vijanden zonder alle middelen van verdediging."
+
+"Dat zie ik wel in en heb ik reeds geruimen tijd ingezien," was
+het antwoord; "doch wat zullen we doen? Zullen wij naar de westkust
+terugkeeren?"
+
+"Mij dunkt neen, mijnheer," hernam Flink. "Mijn voorslag is deze:
+wij hebben in 't zuiden van 't eiland een ontdekking gedaan, die voor
+ons van groot gewicht is. Ik bedoel daarmee echter niet de vruchten
+en planten, die wij gevonden hebben, want deze zijn wel van veel
+waarde, maar zullen ons slechts gedurende den zomertijd een desnoods
+ontbeerlijk genot aanbieden. Groot nut verleent ons ook het voeder voor
+het vee, dat wij daar ontdekt hebben, vooral gedurende den regentijd,
+maar het hoofdvoordeel brengt ons dat met yamswortels bezet stuk
+land aan, dat ons voedsel voor den winter zal geven. Ze zijn voor ons
+van het grootste belang en we kunnen ze niet spoedig genoeg tegen de
+zwijnen beschutten, die ze ongetwijfeld met wortel en al opwroeten,
+als we dat niet tijdig voorkomen. Nu weet ge zeer goed, mijnheer,
+wat we vroeger besloten, maar niet volvoerd hebben. Ik geloof echter,
+dat de kokosheining nu te veel tijd zal wegnemen en 't wel voldoende
+zal zijn, als wij de yamswortels met sloot en heg omheinen. Als we
+daarbij echter gedurig weer naar ons huis terugkeeren en mevrouw met
+de kleinen alleen laten moesten, zou dat zeer lang aanhouden,--en
+dus stel ik voor, om, daar 't weder zoo geheel is opgeklaard en nu
+wel maanden lang goed blijven zal, onze tenten daar ter plaatse op
+te slaan en met de gansche familie naar de zuidkust te trekken. Zij
+zullen daar binnenkort geheel thuis en in allen gevalle veel veiliger
+zijn, dan als zij zonder eenige verdediging hier achterbleven."
+
+"Een uitmuntende raad, Flink; wij worden daardoor zooals gij opmerkt,
+voorloopig aan het gevaar onttrokken, en zijn wij eenmaal daar,
+dan kunnen wij altijd nog overleggen wat voor ons het beste is."
+
+"Juist, mijnheer. Misschien hebben onze vluchtelingen het eiland in
+'t geheel niet bereikt, want de eerste dagen, nadat zij ons eiland
+verlieten, hadden zij den wind vlak tegen, en bovendien is de stroom in
+deze richting zeer sterk. Zijn ze echter werkelijk behouden aangeland,
+dan moeten wij ons op een bezoek van de wilden voorbereid houden, en
+als die landen, komen zij natuurlijk regelrecht op onze tegenwoordige
+woning aan."
+
+"Gij wilt toch niet, Flink, dat wij dit gedeelte van 't eiland en
+al de gemakkelijke inrichtingen, die wij er tot stand brachten,
+voor altijd verlaten?" vroeg Willem.
+
+"Ei, zeker niet voor altijd, mijn beste Willem; en daarmee kom
+ik tot het tweede gedeelte van mijn voorstel.--Zoodra wij met ons
+yamsplantsoen gereed zijn en alles zoo goed mogelijk in orde hebben,
+laten wij mevrouw en de kinderen achter en gaan hier weder aan
+den arbeid. Zooals bepaald is, moeten wij ons tegenwoordig woonhuis
+opgeven en ons magazijn, dat in het bosch verscholen ligt, tot woning
+inrichten en zoodanig versterken, dat wij tegen elken onverhoedschen
+aanval van de wilden gedekt zijn; want in eene vaste woning moeten
+wij in elk geval terugkeeren, daar wij, als het regenseizoen invalt,
+niet meer onder de tenten kunnen blijven."
+
+"Hoe wilt gij het magazijn dan verschansen, Flink?" vroeg mijnheer
+Wilson. "Daarvan weet ik niets.--Wat is zulk een blokhuis eigenlijk?"
+
+"Dat zal ik u bij gelegenheid uitleggen.--Nu, echter, mijnheer,
+komt er nog velerlei. Als de wilden hierheen komen, moeten wij ons
+in allen gevalle met vuurwapens tegen hen kunnen verdedigen. Een
+enkel man met een geweer achter eene palissade is beter dan twintig,
+die alleen met knotsen en lansen gewapend zijn, en zóó slechts mogen
+wij hopen onze vijanden op de vlucht te slaan."
+
+"Naar het mij voorkomt, is uw plan voortreffelijk, Flink," antwoordde
+mijnheer Wilson. "Hoe spoediger wij daarmee beginnen, des te beter
+zal het voor ons zijn."
+
+"Daar is geen twijfel aan, mijnheer. Het eerste moet wezen, dat
+Willem en ik op deze zijde van de klippen een doorgang voor onze boot
+opzoeken; dan zullen wij naar de kleine haven omzien, die wij reeds
+vroeger ontdekt hebben. Zoodra dit geschied is, keeren wij terug,
+brengen tenten en al het noodige in de boot, en hebben wij die eerst
+opgeslagen en alles behoorlijk in orde gebracht, dan kan mevrouw met de
+kinderen met ons door het bosch trekken en ze in bezit nemen.--Als we
+'t nu over de zaak eens zijn, mijnheer, moesten wij maar zoo spoedig
+mogelijk beginnen, want wij hebben zeer veel te doen en mogen niet
+vergeten, dat wij, voordat wij met het blokhuis aanvangen, eerst
+nog een bezoek op de westkust moeten afleggen, om spijkers en andere
+benoodigdheden te halen, en als wij daar toch eens bij zijn, kunnen
+wij evengoed ook eene geheele monstering over onzen voorraad houden."
+
+"Wij willen geen dag, geen uur verliezen, Flink; er is toch al te
+veel tijd verloren geraakt," antwoordde mijnheer Wilson. "Wat zullen
+wij vandaag bij de hand nemen?"
+
+"Bij het ontbijt zullen wij aan mevrouw ons plan mededeelen; daarna ga
+ik met Willem in de boot en zoek eene doorvaart. Gij zelf, mijnheer,
+kunt hier blijven en de tenten en al de verdere artikelen, die wij
+bij de eerste vaart meenemen, bijeenpakken, en wij zullen, denk ik,
+tegen het middageten terug zijn."
+
+Met deze woorden stonden zij op en gingen op het huis aan. Allen
+voelden zich innerlijk verlicht, nadat het nieuwe arbeidsplan
+ontworpen was, en verheugden zich in het vooruitzicht, dat zij nu alle
+menschelijke kracht zouden inspannen, om het hun dreigend gevaar af
+te wenden.
+
+
+
+
+
+
+
+ZES-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+THOMAS EN DE KREEFT.
+
+
+Het nieuwe plan werd onder 't ontbijt aan mevrouw Wilson medegedeeld,
+en daar zij wel inzag hoe zij daarbij veel veiliger dan tot hiertoe
+zijn zouden, gaf zij van harte gaarne hare toestemming.
+
+Het duurde geen uur, of Flink en Willem hadden de boot in gereedheid,
+waarmee zij tusschen de klippen doorroeiden, om eene doorvaart te
+zoeken, welke zij ook spoedig, pas twee of drie kabelslengten van de
+landpunt, gelukkig ontdekten.
+
+"Dat is een groot geluk, mijn goede Willem," riep Flink, "maar nu
+moeten wij ook een merkteeken zoeken, om den terugweg spoedig te
+vinden. Ziet gij die lange zwarte klip ginds;--zij ligt in eene rechte
+lijn met den tuin, en als wij dus beide op elkaar gericht hebben,
+weten wij dat wij ons in het eigenlijke kanaal bevinden. Nu hebben
+wij nog slechts een teeken recht voor ons uit noodig, om te zien,
+wanneer wij het kanaal moeten inloopen."
+
+"Zie Flink, de punt van den schildpadvijver loopt immers recht op
+den rechterzijwand van ons huis aan," hernam Willem.
+
+"Goed opgemerkt; dat kan ons dienen. Nu zullen wij er wakker op los
+roeien, zoodat wij tijdig terug kunnen zijn."
+
+Zij bevonden zich weldra op de zuidzijde van het eiland en roeiden
+langs den kust voort.
+
+"Hoe ver schat gij den weg te water, Flink?"
+
+"Dat weet ik zoo juist niet, mijn jongen; mij dunkt echter vier of vijf
+mijlen, en zoo mogen wij wel op een goed uur dapper roeiens rekenen. In
+allen gevalle kunnen wij met dezen wind, hoe zwak ook, terugzeilen."
+
+"Wij zijn thans in zeer diep water," merkte Willem na lang zwijgen aan.
+
+"Ja, Willem. Op deze zijde van het eiland kunnen wij dat ook niet
+anders verwachten, want de koralen wassen alleen op de zijde, die
+aan den wind blootstaat. Mij dunkt, wij kunnen van de kleine haven,
+die wij onlangs ontdekten, thans niet ver meer verwijderd zijn. Gij
+ziet, wij hebben het weideland en de boomgroepen reeds voor oogen. We
+zullen een poosje met roeien ophouden en de kust eens bedaard opnemen."
+
+"Daar zijn twee rotsen dicht aan den oever, Flink," riep Willem met
+den vinger wijzende. "Weet gij nog wel: ook aan de buitenste zijde
+van onze haven stonden twee of drie zulke rotsen dicht bij elkander."
+
+"Juist zoo, Willem, en 't zou mij volstrekt niet verwonderen, als
+gij den spijker op den kop had geslagen. Laat ons er eens heen roeien."
+
+Zij deden dit en bevonden, tot hunne groote blijdschap, dat zij
+werkelijk in de haven waren, waar het water zoo glad en effen als in
+een vijver was.
+
+"Welnu, beste jongen, dan zullen wij maar terstond onzen mast opzetten
+en op ons gemak naar huis zeilen."
+
+"Wacht nog een oogenblik, Flink; geef mij den bootshaak eens. Ik zie
+daar wat tusschen de klippen omkrabbelen."
+
+Flink gaf den bootshaak aan Willem, die daarmee in het water roerde
+en met de ijzeren punt een grooten zeekreeft ophaalde, dien hij met
+een ruk in de boot slingerde.
+
+"Dat is weer een kostelijke schotel op onze tafel," zeide Flink. "Wij
+komen dus niet met ledige handen terug en zullen des te meer welkom
+zijn. Doch nu dienen we ons ook te reppen, want we moeten hedennamiddag
+nog eens en dan wel met een volle lading hierheen roeien."
+
+De mast werd opgezet, en zoodra zij met de boot buiten de haven
+waren, werd het zeil opgeheschen. In minder dan een uur hadden zij
+de landingsplaats bij het woonhuis wederom bereikt.
+
+Willem had den zeekreeft, die slechts ééne schaar had, uit de boot
+gebracht en Juno een tweeden waterketel op het vuur gezet, om dien
+als een toegift voor het middagmaal te koken.
+
+Thomas trad met zijn zusje Caroline toe, om het beest te bekijken. Toen
+hij dit echter genoeg bewonderd had, begon hij het, als naar gewoonte,
+te plagen en te kwellen, evenals hij dat op de Kaap ook reeds den
+leeuw had gedaan. Eerst stiet hij het met een stok naar de oogen,
+toen beproefde hij den staart recht te trekken;--het dier sloeg echter
+naar hem en liep weg.
+
+Eindelijk echter wilde hij zijn stok het dier zelfs in den bek steken;
+toen hief dit zijn grooten nijper op, pakte hem bij het gewricht van de
+hand en klemde zich daar zoo stevig aan vast, dat Thomas het van pijn
+uitgilde en als razend met den kreeft aan den arm ronddanste. Gelukkig
+voor hem was het beest reeds zoo lang buiten het water en bovendien
+zoo hevig door de ijzeren punt van den bootshaak getroffen, dat het
+meer dan halfdood was. Anders zou het den knaap zwaar gekwetst hebben.
+
+Flink schoot toe en maakte den kreeft van hem los; doch Thomas was
+zoo ontsteld, dat hij het hazenpad koos en eerst met loopen ophield,
+toen hij wel honderd passen van huis was verwijderd. Daarover schoten
+Flink en Juno zoo hartelijk in den lach, dat de tranen hun over de
+wangen rolden.
+
+Thomas scheen er zeer gebelgd over, dat hij zich op zoodanige
+manier moest laten uitlachen; hij zette zich, na zijne wedloop
+volbracht te hebben, pruilend neer en wachtte, totdat hij het eten
+zag opdragen. Toen kwam hij eindelijk terug, ofschoon nog altijd met
+een benepen gezicht. Den kreeft op tafel ziende komen, scheen hij
+nog voor zijn vijand beangst, ofschoon deze nu dood was.
+
+"Nu, Thomas!" zeide zijn vader, "ik denk dat gij van den kreeft toch
+niet zult willen eten."
+
+"Niet eten?" riep Thomas uit. "O ja, ik wil hem eten, juist omdat
+hij mij opeten wou."
+
+"Wat wilt ge er dan voor een stuk van,--de schaar misschien?" vroeg
+mijnheer Wilson.
+
+"Ja, de schaar! Dat ondeugende dier,--laat het daar eens wat tegen
+doen; om het te plagen wil ik die eten!"
+
+"Waarom hebt gij het beest niet met vrede gelaten, Thomas?" vroeg
+zijn vader. "Hadt gij het niet geplaagd, het zou u niet geknepen
+hebben. Ik weet zelfs niet of ik er u wel van geven zal, als gij er
+van eten wilt om het te plagen."
+
+"O, ik lust hem ook niet,--ik begeer er ook niets van," hernam de
+kleine stijfkop. "Ik eet veel liever pekelvleesch."
+
+"Des te beter; als gij geen kreeft lust, zal men u dat ook zeker
+niet opdringen, jongeheer," antwoordde zijn vader. "Dus zullen wij
+hem maar buiten u onder ons verdeelen."
+
+Thomas was met dit besluit niet bijster in zijn schik, want hij had
+er dolgraag een stuk van gehad. Hij zat dus met een hangende lip aan
+tafel en keek bitter boos, toe de oude Flink hem zoo lachend toevoegde,
+dat hij reeds vóór het eten zijn deel van den kreeft had gehad.
+
+
+
+
+
+
+
+ZEVEN-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+TOEBEREIDSELEN TOT DE VERHUIZING.
+
+
+Terstond na den afloop van den maaltijd hielpen Willem en Juno de
+beide roeiers de tentbekleedsels en staken, benevens schoppen tot
+slechting van den grond en prikken tot het vastzetten der tenten,
+in de boot brengen.
+
+Voordat zij met de boot afstieten, merkte Willem aan:
+
+"Mij dunkt, het zou zoo kwaad niet zijn, als wij voor Flink en mij
+het noodige beddegoed meenamen. Wij konden dan nog van avond eene
+van de tenten opslaan en den nacht daaronder doorbrengen. Morgen
+vroeg konden wij dan de andere in orde brengen en zoo met ons werk
+een goed eind vorderen, voordat wij terugkomen."
+
+"Dat is een zeer goede inval, Willem," antwoordde Flink. "Laat eens
+zien, wat Juno ons te eten mee kan geven; dan zullen wij uw plan
+volvoeren, want hoe eer wij allen daar zijn, des te beter."
+
+Mijnheer Wilson was van hetzelfde gevoelen en Juno pakte een stuk
+pekelvleesch en eenige eierkoeken bijeen, voegde daar nog drie
+of vier flesschen water bij en hielp dit alles, benevens allerlei
+timmermansgereedschappen, in de boot brengen. Flink had ook nog voor
+een touw gezorgd, om de boot aan een paal aan den oever vast te maken.
+
+Eindelijk stieten zij van wal en hadden in korten tijd de riffen
+achter zich. Zij roeiden wakker door, want zij wenschten zoo spoedig
+mogelijk de haven te bereiken, hetgeen ook na verloop van een half
+uur gelukkig geschiedde.
+
+Zoodra zij aan land waren, maakten zij de boot aan het touw vast en
+brachten de lading aan wal; vervolgens droegen zij een deel van het
+tentlinnen en de staken naar het naastbijgelegen boschje, dat uit
+guayababoomen bestond. Daarop keerden zij naar het strand terug, om
+ook het overige te halen, en met drie gangen hadden zij dat verricht.
+
+"Nu moeten wij eens omzien, Willem, waar wij de tent willen opslaan. Te
+dicht bij het kokosbosch mag dat niet zijn, want daar hadden wij te
+ver water te halen."
+
+"Dunkt u niet, Flink, dat de beste plaats bij de benanen zou zijn? De
+grond is daar iets hooger en het water vinden wij, zooals gij weet,
+juist tusschen de benanen en de yamswortels."
+
+Zij begaven zich naar de plaats, waar de benanen hare groote, fraaie
+bladeren ontplooiden en besloten ten noorden daarvan de tenten op te
+slaan, vooreerst omdat men die daar, wegens de boomen, uit zee niet
+zien kon en ook, dewijl het bosschage gedurende de hitte van den dag
+er eene aangename schaduw opleverde.
+
+"Dus moet het dan hier maar zijn, Willem," zeide Flink. "Laat ons
+nu al het noodige gaan halen. Het is hier een goede, droge grond,
+die er juist toe geschikt zal zijn."
+
+Weldra waren zij druk aan het werk en reeds lang voor zonsondergang
+was een der tenten opgeslagen en hadden zij ook hunne bedden daarin
+gespreid.
+
+"Nu, Willem, verbeeld ik mij toch, zult gij wel tamelijk moe zijn,"
+zeide Flink; "ja, ja, zeker, dat moet gij wezen, want gij hebt den
+ganschen dag duchtig gearbeid."
+
+"Ik voel mij juist zoo heel moe niet, Flink; ook is het nu nog geen
+tijd om te gaan slapen."
+
+"Het is nog vroeg; laat ons dan eerst nog onze spaden nemen en een
+gat voor het water graven; dan kunnen wij morgen vroeg zien, of dat
+goed of slecht is."
+
+"Ja, dat kunnen wij nog voor het avondeten doen, en dan zal de rust
+ons dubbel goed smaken."
+
+Met dit besluit gingen zij naar het lager gelegen weideland, waar de
+bodem vochtig en moerassig was. Daar groeven zij twee kuilen, ieder
+ongeveer eene el diep en even breed. Weldra zagen zij het water daarin
+opkomen, en toen zij klaar waren, kwam hun dat reeds over den enkel.
+
+"Aan water zullen wij dus geen gebrek lijden, Flink; als het ook maar
+goed om te drinken is."
+
+"O, daar twijfel ik niet aan, Willem. Overigens hebben wij veel te
+doen, voordat de familie hier naar toe kan komen. Doch voor vandaag
+is onze taak nu ten einde."
+
+Zij keerden hierop in de tent terug en lieten zich het pekelvleesch
+en de eierkoeken kostelijk smaken. Eindelijk legden zij zich op de
+matrassen neder en gaven zich aan de rust over. Na weinige minuten
+lagen zij diep in slaap, daar het zware werk van den dag hen inderdaad
+zeer vermoeid deed zijn.
+
+Den volgenden morgen met zonsopgang waren zij reeds weder op de
+been. Hun eerste werk was naar de waterkuilen om te zien, die zij den
+vorigen avond gegraven hadden. Zij vonden deze tot overvloeiens toe
+vol; het water was volmaakt zuiver en helder, en bij het proeven
+keurden zij het, zoo al niet in alles zoo goed als het andere
+bronwater, toch zeer bruikbaar en smakelijk.
+
+Na zich gewasschen te hebben, keerden zij terug, om te ontbijten,
+en gingen toen aan het opslaan der tweede tent, die voor mevrouw en
+den kleinen bestemd was en dus met meer zorgvuldigheid moest worden
+ingericht. Toen dit gedaan was, werd nog de grond in het rond van het
+hooge gras en de struiken ontdaan en binnen in de tent met de spaden
+vast en effen gemaakt.
+
+"Nu komt weer een ander werk, Willem, namelijk het bouwen van een
+stookplaats voor Juno. Daartoe moeten wij naar het strand gaan en
+steenen opzoeken. Wij zullen dit stuk zeildoek meenemen en kunnen
+daarin in één gang zooveel als wij noodig hebben halen."
+
+Een uur later was ook de vuurhaard gereed, en beiden zagen hun werk
+vergenoegd aan en maakten de noodige toebereidselen tot het verdere
+werk van den dag.
+
+Men besloot 's middags de tafels en stoelen, het keukengereedschap,
+een gedeelte van de kleeren en het beddegoed en levensmiddelen voor
+een paar dagen mede te nemen. Den volgenden morgen zouden Flink en
+Willem tijdig terugkomen, en dan wilden allen gezamenlijk door het
+bosch naar hunne nieuwe woonplaats opbreken.
+
+De kleine Albert kon thans heel goed alleen loopen en moest slechts
+nu en dan een eind ver gedragen worden. Thomas en Caroline moesten
+natuurlijk met Juno gaan; de schapen, lammeren, waarvan men vier
+stuks had, en de oude en jonge geiten zouden de mannen door het bosch
+drijven, waarbij de honden goede diensten konden doen. De hoenders
+en het verdere gevogelte moesten echter in het oude hok blijven,
+daar Flink en Willem, zoo dikwijls zij hier kwamen, wel eens naar
+hen omzien konden.
+
+
+
+
+
+
+
+ACHT-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+VERHUIZING NAAR DE ZUIDKUST.
+
+
+Ditmaal was de boot zwaar bevracht en men had hard te roeien en zwaar
+te werken bij de landing, voordat de verschillende voorwerpen aan den
+oever gebracht waren. Willem en Flink waren derhalve hartelijk blij,
+toen eindelijk hun dagwerk ten einde was; en zoodra zij hun avondmaal
+genuttigd hadden, gingen zij dan ook ter ruste.
+
+Met zonsopgang keerden zij in hunne boot naar de baai terug. Zij
+haalden eerst de boot op het droge en begaven zich toen naar het
+woonhuis, waar zij allen tot vertrekken gereed vonden.
+
+Mijnheer Wilson had de dieren reeds bij elkaar gebracht, en dus brak
+men terstond op. De merken aan de boomen waren nog zeer duidelijk
+en zij konden hun weg gemakkelijk weervinden. Des te grooter moeite
+hadden zij echter met de schapen en geiten, en de kleine karavaan
+kwam dus niet dan langzaam voorwaarts.
+
+Zij hadden drie volle uren noodig, om aan den zoom van het kokosbosch
+te komen, en mevrouw Wilson gevoelde zich uiterst vermoeid. Eindelijk
+hadden zij de nieuwe woonstede bereikt, en mijnheer Wilson en zijne
+vrouw uitten een kreet van bewondering bij het aanschouwen van de
+schilderachtige schoonheid van het bekoorlijk oord.
+
+Ook de plek, waar de tenten bij de banaanboomen waren opgeslagen,
+droeg beider volle goedkeuring weg; want zij was werkelijk bij
+uitstek fraai. Mevrouw Wilson begaf zich in hare tent, om van hare
+vermoeidheid uit te rusten. De schapen en geiten liet men vrij in
+het weideland omloopen, waar zij terstond met graagte op het frissche
+voeder aanvielen. De honden vlijden zich neder en schenen insgelijks
+van den verren weg vermoeid.
+
+Juno bracht den kleinen Albert te bed en zocht toen met Willem
+eenig brandhout op, om het middageten te koken. Flink ging naar
+de putten, om water te halen, terwijl mijnheer Wilson op de vlakte
+rondwandelde en de verschillende boomen en struiken onderzocht, die
+daar groeiden. Caroline was in de tent bij hare moeder, en sinjeur
+Thomas had zich op den grond neergezet en keek met groote oogen
+verbaasd in het rond.
+
+Spoedig kwam Flink met de wateremmers terug, waarna hij de honden
+floot en den weg naar het yamsplantsoen insloeg. Een poosje later
+stond Thomas op en volgde hem.
+
+De honden drongen in het yamsplantsoen door en hieven weldra een
+verwoed geblaf aan, dat Thomas heel aardig vond, zoodat hij in de
+handen klapte en siste, om hen nog meer aan te hitsen. Op eenmaal
+echter kwam de gansche kudde zwijnen uit het dichte groen voor den
+dag en draafde zoo dicht bij Thomas langs, dat hij het van schrik
+uitschreeuwde en zoo lang als hij was op den grond tuimelde.
+
+"Dat had ik wel gedacht, vriendjes, dat gij hier zoudt wezen,"
+mompelde Flink, de varkens naziende. "Het werd waarlijk tijd, dat
+wij den weg eens voor u afsloten."
+
+De zwijnen stoven over het veld voort en verdwenen, evenals de eerste
+maal, in het kokoswoud. Ook Thomas zette het, zoodra hij maar weer op
+de been was, wakker op een loopen. De honden gingen achter de zwijnen
+aan en bleven een geruimen tijd weg. Ten laatste zag men hen vermoeid
+en hijgend terug komen,--een bewijs, dat zij hunne vervolging een
+goed eind ver hadden voortgezet.
+
+Voor dag en dauw waren Flink en Willem den volgenden dag reeds weder
+bij de hand en gingen door het bosch naar hunne vroegere woning,
+om het huisraad, dat daar nog was achtergebleven, in de boot naar
+de zuidkust te brengen. Bij hunne aankomst pakten zij al wat nog in
+huis stond bijeen, haalden gezouten vleesch en meel uit het magazijn
+en maakten hunne lading vol met een van de nog voorhanden zijnde
+schildpadden, die op den rug in de boot werd neergelegd. Tegen het
+ontbijt waren zij reeds weder bij de nieuwe woonplaats, waar Juno
+hen het meegebrachte naar de tenten hielp brengen.
+
+"Wat is dat hier een kostelijk verblijf!" riep mevrouw Wilson
+onwillekeurig uit. "Mij dunkt, wij moesten het altijd tot ons
+zomerkwartier kiezen en eerst tegen den regentijd naar het oude
+huis terugkeeren."
+
+"Het is hier zeker gedurende den zomer veel fraaier en aangenamer;
+maar in ons huis zijn wij beter door het kokosbosch gedekt."
+
+"Ja, dat is waar, en gedurende het regenseizoen is dat voor ons van
+veel belang. In den zomer is het daarentegen ook des te warmer, want
+wij hebben daar niet de verkoelende zeelucht, die wij hier genieten. Ik
+kan u verzekeren, Flink, ik ben met den ruil zeer tevreden en het
+zou mij spijten, als wij daarheen terugkeeren moesten."
+
+"Ik heb van morgen ook zulke mooie papegaaien gezien," zeide de kleine
+Caroline. "Ik wou, dat er één van mij was."
+
+"Nu, beste meid, ik wil bij gelegenheid eens een jong zien te krijgen;
+doch het is er thans nog te vroeg toe," antwoordde Flink. "Nu moet
+ik Juno de schildpad in stukken helpen snijden. Onze voorraadkamer
+dienen wij wel daar onder de banaanboomen te nemen."
+
+"Maar wat zullen wij verder aanvangen, Flink? Wij mogen toch niet
+leegzitten?" vroeg mijnheer Wilson.
+
+"Neen, zeker niet, mijnheer! Dezen dag moeten wij, dunkt mij,
+maar besteden om ieder ding op zijne plaats te brengen en de tenten
+van binnen gemakkelijk in te richten. Voor het oogenblik staan wij
+onder mevrouws orders; morgen zullen wij dan met het graven en het
+omheinen van het yamsplantsoen beginnen. We zullen ons daarmee niet
+zoo te haasten hebben, want ik verbeeld mij, dat de zwijnen zich er
+zoo spoedig niet weer aan wagen zullen, daar ik plan heb onze honden
+'s nachts in de yamsvelden vast te binden, en dan zal hun geblaf hen
+wel op een afstand houden."
+
+"Dat is een goede inval, Flink. Zie eens, welk kostelijk voer onze
+schapen en geiten hier vinden."
+
+"Ja, mijnheer; ze moeten ook in het vervolg gedurende het droge
+jaargetij hier grazen. Morgen vroeg kunnen wij met graven beginnen
+en Willem daarbij wijzen, hoe men de stekken van de stekelbessen,
+waarvan wij onze heg willen maken, poten moet. Dan zou ik voorslaan
+onzen Willem met dit werk alleen bij moeder achter te laten, terwijl
+gij en ik naar de westkust gaan, om onzen voorraad na te zien en al
+wat wij nog gebruiken kunnen hierheen te brengen. Ik meen immers u
+vroeger te hebben hooren zeggen, dat gij zelf daarheen woudt gaan?"
+
+"Ja, Flink, dat is zoo. Mijne vrouw zal er ook geen bezwaar in zien
+eens een dag of drie vier zonder mij te zijn. Als wij eerst alle
+dingen hebben nagezien, zal ik teruggaan en aan u en Willem, die het
+roeien beter gewoon is dan ik, de zorg overlaten om onzen voorraad
+over te brengen. Mij dunkt hierheen zullen wij toch alles niet halen?"
+
+"Neen, mijnheer; het goed moet naar ons magazijn worden
+gebracht. Hebben wij dat werk eerst achter den rug, dan gaan wij met
+alle macht aan de versterking van het blokhuis."
+
+
+
+
+
+
+
+NEGEN-EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+UITSTAPJE NAAR DE WESTKUST.
+
+
+Den volgenden morgen trokken zij met hunne schoppen naar het
+yamsplantsoen en begonnen hun werk. De grond was week en drassig
+en zoo ging de arbeid vlug van de hand. De sloot werd ongeveer een
+schrede breed gemaakt en de uitgedolven aarde aan den binnenkant tot
+een kleinen dam opgeworpen.
+
+Vervolgens ging men naar de plaats, waar de stekelbeziënstruiken
+groeiden. Van deze werden de noodige stekken en afleggers afgesneden
+en boven op het aarden bed ingeplant. Nog was de avond niet gevallen,
+toen zij reeds, op negen of tien dekameters na, met sloot en heg
+gereed waren.
+
+"Ik geloof, als dit eens in orde is, de varkens 't wel laten zullen
+er overheen te springen," sprak Flink. "Bovendien kan Willem daar
+evengoed alleen mee klaar komen, als met behulp van ons beiden."
+
+"Ja, dat wel, Flink,--maar niet zoo vlug."
+
+"Ge behoeft u ook niet overmatig in te spannen, beste Willem. Zorg
+slechts, dat ge de honden 's nachts vastlegt, zooals ik den verloopen
+nacht gedaan heb, en dan twijfel ik geen oogenblik, of de varkens
+zullen na een of twee nieuwe pogingen niet meer terugkomen."
+
+"Ik wil zien, of ik niet een van die beesten schieten kan."
+
+"Goed; maar kies daartoe vooral een van de jongen,--de ouden mogen
+wij niet dooden. Doch nu kunnen wij naar huis gaan; de zon zal spoedig
+onder zijn en Juno wacht ons zeker al met het avondeten."
+
+Voordat mijnheer Wilson en Flink den anderen morgen opbraken, gaf
+de laatste Willem nog allerlei onderrichtingen aangaande de boot,
+de reiszakken waren reeds vooraf van levensmiddelen voorzien, en zoo
+namen zij dan van mevrouw Wilson afscheid en braken op. Beiden waren
+met een geweer gewapend en Flink had nog bovendien eene bijl over
+den schouder geworpen.
+
+Zij hadden een verren weg voor zich, want eerst moesten zij naar het
+oude woonhuis terugkeeren, om van daar het oude pad door het woud op
+te zoeken. Dit was een groote omweg, die nochtans niet kon vermeden
+worden, daar zij niets dan de merken aan de boomen hadden om te volgen.
+
+Bij het woonhuis gekomen, rustten zij een uur uit en gingen toen
+naar den tuin, die op de landtong lag. Aardappelen en erwten stonden
+uitmuntend en ook de uien begonnen goed op te schieten.
+
+"Wat ziet deze plaats er nu doodsch en eenzaam uit, Flink, nu men er
+niets levends meer kan ontdekken," riep mijnheer Wilson. "Laat ons
+verder gaan, 't wordt mij hier nu benauwd om het hart."
+
+Met deze woorden hervatten zij hunne wandeling en hadden na twee
+uren de westkust bereikt, op 't zelfde punt, waar zij 't allereerst
+geland waren. De nabijgelegen klippen waren nog met de overblijfsels
+van het schip bezaaid, die in de zon bleekten of in het zand aan de
+bocht half bedolven lagen.
+
+Zij gingen dadelijk aan 't zoeken, doch konden behalve enkele spieren
+en teertonnen niets vinden, dat eenige waarde voor hen had. Duigen
+en ijzeren hoepels van vaten lagen in menigte in het rond en Flink
+meende, dat men die zeer goed tot eene tuinheining gebruiken kon,
+als men slechts tijd vond om ze zoo ver te vervoeren. Van het strand
+terugkeerende, zetten zij zich neer, om een weinig uit te rusten. Na
+een poos begaven zij zich eindelijk naar de tenten in het kokosbosch,
+waar zij de verschillende goederen, die na het vergaan van het wrak
+waren aangespoeld, geborgen hadden.
+
+"Ei, zie eens! Ook hier zijn de varkens aan den gang geweest,"
+riep Flink; "ze hebben een meelvat opengemaakt. Hoe dat toeging,
+begrijp ik niet recht. Zie maar, mijnheer, er moet een scheur in
+geweest zijn, anders ware 't hun zeker niet gelukt. Het linnen is,
+vrees ik, tot weinig meer nut. Gelukkig hebben we nog eenige nieuwe
+stukken, die ik aan land heb gebracht.--Nu moeten wij eens zien,
+mijnheer, in welken staat onze voorraad zich bevindt. Dit hier zijn
+enkel meelvaten; wij hebben dus geen gevaar te loopen, als wij ze
+openmaken en zien of de inhoud nog bruikbaar is."
+
+Het eerste vat, dat zij openden, had rondom eene steenharde korst;
+toen deze eindelijk met de bijl was doorgekapt, vond men dat het
+binnenste nog zeer goed was gebleven.
+
+"Dat is gelukkig, mijnheer; ik hoop, dat het bij de overige vaten
+evenzoo zal zijn. Het zeewater heeft er eene dikke korst over gemaakt
+en deze heeft het geheel tegen bederf bewaard. Evenwel willen we
+alle, 't een na het ander openmaken. Nu gaan wij ons middagmaal
+houden en vervolgens weer aan het werk. We hebben een paar malen
+gebraden schildpadvleesch, die Juno voor ons heeft ingepakt en die
+smaken zullen."
+
+Na het eten ging men opnieuw aan het werk. "Ik verlang toch te
+zien, wat dáárin mag wezen," zeide mijnheer Wilson op de naaste
+kist wijzende.
+
+Flink begon er dadelijk met zijne bijl aan te breken. Hij rukte het
+deksel open en vond een aantal bordpapieren doozen vol klosjes garen,
+allerlei band en lint, baleinen en lappen katoen, neteldoek, gaas,
+tulle en andere stoffen.
+
+"Dat was zeker voor eene modehandelaarster te Bontany-baai bestemd,"
+zei mijnheer Wilson, "en misschien heeft ze bitter in angst gezeten,
+toen ze het bestemde niet ontving. Evenwel moeten wij het thans voor
+mijne vrouw en Caroline in beslag nemen. Zoodra wij tijd vinden,
+zullen wij het haar brengen en ze zullen er wat blij mee zijn. Nu de
+tweede kist, Flink."
+
+De volgende kist was zonder slot; het deksel werd opengemaakt en
+men vond een dozijn groote vierkante flesschen, die met jenever
+gevuld waren.
+
+"Dat is echte Schiedammer," zeide Flink. "Wat moeten wij daar mee
+aanvangen?"
+
+"Wij zullen ze niet weggooien, Flink, maar ze ook slechts bij
+gelegenheid als geneesmiddel gebruiken," antwoordde mijnheer
+Wilson. "Wij zijn nu reeds zoo lang aan zuiver bronwater gewend,
+dat het zonde zou zijn, als we weer smaak in sterke dranken wilden
+krijgen. Als we er plaats voor vinden, zullen we een paar flesschen
+in het magazijn brengen. Ze kunnen ons misschien nog soms eens goede
+diensten doen."
+
+Het volgende vat was weldra geopend, en men vond een tafelservies van
+gekleurd porselein met vergulde randen, dat inderdaad zeer fraai was.
+
+"Nu mijnheer, dat kan u te pas komen, want het begint ons al
+langzamerhand aan borden en schotels te ontbreken. Evenwel zou gewoon
+steenen goed ons wel dezelfde diensten hebben gedaan."
+
+"Het zou voor onzen tegenwoordigen toestand ook beter passen," was
+het antwoord. "Niettemin is dit fijn Chineesche porselein ons even
+welkom als een eenvoudig stel en mag daarom niet versmaad worden."
+
+"Hier is eene doos met uw naam er op, mijnheer," riep Flink. "Weet gij,
+wat er in is?"
+
+"Neen, dat kan ik niet bedenken; maar zie zelf maar eens na."
+
+De doos werd geopend en alles scheen door het ingedrongen zeewater
+besmet en bedorven. Toen men evenwel het pakpapier had weggenomen,
+vond men allerlei soort van schrijfbehoeften, die, met uitzondering
+van de buitenste bladen, slechts weinig geleden hadden.
+
+"Dat is een ware schat, Flink. Ik herinner mij nu nog zeer goed: het
+bevat papier en pennen met al wat er meer tot schrijven noodig is;
+verder prenteboekjes, teekenvoorbeelden, verfdoozen en zoo al meer,
+dat ik voor mijne kinderen bestemd had."
+
+"Ei, waarlijk mijnheer, dat is een geluk. Nu kunnen wij eene school
+oprichten, en daar die door de gezamenlijke bevolking van het eiland
+bezocht zal worden, moet de beschaving hier weldra algemeen zijn."
+
+"Dat willen wij hopen, vriend.--Nu het volgende vat."
+
+"Wat daarin is kan men van buiten wel zien,--olie, die ons heel welkom
+is, daar onze voorraad kaarsen vrij wat vermindert. Daar zijn evenwel
+nog een paar kaarsenkisten, die wij gebruiken kunnen en bij gelegenheid
+wel zullen overbrengen. Nu evenwel komt het allerkostelijkste gedeelte
+van ons eigendom."
+
+"En dat is?"
+
+"Al die artikelen, welke ik in de boot aan land bracht, voordat
+het schip te gronde ging; want, ziet gij, mijnheer, ijzer drijft
+niet, en daarom was ik toen vooral op ijzerwaren van allerlei
+soort en op nuttige gereedschappen bedacht. Ik heb een kostelijken
+voorraad spijkers: hier drie vaatjes groote en hier twee kleiner
+soort. Bovendien bijlen, hamers, schaven, beitels, zagen, klossen
+bindgaren, was en hier nog eenige rollen fijn linnen, alles in de
+beste orde."
+
+"Dat is werkelijk voor ons van groote waarde, Flink."
+
+"Ja, mijnheer, we zouden er misschien al spoedig gebrek aan gehad
+hebben, daar de beide wilden bij hare vlucht al 't ijzer, dat zij
+meester konden worden, hebben meegepakt. 't Was een geluk voor ons,
+dat zij niet bij al onzen voorraad konden komen.--Daar hebt gij nog
+meer van onzen buit: eenige wateremmers en 't voornaamste gereedschap
+van onzen kok, waar Juno recht blij mee zal wezen. Hier zijn ook twee
+lampen. Mij dunkt, ik heb ook nog eenige pakjes lampepitten op zijde
+gelegd; ja, ja, dat weet ik zeker,--en ze zullen wel weer voor den dag
+komen. Die vaten daar zijn 't een met patronen, het ander met kruit;
+hier is nog een half vat met patronen, alles onbeschadigd. Hier ook
+zes geweren, die evenwel 't poetsen wel noodig hebben. Nu, dat is
+ook bezwaarlijk anders te wachten."
+
+"Dat zijn wezenlijk schatten voor ons, Flink; en toch--hoe goed hebben
+wij ons tot hiertoe ook zonder dat gered."
+
+"O ja, mijnheer; maar des te beter, nu wij ze hebben. Als we
+'t magazijn tot onze woonplaats hebben gemaakt, zijn wij dan ook
+beter in staat, om 't in alle opzichten gemakkelijker in te richten
+dan ons vorig huis geweest is; want, zie maar, mijnheer, daar zijn
+nog al de balken en planken, die Willem en ik in het zand begraven
+hebben.--Daarmee kunnen wij een vloer in het huis leggen en behoorlijke
+kasten en bedsteden maken."
+
+"Och, die had ik geheel vergeten, Flink; zooals ge zegt, de voorraad
+is tot dat alles dubbel voldoende. Als ik mij slechts die vrees voor
+een mogelijken aanval van die wilden uit het hoofd kon zetten,--me
+dunkt, dan zouden we hier zelfs op dit eiland een recht genoeglijk
+leven kunnen leiden."
+
+"Weet gij wel, mijnheer, dat het mij van harte genoegen doet u zoo
+te hooren spreken? Het bewijst, dat gij tegenwoordig tevredener en
+gelukkiger zijt, dan gij vroeger waart."
+
+"Dat ben ik ook, Flink,--althans dat geloof ik. Misschien ook, dat het
+ons van den kant der wilden dreigende gevaar mijne gedachten zoozeer
+aftrekt, dat ik mij bij mijn vroegeren wensch, om van het eiland
+verlost te worden, niet langer zoo bepalen kan. De eene bezorgdheid
+heeft zeker de andere verdrongen en onderdrukt."
+
+"Het zal wezen, zooals gij zegt, mijnheer;--maar laat ons nu met
+ons onderzoek voortgaan. Hier zijn het zeekompas, de scheepslijnen,
+de logrol en het dieplood. We zullen die op onze boot nog wel ergens
+toe gebruiken kunnen."
+
+"Ei, met dat kompas ben ik recht in mijn schik, Flink, want met
+behulp daarvan kan ik eens, als ik tijd heb, een plan van dit eiland
+opmaken. Een zakkompas is te klein daartoe. Ge weet misschien niet,
+dat ik in mijne jonge jaren als landmeter naar Sidney trok?"
+
+"Neen, dat hebt ge mij nog niet gezegd. Ge zult ons dan zeker wel
+nauwkeurig kunnen opgeven, welke ruimte ons weideland beslaat."
+
+"O ja; dat zal ik u zeggen, zoodra wij weer terug zijn. Inmiddels
+zal ik hier eenige opmetingen doen, daar wij denkelijk niet weer zoo
+spoedig hier zullen komen."
+
+
+
+
+
+
+
+VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+BIJNA EEN ONGELUK. EEN NIEUWE BRIEVENPOST.
+
+
+Met het krieken van den dag gingen mijnheer Wilson en Flink weder
+aan het werk en openden achtereenvolgens alle kisten en pakken,
+die nog van het wrak gered waren geworden. Zij vonden kisten met
+kaarsen, drie vaten rijst ten deele goed, ten deele ook beschadigd,
+en eene kist met thee en twee balen koffie, welke Flink van boord had
+meegenomen. Suiker was echter niet voorhanden, want de kleine voorraad,
+dien men gered had, was in den regen weggesmolten.
+
+"Dat is een heel ongeluk, mijnheer. Onze jongeheer Thomas zal geen
+thee of koffie zonder suiker lusten en is er dus slecht aan toe."
+
+"De jongeheer moet zich leeren behelpen, Flink. We kunnen niet
+verwachten hier alles zoo te hebben, alsof de kruidenier vlak naast
+onze deur woonde.--Laat ons nu eens zien, hoe 't met de onder het
+zand begraven dingen gesteld is."
+
+Het zand werd weggeschoffeld en men vond de vaten met pekelvleesch,
+alsook de eiken planken in den besten staat. Veel anders daarentegen
+was ook geheel verrot en bedorven.
+
+Tegen den middag waren zij met hun werk gereed en daar zij nog
+tijd genoeg voor zich hadden, begon mijnheer Wilson met behulp van
+zijn kompas eene opmeting van de verschillende landpunten. Toen dit
+gedaan was, wierpen zij hunne geweren over den schouder. Flink nam
+nog eenige ponden van de beschadigde rijst tot voeder voor de kippen
+mee en daarna begaven zij zich gezamenlijk op weg.
+
+Na twee uur bereikten zij hun voormalig woonhuis, rustten in het
+magazijn een poosje uit en vervolgden toen hun tocht naar de tenten
+bij de weide. Ze waren ongeveer een kwartier gevorderd, toen Flink
+gerucht vernam en mijnheer Wilson een teeken tot stilstaan gaf.
+
+De oude man fluisterde zijn geleider toe, dat de varkens dicht in de
+buurt waren en laadde zijn geweer. Mijnheer Wilson deed hetzelfde
+en beiden slopen zacht op de plaats toe, van waar het gegrom zich
+hooren liet.
+
+Zij kregen de dieren niet in het gezicht, voordat zij die op twintig
+passen genaderd waren. Toen hadden zij de gansche kudde vlak voor
+zich en de beesten staken de koppen verwonderd omhoog. De oude beren
+en zeugen lieten een geknor hooren en snelden op 't oogenblik, dat
+Flink vuur gaf, op de vlucht. Mijnheer Wilson vond geen tijd meer om
+los te drukken; doch Flink had een van de biggen geraakt, die nu met
+den dood worstelende in haar bloed lag te spartelen.
+
+"Een kostelijk stuk gebraad;--daar kunnen we een feestmaal van
+houden!" riep Flink, terwijl zij op het stervende dier toetraden.
+
+"Ja, dat is waar, Flink!" antwoordde mijnheer Wilson. "We moeten nu
+maar zien, hoe we het beest met ons tweeën naar huis brengen."
+
+"We zullen het op onze geweren leggen, dan zal de vracht zoo zwaar
+niet zijn. 't Is zeker pas zes maanden oud en aan de zwaarte kunt
+gij zien of zij hier ook kostelijk voeder vinden!"
+
+Spoedig hadden zij het dier op hunne geweren geladen en vervolgden
+zoo hun weg. Bij het uittreden van het bosch bespeurden zij Willem
+en zijne moeder, die beiden het schot gehoord hadden en hun tegemoet
+waren gegaan. Mevrouw Wilson scheen eenigszins angstig te zijn,
+doch toen zij het varken in het oog kreeg, ried zij oogenblikkelijk
+de oorzaak van het schot.
+
+"Ik moet bekennen, dat ik een beetje ontsteld was, toen ik dat
+geweerschot hoorde," zeide zij, haar echtgenoot omarmende. "Ik kon
+namelijk niet verwachten, dat gij vandaag al terugkeeren zoudt. Wij
+allen zijn volmaakt wel."
+
+Willem nam voor zijn vader het overbrengen van het gevelde wild op
+zich en deze ging met de moeder naar de tenten.
+
+"Nu, beste Willem, welk nieuws is er hier bij u," vroeg Flink.
+
+"O, heel goed nieuws, Flink! Gisteravond, toen ik moe was van den
+arbeid, kwam ik op de gedachte om de boot eens te nemen en te zien,
+of ik in het diepe water op deze zijde van het eiland niet ook wat
+visch vangen kon. Ik kreeg ook wezenlijk drie stuks, die er heel
+anders uitzien, dan die wij tusschen de klippen vingen. Wij hadden er
+één van bij het ontbijt en één des middags en zij smaakten uitmuntend."
+
+"Zijt gij alleen met de boot uit geweest?"
+
+"Neen,--ik nam Juno mee. Moeder zei, dat ze haar wel een paar uren
+missen kon. Zij roeit zoo goed als de beste matroos, Flink."
+
+"Ja, 't is een recht bruikbaar meisje, Willem.--Nu, met onze monstering
+zijn wij ook klaargekomen en wij zullen beiden nu in overvloed werk
+krijgen, maak daar staat op. Ik geloof niet, dat wij in ééne week
+alles zullen kunnen vervoeren, en daarom heb ik gedacht, moeten we
+al aanstonds morgen beginnen. Eerst willen wij evenwel hooren, wat
+uw vader daarvan zegt."
+
+"O, dat is mij wèl, want ik neem veel liever de roeiriemen dan de
+schop in de hand," zeide Willem. "Ik heb er niets tegen, als vader
+het graven en spitten van mij wil overnemen."
+
+"Dat zal hij zeker gaarne doen, daar hij natuurlijk liefst bij moeder
+en de kleinen wil blijven."
+
+Zoodra zij de woning bereikt hadden, hing Flink het varken in de tent,
+waar Willem, mijnheer Wilson, en hij zelf sliepen, aan den kruispaal
+op, zette de geweren tegen den zijwand aan en ging met Willem, om
+zijn mes en eenige spanhouten, die hij bij 't schoonmaken van het
+dier noodig had, te halen.
+
+Terwijl beiden weg waren, kwamen Thomas en Caroline aanloopen, om
+het dier te bezien. Thomas gaf hoog op van zijne tevredenheid, dat
+hij den volgenden dag gebraden varkensribbetjes eten zou, nam één
+van de geweren en riep: "Pas eens op, Caroline, ik zal het varken
+morsdood schieten."
+
+"Och, Thomas, kom toch niet aan dat geweer!" riep zijne zuster. "Vader
+heeft het u immers verboden, en weet ge niet meer hoe 't u daar in
+'t bosch in de hand afging?"
+
+"O, dat was niemendal," antwoordde Thomas; "ik wil u eens wijzen,
+hoe men een varken doodschiet."
+
+"Doe 't niet, Thomas," riep Caroline; "als ge 't doet, ga ik heen en
+zeg 't moeder."
+
+"Dan schiet ik op u," hernam Thomas en zocht met het geweer op haar
+te mikken.
+
+Caroline schrikte daar zóó van, dat zij zoo hard als zij kon wegliep;
+maar Thomas spande al zijne kracht in en zocht het geweer tegen den
+schouder te brengen. Daarbij trof het, dat hij zijn vinger aan den
+trekker bracht en daar hij toevallig het geweer van zijn vader had
+genomen, dat nog geladen was, ging dat af en stiet de kolf hem, die
+het niet vast tegen den schouder aandrukte, in het gezicht, zoodat
+de schok hem twee tanden uitsloeg, de wang kwetste en hem het bloed
+uit den neus deed stroomen.
+
+Thomas was door het afgaan van het schot en den bekomen slag zoo
+onthutst, dat hij het geweer met een luiden gil uit de handen liet
+vallen en naar de tenten liep, waar zijne beide ouders zaten, die
+op het hooren van den knal waren opgesprongen en hem nu ontsteld te
+gemoet vlogen.
+
+Flink en Willem waren ook op het schot oogenblikkelijk toegesneld,
+daar zij vreesden dat er een ongeluk gebeurd was. De oude man liep op
+Thomas toe, wischte den knaap met de hand het bloed van het gezicht
+en ontdekte tot zijne geruststelling, dat deze geene wonde of ander
+gevaarlijk letsel had.
+
+"Hij is niet gewond," riep hij mijnheer Wilson toe, "hij bloedt enkel
+uit den neus. Houd op met schreeuwen en gieren, kwajongen! Wat hadt
+ge weer uwe handen aan een geweer te slaan?"
+
+"Het geweer heeft mij op den grond gegooid," snikte Thomas, terwijl
+het bloed hem steeds uit den mond liep.
+
+"Dan hebt ge uw verdiend loon gekregen. Zult gij u voortaan beter in
+acht nemen en geen geweer meer aanraken?"
+
+"O, ik zal er mijn leven niet meer aankomen," jammerde de kleine. "'t
+Heeft mij haast doodgeschoten."
+
+Juno kwam nu met water, om hem het gezicht af te wasschen, en thans
+eerst ontdekte men, dat hij twee voortanden verloren had en aan wang
+en lippen toch vrij wat bezeerd was. Men kleedde hem uit en legde
+hem te bed, waar hij weldra in diepen slaap zonk.
+
+"Ik had de geweren daar niet moeten laten staan," zeide Flink tot
+Willem; "dat was een verzuim van mij. Ik dacht zeker, dat men den
+kleinen deugniet reeds zoo dikwijls ingeprent had, aan geen vuurwapens
+te raken, dat hij dat zeker niet wagen zou. Maar altijd als er een
+ongeluk valt aan te richten is hij terstond bij de hand."
+
+"Hij mikte op mij en wilde op mij schieten; maar ik ben weggeloopen,"
+zeide Caroline.
+
+"Goedertierende Hemel, welk een geluk!" riep de verschrikte
+moeder. "Had hij losgedrukt, dan was mijn arm, lief kind vermoord
+geworden.--Die afschuwelijke jongen!"
+
+"Hij is ditmaal behoorlijk gestraft, mevrouw, en ik sta er voor in,
+dat hij in den eersten tijd geen geweer meer zal aanraken."
+
+Den volgenden morgen was het gezicht van onzen jongeheer hoogrood
+en gezwollen. Wangen en lippen waren donkerblauw en opgeloopen en
+het verlies der beide voortanden misvormde hem nog meer. Gelukkig
+waren het nog melktanden geweest, want anders hadden de gevolgen nog
+droeviger voor hem kunnen zijn.
+
+Tot het ontbijt werd van het gebraden wild opgedragen en de geur
+daarvan prikkelde Thomas niet weinig in den neus. Toen zijn vader
+hem nu echter nog eens terdege beknorde en hem zeide, dat hij geen
+enkel brok van het gebraad proeven zou, begon hij zoo hard te huilen,
+dat men hem wegbrengen moest, totdat hij met schreeuwen had opgehouden.
+
+Na 't ontbijt zeide Flink, dat hij met Willem in de boot wilde
+gaan, om met het zware werk van de overbrenging der vele goederen
+van de westkust naar het magazijn een begin te maken, waarbij hij
+deed opmerken dat men geen enkelen dag meer te verliezen had. Juno
+had op zijn verlangen reeds eene goede portie varkensvleesch voor
+hen gebraden en tevens een stuk pekelvleesch gekookt, zoodat zij
+behoorlijk van levensmiddelen voorzien waren en dus niets meer hadden,
+dat hen tegenhield. Mijnheer Wilson nam de verdere planting der heg
+op zich en wilde gedurende hunne afwezigheid de sloot rondom het
+yamsplantsoen geheel voltooien.
+
+"Maar hoe lang denkt gij wel met Willem uit te blijven, Flink?" vroeg
+de moeder met kennelijke bezorgdheid.
+
+"Wel, laat eens zien, mevrouw; we hebben vandaag Woensdag,--dan moet
+ge ons niet vóór Zaterdagavond terug verwachten. Wij moeten dat alles
+toch afdoen, en hoe eer het gebeurd is, des te beter voor ons."
+
+"Beste Willem, ik word er wezenlijk angstig onder dat gij zoo lang van
+ons vandaan zult zijn. Daarbij zult gij altijd bij het water wezen, en
+zoo zal ik in gedurige ongerustheid zijn, totdat ik u hier wederzie."
+
+"Nu, moeder, dan dien ik u wel met den post te schrijven, om u te
+doen weten, hoe ik het heb."
+
+"Spot niet met mijn angst, kind. Ik wenschte, dat wij een post hadden
+en dat gij mij iederen dag schrijven kondet."
+
+Flink en Willem maakten alle toebereidselen, die hunne langdurige
+afwezigheid vereischen kon. Zij namen hunne beddedekens mede; zoo ook
+een kleinen ketel, om te koken, en toen eindelijk alles beredderd was,
+zeiden zij mijnheer en mevrouw Wilson hartelijk vaarwel.
+
+Juno hielp hun de bagage in de boot brengen. Zij wilden eerst naar de
+Oostelijke kust roeien, dáár hunne vracht achterlaten en vervolgens
+op het kokosbosch afgaan. Voordat zij van wal stieten, nam Willem
+nog Remus, den hond, in de boot op.
+
+"Waartoe neemt gij den hond mee, Willem?? Hij kan hier van dienst
+wezen, om de zwijnen te verjagen, en wij hebben misschien last
+van hem."
+
+"Och, laat hem, Flink,--ik moet hem bij mij hebben. Er is mij daar
+iets ingevallen--laat mij ditmaal mijn zin doen."
+
+"Goed, Willem: wat mij betreft, moogt gij altijd uw zin hebben. Gij
+wenscht den hond bij u te houden, en daarmee afgedaan."
+
+"Dag, Juno, houd u goed, meid; we zullen u eene schildpad meebrengen."
+
+"Datte vooral doen, massa Flink! Dag, massa Willem! Niet vergeten,
+zaterdag weerom wezen en brengen visch en schildpad mee."
+
+Het zeil werd opgetrokken, en daar er een frissche wind woei, waren zij
+binnen korten tijd in de oostelijke baai. Zij droegen de levensmiddelen
+en verdere benoodigdheden in het huis en sloten de deur toe.
+
+Hierop gingen zij naar het hoenderhok, waar Flink aan de vogels van
+de rijst voorwierp, die hij hierheen had medegenomen. Tot hunne groote
+tevredenheid telden zij thans over de veertig hoenders, alle gezond en
+fiksch, sommige daaronder waren dik en vet, zoodat men hen dadelijk had
+kunnen slachten. Daar zij nochtans overvloed van versche levensmiddelen
+hadden, was men overeengekomen, hun vooreerst nog te ontzien, omdat
+de eieren van meerdere waarde voor hen waren dan de hoenders.
+
+Vervolgens stapten zij weder in de boot en roeiden naar het
+kokosboschje. De wind blies hun vlak tegen en zoo duurde hunne vaart
+vrij lang, doch dit was, gelijk Flink opmerkte, eene zeer gunstige
+omstandigheid, want op deze wijze konden zij met de bevrachte boot
+ook des te sneller naar de baai terugzeilen.
+
+Aan het kokosbosch geland, verloren zij geen tijd, maar gingen
+terstond aan het bevrachten van de boot, zoodat de spijkers benevens
+de verdere ijzeren werktuigen van allerlei aard en de gereedschappen,
+waar Flink destijds van het schip aan land had gebracht, het grootste
+gedeelte van de eerste lading uitmaakten. Een meelvat, eene kist met
+kaarsen en eenige stukken linnen maakten de lading eindelijk vol. Zij
+riepen Remus, die zich op den zandigen oever in de schaduw van het
+geboomte had nedergelegd, en stieten toen af. Het zeil werd geheschen
+en een half uur later hadden zij de klippen reeds weder achter zich
+en landden in de baai.
+
+"Ik ben recht blij, dat wij deze lading gelukkig overgebracht hebben,
+Willem, want ze is voor ons van groote waarde. Nu willen wij het
+een na het ander naar het magazijn brengen en daarmee is dan voor
+vandaag genoeg afgedaan. Morgen zullen we zien, of we twee ladingen
+halen kunnen. Ge denkt toch niet, dat dit u te zwaar zal vallen,
+beste jongen?"
+
+"O, we hebben maar vroeg op te staan, en dan zal het best lukken,"
+gaf Willem ten antwoord. "Wij zullen nu ons maal houden en onzen
+verderen arbeid tot den namiddag uitstellen."
+
+Aan dat maal mocht ook Remus deelnemen, dien Willem van beenderen en
+verderen afval rijkelijk voorzag.
+
+"Maar zeg mij toch, Willem," vroeg Flink, "hoe waart ge er van morgen
+toch zoo bizonder op gesteld om den hond mee te nemen?"
+
+"Dat zal ik u zeggen, Flink. 't Is mogelijk, dat ik mij in hem vergis,
+maar dat geloof ik toch niet. Ik denk namelijk, dat hij moeder wel
+een briefje van mij kan overbrengen. Gij weet, dat hij als men 't hem
+gelast, altijd weer naar huis terugkeert, en nu wil ik eens zien, of
+hij ook van hier den ganschen weg naar de tenten kan terugvinden. Ik
+heb daartoe een stuk papier en potlood meegenomen."
+
+Hij haalde dit dadelijk voor den dag en schreef:
+
+
+ "Lieve moeder!
+
+ "Wij zijn heel wèl en zoo even met de eerste lading
+ voorspoedig aangekomen.
+
+ Uw u hartelijk liefhebbende zoon
+
+ Willem."
+
+
+Willem bond den hond het papier met een eindje touw om den hals,
+lokte hem toen buiten het huis en riep:
+
+"Remus, naar huis, beest!--Marsch, weg! Naar huis, hond!"
+
+De hond keek zijn meester twijfelachtig aan, alsof hij niet recht
+wist wat men van hem verlangde; doch Willem nam een steen en deed
+alsof hij naar hem gooien wilde. Nu liep het dier een eind weegs
+voort en bleef toen weder staan.
+
+"Naar huis, Remus!--Naar huis, hond!" Met deze woorden hief Willem
+den steen weder omhoog, terwijl hij zijn bevel herhaalde en de hond
+ging nu, zoo hard zijne pooten hem dragen konden, op den loop.
+
+"Hij is nu in allen gevalle weg," zeide Willem. "Mij dunkt, hij zal
+de tenten wel wedervinden."
+
+"Dat moet de tijd leeren," hernam Flink. "Daar we met eten gedaan
+hebben, kunnen we nu met het bergen van onze goederen beginnen."
+
+"Waar moeten we die dan bergen, Flink?"
+
+"In het magazijn, beste jongen. Dat zal ons wel wat zweet kosten,
+want deze kisten en vaatjes met spijkers zijn zwaar en wij dienen
+menigen gang te doen, maar het moet toch gebeuren. We hebben echter
+nog een uur of drie, vier dag vóór ons, zoodat we ons niet behoeven
+te overhaasten."
+
+Zoodra de gansche lading in het magazijn geborgen was, brachten zij
+de boot in veiligheid en gingen toen naar het woonhuis, om zich daar
+ter ruste te leggen. Op het oogenblik, dat zij den voet op den drempel
+zetten, kwam Remus met vroolijke sprongen op hen toe; maar gelukkig
+had hij het briefje nog altijd om den hals.
+
+"Daar is de hond, Willem," riep Flink. "Het schijnt, dat hij toch
+niet naar huis heeft willen terugloopen."
+
+"Dat spijt mij recht; ik geloofde stellig en zeker, dat hij het doen
+zou, en nu heb ik mij toch bedrogen. Wij zullen hem niets te vreten
+geven, dan moet hij op 't laatst toch wel gaan. Maar wacht,--wacht
+eens! Kijk, Flink! dat is niet hetzelfde papier, dat ik hem om den
+hals bond. Ik geloof 't althans niet.--Laat eens zien."
+
+Dit zeggende nam Willem den hond het briefje van den hals en las:
+
+
+ "Beste Willem!
+
+ "Uw brief is gelukkig overgekomen en wij zijn recht blij, nu
+ wij weten dat alles wèl met u is. Schrijf ons elken dag. 't Was
+ wezenlijk een recht goede inval van u,--en Remus is een juweel
+ van een hond.
+
+
+ Uwe u liefhebbende moeder
+
+ Selina Wilson."
+
+
+"Inderdaad, de hond is recht schrander," riep Flink. "Waarlijk, ik
+had er niet de minste gedachte op, dat hij gaan, of dat hij nog wel
+op bevel uwer moeder tot ons terugkomen zou."
+
+"Brave Remus!" riep Willem, het dier liefkoozende. "Kom hier, mijn
+jongen; nu zult ge ook lekker smullen van avond, want ge hebt dat
+eerlijk verdiend."
+
+"Dat heeft hij waarlijk. Zie, Willem, daar hebt ge nu een
+postinrichting op ons eiland tot stand gebracht, en dat is eene
+verbetering van belang. In ernst, jongen, ze kan ons recht nuttig
+worden."
+
+"In allen gevalle kan dat eene groote geruststelling voor moeder zijn."
+
+"Ja, vooral dan, als we in 't vervolg met ons drieën hier werken
+moeten, om 't magazijn in orde en in staat van tegenweer te
+brengen.--Nu gaan wij echter terstond slapen, om morgen met den
+leeuwrik weer op te zijn, zooals men bij ons te lande zou zeggen."
+
+"Hier dienden wij te zeggen, met de papegaaien, want die zijn de
+eenige soort van landvogels, die dit eiland rijk schijnt te wezen."
+
+"Gij vergeet de duiven, Willem. Ik heb gisteren een paar in het bosch
+gezien; maar ze zijn thans juist in den broeitijd.--Goeden nacht,
+Willem."
+
+Eenige dagen lang werkten allen ijverig door en Remus ging heen en
+keerde telkens met goede berichten terug, totdat des Zaterdags de
+terugreis werd aanvaard. Bij hunne aankomst vonden zij de gansche
+familie aan de kleine haven verzameld en verlangend naar hen uitziende.
+
+"Welkom thuis, beste Willem!" riep mevrouw Wilson hem vroolijk
+toe. "Nu, gij hebt u een man van uw woord betoond en mij uwe brieven
+met den post gezonden. Welk een kostelijke inval van u! Ik zal mij
+niet meer ongerust maken: ook niet, als gij alle drie eens te zamen
+weg zijt."
+
+"Ik moet Romulus en Vixen ook nog hetzelfde leeren, moeder."
+
+"En ik wil het de jongen leeren," zei Thomas. "Thomas wil ook brieven
+schrijven."
+
+"Ja, ja, Thomas. Tegen dat gij eerst een brief schrijven kunt, zullen
+de jongen wel sterk genoeg zijn, om dien te dragen," antwoordde
+Flink. "Uw gezicht is nog tamelijk geschonden, merk ik. Ge zult nu,
+hoop ik, geen doode varkens meer willen schieten."
+
+"Neen, dat wil ik niet; maar van 't eerste, dat gij nu weer doodmaakt,
+zal ik meer eten, dan ik van dat andere gedaan heb."
+
+"Dat is een verstandig woord van u, beste jongen.--Kom hier, kleine
+Albert! ik zal u weer een beetje op den arm dragen; wij beiden hebben
+nu in zoolang niet samen gespeeld.--Hoe staat het met de heg en den
+greppel, mijnheer?"
+
+"Goed, Flink, twee zijden daarvan zijn ten naastebij klaar. Naar ik
+reken, zal ik tegen het einde der volgende week het gansche plantsoen
+wel behoorlijk omheind hebben."
+
+"O, ge behoeft u niet al te sterk in te spannen, mijnheer; want zoo'n
+groote haast heeft het volstrekt niet. Willem en ik zullen met het
+overige wel nagenoeg klaar worden."
+
+Aan tafel sprak men nog lang van de schranderheid, door Remus bij het
+overbrengen der brieven aan den dag gelegd. Mijnheer Wilson verhaalde
+daarbij onderscheidene voorbeelden van de scherpzinnigheid der dieren,
+totdat Willem zijn vader op eens vroeg, waarin dan eigenlijk het
+verschil tusschen verstand en instinct bestond.
+
+"Dat verschil is zeer groot, zooals ik u terstond zal verklaren. Eerst
+moet ik echter aanmerken, dat men voorheen placht te zeggen, dat de
+mensch door verstand, maar het dier enkel en alleen door zijn instinct
+geleid werd, hetgeen onjuist is. De mensch heeft evengoed als het
+dier zijn instinct en ook de dieren bezitten verstandelijke vermogens,
+ofschoon zij ook meestal enkel aan het instinct gehoorzamen."
+
+"Instinct bij dieren is het gevoel, dat dezen aandrijft om zekere
+dingen zonder voorafgaand overleg of nadenken te verrichten. De zwaluw
+bouwt haar nest, de spin weeft haar web, de bij maakt hare cel in
+alles nog evenzoo als zij het voor vierduizend jaren gedaan hebben. Ik
+kan u hier reeds doen opmerken, dat een der grootste wonderen van het
+instinct in de meetkunstige gedaante der bijencellen bestaat, want men
+heeft door afdoende bewijzen aangetoond, dat deze vorm juist die is,
+welke de minste opoffering van tijd en moeite vordert. De wonderen
+van het instinct vallen bovenal onder zulke dieren in het oog, die
+in groote kudden en zwermen samenleven."
+
+"Verklaar mij dat wat nader, lieve vader."
+
+"Daartoe behooren b. v. de vele soorten van trekvogels, wilde ganzen,
+ooievaars, zeevogels, kraaien en raven. Zij doen hun instinct blijken
+door de tochten, die zij uit het eene werelddeel naar het andere
+ondernemen,--door de wijze, waarop zij vliegen, opdat zij den wind
+zoo weinig mogelijk val en tegenstand bieden. Daarbij houdt elk
+dezer dieren zich aan de hem aangewezen plaats met eene bijzondere
+nauwgezetheid. Als zij slapen, zetten zij schildwachten uit, die voor
+hen waken en hun bij naderend gevaar een teeken geven; datzelfde kan
+men niet alleen bij vogels, maar ook bij andere dieren waarnemen."
+
+"En hoe is het dan met die, welke in troepen of zwermen leven, vader?"
+
+"Daartoe behooren de bijen, de mieren en vele andere insecten en onder
+de viervoetige dieren de bever. Niets is bewonderenswaardiger dan de
+nauwgezetheid, waarmede zij arbeiden, de gemakkelijkheid, waarmede
+zij zich de een den ander verstaanbaar maken en de stiptheid, waarmede
+ieder in het bijzonder zijn werk verricht,--doch Thomas geeuwt, alsof
+hij ons allen wil inslikken en Caroline is al lang in zoete rust."
+
+"Hun verstand en hun instinct zijn dan beide tegen mij," merkte
+Willem lachend aan, "zoodat ik wel geduld moet hebben. Maar ik verlang
+werkelijk zeer over dit punt nog iets meer van u te hooren."
+
+"En ik niet minder, Willem," verzekerde Flink; "ofschoon 't mij nu
+niet onaangenaam is te gaan rusten."
+
+
+
+
+
+
+
+EEN-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+INSTINCT EN VERSTAND.
+
+
+De volgende dag was als Zondag aan de rust gewijd.
+
+Toen de familie des avonds vreedzaam bij elkander zat, verzocht Willem
+zijn vader, om nu van de verstandelijke vermogens der dieren nog iets
+naders te zeggen.
+
+"Dat wil ik gaarne doen," antwoordde mijnheer Wilson. "Daar vinden wij
+dan vooreerst geheugen, en wel inzonderheid een onthouden van personen
+en plaatsen, dat in getrouwheid voor dat van ons menschen zeker niet
+behoeft onder te doen. Een olifant, die uit zijn stal weggeloopen en
+weer in zijne oude bosschen gevlucht was, kende nog na twintig jaren
+zijn voormaligen drijver weder. Wat den plaatselijken zin aangaat,
+zoo zal b. v. een hond de vroegere woning van zijn heer terugvinden,
+ook al was hij er honderd uren ver vandaan geweest. Ook de papegaai
+en de kaketoe bezitten een uitmuntend geheugen.
+
+"Een tweede bewijs voor hun geheugen is, dat de dieren droomen;
+hoe dikwijls hoort gij Romulus en Remus in den slaap niet brommen
+en blaffen?"
+
+"Dat heb ik meermalen opgemerkt, vader."
+
+"Verder doen zij ook opmerkzaamheid blijken. Zie eens eene kat,
+hoe zij uren lang geduldig voor een gat zit en wacht tot de muis
+er uitkomt. Eene spin wacht dagen lang, totdat eindelijk eene vlieg
+in haar net verward raakt; en zoo zult gij het bij elk dier vinden,
+als het op zijne prooi loert.
+
+"Ook een aaneenschakeling van gedachten is bij hen merkbaar,
+en wat is dit anders dan eene werkzaamheid van het verstand? Een
+bewijs daarvan levert de hond; hij zal b. v. een net gekleed mensch
+doodbedaard op zijne deur laten toekomen, terwijl hij dreigend op
+den bedelaar aanvliegt. Heeft hij iets te bewaken, dan zult gij
+altijd merken, dat hij een voorbijganger ongestoord laat gaan, maar
+daarentegen oogenblikkelijk begint te blaffen, als iemand voor hem
+staan blijft. Ik heb in Sidney een hond gekend, die op de plantage van
+zijn meester de wacht moest houden en telkens, als hij een mensch het
+goed hoorde naderen, op den kleinen muur sprong, die de plaats omgaf,
+en den aankomeling op zijde bleef, totdat deze de buurt verlaten had.
+
+"Bij den olifant valt dit vermogen der gedachtenverbinding nog
+duidelijker in het oog; hij verstaat wat men hem zegt veel beter dan
+eenig ander dier;--zijn verstand is werkelijk ongemeen. Men heeft hem
+slechts eene belooning toe te zeggen, en hij zal de verwonderlijkste
+kunststukken verrichten; ook is hij buitengewoon gevoelig voor lof
+of blaam.
+
+"In Indië worden de olifanten tot het vervoer van zwaar geschut
+gebruikt. Eens gebeurde het, dat een van de fraaiste dezer dieren
+vruchteloos zijne krachten inspande, om een kanon door het moeras
+te slepen. "Jaagt het luie dier weg," riep de commandant van den
+legertrein, "en laat een ander komen." De olifant gevoelde zich
+door dit verwijt zoo diep gekrenkt, dat hij 't uiterste beproefde
+om het stuk met zijn kop voort te stooten, totdat hij zich den kop
+verpletterde en dood nederviel.
+
+"Op de beurs te Exeter had men langen tijd een olifant, die Chunny
+heette. Dezen had men geleerd, de kleinste geldstukken met zijn snuit
+van den grond op te rapen. Eens gebeurde het hem, dat hij een shilling
+liet vallen, die daarop tegen den muur aanrolde, zoodat hij er niet
+meer bij kon. Chunny blijft staan, bedenkt zich een poosje en begint
+eindelijk met zijn snuit zoo geweldig te blazen, dat de uitgestooten
+lucht den shilling van den muur af en naar hem toedrijft, zoodat hij
+weder in staat is dien te bereiken.
+
+"De dieren bezitten ook nog andere eigenschappen, zooals onder
+andere een scherpen zin voor de tijdverdeeling. Zoo kende ik twee
+honden, die aan eene dame toebehoorden. Deze dieren mochten altijd
+medegaan, wanneer hunne meesteres in de week met haar rijtuig een
+toertje ging doen; alleen 's Zondags, als deze naar de kerk reed,
+werden zij natuurlijk niet medegenomen. Nu was het vreemd te zien,
+hoe deze beide honden evengoed als hunne meesteres wisten, wanneer het
+Zondag was. In de week als het rijtuig voor de deur stilhield, kwamen
+zij vroolijk aanspringen en waren, zoodra de tree werd neergelaten,
+met een wip daarin; maar 's Zondags was het, alsof zij niets van het
+rijtuig merkten en bleven zij bedaard op hun plaatsje liggen."
+
+"Dit is waarlijk merkwaardig; wat moet dat een verstandig dier geweest
+zijn!" riep Willem verwonderd.
+
+"Ook zijn de dieren voor onderrichting vatbaar, hetgeen blijkbaar
+een nieuw bewijs voor hunne verstandelijke vermogens is. De olifant,
+het paard, de hond en andere dieren, zelfs vogels, kunnen al het
+mogelijke aanleeren. Zoo kan men op kermissen menigmaal kanarievogels
+zien, die kanonnetjes afsteken, zich dood houden en allerlei kunstjes
+verrichten."
+
+"Maar nu weet ik nog altijd niet, waar men de grenslijn tusschen
+verstand en instinct moet trekken, beste vader."
+
+"Ik was juist op het punt om daartoe over te gaan, Willem. Als
+de dieren bij het uitgaan op hun voedsel, het grootbrengen hunner
+jongen en bij hunne voorzorgen tegen gevaren het instinct volgen, dan
+gehoorzamen zij daarbij aan zekere vaste regelen, waarvan zij nooit
+afwijken. Daarbij kunnen echter altijd weer omstandigheden plaats
+hebben, waartegen het instinct hun geen hulpmiddelen verschaft, en
+het is in zulk een geval, dat hun verstand moet worden te baat genomen.
+
+"Ik wil dit gezegde nader ophelderen met het voorbeeld van de bij,
+die een der dieren is, bij wie het instinct zich het werkzaamst
+vertoont. Er is zekere vlinder,--men noemt hem doorgaans den
+doodshoofdvlinder,--die zich zeer gaarne op honig vergast. Het gelukt
+hem somwijlen in een bijenkorf en tot de cellen door te dringen. De
+bijen grijpen dezen vijand dadelijk aan en dooden hem met hare
+angels; doch zijn lijk is zoo groot, dat zij het niet uit den korf
+kunnen brengen, wat bij kleinere insecten, die bij haar indringen,
+regelmatig geschiedt, naardien zij een zeer fijnen reuk schijnen
+te bezitten. Wat doen zij dus, om den stank, die van het verrottend
+lichaam der kapel te vreezen is, te keer te gaan? Zij overtrekken het
+doode diertje met was en balsemen het als 't ware op deze wijze in,
+zoodat zij er volstrekt geen last meer van hebben."
+
+"Ja, maar kan 't ook in dit geval niet haar instinct geweest zijn,
+vader, dat haar zoo handelen deed?" vroeg Willem.
+
+"Als dit geval bij wilde bijen ware voorgekomen, dan kondet gij die
+vraag met recht doen, Willem. Nu echter weet gij, dat bijen in den
+wilden staat in uitgeholde boomen leven en dat in dit geval de opening,
+die naar het hol voert, juist maar even groot genoeg is, dat de eene
+bij er na de andere door kan. Natuurlijk kan er dan geen grooter
+dier meer indringen, en al wilde het dat ook, zoo zou het gemakkelijk
+door den grooten zwerm worden afgeweerd. Ik neem de bijen nu echter
+in haren kunstmatigen toestand, als zij in een bijenkorf met wijde
+opening opgesloten en aldus aan het vermelde geval blootgesteld zijn,
+waarin zij op de gezegde wijze weten te voorzien."
+
+"Nu heb ik het onderscheid begrepen, vader."
+
+"Nog een voorbeeld: Een olifant viel eens in een diepen waterput. Het
+was onmogelijk hem er uit te halen, en hij had er dus in moeten
+omkomen; maar zijn drijver, die wel wist, hoe schrander het dier was,
+gaf den raad om eene menigte zware takkenbossen bijeen te brengen en
+die den olifant in den put toe te werpen. Het dier begreep dan ook
+heel goed, wat men daarmee voorhad. Hij vlijdde de takkebossen op
+den grond neder en plaatste zich daarop; zoo ging hij voort de eene
+laag op de andere te leggen, tot die zulk eene hoogte bereikt hadden,
+dat hij eindelijk uit den kuil komen kon. Er zouden wel menschen zijn,
+die niet begrepen, wat zij in een soortgelijk geval met de takkebossen
+hadden aan te vangen, als men hun dat niet eerst zeide."
+
+Zij arbeidden de volgende gansche week met den grootsten ijver
+door en hadden eindelijk op Zaterdagavond hunne taak verricht. Met
+uitzondering van de geborgen scheepsplanken, was thans al het overige
+naar de oostelijke baai vervoerd. Echter lag er nog veel op het strand
+verstrooid, daar de tijd niet toereikend geweest was om alles in het
+magazijn te bergen.
+
+Zaterdag, in den vroegen morgen, roeiden zij voor de laatste maal naar
+het kokosbosch en Flink zocht onder de wrakhouten, die overal op het
+strand verstrooid lagen, een aantal eiken balken en posten op, die
+zij daarop deels in de boot brachten, deels aan 't achtereind daarvan
+vastmaakten. Dit gaf een zeer zware lading, zoodat de boot, in weerwil
+van de stevige koelte, slechts zeer langzaam door het water ging.
+
+"Nu, Willem," begon Flink, "hebben we een moeilijk werk achter den rug
+en ik moet zeggen, 't is hoog tijd dat wij eindelijk klaarkomen, want
+onze boot begint vrij zwak en bouwvallig te worden, zoodat ik haar,
+zoodra wij eens weer tijd daartoe hebben, zorgvuldig kalefateren moet."
+
+"Wij zullen haar nu ook zoo dikwijls niet meer noodig hebben,"
+antwoordde Willem; "eenige vaarten naar de kleine haven zullen wel
+alles zijn, wat zij voor ons terugkeeren naar de oude woning heeft
+te doen."
+
+"Dat is waar, Willem en zij heeft ook reeds een duchtig lek en dient
+althans spoedig met zorg geteerd te worden. Voor een zoo licht gebouwd,
+gebrekkig ding, heeft zij hare diensten kostelijk gedaan."
+
+"Het heeft mij al dikwijls verwonderd, dat zij zich zoo goed hield,
+Flink. Maar wat dunkt u, zullen we nu aanstaanden Maandag naar het
+magazijn opbreken en daar in het vervolg onzen intrek nemen?"
+
+"Zeker, Willem; we mogen dat volstrekt niet langer uitstellen,"
+antwoordde Flink. "Uw vader heeft intusschen zeker heg en sloot
+rondom het yamsplantsoen klaar, en is dit zoo, dan zal uwe moeder
+toch ook niet alleen met Juno en de kleinen in de tenten willen
+achterblijven. Zoo zullen wij nu het beste doen om naar het oude huis
+terug te keeren, totdat het magazijn geheel in orde is gebracht. Ik
+voor mij zou echter veel liever zien, dat uw moeder stilletjes bij
+de tenten bleef, totdat alles gedaan is."
+
+"Omdat gij een bezoek van de wilden vreest, Flink?"
+
+"Ja, waarlijk, beste jongen, ik wil het niet ontkennen."
+
+"Maar, Flink, als zij komen, dan zien wij dat vroeg genoeg; en is het
+dan niet veel beter, dat wij allen bij elkander zijn, zelfs als wij
+ons voor hen verbergen moesten, omdat we nog niet behoorlijk waren
+voorbereid? Stel u het geval eens voor, dat de wilden het eiland
+overvielen en mijne moeder, mijne broertjes en zusjes geheel zonder
+bescherming vonden, terwijl wijzelven gedwongen waren, ons huis te
+verlaten,--hoe schrikkelijk moest dat zijn!"
+
+"Ja, Willem, ik reken er op, dat wij ons in dat geval nog naar de
+tenten redden zouden."
+
+"Dat kunnen wij echter ook allen gezamenlijk, Flink, als wij maar
+niet bij nacht verrast worden."
+
+"Daar moeten wij met alle zorgvuldigheid tegen zoeken te waken mijn
+jongen. Gelukkig is het licht in het tegenwoordige seizoen weinig
+langer dan drie uren van den hemel. Het komt mij overigens voor,
+dat gij gelijk hebt, Willem. Bovendien kan Juno ons goede diensten
+doen en wij zullen door haar te eer met ons werk klaarkomen."
+
+"'t Zou misschien wel het best zijn, dat wij de beslissing aan vader
+en moeder overlieten."
+
+"Dat is waar.--Nu, daar is eindelijk de landpunt ook; wij zullen onze
+planken gauw aan land brengen en dan dadelijk weer in zee steken,
+want het wordt al tamelijk laat."
+
+Zij bereikten de kleine haven werkelijk veel later dan gewoonlijk,
+waaraan de zware lading schuld was, zoodat de boot niet dan zeer
+langzaam naar de baai was voortgedreven. Bij hunne aankomst stonden
+vader, moeder en de kinderen allen op het strand hen met ongeduld
+te wachten.
+
+"Gij komt van avond laat, vrienden," begon mevrouw Wilson. "Ik begon
+al ongerust te worden, tot ik uwe boot eindelijk in de verte zag."
+
+"Ja, lieve moeder, wij konden het niet anders maken; we hadden nog
+eene zware lading over te brengen, maar nu zijn wij ook met ons werk
+geheel ten einde."
+
+"Dat hoor ik met blijdschap, Willem, want het valt mij hard, u zoo
+dagen achtereen in het geheel niet te zien te krijgen."
+
+"Ook ik ben met mijn werk klaar," zeide de heer Wilson: "dezen morgen
+heb ik de laatste hand aan de omheining gelegd."
+
+"Dat is goed," sprak Flink; "wij moeten dan eens weder een krijgsraad
+houden, die echter nu, denk ik, niet al te lang duren zal."
+
+"Ik hoop het althans niet, Flink; want als men van eenerlei gevoelen
+is, zal dat zelden het geval zijn. Mijne vrouw wil liefst niet alleen
+hier achterblijven en ik zou haar niet gaarne verlaten;--daarom,
+dunkt mij, moeten wij Maandag naar onze woning opbreken."
+
+"Recht gaarne, mijnheer, als gij dat verkiest," gaf Flink ten antwoord.
+
+"Juno, ik hoop toch, dat gij iets goeds te eten hebt?" riep Willem. "Op
+mijn woord, ik heb van avond honger voor tien."
+
+"O ja, massa Willem, gebakken visch heele boel; massa zelf die
+vanmorgen gevangen heeft."
+
+"Ik lust liever schildpadsoep," verklaarde Thomas.
+
+"Ik geloof, dat sinjeur Thomas alles lust behalve ricinusboonen,"
+zeide Flink lachend. "Niet waar, daar wilt gij niet meer van eten?"
+
+"Neen, zeker niet; maar ik wil bananen eten, zoodra ze rijp zijn."
+
+"O, gij hadt ze zeker ook al vroeger geproefd, als gij er maar bij
+had kunnen komen; doch daartoe moet gij eerst nog grooter worden."
+
+"Ik zal ook een man worden," hernam Thomas.
+
+"Dat hoop ik en wel een recht braaf, uitstekend man," antwoordde de
+oude Flink. "Kom, ik zal Juno nu maar eens een handje helpen, om het
+eten op te brengen."
+
+
+
+
+
+
+
+TWEE-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+GROOTHEID VAN HET DIERENRIJK.
+
+
+De volgende dag was weder een Zondag en derhalve aan de rust
+gewijd. Inderdaad hadden onze vrienden die na den ingespannen arbeid
+van de voorgaande week hoog noodig en thans eerst gevoelden zij recht
+duidelijk, hoe weldadig zulk een verademing is.
+
+Na het eten hield men raad en kwam overeen, Maandag alle toebereidselen
+te maken, om de tenten te verlaten en naar de oude woning terug te
+keeren. De schapen en geiten zouden vooreerst aan de zuidkust blijven,
+waar zij uitmuntend voedsel in overvloed hadden. Men wilde slechts
+eene enkele geit medenemen, die het huisgezin genoegzaam van melk
+kon voorzien. Ook besloot men de tenten, met eenig keukengereedschap
+daarin, te laten staan, opdat Willem en Flink, als zij hierheen kwamen,
+om naar de bananen en yamswortels of naar de schapen en geiten om te
+zien, niet onder den blooten hemel zouden behoeven te slapen en de
+middelen mochten vinden om zich een behoorlijk maal te bereiden.
+
+Willem en Flink moesten de bedden enz. in de boot naar de oostkust
+brengen, hetgeen in twee vaarten te doen was. Mijnheer en mevrouw
+Wilson wilden vroeg ontbijten en dan met de verdere familie door het
+bosch op weg gaan.
+
+Des avonds bracht Willem het gesprek weder op de dieren en hunne
+eigenschappen, daar hij zijn vader gaarne over dit onderwerp hoorde
+spreken. In den loop van dit gesprek wierp Willem eensklaps de
+vraag op:
+
+"Ei, vader, men zegt wel eens: "zoo dom als een ezel!" Is de ezel
+dan werkelijk zulk een dom dier?"
+
+"Neen, Willem; integendeel is hij zeer scherpzinnig en die benaming
+wordt hem meer om zijn stroeven, koppigen aard dan om eenige andere
+reden gegeven. Men zegt veelal, "dom als een ezel, dom als een varken
+of als eene gans," doch doet die dieren daarbij groot ongelijk,
+daar geen van hen dien bijnaam verdient.
+
+"Bij den ezel kan hiervan licht de reden zijn, dat wij in ons
+noordelijk vaderland slechts de minste bastaardsoorten bezitten. Klein
+en gebrekkig, gelijk wij hen daar zien, geeft men hun noch haver noch
+eenig ander krachtig voeder, behandelt hen slecht en zoo is het dan
+ook geen wonder, dat zij tot trage, stijfkoppige dieren ontaarden. Het
+klimaat van het noordelijk Europa is veel te koud voor den ezel. In
+het zuiden van Frankrijk, aan de Middellandsche Zee, waar het veel
+warmer is, treffen we den ezel ook als een veel fraaier dier aan.
+
+"Wanneer wij hem echter in al zijn volmaaktheid willen zien, dan
+moeten wij in de warme luchtstreek naar Guinea vlak onder den evenaar
+gaan. Daar, in de heetste streek der aarde, is het vaderland van
+den ezel; daar is hij in zijn natuurstaat een fraai dier, snel als
+de wind."
+
+"Maakt dan het klimaat zulk een groot verschil, vader?"
+
+"Natuurlijk--en dat niet alleen bij dieren, maar ook bij boomen en
+planten en zelfs bij den mensch, totdat hij aan de verwisseling daarvan
+gewoon is. De lascaar, d. i. de inlandsche Indische zeeman, is op de
+warme, zonnige Indische wateren vol vroolijkheid en leven, doch zoodra
+hij in het Britsche Kanaal komt en de vingers hem van koude verkleumen,
+wordt hij traag, onwillig, kortom in alles een beklagenswaardig wezen.
+
+"Onder de dieren vindt men vele, die de verwisseling van klimaat
+goed verdragen en zich zelf aan een hun anders geheel vreemd voedsel
+gewennen kunnen. Het paard b. v. dat oorspronkelijk in Arabië te huis
+behoort, tiert evengoed in de gematigde als in de koude luchtstreek,
+daar het zelfs den harden winter in Noord-Amerika en in Rusland
+verduren kan. Zoo ook andere huisdieren, als koeien, schapen, varkens,
+enz. Eene opmerkelijke bijzonderheid is, dat het rundvee in Canada
+gedurende den winter voor een groot deel met visch wordt gevoed.
+
+"Behalve de reeds opgenoemde, zijn er ook nog andere dieren, b. v. de
+wolf, de vos, de haas en het konijn, die onder elke warmtegraad
+kunnen leven. Bij schapen en geiten ziet men een merkwaardig
+verschijnsel,--blijkbaar ten bewijze, dat zij bestemd zijn, om zich
+overal op de aarde te verbreiden,--dit namelijk, dat zij onder de heete
+hemelstreken hun warm, wollig kleed afwerpen en bijna enkel haren ter
+bedekking overhouden, terwijl zij hunne warmer vacht oogenblikkelijk
+weder aannemen, als zij naar kouder streken worden overgebracht.
+
+"Dit toenemen van het ruige bekleedsel is nog bij vele andere dieren
+merkbaar zoodra zij uit warmer streken meer naar het noorden worden
+overgeplant. Wolven, vossen, hazen en konijnen verkrijgen langzamerhand
+eene witte vacht, hoe verder noordelijk zij zich ophouden. De kleine
+wezel, die bij ons door de veld- en boschwachters gedood en aan de
+schuurdeuren gespijkerd wordt, verandert in Rusland en in andere koude
+landen in dat fraaie, witte hermelijntje, welks pels zoo hooggeschat
+en door keizers en koningen gedragen wordt.
+
+"Hierbij valt alleen op te merken, Willem, dat zulke dieren, welke
+slechts voor een bijzonder werelddeel bestemd werden, ook doorgaans
+zoo zijn toegerust, als zij voor hun land best passen, en daar ook
+het meest geschikte voedsel voor hunne soort vinden. Neem b. v. den
+kameel, een dier, dat uitsluitend voor zijn geboorteland geschapen
+werd en zonder 't welk alle gemeenschap tusschen Azië en Afrika moest
+ophouden. Zijne pooten zijn zoo gevormd, dat hij met gemak door het
+zand waden kan; hij voedt zich met de schrale gewassen en ziltige
+planten, die men daar nog aantreft, en heeft de bijzondere eigenschap,
+dat hij in eene soort van tweede maag een voorraad van water medevoert,
+om in streken, waar men dat niet vindt, er zijn leven bij te houden."
+
+"Er zijn zeker ook vele dieren, die voor den mensch van geen nut
+zijn, vader?"
+
+"Vele althans bij wie dit het geval schijnt te wezen, en enkele zelfs,
+die hem hoogst verderfelijk zijn. Dit behoort nu eenmaal tot ons lot;
+wij mogen hen daarom ook uitroeien en verdelgen, als zij ons lastig
+of gevaarlijk worden, gelijk wij dat den distel op het veld doen. Zoo
+zij echter ook al van geen nut voor ons zijn, verhoogen zij toch de
+schoonheid en rijke verscheidenheid der natuur."
+
+
+
+
+
+
+
+DRIE-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+INRICHTING VAN HET BLOKHUIS.
+
+
+De volgende morgen was zeer druk en onrustig, want nu ging men weer aan
+'t inpakken en aan de toebereidselen tot de verhuizing. Juno werd nu
+hier, dan daar geroepen en moest Carolientje verzoeken op den ketel
+te letten en haar te waarschuwen, als het water begon te koken.
+
+Thomas was, als naar gewoonte, iedereen in den weg. Hij wilde overal
+helpen, doch bracht meer van, dan op zijne plaats. Daar hij het
+evenwel goed meende, werd hij althans ditmaal niet beknord. Eindelijk
+zond Flink, om hem kwijt te worden, hem met een groot pak naar
+het strand. Thomas nam den bundel op zijn schouder: maar toen hij,
+niet weinig hijgende van het verrichte werk terugkwam en Flink hem
+een tweeden last wilde opladen, zei hij toch, dat hij te moe was, en
+zette zich stilletjes neer, totdat het ontbijt werd opgedragen, wat
+echter eerst geschiedde, toen men met alle toebereidselen gereed was.
+
+Terstond na het ontbijt pakte mevrouw Wilson het keuken- en
+tafelgereedschap in een mand bijelkander. Toen begaf de gansche
+familie zich eindelijk op weg en trok, in gezelschap van de honden,
+door het kokosbosch voort.
+
+De kleine Albert kon nu heel goed loopen en moest slechts nu en dan
+door Juno gedragen worden, die hem anders bij de hand had. Caroline
+liep naast haar vader en moeder, maar Thomas was te eigenzinnig om
+met iemand te gaan en stapte in zijn eentje voort.
+
+Willem en Flink verloren geen tijd, om hunne taak af te doen. Tafels,
+stoelen en verder huisraad was het eerste, dat zij in de boot
+hadden. Vervolgens werd de eene geit ingescheept en toen stieten zij
+met volle lading van land en bereikten de baai lang vóór de wandelaars,
+die door het bosch trokken.
+
+Zij brachten de ingeladen goederen spoedig aan land en stieten toen
+opnieuw af, om het beddegoed en wat er verder nog was overgebleven
+af te halen. Tegen drie uren 's namiddags kwamen zij met de tweede
+en laatste lading in de baai aan, waar de familie voor ongeveer een
+uur was aangekomen. Mijnheer Wilson en Juno waren reeds druk bezig
+de uitgeladen stukken naar het huis te dragen.
+
+"Dat zal nu hoop ik, onze laatste vaart geweest zijn voor langen tijd,
+Willem," zeide de oude Flink. "'t Is ook goed, want onze kleine boot
+heeft veel geleden en dient, zooals ik u reeds zeide, eens met zorg
+te worden nagezien."
+
+"Ha, laat mij 't niet vergeten, Flink, ik heb onlangs de duiven bij
+onze erwten gevonden; het wordt dus wel tijd, dat wij ze plukken. De
+duiven zijn al heel schielijk vermeerderd,--ik heb er wel over de
+dertig geteld."
+
+Nog vóór den nacht was alles in huis weder op de oude plaats en even
+gemakkelijk als te voren ingericht. Zij waren dan allen ook recht moede
+geworden en gingen dus vroegtijdig te bed, nadat men voor den volgenden
+dag het noodige had afgesproken. Mevrouw Wilson had zich aangeboden
+om de keuken en het opzicht over de kleinen zelve voor hare rekening
+te nemen, zoodat Juno de mannen den ganschen dag behulpzaam kon zijn.
+
+Voor dag en dauw gingen Willem en Flink naar de schildpadvijver
+en vingen er eene uit, want de tijd naderde, dat men weder nieuwe
+schildpadden vangen en in korten tijd den vijver daarmede vullen
+kon. Het gevangen dier werd geslacht en een deel daarvan in den pot
+gestoken, zoodat mevrouw Wilson het slechts had te braden, en zoodra
+het ontbijt was afgeloopen, ging men onverwijld naar het magazijn in
+het woud.
+
+Ka een kort beraad met mijnheer Wilson, paalde Flink een van
+kokosboomen gevormd vierkant rondom het magazijn af, zoodat op elke
+zijde eene ruimte van ongeveer twintig voet vrij bleef, en dit vierkant
+moest nu door eene schutting geheel worden ingesloten. De kokosboomen
+moesten daarbij tot steunbalken dienen, tusschen welke andere boomen,
+die men eerst vellen wilde, tot eene hoogte van veertien voet zouden
+worden vastgemaakt. Op deze wijze dachten zij eene palissade tot
+stand te brengen, die men niet gemakkelijk beklimmen kon, zoodat zij
+daardoor tegen alle aanvallen der wilden beschut waren.
+
+Zoodra de buitenste reeks van boomen gemerkt was, begonnen zij alle
+boomen binnen deze en naar buiten tot op een afstand van tien roeden om
+te hakken, zoodat zij behoorlijk ruimte tot hun arbeid hadden. Flink
+kapte lange balken welke zij van boom tot boom bevestigden, en nu
+reeds ondervonden zij het voordeel, dat zij van het bewaren der groote
+spijkers hadden, want zonder dezen hadden zij hun werk noch zoo goed
+noch zoo rasch kunnen verrichten.
+
+Mijnheer Wilson velde de boomen, Willem en Juno zaagden ze met
+een groote timmermanszaag op de behoorlijke lengte af en brachten
+de stammen dan bij Flink. Spoedig hadden zij meer omgekapt dan zij
+eigenlijk noodig hadden. De kruinen en takken der gevelde boomen werden
+opgeraapt en als brandhout op een hoop gestapeld, terwijl mijnheer
+Wilson en Flink de palissaden aan de palen begonnen vast te spijkeren.
+
+Zij hadden den ganschen dag zwaar gearbeid en waren verheugd, toen
+de avond hun eindelijk eenige verademing vergunde. Flink was echter
+nog niet tevreden, maar zeide tot Willem:
+
+"Daar wij nu weder hier zijn, komt het mij wel noodzakelijk voor,
+beste jongen, dat wij, om ongeluk te verhoeden, eene soort van
+nachtwacht houden. Ik ga niet te bed, voordat het geheel donker
+wordt, wat zoo ongeveer tegen negen uren is: gedurende dien tijd
+zal ik de zee nauwkeurig opnemen. Wij hebben wel niet te vreezen,
+dat de wilden midden in den nacht komen; maar even voor 't invallen
+van de duisternis of 's morgens vroeg is dit eer te verwachten, en
+zoo moet dus een van ons nog vóór 't aanbreken van den dag--dat is
+tusschen twee of drie uren 's morgens--op de been zijn, om te zien of
+er ook iets van hen te ontdekken is. Is dit niet het geval, dan kunnen
+wij natuurlijk weer te bed gaan, daar zij dan eerst vele uren later
+kunnen aankomen. Ook moeten wij op wind en weer acht geven, of die
+hunne vaart misschien ook begunstigen. Met den wind kan dit niet eer,
+dan met het begin van den regentijd het geval zijn. Hij kan echter ook
+zeer zwak worden, en dan moet er den wilden weinig aan gelegen zijn,
+of hij hun tegen is of niet. Ik heb al veel over de zaak nagedacht,
+beste Willem, en geloof dat, ingeval wij een bezoek van de wilden
+krijgen, dit met het begin van den regentijd wezen zal, want dan
+waait de wind niet regelmatig uit ééne hemelstreek, zooals thans,
+maar springt gedurig om, zoodat zij in hunne kano's zeilen opzetten
+en gemakkelijk hierheen komen kunnen, in plaats van anders veertig
+of vijftig mijlen ver tegen wind en stroom in te moeten roeien, wat
+een allesbehalve lichte arbeid is. Hoe dat zij, wij mogen zelven geen
+voorzorg verzuimen en moeten nu reeds scherp naar de zee uitzien. Ik
+wil uw vader en moeder liefst voor den tijd niet ongerust maken,
+maar u moet ik zeggen, hoe ik er over denk en wat ik meen, dat wij
+te doen hebben."
+
+"Ik geef u volkomen gelijk, Flink, en zal zorg dragen, dat ik vóór
+den dag op ben, om den horizon, zoodra 't begint te schemeren, met
+den kijker zoo scherp mogelijk op te nemen. Neem gij de avondwacht,
+dan zal ik mij wel met de morgenwacht belasten."
+
+"Goed, Willem. Wat voor 't overige dier wacht aangaat, kon ik zeer
+goed beide op mij nemen, maar ik geloof, als gij 's morgens opstaat,
+zullen de anderen dat niet zoo licht als van mij bemerken, en dat ik
+'s avonds nog wat langer dan de familie opblijf, is men meer van
+mij gewoon."
+
+Na dit gesprek hielden Flink en Willem dus gestadig de wacht van den
+morgenschemering af, totdat de volle duisternis was ingevallen.
+
+
+
+
+
+
+
+VIER-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+GROOT GEVAAR.
+
+
+Omstreeks veertien dagen lang werd de arbeid bijna onafgebroken
+voortgezet, toen er plotseling een voorval plaats greep, dat
+de grootste onrust en bezorgdheid wekte. Op zekeren dag, dat de
+arbeidenden voor het middageten terugkwamen, vroeg mevrouw Wilson
+verwonderd:
+
+"Hoe, is Thomas dan niet bij u geweest?"
+
+"Neen," gaf haar man ten antwoord; "hij heeft zich den ganschen
+voormiddag maar even laten zien. Hij ging na het ontbijt met ons mee,
+maar was na een kwartier ook al weer weg."
+
+"Ja, mevrouw, ikke zeggen; jongetje, jij kokosbladeren helpen dragen,
+maar hij toen een, twee, drie, is weggeloopen."
+
+"Mijn God! waar mag hij dan zijn?" riep de moeder in de grootste
+ongerustheid uit.
+
+"Hij zal waarschijnlijk aan 't strand schelpen zoeken, mevrouw,"
+zeide Flink; "misschien ook is hij in den tuin. Ik zal eens naar hem
+gaan zien."
+
+"Ik zal met u gaan, Flink," zeide Willem.
+
+"Ikke zien hem--ach lieve grutte hemeltje! ikke zien hem!" riep Juno
+en wees naar de zee; "hij zitten in de boot en de boot gaan in zee!"
+
+Het was maar al te waar. Thomas zat werkelijk in de boot, die reeds
+van het strand afdreef, en zoo nagenoeg eene kabelslengte daarvan
+verwijderd, midden onder de klippen te zien was.
+
+Willem vloog met de snelheid van den wind naar het strand; evenzoo de
+vader en Flink. De beangste moeder volgde met Juno op eenigen afstand.
+
+En er was ook werkelijk geen tijd te verliezen, want de wind blies
+gestadig van het land en weldra moest de boot in volle zee zijn. Niet
+zoodra was Willem aan het strand gekomen, of hij wierp hoed en buis
+van zich en sprong in 't water. Reeds had hij de helft van den afstand
+tusschen het land en de voortdrijvende boot achter zich, toen de oude
+Flink, die hem gevolgd was, hem bij den arm vatte.
+
+"Keer oogenblikkelijk terug, Willem!" riep deze op gebiedenden
+toon. "Ik zeg, ik gelast het u. Al gaat gij ook verder, kunt gij toch
+niet helpen, daar gij u niet zoo goed als ik weet te redden. Ik zwem
+toch door en zoo loopen wij beiden dubbel gevaar. Mijnheer Wilson,
+roep uw zoon terug. U moet hij gehoorzamen!"
+
+"Willem!" riep zijn vader; "kom oogenblikkelijk terug: ik gelast
+het u."
+
+Willem gehoorzaamde nu en was nog niet uit het water, toen de oude
+man reeds tot de eerste klippen was voortgezwommen en nu over de
+ondiepe plaatsen over het rif op de boot toewaadde.
+
+"O vader!" riep Willem, "als onze goede oude vriend verloren ging,
+zou ik het mijzelven nooit kunnen vergeven. Het is mij, als of ik
+niet goed deed met aan u te gehoorzamen. Zie maar, vader--een, twee,
+drie haaien, daar dicht voor ons. Hij kan hen niet ontwijken. Zie,
+hij is alweer in het diepe water."
+
+Mijnheer Wilson wierp een vluchtigen blik op de haaien, die slechts
+weinige voeten van het strand verwijderd waren, en hield de oogen
+toen weder onafgewend op Flinks verdere bewegingen gericht.
+
+Kon de oude man zich door het diepwater tusschen de klippen heen
+worstelen, dan was hij als gered te beschouwen, daar de boot thans op
+de andere zijde der klippen tegen een rots stiet en vastraakte, waar
+het water ondiep was. Het was een oogenblik van onbeschrijfelijken
+angst.
+
+Eindelijk had Flink het uiterste rif bereikt; hij greep met de handen
+naar een uitstekende rotspunt en klauterde daarbij op.
+
+"Hij is gered, lieve man,--is hij niet?" fluisterde mevrouw Wilson.
+
+"Ja, ik geloof, thans is hij het!" antwoordde haar man, toen Flink de
+rots beklommen had, waar het water hem niet verder dan tot de enkels
+reikte. "Ik denk, dat hij tusschen de plaats, waar hij nu staat en
+de boot geen diep water meer vinden zal."
+
+In het volgende oogenblik zag men Flink reeds buiten de klippen en
+had hij de boot bij het vooreinde aangevat.
+
+"Hij is behouden in de boot!" riep Willem uit eene verruimde borst.
+
+"Ja, God zij gedankt!" herhaalde de vader. "Zie de monsters eens,"
+vervolgde hij, op de haaien wijzende; "hoe onrustig zij heen en weer
+zwemmen; ze hebben hunne prooi in het water geroken. Het is een zegen,
+Willem, dat ze juist hier zijn. Zij hadden evengoed ginds kunnen wezen,
+toen onze vriend door het ondiepe water moest waden."
+
+"Ja, waarlijk, vader. Zie, hij heeft den bootshaak en stoot de boot
+van de klippen af in het ondiepe water. O, nu is hij volkomen in
+zekerheid."
+
+Zoover was het echter nog niet. De boot had vroeger tegen de klippen
+gestooten en van onderen een lek gekregen, zoodat zij, toen Flink
+haar weder in het kanaal bracht, zich terstond met water begon
+te vullen. Flink werkte zoo hard als hij kon met den bootshaak;
+eindelijk trok hij zijn halsdoek af en stopte het lek daarmede zoo
+goed dat gaan wilde.
+
+Dat was beider behoud; maar de boot was bijna tot boven toe volgeloopen
+en had Flink of zelfs Thomas ook maar de kleinste beweging gemaakt,
+dan ware zij oogenblikkelijk omgeslagen. Daarbij kwam, dat zij
+het vaarwater tusschen het strand en de klippen, waar de haaien
+rondzwommen, nog altijd noodzakelijk moesten oversteken.
+
+Flink, die het gevaar bemerkte, riep hun, die op het strand stonden,
+toe, dat zij met alle macht met steenen naar de haaien moesten gooien,
+om die te verjagen. Dat gebeurde terstond. Mijnheer Wilson, Willem
+en Juno wierpen onophoudelijk en zelfs de moeder hielp daarbij,
+daar de angst voor vriend en kind haar kracht verleende.
+
+De steenworpen hadden het gewenschte gevolg. De haaien zwommen weg en
+Flink bereikte behouden het strand op 't oogenblik, dat de boot tot
+den bovensten rand met water gevuld en op het punt was van te zinken.
+
+Flink droeg den kleinen Thomas aan land. Deze was zóó verschrikt en
+verslagen, dat hij niet meer schreien kon. Doodsbleek stond hij daar
+en had mond en oogen wijd opengesperd. Willem vloog daarbij op den
+ouden man toe, drukte hem in zijne armen en riep met snikkende stem:
+"Goddank! gij zijt gered, Flink."
+
+Vader en moeder grepen hem bij de hand en drukten die hartelijk.
+
+Juno wierp eerst Flink een van blijdschap schitterenden blik toe en
+nam vervolgens Thomas bij de hand, om hem weg te brengen.
+
+"Kom hier maar, jij stout, ondeugend jonk! Jij slaag zult krijgen,
+als heele boel over is."
+
+Die bedreiging deed Thomas weder tot zichzelven komen en eene keel
+opzetten, dat men het wijd en zijd had kunnen hooren.
+
+"Ditmaal was er geen tijd te verliezen, Willem," zeide Flink, terwijl
+zij de beide ouders naar huis vooruitgingen. "Wat kan zulk een jongen
+toch een ongeluk en ellende aanrichten!"
+
+"Door zijn doorgestanen angst is hij al zwaar gestraft," sprak
+Willem. "Ik sta er u voor in, dat hij alleen nooit weer een voet in
+de boot zal zetten."
+
+"Neen, dat geloof ik ook niet.--Gij hebt nu echter kunnen zien, hoe
+weinig het scheelde, of ik was met boot en al te gronde gegaan. Maar
+gelooft gij wel, Willem, dat gij de boot evengoed als ik aan het
+strand gebracht hadt, indien gij in mijne plaats daarin geweest waart?"
+
+"Neen, Flink; want ik moet zeggen, nooit zou ik er aan gedacht hebben,
+mijn halsdoek af te doen, om het lek daarmee te stoppen, en had ik
+dat ook al gedaan, dan zou ik toch nooit in staat zijn geweest, om
+de boot zoo goed te besturen, en had dus zeker moeten verdrinken,
+vóórdat ik den oever bereikt had."
+
+"Nu, lieve Willem, ik ben een oud zeeman, hetgeen gij niet zijt,
+en het is dus geen ijdelheid, als ik zeg, dat gij de boot niet zoo
+goed als ik hadt kunnen besturen. Ik zelf had nog maar een of twee
+minuten over, en zoo waart gij dus, gelijk gij zelf zegt, naar alle
+waarschijnlijkheid gezonken. Ik doe u dit slechts opmerken, om u te
+bewijzen, dat ik gelijk had, toen uw vader verzocht u terug te roepen."
+
+"Ja, dat hadt gij zeker, Flink; maar Thomas is mijn broeder en ik
+gevoelde, dat het eer mijn plicht dan de uwe was, het leven voor hem
+te wagen."
+
+Toen men Thomas den volgenden dag vroeg, wat hem er eigenlijk toe
+gebracht had om in de boot te gaan, gaf hij tot aller verbazing ten
+antwoord, dat hij naar de tenten had willen terugvaren en zien, of
+de bananen ook haast rijp waren. Hij had daar bijzonder veel lust in
+gehad, en zou nog vóór het middageten zijn teruggekomen, zoodat men
+hem niet gemist zou hebben.
+
+"Als wij u niet nog gelukkig gezien hadden, denk ik, dat ge wel erger
+honger zoudt hebben moeten doorstaan, voordat gij bananen gekregen
+hadt," zeide Flink.
+
+"Ik zal ook zeker niet meer in de boot gaan," beloofde Thomas.
+
+Het blokhuis was nu bijna gereed. Over de poort was men lang in
+beraad. Ten slotte besloot men, deze van sterke eiken posten te
+maken en aan de binnenzijde, op ongeveer een voet afstands, eene
+tweede rij van deurposten op te richten, zoodat men sterke palen daar
+tusschendoor steken en, zoo noodig, een werkelijke barricade tot stand
+brengen kon. Op die wijze moest de deur even vast en sterk worden,
+als ieder ander deel van de ompaling.
+
+Zoodra dit alles gereed was, moest het magazijn tot woonhuis ingericht
+worden, waartoe men de zij-omheining, die uit kokostakken bestond,
+wegnemen en er een vasten wand van de boomstammen voor in de plaats
+stellen zou.
+
+Nog voordat de week ten einde liep, was de palissade met de poort
+gereed, en thans ging men aan het vellen van boomen, om de zijwanden
+van het huis daarvan op te trekken.
+
+Dit werk ging zeer vlug van de hand. Terwijl de vader, Willem en Juno
+boomen velden en die, op gepaste lengte doorgezaagd, op de kar naar het
+magazijn brachten, was Flink bezig, uit een gedeelte van de verzamelde
+planken een vloer te leggen. In die week moesten zij echter twee dagen
+van hun werk af gaan, om de rijpe tuinvruchten in te zamelen. Zoodra
+dit verricht was, ging men opnieuw aan het blokhuis. Nog twee weken
+liepen op deze wijze onder rusteloozen arbeid ten einde. Eindelijk
+echter was het huis gereed en, met hunne vroegere woning vergeleken,
+kon het bijna een paleis genoemd worden. Het was veel grooter, en
+Flink had het door middel van de scheepsplanken in drie vertrekken
+afgedeeld. Het middelste, dat met de huisdeur in verbinding stond,
+was tot woon- en eetkamer bestemd en had een venster naar achteren. De
+beide zijvertrekken dienden tot slaapkamers, het eene voor mevrouw
+Wilson, Juno en de kleinen, het andere voor de mannelijke helft der
+familie. Deze inrichting maakte het verblijf in de nieuwe woning veel
+gemakkelijker en aangenamer dan in de oude.
+
+"Ziet gij, Willem," sprak de oude man, toen zij alleen waren, "wat
+wij met die scheepsplanken al hebben kunnen uitrichten? Hadden wij
+het hout eerst moeten zagen, om vloer en wanden te krijgen, zoo zou
+daar zeker wel een half jaar over verloopen zijn."
+
+"Ja, en hoe gemakkelijk is het, nu wij overal in den wand kasten
+en bergplaatsen hebben.--Wanneer zullen we nu naar ons nieuw paleis
+verhuizen?"
+
+"Hoe eer hoe liever, Willem. Wij hebben nog wel veel, zeer veel werk
+voor ons, doch we kunnen immers ook buiten het blokhuis arbeiden."
+
+"En wat denkt ge met het oude huis aan te vangen?"
+
+"We zullen misschien het best doen, als we dat gedeelte van onzen
+voorraad, die voor ons de minste waarde heeft, daar laten blijven,
+totdat we in staat zijn om een tweede magazijn binnen de palissade
+op te richten."
+
+"Dan zullen we deze vaten daarheen brengen, want ze nemen ons hier
+te veel plaats weg."
+
+"Alle, behalve dat groote daar. Dat zullen wij noodig hebben en ik
+zal er wel ergens een hoek voor vinden."
+
+"Waartoe dan, Flink?"
+
+"Om er water in te bewaren, mijn jongen."
+
+"Wij zijn hier evenwel nader bij de bron, dan wij in ons ander
+huis waren."
+
+"Dat weet ik wel; maar misschien belet men ons eens, de palissade te
+verlaten, en dan kunnen wij het water hoog noodig hebben."
+
+"Ik begrijp u Flink; gij zijt toch altijd op alles bedacht."
+
+"Als ik op mijne jaren niet een beetje nadenken geleerd had, zou 't
+er leelijk uitzien, Willem. Ge weet niet, hoe hartelijk ik verlang de
+gansche familie hier binnen het blokhuis te zien. Ik zal niet gerust
+zijn, voordat ik mijn wensch vervuld zie."
+
+"En waarom zouden wij het dan maar niet dadelijk betrekken?"
+
+"Waarom?--Omdat wij nog veel werk te doen hebben en ik door zooveel
+haast te maken uwe moeder niet beangstigen wil en in de meening brengen
+dat er dadelijk gevaar ophanden is. Maar, geloof mij, beste Willem,
+gevaar is er wezenlijk, ik heb er een soort van voorgevoel van. De
+gedachte weegt mij zwaar op het hart en ik kan ze niet meer van mij
+afzetten. Ik wilde wel dat gij het voorstel deedt, om allen maar
+dadelijk hierheen te verhuizen. De bedsteden zijn toch ook klaar,
+tot op de gordijnen na, en die kan ik er vandaag nog wel voorhangen."
+
+Tengevolge van dit gesprek stelde Willem aan tafel voor, om den
+volgenden dag met pak en zak naar het blokhuis over te trekken,
+omdat men, behalve dat men er veel beter gehuisvest was, er ook veel
+gemakkelijker arbeiden kon.
+
+Mijnheer Wilson was van hetzelfde gevoelen, terwijl zijne vrouw
+daarentegen beter vond er alles eerst netjes in orde te brengen.
+
+"Juist daarom moeten wij er in trekken, mevrouw; want uw opzicht is
+volstrekt noodig, om alles naar wensch in te richten. Wij mannen
+krijgen niets op zijne rechte plaats, als het niet onder uw oog
+geschiedt."
+
+"Welnu, Flink," was het antwoord, "als ook gij, evenals de overigen,
+tegen mij stemt, moet ik wel toegeven. Als ge 't goedvindt, willen
+we morgen dan maar dadelijk met de verhuizing beginnen."
+
+"In waarheid, mevrouw, dat zal zoo het best zijn. Dit is de laatste
+maand, dat we goed weer te wachten hebben en er blijft ons nog zeer
+veel te doen over. Zijn we eerst over, dan zal alles veel vlugger
+van de hand gaan, daar we het nader onder ons bereik hebben."
+
+"Het zij dan zoo, Flink; gij moet dat het best weten. Morgen zullen
+we dus onze woning in het blokhuis opslaan."
+
+"Goddank!" mompelde de oude man. Alleen Willem, die naast hem zat,
+had deze woorden verstaan.
+
+De volgende dag werd geheel aan de verhuizing gewijd. Bedden, huisraad
+en keukengereedschap werden overgebracht en dien nacht sliep men voor
+de eerste maal onder het nieuwe dak. Flink had voor Juno een aardig
+huisje tot keuken opgeslagen, en de volgende werkzaamheden namen de
+verdere dagen van de week geheel in beslag.
+
+Vooreerst werd de voorraad gemonsterd en geschift. Wat van
+minder belang was, zooals b.v. de zout-en meelvaten, benevens de
+tuingereedschappen, werd in het oude huis geborgen. Ook de kruitvaten
+en het grootste gedeelte van den voorraad patronen werden, tot
+meerdere veiligheid, aldaar achtergelaten. Daarentegen bracht men een
+vat gezouten rund-, een ander met varkensvleesch, een derde met meel,
+benevens al den voorraad spijkers, ijzerwerk en linnen naar het nieuwe
+huis over, waarvan de vloer, toen men het tot magazijn inrichtte,
+vier voet boven den grond gebouwd was, om voor de schapen en geiten
+tot stal te dienen. Daardoor had men een droge en tamelijk ruime plaats
+gewonnen, waar men nu al, wat men maar wilde, bergen kon. Flink vergat
+ook niet, in tusschenuren het groote watervat te vullen; hij had daar
+een kraan in gestoken, waardoor men het water aftappen kon.
+
+"Ziezoo, mijnheer," zeide Flink, toen eindelijk de Zaterdag gekomen
+was. "Wij hebben nu weken achtereen ingespannen gearbeid, maar
+nu hebben wij het laatste harde werk dan ook gelukkig achter den
+rug. Wij zitten nu goed en wel in ons nieuwe huis, al onze voorraad is
+onder dak en tegen het weer beschut,--nu mogen wij wel eens wat adem
+scheppen. Ik moet nu met Willem van tijd tot tijd eenige schildpadden
+vangen, want haar tijd loopt spoedig ten einde. Ook moet ik de boot
+oplappen, zoodat we weer een reisje naar de tenten kunnen doen,
+om naar ons yamplantsoen en de kudde te zien."
+
+"Ook naar de bananen en de guayababoomen!" riep Thomas met drift.
+
+"Ja, waarlijk; die hadden wij geheel en al vergeten," zeide zijn
+moeder.
+
+"'t Is waar, mevrouw, maar dat was geen wonder onder al die drukte. Er
+zal, denk ik, echter nog wel wat van over zijn en zoodra de boot
+weder te water kan, zal ik er heen gaan en al wat er nog voorhanden
+is, meebrengen."
+
+"Ook moeten wij onze aardappelen en zaden nog vóór den regentijd in
+den grond brengen, Flink."
+
+"Dat zal goed zijn, als wij er tijd toe vinden, want het mooie weer
+houdt vast niet heel lang meer aan. Nu wil ik eerst maar eens naar de
+schildpadden omzien. Goeden nacht, mevrouw, slaap rustig; rust wel,
+mijnheer;--kom mee, Willem."
+
+Beiden stapten naar het strand. Onderweg ontmoetten zij Juno, die uit
+de keuken kwam. Flink droeg haar op, zooveel hout op te zamelen als
+zij kon en alles in een hoek binnen de omheining op te stapelen,
+om het nader bij hand te hebben. Dien nacht vingen zij nog zes
+schildpadden bij den reeds vergaderden voorraad. Vervolgens namen
+zij nog met den kijker den ganschen gezichteinder op, keerden terug,
+sloten de deur der palissade en legden zich vermoeid ter ruste.
+
+
+
+
+
+
+
+VIJF-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+DE KANO'S ZIJN IN AANTOCHT.
+
+
+Eene nieuwe week ging voorbij, in welken tijd Flink met de boot bezig
+was en Willem met zijn vader den tuin omspitte.
+
+Ook in huis had men de handen vol met eene groote wasch en met naaien
+en verstellen, waaraan men den laatsten tijd weinig had kunnen
+doen. Mevrouw Wilson, Juno, zelfs de kleine Caroline weerden zich
+best en ook Thomas was van veel dienst, want zoo dikwijls men water
+noodig had, haalde hij dat en paste bovendien ook nog op zijn broertje
+Albert. Hij was wezenlijk zoo handig en vlug, dat de moeder hem bij
+vader roemde, waarop onze kleine wildzang niet weinig trotsch was.
+
+Den Maandag daarop zeilden Willem en Flink in de boot naar de kleine
+haven. De schapen en geiten waren vlug en wel en alles beloofde den
+besten wasdom. Van de bananen en guayabavruchten waren reeds vele
+gerijpt en afgevallen; doch men vond altijd nog genoeg om er de boot
+tot de helft mede te vullen. Op het yamsplantsoen hadden de varkens
+geen aanval meer beproefd en ook de tenten waren in goeden staat.
+
+"Wij kunnen niets beters doen, Willem, dan de schapen en geiten laten,
+waar ze nu zijn. Komt er een storm, dan kunnen ze in het bosch schuilen
+en te eten hebben zij in overvloed, al waren er ook tienmaal zooveel."
+
+"Dat komt mij ook zoo voor."
+
+"Maar over een dag of wat moeten wij hier terugkomen en de tenten
+afhalen, die hier gedurende den geheelen regentijd niet mogen blijven
+staan. Wat dunkt u, Willem, zullen we dan nu maar weer in de boot
+gaan?"
+
+"Ja, in allen gevalle zal Thomas recht blij zijn met hetgeen
+we meebrengen. Maar wilt gij toch niet eerst eenige yamswortels
+uitgraven?"
+
+"Waarlijk, dat was mij geheel door het hoofd gegaan, jongen. Ik ga
+dadelijk een schop halen,--in de andere tent zal er nog wel een staan."
+
+Na dus ook een voorraad yamswortels te hebben ingezameld, keerden zij
+naar huis. Zij hadden hunne woning niet bereikt, toen de hemel begon
+te betrekken; het was alsof er een zwaar onweer ophanden was. Echter
+regende het niet, voordat zij werkelijk geland waren; toen viel er
+eene kleine bui, die de komst van den regentijd aankondigde.
+
+De medegebrachte vruchten waren allen bij uitstek welkom; 't was al
+zoo lang, zoo heel lang, dat zij er geene geproefd hadden. Thomas
+vooral viel er met geduchte gulzigheid op aan en zou zich ziek gegeten
+hebben, als zijne moeder niet wijzer geweest was dan hij en hem niet
+verboden had voor ditmaal er meer van te gebruiken.
+
+Den volgenden dag was het helder weer en alles scheen door den gevallen
+regen verjongd en verfrischt. Er werd besloten, dat Flink en Willem den
+volgenden morgen de tenten van de zuidkust afhalen zouden en dan nog
+zooveel yamswortels als de boot bergen kon, meenemen. Beiden hielden
+als gewoonlijk hunne avond- en morgenwacht en bij die gelegenheid
+ontdekte de oude man, dat de wind thans geheel naar het oosten was
+omgeslagen.
+
+"Dat is leelijk voor onze vaart van morgen, Flink," merkte Willem
+aan. "We kunnen wel met het kleine zeil ginds naar de havenplaats
+komen, maar dan hebben wij de boot met hare volle lading terug
+te roeien."
+
+"Nu, ik hoop dat het nog maar geen erger gevolgen voor ons hebben
+zal," gaf Flink nadenkend ten antwoord. "Laat ons nu naar huis en te
+bed gaan. Ik zal morgen vóór den dag op zijn;--dus kunt gij dan nog
+wel wat blijven liggen."
+
+"Ik word immers toch vóór het daglicht wakker, Flink," zeide Willem;
+"zoodat ik maar dadelijk met u wil opstaan."
+
+"Dat is mij ook goed, beste jongen; gij weet, dat ik u altijd gaarne
+tot gezelschap heb."
+
+Den volgenden morgen, bij het eerste krieken van den dag, openden
+beiden dan ook reeds de deur der palissade en wandelden gezamenlijk
+naar het strand. De wind woei nog altijd, en wel vrij sterk, uit het
+oosten en de lucht was geheel betrokken.
+
+Bij het opgaan der zon nam Flink als naar gewoonte zijn kijker en
+begon den gezichtseinder in het oosten nauwkeurig op te nemen.
+
+"Ziet gij dan iets, Flink, dat gij den kijker zoolang op dat ééne
+punt houdt?" vroeg Willem, toen zijn grijze makker na lang turen nog
+geene beweging maakte om den kijker van het oog te nemen.
+
+"Mijne oude oogen kunnen mij bedriegen; maar ik vrees werkelijk,
+dat ik iets zie," gaf Flink eindelijk ten antwoord. "Binnen weinige
+oogenblikken zal ik het met zekerheid kunnen zeggen."
+
+Aan de oostelijke kim hing nog eene nevelstreep, zoodat men er niet
+duidelijk zien kon. Nauwelijks echter was de zon geheel op, of Flink
+die den kijker juist op dat punt gericht hield, riep driftig uit:
+
+"Ja, ja, Willem, ik heb toch gelijk. Ik dacht dadelijk, die donkere
+punten, die ik zag, konden wel hunne bruine zeilen zijn."
+
+"Zeilen?--Wat zeilen, Flink?" vroeg Willem haastig.
+
+"De zeilen der Indiaansche kano's, Willem; ik wist wel, dat die komen
+zouden. Neem gij den kijker maar eens en zie zelf;--het schemert mij
+voor de oogen, zoo sterk heb ik ze ingespannen."
+
+"Ja, waarlijk--nu heb ik ze," riep Willem, na den kijker gericht te
+hebben. "Maar, Flink, daar zijn althans wel twintig tot dertig."
+
+"En ieder heeft twintig of dertig man in, Willem."
+
+"Genadige hemel! Wat moeten wij dan doen? Ach, wat zal mijne lieve
+moeder ontsteld zijn! Tegen zulk een overmacht kunnen wij immers
+volstrekt niets uitrichten, Flink."
+
+"Ja, ja, Willem, wij kunnen veel uitrichten en moeten ook veel
+uitrichten. Dat eenige honderden wilden tegen ons in aantocht
+zijn,--lijdt thans geen twijfel meer; maar vergeet niet, dat wij een
+blokhuis bezitten, dat niet zoo licht te beklimmen is, dat wij verder
+vuurwapens en kruit en lood genoeg in voorraad hebben en hun wel een
+gevecht leveren en hen misschien afslaan kunnen, daar zij enkel met
+lansen en knotsen gewapend zijn."
+
+"Wat naderen zij spoedig, Flink; zie maar,--op die wijze kunnen zij
+immers in een uur hier zijn."
+
+"O, neen, beste jongen,--niet eens in twee. Hunne kano's zijn zeer
+groot. Maar we hebben geen tijd te verliezen. Ik zal hen nog eens in
+het vizier nemen en hunne sterkte narekenen. Loop gij onderwijl naar
+huis en wenk uw vader, dat hij hier bij mij komt. Dan, Willem, zet
+alle geweren klaar en haal de kruitvaten en de patronen uit het oude
+huis naar het blokhuis. Roep Juno en laat die u helpen. Wij zullen
+nog tijd genoeg hebben om dat alles te doen. Als gij klaar zijt,
+moet gij terstond weer bij ons komen."
+
+Onverwijld ging Willem op weg, en een poosje later stond mijnheer
+Wilson bij Flink aan het strand.
+
+"Flink," begon hij, "er is zeker geen goed nieuws? Willem wilde mij
+niets zeggen, denkelijk om mijne vrouw niet ongerust te maken. Wat
+is er eigenlijk?"
+
+"De wilden zijn in aantocht, mijnheer, en dat wel in groote menigte. Ik
+bereken die op tusschen de vijf- en zeshonderd en we moeten dus met
+inspanning van alle krachten voor ons leven vechten."
+
+"Denkt ge dan, dat ons tegen zulk eene overmacht nog eenige hoop
+overblijft?" vroeg de heer Wilson doodelijk verschrikt.
+
+"O ja, ik twijfel geen oogenblik, of het is mogelijk. Maar een harden,
+dagenlangen strijd hebben wij te wachten,--daarop mogen wij rekenen."
+
+Mijnheer Wilson monsterde de naderende vloot met den kijker.
+
+"Waarlijk, eene vreeselijke overmacht, waartegen wij te worstelen
+zullen hebben!"
+
+"Ja, mijnheer; maar die geweren achter een stevige verschansing kunnen
+het tegen hunne knotsen en lansen opnemen, ingeval maar geen onzer
+gewond wordt."
+
+"Nu, Flink, wij moeten al onze krachten inspannen. Ik zal u naar
+mijn beste vermogen ondersteunen, en ook Willem zal, dat weet ik,
+zijn plicht doen. Ik heb immers alles hier, waarvoor een man ooit
+strijden kan,--vrouw en kind; maar gij, Flink, hebt niet zulke banden."
+
+"Neen, mijnheer; maar daarvoor vecht ik voor mijn leven, dat ik,
+al is het niet van zoo bijzonder veel waarde, toch niet gaarne aan
+die knapen schenken zou. Bovendien vecht ik voor u en uwe familie,
+aan wie ik met hart en ziel verknocht ben.--Maar kom, wij mogen hier
+niet langer staan wachten, daar de tijd tot voorbereiding toch al kort
+is. Wij moeten aan den binnenkant van onze ompaling nog eenige sterke
+eiken posten spijkeren, om bij een aanval daarop te kunnen staan en
+over de omheining te kunnen heenvuren. Eerst gaan we echter nog naar
+ons oude huis, om daar alles vandaan te halen; want het oude huis,
+zullen de wilden het eerst ontdekken, en misschien vernielen zij er
+dan alles, wat ze vinden. De vaten slaan zij zeker in stukken, al ware
+'t enkel om de ijzeren hoepels. In een uur kan er veel geschieden,
+daar de tocht zoo groot niet is. Ik geloof, dat wij vooreerst in
+het blokhuis alles hebben, wat ons dienstig wezen kan. Juno heeft
+brandstof genoeg, en de groote waterton zal het althans wel drie of
+vier weken uithouden. Als er nog tijd overschiet, zullen we ook nog
+met de kar naar het strand gaan en een paar schildpadden halen tot
+vermeerdering van onzen mondvoorraad."
+
+"Me dunkt, het is thans geen tijd om aan de schildpadden te denken."
+
+"Waarom niet, mijnheer? 't Is toch waarlijk beter, dat wijzelven die
+opeten, dan dat de wilden zich er op vergasten. Ik wil er van halen
+zooveel ik vinden kan; als wij ze in de schaduw op den grond leggen,
+kunnen zij nog weken in het leven blijven."
+
+Onder dit gesprek naderden beiden hunne tegenwoordige woning, waar zij
+Willem en Juno vonden, die zoo even het kruit en de patronen hadden
+overgebracht. Mijnheer Wilson ging in de woonkamer, om de noodlottige
+tijding aan zijne vrouw mede te deelen, die daardoor, vreesde hij,
+doodelijk ontsteld zou wezen.
+
+"Men heeft mij vroeger al gezegd, dat wij zoo iets te wachten
+hadden, lieve man," antwoordde zij. "Zoo komt mij die tijding dus
+niet onverwacht, en al wat eene zwakke vrouw doen kan, zal door mij
+geschieden. Ik gevoel, dat het mij tot de verdediging mijner kinderen
+niet aan moed ontbreekt."
+
+"Er valt mij wezenlijk een steen van het hart," riep mijnheer Wilson,
+"nu ik u zoo bedaard en welberaden vind. Nu ken ik geen angst
+meer;--maar wij hebben nog veel te doen."
+
+"Daarom moet ik helpen, beste Wilson. Wat mij aan kracht te kort
+schiet, moet ik door goeden wil vergoeden."
+
+Met deze woorden volgden beiden Willem, Juno en Flink, die naar het
+oude huis op weg waren. De kinderen waren nog alle drie te bed en
+gerust in slaap, zoodat men die niet te bewaken had.
+
+
+
+
+
+
+
+ZES-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+LANDING DER WILDEN.--EERSTE AANVAL.
+
+
+Daar zij bij het oude huis een goed gezicht op de kano's hadden,
+verzuimde Flink niet, zijn kijker op de wilden te richten, zoo
+dikwijls hij een vat naar 't blokhuis heengerold had en weer met
+leege handen terugkwam.
+
+Allen zwoegden zich af. Zelfs mevrouw Wilson deed zooveel, als maar
+in haar vermogen was, en hielp óf vaten voortrollen óf droeg wat voor
+haar krachten niet al te zwaar was. Binnen het uur hadden zij alles,
+waaraan hun bijzonder gelegen was, in het blokhuis, gebracht;--de
+kano's waren nog altijd op een aanmerkelijken afstand van de kust.
+
+"Wij hebben nog een goed uur, voordat zij landen, mijnheer," sprak
+Flink, "en dan kunnen de riffen hen wellicht vrij wat ophouden. Ik
+geloof niet, dat ze binnen de twee uren ontscheept zullen zijn. We
+hebben nog tijd genoeg tot alles wat ons te doen valt. Juno, de kar
+hier.--Willem, neem den bootshaak,--dan willen we nog gauw eenige
+schildpadden in het blokhuis brengen. We kunnen dat zonder u af,
+mijnheer. Als gij dus zoo goed wildet zijn, om de geweren na te zien
+en klaar te maken, konden wij onderwijl onzen gang gaan."
+
+"Ja, en dan moet gij ze laden," zeide mevrouw Wilson, "en ons wijzen
+hoe dat gaat. In 't vervolg kunnen Juno en ik dat dan doen, zoodat
+gij enkel hebt te vuren."
+
+"Dat is een kostelijke inval, mevrouw," hernam Flink; "daarmee kunt
+gij ons wezenlijk een zeer grooten dienst bewijzen."
+
+Binnen een half uur hadden Willem en Juno zes schildpadden
+aangebracht. Een poosje later kwam ook Flink naar het blokhuis terug.
+
+"Ik kan onze geit nergens vinden, Willem," zeide hij; "maar daar
+wij toch ook geen voer voor haar hebben, kan zij evengoed buiten
+blijven. Als zij zulke vreeselijke gedaanten, als die wilden, ontdekt,
+zal zij zeker wel een goed heenkomen zoeken."
+
+De vaten werden nu aan een kant gerold en tegen de wanden der omheining
+opgezet, waarna men er planken overheen legde, op welke men hoog genoeg
+staan kon om over de palissade heen te zien en te vuren. Mevrouw Wilson
+had zich laten wijzen, hoe men de geweren laden moest, en Juno werd
+nu ook in dit werk onderricht.
+
+"Nu, mijnheer, zijn wij op alles voorbereid," zeide de oude
+stuurman. "Mevrouw en Juno kunnen nu eens naar de kinderen omzien en
+zorgen, dat wij iets te eten krijgen."
+
+"Ikke 't al klaar hebben. Water al koken heelen tijd," berichtte Juno.
+
+Zoodra de kinderen waren aangekleed, riep mijnheer Wilson den ouden
+Flink, die buiten was en de kano's gadesloeg, in de woonkamer, en
+gebruikte men haastig een ontbijt, ofschoon allen, gelijk men wel
+denken kan, te zeer gespannen waren om met smaak te kunnen eten. De
+moeder drukte hare kinderen aan haar hart; doch haar moed hield zich
+verwonderlijk goed staande.
+
+"Deze angstige spanning is 't ergste van alles," sprak zij ten
+laatste. "Ik wou, dat zij eindelijk toch maar kwamen."
+
+"Zal ik Flink eens gaan opzoeken, lieve, en hooren hoe 't is? In drie
+minuten ben ik weer bij u."
+
+Hij keerde ook zeer spoedig terug en berichtte, dat de kano's thans
+zeer dicht bij de kust waren. De wilden moesten zekerlijk de doorvaart
+door de klippen kennen, want zij hadden daar regelrecht op aangehouden
+en de zeilen laten vallen. Flink en Willem stonden op den uitkijk,
+maar zorgden wel, dat men hen niet zien kon.
+
+"Ik hoop, dat zij niet te lang uitblijven."
+
+"Maak u over hen niet ongerust, lieve Selina; 't is het best, dat zij
+de bewegingen van den vijand tot op het laatste oogenblik bespieden."
+
+Terwijl vader en moeder dus in het blokhuis wachtten, sloegen Willem
+en Flink de wilden en al hunne bewegingen met de meeste oplettendheid
+gade. Tien of elf kano's hadden nu hunne bemanning ontscheept; de
+anderen volgden dit voorbeeld, zoo vlug als zij konden, en zochten
+zich haastig tusschen de klippen door te werken. De wilden waren
+allen beschilderd, in krijgsmantels, met pluimen op het hoofd. Hunne
+wapens bestonden in lansen en knotsen, en blijkbaar waren zij met
+een allesbehalve vredelievend opzet gekomen.
+
+In den beginne hadden zij het druk met de kano's op het droge te
+trekken, en daar deze zeer groot en zwaar waren, verliep er wel een
+kwartier, voordat dit door allen was geschied. Willem had dus tijd,
+om hen nauwkeurig op te nemen.
+
+"Wat schijnt dat een ruwe, wreede bende booswichten te zijn,
+Flink!" merkte hij aan. "Als zij ons in handen kregen, zouden zij
+ons zeker allen vermoorden."
+
+"Daar behoeven wij volstrekt niet aan te twijfelen, Willem; en
+we moeten ons dus dapper weren en zorgen, dat we uit hunne handen
+blijven. Van kant maken willen zij ons zeker, en ik zou welhaast
+gelooven, dat zij ons dan ook nog opeten zouden; ofschoon dat laatste
+ons dan zooveel niet deren zou."
+
+Willem huiverde bij deze gedachte, maar antwoordde toch op vrij
+vasten toon:
+
+"Ik zal vechten, zoolang ik nog adem heb. Maar zie Flink, nu komen
+zij opzetten, al wat zij loopen kunnen."
+
+"Ja, ja, recht op het oude huis toe. Wij mogen nu niet langer
+wachten.--Kom jongen kom!"
+
+"Ik verbeeldde mij daar straks, toen wij omkeerden, ginds achter het
+landpunt nog een ander schip onder zeil te zien, Flink."
+
+"Licht mogelijk; misschien een kano, die van nacht van de anderen is
+afgeraakt. Kom gauw, Willem.--Luister! ze hebben hun krijgsgeschreeuw
+al aangeheven."
+
+Eene minuut later stonden zij voor de poort van het blokhuis. Zij
+traden binnen, sloten de deur achter zich dicht en verzekerden die
+met sterke balken, die van binnen in posten sloten.
+
+"Nu, hier zijn wij veilig genoeg," sprak Flink. "En nu maar moed
+gehouden en ons dapper geweerd."
+
+Het gillend geschreeuw der wilden vervulde mevrouw Wilson met
+ontzetting en angst. 't Was nog maar goed, dat zij de Indianen niet
+in hunne beschildering en in hun trotschen oorlogspronk gezien had,
+want dan zou zij nog veel meer verschrikt zijn geweest.
+
+De kleine Albert en Caroline klemden zich angstig aan haar hals;
+de ontsteltenis stond op hun gezicht te lezen. Geen van beiden gaf
+een enkel geluid; zij zagen slechts vol verslagenheid rond, als om
+te ontdekken, van waar dat ijzingwekkend gerucht kwam, en drongen
+bevend al dicht bij hunne moeder.
+
+Thomas daarentegen was bijzonder in de weer, daar hij nu over het
+ontbijt, dat de anderen verlaten hadden, geheel alleen baas was
+en niemand zijne gulzigheid te keer ging. Juno was buiten bezig en
+betoonde in alles veel moed en bedaardheid.
+
+Mijnheer Wilson had op zich genomen, in de palissade gaten te boren,
+zoodat men daar juist de trompen van de geweren doorheen steken
+en op de wilden vuren kon, zonder zelf aan gevaar te zijn bloot
+gesteld. Willem en Flink daarentegen stonden met geladen geweren op
+hun post en sloegen de nadering der vijanden gade.
+
+"Ze zijn thans nog bij ons oude huis bezig, mijnheer," zeide Flink;
+"maar daar zullen ze zich zeker niet lang ophouden."
+
+"Daar komen ze," fluisterde Willem. "Zie eens, Flink, is dat niet
+eene van de vrouwen, die ons in haren kano ontsnapten--zie, die daar
+met de beide eerste mannen vooraan gaat? Ja, ja, zij is 't, ik ben
+er zeker van."
+
+"Gij hebt gelijk, het is eene van die twee. Kijk, nu houden ze
+halt.--Aha! op het blokhuis waren ze niet bedacht, dat kan men wel
+merken. Dat heeft hen eenigszins van streek gebracht. Daar, zie
+eens, hoe zij de hoofden bij elkaar steken en druk aan 't redeneeren
+gaan. Zij houden raad over hetgeen er thans gebeuren moet. Die slank
+opgeschoten man moet een van hunne opperhoofden zijn.--Ik zal vechten
+tot mijn laatsten ademtocht, Willem, dat is mijn vast besluit; maar ik
+heb er toch een afkeer van in zulk een geval een begin te maken. Ik
+zal mij dus boven de palissade laten zien. Vallen zij mij aan, dan
+kan ik met een gerust geweten op hen losbranden."
+
+"Maar pas op, Flink, dat zij u niet raken."
+
+"Wees gerust, Willem.--Zie, daar komen zij al."
+
+Met deze woorden stapte Flink op de balken, die van binnen langs de
+palissade liepen, zoodat de wilden hem zien konden. Dezen stieten
+een vreeselijk gehuil aan, en minstens een dozijn speren vlogen
+naar de plaats, waar de oude man stond, en waren zoo goed gericht,
+dat zij hem ongetwijfeld gedood zouden hebben, indien hij zich niet
+oogenblikkelijk had gebukt.
+
+Drie of vier van de speren bleven in de bovensten rand der palissade
+steken; de overige vlogen daar overheen en vielen binnen in de
+omheining aan gene zijde van het woonhuis op den grond neder.
+
+"Nu, Willem, maar scherp gemikt!" Doch voordat Willem nog vuren konde,
+schoot zijn vader zijn geweer af, en het slank gewassen opperhoofd
+tuimelde ter aarde. Mijnheer Wilson had zich namelijk volgens afspraak
+derwijze in een hoek geplaatst, dat hij zien kon, als de wilden zich
+naar eene andere zijde heen wendden.
+
+Flink en Willem vuurden insgelijks, en men zag nog twee wilden onder
+het woest gehuil hunner makkers ter aarde storten. Juno gaf dadelijk
+de geladen geweren over en ontving daarvoor de andere, welke zij en
+mevrouw Wilson opnieuw laadden.
+
+De moeder had aan Caroline het opzicht over haar jongste broertje
+opgedragen. Aan Thomas had zij op het hart gedrukt, dat hij zich heel
+stil en bedaard moest houden, waarna zij de deur toesloot en bij Juno
+kwam, om met deze voor het laden der geweren te zorgen.
+
+Nu suisden de speren der wilden door de lucht en het was een geluk
+voor onze kolonisten, dat zij goed gedekt achter hunne palissade vuren
+konden, daar zij anders onvermijdelijk verloren waren geweest. Het
+geschreeuw en gehuil werd gestadig heviger, en de wilden begonnen
+nu den aanval aan alle zijden. De rapsten en moedigsten onder hen
+klauterden als katten tegen de palissade op en bereikten ook werkelijk
+den bovensten rand; doch zoodra hunne hoofden daar zichtbaar werden,
+trof hen ook onfeilbaar de kogel der verdedigers en stortten zij dood
+of zieltogend aan de buitenzijde neder.
+
+Zoo hield het gevecht veel langer dan een uur aan, totdat de Indianen,
+die reeds een aanmerkelijk verlies geleden hadden, eindelijk van den
+strijd afzagen, waardoor de verdedigers weer tijd kregen om wat adem
+te scheppen.
+
+"Nu, bij dezen eersten aanval hebben zij toch bitter weinig gewonnen,"
+begon Flink. "Wij hebben ons dapper geweerd en vooral gij, Willem,
+hebt u gehouden alsof ge tot soldaat in de wieg waart gelegd. Ik
+geloof niet, dat gij uw doel ook maar ééne enkele maal gemist hebt."
+
+"Denkt gij, dat zij nu aftrekken zullen?" vroeg mevrouw Wilson.
+
+"O, neen, mevrouw, nu nog niet. Ze zullen eerst al 't mogelijke
+beproeven, voordat zij ons voor goed verlaten. Gij hebt zelve wel
+bespeurd, dat het een dapper slag van volk is en men kan zien,
+dat zij met kruit bekend zijn, daar dit hen anders veel erger had
+doen schrikken."
+
+"Dat geloof ik ook," sprak mijnheer Wilson. "Als de wilden den knal
+van geweren voor de eerste maal hooren, zijn zij doorgaans geheel
+verplet en verslagen."
+
+"Ja, mijnheer; maar dat was bij dit volk hier niet het geval, weshalve
+ik geloof, dat het wel niet de eerste keer zal wezen, dat zij met
+Europeanen slaags zijn."
+
+"Zijn zij al weg, Flink?" vroeg Willem, die van de hoogte was
+afgeklommen, om zijne moeder te omhelzen.
+
+"Neen jongen; ik zie hen thans tusschen de boomen. Zij zitten in
+een kring in het rond en houden denkelijk eene gemeenschappelijke
+beraadslaging, zooals dat bij die wilde stammen gebruikelijk is."
+
+"Nu, ik heb een brandenden dorst," zeide Willem. "Juno, breng mij
+toch gauw eens wat water."
+
+De zwarte meid ging naar de waterton, om aan Willems verlangen te
+voldoen, maar kwam na weinige oogenblikken met ledige handen en hevig
+ontsteld terug.
+
+"O, massa! O, mevrouw! geen water! Water allemaal weg!"
+
+"Wat, al 't water weg?" riepen allen in één adem.
+
+"Niet een sikkepitje meer in de ton is!"
+
+"Ik heb die toch tot den rand toe gevuld!" riep Flink. "Ook kon ik
+niet merken, dat ze eenig lek had. Hoe is dat dus mogelijk?"
+
+"O, nu ikke 't al wel begrijpen, mevrouw!" riep Juno. "Gij weet wel,
+wij wasschen voor een dag of drie en toen ikke massa Thomas zenden met
+kleine emmertje water halen uit de bron. Hij toen zoo gauw weerom komen
+en mevrouw toen zeggen, dat hij zoete jongen was en ook vertellen aan
+mijnheer. Nu massa Thomas zeker te lui geweest, om te loopen naar de
+bron en al het water tappen uit het vat, en toen vat is leeggeloopen."
+
+"Ik vrees, dat gij gelijk hebt, Juno," sprak de moeder.
+
+"Wat moeten wij nu aanvangen?"
+
+"Ikke gaan en sinjeur Thomas spreken," riep Juno en vloog in huis.
+
+"Dat is een zeer droevig geval, mijnheer," merkte Flink ernstig aan.
+
+Mijnheer Wilson schudde bedenkelijk het hoofd. Allen zagen het
+hachelijke van hun toestand zeer goed in. Indien de wilden het eiland
+niet verlieten, moesten zij of van dorst omkomen of zich overgeven,
+en in 't laatste geval konden zij er stellig op rekenen, dat hun
+leven verloren was.
+
+Juno kwam terug; haar vermoeden was gegrond geweest. Thomas had zich
+gestreeld gevoeld, dat men hem om zijne vlugheid prees, en had de
+kraan uit het vat getrokken, zoodat al het water wegliep. Hij begon
+nu weer hardop te schreien en beloofde naar gewoonte, dat hij het
+van zijn leven niet weer doen zou.
+
+"Zijne beloften komen te laat!" zuchtte de vader. "Zoo zullen al
+onze zorgvuldige maatregelen en voorzorgen tegen dezen aanval door
+de lichtzinnigheid van een kind verijdeld worden en zullen wij ons in
+'t eind aan onze vijanden moeten overgeven."
+
+"Helaas ja, mijnheer!" zeide Flink. "Wij hebben geen ander vooruitzicht
+meer, dan dat de wilden afgeschrikt worden en het eiland spoedig
+verlaten."
+
+"Als ik maar iets voor de kinderen had; ik zelve zou er mij wel buiten
+behelpen!" klaagde mevrouw Wilson; "maar de arme kleinen zoo te zien
+lijden!--Is dan nog niet ergens een weinigje te vinden, Juno!"
+
+Deze schudde het hoofd. "Allemaal weg, mevrouw; niemendal meer wezen."
+
+De moeder zeide nu, zelve nog eens te willen rondzien, en ging met
+Juno in huis.
+
+"Dat is een vreeselijk, vreeselijk ding, Flink!" merkte mijnheer
+Wilson aan. "Wat zouden wij thans niet voor eene regenbui geven,
+als wij de waterdroppels opvangen konden!"
+
+"De lucht ziet daar niet naar uit, mijnheer," gaf de oude man ten
+antwoord.
+
+"Ik wou, dat de wilden maar weer kwamen opzetten," zeide Willem. "Hoe
+gauwer ze komen, des te eer zal alles beslist zijn."
+
+"Ik geloof niet, dat ze zich vandaag bij licht weer vertoonen
+zullen. In den nacht verwacht ik hen echter zeker en zulk een aanval
+bij nacht vrees ik tienmaal meer, dan een bij dag. In allen gevalle
+moeten wij er onze maatregelen tegen nemen."
+
+"Goed; maar wat kunnen wij doen, Flink?"
+
+"Vooreerst moeten wij boven onze palissade nieuwe planken van den
+eenen boom tot den anderen spijkeren; om onze verschansing aldus
+hooger te maken, zoodat de wilden ze minder gemakkelijk beklauteren
+kunnen. Eenigen waren op het punt van zich er overheen te wringen. Als
+wij dit doen, hebben wij ook geen zoo groote ruimte meer te bewaken
+en te verdedigen. Vervolgens moeten wij een groot vuur ontsteken, om
+niet geheel in het donker te vechten. Dit geeft aan onze vijanden wel
+het voordeel, dat zij door de spleten tusschen de palen heenkijken
+en afloeren kunnen waar wij staan, doch daar zij hunne speren toch
+niet zoo ver doordrijven zullen, kan dat ons zooveel kwaad niet. Het
+vuur moeten wij in 't midden van de palissade aanleggen en er braaf
+teer bijgieten, zoodat het helder brandt, en natuurlijk mogen wij het
+niet aansteken, voordat men ons aanvalt. Dan kunnen wij zien, waar
+zij trachten in te dringen en op welk punt wij dus te vuren hebben."
+
+"Dat voorstel is goed, Flink," antwoordde mijnheer Wilson. "Bestond dat
+ongelukkig gebrek aan water niet, ik zou waarschijnlijk hoop hebben,
+dat alles nog goed ging."
+
+"Wij zullen daardoor zekerlijk veel te lijden hebben, mijnheer;
+maar wie kan weten, wat de dag van morgen aanbrengt?"
+
+"'t Is waar, Flink.--Kunt gij iets van de wilden zien?"
+
+"Neen. Ze hebben de plaats verlaten, waar zij raad hielden en ik
+hoor niets meer van hen. Ik vermoed, dat zij zich op dit oogenblik
+met hunne dooden en gekwetsten bezighouden."
+
+Wat Flink voorspeld had, gebeurde ook werkelijk. Dien dag werd er
+geen nieuwe aanval meer ondernomen en allen waren volijverig bezig
+met het maken van toebereidselen tegen den nacht. Zij spijkerden
+boven de palissade nieuwe posten en planken aan de boomstammen, zoodat
+drie zijden van hunne verschansing althans vijf voet hooger werden en
+moeielijk meer te beklimmen waren. Bovendien werd eene groote teerton
+met kokosbladeren, teer en hout opgevuld, zoodat men tegen dat het
+vereischt werd, een helder vlammend vuur in gereedheid had.
+
+Aan middag- of avondeten mochten zij echter niet denken, want zij
+hadden niets dan pekelvleesch en levende schildpad en Flink gaf hun
+den raad, om liever in het geheel niets te gebruiken, daar eten den
+dorst slechts vermeerderen moest.
+
+De arme kinderen hadden daardoor veel uit te staan; de kleine Albert
+kermde en riep gedurig: "Water, water!" Caroline wist, dat dit er niet
+was, en hield zich stil,--het arme schaap, ofschoon 't gemis haar
+zeer zwaar viel. Thomas echter, de oorzaak van al deze ellende, was
+de ongeduldigste van allen en gierde van tijd tot tijd zoo luid, dat
+Willem, die innerlijk woedend op hem was, hem eindelijk een duchtigen
+oorveeg gaf, waarop hij, uit vrees dat er een andere volgen mocht,
+nog slechts stil bleef voortkreunen.
+
+
+
+
+
+
+
+ZEVEN-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+AANVAL BIJ NACHT.
+
+
+De schemering was nauwelijks gevallen, toen het kermen der kinderen
+op eens door het gillend gehuil der wilden overschreeuwd werd,
+die thans, gelijk Flink wel voorzegd had, een nachtelijken aanval
+beproeven wilden.
+
+Op alle punten te gelijk werd de omheining nu aangevallen en de wilden
+gaven zich alle moeite, om over den wand heen te klauteren. Van tijd
+tot tijd werden er enkele speren geslingerd en het was blijkbaar,
+dat zij zich door hunne overmacht den toegang hoopten te verschaffen.
+
+Het was recht goed, dat Flink de voorzichtigheid had gehad van nieuwe
+planken boven de oorspronkelijke palissade te spijkeren, want anders
+zouden de wilden zonder twijfel hun opzet bereikt hebben. Nog voordat
+het vuur, dat Juno op Flinks bevel ontstoken had, genoeg helderheid
+verspreidde, waren reeds drie of vier van de stormers op de palissade
+geklauterd, maar op het oogenblik dat zij zich daarboven vertoonden,
+door Willem en zijn vader neergeschoten.
+
+Toen het vuur eerst recht helder opvlamde, kon men beter op de
+Indianen mikken, en velen hunner vielen bij de poging om over de
+palissade te komen. De aanval duurde over het uur. Toen schenen
+de wilden in te zien, dat het hun op deze wijze niet zou gelukken,
+en trokken andermaal terug, terwijl zij hunne dooden en gekwetsten
+evenals vroeger medenamen.
+
+"Nu, hoop ik, zullen zij zich toch weder inschepen en het eiland
+verlaten," sprak mijnheer Wilson, zich tot Flink wendende.
+
+"Ik wensch van harte, dat zij dat doen mogen, mijnheer. Het is niet
+zoo heel onmogelijk, ofschoon men 't nog niet met zekerheid zeggen
+kan. Ik heb al nagedacht, of wij hunne verdere bewegingen ook van eenig
+hooggelegen punt bespieden konden. Ziedaar den kokosboom," vervolgde
+hij en wees op een van de boomen, die in hunne palissadenlinie stonden:
+"hij is veel hooger dan al de anderen, en als wij van voet tot voet
+groote spijkers daarin slaan, kunnen wij hem gemakkelijk beklimmen
+en van die hoogte de gansche baai overzien. Dan wisten wij althans
+wat de vijand in zijn schild voert."
+
+"Ja, dat is waar, Flink, maar stelt men zich niet te zeer bloot,
+door daar naar boven te klimmen?"
+
+"O, neen, mijnheer; gij ziet immers, de kokosboomen zijn rondom op
+zulk een afstand van de palissade geveld, dat geen van de wilden
+naderen kan, zonder van dien uitkijk zoo tijdig gezien te worden,
+dat hij, die boven is, weer omlaag kan komen, nog voordat zijn vijand
+in staat is zijne speer te gebruiken."
+
+"In allen gevalle zou ik 't echter niet vóór het aanbreken van den
+dag beproeven, daar wij toch niet weten, of er niet eenigen aan den
+voet van de palissade op den loer liggen."
+
+"Dat is zeker wel mogelijk, mijnheer; en daarom zullen wij het tot
+den vroegen morgen uitstellen. Gelukkig hebben wij nog genoeg groote
+spijkers overgehouden."
+
+Na dit gesprek ging mijnheer Wilson in huis. Flink gaf aan Willem
+den raad, om zich neer te leggen en een paar uren te slapen, terwijl
+hijzelf de wacht zou houden. Als dan mijnheer Wilson tegen den morgen
+weer buitenkwam, kon hijzelf nog eene poos uitrusten.
+
+"Ik kan niet slapen, Flink! Ik kan mijn dorst onmogelijk meer
+overwinnen," gaf Willem geheel verslagen ten antwoord.
+
+"Ja, beste jongen, 't is zekerlijk een zware pijn; ik voel dat evengoed
+als gij. En wat moeten die arme kleinen er niet onder lijden! Ik
+beklaag hen van harte."
+
+"Het meeste medelijden heb ik met moeder, Flink," vervolgde
+Willem. "Het moet vreeselijk voor haar zijn, het lijden der kleinen
+zoo aan te zien en hen toch niet te kunnen helpen."
+
+"Ja, waarlijk, Willem, dat moet voor eene moeder een vreeselijk
+lijden wezen. Misschien hebben de wilden zich echter morgen vroeg
+uit de voeten gemaakt, en dan heeft ons lijden op eens een einde."
+
+"Ik hoop, dat het zoo wezen zal, Flink; evenwel schijnen zij mij
+moedig en vastberaden toe."
+
+"Ja, zeker,--voor hen is ijzer zooveel als goud, en wat doen beschaafde
+menschen al niet om goud te winnen! Kom, kom, Willem, ga toch althans
+een poosje liggen, al kunt gij ook niet slapen."
+
+Intusschen had mijnheer Wilson zijne arme vrouw en kinderen bezocht. De
+kleinen jammerden nog altijd om water, in weerwil van alles wat de
+goede moeder beproefde om hen tot bedaren te brengen, terwijl ze
+tranen van wanhoop vergoot, als ze zich over haar lieven kleinen
+Albert neerboog.
+
+Juno was naar buiten gegaan en had met eene schop zoo diep in den
+grond gegraven, als ze maar kon, in de flauwe hoop van toch misschien
+eenig water te zullen vinden,--maar vruchteloos. Treurig en radeloos
+kwam zij naar huis terug.
+
+Er was geen ander middel dan geduld en volharding. Geduld kon men
+echter van zulke kleine kinderen onmogelijk verwachten. De kleine
+Caroline alleen scheen bedaard en sprak geen woord.
+
+Mijnheer Wilson bleef nog twee of drie uren bij zijn vrouw en hielp
+haar de kinderen stilhouden, zoo goed dat gaan wilde. Eindelijk kwam
+hij buiten en vond Flink nog op zijn post.
+
+"Ach, vriend," zuchtte hij, "ik stond liever honderdmaal een aanval
+van die wilden door, dan dat ik nog vijf minuten langer in huis ware
+gebleven en de ellende van vrouw en kinderen mede had aangezien."
+
+"Dat geloof ik gaarne, mijnheer," antwoordde de oude man. "Maar houd
+moed en laat ons het beste hopen. Ik houd het voor heel waarschijnlijk,
+dat de wilden na deze tweede nederlaag het eiland verlaten zullen."
+
+"Ik wou, dat ik 't zelfde gelooven kon, Flink; het zou mij innig
+gelukkig maken.--Doch ik kom hier, om de wacht van u over te
+nemen. Wilt gij ook niet een poosje rusten?"
+
+"Ja, mijnheer als gij 't goedvindt, ga ik dan ook wat liggen. Over
+twee uren kunt gij mij weer roepen: de dag zal dan juist aanbreken, en
+dan wil ik aan het werk gaan, terwijl gijzelf ook eenige rust geniet."
+
+Mijnheer Wilson nam zijn post op de palissade in en bleef aan zijne
+eigene gedachten overgelaten.
+
+Met het krieken van den dag werd Flink wakker en loste mijnheer
+Wilson af. Deze ging echter niet in huis terug, maar legde zich op
+de boomtakken neder, waar Flink aan Willems zijde had uitgerust.
+
+Zoodra de oude man hamer en spijkers bij de hand had, riep hij Willem
+om hem te helpen en gezamenlijk begonnen zij nu de spijkers in een
+kokosboom te slaan, waarbij een van hen voortdurend naar de wilden
+uitkeek, terwijl de ander het werk voortzette.
+
+In minder dan een uur waren zij tot de bovenste takken onder den kruin
+gevorderd, op welke hoogte zij een uitgestrekt gezicht over de baai
+en het eiland hadden. Willem had het laatste dozijn spijkers in den
+stam geslagen en was de eerste, die boven uitzien kon. Na eenigen
+tijd keerde hij tot zijn ouden vriend terug.
+
+"Ik kan alles overzien, Flink. Ze hebben het oude huis geheel
+omvergehaald; de meeste mannen zijn daar in het rond gelegerd en
+slapen onder hunne krijgsmantels. Sommigen van de vrouwen loopen van
+de kano's heen en weer. De kano's liggen aan het strand."
+
+"Zij hebben het oude huis zeker alleen overhoop gehaald, om althans
+de spijkers mee te nemen. Hebt gij niets van hunne dooden bemerkt?"
+
+"Neen, ik heb niet lang rondgekeken, maar wil nog eens naar boven
+klimmen. Ik kwam beneden, omdat de handen mij zeer deden van het
+lange kloppen, dewijl de hamer zoo zwaar te houden was. Over een paar
+minuten zal ik gemakkelijk weer boven komen. De lippen branden mij,
+Flink; ze zijn geheel opgezwollen en het vel barst mij open. Ik had
+nooit gedacht, dat de dorst zoo iets vreeselijks was. Wezenlijk,
+onze arme Thomas is al meer dan genoeg gestraft."
+
+"Een kind denkt nooit aan de gevolgen, Willem. Ook hadden wij nooit
+kunnen denken, dat zijne onnoozelheid zooveel ellende veroorzaken
+zou. Het was enkel een van zijn kinderachtige streken en wat er ook
+de gevolgen van wezen mogen, moeten we hem die toch nooit hard te
+laste leggen."
+
+"Ik had gehoopt, in de boomen boven nog een paar kokosnooten te vinden;
+maar daar was geen enkele te zien."
+
+"En al hadt ge ook een gevonden, er zou in dit jaargetij toch geen
+melk in zijn. Als de wilden zich evenwel vandaag niet uit de voeten
+maken, Willem, dan moet er iets gedaan worden. Ik wou wel, dat gij
+nog eens naar boven klomt en rondzaagt, of ze nog in het geheel geen
+toebereidselen maken om af te trekken."
+
+Willem klauterde dus nog eens omhoog en bleef daar eenige minuten
+scherp rondkijken.
+
+"Nu zijn zij allen op de been en zwermen als bijen rond," berichtte
+hij, toen hij weder beneden was. "Mannen telde ik twee honderd en
+zestig, met krijgsmantels om en pluimen op het hoofd. De vrouwen gaan
+op en af en halen water bij de bron. Bij de kano's is anders niemand,
+dan acht of tien vrouwen misschien, die zich met de handen tegen het
+hoofd slaan en allerlei vreemde fratsen maken. Ik begrijp niet recht
+wat zij eindelijk uitvoeren; maar allen maken dezelfde wonderlijke
+bewegingen."
+
+"Aha, ik weet al wat zij doen, Willem. Zij snijden zichzelven met
+messen of ander scherp tuig;--dat is zoo het gebruik bij dit volk. Al
+de dooden worden in kano's neergelegd en die vrouwen weeklagen thans
+over hare lijken. Misschien dat zij nu toch aftrekken, omdat de dooden
+reeds in de kano's gebracht zijn;--doch dat moeten wij afwachten."
+
+Men kon uit den top van den kokosboom bespeuren, dat de wilden des
+voormiddags een krijgsraad hielden: want zij zaten allen in een wijden
+kring in het rond en een hunner stond op en hield eene rede, waarbij
+hij met wilde gebaren speer en knots over zijn hoofd rondzwaaide.
+
+Later ging de vergadering uiteen en men zag de wilden overal
+met het vellen van boomen bezig, waarvan zij het rijs zorgvuldig
+bijeenbrachten. Flink sloeg hen een geruimen tijd nauwlettend gade
+en kwam eindelijk vóór zonsondergang weer van zijn boom beneden.
+
+"Mijnheer Wilson," sprak hij, "naar mijn oordeel zal men ons van
+nacht met rust laten, maar hebben wij morgen een ernstigen aanval
+te wachten. De wilden vellen boomen en maken groote takkenbossen
+klaar. Dat gaat wel wat langzaam in zijn werk, omdat hunne bijlen
+van steen en niet al te scherp zijn; maar met hun ijver en hun groot
+aantal handen kunnen zij toch veel af, te meer, daar ik vermoed, dat
+zij den ganschen nacht zullen doorwerken, tot zij zooveel takkenbossen
+bij elkander hebben als noodig is."
+
+"Wat denkt gij dan wel, Flink, dat zij met dat boomen omkappen en
+die takkenbossen van zins zijn?"
+
+"Ze zullen die óf hoog voor onze palissade opstapelen, om zoo daar
+overheen te kunnen komen, óf ze zullen ze op hoopen leggen en in
+brand steken, om ons door vuur uit onze sterkte te verdrijven."
+
+"Denkt gij, dat hun dat gelukken zal?"
+
+"Niet zonder zeer zwaar verlies. Misschien gelukt het ons nog, hen af
+te slaan; doch een harde worsteling is ophanden, veel zwaarder dan wij
+tot hiertoe nog gehad hebben. De vrouwen moeten ons vlijtig de geweren
+helpen laden, zoodat wij zoo snel mogelijk vuren kunnen. Hunne poging
+om onze verschansing in brand te steken, zou ik zooveel niet achten,
+als die rook er maar niet bij was. De kokosstammen, vooral als daar,
+gelijk bij onze palissaden, de bast nog omzit, smeulen eerst langen
+tijd, voordat ze vlam vatten en het vuur der takkenbossen kan niet
+lang aanhouden, al is het in den beginne ook nog zoo geweldig."
+
+"Maar Flink, bedenk eens, hoe kunnen wij bij ons tegenwoordig gebrek
+aan water nog kracht genoeg overhouden om onzen vijand midden in
+een verstikkenden kring van rook en vlammen het hoofd te bieden? Wij
+moeten immers zeker van uitputting bezwijken."
+
+"Wij moeten het beste hopen, mijnheer Wilson, en onze uiterste krachten
+inspannen. Mocht mij in het gevecht iets overkomen, mijnheer,
+vergeet dan niet om, ingeval er geen ander behoud meer opzit,
+van den rook gebruik te maken, om door het woud een uitweg naar de
+zuidkust te zoeken. Ik twijfel niet, of dat zal u wel gelukken. De
+aanval wordt natuurlijk van de oostzijde ondernomen, van waar thans
+de wind waait. Gij moet dus naar het westen zien te ontkomen.--Ik
+heb Willem al gewezen, hoe men door de palissade heen breken kan als
+de nood het vordert. Als de wilden ons blokhuis innemen, zullen zij
+in het eerste oogenblik niet aan u denken. Misschien dat ze zich in
+het geheel niet meer om u bekommeren, als zij eenmaal van alles wat
+in huis is meester zijn."
+
+"Maar waarom zegt gij dat zoo--"als mij iets mocht overkomen,"
+Flink?" vroeg Willem bezorgd.
+
+"Ei, jongen, omdat de wilden mij evengoed als u kwetsen of dooden
+kunnen, als zij de takkenbossen zoo hoog opstapelen, dat het hun
+gelukt, over de palissade heen te komen."
+
+"Natuurlijk," hernam Willem; "maar vooreerst zijn zij hier nog niet
+binnen en het zal hun bloed kosten, voordat zij het zoover hebben
+gebracht."
+
+Flink bood zich nu aan, om de wacht te houden tot twaalf uren,
+wanneer hij den heer Wilson wekken wilde.
+
+Zij hadden gedurende de beide laatste dagen slechts zeer weinig
+gegeten. Men had eene schildpad geslacht en er eenige stukken van
+gebraden; maar het eten vermeerderde hun dorst slechts en zelfs de
+kinderen versmaadden alle spijs. De ellende der familie was thans
+tot eene vreeselijke hoogte geklommen en de arme moeder was der
+wanhoop nabij.
+
+Zoodra mijnheer Wilson in huis terug was gegaan, riep Flink Willem
+en zeide tot hem:
+
+"Luister, Willem; wij moeten noodzakelijk water hebben. Ik kan het
+jammeren der kleinen en den vreeselijken doodsangst van uwe goede
+moeder onmogelijk langer aanzien. Bovendien zouden wij zonder water
+geheel buiten staat zijn, om de wilden morgen af te slaan. Wij
+moeten immers letterlijk stikken, zoodra zij het vuur tegen onze
+palissade leggen. Ik heb daarom besloten, om een van onze tonnen te
+nemen, en ze aan de bron te gaan vullen. Misschien gelukt mij dat,
+misschien ook niet,--maar beproeven moet ik het. Val ik,--nu, dan is
+het niet anders!"
+
+"Waarom wilt gij mij niet liever laten gaan Flink?" vroeg Willem.
+
+"Om vele redenen niet, beste jongen. De voornaamste daarvan is,
+dat ik niet geloof, dat gij er zoo goed toe in staat zoudt zijn,
+als ik mogelijk. Ik zal den mantel en de pluimen van een der
+wilden, die binnen de palissade vielen, nemen en met behulp van die
+verkleeding mijn plan misschien gelukkig volbrengen. Wapens zal ik,
+met uitzondering van een enkele speer, niet meenemen, omdat die mij
+slechts hinderen en de last, dien ik te dragen heb, onnoodig verzwaren
+zouden. Let nu wel op, beste jongen. Gij moet mij de poort uitlaten;
+als ik buiten ben, schuift gij tot meerdere zekerheid een van de
+kruisbalken er voor. Dit zal de poort, ingeval van een aanval, wel
+zoolang doen houden, totdat het gelukt er ook de andere palen voor te
+leggen. Wacht dan mijne terugkomst af en houd u klaar om mij dadelijk
+weer binnen te laten. Zeg, Willem, hebt gij mij goed begrepen?"
+
+"Jawel, Flink; maar ik moet bekennen, dat een doodelijke angst mij
+overvalt.--Als u eens een ongeluk overkwam, wat zou dat een ontzettende
+slag voor ons wezen!"
+
+"Dat is nu eenmaal niet te veranderen, Willem. Water moet er komen,
+als 't maar eenigszins mogelijk is; en nu is het oogenblik daartoe
+gunstiger dan later, als onze vijanden meer op hunne hoede zullen
+zijn."
+
+Flink ging nu eene ton opzoeken, die bij de twee emmers water
+bevatten kon. Vervolgens voorzag hij zich van den mantel en het
+hoofdversiersel van een wilde en nam het vat op den schouder en de
+speer in de hand. Willem schoof de dwarsbalken, die de deur sloten,
+zacht terug, en nadat Flink zich overtuigd had, dat achter de palissade
+niemand verscholen was, drukte hij Willem de hand, stak de open ruimte
+buiten de omheining over en verdween in het kokosbosch.
+
+Willem sloot de deur weder, gelijk hem gezegd was, schoof er
+zekerheidshalve een der dwarsbalken voor en bleef angstig wachtend op
+zijn post. Hij was in een staat van vreeselijke spanning; het minste
+geritsel, zelfs het zachtste suizen van den wind door de takken van
+het geboomte deed hem beven en rillen. Zoo stond hij ettelijke minuten
+met het geweer in de hand en gereed om op het eerste oogenblik vuur
+te geven.
+
+"Nu wordt het tijd, dat hij terugkomt," dacht hij. "De afstand
+is nauwelijks honderd passen en toch heb ik nog geen geluid
+vernomen." Eindelijk meende hij zachte voetstappen te hooren. Ja,
+het was werkelijk zoo; de oude man keerde terug en wel zonder dat
+hem iets was overkomen.
+
+Willem had de hand reeds aan den kruisbalk, om dezen weg te schuiven
+en de poort te openen;--daar hoorde hij plotseling een gerucht, als
+van twee, die aan het worstelen waren en kort daarop een zwaren val.
+
+Oogenblikkelijk rukte hij den balk weg en trok de deur open, juist
+toen Flink hem bij zijn naam riep. Met zijn geweer gewapend sprong
+Willem naar buiten. Daar vond hij Flink op den grond liggen en aan
+'t worstelen met een wilde, die op hem lag en hem zijne speer op de
+borst had gezet. In een ommezien legde Willem zijn geweer aan en gaf
+vuur. De Indiaan plofte dood aan Flinks zijde neder.
+
+"Neem schielijk het water aan, Willem!" riep Flink, met flauwe
+stem. "Ik zal beproeven of ik nog kracht genoeg heb om naar binnen
+te kruipen."
+
+De knaap greep het watervaatje en droeg dat binnen de
+verschansing. Toen vloog hij terug naar den ouden man, die op de
+knieën lag.
+
+Mijnheer Wilson was bij het hooren van dat schot oogenblikkelijk
+opgesprongen en naar buiten gesneld. Toen hij de poort open vond,
+volgde hij zijn zoon en zag, hoe deze den trouwen Flink zocht op te
+richten. Beide namen den braven oude onder een arm en zoo sleepten
+zij hem met moeite naar binnen. De poort werd aanstonds gesloten en
+nu eerst konden zij naar hun ouden vriend omzien.
+
+"Zijt gij gewond, Flink?" vroeg Willem met bevende lippen.
+
+"Ja, beste jongen, dat ben ik,--doodelijk gewond, naar ik vrees. Zijne
+speer heeft mij de borst doorboord.--Water, schielijk, water!"
+
+"Ach, dat wij maar iets voor u hadden!" jammerde mijnheer Wilson.
+
+"Wij hebben het, vader!" riep Willem. "Maar het is duur betaald,"
+voegde hij er treurig bij.
+
+Willem ging een glas halen, nam de spon uit het vat en liet het
+water loopen. Den eersten dronk bracht hij aan Flink, die het vocht
+gretig inzwolg.
+
+"Leg mij nu op deze kokosbladeren neer, mijn jongen.--Ga en geef aan
+den anderen ook wat te drinken; als zij allen gehad hebben, kom dan
+hier bij mij terug. Zeg uwe moeder niets van mijne verwonding.--Ga
+en doe wat ik u verzocht heb."
+
+"Vader, neemt gij het water,--neem, bid ik u," riep Willem. "Ik kan
+mijn Flink niet verlaten."
+
+"Dat zal ik doen, mijn zoon," zeide mijnheer Wilson; "maar drink
+eerst toch zelf een weinig."
+
+Willem, die eene onmacht nabij was, dronk het glas ledig. Terstond
+gevoelde hij zich als opnieuw gesterkt en wendde zich tot den ouden
+man, die voortdurend zwaar ademhaalde, maar geen woord sprak.
+
+De vader vloog heen, om aan vrouw en kinderen den lang gewenschten
+laafdronk te verstrekken.
+
+
+
+
+
+
+
+ACHT-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+ONVERWACHTE UITKOMST.
+
+
+Willem had ondertusschen zijn armen vriend de kleederen uitgetrokken,
+om zijne wonden nader te kunnen onderzoeken. Na eene korte poos kwam
+zijn vader terug, die zijn versmachtend gezin in allerijl gedrenkt had.
+
+"Het zou misschien beter zijn, dat wij hem naar dien anderen hoop
+bladeren droegen, hij zal daar veel gemakkelijker liggen," sloeg
+Willem voor.
+
+Flink fluisterde slechts: "Meer water! Meer water!" De knaap voldeed
+aan zijn verlangen en droeg hem toen, met behulp van zijn vader,
+naar een beter plaatsje. Zoodra zij hem daar neergelegd hadden,
+keerde Flink zich op de andere zijde om en een donkere bloedstroom
+gutste uit zijn borst.
+
+"Nu voel ik mij beter," zeide hij op fluisterenden toon. "Verbind
+de wonde, Willem. Een oud man, zooals ik, heeft niet veel bloed
+te verliezen."
+
+Mijnheer Wilson en Willem schoven zijn hemd ter zijde en onderzochten
+de wonde. De speer was hem diep in de longen gedrongen. Willem trok
+oogenblikkelijk zijn eigen hemd uit, scheurde het in stukken en
+verbond de wonde, zoodat er geen bloed meer uit kon vloeien.
+
+Flink had er, toen men hem van zijn eerste leger had opgenomen,
+zeer machteloos en uitgeput uitgezien; doch nu herstelde hij zich
+langzamerhand en kon weer zacht spreken.--Op dit oogenblik kwam
+mevrouw Wilson uit huis aansnellen.
+
+"Waar is de goede, brave man--onze redder?" riep zij. "Ik moet hem
+zelve danken!"
+
+Mijnheer Wilson vatte haar bij den arm.
+
+"Hij is gewond, lieve vrouw; ik vrees zeer gevaarlijk gewond. Ik
+wilde u dat niet dadelijk zeggen."
+
+Hij zeide haar thans met weinige woorden wat er voorgevallen was en
+bracht haar toen bij Flinks leger. Mevrouw Wilson knielde aan zijne
+zijde neder, nam zijne hand en barstte in tranen uit.
+
+"Ween niet om mij, lieve mevrouw," zeide de oude man. "Mijne uren
+zijn geteld; het bedroeft mij slechts, dat ik u niet meer van dienst
+zal kunnen wezen."
+
+"Lieve, beste vriend!" snikte mevrouw Wilson; "hoe ons lot zich
+ook immer wenden moge, zoolang ik het leven behoud, zal ik nimmer,
+nimmer vergeten wat gij voor mij en de mijnen gedaan hebt."
+
+Met deze woorden boog de bedroefde vrouw zich over den lijder neder,
+kuste hem op het voorhoofd en richtte zich daarna op, om schreiend
+naar huis te keeren.
+
+"Willem," fluisterde Flink, "ik kan nu niet spreken. Beur mijn hoofd
+een weinig op en verlaat mij dan. 't Is beter voor mij, dat gij mij
+alleen laat. Gij hebt al in lang niet meer op den uitkijk gestaan;
+doe dat en kom over een half uur hier weer bij mij. Ga gij ook,
+mijnheer; ik wil zien of ik een weinig rusten kan."
+
+Vader en zoon voldeden aan dit verlangen. Zij traden weer op de planken
+en zagen naar alle kanten scherp rond, of zij ook iets ontdekken
+konden. Zij bespeurden niets en klommen dus weder naar beneden.
+
+"Dat is een onoverkomelijke slag, mijn zoon," begon de vader.
+
+Willem schudde het hoofd. "Hij wilde mij volstrekt niet laten gaan,
+vader," antwoordde hij eindelijk; "en nu wenschte ik, dat ik het
+toch gedaan had. Ik vrees, dat hij zwaar gewond is; dunkt u dat ook
+niet, vader?"
+
+"Ik durf niet hopen, Willem, dat hij er weer van opkomt. Wij zullen
+hem morgen gevoelig missen, als men ons aanvalt. Ik vrees zeer voor
+den afloop."
+
+"Ik weet niet wat ik zeggen moet, vader. Maar dat gevoel ik, sinds
+wij ons weer met water verkwikt hebben, kan ik tweemaal zooveel doen,
+dan waartoe ik anders in staat zou zijn geweest."
+
+"Het gaat mij evenzoo, beste jongen; maar toch, wat kunnen twee
+menschen tegen zulk eene overmacht?"
+
+"Als moeder en Juno de geweren voor ons laden, zullen wij thans voor
+'t minst evenveel kunnen uitrichten, als waartoe wij gisteren in
+onzen uitgeputten toestand met ons drieën in staat waren."
+
+"Dat is wel mogelijk, Willem. In allen gevalle willen wij ons best
+doen, want wij strijden immers voor ons eigen behoud en voor 't leven
+van hen, die ons het liefst op aarde zijn."
+
+Willem sloop zacht op Flinks leger toe en bevond dat de oude man
+sluimerde, zoo hij al niet vast in slaap lag. Hij stoorde hem derhalve
+niet, maar keerde tot zijn vader terug.
+
+Zij droegen het watervat gezamenlijk in huis en stelden het onder het
+opzicht der moeder, opdat geen enkele drup nutteloos mocht verloren
+gaan. Thans eerst nu de dorst gelescht was, begonnen allen ook de
+kwelling van den honger te gevoelen.
+
+Juno en Willem gingen daarom aan het werk, sneden de schildpad in
+stukken en roosterden die bij het vuur. Zij namen allen een hartig
+maal en misschien had het eten hun in hun gansche leven niet zoo
+lekker gesmaakt als ditmaal.
+
+Het was bijna reeds dag, toen Willem, die herhaalde malen zacht naar
+Flink was komen zien om zich te overtuigen, dat hij nog sliep, den
+gewonde eindelijk met de oogen open vond.
+
+"Hoe gaat het, Flink; hoe voelt gij u nu," vroeg hij, vol deelneming.
+
+"Ik voel mij heel licht en wel, Willem, en heb niet veel pijn. Ik
+geloof evenwel, dat het met mij ten einde loopt en dat het niet lang
+meer zal aanhouden. Denk er aan, Willem, dat gij, als gij genoodzaakt
+wordt de versterking te verlaten, u om mij niet bekommeren moogt. Ik
+zal blijven, waar ik nu ben. Langer leven kan ik immers toch niet,
+en als gij mij meesleepen wildet, zou dit mijn einde maar verhaasten."
+
+"Ik zou liever sterven dan u verlaten, Flink!"
+
+"Neen, neen, mijn jongen--dat is dwaas en verkeerd gesproken. Gij
+hebt uwe moeder en de kleinen, die gij redden moet. Beloof mij,
+dat gij doen zult wat ik u gezegd heb."
+
+Willem aarzelde.
+
+"Het is uw plicht, jongen, wat ik van u verlang. Ik ken uw gevoel heel
+wel, maar gij moogt daar ditmaal niet aan toegeven. Beloof mij dat,
+als gij mijn sterfuur niet verzwaren wilt."
+
+Willem drukte zijn ouden vriend de hand. Zijn hart was te vol,--hij
+kon niet spreken.
+
+"Met het aanbreken van den dag zullen zij terugkomen, Willem,--althans
+dat verwacht ik. Gij hebt weinig tijd meer te verliezen. Klim op onzen
+uitkijk en blijf daar, tot het licht aan den hemel komt. Bespied hen,
+zoolang gij dat zonder gevaar doen kunt. Kom dan beneden en zeg mij,
+wat gij gezien hebt."
+
+Flinks stem werd al zwakker en zwakker, daar het vele spreken hem
+reeds al te veel vermoeid had. Hij wenkte Willem, die oogenblikkelijk
+in den boom klauterde en daar, totdat het licht werd, de wacht hield.
+
+Toen de ochtendschemering aanbrak, bemerkte hij, dat de wilden op
+de been kwamen. Zij hadden hunne takkenbossen aan de noordzijde
+bijeengebracht en maakten alle toebereidselen tot een spoedigen
+aanval. Ten laatste zag hij ieder van hen een takkenbos op den schouder
+nemen, en zoo trokken zij in eene lange rij op het blokhuis aan.
+
+Willem was in een ommezien omlaag en riep zijn vader, die juist met
+zijne vrouw sprak. Al de geweren stonden gereed, en mevrouw Wilson
+plaatste zich met Juno dicht bij de palissade, om ze terstond na het
+afvuren opnieuw te laden.
+
+"Wij moeten op hen losbranden, zoodra wij zeker zijn van hen niet te
+missen, mijn jongen," zei de vader. "Hoe langer wij hen van ons lijf
+houden, des te beter voor ons."
+
+Zoodra de eerste wilden op vijftig passen afstands waren gaven beiden
+vuur, en twee van hunne vijanden vielen. Zij gingen voort, de eerste
+tien minuten met veel geluk op de bestormers te schieten; maar nu
+kwamen de wilden in dichter troepen opzetten en gebruikten bovendien
+nog de voorzichtigheid van de takkenbossen voor hun lichaam te houden,
+ten einde bij het naderen der palissade beter bedekt te zijn.
+
+Op deze wijze gelukte het hun werkelijk den voet der palissade zonder
+zwaar verlies te bereiken, en daar begonnen zij hunne takkenbossen op
+een hoop op te stapelen. Vader en zoon onderhielden nog bij voortduring
+een levendig vuur tegen hunne vijanden, maar niet met dezelfde gunstige
+uitwerking als in den beginne.
+
+Er vielen wel ettelijke wilden, doch de takkenbossen rezen al hooger
+en hooger op, totdat ze bijna de gaten in de palissade bereikten,
+waardoor men tot hiertoe gevuurd had. Daarbij gaven de Indianen aan hun
+houtberg eene schuins omloopende richting, zoodat het kennelijk was,
+dat zij langs dezen weg opklimmen en de versterking stormenderhand
+innemen wilden.
+
+Eindelijk schenen de takkenbossen alle te hoop gebracht, want de
+wilden trokken thans weer tot aan den rand van het bosch terug.
+
+"Zij zijn weg, vader," riep Willem; "maar zij zullen terugkomen,
+en ik vrees dat het dan met ons gedaan zal zijn."
+
+"Dat vrees ik ook, mijn dappere jongen," antwoordde mijnheer
+Wilson. "Ze hebben zich allen verwijderd, om zich tot een algemeenen
+storm te ordenen, en nu zal het hun mogelijk zijn in onze verschansing
+door te dringen. Ik had waarlijk liever, dat zij maar de takkenbossen
+hadden aangestoken. Daar hadden wij althans naar Flinks aanwijzing
+kunnen ontkomen. Nu vrees ik, dat geen hoop meer over is."
+
+"Zeg daar moeder toch geen woord van!" bad Willem. "Wij willen ons
+tot het laatst verweren, totdat wij eindelijk bezwijken moeten."
+
+"Ik zou uwe lieve moeder nog gaarne eens tot afscheid omhelzen,"
+sprak de vader. "Maar neen,--nu zou dat zwakheid zijn. Ik zal het
+liever laten. Daar komen zij, Willem! Nu dan, mijn kind, mijn Willem,
+vaarwel!"
+
+De gansche troep wilden rukte thans in een dichte hoop uit het bosch
+op. Zij hieven een vervaarlijk gillend geschreeuw aan, dat mevrouw
+Wilson en Juno met ontzetting vervulde. Niettemin weken de beide
+moedige vrouwen geen oogenblik van hare standplaats.
+
+De Indianen waren nu weder tot op vijftig passen genaderd, en de beide
+verdedigers openden andermaal hun vuur. Dit werd door de wilden met
+woest getier beantwoord, en dezen waren reeds aan den voet van hun
+houthoop gekomen. Doch daar op eens hoorde men onder het knallen der
+geweren en het getier der bestormers een luid gedonder. De boomen in
+het rond kraakten, en beide partijen bleven roerloos van verbazing. Een
+tweede en een derde donderslag volgde. De hoop takkenbossen voor de
+palissade stoof uiteen en de wilden tuimelden bij hoopen ter aarde.
+
+"Dat moeten kanonnen van een schip zijn, vader!" riep Willem. "Wij
+zijn gered! Wij zijn gered!"
+
+"Het is niet anders mogelijk; wij zijn als door een wonder gered,"
+riep ook de vader in de hoogste verbazing.
+
+De wilden, geheel verbijsterd, staakten hun aanval. Nog eens en
+andermaal dreunde het geschutgedonder door de lucht. Kogels en
+kartetsen fluitend en gierend door het woud. Eindelijk kwam er nog
+een volle laag;--toen keerden de wilden om en vluchtten naar hunne
+kano's. Na eenige oogenblikken was er geen enkele meer te zien.
+
+"Wij zijn gered!" riep mijnheer Wilson, sprong van de plank neer en
+drukte zijn vrouw in de armen.
+
+"Een groote schoener, vader! Hij vuurt op de wilden, die reeds bij
+hunne booten zijn. Zij vallen overal neer; daar springen al enkelen in
+'t water! Ginds komt eene sloep vol gewapende matrozen op den oever
+aan.--Zij landt bij den tuin. Drie van de kano's zijn vol met wilden,
+die wegroeien willen.--Daar valt weer eene laag.--Twee kano's zijn in
+den grond geboord, vader!--De boot is geland. Het volk komt regelrecht
+hier naar toe!"
+
+Na deze laatste uitroeping kwam Willem haastig naar beneden. Zoodra
+hij de voeten op den grond had, vloog hij naar de deur der omheining
+en begon de balken weg te schuiven. Hij had juist den laatsten in de
+hand toen hij den tred der bevrijders buiten hoorde. Hij rukte de poort
+open.... en lag een oogenblik later in de armen van--kapitein Osborn.
+
+Men zal zich herinneren, dat reeds ettelijke maanden vroeger eene
+brik in de nabijheid van het eiland verschenen, maar tot grievende
+teleurstelling onzer eilandbewoners weder verdwenen was, zonder terug
+te keeren, hoewel zij de opgeheschen vlag van de Vrede wel herkend
+moest hebben.
+
+Ziehier, hoe het met de zaak was. Het volk aan boord van die brik had
+niet alleen Flink's seinen bemerkt, maar ook den naam van De Vrede op
+de opgehaalde vlag gelezen. De hevige storm, die toen losbrak, had hen
+echter zoo ver zuidwaarts gedreven, dat de kapitein van de brik aan
+zijn plicht jegens zijn patroons dacht te kort te zullen doen, indien
+hij zooveel tijd verloor, als noodig was, om midden door dien storm
+weder naar het eiland op te werken. De lading, die hij aan boord had,
+was van dien aard, dat zij noodzakelijk in waarde verliezen moest,
+wanneer zij niet als eene der eersten op de markt kwam. Hij besloot
+derhalve met volle zeilen op Sidney koers te zetten; dat was namelijk
+de haven, naar welke hij bestemd was.
+
+Uit het begin van ons verhaal zullen onze lezers nog wel weten, hoe
+kapitein Osborn door Mackintosh en de overige matrozen van de Vrede in
+een bewusteloozen toestand in de boot werd gebracht. Hij kwam echter
+langzamerhand weer tot zichzelven en was in een stormachtigen nacht,
+waarin de manschap de grootste moeite had gehad om zich vlot te houden,
+weer in zooverre bekomen, dat hij zich door Mackintosh het vroeger
+gebeurde kon laten verhalen, alsmede de oorzaak waarom hij zich thans
+in eene open boot op zee bevond. Den volgenden morgen ging de storm
+liggen, en zij hadden het geluk een schip te ontmoeten, dat naar
+Van-Diemensland bestemd was en hen allen bereidwillig aan boord nam.
+
+Na het verhaal van Mackintosh twijfelde kapitein Osborn geen oogenblik
+aan den ondergang der familie Wilson, en het vergaan van de Vrede
+en van zijne passagiers werd aan de eigenaars naar behooren bekend
+gemaakt.
+
+Bij zijne aankomst in Van-Diemensland gevoelde kapitein Osborn
+zich door de schoonheid en vruchtbaarheid van dat oord zoodanig
+aangetrokken, dat hij besloot aldaar eenige landerijen aan te koopen
+en er zich vreedzaam als burger neer te zetten. Misschien wel dat
+ook de herinnering van het groote gevaar, dat hij op zijn laatsten
+zeetocht had doorgestaan, bij hem tot de opvatting van dit besluit
+niet weinig had bijgedragen.
+
+Overeenkomstig zijn plan had hij een landgoed aangekocht, waar hij
+de veeteelt op eene groote schaal drijven wilde. Hij was op eene
+schoener naar Sidney gegaan, om daar de aankomst van eene groote
+kudde vee, die hij uit Engeland ontboden had, af te wachten, toen
+de reeds vermelde brik in de haven binnenliep en berichtte, dat men
+op het kleine eiland blanke bewoners ontdekt en op eene door hen
+opgeheschen vlag den naam van De Vrede gelezen had.
+
+Zoodra kapitein Osborn dit vernam, zocht hij den kapitein van de
+brik op en deed bij hem een nauwkeurig onderzoek naar de nadere
+bijzonderheden van zijne ontdekking. Hij bevond, dat de geographische
+lengte en breedte van het eiland zoo tamelijk overeenkwamen met de
+plaats, waar zij hun schip hadden verlaten, en hield zich nu ten volle
+overtuigd, dat de familie Wilson als door een wonder in het leven
+moest zijn gebleven. Terstond begaf hij zich nu naar den gouverneur
+van Nieuw-Zuid-Wales en maakte hem met al de vereischte omstandigheden
+bekend. Deze hoorde hem met belangstelling aan en stelde terstond een
+gewapenden schoener van de regeering tot zijne beschikking, ingeval hij
+zelf mede uitgaan en zijne voormalige scheepsgenooten opzoeken wilde.
+
+Kapitein Osborn was hier terstond toe bereid, daar een korte
+afwezigheid hem bovendien toch niet benadeelde; en reeds weinig dagen
+daarna lichtte de schoener het anker.
+
+Deze kwam in de nabijheid van het eiland aan op denzelfden morgen, dat
+de wilden met hunne vloot van kano's hunne landing bewerkstelligden,
+en had Flink op het oogenblik, toen Willem hem bij het haastig
+terugkeeren van het oude woonhuis verzekerde, "dat hij aan de
+landpunt in de nabijheid van den tuin nog een ander vaartuig onder
+zeil had gezien,"--tijd gehad, om zijn kijker te gebruiken, dan zou
+hij ontdekt hebben, dat het de schoener en niet, zooals hij vermoedde,
+een kano was, die in den nacht van de overige booten was afgeraakt.
+
+De schoener lag op dat oogenblik op het rif aan. Hij wendde toen weder
+van den wal uit en zond eene boot af, om eene geschikte ankerplaats
+op te zoeken.
+
+Terwijl de manschappen in de boot met looden bezig waren, ontdekten
+zij de wilden in hunne kano's en hoorden het geknal der vuurwapens
+gedurende den eersten aanval. Bij hunne terugkomst aan boord berichtten
+zij wat zij gehoord en gezien hadden, en hoe het waarschijnlijk was,
+dat de Europeanen op het eiland door de wilden werden aangevallen.
+
+Daar de boot eerst tegen den avond aan boord was teruggekomen, had
+men geen tijd om nader onderzoek te doen, en thans geschiedde de
+nachtelijke aanval en hoorde men andermaal geweerschoten vallen.
+
+Dit boezemde kapitein Osborn den wensch in, om zoo schielijk mogelijk
+te landen; doch daar de wilden in groote getale op het eiland zijn
+moesten, terwijl de bemanning van den schoener uit niet meer dan
+vijf-en-twintig koppen bestond, hield de commandant van het schip
+dat voor al te onvoorzichtig. Daarom wilde hij den schoener met
+allen spoed voor anker zien te brengen, opdat die de landing dekken
+mocht. Dan zou het den matrozen vergund zijn aan wal te gaan.
+
+De boot had bericht gebracht, dat bij de landpunt aan den tuin ondiep
+water en goede ankergrond te vinden was, en alle toebereidselen werden
+gemaakt, om den volgenden morgen met het aanbreken van den dag op de
+kust aan te loopen. Ongelukkigerwijze ging de wind liggen en bleef
+het 't beste gedeelte van den volgenden dag stil, en zoo kwam het,
+dat zij eerst den ochtend daarna, juist toen de wilden hun laatsten
+aanval beproefden, inloopen konden.
+
+Toen dit geschied was, opende de schoener het vuur van zijne
+stukken. Met welk gevolg, is bekend, de wilden vluchtten naar alle
+richtingen. De boot werd daarop bemand, kapitein Osborn stelde zichzelf
+aan het hoofd der landingstroepen en kwam zoo nog tijdig tot behoud
+der hard bedreigde belegerden opdagen.
+
+Wie kan zich de verrukking van mijnheer Wilson en zijne echtgenoote
+voorstellen, toen deze hun ouden vriend Osborn weer voor hunne oogen
+zagen staan.--Alle gevaar was nu immers geweken. De gelande matrozen
+trokken onder commando van den bootsman uit, om te onderzoeken, of er
+misschien nog van de wilden op het eiland waren. Met uitzondering van
+de dooden en stervenden waren allen echter op eenige van de kleinere
+kano's ontsnapt.
+
+Kapitein Osborn bleef bij de Wilsons achter en verhaalde hun met
+weinig woorden zijne eigen geschiedenis. Zij onderrichtten hem op
+hunne beurt van den toestand van den ouden armen Flink, tot wien
+Willem zich oogenblikkelijk weder begeven had, zoodra hij kapitein
+Osborn met vader en moeder in gesprek zag.
+
+Osborn snelde nu dadelijk toe, om zijn ouden stuurman en vriend te
+zien. Deze herkende hem ook aanstonds, d. i. zijne stem, want de oogen
+van den ouden man waren reeds zoo zwak geworden, dat hij bezwaarlijk
+iets meer onderscheiden kon.
+
+"Dat is kapitein Osborn,--dien ken ik," fluisterde hij, met zwakke
+stem. "Gij zijt nog even bijtijds gekomen, mijnheer. Ik wist wel,
+dat gij komen zoudt, en heb dat ook altijd gezegd. Neem daarvoor den
+dank van een stervende aan."
+
+"Ik hoop, dat het zoo erg niet met u wezen zal, Flink. Wij hebben
+een dokter aan boord, en ik zal hem terstond laten halen."
+
+"Mij kan geen dokter meer helpen," hernam Flink. "Het zal geen uur
+meer duren, of 't is uit met mij. Het is mij een groote blijdschap,
+dat ik mijne lieve vrienden hier nog gered heb gezien."
+
+"Ik zal in allen gevalle om den dokter zenden," zeide kapitein Osborn,
+"ofschoon ik wel zie, dat die weinig helpen kan. De hand des doods
+heeft hem reeds aangevat."
+
+Mijnheer Wilson verliet met vrouw en vriend het leger van den
+stervende; allen waren door het bijgewoonde tooneel uiterst
+getroffen. Alleen Willem bleef bij Flink achter en reikte hem water
+toe, zoo dikwijls hij daarnaar vroeg. Eenige minuten daarna sloeg de
+oude man andermaal de oogen op.
+
+"Zijt gij bij mij, Willem? Ik kan u niet zien. Luister, beste
+jongen. Begraaf mij onder de boomen op den heuvel, boven de bron. Daar
+wensch ik te liggen. De onnoozele kleine Thomas,--laat hem nooit
+weten, dat hij de oorzaak van mijn dood geweest is. Breng hem nog
+eens hier bij mij,--en Juno en Caroline ook. Ik wil allen vaarwel
+zeggen, Willem."
+
+Willem schoten de oogen vol tranen; hij liep naar huis en maakte
+vader en moeder met Flinks verlangen bekend.
+
+Allen kwamen, om het laatste vaarwel van den stervende te
+ontvangen. Flink riep ieder bij zijn naam, den een na den ander. Zij
+knielden toen bij hem neder en kusten hem. Hij zeide hun met zwakke
+stem vaarwel; eindelijk gingen zijne woorden in een onverstaanbaar
+gefluister over. Zoo stonden zij stil en weenend rondom zijn leger
+geschaard. Slechts Willem knielde aan zijne zijde neder en hield zijn
+hoofd omvat. In 't einde liet de stervende dit voorover op de borst
+zinken en--was niet meer.
+
+"Nu is alles voorbij," sprak mijnheer Wilson diep bedroefd. Hierop
+leidde hij zijne vrouw met de kleinen in huis terug; alleen Juno
+en Willem bleven bij het lijk achter. De arme meid barstte zoodra
+haar heer en mevrouw zich verwijderd hadden en zij aan haar gevoel
+den vrijen loop durfde geven, in luide jammertonen uit en wrong als
+radeloos de handen.
+
+Willem drukte hem de oogen toe. Juno haalde de oude scheepsvlag,
+welke zij toen over zijn lijk uitspreidden. Vervolgens gingen beiden
+de familie opzoeken.
+
+In den tijd, dien Willem bij Flink had doorgebracht was de commandant
+van den schoener met een tweede afdeeling geland, die hij insgelijks
+uitzond om het eiland te doorkruisen en verstrooide vluchtelingen
+uit de schaar der wilden op te zoeken, doch er was niemand meer
+te ontdekken.
+
+Kapitein Osborn stelde den commandant aan de familie Wilson voor, en
+men maakte nu dadelijk afspraak tot het inschepen van deze laatste. Den
+volgenden dag zou tot het pakken en inladen van alle goederen besteed
+worden; den dag daarop zou de familie aan boord gaan.
+
+Willem gewaagde van Flinks wensch ten aanzien van zijne begrafenis. De
+commandant van den schoener gaf dadelijk last om eene kist te
+vervaardigen en op de door Willem aangeduide plaats een graf te delven.
+
+Men kwam overeen, dat de geiten en overige dieren, met uitzondering
+van de honden, op het eiland zouden blijven, ten dienste van hen,
+die misschien in de toekomst een dergelijk ongeluk ondergaan mochten,
+als de manschap en de passagiers van De Vrede getroffen had.
+
+De booten kwamen den volgenden morgen tijdig aan land en namen de
+bagage in. Mijnheer Wilson wilde verder niets medenemen, wat voor
+latere schipbreukelingen van waarde kon zijn. Het huisraad, al het
+timmermansgereedschap, ijzerwerk en spijkers, verder pekelvleesch en
+meel, werd in het huis achtergelaten en weggeborgen. Zoo was hetgeen
+men had in te schepen dan ook van weinig omvang en dus weldra aan
+boord gebracht.
+
+
+
+
+
+
+
+NEGEN-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+BESLUIT.
+
+
+De drukte en de haast van de toebereidselen tot het vertrek van het
+eiland, alsmede de snelle opvolging der gebeurtenissen, die zich in
+de tijdruimte van weinige dagen hadden opgedrongen, hadden Willem en
+zijne ouders slechts weinig tijd tot nadenken overgelaten. Eindelijk
+echter was al het noodige beschikt en had de commandant van den
+schoener geen reden meer om hen tot spoed aan te drijven. Zij hadden
+in den loop van den namiddag het laatste aan boord gezonden, en den
+volgenden dag, zoo was de afspraak, zou men onder zeil gaan.
+
+Nu hadden zij rust, om het verlies van hun ouden vriend eerst recht
+diep te gevoelen, en bitter beklaagden zij hun lot, dat hem niet
+veroorloofd had gezamenlijk met hem naar Sidney te stevenen. Zij
+hadden altijd de hoop gekoesterd, dat zij eens van het eiland verlost
+zouden worden, en in deze hoop hadden zij zich er aan gewend den
+eerwaardigen ouden Flink als een lid van hunne toekomstige huishouding
+te beschouwen. Thans, nu hunne vurige wenschen waren bekroond,--nu was
+het gevoel der vreugde en dankbaarheid met diepen kommer vermengd;
+ja, zoo groot was de droefheid over het verlies van hun redder en
+beschermer, dat zij met blijdschap op het eiland zouden gebleven zijn,
+als zij hem daardoor wederom in het leven hadden kunnen roepen.
+
+Kapitein Osborn, de commandant en de matrozen van den schoener hadden
+voor dien nacht afscheid van hen genomen en waren aan boord gegaan,
+na vooraf de noodige beschikkingen gemaakt te hebben tot Flinks
+teraardebestelling, die den volgenden morgen vóór het lichten der
+ankers zou plaats vinden. De kinderen waren te bed gebracht en Juno
+was naar buiten gegaan; de ouders met hun zoon zaten in het nu half
+ledige vertrek, toen Juno weder binnentrad. Het arme meisje had
+blijkbaar bitter geschreid.
+
+"Zeg, Juno," begon mijnheer Wilson, om het pijnlijk stilzwijgen
+af te breken, dat reeds eene poos vóór hare binnenkomst geheerscht
+had. "Zijt gij niet blij, dat wij nu het eiland verlaten zullen?"
+
+"Vroeger ikke heel blij zou zijn geweest, maar nu mij niet sikkepitje
+schelen kan," was het antwoord. "Het eiland heel lieve plaats,--alles
+heel gelukkig, tot de wilden komen. Als zij niet vermoord hadden
+ouden Flink, ik ook niet veel om de wilden geven zou."
+
+"Ja, waarlijk," viel mevrouw Wilson haar in de rede, "dat is voor ons
+allen een harde slag. Ik had altijd gehoopt den goeden Flink in zijn
+ouderdom te kunnen oppassen en hem onze dankbaarheid te bewijzen;
+maar nu...."
+
+"De helft van mijn vermogen gaf ik, als wij hem behouden hadden,"
+sprak de vader.
+
+"Ach, massa!" snikte Juno, "ikke daar effentjes buiten bij hem zitten;
+ikke de vlag oplichten en hem in 't gezicht kijken.--Och, wat goed,
+vriendelijk en gerust zijn gezicht!--Ikke haast denken, dat hij mij
+toelachen,--en ikke hardop schreien moest. O, massa Thomas,--dat
+allemaal om jou, stout jonk!"
+
+"Zijn verlies grieft mij dubbel, omdat zijn dood aan de onnadenkendheid
+van een mijner kinderen te wijten is," hernam mijnheer Wilson. "Welk
+eene vreeselijke les voor Thomas, als hij eens tot de jaren komt,
+om de gevolgen van zijn daad geheel te beseffen!"
+
+"Daar mag hij nooit iets van te weten komen, vader," riep Willem,
+die tot hiertoe treurend in een hoek had gezeten. "Eene van Flinks
+laatste beden was, dat Thomas de oorzaak van zijn dood nooit vernemen
+zou. Ik moest hem dat plechtig beloven."
+
+"Zijne laatste wenschen zullen ons heilig zijn, mijn beste jongen,"
+verzekerde zijn vader; "want wat zijn wij aan den goeden braven man
+al niet verschuldigd! Toen de overigen ons verlieten en ons aan den
+ondergang prijsgaven, bleef hij bij ons, om ons lot te deelen, op een
+oogenblik, dat alle uitzicht bestond, dat de oceaan ons verzwelgen
+zou. Door zijne bekwaamheid en ondervinding werden wij gered en
+bereikten wij gelukkig dit eiland. Hij zorgde voor onze behoeften,
+verplaatste ons in een behagelijken toestand, leerde ons hoe wij onze
+middelen tot ons best aanwenden konden, was in alles onze raadgever,
+en ik mag wel zeggen onze beschermer en redder. Wat zou er zonder
+hem van ons geworden zijn? Zonder zijne zorgvuldigheid hadden wij nog
+in den laatsten tijd onder de knotsen en speren der wilden den dood
+gevonden. Zijne zelfopoffering was het, die ons het water verschafte,
+dat ons leven redde, en juist deze daad was het, waarbij hij zijn
+leven voor ons opofferde. Welk een schoon voorbeeld van moed en
+zelfopoffering heeft hij ons altijd gegeven!"
+
+"Ach! ware hij niet zoo plotseling uit ons midden genomen!--Had
+hij nog slechts weinige dagen geleefd, zoodat wij om zijn sterfbed
+hadden kunnen staan, hem de trouwe oogen in vrede hadden kunnen
+sluiten!...." zeide mevrouw Wilson en schreide aan de borst van
+haar echtgenoot.
+
+Na eenigen tijd waren zij weder eenigszins tot kalmte gekomen, doch
+eene sombere stilte, slechts nu en dan door Juno's zuchten afgebroken,
+bleef in den familiekring heerschen. Willems hart was overvol. Hij
+kon eene geruime poos geen woord uiten. Eindelijk zeide hij met
+gebroken stem:
+
+"Ik gevoel, dat ik een vriend verloren heb, dien ik naast vader en
+moeder boven alles liefhad. Ik kan mijzelven maar niet vergeven,
+dat ik hem dat water halen liet. Het was mijn plicht geweest, en ik
+had voor hem moeten gaan."
+
+"En toch, mijn lieve zoon, zouden wij u ook zwaar gemist hebben. Gij
+hadt er immers ook het leven bij kunnen inschieten," riep zijne moeder.
+
+Den volgenden morgen waren zij vroeg op de been en pakten alles
+bijeen, wat nog mede naar boord moest worden genomen. Weinig woorden
+werden gesproken, want een weemoedige, plechtige ernst heerschte in
+aller gemoed.
+
+Zij wachtten op de komst van kapitein Osborn en van de manschap van den
+schoener, om het lijk van stuurman Flink ter aarde te bestellen. Willem
+was van tijd tot tijd naar buiten gegaan, om naar het schip uit te
+zien. Hij kwam nu binnen en berichtte, dat twee booten op de kust
+aanroeiden.
+
+Weinige minuten later verscheen kapitein Osborn met den commandant
+van het schip. Na een kort onderhoud verlieten beiden het huis,
+om de noodige orders te geven.
+
+Men had de kist mede aan land gebracht. Flinks stoffelijk overschot
+werd daarin neergelegd en zijne laatste woning alstoen gesloten. Willem
+was daarbij tegenwoordig, en de tranen rolden hem langs de wangen,
+toen het deksel dichtviel en hij zijn goeden ouden vriend voor de
+laatste maal gezien had.
+
+Binnen een half uur waren alle toebereidselen gemaakt en werd de
+familie buiten geroepen. Het werd zoo ingericht, dat Willem, zijn
+vader, kapitein Osborn en Juno--de arme meid had er uitdrukkelijk om
+verzocht--de slippen van het lijkkleed te dragen hadden.
+
+De kist, met de koninklijke vlag overdekt, werd door zes matrozen
+op de schouders genomen en ten grave gedragen. Achter haar gingen
+mevrouw Wilson en hare kinderen en vervolgens de commandant van
+den schoener met eenigen van zijn volk. Mijnheer Wilson hield een
+toespraak, slechts nu en dan door Juno's snikken afgebroken en het
+graf werd dichtgemaakt, waarop allen zich stil en treurig verwijderden.
+
+Op Willems verzoek had de commandant een stevig traliehek rondom het
+graf laten zetten; midden op den grafheuvel werd een paal opgericht,
+waarop de naam van den afgestorvene en de dag van zijn dood vermeld
+stonden.
+
+Zoodra dit verricht was, volgde Willem met een diepen zucht den
+commandant naar het huis, om te berichten, dat alles was afgeloopen
+en dat de boot wachtte.
+
+"Kom, lieve vrouw," zeide mijnheer Wilson tot zijne echtgenoote.
+
+"Ik ga, ik ga," antwoordde deze: "maar ik weet niet, hoe het
+komt,--thans, nu het uur geslagen heeft,--dat het mij zooveel kost
+dit eiland te verlaten. Ware Flink nog in leven, mij dunkt, ik zou
+wenschen hier altijd te blijven."
+
+"Ik begrijp, dat gij ontroerd zijt, lieve; maar wij mogen kapitein
+Osborn niet al te lang ophouden."
+
+"Ik wenschte dat wij nog eens tijd hadden om al die lieve plekjes
+van ons verblijf,--den tuin, de bron, de vijvers te bezoeken. Zelfs
+van de dieren zou ik gaarne afscheid nemen, Wilson. Misschien is het
+een zwakheid,--maar ik kan ze niet onderdrukken."
+
+"Laten wij onze geit ook hier, moeder," vroeg Caroline, "en al onze
+aardige kippen?"
+
+"Ja, lieve meid; geiten en vogels blijven achter voor andere menschen,
+die misschien na ons op dit eiland kunnen landen."
+
+"En moeten de schildpadden dan ook in den vijver blijven?" vroeg
+Thomas. "Schildpadsoep is zoo lekker. Ik houd veel van schildpad."
+
+"Dat is geen kwade inval," merkte kapitein Osborn aan. "De schildpadden
+konden wij wel aan boord brengen; dat zal toch zooveel tijd niet
+wegnemen."
+
+"O neen," zeide de commandant. "Kom, haast u, jongens! roeit met eene
+van de booten naar de vijver en brengt de schildpadden aan boord."
+
+Daar dit eenig oponthoud veroorzaakte, ging mevrouw Wilson naar Flinks
+graf, om het hek en het opschrift te zien, waarvan Willem haar gezegd
+had, dat het voorzien was geworden. Zij zou daar nog langer aan den
+arm van haar man vertoefd hebben, als kapitein Osborn niet was komen
+zeggen, dat de sloep nu wachtte.
+
+Dewijl mijnheer Wilson bemerkte, dat de commandant van den schoener
+de eilanden nog vóór het vallen van de duisternis uit het gezicht
+wenschte te hebben, leidde hij zijne vrouw nu zonder verwijl naar
+het strand. Allen stapten in de boot en waren weldra op het dek van
+den schoener. Daar stonden zij met de oogen onafgewend op het eiland
+gericht, terwijl de matrozen de ankers lichtten.
+
+Eindelijk werden de zeilen bijgezet en het schip stuurde langs de
+landpunt bij den tuin voorbij. Eene frissche koelte begunstigde
+hunne vaart en zoo werden alle voorwerpen aan de kust hoe langer hoe
+onduidelijker. Maar nog altijd dwaalden hunne blikken in verschillende
+richting rond.
+
+Juno en Willem stonden op de verschansing. Onze jonge vriend had
+den kijker in de hand en hield dien vast aan het oog gedrukt, toen
+kapitein Osborn hem vroeg, waarop hij tuurde.
+
+"Ik zeg Flinks graf mijn laatst vaarwel," was het antwoord.
+
+"Hij wezenlijk heel goede man was," fluisterde Juno met een diepen
+zucht.
+
+Terwijl ze naar het Westen stuurden, kwamen zij de bocht voorbij,
+waar zij het eerst geland waren, en mijnheer Wilson maakte zijne vrouw
+op dit punt opmerkzaam. Deze zag een tijdlang zwijgend daarheen en
+keerde zich toen om met de woorden:
+
+"Wij zullen zeker nooit gelukkiger wezen, Wilson, dan wij op dit
+eiland waren!"
+
+"Wij mogen inderdaad tevreden zijn, als wij nooit minder gelukkig
+worden, lieve," antwoordde haar echtgenoot.
+
+De schoener kliefde stout de golven en het eiland onttrok zich allengs
+aan hun gezicht. Na eenigen tijd was het aan den horizon verdwenen
+en alleen de toppen der kokosboomen bleven zichtbaar; maar ook deze
+doken eindelijk onder. Juno wachtte tot het laatst, en toen er in
+'t eind niets meer te zien was, wuifde zij met haar zakdoek naar de
+plaats van het eiland, als om dat het laatste vaarwel te zeggen.
+
+De wind bleef voortdurend gunstig, en na eene voorspoedige vaart van
+vier weken, kwamen zij in de haven van Sidney aan, die zij reeds zoo
+lang geleden met het goede schip De Vrede gedacht hadden te zullen
+bereiken.
+
+Mijnheer Wilson vond bij zijne aankomst te Sidney zijne bezittingen en
+kudden aanmerkelijk vermeerderd. Zijn zaakwaarnemer, die de goederen
+gedurende zijne afwezigheid beheerd had, was een vlijtig, eerlijk
+man geweest.
+
+Men had, wel is waar, algemeen geloofd, dat de gansche familie bij
+de schipbreuk was omgekomen en dat de goederen dus op verwijderde
+bloedverwanten zouden overgaan, maar erfeniszaken nemen altijd een
+langen tijd weg, en het duurde vele maanden voordat men stellige
+berichten uit Engeland ontving; en hieraan was het toe te schrijven,
+dat, bij gebrek aan alle zekere doodstijding, de goederen nog niet
+verdeeld, maar altijd nog in handen der executeurs waren.
+
+Mijnheer en mevrouw Wilson beleefden nog het geluk van al hunne
+kinderen volwassen te zien.
+
+Willem erfde het grootste deel van zijns vaders bezittingen, nadat
+hij hem jaren lang in het bestuur daarvan behulpzaam was geweest. Hij
+trouwde en kreeg een talrijk kroost.
+
+Sinjeur Thomas werd, niettegenstaande al zijne zotte kuren, een flink
+man, nadat hij als jongeling in den krijgsdienst was getreden. Hij is
+tegenwoordig majoor en moet in zooverre aan zijne jeugdige gewoonten
+getrouw zijn gebleven, dat hij, ondanks zijn zwaren dienst nog altijd
+een onverdroten tafelmakker is, op wiens fijnen smaak men gerust
+staat kan maken.
+
+Caroline gaf hare hand aan een jongen predikant en werd eene
+voortreffelijke echtgenoote en moeder. De kleine Albert ging in
+zeedienst en staat, terwijl ik dit schrijf, reeds op het punt van
+kapitein te worden.
+
+Mijnheer en mevrouw Wilson zijn reeds beiden dood; maar de trouwe Juno
+leeft nog en woont bij Willem in huis. Haar grootste vermaak is, diens
+kinderen op haar schoot te hebben en hun lange verhalen van het eiland
+te doen, waarbij ze nog bijna altijd in tranen uitbarst, als zij over
+dien goeden ouden stuurman Flink en zijn dood en begrafenis spreekt.
+
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+[1] Moeder Carey is in de taal der Engelsche matrozen de zee zelve,
+die hen van der jeugd af op haren schoot draagt en hun kost en
+onderhoud verschaft.
+
+[2] Eene bezitting der Engelschen in Z. O. gedeelte van Nieuw Holland,
+waar zij hunne misdadigers heen zonden. De hoofdplaats heet Sidney.
+
+[3] Kano's zijn booten, zooals de wilden en Indianen gebruiken.
+
+[4] Eene haven van China, de eenige, die eertijds voor vreemdelingen
+openstond.
+
+[5] Indische matrozen, die men bij gebrek aan Europeesche in dienst
+neemt.
+
+[6] Vroeger, toen wij Hollanders het bezaten, heette dit eiland
+Mauritius, gelijk ook tegenwoordig weder, nu het aan de Engelschen
+toebehoort.
+
+[7] Eene Oostindische munt. Men heeft zilveren ropijen, die ruim twee,
+en gouden, die zestien of zeventien gulden waard zijn.
+
+[8] Het nieuwe oorlogsrecht heeft dezen algemeenen regel wel eenigszins
+gewijzigd.
+
+[9] De linten of gaten, waardoor het ankertouw naar binnenboord gaat.
+
+[10] Ruim f 180.-- Hollandsch.
+
+[11] De postwagens, destijds in Engeland in gebruik, hadden outside
+en inside plaatsen. De eerste, voor den minderen man, minder kostende,
+waren bovenop, in de open lucht.
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Stuurman Flink, by Kapitein Marryat
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 44758 ***
diff --git a/44758-h/44758-h.htm b/44758-h/44758-h.htm
new file mode 100644
index 0000000..73bfb49
--- /dev/null
+++ b/44758-h/44758-h.htm
@@ -0,0 +1,14706 @@
+<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN"
+"http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd">
+<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source on 2014-01-26T11:57:47Z. -->
+<html lang="nl-1900">
+<head>
+<meta name="generator" content=
+"HTML Tidy for Windows (vers 25 March 2009), see www.w3.org">
+<title>Stuurman Flink of de schipbreuk van &bdquo;De
+Vrede&rdquo;</title>
+<meta http-equiv="content-type" content="text/html; charset=UTF-8">
+<meta name="generator" content=
+"tei2html.xsl, see http://code.google.com/p/tei2html/">
+<meta name="author" content="Frederick Marryat (1792&ndash;1848)">
+<link rel="coverpage" href="images/frontcover.jpg">
+<link rel="schema.DC" href=
+"http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/">
+<meta name="DC.Creator" content="Frederick Marryat (1792&ndash;1848)">
+<meta name="DC.Title" content=
+"Stuurman Flink of de schipbreuk van &bdquo;De Vrede&rdquo;">
+<meta name="DC.Language" content="nl-1900">
+<meta name="DC.Format" content="text/html">
+<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg">
+<meta name="DC:Subject" content="#####">
+<style type="text/css">
+body
+{
+font-family: "Times New Roman", Times, serif;
+font-size: 100%;
+line-height: 1.2em;
+margin: 1.58em 16%;
+text-align: left;
+}
+/* Titlepage */
+.titlePage
+{
+border: #DDDDDD 2px solid;
+margin: 3em 0% 7em 0%;
+padding: 5em 10% 6em 10%;
+text-align: center;
+}
+.titlePage .docTitle
+{
+line-height: 3.5em;
+margin: 2em 0% 2em 0%;
+font-weight: bold;
+}
+.titlePage .docTitle .mainTitle
+{
+font-size: 1.8em;
+}
+.titlePage .docTitle .subTitle, .titlePage .docTitle .seriesTitle, .titlePage .docTitle .volumeTitle
+{
+font-size: 1.44em;
+}
+.titlePage .byline
+{
+margin: 2em 0% 2em 0%;
+font-size:1.2em;
+line-height:1.72em;
+}
+.titlePage .byline .docAuthor
+{
+font-size: 1.2em;
+font-weight: bold;
+}
+.titlePage .figure
+{
+margin: 2em 0% 2em 0%;
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+}
+.titlePage .docImprint
+{
+margin: 4em 0% 0em 0%;
+font-size: 1.2em;
+line-height: 1.72em;
+}
+.titlePage .docImprint .docDate
+{
+font-size: 1.2em;
+font-weight: bold;
+}
+/* End Titlepage */
+.transcribernote
+{
+background-color:#DDE;
+border:black 1px dotted;
+color:#000;
+font-family:sans-serif;
+font-size:80%;
+margin:2em 5%;
+padding:1em;
+}
+.advertisment
+{
+background-color:#FFFEE0;
+border:black 1px dotted;
+color:#000;
+margin:2em 5%;
+padding:1em;
+}
+.correctiontable
+{
+width: 75%;
+}
+.width20
+{
+width: 20%;
+}
+.width40
+{
+width: 40%;
+}
+.indextoc
+{
+text-align: center;
+}
+.div0
+{
+padding-top: 5.6em;
+}
+.div1
+{
+padding-top: 4.8em;
+}
+.index
+{
+font-size: 80%;
+}
+.div2
+{
+padding-top: 3.6em;
+}
+.div3, .div4, .div5
+{
+padding-top: 2.4em;
+}
+.footnotes .body,
+.footnotes .div1
+{
+padding: 0;
+}
+.apparatusnote
+{
+text-decoration: none;
+}
+table.alignedtext, table.alignedverse
+{
+border-collapse: collapse;
+}
+table.alignedtext td
+{
+vertical-align: top;
+width: 50%;
+}
+table.alignedverse
+{
+vertical-align: top;
+}
+table.alignedtext td.first, table.alignedverse td.first
+{
+border-width: 0 0.2px 0 0;
+border-color: gray;
+border-style: solid;
+padding-right: 10px;
+}
+table.alignedtext td.second, table.alignedverse td.second
+{
+padding-left: 10px;
+}
+table.alignedverse td.first, table.alignedverse td.second
+{
+width: 45%;
+}
+table.alignedverse td.linenumbers
+{
+width: 10%;
+}
+h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4
+{
+clear: both;
+font-style: normal;
+text-transform: none;
+}
+h3, .h3
+{
+font-size:1.2em;
+line-height:1.2em;
+}
+h3.label
+{
+font-size:1em;
+line-height:1.2em;
+margin-bottom:0;
+}
+h4, .h4
+{
+font-size:1em;
+line-height:1.2em;
+}
+.alignleft
+{
+text-align:left;
+}
+.alignright
+{
+text-align:right;
+}
+.alignblock
+{
+text-align:justify;
+}
+p.tb, hr.tb
+{
+margin-top: 1.6em;
+margin-bottom: 1.6em;
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+text-align: center;
+}
+p.argument, p.note, p.tocArgument
+{
+font-size:0.9em;
+line-height:1.2em;
+text-indent:0;
+}
+p.argument, p.tocArgument
+{
+margin:1.58em 10%;
+}
+p.tocPart
+{
+margin:1.58em 0%;
+font-variant: small-caps;
+}
+p.tocChapter
+{
+margin:1.58em 0%;
+}
+p.tocSection
+{
+margin:0.7em 5%;
+}
+.opener, .address
+{
+margin-top: 1.6em;
+margin-bottom: 1.6em;
+}
+.addrline
+{
+margin-top: 0;
+margin-bottom: 0;
+}
+.dateline
+{
+margin-top: 1.6em;
+margin-bottom: 1.6em;
+text-align: right;
+}
+.salute
+{
+margin-top: 1.6em;
+margin-left: 3.58em;
+text-indent: -2em;
+}
+.signed
+{
+margin-top: 1.6em;
+margin-left: 3.58em;
+text-indent: -2em;
+}
+.epigraph
+{
+font-size:0.9em;
+line-height:1.2em;
+width: 60%;
+margin-left: auto;
+}
+.epigraph span.bibl
+{
+display: block;
+text-align: right;
+}
+.trailer
+{
+clear: both;
+padding-top: 2.4em;
+padding-bottom: 1.6em;
+}
+.figure
+{
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+}
+.floatLeft
+{
+float:left;
+margin:10px 10px 10px 0;
+}
+.floatRight
+{
+float:right;
+margin:10px 0 10px 10px;
+}
+p.figureHead
+{
+font-size:100%;
+text-align:center;
+}
+.figAnnotation
+{
+font-size:80%;
+position:relative;
+margin: 0 auto; /* center this */
+}
+.figTopLeft, .figBottomLeft
+{
+float: left;
+}
+.figTop, .figBottom
+{
+}
+.figTopRight, .figBottomRight
+{
+float: right;
+}
+.hangq
+{
+text-indent: -0.32em;
+}
+.hangqq
+{
+text-indent: -0.40em;
+}
+.hangqqq
+{
+text-indent: -0.71em;
+}
+.figure p
+{
+font-size:80%;
+margin-top:0;
+text-align:center;
+}
+img
+{
+border-width:0;
+}
+p.smallprint,li.smallprint
+{
+color:#666666;
+font-size:80%;
+}
+span.parnum
+{
+font-weight: bold;
+}
+.marginnote
+{
+font-size:0.8em;
+height:0;
+left:1%;
+line-height:1.2em;
+position:absolute;
+text-indent:0;
+width:14%;
+}
+.pagenum
+{
+display:inline;
+font-size:70%;
+font-style:normal;
+margin:0;
+padding:0;
+position:absolute;
+right:1%;
+text-align:right;
+}
+a.noteref, a.pseudonoteref
+{
+font-size: 80%;
+text-decoration: none;
+vertical-align: 0.25em;
+}
+.displayfootnote
+{
+display: none;
+}
+div.footnotes
+{
+font-size: 80%;
+margin-top: 1em;
+padding: 0;
+}
+hr.fnsep
+{
+margin-left: 0;
+margin-right: 0;
+text-align: left;
+width: 25%;
+}
+p.footnote
+{
+margin-bottom: 0.5em;
+margin-top: 0.5em;
+}
+p.footnote .label
+{
+float:left;
+width:2em;
+height:12pt;
+display:block;
+}
+/* Tables */
+tr, td, th
+{
+vertical-align: top;
+}
+td.bottom
+{
+vertical-align: bottom;
+}
+td.label, tr.label td
+{
+font-weight: bold;
+}
+td.unit, tr.unit td
+{
+font-style: italic;
+}
+span.sum
+{
+padding-top: 2px; border-top: solid black 1px;
+}
+/* Table border styles */
+/* Table with borders on the outside and between the table head and data. */
+table.borderOutside
+{
+border-collapse: collapse;
+}
+table.borderOutside td
+{
+padding-left: 4px;
+padding-right: 4px;
+}
+table.borderOutside .cellHeadTop, table.borderOutside .cellTop
+{
+border-top: 2px solid black;
+}
+table.borderOutside .cellHeadBottom
+{
+border-bottom: 1px solid black;
+}
+table.borderOutside .cellBottom
+{
+border-bottom: 2px solid black;
+}
+table.borderOutside .cellLeft, table.borderOutside .cellHeadLeft
+{
+border-left: 2px solid black;
+}
+table.borderOutside .cellRight, table.borderOutside .cellHeadRight
+{
+border-right: 2px solid black;
+}
+/* Table with borders on the vertical inside edges. */
+table.verticalBorderInside
+{
+border-collapse: collapse;
+}
+table.verticalBorderInside td
+{
+padding-left: 4px;
+padding-right: 4px;
+border-left: 1px solid black;
+}
+table.verticalBorderInside .cellHeadTop, table.verticalBorderInside .cellTop
+{
+border-top: 2px solid black;
+}
+table.verticalBorderInside .cellHeadBottom
+{
+border-bottom: 1px solid black;
+}
+table.verticalBorderInside .cellBottom
+{
+border-bottom: 2px solid black;
+}
+table.verticalBorderInside .cellLeft, table.verticalBorderInside .cellHeadLeft
+{
+border-left: 0px solid black;
+}
+/* Table with borders on all edges, outer edges somewhat fatter. */
+table.borderAll
+{
+border-collapse: collapse;
+}
+table.borderAll td
+{
+padding-left: 4px;
+padding-right: 4px;
+border: 1px solid black;
+}
+table.borderAll .cellHeadTop, table.borderAll .cellTop
+{
+border-top: 2px solid black;
+}
+table.borderAll .cellHeadBottom
+{
+border-bottom: 1px solid black;
+}
+table.borderAll .cellBottom
+{
+border-bottom: 2px solid black;
+}
+table.borderAll .cellLeft, table.borderAll .cellHeadLeft
+{
+border-left: 2px solid black;
+}
+table.borderAll .cellRight, table.borderAll .cellHeadRight
+{
+border-right: 2px solid black;
+}
+/* Special purpose tables: */
+table.intralinear
+{
+display: inline;
+border-collapse: collapse;
+}
+table.intralinear td
+{
+font-size: small;
+text-align: center;
+}
+table.ditto
+{
+display: inline;
+border-collapse: collapse;
+vertical-align: bottom;
+}
+table.ditto tr.s
+{
+height: 0;
+color: white;
+line-height: 0;
+}
+table.ditto tr.s td
+{
+padding: 0px;
+}
+table.ditto tr.d td
+{
+text-align: center;
+line-height: 10pt;
+}
+/* Poetry */
+.lgouter
+{
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+display:table; /* used to make the block shrink to the actual size */
+}
+.lg
+{
+text-align: left;
+}
+.lg h4, .lgouter h4
+{
+font-weight: normal;
+}
+.lg .linenum, .sp .linenum, .lgouter .linenum
+{
+color:#777;
+font-size:90%;
+left: 16%;
+margin:0;
+position:absolute;
+text-align:center;
+text-indent:0;
+top:auto;
+width:1.75em;
+}
+p.line
+{
+margin: 0 0% 0 0%;
+}
+span.hemistich /* invisible text to achieve visual effect of hemistich indentation. */
+{
+color: white;
+}
+.versenum
+{
+font-weight:bold;
+}
+/* Drama */
+.speaker
+{
+font-weight: bold;
+margin-bottom: 0.4em;
+}
+.sp .line
+{
+margin: 0 10%;
+text-align: left;
+}
+/* End Drama */
+/* right aligned page number in table of contents */
+span.tocPageNum, span.flushright
+{
+position: absolute;
+right: 16%;
+top: auto;
+}
+table.tocList
+{
+width: 100%;
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+border-width: 0;
+border-collapse: collapse;
+}
+td.tocPageNum, td.tocDivNum
+{
+text-align: right;
+width: 10%;
+border-width: 0;
+}
+td.tocDivNum
+{
+padding-left: 0;
+padding-right: 0.5em;
+}
+td.tocPageNum
+{
+padding-left: 0.5em;
+padding-right: 0;
+}
+td.tocDivTitle
+{
+width: auto;
+}
+span.corr, span.gap
+{
+border-bottom:1px dotted red;
+}
+span.abbr
+{
+border-bottom:1px dotted gray;
+}
+span.measure
+{
+border-bottom:1px dotted green;
+}
+/* Font Styles and Colors */
+.ex
+{
+letter-spacing: 0.2em;
+}
+.sc
+{
+font-variant: small-caps;
+}
+.uc
+{
+text-transform: uppercase;
+}
+.tt
+{
+font-family: monospace;
+}
+.underline
+{
+text-decoration: underline;
+}
+/* overline is actually a bit too high; overtilde is approximated with overline */
+.overline, .overtilde
+{
+text-decoration: overline;
+}
+.rm
+{
+font-style: normal;
+}
+.red
+{
+color: red;
+}
+/* End Font Styles and Colors */
+hr
+{
+clear:both;
+height:1px;
+margin-left:auto;
+margin-right:auto;
+margin-top:1em;
+text-align:center;
+width:45%;
+}
+.aligncenter, div.figure
+{
+text-align:center;
+}
+h1, h2
+{
+font-size:1.44em;
+line-height:1.5em;
+}
+h1.label, h2.label
+{
+font-size:1.2em;
+line-height:1.2em;
+margin-bottom:0;
+}
+h5, h6
+{
+font-size:1em;
+font-style:italic;
+line-height:1em;
+}
+p
+{
+text-indent:0;
+}
+p.firstlinecaps:first-line
+{
+text-transform: uppercase;
+}
+p.dropcap:first-letter
+{
+float: left;
+clear: left;
+margin: 0em 0.05em 0 0;
+padding: 0px;
+line-height: 0.8em;
+font-size: 420%;
+vertical-align:super;
+}
+.lg
+{
+padding: .5em 0% .5em 0%;
+}
+p.quote,div.blockquote, div.argument
+{
+font-size:0.9em;
+line-height:1.2em;
+margin:1.58em 5%;
+}
+.pagenum a, a.noteref:hover, a.hidden:hover, a.hidden
+{
+text-decoration:none;
+}
+ul { list-style-type: none; }
+.castlist, .castitem { list-style-type: none; }
+/* External Links */
+.pglink, .catlink, .exlink, .wplink, .biblink, .seclink
+{
+background-repeat: no-repeat;
+background-position: right center;
+}
+.pglink
+{
+background-image: url(images/book.png);
+padding-right: 18px;
+}
+.catlink
+{
+background-image: url(images/card.png);
+padding-right: 17px;
+}
+.exlink, .wplink, .biblink, .seclink
+{
+background-image: url(images/external.png);
+padding-right: 13px;
+}
+.pglink:hover
+{
+background-color: #DCFFDC;
+}
+.catlink:hover
+{
+background-color: #FFFFDC;
+}
+.exlink:hover, .wplink:hover, .biblink:hover
+{
+background-color: #FFDCDC;
+}
+body
+{
+background: #FFFFFF;
+font-family: "Times New Roman", Times, serif;
+}
+body, a.hidden
+{
+color: black;
+}
+h1, .h1
+{
+padding-bottom: 5em;
+}
+h1, h2, .h1, .h2
+{
+text-align: center;
+font-variant: small-caps;
+font-weight: normal;
+}
+p.byline
+{
+text-align: center;
+font-style: italic;
+margin-bottom: 2em;
+}
+.figureHead, .noteref, .pseudonoteref, .marginnote, p.legend, .versenum
+{
+color: #660000;
+}
+.rightnote, .pagenum, .linenum, .pagenum a
+{
+color: #AAAAAA;
+}
+a.hidden:hover, a.noteref:hover
+{
+color: red;
+}
+h1, h2, h3, h4, h5, h6
+{
+font-weight: normal;
+}
+table
+{
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+}
+.tablecaption
+{
+text-align: center;
+}
+.pagenum, .linenum
+{
+speak: none;
+}
+</style>
+
+<style type="text/css">
+.xd21e120width
+{
+width:489px;
+}
+.xd21e126
+{
+text-align:center;
+}
+.xd21e135width
+{
+width:434px;
+}
+.xd21e1005width
+{
+width:485px;
+}
+.xd21e2918width
+{
+width:487px;
+}
+.xd21e6253width
+{
+width:489px;
+}
+.xd21e6785width
+{
+width:491px;
+}
+</style>
+</head>
+<body>
+<div>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 44758 ***</div>
+
+<div class="front">
+<div class="div1 cover"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divBody">
+<p class="first"></p>
+<div class="figure xd21e120width"><img src="images/frontcover.jpg" alt=
+"Oorspronkelijke voorkant." width="489" height="720"></div>
+</div>
+</div>
+<div class="div1 frenchtitle"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divBody">
+<p class="first xd21e126">STUURMAN FLINK<br>
+OF<br>
+DE SCHIPBREUK VAN &bdquo;DE VREDE&rdquo;</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div1 titlepage"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divBody">
+<p class="first"></p>
+<div class="figure xd21e135width"><img src="images/titlepage.png" alt=
+"Oorspronkelijke titelpagina." width="434" height="720"></div>
+</div>
+</div>
+<div class="titlePage">
+<div class="docTitle">
+<div class="mainTitle">STUURMAN FLINK</div>
+<div class="subTitle">OF</div>
+<div class="subTitle">DE SCHIPBREUK VAN &bdquo;DE VREDE&rdquo;</div>
+</div>
+<div class="byline">NAAR HET ENGELSCH<br>
+VAN<br>
+<span class="docAuthor">KAPITEIN MARRYAT</span><br>
+DOOR<br>
+<span class="docAuthor">J. J. A. GOEVERNEUR</span><br>
+Ge&iuml;llustreerd door <span class="docAuthor">JOHAN
+BRAAKENSIEK</span></div>
+<div class="docImprint">NEGENDE DRUK<br>
+AMSTERDAM&mdash;VAN HOLKEMA &amp; WARENDORF</div>
+</div>
+<div class="div1 imprint"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divBody">
+<p class="first xd21e126">Typ. <span class="sc">De Erven H. van Munster
+&amp; Zoon</span>, Amsterdam. <span class="pagenum">[<a id="pb5" href=
+"#pb5" name="pb5">5</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="body">
+<div id="ch1" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">EERSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">HET SCHIP DE VREDE. STUURMAN FLINK.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Het was in de maand October, 18**, dat De Vrede, een
+groot koopvaardijschip, door harden wind gedreven, de wateren kliefde
+van den wijden Atlantischen Oceaan. Het schip had slechts weinig zeil
+bij, want de wind was zoo sterk, dat het doek door de woedende stooten
+en rukken in flarden zou zijn gereten, en pijlsnel schoot het vaartuig
+over de hooggaande golven, die het schuimend volgden en het beurtelings
+ten hemel opbeurden of diep in de holle zee bedolven, zoodat men had
+kunnen denken, dat het daaruit nooit weer zou te voorschijn komen.
+Evenwel was het schip hecht en stevig en de kapitein een goed zeeman,
+die alles deed, wat hij tot behoud van zijn bodem dienstig achtte.</p>
+<p>De kapitein stond bij het stuurrad en hield een wakend oog op de
+mannen aan het roer, want hierop vooral moet men acht geven, als het
+schip recht v&oacute;&oacute;r een harden wind zeilt. Terwijl hij hier
+zoo in het rond en van tijd tot tijd ook naar de lucht zag, neuriede
+hij een oud zeemansliedje, dat begint:</p>
+<div class="lgouter">
+<p class="line"><span class="corr" id="xd21e192" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>&rsquo;t Is alles water, wat men ziet,</p>
+<p class="line">En donkre, zwarte lucht!&rdquo;</p>
+</div>
+<p class="first">En zoo was het ook waarlijk. Zij dobberden midden op
+den oceaan, geen ander vaartuig was te zien, de hemel was overdekt met
+donkere wolken, welke de storm woedend voor zich uit joeg, de golven
+stapelden zich tot bergen op en deden het schuim omhoogspatten, terwijl
+de wind akelig door het want floot en huilde.</p>
+<p>Buiten den scheepskapitein en de beide mannen aan het roer, waren er
+<span class="pagenum">[<a id="pb6" href="#pb6" name=
+"pb6">6</a>]</span>nog twee andere personen op het dek: de eerste een
+knaap van omstreeks twaalf jaren, de ander een oud, verweerd zeeman,
+wiens grijze haren in den wind fladderden, toen hij naar het achterdek
+van het schip ging en overboord keek.</p>
+<p>Op eens zag de knaap, hoe een geweldig zware golf tegen den spiegel
+van het schip kwam aanrollen. Angstig greep hij den oude bij den arm
+vast en riep: &bdquo;Kijk, zal die groote golf niet over ons heele
+schip heen slaan, Flink?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, Willem, wees maar gerust. Merkt ge niet, hoe ze ons
+schip in de hoogte tilt? En kijk, nu is ze al onder ons door gegaan en
+zijn wij gelukkig over haar heen. Maar &rsquo;t kon licht gebeuren, dat
+een tweede golf nog hooger klom, en dan zou het slecht met u afloopen,
+als ik mijzelf en u meteen hier niet stevig vasthield. De zee zou u
+zeker overboord spoelen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik houd niet van de zee, Flink; ik wou wel, dat we weer op
+het vasteland waren,&rdquo; antwoordde de knaap. &bdquo;Zie de golven
+daar recht vooruit;&mdash;is &rsquo;t niet, alsof ze van het schip geen
+stuk heel wilden laten?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, ja, ze zijn vrij wild, en daarbij loeien ze zoo, alsof ze
+boos waren dat zij het schip niet in de diepte begraven kunnen. Maar
+daaraan ben ik gewoon, Willem, en op een goed schip, met een braven
+kapitein en wakker volk, ben ik niet bang voor zulk een
+storm.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar vaak gaan er toch schepen ten gronde, en dan verdrinken
+allen, die er op zijn, niet waar?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, Willem, en soms vergaat wel eens een schip, terwijl het
+volk aan boord daar het minst op bedacht is.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat zijn dat toch voor kleine vogels, die zoo laag over het
+water vliegen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ei, dat zijn moeder Carey&rsquo;s<a class="noteref" id=
+"xd21e220src" href="#xd21e220" name="xd21e220src">1</a> kuikens, zooals
+wij zeelui ze noemen. Ze vertoonen zich alleen bij storm, of als er
+boos weer ophanden is.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zeg, Flink, hebt gij wel eens op een woest eiland schipbreuk
+geleden, zooals Robinson Cruso&euml;?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, jongenlief, ik heb wel al schipbreuk geleden, maar van
+Robinson Cruso&euml; heb ik mijn leven niet gehoord. Er zijn zoovelen,
+die hun schip verloren en zwaren nood hadden door te staan, terwijl nog
+ruim zoovelen daarbij omkwamen en dus van hunne ontmoetingen niet meer
+vertellen konden, dat het niet heel denkelijk is dat ik uit al die
+menigte den man, dien gij daar noemt, zou gekend hebben.&rdquo;
+<span class="pagenum">[<a id="pb7" href="#pb7" name=
+"pb7">7</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;O, dat staat alles in een boek, dat ik gelezen heb. Ik kon
+het u wel alles van stukje tot beetje vertellen&mdash;en wil dat ook
+doen, zoodra de zee weer bedaard is; maar wees nu zoo goed en breng mij
+weer naar beneden, want ik heb moeder beloofd niet al te lang hier
+boven te blijven.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En wat ge beloofd hebt, moet ge als een flinke jongen altijd
+houden,&rdquo; zei de oude man. &bdquo;Kom, geef mij de hand maar, en
+ik zal wel zorgen, dat ge zonder vallen of stooten door het luik komt.
+Als het beter weer is, zult ge van mijne schipbreuk hooren en dan moet
+gij mij ook eens zeggen, wat ge van dien Robinson Cruso&euml;
+weet.&rdquo;</p>
+<p>Met deze woorden bracht de oude zeeman den kleinen Willem tot aan de
+deur der kajuit en keerde toen op het dek terug, waar hij de wacht
+had.</p>
+<p>Stuurman Flink had nu al ruim vijftig jaren op zee rondgezworven;
+hij was nog pas tien jaren oud, toen hij op een kolenschip als
+koksjongen zijn eerste reis deed. Door zijn voortdurend verblijf in de
+open lucht was zijn gezicht donkerbruin gekleurd en diepe rimpels lagen
+in zijne wangen, hoewel hij nog altijd een flink en sterk man was
+gebleven. Hij had jaren achtereen aan boord van een oorlogschip gediend
+en daarop alle werelddeelen bezocht; hij wist dan ook vele vreemde
+geschiedenissen te vertellen. Maar al klonken die ook nog zoo vreemd,
+men mocht hem vrij gelooven, daar nooit een onwaar woord over zijn
+lippen kwam.</p>
+<p>Hij verstond de stuurmanskunst vrij goed, kon dus lezen en schrijven
+en was een verstandig en braaf man. De naam Flink paste zeer goed voor
+hem, want altijd was hij flink en vlug bij de hand en in oogenblikken
+van nood en gevaar zoo welberaden, dat de kapitein hem niet zelden om
+raad vroeg en zich daar gewoonlijk wel bij bevond. Op deze reis
+bekleedde hij den rang van tweeden stuurman.</p>
+<p>Zooals wij reeds weten, was De Vrede een fraai schip van meer dan
+vier honderd tonnen en zoo hecht en sterk gebouwd, dat men het zeer
+goed tegen een hevigen storm bestand kon achten. De tegenwoordige
+bestemming van het vaartuig was Nieuw-Zuid-Wales,<a class="noteref" id=
+"xd21e241src" href="#xd21e241" name="xd21e241src">2</a> waarheen het
+eene kostbare lading Engelsche goederen had over te brengen. De
+kapitein was een bekwaam zeeman en bovendien een braaf mensch van een
+altijd vroolijk en opgeruimd humeur, die de dingen steeds in hun beste
+licht beschouwde en ook, als &rsquo;t geluk hem soms eens tegenliep,
+eer geneigd was daarmee te lachen, dan dadelijk een zuur gezicht te
+trekken. Zijn naam was Osborn. De eerste stuurman <span class=
+"pagenum">[<a id="pb8" href="#pb8" name="pb8">8</a>]</span>heette
+Mackintosh en was een Schot. Ofschoon barsch en ruw van aard, nam hij
+toch zijn dienst aan boord voorbeeldig waar en was een man, op wien
+kapitein Osborn zich verlaten kon, hoewel deze anders niet van hem
+hield. Met Flink hebben wij reeds kennis gemaakt en van de matrozen aan
+boord behoeven wij niet meer te zeggen, dan dat zij in het geheel
+dertien in getal waren. Dit was zekerlijk eene nauwelijks toereikende
+bemanning voor zulk een groot schip en oorspronkelijk waren er ook meer
+geweest; doch op den dag v&oacute;&oacute;r het onder zeil gaan, hadden
+vijf mannen, uit ontevredenheid over de behandeling, die Mackintosh, de
+eerste stuurman, hun aandeed, het schip eensklaps weer verlaten,
+waardoor de kapitein gedwongen was geweest in zee te steken, zonder
+anderen in hunne plaats te hebben aangeworven. Gelijk in het vervolg
+blijken zal, was dit voor het schip eene zeer noodlottige
+omstandigheid.</p>
+</div>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd21e220" href="#xd21e220src" name="xd21e220">1</a></span> Moeder
+Carey is in de taal der Engelsche matrozen de zee zelve, die hen van
+der jeugd af op haren schoot draagt en hun kost en onderhoud
+verschaft.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd21e241" href="#xd21e241src" name="xd21e241">2</a></span> Eene
+bezitting der Engelschen in Z. O. gedeelte van Nieuw Holland, waar zij
+hunne misdadigers heen zonden. De hoofdplaats heet Sidney.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch2" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">TWEEDE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">DE FAMILIE WILSON.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De jonge Willem was de oudste zoon eener <span class=
+"corr" id="xd21e253" title="Bron: famlie">familie</span>, die uit
+vader, moeder en vier kinderen bestond en zich thans in haar geheel aan
+boord van De Vrede bevond. De vader, mijnheer Wilson, was een
+verstandig, welonderricht man, die jaren lang een post bij het bestuur
+te Sidney, de hoofdplaats van Nieuw-Zuid-Wales, bekleed had en nu, na
+een driejarig verlof, uit Engeland derwaarts terugkeerde. Hij had van
+de regeering een duizend of wat morgen land aangekocht; dit was sedert
+aanmerkelijk in waarde gerezen en de schapen en veeteelt, waarop hij
+zich toelegde, hadden hem reeds groote winsten opgeleverd. Gedurende
+zijne afwezigheid in Engeland had zijn rentmeester zijne belangen met
+veel zorg behartigd, en zelf bracht hij nu eene menigte voorwerpen van
+allerlei aard mede, zoo tot verbetering zijner landerijen als tot eigen
+gebruik, b. v. huismeubelen, gereedschappen voor den landbouw,
+verschillende zaden en gewassen, rundvee en nog meer, te veel om op te
+noemen.</p>
+<p>Mevrouw Wilson was een lieve, zachte vrouw, die echter veel sukkelde
+en allesbehalve sterk was. Op den oudsten zoon, Willem, een sterken,
+vluggen knaap, vol geest en leven, volgde Thomas, een door en door
+goede jongen van bij de acht jaar oud, maar zoo dom en onhandig, dat er
+geen <span class="pagenum">[<a id="pb9" href="#pb9" name=
+"pb9">9</a>]</span>voorbeeld van was en men hem geen ommezien alleen
+kon laten. Caroline, een meisje van zeven jaren, was het derde en de
+pas &eacute;&eacute;njarige Albert het jongste kind. Tot oppassing van
+dezen laatste vooral diende een jonge negerin van de Kaap de Goede
+Hoop, die naar Sidney overgekomen en mevrouw Wilson naar Engeland
+gevolgd was. Wij hebben nu al de personen aan boord van De Vrede
+opgenoemd; maar bijna hadden wij onder de levende schepselen twee
+herdershonden van mijnheer Wilson vergeten en een kleinen dashond, die
+de bijzondere lieveling van zijn meester, kapitein Osborn was.</p>
+<p>Eerst op den vierden dag na de losbarsting, begon de storm te
+bedaren en nam allengs af, totdat hij eindelijk in bijna geheele
+windstilte overging. De matrozen, die al dien tijd dag en nacht op het
+dek gewaakt hadden, hingen hunne van regen en zeewater doorweekte
+kleeren in het want te drogen en konden nu zelven rust nemen en hunne
+krachten herstellen. Een zachte wind blies in de zeilen, de zee was
+weer effen en het schip legde in zijne rassche vaart bij de vijf mijlen
+in het uur af. Mevrouw Wilson had een mantel omgeslagen en zat op eene
+bank op het achterdek. Haar man en hare kinderen waren bij haar en
+verheugden zich in het kostelijke weer, toen ook kapitein Osborn die
+met zijn sextant den stand der zon had waargenomen, met een lachend
+gezicht op hen toekwam en riep:</p>
+<p>&bdquo;Wel Thomas, jongen, ge zult zeker wel hartelijk blij zijn,
+dat de storm over is?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O, ik ben niet bang geweest,&rdquo; antwoordde Thomas.
+&bdquo;Ik was maar boos, dat ik altijd mijne soep stortte. Maar Juno is
+eens van haar stoel gerold en lag met broertje op den grond te
+spartelen, totdat eindelijk papa kwam en haar weer ophielp.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Goddank, dat mijn kleine Albert zich niet doodelijk bezeerd
+heeft!&rdquo; zeide de moeder, met een blik vol liefde op haar
+kind.</p>
+<p>&bdquo;En dat zou hij zich zeker gedaan hebben, had Juno niet zoo
+geheel alleen aan het kind en geen oogenblik aan zichzelve
+gedacht,&rdquo; zeide de vader.</p>
+<p>&bdquo;Ja, dat is waar,&rdquo; hernam kapitein Osborn. &bdquo;Zij
+redde het kind, maar zal haar eigen hoofd wel terdeeg gevoeld
+hebben.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ikke een harden bons kreeg op mijn kop,<span class="corr" id=
+"xd21e274" title="Niet in bron">&rdquo;</span> verzekerde Juno en
+grijnsde, dat hare witte tanden tot aan de ooren zichtbaar werden.</p>
+<p>&bdquo;Gelukkig, dat ge er zulk een dik wollig overtreksel over
+hebt,&rdquo; zei de kapitein lachend. <span class="corr" id="xd21e280"
+title="Niet in bron">&bdquo;</span>Maar word niet boos, Juno; waarlijk,
+ge zijt een goed meisje, en wij allen houden veel van u.&rdquo;
+<span class="pagenum">[<a id="pb10" href="#pb10" name=
+"pb10">10</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Het is twaalf uren naar de zon, mijnheer,&rdquo; kwam
+Mackintosh, de eerste stuurman, den kapitein berichten.</p>
+<p>&bdquo;Maak mij dan de breedte op, stuurman, en ik zal terstond de
+lengte berekenen. Over vijf minuten, mijnheer Wilson, zal ik u op de
+kaart aanwijzen, waar wij ons thans op zee bevinden.&rdquo;</p>
+<p><span class="corr" id="xd21e289" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>Ha, daar komen ook onze honden eens boven
+kijken<span class="corr" id="xd21e292" title="Bron: .">,</span>&rdquo;
+riep Willem op eens uit. &bdquo;Ik wed, dat ze met dat mooie weer even
+blij zijn als wij. Hier, Romulus! Remus hier!&rdquo;</p>
+<p><span class="corr" id="xd21e296" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>Ei, mijnheer,&rdquo; zei Flink, die dicht
+bij hen stond, &bdquo;ik heb u al lang eens een vraag willen doen. Uwe
+<span class="corr" id="xd21e299" title="Bron: handen">honden</span>
+daar hebben een paar zulke wonderlijke namen, die ik in mijn leven nog
+niet gehoord heb. Romulus en Remus&mdash;wie waren dat?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zoo heetten twee broeders in den overouden tijd,&rdquo;
+antwoordde de heer Wilson. &bdquo;Zij waren als schaapherders
+opgewassen en bouwden de stad Rome, die naderhand zoo beroemd en zoo
+machtig werd en waarover Romulus als eerste koning regeerde.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En verbeeld u eens, Flink; toen ze nog klein waren, werden
+zij door eene wolvin gezoogd,&rdquo; vervolgde Willem. &bdquo;Wat zegt
+ge van zoo iets, man?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Door eene wolvin? Dat was zeker eene vreemde soort van minne
+voor een paar jonge prinsen,&rdquo; antwoordde Flink.</p>
+<p>&bdquo;En Romulus sloeg zijn broeder dood.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Geen wonder, als men rekent wat zoogster ze hadden,&rdquo;
+merkte Flink aan. &bdquo;Maar waarom deed hij dat?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Omdat Remus zoo goed springen kon,&rdquo; zeide Willem
+lachend.</p>
+<p>&bdquo;De jongeheer wil mij zeker wat wijsmaken?&rdquo; riep Flink
+en zag den vader vragend aan.</p>
+<p>&bdquo;Dat juist niet. De geschiedenis vertelt, dat Remus zijn
+broeder om den lagen stadsmuur, die deze gebouwd had, bespotte en, om
+hem te tergen, daar losweg overheen sprong. Dit moet Romulus zoo euvel
+hebben opgenomen, dat hij hem in drift doodsloeg. Evenwel, op zulke
+oude verhalen kan men niet altijd zoo vast staat maken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En ik wil ook niet hopen, dat beiden werkelijk broeders
+geweest zijn,&rdquo; hernam Flink; &bdquo;hoewel&mdash;&rsquo;t oude
+spreekwoord heeft het zoo mis niet:</p>
+<div class="lgouter">
+<p class="line"><span class="corr" id="xd21e323" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>Twee meesters onder &rsquo;t zelfde
+dak</p>
+<p class="line">Geeft altijd moeite en ongemak.</p>
+</div>
+<p class="first">&bdquo;Men hoort tegenwoordig nog wel eens van Rome
+spreken; is dat misschien nog diezelfde stad?&rdquo; <span class=
+"pagenum">[<a id="pb11" href="#pb11" name="pb11">11</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Ja,&rdquo; antwoordde Willem; &bdquo;het zijn de puinhoopen
+van die oude<span class="corr" id="xd21e333" title=
+"Bron: ,">.</span>&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Een mensch is toch nooit uitgeleerd,&rdquo; zeide Flink.
+&bdquo;Vandaag heb ik weer vrij wat nieuws gehoord, en dat kan men
+altijd en overal, als men zijn mond maar tot vragen weet te gebruiken.
+Ik ben een oud man en weet weinig buiten &rsquo;t geen tot mijn beroep
+behoort; maar toch zou ik veel minder weten, als ik geen onderzoek naar
+de dingen had gedaan, zonder mij te schamen om voor mijne onwetendheid
+uit te komen. Dat is het eenige middel om iets goeds te leeren,
+jongeheer.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Gij geeft daar mijn zoon kostelijken raad, Flink;&mdash;en
+pas op, mijn kind, dat gij dien nooit vergeet,&rdquo; sprak de vader.
+&bdquo;Gij behoeft u nooit te schamen, naar iets te vragen, dat gij
+niet weet of begrijpt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat doe ik ook altijd, vader. Heb ik u niet al naar heel veel
+dingen gevraagd, Flink?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, ja, dat hebt gij; en gij vraagt doorgaans vrij verstandig
+voor een knaap van uwe jaren. Ik wou maar, dat ik uwe vragen beter
+beantwoorden kon, dan ik daar soms toe in staat ben, lieve
+jongen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Nu zou ik toch liefst weer naar beneden willen, lieve,&rdquo;
+zeide mevrouw Wilson eindelijk. &bdquo;Flink zal wel zoo goed zijn den
+kleine voor mij te dragen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Van harte gaarne, mevrouw,&rdquo; antwoordde Flink.
+&bdquo;Komaan dan, Juno, geef mij het kind en ga gij
+vooruit.&mdash;<span class="corr" id="xd21e349" title=
+"Bron: Ruggelinks">Ruggelings</span>, domme meid! Hoe dikwijls moet ik
+u dat nog zeggen? &rsquo;k Voorzie, dat gij nog eens hals over kop de
+trap aftuimelt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En breken mijn nek,&rdquo; zei Juno.</p>
+<p>&bdquo;Ja, of een arm of een been! En wie zal dan het kind
+dragen?<span class="corr" id="xd21e356" title=
+"Niet in bron">&rdquo;</span></p>
+<p>Zoodra allen weder in de kajuit waren, namen de kapitein en mijnheer
+Wilson de kaart voor zich en zochten daarop de plaats, waar het schip
+zich thans bevond. Zij zagen, dat zij nog dertig mijlen van de Kaap de
+Goede Hoop verwijderd waren.</p>
+<p>&bdquo;Als de wind aanhoudt, kunnen wij daar morgen zijn,&rdquo;
+zeide mijnheer Wilson tot zijne vrouw. &bdquo;Misschien kan onze Juno
+daar haar vader en moeder wedervinden.&rdquo;</p>
+<p>De arme Juno schudde het hoofd, en de tranen rolden over hare
+donkere wangen, terwijl zij vertelde, dat hare ouders een Hollandschen
+veeboer toebehoorden, die met hen diep landwaarts in getrokken was. Zij
+was nog maar een klein kind geweest, toen men haar van hare ouders
+afnam, en had alleen in de Kaapstad moeten achterblijven.</p>
+<p>&bdquo;Maar nu zijt gij vrij, Juno,&rdquo; zeide mevrouw Wilson.
+&bdquo;Gij zijt in Engeland <span class="pagenum">[<a id="pb12" href=
+"#pb12" name="pb12">12</a>]</span>geweest, en allen, die dat land eens
+betreden hebben, zijn van dat oogenblik af vrije menschen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, mevrouw, Juno vrij zijn, maar Juno toch geen vader hebben
+en geen moeder,&rdquo; antwoordde het arme meisje en weende bitter. De
+kleine Albert sloeg nu echter de armpjes om haar hals, en weldra lachte
+zij weer en speelde vroolijk met het lieve kind.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch3" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">DERDE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">KAAP DE GOEDE HOOP.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Den volgenden morgen zag men de Kaap voor zich en liet
+in de Tafelbaai het anker vallen.</p>
+<p>&bdquo;Waarom noemt men dit hier de Tafelbaai, Flink?&rdquo; vroeg
+Willem.</p>
+<p>&bdquo;Denkelijk is dat, omdat die groote berg daar de Tafelberg
+heet, jongeheer, gij ziet, hoe zijn top heel vlak is.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja waarlijk, hij is zoo vlak als eene tafel.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar nu en dan ziet men witte wolken zich op eene zonderlinge
+wijze rondom de toppen samenpakken en dan zeggen de zeelieden, dat de
+tafel gedekt wordt, of ook wel, dat de berg zijn pruik opzet. Men ziet
+dat niet graag, omdat er doorgaans ruw en stormachtig weer op
+volgt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dan hoop ik dat die tafel, zoolang wij hier zijn, maar
+ongedekt mag blijven. Wij hebben al storm en onweer genoeg gehad, en
+moeder is er nog zwak en ziek van. Wat is dat eene mooie stad,
+Flink!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wij zullen hier twee dagen voor anker blijven,
+mijnheer,&rdquo; kwam kapitein Osborn den heer Wilson berichten,
+&bdquo;en zoo gij en mevrouw aan wal wenscht te gaan, is daar
+gelegenheid toe.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik zal bij mijne vrouw gaan en het haar vragen,<span class=
+"corr" id="xd21e392" title="Niet in bron">&rdquo;</span> zeide Willems
+vader en ging met dezen in de kajuit.</p>
+<p>Mevrouw Wilson was zeer blijde, dat het schip nu althans eenigen
+tijd stil zou liggen, maar voelde zich te zwak om aan land te gaan. Er
+werd dus besloten, dat zij met de beide jongste kinderen aan boord zou
+blijven, terwijl haar man de beide oudsten, Willem en Thomas, den
+volgenden dag naar de Kaapstad medenam, van waar hij beloofde nog
+v&oacute;&oacute;r den avond terug te zullen zijn.</p>
+<p>Den volgenden morgen liet kapitein Osborn een groote sloep uitzetten
+<span class="pagenum">[<a id="pb13" href="#pb13" name=
+"pb13">13</a>]</span>en zich daarin met mijnheer Wilson, Willem en
+Thomas naar den wal roeien. Thomas had aan zijne moeder beloofd, dat
+hij heel zoet en gehoorzaam zou wezen; maar dat deed hij altijd en had
+het altijd ook weer vergeten, zoodra hij haar maar uit het gezicht was.
+Van de landingsplaats gingen zij naar een vriend van den kapitein, die
+in de stad woonde. Hier bleven zij een half uur, om een glas limonade
+te drinken, want het was zeer warm, en toen besloot men naar den tuin
+van de Compagnie te gaan, om de wilde dieren te zien, die daar bewaard
+werden. Willem was met dit plan zeer ingenomen en zijn broertje klapte
+in de handen van blijdschap.</p>
+<p>&bdquo;Vader, waarom heet die tuin de tuin van de Compagnie?&rdquo;
+vroeg Willem.</p>
+<p>&bdquo;Omdat hij door de Hollandsch-Oostindische Compagnie is
+aangelegd, in den tijd, toen de Kaap nog aan de Hollanders toebehoorde.
+Het is eigenlijk een plantentuin, waar men evenwel ook wilde dieren
+bewaart. Vroeger had men er hier een groote menigte, doch tegenwoordig
+zijn de reizigers er minder nieuwsgierig naar, daar men ze ook in
+Europa genoeg te zien kan krijgen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En wat zullen we dan al zien?&rdquo; vroeg Thomas.</p>
+<p>&bdquo;Gij zult leeuwen zien, mijn jongen, ik weet niet hoeveel wel,
+allemaal in &eacute;&eacute;n hok bijeen,&rdquo; antwoordde kapitein
+Osborn.</p>
+<p>&bdquo;O, dat is goed! Ik heb nog nooit een leeuw gezien.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar pas op, kind, dat gij niet te dicht bij het hok
+komt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, zeker niet,&rdquo; beloofde Thomas.</p>
+<p>Zoodra zij binnen het tuinhek waren wilde Thomas ontloopen, uit
+ongeduld om de leeuwen toch vooral spoedig te zien, maar kapitein
+Osborn haalde hem gelukkig weder in en hield hem nu stevig bij de hand
+vast.</p>
+<p>&bdquo;Hier zijn een paar zonderlinge vogels,&rdquo; zeide de heer,
+die bij hen was. <span class="corr" id="xd21e420" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>Men noemt ze secretarisvogels, om de
+veeren, die hun daar achter aan den kop uitsteken, evenals de veer van
+de pen, die een klerk of schrijver soms wel achter het oor draagt. Het
+zijn echter zeer nuttige dieren, daar zij de slangen dooden en, als zij
+konden, alleen van slangen en adders leven zouden. Zij pakken die
+beesten met hunne klauwen aan en drukken ze met zooveel geweld, dat zij
+in een oogenblik dood zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Vindt men veel slangen in dit land<span class="corr" id=
+"xd21e425" title="Bron: !">?</span>&rdquo; vroeg Willem.</p>
+<p>&bdquo;Ja, en zeer vergiftige slangen,&rdquo; antwoordde zijn vader,
+&bdquo;waarom deze vogels hier dan ook van groot nut zijn. Gij kunt
+daaruit zien<span class="corr" id="xd21e431" title=
+"Niet in bron">,</span> Willem, hoe geen dier, vooral geen van de
+schadelijke soorten, zich al te sterk vermenigvuldigen kan, maar op
+zijne beurt weer de prooi van andere roofdieren wordt. En zoo is het
+overal; in elk land, waar eenig dier in groote menigte <span class=
+"pagenum">[<a id="pb14" href="#pb14" name=
+"pb14">14</a>]</span>voorhanden is, vindt gij ook zeker een tweede,
+&rsquo;t welk dat eerste vervolgt en tot buit maakt. De secretaris
+bewoont dit land, waar slangen in menigte zijn, om deze te dooden; in
+Europa daarentegen, waar minder vergiftige slangen zijn, zou deze vogel
+ook weinig nut doen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar, vader, sommige dieren, zooals de leeuw en de olifant
+zijn zoo groot en sterk, dat andere ze bijna niet vernielen
+kunnen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is waar, maar die grootere dieren vermenigvuldigen zich
+niet zoo sterk als andere en daarom neemt hun aantal ook veel minder
+schielijk toe. Een paar olifanten b. v. krijgt in den tijd van twee of
+meer jaren maar &eacute;&eacute;n enkel jong, terwijl de konijntjes,
+die de buit van zooveel andere dieren en vogels zijn, tot in het
+oneindige vermeerderen zouden, indien hunne toeneming niet op die wijze
+werd te keer gegaan. Ik heb ergens gelezen, dat een paar konijnen met
+hun gebroed, dat zich even snel weer vermeerdert, in een enkel jaar tot
+vele honderden kan aangroeien.&rdquo;</p>
+<p>Onder zulke gesprekken had men het verblijf der leeuwen weldra
+bereikt. Het was een ruim, rond plein, dat, van boven open en rondom
+tusschen hooge muren besloten, slechts eene enkele opening voor de
+toeschouwers had. Deze opening was breed en van boven tot onder met
+hechte ijzeren staven bezet, die echter zoo ver van elkaar afstonden,
+dat de leeuwen er met hunne klauwen wel tusschendoor konden tasten,
+waarom de kinderen dan ook gewaarschuwd werden, er vooral niet te dicht
+bij te komen. Het was kostelijk om te zien, hoe acht of tien van die
+edele dieren daar in allerlei houding in het rond lagen, zich
+koesterden in de heete zon en met hunne breede, borstelige staarten den
+grond zweepten, zonder zich, naar &rsquo;t scheen, aan de menschen daar
+buiten in het minst te storen. Willem bleef op een behoorlijken afstand
+van de tralies staan en keek aandachtig toe. Ook de kleine Thomas zette
+groote oogen op en was in den beginne niet weinig bang; maar dat ging
+over en hij werd spoedig stouter. De heer, die bij hen was en langen
+tijd aan de Kaap gewoond had, verhaalde eenige zeer onderhoudende
+anecdoten aangaande den leeuw, waarnaar het gansche gezelschap zoo
+aandachtig luisterde, dat niemand merkte, hoe Thomas opnieuw ontsnapt
+en naar den ingang van het leeuwenhok teruggeloopen was. Hij stond
+eerst een tijdlang naar de dieren te kijken, maar wilde toen ook, dat
+zij eens wat beweging maken zouden. Om hen hiertoe te dwingen, nam hij
+eindelijk een steen op en wierp dien naar den jongen, nagenoeg
+driejarigen leeuw, die het dichtst bij den ingang lag. Deze scheen dit
+niet te bemerken, want hij verroerde zich niet, ofschoon hij het oog
+niet van den onvoorzichtigen knaap afwendde. Hierdoor werd onze Thomas
+gedurig stouter, wierp <span class="pagenum">[<a id="pb15" href="#pb15"
+name="pb15">15</a>]</span>nog een steen en nog een en kwam daarbij
+telkens dichter bij het hok.</p>
+<p>Op eens hief de leeuw nu een vreeselijk gebrul aan en sprong op
+Thomas los, terwijl hij met zulk een woede tegen de ijzeren staven van
+zijn hok opvloog, dat deze kletterden en dreunden en de kalk op enkele
+plaatsen van de steenen viel. Doodelijk verschrikt, gilde de jongen het
+uit en tuimelde achterover in het gras, &rsquo;t geen zijn behoud was,
+want ware hij voorovergevallen, dan zou het dier hem zekerlijk met
+zijne klauwen hebben aangepakt. Zijn vader en kapitein Osborn schoten
+dadelijk toe en hielpen hem op. Zoodra hij weder adem kon halen, begon
+hij te huilen van angst, terwijl de leeuw voor de tralies stond en
+brullend en loeiend met den staart in het rond sloeg.</p>
+<p>&bdquo;Breng mij weg,&mdash;breng mij weer op het schip!&rdquo;
+kreet Thomas en trilde als een blad.</p>
+<p>&bdquo;Wat hebt gij gedaan, jongen?&rdquo; vroeg kapitein
+Osborn.</p>
+<p>&bdquo;Ik zal u nooit weer met steenen gooien, heer leeuw; neen,
+neen, nooit van mijn leven meer!&rdquo; riep de knaap en zag ontzet
+naar het vergramde dier om.</p>
+<p>De heer Wilson bracht hem zijne onvoorzichtigheid ernstig onder het
+oog, en van lieverlede kwam hij nu tot bedaren, maar was toch niet
+gerust, voordat men van de leeuwen niets meer hooren of zien kon.</p>
+<p>Zij bezochten thans ook nog de overige dieren, die hier te zien
+waren, en van nu af aan hield Thomas zich van alle op een eerbiedigen
+afstand. Zelfs waagde hij het niet bij een schaap te komen, dat op de
+Kaap thuis behoort en een dikken vetstaart van verscheiden ponden
+zwaarte heeft.</p>
+<p>Na alles bekeken te hebben, gingen zij weder naar het huis van den
+vreemden heer, die hun te eten had verzocht, en na den maaltijd keerden
+allen naar het schip terug. Toen Thomas&rsquo; moeder van het avontuur
+hoorde, dat hij met den leeuw had gehad, verzekerde zij, dat zij zulk
+een ongehoorzaam kind nooit weer uit haar gezicht zou laten gaan.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch4" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">VIERDE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">EEN STORM OP ZEE.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Den volgenden morgen werden levensmiddelen en versch
+water aan boord genomen en zette De Vrede opnieuw hare zeilen in top,
+terwijl men alle hoop op eene voorspoedige reis begon op te vatten,
+daar het schip dagen achtereen met goeden wind zijne vaart vervolgde.
+Dit was nochtans <span class="pagenum">[<a id="pb16" href="#pb16" name=
+"pb16">16</a>]</span>niet van duur. Er volgde eene windstilte die bijna
+drie volle dagen aanhield, en gedurende dezen tijd was ook zelfs geen
+schijn van wind op de breede watervlakte te bespeuren. De geheele
+natuur scheen in diepe rust verzonken, en geen ander levend wezen
+vertoonde zich, dan nu en dan een enkele albatros, die met half
+geopende vlerken het schip een tijdlang bijbleef en de stukjes brood
+oppikte, die men overboord uitstrooide.</p>
+<p>&bdquo;Wat is dat voor een groote vogel, Flink?&rdquo; vroeg
+Willem.</p>
+<p>&bdquo;Dat is een albatros, Willem, de grootste zeevogel dien wij
+hebben. Ik zag er eens een schieten, wiens uitgestrekte vlerken van het
+eene tot het andere einde wel ruim elf voet lang waren.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is de eerste, dien ik ooit gezien heb.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Omdat men ze ten noorden van de Kaap ook zelden vindt. Men
+zegt, dat zij onder het vliegen slapen kunnen en zich dan met den kop
+op de vlerken hoog boven in de lucht laten drijven.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hoe komt het, vader,&rdquo; vroeg Willem dezen, die naast hem
+stond, &bdquo;dat onder de vogels de een zwemmen kan en de ander niet?
+Weet gij nog, toen Thomas eens een van onze hoenders in den grooten
+vijver had gejaagd, hoe het arme beest in het water omspartelde tot
+zijne vleugels nat werden en het niet langer kon boven houden, zoodat
+het verdrinken moest? Hoe maakt een zeevogel het dan, om zich zoo lang
+boven water te houden?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;De zwemvogels, mijn jongen, zijn van eene soort van olie
+voorzien, waarmede zij hunne vederen van buiten bestrijken, en deze
+olie maakt dat het water daar niet indringt. Hebt gij nooit van eenden
+op het land gezien, hoe zij met den snavel in hare vederen omplozen?
+Zij gebruiken dan die olie, om de veeren waterdicht te
+maken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hoe vreemd!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, wel merkwaardig.&mdash;Maar, daar komt Juno zeggen, dat
+de thee gezet is.&rdquo;</p>
+<p>Den derden dag na het invallen der stilte meende kapitein Osborn uit
+het diepe dalen van zijn barometer te moeten opmaken, dat er een hevige
+storm ophanden was, en verzuimde dus niet, alle toebereidselen te
+maken, om dien bij zijn losbreken het hoofd te bieden. En inderdaad had
+hij zich niet bedrogen. Tegen middernacht stegen plotseling donkere
+wolken aan den hemel op en pakten zich allengs dichter en dreigender
+opeen. Vlammende bliksemstralen doorkruisten in alle richtingen de
+nachtelijke duisternis, en toen de wolkgevaarten hooger klommen, stak
+ook de wind op, doch aanvankelijk slechts met enkele zware rukken, die
+eerlang weder door doodelijke stilte werden gevolgd. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb17" href="#pb17" name="pb17">17</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Uit wat hoek, Flink, denkt ge, dat wij den wind te wachten
+hebben<span class="corr" id="xd21e489" title="Bron: !">?</span>&rdquo;
+vroeg kapitein Osborn.</p>
+<p>&bdquo;Om u de waarheid te zeggen, kapitein, geloof ik niet, dat hij
+lang in &eacute;&eacute;ne richting blijven zal. Het zal eerst
+misschien duchtig uit het noorden blazen, maar dan, denk ik, zal hij
+wel spoedig naar eene andere streek overslaan en dan ons nog veel
+harder op het lijf vallen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat zegt gij, Mackintosh?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wij zullen wind genoeg hebben en een duchtig aanhoudenden
+storm bovendien,<span class="corr" id="xd21e498" title=
+"Niet in bron">&rdquo;</span> antwoordde deze. &bdquo;Hoe eer wij de
+luiken schalmen, des te beter zal het zijn.&rdquo;</p>
+<p>De heer Wilson had met Willem dit gesprek aangehoord, en daar Flink
+op het gelaat van zijn jongen vriend bij die laatste woorden eenige
+ongerustheid meende te lezen, klopte hij hem op den schouder en
+vermaande hem, zich niet v&oacute;&oacute;r den tijd beangst te
+maken.</p>
+<p>&bdquo;Voor mijzelf ben ik niet bang, Flink,&rdquo; verzekerde de
+moedige knaap; &bdquo;maar moeder is deze beide laatste dagen weer zoo
+zwak geweest, dat ik om h&aacute;&aacute;r wel wenschen zou, dat de
+storm uitbleef.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar, Flink,&rdquo; vroeg de kapitein verder, &bdquo;wat doet
+u denken, dat de wind draaien zal?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Och, ik weet het zelf niet,&rdquo; antwoordde de oude man;
+&bdquo;misschien vergis ik mij ook en kan stuurman Mackintosh gelijk
+hebben. De wind komt uit het noordoosten; zooveel schijnt althans
+zeker.&rdquo; Met deze woorden trad hij op het nachthuisje toe en zag
+opmerkzaam op het kompas. Vader en zoon keerden inmiddels naar de
+kajuit terug, en ook Mackintosh ging, om de noodige orders aan het volk
+te geven. Zoodra allen weg waren, vervoegde Flink zich weder bij den
+kapitein en zeide:</p>
+<p>&bdquo;Kapitein, het past mij niet, den stuurman tegen te spreken,
+maar in een geval als dit moet ieder vrij voor zijn gevoelen uitkomen.
+Ik zou het mijne ook verdedigd hebben, als de vreemde heer met zijn
+zoon er niet bijgestaan hadden; maar nu wil ik u wel zeggen, dat wij
+nog iets ergers dan een storm te wachten hebben. Ik ben vroeger al meer
+onder deze breedte geweest en ben een oud zeeman, zooals gij weet. Daar
+is iets in de lucht, dat bemerkte ik voor drie dagen al. Ik ben zeker,
+dat het niet tot een storm, neen, dat het tot een volslagen orkaan
+komen zal,&mdash;en wat het ergste daarbij is, dat die denkelijk veel
+langer zal aanhouden, dan een storm doorgaans doet. Ik heb nauwkeurig
+op alles gelet en zelfs de vogels zeggen mij zoo, en die bedriegen
+nooit, daar het de natuur zelve is, die hen onderricht. De stilte tot
+hiertoe was niets anders dan de rust van den wind, die altijd
+<span class="pagenum">[<a id="pb18" href="#pb18" name=
+"pb18">18</a>]</span>zijn hevigst woeden voorafgaat.&mdash;En nu weet
+gij mijne vaste overtuiging.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik vrees, man, dat gij maar al te zeer gelijk hebt. Zorg dan,
+dat de bramraas neerkomen en laat al de kleine zeilen in de marsen
+opruimen. Besla den <span class="corr" id="xd21e515" title=
+"Bron: bazaan">bezaan</span> en doe den gaffel strijken. Ik wil zelf
+mee naar voren gaan.&rdquo;</p>
+<p>Er was werkelijk geen tijd te verliezen; want aan deze bevelen was
+nauwelijks voldaan, toen reeds een heftige storm uit het noordoosten
+losbrak. De zee rees met ontzettende snelheid; in allerijl werd het
+eene marszeil na het andere geborgen en het vaartuig vloog, enkel met
+gereefde fok en stormstagzeilen, door den wind gedreven, over de
+donkere golven. Slechts met de grootste inspanning gelukte het den drie
+mannen aan het rad, het roer vast te houden, zoo geweldig sloeg de
+hooggaande zee tegen de zijden van het schip. Niet een enkele onder de
+bij andere <span class="corr" id="xd21e521" title=
+"Bron: gelegenheiden">gelegenheden</span> zoo zorgelooze matrozen
+waagde het gedurende dezen nacht een oog te sluiten, en in angstige
+verwachtingen zagen allen het aanbreken van den dag te gemoet. Tegen
+drie uren in den morgen ging de wind plotseling liggen, doch slechts
+voor eenige minuten, waarop hij, gelijk Flink voorspeld had, weder met
+nieuwe woede uit een anderen hoek het schip bestookte en de laatste
+zeilen aan flarden scheurde, die nog eenigen tijd aan de raas
+fladderden en eindelijk door den storm ver lijwaarts geslingerd
+werden.</p>
+<p>De hemel was in dikke duisternis gehuld en alleen het schuim, dat de
+woelende zee rondom het schip deed opspatten, verspreidde nu en dan een
+zwakken, akeligen lichtglans. De wind was nu naar het west-noordwesten
+gedraaid en zoo moest ook het schip zijn koers veranderen en was men
+gedwongen zich aan het geweld van den orkaan over te geven. Dit
+geschiedde ook, doch hieruit ontstond een nieuw bezwaar, want daar de
+zee&euml;n in de vroegere windrichting uit het noordoosten liepen,
+kreeg het schip die op eenmaal dwars in, gelijk de zeelieden het
+noemen, en sloegen ieder oogenblik stortzee&euml;n overboord, die
+alles, wat niet vaststond, wegspoelden. Zoo werd ook een der matrozen
+van het dek afgerukt en was reddeloos verloren, daar in zulk een orkaan
+aan pogingen tot redding niet te denken viel. Kapitein Osborn stond op
+het achterdek en hield zich aan een van de korvijnagels vast, terwijl
+hij Mackintosh, die bij hem was, toeriep:</p>
+<p>&bdquo;Wat dunkt u, hoe lang kan dat nog duren?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Misschien langer dan het schip zelf,&rdquo; antwoordde de
+stuurman met allen ernst.</p>
+<p>&bdquo;Dat wil ik nog niet hopen,&rdquo; hernam de kapitein;
+&bdquo;en erger kan het toch niet worden. Wat zegt gij,
+Flink?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;We hebben nu meer van ginder boven dan van de zee onder ons
+te <span class="pagenum">[<a id="pb19" href="#pb19" name=
+"pb19">19</a>]</span>vreezen,&rdquo; riep de tweede stuurman en wees
+naar de nokken van de raas, aan beide einden waarvan de electrische
+stof als kleine vuurballen vlamde. &bdquo;Zie die twee wolkjes, die op
+elkaar stooten; als ik....&rdquo;</p>
+<p>Flink had geen tijd om uit te spreken, daar een blauwe bliksemstraal
+den toeschouwers het gezicht verblindde en hen toen eenige seconden
+achtereen in zwarte duisternis hulde. Daarop volgde een vreeselijke
+donderslag, die het schip in zijn gansche lengte deed sidderen en
+schudden. Een dof gekraak&mdash;een ontzettende slag&mdash;een doffe
+kreet werd gehoord, en toen zij de verblinde oogen weer opslaan konden,
+zagen zij den fokkemast als een dun riet tot beneden toe gespleten en
+het schip in lichtelaaien gloed. De mannen aan het rad, geheel verblind
+en verbijsterd door het licht, konden het roer niet langer regeeren;
+het schip loefde op&mdash;krak! daar sloeg de groote mast over
+zij&mdash;en alles was opschudding en verwarring. De Vrede was op
+eenmaal een hulpeloos wrak geworden.</p>
+<p>Gelukkig&mdash;want anders ware alles reddeloos verloren
+geweest&mdash;werd de vlam door de zware golven, die over den bak
+heenrolden, spoedig gebluscht, doch nu lag het schip weerloos, aan de
+golven ten prooi, hevig te stooten tegen de overboord geslagen, slechts
+door het want nog vastgehouden masten. Zoodra zij van hun eersten
+schrik bekomen waren, liepen Flink en de eerste stuurman naar het rad
+en zochten het schip weder voor den wind te brengen; doch hunne poging
+mislukte, want fokkemast en hoofdmast waren weg en alleen de
+bezaansmast was nog over, waardoor het schip juist belet werd naar het
+roer te luisteren. De wakkere Flink liet twee matrozen dit laatste
+aanvatten; terwijl hij Mackintosh een teeken gaf want de wind huilde nu
+te sterk, dan dat men elkanders woorden nog had kunnen verstaan, eene
+bijl opgreep en het bezaanswant van zijn mast loshakte. De kruissteng
+en de top van den bezaansmast stortten overboord en zoo gelukte het hun
+eindelijk, het vaartuig voor den wind te brengen. Het vereischte nu nog
+veel tijd en inspanning, het wrak geheel van zijne masten vrij te
+maken, en toen men eindelijk tijd kreeg om op het dek rond te zien,
+vermiste men vier man, die door den bliksem gedood of onder den
+fokkemast verpletterd waren, zoodat thans, buiten kapitein Osborn en de
+beide stuurlieden, nog maar acht matrozen aan boord overig waren.
+<span class="pagenum">[<a id="pb20" href="#pb20" name=
+"pb20">20</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch5" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">VIJFDE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">HET WRAK.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Een zeeman geeft in het gevaar den moed niet op,
+zoolang hij nog eenige kans ziet om zich door eigen inspanning van het
+verderf te redden. Het verlies van hunne kameraden, die zoo plotseling
+uit hun midden gerukt waren,&mdash;de ellendige toestand van het
+schip,&mdash;de woeste golven, die hen als in een breeden waterkuil
+dreigden te begraven, het huilen van den orkaan,&mdash;de sissende
+bliksem,&mdash;het ratelen van den donder&mdash;dat alles kon hen niet
+weerhouden te doen, wat de nood van hen eischte. Mackintosh, de eerste
+stuurman, verzamelde zijn volk en sloeg zelf de handen aan het werk, om
+een blok en strop aan den nog rookenden stomp van den fokkemast vast te
+maken. Een touw werd door het blok geschoren en het groote bramzeil
+opgeheschen, zoodat het wrak weder met versnelde vaart voor den wind
+uitvloog en beter naar het roer luisterde.</p>
+<p>Het schip was weer voor den wind, en in vergelijking met vroeger
+tamelijk zeker, hoewel de narollende baren het van tijd tot tijd
+geweldig schokten. Andermaal begon de avond te vallen en nog was aan
+geen rust te denken. De manschap was door de onophoudelijke inspanning
+reeds ten hoogste afgemat. Kapitein Osborn en Flink waren meermalen in
+de kajuit geweest, om de beangste passagiers te troosten en gerust te
+stellen. Buiten zichzelven van angst en bezorgdheid, was mevrouw Wilson
+ernstig ongesteld, en haar man waakte aan haar bed. De kinderen werden
+vermaand in de hut bedaard te blijven en de kleine kwam niet uit de
+armen der onvermoeide en zorgdragende Juno.</p>
+<p>Reeds liep de derde dag van den storm ten einde en nog deden zich
+geene geruststellende teekens op. Door het onophoudelijk breken der
+stortzee&euml;n over het achterschip, waren de kompashuisjes
+weggespoeld en men kon nu niet langer den koers, waarin het schip tot
+hiertoe gestuurd was, noch den doorloopen afstand bepalen. Het
+vreeselijk beuken en stooten der golven had reeds een lek
+teweeggebracht en zooveel was met zekerheid vooruit te zien, dat, zoo
+de storm niet spoedig bedaarde, de bodem niet lang meer tegen de zee
+bestand zou zijn.</p>
+<p>Van dit oogenblik af stonden angst en moedeloosheid op des kapiteins
+gelaat te lezen. De verantwoordelijkheid, die op hem rustte, drukte hem
+zwaar;&mdash;zelfs als nog enkelen er het leven afbrachten, had hij een
+kostbaar schip en eene nog veel kostbaarder lading te verliezen. Men
+naderde immers <span class="pagenum">[<a id="pb21" href="#pb21" name=
+"pb21">21</a>]</span>thans een punt, waar de oceaan met lage
+koraalriffen en eilandjes bezaaid was en moest met recht vreezen, in
+den tegenwoordigen hulpeloozen toestand, zonder een enkel middel van
+tegenstand, door wind en golven op een daarvan geworpen te worden.</p>
+<p>De oude stuurman stond naast hem, toen de kapitein zeide:</p>
+<p>&bdquo;Ik heb slechten moed, Flink. Wij loopen het gevaar in den
+mond en hebben geen middel om het te ontwijken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is, helaas, zoo; alle middelen zijn ons
+benomen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Er was menig man,&rdquo; sprak kapitein Osborn met ernst,
+&bdquo;die mij benijdde, toen ik dit fraaie schip onder mij kreeg. Zou
+thans een hunner met mij willen ruilen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik denk voor &rsquo;t naast&mdash;neen, kapitein, ofschoon
+geen mensch weet wat de dag van morgen mee kan brengen. Vol hoop liept
+gij met dit schip het zeegat uit; nu voelt gij, niet zonder grond, zoo
+iets, dat veel van moedeloosheid heeft. Maar wie weet? In allen gevalle
+hebt gij uw plicht gedaan en geen braaf man kan meer doen. Ik wou maar,
+kapitein, dat Mackintosh niet zoo <span class="corr" id="xd21e566"
+title="Bron: schrikkeliijk">schrikkelijk</span> vloekte. Ik verbeeld
+mij altijd, dat de storm er sterker om huilt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Gij hebt gelijk,&rdquo; was het antwoord; &bdquo;maar houd
+vast, Flink: daar komt weer eene zee.&rdquo;</p>
+<p>Onze vriend had nog even tijd, om met beide handen de korvijnagels
+beet te pakken, toen zulk een watervloed zich over het schip
+uitstortte, dat zij een tijdlang met de voeten van boord werden
+gespoeld. Echter lieten zij hun houvast niet los en konden eindelijk
+weer op de been komen.</p>
+<p>&bdquo;Dat heeft hem weer een knauw gegeven, wed ik,&rdquo; zeide
+Flink en nam den hoed af om het water weg te schudden.</p>
+<p>&bdquo;Zoo vrees ik; het beste schip, dat ooit zee bouwde, is tegen
+zulke stooten niet bestand,&rdquo; antwoordde de kapitein. &bdquo;En nu
+juist, met ons doodmoe volk, zie ik geen mogelijkheid, om meer zeil bij
+te krijgen.&rdquo;</p>
+<p>Den geheelen nacht door schoot het schip weder met vogelsnelheid
+over het water voort. Met het krieken van den dag ging de storm liggen
+en werd de verbolgen zee bedaarder; maar nog altijd moest men het schip
+voor den wind houden, want nadat dit reeds zoo geteisterd was, durfde
+men niet bijsteken. Men maakte thans toebereidselen, om noodmasten op
+te richten en de vermoeide matrozen waren daar juist druk mede bezig,
+toen de heer Wilson met zijn zoon Willem op het dek kwam.</p>
+<p>Willem staarde in het rond. Tot zijne verbazing zag hij, hoe de
+slanke <span class="pagenum">[<a id="pb22" href="#pb22" name=
+"pb22">22</a>]</span>masten met al hunne touwen en zeilen verdwenen
+waren en het gansche dek in een staat van wanorde en verwarring voor
+hem lag.</p>
+<p>&bdquo;Zie, mijn jongen,&rdquo; sprak de vader, &bdquo;wat ellende
+en vernieling hier heeft plaats gehad. Zie nu, &rsquo;s menschen
+trotschheid is vernederd.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, Willem,&rdquo; riep Flink hem toe; &bdquo;zie maar eens
+aandachtig rond!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar vader,&rdquo; vroeg Willem na eene poos, &bdquo;hoe
+moeten wij nu zonder masten en zeilen naar Sidney komen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wel, vriend Willem,&rdquo; antwoordde Flink, &bdquo;wij
+moeten alles doen, wat maar in onze macht staat. Wij zeelieden staan
+zelden lang verlegen en, als &rsquo;t goed gaat, zult gij ons
+v&oacute;&oacute;r den nacht wel weer onder een lap of wat zeil zien.
+Wij hebben onze groote masten verloren; daarom moeten wij noodmasten
+opzetten, zooals men ze noemt&mdash;of kleine masten met klein zeil, en
+die brengen ons ook misschien nog wel naar Sidney toe.&mdash;Hoe maakt
+de goede mevrouw het, mijnheer?&rdquo; vervolgde Flink, zich tot den
+vader keerende. &bdquo;Is zij wat beter?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik vrees, dat zij zeer ziek en zwak is,&rdquo; was het
+antwoord. &bdquo;Alleen goed weer kan haar weer eenigszins doen
+bijkomen. Denkt gij, dat het nu opklaren zal?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, mijnheer, om u de waarheid te zeggen, vrees ik, dat het
+nog erger gaat spoken. Ik heb den kapitein mijne gedachten niet gezegd,
+want een mensch kan zich vergissen; maar toch, ik blijf er bij&mdash;ik
+heb niet tevergeefs volle vijftig jaren op zee omgezwalkt. De
+nevelbank, die daar ginder bijeentrekt, bevalt mij niet en &rsquo;t zou
+mij niet verwonderen, als het nog eens uit denzelfden hoek begon te
+blazen en wel nog voordat het nacht wordt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Het zij zoo!&rdquo; sprak de heer Wilson. &bdquo;Echter vrees
+ik zeer voor mijne vrouw, die al zoo door de zeeziekte verzwakt
+is.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Daarover zou ik mij niet al te ongerust maken, mijnheer, want
+ik heb nog nooit gehoord, dat menschen aan die kwaal gestorven zijn,
+hoeveel zij er ook door te lijden hadden.&mdash;Weet gij al Willem, dat
+wij eenigen van ons volk verloren hebben in den tijd, dat gij niet
+boven geweest zijt?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, ik hoorde den kok daar wel iets van mompelen, maar
+wilde hem niet vragen, omdat moeder reeds zoo in angst was.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat was heel braaf van u, mijn jongen; maar denk eens: we
+hebben vijf van onze rapste en beste matrozen verloren. Seevers werd
+overboord geslagen,&mdash;Fennings en Master zijn door den bliksem
+gedood,&mdash;en Jones en Emery zijn door den vallenden fokkemast
+getroffen. Gelooft gij wel, Willem, dat niet &eacute;&eacute;n dezer
+lieden er aan dacht, toen wij de Kaap verlieten of zelfs maar een dag
+of een enkel uur voordat het geschiedde, dat weldra <span class=
+"pagenum">[<a id="pb23" href="#pb23" name="pb23">23</a>]</span>hunne
+lichamen honderden mijlen ver van het land op zee zouden
+omdobberen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik ben van oordeel,&rdquo; zeide mijnheer Wilson, &bdquo;dat
+een zeeman eigenlijk geen recht heeft om te trouwen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is ook altijd mijn gevoelen geweest,&rdquo; antwoordde
+Flink; &bdquo;en zeker, menige arme verlaten matrozenvrouw, als zij
+&rsquo;s nachts op haar bed naar den storm en regen luisterde, heeft
+evenzoo gedacht.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Met mijne toestemming,&rdquo; vervolgde de vader,
+&bdquo;zullen mijn zoons nooit ter zee gaan, zoolang ik nog een andere
+betrekking voor hen vinden kan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En gij hebt gelijk, mijnheer Wilson. Men zegt wel, dat het
+niets helpt, een knaap tegen te houden, wanneer hij zich het varen eens
+in het hoofd heeft gezet;&mdash;maar ik voor mij denk in dat geval
+anders. Ik geloof, dat een vader recht heeft om neen te zeggen; want
+ziet gij, mijnheer, zoo jong als zulk een knaap het baaitje aantrekt,
+heeft hij nog zijn volle verstand en oordeel niet. Ieder stoute,
+moedige jongen wil het zeegat uit,&mdash;dat is heel natuurlijk; maar
+als de meesten onder hen voor de ronde waarheid uitkwamen, zouden zij
+moeten zeggen, dat het niet zoozeer het verlangen naar zee was, dat hen
+verleidde, als wel de wensch, om de school of zelfs het vaderlijk huis
+te verlaten, waar zij onder het opzicht van meesters of ouders
+stonden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Juist, juist, Flink; zij willen onafhankelijk zijn en dat
+hopen zij op zee te worden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar daar bedriegen zij zich geweldig in; want, geloof mij,
+op de gansche wijde wereld wordt geen slaaf zoo gekweld en geplaagd,
+als zulk een arme knaap in de eerste tien jaren van zijn zeeleven. Voor
+&eacute;&eacute;ne berisping, die hij aan land verdient, krijgt hij aan
+boord tiendubbel slagen en nooit vindt zulk een mensch de liefde en de
+genegenheid weder, die hij op vasten wal achterliet. Het is een hard
+leven en er zijn slechts enkelen, die het zich niet bitter beklaagd
+hebben en niet gaarne zouden willen terugkeeren&mdash;als hunne
+schaamte hen daarvan niet terughield.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is de zuivere waarheid, Flink, en daarom geloof ik ook,
+dat een vader ten volle recht heeft, als hij zijn zoon niet toelaat,
+ter zee te gaan, zoolang hij hem op eenige andere wijze een behoorlijk
+bestaan kan verschaffen. Het zal daarom toch nooit aan matrozen
+ontbreken, daar er nog altijd arme jongens in menigte zijn, voor wie
+hunne betrekkingen niet beter zorgen kunnen, en voor zulke lieden is de
+zee zekerlijk de beste keus, daar zij hier geen ander kapitaal dan moed
+en ijver tot hunne bevordering noodig hebben.<span class="corr" id=
+"xd21e622" title="Niet in bron">&rdquo;</span></p>
+<p>&bdquo;Datzelfde heb ik ook steeds gedacht, mijnheer,&rdquo; hernam
+Flink. &bdquo;Maar <span class="pagenum">[<a id="pb24" href="#pb24"
+name="pb24">24</a>]</span>hoe maakt uw zoon Thomas het toch, en de
+andere kleinen en de arme Juno?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Die zijn allen vrij wel, behalve dat zij zich nu en dan door
+uitglijden eens wat zeer deden, als het schip zoo geweldig slingerde.
+Maar ik mag hier niet langer blijven,&rdquo; vervolgde de heer Wilson;
+&bdquo;mijn arme vrouw zal naar mij verlangen. Wilt gij nog langer op
+het dek blijven, Willem?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is beter, dat hij met u omlaag gaat;&rdquo; zeide
+Flink; &bdquo;wij allen hebben hier de handen te vol en ik kan mij niet
+met hem bemoeien. Dezen nacht hebben wij weer geen rust te wachten,
+&rsquo;t moge gaan hoe &rsquo;t wil, daar ons getal thans zoo klein is.
+Goedennacht dan, heerschappen, rust wel!&rdquo;</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch6" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">ZESDE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">ALS HET WATER TOT DE LIPPEN KOMT, IS OOK VAAK UITKOMST
+NABIJ.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Toen vader en zoon in de kajuit kwamen, vonden zij er
+dadelijk handen vol werk. De hofmeester had een schotel erwtensoep voor
+de kinderen gebracht en deze was brandend heet. Thomas, die naast zijn
+zusje in &rsquo;t bed overeind zat, had Juno, die met den rechterarm
+haar kleinen Albert vasthield, het bord uit de linkerhand getrokken en
+dit in zijn ongeduld over de arme Caroline uitgestort, die een kreet
+gaf van pijn; terwijl Juno, vol verlangen om Caroline te helpen,
+opgesprongen en op den grond gevallen was met den kleine, die, hoewel
+niet bezeerd, nu ook een geduchte keel opzette. Tot overmaat van ramp
+was Juno op des kapiteins dashond neergekomen en deze had haar daarvoor
+in het been gebeten, waarop ook Juno het luid uitschreeuwde en mevrouw
+Wilson, bevend en radeloos van angst, zich van hare kussens had
+opgericht en gaarne had willen, maar niet kunnen helpen. Daar kwam haar
+man gelukkig nog juist bijtijds, om Juno met den kleine op te helpen.
+Hij zocht vervolgens de arme Caroline tot bedaren te brengen, die zich,
+gelijk nu bleek, nog niet zoo erg gebrand had, als men verwachtte.</p>
+<p>&bdquo;Massa Thomas ben toch stout ondeugend jonk,<span class="corr"
+id="xd21e642" title="Niet in bron">&rdquo;</span> jammerde de negerin
+en wreef zich het been. De &bdquo;ondeugende jonk&rdquo; oordeelde maar
+&rsquo;t best, zich stil te houden;&mdash;hij werd terdeeg beknord. De
+hofmeester kwam de tafel schoonmaken, en zoo keerde alles eindelijk
+weder tot de vorige orde terug. <span class="pagenum">[<a id="pb25"
+href="#pb25" name="pb25">25</a>]</span></p>
+<p>Onderwijl was men ook op het dek niet werkeloos gebleven. De
+timmerman had eene opening voor een der stengen gemaakt, die den
+grooten mast moest vervangen; terwijl het andere volk het want weder in
+gereedheid bracht. Ongelukkig had het schip een lek gekregen en vier
+handen waren aan de pompen bezig en moesten daar bijna voortdurend
+werkzaam zijn. Gelijk Flink voorzegd had, was ook de nacht niet daar,
+of de wind verhief zich weder, de zee werd holler en woester en het lek
+nam zoo toe, dat men elk ander werk moest opgeven, om alleen bij de
+pompen te blijven. Zoo duurde de storm twee volle dagen lang, totdat de
+<span class="corr" id="xd21e648" title="Bron: geheele">geheel</span>
+uitgeputte matrozen te laatste ook niet meer pompen konden. Aan den
+gang van het schip was te zien, dat er reeds veel water in het ruim was
+binnengedrongen, en thans&mdash;om het ongeluk ten top te
+voeren&mdash;gebeurde er nog eene nieuwe ramp, die de ernstigste
+gevolgen had.</p>
+<p>Kapitein Osborn was v&oacute;&oacute;r op het schip en gaf eenige
+orders aan zijn volk, toen de blokstrop, die de groote bramra aan den
+stomp van den fokkemast vasthield, eensklaps losging, zoodat ra en zeil
+op het dek neerploften en den kapitein bewusteloos deden neervallen.
+Zoolang hij aan hun hoofd had gestaan, hadden de matrozen, vol eerbied
+voor zijne erkende bekwaamheid als zeeman en bemoedigd door het hem
+eigen goed humeur, hunne taak gaarne en gewillig verricht, maar thans,
+nu hij, zoo al niet dood, toch in allen gevalle buiten kennis en tot
+handelen niet in staat was, thans werd het op eenmaal anders en ontbrak
+het geheel aan het vereischte gezag. Mackintosh was bij het volk te
+weinig bemind, dan dat zijne woorden eenigen invloed hadden kunnen
+uitoefenen. Zij sloegen zijn vermaningen en bevelen in den wind en
+staken de hoofden bijeen, om onderling te beraadslagen.</p>
+<p>&bdquo;Het ergste is geleden. De orkaan is gebroken, mannen, en wij
+hebben nu goed weer te wachten,&rdquo; merkte Flink aan en vervoegde
+zich bij de matrozen aan het volkslogies. &bdquo;De wind is haast op,
+zooals gij zelven zien kunt.<span class="corr" id="xd21e655" title=
+"Niet in bron">&rdquo;</span></p>
+<p>&bdquo;Ja, en het schip is ook haast op,&rdquo; antwoordde een
+matroos; &bdquo;daar is nog veel minder aan te twijfelen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Een paar uren stevig aan de pompen gewerkt, dat zou nu goed
+doen,&rdquo; vervolgde Flink. &bdquo;Wat zegt gij, jongens?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Een stevig oorlam zou ons meer goed doen,&rdquo; hernam de
+zeeman. &bdquo;Wat zegt gij, jongens? De kapitein, als hij spreken kon,
+de arme drommel, zou ons dat zeker niet weigeren.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat zijt gij van zins, jongen?&rdquo; vroeg Mackintosh.
+&bdquo;Ge wilt u toch niet dronken drinken, hoop ik?&rdquo;
+<span class="pagenum">[<a id="pb26" href="#pb26" name=
+"pb26">26</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Waarom niet?&rdquo; riep een ander uit den hoop. &bdquo;Het
+schip moet toch spoedig te gronde gaan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is mogelijk,&mdash;ik wil het niet tegenspreken,&rdquo;
+zeide Mackintosh; &bdquo;maar dat is nog geen grond, waarom wij niet
+gered zouden worden. Als ge u nu echter dronken drinkt, is er geen
+denken aan, dat een van ons er het leven zou afbrengen en mij is mijn
+leven lief. Ik ben bereid om u in alles bij te staan, waartoe gij
+besluiten mocht, en gij hebt maar te zeggen wat gebeuren moet; maar
+drank zult gij niet hebben. Zoolang ik het beletten kan, kunt gij daar
+staat op maken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En hoe zoudt gij ons dat beletten?&rdquo; vroeg een der
+matrozen op dreigenden toon.</p>
+<p>&bdquo;Twee vastberaden mannen kunnen veel doen,&mdash;ik mag zeggen
+drie, want in dit geval is stuurman Flink op mijne zijde en ook op den
+passagier in de kajuit kan ik tot bijstand rekenen. Bedenkt, dat alle
+geweren in de kajuit zijn. Maar waarom zouden we samen
+twisten?&mdash;Zegt mij ronduit, wat ge denkt te doen; en als ge nog
+niets besloten hebt, wilt ge dan nog naar mijn voorslag
+luisteren?&rdquo;</p>
+<p>Daar des stuurmans moed en vastberadenheid wel bekend waren,
+beraadslaagden de matrozen nog een tijdlang samen en vroegen hem toen
+naar zijn plan.</p>
+<p>&bdquo;Wij hebben nog een goede boot,&rdquo; antwoordde Mackintosh,
+&bdquo;de nieuwe sloep <span class="corr" id="xd21e680" title=
+"Niet in bron">is</span> behouden. De andere booten, weet gij, zijn
+overboord gespoeld, met uitzondering van de kleine boot achter, die
+nochtans onbruikbaar is, daar de zee ze bijna verbrijzeld heeft. Nu
+kunnen wij niet heel ver meer van de eilanden af wezen, ja, ik geloof
+zelfs dat wij er reeds tusschen zijn. Laten wij de boot van al het
+noodige voorzien en daartoe getroost en vlug te werk gaan. Neemt
+zooveel drank, als gij weet, dat u niet schaden kan en laat ons ook nog
+een goeden voorraad daarvan medenemen. De sloep is met mast, tuig en
+riemen in goeden staat en het moest al vreemd zijn, zoo zij ons niet
+ergens behouden aan land bracht.&mdash;Kameraad Flink, is de raad, dien
+ik hier geef, goed of niet?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Volkomen goed, Mackintosh;&mdash;slechts nog
+&eacute;&eacute;n ding: wat moet er van de kajuitpassagiers, de vrouwen
+en kinderen worden? En wilt gij onzen armen kapitein, die daar ligt te
+ijlen, hulpeloos achterlaten? Of wat wilt gij anders
+aanvangen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wij willen den kapitein niet verlaten!&rdquo; riep een van de
+matrozen.</p>
+<p>&bdquo;Neen&mdash;neen, onze kapitein moet mee!&rdquo; herhaalden de
+overigen.</p>
+<p>&bdquo;En de passagiers?&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb27"
+href="#pb27" name="pb27">27</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Het spijt mij van hen,&rdquo; antwoordde de eerste spreker;
+&bdquo;maar wij zullen genoeg te doen hebben, om ons eigen leven te
+redden. De boot kan ons nauwelijks bergen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik moet u gelijk geven, jongens,&rdquo; sprak Mackintosh.
+&bdquo;Het hemd is nader dan de rok. Welaan dus, wat zegt
+gij?&mdash;Blijft het besloten?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja!&rdquo; riepen de matrozen eenstemmig, en Flink wist wel,
+dat hier iets tegen in te brengen geheel vruchteloos zijn zou.</p>
+<p>Zij gingen nu terstond tot het uitrusten der boot en het aanbrengen
+van den vereischten voorraad over. Beschuit, pekelvleesch, eenige
+tonnen water, een vat met rum werden bij de valreeptrap bijeengebracht.
+Mackintosh haalde zijn octant, een kompas en eenige geweren met kruit
+en lood boven; de timmerman maakte met de hulp van een matroos eene
+opening in de verschansing, om de boot daardoor van boord neer te
+laten; want thans, nu de masten ontbraken, kon men die natuurlijk niet
+daaraan ophijschen. Na verloop van een uur was alles gereed. Een lang
+touw werd aan de boot vastgesjord, deze hierop aan de opening gesleept,
+waardoor zij te water gaan moest en het schip vervolgens dwarswinds
+gebracht. Flink had aan dit werk niet geholpen, maar een-, of tweemaal
+gepeild, om te onderzoeken of het water in het schip ook geklommen was
+en zich daarna bij kapitein Osborn neergezet, die nog altijd
+bewusteloos lag van den slag, die hem op het hoofd had getroffen. Toen
+het schip in den wind was gebracht, kwam mijnheer Wilson boven en zag
+rond.</p>
+<p>Hij zag de boot gereed om af te loopen, water en proviand bij het
+boord en het schip langzaam met de deining
+voortdrijven.&mdash;Eindelijk ontdekte hij Flink, aan de zijde gezeten
+van den kapitein, die daar schijnbaar dood nederlag.</p>
+<p>&bdquo;Wat beduidt dit alles, Flink?&rdquo; vroeg hij. &bdquo;Willen
+zij het schip verlaten<span class="corr" id="xd21e705" title=
+"Niet in bron">?</span> En hebben zij hun kapitein
+omgebracht?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, mijnheer, zoo erg is &rsquo;t nog niet. De arme
+kapitein is door de vallende ra getroffen en ligt sedert buiten kennis;
+maar wat het andere aangaat, ik vrees, dat het zoo besloten is. Gij
+ziet, dat men daar de boot van boord stoot.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar mijne arme vrouw! Zij is nooit in staat om mee te gaan;
+ze kan zich nauwelijks verroeren,&mdash;ze is doodzwak!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik moet u tot mijn leedwezen zeggen, dat die
+d&aacute;&aacute;r ook niet voornemens zijn uzelf of uwe vrouw en uwe
+kinderen mee te nemen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat! ze willen ons hier laten omkomen? Barmhartige Hemel! hoe
+wreed,&mdash;hoe barbaarsch!&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb28"
+href="#pb28" name="pb28">28</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Het is niet menschlievend van hen gehandeld, mijnheer; maar
+ziet gij, zoo is de natuur van den mensch. Als eens &rsquo;t leven er
+mee gemoeid is, dan denkt iedereen aan zichzelf, want het leven is
+zoet. Zij zijn niet harder tegen u, dan zij ook tegen elkaar zijn
+zouden, als zij te sterk in aantal waren en de boot niet allen opnemen
+kon. Ik heb dat al zelf mede beleefd,&rdquo; antwoordde de oude man
+zeer ernstig.</p>
+<p>&bdquo;Mijne vrouw! mijne arme kinderen!&rdquo; riep de wanhopende
+vader en bedekte het gezicht met beide handen. &bdquo;Doch ik wil met
+hen spreken,&rdquo; vervolgde hij; &bdquo;zeker zullen zij naar het
+gebod der menschelijkheid luisteren, en in allen gevalle heeft stuurman
+Mackintosh nog wel eenigen invloed op hen. Gelooft gij dat ook niet,
+Flink?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Daar gij mij dat vraagt, mijnheer, moet ik u zeggen, dat er
+geen harder hart onder hen is, dan dat van Mackintosh en dat het u
+evenmin helpen zal, of gij met hem spreekt of met een van de overigen.
+Ook moet gij die menschen niet te streng beoordeelen: de sloep is klein
+en kan met den voorraad, dien zij meenemen, ook niet meer koppen
+bergen;&mdash;d&aacute;&aacute;r zit de zwarigheid. Wou men u en uwe
+familie nog innemen, dan kon dat de oorzaak van alles zijn. Geloof mij,
+als ik zelf anders dacht, zou ik zeker alles doen, om hen over te
+halen; doch het helpt niets.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar wat dan te doen, Flink? Gaat gij niet met hen
+mede?&rdquo;</p>
+<p><span class="corr" id="xd21e727" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>Neen, mijnheer Wilson. Ik heb het laatste
+uur daarover nagedacht en ben nu besloten bij u achter te blijven. Zij
+willen den armen kapitein meenemen, om hem misschien te redden, en
+vroegen ook mij; maar ik blijf hier.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Om met ons om te komen?&rdquo; was de verbaasde vraag.</p>
+<p>&bdquo;Al naar &rsquo;t God behaagt, mijnheer Wilson. Ik ben oud en
+grijs, aan mij is weinig gelegen; ik hoop ook, dat ik mij zoo goed op
+den dood heb voorbereid, als dat in mijne geringe krachten stond.
+Geloof mij, mijnheer, ik denk veel meer aan uwe kinderen, dan aan
+mijzelven. Het scheelt mij weinig, of ik een paar jaren vroeger of
+later sterf, doch &rsquo;t zou mij diep ter harte gaan, als zulke lieve
+bloempjes al zoo in de eerste lente werden afgesneden. Ik kan van nut
+zijn door mijn blijven, want ik draag een ouden kop op mijne schouders
+en voor geen geld zou ik u aan het verderf overlaten, zoolang gij nog
+misschien gered kunt worden, wanneer ge slechts wist, hoe te doen. Maar
+zie, daar komen de matrozen; de boot is geheel klaar en zij willen nu
+onzen braven kapitein wegdragen.&rdquo;</p>
+<p>De zeelieden traden toe en beurden den nog altijd bewusteloozen
+kapitein op. Onder het weggaan riep een hunner: &bdquo;Kom, stuurman,
+wij hebben geen tijd meer te verliezen.&rdquo; <span class=
+"pagenum">[<a id="pb29" href="#pb29" name="pb29">29</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Denkt niet aan mij, vrienden; ik blijf hier op het
+wrak,&rdquo; antwoordde Flink. &bdquo;Ik wensch u van ganscher harte
+eene behouden vaart. En aan u, Mackintosh, heb ik slechts dit
+&eacute;&eacute;ne verzoek: als gij gered zijt, vergeet dan niet, wie
+ge hier aan boord hebt gelaten en laat ons dan tusschen de eilanden
+opzoeken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Gekheid, Flink, kom mee in de boot!&rdquo; antwoordde de
+eerste stuurman.</p>
+<p>&bdquo;Ik zal hier blijven; kameraad; en ik bid u alleen, dat gij
+doen zult, wat ik van u verlang. Laat aan mijnheer Wilsons vrienden
+weten, wat hier is voorgevallen en waar men ons het best kan opsporen.
+Dat is alles, wat ik van u verlang. Wilt gij mij dit &eacute;&eacute;ne
+beloven?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, Flink, ik wil, wanneer gij dan toch bepaald besloten hebt
+te blijven. <a id="xd21e745" name="xd21e745"></a>Maar,&rdquo; vervolgde
+hij, op Flink toetredende en hem in het oor fluisterende, &bdquo;het is
+waarachtig gekheid:&mdash;kom mee, man!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Vaarwel dan, vriend Mackintosh,&rdquo; antwoordde Flink en
+gaf hem de hand. &bdquo;Gij zult zeker uwe belofte houden?&rdquo;</p>
+<p>Na nog vele verdere vermaningen van de zijde der matrozen waarvoor
+Flink echter doof bleef, stak de boot eindelijk af en stuurde naar het
+noordoosten.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch7" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">ZEVENDE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">DE SCHIPBREUK.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Een tijdlang, nadat de boot het schip verlaten had,
+stond de oude Flink met over elkaar geslagen armen zwijgend uit te
+zien. Mijnheer Wilson stond bij hem. Hij kon geen woord spreken, het
+hart was hem te vol. Naarmate de sloep zich verder van het schip
+verwijderde, scheen ook zijne laatste hoop meer en meer te verdwijnen
+en schenen vrouw en kinderen, hijzelf en de oude man, die aan zijne
+zijde stond, aan een onvermijdelijken ondergang prijsgegeven. Zijne
+gelaatstrekken drukten volslagen moedeloosheid en vertwijfeling uit.
+Ten laatste nam Flink het woord:</p>
+<p>&bdquo;Zij denken zeker, dat zij zichzelven redden en dat wij
+vergaan zullen, mijnheer, doch het kan nog wel anders
+loopen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Het is waar,&rdquo; antwoordde de bedroefde vader;
+<span class="corr" id="xd21e763" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>maar welke hoop ons nog zou overblijven op
+een zinkend schip, met zoovele hulpelooze wezens om ons heen, dat, moet
+ik bekennen, kan ik niet begrijpen.&rdquo; <span class=
+"pagenum">[<a id="pb30" href="#pb30" name="pb30">30</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Wij moeten ons best doen en dan ons aan Gods wil
+onderwerpen,&rdquo; hernam de oude zeeman en ging toen naar achteren,
+waar hij het roer weder oplegde, zoodat het schip andermaal voor den
+wind kwam.</p>
+<p><a id="xd21e770" name="xd21e770"></a>Wat Flink aan de matrozen
+voorspeld had, voordat zij het schip verlieten geschiedde werkelijk; de
+storm had uitgewoed en ook de zee was reeds aanmerkelijk bedaard.
+Niettemin dreef het schip slechts langzaam door het water en na eenigen
+tijd zette Flink het stuurrad vast en kwam weder bij den heer Wilson op
+het voordek. Deze had zich, in een staat van wanhoop naar het scheen,
+op het zeil neergeworpen, waarop kapitein Osborn na zijne verwonding
+gelegd was.</p>
+<p>&bdquo;Het doet mij leed, mijnheer, dat ik u storen moet; maar voelt
+gij u door troosteloosheid overweldigd, dan kan u ik misschien een
+weinig hoop geven.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik heb gebeden,&rdquo; antwoordde Wilson en stond op:
+&bdquo;en sedert heb ik mijn zinnen zooveel mogelijk bijeenverzameld,
+die zekerlijk zeer verward zijn. Wat mij het meest beangst, is, hoe
+onzen hulpeloozen toestand aan mijne lieve vrouw mede te
+deelen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik zou er rond voor uitkomen, indien ik onzen toestand als
+hopeloos beschouwde,&rdquo; hernam Flink; &bdquo;maar hopen blijft
+zelfs in het ergste geval geoorloofd. Doch luister, mijnheer, ik wil
+als zeeman spreken en u zeggen, welke mogelijkheid er thans nog voor
+ons over is. Het schip is half vol water geloopen, daar &rsquo;t geweld
+van den storm de naden opende waardoor het naar binnen drong; maar nu,
+sedert de zee bedaarde, heeft zich dat al vrij wat weer hersteld. Ik
+heb in het ruim gepeild en bevonden, dat het water deze beide laatste
+uren maar een paar duim gewassen is en daar het schip langzamerhand
+zijne naden weder sluit, zal het spoedig nog wel beter worden. Indien
+het goede weder vooreerst aanhoudt, behoeven wij niet te vreezen, dat
+het schip zoo spoedig zinken zal; en daar wij ons nu tusschen de
+eilanden bevinden, is het niet onmogelijk, ja zelfs waarschijnlijk, dat
+wij ons vaartuig op een daarvan zullen kunnen laten stranden en zoo nog
+lijf en leven redden. Dat alles heb ik bedacht, toen ik weigerde in de
+boot te gaan, en ik bedacht ook, mijnheer, dat indien ik u evenals de
+anderen verliet, gij voor uzelf niet in staat zijn zoudt, van zoovele
+gunstige omstandigheden, die tot ons behoud misschien nog bijdragen
+kunnen, behoorlijk partij te trekken.&mdash;Daarom ben ik gebleven en
+hoop het werktuig te worden, dat u en al de uwen uit dezen akeligen
+toestand redt. Mij dunkt, het zou nu &rsquo;t best zijn, dat gij weer
+in de kajuit gingt, uwe arme vrouw met een vroolijk gezicht de gunstige
+verandering van het weer berichttet en haar zeidet, dat wij hoop
+hebben, aan eene of andere veilige kust te landen. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb31" href="#pb31" name="pb31">31</a>]</span>Als zij
+nog niet weet, dat het volk het schip verlaten heeft, moet gij haar
+daar niets van doen merken. Gij kunt immers zeggen, dat de hofmeester
+met de andere matrozen aan het werk is, want dat is hij ook waarlijk,
+en zoo het mogelijk was, zou ik u raden, alles, wat sedert is
+voorgevallen, te verzwijgen. Uw Willem moogt gij het wel toevertrouwen,
+of liever, zend hem boven bij mij en ik zal met hem spreken.&mdash;Zeg
+nu, wat dunkt u van de zaak, mijnheer?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik weet nauwelijks, Flink, wat ik denken of hoe ik u voor uwe
+zelfopoffering in dezen nood behoorlijk danken moet. Wees verzekerd, uw
+raad is voortreffelijk; ik zal hem in alles ten stipste opvolgen, en
+mocht het ons gelukken den dood te ontgaan, die ons thans van alle
+kanten aangrijnst, dan zal mijne dankbaarheid....&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Spreek daar niet van, mijnheer; ik ben een oud man, heb
+slechts weinig behoeften en mijn leven is ook maar van gering nut. Wat
+ik wensch te behouden is de bewustheid, dat ik in dezen toestand mijn
+plicht naar mijn beste vermogen heb zoeken te vervullen. Wat kan de
+wereld veel aanlokkelijks hebben voor een man, die zich altijd met
+moeite door het leven heeft heen geworsteld en thans vrienden noch
+magen bezit, die zich om zijn dood bekommeren! Niettemin dank ik u
+hartelijk, mijnheer Wilson; maar nu zal &rsquo;t beter zijn, dat gij
+naar omlaag gaat, terwijl ik hierboven een wakend oog houd.&rdquo;</p>
+<p>De heer Wilson drukte den braven man met hartelijkheid de hand en
+ging toen naar beneden, zonder verder een woord te spreken. Hij vond
+zijne vrouw in slaap; ook de kinderen lagen rustig in hunne bedden;
+alleen Juno en Willem waren op.</p>
+<p>Willem gaf zijn vader een teeken dat zijn moeder sliep, en zeide
+zachtjes: &bdquo;Ik wou niet uit de kajuit gaan, terwijl gij boven op
+het dek waart; maar de hofmeester heeft zich in geen twee uren meer
+laten zien. Hij kwam nog om de geit te melken en na dien tijd niet
+meer. Geen van ons allen heeft nog ontbijt gehad.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Willem, ga op het dek,&rdquo; antwoordde zijn vader.
+&bdquo;Flink heeft u iets te zeggen. Ik wil zoolang hier
+blijven.&rdquo;</p>
+<p>Onze jonge vriend vervoegde zich bij Flink, die hem in korte woorden
+met den toestand bekendmaakte, waarin zij zich thans bevonden. Hij
+bracht hem onder het oog, hoe noodzakelijk het was dat hij alles
+beproefde wat in zijne macht stond, om zijn vader en hem (Flink) te
+ondersteunen en zijne moeder in haar lijdenden toestand niet te
+verontrusten. Gelijk natuurlijk is, maakte, wat hij hier hoorde, op
+Willem een diepen indruk, <span class="pagenum">[<a id="pb32" href=
+"#pb32" name="pb32">32</a>]</span>doch hij vatte toch spoedig weer moed
+en beloofde in alles zijn best te zullen doen.</p>
+<p>&bdquo;Maar, Flink,&rdquo; zeide hij, &bdquo;de hofmeester, weet ge,
+is nu met de anderen weg, en als moeder wakker wordt, zal hare eerste
+vraag zijn, of wij al ontbijt gehad hebben. Wat kan ik doen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat weet ik niet; maar mij dunkt, ge kunt eene van de geiten
+melken, als ik u dat voorgedaan heb, en onderwijl wil ik voor het
+verdere zorgen. Ik kan wel eens van het dek, want het schip stuurt nu
+zichzelf vrij goed.&mdash;En, Willem, ik heb juist voordat gij kwaamt,
+naar het water omgezien en geloof, dat wij niet veel meer inkrijgen.
+En,&rdquo; vervolgde hij en liet zijne oogen in het rond gaan,
+&bdquo;wij zullen goed weer krijgen en ook nog voor den nacht eene
+kalme zee.&rdquo;</p>
+<p>Daar beiden elkander hielpen, was het ontbijt spoedig gereed,
+terwijl mevrouw Wilson nog voortdurend in een gezonden slaap lag. De
+beweging van het schip was thans zeer gering, daar het ingedrongen
+water zijn diepgang aanmerkelijk had doen toenemen. Zee en wind waren
+bedaard en de zon scheen helder en verwarmend aan den hemel. De boot
+had men reeds eenigen tijd geheel uit het gezicht verloren en het wrak
+stuurde zacht, niet sneller dan drie mijlen in het uur, door het water
+heen, want het had slechts een enkel zeil, het groote bramzeil
+namelijk, dat men op den stomp van den fokkemast had bijgezet.</p>
+<p>Flink was voor eenige oogenblikken in de kajuit gegaan en sloeg
+mijnheer Wilson voor, Juno met de drie kleinen op het dek te zenden.
+&bdquo;Het verveelt hen, hier zoo stil te zijn,&rdquo; zeide hij;
+&bdquo;en daar mevrouw eindelijk eens gerust slaapt, zou het jammer
+zijn, haar te wekken. Daar zij zooveel geleden heeft, kan haar slaap
+nog wel eenige uren aanhouden, en hoe langer, hoe beter, want zij zal
+hare krachten misschien spoedig noodig hebben.&rdquo;</p>
+<p>Mijnheer Wilson keurde dezen voorslag goed en ging met Juno en de
+kinderen op het dek, terwijl hij Willem achterliet, om bij zijne moeder
+te waken. De goede negerin was uiterst verbaasd, toen zij de trap
+opkwam en den staat van het schip en de afwezigheid der matrozen
+ontdekte; doch haar meester verhaalde haar wat er was voorgevallen, met
+de ernstige vermaning, om er zijne vrouw geen woord van te zeggen. Juno
+beloofde dit, ofschoon het arme meisje wel bemerkte in welk gevaar men
+verkeerde, en toen zij den kleinen Albert aan hare borst drukte, rolden
+haar twee zware tranen over de wangen neer. Zij dacht daarbij niet aan
+zichzelve, maar wat er van dat lieve kleine schaap worden moest. Zelfs
+Thomas en Caroline konden <span class="pagenum">[<a id="pb33" href=
+"#pb33" name="pb33">33</a>]</span>niet nalaten te vragen, waar de
+masten en zeilen gebleven waren en waarom kapitein Osborn hun niet wat
+lekkers bracht.</p>
+<p>&bdquo;Zie, zie daar ginder eens, mijnheer!&rdquo; riep Flink en
+wees naar een hoop drijvend zeewier.</p>
+<p>&bdquo;Ik zie het wel,&rdquo; was het antwoord; &bdquo;maar wat zou
+dat?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat alleen zou op zichzelf nog niet veel beteekenen,&rdquo;
+hernam Flink; &bdquo;maar wij zeelieden hebben nog andere merkteekenen,
+waarop wij afgaan. Ziet gij ginder die vogels wel over het water
+heenstrijken?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O ja, zeer duidelijk.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Welnu, die vogels begeven zich nooit ver van land. Thans
+begrijpt ge wat ik meen.&mdash;En nu, mijnheer, ga ik mijn octant eens
+halen en al kan ik onze lengte nog niet dadelijk vinden, zoo kan ik
+toch de breedte wel bepalen. Als wij de kaart raadplegen, kunnen wij
+dan wel ongeveer gissen, waar wij zijn, als wij eens land voor ons
+zien. Het is nu omtrent middag,&rdquo; vervolgde Flink, terwijl hij
+zijne berekening maakte; &bdquo;de zon rijst heel
+langzaam.&mdash;Zoo&rsquo;n kind is toch een gelukkig schepsel! Zie
+eens, mijnheer, spelen uwe kleintjes daar niet zoo vroolijk, alsof er
+geen gevaar in de wereld was en ze thuis in de kinderkamer waren?
+Ofschoon er niets is, dat mij meer leed doet, als het gebeurt denk ik
+toch vaak, mijnheer, dat het een werkelijk geluk voor zulk een wicht
+is, als het al vroeg wordt weggenomen en dat de ouders niet goed doen,
+daar zoo bitter over te klagen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Gij kunt gelijk hebben,&rdquo; gaf de vader ten antwoord en
+wierp daarbij een treurigen blik op zijne lievelingen.</p>
+<p>&bdquo;Het is twaalf uren, mijnheer. Ik ga beneden gauw onze breedte
+berekenen en zal dan de kaart hier meebrengen.&rdquo;</p>
+<p>Mijnheer Wilson bleef boven. Spoedig was hij in diepe, sombere
+gedachten verzonken. Geen wonder ook! Het schip een zinkend, verlaten
+wrak,&mdash;hij alleen op de breede watervlakte met vrouw en
+kinderen,&mdash;niemand tot zijnen bijstand dan een enkel mensch: en
+had ook deze &eacute;&eacute;ne hem eens verlaten, gelijk de overigen
+deden, wat ware dan waarschijnlijk zijn lot geweest? De uiterste
+hulpeloosheid. En nu, wat hadden ze nu te hopen? Hunne stoutste hoop
+was, nog eenig eiland te bereiken en, gelukte dit, wellicht was het dan
+een woest eiland, misschien zelfs wel door wilden bewoond.&mdash;Wat
+was dan het vooruitzicht?&mdash;Vermoord te worden of van honger en
+dorst om te komen! Of gesteld ook, dat zij de middelen tot hun
+levensonderhoud vonden, wat dan nog? Zouden zij hun leven daar slijten
+moeten en onbekend en onbemerkt wegsterven? Het was eerst nadat hij
+deze treurige gedachten als met geweld had verbannen, dat de bedrukte
+<span class="pagenum">[<a id="pb34" href="#pb34" name=
+"pb34">34</a>]</span>man gevoelde moed te bezitten, om elke beproeving,
+die hem nog verder mocht worden opgelegd, als man door te staan.</p>
+<p>&bdquo;Hier is de kaart, mijnheer,&rdquo; riep Flink. &bdquo;Ik heb
+met eene potloodstreep onze breedte aangeduid. Zooals gij ziet, gaat
+zij juist midden door deze groep eilanden, en, naar &rsquo;t mij
+voorkomt, moeten wij er op dit oogenblik reeds tusschenin of er althans
+niet ver meer af zijn. Nu wil ik zorgen, dat wij vanmiddag iets te
+schaften krijgen, en dan moeten wij op den uitkijk, of zich ook land
+vertoont. Wilt gij onderwijl uwe oogen maar gebruiken, vooral naar
+voren en lijwaarts uit?&rdquo;</p>
+<p>De onvermoeide man ging zien, wat hij voor den maaltijd bijeen kon
+brengen; en gebrek daaraan bestond er niet, daar de matrozen bij hun
+vertrek slechts weinig en wat het naast bij de hand lag hadden
+meegenomen. Weldra vond hij een stuk pekelspek en eenige aardappelen,
+die hij in de braadpan legde en waarvan hij zich een voor de
+omstandigheden kostelijk gerecht beloofde.</p>
+<p>Mijnheer Wilson stond nog voorop en zag over den boeg uit, toen de
+stuurman weer bij hem kwam.</p>
+<p>&bdquo;Flink, mij dunkt, ik zie iets, doch ik kan niet met zekerheid
+zeggen, wat het is. Het schijnt in de lucht te hangen en toch kunnen
+het geen wolken zijn. Zie eens, d&aacute;&aacute;r, waar ik met den
+vinger heen wijs.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Gij hebt gelijk, mijnheer,&rdquo; riep Flink; &bdquo;daar is
+iets. Het is niet het land, dat gij ziet, maar &rsquo;t zijn boomen,
+die weerkaatst worden, gelijk men het noemt, waardoor het den schijn
+heeft, of zij in de lucht zweefden. Dit is een eiland; gij kunt daar
+staat op maken. Ik ga mijn kijker halen en dan zullen wij meer
+zien.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Het is werkelijk land mijnheer,&rdquo; verzekerde hij, na het
+door zijn kijker te hebben opgenomen.&mdash;&bdquo;Ja, ja, het is
+zoo,&rdquo; ging hij nadenkend voort. &bdquo;Ik wenschte, dat wij het
+vroeger ontdekt hadden; en toch moeten wij dankbaar zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hoe zoo, Flink?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik meen maar.... daar het schip zoo langzaam over het water
+glijdt, vrees ik, dat wij de kust niet voor den donker halen zullen, en
+ik had die liever nog bij daglicht bereikt, om eene gunstige plaats tot
+stranden te kunnen kiezen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Er is weinig wind op dit oogenblik.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;We willen dan hopen, dat we wat meer krijgen,&rdquo;
+antwoordde Flink; &bdquo;zoo niet, zullen we toch ons best doen. Maar
+nu is mijne plaats aan het roer, want wij moeten recht op het eiland
+aanhouden. Het te laten liggen gaat <span class="pagenum">[<a id="pb35"
+href="#pb35" name="pb35">35</a>]</span>niet, want ofschoon het schip
+niet zooveel water meer maakt, als het gedaan heeft, wil ik u toch wel
+zeggen, dat het zich bezwaarlijk vierentwintig uren meer boven zal
+kunnen houden. Toen ik dezen morgen in het ruim peilde, dacht ik
+anders, maar daareven, bij het halen van het vleesch, ontdekte ik, dat
+wij in grooter gevaar verkeeren, dan ik had geloofd. Het land ligt daar
+nu echter v&oacute;&oacute;r ons en wij hebben alle hoop.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Gelukkig!&rdquo; sprak mijnheer Wilson.</p>
+<p>Flink begaf zich aan het roer en richtte den koers recht op de kust,
+die niet zoo ver af lag, als men in den beginne geloofd had, daar het
+eiland zeer laag en vlak bleek te zijn. Van lieverlede verhief de wind
+zich eenigermate en dreef het schip rasscher voort. Aldra zag men de
+boomen, die eerst in de lucht schenen te zweven, te gelijk met het land
+en kon men dit als een laag, met groepen van kokosboomen overdekt
+koraaleiland onderscheiden. Van tijd tot tijd vertrouwde Flink het roer
+aan mijnheer Wilson toe en ging naar voren, om door zijn kijker te
+turen. Toen zij nog drie of vier mijlen van land verwijderd waren, kwam
+Flink van den bak terug en riep: &bdquo;Ik geloof mijn weg nu vrij
+duidelijk voor mij te zien. Ge ziet, we zijn loefwaarts van het eiland
+en zulke koraalbanken hebben d&aacute;&aacute;r altijd diep water, maar
+de klippen en ondiepten aan lij. We moeten de eene of andere kleine
+kloof in het koraal opzoeken en het schip daar doorheen brengen, omdat
+het anders licht weer van den grond afraakt en in het diepe water
+terugvalt. Mij dunkt, ik heb al een plek in &rsquo;t oog, waar ik het
+schip veilig op het droge kan zetten. Gij ziet daar die kokosboomen
+dicht bij elkander op het strand? Welnu, mijnheer, ik kan ze niet goed
+zien, terwijl ik het roer houd, maar ga gij naar voren en let wel op.
+Moet ik meer rechts sturen, steek dan de rechter-, meer links, steek
+dan de linkerhand op en zijn wij in de juiste richting, dan laat gij de
+hand weer zakken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik begrijp u volkomen,&rdquo; antwoordde mijnheer Wilson, die
+nu naar voren ging en den koers bedachtzaam aangaf. Zoo kwam men
+allengs nader. Op eene halve mijl afstands van de kust verkreeg het
+water eene andere kleur, waarover Flink zich zeer verheugde, doordien
+hij daaruit afleidde, dat de oever in dit geval minder steil dan
+gewoonlijk zijn zou. Niettemin was het toch een beangstigend gevoel,
+zoo op een geheel onbekend strand aan te loopen. Nog slechts eene
+kabelslengte waren zij daarvan af en nog schuurde het schip den grond
+niet. Nog wat verder en een dof gekraak steeg uit de diepte op,
+&rsquo;t was het breken en afbrokkelen der koraalboomen, die in gansche
+wouden onder het water voortwassen.&mdash;Toen opnieuw een gekraak,
+doch ditmaal sterker dan eerst;&mdash;<span class="corr" id="xd21e855"
+title="Bron: Toen">toen</span> herhaalde malen eene slingerende
+<span class="pagenum">[<a id="pb36" href="#pb36" name=
+"pb36">36</a>]</span>schommeling;&mdash;toen een schok, een stoot, die
+het wrak, nu de branding het voor de laatste maal in de hoogte beurde,
+tot in zijn binnenste deed sidderen en kreunen;&mdash;toen bleef het
+vast en onbeweeglijk zitten. Flink liet het roer varen, om zich van de
+ligging van het schip te overtuigen. Hij zag over den boeg naar alle
+zijden rond en bevond, dat het geteisterd wrak van het zoo trotsche
+schip De Vrede op een bed van koraalklippen roerloos vastzat.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch8" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">ACHTSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">TROOST IN HET ONGELUK.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Nauwelijks was dit gebeurd, of Willem kwam uit de
+kajuit aanloopen en riep: &bdquo;Vader, moeder zendt mij bij u. Zij is
+wakker geworden door het gekraak van het schip en zeer ontsteld. Wilt
+gij niet eens bij haar komen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, mijn beste jongen, dadelijk,&rdquo; was het antwoord.</p>
+<p>&bdquo;Wat is er dan toch, lieve, en waar zijt gij allen
+geweest?&rdquo; riep mevrouw Wilson, toen haar man voor haar bed trad.
+&bdquo;Ik ben zoo geweldig verschrikt:&mdash;ik lag gerust in slaap en
+werd door een vreeselijk leven gewekt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wees gerust, lieve,&rdquo; antwoordde haar echtgenoot.
+&bdquo;Wij hebben in groot gevaar verkeerd, maar thans, hoop ik, zijn
+wij behouden. Zeg mij, voelt gij u niet beter na uwe lange
+rust?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O ja, veel beter&mdash;veel sterker; doch zeg mij toch, wat
+er gebeurd is.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Veel, veel, beste vrouw, reeds voordat gij in slaap waart.
+Wij hebben &rsquo;t voor u geheim gehouden; maar thans, nu wij
+denkelijk spoedig aan land zullen gaan&mdash;<span class="corr" id=
+"xd21e877" title="Bron: ..">...</span>&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Aan land gaan?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, aan land. Welnu, wees maar bedaard en laat mij u
+vertellen, wat er al is voorgevallen en hoezeer wij reden hebben om
+dankbaar te zijn.&rdquo;</p>
+<p>Mijnheer Wilson gaf nu een nauwkeurig verslag van al het tot dusver
+gebeurde. Zijne vrouw hoorde hem aan zonder een woord te spreken, maar
+toen hij ge&euml;indigd had, zonk zij in zijn armen en weende
+bitterlijk. Hij deed alles om haar te troosten, tot eindelijk Juno met
+de kinderen terugkwam, want het was vrij laat geworden.</p>
+<p>&bdquo;Nu, mijnheer,&rdquo; riep Flink, toen de heer Wilson weer bij
+hem op het dek kwam, &bdquo;ik heb eens goed rondgekeken en vind, dat
+wij alle reden hebben <span class="pagenum">[<a id="pb37" href="#pb37"
+name="pb37">37</a>]</span>om blij en dankbaar te zijn. Het schip ligt
+vast genoeg en zal zich niet verroeren, totdat er een nieuwe storm komt
+en het in stukken slaat. Zoo iets is echter vooreerst niet te vreezen.
+De weinige wind, die er nu nog is, gaat langzamerhand liggen en nog
+v&oacute;&oacute;r den dag van morgen zullen wij volmaakt stil weer
+hebben.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik geef toe, Flink, dat er geen dadelijk gevaar is; maar hoe
+zullen wij aan wal komen&mdash;en, zijn wij daar, waarvan in de
+toekomst leven?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ook daarover heb ik nagedacht en ik zal uw en zelfs Willems
+bijstand verzoeken, om de kleine boot aan boord te krijgen, waar ik ze
+kalefateren kan. De kiel is beschadigd, maar ik heb het timmermanswerk
+meer bij de hand gehad en met wat dik geteerd zeildoek zal ik haar wel
+zoo waterdicht maken, dat zij ons allen veilig aan land
+brengt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En als wij nu aan land zijn?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ei, mijnheer, waar kokosboomen in zoo groote menigte
+voorhanden zijn, als op het eiland v&oacute;&oacute;r ons, is zeker
+geen hongersnood te vreezen, zelfs als wij niet nog al den proviand van
+ons schip hadden. Leelijker zal het er licht met het water uitzien,
+want het eiland is laag en smal; maar een mensch kan ook niet
+verwachten alles altijd zoo te vinden, als hij het juist
+wenscht.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik dank den hemel voor onze aanvankelijke redding, mijn
+vriend; maar heb toch nog altijd een gevoel van onrust in mijne borst,
+dat ik niet meester kan worden. Wij hebben hier zulk een woest eiland
+voor ons, dat misschien nooit door een ander schip wordt aangedaan,
+zoodat er weinig hoop voor ons is, om het ooit weer te kunnen verlaten.
+Hier zullen wij leven en sterven,&mdash;hier zullen mijne arme kinderen
+opgroeien&mdash;ja zelfs oud worden, nadat zij u en hun vader en moeder
+begraven hebben, en dan zullen zij die volgen in hetzelfde graf. Al
+hunne vooruitzichten en ook de mijne&mdash;ze zijn verijdeld,&mdash;al
+mijne verwachtingen teleurgesteld. O, het is een treurig, ja een wreed
+lot, Flink! Moet gij dat zelf niet erkennen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Mijnheer Wilson, in vergelijking met u ben ik een oud man, en
+als zoodanig mag ik wel zeggen, dat gij u ondankbaar toont, wanneer gij
+op die wijze aan uwe smart toegeeft. En bovendien, wie weet of uit het
+schijnbaar kwaad niet nog veel goeds voor ons kan voortvloeien? Gij
+spreekt daar van uwe kinderen en hunne vooruitzichten, mijnheer; maar
+kunt gij wel zeggen, wat hun lot zou geweest zijn, als zij Sidney
+gelukkig bereikt hadden? Hoevele kinderen geven aanleiding tot de
+schoonste verwachtingen! En als zij tot rijpheid komen, vervullen zij
+dan altijd de hoop hunner ouders? Vergeef mij, mijnheer Wilson, ik hoop
+U niet beleedigd te <span class="pagenum">[<a id="pb38" href="#pb38"
+name="pb38">38</a>]</span>hebben, maar waarlijk, ik voel mij verplicht
+zoo te spreken, als ik gedaan heb.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Gij hebt mij met volle recht bestraft, Flink, en van ganscher
+harte dank ik u daarvoor,&rdquo; antwoordde de ander en drukte den
+zeeman diep bewogen de hand. &bdquo;Ik wil niet langer klagen, neen; ik
+wil mij, zoo goed ik kan, aan mijn lot onderwerpen. Ik moet mij van nu
+af onder uwe orders stellen; want in onzen tegenwoordigen toestand zijt
+gij mijn meerdere: kennis en ervaring is hier zooveel als macht. Kunnen
+wij vandaag nog iets doen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik wel, mijnheer Wilson, maar gij kunt mij morgen vroeg eerst
+helpen. Ofschoon neen, wacht&mdash;gij kunt mij deze twee spieren nog
+naar &rsquo;t achterdek helpen dragen; dan kan ik een bok opzetten en
+alles voor morgen klaarmaken, om de boot in te zetten. Gij ziet zelf,
+met zoo weinig armen aan boord en zonder masten, moeten we onze eigen
+krachten wel beproeven.&rdquo;</p>
+<p>De heer Wilson deed wat van hem verlangd werd. &bdquo;Ga thans
+gerust naar beneden, mijnheer,&rdquo; zeide Flink; &bdquo;maar laat
+Willem vooral de honden losmaken en hun wat te eten geven. De arme
+dieren hebben wij immers geheel vergeten. Ik zal van nacht wacht
+houden, want ik heb nog veel te doen en te overleggen; en dus wel te
+rusten, mijnheer.&rdquo;</p>
+<p>Toen Flink alleen was, bond hij de spieren van boven stevig aan
+elkaar vast en maakte een takel gereed voor den volgenden morgen. Nadat
+dit verricht was, zette hij zich op een der kippenhokken neder en
+verzonk in gepeins. In &rsquo;t eind door waken en vermoeienis
+uitgeput, viel de oude man in diepen slaap. Met het aanbreken van den
+dag werd hij gewekt door de honden, die, door Willem losgelaten en
+nadat ze in het schip de ronde gedaan en niemand gevonden hadden, weder
+naar de kajuit waren teruggekeerd en voor de deur waren ingeslapen.
+Toen zij met zonsopgang weer op het dek kwamen en daar den ouden Flink
+op het hoenderhok slapende vonden, sprongen zij bij hem op en
+<span class="corr" id="xd21e913" title="Bron: lekten">likten</span> hem
+vol blijdschap de handen en het gezicht. &bdquo;Aha,&rdquo; zeide de
+oude man, terwijl hij van zijn hard leger opstond, &bdquo;gij zult alle
+drie van nut zijn, verbeeld ik mij. Koest Viven, koest&mdash;arme dier!
+Gij hebt een goeden meester verloren, naar ik vrees.&rdquo;
+&bdquo;Stil&mdash;laat mij nu eens zien,&rdquo; vervolgde hij, in
+zichzelf sprekende. &bdquo;Eerst,&mdash;maar ik wil de lei en een stuk
+krijt halen en alles opschrijven; want mijn geheugen is niet zoo goed
+meer als in mijne jonge jaren.&rdquo;</p>
+<p>Flink legde de lei op het hoenderhok en schreef daar toen met krijt
+op: <span class="corr" id="xd21e919" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>drie honden, twee geiten en Billy; de big
+(ik meen, dat wij vijf varkens <span class="pagenum">[<a id="pb39"
+href="#pb39" name="pb39">39</a>]</span>hadden in &rsquo;t geheel;
+hoenders die zijn er genoeg); drie of vier paar duiven (zooveel zeker);
+(de koe is gaan liggen en zal wel niet meer opstaan;&mdash;dan moeten
+wij haar slachten); dan het paar merino-schapen, dat mijnheer Wilson
+toekomt. Aan levend vee dus geen gebrek. Nu&mdash;wat hebben we eerst
+noodig, als we allen aan wal zijn?&mdash;Een spier en het
+groot-bramzeil tot een tent, of twee trossen, een paar matrassen voor
+mevrouw en de kleinen, twee bijlen, hamer, boor en spijkers; wat te
+eten&mdash;ja en ook wat om dat te snijden.&mdash;Ziezoo, dat is voor
+een gezin genoeg,&rdquo; besloot Flink zijne alleenspraak. &bdquo;Nu
+wil ik schielijk vuur aanmaken, &rsquo;t water overhangen en, daar ik
+dat toch heb, een paar stukken rund- en varkensvleesch koken om mee aan
+land te nemen. Dan wil ik mijnheer roepen, want ik reken, dat wij een
+zwaren werkdag in het vooruitzicht hebben.<span class="corr" id=
+"xd21e924" title="Niet in bron">&rdquo;</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch9" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">NEGENDE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">HET EILAND.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Zoodra Flink het voorgenomene verricht en de dieren
+gevoederd had, ging hij in de kajuit en wekte vader en zoon. Met
+vereenigde krachten werd de bok opgericht en vastgezet; vervolgens
+haakte men de boot in, maar om deze onbeschadigd over het boord te
+hijschen, werd nog de hulp van een vierden persoon vereischt.</p>
+<p>&bdquo;Willem, loop schielijk naar Juno en zeg haar, dat zij op het
+dek moet komen, om ons te helpen;&mdash;wij moeten allen de handen uit
+de mouw steken! Uw moeder zal de kleinen wel een poosje bij zich
+nemen.&rdquo;</p>
+<p>De knaap was in een ommezien met Juno terug, die eene sterke meid
+was en braaf hielp om de boot uit te zetten, waarna zij naar de kajuit
+terugkeerde.</p>
+<p>De boot werd onderstboven gekeerd en Flink begon zijn arbeid,
+terwijl mijnheer Wilson den teerpot op het vuur zette en alles
+gereedmaakte, om het zeildoek, zoodra &rsquo;t was opgespijkerd,
+behoorlijk te teren. Het liep reeds tegen den middag, toen Flink, die
+er duchtig op los hamerde, met het lappen der boot klaar kwam. Nu moest
+hij die nog met zeildoek bekleeden, dat vooraf door en door goed met
+teer was doortrokken.</p>
+<p>&bdquo;Zoo, denk ik, zal het wel gaan, mijnheer,&rdquo; zeide hij.
+&bdquo;Wij moeten haar <span class="pagenum">[<a id="pb40" href="#pb40"
+name="pb40">40</a>]</span>nu naar den valreep brengen en in zee laten.
+Het is een geluk voor ons, dat zij de verschansing al vroeger
+weggenomen en ons daardoor nu vrij wat moeite bespaard
+hebben.<span class="corr" id="xd21e944" title=
+"Niet in bron">&rdquo;</span></p>
+<p>Er werd een touw aan de boot vastgemaakt. Vervolgens werd zij door
+de beide mannen met vereende krachten neergelaten en scheen, tot hunne
+groote blijdschap, slechts weinig water in te laten.</p>
+<p>&bdquo;Wat dunkt u nu &rsquo;t best, mijnheer: zullen wij eerst de
+kinderen of liever vooraf het noodzakelijkste aan land
+brengen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hoe denkt gij daar zelf over, Flink?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik? Ei, mij dunkt, daar het water nu zoo glad als een spiegel
+is en wij ook overal landen kunnen, moesten gij en ik maar eerst
+overroeien, om de kust eens op te nemen. Het is slechts een klein
+tochtje en zal ons weinig tijd doen verliezen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zeer goed, Flink; maar eerst wil ik dat even aan mijne vrouw
+gaan zeggen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En in dien tusschentijd zal ik het zeil en eenige andere
+dingen in de boot brengen; dan gaat er geen tijd verloren.&rdquo;</p>
+<p>Flink haalde het zeil, eene bijl, een geweer en eenig touwwerk.
+Mijnheer Wilson was spoedig terug. Toen lieten zij zich zakken in de
+boot en roeiden naar het land.</p>
+<p>Bij het betreden van den wal bevonden zij, dat zij van het binnenste
+van het land niets zien konden, wijl de kokosboomen overal zoo dicht
+stonden. Aan hunne linkerhand echter, op ongeveer een vierde mijl
+afstands, ontdekten zij eene kleine zandige bocht, geheel omgeven met
+struikgewas, dat zich tot aan het hooge woud uitstrekte.</p>
+<p>&bdquo;Daar,&rdquo; riep Flink, met den vinger er heen wijzende,
+&bdquo;daar is onze plaats. Laat ons weer in de boot gaan en er heen
+roeien; het is een korte afstand voor ons, maar zou een lange weg zijn,
+indien wij ons goed er naar toe moesten sleepen.&rdquo;</p>
+<p>In weinige minuten bereikten zij de bocht; het water had weinig
+diepte en was zoo helder als kristal, zoodat zij de fraaiste schelpen
+op den bodem ontdekten en zagen hoe de visschen in alle richtingen
+vroolijk voortschoten.</p>
+<p>Het vlakke oeverzand liep bij de vijftig passen landwaarts in en dan
+nam het kreupelbosch een aanvang, dat zich, met hier en daar een
+enkelen kokosboom daartusschen, bijna even ver uitstrekte, tot het ten
+laatste het hooge woud bereikte. Na weinige riemslagen schuurde de boot
+het witte zand en zij stapten aan wal. <span class="pagenum">[<a id=
+"pb41" href="#pb41" name="pb41">41</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Welk eene heerlijke plek is dit!&rdquo; riep de heer Wilson;
+<span class="corr" id="xd21e973" title="Niet in bron">&bdquo;</span>en
+wellicht werd zij nog nooit door een sterveling betreden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zoo gij het goedvindt,&rdquo; antwoordde Flink, &bdquo;willen
+wij het bosch een eind weegs ingaan. Neem echter het geweer mede,
+mijnheer. Niet, dat er veel kans is, dat wij het noodig zullen hebben;
+men vindt zelden een wild dier op deze kleine eilanden, of &rsquo;t
+mochten soms een paar zwijnen zijn, er vroeger aan land
+gezet,&mdash;maar men kan toch niet te voorzichtig zijn. Ik heb vroeger
+met een kapitein gevaren, die zelden een woest eiland aandeed, zonder
+er een paar biggen of eenig ander gedierte tot aanfokking achter te
+laten, voor &rsquo;t geval, dat eens een mensch daar schipbreuk lijden
+mocht. Een mooie trek, niet waar?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat was het zeker, vriend. Ziehier het bosch dan; wat wilt
+gij nu?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik zag naar eene plek uit, om voor het oogenblik eene tent op
+te slaan, mijnheer, en geloof, dat deze kleine hoogte daartoe wel
+geschikt is, totdat wij verder onderzoek doen en een betere woonstee
+vinden kunnen. Nu dadelijk hebben wij echter geen tijd, want wij dienen
+nog vrij wat riemslagen te doen, voordat het avond wordt. Mij dunkt,
+wij moesten het zeil en het andere goed nu eerst maar aan wal brengen
+en dan weer naar boord gaan.&rdquo;</p>
+<p>Onder het terugroeien naar het wrak, zeide Flink: &bdquo;Daar bedenk
+ik, mijnheer, wat mogelijk wel het best zal zijn. Mevrouw zal zich toch
+niet al te ongerust maken, als gij niet bij haar zijt?&mdash;Zoo niet,
+zou ik zeggen, dat wij Juno en den kleinen Thomas eerst aan land
+moesten brengen, omdat zij daar dadelijk van dienst kunnen
+zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik geloof niet, dat zij zich beangst zal maken, als wij haar
+met Willem en de kinderen aan boord achterlaten, wanneer ik maar weer
+bij haar ben, als zij met het kleintje het schip verlaat.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Welnu, zooals gij goedvindt, mijnheer. Wij laten Willem dus
+aan boord en ditmaal zet ik Juno met den kleinen Thomas over. Ook wil
+ik daarbij de honden niet vergeten; zij kunnen tot onze bescherming
+strekken, ingeval er iets gebeuren mocht. Terwijl gij met Juno aan land
+dan bezig zijt, roei ik terug en haal de andere dingen, die wij voor
+een begin noodig hebben.&rdquo;</p>
+<p>Terstond toen zij op het schip aankwamen, snelde mijnheer Wilson
+naar zijne vrouw om haar door het verhaal van wat zij gezien hadden te
+verblijden, en verkreeg ook gereedelijk hare toestemming tot het door
+Flink ontworpen plan. Terwijl de heer Wilson beneden was, had Flink de
+beide spieren, waaruit de bok bestond, losgebonden en ze in &rsquo;t
+water neergelaten, om ze aan een stuk touw aan de boot met deze naar
+den oever te boegseeren. <span class="pagenum">[<a id="pb42" href=
+"#pb42" name="pb42">42</a>]</span>Een paar minuten later verscheen Juno
+met Thomas op het dek. Flink pakte nog eenig timmergereedschap benevens
+een paar spaden in de boot, haalde ten laatste de honden nog, en voor
+de tweede maal landden zij in de zandige bocht. Thomas staarde langen
+tijd als verbijsterd rond, maar sprak geen woord, totdat hij aan het
+strand eenige bonte schelpen ontdekte, waarover hij luide juichkreten
+aanhief en die hij met beide handen begon op te rapen. De honden
+blaften en liepen in hun blijdschap, dat zij eindelijk weer op vasten
+grond waren, als dol en uitgelaten heen en weer. Ook Juno lachte en
+klapte in de handen, toen zij in het rond zag, en zeide tot Flink:
+&bdquo;Wat ijselijk mooi land hier is, hier ikke wel wonen
+wil.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Nu zal ik een tijdlang met u aan land blijven, mijnheer
+Wilson,&rdquo; zeide de oude zeeman. &bdquo;Eerst willen wij het geweer
+laden, en dan moet gij dien kleinen jongeheer eens terechtzetten, die
+merk ik, alles met handen voelen en tasten moet. Wij met ons beiden
+zullen het zeil hierheen dragen; Juno kan het gereedschap nemen, en dan
+hebben wij nog eene vracht aan de spieren, het touw en wat wij meer
+vinden. Kom, kleine handjegauw, gij kunt althans een van de spaden
+dragen en dan zijt gij toch ook tot iets nut. Geen van ons mag vandaag
+luieren.&rdquo;</p>
+<p>Na eene lading op de kleine, vroeger door Flink gekozen hoogte
+gebracht te hebben, keerden zij naar het strand terug en haalden de
+spieren en het verdere gereedschap. Thomas droeg deze tweede reis de
+andere schop en was niet weinig trotsch, dat men hem zoo goed gebruiken
+kon.</p>
+<p>&bdquo;Deze beide boomen zijn volmaakt tot ons doel geschikt,&rdquo;
+zeide Flink, &bdquo;en staan ook juist ver genoeg van elkander. Wij
+moeten de spieren daar bovenaan vastbinden en dan het zeil daarover
+werpen, dat hierop aan weerszijden met pinnen in den grond wordt
+vastgemaakt. Dat is althans voldoende voor een begin; de volgende reis
+breng ik nog meer zeildoek over en dan maken wij tusschen gindsche twee
+boomen nog een tweede tent. Dan hebben we voor &rsquo;t minst toch onze
+twee tenten: de eene voor mevrouw, Juno en de beide jongens, de andere
+voor Willem, onzen knappen Thomas hier en ons beiden. Nu, mijnheer, zal
+ik u de spieren nog helpen vastmaken. Het overige moet ik dan aan uw
+eigen zorg overlaten, om spoedig weer aan boord terug te
+zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hoe kunnen wij echter zoo hoog reiken, Flink?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wel, dat is zeer eenvoudig. Wij binden eerst de eerste spier
+zoo hoog als wij met gemak doen kunnen; dan klimmen wij daarop en
+brengen de volgende waar zij behoort. Ik zal nog eene spier aan wal
+brengen, die voor de tweede tent kan dienen.&rdquo;</p>
+<div class="figure xd21e1005width"><img src="images/p043.jpg" alt=
+"Het kostte vrij wat moeite om allen goed in de boot te krijgen."
+width="485" height="720">
+<p class="figureHead">Het kostte vrij wat moeite om allen goed in de
+boot te krijgen.</p>
+</div>
+<p><span class="pagenum">[<a id="pb43" href="#pb43" name=
+"pb43">43</a>]</span></p>
+<p>Zoodra de spier op de vereischte hoogte vastzat, wierpen zij het
+zeil daarover en bij het uitbreiden daarvan bevonden zij, dat zij eene
+zeer bruikbare tent van behoorlijke hoogte verkregen hadden.</p>
+<p>&bdquo;Nu, mijnheer, ga ik weer naar boord. Gij kunt inmiddels van
+het hout daar prikken snijden en het zeil daarmee in den grond
+vastslaan. Als gij dan met de schop den tentrand met zand bedekt, dat
+de einden neerdrukt, zal alles redelijk goed sluiten. Hier is mijn mes,
+zoo gij er zelf geen bij u hebt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik zal in alles mijn best doen,&rdquo; verzekerde mijnheer
+Wilson. &bdquo;Als ik zoover ben, kan Juno mij het doek vast helpen
+aantrekken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Goed; en onderwijl neemt Juno eene schop en maakt den grond
+onder de tent schoon en effen, ruimt alle dorre kokosbladeren weg en
+ziet daarbij wel toe, dat er niet het een en ander ongedierte onder
+schuilen blijft. Gij kleine Tom, moet niet wegloopen en moogt ook niet
+bij de bijlen komen, want zoodra ge die aanraakt, snijden ze u. Ook
+moeten wij afspraak maken, mijnheer, dat gij, zoodra u iets overkomt en
+gij mij noodig hebt, dadelijk het geweer lost. In een oogenblik ben ik
+dan bij u. Maar dat is wel niet waarschijnlijk,&rdquo; besloot Flink
+eindelijk, ging naar de baai, stapte in de boot en roeide naar het
+schip terug.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch10" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">TIENDE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">LANDING.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Na zijne komst aan boord ging Flink eerst in de
+kajuit, om mevrouw Wilson te vertellen wat er al gedaan was. Deze was
+natuurlijk eenigszins bezorgd, dat haar man zoo alleen was
+achtergebleven; maar Flink stelde haar weder gerust en zeide haar, hoe
+hij met mijn heer Wilson was overeengekomen, dat deze bij het geringste
+onraad door het losbranden van zijn geweer een teeken geven zou.</p>
+<p>Hierop begaf hij zich naar de zeilkooi, om eenig doek, een nieuw
+bramzeil benevens bindtouw, naalden en zeilgaren te halen. Nauwelijks
+had hij dit opgepakt, toen op eens, juist toen hij zijn voet op de trap
+zette, de knal van een geweer gehoord werd en mevrouw Wilson, doodelijk
+verschrikt, uit de kajuit kwam vliegen. De oude man nam oogenblikkelijk
+een ander geweer, liet zich daarmee in de boot afzakken en repte zich,
+wat hij kon, <span class="pagenum">[<a id="pb44" href="#pb44" name=
+"pb44">44</a>]</span>naar de kust. Toen hij geheel buiten adem
+aanlandde, vond hij mijnheer en Juno aan de tent bezig, Thomas zat
+daarbij en schreide en snikte al zijn best. Gelijk nu bleek, was de
+kleine deugniet, terwijl de anderen druk aan &rsquo;t werk waren, naar
+het geweer geslopen, dat men tegen een boom had gezet. Na het een
+poosje van alle kanten bekeken te hebben, kwam hij met de hand aan den
+trekker. Het schot viel. Daar echter de tromp van &rsquo;t geweer
+gelukkig naar boven gericht was, deed het niemand schade, ofschoon het
+den kleinen schutter toch duur te staan had kunnen komen,&mdash;en wee
+onzen Thomas, als die hem op het hoofd ware gevallen! Hij zou er dood
+onder gebleven zijn. Zijn vader, die wel <span class="corr" id=
+"xd21e1030" title="Bron: berijpen">begrijpen</span> kon wat
+ontsteltenis dat schot aan boord veroorzaken moest, had hem duchtig
+onder handen genomen, en daar zat Thomas nu en schreide tranen met
+tuiten, om te toonen, hoe bitter berouw hij had.</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Zal wel het best zijn, dat ik dadelijk terugroei en
+mevrouw zeg wat hier gebeurd is,&rdquo; zeide Flink.</p>
+<p>&bdquo;Ja, doe dat, mijn goede vriend,&rdquo; bad mijnheer Wilson
+hem.</p>
+<p>Dus keerde de oude man naar het schip terug en berichtte het
+<span class="corr" id="xd21e1039" title=
+"Bron: voorgegevallene">voorgevallene</span>. Vervolgens ging hij aan
+zijn arbeid. Vooreerst liet hij des zeilmakers zak met al het noodige,
+als priemen, garen, enz., in de boot neer, vervolgens twee matrassen en
+beddedekens uit de bovenkajuit, de bakpan met het pekelvleesch en
+eindelijk nog een spier, die hij weder achter aan de boot vastmaakte.
+Daarmee had hij zijne lading overvol; doch daar hij anders geen volk
+inhad, kwam hij nog al spoedig over. De twee aan land hielpen hem alles
+naar de hoogte overbrengen en hier werd de nokbalk der tweede tent
+spoedig aan twee andere boomen vastgehecht. Juno had de eerste tent van
+binnen netjes schoongemaakt en daarbij, naar zij verzekerde, geenerlei
+dier of insect onder het dorre loof gevonden. Voordat Flink vertrok,
+gaf hij Thomas een stok in de hand en zeide hem op het vleesch te
+passen en toe te zien, dat de honden daar niet bij kwamen; waarop
+Thomas, die al weer in vroolijk humeur was, zijn stok schouderde en zoo
+parmantig op schildwacht stond als een oud grenadier.</p>
+<p>Onze stuurman roeide nog tweemaal naar het schip en bracht meer
+beddegoed, een zak met scheepsbeschuit, een tweeden met aardappelen,
+borden, messen, lepels, vorken en allerlei keukengereedschap van daar
+mede. Hierop wees hij Juno, hoe zij de einden van de eerste tent met
+het garen en &rsquo;t zeildoek, dat hij had meegebracht, aaneen moest
+hechten; zoodat de tent rondom dicht en goed gesloten werd; en Juno nam
+naald en draad en piekte er dapper op los. Uiterst voldaan, dat het
+meisje zoozeer haar <span class="pagenum">[<a id="pb45" href="#pb45"
+name="pb45">45</a>]</span>best deed en zich zonder vreemde hulp redden
+kon, zei Flink ten laatste: &bdquo;Mijnheer, wij hebben nog maar twee
+uren dag en het begint dus tijd te worden, dat ook mevrouw van het
+schip komt. Als ge &rsquo;t goedvindt, willen we gaan en haar met de
+kinderen halen. Voor den eersten nacht aan land zullen wij het, denk
+ik, vrij goed hebben. Zoo &rsquo;t weer goed blijft, kunnen wij morgen
+een heel stuk verder komen,&mdash;en waarlijk, &rsquo;t is noodig dat
+wij, zoolang het z&oacute;&oacute; blijft, ons uiterste best doen, om
+alles aan wal te krijgen, daar &eacute;&eacute;n duchtige storm het
+wrak waarschijnlijk geheel in stukken zal slaan. Ik heb alles zelf mee
+in het ruim helpen stuwen en weet de meeste dingen daar te vinden
+ofschoon wij er, vrees ik, niet veel meer uit zullen krijgen, dat ons
+van dienst kan zijn.&rdquo;</p>
+<p>Aan boord gekomen, ging mijnheer Wilson zijne vrouw dadelijk het
+voorstel doen, om thans mee aan land te gaan. Zij was zeer aangedaan en
+nog zwak en ongesteld, maar toch hield zij zich recht moedig en kwam,
+ondersteund door haar man, op het dek, waarheen Willem met zijn kleine
+broertje op den arm volgde, terwijl Flink zijne zuster Caroline aan de
+hand leidde. Het koste vrij wat moeite om allen goed in de boot te
+krijgen; maar dit gelukte toch eindelijk. De arme vrouw was echter zoo
+zwak, dat haar man haar in zijne armen overeind moest houden en zijn
+riem aan Willem overgeven. Zij landden gelukkig en brachten de zieke in
+de tent, waar men haar op een der bedden nederlegde. Zij verzocht om
+een weinig water.</p>
+<p>&bdquo;En ik, oude domkop, heb vergeten dat mee te nemen; doch ik ga
+het terstond halen,&rdquo; riep Flink. &bdquo;Zoo druk allen mogelijken
+voorraad over te slepen en toch het allernoodzakelijkste voor den
+mensch te vergeten! Wij moeten zoo spoedig mogelijk hier op dit eiland
+naar water omzien daar dit ons vrij wat moeite kan besparen.&rdquo;</p>
+<p>Flink keerde zoo snel mogelijk naar boord terug en bracht twee
+vaatjes water mede, welke hij en Willem naar de tent rolden.</p>
+<p>&bdquo;Voor vandaag heb ik nu mijne laatste reis gedaan,&rdquo;
+zeide de oude man. &bdquo;Ik ben moe&mdash;doodmoe<span class="corr"
+id="xd21e1055" title="Bron: ,">.</span>&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat geloof ik wel, mijn goede vriend,&rdquo; antwoordde
+mijnheer Wilson. &bdquo;Gij hebt vele nachten achtereen gewaakt en over
+dag hard gearbeid. Aan verder werk moet gij heden niet meer
+denken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En ik heb geen eten geproefd vandaag en zelfs geen druppel
+water over mijne lippen gebracht,&rdquo; vervolgde Flink en zette zich
+op den grond neder.</p>
+<p>&bdquo;Hoe is het, beste Flink, zijt gij niet wel?&rdquo; vroeg
+Willem. <span class="pagenum">[<a id="pb46" href="#pb46" name=
+"pb46">46</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Een beetje flauw, mijn jongen; ik ben niet meer zoo jong als
+vroeger. Kunt ge mij wat water aanreiken?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wacht, Willem, dat zal ik doen,&rdquo; zei zijn vader en
+haalde een tinnen kan, die hij pas voor zijne vrouw gevuld had.
+&bdquo;Hier, Flink, drink en wel bekome &rsquo;t u!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Het zal spoedig beter zijn, mijnheer. Ik zal mij een poosje
+neerleggen en dan een beschuit met wat vleesch gebruiken.&rdquo;</p>
+<p>De goede oude man was werkelijk geheel uitgeput, doch na iets
+gegeten te hebben, voelde hij zich spoedig veel beter. Juno was zeer
+ijverig. Ze had aan de kinderen wat pekelvleesch en beschuit gegeven;
+de jongste, benevens Thomas en Caroline, waren te bed gebracht, en de
+tweede tent was genoegzaam gereed.</p>
+<p>&bdquo;Voor dezen nacht zal het zeer goed gaan, Juno,&rdquo; zeide
+haar meester. &bdquo;Wij hebben vandaag veel afgedaan en de rust zal
+daar goed op smaken.&rdquo;</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch11" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">ELFDE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">HET ONTBIJT.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Mijnheer Wilson was den volgenden ochtend de eerste
+die ontwaakte en opstond. Hij verliet de tent en liet de oogen in het
+rond gaan. De hemel was helder als kristal. Een frisch morgenwindje
+streek over de watervlakte en de kleine golfjes speelden op het witte
+zand van de bocht. Aan de linkerzijde van deze klom het land tot kleine
+heuvels op, boven welke zich de voortzetting van het kokosbosch statig
+verhief. Rechts rees eene lange reeks koraalriffen genoegzaam loodrecht
+uit de zee op en paalde aan het frissche groen der heuvelhelling en aan
+het struikgewas, terwijl het wrak van De Vrede zich, als hoofdfiguur in
+deze schilderij, zwart en roerloos, als een gestrand zeemonster, aan
+den toeschouwer vertoonde. De zon brandde, waar zij hare stralen werpen
+kon, doch onder de kokosboomen, waar Wilson stond, was eene koele
+verkwikkende schaduw.</p>
+<p>De uitnemende schoonheid van dit tooneel, hoewel eenigszins gematigd
+door de treurige vertooning van het gestrande vaartuig, maakte een
+diepen indruk op den bekommerden huisvader, die daar in diep nadenken
+verzonken stond.</p>
+<p>&bdquo;Ja,&rdquo; dacht hij, &bdquo;ware ik de wereld en hare
+beslommeringen moe geweest <span class="pagenum">[<a id="pb47" href=
+"#pb47" name="pb47">47</a>]</span>en had ik een oord gezocht, waar
+vrede en schoonheid om den prijs dingen, ik zou dat hier gevonden
+hebben. Hoe heerlijk is dat gezicht hier! Wat kalmte, wat zoeten
+weemoed wekt het op? Hoe genadig zijn wij bewaard, toen alle hoop reeds
+verdwenen scheen; hoe weldadig werden wij verzorgd na onze werkelijke
+redding&mdash;en toch&mdash;toch waagde ik het te klagen, toen vurige
+dankbaarheid mijn eenig gevoel had behooren te zijn!&rdquo;</p>
+<p>Hij keerde naar zijne tent terug. Willem, Thomas en stuurman Flink
+lagen nog in diepen slaap. &bdquo;Brave oude man,&rdquo; sprak hij bij
+zichzelf, <span class="corr" id="xd21e1090" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>als wij ooit weder in de woelige
+samenleving terugkeeren, zal uwe goedheid haar loon erlangen; voor
+zoover het in mijne macht staat u te vergelden. Een edel hart is hier
+onder de ruwe schors verborgen. Zonder zijne verknochtheid,&mdash;zijne
+voorbeeldelooze zelfopoffering, zou ik, zouden deze lieve hulpelooze
+wezens niet meer bestaan!&rdquo;</p>
+<p>De honden, die in de tent gekropen waren en zich nevens Willem en
+Thomas op de matrassen hadden neergelegd, rezen nu op en naderden
+vleiend hun meester. Deze beweging deed Willem ontwaken. Zijn vader gaf
+hem een wenk, dat hij Flink niet wekken moest, en zachtjes kleedde hij
+zich aan en kwam buiten.</p>
+<p>&bdquo;Zal ik niet liever Juno wekken, vader?&rdquo; vroeg hij.
+&bdquo;Ik kan dat denkelijk wel doen zonder moeder te
+storen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Doe het dan, mijn jongen, ik ga onderwijl zien, wat voor
+keukengereedschap Flink al aan land heeft gebracht.&rdquo;</p>
+<p>Willem was spoedig terug en berichtte, dat moeder nog gezond en vast
+sliep en dat Juno was opgestaan, zonder haar of de beide kleinen wakker
+te maken.</p>
+<p>&bdquo;Goed, dan zullen wij zien, of we niet een ontbijt voor hen
+gereed kunnen maken, Willem. Deze dorre kokosbladeren zullen heerlijk
+branden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar, vader, waar krijgen wij het vuur vandaan? Wij hebben
+geen tondeldoos en ook geen zwam of vuurslag.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, maar er zijn nog andere middelen, mijn zoon, ofschoon
+de tondel meestal daarbij noodig is. De wilden maken vuur door een week
+stuk hout tegen een hard voorwerp aan te wrijven. Ik vrees, dat ons dit
+niet zoo spoedig gelukken zou<span class="corr" id="xd21e1108" title=
+"Bron: :">;</span> maar wij hebben kruit en kunnen dit als tondel
+gebruiken, als wij &rsquo;t nat maken en op een stuk papier of, nog
+beter, op zacht hout wrijven. Het kruit aansteken kunnen wij op
+<span class="corr" id="xd21e1111" title=
+"Bron: twee&euml;rleei">twee&euml;rlei</span> manier: door middel van
+steen en vuurslag, of anders met behulp van een brandglas.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar een brandglas hebben wij niet.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen; maar wij kunnen er een uit een verrekijker nemen als
+wij weer <span class="pagenum">[<a id="pb48" href="#pb48" name=
+"pb48">48</a>]</span>eens aan boord komen. Voor &rsquo;t oogenblik
+hebben wij geen ander middel dan met het geweer.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar, vader, als ons vuur aan is, wat <span class="corr" id=
+"xd21e1122" title="Bron: zulen">zullen</span> wij dan nog koken? Wij
+hebben immers thee noch koffie.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is waar; ik geloof niet, dat wij een van beide rijk
+zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Aardappelen hebben wij wel, vader.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, mijn jongen; maar dunkt het u niet beter, dat wij ons
+vooreerst met koud vleesch en beschuit behelpen en de aardappelen
+sparen? Misschien hebben wij die alle noodig om te poten. Doch waarom
+gaan wij niet zelven aan boord van het schip? Gij kunt de riemen vrij
+goed hanteeren en wij moeten thans leeren arbeiden en niet alles aan
+den braven Flink overlaten. Het zal nog wel een tijd aanhouden, voordat
+wij zoo handig en op alles gevat zijn als de oude man, maar al doende
+leert men, en wij willen ten minste onzen goeden wil toonen. Kom,
+Willem.&rdquo;</p>
+<p>Zij gingen naar de bocht. De kleine boot lag nog aan het strand en
+schommelde zacht op de spelende golven. Zij bonden ze los en stapten er
+in.</p>
+<p>&bdquo;Ik weet, waar de kok zijne thee en koffie bewaarde,
+vader,&rdquo; zei Willem onder het roeien. &bdquo;Moeder zal die gaarne
+bij haar ontbijt hebben, en ik kan ook de geiten melken voor kleinen
+Albert.&rdquo;</p>
+<p>Hoewel geen van beiden in het roeien zeer bedreven, kwamen zij toch
+spoedig aan de zijde van het wrak en klommen zonder moeite aan boord,
+na de boot eerst stevig te hebben vastgebonden.</p>
+<p>Willem liep eerst naar de kajuit om thee en koffie te zoeken en liet
+zijn vader inmiddels andere benoodigdheden bijeenpakken, terwijl bij de
+geiten melkte en de melk in een tinnen schotel deed. Vervolgens goot
+hij ze in een zuivere flesch over, opdat zij niet zuur zou worden en
+keerde toen naar zijn vader terug.</p>
+<p>&bdquo;Ik heb deze beide korven met eene menigte dingen gevuld, die
+uwe moeder zeer welkom zullen zijn, Willem. Wat zullen wij verder nog
+meenemen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dezen verrekijker in allen gevalle, lieve vader; en dan
+willen wij alle kleeren en linnengoed inpakken;&mdash;dat zal moeder
+verrassen. Het linnen ligt in de koffers; wij zullen er zeildoek omheen
+slaan. En dan, vader, zullen we ook eenige van de boeken
+meebrengen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is uitmuntend, Willem,&rdquo; antwoordde de vader.
+&bdquo;Ik wil eerst alles inladen en dan terugkomen en het overschot
+halen.&rdquo;</p>
+<p>Binnen het uur waren zij weer aan land. Daar vonden zij Juno, die
+zich <span class="pagenum">[<a id="pb49" href="#pb49" name=
+"pb49">49</a>]</span>intusschen gewasschen had en nu aan de bocht op
+hen wachtte, om hen bij het lossen behulpzaam te zijn.</p>
+<p>&bdquo;Wel, Juno, hoe hebt gij &rsquo;t van morgen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ikke heel goed, massa,&rdquo; was haar antwoord en op
+&rsquo;t helder water wijzende, vervolgde zij: &bdquo;Daar zwemmen
+geducht veel visch hier.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, als wij maar vischtuig hadden,&rdquo; antwoordde mijnheer
+Wilson. <span class="corr" id="xd21e1156" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>Flink zal wel ergens haken en snoeren voor
+ons weten op te schommelen. Kom, meid, breng dezen bundel linnen naar
+uwe tent; het overige kunnen wij alleen wel bezorgen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En neem ook deze flesch melk, Juno; ik heb haar voor kleinen
+Albert meegebracht,&rdquo; zeide Willem.</p>
+<p>&bdquo;Dankje, dankje wel, massa Willem; datte heel zoet zijn van
+jonk massa.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En haast u maar wat, Juno; want daar is Thomas ook al op de
+been en springt in zijn hemd rond.&rdquo;</p>
+<p>Bij de tenten vonden zij allen wakker, met uitzondering van den
+ouden stuurman, die nog zeer vast scheen te slapen. Mevrouw Wilson had
+een zeer goeden nacht gehad en voelde zich verfrischt en gesterkt.
+Willem wreef een stuk papier met kruit in en bracht het door de glazen
+van den kijker aan het branden, waarop spoedig een helder vuur vroolijk
+opvlamde. Zijn vader had onderwijl aan het strand drie groote steenen
+gezocht, waarop de ketel geplaatst werd; en na een half uur kookte het
+water en was de thee gezet.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch12" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">TWAALFDE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">DE HAAIEN.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Juno had de kinderen naar de bocht meegenomen en, tot
+aan de knie&euml;n in het water wadende, hen daarin gedompeld, als het
+eenvoudigste middel om hen te wasschen. Vervolgens had zij hen
+aangekleed en aan mevrouw overgegeven, waarna zij Willem de kopjes en
+borden voor het ontbijt hielp bijeenzoeken. Alles werd sierlijk en net
+tusschen de beide tenten op den grond uitgezet en toen sloeg Willem
+voor, den goeden ouden Flink te wekken.</p>
+<p>&bdquo;Doe dat mijn jongen, nu is het tijd;&mdash;hij zal ook wel
+iets tot ontbijt willen hebben.&rdquo;</p>
+<p>Willem trad op Flink toe en tikte hem zacht op den schouder.
+<span class="pagenum">[<a id="pb50" href="#pb50" name=
+"pb50">50</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Hoe is &rsquo;t, Flink, hebt gij nu goed uitgeslapen?&rdquo;
+vroeg hij, toen de oude man opstond.</p>
+<p>&bdquo;Ja, beste jongen. Ik ben terdeeg onder zeil geweest, dunkt
+mij<span class="corr" id="xd21e1185" title="Bron: :">;</span> maar nu
+wil ik mij haasten en zien, of ik wat tot ontbijt voor u allen klaar
+kan krijgen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Doe uw best maar,&rdquo; was Willems lachend antwoord.</p>
+<p>Het aankleeden kostte Flink weinig moeite of tijd, daar hij bij
+&rsquo;t slapen gaan enkel zijn buis had uitgetrokken. Hij schoot dit
+weer aan en kwam toen buiten. Hoe vreemd stond hij te kijken, toen hij
+het gansche gezelschap met mevrouw Wilson, die met den kleinen was
+meegekomen, verzameld vond aan &rsquo;t ontbijt, dat op den grond
+gereedstond.</p>
+<p>&bdquo;Goeden morgen, Flink,&rdquo; zeide mevrouw Wilson en reikte
+hem vriendelijk de hand. Ook haar man schudde de zijne en wenschte hem
+goedenmorgen.</p>
+<p>&bdquo;Gij hebt een langen, vasten slaap gehad, Flink,&rdquo; zeide
+hij, &bdquo;en ik wou u na dien zwaren dag van gisteren niet te vroeg
+wekken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik dank u voor uwe goedheid, mijnheer, en ben hartelijk blij,
+mevrouw, dat ik u zoo wel vind,&rdquo; antwoordde de oude man.
+&bdquo;Ik heb geen berouw over mijn lang slapen, nu ik zie, dat gij
+allen u ook zonder mij zoo kostelijk redden kunt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, maar juist dat kunnen wij niet, vrees ik,&rdquo; hernam
+mevrouw Wilson. &bdquo;Wat zou zonder u en zonder uwe goedheid van ons
+geworden zijn?<span class="corr" id="xd21e1201" title=
+"Niet in bron">&rdquo;</span></p>
+<p>&bdquo;Wij kunnen wel een ontbijt zonder u gereedmaken,&rdquo; zeide
+haar man<span class="corr" id="xd21e1206" title="Bron: :">;</span>
+&bdquo;maar zonder u, brave vriend, hadden wij dat op dit oogenblik
+niet meer noodig gehad. Onder het eten zullen wij u alles vertellen wat
+wij gedaan hebben.&rdquo;</p>
+<p>Terwijl zij nu bij elkaar zaten, vertelde Willem zijn vriend, hoe
+zij naar boord geroeid waren en wat zij van daar al hadden
+medegebracht. Hij zeide hem ook, hoe Juno de kleinen in het water had
+laten spartelen en hoe dat zeebad allen zoo goed bevallen was.</p>
+<p>&bdquo;Maar dat mag Juno volstrekt niet meer doen,&rdquo; sprak
+Flink &bdquo;voordat ik eerst goed onderzoek gedaan heb. Gij weet wel,
+dat rondom deze eilanden haaien in menigte loeren en dat het daarom
+hoogst gevaarlijk is, in het water te gaan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Mijn God, lieve man, wat gevaar zijn onze kinderen daar dan
+weer ontkomen!&rdquo; riep de bezorgde moeder met innerlijke
+huivering.</p>
+<p>&bdquo;Dat is waar,&rdquo; vervolgde Flink. &bdquo;Evenwel zijn die
+booze gasten minder talrijk aan de loefzijde van de eilanden, ofschoon
+deze vlakke baai eene al te geschikte plaats voor hen is, dan dat zij
+er niet dikwijls komen zouden. <span class="pagenum">[<a id="pb51"
+href="#pb51" name="pb51">51</a>]</span>Dus, Juno, zou ik u raden, niet
+weer te water te gaan, voordat ik eene plek heb opgezocht, waar gij
+veilig baden kunt. Nu echter is daar nog geen tijd toe, en zoodra wij
+uit het schip alles aan wal hebben, wat ons dienstig is, moeten wij
+eerst overleggen, of wij hier blijven willen of niet.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hier blijven of niet, Flink hoe meent gij dat?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wij hebben hier tot nog toe geen water gevonden en dit is
+toch de eerste behoefte des levens;&mdash;als er op deze zijde van
+&rsquo;t eiland geen water te vinden is, moeten wij onze tenten ergens
+anders opslaan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat begrijp ik, zal noodig wezen<span class="corr" id=
+"xd21e1225" title="Bron: .">,</span>&rdquo; antwoordde de heer
+Wilson.</p>
+<p>&bdquo;Ik wenschte wel, dat wij tijd hadden om eenig onderzoek te
+doen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat kunnen wij ook; maar wij mogen daarom het fraaie weer
+niet ongebruikt laten voorbijgaan. Morgen kan het licht weer stormen en
+dan hebben we geen gelegenheid om iets van boord te krijgen. Het zou
+goed zijn, dat wij thans opbraken, mijnheer: gij, Willem en ik. Gij en
+uw zoon blijven aan boord, om het noodzakelijke bijeen te zoeken en ik
+zal de goederen in de bocht brengen, waar Juno ze afhaalt.&rdquo;</p>
+<p>In den loop van den dag haalden zij nog eene menigte dingen, waarvan
+zij verwachten konden in de toekomst dienst te zullen hebben. Nog
+v&oacute;&oacute;r den middag waren de kleinere zeilen en al het
+touwwerk, bindgaren en doek, verder kleine tonnen, zagen, beitels en
+groote spijkers, eindelijk planken van iepen- en eikenhout aan wal
+gebracht. Na het gebruiken van een hartig maal begonnen zij den arbeid
+opnieuw. Stoelen en tafels uit de kajuit, de gezamenlijke
+kleedingstukken, eenige kisten met kaarsen, twee balen koffie, twee met
+rijst en twee met scheepsbeschuit, verscheidene stukken rund- en
+varkensvleesch, zakken met meel (men had veel moeite gedaan, om een
+geheel vat naar boven te krijgen, doch dit was niet gelukt), dan
+eindelijk de slijpsteen, nog meer drinkwater en mijnheer Wilson&rsquo;s
+huisapotheek werden achtereenvolgens ontscheept. Toen Flink andermaal
+terugkwam, zeide hij: &bdquo;Onze boot begint sterk te lekken en zal
+niet veel reizen meer doen kunnen, voordat ik ze gebreeuwd heb. Ook
+heeft Juno nog niet de helft van &rsquo;t goed naar de tenten gebracht;
+de last is voor &eacute;&eacute;n persoon te zwaar. Me dunkt, we kunnen
+het er heden bij laten, mijnheer Wilson, als wij voor den donker maar
+eerst al de dieren aan land hebben. Ik wil die niet gaarne aan hunne
+eigen zwemkunst overlaten en toch zijn het lastige potentaten in eene
+boot. De koe kunnen wij niet over krijgen; zij ligt altijd nog en zal
+ook wel niet meer opstaan;&mdash;zoo gaat het meestal met de beesten.
+Echter heb ik haar nog rijkelijk hooi voorgestrooid en als zij niet
+opstaat, moet ik haar slachten en het vleesch inzouten.&rdquo;
+<span class="pagenum">[<a id="pb52" href="#pb52" name=
+"pb52">52</a>]</span></p>
+<p>Flink ging in het ruim, en het geknor van het varken liet zich
+weldra hooren. Hij had het over den rug geworpen en hield het bij de
+achterpooten vast. Zoo kwam hij er mee op het dek en liet het toen over
+de verschansing in zee neerploffen. Het zwijn spartelde eenigen tijd
+besluiteloos rond, maar keerde toen den kop van het schip af en zwom op
+het land aan.</p>
+<p>&bdquo;Het gaat regelrecht op den oever los,&rdquo; merkte Flink
+aan, die het met de beide anderen naoogde, maar een oogenblik later
+riep hij:</p>
+<p>&bdquo;Ik heb het wel gevreesd,&mdash;&rsquo;t is
+verloren!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hoe zoo?&rdquo; vroeg mijnheer Wilson.</p>
+<p>&bdquo;Ziet gij dat zwarte ding daar, hoe &rsquo;t pijlsnel over het
+water op het dier toeschiet? Dat is de staart van een haai en nu heeft
+het arme beest zijn langsten tijd van het leven gehad.&mdash;Kijk, daar
+gaat het al!&rdquo; vervolgde Flink, toen het zwijn met een zwaren slag
+onder water verdween. &bdquo;Die is er geweest. Beter dat stomme dier,
+dan uwe lieve kleinen, niet waar, mijnheer Wilson?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, waarachtig!&mdash;Misschien is het monster dicht bij hen
+geweest, toen Juno met hen in het water stond.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;De slokop was zeker niet ver uit de buurt,&rdquo; antwoordde
+Flink; &bdquo;maar nu moet hij zich met dien eenen hap tevreden
+stellen, want meer krijgt hij van ons niet. Wij zullen nu naar omlaag
+gaan en de andere vier varkens de pooten vastbinden; dan brengen wij ze
+in de boot, die met al wat er in is, dan hare behoorlijke lading
+heeft.&rdquo;</p>
+<p>Met de zwijnen in de boot, roeide Flink nu naar land, terwijl vader
+en zoon de schapen en geiten op het dek brachten en voor de volgende
+reis gereed hielden.</p>
+<p>&bdquo;Dat zal voor heden de laatste maal zijn,&rdquo; riep de oude
+man bij zijne terugkomst, &bdquo;en, vergis ik mij niet, de laatste
+maal in vele dagen, daar de wolken hare koppen ginder weer braaf
+beginnen op te steken. We zullen nog een zak met koren voor het vee
+meenemen, en dan zeggen we het schip voor een tijdlang vaarwel. Ik heb
+de koe weer een voorraad water en hooi voorgezet, maar geloof niet, dat
+wij haar nog levend vinden zullen bij onze terugkomst.&rdquo;</p>
+<p>Door de zwaarte van het graan ging de boot ditmaal zeer diep. Echter
+brachten zij het gelukkig nog tot den oever, ofschoon ditmaal niet
+zonder veel water in te krijgen. Willem dreef de schapen en geiten naar
+de tenten, waar zij zich rustig nederlegden; de zwijnen waren
+weggeloopen en ook de hoenders hadden zich verstrooid, &rsquo;t geen
+trouwens niet anders te verwachten <span class="pagenum">[<a id="pb53"
+href="#pb53" name="pb53">53</a>]</span>was. Het strand was geheel
+overdekt met de menigte van goederen, die men heden had
+aangebracht.</p>
+<p>&bdquo;Wij hebben ons vandaag dapper geweerd, mijnheer
+Wilson,&rdquo; zeide Flink met een vergenoegden blik op al dien
+voorraad, &bdquo;en ook de kleine boot heeft zich goed gehouden.
+Voordat ik haar wat heb nagezien, mogen wij ons er echter niet weer in
+wagen.&rdquo;</p>
+<p>Het was hun na het harde dagwerk allesbehalve onaangenaam, dat Juno
+voor koffie had gezorgd, en onder het drinken verhaalden zij mevrouw
+Wilson, hoe het arme varken op eene zoo gruwelijke wijze door den haai
+verslonden was. De moeder drukte bij het hooren hiervan haar zoontje
+onstuimig aan het hart, en toen zij haar hoofd weer ophief, glinsterden
+tranen van dankbaarheid in hare zachte oogen. Ook de goede Juno was
+ontsteld en verzekerde in hare gebroken taal, voortaan wel zorg te
+zullen dragen, dat die booze zeeduivels niet bij hare lieve, kleine
+massa&rsquo;s komen konden.</p>
+<p>&bdquo;Wij zullen hier morgen volop te doen hebben met al dat goed
+uit te zoeken en het eene behoorlijke plaats te geven<span class="corr"
+id="xd21e1265" title="Bron: .">,</span>&rdquo; sprak mijnheer Wilson
+tot Flink.</p>
+<p>&bdquo;Wij zullen een langen tijd de handen nog terdege vol
+hebben,&rdquo; hernam deze. &bdquo;Over een paar maanden omtrent kan de
+regentijd invallen, en zoo er eenigszins mogelijkheid toe is, moeten
+wij nog voor dien tijd onder dak zijn. Zonder eene degelijke
+beschutting kunnen wij dit weer niet afwachten, dat zeker tot het einde
+van het jaar aanhouden zal.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Waarmee moeten wij dan eerst beginnen?&rdquo; vroeg mijnheer
+Wilson.</p>
+<p>&bdquo;Morgen zullen wij &rsquo;t best doen nog een of twee tenten
+op te slaan, om al de aan land gebrachte goederen daaronder te bergen.
+Hierna kunnen wij eens zien, waar wij onzen rijkdom voor de toekomst
+bewaren willen, en ook nagaan, wat ons nogal zoo ontbreekt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zeer goed; en wat moet er dan gebeuren?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dan, mijnheer, dienen wij, dunkt me een klein tochtje naar
+het binnenste van het eiland te doen en de plek uit te zoeken, waar wij
+ons huis zullen opbouwen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Kunnen wij een huis bouwen?&rdquo; riep Willem verbaasd.</p>
+<p>&bdquo;Wel zeker, mijn kind; en dat zal ons minder moeite kosten,
+dan gij u misschien voorstelt. Er is geen nuttiger boom dan de
+kokosboom en daarbij is zijn hout zoo licht, dat wij het gemakkelijk
+van de plaats kunnen krijgen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En waarin bestaat dan het groote nut van dien
+boom<span class="corr" id="xd21e1285" title="Bron: !">?</span>&rdquo;
+vroeg mevrouw Wilson.</p>
+<p>&bdquo;Dat zal ik u vertellen, mevrouw. Vooreerst geeft hij u hout,
+om er een <span class="pagenum">[<a id="pb54" href="#pb54" name=
+"pb54">54</a>]</span>huis van te bouwen; dan hebt gij de schors,
+waaruit ge touw, koord en, zoo gij verkiest, ook vischnetten maken
+kunt; vervolgens de bladeren, om uwe woning en, wilt ge, ook uw hoofd
+daar <span class="corr" id="xd21e1292" title="Bron: meee">mee</span> te
+dekken, want men kan zeer goed hoeden en ook manden daarvan vlechten.
+Verder hebben wij de vrucht, eene noot, die zeer goed te eten en ook
+gekookt voedzaam en lekker is. In de jonge noot is de zeer gezonde melk
+besloten en bovendien geeft zij nog lampolie en hare schil drinknappen
+en veldflesschen, als men die anders niet heeft. Eindelijk kan men nog
+een wijn uit den boom tappen, die versch gebruikt een aangename drank
+is, maar bedwelmt en dronken maakt, als hij langer bewaard wordt; en
+van dezen wijn kan men dan ook een zeer sterken drank brouwen. Oordeel
+nu zelve maar eens, mevrouw: kent gij een anderen boom, die den mensch
+zooveel nut aanbrengt en hem, zooals deze, bijna van al wat hij noodig
+heeft, voorziet?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Waarlijk, daar heb ik nooit iets van geweten,&rdquo; was het
+antwoord.</p>
+<p>&bdquo;In allen gevalle zijn hier boomen in menigte,&rdquo; zeide
+Willem.</p>
+<p>&bdquo;Ja, ja, mijn jongen, daar is hier geen gebrek aan; en dat
+verheugt mij hartelijk, want als er maar weinig waren, zou ik er niet
+gaarne een van omhouwen. Misschien konden in het vervolg nog anderen
+hier schipbreuk lijden en daarbij het noodzakelijkste missen, zoodat
+zij gedwongen waren, geheel alleen van de weinige kokosboomen te
+leven.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar nu, geloof ik, zou &rsquo;t voor allen goed zijn, dat
+wij te bed gingen,&rdquo; zeide mevrouw Wilson.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch13" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">DERTIENDE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">EERSTE VERRICHTINGEN OP HET EILAND.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Wij kunnen voortaan in de geschiedenis van ons
+gezelschap op het eiland niet meer, als tot hiertoe, de dagelijksche
+verrichtingen optellen, daar wij genoeg te doen zullen hebben met de
+belangrijkste voorvallen en ontmoetingen van elken dag behoorlijk te
+vermelden. Den volgenden morgen na het ontbijt zeide Flink:</p>
+<p>&bdquo;Nu, mijnheer Wilson, moeten wij krijgsraad houden en
+aangaande een ontdekkingsreisje op morgen een besluit nemen. Is dit
+bepaald, dan zullen wij wel middel vinden, om dezen dag verder op eene
+nuttige wijze te besteden. De eerste vraag is: wie zullen mee van de
+partij zijn? Mag ik weten, hoe gij daarover denkt?&rdquo; <span class=
+"pagenum">[<a id="pb55" href="#pb55" name="pb55">55</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Wel, vriend,&rdquo; antwoordde mijnheer Wilson, &bdquo;mij
+dunkt, wij beiden, gij en ik, zullen gaan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Toch beiden niet te gelijk, lieve man?&rdquo; viel zijne
+vrouw hem in de rede. &bdquo;Gij kunt u ook wel zonder mijn man redden,
+niet waar, Flink.<span class="corr" id="xd21e1317" title=
+"Niet in bron">&rdquo;</span></p>
+<p>&bdquo;Ik had zeker wel gewenscht mijnheer Wilson en zijn goeden
+raad bij mij te hebben,&rdquo; was het antwoord; &bdquo;maar ik heb er
+ook al over nagedacht en geloof zelf, dat de kleine Willem geene
+toereikende bescherming voor u is; of althans zoudt gij hem daar niet
+voor houden, en dat komt voor uwe bezorgdheid nagenoeg op &rsquo;t
+zelfde uit. Dus, als mijnheer er niet tegen heeft, zal &rsquo;t het
+best zijn, dat hij u gezelschap blijft houden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wilt gij echter geheel alleen gaan, Flink?&rdquo; vroeg de
+heer Wilson.</p>
+<p>&bdquo;Neen mijnheer; ik geloof niet, dat dit goed en verstandig zou
+zijn. Er kon mij immers een ongeluk overkomen, want niemand kan zeggen,
+wat er gebeuren kan. Ofschoon er alle schijn van veiligheid voorhanden
+is. Daarom wenschte ik wel iemand bij mij te hebben; de vraag is maar,
+of dat Willem of Juno zal zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neem mij mee!&rdquo; riep Thomas op eens.</p>
+<p>&bdquo;U meenemen, kleine man!&rdquo; zei Flink lachend;
+<span class="corr" id="xd21e1330" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>dan diende ook Juno mee te gaan, om op u
+te passen. Neen, men kan u hier zeker niet missen; uwe moeder zou
+verlegen staan, als gij weg waart. Gij kunt zoo mooi brandhout en
+drooge prikken opzamelen en op uw zusje en kleine broertje passen, dat
+moeder zonder u geen raad meer weten zou. Dus moet Juno of broer Willem
+met mij gaan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En wien van beiden hadt gij &rsquo;t liefst, Flink?&rdquo;
+vroeg mevrouw Wilson.</p>
+<p>&bdquo;Uw zoon Willem, mevrouw,&mdash;hem verreweg &rsquo;t liefst,
+als gij hem aan mijne zorg wilt toevertrouwen. Ik vreesde enkel, dat
+gij misschien zwarigheid zoudt maken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik heb het liever niet; ik zou mij liever een poos lang
+zonder Juno behelpen,&rdquo; antwoordde de moeder. &bdquo;Maar neen, ik
+heb ongelijk, lieve man,&rdquo; vervolgde zij zich tot haren man
+wendende, die haar bestraffend aanzag. &bdquo;Ja, ik heb ongelijk.
+Ziekte en lijden hebben mij niet alleen zwak en vreesachtig, maar,
+vrees ik, ook zelfzuchtig gemaakt. Ik wil mij daartegen verzetten. Tot
+hiertoe ben ik u lang tot last en bezwaar geweest, maar dat zal, hoop
+ik, eerlang beter worden en dan zal ik mij ook nuttig zoeken te maken.
+Zoo gij &rsquo;t beter acht, lieve Wilson, dat gij zelf, in plaats van
+Willem, met Flink gaat,&mdash;ik ben er nu niet meer tegen, &rsquo;t
+was heusch zeer verkeerd van mij, dat ik er mij een oogenblik tegen
+verzette. Ga dus gerust met onzen vriend mede.&rdquo; <span class=
+"pagenum">[<a id="pb56" href="#pb56" name="pb56">56</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Dat mijnheer meegaat is niet noodig, mevrouw,&rdquo; hernam
+Flink; &bdquo;uw wakkere Willem kan mij dezelfde diensten doen. Geloof
+mij, ik zou van harte gaarne alleen gaan: ik heb geen vrees, dat mij
+iets kwaads bejegenen zal; maar toch weten wij niets van den dag van
+morgen. Ik kon immers ook ziek,&mdash;kon door eenig toeval overvallen
+worden, ik ben een oud man; en dan, dacht ik, als mij een ongeluk trof,
+kondt gij mij missen. Dat is alles;&mdash;ik zeide &rsquo;t niet uit
+eigenbelang.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Daar ben ik volkomen van overtuigd, mijn goede oude
+vriend,&rdquo; antwoordde mevrouw Wilson; &bdquo;maar eene moeder is
+soms al heel dwaas en onverstandig.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Vergeef mij, mevrouw, niet dwaas, zooals gij zegt; slechts
+soms al te bezorgd en angstvallig.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Genoeg, Flink. Onze Willem zal dan met u gaan, dat is bepaald
+en besloten,&rdquo; besliste de vader ten laatste. &bdquo;Wat is nu aan
+de beurt?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Vooreerst moeten wij ons nu tot onzen marsch gereedmaken. Wij
+moeten wat mondkost en wat water bij ons hebben, daarbij een geweer en
+kruit, eene groote bijl voor mij en een kleinere voor mijn reismakker.
+Ook zal het goed zijn, dat Romulus en Remus meegaan; het dashondje kunt
+ge hier bij u houden. Gij, Willem, kunt nu dadelijk vier halve
+fleschjes met water vullen, terwijl ik voor ieder van ons een linnen
+knapzak in elkander naai.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En wat zal <i>ik</i> doen?&rdquo; vroeg mijnheer Wilson.</p>
+<p>&bdquo;Gij, mijnheer, zoudt ons een grooten dienst kunnen doen, als
+gij zoo goed waart, deze twee bijlen op de slijpsteen wat aan te
+scherpen. Thomas zal wel draaien. &rsquo;t Is een sterke, fiksche
+jongen en frisch te arbeiden is altijd zijn lust en zijn leven.&rdquo;
+Thomas stond dadelijk op. Hij was juist sterk genoeg, om den steen rond
+te draaien; maar gewoonlijk wilde hij liever spelen dan werken. Nu de
+oude man echter gezegd had, dat dit laatste zijn lust was wilde hij dat
+ook met de daad bewijzen en sloofde zich af, wat hij kon. Flink zat
+daarbij zijne reiszakken te naaien, en zoo vaak onze jongeheer lust
+gevoelde om het werk te staken, prees Flink hem, dat hij zich zoo
+dapper weerde en vertelde aan zijne moeder welk een knappe jongen hij
+was. Zoo dan ging Thomas, die zich gaarne hoorde prijzen, met zijn werk
+voort, totdat de zweetdruppels hem op het voorhoofd stonden.
+V&oacute;&oacute;r het avond werd, waren de bijlen geslepen, de zakken
+klaar en was alles gereed voor den volgenden morgen.</p>
+<p>&bdquo;Wanneer wilt gij morgen op weg gaan, Flink?&rdquo; vroeg
+mevrouw Wilson.</p>
+<p>&bdquo;Het zal goed zijn, dat wij met het eerste daglicht opbreken,
+daar de hitte zoo vroeg nog niet sterk is.&rdquo; <span class=
+"pagenum">[<a id="pb57" href="#pb57" name="pb57">57</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;En tegen wanneer denkt gij terug te zijn?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, zie, mevrouw, wij hebben voorraad voor drie dagen bij
+ons. Als wij morgen, Woensdag, in de vroegte opstappen, kunnen we
+misschien Vrijdagavond hier terug zijn. In allen gevalle denk ik niet,
+dat het later dan Zaterdagochtend worden zal.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Goeden nacht, dan&mdash;en vaarwel, lieve moeder!&rdquo;
+zeide Willem. &bdquo;Ik zal u morgen vroeg niet meer zien.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;God zegene en behoede u, mijn lief kind!&rdquo; sprak deze.
+&bdquo;Pas toch vooral goed op hem, Flink! En ook gij&mdash;goede reis
+en tot spoedig wederzien!&rdquo;</p>
+<p>De beangste moeder ging in hare tent, om de tranen te verbergen, die
+zij niet kon weerhouden. &bdquo;Het is nog geheel nieuw voor
+haar,&rdquo; merkte Flink aan; &bdquo;als zij er meer aan gewoon is,
+zal eene korte scheiding haar zoo hard niet meer vallen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat vertrouw ik ook,&rdquo; antwoordde haar echtgenoot;
+&bdquo;maar zij is nu nog zenuwachtig en ongesteld; en in aanmerking
+nemende, dat zij tot dusverre zelden langer dan een uur van hare
+kinderen gescheiden is geweest en haar zoon nu weggaat, zonder dat zij
+zelfs weet waarheen,&mdash;houdt zij zich, dunkt mij, nog al vrij
+standvastig.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, waarlijk, mijnheer, dat doet zij,&rdquo; erkende Flink;
+&bdquo;de angst eener moeder is even natuurlijk als hare liefde. In
+allen gevalle wil ik, ook indien ik alles wat ik wenschte niet op
+eenmaal verrichten kan, toch op den bepaalden dag terug zijn en dan
+later nog eens een reisje doen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Doe dat, Flink; dat zal haar geruststellen. En nu, vaarwel;
+wees voorspoedig en moogt gij uw doel bereiken!&rdquo;</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch14" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">VEERTIENDE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">EERSTE UITSTAPJE OP HET EILAND.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Nog v&oacute;&oacute;r de zon was Flink op en wekte
+ook Willem uit den slaap. Zwijgend kleedden zij zich aan en vermeden
+elk gerucht, dat de moeder had kunnen doen ontwaken. Hunne reiszakken
+waren reeds gepakt. In ieder was een portie vleesch, dat zij dadelijk
+onder elkander verdeeld hadden, benevens twee waterfleschjes, in
+kokosbladeren gewikkeld, opdat zij minder licht breken zouden. Flink,
+die den grootsten reiszak droeg, had nog beschuit en verscheidene
+andere dingen bij zich, waarvan hij zich voor het <span class=
+"pagenum">[<a id="pb58" href="#pb58" name="pb58">58</a>]</span>geval
+van nood had voorzien. Om het lijf had hij twee strikken geknoopt, om,
+als dit vereischt werd, de honden daaraan vast te binden.</p>
+<p>Zoodra zij de reiszakken hadden omgehangen, nam Flink bijl en geweer
+en vroeg Willem, of hij wel dacht een kleine spade, die zij te gelijk
+met de schoppen van het wrak gehaald hadden, op den schouder te kunnen
+dragen. De knaap antwoordde toestemmend. De honden, die schenen te
+weten, dat zij meegaan mochten stonden klaar, en nu ging de oude man
+naar een der watertonnen, nam zelf een duchtigen slok, spoorde Willem
+tot hetzelfde aan en liet toen ook de honden drinken, zooveel zij
+lustten. Hierop, juist toen de zon aan den hemel opging, traden zij het
+kokosbosch in en hadden de tenten spoedig uit het gezicht verloren.</p>
+<p>&bdquo;Nu, reiskameraad,&rdquo; begon Flink en stond stil, toen zij
+een twintig schreden ver waren, &bdquo;weet gij ook, op welke wijze wij
+den terugweg vinden kunnen? Gij ziet, in het dichte bosch konden wij
+licht verdwalen en er is geen pad, dat ons dan leiden zou.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, waarlijk, dat weet ik niet; ik dacht daar juist aan,
+toen gij er over begont, en ook Klein Duimpje viel mij in, die
+broodkruimels uitstrooide om zijn weg weerom te vinden, maar hem toch
+niet vond, omdat de vogels zijne kruimels hadden opgepikt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ge ziet dus, dat Klein Duimpje de zaak niet goed overlegd
+had, en wij moeten het hem zoeken te verbeteren. Wij moeten doen,
+zooals de Amerikanen doen in hunne bosschen: wij moeten de boomen
+merken. Dit geschiedt door een enkelen slag met de scherpe bijl een
+kerfje in de schors van den boom te houwen, dat hun tot teeken dient,
+waaraan zij hun weg herkennen. Zij merken daarbij niet elken boom, maar
+altijd den tiende of zoo, die aan hun pad staat, en dan beurtelings een
+aan den rechter- en een aan de linkerhand. Het kost slechts weinig
+moeite; zij doen het onder het gaan, zonder dat het hen een oogenblik
+ophoudt. Laat ons nu ook daarmee beginnen; gij neemt de rechterkant:
+het zal u gemakkelijker vallen de bijl in de rechterhand te houden; ik
+voor mij kan evengoed ook de linker gebruiken. Zie, zoo maakt men
+slechts een kerfje in den bast:&mdash;de zwaarte van de bijl doet het
+bijna alleen en dat kan ons jaren lang tot wegwijzer door het woud
+dienen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is heerlijk bedacht!&rdquo; riep Willem, en beiden
+vervolgden nu hun marsch, terwijl zij de boomen rechts en links op
+gezette afstanden teekenden.</p>
+<p>&bdquo;Ik heb evenwel ook nog een anderen vriend in den zak,&rdquo;
+begon Flink weder, &bdquo;en ik zal dien moeten gebruiken.&rdquo;
+<span class="pagenum">[<a id="pb59" href="#pb59" name=
+"pb59">59</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Wat is dat?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Het zakkompas van den armen kapitein Osborn. Gij ziet,
+Willem, het merken der boomen zal ons wel onzen terugweg aanduiden,
+maar kan ons niet zeggen, in welken koers we thans te sturen hebben. Op
+dit oogenblik weet ik nog, dat wij den rechten weg houden, daar ik door
+het geboomte achter mij heen zien kan: maar dikwijls zal dit niet
+mogelijk zijn en dan moet ik met mijn kompas te rade gaan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat begrijp ik zeer goed; maar zeg mij, Flink, waartoe nemen
+wij die schop mede? Hoe kan ons die van dienst zijn? Gij zeidet er
+gisteren morgen niets van, dat gij er eene mee woudt nemen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, Willem, en ik zweeg er opzettelijk van, omdat ik uwe
+moeder niet beangst wilde maken. U echter durf ik wel zeggen, dat ik
+zelf omtrent &eacute;&eacute;n ding zeer bezorgd ben, en dat is, of
+hier water te vinden is of niet. Is er geen water, dan moeten wij het
+eiland wat vroeger of later toch verlaten, want men kan wel eenig water
+verkrijgen door kuilen in het zand te graven, doch dat is ziltig
+zeewater en zou ons bij voortgezet gebruik allen ziek maken. Van het
+schip hebben wij niet veel meegebracht, en als er stormachtig weer
+komt, kunnen wij er ook niet meer vandaan halen. Nu gebeurt het echter
+dikwijls, dat er ergens zoet water is, zonder dat men het aan den grond
+zien kan,&mdash;men moet er dan naar graven, en daartoe heb ik de spade
+meegebracht.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Gij denkt toch aan alles, Flink.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O neen, mijn goede Willem, dat doe ik niet altijd. &rsquo;t
+Is waar, in onzen tegenwoordigen toestand denk ik meer aan wat noodig
+is, dan misschien uw vader en uwe moeder; maar dat is, omdat zij nog
+nooit geweten hebben, wat het is aan zichzelf alleen te zijn
+overgelaten. Zij zijn nog nooit in &rsquo;t geval geweest, dat zij
+genoodzaakt waren aan zulke dingen te denken; als men echter zijn
+gansche leven op zee zwalkte, zooals ik&mdash;als men schipbreuk heeft
+geleden en rampen en gevaren van allerlei aard doorgestaan<span class=
+"corr" id="xd21e1415" title="Bron: .">,</span>&mdash;als men gedwongen
+was, uitkomst te verzinnen of te gronde te gaan, dan, Willem, verzamelt
+men zich nuttige kundigheden, niet alleen uit zijn eigen lijden, maar
+ook uit het verhaal van anderen, wanneer men hoort, hoe die zich er in
+de ellende hebben weten door te worstelen. Nood, zegt men, is de moeder
+der wijsheid, en dat is werkelijk waar, Willem, want hij scherpt het
+verstand; en het is dikwijls opmerkelijk, wat vele menschen, vooral
+zeelieden, als de nood hen tot handelen drijft, met de eenvoudigste
+middelen tot stand brengen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En waar gaan wij dan nu naar toe, Flink?&rdquo; <span class=
+"pagenum">[<a id="pb60" href="#pb60" name="pb60">60</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Recht op de lijzijde van het eiland aan; en ik hoop, dat wij
+nog v&oacute;&oacute;r het vallen van den donker daar zijn
+zullen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Waarom noemt gij dat de lijzijde van het eiland?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Omdat de wind tusschen deze eilanden genoegzaam altijd uit
+dezelfde richting waait. Wij landden op de windzijde; thans hebben wij
+den wind in den rug; steek uw vinger maar eens op en gij zult hem zelfs
+hier in het bosch nog voelen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, ik merk niets,&rdquo; verzekerde de knaap, terwijl hij
+den vinger omhoog hield.</p>
+<p>&bdquo;Maak uw vinger dan eens nat en beproef het nog
+eens.&rdquo;</p>
+<p><a id="xd21e1432" name="xd21e1432"></a>Willem bevochtigde zijn
+vinger met de tong en stak hem nogmaals op. &bdquo;Ja, nu voel ik het.
+Maar hoe komt dat?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;De wind droogt de vochtigheid van uw hand op; daardoor
+ontstaat koude, en deze is het, die gij voelt.&rdquo;</p>
+<p>Op eenmaal begonnen de honden te knorren, sprongen toen vooruit en
+blaften luid.</p>
+<p>&bdquo;Wat kan dat wezen?&rdquo; riep Willem.</p>
+<p>&bdquo;Blijf staan, jongen,&rdquo; sprak Flink en spande den haan;
+&bdquo;ik zal vooruit gaan en zien.&rdquo; De oude man sloop zachtjes
+voorwaarts, het geweer voorzichtig tegen de heup drukkende. Het geblaf
+der honden verdubbelde, en uit een hoop dorre kokosbladeren stoven daar
+op eenmaal.... al de varkens, die men een paar dagen te voren had laten
+loopen, voor den dag en zetten het op een galoppeeren, met de honden
+achter hen aan.</p>
+<p>&bdquo;Het zijn onze varkens maar, Willem,&rdquo; riep Flink
+lachend, &bdquo;Ik had nooit gedacht, dat een tam zwijn iemand zoo kon
+doen schrikken.&mdash;Hier, Romulus! Koest, Remus<span class="corr" id=
+"xd21e1445" title="Niet in bron">!</span>&rdquo; vervolgde hij, de
+honden roepende. &bdquo;Nu, Willem, daar hebt gij ons eerste
+avontuur.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik hoop, dat wij er geen gevaarlijker beleven zullen,&rdquo;
+gaf de knaap lachend ten antwoord. &bdquo;Evenwel, ik wil wel bekennen,
+dat ik vrij wat ontsteld was.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Geen wonder, want ofschoon al niet waarschijnlijk, zou het
+toch mogelijk zijn, dat zich roofdieren of zelfs wilden op dit eiland
+ophielden. Wij moeten in een onbekend land steeds op het ergste gevat
+zijn, Willem. Men kan verschrikt wezen en daarom toch, evenals gij
+daareven, moedig standhouden. Wie echter bevreesd is, loopt
+weg.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik geloof niet, dat ik ooit wegloopen en u verlaten zal, als
+er gevaar aanwezig is, Flink.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik vertrouw er gerust op, Willem, dat gij dat niet doen zult;
+maar daarom <span class="pagenum">[<a id="pb61" href="#pb61" name=
+"pb61">61</a>]</span>moet gij toch niet onbezonnen en te haastig zijn.
+Wij willen nu verder gaan, als ik eerst mijn haan in rust gezet heb.
+Daar mij dit nu juist invalt, Willem, en gij dikwijls een geweer bij u
+zult hebben,&mdash;denk er toch aan, jongen, dat gij nooit uw haan
+gespannen laat. Ik heb daardoor alleen, dat velen den haan spanden en
+naderhand vergaten hem weder in rust te zetten, meer ongelukken zien
+gebeuren, dan gij u ooit zoudt voorstellen. Span nooit den haan,
+zoolang gij niet vuren wilt;&mdash;dezen raad moet gij altijd in
+gedachten houden. Nu moet ik eens op het kompas zien, want wij hebben
+op eens eene veranderde richting, zoodat ik niet meer weet, welken weg
+in te slaan.&mdash;Ziezoo, nu is alles goed. Vooruit,
+honden!&rdquo;</p>
+<p>Nog langer dan een uur vervolgden de wandelaars hun weg door het
+kokosbosch en vergaten daarbij niet, al voortgaande, de boomen rechts
+en links te teekenen. Eindelijk kozen zij een plekje uit, om er hun
+ontbijt te gebruiken, en de honden strekten zich daarbij nevens hen op
+den grond neer.</p>
+<p>&bdquo;Geef de dieren geen water en geen gezouten vleesch; geef hun
+niets dan beschuit.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar zij zijn zoo dorstig; moet ik hun niet een weinig te
+drinken geven?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen; vooreerst omdat wij alles voor onszelven noodig hebben,
+en bovendien verlang ik juist, dat zij dorstig zijn. En ook gij,
+Willem, volg mijn raad en drink maar weinig water op eens. Weinig is
+volkomen toereikend, om den dorst te lesschen, en hoe meer gij drinkt,
+des te meer voelt gij dorst.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dan dien ik ook wel niet te veel gezouten vleesch te
+eten.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Juist; hoe minder gij eet, des te beter, als wij geen water
+vinden en onze fleschjes weer vullen kunnen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar wij hebben onze bijlen immers en kunnen van tijd tot
+tijd ook eene kokosnoot afslaan en de melk daarvan drinken?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, en het is een geluk voor ons, dat wij die uitkomst altijd
+nog hebben; maar toch zou kokosmelk alleen ons slecht bevallen, ook als
+die het gansche jaar door volop te krijgen ware.&mdash;Nu, Willem,
+willen wij weer opstappen, als gij niet te moe zijt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Volstrekt niet; ik ben alleen moe niets dan de stammen der
+boomen te zien, en zal hartelijk blij zijn, als wij het bosch eens
+achter den rug hebben.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hoe meer wij ons haasten, des te beter dus,&rdquo; antwoordde
+Flink. &bdquo;Voor zoover ik dit eiland bij onze aankomst beoordeelen
+kon, moeten wij thans ongeveer halfweg zijn.&rdquo;</p>
+<p>De wandelaars begaven zich met vernieuwde krachten op weg.
+<span class="pagenum">[<a id="pb62" href="#pb62" name=
+"pb62">62</a>]</span></p>
+<p>Na een half uur bevonden zij, dat de grond niet meer zoo effen was
+als vroeger en beurtelings begon te rijzen en te dalen.</p>
+<p>&bdquo;Het is mij zeer lief, dat ik het eiland hier niet meer zoo
+vlak vind, Willem. Wij hebben zoo meer vooruitzicht om water te
+vinden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ei, zie eens; daar wordt het nog steiler,<span class="corr"
+id="xd21e1489" title="Niet in bron">&rdquo;</span> merkte Willem aan,
+terwijl hij een boom teekende; &bdquo;daar is immers wezenlijk een
+heuvel.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Des te beter;&mdash;wakker voorwaarts<span class="corr" id=
+"xd21e1494" title="Bron: ?">!</span>&rdquo;</p>
+<p>De bodem was thans meer golvend geworden. Echter was hij nog altijd
+met kokosboomen overdekt, die zelfs nog dichter stonden, dan tot dusver
+het geval was geweest. Zij vervolgden hun marsch, waarbij zij van tijd
+tot tijd op het kompas zagen, totdat Willem zijne vermoeidheid niet
+langer verbergen kon, want de weg door het woud was thans nog
+bezwaarlijker geworden dan in den beginne.</p>
+<p>&bdquo;Hoeveel mijlen denkt ge wel, dat we nu al gegaan zijn,
+Flink?&rdquo; vroeg hij ten laatste.</p>
+<p>&bdquo;Acht ongeveer, denk ik.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Niet meer dan acht?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, ik geloof niet, dat we, door elkaar gerekend, meer dan
+twee mijlen in het uur hebben afgelegd. Het gaat maar langzaam, als men
+naar het kompas reist en daarbij altijd de boomen merken moet; maar mij
+dunkt, dat het woud v&oacute;&oacute;r ons lichter wordt, van den top
+van dezen heuvel gezien.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, dat is zoo, Flink; ik verbeeld mij, den blauwen hemel
+weer te zien.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Uwe oogen zijn jonger dan de mijne, Willem, en mogelijk hebt
+gij goed gezien. We zullen dat spoedig vernemen.&rdquo;</p>
+<p>Zij daalden nu in een ravijn neer en klommen vervolgens weer een
+tweeden heuvel op. Zoodra zij boven kwamen, riep Willem overluid:
+&bdquo;De zee, Flink! daar is de zee!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zeer goed, Willem; ik voor mij heb daar volstrekt niets
+tegen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik dacht al, dat wij nooit een einde aan dat donkere bosch
+zouden zien,&rdquo; sprak de knaap en snelde ongeduldig vooruit;
+eindelijk stond hij aan den uitersten zoom van het kokoswoud en bleef
+staan. Flink stond spoedig aan zijne zijde, en beiden vestigden nu
+hunne oogen op het voor hen uitgebreide landschap. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb63" href="#pb63" name="pb63">63</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch15" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">VIJFTIENDE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">DE OOSTZIJDE VAN HET EILAND.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">&bdquo;O hoe heerlijk!&rdquo; riep Willem ten laatste:
+&bdquo;zeker, hier zou moeder recht gaarne wonen. Ik hield de andere
+zij van het eiland voor heel lief, maar zij is toch niets bij deze
+vergeleken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Het is hier werkelijk fraai,&rdquo; antwoordde Flink in diepe
+gedachten.</p>
+<p>Men kan zich trouwens niet licht een liefelijker tooneel
+voorstellen. Het kokoswoud werd ongeveer een vierde mijl van de kust
+eensklaps afgebroken door eene steile helling, die zich bij de dertig
+voeten boven het strand verhief. Dit strand zelf was een golvende, hier
+en daar met struiken begroeide groene vlakte en strekte zich tot op
+ongeveer vijftig schreden afstands van het water uit, waar het in
+verblindend wit zand overging, door &rsquo;t welk enkele smalle
+klippenreeksen van den oever landwaarts opliepen. Het water was van
+eene helder blauwe kleur en brak slechts aan de klippen in wit schuim.
+De riffen strekten zich mijlen ver van den oever in zee uit en op
+enkele plaatsen staken de punten der rotsen boven den rand des waters
+uit. Talrijke scharen van zeevogels hadden zich op die hoogten
+genesteld; anderen wiegden zich in de heldere lucht of schoten van tijd
+tot tijd in de blauwe zee neer, waaruit zij dan met hunne klauwen een
+van de visschen ophaalden, welke in menigte aan de zandbanken speelden
+en dikwijls zelf in vroolijke sprongen uit het water opwipten. De kust
+had de gedaante van een hoefijzer en vormde eene baai, besloten
+tusschen twee boschachtige landtongen, die zich aan weerszijden ver in
+zee uitstrekten. De horizon was helder en scherp tegen de zee
+afgeteekend.</p>
+<p>Flink bleef een tijdlang stom, liet zijne oogen rechts en links
+langs den gezichteinder gaan, monsterde scherp de riffen in de verte en
+wierp toen een vorschenden blik op het land v&oacute;&oacute;r hem.</p>
+<p>&bdquo;Waaraan denkt gij, Flink?&rdquo; vroeg Willem ten
+laatste.</p>
+<p>&bdquo;Ik?&mdash;Ik denk dat wij zoo spoedig mogelijk naar water
+moeten omzien.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar waarom zuchttet gij daareven?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Omdat ik niet, gelijk ik verwacht had, nog een ander eiland
+aan lij ontdekken kan en er dus bijna geene mogelijkheid voorhanden is,
+dat wij dit hier verlaten. Bovendien is deze bocht hoe fraai gelegen
+ook, toch vol riffen, en ik zie nergens een ingang, wat de zaak om
+velerlei redenen hoogst bezwaarlijk maakt. Evenwel kunnen wij niet
+terstond op het eerste gezicht <span class="pagenum">[<a id="pb64"
+href="#pb64" name="pb64">64</a>]</span>oordeelen. Eerst willen wij gaan
+zitten en ons middagmaal houden<span class="corr" id="xd21e1542" title=
+"Niet in bron">,</span> dan kunnen wij verder zien. Halt,
+halt!&mdash;voordat wij van de plaats gaan, moeten wij aan de boomen
+bij den uitgang van het bosch een duidelijk teeken maken; zonder dat,
+zouden wij bij het terugkeeren onze merken moeielijk
+wedervinden.&rdquo;</p>
+<p>Hij sneed twee witte streepen in de stammen der kokosboomen en
+daalde toen met Willem naar het vlakke veld neer, waar zij zich
+neervlijden en hun eenvoudigen maaltijd hielden. Zoodra dit verricht
+was, stonden zij weder op en gingen aan het zeestrand. Flink keerde
+zich naar de landzijde, in de hoop van ergens eene kleine beekbedding
+of holte te ontdekken, die mogelijk zoet water bevatten kon.
+&bdquo;Hier zijn eenige plekken,&rdquo; zeide hij en wees ze met den
+vinger aan, &bdquo;waar het water in den regentijd zijn afloop gehad
+heeft; wij moeten ze zorgvuldig onderzoeken, maar nu niet. Daartoe
+hebben wij morgen tijd genoeg. Eerst moet ik een middel uitvinden om
+onze kleine boot door gindsche klippen heen te krijgen; anders hebben
+wij een vreeselijken arbeid, als wij naar deze plaats verhuizen,
+namelijk, zoo wij al onze bezittingen door het woud aansleepen moesten
+en dat zou ons weken, zoo niet maanden kosten. Dus willen wij vandaag
+de kust goed onderzoeken, Willem, en dan morgen naar zoet water
+omzien.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zie de honden eens, Flink; ze drinken zelfs zeewater, de arme
+beesten!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zij zullen er niet veel van nemen. Zie, ze loopen er al van
+weg.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat zijn die koralen fraai! Zie, ze groeien als jonge boomen
+onder het water.&mdash;Ha, daar is een bloem, die op de rots uit het
+water opschiet.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Raak haar eens met den vinger aan, Willem,&rdquo; sprak
+Flink.</p>
+<p>Willem deed dit, en de bloem, gelijk hij haar noemde, sloot zich
+oogenblikkelijk.</p>
+<p>&bdquo;Hoe, wat is dat? Het is vleesch en leeft!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is het ook. Ik heb ze vroeger meer gezien; men noemt ze,
+meen ik, zee-anemonen, doch ik kon nooit te weten komen, of het
+schelpdieren zijn of niet. De natuur is toch bewonderenswaardig! Maar
+laat ons nu die landtong eens opgaan en zien, of wij ook een doorgang
+door de riffen vinden kunnen. De zon gaat onder en wij hebben nu nog
+maar &eacute;&eacute;n uur licht. Vooraf moeten wij ook nog eene
+slaapplaats opzoeken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar wat is dat?&rdquo; riep Willem en wees naar het
+zand;&mdash;&bdquo;dat ronde, zwarte ding?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Iets, dat ik blij ben hier te zien; eene schildpad. Zij komen
+om dezen tijd tegen den avond aan land, om hare eieren te leggen, die
+zij onder het zand begraven.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb65"
+href="#pb65" name="pb65">65</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Kunnen wij haar niet vangen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O ja; als wij haar slechts stilletjes naderen. Maar vooral
+moogt gij haar niet in den rug komen, want dan werpt zij met haar
+staart en hare achterpooten of vinnen zulk een wolk van zand over u
+heen, dat gij er blind van wordt en zij gemakkelijk kan ontsnappen. Om
+deze beesten te vangen, moet men hen van boven aanvatten en bij een der
+voorvinnen op den rug omwentelen. Dan kunnen zij zich niet meer bewegen
+en blijven stil liggen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Laat ons het dan eens met deze hier beproeven.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat zou zeer onverstandig zijn, mijn beste Willem, daar wij
+het beest toch niet mee kunnen nemen en het morgen in de hitte sterven
+zou, zonder dat iemand er dienst van had. Men mag geen schepsel
+doelloos van het leven berooven, en zoo wij nu deze schildpad
+vermaakshalve dooden wilden, kon het licht gebeuren, dat wij een
+andermaal, als wij ze noodig hadden, er geen vonden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat had ik niet bedacht, Flink. Als wij eens hier wonen,
+kunnen wij ze, hoop ik, zoo dikwijls vangen, als wij
+verkiezen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, dat is niet waarschijnlijk; zij komen alleen gedurende
+den broeitijd aan land. Maar wij willen ergens een schildpadvijver
+aanleggen, die uit zee frisch water krijgt en waaruit zij ons niet
+weder ontsnappen kunnen. Die wij dan vangen, zetten wij in den vijver
+en halen ze er uit, zoo dikwijls wij lust hebben.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is een zeer goed plan,&rdquo; antwoordde Willem.</p>
+<p>Onder zulke gesprekken vervolgden zij hunne wandeling. Zij moesten
+zich met moeite een weg banen door het struikgewas, dat verder den
+landtong op steeds dichter werd, en stonden weldra op den uitersten
+uithoek.</p>
+<p>&bdquo;Wat is dat daar ginder?&rdquo; riep Willem en wees met de
+hand naar de rechterzijde.</p>
+<p>&bdquo;Dat is een tweede eiland, Willem, en ik ben zeer verheugd het
+te zien, ofschoon &rsquo;t al niet gemakkelijk te bereiken zal zijn,
+als wij eens genoodzaakt mochten worden dit eiland hier om gebrek aan
+water te verlaten. Echter is &rsquo;t nog altijd mogelijk, dat dit ons
+gelukken kan. In allen gevalle is het een veel grooter eiland dan het
+onze,&rdquo; vervolgde Flink en mat met de oogen de uitgestrektheid van
+den gezichteinder, aan welks rand hij de toppen der boomen zien kon.
+&bdquo;Kom nu, jonge kameraad; voor onzen eersten dag hebben wij ons
+redelijk goed gehouden. Ik ben vrij moe, en gij, dunkt mij, zult ook
+uwe beenen wel voelen. Laat ons dus omkeeren en naar eene rustplaats
+voor den nacht omzien.&rdquo;</p>
+<p>Zij keerden naar den zoom van het kokosbosch terug. Daar pakten zij
+<span class="pagenum">[<a id="pb66" href="#pb66" name=
+"pb66">66</a>]</span>eenige hoopen dorre bladeren opeen en bereidden
+zich daaruit een zachte legerstede onder de boomen.</p>
+<p>&bdquo;Nu nog een teugje water gedronken en ons dan tot rusten
+neergelegd,&rdquo; zeide de oude man. &bdquo;Zie de lange schaduw,
+Willem, die de boomen in de zon werpen! Binnen een paar minuten zal
+deze geheel onder zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Mag ik onzen honden nu water geven? Zie eens, de arme Remus
+heeft de tong uit den bek hangen en lekt aan de
+flesschen,&mdash;zoo&rsquo;n dorst heeft hij.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, neen, zij krijgen nu niets. Gij zult dit hard vinden,
+maar het moet zoo wezen. Morgen kunnen wij de scherpe zintuigen dezer
+dieren noodig hebben: hun dorst zal hun dan dubbel oplettend maken en
+kan ons van groot nut zijn. Wij weten nooit, welk lot ons boven het
+hoofd hangt. Had gij voor eene maand wel gedacht, dat gij u nu in
+&rsquo;t gezelschap van een oud man op dit eiland bevinden en daar
+onder den blooten hemel slapen zoudt? Als iemand u dat toen voorspeld
+had, zoudt gij het nooit geloofd hebben. En nu goeden nacht, mijn
+jongen!&rdquo;</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch16" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">ZESTIENDE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">WATER.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Willem sliep zoo goed, alsof hij op het zachtste bed
+en in een warm vertrek gerust had, en Flink insgelijks. Beiden
+ontwaakten eerst, toen de zon lang aan den hemel stond. De arme honden
+leden hevige dorst, en het deed Willem zeer aan het hart, te zien hoe
+zij huilend en bijna versmachtend met uitgestrekte tongen tot hem
+opkeken.</p>
+<p>&bdquo;Hoe is &rsquo;t Willem,&rdquo; vroeg Flink hem, &bdquo;willen
+we, voordat we opbreken, ons ontbijt nemen, of zullen wij eerst eene
+wandeling doen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Flink, ik kan waarlijk zelf geen droppel drinken, ofschoon ik
+heel dorstig ben, voordat gij aan deze arme beesten een weinigje water
+geeft.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik heb medelijden met de arme stomme schepsels, zoo goed als
+gij, jongen, en geloof mij, het geschiedt niet uit onbarmhartigheid,
+maar integendeel tot hun eigen en ons aller best, dat ik hun dat nog
+onthoud. Laat ons dan maar dadelijk eens de ronde doen en zien, of wij
+niet ergens water vinden. Daar ginder bij die kleine kloof aan de
+rechterhand willen wij het eerst beproeven, en lukt het daar niet, dan
+gaan wij verder op en zien, waar het water gedurende den regentijd zijn
+afloop gehad heeft.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb67" href=
+"#pb67" name="pb67">67</a>]</span></p>
+<p>De knaap keurde dit dadelijk goed. De honden volgden hen, en Flink
+had nog eene schop bij zich, die hij op den schouder droeg. Spoedig
+kwamen zij in de kleine laagte, waar de dieren den neus aan den grond
+brachten en hijgend rondsnuffelden.</p>
+<p>Het oog van den ouden man volgde aandachtig al hunne bewegingen,
+totdat zij zich eindelijk kreunend nederlegden.</p>
+<p>&bdquo;Wij moeten verder gaan, Willem,&rdquo; zeide hij, in
+gedachten verzonken. Zoo naderden zij eene plaats, waar een afloop van
+het water scheen geweest te zijn; de honden snuffelden hier nog
+ijveriger rond.</p>
+<p>&bdquo;Gij ziet, Willem, de arme dieren verlangen nu zoo geweldig
+naar water, dat zij het zeker oproepen, als het ergens voorhanden is,
+terwijl wij zonder hen nooit iets hadden kunnen vinden. Ik reken niet
+op eene openliggende wel, maar daarom is het toch wel mogelijk, dat
+hier of daar onder den grond water verborgen zit. Dit gedeelte van het
+strand is niet ver genoeg van zee verwijderd, anders zou ik hier in het
+zand daarnaar graven.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;In het zand! Zou dat dan niet zout smaken?&rdquo; vroeg
+Willem.</p>
+<p>&bdquo;Op behoorlijken afstand van het zeestrand niet: want gij moet
+weten, mijn jongen, dat het zand al langzamerhand het zeewater reinigt,
+zoodat men, als de zandige oever breed is, op punten, die het verst van
+het hoogste zeepeil af liggen, bij opgraving dikwijls zoetwater vindt,
+dat wel wat ziltig, maar toch goed om te drinken is. Ik wou wel, dat
+deze omstandigheid onder de zeelieden beter bekend was, dan zij
+werkelijk is;&mdash;menig brave jongen zou daardoor een langzamen
+marteldood ontgaan zijn. Er is niets vreeselijkers dan gebrek aan water
+te lijden. Ik weet wat het is op een pintje elken dag bepaald te zijn
+en hoop dat nooit weer te ondervinden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zie eens, Flink, hoe druk Romulus en Remus met hunne pooten
+daar omlaag den grond opkrabben.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Den Hemel zij dank, mijn goede Willem; gij weet niet, wat
+blijde tijding gij mij daar verkondigt, want om de waarheid te zeggen,
+begon ik mij al ernstig ongerust te maken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar waarom wroeten zij dan toch zoo?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wel omdat daar water is. Nu ziet gij, hoe goed het was, dat
+wij hen eenige uren dorst lieten lijden: &rsquo;t is waarschijnlijk ons
+aller behoud, daar wij eene wel moesten vinden of anders het eiland
+verlaten. Wij zullen de dieren nu met de schop helpen, en spoedig
+zullen ze drinken hebben in overvloed.&rdquo;</p>
+<p>De oude man ijlde op de plaats toe, waar de honden nog altijd met
+wroeten voortgingen. Zij waren tot den vochtigen bodem gekomen en
+werkten zoo ijverig, dat Flink moeite had hen van de stee te
+verdrijven, om zelfs de spade <span class="pagenum">[<a id="pb68" href=
+"#pb68" name="pb68">68</a>]</span>te kunnen gebruiken. Hij had pas twee
+voet diep gegraven, of het water begon te borrelen, en in minder dan
+vijf minuten was er reeds zooveel voorhanden, dat de honden naar
+hartelust drinken konden.</p>
+<p>&bdquo;Zie eens, Willem, hoe hen dat verkwikt. Dit was het eenige,
+dat ons ontbrak: maar ook iets, dat onontbeerlijk is. Thans hebben wij
+alles, wat wij op dit eiland wenschen kunnen, en zoo wij maar tevreden
+zijn, moeten wij hier recht gelukkig worden,&mdash;ja, rijker dan
+menigeen, die zich afslooft om rijkdommen bijeen te schrapen en toch
+niet weet wat gebruik hij er van maken moet. Kijk, onze goede dieren
+hebben nu ten laatste ook genoeg,&mdash;en wat hebben ze zich kogelrond
+gedronken! Wat dunkt u, Willem, zullen we thans omkeeren en zien, dat
+wij wat te eten krijgen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja,&rdquo; antwoordde deze; &bdquo;nu zal mij dat eerst recht
+smaken en wil ik ook weer een duchtigen slok water nemen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dit is hier een rijke bron, daar ben ik zeker van,&rdquo;
+zeide Flink, terwijl zij naar de plaats van hun nachtleger terugkeerden
+en hunne knapzakken onderzochten; &bdquo;maar wij moeten haar hooger op
+onder de boomen nasporen, waar geen zon komt: daar hebben wij het water
+altijd koel en frisch en kan het niet opdrogen.&mdash;We zullen de
+handen vol werk krijgen, en dat voor maanden, indien we hier blijven
+willen. De plaats, waar we nu zijn, zal eene kostelijke gelegenheid
+wezen, om daarop ons huis te bouwen.&rdquo;</p>
+<p>Zoodra zij hun eenvoudig maal genuttigd hadden, stond de oude man
+weer op en zei:</p>
+<p>&bdquo;Kom jongen, nu naar &rsquo;t strand! Ik heb nog geen opening
+tusschen de klippen gevonden, en daar ons bootje altijd dezen kant van
+het eiland langs moet komen, dien ik toch te zien, of er niet een
+behoorlijke doortocht te vinden is. Het komt mij voor, dat de branding
+niet tot dat punt ginds reikt, en als daar een doorvaart is, mochten
+wij ons wel gelukkig rekenen.&rdquo;</p>
+<p>Aan den uithoek van de landtong gekomen, bevonden zij, dat Flink
+zich in zijn vermoeden niet had bedrogen. Het water was diep tot dicht
+aan het strand en vormde een kanaal van ettelijke roeden breedte. De
+zee was zoo effen, het water zoo glad en doorschijnend, dat zij tot op
+den rotsachtigen grond neerzien konden en de visschen in de diepte
+zagen zwemmen.</p>
+<p>&bdquo;Zie eens,&rdquo; riep Willem en wees naar een punt op eenigen
+afstand in zee, &bdquo;daar is een groote haai, Flink.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, ik zie hem wel,&rdquo; antwoordde deze. &bdquo;Hier in
+het rond zijn die zeker in menigte, en gij moet uiterst voorzichtig
+zijn, als gij in het water gaat. De haaien houden zich altijd aan lij
+van de eilanden op, en in plaats van den eenen, dien wij ginds vonden,
+toen Juno uw broertje baadde, kunt gij hier <span class=
+"pagenum">[<a id="pb69" href="#pb69" name="pb69">69</a>]</span>vijftig
+zien. Het eerste, waaraan wij thans denken moeten, is dat wij zoo
+schielijk mogelijk van de andere zijde hierheen zoeken te
+verhuizen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zullen wij vandaag nog teruggaan?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik denk van ja, want hier kunnen wij toch niets doen, terwijl
+uwe moeder zeker reeds in angst en zorgen over u is. Het is nog geen
+middag, naar &rsquo;t mij voorkomt, en wij hebben nog tijd genoeg
+v&oacute;&oacute;r ons, daar wij nu een bekend pad gaan en ons niet met
+merken en zoeken hebben op te houden. Onze bijlen en de schop kunnen
+wij hier laten; ze mee terug te sleepen zou vergeefsche moeite zijn.
+Het geweer zal ik bij mij houden, want ofschoon niet waarschijnlijk,
+kan dat toch te pas komen. Eerst zullen wij nog eens teruggaan en zien,
+of onze wel goed water geeft, en dan trekken wij op.&rdquo;</p>
+<p>Het strand langs gaande, zagen zij vele zeevogels, die dicht om hen
+heen fladderden. Plotseling kwam een zwerm visschen in bonte verwarring
+op den oever schieten; haar volgden eenige grootere, die nu ook op het
+drooge lagen en naar water snakten, totdat de zeevogels op eens dicht
+voor de beide wandelaars neerstreken, de visschen in hunne klauwen
+oppakten en met die prooi ijlings wegvlogen.</p>
+<p>&bdquo;Dat is toch vreemd,&rdquo; riep Willem verwonderd.</p>
+<p>&bdquo;Ja, Willem, dat is het werkelijk. Maar daaraan kunt gij zien,
+hoe het in de wereld gaat: de kleine visschen werden door de grootere
+gejaagd en vluchtten in hunne angst op den oever. Die grootere waren
+zelve zoo begeerig, dat ook zij aan land kwamen, en toen schoten de
+vogels toe en pakten groot en klein op. Daar ligt een goede leering in,
+Willem: als men iets te driftig najaagt, stort men zich licht
+blindelings in gevaar.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar de kleine visschen hadden toch niets, dat zij
+najaagden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, ik bedoelde daarmee de grootere slechts;&mdash;bij de
+kleine was het hier van den regen in den drop,<a id="xd21e1671" name=
+"xd21e1671"></a> zooals het spreekwoord zegt. <a id="xd21e1673" name=
+"xd21e1673"></a>Maar laat ons nu naar de wel gaan.&rdquo;</p>
+<p>Zij vonden het gat, dat Flink gegraven had, geheel met water gevuld,
+en toen zij dit proefden, was het volmaakt zoet en aangenaam van smaak.
+Zeer verheugd over deze ontdekking, legden zij de dingen, die zij
+wilden achterlaten, onder de gemerkte kokosboomen neer, dekten er
+eenige takken en bladeren overheen en namen toen met hunne honden de
+terugreis aan naar de kleine bocht. <span class="pagenum">[<a id="pb70"
+href="#pb70" name="pb70">70</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch17" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">STORM AAN LAND.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De teekens, die zij den vorigen dag gemaakt hadden,
+volgende, kwamen onze landontdekkers zeer spoedig door het woud en
+waren binnen twee uren dicht aan den uitgang, terwijl zij op den
+heenweg bijna acht uren hadden noodig gehad, om denzelfden afstand af
+te leggen.</p>
+<p>&bdquo;Ik voel den wind al, Flink,&rdquo; zeide Willem, &bdquo;en
+wij moeten het bosch nu bijna ten einde zijn. Het komt mij voor, dat
+het zeer donker is.&rdquo;</p>
+<p><span class="corr" id="xd21e1688" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>Dat heb ik daar ook al gedacht,&rdquo;
+antwoordde de oude man, &bdquo;en &rsquo;t zou me niet verwonderen, dat
+er weer een storm in aantocht was. We moeten ons dus haasten, daar uwe
+moeder zeker ongerust zal zijn.&rdquo;</p>
+<p>Het waaien en schudden der boomtakken, nu en dan eene windvlaag,
+waarop een zonderling gehuil en gekraak volgde, dit alles overtuigde
+hem spoedig, dat er werkelijk een storm te vreezen was; en toen zij uit
+het bosch traden, zagen zij den hemel, zoover hun oog reikte, met een
+donkere loodkleur overtrokken en van het vroolijk glanzend blauw,
+waarin hij zich tot hiertoe vertoond had, was geen spoor meer
+overig.</p>
+<p>&bdquo;Daar komt inderdaad een storm, en dat met volle
+zeilen,&rdquo; zeide Flink bij het verlaten van het woud.
+&bdquo;Schielijk naar de tenten, jongen; wij moeten zorgen, dat alles
+zoo zeker zij, als wij het met mogelijkheid maken kunnen.&rdquo;</p>
+<p>De honden liepen vooruit en hun geblaf lokte mijnheer Wilson en Juno
+naar buiten, die zoodra zij de beide aankomenden zagen, aan de moeder,
+die met de kinderen binnen was gebleven, het afgesproken teeken gaven.
+Een oogenblik later lag de knaap in de armen zijner hoogst verheugde
+moeder.</p>
+<p>&bdquo;Ik ben blij, dat gij terug zijt, Flink,&rdquo; sprak mijnheer
+Wilson en schudde hem de hand, nadat hij Willem omhelsd had;
+&bdquo;want ik vrees, dat er boos weer ophanden is.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is zeker,&rdquo; antwoordde Flink, &bdquo;en wij moeten
+ons op een stormachtigen nacht voorbereiden. De hemel ziet er wezenlijk
+schrikwekkend uit. Het zal een van de stormen zijn, die gewoonlijk den
+regentijd voorafgaan. Intusschen brengen wij u goede tijding, mijnheer,
+en moeten dit als eene aansporing beschouwen, om onze verhuizing
+zooveel mogelijk te verhaasten. Na dezen storm zullen wij eene maand of
+daaromtrent goed weder hebben, misschien nu en dan eens met een kleinen
+storm daartusschen. Daartoe moeten wij thans terdeeg aan het werk; en
+als gij &rsquo;t goed vindt, mijnheer, zullen wij <span class=
+"pagenum">[<a id="pb71" href="#pb71" name="pb71">71</a>]</span>nu
+dadelijk den eersten noodigen maatregel van voorzorg nemen en naar het
+strand gaan, gij, Juno, Willem en ik. Daar moeten wij onze boot, zoover
+wij kunnen, op het drooge sleepen, want de zee zal hoog gaan en spoedig
+zal die boot onzen voornaamsten steun uitmaken.&rdquo;</p>
+<p>Flink ging nu de einden der tentsparren afzagen, ten einde ze onder
+de kiel der boot te leggen en zoo als rollen te gebruiken, en daarop
+daalden alle vier van den oever af. Met gezamenlijke krachten gelukte
+het spoedig, de boot hoog op tusschen de struiken te sleepen, waar
+Flink haar inderdaad ten volle in zekerheid verklaarde.</p>
+<p>&bdquo;Ik was eigenlijk voornemens, zonder uitstel aan het oplappen
+er van te gaan,&rdquo; zeide hij: &bdquo;maar nu moet ik wachten, tot
+de storm voorbij is. Ook had ik gehoopt, nog eens aan boord te zullen
+kunnen gaan, om nog eenige dingen te halen, die mij later invielen dat
+ons nuttig konden zijn, en dan te zien, of onze arme koe nog in leven
+is; maar ik vrees zeer,&rdquo; vervolgde hij, naar de lucht ziende,
+&bdquo;dat wij het wrak van De Vrede nooit weer betreden zullen. Hoor
+het loeien van den opkomenden storm, mijnheer; zie, hoe de zeevogels
+rondfladderen en krassen, alsof ze ons onheil te voorspellen hadden!
+Doch we mogen niet te lang dralen, mijnheer;&mdash;de tenten moeten
+steviger worden vastgemaakt, zoodat ze tegen de windstooten bestand
+zijn, want het zou een leelijk ding voor mevrouw en de kleinen zijn,
+als ze eens onverwacht werden opgenomen en naar den boschkant
+heengeblazen.&rdquo;</p>
+<p>Toen zij bij de tenten terugkwamen, vonden zij den kleinen
+Thomas<span class="corr" id="xd21e1710" title="Bron: ;">,</span> die
+met veel deftigheid op hen toetrad.</p>
+<p>&bdquo;Ei, dag, Thomas;&mdash;hoe gaat het u?&rdquo; vroeg
+Willem.</p>
+<p>&bdquo;O, heel goed; ik ben wel en moeder ook; gij hadt gerust weg
+kunnen blijven; ik zorg voor hen allemaal.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Daar twijfel ik geen oogenblik aan, mijn beste jongen; gij
+zult wel goed voor alles gezorgd hebben,&rdquo; gaf Flink ten antwoord.
+&bdquo;Nu moet gij ons helpen, om zeildoek en touw bijeen te zoeken,
+opdat wij den regen beletten in moeders tent te dringen. Zoo, geef mij
+de hand maar en kom mee; wij zullen &rsquo;t aan Willem overlaten, aan
+moeder te vertellen, wat wij onderwijl gedaan hebben.&rdquo;</p>
+<p>Met de hulp van mijnheer Wilson pakte Flink stukken zeildoek en
+touwen, zooveel hij noodig had, bijeen en begon die als een dubbel dek
+tot beschutting tegen den regen over de tenten uit te spreiden. Het
+linnen werd door middel van stevige lijnen en koorden aan de boomen
+vastgemaakt, om te verhinderen dat de tenten omverwoeien, terwijl Juno
+gebruikt werd om de greppel, die reeds om de tenten heen liep, met eene
+schop nog verder <span class="pagenum">[<a id="pb72" href="#pb72" name=
+"pb72">72</a>]</span>uit te diepen, zoodat het water een behoorlijken
+afloop had. Zij werkten ijverig door, totdat alles verricht was, en
+zetten zich toen tot het gebruiken van een eenvoudigen maaltijd neder.
+Al voortarbeidende, had Flink mijnheer Wilson zijne ontdekkingen op het
+jongste verkenningstochtje meegedeeld, en allen hadden hartelijk
+gelachen, toen hij het avontuur met de varkens vertelde.</p>
+<p>Na het ondergaan der zon werd het weder nog dreigender. De wind
+blies reeds hevig, de rotsige bocht werd door de golven gezweept en was
+met wit schuim overdekt, terwijl de branding woest brulde, zoo dikwijls
+zij over het zand van den oever brak. De geheele familie, met
+uitzondering van Flink, was te bed gegaan; deze had gezegd, het weer
+nog een weinig te willen afwachten, voordat hij zich ter ruste legde.
+De oude man ging naar den oever en zette zich op den rand van de boot,
+die zij daar straks eerst tusschen de struiken in veiligheid gebracht
+hadden. Hier bleef hij zitten en liet het scherpe grijze oog rondgaan
+in de verte, die slechts &eacute;&eacute;ne dichte donkere massa
+vormde, waarin alleen het witte schuim van het water nu en dan enkele
+flauwe lichttinten wierp.</p>
+<p>Nog niet lang had hij daar in gedachten verdiept gezeten of een
+vurige bliksemstraal benam den ouden man voor een korten tijd het
+gezicht. &bdquo;De storm zal weldra zijne volle hoogte bereikt
+hebben,&rdquo; dacht hij. &bdquo;Ik zal naar de tenten gaan en zien, of
+die het tegen den wind uithouden kunnen.&rdquo; Hij nam den terugweg
+aan, en nu begon de regen in stroomen neer te plassen en bulderde de
+wind met verdubbelde woede. In weinige minuten nam de duisternis
+zoodanig toe, dat hij het pad naar de hoogte slechts met moeite vinden
+kon. Hij keerde zich in &rsquo;t rond, doch kon niets zien, daar de
+regen hem de oogen verblindde. Daar hij toch niets doen kon, liep hij
+de tent in, om daar te schuilen, maar legde zich niet neer, in de
+verwachting dat zijn bijstand misschien spoedig zou vereischt worden.
+Hoewel al de overigen te bed waren gegaan, hadden slechts Thomas en de
+beide kleinen zich ontkleed, doch vader, moeder, Willem en Juno zich
+gekleed en al ter ruste gelegd.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch18" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">ACHTTIENDE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">NA REGEN VOLGT ZONNESCHIJN.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De storm woedde nu met geweld en bliksem en donder
+wisselden elkaar onophoudelijk af. De kinderen werden wakker en hieven
+een luid gejammer aan, totdat het eindelijk gelukte hen tot bedaren en
+weder in slaap te brengen. <span class="pagenum">[<a id="pb73" href=
+"#pb73" name="pb73">73</a>]</span>De wind loeide verschrikkelijk en
+stond met zijn volle kracht op de tenten, waar de regen kletterend op
+neer sloeg. Het eene oogenblik werd het linnen binnenwaarts gedrukt en
+schuurden en kraakten de touwen, alsof zij dadelijk in stukken zouden
+springen; dan weder dreef de tegenovergestelde luchtstroom het
+fladderende zeildoek naar buiten, terwijl de regen reeds op
+onderscheidene plaatsen begon door te dringen. Het was stikdonker en de
+woede der elementen scheen eindelijk haar toppunt te hebben bereikt.
+Gelijk wij vroeger gezegd hebben, was mevrouw Wilson&rsquo;s tent niet
+zoover van het strand verwijderd als de tweede later opgerichte en
+stond dus ook meer aan den wind blootgesteld. Tegen middernacht scheen
+de gansche natuur in oproer te geraken. Op eens hoorden de mannen een
+luid gekraak, dat dadelijk door het noodgeschrei van mevrouw Wilson en
+Juno gevolgd werd. De tentprikken waren uit den grond gerukt en de
+verschrikte vrouwen zoo op eenmaal van alle dak en beschutting beroofd.
+Terstond vloog de oude man naar buiten en Willem en zijn vader volgden
+hem op den voet. De wind was zoo sterk, de regen sloeg hun zoo heftig
+in het gezicht en de nacht was zoo donker, dat zij alle krachten noodig
+hadden, om de vrouwen en kinderen uit de omvergeworpen tent te
+bevrijden. De kleine Thomas was de eerste, dien Flink beet kreeg. Zijn
+moed was geheel weg, hij gilde van angst en was niet tot bedaren te
+brengen, Willem nam zijn broertje Albert op den arm en droeg hem in de
+andere tent, waar Thomas in zijn doornat hemd op den grond omkroop en
+de jammerlijkste klaagtonen liet hooren. Juno, mevrouw Wilson en de
+kleine Caroline werden het laatst onder de tweede tent in veiligheid
+gebracht. Gelukkig had niemand zich bezeerd, maar allen waren doodelijk
+ontsteld en de kleine schreide en snikte luid, wat echter nauwelijks
+gehoord werd, daar het loeien der zee en het bulderen der windvlagen
+alle andere geluiden geheel verdoofde. Het was een lange vreeselijke
+nacht, dien men zoo in angst en zorg doorbracht, tot eindelijk de lang
+gewenschte morgen aanbrak. Met de eerste schemering verliet Flink de
+tent en bevond tot zijne geruststelling, dat de storm reeds zijne woede
+had uitgeput en merkbaar aan het afnemen was. Nochtans was het heden
+niet zulk een heldere vroolijke morgen, als waaraan zij sinds hunne
+landing op het eiland gewoon waren; de hemel stond nog dreigend, en
+zwart en wild dreven de wolken daaraan rond; de zon bleef onzichtbaar
+en niet een enkel plekje blauw was door de nevelachtige atmosfeer te
+bemerken. Het regende nog voortdurend, ofschoon niet sterk meer, en de
+grond was doorweekt en glibberig. De kleine baai, die nog den avond te
+voren een zoo stil en vreedzaam aanzien had, was thans door
+wildschuimende en loeiende golven opgevuld <span class=
+"pagenum">[<a id="pb74" href="#pb74" name="pb74">74</a>]</span>en de
+branding sloeg ver over het strand heen. De gezichteinder was mistig en
+onduidelijk; men kon den hemel niet van het water onderkennen en het
+gansche eiland scheen in een wijden kring van wit <span class="corr"
+id="xd21e1738" title="Bron: sparrend">spattend</span> zeeschuim
+besloten. Flink wendde zijne oogen naar de plaats, waar het schip op de
+riffen had vastgezeten. Daar was niets meer te zien,&mdash;het wrak was
+op eens verdwenen! slechts hier en daar zag men er de planken en luiken
+van, die met alles, wat in het ruim geborgen was geweest, overal
+ronddreven of nog in de woeste branding het strand beurtelings naderden
+en ontvloden.</p>
+<p>&bdquo;Ik dacht wel, dat het zoo gaan zou,&rdquo; zeide Flink tot
+mijnheer Wilson, die hem gevolgd was, om eens naar het schip om te
+zien; &bdquo;zie maar, de storm heeft het geheel in splinters geslagen.
+Dat kan ons tot aansporing zijn, om hier niet langer te blijven. Wij
+moeten van &rsquo;t goede weer, dat wij voor &rsquo;t invallen van den
+regentijd waarschijnlijk nog hebben zullen, zooveel mogelijk partij
+trekken en mogen volstrekt geen tijd verliezen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik ben dat volkomen met u eens, Flink,&rdquo; antwoordde
+mijnheer Wilson.&mdash;&bdquo;Dat daar is ook eene aanmaning om spoed
+te maken,&rdquo; en hij wees naar de door den wind omvergeworpen tent.
+&bdquo;Het is wezenlijk een geluk, dat geen van de onzen daarbij letsel
+heeft bekomen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, waarlijk, mijnheer; maar de storm is nu gebroken en
+morgen zullen wij weer mooi weer hebben. Laat ons nu eens gaan opnemen,
+wat wij met de tent doen kunnen. Willem en Juno zullen in dien
+tusschentijd wel naar een ontbijt voor ons omzien.&rdquo;</p>
+<p>Met deze woorden gingen zij aan den arbeid. Zij voorzagen de tent
+opnieuw van stevige prikken en touwen en brachten haar weldra weder in
+behoorlijken staat, behalve dat de bedden en dekens nog doornat waren
+en in den wind moesten worden te drogen gehangen. Nadat dit gedaan was,
+zetten zij zich neder tot het ontbijt, waartoe Juno hen juist was komen
+roepen<span class="corr" id="xd21e1749" title="Bron: ,">.</span></p>
+<p>&bdquo;Voor &rsquo;t oogenblik kunnen wij weinig meer doen,
+mijnheer,&rdquo; zeide Flink. &bdquo;Tegen den avond zal het linnen zoo
+nat niet meer zijn, en dan zullen wij er beter mee kunnen omgaan.
+Eindelijk zie ik eene opening in de wolken, die spoedig ander weer
+belooft; de storm was ook al te hevig, om heel lang aan te houden.
+<a id="xd21e1754" name="xd21e1754"></a>En nu<span class="corr" id=
+"xd21e1756" title="Niet in bron">,</span>&rdquo; vervolgde hij,
+&bdquo;willen we nog eerst al onze krachten inspannen, om de
+aangespoelde goederen te redden, die, als ze te lang omdrijven, tegen
+de rotsen worden stukgeslagen. Juno kunnen wij daarbij missen, en ik
+hoop, dat wij ons ook zonder den braven Thomas wel redden zullen. Het
+is beter, dat hij bij moeder blijft en zorgt, dat haar hier geen
+ongeluk overkomt.&rdquo;</p>
+<p>Thomas was echter door het gebeurde van dien nacht nog geheel uit
+zijn humeur en verkoos boe noch ba te zeggen. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb75" href="#pb75" name="pb75">75</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch19" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">NEGENTIENDE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">DE WONDEREN DER NATUUR.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Weldra stonden zij aan het strand. Flink had onder den
+reeds geborgen voorraad een stevig, lang touw opgezocht en daarmede
+werden nu de tonnen en wat meer nog van het verbrijzelde schip door de
+golven werd aangespoeld, vastgebonden en zoover mogelijk op het drooge
+gesleept. Dit werk hield hen gedurende het grootste gedeelte van den
+dag bezig en nog hadden zij niet het vierde deel der goederen
+bijeengebracht, die zich binnen hun bereik ophoopten behalve nog de
+menigte van gereedschappen, die buiten op de zee en aan den ingang der
+bocht omdobberden.</p>
+<p>&bdquo;Kom mijnheer,&rdquo; zeide Flink eindelijk, &bdquo;voor
+vandaag hebben wij onze taak verricht. Morgen zullen wij nog meer
+kunnen uitvoeren, want de zee wordt nu reeds weer effen en de zon komt
+van achter gindsche wolken te voorschijn. Wij moeten nu ook voor onze
+maag zorgen en dan zien, hoe wij ons dezen nacht het best behelpen
+kunnen.&rdquo;</p>
+<p>De eene tent, die door den storm was verschoond gebleven, werd aan
+mevrouw Wilson en hare kinderen afgestaan en de andere, zoo goed het
+geschieden kon, weer inderhaast hersteld. Het beddegoed was nog op
+verre na niet droog, en dus nam men zijne toevlucht tot eenige zeilen,
+die dieper in het bosch minder van den regen hadden te lijden gehad, en
+spreidde die op den grond uit, om er de vermoeide leden gedurende den
+nacht op uit te strekken.</p>
+<p>Den volgenden morgen scheen de zon helder en vroolijk. De lucht was
+geurig en frisch; een zacht windje speelde over het water en er was
+bijna in het geheel geen branding meer. Voortdurend werden allerlei
+overblijfselen van het wrak door den wind aan land gebracht; vele
+goederen waren gedurende den nacht langs het strand opeengehoopt en bij
+eene menigte andere had men slechts geringe moeite noodig om ze geheel
+in veiligheid te brengen. Het scheen wel dat de stroom des waters recht
+op de bocht stond, want van de voorwerpen, die eerst buiten in de zee
+hadden omgedreven, kwamen nu de meeste van lieverlede in deze richting
+aan land gespoeld. De beide mannen werkten tot aan het uur van het
+ontbijt door en hadden toen een aantal tonnen, vaten en kisten aan den
+oever gehaald.</p>
+<p>Dadelijk na het ontbijt keerden zij naar de baai terug om hun arbeid
+voort te zetten.</p>
+<p>&bdquo;Zie eens, Flink, wat is dat?&rdquo; vroeg Willem, die bij hem
+was en op een zwart punt wees, dat langzaam kwam aandrijven.
+<span class="pagenum">[<a id="pb76" href="#pb76" name=
+"pb76">76</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Dat is onze arme koe; en als gij nauwkeuriger toeziet, zult
+gij ook de haaien bemerken, die op het kreng azen. Ziet gij
+wel?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O ja, duidelijk en wat een menigte zijn er!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Er zijn er zeker genoeg om twintig koeien te verslinden; en
+wees dus maar voorzichtig, Willem als gij in het water gaat, en pas op,
+dat Thomas er niet te dicht bij komt, want de haaien geven om geen
+ondiepte, als ze een buit voor zich zien.&mdash;Maar nu moet ik u
+beiden overlaten nog zooveel van het wrak te redden, als gij kunt,
+terwijl ik onze boot nazie en haar weer in orde breng. Wij zullen haar
+binnenkort noodig hebben, en hoe eer wij haar gebruiken kunnen, des te
+beter.&rdquo;</p>
+<p>De oude man ging het gereedschap halen, dat hij tot herstelling van
+de boot noodig had. Inmiddels verzamelden vader en zoon ijverig de
+verschillende voorwerpen, die aan het strand spoelden, en rolden de
+vaten zoo ver opwaarts, als zij konden. De houten en balken van het
+schip lieten zij aan het spel der golven over, omdat zij daarvan reeds
+zulk een voorraad bijeen hadden, als voor den eersten, ja voor langen,
+langen tijd <span class="corr" id="xd21e1789" title=
+"Bron: toerijkend">toereikend</span> kon geacht worden.</p>
+<p>Daar Flink zekerlijk eenige dagen noodig zou hebben, om de boot
+weder waterdicht en bruikbaar te maken, besloot mijnheer Wilson nu ook
+op zijne beurt eens met Willem naar de andere zijde van het eiland te
+gaan; en daar zijne vrouw er geen bezwaar in vond met Flink en Juno
+alleen te blijven, begaven beide zich den derden dag na den storm al
+vroegtijdig op weg. Willem ging vooruit en richtte zich naar de
+teekenen, die op de kokosboomen te zien waren. In twee uren tijds
+hadden zij ditmaal de plaats hunner bestemming bereikt.</p>
+<p>&bdquo;Is het hier niet schoon, vader?&rdquo; riep Willem uit.</p>
+<p>&bdquo;Ja, heerlijk, verrukkelijk, mijn beste jongen,&rdquo; was het
+antwoord.</p>
+<p>&bdquo;Ik kon mij bijna niets fraaiers voorstellen dan het plekje op
+de andere zijde van het eiland, waar wij tot hiertoe woonden, maar dit
+overtreft het nog zoowel in verscheidenheid <span class="corr" id=
+"xd21e1800" title="Bron: al">als</span> in uitgestrektheid.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En nu moeten wij eens naar de wel gaan zien, vader,&rdquo;
+vervolgde Willem en wees den weg dien zij hadden in te slaan.</p>
+<p>De door Flink gegraven kuil en de geheele holte, waarin deze gelegen
+was, stond tot overvloeiens vol en bevatte het heerlijkste water. Na
+zich hiervan overtuigd te hebben, wandelden zij het strand langs naar
+de zandige baai en zetten zich daar op eene koraalklip neder.</p>
+<p>&bdquo;Wie had ooit gedacht, Willem,&rdquo; begon de vader,
+&bdquo;dat dit eiland met zoovele andere, die in menigte in den Stillen
+Oceaan verstrooid liggen, zijn <span class="pagenum">[<a id="pb77"
+href="#pb77" name="pb77">77</a>]</span>ontstaan aan kleine nietige
+insecten kon te danken hebben, die nauwelijks zoo groot als eene
+speldeknop zijn!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Insecten, vader?&rdquo; riep de knaap uit.</p>
+<p>&bdquo;Ja! insecten. Geef mij dat stukje dood koraal eens. Ziet gij
+die honderden ronde kleine gaatjes in elk takje, tot zelfs in het
+kleinste toe? Verbeeld u nu, in ieder dier kleine openingen woonde eens
+een zee-insect, en naarmate die insecten aangroeiden, groeiden ook de
+takken der koraalboomen uit.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, dat begrijp ik wel. Maar hoe kan men weten, dat dit
+eiland door hen gemaakt is? Zoo iets gaat mijn begrip geheel te
+boven.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En toch is het waar, Willem, dat genoegzaam alle eilanden in
+dit gedeelten van den oceaan door den arbeid en den wasdom dezer kleine
+dieren ontstaan zijn. Het koraal was aanvankelijk op den bodem der zee,
+waar het door wind en golven niet gestoord wordt. Al langzamerhand
+schiet het hooger op, tot het eindelijk bijna tot aan de oppervlakte
+des waters reikt. Dan is het juist als die klippen, welke gij ginds
+ziet, Willem, en van nu af wordt het door het geweld van wind en baren,
+die het gedurig afbrokkelen, in zijn groei belemmerd en kan zich daarom
+ook niet boven de zee verheffen; want als dit het geval werd, dan
+moesten de kleine dieren natuurlijk sterven.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar hoe ontstaat daar nog een eiland uit?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat geschiedt slechts zeer langzaam en na verloop van veel
+tijd; ook hangt daarbij veel van het toeval af. Zoo kan b. v. een
+boomstam, die in zee omdrijft en misschien met schelpen en schaaldieren
+overdekt is, op de koraalriffen blijven vastzitten. Zoo iets zou een
+toereikend begin zijn, want het kon boven water blijven en de koralen
+aan de windzijde beschutten, tot zich een vlakke rots, van gelijke
+hoogte met de zee, had vastgezet. De zeevogels zoeken gaarne eene
+plaats om uit te rusten. Zij zouden deze hier schielijk gevonden hebben
+en van hunne uitwerpselen moest dan na verloop van tijd eene kleine
+plek boven water ontstaan, waarop vervolgens ook nog andere drijvende
+voorwerpen konden blijven hechten. Over zee verwaaide landvogels vallen
+daarop neder en de in hunne maag bevatte zaadkorrels schieten, eens
+gevallen, tot struiken en boomen op.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat kan ik goed begrijpen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Welnu dan; op die wijze is de eerste grondslag om het zoo
+eens te noemen tot een eiland gelegd, en eens z&oacute;&oacute;ver,
+neemt dit ook spoedig toe, want thans zijn de koralen tegen den wind
+gedekt en groeien welig op. Merkt gij wel, hoe breed en hoog de
+koraalklippen op deze zijde van het eiland, waar stormvlagen en
+golfslag haar niet zoo deren kunnen, oprijzen, terwijl dit aan de
+windzijde, waar onze tenten staan, zoo geheel anders is? Evenzoo
+onttrekt <span class="pagenum">[<a id="pb78" href="#pb78" name=
+"pb78">78</a>]</span>die eerste kleine plek boven water de
+koraalgewassen aan den wind, en dan neemt het eilandje ras in wasdom
+toe; want de vogels rusten er niet alleen, maar nestelen er ook en
+broeden er jongen uit, zoodat de omvang van jaar tot jaar grooter
+wordt. Ten laatste komt dan nog eene kokosnoot op de golven
+aandrijven&mdash;en die vrucht is juist geschikt, om zich op
+zoo&rsquo;n wijze voort te planten, want hare buitenste schil is hard
+en waterdicht en meteen zoo licht, dat ze op &rsquo;t water drijft en
+daarin, zonder te verrotten, maanden kan blijven liggen. Zij schiet
+wortel, wordt een boom, die zijne breede takken telken jare verder
+uitbreidt en door zijn dorrend loof gedurig meer teelaarde om zich heen
+verzamelt. De rijpe noten vallen in deze vetten bodem, kiemen schieten
+op,&mdash;en zoo gaat het voort, jaar in jaar uit, totdat het eiland
+zoo groot en zoo dicht met boomen bezet is, als dat waarop wij nu op
+dit oogenblik staan. Is dat niet verwonderlijk?<span class="corr" id=
+"xd21e1830" title="Niet in bron">&rdquo;</span></p>
+<p>&bdquo;H&eacute;, hoe merkwaardig!&rdquo; antwoordde Willem.</p>
+<p>Eenige minuten na dit gesprek bleven vader en zoon zwijgend zitten.
+Toen stond de eerste op en zeide: &bdquo;Kom, Willem, laat ons nu
+terugkeeren; wij hebben nog drie uren licht en willen tijdig thuis
+zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja vooral v&oacute;&oacute;r het avondeten, vader,&rdquo;
+antwoordde de knaap, &bdquo;dat ik alle eer zal aandoen. Hoe eer wij er
+zijn, des te beter.&rdquo;</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch20" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">TWINTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">VERHUIZING NAAR DE OOSTZIJDE.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Alles was nu zoover gereed, dat men zonder twijfel met
+het opbreken naar de lijzijde van het eiland beginnen kon. Flink had de
+boot bijna weder klaar; hij had haar geheel vernieuwd en daarbij nog
+van een mast en zeilen voorzien. Mijnheer Wilson en Willem gingen voort
+met het verzamelen van goederen, die nog voortdurend werden
+aangespoeld, en kozen bij voorkeur dezulke, die in de open lucht aan
+bederf onderhevig zijn. Al wat zij van dezen aard vonden, werd naar het
+kokosboschje gebracht, om het althans aan de hitte der zon te
+onttrekken, doch er werd dagelijks zulk een menigte van alles aan land
+geworpen, dat zij nauwelijks wisten, wat zij al bijeen hadden. Echter
+versmaadden zij niets, maar borgen de eene kist na de andere en
+wachtten op eene andere gelegenheid om den inhoud er van te
+onderzoeken. Ten laatste droegen zij het verzamelde op groote hoopen
+<span class="pagenum">[<a id="pb79" href="#pb79" name=
+"pb79">79</a>]</span>en bedekten die behoorlijk met zand, daar het in
+<span class="corr" id="xd21e1848" title="Niet in bron">den</span>
+korten tijd, die hun overig bleef, onmogelijk was de velerlei goederen
+van het strand weg te brengen.</p>
+<p>Ook mevrouw Wilson, die nu weer volkomen hersteld was, en Juno
+bleven niet werkloos. Zij hadden al het noodige zoo goed zij konden in
+pakken saamgebonden, om het gemakkelijk naar de nieuwe woonplaats te
+kunnen overbrengen. Op den achtsten dag na den storm waren <span class=
+"corr" id="xd21e1853" title="Bron: alleen">allen</span> met hun werk
+gereed en nu werd ten besluite eene groote raadsvergadering gehouden.
+Men kwam overeen, dat Flink het beddegoed en het zeildoek van de eene
+tent in de boot pakken en Willem op zijne eerste vaart medenemen zou.
+Na dit vervoerd te hebben, zou hij terugkeeren, om eene tweede vracht
+te laden, en dan moest de familie door het bosch naar de andere zijde
+van het eiland trekken en daar met den heer Wilson blijven, terwijl
+Flink met Willem de tweede tent ging halen. Daarna zou de boot nog
+zooveel reizen doen, als het weder toeliet, tot alles, wat men voor het
+begin noodig had, naar de nieuwe woonstede was overgebracht.</p>
+<p>Het was een lieve stille morgen, toen Flink en Willem met de zwaar
+beladen boot van land stieten. Zoodra zij buiten de bocht waren,
+trokken zij het zeil op en stevenden met gunstigen wind langs de kust
+voort. Binnen twee uren hadden zij de oostkust bereikt. De landtong,
+aan wier spits de doorgang door de klippen zich bevond, was geen mijl
+meer van hen verwijderd, en nu lieten zij het zeil vallen en roeiden in
+het kanaal, om in de zandige baai te landen.</p>
+<p>&bdquo;Gij ziet, Willem, hoe gelukkig het voor ons treft, dat wij
+altijd een goeden wind zullen hebben, als wij met de bevrachte boot
+hierheen gaan, en slechts het leege vaartuig hebben terug te
+roeien.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;<a id="xd21e1862" name="xd21e1862"></a>Ja, dat treft heel
+gelukkig. Hoe ver zou het wel zijn van de bocht ginds tot aan dit
+gedeelte van het eiland?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zes of zeven mijlen, verder niet. Het eiland is lang en smal,
+zooals gij ziet. Laat ons nu ons boeltje aan land dragen, dan kunnen
+wij lang voor donker in onze bocht terug zijn. Uwe moeder zag niet
+bijzonder gaarne, dat gij andermaal op zee gingt, Willem;&mdash;ik heb
+dat wel bemerkt; en wij moeten dus niet lang uitblijven.&rdquo;</p>
+<p>De boot was spoedig gelost; doch het kostte meer tijd de goederen
+ver genoeg op het land te dragen. &bdquo;Zulk een storm, als wij
+onlangs hadden, zullen wij hier denkelijk niet meer hebben uit te
+staan,&rdquo; zeide Flink; &bdquo;want wij zijn daartegen door het
+kokosbosch in zijne gansche diepte gedekt. Van den wind zullen wij
+nauwelijks iets merken, maar des te meer van den regen, die in gansche
+stroomen op ons neerkomen zal.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id=
+"pb80" href="#pb80" name="pb80">80</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Ik moet eens even naar onze bron gaan zien en er een goeden
+dronk uithalen,&rdquo; sprak Willem.</p>
+<p>&bdquo;Doe dat; maar laat mij niet te lang in de boot
+wachten.&rdquo;</p>
+<p>Willem berichtte, dat de bron tot den rand toe vol was en hij in
+zijn leven geen zoo heerlijk water gedronken had. Daarop staken zij van
+wal en waren na ruim twee uren roeiens weder aan den ingang van de
+bocht, waar mevrouw Wilson met Thomas aan de hand op hen wachtte en hun
+reeds van verre met haar zakdoek toewuifde.</p>
+<p>Bij het aan land stappen ontvingen zij de gelukwenschen der gansche
+familie over den gunstigen uitslag van hunne eerste vaart, en allen
+waren blij, dat de afstand zooveel korter was, dan men aanvankelijk
+geloofd had.</p>
+<p>&bdquo;Den volgenden keer ga ik mee,&rdquo; zei Thomas met veel
+deftigheid.</p>
+<p>&bdquo;Alles op zijn tijd; als de jongeheer Thomas nog een weinigje
+grooter is,&rdquo; antwoordde Flink.</p>
+<p>&bdquo;Massa Thomas komen mij help te melken de geit?&rdquo; vroeg
+Juno.</p>
+<p>&bdquo;Ja, ja, de geiten melken<span class="corr" id="xd21e1886"
+title="Bron: ?">!</span>&rdquo; riep de kleine schelm en huppelde
+vroolijk heen.</p>
+<p>&bdquo;Zoo altijd pekelvleesch en scheepsbeschuit moet u toch
+vervelen, mevrouw,&rdquo; zeide Flink, toen zij zich weder tot eten
+nederzetten. &bdquo;Zoodra wij echter in ons nieuw verblijf zijn, hoop
+ik wel wat beter voedsel voor u op te doen. Tegenwoordig is het nog
+hard werk en harde kost.&rdquo;</p>
+<p><span class="corr" id="xd21e1892" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>Zoolang de kinderen er geen hinder van
+hebben, kan ik mij dat heel goed getroosten, ofschoon ik wel bekennen
+wil, dat ik na dien laatsten storm hartelijk verlang hier vandaan te
+komen, vooral na de verleidelijke beschrijving, die Willem mij van onze
+aanstaande woonplaats gegeven heeft. Het moet een waar paradijs zijn!
+Wanneer zullen wij opbreken, Flink?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Niet v&oacute;&oacute;r overmorgen, mevrouw; want, ziet gij,
+ik heb eerst nog eene tweede reis te doen, om het keukengereedschap en
+de bundels, die gij gepakt hebt, over te brengen. Als gij Juno morgen
+missen kunt, moet zij met Willem door het bosch gaan, en dan kunnen wij
+de eene tent voor u en de kinderen opzetten. Uw man kan dan
+achterblijven.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zeer goed, Flink; en zou &rsquo;t niet het best zijn, dat zij
+dan meteen de schapen en de geiten meenamen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik ben blij, mevrouw, dat gij daaraan gedacht hebt; wij
+kunnen daardoor vrij wat tijd besparen.&rdquo; <span class=
+"pagenum">[<a id="pb81" href="#pb81" name="pb81">81</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch21" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">EEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">FLINK EN WILLEM.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De oude man had zijne boot reeds lang weder volgeladen
+en onder zeil gebracht, voordat de overige leden der familie nog op
+waren. Deze waren nog niet aangekleed, toen hij zijne gansche vracht
+reeds gelost had en zich vervolgens neerzette, om zijn ontbijt te
+nuttigen. Daarna droeg hij al de goederen naar de plek, waar hij eene
+tent wilde opslaan, en maakte hiertoe het noodige gereed, terwijl hij
+nog de komst van Willem en Juno wilde afwachten, die hem dan helpen
+konden om de staken vast te binden en het linnen daar overheen te
+trekken.</p>
+<p>Tegen tien uren &rsquo;s morgens verscheen Willem met eene der
+geiten aan een touw, terwijl de overige los volgden. Na hem kwam Juno
+met de schapen, van welke zij er ook een vasthield; de andere hadden
+zich geduldig bij den trein aangesloten.</p>
+<p>&bdquo;Daar zijn wij eindelijk<span class="corr" id="xd21e1913"
+title="Bron: &rsquo;">,</span>&rdquo; riep Willem lachend. &bdquo;Wij
+hebben in het bosch de handen vol werk gehad, want die domme Nanni, de
+geit, liep altijd om de eene zij van den boom, als ik aan de andere
+was, zoodat ik het touw dan wel gedurig moest loslaten. Wij hebben de
+varkens ook weer ontmoet, en ge hadt eens moeten hooren<span class=
+"corr" id="xd21e1916" title="Niet in bron">,</span> Flink, hoe Juno het
+uitgierde.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ikke denken, dat wilde beest loopen in de bosch,&rdquo; zeide
+Juno. &bdquo;O, wat ijselijk mooie plaats hier! Hier massaas zeker
+dolgraag wonen zullen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, het is wezenlijk eene heerlijke plaats, Juno; en hier
+kunt gij ook weer wasschen en plassen, en zult het water niet behoeven
+te ontzien.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Daar denk ik juist over, hoe wij ons gevogelte het best over
+zullen brengen,&rdquo; zeide Willem: &bdquo;het is wel niet heel wild,
+maar laat zich toch niet opvangen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik zal ze morgen meenemen, vriend Willem,&rdquo; zeide
+Flink.</p>
+<p>&bdquo;Maar hoe zult gij ze in handen krijgen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Doodeenvoudig; men wacht, tot ze &rsquo;s avonds op hun tak
+zitten, en dan kan men ze met de hand aanvatten, als men lust
+heeft.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En de duiven en de varkens laten wij in &rsquo;t wild loopen,
+denk ik, en hun eigen kost zoeken?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zeker; het is het beste, wat wij met hen doen kunnen. De
+varkens zullen onder de kokosboomen altijd genoeg voedsel vinden en
+schielijk jongen in menigte krijgen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En dan zullen wij hen schieten, niet waar?&rdquo;
+<span class="pagenum">[<a id="pb82" href="#pb82" name=
+"pb82">82</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Ja, Willem, dat zullen wij, en ook duiven, wanneer die zich
+eerst genoegzaam vermeerderd hebben; zoodat wij, als wij hier zoolang
+blijven, in het vervolg ook onze vrije jacht zullen krijgen. Spoedig
+zullen wij behoorlijk van alles voorzien zijn en levensmiddelen in
+overvloed tot onze beschikking hebben; elk komend jaar zal ons rijker
+maken. Maar nu moet gij de tent helpen opslaan en ieder ding op zijn
+plaats brengen, zoodat uwe moeder bij hare komst alles recht
+gemakkelijk en netjes vindt. Zij zal wel zeer moe wezen, als zij hier
+komt; want de wandeling is voor haar een heel eind.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Moeder is veel beter, dan zij in lang geweest is,&rdquo;
+antwoordde Willem. &bdquo;Ik hoop, dat zij spoedig weder volkomen
+gezond zal zijn, en dat wordt zij zeker, als zij hier maar een poosje
+gewoond heeft.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wij hebben nog zeer veel werk voor ons, meer dan wij
+v&oacute;&oacute;r den regentijd gedaan kunnen krijgen, en dat is
+waarlijk jammer, hoewel &rsquo;t nu eenmaal niet te veranderen is.
+Vandaag over een jaar zullen wij alles hier beter in orde
+hebben<span class="corr" id="xd21e1945" title=
+"Bron: ,">.</span>&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wel, wat hebben wij dan nog te doen, als onze tenten er eens
+staan en wij ons goed overgebracht hebben?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;In de eerste plaats moeten wij een huis bouwen, en dat zal
+ons vrij wat tijd kosten. Wij dienen ons te haasten, opdat het zoo
+schielijk mogelijk klaar kome. Dan moeten wij een kleinen tuin
+aanleggen en de zaden, die uw vader uit Engeland heeft meegebracht, in
+den grond brengen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O, dat is een allerprettigst werk. Waar kan dat het best
+geschieden, Flink?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik heb reeds naar eene geschikte plaats omgezien. Wij moeten
+dwars over die landtong eene omheining aanleggen en al het struikgewas
+met den wortel uitroeien. De grond is er opperbest.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En wat komt dan aan de beurt?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dan moeten wij een pakhuis aanleggen voor al den voorraad,
+dien wij verzameld hebben en die nog in het bosch en op het strand
+verstrooid ligt. Daar moeten wij alles laten, tot wij tijd hebben, om
+het te onderzoeken; en dan dienen wij te overleggen, hoevele reizen wij
+nog met onze kleine boot te doen hebben, om alles hierheen te
+brengen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, dat is alles waar. Valt er dan nog meer te
+doen<span class="corr" id="xd21e1963" title=
+"Bron: !">?</span>&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O, nog werk in overvloed! Wij moeten een vijver voor
+schildpadden een anderen voor visch aanleggen en eene badplaats voor
+Juno zoeken, waar zij de kinderen wasschen kan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, ja, en <span class="corr" id="xd21e1970" title=
+"Bron: ikek">ikke</span> mijzelf ook,&rdquo; zeide Juno.</p>
+<p>&bdquo;Wel, dat is den moriaan gewasschen; ofschoon ik wel weet,
+Juno, dat <span class="pagenum">[<a id="pb83" href="#pb83" name=
+"pb83">83</a>]</span>gij een zindelijk meisje zijt, al is uwe huid ook
+niet heel blank.&mdash;Maar vooreerst, Willem, moeten we onze wel in
+goeden staat brengen, zoodat we altijd rijkelijk versch water hebben.
+En daar hebt ge nu werk genoeg en wel zwaar werk, althans voor een vol
+jaar, en hoe langer wij hier samenwonen, des te meer behoeften zullen
+wij langzamerhand ook ontdekken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Nu, laat moeder en de kleinen maar eerst hier zijn, dan
+zullen wij dapper aan den gang gaan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik wenschte van ganscher harte, dat alles reeds gedaan was,
+mijn beste Willem,&rdquo; vervolgde Flink. &bdquo;In allen gevalle hoop
+ik nog lang genoeg te leven, om dat alles tot stand te zien gebracht.
+Ik zou u allen gaarne in onbezorgde omstandigheden achterlaten en met
+de zekerheid, dat gij u in het vervolg ook zonder mij goed kondet
+redden<span class="corr" id="xd21e1981" title=
+"Bron: ,">.</span>&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar hoe kunt gij zoo spreken, Flink? Gij zijt wel oud, maar
+daarbij toch gezond en sterk.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Nu nog wel, mijn goede jongen; maar gij weet, hoe onzeker het
+leven van den mensch is. Gij zijt jong en gezond en een lang leven
+schijnt voor u weggelegd, maar toch, wie kan zeggen, of gij niet
+misschien morgen reeds heengegaan en door vader en moeder bitter
+beweend zult worden? En zou ik, een oud man, die al zooveel moeite en
+ongemakken heb doorgestaan, dan nog op een lang leven rekenen?
+Neen&mdash;neen, Willem, dat ware in de jeugd dwaasheid, maar bij een
+grijsaard zwakheid en waanzinnigheid. En toch zou ik gaarne hier
+blijven, zoolang ik nog nuttig zijn kan, en dan, dunkt mij, als mijne
+taak ten einde is, kon ik in vrede de oogen sluiten. Ik verlang niet
+dit eiland ooit weer te verlaten en heb een soort van voorgevoel, dat
+mijn gebeente hier eens rusten zal.&rdquo;</p>
+<p>Een tijdlang werkten zij voort zonder een woord te spreken. Het
+linnen voor de tent werd uitgespannen en met prikken in den grond
+vastgeslagen. Eindelijk brak Willem het stilzwijgen <span class="corr"
+id="xd21e1990" title="Bron: at">af</span>.</p>
+<p>&bdquo;Flink, hebt gij mij niet eens gezegd, dat uw voornaam
+Masterman is?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, zoo is het ook, Willem.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is toch een wonderlijke voornaam! Werdt gij misschien
+naar een ander zoo genoemd?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat raadt gij goed; hij was een zeer rijk man, mijn
+peet.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Weet gij wat, Flink!&mdash;ik zou gaarne uwe geschiedenis
+eens hooren vertellen,&mdash;ik meen namelijk uwe gansche
+levenshistorie, van toen gij een kind waart af.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Nu, dat kan nog wel eens gebeuren, Willem, en waarlijk, er
+zijn vele voorvallen in mijn leven, die anderen wel tot eene goede
+leering konden <span class="pagenum">[<a id="pb84" href="#pb84" name=
+"pb84">84</a>]</span>dienen. Dat kan ik echter eerst doen, als wij met
+ons werk klaar zijn, nu is de tijd er te kostbaar toe.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hoe oud zijt gij wel, Flink?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Vier-en-zestig al ruim, mijn jongen. Dat is een hooge
+ouderdom voor een zeeman. Ik had ook geen dienst meer op een schip
+kunnen krijgen, als ik niet met verscheidene kapiteins zoo goed bekend
+was geweest.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar waarom zegt gij, een hoogen ouderdom voor een
+zeeman?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Omdat de matrozen zelden zoo lang leven als andere lieden,
+deels wegens de ongemakken, die zij moeten doorstaan, deels ook door
+eigen schuld, omdat zij te veel sterke drank gebruiken. Daarbij zijn
+zij ook vaak zorgeloos, bekommeren zich al te weinig om hunne
+gezondheid, zoodat hunne levenskracht vroeger uitgeput raakt, dan dit
+op het vasteland gewoonlijk het geval is.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar gij gebruikt tegenwoordig immers geen sterke drank
+meer?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, nooit, Willem; maar in vroeger jaren was ik even dwaas
+als de anderen.&mdash;Kom, Juno, het wachten is alleen op u; breng de
+bedden eens hier. Wij hebben nog maar twee of drie uren tot onze
+beschikking. Wat zullen wij nu &rsquo;t eerst aanvangen
+Willem?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zou &rsquo;t niet goed wezen, dat wij terstond eene
+stookplaats zochten, om den pot te koken? Juno en ik konden daartoe de
+steenen wel aanbrengen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Gij toont overleg, mijn beste jongen;&mdash;juist datzelfde
+wou ik voorslaan, als gij het niet gedaan hadt. Ik zal morgen lang
+v&oacute;&oacute;r u hier zijn en wel zorg dragen, dat gij bij uwe
+aankomst het eten gereed vindt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik heb een flesch met water in mijn reiszak
+meegebracht,&rdquo; vervolgde Willem, <span class="corr" id="xd21e2027"
+title="Niet in bron">&bdquo;</span>niet zoozeer om dat water, als omdat
+ik de geiten melken en de melk voor mijn kleine broertje meenemen
+wou.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Daar hebt gij braaf en broederlijk <span class="corr" id=
+"xd21e2032" title="Bron: aangedaan">aan gedaan</span>. Nu frisch aan
+&rsquo;t werk! Terwijl gij met Juno steenen haalt, zal ik al het
+overige goed <span class="corr" id="xd21e2035" title=
+"Bron: hieronder">hier onder</span> de boomen wegbergen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Kunnen wij de schapen en geiten los laten loopen,
+Flink?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Gerust; ge hebt niet te vreezen, dat ze zullen wegloopen. Het
+groene voeder is hier beter dan op de andere zijde van het eiland en
+daarbij overvloedig voorhanden. Geloof mij, ze zullen heel bedaard hier
+blijven.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Goed dan zal ik Nanni loslaten, zoodra Juno haar gemolken
+heeft; doch dat is vandaag ook ons laatste werk hier.&mdash;Laat ons nu
+eens zien, Juno, hoeveel steenen wij in &eacute;&eacute;n vracht dragen
+kunnen.&rdquo;</p>
+<p>Een uur later was de stookplaats gereed, had Flink zijne taak
+volbracht, <span class="pagenum">[<a id="pb85" href="#pb85" name=
+"pb85">85</a>]</span>waren de geiten gemolken en druk aan &rsquo;t
+grazen en namen Willem en Juno den terugweg door het woud aan.</p>
+<p>Flink keerde naar het strand terug. Toen hij dat langs wandelde, zag
+hij eene kleine schildpad liggen. Behoedzaam sloop hij op haar toe,
+zoodat hij tusschen haar en het water kwam te staan, en toen greep hij
+haar plotseling aan en kantelde haar gelukkig op den rug om.</p>
+<p>&bdquo;Ziezoo, dat is onze hoofdschotel voor morgen,&rdquo; zeide
+hij, terwijl hij in zijne boot klom. Met forsche handen greep hij de
+riemen aan en roeide naar de bocht terug.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch22" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">TWEE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">AANKOMST OP DE NIEUWE WOONPLAATS.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Flink landde in de bocht, trok de boot aan wal en ging
+toen naar de tenten, waar hij het gansche gezelschap bij elkaar vond,
+aandachtig luisterende naar het verhaal, dat door Willem van de
+verrichtingen en ontmoetingen van dien dag gedaan werd. Bij Flinks
+komst werd dadelijk alles voor morgen afgesproken. Toen ging men
+slapen, en alleen de oude man en Willem bleven nog een poosje op, om de
+hoenders te vangen en hun de pooten saam te <span class="corr" id=
+"xd21e2059" title="Bron: bindep">binden</span>, zoodat men ze den
+volgenden ochtend gemakkelijk in de boot vervoeren kon.</p>
+<p>V&oacute;&oacute;r dag en dauw werden de kleinen gewekt en zoo
+schielijk mogelijk aangekleed, omdat Flink de tent, waarin moeder en
+kinderen geslapen hadden, in de boot wilde medenemen. Met uitzondering
+van dezen en van Thomas, die in de vrouwentent&mdash;gelijk men haar
+noemde&mdash;onder dak was, hadden de overigen onder den blooten hemel
+geslapen, op stukken zeildoek, welke men daartoe onder de dichte
+kokosboomen op den grond had uitgespreid. Wat was dat eene drukte en
+eene opschudding op dezen morgen! Alles kwam in rep <span class="corr"
+id="xd21e2064" title="Bron: er">en</span> roer. Zoodra mevrouw Wilson
+gekleed was, werd de tent omvergehaald en met beddegoed en alle verder
+toebehooren in de boot geladen. Na een hartig ontbijt gingen ook
+borden, messen, lepels en andere kleinigheden scheep; toen legde Flink
+de hoenders daar bovenop, en in een ommezien was hij uit het
+gezicht.</p>
+<p>Een weinig later maakte zich ook het verdere gezelschap tot de reis
+door het kokosbosch gereed. Willem ging met de drie honden vooruit en
+wees <span class="pagenum">[<a id="pb86" href="#pb86" name=
+"pb86">86</a>]</span>den weg. Hem volgde zijn vader met Albert op den
+arm, Juno met de kleine Caroline, en eindelijk mevrouw Wilson met
+Thomas aan de hand, die volgens zijn zeggen, op zijne moeder passen
+moest. Met een weemoedig gevoel zeiden zij de plaats vaarwel, die hen
+na zooveel doorgestane gevaren het eerst had opgenomen. Nog eenmaal
+zagen zij naar de bocht en de overblijfsels van het wrak en de
+scheepslading, die naar alle zijden verstrooid lagen om en toen traden
+zij het woud in.</p>
+<p>Flink was in minder dan twee uren aan de nieuw gekozene
+verblijfplaats aangekomen en onverwijld aan land gestapt. Voordat hij
+zijne lading begon te lossen, wilde hij nog naar de schildpad zien, die
+hij den vorigen dag op het strand had omgekeerd. Hij vond het beest
+nog, gelijk hij het gelaten had, doodde het en wiesch het zorgvuldig
+af. Nu ging hij naar de nieuw aangelegde stookplaats, legde het vuur
+aan; vulde den ijzeren ketel met water en zette hem op het vuur te
+koken.</p>
+<p>Hierop sneed hij een stuk van de schildpad af en legde het met
+eenige sneden pekelvleesch in den ketel, dekte dezen en liet alles
+behoorlijk doorkoken. Het overschot van de schildpad hing hij in de
+schaduw op, waarna hij naar het strand terugkeerde, om eindelijk de
+lading uit de boot te brengen. Hij bond de arme hoenders los, welker
+pooten in den beginne heel stijf waren, doch die zich spoedig weer
+herstelden en toen terstond ijverig naar voeder rondzochten.</p>
+<p>Flink nam de schotels, messen, vorken en andere kleinigheden uit de
+boot en droeg ze naar de nieuwe tent, waarna hij naar het vuur omzag en
+nog meer hout onder den ketel legde. Vervolgens haalde hij het
+beddegoed en het linnen voor de tweede tent, benevens de staken, die
+hij achter aan de boot had vastgemaakt. Hij had bijna drie volle uren
+noodig om alles naar de nieuwe woonstede over te brengen, want deze lag
+eenigszins van het strand verwijderd en enkele dingen waren zwaar,
+zoodat de oude man hartelijk blij was, toen hij zijn werk verricht had
+en zich eindelijk kon neerzetten, om wat uit te rusten.</p>
+<p>&bdquo;Me dunkt toch, het is haast tijd, dat zij komen
+konden,&rdquo; dacht Flink; &bdquo;zij moeten nu al bijna vier uren
+onder weg zijn. Maar misschien zijn ze later vertrokken. Het is geen
+gemakkelijk ding, een hoop vrouwen met kinderen in beweging te
+brengen.&rdquo; Zoo wachtte hij nog een kwartier, stookte het vuur op
+en vergat ook niet van tijd tot tijd de soep af te schuimen, tot
+eensklaps de drie honden op hem kwamen toespringen.</p>
+<p>&bdquo;Nu kunnen zij niet ver meer verwijderd zijn,&rdquo; dacht de
+oude man.</p>
+<p>En dat waren zij werkelijk niet; want eenige minuten later verscheen
+<span class="pagenum">[<a id="pb87" href="#pb87" name=
+"pb87">87</a>]</span>het gansche gezelschap, en dat wel zeer verhit en
+afgemat, gelijk hij dan ook niet anders verwacht had. Hij hoorde nu,
+dat de kleine Caroline, na een poosje geloopen te hebben, bitter over
+vermoeidheid geklaagd had, zoodat Juno haar had moeten dragen. Later
+had ook mevrouw Wilson zich doodelijk vermoeid gevoeld en had men een
+kwartiertje moeten rusten. Daarop kwam sinjeur Thomas, die niet bij
+moeder had willen blijven, maar gedurig heen en weer was geloopen en
+verklaarde dat hij moe was en dat men hem dragen moest; en daar er
+niemand was, die dit doen kon, begon hij te schreien en te klagen,
+totdat men besloot andermaal halt te houden, opdat hij eenigermate
+bekomen zou. Eindelijk begon de kleine ongelukkig nog honger te krijgen
+en te schreeuwen. De vreesachtige Caroline werd beangst, toen men zoo
+lang in het donkere bosch omdwalen moest, en weende mee. Thomas, dien
+de goede Willem een eind ver als een zak op den rug had gedragen,
+zette, toen hij eindelijk zijn eigen beenen weer gebruiken moest, eene
+geweldige keel op. Zoo moest men alweer halt maken, en eerst nadat men
+zich door een dronk uit Willem&rsquo;s flesch verkwikt had, ging het
+weer eenigszins beter, tot het gezelschap ten laatste z&oacute;&oacute;
+moe en uitgeput bij Flink aankwam, dat mevrouw Wilson zich met de
+kleinen eenigen tijd in de tent moest nederleggen, voordat zij van de
+plaats, waar zij in het vervolg wonen zouden, ook maar iets had
+gezien.</p>
+<p>&bdquo;Mij dunkt,&rdquo; zeide mijnheer Wilson, na de kleine aan
+Juno te hebben overgegeven, &bdquo;dat de dagreis van heden, hoe klein
+ook, het beste bewijs is, hoe hulpeloos wij zonder u zijn zouden,
+Flink.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik ben recht blij, dat gij eindelijk hier zijt,
+mijnheer,&rdquo; antwoordde de oude man. &bdquo;Het is mij een zwaar
+pak van het hart, want nu eerst zal het met ons allen beter gaan. Me
+dunkt, na eenigen tijd zult gij hier recht genoeglijk kunnen wonen,
+maar daartoe hebben wij nog veel te doen. Zoodra mevrouw wat heeft
+uitgerust, willen wij ons middagmaal gebruiken en dan onze eigene tent
+vastmaken, wat nog werk en omslag genoeg zal wezen. Morgen zullen wij
+dan ernstig met onzen nieuwen arbeid aanvangen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Gaat gij morgen naar onze oude bocht terug, Flink?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja mijnheer. Wij moeten onzen voorraad hier hebben, rund- en
+varkensvleesch, meel en erwten en nog veel andere dingen, die wij niet
+missen kunnen. Met drie reizen heb ik den leeftocht over; het overige
+kunnen wij later onderzoeken en onder dak brengen, als wij er eens tijd
+toe vinden. Zoodra ik deze drie reizen met mijne boot gedaan heb,
+kunnen wij dan gezamenlijk aan het werk gaan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar in dezen tusschentijd kan ik toch ook wel iets
+doen?&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb88" href="#pb88" name=
+"pb88">88</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;O ja, er is werk in overvloed voor u.<span class="corr" id=
+"xd21e2099" title="Niet in bron">&rdquo;</span></p>
+<p>&bdquo;Wilt gij Willem meenemen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, mijnheer; hij zal hier meer van nut zijn, en ik kan mij
+ook zonder hem redden.&rdquo;</p>
+<p>Mijnheer Wilson ging nu in de tent en vond zijne vrouw weer vrij wat
+van hare vermoeidheid bekomen, maar al de kinderen vast in slaap. Men
+wachtte nog een half uur en wekte toen Thomas en Caroline, om
+gezamenlijk aan tafel te kunnen gaan.</p>
+<p>&bdquo;H&eacute;, beste Flink,&rdquo; riep Willem, toen deze het
+deksel van den ketel nam, &bdquo;wat een heerlijke soep hebt gij daar
+toch!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is een zondagskostje, waarop ik u dezen eersten middag
+eens onthalen wou,&rdquo; antwoordde Flink. &bdquo;Ik weet dat gij
+allen het pekelvleesch eindelijk van harte moe zijt, en daarom zult gij
+vandaag eens als aan eene burgermeesterstafel smullen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar zeg, Flink, wat is het?&rdquo; vroeg mevrouw Wilson.
+&bdquo;De reuk er van is heerlijk althans.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Eene schildpadsoep, mevrouw; en ik hoop, dat ze u smaken zal.
+Wanneer ze u bevalt, kan ik haar u, nu wij eens hier zijn, wel meer
+voorzetten.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Waarlijk zij smaakt keurig, maar er moet nog een weinig zout
+in. Gij hebt dat toch nog, Juno?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar sikkepitte meer. Haast altemaal op,&rdquo; antwoordde
+deze.</p>
+<p>&bdquo;Hoe moeten wij het dan maken, als onze zoutvoorraad ten einde
+loopt?&rdquo; vroeg mevrouw Wilson.</p>
+<p>&bdquo;Juno moet ander halen,&rdquo; gaf Flink ten
+antwoord<span class="corr" id="xd21e2125" title="Bron: ,">.</span></p>
+<p>&bdquo;Ikke halen ander?&mdash;Ikke hebben geen zier meer,&rdquo;
+hernam Juno en zag den ouden man verwonderd aan.</p>
+<p>&bdquo;Daar buiten is het in overvloed, Juno,&rdquo; zeide mijnheer
+Wilson en wees naar den zeekant.</p>
+<p>&bdquo;Ikke niets daarvan zien kan,&rdquo; antwoordde zij.</p>
+<p>&bdquo;Hoe meent gij dat, lieve?&rdquo; vroeg mevrouw Wilson
+eindelijk.</p>
+<p>&bdquo;Ik meen alleen, dat wij, als wij zout noodig hebben, ons dat
+zelven bereiden kunnen, zooveel wij verkiezen. Wij hebben slechts
+zeewater in een ketel te koken, of ook tusschen de klippen ginds eene
+drogerij aan te leggen, daar de zon dan het water doet verdampen en het
+zout op den grond achterlaat. Flink weet dat zoo goed als ik. Op een
+dezer beide manieren wordt het zout altijd gewonnen, door uitdampen of
+anders door verkoken, wat eigenlijk hetzelfde is, behalve dat men er
+spoediger mee klaar komt.<span class="corr" id="xd21e2138" title=
+"Niet in bron">&rdquo;</span></p>
+<p>&bdquo;Eerlang zullen wij daar het noodige toe gereed maken,
+mevrouw,&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb89" href="#pb89" name=
+"pb89">89</a>]</span>zeide Flink; &bdquo;en ik zal dan Juno wijzen, hoe
+zij zichzelve altijd redden kan.&rdquo;</p>
+<p>Iedereen vond de soep uitmuntend. Thomas hield zijn bord zoo
+dikwijls bij, dat zijne moeder hem eindelijk niet meer geven durfde. Na
+ge&euml;indigden maaltijd bleef mevrouw Wilson met de kinderen alleen,
+terwijl haar man en Flink met behulp van Juno en Willem de tweede tent
+opsloegen en alles v&oacute;&oacute;r den nacht in gereedheid brachten.
+Het was reeds vrij donker, toen zij hiermee klaar waren.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch23" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">DRIE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">ALGEMEENE TEVREDENHEID MET HET NIEUWE VERBLIJF.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Mijnheer Wilson was den volgenden morgen het eerst op
+en zeide tot Flink, toen deze een poos later uit de tent trad:</p>
+<p>&bdquo;Ik kan u zeggen, vriend, dat ik mij, sedert ik hier ben, veel
+opgeruimder en beter gestemd gevoel dan vroeger. Op de andere zijde van
+het eiland herinnerde alles mij onze schipbreuk en moest ik
+onophoudelijk aan mijn verloren vaderland denken, terwijl het mij hier
+is, of wij er reeds lang te huis waren en er vrijwillig ons verblijf
+gekozen hadden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat gevoel zal van dag tot dag levendiger bij u worden,
+vertrouw ik, mijnheer; want het is doelloos en zelfs dwaas, als de
+mensch onophoudelijk over zijn ongeluk jammert. Wij bovenal hebben alle
+reden om innig dankbaar en tevreden te zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik erken dat volgaarne, brave man<span class="corr" id=
+"xd21e2162" title="Bron: ,">.</span>&mdash;Wat is dan nu het eerste,
+dat gij denkt aan te vangen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Waar wij bovenal behoefte aan hebben, is een toereikende
+voorraad van zoet water en daarom wenschte ik wel, dat gij en uw zoon
+Willem&mdash;d&aacute;&aacute;r komt hij al! Goede morgen, mijn
+jongen!&mdash;ik zei daar, dat gij beiden geen beter werk doen kondet,
+dan de bron verder tot stand te brengen, terwijl ik mij weer op de
+vaart begeef. Ik bracht gisteren nog een schop mee, en zoo kunt gij
+gelijktijdig arbeiden; maar laat ons eerst naar de tent gaan, want
+Juno, zie ik, heeft het ontbijt klaar.&mdash;Ge begrijpt wel, mijnheer,
+dat wij de wel tot in het kokosbosch nasporen moeten, waar zij in de
+schaduw tegen de zon gedekt is. Dat kan licht gebeuren, als gij tegen
+de hoogte aan opwerkt en ziet, hoe het water van boven neerstroomt.
+Hebt ge dat <span class="pagenum">[<a id="pb90" href="#pb90" name=
+"pb90">90</a>]</span>gevonden, dan graaft gij een gat, wijd genoeg, om
+er een van onze watertonnen, die ik van avond mee wil brengen, in neer
+te laten. Is deze behoorlijk in den grond vastgezet, dan zullen wij
+haar altijd vol water vinden, en hoe schielijk wij ze ook leegscheppen,
+zal de wel haar toch bestendig weer aanvallen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik begrijp u zeer goed,&rdquo; antwoordde mijnheer Wilson.
+&bdquo;Dat zal dan heden ons werk zijn, voor zoolang gij afwezig
+zijt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Nu goed; dus heb ik zelf niets meer te doen, dan met Juno
+over het middageten te spreken,&rdquo; hernam Flink. &bdquo;Daarna
+schielijk een mondvol tot ontbijt en dan weg;&mdash;dit kostelijk weder
+mag niet ongebruikt voorbijgaan.&rdquo;</p>
+<p>De oude man zeide Juno, om het varkensvleesch in de braadpan te
+bakken en ook eenige sneden van de schildpad af te snijden en tegen den
+middag te koken, waarbij zij ook de van gisteren overgebleven soep nog
+opwarmen kon; en daarop stapte hij met een beschuit en een stuk
+rundvleesch naar de boot en stak alleen van land. Vader en zoon gingen
+inmiddels ook ijverig aan het werk, en tegen den middag reeds had de
+kuil de breedte en diepte, welke Flink hun had aangewezen<span class=
+"corr" id="xd21e2175" title="Bron: ,">.</span> Eerst toen zij zoover
+waren, staakten zij hun arbeid en gingen naar de tent, waar mevrouw
+Wilson met het herstellen der kleederen van hare kinderen bezig
+was.</p>
+<p>&bdquo;Gij kunt u niet voorstellen, hoeveel beter ik mij gevoel,
+sinds wij hier zijn,&rdquo; zeide zij en drukte de hand van haar man,
+toen die zich aan hare zijde neerzette.</p>
+<p>&bdquo;Ik hoop lieve, dat dit een voorgevoel is van ons toekomstig
+geluk,&rdquo; antwoordde hij. &bdquo;Ik verzeker u, dat ik hetzelfde
+voel en dezen morgen heb ik dit onzen braven Flink ook reeds
+gezegd.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik gevoel, dat ik hier mijn leven lang gelukkig zou kunnen
+zijn, zoo kalm, zoo vreedzaam en daarbij zoo verrukkelijk schoon is het
+hier. Weet gij echter, wat ik mis?&mdash;Er zijn hier geen zangvogels,
+zooals in ons vaderland.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is waar, ik heb tot hiertoe ook nog maar enkel
+zeevogels bemerkt. Hebt gij al andere gezien, Willem?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Eens maar, vader, heb ik in de verte een vlucht gezien. Flink
+was niet bij mij en dus wist ik niet, wat voor vogels het waren. Ze
+schenen mij echter niet zoo klein, als andere zangvogels, maar voor
+&rsquo;t minst van de grootte eener duif.&mdash;Kijk, daar komt Flink
+den hoek om,&rdquo; vervolgde hij. &bdquo;Wat zeilt die kleine boot
+toch hard! En &rsquo;t moet toch wel zwaar werk voor den ouden man
+zijn, zoo heel alleen tegen den stroom op naar de bocht te
+roeien.&mdash;Juno is het eten klaar?&rdquo; <span class=
+"pagenum">[<a id="pb91" href="#pb91" name="pb91">91</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Ja, massa Willem, in een ommezien klaar wezen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wij willen hem tegemoet gaan en hem nog v&oacute;&oacute;r
+den eten van het een en ander ontlasten.&rdquo;</p>
+<p>Zij deden dit, en Willem rolde de ledige waterton, die Flink had
+medegebracht, naar de nieuw gegraven bron.</p>
+<p>De sneden schildpad werden even luid geprezen, als de soep van den
+vorigen avond en inderdaad, nadat men zoo lang op taai <span class=
+"corr" id="xd21e2198" title="Bron: pekelkleesch">pekelvleesch</span>
+gekauwd had, moest eene afwisseling met versche spijzen allen bij
+uitstek gewenscht voorkomen.</p>
+<p>&bdquo;En nu naar de bron; zij moet heden nog klaar,&rdquo; riep
+Willem, zoodra de maaltijd was afgeloopen.</p>
+<p>&bdquo;Gij arbeidt als een dijkgraver, Willem,&rdquo; merkte zijn
+moeder lachend aan.</p>
+<p>&bdquo;Dat moet ik ook, moeder. Ik moet thans leeren alles met mijne
+handen te doen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En spoedig zal het door uwe gewoonte een tweede natuur
+worden,&rdquo; zei Flink.</p>
+<p>Bij de bron gekomen, zagen zij tot hunne verbazing, dat het eerst
+voor een paar uren gegraven gat bijna tot den rand toe met water was
+opgevuld.</p>
+<p>&bdquo;O wee,&rdquo; riep Willem, &bdquo;nu zullen wij eerst al dat
+water dienen uit te scheppen, om de ton er in te krijgen!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Kom, kom, jongen, bedenk u eens goed,&rdquo; zei de vader.
+&bdquo;Het water vloeit zoo sterk, dat zulk uitscheppen geen
+gemakkelijk ding zou zijn. Kunnen wij de zaak niet anders
+aanvatten?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, vader; maar de ton zal toch bovendrijven.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zeker, zooals zij nu is, doet zij dat vast. Doch is er geen
+middel om haar te doen zinken?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O ja, nu begrijp ik het. Wij moeten eenige gaatjes in den
+bodem boren; dan zal zij volloopen en vanzelf naar den grond
+gaan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Heel goed, jongen,&rdquo; sprak Flink. &bdquo;Ik dacht wel,
+dat zoo iets zou moeten gebeuren en heb daarom de groote boor bij mij
+gestoken.&rdquo;</p>
+<p>De oude man boorde vier gaten in den bodem der ton, en terwijl zij
+nu op het water dreef, drong dit langzamerhand naar binnen, zoodat het
+vat al dieper en dieper zonk. Zoodra de rand daarvan met de oppervlakte
+des waters gelijk stond, vulden zij de tusschenruimte behoorlijk met
+zand op en was de bron gereed.</p>
+<p>&bdquo;Morgen als het water goed gezakt is, zal het zoo helder en
+doorschijnend zijn als kristal, en zoo zal het blijven, als men het
+niet moedwillig troebel <span class="pagenum">[<a id="pb92" href=
+"#pb92" name="pb92">92</a>]</span>maakt,&rdquo; voorspelde Flink.
+&bdquo;Alweer dus een stuk werk tot stand gebracht! Nu zullen we nog al
+het overige goed uit de boot halen.&rdquo;</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch24" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">VIER-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">VERDERE VERRICHTINGEN IN DE NIEUWE VOLKPLANTING.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">&bdquo;Daar wij nog zoo velerlei dingen te doen
+hebben,&rdquo; zeide mijnheer Wilson den volgenden morgen tot zijn
+ouden vriend, &bdquo;zullen wij een geregeld plan voor alles ontwerpen.
+Van de wijze, waarop men het aanvat, hangt het welgelukken van een werk
+grootendeels af. Zeg mij dus, welk werk gij ons voor de volgende week
+zoo al zoudt voorslaan. <a id="xd21e2237" name="xd21e2237"></a>Morgen
+is &rsquo;t Zondag, en ofschoon wij dien dag tot nu toe nog niet
+behoorlijk hebben kunnen vieren, geloof ik toch, dat wij hem ditmaal
+kunnen en moeten gedenken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, mijnheer, dat moeten wij en &rsquo;t zelfde zou ik u
+hebben voorgeslagen. Morgen zullen wij van onzen arbeid uitrusten en
+Zondag houden. En wat nu uw voorslag aangaat, mijnheer,&mdash;of zullen
+wij ook eens hooren wat mevrouw zegt?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Gij moet er thans niet om denken, dat gij vrouwen of althans
+fijne dames bij u hebt,&rdquo; viel mevrouw Wilson hem in de rede.
+&bdquo;Mijne gezondheid en kracht keeren meer en meer terug en ik hoop
+u spoedig wezenlijk van nut zijne. Ik neem op mij, Juno in alle
+huiselijke <span class="corr" id="xd21e2243" title=
+"Bron: verrchtingen">verrichtingen</span> te helpen, voor koken en
+wasschen te zorgen, op de kinderen te passen, de kleederen te
+herstellen en alles te doen, wat mijne krachten mij toelaten. Word ik
+sterker, dan zal ik beproeven wat ik meer kan doen, en in alle gevalle
+zult gij, zoo niet den ganschen, toch een groot gedeelte van den dag
+over Juno&rsquo;s diensten kunnen beschikken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Daarmee kunnen wij ons vooreerst ook heel goed vergenoegen,
+mevrouw,&rdquo; hernam de oude zeeman. <span class="corr" id=
+"xd21e2248" title="Niet in bron">&bdquo;</span>Maar nu verder,
+mijnheer. De beide dringendste verrichtingen, na het bouwen van een
+huis, zijn vooreerst het omspitten van een stuk land voor onze
+aardappelen en tuinzaden en dan het aanleggen van een vijver voor
+schildpadden, opdat wij van die dieren vangen en daarin zetten, voordat
+de tijd voorbij is.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Heel goed,&rdquo; was het antwoord; &bdquo;maar wat dient er
+eerst gereed te zijn?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Mij dunkt de vijver daar, die slechts weinige dagen werks
+behoeft te kosten, als gij met Juno en Willem daaraan arbeidt. Ik voor
+mij heb <span class="pagenum">[<a id="pb93" href="#pb93" name=
+"pb93">93</a>]</span>de gansche aanstaande week uw bijstand niet
+noodig. Ik wil eerst eene plek in de buurt opzoeken, waar het hout het
+dichtst staat;&mdash;daar zal ik dan de boomen omhakken en eene ruimte
+maken, waar in het vervolg onze pakhuizen kunnen staan, en zoodra de
+regentijd voorbij is, brengen wij dan al onzen voorraad van ginds naar
+hier over. Dat zal mij wel de geheele week ophouden, daar het vellen en
+op eene behoorlijke lengte afzagen van de boomen voor ons nieuwe huis
+geen gemakkelijk werk is. Ben ik daarmee klaar, dan moeten wij al onze
+krachten vereenigen en terstond tot het opslaan eener woning overgaan.
+Haardstede en vensters kunnen misschien eerst later klaar komen. Het
+voornaamste is, dat wij onder dak zijn en droge slaapplaatsen
+hebben.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Denkt gij dan wezenlijk, dat daar nog kans toe is? Wanneer
+oordeelt gij, moet het regenseizoen invallen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Met drie of vier weken. Het begin staat niet altijd zoo
+geregeld vast, maar veel later wordt het zeker niet. Is de volgende
+week voorbij, dan zal ik waarschijnlijk altijd twee of misschien wel al
+de leden van de familie gebruiken kunnen. Ha! daar valt mij in, dat ik
+toch nog eens naar de bocht terug moet.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Waartoe dat?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Herinnert gij u de kar op twee wielen nog, mijnheer, die in
+stroo was ingepakt en door den storm aan land werd geworpen? Gij
+lachtet, toen gij haar zaagt en dacht, dat zij ons thans maar van
+weinig nut zou zijn; en toch, mijnheer, zullen as en wielen ons nu goed
+te pas komen, daar wij naar de plaats, waar ik de boomen vel, een breed
+pad aanleggen en dan onze stammen veel gemakkelijker voortkruien
+kunnen, dan zoo wij die dragen of sleepen moesten.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is een kostelijke inval, Flink. Zoo zal zeker vrij wat
+werk bespaard worden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat denk ik ook, mijnheer. Willem en ik zullen Maandagmorgen
+al vroeg opbreken, om v&oacute;&oacute;r het ontbijt terug te zijn.
+Vandaag willen wij nog de plekken opzoeken, waar onze tuin aangelegd,
+de vijver gemaakt en het geboomte geveld worden moet. Dat is een werk
+voor ons, mijnheer. Willem en Juno kunnen intusschen de dingen hier wat
+beter oppakken, totdat wij ze gebruiken moeten.&rdquo;</p>
+<p>Terstond daalden de beide mannen naar het strand af, en na de riffen
+aandachtig te hebben opgenomen, zeide Flink: &bdquo;Gij ziet, mijnheer,
+tot een vijver voor schildpadden hebben wij niet veel water noodig,
+want als hij te diep is, kost het ons maar dubbele moeite de beesten op
+te vangen. Alles <span class="pagenum">[<a id="pb94" href="#pb94" name=
+"pb94">94</a>]</span>wat wij verlangen, is eene plaats in het water,
+met een lagen dam van steenen omringd, zoodat de dieren niet ontsnappen
+kunnen, want tot klauteren zijn ze niet in staat, hoewel ze met hunne
+zwempooten heel goed op het afhellende strand kunnen voortspartelen. Nu
+zie, mijnheer, de klip ginds is hoog genoeg boven water; de ruimte
+tusschen haar en het strand is diep genoeg en de rotsen aan den oever
+sluiten deze zijde bijna geheel af en beletten de dieren dus langs den
+oever voort te kruipen, zoodat zij ons niet meer ontkomen kunnen. Wij
+hebben dus weinig meer te doen, dan de beide andere kanten op te
+vullen, en onze vijver is zoo goed als hij wezen moet.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik zie, dat dit niet veel moeite zal kosten, als wij maar
+genoeg losse rotsblokken vinden kunnen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Bijna alle, die op het strand liggen, zijn los,&rdquo;
+verzekerde Flink<span class="corr" id="xd21e2278" title=
+"Bron: :">,</span> &bdquo;en hier dicht v&oacute;&oacute;r ons vinden
+wij ze in menigte. Sommige zijn wel te zwaar om gedragen te worden;
+doch die kunnen wij met breektangen en hefboomen van de plaats
+krijgen;&mdash;wij hebben twee of drie van die dingen bij ons. Nu,
+mijnheer, moesten wij Willem en Juno een teeken geven en hen dadelijk
+aan het werk zetten. V&oacute;&oacute;r den middag kunnen zij nog vrij
+wat afdoen.&rdquo;</p>
+<p>Mijnheer Wilson riep en wenkte met zijn hoed, waarop Willem en de
+negerin dadelijk aankwamen. Juno werd gezonden om twee breekijzers te
+halen, terwijl Willem van Flink vernam wat zij te doen hadden. Toen
+Juno met de werktuigen terug was, bleven de beide mannen nog een
+tijdlang bij hen en hielpen hen aan hun werk, waarna zij verder gingen,
+om eene geschikte plaats voor een tuin op te zoeken</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch25" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">VIJF-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">GEVOLGEN DER ONGEHOORZAAMHEID.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Mijnheer Wilson en Flink vervolgden hunne wandeling
+langs het strand tot aan het punt, dat deze laatste tot het aanleggen
+van een tuin &rsquo;t best geschikt achtte. Wel is waar was de laag
+teelaarde op den rotsigen bodem niet dik, maar de grond was toch vrij
+goed en tamelijk uitgestrekt. Daarenboven was de plaats
+d&aacute;&aacute;r, waar zij aan het andere land vastzat, zeer smal,
+zoodat men geene uitgestrekte omheining noodig had.</p>
+<p>&bdquo;Gij ziet, mijnheer,&rdquo; merkte Flink aan, &bdquo;het
+aanleggen eener heg kunnen wij uitstellen tot de regentijd voorbij is,
+of als het weer dat vergunt, kunnen <span class="pagenum">[<a id="pb95"
+href="#pb95" name="pb95">95</a>]</span>wij er dien toe gebruiken. De
+zaadgewassen en de aardappelen zullen eerst na de regen opkomen, en zoo
+hebben wij niets anders te doen, dan den grond om te spitten en zoo
+schielijk mogelijk aan het poten te gaan. De struiken ginds moeten
+weggeruimd worden; maar dat is weinig moeite, omdat de grond zoo licht
+is. Wij hebben ook maar een deel van uwe zaden uit te strooien, want
+dit jaar kunnen wij nog geen grooten tuin aanleggen; doch onze
+aardappelen moeten alle gepoot worden, al konden wij ook niets anders
+meer uitrichten.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Als we geene omheining te maken hebben,&rdquo; antwoordde de
+heer Wilson, &bdquo;kunnen we dunkt mij, in eene week tijds grond
+genoeg bearbeiden, om alles, wat ons &rsquo;t eerst noodig is, aan te
+planten.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;We dienen eerst het kleine struikgewas uit te roeien en den
+grond om te spitten,&rdquo; vervolgde Flink. &bdquo;De zwaardere
+stammen en stronken kunnen we, als het ons dadelijk aan tijd ontbreekt,
+in den beginne veilig laten staan. Hier kan onze Thomas een handje
+helpen, als gij hem de uitgegraven wortels laat wegdragen.&mdash;Laat
+ons nu in het bosch gaan en eene plaats uitkiezen, waar ik de boomen
+vellen zal. Ik voor mij heb al eene keuze gedaan, zoo gij er
+<span class="corr" id="xd21e2298" title="Bron: niet">niets</span> tegen
+hebt. De plek is d&aacute;&aacute;r, een vijftig roeden op zij van de
+tent. Van hier hebben wij bij de honderd roeden het bosch in te
+gaan.&rdquo;</p>
+<p>Beiden volgden de door Flink aangewezen richting, totdat zij aan
+eene kleine hoogte kwamen, waar de boomen zoo dicht stonden, dat het
+moeite kostte daar een pad door te breken.</p>
+<p>&bdquo;Hier zijn we, waar we wezen moeten, mijnheer,&rdquo; sprak
+Flink. &bdquo;Ik zou voorstellen, al het zware hout, dat wij tot onze
+woning noodig hebben, uit dit gedeelte van het bosch te nemen en eene
+open vierkante plaats uit te houwen, op &rsquo;t midden waarvan wij
+onze pakhuizen kunnen bouwen. Tegenwoordig is de noodzakelijkheid van
+zoo iets niet waarschijnlijk; maar ziet gij, mijnheer, in geval van
+nood kan men deze plek met weinig moeite tot een vast punt van
+verdediging maken; want als wij hier en daar tusschen de boomen nog
+eenige palissaden zetten, hebben wij eene volmaakt goede verschansing,
+zooals men die in West-Indi&euml; tegen de wilden gebruikt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Volkomen waar, mijn goede raadsman. Evenwel hoop ik van
+harte, dat zulke verdedigingsmiddelen ons nooit te pas zullen
+komen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ook ik hoop datzelfde, mijnheer; maar voorzichtigheid gaat
+boven alles. Intusschen hebben we eerst nog veel anders te bedenken en
+te doen. Het eten zal nu wel klaar zijn. Laat ons zien, dat wij ons
+deel krijgen, en dan <span class="pagenum">[<a id="pb96" href="#pb96"
+name="pb96">96</a>]</span>terstond ons werk aanvatten. Ik zie altijd
+gaarne een begin, al is het ook nog zoo gering.&rdquo;</p>
+<p>Ook Willem en Juno kwamen nu aan den maaltijd, die mevrouw Wilson
+bereid had. Beiden stond het gezonde zweet op het voorhoofd, want het
+was hard werk wat zij te doen hadden; maar beider wil was goed en zij
+wilden gedaan krijgen wat eens begonnen was. Thomas was den ganschen
+morgen uiterst oproerig geweest en had overal slechts stoornis
+veroorzaakt. Zijne les had hij niet geleerd, maar daarvoor, ofschoon
+het hem meer dan eens verboden was, met vuur gespeeld en de kleine
+Caroline de hand gebrand. Zoodra zijn vader nu echter van zijne
+ondeugendheid hoorde, werd de stoute jongen tot zijne straf veroordeeld
+om vandaag geen eten te krijgen, en zoo zat hij daar boos en grommend
+de verdwijnende spijzen na te kijken, zonder dat het hem nochtans
+inviel, voor zijne ondeugendheid vergiffenis te vragen. Na het eten nam
+mijnheer Wilson schop en houweel om naar de plaats van hun toekomstigen
+tuin te gaan, en zijne vrouw verzocht hem, Thomas mee te nemen, daar
+zij zeer veel te doen had en niet zoo gemakkelijk op hem als op de
+kleine Caroline passen kon. Zoo vatte de vader den jongen bij de hand
+en nam hem mee naar de plaats, waar hij arbeiden wilde. Daar deed hij
+hem op den grond nederzitten, terwijl hij zelf de struiken begon uit te
+roeien.</p>
+<p>Hij werkte ijverig voort, en toen hij eenigszins gevorderd was, liet
+hij het afgehouwen struikgewas door Thomas wat verder wegdragen en in
+eene hoop op elkaar pakken. De kleine jongen deed dit echter ongaarne,
+daar hij nog altijd in een boos humeur was. Nadat de vader eene vrij
+groote ruimte van struiken ontdaan had, nam hij zijne schop en begon de
+wortels uit te graven, waarbij hij aan Thomas overliet, zich naar eigen
+verkiezing te vermaken. Zoo zag hij niet, waarmee de knaap wel een uur
+lang bezig was, terwijl hij zelf druk voortarbeidde. Toen opeens echter
+hoorde hij een luid kreunen, en op de vraag naar de oorzaak daarvan,
+gaf Thomas geen antwoord, maar jammerde al sterker, tot hij eindelijk
+de handen op de maag legde en zoo hard als hij kon begon te schreeuwen.
+Daar hij zware pijn scheen te lijden, liet de vader zijn arbeid rusten
+en bracht hem naar de tent, waar mevrouw Wilson, door het gekerm
+verontrust, hem te gemoet kwam. Thomas verkoos overigens niet, ergens
+op te antwoorden, en ging met huilen en jammeren voort, zoodat vader en
+moeder niet begrijpen konden, wat er de oorzaak van was. De oude Flink,
+die dat gekerm zoo lang hoorde aanhouden, dacht dat er een ernstig
+ongeluk was voorgevallen, en kwam nu ook aan. Toen hij hoorde wat er
+gebeurd was, zeide hij: <span class="pagenum">[<a id="pb97" href=
+"#pb97" name="pb97">97</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Maak er staat op, mijnheer, de jongen heeft iets gegeten, dat
+hem nu kwalijk bekomt. Zeg, sinjeur Thomas, wat hebt gij in den mond
+gestoken, toen gij daar alleen waart?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Bessen,&rdquo; was het snikkend antwoord.</p>
+<p>&bdquo;Dat dacht ik wel, mevrouw,&rdquo; vervolgde Flink. &bdquo;Ik
+wil eens gaan zien, wat voor soort van bessen het waren.&rdquo;</p>
+<p>De oude man ging ijlings naar de plaats, waar mijnheer Wilson
+gewerkt had. De moeder was inmiddels grootelijks beangst, dat het kind
+iets vergiftigs mocht hebben ingekregen, terwijl de vader uit zijne
+kleine apotheek een fleschje ricinusolie ging halen.</p>
+<p>Flink kwam juist terug, toen ook de heer Wilson in de tent trad met
+het fleschje, waaruit hij den zieken jongen eenige droppels wilde
+ingeven.</p>
+<p>&bdquo;O, neen, mijnheer,&rdquo; zeide de oude man, die een takje in
+de hand hield, toen hij hoorde, welke medicijn het was; &bdquo;daar
+moet gij hem niet van ingeven, want, naar het mij voorkomt, heeft hij
+er al te veel van gebruikt. Zie, als ik &rsquo;t niet mis heb,&mdash;en
+mij dunkt, ik ben vrij zeker van mijne zaak,&mdash;is dit de
+ricinusplant; en hier zijn eenige van de bessen, waarvan onze sinjeur
+gesnoept heeft. Niet waar, Thomas, hiervan hebt gij gegeten?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja.&mdash;O, wat heb ik er eene pijn van!&rdquo; kermde de
+knaap.</p>
+<p>&bdquo;Dat is verdiend loon. Geef hem maar iets warm te drinken
+mevrouw, en het zal wel spoedig beter zijn. Onze jongeheer zal nu
+denkelijk wel onthouden, dat men geen vreemde bessen of vruchten
+plukken mag, zonder vooraf te weten, dat ze goed om te eten
+zijn.&rdquo;</p>
+<p>Gelijk Flink gezegd had, was het ook. Evenwel was Thomas den
+ganschen dag nog ziek en misselijk, en moest al zeer vroeg naar bed
+worden gebracht.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch26" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">ZES-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">EEN ONAARDIG KIND.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Den anderen morgen, toen al de overigen druk aan het
+werk waren, zat mevrouw Wilson voor hare tent. De kleine Albert kroop
+aan hare voeten op den grond om: Caroline was naarstig met hare
+breikous bezig, en sinjeur Thomas groef kuilen in het zand, in elken
+waarvan hij een steentje legde.</p>
+<p>&bdquo;Wat doet gij toch, Thomas?&rdquo; vroeg zijne moeder.</p>
+<p>&bdquo;Spelen, moeder; ik maak een tuin.&rdquo; <span class=
+"pagenum">[<a id="pb98" href="#pb98" name="pb98">98</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Een tuin! Dan moest gij er ook eenige boomen in
+planten.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, ik zaai zaden: zie hier maar,&rdquo; riep Thomas en
+wees op zijne steenen.</p>
+<p>&bdquo;Steenen kunnen niet groeien; niet waar, moeder?&rdquo; vroeg
+de kleine Caroline.</p>
+<p>&bdquo;Neen, lieve meid, dat kunnen zij niet. Steenen schieten niet
+uit de aarde op, maar wel het zaad van planten en bloemen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat weet ik ook wel,&rdquo; zeide Thomas. &bdquo;Ik doe maar
+zoo omdat ik geen zaad heb.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar gij zeidet daar straks toch, dat gij zaad zaaidet en
+geen steenen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O, dat verbeeld ik mij maar zoo, en dan is het ook precies
+&rsquo;t zelfde.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Toch niet zoo precies &rsquo;t zelfde, mijn jongen. Bedenk
+maar eens; als gij gisteren, in plaats van die leelijke bessen te eten,
+u slechts verbeeld hadt, dat gij ze at,&mdash;zou dat niet beter voor u
+geweest zijn?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik wil er ook niet weer van proeven,&rdquo; zeide de
+knaap.</p>
+<p>&bdquo;Neen, van die bessen niet; maar als gij iets anders ziet,
+waar ge trek in krijgt, dan vrees ik half en half dat ge het weer
+proeven zult, en dan kon &rsquo;t licht even erg of nog erger dan
+gisteren gaan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik heb zin in kokosnoten. Waarom krijgen wij daar nooit van?
+Daar boven aan de boomen hangen er toch nog genoeg.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar wie zal zoo hoog klimmen, om ze te plukken? Wilt gij dat
+zelf doen, Thomas?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, maar waarom doet Flink dat niet, of vader, of Willem?
+Waarom stuurt ge Juno niet in den boom? Ik wil kokosnoten
+hebben.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Die zullen er ons wel eens wat van meebrengen, als zij niet
+zooveel meer te doen hebben; maar nu is het geen tijd daartoe. Ziet ge
+niet, hoe druk allen aan het werk zijn?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik lust graag schildpadsoep,&rdquo; vervolgde Thomas.</p>
+<p>&bdquo;Willem en Juno maken een vijver, om daar schildpadden in te
+doen, en dan krijgen we die meer te eten. Ge moet bedenken, dat wij
+niet altijd alles krijgen kunnen, waar we lust in hebben.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Eene schildpad, moeder, wat is dat?&rdquo; vroeg de kleine
+Caroline.</p>
+<p>&bdquo;Dat is eene soort van dier, dat in het water leeft en toch
+geen visch is.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O, gebakken visch, daar houd ik ook veel van,&rdquo; riep
+Thomas weder. &bdquo;Waarom krijgen wij geen gebakken visch?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Omdat iedereen thans te veel werk heeft, om ze te kunnen
+vangen. Naderhand zult ge zeker ook wel nu en dan eens visch krijgen.
+Maar kom, lieve Thomas, ga eens heen en haal uw broertje Albert terug.
+Hij is daar veel te dicht bij onze geit gekropen, en die stoot soms
+wel.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb99" href="#pb99" name=
+"pb99">99</a>]</span></p>
+<p>Thomas deed wat hem gezegd was. De kleine was vlak bij het jonge
+bokje, dat sedert vrij groot was geworden, en Thomas haalde hem daar
+vandaan, maar kon daarbij niet nalaten, eens even met zijn voet naar
+het dier te schoppen.</p>
+<p>&bdquo;Thomas, Thomas, doe dat toch niet; hij kon u stooten en u
+bitter zeer doen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik ben niet bang voor hem,&rdquo; riep Thomas, terwijl hij
+Albert met de eene hand vasthield en voortging naar den bok te
+schoppen. Deze had echter geen lust om dat langer te verdragen. Hij
+dook met den kop neer, sprong op Thomas toe en stiet hem tegen de
+borst, zoodat hij over Albert heen op den grond rolde. De kleine
+schreeuwde, en ook onze mijnheer Thomas riep om hulp. Mevrouw Wilson
+schoot toe en nam haar zoontje op den arm, terwijl Thomas die nu vrij
+wat bang was, zich aan haar japon vasthield en angstig naar den bok
+omzag, die zeer geneigd scheen om zijn aanval te hernieuwen.</p>
+<p>&bdquo;Waarom doet gij ook niet wat men u zegt, Thomas? Ik zei u
+immers wel, dat hij u stooten zou,&rdquo; zeide de moeder en zocht
+Albert gerust te stellen.</p>
+<p>&bdquo;Ik geef niet om tien bokken,&rdquo; antwoordde Thomas, nu hij
+zag dat <span class="corr" id="xd21e2400" title=
+"Bron: het het">het</span> beest hem niet verder volgde.</p>
+<p>&bdquo;Ja, ja, nu de bok weg is, hebt gij verbazend veel moed. Gij
+zijt toch een recht ondeugende jongen, die nooit gehoorzaamt, als men u
+iets zegt. Weet gij nog wel van dien leeuw aan de Kaap?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik ben niet bang voor een leeuw,&rdquo; zei Thomas.</p>
+<p>&bdquo;Dat geloof ik, nu er nergens een te zien is; maar gij zoudt
+niet weinig schrikken en schreeuwen, als er eensklaps een voor u
+stond.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik heb hem toch wel met steenen gegooid,&rdquo; vervolgde de
+knaap.</p>
+<p>&bdquo;Ja, dat hebt gij gedaan; en als gij het gelaten hadt, zou de
+leeuw u niet zoo hebben doen schrikken, evenmin als de bok u daareven
+op den grond zou hebben geworpen,&rdquo; antwoordde de moeder.</p>
+<p>&bdquo;Sik stoot nooit naar mij, moeder,&rdquo; zeide Caroline.</p>
+<p>&bdquo;Neen, lieve, omdat gij hem nooit plaagt! maar Thomas houdt er
+veel van de dieren te kwellen en wordt daar dan ook telkens voor
+gestraft. Het is heel stout van hem, dat hij het doet, vooral daar
+vader en moeder hem gedurig zeggen, dat hij het laten moet. Goede
+kinderen gehoorzamen altijd aan hunne ouders; maar Thomas is geen goed
+kind.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Van morgen, toen ik mijne les zoo goed opzei, zeidet gij
+toch, dat ik een brave jongen was, moeder,&rdquo; zeide Thomas
+beschaamd. <span class="pagenum">[<a id="pb100" href="#pb100" name=
+"pb100">100</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Ja, ja, toen waart gij dat ook; maar gij moet altijd braaf en
+gehoorzaam zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat kan ik niet altijd wezen,&rdquo; antwoordde de knaap.
+&bdquo;Ik heb honger; wanneer krijg ik van middag eten?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Het wordt nu spoedig tijd, jongen; maar ge moet wachten, tot
+allen van het werk terug zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Daar komt Flink met een zak op den schouder,&rdquo; riep
+Thomas. Na weinige oogenblikken stond deze dan ook voor mevrouw Wilson
+en legde zijn zak op den grond neer.</p>
+<p>&bdquo;Ik heb u wat jonge kokosnoten meegebracht en daarbij ook een
+paar oudere,&rdquo; zeide hij. &bdquo;Ze zijn van de boomen, die ik heb
+omgehouwen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ha, kokosnoten, die lust ik graag!&rdquo; riep Thomas en
+klapte in de handen.</p>
+<p>&bdquo;Zeide ik niet, Thomas, dat wij ze mettertijd wel krijgen
+zouden? Kijk, nu komen ze schielijker, dan wij verwacht
+hadden.&mdash;Ge schijnt recht warm, Flink.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, mevrouw,&rdquo; antwoordde deze en wischte zich het zweet
+van het voorhoofd, &bdquo;&rsquo;t Is ook een warm werk, daar in het
+bosch geen koeltje waait. Weet ge ook nog iets, dat ik van onze
+landingsplaats kan meebrengen? Ik ga er dadelijk na het eten naar
+toe.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En om wat te doen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik moet de kar halen, om onze stammen uit het bosch te
+brengen, en daartoe moet ik eerst een behoorlijk pad banen. Maar
+ditmaal heb ik Willem noodig, om mij een handje te helpen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O, Willem zal zeker gaarne meegaan. Dat is eene verademing,
+nadat hij zoo lang met die zware steenen gesleept heeft.&mdash;Ik weet
+op &rsquo;t oogenblik niets meer, dat wij noodig hebben,&rdquo;
+vervolgde mevrouw Wilson. &bdquo;Daar komt Willem met Juno, en ook mijn
+man heeft, zie ik, de schop neergelegd. Kom, lieve Caroline, pas gij nu
+op Albert, terwijl ik het eten voor u allen opdraag.&rdquo;</p>
+<p>De oude man was haar hiertoe behulpzaam. Het eten werd op den grond
+gezet, want hunne stoelen en tafels hadden zij nog niet naar de nieuwe
+woning meegenomen, daar zij die wel dachten te kunnen missen, totdat
+het huis was opgebouwd. Willem berichtte, dat hij den volgenden dag met
+den vijver hoopte klaar te komen. Zijn vader had reeds zooveel grond
+omgespit, dat men den van het wrak geredden halven zak aardappelen
+daarin poten kon, en &rsquo;t was dus vooruit te zien, dat binnen twee
+dagen allen te zamen met vereende krachten tot het vellen en vervoeren
+der boomen zouden kunnen overgaan. <span class="pagenum">[<a id="pb101"
+href="#pb101" name="pb101">101</a>]</span></p>
+<p>Na het eten roeide Flink met Willem in de boot weg en keerde nog
+voor den donker met de kar en eenige andere goederen, die de lading vol
+maakten, terug. Ook hadden zij eenige dikke balken op het sleeptouw
+genomen, die Flink tot deurposten van het huis gebruiken wilde. De heer
+Wilson had voor dien namiddag zijn werk laten rusten en daarvoor Juno
+aan het hare geholpen. Naar zijn zeggen, was de vijver, zoo al nog niet
+klaar, toch reeds zoo ver gevorderd, dat de schildpadden, eens daarin
+zijnde, er niet gemakkelijk zouden uitkomen.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch27" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">ZEVEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">GESPREK TUSSCHEN VADER EN ZOON.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">&bdquo;Nu beste Willem,&rdquo; zeide Flink, &bdquo;als
+ge niet al te slaperig zijt, hebt ge misschien wel lust om van avond
+mee te gaan en te zien, of wij niet eenige schildpadden kunnen vangen.
+De broeitijd loopt spoedig ten einde en dan zullen zij zich niet meer
+op het eiland laten zien.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O ja, Flink, ik wil graag meegaan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Goed dan; maar wij moeten wachten, totdat het donker is. De
+maan zal van nacht niet lang schijnen en dat treft juist goed voor
+ons.&rdquo;</p>
+<p>Zoodra de zon onder was, stapten beiden naar het strand en zetten
+zich daar bedaard op een rotsblok neer. Het duurde niet lang, of Flink
+ontdekte een schildpad, die op het zand voortkrabbelde. Hij wenkte
+Willem, hem stilletjes te volgen en ging behoedzaam naar den waterkant,
+zoodat hij het beest den terugtocht naar zee afsneed.</p>
+<p>Zoodra de schildpad hen gewaar werd, snelde zij op het water toe,
+doch had het geluk niet van te ontkomen, daar Flink haar haastig bij
+een harer voorste zwempooten aanpakte en haar toen zonder moeite op den
+rug omwentelde.</p>
+<p>&bdquo;Z&oacute;&oacute;, Willem, als ik daar deed, moet men de
+schildpadden altijd omdraaien. Gij moet daarbij echter oppassen, dat
+gij niet te dicht bij hare tanden komt, wat u licht een vinger zou
+kosten. Zooals het dier nu ligt, kan het niet meer van de plaats, en
+wij zullen het morgenochtend evenzoo vinden. Laat ons nu eens langs het
+strand voortgaan en zien, of er nog meer te vangen zijn.&rdquo;</p>
+<p>Beiden bleven nog tot middernacht op en vingen in dien tijd zestien,
+deels groote, deels kleine schildpadden. <span class="pagenum">[<a id=
+"pb102" href="#pb102" name="pb102">102</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Mij dunkt, dat is voor ditmaal genoeg,&rdquo; zeide Flink
+toen. &bdquo;Wij hebben in dezen nacht voor langen tijd voorraad
+ingezameld. Over drie of vier dagen willen wij eens zien, of wij onzen
+rijkdom niet nog vermeerderen kunnen, en morgen vroeg brengen wij onze
+vangst in den vijver.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hoe zullen wij die groote dieren echter wegdragen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat behoeft niet veel moeite te kosten. We schuiven hen op
+een stuk oud zeildoek en brengen hen op die wijze van de plaats. Op het
+gladde zand is daar weinig kracht toe noodig.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Waarom vangen we ook niet visschen, Flink? Wij konden die
+immers ook bij de schildpadden in den vijver doen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zij zouden daar niet lang in blijven, Willem, en al deden zij
+dat ook, dan zouden wij er hen toch moeilijk uit kunnen krijgen. Wij
+moeten mettertijd een afzonderlijken vischvijver aanleggen; maar
+vooreerst hebben wij nog wel noodiger dingen te doen. Ik ben al
+voornemens geweest eenige hengelsnoeren klaar te maken, maar kon er
+niet toe komen en ben daar nu al te moe en te slaperig toe. Zoodra het
+huis echter gebouwd is, zullen we eens uitgaan en gij zult
+oppervisschersbaas zijn, als ik u eerst gewezen heb, hoe ge doen
+moet.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En niet waar, bij nacht bijten de visschen ook
+aan<span class="corr" id="xd21e2482" title=
+"Bron: &rdquo;?">?&rdquo;</span></p>
+<p>&bdquo;O ja, en zelfs nog beter, dan bij dag.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Nu goed, bezorg mij dan een snoer en zeg mij, hoe ik doen
+moet. Ik zal elken avond, als &rsquo;t werk af is, nog een uurtje of
+langer visschen, Thomas vraagt al gedurig om gebakken visch, en ik
+weet, dat moeder het gezouten vleesch hartelijk moe is en &rsquo;t ook
+voor Caroline niet gezond vindt. Zij was recht blij, toen gij haar
+eergisteren die kokosnoten bracht.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Goed, goed, mijn jongen. Ik zal morgenavond een stukje kaars
+opzoeken en twee hengelsnoeren voor ons klaarmaken. Maar ik moet bij u
+wezen, vriend Willem. In allen gevallen hebben wij hier niet veel licht
+noodig.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, wij zijn al blij, dat wij eindelijk te bed komen. Daar
+in de bocht staan nog twee of drie kisten met kaarsen, maar hoe moeten
+wij het maken, als die voorraad in &rsquo;t vervolg eens
+opraakt?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dan branden wij kokosnotenolie en daar zal het ons nooit aan
+ontbreken. En nu goeden nacht, mijn jongen.&rdquo;</p>
+<p>Den volgenden ochtend nog v&oacute;&oacute;r het ontbijt waren alle
+handen bezig om de schildpadden in den vijver te brengen, die tegen den
+middag door Willem en Juno geheel voltooid werd. Ook mijnheer Wilson
+had tegen etenstijd eene genoegzame uitgestrektheid gronds ter
+bebouwing gereedgemaakt, en daar zijne vrouw Juno dien middag het
+linnengoed moest laten uitwasschen, <span class="pagenum">[<a id=
+"pb103" href="#pb103" name="pb103">103</a>]</span>kwam men overeen, dat
+Flink met Willem en zijn vader gezamenlijk naar den tuin zouden gaan en
+de aardappelen poten.</p>
+<p>De oude man werkte met de spade, terwijl vader en zoon de
+aardappelen in stukken sneden, zoodat op ieder stuk een oog kwam.
+Terwijl zij op deze wijze bezig waren zeide Willem tot zijn vader in
+den loop van het gesprek onder andere:</p>
+<p>&bdquo;Vader, gij beloofdet mij, den dag nadat wij de Kaap de Goede
+Hoop verlieten, dat gij mij verklaren woudt, waarom deze zoo genoemd
+wordt en dat ik daarbij ook iets over de koloni&euml;n in het algemeen
+hooren zou. Wilt gij nu misschien zoo goed zijn?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Recht gaarne, beste jongen; maar gij moet wel opletten, en
+als gij mij niet goed begrijpt, verzuim dan niet, mij dat terstond te
+zeggen, opdat ik het u duidelijker trachte te verklaren. Gij hebt wel
+meer hooren zeggen, dat de Engelschen tegenwoordig de meesters van de
+zee zijn, en dat is werkelijk zoo, ofschoon dat in alle tijden niet het
+geval is geweest. De vroegste zeevaarders onder de nieuwere volken
+waren de Spanjaarden en Portugeezen. Door de Spanjaarden werd
+Zuid-Amerika, door de Portugeezen werden de Oost-Indi&euml;n ontdekt.
+Destijds, het is nu meer dan driehonderd jaren geleden, was Engeland
+niet de machtige staat, die het thans is en had vergelijkenderwijze
+slechts weinig schepen, ook konden de Engelschen, wat ondernemingsgeest
+betreft, bij de toenmalige Spanjaarden en Portugeezen niet halen. De
+laatsten zochten een weg naar Oost-Indi&euml; te vinden en deden
+daarbij de Kaap de Goede Hoop aan. In die dagen echter waren de
+schepen, in vergelijking met de tegenwoordige, slechts zeer klein te
+noemen en op de hoogte van deze kaap stormde het zoo geweldig, dat zij
+die niet durfden omzeilen en haar daarom den naam van Stormkaap gaven.
+Ten laatste gelukte het hun nochtans om de kaap heen te komen en van
+toen af noemden zij deze Coba da Buona Speranza of Kaap de Goede Hoop.
+Zij bereikten gelukkig het lang gewenschte Indi&euml;, veroverden daar
+verscheidene gewichtige punten en grondvestten een handel, die voor hun
+land een bron van grooten rijkdom werd, Gij begrijpt mij toch,
+Willem?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja vader.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Welnu, weet gij, de mensch is aanvankelijk kind, rijpt
+allengs tot man, bereikt als zoodanig het toppunt zijner kracht, neemt
+weder af, wordt oud en sterft; en gelijk dit met elken mensch in het
+bijzonder het geval is, heeft het ook met geheele volkeren plaats. Het
+Portugeesche volk was toenmaals in zijn mannelijke kracht, maar andere
+nati&euml;n kwamen en groeiden nevens Portugal op, onder anderen de
+Hollanders, die den Portugeezen het eerst <span class="pagenum">[<a id=
+"pb104" href="#pb104" name="pb104">104</a>]</span>den handel op
+Indi&euml; betwistten. Dezen ontrukten hun eindelijk ook de eene
+kolonie na de andere en namen den geheelen handel voor zich in beslag.
+Thans eerst braken de Engelschen zich baan, veroverden zoowel de
+Hollandsche als de Portugeesche koloni&euml;n en handhaafden zich
+sedert grootendeels in haar bezit. Portugal, dat eens door het
+moedigste volk der wereld bewoond was, is thans geheel in het niet
+teruggezonken. Ook de Hollanders hebben veel van hun vroeger zoo
+machtigen invloed verloren, terwijl de zon, gelijk men te recht zegt,
+in het Britsche rijk nimmer ondergaat: want daar zijne koloni&euml;n op
+alle punten der aarde verstrooid zijn, moeten voortdurend eenige
+daarvan door de zon beschenen worden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat alles, beste vader, begrijp ik zeer goed; maar zeg mij nu
+eens, waarom streeft Engeland en elk ander volk zoo ijverig naar het
+bezit der zoogenaamde koloni&euml;n?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Omdat deze op de welvaart van het moederland een
+onberekenbaren invloed uitoefenen. Zoolang zij nog in hare kindsheid
+zijn, veroorzaken zij aan dat moederland doorgaans veel onkosten en
+uitgaven, maar breiden zij zich uit en worden zij sterker, dan zijn zij
+ook al spoedig in staat, om die vroegere schuld af te doen, door hare
+eigene voortbrengselen voor die der nijverheid van het moederland in
+betaling te geven. Deze ruilhandel is voor beide kanten voordeelig. Het
+moederland trekt er echter de meeste winst van, daar dit zichzelf het
+recht voorbehoudt om de koloni&euml;n van al wat zij noodig hebben te
+voorzien en daardoor aan zijne eigene bevolking eene markt tot vertier
+openstelt, waarop geene vreemde mededinging te duchten is. De
+betrekking tusschen beiden kan niet beter vergeleken worden, dan met
+die tusschen ouders en kind. Gedurende hare kindsheid wordt de kolonie
+door het moederland als een kind opgevoed en onderhouden. Naarmate zij
+in bloei en kracht toeneemt, wordt echter ook hare verplichting
+grooter, om het geleende met interest terug te geven. En hiermede houdt
+de vergelijking nog niet op. Zoodra de kolonie sterk genoeg geworden is
+om voor zich zelve te zorgen, werpt zij het juk der overheersching af
+en verklaart zich onafhankelijk, evenals de zoon, die tot man
+opgegroeid, zijns vaders huis verlaat om zijne eigene zaken te beginnen
+en zijn eigen kost te verdienen. Dit wordt even zeker het geval, als
+het zeker is dat de vogel, zoodra hij goed vliegen kan, het ouderlijke
+nest verlaat en op eigen wieken gaat drijven. Wij hebben daar een
+sprekend voorbeeld van in de Vereenigde Staten van Noord-Amerika, die
+v&oacute;&oacute;r vijftig jaren nog <span class="corr" id="xd21e2516"
+title="Bron: kolonien">koloni&euml;n</span> van Groot-Brittanje waren,
+maar nu reeds zelve een der machtigste onafhankelijke nati&euml;n der
+wereld zijn.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb105" href="#pb105"
+name="pb105">105</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Maar vader, is het niet vreeselijk ondankbaar van eene
+kolonie, wanneer zij zoo van het moederland, dat haar zoo lang
+beschermde afvalt, zoodra zij de bescherming niet meer noodig
+heeft?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat schijnt in den beginne werkelijk zoo, Willem; doch als
+wij de zaak van meer nabij beschouwen, zal ons oordeel denkelijk anders
+uitvallen. Het moederland heeft gedurende het lange tijdsverloop, dat
+de kolonie noodig had om tot haar staat van onafhankelijkheid te
+geraken, volkomen gelegenheid gehad, om zich voor alles, wat het
+vroeger voor dezen deed, genoegzaam schadeloos te stellen, en na
+verloop van tijd worden de rechten, die het moederland zich aanmatigt,
+voor de koloni&euml;n ook werkelijk al te drukkend. Gij weet, men mag
+een volwassen mensch niet op dezelfde wijze behandelen als een
+kind.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Nu, vader, heb ik nog eene andere vraag te doen. Gij zeidet,
+dat de volken rijzen en dalen, en hebt daarbij de Portugeezen tot
+voorbeeld aangevoerd. Zal Engeland, dat nu zoo groot is, ooit vallen en
+even onbeduidend worden, als Portugal tegenwoordig?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Die vraag kunnen wij alleen beantwoorden door op de
+geschiedenis te zien, en deze leert ons, dat dit het lot van alle
+volken is. Dus moeten wij verwachten, dat een dergelijk lot ook
+Engeland eens treffen zal. Tegenwoordig zien wij daar nog geen schijn
+van, evenmin als wij van de verborgen kiem des doods in ons eigen
+lichaam iets bespeuren; en toch komt de tijd, dat de mensch sterven
+moet, en evenzoo is het met de volken en landen gelegen. Denkt gij wel,
+dat de Portugeezen, in den tijd, toen zij zoo hoog stonden, ooit
+gedacht hebben, dat zij zoo laag, als zij nu staan, dalen zouden?
+Zouden zij het geloofd hebben, als men het hun voorspeld had? Ja, mijn
+beste jongen, ook de Engelsche natie zal mettertijd het lot ondergaan,
+dat alle andere volken v&oacute;&oacute;r haar heeft getroffen. Er zijn
+velerlei oorzaken, welk dien tijd verhaasten kunnen of langer doen
+uitblijven, maar vroeger of later zal Engeland ophouden de koningin der
+zee te zijn en zijne koloni&euml;n niet langer over alle werelddeelen
+uitstrekken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik hoop evenwel, dat die tijd nog veraf zal zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat hoopt ook ieder echt Engelschman, die zijn vaderland
+waarachtig lief heeft. Herinner u, dat, toen het Romeinsche rijk zijne
+grootste hoogte bereikt had, Groot-Britanje maar enkel door wilden en
+barbaren bewoond was. Het Romeinsche rijk is thans verdwenen en leeft
+alleen nog in de geschiedenis en in de overblijfsels van vroegere
+grootheid, terwijl Engeland zich rangschikt onder de machtigste volken.
+Hoe is het grootste gedeelte van het vasteland van Afrika bevolkt? Met
+negers en barbaren; <span class="pagenum">[<a id="pb106" href="#pb106"
+name="pb106">106</a>]</span>maar wie weet, wat nog in vervolg van tijd
+uit dezen worden kan?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat! zouden die negers ooit een beschaafd volk
+worden?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Op dezelfde wijze hadden ook de Romeinen in vroeger dagen
+kunnen vragen: Hoe! zouden die Britsche barbaren ooit een machtig en
+beschaafd volk worden?<a id="xd21e2539" name="xd21e2539"></a> En gij
+ziet toch, dat zij het werkelijk geworden zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar de negers, vader,&mdash;die zijn immers
+zwart!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat zijn zij; maar wat doet dat ertoe? Wat de donkere kleur
+der huid aangaat, is de meerderheid der Mooren bijna even zwart als de
+negers en toch waren die eens een groote natie en daarbij nog het meest
+verlichte volk van hun tijd, dat zich door allerlei schoone
+hoedanigheden, door adel, grootmoedigheid, door fijnheid van vormen en
+ridderlijken zin onderscheidde. Zij veroverden het grootste gedeelte
+van Spanje en handhaafden zich eeuwen in het bezit daarvan, verbreidden
+er daar toen nog onbekende kunsten en wetenschappen, en betoonden zich
+even dapper en heldhaftig, als zij edel en deugdzaam waren. Hebt gij de
+geschiedenis der Mooren in Spanje nooit gelezen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, vader; maar ik zou ze zeer graag leeren
+kennen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik ben zeker, dat gij haar dan lief krijgen zoudt. Het is
+eene geschiedenis vol avonturen en afwisselende gebeurtenissen, zooals
+gij nog geen andere kent. Ik had haar onder de boeken, die ik voor
+Sidney had meegenomen, maar of ze gered zijn weet ik niet. We zullen
+later wel eens tijd vinden, om daarnaar te zien.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik meen, vader, dat twee kisten met boeken zijn
+aangespoeld.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, twee of drie; maar als ik &rsquo;t w&egrave;l heb, had ik
+er in het geheel vijftien of zestien.&mdash;Ziezoo, wij hebben de
+aardappelen nu in stukken gesneden en zullen Flink helpen, om ze met de
+meegebrachte zaden in den grond te brengen.&rdquo;</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch28" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">ACHT-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">DE VISCHVANGST.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Dien avond bleef Flink nog een paar uren bij
+kaarslicht op, waarbij Willem hem gezelschap hield, en besteedde zijn
+tijd om de vischsnoeren klaar te maken en van lood en haken te
+voorzien. Eindelijk had hij er twee gereed.</p>
+<p>&bdquo;Wat moeten wij tot aas nemen, Flink?&rdquo; <span class=
+"pagenum">[<a id="pb107" href="#pb107" name="pb107">107</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Wel liefst een van de schaaldieren, die in menigte op het
+strand liggen, ofschoon een stuk spek ons, denk ik, evengoed dienen
+kan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En waar ergens zullen wij visschen, Flink?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;De beste plaats zal wel ginds, ver aan &rsquo;t uiterste van
+de landpunt zijn, waar ik met de boot door de klippen kom. Het water is
+daar diep tot aan de rotsen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik heb al eens gedacht, Flink, of die klipganzen en
+fregatvogels ook goed om te eten zouden zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Niet heel best, vriend Willem. Zij zijn taai en hebben een
+sterken vischsmaak. Alleen in &rsquo;t geval, dat wij niets beters
+krijgen kunnen, willen wij er eens de proef van nemen. Nu wij het zaad
+en de aardappelen in den grond hebben, moeten wij van morgen af met
+alle macht aan &rsquo;t vellen en aanvoeren van boomstammen gaan. Uw
+vader en ik zullen, dunkt mij, het vlugst met de bijl kunnen omgaan, en
+gij kunt dan met Juno de stammen op onze kar laden en ze naar de plek
+brengen, waar ons huis zal staan. Maar &rsquo;t is al laat, en wij
+zullen &rsquo;t best doen nu naar bed te gaan.&rdquo;</p>
+<p>Onze Willem had echter in stilte een ander plan gemaakt. Hij wist,
+dat hij zijne moeder met wat visch zeer verblijden kon, en dus besloot
+hij bij den helderen maneschijn eens te beproeven, of hij, voordat hij
+slapen ging, nog niet een zootje vangen kon. Daartoe wachtte hij
+bedaard den tijd af, dat Flink even vast als de anderen in rust was.
+Toen sloop hij voetje voor voetje met zijn vischtuig weg en liep naar
+het strand, waar hij drie of vier schelpen opzocht en tusschen twee
+steenen openbrak, om de diertjes er uit als aas aan zijn haak te
+steken. Hierop ging hij eerst naar het hem aangewezen punt. &rsquo;t
+Was een heerlijke nacht; het water was glad als een spiegel en de
+stralen der maan drongen tot bijna op den grond er van door. Willem
+wierp zijn snoer uit, en zoodra het lood den grond geraakt had, trok
+hij het omtrent een voet in de hoogte, gelijk hem door den ouden
+stuurman gewezen was. Geen halve minuut was zijne lijn nog in het
+water, of daar werd zoo sterk aan getrokken, dat hij, op zoo&rsquo;n
+ruk niet bedacht, bijna het evenwicht had verloren en hals over kop in
+het water was gebuiteld. De visch moest groot en sterk zijn, want de
+lijn slipte hem door de hand en sneed hem in den vinger. Na een poosje
+kreeg hij die echter weer goed vast, trok ze naar zich toe en een
+groote visch met zilveren schubben, van althans negen of tien pond
+zwaar, was zijn eerste vangst. Zoodra hij zijn buit zoover op het land
+had, dat die niet meer in het water kon springen, maakte Willem den
+visch van den hengel los en besloot nog eenmaal zijn geluk te
+beproeven. Zijne lijn was ditmaal niet langer dan de eerste maal
+<span class="pagenum">[<a id="pb108" href="#pb108" name=
+"pb108">108</a>]</span>in het water, toen er weer met geweld aan
+getrokken werd; doch nu was de knaap daarop bedacht, vierde de lijn en
+liet den visch daaraan spartelen, tot hij moe werd; waarop hij hem
+zonder veel moeite optrok en met blijdschap ontdekte, dat deze nog
+zwaarder dan de vorige was. Met zijne vangst tevreden, wond hij de lijn
+weder op, stak een touw door de kieuwen der visschen en sleepte ze zoo
+naar de tenten, waar hij ze aan de tentstang ophing, opdat de honden er
+niet bij zouden komen. Een kwartier later lag hij gerust in slaap. Den
+volgenden morgen was Willem ook weer de eerste, die opstond en met luid
+gejuich zijn buit vertoonde; maar de oude Flink schudde daarover tegen
+verwachting verdrietig het hoofd.</p>
+<p>&bdquo;Gij hebt zeer verkeerd gedaan, Willem,&rdquo; zeide hij,
+&bdquo;met u buiten mijn weten aan een zoo groot gevaar bloot te
+stellen. Als gij besloten hadt uit visschen te gaan, waarom hebt ge mij
+daar dan niet iets van gezegd? Ik zou dan meegegaan zijn. Gij zegt
+zelf, dat de visch u bijna in &rsquo;t water had getrokken. Verbeeld u
+nu eens, dat dat werkelijk gebeurd was; dan waart gij verloren geweest,
+want de rotsen zijn zoo hoog en steil, dat gij er niet uit hadt kunnen
+klauteren, voordat een haai u gepakt had. Stel u nu maar een oogenblik
+het verdriet voor, dat gij uw vader en allen, die u zoo liefhebben,
+veroorzaakt zoudt hebben. Verbeeld u de droefheid en de vertwijfeling
+uwer arme moeder, als ze dat bericht ontving en gij niet meer te vinden
+of te zien geweest waart.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik begrijp &rsquo;t nu wel, ik deed heel verkeerd, Flink;
+maar ik wilde mijne goede moeder zoo graag eens verrassen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is reden genoeg voor ons om u uwe onbedachtzaamheid te
+vergeven; maar doe het toch niet weer. Geloof mij, ik ben altijd bereid
+en gewillig om overal met u mee te gaan. En nu geen woord meer van de
+zaak. Niemand moet vernemen, in welk gevaar ge verkeerd hebt, want nu
+is alles toch gelukkig voorbij. En gij zelf, mijn jongen, moet het een
+oud man ook niet kwalijk nemen, dat hij u eens een beetje hard
+beknort.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, waarlijk, Flink, dat komt niet in mijn hart op, want ik
+weet immers, dat ik onberaden gehandeld heb; maar ik dacht volstrekt
+niet dat er eenig gevaar aan verbonden was.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Daar komt uwe moeder uit hare tent,&rdquo; zeide Flink.
+&bdquo;Goeden morgen mevrouw! Wel gerust? Nu zult ge niet raden, wat
+Willem van nacht voor u gedaan heeft. Kijk hier, daar hangen twee bazen
+van visschen, waaraan wij heerlijk smullen zullen&mdash;dat verzeker ik
+u.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O, daar ben ik recht blij mee!&rdquo; riep mevrouw Wilson.
+&bdquo;Thomas, kom toch gauw eens hier! Hebt ge wel zin in gebakken
+visch?&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb109" href="#pb109" name=
+"pb109">109</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;O, die lust ik zoo graag!&rdquo; zei Thomas.</p>
+<p>&bdquo;Kijk dan eens daar aan den tentstaak.&rdquo;</p>
+<p>Sinjeur Thomas klapte in den handen, danste als een dolleman in het
+rond en hield niet op te roepen: &bdquo;We eten gebakken visch van
+middag,&mdash;Caroline, gebakken visch! Gebakken visch, zooveel we maar
+lusten.&rdquo;</p>
+<p>Na het ontbijt trokken allen naar het bosch, waar Flink de boomen
+gekapt had, en namen onderstel en raderen en een paar stevige touwen
+mede. De beide mannen velden de boomen en bonden ze aan de kar vast,
+die toen door Juno en Willem naar de plaats werd getrokken, waar het
+huis zou worden gebouwd.</p>
+<p>Niemand keek zuur, toen zij tot den maaltijd geroepen werden, want
+allen hadden een zwaar en vermoeiend werk gehad. Alleen Thomas had,
+behalve tot allerlei kattekwaad, geen hand of vinger uitgestoken, maar
+was toch aan tafel zoo gulzig, dat zijne moeder ten laatste zei:
+&bdquo;Neen, jongenlief; men bindt een zak wel eens toe, al is hij nog
+niet vol. De kat zal nu met uw leege maag niet wegloopen, en ziek eten
+moogt ge u hier niet.&rdquo;</p>
+<p>In den nacht, die hierop volgde, stapten Flink en Willem, hoe
+doodmoe zij ook waren, naar het strand en vingen nog acht schildpadden.
+Het verdere gedeelte van de week gingen zij voort met het omkappen en
+vervoeren van kokosboomen, totdat zij eindelijk genoeg meenden te
+hebben, om met het bouwen van het nieuwe huis te beginnen. De Zondag
+werd weder in rust doorgebracht, &rsquo;s Maandagsnachts vingen zij
+weder negen schildpadden en drie zware visschen en &rsquo;s morgens
+daarop sloeg men de eerste hand aan het zetten van de nieuwe
+woning.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch29" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">NEGEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">HET NIEUWE HUIS.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Flink had reeds in voorraad de benoodigde deurposten
+en vensterkozijnen saamgesteld uit het timmerhout, dat van het wrak in
+de bocht was aangespoeld. Nu heide hij dan vier palen, in elken hoek
+een, in den grond en maakte, met hulp van mijnheer Wilson, in elken
+kokosstam boven en beneden eene insnede voor eene tweeden en derden
+stam, die daarmede aan weerszijden overkruis kwam te liggen. De stammen
+werden dan om <span class="pagenum">[<a id="pb110" href="#pb110" name=
+"pb110">110</a>]</span>den ander op elkaar gelegd, zoodat zij goed vast
+sloten, en men had de reten nu nog slechts met kokosbladeren aan te
+vullen, die dicht opeengeperst tusschen de balken werden ingeschoven.
+Dit laatste werk werd aan Willem en Juno opgedragen, en zoo rees het
+nieuwe huis langzamerhand van den grond omhoog. De haard en de
+schoorsteen konden niet te gelijk met de muren worden opgebouwd, want
+daartoe had men of leem te vinden of schelpen tot kalk te branden, om
+ze daarmee en met steenen op te trekken; doch de plaats werd er voor
+opengelaten. Drie weken achtereen arbeidden zij op deze wijze duchtig
+door. Toen de vier muren eens stonden, begon men met het dak en de
+bekleeding daarvan, welke laatste door middel van kokosbladen
+geschiedde, die, in bossen gebonden, door Flink op de wijze van een
+rieten dak saamgevoegd en met stevige prikken aan de balken vastgemaakt
+werden. Tegen het einde der derde week was de woning in zooverre
+gereed, dat zij toereikende beschutting tegen het weder verleende. Dat
+werd nu ook werkelijk hoog tijd, want het weder was allengs anders
+geworden; er begonnen zich wolken saam te pakken en de regentijd nam
+een begin. Na eenige regenvlagen helderde de hemel nog eens weder
+op.</p>
+<p>&bdquo;Nu hebben wij geen tijd meer te verliezen,&rdquo; zeide Flink
+tot mijnheer Wilson. &bdquo;Wij hebben hard gewerkt, <span class="corr"
+id="xd21e2614" title="Bron: moet">maar</span> moeten nu een paar dagen
+nog harder werken. Het binnenste van ons huis dient klaargemaakt te
+worden, zoodat mevrouw er zoo spoedig mogelijk intrekken
+kan.&rdquo;</p>
+<p>De aarde binnen in het huis werd vastgestampt, zoodat men een
+behoorlijken vloer kreeg. Aan weerszijden langs de wanden van het
+gebouw liep eene rij van bedsteden, twee voet hoog boven den grond en
+met katoenen gordijnen, die men &rsquo;s nachts neerlaten kon. Daarna
+deden Flink en Willem nog een laatste reisje naar de bocht, om tafels
+en stoelen te halen, en zij kwamen terug, juist voordat de eerste storm
+van het jaargetijde losbrak. Het beddegoed en al wat men meer noodig
+had, werd nu in het huis gebracht, en bij &rsquo;t grootere zette men
+nog een ander huisje, waar men koken kon, totdat haard en schoorsteen
+gereed zouden zijn.</p>
+<p>Op een laten Zaterdagavond hield de familie eindelijk haar intocht
+in het nieuwe huis, en dat juist van pas, want het zou leelijk gegaan
+zijn, als het toen niet had kunnen gebeuren. &rsquo;s Zondagsmorgens
+toch brak de eerste storm al los. De wind bulderde met geweld en een
+geluk was het voor onze vrienden, dat zij onder dak waren, want de
+windvlagen werden zoo geweldig, dat de kokosboomen zweepten, kraakten
+en de kruinen bogen, alsof zij dunne rietstaven waren. De bliksem
+kronkelde door de lucht, de eene donderslag volgde den anderen, terwijl
+het water in stroomen uit de lucht <span class="pagenum">[<a id="pb111"
+href="#pb111" name="pb111">111</a>]</span>viel en een tweede zondvloed
+in aantocht scheen. Het vee liep van de weide af en zocht eene
+schuilplaats onder het dichte geboomte; de honden kropen onder de
+bedsteden, en ofschoon het pas middag was, werd het toch zoo donker,
+dat men, om iets te zien, de lichten moest aansteken. &bdquo;Daar
+hebben we dus nu den regentijd, waarvan ge ons zooveel verteld hebt,
+Flink,&rdquo; zeide mevrouw Wilson. &bdquo;Blijft dat weer lang zoo?
+Wat moeten we nu doen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, mevrouw, zoo voortduren zal het niet. Tusschenbeide zal
+ook de zon schijnen, maar niet lang. Wij zullen dagelijks wel nu en dan
+eens uit kunnen gaan, maar &rsquo;t kan ook vele dagen zonder ophouden
+regenen, en dan moeten we in huis arbeiden. Ik durf wel zeggen, dat het
+ons nooit aan werk zal ontbreken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wij mogen wel blij zijn, dat wij een dak hebben, waaronder
+wij ons hoofd veilig kunnen neerleggen. In de tenten zou het niet uit
+te houden geweest zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat wist ik wel, mevrouw, en daarom juist had ik geen rust,
+voordat het huis gereed was.&rdquo;</p>
+<p>Hoe hevig de regen ook tegen de muren aansloeg, kon hij toch niet
+door het dak dringen. Flink en Willem gingen naar buiten, om de boot op
+eene plaats te brengen, waar zij niet door den storm kon beschadigd
+worden, en kwamen tot op het hemd toe nat terug. Zij moesten zich thans
+weer met koude spijzen behelpen, maar waren toch gelukkig. De storm
+woedde den ganschen nacht onafgebroken voort; doch zij sliepen gerust
+en droog, en toen zij tegen den morgen door het rollen van den donder
+en de kletterende regenvlagen gewekt werden, waren zij dankbaar, dat
+zij op dit woeste eiland zulk een veilige woonstede gevonden
+hadden.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch30" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">DERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">PLAN VOOR DE TOEKOMST.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Toen zij den tweeden morgen opstonden, was de lucht
+echter weer opgeklaard en scheen de zon vriendelijk en helder. Flink en
+Juno waren de eersten buiten de deur,&mdash;Flink met zijn kijker onder
+den arm, dien hij alleen meenam, als hij des morgens zijn ronde deed,
+zooals hij dat noemde.</p>
+<p>&bdquo;Wel, Juno,&rdquo; zeide Flink, &bdquo;dat is een heerlijke
+morgen na al dat onweer.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb112"
+href="#pb112" name="pb112">112</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Ja, massa Flink, heele mooie morgen, maar hoe ikke vuur aan
+krijg en maak water kook voor dat ontbijt? Warempel, ikke niet weet,
+want sprik en rijs alleboel klesnat.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat geloof ik wel, meid; maar voordat ik gisteren ging
+slapen, dekte ik de kolen met asch toe, lei daar eenige steenen op en
+toen nog een laag van takken en bladeren, zoodat ge, denk ik, nog wel
+wat vuur vinden zult. Ge ziet, Juno; we moeten ons behelpen. We kunnen
+niet alle dingen te gelijk doen; maar toekomende jaar, bij leven en
+welzijn, zullen we een goeden stapel brandhout, met een dak er over,
+tegen den regentijd gereed hebben, zoodat we niet weer verlegen staan.
+Ik wou mijn morgenronde gaan doen, maar wil nu nog wat blijven en u een
+handje helpen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Als &rsquo;t je blief, massa Flink; veel, ijselijke boel
+regen gevallen van nacht.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, Juno, niet weinig. Ge moet ook niet denken, dat het water
+uit de wel van morgen heel helder zal wezen, &rsquo;t Is zelfs wel
+mogelijk, dat ge van de bron in het geheel niets ziet.&mdash;Daar is
+toch nog wat hout, dat niet doornat is.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O, ikke al hebben vuur zatter,&rdquo; riep Juno, die de
+takken en steenen had weggeruimd en nu op hare knie&euml;n lag, om de
+kolen aan te blazen.</p>
+<p>&bdquo;Nu zult ge u dus wel kunnen redden, Juno,&rdquo; zei Flink;
+&bdquo;bovendien zal onze jongeheer Willem wel dadelijk hier zijn,
+zoodat ik kan opstappen.&rdquo;</p>
+<p>De oude man floot de honden, die vroolijk kwamen aanspringen, en
+begon toen zijne morgenwandeling. Hij begaf zich eerst naar de bron in
+de kloof, maar in plaats van de borrelende wel en het kristalheldere
+water, dat anders over de boorden der ton heenstroomde, vond hij een
+drabbige, slijkerige beek, die klotsend van de hoogte neerstortte en
+maakte, dat van de bron in het geheel niets te zien was.</p>
+<p>Flink waadde door den stroom, want hij wilde naar den
+schildpadvijver gaan zien, die nog verderop was gelegen. Hier was alles
+in orde, en nu plaste hij nog eenmaal door het water, dat den zandigen
+oever geheel overstroomd had, totdat hij aan de landtong kwam, waar
+zijne boot geborgen lag. Hij had haar te dien einde achter en voor met
+een stevig touw vastgebonden en een zwaren steen als anker daaraan
+gehangen.</p>
+<p>Van dit punt zag hij als gewoonlijk met zijn kijker uit,&mdash;niet
+omdat hij op de waarschijnlijkheid rekende, dat een schip tusschen deze
+eilanden en klippen verdwalen zou, maar toch, daar die mogelijkheid
+bestond, nam hij doorgaans deze moeite, ofschoon nooit als mijnheer
+Wilson bij hem was, daar hij wel bemerkte, dat deze daardoor bedroefd
+en somber gestemd werd. Als gewoonlijk nam hij ook ditmaal, na gedaan
+onderzoek, zijn <span class="pagenum">[<a id="pb113" href="#pb113"
+name="pb113">113</a>]</span>kijker weer onder den arm en zuchtte:
+&bdquo;Dat helpt immers toch niet.&rdquo;</p>
+<p>Daar de storm van land af had geblazen, bevond hij nu, dat de boot
+zoover was afgedreven, dat hij haar niet meer bereiken kon.</p>
+<p>&bdquo;Dat is wat moois!&rdquo; dacht hij. &bdquo;Hoe kon ik zoo dom
+zijn van dat ding niet aan een touw vast te sjorren? Er naar toe
+zwemmen en een maaltijd voor Jantje Haai worden, wil ik ook niet. Maar
+wacht,&mdash;laat eens zien!&rdquo; Met deze woorden haalde hij de
+lijnen en strengen, die tot de takelage van het scheepje behoorden en
+die hij ergens op een droge plek aan de kust geborgen had en knoopte ze
+aan elkander. Vervolgens bond hij een stuk hout van twee voet lengte
+ongeveer op &rsquo;t midden aan de lijn vast. Dit zocht hij nu door
+middel van het touw in de boot te slingeren en na eenige vergeefsche
+pogingen gelukte hem dit. Het hout raakte onder tusschen de ribben van
+de boot vast en zoo werd het mogelijk, de boot behoedzaam aan land te
+trekken. Nadat hij het water had uitgeloosd, dat zij gedurende den
+storm had ingekregen, verliet hij het strand en ging een bezoek aan den
+tuin brengen.</p>
+<p>&bdquo;Nu moet ik onze schapen en geiten nog opzoeken,&rdquo; zeide
+Flink, &bdquo;en dan is mijne morgenwandeling gedaan.&mdash;Kom,
+Romulus! Kom Remus! Waar zijt gij, jongens?&rdquo;</p>
+<p>De honden schenen te merken wat hij wilde en liepen al snuffelend
+vooruit. Spoedig hadden zij de schapen en twee der geiten dan ook
+opgespoord; maar de derde was nergens te zien.</p>
+<p>&bdquo;Wel, waar kan onze zwarte Nanni dan toch zitten?&rdquo;
+mompelde de oude man, die onderwijl een poosje had uitgerust. Eindelijk
+hoorde hij onder het dichte kreupelhout een geblaat, waarop hij
+dadelijk afging, terwijl de honden hem volgden.</p>
+<p>&bdquo;Dat dacht ik al half,&rdquo; riep hij, toen hij Nanni met
+twee pas geboren jongen bij haar onder de struiken vond liggen.
+&bdquo;Komt, kleine beestjes, we moeten een betere plaats voor u
+vinden,&rdquo; zeide hij en nam op iederen arm een. &bdquo;Koest,
+Romulus, koest dan!&rdquo; dreigde hij den hond, die naar de diertjes
+opsprong. &bdquo;Wat zijn dat voor kuren? Koest!&mdash;Ha ha, daar ligt
+ge al en hebt nu uw verdiend loon.&rdquo;</p>
+<p>En zoo was het ook; want Nanni, die niet dulden wou, dat de hond
+hare jongen te na kwam, was op hem toegesprongen en had hem zoo
+gestooten, dat hij hals over kop op den grond buitelde.</p>
+<p>Met de geitjes op den arm wandelde Flink nu naar huis terug en werd
+door de moeder op den voet gevolgd. Hij vond mijnheer en mevrouw Wilson
+en al de kinderen reeds aangekleed. Caroline en Thomas juichten van
+blijdschap, <span class="pagenum">[<a id="pb114" href="#pb114" name=
+"pb114">114</a>]</span>toen zij de jonge geitjes zagen, en zelfs de
+kleine Albert kraaide het uit. Zoodra Flink ze op den grond legde,
+hadden ook Thomas en Caroline al spoedig een van de aardige diertjes op
+den arm.</p>
+<p>&bdquo;Ik heb een aanwas voor de familie meegebracht,
+mevrouw,&rdquo; zeide Flink, &bdquo;en moet u wel verzoeken, de
+kleintjes in huis te dulden, totdat ik eene andere geschikter plaats
+voor hen vinden kan. Dat is echter maar een begin; ik verwacht, dat wij
+spoedig meer zullen hebben.&rdquo;</p>
+<p>Zoodra men de kleinen bewegen kon, de geitjes over te geven, werd
+Nanni in een hok vastgebonden, waar ze zeer tevreden scheen en hare
+kleinen zoogde en likte. Juno en Willem brachten het ontbijt binnen, en
+na den afloop daarvan zeide mijnheer Wilson:</p>
+<p>&bdquo;Nu Flink, dienden we wel eens raad te houden, om aan ieder
+van ons zijne bijzondere werkzaamheden en verrichtingen gedurende den
+regentijd aan te wijzen. Wij hebben zeer veel te doen en kunnen geen
+leegloopers zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja mijnheer, wij hebben zeer veel te doen, en om met alles
+klaar te komen, moeten wij met orde en naar een geregeld plan te werk
+gaan. Ik ben al oud genoeg om te weten, hoeveel tijd men door een
+regelmatige verdeeling zijner uren winnen kan. Zoo, bij voorbeeld,
+wordt op een goed bestuurd oorlogsschip veel meer gedaan, dan men op
+een koopvaardijschip in dubbel zooveel tijd uitvoert. En hoe dat zoo?
+Omdat ieder ding op zijne plaats en er eene bijzondere plaats voor
+ieder ding is. Heeft men dus iets noodig, dan behoeft men zijn tijd
+althans niet met zoeken te verliezen, daar ieder weet, waar hij het
+zijne halen moet. Bovendien weet ieder ook wat hij te doen heeft en dus
+kan er nooit verwarring ontstaan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik ben &rsquo;t volkomen met u eens, Flink,&rdquo; viel
+mevrouw Wilson hem in de rede; &bdquo;orde is de hoofdzaak. Terwijl een
+slordig meisje nog naar haar vingerhoed zoekt, heeft een ander, dat
+beter op hare zaken past, haar werk al lang af; en ik beloof u, zoodra
+de bergplanken en kastjes klaar zijn, zal ik zorgen, dat hier
+binnenshuis ieder ding op zijne plaats, en dat ook eene bijzondere
+plaats voor elk ding zal wezen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik vraag verschooning, mevrouw, als ik te veel praat; maar ik
+kan u verzekeren, dat ik nooit zou geweten hebben, hoeveel men met orde
+en stiptheid kan uitrichten, als ik niet aan boord van een oorlogsschip
+gediend had. Ik had al een langen tijd op koopvaardijschepen gevaren,
+waar altijd, zelfs als er niets te doen is, drukte en verwarring
+heerscht; maar hier vond ik, dat alles in stilte en geregeld werd
+afgedaan. Nooit had iemand een woord te spreken, dan alleen de
+officier, die juist den dienst had. Ieder man was <span class=
+"pagenum">[<a id="pb115" href="#pb115" name="pb115">115</a>]</span>op
+zijn post; ieder had een touw op te hijschen of er een te vieren. De
+bootsman floot, en in een ommezien was ieder zeil bijgezet of gereefd,
+al naar dat het gebeuren moest. In &rsquo;t begin scheen mij dat wel
+hekserij toe. En gij zult begrijpen, mijnheer Wilson, dat bij zooveel
+orde en tucht ieder man in &rsquo;t bijzonder van groot gewicht is,
+want de minste nalatigheid, waaraan &eacute;&eacute;n zich schuldig
+maakt, hindert ook dadelijk al de overigen in hun werk en doet alles
+verkeerd gaan. Daarbij kan de schuldige ook altijd verzekerd wezen, dat
+hij de verdiende straf niet ontgaat. Al had ik aan boord van dat
+oorlogsschip ook niet anders geleerd dan mijn tijd en mijne krachten op
+de beste wijze te gebruiken, dan had ik daarbij voor mijn volgend leven
+al genoeg gewonnen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Gij hebt volkomen gelijk, Flink, en gij moet ons nu leeren,
+evenzoo te arbeiden,&rdquo; antwoordde mijnheer Wilson.</p>
+<p>&bdquo;Wij hebben zooveel te doen, dat ik haast niet weet, waar te
+beginnen. Wij moeten werken, zoo goed en zooveel wij kunnen, totdat wij
+de dingen een weinig beter in orde hebben gebracht. Tot hiertoe hebben
+wij allen braaf ons best gedaan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat denkt gij, dat wij het eerst doen moeten,
+Flink?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wel, mijnheer, ons eerste werk dient te zijn, dat wij de boot
+wat hooger ophalen en zorgen, dat ze geen schade lijdt. Ik reken het
+vooreerst toch niet veilig naar de andere zij van het eiland te gaan,
+daar er op den duur te veel branding staat en &rsquo;t weer ook te
+onzeker is, om er voor een uur op te rekenen. Zoo zal het best zijn,
+dat wij de boot half in &rsquo;t zand begraven en ze dan daarmee geheel
+overdekken.</p>
+<p>&bdquo;Dat komt mij zeer goed voor. En wat volgt dan?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, ziet gij, de tenten mogen wij ook niet laten staan. We
+moeten ze opbreken en ze, als ze goed droog zijn, op eene geschikte
+plaats bewaren, daar ze in het vervolg nog goed te pas kunnen
+komen.&mdash;Dan, mijnheer, moeten we een ruim pakhuis voor
+levensmiddelen en verderen voorraad bouwen, met een rieten dak en met
+den vloer zoo wat vier voet boven den grond, zoodat onze schapen en
+geiten daaronder bij boos weer eene schuilplaats kunnen vinden. Daarmee
+kunnen wij schielijk klaar komen; wij hebben slechts drie kanten dicht
+te maken, en dat kost met kokosbladeren zooveel moeite niet. Later,
+mijnheer, valt er nog een vischvijver aan te leggen en eene zoutpan in
+de rotsen uit te houwen; doch dat doen wij eerst, als er geen
+dringender werk meer is.&mdash;Daarna komen nog twee gewichtige dingen.
+Vooreerst moeten wij al, wat wij nog aan de overzijde hebben, nazien,
+schriften en terechtleggen, zoodat wij het terstond na den regentijd
+<span class="pagenum">[<a id="pb116" href="#pb116" name=
+"pb116">116</a>]</span>hierheen kunnen halen. Het tweede is, dat wij
+een ontdekkingsreisje door het gansche eiland doen en onderzoeken, wat
+het al zoo voortbrengt; want tot hiertoe, mijnheer, weten wij daar nog
+bitter weinig van. Wij kunnen misschien nog veel vinden, dat ons van
+nut kan zijn; b. v. boomen en vruchten, en ik hoop ook wat meer gras en
+voeder voor ons vee, want gij begrijpt licht, mijnheer<span class=
+"corr" id="xd21e2709" title="Niet in bron">,</span> als dit zoo
+vermeerderen zal, dat we er wezenlijk nut van trekken, zullen wij hier
+geen voedsel genoeg voor de dieren hebben.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Al wat gij daar zegt, is volkomen waar, Flink,&rdquo;
+antwoordde mijnheer Wilson. &bdquo;En hoe zullen wij thans onze
+krachten verdeelen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Voorshands, mijnheer, zullen wij aan geen verdeeling denken.
+Juno heeft met mevrouw binnenshuis volop te doen. Onze Willem, gij en
+ik zullen eerst de boot in zekerheid brengen en de tenten en wat er nog
+zoo meer is, wegbergen. Dan beginnen wij met het pakhuis en haasten ons
+daarmee, zooveel wij kunnen. Heeft Juno soms eens wat tijd over, dan
+moet ze kokosbladeren opzamelen tot brand voor den haard. De kleine
+Thomas zal wel met haar meegaan en haar wijzen, hoe ze doen
+moet.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, ja, dat zal ik haar wel wijzen,&rdquo; zei Thomas en
+zette eene hooge borst.</p>
+<p>&bdquo;Nu aanstonds nog niet, jongeheer,&rdquo; hernam Flink;
+&bdquo;eerst als moeder u en Juno missen kan, dan moet gij het haar
+wijzen.&mdash;Kom, mijnheer,&rdquo; vervolgde hij, &bdquo;wij mogen
+thans de paar uren goed weer niet verzuimen, want voordat de dag ten
+einde is, krijgen wij zeker nog veel meer regen. Als ge &rsquo;t
+<span class="corr" id="xd21e2721" title="Bron: geod">goed</span> vindt,
+zal ik even de schoppen halen en maar naar de boot vooruitgaan, waar ik
+u wacht. Gij en Willem kunt eenige touwen meenemen, een stevigen bos
+kokostakken bij elkander binden, dien op de kar laden en daarmee dan
+naar het strand komen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;We zullen u niet laten wachten, Flink,&rdquo; antwoordde
+mijnheer Wilson.&mdash;&bdquo;Kom, Willem, kom!&rdquo;</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch31" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">EEN-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">FLINK VERHAALT ZIJNE LEVENSGESCHIEDENIS.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Daar men tot het bouwen van het huis zooveel
+kokosboomen geveld had, lagen er nog takken in overvloed in het rond
+verstrooid, en vader en zoon hadden er spoedig genoeg bij elkaar.</p>
+<p>Aan het strand gekomen, vonden zij dat Flink de boot reeds op het
+droge <span class="pagenum">[<a id="pb117" href="#pb117" name=
+"pb117">117</a>]</span>gehaald en er ook de rollen reeds ondergeschoven
+had, om ze later van de plaats te brengen. Met weinig moeite werd zij
+een el of tien hooger op het strand getrokken, totdat Flink verzekerde,
+dat de afstand volkomen toereikend was. Toen groeven zij met hunne
+schoppen zoo diep, dat het kleine vaartuig halverwege in het zand
+wegzonk. Daarop wierpen zij de uitgegraven aarde daarin, totdat de boot
+geheel vol was, bedekten die toen zorgvuldig met de meegebrachte takken
+en bezwaarden ook deze weder met zand, zoodat zij niet door den wind
+konden worden weggeblazen.</p>
+<p>&bdquo;Ik begrijp eigenlijk niet, waarom gij de boot zoo toedekt,
+Flink,&rdquo; merkte Willem aan. &bdquo;De regen zou haar immers geen
+kwaad doen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, de regen zou er weinig aan bederven, jonge vriend; maar
+wel de zon, als zij van tijd tot tijd eens weer voor den dag mocht
+komen. De zon heeft verbazend veel kracht en kon door haar gloed mijn
+arme boot licht geheel in stukken doen springen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O ja, daaraan had ik zoo gauw niet gedacht,&rdquo; antwoordde
+Willem. &bdquo;Wat dient er nu bij de hand gevat, Flink?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wel, daar we nog twee uren v&oacute;&oacute;r etenstijd
+hebben, zoudt gij de vischlijnen nog wel eens kunnen gaan halen, en dan
+zullen wij zien wat het geeft.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar wij kunnen toch niet alle drie met twee lijnen
+<span class="corr" id="xd21e2747" title=
+"Bron: vischen">visschen</span>?&rdquo; zeide mijnheer Wilson.</p>
+<p>&bdquo;Neen, mijnheer; maar daar uw zoon er al zeer handig mee is,
+moest gij, dunkt mij, hier bij hem blijven, terwijl ik Juno nog wat
+hout en prikken help inzamelen. De goede meid was dezen morgen
+doodverlegen, toen dit nog zoo nat was; maar is het eens opgestapeld,
+dan zal het spoedig drogen. Wees toch vooral voorzichtig, mijnheer
+Wilson, en houd de lijnen niet al te stijf vast, daar ge anders gevaar
+loopt zelf in &rsquo;t water te worden getrokken. Ik heb onzen Willem
+vroeger al gewaarschuwd; maar &rsquo;t zal toch goed zijn, dat ge een
+wakend oog op hem houdt, want hij is jong en wat driftig.&rdquo;</p>
+<p>Daar de oude man Willem met de lijnen juist tegenkwam, herinnerde
+hij hem nog eens met een paar woorden het gevaar, dat hij de laatste
+maal bij het visschen geloopen had, en ging toen zelf aan het werk, dat
+hij zich nog had voorgenomen te doen.</p>
+<p>Vader en zoon waren in hunne vangst zeer gelukkig. Voordat de twee
+uren om waren, hadden zij acht groote visschen gevangen, die zij aan
+den bootshaak hingen en zoo in triomf naar huis droegen. Sinjeur Thomas
+juichte overluid, toen hij den voorraad zag en wilde dat men terstond
+aan &rsquo;t koken en bakken zou gaan. Daar de vangst zoo overvloedig
+was, besloot men dan <span class="pagenum">[<a id="pb118" href="#pb118"
+name="pb118">118</a>]</span>ook werkelijk het eten uit te stellen,
+totdat een gedeelte van de visch was toebereid. Dit was een uitstel,
+waarover zich niemand rouwig betoonde, daar zij anders niets dan
+pekelvleesch tot middagkost gehad zouden hebben.</p>
+<p>Men had zich nauwelijks aan tafel gezet, of de regen kletterde op
+het dak neer en binnen een kwartier was de orkaan weer even geweldig en
+waren donder en bliksem even vreeselijk als den dag te voren. Al het
+werk buitendeurs was dus opeens weer gedaan. Mevrouw Wilson, Juno en
+Caroline namen haar naaiwerk, want er viel in overvloed te lappen en te
+stoppen, en Flink vond bezigheid voor de rest. Willem en zijn vader
+kregen een dik touw te pluizen, waarvan Flink dunner en bruikbaarder
+draden maken wilde. De oude man zelf vatte zijne naaipriemen op en
+boorde gaten in de venstergordijnen (die maar inderhaast waren
+opgehangen), zoodat men ze nu naar welgevallen open en dicht kon
+trekken. Ook Thomas kreeg een verward kluwen garen uiteen te haspelen,
+wat hij, het leegzitten in het eind toch moe, ook heel geduldig
+deed.</p>
+<p>Zoodra Flink de gordijnen in orde had, haalde hij een dik pak van
+onder de bedstede voor den dag en maakte dat open.</p>
+<p>&bdquo;Ik wil mevrouws slaapplaats nu wat opschikken,&rdquo; zei de
+goede man<span class="corr" id="xd21e2765" title="Bron: :">;</span>
+<span class="corr" id="xd21e2768" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>die dient toch wel wat mooier te wezen dan
+die van de anderen.&rdquo;</p>
+<p>Het pak bestond uit de geredde scheepsvlag, die rood van kleur was,
+en uit nog eene andere vierkante gele vlag, waarop de naam van het
+schip, &bdquo;De Vrede,&rdquo; in groote zwarte letters te lezen stond.
+Deze beide hing Flink in sierlijke kronkels voor de bedstede op, zoodat
+het eene heel aardige vertooning maakte en tevens de ruwe wanden van de
+hut geheel aan het oog onttrok.</p>
+<p>&bdquo;Waarlijk, vriend, ge maakt me bijna beschaamd,&rdquo; zei
+mevrouw Wilson, toen hij gedaan had. &bdquo;Het is bijna al te mooi
+voor deze plaats.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is toch het beste gebruik, dat we er hier van maken
+konden,&rdquo; zei Flink.</p>
+<p>&bdquo;Och ja, dat vrees ik ook,&rdquo; merkte mijnheer Wilson
+zuchtend aan.</p>
+<p>&bdquo;Flink,&rdquo; zei Willem, toen het licht op was, &bdquo;gij
+beloofdet mij eens half en half, dat ge mij uwe geschiedenis zoudt
+vertellen; ik wou wel, dat ge er ons nu iets van hooren liet, om ons
+zoodoende den avond te korten.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Welnu, vriend Willem, ik heb het beloofd en ik zal woord
+houden. Na &rsquo;t hooren van mijne historie zult ge zeggen, dat ik in
+mijn tijd heel dwaas en onverstandig gedaan heb; maar dat zal eene
+waarschuwing voor u wezen en kan in allen gevalle van eenig nut
+zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;We zullen u met groot genoegen aanhooren,&rdquo; verzekerde
+de moeder.</p>
+<p>&bdquo;Komaan, mevrouw, als gij dan maar luisteren wilt.&rdquo; Met
+deze woorden begon Flink zijne historie, gelijk hier volgt.
+<span class="pagenum">[<a id="pb119" href="#pb119" name=
+"pb119">119</a>]</span></p>
+<div id="xd21e2789" class="div2 section"><span class=
+"pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">GESCHIEDENIS VAN DEN OUDEN FLINK.</h3>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">&bdquo;Natuurlijk zult ge eerst verlangen te weten,
+wie mijne ouders waren. Nu, dat is gauw verteld. Mijn vader was
+kapitein van een kof, die van Londen op Hamburg voer; en mijne arme
+moeder, God zegene haar! was de dochter van een gepensionneerd
+luitenant te land, die een paar maanden na haar trouwen al kwam te
+sterven. Het weinige, dat de oude heer haar naliet, kwam bij hetgeen
+mijn vader al in de kof had, zoodat hem daar een derde van toekwam; de
+beide andere parten behoorden aan een rijken scheepsbouwmeester en
+reeder, met name Masterman. Met de profijten van zijn aandeel in het
+schip en het geld, dat hij als kapitein verdiende, kon mijn vader het
+tamelijk goed stellen. Mijnheer Masterman, die veel met mijn vader
+ophad en door vaders overleg en goed oppassen vrij wat geld verdiende,
+was er bij, toen vader trouwde; en na mijn geboorte, zoo wat een jaar
+daarna, stond hij als peet over mij. Iedereen begreep, dat dit een goed
+ding voor mij was, en men wenschte er vader en moeder geluk mee, want
+de oude heer Masterman was ongetrouwd en al bij de zestig jaren en had
+kind noch kraai in de wereld. De menschen wilden wel zeggen, dat hij
+wat heel sterk op geld gesteld was; maar dat was er, zeiden ze, niet
+minder om voor mij, want hij kon zijn geld toch onmogelijk in het graf
+meenemen.</p>
+<p>&bdquo;Gij zult zien, wat er op die gedachten van de menschen valt
+staat te maken, Willem; want een jaar na mijne geboorte verloor mijn
+vader zijn leven op zee, bij eene schipbreuk voor Texel, waar zijn
+schip met man en muis verging, en mijne moeder bleef weduwe met een
+kind pas van de borst, en ze was maar twee-en-twintig jaren oud, de
+arme vrouw.</p>
+<p>&bdquo;Daar &rsquo;t schip voor twee derden van de waarde was
+verzekerd geweest dacht men, dat mijne moeder nog genoeg zou krijgen,
+om van te leven: maar tot ieders verwondering kwam mijnheer Masterman
+op en zocht te bewijzen, dat alleen zijne twee derde aandeelen in het
+vaartuig verzekerd waren geweest.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar wat is dat, verzekering?&rdquo; vroeg Willem.</p>
+<p>&bdquo;Dat zal ik u zeggen, mijn beste jongen,&rdquo; antwoordde
+zijn vader. &bdquo;Verzekering of assurantie is, als men aan menschen,
+die men assuradeurs noemt, eene zekere som betaalt, waarover zij dan,
+als &rsquo;t gebeuren mocht dat een schip of de lading verging of
+schade leed, aan de eigenaars van schip en lading de waarde vergoeden
+moeten. Men betaalt al naar gelang van &rsquo;t gevaar, dat men te
+vreezen heeft. In oorlogstijden b. v. betaalt men tien
+percent,&mdash;dat is, tien gulden voor iedere honderd, die men
+verzekert. Vooronderstel <span class="pagenum">[<a id="pb120" href=
+"#pb120" name="pb120">120</a>]</span>nu eens, dat ge tienduizend gulden
+op een schip en lading verzekeren wilt en men daarvoor tien percent
+verlangt, dan hebt ge duizend gulden aan de assuradeurs te betalen,
+waartegen dezen u, in geval het schip verloren gaat, de gansche som,
+die ge verzekerd hebt en dus tienduizend gulden zullen moeten
+vergoeden. Hebt ge het nu gevat, Willem?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O ja, heel goed, vader. Evenwel begrijp ik nog niet, hoe een
+verzekeraar daarmee geld kan verdienen, want in oorlogstijd worden veel
+schepen in den grond geschoten en gekaapt, en dan heeft hij immers
+zulke groote sommen te betalen!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ge moet bedenken, Willem, dat voor een enkel schip, dat
+verloren gaat, misschien vijftig of meer behouden binnenkomen, en daar
+de verzekeraars voor die alle toch betaald worden, doen zij meestal
+goede zaken; want dat doen zij zeker, daar er anders niet zooveel
+verzekeraars en assurantie-maatschappijen bestaan zouden.&mdash;</p>
+<p>&bdquo;Neem mij niet kwalijk, Flink, dat ik u daar zoo in de rede
+ben gevallen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O volstrekt niet, mijnheer; men moet geen gelegenheid
+verzuimen, om jongelieden onderricht te geven en ik moet zeggen, dat ge
+hier nu ook de ouden wijzer gemaakt hebt, daar de zaak mij nog nooit
+zoo duidelijk geweest is, als op dit oogenblik. Maar om voort te gaan:
+of mijnheer Masterman &rsquo;t recht op zijne zijde had of niet, kon op
+dat oogenblik geen mensch zeggen; doch dit weet ik, dat de heele wereld
+er schande over riep. Het gevolg was, dat mijne moeder weinig of niets
+meer van haar weinigje goed overhield, maar ze vond gelukkig vrienden,
+en wist er zich, met wat ze door naaien en borduren verdiende, gelukkig
+door te slaan, tot ik mijn achtste of negende jaar bereikt
+had.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar uwe peet, mijnheer Masterman, kwam die dan uwe moeder
+niet te hulp?&rdquo; vroeg mijnheer Wilson.</p>
+<p>&bdquo;Neen, mijnheer. Het klinkt vreemd, maar dat deed hij niet; en
+dit maakte, dat hij nog meer over de tong ging. Ik denk, dat het juist
+deze beschuldigingen waren, waarvan hij zelf toch ook wel iets hooren
+moest en welke hij waarschijnlijk aan mijne moeder toeschreef, die hem
+afkeerig van ons maakten. Misschien was het ook zijn geweten; want men
+zal altijd zien, dat wij degenen haten die wij benadeeld hebben en
+verstoord op hen zijn, inplaats van het op onszelven te
+wezen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ongelukkig is er veel waars in uwe opmerking<span class=
+"corr" id="xd21e2819" title="Bron: .">,</span>&rdquo; sprak mijnheer
+Wilson; &bdquo;maar toch was het hoogst vreemd, dat hij zoo iets
+deed.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat was het werkelijk, mijnheer,&mdash;althans zoo dacht men
+er toen ter <span class="pagenum">[<a id="pb121" href="#pb121" name=
+"pb121">121</a>]</span>tijd algemeen over, doch hij was zeer aan
+&rsquo;t geld gehecht en verbitterd over geruchten, die van hem in
+omloop waren.&mdash;Maar ik zal verder vertellen.</p>
+<p>&bdquo;Ik was een sterke, vlugge, levendige knaap. Zoo dikwijls ik
+mijne moeder of de school ontloopen kon, vond men mij vast aan den
+waterkant of aan boord van een schip, want alles, wat de zeevaart
+aanging, was mijn hoogste lust. In den zomertijd was ik den halven dag
+in het water en zoo werd ik een goed zwemmer. Mijne moeder bemerkte
+mijn lust in het varen en deed alles, om mij <span class="corr" id=
+"xd21e2828" title="Bron: daavan">daarvan</span> terug te brengen. Zij
+vertelde mij van de moeiten en gevaren, waaraan een zeeman is
+blootgesteld, en eindigde altijd met mijns vaders dood en met een vloed
+van tranen.</p>
+<p>&bdquo;Indien mijne moeder zich niet zoo tegen mijn naarzeegaan
+verzet had, geloof ik wezenlijk, dat ik aan wal gebleven zou zijn. Als
+kind was ik echter trotsch en hardnekkig van aard. Ik moet dat zeker
+van mijn vader gehad hebben, want mijne arme moeder, ach! die was de
+zachtzinnigheid zelve. Ik kon niet velen, dat een andere jongen deed
+wat ik niet doen kon; en om dingen te verrichten, die geen ander wagen
+dorst, volvoerde ik soms zulke halsbrekende kunsten, dat het, naar
+aller zeggen, wonder boven wonder was, dat ik er niet honderdmaal mijn
+leven bij inschoot. Mijne moeder hoorde gedurig van gevaren, waarin ik
+verkeerd had, en was dan buiten zichzelve van zorg en angst. In den
+beginne beknorde zij mij telkens en smeekte mij toch niet zoo&rsquo;n
+waaghals te zijn; maar later ging ze doorgaans naar haar kamertje en
+schreide daar in stilte, want ik was haar eenige troost, hare laatste
+hoop en alles wat zij nog op aarde had. Ik heb later dikwijls zelf niet
+kunnen begrijpen, hoe ik in dien tijd zoo ongevoelig en hardnekkig kon
+zijn. Ik was te jong om te bedenken, welke kwelling ik haar aandeed en
+hoe de gedurige bezorgdheid over mij aan haar leven knaagde. Kinderen
+voelen dat zoo niet. Deden zij dat, ze zouden anders handelen, want
+onze harten zijn op dien leeftijd nog niet verhard, maar worden dat
+eerst later.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Gij hebt wel gelijk, Flink,&rdquo; merkte mijnheer Wilson
+aan. &bdquo;Als kinderen werkelijk wisten, hoeveel hunne ouders door
+hunne verkeerdheden te lijden hebben, hoezeer ieder bewijs van boosheid
+hen verontrust,&mdash;zij zouden waarlijk beter zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wij zien het doorgaans eerst in, als het te laat is,&rdquo;
+ging Flink voort. Ik was ruim negen jaren oud, toen eens op een dag,
+dat er vrij wat wind woei en het water hol stond, een kabel, waarmede
+een schip aan het hoofd vastzat, met een geweldigen slag sprong. Het
+losgescheurde eind trof een man, die dicht aan den waterkant gestaan
+had en slingerde hem met geweld in het water. Ik hoorde hem schreeuwen
+en zag, hoe de menschen op het <span class="pagenum">[<a id="pb122"
+href="#pb122" name="pb122">122</a>]</span>hoofd en van de schepen hem
+touwen toewierpen; maar hij kon die niet grijpen, daar hij weinig van
+&rsquo;t zwemmen verstond en de zee hol ging. Daar pakte ik een touw,
+dat juist werd opgetrokken en sprong hals over kop van het hoofd in
+&rsquo;t water.</p>
+<p>&bdquo;Hoe jong ook, kon ik zwemmen als een eend en &rsquo;t gelukte
+mij, hem het touw in handen te geven op het oogenblik, dat hij op punt
+was van te zinken. Hij klemde zich daar met alle macht aan vast en werd
+zoo tot aan de palen voortgetrokken; een poosje later kwam er ook eene
+boot, die men inderhaast te water had gebracht en nam ons beiden
+behouden op. Wij werden naar eene herberg gebracht en kropen te bed,
+totdat men droge kleeren voor ons gehaald had. Toen eerst ontdekte ik,
+dat de drenkeling, dien ik gered had, mijn peet, mijnheer Masterman
+was.</p>
+<p>&bdquo;Iedereen roemde mij zeer, en waarlijk ofschoon ik dat
+misschien zelfs niet zoo zeggen moest, het was ook een stout stuk
+geweest voor een jongen van mijne jaren. De matrozen droegen mij als in
+triomf naar moeders huis terug. Toen de goede vrouw hoorde wat ik
+gedaan had, drukte zij mij vast in hare armen en dan weende zij ook
+bitter, als ze aan het gevaar dacht, dat ik had doorgestaan, en zich
+daarbij voorstelde, dat mijne stoutmoedigheid mij licht in nog veel
+grooter gevaar brengen kon.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar zij beknorde u ditmaal toch niet om hetgeen gij gedaan
+had?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O neen, Willem; zij gevoelde, dat ik mijn plicht jegens mijn
+medemensch vervuld had: misschien ook, dat ik in dit geval het kwade
+met eene goede daad had vergolden; maar van dit laatste zei ze toch
+geen woord. Den volgenden dag kwam mijnheer Masterman ons een bezoek
+brengen. Hij keek heel beschaamd en verlegen, toen hij naar zijn
+petekind vroeg, dat hij zoolang vergeten had. Mijne moeder, die wel
+begreep hoe nuttig hij worden kon, ontving hem heel vriendelijk, maar
+ik had reeds te dikwijls van zijne verwaarloozing van mij en mijne
+moeder en van zijn naar alle waarschijnlijkheid afschuwelijk gedrag
+jegens mijn vader hooren spreken en had daardoor een hevigen weerzin
+tegen hem opgevat. Zoo kwam het, dat ik zijn vriendelijkheid heel
+koeltjes opnam. Ik was wel blij, dat ik hem het leven had gered; maar
+ofschoon mijn gevoel mij destijds nog niet recht duidelijk was, moet ik
+toch met schaamte bekennen, dat mijne blijdschap niet uit de bewustheid
+voortkwam van eene goede daad verricht te hebben, doch veeleer uit
+zekere bevredigde wraak, daar ik nu een man, die mij eens zoo slecht
+behandelde, tot dankbaarheid jegens mij verplicht had. Dat kwam voort
+uit mijn trotschen geest, dien mijne moeder niet buigen kon. Ge ziet,
+jongeheer Willem; er stak weinig verdienste in wat ik gedaan
+<span class="pagenum">[<a id="pb123" href="#pb123" name=
+"pb123">123</a>]</span>had, daar ik na &rsquo;t verrichten der daad aan
+een gevoel toegaf, dat ik had moeten onderdrukken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Mij dunkt, ik zou in uw geval evenzoo gedacht hebben als gij,
+Flink,&rdquo; gaf Willem ten antwoord.</p>
+<p>&bdquo;Kwaad met goed te vergelden is de groote plicht van een
+Christenmensch, en had ik mijnheer Masterman gered met de zekerheid dat
+hij het was, dan zou dat prijzenswaardig geweest zijn; maar nu kende ik
+hem niet, toen ik hem redde, en het bleef nog altijd de vraag, of ik,
+als ik geweten had wie daar in het water omspartelde, mijn leven dan
+wel voor hem zou hebben gewaagd. Of, als ik het toch gedaan had, zou
+dat dan niet misschien met hetzelfde gevoel geschied zijn, dat mij nu
+nog vervulde, nadat ik hem werkelijk gered had,&mdash;het gevoel, dat
+ik mij voor zijn gedrag jegens mij op hem wreken wilde; want er bestaat
+wel geen grooter wraak dan deze, dat men zijn vijand tot dankbaarheid
+verplicht.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Gij beoordeelt uzelven zeer streng, brave Flink,&rdquo; zeide
+mijnheer Wilson, &bdquo;en mij dunkt bijna, dat gij uzelven onrecht
+aandoet.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Toch niet, mijnheer,&rdquo; hernam de oude man. &bdquo;Mijn
+eerste gevoel, dat dat mij tot handelen aanspoorde, was goed; maar dat,
+<span class="corr" id="xd21e2858" title="Bron: waarvan">waaraan</span>
+ik later toegaf, nam al de verdienste van mijne daad weder weg. Ik zeg
+juist wat ik denk dat waarheid is, en een oud man kan zonder
+partijdigheid, maar niet zonder berouw, op het verleden
+terugzien.&mdash;Doch ik wil nu voortgaan met mijne geschiedenis.</p>
+<p>&bdquo;Mijnheer Masterman&rsquo;s bezoek duurde niet heel lang. Hij
+zeide mijne moeder, dat hij voortaan zorg voor mij zou dragen en mij,
+zoodra ik oud genoeg was om de school te verlaten bij eene
+scheepstimmerman in de leer zou doen. Tot daartoe bood hij aan, al de
+kosten van mijne opvoeding op zich te nemen. Mijne arme moeder was zeer
+dankbaar en schreide vreugdetranen. Toen mijnheer Masterman weg was,
+omarmde ze mij en zeide mij, dat ze zich nu eerst gelukkig gevoelde,
+dat ik eene kostwinning te land krijgen en niet op zee gaan zou. Om
+mijn peet recht te doen wedervaren, moet ik zeggen, dat hij trouw zijn
+woord hield. Hij zond mijne moeder geld, zoodat ze het beter stellen en
+meer genot van haar leven hebben kon. Iedereen wenschte haar ook geluk
+en ze kuste mij en plachte altijd te zeggen, <a id="xd21e2863" name=
+"xd21e2863"></a>ze dat alles aan mij alleen had te danken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ach, Flink, wat moet dat u gelukkig gemaakt hebben!&rdquo;
+riep Willem, vol hartelijkheid.</p>
+<p>&bdquo;Ja, jongeheer, dat deed het, maar het maakte mij ook heel
+trotsch. Het is vreemd maar toch waar; ik kon mijn afkeer van mijnheer
+Masterman <span class="pagenum">[<a id="pb124" href="#pb124" name=
+"pb124">124</a>]</span>niet overwinnen; ik had dien te lang in mijn
+hart omgedragen. Ik kon nauwelijks verdragen, dat mijne moeder
+verplichting aan hem had, of dat hij het schoolgeld voor mij betalen
+zou. Hoe jong ik ook was, krenkte die gedachte mijne trotschheid toch
+al te zeer, en al was mijne moeder ook nog zoo gelukkig, ik was dat
+niet. Daar ik bovendien op een betere school gebracht was en men mij
+dwong, bij de andere jongens te blijven, kon ik niet meer, zooals te
+voren, aan den havenkant omzwerven en op de schepen gaan, zoodat ik van
+mijn liefste genot was beroofd. Destijds zag ik niet in, zooals
+tegenwoordig, dat dit alles tot mijn eigen best was. Het verbitterde
+mij veeleer, en ik gevoelde mij ongelukkig, enkel omdat ik gedwongen
+was, mijn aandacht op de lessen te richten en men mij niet langer mijn
+eigen weg liet gaan.</p>
+<p>&bdquo;De meester klaagde over mij; mijnheer Masterman liet mij
+roepen en haalde mij terdeeg door. Dit maakte mij nog koppiger, en zoo
+werd ik, op mijnheer Masterman&rsquo;s verlangen, gevoelig gekastijd.
+Deze behandeling maakte mij zoo weerspannig, dat ik besloot weg te
+loopen en op zee te gaan.</p>
+<p>&bdquo;Gij ziet, Willem, dat ik in dit alles ongelijk had; en dat
+hebben alle knapen, die zoo eigenzinnig zijn, als ik te voren was, en
+alles beter meenen te weten dan zij, die voor hen zorgen willen. Nu,
+stel u eens voor beste jongen, wat door mijn dwaas gedrag
+waarschijnlijk voor mij verloren ging. Ik zeg waarschijnlijk, want
+niemand kan vooruit zien en zeggen wat de toekomst zal aanbrengen. Naar
+allen schijn echter had ik groot vooruitzicht om eene goede opvoeding
+te ontvangen,&mdash;om later mijnheer Masterman in zijne zaken op te
+volgen en, hoogst waarschijnlijk, ook zijn groot vermogen te erven,
+zoodat ik mettertijd een gezeten man zou geworden zijn. Misschien had
+ik eene goede vrouw gevonden, had kinderen gekregen om mijn geluk nog
+grooter te maken,&mdash;en in plaats van dat alles ben ik nu een arm,
+oud, afgeleefd zeeman op een eenzaam verlaten eiland. Ik maak u daar
+opmerkzaam op, Willem, om u te toonen, hoe een enkele onberaden stap in
+de jeugd al onze vooruitzichten voor de toekomst kan verijdelen, zoodat
+we, in plaats van met gunstig tij te varen, ons leven lang tegen den
+stroom der tegenspoeden hebben op te worstelen. Dit was bij mij het
+geval, zooals ge uit het vervolg van mijn verhaal zien zult.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is inderdaad een goede les, Flink,&rdquo; zeide de
+vader.</p>
+<p>&bdquo;Ja, wel eene goede les, mijnheer, en zoo heb ik ook niet over
+mijn lot te klagen, ofschoon mij ook de dwalingen berouwen, die mij
+zoover gebracht hebben. Ik ben niet ontevreden met mijn lot, want dat
+zou zonde wezen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Uw ongeluk is voor ons allen een onschatbare weldaad
+geworden,&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb125" href="#pb125"
+name="pb125">125</a>]</span>zeide mevrouw Wilson tot den ouden man;
+&bdquo;want waart gij niet op zee gegaan, waart gij niet aan boord
+geweest,&mdash;wat zou er van ons geworden zijn, nadat al de anderen
+ons verlaten hadden?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Nu ja, mevrouw, het is altijd nog een troost, te mogen denken
+dat zoo&rsquo;n oud, afgeleefd matroos als ik toch ergens nog nuttig
+toe is geweest.&mdash;Maar nu, mevrouw, is het de tijd, dat we
+doorgaans naar bed gaan, en daarom, dunkt mij, zal &rsquo;t het best
+zijn, dat ik voor heden afbreek en morgenavond met mijne historie
+voortga.&rdquo;</p>
+</div>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div id="ch32" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">TWEE-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">VERVOLG VAN FLINKS GESCHIEDENIS.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Het blaten der geiten maakte hen den anderen morgen
+vroeger dan gewoonlijk wakker. De lucht was zeer opgeklaard, de zon
+scheen helder en Flink liet Nanny en haar jongen vrij loopen.</p>
+<p>Het gezin had een kostelijk ontbijt van gebakken visch, en daarna
+gingen de mannen met Willem terstond weer aan den arbeid. De beide
+eerste haalden de tenten omver en spreidden het doek op den grond uit,
+om te drogen, terwijl Willem het gevogelte ging opsporen, dat zich in
+geen paar dagen had laten zien. Na een half uur zoekens, hoorde hij den
+haan in het kokosbosch kraaien en vond spoedig allen bij elkander. Hij
+strooide hun een handvol erwten voor, die hij in zijn zak had gestoken,
+want het koren had men besloten te sparen, om het zoodra men maar meer
+grond had omgespit, uit te zaaien. Als het meel dan ook mocht opraken,
+hadden zij aan de landingsplaats nog eenige vaten daarvan over, die bij
+de stranding gered waren, en er was dus nog zoo spoedig geen dadelijk
+gebrek te vreezen. De hoenders waren zeer hongerig en liepen Willem tot
+aan huis na, waar hij hen liet, om naar zijn vader en Flink om te
+zien.</p>
+<p>&bdquo;Onze tenten kunnen nu drogen, vriend Willem,&rdquo; voegde de
+oude man hem toe; &bdquo;zoodat we nu, als uw vader het goedvindt, met
+alle macht aan &rsquo;t werk willen gaan om een hoenderhok tot stand te
+brengen. &rsquo;t Zal niet meer dan een dag kosten, en de arme beesten
+hebben dan ook een dak. Daar staan vier dikke kokosboomen hier dicht
+bij huis; wij willen daaronder een hok bouwen, en dat kan spoedig
+gereed zijn.&rdquo;</p>
+<p>Mijnheer Wilson keurde dit plan volkomen goed, en dus ging men
+dadelijk <span class="pagenum">[<a id="pb126" href="#pb126" name=
+"pb126">126</a>]</span>aan het werk. Van de boomen, die tot het huis
+gediend hadden, waren nog eene menigte dunne toppen over; deze
+gebruikten zij tot latten en spijkerden ze aan de vier boomstammen,
+zoodat zij een regelmatig vierkant vormden, waarna zij nog de sparren
+opzetten tot een stevig afloopend dak.</p>
+<p>&bdquo;Dat is nu alleen maar het ruwe werk,&rdquo; zei Flink;
+&bdquo;we moeten nu een of twee stokken voor de hoenders maken, en dan
+de zijden sluiten en het dak met kokosbladeren stevig dekken. Maar
+kijk, daar gaat Juno al aan het opscheppen, zoodat we nu maar eerst
+schaften moeten.&rdquo;</p>
+<p>Na den maaltijd begon men opnieuw. Mijnheer Wilson verzamelde de
+takken, terwijl Flink en Willem de zijden en het dak met bladeren
+dekten, zoodat het hoenderhok nog v&oacute;&oacute;r den avond volmaakt
+in orde kwam. Willem lokte de hoenders met eenige erwten, en toen zij
+onder dak waren, liet hij hen rustig pikken en ging in huis.</p>
+<p>&bdquo;Nu, mijnheer, denk ik, zullen ze spoedig hun weg daarheen
+weten te vinden,&rdquo; sprak Flink, &bdquo;en later als ik eens tijd
+daartoe vind, zal ik ook eene deur voor den ingang maken. Mij dunkt,
+dan kunnen wij het opzicht over ons gevogelte veilig aan juffer
+Caroline toevertrouwen. Ze zal voor de oude hoenders en de jongen, als
+we die eens hebben, zeker wel behoorlijk zorg dragen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, ja, dat moet haar post worden,&rdquo; riep Willem.
+&bdquo;Ze zal wat blij wezen, als ze koningin wordt van het hoenderhok.
+En nu, dunkt me, moeten we aan het oprollen van de zeilen gaan; wij
+hebben vandaag een kostelijken dag gehad en misschien zijn we morgen
+niet weer zoo gelukkig.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Gij hebt volkomen gelijk; wij willen ze onder dak brengen en
+onder de bedstede bergen, waar nog ruimte voor alles in overvloed
+is.&rdquo;</p>
+<p>Toen men dit alles verricht had, was de zon intusschen ondergegaan,
+en zoo keerden ook allen in hunne woning terug. Al spoedig werd Flink
+nu verzocht, met zijn historie voort te gaan, en hij deed dit, als
+volgt:</p>
+<p>&bdquo;Ik zeide gisteravond, dat ik het besluit nam, om van mijne
+kostschool weg te loopen en op zee te gaan; doch hoe ik dat plan
+volvoerde, hebt gij nog niet gehoord.&mdash;Het was mij niet mogelijk,
+onbemerkt te ontsnappen, voordat de overige jongens al te bed waren. De
+kamer, waar ik sliep, was op de tweede verdieping; de deuren, dat wist
+ik, waren gesloten, maar daar was nog een zolderluik, waardoor men op
+het dak kon komen. Het was van binnen gegrendeld, en langs eene ladder
+kon men er bij klimmen. Zoo besloot ik dan, langs dien weg de vlucht te
+beproeven. Zoodra de andere jongens gerust snorkten, stond ik op,
+kleedde mij heel bedaard aan en sloop de kamer uit.</p>
+<div class="figure xd21e2918width"><img src="images/p126.jpg" alt=
+"Ik zag de schepen in de haven en de zee in de verte." width="487"
+height="720">
+<p class="figureHead">Ik zag de schepen in de haven en de zee in de
+verte.</p>
+</div>
+<p><span class="pagenum">[<a id="pb127" href="#pb127" name=
+"pb127">127</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Het was heldere maneschijn, en dat was een geluk voor mij,
+want zoo kon ik zonder gestommel het luik bereiken. Het kostte mij veel
+moeite dat op te lichten, want voor een knaap van mijne jaren was het
+heel zwaar; maar eindelijk lukte het toch, en ik kwam gelukkig op het
+dak van &rsquo;t huis.</p>
+<p>&bdquo;Toen ik in de goot stond, keek ik rond. Ik zag de schepen in
+de haven en de zee in de verte, zoodat ik mij verbeeldde al vrij te
+zijn en niet bedacht, hoe ver ik nog van den grond was. Eindelijk begon
+ik toch te overleggen, hoe daar te komen. Ik ging eenige malen op en
+neer, en besloot toen, langs een looden pijp, die van de dakgoot tot
+den grond reikte, naar omlaag te klauteren. Ze was juist zoover van den
+muur, dat ik haar met mijne dunne vingers omvatten kon, ik was destijds
+nog licht als een veer en vlug en lenig als eene kat. Ik klom over den
+rand van het dak, klemde mij met handen en knie&euml;n aan den looden
+pijp en liet mij zachtjes omlaag glijden, tot ik behouden beneden
+stond.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is wel een wonder, dat gij niet hals en beenen
+braakt,&rdquo; zeide mevrouw Wilson.</p>
+<p>&bdquo;Ja, waarlijk, mevrouw, dat was het ook,&mdash;zoo denk ik nog
+dikwijls&mdash;maar toen dacht ik alleen aan de uitvoering van mijn
+onberaden plan. Zoodra ik op het daaronder liggend bloembed te land was
+gekomen, liep ik naar het ijzeren traliehek van den tuin, was met een
+wip daar overheen en stond zoo op straat. Ik was zonder hoed of pet;
+want onze petten hingen beneden in de school aan de
+kapstokken,&mdash;doch daar bekommerde ik mij niet over. Ik liep, wat
+ik loopen kon, naar de haven. Aan het hoofd gekomen, ontdekte ik een
+schip dat zijn zeilen al los had gemaakt en op de juist invallende eb
+scheen te wachten. De matrozen zongen een vroolijk liedje, terwijl zij
+de ankers v&oacute;&oacute;rdraaiden. Zoo stond ik daar en bespiedde
+elke beweging van het vaartuig. Reeds overlegde ik of ik er niet naar
+toe zou zwemmen, toen ik een man in de jol zag klimmen en naar het
+hoofd toe roeien. Ik liep op hem toe, zoodra hij aanlegde om het touw
+van een der palen van het hoofd los te maken; en nog eer hij dit gedaan
+had, sprong ik, zonder een woord te spreken, in zijne boot.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat wil je, kleine dreumes,&rdquo; vroeg de matroos.</p>
+<p>&bdquo;Ik wil mee naar zee,&rdquo; antwoordde ik hijgend;
+&bdquo;neem mij aan boord,&mdash;ik bid u om Gods wil.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;&bdquo;Goed,&rdquo; zei de man; &bdquo;ik heb mijn kapitein
+hooren zeggen, dat hij nog wel een kajuitsjongen gebruiken kon. Kom dus
+maar mee, kleine deugniet.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hij roeide naar het schip terug, en ik klom haastig aan
+boord.</p>
+<p>&bdquo;&bdquo;Wie zijt ge?&rdquo; vroeg de kapitein. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb128" href="#pb128" name="pb128">128</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Ik gaf ook hem &rsquo;t zelfde antwoord, namelijk, dat ik ter
+zee wou varen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;&bdquo;Gij zijt nog te klein en te jong.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;&bdquo;O neen, neen, vast niet,&rdquo; was mijn <span class=
+"corr" id="xd21e2949" title="Bron: antwooord">antwoord</span>.</p>
+<p>&bdquo;&bdquo;Wat, denkt ge dan, dat ge al in den mast kunt
+klimmen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat zult ge dadelijk zien,&rdquo; riep ik en klauterde als
+eene kat langs de touwen op, tot aan de bramra.</p>
+<p>&bdquo;Toen ik weer omlaag bij den kapitein kwam, zeide deze:</p>
+<p>&bdquo;&bdquo;Nu, ik denk, dat ge mettertijd een goed zeeman kunt
+worden. Ik wil u dan aannemen, en zoodra ik te Londen kom, zal ik u als
+scheepsjongen inschrijven. Waar is uw pet?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;&bdquo;Die heb ik thuis gelaten,&rdquo; was mijn
+antwoord.</p>
+<p>&bdquo;&bdquo;Dat komt er ook niet op aan; een roode slaapmuts doet
+nog beter diensten,&rdquo; zeide de kapitein en ging in zijne kajuit,
+om mij er eene te halen.</p>
+<p>&bdquo;Het vaartuig, waarop ik mij nu bevond, was een kolenschip.
+Binnen een half uur waren wij de haven uit en met het opgaan der zon
+dobberde ik op wijde zee, die voortaan mijn verblijf zou zijn.</p>
+<p>&bdquo;Zoodra de eerste drukte en werkzaamheid van het ankerlichten
+voorbij was, ondervroeg de kapitein mij nader naar mijne betrekkingen.
+Hij scheen een ruw en barsch man te zijn en nog voordat de dag ten
+einde was, voelde ik bijna berouw over den stap, dien ik gedaan had.
+Toen ik mij eindelijk s&rsquo;avonds doornat en koud, op een paar oude
+zeilen neerlei, dacht ik op eens aan mijne moeder en aan het verdriet,
+dat ik haar veroorzaken zou. Ik schreide bittere tranen; maar nu was
+het te laat.&mdash;Ik heb vaak gedacht, mijnheer Wilson, dat het leven
+vol zorgen en gevaren, dat ik sinds dien tijd doorworstelen moest,
+slechts eene verdiende straf was voor de wreedheid die ik beging door
+mijne moeder zoo te verlaten. Ik was immers haar eenige kind: ze had
+niemand op de wereld, om lief te hebben, buiten mij, en ik.... brak
+haar het hart, tot loon voor &agrave;l de liefde en goedheid, die ze
+mij van jongsaf had bewezen. Deed ik niet slecht, Willem?&rdquo;</p>
+<p>Hier hield de oude man eene poos op, en ook niemand van de overigen
+het een woord hooren. Willem, die het naast bij zijne moeder zat, sloeg
+zijn arm om haar hals en kuste haar.</p>
+<p>&bdquo;Ik ben blij dat te zien, mijn beste Willem,&rdquo; begon
+Flink nu weder. &bdquo;Ik zie daaruit, dat mijne geschiedenis voor u
+niet verloren is, en beschouw dien kus als eene plechtige belofte, dat
+ge uwe ouders nooit zult verlaten.&rdquo;</p>
+<p>De tranen rolden mevrouw Wilson over de wangen en vurig beantwoordde
+zij de omhelzing van haar zoon.</p>
+<p>&bdquo;Ik wil nu liefst maar afbreken,&rdquo; zeide Flink; &bdquo;ik
+ben niet gestemd om <span class="pagenum">[<a id="pb129" href="#pb129"
+name="pb129">129</a>]</span>voort te gaan; mijn hart wordt telkens vol,
+als ik mij dat dwaas en slecht bestaan uit mijne jonge dagen
+herinner.&rdquo;</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch33" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">DRIE-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">THOMAS, WAAR IS DE VINGERHOED?</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Den volgenden morgen was het uitstekend schoon weer en
+terstond na het ontbijt trok men met de kar naar den schildpadvijver.
+Flink had eene stevige piek met een scherpen weerhaak meegenomen en
+spietste daarmee den schildpad uit den vijver, die daarop aan land werd
+getrokken, op de kar geladen en naar huis overgebracht.</p>
+<p>Na het dooden van den schildpad, werd ze in stukken gesneden, en
+onder Flinks toezicht koos Juno toen zooveel reepen uit, als ze voor de
+soep noodig had. Toen de pot te vuur stond, trokken Flink, mijnheer
+Wilson en Willem met zagen en bijlen het bosch in, om de noodige boomen
+te vellen voor de voorgenomen bergplaats van hun voorraad, zoodra deze
+van de landingsplaats kon worden afgehaald.</p>
+<p>&bdquo;Ik denk, dat het hier in tijd van gevaar onze schuilplaats
+wezen moet,&rdquo; merkte Flink aan. &bdquo;Daarom heb ik ook deze plek
+van het woud uitgekozen; ze is niet al te ver van ons huis af, en als
+we het pad er heen met wat kronkels en bochten uithouwen, moet ze wel
+voor het gezicht verborgen wezen. Daarbij moeten wij het pad maar zoo
+breed maken, dat de kar er even langs kan: ook moeten we de wortels van
+de omgekapte boomen uitgraven, daar anders de tronken de aandacht
+konden trekken. Niet dat ik denk dat het ons ooit zal te pas komen,
+maar toch kan voorzichtigheid nooit schaden en bovendien kost het ons
+weinig moeite.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik ben het volkomen met u eens,&rdquo; antwoordde mijnheer
+Wilson; &bdquo;&rsquo;t is in alle gevalle goed, want men weet toch
+nooit wat er gebeuren kan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Onder ons, mijnheer, kan ik u wel zeggen, dat de inlanders in
+dezen hoek van de wereld de gewoonte hebben van in hunne
+kano&rsquo;s<a class="noteref" id="xd21e2994src" href="#xd21e2994"
+name="xd21e2994src">1</a> van &rsquo;t eene eiland naar het andere te
+gaan, om kokosnoten in te zamelen. Ik kan niet verzekeren, dat de
+andere eilanden hier in den omtrek bewoond zijn, maar dat is toch wel
+waarschijnlijk en dan blijft altijd de vraag, van welken aard
+<span class="pagenum">[<a id="pb130" href="#pb130" name=
+"pb130">130</a>]</span>dat volk om ons heen is. Ik durf u dat gerust
+zeggen, maar &rsquo;t is beter dat mevrouw er niets van te weten komt.
+Gij zult toch ook wel zwijgen, beste Willem?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O, wees daar gerust op, Flink; ik zal geen woord zeggen, dat
+moeder ongerust maakt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wij zijn nu dicht bij de plek. Ge ziet, mijnheer, dat de
+boomen hier op dezen heuvel zeer dicht bij elkander staan. Welnu, een
+weinigje verder, wat meer in de laagte, moesten we, dacht me, eene hut
+bouwen, die men daar zeker niet zoo gemakkelijk vinden zal.&mdash;Ik
+geloof,&rdquo; vervolgde de oude man, toen zij nog een poosje waren
+voortgegaan, &bdquo;dat hier zoo ten naastenbij de rechte plek is; want
+we hebben omtrent twee derden van de hoogte achter ons en de helling is
+hier nog wel zoo sterk dat het water een vrijen afloop
+vindt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En hoe ver zouden we nu wel van huis zijn, Flink? Mij dunkt,
+nog zoo heel ver niet.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik reken nog niet meer dan anderhalven kilometer, in eene
+rechte lijn, ofschoon de weg door al zijne bochten wel dubbel zoo ver
+moet wezen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dan, geloof ik, zal deze plaats de beste zijn, en hoe eer wij
+beginnen, des te beter.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik wil nog maar enkel de boomen merken, die staan blijven
+mijnheer, en dan die gekapt moeten worden op den stam na, tot op bij de
+vier voet hoog van den grond. Vriend Willem, wilt ge zoo goed
+zijn<span class="corr" id="xd21e3012" title="Bron: .">,</span> om het
+andere eind van de lijn eens aan te vatten?&rdquo;</p>
+<p><a id="xd21e3016" name="xd21e3016"></a>Zoodra nu de omvang van het
+gebouw behoorlijk was afgemeten, waren bijl en zaag ook spoedig druk
+aan het werk en werd de eene boom na den anderen geveld. Onze drie
+vrienden arbeidden tot etenstijd dapper door en verheugden zich niet
+weinig in het vooruitzicht, dat na gedaan werk eene lekkere
+schildpadsoep hunne belooning wezen zou.</p>
+<p>&bdquo;Willem!&rdquo; riep mevrouw Wilson, toen zij tegen den middag
+thuis kwamen, &bdquo;en ook gij, beste man! gij zijt door en door nat
+van zweet,&mdash;ge moet u niet al te zeer vermoeien.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, lieve moeder, dat boomen kappen is een warm werk,&rdquo;
+antwoordde Willem; &bdquo;en hard werken doet een mensch zooveel kwaad
+niet, vooral niet als hem een maaltje schildpadsoep wacht. Wij zijn
+hongerig als wolven en zullen Juno&rsquo;s keuken alle eer aandoen.
+H&eacute;, Thomas, kom hier, jongen! Ge kijkt zoo zwart. Wat hapert er
+aan?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Thomas en ik kunnen het niet samen vinden<span class="corr"
+id="xd21e3024" title="Bron: .">,</span>&rdquo; antwoordde mevrouw
+<span class="pagenum">[<a id="pb131" href="#pb131" name=
+"pb131">131</a>]</span>Wilson, terwijl Thomas enkel zijne lip liet
+hangen. &bdquo;Van morgen zat ik te naaien, goed en wel met mijn
+vingerhoed aan de hand, toen Juno mij buiten riep. Ik nam Caroline aan
+de hand mee en onze sinjeur Thomas bleef zoolang in huis alleen. Toen
+ik terugkwam, stond hij voor de deur, en toen ik mijn werk weer opnam
+was mijn vingerhoed nergens te vinden. Ik vroeg hem, of hij dien gehad
+had; hij zei, dat hij er naar zien zou. Dat deed hij ook, maar bracht
+hem niet weerom. Ik vroeg hem onderscheiden malen, of hij den
+vingerhoed had weggenomen; maar zijn eenig antwoord was, dat die wel
+weer terecht zou komen. Ik ben overtuigd, dat hij hem verloren heeft,
+maar hij wil dat volstrekt niet bekennen. Het gevolg was, dat ik den
+heelen ochtend heb moeten zitten zonder een steek te kunnen
+doen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hoor eens hier, Thomas,&rdquo; zei mijnheer Wilson op
+ernstigen toon: &bdquo;hebt gij den vingerhoed weggenomen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hij zal wel weer terechtkomen, vader.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is geen antwoord, jongeheer. Hebt ge den vingerhoed
+weggenomen en verloren misschien?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik weet heel zeker, dat hij vandaag wel weer terechtkomt,
+vader<span class="corr" id="xd21e3037" title=
+"Bron: &rdquo;,">,&rdquo;</span> riep Thomas snikkend.</p>
+<p>&bdquo;Dat is alles wat hij mij tot hiertoe geantwoord heeft,&rdquo;
+zeide de moeder.</p>
+<p>&bdquo;Goed, heel goed dan. Daarvoor zal hij ook niets te eten
+hebben, voordat wij ook zeker weten, dat de vingerhoed vandaag weer in
+moeders handen is.&rdquo;</p>
+<p>Op &rsquo;t hooren van deze woorden, begon Thomas te schreien wat
+hij kon. Juno verscheen nu juist met de schildpadsoep, die een
+aangenamen geur verspreidde. Toen men zich aan tafel neergezet had,
+schreide Thomas nog harder. Allen waren zeer hongerig en Willem liet
+zijn bord gauw nog eens vullen. Pas had hij echter eenige happen
+gedaan, toen hij zijn vinger in den mond stak en daar iets
+uithaalde.</p>
+<p>&bdquo;Ha, moeder, daar is de vingerhoed in mijne soep,&rdquo; riep
+hij, &bdquo;en ik was op het punt van hem door te slikken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Geen wonder, dat onze sinjeur zei, dat hij wel weer terecht
+zou komen,&rdquo; sprak Flink lachend. &bdquo;Hij dacht hem zekerlijk
+wel op te visschen uit hetgeen van onzen maaltijd overbleef. Welnu,
+mevrouw, ofschoon ik niet zeggen wil, dat Thomas een zoete jongen is,
+moet men toch erkennen, dat hij, toen hij niet zeggen wou waar de
+vingerhoed was, er geen leugens bij gebruikte.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, neen, jokken deed hij niet,&rdquo; riep Willem.
+&bdquo;Ik hoop, dat, nu het ding gevonden is, vader hem ook wel
+vergeven zal, als hij daarom verzoekt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Thomas, kom hier!&rdquo; sprak mijnheer Wilson. &bdquo;Zeg
+mij: waarom hebt gij den vingerhoed in de soep geworpen?&rdquo;
+<span class="pagenum">[<a id="pb132" href="#pb132" name=
+"pb132">132</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Ik wou de soep eens proeven; ik wou den vingerhoed vol
+scheppen. Toen brandde ik mij de vingers en liet ik den vingerhoed bij
+ongeluk in den ketel vallen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Nu, een vingerhoed vol was toch ook de heele wereld
+niet,&rdquo; merkte Flink aan. &bdquo;Maar waarom zeidet gij uwe moeder
+niet, waar de vingerhoed was?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Och, ik was bang, dat moeder dan al de soep zou weggooien, en
+dan kreeg ik er niets van.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ei, ei, was het geval z&oacute;&oacute;?&rdquo; sprak de
+vader. &bdquo;Welnu, ik zeide, dat gij niets te eten zoudt hebben,
+voordat de vingerhoed gevonden was; daar die nu terug is, kunt gij ook
+aan tafel komen. Als u echter in het vervolg weer iets gevraagd wordt
+en gij geen antwoord geeft komt gij er zoo gemakkelijk niet af, dat
+verzeker ik u.&rdquo;</p>
+<p>Thomas was blij, dat de bestraffing voorbij was, en nog blijder dat
+hij een bord soep voor zich kreeg. Het eerste had hij spoedig leeg, en
+toen hij om een tweede verzocht, zeide hij: &bdquo;Thomas zal er geen
+vingerhoed weer ingooien; Thomas zal naderhand een kopje
+nemen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Massa Thomas, jij nemen moet naderhand niemendal,&rdquo;
+beknorde hem Juno, die naast hem zat. &bdquo;Jij afblijven moet met de
+vingers van de pot,&mdash;klein snoepsch jong!&rdquo;</p>
+<p>Na afloop van den maaltijd gingen zij weder aan den arbeid en
+keerden eerst tegen het donker terug.</p>
+<p>&bdquo;De wolken komen met drift opzetten, mijnheer,&rdquo; zeide
+Flink; &bdquo;we zullen van nacht weer onweer krijgen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat vrees ik ook; maar we moeten het afwachten.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja mijnheer, en nu en dan zal de regen en het onweder
+voortaan ook wel eens dagen achtereen aanhouden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Flink,&rdquo; zeide mevrouw Wilson, &bdquo;als ge niet al te
+vermoeid zijt, zoudt ge dan niet met uwe geschiedenis willen
+voortgaan?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Heel gaarne, mevrouw, als gij dat verlangt,&rdquo; was het
+antwoord. &bdquo;Ik brak <span class="corr" id="xd21e3081" title=
+"Bron: gsteren">gisteren</span> af bij mijne komst aan boord van het
+kolenschip, dat naar Londen bestemd was. Wij hadden een goeden wind en
+liepen een goede vaart. Ik was heel zeeziek, totdat wij aan den mond
+van de Theems kwamen. Daar werd ik weer beter en was, zooals ge wel
+denken kunt, zeer verbaasd over de ontelbare menigte schepen, die
+onophoudelijk op de rivier heen en weder voeren. Maar mijn kapitein
+beviel mij volstrekt niet. Hij was uiterst onbeschoft tegen zijn volk,
+en de eene jongen, die aan boord was, ried mij zelfs mijne biezen te
+pakken en een ander schip op te zoeken. <span class="pagenum">[<a id=
+"pb133" href="#pb133" name="pb133">133</a>]</span>Hij zeide, dat ik mij
+voor geen geld aan dezen kapitein verbinden moest; want anders zou hij
+mij ook alle dagen slaan en mij even slecht behandelen, als hij zijne
+vroegere koksjongens gedaan had. Dat dit zoo was, wist ik wel; want ik
+zag meer dan twintigmaal op een dag, hoe de kapitein hem duwen en
+stooten gaf, zoodat de arme jongen er soms dagen lang blauwe plekken
+van overhield. De matrozen zeiden, dat hij mij vooreerst nog wat
+genadiger behandelde, uit vrees dat ik anders nog weigeren zou mij voor
+vast bij hem te verbinden, doch dat, als ik dat eens gedaan had, mijn
+lot geen haar beter wezen zou. Zoo besloot ik dan, niet langer op het
+kolenschip te blijven, en daar de kapitein aan wal was gegaan, had ik
+tijd genoeg, om eens rond te zien. V&oacute;&oacute;r ons, midden op
+den stroom, lag een vrij groot schip zeilree. Ik sprak met twee
+jongens, die aan den valreep stonden, en hoorde van hen, dat ze het
+heel goed aan boord hadden en dat de kapitein nog twee of drie jongens
+zocht. Ik ging dan bij hem aan boord en bood hem mijne diensten
+aan.</p>
+<p>&bdquo;De kapitein deed mij eene menigte vragen. Ik zeide hem de
+waarheid en ook de reden, waarom ik niet op het kolenschip blijven
+wilde. Hij was gewillig om mij aan te nemen, en ik ging met hem aan
+land, waar hij mij van een behoorlijk stel kleeren liet
+voorzien.&mdash;Twee dagen later gingen wij onder zeil naar Bombay en
+China.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar gij schreeft toch eerst aan uwe moeder, Flink?&rdquo;
+vroeg Willem.</p>
+<p>&bdquo;Ja, beste jongen, dat deed ik, want de kapitein verlangde het
+en schreef zelf eenige regels onder mijn brief, om de goede vrouw te
+troosten; maar ongelukkig heeft zij dien brief, die door den hofmeester
+naar den wal werd gezonden, nooit ontvangen. Of hij hem verloor of tot
+ons vertrek vergat en toen verscheurde,&mdash;dat weet ik niet; maar,
+zooals ik later vernam, heeft moeder dien nooit in handen
+gekregen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Het was uwe schuld dan toch niet, dat de brief niet goed
+overkwam,&rdquo; zeide mevrouw Wilson.</p>
+<p>&bdquo;Neen mevrouw, dat was zeker mijne schuld niet, de eigenlijke
+schuld had ik al vroeger op mij geladen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Gij moet u niet langer bij dat deel van uwe geschiedenis
+ophouden, Flink; vertel ons liever, wat u op uwe vaart naar
+Oost-Indi&euml; zoo al overkwam.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Welnu dan. Ik was toen heel vlug en levendig voor mijne jaren
+en werd weldra de algemeene lieveling, vooral bij de dames, die wij als
+passagiers aan boord hadden, enkel omdat ik nog zoo&rsquo;n kleine
+dreumes was. Wij kwamen behouden in Bombay, waar onze passagiers aan
+land gingen, en drie weken <span class="pagenum">[<a id="pb134" href=
+"#pb134" name="pb134">134</a>]</span>later zeilden we door de straat en
+op China aan. Het was juist oorlogstijd en zoo werden we door Fransche
+kapers gejaagd; maar we hadden veel volk aan boord en een menigte
+stukken, zoodat geen hunner &rsquo;t waagde ons aan te vallen. Weldra
+kwamen we voorspoedig te Macao<a class="noteref" id="xd21e3103src"
+href="#xd21e3103" name="xd21e3103src">2</a> aan, waar we onze lading
+losten en thee daarvoor innamen.</p>
+<p>&bdquo;We moesten een tijdlang wachten, omdat er een groot konvooi
+bijeen was, en toen gingen we weer naar Engeland onder zeil. Toen we
+Isle de France voorbij waren, werd de vloot door een storm verstrooid.
+Drie dagen later werden we door een Fransch fregat aangevallen en na
+zijn vuur met eenige schoten beantwoord te hebben, waren we gedwongen
+onze vlag te strijken.</p>
+<p><span class="corr" id="xd21e3109" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>Een luitenant met veertien man werd bij
+ons aan boord gezonden, om ons gevangen te nemen, want we waren een
+zeer rijke prijs voor hen. Onze kapitein en de meesten van het volk
+werden op het fregat overgebracht; maar tien Lascaren<a class="noteref"
+id="xd21e3112src" href="#xd21e3112" name="xd21e3112src">3</a> en de
+scheepsjongens bleven op den <span class="corr" id="xd21e3115" title=
+"Bron: Oostindievaarder">Oostindi&euml;vaarder</span> om het schip naar
+Isle de France<a class="noteref" id="xd21e3118src" href="#xd21e3118"
+name="xd21e3118src">4</a> te brengen, dat destijds in de handen der
+Franschen was.</p>
+<p>&bdquo;Het kwam me wel wat hard voor, dat ik zoo pas twaalf jaren
+oud al naar de gevangenis moest kuieren; maar ik tobde daar toch niet
+lang over en was weldra weer zoo vroolijk en dartel als ooit te voren.
+Wij waren reeds in &rsquo;t gezicht van het eiland en stuurden met eene
+frissche koelte op de haven aan, toen zich op eens te loever een schip
+vertoonde.</p>
+<p>&bdquo;Ik kon wel niet verstaan wat de Franschen zeiden, maar merkte
+toch, dat ze het onderling bijster druk hadden en ijverig met de
+kijkers in de weer waren. Jack Romer, mijn kameraad, die al drie jaren
+gevaren had, fluisterde mij eindelijk in &rsquo;t oor: &bdquo;Daar is
+nog kans, dat we de gevangenschap ontsnappen, want ik moest me al zeer
+vergissen, als dat geen Engelsch linieschip is.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Eindelijk kwam het op korten afstand, heesch de Engelsche
+vlag en deed een schot. De Franschen zochten ons schip voor den wind te
+brengen; doch dat hielp hun weinig. De Engelschman won gedurig op ons,
+en daar de Franschen dit merkten, pakten zij hunne kleeren met al het
+goed, dat zij onzen kapitein en ons volk hadden afgenomen, bijeen. Er
+werd ons een kogel toegezonden, die dicht over onze hoofden heen
+snorde: de Franschen <span class="pagenum">[<a id="pb135" href="#pb135"
+name="pb135">135</a>]</span>lieten toen het roer los, waarop Jack Romer
+dat aangreep en met hulp van mij het schip bij den wind bracht. De
+Engelschen zonden eene boot aan boord en namen onzen koopvaarder in
+bezit, zoodat wij de gevangenschap vooreerst gelukkig ontsnapt
+waren.</p>
+<p>&bdquo;Toen de kapitein van &rsquo;t Engelsche fregat hoorde, hoe de
+Franschen zich tegen ons gedragen hadden, liet hij al hunne bagage
+zorgvuldig onderzoeken en hun alles wat zij geplunderd hadden terstond
+weer afnemen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hij zou het recht gehad hebben de Franschen daarvoor al hun
+goed af te nemen,&rdquo; riep Willem.</p>
+<p>&bdquo;Jawel, Willem, daartoe had de kapitein zeker het recht gehad;
+maar, wel beschouwd, zou dat toch onrecht geweest zijn, want in dat
+geval had hij even oneerlijk gehandeld als zijne vijanden. De kapitein
+ontnam hun niets van hun goed, maar liet hun beneden in &rsquo;t ruim
+opsluiten, waar men geen last van hen had.</p>
+<p>&bdquo;De Engelschen zonden een cadet als prijsmeester aan boord van
+ons schip en lieten ons allen, evenals wij door de Franschen genomen
+waren, op onzen koopvaarder blijven. De kapitein wou niet meer van zijn
+volk missen, dan volstrekt noodig was, en liet dus aan onszelven over
+het schip in de haven te brengen.</p>
+<p>&bdquo;Na een kort verblijf vervolgden wij onzen tocht naar Engeland
+en waren hartelijk blij, dat wij aan de Franschen ontkomen waren.
+Evenwel was onze vreugde niet lang van duur, daar we spoedig merkten,
+dat in plaats van eene Fransche gevangenis eene Hollandsche ons lot
+moest zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hoe meent ge dat?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Luister maar. Twee dagen later, toen wij juist de Kaap
+omzeilden, kwam er een ander Fransch vaartuig op ons af en nam ons.
+Ditmaal vonden wij geen helpenden vriend in onzen nood, maar werden
+aanstonds in de Tafelbaai opgebracht. De kaap de Goede Hoop was
+namelijk in &rsquo;t bezit van de Hollanders, die evenals de Franschen,
+met Engeland in oorlog waren.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar, Flink, gij zijt toch recht ongelukkig
+geweest!<span class="corr" id="xd21e3146" title=
+"Niet in bron">&rdquo;</span> riep mevrouw Wilson op medelijdenden toon
+uit.</p>
+<p><span class="corr" id="xd21e3150" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>Ja, mevrouw, dat waren we zeker. Maar ik
+was jong en luchthartig en wist mij spoedig in mijn ongeluk te
+troosten. Maar kom, &rsquo;t is nu tijd om te gaan slapen. Caroline is
+al diep in de rust en sinjeur Thomas deed het laatste half uur niets
+dan gapen, zoodat we voor van avond hier maar afbreken zullen.&rdquo;
+<span class="pagenum">[<a id="pb136" href="#pb136" name=
+"pb136">136</a>]</span></p>
+</div>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd21e2994" href="#xd21e2994src" name="xd21e2994">1</a></span>
+Kano&rsquo;s zijn booten, zooals de wilden en Indianen gebruiken.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd21e3103" href="#xd21e3103src" name="xd21e3103">2</a></span> Eene
+haven van China, de eenige, die eertijds voor vreemdelingen
+openstond.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd21e3112" href="#xd21e3112src" name="xd21e3112">3</a></span> Indische
+matrozen, die men bij gebrek aan Europeesche in dienst neemt.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd21e3118" href="#xd21e3118src" name="xd21e3118">4</a></span> Vroeger,
+toen wij Hollanders het bezaten, heette dit eiland Mauritius, gelijk
+ook tegenwoordig weder, nu het aan de Engelschen toebehoort.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch34" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">VIER-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">DIE ARME JUNO!&mdash;FLINK VERTELT VERDER.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Ze hadden nog maar korten tijd gerust, of er brak een
+hevig onweder boven hunne hoofden los. Het bliksemde zoo sterk, dat het
+licht zelfs door de reten van de deur en vensters heendrong, en de
+donder ratelde zoo hevig door de lucht, dat allen wakker schrikten en
+aan geen slapen meer te denken was. De kleinen kreten en sidderden van
+angst in de armen van mevrouw Wilson en Juno, die zelven bijna niet
+minder ontsteld waren.</p>
+<p>&bdquo;Dat is een vreeselijk weder!&rdquo; sprak mijnheer Wilson tot
+Flink, want beiden waren opgestaan.</p>
+<p>&bdquo;Waarlijk, mijnheer, ik heb nog nooit erger weder
+beleefd.&rdquo;</p>
+<p>Bij deze woorden werden beiden, half bedwelmd, op den grond
+geslingerd. Een bliksemstraal viel op het huis, zoodat dit met al wat
+er in was dreunde en schudde. Een zwavelreuk verspreidde zich overal,
+en zoodra de twee weder op hunne voeten stonden, ontdekten zij met
+schrik, dat het gansche huis vol rook was. Daarbij kwam nog een
+gejammer der vrouwen en het gillen der kinderen, dat zich uit de
+bedsteden hooren liet.</p>
+<p>&bdquo;God erbarme zich onzer!&rdquo; riep Flink, die het eerst
+weder tot zijn bewustzijn kwam en nu begon te onderzoeken welke
+gevolgen het inslaan wel had gehad; <span class="corr" id="xd21e3170"
+title="Niet in bron">&bdquo;</span>de slag heeft ons getroffen en ik
+vrees, dat het huis ergens in brand staat.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Vrouw!&mdash;kinderen!&rdquo; schreeuwde de doodelijk
+ontstelde vader.</p>
+<p>&bdquo;Gij zijt toch allen onbezeerd?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, ja!&rdquo; riep zijne vrouw, &bdquo;allen lieve man.
+Thomas komt daar juist bij mij.&mdash;Maar waar is
+Juno?&mdash;Juno!&rdquo;</p>
+<p><a id="xd21e3180" name="xd21e3180"></a>Juno gaf geen antwoord.
+Willem vloog naar den anderen hoek van het huis. Daar vond hij haar
+roerloos op den grond uitgestrekt liggen.</p>
+<p>&bdquo;Ze is dood, vader!<span class="corr" id="xd21e3185" title=
+"Niet in bron">&rdquo;</span> riep hij, hevig verschrikt.</p>
+<p>&bdquo;Help mij haar naar buiten dragen, mijnheer!&rdquo; riep
+Flink, die het arme meisje onderwijl in zijn armen had genomen.
+&bdquo;Ze kan licht alleen maar bedwelmd zijn.&rdquo;</p>
+<p>Gezamenlijk droegen zij het lichaam nu in de open lucht. De regen
+kletterde in stroomen neder.</p>
+<p>De oude man verliet hen voor eene minuut, om zich te overtuigen, dat
+het huis nergens vuur had gevat. Hij bevond, dat het aan den uitersten
+hoek in vlam had gestaan; doch deze was door den regen weer uitgedoofd.
+<span class="pagenum">[<a id="pb137" href="#pb137" name=
+"pb137">137</a>]</span>Toen keerde hij dadelijk naar mijnheer Wilson en
+zijn zoon, die zich met Juno bezighielden, terug.</p>
+<p>&bdquo;Ik zal bij &rsquo;t meisje blijven, mijnheer,<span class=
+"corr" id="xd21e3198" title="Niet in bron">&rdquo;</span> zeide Flink.
+&bdquo;Ga gij maar met Willem in huis. Mevrouw sterft van schrik, als
+ge haar bij al die akeligheid alleen laat.<span class="corr" id=
+"xd21e3201" title="Bron: &mdash;&mdash;">&mdash;</span>Kijkt, kijkt,
+vriendin Juno is niet dood: ze begint al weer adem te halen.&mdash;Ja,
+ja, we hadden de goede meid hier ook al slecht kunnen
+missen.&rdquo;</p>
+<p>Vader en zoon volgden Flinks raad. Zij vonden mevrouw Wilson bijna
+onmachtig van angst en schrik. De heuglijke tijding, die zij
+overbrachten, dat Juno niet dood was, bracht echter veel bij om haar
+weer eenigszins te doen bekomen. Willem zocht den kleinen Albert tot
+bedaren te brengen; en Thomas was na korten tijd vast in slaap in
+vaders armen.</p>
+<p>Het onweer bedaarde nu van lieverlede en bij het aanbreken van den
+dag kwam Flink ook weder met Juno terug. Zij was in zooverre weer
+hersteld, dat ze, door hem ondersteund, naar de kamer kon stappen, en
+toen werd ze aanstonds te bed geholpen.</p>
+<p>Daarop verlieten Flink en mijnheer Wilson het huis om te onderzoeken
+of er ook nog verdere schade was aangericht. De bliksem was in de
+voorzijde van het huis ingeslagen, juist op de plaats, waar men later
+een schoorsteen bouwen wilde. Ze bevonden, dat de hitte den ijzeren
+ketel gedeeltelijk had doen smelten; maar wat nog grooter verlies
+was&mdash;hunne geit, de zwarte Nanni, was gedood; doch hare jongen
+waren ongedeerd gebleven.</p>
+<p><span class="corr" id="xd21e3211" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>We zijn inderdaad voor een groot ongeluk
+behoed gebleven,&rdquo; sprak mijnheer Wilson eindelijk.</p>
+<p>&bdquo;Ja, mijnheer!&rdquo; antwoordde Flink. &bdquo;Ik dacht al,
+dat de arme Juno verloren was.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Als ik &rsquo;t wel heb, Flink, hebben wij eene rol dik
+koperdraad, niet waar?<span class="corr" id="xd21e3218" title=
+"Niet in bron">&rdquo;</span> vroeg mijnheer Wilson.</p>
+<p>&bdquo;Ja, mijnheer, ik dacht daar ook al aan. Het eerste, waaraan
+wij denken moeten, is een bliksemafleider.&rdquo;</p>
+<p>Middelerwijl was het helder dag geworden. Mevrouw Wilson kleedde
+zichzelve en de kinderen aan. Willem nam vervolgens op zich, voor het
+ontbijt te zorgen, en Flink nam uit den onder de bedsteden geborgen
+voorraad de bedoelde rol koperdraad op. Hij rolde deze los en boog ze
+recht; toen haalde hij de ladder, die op de plaats stond, waar zij
+bezig waren hun magazijn te bouwen.</p>
+<p>Terstond na het ontbijt ging men aan het werk, om den afleider vast
+<span class="pagenum">[<a id="pb138" href="#pb138" name=
+"pb138">138</a>]</span>te zetten. Inmiddels moest Willem Juno&rsquo;s
+arbeid verrichten, want deze lag nog te bed en scheen in diepen slaap
+verzonken.</p>
+<p>&bdquo;Ik geloof, mijnheer,&rdquo; zeide Flink, &bdquo;dat
+&eacute;&eacute;n dezer beide boomen, die zoo dicht naast elkander
+staan, het best tot ons doel passen. Zij zijn niet al te dicht bij het
+huis en staan juist zoo, dat de draad den bliksem nog aantrekken
+kan.&rdquo;</p>
+<p><span class="corr" id="xd21e3233" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>Dat komt mij ook zoo voor, Flink; wij
+mogen echter beiden niet laten staan.<span class="corr" id="xd21e3236"
+title="Niet in bron">&rdquo;</span></p>
+<p>&bdquo;Neen, mijnheer. Eerst zullen wij echter beiden nog noodig
+hebben, om naar boven te klimmen en den draad vast te maken. Is dit
+gedaan, dan zullen wij er een omkappen.&rdquo;</p>
+<p>Flink zette de ladder tegen een der beide boomen, nam den hamer en
+een zak vol groote spijkers en sloeg een daarvan zoo in den stam, dat
+hij de zwaarte van zijn eigen lichaam dragen konde. Boven den eersten
+sloeg hij een tweede in, en zoo ging hij voort, totdat hij den top van
+den boom bereikt had, waar de beide kruinen bijna in elkander waren
+gegroeid. Toen klom hij naar beneden, nam eene zaag en eene handbijl
+mede, klom weer naar boven en binnen den tijd van tien minuten was de
+kruin van den boom geveld, zoodat nog slechts de slanke, naakte stam
+overbleef.</p>
+<p>&bdquo;Wees voorzichtig, Flink, dat gij behouden weer op den grond
+komt!&rdquo; riep mijnheer Wilson angstig.</p>
+<p>&bdquo;Wees volkomen gerust,&rdquo; klonk de stem van den ouden man
+uit de hoogte. &bdquo;Ik ben wel niet zoo vlug meer als in mijne jonge
+jaren, maar heb toch al te dikwijls in vrij wat hooger masten dan deze
+gezeten, om &rsquo;t klimmen geheel verleerd te zijn.&rdquo;</p>
+<p>Flink kwam dan ook behouden weer beneden en sneed een dunnen stok
+met een sterk stuk puntig koperdraad aan het einde, dien hij vervolgens
+daarboven aan den kokosstam wilde vastbinden. Nu voor de laatste maal
+omhoog klauterende, bond hij den stok stevig aan den boom vast,
+vervolgens het eind van het koperdraad aan de daaraan gescherpte
+bovenste punt en klom toen af. De andere boom daarnaast werd terstond
+geveld en het benedeneinde van het koperdraad aan den voet van den
+boom, die den afleider droeg, diep in de aarde begraven.</p>
+<p>&bdquo;Nu hebben we een noodzakelijk werk tot stand gebracht,&rdquo;
+sprak de oude man en wischte zich het zweet van het voorhoofd.</p>
+<p>&bdquo;Ja,&rdquo; antwoordde de mijnheer Wilson; <span class="corr"
+id="xd21e3254" title="Niet in bron">&bdquo;</span>maar bij ons magazijn
+moeten we er nu ook nog een zetten, daar anders onze voorraad gevaar
+kon loopen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat zal zoo spoedig mogelijk gebeuren.&rdquo; <span class=
+"pagenum">[<a id="pb139" href="#pb139" name="pb139">139</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Ge begrijpt toch wel het doel van zulk een afleider,
+Willem?&rdquo; vroeg zijne vader.</p>
+<p>&bdquo;O ja, vader. De bliksem wordt door het metaal aangetrokken en
+moet nu, in plaats van het huis, de spits aan den afleider treffen, bij
+den draad nederschieten en op zijn hoogst den grond eens wat opwoelen.
+Gij hebt mij dat al vroeger verklaard.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, en gij hebt het goed gevat en niet weer vergeten,&rdquo;
+sprak Flink met welgevallen.&mdash;&bdquo;Het onweer komt terug en
+misschien nog wel zwaarder,&rdquo; vervolgde de oude man. &bdquo;Ik
+vrees, dat we vandaag weinig zullen kunnen werken. Ik zal nu eens
+spoedig naar ons vee en gevogelte omzien. Naar ik hoop, hebben we geen
+verder verlies geleden. Heb gij onderwijl de goedheid, mijnheer, met
+Willem de arme geit te begraven. Dat kan nog licht geschieden, voor dat
+de storm opnieuw losbreekt.&rdquo;</p>
+<p>Zij trokken Nanni bij de pooten uit de kooi en begroeven haar aan
+den voet van den afleider. Juist toen zij gedaan <span class="corr" id=
+"xd21e3268" title="Bron: haddenl">hadden,</span> kwam ook Flink terug.
+Hij had de geiten en schapen gelukkig gevonden en eene der beide
+overige geiten meegebracht, die gedurende het onweder jongen had
+geworpen.</p>
+<p>&bdquo;Ik was al bang,&rdquo; zeide Flink, &bdquo;dat wij de arme
+geitjes na &rsquo;t verlies der moeder geen voedsel meer zouden kunnen
+geven; maar nu kan deze geit hier alle vier te gelijk zoogen. &rsquo;t
+Zal haar wel zwaar vallen; doch het kan niet anders. Wij moeten haar
+maar rijkelijk voeren.&rdquo;</p>
+<p>Met deze woorden bracht hij de tweede geit ook in de kooi, waar ze
+terstond de plaats van de zwarte Nanni innam. Daarop zette men zich aan
+tafel. Juno was nu ook weer op en voelde zich volkomen wel, behalve dat
+ze voortdurend over zware hoofdpijn klaagde.</p>
+<p>Wat Flink voorspeld had, gebeurde ook; de regen keerde met
+verdubbelde hevigheid terug, en het was volstrekt onmogelijk iets
+buitenshuis te verrichten. Op Willems verzoek ging de oude stuurman met
+zijn verhaal voort.</p>
+<p>&bdquo;Zoodra wij met het Fransche schip in de Tafelbaai voor anker
+waren gekomen, werden wij allen ontscheept en in eene gevangenis dicht
+bij den tuin van den gouverneur opgesloten. Wij werden niet heel streng
+bewaakt, daar aan ontvluchten voor ons toch bijna niet te denken viel,
+en ik moet zeggen, wij werden in alle opzichten goed behandeld. Daarbij
+zei men ons echter dat wij met het eerste oorlogsschip, dat in de Baai
+aankwam, naar Holland zouden worden opgezonden, en dit vooruitzicht
+beviel ons maar volstrekt niet.</p>
+<p>&bdquo;Gelijk ik vroeger al gezegd heb, waren buiten mij nog eenige
+andere knapen gevangen, die tot den Oostindi&euml;vaarder behoorden.
+Wij hechtten <span class="pagenum">[<a id="pb140" href="#pb140" name=
+"pb140">140</a>]</span>ons aan elkander, niet alleen omdat wij van
+gelijke jaren, maar vooral omdat wij reeds zoo lang scheepskameraden
+geweest waren. Twee van die jongens, Jack Romer, van wien ge reeds
+gehoord hebt, en Wim Hastings waren mijne bijzondere vrienden.</p>
+<p><span class="corr" id="xd21e3285" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>Toen wij op zekeren dag tegen onze
+gevangenismuur aanzaten en, om ons in de zon te warmen&mdash;want het
+was winter,&mdash;recht dicht bij elkaar kropen, begon Romer:</p>
+<p>&bdquo;Wat zou &rsquo;t ons toch weinig moeite kosten van hier te
+ontsnappen, als we maar wisten, waarheen we dan gaan
+moesten.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja,&rdquo; zei Hastings; &bdquo;waar konden we anders
+heengaan dan naar de Hottentotten en de bloeddorstige wilden? En als we
+daar waren, wat zouden we dan aanvangen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ei wat!&rdquo; zei ik eindelijk. &bdquo;Ik wil liever als
+vrij mensch onder wilden leven, dan hier zoo in de gevangenis
+opgesloten zitten.</p>
+<p>&bdquo;Dit was ons eerste gesprek over dit onderwerp, maar voortaan
+kwamen wij er gedurig op terug. Daarbij trof het gelukkig voor ons, dat
+twee of drie Hollandsche soldaten van onze gevangeniswacht Engelsch
+verstonden, zoodat wij, die ook al iets van het Hollandsch wisten, door
+vragen nog al wat van hen te weten konden komen. Zij hadden namelijk al
+zeer dikwijls aan de grenzen van de kolonie gelegen en konden ons de
+beste inlichtingen geven omtrent den weg, dien men daarheen te nemen
+had.</p>
+<p>&bdquo;Zoo gingen wij twee maanden lang voort met vragen te doen en
+over ons plan te spreken. Eindelijk besloten wij de vlucht werkelijk te
+beproeven.</p>
+<p>&bdquo;Gij begrijpt zelf, Willem, dat dit ook alweder een dwaze
+streek was en opnieuw bewijst, hoe weinig knapen in staat zijn, om over
+hun eigen best te oordeelen. We konden ons immers slechts in ellende en
+gevaar begeven, zonder ook maar eenige kans op ontkomen te hebben. We
+hadden veel beter gedaan met te blijven, waar wij waren; maar wat zal
+ik zeggen&mdash;&rsquo;t verstand komt eerst met de jaren; en men kan
+geen oud hoofd op jonge schouders zetten.</p>
+<p>&bdquo;Wij bewaarden onzen mondkost, kochten eenige lange
+Hollandsche messen en pakten onze weinige kleeren in een bundel bij
+elkaar. Toen het eindelijk eens een donkere avond was, zochten we
+ongemerkt op het plein achter te blijven, terwijl de overige gevangenen
+in hunne cellen werden opgesloten, en dit gelukte ons. Wij namen een
+langen paal, die in een hoek lag, en zetten dien tegen den muur op,
+zoodat hij tot bovenaan reikte. Klimmen konden wij opperbest, en zoo
+ontkwamen wij werkelijk en zochten zoo spoedig mogelijk naar den
+Tafelberg te ontkomen.<span class="corr" id="xd21e3302" title=
+"Niet in bron">&rdquo;</span> <span class="pagenum">[<a id="pb141"
+href="#pb141" name="pb141">141</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Wat reden hadt gij, om daarheen te gaan, Flink?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hastings, die de oudste en ook de welberadenste onder ons
+drie&euml;n was, oordeelde dat wij ons daar eerst eenige dagen
+verborgen konden houden, totdat we vast bepaald hadden wat we dan
+eigenlijk wilden aanvangen. Daarenboven moesten we ook zien, of we ons
+niet een paar geweren met kruit en lood verschaffen konden. Wij hadden
+namelijk eenig geld bij ons, want toen ons schip voor de eerste maal
+genomen werd, had de kapitein vooraf een vaatje ropijen,<a class=
+"noteref" id="xd21e3310src" href="#xd21e3310" name="xd21e3310src">1</a>
+dat hij aan boord had, naar gelang van &rsquo;t geen zij te goed hadden
+onder de officieren en matrozen verdeeld, daar hij het beter vond, dat
+zijn volk dat geld in handen had, dan dat de Franschen &rsquo;t
+wegnamen, hetgeen anders ongetwijfeld het geval zou zijn geweest.
+Gedurende onze gevangenschap hadden wij zeer weinig van ons geld
+verteerd; want drank werd niet toegelaten, en aan tabak pruimen en
+rooken hadden wij jongens ons nog niet gewend.</p>
+<p><span class="corr" id="xd21e3314" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>Hastings had ook nog eene andere reden,
+waarom hij ons aanried op den Tafelberg aan te gaan, te weten: zoodra
+onze vlucht bekend werd, zou men ons, dacht hij, patrouilles nazenden,
+en deze zouden, naar alle waarschijnlijkheid, den weg naar de
+binnenlanden inslaan, zoodat wij, als de eerste nasporing zonder gevolg
+geschied was, minder gevaar te vreezen hadden van weer te worden
+opgepakt. De soldaten hadden ons van beren en andere wilde dieren
+verteld en ons gezegd, hoe gevaarlijk daar te lande het reizen
+was;&mdash;nu meende Hastings, dat zij, ons niet vindende, denken
+zouden, dat we door die beesten verscheurd waren, en dat ze zoo geen
+verder onderzoek naar ons zouden doen.</p>
+<p>&bdquo;Ge merkt, Willem, we gebruikten nog al eene zeker soort van
+overleg, hoewel we toch maar onverstandige jongens waren.<span class=
+"corr" id="xd21e3320" title="Niet in bron">&rdquo;</span></p>
+<p>&bdquo;Onverstandig, zeker!&rdquo; merkte mevrouw Wilson
+aan;&mdash;&bdquo;zonder te weten waarheen, zoo een land in te gaan,
+dat vol wilde menschen en dieren is!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Gij hebt gelijk, mevrouw,&rdquo; antwoordde de oude man;
+&bdquo;dat zult gij hooren, als ik u vertel, wat ons, toen wij pas
+eenige uren op weg waren, overkwam.</p>
+<p>&bdquo;Eerst liepen wij op een draf, totdat wij geheel buiten adem
+waren, en toen gingen wij zoo snel als onze beenen ons konden dragen.
+Wij liepen niet regelrecht op den berg aan, maar namen eene eenigszins
+schuinsche richting naar het zuidwesten en meer naar den kant van de
+Valsche Baai, zoodat <span class="pagenum">[<a id="pb142" href="#pb142"
+name="pb142">142</a>]</span>wij ons verder van de stad verwijderden.
+Gij weet nog wel, Willem, ik wees u die baai, toen wij de Kaap
+voorbijkwamen.<span class="corr" id="xd21e3331" title=
+"Niet in bron">&rdquo;</span></p>
+<p>&bdquo;Ja, ja, ik herinner het mij nog heel goed, Flink.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;We waren zoowat vier uren op weg en begonnen moe te worden,
+toen de dag aanbrak. Thans zagen we natuurlijk naar eene plaats om,
+waar wij ons verbergen konden. We vonden spoedig een hol met een nauwen
+ingang, juist ruim genoeg om een half dozijn zulke knapen, als wij
+waren, te bevatten en daar kropen wij binnen. De grond was volmaakt
+droog, en daar wij heel moe waren, legden wij ons neder.</p>
+<p>&bdquo;Met ons hoofd op onze bundels, wilden we zien, of we ons door
+eenige uren slapens verkwikken konden.</p>
+<p>&bdquo;Wij lagen echter pas en hadden de oogen gesloten, toen we op
+eens zulk een wonderlijk blaffen, janken en kwetteren hoorden, dat wij
+hevig verschrikt weer opsprongen. Dadelijk gluurde Hastings eens daar
+buiten en begon te lachen. Ook Romer en ik keken uit en zagen.... wel
+honderd-vijftig groote bavianen, die zulke wonderbaarlijke sprongen en
+cabriolen maakten, als ik ooit van mijn leven nog gezien had. Zij waren
+grooter dan wijzelven&mdash;ja, als ze op de achterpooten stonden,
+wonnen ze het in lengte ver van ons en daarbij hadden zij groote witte
+tanden. Eenigen onder den troep waren wijfjes en droegen hare jongen op
+den rug; overigens huppelden die even vlug en vroolijk als de
+mannetjes. Ten laatste vertoonden ze zulke potsierlijke kuren en
+grappen, dat wij allen het van lachen uitschateren moesten. Op eens,
+terwijl we ons nog den buik vasthielden, ontdekten we de grijnzende
+tronie van een der grootsten uit den heelen troep op zeer korten
+afstand van ons.</p>
+<p>&bdquo;Die knaap was, als door een wonder, boven van de rots tot ons
+afgekomen. We sprongen alle drie heel ontsteld in de grot terug, want
+de baviaan had vreeselijke tanden en was woest en wild van uitzicht.
+Hij liet een gillend geluid hooren; en weldra zagen wij al de anderen,
+zoo hard ze maar loopen konden, op het gerucht aankomen.</p>
+<p>&bdquo;Ik zeide straks al, dat het hol ruim genoeg was, om een stuk
+of zes, zeven van ons te bergen. Achter dit volgde echter nog eene
+kleinere grot, waarin we nog niet geweest waren en die een veel
+nauweren ingang had. Romer riep: &bdquo;Laat ons in dat achterste hol
+vluchten; als we de een na den anderen door het gat kruipen, komen wij
+er wel.&rdquo;</p>
+<p><span class="corr" id="xd21e3347" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>Met deze woorden wrong hij zelf zich door
+de opening. Hastings volgde met zijn bundel en ik kwam er ook
+door,&mdash;juist nog bijtijds, want de bavianen hadden eerst buiten
+een halve minuut met elkaar gesnaterd, en drongen <span class=
+"pagenum">[<a id="pb143" href="#pb143" name="pb143">143</a>]</span>toen
+het voorste hol binnen op &rsquo;t zelfde oogenblik, dat ik mij in het
+achterste redde. Vijf of zes van die beesten vertoonden zich, allen
+mannetjes en naar &rsquo;t scheen, van de allergrootsten.<a id=
+"xd21e3352" name="xd21e3352"></a></p>
+<p>&bdquo;Het eerste, wat zij deden was, dat zij op Romers knapzak
+aanvielen. In een ommezien was die opengemaakt. Eerst kwam de mondkost
+die terstond in hunne wijde muilen verdween. Toen kwam het overige aan
+de beurt en werd eerst terdege besnuffeld en daarna in flarden
+gescheurd.</p>
+<p>&bdquo;Zoodra ze hiermee gedaan hadden, naderden twee van de
+monsters het achterste hol, waar ze ons in het oog kregen. Een hunner
+stak zijne lange pooten naar binnen, om ons naar zich toe te halen,
+maar Hastings stak den baviaan met zijn mes, waarop deze zijne armen in
+een wip terugtrok. Het was kluchtig te zien, hoe hij aan de overigen
+zijn poot vertoonde en dan het bloed met zijne tong aflikte. Een
+geschreeuw, zooals toen werd aangeheven, heb ik in mijn leven niet meer
+gehoord. Ze waren allen blijkbaar geweldig boos: er kwamen gedurig meer
+in het hol en tierden en gierden met de anderen.</p>
+<p>&bdquo;Eindelijk stak een tweede zijn poot uit, maar kreeg een prik,
+nog wel zoo raak als de eerste. Ten laatste poogden twee of drie te
+gelijk ons aan te pakken; doch wij weerden ons wakker met onze messen
+en brachten hun zware wonden toe. Zoo zetten zij wel een uur lang hun
+aanval voort. Toen verlieten zij eensklaps het hol, maar bleven huilend
+en jankend voor den ingang wacht houden.<a id="xd21e3361" name=
+"xd21e3361"></a></p>
+<p>&bdquo;Langzamerhand werden wij de grap hartelijk moe, en Romer zei
+al, dat hij liever in de gevangenis was dan hier. Ik voor mij dacht
+hetzelfde, maar wij konden ons onmogelijk naar buiten wagen. Hadden wij
+dat gedaan, dan zouden de dieren ons zekerlijk in stukken hebben
+gescheurd. Wij begrepen dus wel, dat er aan geen ontkomen te denken
+was, voordat de dieren, het wachten moede, vanzelf optrokken. Met een
+beangst hart zaten wij daar dus. Daarbij kwam nog, dat wij bitter door
+den dorst geplaagd werden en in het hol geen water vinden konden.</p>
+<p>&bdquo;Zoo bleven wij nog ruim twee uur als gevangenen van die
+leelijke bavianen in het hol opgesloten, toen op eens een der dieren
+een gillenden kreet uitstiet, waarop de gansche troep huilend en
+schreeuwend, zoo hard hij kon, op den loop ging.</p>
+<p>&bdquo;Wij wachtten nog eenigen tijd, om te zien, of zij ook
+terugkomen zouden; toen kwam Hastings het eerst voor den dag, keek
+voorzichtig buiten het hol en zeide, dat de gansche troep eindelijk
+voor goed weg en er in het rond niets meer te zien was, dan een
+Hottentot, die op den grond zat en op eenige <span class=
+"pagenum">[<a id="pb144" href="#pb144" name=
+"pb144">144</a>]</span>grazende koeien scheen te passen. De een na den
+ander slopen wij uit het hol en waren recht verheugd over onze
+verlossing.</p>
+<p>&bdquo;Dit was ons eerste avontuur, mijn goede Willem. Wij hadden in
+&rsquo;t gevolg nog eene menigte andere; maar &rsquo;t begint nu tijd
+te worden om naar bed te gaan. Ik denk, mijnheer Wilson, dat we morgen
+een goeden dag zullen hebben, maar met zekerheid zeggen kan men zoo
+iets niet.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik ben brandend nieuwsgierig om te weten wat u later nog al
+meer is overkomen, Flink,&rdquo; verzekerde Willem.</p>
+<p>&bdquo;Nu ja, beste jongen, dat zult gij nog wel te weten komen.
+Maar alles heeft zijn tijd en nu is het tijd om te slapen, als ge niet
+misschien met mij meegaan wilt, Willem. De lucht is opgeklaard en ik
+zou gaarne een paar visschen vangen voor morgen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O zeker, Flink, ik ga mee; ik ben volstrekt niet
+moe.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Goed dan, hier zijn de lijnen. Goeden nacht, mevrouw; goeden
+nacht, mijnheer! Over een uurtje volgen wij u.&rdquo;</p>
+</div>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd21e3310" href="#xd21e3310src" name="xd21e3310">1</a></span> Eene
+Oostindische munt. Men heeft zilveren ropijen, die ruim twee, en
+gouden, die zestien of zeventien gulden waard zijn.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch35" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">VIJF-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">EEN RUSTDAG.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De oude man had zich niet bedrogen. Toen de storm,
+waarvan wij boven gesproken hadden, had uitgewoed, werd het weder fraai
+en bleef zoo ettelijke dagen. Tengevolge van den slag, die haar
+getroffen had, bleef Juno nog eenigen tijd zwak en ontdaan, maar was
+toch in staat het middageten klaar te maken en ander licht werk te
+doen.</p>
+<p>Behalve nu en dan eens eene bui, bleef het weder bijna veertien
+dagen achtereen gunstig, en gedurende al dien tijd werkten mijnheer
+Wilson, Flink en Willem van &rsquo;s morgens vroeg tot &rsquo;s avonds
+laat aan hun magazijn en waren zoo verlangend dit tot stand te krijgen,
+dat zij telkens hoogst vermoeid van hun werk thuis kwamen en Willem
+zelfs vergat Flink om de voortzetting van zijne geschiedenis te
+vragen.</p>
+<p>Eindelijk was het pakhuis gereed. Het was met een bladerendak gedekt
+en op drie zijden met gevlochten takken gesloten, doch op de vierde
+open, zoodat de lucht er gedurig vrije speling had. Het benedenste
+gedeelte, dat tot beschutting van de huisdieren bij nacht en gedurende
+den regentijd was ingericht, was insgelijks aan drie zijden gedekt en
+kon het vee behoorlijk <span class="pagenum">[<a id="pb145" href=
+"#pb145" name="pb145">145</a>]</span>tot stalling dienen. Ook was er
+reeds een voetpad door het bosch uitgekapt; doch om de boomwortels uit
+te graven, had het tot hiertoe nog aan tijd ontbroken.</p>
+<p>Al de voorraad, dien zij hier hadden, werd daarop in het nieuwe
+pakhuis geborgen en nu eindelijk konden zij weder aan ander werk
+beginnen te denken. Evenwel had men besloten dat de dag na de
+voltooiing van het magazijn in de familie als een feestdag zou gevierd
+worden,&mdash;eene verademing, die zij allen ook zeer noodig hadden.
+Willem ving eenige visschen, er was eene schildpad uit den vijver
+opgehaald en zoo was het niet alleen een dag van rust, dien zij hadden,
+maar een wezenlijk feest.</p>
+<p>Mijnheer Wilson was met zijne vrouw en kinderen eene wandeling langs
+het strand gaan doen, terwijl Flink met Juno zich met het schoonmaken
+van den schildpad bezighield. Willem liet hun de nieuwgebouwde
+bergplaats met den veestal zien, waarheen nu ook de geit met hare vier
+jongen gebracht was, omdat er geen reden bestond om die langer in het
+woonhuis te houden, Daar het weder zoo schoon was, besloot men toen ook
+nog den tuin te bezoeken. Hier bevonden zij, dat de zaden,
+niettegenstaande den hevigen regen, nog niet begonnen op te komen.</p>
+<p>&bdquo;Ik had toch gedacht, dat het zaad na zooveel regen al verder
+zou zijn,&rdquo; zeide mevrouw Wilson.<a id="xd21e3400" name=
+"xd21e3400"></a></p>
+<p>&bdquo;O neen, mijn lieve,&rdquo; antwoordde haar man. &bdquo;Het
+heeft meer warmte noodig dan de zon in den tegenwoordigen regentijd kan
+schenken. Nog eenige dagen als vandaag en gij zult zien, hoe welig het
+opschiet.<span class="corr" id="xd21e3404" title=
+"Niet in bron">&rdquo;</span></p>
+<p><span class="corr" id="xd21e3408" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>Laat ons hier op dezen heuvel wat
+uitrusten; het is er volmaakt droog,&rdquo; verzocht zij. &bdquo;Ik had
+nooit gedacht,&rdquo; vervolgde zij, zich nederzettende, terwijl ze
+haar echtgenoot de hand drukte,&mdash;&bdquo;dat ik op een verlaten
+eiland zoo gelukkig kon worden. Wat vliegt de tijd hier snel voorbij.
+Het gemis van boeken moest mij, meende ik in den beginne, zeer
+smartelijk vallen, maar nu merk ik, dat ik tot lezen geen tijd zou
+hebben.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Werkzaamheid is de bron van geluk, vooral indien men waarlijk
+nuttig werkzaam is,&rdquo; zeide mijnheer Wilson. &bdquo;Een vlijtig
+mensch is altijd ook een gelukkig mensch, als hij namelijk niet al te
+ingespannen behoeft te arbeiden; en zelfs hij, die oorzaak tot
+droefheid en kommer heeft, zal zijn lijden bij vlijt en arbeid
+spoediger vergeten. Ik geloof zeker, dat een ledigganger nooit
+werkelijk gelukkig zijn kan en dat zelfs overlading met arbeid beter
+is, dan volslagen gebrek daaraan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar moeder, wij zullen niet altijd zooveel te doen hebben,
+als tegenwoordig.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb146" href=
+"#pb146" name="pb146">146</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Natuurlijk niet,&rdquo; gaf mijnheer Wilson ten antwoord;
+<span class="corr" id="xd21e3419" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>maar dan ook zullen wij in onze boeken een
+nieuwe bron van genot vinden. Ik verlang zeer, eens aan de
+landingsplaats te komen, om daar te zien, wat er van onze boeken nog
+over is en of zij ook erg gehavend zijn. Dat kan echter eerst gebeuren,
+als de regen geheel voorbij is en wij onze boot weer gebruiken
+kunnen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Waar zijt gij daar toch mee bezig, Thomas?<span class="corr"
+id="xd21e3424" title="Niet in bron">&rdquo;</span> vroeg zijne
+moeder.</p>
+<p>&bdquo;Ik maak torretjes dood,&rdquo; was het antwoord. &bdquo;O, ik
+heb er al een heelen boel kapotgemaakt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar waarom maakt gij die arme diertjes toch dood? Ze hebben
+u immers geen kwaad gedaan.<span class="corr" id="xd21e3431" title=
+"Niet in bron">&rdquo;</span></p>
+<p>&bdquo;Ik mag die torren niet lijden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is nog geen reden, Thomas; gij moet niet alles doodmaken
+wat gij niet lijden moogt. Als ze u bijten of steken, dan moogt gij ze
+dooden; maar dieren zonder reden te dooden is wreedheid.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Juno slaat ook wel vliegen dood,&rdquo; zei Thomas.</p>
+<p>&bdquo;Ja, omdat dit somtijds noodig is; maar ze doodt ze zekerlijk
+niet alleen omdat ze juist niets beters te doen heeft. Vergeet niet,
+wat ik u gezegd heb, Thomas.&rdquo;</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch36" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">ZES-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">NOG AL ANDER WERK.&mdash;FLINK VERVOLGT ZIJNE
+GESCHIEDENIS.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">&bdquo;Welnu, Flink,<span class="corr" id="xd21e3449"
+title="Niet in bron">&rdquo;</span> vroeg mijnheer Wilson den volgenden
+dag, &bdquo;wat moet nu na het ontbijt ons eerste werk zijn?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Me dunkt, mijnheer, we gaan allen heen en verzamelen de
+takken en twijgen van de gevelde kokosboomen, om ze tot brandstof
+bijeen te hebben. Thomas en Juno hebben al een fikschen hoop
+opgestapeld en tegen den avond, denk ik, kunnen we een houtstapel klaar
+hebben, waarin de regen niet doordringen kan. Daarna zullen we een
+zoutpan aanleggen en ook een vischvijver, daar het weer ons toch wel
+niet toelaten zal voor langen tijd van huis te gaan. Dat zal ons voor
+&rsquo;t minst eene week kosten; maar dan valt hier vooreerst ook
+weinig meer te doen. Ik geloof, dat wij het ergste van den regentijd
+reeds achter den rug hebben, over veertien dagen misschien reeds kunnen
+wij ons door het bosch wagen en gaan zien, hoe &rsquo;t met onze
+schatten aan de landingsplaats gesteld is. We zullen de handen vol
+hebben <span class="pagenum">[<a id="pb147" href="#pb147" name=
+"pb147">147</a>]</span>met alles uit te zoeken en terecht te leggen,
+voordat het mooie weer terugkomt, en kunnen het dan dadelijk in onze
+boot hierheen brengen en in het pakhuis bergen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En dan doen we eens een reisje over het eiland, niet waar,
+Flink?&rdquo; vroeg Willem. &bdquo;Ik verlang daar zeer
+naar.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, Willem; maar dat zal wel het laatst aan de beurt komen;
+want we moeten er op rekenen, dat we twee of drie nachten van huis
+blijven, en daartoe moet het weder eerst vast en goed zijn.</p>
+<p><span class="corr" id="xd21e3461" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>Evenwel zullen wij het nog doen, voordat
+wij onze goederen in de boot hierheen brengen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar hoe zullen wij met die zoutpan klaarkomen, Flink? Die
+moet immers in de harde rots worden uitgehouwen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zeker, Willem; maar ik heb daartoe reeds drie of vier
+zoogenaamde steenbeitels uitgezocht,&mdash;weet gij, van die korte,
+dikke, van een scherp eind voorziene ijzeren staven, die ginds in ons
+magazijn liggen. Die nemen wij, met een stevigen hamer, en dan zal het
+werk ons gemakkelijker van de hand gaan, dan gij denkt, daar de
+koraalrotsen, die van buiten zoo hard schijnen, inwendig tamelijk broos
+zijn.&rdquo;</p>
+<p>De gansche dag werd verder besteed om de kokostakken tot eene groote
+mijt op te stapelen. Flink maakte die naar de wijze der gewone
+hooibergen van boven spits, zoodat de regen er op afloopen kon.</p>
+<p>&bdquo;Ziezoo,&rdquo; zeide de oude man, toen hij eindelijk de
+ladder afkwam, &bdquo;daar hebben wij nu een voorraad voor het volgende
+jaar. We hebben nog genoeg over, om er gedurende dezen regentijd mee
+toe te komen, en hebben wij eerst droog weder, dan kunnen wij later den
+benoodigden brand bijeenbrengen. Deze voorraad hier moet tot het
+naastvolgend regenseizoen bespaard blijven.&rdquo;</p>
+<p>De heer Wilson zuchtte en zijn gelaat betrok. Flink merkte dit en
+liet er dadelijk op volgen:</p>
+<p>&bdquo;Onze voorzorg zal misschien overtollig zijn, mijnheer; maar
+niettegenstaande dat mogen wij ze toch niet verzuimen. Dat kapitein
+Osborn, als hij nog in leven is, naar ons zal laten zoeken, daar
+twijfel ik geen oogenblik aan, ja, ik geloof zelfs, dat Mackintosh het
+niet zal verzuimen. Maar daarbij moogt gij toch niet vergeten, dat
+allen kunnen vergaan zijn, terwijl wij zelven in het leven zijn
+behouden. Eene kleine boot geeft slechts weinig kans op behoud, als ze
+vele honderden mijlen van land is; en zijn ze werkelijk verongelukt,
+dan kunnen er misschien nog jaren verloopen, voordat wij door &rsquo;t
+een of ander schip ontdekt worden.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id=
+"pb148" href="#pb148" name="pb148">148</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Ja, Flink, zonder morren moeten wij ons in ons lot trachten
+te schikken. Ik heb er mijzelven reeds menigmaal om beschuldigd; maar
+zulke sombere gedachten komen toch dikwijls terug, ofschoon ik alle
+moeite doe, om ze te onderdrukken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat vind ik zeer natuurlijk, mijnheer; maar ge moet toch
+altijd het beste hopen. Wildet ge u nog langer kwellen, ge zoudt
+daardoor volstrekt niets beter maken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat gevoel ik wel, Flink; en als ik zie, hoe tevreden mijne
+vrouw onder al deze beproevingen is, dan erger ik mij nog meer over
+mijzelven.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Eene vrouw, mijnheer, weet het ongeluk altijd beter te
+dragen, dan een man. De vrouw is enkel liefde, en heeft zij echtgenoot
+en kinderen behouden om zich heen, dan zal zij zich genoegzaam overal
+gelukkig gevoelen. De mannen denken in dat opzicht echter geheel
+anders. Ze kunnen, gelijk gij thans, niet verdragen, zoo geheel van de
+wereld te zijn uitgesloten, en toch zouden zij zich misschien
+gelukkiger gevoelen niet met haar in aanraking te zijn, indien zij het
+maar goed wilden inzien.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Onze eerzucht is het, die ons ongelukkig maakt,&rdquo;
+antwoordde de heer Wilson. &bdquo;Maar laat ons nu hiervan zwijgen. De
+zon is onder; wij zullen in huis gaan.&mdash;Kom, Willem!&rdquo;</p>
+<p>Na het avondeten werd Flink door Willem gedrongen, zijne
+geschiedenis te vervolgen, wat hij dan ook met de volgende woorden
+deed:</p>
+<p>&bdquo;Als ik &rsquo;t wel heb, ben ik gebleven, waar de Hottentot,
+die de veekudde bewaakte, de bavianen, die ons zoozeer beangst hadden,
+verjoeg. Wij verlieten nu dadelijk het hol en zetten ons aan den voet
+van de rots neder, waar de Hottentot ons niet kon zien. Hier hielden
+wij nu eene soort van krijgsraad. Romer was er voor, dat wij
+terugkeeren en ons weer gevangen-geven zouden. Hij zeide, dat het
+onzinnig, dwaasheid was, zoo het land door te zwerven, zonder zelfs een
+wapen te hebben, om ons tegen de wilde dieren te verdedigen. Spoedig,
+oordeelde hij, konden wij nog in veel grooter gevaar komen, dan die
+ontmoeting met de apen geweest was. En waarlijk, de jongen had gelijk.
+Het zou zeker het verstandigst geweest zijn, wat wij in ons geval
+hadden kunnen doen; maar Hastings dacht, dat men ons uitlachen zou, en
+de vrees voor bespotting maakte dus, dat wij eindelijk besloten onze
+vlucht te vervolgen.</p>
+<p>&bdquo;Onthoud wel, Willem, de vrees om uitgelachen te worden
+verleidt niet alleen jongens, maar zelfs volwassen mannen tot uiterst
+dwaze handelingen. Wij hadden verkeerd gedaan en wilden enkel uit vrees
+voor bespotting onze dwaling niet herstellen; ja, wij hadden zelfs
+besloten liever ons leven te <span class="pagenum">[<a id="pb149" href=
+"#pb149" name="pb149">149</a>]</span>wagen en ons alle gevaren te
+getroosten, dan te verdragen, dat men ons om onze dwaasheid, gelijk wij
+eigenlijk verdiend hadden, eens terdege uitlachte. Houd dit goed in uw
+geheugen, Willem, en laat u nooit door de vrees van belachelijk te
+worden verleiden tot iets, dat verkeerd is, of, hebt gij onrecht
+gedaan, u door die vrees afschrikken, om tot uw plicht te
+keeren.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik dank u voor den raad, vriend, en hoop dat Willem hem nooit
+vergeten zal,&rdquo; sprak mijnheer Wilson. &bdquo;&rsquo;t Gebeurt
+inderdaad meer, dat men door spot, dan door overreding tot een misstap
+verleid wordt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zoo is het mijnheer, en dit was dan ook de reden, waarom wij
+ons dolzinnig plan niet opgaven. Toen wij eens tot dit besluit gekomen
+waren, was het tweede punt van beraadslaging, hoe wij ons wapens zouden
+verschaffen, want zonder deze, begrepen wij wel, was er niets voor ons
+te hopen.</p>
+<p>&bdquo;Terwijl wij daarover nog redeneerden, keek ik eens van achter
+de rots uit, om te zien waar de Hottentot wel mocht wezen. Ik bemerkte,
+dat hij zich in zijn mantel van schaapsvellen gewikkeld en op den grond
+te slapen gelegd had. De hottentotten gaan altijd gewapend uit, en zoo
+hadden wij bij het verlaten van de grot ook wel gezien, dat hij toen
+een geweer in de hand hield. Ik zeide dus tegen Romer en Hastings, dat,
+als de man sliep, wij misschien zijn geweer wel ongemerkt in onze
+handen konden krijgen.<a id="xd21e3503" name="xd21e3503"></a></p>
+<p>&bdquo;Dat scheen een goede inval, en Hastings bood zich aan, om op
+handen en voeten naar hem toe te kruipen, terwijl wij achter de rots
+bleven. Uiterst voorzichtig sloop hij nader en vond den man, met het
+hoofd in den mantel, vast in slaap. Zoo had hij dus niets te vreezen,
+want de Hottentotten zijn vadzig en, eens in slaap, moeilijk wakker te
+krijgen, dat wisten we wel.&mdash;Hastings pakte eerst het geweer en
+bracht het in veiligheid; toen keerde hij terug, sneed den riem door,
+waaraan de Hottentot zijn kruithoorn en kogelzakje droeg, en kwam met
+alles weer bij ons, zonder dat de man een vinger verroerd had.</p>
+<p>&bdquo;We waren opgetogen van blijdschap over dezen buit en
+besloten, heel zachtjes, op eenigen afstand van den man voorbij te
+sluipen, zoodat hij, ook als hij eens wakker werd, ons niet in het oog
+kon krijgen. Wij keken daarop overal rond, of we misschien ook iemand
+anders ontdekten, en gingen toen recht op de Tafelbaai aan, totdat wij
+op eenmaal voor eene breede rivier stonden.</p>
+<p>&bdquo;Dat was een tweede gelukkige ontdekking, want we waren
+uitermate dorstig. Na gedronken te hebben, zooveel ons lustte,
+verborgen wij ons in de nabijheid van de rivier en hielden een maaltijd
+van den voorraad, dien wij hadden meegenomen.&rdquo; <span class=
+"pagenum">[<a id="pb150" href="#pb150" name="pb150">150</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Maar, Flink, deedt ge geen kwaad door den Hottentot zoo zijn
+geweer te ontstelen?&rdquo; vroeg Willem.</p>
+<p>&bdquo;Neen, Willem, in dat geval kon dat niet wel als diefstal
+beschouwd worden. We waren dus bijna evengoed in oorlog met het land,
+als op den tijd, toen men ons tot gevangenen maakte, en hadden ons
+geweer evenmin gestolen, als men van onze vijanden zeggen kon, dat zij
+ons schip gestolen hadden. Heb ik geen gelijk, mijnheer
+Wilson?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, dat komt mij wel zoo voor. Als twee nati&euml;n met
+elkander in oorlog zijn, wordt het wederzijdsch eigendom, als het in
+vijandelijke handen valt, steeds als buit beschouwd.<a class="noteref"
+id="xd21e3518src" href="#xd21e3518" name="xd21e3518src">1</a> In uwe
+omstandigheden hadt gij alle recht om u alles toe te eigenen, wat gij
+kondet, als het u dienstig kon wezen tot de vlucht. Echter geloof ik,
+dat gij zedelijk misdaan zoudt hebben, als gij moord of ook slechts
+moedwilligen roof gepleegd hadt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Juist zoo; maar we waren op onze vlucht in de
+noodzakelijkheid gekomen, om ons &oacute;f gevangen te geven &oacute;f
+hen, die ons grijpen wilden, te verslaan, en dan zou niemand ons
+beschuldigd hebben, als we onze tegenpartij verslagen
+hadden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Toen ge eens gevangen waart, hadt gij, dunkt mij, ook het
+recht, om tot herwinning van uwe vrijheid zelfs het uiterste te baat te
+nemen. Zoo althans is het algemeen gevoelen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, mijnheer; maar nu verder. Wij wachtten den avond af en
+vervolgden toen onzen marsch naar de Valsche baai met allen spoed. Wij
+wisten, dat in het dal, of eigenlijk langs de berghelling, enkele
+boerenhoeven verstrooid lagen; daar hoopten wij, met goedheid of met
+geweld, nog twee geweren te krijgen.</p>
+<p>&bdquo;Het was middernacht en de maan scheen helder, toen wij
+eindelijk het water van de Valsche Baai in de verte zagen blinken. Kort
+daarop hoorden wij het blaffen van een hond en ontdekten wij op niet
+verren afstand twee boerenhofsteden met hare veestallen en boomgaarden.
+Nu zagen wij naar eene plaats om, waar wij tot den morgen schuilen
+konden, en vonden eindelijk tusschen eenige rotsblokken een plekje
+juist zooals wij het wenschten.</p>
+<p>&bdquo;Wij kwamen overeen, dat een van ons waken zou, terwijl de
+twee andere sliepen. Hastings nam voor ditmaal dien post op zich. Met
+het lichten van den dag wekte hij ons, en toen gingen we dadelijk aan
+het ontbijt, Uit onzen schuilhoek hadden we een bijna even ruim
+gezicht, alsof we als vogels door <span class="pagenum">[<a id="pb151"
+href="#pb151" name="pb151">151</a>]</span>de lucht hadden gevlogen. De
+in de diepte liggende boerderijen, met al wat daar voorviel, konden we
+nauwkeurig opnemen.<a id="xd21e3534" name="xd21e3534"></a></p>
+<p>&bdquo;De eene hoeve, die vlak onder ons lag, scheen ons veel
+kleiner toe, dan de beide andere, die we in de verte ontdekten. Wij
+wachtten, totdat wij de menschen buiten zagen komen. Na een half uur
+vertoonden zich eenige Hottentotten, en wij zagen hoe zij hunne ossen
+voor den wagen spanden. Er werden twaalf paar voorgespannen, en toen
+klom de Hottentotsche voerman op den wagen en sloeg den weg in naar de
+Kaapstad. Een Hottentotsche jongen en de groote hond gingen met hem
+mede.</p>
+<p>&bdquo;Een poosje daarna dreef een andere Hottentot de koeien naar
+het dal, om te grazen; vervolgens kwam eene Hollandsche vrouw met twee
+kinderen buiten de deur en voederde het pluimgedierte.</p>
+<p>&bdquo;Wij wachtten nog een uur langer; toen vertoonde zich de
+huisbaas zelf met eene pijp in den mond en zette zich op de bank voor
+het huis neder. Toen zijn pijpje uit was, riep hij, waarop eene
+Hottentotsche meid hem tabak en vuur bracht. Anders zagen wij niemand
+in de nabijheid en daaruit maakten wij op, dat de boer, zijne vrouw en
+de Hottentotsche meid met die beide kinderen de gansche bevolking van
+de boerderij zijn moesten.</p>
+<p>&bdquo;Tegen twee uur &rsquo;s middags bracht de man zijn paard
+buiten en reed weg. Wij zagen, hoe hij bij het wegrijden met de
+Hottentotsche vrouw sprak, en kort daarop ging deze met eene mand op
+het hoofd naar den kant van het dal.</p>
+<p>&bdquo;Nu, zeide Hastings, was het tijd, om ons te roepen, want nu
+was er alleen nog maar eene vrouw in huis,&mdash;die wij gemakkelijk
+meester konden worden. Echter ging dit nog altijd met vrij wat gevaar
+vergezeld, want als zij gerucht maakte en wij vluchten moesten, konden
+wij licht gezien en weer opgevangen worden.</p>
+<p>&bdquo;Wij zagen echter wel, dat er geene andere mogelijkheid voor
+ons bestond, en dus besloten wij omzichtig naar de hoeve af te dalen en
+van de gelegenheid zoo goed mogelijk gebruik te maken. Wij kropen langs
+den heuvel neder en bereikten onbemerkt de heg achter de woning. Hier
+lagen wij ruim een kwartier op de loer, toen wij, tot onze groote
+blijdschap, ook de vrouw, met een kind aan iedere hand, uit het huis
+zagen komen. Ze ging zekerlijk aan een van hare buurvrouwen een bezoek
+brengen, want ze sloeg den weg naar de verder gelegene hoeve in.</p>
+<p>&bdquo;Zoodra zij eenige honderden passen ver was, kroop Hastings
+voorzichtig door de heg en sloop door de achterdeur in het woonhuis. Nu
+eenige oogenblikken vertoonde hij zich weer en wenkte ons, dat wij
+komen konden. <span class="pagenum">[<a id="pb152" href="#pb152" name=
+"pb152">152</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Wij vonden hem reeds in &rsquo;t bezit van eene buks en van
+een geweer, die voor den schoorsteen op een rek gelegen hadden. In een
+ommezien namen wij ook de kruithorens en patroonstasschen, die op
+verschillende plaatsen aan den wand hingen, af en hingen die zelven om.
+Toen we deze in ons bezit hadden, plaatste Hastings mij als schildwacht
+aan de voordeur, opdat men ons niet onverhoeds overvallen zou, terwijl
+hij zelf met Romer naar levensmiddelen omzag. Zij vonden drie hammen en
+een brood, wel bijna zoo groot als een waschtobbe.</p>
+<p>&bdquo;Hiermede ruim tevreden, besloten wij zonder lang te dralen,
+onzen schuilhoek weer op te zoeken. Wij tuurden naar alle kanten
+<span class="corr" id="xd21e3555" title="Bron: zond">rond</span>, maar
+ontdekten nergens een sterveling, zoodat wij aannemen konden, dat
+niemand ons gezien had.</p>
+<p>&bdquo;Omstreeks midden op den heuvel verhief zich een steile,
+naakte rotswand, dien wij, om in het dal te komen, noodzakelijk over
+moesten, als wij ons niet al te dicht bij het boerenhuis wilden wagen.
+Na kort beraad kwamen wij overeen, dat het misschien beter zou zijn hem
+nog bij dag te beklimmen, zoodat wij deze zwarigheid op eenmaal
+overwonnen hadden en ook verder van de hoeve verwijderd waren. Wij
+volvoerden terstond ons besluit, vonden eene zeer veilige schuilplaats,
+waar wij ons nederlegden, om na zonsondergang onze reis naar de
+binnenlanden voort te zetten.</p>
+<p>&bdquo;We hadden nog geen uur daar gelegen, toen we op den heuvel,
+dien wij verlaten hadden, het geschreeuw van onze goede vrienden de
+bavianen hoorden. Wij zagen, hoe zij op de boerderij aantrokken, in de
+vruchtboomen klauterden en elkaar met verwonderlijke vlugheid de
+vruchten toewierpen. De listige dieren hadden evengoed als wij
+afgeloerd, dat de kust vrij was, en wilden eene zoo goede gelegenheid
+niet ongebruikt laten.</p>
+<p>&bdquo;Zij waren nog druk aan het werk, toen de Hottentot met de
+koeien in de verte aankwam. Zoodra hij het huis naderde, hieven zij
+allen een schellen kreet aan en maakten zich hals over kop uit de
+voeten. Na den herder zagen wij de boerin terugkomen; zij bleef slechts
+korten tijd in huis en kwam toen op eens met alle teekenen van schrik
+en ontsteltenis buiten de deur. Omtrent &eacute;&eacute;n uur
+v&oacute;&oacute;r zonsondergang kwam de Hollandsche boer van zijn rit
+terug en na weinige minuten begrepen wij uit het luid gejammer en
+misbaar in huis, dat hij zijne vrouw sloeg; want, ziet gij, mijnheer
+(althans zoo stelden wij ons de zaak voor), doordat zij van huis was
+gegaan, hadden de apen &rsquo;t gewaagd, den boomgaard te plunderen en
+ongetwijfeld dacht men, dat die viervoetige roovers ook de andere
+dingen, die in huis vermist werden, hadden meegepakt, daar het wel
+bekend is, dat zij alles nemen, wat zij krijgen kunnen. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb153" href="#pb153" name="pb153">153</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Zoo waren de bavianen, die de arme vrouw zoo in pijn
+brachten, voor ons van groot nut, daar zij maakten, dat niemand iets
+van ons huisbezoek vermoedde en dus alle gevaar van vervolging van ons
+afweerden. Hoogst tevreden met den dienst, dien zij ons dezen avond
+deden, vergaven wij hun dan ook gaarne den angst, welken zij ons des
+morgens aangejaagd hadden.</p>
+<p>&bdquo;Maar nu, beste Willem, wil ik voor ditmaal afbreken, daar ik
+zie, dat het onder mijn praten tamelijk laat is geworden. Het vervolg
+dus op een anderen avond.&rdquo;</p>
+</div>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd21e3518" href="#xd21e3518src" name="xd21e3518">1</a></span> Het
+nieuwe oorlogsrecht heeft dezen algemeenen regel wel eenigszins
+gewijzigd.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch37" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">ZEVEN-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">KROKODILLEN, HAAIEN, HYENA&rsquo;S.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Wij verlieten onze vrienden op den avond van den dag,
+toen zij hun stapel brandhout tegen het volgende regenseizoen tot stand
+gebracht en zich het spoedig aanleggen van een vischvijver en van eene
+zoutpan voorgenomen hadden. Met den eersten werd ook reeds dadelijk den
+volgenden morgen een begin gemaakt. Flink, mijnheer Wilson en zijn zoon
+gingen gezamenlijk naar het strand en kozen, na lang zoeken, ongeveer
+honderd schreden van den schildpadvijver, eene plaats, die hun tot dit
+doel het meest geschikt voorkwam. Het water was daar vrij ondiep,
+zoodat op het punt, dat het verst van den oever verwijderd was, de
+diepte niet meer dan drie voet bedroeg.</p>
+<p>&bdquo;Wij hebben hier dus een heel gemakkelijk werk,
+mijnheer,&rdquo; begon Flink<span class="corr" id="xd21e3579" title=
+"Bron: ,">.</span> &bdquo;Al wat we te doen hebben is, dat we steenen
+en kleine rotsblokken verzamelen en die zoo op elkaar stapelen, dat ze
+binnenwaarts als een muur staan, maar naar buiten schuins afloopen, om
+de kracht van de zee te breken, als die onstuimig is. Het water zal
+natuurlijk altijd tusschen de steenen heenspoelen en zoo gedurig
+ververscht worden. &rsquo;t Is waar, we kunnen meestal wel visch
+vangen, als we die noodig hebben, maar we hebben niet altoos tijd
+daartoe te missen, en zoo is het dus beter een vasten voorraad te
+hebben, waarover we ieder oogenblik beschikken kunnen. Ze vangen en
+hier in den vijver overplanten, kunnen we zoo dikwijls als er niets
+anders te doen valt. Dan kan Juno naderhand altijd maar heengaan en er
+met een spies een uitprikken, als wij niet thuis zijn en zij iets voor
+de keuken noodig heeft. Het is altijd goed, dat men een voorraad
+mondkost tot zijne beschikking klaar heeft.&rdquo; <span class=
+"pagenum">[<a id="pb154" href="#pb154" name="pb154">154</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Maar, Flink, hier in het rond zie ik slechts weinig steenen;
+hoe maken wij het, om die van zoo ver te halen?&rdquo; vroeg
+Willem.</p>
+<p>&bdquo;Daartoe zullen wij onze handkar nemen; daar kan een goede
+voorraad in &eacute;&eacute;ne vracht op.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar hoe ze daarop te houden, Flink?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wij binden eene ton aan de as vast. Ik zal dat dadelijk in
+orde brengen, en kom er dan mee hier. In dien tusschentijd kunt gij met
+uw vader al de steenen oprapen, die hier voor de hand
+liggen.&rdquo;</p>
+<p>De oude man kwam weldra met de kar terug, waaraan hij een vat
+werkelijk zeer handig had vastgemaakt; en met behulp van dit voertuig
+zagen zij nu, dat het bijeenbrengen van steenen hun slechts weinig
+moeite behoefde te kosten. Vader en zoon voerden de bouwstoffen aan, en
+Flink stond in het water, om den muur op te trekken.</p>
+<p>&bdquo;Wij hebben tot hiertoe een ander werk geheel vergeten, wat we
+toch niet verzuimen moesten, mijnheer,&rdquo; zeide Flink, &bdquo;en de
+vischvijver herinnert mij daaraan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En dat is, Flink?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Eene badplaats voor de kinderen, of eigenlijk voor ons allen,
+groot en klein. Als de heete dagen aankomen, zullen wij daar behoefte
+aan hebben, maar tegen dien tijd kunnen we er ook gemakkelijk mee
+klaarkomen. Hier<span class="corr" id="xd21e3600" title=
+"Bron: .">,</span> waar het zoo ondiep is, loop ik geen gevaar en kan
+ik gerust aan mijn muur voortbouwen; maar als het water mij tot over de
+knie&euml;n kwaam, zou ik mij wel zorgvuldig in acht nemen; want gij
+hebt er geen denkbeeld van, mijnheer, hoe stout en roofzuchtig de
+haaien onder deze breedte zijn. Toen ik de laatste maal op St. Helena
+was, hadden we daar nog een treurig bewijs van.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Vertel het ons toch eens, Flink,&rdquo; riep Willem.</p>
+<p>&bdquo;Ja zie, ik had zelf niet gedacht, dat het mogelijk was. Ik
+weet een geval van dien aard, toen ik in Oost-Indi&euml; was, doch dat
+was niet met een haai, maar met een kaaiman. Een Hollander stond op
+zekeren dag aan het strand en vischte in de haven. Daar komt een
+kaaiman of krokodil regelrecht op hem toezwemmen, totdat hij met zijn
+snuit nog maar een paar voet van den visscher af is. De Hollander
+stoort zich daar echter niet aan, want daar hij op den vasten wal
+staat, vreest hij geen gevaar van het monster. Dit keert zich op eens
+om, slaat met zijn staart den armen man van den oever weg, zoodat hij
+in zee tuimelt, en daar pakt het den ongelukkige aan en duikt met hem
+onder.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Vreeselijk! Maar een haai kan toch zoo iets niet doen: kan
+hij wel, Flink?&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb155" href=
+"#pb155" name="pb155">155</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Dat zult gij hooren, mijnheer. Er stonden twee soldaten op
+Sint Helena op een rots vlak aan zee. De rots was nog wel boven het
+water, doch daar de vloed opkwam, sloeg de branding er toch reeds nu en
+dan overheen. Daar kwamen twee haaien op hen toezwemmen, juist als die
+kaaiman, waarvan ik u verteld heb; de een werpt zich plotseling om en
+slingert met een slag van zijn staart een van de soldaten in het water,
+dat zeer diep was. De kameraad van den ongelukkige kwam doodelijk
+ontsteld naar de kazerne loopen, om het gebeurde te vertellen. Omtrent
+eene week later ontdekte men van een schoener in de Zandbaai aan de
+andere zij van het eiland een geweldig zwaren haai bij het roer van het
+schip. Al spoedig werd er een haak uitgeworpen met een dik stuk spek
+daaraan vast, en de knaap raakte gevangen. De matrozen sneden hem de
+buik open en vonden met ontzetting het gansche lichaam van den
+verongelukten soldaat van het hoofd tot aan de knie&euml;n in zijne
+maag. Het gedrocht had hem ingeslokt, met uitzondering van de beenen,
+die &rsquo;t bij &rsquo;t sluiten van zijne geweldige kinnebakken had
+afgebeten. Ik zag de maag en de ruggegraat van het beest in de kazerne,
+en &rsquo;t was zekerlijk het grootste monster van die soort, dat ik
+mijn leven lang nog ergens gezien had.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik had niet gedacht, dat die dieren zoo stoutmoedig
+waren.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat ik u vertelde, mijnheer, is de zuivere waarheid, waarvoor
+ik kan instaan; en daarom kunnen we niet te voorzichtig wezen, als wij
+in het water gaan. Gij hebt immers zelf gezien, hoe schielijk die haai
+het arme varken binnen had.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En ik mocht toch wel eens weten, hoe het met onze varkens
+staat, Flink,&rdquo; sprak Willem haastig.</p>
+<p>&bdquo;Naar ik gis, zullen ze thans wel biggen hebben; aan voedsel
+ontbreekt het hun zeker niet<span class="corr" id="xd21e3620" title=
+"Bron: ,">.</span>&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Kunnen ze dan kokosnoten vreten?&rdquo;</p>
+<p><span class="corr" id="xd21e3626" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>De oude zeker niet; maar er vallen immers
+dagelijks jonge kleine noten van de boomen en daar zijn ze zeer graag
+op. Ook vinden ze wortels in overvloed. Als we nog eenigen tijd hier
+zijn, kunnen we een goede jacht op hen maken. Dan dienen we evenwel op
+onze hoede te zijn, Willem; want toen we de varkens aan wal brachten,
+waren ze wel mak, doch in zeer korten tijd worden ze wild en
+gevaarlijk. Een wild zwijn is altijd een vreeselijk dier.&rdquo;</p>
+<p><span class="corr" id="xd21e3631" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>Dat geloof ik wel,&rdquo; sprak de vader.
+&bdquo;Maar hoe zullen wij jacht op hen maken?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wel, met de honden mijnheer, die hen opjagen, zoodat wij hen
+onder <span class="pagenum">[<a id="pb156" href="#pb156" name=
+"pb156">156</a>]</span>het schot krijgen. Ik ben blij, dat onze Vixen
+eerlang kleintjes te wachten heeft; we zullen meer honden kunnen
+gebruiken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik ben maar bang, dat we zoodoende meer honden krijgen, dan
+we behoorlijk voeden kunnen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wees daar niet bezorgd voor, mijnheer, zoolang wij de zee
+hebben, om ons visch te leveren. Honden houden veel van visch, zelfs
+als die rauw is. In de noordelijke landen krijgen ze zelden iets
+anders.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;We zullen ook spoedig jonge lammeren krijgen,&mdash;is
+&rsquo;t niet zoo, Flink?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, mij dunkt, dat houdt niet lang meer aan. Ik wenschte, dat
+wij meer voeder voor die dieren hadden: tegenwoordig vooral is het nog
+een schrale tijd voor hen. Aanstaande jaar, als wij meer voeder vinden,
+moeten wij het gras inzamelen, om hooi te hebben tegen den winter, of
+liever tegen den regentijd, want een winter kennen wij hier niet. Ik
+ben vast overtuigd, dat wij aan den zuidkant van ons eiland meer vlak
+land zullen vinden, daar het kokosbosch zich daar zeker niet, zooals
+hier in het noorden, tot aan zee uitstrekt.<span class="corr" id=
+"xd21e3646" title="Niet in bron">&rdquo;</span></p>
+<p>&bdquo;Ik brand van verlangen, om eindelijk eens een
+ontdekkingsreisje te doen,&rdquo; zeide Willem.</p>
+<p>&bdquo;Nog een weinig geduld, vriendje,&rdquo; hernam de oude
+man<span class="corr" id="xd21e3653" title="Bron: :">,</span> &bdquo;en
+dan weet ik nog niet zeker, of gij wel meegaat; want wij mogen toch
+niet alle drie tegelijk gaan en uwe moeder alleen laten.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen,&rdquo; zeide mijnheer Wilson, &bdquo;dat zou zeker niet
+goed zijn. Een van ons moet thuis blijven, gij of ik<span class="corr"
+id="xd21e3658" title="Bron: ,">.</span>&rdquo;</p>
+<p>Willem gaf geen antwoord; maar men kon duidelijk bemerken, dat de
+gedachte, dat hij misschien niet van de partij zou zijn, hem weinig
+behaagde.</p>
+<p>Zij arbeidden den ganschen dag ijverig door, en de steenen omwalling
+van den vijver rees spoedig boven het water op. Met zonsondergang
+staakten zij het werk en keerden naar huis terug.</p>
+<p>Na het avondeten vatte Flink den draad van zijn verhaal weder op en
+vervolgde:</p>
+<p>&bdquo;Wij hielden ons schuil, totdat het donker was, toen wij
+opbraken en onze reis voortzetten. Hastings en Romer droegen ieder een
+geweer op den schouder en een ham op den rug. Ik, als de kleinste, had
+de buks en het groote brood te dragen. Door dit laatste had ik daarvoor
+een gat geboord en er een touw doorgehaald, zoodat ik het met gemak op
+den rug dragen kon.</p>
+<p>&bdquo;Ons plan was, ons naar het noorden te wenden, daar we wisten
+dat we ons in die richting van de kolonie verwijderden, doch Hastings
+had beslist, dat we eerst oostwaarts marcheeren en een omweg maken
+zouden, om onzen <span class="pagenum">[<a id="pb157" href="#pb157"
+name="pb157">157</a>]</span>vervolgers niet misschien in den mond te
+loopen. Wij kwamen door de diepe zandvlakte van den baai. Toen deze
+allengs begon te rijzen, vertoonde zich meer struikgewas en
+kreupelhout; doch nergens ontdekten wij een spoor van aanbouw, en
+sedert wij de baai achter ons hadden, kwamen wij ook geen enkel huis of
+hof meer voorbij. Tegen twaalf uur in den nacht waren wij zeer vermoeid
+en snakten naar een dronk water, maar konden nergens iets ontdekken,
+hoewel de heldere maneschijn het bijna zoo licht voor ons maakte als
+midden op den dag. Daarentegen hoorden we zeer duidelijk, en dat beviel
+ons in &rsquo;t geheel niet, het aanhoudend loeien en brullen der wilde
+dieren, dat toenam hoe verder we kwamen. Evenwel kregen we geen beest
+te zien, en dat was nog een troost voor ons.</p>
+<p>&bdquo;Ten laatste waren wij zoo afgemat, dat we ons allen op eene
+rots nederzetten. Ons te slapen leggen, durfden wij niet. Zoo bleven
+wij wakker tot aan den morgen en luisterden naar het gehuil en geloei.
+Ook sprak niemand van ons een enkel woord, en ik ben verzekerd, dat
+Hastings en Romer innerlijk hetzelfde dachten als ik en wel gaarne
+gewenscht hadden, dat wij allen weer veilig en wel tusschen de muren
+onzer gevangenis zaten.</p>
+<p>&bdquo;Eindelijk brak echter toch de dag aan; de wilde dieren werden
+nu stil. Wij gingen voort, totdat we aan een stroom kwamen, waar we
+nederzaten en iets tot ontbijt namen. Eerst toen dit gedaan was, keerde
+ook onze moed terug. Wij braken op en lachten en praatten onderweg,
+zooals wij vroeger ook gedaan hadden.</p>
+<p>&bdquo;We begonnen nu de bergen te beklimmen, die naar het zeggen
+van Hastings, de Zwarte Bergen zijn moesten, waarvan de soldaten ons
+zooveel verteld hadden. Ze mochten wezen en heeten hoe ze wilden, maar
+ze waren heel dor, bar en akelig. Toen de nacht viel, gingen wij aan
+het hout sprokkelen en sneden met onze messen takken af, om een vuur
+aan te leggen, dat we noodig hadden, niet alleen om ons te verwarmen,
+maar ook om de wilde dieren af te weren, wier gehuil zich alweer overal
+hooren liet.</p>
+<p>&bdquo;In den loop van den dag hadden wij er reeds twee of drie
+gezien, die zich op de vlakke rots in de zon lagen te koesteren. Een
+was een panter geweest. We hadden onze geweren geladen, doch onder het
+voorbijgaan liet hij ons slechts zijn witte tanden zien, maar bewoog
+zich niet. De andere waren te ver van ons af, dan dat wij hen duidelijk
+hadden kunnen onderscheiden.</p>
+<p>&bdquo;Zoo staken we dan ons vuur aan en gebruikten ons avondmaal.
+Van het brood was nog maar de helft over. Ook de ham was al duchtig
+aangesproken, zoodat wij wel begrepen, dat wij spoedig alleen op onze
+geweren <span class="pagenum">[<a id="pb158" href="#pb158" name=
+"pb158">158</a>]</span>zouden te rekenen hebben, om ons voedsel te
+verschaffen. Zoodra wij verzadigd waren, legden wij ons dicht bij het
+vuur neer. Onze geweren hadden wij geladen bij ons; onze kruitvoorraad
+lag zoo ver van het vuur, dat daarvan geen ongeluk te vreezen was. Bij
+onze vermoeidheid lagen wij weldra alle drie vast in slaap. De afspraak
+was wel, dat eerst Romer, dan Hastings en eindelijk ik de wacht zou
+houden, maar Romer sliep vast in en het gevolg daarvan was, dat ons
+vuur niet onderhouden werd.</p>
+<p>&bdquo;Het was omtrent middernacht; toen ik door iets dat mij heet
+in het gezicht ademde, gewekt werd; en ik had pas mijne zinnen bij
+elkaar en de oogen geopend, of ik voelde, dat ik bij mijn broeksband
+werd opgetild en de tanden van een dier in mijn vleesch drongen. Ik
+zocht mijne buks te grijpen, maar stak de verkeerde hand uit en kreeg
+zoo een nog brandend stuk hout te vatten, waarmee ik mijn vijand naar
+de oogen stiet. Hij liet mij oogenblikkelijk los en liep
+heen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Aan welk een groot gevaar zijt gij daar ontkomen!&rdquo; riep
+mevrouw Wilson uit.</p>
+<p>&bdquo;Ja, waarlijk, mevrouw; want het beest was een hyena. Gelukkig
+is dat woeste dier eigenlijk van een lafhartigen aard; maar had ik dat
+brandende hout niet gepakt, dan had het gedrocht mij zeker weggedragen,
+want ik was destijds bijzonder klein en teer en het tilde mij van den
+grond op, alsof ik maar een veer geweest was.</p>
+<p>&bdquo;De gil, dien ik gaf deed Hastings ontwaken, die zijn geweer
+greep en op goed geluk vuur gaf. Ik was doodelijk ontsteld, zooals ge u
+wel kunt voorstellen. Wat Romer aangaat, die werd eerst wakker, toen we
+hem duchtig schudden, zoo vast was hij in de rust. Deze ontmoeting
+maakte ons natuurlijk voorzichtiger en in het vervolg legden wij altijd
+twee vuren aan, waartusschen wij sliepen en een van ons moest bestendig
+wacht houden.</p>
+<p>&bdquo;Zoo ging het eene volle week voort. Zoodra wij eindelijk het
+gebergte beklommen hadden, richten wij ons naar het noorden. Wij hadden
+thans kreupelbosch en rotsen achter ons en zagen eene wijde vlakte voor
+ons. Onze voorraad was geheel op; &eacute;&eacute;n dag moesten wij
+zelfs van den ochtend tot den avond geheel vasten. Wij doodden echter
+spoedig eene antilope, die men daar te lande een springbok noemt, en
+dit gaf ons voedsel voor vier of vijf dagen. Over het geheel ontbrak
+het volstrekt niet aan wild, zoodra wij maar in de vlakte waren.</p>
+<p>&bdquo;Maar wacht, daar vergat ik u te vertellen, hoe wij nog eens
+aan een dreigend gevaar ontkwamen. Nog voordat wij het vlakke veld
+bereikten, hadden wij een groot bosch door te trekken, dat zich langs
+het gebergte uitstrekte. <span class="pagenum">[<a id="pb159" href=
+"#pb159" name="pb159">159</a>]</span>We hadden tot aan den middag
+geloopen en waren moe en af. Wij besloten ons middagmaal te gebruiken
+onder een grooten boom en wierpen ons daar in de schaduw op den grond
+neer. Hastings lag op zijn rug en keek in den boom op.&mdash;Daar
+ontdekte hij op eens, boven zijn hoofd op een lagen tak, een panter,
+die zich daar op zijn gemak had neergevleid. Met zijn groene,
+flonkerende oogen keek hij ons aan en scheen gereed om op ons neer te
+springen.</p>
+<p>&bdquo;Hastings greep naar zijn geweer en drukte oogenblikkelijk op
+het dier los; want tot lang mikken was geen tijd meer over. De kogel
+drong den panter door het lijf en trof, naar het scheen ook zijne
+ruggegraat. Hij plofte met luid gebrul op den grond neer, op een
+afstand van niet meer dan drie of vier voet van ons af. Op de aan die
+dieren eigene wijze kromde hij zich nu, om op Romer los te
+springen,&mdash;maar hij kon niet meer: zijne ruggegraat was
+verbrijzeld en hij had alle kracht in het achterlijf verloren. Hij
+wilde zich oprichten, maar zonk dadelijk weer achterover neer. Nooit in
+mijn leven heb ik zooveel razernij en woede in een schepsel gezien. Wij
+waren in den beginne te hevig verschrikt, om aan vuren te denken; doch
+toen wij zagen, dat het beest niet springen kon, rukte Hastings den
+sidderenden Romer zijn geweer uit de hand en schoot den panter dwars
+door den kop.</p>
+<p>&bdquo;Wij waren nu genoodzaakt om tot onderhoud van ons leven op de
+jacht te gaan en werden daardoor van dag tot dag stouter. Onze kleeren
+waren alle in flarden gereten; maar we hadden overvloed van kruit en
+lood, en op de vlakte liepen antilopen en hertebokken bij honderden
+rond, soms in zulke troepen, dat wij ze onmogelijk tellen konden.</p>
+<p>&bdquo;Aan levensmiddelen ontbrak het ons dus volstrekt niet; maar
+daarvoor bracht deze overvloed van wild ons in een nog veel grooter
+gevaar, want nu voor de eerste maal hoorden wij iederen nacht het
+gebrul der leeuwen. Van alle geluiden, die ik ooit hoorde, is dit naar
+&rsquo;t mij voorkomt wel het allerschrikkelijkste. Wij legden groote
+vuren aan, om hen van ons verwijderd te houden, maar toch kan ik u
+verzekeren, dat we dikwijls nog rilden en beefden, als ze in onze
+nabijheid kwamen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hebt gij ooit van die dieren bij dag ontmoet, Flink?&rdquo;
+vroeg Willem.</p>
+<p>&bdquo;O ja, wij zagen er dikwijls een, doch ze vielen ons toch
+nooit aan en wijzelven waren te bang voor hen, om op hen te vuren. Eens
+kregen wij van heel nabij met zulk een leeuw te doen. Wij hadden een
+hert geschoten en met onze geweren over den schouder drongen wij door
+het hooge gras naar de plaats, waar het liggen moest. Toen wij de plek
+naderden, hoorden wij een gebrul en zagen ons opeens <span class="corr"
+id="xd21e3711" title="Bron: nauwelijk">nauwelijks</span> tien passen
+van een leeuw <span class="pagenum">[<a id="pb160" href="#pb160" name=
+"pb160">160</a>]</span>verwijderd, die bij het dier, dat wij gedood
+hadden, op den grond lag. Zijne oogen schoten vuur op ons en hij had
+zich reeds half opgericht, om op ons los te springen. Wij gingen allen
+op den loop, zoo hard als wij konden. Ik had geen moed om naar hem te
+zien, totdat ik geheel buiten adem was geloopen. De leeuw was tevreden
+met onze overhaaste vlucht en nam de moeite niet om ons te vervolgen.
+We moesten dien nacht ons met een hongerige maag te slapen leggen.</p>
+<p>&bdquo;We hadden nu zoo al drie weken omgezworven, zonder eigenlijk
+te weten waar of waarheen. Slechts zooveel konden we nagaan, dat we
+eene noordelijke richting gehouden hadden. Wij waren vreeselijk
+vermoeid en uitgeput en kwamen allen overeen, dat wij eene zeer dwaze
+daad begaan hadden en heel blij zouden zijn, als wij den terugweg
+konden wedervinden. Wij trokken den ganschen dag samen voort, zonder
+elkander een woord toe te spreken, dan bij gelegenheid als zich eenig
+wild vertoonde. Ik voor mij was zoo bedrukt en moedeloos, dat ik mij
+maar liefst op den grond neergelegd zou hebben om dadelijk te sterven.
+Het brullen van de leeuwen was mij volstrekt onverschillig geworden en
+ik verlangde soms bijna zelfs, dat een mij oppakte en mij maar
+schielijk verslond.</p>
+<p>&bdquo;Daar ontmoetten wij onverwacht een troep inboorlingen. Wij
+konden niet met elkander spreken, maar zij schenen zeer goedig en
+vriendschappelijk jegens ons gezind. Zij behoorden tot de stam der
+Karroos, want zij wezen op zichzelven en spraken het woord:
+&bdquo;Karroos,&rdquo; en dan wezen zij op ons en zeiden:
+&bdquo;Hollanders!&rdquo; Wij schoten eenig wild en gaven hun dat,
+waarmede zij zoo waren ingenomen, dat zij vijf of zes dagen bij ons
+bleven.</p>
+<p>&bdquo;Wij zochten door teekens van hen te vernemen, of zich ook een
+Hollandsche post of Hoeve in de nabijheid bevond. Zij begrepen ons en
+gaven ons een toestemmend antwoord, terwijl zij de plaats, als
+noordoostelijk gelegen, met den vinger aanwezen. Wij boden hun een
+geschenk aan, als zij ons den weg wilden wijzen; want wij hadden
+besloten ons weder aan de Hollanders over te geven en in onze
+gevangenis terug te keeren.</p>
+<p>&bdquo;Twee van de mannen toonden zich bereid om met ons mede te
+gaan. De overigen van de stam trokken met vrouwen en kinderen naar het
+zuiden. Den volgenden dag kwamen wij aan een Hollandschen post, die
+Graaf Reinet heette en uit drie of vier hoeven bestond. Wat ons verder
+overkwam, hoort gij op een anderen avond, Willem; want het is nu al
+laat en hoog tijd om te gaan slapen.&rdquo; <span class=
+"pagenum">[<a id="pb161" href="#pb161" name="pb161">161</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch38" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">ACHT-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">WILLEM WORDT ZIEK.&mdash;DE ADERLATING.&mdash;FLINKS
+VERDERE ONTMOETINGEN.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Het aanleggen van den vischvijver ging vlug voort en
+op den derden dag was het werk bijna gereed. Zoodra de vier wanden
+stonden schepte Flink zand en gruis uit, zoodat de vijver overal
+nagenoeg even diep was en de visschen dus zooveel water hadden, dat de
+meeuwen en fregatvogels niet neerschieten en hen als prooi meevoeren
+konden.</p>
+<p>Terwijl Flink aldus bezig was, brachten vader en zoon nog meer
+steenen bijeen, opdat de vijver in vier deelen kon worden afgescheiden,
+waarvan het een echter met het ander in verbinding stond. De binnen-
+zoowel als de buitenmuren of wallen werden echter breed genoeg gemaakt,
+dat men daarop loopen kon, en daardoor werd het mogelijk, de visschen,
+wanneer men ze noodig had, alle met den haak te bereiken.</p>
+<p>Den dag, nadat de vijver voltooid was, sloeg het weer andermaal om;
+doch de stormvlagen waren thans op verre na zoo hevig niet als bij het
+begin van den regentijd. De regen viel wel in stroomen neer, maar was
+niet meer van zulke vreeselijke bliksem- en donderslagen vergezeld. Ook
+duurden de stormvlagen niet meer zoo lang, maar hadden doorgaans reeds
+na weinige uren uitgewoed. Zoo dikwijls de lucht eens weer opklaarde,
+ging men aan het visschen en had in korten tijd zulk eene menigte
+bijeen, dat de vijver daarvan zeer rijkelijk voorzien was.</p>
+<p>Daar had opeens iets plaats, dat alle leden onzer kleine kolonie in
+eene hooge mate verontrustte. Op zekeren avond namelijk voelde Willem
+zich ongesteld, werd koud en huiverig en klaagde vooral over zware
+hoofdpijn. Flink had beloofd op dien avond met zijne geschiedenis voort
+te gaan, maar Willem was te ziek om op te blijven. Hij werd te bed
+gebracht en lag den volgenden morgen in eene hevige koorts.</p>
+<p>Zijn vader maakte zich zeer ongerust, want het liet zich van uur tot
+uur zorglijker aanzien. Flink had dien nacht bij den zieke gewaakt,
+doch ging thans met den beangsten vader naar buiten, om met dezen over
+den toestand van zijn zoon te spreken.</p>
+<p>&bdquo;Dat is een erg geval, mijnheer,&rdquo; begon de brave oude
+man. &bdquo;De arme jongen heeft gisteren onder het werk zijn hoed
+afgezet en, naar ik vrees, daardoor een zonnesteek gekregen. Het is
+maar ongelukkig, dat wij niet iemand hebben, die hem eens laten
+kan.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb162" href="#pb162" name=
+"pb162">162</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Ik heb een lancet,&rdquo; antwoordde mijnheer Wilson:
+&bdquo;maar ik heb van mijn leven nog geene aderlating
+gedaan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik evenmin, mijnheer; maar als gij een lancet hebt, houd ik
+het voor onzen plicht het te wagen. Als gijzelf u daartoe niet geschikt
+gevoelt, wil ik althans mijn best doen. Het is immers eene zeer
+eenvoudige operatie.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, Flink, een van beiden moet er toe overgaan, dat zie ik
+wel in.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Misschien is mijn hand in dat geval vaster dan de uwe,&rdquo;
+hernam de zeeman. &bdquo;Ik vrees niets zoozeer, dan dat de koorts naar
+het hoofd overslaat.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, Flink, ik moet erkennen, het is mij liever als gij de
+proef nemen wilt,&rdquo; antwoordde de vader. &bdquo;Mijne hand zou
+allesbehalve vast zijn; ik beef immers nu reeds voor mijn dierbaar
+kind!&rdquo;</p>
+<p>Beiden keerden naar het bed van den zieke terug. Mijnheer Wilson
+zocht zijn lancet, en Flink bond Willem onderwijl den arm. Zoodra de
+ader gezwollen was, hield hij die met zijn duim vast, en dadelijk
+gelukte de eerste proef hem volkomen.</p>
+<p>Op Flinks raad werd den lijder eene aanmerkelijke hoeveelheid bloed
+afgetapt, en deze scheen zich daardoor zeer verlicht te gevoelen.</p>
+<p>Zijn arm werd nu zorgvuldig verbonden, hij dronk nog wat water,
+waarnaar hij verlangd had, en legde zich toen op zijn kussen neder.</p>
+<p>Den volgenden dag was de koorts bijna nog heviger dan te voren.
+Willem werd andermaal gelaten, en zijne beangste moeder waakte aan zijn
+bed en smolt weg in tranen. De arme jongen verkeerde eenige dagen in
+groot gevaar. In het anders zoo vroolijke en levendige huis was alles
+nu even stil en somber.</p>
+<p>Het weder werd intusschen van dag tot dag zachter en fraaier, en het
+was bijna onmogelijk den wilden Thomas bedaard in huis te houden. Juno
+ging elken morgen met hem en den kleinen Albert eene wandeling doen en
+hield hem onder haar werk bij zich. Gelukkig had <span class="corr" id=
+"xd21e3765" title="Bron: Vixem">Vixen</span> jongen geworpen, en als de
+goede meid de kleinen niet meer zoet kon houden, bracht zij hun twee
+van de kleine hondjes, om daarmee te spelen. De zachte, stille Caroline
+zat heele dagen in de kamer en hield de hand harer lieve moeder in de
+hare, of paste Willem op en zat met haar naaiwerk voor zijn bed.</p>
+<p>Flink kon onmogelijk langer ledig blijven; hij nam dus hamer en
+beitel en werkte zoo dikwijls aan de zoutpan, als men zijne diensten in
+huis niet noodig had. Terwijl hij daar zoo op de rotsen bikte, waren
+zijne gedachten gedurig met Willem bezig, dien hij om zijn
+vriendelijken aard en helder verstand liefhad, alsof hij zijn eigen
+kind was.</p>
+<p>Op den negenden dag had eene merkbare verandering ten goede plaats
+en was de koorts veel minder hevig. Na korten tijd had deze geheel
+opgehouden; <span class="pagenum">[<a id="pb163" href="#pb163" name=
+"pb163">163</a>]</span>maar de zieke was zoo zwak, dat hij zich de
+eerste twee of drie dagen nog niet zonder hulp in zijn bed oprichten
+kon. Eerst veertien dagen, nadat de koorts verdwenen was, was hij weder
+in staat, om het huis te verlaten.</p>
+<p>De vreugde, die bij deze verandering in het gezin heerschte, kan men
+zich beter voorstellen dan beschrijven.</p>
+<p>Daar men gedurende de herstelling van den zieke toch niet wel iets
+van belang ondernemen kon, besloten mijnheer Wilson en Flink, die thans
+weder met opgeruimde harten aan den arbeid gingen, daar de zoutpan
+gereed was, nu ook eene badplaats aan te leggen. Juno was hun daarbij
+behulpzaam en wist zich inderdaad zeer nuttig te maken, daar zij vol
+ijver met de kar de benoodigde steenen en rotsblokken aanvoerde. Ook
+Thomas werd mede naar het werk genomen, opdat men in huis geen last van
+hem zou hebben, terwijl de moeder en Caroline den zieke oppasten.</p>
+<p>Toen Willem eindelijk kon uitgaan, was ook de badplaats in orde,
+zoodat men thans niet meer van de haaien te vreezen had, Willem kwam
+met zijne moeder aan het strand en verheugde zich zeer over het
+volbrachte werk.</p>
+<p>&bdquo;Nu, Flink,&rdquo; zeide hij tot dezen, &bdquo;nu hebben wij
+hier om het huis alles in orde gebracht. Wat ons nu nog te doen staat,
+is een tochtje op het eiland en naar onzen voorraad bij de
+landingsplaats te gaan zien.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Gij hebt gelijk, Willem; het weder is zoo mooi geweest, dat
+wij het over weinige dagen wel wagen kunnen; doch in geen geval,
+voordat gij wat sterker zijt, want ge moogt niet bij uwe moeder alleen
+achterblijven, zoolang gij niet volmaakt wel zijt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat, Flink, bij moeder blijven! Ik dacht, dat ik mee zou
+gaan?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, beste Willem, dat kan nu niet gebeuren. Stel u eens
+voor, wij werden door een storm overvallen: gij werd doornat en moest
+in uwe natte kleeren slapen,&mdash;hoe licht kon de koorts dan
+terugkomen, en dan waart gij ver van huis verwijderd. Gij moet nog
+langen tijd heel voorzichtig zijn, mijn goede jongen. Kom, ga daar op
+die rots zitten, dan kunt ge de frissche zeelucht inademen, en die zal
+u goeddoen: maar ge moogt niet te lang stilzitten.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O, ik zal mijne vorige krachten spoedig terug hebben,
+Flink.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Daar twijfel ik ook niet aan, beste Willem; en waarlijk, we
+hadden u bezwaarlijk kunnen missen. Ik zal eene schildpad uit den
+vijver meenemen, want ge moet thans krachtig voedsel hebben om spoedig
+weder flink en sterk te worden.&mdash;&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Het is al lang geleden, dat we niets meer van uwe historie te
+hooren <span class="pagenum">[<a id="pb164" href="#pb164" name=
+"pb164">164</a>]</span>kregen,&rdquo; begon Willem, nadat het avondeten
+was afgeloopen; &bdquo;ik zou gaarne hebben, dat ge er thans mee
+voortgingt, want het luisteren vermoeit mij nu zeker niet
+meer.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Van harte gaarne,&rdquo; antwoordde de oude man; &bdquo;maar
+kunt ge mij nog zeggen, waar ik gebleven ben?&mdash;Mijn geheugen is
+niet meer van de beste.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O ja, Flink, weet gij niet, gij waart in gezelschap van die
+wilden op een Hollandschen post aangekomen, die, als ik goed onthouden
+heb, Graaf Reinet heette.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Juist, juist, mijn jongen. Welnu dan, zoodra hij ons zag
+aankomen, kwam de Hollandsche boer uit zijn huis en vroeg ons wie wij
+waren<span class="corr" id="xd21e3803" title="Bron: ,">.</span> Wij
+vertelden hem, dat wij Engelsche gevangenen waren, die zich weder aan
+de overheid wenschen uit te leveren.</p>
+<p>&bdquo;Hij nam ons de wapens af, en zeide dat hij in dit deel des
+lands de overheid was, die te bevelen had,&mdash;hetgeen wij weldra
+ondervonden, dat ten volle waarheid was. &bdquo;Zonder wapens en
+munitie zult gij zeker niet wegloopen,&rdquo; vervolgde hij.
+&bdquo;Naar de Kaap kan ik u deze eerste twee maanden nog niet
+opzenden, en dus, als ge goed te eten wilt hebben, moet ge daarvoor ook
+braaf voor mij werken.</p>
+<p>&bdquo;Wij gaven ten antwoord dat wij heel gaarne in alles ons best
+zouden doen. Hij zond ons daarop een Hottentotsch meisje, dat ons iets
+te eten bracht en ons een klein hok aanwees, waar wij met ons
+drie&euml;n slapen konden.</p>
+<p>&bdquo;Wij merkten voor &rsquo;t overige al spoedig, dat wij met een
+ruw, onbeschoft mensch te doen hadden, die ons zwaar werk in overvloed,
+maar daarvoor bitter weinig te eten gaf. Hij wilde ons onze geweren
+niet weder toevertrouwen, en zoo zond hij zijne Hottentotten met het
+vee uit; maar daarvoor moesten wij in den omtrek van het huis zwaren
+arbeid doen, en ten laatste behandelde hij ons zelfs wreed en
+kwaadaardig. Wanneer hij voor de <span class="corr" id="xd21e3813"
+title="Bron: Hottotten">Hottentotten</span> en de andere slaven, die
+hij in menigte hield, niet meer te eten had, placht hij met andere
+boeren, die in de buurt woonden, op de jacht te gaan en quagga&rsquo;s
+voor hen te schieten. Niemand dan een Hottentot kan nochtans van zulk
+vleesch eten.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat is een quagga?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Een wilde ezel, voor een gedeelte gestreept, doch niet zoo
+fraai als de zebra, &rsquo;t Is een recht sierlijk dier, maar zijn
+vleesch is ellendig slecht van smaak. Verbeeld u nu, mijnheer, hij
+wilde ons ten laatste, evenals aan de Hottentotten, ook niets anders
+dan quaggavleesch te eten geven, terwijl hij met zijne
+familie&mdash;want hij had eene vrouw met vijf kinderen&mdash;schapen
+en geitenvleesch in overvloed had, wat werkelijk eene heerlijke kost
+is. <span class="pagenum">[<a id="pb165" href="#pb165" name=
+"pb165">165</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Wij verzochten hem, ons een geweer te geven, opdat we ons
+beter voedsel verschaffen konden; doch hij roste Romer zoo onbarmhartig
+af, dat hij in geen twee dagen een lid verroeren kon. De arme
+Hottentotten en de slaven kregen bijna dag aan dag slaag. Hij bediende
+zich daartoe van een zweep, die uit het vel van een rhinoceros gesneden
+was; en dat was een vreeselijk ding, dat den armen mensch bij elken
+slag tot diep in het vleesch drong.</p>
+<p>&bdquo;Zoo begon het leven ons werkelijk tot last te worden. Wij
+kregen elken dag zwaarder werk, en elken dag werd het monster wreeder
+tegen ons. Eindelijk kwamen wij overeen, dat wij dit niet langer
+verdragen wilden, en Hastings zeide hem dit op een avond ronduit.</p>
+<p>&bdquo;Dit bracht hem in de hevigste woede: hij riep twee van zijne
+slaven, beval hun Hastings aan een wagenrad te binden en zwoer, hem de
+huid van het lijf te zullen geeselen. Daarop ging hij in huis om zijne
+zweep te halen.</p>
+<p>&bdquo;De slaven grepen Hastings aan en bonden hem aan het rad; want
+zij waagden het niet hun meester ongehoorzaam te zijn. Hastings echter
+zeide tot ons: &bdquo;Als ik gezweept word, zijn wij allen verloren.
+Thans staat het aan u, om aan ons lijden een einde te maken. Loopt
+achter het huis om, en als hij met de zweep komt, gaat dan in huis en
+haalt de geweren, die altijd geladen zijn. Houdt hem in het vizier,
+totdat ik zelf vrij ben, en dan zullen wij wel een middel vinden, om te
+ontkomen. Gij moet dat doen, want ik ben overtuigd, dat hij mij anders
+doodslaan en u als weggeloopen gevangenen voor den kop schieten zal,
+gelijk hij dat onlangs die beide Hottentotten gedaan heeft.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat Hastings zeide kwam ons beiden maar al te waarschijnlijk
+voor. Toen de boer dus terugkeerde en op Hastings toekwam, die op
+ongeveer twintig passen van het huis was vastgebonden, maakten we
+schielijk, dat we in huis kwamen. De boerin lag juist ziek; wij
+behoefden ons dus aan haar en de kinderen niet te storen. Wij grepen
+twee geweren en een lang mes en kwamen te voorschijn juist op het
+oogenblik, dat de wreedaard den eersten zweepslag uitdeelde, die ook
+zoo geducht neerkwam, dat de arme Hastings als een worm ineenkromp.</p>
+<p>&bdquo;Haastig schoten wij toe; hij keerde zich om en zag ons, die
+de geweren al op hem aangelegd hadden, waarop hij zijne zweep dadelijk
+liet vallen.</p>
+<p>&bdquo;Nog &eacute;&eacute;n slag en ik schiet u voor den
+kop!&rdquo; riep Romer. &bdquo;Ja!&rdquo; riep ik; &bdquo;wij zijn nog
+maar jongens, doch ge zult zien, dat ge met Engelschen te doen
+hebt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zoo kwamen wij nader. Romer hield zijn geweer voortdurend op
+den <span class="pagenum">[<a id="pb166" href="#pb166" name=
+"pb166">166</a>]</span>boer gericht, terwijl ik met het mes de strikken
+lossneed, waarmee Hastings was vastgebonden.</p>
+<p>&bdquo;De boer verbleekte en sprak geen woord, zoo ontsteld was hij,
+terwijl zijne slaven het terstond op een loopen zetten. Zoodra Hastings
+los was, greep hij een dikken houten hamer, waarmee men gewoonlijk
+palen in den grond sloeg, en met de woorden: &bdquo;Daar schurk! dat
+hebt ge er voor, dat ge een Engelschman met de zweep durft te lijf
+gaan,&rdquo; sloeg hij den kapenaar en deed hem ter aarde tuimelen.</p>
+<p>&bdquo;De man lag bewusteloos op den grond. Of hij wezenlijk dood
+was, wisten we niet. We bonden hem aan het wagenrad en gingen toen
+dadelijk weer in huis, waar we kruit, lood en wat wij verder dachten te
+kunnen gebruiken, bij elkaar zochten. Vervolgens liepen wij naar den
+stal, maakten drie van de beste paarden van den boer los, deden voor
+elk van de dieren wat haver in een zak, gebruikten touwen tot halters,
+stegen op en renden toen weg zoo hard als we konden. Daar wij wel
+begrepen, dat men ons vervolgen zou, galoppeerden we eerst in eene
+oostelijke richting, alsof wij naar de Kaapstad wilden gaan. Zoodra wij
+echter een grond bereikt hadden, waarop de paardenhoeven geen sporen
+achterlieten, wendden wij ons in allerijl noordwaarts en namen den weg
+naar het land der Boschjesmannen. Kort nadat wij van koers veranderd
+waren, begon de avond te vallen; maar wij reden den ganschen nacht
+door, en ofschoon wij op eenigen afstand de leeuwen duidelijk hoorden
+brullen, overkwam ons voor ditmaal geen nieuw ongeluk. Met het
+aanbreken van den dag lieten wij onze paarden uitrusten, wierpen hun
+wat haver voor en legden ons toen zelven neder, om ons met de
+meegebrachten voorraad te verkwikken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hoe lang waart gij in het geheel wel bij dien boer te Graaf
+Reinet geweest?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zoo omtrent acht maanden, mijnheer. Wij hadden in dien tijd
+niet alleen vrij wat Hollandsch geleerd, maar konden ons ook door de
+Hottentotten en andere inlanders doen verstaan. Bovendien hadden wij
+eene nauwkeurige kennis van het land verkregen en wisten nu beter dan
+te voren, hoe wij ons op onze reis te gedragen hadden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Onder het eten overlegden wij, wat wij thans aanvangen
+zouden. Dat de Hollanders ons doodschieten zouden, zoodra zij ons in
+handen kregen, dat wisten wij zeer goed en wij twijfelden er ook niet
+aan, of zij zouden ons uit al hunne macht vervolgen. Bovendien vreesden
+wij, dat wij den boer hadden doodgeslagen en in dat geval wachtte ons
+de galg, zoodra wij de Kaap bereikten, zoodat wij doodelijk verlegen
+waren wat te doen. <span class="pagenum">[<a id="pb167" href="#pb167"
+name="pb167">167</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Eindelijk besloten wij het land van de Boschjesmannen door te
+trekken en ons noordwaarts van de Kaap naar het zeestrand te
+wenden.</p>
+<p>&bdquo;Na deze afspraak namen wij onze zadels af en bonden onze
+paarden aan eenige boomen, waarbij goed gras voor hen was; want hadden
+wij hen niet vastgebonden, dan zouden zij denkelijk naar hun ouden stal
+terug gegaloppeerd zijn. Wij besloten vooreerst bij voorkeur bij nacht
+en niet bij dag te reizen, om geen gevaar te loopen van door onze
+vijanden te worden gezien. Met deze gedachten legden wij ons neder en
+hadden een langen, vasten slaap.</p>
+<p>&bdquo;Tegen den avond zochten wij water voor onze paarden, gaven
+hun andermaal haver en vervolgden toen onzen tocht. Ik kan niet alles
+vertellen, wat wij zoo veertig dagen achtereen al hadden uit te staan.
+Wij hadden intusschen onze paarden bijna lam en kreupel gereden en
+waren daarom genoodzaakt ons bij een stam van inlanders op te houden en
+den armen dieren eenige rust te vergunnen. Die inboorlingen noemden
+zich Gorraguas, als ik het wel heb en waren een vreedzaam en
+zachtzinnig volkje, dat ons rijkelijk van melk voorzag en ons als
+vrienden behandelde.</p>
+<p>&bdquo;We hadden evenwel enkele avonturen, die mij nog levendig voor
+den geest staan. Zoo, onder andere, kwamen wij eens een bosch door,
+waar opeens een rhinoceros op mijn paard toeschoot, dat het gevaar
+alleen daardoor ontkwam, door ter zijde te springen en het beest in den
+rug te komen; waarop het vreeselijk gedrocht zijn weg vervolgde, zonder
+ons verder te verontrusten.</p>
+<p>&bdquo;Iederen dag schoten wij het een of ander dier tot ons
+onderhoud: soms eens een gnoe(een heel wonderlijk beest, half koe, half
+antilope), of anders een van de hertebokken of wilde geiten, die wij in
+menigte ontmoetten.</p>
+<p>&bdquo;Zoo bleven wij omtrent drie weken bij deze menschen en gaven
+onze paarden tijd om hunne krachten wat te herstellen, waarop de reis
+opnieuw aanving. Wij wendden ons thans meer zuidwaarts en naar de kust;
+want de Gorraguas hadden ons gezegd, dat in het noorden een woest volk,
+de Kaffers, omzwierf, die ons zeker van kant zouden maken, als wij in
+hunne handen vielen.</p>
+<p>&bdquo;Inderdaad wisten wij echter niet, wat wij eigenlijk doen
+zouden. Als echt dwaze en onbezonnen knapen, hadden wij, zonder een
+bepaald plan, de Kaap verlaten, en nu namen de moeilijkheden en
+bezwaren, waaraan wij blootstonden, van dag tot dag toe. Ten laatste
+hielden wij het toch voor het verstandigst, om den weg naar de Kaapstad
+terug te zoeken en ons weder als gevangenen uit te leveren, want wij
+waren dat eeuwige zwerven <span class="pagenum">[<a id="pb168" href=
+"#pb168" name="pb168">168</a>]</span>nu hartelijk moe. Wat wij het
+allermeest vreesden, was, dat wij dien boer te Graaf Reinet, die ons
+zoo gruwelijk mishandeld had, gedood hadden; maar Hastings zeide, dat
+hij zich daar volstrekt niet over bekommerde, dat het zijne zaak was en
+dat hij de verantwoordelijkheid geheel op zich nam.</p>
+<p>&bdquo;Zoo namen wij dan nu afscheid van onze Gorraguas, die zeer
+verblijd waren, dat wij hun al de knoopen, die wij missen konden, tot
+een geschenk gaven. Wij trokken naar het zuidoosten, zoodat wij de
+zeekust bereiken en tegelijk ook zuidwaarts gaan konden.</p>
+<p>&bdquo;En nu, mijne vrienden, kom ik aan een allerdroevigst ongeluk,
+dat ons al spoedig overkwam. Twee dagen nadat wij onze reis weder
+hadden aangevangen, leidde onze weg ons over eene met hoog gras
+begroeide vlakte. Op eens zagen wij daar een leeuw voor ons, die een
+hert, dat hij gedood had, verslond.</p>
+<p>&bdquo;Romer, die Hastings en mij een tiental passen vooruit was,
+verschrikte zoo op dat gezicht, dat hij zijn geweer op het dier
+afschoot; dit was een groote dwaasheid van hem, die wij ook afgesproken
+hadden, altijd te zullen vermijden; want met zulke geringe krachten,
+als wij hadden, was het nooit geraden een zoo machtig dier tegen ons in
+woede te brengen. De leeuw was licht gekwetst. Met een gebrul, dat men
+zekerlijk wel een uur ver hooren kon, sprong hij op Romer los en rukte
+hem door een enkelen slag met zijn klauw uit den zadel en op den grond
+neer. Onze paarden, die beefden van angst, sprongen achteruit, terwijl
+het vreeselijke dier zich kennelijk gereedmaakte, om ook ons aan te
+vallen. De leeuw had reeds een sprong naar ons gedaan<span class="corr"
+id="xd21e3874" title="Bron: .">,</span> doch onze paarden ontrukten ons
+aan het gevaar, en wij konden hen in hunnen loop niet eer tot staan
+brengen, voordat wij voor het minst een half uur van de plaats
+verwijderd waren.</p>
+<p>&bdquo;Eindelijk kregen wij hen tot staan en zagen in het rond. Daar
+ontdekten wij den leeuw, hoe hij juist Romers paard had neergeworpen en
+het lichaam van dat arme beest in een soort van galop wegsleepte alsof
+hem dat in &rsquo;t geheel niet zwaar viel. Wij wachtten, tot hij ver
+genoeg verwijderd was, en reden toen naar de plaats terug, waar Romer
+was gevallen. Daar lag onze arme makker bebloed en zonder leven: de
+eerste slag van den leeuwenklauw had hem het hoofd verbrijzeld.</p>
+<p>&bdquo;Wij waren niet eens in staat om onzen ongelukkigen kameraad
+te begraven. Evenwel bedekten we zijn lijk met eenige struiken en
+keerden het met diep bedroefd hart den rug toe. Ik voor mij schreide
+wel een vol uur lang, terwijl wij verder reden. Hastings sprak geen
+enkel woord, totdat het tijd werd, dat wij onze paarden rusten lieten.
+<span class="pagenum">[<a id="pb169" href="#pb169" name=
+"pb169">169</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Ik heb vergeten u te zeggen, dat de Gorraguas ons geraden
+hadden niet langer bij nacht, maar bij den dag te reizen; en zoo hadden
+wij hun raad ook opgevolgd. Niettegenstaande het verschrikkelijk
+ongeluk, dat ons getroffen had, geloof ik toch, dat hun raad verstandig
+en goed gemeend was; want wij ondervonden, dat de leeuwen, zoo dikwijls
+wij bij nacht reisden, ons meer dan anders vervolgden.</p>
+<p>&bdquo;Drie dagen na Romers dood kregen wij voor het eerst den
+wijden oceaan weer te zien. Het was ons daarbij alsof wij een ouden
+vriend ontmoetten. Wij hielden ons dicht aan het strand, maar
+ondervonden spoedig, dat wij ons daar niet zoo gemakkelijk als dieper
+landwaarts in van wild tot ons voedsel en van hout tot onze vuren
+&rsquo;s nachts voorzien konden, en besloten derhalve de kust andermaal
+te verlaten.</p>
+<p>&bdquo;Wij hadden eene uitgestrekte, eentonige vlakte door te
+trekken en waren door honger reeds geheel uitgeput, want in geen twee
+dagen hadden wij iets over de lippen gehad, toen wij eindelijk een
+struisvogel ontmoetten.</p>
+<p><span class="corr" id="xd21e3890" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>Hastings maakte er met zijn paard jacht
+op, maar tevergeefs, want de struis kon veel harder loopen dan het
+paard. Ik bleef achter en ontdekte tot mijn groote blijdschap het nest
+van den vogel, met dertien groote eieren daarin.</p>
+<p>&bdquo;Hastings kwam spoedig terug; zijn paard was geheel vermoeid
+en buiten adem. Wij zetten ons neder, maakten vuur aan en braadden twee
+van de eieren, &rsquo;t geen een heerlijk maal voor ons was. Daarop
+namen wij nog vier eieren mede en braken weder op.</p>
+<p>&bdquo;Nog drie volle weken hadden wij niets dan moeite en ellende
+door te staan. Op zekeren morgen eindelijk kregen wij den Tafelberg in
+het oog en waren zoo verheugd op dat gezicht, alsof wij de witte
+krijtrotsen van Engeland v&oacute;&oacute;r ons hadden gehad. In de
+hoop van nog v&oacute;&oacute;r den nacht in onze oude gevangenis
+gemakkelijk onder dak te zullen komen, dreven wij onze paarden aan,
+doch toen wij de baai naderden, zagen wij van de schepen op de reede de
+Engelsche vlag waaien.</p>
+<p>&bdquo;Dat te zien verbaasde ons zeer. Een weinigje later ontmoetten
+wij echter een Engelsch soldaat en van dezen vernamen wij, dat de Kaap
+reeds voor ruim zes maanden door onze troepen veroverd was. Welk een
+blijde verrassing dat voor ons was, kunt gij u gemakkelijk voorstellen.
+Wij reden de stad binnen en meldden onszelven dadelijk aan bij de
+hoofdwacht. De gouverneur liet ons bij zich komen, hoorde onze
+geschiedenis en zond ons tot den admiraal, die ons dadelijk aan boord
+van zijn eigen schip opnam. <span class="pagenum">[<a id="pb170" href=
+"#pb170" name="pb170">170</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;En nu, Willem ben ik hier aan eene goede plaats om af te
+breken. Bovendien moet gij thans tamelijk vermoeid zijn en dus zal het
+&rsquo;t best zijn, dat we allen ons bed opzoeken.&rdquo;</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch39" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">NEGEN-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">FLINKS VERDERE REIZEN EN AVONTUREN.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Daar er voor het oogenblik juist geen noodzakelijk
+werk te doen was, namen Flink en mijnheer Wilson den volgenden morgen
+de vischlijnen op, om den voorraad in hun vijver te vermeerderen. Het
+weder was bijzonder fraai, en Willem vergezelde hen, om van de frissche
+lucht te genieten, die tegenwoordig de beste medicijn voor hem was.</p>
+<p>Toen zij den tuin voorbijkwamen, bemerkten zij, dat de zaadgewassen
+reeds een of twee duim boven den grond waren opgeschoten en dat, naar
+&rsquo;t scheen, alles tierig opkwam. Terwijl de beide mannen aan
+&rsquo;t visschen waren, zat Willem rustig bij hen en vroeg aan zijn
+vader:</p>
+<p>&bdquo;Van de eilanden hier in de nabuurschap zijn zeker vele
+bewoond,&mdash;is &rsquo;t niet vader?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O ja; maar die hier het naast om ons waarschijnlijk niet.
+Althans heb ik nooit van reizigers gehoord, die op de eilanden, op een
+waarvan wij thans wezen moeten, bewoners gevonden hebben.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Welke soort van menschen zijn toch wel de eilanders in deze
+zee&euml;n?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ze zijn van heel verschillenden aard. De Nieuw-Zeelanders
+zijn in beschaving het verst gevorderd; maar toch moet men nog altijd
+menscheneters onder hen vinden. De bewoners van van-Diemensland en
+Australi&euml; behooren tot denzelfden stam, maar staan op een zeer
+laag standpunt,&mdash;waarlijk weinig hooger dan de dieren des velds.
+Ik geloof, dat zij de ruwsten en onbeschaafdsten zijn van heel het
+menschelijk geslacht.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Met uw verlof, mijnheer,&rdquo; viel Flink hem in de rede,
+&bdquo;maar ik heb die menschen zelf gezien en geloof toch een volk te
+kennen, dat wel niet zoo talrijk is, maar met de dieren des velds toch
+nog meer overeenkomst heeft dan die Zuidzee-eilanders. Ik heb hen eens
+van mijn leven gezien en hield hen ook wezenlijk op &rsquo;t eerste
+gezicht voor beesten en niet voor menschelijke wezens.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Waarlijk, Flink? En waar was dat wel?&rdquo; <span class=
+"pagenum">[<a id="pb171" href="#pb171" name="pb171">171</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Op de groote Andamans-eilanden, aan den mond van de Baai van
+Bengalen.&mdash;Eens dat het een storm woei, lieten wij het anker
+vallen te Port Cornwallis,&mdash;eene zoo kostelijke haven, dat de
+gansche Engelsche vloot er wel in schuilen kon,&mdash;en den volgenden
+morgen ontdekten we enkele zwarte schepsels, die onder de boomen het
+dichtst op het strand op handen en voeten omkropen. Wij namen onze
+kijkers in de hand,&mdash;want we waren nog wel een paar mijlen van den
+wal af,&mdash;en toen ze recht overeind gingen staan, merkten wij
+eindelijk, dat het werkelijk menschen waren.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zijt gij ook met hen in nadere aanraking gekomen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, mijnheer, ik zelf niet. Maar te Calcutta ontmoette ik
+een soldaat, die eenmaal met hen verkeerd had. De Oostindische
+Compagnie had namelijk vroeger het plan gehad, om een post op die
+eilanden achter te laten en had daartoe eenige troepen afgezonden. De
+man vertelde mij, dat zij twee van dat volkje hadden opgevangen: die
+waren niet meer dan vier voet lang en uiterst dom en onnoozel. Ze
+hadden geene kleeren of iets aan het lijf, hadden geene huizen of
+hutten, om in te wonen en al wat ze deden was, dat ze wat struiken en
+takken op elkaar stapelden, om daarachter te schuilen tegen het booze
+weer.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hadden zij ook wapens?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, mijnheer; ze hadden boog en pijlen, maar die waren zoo
+ellendig en zoo zwak, dat ze er niets anders dan zeer kleine vogels mee
+dooden konden. Bij de landing van ons volk hadden de eilanders al hunne
+pijlen op onze soldaten afgeschoten, maar onze soldaten trokken die
+weer heel bedaard uit hunne kapotjassen, want ze waren niet dieper
+doorgedrongen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Nu, naar uwe beschrijving geloof ik zeker, dat die schepsels
+der Andamans-eilanden op een nog lager trap dan de Nieuw-Hollanders
+staan. Maar wat deden onze landslieden met de beide gevangenen, die zij
+toen opgebracht hadden?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zij lieten hen weer loopen, mijnheer, want de stumpers aten
+niets, spraken geen woord en zouden zeker gestorven zijn, als men hen
+langer had vastgehouden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Waar kwam het volk, dat deze eilanden bewoonde, vandaan,
+vader?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is moeilijk te zeggen, Willem; men gelooft over het
+algemeen, dat zij zoo langzamerhand, evenals ons eiland hier, bevolkt
+werden, namelijk door lieden, die in booten en kano&rsquo;s de hooge
+zee op waren gedreven en evenals wij hun leven door eene landing in
+zekerheid brachten.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, ja,&rdquo; zeide Flink, &bdquo;zoo zal het waarschijnlijk
+wel geweest zijn. Zoo moeten ook de Andamans-eilanden door een
+slavenschip, dat negers aan <span class="pagenum">[<a id="pb172" href=
+"#pb172" name="pb172">172</a>]</span>boord had en gedurende een typhon
+op de kust schipbreuk leed, bevolkt zijn geworden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Een typhon, wat is dat, Flink?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zooveel als een orkaan, Willem; hij verheft zich in
+Indi&euml; doorgaans bij het omslaan der passaatwinden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, ge gebruikt zulke vreemde woorden, passaatwinden, wat
+zijn dat weer?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat zijn winden, die zekere maanden van het jaar bestendig
+uit &eacute;&eacute;ne hemelstreek blazen en dan omslaan of omspringen,
+om juist in eene tegenovergestelde richting voort te waaien.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zijn dat misschien die zelfde passaatwinden, waarvan ik onzen
+armen kapitein Osborn na onze afvaart van het eiland Madera hoorde
+spreken?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, deze zijn eene bijzondere soort van passaatwinden. Zij
+waaien alleen aan den evenaar, eenige graden ten noorden en zuiden er
+van, en houden altijd, den loop der zon volgende, de richting van het
+oosten naar het westen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Is het misschien de zon, die deze winden
+veroorzaakt?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, mijn jongen,&rdquo; antwoordde de vader. &bdquo;De groote
+hitte in de keerkringslanden verdunt de lucht, en zoo ontstaan de
+passaatwinden daardoor, dat bij de omwenteling der aarde frissche lucht
+in de plaats der verdunde treedt. Ook in eene kamer zult gij opmerken
+dat bij een groot vuur een gestadige luchttocht naar den haard plaats
+vindt. Op gelijke wijze is de zonnehitte de oorzaak der passaatwinden
+in de keerkringsstreken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, beste Willem, me dunkt, ge begrijpt dat nu wel,&rdquo;
+nam Flink het woord: &bdquo;en de passaatwinden veroorzaken ook den
+zoogenaamden golfstroom. De winden, die op den Atlantischen Oceaan
+gedurig den loop der zon volgen en in de streek van het oosten naar het
+westen waaien, hebben natuurlijk een grooten invloed op de zee en
+dringen deze in de Golf van Mexico op, waar zij door de kusten van
+Amerika wordt opgehouden, zoodat het water in die golf ettelijke voeten
+hooger is, dan in het oostelijke gedeelte van den Atlantischen Oceaan.
+Deze opeenhooping van water moet natuurlijk ergens een afloop hebben,
+en zoo ontstaat de zoogenaamde golfstroom, waardoor de wateren zich uit
+de Golf noordwaarts uitgieten, langs de kusten van Amerika
+voortstroomen, zich dan naar het westen keeren, zoodat zij niet ver van
+Newfoundland voorbijspoelen, tot eindelijk hun stroom in het noorden
+van de Azoren of Westelijke eilanden nagenoeg ophoudt. Ge zult u wel
+herinneren, op den dag dat wij onze reis berekenden, die eilanden op de
+kaart gezien te hebben.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb173"
+href="#pb173" name="pb173">173</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;De golfstroom,&rdquo; voegde de heer Wilson er bij, &bdquo;is
+altijd eenige graden warmer, dan de zee over het geheel, en de reden
+daarvan moet wezen, dat het water in de Golf van Mexico door de
+ongewone zonnehitte, die daar heerscht, meer dan andere plaatsen
+verwarmd wordt. Men herkent dien stroom aan het zeegras, dat hij op de
+oppervlakte van het water met zich voert.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Heel goed, vader. Maar wat verstaat men dan onder de land- en
+zeewinden in West-Indi&euml; en andere heete landen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Daaronder verstaat men den wind, die op bepaalde uren van den
+dag eerst van het land naar de zee en dan omgekeerd van deze naar het
+land waait, zoodat hij gedurende de vierentwintig uren regelmatig
+afwisselt. Ook dit verschijnsel is een gevolg van de zonnehitte. De
+zeewind begint des morgens en gaat liggen tegen den middag; waarop de
+landwind een aanvang neemt en tot middernacht aanhoudt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En dan zijn er,&rdquo; zeide Flink, &bdquo;in de nabuurschap
+van de passaatstreken enkele breedten, waar de wind zeer onbestendig is
+en menig schip al weken achtereen in de windstilte moest blijven
+liggen. Dat is telkens eene ware ramp voor de manschap, want het water
+aan boord wordt dan doorgaans geheel opgebruikt en men heeft vreeselijk
+van de hitte te lijden. Men noemt die breedten de
+paardebreedten&mdash;waarom, dat weet ik zelf niet recht; ik denk
+haast, omdat men paarden, als men die aan boord heeft en zulk eene
+windstilte invalt, natuurlijk het eerste opoffert, als er gebrek aan
+water komt. Doch &rsquo;t wordt tijd, dat wij opbreken, en ook Willem
+mag nu wel weer stilletjes in huis gaan.&rdquo;</p>
+<p>Zoo keerden zij gezamenlijk terug naar hunne woning, en na het
+avondeten ging de oude stuurman met zijn verhaal aldus <span class=
+"corr" id="xd21e3978" title="Bron: poort">voort</span>:</p>
+<p>&bdquo;Ik ben gebleven bij het oogenblik, dat ik op het
+admiraalsschip gezonden en als kajuitsjongen onder de manschap
+opgenomen werd. Vier jaren omtrent bleef ik op dit schip, kwam in dien
+tijd van haven tot haven, van land tot land, totdat ik een stevige
+flink uit de kluiten gewasschen knaap werd en als matroos in den
+bezaansmast geplaatst werd.</p>
+<p>&bdquo;Dat beviel mij nu recht goed. Ik deed mijn plicht, en het
+gevolg was, dat ik nooit straf kreeg. Op een oorlogsschip behoeft men
+namelijk nooit voor straffen bevreesd te zijn, als men zijn werk maar
+doet, en dit valt niemand heel zwaar, &rsquo;t Is heel anders op
+koopvaardijschepen, waar zoo weinig matrozen zijn: daar heeft men de
+handen altijd vol werk. Natuurlijk vindt men ook op oorlogsschepen
+enkele kapiteins, die bijzonder streng en hard zijn, echte
+bulderbasten, zooals wij matrozen ze noemen. Ik had evenwel het
+<span class="pagenum">[<a id="pb174" href="#pb174" name=
+"pb174">174</a>]</span>geluk om onder een zeer braven, menschlievenden
+kapitein te dienen, die, ofschoon hij geen verzuim door de vingers zag,
+toch heel ongaarne strafte.</p>
+<p>&bdquo;Het eenige, wat mij zwaar op het hart lag, was, dat ik nooit
+naar Engeland komen en mijne moeder terugzien kon. Ik had twee of drie
+brieven geschreven, maar geen antwoord ontvangen. Ten laatste werd ik
+zoo ongeduldig, dat ik besloot, bij de eerste gelegenheid, die zich
+aanbood, op mijn eigen houtje de reis naar huis aan te nemen.</p>
+<p>&bdquo;Onze post was toenmaals in West-Indi&euml; en ik hield met
+Hastings, die even vurig als ik verlangde weg te komen, gedurig raad
+over het geval. Wij kwamen eindelijk overeen, dat wij bij de eerste de
+beste kans de hielen zouden lichten.</p>
+<p>&bdquo;Ten laatste kwamen wij in Port-Royal op het eiland Jamaica
+voor anker.<a id="xd21e3993" name="xd21e3993"></a></p>
+<p><span class="corr" id="xd21e3996" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>Daar lag destijds ook een groot konvooi
+Westindievaarders, die gereed waren, om met hunne lading suiker
+oogenblikkelijk onder zeil te gaan. We wisten, dat men ons, zoodra wij
+maar op een dier schepen komen konden, zorgvuldig tot aan het uur van
+het anker lichten aan boord zou verbergen, omdat daar gebrek aan
+matrozen was, doordien onze kapitein zooveel volk, als hij maar machtig
+kon worden, voor zichzelven geprest had.</p>
+<p>&bdquo;Wij hadden slechts &eacute;&eacute;ne mogelijkheid te
+ontkomen:&mdash;wanneer we namelijk bij nacht naar een van die schepen
+toe zwommen, wat vrij gemakkelijk te doen was, daar ze pas honderd
+meter van ons fregat verwijderd lagen. Het eenige, dat we vreesden,
+waren de haaien, die zich daar op de reede in menigte vertoonden.
+Evenwel waren wij zoo ongeduldig om onze vlucht door te zetten, dat wij
+ons door geen gevaar lieten afschrikken, en zoo besloten wij ten
+laatste, in den nacht v&oacute;&oacute;r het uitzeilen der
+koopvaardijschepen het waagstuk te ondernemen.</p>
+<p>&bdquo;Het was tegen de hondewacht&mdash;alles herinner ik mij nog
+zeer goed en ik zal er mijn leven lang aan denken, alsof het gisteren
+gebeurd was&mdash;toen wij ons zachtjes bij den boeg van het schip
+lieten neerzakken. Zoodra wij in &rsquo;t water waren, zwommen wij op
+den Westinjevaarder aan, die het dichtst bij ons lag.</p>
+<p>&bdquo;De schildwacht op de loopplank bemerkte de kabbeling van het
+water, dat door ons zwemmen in beweging kwam, en terstond hoorden wij
+hem ons aanroepen. Wij gaven natuurlijk geen antwoord, maar repten
+armen en beenen wat wij konden, want kort na het aanroepen van den
+schildwacht vernamen wij gerucht en begrepen daaruit heel goed, dat de
+officier van de wacht eene sloep strijken en ons vervolgen zou.
+<span class="pagenum">[<a id="pb175" href="#pb175" name=
+"pb175">175</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Ik was Hastings eenige meters vooruit en had juist het
+kabeltouw van den Westinjevaarder in de hand, met het voornemen om er
+mij bij op te halen, toen ik een luiden gil achter mij hoorde. Toen ik
+mij omkeerde, zag ik een haai, die mijn armen Hastings tusschen de
+tanden greep en met hem onderdook.</p>
+<p>&bdquo;Ik was zoo ontsteld, dat ik een tijdlang bijna geen lid kon
+verroeren. Eindelijk raapte ik mijne hersens weer bijeen en begon, zoo
+vlug als ik kon, bij het touw op te klauteren. Ik had dan ook waarlijk
+geen tijd te verliezen, want juist schoot een tweede haai op mij los.
+Ik was wel al meer dan twee voet boven water, maar toch sprong hij
+omhoog en pakte nog even mijn schoen bij den hak, die hij terstond mee
+in de diepte sleepte.</p>
+<p>&bdquo;De schrik gaf mij krachten en twee minuten later was ik dan
+ook al voor de kluisgaten<a class="noteref" id="xd21e4013src" href=
+"#xd21e4013" name="xd21e4013src">1</a>. De matrozen op het schip hadden
+ons van boven gezien, en waren getuigen van Hastings akeligen dood
+geweest. Zij hielpen mij aan boord en verborgen mij terstond omlaag,
+want de boot van het fregat was dicht achter mij.</p>
+<p>&bdquo;Toen de officier van de wacht aan boord kwam, vertelden zij
+hem, hoe zij ons dicht bij hun schip gehoord en gezien hadden, toen wij
+door de haaien werden ingeslokt.&mdash;Het volk in de boot had
+Hastings&rsquo; gillen duidelijk gehoord, en zoo geloofde de officier
+ook terstond, dat wat men hem op de mouw <span class="corr" id=
+"xd21e4018" title="Bron: spelde">speldde</span> waarheid was, en roeide
+zonder zelfs onderzoek te doen, naar het fregat terug.</p>
+<p>&bdquo;Ik kon hooren, hoe de trom op het fregat al het volk op het
+dek riep, daar men toch eerst weten moest, wie de beide menschen waren,
+die zoo dat wegzwemmen gewaagd hadden. Een minuut of wat daarna werd er
+weer afslag getrommeld, en dus wist ik, dat de namen van mij en van den
+armen Hastings voortaan met een dubbele D op de scheepslijst
+stonden.</p>
+<p>&bdquo;Maar wat beduidt zoo&rsquo;n dubbele D.?&rdquo; vroeg
+Willem.</p>
+<p>&bdquo;D. alleen beteekent: deserteur; D. D. wil zeggen, dat men ook
+goed en wel dood is.</p>
+<p>&bdquo;Het was wel een wonder, dat ik zoo goed ontkwam, en nog uren
+nadat het gebeurd was, kon ik er mij zelf geen begrip van maken. Ik wou
+slapen maar ik kon niet; het was alsof mij &rsquo;t hart werd
+toegeknepen. Telkens, als ik zou inslapen, verbeeldde ik mij, dat de
+haai mij beet had gepakt, met luid geschreeuw sprong ik dan op en zocht
+opnieuw den slaap te vatten, maar dit lukte niet. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb176" href="#pb176" name="pb176">176</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;De kapitein van mijn nieuw schip vreesde eindelijk, dat mijn
+geschreeuw op het fregat gehoord zou worden, en zond mij een glas rum,
+dat ik uitdrinken moest. Dit bracht mij eindelijk tot rust en ik
+verzonk in diepe slaap.</p>
+<p>&bdquo;Toen ik ontwaakte, had het schip reeds de ankers gelicht en
+alle zeilen bijgezet. Nog wel honderd en meer schepen gingen met ons
+mede en de oorlogsschepen, die ons konvooi vergezelden, losten gedurig
+de stukken en gaven elkaar daar seinen door. Het was wezenlijk een
+prachtig gezicht.</p>
+<p>&bdquo;Zoo stuurden we dan met vroolijk hart op het lieve
+Oud-Engeland aan. Ik gevoelde mij zoo gelukkig, dat ik, om in vrijheid
+te komen, nog gaarne eens al de haaien van de wereld zou hebben
+getrotseerd. Nu ging het op het vaderland aan, nu zou ik, na lange
+afwezigheid, mijne bekenden weer zien en mijne lieve moeder nog eens
+omarmen!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Gedurende de reis deed ik mijn best als voormarsgast op het
+schip, en de kapitein was zeer met mij ingenomen. Aan den
+onderbootsman, die een Schot en een bijzonder vriendelijk en braaf man
+was, had ik mijne avonturen verteld. Hij deed mij begrijpen, hoe dwaas
+en slecht ik gehandeld had, toen ik al, wat mijne moeder en Masterman
+voor mij doen wilden, zoo roekeloos in den wind sloeg. Ik voelde dat
+hij gelijk had, en verlangde vuriger dan ooit mijne moeder weer eens in
+de armen te sluiten en haar vergiffenis te vragen voor al wat ik had
+misdaan.</p>
+<p>&bdquo;Het schip, waarop ik mij bevond, was naar Glasgow
+bestemd.</p>
+<p>&bdquo;Bij North Foreland stuurden wij van het groote konvooi af en
+kwamen gelukkig in de haven. De kapitein bracht mij bij het kantoor van
+het schip, dat mij voor mijne diensten gedurende de overvaart vijftien
+pond<a class="noteref" id="xd21e4043src" href="#xd21e4043" name=
+"xd21e4043src">2</a> uitbetaalde. Zoodra ik dat geld in handen had,
+repte ik mij, wat ik kon, naar Newcastle. Ik had boven op den
+postwagen<a class="noteref" id="xd21e4046src" href="#xd21e4046" name=
+"xd21e4046src">3</a> eene plaats genomen en raakte daar al spoedig in
+gesprek met een heer, die naast mij zat. Ik merkte, dat hij te
+Newcastle thuis behoorde, en mijn eerste vraag was, of hij daar ook
+zekeren mijnheer Masterman, den scheepsbouwmeester kende.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O ja, dien heb ik best gekend; maar hij is nu omtrent een
+maand of drie dood.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En wie waren zijne erven dan?&rdquo; vroeg ik. &bdquo;Hij was
+immers heel rijk en had niemand, die hem in den bloede bestond?&rdquo;
+<span class="pagenum">[<a id="pb177" href="#pb177" name=
+"pb177">177</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Ja, familie had hij niet,&rdquo; gaf die heer mij ten
+antwoord; &bdquo;hij vermaakte dan ook zijn heele vermogen aan de stad,
+onder voorwaarde, dat men daarvoor zieken- en armhuizen zou oprichten.
+In den laatsten tijd had hij, geloof ik, nog een deelhebber in zijne
+zaak, en dien gaf hij zaak en winkel over, omdat hij geen familie had
+en &rsquo;t aan niemand anders geven kon. Vroeger was hij, zooals ik
+zeker weet, van voornemen om al zijn geld en goed na te laten aan een
+knaap, die Flink heette, en hem eens uit het water had geholpen, maar
+die jongen liep weg, ging op zee en heeft sedert niets meer van zich
+laten hooren. Men is zijn spoor gevolgd en gelooft, dat hij in
+gevangenschap bij de Hollanders gestorven is. Die dwaze
+jongen;&mdash;hij kon tegenwoordig een man van stand en vermogen
+zijn!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja waarlijk, hij deed zeer dwaas!&rdquo; was mijn
+antwoord.</p>
+<p>&bdquo;Ja, maar niet alleen zichzelven, ook anderen heeft hij
+daardoor kwaad gedaan. Zijne arme moeder was heel sterk aan hem gehecht
+geweest; zij tobde en kwelde zich toen zij zijn verlies vernam, en had
+rust noch duur meer, voordat....&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Gij wilt toch niet zeggen, dat zij dood is?&rdquo; riep ik en
+vatte den vreemdeling bij den arm.</p>
+<p><span class="corr" id="xd21e4072" title=
+"Bron: ,">&bdquo;</span>Ja,&rdquo; zeide hij en zag mij verwonderd aan,
+&bdquo;zij stierf heel spoedig na den heer Masterman.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik zonk op de pakkage neer en zou van den wagen gevallen
+zijn, als de ander mij niet gegrepen had. Hij riep den koetsier toe,
+dat hij moest stilhouden. Samen richtten zij mij toen weer op en
+brachten mij binnen in het rijtuig. Gelukkig was daar niemand in; want
+ik was geheel buiten mijzelven en weende en klaagde luid, zoodat zij
+diep medelijden met mij hadden.&rdquo;</p>
+<p>Flink scheen door zijn verhaal zoo aangedaan dat mijnheer Wilson hem
+voorstelde, voor heden af te breken en zich met de overigen ter ruste
+te begeven.</p>
+<p>&bdquo;Ik dank u, mijnheer. Gij hebt gelijk; zoo zal het wel beter
+zijn, want nog gevoel ik, dat mijne oude oogen van tranen overloopen.
+Het is iets vreeselijks, als men zich in later dagen verwijten moet,
+dat eigen dwaze levenswandel den dood van eene zoo goede liefhebbende
+moeder verhaasten moest. Bij mij was dit het geval, mijn beste Willem,
+en uit liefde tot u ben ik daar zoo openhartig voor uitgekomen. Ik
+zeide u vroeger reeds, dat eenige gedeelten mijner levensgeschiedenis u
+tot waarschuwing dienen konden. Zorg dus, dat ik ze u niet tevergeefs
+verteld heb, maar houd ze getrouw in &rsquo;t geheugen.&rdquo;
+<span class="pagenum">[<a id="pb178" href="#pb178" name=
+"pb178">178</a>]</span></p>
+</div>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd21e4013" href="#xd21e4013src" name="xd21e4013">1</a></span> De
+linten of gaten, waardoor het ankertouw naar binnenboord gaat.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd21e4043" href="#xd21e4043src" name="xd21e4043">2</a></span> Ruim
+&fnof; 180.&ndash; Hollandsch.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd21e4046" href="#xd21e4046src" name="xd21e4046">3</a></span> De
+<span class="corr" id="xd21e4048" title=
+"Bron: postwagen">postwagens</span>, destijds in Engeland in gebruik,
+hadden <i>outside</i> en <i>inside</i> plaatsen. De eerste, voor den
+minderen man, minder kostende, waren bovenop, in de open lucht.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch40" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">VEERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">FLINKS BEROUW. GELUKKIGE WENDING VAN ZIJN LOT.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Den volgenden morgen bracht Juno voor het ontbijt in
+haar schort zes eieren mee, die zij in het hoenderhok gevonden had.</p>
+<p>&bdquo;Kijk, mevrouw, kijk een beetje&mdash;kippen eieren
+leggen&mdash;gauw heelen boel hebben voor massa Willem en heelen boel
+voor kleine kippetjes.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Gij hebt toch niet alle uit de nesten genomen, Juno; dat
+deedt gij immers niet?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, mevrouw, ikke laten liggen in ieder nest
+&eacute;&eacute;n, dat oude kip zien kan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Best, meid; dan zullen wij ze voor onzen Willem klaarmaken,
+zooals gij zegt en hopen dat zij hem zijne krachten teruggeven
+zullen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O, ik ben weer heel gezond en sterk, moeder,&rdquo; gaf
+Willem ten antwoord. &bdquo;Ik geloof, dat &rsquo;t beter zou zijn, als
+ge de eieren aan de hoenders tot uitbroeden overliet.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, Willem, het is van veel meer belang, dat gij recht
+spoedig weer gezond wordt, dan dat wij zoo spoedig kuikens
+krijgen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Thomas ook heel graag eieren lust,&rdquo; begon de kleine mee
+te spreken.</p>
+<p>&bdquo;Ja, ja; maar Thomas kan er nog dadelijk geen krijgen. Thomas
+is niet ziek.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Thomas buik doet o zoo zeer,&rdquo; antwoordde de guit.</p>
+<p>&bdquo;Ik vrees zeer, Thomas, dat gij een kleine leugenaar zijt. Ook
+zouden eieren voor die buikpijn zeer nadeelig zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Thomas krijgt ook hoofdpijn,&rdquo; klaagde de knaap.</p>
+<p>&bdquo;Eieren deugen niet voor hoofdpijn, Thomas,&rdquo; antwoordde
+zijn vader.</p>
+<p>&bdquo;Ach, Thomas is zoo ziek!&rdquo; zuchtte de dreumes
+opnieuw.</p>
+<p>&bdquo;Dan moet Thomas naar bed gaan en een lepel <span class="corr"
+id="xd21e4119" title="Bron: rucinusolie">ricinusolie</span>
+innemen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Thomas lust geen ricinusolie; Thomas lust alleen
+eieren.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, maar Thomas krijgt geen eieren,&rdquo; gaf de vader
+ernstig ten antwoord; &bdquo;en dus kan hij zijne jokkens wel voor zich
+houden. Als wij eens eieren genoeg hebben, dan zal Thomas er ook een
+hebben&mdash;als hij een brave jongen is, maar anders ook
+niet.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik heb Caroline het opzicht over de hoenders gegeven,&rdquo;
+vervolgde de vader, <span class="corr" id="xd21e4128" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>en zoo dunkt mij, behoort ook het bewaren
+van de eieren tot haar post. Mijn kind begint zoo al heel nuttig voor
+ons te worden.&rdquo;</p>
+<p>De twee volgende dagen waren de beide mannen in den tuin met het
+<span class="pagenum">[<a id="pb179" href="#pb179" name=
+"pb179">179</a>]</span>wieden van het onkruid bezig, dat te gelijk met
+de ontkiemende zaaigewassen begon op te schieten. Gedurende dezen tijd
+ging Willem met zijn herstel spoedig vooruit.</p>
+<p>De beide eerste dagen bracht Juno regelmatig elken morgen drie
+eieren uit het hoenderhok mede; maar op den derden morgen was er geen
+enkel te vinden. Ook op den vierden dag schenen de vogels niet gelegd
+te hebben, waarover mijnheer Wilson zeer verwonderd was, daar de hennen
+toch gewoonlijk, als zij eens beginnen te leggen, daarmede geregeld
+voortgaan. Op den vijfden morgen zaten allen aan het ontbijt. Slechts
+Thomas kwam niet opdagen, zoodat zijne moeder vroeg, waar hij dan toch
+stak.</p>
+<p>&bdquo;Ik vermoed, mevrouw,&rdquo; zeide de oude Flink lachend,
+&bdquo;dat onze sinjeur vandaag zoomin aan het ontbijt als aan de
+middagtafel zal verschijnen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hoe meent gij dat, Flink?&rdquo; vroeg de moeder.</p>
+<p>&bdquo;Welaan, mevrouw, ik zal &rsquo;t u vertellen. Het kwam mij
+vreemd voor, dat er nu al een paar ochtenden geen eieren gevonden
+waren, en ik dacht of de hoenders ze ook misschien weggelegd konden
+hebben, waarom ik dan gisterenavond uitging, om er naar te zoeken. Ik
+kon geen eieren ontdekken; maar daarentegen vond ik weldra de doppen,
+zorgvuldig onder wat kokosbladeren weggestopt. Nu begreep ik dadelijk,
+dat een roofdier, als er zoo een op het eiland was en de eieren gekaapt
+had, de doppen althans niet zoo zorgvuldig verbergen zou. Zoo sloot ik
+dan van morgen de deur van het hok en liet slechts het kleine luikje
+open, waardoor de hoenders naar binnen kruipen. Ik zelf plaatste mij,
+nadat zij van stok waren, achter de boomen en wachtte af, wat er verder
+gebeuren zou. Weldra zag ik sinjeur Thomas komen aansluipen en op het
+hok losgaan. Hij wilde eerst de deur openen, maar vond die gesloten;
+zoo kroop hij door het kleine luikje in het hok. Zoodra hij daar binnen
+was, liet ik den grendel vallen, maakte dien met een spijker vast en
+zoo zit Thomas nu in zijn eigen strikken gevangen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En hij zal ook den ganschen dag daarin blijven, die kleine
+snoeper!&rdquo; riep mijnheer Wilson hartelijk lachende.</p>
+<p>&bdquo;Ja, ja, dat is zijn verdiend loon en zal een goede les voor
+hem zijn,&rdquo; sprak zijne moeder. &bdquo;We zullen doen, alsof wij
+niets van hem merken, al klaagt en jammert hij ook uren
+achtereen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O massa Thomas, ikke heel blij, dat jij eindelijk betrapt.
+Mooie ding dat, de eiers opslobberen!&rdquo; jubelde Juno. &bdquo;Nu
+jij niets te eten krijgt,&mdash;jij dat ook prettig vindt,
+he?&rdquo;</p>
+<p>Mijnheer Wilson, Flink en Willem gingen als gewoonlijk aan hun werk.
+Mevrouw was met Juno en de kleine Caroline te huis bezig. Thomas hield
+<span class="pagenum">[<a id="pb180" href="#pb180" name=
+"pb180">180</a>]</span>zich wel een uur lang doodstil, totdat hij
+eindelijk luidkeels begon te schreeuwen. Dat baatte hem echter weinig,
+want niemand stoorde zich aan hem. Toen de etenstijd naderde, begon hij
+opnieuw te brullen; doch met hetzelfde gevolg. Eerst tegen den avond
+werd de deur van het hoenderhok geopend en kreeg de kleine dief
+vergunning om voor den dag te komen. Hij keek verlegen op zijn neus en
+zette zich, zonder een woord te spreken, in een hoekje neder.</p>
+<p>&bdquo;Nu, jongeheer, hoeveel eieren hebt gij vandaag
+gediefd?&rdquo; vroeg Flink.</p>
+<p>&bdquo;Thomas wil geen eieren meer snoepen,&rdquo; was zijn
+beschaamd antwoord.</p>
+<p>&bdquo;Ja, ja, dat zal ook w&egrave;l zoo goed zijn,&rdquo;
+antwoordde zijn vader; &bdquo;want anders zult ge spoedig ondervinden,
+dat gij, in plaats van meer dan anderen te krijgen, integendeel heel
+weinig te eten krijgt, gelijk dat vandaag het geval is
+geweest.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar ik heb van middag nog geen eten gehad,&rdquo; zeide
+Thomas.</p>
+<p>&bdquo;Voor vandaag krijgt gij ook geen middageten, daar kunt gij
+staat op maken. Wij kunnen u onmogelijk middageten en eieren te gelijk
+geven. Begint gij te schreeuwen, dan zal ik u dezen nacht in het
+hoenderhok opsluiten. Gij moet thans geduldig tot het avondeten
+wachten.&rdquo;</p>
+<p>Thomas begreep, dat aan de zaak niets te veranderen viel en wachtte
+dus met hangende lip tot het avondmaal op tafel kwam. Toen zocht hij
+zijne scha rijkelijk in te halen.</p>
+<p>Na het avondeten ging Flink met zijne geschiedenis aldus voort:</p>
+<p>&bdquo;De laatste maal heb ik u verteld, hoe ik van dien heer op den
+postwagen te weten kwam, dat mijne arme moeder, ten gevolge van
+kwelling en verdriet over mijn weggaan, gestorven was. Hoe &rsquo;t met
+mij gedurende die reis gesteld was, kan ik niet beschrijven. Ik was
+vreeselijk bedroefd en verslagen totdat wij eindelijk te <span class=
+"corr" id="xd21e4171" title="Bron: New-castle">Newcastle</span>
+aankwamen, waar ik alle omstandigheden omtrent de ziekte en den dood
+van mijne moeder vernemen kon.</p>
+<p>&bdquo;Toen de postwagen stilhield, kwam de heer, die onderwijl
+buitenop was blijven zitten, aan het portier, gaf mij de hand en zei
+mij:</p>
+<p>&bdquo;Als ik wel heb, zijt gij Masterman Flink, die eens het ruime
+sop ingingt; of vergis ik mij misschien?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, mijnheer,&rdquo; zei ik heel verslagen, &bdquo;ik ben
+het wezenlijk.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Welnu, wees dan maar zoo neerslachtig niet, jonkman,&rdquo;
+antwoordde hij mij. &bdquo;Destijds toen ge van huis liept, waart ge
+nog een jongen zonder verstand en hadt er geen begrip van, dat uwe
+moeder zooveel om u te lijden zou hebben, als ze werkelijk deed.
+&rsquo;t Was niet zoozeer uw wegloopen, dan wel de tijding van uw dood,
+wat haar zoo verslagen maakte, en daaraan <span class="pagenum">[<a id=
+"pb181" href="#pb181" name="pb181">181</a>]</span>hebt gij geen schuld.
+Ge moet thans met mij meegaan, want ik heb u nog veel dingen te
+zeggen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik zal morgen bij u komen, mijnheer,&rdquo; antwoordde ik.
+&bdquo;Voordat ik mijne oude buren bezocht heb en op &rsquo;t graf van
+mijne lieve moeder geweest ben, kan ik toch niets aanvangen, &rsquo;t
+Is waar, &rsquo;t was niet opzettelijk, dat ik moeder zoo ongelukkig
+maakte, en aan &rsquo;t gerucht van mijn dood heb ikzelf ook geen
+schuld; maar toch weet ik wel heel goed, dat zij, als ik niet zoo
+gedaan had, nog wel in het leven gebleven en misschien een heel
+gelukkig mensch wezen zou.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Uit kleine oorzaken, mijn beste Willem, komen vaak de
+droevigste gevolgen voort, en als wij, bij het doen van iets, eerst
+nadenken wilden, wat er de gevolgen wel van konden zijn, zonden wij ons
+veel wroeging en veel berouw in het leven kunnen besparen.</p>
+<p>&bdquo;Die heer gaf mij zijn adres op, en ik beloofde dat ik den
+volgenden morgen bij hem zou komen. Toen ging ik naar het huis, waar
+mijne moeder gewoond had. Ik wist wel, dat zij daar niet meer was, en
+toch was &rsquo;t of mijn hart ineenkromp, toen ik daar hardop praten
+en lachen hoorde. Ik gluurde eens naar binnen; want de deur stond juist
+open. In den hoek, waar mijne moeder altijd placht te zitten, stond een
+groote mangel, waaraan twee vrouwen bezig waren. Aan de ronde tafel,
+die ik ook nog kende, stonden twee meisjes te plooien en te stijven en
+zij riepen me toe, &bdquo;wat er van mijn dienst was?&rdquo; Ik keerde
+het huis den rug toe en ging bij een buurman, die ik wist dat een goede
+kennis van mijne moeder was geweest.</p>
+<p>&bdquo;De vrouw was thuis, maar herkende mij niet, zoodat ik haar
+eindelijk zeggen moest wie ik was. Zij had mijne moeder tot aan haar
+sterfuur opgepast en vertelde mij al wat ik verlangde te weten.</p>
+<p>&bdquo;Het gaf aan mijn beklemd hart eenige verlichting, toen ik
+vernam, dat mijne arme moeder ook zonder mijne schuld wel niet lang
+meer geleefd zou hebben, daar zij aan een ongeneeslijke kanker leed;
+doch tegelijk vertelde de vrouw mij, dat zij onophoudelijk aan mij
+gedacht had en dat mijn naam het laatste woord op hare lippen geweest
+was. Ik hoorde ook, dat mijnheer Masterman haar veel goedheid en
+genegenheid betoond had.</p>
+<p>&bdquo;Het goede mensch zette hare muts op en geleidde mij naar het
+graf der overledene, waar zij mij op mijn verlangen alleen liet. Ik
+zette mij op den grasheuvel neder, die het gebeente mijner moeder
+overdekte. Met een getroffen hart zat ik daar en weende lang en
+bitter.</p>
+<p>&bdquo;Het was reeds geheel donker, toen ik eindelijk het kerkhof
+verliet en naar de vriendelijke vrouw terugkeerde, die mijne moeder had
+opgepast. <span class="pagenum">[<a id="pb182" href="#pb182" name=
+"pb182">182</a>]</span>Ik sprak met haar en haar man tot laat in den
+nacht, en daar zij mij een bed aanboden, bleef ik onder hun dak
+slapen.</p>
+<p>&bdquo;Den volgenden morgen ging ik uit, om volgens mijne belofte
+aan den heer, met wien ik den vorigen dag gereisd had, een bezoek te
+brengen. Op het bordje aan zijne deur zag ik, dat hij notaris was. Hij
+verzocht mij plaats te nemen, sloot toen de deur zorgvuldig toe en deed
+mij allerlei vragen, om zich te overtuigen, dat ik werkelijk Masterman
+Flink was. Toen berichtte hij mij, dat hij mijnheer Masterman&rsquo;s
+boedel onder zijn beheer gehad en bij het doorzoeken der papieren een
+document gevonden had, dat voor mij van groot gewicht was, daar uit dat
+geschrift bleek, dat de verzekering van het schip, &rsquo;t welk zooals
+ik vroeger reeds verteld heb, aan mijn vader en mijnheer Masterman
+toebehoord had en vergaan was, niet voor mijnheer Masterman&rsquo;s
+aandeel alleen, maar ook voor dat mijns vaders had gegolden, zoodat die
+mijnheer mijne moeder haar aandeel bedriegelijk onthouden had.</p>
+<p>&bdquo;Hij zeide dat papier korten tijd na mijnheer
+Masterman&rsquo;s dood in eene geheime schuiflade gevonden te hebben.
+Daar mijne moeder nochtans overleden was en hij ook mij voor dood
+hield, had hij niet kunnen besluiten, om eene zoo onaangename zaak
+bekend te maken; maar nu ik weder was opgedaagd, oordeelde hij, dat
+zijn plicht van hem eischte het gansche geval open te leggen. Hij bood
+zich aan, om de zaak voor mij bij de heeren te bezorgen, aan wie
+mijnheer Masterman zijn gansche vermogen had overgedragen, om daarvoor
+armen<span class="corr" id="xd21e4205" title="Niet in bron">-</span> en
+ziekenhuizen te doen bouwen.</p>
+<p>&bdquo;De verzekering van het schip bedroeg, zeide hij, drie-duizend
+pond; een derde deel daarvan kwam aan mijn vader toe, wat alleen
+duizend, en met de renten van zoovele jaren, ver over eene som van
+tweeduizend pond uitmaakte.</p>
+<p>&bdquo;Dit was natuurlijk eene zeer aangename tijding voor mij, en
+gij kunt wel begrijpen, dat ik zijn voorstel dadelijk gretig aannam.
+Hij ging terstond aan het werk, vervoegde zich bij den raad van beheer
+en legde aan de heeren het bewijs voor; en allen stemden aanstonds
+overeen, dat het geld mij eerlijk toekwam en ook zonder uitstel aan mij
+moest worden uitbetaald.</p>
+<p>&bdquo;Zoodra het geld in mijne handen was, begon ik dat op allerlei
+dwaze manieren weg te gooien. Tot mijn geluk, kwam echter in de eerste
+dagen de Schotsche bootsman te voorschijn als de beschermengel, die mij
+redden wilde.</p>
+<p>&bdquo;Zoodra ik hem het voorgevallene verteld had, sprak hij zeer
+verstandig met mij, bracht mij onder het oog, dat ik thans in de
+gelegenheid was, om mij voor mijn gansche leven een zeker bestaan te
+verschaffen, en gaf mij <span class="pagenum">[<a id="pb183" href=
+"#pb183" name="pb183">183</a>]</span>den raad, om voor mijn geld een
+aandeel in een schip te koopen, onder voorwaarde, dat ik er zelf de
+kapitein van zou wezen.</p>
+<p>&bdquo;Die inval beviel mij zeer goed. Ik zag wel in, dat ik wederom
+zeer onverstandig gehandeld had, en besloot zijn raad te volgen. Eene
+enkele zwarigheid hield mij tegen; ik was namelijk nog zeer jong, pas
+twintig jaren oud, en had vroeger een schip wel heel goed weten te
+sturen, maar mij in den laatsten tijd weinig daarop toegelegd.</p>
+<p>&bdquo;Ik deelde Sanders, zoo heette de bootsman, mijn bezwaar mede;
+maar hij stelde mij gerust en sloeg mij voor, dat, als ik hem als
+eerste stuurman wilde aanstellen, ook die moeilijkheid uit den weg zou
+zijn geruimd, daar hij met het roer goed wist om te gaan en mij
+terstond op de eerste reis de stuurmanskunst wel in den grond zou
+leeren. Zoo kwam dan eindelijk alles in orde.</p>
+<p>&bdquo;Gelukkig had ik nog niet boven de honderd pond van mijn geld
+verteerd, wat evenwel voor dien tijd negentig pond te veel was. Ik
+keerde naar Glasgow terug, in gezelschap van Sanders, en deze gaf zich
+alle moeite om naar een geschikt schip om te zien.</p>
+<p>&bdquo;Eindelijk vond hij er een, dat tot het van stapel loopen
+gereed en, ten gevolge van een door het kantoor, dat het gebouwd had,
+geleden bankroet, te koop was<span class="corr" id="xd21e4227" title=
+"Bron: ,">.</span> Hij won berichten en vernam, dat eene zeer goede en
+aanzienlijke firma het vaartuig waarschijnlijk koopen zou, en toen deed
+hij mij een voorslag om een vierde deel in het schip te nemen en
+daarover als kapitein bevel te voeren.</p>
+<p>&bdquo;Sanders was algemeen geacht en bezat ieders vertrouwen. Zijne
+aanbeveling had dan ook tengevolge, dat de onderhandelende partijen mij
+verlangden te zien en te spreken. Hoe jong ik ook was, schenen zij toch
+met mij tevreden, en de koop kwam werkelijk tot stand.</p>
+<p>&bdquo;Ik stortte mijn aandeel, dat in twee-duizend pond bestond.
+Zoodra het schip van stapel was geloopen, deed ik met Sanders, dien ik
+tot eersten stuurman gekozen had, alle moeite om het spoedig geheel
+zeilree te maken. Het huis, dat het schip met mij had aangekocht, was
+eene Westindische firma, en zoo werd onze bodem natuurlijk tot de vaart
+op West-Indi&euml; bestemd.</p>
+<p>&bdquo;Na het betalen van mijn aandeel, bleven mij nog drie- of
+vierhonderd pond over. Deze besteedde ik tot den aankoop van
+speculatie-goederen voor mijne eigene rekening en het verschaffen van
+zeemans-instrumenten en dergelijke. Ook aan mijne eigene uitrusting
+liet ik het niet ontbreken. Want ziet gij, Willem, ofschoon Sanders mij
+zoo ernstig vermaand had, <span class="pagenum">[<a id="pb184" href=
+"#pb184" name="pb184">184</a>]</span>voortaan verstandiger te zijn, was
+ik toch bij de gedachte, dat ik nu kapitein van mijn eigen schip was,
+niet weinig opgeblazen. Voor iemand, die kort te voren nog jongen in
+den bezaansmast van een oorlogsschip geweest was, was de verandering
+dan ook werkelijk al te spoedig en te groot.</p>
+<p>&bdquo;Ik kleedde mij zeer netjes, droeg fijne overhemden en ringen
+aan de vingers; ik trok zelfs handschoenen aan, om witte handen te
+krijgen. Inderdaad, als kapitein en deelhebber van een fraai schip was
+ik ook een man van gewicht en werd door de overige scheepseigenaars
+dikwijls aan tafel genoodigd. Bovendien kon ik het zeer goed doen, want
+buiten de winst, die mijn eigen handel afwerpen kon, had ik ongeveer
+tien pond als kapitein en daarbij nog het vierde deel aan de
+gezamenlijke winsten.</p>
+<p>&bdquo;Dezen tijd kan ik als den voorspoedigsten van mijn gansche
+leven beschouwen, en ik zal daar nu bij blijven stilstaan, ofschoon ik
+wel vooruit zeggen kan, dat mijne fortuin niet van langen duur
+bleef.&rdquo;</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch41" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">EEN-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">SLOT VAN FLINKS VERHAAL.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Den volgenden dag waren zij bezig met op het
+kronkelpad, dat naar het magazijn leidde, de wortels der omgehouwen
+kokosboomen weg te ruimen. Zoodra dit gedaan was, richtte Flink nevens
+dat magazijn een bliksemafleider op, gelijk hij er bij het woonhuis
+reeds een gezet had.</p>
+<p>Zij hadden nu eindelijk al het werk, dat zij zich gedurende den
+regentijd voorgenomen hadden, tot stand gebracht. De schapen hadden
+lammeren geworpen; maar die zoowel als de geiten, begonnen gebrek aan
+voeder te krijgen. Eene gansche week lang viel er geen regen meer; de
+zon verspreidde reeds krachtige warmte en Flink was van oordeel, dat de
+regentijd voorbij moest zijn.</p>
+<p>Willem was weder volkomen hersteld en kon in zijn ongeduld
+nauwelijks afwachten, dat men het voorgenomen tochtje over het eiland
+ondernemen zou, waaraan hij natuurlijk vurig wenschte deel te nemen. Na
+rijp beraad werd eindelijk besloten, dat Flink en Willem de eerste
+wandeling naar het zuiden doen en zoodra mogelijk terugkeeren zouden,
+om te berichten of zij ook wat nieuws ontdekt hadden.</p>
+<p>Op een Zaterdagavond werd dit besluit genomen; des Maandags morgens
+<span class="pagenum">[<a id="pb185" href="#pb185" name=
+"pb185">185</a>]</span>zouden beiden opbreken. De reiszakken werden met
+gekookt pekelvleesch en platte koeken, die Juno bereid had, rijkelijk
+gevuld. Ieder zou zich van een geweer met kruit en lood voorzien; ook
+zouden zij eene wollen deken medenemen, om zich bij nacht daarin te
+wikkelen. Flink vergat ook zijn kompas en handbijl niet, om weder,
+evenals op hun eersten tocht, de boomen in het wond daarmee te
+merken.</p>
+<p>De gansche Zondag werd tot het in orde brengen van het noodige
+besteed. Na het avondeten, begon de goede oude man:</p>
+<p>&bdquo;Nu, Willem, voordat wij onze reis aanvangen, kan ik mijne
+historie nog wel ten einde brengen. Ik heb niet veel meer te vertellen,
+want mijn goed geluk duurde niet lang, en na mijne lange Fransche
+gevangenschap was al mijn volgend leven eene voortdurende
+verwezenlijking van het spreekwoord: Van den regen in den drop, of: Van
+den wal in de sloot. Ik bleef er bij staan, hoe ik dat aandeel in het
+koopvaardijschip gekocht had en naar mijne gedachten op den besten weg
+was om mijn fortuin te maken. Laat mij dus voortgaan.</p>
+<p>&bdquo;Ons schip was eerlang gereed, en zoo zeilden wij in eene
+groote vloot naar Barbados uit. Sanders bewees spoedig een kundig
+zeeman te zijn, en voordat wij te Barbados aankwamen, had ik van hem al
+de kundigheden verkregen, die ik noodig had, om mijn schip zelf
+behoorlijk te sturen en te regeeren.</p>
+<p>&bdquo;Sanders zocht de oude ernstige gesprekken te hernieuwen; maar
+mijn vermogen had mij te ijdel gemaakt, en nu, daar ik mij ook zonder
+zijn bijstand tot mijne taak in staat achtte, hield ik mij niet alleen
+op een afstand van hem, maar zocht zelfs den baas over hem te spelen.
+Zoo, beste Willem, beloonde ik de goedheid, die hij mij altijd had
+bewezen, met den snoodsten ondank. Helaas, dat is in de wereld maar al
+te dikwijls het geval.</p>
+<p>&bdquo;Sanders was daar zeer bedroefd over, en bij onze aankomst te
+Barbados zeide hij mij, dat hij besloten had het schip te verlaten. Ik
+antwoordde hem op hoogen toon, dat hij in alles naar zijne vrije
+verkiezing handelen moest. Wat mij het meest daartoe bewoog, was, dat
+ik in het hart vurig wenschte van hem ontslagen te worden, alleen omdat
+ik gevoelde hem dank verschuldigd te zijn;&mdash;met beschaming erken
+ik dat, mijn beste Willem. Zoo verliet hij mij dan ook wezenlijk, en ik
+was uiterst tevreden, dat hij het deed.</p>
+<p>&bdquo;Mijn schip had weldra zijne volle lading suiker en wachtte
+tot eene groote koopvaardijvloot de vaart naar Engeland zou aannemen.
+Ik had te Barbados gelegenheid gevonden om vier metalen kanonnen aan te
+koopen, <span class="pagenum">[<a id="pb186" href="#pb186" name=
+"pb186">186</a>]</span>die ik terstond op mijn dek bracht, terwijl ik
+mij rijkelijk van de noodige munitie voorzag. Ik was geweldig trotsch
+op mijn schip omdat het zich op de heenreis zulk een vluggen zeiler had
+betoond; het had<a id="xd21e4272" name="xd21e4272"></a> zich werkelijk
+beter gehouden, dan menig oorlogsschip van ons konvooi, en daar ik nu
+zelfs nog stukken aan boord had, meende ik van vijandelijke
+kaperschepen volstrekt niets meer te duchten te hebben.</p>
+<p>&bdquo;Wij wachtten nog altijd op ons konvooi, dat evenwel misschien
+nog wel een veertien dagen uitblijven kon. In dien tusschentijd brak
+een hevige storm los, die mijn schip met de meeste overige vaartuigen
+van de ankers sloeg en ons allen gezamenlijk uit de Carlislebaai dreef.
+Wij waren genoodzaakt met alle kracht van zeil weer op de haven aan te
+sturen, want de storm hield nog met groote woede aan.</p>
+<p>&bdquo;Ik zelf was &rsquo;t hartelijk moe, zoo lang op het konvooi
+te wachten; daarbij wist ik nog, dat, als ik v&oacute;&oacute;r de
+overige Westindievaarders in Engeland aankwam, dit mij tot groot
+voordeel kon strekken, en zoo besloot ik dan, om in plaats van
+andermaal in de baai terug te keeren, liever zonder bedekking naar
+Engeland koers te zetten en mij op de snelle vaart van mijne kiel en op
+de stukken, die ik aan boord had, te verlaten. Ik vergat daarbij, dat
+de verzekering van mijn schip en lading in Engeland enkel voor het
+geval was, dat ik in gezelschap voer, en dat, indien ik die voorzorg
+verzuimde, in geval van een ongeluk ook de gansche verzekering nietig
+zijn zijn moest.</p>
+<p>&bdquo;Dus ging ik dan naar Engeland onder zeil. Drie weken lang
+ging alles uitmuntend: wij ontmoetten slechts zeer weinig schepen. Die,
+welke jacht op ons maakten, waren niet tegen ons opgewassen en konden
+ons dus niets doen. Reeds stuurden wij met den besten wind op het
+Kanaal aan, en ik twijfelde niet meer, of tegen den avond zouden wij de
+gewenschte haven binnenloopen, toen ons een Fransche kaper in het
+gezicht kwam en aanstonds jacht op ons maakte. Wij waren gedwongen, om
+bij den wind te sturen; die woei zeer hard en nam al spoedig onze
+groote steng weg.</p>
+<p>&bdquo;Dat was voor ons het grootste ongeluk, dat men zich
+voorstellen kon<span class="corr" id="xd21e4282" title=
+"Bron: ,">.</span> De kaper kwam nu al nader, achterhaalde ons en tegen
+den avond was ik een doodarm Fransch gevangene, want de
+verzekeringsgelden had ik verbeurd, omdat ik zonder bedekking het ruime
+sop was ingegaan.</p>
+<p>&bdquo;Ik begreep wel, dat ik al mijn ongeluk aan mijzelven te
+wijten had. In allen gevalle werd ik hard genoeg gestraft, want bijna
+zes volle jaren verzuchtte ik in akelige gevangenschap. Eindelijk
+waagde ik met drie of vier rampgenooten de vlucht te beproeven. Wij
+hadden duizenderlei ellende <span class="pagenum">[<a id="pb187" href=
+"#pb187" name="pb187">187</a>]</span>door te staan en kwamen eindelijk
+op een Zweedsch schip, zonder geld, ja bijna zonder een hemd aan het
+lijf, om ons tegen de koude te bedekken, in Engeland aan.</p>
+<p>&bdquo;Mij bleef natuurlijk niets overig dan op een ander schip naar
+een plaatsje om te zien. Ik wou tweede stuurman worden; maar niemand
+wilde mij aannemen. Ik zag er daartoe al te haveloos en te ellendig
+uit, en om niet van honger en gebrek om te komen, besloot ik dan
+eindelijk mij als gemeen matroos v&oacute;&oacute;r den mast te laten
+<span class="corr" id="xd21e4291" title=
+"Bron: aanwerpen">aanwerven</span>.</p>
+<p>&bdquo;Er lag een fraai schip in de haven. Daarheen ging ik, om
+mijne diensten aan te bieden. De bootsman ging om den kapitein te
+halen, en toen deze aan boord kwam, herkende ik&mdash;wien denkt gij
+wel?&mdash;niemand anders dan Sanders!</p>
+<p>&bdquo;Ik hoopte nog, dat hij mij niet zoo dadelijk zou kennen. Doch
+bij den eersten oogopslag zag hij, wie ik was en reikte mij de hand
+toe. Ik had wel in de zee willen wegzinken! Nooit in mijn leven was ik
+zoo beschaamd en verlegen, als op dat oogenblik.</p>
+<p>&bdquo;Sanders merkte dat wel en bracht mij in zijne kajuit. Daar
+vertelde ik hem alles, wat met mij gebeurd was. Hij scheen vergeten te
+hebben, dat ik mij zoo slecht en gemeen jegens hem gedragen had; hij
+bood mij eene plaats op het schip aan en schoot mij zelfs geld voor, om
+mij weer nieuw in de kleeren te steken.</p>
+<p>&bdquo;Evenwel, of hij mijn vroeger gedrag al vergeten wou, ik kon
+dat niet vergeten. Ik kwam er openlijk voor uit en smeekte hem om
+vergiffenis.</p>
+<p>&bdquo;Deze brave man bleef, zoolang hij leefde, mijn beste vriend.
+Ik werd na eenigen tijd zijn tweede stuurman en wij raakten weer op een
+vertrouwelijken voet met elkander. Mijn ongeluk had mij nederig en
+deemoedig gemaakt.</p>
+<p>&bdquo;Na zijn dood bleef ik nog een tijdlang tweede stuurman op
+zijn schip, doch in &rsquo;t eind werd een ander voor mij
+voorgetrokken. Sedert dien tijd diende ik als gemeen matroos op
+verschillende schepen. Overal werd ik geacht en goed behandeld. Ik
+gevoelde mij, durf ik wel zeggen, nergens ongelukkig, want ik zag recht
+goed in, dat rijkdom mij slechts tot dwaasheden verleiden zou.</p>
+<p>&bdquo;Nu, beste Willem, kent gij de historie van Masterman Flink.
+Ik hoop dat zij hier en daar iets bevat, wat voor u op den duur nuttig
+kan worden. Ik ben thans nog maar een oud man, &rsquo;t leven en de
+vermoeienissen zat; mijne eenige hoop is in vrede te sterven en nog tot
+aan dat oogenblik nuttig te kunnen zijn.&rdquo; <span class=
+"pagenum">[<a id="pb188" href="#pb188" name="pb188">188</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Nuttig zijt gij werkelijk in eene hooge mate geweest,&rdquo;
+zeide mevrouw Wilson, met tranen in de oogen; &bdquo;en ik hoop, oude,
+beste vriend, dat gij nog een langen tijd leven en een hoogen,
+gelukkigen ouderdom bereiken zult.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dank u wel, mevrouw,&rdquo; hernam Flink; &bdquo;maar over
+&rsquo;t algemeen hebben de matrozen geen zeer lang leven. En waarlijk,
+ik zou &rsquo;t overschot van mijne dagen ook zeer gaarne op dit kleine
+eilandje ten einde brengen. Ik weet, dat gij overigen daar heel anders
+over denkt, en dat is ook zeer natuurlijk. Ik ben al een oud man en heb
+niets te wachten, voor niets te zorgen; al, wat ik begeer, is nuttige
+bezigheid. Gij zijt in vergelijking van mij allen nog jong en wacht nog
+veel van de toekomst. Om uwent-, maar niet om mijnentwil hoop ik van
+harte, dat men ons zoeken en vinden zal, zoodat gij weer in de woelige
+wereld kunt terugkeeren. Ik voor mij zal gaarne &rsquo;t overschot van
+mijn leven op dit eiland slijten en hoop, dat die kokostakken eens over
+mijn graf zullen wuiven. Ik weet niet, maar ik heb er een zeker
+voorgevoel van, dat dit ook werkelijk zoo gebeuren zal, en ik kan wel
+zeggen, dat die gedachte in zeker opzicht een troost voor mij
+is.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, neen, daaraan moet gij volstrekt niet denken!&rdquo;
+riep de heer Wilson. &bdquo;Gij moet eens met ons terugkeeren en uw
+ouderdom in ons midden doorbrengen. Gij moet uw zeemansleven opgeven, u
+aan onzen haard nederzetten, als gij wilt, en in onzen tuin u in de zon
+koesteren. Gij hebt behoefte aan rust en ik vertrouw zeker dat gij nog
+een gelukkigen ouderdom zult beleven. In allen gevalle zal het mijne
+schuld niet zijn, als die hoop van mij niet vervuld wordt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;De mijne evenmin,&rdquo; voegde zijne vrouw er bij; &bdquo;ik
+zou ontroostbaar zijn, als gij ooit van ons heengingt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik dank u, mevrouw en ook u, mijnheer, van ganscher harte
+voor uwe goede bedoeling.&mdash;Beste Willem, wij moeten voor dag en
+voor dauw op en daar wij allen nog eerst samen ontbijten zouden, wordt
+het thans, dunkt mij, hoog tijd, om eens met ons hoofdkussen te
+spreken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Gij hebt volkomen gelijk,&rdquo; antwoordde <span class=
+"corr" id="xd21e4322" title="Bron: mijn heer">mijnheer</span>
+Wilson.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch42" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">TWEE-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">TWEEDE UITSTAPJE DOOR HET EILAND.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Den volgenden morgen waren allen zeer vroeg op en
+ontbeten nog met elkander. De gebakken visch smaakte kostelijk; Thomas
+at zoo gulzig, <span class="pagenum">[<a id="pb189" href="#pb189" name=
+"pb189">189</a>]</span>dat hij bijna aan eene graat gestikt was, die
+hem in de keel bleef steken. Juno deed lang vergeefsche moeite om er
+met den vinger bij te komen. Mevrouw Wilson was in grooten angst totdat
+het Juno eindelijk gelukte haar met den wijsvinger los te krijgen.</p>
+<p>Geweren, reiszakken en al het benoodigde tot de reis waren reeds
+vooraf klaargemaakt, en zoo stonden Willem en Flink eindelijk van tafel
+op, namen hartelijk afscheid van de achterblijvenden en begaven zich op
+weg.</p>
+<p>De zon scheen helder, de lucht was reeds tamelijk warm; de dansende
+golven van den oceaan glinsterden in de verte en de kokosboomen
+schommelden hunne gekuifde kruinen in den zachten wind. Met een
+vroolijk hart, braken zij op en riepen de beide herdershonden. Ook
+Vixen wilde meegaan, maar moest tot bewaking van de familie
+achterblijven.</p>
+<p>Het magazijn voorbij, ging het den tegenoverliggenden heuvel op, het
+bosch in en weldra werden de bijlen losgemaakt, om de boomen daarmede
+te merken. Flink haalde zijn zakkompas voor den dag en regelde daarnaar
+de richting van den weg, dien zij nemen wilden.</p>
+<p>Een tijdlang ging het zoo voort, zonder dat men een woord sprak,
+rechts en links werd de boombast met de bijl geteekend, totdat Flink
+andermaal staan bleef, om naar zijn kompas te zien.</p>
+<p>&bdquo;Mij dunkt, Flink, het bosch is hier dichter, dan ik het nog
+ergens gezien heb,&rdquo; zeide Willem.</p>
+<p>&bdquo;Ja, ja, gij hebt gelijk. Naar &rsquo;t mij voorkomt, moeten
+wij thans omtrent midden op het eiland in het dichtste deel van het
+woud zijn. Dat zal wel spoedig blijken. We moeten ons wat meer naar het
+Zuiden richten; daarbij zal het goed zijn, dat we stevig doorstappen.
+Hoe verder we komen, des te minder hebben we te doen, en we kunnen dan
+ook rustig samen praten.&rdquo;</p>
+<p>Zoo stapten zij een half uur wakker voort. Gelijk Flink gezegd had,
+werd het bosch allengs minder dicht, maar toch konden zij niets dan
+kokosstammen ontdekken. Het was geen lichte arbeid, ieder oogenblik
+nieuwe boomen te merken, en het zweet liep hun tappelings over het
+gezicht, zoo zwaar begon hun dat ten laatste te vallen.</p>
+<p>&bdquo;Me dunkt, Willem, we moesten eens eene minuut of wat
+uitrusten, want anders wordt gij al te moe. Ge zijt nog niet zoo sterk,
+als gij v&oacute;&oacute;r uwe ziekte waart.&rdquo;<a id="xd21e4350"
+name="xd21e4350"></a></p>
+<p>&bdquo;Ik ben niet meer zoo goed aan het werk gewoon als vroeger, en
+daarom ben ik nu gauwer moe, Flink,&rdquo; antwoordde Willem en droogde
+zich het gezicht met zijn zakdoek af, terwijl hij zijn geweer tegen een
+boomstam zette. &bdquo;Ik heb er niets tegen, dat we eens een poosje
+uitblazen. Hoe lang, <span class="pagenum">[<a id="pb190" href="#pb190"
+name="pb190">190</a>]</span>denkt ge, zal het nog duren tot we het
+bosch achter den rug hebben?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Me dunkt, geen half uur meer; of misschien zijn wij er
+schielijker uit. Ik weet niet, hoe ver het bosch zich in deze richting
+uitstrekt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat denkt ge dan zoo al daar achter te vinden?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is moeilijk te zeggen. Ik kan alleen zeggen wat ik hoop
+te vinden, namelijk een ruim, vlak grasveld tusschen het bosch en de
+kust, waar onze schapen en geiten weiden kunnen. Dan was het ook
+mogelijk, dat wij buiten de kokossen nog andere boomen, heesters en
+struiken vonden; tot hiertoe hebben wij niets dan kokosboomen en
+ricinusstruiken gezien. Weet gij nog wel Willem, hoe Thomas het van de
+bessen te kwaad gehad heeft? &rsquo;t Is onmogelijk te bepalen, mijn
+jongen, hoe menigerlei zaadkorrels door vogels of door wind en baren
+wel hierheen gebracht zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, maar zouden die zaken ook opkomen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wel zeker, Willem. Ik heb mij wel eens laten vertellen, dat
+vele zaadkorrels honderden jaren onder den grond kunnen zitten en
+later, als de zon er op schijnt, toch nog opkomen<span class="corr" id=
+"xd21e4367" title="Bron: ?">!</span>&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Nu herinner ik mij,&rdquo; antwoordde Willem, &bdquo;dat mijn
+vader mij eens vertelde, hoe een gerstekorrel, die voor drie of vier
+duizend jaren met eene Egyptische mummie begraven was, zelfs na dien
+langen tijd nog opkwam, nadat men haar in den grond had
+gestoken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat is dat eene mummie, Willem? Van Egypte heb ik wel
+gehoord: dat is het land, waar de kinderen Isra&euml;ls gevangen waren
+en waar zij later uittrokken. Dat alles lezen wij in den Bijbel, en ook
+van de zeven plagen, waarmede Pharao bezocht werd, totdat hij het
+Joodsche volk gaan liet.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, ja; hij verdronk met zijn gansche leger, omdat hij hen
+achtervolgde en weder terugdrijven wilde.&mdash;Eene mummie, Flink, is
+het lijk van een mensch, dat na den dood met verschillende specerijen
+ingebalsemd wordt, om het tegen verrotting te bewaren. Ik heb er nog
+nooit eene gezien, maar weet uit de boeken, dat de Egyptenaren hunne
+lijken zoo plachten in te balsemen.&mdash;Maar kom, nu kan ik, dunkt
+mij, wel weer verder gaan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Goed, Willem; hoe eer wij het bosch achter ons hebben, des te
+beter voor ons.&rdquo;</p>
+<p>Zonder oponthoud zetten zij na hunne wandeling voort, en ze waren
+nog geen kwartier verder, of Willem riep:</p>
+<p>&bdquo;Flink, ik zie den blauwen hemel! We zijn het bosch weldra ten
+einde, en ik ben daar hartelijk blij om, want mijn arm doet mij zeer
+van dat aanhoudend kappen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Mij gaat het niet beter, Willem. Ik ben waarlijk even blij
+als gij; want <span class="pagenum">[<a id="pb191" href="#pb191" name=
+"pb191">191</a>]</span>het werken heeft mij ook vermoeid. Evenwel
+moeten wij daarmee nog voortgaan, want anders vinden we onzen weg niet
+terug, als wij dien noodig hebben.&rdquo;</p>
+<p>Tien minuten later hadden zij het kokosbosch achter zich en kwamen
+te midden van manshooge struiken zoodat zij niet zien konden, hoe ver
+zij nog van de kust verwijderd waren.</p>
+<p>&bdquo;Nu, Goddank,&rdquo; riep Willem en wierp de bijl op den
+grond; &bdquo;ik ben blij, dat dit voorbij is. Nu zullen we ons een
+poosje neerzetten, voordat wij verder gaan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is mij wel,&rdquo; zeide Flink en nam bij Willem
+plaats.</p>
+<p>&bdquo;Ik voel mij heden veel meer vermoeid, dan toen wij van de
+andere zijde van het eiland door het bosch kwamen. Ik geloof bijna, dat
+het weer daaraan schuld is. Komt hier honden; koest daar!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Het weer is toch heel mooi, Flink.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Nu, ja zeker; maar ik heb u, meen ik, reeds gezegd, dat de
+regentijd voor de gezondheid zeer nadeelig is, en zoo denk ik wel
+haast, dat ik daarvan nog niet bekomen ben. Gij hebt wezenlijk de
+koorts gehad en kunt u natuurlijk niet zeer sterk voelen; maar men kan
+toch ook zonder koorts aan zijne gezondheid veel geleden hebben. Ik ben
+een oud man, Willem, en begin thans allerlei gebreken te
+voelen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Me dunkt, Flink, voordat wij opbreken, moesten wij ons
+middagmaal houden; dat zal ons zeker goed doen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, Willem, wij zullen een vroeg maal houden dan raken wij in
+allen gevalle eene onzer waterflesschen kwijt. Halt! goed, dat ik het
+bedenk. Daar wij toch denzelfden weg terug moeten, konden we onze
+reiszakken en al &rsquo;t verdere buiten de geweren wel onder deze
+boomen laten liggen. Misschien ook dat wij hier wel overnachten zullen,
+want ik heb uw vader stellig gezegd, dat hij ons vandaag nog niet terug
+wachten moest. Aan uwe moeder wilde ik dat niet zeggen, omdat zij
+altijd zoo bezorgd voor u is.&rdquo;</p>
+<p>Hierop werden de knapzakken geopend en het middagmaal gehouden,
+waarvan de beide honden rijkelijk hun deel kregen. Na het eten zetten
+zij hunne ontdekkingsreis opnieuw voort. Wel tien minuten lang moesten
+zij zich door de hooge, dichte struiken een weg banen, totdat zij ten
+laatste den uitgang bereikten en toen eene poos zonder een woord te
+spreken in het rond zagen.</p>
+<p>De zee lag op ongeveer <span class="corr" id="xd21e4408" title=
+"Bron: eenhalve">een halve</span> mijl afstands voor hen: het
+daartusschen liggende land was eene open vlakte met frisch, heerlijk
+gras overdekt, en vormde eene voortreffelijke weideplaats. Hier en daar
+was de bodem met <span class="pagenum">[<a id="pb192" href="#pb192"
+name="pb192">192</a>]</span>enkele kleine boomgroepen bezet; de kust
+vormde geen zandvlakte gelijk op de andere zijde, maar de klippen rezen
+tot eene hoogte van twintig tot dertig voet loodrecht uit de zee op en
+waren op vele plaatsen met een vreemde, sneeuwwitte stof overdekt.</p>
+<p>&bdquo;Zie, Flink,&rdquo; begon Willem eindelijk, &bdquo;daar zou
+nog voeder genoeg voor onze kudde zijn, ook als zij tienmaal zoo sterk
+werd.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, ja, mijn jongen; dat is een groot geluk, en wij hebben
+alle reden om dankbaar daarvoor te zijn. Dat is juist wat wij noodig
+hadden. Laat ons nu echter wat verder gaan en die boomgroepen
+onderzoeken, om te zien, waaruit ze bestaan. Ik zie daar een groot,
+breed blad, dat ik, als ik mij niet bedrieg, al dikwijls meer gezien
+heb.&mdash;Ja, Willem, ik had wel gelijk,&rdquo; vervolgde hij, nadat
+zij de boomen, waarop hij gewezen had, genaderd waren. &bdquo;Ziehier,
+dat is een pisangboom. Hij bot juist uit en zal weldra tien of twaalf
+voet hoog zijn. Zijne vrucht smaakt voortreffelijk en zijne bladeren
+geven een uitmuntend voedsel voor het vee.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hier is een plant, die ik nog nooit gezien heb,&mdash;hier
+deze kleine,&rdquo; zeide Willem, terwijl hij een takje afbrak en dat
+zijn ouden vriend toonde.</p>
+<p>&bdquo;Maar ik wel, Willem. Men noemt het gewoonlijk vogelpeper en
+de u welbekende Cayennepeper wordt daaruit bereid. Zie, het heeft al
+loten; het zal ons bij het koken goede diensten doen, daar we toch geen
+peper meer overhebben. Juno zal er wat blij mee zijn. Gij kunt daar
+verder uit opmaken, Willem, dat er ook vogels op dit eiland moeten
+zijn; althans is dit zeer waarschijnlijk, want de zaden van al deze
+planten en boomen kunnen slechts door hen hierheen gedragen zijn.
+Pisang en peper dienen vele vogelsoorten tot voedsel. De zaadkorrel,
+welk een dezer vogels vallen liet, is opgekomen en heeft verdere loten
+om zich heen verspreid, die van jaar tot jaar in talrijkheid en grootte
+toenamen. Dit is ook de reden, waarom gij ze alle in afzonderlijke
+groepen hier en daar verstrooid ziet. Kijk, daar schiet eene menigte
+Pisangplanten uit den bodem op; in weinige weken zullen ze een heel
+bosch uitmaken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En wat is dat daar voor eene stekelachtige struik,
+Flink?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik zie niet zoo scherp als gij Willem, en dus dienen wij wat
+naderbij te treden. Ha, ik zie het al; het is de zoogenaamde
+Westindische stekelbes. Ik ben zeer blij haar gevonden te <span class=
+"corr" id="xd21e4425" title="Bron: hebbenl">hebben,</span> want zij kan
+ons van groot nut zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Is ze goed om te eten, Flink?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat juist niet; ook prikt ge u met hare stekels licht in de
+vingers en kunt ge ze er moeilijk weer uitkrijgen; voor de afwisseling
+evenwel zal zij <span class="pagenum">[<a id="pb193" href="#pb193"
+name="pb193">193</a>]</span>zoo kwaad niet smaken. Het hoofdnut brengt
+die struik nochtans als heg om onzen tuin aan, tot bescherming tegen de
+dieren. Zij geeft eene uitmuntende heining en wast zeer snel, zonder
+oppassing noodig te hebben. Zie eens, daar staat een halve akker vol
+met dat gewas; het is juist aan het bloeien toe. Laat ons nu eens naar
+gindsche groep gaan en zien wat het is.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat is dat voor eene plant, Flink?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik weet het niet, Willem; ik kan niet zeggen, dat ik ze
+vroeger ooit gezien heb.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dan, dunkt mij, zal ik &rsquo;t best doen, al de planten, die
+gij niet kent, te verzamelen en aan vader te brengen. Hij is een groot
+vriend van de kruidkunde en zal ons wel weten te zeggen wat ze
+zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Braaf! Dat zullen wij doen; dat is een recht goede inval van
+u.&rdquo;</p>
+<p>Willem plukte een tak van de onbekende plant af en nam dien mede.
+Bij de naaste groep bleef Flink staan en beschouwde haar lang met
+groote opmerkzaamheid.</p>
+<p>&bdquo;Wacht, laat zien,&rdquo; zeide hij eindelijk; &bdquo;dezen
+boom geloof ik te <span class="corr" id="xd21e4447" title=
+"Bron: kenen">kennen</span>, althans heb ik hem meer in de heete landen
+gezien. Ja, ja, ik heb &rsquo;t, Willem; een guayababoom.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hoe, dezelfde, uit wiens vruchten men den guayabawijn
+bereidt?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, dezelfde.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Nu, wat zal Thomas watertanden, als hij daarvan hoort!
+Kapitein Osborn gaf ons op onze reis eens guayabamost te proeven, en
+Thomas wilde er al meer van hebben, zoo smaakte die hem.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Kleine jongens van Thomas&rsquo; jaren denken meer aan eten
+en drinken dan aan iets anders; dat is natuurlijk, en wij moeten Thomas
+daarom niet hard vallen. Hij zal mettertijd een fiksche jongen worden;
+geloof dat vrij, Willem<span class="corr" id="xd21e4458" title=
+"Bron: &rdquo;!">!&rdquo;</span></p>
+<p>&bdquo;O zeker, dat hoop ik ook, Flink, en ik twijfel er ook in
+&rsquo;t geheel niet aan. Willen we thans verder gaan?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja; maar welken kant zoudt ge &rsquo;t liefst
+gaan?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Laat ons in de richting van deze vijf boomen voortloopen en
+dan tot aan de klippen afdalen. Ik zou gaarne weten hoe het komt, dat
+die zoo wit zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Komaan dan, als gij het zoo verkiest, beste
+jongen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;H&eacute;, Flink! wat is dat voor een rumoer? Luister, dat
+geschreeuw! Dat moeten apen zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, neen, dat zijn geen apen; ik wil u wel aanstonds
+zeggen, wat het is, ofschoon ik nog niets zie.&mdash;Papegaaien zijn
+&rsquo;t,&mdash;ik ken hen aan hun geschreeuw. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb194" href="#pb194" name="pb194">194</a>]</span>Zie,
+Willem, het is niet heel waarschijnlijk, dat apen hierheen gedwaald
+zouden zijn, maar wel vogels, en aan hen zijn wij de pisangs en guayaba
+en al de andere vruchten verschuldigd, die wij misschien nog ontdekken
+zullen.&rdquo;</p>
+<p>Zoodra zij onder de boomen kwamen, ontstond er een oorverdoovend
+gefladder en geschreeuw. Meer dan driehonderd papegaaien vlogen
+krijschend op en hunne fraaie groene en blauwe pluimen schitterden
+prachtig in de stralen der zon.</p>
+<p>&bdquo;Zeide ik het niet, Willem? Nu, dat is eene kostelijke
+ontdekking en kan ons van tijd tot tijd aan eene keurige pastei
+helpen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Pastei, Flink? Gebruikt men hen dan tot pasteien?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O ja, zij smaken heerlijk; in <span class="corr" id=
+"xd21e4484" title="Bron: West Indi&euml;">West-Indi&euml;</span> en
+Zuid-Amerika heb ik er mij dikwijls lekker op vergast. Wacht, wacht,
+laat ons hier nog een eindje verder op gaan. Ik zie daar een blad, dat
+ik gaarne nader onderzoeken zou.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;De grond schijnt hier moerassig te worden, Flink, dunkt u dat
+ook niet?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, ja; hier onder onze voeten schuilt water genoeg. Des te
+beter voor ons vee; wij graven het dan eenige kommen, als het hierheen
+komt. Ha! ik dacht wel, dat ik mij niet bedriegen zou. Zie eens,
+Willem! dat is het allerbeste, dat we nog gevonden hebben; nu behoeven
+wij niet zoo meer van onze aardappelen af te hangen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ei, wat is het dan, Flink?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Yamswortels, mijn jongen, yams- of broodwortels, die men in
+West-Indi&euml; in plaats van aardappelen gebruikt. Gij moet namelijk
+weten, dat de aardappelen in heete luchtstreken niet lang hunne
+oorspronkelijke gedaante behouden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hoe meent gij dat, Flink?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Na een of twee oogsten veranderen zij in zoogenaamde zoete
+aardappelen; de yamswortels zijn, naar mijn oordeel, in alle gevallen
+beter.&rdquo;</p>
+<p>Op dit oogenblik wierpen de honden zich in het door de yamswortels
+gevormde hooge groen en begonnen te blaffen; een poosje daarna hoorde
+men een sterk getrappel en gebrom.</p>
+<p>&bdquo;Wat is dat?&rdquo; riep Willem, die zich juist op den grond
+gelegd had, om de yamsplant te onderzoeken en bij dat gerucht ontsteld
+opsprong.</p>
+<p>De oude man lachte hartelijk.</p>
+<p>&bdquo;Het is niet de eerste maal, Willem,&rdquo; zeide hij,
+&bdquo;dat ze u een schrik op het lijf hebben <span class="corr" id=
+"xd21e4508" title="Bron: gelaagd">gejaagd</span>.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat! onze varkens zijn het? Wezenlijk?<span class="corr" id=
+"xd21e4513" title="Niet in bron">&rdquo;</span> vroeg de knaap
+verwonderd. <span class="pagenum">[<a id="pb195" href="#pb195" name=
+"pb195">195</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Wis en zeker: zij hebben de broodwortels in den neus gekregen
+en smullen er braaf van, dat moogt gij vrij gelooven.&rdquo;</p>
+<p>Flink verhief zijne stem en klapte in de handen. Weldra hoorde men
+onder de bladeren een getrappel en geknor en kort daarop
+sprongen&mdash;niet zes, maar over de dertig varkens, groote en
+<span class="corr" id="xd21e4521" title="Bron: klein">kleine,</span>
+uit het groen te voorschijn; en snuivend en knorrend stoof de gansche
+kudde in wilden galop langs de vlakte voort, totdat zij het kokosbosch
+bereikt had en daarin verdween.</p>
+<p>&bdquo;Maar wat zijn ze wild, Flink!&rdquo; riep Willem.</p>
+<p>&bdquo;Ja, en ze worden nog met elken <span class="corr" id=
+"xd21e4528" title="Bron: dag dag">dag</span> wilder. We moeten de
+yamswortels echter tegen hen omheinen, anders blijft er ons niets van
+over.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar ze zullen de heg vernielen, voordat die nog behoorlijk
+is opgeschoten.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat zouden zij wel; maar daartegen maken wij een stevige
+omheining van kokospalen en planten aan den buitenkant van die
+stekelbessen, welke gij ginds gevonden hebt. Eer nog onze palen
+vermolmd zijn, wassen de stekelbessen tot eene heg omhoog, waardoor
+geen dier kan heenbreken.&mdash;Nu, Willem, moeten wij ons echter eens
+naar de kust wenden.&rdquo;</p>
+<p>Toen zij de rotsen naderden, die op enkele plaatsen vijftig ellen
+boven den rand des waters uitstaken, merkte Flink aan:</p>
+<p>&bdquo;Nu kan ik u zeggen, jonge vriend, wat de witte plekken ginds
+op de klippen te beduiden hebben. Zij zijn afkomstig van de zeevogels,
+die hier ieder jaar komen nestelen en hunne jongen uitbroeden. Als
+niets hun dat belet, keeren zij telkenreize naar de eigen stee
+terug.&rdquo;</p>
+<p>Zij bereikten weldra het bedoelde punt, dat zich uit de verte zoo
+wit vertoonde; zij vonden het vol veeren en pluimen, met mest en drek
+doormengd.</p>
+<p>&bdquo;Ik zie nergens een nest, Flink: niet eens een spoor van
+vroegere nesten.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wel dat is ook niet mogelijk. Hun geheele nest bestaat
+namelijk daarin dat zij een rond gat van een halven duim diep in den
+grond krabben en dicht naast elkander gezeten hunne eieren in de kuilen
+leggen. Spoedig is het tijd dat zij terugkomen; dan zullen wij hun een
+bezoek brengen en van hunne eieren medenemen, zooveel als wij er noodig
+hebben. Die smaken namelijk lang niet leelijk.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ei, Flink, wat hebben wij vandaag al eene menigte goede
+dingen gevonden. Ons uitstapje is toch waarlijk heel gelukkig
+uitgevallen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, inderdaad; bedenk slechts, mijn jongen, hoe onze
+hulpmiddelen hier van jaar tot jaar vermeerderd kunnen worden, als wij
+maar eenigermate vlijtig en arbeidzaam zijn.&rdquo; <span class=
+"pagenum">[<a id="pb196" href="#pb196" name="pb196">196</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Weet ge wat ik daar al dacht, Flink?&mdash;We hadden ons huis
+misschien liever hier moeten bouwen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O, neen, Willem; we hebben hier niet zulk zuiver water als
+daar, en ook niet het zandige strand, dat ons het voordeel van een
+schildpad- en een vischvijver verleent. Neen, Willem, ons vee kunnen
+wij hier wel laten weiden; we kunnen hier de vruchten in het rond
+inoogsten en met de arme vogels deelen; we kunnen de yamswortels en wat
+nog verder nuttigs hier voor ons groeit inzamelen; maar ons huis, onze
+woning, moet blijven waar het tegenwoordig is.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Gij hebt gelijk, Flink; maar het zal een lange weg wezen
+hierheen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ook dat niet, als wij er maar eerst aan gewoon zijn en een
+behoorlijk pad gemaakt hebben. Bovendien kunnen wij misschien onze boot
+hierheen brengen. Ik zal dadelijk maar eens langs de klippen gaan en
+dat onderzoeken.<span class="corr" id="xd21e4560" title=
+"Niet in bron">&rdquo;</span></p>
+<p>Zij gingen nu ongeveer een half uur den zeekant langs, totdat zij
+aan een punt kwamen, waar de rotsen niet meer zoo hoog waren. Daar
+ontdekten zij eene kleine kom, die in de klippen was ingesneden en
+slechts een enkelen ingang had.</p>
+<p>&bdquo;Zie eens, Willem, welk eene aardige kleine haven voor onze
+boot. Van hier kunnen wij haar met yamswortels laden en naar onze
+woonplaats brengen, verondersteld dat wij op de zuidzijde eene
+doorvaart voor haar vinden kunnen. Wij hebben daar nog niet naar
+omgezien, omdat wij tot hiertoe zoo iets nog niet noodig
+hadden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, Flink, dat is waarlijk een aardig, rustig plaatsje voor
+onze boot; doch hoe zullen wij het wedervinden, als wij van de andere
+zij van het eiland aankomen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O, heel <span class="corr" id="xd21e4571" title=
+"Bron: gemakelijk">gemakkelijk</span>, Willem; ik heb slechts een
+hoogen stok als merkteeken op te zetten.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat is dat daar toch voor een ding, Flink?&rdquo; vroeg
+Willem en wees op een voorwerp in de laagte.</p>
+<p>&bdquo;Aha, ik zie het al, jongen; dat is een zeekreeft, die zeer
+goed is om te eten. &rsquo;t Is wel mogelijk, dat wij dan ook nog eens
+een kreeftvijver gaan aanleggen; dan kunnen wij hen in menigte vangen
+en krijgen een smakelijk gerecht te meer.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En wat zijn dan die kleine ruwe dingen daar beneden aan de
+klippen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is eene zeer kleine soort van oesters, die heel zoet
+smaken. Ze zijn anders dan die in Europa; ze zijn veel malscher en
+smaken nog veel beter.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Bravo, Flink, dan hebben wij weer twee nieuwe lekkernijen op
+onze tafel,&rdquo; riep Willem verblijd uit. &bdquo;Wat worden wij nog
+rijk!&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb197" href="#pb197" name=
+"pb197">197</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Ja, mijn jongen; maar vergeet niet, dat wij ze eerst moeten
+vangen, want zonder moeite en arbeid krijgt men in de wereld niets
+gedaan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Flink,&rdquo; begon Willem plotseling weder, &bdquo;wij
+hebben nog drie volle uren dag: willen we niet naar huis gaan en
+vertellen, wat we gezien hebben? Moeder zal hartelijk blij wezen, als
+zij ons wederziet.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Met hart en ziel mijn jongen. Voor een dag hebben wij vrij
+wat afgedaan; dus kunnen we nu wel terugkeeren en weer eene week te
+huis blijven of althans zoolang men ons daar niet missen kan. Vruchten
+zijn er bovendien toch nog niet; het eenige, waarvoor ik zorg wil
+dragen, zijn de yamswortels, want ik ben bang, dat onze varkens anders
+met het beste wegloopen. Doch laat ons nu op weg gaan en de zaak nader
+met uwen vader overleggen.&rdquo;</p>
+<p>Terwijl Willem van het zeestrand naar het kokosbosch terugkeerde,
+plukte hij van iedere plant, die hij voorbijkwam een takje af, om dat
+voor zijne vader mede te nemen. Weldra vonden zij het plaatsje, waar
+zij hunne knapzakken en handbijlen hadden achtergelaten. Van daar
+keerden zij langs het vorige pad door het kokosbosch terug en volgden
+daarbij de merken, die zij &rsquo;s morgens in de boomen hadden
+uitgekapt.</p>
+<p>Een uur voor zonsondergang kwamen zij bij hunne woning aan en vonden
+mijnheer en mevrouw Wilson voor de deur zitten. Juno was met de beide
+kleinen aan het strand, en de dreumessen hadden dol veel pleizier met
+de schelpen, die zij hier <span class="corr" id="xd21e4596" title=
+"Bron: een">en</span> daar op het zand vonden. Willem gaf zijn vader
+nauwkeurig verslag van al wat hij ontdekt had en liet hem de monsters
+van al de verschillende planten zien, die hij had opgedaan.</p>
+<p><span class="corr" id="xd21e4600" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>Dit hier,&rdquo; zeide zijn vader,
+&bdquo;is eene algemeene bekende plant, en &rsquo;t verwondert mij, dat
+onze Flink haar niet kent;&mdash;&rsquo;t is immers hennep.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dien heb ik nooit anders dan tot touw verwerkt gezien,&rdquo;
+betuigde Flink; &bdquo;maar het zaad ken ik daarom toch heel
+wel.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Nu, als wij er van noodig hebben, kan ik u zeggen hoe men er
+mee moet omgaan,&rdquo; antwoordde mijnheer Wilson. &bdquo;Laat zien,
+Willem, wat hebt ge nu?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dit vreemde, stekelachtige ding.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is de eierplant; ze draagt eene vrucht van vorm en
+kleur geheel gelijk een ei. Ik heb wel gehoord, dat die in de heete
+luchtstreken wordt gegeten.<span class="corr" id="xd21e4611" title=
+"Niet in bron">&rdquo;</span></p>
+<p>&bdquo;Ja, mijnheer, dat is ook zoo. Men legt ze in met peper en
+zout; dat noemt men dan bringal. Me dunkt, dat moet het wel
+wezen.<span class="corr" id="xd21e4616" title=
+"Niet in bron">&rdquo;</span></p>
+<p>&bdquo;Vast wel; ge hebt zeker gelijk,&rdquo; hernam mijnheer
+Wilson.&mdash;&bdquo;Foei, Willem, dat hier moest ge toch
+kennen.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb198" href="#pb198" name=
+"pb198">198</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Het heeft veel van eene wijndruif.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja; dat is het ook, &rsquo;t is eene witte druif. In allen
+gevalle kunnen wij ze eten en misschien ook wijn daaruit persen; wie
+weet!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Nu heb ik nog maar &eacute;&eacute;ne plant, vader. Wat is
+dat?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Gij hebt het niet gekend, Willem, omdat het zoo hoog
+opgeschoten is. &rsquo;t Is niets anders dan de gewone
+mosterdzaadplant, die wij in Europa in menigte aankweeken. Nu, waarlijk
+gij hebt uw dagwerk goed volbracht. Kom, haast u wat, Juno, met de
+tafel te dekken, meid. We gaan dus maar naar binnen; want de zon is
+reeds aan &rsquo;t ondergaan en over een paar minuten is het
+donker.<span class="corr" id="xd21e4631" title=
+"Niet in bron">&rdquo;</span></p>
+<p>Zoodra zij naar huis teruggekeerd waren, werd over den thans
+onderhanden te nemen arbeid beraadslaagd. Na eenig overleg kwam men
+overeen, dat het raadzaam zou zijn eerst de boot uit het zand op te
+delven. Zoodra deze in orde was gebracht, zouden de klippenreeksen aan
+de zuidzijde onderzocht worden, om te zien of er een doorgang door te
+vinden was, daar het waarschijnlijk veel tijd zou wegnemen, als men ze
+moest omvaren.</p>
+<p>Wanneer dit geschied was, wilden mijnheer Wilson, Flink, Willem en
+Juno allen te zamen naar de andere zijde van het bosch gaan en eene
+tent medenemen, die op den nieuw ontdekten grond zou worden opgeslagen.
+Dan wilde men een vlaggestok in de kleine haven planten, om de plaats
+daaraan te kunnen herkennen. Dit alles gaf natuurlijk een vrij zwaar
+dagwerk; maar toch wilden zij nog den eigen avond terugkeeren, om
+mevrouw en de kinderen geen nacht alleen te laten.</p>
+<p>Was dit gedaan, dan zouden Flink en Willem assen, raderen en andere
+benoodigde dingen, als b. v. zagen, bijlen en spaden, in de boot laden
+en om het eiland naar de zuidzijde roeien, om de kleine haven op te
+zoeken. Terstond na hunne <span class="corr" id="xd21e4640" title=
+"Bron: lading">landing</span> en het in veiligheid brengen van de boot,
+zouden zij dan langs het woudpad naar huis terugkeeren.</p>
+<p>Het eerstvolgend werk zou dan zijn, het yamsplantsoen te omheinen en
+tegen de verwoestingen van de varkens te beschutten.</p>
+<p>Tegelijk moesten de schapen en geiten door het bosch worden
+gedreven, om op den nieuwen weidegrond hun voedsel te zoeken.</p>
+<p>De oude plek zou blijven staan en afgemaaid worden, om hooi te
+winnen tegen den regentijd. Flink en Willem zouden eene genoegzame
+hoeveelheid kokosboomen vellen, om voor de omheining van het
+yamsplantsoen te dienen. Waren de palen eens ingeslagen, dan wilde ook
+mijnheer Wilson komen en hun verder de behulpzame hand bieden.</p>
+<p>Dit, hoopten zij, zou alles in eene maand zijn afgedaan. Gedurende
+dezen <span class="pagenum">[<a id="pb199" href="#pb199" name=
+"pb199">199</a>]</span>tijd konden mevrouw Wilson en Juno, die
+doorgaans te huis moesten blijven, het onkruid uit den tuin wieden en
+de noodige toebereidselen maken tot het planten van een heg. Zoodra dit
+gewichtige werk achter den rug was, zou de boot met eene lading
+stekelbesstruiken voor de tuinheg in de baai terugkeeren.</p>
+<p>Dan wilden zij hunne opmerkzaamheid op den voorraad richten, die uit
+de schipbreuk gered was geworden en nog altijd aan de bocht, waar zij
+het eerst geland waren, lag opgehoopt. Na alles onderzocht en de
+bruikbare artikelen bijeenvergaderd en in het magazijn gebracht te
+hebben, zouden zij vervolgens eene regelmatige opneming van het eiland
+te land en te water doen en eene teekening daarvan ontwerpen, hetgeen
+mijnheer Wilson zeer goed was toevertrouwd.</p>
+<p>Dit waren de plannen voor het schoone jaargetijde, dat thans een
+aanvang had genomen.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch43" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">DRIE-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">UITZICHT OP REDDING.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Als naar gewoonte was Flink den volgenden morgen de
+eerste, die uit het huis kwam. Hij groette Juno, die hem op den voet
+volgde, en ging toen zijne gebruikelijke morgenwandeling doen, om naar
+het plantsoen en den verderen voorraad te zien.</p>
+<p>Eerst ging hij in den tuin aan den landpunt. Daar nam hij zich voor,
+om bij de erwten, die reeds zes of zeven duim boven den grond stonden,
+staken te zetten. Vervolgens bezag hij de groote boonen, die voor den
+regentijd gepoot waren, en besloot de aarde er rondom om te woelen;
+want dit gerecht was voor hen van veel waarde en kon gedurende den
+regentijd meermalen de hoofdschotel op hunne tafel worden. Daarna zag
+hij, of de augurken al boven den grond kwamen, en ontdekte tot zijne
+blijdschap, dat zij welig groeiden.</p>
+<p>&bdquo;We hebben, voor zoover ik weet, wel geen azijn om ze in te
+leggen,&rdquo; dacht hij, &bdquo;maar dat kan, zooals in Rusland, ook
+in zout water gebeuren. In allen gevalle is het eene aangename
+afwisseling.&rdquo;</p>
+<p>Eindelijk richtte hij zijn oog naar de zee en monsterde, als
+doorgaans<span class="corr" id="xd21e4671" title=
+"Niet in bron">,</span> den voor hem liggenden
+gezichteinder.&mdash;Daar meende hij in het noordwesten <span class=
+"pagenum">[<a id="pb200" href="#pb200" name="pb200">200</a>]</span>een
+schip te zien. Hij bracht zijn kijker aan het oog, en ziedaar, hij had
+zich niet bedrogen,&mdash;het was inderdaad een schip in de verte.</p>
+<p>Den ouden man begon het hart hevig te kloppen. Hij nam zijn kijker
+onder den arm en haalde diep adem, voordat hij zich van de ontroering,
+die hem bevangen had, herstellen kon. Na eene minuut zette hij den
+kijker opnieuw aan het oog en thans ontdekte hij, dat eene brik met
+mars- en bramzeilen regelrecht op het eiland aanstuurde.</p>
+<p>Flink wendde zich naar de rotspunt, waar zij gewoonlijk hun visch
+plachten te vangen. Daar zette hij zich neder en gaf zich aan zijne
+gedachten over. Was dat schip misschien uitgezonden, om hen in hunne
+verlatenheid op te zoeken, of was het door een bloot toeval tusschen de
+rotsen geraakt? Na kort nadenken, kwam hij echter tot het gevoelen, dat
+slechts het toeval het herwaarts geleid had; want niemand kon immers
+weten, dat zij gered waren geworden, en nog minder, dat zij zich op dit
+eiland bevonden. Dat het schip op het eiland aanhield, was enkel omdat
+het water of iets anders wenschte in te nemen. Misschien wilde het ook
+zijne koers veranderen en het eiland slechts voorbijzeilen.</p>
+<p>&bdquo;Nu dan, er moge gebeuren wat er wil,&rdquo; dacht de oude,
+<span class="corr" id="xd21e4682" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>vooreerst zal ik Willems ouders niets van
+de zaak zeggen. Het zou wreed zijn eene hoop bij hen op te wekken, die
+zoo licht nog kan worden teleurgesteld. Binnen weinig uren zal &rsquo;t
+immers toch beslist zijn. Maar Willem moet ik het
+toevertrouwen,&mdash;dat kan niet anders, hij is een brave jongen en
+daarbij ook verstandig, ver boven zijne jaren. Als hij in &rsquo;t
+leven blijft, zal hij eens een knap en, wat meer is, een braaf man
+worden.&rdquo;</p>
+<p>Met deze woorden stond Flink op, monsterde het schip nog eenmaal
+door zijn kijker en ging toen naar huis. Willem was reeds op; de
+anderen daarentegen waren nog bezig met zich aan te kleeden.</p>
+<p>&bdquo;Willem,&rdquo; begon Flink, terwijl beiden het huis
+verlieten, &bdquo;ik heb u een geheim mede te deelen, dat gij vooreerst
+nog aan niemand moogt verklappen, zooals gij zelf wel kunt inzien.
+Bovendien zullen weinige uren de zaak beslissen.&rdquo; Willem gaf
+gereedelijk de belofte van stilzwijgendheid. &bdquo;Ginds op zee
+vertoont zich een schip, dat &oacute;f een middel kan zijn om ons uit
+onze ballingschap te verlossen, &oacute;f in &rsquo;t ergste geval
+langs het eiland voorbijvaart, zonder ons gewaar te worden. Ware dit
+laatste zoo, dan zou &rsquo;t eene grievende teleurstelling voor uwe
+ouders zijn, als zij het te weten kwamen.&rdquo;</p>
+<p>Willem staarde Flink in het gezicht en kon een tijdlang geen woord
+uitbrengen, zoo groot was zijne verbazing.</p>
+<p>&bdquo;Ach, Flink, wat zal ik dankbaar zijn! Ik hoop, dat wij
+eindelijk verlost <span class="pagenum">[<a id="pb201" href="#pb201"
+name="pb201">201</a>]</span>worden, want gij weet niet, hoe mijn arme
+vader in het geheim lijdt&mdash;en mijne moeder niet minder.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik weet het wel, Willem, ik weet het zeer goed en vind het
+ook natuurlijk. Zij zoeken hun verdriet zoo goed mogelijk te verbergen,
+en meer kan men van hen niet verlangen.&mdash;Maar nu, Willem, komt het
+op een rasch besluit aan: nog v&oacute;&oacute;r het ontbijt moeten wij
+aan het werk. Doch wacht eens,&mdash;eerst wil ik u het schip
+wijzen.&rdquo;</p>
+<p>Flink richtte zijn kijker op het schip, liet zijn instrument tegen
+den stam van een kokosboom leunen, en toen bracht Willem zijn oog aan
+het glas.</p>
+<p><span class="corr" id="xd21e4701" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>Ziet gij het?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O ja, Flink; het komt recht op ons aan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, ja, het stuurt regelrecht op het eiland los. Maar spreek
+zoo hard niet, mijn jongen. Ik zal den kijker hier laten; wijzelven
+zullen aan het werk gaan; in het voorraadhuis vinden wij eene bijl.
+Kom, Willem, gezwind, jongen, voordat uw vader buiten komt.&rdquo;</p>
+<p>Beiden gingen naar het magazijn, om de bijl te halen. Flink zocht
+een zeer dunnen kokosstam aan den oever uit. Deze werd geveld en zoodra
+hij van den kop ontdaan was, met Willems bijstand naar de landpunt
+gebracht.</p>
+<p>&bdquo;Nu, Willem, moet ge eene schop halen en hier een gat graven,
+waarin wij dezen stam als een seinstok zetten kunnen. Is dat gedaan,
+dan haal ik een klein blok en touw, om de vlaggen, zoodra het schip ze
+bemerken kan, aan den stok op te hijschen. Is &rsquo;t gat diep genoeg,
+dat komt gij aan en doet alsof er niets is voorgevallen. Onder &rsquo;t
+ontbijt stel ik dan voor, dat wij beiden de boot uit het zand halen en
+onderzoeken. Uw vader krijgt zoolang werk, dat hem binnenshuis
+houdt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar de vlaggen, Flink,&mdash;zij hangen voor moeders bed.
+Hoe zullen wij die in handen krijgen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik zal voorwenden, dat het nu tijd is, om het huis eens
+behoorlijk schoon te maken, en daarbij moeten dan de venster- en
+bedgordijnen afgenomen en op dezen mooien dag buiten gelucht worden.
+Verzoek uw vader daarover het opzicht te houden, terwijl wij de boot
+uitgraven. Dat zal allen in huis wel bezighouden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Goed; zoo zal het gaan. Flink.&rdquo;</p>
+<p>Onder het ontbijt zeide Flink, dat hij van plan was om vandaag de
+boot uit het zand te graven, en dat Willem hem daarbij best helpen
+kon.</p>
+<p>&bdquo;En wat zal ik onderwijl bij de hand nemen?&rdquo; vroeg
+mijnheer Wilson.</p>
+<p>&bdquo;Wel, mijnheer, daar de regen voorbij is, zou het, dunkt mij,
+niet kwaad <span class="pagenum">[<a id="pb202" href="#pb202" name=
+"pb202">202</a>]</span>zijn, dat wij de bedden eens luchtten. &rsquo;t
+Is vandaag een warme, mooie dag; als al het beddegoed buiten de deur
+gebracht en flink uitgeklopt werd dan kon men het in de zon laten
+liggen, en zoo kwam er alweder een noodzakelijk werk
+afgedaan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, ja, dat zal zeer goed zijn, Flink,&rdquo; oordeelde
+mevrouw Wilson; <span class="corr" id="xd21e4729" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>onderwijl kunnen Juno en ik het huis van
+boven tot beneden uitstoffen en schoonmaken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dienden dan de gordijnen ook niet eens afgenomen en in de
+lucht gehangen te worden?&rdquo; vroeg Willem.</p>
+<p>&bdquo;Ja, waarlijk, dat zou zoo kwaad niet zijn,&rdquo; sprak
+Flink. &bdquo;Bij &rsquo;t afnemen der gordijnen en vlaggen willen
+wijzelven een handje helpen en ze dan in de lucht uitleggen. Als
+mijnheer er niet tegen heeft, kan hij het oppertoezicht over de
+schoonmakerij houden en mevrouw en Juno helpen, als zij bijstand noodig
+hebben.<span class="corr" id="xd21e4736" title=
+"Niet in bron">&rdquo;</span></p>
+<p>&bdquo;Van harte gaarne,&rdquo; was het antwoord. &bdquo;Welnu, het
+ontbijt is afgeloopen; zoo zullen we dan maar terstond beginnen, als ge
+&rsquo;t goedvindt.&rdquo;</p>
+<p>Flink en Willem namen de gordijnen en vlaggen af en droegen ze naar
+buiten. Op eenigen afstand van de woning werden de eerste op den grond
+uitgespreid; maar met de vlaggen liep Willem haastig naar het strand.
+Flink haalde blok en lijnen om ze aan den seinstok op te hijschen.</p>
+<p>Flinks krijgslist gelukte volkomen. Zonder door de familie gezien te
+worden, werd de seinpaal opgericht, in den grond gezet en de vlaggen
+tot optrekken gereed gehouden. Vervolgens gingen Flink en Willem naar
+den houtstapel. Ieder nam zooveel rijs, als hij dragen kon, om daarmede
+een rook te verwekken, die de opmerkzaamheid van het scheepsvolk
+trekken moest.</p>
+<p>Dit alles nam niet meer dan een uur weg, gedurende welken tijd de
+brik haar koers naar het eiland onafgebroken vervolgde. Toen Flink het
+schip voor &rsquo;t eerst gezien had, was er slechts weinig wind
+geweest; onderwijl was de bries echter vrij hevig geworden en de brik
+had daarom hare bramzeilen geborgen. Achter het schip was de horizon,
+die in den beginne blauw en helder geweest was, allengs met wolken
+bedekt geworden en de golven aan de klippen die van het eiland in de
+zee uitliepen, werden met wit schuim gekuifd.</p>
+<p>&bdquo;De wind wordt al heviger,&rdquo; begon Flink; &bdquo;het
+schip moet nu weldra bij ons zijn, als het niet afgeschrikt wordt door
+de riffen, die het thans, nu de golven hoog gaan, duidelijker dan te
+voren bemerken kan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik hoop niet, dat ze zich laten afschrikken,&rdquo; hernam
+Willem. &bdquo;Hoe ver mag de brik nog wel verwijderd zijn?&rdquo;
+<span class="pagenum">[<a id="pb203" href="#pb203" name=
+"pb203">203</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Vijf mijlen omtrent, Willem,&mdash;meer niet. De wind is nu
+meer naar het zuiden gedraaid en stapelt de wolken ras op. Ik vrees
+half, dat wij een duchtigen storm krijgen, ofschoon die niet lang duren
+zal. Kom, jongen, laat ons de vlaggen ophijschen; wij mogen niet langer
+talmen. Ze zullen braaf in den wind wapperen, zoodat men ze van ginds
+af wel al zien kan.&rdquo;</p>
+<p>Zij heschen eerst den langen wimpel op, vervolgens kwam de breede
+vlag, waarop de naam van hun verloren schip, De Vrede, met reusachtige
+letters geschreven stond.</p>
+<p>&bdquo;Ziedaar,&rdquo; sprak Flink, nadat de touwen waren
+vastgebonden. <span class="corr" id="xd21e4759" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>Nu zullen we vuur slaan en terdege rook
+maken. Dat moet in allen gevalle hunne opmerkzaamheid
+trekken.&rdquo;</p>
+<p>Zoodra de kokosbladeren in vlam stonden, werd er water op gegoten,
+zoodat zij aan &rsquo;t smeulen gingen en een dichte rookkolom er uit
+opsteeg.</p>
+<p>Het schip naderde in rassche vaart. De beide toeschouwers sloegen
+het met gespannen verwachting gade.&mdash;Daar op eenmaal zagen zij
+vader en moeder, met Thomas en Caroline, ook Juno met den kleinen
+Albert op den arm, allen met haastige schreden op het strand
+toesnellen.</p>
+<p>Ziehier, hoe dit kwam. Thomas, den arbeid moede, had het huis
+verlaten en was in zijn eentje naar het strand gestapt. Daar bemerkte
+hij eerst de waaiende vlaggen en eindelijk ook het schip, dat naderde.
+Oogenblikkelijk rende hij naar huis terug, uit al zijn macht
+roepende<span class="corr" id="xd21e4768" title="Bron: ;">:</span>
+&bdquo;Vader! Moeder! Kapitein Osborn is er; hij komt met een groot
+schip om ons te halen.&rdquo; Op dit bericht ijlden beide ouders naar
+buiten, ontdekten het schip en de in den wind wapperende vlag en
+spoedden zich, gelijk reeds gezegd is, naar Flink en Willem, die bij
+den vlaggestok stonden.</p>
+<p>&bdquo;Och, Flink! waarom hebt ge ons dat niet gezegd?&rdquo; riep
+mijnheer Wilson reeds van verre, geheel buiten adem.</p>
+<p>&bdquo;Ik wenschte, dat gij het ook thans nog niet vernomen hadt,
+mijnheer,&rdquo; antwoordde de oude man; &bdquo;doch dat is te laat.
+Het geschiedde voor &rsquo;t overige met de beste bedoeling van de
+wereld.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, waarlijk, dat is zoo, vader!&rdquo;</p>
+<p>Mevrouw Wilson zeeg op de rots neder en brak in tranen uit; haar
+echtgenoot was niet minder ontroerd en geschokt.</p>
+<p>&bdquo;Heeft het schip ons reeds opgemerkt, Flink?&rdquo; vroeg de
+laatste eindelijk.</p>
+<p>&bdquo;Neen, mijnheer, nog niet. Dit juist wilde ik afwachten,
+voordat ik u de tijding kwam brengen,&rdquo; was het antwoord.</p>
+<p>&bdquo;De brik verandert haar koers,&rdquo; merkte Willem aan.
+<span class="pagenum">[<a id="pb204" href="#pb204" name=
+"pb204">204</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Ja, ja, zij is opgeloefd, waarschijnlijk uit vrees van te na
+op de klippen te zullen komen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zij zal ons toch niet verlaten?&rdquo; riep mevrouw Wilson
+angstig.</p>
+<p>&bdquo;Neen, mevrouw; maar men heeft ons nog niet gezien.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar nu&mdash;nu ziet men ons!&rdquo; riep Willem en
+slingerde zijne muts in de hoogte. &bdquo;Ziet maar, de brik heeft hare
+vlag geheschen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Waarlijk! thans heeft zij ons ontdekt.&rdquo;</p>
+<p>Mijnheer Wilson omarmde zijne echtgenoote, die zich snikkend aan
+zijn hals wierp, kuste vol verrukking zijne kinderen en schudde den
+ouden Flink vol dankbaarheid de hand. Hij was geheel uitgelaten van
+vreugde. Willem was niet minder verrukt, Juno weende en lachte, alles
+in &eacute;&eacute;n adem, en Thomas vatte de kleine Caroline bij de
+handjes en danste met haar om den vlaggestok rond.</p>
+<p>Zoodra het gezelschap iets kalmer geworden was, merkte Flink
+aan:</p>
+<p>&bdquo;Dat zij ons gezien hebben, mijnheer, daaraan is thans geen
+twijfel meer. Wij hebben nu niets haastigers te doen, dan onze boot uit
+het zand te halen. Wijzelven kennen wel den doorgang door de klippen,
+maar die op het schip niet. Ik twijfel overigens, of zij wel wagen
+zullen, voordat de wind eenigszins bedaard is, eene sloep naar wal te
+sturen. Gij ziet zelf, mijnheer, de wind is op dit oogenblik vrij
+sterk.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar gij gelooft toch niet, Flink, dat het nog harder zal
+beginnen te waaien?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik moet het u, helaas, bekennen, mijnheer,&mdash;ja, dat
+geloof ik. Naar het zuiden ziet de hemel er vrij dreigend uit, en
+voordat de storm voorbij is, kunnen zij zich moeielijk wagen aan een
+eiland, dat gelijk het onze, zoo rondom van de klippen en riffen
+omgeven is. &rsquo;t Zou inderdaad hoogst roekeloos van hen wezen, als
+zij het deden. Doch dit alles moet zich binnen weinige uren
+uitwijzen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar zelfs als de storm losbreekt, zullen zij toch zekerlijk
+het eiland niet verlaten zonder ons mede te nemen?&rdquo; merkte
+mevrouw Wilson aan. &bdquo;Nadat de storm voorbij is, keeren zij zeker
+wel terug.&rdquo;</p>
+<p>Flink zeide niets. De brik had intusschen andermaal gewend, alsof
+zij op het eiland wilde aansturen. Weldra echter lag zij weder den wal
+uit met den steven noordwaarts.</p>
+<p>&bdquo;Zij verlaat ons!&rdquo; riep Willem bedroefd.</p>
+<p>&bdquo;Laaghartige schurken!&rdquo; viel mijnheer Wilson vertoornd
+uit.</p>
+<p>&bdquo;Gij geeft hun ten onrechte een zoo harden naam,
+mijnheer,&rdquo; antwoordde Flink. &bdquo;De storm verheft zich met
+geweld en &rsquo;t zou zeer gevaarlijk voor hen zijn, als ze daar, waar
+ze thans zijn, blijven wilden.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id=
+"pb205" href="#pb205" name="pb205">205</a>]</span></p>
+<p>Mijnheer Wilson keerde zich tot zijne gade en gaf haar met een
+bedrukt gezicht den arm. Zonder een woord te spreken verlieten zij het
+strand. De overige familie volgde hen,&mdash;alleen Flink bleef bij den
+vlaggestok achter. Hoe treurig stak deze doodsche verslagenheid bij de
+luidruchtige vreugde af, waarmede zij het huis hadden verlaten!</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch44" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">VIER-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">SPOREN VAN EILANDERS.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Bij zijne thuiskomst vond Flink allen in zoo diepe
+treurigheid verzonken, dat hij het niet raadzaam achtte een enkel woord
+te spreken. Zoo viel de avond en naderde tijd om naar bed te gaan.</p>
+<p>Dien ganschen nacht bulderde de storm onophoudelijk door en het
+water werd met emmers uit den hemel gegoten. De kinderen sliepen
+gerust, zooals altijd; maar vader en moeder, Willem en Flink deden geen
+oog toe, luisterden naar de windvlagen en hielden zich ieder met zijne
+eigene gedachten bezig. Sedert hunne komst op het eiland was dit de
+onrustigste nacht, dien zij nog beleefd hadden.</p>
+<p>Al v&oacute;&oacute;r dag en dauw was Flink in de kleeren en reeds
+v&oacute;&oacute;r het opgaan der zon stond hij aan het strand. De
+storm had nu zijne grootste hevigheid gehad; maar hoe angstig en scherp
+hij ook met zijn kijker rondzag,&mdash;van het schip van gisteren was
+geen zweem meer te ontdekken.</p>
+<p>Hij bleef aan de kust, totdat de tijd van het ontbijt kwam; toen
+kwam Willem, om hem te halen en beiden keerden naar huis terug. Bij
+zijne komst vond hij mijnheer en mevrouw Wilson bedaarder en kalmer,
+dan zij den dag te voren geweest waren. Beiden heetten hun hartelijk
+welkom.</p>
+<p>&bdquo;Ik vrees<span class="corr" id="xd21e4836" title=
+"Niet in bron">,</span> Flink, dat gij ons weinig goede tijding
+brengt,&rdquo; zeide mijnheer Wilson.</p>
+<p>&bdquo;Waarom dat? Voor &rsquo;t overige kunt gij die ook niet
+verwachten, voordat de storm geheel en al voorbij is.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zeg mij, Flink,&rdquo; vroeg mevrouw, &bdquo;gelooft gij
+waarlijk, dat het schip tot ons zal terugkomen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik zal u al onze uitzichten doen kennen, mevrouw; meer kan ik
+toch bezwaarlijk doen. Zoolang de storm aanhield, kon het schip hier
+onmogelijk blijven; dat kunt gij zelve wel begrijpen. Wat de orkaan ten
+gevolge had, <span class="pagenum">[<a id="pb206" href="#pb206" name=
+"pb206">206</a>]</span>weet niemand onzer te zeggen. Misschien is de
+brik in onze nabijheid, als de wind gaat liggen; misschien ook werd zij
+door den wind ettelijke honderden mijlen van ons
+weggedreven.&mdash;Dan, mevrouw, komt de tweede mogelijkheid. Uit de
+nadering van het schip tot ons eiland, leid ik af, dat het gebrek aan
+het water had. Nu is de vraag of de kapitein misschien niet geraden
+acht, om zonder zich verder om ons te bekommeren in de voor hem
+bestemde haven binnen te loopen of op eene andere plaats water in te
+nemen. Gij weet, mevrouw, dat een kapitein bovenal op &rsquo;t belang
+van zijne reeders heeft te letten. Wel geloof ik, dat het schip, als
+dat zonder nadeel geschieden kan, ongetwijfeld zal terugkeeren. De
+eerste vraag is maar&mdash;of het kan, dan komt de tweede: of de
+kapitein menschlievend genoeg is, om voor ongelukkige medemenschen iets
+over te hebben.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;In dat alles ligt maar weinige troost voor ons opgesloten,
+Flink.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar wat helpt het ook, mijnheer, of wij ons met valsche
+verwachtingen vleien en de oogen verblinden?&rdquo; was het antwoord.
+&bdquo;Evenwel zelfs als het schip zijne reis vervolgde en wij het niet
+meer te zien kregen, geloof ik toch dat wij alle reden hebben om blijde
+te zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En waarom dan<span class="corr" id="xd21e4854" title=
+"Niet in bron">,</span> Flink?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wel, mijnheer, v&oacute;&oacute;r de komst van dat schip wist
+geen menschelijke ziel, of wij nog in leven waren of niet, en zoo zou
+ook niemand naar ons gezocht hebben. Nu evenwel is dit bekend. Uit den
+scheepsnaam op onze vlag weten ze wie we zijn, en als ze nu behouden in
+de haven aankomen, zullen ze niet nalaten daarvan aan onze vrienden
+bericht te brengen. En hebben wij niet alle reden om daarover recht
+verheugd te zijn? &rsquo;t Kan wezen, dat wij door dit schip niet
+verlost worden; maar dan hebben wij althans alle hoop, dat een tweede
+naar ons wordt uitgezonden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is waar, Flink. Dat had ik al vroeger moeten bedenken;
+maar mijne teleurstelling en mijne wanhoop waren gisteren zoo groot,
+dat ik geen redelijk mensch meer was.&rdquo;</p>
+<p>De storm hield nog den ganschen dag aan en scheen nog niet te willen
+bedaren, toen zij zich andermaal ter ruste begaven. Den volgenden
+morgen was Flink als naar gewoonte weder vroeg op, en ditmaal
+vergezelde Willem hem naar het strand.</p>
+<p>&bdquo;Flink! Flink!&rdquo; riep Willem en wees naar de
+zuidoostelijke punt van de klippen. &bdquo;Wat is dat?&mdash;Zie maar!
+het is eene boot!&rdquo;</p>
+<p>Flink bracht den kijker aan &rsquo;t oog. &bdquo;Het is eene kano,
+Willem; en mij dunkt, er zijn menschen in.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar, Flink, waar kunnen die vandaan komen? Zie eens, nu zijn
+zij <span class="pagenum">[<a id="pb207" href="#pb207" name=
+"pb207">207</a>]</span>tusschen de klippen; daar gaan zij immers te
+gronde<span class="corr" id="xd21e4871" title="Bron: ,">.</span> Kom,
+Flink, laat ons hun te gemoet gaan.&rdquo;</p>
+<p>Zij snelden beiden naar het strand op het punt aan, waar de boot op
+de branding voortdanste en wachtten totdat deze op den oever werd
+geworpen.</p>
+<p>&bdquo;Willem, die kano moet van het groote eiland ginds hierheen
+zijn gedreven,&rdquo; zeide Flink, wederom door zijn kijker ziende.
+&bdquo;Er zijn twee menschen in en dat zijn inlanders. De arme
+schepsels worstelen hard om hun leven en schijnen doodelijk uitgeput.
+Doch &rsquo;t gevaarlijkste gedeelte van de klippen hebben zij toch
+reeds achter zich!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja,&rdquo; antwoordde Willem; &bdquo;spoedig komen ze in
+stiller water. Die branding hier aan het strand is evenwel toch al heel
+erg.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Die zal hun geen kwaad doen, als de kracht hun slechts niet
+begeeft. Waarlijk, ze weten recht goed met hun kano om te
+gaan.&rdquo;</p>
+<p>Onder dit gesprek was de kano met snelheid de kust genaderd. Een
+oogenblik later schoot hij door de branding heen en boorde vast in het
+zand. De beide menschen daarin hadden ternauwernood nog kracht genoeg
+gehad, om door de branding heen te roeien<span class="corr" id=
+"xd21e4885" title="Bron: ,">;</span> toen dit gebeurd was, zegen zij
+uitgeput op hunne riemen neder.</p>
+<p>&bdquo;Wij zullen den kano verder ophalen, Willem. De arme schepsels
+kunnen geen vinger meer verroeren.&rdquo;</p>
+<p>Nu eerst ontdekte Flink, dat de eilanders beiden van het vrouwelijk
+geslacht waren. Hare gezichten waren heel getatoe&euml;erd of met
+allerlei vreemde figuren beprikt, wat haar een vreemd voorkomen gaf;
+maar voor &rsquo;t overige waren zij nog jong en zagen er lang niet
+slecht uit.</p>
+<p>&bdquo;Zal ik naar huis loopen en wat eten voor haar halen?&rdquo;
+vroeg Willem.</p>
+<p>&bdquo;Ja, jongen, doe dat. Juno zal u wel wat geven, en als
+&rsquo;t kan, wat warms.&rdquo;</p>
+<p>Willem keerde spoedig met eene gortepap terug, die Juno nog van het
+ontbijt had overgehouden en waarvan zij de wilden eenige lepels in den
+mond goten, die daarna weldra eenigszins schenen te bekomen. Hierop
+liet Willem den ouden Flink bij haar achter en liep naar huis, naar
+vader en moeder, om die van de onverwachte gebeurtenis kennis te geven.
+Kort daarna kwam hij met zijne moeder terug. De beide wilden waren
+intusschen zoover gekomen, dat zij zich oprichten konden, en allen
+spanden nu dadelijk hunne krachten in, om den kano zoo ver zij konden
+op het land te trekken, ten einde te verhinderen, dat zij door de
+golven werd in stukken geslagen.</p>
+<p>Zij vonden in de boot niets dan eene kleine mat, benevens de beide
+riemen, waarvan de vrouwen zich bediend hadden. De laatste zoowel als
+de boot zelve waren op eene heel wonderlijke wijze gemaakt.
+<span class="pagenum">[<a id="pb208" href="#pb208" name=
+"pb208">208</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Ge ziet, mijnheer,&rdquo; zeide Flink tot mijnheer Wilson,
+&bdquo;de beide arme schepsels waren zekerlijk tot bewaking in den kano
+achtergebleven en zijn nu door den storm van een der zuidoostelijke
+eilanden afgedreven. Ze moeten sinds eergisteren met den orkaan gekampt
+hebben en hebben in <span class="corr" id="xd21e4903" title=
+"Bron: aldien">al dien</span> tijd denkelijk nat noch droog over de
+lippen gehad. &rsquo;t Is waarlijk een geluk voor haar, dat zij op ons
+eiland aandreven.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, inderdaad,&rdquo; hernam mijnheer Wilson. &bdquo;Voor
+&rsquo;t overige moet ik evenwel zeggen, dat mij zulk een bezoek niet
+bijzonder verblijdt. Het is een bewijs voor hetgeen wij tot hiertoe nog
+niet met zekerheid geweten hebben, dat wij, namelijk, dichtbij buren
+hebben, die ons misschien wel eens heel ten onpas met een bezoek konden
+vereeren.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is licht mogelijk, mijnheer,&rdquo; antwoordde Flink:
+&bdquo;maar de arme schepsels die zoo bij ons komen aanspoelen, kunnen
+&rsquo;t geval noch erger noch beter maken. Misschien kan het ons zelfs
+tot voordeel strekken; want als deze twee wilden Engelsch leeren,
+voordat hare landgenooten ons komen opzoeken, kunnen zij ons tot tolken
+dienen en zoo misschien tot de redding van ons leven
+bijdragen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zou zulk een bezoek dan zoo gevaarlijk voor ons uitvallen
+Flink?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wel, wilden zijn eens en voor al wilden. Evenals kleine
+kinderen, verlangen zij naar alles wat hun in de oogen blinkt,
+inzonderheid naar zulke dingen, waarvan zij het gebruik kennen, zooals
+ijzer bij voorbeeld. Als zij hierheen kwamen en wij een deel van onze
+goederen verborgen, maar &rsquo;t overschot aan hen overleverden, dan
+konden wij ons leven misschien nog redden. Evenwel kan men ook in dat
+geval niet veel op hen vertrouwen, en ik zou stellig aanraden ons ook
+tegen eene groote overmacht te verweren, liever dan ons op genade of
+ongenade over te geven.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar, zouden we ons dan ooit met mogelijkheid tegen zulk eene
+groote menigte verdedigen kunnen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;We moeten behoorlijk zijn voorbereid, mijnheer. Als we ons
+maar goed verschanst hebben, kunnen we het tegen een paar honderd wel
+opnemen.&rdquo;</p>
+<p>Mijnheer Wilson sloeg de hand aan het voorhoofd.</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is waarlijk niet heel troostrijk,&rdquo; zeide hij,
+na eene poos, &bdquo;nu op dit oogenblik aan een verdedigingsplan tegen
+de wilden te moeten denken, nadat wij voor twee dagen nog hoop hadden
+van dit eiland verlost te worden. O, dat die brik zich nog weer liet
+zien<span class="corr" id="xd21e4923" title=
+"Bron: ?">!</span>&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;De wind gaat langzamerhand liggen, mijnheer!&rdquo;
+antwoordde Flink<span class="corr" id="xd21e4928" title=
+"Niet in bron">,</span> &bdquo;nog v&oacute;&oacute;r den avond hebben
+wij kostelijk weer. We kunnen immers later overleggen; in allen gevalle
+geef ik deze eerste week alle hoop nog niet op.&rdquo; <span class=
+"pagenum">[<a id="pb209" href="#pb209" name="pb209">209</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Eene heele week, Flink! Och, hoe waar is het, dat
+teleurgestelde hoop den mensch geheel wanhopig maakt!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is een zware ramp, mijnheer Wilson; evenwel moeten
+wij ons schikken. Voor het tegenwoordige zouden we &rsquo;t best doen,
+als wij deze arme schepsels maar onder dak brachten en maakten, dat ze
+weer wat bijkwamen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, Flink; mij dunkt, teekens zullen ze toch wel
+verstaan?&rdquo;</p>
+<p>De oude man beduidde haar nu door teekens, dat ze zouden opstaan.
+Dit deden zij ook, hoewel niet zonder zwarigheid. Toen ging hij vooruit
+en gaf haar een teeken, dat ze volgen zouden. Zij begrepen hem en
+poogden te loopen, maar waren zoo zwak, dat zij op den grond zouden
+zijn neergevallen, als mijnheer Wilson en zijn zoon haar niet
+vastgehouden hadden.</p>
+<p>Er was een lange tijd noodig, voordat men haar in het woonhuis had
+gebracht. Mevrouw, die van alles onderricht was, ontving haar zeer
+vriendelijk, en Juno had een tafel gedekt, die nu voor haar werd
+nedergezet. Zij aten een weinig en legden zich toen neder, waarop zij
+weldra in diepen slaap verzonken.</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is een geluk voor ons, dat het vrouwen zijn,&rdquo;
+merkte mijnheer Wilson aan; &bdquo;als het mannen geweest waren, zouden
+wij er erger aan toe zijn geweest.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, zeker<span class="corr" id="xd21e4947" title=
+"Niet in bron">,</span>&rdquo; hernam Flink; &bdquo;evenwel mogen wij
+ook de vrouwen in den beginne niet al te veel vertrouwen, want ze zijn
+en blijven altijd wilden. Als wij nog langer op dit eiland moeten
+blijven, kunnen zij in vele opzichten nuttig, ja, zelfs van groote
+waarde voor ons zijn, daar zij ons veel werk kunnen helpen
+verrichten.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar waar zullen wij haar van nacht onder dak brengen,
+Flink?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik dacht daar juist over, mijnheer. Ik wenschte, dat wij hier
+dichtbij eene loods of een schuurtje hadden; doch bij gemis daarvan
+moeten wij haar wel in het magazijn laten slapen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O ja, dat zal zeer goed gaan.&rdquo;</p>
+<p>De vreemde vrouwen hadden zich spoedig van hare uitputting hersteld
+en schenen zeer zacht en handelbaar te zijn. Wat zij doen konden, deden
+zij gaarne en gewillig en ook hadden zij na verloop van veertien dagen
+reeds eenige Engelsche woorden geleerd. Een nieuw tochtje over het
+eiland werd afgesproken en op den aanstaanden Maandag vastgesteld, toen
+hen een nieuwe ramp trof, die al hunne gemaakte plannen overhoop
+wierp.</p>
+<p>Des Zaterdagsmorgens, toen Flink als gewoonlijk zijne ronde deed,
+daalde hij juist naar het strand neer, toen hij den Indiaanschen kano
+vermiste. <span class="pagenum">[<a id="pb210" href="#pb210" name=
+"pb210">210</a>]</span>Hij was geheel uit het water opgehaald geworden
+en kon dus onmogelijk zijn weggedreven.</p>
+<p>Flink ontstelde op dat gezicht. Hij richtte zijn kijker naar den
+kant van het groote eiland en meende op verren afstand een donker punt
+op het water te ontdekken. Terwijl hij daar nog stond te turen, kwam
+Willem ook aan het strand en voegde zich bij zijn ouden vriend.</p>
+<p>&bdquo;Ach, Willem,&rdquo; riep Flink, &bdquo;ik vrees, dat de
+vrouwen in haren kano ontsnapt zijn. Ga schielijk heen en zie of ze ook
+in het magazijn of ergens anders zijn en kom mij dan terstond zeggen,
+hoe het is.&rdquo;</p>
+<p>Willem keerde na weinige minuten ademloos terug en meldde, dat de
+wilden nergens te vinden waren en bovendien nog eene menigte groote
+spijkers en andere stukken ijzerwerk, die in kleine vaatjes in het
+magazijn gestaan hadden, moesten hebben medegenomen.<a id="xd21e4968"
+name="xd21e4968"></a></p>
+<p>&bdquo;Dat is leelijk, Willem,&mdash;waarlijk heel leelijk; het is
+voor ons een veel grooter ongeluk, dan dat het schip niet is
+teruggekomen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O, Flink, wij zullen ons zonder haar ook wel
+redden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, dat wel. Maar als de vrouwen tot haar volk terugkeeren en
+daar het ijzer vertoonen, dat ze hebben medegebracht; als ze vertellen,
+dat er bij ons nog veel meer te krijgen is,&mdash;dan kunt ge er op
+rekenen, dat wij spoedig een talrijk bezoek van hare landslieden
+krijgen zullen, die meer van ons eigendom halen willen. Ik had daarop
+bedacht moeten zijn en den kano niet hier gelaten of haar zelfs
+verbrand moeten hebben. Wij moeten dadelijk bij uw vader gaan en met
+hem beraadslagen, want hoe eer wij met ons werk aanvangen, des te beter
+voor ons. Kom, Willem, kom;&mdash;maar vergeet niet uwe moeder de zaak
+zoo licht voor te stellen als mogelijk is.<span class="corr" id=
+"xd21e4977" title="Niet in bron">&rdquo;</span></p>
+<p>Zoodra zij bij mijnheer Wilson waren, deelden zij hem het
+rampspoedige nieuws mede. Hij begreep dadelijk het gevaar, dat er
+bestond, doch achtte het raadzaam zijne vrouw daar terstond mee bekend
+te maken en haar niets te verbergen. Daarna hielden zij een krijgsraad,
+waarbij het volgende plan werd ontworpen.</p>
+<p>In de eerste plaats scheen het noodzakelijk het magazijn in een
+blokhuis te veranderen, zoodat het iederen vreemdeling onmogelijk moest
+worden daarin door te dringen. Zoodra de verschansing voltooid was,
+moest de woning naar het magazijn verlegd worden. De voorraad, waarvoor
+in het nieuwe blokhuis geene plaats was, moest in hunne tegenwoordige
+woning bewaard blijven of in het kokosbosch verborgen worden. Eerst
+nadat al deze veiligheidsmaatregelen tegen een onverwachten aanval
+genomen waren, wilde <span class="pagenum">[<a id="pb211" href="#pb211"
+name="pb211">211</a>]</span>men de vroeger ontworpen plannen ten
+uitvoer brengen. Des Maandags wilden zij aan het werk beginnen.</p>
+<p>&bdquo;Ik weet niet hoe het komt, maar ik gevoel thans, nu er gevaar
+voor oogen is, oneindig meer moed, dan toen er nog weinig of niets te
+vreezen was,&rdquo; zeide mevrouw Wilson.</p>
+<p>&bdquo;Daar twijfel ik volstrekt niet aan, mevrouw. Ik ben
+integendeel overtuigd dat indien uw moed op de proef mocht worden
+gesteld, gij die zekerlijk ook zult blijven toonen.&rdquo;</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch45" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">VIJF-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">KRIJGSRAAD.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Niettegenstaande zij in den beginne alles gedaan
+hadden om elkanders moed en vertrouwen op te wekken, bevonden onze
+vrienden zich nu toch in zulk een pijnlijken toestand van angst en
+verwachting, dat de eerste drie weken na het plotseling verdwijnen van
+het schip, ondanks alle plannen en beraadslagingen, in volstrekte
+werkeloosheid voorbijgingen, daar zij zich nu eens met de hoop vleiden,
+dat het gewenschte schip nog terugkeeren kon, en dan weder bezorgde
+blikken naar het eiland wierpen, om zich te overtuigen, dat nog geene
+groote vloot van kano&rsquo;s tot hun verderf in aantocht was.</p>
+<p>Zoo waren zij dan ook eens op een morgen met zonsopgang in de
+nabijheid van den schildpadvijver en namen den ganschen gezichtseinder
+met hun kijker op. Toen begon Flink, zich tot mijnheer Wilson
+wendende:</p>
+<p>&bdquo;Waarlijk, mijnheer, die staat van werkeloosheid mag toch niet
+langer zoo aanhouden. Voorleden nacht kwam ik op een goeden inval en ik
+geloof u thans een voorslag te kunnen doen, dien gij denkelijk zult
+goedkeuren. Zoo, dacht ik, moesten we nu maar terstond een krijgsraad
+houden en tot een besluit zien te komen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Van harte gaarne, Flink,&rdquo; antwoordde mijnheer Wilson en
+zette zich op een rotsblok neder. &bdquo;Gij zijt de oudste en
+ervarenste van ons drie&euml;n;&mdash;laat ons hooren, wat gij hebt
+voor te slaan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Welnu, mijnheer. Naar &rsquo;t mij voorkomt, mogen wij niet
+langer in ons huis blijven, want wij konden daar, gelijk ik zeide,
+ieder uur van den nacht door de wilden verrast worden en zijn er tegen
+overmachtige vijanden zonder alle middelen van verdediging.&rdquo;
+<span class="pagenum">[<a id="pb212" href="#pb212" name=
+"pb212">212</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Dat zie ik wel in en heb ik reeds geruimen tijd
+ingezien,&rdquo; was het antwoord; &bdquo;doch wat zullen we doen?
+Zullen wij naar de westkust terugkeeren?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Mij dunkt neen, mijnheer,&rdquo; hernam Flink. &bdquo;Mijn
+voorslag is <span class="corr" id="xd21e5011" title=
+"Bron: : deze">deze:</span> wij hebben in &rsquo;t zuiden van &rsquo;t
+eiland een ontdekking gedaan, die voor ons van groot gewicht is. Ik
+bedoel daarmee echter niet de vruchten en planten, die wij gevonden
+hebben, want deze zijn wel van veel waarde, maar zullen ons slechts
+gedurende den zomertijd een desnoods ontbeerlijk genot aanbieden. Groot
+nut verleent ons ook het voeder voor het vee, dat wij daar ontdekt
+hebben, vooral gedurende den regentijd, maar het hoofdvoordeel brengt
+ons dat met yamswortels bezet stuk land aan, dat ons voedsel voor den
+winter zal geven. Ze zijn voor ons van het grootste belang en we kunnen
+ze niet spoedig genoeg tegen de zwijnen beschutten, die ze ongetwijfeld
+met wortel en al opwroeten, als we dat niet tijdig voorkomen. Nu weet
+ge zeer goed, mijnheer, wat we vroeger besloten, maar niet volvoerd
+hebben. Ik geloof echter, dat de kokosheining nu te veel tijd zal
+wegnemen en &rsquo;t wel voldoende zal zijn, als wij de yamswortels met
+sloot en heg omheinen. Als we daarbij echter gedurig weer naar ons huis
+terugkeeren en mevrouw met de kleinen alleen laten moesten, zou dat
+zeer lang aanhouden,&mdash;en dus stel ik voor, om, daar &rsquo;t weder
+zoo geheel is opgeklaard en nu wel maanden lang goed blijven zal, onze
+tenten daar ter plaatse op te slaan en met de gansche familie naar de
+zuidkust te trekken. Zij zullen daar binnenkort geheel thuis en in
+allen gevalle veel veiliger zijn, dan als zij zonder eenige verdediging
+hier achterbleven.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Een uitmuntende raad, Flink; wij worden daardoor zooals gij
+opmerkt, voorloopig aan het gevaar onttrokken, en zijn wij eenmaal
+daar, dan kunnen wij altijd nog overleggen wat voor ons het beste
+is.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Juist, mijnheer. Misschien hebben onze vluchtelingen het
+eiland in &rsquo;t geheel niet bereikt, want de eerste dagen, nadat zij
+ons eiland verlieten, hadden zij den wind vlak tegen, en bovendien is
+de stroom in deze richting zeer sterk. Zijn ze echter werkelijk
+behouden aangeland, dan moeten wij ons op een bezoek van de wilden
+voorbereid houden, en als die landen, komen zij natuurlijk regelrecht
+op onze tegenwoordige woning aan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Gij wilt toch niet, Flink, dat wij dit gedeelte van &rsquo;t
+eiland en al de gemakkelijke inrichtingen, die wij er tot stand
+brachten, voor altijd verlaten?&rdquo; vroeg Willem.</p>
+<p>&bdquo;Ei, zeker niet voor altijd, mijn beste Willem; en daarmee kom
+ik tot het tweede gedeelte van mijn voorstel.&mdash;Zoodra wij met ons
+yamsplantsoen <span class="pagenum">[<a id="pb213" href="#pb213" name=
+"pb213">213</a>]</span>gereed zijn en alles zoo goed mogelijk in orde
+hebben, laten wij mevrouw en de kinderen achter en gaan hier weder aan
+den arbeid. Zooals bepaald is, moeten wij ons tegenwoordig woonhuis
+opgeven en ons magazijn, dat in het bosch verscholen ligt, tot woning
+inrichten en zoodanig versterken, dat wij tegen elken onverhoedschen
+aanval van de wilden gedekt zijn; want in eene vaste woning moeten wij
+in elk geval terugkeeren, daar wij, als het regenseizoen invalt, niet
+meer onder de tenten kunnen blijven.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hoe wilt gij het magazijn dan verschansen, Flink?&rdquo;
+vroeg mijnheer Wilson. &bdquo;Daarvan weet ik niets.&mdash;Wat is zulk
+een blokhuis eigenlijk?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat zal ik u bij gelegenheid uitleggen.&mdash;Nu, echter,
+mijnheer, komt er nog velerlei. Als de wilden hierheen komen, moeten
+wij ons in allen gevalle met vuurwapens tegen hen kunnen verdedigen.
+Een enkel man met een geweer achter eene palissade is beter dan
+twintig, die alleen met knotsen en lansen gewapend zijn, en
+z&oacute;&oacute; slechts mogen wij hopen onze vijanden op de vlucht te
+slaan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Naar het mij voorkomt, is uw plan voortreffelijk,
+Flink,&rdquo; antwoordde mijnheer Wilson. &bdquo;Hoe spoediger wij
+daarmee beginnen, des te beter zal het voor ons zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Daar is geen twijfel aan, mijnheer. Het eerste moet wezen,
+dat Willem en ik op deze zijde van de klippen een doorgang voor onze
+boot opzoeken; dan zullen wij naar de kleine haven omzien, die wij
+reeds vroeger ontdekt hebben. Zoodra dit geschied is, keeren wij terug,
+brengen tenten en al het noodige in de boot, en hebben wij die eerst
+opgeslagen en alles behoorlijk in orde gebracht, dan kan mevrouw met de
+kinderen met ons door het bosch trekken en ze in bezit nemen.&mdash;Als
+we &rsquo;t nu over de zaak eens zijn, mijnheer<span class="corr" id=
+"xd21e5033" title="Niet in bron">,</span> moesten wij maar zoo spoedig
+mogelijk beginnen, want wij hebben zeer veel te doen en mogen niet
+vergeten, dat wij, voordat wij met het blokhuis aanvangen, eerst nog
+een bezoek op de westkust moeten afleggen, om spijkers en andere
+benoodigdheden te halen, en als wij daar toch eens bij zijn, kunnen wij
+evengoed ook eene geheele monstering over onzen <span class="corr" id=
+"xd21e5036" title="Bron: vooraad">voorraad</span> houden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wij willen geen dag, geen uur verliezen, Flink; er is toch al
+te veel tijd verloren geraakt,&rdquo; antwoordde mijnheer Wilson.
+&bdquo;Wat zullen wij vandaag bij de hand nemen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Bij het ontbijt zullen wij aan mevrouw ons plan mededeelen;
+daarna ga ik met Willem in de boot en zoek eene doorvaart. Gij zelf,
+mijnheer, kunt hier blijven en de tenten en al de verdere artikelen,
+die wij bij de eerste <span class="pagenum">[<a id="pb214" href=
+"#pb214" name="pb214">214</a>]</span>vaart meenemen, bijeenpakken, en
+wij zullen, denk ik, tegen het middageten terug zijn.&rdquo;</p>
+<p>Met deze woorden stonden zij op en gingen op het huis aan. Allen
+voelden zich innerlijk verlicht, nadat het nieuwe arbeidsplan ontworpen
+was, en verheugden zich in het vooruitzicht, dat zij nu alle
+menschelijke kracht zouden inspannen, om het hun dreigend gevaar
+<span class="corr" id="xd21e5047" title="Bron: of">af</span> te
+wenden.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch46" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">ZES-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">THOMAS EN DE KREEFT.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Het nieuwe plan werd onder &rsquo;t ontbijt aan
+mevrouw Wilson medegedeeld, en daar zij wel inzag hoe zij daarbij veel
+veiliger dan tot hiertoe zijn zouden, gaf zij van harte gaarne hare
+toestemming.</p>
+<p>Het duurde geen uur, of Flink en Willem hadden de boot in
+gereedheid, waarmee zij tusschen de klippen doorroeiden, om eene
+doorvaart te zoeken, welke zij ook spoedig, pas twee of drie
+kabelslengten van de landpunt, gelukkig ontdekten.</p>
+<p>&bdquo;Dat is een groot geluk, mijn goede Willem,&rdquo; riep Flink,
+&bdquo;maar nu moeten wij ook een merkteeken zoeken, om den terugweg
+spoedig te vinden. Ziet gij die lange zwarte klip ginds;&mdash;zij ligt
+in eene rechte lijn met den tuin, en als wij dus beide op elkaar
+gericht hebben, weten wij dat wij ons in het eigenlijke kanaal
+bevinden. Nu hebben wij nog slechts een teeken recht voor ons uit
+noodig, om te zien, wanneer wij het kanaal moeten inloopen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zie Flink, de punt van den schildpadvijver loopt immers recht
+op den rechterzijwand van ons huis aan,&rdquo; hernam Willem.</p>
+<p>&bdquo;Goed opgemerkt; dat kan ons dienen. Nu zullen wij er wakker
+op los roeien, zoodat wij tijdig terug kunnen zijn.&rdquo;</p>
+<p>Zij bevonden zich weldra op de zuidzijde van het eiland en roeiden
+langs den kust voort.</p>
+<p>&bdquo;Hoe ver schat gij den weg te water, Flink?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat weet ik zoo juist niet, mijn jongen; mij dunkt echter
+vier of vijf mijlen, en zoo mogen wij wel op een goed uur dapper
+roeiens rekenen. In allen gevalle kunnen wij met dezen wind, hoe zwak
+ook, terugzeilen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wij zijn thans in zeer diep water,&rdquo; merkte Willem na
+lang zwijgen aan.</p>
+<p>&bdquo;Ja, Willem. Op deze zijde van het eiland kunnen wij dat ook
+niet anders <span class="pagenum">[<a id="pb215" href="#pb215" name=
+"pb215">215</a>]</span>verwachten, want de koralen wassen alleen op de
+zijde, die aan den wind blootstaat. Mij dunkt, wij kunnen van de kleine
+haven, die wij onlangs ontdekten, thans niet ver meer verwijderd zijn.
+Gij ziet, wij hebben het weideland en de boomgroepen reeds voor oogen.
+We zullen een poosje met roeien ophouden en de kust eens bedaard
+opnemen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Daar zijn twee rotsen dicht aan den oever, Flink,&rdquo; riep
+Willem met den vinger wijzende. &bdquo;Weet gij nog wel: ook aan de
+buitenste zijde van onze haven stonden twee of drie zulke rotsen dicht
+bij elkander.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Juist zoo, Willem, en &rsquo;t zou mij volstrekt niet
+verwonderen, als gij den spijker op den kop had geslagen. Laat ons er
+eens heen roeien.&rdquo;</p>
+<p>Zij deden dit en bevonden, tot hunne groote blijdschap, dat zij
+werkelijk in de haven waren, waar het water zoo glad en effen als in
+een vijver was.</p>
+<p>&bdquo;Welnu, beste jongen, dan zullen wij maar terstond onzen mast
+opzetten en op ons gemak naar huis zeilen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wacht nog een oogenblik, Flink; geef mij den bootshaak eens.
+Ik zie daar wat tusschen de klippen omkrabbelen.<span class="corr" id=
+"xd21e5088" title="Niet in bron">&rdquo;</span></p>
+<p>Flink gaf den bootshaak aan Willem, die daarmee in het water roerde
+en met de ijzeren punt een grooten zeekreeft ophaalde, dien hij met een
+ruk in de boot slingerde.</p>
+<p>&bdquo;Dat is weer een kostelijke schotel op onze tafel,&rdquo;
+zeide Flink. &bdquo;Wij komen dus niet met ledige handen terug en
+zullen des te meer welkom zijn. Doch nu dienen we ons ook te reppen,
+want we moeten hedennamiddag nog eens en dan wel met een volle lading
+hierheen roeien.&rdquo;</p>
+<p>De mast werd opgezet, en zoodra zij met de boot buiten de haven
+waren, werd het zeil opgeheschen. In minder dan een uur hadden zij de
+landingsplaats bij het woonhuis wederom bereikt.</p>
+<p>Willem had den zeekreeft, die slechts &eacute;&eacute;ne schaar had,
+uit de boot gebracht en Juno een tweeden waterketel op het vuur gezet,
+om dien als een toegift voor het middagmaal te koken.</p>
+<p>Thomas trad met zijn zusje Caroline toe, om het beest te bekijken.
+Toen hij dit echter genoeg bewonderd had, begon hij het, als naar
+gewoonte, te plagen en te kwellen, evenals hij dat op de Kaap ook reeds
+den leeuw had gedaan. Eerst stiet hij het met een stok naar de oogen,
+toen beproefde hij den staart recht te trekken;&mdash;het dier sloeg
+echter naar hem en liep weg.</p>
+<p>Eindelijk echter wilde hij zijn stok het dier zelfs in den bek
+steken; toen hief dit zijn grooten nijper op, pakte hem bij het
+gewricht van de hand en klemde zich daar zoo stevig aan vast, dat
+Thomas het van pijn uitgilde en als razend met den kreeft aan den arm
+ronddanste. Gelukkig voor hem was <span class="pagenum">[<a id="pb216"
+href="#pb216" name="pb216">216</a>]</span>het beest reeds zoo lang
+buiten het water en <span class="corr" id="xd21e5106" title=
+"Bron: bovenndien">bovendien</span> zoo hevig door de ijzeren punt van
+den bootshaak getroffen, dat het meer dan halfdood was. Anders zou het
+den knaap zwaar gekwetst hebben.</p>
+<p>Flink schoot toe en maakte den kreeft van hem los; doch Thomas was
+zoo ontsteld, dat hij het hazenpad koos en eerst met loopen ophield,
+toen hij wel honderd passen van huis was verwijderd. Daarover schoten
+Flink en Juno zoo hartelijk in den lach, dat de tranen hun over de
+wangen rolden.</p>
+<p>Thomas scheen er zeer gebelgd over, dat hij zich op zoodanige manier
+moest laten uitlachen; hij zette zich, na zijne wedloop volbracht te
+hebben, pruilend neer en wachtte, totdat hij het eten zag opdragen.
+Toen kwam hij eindelijk terug, ofschoon nog altijd met een benepen
+gezicht. Den kreeft op tafel ziende komen, scheen hij nog voor zijn
+vijand beangst, ofschoon deze nu dood was.</p>
+<p>&bdquo;Nu, Thomas!&rdquo; zeide zijn vader, &bdquo;ik denk dat gij
+van den kreeft toch niet zult willen eten.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Niet eten?&rdquo; riep Thomas uit. &bdquo;O ja, ik wil hem
+eten, juist omdat hij mij opeten wou.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat wilt ge er dan voor een stuk van,&mdash;de schaar
+misschien?&rdquo; vroeg mijnheer Wilson.</p>
+<p>&bdquo;Ja, de schaar! Dat ondeugende dier,&mdash;laat het daar eens
+wat tegen doen; om het te plagen wil ik die eten!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Waarom hebt gij het beest niet met vrede gelaten,
+Thomas?&rdquo; vroeg zijn vader. &bdquo;Hadt gij het niet geplaagd, het
+zou u niet geknepen hebben. Ik weet zelfs niet of ik er u wel van geven
+zal, als gij er van eten wilt om het te plagen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O, ik lust hem ook niet,&mdash;ik begeer er ook niets
+van,&rdquo; hernam de kleine stijfkop. &bdquo;Ik eet veel liever
+pekelvleesch.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Des te beter; als gij geen kreeft lust, zal men u dat ook
+zeker niet opdringen, jongeheer,&rdquo; antwoordde zijn vader.
+&bdquo;Dus zullen wij hem maar buiten u onder ons verdeelen.&rdquo;</p>
+<p>Thomas was met dit besluit niet bijster in zijn schik, want hij had
+er dolgraag een stuk van gehad. Hij zat dus met een hangende lip aan
+tafel en keek bitter boos, toe de oude Flink hem zoo lachend toevoegde,
+dat hij reeds v&oacute;&oacute;r het eten zijn deel van den kreeft had
+gehad. <span class="pagenum">[<a id="pb217" href="#pb217" name=
+"pb217">217</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch47" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">ZEVEN-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">TOEBEREIDSELEN TOT DE VERHUIZING.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Terstond na den afloop van den maaltijd hielpen Willem
+en Juno de beide roeiers de tentbekleedsels en staken, benevens
+schoppen tot slechting van den grond en prikken tot het vastzetten der
+tenten, in de boot brengen.</p>
+<p>Voordat zij met de boot afstieten, merkte Willem aan:</p>
+<p>&bdquo;Mij dunkt, het zou zoo kwaad niet zijn, als wij voor Flink en
+mij het noodige beddegoed meenamen. Wij konden dan nog van avond eene
+van de tenten opslaan en den nacht daaronder doorbrengen. Morgen vroeg
+konden wij dan de andere in orde brengen en zoo met ons werk een goed
+eind vorderen, voordat wij terugkomen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is een zeer goede inval, Willem,&rdquo; antwoordde Flink.
+&bdquo;Laat eens zien, wat Juno ons te eten mee kan geven; dan zullen
+wij uw plan volvoeren, want hoe eer wij allen daar zijn, des te
+beter.&rdquo;</p>
+<p>Mijnheer Wilson was van hetzelfde gevoelen en Juno pakte een stuk
+pekelvleesch en eenige eierkoeken bijeen, voegde daar nog drie of vier
+flesschen water bij en hielp dit alles, benevens allerlei
+timmermansgereedschappen, in de boot brengen. Flink had ook nog voor
+een touw gezorgd, om de boot aan een paal aan den oever vast te
+maken.</p>
+<p>Eindelijk stieten zij van wal en hadden in korten tijd de riffen
+achter zich. Zij roeiden wakker door, want zij wenschten zoo spoedig
+mogelijk de haven te bereiken, hetgeen ook na verloop van een half uur
+gelukkig geschiedde.</p>
+<p>Zoodra zij aan land waren, maakten zij de boot aan het touw vast en
+brachten de lading aan wal; vervolgens droegen zij een deel van het
+tentlinnen en de staken naar het naastbijgelegen boschje, dat uit
+guayababoomen bestond. Daarop keerden zij naar het strand terug, om ook
+het overige te halen, en met drie gangen hadden zij dat verricht.</p>
+<p>&bdquo;Nu moeten wij eens omzien, Willem, waar wij de tent willen
+opslaan. Te dicht bij het kokosbosch mag dat niet zijn, want daar
+hadden wij te ver water te halen.<span class="corr" id="xd21e5151"
+title="Niet in bron">&rdquo;</span></p>
+<p>&bdquo;Dunkt u niet, Flink, dat de beste plaats bij de benanen zou
+zijn? De grond is daar iets hooger en het water vinden wij, zooals gij
+weet, juist tusschen de benanen en de yamswortels.&rdquo;</p>
+<p>Zij begaven zich naar de plaats, waar de benanen hare groote, fraaie
+bladeren ontplooiden en besloten ten noorden daarvan de tenten op te
+slaan, <span class="pagenum">[<a id="pb218" href="#pb218" name=
+"pb218">218</a>]</span>vooreerst omdat men die daar, wegens de boomen,
+uit zee niet zien kon en ook, dewijl het bosschage gedurende de hitte
+van den dag er eene aangename schaduw opleverde.</p>
+<p>&bdquo;Dus moet het dan hier maar zijn, Willem,&rdquo; zeide Flink.
+&bdquo;Laat ons nu al het noodige gaan halen. Het is hier een goede,
+droge grond, die er juist toe geschikt zal zijn.&rdquo;</p>
+<p>Weldra waren zij druk aan het werk en reeds lang voor zonsondergang
+was een der tenten opgeslagen en hadden zij ook hunne bedden daarin
+gespreid.</p>
+<p>&bdquo;Nu, Willem, verbeeld ik mij toch, zult gij wel tamelijk moe
+zijn,&rdquo; zeide Flink; &bdquo;ja, ja, zeker, dat moet gij wezen,
+want gij hebt den ganschen dag duchtig gearbeid.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik voel mij juist zoo heel moe niet, Flink; ook is het nu nog
+geen tijd om te gaan slapen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Het is nog vroeg; laat ons dan eerst nog onze spaden nemen en
+een gat voor het water graven; dan kunnen wij morgen vroeg zien, of dat
+goed of slecht is.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, dat kunnen wij nog voor het avondeten doen, en dan zal de
+rust ons dubbel goed smaken.&rdquo;</p>
+<p>Met dit besluit gingen zij naar het lager gelegen weideland, waar de
+bodem vochtig en moerassig was. Daar groeven zij twee kuilen, ieder
+ongeveer eene el diep en even breed. Weldra zagen zij het water daarin
+opkomen, en toen zij klaar waren, kwam hun dat reeds over den
+enkel.</p>
+<p>&bdquo;Aan water zullen wij dus geen gebrek lijden, Flink; als het
+ook maar goed om te drinken is.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O, daar twijfel ik niet aan, Willem. Overigens hebben wij
+veel te doen, voordat de familie hier naar toe kan komen. Doch voor
+vandaag is onze taak nu ten einde.&rdquo;</p>
+<p>Zij keerden hierop in de tent terug en lieten zich het pekelvleesch
+en de eierkoeken kostelijk smaken. Eindelijk legden zij zich op de
+matrassen neder en gaven zich aan de rust over. Na weinige minuten
+lagen zij diep in slaap, daar het zware werk van den dag hen inderdaad
+zeer vermoeid deed zijn.</p>
+<p>Den volgenden morgen met zonsopgang waren zij reeds weder op de
+been. Hun eerste werk was naar de waterkuilen om te zien, die zij den
+vorigen avond gegraven hadden. Zij vonden deze tot overvloeiens toe
+vol; het water was volmaakt zuiver en helder, en bij het proeven
+keurden zij het, zoo al niet in alles zoo goed als het andere
+bronwater, toch zeer bruikbaar en smakelijk. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb219" href="#pb219" name="pb219">219</a>]</span></p>
+<p>Na zich gewasschen te hebben, keerden zij terug, om te ontbijten, en
+gingen toen aan het opslaan der tweede tent, die voor mevrouw en den
+kleinen bestemd was en dus met meer zorgvuldigheid moest worden
+ingericht. Toen dit gedaan was, werd nog de grond in het rond van het
+hooge gras en de struiken ontdaan en binnen in de tent met de spaden
+vast en effen gemaakt.</p>
+<p>&bdquo;Nu komt weer een ander werk, Willem, namelijk het bouwen van
+een stookplaats voor Juno. Daartoe moeten wij naar het strand gaan en
+steenen opzoeken. Wij zullen dit stuk zeildoek meenemen en kunnen
+daarin in &eacute;&eacute;n gang zooveel als wij noodig hebben
+halen.&rdquo;</p>
+<p>Een uur later was ook de vuurhaard gereed, en beiden zagen hun werk
+vergenoegd aan en maakten de noodige toebereidselen tot het verdere
+werk van den dag.</p>
+<p>Men besloot &rsquo;s middags de tafels en stoelen, het
+keukengereedschap, een gedeelte van de kleeren en het beddegoed en
+levensmiddelen voor een paar dagen mede te nemen. Den volgenden morgen
+zouden Flink en Willem tijdig terugkomen, en dan wilden allen
+gezamenlijk door het bosch naar hunne nieuwe woonplaats opbreken.</p>
+<p>De kleine Albert kon thans heel goed alleen loopen en moest slechts
+nu en dan een eind ver gedragen worden. Thomas en Caroline moesten
+natuurlijk met Juno gaan; de schapen, lammeren, waarvan men vier stuks
+had, en de oude en jonge geiten zouden de mannen door het bosch
+drijven, waarbij de honden goede diensten konden doen. De hoenders en
+het verdere gevogelte moesten echter in het oude hok blijven, daar
+Flink en Willem, zoo dikwijls zij hier kwamen, wel eens naar hen omzien
+konden.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch48" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">ACHT-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">VERHUIZING NAAR DE ZUIDKUST.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Ditmaal was de boot zwaar bevracht en men had hard te
+roeien en zwaar te werken bij de landing, voordat de verschillende
+voorwerpen aan den oever gebracht waren. Willem en Flink waren derhalve
+hartelijk blij, toen eindelijk hun dagwerk ten einde was; en zoodra zij
+hun avondmaal genuttigd hadden, gingen zij dan ook ter ruste.</p>
+<p>Met zonsopgang keerden zij in hunne boot naar de baai terug. Zij
+haalden <span class="pagenum">[<a id="pb220" href="#pb220" name=
+"pb220">220</a>]</span>eerst de boot op het droge en begaven zich toen
+naar het woonhuis, waar zij <span class="corr" id="xd21e5206" title=
+"Bron: alleen">allen</span> tot vertrekken gereed vonden.</p>
+<p>Mijnheer Wilson had de dieren reeds bij elkaar gebracht, en dus brak
+men terstond op. De merken aan de boomen waren nog zeer duidelijk en
+zij konden hun weg gemakkelijk weervinden. Des te grooter moeite hadden
+zij echter met de schapen en geiten, en de kleine karavaan kwam dus
+niet dan langzaam voorwaarts.</p>
+<p>Zij hadden drie volle uren noodig, om aan den zoom van het
+kokosbosch te komen, en mevrouw Wilson gevoelde zich uiterst vermoeid.
+Eindelijk hadden zij de nieuwe woonstede bereikt, en mijnheer Wilson en
+zijne vrouw uitten een kreet van bewondering bij het aanschouwen van de
+schilderachtige schoonheid van het bekoorlijk oord.</p>
+<p>Ook de plek, waar de tenten bij de banaanboomen waren opgeslagen,
+droeg beider volle goedkeuring weg; want zij was werkelijk bij uitstek
+fraai. Mevrouw Wilson begaf zich in hare tent, om van hare vermoeidheid
+uit te rusten. De schapen en geiten liet men vrij in het weideland
+omloopen, waar zij terstond met graagte op het frissche voeder
+aanvielen. De honden vlijden zich neder en schenen insgelijks van den
+verren weg vermoeid.</p>
+<p>Juno bracht den kleinen Albert te bed en zocht toen met Willem eenig
+brandhout op, om het middageten te koken. Flink ging naar de putten, om
+water te halen, terwijl mijnheer Wilson op de vlakte rondwandelde en de
+verschillende boomen en struiken onderzocht, die daar groeiden.
+Caroline was in de tent bij hare moeder, en sinjeur Thomas had zich op
+den grond neergezet en keek met groote oogen verbaasd in het rond.</p>
+<p>Spoedig kwam Flink met de wateremmers terug, waarna hij de honden
+floot en den weg naar het yamsplantsoen insloeg. Een poosje later stond
+Thomas op en volgde hem.</p>
+<p>De honden drongen in het yamsplantsoen door en hieven weldra een
+verwoed geblaf aan, dat Thomas heel aardig vond, zoodat hij in de
+handen klapte en siste, om hen nog meer aan te hitsen. Op eenmaal
+echter kwam de gansche kudde zwijnen uit het dichte groen voor den dag
+en draafde zoo dicht bij Thomas langs, dat hij het van schrik
+uitschreeuwde en zoo lang als hij was op den grond tuimelde.</p>
+<p>&bdquo;Dat had ik wel gedacht, vriendjes, dat gij hier zoudt
+wezen,&rdquo; mompelde Flink, de varkens naziende. &bdquo;Het werd
+waarlijk tijd, dat wij den weg eens voor u afsloten.&rdquo;</p>
+<p>De zwijnen stoven over het veld voort en verdwenen, evenals de
+eerste <span class="pagenum">[<a id="pb221" href="#pb221" name=
+"pb221">221</a>]</span>maal, in het kokoswoud. Ook Thomas zette het,
+zoodra hij maar weer op de been was, wakker op een loopen. De honden
+gingen achter de zwijnen aan en bleven een geruimen tijd weg. Ten
+laatste zag men hen vermoeid en hijgend terug komen,&mdash;een bewijs,
+dat zij hunne vervolging een goed eind ver hadden voortgezet.</p>
+<p>Voor dag en dauw waren Flink en Willem den volgenden dag reeds weder
+bij de hand en gingen door het bosch naar hunne vroegere woning, om het
+huisraad, dat daar nog was achtergebleven, in de boot naar de zuidkust
+te brengen. Bij hunne aankomst pakten zij al wat nog in huis stond
+bijeen, <span class="corr" id="xd21e5230" title=
+"Bron: haalde">haalden</span> gezouten vleesch en meel uit het magazijn
+en maakten hunne lading vol met een van de nog voorhanden zijnde
+schildpadden, die op den rug in de boot werd neergelegd. Tegen het
+ontbijt waren zij reeds weder bij de nieuwe woonplaats, waar Juno hen
+het meegebrachte naar de tenten hielp brengen.</p>
+<p>&bdquo;Wat is dat hier een kostelijk verblijf!&rdquo; riep mevrouw
+Wilson onwillekeurig uit. &bdquo;Mij dunkt, wij moesten het altijd tot
+ons zomerkwartier kiezen en eerst tegen den regentijd naar het oude
+huis terugkeeren.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Het is hier zeker gedurende den zomer veel fraaier en
+aangenamer; maar in ons huis zijn wij beter door het kokosbosch
+gedekt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, dat is waar, en gedurende het regenseizoen is dat voor
+ons van veel belang. In den zomer is het daarentegen ook des te warmer,
+want wij hebben daar niet de verkoelende zeelucht, die wij hier
+genieten. Ik kan u verzekeren<span class="corr" id="xd21e5239" title=
+"Bron: .">,</span> Flink, ik ben met den ruil zeer tevreden en het zou
+mij spijten, als wij daarheen terugkeeren moesten.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik heb van morgen ook zulke mooie <span class="corr" id=
+"xd21e5244" title="Bron: papagaaien">papegaaien</span> gezien,&rdquo;
+zeide de kleine Caroline. &bdquo;Ik wou, dat er &eacute;&eacute;n van
+mij was.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Nu, beste meid, ik wil bij gelegenheid eens een jong zien te
+krijgen; doch het is er thans nog te vroeg toe,&rdquo; antwoordde
+Flink. &bdquo;Nu moet ik Juno de schildpad in stukken helpen snijden.
+Onze voorraadkamer dienen wij wel daar onder de banaanboomen te
+nemen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar wat zullen wij verder aanvangen, Flink? Wij mogen toch
+niet leegzitten?&rdquo; vroeg mijnheer Wilson.</p>
+<p>&bdquo;Neen, zeker niet, mijnheer! Dezen dag moeten wij, dunkt mij,
+maar besteden om ieder ding op zijne plaats te brengen en de tenten van
+binnen gemakkelijk in te richten. Voor het oogenblik staan wij onder
+mevrouws orders; morgen zullen wij dan met het graven en het omheinen
+van het yamsplantsoen beginnen. We zullen ons daarmee niet zoo te
+haasten hebben, want ik verbeeld mij, dat de zwijnen zich er zoo
+spoedig niet weer aan <span class="pagenum">[<a id="pb222" href=
+"#pb222" name="pb222">222</a>]</span>wagen zullen, daar ik plan heb
+onze honden &rsquo;s nachts in de yamsvelden vast te binden, en dan zal
+hun geblaf hen wel op een afstand houden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is een goede inval, Flink. Zie eens, welk kostelijk voer
+onze schapen en geiten hier vinden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, mijnheer; ze moeten ook in het vervolg gedurende het
+droge jaargetij hier grazen. Morgen vroeg kunnen wij met graven
+beginnen en Willem daarbij wijzen, hoe men de <span class="corr" id=
+"xd21e5259" title="Bron: steken">stekken</span> van de stekelbessen,
+waarvan wij onze heg willen maken, poten moet. Dan zou ik voorslaan
+onzen Willem met dit werk alleen bij moeder achter te laten, terwijl
+gij en ik naar de westkust gaan, om onzen voorraad na te zien en al wat
+wij nog gebruiken kunnen hierheen te brengen. Ik meen immers u vroeger
+te hebben hooren zeggen, dat gij zelf daarheen woudt gaan?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, Flink, dat is zoo. Mijne vrouw zal er ook geen bezwaar in
+zien eens een dag of drie vier zonder mij te zijn. Als wij eerst alle
+dingen hebben nagezien, zal ik teruggaan en aan u en Willem, die het
+roeien beter gewoon is dan ik, de zorg overlaten om onzen voorraad over
+te brengen. Mij dunkt hierheen zullen wij toch alles niet
+halen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, mijnheer; het goed moet naar ons magazijn worden
+gebracht. Hebben wij dat werk eerst achter den rug, dan gaan wij met
+alle macht aan de versterking van het blokhuis.&rdquo;</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch49" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">NEGEN-EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">UITSTAPJE NAAR DE WESTKUST.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Den volgenden morgen trokken zij met hunne schoppen
+naar het yamsplantsoen en begonnen hun werk. De grond was week en
+drassig en zoo ging de arbeid vlug van de hand. De sloot werd ongeveer
+een schrede breed gemaakt en de uitgedolven aarde aan den binnenkant
+tot een kleinen dam opgeworpen.</p>
+<p>Vervolgens ging men naar de plaats, waar de
+stekelbezi&euml;nstruiken groeiden. Van deze werden de noodige stekken
+en afleggers afgesneden en boven op het aarden bed ingeplant. Nog was
+de avond niet gevallen, toen zij reeds, op negen of tien dekameters na,
+met sloot en heg gereed waren.</p>
+<p>&bdquo;Ik geloof, als dit eens in orde is, de varkens &rsquo;t wel
+laten zullen er overheen te springen,&rdquo; sprak Flink.
+&bdquo;Bovendien kan Willem daar evengoed alleen mee klaar komen, als
+met behulp van ons beiden.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb223"
+href="#pb223" name="pb223">223</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Ja, dat wel, Flink,&mdash;maar niet zoo vlug.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ge behoeft u ook niet overmatig in te spannen, beste Willem.
+Zorg slechts, dat ge de honden &rsquo;s nachts vastlegt, zooals ik den
+verloopen nacht gedaan heb, en dan twijfel ik geen oogenblik, of de
+varkens zullen na een of twee nieuwe pogingen niet meer
+terugkomen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik wil zien, of ik niet een van die beesten schieten
+kan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Goed; maar kies daartoe vooral een van de jongen,&mdash;de
+ouden mogen wij niet dooden. Doch nu kunnen wij naar huis gaan; de zon
+zal spoedig onder zijn en Juno wacht ons zeker al met het
+avondeten.&rdquo;</p>
+<p>Voordat mijnheer Wilson en Flink den anderen morgen opbraken, gaf de
+laatste Willem nog allerlei onderrichtingen aangaande de boot, de
+reiszakken waren reeds vooraf van levensmiddelen voorzien, en zoo namen
+zij dan van mevrouw Wilson afscheid en braken op. Beiden waren met een
+geweer gewapend en Flink had nog bovendien eene bijl over den schouder
+geworpen.</p>
+<p>Zij hadden een verren weg voor zich, want eerst moesten zij naar het
+oude woonhuis terugkeeren, om van daar het oude pad door het woud op te
+zoeken. Dit was een groote omweg, die nochtans niet kon vermeden
+worden, daar zij niets dan de merken aan de boomen hadden om te
+volgen.</p>
+<p>Bij het woonhuis gekomen, rustten zij een uur uit en gingen toen
+naar den tuin, die op de landtong lag. Aardappelen en erwten stonden
+uitmuntend en ook de uien begonnen goed op te schieten.</p>
+<p>&bdquo;Wat ziet deze plaats er nu doodsch en eenzaam uit, Flink, nu
+men er niets levends meer kan ontdekken,&rdquo; riep mijnheer Wilson.
+&bdquo;Laat ons verder gaan, &rsquo;t wordt mij hier nu benauwd om het
+hart.&rdquo;</p>
+<p>Met deze woorden hervatten zij hunne wandeling en hadden na twee
+uren de westkust bereikt, op &rsquo;t zelfde punt, waar zij &rsquo;t
+allereerst geland waren. De nabijgelegen klippen waren nog met de
+overblijfsels van het schip bezaaid, die in de zon bleekten of in het
+zand aan de bocht half bedolven lagen.</p>
+<p>Zij gingen dadelijk aan &rsquo;t zoeken, doch konden behalve enkele
+spieren en teertonnen niets vinden, dat eenige waarde voor hen had.
+Duigen en ijzeren hoepels van vaten lagen in menigte in het rond en
+Flink meende, dat men die zeer goed tot eene tuinheining gebruiken kon,
+als men slechts tijd vond om ze zoo ver te vervoeren. Van het strand
+terugkeerende, zetten zij zich neer, om een weinig uit te rusten. Na
+een poos begaven zij zich eindelijk naar de tenten in het kokosbosch,
+waar zij de verschillende goederen, die na het vergaan van het wrak
+waren aangespoeld, geborgen hadden. <span class="pagenum">[<a id=
+"pb224" href="#pb224" name="pb224">224</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Ei, zie eens! Ook hier zijn de varkens aan den gang
+geweest,&rdquo; riep Flink; &bdquo;ze hebben een meelvat opengemaakt.
+Hoe dat toeging, begrijp ik niet recht. Zie maar, mijnheer, er moet een
+scheur in geweest zijn, anders ware &rsquo;t hun zeker niet gelukt. Het
+linnen is, vrees ik, tot weinig meer nut. Gelukkig hebben we nog eenige
+nieuwe stukken, die ik aan land heb gebracht.&mdash;Nu moeten wij eens
+zien, mijnheer, in welken staat onze voorraad zich bevindt. Dit hier
+zijn enkel meelvaten; wij hebben dus geen gevaar te loopen, als wij ze
+openmaken en zien of de inhoud nog bruikbaar is.&rdquo;</p>
+<p>Het eerste vat, dat zij openden, had rondom eene steenharde korst;
+toen deze eindelijk met de bijl was <span class="corr" id="xd21e5305"
+title="Bron: doorgekopt">doorgekapt</span>, vond men dat het binnenste
+nog zeer goed was gebleven.</p>
+<p>&bdquo;Dat is gelukkig, mijnheer; ik hoop, dat het bij de overige
+vaten evenzoo zal zijn. Het zeewater heeft er eene dikke korst over
+gemaakt en deze heeft het geheel tegen bederf bewaard. Evenwel willen
+we alle, &rsquo;t een na het ander openmaken. Nu gaan wij ons
+middagmaal houden en vervolgens weer aan het werk. We hebben een paar
+malen gebraden schildpadvleesch, die Juno voor ons heeft ingepakt en
+die smaken zullen.&rdquo;</p>
+<p>Na het eten ging men opnieuw aan het werk. &bdquo;Ik verlang toch te
+zien, wat d&aacute;&aacute;rin mag wezen,&rdquo; zeide mijnheer Wilson
+op de naaste kist wijzende.</p>
+<p>Flink begon er dadelijk met zijne bijl aan te breken. Hij rukte het
+deksel open en vond een aantal bordpapieren doozen vol klosjes garen,
+allerlei band en lint, baleinen en lappen katoen, neteldoek, gaas,
+tulle en andere stoffen.</p>
+<p>&bdquo;Dat was zeker voor eene modehandelaarster te Bontany-baai
+bestemd,&rdquo; zei mijnheer Wilson, <span class="corr" id="xd21e5316"
+title="Niet in bron">&bdquo;</span>en misschien heeft ze bitter in
+angst gezeten, toen ze het bestemde niet ontving. Evenwel moeten wij
+het thans voor mijne vrouw en Caroline in beslag nemen. Zoodra wij tijd
+vinden, zullen wij het haar brengen en ze zullen er wat blij mee zijn.
+Nu de tweede kist, Flink.&rdquo;</p>
+<p>De volgende kist was zonder slot; het deksel werd opengemaakt en men
+vond een dozijn groote vierkante flesschen, die met jenever gevuld
+waren.</p>
+<p>&bdquo;Dat is echte Schiedammer,&rdquo; zeide Flink. &bdquo;Wat
+moeten wij daar mee aanvangen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wij zullen ze niet weggooien, Flink, maar ze ook slechts bij
+gelegenheid als geneesmiddel gebruiken,&rdquo; antwoordde mijnheer
+Wilson. &bdquo;Wij zijn nu reeds zoo lang aan zuiver bronwater gewend,
+dat het zonde zou zijn, als we weer smaak in sterke dranken wilden
+krijgen. Als we er plaats voor vinden, zullen we een paar flesschen in
+het magazijn brengen. Ze kunnen ons misschien nog soms eens goede
+diensten doen.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb225" href=
+"#pb225" name="pb225">225</a>]</span></p>
+<p>Het volgende vat was weldra geopend, en men vond een tafelservies
+van gekleurd porselein met vergulde randen, dat inderdaad zeer fraai
+was.</p>
+<p>&bdquo;Nu mijnheer, dat kan u te pas komen, want het begint ons al
+langzamerhand aan borden en schotels te ontbreken. Evenwel zou gewoon
+steenen goed ons wel dezelfde diensten hebben gedaan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Het zou voor onzen tegenwoordigen toestand ook beter
+passen,&rdquo; was het antwoord. &bdquo;Niettemin is dit fijn
+Chineesche porselein ons even welkom als een eenvoudig stel en mag
+daarom niet versmaad worden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hier is eene doos met uw naam er op, mijnheer,<span class=
+"corr" id="xd21e5335" title="Niet in bron">&rdquo;</span> riep Flink.
+&bdquo;Weet gij, wat er in is?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, dat kan ik niet bedenken; maar zie zelf maar eens
+na.&rdquo;</p>
+<p>De doos werd geopend en alles scheen door het ingedrongen zeewater
+besmet en bedorven. Toen men evenwel het pakpapier had weggenomen, vond
+men allerlei soort van schrijfbehoeften, die, met uitzondering van de
+buitenste bladen, slechts weinig geleden hadden.</p>
+<p>&bdquo;Dat is een ware schat, Flink. Ik herinner mij nu nog zeer
+goed: het bevat papier en pennen met al wat er meer tot schrijven
+noodig is; verder prenteboekjes, teekenvoorbeelden, verfdoozen en zoo
+al meer, dat ik voor mijne kinderen bestemd had.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ei, waarlijk mijnheer, dat is een geluk. Nu kunnen wij eene
+school oprichten, en daar die door de gezamenlijke bevolking van het
+eiland bezocht zal worden, moet de beschaving hier weldra algemeen
+zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat willen wij hopen, vriend.&mdash;Nu het volgende
+vat.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat daarin is kan men van buiten wel zien,&mdash;olie, die
+ons heel welkom is, daar onze voorraad kaarsen vrij wat vermindert.
+Daar zijn evenwel nog een paar kaarsenkisten, die wij gebruiken kunnen
+en bij gelegenheid wel zullen overbrengen. Nu evenwel komt het
+allerkostelijkste gedeelte van ons eigendom.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En dat is?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Al die artikelen, welke ik in de boot aan land bracht,
+voordat het schip te gronde ging; want, ziet gij, mijnheer, ijzer
+drijft niet, en daarom was ik toen vooral op ijzerwaren van allerlei
+soort en op nuttige gereedschappen bedacht. Ik heb een kostelijken
+voorraad spijkers: hier drie vaatjes groote en hier twee kleiner soort.
+Bovendien bijlen, hamers, schaven, beitels, zagen, klossen bindgaren,
+was en hier nog eenige rollen fijn linnen, alles in de beste
+orde.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is werkelijk voor ons van groote waarde,
+Flink.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, mijnheer, we zouden er misschien al spoedig gebrek aan
+gehad hebben, <span class="pagenum">[<a id="pb226" href="#pb226" name=
+"pb226">226</a>]</span>daar de beide wilden bij hare vlucht al &rsquo;t
+ijzer, dat zij meester konden worden, hebben meegepakt. &rsquo;t Was
+een geluk voor ons, dat zij niet bij al onzen voorraad konden
+komen.&mdash;Daar hebt gij nog meer van onzen buit: eenige wateremmers
+en &rsquo;t voornaamste gereedschap van onzen kok, waar Juno recht blij
+mee zal wezen. Hier zijn ook twee lampen. Mij dunkt, ik heb ook nog
+eenige pakjes lampepitten op zijde gelegd; ja, ja, dat weet ik
+zeker,&mdash;en ze zullen wel weer voor den dag komen. Die vaten daar
+zijn &rsquo;t een met patronen, het ander met <span class="corr" id=
+"xd21e5361" title="Bron: kruid">kruit</span>; hier is nog een half vat
+met patronen, alles onbeschadigd. Hier ook zes geweren, die evenwel
+&rsquo;t <span class="corr" id="xd21e5364" title=
+"Bron: poesten">poetsen</span> wel noodig hebben. Nu, dat is ook
+bezwaarlijk anders te wachten.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat zijn wezenlijk schatten voor ons, Flink; en
+toch&mdash;hoe goed hebben wij ons tot hiertoe ook zonder dat
+gered.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O ja, mijnheer; maar des te beter, nu wij ze hebben. Als we
+&rsquo;t magazijn tot onze woonplaats hebben gemaakt, zijn wij dan ook
+beter in staat, om &rsquo;t in alle opzichten gemakkelijker in te
+richten dan ons vorig huis geweest is; want, zie maar, mijnheer, daar
+zijn nog al de balken en planken, die Willem en ik in het zand begraven
+hebben.&mdash;Daarmee kunnen wij een vloer in het huis leggen en
+behoorlijke kasten en bedsteden maken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Och, die had ik geheel vergeten, Flink; zooals ge zegt, de
+voorraad is tot dat alles dubbel voldoende. Als ik mij slechts die
+vrees voor een mogelijken aanval van die wilden uit het hoofd kon
+zetten,&mdash;me dunkt, dan zouden we hier zelfs op dit eiland een
+recht genoeglijk leven kunnen leiden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Weet gij wel, mijnheer, dat het mij van harte genoegen doet u
+zoo te hooren spreken? Het bewijst, dat gij tegenwoordig tevredener en
+gelukkiger zijt, dan gij vroeger waart.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat ben ik ook, Flink,&mdash;althans dat geloof ik. Misschien
+ook, dat het ons van den kant der wilden dreigende gevaar mijne
+gedachten zoozeer aftrekt, dat ik mij bij mijn vroegeren wensch, om van
+het eiland verlost te worden, niet langer zoo bepalen kan. De eene
+bezorgdheid heeft zeker de andere verdrongen en onderdrukt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Het zal wezen, zooals gij zegt, mijnheer;&mdash;maar laat ons
+nu met ons onderzoek voortgaan. Hier zijn het zeekompas, de
+scheepslijnen, de logrol en het dieplood. We zullen die op onze boot
+nog wel ergens toe gebruiken kunnen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ei, met dat kompas ben ik recht in mijn schik, Flink, want
+met behulp daarvan kan ik eens, als ik tijd heb, een plan van dit
+eiland opmaken. Een zakkompas is te klein daartoe. Ge weet misschien
+niet, dat ik in mijne jonge jaren als landmeter naar Sidney
+trok?&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb227" href="#pb227" name=
+"pb227">227</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Neen, dat hebt ge mij nog niet gezegd. Ge zult ons dan zeker
+wel <span class="corr" id="xd21e5385" title=
+"Bron: nauw keurig">nauwkeurig</span> kunnen opgeven, welke ruimte ons
+weideland beslaat.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O ja; dat zal ik u zeggen, zoodra wij weer terug zijn.
+Inmiddels zal ik hier eenige opmetingen doen, daar wij denkelijk niet
+weer zoo spoedig hier zullen komen.&rdquo;</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch50" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">BIJNA EEN ONGELUK. EEN NIEUWE BRIEVENPOST.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Met het krieken van den dag gingen mijnheer Wilson en
+Flink weder aan het werk en openden achtereenvolgens alle kisten en
+pakken, die nog van het wrak gered waren geworden. Zij vonden kisten
+met kaarsen, drie vaten rijst ten deele goed, ten deele ook beschadigd,
+en eene kist met thee en twee balen koffie, welke Flink van boord had
+meegenomen. Suiker was echter niet voorhanden, want de kleine voorraad,
+dien men gered had, was in den regen weggesmolten.</p>
+<p>&bdquo;Dat is een heel ongeluk, mijnheer. Onze jongeheer Thomas zal
+geen thee of koffie zonder suiker lusten en is er dus slecht aan
+toe.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;De jongeheer moet zich leeren behelpen, Flink. We kunnen niet
+verwachten hier alles zoo te hebben, alsof de kruidenier vlak naast
+onze deur woonde.&mdash;Laat ons nu eens zien, hoe &rsquo;t met de
+onder het zand begraven dingen gesteld is.&rdquo;</p>
+<p>Het zand werd weggeschoffeld en men vond de vaten met pekelvleesch,
+alsook de eiken planken in den besten staat. Veel anders daarentegen
+was ook geheel verrot en bedorven.</p>
+<p>Tegen den middag waren zij met hun werk gereed en daar zij nog tijd
+genoeg voor zich hadden, begon mijnheer Wilson met behulp van zijn
+kompas eene opmeting van de verschillende landpunten. Toen dit gedaan
+was, wierpen zij hunne geweren over den schouder. Flink nam nog eenige
+ponden van de beschadigde rijst tot voeder voor de kippen mee en daarna
+begaven zij zich gezamenlijk op weg.</p>
+<p>Na twee uur bereikten zij hun voormalig woonhuis, rustten in het
+magazijn een poosje uit en vervolgden toen hun tocht naar de tenten bij
+de weide. Ze waren ongeveer een kwartier gevorderd, toen Flink gerucht
+vernam en mijnheer Wilson een teeken tot stilstaan gaf. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb228" href="#pb228" name="pb228">228</a>]</span></p>
+<p>De oude man fluisterde zijn geleider toe, dat de varkens dicht in de
+buurt waren en laadde zijn geweer. Mijnheer Wilson deed hetzelfde en
+beiden slopen zacht op de plaats toe, van waar het gegrom zich hooren
+liet.</p>
+<p>Zij kregen de dieren niet in het gezicht, voordat zij die op twintig
+passen genaderd waren. Toen hadden zij de gansche kudde vlak voor zich
+en de beesten staken de koppen verwonderd omhoog. De oude beren en
+zeugen lieten een geknor hooren en snelden op &rsquo;t oogenblik, dat
+Flink vuur gaf, op de vlucht. Mijnheer Wilson vond geen tijd meer om
+los te drukken; doch Flink had een van de biggen geraakt, die nu met
+den dood worstelende in haar bloed lag te spartelen.</p>
+<p>&bdquo;Een kostelijk stuk gebraad;&mdash;daar kunnen we een
+feestmaal van houden!&rdquo; riep Flink, terwijl zij op het stervende
+dier toetraden.</p>
+<p>&bdquo;Ja, dat is waar, Flink!&rdquo; antwoordde mijnheer Wilson.
+&bdquo;We moeten nu maar zien, hoe we het beest met ons twee&euml;n
+naar huis brengen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;We zullen het op onze geweren leggen, dan zal de vracht zoo
+zwaar niet zijn. &rsquo;t Is zeker pas zes maanden oud en aan de
+zwaarte kunt gij zien of zij hier ook kostelijk voeder
+vinden!&rdquo;</p>
+<p>Spoedig hadden zij het dier op hunne geweren geladen en vervolgden
+zoo hun weg. Bij het uittreden van het bosch bespeurden zij Willem en
+zijne moeder, die beiden het schot gehoord hadden en hun tegemoet waren
+gegaan. Mevrouw Wilson scheen eenigszins angstig te zijn, doch toen zij
+het varken in het oog kreeg, ried zij oogenblikkelijk de oorzaak van
+het schot.</p>
+<p>&bdquo;Ik moet bekennen, dat ik een beetje ontsteld was, toen ik dat
+geweerschot hoorde,&rdquo; zeide zij, haar echtgenoot omarmende.
+&bdquo;Ik kon namelijk niet verwachten, dat gij vandaag al terugkeeren
+zoudt. Wij allen zijn volmaakt wel.&rdquo;</p>
+<p>Willem nam voor zijn vader het overbrengen van het gevelde wild op
+zich en deze ging met de moeder naar de tenten.</p>
+<p>&bdquo;Nu, beste Willem, welk nieuws is er hier bij u,&rdquo; vroeg
+Flink.</p>
+<p>&bdquo;O, heel goed nieuws, Flink! Gisteravond, toen ik moe was van
+den arbeid, kwam ik op de gedachte om de boot eens te nemen en te zien,
+of ik in het diepe water op deze zijde van het eiland niet ook wat
+visch vangen kon. Ik kreeg ook wezenlijk drie stuks, die er heel anders
+uitzien, dan die wij tusschen de klippen vingen. Wij hadden er
+&eacute;&eacute;n van bij het ontbijt en &eacute;&eacute;n des middags
+en zij smaakten uitmuntend.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zijt gij alleen met de boot uit geweest?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen,&mdash;ik nam Juno mee. Moeder zei, dat ze haar wel een
+paar uren missen kon. Zij roeit zoo goed als de beste matroos,
+Flink.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb229" href="#pb229" name=
+"pb229">229</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Ja, &rsquo;t is een recht bruikbaar meisje, Willem.&mdash;Nu,
+met onze monstering zijn wij ook klaargekomen en wij zullen beiden nu
+<span class="corr" id="xd21e5436" title="Niet in bron">in</span>
+overvloed werk krijgen, maak daar staat op. Ik geloof niet, dat wij in
+&eacute;&eacute;ne week alles zullen kunnen vervoeren, en daarom heb ik
+gedacht, moeten we al aanstonds morgen beginnen. Eerst willen wij
+evenwel hooren, wat uw vader daarvan zegt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O, dat is mij w&egrave;l, want ik neem veel liever de
+roeiriemen dan de schop in de hand,&rdquo; zeide Willem. &bdquo;Ik heb
+er niets tegen, als vader het graven en spitten van mij wil
+overnemen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat zal hij zeker gaarne doen, daar hij natuurlijk liefst bij
+moeder en de kleinen wil blijven.&rdquo;</p>
+<p>Zoodra zij de woning bereikt hadden, hing Flink het varken in de
+tent, waar Willem, mijnheer Wilson, en hij zelf sliepen, aan den
+kruispaal op, zette de geweren tegen den zijwand aan en ging met
+Willem, om zijn mes en eenige spanhouten, die hij bij &rsquo;t
+schoonmaken van het dier noodig had, te halen.</p>
+<p>Terwijl beiden weg waren, kwamen Thomas en Caroline aanloopen, om
+het dier te bezien. Thomas gaf hoog op van zijne tevredenheid, dat hij
+den volgenden dag gebraden varkensribbetjes eten zou, nam <span class=
+"corr" id="xd21e5448" title="Bron: een">&eacute;&eacute;n</span> van de
+geweren en riep: &bdquo;Pas eens op, Caroline, ik zal het varken
+morsdood schieten.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Och, Thomas, kom toch niet aan dat geweer!&rdquo; riep zijne
+zuster. &bdquo;Vader heeft het u immers verboden, en weet ge niet meer
+hoe &rsquo;t u daar in &rsquo;t bosch in de hand afging?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O, dat was niemendal,&rdquo; antwoordde Thomas; &bdquo;ik wil
+u eens wijzen, hoe men een varken doodschiet.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Doe &rsquo;t niet, Thomas,&rdquo; riep Caroline; &bdquo;als
+ge &rsquo;t doet, ga ik heen en zeg &rsquo;t moeder.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dan schiet ik op u,&rdquo; hernam Thomas en zocht met het
+geweer op haar te mikken.</p>
+<p>Caroline schrikte daar z&oacute;&oacute; van, dat zij zoo hard als
+zij kon wegliep; maar Thomas spande al zijne kracht in en zocht het
+geweer tegen den schouder te brengen. Daarbij trof het, dat hij zijn
+vinger aan den trekker bracht en daar hij toevallig het geweer van zijn
+vader had genomen, dat nog geladen was, ging dat af en stiet de kolf
+hem, die het niet vast tegen den schouder aandrukte, in het gezicht,
+zoodat de schok hem twee tanden uitsloeg, de wang kwetste en hem het
+bloed uit den neus deed stroomen.</p>
+<p>Thomas was door het afgaan van het schot en den bekomen slag zoo
+onthutst, dat hij het geweer met een luiden gil uit de handen liet
+vallen en naar <span class="pagenum">[<a id="pb230" href="#pb230" name=
+"pb230">230</a>]</span>de tenten liep, waar zijne beide ouders zaten,
+die op het hooren van den knal waren opgesprongen en hem nu ontsteld te
+gemoet vlogen.</p>
+<p>Flink en Willem waren ook op het schot oogenblikkelijk toegesneld,
+daar zij vreesden dat er een ongeluk gebeurd was. De oude man liep op
+Thomas toe, wischte den knaap met de hand het bloed van het gezicht en
+ontdekte tot zijne geruststelling, dat deze geene wonde of ander
+gevaarlijk letsel had.</p>
+<p>&bdquo;Hij is niet gewond,&rdquo; riep hij mijnheer Wilson toe,
+&bdquo;hij bloedt enkel uit den neus. Houd op met schreeuwen en gieren,
+kwajongen! Wat hadt ge weer uwe handen aan een geweer te
+slaan?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Het geweer heeft mij op den grond gegooid,&rdquo; snikte
+Thomas, terwijl het bloed hem steeds uit den mond liep.</p>
+<p>&bdquo;Dan hebt ge uw verdiend loon gekregen. Zult gij u voortaan
+beter in acht nemen en geen geweer meer aanraken?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O, ik zal er mijn leven niet meer aankomen,&rdquo; jammerde
+de kleine. &bdquo;&rsquo;t Heeft mij haast doodgeschoten.&rdquo;</p>
+<p>Juno kwam nu met water, om hem het gezicht af te wasschen, en thans
+eerst <span class="corr" id="xd21e5478" title=
+"Bron: ondekte">ontdekte</span> men, dat hij twee voortanden verloren
+had en aan wang en lippen toch vrij wat bezeerd was. Men kleedde hem
+uit en legde hem te bed, waar hij weldra in diepen slaap zonk.</p>
+<p>&bdquo;Ik had de geweren daar niet moeten laten staan,&rdquo; zeide
+Flink tot Willem; &bdquo;dat was een verzuim van mij. Ik dacht zeker,
+dat men den kleinen deugniet reeds zoo dikwijls ingeprent had, aan geen
+vuurwapens te raken, dat hij dat zeker niet wagen zou. Maar altijd als
+er een ongeluk valt aan te richten is hij terstond bij de
+hand.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hij mikte op mij en wilde op mij schieten; maar ik ben
+weggeloopen,&rdquo; zeide Caroline.</p>
+<p>&bdquo;Goedertierende Hemel, welk een geluk!&rdquo; riep de
+verschrikte moeder. &bdquo;Had hij losgedrukt, dan was mijn arm, lief
+kind vermoord geworden.&mdash;Die afschuwelijke jongen!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hij is ditmaal behoorlijk gestraft, mevrouw, en ik sta er
+voor in, dat hij in den eersten tijd geen geweer meer zal
+aanraken.&rdquo;</p>
+<p>Den volgenden morgen was het gezicht van onzen jongeheer hoogrood en
+gezwollen. Wangen en lippen waren donkerblauw en opgeloopen en het
+verlies der beide voortanden misvormde hem nog meer. Gelukkig waren het
+nog melktanden geweest, want anders hadden de gevolgen nog droeviger
+voor hem kunnen zijn.</p>
+<p>Tot het ontbijt werd van het gebraden wild opgedragen en de geur
+daarvan <span class="pagenum">[<a id="pb231" href="#pb231" name=
+"pb231">231</a>]</span>prikkelde Thomas niet weinig in den neus. Toen
+zijn vader hem nu echter nog eens terdege beknorde en hem zeide, dat
+hij geen enkel brok van het gebraad proeven zou, begon hij zoo hard te
+huilen, dat men hem wegbrengen moest, totdat hij met schreeuwen had
+opgehouden.</p>
+<p>Na &rsquo;t ontbijt zeide Flink, dat hij met Willem in de boot wilde
+gaan, om met het zware werk van de overbrenging der vele goederen van
+de westkust naar het magazijn een begin te maken, waarbij hij deed
+opmerken dat men geen enkelen dag meer te verliezen had. Juno had op
+zijn verlangen reeds eene goede portie varkensvleesch voor hen gebraden
+en tevens een stuk pekelvleesch gekookt, zoodat zij behoorlijk van
+levensmiddelen voorzien waren en dus niets meer hadden, dat hen
+tegenhield. Mijnheer Wilson nam de verdere planting der heg op zich en
+wilde gedurende hunne afwezigheid de sloot rondom het yamsplantsoen
+geheel voltooien.</p>
+<p>&bdquo;Maar hoe lang denkt gij wel met Willem uit te blijven,
+Flink?&rdquo; vroeg de moeder met kennelijke bezorgdheid.</p>
+<p>&bdquo;Wel, laat eens zien, mevrouw; we hebben vandaag
+Woensdag,&mdash;dan moet ge ons niet v&oacute;&oacute;r Zaterdagavond
+terug verwachten. Wij moeten dat alles toch afdoen, en hoe eer het
+gebeurd is, des te beter voor ons.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Beste Willem, ik word er wezenlijk angstig onder dat gij zoo
+lang van ons vandaan zult zijn. Daarbij zult gij altijd bij het water
+wezen, en zoo zal ik in gedurige ongerustheid zijn, totdat ik u hier
+wederzie.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Nu, moeder, dan dien ik u wel met den post te schrijven, om u
+te doen weten, hoe ik het heb.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Spot niet met mijn angst, kind. Ik wenschte, dat wij een post
+hadden en dat gij mij iederen dag schrijven kondet.&rdquo;</p>
+<p>Flink en Willem maakten alle toebereidselen, die hunne langdurige
+afwezigheid vereischen kon. Zij namen hunne beddedekens mede; zoo ook
+een kleinen ketel, om te koken, en toen eindelijk alles beredderd was,
+zeiden zij mijnheer en mevrouw Wilson hartelijk vaarwel.</p>
+<p>Juno hielp hun de bagage in de boot brengen. Zij wilden eerst naar
+de Oostelijke kust roeien, d&aacute;&aacute;r hunne vracht achterlaten
+en vervolgens op het kokosbosch afgaan. Voordat zij van wal stieten,
+nam Willem nog Remus, den hond, in de boot op.</p>
+<p>&bdquo;Waartoe neemt gij den hond mee, Willem?? Hij kan hier van
+dienst wezen, om de zwijnen te verjagen, en wij hebben misschien last
+van hem.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Och, laat hem, Flink,&mdash;ik moet hem bij mij hebben. Er is
+mij daar iets ingevallen&mdash;laat mij ditmaal mijn zin doen.&rdquo;
+<span class="pagenum">[<a id="pb232" href="#pb232" name=
+"pb232">232</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Goed, Willem: wat mij betreft, moogt gij altijd uw zin
+hebben. Gij wenscht den hond bij u te houden, en daarmee
+afgedaan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dag, Juno, houd u goed, meid; we zullen u eene schildpad
+meebrengen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Datte vooral doen, massa Flink! Dag, massa Willem! Niet
+vergeten, zaterdag weerom wezen en brengen visch en schildpad
+mee.&rdquo;</p>
+<p>Het zeil werd opgetrokken, en daar er een frissche wind woei, waren
+zij binnen korten tijd in de oostelijke baai. Zij droegen de
+levensmiddelen en verdere benoodigdheden in het huis en sloten de deur
+toe.</p>
+<p>Hierop gingen zij naar het hoenderhok, waar Flink aan de vogels van
+de rijst voorwierp, die hij hierheen had medegenomen. Tot hunne groote
+tevredenheid telden zij thans over de veertig hoenders, alle gezond en
+fiksch, sommige daaronder waren dik en vet, zoodat men hen dadelijk had
+kunnen slachten. Daar zij nochtans overvloed van versche levensmiddelen
+hadden, was men overeengekomen, hun vooreerst nog te ontzien, omdat de
+eieren van meerdere waarde voor hen waren dan de hoenders.</p>
+<p>Vervolgens stapten zij weder in de boot en roeiden naar het
+kokosboschje<span class="corr" id="xd21e5530" title="Bron: ,">.</span>
+De wind blies hun vlak tegen en zoo duurde hunne vaart vrij lang, doch
+dit was, gelijk Flink opmerkte, eene zeer gunstige omstandigheid, want
+op deze wijze konden zij met de bevrachte boot ook des te sneller naar
+de baai terugzeilen.</p>
+<p>Aan het kokosbosch geland, verloren zij geen tijd, maar gingen
+terstond aan het bevrachten van de boot, zoodat de spijkers benevens de
+verdere ijzeren werktuigen van allerlei aard en de gereedschappen, waar
+Flink destijds van het schip aan land had gebracht, het grootste
+gedeelte van de eerste lading uitmaakten. Een meelvat, eene kist met
+kaarsen en eenige stukken linnen maakten de lading eindelijk vol. Zij
+riepen Remus, die zich op den zandigen oever in de schaduw van het
+geboomte had nedergelegd, en stieten toen af. Het zeil werd geheschen
+en een half uur later hadden zij de klippen reeds weder achter zich en
+landden in de baai.</p>
+<p>&bdquo;Ik ben recht blij, dat wij deze lading gelukkig overgebracht
+hebben, Willem, want ze is voor ons van groote waarde. Nu willen wij
+het een na het ander naar het magazijn brengen en daarmee is dan voor
+vandaag genoeg afgedaan. Morgen zullen we zien, of we twee ladingen
+halen kunnen. Ge denkt toch niet, dat dit u te zwaar zal vallen, beste
+jongen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O, we hebben maar vroeg op te staan, en dan zal het best
+lukken,&rdquo; gaf Willem ten antwoord. &bdquo;Wij zullen nu ons maal
+houden en onzen verderen arbeid tot den namiddag uitstellen.&rdquo;
+<span class="pagenum">[<a id="pb233" href="#pb233" name=
+"pb233">233</a>]</span></p>
+<p>Aan dat maal mocht ook Remus deelnemen, dien Willem van beenderen en
+verderen afval rijkelijk voorzag.</p>
+<p>&bdquo;Maar zeg mij toch, Willem,&rdquo; vroeg Flink, &bdquo;hoe
+waart ge er van morgen toch zoo bizonder <span class="corr" id=
+"xd21e5544" title="Bron: opgesteld">op gesteld</span> om den hond mee
+te nemen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat zal ik u zeggen, Flink. &rsquo;t Is mogelijk, dat ik mij
+in hem vergis, maar dat geloof ik toch niet. Ik denk namelijk, dat hij
+moeder wel een briefje van mij kan overbrengen. Gij weet, dat hij als
+men &rsquo;t hem gelast, altijd weer naar huis terugkeert, en nu wil ik
+eens zien, of hij ook van hier den ganschen weg naar de tenten kan
+terugvinden. Ik heb daartoe een stuk papier en potlood
+meegenomen.&rdquo;</p>
+<p>Hij haalde dit dadelijk voor den dag en schreef:</p>
+<div class="blockquote">
+<p class="first salute">&bdquo;Lieve moeder!</p>
+<p>&bdquo;Wij zijn heel w&egrave;l en zoo even met de eerste lading
+voorspoedig aangekomen.</p>
+<p class="signed">Uw u hartelijk liefhebbende zoon</p>
+<p class="signed">Willem.&rdquo;</p>
+</div>
+<p>Willem bond den hond het papier met een eindje touw om den hals,
+lokte hem toen buiten het huis en riep:</p>
+<p>&bdquo;Remus, naar huis, beest!&mdash;Marsch, weg! Naar huis,
+hond!&rdquo;</p>
+<p>De hond keek zijn meester twijfelachtig aan, alsof hij niet recht
+wist wat men van hem verlangde; doch Willem nam een steen en deed alsof
+hij naar hem gooien wilde. Nu liep het dier een eind weegs voort en
+bleef toen weder staan.</p>
+<p>&bdquo;Naar huis, Remus!&mdash;Naar huis, hond!&rdquo; Met deze
+woorden hief Willem den steen weder omhoog, terwijl hij zijn bevel
+herhaalde en de hond ging nu, zoo hard zijne pooten hem dragen konden,
+op den loop.</p>
+<p>&bdquo;Hij is nu in allen gevalle weg,&rdquo; zeide Willem.
+&bdquo;Mij dunkt, hij zal de tenten wel wedervinden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat moet de tijd leeren,&rdquo; hernam Flink. &bdquo;Daar we
+met eten gedaan hebben, kunnen we nu met het bergen van onze goederen
+beginnen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Waar moeten we die dan bergen, Flink?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;In het magazijn, beste jongen. Dat zal ons wel wat zweet
+kosten, want deze kisten en vaatjes met spijkers zijn zwaar en wij
+dienen menigen gang te doen, maar het moet toch gebeuren. We hebben
+echter nog een uur of drie<span class="corr" id="xd21e5578" title=
+"Niet in bron">,</span> vier dag v&oacute;&oacute;r ons, zoodat we ons
+niet behoeven te overhaasten.&rdquo;</p>
+<p>Zoodra de gansche lading in het magazijn geborgen was, brachten zij
+<span class="pagenum">[<a id="pb234" href="#pb234" name=
+"pb234">234</a>]</span>de boot in veiligheid en gingen toen naar het
+woonhuis, om zich daar ter ruste te leggen. Op het oogenblik, dat zij
+den voet op den drempel zetten, kwam Remus met vroolijke sprongen op
+hen toe; maar gelukkig had hij het briefje nog altijd om den hals.</p>
+<p>&bdquo;Daar is de hond, Willem,&rdquo; riep Flink. &bdquo;Het
+schijnt, dat hij toch niet naar huis heeft willen
+terugloopen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat spijt mij recht; ik geloofde stellig en zeker, dat hij
+het doen zou, en nu heb ik mij toch bedrogen. Wij zullen hem niets te
+vreten geven, dan moet hij op &rsquo;t laatst toch wel gaan. Maar
+wacht,&mdash;wacht eens! Kijk, Flink! dat is niet hetzelfde papier, dat
+ik hem om den hals bond. Ik geloof &rsquo;t althans niet.&mdash;Laat
+eens zien.&rdquo;</p>
+<p>Dit zeggende nam Willem den hond het briefje van den hals en
+las:</p>
+<div class="blockquote">
+<p class="first salute">&bdquo;Beste Willem!</p>
+<p>&bdquo;Uw brief is gelukkig overgekomen en wij zijn recht blij, nu
+wij weten dat alles w&egrave;l met u is. Schrijf ons elken dag.
+&rsquo;t Was wezenlijk een recht goede inval van u,&mdash;en Remus is
+een juweel van een hond.</p>
+<p class="signed">Uwe u liefhebbende moeder</p>
+<p class="signed">Selina Wilson.&rdquo;</p>
+</div>
+<p>&bdquo;Inderdaad, de hond is recht schrander,&rdquo; riep Flink.
+&bdquo;Waarlijk, ik had er niet de minste gedachte op, dat hij gaan, of
+dat hij nog wel op bevel uwer moeder tot ons terugkomen zou.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Brave Remus!&rdquo; riep Willem, het dier liefkoozende.
+&bdquo;Kom hier, mijn jongen; nu zult ge ook lekker smullen van avond,
+want ge hebt dat eerlijk verdiend.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat heeft hij waarlijk. Zie, Willem, daar hebt ge nu een
+postinrichting op ons eiland tot stand gebracht, en dat is eene
+verbetering van belang. In ernst, jongen, ze kan ons recht nuttig
+worden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;In allen gevalle kan dat eene groote geruststelling voor
+moeder zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, vooral dan, als we in &rsquo;t vervolg met ons
+drie&euml;n hier werken moeten, om &rsquo;t magazijn in orde en in
+staat van tegenweer te brengen.&mdash;Nu gaan wij echter terstond
+slapen, om morgen met den leeuwrik weer op te zijn, zooals men bij ons
+te lande zou zeggen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hier dienden wij te zeggen, met de papegaaien, want die zijn
+de eenige soort van landvogels, die dit eiland rijk schijnt te
+wezen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Gij vergeet de duiven, Willem. Ik heb gisteren een paar in
+het bosch gezien; maar ze zijn thans juist in den
+broeitijd.&mdash;Goeden nacht, Willem.&rdquo; <span class=
+"pagenum">[<a id="pb235" href="#pb235" name="pb235">235</a>]</span></p>
+<p>Eenige dagen lang werkten allen ijverig door en Remus ging heen en
+keerde telkens met goede berichten terug, totdat des Zaterdags de
+terugreis werd aanvaard. Bij hunne aankomst vonden zij de gansche
+familie aan de kleine haven verzameld en verlangend naar hen
+uitziende.</p>
+<p>&bdquo;Welkom thuis, beste Willem!&rdquo; riep mevrouw Wilson hem
+vroolijk toe. &bdquo;Nu, gij hebt u een man van uw woord betoond en mij
+uwe brieven met den post gezonden. Welk een kostelijke inval van u! Ik
+zal mij niet meer ongerust maken: ook niet, als gij alle drie eens te
+zamen weg zijt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik moet Romulus en Vixen ook nog hetzelfde leeren,
+moeder.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En ik wil het de jongen leeren,&rdquo; zei Thomas.
+&bdquo;Thomas wil ook brieven schrijven.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, ja, Thomas. Tegen dat gij eerst een brief schrijven kunt,
+zullen de jongen wel sterk genoeg zijn, om dien te dragen,&rdquo;
+antwoordde Flink. &bdquo;Uw gezicht is nog tamelijk geschonden, merk
+ik. Ge zult nu, hoop ik, geen doode varkens meer willen
+schieten.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, dat wil ik niet; maar van &rsquo;t eerste, dat gij nu
+weer doodmaakt, zal ik meer eten, dan ik van dat andere gedaan
+heb.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is een verstandig woord van u, beste jongen.&mdash;Kom
+hier, kleine Albert! ik zal u weer een beetje op den arm dragen; wij
+beiden hebben nu in zoolang niet samen gespeeld.&mdash;Hoe staat het
+met de heg en den greppel, mijnheer?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Goed, Flink, twee zijden daarvan zijn ten naastebij klaar.
+Naar ik reken, zal ik tegen het einde der volgende week het gansche
+plantsoen wel behoorlijk omheind hebben.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O, ge behoeft u niet al te sterk in te spannen, mijnheer;
+want zoo&rsquo;n groote haast heeft het volstrekt niet. Willem en ik
+zullen met het overige wel nagenoeg klaar worden.&rdquo;</p>
+<p>Aan tafel sprak men nog lang van de schranderheid, door Remus bij
+het overbrengen der brieven aan den dag gelegd. Mijnheer Wilson
+verhaalde daarbij onderscheidene voorbeelden van de scherpzinnigheid
+der dieren, totdat Willem zijn vader op eens vroeg, waarin dan
+eigenlijk het verschil tusschen verstand en instinct bestond.</p>
+<p>&bdquo;Dat verschil is zeer groot, zooals ik u terstond zal
+verklaren. Eerst moet ik echter aanmerken, dat men voorheen placht te
+zeggen, dat de mensch door verstand, maar het dier enkel en alleen door
+zijn instinct geleid werd, hetgeen onjuist is. De mensch heeft evengoed
+als het dier zijn instinct en ook de dieren bezitten verstandelijke
+vermogens, ofschoon zij ook meestal enkel aan het instinct
+gehoorzamen.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb236" href="#pb236"
+name="pb236">236</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Instinct bij dieren is het gevoel, dat dezen aandrijft om
+zekere dingen zonder voorafgaand overleg of nadenken te verrichten. De
+zwaluw bouwt haar nest, de spin weeft haar web, de bij maakt hare cel
+in alles nog evenzoo als zij het voor vierduizend jaren gedaan hebben.
+Ik kan u hier reeds doen opmerken, dat een der grootste wonderen van
+het instinct in de meetkunstige gedaante der bijencellen bestaat, want
+men heeft door afdoende bewijzen aangetoond, dat deze vorm juist die
+is, welke de minste opoffering van tijd en moeite vordert. De wonderen
+van het instinct vallen bovenal onder zulke dieren in het oog, die in
+groote kudden en zwermen samenleven.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Verklaar mij dat wat nader, lieve vader.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Daartoe behooren b. v. de vele soorten van trekvogels, wilde
+ganzen, ooievaars, zeevogels, kraaien en raven. Zij doen hun instinct
+blijken door de tochten, die zij uit het eene werelddeel naar het
+andere ondernemen,&mdash;door de wijze, waarop zij vliegen, opdat zij
+den wind zoo weinig mogelijk val en tegenstand bieden. Daarbij houdt
+elk dezer dieren zich aan de hem aangewezen plaats met eene bijzondere
+nauwgezetheid. Als zij slapen, zetten zij schildwachten uit, die voor
+hen waken en hun bij naderend gevaar een teeken geven; datzelfde kan
+men niet alleen bij vogels, maar ook bij andere dieren
+waarnemen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En hoe is het dan met die, welke in troepen of zwermen leven,
+vader?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Daartoe behooren de bijen, de mieren en vele andere insecten
+en onder de viervoetige dieren de bever. Niets is bewonderenswaardiger
+dan de nauwgezetheid, waarmede zij arbeiden, de gemakkelijkheid,
+waarmede zij zich de een den ander verstaanbaar maken en de stiptheid,
+waarmede ieder in het bijzonder zijn werk verricht,&mdash;doch Thomas
+geeuwt, alsof hij ons allen wil inslikken en Caroline is al lang in
+zoete rust.<span class="corr" id="xd21e5652" title=
+"Niet in bron">&rdquo;</span></p>
+<p>&bdquo;Hun verstand en hun instinct zijn dan beide tegen mij,&rdquo;
+merkte Willem lachend aan, &bdquo;zoodat ik wel geduld moet hebben.
+Maar ik verlang werkelijk zeer over dit punt nog iets meer van u te
+hooren.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En ik niet minder, Willem,&rdquo; verzekerde Flink;
+&bdquo;ofschoon &rsquo;t mij nu niet onaangenaam is te gaan
+rusten.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb237" href="#pb237" name=
+"pb237">237</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch51" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">EEN-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">INSTINCT EN VERSTAND.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De volgende dag was als Zondag aan de rust gewijd.</p>
+<p>Toen de familie des avonds vreedzaam bij elkander zat, verzocht
+Willem zijn vader, om nu van de verstandelijke vermogens der dieren nog
+iets naders te zeggen.</p>
+<p>&bdquo;Dat wil ik gaarne doen,&rdquo; antwoordde mijnheer Wilson.
+&bdquo;Daar vinden wij dan vooreerst geheugen, en wel inzonderheid een
+onthouden van personen en plaatsen, dat in getrouwheid voor dat van ons
+menschen zeker niet behoeft onder te doen. Een olifant, die uit zijn
+stal weggeloopen en weer in zijne oude bosschen gevlucht was, kende nog
+na twintig jaren zijn voormaligen drijver weder. Wat den plaatselijken
+zin aangaat, zoo zal b. v. een hond de vroegere woning van zijn heer
+terugvinden, ook al was hij er honderd uren ver vandaan geweest. Ook de
+papegaai en de <span class="corr" id="xd21e5671" title=
+"Bron: kakatoe">kaketoe</span> bezitten een uitmuntend geheugen.</p>
+<p>&bdquo;Een tweede bewijs voor hun geheugen is, dat de dieren
+droomen; hoe dikwijls hoort gij Romulus en Remus in den slaap niet
+brommen en blaffen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat heb ik meermalen opgemerkt, vader.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Verder doen zij ook opmerkzaamheid blijken. Zie eens eene
+kat, hoe zij uren lang geduldig voor een gat zit en wacht tot de muis
+er uitkomt. Eene spin wacht dagen lang, totdat eindelijk eene vlieg in
+haar net verward raakt; en zoo zult gij het bij elk dier vinden, als
+het op zijne prooi loert.</p>
+<p>&bdquo;Ook een aaneenschakeling van gedachten is bij hen merkbaar,
+en wat is dit anders dan eene werkzaamheid van het verstand? Een bewijs
+daarvan levert de hond; hij zal b. v. een net gekleed mensch
+doodbedaard op zijne deur laten toekomen, terwijl hij dreigend op den
+bedelaar aanvliegt. Heeft hij iets te bewaken, dan zult gij altijd
+merken, dat hij een voorbijganger ongestoord laat gaan, maar
+daarentegen oogenblikkelijk begint te blaffen, als iemand voor hem
+staan blijft. Ik heb in Sidney een hond gekend, die op de plantage van
+zijn meester de wacht moest houden en telkens, als hij een mensch het
+goed hoorde naderen, op den kleinen muur sprong, die de plaats omgaf,
+en den aankomeling op zijde bleef, totdat deze de buurt verlaten
+had.</p>
+<p>&bdquo;Bij den olifant valt dit vermogen der gedachtenverbinding nog
+duidelijker in het oog; hij verstaat wat men hem zegt veel beter dan
+eenig ander dier;&mdash;zijn verstand is werkelijk ongemeen. Men heeft
+hem slechts eene <span class="pagenum">[<a id="pb238" href="#pb238"
+name="pb238">238</a>]</span>belooning toe te zeggen, en hij zal de
+verwonderlijkste kunststukken verrichten; ook is hij buitengewoon
+gevoelig voor lof of blaam.</p>
+<p>&bdquo;In Indi&euml; worden de olifanten tot het vervoer van zwaar
+geschut gebruikt. Eens gebeurde het, dat een van de fraaiste dezer
+dieren vruchteloos zijne krachten inspande, om een kanon door het
+moeras te slepen. &bdquo;Jaagt het luie dier weg,&rdquo; riep de
+commandant van den legertrein, &bdquo;en laat een ander komen.&rdquo;
+De olifant gevoelde zich door dit verwijt zoo diep gekrenkt, dat hij
+&rsquo;t uiterste beproefde om het stuk met zijn kop voort te stooten,
+totdat hij zich den kop verpletterde en dood nederviel.</p>
+<p>&bdquo;Op de beurs te Exeter had men langen tijd een olifant, die
+Chunny heette. Dezen had men geleerd, de kleinste geldstukken met zijn
+snuit van den grond op te rapen. Eens gebeurde het hem, dat hij een
+shilling liet vallen, die daarop tegen den muur aanrolde, zoodat hij er
+niet meer bij kon. Chunny blijft staan, bedenkt zich een poosje en
+begint eindelijk met zijn snuit zoo geweldig te blazen, dat de
+uitgestooten lucht den shilling van den muur af en naar hem toedrijft,
+zoodat hij weder in staat is dien te bereiken.</p>
+<p>&bdquo;De dieren bezitten ook nog andere eigenschappen, zooals onder
+andere een scherpen zin voor de tijdverdeeling. Zoo kende ik twee
+honden, die aan eene dame toebehoorden. Deze dieren mochten altijd
+medegaan, wanneer hunne meesteres in de week met haar rijtuig een
+toertje ging doen; alleen &rsquo;s Zondags, als deze naar de kerk reed,
+werden zij natuurlijk niet medegenomen. Nu was het vreemd te zien, hoe
+deze beide honden evengoed als hunne meesteres wisten, wanneer het
+Zondag was. In de week als het rijtuig voor de deur stilhield, kwamen
+zij vroolijk aanspringen en waren, zoodra de tree werd neergelaten, met
+een wip daarin; maar &rsquo;s Zondags was het, alsof zij niets van het
+rijtuig merkten en bleven zij bedaard op hun plaatsje
+liggen.<span class="corr" id="xd21e5693" title=
+"Niet in bron">&rdquo;</span></p>
+<p>&bdquo;Dit is waarlijk merkwaardig; wat moet dat een verstandig dier
+geweest zijn!&rdquo; riep Willem verwonderd.</p>
+<p>&bdquo;Ook zijn de dieren voor onderrichting vatbaar, hetgeen
+blijkbaar een nieuw bewijs voor hunne verstandelijke vermogens is. De
+olifant, het paard, de hond en andere dieren, zelfs vogels, kunnen al
+het mogelijke aanleeren. Zoo kan men op kermissen menigmaal
+kanarievogels zien, die kanonnetjes afsteken, zich dood houden en
+allerlei kunstjes verrichten.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar nu weet ik nog altijd niet, waar men de grenslijn
+tusschen verstand en instinct moet trekken, beste vader.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik was juist op het punt om daartoe over te gaan, Willem. Als
+de dieren bij het uitgaan op hun voedsel, het grootbrengen hunner
+jongen en bij hunne voorzorgen tegen gevaren het instinct volgen, dan
+gehoorzamen zij daarbij <span class="pagenum">[<a id="pb239" href=
+"#pb239" name="pb239">239</a>]</span>aan zekere vaste regelen, waarvan
+zij nooit afwijken. Daarbij kunnen echter altijd weer omstandigheden
+plaats hebben, waartegen het instinct hun geen hulpmiddelen verschaft,
+en het is in zulk een geval, dat hun verstand moet worden te baat
+genomen.</p>
+<p>&bdquo;Ik wil dit gezegde nader ophelderen met het voorbeeld van de
+bij, die een der dieren is, bij wie het instinct zich het werkzaamst
+vertoont. Er is zekere vlinder,&mdash;men noemt hem doorgaans den
+doodshoofdvlinder,&mdash;die zich zeer gaarne op honig vergast. Het
+gelukt hem somwijlen in een bijenkorf en tot de cellen door te dringen.
+De bijen grijpen dezen vijand dadelijk aan en dooden hem met hare
+angels; doch zijn lijk is zoo groot, dat zij het niet uit den korf
+kunnen brengen, wat bij kleinere insecten, die bij haar indringen,
+regelmatig geschiedt, naardien zij een zeer fijnen reuk schijnen te
+bezitten. Wat doen zij dus, om den stank, die van het verrottend
+lichaam der kapel te vreezen is, te keer te gaan? Zij overtrekken het
+doode diertje met was en balsemen het als &rsquo;t ware op deze wijze
+in, zoodat zij er volstrekt geen last meer van hebben.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, maar kan &rsquo;t ook in dit geval niet haar instinct
+geweest zijn, vader<span class="corr" id="xd21e5710" title=
+"Bron: .">,</span> dat haar zoo handelen deed?&rdquo; vroeg Willem.</p>
+<p>&bdquo;Als dit geval bij wilde bijen ware voorgekomen, dan kondet
+gij die vraag met recht doen, Willem. Nu echter weet gij, dat bijen in
+den wilden staat in uitgeholde boomen leven en dat in dit geval de
+opening, die naar het hol voert, juist maar even groot genoeg is, dat
+de eene bij er na de andere door kan. Natuurlijk kan er dan geen
+grooter dier meer indringen, en al wilde het dat ook, zoo zou het
+gemakkelijk door den grooten zwerm worden afgeweerd. Ik neem de bijen
+nu echter in haren kunstmatigen toestand, als zij in een bijenkorf met
+wijde opening opgesloten en aldus aan het vermelde geval blootgesteld
+zijn, waarin zij op de gezegde wijze weten te voorzien.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Nu heb ik het onderscheid begrepen, vader.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Nog een voorbeeld: Een olifant viel eens in een diepen
+waterput. Het was onmogelijk hem er uit te halen, en hij had er dus in
+moeten omkomen; maar zijn drijver, die wel wist, hoe schrander het dier
+was, gaf den raad om eene menigte zware takkenbossen bijeen te brengen
+en die den olifant in den put toe te werpen. Het dier begreep dan ook
+heel goed, wat men daarmee voorhad. Hij vlijdde de takkebossen op den
+grond neder en plaatste zich daarop; zoo ging hij voort de eene laag op
+de andere te leggen, tot die zulk eene hoogte bereikt hadden, dat hij
+eindelijk uit den kuil komen kon. Er zouden wel menschen zijn, die niet
+begrepen, wat zij in een soortgelijk geval met de takkebossen hadden
+aan te vangen, als men hun dat niet eerst zeide.&rdquo; <span class=
+"pagenum">[<a id="pb240" href="#pb240" name="pb240">240</a>]</span></p>
+<p>Zij arbeidden de volgende gansche week met den grootsten ijver door
+en hadden eindelijk op Zaterdagavond hunne taak verricht. Met
+uitzondering van de geborgen scheepsplanken, was thans al het overige
+naar de oostelijke baai vervoerd. Echter lag er nog veel op het strand
+verstrooid, daar de tijd niet toereikend geweest was om alles in het
+magazijn te bergen.</p>
+<p>Zaterdag, in den vroegen morgen, roeiden zij voor de laatste maal
+naar het kokosbosch en Flink zocht onder de wrakhouten, die overal op
+het strand verstrooid lagen, een aantal eiken balken en posten op, die
+zij daarop deels in de boot brachten, deels aan &rsquo;t achtereind
+daarvan vastmaakten. Dit gaf een zeer zware lading, zoodat de boot, in
+weerwil van de stevige koelte, slechts zeer langzaam door het water
+ging.</p>
+<p>&bdquo;Nu, Willem,&rdquo; begon Flink, &bdquo;hebben we een moeilijk
+werk achter den rug en ik moet zeggen, &rsquo;t is hoog tijd dat wij
+eindelijk klaarkomen, want onze boot begint vrij zwak en bouwvallig te
+worden, zoodat ik haar, zoodra wij eens weer tijd daartoe hebben,
+zorgvuldig kalefateren moet.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wij zullen haar nu ook zoo dikwijls niet meer noodig
+hebben,&rdquo; antwoordde Willem; &bdquo;eenige vaarten naar de kleine
+haven zullen wel alles zijn, wat zij voor ons terugkeeren naar de oude
+woning heeft te doen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is waar, Willem en zij heeft ook reeds een duchtig lek en
+dient althans spoedig met zorg geteerd te worden. Voor een zoo licht
+gebouwd, gebrekkig ding, heeft zij hare diensten kostelijk
+gedaan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Het heeft mij al dikwijls verwonderd, dat zij zich zoo goed
+hield, Flink. Maar wat dunkt u, zullen we nu aanstaanden Maandag naar
+het magazijn opbreken en daar in het vervolg onzen intrek
+nemen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zeker, Willem; we mogen dat volstrekt niet langer
+uitstellen,&rdquo; antwoordde Flink. &bdquo;Uw vader heeft intusschen
+zeker heg en sloot rondom het <span class="corr" id="xd21e5735" title=
+"Bron: yamplantsoen">yamsplantsoen</span> klaar, en is dit zoo, dan zal
+uwe moeder toch ook niet alleen met Juno en de kleinen in de tenten
+willen achterblijven. Zoo zullen wij nu het beste doen om naar het oude
+huis terug te keeren, totdat het magazijn geheel in orde is gebracht.
+Ik voor mij zou echter veel liever zien, dat uw moeder stilletjes bij
+de tenten bleef, totdat alles gedaan is.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Omdat gij een bezoek van de wilden vreest, Flink?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, waarlijk, beste jongen, ik wil het niet
+ontkennen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar, Flink, als zij komen, dan zien wij dat vroeg genoeg; en
+is het dan niet veel beter, dat wij allen bij elkander zijn, zelfs als
+wij ons voor hen verbergen moesten, omdat we nog niet behoorlijk waren
+voorbereid? Stel u het geval eens voor, dat de wilden het eiland
+overvielen en mijne moeder, mijne broertjes en zusjes geheel zonder
+<span class="corr" id="xd21e5744" title=
+"Bron: beschermng">bescherming</span> vonden, terwijl wijzelven
+<span class="pagenum">[<a id="pb241" href="#pb241" name=
+"pb241">241</a>]</span>gedwongen waren, ons huis te verlaten,&mdash;hoe
+schrikkelijk moest dat zijn!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, Willem, ik reken er op, dat wij ons in dat geval nog naar
+de tenten redden zouden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat kunnen wij echter ook allen gezamenlijk, Flink, als wij
+maar niet bij nacht verrast worden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Daar moeten wij met alle zorgvuldigheid tegen zoeken te waken
+mijn jongen. Gelukkig is het licht in het tegenwoordige seizoen weinig
+langer dan drie uren van den hemel. Het komt mij overigens voor, dat
+gij gelijk hebt, Willem. Bovendien kan Juno ons goede diensten doen en
+wij zullen door haar te eer met ons werk klaarkomen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Zou misschien wel het best zijn, dat wij de
+beslissing aan vader en moeder overlieten.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is waar.&mdash;Nu, daar is eindelijk de landpunt ook; wij
+zullen onze planken gauw aan land brengen en dan dadelijk weer in zee
+steken, want het wordt al tamelijk laat.&rdquo;</p>
+<p>Zij bereikten de kleine haven werkelijk veel later dan gewoonlijk,
+waaraan de zware lading schuld was, zoodat de boot niet dan zeer
+langzaam naar de baai was voortgedreven. Bij hunne aankomst stonden
+vader, moeder en de kinderen allen op het strand hen met ongeduld te
+wachten.</p>
+<p>&bdquo;Gij komt van avond laat, vrienden,&rdquo; begon mevrouw
+Wilson. &bdquo;Ik begon al ongerust te worden, tot ik uwe boot
+eindelijk in de verte zag.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, lieve moeder, wij konden het niet anders maken; we hadden
+nog eene zware lading over te brengen, maar nu zijn wij ook met ons
+werk geheel ten einde.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat hoor ik met blijdschap, Willem, want het valt mij hard, u
+zoo dagen achtereen in het geheel niet te zien te krijgen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ook ik ben met mijn werk klaar,&rdquo; zeide de heer Wilson:
+&bdquo;dezen morgen heb ik de laatste hand aan de omheining
+gelegd.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is goed,&rdquo; sprak Flink; &bdquo;wij moeten dan eens
+weder een krijgsraad houden, die echter nu, denk ik, niet al te lang
+duren zal.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik hoop het althans niet, Flink; want als men van eenerlei
+gevoelen is, zal dat zelden het geval zijn. Mijne vrouw wil liefst niet
+alleen hier achterblijven en ik zou haar niet gaarne
+verlaten;&mdash;daarom, dunkt mij, moeten wij Maandag naar onze woning
+opbreken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Recht gaarne, mijnheer, als gij dat verkiest,&rdquo; gaf
+Flink ten antwoord.</p>
+<p>&bdquo;Juno, ik hoop toch, dat gij iets goeds te eten hebt?&rdquo;
+riep Willem. &bdquo;Op mijn woord, ik heb van avond honger voor
+tien.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb242" href="#pb242" name=
+"pb242">242</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;O ja, massa Willem, gebakken visch heele boel; massa zelf die
+vanmorgen gevangen heeft.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik lust liever schildpadsoep,&rdquo; verklaarde Thomas.</p>
+<p>&bdquo;Ik geloof, dat sinjeur Thomas alles lust behalve
+ricinusboonen<span class="corr" id="xd21e5786" title=
+"Bron: .">,</span>&rdquo; zeide Flink lachend. &bdquo;Niet waar, daar
+wilt gij niet meer van eten?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, zeker niet; maar ik wil bananen eten, zoodra ze rijp
+zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O, gij hadt ze zeker ook al vroeger geproefd, als gij er maar
+bij had kunnen komen; doch daartoe moet gij eerst nog grooter
+worden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik zal ook een man worden,&rdquo; hernam Thomas.</p>
+<p>&bdquo;Dat hoop ik en wel een recht braaf, uitstekend man,&rdquo;
+antwoordde de oude Flink. &bdquo;Kom, ik zal Juno nu maar eens een
+handje helpen, om het eten op te brengen.&rdquo;</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch52" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">TWEE-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">GROOTHEID VAN HET DIERENRIJK.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De volgende dag was weder een Zondag en derhalve aan
+de rust gewijd. Inderdaad hadden onze vrienden die na den ingespannen
+arbeid van de voorgaande week hoog noodig en thans eerst gevoelden zij
+recht duidelijk, hoe weldadig zulk een verademing is.</p>
+<p>Na het eten hield men raad en kwam overeen, Maandag alle
+toebereidselen te maken, om de tenten te verlaten en naar de oude
+woning terug te keeren. De schapen en geiten zouden vooreerst aan de
+zuidkust blijven, waar zij uitmuntend voedsel in overvloed hadden. Men
+wilde slechts eene enkele geit medenemen, die het huisgezin genoegzaam
+van melk kon voorzien. Ook besloot men de tenten, met eenig
+keukengereedschap daarin, te laten staan, opdat Willem en Flink, als
+zij hierheen kwamen, om naar de bananen en yamswortels of naar de
+schapen en geiten om te zien, niet onder den blooten hemel zouden
+behoeven te slapen en de middelen mochten vinden om zich een behoorlijk
+maal te bereiden.</p>
+<p>Willem en Flink moesten de bedden enz. in de boot naar de oostkust
+brengen, hetgeen in twee vaarten te doen was. Mijnheer en mevrouw
+Wilson wilden vroeg ontbijten en dan met de verdere familie door het
+bosch op weg gaan.</p>
+<p>Des avonds bracht Willem het gesprek weder op de dieren en hunne
+<span class="pagenum">[<a id="pb243" href="#pb243" name=
+"pb243">243</a>]</span>eigenschappen, daar hij zijn vader gaarne over
+dit onderwerp hoorde spreken. In den loop van dit gesprek wierp Willem
+eensklaps de vraag op:</p>
+<p>&bdquo;Ei, vader, men zegt wel eens: &bdquo;zoo dom als een
+ezel!&rdquo; Is de ezel dan werkelijk zulk een dom dier?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, Willem; integendeel is hij zeer scherpzinnig en die
+benaming wordt hem meer om zijn stroeven, koppigen aard dan om eenige
+andere reden gegeven. Men zegt veelal, &bdquo;dom als een ezel, dom als
+een varken of als eene gans,&rdquo; doch doet die dieren daarbij groot
+ongelijk, daar geen van hen dien bijnaam verdient.</p>
+<p>&bdquo;Bij den ezel kan hiervan licht de reden zijn, dat wij in ons
+noordelijk vaderland slechts de minste bastaardsoorten bezitten. Klein
+en gebrekkig, gelijk wij hen daar zien, geeft men hun noch haver noch
+eenig ander krachtig voeder, behandelt hen slecht en zoo is het dan ook
+geen wonder, dat zij tot trage, stijfkoppige dieren ontaarden. Het
+klimaat van het noordelijk Europa is veel te koud voor den ezel. In het
+zuiden van Frankrijk, aan de Middellandsche Zee, waar het veel warmer
+is, treffen we den ezel ook als een veel fraaier dier aan.</p>
+<p><span class="corr" id="xd21e5819" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>Wanneer wij hem echter in al zijn
+volmaaktheid willen zien, dan moeten wij in de warme luchtstreek naar
+Guinea vlak onder den evenaar gaan. Daar, in de heetste streek der
+aarde, is het vaderland van den ezel; daar is hij in zijn natuurstaat
+een fraai dier, snel als de wind.<span class="corr" id="xd21e5822"
+title="Niet in bron">&rdquo;</span></p>
+<p>&bdquo;Maakt dan het klimaat zulk een groot verschil,
+vader?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Natuurlijk&mdash;en dat niet alleen bij dieren, maar ook bij
+boomen en planten en zelfs bij den mensch, totdat hij aan de
+verwisseling daarvan gewoon is. De lascaar, d. i. de inlandsche
+Indische zeeman, is op de warme, zonnige Indische wateren vol
+vroolijkheid en leven, doch zoodra hij in het Britsche Kanaal komt en
+de vingers hem van koude verkleumen, wordt hij traag, onwillig, kortom
+in alles een beklagenswaardig wezen.</p>
+<p>&bdquo;Onder de dieren vindt men vele, die de verwisseling van
+klimaat goed verdragen en zich zelf aan een hun anders geheel vreemd
+voedsel gewennen kunnen. Het paard b. v. dat oorspronkelijk in
+Arabi&euml; te huis behoort, tiert evengoed in de gematigde als in de
+koude luchtstreek, daar het zelfs den harden winter in Noord-Amerika en
+in Rusland verduren kan. Zoo ook andere huisdieren, als koeien,
+schapen, varkens, enz. Eene opmerkelijke bijzonderheid is, dat het
+rundvee in Canada gedurende den winter voor een groot deel met visch
+wordt gevoed.</p>
+<p>&bdquo;Behalve de reeds opgenoemde, zijn er ook nog andere dieren,
+b. v. de wolf, de vos, de haas en het konijn, die onder elke
+warmtegraad kunnen <span class="pagenum">[<a id="pb244" href="#pb244"
+name="pb244">244</a>]</span>leven. Bij schapen en geiten ziet men een
+merkwaardig verschijnsel,&mdash;blijkbaar ten bewijze, dat zij bestemd
+zijn, om zich overal op de aarde te verbreiden,&mdash;dit namelijk, dat
+zij onder de heete hemelstreken hun warm, wollig kleed afwerpen en
+bijna enkel haren ter bedekking overhouden, terwijl zij hunne warmer
+vacht oogenblikkelijk weder aannemen, als zij naar kouder streken
+worden overgebracht.<a id="xd21e5836" name="xd21e5836"></a></p>
+<p>&bdquo;Dit toenemen van het ruige bekleedsel is nog bij vele andere
+dieren merkbaar zoodra zij uit warmer streken meer naar het noorden
+worden overgeplant. Wolven, vossen, hazen en konijnen verkrijgen
+langzamerhand eene witte vacht, hoe verder noordelijk zij zich
+ophouden. De kleine wezel, die bij ons door de veld- en boschwachters
+gedood en aan de schuurdeuren gespijkerd wordt, verandert in Rusland en
+in andere koude landen in dat fraaie, witte hermelijntje, welks pels
+zoo hooggeschat en door keizers en koningen gedragen wordt.</p>
+<p>&bdquo;Hierbij valt alleen op te merken, Willem, dat zulke dieren,
+welke slechts voor een bijzonder werelddeel bestemd werden, ook
+doorgaans zoo zijn toegerust, als zij voor hun land best passen, en
+daar ook het meest geschikte voedsel voor hunne soort vinden. Neem b.
+v. den kameel, een dier, dat uitsluitend voor zijn geboorteland
+geschapen werd en zonder &rsquo;t welk alle gemeenschap tusschen
+Azi&euml; en Afrika moest ophouden. Zijne pooten zijn zoo gevormd, dat
+hij met gemak door het zand waden kan; hij voedt zich met de schrale
+gewassen en ziltige planten, die men daar nog aantreft, en heeft de
+bijzondere eigenschap, dat hij in eene soort van tweede maag een
+voorraad van water medevoert, om in streken, waar men dat niet vindt,
+er zijn leven bij te houden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Er zijn zeker ook vele dieren, die voor den mensch van geen
+nut zijn, vader?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Vele althans bij wie dit het geval schijnt te wezen, en
+enkele zelfs, die hem hoogst verderfelijk zijn. Dit behoort nu eenmaal
+tot ons lot; wij mogen hen daarom ook uitroeien en verdelgen, als zij
+ons lastig of gevaarlijk worden, gelijk wij dat den distel op het veld
+doen. Zoo zij echter ook al van geen nut voor ons zijn, verhoogen zij
+toch de schoonheid en rijke verscheidenheid der natuur.<span class=
+"corr" id="xd21e5846" title="Niet in bron">&rdquo;</span> <span class=
+"pagenum">[<a id="pb245" href="#pb245" name="pb245">245</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch53" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">DRIE-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">INRICHTING VAN HET BLOKHUIS.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De volgende morgen was zeer druk en onrustig, want nu
+ging men weer aan &rsquo;t inpakken en aan de toebereidselen tot de
+verhuizing. Juno werd nu hier, dan daar geroepen en moest Carolientje
+verzoeken op den ketel te letten en haar te waarschuwen, als het water
+begon te koken.</p>
+<p>Thomas was, als naar gewoonte, iedereen in den weg. Hij wilde overal
+helpen, doch bracht meer van, dan op zijne plaats. Daar hij het evenwel
+goed meende, werd hij althans ditmaal niet beknord. Eindelijk zond
+Flink, om hem kwijt te worden, hem met een groot pak naar het strand.
+Thomas nam den bundel op zijn schouder: maar toen hij, niet weinig
+hijgende van het verrichte werk terugkwam en Flink hem een tweeden last
+wilde opladen, zei hij toch, dat hij te moe was, en zette zich
+stilletjes neer, totdat het ontbijt werd opgedragen, wat echter eerst
+geschiedde, toen men met alle toebereidselen gereed was.</p>
+<p>Terstond na het ontbijt pakte mevrouw Wilson het keuken- en
+tafelgereedschap in een mand bijelkander. Toen begaf de gansche familie
+zich eindelijk op weg en trok, in gezelschap van de honden, door het
+kokosbosch voort.</p>
+<p>De kleine Albert kon nu heel goed loopen en moest slechts nu en dan
+door Juno gedragen worden, die hem anders bij de hand had. Caroline
+liep naast haar vader en moeder, maar Thomas was te eigenzinnig om met
+iemand te gaan en stapte in zijn eentje voort.</p>
+<p>Willem en Flink verloren geen tijd, om hunne taak af te doen.
+Tafels, stoelen en verder huisraad was het eerste, dat zij in de boot
+hadden. Vervolgens werd de eene geit ingescheept en toen stieten zij
+met volle lading van land en bereikten de baai lang v&oacute;&oacute;r
+de wandelaars, die door het bosch trokken.</p>
+<p>Zij brachten de ingeladen goederen spoedig aan land en stieten toen
+opnieuw af, om het beddegoed en wat er verder nog was overgebleven af
+te halen. Tegen drie uren &rsquo;s namiddags kwamen zij met de tweede
+en laatste lading in de baai aan, waar de familie voor ongeveer een uur
+was <span class="corr" id="xd21e5867" title=
+"Bron: aangekokmen">aangekomen</span>. Mijnheer Wilson en Juno waren
+reeds druk bezig de uitgeladen stukken naar het huis te dragen.</p>
+<p>&bdquo;Dat zal nu hoop ik, onze laatste vaart geweest zijn voor
+langen tijd, Willem,&rdquo; zeide de oude Flink. &bdquo;&rsquo;t Is ook
+goed, want onze kleine boot heeft veel geleden en dient, zooals ik u
+reeds zeide, eens met zorg te worden nagezien.&rdquo; <span class=
+"pagenum">[<a id="pb246" href="#pb246" name="pb246">246</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Ha, laat mij &rsquo;t niet vergeten, Flink, ik heb onlangs de
+duiven bij onze erwten gevonden; het wordt dus wel tijd, dat wij ze
+plukken. De duiven zijn al heel schielijk vermeerderd,&mdash;ik heb er
+wel over de dertig geteld.&rdquo;</p>
+<p>Nog v&oacute;&oacute;r den nacht was alles in huis weder op de oude
+plaats en even gemakkelijk als te voren ingericht. Zij waren dan allen
+ook recht moede geworden en gingen dus vroegtijdig te bed, nadat men
+voor den volgenden dag het noodige had afgesproken. Mevrouw Wilson had
+zich aangeboden om de keuken en het opzicht over de kleinen zelve voor
+hare rekening te nemen, zoodat Juno de mannen den ganschen dag
+behulpzaam kon zijn.</p>
+<p>Voor dag en dauw gingen Willem en Flink naar de schildpadvijver en
+vingen er eene uit, want de tijd naderde, dat men weder nieuwe
+schildpadden vangen en in korten tijd den vijver daarmede vullen kon.
+Het gevangen dier werd geslacht en een deel daarvan in den pot
+gestoken, zoodat mevrouw Wilson het slechts had te braden, en zoodra
+het ontbijt was afgeloopen, ging men onverwijld naar het magazijn in
+het woud.</p>
+<p>Ka een kort beraad met mijnheer Wilson, paalde Flink een van
+kokosboomen gevormd vierkant rondom het magazijn af, zoodat op elke
+zijde eene ruimte van ongeveer twintig voet vrij bleef, en dit vierkant
+moest nu door eene schutting geheel worden ingesloten. De kokosboomen
+moesten daarbij tot steunbalken dienen, tusschen welke andere boomen,
+die men eerst vellen wilde, tot eene hoogte van veertien voet zouden
+worden vastgemaakt. Op deze wijze dachten zij eene palissade tot stand
+te brengen, die men niet gemakkelijk beklimmen kon, zoodat zij daardoor
+tegen alle aanvallen der wilden beschut waren.</p>
+<p>Zoodra de buitenste reeks van boomen gemerkt was, begonnen zij alle
+boomen binnen deze en naar buiten tot op een afstand van tien roeden om
+te hakken, zoodat zij behoorlijk ruimte tot hun arbeid hadden. Flink
+kapte lange balken welke zij van boom tot boom <span class="corr" id=
+"xd21e5884" title="Bron: bevestigde">bevestigden</span>, en nu reeds
+ondervonden zij het voordeel, dat zij van het bewaren der groote
+spijkers hadden, want zonder dezen hadden zij hun werk noch zoo goed
+noch zoo rasch kunnen verrichten.</p>
+<p>Mijnheer Wilson velde de boomen, Willem en Juno zaagden ze met een
+groote timmermanszaag op de behoorlijke lengte af en brachten de
+stammen dan bij Flink. Spoedig hadden zij meer omgekapt dan zij
+eigenlijk noodig hadden. De kruinen en takken der gevelde boomen werden
+opgeraapt en als brandhout op een hoop gestapeld, terwijl mijnheer
+Wilson en Flink de palissaden aan de palen begonnen vast te
+spijkeren.</p>
+<p>Zij hadden den ganschen dag zwaar gearbeid en waren verheugd, toen
+<span class="pagenum">[<a id="pb247" href="#pb247" name=
+"pb247">247</a>]</span>de avond hun eindelijk eenige verademing
+vergunde. Flink was echter nog niet tevreden, maar zeide tot
+Willem:</p>
+<p>&bdquo;Daar wij nu weder hier zijn, komt het mij wel noodzakelijk
+voor, beste jongen, dat wij, om ongeluk te verhoeden, eene soort van
+nachtwacht houden. Ik ga niet te bed, voordat het geheel donker wordt,
+wat zoo ongeveer tegen negen uren is: gedurende dien tijd zal ik de zee
+nauwkeurig opnemen. Wij hebben wel niet te vreezen, dat de wilden
+midden in den nacht komen; maar even voor &rsquo;t invallen van de
+duisternis of &rsquo;s morgens vroeg is dit eer te verwachten, en zoo
+moet dus een van ons nog v&oacute;&oacute;r &rsquo;t aanbreken van den
+dag&mdash;dat is tusschen twee of drie uren &rsquo;s morgens&mdash;op
+de been zijn, om te zien of er ook iets van hen te ontdekken is. Is dit
+niet het geval, dan kunnen wij natuurlijk weer te bed gaan, daar zij
+dan eerst vele uren later kunnen aankomen. Ook moeten wij op wind en
+weer acht geven, of die hunne vaart misschien ook begunstigen. Met den
+wind kan dit niet eer, dan met het begin van den regentijd het geval
+zijn. Hij kan echter ook zeer zwak worden, en dan moet er den wilden
+weinig aan gelegen zijn, of hij hun tegen is of niet. Ik heb al veel
+over de zaak nagedacht, beste Willem, en geloof dat, ingeval wij een
+bezoek van de wilden krijgen, dit met het begin van den regentijd wezen
+zal, want dan waait de wind niet regelmatig uit &eacute;&eacute;ne
+hemelstreek, zooals thans, maar springt gedurig om, zoodat zij in hunne
+kano&rsquo;s zeilen opzetten en gemakkelijk hierheen komen kunnen, in
+plaats van anders veertig of vijftig mijlen ver tegen wind en stroom in
+te moeten roeien, wat een allesbehalve lichte arbeid is. Hoe dat zij,
+wij mogen zelven geen voorzorg verzuimen en moeten nu reeds scherp naar
+de zee uitzien. Ik wil uw vader en moeder liefst voor den tijd niet
+ongerust maken, maar u moet ik zeggen, hoe ik er over denk en wat ik
+meen, dat wij te doen hebben.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik geef u volkomen gelijk, Flink, en zal zorg dragen, dat ik
+v&oacute;&oacute;r den dag op ben, om den horizon, zoodra &rsquo;t
+begint te schemeren, met den kijker zoo scherp mogelijk op te nemen.
+Neem gij de avondwacht, dan zal ik mij wel met de morgenwacht
+belasten.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Goed, Willem. Wat voor &rsquo;t overige dier wacht aangaat,
+kon ik zeer goed beide op mij nemen, maar ik geloof, als gij &rsquo;s
+morgens opstaat, zullen de anderen dat niet zoo licht als van mij
+bemerken, en dat ik &rsquo;s avonds nog wat langer dan de familie
+opblijf, is men meer van mij gewoon.&rdquo;</p>
+<p>Na dit gesprek hielden Flink en Willem dus gestadig de wacht van den
+morgenschemering af, totdat de volle duisternis was ingevallen.
+<span class="pagenum">[<a id="pb248" href="#pb248" name=
+"pb248">248</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch54" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">VIER-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">GROOT GEVAAR.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Omstreeks veertien dagen lang werd de arbeid bijna
+onafgebroken voortgezet, toen er plotseling een voorval plaats greep,
+dat de grootste onrust en bezorgdheid wekte. Op zekeren dag, dat de
+arbeidenden voor het middageten terugkwamen, vroeg mevrouw Wilson
+verwonderd:</p>
+<p>&bdquo;Hoe, is Thomas dan niet bij u geweest?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen,&rdquo; gaf haar man ten antwoord; &bdquo;hij heeft zich
+den ganschen voormiddag maar even laten zien. Hij ging na het ontbijt
+met ons mee, maar was na een kwartier ook al weer weg.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, mevrouw, ikke zeggen; jongetje, jij kokosbladeren helpen
+dragen, maar hij toen een, twee, drie, is weggeloopen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Mijn God! waar mag hij dan zijn?&rdquo; riep de moeder in de
+grootste ongerustheid uit.</p>
+<p>&bdquo;Hij zal waarschijnlijk aan &rsquo;t strand schelpen zoeken,
+mevrouw,&rdquo; zeide Flink; &bdquo;misschien ook is hij in den tuin.
+Ik zal eens naar hem gaan zien.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik zal met u gaan, Flink,&rdquo; zeide Willem.</p>
+<p>&bdquo;Ikke zien hem&mdash;ach lieve grutte hemeltje! ikke zien
+hem!&rdquo; riep Juno en wees naar de zee; &bdquo;hij zitten in de boot
+en de boot gaan in zee!&rdquo;</p>
+<p>Het was maar al te waar. Thomas zat werkelijk in de boot, die reeds
+van het strand afdreef, en zoo nagenoeg eene kabelslengte daarvan
+verwijderd, midden onder de klippen te zien was.</p>
+<p>Willem vloog met de snelheid van den wind naar het strand; evenzoo
+de vader en Flink. De beangste moeder volgde met Juno op eenigen
+afstand.</p>
+<p>En er was ook werkelijk geen tijd te verliezen, want de wind blies
+gestadig van het land en weldra moest de boot in volle zee zijn. Niet
+zoodra was Willem aan het strand gekomen, of hij wierp hoed en buis van
+zich en sprong in &rsquo;t water. Reeds had hij de helft van den
+afstand tusschen het land en de voortdrijvende boot achter zich, toen
+de oude Flink, die hem gevolgd was, hem bij den arm vatte.</p>
+<p>&bdquo;Keer oogenblikkelijk terug, Willem!&rdquo; riep deze op
+gebiedenden toon. &bdquo;Ik zeg, ik gelast het u. Al gaat gij ook
+verder, kunt gij toch niet helpen, daar gij u niet zoo goed als ik weet
+te redden. Ik zwem toch door en zoo loopen wij beiden dubbel gevaar.
+Mijnheer Wilson, roep uw zoon terug. U moet hij gehoorzamen!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Willem!&rdquo; riep zijn vader; &bdquo;kom oogenblikkelijk
+terug: ik gelast het u.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb249"
+href="#pb249" name="pb249">249</a>]</span></p>
+<p>Willem gehoorzaamde nu en was nog niet uit het water, toen de oude
+man reeds tot de eerste klippen was voortgezwommen en nu over de
+ondiepe plaatsen over het rif op de boot toewaadde.</p>
+<p>&bdquo;O vader!&rdquo; riep Willem, &bdquo;als onze goede oude
+vriend verloren ging, zou ik het mijzelven nooit kunnen vergeven. Het
+is mij, als of ik niet goed deed met aan u te gehoorzamen. Zie maar,
+vader&mdash;een, twee, drie haaien, daar dicht voor ons. Hij kan hen
+niet ontwijken. Zie, hij is alweer in het diepe water.&rdquo;</p>
+<p>Mijnheer Wilson wierp een vluchtigen blik op de haaien, die slechts
+weinige voeten van het strand verwijderd waren, en hield de oogen toen
+weder onafgewend op Flinks verdere bewegingen gericht.</p>
+<p>Kon de oude man zich door het diepwater tusschen de klippen heen
+worstelen, dan was hij als gered te beschouwen, daar de boot thans op
+de andere zijde der klippen tegen een rots stiet en vastraakte, waar
+het water ondiep was. Het was een oogenblik van onbeschrijfelijken
+angst.</p>
+<p>Eindelijk had Flink het uiterste rif bereikt; hij greep met de
+handen naar een uitstekende rotspunt en klauterde daarbij op.</p>
+<p>&bdquo;Hij is gered, lieve man,&mdash;is hij niet?&rdquo; fluisterde
+mevrouw Wilson.</p>
+<p>&bdquo;Ja, ik geloof, thans is hij het!&rdquo; antwoordde haar man,
+toen Flink de rots beklommen had, waar het water hem niet verder dan
+tot de enkels reikte. &bdquo;Ik denk, dat hij tusschen de plaats, waar
+hij nu staat en de boot geen diep water meer vinden zal.&rdquo;</p>
+<p>In het volgende oogenblik zag men Flink reeds buiten de klippen en
+had hij de boot bij het vooreinde aangevat.</p>
+<p>&bdquo;Hij is behouden in de boot!&rdquo; riep Willem uit eene
+verruimde borst.</p>
+<p>&bdquo;Ja, God zij gedankt!&rdquo; herhaalde de vader. &bdquo;Zie de
+monsters eens,&rdquo; vervolgde hij, op de haaien wijzende; &bdquo;hoe
+onrustig zij heen en weer zwemmen; ze hebben hunne prooi in het water
+geroken. Het is een zegen, Willem, dat ze juist hier zijn. Zij hadden
+evengoed ginds kunnen wezen, toen onze vriend door het ondiepe water
+moest waden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, waarlijk, vader. Zie, hij heeft den bootshaak en stoot de
+boot van de klippen af in het ondiepe water. O, nu is hij volkomen in
+zekerheid.&rdquo;</p>
+<p>Zoover was het echter nog niet. De boot had vroeger tegen de klippen
+gestooten en van onderen een lek gekregen, zoodat zij, toen Flink haar
+weder in het kanaal bracht, zich terstond met water begon te vullen.
+Flink werkte zoo hard als hij kon met den bootshaak; eindelijk trok hij
+zijn halsdoek af en stopte het lek daarmede zoo goed dat gaan
+wilde.</p>
+<p>Dat was beider behoud; maar de boot was bijna tot boven toe
+volgeloopen <span class="pagenum">[<a id="pb250" href="#pb250" name=
+"pb250">250</a>]</span>en had Flink of zelfs Thomas ook maar de
+kleinste beweging gemaakt, dan ware zij oogenblikkelijk omgeslagen.
+Daarbij kwam, dat zij het vaarwater tusschen het strand en de klippen,
+waar de haaien rondzwommen, nog altijd noodzakelijk moesten
+oversteken.</p>
+<p>Flink, die het gevaar bemerkte, riep hun, die op het strand stonden,
+toe, dat zij met alle macht met steenen naar de haaien moesten gooien,
+om die te verjagen. Dat gebeurde terstond. Mijnheer Wilson, Willem en
+Juno wierpen onophoudelijk en zelfs de moeder hielp daarbij, daar de
+angst voor vriend en kind haar kracht verleende.</p>
+<p>De steenworpen hadden het gewenschte gevolg. De haaien zwommen weg
+en Flink bereikte behouden het strand op &rsquo;t oogenblik, dat de
+boot tot den bovensten rand met water gevuld en op het punt was van te
+zinken.</p>
+<p>Flink droeg den kleinen Thomas aan land. Deze was z&oacute;&oacute;
+verschrikt en verslagen, dat hij niet meer schreien kon. Doodsbleek
+stond hij daar en had mond en oogen wijd <span class="corr" id=
+"xd21e5970" title="Bron: opengespred">opengesperd</span>. Willem vloog
+daarbij op den ouden man toe, drukte hem in zijne armen en riep met
+snikkende stem: &bdquo;Goddank! gij zijt gered, Flink.&rdquo;</p>
+<p>Vader en moeder grepen hem bij de hand en drukten die hartelijk.</p>
+<p>Juno wierp eerst Flink een van blijdschap schitterenden blik toe en
+nam vervolgens Thomas bij de hand, om hem weg te brengen.</p>
+<p>&bdquo;Kom hier maar, jij stout, ondeugend jonk! Jij slaag zult
+krijgen, als heele boel over is.&rdquo;</p>
+<p>Die bedreiging deed Thomas weder tot zichzelven komen en eene keel
+opzetten, dat men het wijd en zijd had kunnen hooren.</p>
+<p>&bdquo;Ditmaal was er geen tijd te verliezen, Willem,&rdquo; zeide
+Flink, terwijl zij de beide ouders naar huis vooruitgingen. &bdquo;Wat
+kan zulk een jongen toch een ongeluk en ellende aanrichten!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Door zijn doorgestanen angst is hij al zwaar gestraft,&rdquo;
+sprak Willem. &bdquo;Ik sta er u voor in, dat hij alleen nooit weer een
+voet in de boot zal zetten.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, dat geloof ik ook niet.&mdash;Gij hebt nu echter kunnen
+zien, hoe weinig het scheelde, of ik was met boot en al te gronde
+gegaan. Maar gelooft gij wel, Willem, dat gij de boot evengoed als ik
+aan het strand gebracht hadt, indien gij in mijne plaats daarin geweest
+waart?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, Flink; want ik moet zeggen, nooit zou ik er aan gedacht
+hebben, mijn halsdoek af te doen, om het lek daarmee te stoppen, en had
+ik dat ook al gedaan, dan zou ik toch nooit in staat zijn geweest, om
+de boot zoo goed te besturen, en had dus zeker moeten verdrinken,
+v&oacute;&oacute;rdat ik den oever bereikt had.&rdquo; <span class=
+"pagenum">[<a id="pb251" href="#pb251" name="pb251">251</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Nu, lieve Willem, ik ben een oud zeeman, hetgeen gij niet
+zijt, en het is dus geen ijdelheid, als ik zeg, dat gij de boot niet
+zoo goed als ik hadt kunnen besturen. Ik zelf had nog maar een of twee
+minuten over, en zoo waart gij dus, gelijk gij zelf zegt, naar alle
+waarschijnlijkheid gezonken. Ik doe u dit slechts opmerken, om u te
+bewijzen, dat ik gelijk had, toen uw vader verzocht u terug te
+roepen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, dat hadt gij zeker, Flink; maar Thomas is mijn broeder en
+ik gevoelde, dat het eer mijn plicht dan de uwe was, het leven voor hem
+te wagen.&rdquo;</p>
+<p>Toen men Thomas den volgenden dag vroeg, wat hem er eigenlijk toe
+gebracht had om in de boot te gaan, gaf hij tot aller verbazing ten
+antwoord, dat hij naar de tenten had willen terugvaren en zien, of de
+bananen ook haast rijp waren. Hij had daar bijzonder veel lust in
+gehad, en zou nog v&oacute;&oacute;r het middageten zijn teruggekomen,
+zoodat men hem niet gemist zou hebben.</p>
+<p>&bdquo;Als wij u niet nog gelukkig gezien hadden, denk ik, dat ge
+wel erger honger zoudt hebben moeten doorstaan, voordat gij bananen
+gekregen hadt,&rdquo; zeide Flink.</p>
+<p>&bdquo;Ik zal ook zeker niet meer in de boot gaan,&rdquo; beloofde
+Thomas.</p>
+<p>Het blokhuis was nu bijna gereed. Over de poort was men lang in
+beraad. Ten slotte besloot men, deze van sterke eiken posten te maken
+en aan de binnenzijde, op ongeveer een voet afstands, eene tweede rij
+van deurposten op te richten, zoodat men sterke palen daar tusschendoor
+steken en, zoo noodig, een werkelijke barricade tot stand brengen kon.
+Op die wijze moest de deur even vast en sterk worden, als ieder ander
+deel van de ompaling.</p>
+<p>Zoodra dit alles gereed was, moest het magazijn tot woonhuis
+ingericht worden, waartoe men de zij-omheining, die uit kokostakken
+bestond, wegnemen en er een vasten wand van de boomstammen voor in de
+plaats stellen zou.</p>
+<p>Nog voordat de week ten einde liep, was de palissade met de poort
+gereed, en thans ging men aan het vellen van boomen, om de zijwanden
+van het huis daarvan op te trekken.</p>
+<p>Dit werk ging zeer vlug van de hand. Terwijl de vader, Willem en
+Juno boomen velden en die, op gepaste lengte doorgezaagd, op de kar
+naar het magazijn brachten, was Flink bezig, uit een gedeelte van de
+verzamelde planken een vloer te leggen. In die week moesten zij echter
+twee dagen van hun werk af gaan, om de rijpe tuinvruchten in te
+zamelen. Zoodra dit verricht was, ging men opnieuw aan het blokhuis.
+Nog twee weken liepen op deze wijze onder rusteloozen arbeid ten einde.
+Eindelijk echter was het huis gereed en, met hunne vroegere woning
+vergeleken, kon het bijna een paleis <span class="pagenum">[<a id=
+"pb252" href="#pb252" name="pb252">252</a>]</span>genoemd worden. Het
+was veel grooter, en Flink had het door middel van de scheepsplanken in
+drie vertrekken afgedeeld. Het middelste, dat met de huisdeur in
+verbinding stond, was tot woon- en eetkamer bestemd en had een venster
+naar achteren. De beide zijvertrekken dienden tot slaapkamers, het eene
+voor mevrouw Wilson, Juno en de kleinen, het andere voor de mannelijke
+helft der familie. Deze inrichting maakte het verblijf in de nieuwe
+woning veel gemakkelijker en aangenamer dan in de oude.</p>
+<p>&bdquo;Ziet gij, Willem,&rdquo; sprak de oude man, toen zij alleen
+waren, &bdquo;wat wij met die scheepsplanken al hebben kunnen
+uitrichten? Hadden wij het hout eerst moeten zagen, om vloer en wanden
+te krijgen, zoo zou daar zeker wel een half jaar over verloopen
+zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, en hoe gemakkelijk is het, nu wij overal in den wand
+kasten en bergplaatsen hebben.&mdash;Wanneer zullen we nu naar ons
+nieuw paleis verhuizen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hoe eer hoe liever, Willem. Wij hebben nog wel veel, zeer
+veel werk voor ons, doch we kunnen immers ook buiten het blokhuis
+arbeiden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En wat denkt ge met het oude huis aan te vangen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;We zullen misschien het best doen, als we dat gedeelte van
+onzen voorraad, die voor ons de minste waarde heeft, daar laten
+blijven, totdat we in staat zijn om een tweede magazijn binnen de
+palissade op te richten.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dan zullen we deze vaten daarheen brengen, want ze nemen ons
+hier te veel plaats weg.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Alle, behalve dat groote daar. Dat zullen wij noodig hebben
+en ik zal er wel ergens een hoek voor vinden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Waartoe dan, Flink?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Om er water in te bewaren, mijn jongen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wij zijn hier evenwel nader bij de bron, dan wij in ons ander
+huis waren.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat weet ik wel; maar misschien belet men ons eens, de
+palissade te verlaten, en dan kunnen wij het water hoog noodig
+hebben.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik begrijp u Flink; gij zijt toch altijd op alles
+bedacht.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Als ik op mijne jaren niet een beetje nadenken geleerd had,
+zou &rsquo;t er leelijk uitzien, Willem. Ge weet niet, hoe hartelijk ik
+verlang de gansche familie hier binnen het blokhuis te zien. Ik zal
+niet gerust zijn, voordat ik mijn wensch vervuld zie.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En waarom zouden wij het dan maar niet dadelijk
+betrekken?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Waarom?&mdash;Omdat wij nog veel werk te doen hebben en ik
+door zooveel haast te maken uwe moeder niet beangstigen wil en in de
+meening brengen dat er dadelijk gevaar ophanden is. Maar, geloof mij,
+beste Willem, gevaar is er wezenlijk, ik heb er een soort van
+voorgevoel van. De gedachte weegt <span class="pagenum">[<a id="pb253"
+href="#pb253" name="pb253">253</a>]</span>mij zwaar op het hart en ik
+kan ze niet meer van mij afzetten. Ik wilde wel dat gij het voorstel
+deedt, om allen maar dadelijk hierheen te verhuizen. De bedsteden zijn
+toch ook klaar, tot op de gordijnen na, en die kan ik er vandaag nog
+wel voorhangen.&rdquo;</p>
+<p>Tengevolge van dit gesprek stelde Willem aan tafel voor, om den
+volgenden dag met pak en zak naar het blokhuis over te trekken, omdat
+men, behalve dat men er veel beter gehuisvest was, er ook veel
+gemakkelijker arbeiden kon.</p>
+<p>Mijnheer Wilson was van hetzelfde gevoelen, terwijl zijne vrouw
+daarentegen beter vond er alles eerst netjes in orde te brengen.</p>
+<p>&bdquo;Juist daarom moeten wij er in trekken, mevrouw; want uw
+opzicht is volstrekt noodig, om alles naar wensch in te richten. Wij
+mannen krijgen niets op zijne rechte plaats, als het niet onder uw oog
+geschiedt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Welnu, Flink,&rdquo; was het antwoord, &bdquo;als ook gij,
+evenals de overigen, tegen mij stemt, moet ik wel toegeven. Als ge
+&rsquo;t goedvindt, willen we morgen dan maar dadelijk met de
+verhuizing beginnen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;In waarheid, mevrouw, dat zal zoo het best zijn. Dit is de
+laatste maand, dat we goed weer te wachten hebben en er blijft ons nog
+zeer veel te doen over. Zijn we eerst over, dan zal alles veel vlugger
+van de hand gaan, daar we het nader onder ons bereik hebben.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Het zij dan zoo, Flink; gij moet dat het best weten. Morgen
+zullen we dus onze woning in het blokhuis opslaan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Goddank!&rdquo; mompelde de oude man. Alleen Willem, die
+naast hem zat, had deze woorden verstaan.</p>
+<p>De volgende dag werd geheel aan de verhuizing gewijd. Bedden,
+huisraad en keukengereedschap werden overgebracht en dien nacht sliep
+men voor de eerste maal onder het nieuwe dak. Flink had voor Juno een
+aardig huisje tot keuken opgeslagen, en de volgende werkzaamheden namen
+de verdere dagen van de week geheel in beslag.</p>
+<p>Vooreerst werd de voorraad gemonsterd en geschift. Wat van minder
+belang was, zooals b.v. de zout-en meelvaten, benevens de
+tuingereedschappen, werd in het oude huis geborgen. Ook de kruitvaten
+en het grootste gedeelte van den voorraad patronen werden, tot meerdere
+veiligheid, aldaar achtergelaten. Daarentegen bracht men een vat
+gezouten rund-, een ander met varkensvleesch, een derde met meel,
+benevens al den voorraad spijkers, ijzerwerk en linnen naar het nieuwe
+huis over, waarvan de vloer, toen men het tot magazijn inrichtte, vier
+voet boven den grond gebouwd was, om voor de schapen en geiten tot stal
+te dienen. Daardoor had men een droge en <span class="pagenum">[<a id=
+"pb254" href="#pb254" name="pb254">254</a>]</span>tamelijk ruime plaats
+gewonnen, waar men nu al, wat men maar wilde, bergen kon. Flink vergat
+ook niet, in tusschenuren het groote watervat te vullen; hij had daar
+een kraan in gestoken, waardoor men het water aftappen kon.</p>
+<p>&bdquo;Ziezoo, mijnheer,&rdquo; zeide Flink, toen eindelijk de
+Zaterdag gekomen was. &bdquo;Wij hebben nu weken achtereen ingespannen
+gearbeid, maar nu hebben wij het laatste harde werk dan ook gelukkig
+achter den rug. Wij zitten nu goed en wel in ons nieuwe huis, al onze
+voorraad is onder dak en tegen het weer beschut,&mdash;nu mogen wij wel
+eens wat adem scheppen. Ik moet nu met Willem van tijd tot tijd eenige
+schildpadden vangen, want haar tijd loopt spoedig ten einde. Ook moet
+ik de boot oplappen, zoodat we weer een reisje naar de tenten kunnen
+doen, om naar ons yamplantsoen en de kudde te zien.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ook naar de bananen en de guayababoomen!&rdquo; riep Thomas
+met drift.</p>
+<p>&bdquo;Ja, waarlijk; die hadden wij geheel en al vergeten,&rdquo;
+zeide zijn moeder.</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is waar, mevrouw, maar dat was geen wonder onder al
+die drukte. Er zal, denk ik, echter nog wel wat van over zijn en zoodra
+de boot weder te water kan, zal ik er heen gaan en al wat er nog
+voorhanden is, meebrengen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ook moeten wij onze aardappelen en zaden nog
+v&oacute;&oacute;r den regentijd in den grond brengen,
+Flink.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat zal goed zijn, als wij er tijd toe vinden, want het mooie
+weer houdt vast niet heel lang meer aan. Nu wil ik eerst maar eens naar
+de schildpadden omzien. Goeden nacht, mevrouw, slaap rustig; rust wel,
+mijnheer;&mdash;kom mee, Willem.&rdquo;</p>
+<p>Beiden stapten naar het strand. Onderweg ontmoetten zij Juno, die
+uit de keuken kwam. Flink droeg haar op, zooveel hout op te zamelen als
+zij kon en alles in een hoek binnen de omheining op te stapelen, om het
+nader bij hand te hebben. Dien nacht vingen zij nog zes schildpadden
+bij den reeds vergaderden voorraad. Vervolgens namen zij nog met den
+kijker den ganschen gezichteinder op, keerden terug, sloten de deur der
+palissade en legden zich vermoeid ter ruste. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb255" href="#pb255" name="pb255">255</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch55" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">VIJF<span class="corr" id="xd21e6085" title=
+"Niet in bron">-</span>EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">DE KANO&rsquo;S ZIJN IN AANTOCHT.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Eene nieuwe week ging voorbij, in welken tijd Flink
+met de boot bezig was en Willem met zijn vader den tuin omspitte.</p>
+<p>Ook in huis had men de handen vol met eene groote wasch en met
+naaien en verstellen, waaraan men den laatsten tijd weinig had kunnen
+doen. Mevrouw Wilson, Juno, zelfs de kleine Caroline weerden zich best
+en ook Thomas was van veel dienst, want zoo dikwijls men water noodig
+had, haalde hij dat en paste bovendien ook nog op zijn broertje Albert.
+Hij was wezenlijk zoo handig en vlug, dat de moeder hem bij vader
+roemde, waarop onze kleine wildzang niet weinig trotsch was.</p>
+<p>Den Maandag daarop zeilden Willem en <span class="corr" id=
+"xd21e6096" title="Bron: Filnk">Flink</span> in de boot naar de kleine
+haven. De schapen en geiten waren vlug en wel en alles beloofde den
+besten wasdom. Van de bananen en guayabavruchten waren reeds vele
+gerijpt en afgevallen; doch men vond altijd nog genoeg om er de boot
+tot de helft mede te vullen. Op het yamsplantsoen hadden de varkens
+geen aanval meer beproefd en ook de tenten waren in goeden staat.</p>
+<p>&bdquo;Wij kunnen niets beters doen, Willem, dan de schapen en
+geiten laten, waar ze nu zijn. Komt er een storm, dan kunnen ze in het
+bosch schuilen en te eten hebben zij in overvloed, al waren er ook
+tienmaal zooveel.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat komt mij ook zoo voor.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar over een dag of wat moeten wij hier terugkomen en de
+tenten afhalen, die hier gedurende den geheelen regentijd niet mogen
+blijven staan<span class="corr" id="xd21e6105" title="Bron: ,">.</span>
+Wat dunkt u, Willem, zullen we dan nu maar weer in de boot
+gaan?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, in allen gevalle zal Thomas recht blij zijn met hetgeen
+we meebrengen. Maar wilt gij toch niet eerst eenige yamswortels
+uitgraven?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Waarlijk, dat was mij geheel door het hoofd gegaan, jongen.
+Ik ga dadelijk een schop halen,&mdash;in de andere tent zal er nog wel
+een staan.&rdquo;</p>
+<p>Na dus ook een voorraad yamswortels te hebben ingezameld, keerden
+zij naar huis. Zij hadden hunne woning niet bereikt, toen de hemel
+begon te betrekken; het was alsof er een zwaar onweer ophanden was.
+Echter regende het niet, voordat zij werkelijk geland waren; toen viel
+er eene kleine bui, die de komst van den regentijd aankondigde.</p>
+<p>De medegebrachte vruchten waren allen bij uitstek welkom; &rsquo;t
+was al zoo lang, zoo heel lang, dat zij er geene geproefd hadden.
+Thomas vooral viel er met geduchte gulzigheid op aan en zou zich ziek
+gegeten hebben, <span class="pagenum">[<a id="pb256" href="#pb256"
+name="pb256">256</a>]</span>als zijne moeder niet wijzer geweest was
+dan hij en hem niet verboden had voor ditmaal er meer van te
+gebruiken.</p>
+<p>Den volgenden dag was het helder weer en alles scheen door den
+gevallen regen verjongd en verfrischt. Er werd besloten, dat Flink en
+Willem den volgenden morgen de tenten van de zuidkust afhalen zouden en
+dan nog zooveel yamswortels als de boot bergen kon, meenemen. Beiden
+hielden als gewoonlijk hunne avond- en morgenwacht en bij die
+gelegenheid ontdekte de oude man, dat de wind thans geheel naar het
+oosten was omgeslagen.</p>
+<p>&bdquo;Dat is leelijk voor onze vaart van morgen, Flink,&rdquo;
+merkte Willem aan. &bdquo;We kunnen wel met het kleine zeil ginds naar
+de havenplaats komen, maar dan hebben wij de boot met hare volle lading
+terug te roeien.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Nu, ik hoop dat het nog maar geen erger gevolgen voor ons
+hebben zal,&rdquo; gaf Flink nadenkend ten antwoord. &bdquo;Laat ons nu
+naar huis en te bed gaan. Ik zal morgen v&oacute;&oacute;r den dag op
+zijn;&mdash;dus kunt gij dan nog wel wat blijven liggen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik word immers toch v&oacute;&oacute;r het daglicht wakker,
+Flink,&rdquo; zeide Willem; &bdquo;zoodat ik maar dadelijk met u wil
+opstaan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is mij ook goed, beste jongen; gij weet, dat ik u altijd
+gaarne tot gezelschap heb.&rdquo;</p>
+<p>Den volgenden morgen, bij het eerste krieken van den dag, openden
+beiden dan ook reeds de deur der palissade en wandelden gezamenlijk
+naar het strand. De wind woei nog altijd, en wel vrij sterk, uit het
+oosten en de lucht was geheel betrokken.</p>
+<p>Bij het opgaan der zon nam Flink als naar gewoonte zijn kijker en
+begon den gezichtseinder in het oosten nauwkeurig op te nemen.</p>
+<p>&bdquo;Ziet gij dan iets, Flink, dat gij den kijker zoolang op dat
+&eacute;&eacute;ne punt houdt?&rdquo; vroeg Willem, toen zijn grijze
+makker na lang turen nog geene beweging maakte om den kijker van het
+oog te nemen.</p>
+<p>&bdquo;Mijne oude oogen kunnen mij bedriegen; maar ik vrees
+werkelijk, dat ik iets zie,&rdquo; gaf Flink eindelijk ten antwoord.
+&bdquo;Binnen weinige oogenblikken zal ik het met zekerheid kunnen
+zeggen.&rdquo;</p>
+<p>Aan de oostelijke kim hing nog eene nevelstreep, zoodat men er niet
+duidelijk zien kon. Nauwelijks echter was de zon geheel op, of Flink
+die den kijker juist op dat punt gericht hield, riep driftig uit:</p>
+<p>&bdquo;Ja, ja, Willem, ik heb toch gelijk. Ik dacht dadelijk, die
+donkere punten, die ik zag, konden wel hunne bruine zeilen
+zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zeilen?&mdash;Wat zeilen, Flink?&rdquo; vroeg Willem
+haastig.</p>
+<p>&bdquo;De zeilen der Indiaansche kano&rsquo;s, Willem; ik wist wel,
+dat die komen <span class="pagenum">[<a id="pb257" href="#pb257" name=
+"pb257">257</a>]</span>zouden. Neem gij den kijker maar eens en zie
+zelf;&mdash;het schemert mij voor de oogen, zoo sterk heb ik ze
+ingespannen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, waarlijk&mdash;nu heb ik ze,&rdquo; riep Willem, na den
+kijker gericht te hebben. &bdquo;Maar, Flink, daar zijn althans wel
+twintig tot dertig.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En ieder heeft twintig of dertig man in, Willem.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Genadige hemel! Wat moeten wij dan doen? Ach, wat zal mijne
+lieve moeder ontsteld zijn! Tegen zulk een overmacht kunnen wij immers
+volstrekt niets uitrichten, Flink.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, ja, Willem, wij kunnen veel uitrichten en moeten ook veel
+uitrichten. Dat eenige honderden wilden tegen ons in aantocht
+zijn,&mdash;lijdt thans geen twijfel meer; maar vergeet niet, dat wij
+een blokhuis bezitten, dat niet zoo licht te beklimmen is, dat wij
+verder vuurwapens en kruit en lood genoeg in voorraad hebben en hun wel
+een gevecht leveren en hen misschien afslaan kunnen, daar zij enkel met
+lansen en knotsen gewapend zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat naderen zij spoedig, Flink; zie maar,&mdash;op die wijze
+kunnen zij immers in een uur hier zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O, neen, beste jongen,&mdash;niet eens in twee. Hunne
+kano&rsquo;s zijn zeer groot. Maar we hebben geen tijd te verliezen. Ik
+zal hen nog eens in het vizier nemen en hunne sterkte narekenen. Loop
+gij onderwijl naar huis en wenk uw vader, dat hij hier bij mij komt.
+Dan, Willem, zet alle geweren klaar en haal de kruitvaten en de
+patronen uit het oude huis naar het blokhuis. Roep Juno en laat die u
+helpen. Wij zullen nog tijd genoeg hebben om dat alles te doen. Als gij
+klaar zijt, moet gij terstond weer bij ons komen.&rdquo;</p>
+<p>Onverwijld ging Willem op weg, en een poosje later stond mijnheer
+Wilson bij Flink aan het strand.</p>
+<p>&bdquo;Flink,&rdquo; begon hij, &bdquo;er is zeker geen goed nieuws?
+Willem wilde mij niets zeggen, denkelijk om mijne vrouw niet ongerust
+te maken. Wat is er eigenlijk?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;De wilden zijn in aantocht, mijnheer, en dat wel in groote
+menigte. Ik bereken die op tusschen de vijf- en zeshonderd en we moeten
+dus met inspanning van alle krachten voor ons leven vechten.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Denkt ge dan, dat ons tegen zulk eene overmacht nog eenige
+hoop overblijft?&rdquo; vroeg de heer Wilson doodelijk verschrikt.</p>
+<p>&bdquo;O ja, ik twijfel geen oogenblik, of het is mogelijk. Maar een
+harden, dagenlangen strijd hebben wij te wachten,&mdash;daarop mogen
+wij rekenen.&rdquo;</p>
+<p>Mijnheer Wilson monsterde de naderende vloot met den kijker.</p>
+<p>&bdquo;Waarlijk, eene vreeselijke overmacht, waartegen wij te
+worstelen zullen hebben!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, mijnheer; maar die geweren achter een stevige
+verschansing kunnen <span class="pagenum">[<a id="pb258" href="#pb258"
+name="pb258">258</a>]</span>het tegen hunne knotsen en lansen opnemen,
+ingeval maar geen onzer gewond wordt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Nu, Flink, wij moeten al onze krachten inspannen. Ik zal u
+naar mijn beste vermogen ondersteunen, en ook Willem zal, dat weet ik,
+zijn plicht doen. Ik heb immers alles hier, waarvoor een man ooit
+strijden kan,&mdash;vrouw en kind; maar gij, Flink, hebt niet zulke
+banden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, mijnheer; maar daarvoor vecht ik voor mijn leven, dat
+ik, al is het niet van zoo bijzonder veel waarde, toch niet gaarne aan
+die knapen schenken zou. Bovendien vecht ik voor u en uwe familie, aan
+wie ik met hart en ziel verknocht ben.&mdash;Maar kom, wij mogen hier
+niet langer staan wachten, daar de tijd tot voorbereiding toch al kort
+is. Wij moeten aan den binnenkant van onze ompaling nog eenige sterke
+eiken posten spijkeren, om bij een aanval daarop te kunnen staan en
+over de omheining te kunnen heenvuren. Eerst gaan we echter nog naar
+ons oude huis, om daar alles <span class="corr" id="xd21e6183" title=
+"Bron: van daan">vandaan</span> te halen; want het oude huis, zullen de
+wilden het eerst ontdekken, en misschien vernielen zij er dan alles,
+wat ze vinden. De vaten slaan zij zeker in stukken, al ware &rsquo;t
+enkel om de ijzeren hoepels. In een uur kan er veel geschieden, daar de
+tocht zoo groot niet is. Ik geloof, dat wij vooreerst in het blokhuis
+alles hebben, wat ons dienstig wezen kan. Juno heeft brandstof genoeg,
+en de groote waterton zal het althans wel drie of vier weken uithouden.
+Als er nog tijd overschiet, zullen we ook nog met de kar naar het
+strand gaan en een paar schildpadden halen tot vermeerdering van onzen
+mondvoorraad.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Me dunkt, het is thans geen tijd om aan de schildpadden te
+denken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Waarom niet, mijnheer? &rsquo;t Is toch waarlijk beter, dat
+wijzelven die opeten, dan dat de wilden zich er op vergasten. Ik wil er
+van halen zooveel ik vinden kan; als wij ze in de schaduw op den grond
+leggen, kunnen zij nog weken in het leven blijven.<span class="corr"
+id="xd21e6190" title="Niet in bron">&rdquo;</span></p>
+<p>Onder dit gesprek naderden beiden hunne tegenwoordige woning, waar
+zij Willem en Juno vonden, die zoo even het kruit en de <span class=
+"corr" id="xd21e6195" title="Bron: patronnen">patronen</span> hadden
+overgebracht. Mijnheer Wilson ging in de woonkamer, om de noodlottige
+tijding aan zijne vrouw mede te deelen, die daardoor, vreesde hij,
+doodelijk ontsteld zou wezen.</p>
+<p>&bdquo;Men heeft mij vroeger al gezegd, dat wij zoo iets te wachten
+hadden, lieve man,&rdquo; antwoordde zij. &bdquo;Zoo komt mij die
+tijding dus niet onverwacht, en al wat eene zwakke vrouw doen kan, zal
+door mij geschieden. Ik gevoel, dat het mij tot de verdediging mijner
+kinderen niet aan moed ontbreekt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Er valt mij wezenlijk een steen van het hart,&rdquo; riep
+mijnheer Wilson, <span class="pagenum">[<a id="pb259" href="#pb259"
+name="pb259">259</a>]</span>&bdquo;nu ik u zoo bedaard en welberaden
+vind. Nu ken ik geen angst meer;&mdash;maar wij hebben nog veel te
+doen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Daarom moet ik helpen, beste Wilson. Wat mij aan kracht te
+kort schiet, moet ik door goeden wil vergoeden.&rdquo;</p>
+<p>Met deze woorden volgden beiden Willem, Juno en Flink, die naar het
+oude huis op weg waren. De kinderen waren nog alle drie te bed en
+gerust in slaap, zoodat men die niet te bewaken had.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch56" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">ZES-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">LANDING DER WILDEN.&mdash;EERSTE AANVAL.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Daar zij bij het oude huis een goed gezicht op de
+kano&rsquo;s hadden, verzuimde Flink niet, zijn kijker op de wilden te
+richten, zoo dikwijls hij een vat naar &rsquo;t blokhuis heengerold had
+en weer met leege handen terugkwam.</p>
+<p>Allen zwoegden zich af. Zelfs mevrouw Wilson deed zooveel, als maar
+in haar vermogen was, en hielp &oacute;f vaten voortrollen &oacute;f
+droeg wat voor haar krachten niet al te zwaar was. Binnen het uur
+hadden zij alles, waaraan hun bijzonder gelegen was, in het blokhuis,
+gebracht;&mdash;de kano&rsquo;s waren nog altijd op een aanmerkelijken
+afstand van de kust.</p>
+<p>&bdquo;Wij hebben nog een goed uur, voordat zij landen,
+mijnheer,&rdquo; sprak Flink, &bdquo;en dan kunnen de riffen hen
+wellicht vrij wat ophouden. Ik geloof niet, dat ze binnen de twee uren
+ontscheept zullen zijn. We hebben nog tijd genoeg tot alles wat ons te
+doen valt. Juno, de kar hier.&mdash;Willem, neem den
+bootshaak,&mdash;dan willen we nog gauw eenige schildpadden in het
+blokhuis brengen. We kunnen dat zonder u af, mijnheer. Als gij dus zoo
+goed wildet zijn, om de geweren na te zien en klaar te maken, konden
+wij onderwijl onzen gang gaan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, en dan moet gij ze laden,&rdquo; zeide mevrouw Wilson,
+&bdquo;en ons wijzen hoe dat gaat. In &rsquo;t vervolg kunnen Juno en
+ik dat dan doen, zoodat gij enkel hebt te vuren.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is een kostelijke inval, mevrouw,&rdquo; hernam Flink;
+&bdquo;daarmee kunt gij ons wezenlijk een zeer grooten dienst
+bewijzen.&rdquo;</p>
+<p>Binnen een half uur hadden Willem en Juno zes schildpadden
+aangebracht. Een poosje later kwam ook Flink naar het blokhuis
+terug.</p>
+<p>&bdquo;Ik kan onze geit nergens vinden, Willem,&rdquo; zeide hij;
+&bdquo;maar daar wij toch ook geen voer voor haar hebben, kan zij
+evengoed buiten blijven. Als <span class="pagenum">[<a id="pb260" href=
+"#pb260" name="pb260">260</a>]</span>zij zulke vreeselijke gedaanten,
+als die wilden, ontdekt, zal zij zeker wel een goed heenkomen
+zoeken.&rdquo;</p>
+<p>De vaten werden nu aan een kant gerold en tegen de wanden der
+omheining opgezet, waarna men er planken overheen legde, op welke men
+hoog genoeg staan kon om over de palissade heen te zien en te vuren.
+Mevrouw Wilson had zich laten wijzen, hoe men de geweren laden moest,
+en Juno werd nu ook in dit werk onderricht.</p>
+<p>&bdquo;Nu, mijnheer, zijn wij op alles voorbereid,&rdquo; zeide de
+oude stuurman. &bdquo;Mevrouw en Juno kunnen nu eens naar de kinderen
+omzien en zorgen, dat wij iets te eten krijgen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ikke &rsquo;t al klaar hebben. Water al koken heelen
+tijd,&rdquo; berichtte Juno.</p>
+<p>Zoodra de kinderen waren aangekleed, riep mijnheer Wilson den ouden
+Flink, die buiten was en de kano&rsquo;s gadesloeg, in de woonkamer, en
+gebruikte men haastig een ontbijt, ofschoon allen, gelijk men wel
+denken kan, te zeer gespannen waren om met smaak te kunnen eten. De
+moeder drukte hare kinderen aan haar hart; doch haar moed hield zich
+verwonderlijk goed staande.</p>
+<p>&bdquo;Deze angstige spanning is &rsquo;t ergste van alles,&rdquo;
+sprak zij ten laatste. &bdquo;Ik wou, dat zij eindelijk toch maar
+kwamen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zal ik Flink eens gaan opzoeken, lieve, en hooren hoe
+&rsquo;t is? In drie minuten ben ik weer bij u.&rdquo;</p>
+<p>Hij keerde ook zeer spoedig terug en berichtte, dat de kano&rsquo;s
+thans zeer dicht bij de kust waren. De wilden moesten zekerlijk de
+doorvaart door de klippen kennen, want zij hadden daar regelrecht op
+aangehouden en de zeilen laten vallen. Flink en Willem stonden op den
+uitkijk, maar zorgden wel, dat men hen niet zien kon.</p>
+<p>&bdquo;Ik hoop, dat zij niet te lang uitblijven.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maak u over hen niet ongerust, lieve Selina; &rsquo;t is het
+best, dat zij de bewegingen van den vijand tot op het laatste oogenblik
+bespieden.&rdquo;</p>
+<p>Terwijl vader en moeder dus in het blokhuis wachtten, sloegen Willem
+en Flink de wilden en al hunne bewegingen met de meeste oplettendheid
+gade. Tien of elf kano&rsquo;s hadden nu hunne bemanning ontscheept; de
+anderen volgden dit voorbeeld, zoo vlug als zij konden, en zochten zich
+haastig tusschen de klippen door te werken. De wilden waren allen
+beschilderd, in krijgsmantels, met pluimen op het hoofd. Hunne wapens
+bestonden in lansen en knotsen, en blijkbaar waren zij met een
+allesbehalve vredelievend opzet gekomen.</p>
+<div class="figure xd21e6253width"><img src="images/p260.jpg" alt=
+"Blijkbaar waren zij met een alles behalve vredelievend opzet gekomen."
+width="489" height="720">
+<p class="figureHead">Blijkbaar waren zij met een alles behalve
+vredelievend opzet gekomen.</p>
+</div>
+<p>In den beginne hadden zij het druk met de kano&rsquo;s op het droge
+te trekken, <span class="pagenum">[<a id="pb261" href="#pb261" name=
+"pb261">261</a>]</span>en daar deze zeer groot en zwaar waren, verliep
+er wel een kwartier, voordat dit door allen was geschied. Willem had
+dus tijd, om hen nauwkeurig op te nemen.</p>
+<p>&bdquo;Wat schijnt dat een ruwe, wreede bende booswichten te
+zijn<span class="corr" id="xd21e6263" title="Bron: .">,</span>
+Flink!&rdquo; merkte hij aan. &bdquo;Als zij ons in handen kregen,
+zouden zij ons zeker allen vermoorden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Daar behoeven wij volstrekt niet aan te twijfelen, Willem; en
+we moeten ons dus dapper weren en zorgen, dat we uit hunne handen
+blijven. Van kant maken willen zij ons zeker, en ik zou welhaast
+gelooven, dat zij ons dan ook nog opeten zouden; ofschoon dat laatste
+ons dan zooveel niet deren zou.&rdquo;</p>
+<p>Willem huiverde bij deze gedachte, maar antwoordde toch op vrij
+vasten toon:</p>
+<p>&bdquo;Ik zal vechten, zoolang ik nog adem heb. Maar zie Flink, nu
+komen zij opzetten, al wat zij loopen kunnen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, ja, recht op het oude huis toe. Wij mogen nu niet langer
+wachten.&mdash;Kom jongen kom!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik verbeeldde mij daar straks, toen wij omkeerden, ginds
+achter het landpunt nog een ander schip onder zeil te zien,
+Flink.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Licht mogelijk; misschien een kano, die van nacht van de
+anderen is afgeraakt. Kom gauw, Willem.&mdash;Luister! ze hebben hun
+krijgsgeschreeuw al aangeheven.&rdquo;</p>
+<p>Eene minuut later stonden zij voor de poort van het blokhuis. Zij
+traden binnen, sloten de deur achter zich dicht en verzekerden die met
+sterke balken, die van binnen in posten sloten.</p>
+<p>&bdquo;Nu, hier zijn wij veilig genoeg,&rdquo; sprak Flink.
+<span class="corr" id="xd21e6283" title=
+"Bron: &rdquo; ">&bdquo;</span>En nu maar moed gehouden en ons dapper
+geweerd.&rdquo;</p>
+<p>Het gillend geschreeuw der wilden vervulde mevrouw Wilson met
+ontzetting en angst. &rsquo;t Was nog maar goed, dat zij de Indianen
+niet in hunne beschildering en in hun trotschen oorlogspronk gezien
+had, want dan zou zij nog veel meer verschrikt zijn geweest.</p>
+<p>De kleine Albert en Caroline klemden zich angstig aan haar hals; de
+ontsteltenis stond op hun gezicht te lezen. Geen van beiden gaf een
+enkel geluid; zij zagen slechts vol verslagenheid rond, als om te
+ontdekken, van waar dat ijzingwekkend gerucht kwam, en drongen bevend
+al dicht bij hunne moeder.</p>
+<p>Thomas daarentegen was bijzonder in de weer, daar hij nu over het
+ontbijt, dat de anderen verlaten hadden, geheel alleen baas was en
+niemand zijne gulzigheid te keer ging. Juno was buiten bezig en
+betoonde in alles veel moed en bedaardheid. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb262" href="#pb262" name="pb262">262</a>]</span></p>
+<p>Mijnheer Wilson had op zich genomen, in de palissade gaten te boren,
+zoodat men daar juist de trompen van de geweren doorheen steken en op
+de wilden vuren kon, zonder zelf aan gevaar te zijn bloot gesteld.
+Willem en Flink daarentegen stonden met geladen geweren op hun post en
+sloegen de nadering der vijanden gade.</p>
+<p>&bdquo;Ze zijn thans nog bij ons oude huis bezig, mijnheer,&rdquo;
+zeide Flink<span class="corr" id="xd21e6298" title="Bron: :">;</span>
+&bdquo;maar daar zullen ze zich zeker niet lang ophouden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Daar komen ze,&rdquo; fluisterde Willem. &bdquo;Zie eens,
+Flink, is dat niet eene van de vrouwen, die ons in haren kano
+ontsnapten&mdash;zie, die daar met de beide eerste mannen vooraan gaat?
+Ja, ja, zij is &rsquo;t, ik ben er zeker van.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Gij hebt gelijk, het is eene van die twee. Kijk, nu houden ze
+halt.&mdash;Aha! op het blokhuis waren ze niet bedacht, dat kan men wel
+merken. Dat heeft hen eenigszins van streek gebracht. Daar, zie eens,
+hoe zij de hoofden bij elkaar steken en druk aan &rsquo;t redeneeren
+gaan. Zij houden raad over hetgeen er thans gebeuren moet. Die slank
+opgeschoten man moet een van hunne opperhoofden zijn.&mdash;Ik zal
+vechten tot mijn laatsten ademtocht, Willem, dat is mijn vast besluit;
+maar ik heb er toch een afkeer van in zulk een geval een begin te
+maken. Ik zal mij dus boven de palissade laten zien<span class="corr"
+id="xd21e6305" title="Niet in bron">.</span> Vallen zij mij aan, dan
+kan ik met een gerust geweten op hen losbranden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar pas op, Flink, dat zij u niet raken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wees gerust, Willem.&mdash;Zie, daar komen zij al.&rdquo;</p>
+<p>Met deze woorden stapte Flink op de balken, die van binnen langs de
+palissade liepen, zoodat de wilden hem zien konden. Dezen stieten een
+vreeselijk gehuil aan, en minstens een dozijn speren vlogen naar de
+plaats, waar de oude man stond, en waren zoo goed gericht, dat zij hem
+ongetwijfeld gedood zouden hebben, indien hij zich niet oogenblikkelijk
+had gebukt.</p>
+<p>Drie of vier van de speren bleven in de bovensten rand der palissade
+steken; de overige vlogen daar overheen en vielen binnen in de
+omheining aan gene zijde van het woonhuis op den grond neder.</p>
+<p>&bdquo;Nu, Willem, maar scherp gemikt!&rdquo; Doch voordat Willem
+nog vuren konde, schoot zijn vader zijn geweer af, en het slank
+gewassen opperhoofd tuimelde ter aarde. Mijnheer Wilson had zich
+namelijk volgens afspraak derwijze in een hoek geplaatst, dat hij zien
+kon, als de wilden zich naar eene andere zijde heen wendden.</p>
+<p>Flink en Willem vuurden insgelijks, en men zag nog twee wilden onder
+het woest gehuil hunner makkers ter aarde storten. Juno gaf dadelijk de
+geladen geweren over en ontving daarvoor de andere, welke zij en
+mevrouw Wilson opnieuw laadden. <span class="pagenum">[<a id="pb263"
+href="#pb263" name="pb263">263</a>]</span></p>
+<p>De moeder had aan Caroline het opzicht over haar jongste broertje
+opgedragen. Aan Thomas had zij op het hart gedrukt, dat hij zich heel
+stil en bedaard moest houden, waarna zij de deur toesloot en bij Juno
+kwam, om met deze voor het laden der geweren te zorgen.</p>
+<p>Nu suisden de speren der wilden door de lucht en het was een geluk
+voor onze kolonisten, dat zij goed gedekt achter hunne palissade vuren
+konden, daar zij anders onvermijdelijk verloren waren geweest. Het
+geschreeuw en gehuil werd gestadig heviger, en de wilden begonnen nu
+den aanval aan alle zijden. De rapsten en moedigsten onder hen
+klauterden als katten tegen de palissade op en bereikten ook werkelijk
+den bovensten rand; doch zoodra hunne hoofden daar zichtbaar werden,
+trof hen ook onfeilbaar de kogel der verdedigers en stortten zij dood
+of zieltogend aan de buitenzijde neder.</p>
+<p>Zoo hield het gevecht veel langer dan een uur aan, totdat de
+Indianen, die reeds een aanmerkelijk verlies geleden hadden, eindelijk
+van den strijd afzagen, waardoor de verdedigers weer tijd kregen om wat
+adem te scheppen.</p>
+<p>&bdquo;Nu, bij dezen eersten aanval hebben zij toch bitter weinig
+gewonnen,&rdquo; begon Flink. &bdquo;Wij hebben ons dapper geweerd en
+vooral gij, Willem, hebt u gehouden alsof ge tot soldaat in de wieg
+waart gelegd. Ik geloof niet, dat gij uw doel ook maar
+&eacute;&eacute;ne enkele maal gemist hebt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Denkt gij, dat zij nu aftrekken zullen?&rdquo; vroeg mevrouw
+Wilson.</p>
+<p>&bdquo;O, neen, mevrouw, nu nog niet. Ze zullen eerst al &rsquo;t
+mogelijke beproeven, voordat zij ons voor goed verlaten. Gij hebt zelve
+wel bespeurd, dat het een dapper slag van volk is en men kan zien, dat
+zij met kruit bekend zijn, daar dit hen anders veel erger had doen
+schrikken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat geloof ik ook,&rdquo; sprak mijnheer Wilson. &bdquo;Als
+de wilden den knal van geweren voor de eerste maal hooren, zijn zij
+doorgaans geheel verplet en verslagen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, mijnheer; maar dat was bij dit volk hier niet het geval,
+weshalve ik geloof, dat het wel niet de eerste keer zal wezen, dat zij
+met Europeanen slaags zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zijn zij al weg, Flink?&rdquo; vroeg Willem, die van de
+hoogte was afgeklommen, om zijne moeder te omhelzen.</p>
+<p>&bdquo;Neen jongen; ik zie hen thans tusschen de boomen. Zij zitten
+in een kring in het rond en houden denkelijk eene gemeenschappelijke
+beraadslaging, zooals dat bij die wilde stammen gebruikelijk
+is.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Nu, ik heb een brandenden dorst,&rdquo; zeide Willem.
+&bdquo;Juno, breng mij toch gauw eens wat water.&rdquo;</p>
+<p>De zwarte meid ging naar de waterton, om aan Willems verlangen te
+<span class="pagenum">[<a id="pb264" href="#pb264" name=
+"pb264">264</a>]</span>voldoen, maar kwam na weinige oogenblikken met
+ledige handen en hevig ontsteld terug.</p>
+<p>&bdquo;O, massa! O, mevrouw! geen water! Water allemaal
+weg!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat, al &rsquo;t water weg?&rdquo; riepen allen in
+&eacute;&eacute;n adem.</p>
+<p>&bdquo;Niet een sikkepitje meer in de ton is!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik heb die toch tot den rand toe gevuld!&rdquo; riep Flink.
+&bdquo;Ook kon ik niet merken, dat ze eenig lek had. Hoe is dat dus
+mogelijk?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O, nu ikke &rsquo;t al wel begrijpen, mevrouw!&rdquo; riep
+Juno. &bdquo;Gij weet wel, wij wasschen voor een dag of drie en toen
+ikke massa Thomas zenden met kleine emmertje water halen uit de bron.
+Hij toen zoo gauw weerom komen en mevrouw toen zeggen, dat hij zoete
+jongen was en ook vertellen aan mijnheer. Nu massa Thomas zeker te lui
+geweest, om te loopen naar de bron en al het water tappen uit het vat,
+en toen vat is leeggeloopen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik vrees, dat gij gelijk hebt, Juno,&rdquo; sprak de
+moeder.</p>
+<p>&bdquo;Wat moeten wij nu aanvangen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ikke gaan en sinjeur Thomas spreken,&rdquo; riep Juno en
+vloog in huis.</p>
+<p>&bdquo;Dat is een zeer droevig geval, mijnheer,&rdquo; merkte Flink
+ernstig aan.</p>
+<p>Mijnheer Wilson schudde bedenkelijk het hoofd. Allen zagen het
+hachelijke van hun toestand zeer goed in. Indien de wilden het eiland
+niet verlieten, moesten zij of van dorst omkomen of zich overgeven, en
+in &rsquo;t laatste geval konden zij er stellig op rekenen, dat hun
+leven verloren was.</p>
+<p>Juno kwam terug; haar vermoeden was gegrond geweest. Thomas had zich
+gestreeld gevoeld, dat men hem om zijne vlugheid prees, en had de kraan
+uit het vat getrokken, zoodat al het water wegliep. Hij begon nu weer
+hardop te schreien en beloofde naar gewoonte, dat hij het van zijn
+leven niet weer doen zou.</p>
+<p>&bdquo;Zijne beloften komen te laat!&rdquo; zuchtte de vader.
+&bdquo;Zoo zullen al onze zorgvuldige maatregelen en voorzorgen tegen
+dezen aanval door de lichtzinnigheid van een kind verijdeld worden en
+zullen wij ons in &rsquo;t eind aan onze vijanden moeten
+overgeven.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Helaas ja, mijnheer!&rdquo; zeide Flink. &bdquo;Wij hebben
+geen ander vooruitzicht meer, dan dat de wilden afgeschrikt worden en
+het eiland spoedig verlaten.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Als ik maar iets voor de kinderen had; ik zelve zou er mij
+wel buiten behelpen!&rdquo; klaagde mevrouw Wilson; &bdquo;maar de arme
+kleinen zoo te zien lijden!&mdash;Is dan nog niet ergens een weinigje
+te vinden, Juno!&rdquo;</p>
+<p>Deze schudde het hoofd. &bdquo;Allemaal weg, mevrouw; niemendal meer
+wezen.&rdquo;</p>
+<p>De moeder zeide nu, zelve nog eens te willen rondzien, en ging met
+Juno in huis.</p>
+<p>&bdquo;Dat is een vreeselijk, vreeselijk ding, Flink!&rdquo; merkte
+mijnheer Wilson <span class="pagenum">[<a id="pb265" href="#pb265"
+name="pb265">265</a>]</span>aan. &bdquo;Wat zouden wij thans niet voor
+eene regenbui geven, als wij de waterdroppels opvangen
+konden!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;De lucht ziet daar niet naar uit, mijnheer,&rdquo; gaf de
+oude man ten antwoord.</p>
+<p>&bdquo;Ik wou, dat de wilden maar weer kwamen opzetten,&rdquo; zeide
+Willem. &bdquo;Hoe gauwer ze komen, des te eer zal alles beslist
+zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik geloof niet, dat ze zich vandaag bij licht weer vertoonen
+zullen. In den nacht verwacht ik hen echter zeker en zulk een aanval
+bij nacht vrees ik tienmaal meer, dan een bij dag. In allen gevalle
+moeten wij er onze maatregelen tegen nemen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Goed; maar wat kunnen wij doen, Flink?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Vooreerst moeten wij boven onze palissade nieuwe planken van
+den eenen boom tot den anderen spijkeren; om onze verschansing aldus
+hooger te maken, zoodat de wilden ze minder gemakkelijk beklauteren
+kunnen. Eenigen waren op het punt van zich er overheen te wringen. Als
+wij dit doen, hebben wij ook geen zoo groote ruimte meer te bewaken en
+te verdedigen. Vervolgens moeten wij een groot vuur ontsteken, om niet
+geheel in het donker te vechten. Dit geeft aan onze vijanden wel het
+voordeel, dat zij door de spleten tusschen de palen heenkijken en
+afloeren kunnen waar wij staan, doch daar zij hunne speren toch niet
+zoo ver doordrijven zullen, kan dat ons zooveel kwaad niet. Het vuur
+moeten wij in &rsquo;t midden van de palissade aanleggen en er braaf
+teer bijgieten, zoodat het helder brandt, en natuurlijk mogen wij het
+niet aansteken, voordat men ons aanvalt. Dan kunnen wij zien, waar zij
+trachten in te dringen en op welk punt wij dus te vuren
+hebben.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat voorstel is goed<span class="corr" id="xd21e6399" title=
+"Niet in bron">,</span> Flink,&rdquo; antwoordde mijnheer Wilson.
+&bdquo;Bestond dat ongelukkig gebrek aan water niet, ik zou
+waarschijnlijk hoop hebben, dat <span class="corr" id="xd21e6402"
+title="Bron: alle">alles</span> nog goed ging.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wij zullen daardoor zekerlijk veel te lijden hebben,
+mijnheer; maar wie kan weten, wat de dag van morgen
+aanbrengt?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is waar, Flink.&mdash;Kunt gij iets van de wilden
+zien?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen. Ze hebben de plaats verlaten, waar zij raad hielden en
+ik hoor niets meer van hen. Ik vermoed, dat zij zich op dit oogenblik
+met hunne dooden en gekwetsten bezighouden.&rdquo;</p>
+<p>Wat Flink voorspeld had, gebeurde ook werkelijk. Dien dag werd er
+geen nieuwe aanval meer ondernomen en allen waren volijverig bezig met
+het maken van toebereidselen tegen den nacht. Zij spijkerden boven de
+palissade nieuwe posten en planken aan de boomstammen, zoodat drie
+zijden van hunne verschansing althans vijf voet hooger werden en
+moeielijk meer te <span class="pagenum">[<a id="pb266" href="#pb266"
+name="pb266">266</a>]</span>beklimmen waren. Bovendien werd eene groote
+teerton met kokosbladeren, teer en hout opgevuld, zoodat men tegen dat
+het vereischt werd, een helder vlammend vuur in gereedheid had.</p>
+<p>Aan middag- of avondeten mochten zij echter niet denken, want zij
+hadden niets dan pekelvleesch en levende schildpad en Flink gaf hun den
+raad, om liever in het geheel niets te gebruiken, daar eten den dorst
+slechts vermeerderen moest.</p>
+<p>De arme kinderen hadden daardoor veel uit te staan; de kleine Albert
+kermde en riep gedurig: &bdquo;Water, water!&rdquo; Caroline wist, dat
+dit er niet was, en hield zich stil,&mdash;het arme schaap, ofschoon
+&rsquo;t gemis haar zeer zwaar viel. Thomas echter, de oorzaak van al
+deze ellende, was de ongeduldigste van allen en gierde van tijd tot
+tijd zoo luid, dat Willem, die innerlijk woedend op hem was, hem
+eindelijk een duchtigen oorveeg gaf, waarop hij, uit vrees dat er een
+andere volgen mocht, nog slechts stil bleef voortkreunen.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch57" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">ZEVEN-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">AANVAL BIJ NACHT.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De schemering was nauwelijks gevallen, toen het kermen
+der kinderen op eens door het gillend gehuil der wilden overschreeuwd
+werd, die thans, gelijk Flink wel voorzegd had, een nachtelijken aanval
+beproeven wilden.</p>
+<p>Op alle punten te gelijk werd de omheining nu aangevallen en de
+wilden gaven zich alle moeite, om over den wand heen te klauteren. Van
+tijd tot tijd werden er enkele speren geslingerd en het was blijkbaar,
+dat zij zich door hunne overmacht den toegang hoopten te
+verschaffen.</p>
+<p>Het was recht goed, dat Flink de voorzichtigheid had gehad van
+nieuwe planken boven de oorspronkelijke palissade te spijkeren, want
+anders zouden de wilden zonder twijfel hun opzet bereikt hebben. Nog
+voordat het vuur, dat Juno op Flinks bevel ontstoken had, genoeg
+helderheid verspreidde, waren reeds drie of vier van de stormers op de
+palissade geklauterd, maar op het oogenblik dat zij zich daarboven
+vertoonden, door Willem en zijn vader neergeschoten.</p>
+<p>Toen het vuur eerst recht helder opvlamde, kon men beter op de
+Indianen mikken, en velen hunner vielen bij de poging om over de
+palissade te komen. De aanval duurde over het uur. Toen schenen de
+wilden in te zien, dat het <span class="pagenum">[<a id="pb267" href=
+"#pb267" name="pb267">267</a>]</span>hun op deze wijze niet zou
+gelukken, en trokken andermaal terug, terwijl zij hunne dooden en
+gekwetsten evenals vroeger medenamen.</p>
+<p>&bdquo;Nu, hoop ik, zullen zij zich toch weder inschepen en het
+eiland verlaten,&rdquo; sprak mijnheer Wilson, zich tot Flink
+wendende.</p>
+<p>&bdquo;Ik wensch van harte, dat zij dat doen mogen, mijnheer. Het is
+niet zoo heel onmogelijk, ofschoon men &rsquo;t nog niet met zekerheid
+zeggen kan. Ik heb al nagedacht, of wij hunne verdere bewegingen ook
+van eenig hooggelegen punt bespieden konden. Ziedaar den
+kokosboom,&rdquo; vervolgde hij en wees op een van de boomen, die in
+hunne palissadenlinie stonden: &bdquo;hij is veel hooger dan al de
+anderen, en als wij van voet tot voet groote spijkers daarin slaan,
+kunnen wij hem gemakkelijk beklimmen en van die hoogte de gansche baai
+overzien. Dan wisten wij althans wat de vijand in zijn schild
+voert.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, dat is waar, Flink, maar stelt men zich niet te zeer
+bloot, door daar naar boven te klimmen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O, neen, mijnheer; gij ziet immers, de kokosboomen zijn
+rondom op zulk een afstand van de palissade geveld, dat geen van de
+wilden naderen kan, zonder van dien uitkijk zoo tijdig gezien te
+worden, dat hij, die boven is, weer omlaag kan komen, nog voordat zijn
+vijand in staat is zijne speer te gebruiken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;In allen gevalle zou ik &rsquo;t echter niet
+v&oacute;&oacute;r het aanbreken van den dag beproeven, daar wij toch
+niet weten, of er niet eenigen aan den voet van de palissade op den
+loer liggen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is zeker wel mogelijk, mijnheer; en daarom zullen wij het
+tot den vroegen morgen uitstellen. Gelukkig hebben wij nog genoeg
+groote spijkers overgehouden.&rdquo;</p>
+<p>Na dit gesprek ging mijnheer Wilson in huis. Flink gaf aan Willem
+den raad, om zich neer te leggen en een paar uren te slapen, terwijl
+hijzelf de wacht zou houden. Als dan mijnheer Wilson tegen den morgen
+weer buitenkwam, kon hijzelf nog eene poos uitrusten.</p>
+<p>&bdquo;Ik kan niet slapen, Flink! Ik kan mijn dorst onmogelijk meer
+overwinnen,&rdquo; gaf Willem geheel verslagen ten antwoord.</p>
+<p>&bdquo;Ja, beste jongen, &rsquo;t is zekerlijk een zware pijn; ik
+voel dat evengoed als gij. En wat moeten die arme kleinen er niet onder
+lijden! Ik beklaag hen van harte.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Het meeste medelijden heb ik met moeder, Flink,&rdquo;
+vervolgde Willem. &bdquo;Het moet vreeselijk voor haar zijn, het lijden
+der kleinen zoo aan te zien en hen toch niet te kunnen helpen.&rdquo;
+<span class="pagenum">[<a id="pb268" href="#pb268" name=
+"pb268">268</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Ja, waarlijk, Willem, dat moet voor eene moeder een
+vreeselijk lijden wezen. Misschien hebben de wilden zich echter morgen
+vroeg uit de voeten gemaakt, en dan heeft ons lijden op eens een
+einde.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik hoop, dat het zoo wezen zal, Flink; evenwel schijnen zij
+mij moedig en vastberaden toe.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, zeker,&mdash;voor hen is ijzer zooveel als goud, en wat
+doen beschaafde menschen al niet om goud te winnen! Kom, kom, Willem,
+ga toch althans een poosje liggen, al kunt gij ook niet
+slapen.&rdquo;</p>
+<p>Intusschen had mijnheer Wilson zijne arme vrouw en kinderen bezocht.
+De kleinen jammerden nog altijd om water, in weerwil van alles wat de
+goede moeder beproefde om hen tot bedaren te brengen, terwijl ze tranen
+van wanhoop vergoot, als ze zich over haar lieven kleinen Albert
+neerboog.</p>
+<p>Juno was naar buiten gegaan en had met eene schop zoo diep in den
+grond gegraven, als ze maar kon, in de flauwe hoop van toch misschien
+eenig water te zullen vinden,&mdash;maar vruchteloos. Treurig en
+radeloos kwam zij naar huis terug.</p>
+<p>Er was geen ander middel dan geduld en volharding. Geduld kon men
+echter van zulke kleine kinderen onmogelijk verwachten. De kleine
+Caroline alleen scheen bedaard en sprak geen woord.</p>
+<p>Mijnheer Wilson bleef nog twee of drie uren bij zijn vrouw en hielp
+haar de kinderen stilhouden, zoo goed dat gaan wilde. Eindelijk kwam
+hij buiten en vond Flink nog op zijn post.</p>
+<p>&bdquo;Ach, vriend,&rdquo; zuchtte hij, &bdquo;ik stond liever
+honderdmaal een aanval van die wilden door, dan dat ik nog vijf minuten
+langer in huis ware gebleven en de ellende van vrouw en kinderen mede
+had aangezien<span class="corr" id="xd21e6473" title=
+"Bron: ,">.</span>&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat geloof ik gaarne, mijnheer,&rdquo; antwoordde de oude
+man. &bdquo;Maar houd moed en laat ons het beste hopen. Ik houd het
+voor heel waarschijnlijk, dat de wilden na deze tweede nederlaag het
+eiland verlaten zullen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik wou, dat ik &rsquo;t zelfde gelooven kon, Flink; het zou
+mij innig gelukkig maken.&mdash;Doch ik kom hier, om de wacht van u
+over te nemen. Wilt gij ook niet een poosje rusten?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, mijnheer als gij &rsquo;t goedvindt, ga ik dan ook wat
+liggen. Over twee uren kunt gij mij weer roepen: de dag zal dan juist
+aanbreken, en dan wil ik aan het werk gaan, terwijl gijzelf ook eenige
+rust geniet.<span class="corr" id="xd21e6482" title=
+"Niet in bron">&rdquo;</span></p>
+<p>Mijnheer Wilson nam zijn post op de palissade in en bleef aan zijne
+eigene gedachten overgelaten.</p>
+<p>Met het krieken van den dag werd Flink wakker en loste mijnheer
+Wilson af. Deze ging echter niet in huis terug, maar legde zich op de
+<span class="pagenum">[<a id="pb269" href="#pb269" name=
+"pb269">269</a>]</span>boomtakken neder, waar Flink aan Willems zijde
+had uitgerust.</p>
+<p>Zoodra de oude man hamer en spijkers bij de hand had, riep hij
+Willem om hem te helpen en gezamenlijk begonnen zij nu de spijkers in
+een kokosboom te slaan, waarbij een van hen voortdurend naar de wilden
+uitkeek, terwijl de ander het werk voortzette.</p>
+<p>In minder dan een uur waren zij tot de bovenste takken onder den
+kruin gevorderd, op welke hoogte zij een uitgestrekt gezicht over de
+baai en het eiland hadden. Willem had het laatste dozijn spijkers in
+den stam geslagen en was de eerste, die boven uitzien kon. Na eenigen
+tijd keerde hij tot zijn ouden vriend terug.</p>
+<p>&bdquo;Ik kan alles overzien, Flink. Ze hebben het oude huis geheel
+omvergehaald; de meeste mannen zijn daar in het rond gelegerd en slapen
+onder hunne krijgsmantels. Sommigen van de vrouwen loopen van de
+kano&rsquo;s heen en weer. De kano&rsquo;s liggen aan het
+strand.<span class="corr" id="xd21e6497" title=
+"Niet in bron">&rdquo;</span></p>
+<p>&bdquo;Zij hebben het oude huis zeker alleen overhoop gehaald, om
+althans de spijkers mee te nemen. Hebt gij niets van hunne dooden
+bemerkt?&rdquo;</p>
+<p><span class="corr" id="xd21e6504" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>Neen, ik heb niet lang rondgekeken, maar
+wil nog eens naar boven klimmen. Ik kwam beneden, omdat de handen mij
+zeer deden van het lange kloppen, dewijl de hamer zoo zwaar te houden
+was. Over een paar minuten zal ik gemakkelijk weer boven komen. De
+lippen branden mij, Flink; ze zijn geheel opgezwollen en het vel barst
+mij open. Ik had nooit gedacht, dat de dorst zoo iets vreeselijks was.
+Wezenlijk, onze arme Thomas is al meer dan genoeg gestraft.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Een kind denkt nooit aan de gevolgen, Willem. Ook hadden wij
+nooit kunnen denken, dat zijne onnoozelheid zooveel ellende veroorzaken
+zou. Het was enkel een van zijn kinderachtige streken en wat er ook de
+gevolgen van wezen mogen, moeten we hem die toch nooit hard te laste
+leggen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik had gehoopt, in de boomen boven nog een paar kokosnooten
+te vinden; maar daar was geen enkele te zien.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En al hadt ge ook een gevonden, er zou in dit jaargetij toch
+geen melk in zijn. Als de wilden zich evenwel vandaag niet uit de
+voeten maken, Willem, dan moet er iets gedaan worden. Ik wou wel, dat
+gij nog eens naar boven klomt en rondzaagt, of ze nog in het geheel
+geen toebereidselen maken om af te trekken.&rdquo;</p>
+<p>Willem klauterde dus nog eens omhoog en bleef daar eenige minuten
+scherp rondkijken.</p>
+<p>&bdquo;Nu zijn zij allen op de been en zwermen als bijen
+rond,&rdquo; berichtte hij, toen hij weder beneden was. &bdquo;Mannen
+telde ik twee honderd en zestig, met <span class="pagenum">[<a id=
+"pb270" href="#pb270" name="pb270">270</a>]</span>krijgsmantels om en
+pluimen op het hoofd. De vrouwen gaan op en af en halen water bij de
+bron. Bij de kano&rsquo;s is anders niemand, dan acht of tien vrouwen
+misschien, die zich met de handen tegen het hoofd slaan en allerlei
+vreemde fratsen maken. Ik begrijp niet recht wat zij eindelijk
+uitvoeren; maar allen maken dezelfde wonderlijke bewegingen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Aha, ik weet al wat zij doen, Willem. Zij snijden zichzelven
+met messen of ander scherp tuig;&mdash;dat is zoo het gebruik bij dit
+volk. Al de dooden worden in kano&rsquo;s neergelegd en die vrouwen
+weeklagen thans over hare lijken. Misschien dat zij nu toch aftrekken,
+omdat de dooden reeds in de kano&rsquo;s gebracht zijn;&mdash;doch dat
+moeten wij afwachten.&rdquo;</p>
+<p>Men kon uit den top van den kokosboom bespeuren, dat de wilden des
+voormiddags een krijgsraad hielden: want zij zaten allen in een wijden
+kring in het rond en een hunner stond op en hield eene rede, waarbij
+hij met wilde gebaren speer en knots over zijn hoofd rondzwaaide.</p>
+<p>Later ging de vergadering uiteen en men zag de wilden overal met het
+vellen van boomen bezig, waarvan zij het rijs zorgvuldig <span class=
+"corr" id="xd21e6525" title=
+"Bron: bijeenbrachtten">bijeenbrachten</span>. Flink sloeg hen een
+geruimen tijd nauwlettend gade en kwam eindelijk v&oacute;&oacute;r
+zonsondergang weer van zijn boom beneden.</p>
+<p>&bdquo;Mijnheer Wilson,&rdquo; sprak hij, &bdquo;naar mijn oordeel
+zal men ons van nacht met rust laten, maar hebben wij morgen een
+ernstigen aanval te wachten<span class="corr" id="xd21e6530" title=
+"Niet in bron">.</span> De wilden vellen boomen en maken groote
+takkenbossen klaar. Dat gaat wel wat langzaam in zijn werk, omdat hunne
+bijlen van steen en niet al te scherp zijn; maar met hun ijver en hun
+groot aantal handen kunnen zij toch veel af, te meer, daar ik vermoed,
+dat zij den ganschen nacht zullen doorwerken, tot zij zooveel
+takkenbossen bij elkander hebben als noodig is.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat denkt gij dan wel, Flink, dat zij met dat boomen omkappen
+en die takkenbossen van zins zijn?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ze zullen die &oacute;f hoog voor onze palissade opstapelen,
+om zoo daar overheen te kunnen komen, &oacute;f ze zullen ze op hoopen
+leggen en in brand steken, om ons door vuur uit onze sterkte te
+verdrijven.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Denkt gij, dat hun dat gelukken zal?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Niet zonder zeer zwaar verlies. Misschien gelukt het ons nog,
+hen af te slaan; doch een harde worsteling is ophanden, veel zwaarder
+dan wij tot hiertoe nog gehad hebben. De vrouwen moeten ons vlijtig de
+geweren helpen laden, zoodat wij zoo snel mogelijk vuren kunnen. Hunne
+poging om onze verschansing in brand te steken, zou ik zooveel niet
+achten, als die rook er maar niet bij was. De kokosstammen, vooral als
+daar, gelijk bij onze palissaden, de bast nog omzit, smeulen eerst
+langen tijd, voordat ze <span class="pagenum">[<a id="pb271" href=
+"#pb271" name="pb271">271</a>]</span>vlam vatten en het vuur der
+takkenbossen kan niet lang aanhouden, al is het in den beginne ook nog
+zoo geweldig.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar Flink, bedenk eens, hoe kunnen wij bij ons tegenwoordig
+gebrek aan water nog kracht genoeg overhouden om onzen vijand midden in
+een verstikkenden kring van rook en vlammen het hoofd te bieden? Wij
+moeten immers zeker van uitputting bezwijken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wij moeten het beste hopen, mijnheer Wilson, en onze uiterste
+krachten inspannen. Mocht mij in het gevecht iets overkomen, mijnheer,
+vergeet dan niet om, ingeval er geen ander behoud meer opzit, van den
+rook gebruik te maken, om door het woud een uitweg naar de zuidkust te
+zoeken. Ik twijfel niet, of dat zal u wel gelukken. De aanval wordt
+natuurlijk van de oostzijde ondernomen, van waar thans de wind waait.
+Gij moet dus naar het westen zien te ontkomen.&mdash;Ik heb Willem al
+gewezen, hoe men door de palissade heen breken kan als de nood het
+vordert. Als de wilden ons blokhuis innemen, zullen zij in het eerste
+oogenblik niet aan u denken. Misschien dat ze zich in het geheel niet
+meer om u bekommeren, als zij eenmaal van alles wat in huis is meester
+zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar waarom zegt gij dat zoo&mdash;&bdquo;als mij iets mocht
+overkomen,<span class="corr" id="xd21e6550" title=
+"Niet in bron">&rdquo;</span> Flink?&rdquo; vroeg Willem bezorgd.</p>
+<p>&bdquo;Ei, jongen, omdat de wilden mij evengoed als u kwetsen of
+dooden kunnen, als zij de takkenbossen zoo hoog opstapelen, dat het hun
+gelukt, over de palissade heen te komen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Natuurlijk,&rdquo; hernam Willem; &bdquo;maar vooreerst zijn
+zij hier nog niet binnen en het zal hun bloed kosten, voordat zij het
+zoover hebben gebracht.&rdquo;</p>
+<p>Flink bood zich nu aan, om de wacht te houden tot twaalf uren,
+wanneer hij den heer Wilson wekken wilde.</p>
+<p>Zij hadden gedurende de beide laatste dagen slechts zeer weinig
+gegeten. Men had eene schildpad geslacht en er eenige stukken van
+gebraden; maar het eten vermeerderde hun dorst slechts en zelfs de
+kinderen versmaadden alle spijs. De ellende der familie was thans tot
+eene vreeselijke hoogte geklommen en de arme moeder was der wanhoop
+nabij.</p>
+<p>Zoodra mijnheer Wilson in huis terug was gegaan, riep Flink Willem
+en zeide tot hem:</p>
+<p>&bdquo;Luister, Willem; wij moeten noodzakelijk water hebben. Ik kan
+het jammeren der kleinen en den vreeselijken doodsangst van uwe goede
+moeder onmogelijk langer aanzien. Bovendien zouden wij zonder water
+geheel buiten staat zijn, om de wilden morgen af te slaan. Wij moeten
+immers letterlijk stikken, zoodra zij het vuur tegen onze palissade
+leggen. Ik heb daarom <span class="pagenum">[<a id="pb272" href=
+"#pb272" name="pb272">272</a>]</span>besloten, om een van onze tonnen
+te nemen, en ze aan de bron te gaan vullen. Misschien gelukt mij dat,
+misschien ook niet,&mdash;maar <span class="corr" id="xd21e6568" title=
+"Bron: beproven">beproeven</span> moet ik het. Val ik,&mdash;nu, dan is
+het niet anders!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Waarom wilt gij mij niet liever laten gaan Flink?&rdquo;
+vroeg Willem.</p>
+<p>&bdquo;Om vele redenen niet, beste jongen. De voornaamste daarvan
+is, dat ik niet geloof, dat gij er zoo goed toe in staat zoudt zijn,
+als ik mogelijk. Ik zal den mantel en de pluimen van een der wilden,
+die binnen de palissade vielen, nemen en met behulp van die verkleeding
+mijn plan misschien gelukkig volbrengen. Wapens zal ik, met
+uitzondering van een enkele speer, niet meenemen, omdat die mij slechts
+hinderen en de last, dien ik te dragen heb, onnoodig verzwaren zouden.
+Let nu wel op, beste jongen. Gij moet mij de poort uitlaten; als ik
+buiten ben, schuift gij tot meerdere zekerheid een van de kruisbalken
+er voor. Dit zal de poort, ingeval van een aanval, wel zoolang doen
+houden, totdat het gelukt er ook de andere palen voor te leggen. Wacht
+dan mijne terugkomst af en houd u klaar om mij dadelijk weer binnen te
+laten. Zeg, Willem, hebt gij mij goed begrepen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Jawel, Flink; maar ik moet bekennen, dat een doodelijke angst
+mij overvalt.&mdash;Als u eens een ongeluk overkwam, wat zou dat een
+ontzettende slag voor ons wezen!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is nu eenmaal niet te veranderen, Willem. Water moet er
+komen, als &rsquo;t maar eenigszins mogelijk is; en nu is het oogenblik
+daartoe gunstiger dan later, als onze vijanden meer op hunne hoede
+zullen zijn.&rdquo;</p>
+<p>Flink ging nu eene ton opzoeken, die bij de twee emmers water
+bevatten kon. Vervolgens voorzag hij zich van den mantel en het
+hoofdversiersel van een wilde en nam het vat op den schouder en de
+speer in de hand. Willem schoof de dwarsbalken, die de deur sloten,
+zacht terug, en nadat Flink zich overtuigd had, dat achter de palissade
+niemand verscholen was, drukte hij Willem de hand, stak de open ruimte
+buiten de omheining over en verdween in het kokosbosch.</p>
+<p><a id="xd21e6582" name="xd21e6582"></a>Willem sloot de deur weder,
+gelijk hem gezegd was, schoof er zekerheidshalve een der dwarsbalken
+voor en bleef angstig wachtend op zijn post. Hij was in een staat van
+vreeselijke spanning; het minste geritsel, zelfs het zachtste suizen
+van den wind door de takken van het geboomte deed hem beven en rillen.
+Zoo stond hij ettelijke minuten met het geweer in de hand en gereed om
+op het eerste oogenblik vuur te geven.</p>
+<p>&bdquo;Nu wordt het tijd, dat hij terugkomt,&rdquo; dacht hij.
+&bdquo;De afstand is nauwelijks honderd passen en toch heb ik nog geen
+geluid vernomen.&rdquo; Eindelijk meende hij zachte voetstappen te
+hooren. Ja, het was werkelijk zoo; de <span class="pagenum">[<a id=
+"pb273" href="#pb273" name="pb273">273</a>]</span>oude man keerde terug
+en wel zonder dat hem iets was overkomen.</p>
+<p>Willem had de hand reeds aan den kruisbalk, om dezen weg te schuiven
+en de poort te openen;&mdash;daar hoorde hij plotseling een gerucht,
+als van twee, die aan het worstelen waren en kort daarop een zwaren
+val.</p>
+<p>Oogenblikkelijk rukte hij den balk weg en trok de deur open, juist
+toen Flink hem bij zijn naam riep. Met zijn geweer gewapend sprong
+Willem naar buiten. Daar vond hij Flink op den grond liggen en aan
+&rsquo;t worstelen met een wilde, die op hem lag en hem zijne speer op
+de borst had gezet. In een ommezien legde Willem zijn geweer aan en gaf
+vuur. De Indiaan plofte dood aan Flinks zijde neder.</p>
+<p>&bdquo;Neem schielijk het water aan, Willem!&rdquo; riep Flink, met
+flauwe stem. &bdquo;Ik zal beproeven of ik nog kracht genoeg heb om
+naar binnen te kruipen.&rdquo;</p>
+<p>De knaap greep het watervaatje en droeg dat binnen de verschansing.
+Toen vloog hij terug naar den ouden man, die op de knie&euml;n lag.</p>
+<p>Mijnheer Wilson was bij het hooren van dat schot oogenblikkelijk
+opgesprongen en naar buiten gesneld. Toen hij de poort open vond,
+volgde hij zijn zoon en zag, hoe deze den trouwen Flink zocht op te
+richten. Beide namen den braven oude onder een arm en zoo sleepten zij
+hem met moeite naar binnen. De poort werd aanstonds gesloten en nu
+eerst konden zij naar hun ouden vriend omzien.</p>
+<p>&bdquo;Zijt gij gewond, Flink?&rdquo; vroeg Willem met bevende
+lippen.</p>
+<p>&bdquo;Ja, beste jongen, dat ben ik,&mdash;doodelijk gewond, naar ik
+vrees. Zijne speer heeft mij de borst doorboord.&mdash;Water,
+schielijk, water!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ach, dat wij maar iets voor u hadden!&rdquo; jammerde
+mijnheer Wilson.</p>
+<p>&bdquo;Wij hebben het, vader!&rdquo; riep Willem. &bdquo;Maar het is
+duur betaald,&rdquo; voegde hij er treurig bij.</p>
+<p>Willem ging een glas halen, nam de spon uit het vat en liet het
+water loopen. Den eersten dronk bracht hij aan Flink, die het vocht
+gretig inzwolg.</p>
+<p><span class="corr" id="xd21e6610" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>Leg mij nu op deze kokosbladeren neer,
+mijn jongen.&mdash;Ga en geef aan den anderen ook wat te drinken; als
+zij allen gehad hebben, kom dan hier bij mij terug. Zeg uwe moeder
+niets van mijne verwonding.&mdash;Ga en doe wat ik u verzocht
+heb.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Vader, neemt gij het water,&mdash;neem, bid ik u,&rdquo; riep
+Willem. &bdquo;Ik kan mijn Flink niet verlaten.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat zal ik doen, mijn zoon,&rdquo; zeide mijnheer Wilson;
+&bdquo;maar drink eerst toch zelf een weinig.&rdquo;</p>
+<p>Willem, die eene onmacht nabij was, dronk het glas ledig. Terstond
+gevoelde <span class="pagenum">[<a id="pb274" href="#pb274" name=
+"pb274">274</a>]</span>hij zich als opnieuw gesterkt en wendde zich tot
+den ouden man, die voortdurend zwaar ademhaalde, maar geen woord
+sprak.</p>
+<p>De vader vloog heen, om aan vrouw en kinderen den lang gewenschten
+laafdronk te verstrekken.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch58" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">ACHT-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">ONVERWACHTE UITKOMST.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Willem had ondertusschen zijn armen vriend de
+kleederen uitgetrokken, om zijne wonden nader te kunnen onderzoeken. Na
+eene korte poos kwam zijn vader terug, die zijn versmachtend gezin in
+allerijl gedrenkt had.</p>
+<p>&bdquo;Het zou misschien beter zijn, dat wij hem naar dien anderen
+hoop bladeren droegen, hij zal daar veel gemakkelijker liggen,&rdquo;
+sloeg Willem voor.</p>
+<p>Flink fluisterde slechts: &bdquo;Meer water! Meer water!&rdquo; De
+knaap voldeed aan zijn verlangen en droeg hem toen, met behulp van zijn
+vader, naar een beter plaatsje. Zoodra zij hem daar neergelegd hadden,
+keerde Flink zich op de andere zijde om en een donkere bloedstroom
+gutste uit zijn borst.</p>
+<p>&bdquo;Nu voel ik mij beter,&rdquo; zeide hij op fluisterenden toon.
+&bdquo;Verbind de wonde, Willem. Een oud man, zooals ik, heeft niet
+veel bloed te verliezen.&rdquo;</p>
+<p>Mijnheer Wilson en Willem schoven zijn hemd ter zijde en
+onderzochten de wonde. De speer was hem diep in de longen gedrongen.
+Willem trok oogenblikkelijk zijn eigen hemd uit, scheurde het in
+stukken en verbond de wonde, zoodat er geen bloed meer uit kon
+vloeien.</p>
+<p>Flink had er, toen men hem van zijn eerste leger had opgenomen, zeer
+machteloos en uitgeput uitgezien; doch nu herstelde hij zich
+langzamerhand en kon weer zacht spreken.&mdash;Op dit oogenblik kwam
+mevrouw Wilson uit huis aansnellen.</p>
+<p>&bdquo;Waar is de goede, brave man&mdash;onze redder?&rdquo; riep
+zij. &bdquo;Ik moet hem zelve danken!&rdquo;</p>
+<p>Mijnheer Wilson vatte haar bij den arm.</p>
+<p>&bdquo;Hij is gewond, lieve vrouw; ik vrees zeer gevaarlijk gewond.
+Ik wilde u dat niet dadelijk zeggen.&rdquo;</p>
+<p>Hij zeide haar thans met weinige woorden wat er voorgevallen was en
+bracht haar toen bij Flinks leger. Mevrouw Wilson knielde aan zijne
+zijde neder, nam zijne hand en barstte in tranen uit. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb275" href="#pb275" name="pb275">275</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Ween niet om mij, lieve mevrouw,&rdquo; zeide de oude man.
+&bdquo;Mijne uren zijn geteld; het bedroeft mij slechts, dat ik u niet
+meer van dienst zal kunnen wezen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Lieve, beste vriend!&rdquo; snikte mevrouw Wilson; &bdquo;hoe
+ons lot zich ook immer wenden moge, zoolang ik het leven behoud, zal ik
+nimmer, nimmer vergeten wat gij voor mij en de mijnen gedaan
+hebt.&rdquo;</p>
+<p>Met deze woorden boog de bedroefde vrouw zich over den lijder neder,
+kuste hem op het voorhoofd en richtte zich daarna op, om schreiend naar
+huis te keeren.</p>
+<p>&bdquo;Willem,&rdquo; fluisterde Flink, &bdquo;ik kan nu niet
+spreken. Beur mijn hoofd een weinig op en verlaat mij dan. &rsquo;t Is
+beter voor mij, dat gij mij alleen laat. Gij hebt al in lang niet meer
+op den uitkijk gestaan; doe dat en kom over een half uur hier weer bij
+mij. Ga gij ook, mijnheer; ik wil zien of ik een weinig rusten
+kan.&rdquo;</p>
+<p>Vader en zoon voldeden aan dit verlangen. Zij traden weer op de
+planken en zagen naar alle kanten scherp rond, of zij ook iets
+ontdekken konden. Zij bespeurden niets en klommen dus weder naar
+beneden.</p>
+<p>&bdquo;Dat is een onoverkomelijke slag, mijn zoon,&rdquo; begon de
+vader.</p>
+<p>Willem schudde het hoofd. &bdquo;Hij wilde mij volstrekt niet laten
+gaan, vader,&rdquo; antwoordde hij eindelijk; &bdquo;en nu wenschte ik,
+dat ik het toch gedaan had. Ik vrees, dat hij zwaar gewond is; dunkt u
+dat ook niet, vader?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik durf niet hopen, Willem, dat hij er weer van opkomt. Wij
+zullen hem morgen gevoelig missen, als men ons aanvalt. Ik vrees zeer
+voor den afloop.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik weet niet wat ik zeggen moet, vader. Maar dat gevoel ik,
+sinds wij ons weer met water verkwikt hebben, kan ik tweemaal zooveel
+doen, dan waartoe ik anders in staat zou zijn geweest.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Het gaat mij evenzoo, beste jongen; maar toch, wat kunnen
+twee menschen tegen zulk eene overmacht?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Als moeder en Juno de geweren voor ons laden, zullen wij
+thans voor &rsquo;t minst evenveel kunnen uitrichten, als waartoe wij
+gisteren in onzen uitgeputten toestand met ons drie&euml;n in staat
+waren.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is wel mogelijk, Willem. In allen gevalle willen wij ons
+best doen, want wij strijden immers voor ons eigen behoud en voor
+&rsquo;t leven van hen, die ons het liefst op aarde zijn.&rdquo;</p>
+<p>Willem sloop zacht op Flinks leger toe en bevond dat de oude man
+sluimerde, zoo hij al niet vast in slaap lag. Hij stoorde hem derhalve
+niet, maar keerde tot zijn vader terug. <span class="pagenum">[<a id=
+"pb276" href="#pb276" name="pb276">276</a>]</span></p>
+<p>Zij droegen het watervat gezamenlijk in huis en stelden het onder
+het opzicht der moeder, opdat geen enkele drup nutteloos mocht verloren
+gaan. Thans eerst nu de dorst gelescht was, begonnen allen ook de
+kwelling van den honger te gevoelen.</p>
+<p>Juno en Willem gingen daarom aan het werk, sneden de schildpad in
+stukken en roosterden die bij het vuur. Zij namen allen een hartig maal
+en misschien had het eten hun in hun gansche leven niet zoo lekker
+gesmaakt als ditmaal.</p>
+<p>Het was bijna reeds dag, toen Willem, die herhaalde malen zacht naar
+Flink was komen zien om zich te overtuigen, dat hij nog sliep, den
+gewonde eindelijk met de oogen open vond.</p>
+<p>&bdquo;Hoe gaat het, Flink; hoe voelt gij u nu,<span class="corr"
+id="xd21e6687" title="Niet in bron">&rdquo;</span> vroeg hij, vol
+deelneming.</p>
+<p>&bdquo;Ik voel mij heel licht en wel, Willem, en heb niet veel pijn.
+Ik geloof evenwel, dat het met mij ten einde loopt en dat het niet lang
+meer zal aanhouden. Denk er aan, Willem, dat gij, als gij genoodzaakt
+wordt de versterking te verlaten, u om mij niet bekommeren moogt. Ik
+zal blijven, waar ik nu ben. Langer leven kan ik immers toch niet, en
+als gij mij meesleepen wildet, zou dit mijn einde maar
+verhaasten.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik zou liever sterven dan u verlaten, Flink!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, neen, mijn jongen&mdash;dat is dwaas en verkeerd
+gesproken. Gij hebt uwe moeder en de kleinen, die gij redden moet.
+Beloof mij, dat gij doen zult wat ik u gezegd heb.&rdquo;</p>
+<p>Willem aarzelde.</p>
+<p>&bdquo;Het is uw plicht, jongen, wat ik van u verlang. Ik ken uw
+gevoel heel wel, maar gij moogt daar ditmaal niet aan toegeven. Beloof
+mij dat, als gij mijn sterfuur niet verzwaren wilt.&rdquo;</p>
+<p>Willem drukte zijn ouden vriend de hand. Zijn hart was te
+vol,&mdash;hij kon niet spreken.</p>
+<p>&bdquo;Met het aanbreken van den dag zullen zij terugkomen,
+Willem,&mdash;althans dat verwacht ik. Gij hebt weinig tijd meer te
+verliezen. Klim op onzen uitkijk en blijf daar, tot het licht aan den
+hemel komt. Bespied hen, zoolang gij dat zonder gevaar doen kunt. Kom
+dan beneden en zeg mij, wat gij gezien hebt.&rdquo;</p>
+<p>Flinks stem werd al zwakker en zwakker, daar het vele spreken hem
+reeds al te veel vermoeid had. Hij wenkte Willem, die oogenblikkelijk
+in den boom klauterde en daar, totdat het licht werd, de wacht
+hield.</p>
+<p>Toen de ochtendschemering aanbrak, bemerkte hij, dat de wilden op de
+been kwamen. Zij hadden hunne takkenbossen aan de noordzijde
+bijeengebracht <span class="pagenum">[<a id="pb277" href="#pb277" name=
+"pb277">277</a>]</span>en maakten alle toebereidselen tot een spoedigen
+aanval. Ten laatste zag hij ieder van hen een takkenbos op den schouder
+nemen, en zoo trokken zij in eene lange rij op het blokhuis aan.</p>
+<p>Willem was in een ommezien omlaag en riep zijn vader, die juist met
+zijne vrouw sprak. Al de geweren stonden gereed, en mevrouw Wilson
+plaatste zich met Juno dicht bij de palissade, om ze terstond na het
+afvuren opnieuw te laden.</p>
+<p>&bdquo;Wij moeten op hen losbranden, zoodra wij zeker zijn van hen
+niet te missen, mijn jongen,&rdquo; zei de vader. &bdquo;Hoe langer wij
+hen van ons lijf houden, des te beter voor ons.&rdquo;</p>
+<p>Zoodra de eerste wilden op vijftig passen afstands waren gaven
+beiden vuur, en twee van hunne vijanden vielen. Zij gingen voort, de
+eerste tien minuten met veel geluk op de bestormers te schieten; maar
+nu kwamen de wilden in dichter troepen opzetten en gebruikten bovendien
+nog de voorzichtigheid van de takkenbossen voor hun lichaam te houden,
+ten einde bij het naderen der palissade beter bedekt te zijn.</p>
+<p>Op deze wijze gelukte het hun werkelijk den voet der palissade
+zonder zwaar verlies te bereiken, en daar begonnen zij hunne
+takkenbossen op een hoop op te stapelen. Vader en zoon onderhielden nog
+bij voortduring een levendig vuur tegen hunne vijanden, maar niet met
+dezelfde gunstige uitwerking als in den beginne.</p>
+<p>Er vielen wel <span class="corr" id="xd21e6721" title=
+"Bron: ettelijk">ettelijke</span> wilden, doch de takkenbossen rezen al
+hooger en hooger op, totdat ze bijna de gaten in de palissade
+bereikten, waardoor men tot hiertoe gevuurd had. Daarbij gaven de
+Indianen aan hun houtberg eene schuins omloopende richting, zoodat het
+kennelijk was, dat zij langs dezen weg opklimmen en de versterking
+stormenderhand innemen wilden.</p>
+<p>Eindelijk schenen de takkenbossen alle te hoop gebracht, want de
+wilden trokken thans weer tot aan den rand van het bosch terug.</p>
+<p>&bdquo;Zij zijn weg, vader,&rdquo; riep Willem; &bdquo;maar zij
+zullen terugkomen, en ik vrees dat het dan met ons gedaan zal
+zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat vrees ik ook, mijn dappere jongen,&rdquo; antwoordde
+mijnheer Wilson. &bdquo;Ze hebben zich allen verwijderd, om zich tot
+een algemeenen storm te ordenen, en nu zal het hun mogelijk zijn in
+onze verschansing door te dringen. Ik had waarlijk liever, dat zij maar
+de takkenbossen hadden aangestoken. Daar hadden wij althans naar Flinks
+aanwijzing kunnen ontkomen. Nu vrees ik, dat geen hoop meer over
+is.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zeg daar moeder toch geen woord van!&rdquo; bad Willem.
+&bdquo;Wij willen ons tot het laatst verweren, totdat wij eindelijk
+bezwijken moeten.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb278" href=
+"#pb278" name="pb278">278</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Ik zou uwe lieve moeder nog gaarne eens tot afscheid
+omhelzen,&rdquo; sprak de vader. &bdquo;Maar neen,&mdash;nu zou dat
+zwakheid zijn. Ik zal het liever laten. Daar komen zij, Willem! Nu dan,
+mijn kind, mijn Willem, vaarwel!&rdquo;</p>
+<p>De gansche troep wilden rukte thans in een dichte hoop uit het bosch
+op. Zij hieven een vervaarlijk gillend geschreeuw aan, dat mevrouw
+Wilson en Juno met ontzetting vervulde. Niettemin weken de beide
+moedige vrouwen geen oogenblik van hare standplaats.</p>
+<p>De Indianen waren nu weder tot op vijftig passen genaderd, en de
+beide verdedigers openden andermaal hun vuur. Dit werd door de wilden
+met woest getier beantwoord, en dezen waren reeds aan den voet van hun
+houthoop gekomen. Doch daar op eens hoorde men onder het knallen der
+geweren en het getier der bestormers een luid gedonder. De boomen in
+het rond kraakten, en beide partijen bleven roerloos van verbazing. Een
+tweede en een derde donderslag volgde. De hoop takkenbossen voor de
+palissade stoof uiteen en de wilden tuimelden bij hoopen ter aarde.</p>
+<p>&bdquo;Dat moeten kanonnen van een schip zijn, vader!&rdquo; riep
+Willem. &bdquo;Wij zijn gered! Wij zijn gered!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Het is niet anders mogelijk; wij zijn als door een wonder
+gered,&rdquo; riep ook de vader in de hoogste verbazing.</p>
+<p>De wilden, geheel verbijsterd, staakten hun aanval. Nog eens en
+andermaal dreunde het geschutgedonder door de lucht. Kogels en
+kartetsen fluitend en gierend door het woud. Eindelijk kwam er nog een
+volle laag;&mdash;toen keerden de wilden om en vluchtten naar hunne
+kano&rsquo;s. Na eenige oogenblikken was er geen enkele meer te
+zien.</p>
+<p>&bdquo;Wij zijn gered!&rdquo; riep mijnheer Wilson, sprong van de
+plank neer en drukte zijn vrouw in de armen.</p>
+<p>&bdquo;Een groote schoener, vader! Hij vuurt op de wilden, die reeds
+bij hunne booten zijn. Zij vallen overal neer; daar springen al enkelen
+in &rsquo;t water! Ginds komt eene sloep vol gewapende matrozen op den
+oever aan.&mdash;Zij landt bij den tuin. Drie van de kano&rsquo;s zijn
+vol met wilden, die wegroeien willen.&mdash;Daar valt weer eene
+laag.&mdash;Twee kano&rsquo;s zijn in den grond geboord,
+vader!&mdash;De boot is geland. Het volk komt regelrecht hier naar
+toe!&rdquo;</p>
+<p>Na deze laatste uitroeping kwam Willem haastig naar beneden. Zoodra
+hij de voeten op den grond had, vloog hij naar de deur der omheining en
+begon de balken weg te schuiven. Hij had juist den laatsten in de hand
+toen hij den tred der bevrijders buiten hoorde. Hij rukte de poort
+open.... en lag een oogenblik later in de armen van&mdash;kapitein
+Osborn. <span class="pagenum">[<a id="pb279" href="#pb279" name=
+"pb279">279</a>]</span></p>
+<p>Men zal zich herinneren, dat reeds ettelijke maanden vroeger eene
+brik in de nabijheid van het eiland verschenen, maar tot grievende
+teleurstelling onzer eilandbewoners weder verdwenen was, zonder terug
+te keeren, hoewel zij de opgeheschen vlag van de Vrede wel herkend
+moest hebben.</p>
+<p>Ziehier, hoe het met de zaak was. Het volk aan boord van die brik
+had niet alleen Flink&rsquo;s seinen bemerkt, maar ook den naam van De
+Vrede op de opgehaalde vlag gelezen. De hevige storm, die toen losbrak,
+had hen echter zoo ver zuidwaarts gedreven, dat de kapitein van de brik
+aan zijn plicht jegens zijn patroons dacht te kort te zullen doen,
+indien hij zooveel tijd verloor, als noodig was, om midden door dien
+storm weder naar het eiland op te werken. De lading, die hij aan boord
+had, was van dien aard, dat zij noodzakelijk in waarde verliezen moest,
+wanneer zij niet als eene der eersten op de markt kwam. Hij besloot
+derhalve met volle zeilen op Sidney koers te zetten; dat was namelijk
+de haven, naar welke hij bestemd was.</p>
+<p>Uit het begin van ons verhaal zullen onze lezers nog wel weten, hoe
+kapitein Osborn door Mackintosh en de overige matrozen van de Vrede in
+een bewusteloozen toestand in de boot werd gebracht. Hij kwam echter
+langzamerhand weer tot zichzelven en was in een stormachtigen nacht,
+waarin de manschap de grootste moeite had gehad om zich vlot te houden,
+weer in zooverre bekomen, dat hij zich door Mackintosh het vroeger
+gebeurde kon laten verhalen, alsmede de oorzaak waarom hij zich thans
+in eene open boot op zee bevond. Den volgenden morgen ging de storm
+liggen, en zij hadden het geluk een schip te ontmoeten, dat naar
+Van-Diemensland bestemd was en hen allen bereidwillig aan boord
+nam.</p>
+<p>Na het verhaal van Mackintosh twijfelde kapitein Osborn geen
+oogenblik aan den ondergang der familie Wilson, en het vergaan van de
+Vrede en van zijne passagiers werd aan de eigenaars naar behooren
+bekend gemaakt.</p>
+<p>Bij zijne aankomst in Van-Diemensland gevoelde kapitein Osborn zich
+door de schoonheid en vruchtbaarheid van dat oord zoodanig
+aangetrokken, dat hij besloot aldaar eenige landerijen aan te koopen en
+er zich vreedzaam als burger neer te zetten. Misschien wel dat ook de
+herinnering van het groote gevaar, dat hij op zijn laatsten zeetocht
+had doorgestaan, bij hem tot de opvatting van dit besluit niet weinig
+had bijgedragen.</p>
+<p>Overeenkomstig zijn plan had hij een landgoed aangekocht, waar hij
+de veeteelt op eene groote schaal drijven wilde. Hij was op eene
+schoener naar Sidney gegaan, om daar de aankomst van eene groote kudde
+vee, die hij uit Engeland ontboden had, af te wachten, toen de reeds
+vermelde brik in de haven binnenliep en berichtte, dat men op het
+kleine eiland blanke <span class="pagenum">[<a id="pb280" href="#pb280"
+name="pb280">280</a>]</span>bewoners ontdekt en op eene door hen
+opgeheschen vlag den naam van De Vrede gelezen had.</p>
+<p>Zoodra kapitein Osborn dit vernam, zocht hij den kapitein van de
+brik op en deed bij hem een nauwkeurig onderzoek naar de nadere
+bijzonderheden van zijne ontdekking. Hij bevond, dat de geographische
+lengte en breedte van het eiland zoo tamelijk overeenkwamen met de
+plaats, waar zij hun schip hadden verlaten, en hield zich nu ten volle
+overtuigd, dat de familie Wilson als door een wonder in het leven moest
+zijn <span class="corr" id="xd21e6770" title=
+"Bron: gebleken">gebleven</span>. Terstond begaf hij zich nu naar den
+gouverneur van Nieuw-Zuid-Wales en maakte hem met al de vereischte
+omstandigheden bekend. Deze hoorde hem met belangstelling aan en stelde
+terstond een gewapenden schoener van de regeering tot zijne
+beschikking, ingeval hij zelf mede uitgaan en zijne voormalige
+scheepsgenooten opzoeken wilde.</p>
+<p>Kapitein Osborn was hier terstond toe bereid, daar een korte
+afwezigheid hem bovendien toch niet benadeelde; en reeds weinig dagen
+daarna lichtte de schoener het anker.</p>
+<p>Deze kwam in de nabijheid van het eiland aan op denzelfden morgen,
+dat de wilden met hunne vloot van kano&rsquo;s hunne landing
+bewerkstelligden, en had Flink op het oogenblik, toen Willem hem bij
+het haastig terugkeeren van het oude woonhuis verzekerde, &bdquo;dat
+hij aan de landpunt in de nabijheid van den tuin nog een ander vaartuig
+onder zeil had gezien,&rdquo;&mdash;tijd gehad, om zijn kijker te
+gebruiken, dan zou hij ontdekt hebben, dat het de schoener en niet,
+zooals hij vermoedde, een kano was, die in den nacht van de overige
+booten was afgeraakt.</p>
+<p>De schoener lag op dat oogenblik op het rif aan. Hij wendde toen
+weder van den wal uit en zond eene boot af, om eene geschikte
+ankerplaats op te zoeken.</p>
+<p>Terwijl de manschappen in de boot met looden bezig waren, ontdekten
+zij de wilden in hunne kano&rsquo;s en hoorden het geknal der
+vuurwapens gedurende den eersten aanval. Bij hunne terugkomst aan boord
+berichtten zij wat zij gehoord en gezien hadden, en hoe het
+waarschijnlijk was, dat de Europeanen op het eiland door de wilden
+werden aangevallen.</p>
+<p>Daar de boot eerst tegen den avond aan boord was teruggekomen, had
+men geen tijd om nader onderzoek te doen, en thans geschiedde de
+nachtelijke aanval en hoorde men andermaal geweerschoten vallen.</p>
+<div class="figure xd21e6785width"><img src="images/p280.jpg" alt=
+"Het volk komt regelrecht hier naar toe." width="491" height="720">
+<p class="figureHead">Het volk komt regelrecht hier naar toe.</p>
+</div>
+<p>Dit boezemde kapitein Osborn den wensch in, om zoo schielijk
+mogelijk te landen; doch daar de wilden in groote getale op het eiland
+zijn moesten, terwijl de bemanning van den schoener uit niet meer dan
+vijf-en-twintig <span class="pagenum">[<a id="pb281" href="#pb281"
+name="pb281">281</a>]</span>koppen bestond, hield de commandant van het
+schip dat voor al te onvoorzichtig. Daarom wilde hij den schoener met
+allen spoed voor anker zien te brengen, opdat die de landing dekken
+mocht. Dan zou het den matrozen vergund zijn aan wal te gaan.</p>
+<p>De boot had bericht gebracht, dat bij de landpunt aan den tuin
+ondiep water en goede ankergrond te vinden was, en alle toebereidselen
+werden gemaakt, om den volgenden morgen met het aanbreken van den dag
+op de kust aan te loopen. Ongelukkigerwijze ging de wind liggen en
+bleef het &rsquo;t beste gedeelte van den volgenden dag stil, en zoo
+kwam het, dat zij eerst den ochtend daarna, juist toen de wilden hun
+laatsten aanval beproefden, inloopen konden.</p>
+<p>Toen dit geschied was, opende de schoener het vuur van zijne
+stukken. Met welk gevolg, is bekend, de wilden vluchtten naar alle
+richtingen. De boot werd daarop bemand, kapitein Osborn stelde zichzelf
+aan het hoofd der landingstroepen en kwam zoo nog tijdig tot behoud der
+hard bedreigde belegerden opdagen.</p>
+<p>Wie kan zich de verrukking van mijnheer Wilson en zijne echtgenoote
+voorstellen, toen deze hun ouden vriend Osborn weer voor hunne oogen
+zagen staan.&mdash;Alle gevaar was nu immers geweken. De gelande
+matrozen trokken onder commando van den bootsman uit, om te
+onderzoeken, of er misschien nog van de wilden op het eiland waren. Met
+uitzondering van de dooden en stervenden waren allen echter op eenige
+van de kleinere kano&rsquo;s ontsnapt.</p>
+<p>Kapitein Osborn bleef bij de Wilsons achter en verhaalde hun met
+weinig woorden zijne eigen geschiedenis. Zij onderrichtten hem op hunne
+beurt van den toestand van den ouden armen Flink, tot wien Willem zich
+oogenblikkelijk weder begeven had, zoodra hij kapitein Osborn met vader
+en moeder in gesprek zag.</p>
+<p>Osborn snelde nu dadelijk toe, om zijn ouden stuurman en vriend te
+zien. Deze herkende hem ook aanstonds<span class="corr" id="xd21e6803"
+title="Niet in bron">,</span> d. i. zijne stem, want de oogen van den
+ouden man waren reeds zoo zwak geworden, dat hij bezwaarlijk iets meer
+onderscheiden kon.</p>
+<p>&bdquo;Dat is kapitein Osborn,&mdash;dien ken ik,&rdquo; fluisterde
+hij, met zwakke stem. &bdquo;Gij zijt nog even bijtijds gekomen,
+mijnheer. Ik wist wel, dat gij komen zoudt, en heb dat ook altijd
+gezegd. Neem daarvoor den dank van een stervende aan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik hoop, dat het zoo erg niet met u wezen zal, Flink. Wij
+hebben een dokter aan boord, en ik zal hem terstond laten halen.&rdquo;
+<span class="pagenum">[<a id="pb282" href="#pb282" name=
+"pb282">282</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Mij kan geen dokter meer helpen,&rdquo; hernam Flink.
+&bdquo;Het zal geen uur meer duren, of &rsquo;t is uit met mij. Het is
+mij een groote blijdschap, dat ik mijne lieve vrienden hier nog gered
+heb gezien.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik zal in allen gevalle om den dokter zenden,&rdquo; zeide
+kapitein Osborn, &bdquo;ofschoon ik wel zie, dat die weinig helpen kan.
+De hand des doods heeft hem reeds aangevat.&rdquo;</p>
+<p>Mijnheer Wilson verliet met vrouw en vriend het leger van den
+stervende; allen waren door het bijgewoonde tooneel uiterst getroffen.
+Alleen Willem bleef bij Flink achter en reikte hem water toe, zoo
+dikwijls hij daarnaar vroeg. Eenige minuten daarna sloeg de oude man
+andermaal de oogen op.</p>
+<p>&bdquo;Zijt gij bij mij, Willem? Ik kan u niet zien. Luister, beste
+jongen. Begraaf mij onder de boomen op den heuvel, boven de bron. Daar
+wensch ik te liggen. De onnoozele kleine Thomas,&mdash;laat hem nooit
+weten, dat hij de oorzaak van mijn dood geweest is. Breng hem nog eens
+hier bij mij,&mdash;en Juno en Caroline ook. Ik wil allen vaarwel
+zeggen, Willem.&rdquo;</p>
+<p>Willem schoten de oogen vol tranen; hij liep naar huis en maakte
+vader en moeder met Flinks verlangen bekend.</p>
+<p>Allen kwamen, om het laatste vaarwel van den stervende te ontvangen.
+Flink riep ieder bij zijn naam, den een na den ander. Zij knielden toen
+bij hem neder en kusten hem. Hij zeide hun met zwakke stem vaarwel;
+eindelijk gingen zijne woorden in een onverstaanbaar gefluister over.
+Zoo stonden zij stil en weenend rondom zijn leger geschaard. Slechts
+Willem knielde aan zijne zijde neder en hield zijn hoofd omvat. In
+&rsquo;t einde liet de stervende dit voorover op de borst zinken
+en&mdash;was niet meer.</p>
+<p>&bdquo;Nu is alles voorbij,&rdquo; sprak mijnheer Wilson diep
+bedroefd. Hierop leidde hij zijne vrouw met de kleinen in huis terug;
+alleen Juno en Willem bleven bij het lijk achter. De arme meid barstte
+zoodra haar heer en mevrouw zich verwijderd hadden en zij aan haar
+gevoel den vrijen loop durfde geven, in luide jammertonen uit en wrong
+als radeloos de handen.</p>
+<p>Willem drukte hem de oogen toe. Juno haalde de oude scheepsvlag,
+welke zij toen over zijn lijk uitspreidden. Vervolgens gingen beiden de
+familie opzoeken.</p>
+<p>In den tijd, dien Willem bij Flink had doorgebracht was de
+commandant van den schoener met een tweede afdeeling geland, die hij
+insgelijks uitzond om het eiland te doorkruisen en verstrooide
+vluchtelingen uit de schaar der wilden op te zoeken, doch er was
+niemand meer te ontdekken.</p>
+<p>Kapitein Osborn stelde den commandant aan de familie Wilson voor, en
+men maakte nu dadelijk afspraak tot het inschepen van deze laatste.
+<span class="pagenum">[<a id="pb283" href="#pb283" name=
+"pb283">283</a>]</span>Den volgenden dag zou tot het pakken en inladen
+van alle goederen besteed worden; den dag daarop zou de familie aan
+boord gaan.</p>
+<p>Willem gewaagde van Flinks wensch ten aanzien van zijne begrafenis.
+De commandant van den schoener gaf dadelijk last om eene kist te
+vervaardigen en op de door Willem aangeduide plaats een graf te
+delven.</p>
+<p>Men kwam overeen, dat de geiten en overige dieren, met uitzondering
+van de honden, op het eiland zouden blijven, ten dienste van hen, die
+misschien in de toekomst een dergelijk ongeluk ondergaan mochten, als
+de manschap en de passagiers van De Vrede getroffen had.</p>
+<p>De booten kwamen den volgenden morgen tijdig aan land en namen de
+bagage in. Mijnheer Wilson wilde verder niets medenemen, wat voor
+latere schipbreukelingen van waarde kon zijn. Het huisraad, al het
+timmermansgereedschap, ijzerwerk en spijkers, verder pekelvleesch en
+meel, werd in het huis achtergelaten en weggeborgen. Zoo was hetgeen
+men had in te schepen dan ook van weinig omvang en dus weldra aan boord
+gebracht.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch59" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">NEGEN-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">BESLUIT.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De drukte en de haast van de toebereidselen tot het
+vertrek van het eiland, alsmede de snelle opvolging der gebeurtenissen,
+die zich in de tijdruimte van weinige dagen hadden opgedrongen, hadden
+Willem en zijne ouders slechts weinig tijd tot nadenken overgelaten.
+Eindelijk echter was al het noodige beschikt en had de commandant van
+den schoener geen reden meer om hen tot spoed aan te drijven. Zij
+hadden in den loop van den namiddag het laatste aan boord gezonden, en
+den volgenden dag, zoo was de afspraak, zou men onder zeil gaan.</p>
+<p>Nu hadden zij rust, om het verlies van hun ouden vriend eerst recht
+diep te gevoelen, en bitter beklaagden zij hun lot, dat hem niet
+veroorloofd had gezamenlijk met hem naar Sidney te stevenen. Zij hadden
+altijd de hoop gekoesterd, dat zij eens van het eiland verlost zouden
+worden, en in deze hoop hadden zij zich er aan gewend den eerwaardigen
+ouden Flink als een lid van hunne toekomstige huishouding te
+beschouwen. Thans, nu hunne vurige wenschen waren bekroond,&mdash;nu
+was het gevoel der vreugde en dankbaarheid met diepen kommer vermengd;
+ja, zoo groot was de droefheid <span class="pagenum">[<a id="pb284"
+href="#pb284" name="pb284">284</a>]</span>over het verlies van hun
+redder en beschermer, dat zij met blijdschap op het eiland zouden
+gebleven zijn, als zij hem daardoor wederom in het leven hadden kunnen
+roepen.</p>
+<p>Kapitein Osborn, de commandant en de matrozen van den schoener
+hadden voor dien nacht afscheid van hen genomen en waren aan boord
+gegaan, na vooraf de noodige beschikkingen gemaakt te hebben tot Flinks
+teraardebestelling, die den volgenden morgen v&oacute;&oacute;r het
+lichten der ankers zou plaats vinden. De kinderen waren te bed gebracht
+en Juno was naar buiten gegaan; de ouders met hun zoon zaten in het nu
+half ledige vertrek, toen Juno weder binnentrad. Het arme meisje had
+blijkbaar bitter geschreid.</p>
+<p>&bdquo;Zeg, Juno,&rdquo; begon mijnheer Wilson, om het pijnlijk
+stilzwijgen af te breken, dat reeds eene poos v&oacute;&oacute;r hare
+binnenkomst geheerscht had. &bdquo;Zijt gij niet blij, dat wij nu het
+eiland verlaten zullen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Vroeger ikke heel blij zou zijn geweest, maar nu mij niet
+sikkepitje schelen kan,&rdquo; was het antwoord. &bdquo;Het eiland heel
+lieve plaats,&mdash;alles heel gelukkig, tot de wilden komen. Als zij
+niet vermoord hadden ouden Flink, ik ook niet veel om de wilden geven
+zou.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, waarlijk,&rdquo; viel mevrouw Wilson haar in de rede,
+&bdquo;dat is voor ons allen een harde slag. Ik had altijd gehoopt den
+goeden Flink in zijn ouderdom te kunnen oppassen en hem onze
+dankbaarheid te bewijzen; maar nu....&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;De helft van mijn vermogen gaf ik, als wij hem behouden
+hadden<span class="corr" id="xd21e6862" title=
+"Bron: &rsquo;">,</span>&rdquo; sprak de vader.</p>
+<p>&bdquo;Ach, massa!&rdquo; snikte Juno, &bdquo;ikke daar effentjes
+buiten bij hem zitten; ikke de vlag oplichten en hem in &rsquo;t
+gezicht kijken.&mdash;Och, wat goed, vriendelijk en gerust zijn
+gezicht!&mdash;Ikke haast denken, dat hij mij toelachen,&mdash;en ikke
+hardop schreien moest. O, massa Thomas,&mdash;dat allemaal om jou,
+stout jonk!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zijn verlies grieft mij dubbel, omdat zijn dood aan de
+onnadenkendheid van een mijner kinderen te wijten is,&rdquo; hernam
+mijnheer Wilson. &bdquo;Welk eene vreeselijke les voor Thomas, als hij
+eens tot de jaren komt, om de gevolgen van zijn daad geheel te
+beseffen!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Daar mag hij nooit iets van te weten komen, vader,&rdquo;
+riep Willem, die tot hiertoe treurend in een hoek had gezeten.
+&bdquo;Eene van Flinks laatste beden was, dat Thomas de oorzaak van
+zijn dood nooit vernemen zou. Ik moest hem dat plechtig
+beloven.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zijne laatste wenschen zullen ons heilig zijn, mijn beste
+jongen,&rdquo; verzekerde zijn vader; &bdquo;want wat zijn wij aan den
+goeden braven man al niet verschuldigd! Toen de overigen ons verlieten
+en ons aan den ondergang <span class="pagenum">[<a id="pb285" href=
+"#pb285" name="pb285">285</a>]</span>prijsgaven, bleef hij bij ons, om
+ons lot te deelen, op een oogenblik, dat alle uitzicht bestond, dat de
+oceaan ons verzwelgen zou. Door zijne bekwaamheid en ondervinding
+werden wij gered en bereikten wij gelukkig dit eiland. Hij zorgde voor
+onze behoeften, verplaatste ons in een behagelijken toestand, leerde
+ons hoe wij onze middelen tot ons best aanwenden konden, was in alles
+onze raadgever, en ik mag wel zeggen onze beschermer en redder. Wat zou
+er zonder hem van ons geworden zijn? Zonder zijne zorgvuldigheid hadden
+wij nog in den laatsten tijd onder de knotsen en speren der wilden den
+dood gevonden. Zijne zelfopoffering was het, die ons het water
+verschafte, dat ons leven redde, en juist deze daad was het, waarbij
+hij zijn leven voor ons opofferde. Welk een schoon voorbeeld van moed
+en zelfopoffering heeft hij ons altijd gegeven!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ach! ware hij niet zoo plotseling uit ons midden
+genomen!&mdash;Had hij nog slechts weinige dagen geleefd, zoodat wij om
+zijn sterfbed hadden kunnen staan, hem de trouwe oogen in vrede hadden
+kunnen sluiten!....&rdquo; zeide mevrouw Wilson en schreide aan de
+borst van haar echtgenoot.</p>
+<p>Na eenigen tijd waren zij weder eenigszins tot kalmte gekomen, doch
+eene sombere stilte, slechts nu en dan door Juno&rsquo;s zuchten
+afgebroken, bleef in den familiekring heerschen. Willems hart was
+overvol. Hij kon eene geruime poos geen woord uiten. Eindelijk zeide
+hij met gebroken stem:</p>
+<p>&bdquo;Ik gevoel, dat ik een vriend verloren heb, dien ik naast
+vader en moeder boven alles liefhad. Ik kan mijzelven maar niet
+vergeven, dat ik hem dat water halen liet. Het was mijn plicht geweest,
+en ik had voor hem moeten gaan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En toch, mijn lieve zoon, zouden wij u ook zwaar gemist
+hebben. Gij hadt er immers ook het leven bij kunnen inschieten,&rdquo;
+riep zijne moeder.</p>
+<p>Den volgenden morgen waren zij vroeg op de been en pakten alles
+bijeen, wat nog mede naar boord moest worden genomen. Weinig woorden
+werden gesproken, want een weemoedige, plechtige ernst heerschte in
+aller gemoed.</p>
+<p>Zij wachtten op de komst van kapitein Osborn en van de manschap van
+den schoener, om het lijk van stuurman Flink ter aarde te bestellen.
+Willem was van tijd tot tijd naar buiten gegaan, om naar het schip uit
+te zien. Hij kwam nu binnen en berichtte, dat twee booten op de kust
+aanroeiden.</p>
+<p>Weinige minuten later verscheen kapitein Osborn met den commandant
+van het schip. Na een kort onderhoud verlieten beiden het huis, om de
+noodige orders te geven.</p>
+<p>Men had de kist mede aan land gebracht. Flinks stoffelijk overschot
+werd daarin neergelegd en zijne laatste woning alstoen gesloten. Willem
+was <span class="pagenum">[<a id="pb286" href="#pb286" name=
+"pb286">286</a>]</span>daarbij tegenwoordig, en de tranen rolden hem
+langs de wangen, toen het deksel dichtviel en hij zijn goeden ouden
+vriend voor de laatste maal gezien had.</p>
+<p>Binnen een half uur waren alle toebereidselen gemaakt en werd de
+familie buiten geroepen. Het werd zoo ingericht, dat Willem, zijn
+vader, kapitein Osborn en Juno&mdash;de arme meid had er uitdrukkelijk
+om verzocht&mdash;de slippen van het lijkkleed te dragen hadden.</p>
+<p>De kist, met de koninklijke vlag overdekt, werd door zes matrozen op
+de schouders genomen en ten grave gedragen. Achter haar gingen mevrouw
+Wilson en hare kinderen en vervolgens de commandant van den schoener
+met eenigen van zijn volk. Mijnheer Wilson hield een toespraak, slechts
+nu en dan door Juno&rsquo;s snikken afgebroken en het graf werd
+dichtgemaakt, waarop allen zich stil en treurig verwijderden.</p>
+<p>Op Willems verzoek had de commandant een stevig traliehek rondom het
+graf laten zetten; midden op den grafheuvel werd een paal opgericht,
+waarop de naam van den afgestorvene en de dag van zijn dood vermeld
+stonden.</p>
+<p>Zoodra dit verricht was, volgde Willem met een diepen zucht den
+commandant naar het huis, om te berichten, dat alles was afgeloopen en
+dat de boot wachtte.</p>
+<p>&bdquo;Kom, lieve vrouw,&rdquo; zeide mijnheer Wilson tot zijne
+echtgenoote.</p>
+<p>&bdquo;Ik ga, ik ga,&rdquo; antwoordde deze: &bdquo;maar ik weet
+niet, hoe het komt,&mdash;thans, nu het uur geslagen heeft,&mdash;dat
+het mij zooveel kost dit eiland te verlaten. Ware Flink nog in leven,
+mij dunkt, ik zou wenschen hier altijd te blijven.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik begrijp, dat gij ontroerd zijt, lieve; maar wij mogen
+kapitein Osborn niet al te lang ophouden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik wenschte dat wij nog eens tijd hadden om al die lieve
+plekjes van ons verblijf,&mdash;den tuin, de bron, de vijvers te
+bezoeken. Zelfs van de dieren zou ik gaarne afscheid nemen, Wilson.
+Misschien is het een zwakheid,&mdash;maar ik kan ze niet
+onderdrukken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Laten wij onze geit ook hier, moeder,&rdquo; vroeg Caroline,
+&bdquo;en al onze aardige kippen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, lieve meid; geiten en vogels blijven achter voor andere
+menschen, die misschien na ons op dit eiland kunnen landen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En moeten de schildpadden dan ook in den vijver
+blijven?&rdquo; vroeg Thomas. &bdquo;Schildpadsoep is zoo lekker. Ik
+houd veel van schildpad.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is geen kwade inval,&rdquo; merkte kapitein Osborn aan.
+&bdquo;De schildpadden <span class="pagenum">[<a id="pb287" href=
+"#pb287" name="pb287">287</a>]</span>konden wij wel aan boord brengen;
+dat zal toch zooveel tijd niet wegnemen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O neen,&rdquo; zeide de commandant. &bdquo;Kom, haast u,
+jongens! roeit met eene van de booten naar de vijver en brengt de
+schildpadden aan boord.&rdquo;</p>
+<p>Daar dit eenig oponthoud veroorzaakte, ging mevrouw Wilson naar
+Flinks graf, om het hek en het opschrift te zien, waarvan Willem haar
+gezegd had, dat het voorzien was geworden. Zij zou daar nog langer aan
+den arm van haar man vertoefd hebben, als kapitein Osborn niet was
+komen zeggen, dat de sloep nu wachtte.</p>
+<p>Dewijl mijnheer Wilson bemerkte, dat de commandant van den schoener
+de eilanden nog v&oacute;&oacute;r het vallen van de duisternis uit het
+gezicht wenschte te hebben, leidde hij zijne vrouw nu zonder verwijl
+naar het strand. Allen stapten in de boot en waren weldra op het dek
+van den schoener. Daar stonden zij met de oogen onafgewend op het
+eiland gericht, terwijl de matrozen de ankers lichtten.</p>
+<p>Eindelijk werden de zeilen bijgezet en het schip stuurde langs de
+landpunt bij den tuin voorbij. Eene frissche koelte begunstigde hunne
+vaart en zoo werden alle voorwerpen aan de kust hoe langer hoe
+onduidelijker. Maar nog altijd dwaalden hunne blikken in verschillende
+richting rond.</p>
+<p>Juno en Willem stonden op de verschansing. Onze jonge vriend had den
+kijker in de hand en hield dien vast aan het oog gedrukt, toen kapitein
+Osborn hem vroeg, waarop hij tuurde.</p>
+<p>&bdquo;Ik zeg Flinks graf mijn laatst vaarwel,&rdquo; was het
+antwoord.</p>
+<p>&bdquo;Hij wezenlijk heel goede man was,&rdquo; fluisterde Juno met
+een diepen zucht.</p>
+<p>Terwijl ze naar het Westen stuurden, kwamen zij de bocht voorbij,
+waar zij het eerst geland waren, en mijnheer Wilson maakte zijne vrouw
+op dit punt opmerkzaam. Deze zag een tijdlang zwijgend daarheen en
+keerde zich toen om met de woorden:</p>
+<p>&bdquo;Wij zullen zeker nooit gelukkiger wezen, Wilson, dan wij op
+dit eiland waren!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wij mogen inderdaad tevreden zijn, als wij nooit minder
+gelukkig worden, lieve,&rdquo; antwoordde haar echtgenoot.</p>
+<p>De schoener kliefde stout de golven en het eiland onttrok zich
+allengs aan hun gezicht. Na eenigen tijd was het aan den horizon
+verdwenen en alleen de toppen der kokosboomen bleven zichtbaar; maar
+ook deze doken eindelijk onder. Juno <span class="corr" id="xd21e6944"
+title="Bron: wachtten">wachtte</span> tot het laatst, en toen er in
+&rsquo;t eind niets meer te zien was, wuifde zij met haar zakdoek naar
+de plaats van het eiland, als om dat het laatste vaarwel te zeggen.
+<span class="pagenum">[<a id="pb288" href="#pb288" name=
+"pb288">288</a>]</span></p>
+<p>De wind bleef voortdurend gunstig, en na eene voorspoedige vaart van
+vier weken, kwamen zij in de haven van Sidney aan, die zij reeds zoo
+lang geleden met het goede schip De Vrede gedacht hadden te zullen
+bereiken.</p>
+<p>Mijnheer Wilson vond bij zijne aankomst te Sidney zijne bezittingen
+en kudden aanmerkelijk vermeerderd. Zijn zaakwaarnemer, die de goederen
+gedurende zijne afwezigheid beheerd had, was een vlijtig, eerlijk man
+geweest.</p>
+<p>Men had, wel is waar, algemeen geloofd, dat de gansche familie bij
+de schipbreuk was omgekomen en dat de goederen dus op verwijderde
+bloedverwanten zouden overgaan, maar erfeniszaken nemen altijd een
+langen tijd weg, en het duurde vele maanden voordat men stellige
+berichten uit Engeland ontving; en hieraan was het toe te schrijven,
+dat, bij gebrek aan alle zekere doodstijding, de goederen nog niet
+verdeeld, maar altijd nog in handen der executeurs waren.</p>
+<p>Mijnheer en mevrouw Wilson beleefden nog het geluk van al hunne
+kinderen volwassen te zien.</p>
+<p>Willem erfde het grootste deel van zijns vaders bezittingen, nadat
+hij hem jaren lang in het bestuur daarvan behulpzaam was geweest. Hij
+trouwde en kreeg een talrijk kroost.</p>
+<p>Sinjeur Thomas werd, niettegenstaande al zijne zotte kuren, een
+flink man, nadat hij als jongeling in den krijgsdienst was getreden.
+Hij is tegenwoordig majoor en moet in zooverre aan zijne jeugdige
+gewoonten getrouw zijn gebleven, dat hij, ondanks zijn zwaren dienst
+nog altijd een onverdroten tafelmakker is, op wiens fijnen smaak men
+gerust staat kan maken.</p>
+<p>Caroline gaf hare hand aan een jongen predikant en werd eene
+voortreffelijke echtgenoote en moeder. De kleine Albert ging in
+zeedienst en staat, terwijl ik dit schrijf, reeds op het punt van
+kapitein te worden.</p>
+<p>Mijnheer en mevrouw Wilson zijn reeds beiden dood; maar de trouwe
+Juno leeft nog en woont bij Willem in huis. Haar grootste vermaak is,
+diens kinderen op haar schoot te hebben en hun lange verhalen van het
+eiland te doen, waarbij ze nog bijna altijd in tranen uitbarst, als zij
+over dien goeden ouden stuurman Flink en zijn dood en begrafenis
+spreekt.</p>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="back">
+<div class="div1" id="toc">
+<h2 class="main">Inhoudsopgave</h2>
+<ul>
+<li><a href="#ch1">HET SCHIP DE VREDE. STUURMAN
+FLINK.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class="tocPageNum"><a class=
+"pageref" href="#ch1">5</a></span></li>
+<li><a href="#ch2">DE FAMILIE WILSON.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;
+<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href=
+"#ch2">8</a></span></li>
+<li><a href="#ch3">KAAP DE GOEDE HOOP.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;
+<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href=
+"#ch3">12</a></span></li>
+<li><a href="#ch4">EEN STORM OP ZEE.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;
+<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href=
+"#ch4">15</a></span></li>
+<li><a href="#ch5">HET WRAK.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class=
+"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch5">20</a></span></li>
+<li><a href="#ch6">ALS HET WATER TOT DE LIPPEN KOMT, IS OOK VAAK
+UITKOMST NABIJ.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class=
+"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch6">24</a></span></li>
+<li><a href="#ch7">DE SCHIPBREUK.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;
+<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href=
+"#ch7">29</a></span></li>
+<li><a href="#ch8">TROOST IN HET ONGELUK.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;
+<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href=
+"#ch8">36</a></span></li>
+<li><a href="#ch9">HET EILAND.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class=
+"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch9">39</a></span></li>
+<li><a href="#ch10">LANDING.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class=
+"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch10">43</a></span></li>
+<li><a href="#ch11">HET ONTBIJT.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;
+<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href=
+"#ch11">46</a></span></li>
+<li><a href="#ch12">DE HAAIEN.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class=
+"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch12">49</a></span></li>
+<li><a href="#ch13">EERSTE VERRICHTINGEN OP HET
+EILAND.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class="tocPageNum"><a class=
+"pageref" href="#ch13">54</a></span></li>
+<li><a href="#ch14">EERSTE UITSTAPJE OP HET
+EILAND.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class="tocPageNum"><a class=
+"pageref" href="#ch14">57</a></span></li>
+<li><a href="#ch15">DE OOSTZIJDE VAN HET
+EILAND.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class="tocPageNum"><a class=
+"pageref" href="#ch15">63</a></span></li>
+<li><a href="#ch16">WATER.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class=
+"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch16">66</a></span></li>
+<li><a href="#ch17">STORM AAN LAND.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;
+<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href=
+"#ch17">70</a></span></li>
+<li><a href="#ch18">NA REGEN VOLGT
+ZONNESCHIJN.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class=
+"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch18">72</a></span></li>
+<li><a href="#ch19">DE WONDEREN DER NATUUR.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;
+<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href=
+"#ch19">75</a></span></li>
+<li><a href="#ch20">VERHUIZING NAAR DE
+OOSTZIJDE.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class=
+"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch20">78</a></span></li>
+<li><a href="#ch21">FLINK EN WILLEM.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;
+<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href=
+"#ch21">81</a></span></li>
+<li><a href="#ch22">AANKOMST OP DE NIEUWE
+WOONPLAATS.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class=
+"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch22">85</a></span></li>
+<li><a href="#ch23">ALGEMEENE TEVREDENHEID MET HET NIEUWE
+VERBLIJF.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class=
+"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch23">89</a></span></li>
+<li><a href="#ch24">VERDERE VERRICHTINGEN IN DE NIEUWE
+VOLKPLANTING.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class=
+"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch24">92</a></span></li>
+<li><a href="#ch25">GEVOLGEN DER
+ONGEHOORZAAMHEID.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class=
+"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch25">94</a></span></li>
+<li><a href="#ch26">EEN ONAARDIG KIND.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;
+<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href=
+"#ch26">97</a></span></li>
+<li><a href="#ch27">GESPREK TUSSCHEN VADER EN
+ZOON.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class="tocPageNum"><a class=
+"pageref" href="#ch27">101</a></span></li>
+<li><a href="#ch28">DE VISCHVANGST.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;
+<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href=
+"#ch28">106</a></span></li>
+<li><a href="#ch29">HET NIEUWE HUIS.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;
+<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href=
+"#ch29">109</a></span></li>
+<li><a href="#ch30">PLAN VOOR DE TOEKOMST.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;
+<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href=
+"#ch30">111</a></span></li>
+<li><a href="#ch31">FLINK VERHAALT ZIJNE
+LEVENSGESCHIEDENIS.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class=
+"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch31">116</a></span>
+<ul>
+<li><a href="#xd21e2789">GESCHIEDENIS VAN DEN OUDEN
+FLINK.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class="tocPageNum"><a class=
+"pageref" href="#xd21e2789">119</a></span></li>
+</ul>
+</li>
+<li><a href="#ch32">VERVOLG VAN FLINKS
+GESCHIEDENIS.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class=
+"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch32">125</a></span></li>
+<li><a href="#ch33">THOMAS, WAAR IS DE
+VINGERHOED?</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class=
+"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch33">129</a></span></li>
+<li><a href="#ch34">DIE ARME JUNO!&mdash;FLINK VERTELT
+VERDER.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class="tocPageNum"><a class=
+"pageref" href="#ch34">136</a></span></li>
+<li><a href="#ch35">EEN RUSTDAG.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;
+<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href=
+"#ch35">144</a></span></li>
+<li><a href="#ch36">NOG AL ANDER WERK.&mdash;FLINK VERVOLGT ZIJNE
+GESCHIEDENIS.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class=
+"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch36">146</a></span></li>
+<li><a href="#ch37">KROKODILLEN, HAAIEN,
+HYENA&rsquo;S.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class=
+"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch37">153</a></span></li>
+<li><a href="#ch38">WILLEM WORDT ZIEK.&mdash;DE
+ADERLATING.&mdash;FLINKS VERDERE
+ONTMOETINGEN.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class=
+"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch38">161</a></span></li>
+<li><a href="#ch39">FLINKS VERDERE REIZEN EN
+AVONTUREN.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class=
+"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch39">170</a></span></li>
+<li><a href="#ch40">FLINKS BEROUW. GELUKKIGE WENDING VAN ZIJN
+LOT.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class="tocPageNum"><a class=
+"pageref" href="#ch40">178</a></span></li>
+<li><a href="#ch41">SLOT VAN FLINKS
+VERHAAL.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class="tocPageNum"><a class=
+"pageref" href="#ch41">184</a></span></li>
+<li><a href="#ch42">TWEEDE UITSTAPJE DOOR HET
+EILAND.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class="tocPageNum"><a class=
+"pageref" href="#ch42">188</a></span></li>
+<li><a href="#ch43">UITZICHT OP REDDING.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;
+<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href=
+"#ch43">199</a></span></li>
+<li><a href="#ch44">SPOREN VAN EILANDERS.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;
+<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href=
+"#ch44">205</a></span></li>
+<li><a href="#ch45">KRIJGSRAAD.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;
+<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href=
+"#ch45">211</a></span></li>
+<li><a href="#ch46">THOMAS EN DE KREEFT.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;
+<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href=
+"#ch46">214</a></span></li>
+<li><a href="#ch47">TOEBEREIDSELEN TOT DE
+VERHUIZING.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class=
+"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch47">217</a></span></li>
+<li><a href="#ch48">VERHUIZING NAAR DE
+ZUIDKUST.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class=
+"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch48">219</a></span></li>
+<li><a href="#ch49">UITSTAPJE NAAR DE
+WESTKUST.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class=
+"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch49">222</a></span></li>
+<li><a href="#ch50">BIJNA EEN ONGELUK. EEN NIEUWE
+BRIEVENPOST.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class=
+"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch50">227</a></span></li>
+<li><a href="#ch51">INSTINCT EN VERSTAND.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;
+<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href=
+"#ch51">237</a></span></li>
+<li><a href="#ch52">GROOTHEID VAN HET
+DIERENRIJK.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class=
+"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch52">242</a></span></li>
+<li><a href="#ch53">INRICHTING VAN HET
+BLOKHUIS.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class=
+"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch53">245</a></span></li>
+<li><a href="#ch54">GROOT GEVAAR.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;
+<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href=
+"#ch54">248</a></span></li>
+<li><a href="#ch55">DE KANO&rsquo;S ZIJN IN
+AANTOCHT.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class=
+"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch55">255</a></span></li>
+<li><a href="#ch56">LANDING DER WILDEN.&mdash;EERSTE
+AANVAL.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class="tocPageNum"><a class=
+"pageref" href="#ch56">259</a></span></li>
+<li><a href="#ch57">AANVAL BIJ NACHT.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;
+<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href=
+"#ch57">266</a></span></li>
+<li><a href="#ch58">ONVERWACHTE UITKOMST.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;
+<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href=
+"#ch58">274</a></span></li>
+<li><a href="#ch59">BESLUIT.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class=
+"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch59">283</a></span></li>
+</ul>
+</div>
+<div class="transcribernote">
+<h2 class="main">Colofon</h2>
+<h3 class="main">Beschikbaarheid</h3>
+<p class="first">Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen
+overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het
+kopi&euml;ren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de
+<a class="exlink xd21e51" title="Externe link" href=
+"http://www.gutenberg.org/license" rel="license">Project Gutenberg
+Licentie</a> bij dit eBoek of on-line op <a class="exlink xd21e51"
+title="Externe link" href=
+"http://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>.</p>
+<p>Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd
+correctieteam op <a class="exlink xd21e51" title="Externe link" href=
+"http://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>.</p>
+<p>De scans waarmee dit eBoek is gemaakt zijn beschikbaar op het
+Internet Archive (<a class="seclink xd21e51" title="Externe link" href=
+"https://archive.org/details/StuurmanFlink">link</a>).</p>
+<p>Dit boek is een vertaling van <i lang="en"><a class="pglink xd21e51"
+title="Link naar Project Gutenberg eboek" href=
+"http://www.gutenberg.org/ebooks/21552">Masterman Ready: The Wreck of
+the &ldquo;Pacific&rdquo;</a></i>.</p>
+<h3 class="main">Codering</h3>
+<p class="first">Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke
+schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn
+stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn
+verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het
+einde van dit boek.</p>
+<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3>
+<ul>
+<li>2013-12-13 Begonnen.</li>
+</ul>
+<h3 class="main">Externe Referenties</h3>
+<p>Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn
+dat deze links voor u niet werken.</p>
+<h3 class="main">Verbeteringen</h3>
+<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p>
+<table class="correctiontable" summary=
+"Overzicht van verbeteringen aangebracht in de tekst.">
+<tr>
+<th>Bladzijde</th>
+<th>Bron</th>
+<th>Verbetering</th>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e192">5</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e280">9</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e289">10</a>, <a class="pageref" href="#xd21e296">10</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e323">10</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e420">13</a>, <a class="pageref" href="#xd21e727">28</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e763">29</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e919">38</a>, <a class="pageref" href="#xd21e973">41</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e1090">47</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e1156">49</a>, <a class="pageref" href="#xd21e1330">55</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e1688">70</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e1892">80</a>, <a class="pageref" href="#xd21e2027">84</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e2248">92</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e2768">118</a>, <a class="pageref" href="#xd21e3109">134</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e3150">135</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e3170">136</a>, <a class="pageref" href="#xd21e3211">137</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e3233">138</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e3254">138</a>, <a class="pageref" href="#xd21e3285">140</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e3314">141</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e3347">142</a>, <a class="pageref" href="#xd21e3408">145</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e3419">146</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e3461">147</a>, <a class="pageref" href="#xd21e3626">155</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e3631">155</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e3890">169</a>, <a class="pageref" href="#xd21e3996">174</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e4128">178</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e4600">197</a>, <a class="pageref" href="#xd21e4682">200</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e4701">201</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e4729">202</a>, <a class="pageref" href="#xd21e4759">203</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e5316">224</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e5819">243</a>, <a class="pageref" href="#xd21e6504">269</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e6610">273</a></td>
+<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td class="width40 bottom">&bdquo;</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e253">8</a></td>
+<td class="width40 bottom">famlie</td>
+<td class="width40 bottom">familie</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e274">9</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e356">11</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e392">12</a>, <a class="pageref" href="#xd21e498">17</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e622">23</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e642">24</a>, <a class="pageref" href="#xd21e655">25</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e924">39</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e944">40</a>, <a class="pageref" href="#xd21e1201">50</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e1317">55</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e1489">62</a>, <a class="pageref" href="#xd21e1830">78</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e2099">88</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e2138">88</a>, <a class="pageref" href="#xd21e3146">135</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e3185">136</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e3198">137</a>, <a class="pageref" href="#xd21e3218">137</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e3236">138</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e3302">140</a>, <a class="pageref" href="#xd21e3320">141</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e3331">142</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e3404">145</a>, <a class="pageref" href="#xd21e3424">146</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e3431">146</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e3449">146</a>, <a class="pageref" href="#xd21e3646">156</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e4513">194</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e4560">196</a>, <a class="pageref" href="#xd21e4611">197</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e4616">197</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e4631">198</a>, <a class="pageref" href="#xd21e4736">202</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e4977">210</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e5088">215</a>, <a class="pageref" href="#xd21e5151">217</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e5335">225</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e5652">236</a>, <a class="pageref" href="#xd21e5693">238</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e5822">243</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e5846">244</a>, <a class="pageref" href="#xd21e6190">258</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e6482">268</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e6497">269</a>, <a class="pageref" href="#xd21e6550">271</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e6687">276</a></td>
+<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td class="width40 bottom">&rdquo;</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e292">10</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e1225">51</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e1265">53</a>, <a class="pageref" href="#xd21e1415">59</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e2819">120</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e3012">130</a>, <a class="pageref" href="#xd21e3024">130</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e3600">154</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e3874">168</a>, <a class="pageref" href="#xd21e5239">221</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e5710">239</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e5786">242</a>, <a class="pageref" href="#xd21e6263">261</a></td>
+<td class="width40 bottom">.</td>
+<td class="width40 bottom">,</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e299">10</a></td>
+<td class="width40 bottom">handen</td>
+<td class="width40 bottom">honden</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e333">11</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e1055">45</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e1749">74</a>, <a class="pageref" href="#xd21e1945">82</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e1981">83</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e2125">88</a>, <a class="pageref" href="#xd21e2162">89</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e2175">90</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e3579">153</a>, <a class="pageref" href="#xd21e3620">155</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e3658">156</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e3803">164</a>, <a class="pageref" href="#xd21e4227">183</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e4282">186</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e4871">207</a>, <a class="pageref" href="#xd21e5530">232</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e6105">255</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e6473">268</a></td>
+<td class="width40 bottom">,</td>
+<td class="width40 bottom">.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e349">11</a></td>
+<td class="width40 bottom">Ruggelinks</td>
+<td class="width40 bottom">Ruggelings</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e425">13</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e489">17</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e1285">53</a>, <a class="pageref" href="#xd21e1963">82</a></td>
+<td class="width40 bottom">!</td>
+<td class="width40 bottom">?</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e431">13</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e1542">64</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e1756">74</a>, <a class="pageref" href="#xd21e1916">81</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e2709">116</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e4671">199</a>, <a class="pageref" href="#xd21e4836">205</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e4854">206</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e4928">208</a>, <a class="pageref" href="#xd21e4947">209</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e5033">213</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e5578">233</a>, <a class="pageref" href="#xd21e6399">265</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e6803">281</a></td>
+<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td class="width40 bottom">,</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e515">18</a></td>
+<td class="width40 bottom">bazaan</td>
+<td class="width40 bottom">bezaan</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e521">18</a></td>
+<td class="width40 bottom">gelegenheiden</td>
+<td class="width40 bottom">gelegenheden</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e566">21</a></td>
+<td class="width40 bottom">schrikkeliijk</td>
+<td class="width40 bottom">schrikkelijk</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e648">25</a></td>
+<td class="width40 bottom">geheele</td>
+<td class="width40 bottom">geheel</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e680">26</a></td>
+<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td class="width40 bottom">is</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e705">27</a></td>
+<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td class="width40 bottom">?</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e745">29</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e770">30</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e1432">60</a>, <a class="pageref" href="#xd21e1673">69</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e1754">74</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e1862">79</a>, <a class="pageref" href="#xd21e2237">92</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e3016">130</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e6582">272</a></td>
+<td class="width40 bottom">&bdquo;</td>
+<td class="width40 bottom">[<i>Verwijderd</i>]</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e855">35</a></td>
+<td class="width40 bottom">Toen</td>
+<td class="width40 bottom">toen</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e877">36</a></td>
+<td class="width40 bottom">..</td>
+<td class="width40 bottom">...</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e913">38</a></td>
+<td class="width40 bottom">lekten</td>
+<td class="width40 bottom">likten</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1030">44</a></td>
+<td class="width40 bottom">berijpen</td>
+<td class="width40 bottom">begrijpen</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1039">44</a></td>
+<td class="width40 bottom">voorgegevallene</td>
+<td class="width40 bottom">voorgevallene</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1108">47</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e1185">50</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e1206">50</a>, <a class="pageref" href="#xd21e2765">118</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e6298">262</a></td>
+<td class="width40 bottom">:</td>
+<td class="width40 bottom">;</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1111">47</a></td>
+<td class="width40 bottom">twee&euml;rleei</td>
+<td class="width40 bottom">twee&euml;rlei</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1122">48</a></td>
+<td class="width40 bottom">zulen</td>
+<td class="width40 bottom">zullen</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1292">54</a></td>
+<td class="width40 bottom">meee</td>
+<td class="width40 bottom">mee</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1445">60</a></td>
+<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td class="width40 bottom">!</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1494">62</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e1886">80</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e4367">190</a>, <a class="pageref" href="#xd21e4923">208</a></td>
+<td class="width40 bottom">?</td>
+<td class="width40 bottom">!</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1671">69</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e2539">106</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e3352">143</a>, <a class="pageref" href="#xd21e3361">143</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e3400">145</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e3503">149</a>, <a class="pageref" href="#xd21e3534">151</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e3993">174</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e4968">210</a>, <a class="pageref" href="#xd21e5836">244</a></td>
+<td class="width40 bottom">&rdquo;</td>
+<td class="width40 bottom">[<i>Verwijderd</i>]</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1710">71</a></td>
+<td class="width40 bottom">;</td>
+<td class="width40 bottom">,</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1738">74</a></td>
+<td class="width40 bottom">sparrend</td>
+<td class="width40 bottom">spattend</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1789">76</a></td>
+<td class="width40 bottom">toerijkend</td>
+<td class="width40 bottom">toereikend</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1800">76</a></td>
+<td class="width40 bottom">al</td>
+<td class="width40 bottom">als</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1848">79</a></td>
+<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td class="width40 bottom">den</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1853">79</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e5206">220</a></td>
+<td class="width40 bottom">alleen</td>
+<td class="width40 bottom">allen</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1913">81</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e6862">284</a></td>
+<td class="width40 bottom">&rsquo;</td>
+<td class="width40 bottom">,</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1970">82</a></td>
+<td class="width40 bottom">ikek</td>
+<td class="width40 bottom">ikke</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1990">83</a></td>
+<td class="width40 bottom">at</td>
+<td class="width40 bottom">af</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2032">84</a></td>
+<td class="width40 bottom">aangedaan</td>
+<td class="width40 bottom">aan gedaan</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2035">84</a></td>
+<td class="width40 bottom">hieronder</td>
+<td class="width40 bottom">hier onder</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2059">85</a></td>
+<td class="width40 bottom">bindep</td>
+<td class="width40 bottom">binden</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2064">85</a></td>
+<td class="width40 bottom">er</td>
+<td class="width40 bottom">en</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2198">91</a></td>
+<td class="width40 bottom">pekelkleesch</td>
+<td class="width40 bottom">pekelvleesch</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2243">92</a></td>
+<td class="width40 bottom">verrchtingen</td>
+<td class="width40 bottom">verrichtingen</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2278">94</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e3653">156</a></td>
+<td class="width40 bottom">:</td>
+<td class="width40 bottom">,</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2298">95</a></td>
+<td class="width40 bottom">niet</td>
+<td class="width40 bottom">niets</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2400">99</a></td>
+<td class="width40 bottom">het het</td>
+<td class="width40 bottom">het</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2482">102</a></td>
+<td class="width40 bottom">&rdquo;?</td>
+<td class="width40 bottom">?&rdquo;</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2516">104</a></td>
+<td class="width40 bottom">kolonien</td>
+<td class="width40 bottom">koloni&euml;n</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2614">110</a></td>
+<td class="width40 bottom">moet</td>
+<td class="width40 bottom">maar</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2721">116</a></td>
+<td class="width40 bottom">geod</td>
+<td class="width40 bottom">goed</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2747">117</a></td>
+<td class="width40 bottom">vischen</td>
+<td class="width40 bottom">visschen</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2828">121</a></td>
+<td class="width40 bottom">daavan</td>
+<td class="width40 bottom">daarvan</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2858">123</a></td>
+<td class="width40 bottom">waarvan</td>
+<td class="width40 bottom">waaraan</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2863">123</a></td>
+<td class="width40 bottom">dat</td>
+<td class="width40 bottom">[<i>Verwijderd</i>]</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2949">128</a></td>
+<td class="width40 bottom">antwooord</td>
+<td class="width40 bottom">antwoord</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3037">131</a></td>
+<td class="width40 bottom">&rdquo;,</td>
+<td class="width40 bottom">,&rdquo;</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3081">132</a></td>
+<td class="width40 bottom">gsteren</td>
+<td class="width40 bottom">gisteren</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3115">134</a></td>
+<td class="width40 bottom">Oostindievaarder</td>
+<td class="width40 bottom">Oostindi&euml;vaarder</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3180">136</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e4272">186</a></td>
+<td class="width40 bottom">,</td>
+<td class="width40 bottom">[<i>Verwijderd</i>]</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3201">137</a></td>
+<td class="width40 bottom">&mdash;&mdash;</td>
+<td class="width40 bottom">&mdash;</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3268">139</a></td>
+<td class="width40 bottom">haddenl</td>
+<td class="width40 bottom">hadden,</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3555">152</a></td>
+<td class="width40 bottom">zond</td>
+<td class="width40 bottom">rond</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3711">159</a></td>
+<td class="width40 bottom">nauwelijk</td>
+<td class="width40 bottom">nauwelijks</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3765">162</a></td>
+<td class="width40 bottom">Vixem</td>
+<td class="width40 bottom">Vixen</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3813">164</a></td>
+<td class="width40 bottom">Hottotten</td>
+<td class="width40 bottom">Hottentotten</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3978">173</a></td>
+<td class="width40 bottom">poort</td>
+<td class="width40 bottom">voort</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4018">175</a></td>
+<td class="width40 bottom">spelde</td>
+<td class="width40 bottom">speldde</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4048">176</a></td>
+<td class="width40 bottom">postwagen</td>
+<td class="width40 bottom">postwagens</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4072">177</a></td>
+<td class="width40 bottom">,</td>
+<td class="width40 bottom">&bdquo;</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4119">178</a></td>
+<td class="width40 bottom">rucinusolie</td>
+<td class="width40 bottom">ricinusolie</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4171">180</a></td>
+<td class="width40 bottom">New-castle</td>
+<td class="width40 bottom">Newcastle</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4205">182</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e6085">255</a></td>
+<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td class="width40 bottom">-</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4291">187</a></td>
+<td class="width40 bottom">aanwerpen</td>
+<td class="width40 bottom">aanwerven</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4322">188</a></td>
+<td class="width40 bottom">mijn heer</td>
+<td class="width40 bottom">mijnheer</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4350">189</a></td>
+<td class="width40 bottom">&rsquo;</td>
+<td class="width40 bottom">[<i>Verwijderd</i>]</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4408">191</a></td>
+<td class="width40 bottom">eenhalve</td>
+<td class="width40 bottom">een halve</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4425">192</a></td>
+<td class="width40 bottom">hebbenl</td>
+<td class="width40 bottom">hebben,</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4447">193</a></td>
+<td class="width40 bottom">kenen</td>
+<td class="width40 bottom">kennen</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4458">193</a></td>
+<td class="width40 bottom">&rdquo;!</td>
+<td class="width40 bottom">!&rdquo;</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4484">194</a></td>
+<td class="width40 bottom">West Indi&euml;</td>
+<td class="width40 bottom">West-Indi&euml;</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4508">194</a></td>
+<td class="width40 bottom">gelaagd</td>
+<td class="width40 bottom">gejaagd</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4521">195</a></td>
+<td class="width40 bottom">klein</td>
+<td class="width40 bottom">kleine,</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4528">195</a></td>
+<td class="width40 bottom">dag dag</td>
+<td class="width40 bottom">dag</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4571">196</a></td>
+<td class="width40 bottom">gemakelijk</td>
+<td class="width40 bottom">gemakkelijk</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4596">197</a></td>
+<td class="width40 bottom">een</td>
+<td class="width40 bottom">en</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4640">198</a></td>
+<td class="width40 bottom">lading</td>
+<td class="width40 bottom">landing</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4768">203</a></td>
+<td class="width40 bottom">;</td>
+<td class="width40 bottom">:</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4885">207</a></td>
+<td class="width40 bottom">,</td>
+<td class="width40 bottom">;</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4903">208</a></td>
+<td class="width40 bottom">aldien</td>
+<td class="width40 bottom">al dien</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5011">212</a></td>
+<td class="width40 bottom">: deze</td>
+<td class="width40 bottom">deze:</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5036">213</a></td>
+<td class="width40 bottom">vooraad</td>
+<td class="width40 bottom">voorraad</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5047">214</a></td>
+<td class="width40 bottom">of</td>
+<td class="width40 bottom">af</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5106">216</a></td>
+<td class="width40 bottom">bovenndien</td>
+<td class="width40 bottom">bovendien</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5230">221</a></td>
+<td class="width40 bottom">haalde</td>
+<td class="width40 bottom">haalden</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5244">221</a></td>
+<td class="width40 bottom">papagaaien</td>
+<td class="width40 bottom">papegaaien</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5259">222</a></td>
+<td class="width40 bottom">steken</td>
+<td class="width40 bottom">stekken</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5305">224</a></td>
+<td class="width40 bottom">doorgekopt</td>
+<td class="width40 bottom">doorgekapt</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5361">226</a></td>
+<td class="width40 bottom">kruid</td>
+<td class="width40 bottom">kruit</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5364">226</a></td>
+<td class="width40 bottom">poesten</td>
+<td class="width40 bottom">poetsen</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5385">227</a></td>
+<td class="width40 bottom">nauw keurig</td>
+<td class="width40 bottom">nauwkeurig</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5436">229</a></td>
+<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td class="width40 bottom">in</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5448">229</a></td>
+<td class="width40 bottom">een</td>
+<td class="width40 bottom">&eacute;&eacute;n</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5478">230</a></td>
+<td class="width40 bottom">ondekte</td>
+<td class="width40 bottom">ontdekte</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5544">233</a></td>
+<td class="width40 bottom">opgesteld</td>
+<td class="width40 bottom">op gesteld</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5671">237</a></td>
+<td class="width40 bottom">kakatoe</td>
+<td class="width40 bottom">kaketoe</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5735">240</a></td>
+<td class="width40 bottom">yamplantsoen</td>
+<td class="width40 bottom">yamsplantsoen</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5744">240</a></td>
+<td class="width40 bottom">beschermng</td>
+<td class="width40 bottom">bescherming</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5867">245</a></td>
+<td class="width40 bottom">aangekokmen</td>
+<td class="width40 bottom">aangekomen</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5884">246</a></td>
+<td class="width40 bottom">bevestigde</td>
+<td class="width40 bottom">bevestigden</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5970">250</a></td>
+<td class="width40 bottom">opengespred</td>
+<td class="width40 bottom">opengesperd</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e6096">255</a></td>
+<td class="width40 bottom">Filnk</td>
+<td class="width40 bottom">Flink</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e6183">258</a></td>
+<td class="width40 bottom">van daan</td>
+<td class="width40 bottom">vandaan</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e6195">258</a></td>
+<td class="width40 bottom">patronnen</td>
+<td class="width40 bottom">patronen</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e6283">261</a></td>
+<td class="width40 bottom">&rdquo;</td>
+<td class="width40 bottom">&bdquo;</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e6305">262</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e6530">270</a></td>
+<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td class="width40 bottom">.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e6402">265</a></td>
+<td class="width40 bottom">alle</td>
+<td class="width40 bottom">alles</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e6525">270</a></td>
+<td class="width40 bottom">bijeenbrachtten</td>
+<td class="width40 bottom">bijeenbrachten</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e6568">272</a></td>
+<td class="width40 bottom">beproven</td>
+<td class="width40 bottom">beproeven</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e6721">277</a></td>
+<td class="width40 bottom">ettelijk</td>
+<td class="width40 bottom">ettelijke</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e6770">280</a></td>
+<td class="width40 bottom">gebleken</td>
+<td class="width40 bottom">gebleven</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e6944">287</a></td>
+<td class="width40 bottom">wachtten</td>
+<td class="width40 bottom">wachtte</td>
+</tr>
+</table>
+</div>
+</div>
+
+<div>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 44758 ***</div>
+</body>
+</html>
diff --git a/44758-h/images/book.png b/44758-h/images/book.png
new file mode 100644
index 0000000..963d165
--- /dev/null
+++ b/44758-h/images/book.png
Binary files differ
diff --git a/44758-h/images/card.png b/44758-h/images/card.png
new file mode 100644
index 0000000..1ffbe1a
--- /dev/null
+++ b/44758-h/images/card.png
Binary files differ
diff --git a/44758-h/images/external.png b/44758-h/images/external.png
new file mode 100644
index 0000000..ba4f205
--- /dev/null
+++ b/44758-h/images/external.png
Binary files differ
diff --git a/44758-h/images/frontcover.jpg b/44758-h/images/frontcover.jpg
new file mode 100644
index 0000000..3d9b0ec
--- /dev/null
+++ b/44758-h/images/frontcover.jpg
Binary files differ
diff --git a/44758-h/images/p043.jpg b/44758-h/images/p043.jpg
new file mode 100644
index 0000000..a9dbfe5
--- /dev/null
+++ b/44758-h/images/p043.jpg
Binary files differ
diff --git a/44758-h/images/p126.jpg b/44758-h/images/p126.jpg
new file mode 100644
index 0000000..480c6ee
--- /dev/null
+++ b/44758-h/images/p126.jpg
Binary files differ
diff --git a/44758-h/images/p260.jpg b/44758-h/images/p260.jpg
new file mode 100644
index 0000000..3c60d74
--- /dev/null
+++ b/44758-h/images/p260.jpg
Binary files differ
diff --git a/44758-h/images/p280.jpg b/44758-h/images/p280.jpg
new file mode 100644
index 0000000..1df38e6
--- /dev/null
+++ b/44758-h/images/p280.jpg
Binary files differ
diff --git a/44758-h/images/titlepage.png b/44758-h/images/titlepage.png
new file mode 100644
index 0000000..2f1dedb
--- /dev/null
+++ b/44758-h/images/titlepage.png
Binary files differ
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..7ee043d
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #44758 (https://www.gutenberg.org/ebooks/44758)
diff --git a/old/44758-8.txt b/old/44758-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..16a9aaa
--- /dev/null
+++ b/old/44758-8.txt
@@ -0,0 +1,14444 @@
+The Project Gutenberg EBook of Stuurman Flink, by Kapitein Marryat
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org/license
+
+
+Title: Stuurman Flink
+ De schipbreuk van
+
+Author: Kapitein Marryat
+
+Illustrator: Johan Braakensiek
+
+Translator: J.J.A. Goeverneur
+
+Release Date: January 26, 2014 [EBook #44758]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK STUURMAN FLINK ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
+Gutenberg.
+
+
+
+
+
+
+
+
+ STUURMAN FLINK
+ OF
+ DE SCHIPBREUK VAN "DE VREDE"
+
+
+ NAAR HET ENGELSCH
+ VAN
+ KAPITEIN MARRYAT
+
+ DOOR
+ J. J. A. GOEVERNEUR
+
+ Geïllustreerd door JOHAN BRAAKENSIEK
+
+
+ NEGENDE DRUK
+ AMSTERDAM--VAN HOLKEMA & WARENDORF
+
+
+
+
+
+
+
+ Typ. De Erven H. van Munster & Zoon, Amsterdam.
+
+
+
+
+
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+HET SCHIP DE VREDE. STUURMAN FLINK.
+
+
+Het was in de maand October, 18**, dat De Vrede, een groot
+koopvaardijschip, door harden wind gedreven, de wateren kliefde van den
+wijden Atlantischen Oceaan. Het schip had slechts weinig zeil bij, want
+de wind was zoo sterk, dat het doek door de woedende stooten en rukken
+in flarden zou zijn gereten, en pijlsnel schoot het vaartuig over de
+hooggaande golven, die het schuimend volgden en het beurtelings ten
+hemel opbeurden of diep in de holle zee bedolven, zoodat men had kunnen
+denken, dat het daaruit nooit weer zou te voorschijn komen. Evenwel
+was het schip hecht en stevig en de kapitein een goed zeeman, die
+alles deed, wat hij tot behoud van zijn bodem dienstig achtte.
+
+De kapitein stond bij het stuurrad en hield een wakend oog op de
+mannen aan het roer, want hierop vooral moet men acht geven, als het
+schip recht vóór een harden wind zeilt. Terwijl hij hier zoo in het
+rond en van tijd tot tijd ook naar de lucht zag, neuriede hij een
+oud zeemansliedje, dat begint:
+
+
+ "'t Is alles water, wat men ziet,
+ En donkre, zwarte lucht!"
+
+
+En zoo was het ook waarlijk. Zij dobberden midden op den oceaan, geen
+ander vaartuig was te zien, de hemel was overdekt met donkere wolken,
+welke de storm woedend voor zich uit joeg, de golven stapelden zich
+tot bergen op en deden het schuim omhoogspatten, terwijl de wind
+akelig door het want floot en huilde.
+
+Buiten den scheepskapitein en de beide mannen aan het roer, waren er
+nog twee andere personen op het dek: de eerste een knaap van omstreeks
+twaalf jaren, de ander een oud, verweerd zeeman, wiens grijze haren
+in den wind fladderden, toen hij naar het achterdek van het schip
+ging en overboord keek.
+
+Op eens zag de knaap, hoe een geweldig zware golf tegen den spiegel
+van het schip kwam aanrollen. Angstig greep hij den oude bij den arm
+vast en riep: "Kijk, zal die groote golf niet over ons heele schip
+heen slaan, Flink?"
+
+"Neen, Willem, wees maar gerust. Merkt ge niet, hoe ze ons schip in
+de hoogte tilt? En kijk, nu is ze al onder ons door gegaan en zijn
+wij gelukkig over haar heen. Maar 't kon licht gebeuren, dat een
+tweede golf nog hooger klom, en dan zou het slecht met u afloopen,
+als ik mijzelf en u meteen hier niet stevig vasthield. De zee zou u
+zeker overboord spoelen."
+
+"Ik houd niet van de zee, Flink; ik wou wel, dat we weer op het
+vasteland waren," antwoordde de knaap. "Zie de golven daar recht
+vooruit;--is 't niet, alsof ze van het schip geen stuk heel wilden
+laten?"
+
+"Ja, ja, ze zijn vrij wild, en daarbij loeien ze zoo, alsof ze boos
+waren dat zij het schip niet in de diepte begraven kunnen. Maar daaraan
+ben ik gewoon, Willem, en op een goed schip, met een braven kapitein
+en wakker volk, ben ik niet bang voor zulk een storm."
+
+"Maar vaak gaan er toch schepen ten gronde, en dan verdrinken allen,
+die er op zijn, niet waar?"
+
+"Ja, Willem, en soms vergaat wel eens een schip, terwijl het volk
+aan boord daar het minst op bedacht is."
+
+"Wat zijn dat toch voor kleine vogels, die zoo laag over het water
+vliegen?"
+
+"Ei, dat zijn moeder Carey's [1] kuikens, zooals wij zeelui ze
+noemen. Ze vertoonen zich alleen bij storm, of als er boos weer
+ophanden is."
+
+"Zeg, Flink, hebt gij wel eens op een woest eiland schipbreuk geleden,
+zooals Robinson Crusoë?"
+
+"Ja, jongenlief, ik heb wel al schipbreuk geleden, maar van Robinson
+Crusoë heb ik mijn leven niet gehoord. Er zijn zoovelen, die hun
+schip verloren en zwaren nood hadden door te staan, terwijl nog ruim
+zoovelen daarbij omkwamen en dus van hunne ontmoetingen niet meer
+vertellen konden, dat het niet heel denkelijk is dat ik uit al die
+menigte den man, dien gij daar noemt, zou gekend hebben."
+
+"O, dat staat alles in een boek, dat ik gelezen heb. Ik kon het
+u wel alles van stukje tot beetje vertellen--en wil dat ook doen,
+zoodra de zee weer bedaard is; maar wees nu zoo goed en breng mij
+weer naar beneden, want ik heb moeder beloofd niet al te lang hier
+boven te blijven."
+
+"En wat ge beloofd hebt, moet ge als een flinke jongen altijd houden,"
+zei de oude man. "Kom, geef mij de hand maar, en ik zal wel zorgen,
+dat ge zonder vallen of stooten door het luik komt. Als het beter
+weer is, zult ge van mijne schipbreuk hooren en dan moet gij mij ook
+eens zeggen, wat ge van dien Robinson Crusoë weet."
+
+Met deze woorden bracht de oude zeeman den kleinen Willem tot aan de
+deur der kajuit en keerde toen op het dek terug, waar hij de wacht had.
+
+Stuurman Flink had nu al ruim vijftig jaren op zee rondgezworven;
+hij was nog pas tien jaren oud, toen hij op een kolenschip als
+koksjongen zijn eerste reis deed. Door zijn voortdurend verblijf in
+de open lucht was zijn gezicht donkerbruin gekleurd en diepe rimpels
+lagen in zijne wangen, hoewel hij nog altijd een flink en sterk man
+was gebleven. Hij had jaren achtereen aan boord van een oorlogschip
+gediend en daarop alle werelddeelen bezocht; hij wist dan ook vele
+vreemde geschiedenissen te vertellen. Maar al klonken die ook nog zoo
+vreemd, men mocht hem vrij gelooven, daar nooit een onwaar woord over
+zijn lippen kwam.
+
+Hij verstond de stuurmanskunst vrij goed, kon dus lezen en schrijven
+en was een verstandig en braaf man. De naam Flink paste zeer goed voor
+hem, want altijd was hij flink en vlug bij de hand en in oogenblikken
+van nood en gevaar zoo welberaden, dat de kapitein hem niet zelden
+om raad vroeg en zich daar gewoonlijk wel bij bevond. Op deze reis
+bekleedde hij den rang van tweeden stuurman.
+
+Zooals wij reeds weten, was De Vrede een fraai schip van meer dan
+vier honderd tonnen en zoo hecht en sterk gebouwd, dat men het zeer
+goed tegen een hevigen storm bestand kon achten. De tegenwoordige
+bestemming van het vaartuig was Nieuw-Zuid-Wales, [2] waarheen het eene
+kostbare lading Engelsche goederen had over te brengen. De kapitein
+was een bekwaam zeeman en bovendien een braaf mensch van een altijd
+vroolijk en opgeruimd humeur, die de dingen steeds in hun beste licht
+beschouwde en ook, als 't geluk hem soms eens tegenliep, eer geneigd
+was daarmee te lachen, dan dadelijk een zuur gezicht te trekken. Zijn
+naam was Osborn. De eerste stuurman heette Mackintosh en was een
+Schot. Ofschoon barsch en ruw van aard, nam hij toch zijn dienst
+aan boord voorbeeldig waar en was een man, op wien kapitein Osborn
+zich verlaten kon, hoewel deze anders niet van hem hield. Met Flink
+hebben wij reeds kennis gemaakt en van de matrozen aan boord behoeven
+wij niet meer te zeggen, dan dat zij in het geheel dertien in getal
+waren. Dit was zekerlijk eene nauwelijks toereikende bemanning voor
+zulk een groot schip en oorspronkelijk waren er ook meer geweest;
+doch op den dag vóór het onder zeil gaan, hadden vijf mannen,
+uit ontevredenheid over de behandeling, die Mackintosh, de eerste
+stuurman, hun aandeed, het schip eensklaps weer verlaten, waardoor
+de kapitein gedwongen was geweest in zee te steken, zonder anderen in
+hunne plaats te hebben aangeworven. Gelijk in het vervolg blijken zal,
+was dit voor het schip eene zeer noodlottige omstandigheid.
+
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+DE FAMILIE WILSON.
+
+
+De jonge Willem was de oudste zoon eener familie, die uit vader,
+moeder en vier kinderen bestond en zich thans in haar geheel aan boord
+van De Vrede bevond. De vader, mijnheer Wilson, was een verstandig,
+welonderricht man, die jaren lang een post bij het bestuur te Sidney,
+de hoofdplaats van Nieuw-Zuid-Wales, bekleed had en nu, na een
+driejarig verlof, uit Engeland derwaarts terugkeerde. Hij had van de
+regeering een duizend of wat morgen land aangekocht; dit was sedert
+aanmerkelijk in waarde gerezen en de schapen en veeteelt, waarop hij
+zich toelegde, hadden hem reeds groote winsten opgeleverd. Gedurende
+zijne afwezigheid in Engeland had zijn rentmeester zijne belangen met
+veel zorg behartigd, en zelf bracht hij nu eene menigte voorwerpen
+van allerlei aard mede, zoo tot verbetering zijner landerijen als tot
+eigen gebruik, b. v. huismeubelen, gereedschappen voor den landbouw,
+verschillende zaden en gewassen, rundvee en nog meer, te veel om op
+te noemen.
+
+Mevrouw Wilson was een lieve, zachte vrouw, die echter veel sukkelde
+en allesbehalve sterk was. Op den oudsten zoon, Willem, een sterken,
+vluggen knaap, vol geest en leven, volgde Thomas, een door en door
+goede jongen van bij de acht jaar oud, maar zoo dom en onhandig,
+dat er geen voorbeeld van was en men hem geen ommezien alleen kon
+laten. Caroline, een meisje van zeven jaren, was het derde en de pas
+éénjarige Albert het jongste kind. Tot oppassing van dezen laatste
+vooral diende een jonge negerin van de Kaap de Goede Hoop, die naar
+Sidney overgekomen en mevrouw Wilson naar Engeland gevolgd was. Wij
+hebben nu al de personen aan boord van De Vrede opgenoemd; maar bijna
+hadden wij onder de levende schepselen twee herdershonden van mijnheer
+Wilson vergeten en een kleinen dashond, die de bijzondere lieveling
+van zijn meester, kapitein Osborn was.
+
+Eerst op den vierden dag na de losbarsting, begon de storm te bedaren
+en nam allengs af, totdat hij eindelijk in bijna geheele windstilte
+overging. De matrozen, die al dien tijd dag en nacht op het dek
+gewaakt hadden, hingen hunne van regen en zeewater doorweekte
+kleeren in het want te drogen en konden nu zelven rust nemen en
+hunne krachten herstellen. Een zachte wind blies in de zeilen, de
+zee was weer effen en het schip legde in zijne rassche vaart bij de
+vijf mijlen in het uur af. Mevrouw Wilson had een mantel omgeslagen
+en zat op eene bank op het achterdek. Haar man en hare kinderen waren
+bij haar en verheugden zich in het kostelijke weer, toen ook kapitein
+Osborn die met zijn sextant den stand der zon had waargenomen, met
+een lachend gezicht op hen toekwam en riep:
+
+"Wel Thomas, jongen, ge zult zeker wel hartelijk blij zijn, dat de
+storm over is?"
+
+"O, ik ben niet bang geweest," antwoordde Thomas. "Ik was maar boos,
+dat ik altijd mijne soep stortte. Maar Juno is eens van haar stoel
+gerold en lag met broertje op den grond te spartelen, totdat eindelijk
+papa kwam en haar weer ophielp."
+
+"Goddank, dat mijn kleine Albert zich niet doodelijk bezeerd
+heeft!" zeide de moeder, met een blik vol liefde op haar kind.
+
+"En dat zou hij zich zeker gedaan hebben, had Juno niet zoo geheel
+alleen aan het kind en geen oogenblik aan zichzelve gedacht," zeide
+de vader.
+
+"Ja, dat is waar," hernam kapitein Osborn. "Zij redde het kind,
+maar zal haar eigen hoofd wel terdeeg gevoeld hebben."
+
+"Ikke een harden bons kreeg op mijn kop," verzekerde Juno en grijnsde,
+dat hare witte tanden tot aan de ooren zichtbaar werden.
+
+"Gelukkig, dat ge er zulk een dik wollig overtreksel over hebt,"
+zei de kapitein lachend. "Maar word niet boos, Juno; waarlijk, ge
+zijt een goed meisje, en wij allen houden veel van u."
+
+"Het is twaalf uren naar de zon, mijnheer," kwam Mackintosh, de eerste
+stuurman, den kapitein berichten.
+
+"Maak mij dan de breedte op, stuurman, en ik zal terstond de lengte
+berekenen. Over vijf minuten, mijnheer Wilson, zal ik u op de kaart
+aanwijzen, waar wij ons thans op zee bevinden."
+
+"Ha, daar komen ook onze honden eens boven kijken," riep Willem op eens
+uit. "Ik wed, dat ze met dat mooie weer even blij zijn als wij. Hier,
+Romulus! Remus hier!"
+
+"Ei, mijnheer," zei Flink, die dicht bij hen stond, "ik heb u al lang
+eens een vraag willen doen. Uwe honden daar hebben een paar zulke
+wonderlijke namen, die ik in mijn leven nog niet gehoord heb. Romulus
+en Remus--wie waren dat?"
+
+"Zoo heetten twee broeders in den overouden tijd," antwoordde de
+heer Wilson. "Zij waren als schaapherders opgewassen en bouwden de
+stad Rome, die naderhand zoo beroemd en zoo machtig werd en waarover
+Romulus als eerste koning regeerde."
+
+"En verbeeld u eens, Flink; toen ze nog klein waren, werden zij door
+eene wolvin gezoogd," vervolgde Willem. "Wat zegt ge van zoo iets,
+man?"
+
+"Door eene wolvin? Dat was zeker eene vreemde soort van minne voor
+een paar jonge prinsen," antwoordde Flink.
+
+"En Romulus sloeg zijn broeder dood."
+
+"Geen wonder, als men rekent wat zoogster ze hadden," merkte Flink
+aan. "Maar waarom deed hij dat?"
+
+"Omdat Remus zoo goed springen kon," zeide Willem lachend.
+
+"De jongeheer wil mij zeker wat wijsmaken?" riep Flink en zag den
+vader vragend aan.
+
+"Dat juist niet. De geschiedenis vertelt, dat Remus zijn broeder
+om den lagen stadsmuur, die deze gebouwd had, bespotte en, om hem
+te tergen, daar losweg overheen sprong. Dit moet Romulus zoo euvel
+hebben opgenomen, dat hij hem in drift doodsloeg. Evenwel, op zulke
+oude verhalen kan men niet altijd zoo vast staat maken."
+
+"En ik wil ook niet hopen, dat beiden werkelijk broeders geweest zijn,"
+hernam Flink; "hoewel--'t oude spreekwoord heeft het zoo mis niet:
+
+
+ "Twee meesters onder 't zelfde dak
+ Geeft altijd moeite en ongemak.
+
+
+"Men hoort tegenwoordig nog wel eens van Rome spreken; is dat misschien
+nog diezelfde stad?"
+
+"Ja," antwoordde Willem; "het zijn de puinhoopen van die oude."
+
+"Een mensch is toch nooit uitgeleerd," zeide Flink. "Vandaag heb ik
+weer vrij wat nieuws gehoord, en dat kan men altijd en overal, als
+men zijn mond maar tot vragen weet te gebruiken. Ik ben een oud man en
+weet weinig buiten 't geen tot mijn beroep behoort; maar toch zou ik
+veel minder weten, als ik geen onderzoek naar de dingen had gedaan,
+zonder mij te schamen om voor mijne onwetendheid uit te komen. Dat
+is het eenige middel om iets goeds te leeren, jongeheer."
+
+"Gij geeft daar mijn zoon kostelijken raad, Flink;--en pas op, mijn
+kind, dat gij dien nooit vergeet," sprak de vader. "Gij behoeft u
+nooit te schamen, naar iets te vragen, dat gij niet weet of begrijpt."
+
+"Dat doe ik ook altijd, vader. Heb ik u niet al naar heel veel dingen
+gevraagd, Flink?"
+
+"Ja, ja, dat hebt gij; en gij vraagt doorgaans vrij verstandig voor een
+knaap van uwe jaren. Ik wou maar, dat ik uwe vragen beter beantwoorden
+kon, dan ik daar soms toe in staat ben, lieve jongen."
+
+"Nu zou ik toch liefst weer naar beneden willen, lieve," zeide mevrouw
+Wilson eindelijk. "Flink zal wel zoo goed zijn den kleine voor mij
+te dragen."
+
+"Van harte gaarne, mevrouw," antwoordde Flink. "Komaan dan, Juno,
+geef mij het kind en ga gij vooruit.--Ruggelings, domme meid! Hoe
+dikwijls moet ik u dat nog zeggen? 'k Voorzie, dat gij nog eens hals
+over kop de trap aftuimelt."
+
+"En breken mijn nek," zei Juno.
+
+"Ja, of een arm of een been! En wie zal dan het kind dragen?"
+
+Zoodra allen weder in de kajuit waren, namen de kapitein en mijnheer
+Wilson de kaart voor zich en zochten daarop de plaats, waar het schip
+zich thans bevond. Zij zagen, dat zij nog dertig mijlen van de Kaap
+de Goede Hoop verwijderd waren.
+
+"Als de wind aanhoudt, kunnen wij daar morgen zijn," zeide mijnheer
+Wilson tot zijne vrouw. "Misschien kan onze Juno daar haar vader en
+moeder wedervinden."
+
+De arme Juno schudde het hoofd, en de tranen rolden over hare donkere
+wangen, terwijl zij vertelde, dat hare ouders een Hollandschen veeboer
+toebehoorden, die met hen diep landwaarts in getrokken was. Zij was
+nog maar een klein kind geweest, toen men haar van hare ouders afnam,
+en had alleen in de Kaapstad moeten achterblijven.
+
+"Maar nu zijt gij vrij, Juno," zeide mevrouw Wilson. "Gij zijt in
+Engeland geweest, en allen, die dat land eens betreden hebben, zijn
+van dat oogenblik af vrije menschen."
+
+"Ja, mevrouw, Juno vrij zijn, maar Juno toch geen vader hebben en
+geen moeder," antwoordde het arme meisje en weende bitter. De kleine
+Albert sloeg nu echter de armpjes om haar hals, en weldra lachte zij
+weer en speelde vroolijk met het lieve kind.
+
+
+
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+KAAP DE GOEDE HOOP.
+
+
+Den volgenden morgen zag men de Kaap voor zich en liet in de Tafelbaai
+het anker vallen.
+
+"Waarom noemt men dit hier de Tafelbaai, Flink?" vroeg Willem.
+
+"Denkelijk is dat, omdat die groote berg daar de Tafelberg heet,
+jongeheer, gij ziet, hoe zijn top heel vlak is."
+
+"Ja waarlijk, hij is zoo vlak als eene tafel."
+
+"Maar nu en dan ziet men witte wolken zich op eene zonderlinge wijze
+rondom de toppen samenpakken en dan zeggen de zeelieden, dat de tafel
+gedekt wordt, of ook wel, dat de berg zijn pruik opzet. Men ziet dat
+niet graag, omdat er doorgaans ruw en stormachtig weer op volgt."
+
+"Dan hoop ik dat die tafel, zoolang wij hier zijn, maar ongedekt mag
+blijven. Wij hebben al storm en onweer genoeg gehad, en moeder is er
+nog zwak en ziek van. Wat is dat eene mooie stad, Flink!"
+
+"Wij zullen hier twee dagen voor anker blijven, mijnheer," kwam
+kapitein Osborn den heer Wilson berichten, "en zoo gij en mevrouw
+aan wal wenscht te gaan, is daar gelegenheid toe."
+
+"Ik zal bij mijne vrouw gaan en het haar vragen," zeide Willems vader
+en ging met dezen in de kajuit.
+
+Mevrouw Wilson was zeer blijde, dat het schip nu althans eenigen tijd
+stil zou liggen, maar voelde zich te zwak om aan land te gaan. Er
+werd dus besloten, dat zij met de beide jongste kinderen aan boord
+zou blijven, terwijl haar man de beide oudsten, Willem en Thomas,
+den volgenden dag naar de Kaapstad medenam, van waar hij beloofde
+nog vóór den avond terug te zullen zijn.
+
+Den volgenden morgen liet kapitein Osborn een groote sloep uitzetten
+en zich daarin met mijnheer Wilson, Willem en Thomas naar den wal
+roeien. Thomas had aan zijne moeder beloofd, dat hij heel zoet en
+gehoorzaam zou wezen; maar dat deed hij altijd en had het altijd
+ook weer vergeten, zoodra hij haar maar uit het gezicht was. Van de
+landingsplaats gingen zij naar een vriend van den kapitein, die in
+de stad woonde. Hier bleven zij een half uur, om een glas limonade
+te drinken, want het was zeer warm, en toen besloot men naar den tuin
+van de Compagnie te gaan, om de wilde dieren te zien, die daar bewaard
+werden. Willem was met dit plan zeer ingenomen en zijn broertje klapte
+in de handen van blijdschap.
+
+"Vader, waarom heet die tuin de tuin van de Compagnie?" vroeg Willem.
+
+"Omdat hij door de Hollandsch-Oostindische Compagnie is aangelegd,
+in den tijd, toen de Kaap nog aan de Hollanders toebehoorde. Het
+is eigenlijk een plantentuin, waar men evenwel ook wilde dieren
+bewaart. Vroeger had men er hier een groote menigte, doch tegenwoordig
+zijn de reizigers er minder nieuwsgierig naar, daar men ze ook in
+Europa genoeg te zien kan krijgen."
+
+"En wat zullen we dan al zien?" vroeg Thomas.
+
+"Gij zult leeuwen zien, mijn jongen, ik weet niet hoeveel wel,
+allemaal in één hok bijeen," antwoordde kapitein Osborn.
+
+"O, dat is goed! Ik heb nog nooit een leeuw gezien."
+
+"Maar pas op, kind, dat gij niet te dicht bij het hok komt."
+
+"Neen, zeker niet," beloofde Thomas.
+
+Zoodra zij binnen het tuinhek waren wilde Thomas ontloopen, uit
+ongeduld om de leeuwen toch vooral spoedig te zien, maar kapitein
+Osborn haalde hem gelukkig weder in en hield hem nu stevig bij de
+hand vast.
+
+"Hier zijn een paar zonderlinge vogels," zeide de heer, die bij
+hen was. "Men noemt ze secretarisvogels, om de veeren, die hun daar
+achter aan den kop uitsteken, evenals de veer van de pen, die een
+klerk of schrijver soms wel achter het oor draagt. Het zijn echter
+zeer nuttige dieren, daar zij de slangen dooden en, als zij konden,
+alleen van slangen en adders leven zouden. Zij pakken die beesten
+met hunne klauwen aan en drukken ze met zooveel geweld, dat zij in
+een oogenblik dood zijn."
+
+"Vindt men veel slangen in dit land?" vroeg Willem.
+
+"Ja, en zeer vergiftige slangen," antwoordde zijn vader, "waarom
+deze vogels hier dan ook van groot nut zijn. Gij kunt daaruit zien,
+Willem, hoe geen dier, vooral geen van de schadelijke soorten, zich
+al te sterk vermenigvuldigen kan, maar op zijne beurt weer de prooi
+van andere roofdieren wordt. En zoo is het overal; in elk land, waar
+eenig dier in groote menigte voorhanden is, vindt gij ook zeker een
+tweede, 't welk dat eerste vervolgt en tot buit maakt. De secretaris
+bewoont dit land, waar slangen in menigte zijn, om deze te dooden;
+in Europa daarentegen, waar minder vergiftige slangen zijn, zou deze
+vogel ook weinig nut doen."
+
+"Maar, vader, sommige dieren, zooals de leeuw en de olifant zijn zoo
+groot en sterk, dat andere ze bijna niet vernielen kunnen."
+
+"Dat is waar, maar die grootere dieren vermenigvuldigen zich niet
+zoo sterk als andere en daarom neemt hun aantal ook veel minder
+schielijk toe. Een paar olifanten b. v. krijgt in den tijd van twee
+of meer jaren maar één enkel jong, terwijl de konijntjes, die de
+buit van zooveel andere dieren en vogels zijn, tot in het oneindige
+vermeerderen zouden, indien hunne toeneming niet op die wijze werd
+te keer gegaan. Ik heb ergens gelezen, dat een paar konijnen met hun
+gebroed, dat zich even snel weer vermeerdert, in een enkel jaar tot
+vele honderden kan aangroeien."
+
+Onder zulke gesprekken had men het verblijf der leeuwen weldra
+bereikt. Het was een ruim, rond plein, dat, van boven open en rondom
+tusschen hooge muren besloten, slechts eene enkele opening voor de
+toeschouwers had. Deze opening was breed en van boven tot onder met
+hechte ijzeren staven bezet, die echter zoo ver van elkaar afstonden,
+dat de leeuwen er met hunne klauwen wel tusschendoor konden tasten,
+waarom de kinderen dan ook gewaarschuwd werden, er vooral niet te
+dicht bij te komen. Het was kostelijk om te zien, hoe acht of tien
+van die edele dieren daar in allerlei houding in het rond lagen, zich
+koesterden in de heete zon en met hunne breede, borstelige staarten
+den grond zweepten, zonder zich, naar 't scheen, aan de menschen
+daar buiten in het minst te storen. Willem bleef op een behoorlijken
+afstand van de tralies staan en keek aandachtig toe. Ook de kleine
+Thomas zette groote oogen op en was in den beginne niet weinig bang;
+maar dat ging over en hij werd spoedig stouter. De heer, die bij hen
+was en langen tijd aan de Kaap gewoond had, verhaalde eenige zeer
+onderhoudende anecdoten aangaande den leeuw, waarnaar het gansche
+gezelschap zoo aandachtig luisterde, dat niemand merkte, hoe Thomas
+opnieuw ontsnapt en naar den ingang van het leeuwenhok teruggeloopen
+was. Hij stond eerst een tijdlang naar de dieren te kijken, maar wilde
+toen ook, dat zij eens wat beweging maken zouden. Om hen hiertoe te
+dwingen, nam hij eindelijk een steen op en wierp dien naar den jongen,
+nagenoeg driejarigen leeuw, die het dichtst bij den ingang lag. Deze
+scheen dit niet te bemerken, want hij verroerde zich niet, ofschoon
+hij het oog niet van den onvoorzichtigen knaap afwendde. Hierdoor
+werd onze Thomas gedurig stouter, wierp nog een steen en nog een en
+kwam daarbij telkens dichter bij het hok.
+
+Op eens hief de leeuw nu een vreeselijk gebrul aan en sprong op Thomas
+los, terwijl hij met zulk een woede tegen de ijzeren staven van zijn
+hok opvloog, dat deze kletterden en dreunden en de kalk op enkele
+plaatsen van de steenen viel. Doodelijk verschrikt, gilde de jongen
+het uit en tuimelde achterover in het gras, 't geen zijn behoud was,
+want ware hij voorovergevallen, dan zou het dier hem zekerlijk met
+zijne klauwen hebben aangepakt. Zijn vader en kapitein Osborn schoten
+dadelijk toe en hielpen hem op. Zoodra hij weder adem kon halen,
+begon hij te huilen van angst, terwijl de leeuw voor de tralies stond
+en brullend en loeiend met den staart in het rond sloeg.
+
+"Breng mij weg,--breng mij weer op het schip!" kreet Thomas en trilde
+als een blad.
+
+"Wat hebt gij gedaan, jongen?" vroeg kapitein Osborn.
+
+"Ik zal u nooit weer met steenen gooien, heer leeuw; neen, neen,
+nooit van mijn leven meer!" riep de knaap en zag ontzet naar het
+vergramde dier om.
+
+De heer Wilson bracht hem zijne onvoorzichtigheid ernstig onder het
+oog, en van lieverlede kwam hij nu tot bedaren, maar was toch niet
+gerust, voordat men van de leeuwen niets meer hooren of zien kon.
+
+Zij bezochten thans ook nog de overige dieren, die hier te zien
+waren, en van nu af aan hield Thomas zich van alle op een eerbiedigen
+afstand. Zelfs waagde hij het niet bij een schaap te komen, dat op
+de Kaap thuis behoort en een dikken vetstaart van verscheiden ponden
+zwaarte heeft.
+
+Na alles bekeken te hebben, gingen zij weder naar het huis van den
+vreemden heer, die hun te eten had verzocht, en na den maaltijd keerden
+allen naar het schip terug. Toen Thomas' moeder van het avontuur
+hoorde, dat hij met den leeuw had gehad, verzekerde zij, dat zij zulk
+een ongehoorzaam kind nooit weer uit haar gezicht zou laten gaan.
+
+
+
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+EEN STORM OP ZEE.
+
+
+Den volgenden morgen werden levensmiddelen en versch water aan boord
+genomen en zette De Vrede opnieuw hare zeilen in top, terwijl men
+alle hoop op eene voorspoedige reis begon op te vatten, daar het
+schip dagen achtereen met goeden wind zijne vaart vervolgde. Dit was
+nochtans niet van duur. Er volgde eene windstilte die bijna drie volle
+dagen aanhield, en gedurende dezen tijd was ook zelfs geen schijn van
+wind op de breede watervlakte te bespeuren. De geheele natuur scheen
+in diepe rust verzonken, en geen ander levend wezen vertoonde zich,
+dan nu en dan een enkele albatros, die met half geopende vlerken
+het schip een tijdlang bijbleef en de stukjes brood oppikte, die men
+overboord uitstrooide.
+
+"Wat is dat voor een groote vogel, Flink?" vroeg Willem.
+
+"Dat is een albatros, Willem, de grootste zeevogel dien wij hebben. Ik
+zag er eens een schieten, wiens uitgestrekte vlerken van het eene
+tot het andere einde wel ruim elf voet lang waren."
+
+"Dat is de eerste, dien ik ooit gezien heb."
+
+"Omdat men ze ten noorden van de Kaap ook zelden vindt. Men zegt,
+dat zij onder het vliegen slapen kunnen en zich dan met den kop op
+de vlerken hoog boven in de lucht laten drijven."
+
+"Hoe komt het, vader," vroeg Willem dezen, die naast hem stond,
+"dat onder de vogels de een zwemmen kan en de ander niet? Weet gij
+nog, toen Thomas eens een van onze hoenders in den grooten vijver
+had gejaagd, hoe het arme beest in het water omspartelde tot zijne
+vleugels nat werden en het niet langer kon boven houden, zoodat het
+verdrinken moest? Hoe maakt een zeevogel het dan, om zich zoo lang
+boven water te houden?"
+
+"De zwemvogels, mijn jongen, zijn van eene soort van olie voorzien,
+waarmede zij hunne vederen van buiten bestrijken, en deze olie maakt
+dat het water daar niet indringt. Hebt gij nooit van eenden op het
+land gezien, hoe zij met den snavel in hare vederen omplozen? Zij
+gebruiken dan die olie, om de veeren waterdicht te maken."
+
+"Hoe vreemd!"
+
+"Ja, wel merkwaardig.--Maar, daar komt Juno zeggen, dat de thee
+gezet is."
+
+Den derden dag na het invallen der stilte meende kapitein Osborn
+uit het diepe dalen van zijn barometer te moeten opmaken, dat er een
+hevige storm ophanden was, en verzuimde dus niet, alle toebereidselen
+te maken, om dien bij zijn losbreken het hoofd te bieden. En inderdaad
+had hij zich niet bedrogen. Tegen middernacht stegen plotseling donkere
+wolken aan den hemel op en pakten zich allengs dichter en dreigender
+opeen. Vlammende bliksemstralen doorkruisten in alle richtingen de
+nachtelijke duisternis, en toen de wolkgevaarten hooger klommen, stak
+ook de wind op, doch aanvankelijk slechts met enkele zware rukken,
+die eerlang weder door doodelijke stilte werden gevolgd.
+
+"Uit wat hoek, Flink, denkt ge, dat wij den wind te wachten
+hebben?" vroeg kapitein Osborn.
+
+"Om u de waarheid te zeggen, kapitein, geloof ik niet, dat hij lang
+in ééne richting blijven zal. Het zal eerst misschien duchtig uit
+het noorden blazen, maar dan, denk ik, zal hij wel spoedig naar eene
+andere streek overslaan en dan ons nog veel harder op het lijf vallen."
+
+"Wat zegt gij, Mackintosh?"
+
+"Wij zullen wind genoeg hebben en een duchtig aanhoudenden storm
+bovendien," antwoordde deze. "Hoe eer wij de luiken schalmen, des te
+beter zal het zijn."
+
+De heer Wilson had met Willem dit gesprek aangehoord, en daar Flink
+op het gelaat van zijn jongen vriend bij die laatste woorden eenige
+ongerustheid meende te lezen, klopte hij hem op den schouder en
+vermaande hem, zich niet vóór den tijd beangst te maken.
+
+"Voor mijzelf ben ik niet bang, Flink," verzekerde de moedige knaap;
+"maar moeder is deze beide laatste dagen weer zoo zwak geweest,
+dat ik om háár wel wenschen zou, dat de storm uitbleef."
+
+"Maar, Flink," vroeg de kapitein verder, "wat doet u denken, dat de
+wind draaien zal?"
+
+"Och, ik weet het zelf niet," antwoordde de oude man; "misschien vergis
+ik mij ook en kan stuurman Mackintosh gelijk hebben. De wind komt uit
+het noordoosten; zooveel schijnt althans zeker." Met deze woorden trad
+hij op het nachthuisje toe en zag opmerkzaam op het kompas. Vader en
+zoon keerden inmiddels naar de kajuit terug, en ook Mackintosh ging,
+om de noodige orders aan het volk te geven. Zoodra allen weg waren,
+vervoegde Flink zich weder bij den kapitein en zeide:
+
+"Kapitein, het past mij niet, den stuurman tegen te spreken, maar in
+een geval als dit moet ieder vrij voor zijn gevoelen uitkomen. Ik zou
+het mijne ook verdedigd hebben, als de vreemde heer met zijn zoon er
+niet bijgestaan hadden; maar nu wil ik u wel zeggen, dat wij nog iets
+ergers dan een storm te wachten hebben. Ik ben vroeger al meer onder
+deze breedte geweest en ben een oud zeeman, zooals gij weet. Daar is
+iets in de lucht, dat bemerkte ik voor drie dagen al. Ik ben zeker,
+dat het niet tot een storm, neen, dat het tot een volslagen orkaan
+komen zal,--en wat het ergste daarbij is, dat die denkelijk veel
+langer zal aanhouden, dan een storm doorgaans doet. Ik heb nauwkeurig
+op alles gelet en zelfs de vogels zeggen mij zoo, en die bedriegen
+nooit, daar het de natuur zelve is, die hen onderricht. De stilte tot
+hiertoe was niets anders dan de rust van den wind, die altijd zijn
+hevigst woeden voorafgaat.--En nu weet gij mijne vaste overtuiging."
+
+"Ik vrees, man, dat gij maar al te zeer gelijk hebt. Zorg dan,
+dat de bramraas neerkomen en laat al de kleine zeilen in de marsen
+opruimen. Besla den bezaan en doe den gaffel strijken. Ik wil zelf
+mee naar voren gaan."
+
+Er was werkelijk geen tijd te verliezen; want aan deze bevelen was
+nauwelijks voldaan, toen reeds een heftige storm uit het noordoosten
+losbrak. De zee rees met ontzettende snelheid; in allerijl werd
+het eene marszeil na het andere geborgen en het vaartuig vloog,
+enkel met gereefde fok en stormstagzeilen, door den wind gedreven,
+over de donkere golven. Slechts met de grootste inspanning gelukte
+het den drie mannen aan het rad, het roer vast te houden, zoo geweldig
+sloeg de hooggaande zee tegen de zijden van het schip. Niet een enkele
+onder de bij andere gelegenheden zoo zorgelooze matrozen waagde het
+gedurende dezen nacht een oog te sluiten, en in angstige verwachtingen
+zagen allen het aanbreken van den dag te gemoet. Tegen drie uren in
+den morgen ging de wind plotseling liggen, doch slechts voor eenige
+minuten, waarop hij, gelijk Flink voorspeld had, weder met nieuwe
+woede uit een anderen hoek het schip bestookte en de laatste zeilen
+aan flarden scheurde, die nog eenigen tijd aan de raas fladderden en
+eindelijk door den storm ver lijwaarts geslingerd werden.
+
+De hemel was in dikke duisternis gehuld en alleen het schuim, dat de
+woelende zee rondom het schip deed opspatten, verspreidde nu en dan een
+zwakken, akeligen lichtglans. De wind was nu naar het west-noordwesten
+gedraaid en zoo moest ook het schip zijn koers veranderen en was
+men gedwongen zich aan het geweld van den orkaan over te geven. Dit
+geschiedde ook, doch hieruit ontstond een nieuw bezwaar, want daar
+de zeeën in de vroegere windrichting uit het noordoosten liepen,
+kreeg het schip die op eenmaal dwars in, gelijk de zeelieden het
+noemen, en sloegen ieder oogenblik stortzeeën overboord, die alles,
+wat niet vaststond, wegspoelden. Zoo werd ook een der matrozen van
+het dek afgerukt en was reddeloos verloren, daar in zulk een orkaan
+aan pogingen tot redding niet te denken viel. Kapitein Osborn stond
+op het achterdek en hield zich aan een van de korvijnagels vast,
+terwijl hij Mackintosh, die bij hem was, toeriep:
+
+"Wat dunkt u, hoe lang kan dat nog duren?"
+
+"Misschien langer dan het schip zelf," antwoordde de stuurman met
+allen ernst.
+
+"Dat wil ik nog niet hopen," hernam de kapitein; "en erger kan het
+toch niet worden. Wat zegt gij, Flink?"
+
+"We hebben nu meer van ginder boven dan van de zee onder ons te
+vreezen," riep de tweede stuurman en wees naar de nokken van de raas,
+aan beide einden waarvan de electrische stof als kleine vuurballen
+vlamde. "Zie die twee wolkjes, die op elkaar stooten; als ik...."
+
+Flink had geen tijd om uit te spreken, daar een blauwe bliksemstraal
+den toeschouwers het gezicht verblindde en hen toen eenige seconden
+achtereen in zwarte duisternis hulde. Daarop volgde een vreeselijke
+donderslag, die het schip in zijn gansche lengte deed sidderen en
+schudden. Een dof gekraak--een ontzettende slag--een doffe kreet
+werd gehoord, en toen zij de verblinde oogen weer opslaan konden,
+zagen zij den fokkemast als een dun riet tot beneden toe gespleten
+en het schip in lichtelaaien gloed. De mannen aan het rad, geheel
+verblind en verbijsterd door het licht, konden het roer niet langer
+regeeren; het schip loefde op--krak! daar sloeg de groote mast over
+zij--en alles was opschudding en verwarring. De Vrede was op eenmaal
+een hulpeloos wrak geworden.
+
+Gelukkig--want anders ware alles reddeloos verloren geweest--werd
+de vlam door de zware golven, die over den bak heenrolden, spoedig
+gebluscht, doch nu lag het schip weerloos, aan de golven ten prooi,
+hevig te stooten tegen de overboord geslagen, slechts door het want
+nog vastgehouden masten. Zoodra zij van hun eersten schrik bekomen
+waren, liepen Flink en de eerste stuurman naar het rad en zochten het
+schip weder voor den wind te brengen; doch hunne poging mislukte, want
+fokkemast en hoofdmast waren weg en alleen de bezaansmast was nog over,
+waardoor het schip juist belet werd naar het roer te luisteren. De
+wakkere Flink liet twee matrozen dit laatste aanvatten; terwijl hij
+Mackintosh een teeken gaf want de wind huilde nu te sterk, dan dat
+men elkanders woorden nog had kunnen verstaan, eene bijl opgreep en
+het bezaanswant van zijn mast loshakte. De kruissteng en de top van
+den bezaansmast stortten overboord en zoo gelukte het hun eindelijk,
+het vaartuig voor den wind te brengen. Het vereischte nu nog veel tijd
+en inspanning, het wrak geheel van zijne masten vrij te maken, en toen
+men eindelijk tijd kreeg om op het dek rond te zien, vermiste men vier
+man, die door den bliksem gedood of onder den fokkemast verpletterd
+waren, zoodat thans, buiten kapitein Osborn en de beide stuurlieden,
+nog maar acht matrozen aan boord overig waren.
+
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+HET WRAK.
+
+
+Een zeeman geeft in het gevaar den moed niet op, zoolang hij nog
+eenige kans ziet om zich door eigen inspanning van het verderf te
+redden. Het verlies van hunne kameraden, die zoo plotseling uit hun
+midden gerukt waren,--de ellendige toestand van het schip,--de woeste
+golven, die hen als in een breeden waterkuil dreigden te begraven,
+het huilen van den orkaan,--de sissende bliksem,--het ratelen van den
+donder--dat alles kon hen niet weerhouden te doen, wat de nood van
+hen eischte. Mackintosh, de eerste stuurman, verzamelde zijn volk
+en sloeg zelf de handen aan het werk, om een blok en strop aan den
+nog rookenden stomp van den fokkemast vast te maken. Een touw werd
+door het blok geschoren en het groote bramzeil opgeheschen, zoodat
+het wrak weder met versnelde vaart voor den wind uitvloog en beter
+naar het roer luisterde.
+
+Het schip was weer voor den wind, en in vergelijking met vroeger
+tamelijk zeker, hoewel de narollende baren het van tijd tot tijd
+geweldig schokten. Andermaal begon de avond te vallen en nog was aan
+geen rust te denken. De manschap was door de onophoudelijke inspanning
+reeds ten hoogste afgemat. Kapitein Osborn en Flink waren meermalen
+in de kajuit geweest, om de beangste passagiers te troosten en gerust
+te stellen. Buiten zichzelven van angst en bezorgdheid, was mevrouw
+Wilson ernstig ongesteld, en haar man waakte aan haar bed. De kinderen
+werden vermaand in de hut bedaard te blijven en de kleine kwam niet
+uit de armen der onvermoeide en zorgdragende Juno.
+
+Reeds liep de derde dag van den storm ten einde en nog deden zich
+geene geruststellende teekens op. Door het onophoudelijk breken der
+stortzeeën over het achterschip, waren de kompashuisjes weggespoeld en
+men kon nu niet langer den koers, waarin het schip tot hiertoe gestuurd
+was, noch den doorloopen afstand bepalen. Het vreeselijk beuken en
+stooten der golven had reeds een lek teweeggebracht en zooveel was met
+zekerheid vooruit te zien, dat, zoo de storm niet spoedig bedaarde,
+de bodem niet lang meer tegen de zee bestand zou zijn.
+
+Van dit oogenblik af stonden angst en moedeloosheid op des kapiteins
+gelaat te lezen. De verantwoordelijkheid, die op hem rustte,
+drukte hem zwaar;--zelfs als nog enkelen er het leven afbrachten,
+had hij een kostbaar schip en eene nog veel kostbaarder lading te
+verliezen. Men naderde immers thans een punt, waar de oceaan met lage
+koraalriffen en eilandjes bezaaid was en moest met recht vreezen,
+in den tegenwoordigen hulpeloozen toestand, zonder een enkel middel
+van tegenstand, door wind en golven op een daarvan geworpen te worden.
+
+De oude stuurman stond naast hem, toen de kapitein zeide:
+
+"Ik heb slechten moed, Flink. Wij loopen het gevaar in den mond en
+hebben geen middel om het te ontwijken."
+
+"Dat is, helaas, zoo; alle middelen zijn ons benomen."
+
+"Er was menig man," sprak kapitein Osborn met ernst, "die mij benijdde,
+toen ik dit fraaie schip onder mij kreeg. Zou thans een hunner met
+mij willen ruilen?"
+
+"Ik denk voor 't naast--neen, kapitein, ofschoon geen mensch weet wat
+de dag van morgen mee kan brengen. Vol hoop liept gij met dit schip
+het zeegat uit; nu voelt gij, niet zonder grond, zoo iets, dat veel
+van moedeloosheid heeft. Maar wie weet? In allen gevalle hebt gij uw
+plicht gedaan en geen braaf man kan meer doen. Ik wou maar, kapitein,
+dat Mackintosh niet zoo schrikkelijk vloekte. Ik verbeeld mij altijd,
+dat de storm er sterker om huilt."
+
+"Gij hebt gelijk," was het antwoord; "maar houd vast, Flink: daar
+komt weer eene zee."
+
+Onze vriend had nog even tijd, om met beide handen de korvijnagels beet
+te pakken, toen zulk een watervloed zich over het schip uitstortte, dat
+zij een tijdlang met de voeten van boord werden gespoeld. Echter lieten
+zij hun houvast niet los en konden eindelijk weer op de been komen.
+
+"Dat heeft hem weer een knauw gegeven, wed ik," zeide Flink en nam
+den hoed af om het water weg te schudden.
+
+"Zoo vrees ik; het beste schip, dat ooit zee bouwde, is tegen zulke
+stooten niet bestand," antwoordde de kapitein. "En nu juist, met ons
+doodmoe volk, zie ik geen mogelijkheid, om meer zeil bij te krijgen."
+
+Den geheelen nacht door schoot het schip weder met vogelsnelheid over
+het water voort. Met het krieken van den dag ging de storm liggen en
+werd de verbolgen zee bedaarder; maar nog altijd moest men het schip
+voor den wind houden, want nadat dit reeds zoo geteisterd was, durfde
+men niet bijsteken. Men maakte thans toebereidselen, om noodmasten op
+te richten en de vermoeide matrozen waren daar juist druk mede bezig,
+toen de heer Wilson met zijn zoon Willem op het dek kwam.
+
+Willem staarde in het rond. Tot zijne verbazing zag hij, hoe de slanke
+masten met al hunne touwen en zeilen verdwenen waren en het gansche
+dek in een staat van wanorde en verwarring voor hem lag.
+
+"Zie, mijn jongen," sprak de vader, "wat ellende en vernieling hier
+heeft plaats gehad. Zie nu, 's menschen trotschheid is vernederd."
+
+"Ja, Willem," riep Flink hem toe; "zie maar eens aandachtig rond!"
+
+"Maar vader," vroeg Willem na eene poos, "hoe moeten wij nu zonder
+masten en zeilen naar Sidney komen?"
+
+"Wel, vriend Willem," antwoordde Flink, "wij moeten alles doen, wat
+maar in onze macht staat. Wij zeelieden staan zelden lang verlegen
+en, als 't goed gaat, zult gij ons vóór den nacht wel weer onder een
+lap of wat zeil zien. Wij hebben onze groote masten verloren; daarom
+moeten wij noodmasten opzetten, zooals men ze noemt--of kleine masten
+met klein zeil, en die brengen ons ook misschien nog wel naar Sidney
+toe.--Hoe maakt de goede mevrouw het, mijnheer?" vervolgde Flink,
+zich tot den vader keerende. "Is zij wat beter?"
+
+"Ik vrees, dat zij zeer ziek en zwak is," was het antwoord. "Alleen
+goed weer kan haar weer eenigszins doen bijkomen. Denkt gij, dat het
+nu opklaren zal?"
+
+"Neen, mijnheer, om u de waarheid te zeggen, vrees ik, dat het nog
+erger gaat spoken. Ik heb den kapitein mijne gedachten niet gezegd,
+want een mensch kan zich vergissen; maar toch, ik blijf er bij--ik heb
+niet tevergeefs volle vijftig jaren op zee omgezwalkt. De nevelbank,
+die daar ginder bijeentrekt, bevalt mij niet en 't zou mij niet
+verwonderen, als het nog eens uit denzelfden hoek begon te blazen en
+wel nog voordat het nacht wordt."
+
+"Het zij zoo!" sprak de heer Wilson. "Echter vrees ik zeer voor mijne
+vrouw, die al zoo door de zeeziekte verzwakt is."
+
+"Daarover zou ik mij niet al te ongerust maken, mijnheer, want ik
+heb nog nooit gehoord, dat menschen aan die kwaal gestorven zijn,
+hoeveel zij er ook door te lijden hadden.--Weet gij al Willem, dat
+wij eenigen van ons volk verloren hebben in den tijd, dat gij niet
+boven geweest zijt?"
+
+"Neen, ik hoorde den kok daar wel iets van mompelen, maar wilde hem
+niet vragen, omdat moeder reeds zoo in angst was."
+
+"Dat was heel braaf van u, mijn jongen; maar denk eens: we hebben vijf
+van onze rapste en beste matrozen verloren. Seevers werd overboord
+geslagen,--Fennings en Master zijn door den bliksem gedood,--en Jones
+en Emery zijn door den vallenden fokkemast getroffen. Gelooft gij
+wel, Willem, dat niet één dezer lieden er aan dacht, toen wij de
+Kaap verlieten of zelfs maar een dag of een enkel uur voordat het
+geschiedde, dat weldra hunne lichamen honderden mijlen ver van het
+land op zee zouden omdobberen?"
+
+"Ik ben van oordeel," zeide mijnheer Wilson, "dat een zeeman eigenlijk
+geen recht heeft om te trouwen."
+
+"Dat is ook altijd mijn gevoelen geweest," antwoordde Flink; "en
+zeker, menige arme verlaten matrozenvrouw, als zij 's nachts op haar
+bed naar den storm en regen luisterde, heeft evenzoo gedacht."
+
+"Met mijne toestemming," vervolgde de vader, "zullen mijn zoons
+nooit ter zee gaan, zoolang ik nog een andere betrekking voor hen
+vinden kan."
+
+"En gij hebt gelijk, mijnheer Wilson. Men zegt wel, dat het niets
+helpt, een knaap tegen te houden, wanneer hij zich het varen eens in
+het hoofd heeft gezet;--maar ik voor mij denk in dat geval anders. Ik
+geloof, dat een vader recht heeft om neen te zeggen; want ziet gij,
+mijnheer, zoo jong als zulk een knaap het baaitje aantrekt, heeft hij
+nog zijn volle verstand en oordeel niet. Ieder stoute, moedige jongen
+wil het zeegat uit,--dat is heel natuurlijk; maar als de meesten onder
+hen voor de ronde waarheid uitkwamen, zouden zij moeten zeggen, dat
+het niet zoozeer het verlangen naar zee was, dat hen verleidde, als
+wel de wensch, om de school of zelfs het vaderlijk huis te verlaten,
+waar zij onder het opzicht van meesters of ouders stonden."
+
+"Juist, juist, Flink; zij willen onafhankelijk zijn en dat hopen zij
+op zee te worden."
+
+"Maar daar bedriegen zij zich geweldig in; want, geloof mij, op de
+gansche wijde wereld wordt geen slaaf zoo gekweld en geplaagd, als
+zulk een arme knaap in de eerste tien jaren van zijn zeeleven. Voor
+ééne berisping, die hij aan land verdient, krijgt hij aan boord
+tiendubbel slagen en nooit vindt zulk een mensch de liefde en de
+genegenheid weder, die hij op vasten wal achterliet. Het is een hard
+leven en er zijn slechts enkelen, die het zich niet bitter beklaagd
+hebben en niet gaarne zouden willen terugkeeren--als hunne schaamte
+hen daarvan niet terughield."
+
+"Dat is de zuivere waarheid, Flink, en daarom geloof ik ook, dat een
+vader ten volle recht heeft, als hij zijn zoon niet toelaat, ter zee
+te gaan, zoolang hij hem op eenige andere wijze een behoorlijk bestaan
+kan verschaffen. Het zal daarom toch nooit aan matrozen ontbreken,
+daar er nog altijd arme jongens in menigte zijn, voor wie hunne
+betrekkingen niet beter zorgen kunnen, en voor zulke lieden is de
+zee zekerlijk de beste keus, daar zij hier geen ander kapitaal dan
+moed en ijver tot hunne bevordering noodig hebben."
+
+"Datzelfde heb ik ook steeds gedacht, mijnheer," hernam Flink. "Maar
+hoe maakt uw zoon Thomas het toch, en de andere kleinen en de arme
+Juno?"
+
+"Die zijn allen vrij wel, behalve dat zij zich nu en dan door
+uitglijden eens wat zeer deden, als het schip zoo geweldig
+slingerde. Maar ik mag hier niet langer blijven," vervolgde de heer
+Wilson; "mijn arme vrouw zal naar mij verlangen. Wilt gij nog langer
+op het dek blijven, Willem?"
+
+"'t Is beter, dat hij met u omlaag gaat;" zeide Flink; "wij allen
+hebben hier de handen te vol en ik kan mij niet met hem bemoeien. Dezen
+nacht hebben wij weer geen rust te wachten, 't moge gaan hoe 't wil,
+daar ons getal thans zoo klein is. Goedennacht dan, heerschappen,
+rust wel!"
+
+
+
+
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+ALS HET WATER TOT DE LIPPEN KOMT, IS OOK VAAK UITKOMST NABIJ.
+
+
+Toen vader en zoon in de kajuit kwamen, vonden zij er dadelijk handen
+vol werk. De hofmeester had een schotel erwtensoep voor de kinderen
+gebracht en deze was brandend heet. Thomas, die naast zijn zusje in
+'t bed overeind zat, had Juno, die met den rechterarm haar kleinen
+Albert vasthield, het bord uit de linkerhand getrokken en dit in zijn
+ongeduld over de arme Caroline uitgestort, die een kreet gaf van pijn;
+terwijl Juno, vol verlangen om Caroline te helpen, opgesprongen en op
+den grond gevallen was met den kleine, die, hoewel niet bezeerd, nu
+ook een geduchte keel opzette. Tot overmaat van ramp was Juno op des
+kapiteins dashond neergekomen en deze had haar daarvoor in het been
+gebeten, waarop ook Juno het luid uitschreeuwde en mevrouw Wilson,
+bevend en radeloos van angst, zich van hare kussens had opgericht
+en gaarne had willen, maar niet kunnen helpen. Daar kwam haar man
+gelukkig nog juist bijtijds, om Juno met den kleine op te helpen. Hij
+zocht vervolgens de arme Caroline tot bedaren te brengen, die zich,
+gelijk nu bleek, nog niet zoo erg gebrand had, als men verwachtte.
+
+"Massa Thomas ben toch stout ondeugend jonk," jammerde de negerin
+en wreef zich het been. De "ondeugende jonk" oordeelde maar 't best,
+zich stil te houden;--hij werd terdeeg beknord. De hofmeester kwam de
+tafel schoonmaken, en zoo keerde alles eindelijk weder tot de vorige
+orde terug.
+
+Onderwijl was men ook op het dek niet werkeloos gebleven. De timmerman
+had eene opening voor een der stengen gemaakt, die den grooten mast
+moest vervangen; terwijl het andere volk het want weder in gereedheid
+bracht. Ongelukkig had het schip een lek gekregen en vier handen
+waren aan de pompen bezig en moesten daar bijna voortdurend werkzaam
+zijn. Gelijk Flink voorzegd had, was ook de nacht niet daar, of de wind
+verhief zich weder, de zee werd holler en woester en het lek nam zoo
+toe, dat men elk ander werk moest opgeven, om alleen bij de pompen te
+blijven. Zoo duurde de storm twee volle dagen lang, totdat de geheel
+uitgeputte matrozen te laatste ook niet meer pompen konden. Aan den
+gang van het schip was te zien, dat er reeds veel water in het ruim was
+binnengedrongen, en thans--om het ongeluk ten top te voeren--gebeurde
+er nog eene nieuwe ramp, die de ernstigste gevolgen had.
+
+Kapitein Osborn was vóór op het schip en gaf eenige orders aan zijn
+volk, toen de blokstrop, die de groote bramra aan den stomp van den
+fokkemast vasthield, eensklaps losging, zoodat ra en zeil op het dek
+neerploften en den kapitein bewusteloos deden neervallen. Zoolang
+hij aan hun hoofd had gestaan, hadden de matrozen, vol eerbied voor
+zijne erkende bekwaamheid als zeeman en bemoedigd door het hem eigen
+goed humeur, hunne taak gaarne en gewillig verricht, maar thans,
+nu hij, zoo al niet dood, toch in allen gevalle buiten kennis en
+tot handelen niet in staat was, thans werd het op eenmaal anders en
+ontbrak het geheel aan het vereischte gezag. Mackintosh was bij het
+volk te weinig bemind, dan dat zijne woorden eenigen invloed hadden
+kunnen uitoefenen. Zij sloegen zijn vermaningen en bevelen in den
+wind en staken de hoofden bijeen, om onderling te beraadslagen.
+
+"Het ergste is geleden. De orkaan is gebroken, mannen, en wij hebben
+nu goed weer te wachten," merkte Flink aan en vervoegde zich bij de
+matrozen aan het volkslogies. "De wind is haast op, zooals gij zelven
+zien kunt."
+
+"Ja, en het schip is ook haast op," antwoordde een matroos; "daar is
+nog veel minder aan te twijfelen."
+
+"Een paar uren stevig aan de pompen gewerkt, dat zou nu goed doen,"
+vervolgde Flink. "Wat zegt gij, jongens?"
+
+"Een stevig oorlam zou ons meer goed doen," hernam de zeeman. "Wat
+zegt gij, jongens? De kapitein, als hij spreken kon, de arme drommel,
+zou ons dat zeker niet weigeren."
+
+"Wat zijt gij van zins, jongen?" vroeg Mackintosh. "Ge wilt u toch
+niet dronken drinken, hoop ik?"
+
+"Waarom niet?" riep een ander uit den hoop. "Het schip moet toch
+spoedig te gronde gaan."
+
+"Dat is mogelijk,--ik wil het niet tegenspreken," zeide Mackintosh;
+"maar dat is nog geen grond, waarom wij niet gered zouden worden. Als
+ge u nu echter dronken drinkt, is er geen denken aan, dat een van
+ons er het leven zou afbrengen en mij is mijn leven lief. Ik ben
+bereid om u in alles bij te staan, waartoe gij besluiten mocht, en
+gij hebt maar te zeggen wat gebeuren moet; maar drank zult gij niet
+hebben. Zoolang ik het beletten kan, kunt gij daar staat op maken."
+
+"En hoe zoudt gij ons dat beletten?" vroeg een der matrozen op
+dreigenden toon.
+
+"Twee vastberaden mannen kunnen veel doen,--ik mag zeggen drie, want
+in dit geval is stuurman Flink op mijne zijde en ook op den passagier
+in de kajuit kan ik tot bijstand rekenen. Bedenkt, dat alle geweren
+in de kajuit zijn. Maar waarom zouden we samen twisten?--Zegt mij
+ronduit, wat ge denkt te doen; en als ge nog niets besloten hebt,
+wilt ge dan nog naar mijn voorslag luisteren?"
+
+Daar des stuurmans moed en vastberadenheid wel bekend waren,
+beraadslaagden de matrozen nog een tijdlang samen en vroegen hem toen
+naar zijn plan.
+
+"Wij hebben nog een goede boot," antwoordde Mackintosh, "de nieuwe
+sloep is behouden. De andere booten, weet gij, zijn overboord gespoeld,
+met uitzondering van de kleine boot achter, die nochtans onbruikbaar
+is, daar de zee ze bijna verbrijzeld heeft. Nu kunnen wij niet heel
+ver meer van de eilanden af wezen, ja, ik geloof zelfs dat wij er reeds
+tusschen zijn. Laten wij de boot van al het noodige voorzien en daartoe
+getroost en vlug te werk gaan. Neemt zooveel drank, als gij weet, dat
+u niet schaden kan en laat ons ook nog een goeden voorraad daarvan
+medenemen. De sloep is met mast, tuig en riemen in goeden staat en
+het moest al vreemd zijn, zoo zij ons niet ergens behouden aan land
+bracht.--Kameraad Flink, is de raad, dien ik hier geef, goed of niet?"
+
+"Volkomen goed, Mackintosh;--slechts nog één ding: wat moet er van de
+kajuitpassagiers, de vrouwen en kinderen worden? En wilt gij onzen
+armen kapitein, die daar ligt te ijlen, hulpeloos achterlaten? Of
+wat wilt gij anders aanvangen?"
+
+"Wij willen den kapitein niet verlaten!" riep een van de matrozen.
+
+"Neen--neen, onze kapitein moet mee!" herhaalden de overigen.
+
+"En de passagiers?"
+
+"Het spijt mij van hen," antwoordde de eerste spreker; "maar wij
+zullen genoeg te doen hebben, om ons eigen leven te redden. De boot
+kan ons nauwelijks bergen."
+
+"Ik moet u gelijk geven, jongens," sprak Mackintosh. "Het hemd is
+nader dan de rok. Welaan dus, wat zegt gij?--Blijft het besloten?"
+
+"Ja!" riepen de matrozen eenstemmig, en Flink wist wel, dat hier iets
+tegen in te brengen geheel vruchteloos zijn zou.
+
+Zij gingen nu terstond tot het uitrusten der boot en het aanbrengen
+van den vereischten voorraad over. Beschuit, pekelvleesch,
+eenige tonnen water, een vat met rum werden bij de valreeptrap
+bijeengebracht. Mackintosh haalde zijn octant, een kompas en eenige
+geweren met kruit en lood boven; de timmerman maakte met de hulp van
+een matroos eene opening in de verschansing, om de boot daardoor van
+boord neer te laten; want thans, nu de masten ontbraken, kon men die
+natuurlijk niet daaraan ophijschen. Na verloop van een uur was alles
+gereed. Een lang touw werd aan de boot vastgesjord, deze hierop aan
+de opening gesleept, waardoor zij te water gaan moest en het schip
+vervolgens dwarswinds gebracht. Flink had aan dit werk niet geholpen,
+maar een-, of tweemaal gepeild, om te onderzoeken of het water in het
+schip ook geklommen was en zich daarna bij kapitein Osborn neergezet,
+die nog altijd bewusteloos lag van den slag, die hem op het hoofd
+had getroffen. Toen het schip in den wind was gebracht, kwam mijnheer
+Wilson boven en zag rond.
+
+Hij zag de boot gereed om af te loopen, water en proviand bij het
+boord en het schip langzaam met de deining voortdrijven.--Eindelijk
+ontdekte hij Flink, aan de zijde gezeten van den kapitein, die daar
+schijnbaar dood nederlag.
+
+"Wat beduidt dit alles, Flink?" vroeg hij. "Willen zij het schip
+verlaten? En hebben zij hun kapitein omgebracht?"
+
+"Neen, mijnheer, zoo erg is 't nog niet. De arme kapitein is door
+de vallende ra getroffen en ligt sedert buiten kennis; maar wat het
+andere aangaat, ik vrees, dat het zoo besloten is. Gij ziet, dat men
+daar de boot van boord stoot."
+
+"Maar mijne arme vrouw! Zij is nooit in staat om mee te gaan; ze kan
+zich nauwelijks verroeren,--ze is doodzwak!"
+
+"Ik moet u tot mijn leedwezen zeggen, dat die dáár ook niet voornemens
+zijn uzelf of uwe vrouw en uwe kinderen mee te nemen."
+
+"Wat! ze willen ons hier laten omkomen? Barmhartige Hemel! hoe
+wreed,--hoe barbaarsch!"
+
+"Het is niet menschlievend van hen gehandeld, mijnheer; maar ziet gij,
+zoo is de natuur van den mensch. Als eens 't leven er mee gemoeid is,
+dan denkt iedereen aan zichzelf, want het leven is zoet. Zij zijn
+niet harder tegen u, dan zij ook tegen elkaar zijn zouden, als zij
+te sterk in aantal waren en de boot niet allen opnemen kon. Ik heb
+dat al zelf mede beleefd," antwoordde de oude man zeer ernstig.
+
+"Mijne vrouw! mijne arme kinderen!" riep de wanhopende vader en bedekte
+het gezicht met beide handen. "Doch ik wil met hen spreken," vervolgde
+hij; "zeker zullen zij naar het gebod der menschelijkheid luisteren,
+en in allen gevalle heeft stuurman Mackintosh nog wel eenigen invloed
+op hen. Gelooft gij dat ook niet, Flink?"
+
+"Daar gij mij dat vraagt, mijnheer, moet ik u zeggen, dat er geen
+harder hart onder hen is, dan dat van Mackintosh en dat het u evenmin
+helpen zal, of gij met hem spreekt of met een van de overigen. Ook moet
+gij die menschen niet te streng beoordeelen: de sloep is klein en kan
+met den voorraad, dien zij meenemen, ook niet meer koppen bergen;--dáár
+zit de zwarigheid. Wou men u en uwe familie nog innemen, dan kon
+dat de oorzaak van alles zijn. Geloof mij, als ik zelf anders dacht,
+zou ik zeker alles doen, om hen over te halen; doch het helpt niets."
+
+"Maar wat dan te doen, Flink? Gaat gij niet met hen mede?"
+
+"Neen, mijnheer Wilson. Ik heb het laatste uur daarover nagedacht
+en ben nu besloten bij u achter te blijven. Zij willen den armen
+kapitein meenemen, om hem misschien te redden, en vroegen ook mij;
+maar ik blijf hier."
+
+"Om met ons om te komen?" was de verbaasde vraag.
+
+"Al naar 't God behaagt, mijnheer Wilson. Ik ben oud en grijs, aan
+mij is weinig gelegen; ik hoop ook, dat ik mij zoo goed op den dood
+heb voorbereid, als dat in mijne geringe krachten stond. Geloof mij,
+mijnheer, ik denk veel meer aan uwe kinderen, dan aan mijzelven. Het
+scheelt mij weinig, of ik een paar jaren vroeger of later sterf, doch
+'t zou mij diep ter harte gaan, als zulke lieve bloempjes al zoo in de
+eerste lente werden afgesneden. Ik kan van nut zijn door mijn blijven,
+want ik draag een ouden kop op mijne schouders en voor geen geld zou
+ik u aan het verderf overlaten, zoolang gij nog misschien gered kunt
+worden, wanneer ge slechts wist, hoe te doen. Maar zie, daar komen
+de matrozen; de boot is geheel klaar en zij willen nu onzen braven
+kapitein wegdragen."
+
+De zeelieden traden toe en beurden den nog altijd bewusteloozen
+kapitein op. Onder het weggaan riep een hunner: "Kom, stuurman,
+wij hebben geen tijd meer te verliezen."
+
+"Denkt niet aan mij, vrienden; ik blijf hier op het wrak," antwoordde
+Flink. "Ik wensch u van ganscher harte eene behouden vaart. En aan
+u, Mackintosh, heb ik slechts dit ééne verzoek: als gij gered zijt,
+vergeet dan niet, wie ge hier aan boord hebt gelaten en laat ons dan
+tusschen de eilanden opzoeken."
+
+"Gekheid, Flink, kom mee in de boot!" antwoordde de eerste stuurman.
+
+"Ik zal hier blijven; kameraad; en ik bid u alleen, dat gij doen zult,
+wat ik van u verlang. Laat aan mijnheer Wilsons vrienden weten, wat
+hier is voorgevallen en waar men ons het best kan opsporen. Dat is
+alles, wat ik van u verlang. Wilt gij mij dit ééne beloven?"
+
+"Ja, Flink, ik wil, wanneer gij dan toch bepaald besloten hebt te
+blijven. Maar," vervolgde hij, op Flink toetredende en hem in het
+oor fluisterende, "het is waarachtig gekheid:--kom mee, man!"
+
+"Vaarwel dan, vriend Mackintosh," antwoordde Flink en gaf hem de
+hand. "Gij zult zeker uwe belofte houden?"
+
+Na nog vele verdere vermaningen van de zijde der matrozen waarvoor
+Flink echter doof bleef, stak de boot eindelijk af en stuurde naar
+het noordoosten.
+
+
+
+
+
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+DE SCHIPBREUK.
+
+
+Een tijdlang, nadat de boot het schip verlaten had, stond de oude
+Flink met over elkaar geslagen armen zwijgend uit te zien. Mijnheer
+Wilson stond bij hem. Hij kon geen woord spreken, het hart was hem
+te vol. Naarmate de sloep zich verder van het schip verwijderde,
+scheen ook zijne laatste hoop meer en meer te verdwijnen en schenen
+vrouw en kinderen, hijzelf en de oude man, die aan zijne zijde stond,
+aan een onvermijdelijken ondergang prijsgegeven. Zijne gelaatstrekken
+drukten volslagen moedeloosheid en vertwijfeling uit. Ten laatste
+nam Flink het woord:
+
+"Zij denken zeker, dat zij zichzelven redden en dat wij vergaan zullen,
+mijnheer, doch het kan nog wel anders loopen."
+
+"Het is waar," antwoordde de bedroefde vader; "maar welke hoop ons
+nog zou overblijven op een zinkend schip, met zoovele hulpelooze
+wezens om ons heen, dat, moet ik bekennen, kan ik niet begrijpen."
+
+"Wij moeten ons best doen en dan ons aan Gods wil onderwerpen,"
+hernam de oude zeeman en ging toen naar achteren, waar hij het roer
+weder oplegde, zoodat het schip andermaal voor den wind kwam.
+
+Wat Flink aan de matrozen voorspeld had, voordat zij het schip
+verlieten geschiedde werkelijk; de storm had uitgewoed en ook de zee
+was reeds aanmerkelijk bedaard. Niettemin dreef het schip slechts
+langzaam door het water en na eenigen tijd zette Flink het stuurrad
+vast en kwam weder bij den heer Wilson op het voordek. Deze had zich,
+in een staat van wanhoop naar het scheen, op het zeil neergeworpen,
+waarop kapitein Osborn na zijne verwonding gelegd was.
+
+"Het doet mij leed, mijnheer, dat ik u storen moet; maar voelt gij u
+door troosteloosheid overweldigd, dan kan u ik misschien een weinig
+hoop geven."
+
+"Ik heb gebeden," antwoordde Wilson en stond op: "en sedert heb ik
+mijn zinnen zooveel mogelijk bijeenverzameld, die zekerlijk zeer
+verward zijn. Wat mij het meest beangst, is, hoe onzen hulpeloozen
+toestand aan mijne lieve vrouw mede te deelen."
+
+"Ik zou er rond voor uitkomen, indien ik onzen toestand als hopeloos
+beschouwde," hernam Flink; "maar hopen blijft zelfs in het ergste
+geval geoorloofd. Doch luister, mijnheer, ik wil als zeeman spreken
+en u zeggen, welke mogelijkheid er thans nog voor ons over is. Het
+schip is half vol water geloopen, daar 't geweld van den storm de naden
+opende waardoor het naar binnen drong; maar nu, sedert de zee bedaarde,
+heeft zich dat al vrij wat weer hersteld. Ik heb in het ruim gepeild
+en bevonden, dat het water deze beide laatste uren maar een paar
+duim gewassen is en daar het schip langzamerhand zijne naden weder
+sluit, zal het spoedig nog wel beter worden. Indien het goede weder
+vooreerst aanhoudt, behoeven wij niet te vreezen, dat het schip zoo
+spoedig zinken zal; en daar wij ons nu tusschen de eilanden bevinden,
+is het niet onmogelijk, ja zelfs waarschijnlijk, dat wij ons vaartuig
+op een daarvan zullen kunnen laten stranden en zoo nog lijf en leven
+redden. Dat alles heb ik bedacht, toen ik weigerde in de boot te
+gaan, en ik bedacht ook, mijnheer, dat indien ik u evenals de anderen
+verliet, gij voor uzelf niet in staat zijn zoudt, van zoovele gunstige
+omstandigheden, die tot ons behoud misschien nog bijdragen kunnen,
+behoorlijk partij te trekken.--Daarom ben ik gebleven en hoop het
+werktuig te worden, dat u en al de uwen uit dezen akeligen toestand
+redt. Mij dunkt, het zou nu 't best zijn, dat gij weer in de kajuit
+gingt, uwe arme vrouw met een vroolijk gezicht de gunstige verandering
+van het weer berichttet en haar zeidet, dat wij hoop hebben, aan eene
+of andere veilige kust te landen. Als zij nog niet weet, dat het volk
+het schip verlaten heeft, moet gij haar daar niets van doen merken. Gij
+kunt immers zeggen, dat de hofmeester met de andere matrozen aan het
+werk is, want dat is hij ook waarlijk, en zoo het mogelijk was, zou ik
+u raden, alles, wat sedert is voorgevallen, te verzwijgen. Uw Willem
+moogt gij het wel toevertrouwen, of liever, zend hem boven bij mij
+en ik zal met hem spreken.--Zeg nu, wat dunkt u van de zaak, mijnheer?"
+
+"Ik weet nauwelijks, Flink, wat ik denken of hoe ik u voor uwe
+zelfopoffering in dezen nood behoorlijk danken moet. Wees verzekerd,
+uw raad is voortreffelijk; ik zal hem in alles ten stipste opvolgen,
+en mocht het ons gelukken den dood te ontgaan, die ons thans van alle
+kanten aangrijnst, dan zal mijne dankbaarheid...."
+
+"Spreek daar niet van, mijnheer; ik ben een oud man, heb slechts weinig
+behoeften en mijn leven is ook maar van gering nut. Wat ik wensch te
+behouden is de bewustheid, dat ik in dezen toestand mijn plicht naar
+mijn beste vermogen heb zoeken te vervullen. Wat kan de wereld veel
+aanlokkelijks hebben voor een man, die zich altijd met moeite door
+het leven heeft heen geworsteld en thans vrienden noch magen bezit,
+die zich om zijn dood bekommeren! Niettemin dank ik u hartelijk,
+mijnheer Wilson; maar nu zal 't beter zijn, dat gij naar omlaag gaat,
+terwijl ik hierboven een wakend oog houd."
+
+De heer Wilson drukte den braven man met hartelijkheid de hand en
+ging toen naar beneden, zonder verder een woord te spreken. Hij vond
+zijne vrouw in slaap; ook de kinderen lagen rustig in hunne bedden;
+alleen Juno en Willem waren op.
+
+Willem gaf zijn vader een teeken dat zijn moeder sliep, en zeide
+zachtjes: "Ik wou niet uit de kajuit gaan, terwijl gij boven op
+het dek waart; maar de hofmeester heeft zich in geen twee uren meer
+laten zien. Hij kwam nog om de geit te melken en na dien tijd niet
+meer. Geen van ons allen heeft nog ontbijt gehad."
+
+"Willem, ga op het dek," antwoordde zijn vader. "Flink heeft u iets
+te zeggen. Ik wil zoolang hier blijven."
+
+Onze jonge vriend vervoegde zich bij Flink, die hem in korte woorden
+met den toestand bekendmaakte, waarin zij zich thans bevonden. Hij
+bracht hem onder het oog, hoe noodzakelijk het was dat hij alles
+beproefde wat in zijne macht stond, om zijn vader en hem (Flink)
+te ondersteunen en zijne moeder in haar lijdenden toestand niet te
+verontrusten. Gelijk natuurlijk is, maakte, wat hij hier hoorde,
+op Willem een diepen indruk, doch hij vatte toch spoedig weer moed
+en beloofde in alles zijn best te zullen doen.
+
+"Maar, Flink," zeide hij, "de hofmeester, weet ge, is nu met de
+anderen weg, en als moeder wakker wordt, zal hare eerste vraag zijn,
+of wij al ontbijt gehad hebben. Wat kan ik doen?"
+
+"Dat weet ik niet; maar mij dunkt, ge kunt eene van de geiten melken,
+als ik u dat voorgedaan heb, en onderwijl wil ik voor het verdere
+zorgen. Ik kan wel eens van het dek, want het schip stuurt nu zichzelf
+vrij goed.--En, Willem, ik heb juist voordat gij kwaamt, naar het
+water omgezien en geloof, dat wij niet veel meer inkrijgen. En,"
+vervolgde hij en liet zijne oogen in het rond gaan, "wij zullen goed
+weer krijgen en ook nog voor den nacht eene kalme zee."
+
+Daar beiden elkander hielpen, was het ontbijt spoedig gereed, terwijl
+mevrouw Wilson nog voortdurend in een gezonden slaap lag. De beweging
+van het schip was thans zeer gering, daar het ingedrongen water zijn
+diepgang aanmerkelijk had doen toenemen. Zee en wind waren bedaard
+en de zon scheen helder en verwarmend aan den hemel. De boot had men
+reeds eenigen tijd geheel uit het gezicht verloren en het wrak stuurde
+zacht, niet sneller dan drie mijlen in het uur, door het water heen,
+want het had slechts een enkel zeil, het groote bramzeil namelijk,
+dat men op den stomp van den fokkemast had bijgezet.
+
+Flink was voor eenige oogenblikken in de kajuit gegaan en sloeg
+mijnheer Wilson voor, Juno met de drie kleinen op het dek te
+zenden. "Het verveelt hen, hier zoo stil te zijn," zeide hij;
+"en daar mevrouw eindelijk eens gerust slaapt, zou het jammer zijn,
+haar te wekken. Daar zij zooveel geleden heeft, kan haar slaap nog
+wel eenige uren aanhouden, en hoe langer, hoe beter, want zij zal
+hare krachten misschien spoedig noodig hebben."
+
+Mijnheer Wilson keurde dezen voorslag goed en ging met Juno en de
+kinderen op het dek, terwijl hij Willem achterliet, om bij zijne
+moeder te waken. De goede negerin was uiterst verbaasd, toen zij de
+trap opkwam en den staat van het schip en de afwezigheid der matrozen
+ontdekte; doch haar meester verhaalde haar wat er was voorgevallen, met
+de ernstige vermaning, om er zijne vrouw geen woord van te zeggen. Juno
+beloofde dit, ofschoon het arme meisje wel bemerkte in welk gevaar
+men verkeerde, en toen zij den kleinen Albert aan hare borst drukte,
+rolden haar twee zware tranen over de wangen neer. Zij dacht daarbij
+niet aan zichzelve, maar wat er van dat lieve kleine schaap worden
+moest. Zelfs Thomas en Caroline konden niet nalaten te vragen, waar
+de masten en zeilen gebleven waren en waarom kapitein Osborn hun niet
+wat lekkers bracht.
+
+"Zie, zie daar ginder eens, mijnheer!" riep Flink en wees naar een
+hoop drijvend zeewier.
+
+"Ik zie het wel," was het antwoord; "maar wat zou dat?"
+
+"Dat alleen zou op zichzelf nog niet veel beteekenen," hernam Flink;
+"maar wij zeelieden hebben nog andere merkteekenen, waarop wij
+afgaan. Ziet gij ginder die vogels wel over het water heenstrijken?"
+
+"O ja, zeer duidelijk."
+
+"Welnu, die vogels begeven zich nooit ver van land. Thans begrijpt
+ge wat ik meen.--En nu, mijnheer, ga ik mijn octant eens halen en
+al kan ik onze lengte nog niet dadelijk vinden, zoo kan ik toch de
+breedte wel bepalen. Als wij de kaart raadplegen, kunnen wij dan wel
+ongeveer gissen, waar wij zijn, als wij eens land voor ons zien. Het
+is nu omtrent middag," vervolgde Flink, terwijl hij zijne berekening
+maakte; "de zon rijst heel langzaam.--Zoo'n kind is toch een gelukkig
+schepsel! Zie eens, mijnheer, spelen uwe kleintjes daar niet zoo
+vroolijk, alsof er geen gevaar in de wereld was en ze thuis in de
+kinderkamer waren? Ofschoon er niets is, dat mij meer leed doet,
+als het gebeurt denk ik toch vaak, mijnheer, dat het een werkelijk
+geluk voor zulk een wicht is, als het al vroeg wordt weggenomen en
+dat de ouders niet goed doen, daar zoo bitter over te klagen."
+
+"Gij kunt gelijk hebben," gaf de vader ten antwoord en wierp daarbij
+een treurigen blik op zijne lievelingen.
+
+"Het is twaalf uren, mijnheer. Ik ga beneden gauw onze breedte
+berekenen en zal dan de kaart hier meebrengen."
+
+Mijnheer Wilson bleef boven. Spoedig was hij in diepe, sombere
+gedachten verzonken. Geen wonder ook! Het schip een zinkend,
+verlaten wrak,--hij alleen op de breede watervlakte met vrouw en
+kinderen,--niemand tot zijnen bijstand dan een enkel mensch: en had
+ook deze ééne hem eens verlaten, gelijk de overigen deden, wat ware
+dan waarschijnlijk zijn lot geweest? De uiterste hulpeloosheid. En
+nu, wat hadden ze nu te hopen? Hunne stoutste hoop was, nog eenig
+eiland te bereiken en, gelukte dit, wellicht was het dan een woest
+eiland, misschien zelfs wel door wilden bewoond.--Wat was dan het
+vooruitzicht?--Vermoord te worden of van honger en dorst om te
+komen! Of gesteld ook, dat zij de middelen tot hun levensonderhoud
+vonden, wat dan nog? Zouden zij hun leven daar slijten moeten en
+onbekend en onbemerkt wegsterven? Het was eerst nadat hij deze treurige
+gedachten als met geweld had verbannen, dat de bedrukte man gevoelde
+moed te bezitten, om elke beproeving, die hem nog verder mocht worden
+opgelegd, als man door te staan.
+
+"Hier is de kaart, mijnheer," riep Flink. "Ik heb met eene
+potloodstreep onze breedte aangeduid. Zooals gij ziet, gaat zij juist
+midden door deze groep eilanden, en, naar 't mij voorkomt, moeten wij
+er op dit oogenblik reeds tusschenin of er althans niet ver meer af
+zijn. Nu wil ik zorgen, dat wij vanmiddag iets te schaften krijgen,
+en dan moeten wij op den uitkijk, of zich ook land vertoont. Wilt gij
+onderwijl uwe oogen maar gebruiken, vooral naar voren en lijwaarts
+uit?"
+
+De onvermoeide man ging zien, wat hij voor den maaltijd bijeen
+kon brengen; en gebrek daaraan bestond er niet, daar de matrozen
+bij hun vertrek slechts weinig en wat het naast bij de hand lag
+hadden meegenomen. Weldra vond hij een stuk pekelspek en eenige
+aardappelen, die hij in de braadpan legde en waarvan hij zich een
+voor de omstandigheden kostelijk gerecht beloofde.
+
+Mijnheer Wilson stond nog voorop en zag over den boeg uit, toen de
+stuurman weer bij hem kwam.
+
+"Flink, mij dunkt, ik zie iets, doch ik kan niet met zekerheid zeggen,
+wat het is. Het schijnt in de lucht te hangen en toch kunnen het geen
+wolken zijn. Zie eens, dáár, waar ik met den vinger heen wijs."
+
+"Gij hebt gelijk, mijnheer," riep Flink; "daar is iets. Het is niet
+het land, dat gij ziet, maar 't zijn boomen, die weerkaatst worden,
+gelijk men het noemt, waardoor het den schijn heeft, of zij in de
+lucht zweefden. Dit is een eiland; gij kunt daar staat op maken. Ik
+ga mijn kijker halen en dan zullen wij meer zien."
+
+"Het is werkelijk land mijnheer," verzekerde hij, na het door zijn
+kijker te hebben opgenomen.--"Ja, ja, het is zoo," ging hij nadenkend
+voort. "Ik wenschte, dat wij het vroeger ontdekt hadden; en toch
+moeten wij dankbaar zijn."
+
+"Hoe zoo, Flink?"
+
+"Ik meen maar.... daar het schip zoo langzaam over het water glijdt,
+vrees ik, dat wij de kust niet voor den donker halen zullen, en ik
+had die liever nog bij daglicht bereikt, om eene gunstige plaats tot
+stranden te kunnen kiezen."
+
+"Er is weinig wind op dit oogenblik."
+
+"We willen dan hopen, dat we wat meer krijgen," antwoordde Flink;
+"zoo niet, zullen we toch ons best doen. Maar nu is mijne plaats
+aan het roer, want wij moeten recht op het eiland aanhouden. Het
+te laten liggen gaat niet, want ofschoon het schip niet zooveel
+water meer maakt, als het gedaan heeft, wil ik u toch wel zeggen,
+dat het zich bezwaarlijk vierentwintig uren meer boven zal kunnen
+houden. Toen ik dezen morgen in het ruim peilde, dacht ik anders,
+maar daareven, bij het halen van het vleesch, ontdekte ik, dat wij
+in grooter gevaar verkeeren, dan ik had geloofd. Het land ligt daar
+nu echter vóór ons en wij hebben alle hoop."
+
+"Gelukkig!" sprak mijnheer Wilson.
+
+Flink begaf zich aan het roer en richtte den koers recht op de kust,
+die niet zoo ver af lag, als men in den beginne geloofd had, daar het
+eiland zeer laag en vlak bleek te zijn. Van lieverlede verhief de wind
+zich eenigermate en dreef het schip rasscher voort. Aldra zag men de
+boomen, die eerst in de lucht schenen te zweven, te gelijk met het
+land en kon men dit als een laag, met groepen van kokosboomen overdekt
+koraaleiland onderscheiden. Van tijd tot tijd vertrouwde Flink het
+roer aan mijnheer Wilson toe en ging naar voren, om door zijn kijker
+te turen. Toen zij nog drie of vier mijlen van land verwijderd waren,
+kwam Flink van den bak terug en riep: "Ik geloof mijn weg nu vrij
+duidelijk voor mij te zien. Ge ziet, we zijn loefwaarts van het eiland
+en zulke koraalbanken hebben dáár altijd diep water, maar de klippen
+en ondiepten aan lij. We moeten de eene of andere kleine kloof in het
+koraal opzoeken en het schip daar doorheen brengen, omdat het anders
+licht weer van den grond afraakt en in het diepe water terugvalt. Mij
+dunkt, ik heb al een plek in 't oog, waar ik het schip veilig op het
+droge kan zetten. Gij ziet daar die kokosboomen dicht bij elkander op
+het strand? Welnu, mijnheer, ik kan ze niet goed zien, terwijl ik het
+roer houd, maar ga gij naar voren en let wel op. Moet ik meer rechts
+sturen, steek dan de rechter-, meer links, steek dan de linkerhand op
+en zijn wij in de juiste richting, dan laat gij de hand weer zakken."
+
+"Ik begrijp u volkomen," antwoordde mijnheer Wilson, die nu naar
+voren ging en den koers bedachtzaam aangaf. Zoo kwam men allengs
+nader. Op eene halve mijl afstands van de kust verkreeg het water
+eene andere kleur, waarover Flink zich zeer verheugde, doordien hij
+daaruit afleidde, dat de oever in dit geval minder steil dan gewoonlijk
+zijn zou. Niettemin was het toch een beangstigend gevoel, zoo op een
+geheel onbekend strand aan te loopen. Nog slechts eene kabelslengte
+waren zij daarvan af en nog schuurde het schip den grond niet. Nog wat
+verder en een dof gekraak steeg uit de diepte op, 't was het breken en
+afbrokkelen der koraalboomen, die in gansche wouden onder het water
+voortwassen.--Toen opnieuw een gekraak, doch ditmaal sterker dan
+eerst;--toen herhaalde malen eene slingerende schommeling;--toen een
+schok, een stoot, die het wrak, nu de branding het voor de laatste
+maal in de hoogte beurde, tot in zijn binnenste deed sidderen en
+kreunen;--toen bleef het vast en onbeweeglijk zitten. Flink liet het
+roer varen, om zich van de ligging van het schip te overtuigen. Hij
+zag over den boeg naar alle zijden rond en bevond, dat het geteisterd
+wrak van het zoo trotsche schip De Vrede op een bed van koraalklippen
+roerloos vastzat.
+
+
+
+
+
+
+
+ACHTSTE HOOFDSTUK.
+
+TROOST IN HET ONGELUK.
+
+
+Nauwelijks was dit gebeurd, of Willem kwam uit de kajuit aanloopen
+en riep: "Vader, moeder zendt mij bij u. Zij is wakker geworden door
+het gekraak van het schip en zeer ontsteld. Wilt gij niet eens bij
+haar komen?"
+
+"Ja, mijn beste jongen, dadelijk," was het antwoord.
+
+"Wat is er dan toch, lieve, en waar zijt gij allen geweest?" riep
+mevrouw Wilson, toen haar man voor haar bed trad. "Ik ben zoo geweldig
+verschrikt:--ik lag gerust in slaap en werd door een vreeselijk
+leven gewekt."
+
+"Wees gerust, lieve," antwoordde haar echtgenoot. "Wij hebben in groot
+gevaar verkeerd, maar thans, hoop ik, zijn wij behouden. Zeg mij,
+voelt gij u niet beter na uwe lange rust?"
+
+"O ja, veel beter--veel sterker; doch zeg mij toch, wat er gebeurd is."
+
+"Veel, veel, beste vrouw, reeds voordat gij in slaap waart. Wij hebben
+'t voor u geheim gehouden; maar thans, nu wij denkelijk spoedig aan
+land zullen gaan--..."
+
+"Aan land gaan?"
+
+"Ja, aan land. Welnu, wees maar bedaard en laat mij u vertellen, wat
+er al is voorgevallen en hoezeer wij reden hebben om dankbaar te zijn."
+
+Mijnheer Wilson gaf nu een nauwkeurig verslag van al het tot dusver
+gebeurde. Zijne vrouw hoorde hem aan zonder een woord te spreken,
+maar toen hij geëindigd had, zonk zij in zijn armen en weende
+bitterlijk. Hij deed alles om haar te troosten, tot eindelijk Juno
+met de kinderen terugkwam, want het was vrij laat geworden.
+
+"Nu, mijnheer," riep Flink, toen de heer Wilson weer bij hem op het
+dek kwam, "ik heb eens goed rondgekeken en vind, dat wij alle reden
+hebben om blij en dankbaar te zijn. Het schip ligt vast genoeg en zal
+zich niet verroeren, totdat er een nieuwe storm komt en het in stukken
+slaat. Zoo iets is echter vooreerst niet te vreezen. De weinige wind,
+die er nu nog is, gaat langzamerhand liggen en nog vóór den dag van
+morgen zullen wij volmaakt stil weer hebben."
+
+"Ik geef toe, Flink, dat er geen dadelijk gevaar is; maar hoe zullen
+wij aan wal komen--en, zijn wij daar, waarvan in de toekomst leven?"
+
+"Ook daarover heb ik nagedacht en ik zal uw en zelfs Willems
+bijstand verzoeken, om de kleine boot aan boord te krijgen, waar ik ze
+kalefateren kan. De kiel is beschadigd, maar ik heb het timmermanswerk
+meer bij de hand gehad en met wat dik geteerd zeildoek zal ik haar
+wel zoo waterdicht maken, dat zij ons allen veilig aan land brengt."
+
+"En als wij nu aan land zijn?"
+
+"Ei, mijnheer, waar kokosboomen in zoo groote menigte voorhanden zijn,
+als op het eiland vóór ons, is zeker geen hongersnood te vreezen, zelfs
+als wij niet nog al den proviand van ons schip hadden. Leelijker zal
+het er licht met het water uitzien, want het eiland is laag en smal;
+maar een mensch kan ook niet verwachten alles altijd zoo te vinden,
+als hij het juist wenscht."
+
+"Ik dank den hemel voor onze aanvankelijke redding, mijn vriend; maar
+heb toch nog altijd een gevoel van onrust in mijne borst, dat ik niet
+meester kan worden. Wij hebben hier zulk een woest eiland voor ons,
+dat misschien nooit door een ander schip wordt aangedaan, zoodat er
+weinig hoop voor ons is, om het ooit weer te kunnen verlaten. Hier
+zullen wij leven en sterven,--hier zullen mijne arme kinderen
+opgroeien--ja zelfs oud worden, nadat zij u en hun vader en moeder
+begraven hebben, en dan zullen zij die volgen in hetzelfde graf. Al
+hunne vooruitzichten en ook de mijne--ze zijn verijdeld,--al mijne
+verwachtingen teleurgesteld. O, het is een treurig, ja een wreed lot,
+Flink! Moet gij dat zelf niet erkennen?"
+
+"Mijnheer Wilson, in vergelijking met u ben ik een oud man, en als
+zoodanig mag ik wel zeggen, dat gij u ondankbaar toont, wanneer gij op
+die wijze aan uwe smart toegeeft. En bovendien, wie weet of uit het
+schijnbaar kwaad niet nog veel goeds voor ons kan voortvloeien? Gij
+spreekt daar van uwe kinderen en hunne vooruitzichten, mijnheer; maar
+kunt gij wel zeggen, wat hun lot zou geweest zijn, als zij Sidney
+gelukkig bereikt hadden? Hoevele kinderen geven aanleiding tot de
+schoonste verwachtingen! En als zij tot rijpheid komen, vervullen zij
+dan altijd de hoop hunner ouders? Vergeef mij, mijnheer Wilson, ik
+hoop U niet beleedigd te hebben, maar waarlijk, ik voel mij verplicht
+zoo te spreken, als ik gedaan heb."
+
+"Gij hebt mij met volle recht bestraft, Flink, en van ganscher harte
+dank ik u daarvoor," antwoordde de ander en drukte den zeeman diep
+bewogen de hand. "Ik wil niet langer klagen, neen; ik wil mij, zoo
+goed ik kan, aan mijn lot onderwerpen. Ik moet mij van nu af onder
+uwe orders stellen; want in onzen tegenwoordigen toestand zijt gij
+mijn meerdere: kennis en ervaring is hier zooveel als macht. Kunnen
+wij vandaag nog iets doen?"
+
+"Ik wel, mijnheer Wilson, maar gij kunt mij morgen vroeg eerst
+helpen. Ofschoon neen, wacht--gij kunt mij deze twee spieren nog naar
+'t achterdek helpen dragen; dan kan ik een bok opzetten en alles
+voor morgen klaarmaken, om de boot in te zetten. Gij ziet zelf, met
+zoo weinig armen aan boord en zonder masten, moeten we onze eigen
+krachten wel beproeven."
+
+De heer Wilson deed wat van hem verlangd werd. "Ga thans gerust naar
+beneden, mijnheer," zeide Flink; "maar laat Willem vooral de honden
+losmaken en hun wat te eten geven. De arme dieren hebben wij immers
+geheel vergeten. Ik zal van nacht wacht houden, want ik heb nog veel
+te doen en te overleggen; en dus wel te rusten, mijnheer."
+
+Toen Flink alleen was, bond hij de spieren van boven stevig aan elkaar
+vast en maakte een takel gereed voor den volgenden morgen. Nadat
+dit verricht was, zette hij zich op een der kippenhokken neder en
+verzonk in gepeins. In 't eind door waken en vermoeienis uitgeput,
+viel de oude man in diepen slaap. Met het aanbreken van den dag werd
+hij gewekt door de honden, die, door Willem losgelaten en nadat ze
+in het schip de ronde gedaan en niemand gevonden hadden, weder naar
+de kajuit waren teruggekeerd en voor de deur waren ingeslapen. Toen
+zij met zonsopgang weer op het dek kwamen en daar den ouden Flink op
+het hoenderhok slapende vonden, sprongen zij bij hem op en likten hem
+vol blijdschap de handen en het gezicht. "Aha," zeide de oude man,
+terwijl hij van zijn hard leger opstond, "gij zult alle drie van
+nut zijn, verbeeld ik mij. Koest Viven, koest--arme dier! Gij hebt
+een goeden meester verloren, naar ik vrees." "Stil--laat mij nu eens
+zien," vervolgde hij, in zichzelf sprekende. "Eerst,--maar ik wil de
+lei en een stuk krijt halen en alles opschrijven; want mijn geheugen
+is niet zoo goed meer als in mijne jonge jaren."
+
+Flink legde de lei op het hoenderhok en schreef daar toen met krijt
+op: "drie honden, twee geiten en Billy; de big (ik meen, dat wij
+vijf varkens hadden in 't geheel; hoenders die zijn er genoeg);
+drie of vier paar duiven (zooveel zeker); (de koe is gaan liggen en
+zal wel niet meer opstaan;--dan moeten wij haar slachten); dan het
+paar merino-schapen, dat mijnheer Wilson toekomt. Aan levend vee dus
+geen gebrek. Nu--wat hebben we eerst noodig, als we allen aan wal
+zijn?--Een spier en het groot-bramzeil tot een tent, of twee trossen,
+een paar matrassen voor mevrouw en de kleinen, twee bijlen, hamer, boor
+en spijkers; wat te eten--ja en ook wat om dat te snijden.--Ziezoo,
+dat is voor een gezin genoeg," besloot Flink zijne alleenspraak. "Nu
+wil ik schielijk vuur aanmaken, 't water overhangen en, daar ik dat
+toch heb, een paar stukken rund- en varkensvleesch koken om mee aan
+land te nemen. Dan wil ik mijnheer roepen, want ik reken, dat wij
+een zwaren werkdag in het vooruitzicht hebben."
+
+
+
+
+
+
+
+NEGENDE HOOFDSTUK.
+
+HET EILAND.
+
+
+Zoodra Flink het voorgenomene verricht en de dieren gevoederd had,
+ging hij in de kajuit en wekte vader en zoon. Met vereenigde krachten
+werd de bok opgericht en vastgezet; vervolgens haakte men de boot in,
+maar om deze onbeschadigd over het boord te hijschen, werd nog de
+hulp van een vierden persoon vereischt.
+
+"Willem, loop schielijk naar Juno en zeg haar, dat zij op het dek
+moet komen, om ons te helpen;--wij moeten allen de handen uit de mouw
+steken! Uw moeder zal de kleinen wel een poosje bij zich nemen."
+
+De knaap was in een ommezien met Juno terug, die eene sterke meid
+was en braaf hielp om de boot uit te zetten, waarna zij naar de
+kajuit terugkeerde.
+
+De boot werd onderstboven gekeerd en Flink begon zijn arbeid, terwijl
+mijnheer Wilson den teerpot op het vuur zette en alles gereedmaakte,
+om het zeildoek, zoodra 't was opgespijkerd, behoorlijk te teren. Het
+liep reeds tegen den middag, toen Flink, die er duchtig op los hamerde,
+met het lappen der boot klaar kwam. Nu moest hij die nog met zeildoek
+bekleeden, dat vooraf door en door goed met teer was doortrokken.
+
+"Zoo, denk ik, zal het wel gaan, mijnheer," zeide hij. "Wij moeten
+haar nu naar den valreep brengen en in zee laten. Het is een geluk
+voor ons, dat zij de verschansing al vroeger weggenomen en ons daardoor
+nu vrij wat moeite bespaard hebben."
+
+Er werd een touw aan de boot vastgemaakt. Vervolgens werd zij door de
+beide mannen met vereende krachten neergelaten en scheen, tot hunne
+groote blijdschap, slechts weinig water in te laten.
+
+"Wat dunkt u nu 't best, mijnheer: zullen wij eerst de kinderen of
+liever vooraf het noodzakelijkste aan land brengen?"
+
+"Hoe denkt gij daar zelf over, Flink?"
+
+"Ik? Ei, mij dunkt, daar het water nu zoo glad als een spiegel is en
+wij ook overal landen kunnen, moesten gij en ik maar eerst overroeien,
+om de kust eens op te nemen. Het is slechts een klein tochtje en zal
+ons weinig tijd doen verliezen."
+
+"Zeer goed, Flink; maar eerst wil ik dat even aan mijne vrouw gaan
+zeggen."
+
+"En in dien tusschentijd zal ik het zeil en eenige andere dingen in
+de boot brengen; dan gaat er geen tijd verloren."
+
+Flink haalde het zeil, eene bijl, een geweer en eenig
+touwwerk. Mijnheer Wilson was spoedig terug. Toen lieten zij zich
+zakken in de boot en roeiden naar het land.
+
+Bij het betreden van den wal bevonden zij, dat zij van het binnenste
+van het land niets zien konden, wijl de kokosboomen overal zoo dicht
+stonden. Aan hunne linkerhand echter, op ongeveer een vierde mijl
+afstands, ontdekten zij eene kleine zandige bocht, geheel omgeven
+met struikgewas, dat zich tot aan het hooge woud uitstrekte.
+
+"Daar," riep Flink, met den vinger er heen wijzende, "daar is onze
+plaats. Laat ons weer in de boot gaan en er heen roeien; het is een
+korte afstand voor ons, maar zou een lange weg zijn, indien wij ons
+goed er naar toe moesten sleepen."
+
+In weinige minuten bereikten zij de bocht; het water had weinig diepte
+en was zoo helder als kristal, zoodat zij de fraaiste schelpen op den
+bodem ontdekten en zagen hoe de visschen in alle richtingen vroolijk
+voortschoten.
+
+Het vlakke oeverzand liep bij de vijftig passen landwaarts in en
+dan nam het kreupelbosch een aanvang, dat zich, met hier en daar een
+enkelen kokosboom daartusschen, bijna even ver uitstrekte, tot het
+ten laatste het hooge woud bereikte. Na weinige riemslagen schuurde
+de boot het witte zand en zij stapten aan wal.
+
+"Welk eene heerlijke plek is dit!" riep de heer Wilson; "en wellicht
+werd zij nog nooit door een sterveling betreden."
+
+"Zoo gij het goedvindt," antwoordde Flink, "willen wij het bosch een
+eind weegs ingaan. Neem echter het geweer mede, mijnheer. Niet, dat
+er veel kans is, dat wij het noodig zullen hebben; men vindt zelden
+een wild dier op deze kleine eilanden, of 't mochten soms een paar
+zwijnen zijn, er vroeger aan land gezet,--maar men kan toch niet te
+voorzichtig zijn. Ik heb vroeger met een kapitein gevaren, die zelden
+een woest eiland aandeed, zonder er een paar biggen of eenig ander
+gedierte tot aanfokking achter te laten, voor 't geval, dat eens een
+mensch daar schipbreuk lijden mocht. Een mooie trek, niet waar?"
+
+"Dat was het zeker, vriend. Ziehier het bosch dan; wat wilt gij nu?"
+
+"Ik zag naar eene plek uit, om voor het oogenblik eene tent op
+te slaan, mijnheer, en geloof, dat deze kleine hoogte daartoe wel
+geschikt is, totdat wij verder onderzoek doen en een betere woonstee
+vinden kunnen. Nu dadelijk hebben wij echter geen tijd, want wij dienen
+nog vrij wat riemslagen te doen, voordat het avond wordt. Mij dunkt,
+wij moesten het zeil en het andere goed nu eerst maar aan wal brengen
+en dan weer naar boord gaan."
+
+Onder het terugroeien naar het wrak, zeide Flink: "Daar bedenk ik,
+mijnheer, wat mogelijk wel het best zal zijn. Mevrouw zal zich toch
+niet al te ongerust maken, als gij niet bij haar zijt?--Zoo niet,
+zou ik zeggen, dat wij Juno en den kleinen Thomas eerst aan land
+moesten brengen, omdat zij daar dadelijk van dienst kunnen zijn."
+
+"Ik geloof niet, dat zij zich beangst zal maken, als wij haar met
+Willem en de kinderen aan boord achterlaten, wanneer ik maar weer
+bij haar ben, als zij met het kleintje het schip verlaat."
+
+"Welnu, zooals gij goedvindt, mijnheer. Wij laten Willem dus aan
+boord en ditmaal zet ik Juno met den kleinen Thomas over. Ook wil
+ik daarbij de honden niet vergeten; zij kunnen tot onze bescherming
+strekken, ingeval er iets gebeuren mocht. Terwijl gij met Juno aan
+land dan bezig zijt, roei ik terug en haal de andere dingen, die wij
+voor een begin noodig hebben."
+
+Terstond toen zij op het schip aankwamen, snelde mijnheer Wilson
+naar zijne vrouw om haar door het verhaal van wat zij gezien hadden
+te verblijden, en verkreeg ook gereedelijk hare toestemming tot
+het door Flink ontworpen plan. Terwijl de heer Wilson beneden was,
+had Flink de beide spieren, waaruit de bok bestond, losgebonden en
+ze in 't water neergelaten, om ze aan een stuk touw aan de boot met
+deze naar den oever te boegseeren. Een paar minuten later verscheen
+Juno met Thomas op het dek. Flink pakte nog eenig timmergereedschap
+benevens een paar spaden in de boot, haalde ten laatste de honden nog,
+en voor de tweede maal landden zij in de zandige bocht. Thomas staarde
+langen tijd als verbijsterd rond, maar sprak geen woord, totdat hij
+aan het strand eenige bonte schelpen ontdekte, waarover hij luide
+juichkreten aanhief en die hij met beide handen begon op te rapen. De
+honden blaften en liepen in hun blijdschap, dat zij eindelijk weer op
+vasten grond waren, als dol en uitgelaten heen en weer. Ook Juno lachte
+en klapte in de handen, toen zij in het rond zag, en zeide tot Flink:
+"Wat ijselijk mooi land hier is, hier ikke wel wonen wil."
+
+"Nu zal ik een tijdlang met u aan land blijven, mijnheer Wilson,"
+zeide de oude zeeman. "Eerst willen wij het geweer laden, en dan moet
+gij dien kleinen jongeheer eens terechtzetten, die merk ik, alles
+met handen voelen en tasten moet. Wij met ons beiden zullen het zeil
+hierheen dragen; Juno kan het gereedschap nemen, en dan hebben wij
+nog eene vracht aan de spieren, het touw en wat wij meer vinden. Kom,
+kleine handjegauw, gij kunt althans een van de spaden dragen en dan
+zijt gij toch ook tot iets nut. Geen van ons mag vandaag luieren."
+
+Na eene lading op de kleine, vroeger door Flink gekozen hoogte gebracht
+te hebben, keerden zij naar het strand terug en haalden de spieren
+en het verdere gereedschap. Thomas droeg deze tweede reis de andere
+schop en was niet weinig trotsch, dat men hem zoo goed gebruiken kon.
+
+"Deze beide boomen zijn volmaakt tot ons doel geschikt," zeide Flink,
+"en staan ook juist ver genoeg van elkander. Wij moeten de spieren
+daar bovenaan vastbinden en dan het zeil daarover werpen, dat hierop
+aan weerszijden met pinnen in den grond wordt vastgemaakt. Dat is
+althans voldoende voor een begin; de volgende reis breng ik nog meer
+zeildoek over en dan maken wij tusschen gindsche twee boomen nog een
+tweede tent. Dan hebben we voor 't minst toch onze twee tenten: de
+eene voor mevrouw, Juno en de beide jongens, de andere voor Willem,
+onzen knappen Thomas hier en ons beiden. Nu, mijnheer, zal ik u de
+spieren nog helpen vastmaken. Het overige moet ik dan aan uw eigen
+zorg overlaten, om spoedig weer aan boord terug te zijn."
+
+"Hoe kunnen wij echter zoo hoog reiken, Flink?"
+
+"Wel, dat is zeer eenvoudig. Wij binden eerst de eerste spier zoo
+hoog als wij met gemak doen kunnen; dan klimmen wij daarop en brengen
+de volgende waar zij behoort. Ik zal nog eene spier aan wal brengen,
+die voor de tweede tent kan dienen."
+
+Zoodra de spier op de vereischte hoogte vastzat, wierpen zij het
+zeil daarover en bij het uitbreiden daarvan bevonden zij, dat zij
+eene zeer bruikbare tent van behoorlijke hoogte verkregen hadden.
+
+"Nu, mijnheer, ga ik weer naar boord. Gij kunt inmiddels van het hout
+daar prikken snijden en het zeil daarmee in den grond vastslaan. Als
+gij dan met de schop den tentrand met zand bedekt, dat de einden
+neerdrukt, zal alles redelijk goed sluiten. Hier is mijn mes, zoo
+gij er zelf geen bij u hebt."
+
+"Ik zal in alles mijn best doen," verzekerde mijnheer Wilson. "Als
+ik zoover ben, kan Juno mij het doek vast helpen aantrekken."
+
+"Goed; en onderwijl neemt Juno eene schop en maakt den grond onder
+de tent schoon en effen, ruimt alle dorre kokosbladeren weg en ziet
+daarbij wel toe, dat er niet het een en ander ongedierte onder schuilen
+blijft. Gij kleine Tom, moet niet wegloopen en moogt ook niet bij de
+bijlen komen, want zoodra ge die aanraakt, snijden ze u. Ook moeten
+wij afspraak maken, mijnheer, dat gij, zoodra u iets overkomt en gij
+mij noodig hebt, dadelijk het geweer lost. In een oogenblik ben ik dan
+bij u. Maar dat is wel niet waarschijnlijk," besloot Flink eindelijk,
+ging naar de baai, stapte in de boot en roeide naar het schip terug.
+
+
+
+
+
+
+
+TIENDE HOOFDSTUK.
+
+LANDING.
+
+
+Na zijne komst aan boord ging Flink eerst in de kajuit, om mevrouw
+Wilson te vertellen wat er al gedaan was. Deze was natuurlijk
+eenigszins bezorgd, dat haar man zoo alleen was achtergebleven; maar
+Flink stelde haar weder gerust en zeide haar, hoe hij met mijn heer
+Wilson was overeengekomen, dat deze bij het geringste onraad door
+het losbranden van zijn geweer een teeken geven zou.
+
+Hierop begaf hij zich naar de zeilkooi, om eenig doek, een nieuw
+bramzeil benevens bindtouw, naalden en zeilgaren te halen. Nauwelijks
+had hij dit opgepakt, toen op eens, juist toen hij zijn voet op de
+trap zette, de knal van een geweer gehoord werd en mevrouw Wilson,
+doodelijk verschrikt, uit de kajuit kwam vliegen. De oude man nam
+oogenblikkelijk een ander geweer, liet zich daarmee in de boot
+afzakken en repte zich, wat hij kon, naar de kust. Toen hij geheel
+buiten adem aanlandde, vond hij mijnheer en Juno aan de tent bezig,
+Thomas zat daarbij en schreide en snikte al zijn best. Gelijk nu bleek,
+was de kleine deugniet, terwijl de anderen druk aan 't werk waren,
+naar het geweer geslopen, dat men tegen een boom had gezet. Na het
+een poosje van alle kanten bekeken te hebben, kwam hij met de hand
+aan den trekker. Het schot viel. Daar echter de tromp van 't geweer
+gelukkig naar boven gericht was, deed het niemand schade, ofschoon
+het den kleinen schutter toch duur te staan had kunnen komen,--en
+wee onzen Thomas, als die hem op het hoofd ware gevallen! Hij zou
+er dood onder gebleven zijn. Zijn vader, die wel begrijpen kon wat
+ontsteltenis dat schot aan boord veroorzaken moest, had hem duchtig
+onder handen genomen, en daar zat Thomas nu en schreide tranen met
+tuiten, om te toonen, hoe bitter berouw hij had.
+
+"'t Zal wel het best zijn, dat ik dadelijk terugroei en mevrouw zeg
+wat hier gebeurd is," zeide Flink.
+
+"Ja, doe dat, mijn goede vriend," bad mijnheer Wilson hem.
+
+Dus keerde de oude man naar het schip terug en berichtte het
+voorgevallene. Vervolgens ging hij aan zijn arbeid. Vooreerst liet
+hij des zeilmakers zak met al het noodige, als priemen, garen,
+enz., in de boot neer, vervolgens twee matrassen en beddedekens uit
+de bovenkajuit, de bakpan met het pekelvleesch en eindelijk nog een
+spier, die hij weder achter aan de boot vastmaakte. Daarmee had hij
+zijne lading overvol; doch daar hij anders geen volk inhad, kwam
+hij nog al spoedig over. De twee aan land hielpen hem alles naar de
+hoogte overbrengen en hier werd de nokbalk der tweede tent spoedig
+aan twee andere boomen vastgehecht. Juno had de eerste tent van binnen
+netjes schoongemaakt en daarbij, naar zij verzekerde, geenerlei dier
+of insect onder het dorre loof gevonden. Voordat Flink vertrok, gaf
+hij Thomas een stok in de hand en zeide hem op het vleesch te passen
+en toe te zien, dat de honden daar niet bij kwamen; waarop Thomas,
+die al weer in vroolijk humeur was, zijn stok schouderde en zoo
+parmantig op schildwacht stond als een oud grenadier.
+
+Onze stuurman roeide nog tweemaal naar het schip en bracht meer
+beddegoed, een zak met scheepsbeschuit, een tweeden met aardappelen,
+borden, messen, lepels, vorken en allerlei keukengereedschap van
+daar mede. Hierop wees hij Juno, hoe zij de einden van de eerste
+tent met het garen en 't zeildoek, dat hij had meegebracht, aaneen
+moest hechten; zoodat de tent rondom dicht en goed gesloten werd; en
+Juno nam naald en draad en piekte er dapper op los. Uiterst voldaan,
+dat het meisje zoozeer haar best deed en zich zonder vreemde hulp
+redden kon, zei Flink ten laatste: "Mijnheer, wij hebben nog maar
+twee uren dag en het begint dus tijd te worden, dat ook mevrouw van
+het schip komt. Als ge 't goedvindt, willen we gaan en haar met de
+kinderen halen. Voor den eersten nacht aan land zullen wij het, denk
+ik, vrij goed hebben. Zoo 't weer goed blijft, kunnen wij morgen een
+heel stuk verder komen,--en waarlijk, 't is noodig dat wij, zoolang
+het zóó blijft, ons uiterste best doen, om alles aan wal te krijgen,
+daar één duchtige storm het wrak waarschijnlijk geheel in stukken
+zal slaan. Ik heb alles zelf mee in het ruim helpen stuwen en weet
+de meeste dingen daar te vinden ofschoon wij er, vrees ik, niet veel
+meer uit zullen krijgen, dat ons van dienst kan zijn."
+
+Aan boord gekomen, ging mijnheer Wilson zijne vrouw dadelijk het
+voorstel doen, om thans mee aan land te gaan. Zij was zeer aangedaan en
+nog zwak en ongesteld, maar toch hield zij zich recht moedig en kwam,
+ondersteund door haar man, op het dek, waarheen Willem met zijn kleine
+broertje op den arm volgde, terwijl Flink zijne zuster Caroline aan
+de hand leidde. Het koste vrij wat moeite om allen goed in de boot te
+krijgen; maar dit gelukte toch eindelijk. De arme vrouw was echter
+zoo zwak, dat haar man haar in zijne armen overeind moest houden en
+zijn riem aan Willem overgeven. Zij landden gelukkig en brachten de
+zieke in de tent, waar men haar op een der bedden nederlegde. Zij
+verzocht om een weinig water.
+
+"En ik, oude domkop, heb vergeten dat mee te nemen; doch ik ga het
+terstond halen," riep Flink. "Zoo druk allen mogelijken voorraad
+over te slepen en toch het allernoodzakelijkste voor den mensch te
+vergeten! Wij moeten zoo spoedig mogelijk hier op dit eiland naar
+water omzien daar dit ons vrij wat moeite kan besparen."
+
+Flink keerde zoo snel mogelijk naar boord terug en bracht twee vaatjes
+water mede, welke hij en Willem naar de tent rolden.
+
+"Voor vandaag heb ik nu mijne laatste reis gedaan," zeide de oude
+man. "Ik ben moe--doodmoe."
+
+"Dat geloof ik wel, mijn goede vriend," antwoordde mijnheer
+Wilson. "Gij hebt vele nachten achtereen gewaakt en over dag hard
+gearbeid. Aan verder werk moet gij heden niet meer denken."
+
+"En ik heb geen eten geproefd vandaag en zelfs geen druppel water
+over mijne lippen gebracht," vervolgde Flink en zette zich op den
+grond neder.
+
+"Hoe is het, beste Flink, zijt gij niet wel?" vroeg Willem.
+
+"Een beetje flauw, mijn jongen; ik ben niet meer zoo jong als
+vroeger. Kunt ge mij wat water aanreiken?"
+
+"Wacht, Willem, dat zal ik doen," zei zijn vader en haalde een tinnen
+kan, die hij pas voor zijne vrouw gevuld had. "Hier, Flink, drink en
+wel bekome 't u!"
+
+"Het zal spoedig beter zijn, mijnheer. Ik zal mij een poosje neerleggen
+en dan een beschuit met wat vleesch gebruiken."
+
+De goede oude man was werkelijk geheel uitgeput, doch na iets
+gegeten te hebben, voelde hij zich spoedig veel beter. Juno was zeer
+ijverig. Ze had aan de kinderen wat pekelvleesch en beschuit gegeven;
+de jongste, benevens Thomas en Caroline, waren te bed gebracht,
+en de tweede tent was genoegzaam gereed.
+
+"Voor dezen nacht zal het zeer goed gaan, Juno," zeide haar
+meester. "Wij hebben vandaag veel afgedaan en de rust zal daar goed
+op smaken."
+
+
+
+
+
+
+
+ELFDE HOOFDSTUK.
+
+HET ONTBIJT.
+
+
+Mijnheer Wilson was den volgenden ochtend de eerste die ontwaakte en
+opstond. Hij verliet de tent en liet de oogen in het rond gaan. De
+hemel was helder als kristal. Een frisch morgenwindje streek over
+de watervlakte en de kleine golfjes speelden op het witte zand
+van de bocht. Aan de linkerzijde van deze klom het land tot kleine
+heuvels op, boven welke zich de voortzetting van het kokosbosch statig
+verhief. Rechts rees eene lange reeks koraalriffen genoegzaam loodrecht
+uit de zee op en paalde aan het frissche groen der heuvelhelling en aan
+het struikgewas, terwijl het wrak van De Vrede zich, als hoofdfiguur
+in deze schilderij, zwart en roerloos, als een gestrand zeemonster,
+aan den toeschouwer vertoonde. De zon brandde, waar zij hare stralen
+werpen kon, doch onder de kokosboomen, waar Wilson stond, was eene
+koele verkwikkende schaduw.
+
+De uitnemende schoonheid van dit tooneel, hoewel eenigszins gematigd
+door de treurige vertooning van het gestrande vaartuig, maakte een
+diepen indruk op den bekommerden huisvader, die daar in diep nadenken
+verzonken stond.
+
+"Ja," dacht hij, "ware ik de wereld en hare beslommeringen moe geweest
+en had ik een oord gezocht, waar vrede en schoonheid om den prijs
+dingen, ik zou dat hier gevonden hebben. Hoe heerlijk is dat gezicht
+hier! Wat kalmte, wat zoeten weemoed wekt het op? Hoe genadig zijn wij
+bewaard, toen alle hoop reeds verdwenen scheen; hoe weldadig werden
+wij verzorgd na onze werkelijke redding--en toch--toch waagde ik het
+te klagen, toen vurige dankbaarheid mijn eenig gevoel had behooren
+te zijn!"
+
+Hij keerde naar zijne tent terug. Willem, Thomas en stuurman Flink
+lagen nog in diepen slaap. "Brave oude man," sprak hij bij zichzelf,
+"als wij ooit weder in de woelige samenleving terugkeeren, zal uwe
+goedheid haar loon erlangen; voor zoover het in mijne macht staat u te
+vergelden. Een edel hart is hier onder de ruwe schors verborgen. Zonder
+zijne verknochtheid,--zijne voorbeeldelooze zelfopoffering, zou ik,
+zouden deze lieve hulpelooze wezens niet meer bestaan!"
+
+De honden, die in de tent gekropen waren en zich nevens Willem en
+Thomas op de matrassen hadden neergelegd, rezen nu op en naderden
+vleiend hun meester. Deze beweging deed Willem ontwaken. Zijn vader
+gaf hem een wenk, dat hij Flink niet wekken moest, en zachtjes kleedde
+hij zich aan en kwam buiten.
+
+"Zal ik niet liever Juno wekken, vader?" vroeg hij. "Ik kan dat
+denkelijk wel doen zonder moeder te storen."
+
+"Doe het dan, mijn jongen, ik ga onderwijl zien, wat voor
+keukengereedschap Flink al aan land heeft gebracht."
+
+Willem was spoedig terug en berichtte, dat moeder nog gezond en vast
+sliep en dat Juno was opgestaan, zonder haar of de beide kleinen
+wakker te maken.
+
+"Goed, dan zullen wij zien, of we niet een ontbijt voor hen gereed
+kunnen maken, Willem. Deze dorre kokosbladeren zullen heerlijk
+branden."
+
+"Maar, vader, waar krijgen wij het vuur vandaan? Wij hebben geen
+tondeldoos en ook geen zwam of vuurslag."
+
+"Neen, maar er zijn nog andere middelen, mijn zoon, ofschoon de tondel
+meestal daarbij noodig is. De wilden maken vuur door een week stuk
+hout tegen een hard voorwerp aan te wrijven. Ik vrees, dat ons dit
+niet zoo spoedig gelukken zou; maar wij hebben kruit en kunnen dit
+als tondel gebruiken, als wij 't nat maken en op een stuk papier of,
+nog beter, op zacht hout wrijven. Het kruit aansteken kunnen wij op
+tweeërlei manier: door middel van steen en vuurslag, of anders met
+behulp van een brandglas."
+
+"Maar een brandglas hebben wij niet."
+
+"Neen; maar wij kunnen er een uit een verrekijker nemen als wij weer
+eens aan boord komen. Voor 't oogenblik hebben wij geen ander middel
+dan met het geweer."
+
+"Maar, vader, als ons vuur aan is, wat zullen wij dan nog koken? Wij
+hebben immers thee noch koffie."
+
+"Dat is waar; ik geloof niet, dat wij een van beide rijk zijn."
+
+"Aardappelen hebben wij wel, vader."
+
+"Ja, mijn jongen; maar dunkt het u niet beter, dat wij ons
+vooreerst met koud vleesch en beschuit behelpen en de aardappelen
+sparen? Misschien hebben wij die alle noodig om te poten. Doch
+waarom gaan wij niet zelven aan boord van het schip? Gij kunt de
+riemen vrij goed hanteeren en wij moeten thans leeren arbeiden en
+niet alles aan den braven Flink overlaten. Het zal nog wel een tijd
+aanhouden, voordat wij zoo handig en op alles gevat zijn als de oude
+man, maar al doende leert men, en wij willen ten minste onzen goeden
+wil toonen. Kom, Willem."
+
+Zij gingen naar de bocht. De kleine boot lag nog aan het strand en
+schommelde zacht op de spelende golven. Zij bonden ze los en stapten
+er in.
+
+"Ik weet, waar de kok zijne thee en koffie bewaarde, vader," zei
+Willem onder het roeien. "Moeder zal die gaarne bij haar ontbijt
+hebben, en ik kan ook de geiten melken voor kleinen Albert."
+
+Hoewel geen van beiden in het roeien zeer bedreven, kwamen zij toch
+spoedig aan de zijde van het wrak en klommen zonder moeite aan boord,
+na de boot eerst stevig te hebben vastgebonden.
+
+Willem liep eerst naar de kajuit om thee en koffie te zoeken en liet
+zijn vader inmiddels andere benoodigdheden bijeenpakken, terwijl bij
+de geiten melkte en de melk in een tinnen schotel deed. Vervolgens
+goot hij ze in een zuivere flesch over, opdat zij niet zuur zou worden
+en keerde toen naar zijn vader terug.
+
+"Ik heb deze beide korven met eene menigte dingen gevuld, die uwe
+moeder zeer welkom zullen zijn, Willem. Wat zullen wij verder nog
+meenemen?"
+
+"Dezen verrekijker in allen gevalle, lieve vader; en dan willen wij
+alle kleeren en linnengoed inpakken;--dat zal moeder verrassen. Het
+linnen ligt in de koffers; wij zullen er zeildoek omheen slaan. En dan,
+vader, zullen we ook eenige van de boeken meebrengen."
+
+"Dat is uitmuntend, Willem," antwoordde de vader. "Ik wil eerst alles
+inladen en dan terugkomen en het overschot halen."
+
+Binnen het uur waren zij weer aan land. Daar vonden zij Juno, die
+zich intusschen gewasschen had en nu aan de bocht op hen wachtte,
+om hen bij het lossen behulpzaam te zijn.
+
+"Wel, Juno, hoe hebt gij 't van morgen?"
+
+"Ikke heel goed, massa," was haar antwoord en op 't helder water
+wijzende, vervolgde zij: "Daar zwemmen geducht veel visch hier."
+
+"Ja, als wij maar vischtuig hadden," antwoordde mijnheer Wilson. "Flink
+zal wel ergens haken en snoeren voor ons weten op te schommelen. Kom,
+meid, breng dezen bundel linnen naar uwe tent; het overige kunnen
+wij alleen wel bezorgen."
+
+"En neem ook deze flesch melk, Juno; ik heb haar voor kleinen Albert
+meegebracht," zeide Willem.
+
+"Dankje, dankje wel, massa Willem; datte heel zoet zijn van jonk
+massa."
+
+"En haast u maar wat, Juno; want daar is Thomas ook al op de been en
+springt in zijn hemd rond."
+
+Bij de tenten vonden zij allen wakker, met uitzondering van den ouden
+stuurman, die nog zeer vast scheen te slapen. Mevrouw Wilson had een
+zeer goeden nacht gehad en voelde zich verfrischt en gesterkt. Willem
+wreef een stuk papier met kruit in en bracht het door de glazen van
+den kijker aan het branden, waarop spoedig een helder vuur vroolijk
+opvlamde. Zijn vader had onderwijl aan het strand drie groote steenen
+gezocht, waarop de ketel geplaatst werd; en na een half uur kookte
+het water en was de thee gezet.
+
+
+
+
+
+
+
+TWAALFDE HOOFDSTUK.
+
+DE HAAIEN.
+
+
+Juno had de kinderen naar de bocht meegenomen en, tot aan de knieën
+in het water wadende, hen daarin gedompeld, als het eenvoudigste
+middel om hen te wasschen. Vervolgens had zij hen aangekleed en aan
+mevrouw overgegeven, waarna zij Willem de kopjes en borden voor het
+ontbijt hielp bijeenzoeken. Alles werd sierlijk en net tusschen de
+beide tenten op den grond uitgezet en toen sloeg Willem voor, den
+goeden ouden Flink te wekken.
+
+"Doe dat mijn jongen, nu is het tijd;--hij zal ook wel iets tot
+ontbijt willen hebben."
+
+Willem trad op Flink toe en tikte hem zacht op den schouder.
+
+"Hoe is 't, Flink, hebt gij nu goed uitgeslapen?" vroeg hij, toen de
+oude man opstond.
+
+"Ja, beste jongen. Ik ben terdeeg onder zeil geweest, dunkt mij;
+maar nu wil ik mij haasten en zien, of ik wat tot ontbijt voor u
+allen klaar kan krijgen."
+
+"Doe uw best maar," was Willems lachend antwoord.
+
+Het aankleeden kostte Flink weinig moeite of tijd, daar hij bij
+'t slapen gaan enkel zijn buis had uitgetrokken. Hij schoot dit
+weer aan en kwam toen buiten. Hoe vreemd stond hij te kijken, toen
+hij het gansche gezelschap met mevrouw Wilson, die met den kleinen
+was meegekomen, verzameld vond aan 't ontbijt, dat op den grond
+gereedstond.
+
+"Goeden morgen, Flink," zeide mevrouw Wilson en reikte hem vriendelijk
+de hand. Ook haar man schudde de zijne en wenschte hem goedenmorgen.
+
+"Gij hebt een langen, vasten slaap gehad, Flink," zeide hij, "en ik
+wou u na dien zwaren dag van gisteren niet te vroeg wekken."
+
+"Ik dank u voor uwe goedheid, mijnheer, en ben hartelijk blij, mevrouw,
+dat ik u zoo wel vind," antwoordde de oude man. "Ik heb geen berouw
+over mijn lang slapen, nu ik zie, dat gij allen u ook zonder mij zoo
+kostelijk redden kunt."
+
+"Ja, maar juist dat kunnen wij niet, vrees ik," hernam mevrouw
+Wilson. "Wat zou zonder u en zonder uwe goedheid van ons geworden
+zijn?"
+
+"Wij kunnen wel een ontbijt zonder u gereedmaken," zeide haar man;
+"maar zonder u, brave vriend, hadden wij dat op dit oogenblik niet
+meer noodig gehad. Onder het eten zullen wij u alles vertellen wat
+wij gedaan hebben."
+
+Terwijl zij nu bij elkaar zaten, vertelde Willem zijn vriend,
+hoe zij naar boord geroeid waren en wat zij van daar al hadden
+medegebracht. Hij zeide hem ook, hoe Juno de kleinen in het water
+had laten spartelen en hoe dat zeebad allen zoo goed bevallen was.
+
+"Maar dat mag Juno volstrekt niet meer doen," sprak Flink "voordat
+ik eerst goed onderzoek gedaan heb. Gij weet wel, dat rondom deze
+eilanden haaien in menigte loeren en dat het daarom hoogst gevaarlijk
+is, in het water te gaan."
+
+"Mijn God, lieve man, wat gevaar zijn onze kinderen daar dan weer
+ontkomen!" riep de bezorgde moeder met innerlijke huivering.
+
+"Dat is waar," vervolgde Flink. "Evenwel zijn die booze gasten minder
+talrijk aan de loefzijde van de eilanden, ofschoon deze vlakke baai
+eene al te geschikte plaats voor hen is, dan dat zij er niet dikwijls
+komen zouden. Dus, Juno, zou ik u raden, niet weer te water te gaan,
+voordat ik eene plek heb opgezocht, waar gij veilig baden kunt. Nu
+echter is daar nog geen tijd toe, en zoodra wij uit het schip alles
+aan wal hebben, wat ons dienstig is, moeten wij eerst overleggen,
+of wij hier blijven willen of niet."
+
+"Hier blijven of niet, Flink hoe meent gij dat?"
+
+"Wij hebben hier tot nog toe geen water gevonden en dit is toch de
+eerste behoefte des levens;--als er op deze zijde van 't eiland geen
+water te vinden is, moeten wij onze tenten ergens anders opslaan."
+
+"Dat begrijp ik, zal noodig wezen," antwoordde de heer Wilson.
+
+"Ik wenschte wel, dat wij tijd hadden om eenig onderzoek te doen."
+
+"Dat kunnen wij ook; maar wij mogen daarom het fraaie weer niet
+ongebruikt laten voorbijgaan. Morgen kan het licht weer stormen en
+dan hebben we geen gelegenheid om iets van boord te krijgen. Het zou
+goed zijn, dat wij thans opbraken, mijnheer: gij, Willem en ik. Gij
+en uw zoon blijven aan boord, om het noodzakelijke bijeen te zoeken
+en ik zal de goederen in de bocht brengen, waar Juno ze afhaalt."
+
+In den loop van den dag haalden zij nog eene menigte dingen, waarvan
+zij verwachten konden in de toekomst dienst te zullen hebben. Nog vóór
+den middag waren de kleinere zeilen en al het touwwerk, bindgaren
+en doek, verder kleine tonnen, zagen, beitels en groote spijkers,
+eindelijk planken van iepen- en eikenhout aan wal gebracht. Na het
+gebruiken van een hartig maal begonnen zij den arbeid opnieuw. Stoelen
+en tafels uit de kajuit, de gezamenlijke kleedingstukken, eenige
+kisten met kaarsen, twee balen koffie, twee met rijst en twee met
+scheepsbeschuit, verscheidene stukken rund- en varkensvleesch,
+zakken met meel (men had veel moeite gedaan, om een geheel vat
+naar boven te krijgen, doch dit was niet gelukt), dan eindelijk de
+slijpsteen, nog meer drinkwater en mijnheer Wilson's huisapotheek
+werden achtereenvolgens ontscheept. Toen Flink andermaal terugkwam,
+zeide hij: "Onze boot begint sterk te lekken en zal niet veel reizen
+meer doen kunnen, voordat ik ze gebreeuwd heb. Ook heeft Juno nog
+niet de helft van 't goed naar de tenten gebracht; de last is voor
+één persoon te zwaar. Me dunkt, we kunnen het er heden bij laten,
+mijnheer Wilson, als wij voor den donker maar eerst al de dieren
+aan land hebben. Ik wil die niet gaarne aan hunne eigen zwemkunst
+overlaten en toch zijn het lastige potentaten in eene boot. De koe
+kunnen wij niet over krijgen; zij ligt altijd nog en zal ook wel
+niet meer opstaan;--zoo gaat het meestal met de beesten. Echter heb
+ik haar nog rijkelijk hooi voorgestrooid en als zij niet opstaat,
+moet ik haar slachten en het vleesch inzouten."
+
+Flink ging in het ruim, en het geknor van het varken liet zich
+weldra hooren. Hij had het over den rug geworpen en hield het bij de
+achterpooten vast. Zoo kwam hij er mee op het dek en liet het toen
+over de verschansing in zee neerploffen. Het zwijn spartelde eenigen
+tijd besluiteloos rond, maar keerde toen den kop van het schip af en
+zwom op het land aan.
+
+"Het gaat regelrecht op den oever los," merkte Flink aan, die het
+met de beide anderen naoogde, maar een oogenblik later riep hij:
+
+"Ik heb het wel gevreesd,--'t is verloren!"
+
+"Hoe zoo?" vroeg mijnheer Wilson.
+
+"Ziet gij dat zwarte ding daar, hoe 't pijlsnel over het water op
+het dier toeschiet? Dat is de staart van een haai en nu heeft het
+arme beest zijn langsten tijd van het leven gehad.--Kijk, daar gaat
+het al!" vervolgde Flink, toen het zwijn met een zwaren slag onder
+water verdween. "Die is er geweest. Beter dat stomme dier, dan uwe
+lieve kleinen, niet waar, mijnheer Wilson?"
+
+"Ja, waarachtig!--Misschien is het monster dicht bij hen geweest,
+toen Juno met hen in het water stond."
+
+"De slokop was zeker niet ver uit de buurt," antwoordde Flink;
+"maar nu moet hij zich met dien eenen hap tevreden stellen, want meer
+krijgt hij van ons niet. Wij zullen nu naar omlaag gaan en de andere
+vier varkens de pooten vastbinden; dan brengen wij ze in de boot,
+die met al wat er in is, dan hare behoorlijke lading heeft."
+
+Met de zwijnen in de boot, roeide Flink nu naar land, terwijl vader
+en zoon de schapen en geiten op het dek brachten en voor de volgende
+reis gereed hielden.
+
+"Dat zal voor heden de laatste maal zijn," riep de oude man bij zijne
+terugkomst, "en, vergis ik mij niet, de laatste maal in vele dagen,
+daar de wolken hare koppen ginder weer braaf beginnen op te steken. We
+zullen nog een zak met koren voor het vee meenemen, en dan zeggen we
+het schip voor een tijdlang vaarwel. Ik heb de koe weer een voorraad
+water en hooi voorgezet, maar geloof niet, dat wij haar nog levend
+vinden zullen bij onze terugkomst."
+
+Door de zwaarte van het graan ging de boot ditmaal zeer diep. Echter
+brachten zij het gelukkig nog tot den oever, ofschoon ditmaal niet
+zonder veel water in te krijgen. Willem dreef de schapen en geiten
+naar de tenten, waar zij zich rustig nederlegden; de zwijnen waren
+weggeloopen en ook de hoenders hadden zich verstrooid, 't geen trouwens
+niet anders te verwachten was. Het strand was geheel overdekt met de
+menigte van goederen, die men heden had aangebracht.
+
+"Wij hebben ons vandaag dapper geweerd, mijnheer Wilson," zeide Flink
+met een vergenoegden blik op al dien voorraad, "en ook de kleine
+boot heeft zich goed gehouden. Voordat ik haar wat heb nagezien,
+mogen wij ons er echter niet weer in wagen."
+
+Het was hun na het harde dagwerk allesbehalve onaangenaam, dat Juno
+voor koffie had gezorgd, en onder het drinken verhaalden zij mevrouw
+Wilson, hoe het arme varken op eene zoo gruwelijke wijze door den
+haai verslonden was. De moeder drukte bij het hooren hiervan haar
+zoontje onstuimig aan het hart, en toen zij haar hoofd weer ophief,
+glinsterden tranen van dankbaarheid in hare zachte oogen. Ook de goede
+Juno was ontsteld en verzekerde in hare gebroken taal, voortaan wel
+zorg te zullen dragen, dat die booze zeeduivels niet bij hare lieve,
+kleine massa's komen konden.
+
+"Wij zullen hier morgen volop te doen hebben met al dat goed uit
+te zoeken en het eene behoorlijke plaats te geven," sprak mijnheer
+Wilson tot Flink.
+
+"Wij zullen een langen tijd de handen nog terdege vol hebben," hernam
+deze. "Over een paar maanden omtrent kan de regentijd invallen, en
+zoo er eenigszins mogelijkheid toe is, moeten wij nog voor dien tijd
+onder dak zijn. Zonder eene degelijke beschutting kunnen wij dit weer
+niet afwachten, dat zeker tot het einde van het jaar aanhouden zal."
+
+"Waarmee moeten wij dan eerst beginnen?" vroeg mijnheer Wilson.
+
+"Morgen zullen wij 't best doen nog een of twee tenten op te slaan,
+om al de aan land gebrachte goederen daaronder te bergen. Hierna kunnen
+wij eens zien, waar wij onzen rijkdom voor de toekomst bewaren willen,
+en ook nagaan, wat ons nogal zoo ontbreekt."
+
+"Zeer goed; en wat moet er dan gebeuren?"
+
+"Dan, mijnheer, dienen wij, dunkt me een klein tochtje naar het
+binnenste van het eiland te doen en de plek uit te zoeken, waar wij
+ons huis zullen opbouwen."
+
+"Kunnen wij een huis bouwen?" riep Willem verbaasd.
+
+"Wel zeker, mijn kind; en dat zal ons minder moeite kosten, dan gij
+u misschien voorstelt. Er is geen nuttiger boom dan de kokosboom en
+daarbij is zijn hout zoo licht, dat wij het gemakkelijk van de plaats
+kunnen krijgen."
+
+"En waarin bestaat dan het groote nut van dien boom?" vroeg mevrouw
+Wilson.
+
+"Dat zal ik u vertellen, mevrouw. Vooreerst geeft hij u hout, om er een
+huis van te bouwen; dan hebt gij de schors, waaruit ge touw, koord en,
+zoo gij verkiest, ook vischnetten maken kunt; vervolgens de bladeren,
+om uwe woning en, wilt ge, ook uw hoofd daar mee te dekken, want men
+kan zeer goed hoeden en ook manden daarvan vlechten. Verder hebben wij
+de vrucht, eene noot, die zeer goed te eten en ook gekookt voedzaam
+en lekker is. In de jonge noot is de zeer gezonde melk besloten
+en bovendien geeft zij nog lampolie en hare schil drinknappen en
+veldflesschen, als men die anders niet heeft. Eindelijk kan men nog een
+wijn uit den boom tappen, die versch gebruikt een aangename drank is,
+maar bedwelmt en dronken maakt, als hij langer bewaard wordt; en van
+dezen wijn kan men dan ook een zeer sterken drank brouwen. Oordeel nu
+zelve maar eens, mevrouw: kent gij een anderen boom, die den mensch
+zooveel nut aanbrengt en hem, zooals deze, bijna van al wat hij noodig
+heeft, voorziet?"
+
+"Waarlijk, daar heb ik nooit iets van geweten," was het antwoord.
+
+"In allen gevalle zijn hier boomen in menigte," zeide Willem.
+
+"Ja, ja, mijn jongen, daar is hier geen gebrek aan; en dat verheugt
+mij hartelijk, want als er maar weinig waren, zou ik er niet gaarne
+een van omhouwen. Misschien konden in het vervolg nog anderen hier
+schipbreuk lijden en daarbij het noodzakelijkste missen, zoodat zij
+gedwongen waren, geheel alleen van de weinige kokosboomen te leven."
+
+"Maar nu, geloof ik, zou 't voor allen goed zijn, dat wij te bed
+gingen," zeide mevrouw Wilson.
+
+
+
+
+
+
+
+DERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+EERSTE VERRICHTINGEN OP HET EILAND.
+
+
+Wij kunnen voortaan in de geschiedenis van ons gezelschap op het eiland
+niet meer, als tot hiertoe, de dagelijksche verrichtingen optellen,
+daar wij genoeg te doen zullen hebben met de belangrijkste voorvallen
+en ontmoetingen van elken dag behoorlijk te vermelden. Den volgenden
+morgen na het ontbijt zeide Flink:
+
+"Nu, mijnheer Wilson, moeten wij krijgsraad houden en aangaande een
+ontdekkingsreisje op morgen een besluit nemen. Is dit bepaald, dan
+zullen wij wel middel vinden, om dezen dag verder op eene nuttige
+wijze te besteden. De eerste vraag is: wie zullen mee van de partij
+zijn? Mag ik weten, hoe gij daarover denkt?"
+
+"Wel, vriend," antwoordde mijnheer Wilson, "mij dunkt, wij beiden,
+gij en ik, zullen gaan."
+
+"Toch beiden niet te gelijk, lieve man?" viel zijne vrouw hem in de
+rede. "Gij kunt u ook wel zonder mijn man redden, niet waar, Flink."
+
+"Ik had zeker wel gewenscht mijnheer Wilson en zijn goeden raad bij mij
+te hebben," was het antwoord; "maar ik heb er ook al over nagedacht en
+geloof zelf, dat de kleine Willem geene toereikende bescherming voor u
+is; of althans zoudt gij hem daar niet voor houden, en dat komt voor
+uwe bezorgdheid nagenoeg op 't zelfde uit. Dus, als mijnheer er niet
+tegen heeft, zal 't het best zijn, dat hij u gezelschap blijft houden."
+
+"Wilt gij echter geheel alleen gaan, Flink?" vroeg de heer Wilson.
+
+"Neen mijnheer; ik geloof niet, dat dit goed en verstandig zou zijn. Er
+kon mij immers een ongeluk overkomen, want niemand kan zeggen, wat
+er gebeuren kan. Ofschoon er alle schijn van veiligheid voorhanden
+is. Daarom wenschte ik wel iemand bij mij te hebben; de vraag is maar,
+of dat Willem of Juno zal zijn."
+
+"Neem mij mee!" riep Thomas op eens.
+
+"U meenemen, kleine man!" zei Flink lachend; "dan diende ook Juno mee
+te gaan, om op u te passen. Neen, men kan u hier zeker niet missen;
+uwe moeder zou verlegen staan, als gij weg waart. Gij kunt zoo mooi
+brandhout en drooge prikken opzamelen en op uw zusje en kleine broertje
+passen, dat moeder zonder u geen raad meer weten zou. Dus moet Juno
+of broer Willem met mij gaan."
+
+"En wien van beiden hadt gij 't liefst, Flink?" vroeg mevrouw Wilson.
+
+"Uw zoon Willem, mevrouw,--hem verreweg 't liefst, als gij hem aan
+mijne zorg wilt toevertrouwen. Ik vreesde enkel, dat gij misschien
+zwarigheid zoudt maken."
+
+"Ik heb het liever niet; ik zou mij liever een poos lang zonder Juno
+behelpen," antwoordde de moeder. "Maar neen, ik heb ongelijk, lieve
+man," vervolgde zij zich tot haren man wendende, die haar bestraffend
+aanzag. "Ja, ik heb ongelijk. Ziekte en lijden hebben mij niet alleen
+zwak en vreesachtig, maar, vrees ik, ook zelfzuchtig gemaakt. Ik
+wil mij daartegen verzetten. Tot hiertoe ben ik u lang tot last en
+bezwaar geweest, maar dat zal, hoop ik, eerlang beter worden en dan
+zal ik mij ook nuttig zoeken te maken. Zoo gij 't beter acht, lieve
+Wilson, dat gij zelf, in plaats van Willem, met Flink gaat,--ik ben
+er nu niet meer tegen, 't was heusch zeer verkeerd van mij, dat ik er
+mij een oogenblik tegen verzette. Ga dus gerust met onzen vriend mede."
+
+"Dat mijnheer meegaat is niet noodig, mevrouw," hernam Flink; "uw
+wakkere Willem kan mij dezelfde diensten doen. Geloof mij, ik zou
+van harte gaarne alleen gaan: ik heb geen vrees, dat mij iets kwaads
+bejegenen zal; maar toch weten wij niets van den dag van morgen. Ik
+kon immers ook ziek,--kon door eenig toeval overvallen worden, ik
+ben een oud man; en dan, dacht ik, als mij een ongeluk trof, kondt
+gij mij missen. Dat is alles;--ik zeide 't niet uit eigenbelang."
+
+"Daar ben ik volkomen van overtuigd, mijn goede oude vriend,"
+antwoordde mevrouw Wilson; "maar eene moeder is soms al heel dwaas
+en onverstandig."
+
+"Vergeef mij, mevrouw, niet dwaas, zooals gij zegt; slechts soms al
+te bezorgd en angstvallig."
+
+"Genoeg, Flink. Onze Willem zal dan met u gaan, dat is bepaald en
+besloten," besliste de vader ten laatste. "Wat is nu aan de beurt?"
+
+"Vooreerst moeten wij ons nu tot onzen marsch gereedmaken. Wij moeten
+wat mondkost en wat water bij ons hebben, daarbij een geweer en kruit,
+eene groote bijl voor mij en een kleinere voor mijn reismakker. Ook
+zal het goed zijn, dat Romulus en Remus meegaan; het dashondje kunt ge
+hier bij u houden. Gij, Willem, kunt nu dadelijk vier halve fleschjes
+met water vullen, terwijl ik voor ieder van ons een linnen knapzak
+in elkander naai."
+
+"En wat zal ik doen?" vroeg mijnheer Wilson.
+
+"Gij, mijnheer, zoudt ons een grooten dienst kunnen doen, als
+gij zoo goed waart, deze twee bijlen op de slijpsteen wat aan te
+scherpen. Thomas zal wel draaien. 't Is een sterke, fiksche jongen en
+frisch te arbeiden is altijd zijn lust en zijn leven." Thomas stond
+dadelijk op. Hij was juist sterk genoeg, om den steen rond te draaien;
+maar gewoonlijk wilde hij liever spelen dan werken. Nu de oude man
+echter gezegd had, dat dit laatste zijn lust was wilde hij dat ook met
+de daad bewijzen en sloofde zich af, wat hij kon. Flink zat daarbij
+zijne reiszakken te naaien, en zoo vaak onze jongeheer lust gevoelde
+om het werk te staken, prees Flink hem, dat hij zich zoo dapper weerde
+en vertelde aan zijne moeder welk een knappe jongen hij was. Zoo dan
+ging Thomas, die zich gaarne hoorde prijzen, met zijn werk voort,
+totdat de zweetdruppels hem op het voorhoofd stonden. Vóór het avond
+werd, waren de bijlen geslepen, de zakken klaar en was alles gereed
+voor den volgenden morgen.
+
+"Wanneer wilt gij morgen op weg gaan, Flink?" vroeg mevrouw Wilson.
+
+"Het zal goed zijn, dat wij met het eerste daglicht opbreken, daar
+de hitte zoo vroeg nog niet sterk is."
+
+"En tegen wanneer denkt gij terug te zijn?"
+
+"Ja, zie, mevrouw, wij hebben voorraad voor drie dagen bij ons. Als
+wij morgen, Woensdag, in de vroegte opstappen, kunnen we misschien
+Vrijdagavond hier terug zijn. In allen gevalle denk ik niet, dat het
+later dan Zaterdagochtend worden zal."
+
+"Goeden nacht, dan--en vaarwel, lieve moeder!" zeide Willem. "Ik zal
+u morgen vroeg niet meer zien."
+
+"God zegene en behoede u, mijn lief kind!" sprak deze. "Pas toch vooral
+goed op hem, Flink! En ook gij--goede reis en tot spoedig wederzien!"
+
+De beangste moeder ging in hare tent, om de tranen te verbergen,
+die zij niet kon weerhouden. "Het is nog geheel nieuw voor haar,"
+merkte Flink aan; "als zij er meer aan gewoon is, zal eene korte
+scheiding haar zoo hard niet meer vallen."
+
+"Dat vertrouw ik ook," antwoordde haar echtgenoot; "maar zij is nu
+nog zenuwachtig en ongesteld; en in aanmerking nemende, dat zij tot
+dusverre zelden langer dan een uur van hare kinderen gescheiden
+is geweest en haar zoon nu weggaat, zonder dat zij zelfs weet
+waarheen,--houdt zij zich, dunkt mij, nog al vrij standvastig."
+
+"Ja, waarlijk, mijnheer, dat doet zij," erkende Flink; "de angst eener
+moeder is even natuurlijk als hare liefde. In allen gevalle wil ik, ook
+indien ik alles wat ik wenschte niet op eenmaal verrichten kan, toch
+op den bepaalden dag terug zijn en dan later nog eens een reisje doen."
+
+"Doe dat, Flink; dat zal haar geruststellen. En nu, vaarwel; wees
+voorspoedig en moogt gij uw doel bereiken!"
+
+
+
+
+
+
+
+VEERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+EERSTE UITSTAPJE OP HET EILAND.
+
+
+Nog vóór de zon was Flink op en wekte ook Willem uit den
+slaap. Zwijgend kleedden zij zich aan en vermeden elk gerucht,
+dat de moeder had kunnen doen ontwaken. Hunne reiszakken waren
+reeds gepakt. In ieder was een portie vleesch, dat zij dadelijk
+onder elkander verdeeld hadden, benevens twee waterfleschjes, in
+kokosbladeren gewikkeld, opdat zij minder licht breken zouden. Flink,
+die den grootsten reiszak droeg, had nog beschuit en verscheidene
+andere dingen bij zich, waarvan hij zich voor het geval van nood had
+voorzien. Om het lijf had hij twee strikken geknoopt, om, als dit
+vereischt werd, de honden daaraan vast te binden.
+
+Zoodra zij de reiszakken hadden omgehangen, nam Flink bijl en geweer
+en vroeg Willem, of hij wel dacht een kleine spade, die zij te gelijk
+met de schoppen van het wrak gehaald hadden, op den schouder te kunnen
+dragen. De knaap antwoordde toestemmend. De honden, die schenen te
+weten, dat zij meegaan mochten stonden klaar, en nu ging de oude man
+naar een der watertonnen, nam zelf een duchtigen slok, spoorde Willem
+tot hetzelfde aan en liet toen ook de honden drinken, zooveel zij
+lustten. Hierop, juist toen de zon aan den hemel opging, traden zij
+het kokosbosch in en hadden de tenten spoedig uit het gezicht verloren.
+
+"Nu, reiskameraad," begon Flink en stond stil, toen zij een twintig
+schreden ver waren, "weet gij ook, op welke wijze wij den terugweg
+vinden kunnen? Gij ziet, in het dichte bosch konden wij licht verdwalen
+en er is geen pad, dat ons dan leiden zou."
+
+"Neen, waarlijk, dat weet ik niet; ik dacht daar juist aan, toen gij
+er over begont, en ook Klein Duimpje viel mij in, die broodkruimels
+uitstrooide om zijn weg weerom te vinden, maar hem toch niet vond,
+omdat de vogels zijne kruimels hadden opgepikt."
+
+"Ge ziet dus, dat Klein Duimpje de zaak niet goed overlegd had, en
+wij moeten het hem zoeken te verbeteren. Wij moeten doen, zooals de
+Amerikanen doen in hunne bosschen: wij moeten de boomen merken. Dit
+geschiedt door een enkelen slag met de scherpe bijl een kerfje in de
+schors van den boom te houwen, dat hun tot teeken dient, waaraan zij
+hun weg herkennen. Zij merken daarbij niet elken boom, maar altijd
+den tiende of zoo, die aan hun pad staat, en dan beurtelings een
+aan den rechter- en een aan de linkerhand. Het kost slechts weinig
+moeite; zij doen het onder het gaan, zonder dat het hen een oogenblik
+ophoudt. Laat ons nu ook daarmee beginnen; gij neemt de rechterkant:
+het zal u gemakkelijker vallen de bijl in de rechterhand te houden;
+ik voor mij kan evengoed ook de linker gebruiken. Zie, zoo maakt men
+slechts een kerfje in den bast:--de zwaarte van de bijl doet het bijna
+alleen en dat kan ons jaren lang tot wegwijzer door het woud dienen."
+
+"Dat is heerlijk bedacht!" riep Willem, en beiden vervolgden nu hun
+marsch, terwijl zij de boomen rechts en links op gezette afstanden
+teekenden.
+
+"Ik heb evenwel ook nog een anderen vriend in den zak," begon Flink
+weder, "en ik zal dien moeten gebruiken."
+
+"Wat is dat?"
+
+"Het zakkompas van den armen kapitein Osborn. Gij ziet, Willem,
+het merken der boomen zal ons wel onzen terugweg aanduiden, maar kan
+ons niet zeggen, in welken koers we thans te sturen hebben. Op dit
+oogenblik weet ik nog, dat wij den rechten weg houden, daar ik door
+het geboomte achter mij heen zien kan: maar dikwijls zal dit niet
+mogelijk zijn en dan moet ik met mijn kompas te rade gaan."
+
+"Dat begrijp ik zeer goed; maar zeg mij, Flink, waartoe nemen wij die
+schop mede? Hoe kan ons die van dienst zijn? Gij zeidet er gisteren
+morgen niets van, dat gij er eene mee woudt nemen."
+
+"Neen, Willem, en ik zweeg er opzettelijk van, omdat ik uwe moeder
+niet beangst wilde maken. U echter durf ik wel zeggen, dat ik zelf
+omtrent één ding zeer bezorgd ben, en dat is, of hier water te vinden
+is of niet. Is er geen water, dan moeten wij het eiland wat vroeger
+of later toch verlaten, want men kan wel eenig water verkrijgen door
+kuilen in het zand te graven, doch dat is ziltig zeewater en zou ons
+bij voortgezet gebruik allen ziek maken. Van het schip hebben wij
+niet veel meegebracht, en als er stormachtig weer komt, kunnen wij er
+ook niet meer vandaan halen. Nu gebeurt het echter dikwijls, dat er
+ergens zoet water is, zonder dat men het aan den grond zien kan,--men
+moet er dan naar graven, en daartoe heb ik de spade meegebracht."
+
+"Gij denkt toch aan alles, Flink."
+
+"O neen, mijn goede Willem, dat doe ik niet altijd. 't Is waar, in
+onzen tegenwoordigen toestand denk ik meer aan wat noodig is, dan
+misschien uw vader en uwe moeder; maar dat is, omdat zij nog nooit
+geweten hebben, wat het is aan zichzelf alleen te zijn overgelaten. Zij
+zijn nog nooit in 't geval geweest, dat zij genoodzaakt waren aan
+zulke dingen te denken; als men echter zijn gansche leven op zee
+zwalkte, zooals ik--als men schipbreuk heeft geleden en rampen
+en gevaren van allerlei aard doorgestaan,--als men gedwongen was,
+uitkomst te verzinnen of te gronde te gaan, dan, Willem, verzamelt
+men zich nuttige kundigheden, niet alleen uit zijn eigen lijden,
+maar ook uit het verhaal van anderen, wanneer men hoort, hoe die
+zich er in de ellende hebben weten door te worstelen. Nood, zegt
+men, is de moeder der wijsheid, en dat is werkelijk waar, Willem,
+want hij scherpt het verstand; en het is dikwijls opmerkelijk, wat
+vele menschen, vooral zeelieden, als de nood hen tot handelen drijft,
+met de eenvoudigste middelen tot stand brengen."
+
+"En waar gaan wij dan nu naar toe, Flink?"
+
+"Recht op de lijzijde van het eiland aan; en ik hoop, dat wij nog
+vóór het vallen van den donker daar zijn zullen."
+
+"Waarom noemt gij dat de lijzijde van het eiland?"
+
+"Omdat de wind tusschen deze eilanden genoegzaam altijd uit dezelfde
+richting waait. Wij landden op de windzijde; thans hebben wij den
+wind in den rug; steek uw vinger maar eens op en gij zult hem zelfs
+hier in het bosch nog voelen."
+
+"Neen, ik merk niets," verzekerde de knaap, terwijl hij den vinger
+omhoog hield.
+
+"Maak uw vinger dan eens nat en beproef het nog eens."
+
+Willem bevochtigde zijn vinger met de tong en stak hem nogmaals
+op. "Ja, nu voel ik het. Maar hoe komt dat?"
+
+"De wind droogt de vochtigheid van uw hand op; daardoor ontstaat koude,
+en deze is het, die gij voelt."
+
+Op eenmaal begonnen de honden te knorren, sprongen toen vooruit en
+blaften luid.
+
+"Wat kan dat wezen?" riep Willem.
+
+"Blijf staan, jongen," sprak Flink en spande den haan; "ik zal vooruit
+gaan en zien." De oude man sloop zachtjes voorwaarts, het geweer
+voorzichtig tegen de heup drukkende. Het geblaf der honden verdubbelde,
+en uit een hoop dorre kokosbladeren stoven daar op eenmaal.... al de
+varkens, die men een paar dagen te voren had laten loopen, voor den
+dag en zetten het op een galoppeeren, met de honden achter hen aan.
+
+"Het zijn onze varkens maar, Willem," riep Flink lachend, "Ik had
+nooit gedacht, dat een tam zwijn iemand zoo kon doen schrikken.--Hier,
+Romulus! Koest, Remus!" vervolgde hij, de honden roepende. "Nu, Willem,
+daar hebt gij ons eerste avontuur."
+
+"Ik hoop, dat wij er geen gevaarlijker beleven zullen," gaf de knaap
+lachend ten antwoord. "Evenwel, ik wil wel bekennen, dat ik vrij wat
+ontsteld was."
+
+"Geen wonder, want ofschoon al niet waarschijnlijk, zou het toch
+mogelijk zijn, dat zich roofdieren of zelfs wilden op dit eiland
+ophielden. Wij moeten in een onbekend land steeds op het ergste gevat
+zijn, Willem. Men kan verschrikt wezen en daarom toch, evenals gij
+daareven, moedig standhouden. Wie echter bevreesd is, loopt weg."
+
+"Ik geloof niet, dat ik ooit wegloopen en u verlaten zal, als er
+gevaar aanwezig is, Flink."
+
+"Ik vertrouw er gerust op, Willem, dat gij dat niet doen zult; maar
+daarom moet gij toch niet onbezonnen en te haastig zijn. Wij willen
+nu verder gaan, als ik eerst mijn haan in rust gezet heb. Daar mij
+dit nu juist invalt, Willem, en gij dikwijls een geweer bij u zult
+hebben,--denk er toch aan, jongen, dat gij nooit uw haan gespannen
+laat. Ik heb daardoor alleen, dat velen den haan spanden en naderhand
+vergaten hem weder in rust te zetten, meer ongelukken zien gebeuren,
+dan gij u ooit zoudt voorstellen. Span nooit den haan, zoolang gij niet
+vuren wilt;--dezen raad moet gij altijd in gedachten houden. Nu moet
+ik eens op het kompas zien, want wij hebben op eens eene veranderde
+richting, zoodat ik niet meer weet, welken weg in te slaan.--Ziezoo,
+nu is alles goed. Vooruit, honden!"
+
+Nog langer dan een uur vervolgden de wandelaars hun weg door het
+kokosbosch en vergaten daarbij niet, al voortgaande, de boomen rechts
+en links te teekenen. Eindelijk kozen zij een plekje uit, om er hun
+ontbijt te gebruiken, en de honden strekten zich daarbij nevens hen
+op den grond neer.
+
+"Geef de dieren geen water en geen gezouten vleesch; geef hun niets
+dan beschuit."
+
+"Maar zij zijn zoo dorstig; moet ik hun niet een weinig te drinken
+geven?"
+
+"Neen; vooreerst omdat wij alles voor onszelven noodig hebben, en
+bovendien verlang ik juist, dat zij dorstig zijn. En ook gij, Willem,
+volg mijn raad en drink maar weinig water op eens. Weinig is volkomen
+toereikend, om den dorst te lesschen, en hoe meer gij drinkt, des te
+meer voelt gij dorst."
+
+"Dan dien ik ook wel niet te veel gezouten vleesch te eten."
+
+"Juist; hoe minder gij eet, des te beter, als wij geen water vinden
+en onze fleschjes weer vullen kunnen."
+
+"Maar wij hebben onze bijlen immers en kunnen van tijd tot tijd ook
+eene kokosnoot afslaan en de melk daarvan drinken?"
+
+"Ja, en het is een geluk voor ons, dat wij die uitkomst altijd nog
+hebben; maar toch zou kokosmelk alleen ons slecht bevallen, ook als
+die het gansche jaar door volop te krijgen ware.--Nu, Willem, willen
+wij weer opstappen, als gij niet te moe zijt."
+
+"Volstrekt niet; ik ben alleen moe niets dan de stammen der boomen
+te zien, en zal hartelijk blij zijn, als wij het bosch eens achter
+den rug hebben."
+
+"Hoe meer wij ons haasten, des te beter dus," antwoordde Flink. "Voor
+zoover ik dit eiland bij onze aankomst beoordeelen kon, moeten wij
+thans ongeveer halfweg zijn."
+
+De wandelaars begaven zich met vernieuwde krachten op weg.
+
+Na een half uur bevonden zij, dat de grond niet meer zoo effen was
+als vroeger en beurtelings begon te rijzen en te dalen.
+
+"Het is mij zeer lief, dat ik het eiland hier niet meer zoo vlak vind,
+Willem. Wij hebben zoo meer vooruitzicht om water te vinden."
+
+"Ei, zie eens; daar wordt het nog steiler," merkte Willem aan,
+terwijl hij een boom teekende; "daar is immers wezenlijk een heuvel."
+
+"Des te beter;--wakker voorwaarts!"
+
+De bodem was thans meer golvend geworden. Echter was hij nog altijd met
+kokosboomen overdekt, die zelfs nog dichter stonden, dan tot dusver
+het geval was geweest. Zij vervolgden hun marsch, waarbij zij van
+tijd tot tijd op het kompas zagen, totdat Willem zijne vermoeidheid
+niet langer verbergen kon, want de weg door het woud was thans nog
+bezwaarlijker geworden dan in den beginne.
+
+"Hoeveel mijlen denkt ge wel, dat we nu al gegaan zijn, Flink?" vroeg
+hij ten laatste.
+
+"Acht ongeveer, denk ik."
+
+"Niet meer dan acht?"
+
+"Neen, ik geloof niet, dat we, door elkaar gerekend, meer dan twee
+mijlen in het uur hebben afgelegd. Het gaat maar langzaam, als men
+naar het kompas reist en daarbij altijd de boomen merken moet; maar
+mij dunkt, dat het woud vóór ons lichter wordt, van den top van dezen
+heuvel gezien."
+
+"Ja, dat is zoo, Flink; ik verbeeld mij, den blauwen hemel weer
+te zien."
+
+"Uwe oogen zijn jonger dan de mijne, Willem, en mogelijk hebt gij
+goed gezien. We zullen dat spoedig vernemen."
+
+Zij daalden nu in een ravijn neer en klommen vervolgens weer een
+tweeden heuvel op. Zoodra zij boven kwamen, riep Willem overluid:
+"De zee, Flink! daar is de zee!"
+
+"Zeer goed, Willem; ik voor mij heb daar volstrekt niets tegen."
+
+"Ik dacht al, dat wij nooit een einde aan dat donkere bosch zouden
+zien," sprak de knaap en snelde ongeduldig vooruit; eindelijk stond
+hij aan den uitersten zoom van het kokoswoud en bleef staan. Flink
+stond spoedig aan zijne zijde, en beiden vestigden nu hunne oogen op
+het voor hen uitgebreide landschap.
+
+
+
+
+
+
+
+VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
+
+DE OOSTZIJDE VAN HET EILAND.
+
+
+"O hoe heerlijk!" riep Willem ten laatste: "zeker, hier zou moeder
+recht gaarne wonen. Ik hield de andere zij van het eiland voor heel
+lief, maar zij is toch niets bij deze vergeleken."
+
+"Het is hier werkelijk fraai," antwoordde Flink in diepe gedachten.
+
+Men kan zich trouwens niet licht een liefelijker tooneel
+voorstellen. Het kokoswoud werd ongeveer een vierde mijl van de kust
+eensklaps afgebroken door eene steile helling, die zich bij de dertig
+voeten boven het strand verhief. Dit strand zelf was een golvende,
+hier en daar met struiken begroeide groene vlakte en strekte zich
+tot op ongeveer vijftig schreden afstands van het water uit, waar
+het in verblindend wit zand overging, door 't welk enkele smalle
+klippenreeksen van den oever landwaarts opliepen. Het water was
+van eene helder blauwe kleur en brak slechts aan de klippen in wit
+schuim. De riffen strekten zich mijlen ver van den oever in zee
+uit en op enkele plaatsen staken de punten der rotsen boven den
+rand des waters uit. Talrijke scharen van zeevogels hadden zich op
+die hoogten genesteld; anderen wiegden zich in de heldere lucht of
+schoten van tijd tot tijd in de blauwe zee neer, waaruit zij dan met
+hunne klauwen een van de visschen ophaalden, welke in menigte aan de
+zandbanken speelden en dikwijls zelf in vroolijke sprongen uit het
+water opwipten. De kust had de gedaante van een hoefijzer en vormde
+eene baai, besloten tusschen twee boschachtige landtongen, die zich
+aan weerszijden ver in zee uitstrekten. De horizon was helder en
+scherp tegen de zee afgeteekend.
+
+Flink bleef een tijdlang stom, liet zijne oogen rechts en links langs
+den gezichteinder gaan, monsterde scherp de riffen in de verte en
+wierp toen een vorschenden blik op het land vóór hem.
+
+"Waaraan denkt gij, Flink?" vroeg Willem ten laatste.
+
+"Ik?--Ik denk dat wij zoo spoedig mogelijk naar water moeten omzien."
+
+"Maar waarom zuchttet gij daareven?"
+
+"Omdat ik niet, gelijk ik verwacht had, nog een ander eiland aan
+lij ontdekken kan en er dus bijna geene mogelijkheid voorhanden is,
+dat wij dit hier verlaten. Bovendien is deze bocht hoe fraai gelegen
+ook, toch vol riffen, en ik zie nergens een ingang, wat de zaak om
+velerlei redenen hoogst bezwaarlijk maakt. Evenwel kunnen wij niet
+terstond op het eerste gezicht oordeelen. Eerst willen wij gaan
+zitten en ons middagmaal houden, dan kunnen wij verder zien. Halt,
+halt!--voordat wij van de plaats gaan, moeten wij aan de boomen bij
+den uitgang van het bosch een duidelijk teeken maken; zonder dat,
+zouden wij bij het terugkeeren onze merken moeielijk wedervinden."
+
+Hij sneed twee witte streepen in de stammen der kokosboomen en daalde
+toen met Willem naar het vlakke veld neer, waar zij zich neervlijden
+en hun eenvoudigen maaltijd hielden. Zoodra dit verricht was, stonden
+zij weder op en gingen aan het zeestrand. Flink keerde zich naar de
+landzijde, in de hoop van ergens eene kleine beekbedding of holte
+te ontdekken, die mogelijk zoet water bevatten kon. "Hier zijn
+eenige plekken," zeide hij en wees ze met den vinger aan, "waar
+het water in den regentijd zijn afloop gehad heeft; wij moeten ze
+zorgvuldig onderzoeken, maar nu niet. Daartoe hebben wij morgen tijd
+genoeg. Eerst moet ik een middel uitvinden om onze kleine boot door
+gindsche klippen heen te krijgen; anders hebben wij een vreeselijken
+arbeid, als wij naar deze plaats verhuizen, namelijk, zoo wij al onze
+bezittingen door het woud aansleepen moesten en dat zou ons weken, zoo
+niet maanden kosten. Dus willen wij vandaag de kust goed onderzoeken,
+Willem, en dan morgen naar zoet water omzien."
+
+"Zie de honden eens, Flink; ze drinken zelfs zeewater, de arme
+beesten!"
+
+"Zij zullen er niet veel van nemen. Zie, ze loopen er al van weg."
+
+"Wat zijn die koralen fraai! Zie, ze groeien als jonge boomen onder het
+water.--Ha, daar is een bloem, die op de rots uit het water opschiet."
+
+"Raak haar eens met den vinger aan, Willem," sprak Flink.
+
+Willem deed dit, en de bloem, gelijk hij haar noemde, sloot zich
+oogenblikkelijk.
+
+"Hoe, wat is dat? Het is vleesch en leeft!"
+
+"Dat is het ook. Ik heb ze vroeger meer gezien; men noemt ze, meen ik,
+zee-anemonen, doch ik kon nooit te weten komen, of het schelpdieren
+zijn of niet. De natuur is toch bewonderenswaardig! Maar laat ons
+nu die landtong eens opgaan en zien, of wij ook een doorgang door
+de riffen vinden kunnen. De zon gaat onder en wij hebben nu nog maar
+één uur licht. Vooraf moeten wij ook nog eene slaapplaats opzoeken."
+
+"Maar wat is dat?" riep Willem en wees naar het zand;--"dat ronde,
+zwarte ding?"
+
+"Iets, dat ik blij ben hier te zien; eene schildpad. Zij komen om
+dezen tijd tegen den avond aan land, om hare eieren te leggen, die
+zij onder het zand begraven."
+
+"Kunnen wij haar niet vangen?"
+
+"O ja; als wij haar slechts stilletjes naderen. Maar vooral moogt
+gij haar niet in den rug komen, want dan werpt zij met haar staart
+en hare achterpooten of vinnen zulk een wolk van zand over u heen,
+dat gij er blind van wordt en zij gemakkelijk kan ontsnappen. Om
+deze beesten te vangen, moet men hen van boven aanvatten en bij een
+der voorvinnen op den rug omwentelen. Dan kunnen zij zich niet meer
+bewegen en blijven stil liggen."
+
+"Laat ons het dan eens met deze hier beproeven."
+
+"Dat zou zeer onverstandig zijn, mijn beste Willem, daar wij het beest
+toch niet mee kunnen nemen en het morgen in de hitte sterven zou,
+zonder dat iemand er dienst van had. Men mag geen schepsel doelloos
+van het leven berooven, en zoo wij nu deze schildpad vermaakshalve
+dooden wilden, kon het licht gebeuren, dat wij een andermaal, als
+wij ze noodig hadden, er geen vonden."
+
+"Dat had ik niet bedacht, Flink. Als wij eens hier wonen, kunnen wij
+ze, hoop ik, zoo dikwijls vangen, als wij verkiezen."
+
+"Neen, dat is niet waarschijnlijk; zij komen alleen gedurende den
+broeitijd aan land. Maar wij willen ergens een schildpadvijver
+aanleggen, die uit zee frisch water krijgt en waaruit zij ons niet
+weder ontsnappen kunnen. Die wij dan vangen, zetten wij in den vijver
+en halen ze er uit, zoo dikwijls wij lust hebben."
+
+"Dat is een zeer goed plan," antwoordde Willem.
+
+Onder zulke gesprekken vervolgden zij hunne wandeling. Zij moesten zich
+met moeite een weg banen door het struikgewas, dat verder den landtong
+op steeds dichter werd, en stonden weldra op den uitersten uithoek.
+
+"Wat is dat daar ginder?" riep Willem en wees met de hand naar de
+rechterzijde.
+
+"Dat is een tweede eiland, Willem, en ik ben zeer verheugd het te
+zien, ofschoon 't al niet gemakkelijk te bereiken zal zijn, als
+wij eens genoodzaakt mochten worden dit eiland hier om gebrek aan
+water te verlaten. Echter is 't nog altijd mogelijk, dat dit ons
+gelukken kan. In allen gevalle is het een veel grooter eiland dan
+het onze," vervolgde Flink en mat met de oogen de uitgestrektheid
+van den gezichteinder, aan welks rand hij de toppen der boomen zien
+kon. "Kom nu, jonge kameraad; voor onzen eersten dag hebben wij ons
+redelijk goed gehouden. Ik ben vrij moe, en gij, dunkt mij, zult ook
+uwe beenen wel voelen. Laat ons dus omkeeren en naar eene rustplaats
+voor den nacht omzien."
+
+Zij keerden naar den zoom van het kokosbosch terug. Daar pakten zij
+eenige hoopen dorre bladeren opeen en bereidden zich daaruit een
+zachte legerstede onder de boomen.
+
+"Nu nog een teugje water gedronken en ons dan tot rusten neergelegd,"
+zeide de oude man. "Zie de lange schaduw, Willem, die de boomen in
+de zon werpen! Binnen een paar minuten zal deze geheel onder zijn."
+
+"Mag ik onzen honden nu water geven? Zie eens, de arme Remus heeft
+de tong uit den bek hangen en lekt aan de flesschen,--zoo'n dorst
+heeft hij."
+
+"Neen, neen, zij krijgen nu niets. Gij zult dit hard vinden, maar het
+moet zoo wezen. Morgen kunnen wij de scherpe zintuigen dezer dieren
+noodig hebben: hun dorst zal hun dan dubbel oplettend maken en kan
+ons van groot nut zijn. Wij weten nooit, welk lot ons boven het
+hoofd hangt. Had gij voor eene maand wel gedacht, dat gij u nu in
+'t gezelschap van een oud man op dit eiland bevinden en daar onder
+den blooten hemel slapen zoudt? Als iemand u dat toen voorspeld had,
+zoudt gij het nooit geloofd hebben. En nu goeden nacht, mijn jongen!"
+
+
+
+
+
+
+
+ZESTIENDE HOOFDSTUK.
+
+WATER.
+
+
+Willem sliep zoo goed, alsof hij op het zachtste bed en in een warm
+vertrek gerust had, en Flink insgelijks. Beiden ontwaakten eerst,
+toen de zon lang aan den hemel stond. De arme honden leden hevige
+dorst, en het deed Willem zeer aan het hart, te zien hoe zij huilend
+en bijna versmachtend met uitgestrekte tongen tot hem opkeken.
+
+"Hoe is 't Willem," vroeg Flink hem, "willen we, voordat we opbreken,
+ons ontbijt nemen, of zullen wij eerst eene wandeling doen?"
+
+"Flink, ik kan waarlijk zelf geen droppel drinken, ofschoon ik heel
+dorstig ben, voordat gij aan deze arme beesten een weinigje water
+geeft."
+
+"Ik heb medelijden met de arme stomme schepsels, zoo goed als gij,
+jongen, en geloof mij, het geschiedt niet uit onbarmhartigheid,
+maar integendeel tot hun eigen en ons aller best, dat ik hun dat
+nog onthoud. Laat ons dan maar dadelijk eens de ronde doen en zien,
+of wij niet ergens water vinden. Daar ginder bij die kleine kloof aan
+de rechterhand willen wij het eerst beproeven, en lukt het daar niet,
+dan gaan wij verder op en zien, waar het water gedurende den regentijd
+zijn afloop gehad heeft."
+
+De knaap keurde dit dadelijk goed. De honden volgden hen, en Flink
+had nog eene schop bij zich, die hij op den schouder droeg. Spoedig
+kwamen zij in de kleine laagte, waar de dieren den neus aan den grond
+brachten en hijgend rondsnuffelden.
+
+Het oog van den ouden man volgde aandachtig al hunne bewegingen,
+totdat zij zich eindelijk kreunend nederlegden.
+
+"Wij moeten verder gaan, Willem," zeide hij, in gedachten
+verzonken. Zoo naderden zij eene plaats, waar een afloop van het water
+scheen geweest te zijn; de honden snuffelden hier nog ijveriger rond.
+
+"Gij ziet, Willem, de arme dieren verlangen nu zoo geweldig naar
+water, dat zij het zeker oproepen, als het ergens voorhanden is,
+terwijl wij zonder hen nooit iets hadden kunnen vinden. Ik reken
+niet op eene openliggende wel, maar daarom is het toch wel mogelijk,
+dat hier of daar onder den grond water verborgen zit. Dit gedeelte
+van het strand is niet ver genoeg van zee verwijderd, anders zou ik
+hier in het zand daarnaar graven."
+
+"In het zand! Zou dat dan niet zout smaken?" vroeg Willem.
+
+"Op behoorlijken afstand van het zeestrand niet: want gij moet weten,
+mijn jongen, dat het zand al langzamerhand het zeewater reinigt,
+zoodat men, als de zandige oever breed is, op punten, die het verst
+van het hoogste zeepeil af liggen, bij opgraving dikwijls zoetwater
+vindt, dat wel wat ziltig, maar toch goed om te drinken is. Ik wou
+wel, dat deze omstandigheid onder de zeelieden beter bekend was,
+dan zij werkelijk is;--menig brave jongen zou daardoor een langzamen
+marteldood ontgaan zijn. Er is niets vreeselijkers dan gebrek aan
+water te lijden. Ik weet wat het is op een pintje elken dag bepaald
+te zijn en hoop dat nooit weer te ondervinden."
+
+"Zie eens, Flink, hoe druk Romulus en Remus met hunne pooten daar
+omlaag den grond opkrabben."
+
+"Den Hemel zij dank, mijn goede Willem; gij weet niet, wat blijde
+tijding gij mij daar verkondigt, want om de waarheid te zeggen,
+begon ik mij al ernstig ongerust te maken."
+
+"Maar waarom wroeten zij dan toch zoo?"
+
+"Wel omdat daar water is. Nu ziet gij, hoe goed het was, dat wij hen
+eenige uren dorst lieten lijden: 't is waarschijnlijk ons aller behoud,
+daar wij eene wel moesten vinden of anders het eiland verlaten. Wij
+zullen de dieren nu met de schop helpen, en spoedig zullen ze drinken
+hebben in overvloed."
+
+De oude man ijlde op de plaats toe, waar de honden nog altijd met
+wroeten voortgingen. Zij waren tot den vochtigen bodem gekomen
+en werkten zoo ijverig, dat Flink moeite had hen van de stee te
+verdrijven, om zelfs de spade te kunnen gebruiken. Hij had pas twee
+voet diep gegraven, of het water begon te borrelen, en in minder
+dan vijf minuten was er reeds zooveel voorhanden, dat de honden naar
+hartelust drinken konden.
+
+"Zie eens, Willem, hoe hen dat verkwikt. Dit was het eenige, dat ons
+ontbrak: maar ook iets, dat onontbeerlijk is. Thans hebben wij alles,
+wat wij op dit eiland wenschen kunnen, en zoo wij maar tevreden zijn,
+moeten wij hier recht gelukkig worden,--ja, rijker dan menigeen, die
+zich afslooft om rijkdommen bijeen te schrapen en toch niet weet wat
+gebruik hij er van maken moet. Kijk, onze goede dieren hebben nu ten
+laatste ook genoeg,--en wat hebben ze zich kogelrond gedronken! Wat
+dunkt u, Willem, zullen we thans omkeeren en zien, dat wij wat te
+eten krijgen?"
+
+"Ja," antwoordde deze; "nu zal mij dat eerst recht smaken en wil ik
+ook weer een duchtigen slok water nemen."
+
+"Dit is hier een rijke bron, daar ben ik zeker van," zeide Flink,
+terwijl zij naar de plaats van hun nachtleger terugkeerden en hunne
+knapzakken onderzochten; "maar wij moeten haar hooger op onder de
+boomen nasporen, waar geen zon komt: daar hebben wij het water altijd
+koel en frisch en kan het niet opdrogen.--We zullen de handen vol
+werk krijgen, en dat voor maanden, indien we hier blijven willen. De
+plaats, waar we nu zijn, zal eene kostelijke gelegenheid wezen,
+om daarop ons huis te bouwen."
+
+Zoodra zij hun eenvoudig maal genuttigd hadden, stond de oude man
+weer op en zei:
+
+"Kom jongen, nu naar 't strand! Ik heb nog geen opening tusschen de
+klippen gevonden, en daar ons bootje altijd dezen kant van het eiland
+langs moet komen, dien ik toch te zien, of er niet een behoorlijke
+doortocht te vinden is. Het komt mij voor, dat de branding niet tot
+dat punt ginds reikt, en als daar een doorvaart is, mochten wij ons
+wel gelukkig rekenen."
+
+Aan den uithoek van de landtong gekomen, bevonden zij, dat Flink zich
+in zijn vermoeden niet had bedrogen. Het water was diep tot dicht aan
+het strand en vormde een kanaal van ettelijke roeden breedte. De zee
+was zoo effen, het water zoo glad en doorschijnend, dat zij tot op
+den rotsachtigen grond neerzien konden en de visschen in de diepte
+zagen zwemmen.
+
+"Zie eens," riep Willem en wees naar een punt op eenigen afstand in
+zee, "daar is een groote haai, Flink."
+
+"Ja, ik zie hem wel," antwoordde deze. "Hier in het rond zijn die
+zeker in menigte, en gij moet uiterst voorzichtig zijn, als gij in
+het water gaat. De haaien houden zich altijd aan lij van de eilanden
+op, en in plaats van den eenen, dien wij ginds vonden, toen Juno uw
+broertje baadde, kunt gij hier vijftig zien. Het eerste, waaraan wij
+thans denken moeten, is dat wij zoo schielijk mogelijk van de andere
+zijde hierheen zoeken te verhuizen."
+
+"Zullen wij vandaag nog teruggaan?"
+
+"Ik denk van ja, want hier kunnen wij toch niets doen, terwijl uwe
+moeder zeker reeds in angst en zorgen over u is. Het is nog geen
+middag, naar 't mij voorkomt, en wij hebben nog tijd genoeg vóór ons,
+daar wij nu een bekend pad gaan en ons niet met merken en zoeken
+hebben op te houden. Onze bijlen en de schop kunnen wij hier laten;
+ze mee terug te sleepen zou vergeefsche moeite zijn. Het geweer zal
+ik bij mij houden, want ofschoon niet waarschijnlijk, kan dat toch
+te pas komen. Eerst zullen wij nog eens teruggaan en zien, of onze
+wel goed water geeft, en dan trekken wij op."
+
+Het strand langs gaande, zagen zij vele zeevogels, die dicht om
+hen heen fladderden. Plotseling kwam een zwerm visschen in bonte
+verwarring op den oever schieten; haar volgden eenige grootere, die
+nu ook op het drooge lagen en naar water snakten, totdat de zeevogels
+op eens dicht voor de beide wandelaars neerstreken, de visschen in
+hunne klauwen oppakten en met die prooi ijlings wegvlogen.
+
+"Dat is toch vreemd," riep Willem verwonderd.
+
+"Ja, Willem, dat is het werkelijk. Maar daaraan kunt gij zien, hoe
+het in de wereld gaat: de kleine visschen werden door de grootere
+gejaagd en vluchtten in hunne angst op den oever. Die grootere waren
+zelve zoo begeerig, dat ook zij aan land kwamen, en toen schoten de
+vogels toe en pakten groot en klein op. Daar ligt een goede leering
+in, Willem: als men iets te driftig najaagt, stort men zich licht
+blindelings in gevaar."
+
+"Maar de kleine visschen hadden toch niets, dat zij najaagden."
+
+"Neen, ik bedoelde daarmee de grootere slechts;--bij de kleine was
+het hier van den regen in den drop, zooals het spreekwoord zegt. Maar
+laat ons nu naar de wel gaan."
+
+Zij vonden het gat, dat Flink gegraven had, geheel met water gevuld,
+en toen zij dit proefden, was het volmaakt zoet en aangenaam van
+smaak. Zeer verheugd over deze ontdekking, legden zij de dingen, die
+zij wilden achterlaten, onder de gemerkte kokosboomen neer, dekten
+er eenige takken en bladeren overheen en namen toen met hunne honden
+de terugreis aan naar de kleine bocht.
+
+
+
+
+
+
+
+ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
+
+STORM AAN LAND.
+
+
+De teekens, die zij den vorigen dag gemaakt hadden, volgende, kwamen
+onze landontdekkers zeer spoedig door het woud en waren binnen twee
+uren dicht aan den uitgang, terwijl zij op den heenweg bijna acht
+uren hadden noodig gehad, om denzelfden afstand af te leggen.
+
+"Ik voel den wind al, Flink," zeide Willem, "en wij moeten het bosch
+nu bijna ten einde zijn. Het komt mij voor, dat het zeer donker is."
+
+"Dat heb ik daar ook al gedacht," antwoordde de oude man, "en 't zou
+me niet verwonderen, dat er weer een storm in aantocht was. We moeten
+ons dus haasten, daar uwe moeder zeker ongerust zal zijn."
+
+Het waaien en schudden der boomtakken, nu en dan eene windvlaag,
+waarop een zonderling gehuil en gekraak volgde, dit alles overtuigde
+hem spoedig, dat er werkelijk een storm te vreezen was; en toen zij
+uit het bosch traden, zagen zij den hemel, zoover hun oog reikte, met
+een donkere loodkleur overtrokken en van het vroolijk glanzend blauw,
+waarin hij zich tot hiertoe vertoond had, was geen spoor meer overig.
+
+"Daar komt inderdaad een storm, en dat met volle zeilen," zeide Flink
+bij het verlaten van het woud. "Schielijk naar de tenten, jongen; wij
+moeten zorgen, dat alles zoo zeker zij, als wij het met mogelijkheid
+maken kunnen."
+
+De honden liepen vooruit en hun geblaf lokte mijnheer Wilson en
+Juno naar buiten, die zoodra zij de beide aankomenden zagen, aan de
+moeder, die met de kinderen binnen was gebleven, het afgesproken
+teeken gaven. Een oogenblik later lag de knaap in de armen zijner
+hoogst verheugde moeder.
+
+"Ik ben blij, dat gij terug zijt, Flink," sprak mijnheer Wilson en
+schudde hem de hand, nadat hij Willem omhelsd had; "want ik vrees,
+dat er boos weer ophanden is."
+
+"Dat is zeker," antwoordde Flink, "en wij moeten ons op een
+stormachtigen nacht voorbereiden. De hemel ziet er wezenlijk
+schrikwekkend uit. Het zal een van de stormen zijn, die gewoonlijk
+den regentijd voorafgaan. Intusschen brengen wij u goede tijding,
+mijnheer, en moeten dit als eene aansporing beschouwen, om onze
+verhuizing zooveel mogelijk te verhaasten. Na dezen storm zullen wij
+eene maand of daaromtrent goed weder hebben, misschien nu en dan
+eens met een kleinen storm daartusschen. Daartoe moeten wij thans
+terdeeg aan het werk; en als gij 't goed vindt, mijnheer, zullen wij
+nu dadelijk den eersten noodigen maatregel van voorzorg nemen en naar
+het strand gaan, gij, Juno, Willem en ik. Daar moeten wij onze boot,
+zoover wij kunnen, op het drooge sleepen, want de zee zal hoog gaan
+en spoedig zal die boot onzen voornaamsten steun uitmaken."
+
+Flink ging nu de einden der tentsparren afzagen, ten einde ze onder
+de kiel der boot te leggen en zoo als rollen te gebruiken, en daarop
+daalden alle vier van den oever af. Met gezamenlijke krachten gelukte
+het spoedig, de boot hoog op tusschen de struiken te sleepen, waar
+Flink haar inderdaad ten volle in zekerheid verklaarde.
+
+"Ik was eigenlijk voornemens, zonder uitstel aan het oplappen er van
+te gaan," zeide hij: "maar nu moet ik wachten, tot de storm voorbij
+is. Ook had ik gehoopt, nog eens aan boord te zullen kunnen gaan,
+om nog eenige dingen te halen, die mij later invielen dat ons nuttig
+konden zijn, en dan te zien, of onze arme koe nog in leven is; maar
+ik vrees zeer," vervolgde hij, naar de lucht ziende, "dat wij het
+wrak van De Vrede nooit weer betreden zullen. Hoor het loeien van den
+opkomenden storm, mijnheer; zie, hoe de zeevogels rondfladderen en
+krassen, alsof ze ons onheil te voorspellen hadden! Doch we mogen
+niet te lang dralen, mijnheer;--de tenten moeten steviger worden
+vastgemaakt, zoodat ze tegen de windstooten bestand zijn, want het
+zou een leelijk ding voor mevrouw en de kleinen zijn, als ze eens
+onverwacht werden opgenomen en naar den boschkant heengeblazen."
+
+Toen zij bij de tenten terugkwamen, vonden zij den kleinen Thomas,
+die met veel deftigheid op hen toetrad.
+
+"Ei, dag, Thomas;--hoe gaat het u?" vroeg Willem.
+
+"O, heel goed; ik ben wel en moeder ook; gij hadt gerust weg kunnen
+blijven; ik zorg voor hen allemaal."
+
+"Daar twijfel ik geen oogenblik aan, mijn beste jongen; gij zult wel
+goed voor alles gezorgd hebben," gaf Flink ten antwoord. "Nu moet gij
+ons helpen, om zeildoek en touw bijeen te zoeken, opdat wij den regen
+beletten in moeders tent te dringen. Zoo, geef mij de hand maar en
+kom mee; wij zullen 't aan Willem overlaten, aan moeder te vertellen,
+wat wij onderwijl gedaan hebben."
+
+Met de hulp van mijnheer Wilson pakte Flink stukken zeildoek en touwen,
+zooveel hij noodig had, bijeen en begon die als een dubbel dek tot
+beschutting tegen den regen over de tenten uit te spreiden. Het
+linnen werd door middel van stevige lijnen en koorden aan de boomen
+vastgemaakt, om te verhinderen dat de tenten omverwoeien, terwijl Juno
+gebruikt werd om de greppel, die reeds om de tenten heen liep, met
+eene schop nog verder uit te diepen, zoodat het water een behoorlijken
+afloop had. Zij werkten ijverig door, totdat alles verricht was,
+en zetten zich toen tot het gebruiken van een eenvoudigen maaltijd
+neder. Al voortarbeidende, had Flink mijnheer Wilson zijne ontdekkingen
+op het jongste verkenningstochtje meegedeeld, en allen hadden hartelijk
+gelachen, toen hij het avontuur met de varkens vertelde.
+
+Na het ondergaan der zon werd het weder nog dreigender. De wind
+blies reeds hevig, de rotsige bocht werd door de golven gezweept en
+was met wit schuim overdekt, terwijl de branding woest brulde, zoo
+dikwijls zij over het zand van den oever brak. De geheele familie,
+met uitzondering van Flink, was te bed gegaan; deze had gezegd, het
+weer nog een weinig te willen afwachten, voordat hij zich ter ruste
+legde. De oude man ging naar den oever en zette zich op den rand van
+de boot, die zij daar straks eerst tusschen de struiken in veiligheid
+gebracht hadden. Hier bleef hij zitten en liet het scherpe grijze oog
+rondgaan in de verte, die slechts ééne dichte donkere massa vormde,
+waarin alleen het witte schuim van het water nu en dan enkele flauwe
+lichttinten wierp.
+
+Nog niet lang had hij daar in gedachten verdiept gezeten of een
+vurige bliksemstraal benam den ouden man voor een korten tijd het
+gezicht. "De storm zal weldra zijne volle hoogte bereikt hebben," dacht
+hij. "Ik zal naar de tenten gaan en zien, of die het tegen den wind
+uithouden kunnen." Hij nam den terugweg aan, en nu begon de regen in
+stroomen neer te plassen en bulderde de wind met verdubbelde woede. In
+weinige minuten nam de duisternis zoodanig toe, dat hij het pad naar
+de hoogte slechts met moeite vinden kon. Hij keerde zich in 't rond,
+doch kon niets zien, daar de regen hem de oogen verblindde. Daar hij
+toch niets doen kon, liep hij de tent in, om daar te schuilen, maar
+legde zich niet neer, in de verwachting dat zijn bijstand misschien
+spoedig zou vereischt worden. Hoewel al de overigen te bed waren
+gegaan, hadden slechts Thomas en de beide kleinen zich ontkleed,
+doch vader, moeder, Willem en Juno zich gekleed en al ter ruste gelegd.
+
+
+
+
+
+
+
+ACHTTIENDE HOOFDSTUK.
+
+NA REGEN VOLGT ZONNESCHIJN.
+
+
+De storm woedde nu met geweld en bliksem en donder wisselden elkaar
+onophoudelijk af. De kinderen werden wakker en hieven een luid gejammer
+aan, totdat het eindelijk gelukte hen tot bedaren en weder in slaap
+te brengen. De wind loeide verschrikkelijk en stond met zijn volle
+kracht op de tenten, waar de regen kletterend op neer sloeg. Het
+eene oogenblik werd het linnen binnenwaarts gedrukt en schuurden en
+kraakten de touwen, alsof zij dadelijk in stukken zouden springen; dan
+weder dreef de tegenovergestelde luchtstroom het fladderende zeildoek
+naar buiten, terwijl de regen reeds op onderscheidene plaatsen begon
+door te dringen. Het was stikdonker en de woede der elementen scheen
+eindelijk haar toppunt te hebben bereikt. Gelijk wij vroeger gezegd
+hebben, was mevrouw Wilson's tent niet zoover van het strand verwijderd
+als de tweede later opgerichte en stond dus ook meer aan den wind
+blootgesteld. Tegen middernacht scheen de gansche natuur in oproer
+te geraken. Op eens hoorden de mannen een luid gekraak, dat dadelijk
+door het noodgeschrei van mevrouw Wilson en Juno gevolgd werd. De
+tentprikken waren uit den grond gerukt en de verschrikte vrouwen zoo
+op eenmaal van alle dak en beschutting beroofd. Terstond vloog de oude
+man naar buiten en Willem en zijn vader volgden hem op den voet. De
+wind was zoo sterk, de regen sloeg hun zoo heftig in het gezicht en
+de nacht was zoo donker, dat zij alle krachten noodig hadden, om de
+vrouwen en kinderen uit de omvergeworpen tent te bevrijden. De kleine
+Thomas was de eerste, dien Flink beet kreeg. Zijn moed was geheel weg,
+hij gilde van angst en was niet tot bedaren te brengen, Willem nam
+zijn broertje Albert op den arm en droeg hem in de andere tent, waar
+Thomas in zijn doornat hemd op den grond omkroop en de jammerlijkste
+klaagtonen liet hooren. Juno, mevrouw Wilson en de kleine Caroline
+werden het laatst onder de tweede tent in veiligheid gebracht. Gelukkig
+had niemand zich bezeerd, maar allen waren doodelijk ontsteld en de
+kleine schreide en snikte luid, wat echter nauwelijks gehoord werd,
+daar het loeien der zee en het bulderen der windvlagen alle andere
+geluiden geheel verdoofde. Het was een lange vreeselijke nacht,
+dien men zoo in angst en zorg doorbracht, tot eindelijk de lang
+gewenschte morgen aanbrak. Met de eerste schemering verliet Flink de
+tent en bevond tot zijne geruststelling, dat de storm reeds zijne
+woede had uitgeput en merkbaar aan het afnemen was. Nochtans was
+het heden niet zulk een heldere vroolijke morgen, als waaraan zij
+sinds hunne landing op het eiland gewoon waren; de hemel stond nog
+dreigend, en zwart en wild dreven de wolken daaraan rond; de zon bleef
+onzichtbaar en niet een enkel plekje blauw was door de nevelachtige
+atmosfeer te bemerken. Het regende nog voortdurend, ofschoon niet
+sterk meer, en de grond was doorweekt en glibberig. De kleine baai,
+die nog den avond te voren een zoo stil en vreedzaam aanzien had,
+was thans door wildschuimende en loeiende golven opgevuld en de
+branding sloeg ver over het strand heen. De gezichteinder was mistig en
+onduidelijk; men kon den hemel niet van het water onderkennen en het
+gansche eiland scheen in een wijden kring van wit spattend zeeschuim
+besloten. Flink wendde zijne oogen naar de plaats, waar het schip op
+de riffen had vastgezeten. Daar was niets meer te zien,--het wrak
+was op eens verdwenen! slechts hier en daar zag men er de planken
+en luiken van, die met alles, wat in het ruim geborgen was geweest,
+overal ronddreven of nog in de woeste branding het strand beurtelings
+naderden en ontvloden.
+
+"Ik dacht wel, dat het zoo gaan zou," zeide Flink tot mijnheer Wilson,
+die hem gevolgd was, om eens naar het schip om te zien; "zie maar,
+de storm heeft het geheel in splinters geslagen. Dat kan ons tot
+aansporing zijn, om hier niet langer te blijven. Wij moeten van 't
+goede weer, dat wij voor 't invallen van den regentijd waarschijnlijk
+nog hebben zullen, zooveel mogelijk partij trekken en mogen volstrekt
+geen tijd verliezen."
+
+"Ik ben dat volkomen met u eens, Flink," antwoordde mijnheer
+Wilson.--"Dat daar is ook eene aanmaning om spoed te maken," en hij
+wees naar de door den wind omvergeworpen tent. "Het is wezenlijk een
+geluk, dat geen van de onzen daarbij letsel heeft bekomen."
+
+"Ja, waarlijk, mijnheer; maar de storm is nu gebroken en morgen zullen
+wij weer mooi weer hebben. Laat ons nu eens gaan opnemen, wat wij
+met de tent doen kunnen. Willem en Juno zullen in dien tusschentijd
+wel naar een ontbijt voor ons omzien."
+
+Met deze woorden gingen zij aan den arbeid. Zij voorzagen de tent
+opnieuw van stevige prikken en touwen en brachten haar weldra weder
+in behoorlijken staat, behalve dat de bedden en dekens nog doornat
+waren en in den wind moesten worden te drogen gehangen. Nadat dit
+gedaan was, zetten zij zich neder tot het ontbijt, waartoe Juno hen
+juist was komen roepen.
+
+"Voor 't oogenblik kunnen wij weinig meer doen, mijnheer," zeide
+Flink. "Tegen den avond zal het linnen zoo nat niet meer zijn, en dan
+zullen wij er beter mee kunnen omgaan. Eindelijk zie ik eene opening
+in de wolken, die spoedig ander weer belooft; de storm was ook al te
+hevig, om heel lang aan te houden. En nu," vervolgde hij, "willen we
+nog eerst al onze krachten inspannen, om de aangespoelde goederen
+te redden, die, als ze te lang omdrijven, tegen de rotsen worden
+stukgeslagen. Juno kunnen wij daarbij missen, en ik hoop, dat wij
+ons ook zonder den braven Thomas wel redden zullen. Het is beter, dat
+hij bij moeder blijft en zorgt, dat haar hier geen ongeluk overkomt."
+
+Thomas was echter door het gebeurde van dien nacht nog geheel uit
+zijn humeur en verkoos boe noch ba te zeggen.
+
+
+
+
+
+
+
+NEGENTIENDE HOOFDSTUK.
+
+DE WONDEREN DER NATUUR.
+
+
+Weldra stonden zij aan het strand. Flink had onder den reeds geborgen
+voorraad een stevig, lang touw opgezocht en daarmede werden nu de
+tonnen en wat meer nog van het verbrijzelde schip door de golven
+werd aangespoeld, vastgebonden en zoover mogelijk op het drooge
+gesleept. Dit werk hield hen gedurende het grootste gedeelte van
+den dag bezig en nog hadden zij niet het vierde deel der goederen
+bijeengebracht, die zich binnen hun bereik ophoopten behalve nog de
+menigte van gereedschappen, die buiten op de zee en aan den ingang
+der bocht omdobberden.
+
+"Kom mijnheer," zeide Flink eindelijk, "voor vandaag hebben wij onze
+taak verricht. Morgen zullen wij nog meer kunnen uitvoeren, want de zee
+wordt nu reeds weer effen en de zon komt van achter gindsche wolken
+te voorschijn. Wij moeten nu ook voor onze maag zorgen en dan zien,
+hoe wij ons dezen nacht het best behelpen kunnen."
+
+De eene tent, die door den storm was verschoond gebleven, werd aan
+mevrouw Wilson en hare kinderen afgestaan en de andere, zoo goed het
+geschieden kon, weer inderhaast hersteld. Het beddegoed was nog op
+verre na niet droog, en dus nam men zijne toevlucht tot eenige zeilen,
+die dieper in het bosch minder van den regen hadden te lijden gehad,
+en spreidde die op den grond uit, om er de vermoeide leden gedurende
+den nacht op uit te strekken.
+
+Den volgenden morgen scheen de zon helder en vroolijk. De lucht was
+geurig en frisch; een zacht windje speelde over het water en er was
+bijna in het geheel geen branding meer. Voortdurend werden allerlei
+overblijfselen van het wrak door den wind aan land gebracht; vele
+goederen waren gedurende den nacht langs het strand opeengehoopt en
+bij eene menigte andere had men slechts geringe moeite noodig om ze
+geheel in veiligheid te brengen. Het scheen wel dat de stroom des
+waters recht op de bocht stond, want van de voorwerpen, die eerst
+buiten in de zee hadden omgedreven, kwamen nu de meeste van lieverlede
+in deze richting aan land gespoeld. De beide mannen werkten tot aan
+het uur van het ontbijt door en hadden toen een aantal tonnen, vaten
+en kisten aan den oever gehaald.
+
+Dadelijk na het ontbijt keerden zij naar de baai terug om hun arbeid
+voort te zetten.
+
+"Zie eens, Flink, wat is dat?" vroeg Willem, die bij hem was en op
+een zwart punt wees, dat langzaam kwam aandrijven.
+
+"Dat is onze arme koe; en als gij nauwkeuriger toeziet, zult gij ook
+de haaien bemerken, die op het kreng azen. Ziet gij wel?"
+
+"O ja, duidelijk en wat een menigte zijn er!"
+
+"Er zijn er zeker genoeg om twintig koeien te verslinden; en wees
+dus maar voorzichtig, Willem als gij in het water gaat, en pas op,
+dat Thomas er niet te dicht bij komt, want de haaien geven om geen
+ondiepte, als ze een buit voor zich zien.--Maar nu moet ik u beiden
+overlaten nog zooveel van het wrak te redden, als gij kunt, terwijl ik
+onze boot nazie en haar weer in orde breng. Wij zullen haar binnenkort
+noodig hebben, en hoe eer wij haar gebruiken kunnen, des te beter."
+
+De oude man ging het gereedschap halen, dat hij tot herstelling van
+de boot noodig had. Inmiddels verzamelden vader en zoon ijverig de
+verschillende voorwerpen, die aan het strand spoelden, en rolden de
+vaten zoo ver opwaarts, als zij konden. De houten en balken van het
+schip lieten zij aan het spel der golven over, omdat zij daarvan reeds
+zulk een voorraad bijeen hadden, als voor den eersten, ja voor langen,
+langen tijd toereikend kon geacht worden.
+
+Daar Flink zekerlijk eenige dagen noodig zou hebben, om de boot weder
+waterdicht en bruikbaar te maken, besloot mijnheer Wilson nu ook op
+zijne beurt eens met Willem naar de andere zijde van het eiland te
+gaan; en daar zijne vrouw er geen bezwaar in vond met Flink en Juno
+alleen te blijven, begaven beide zich den derden dag na den storm
+al vroegtijdig op weg. Willem ging vooruit en richtte zich naar de
+teekenen, die op de kokosboomen te zien waren. In twee uren tijds
+hadden zij ditmaal de plaats hunner bestemming bereikt.
+
+"Is het hier niet schoon, vader?" riep Willem uit.
+
+"Ja, heerlijk, verrukkelijk, mijn beste jongen," was het antwoord.
+
+"Ik kon mij bijna niets fraaiers voorstellen dan het plekje op de
+andere zijde van het eiland, waar wij tot hiertoe woonden, maar dit
+overtreft het nog zoowel in verscheidenheid als in uitgestrektheid."
+
+"En nu moeten wij eens naar de wel gaan zien, vader," vervolgde Willem
+en wees den weg dien zij hadden in te slaan.
+
+De door Flink gegraven kuil en de geheele holte, waarin deze gelegen
+was, stond tot overvloeiens vol en bevatte het heerlijkste water. Na
+zich hiervan overtuigd te hebben, wandelden zij het strand langs naar
+de zandige baai en zetten zich daar op eene koraalklip neder.
+
+"Wie had ooit gedacht, Willem," begon de vader, "dat dit eiland
+met zoovele andere, die in menigte in den Stillen Oceaan verstrooid
+liggen, zijn ontstaan aan kleine nietige insecten kon te danken hebben,
+die nauwelijks zoo groot als eene speldeknop zijn!"
+
+"Insecten, vader?" riep de knaap uit.
+
+"Ja! insecten. Geef mij dat stukje dood koraal eens. Ziet gij die
+honderden ronde kleine gaatjes in elk takje, tot zelfs in het kleinste
+toe? Verbeeld u nu, in ieder dier kleine openingen woonde eens een
+zee-insect, en naarmate die insecten aangroeiden, groeiden ook de
+takken der koraalboomen uit."
+
+"Ja, dat begrijp ik wel. Maar hoe kan men weten, dat dit eiland door
+hen gemaakt is? Zoo iets gaat mijn begrip geheel te boven."
+
+"En toch is het waar, Willem, dat genoegzaam alle eilanden in dit
+gedeelten van den oceaan door den arbeid en den wasdom dezer kleine
+dieren ontstaan zijn. Het koraal was aanvankelijk op den bodem der zee,
+waar het door wind en golven niet gestoord wordt. Al langzamerhand
+schiet het hooger op, tot het eindelijk bijna tot aan de oppervlakte
+des waters reikt. Dan is het juist als die klippen, welke gij ginds
+ziet, Willem, en van nu af wordt het door het geweld van wind en
+baren, die het gedurig afbrokkelen, in zijn groei belemmerd en kan
+zich daarom ook niet boven de zee verheffen; want als dit het geval
+werd, dan moesten de kleine dieren natuurlijk sterven."
+
+"Maar hoe ontstaat daar nog een eiland uit?"
+
+"Dat geschiedt slechts zeer langzaam en na verloop van veel tijd; ook
+hangt daarbij veel van het toeval af. Zoo kan b. v. een boomstam, die
+in zee omdrijft en misschien met schelpen en schaaldieren overdekt is,
+op de koraalriffen blijven vastzitten. Zoo iets zou een toereikend
+begin zijn, want het kon boven water blijven en de koralen aan de
+windzijde beschutten, tot zich een vlakke rots, van gelijke hoogte
+met de zee, had vastgezet. De zeevogels zoeken gaarne eene plaats om
+uit te rusten. Zij zouden deze hier schielijk gevonden hebben en van
+hunne uitwerpselen moest dan na verloop van tijd eene kleine plek boven
+water ontstaan, waarop vervolgens ook nog andere drijvende voorwerpen
+konden blijven hechten. Over zee verwaaide landvogels vallen daarop
+neder en de in hunne maag bevatte zaadkorrels schieten, eens gevallen,
+tot struiken en boomen op."
+
+"Dat kan ik goed begrijpen."
+
+"Welnu dan; op die wijze is de eerste grondslag om het zoo eens te
+noemen tot een eiland gelegd, en eens zóóver, neemt dit ook spoedig
+toe, want thans zijn de koralen tegen den wind gedekt en groeien
+welig op. Merkt gij wel, hoe breed en hoog de koraalklippen op deze
+zijde van het eiland, waar stormvlagen en golfslag haar niet zoo deren
+kunnen, oprijzen, terwijl dit aan de windzijde, waar onze tenten staan,
+zoo geheel anders is? Evenzoo onttrekt die eerste kleine plek boven
+water de koraalgewassen aan den wind, en dan neemt het eilandje ras
+in wasdom toe; want de vogels rusten er niet alleen, maar nestelen
+er ook en broeden er jongen uit, zoodat de omvang van jaar tot jaar
+grooter wordt. Ten laatste komt dan nog eene kokosnoot op de golven
+aandrijven--en die vrucht is juist geschikt, om zich op zoo'n wijze
+voort te planten, want hare buitenste schil is hard en waterdicht
+en meteen zoo licht, dat ze op 't water drijft en daarin, zonder te
+verrotten, maanden kan blijven liggen. Zij schiet wortel, wordt een
+boom, die zijne breede takken telken jare verder uitbreidt en door
+zijn dorrend loof gedurig meer teelaarde om zich heen verzamelt. De
+rijpe noten vallen in deze vetten bodem, kiemen schieten op,--en zoo
+gaat het voort, jaar in jaar uit, totdat het eiland zoo groot en zoo
+dicht met boomen bezet is, als dat waarop wij nu op dit oogenblik
+staan. Is dat niet verwonderlijk?"
+
+"Hé, hoe merkwaardig!" antwoordde Willem.
+
+Eenige minuten na dit gesprek bleven vader en zoon zwijgend
+zitten. Toen stond de eerste op en zeide: "Kom, Willem, laat ons
+nu terugkeeren; wij hebben nog drie uren licht en willen tijdig
+thuis zijn."
+
+"Ja vooral vóór het avondeten, vader," antwoordde de knaap, "dat ik
+alle eer zal aandoen. Hoe eer wij er zijn, des te beter."
+
+
+
+
+
+
+
+TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+VERHUIZING NAAR DE OOSTZIJDE.
+
+
+Alles was nu zoover gereed, dat men zonder twijfel met het opbreken
+naar de lijzijde van het eiland beginnen kon. Flink had de boot bijna
+weder klaar; hij had haar geheel vernieuwd en daarbij nog van een mast
+en zeilen voorzien. Mijnheer Wilson en Willem gingen voort met het
+verzamelen van goederen, die nog voortdurend werden aangespoeld, en
+kozen bij voorkeur dezulke, die in de open lucht aan bederf onderhevig
+zijn. Al wat zij van dezen aard vonden, werd naar het kokosboschje
+gebracht, om het althans aan de hitte der zon te onttrekken, doch er
+werd dagelijks zulk een menigte van alles aan land geworpen, dat zij
+nauwelijks wisten, wat zij al bijeen hadden. Echter versmaadden zij
+niets, maar borgen de eene kist na de andere en wachtten op eene andere
+gelegenheid om den inhoud er van te onderzoeken. Ten laatste droegen
+zij het verzamelde op groote hoopen en bedekten die behoorlijk met
+zand, daar het in den korten tijd, die hun overig bleef, onmogelijk
+was de velerlei goederen van het strand weg te brengen.
+
+Ook mevrouw Wilson, die nu weer volkomen hersteld was, en Juno bleven
+niet werkloos. Zij hadden al het noodige zoo goed zij konden in
+pakken saamgebonden, om het gemakkelijk naar de nieuwe woonplaats te
+kunnen overbrengen. Op den achtsten dag na den storm waren allen met
+hun werk gereed en nu werd ten besluite eene groote raadsvergadering
+gehouden. Men kwam overeen, dat Flink het beddegoed en het zeildoek
+van de eene tent in de boot pakken en Willem op zijne eerste vaart
+medenemen zou. Na dit vervoerd te hebben, zou hij terugkeeren, om eene
+tweede vracht te laden, en dan moest de familie door het bosch naar
+de andere zijde van het eiland trekken en daar met den heer Wilson
+blijven, terwijl Flink met Willem de tweede tent ging halen. Daarna
+zou de boot nog zooveel reizen doen, als het weder toeliet, tot
+alles, wat men voor het begin noodig had, naar de nieuwe woonstede
+was overgebracht.
+
+Het was een lieve stille morgen, toen Flink en Willem met de zwaar
+beladen boot van land stieten. Zoodra zij buiten de bocht waren,
+trokken zij het zeil op en stevenden met gunstigen wind langs de kust
+voort. Binnen twee uren hadden zij de oostkust bereikt. De landtong,
+aan wier spits de doorgang door de klippen zich bevond, was geen mijl
+meer van hen verwijderd, en nu lieten zij het zeil vallen en roeiden
+in het kanaal, om in de zandige baai te landen.
+
+"Gij ziet, Willem, hoe gelukkig het voor ons treft, dat wij altijd
+een goeden wind zullen hebben, als wij met de bevrachte boot hierheen
+gaan, en slechts het leege vaartuig hebben terug te roeien."
+
+"Ja, dat treft heel gelukkig. Hoe ver zou het wel zijn van de bocht
+ginds tot aan dit gedeelte van het eiland?"
+
+"Zes of zeven mijlen, verder niet. Het eiland is lang en smal,
+zooals gij ziet. Laat ons nu ons boeltje aan land dragen, dan kunnen
+wij lang voor donker in onze bocht terug zijn. Uwe moeder zag niet
+bijzonder gaarne, dat gij andermaal op zee gingt, Willem;--ik heb
+dat wel bemerkt; en wij moeten dus niet lang uitblijven."
+
+De boot was spoedig gelost; doch het kostte meer tijd de goederen ver
+genoeg op het land te dragen. "Zulk een storm, als wij onlangs hadden,
+zullen wij hier denkelijk niet meer hebben uit te staan," zeide Flink;
+"want wij zijn daartegen door het kokosbosch in zijne gansche diepte
+gedekt. Van den wind zullen wij nauwelijks iets merken, maar des te
+meer van den regen, die in gansche stroomen op ons neerkomen zal."
+
+"Ik moet eens even naar onze bron gaan zien en er een goeden dronk
+uithalen," sprak Willem.
+
+"Doe dat; maar laat mij niet te lang in de boot wachten."
+
+Willem berichtte, dat de bron tot den rand toe vol was en hij in zijn
+leven geen zoo heerlijk water gedronken had. Daarop staken zij van
+wal en waren na ruim twee uren roeiens weder aan den ingang van de
+bocht, waar mevrouw Wilson met Thomas aan de hand op hen wachtte en
+hun reeds van verre met haar zakdoek toewuifde.
+
+Bij het aan land stappen ontvingen zij de gelukwenschen der gansche
+familie over den gunstigen uitslag van hunne eerste vaart, en allen
+waren blij, dat de afstand zooveel korter was, dan men aanvankelijk
+geloofd had.
+
+"Den volgenden keer ga ik mee," zei Thomas met veel deftigheid.
+
+"Alles op zijn tijd; als de jongeheer Thomas nog een weinigje grooter
+is," antwoordde Flink.
+
+"Massa Thomas komen mij help te melken de geit?" vroeg Juno.
+
+"Ja, ja, de geiten melken!" riep de kleine schelm en huppelde
+vroolijk heen.
+
+"Zoo altijd pekelvleesch en scheepsbeschuit moet u toch
+vervelen, mevrouw," zeide Flink, toen zij zich weder tot eten
+nederzetten. "Zoodra wij echter in ons nieuw verblijf zijn, hoop ik
+wel wat beter voedsel voor u op te doen. Tegenwoordig is het nog hard
+werk en harde kost."
+
+"Zoolang de kinderen er geen hinder van hebben, kan ik mij dat
+heel goed getroosten, ofschoon ik wel bekennen wil, dat ik na dien
+laatsten storm hartelijk verlang hier vandaan te komen, vooral na
+de verleidelijke beschrijving, die Willem mij van onze aanstaande
+woonplaats gegeven heeft. Het moet een waar paradijs zijn! Wanneer
+zullen wij opbreken, Flink?"
+
+"Niet vóór overmorgen, mevrouw; want, ziet gij, ik heb eerst nog eene
+tweede reis te doen, om het keukengereedschap en de bundels, die
+gij gepakt hebt, over te brengen. Als gij Juno morgen missen kunt,
+moet zij met Willem door het bosch gaan, en dan kunnen wij de eene
+tent voor u en de kinderen opzetten. Uw man kan dan achterblijven."
+
+"Zeer goed, Flink; en zou 't niet het best zijn, dat zij dan meteen
+de schapen en de geiten meenamen?"
+
+"Ik ben blij, mevrouw, dat gij daaraan gedacht hebt; wij kunnen
+daardoor vrij wat tijd besparen."
+
+
+
+
+
+
+
+EEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+FLINK EN WILLEM.
+
+
+De oude man had zijne boot reeds lang weder volgeladen en onder zeil
+gebracht, voordat de overige leden der familie nog op waren. Deze waren
+nog niet aangekleed, toen hij zijne gansche vracht reeds gelost had en
+zich vervolgens neerzette, om zijn ontbijt te nuttigen. Daarna droeg
+hij al de goederen naar de plek, waar hij eene tent wilde opslaan,
+en maakte hiertoe het noodige gereed, terwijl hij nog de komst van
+Willem en Juno wilde afwachten, die hem dan helpen konden om de staken
+vast te binden en het linnen daar overheen te trekken.
+
+Tegen tien uren 's morgens verscheen Willem met eene der geiten aan
+een touw, terwijl de overige los volgden. Na hem kwam Juno met de
+schapen, van welke zij er ook een vasthield; de andere hadden zich
+geduldig bij den trein aangesloten.
+
+"Daar zijn wij eindelijk," riep Willem lachend. "Wij hebben in het
+bosch de handen vol werk gehad, want die domme Nanni, de geit, liep
+altijd om de eene zij van den boom, als ik aan de andere was, zoodat ik
+het touw dan wel gedurig moest loslaten. Wij hebben de varkens ook weer
+ontmoet, en ge hadt eens moeten hooren, Flink, hoe Juno het uitgierde."
+
+"Ikke denken, dat wilde beest loopen in de bosch," zeide Juno. "O, wat
+ijselijk mooie plaats hier! Hier massaas zeker dolgraag wonen zullen."
+
+"Ja, het is wezenlijk eene heerlijke plaats, Juno; en hier kunt gij ook
+weer wasschen en plassen, en zult het water niet behoeven te ontzien."
+
+"Daar denk ik juist over, hoe wij ons gevogelte het best over zullen
+brengen," zeide Willem: "het is wel niet heel wild, maar laat zich
+toch niet opvangen."
+
+"Ik zal ze morgen meenemen, vriend Willem," zeide Flink.
+
+"Maar hoe zult gij ze in handen krijgen?"
+
+"Doodeenvoudig; men wacht, tot ze 's avonds op hun tak zitten, en
+dan kan men ze met de hand aanvatten, als men lust heeft."
+
+"En de duiven en de varkens laten wij in 't wild loopen, denk ik,
+en hun eigen kost zoeken?"
+
+"Zeker; het is het beste, wat wij met hen doen kunnen. De varkens
+zullen onder de kokosboomen altijd genoeg voedsel vinden en schielijk
+jongen in menigte krijgen."
+
+"En dan zullen wij hen schieten, niet waar?"
+
+"Ja, Willem, dat zullen wij, en ook duiven, wanneer die zich eerst
+genoegzaam vermeerderd hebben; zoodat wij, als wij hier zoolang
+blijven, in het vervolg ook onze vrije jacht zullen krijgen. Spoedig
+zullen wij behoorlijk van alles voorzien zijn en levensmiddelen
+in overvloed tot onze beschikking hebben; elk komend jaar zal ons
+rijker maken. Maar nu moet gij de tent helpen opslaan en ieder ding
+op zijn plaats brengen, zoodat uwe moeder bij hare komst alles recht
+gemakkelijk en netjes vindt. Zij zal wel zeer moe wezen, als zij hier
+komt; want de wandeling is voor haar een heel eind."
+
+"Moeder is veel beter, dan zij in lang geweest is," antwoordde
+Willem. "Ik hoop, dat zij spoedig weder volkomen gezond zal zijn,
+en dat wordt zij zeker, als zij hier maar een poosje gewoond heeft."
+
+"Wij hebben nog zeer veel werk voor ons, meer dan wij vóór den
+regentijd gedaan kunnen krijgen, en dat is waarlijk jammer, hoewel
+'t nu eenmaal niet te veranderen is. Vandaag over een jaar zullen
+wij alles hier beter in orde hebben."
+
+"Wel, wat hebben wij dan nog te doen, als onze tenten er eens staan
+en wij ons goed overgebracht hebben?"
+
+"In de eerste plaats moeten wij een huis bouwen, en dat zal ons vrij
+wat tijd kosten. Wij dienen ons te haasten, opdat het zoo schielijk
+mogelijk klaar kome. Dan moeten wij een kleinen tuin aanleggen en
+de zaden, die uw vader uit Engeland heeft meegebracht, in den grond
+brengen."
+
+"O, dat is een allerprettigst werk. Waar kan dat het best geschieden,
+Flink?"
+
+"Ik heb reeds naar eene geschikte plaats omgezien. Wij moeten dwars
+over die landtong eene omheining aanleggen en al het struikgewas met
+den wortel uitroeien. De grond is er opperbest."
+
+"En wat komt dan aan de beurt?"
+
+"Dan moeten wij een pakhuis aanleggen voor al den voorraad, dien wij
+verzameld hebben en die nog in het bosch en op het strand verstrooid
+ligt. Daar moeten wij alles laten, tot wij tijd hebben, om het te
+onderzoeken; en dan dienen wij te overleggen, hoevele reizen wij nog
+met onze kleine boot te doen hebben, om alles hierheen te brengen."
+
+"Ja, dat is alles waar. Valt er dan nog meer te doen?"
+
+"O, nog werk in overvloed! Wij moeten een vijver voor schildpadden
+een anderen voor visch aanleggen en eene badplaats voor Juno zoeken,
+waar zij de kinderen wasschen kan."
+
+"Ja, ja, en ikke mijzelf ook," zeide Juno.
+
+"Wel, dat is den moriaan gewasschen; ofschoon ik wel weet, Juno,
+dat gij een zindelijk meisje zijt, al is uwe huid ook niet heel
+blank.--Maar vooreerst, Willem, moeten we onze wel in goeden staat
+brengen, zoodat we altijd rijkelijk versch water hebben. En daar
+hebt ge nu werk genoeg en wel zwaar werk, althans voor een vol jaar,
+en hoe langer wij hier samenwonen, des te meer behoeften zullen wij
+langzamerhand ook ontdekken."
+
+"Nu, laat moeder en de kleinen maar eerst hier zijn, dan zullen wij
+dapper aan den gang gaan."
+
+"Ik wenschte van ganscher harte, dat alles reeds gedaan was, mijn beste
+Willem," vervolgde Flink. "In allen gevalle hoop ik nog lang genoeg
+te leven, om dat alles tot stand te zien gebracht. Ik zou u allen
+gaarne in onbezorgde omstandigheden achterlaten en met de zekerheid,
+dat gij u in het vervolg ook zonder mij goed kondet redden."
+
+"Maar hoe kunt gij zoo spreken, Flink? Gij zijt wel oud, maar daarbij
+toch gezond en sterk."
+
+"Nu nog wel, mijn goede jongen; maar gij weet, hoe onzeker het leven
+van den mensch is. Gij zijt jong en gezond en een lang leven schijnt
+voor u weggelegd, maar toch, wie kan zeggen, of gij niet misschien
+morgen reeds heengegaan en door vader en moeder bitter beweend zult
+worden? En zou ik, een oud man, die al zooveel moeite en ongemakken heb
+doorgestaan, dan nog op een lang leven rekenen? Neen--neen, Willem,
+dat ware in de jeugd dwaasheid, maar bij een grijsaard zwakheid en
+waanzinnigheid. En toch zou ik gaarne hier blijven, zoolang ik nog
+nuttig zijn kan, en dan, dunkt mij, als mijne taak ten einde is,
+kon ik in vrede de oogen sluiten. Ik verlang niet dit eiland ooit
+weer te verlaten en heb een soort van voorgevoel, dat mijn gebeente
+hier eens rusten zal."
+
+Een tijdlang werkten zij voort zonder een woord te spreken. Het
+linnen voor de tent werd uitgespannen en met prikken in den grond
+vastgeslagen. Eindelijk brak Willem het stilzwijgen af.
+
+"Flink, hebt gij mij niet eens gezegd, dat uw voornaam Masterman is?"
+
+"Ja, zoo is het ook, Willem."
+
+"Dat is toch een wonderlijke voornaam! Werdt gij misschien naar een
+ander zoo genoemd?"
+
+"Dat raadt gij goed; hij was een zeer rijk man, mijn peet."
+
+"Weet gij wat, Flink!--ik zou gaarne uwe geschiedenis eens hooren
+vertellen,--ik meen namelijk uwe gansche levenshistorie, van toen
+gij een kind waart af."
+
+"Nu, dat kan nog wel eens gebeuren, Willem, en waarlijk, er zijn vele
+voorvallen in mijn leven, die anderen wel tot eene goede leering konden
+dienen. Dat kan ik echter eerst doen, als wij met ons werk klaar zijn,
+nu is de tijd er te kostbaar toe."
+
+"Hoe oud zijt gij wel, Flink?"
+
+"Vier-en-zestig al ruim, mijn jongen. Dat is een hooge ouderdom voor
+een zeeman. Ik had ook geen dienst meer op een schip kunnen krijgen,
+als ik niet met verscheidene kapiteins zoo goed bekend was geweest."
+
+"Maar waarom zegt gij, een hoogen ouderdom voor een zeeman?"
+
+"Omdat de matrozen zelden zoo lang leven als andere lieden, deels
+wegens de ongemakken, die zij moeten doorstaan, deels ook door eigen
+schuld, omdat zij te veel sterke drank gebruiken. Daarbij zijn zij
+ook vaak zorgeloos, bekommeren zich al te weinig om hunne gezondheid,
+zoodat hunne levenskracht vroeger uitgeput raakt, dan dit op het
+vasteland gewoonlijk het geval is."
+
+"Maar gij gebruikt tegenwoordig immers geen sterke drank meer?"
+
+"Neen, nooit, Willem; maar in vroeger jaren was ik even dwaas als de
+anderen.--Kom, Juno, het wachten is alleen op u; breng de bedden eens
+hier. Wij hebben nog maar twee of drie uren tot onze beschikking. Wat
+zullen wij nu 't eerst aanvangen Willem?"
+
+"Zou 't niet goed wezen, dat wij terstond eene stookplaats zochten, om
+den pot te koken? Juno en ik konden daartoe de steenen wel aanbrengen?"
+
+"Gij toont overleg, mijn beste jongen;--juist datzelfde wou ik
+voorslaan, als gij het niet gedaan hadt. Ik zal morgen lang vóór
+u hier zijn en wel zorg dragen, dat gij bij uwe aankomst het eten
+gereed vindt."
+
+"Ik heb een flesch met water in mijn reiszak meegebracht," vervolgde
+Willem, "niet zoozeer om dat water, als omdat ik de geiten melken en
+de melk voor mijn kleine broertje meenemen wou."
+
+"Daar hebt gij braaf en broederlijk aan gedaan. Nu frisch aan 't
+werk! Terwijl gij met Juno steenen haalt, zal ik al het overige goed
+hier onder de boomen wegbergen."
+
+"Kunnen wij de schapen en geiten los laten loopen, Flink?"
+
+"Gerust; ge hebt niet te vreezen, dat ze zullen wegloopen. Het
+groene voeder is hier beter dan op de andere zijde van het eiland en
+daarbij overvloedig voorhanden. Geloof mij, ze zullen heel bedaard
+hier blijven."
+
+"Goed dan zal ik Nanni loslaten, zoodra Juno haar gemolken heeft;
+doch dat is vandaag ook ons laatste werk hier.--Laat ons nu eens zien,
+Juno, hoeveel steenen wij in één vracht dragen kunnen."
+
+Een uur later was de stookplaats gereed, had Flink zijne taak
+volbracht, waren de geiten gemolken en druk aan 't grazen en namen
+Willem en Juno den terugweg door het woud aan.
+
+Flink keerde naar het strand terug. Toen hij dat langs wandelde, zag
+hij eene kleine schildpad liggen. Behoedzaam sloop hij op haar toe,
+zoodat hij tusschen haar en het water kwam te staan, en toen greep
+hij haar plotseling aan en kantelde haar gelukkig op den rug om.
+
+"Ziezoo, dat is onze hoofdschotel voor morgen," zeide hij, terwijl
+hij in zijne boot klom. Met forsche handen greep hij de riemen aan
+en roeide naar de bocht terug.
+
+
+
+
+
+
+
+TWEE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+AANKOMST OP DE NIEUWE WOONPLAATS.
+
+
+Flink landde in de bocht, trok de boot aan wal en ging toen naar de
+tenten, waar hij het gansche gezelschap bij elkaar vond, aandachtig
+luisterende naar het verhaal, dat door Willem van de verrichtingen en
+ontmoetingen van dien dag gedaan werd. Bij Flinks komst werd dadelijk
+alles voor morgen afgesproken. Toen ging men slapen, en alleen de
+oude man en Willem bleven nog een poosje op, om de hoenders te vangen
+en hun de pooten saam te binden, zoodat men ze den volgenden ochtend
+gemakkelijk in de boot vervoeren kon.
+
+Vóór dag en dauw werden de kleinen gewekt en zoo schielijk mogelijk
+aangekleed, omdat Flink de tent, waarin moeder en kinderen geslapen
+hadden, in de boot wilde medenemen. Met uitzondering van dezen en
+van Thomas, die in de vrouwentent--gelijk men haar noemde--onder dak
+was, hadden de overigen onder den blooten hemel geslapen, op stukken
+zeildoek, welke men daartoe onder de dichte kokosboomen op den grond
+had uitgespreid. Wat was dat eene drukte en eene opschudding op dezen
+morgen! Alles kwam in rep en roer. Zoodra mevrouw Wilson gekleed was,
+werd de tent omvergehaald en met beddegoed en alle verder toebehooren
+in de boot geladen. Na een hartig ontbijt gingen ook borden, messen,
+lepels en andere kleinigheden scheep; toen legde Flink de hoenders
+daar bovenop, en in een ommezien was hij uit het gezicht.
+
+Een weinig later maakte zich ook het verdere gezelschap tot de reis
+door het kokosbosch gereed. Willem ging met de drie honden vooruit
+en wees den weg. Hem volgde zijn vader met Albert op den arm, Juno
+met de kleine Caroline, en eindelijk mevrouw Wilson met Thomas aan
+de hand, die volgens zijn zeggen, op zijne moeder passen moest. Met
+een weemoedig gevoel zeiden zij de plaats vaarwel, die hen na zooveel
+doorgestane gevaren het eerst had opgenomen. Nog eenmaal zagen zij
+naar de bocht en de overblijfsels van het wrak en de scheepslading, die
+naar alle zijden verstrooid lagen om en toen traden zij het woud in.
+
+Flink was in minder dan twee uren aan de nieuw gekozene verblijfplaats
+aangekomen en onverwijld aan land gestapt. Voordat hij zijne lading
+begon te lossen, wilde hij nog naar de schildpad zien, die hij den
+vorigen dag op het strand had omgekeerd. Hij vond het beest nog,
+gelijk hij het gelaten had, doodde het en wiesch het zorgvuldig af. Nu
+ging hij naar de nieuw aangelegde stookplaats, legde het vuur aan;
+vulde den ijzeren ketel met water en zette hem op het vuur te koken.
+
+Hierop sneed hij een stuk van de schildpad af en legde het met eenige
+sneden pekelvleesch in den ketel, dekte dezen en liet alles behoorlijk
+doorkoken. Het overschot van de schildpad hing hij in de schaduw op,
+waarna hij naar het strand terugkeerde, om eindelijk de lading uit
+de boot te brengen. Hij bond de arme hoenders los, welker pooten in
+den beginne heel stijf waren, doch die zich spoedig weer herstelden
+en toen terstond ijverig naar voeder rondzochten.
+
+Flink nam de schotels, messen, vorken en andere kleinigheden uit
+de boot en droeg ze naar de nieuwe tent, waarna hij naar het vuur
+omzag en nog meer hout onder den ketel legde. Vervolgens haalde hij
+het beddegoed en het linnen voor de tweede tent, benevens de staken,
+die hij achter aan de boot had vastgemaakt. Hij had bijna drie volle
+uren noodig om alles naar de nieuwe woonstede over te brengen, want
+deze lag eenigszins van het strand verwijderd en enkele dingen waren
+zwaar, zoodat de oude man hartelijk blij was, toen hij zijn werk
+verricht had en zich eindelijk kon neerzetten, om wat uit te rusten.
+
+"Me dunkt toch, het is haast tijd, dat zij komen konden," dacht Flink;
+"zij moeten nu al bijna vier uren onder weg zijn. Maar misschien zijn
+ze later vertrokken. Het is geen gemakkelijk ding, een hoop vrouwen met
+kinderen in beweging te brengen." Zoo wachtte hij nog een kwartier,
+stookte het vuur op en vergat ook niet van tijd tot tijd de soep af
+te schuimen, tot eensklaps de drie honden op hem kwamen toespringen.
+
+"Nu kunnen zij niet ver meer verwijderd zijn," dacht de oude man.
+
+En dat waren zij werkelijk niet; want eenige minuten later verscheen
+het gansche gezelschap, en dat wel zeer verhit en afgemat, gelijk
+hij dan ook niet anders verwacht had. Hij hoorde nu, dat de kleine
+Caroline, na een poosje geloopen te hebben, bitter over vermoeidheid
+geklaagd had, zoodat Juno haar had moeten dragen. Later had ook mevrouw
+Wilson zich doodelijk vermoeid gevoeld en had men een kwartiertje
+moeten rusten. Daarop kwam sinjeur Thomas, die niet bij moeder had
+willen blijven, maar gedurig heen en weer was geloopen en verklaarde
+dat hij moe was en dat men hem dragen moest; en daar er niemand was,
+die dit doen kon, begon hij te schreien en te klagen, totdat men
+besloot andermaal halt te houden, opdat hij eenigermate bekomen
+zou. Eindelijk begon de kleine ongelukkig nog honger te krijgen en
+te schreeuwen. De vreesachtige Caroline werd beangst, toen men zoo
+lang in het donkere bosch omdwalen moest, en weende mee. Thomas, dien
+de goede Willem een eind ver als een zak op den rug had gedragen,
+zette, toen hij eindelijk zijn eigen beenen weer gebruiken moest,
+eene geweldige keel op. Zoo moest men alweer halt maken, en eerst
+nadat men zich door een dronk uit Willem's flesch verkwikt had, ging
+het weer eenigszins beter, tot het gezelschap ten laatste zóó moe en
+uitgeput bij Flink aankwam, dat mevrouw Wilson zich met de kleinen
+eenigen tijd in de tent moest nederleggen, voordat zij van de plaats,
+waar zij in het vervolg wonen zouden, ook maar iets had gezien.
+
+"Mij dunkt," zeide mijnheer Wilson, na de kleine aan Juno te hebben
+overgegeven, "dat de dagreis van heden, hoe klein ook, het beste
+bewijs is, hoe hulpeloos wij zonder u zijn zouden, Flink."
+
+"Ik ben recht blij, dat gij eindelijk hier zijt, mijnheer," antwoordde
+de oude man. "Het is mij een zwaar pak van het hart, want nu eerst zal
+het met ons allen beter gaan. Me dunkt, na eenigen tijd zult gij hier
+recht genoeglijk kunnen wonen, maar daartoe hebben wij nog veel te
+doen. Zoodra mevrouw wat heeft uitgerust, willen wij ons middagmaal
+gebruiken en dan onze eigene tent vastmaken, wat nog werk en omslag
+genoeg zal wezen. Morgen zullen wij dan ernstig met onzen nieuwen
+arbeid aanvangen."
+
+"Gaat gij morgen naar onze oude bocht terug, Flink?"
+
+"Ja mijnheer. Wij moeten onzen voorraad hier hebben, rund- en
+varkensvleesch, meel en erwten en nog veel andere dingen, die wij
+niet missen kunnen. Met drie reizen heb ik den leeftocht over; het
+overige kunnen wij later onderzoeken en onder dak brengen, als wij
+er eens tijd toe vinden. Zoodra ik deze drie reizen met mijne boot
+gedaan heb, kunnen wij dan gezamenlijk aan het werk gaan."
+
+"Maar in dezen tusschentijd kan ik toch ook wel iets doen?"
+
+"O ja, er is werk in overvloed voor u."
+
+"Wilt gij Willem meenemen?"
+
+"Neen, mijnheer; hij zal hier meer van nut zijn, en ik kan mij ook
+zonder hem redden."
+
+Mijnheer Wilson ging nu in de tent en vond zijne vrouw weer vrij
+wat van hare vermoeidheid bekomen, maar al de kinderen vast in
+slaap. Men wachtte nog een half uur en wekte toen Thomas en Caroline,
+om gezamenlijk aan tafel te kunnen gaan.
+
+"Hé, beste Flink," riep Willem, toen deze het deksel van den ketel nam,
+"wat een heerlijke soep hebt gij daar toch!"
+
+"Dat is een zondagskostje, waarop ik u dezen eersten middag
+eens onthalen wou," antwoordde Flink. "Ik weet dat gij allen het
+pekelvleesch eindelijk van harte moe zijt, en daarom zult gij vandaag
+eens als aan eene burgermeesterstafel smullen."
+
+"Maar zeg, Flink, wat is het?" vroeg mevrouw Wilson. "De reuk er van
+is heerlijk althans."
+
+"Eene schildpadsoep, mevrouw; en ik hoop, dat ze u smaken
+zal. Wanneer ze u bevalt, kan ik haar u, nu wij eens hier zijn,
+wel meer voorzetten."
+
+"Waarlijk zij smaakt keurig, maar er moet nog een weinig zout in. Gij
+hebt dat toch nog, Juno?"
+
+"Maar sikkepitte meer. Haast altemaal op," antwoordde deze.
+
+"Hoe moeten wij het dan maken, als onze zoutvoorraad ten einde
+loopt?" vroeg mevrouw Wilson.
+
+"Juno moet ander halen," gaf Flink ten antwoord.
+
+"Ikke halen ander?--Ikke hebben geen zier meer," hernam Juno en zag
+den ouden man verwonderd aan.
+
+"Daar buiten is het in overvloed, Juno," zeide mijnheer Wilson en
+wees naar den zeekant.
+
+"Ikke niets daarvan zien kan," antwoordde zij.
+
+"Hoe meent gij dat, lieve?" vroeg mevrouw Wilson eindelijk.
+
+"Ik meen alleen, dat wij, als wij zout noodig hebben, ons dat zelven
+bereiden kunnen, zooveel wij verkiezen. Wij hebben slechts zeewater
+in een ketel te koken, of ook tusschen de klippen ginds eene drogerij
+aan te leggen, daar de zon dan het water doet verdampen en het zout
+op den grond achterlaat. Flink weet dat zoo goed als ik. Op een
+dezer beide manieren wordt het zout altijd gewonnen, door uitdampen
+of anders door verkoken, wat eigenlijk hetzelfde is, behalve dat men
+er spoediger mee klaar komt."
+
+"Eerlang zullen wij daar het noodige toe gereed maken, mevrouw,"
+zeide Flink; "en ik zal dan Juno wijzen, hoe zij zichzelve altijd
+redden kan."
+
+Iedereen vond de soep uitmuntend. Thomas hield zijn bord zoo dikwijls
+bij, dat zijne moeder hem eindelijk niet meer geven durfde. Na
+geëindigden maaltijd bleef mevrouw Wilson met de kinderen alleen,
+terwijl haar man en Flink met behulp van Juno en Willem de tweede
+tent opsloegen en alles vóór den nacht in gereedheid brachten. Het
+was reeds vrij donker, toen zij hiermee klaar waren.
+
+
+
+
+
+
+
+DRIE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+ALGEMEENE TEVREDENHEID MET HET NIEUWE VERBLIJF.
+
+
+Mijnheer Wilson was den volgenden morgen het eerst op en zeide tot
+Flink, toen deze een poos later uit de tent trad:
+
+"Ik kan u zeggen, vriend, dat ik mij, sedert ik hier ben, veel
+opgeruimder en beter gestemd gevoel dan vroeger. Op de andere zijde
+van het eiland herinnerde alles mij onze schipbreuk en moest ik
+onophoudelijk aan mijn verloren vaderland denken, terwijl het mij hier
+is, of wij er reeds lang te huis waren en er vrijwillig ons verblijf
+gekozen hadden."
+
+"Dat gevoel zal van dag tot dag levendiger bij u worden, vertrouw
+ik, mijnheer; want het is doelloos en zelfs dwaas, als de mensch
+onophoudelijk over zijn ongeluk jammert. Wij bovenal hebben alle
+reden om innig dankbaar en tevreden te zijn."
+
+"Ik erken dat volgaarne, brave man.--Wat is dan nu het eerste, dat
+gij denkt aan te vangen?"
+
+"Waar wij bovenal behoefte aan hebben, is een toereikende voorraad van
+zoet water en daarom wenschte ik wel, dat gij en uw zoon Willem--dáár
+komt hij al! Goede morgen, mijn jongen!--ik zei daar, dat gij beiden
+geen beter werk doen kondet, dan de bron verder tot stand te brengen,
+terwijl ik mij weer op de vaart begeef. Ik bracht gisteren nog een
+schop mee, en zoo kunt gij gelijktijdig arbeiden; maar laat ons eerst
+naar de tent gaan, want Juno, zie ik, heeft het ontbijt klaar.--Ge
+begrijpt wel, mijnheer, dat wij de wel tot in het kokosbosch nasporen
+moeten, waar zij in de schaduw tegen de zon gedekt is. Dat kan licht
+gebeuren, als gij tegen de hoogte aan opwerkt en ziet, hoe het water
+van boven neerstroomt. Hebt ge dat gevonden, dan graaft gij een gat,
+wijd genoeg, om er een van onze watertonnen, die ik van avond mee wil
+brengen, in neer te laten. Is deze behoorlijk in den grond vastgezet,
+dan zullen wij haar altijd vol water vinden, en hoe schielijk wij ze
+ook leegscheppen, zal de wel haar toch bestendig weer aanvallen."
+
+"Ik begrijp u zeer goed," antwoordde mijnheer Wilson. "Dat zal dan
+heden ons werk zijn, voor zoolang gij afwezig zijt."
+
+"Nu goed; dus heb ik zelf niets meer te doen, dan met Juno over het
+middageten te spreken," hernam Flink. "Daarna schielijk een mondvol
+tot ontbijt en dan weg;--dit kostelijk weder mag niet ongebruikt
+voorbijgaan."
+
+De oude man zeide Juno, om het varkensvleesch in de braadpan te
+bakken en ook eenige sneden van de schildpad af te snijden en tegen
+den middag te koken, waarbij zij ook de van gisteren overgebleven
+soep nog opwarmen kon; en daarop stapte hij met een beschuit en een
+stuk rundvleesch naar de boot en stak alleen van land. Vader en zoon
+gingen inmiddels ook ijverig aan het werk, en tegen den middag reeds
+had de kuil de breedte en diepte, welke Flink hun had aangewezen. Eerst
+toen zij zoover waren, staakten zij hun arbeid en gingen naar de tent,
+waar mevrouw Wilson met het herstellen der kleederen van hare kinderen
+bezig was.
+
+"Gij kunt u niet voorstellen, hoeveel beter ik mij gevoel, sinds wij
+hier zijn," zeide zij en drukte de hand van haar man, toen die zich
+aan hare zijde neerzette.
+
+"Ik hoop lieve, dat dit een voorgevoel is van ons toekomstig geluk,"
+antwoordde hij. "Ik verzeker u, dat ik hetzelfde voel en dezen morgen
+heb ik dit onzen braven Flink ook reeds gezegd."
+
+"Ik gevoel, dat ik hier mijn leven lang gelukkig zou kunnen zijn,
+zoo kalm, zoo vreedzaam en daarbij zoo verrukkelijk schoon is het
+hier. Weet gij echter, wat ik mis?--Er zijn hier geen zangvogels,
+zooals in ons vaderland."
+
+"'t Is waar, ik heb tot hiertoe ook nog maar enkel zeevogels
+bemerkt. Hebt gij al andere gezien, Willem?"
+
+"Eens maar, vader, heb ik in de verte een vlucht gezien. Flink was
+niet bij mij en dus wist ik niet, wat voor vogels het waren. Ze
+schenen mij echter niet zoo klein, als andere zangvogels, maar voor
+'t minst van de grootte eener duif.--Kijk, daar komt Flink den hoek
+om," vervolgde hij. "Wat zeilt die kleine boot toch hard! En 't moet
+toch wel zwaar werk voor den ouden man zijn, zoo heel alleen tegen
+den stroom op naar de bocht te roeien.--Juno is het eten klaar?"
+
+"Ja, massa Willem, in een ommezien klaar wezen."
+
+"Wij willen hem tegemoet gaan en hem nog vóór den eten van het een
+en ander ontlasten."
+
+Zij deden dit, en Willem rolde de ledige waterton, die Flink had
+medegebracht, naar de nieuw gegraven bron.
+
+De sneden schildpad werden even luid geprezen, als de soep van den
+vorigen avond en inderdaad, nadat men zoo lang op taai pekelvleesch
+gekauwd had, moest eene afwisseling met versche spijzen allen bij
+uitstek gewenscht voorkomen.
+
+"En nu naar de bron; zij moet heden nog klaar," riep Willem, zoodra
+de maaltijd was afgeloopen.
+
+"Gij arbeidt als een dijkgraver, Willem," merkte zijn moeder lachend
+aan.
+
+"Dat moet ik ook, moeder. Ik moet thans leeren alles met mijne handen
+te doen."
+
+"En spoedig zal het door uwe gewoonte een tweede natuur worden,"
+zei Flink.
+
+Bij de bron gekomen, zagen zij tot hunne verbazing, dat het eerst
+voor een paar uren gegraven gat bijna tot den rand toe met water
+was opgevuld.
+
+"O wee," riep Willem, "nu zullen wij eerst al dat water dienen uit
+te scheppen, om de ton er in te krijgen!"
+
+"Kom, kom, jongen, bedenk u eens goed," zei de vader. "Het water
+vloeit zoo sterk, dat zulk uitscheppen geen gemakkelijk ding zou
+zijn. Kunnen wij de zaak niet anders aanvatten?"
+
+"Ja, vader; maar de ton zal toch bovendrijven."
+
+"Zeker, zooals zij nu is, doet zij dat vast. Doch is er geen middel
+om haar te doen zinken?"
+
+"O ja, nu begrijp ik het. Wij moeten eenige gaatjes in den bodem boren;
+dan zal zij volloopen en vanzelf naar den grond gaan."
+
+"Heel goed, jongen," sprak Flink. "Ik dacht wel, dat zoo iets zou
+moeten gebeuren en heb daarom de groote boor bij mij gestoken."
+
+De oude man boorde vier gaten in den bodem der ton, en terwijl zij
+nu op het water dreef, drong dit langzamerhand naar binnen, zoodat
+het vat al dieper en dieper zonk. Zoodra de rand daarvan met de
+oppervlakte des waters gelijk stond, vulden zij de tusschenruimte
+behoorlijk met zand op en was de bron gereed.
+
+"Morgen als het water goed gezakt is, zal het zoo helder en
+doorschijnend zijn als kristal, en zoo zal het blijven, als men het
+niet moedwillig troebel maakt," voorspelde Flink. "Alweer dus een
+stuk werk tot stand gebracht! Nu zullen we nog al het overige goed
+uit de boot halen."
+
+
+
+
+
+
+
+VIER-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+VERDERE VERRICHTINGEN IN DE NIEUWE VOLKPLANTING.
+
+
+"Daar wij nog zoo velerlei dingen te doen hebben," zeide mijnheer
+Wilson den volgenden morgen tot zijn ouden vriend, "zullen wij een
+geregeld plan voor alles ontwerpen. Van de wijze, waarop men het
+aanvat, hangt het welgelukken van een werk grootendeels af. Zeg
+mij dus, welk werk gij ons voor de volgende week zoo al zoudt
+voorslaan. Morgen is 't Zondag, en ofschoon wij dien dag tot nu toe
+nog niet behoorlijk hebben kunnen vieren, geloof ik toch, dat wij
+hem ditmaal kunnen en moeten gedenken."
+
+"Ja, mijnheer, dat moeten wij en 't zelfde zou ik u hebben
+voorgeslagen. Morgen zullen wij van onzen arbeid uitrusten en Zondag
+houden. En wat nu uw voorslag aangaat, mijnheer,--of zullen wij ook
+eens hooren wat mevrouw zegt?"
+
+"Gij moet er thans niet om denken, dat gij vrouwen of althans
+fijne dames bij u hebt," viel mevrouw Wilson hem in de rede. "Mijne
+gezondheid en kracht keeren meer en meer terug en ik hoop u spoedig
+wezenlijk van nut zijne. Ik neem op mij, Juno in alle huiselijke
+verrichtingen te helpen, voor koken en wasschen te zorgen, op de
+kinderen te passen, de kleederen te herstellen en alles te doen, wat
+mijne krachten mij toelaten. Word ik sterker, dan zal ik beproeven
+wat ik meer kan doen, en in alle gevalle zult gij, zoo niet den
+ganschen, toch een groot gedeelte van den dag over Juno's diensten
+kunnen beschikken."
+
+"Daarmee kunnen wij ons vooreerst ook heel goed vergenoegen,
+mevrouw," hernam de oude zeeman. "Maar nu verder, mijnheer. De beide
+dringendste verrichtingen, na het bouwen van een huis, zijn vooreerst
+het omspitten van een stuk land voor onze aardappelen en tuinzaden
+en dan het aanleggen van een vijver voor schildpadden, opdat wij van
+die dieren vangen en daarin zetten, voordat de tijd voorbij is."
+
+"Heel goed," was het antwoord; "maar wat dient er eerst gereed
+te zijn?"
+
+"Mij dunkt de vijver daar, die slechts weinige dagen werks behoeft te
+kosten, als gij met Juno en Willem daaraan arbeidt. Ik voor mij heb
+de gansche aanstaande week uw bijstand niet noodig. Ik wil eerst eene
+plek in de buurt opzoeken, waar het hout het dichtst staat;--daar zal
+ik dan de boomen omhakken en eene ruimte maken, waar in het vervolg
+onze pakhuizen kunnen staan, en zoodra de regentijd voorbij is, brengen
+wij dan al onzen voorraad van ginds naar hier over. Dat zal mij wel de
+geheele week ophouden, daar het vellen en op eene behoorlijke lengte
+afzagen van de boomen voor ons nieuwe huis geen gemakkelijk werk
+is. Ben ik daarmee klaar, dan moeten wij al onze krachten vereenigen
+en terstond tot het opslaan eener woning overgaan. Haardstede en
+vensters kunnen misschien eerst later klaar komen. Het voornaamste is,
+dat wij onder dak zijn en droge slaapplaatsen hebben."
+
+"Denkt gij dan wezenlijk, dat daar nog kans toe is? Wanneer oordeelt
+gij, moet het regenseizoen invallen?"
+
+"Met drie of vier weken. Het begin staat niet altijd zoo geregeld vast,
+maar veel later wordt het zeker niet. Is de volgende week voorbij,
+dan zal ik waarschijnlijk altijd twee of misschien wel al de leden
+van de familie gebruiken kunnen. Ha! daar valt mij in, dat ik toch
+nog eens naar de bocht terug moet."
+
+"Waartoe dat?"
+
+"Herinnert gij u de kar op twee wielen nog, mijnheer, die in stroo
+was ingepakt en door den storm aan land werd geworpen? Gij lachtet,
+toen gij haar zaagt en dacht, dat zij ons thans maar van weinig nut
+zou zijn; en toch, mijnheer, zullen as en wielen ons nu goed te pas
+komen, daar wij naar de plaats, waar ik de boomen vel, een breed pad
+aanleggen en dan onze stammen veel gemakkelijker voortkruien kunnen,
+dan zoo wij die dragen of sleepen moesten."
+
+"Dat is een kostelijke inval, Flink. Zoo zal zeker vrij wat werk
+bespaard worden."
+
+"Dat denk ik ook, mijnheer. Willem en ik zullen Maandagmorgen al
+vroeg opbreken, om vóór het ontbijt terug te zijn. Vandaag willen
+wij nog de plekken opzoeken, waar onze tuin aangelegd, de vijver
+gemaakt en het geboomte geveld worden moet. Dat is een werk voor ons,
+mijnheer. Willem en Juno kunnen intusschen de dingen hier wat beter
+oppakken, totdat wij ze gebruiken moeten."
+
+Terstond daalden de beide mannen naar het strand af, en na de riffen
+aandachtig te hebben opgenomen, zeide Flink: "Gij ziet, mijnheer,
+tot een vijver voor schildpadden hebben wij niet veel water noodig,
+want als hij te diep is, kost het ons maar dubbele moeite de beesten
+op te vangen. Alles wat wij verlangen, is eene plaats in het water,
+met een lagen dam van steenen omringd, zoodat de dieren niet ontsnappen
+kunnen, want tot klauteren zijn ze niet in staat, hoewel ze met hunne
+zwempooten heel goed op het afhellende strand kunnen voortspartelen. Nu
+zie, mijnheer, de klip ginds is hoog genoeg boven water; de ruimte
+tusschen haar en het strand is diep genoeg en de rotsen aan den
+oever sluiten deze zijde bijna geheel af en beletten de dieren dus
+langs den oever voort te kruipen, zoodat zij ons niet meer ontkomen
+kunnen. Wij hebben dus weinig meer te doen, dan de beide andere kanten
+op te vullen, en onze vijver is zoo goed als hij wezen moet."
+
+"Ik zie, dat dit niet veel moeite zal kosten, als wij maar genoeg
+losse rotsblokken vinden kunnen."
+
+"Bijna alle, die op het strand liggen, zijn los," verzekerde Flink,
+"en hier dicht vóór ons vinden wij ze in menigte. Sommige zijn wel
+te zwaar om gedragen te worden; doch die kunnen wij met breektangen
+en hefboomen van de plaats krijgen;--wij hebben twee of drie van die
+dingen bij ons. Nu, mijnheer, moesten wij Willem en Juno een teeken
+geven en hen dadelijk aan het werk zetten. Vóór den middag kunnen
+zij nog vrij wat afdoen."
+
+Mijnheer Wilson riep en wenkte met zijn hoed, waarop Willem en de
+negerin dadelijk aankwamen. Juno werd gezonden om twee breekijzers te
+halen, terwijl Willem van Flink vernam wat zij te doen hadden. Toen
+Juno met de werktuigen terug was, bleven de beide mannen nog een
+tijdlang bij hen en hielpen hen aan hun werk, waarna zij verder gingen,
+om eene geschikte plaats voor een tuin op te zoeken
+
+
+
+
+
+
+
+VIJF-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+GEVOLGEN DER ONGEHOORZAAMHEID.
+
+
+Mijnheer Wilson en Flink vervolgden hunne wandeling langs het strand
+tot aan het punt, dat deze laatste tot het aanleggen van een tuin
+'t best geschikt achtte. Wel is waar was de laag teelaarde op den
+rotsigen bodem niet dik, maar de grond was toch vrij goed en tamelijk
+uitgestrekt. Daarenboven was de plaats dáár, waar zij aan het andere
+land vastzat, zeer smal, zoodat men geene uitgestrekte omheining
+noodig had.
+
+"Gij ziet, mijnheer," merkte Flink aan, "het aanleggen eener heg
+kunnen wij uitstellen tot de regentijd voorbij is, of als het weer
+dat vergunt, kunnen wij er dien toe gebruiken. De zaadgewassen en de
+aardappelen zullen eerst na de regen opkomen, en zoo hebben wij niets
+anders te doen, dan den grond om te spitten en zoo schielijk mogelijk
+aan het poten te gaan. De struiken ginds moeten weggeruimd worden;
+maar dat is weinig moeite, omdat de grond zoo licht is. Wij hebben
+ook maar een deel van uwe zaden uit te strooien, want dit jaar kunnen
+wij nog geen grooten tuin aanleggen; doch onze aardappelen moeten
+alle gepoot worden, al konden wij ook niets anders meer uitrichten."
+
+"Als we geene omheining te maken hebben," antwoordde de heer Wilson,
+"kunnen we dunkt mij, in eene week tijds grond genoeg bearbeiden,
+om alles, wat ons 't eerst noodig is, aan te planten."
+
+"We dienen eerst het kleine struikgewas uit te roeien en den grond
+om te spitten," vervolgde Flink. "De zwaardere stammen en stronken
+kunnen we, als het ons dadelijk aan tijd ontbreekt, in den beginne
+veilig laten staan. Hier kan onze Thomas een handje helpen, als gij
+hem de uitgegraven wortels laat wegdragen.--Laat ons nu in het bosch
+gaan en eene plaats uitkiezen, waar ik de boomen vellen zal. Ik voor
+mij heb al eene keuze gedaan, zoo gij er niets tegen hebt. De plek
+is dáár, een vijftig roeden op zij van de tent. Van hier hebben wij
+bij de honderd roeden het bosch in te gaan."
+
+Beiden volgden de door Flink aangewezen richting, totdat zij aan eene
+kleine hoogte kwamen, waar de boomen zoo dicht stonden, dat het moeite
+kostte daar een pad door te breken.
+
+"Hier zijn we, waar we wezen moeten, mijnheer," sprak Flink. "Ik zou
+voorstellen, al het zware hout, dat wij tot onze woning noodig hebben,
+uit dit gedeelte van het bosch te nemen en eene open vierkante
+plaats uit te houwen, op 't midden waarvan wij onze pakhuizen
+kunnen bouwen. Tegenwoordig is de noodzakelijkheid van zoo iets niet
+waarschijnlijk; maar ziet gij, mijnheer, in geval van nood kan men
+deze plek met weinig moeite tot een vast punt van verdediging maken;
+want als wij hier en daar tusschen de boomen nog eenige palissaden
+zetten, hebben wij eene volmaakt goede verschansing, zooals men die
+in West-Indië tegen de wilden gebruikt."
+
+"Volkomen waar, mijn goede raadsman. Evenwel hoop ik van harte,
+dat zulke verdedigingsmiddelen ons nooit te pas zullen komen."
+
+"Ook ik hoop datzelfde, mijnheer; maar voorzichtigheid gaat boven
+alles. Intusschen hebben we eerst nog veel anders te bedenken en te
+doen. Het eten zal nu wel klaar zijn. Laat ons zien, dat wij ons deel
+krijgen, en dan terstond ons werk aanvatten. Ik zie altijd gaarne
+een begin, al is het ook nog zoo gering."
+
+Ook Willem en Juno kwamen nu aan den maaltijd, die mevrouw Wilson
+bereid had. Beiden stond het gezonde zweet op het voorhoofd, want
+het was hard werk wat zij te doen hadden; maar beider wil was goed
+en zij wilden gedaan krijgen wat eens begonnen was. Thomas was
+den ganschen morgen uiterst oproerig geweest en had overal slechts
+stoornis veroorzaakt. Zijne les had hij niet geleerd, maar daarvoor,
+ofschoon het hem meer dan eens verboden was, met vuur gespeeld en
+de kleine Caroline de hand gebrand. Zoodra zijn vader nu echter van
+zijne ondeugendheid hoorde, werd de stoute jongen tot zijne straf
+veroordeeld om vandaag geen eten te krijgen, en zoo zat hij daar boos
+en grommend de verdwijnende spijzen na te kijken, zonder dat het hem
+nochtans inviel, voor zijne ondeugendheid vergiffenis te vragen. Na
+het eten nam mijnheer Wilson schop en houweel om naar de plaats van
+hun toekomstigen tuin te gaan, en zijne vrouw verzocht hem, Thomas
+mee te nemen, daar zij zeer veel te doen had en niet zoo gemakkelijk
+op hem als op de kleine Caroline passen kon. Zoo vatte de vader den
+jongen bij de hand en nam hem mee naar de plaats, waar hij arbeiden
+wilde. Daar deed hij hem op den grond nederzitten, terwijl hij zelf
+de struiken begon uit te roeien.
+
+Hij werkte ijverig voort, en toen hij eenigszins gevorderd was, liet
+hij het afgehouwen struikgewas door Thomas wat verder wegdragen en in
+eene hoop op elkaar pakken. De kleine jongen deed dit echter ongaarne,
+daar hij nog altijd in een boos humeur was. Nadat de vader eene vrij
+groote ruimte van struiken ontdaan had, nam hij zijne schop en begon
+de wortels uit te graven, waarbij hij aan Thomas overliet, zich naar
+eigen verkiezing te vermaken. Zoo zag hij niet, waarmee de knaap wel
+een uur lang bezig was, terwijl hij zelf druk voortarbeidde. Toen
+opeens echter hoorde hij een luid kreunen, en op de vraag naar de
+oorzaak daarvan, gaf Thomas geen antwoord, maar jammerde al sterker,
+tot hij eindelijk de handen op de maag legde en zoo hard als hij kon
+begon te schreeuwen. Daar hij zware pijn scheen te lijden, liet de
+vader zijn arbeid rusten en bracht hem naar de tent, waar mevrouw
+Wilson, door het gekerm verontrust, hem te gemoet kwam. Thomas
+verkoos overigens niet, ergens op te antwoorden, en ging met huilen
+en jammeren voort, zoodat vader en moeder niet begrijpen konden,
+wat er de oorzaak van was. De oude Flink, die dat gekerm zoo lang
+hoorde aanhouden, dacht dat er een ernstig ongeluk was voorgevallen,
+en kwam nu ook aan. Toen hij hoorde wat er gebeurd was, zeide hij:
+
+"Maak er staat op, mijnheer, de jongen heeft iets gegeten, dat hem nu
+kwalijk bekomt. Zeg, sinjeur Thomas, wat hebt gij in den mond gestoken,
+toen gij daar alleen waart?"
+
+"Bessen," was het snikkend antwoord.
+
+"Dat dacht ik wel, mevrouw," vervolgde Flink. "Ik wil eens gaan zien,
+wat voor soort van bessen het waren."
+
+De oude man ging ijlings naar de plaats, waar mijnheer Wilson gewerkt
+had. De moeder was inmiddels grootelijks beangst, dat het kind iets
+vergiftigs mocht hebben ingekregen, terwijl de vader uit zijne kleine
+apotheek een fleschje ricinusolie ging halen.
+
+Flink kwam juist terug, toen ook de heer Wilson in de tent trad met het
+fleschje, waaruit hij den zieken jongen eenige droppels wilde ingeven.
+
+"O, neen, mijnheer," zeide de oude man, die een takje in de hand
+hield, toen hij hoorde, welke medicijn het was; "daar moet gij hem
+niet van ingeven, want, naar het mij voorkomt, heeft hij er al te
+veel van gebruikt. Zie, als ik 't niet mis heb,--en mij dunkt, ik
+ben vrij zeker van mijne zaak,--is dit de ricinusplant; en hier zijn
+eenige van de bessen, waarvan onze sinjeur gesnoept heeft. Niet waar,
+Thomas, hiervan hebt gij gegeten?"
+
+"Ja.--O, wat heb ik er eene pijn van!" kermde de knaap.
+
+"Dat is verdiend loon. Geef hem maar iets warm te drinken mevrouw,
+en het zal wel spoedig beter zijn. Onze jongeheer zal nu denkelijk
+wel onthouden, dat men geen vreemde bessen of vruchten plukken mag,
+zonder vooraf te weten, dat ze goed om te eten zijn."
+
+Gelijk Flink gezegd had, was het ook. Evenwel was Thomas den ganschen
+dag nog ziek en misselijk, en moest al zeer vroeg naar bed worden
+gebracht.
+
+
+
+
+
+
+
+ZES-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+EEN ONAARDIG KIND.
+
+
+Den anderen morgen, toen al de overigen druk aan het werk waren,
+zat mevrouw Wilson voor hare tent. De kleine Albert kroop aan hare
+voeten op den grond om: Caroline was naarstig met hare breikous bezig,
+en sinjeur Thomas groef kuilen in het zand, in elken waarvan hij een
+steentje legde.
+
+"Wat doet gij toch, Thomas?" vroeg zijne moeder.
+
+"Spelen, moeder; ik maak een tuin."
+
+"Een tuin! Dan moest gij er ook eenige boomen in planten."
+
+"Neen, ik zaai zaden: zie hier maar," riep Thomas en wees op zijne
+steenen.
+
+"Steenen kunnen niet groeien; niet waar, moeder?" vroeg de kleine
+Caroline.
+
+"Neen, lieve meid, dat kunnen zij niet. Steenen schieten niet uit de
+aarde op, maar wel het zaad van planten en bloemen."
+
+"Dat weet ik ook wel," zeide Thomas. "Ik doe maar zoo omdat ik geen
+zaad heb."
+
+"Maar gij zeidet daar straks toch, dat gij zaad zaaidet en geen
+steenen."
+
+"O, dat verbeeld ik mij maar zoo, en dan is het ook precies 't zelfde."
+
+"Toch niet zoo precies 't zelfde, mijn jongen. Bedenk maar eens; als
+gij gisteren, in plaats van die leelijke bessen te eten, u slechts
+verbeeld hadt, dat gij ze at,--zou dat niet beter voor u geweest zijn?"
+
+"Ik wil er ook niet weer van proeven," zeide de knaap.
+
+"Neen, van die bessen niet; maar als gij iets anders ziet, waar ge
+trek in krijgt, dan vrees ik half en half dat ge het weer proeven zult,
+en dan kon 't licht even erg of nog erger dan gisteren gaan."
+
+"Ik heb zin in kokosnoten. Waarom krijgen wij daar nooit van? Daar
+boven aan de boomen hangen er toch nog genoeg."
+
+"Maar wie zal zoo hoog klimmen, om ze te plukken? Wilt gij dat zelf
+doen, Thomas?"
+
+"Neen, maar waarom doet Flink dat niet, of vader, of Willem? Waarom
+stuurt ge Juno niet in den boom? Ik wil kokosnoten hebben."
+
+"Die zullen er ons wel eens wat van meebrengen, als zij niet zooveel
+meer te doen hebben; maar nu is het geen tijd daartoe. Ziet ge niet,
+hoe druk allen aan het werk zijn?"
+
+"Ik lust graag schildpadsoep," vervolgde Thomas.
+
+"Willem en Juno maken een vijver, om daar schildpadden in te doen,
+en dan krijgen we die meer te eten. Ge moet bedenken, dat wij niet
+altijd alles krijgen kunnen, waar we lust in hebben."
+
+"Eene schildpad, moeder, wat is dat?" vroeg de kleine Caroline.
+
+"Dat is eene soort van dier, dat in het water leeft en toch geen
+visch is."
+
+"O, gebakken visch, daar houd ik ook veel van," riep Thomas
+weder. "Waarom krijgen wij geen gebakken visch?"
+
+"Omdat iedereen thans te veel werk heeft, om ze te kunnen
+vangen. Naderhand zult ge zeker ook wel nu en dan eens visch
+krijgen. Maar kom, lieve Thomas, ga eens heen en haal uw broertje
+Albert terug. Hij is daar veel te dicht bij onze geit gekropen,
+en die stoot soms wel."
+
+Thomas deed wat hem gezegd was. De kleine was vlak bij het jonge bokje,
+dat sedert vrij groot was geworden, en Thomas haalde hem daar vandaan,
+maar kon daarbij niet nalaten, eens even met zijn voet naar het dier
+te schoppen.
+
+"Thomas, Thomas, doe dat toch niet; hij kon u stooten en u bitter
+zeer doen."
+
+"Ik ben niet bang voor hem," riep Thomas, terwijl hij Albert met de
+eene hand vasthield en voortging naar den bok te schoppen. Deze had
+echter geen lust om dat langer te verdragen. Hij dook met den kop
+neer, sprong op Thomas toe en stiet hem tegen de borst, zoodat hij
+over Albert heen op den grond rolde. De kleine schreeuwde, en ook
+onze mijnheer Thomas riep om hulp. Mevrouw Wilson schoot toe en nam
+haar zoontje op den arm, terwijl Thomas die nu vrij wat bang was,
+zich aan haar japon vasthield en angstig naar den bok omzag, die zeer
+geneigd scheen om zijn aanval te hernieuwen.
+
+"Waarom doet gij ook niet wat men u zegt, Thomas? Ik zei u immers
+wel, dat hij u stooten zou," zeide de moeder en zocht Albert gerust
+te stellen.
+
+"Ik geef niet om tien bokken," antwoordde Thomas, nu hij zag dat het
+beest hem niet verder volgde.
+
+"Ja, ja, nu de bok weg is, hebt gij verbazend veel moed. Gij zijt
+toch een recht ondeugende jongen, die nooit gehoorzaamt, als men u
+iets zegt. Weet gij nog wel van dien leeuw aan de Kaap?"
+
+"Ik ben niet bang voor een leeuw," zei Thomas.
+
+"Dat geloof ik, nu er nergens een te zien is; maar gij zoudt niet
+weinig schrikken en schreeuwen, als er eensklaps een voor u stond."
+
+"Ik heb hem toch wel met steenen gegooid," vervolgde de knaap.
+
+"Ja, dat hebt gij gedaan; en als gij het gelaten hadt, zou de leeuw
+u niet zoo hebben doen schrikken, evenmin als de bok u daareven op
+den grond zou hebben geworpen," antwoordde de moeder.
+
+"Sik stoot nooit naar mij, moeder," zeide Caroline.
+
+"Neen, lieve, omdat gij hem nooit plaagt! maar Thomas houdt er veel van
+de dieren te kwellen en wordt daar dan ook telkens voor gestraft. Het
+is heel stout van hem, dat hij het doet, vooral daar vader en moeder
+hem gedurig zeggen, dat hij het laten moet. Goede kinderen gehoorzamen
+altijd aan hunne ouders; maar Thomas is geen goed kind."
+
+"Van morgen, toen ik mijne les zoo goed opzei, zeidet gij toch,
+dat ik een brave jongen was, moeder," zeide Thomas beschaamd.
+
+"Ja, ja, toen waart gij dat ook; maar gij moet altijd braaf en
+gehoorzaam zijn."
+
+"Dat kan ik niet altijd wezen," antwoordde de knaap. "Ik heb honger;
+wanneer krijg ik van middag eten?"
+
+"Het wordt nu spoedig tijd, jongen; maar ge moet wachten, tot allen
+van het werk terug zijn."
+
+"Daar komt Flink met een zak op den schouder," riep Thomas. Na weinige
+oogenblikken stond deze dan ook voor mevrouw Wilson en legde zijn
+zak op den grond neer.
+
+"Ik heb u wat jonge kokosnoten meegebracht en daarbij ook een paar
+oudere," zeide hij. "Ze zijn van de boomen, die ik heb omgehouwen."
+
+"Ha, kokosnoten, die lust ik graag!" riep Thomas en klapte in de
+handen.
+
+"Zeide ik niet, Thomas, dat wij ze mettertijd wel krijgen zouden? Kijk,
+nu komen ze schielijker, dan wij verwacht hadden.--Ge schijnt recht
+warm, Flink."
+
+"Ja, mevrouw," antwoordde deze en wischte zich het zweet van het
+voorhoofd, "'t Is ook een warm werk, daar in het bosch geen koeltje
+waait. Weet ge ook nog iets, dat ik van onze landingsplaats kan
+meebrengen? Ik ga er dadelijk na het eten naar toe."
+
+"En om wat te doen?"
+
+"Ik moet de kar halen, om onze stammen uit het bosch te brengen,
+en daartoe moet ik eerst een behoorlijk pad banen. Maar ditmaal heb
+ik Willem noodig, om mij een handje te helpen."
+
+"O, Willem zal zeker gaarne meegaan. Dat is eene verademing, nadat
+hij zoo lang met die zware steenen gesleept heeft.--Ik weet op
+'t oogenblik niets meer, dat wij noodig hebben," vervolgde mevrouw
+Wilson. "Daar komt Willem met Juno, en ook mijn man heeft, zie ik,
+de schop neergelegd. Kom, lieve Caroline, pas gij nu op Albert,
+terwijl ik het eten voor u allen opdraag."
+
+De oude man was haar hiertoe behulpzaam. Het eten werd op den grond
+gezet, want hunne stoelen en tafels hadden zij nog niet naar de nieuwe
+woning meegenomen, daar zij die wel dachten te kunnen missen, totdat
+het huis was opgebouwd. Willem berichtte, dat hij den volgenden dag met
+den vijver hoopte klaar te komen. Zijn vader had reeds zooveel grond
+omgespit, dat men den van het wrak geredden halven zak aardappelen
+daarin poten kon, en 't was dus vooruit te zien, dat binnen twee dagen
+allen te zamen met vereende krachten tot het vellen en vervoeren der
+boomen zouden kunnen overgaan.
+
+Na het eten roeide Flink met Willem in de boot weg en keerde nog voor
+den donker met de kar en eenige andere goederen, die de lading vol
+maakten, terug. Ook hadden zij eenige dikke balken op het sleeptouw
+genomen, die Flink tot deurposten van het huis gebruiken wilde. De
+heer Wilson had voor dien namiddag zijn werk laten rusten en daarvoor
+Juno aan het hare geholpen. Naar zijn zeggen, was de vijver, zoo al
+nog niet klaar, toch reeds zoo ver gevorderd, dat de schildpadden,
+eens daarin zijnde, er niet gemakkelijk zouden uitkomen.
+
+
+
+
+
+
+
+ZEVEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+GESPREK TUSSCHEN VADER EN ZOON.
+
+
+"Nu beste Willem," zeide Flink, "als ge niet al te slaperig zijt,
+hebt ge misschien wel lust om van avond mee te gaan en te zien, of
+wij niet eenige schildpadden kunnen vangen. De broeitijd loopt spoedig
+ten einde en dan zullen zij zich niet meer op het eiland laten zien."
+
+"O ja, Flink, ik wil graag meegaan."
+
+"Goed dan; maar wij moeten wachten, totdat het donker is. De maan
+zal van nacht niet lang schijnen en dat treft juist goed voor ons."
+
+Zoodra de zon onder was, stapten beiden naar het strand en zetten
+zich daar bedaard op een rotsblok neer. Het duurde niet lang, of
+Flink ontdekte een schildpad, die op het zand voortkrabbelde. Hij
+wenkte Willem, hem stilletjes te volgen en ging behoedzaam naar den
+waterkant, zoodat hij het beest den terugtocht naar zee afsneed.
+
+Zoodra de schildpad hen gewaar werd, snelde zij op het water toe,
+doch had het geluk niet van te ontkomen, daar Flink haar haastig bij
+een harer voorste zwempooten aanpakte en haar toen zonder moeite op
+den rug omwentelde.
+
+"Zóó, Willem, als ik daar deed, moet men de schildpadden altijd
+omdraaien. Gij moet daarbij echter oppassen, dat gij niet te dicht bij
+hare tanden komt, wat u licht een vinger zou kosten. Zooals het dier nu
+ligt, kan het niet meer van de plaats, en wij zullen het morgenochtend
+evenzoo vinden. Laat ons nu eens langs het strand voortgaan en zien,
+of er nog meer te vangen zijn."
+
+Beiden bleven nog tot middernacht op en vingen in dien tijd zestien,
+deels groote, deels kleine schildpadden.
+
+"Mij dunkt, dat is voor ditmaal genoeg," zeide Flink toen. "Wij hebben
+in dezen nacht voor langen tijd voorraad ingezameld. Over drie of vier
+dagen willen wij eens zien, of wij onzen rijkdom niet nog vermeerderen
+kunnen, en morgen vroeg brengen wij onze vangst in den vijver."
+
+"Hoe zullen wij die groote dieren echter wegdragen?"
+
+"Dat behoeft niet veel moeite te kosten. We schuiven hen op een stuk
+oud zeildoek en brengen hen op die wijze van de plaats. Op het gladde
+zand is daar weinig kracht toe noodig."
+
+"Waarom vangen we ook niet visschen, Flink? Wij konden die immers
+ook bij de schildpadden in den vijver doen."
+
+"Zij zouden daar niet lang in blijven, Willem, en al deden zij dat
+ook, dan zouden wij er hen toch moeilijk uit kunnen krijgen. Wij
+moeten mettertijd een afzonderlijken vischvijver aanleggen; maar
+vooreerst hebben wij nog wel noodiger dingen te doen. Ik ben al
+voornemens geweest eenige hengelsnoeren klaar te maken, maar kon er
+niet toe komen en ben daar nu al te moe en te slaperig toe. Zoodra
+het huis echter gebouwd is, zullen we eens uitgaan en gij zult
+oppervisschersbaas zijn, als ik u eerst gewezen heb, hoe ge doen moet."
+
+"En niet waar, bij nacht bijten de visschen ook aan?"
+
+"O ja, en zelfs nog beter, dan bij dag."
+
+"Nu goed, bezorg mij dan een snoer en zeg mij, hoe ik doen moet. Ik
+zal elken avond, als 't werk af is, nog een uurtje of langer visschen,
+Thomas vraagt al gedurig om gebakken visch, en ik weet, dat moeder
+het gezouten vleesch hartelijk moe is en 't ook voor Caroline niet
+gezond vindt. Zij was recht blij, toen gij haar eergisteren die
+kokosnoten bracht."
+
+"Goed, goed, mijn jongen. Ik zal morgenavond een stukje kaars opzoeken
+en twee hengelsnoeren voor ons klaarmaken. Maar ik moet bij u wezen,
+vriend Willem. In allen gevallen hebben wij hier niet veel licht
+noodig."
+
+"Neen, wij zijn al blij, dat wij eindelijk te bed komen. Daar in de
+bocht staan nog twee of drie kisten met kaarsen, maar hoe moeten wij
+het maken, als die voorraad in 't vervolg eens opraakt?"
+
+"Dan branden wij kokosnotenolie en daar zal het ons nooit aan
+ontbreken. En nu goeden nacht, mijn jongen."
+
+Den volgenden ochtend nog vóór het ontbijt waren alle handen bezig
+om de schildpadden in den vijver te brengen, die tegen den middag
+door Willem en Juno geheel voltooid werd. Ook mijnheer Wilson had
+tegen etenstijd eene genoegzame uitgestrektheid gronds ter bebouwing
+gereedgemaakt, en daar zijne vrouw Juno dien middag het linnengoed
+moest laten uitwasschen, kwam men overeen, dat Flink met Willem en zijn
+vader gezamenlijk naar den tuin zouden gaan en de aardappelen poten.
+
+De oude man werkte met de spade, terwijl vader en zoon de aardappelen
+in stukken sneden, zoodat op ieder stuk een oog kwam. Terwijl zij op
+deze wijze bezig waren zeide Willem tot zijn vader in den loop van
+het gesprek onder andere:
+
+"Vader, gij beloofdet mij, den dag nadat wij de Kaap de Goede Hoop
+verlieten, dat gij mij verklaren woudt, waarom deze zoo genoemd wordt
+en dat ik daarbij ook iets over de koloniën in het algemeen hooren
+zou. Wilt gij nu misschien zoo goed zijn?"
+
+"Recht gaarne, beste jongen; maar gij moet wel opletten, en als gij mij
+niet goed begrijpt, verzuim dan niet, mij dat terstond te zeggen, opdat
+ik het u duidelijker trachte te verklaren. Gij hebt wel meer hooren
+zeggen, dat de Engelschen tegenwoordig de meesters van de zee zijn,
+en dat is werkelijk zoo, ofschoon dat in alle tijden niet het geval
+is geweest. De vroegste zeevaarders onder de nieuwere volken waren de
+Spanjaarden en Portugeezen. Door de Spanjaarden werd Zuid-Amerika,
+door de Portugeezen werden de Oost-Indiën ontdekt. Destijds, het is
+nu meer dan driehonderd jaren geleden, was Engeland niet de machtige
+staat, die het thans is en had vergelijkenderwijze slechts weinig
+schepen, ook konden de Engelschen, wat ondernemingsgeest betreft,
+bij de toenmalige Spanjaarden en Portugeezen niet halen. De laatsten
+zochten een weg naar Oost-Indië te vinden en deden daarbij de Kaap de
+Goede Hoop aan. In die dagen echter waren de schepen, in vergelijking
+met de tegenwoordige, slechts zeer klein te noemen en op de hoogte van
+deze kaap stormde het zoo geweldig, dat zij die niet durfden omzeilen
+en haar daarom den naam van Stormkaap gaven. Ten laatste gelukte het
+hun nochtans om de kaap heen te komen en van toen af noemden zij deze
+Coba da Buona Speranza of Kaap de Goede Hoop. Zij bereikten gelukkig
+het lang gewenschte Indië, veroverden daar verscheidene gewichtige
+punten en grondvestten een handel, die voor hun land een bron van
+grooten rijkdom werd, Gij begrijpt mij toch, Willem?"
+
+"Ja vader."
+
+"Welnu, weet gij, de mensch is aanvankelijk kind, rijpt allengs tot
+man, bereikt als zoodanig het toppunt zijner kracht, neemt weder af,
+wordt oud en sterft; en gelijk dit met elken mensch in het bijzonder
+het geval is, heeft het ook met geheele volkeren plaats. Het
+Portugeesche volk was toenmaals in zijn mannelijke kracht, maar
+andere natiën kwamen en groeiden nevens Portugal op, onder anderen
+de Hollanders, die den Portugeezen het eerst den handel op Indië
+betwistten. Dezen ontrukten hun eindelijk ook de eene kolonie na de
+andere en namen den geheelen handel voor zich in beslag. Thans eerst
+braken de Engelschen zich baan, veroverden zoowel de Hollandsche als de
+Portugeesche koloniën en handhaafden zich sedert grootendeels in haar
+bezit. Portugal, dat eens door het moedigste volk der wereld bewoond
+was, is thans geheel in het niet teruggezonken. Ook de Hollanders
+hebben veel van hun vroeger zoo machtigen invloed verloren, terwijl de
+zon, gelijk men te recht zegt, in het Britsche rijk nimmer ondergaat:
+want daar zijne koloniën op alle punten der aarde verstrooid zijn,
+moeten voortdurend eenige daarvan door de zon beschenen worden."
+
+"Dat alles, beste vader, begrijp ik zeer goed; maar zeg mij nu eens,
+waarom streeft Engeland en elk ander volk zoo ijverig naar het bezit
+der zoogenaamde koloniën?"
+
+"Omdat deze op de welvaart van het moederland een onberekenbaren
+invloed uitoefenen. Zoolang zij nog in hare kindsheid zijn,
+veroorzaken zij aan dat moederland doorgaans veel onkosten en uitgaven,
+maar breiden zij zich uit en worden zij sterker, dan zijn zij ook
+al spoedig in staat, om die vroegere schuld af te doen, door hare
+eigene voortbrengselen voor die der nijverheid van het moederland in
+betaling te geven. Deze ruilhandel is voor beide kanten voordeelig. Het
+moederland trekt er echter de meeste winst van, daar dit zichzelf
+het recht voorbehoudt om de koloniën van al wat zij noodig hebben
+te voorzien en daardoor aan zijne eigene bevolking eene markt tot
+vertier openstelt, waarop geene vreemde mededinging te duchten is. De
+betrekking tusschen beiden kan niet beter vergeleken worden, dan met
+die tusschen ouders en kind. Gedurende hare kindsheid wordt de kolonie
+door het moederland als een kind opgevoed en onderhouden. Naarmate
+zij in bloei en kracht toeneemt, wordt echter ook hare verplichting
+grooter, om het geleende met interest terug te geven. En hiermede
+houdt de vergelijking nog niet op. Zoodra de kolonie sterk genoeg
+geworden is om voor zich zelve te zorgen, werpt zij het juk der
+overheersching af en verklaart zich onafhankelijk, evenals de zoon,
+die tot man opgegroeid, zijns vaders huis verlaat om zijne eigene zaken
+te beginnen en zijn eigen kost te verdienen. Dit wordt even zeker het
+geval, als het zeker is dat de vogel, zoodra hij goed vliegen kan,
+het ouderlijke nest verlaat en op eigen wieken gaat drijven. Wij
+hebben daar een sprekend voorbeeld van in de Vereenigde Staten van
+Noord-Amerika, die vóór vijftig jaren nog koloniën van Groot-Brittanje
+waren, maar nu reeds zelve een der machtigste onafhankelijke natiën
+der wereld zijn."
+
+"Maar vader, is het niet vreeselijk ondankbaar van eene kolonie,
+wanneer zij zoo van het moederland, dat haar zoo lang beschermde
+afvalt, zoodra zij de bescherming niet meer noodig heeft?"
+
+"Dat schijnt in den beginne werkelijk zoo, Willem; doch als wij de
+zaak van meer nabij beschouwen, zal ons oordeel denkelijk anders
+uitvallen. Het moederland heeft gedurende het lange tijdsverloop,
+dat de kolonie noodig had om tot haar staat van onafhankelijkheid
+te geraken, volkomen gelegenheid gehad, om zich voor alles, wat
+het vroeger voor dezen deed, genoegzaam schadeloos te stellen, en na
+verloop van tijd worden de rechten, die het moederland zich aanmatigt,
+voor de koloniën ook werkelijk al te drukkend. Gij weet, men mag een
+volwassen mensch niet op dezelfde wijze behandelen als een kind."
+
+"Nu, vader, heb ik nog eene andere vraag te doen. Gij zeidet, dat de
+volken rijzen en dalen, en hebt daarbij de Portugeezen tot voorbeeld
+aangevoerd. Zal Engeland, dat nu zoo groot is, ooit vallen en even
+onbeduidend worden, als Portugal tegenwoordig?"
+
+"Die vraag kunnen wij alleen beantwoorden door op de geschiedenis
+te zien, en deze leert ons, dat dit het lot van alle volken is. Dus
+moeten wij verwachten, dat een dergelijk lot ook Engeland eens treffen
+zal. Tegenwoordig zien wij daar nog geen schijn van, evenmin als wij
+van de verborgen kiem des doods in ons eigen lichaam iets bespeuren;
+en toch komt de tijd, dat de mensch sterven moet, en evenzoo is het
+met de volken en landen gelegen. Denkt gij wel, dat de Portugeezen,
+in den tijd, toen zij zoo hoog stonden, ooit gedacht hebben, dat
+zij zoo laag, als zij nu staan, dalen zouden? Zouden zij het geloofd
+hebben, als men het hun voorspeld had? Ja, mijn beste jongen, ook de
+Engelsche natie zal mettertijd het lot ondergaan, dat alle andere
+volken vóór haar heeft getroffen. Er zijn velerlei oorzaken, welk
+dien tijd verhaasten kunnen of langer doen uitblijven, maar vroeger
+of later zal Engeland ophouden de koningin der zee te zijn en zijne
+koloniën niet langer over alle werelddeelen uitstrekken."
+
+"Ik hoop evenwel, dat die tijd nog veraf zal zijn."
+
+"Dat hoopt ook ieder echt Engelschman, die zijn vaderland waarachtig
+lief heeft. Herinner u, dat, toen het Romeinsche rijk zijne grootste
+hoogte bereikt had, Groot-Britanje maar enkel door wilden en barbaren
+bewoond was. Het Romeinsche rijk is thans verdwenen en leeft alleen
+nog in de geschiedenis en in de overblijfsels van vroegere grootheid,
+terwijl Engeland zich rangschikt onder de machtigste volken. Hoe
+is het grootste gedeelte van het vasteland van Afrika bevolkt? Met
+negers en barbaren; maar wie weet, wat nog in vervolg van tijd uit
+dezen worden kan?"
+
+"Wat! zouden die negers ooit een beschaafd volk worden?"
+
+"Op dezelfde wijze hadden ook de Romeinen in vroeger dagen kunnen
+vragen: Hoe! zouden die Britsche barbaren ooit een machtig en beschaafd
+volk worden? En gij ziet toch, dat zij het werkelijk geworden zijn."
+
+"Maar de negers, vader,--die zijn immers zwart!"
+
+"Dat zijn zij; maar wat doet dat ertoe? Wat de donkere kleur der
+huid aangaat, is de meerderheid der Mooren bijna even zwart als de
+negers en toch waren die eens een groote natie en daarbij nog het
+meest verlichte volk van hun tijd, dat zich door allerlei schoone
+hoedanigheden, door adel, grootmoedigheid, door fijnheid van vormen
+en ridderlijken zin onderscheidde. Zij veroverden het grootste
+gedeelte van Spanje en handhaafden zich eeuwen in het bezit daarvan,
+verbreidden er daar toen nog onbekende kunsten en wetenschappen, en
+betoonden zich even dapper en heldhaftig, als zij edel en deugdzaam
+waren. Hebt gij de geschiedenis der Mooren in Spanje nooit gelezen?"
+
+"Neen, vader; maar ik zou ze zeer graag leeren kennen."
+
+"Ik ben zeker, dat gij haar dan lief krijgen zoudt. Het is eene
+geschiedenis vol avonturen en afwisselende gebeurtenissen, zooals
+gij nog geen andere kent. Ik had haar onder de boeken, die ik voor
+Sidney had meegenomen, maar of ze gered zijn weet ik niet. We zullen
+later wel eens tijd vinden, om daarnaar te zien."
+
+"Ik meen, vader, dat twee kisten met boeken zijn aangespoeld."
+
+"Ja, twee of drie; maar als ik 't wèl heb, had ik er in het geheel
+vijftien of zestien.--Ziezoo, wij hebben de aardappelen nu in stukken
+gesneden en zullen Flink helpen, om ze met de meegebrachte zaden in
+den grond te brengen."
+
+
+
+
+
+
+
+ACHT-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+DE VISCHVANGST.
+
+
+Dien avond bleef Flink nog een paar uren bij kaarslicht op, waarbij
+Willem hem gezelschap hield, en besteedde zijn tijd om de vischsnoeren
+klaar te maken en van lood en haken te voorzien. Eindelijk had hij
+er twee gereed.
+
+"Wat moeten wij tot aas nemen, Flink?"
+
+"Wel liefst een van de schaaldieren, die in menigte op het strand
+liggen, ofschoon een stuk spek ons, denk ik, evengoed dienen kan."
+
+"En waar ergens zullen wij visschen, Flink?"
+
+"De beste plaats zal wel ginds, ver aan 't uiterste van de landpunt
+zijn, waar ik met de boot door de klippen kom. Het water is daar diep
+tot aan de rotsen."
+
+"Ik heb al eens gedacht, Flink, of die klipganzen en fregatvogels
+ook goed om te eten zouden zijn."
+
+"Niet heel best, vriend Willem. Zij zijn taai en hebben een
+sterken vischsmaak. Alleen in 't geval, dat wij niets beters krijgen
+kunnen, willen wij er eens de proef van nemen. Nu wij het zaad en de
+aardappelen in den grond hebben, moeten wij van morgen af met alle
+macht aan 't vellen en aanvoeren van boomstammen gaan. Uw vader en
+ik zullen, dunkt mij, het vlugst met de bijl kunnen omgaan, en gij
+kunt dan met Juno de stammen op onze kar laden en ze naar de plek
+brengen, waar ons huis zal staan. Maar 't is al laat, en wij zullen
+'t best doen nu naar bed te gaan."
+
+Onze Willem had echter in stilte een ander plan gemaakt. Hij wist,
+dat hij zijne moeder met wat visch zeer verblijden kon, en dus besloot
+hij bij den helderen maneschijn eens te beproeven, of hij, voordat
+hij slapen ging, nog niet een zootje vangen kon. Daartoe wachtte
+hij bedaard den tijd af, dat Flink even vast als de anderen in rust
+was. Toen sloop hij voetje voor voetje met zijn vischtuig weg en liep
+naar het strand, waar hij drie of vier schelpen opzocht en tusschen
+twee steenen openbrak, om de diertjes er uit als aas aan zijn haak te
+steken. Hierop ging hij eerst naar het hem aangewezen punt. 't Was een
+heerlijke nacht; het water was glad als een spiegel en de stralen der
+maan drongen tot bijna op den grond er van door. Willem wierp zijn
+snoer uit, en zoodra het lood den grond geraakt had, trok hij het
+omtrent een voet in de hoogte, gelijk hem door den ouden stuurman
+gewezen was. Geen halve minuut was zijne lijn nog in het water, of
+daar werd zoo sterk aan getrokken, dat hij, op zoo'n ruk niet bedacht,
+bijna het evenwicht had verloren en hals over kop in het water was
+gebuiteld. De visch moest groot en sterk zijn, want de lijn slipte
+hem door de hand en sneed hem in den vinger. Na een poosje kreeg hij
+die echter weer goed vast, trok ze naar zich toe en een groote visch
+met zilveren schubben, van althans negen of tien pond zwaar, was zijn
+eerste vangst. Zoodra hij zijn buit zoover op het land had, dat die
+niet meer in het water kon springen, maakte Willem den visch van den
+hengel los en besloot nog eenmaal zijn geluk te beproeven. Zijne lijn
+was ditmaal niet langer dan de eerste maal in het water, toen er weer
+met geweld aan getrokken werd; doch nu was de knaap daarop bedacht,
+vierde de lijn en liet den visch daaraan spartelen, tot hij moe werd;
+waarop hij hem zonder veel moeite optrok en met blijdschap ontdekte,
+dat deze nog zwaarder dan de vorige was. Met zijne vangst tevreden,
+wond hij de lijn weder op, stak een touw door de kieuwen der visschen
+en sleepte ze zoo naar de tenten, waar hij ze aan de tentstang ophing,
+opdat de honden er niet bij zouden komen. Een kwartier later lag hij
+gerust in slaap. Den volgenden morgen was Willem ook weer de eerste,
+die opstond en met luid gejuich zijn buit vertoonde; maar de oude
+Flink schudde daarover tegen verwachting verdrietig het hoofd.
+
+"Gij hebt zeer verkeerd gedaan, Willem," zeide hij, "met u buiten mijn
+weten aan een zoo groot gevaar bloot te stellen. Als gij besloten
+hadt uit visschen te gaan, waarom hebt ge mij daar dan niet iets
+van gezegd? Ik zou dan meegegaan zijn. Gij zegt zelf, dat de visch u
+bijna in 't water had getrokken. Verbeeld u nu eens, dat dat werkelijk
+gebeurd was; dan waart gij verloren geweest, want de rotsen zijn zoo
+hoog en steil, dat gij er niet uit hadt kunnen klauteren, voordat een
+haai u gepakt had. Stel u nu maar een oogenblik het verdriet voor,
+dat gij uw vader en allen, die u zoo liefhebben, veroorzaakt zoudt
+hebben. Verbeeld u de droefheid en de vertwijfeling uwer arme moeder,
+als ze dat bericht ontving en gij niet meer te vinden of te zien
+geweest waart."
+
+"Ik begrijp 't nu wel, ik deed heel verkeerd, Flink; maar ik wilde
+mijne goede moeder zoo graag eens verrassen."
+
+"Dat is reden genoeg voor ons om u uwe onbedachtzaamheid te vergeven;
+maar doe het toch niet weer. Geloof mij, ik ben altijd bereid en
+gewillig om overal met u mee te gaan. En nu geen woord meer van de
+zaak. Niemand moet vernemen, in welk gevaar ge verkeerd hebt, want
+nu is alles toch gelukkig voorbij. En gij zelf, mijn jongen, moet
+het een oud man ook niet kwalijk nemen, dat hij u eens een beetje
+hard beknort."
+
+"Neen, waarlijk, Flink, dat komt niet in mijn hart op, want ik weet
+immers, dat ik onberaden gehandeld heb; maar ik dacht volstrekt niet
+dat er eenig gevaar aan verbonden was."
+
+"Daar komt uwe moeder uit hare tent," zeide Flink. "Goeden morgen
+mevrouw! Wel gerust? Nu zult ge niet raden, wat Willem van nacht
+voor u gedaan heeft. Kijk hier, daar hangen twee bazen van visschen,
+waaraan wij heerlijk smullen zullen--dat verzeker ik u."
+
+"O, daar ben ik recht blij mee!" riep mevrouw Wilson. "Thomas, kom
+toch gauw eens hier! Hebt ge wel zin in gebakken visch?"
+
+"O, die lust ik zoo graag!" zei Thomas.
+
+"Kijk dan eens daar aan den tentstaak."
+
+Sinjeur Thomas klapte in den handen, danste als een dolleman in
+het rond en hield niet op te roepen: "We eten gebakken visch van
+middag,--Caroline, gebakken visch! Gebakken visch, zooveel we maar
+lusten."
+
+Na het ontbijt trokken allen naar het bosch, waar Flink de boomen
+gekapt had, en namen onderstel en raderen en een paar stevige touwen
+mede. De beide mannen velden de boomen en bonden ze aan de kar vast,
+die toen door Juno en Willem naar de plaats werd getrokken, waar het
+huis zou worden gebouwd.
+
+Niemand keek zuur, toen zij tot den maaltijd geroepen werden, want
+allen hadden een zwaar en vermoeiend werk gehad. Alleen Thomas had,
+behalve tot allerlei kattekwaad, geen hand of vinger uitgestoken,
+maar was toch aan tafel zoo gulzig, dat zijne moeder ten laatste zei:
+"Neen, jongenlief; men bindt een zak wel eens toe, al is hij nog
+niet vol. De kat zal nu met uw leege maag niet wegloopen, en ziek
+eten moogt ge u hier niet."
+
+In den nacht, die hierop volgde, stapten Flink en Willem, hoe doodmoe
+zij ook waren, naar het strand en vingen nog acht schildpadden. Het
+verdere gedeelte van de week gingen zij voort met het omkappen en
+vervoeren van kokosboomen, totdat zij eindelijk genoeg meenden te
+hebben, om met het bouwen van het nieuwe huis te beginnen. De Zondag
+werd weder in rust doorgebracht, 's Maandagsnachts vingen zij weder
+negen schildpadden en drie zware visschen en 's morgens daarop sloeg
+men de eerste hand aan het zetten van de nieuwe woning.
+
+
+
+
+
+
+
+NEGEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+HET NIEUWE HUIS.
+
+
+Flink had reeds in voorraad de benoodigde deurposten en vensterkozijnen
+saamgesteld uit het timmerhout, dat van het wrak in de bocht was
+aangespoeld. Nu heide hij dan vier palen, in elken hoek een, in den
+grond en maakte, met hulp van mijnheer Wilson, in elken kokosstam
+boven en beneden eene insnede voor eene tweeden en derden stam, die
+daarmede aan weerszijden overkruis kwam te liggen. De stammen werden
+dan om den ander op elkaar gelegd, zoodat zij goed vast sloten, en
+men had de reten nu nog slechts met kokosbladeren aan te vullen, die
+dicht opeengeperst tusschen de balken werden ingeschoven. Dit laatste
+werk werd aan Willem en Juno opgedragen, en zoo rees het nieuwe huis
+langzamerhand van den grond omhoog. De haard en de schoorsteen konden
+niet te gelijk met de muren worden opgebouwd, want daartoe had men of
+leem te vinden of schelpen tot kalk te branden, om ze daarmee en met
+steenen op te trekken; doch de plaats werd er voor opengelaten. Drie
+weken achtereen arbeidden zij op deze wijze duchtig door. Toen de vier
+muren eens stonden, begon men met het dak en de bekleeding daarvan,
+welke laatste door middel van kokosbladen geschiedde, die, in bossen
+gebonden, door Flink op de wijze van een rieten dak saamgevoegd en
+met stevige prikken aan de balken vastgemaakt werden. Tegen het einde
+der derde week was de woning in zooverre gereed, dat zij toereikende
+beschutting tegen het weder verleende. Dat werd nu ook werkelijk
+hoog tijd, want het weder was allengs anders geworden; er begonnen
+zich wolken saam te pakken en de regentijd nam een begin. Na eenige
+regenvlagen helderde de hemel nog eens weder op.
+
+"Nu hebben wij geen tijd meer te verliezen," zeide Flink tot mijnheer
+Wilson. "Wij hebben hard gewerkt, maar moeten nu een paar dagen nog
+harder werken. Het binnenste van ons huis dient klaargemaakt te worden,
+zoodat mevrouw er zoo spoedig mogelijk intrekken kan."
+
+De aarde binnen in het huis werd vastgestampt, zoodat men een
+behoorlijken vloer kreeg. Aan weerszijden langs de wanden van het
+gebouw liep eene rij van bedsteden, twee voet hoog boven den grond en
+met katoenen gordijnen, die men 's nachts neerlaten kon. Daarna deden
+Flink en Willem nog een laatste reisje naar de bocht, om tafels en
+stoelen te halen, en zij kwamen terug, juist voordat de eerste storm
+van het jaargetijde losbrak. Het beddegoed en al wat men meer noodig
+had, werd nu in het huis gebracht, en bij 't grootere zette men nog
+een ander huisje, waar men koken kon, totdat haard en schoorsteen
+gereed zouden zijn.
+
+Op een laten Zaterdagavond hield de familie eindelijk haar intocht in
+het nieuwe huis, en dat juist van pas, want het zou leelijk gegaan
+zijn, als het toen niet had kunnen gebeuren. 's Zondagsmorgens toch
+brak de eerste storm al los. De wind bulderde met geweld en een geluk
+was het voor onze vrienden, dat zij onder dak waren, want de windvlagen
+werden zoo geweldig, dat de kokosboomen zweepten, kraakten en de
+kruinen bogen, alsof zij dunne rietstaven waren. De bliksem kronkelde
+door de lucht, de eene donderslag volgde den anderen, terwijl het water
+in stroomen uit de lucht viel en een tweede zondvloed in aantocht
+scheen. Het vee liep van de weide af en zocht eene schuilplaats
+onder het dichte geboomte; de honden kropen onder de bedsteden,
+en ofschoon het pas middag was, werd het toch zoo donker, dat men,
+om iets te zien, de lichten moest aansteken. "Daar hebben we dus nu
+den regentijd, waarvan ge ons zooveel verteld hebt, Flink," zeide
+mevrouw Wilson. "Blijft dat weer lang zoo? Wat moeten we nu doen?"
+
+"Neen, mevrouw, zoo voortduren zal het niet. Tusschenbeide zal ook de
+zon schijnen, maar niet lang. Wij zullen dagelijks wel nu en dan eens
+uit kunnen gaan, maar 't kan ook vele dagen zonder ophouden regenen,
+en dan moeten we in huis arbeiden. Ik durf wel zeggen, dat het ons
+nooit aan werk zal ontbreken."
+
+"Wij mogen wel blij zijn, dat wij een dak hebben, waaronder wij ons
+hoofd veilig kunnen neerleggen. In de tenten zou het niet uit te
+houden geweest zijn."
+
+"Dat wist ik wel, mevrouw, en daarom juist had ik geen rust, voordat
+het huis gereed was."
+
+Hoe hevig de regen ook tegen de muren aansloeg, kon hij toch niet door
+het dak dringen. Flink en Willem gingen naar buiten, om de boot op eene
+plaats te brengen, waar zij niet door den storm kon beschadigd worden,
+en kwamen tot op het hemd toe nat terug. Zij moesten zich thans weer
+met koude spijzen behelpen, maar waren toch gelukkig. De storm woedde
+den ganschen nacht onafgebroken voort; doch zij sliepen gerust en
+droog, en toen zij tegen den morgen door het rollen van den donder
+en de kletterende regenvlagen gewekt werden, waren zij dankbaar, dat
+zij op dit woeste eiland zulk een veilige woonstede gevonden hadden.
+
+
+
+
+
+
+
+DERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+PLAN VOOR DE TOEKOMST.
+
+
+Toen zij den tweeden morgen opstonden, was de lucht echter weer
+opgeklaard en scheen de zon vriendelijk en helder. Flink en Juno
+waren de eersten buiten de deur,--Flink met zijn kijker onder den
+arm, dien hij alleen meenam, als hij des morgens zijn ronde deed,
+zooals hij dat noemde.
+
+"Wel, Juno," zeide Flink, "dat is een heerlijke morgen na al dat
+onweer."
+
+"Ja, massa Flink, heele mooie morgen, maar hoe ikke vuur aan krijg
+en maak water kook voor dat ontbijt? Warempel, ikke niet weet, want
+sprik en rijs alleboel klesnat."
+
+"Dat geloof ik wel, meid; maar voordat ik gisteren ging slapen,
+dekte ik de kolen met asch toe, lei daar eenige steenen op en toen nog
+een laag van takken en bladeren, zoodat ge, denk ik, nog wel wat vuur
+vinden zult. Ge ziet, Juno; we moeten ons behelpen. We kunnen niet alle
+dingen te gelijk doen; maar toekomende jaar, bij leven en welzijn,
+zullen we een goeden stapel brandhout, met een dak er over, tegen
+den regentijd gereed hebben, zoodat we niet weer verlegen staan. Ik
+wou mijn morgenronde gaan doen, maar wil nu nog wat blijven en u een
+handje helpen."
+
+"Als 't je blief, massa Flink; veel, ijselijke boel regen gevallen
+van nacht."
+
+"Ja, Juno, niet weinig. Ge moet ook niet denken, dat het water uit
+de wel van morgen heel helder zal wezen, 't Is zelfs wel mogelijk,
+dat ge van de bron in het geheel niets ziet.--Daar is toch nog wat
+hout, dat niet doornat is."
+
+"O, ikke al hebben vuur zatter," riep Juno, die de takken en steenen
+had weggeruimd en nu op hare knieën lag, om de kolen aan te blazen.
+
+"Nu zult ge u dus wel kunnen redden, Juno," zei Flink; "bovendien zal
+onze jongeheer Willem wel dadelijk hier zijn, zoodat ik kan opstappen."
+
+De oude man floot de honden, die vroolijk kwamen aanspringen, en begon
+toen zijne morgenwandeling. Hij begaf zich eerst naar de bron in de
+kloof, maar in plaats van de borrelende wel en het kristalheldere
+water, dat anders over de boorden der ton heenstroomde, vond hij een
+drabbige, slijkerige beek, die klotsend van de hoogte neerstortte en
+maakte, dat van de bron in het geheel niets te zien was.
+
+Flink waadde door den stroom, want hij wilde naar den schildpadvijver
+gaan zien, die nog verderop was gelegen. Hier was alles in orde, en nu
+plaste hij nog eenmaal door het water, dat den zandigen oever geheel
+overstroomd had, totdat hij aan de landtong kwam, waar zijne boot
+geborgen lag. Hij had haar te dien einde achter en voor met een stevig
+touw vastgebonden en een zwaren steen als anker daaraan gehangen.
+
+Van dit punt zag hij als gewoonlijk met zijn kijker uit,--niet omdat
+hij op de waarschijnlijkheid rekende, dat een schip tusschen deze
+eilanden en klippen verdwalen zou, maar toch, daar die mogelijkheid
+bestond, nam hij doorgaans deze moeite, ofschoon nooit als mijnheer
+Wilson bij hem was, daar hij wel bemerkte, dat deze daardoor bedroefd
+en somber gestemd werd. Als gewoonlijk nam hij ook ditmaal, na gedaan
+onderzoek, zijn kijker weer onder den arm en zuchtte: "Dat helpt
+immers toch niet."
+
+Daar de storm van land af had geblazen, bevond hij nu, dat de boot
+zoover was afgedreven, dat hij haar niet meer bereiken kon.
+
+"Dat is wat moois!" dacht hij. "Hoe kon ik zoo dom zijn van dat
+ding niet aan een touw vast te sjorren? Er naar toe zwemmen en een
+maaltijd voor Jantje Haai worden, wil ik ook niet. Maar wacht,--laat
+eens zien!" Met deze woorden haalde hij de lijnen en strengen, die tot
+de takelage van het scheepje behoorden en die hij ergens op een droge
+plek aan de kust geborgen had en knoopte ze aan elkander. Vervolgens
+bond hij een stuk hout van twee voet lengte ongeveer op 't midden aan
+de lijn vast. Dit zocht hij nu door middel van het touw in de boot
+te slingeren en na eenige vergeefsche pogingen gelukte hem dit. Het
+hout raakte onder tusschen de ribben van de boot vast en zoo werd
+het mogelijk, de boot behoedzaam aan land te trekken. Nadat hij het
+water had uitgeloosd, dat zij gedurende den storm had ingekregen,
+verliet hij het strand en ging een bezoek aan den tuin brengen.
+
+"Nu moet ik onze schapen en geiten nog opzoeken," zeide Flink, "en
+dan is mijne morgenwandeling gedaan.--Kom, Romulus! Kom Remus! Waar
+zijt gij, jongens?"
+
+De honden schenen te merken wat hij wilde en liepen al snuffelend
+vooruit. Spoedig hadden zij de schapen en twee der geiten dan ook
+opgespoord; maar de derde was nergens te zien.
+
+"Wel, waar kan onze zwarte Nanni dan toch zitten?" mompelde de oude
+man, die onderwijl een poosje had uitgerust. Eindelijk hoorde hij
+onder het dichte kreupelhout een geblaat, waarop hij dadelijk afging,
+terwijl de honden hem volgden.
+
+"Dat dacht ik al half," riep hij, toen hij Nanni met twee pas geboren
+jongen bij haar onder de struiken vond liggen. "Komt, kleine beestjes,
+we moeten een betere plaats voor u vinden," zeide hij en nam op
+iederen arm een. "Koest, Romulus, koest dan!" dreigde hij den hond,
+die naar de diertjes opsprong. "Wat zijn dat voor kuren? Koest!--Ha
+ha, daar ligt ge al en hebt nu uw verdiend loon."
+
+En zoo was het ook; want Nanni, die niet dulden wou, dat de hond hare
+jongen te na kwam, was op hem toegesprongen en had hem zoo gestooten,
+dat hij hals over kop op den grond buitelde.
+
+Met de geitjes op den arm wandelde Flink nu naar huis terug en werd
+door de moeder op den voet gevolgd. Hij vond mijnheer en mevrouw Wilson
+en al de kinderen reeds aangekleed. Caroline en Thomas juichten van
+blijdschap, toen zij de jonge geitjes zagen, en zelfs de kleine Albert
+kraaide het uit. Zoodra Flink ze op den grond legde, hadden ook Thomas
+en Caroline al spoedig een van de aardige diertjes op den arm.
+
+"Ik heb een aanwas voor de familie meegebracht, mevrouw," zeide Flink,
+"en moet u wel verzoeken, de kleintjes in huis te dulden, totdat ik
+eene andere geschikter plaats voor hen vinden kan. Dat is echter maar
+een begin; ik verwacht, dat wij spoedig meer zullen hebben."
+
+Zoodra men de kleinen bewegen kon, de geitjes over te geven, werd
+Nanni in een hok vastgebonden, waar ze zeer tevreden scheen en hare
+kleinen zoogde en likte. Juno en Willem brachten het ontbijt binnen,
+en na den afloop daarvan zeide mijnheer Wilson:
+
+"Nu Flink, dienden we wel eens raad te houden, om aan ieder van
+ons zijne bijzondere werkzaamheden en verrichtingen gedurende den
+regentijd aan te wijzen. Wij hebben zeer veel te doen en kunnen geen
+leegloopers zijn."
+
+"Ja mijnheer, wij hebben zeer veel te doen, en om met alles klaar
+te komen, moeten wij met orde en naar een geregeld plan te werk
+gaan. Ik ben al oud genoeg om te weten, hoeveel tijd men door een
+regelmatige verdeeling zijner uren winnen kan. Zoo, bij voorbeeld,
+wordt op een goed bestuurd oorlogsschip veel meer gedaan, dan men
+op een koopvaardijschip in dubbel zooveel tijd uitvoert. En hoe dat
+zoo? Omdat ieder ding op zijne plaats en er eene bijzondere plaats
+voor ieder ding is. Heeft men dus iets noodig, dan behoeft men zijn
+tijd althans niet met zoeken te verliezen, daar ieder weet, waar hij
+het zijne halen moet. Bovendien weet ieder ook wat hij te doen heeft
+en dus kan er nooit verwarring ontstaan."
+
+"Ik ben 't volkomen met u eens, Flink," viel mevrouw Wilson hem in
+de rede; "orde is de hoofdzaak. Terwijl een slordig meisje nog naar
+haar vingerhoed zoekt, heeft een ander, dat beter op hare zaken past,
+haar werk al lang af; en ik beloof u, zoodra de bergplanken en kastjes
+klaar zijn, zal ik zorgen, dat hier binnenshuis ieder ding op zijne
+plaats, en dat ook eene bijzondere plaats voor elk ding zal wezen."
+
+"Ik vraag verschooning, mevrouw, als ik te veel praat; maar ik kan u
+verzekeren, dat ik nooit zou geweten hebben, hoeveel men met orde en
+stiptheid kan uitrichten, als ik niet aan boord van een oorlogsschip
+gediend had. Ik had al een langen tijd op koopvaardijschepen gevaren,
+waar altijd, zelfs als er niets te doen is, drukte en verwarring
+heerscht; maar hier vond ik, dat alles in stilte en geregeld werd
+afgedaan. Nooit had iemand een woord te spreken, dan alleen de
+officier, die juist den dienst had. Ieder man was op zijn post; ieder
+had een touw op te hijschen of er een te vieren. De bootsman floot,
+en in een ommezien was ieder zeil bijgezet of gereefd, al naar dat het
+gebeuren moest. In 't begin scheen mij dat wel hekserij toe. En gij
+zult begrijpen, mijnheer Wilson, dat bij zooveel orde en tucht ieder
+man in 't bijzonder van groot gewicht is, want de minste nalatigheid,
+waaraan één zich schuldig maakt, hindert ook dadelijk al de overigen
+in hun werk en doet alles verkeerd gaan. Daarbij kan de schuldige ook
+altijd verzekerd wezen, dat hij de verdiende straf niet ontgaat. Al
+had ik aan boord van dat oorlogsschip ook niet anders geleerd dan
+mijn tijd en mijne krachten op de beste wijze te gebruiken, dan had
+ik daarbij voor mijn volgend leven al genoeg gewonnen."
+
+"Gij hebt volkomen gelijk, Flink, en gij moet ons nu leeren, evenzoo
+te arbeiden," antwoordde mijnheer Wilson.
+
+"Wij hebben zooveel te doen, dat ik haast niet weet, waar te
+beginnen. Wij moeten werken, zoo goed en zooveel wij kunnen, totdat
+wij de dingen een weinig beter in orde hebben gebracht. Tot hiertoe
+hebben wij allen braaf ons best gedaan."
+
+"Wat denkt gij, dat wij het eerst doen moeten, Flink?"
+
+"Wel, mijnheer, ons eerste werk dient te zijn, dat wij de boot wat
+hooger ophalen en zorgen, dat ze geen schade lijdt. Ik reken het
+vooreerst toch niet veilig naar de andere zij van het eiland te gaan,
+daar er op den duur te veel branding staat en 't weer ook te onzeker
+is, om er voor een uur op te rekenen. Zoo zal het best zijn, dat wij
+de boot half in 't zand begraven en ze dan daarmee geheel overdekken.
+
+"Dat komt mij zeer goed voor. En wat volgt dan?"
+
+"Ja, ziet gij, de tenten mogen wij ook niet laten staan. We moeten
+ze opbreken en ze, als ze goed droog zijn, op eene geschikte plaats
+bewaren, daar ze in het vervolg nog goed te pas kunnen komen.--Dan,
+mijnheer, moeten we een ruim pakhuis voor levensmiddelen en verderen
+voorraad bouwen, met een rieten dak en met den vloer zoo wat vier voet
+boven den grond, zoodat onze schapen en geiten daaronder bij boos weer
+eene schuilplaats kunnen vinden. Daarmee kunnen wij schielijk klaar
+komen; wij hebben slechts drie kanten dicht te maken, en dat kost met
+kokosbladeren zooveel moeite niet. Later, mijnheer, valt er nog een
+vischvijver aan te leggen en eene zoutpan in de rotsen uit te houwen;
+doch dat doen wij eerst, als er geen dringender werk meer is.--Daarna
+komen nog twee gewichtige dingen. Vooreerst moeten wij al, wat wij nog
+aan de overzijde hebben, nazien, schriften en terechtleggen, zoodat
+wij het terstond na den regentijd hierheen kunnen halen. Het tweede
+is, dat wij een ontdekkingsreisje door het gansche eiland doen en
+onderzoeken, wat het al zoo voortbrengt; want tot hiertoe, mijnheer,
+weten wij daar nog bitter weinig van. Wij kunnen misschien nog veel
+vinden, dat ons van nut kan zijn; b. v. boomen en vruchten, en ik hoop
+ook wat meer gras en voeder voor ons vee, want gij begrijpt licht,
+mijnheer, als dit zoo vermeerderen zal, dat we er wezenlijk nut van
+trekken, zullen wij hier geen voedsel genoeg voor de dieren hebben."
+
+"Al wat gij daar zegt, is volkomen waar, Flink," antwoordde mijnheer
+Wilson. "En hoe zullen wij thans onze krachten verdeelen?"
+
+"Voorshands, mijnheer, zullen wij aan geen verdeeling denken. Juno
+heeft met mevrouw binnenshuis volop te doen. Onze Willem, gij en ik
+zullen eerst de boot in zekerheid brengen en de tenten en wat er nog
+zoo meer is, wegbergen. Dan beginnen wij met het pakhuis en haasten
+ons daarmee, zooveel wij kunnen. Heeft Juno soms eens wat tijd over,
+dan moet ze kokosbladeren opzamelen tot brand voor den haard. De kleine
+Thomas zal wel met haar meegaan en haar wijzen, hoe ze doen moet."
+
+"Ja, ja, dat zal ik haar wel wijzen," zei Thomas en zette eene
+hooge borst.
+
+"Nu aanstonds nog niet, jongeheer," hernam Flink; "eerst als moeder
+u en Juno missen kan, dan moet gij het haar wijzen.--Kom, mijnheer,"
+vervolgde hij, "wij mogen thans de paar uren goed weer niet verzuimen,
+want voordat de dag ten einde is, krijgen wij zeker nog veel meer
+regen. Als ge 't goed vindt, zal ik even de schoppen halen en maar
+naar de boot vooruitgaan, waar ik u wacht. Gij en Willem kunt eenige
+touwen meenemen, een stevigen bos kokostakken bij elkander binden,
+dien op de kar laden en daarmee dan naar het strand komen."
+
+"We zullen u niet laten wachten, Flink," antwoordde mijnheer
+Wilson.--"Kom, Willem, kom!"
+
+
+
+
+
+
+
+EEN-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+FLINK VERHAALT ZIJNE LEVENSGESCHIEDENIS.
+
+
+Daar men tot het bouwen van het huis zooveel kokosboomen geveld had,
+lagen er nog takken in overvloed in het rond verstrooid, en vader en
+zoon hadden er spoedig genoeg bij elkaar.
+
+Aan het strand gekomen, vonden zij dat Flink de boot reeds op het
+droge gehaald en er ook de rollen reeds ondergeschoven had, om ze
+later van de plaats te brengen. Met weinig moeite werd zij een el
+of tien hooger op het strand getrokken, totdat Flink verzekerde,
+dat de afstand volkomen toereikend was. Toen groeven zij met hunne
+schoppen zoo diep, dat het kleine vaartuig halverwege in het zand
+wegzonk. Daarop wierpen zij de uitgegraven aarde daarin, totdat de
+boot geheel vol was, bedekten die toen zorgvuldig met de meegebrachte
+takken en bezwaarden ook deze weder met zand, zoodat zij niet door
+den wind konden worden weggeblazen.
+
+"Ik begrijp eigenlijk niet, waarom gij de boot zoo toedekt, Flink,"
+merkte Willem aan. "De regen zou haar immers geen kwaad doen."
+
+"Neen, de regen zou er weinig aan bederven, jonge vriend; maar wel de
+zon, als zij van tijd tot tijd eens weer voor den dag mocht komen. De
+zon heeft verbazend veel kracht en kon door haar gloed mijn arme boot
+licht geheel in stukken doen springen."
+
+"O ja, daaraan had ik zoo gauw niet gedacht," antwoordde Willem. "Wat
+dient er nu bij de hand gevat, Flink?"
+
+"Wel, daar we nog twee uren vóór etenstijd hebben, zoudt gij de
+vischlijnen nog wel eens kunnen gaan halen, en dan zullen wij zien
+wat het geeft."
+
+"Maar wij kunnen toch niet alle drie met twee lijnen visschen?" zeide
+mijnheer Wilson.
+
+"Neen, mijnheer; maar daar uw zoon er al zeer handig mee is, moest
+gij, dunkt mij, hier bij hem blijven, terwijl ik Juno nog wat hout en
+prikken help inzamelen. De goede meid was dezen morgen doodverlegen,
+toen dit nog zoo nat was; maar is het eens opgestapeld, dan zal
+het spoedig drogen. Wees toch vooral voorzichtig, mijnheer Wilson,
+en houd de lijnen niet al te stijf vast, daar ge anders gevaar loopt
+zelf in 't water te worden getrokken. Ik heb onzen Willem vroeger al
+gewaarschuwd; maar 't zal toch goed zijn, dat ge een wakend oog op
+hem houdt, want hij is jong en wat driftig."
+
+Daar de oude man Willem met de lijnen juist tegenkwam, herinnerde
+hij hem nog eens met een paar woorden het gevaar, dat hij de laatste
+maal bij het visschen geloopen had, en ging toen zelf aan het werk,
+dat hij zich nog had voorgenomen te doen.
+
+Vader en zoon waren in hunne vangst zeer gelukkig. Voordat de twee uren
+om waren, hadden zij acht groote visschen gevangen, die zij aan den
+bootshaak hingen en zoo in triomf naar huis droegen. Sinjeur Thomas
+juichte overluid, toen hij den voorraad zag en wilde dat men terstond
+aan 't koken en bakken zou gaan. Daar de vangst zoo overvloedig was,
+besloot men dan ook werkelijk het eten uit te stellen, totdat een
+gedeelte van de visch was toebereid. Dit was een uitstel, waarover
+zich niemand rouwig betoonde, daar zij anders niets dan pekelvleesch
+tot middagkost gehad zouden hebben.
+
+Men had zich nauwelijks aan tafel gezet, of de regen kletterde op het
+dak neer en binnen een kwartier was de orkaan weer even geweldig en
+waren donder en bliksem even vreeselijk als den dag te voren. Al het
+werk buitendeurs was dus opeens weer gedaan. Mevrouw Wilson, Juno en
+Caroline namen haar naaiwerk, want er viel in overvloed te lappen en
+te stoppen, en Flink vond bezigheid voor de rest. Willem en zijn vader
+kregen een dik touw te pluizen, waarvan Flink dunner en bruikbaarder
+draden maken wilde. De oude man zelf vatte zijne naaipriemen op
+en boorde gaten in de venstergordijnen (die maar inderhaast waren
+opgehangen), zoodat men ze nu naar welgevallen open en dicht kon
+trekken. Ook Thomas kreeg een verward kluwen garen uiteen te haspelen,
+wat hij, het leegzitten in het eind toch moe, ook heel geduldig deed.
+
+Zoodra Flink de gordijnen in orde had, haalde hij een dik pak van
+onder de bedstede voor den dag en maakte dat open.
+
+"Ik wil mevrouws slaapplaats nu wat opschikken," zei de goede man;
+"die dient toch wel wat mooier te wezen dan die van de anderen."
+
+Het pak bestond uit de geredde scheepsvlag, die rood van kleur was, en
+uit nog eene andere vierkante gele vlag, waarop de naam van het schip,
+"De Vrede," in groote zwarte letters te lezen stond. Deze beide hing
+Flink in sierlijke kronkels voor de bedstede op, zoodat het eene heel
+aardige vertooning maakte en tevens de ruwe wanden van de hut geheel
+aan het oog onttrok.
+
+"Waarlijk, vriend, ge maakt me bijna beschaamd," zei mevrouw Wilson,
+toen hij gedaan had. "Het is bijna al te mooi voor deze plaats."
+
+"'t Is toch het beste gebruik, dat we er hier van maken konden,"
+zei Flink.
+
+"Och ja, dat vrees ik ook," merkte mijnheer Wilson zuchtend aan.
+
+"Flink," zei Willem, toen het licht op was, "gij beloofdet mij eens
+half en half, dat ge mij uwe geschiedenis zoudt vertellen; ik wou wel,
+dat ge er ons nu iets van hooren liet, om ons zoodoende den avond
+te korten."
+
+"Welnu, vriend Willem, ik heb het beloofd en ik zal woord houden. Na
+'t hooren van mijne historie zult ge zeggen, dat ik in mijn tijd heel
+dwaas en onverstandig gedaan heb; maar dat zal eene waarschuwing voor
+u wezen en kan in allen gevalle van eenig nut zijn."
+
+"We zullen u met groot genoegen aanhooren," verzekerde de moeder.
+
+"Komaan, mevrouw, als gij dan maar luisteren wilt." Met deze woorden
+begon Flink zijne historie, gelijk hier volgt.
+
+
+
+
+GESCHIEDENIS VAN DEN OUDEN FLINK.
+
+"Natuurlijk zult ge eerst verlangen te weten, wie mijne ouders
+waren. Nu, dat is gauw verteld. Mijn vader was kapitein van een kof,
+die van Londen op Hamburg voer; en mijne arme moeder, God zegene
+haar! was de dochter van een gepensionneerd luitenant te land, die een
+paar maanden na haar trouwen al kwam te sterven. Het weinige, dat de
+oude heer haar naliet, kwam bij hetgeen mijn vader al in de kof had,
+zoodat hem daar een derde van toekwam; de beide andere parten behoorden
+aan een rijken scheepsbouwmeester en reeder, met name Masterman. Met
+de profijten van zijn aandeel in het schip en het geld, dat hij als
+kapitein verdiende, kon mijn vader het tamelijk goed stellen. Mijnheer
+Masterman, die veel met mijn vader ophad en door vaders overleg en
+goed oppassen vrij wat geld verdiende, was er bij, toen vader trouwde;
+en na mijn geboorte, zoo wat een jaar daarna, stond hij als peet over
+mij. Iedereen begreep, dat dit een goed ding voor mij was, en men
+wenschte er vader en moeder geluk mee, want de oude heer Masterman
+was ongetrouwd en al bij de zestig jaren en had kind noch kraai in
+de wereld. De menschen wilden wel zeggen, dat hij wat heel sterk op
+geld gesteld was; maar dat was er, zeiden ze, niet minder om voor mij,
+want hij kon zijn geld toch onmogelijk in het graf meenemen.
+
+"Gij zult zien, wat er op die gedachten van de menschen valt staat
+te maken, Willem; want een jaar na mijne geboorte verloor mijn vader
+zijn leven op zee, bij eene schipbreuk voor Texel, waar zijn schip
+met man en muis verging, en mijne moeder bleef weduwe met een kind pas
+van de borst, en ze was maar twee-en-twintig jaren oud, de arme vrouw.
+
+"Daar 't schip voor twee derden van de waarde was verzekerd geweest
+dacht men, dat mijne moeder nog genoeg zou krijgen, om van te leven:
+maar tot ieders verwondering kwam mijnheer Masterman op en zocht
+te bewijzen, dat alleen zijne twee derde aandeelen in het vaartuig
+verzekerd waren geweest."
+
+"Maar wat is dat, verzekering?" vroeg Willem.
+
+"Dat zal ik u zeggen, mijn beste jongen," antwoordde zijn
+vader. "Verzekering of assurantie is, als men aan menschen, die men
+assuradeurs noemt, eene zekere som betaalt, waarover zij dan, als
+'t gebeuren mocht dat een schip of de lading verging of schade leed,
+aan de eigenaars van schip en lading de waarde vergoeden moeten. Men
+betaalt al naar gelang van 't gevaar, dat men te vreezen heeft. In
+oorlogstijden b. v. betaalt men tien percent,--dat is, tien gulden
+voor iedere honderd, die men verzekert. Vooronderstel nu eens, dat
+ge tienduizend gulden op een schip en lading verzekeren wilt en men
+daarvoor tien percent verlangt, dan hebt ge duizend gulden aan de
+assuradeurs te betalen, waartegen dezen u, in geval het schip verloren
+gaat, de gansche som, die ge verzekerd hebt en dus tienduizend gulden
+zullen moeten vergoeden. Hebt ge het nu gevat, Willem?"
+
+"O ja, heel goed, vader. Evenwel begrijp ik nog niet, hoe een
+verzekeraar daarmee geld kan verdienen, want in oorlogstijd worden
+veel schepen in den grond geschoten en gekaapt, en dan heeft hij
+immers zulke groote sommen te betalen!"
+
+"Ge moet bedenken, Willem, dat voor een enkel schip, dat verloren
+gaat, misschien vijftig of meer behouden binnenkomen, en daar de
+verzekeraars voor die alle toch betaald worden, doen zij meestal
+goede zaken; want dat doen zij zeker, daar er anders niet zooveel
+verzekeraars en assurantie-maatschappijen bestaan zouden.--
+
+"Neem mij niet kwalijk, Flink, dat ik u daar zoo in de rede ben
+gevallen."
+
+"O volstrekt niet, mijnheer; men moet geen gelegenheid verzuimen,
+om jongelieden onderricht te geven en ik moet zeggen, dat ge hier
+nu ook de ouden wijzer gemaakt hebt, daar de zaak mij nog nooit zoo
+duidelijk geweest is, als op dit oogenblik. Maar om voort te gaan:
+of mijnheer Masterman 't recht op zijne zijde had of niet, kon op dat
+oogenblik geen mensch zeggen; doch dit weet ik, dat de heele wereld
+er schande over riep. Het gevolg was, dat mijne moeder weinig of niets
+meer van haar weinigje goed overhield, maar ze vond gelukkig vrienden,
+en wist er zich, met wat ze door naaien en borduren verdiende, gelukkig
+door te slaan, tot ik mijn achtste of negende jaar bereikt had."
+
+"Maar uwe peet, mijnheer Masterman, kwam die dan uwe moeder niet te
+hulp?" vroeg mijnheer Wilson.
+
+"Neen, mijnheer. Het klinkt vreemd, maar dat deed hij niet; en dit
+maakte, dat hij nog meer over de tong ging. Ik denk, dat het juist
+deze beschuldigingen waren, waarvan hij zelf toch ook wel iets hooren
+moest en welke hij waarschijnlijk aan mijne moeder toeschreef, die hem
+afkeerig van ons maakten. Misschien was het ook zijn geweten; want
+men zal altijd zien, dat wij degenen haten die wij benadeeld hebben
+en verstoord op hen zijn, inplaats van het op onszelven te wezen."
+
+"Ongelukkig is er veel waars in uwe opmerking," sprak mijnheer Wilson;
+"maar toch was het hoogst vreemd, dat hij zoo iets deed."
+
+"Dat was het werkelijk, mijnheer,--althans zoo dacht men er toen
+ter tijd algemeen over, doch hij was zeer aan 't geld gehecht en
+verbitterd over geruchten, die van hem in omloop waren.--Maar ik zal
+verder vertellen.
+
+"Ik was een sterke, vlugge, levendige knaap. Zoo dikwijls ik mijne
+moeder of de school ontloopen kon, vond men mij vast aan den waterkant
+of aan boord van een schip, want alles, wat de zeevaart aanging, was
+mijn hoogste lust. In den zomertijd was ik den halven dag in het water
+en zoo werd ik een goed zwemmer. Mijne moeder bemerkte mijn lust in
+het varen en deed alles, om mij daarvan terug te brengen. Zij vertelde
+mij van de moeiten en gevaren, waaraan een zeeman is blootgesteld,
+en eindigde altijd met mijns vaders dood en met een vloed van tranen.
+
+"Indien mijne moeder zich niet zoo tegen mijn naarzeegaan verzet had,
+geloof ik wezenlijk, dat ik aan wal gebleven zou zijn. Als kind
+was ik echter trotsch en hardnekkig van aard. Ik moet dat zeker
+van mijn vader gehad hebben, want mijne arme moeder, ach! die was
+de zachtzinnigheid zelve. Ik kon niet velen, dat een andere jongen
+deed wat ik niet doen kon; en om dingen te verrichten, die geen
+ander wagen dorst, volvoerde ik soms zulke halsbrekende kunsten,
+dat het, naar aller zeggen, wonder boven wonder was, dat ik er niet
+honderdmaal mijn leven bij inschoot. Mijne moeder hoorde gedurig
+van gevaren, waarin ik verkeerd had, en was dan buiten zichzelve van
+zorg en angst. In den beginne beknorde zij mij telkens en smeekte mij
+toch niet zoo'n waaghals te zijn; maar later ging ze doorgaans naar
+haar kamertje en schreide daar in stilte, want ik was haar eenige
+troost, hare laatste hoop en alles wat zij nog op aarde had. Ik heb
+later dikwijls zelf niet kunnen begrijpen, hoe ik in dien tijd zoo
+ongevoelig en hardnekkig kon zijn. Ik was te jong om te bedenken,
+welke kwelling ik haar aandeed en hoe de gedurige bezorgdheid over mij
+aan haar leven knaagde. Kinderen voelen dat zoo niet. Deden zij dat,
+ze zouden anders handelen, want onze harten zijn op dien leeftijd
+nog niet verhard, maar worden dat eerst later."
+
+"Gij hebt wel gelijk, Flink," merkte mijnheer Wilson aan. "Als kinderen
+werkelijk wisten, hoeveel hunne ouders door hunne verkeerdheden te
+lijden hebben, hoezeer ieder bewijs van boosheid hen verontrust,--zij
+zouden waarlijk beter zijn."
+
+"Wij zien het doorgaans eerst in, als het te laat is," ging Flink
+voort. Ik was ruim negen jaren oud, toen eens op een dag, dat er vrij
+wat wind woei en het water hol stond, een kabel, waarmede een schip aan
+het hoofd vastzat, met een geweldigen slag sprong. Het losgescheurde
+eind trof een man, die dicht aan den waterkant gestaan had en slingerde
+hem met geweld in het water. Ik hoorde hem schreeuwen en zag, hoe de
+menschen op het hoofd en van de schepen hem touwen toewierpen; maar
+hij kon die niet grijpen, daar hij weinig van 't zwemmen verstond en
+de zee hol ging. Daar pakte ik een touw, dat juist werd opgetrokken
+en sprong hals over kop van het hoofd in 't water.
+
+"Hoe jong ook, kon ik zwemmen als een eend en 't gelukte mij, hem het
+touw in handen te geven op het oogenblik, dat hij op punt was van te
+zinken. Hij klemde zich daar met alle macht aan vast en werd zoo tot
+aan de palen voortgetrokken; een poosje later kwam er ook eene boot,
+die men inderhaast te water had gebracht en nam ons beiden behouden
+op. Wij werden naar eene herberg gebracht en kropen te bed, totdat
+men droge kleeren voor ons gehaald had. Toen eerst ontdekte ik, dat
+de drenkeling, dien ik gered had, mijn peet, mijnheer Masterman was.
+
+"Iedereen roemde mij zeer, en waarlijk ofschoon ik dat misschien
+zelfs niet zoo zeggen moest, het was ook een stout stuk geweest voor
+een jongen van mijne jaren. De matrozen droegen mij als in triomf
+naar moeders huis terug. Toen de goede vrouw hoorde wat ik gedaan
+had, drukte zij mij vast in hare armen en dan weende zij ook bitter,
+als ze aan het gevaar dacht, dat ik had doorgestaan, en zich daarbij
+voorstelde, dat mijne stoutmoedigheid mij licht in nog veel grooter
+gevaar brengen kon."
+
+"Maar zij beknorde u ditmaal toch niet om hetgeen gij gedaan had?"
+
+"O neen, Willem; zij gevoelde, dat ik mijn plicht jegens mijn
+medemensch vervuld had: misschien ook, dat ik in dit geval het kwade
+met eene goede daad had vergolden; maar van dit laatste zei ze toch
+geen woord. Den volgenden dag kwam mijnheer Masterman ons een bezoek
+brengen. Hij keek heel beschaamd en verlegen, toen hij naar zijn
+petekind vroeg, dat hij zoolang vergeten had. Mijne moeder, die wel
+begreep hoe nuttig hij worden kon, ontving hem heel vriendelijk,
+maar ik had reeds te dikwijls van zijne verwaarloozing van mij en
+mijne moeder en van zijn naar alle waarschijnlijkheid afschuwelijk
+gedrag jegens mijn vader hooren spreken en had daardoor een hevigen
+weerzin tegen hem opgevat. Zoo kwam het, dat ik zijn vriendelijkheid
+heel koeltjes opnam. Ik was wel blij, dat ik hem het leven had gered;
+maar ofschoon mijn gevoel mij destijds nog niet recht duidelijk was,
+moet ik toch met schaamte bekennen, dat mijne blijdschap niet uit
+de bewustheid voortkwam van eene goede daad verricht te hebben, doch
+veeleer uit zekere bevredigde wraak, daar ik nu een man, die mij eens
+zoo slecht behandelde, tot dankbaarheid jegens mij verplicht had. Dat
+kwam voort uit mijn trotschen geest, dien mijne moeder niet buigen
+kon. Ge ziet, jongeheer Willem; er stak weinig verdienste in wat ik
+gedaan had, daar ik na 't verrichten der daad aan een gevoel toegaf,
+dat ik had moeten onderdrukken."
+
+"Mij dunkt, ik zou in uw geval evenzoo gedacht hebben als gij, Flink,"
+gaf Willem ten antwoord.
+
+"Kwaad met goed te vergelden is de groote plicht van een
+Christenmensch, en had ik mijnheer Masterman gered met de zekerheid
+dat hij het was, dan zou dat prijzenswaardig geweest zijn; maar nu
+kende ik hem niet, toen ik hem redde, en het bleef nog altijd de
+vraag, of ik, als ik geweten had wie daar in het water omspartelde,
+mijn leven dan wel voor hem zou hebben gewaagd. Of, als ik het toch
+gedaan had, zou dat dan niet misschien met hetzelfde gevoel geschied
+zijn, dat mij nu nog vervulde, nadat ik hem werkelijk gered had,--het
+gevoel, dat ik mij voor zijn gedrag jegens mij op hem wreken wilde;
+want er bestaat wel geen grooter wraak dan deze, dat men zijn vijand
+tot dankbaarheid verplicht."
+
+"Gij beoordeelt uzelven zeer streng, brave Flink," zeide mijnheer
+Wilson, "en mij dunkt bijna, dat gij uzelven onrecht aandoet."
+
+"Toch niet, mijnheer," hernam de oude man. "Mijn eerste gevoel, dat
+dat mij tot handelen aanspoorde, was goed; maar dat, waaraan ik later
+toegaf, nam al de verdienste van mijne daad weder weg. Ik zeg juist
+wat ik denk dat waarheid is, en een oud man kan zonder partijdigheid,
+maar niet zonder berouw, op het verleden terugzien.--Doch ik wil nu
+voortgaan met mijne geschiedenis.
+
+"Mijnheer Masterman's bezoek duurde niet heel lang. Hij zeide mijne
+moeder, dat hij voortaan zorg voor mij zou dragen en mij, zoodra ik
+oud genoeg was om de school te verlaten bij eene scheepstimmerman in
+de leer zou doen. Tot daartoe bood hij aan, al de kosten van mijne
+opvoeding op zich te nemen. Mijne arme moeder was zeer dankbaar en
+schreide vreugdetranen. Toen mijnheer Masterman weg was, omarmde ze
+mij en zeide mij, dat ze zich nu eerst gelukkig gevoelde, dat ik
+eene kostwinning te land krijgen en niet op zee gaan zou. Om mijn
+peet recht te doen wedervaren, moet ik zeggen, dat hij trouw zijn
+woord hield. Hij zond mijne moeder geld, zoodat ze het beter stellen
+en meer genot van haar leven hebben kon. Iedereen wenschte haar ook
+geluk en ze kuste mij en plachte altijd te zeggen, ze dat alles aan
+mij alleen had te danken."
+
+"Ach, Flink, wat moet dat u gelukkig gemaakt hebben!" riep Willem,
+vol hartelijkheid.
+
+"Ja, jongeheer, dat deed het, maar het maakte mij ook heel trotsch. Het
+is vreemd maar toch waar; ik kon mijn afkeer van mijnheer Masterman
+niet overwinnen; ik had dien te lang in mijn hart omgedragen. Ik
+kon nauwelijks verdragen, dat mijne moeder verplichting aan hem had,
+of dat hij het schoolgeld voor mij betalen zou. Hoe jong ik ook was,
+krenkte die gedachte mijne trotschheid toch al te zeer, en al was mijne
+moeder ook nog zoo gelukkig, ik was dat niet. Daar ik bovendien op een
+betere school gebracht was en men mij dwong, bij de andere jongens
+te blijven, kon ik niet meer, zooals te voren, aan den havenkant
+omzwerven en op de schepen gaan, zoodat ik van mijn liefste genot was
+beroofd. Destijds zag ik niet in, zooals tegenwoordig, dat dit alles
+tot mijn eigen best was. Het verbitterde mij veeleer, en ik gevoelde
+mij ongelukkig, enkel omdat ik gedwongen was, mijn aandacht op de
+lessen te richten en men mij niet langer mijn eigen weg liet gaan.
+
+"De meester klaagde over mij; mijnheer Masterman liet mij roepen en
+haalde mij terdeeg door. Dit maakte mij nog koppiger, en zoo werd ik,
+op mijnheer Masterman's verlangen, gevoelig gekastijd. Deze behandeling
+maakte mij zoo weerspannig, dat ik besloot weg te loopen en op zee
+te gaan.
+
+"Gij ziet, Willem, dat ik in dit alles ongelijk had; en dat hebben
+alle knapen, die zoo eigenzinnig zijn, als ik te voren was, en alles
+beter meenen te weten dan zij, die voor hen zorgen willen. Nu, stel
+u eens voor beste jongen, wat door mijn dwaas gedrag waarschijnlijk
+voor mij verloren ging. Ik zeg waarschijnlijk, want niemand kan
+vooruit zien en zeggen wat de toekomst zal aanbrengen. Naar allen
+schijn echter had ik groot vooruitzicht om eene goede opvoeding te
+ontvangen,--om later mijnheer Masterman in zijne zaken op te volgen
+en, hoogst waarschijnlijk, ook zijn groot vermogen te erven, zoodat
+ik mettertijd een gezeten man zou geworden zijn. Misschien had ik eene
+goede vrouw gevonden, had kinderen gekregen om mijn geluk nog grooter
+te maken,--en in plaats van dat alles ben ik nu een arm, oud, afgeleefd
+zeeman op een eenzaam verlaten eiland. Ik maak u daar opmerkzaam op,
+Willem, om u te toonen, hoe een enkele onberaden stap in de jeugd al
+onze vooruitzichten voor de toekomst kan verijdelen, zoodat we, in
+plaats van met gunstig tij te varen, ons leven lang tegen den stroom
+der tegenspoeden hebben op te worstelen. Dit was bij mij het geval,
+zooals ge uit het vervolg van mijn verhaal zien zult."
+
+"Dat is inderdaad een goede les, Flink," zeide de vader.
+
+"Ja, wel eene goede les, mijnheer, en zoo heb ik ook niet over mijn
+lot te klagen, ofschoon mij ook de dwalingen berouwen, die mij zoover
+gebracht hebben. Ik ben niet ontevreden met mijn lot, want dat zou
+zonde wezen."
+
+"Uw ongeluk is voor ons allen een onschatbare weldaad geworden," zeide
+mevrouw Wilson tot den ouden man; "want waart gij niet op zee gegaan,
+waart gij niet aan boord geweest,--wat zou er van ons geworden zijn,
+nadat al de anderen ons verlaten hadden?"
+
+"Nu ja, mevrouw, het is altijd nog een troost, te mogen denken dat
+zoo'n oud, afgeleefd matroos als ik toch ergens nog nuttig toe is
+geweest.--Maar nu, mevrouw, is het de tijd, dat we doorgaans naar bed
+gaan, en daarom, dunkt mij, zal 't het best zijn, dat ik voor heden
+afbreek en morgenavond met mijne historie voortga."
+
+
+
+
+
+
+
+TWEE-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+VERVOLG VAN FLINKS GESCHIEDENIS.
+
+
+Het blaten der geiten maakte hen den anderen morgen vroeger dan
+gewoonlijk wakker. De lucht was zeer opgeklaard, de zon scheen helder
+en Flink liet Nanny en haar jongen vrij loopen.
+
+Het gezin had een kostelijk ontbijt van gebakken visch, en daarna
+gingen de mannen met Willem terstond weer aan den arbeid. De beide
+eerste haalden de tenten omver en spreidden het doek op den grond
+uit, om te drogen, terwijl Willem het gevogelte ging opsporen, dat
+zich in geen paar dagen had laten zien. Na een half uur zoekens,
+hoorde hij den haan in het kokosbosch kraaien en vond spoedig allen
+bij elkander. Hij strooide hun een handvol erwten voor, die hij in
+zijn zak had gestoken, want het koren had men besloten te sparen,
+om het zoodra men maar meer grond had omgespit, uit te zaaien. Als
+het meel dan ook mocht opraken, hadden zij aan de landingsplaats
+nog eenige vaten daarvan over, die bij de stranding gered waren,
+en er was dus nog zoo spoedig geen dadelijk gebrek te vreezen. De
+hoenders waren zeer hongerig en liepen Willem tot aan huis na, waar
+hij hen liet, om naar zijn vader en Flink om te zien.
+
+"Onze tenten kunnen nu drogen, vriend Willem," voegde de oude man hem
+toe; "zoodat we nu, als uw vader het goedvindt, met alle macht aan
+'t werk willen gaan om een hoenderhok tot stand te brengen. 't Zal
+niet meer dan een dag kosten, en de arme beesten hebben dan ook een
+dak. Daar staan vier dikke kokosboomen hier dicht bij huis; wij willen
+daaronder een hok bouwen, en dat kan spoedig gereed zijn."
+
+Mijnheer Wilson keurde dit plan volkomen goed, en dus ging men dadelijk
+aan het werk. Van de boomen, die tot het huis gediend hadden, waren
+nog eene menigte dunne toppen over; deze gebruikten zij tot latten
+en spijkerden ze aan de vier boomstammen, zoodat zij een regelmatig
+vierkant vormden, waarna zij nog de sparren opzetten tot een stevig
+afloopend dak.
+
+"Dat is nu alleen maar het ruwe werk," zei Flink; "we moeten nu een
+of twee stokken voor de hoenders maken, en dan de zijden sluiten en
+het dak met kokosbladeren stevig dekken. Maar kijk, daar gaat Juno
+al aan het opscheppen, zoodat we nu maar eerst schaften moeten."
+
+Na den maaltijd begon men opnieuw. Mijnheer Wilson verzamelde de
+takken, terwijl Flink en Willem de zijden en het dak met bladeren
+dekten, zoodat het hoenderhok nog vóór den avond volmaakt in orde
+kwam. Willem lokte de hoenders met eenige erwten, en toen zij onder
+dak waren, liet hij hen rustig pikken en ging in huis.
+
+"Nu, mijnheer, denk ik, zullen ze spoedig hun weg daarheen weten te
+vinden," sprak Flink, "en later als ik eens tijd daartoe vind, zal
+ik ook eene deur voor den ingang maken. Mij dunkt, dan kunnen wij het
+opzicht over ons gevogelte veilig aan juffer Caroline toevertrouwen. Ze
+zal voor de oude hoenders en de jongen, als we die eens hebben,
+zeker wel behoorlijk zorg dragen."
+
+"Ja, ja, dat moet haar post worden," riep Willem. "Ze zal wat blij
+wezen, als ze koningin wordt van het hoenderhok. En nu, dunkt me,
+moeten we aan het oprollen van de zeilen gaan; wij hebben vandaag
+een kostelijken dag gehad en misschien zijn we morgen niet weer
+zoo gelukkig."
+
+"Gij hebt volkomen gelijk; wij willen ze onder dak brengen en onder
+de bedstede bergen, waar nog ruimte voor alles in overvloed is."
+
+Toen men dit alles verricht had, was de zon intusschen ondergegaan, en
+zoo keerden ook allen in hunne woning terug. Al spoedig werd Flink nu
+verzocht, met zijn historie voort te gaan, en hij deed dit, als volgt:
+
+"Ik zeide gisteravond, dat ik het besluit nam, om van mijne kostschool
+weg te loopen en op zee te gaan; doch hoe ik dat plan volvoerde,
+hebt gij nog niet gehoord.--Het was mij niet mogelijk, onbemerkt te
+ontsnappen, voordat de overige jongens al te bed waren. De kamer,
+waar ik sliep, was op de tweede verdieping; de deuren, dat wist ik,
+waren gesloten, maar daar was nog een zolderluik, waardoor men op het
+dak kon komen. Het was van binnen gegrendeld, en langs eene ladder
+kon men er bij klimmen. Zoo besloot ik dan, langs dien weg de vlucht
+te beproeven. Zoodra de andere jongens gerust snorkten, stond ik op,
+kleedde mij heel bedaard aan en sloop de kamer uit.
+
+"Het was heldere maneschijn, en dat was een geluk voor mij, want zoo
+kon ik zonder gestommel het luik bereiken. Het kostte mij veel moeite
+dat op te lichten, want voor een knaap van mijne jaren was het heel
+zwaar; maar eindelijk lukte het toch, en ik kwam gelukkig op het dak
+van 't huis.
+
+"Toen ik in de goot stond, keek ik rond. Ik zag de schepen in de haven
+en de zee in de verte, zoodat ik mij verbeeldde al vrij te zijn en
+niet bedacht, hoe ver ik nog van den grond was. Eindelijk begon ik toch
+te overleggen, hoe daar te komen. Ik ging eenige malen op en neer, en
+besloot toen, langs een looden pijp, die van de dakgoot tot den grond
+reikte, naar omlaag te klauteren. Ze was juist zoover van den muur,
+dat ik haar met mijne dunne vingers omvatten kon, ik was destijds nog
+licht als een veer en vlug en lenig als eene kat. Ik klom over den
+rand van het dak, klemde mij met handen en knieën aan den looden pijp
+en liet mij zachtjes omlaag glijden, tot ik behouden beneden stond."
+
+"'t Is wel een wonder, dat gij niet hals en beenen braakt," zeide
+mevrouw Wilson.
+
+"Ja, waarlijk, mevrouw, dat was het ook,--zoo denk ik nog
+dikwijls--maar toen dacht ik alleen aan de uitvoering van mijn
+onberaden plan. Zoodra ik op het daaronder liggend bloembed te
+land was gekomen, liep ik naar het ijzeren traliehek van den tuin,
+was met een wip daar overheen en stond zoo op straat. Ik was zonder
+hoed of pet; want onze petten hingen beneden in de school aan de
+kapstokken,--doch daar bekommerde ik mij niet over. Ik liep, wat ik
+loopen kon, naar de haven. Aan het hoofd gekomen, ontdekte ik een schip
+dat zijn zeilen al los had gemaakt en op de juist invallende eb scheen
+te wachten. De matrozen zongen een vroolijk liedje, terwijl zij de
+ankers vóórdraaiden. Zoo stond ik daar en bespiedde elke beweging van
+het vaartuig. Reeds overlegde ik of ik er niet naar toe zou zwemmen,
+toen ik een man in de jol zag klimmen en naar het hoofd toe roeien. Ik
+liep op hem toe, zoodra hij aanlegde om het touw van een der palen
+van het hoofd los te maken; en nog eer hij dit gedaan had, sprong ik,
+zonder een woord te spreken, in zijne boot."
+
+"Wat wil je, kleine dreumes," vroeg de matroos.
+
+"Ik wil mee naar zee," antwoordde ik hijgend; "neem mij aan boord,--ik
+bid u om Gods wil."
+
+""Goed," zei de man; "ik heb mijn kapitein hooren zeggen, dat hij
+nog wel een kajuitsjongen gebruiken kon. Kom dus maar mee, kleine
+deugniet."
+
+"Hij roeide naar het schip terug, en ik klom haastig aan boord.
+
+""Wie zijt ge?" vroeg de kapitein.
+
+"Ik gaf ook hem 't zelfde antwoord, namelijk, dat ik ter zee wou
+varen."
+
+""Gij zijt nog te klein en te jong."
+
+""O neen, neen, vast niet," was mijn antwoord.
+
+""Wat, denkt ge dan, dat ge al in den mast kunt klimmen?"
+
+"Dat zult ge dadelijk zien," riep ik en klauterde als eene kat langs
+de touwen op, tot aan de bramra.
+
+"Toen ik weer omlaag bij den kapitein kwam, zeide deze:
+
+""Nu, ik denk, dat ge mettertijd een goed zeeman kunt worden. Ik wil
+u dan aannemen, en zoodra ik te Londen kom, zal ik u als scheepsjongen
+inschrijven. Waar is uw pet?"
+
+""Die heb ik thuis gelaten," was mijn antwoord.
+
+""Dat komt er ook niet op aan; een roode slaapmuts doet nog beter
+diensten," zeide de kapitein en ging in zijne kajuit, om mij er eene
+te halen.
+
+"Het vaartuig, waarop ik mij nu bevond, was een kolenschip. Binnen
+een half uur waren wij de haven uit en met het opgaan der zon dobberde
+ik op wijde zee, die voortaan mijn verblijf zou zijn.
+
+"Zoodra de eerste drukte en werkzaamheid van het ankerlichten voorbij
+was, ondervroeg de kapitein mij nader naar mijne betrekkingen. Hij
+scheen een ruw en barsch man te zijn en nog voordat de dag ten einde
+was, voelde ik bijna berouw over den stap, dien ik gedaan had. Toen
+ik mij eindelijk s'avonds doornat en koud, op een paar oude zeilen
+neerlei, dacht ik op eens aan mijne moeder en aan het verdriet, dat ik
+haar veroorzaken zou. Ik schreide bittere tranen; maar nu was het te
+laat.--Ik heb vaak gedacht, mijnheer Wilson, dat het leven vol zorgen
+en gevaren, dat ik sinds dien tijd doorworstelen moest, slechts eene
+verdiende straf was voor de wreedheid die ik beging door mijne moeder
+zoo te verlaten. Ik was immers haar eenige kind: ze had niemand op de
+wereld, om lief te hebben, buiten mij, en ik.... brak haar het hart,
+tot loon voor àl de liefde en goedheid, die ze mij van jongsaf had
+bewezen. Deed ik niet slecht, Willem?"
+
+Hier hield de oude man eene poos op, en ook niemand van de overigen
+het een woord hooren. Willem, die het naast bij zijne moeder zat,
+sloeg zijn arm om haar hals en kuste haar.
+
+"Ik ben blij dat te zien, mijn beste Willem," begon Flink nu weder. "Ik
+zie daaruit, dat mijne geschiedenis voor u niet verloren is, en
+beschouw dien kus als eene plechtige belofte, dat ge uwe ouders nooit
+zult verlaten."
+
+De tranen rolden mevrouw Wilson over de wangen en vurig beantwoordde
+zij de omhelzing van haar zoon.
+
+"Ik wil nu liefst maar afbreken," zeide Flink; "ik ben niet gestemd
+om voort te gaan; mijn hart wordt telkens vol, als ik mij dat dwaas
+en slecht bestaan uit mijne jonge dagen herinner."
+
+
+
+
+
+
+
+DRIE-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+THOMAS, WAAR IS DE VINGERHOED?
+
+
+Den volgenden morgen was het uitstekend schoon weer en terstond na het
+ontbijt trok men met de kar naar den schildpadvijver. Flink had eene
+stevige piek met een scherpen weerhaak meegenomen en spietste daarmee
+den schildpad uit den vijver, die daarop aan land werd getrokken,
+op de kar geladen en naar huis overgebracht.
+
+Na het dooden van den schildpad, werd ze in stukken gesneden, en onder
+Flinks toezicht koos Juno toen zooveel reepen uit, als ze voor de
+soep noodig had. Toen de pot te vuur stond, trokken Flink, mijnheer
+Wilson en Willem met zagen en bijlen het bosch in, om de noodige
+boomen te vellen voor de voorgenomen bergplaats van hun voorraad,
+zoodra deze van de landingsplaats kon worden afgehaald.
+
+"Ik denk, dat het hier in tijd van gevaar onze schuilplaats wezen
+moet," merkte Flink aan. "Daarom heb ik ook deze plek van het woud
+uitgekozen; ze is niet al te ver van ons huis af, en als we het pad
+er heen met wat kronkels en bochten uithouwen, moet ze wel voor het
+gezicht verborgen wezen. Daarbij moeten wij het pad maar zoo breed
+maken, dat de kar er even langs kan: ook moeten we de wortels van
+de omgekapte boomen uitgraven, daar anders de tronken de aandacht
+konden trekken. Niet dat ik denk dat het ons ooit zal te pas komen,
+maar toch kan voorzichtigheid nooit schaden en bovendien kost het
+ons weinig moeite."
+
+"Ik ben het volkomen met u eens," antwoordde mijnheer Wilson; "'t is
+in alle gevalle goed, want men weet toch nooit wat er gebeuren kan."
+
+"Onder ons, mijnheer, kan ik u wel zeggen, dat de inlanders in dezen
+hoek van de wereld de gewoonte hebben van in hunne kano's [3] van 't
+eene eiland naar het andere te gaan, om kokosnoten in te zamelen. Ik
+kan niet verzekeren, dat de andere eilanden hier in den omtrek bewoond
+zijn, maar dat is toch wel waarschijnlijk en dan blijft altijd de
+vraag, van welken aard dat volk om ons heen is. Ik durf u dat gerust
+zeggen, maar 't is beter dat mevrouw er niets van te weten komt. Gij
+zult toch ook wel zwijgen, beste Willem?"
+
+"O, wees daar gerust op, Flink; ik zal geen woord zeggen, dat moeder
+ongerust maakt."
+
+"Wij zijn nu dicht bij de plek. Ge ziet, mijnheer, dat de boomen hier
+op dezen heuvel zeer dicht bij elkander staan. Welnu, een weinigje
+verder, wat meer in de laagte, moesten we, dacht me, eene hut bouwen,
+die men daar zeker niet zoo gemakkelijk vinden zal.--Ik geloof,"
+vervolgde de oude man, toen zij nog een poosje waren voortgegaan,
+"dat hier zoo ten naastenbij de rechte plek is; want we hebben omtrent
+twee derden van de hoogte achter ons en de helling is hier nog wel
+zoo sterk dat het water een vrijen afloop vindt."
+
+"En hoe ver zouden we nu wel van huis zijn, Flink? Mij dunkt, nog
+zoo heel ver niet."
+
+"Ik reken nog niet meer dan anderhalven kilometer, in eene rechte lijn,
+ofschoon de weg door al zijne bochten wel dubbel zoo ver moet wezen."
+
+"Dan, geloof ik, zal deze plaats de beste zijn, en hoe eer wij
+beginnen, des te beter."
+
+"Ik wil nog maar enkel de boomen merken, die staan blijven mijnheer,
+en dan die gekapt moeten worden op den stam na, tot op bij de vier
+voet hoog van den grond. Vriend Willem, wilt ge zoo goed zijn, om
+het andere eind van de lijn eens aan te vatten?"
+
+Zoodra nu de omvang van het gebouw behoorlijk was afgemeten, waren
+bijl en zaag ook spoedig druk aan het werk en werd de eene boom na
+den anderen geveld. Onze drie vrienden arbeidden tot etenstijd dapper
+door en verheugden zich niet weinig in het vooruitzicht, dat na gedaan
+werk eene lekkere schildpadsoep hunne belooning wezen zou.
+
+"Willem!" riep mevrouw Wilson, toen zij tegen den middag thuis kwamen,
+"en ook gij, beste man! gij zijt door en door nat van zweet,--ge moet
+u niet al te zeer vermoeien."
+
+"Ja, lieve moeder, dat boomen kappen is een warm werk," antwoordde
+Willem; "en hard werken doet een mensch zooveel kwaad niet, vooral
+niet als hem een maaltje schildpadsoep wacht. Wij zijn hongerig als
+wolven en zullen Juno's keuken alle eer aandoen. Hé, Thomas, kom hier,
+jongen! Ge kijkt zoo zwart. Wat hapert er aan?"
+
+"Thomas en ik kunnen het niet samen vinden," antwoordde mevrouw Wilson,
+terwijl Thomas enkel zijne lip liet hangen. "Van morgen zat ik te
+naaien, goed en wel met mijn vingerhoed aan de hand, toen Juno mij
+buiten riep. Ik nam Caroline aan de hand mee en onze sinjeur Thomas
+bleef zoolang in huis alleen. Toen ik terugkwam, stond hij voor de
+deur, en toen ik mijn werk weer opnam was mijn vingerhoed nergens
+te vinden. Ik vroeg hem, of hij dien gehad had; hij zei, dat hij
+er naar zien zou. Dat deed hij ook, maar bracht hem niet weerom. Ik
+vroeg hem onderscheiden malen, of hij den vingerhoed had weggenomen;
+maar zijn eenig antwoord was, dat die wel weer terecht zou komen. Ik
+ben overtuigd, dat hij hem verloren heeft, maar hij wil dat volstrekt
+niet bekennen. Het gevolg was, dat ik den heelen ochtend heb moeten
+zitten zonder een steek te kunnen doen."
+
+"Hoor eens hier, Thomas," zei mijnheer Wilson op ernstigen toon:
+"hebt gij den vingerhoed weggenomen?"
+
+"Hij zal wel weer terechtkomen, vader."
+
+"Dat is geen antwoord, jongeheer. Hebt ge den vingerhoed weggenomen
+en verloren misschien?"
+
+"Ik weet heel zeker, dat hij vandaag wel weer terechtkomt, vader,"
+riep Thomas snikkend.
+
+"Dat is alles wat hij mij tot hiertoe geantwoord heeft," zeide
+de moeder.
+
+"Goed, heel goed dan. Daarvoor zal hij ook niets te eten hebben,
+voordat wij ook zeker weten, dat de vingerhoed vandaag weer in moeders
+handen is."
+
+Op 't hooren van deze woorden, begon Thomas te schreien wat hij
+kon. Juno verscheen nu juist met de schildpadsoep, die een aangenamen
+geur verspreidde. Toen men zich aan tafel neergezet had, schreide
+Thomas nog harder. Allen waren zeer hongerig en Willem liet zijn
+bord gauw nog eens vullen. Pas had hij echter eenige happen gedaan,
+toen hij zijn vinger in den mond stak en daar iets uithaalde.
+
+"Ha, moeder, daar is de vingerhoed in mijne soep," riep hij, "en ik
+was op het punt van hem door te slikken."
+
+"Geen wonder, dat onze sinjeur zei, dat hij wel weer terecht zou
+komen," sprak Flink lachend. "Hij dacht hem zekerlijk wel op te
+visschen uit hetgeen van onzen maaltijd overbleef. Welnu, mevrouw,
+ofschoon ik niet zeggen wil, dat Thomas een zoete jongen is, moet men
+toch erkennen, dat hij, toen hij niet zeggen wou waar de vingerhoed
+was, er geen leugens bij gebruikte."
+
+"Neen, neen, jokken deed hij niet," riep Willem. "Ik hoop, dat,
+nu het ding gevonden is, vader hem ook wel vergeven zal, als hij
+daarom verzoekt."
+
+"Thomas, kom hier!" sprak mijnheer Wilson. "Zeg mij: waarom hebt gij
+den vingerhoed in de soep geworpen?"
+
+"Ik wou de soep eens proeven; ik wou den vingerhoed vol scheppen. Toen
+brandde ik mij de vingers en liet ik den vingerhoed bij ongeluk in
+den ketel vallen."
+
+"Nu, een vingerhoed vol was toch ook de heele wereld niet," merkte
+Flink aan. "Maar waarom zeidet gij uwe moeder niet, waar de vingerhoed
+was?"
+
+"Och, ik was bang, dat moeder dan al de soep zou weggooien, en dan
+kreeg ik er niets van."
+
+"Ei, ei, was het geval zóó?" sprak de vader. "Welnu, ik zeide, dat
+gij niets te eten zoudt hebben, voordat de vingerhoed gevonden was;
+daar die nu terug is, kunt gij ook aan tafel komen. Als u echter in
+het vervolg weer iets gevraagd wordt en gij geen antwoord geeft komt
+gij er zoo gemakkelijk niet af, dat verzeker ik u."
+
+Thomas was blij, dat de bestraffing voorbij was, en nog blijder dat
+hij een bord soep voor zich kreeg. Het eerste had hij spoedig leeg,
+en toen hij om een tweede verzocht, zeide hij: "Thomas zal er geen
+vingerhoed weer ingooien; Thomas zal naderhand een kopje nemen."
+
+"Massa Thomas, jij nemen moet naderhand niemendal," beknorde hem
+Juno, die naast hem zat. "Jij afblijven moet met de vingers van de
+pot,--klein snoepsch jong!"
+
+Na afloop van den maaltijd gingen zij weder aan den arbeid en keerden
+eerst tegen het donker terug.
+
+"De wolken komen met drift opzetten, mijnheer," zeide Flink; "we
+zullen van nacht weer onweer krijgen."
+
+"Dat vrees ik ook; maar we moeten het afwachten."
+
+"Ja mijnheer, en nu en dan zal de regen en het onweder voortaan ook
+wel eens dagen achtereen aanhouden."
+
+"Flink," zeide mevrouw Wilson, "als ge niet al te vermoeid zijt,
+zoudt ge dan niet met uwe geschiedenis willen voortgaan?"
+
+"Heel gaarne, mevrouw, als gij dat verlangt," was het antwoord. "Ik
+brak gisteren af bij mijne komst aan boord van het kolenschip,
+dat naar Londen bestemd was. Wij hadden een goeden wind en liepen
+een goede vaart. Ik was heel zeeziek, totdat wij aan den mond van
+de Theems kwamen. Daar werd ik weer beter en was, zooals ge wel
+denken kunt, zeer verbaasd over de ontelbare menigte schepen, die
+onophoudelijk op de rivier heen en weder voeren. Maar mijn kapitein
+beviel mij volstrekt niet. Hij was uiterst onbeschoft tegen zijn
+volk, en de eene jongen, die aan boord was, ried mij zelfs mijne
+biezen te pakken en een ander schip op te zoeken. Hij zeide, dat ik
+mij voor geen geld aan dezen kapitein verbinden moest; want anders
+zou hij mij ook alle dagen slaan en mij even slecht behandelen, als
+hij zijne vroegere koksjongens gedaan had. Dat dit zoo was, wist ik
+wel; want ik zag meer dan twintigmaal op een dag, hoe de kapitein hem
+duwen en stooten gaf, zoodat de arme jongen er soms dagen lang blauwe
+plekken van overhield. De matrozen zeiden, dat hij mij vooreerst nog
+wat genadiger behandelde, uit vrees dat ik anders nog weigeren zou mij
+voor vast bij hem te verbinden, doch dat, als ik dat eens gedaan had,
+mijn lot geen haar beter wezen zou. Zoo besloot ik dan, niet langer
+op het kolenschip te blijven, en daar de kapitein aan wal was gegaan,
+had ik tijd genoeg, om eens rond te zien. Vóór ons, midden op den
+stroom, lag een vrij groot schip zeilree. Ik sprak met twee jongens,
+die aan den valreep stonden, en hoorde van hen, dat ze het heel goed
+aan boord hadden en dat de kapitein nog twee of drie jongens zocht. Ik
+ging dan bij hem aan boord en bood hem mijne diensten aan.
+
+"De kapitein deed mij eene menigte vragen. Ik zeide hem de waarheid
+en ook de reden, waarom ik niet op het kolenschip blijven wilde. Hij
+was gewillig om mij aan te nemen, en ik ging met hem aan land, waar
+hij mij van een behoorlijk stel kleeren liet voorzien.--Twee dagen
+later gingen wij onder zeil naar Bombay en China."
+
+"Maar gij schreeft toch eerst aan uwe moeder, Flink?" vroeg Willem.
+
+"Ja, beste jongen, dat deed ik, want de kapitein verlangde het en
+schreef zelf eenige regels onder mijn brief, om de goede vrouw te
+troosten; maar ongelukkig heeft zij dien brief, die door den hofmeester
+naar den wal werd gezonden, nooit ontvangen. Of hij hem verloor of
+tot ons vertrek vergat en toen verscheurde,--dat weet ik niet; maar,
+zooals ik later vernam, heeft moeder dien nooit in handen gekregen."
+
+"Het was uwe schuld dan toch niet, dat de brief niet goed overkwam,"
+zeide mevrouw Wilson.
+
+"Neen mevrouw, dat was zeker mijne schuld niet, de eigenlijke schuld
+had ik al vroeger op mij geladen."
+
+"Gij moet u niet langer bij dat deel van uwe geschiedenis ophouden,
+Flink; vertel ons liever, wat u op uwe vaart naar Oost-Indië zoo
+al overkwam."
+
+"Welnu dan. Ik was toen heel vlug en levendig voor mijne jaren en
+werd weldra de algemeene lieveling, vooral bij de dames, die wij als
+passagiers aan boord hadden, enkel omdat ik nog zoo'n kleine dreumes
+was. Wij kwamen behouden in Bombay, waar onze passagiers aan land
+gingen, en drie weken later zeilden we door de straat en op China
+aan. Het was juist oorlogstijd en zoo werden we door Fransche kapers
+gejaagd; maar we hadden veel volk aan boord en een menigte stukken,
+zoodat geen hunner 't waagde ons aan te vallen. Weldra kwamen we
+voorspoedig te Macao [4] aan, waar we onze lading losten en thee
+daarvoor innamen.
+
+"We moesten een tijdlang wachten, omdat er een groot konvooi bijeen
+was, en toen gingen we weer naar Engeland onder zeil. Toen we Isle de
+France voorbij waren, werd de vloot door een storm verstrooid. Drie
+dagen later werden we door een Fransch fregat aangevallen en na zijn
+vuur met eenige schoten beantwoord te hebben, waren we gedwongen onze
+vlag te strijken.
+
+"Een luitenant met veertien man werd bij ons aan boord gezonden,
+om ons gevangen te nemen, want we waren een zeer rijke prijs voor
+hen. Onze kapitein en de meesten van het volk werden op het fregat
+overgebracht; maar tien Lascaren [5] en de scheepsjongens bleven op
+den Oostindiëvaarder om het schip naar Isle de France [6] te brengen,
+dat destijds in de handen der Franschen was.
+
+"Het kwam me wel wat hard voor, dat ik zoo pas twaalf jaren oud al naar
+de gevangenis moest kuieren; maar ik tobde daar toch niet lang over
+en was weldra weer zoo vroolijk en dartel als ooit te voren. Wij waren
+reeds in 't gezicht van het eiland en stuurden met eene frissche koelte
+op de haven aan, toen zich op eens te loever een schip vertoonde.
+
+"Ik kon wel niet verstaan wat de Franschen zeiden, maar merkte toch,
+dat ze het onderling bijster druk hadden en ijverig met de kijkers in
+de weer waren. Jack Romer, mijn kameraad, die al drie jaren gevaren
+had, fluisterde mij eindelijk in 't oor: "Daar is nog kans, dat we
+de gevangenschap ontsnappen, want ik moest me al zeer vergissen,
+als dat geen Engelsch linieschip is."
+
+"Eindelijk kwam het op korten afstand, heesch de Engelsche vlag en deed
+een schot. De Franschen zochten ons schip voor den wind te brengen;
+doch dat hielp hun weinig. De Engelschman won gedurig op ons, en daar
+de Franschen dit merkten, pakten zij hunne kleeren met al het goed,
+dat zij onzen kapitein en ons volk hadden afgenomen, bijeen. Er werd
+ons een kogel toegezonden, die dicht over onze hoofden heen snorde:
+de Franschen lieten toen het roer los, waarop Jack Romer dat aangreep
+en met hulp van mij het schip bij den wind bracht. De Engelschen
+zonden eene boot aan boord en namen onzen koopvaarder in bezit,
+zoodat wij de gevangenschap vooreerst gelukkig ontsnapt waren.
+
+"Toen de kapitein van 't Engelsche fregat hoorde, hoe de Franschen
+zich tegen ons gedragen hadden, liet hij al hunne bagage zorgvuldig
+onderzoeken en hun alles wat zij geplunderd hadden terstond weer
+afnemen."
+
+"Hij zou het recht gehad hebben de Franschen daarvoor al hun goed af
+te nemen," riep Willem.
+
+"Jawel, Willem, daartoe had de kapitein zeker het recht gehad; maar,
+wel beschouwd, zou dat toch onrecht geweest zijn, want in dat geval had
+hij even oneerlijk gehandeld als zijne vijanden. De kapitein ontnam
+hun niets van hun goed, maar liet hun beneden in 't ruim opsluiten,
+waar men geen last van hen had.
+
+"De Engelschen zonden een cadet als prijsmeester aan boord van ons
+schip en lieten ons allen, evenals wij door de Franschen genomen waren,
+op onzen koopvaarder blijven. De kapitein wou niet meer van zijn volk
+missen, dan volstrekt noodig was, en liet dus aan onszelven over het
+schip in de haven te brengen.
+
+"Na een kort verblijf vervolgden wij onzen tocht naar Engeland en waren
+hartelijk blij, dat wij aan de Franschen ontkomen waren. Evenwel was
+onze vreugde niet lang van duur, daar we spoedig merkten, dat in plaats
+van eene Fransche gevangenis eene Hollandsche ons lot moest zijn."
+
+"Hoe meent ge dat?"
+
+"Luister maar. Twee dagen later, toen wij juist de Kaap omzeilden,
+kwam er een ander Fransch vaartuig op ons af en nam ons. Ditmaal
+vonden wij geen helpenden vriend in onzen nood, maar werden aanstonds
+in de Tafelbaai opgebracht. De kaap de Goede Hoop was namelijk in
+'t bezit van de Hollanders, die evenals de Franschen, met Engeland
+in oorlog waren."
+
+"Maar, Flink, gij zijt toch recht ongelukkig geweest!" riep mevrouw
+Wilson op medelijdenden toon uit.
+
+"Ja, mevrouw, dat waren we zeker. Maar ik was jong en luchthartig en
+wist mij spoedig in mijn ongeluk te troosten. Maar kom, 't is nu tijd
+om te gaan slapen. Caroline is al diep in de rust en sinjeur Thomas
+deed het laatste half uur niets dan gapen, zoodat we voor van avond
+hier maar afbreken zullen."
+
+
+
+
+
+
+
+VIER-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+DIE ARME JUNO!--FLINK VERTELT VERDER.
+
+
+Ze hadden nog maar korten tijd gerust, of er brak een hevig onweder
+boven hunne hoofden los. Het bliksemde zoo sterk, dat het licht
+zelfs door de reten van de deur en vensters heendrong, en de donder
+ratelde zoo hevig door de lucht, dat allen wakker schrikten en aan
+geen slapen meer te denken was. De kleinen kreten en sidderden van
+angst in de armen van mevrouw Wilson en Juno, die zelven bijna niet
+minder ontsteld waren.
+
+"Dat is een vreeselijk weder!" sprak mijnheer Wilson tot Flink,
+want beiden waren opgestaan.
+
+"Waarlijk, mijnheer, ik heb nog nooit erger weder beleefd."
+
+Bij deze woorden werden beiden, half bedwelmd, op den grond
+geslingerd. Een bliksemstraal viel op het huis, zoodat dit met al
+wat er in was dreunde en schudde. Een zwavelreuk verspreidde zich
+overal, en zoodra de twee weder op hunne voeten stonden, ontdekten
+zij met schrik, dat het gansche huis vol rook was. Daarbij kwam nog
+een gejammer der vrouwen en het gillen der kinderen, dat zich uit de
+bedsteden hooren liet.
+
+"God erbarme zich onzer!" riep Flink, die het eerst weder tot zijn
+bewustzijn kwam en nu begon te onderzoeken welke gevolgen het inslaan
+wel had gehad; "de slag heeft ons getroffen en ik vrees, dat het huis
+ergens in brand staat."
+
+"Vrouw!--kinderen!" schreeuwde de doodelijk ontstelde vader.
+
+"Gij zijt toch allen onbezeerd?"
+
+"Ja, ja!" riep zijne vrouw, "allen lieve man. Thomas komt daar juist
+bij mij.--Maar waar is Juno?--Juno!"
+
+Juno gaf geen antwoord. Willem vloog naar den anderen hoek van het
+huis. Daar vond hij haar roerloos op den grond uitgestrekt liggen.
+
+"Ze is dood, vader!" riep hij, hevig verschrikt.
+
+"Help mij haar naar buiten dragen, mijnheer!" riep Flink, die het arme
+meisje onderwijl in zijn armen had genomen. "Ze kan licht alleen maar
+bedwelmd zijn."
+
+Gezamenlijk droegen zij het lichaam nu in de open lucht. De regen
+kletterde in stroomen neder.
+
+De oude man verliet hen voor eene minuut, om zich te overtuigen,
+dat het huis nergens vuur had gevat. Hij bevond, dat het aan den
+uitersten hoek in vlam had gestaan; doch deze was door den regen weer
+uitgedoofd. Toen keerde hij dadelijk naar mijnheer Wilson en zijn zoon,
+die zich met Juno bezighielden, terug.
+
+"Ik zal bij 't meisje blijven, mijnheer," zeide Flink. "Ga gij maar
+met Willem in huis. Mevrouw sterft van schrik, als ge haar bij al die
+akeligheid alleen laat.--Kijkt, kijkt, vriendin Juno is niet dood:
+ze begint al weer adem te halen.--Ja, ja, we hadden de goede meid
+hier ook al slecht kunnen missen."
+
+Vader en zoon volgden Flinks raad. Zij vonden mevrouw Wilson
+bijna onmachtig van angst en schrik. De heuglijke tijding, die zij
+overbrachten, dat Juno niet dood was, bracht echter veel bij om haar
+weer eenigszins te doen bekomen. Willem zocht den kleinen Albert tot
+bedaren te brengen; en Thomas was na korten tijd vast in slaap in
+vaders armen.
+
+Het onweer bedaarde nu van lieverlede en bij het aanbreken van den
+dag kwam Flink ook weder met Juno terug. Zij was in zooverre weer
+hersteld, dat ze, door hem ondersteund, naar de kamer kon stappen,
+en toen werd ze aanstonds te bed geholpen.
+
+Daarop verlieten Flink en mijnheer Wilson het huis om te onderzoeken
+of er ook nog verdere schade was aangericht. De bliksem was in de
+voorzijde van het huis ingeslagen, juist op de plaats, waar men later
+een schoorsteen bouwen wilde. Ze bevonden, dat de hitte den ijzeren
+ketel gedeeltelijk had doen smelten; maar wat nog grooter verlies
+was--hunne geit, de zwarte Nanni, was gedood; doch hare jongen waren
+ongedeerd gebleven.
+
+"We zijn inderdaad voor een groot ongeluk behoed gebleven," sprak
+mijnheer Wilson eindelijk.
+
+"Ja, mijnheer!" antwoordde Flink. "Ik dacht al, dat de arme Juno
+verloren was."
+
+"Als ik 't wel heb, Flink, hebben wij eene rol dik koperdraad, niet
+waar?" vroeg mijnheer Wilson.
+
+"Ja, mijnheer, ik dacht daar ook al aan. Het eerste, waaraan wij
+denken moeten, is een bliksemafleider."
+
+Middelerwijl was het helder dag geworden. Mevrouw Wilson kleedde
+zichzelve en de kinderen aan. Willem nam vervolgens op zich, voor het
+ontbijt te zorgen, en Flink nam uit den onder de bedsteden geborgen
+voorraad de bedoelde rol koperdraad op. Hij rolde deze los en boog
+ze recht; toen haalde hij de ladder, die op de plaats stond, waar
+zij bezig waren hun magazijn te bouwen.
+
+Terstond na het ontbijt ging men aan het werk, om den afleider vast
+te zetten. Inmiddels moest Willem Juno's arbeid verrichten, want deze
+lag nog te bed en scheen in diepen slaap verzonken.
+
+"Ik geloof, mijnheer," zeide Flink, "dat één dezer beide boomen,
+die zoo dicht naast elkander staan, het best tot ons doel passen. Zij
+zijn niet al te dicht bij het huis en staan juist zoo, dat de draad
+den bliksem nog aantrekken kan."
+
+"Dat komt mij ook zoo voor, Flink; wij mogen echter beiden niet
+laten staan."
+
+"Neen, mijnheer. Eerst zullen wij echter beiden nog noodig hebben,
+om naar boven te klimmen en den draad vast te maken. Is dit gedaan,
+dan zullen wij er een omkappen."
+
+Flink zette de ladder tegen een der beide boomen, nam den hamer en
+een zak vol groote spijkers en sloeg een daarvan zoo in den stam,
+dat hij de zwaarte van zijn eigen lichaam dragen konde. Boven den
+eersten sloeg hij een tweede in, en zoo ging hij voort, totdat hij
+den top van den boom bereikt had, waar de beide kruinen bijna in
+elkander waren gegroeid. Toen klom hij naar beneden, nam eene zaag
+en eene handbijl mede, klom weer naar boven en binnen den tijd van
+tien minuten was de kruin van den boom geveld, zoodat nog slechts de
+slanke, naakte stam overbleef.
+
+"Wees voorzichtig, Flink, dat gij behouden weer op den grond
+komt!" riep mijnheer Wilson angstig.
+
+"Wees volkomen gerust," klonk de stem van den ouden man uit de
+hoogte. "Ik ben wel niet zoo vlug meer als in mijne jonge jaren, maar
+heb toch al te dikwijls in vrij wat hooger masten dan deze gezeten,
+om 't klimmen geheel verleerd te zijn."
+
+Flink kwam dan ook behouden weer beneden en sneed een dunnen stok met
+een sterk stuk puntig koperdraad aan het einde, dien hij vervolgens
+daarboven aan den kokosstam wilde vastbinden. Nu voor de laatste
+maal omhoog klauterende, bond hij den stok stevig aan den boom vast,
+vervolgens het eind van het koperdraad aan de daaraan gescherpte
+bovenste punt en klom toen af. De andere boom daarnaast werd terstond
+geveld en het benedeneinde van het koperdraad aan den voet van den
+boom, die den afleider droeg, diep in de aarde begraven.
+
+"Nu hebben we een noodzakelijk werk tot stand gebracht," sprak de
+oude man en wischte zich het zweet van het voorhoofd.
+
+"Ja," antwoordde de mijnheer Wilson; "maar bij ons magazijn moeten we
+er nu ook nog een zetten, daar anders onze voorraad gevaar kon loopen."
+
+"Dat zal zoo spoedig mogelijk gebeuren."
+
+"Ge begrijpt toch wel het doel van zulk een afleider, Willem?" vroeg
+zijne vader.
+
+"O ja, vader. De bliksem wordt door het metaal aangetrokken en moet
+nu, in plaats van het huis, de spits aan den afleider treffen, bij den
+draad nederschieten en op zijn hoogst den grond eens wat opwoelen. Gij
+hebt mij dat al vroeger verklaard."
+
+"Ja, en gij hebt het goed gevat en niet weer vergeten," sprak Flink met
+welgevallen.--"Het onweer komt terug en misschien nog wel zwaarder,"
+vervolgde de oude man. "Ik vrees, dat we vandaag weinig zullen kunnen
+werken. Ik zal nu eens spoedig naar ons vee en gevogelte omzien. Naar
+ik hoop, hebben we geen verder verlies geleden. Heb gij onderwijl de
+goedheid, mijnheer, met Willem de arme geit te begraven. Dat kan nog
+licht geschieden, voor dat de storm opnieuw losbreekt."
+
+Zij trokken Nanni bij de pooten uit de kooi en begroeven haar aan den
+voet van den afleider. Juist toen zij gedaan hadden, kwam ook Flink
+terug. Hij had de geiten en schapen gelukkig gevonden en eene der
+beide overige geiten meegebracht, die gedurende het onweder jongen
+had geworpen.
+
+"Ik was al bang," zeide Flink, "dat wij de arme geitjes na 't verlies
+der moeder geen voedsel meer zouden kunnen geven; maar nu kan deze
+geit hier alle vier te gelijk zoogen. 't Zal haar wel zwaar vallen;
+doch het kan niet anders. Wij moeten haar maar rijkelijk voeren."
+
+Met deze woorden bracht hij de tweede geit ook in de kooi, waar ze
+terstond de plaats van de zwarte Nanni innam. Daarop zette men zich
+aan tafel. Juno was nu ook weer op en voelde zich volkomen wel,
+behalve dat ze voortdurend over zware hoofdpijn klaagde.
+
+Wat Flink voorspeld had, gebeurde ook; de regen keerde met verdubbelde
+hevigheid terug, en het was volstrekt onmogelijk iets buitenshuis
+te verrichten. Op Willems verzoek ging de oude stuurman met zijn
+verhaal voort.
+
+"Zoodra wij met het Fransche schip in de Tafelbaai voor anker waren
+gekomen, werden wij allen ontscheept en in eene gevangenis dicht bij
+den tuin van den gouverneur opgesloten. Wij werden niet heel streng
+bewaakt, daar aan ontvluchten voor ons toch bijna niet te denken viel,
+en ik moet zeggen, wij werden in alle opzichten goed behandeld. Daarbij
+zei men ons echter dat wij met het eerste oorlogsschip, dat in de Baai
+aankwam, naar Holland zouden worden opgezonden, en dit vooruitzicht
+beviel ons maar volstrekt niet.
+
+"Gelijk ik vroeger al gezegd heb, waren buiten mij nog eenige andere
+knapen gevangen, die tot den Oostindiëvaarder behoorden. Wij hechtten
+ons aan elkander, niet alleen omdat wij van gelijke jaren, maar vooral
+omdat wij reeds zoo lang scheepskameraden geweest waren. Twee van die
+jongens, Jack Romer, van wien ge reeds gehoord hebt, en Wim Hastings
+waren mijne bijzondere vrienden.
+
+"Toen wij op zekeren dag tegen onze gevangenismuur aanzaten en,
+om ons in de zon te warmen--want het was winter,--recht dicht bij
+elkaar kropen, begon Romer:
+
+"Wat zou 't ons toch weinig moeite kosten van hier te ontsnappen,
+als we maar wisten, waarheen we dan gaan moesten."
+
+"Ja," zei Hastings; "waar konden we anders heengaan dan naar de
+Hottentotten en de bloeddorstige wilden? En als we daar waren, wat
+zouden we dan aanvangen?"
+
+"Ei wat!" zei ik eindelijk. "Ik wil liever als vrij mensch onder
+wilden leven, dan hier zoo in de gevangenis opgesloten zitten.
+
+"Dit was ons eerste gesprek over dit onderwerp, maar voortaan kwamen
+wij er gedurig op terug. Daarbij trof het gelukkig voor ons, dat
+twee of drie Hollandsche soldaten van onze gevangeniswacht Engelsch
+verstonden, zoodat wij, die ook al iets van het Hollandsch wisten,
+door vragen nog al wat van hen te weten konden komen. Zij hadden
+namelijk al zeer dikwijls aan de grenzen van de kolonie gelegen en
+konden ons de beste inlichtingen geven omtrent den weg, dien men
+daarheen te nemen had.
+
+"Zoo gingen wij twee maanden lang voort met vragen te doen en over
+ons plan te spreken. Eindelijk besloten wij de vlucht werkelijk
+te beproeven.
+
+"Gij begrijpt zelf, Willem, dat dit ook alweder een dwaze streek
+was en opnieuw bewijst, hoe weinig knapen in staat zijn, om over hun
+eigen best te oordeelen. We konden ons immers slechts in ellende en
+gevaar begeven, zonder ook maar eenige kans op ontkomen te hebben. We
+hadden veel beter gedaan met te blijven, waar wij waren; maar wat
+zal ik zeggen--'t verstand komt eerst met de jaren; en men kan geen
+oud hoofd op jonge schouders zetten.
+
+"Wij bewaarden onzen mondkost, kochten eenige lange Hollandsche messen
+en pakten onze weinige kleeren in een bundel bij elkaar. Toen het
+eindelijk eens een donkere avond was, zochten we ongemerkt op het plein
+achter te blijven, terwijl de overige gevangenen in hunne cellen werden
+opgesloten, en dit gelukte ons. Wij namen een langen paal, die in een
+hoek lag, en zetten dien tegen den muur op, zoodat hij tot bovenaan
+reikte. Klimmen konden wij opperbest, en zoo ontkwamen wij werkelijk
+en zochten zoo spoedig mogelijk naar den Tafelberg te ontkomen."
+
+"Wat reden hadt gij, om daarheen te gaan, Flink?"
+
+"Hastings, die de oudste en ook de welberadenste onder ons drieën
+was, oordeelde dat wij ons daar eerst eenige dagen verborgen konden
+houden, totdat we vast bepaald hadden wat we dan eigenlijk wilden
+aanvangen. Daarenboven moesten we ook zien, of we ons niet een paar
+geweren met kruit en lood verschaffen konden. Wij hadden namelijk eenig
+geld bij ons, want toen ons schip voor de eerste maal genomen werd, had
+de kapitein vooraf een vaatje ropijen, [7] dat hij aan boord had, naar
+gelang van 't geen zij te goed hadden onder de officieren en matrozen
+verdeeld, daar hij het beter vond, dat zijn volk dat geld in handen
+had, dan dat de Franschen 't wegnamen, hetgeen anders ongetwijfeld
+het geval zou zijn geweest. Gedurende onze gevangenschap hadden wij
+zeer weinig van ons geld verteerd; want drank werd niet toegelaten,
+en aan tabak pruimen en rooken hadden wij jongens ons nog niet gewend.
+
+"Hastings had ook nog eene andere reden, waarom hij ons aanried op
+den Tafelberg aan te gaan, te weten: zoodra onze vlucht bekend werd,
+zou men ons, dacht hij, patrouilles nazenden, en deze zouden, naar alle
+waarschijnlijkheid, den weg naar de binnenlanden inslaan, zoodat wij,
+als de eerste nasporing zonder gevolg geschied was, minder gevaar te
+vreezen hadden van weer te worden opgepakt. De soldaten hadden ons
+van beren en andere wilde dieren verteld en ons gezegd, hoe gevaarlijk
+daar te lande het reizen was;--nu meende Hastings, dat zij, ons niet
+vindende, denken zouden, dat we door die beesten verscheurd waren,
+en dat ze zoo geen verder onderzoek naar ons zouden doen.
+
+"Ge merkt, Willem, we gebruikten nog al eene zeker soort van overleg,
+hoewel we toch maar onverstandige jongens waren."
+
+"Onverstandig, zeker!" merkte mevrouw Wilson aan;--"zonder te weten
+waarheen, zoo een land in te gaan, dat vol wilde menschen en dieren
+is!"
+
+"Gij hebt gelijk, mevrouw," antwoordde de oude man; "dat zult gij
+hooren, als ik u vertel, wat ons, toen wij pas eenige uren op weg
+waren, overkwam.
+
+"Eerst liepen wij op een draf, totdat wij geheel buiten adem waren,
+en toen gingen wij zoo snel als onze beenen ons konden dragen. Wij
+liepen niet regelrecht op den berg aan, maar namen eene eenigszins
+schuinsche richting naar het zuidwesten en meer naar den kant van de
+Valsche Baai, zoodat wij ons verder van de stad verwijderden. Gij weet
+nog wel, Willem, ik wees u die baai, toen wij de Kaap voorbijkwamen."
+
+"Ja, ja, ik herinner het mij nog heel goed, Flink."
+
+"We waren zoowat vier uren op weg en begonnen moe te worden, toen de
+dag aanbrak. Thans zagen we natuurlijk naar eene plaats om, waar wij
+ons verbergen konden. We vonden spoedig een hol met een nauwen ingang,
+juist ruim genoeg om een half dozijn zulke knapen, als wij waren,
+te bevatten en daar kropen wij binnen. De grond was volmaakt droog,
+en daar wij heel moe waren, legden wij ons neder.
+
+"Met ons hoofd op onze bundels, wilden we zien, of we ons door eenige
+uren slapens verkwikken konden.
+
+"Wij lagen echter pas en hadden de oogen gesloten, toen we op eens
+zulk een wonderlijk blaffen, janken en kwetteren hoorden, dat wij
+hevig verschrikt weer opsprongen. Dadelijk gluurde Hastings eens daar
+buiten en begon te lachen. Ook Romer en ik keken uit en zagen.... wel
+honderd-vijftig groote bavianen, die zulke wonderbaarlijke sprongen
+en cabriolen maakten, als ik ooit van mijn leven nog gezien had. Zij
+waren grooter dan wijzelven--ja, als ze op de achterpooten stonden,
+wonnen ze het in lengte ver van ons en daarbij hadden zij groote
+witte tanden. Eenigen onder den troep waren wijfjes en droegen hare
+jongen op den rug; overigens huppelden die even vlug en vroolijk als
+de mannetjes. Ten laatste vertoonden ze zulke potsierlijke kuren en
+grappen, dat wij allen het van lachen uitschateren moesten. Op eens,
+terwijl we ons nog den buik vasthielden, ontdekten we de grijnzende
+tronie van een der grootsten uit den heelen troep op zeer korten
+afstand van ons.
+
+"Die knaap was, als door een wonder, boven van de rots tot ons
+afgekomen. We sprongen alle drie heel ontsteld in de grot terug,
+want de baviaan had vreeselijke tanden en was woest en wild van
+uitzicht. Hij liet een gillend geluid hooren; en weldra zagen wij al
+de anderen, zoo hard ze maar loopen konden, op het gerucht aankomen.
+
+"Ik zeide straks al, dat het hol ruim genoeg was, om een stuk of zes,
+zeven van ons te bergen. Achter dit volgde echter nog eene kleinere
+grot, waarin we nog niet geweest waren en die een veel nauweren
+ingang had. Romer riep: "Laat ons in dat achterste hol vluchten;
+als we de een na den anderen door het gat kruipen, komen wij er wel."
+
+"Met deze woorden wrong hij zelf zich door de opening. Hastings volgde
+met zijn bundel en ik kwam er ook door,--juist nog bijtijds, want de
+bavianen hadden eerst buiten een halve minuut met elkaar gesnaterd,
+en drongen toen het voorste hol binnen op 't zelfde oogenblik, dat
+ik mij in het achterste redde. Vijf of zes van die beesten vertoonden
+zich, allen mannetjes en naar 't scheen, van de allergrootsten.
+
+"Het eerste, wat zij deden was, dat zij op Romers knapzak aanvielen. In
+een ommezien was die opengemaakt. Eerst kwam de mondkost die terstond
+in hunne wijde muilen verdween. Toen kwam het overige aan de beurt
+en werd eerst terdege besnuffeld en daarna in flarden gescheurd.
+
+"Zoodra ze hiermee gedaan hadden, naderden twee van de monsters
+het achterste hol, waar ze ons in het oog kregen. Een hunner stak
+zijne lange pooten naar binnen, om ons naar zich toe te halen, maar
+Hastings stak den baviaan met zijn mes, waarop deze zijne armen in
+een wip terugtrok. Het was kluchtig te zien, hoe hij aan de overigen
+zijn poot vertoonde en dan het bloed met zijne tong aflikte. Een
+geschreeuw, zooals toen werd aangeheven, heb ik in mijn leven niet
+meer gehoord. Ze waren allen blijkbaar geweldig boos: er kwamen
+gedurig meer in het hol en tierden en gierden met de anderen.
+
+"Eindelijk stak een tweede zijn poot uit, maar kreeg een prik,
+nog wel zoo raak als de eerste. Ten laatste poogden twee of drie te
+gelijk ons aan te pakken; doch wij weerden ons wakker met onze messen
+en brachten hun zware wonden toe. Zoo zetten zij wel een uur lang
+hun aanval voort. Toen verlieten zij eensklaps het hol, maar bleven
+huilend en jankend voor den ingang wacht houden.
+
+"Langzamerhand werden wij de grap hartelijk moe, en Romer zei al,
+dat hij liever in de gevangenis was dan hier. Ik voor mij dacht
+hetzelfde, maar wij konden ons onmogelijk naar buiten wagen. Hadden
+wij dat gedaan, dan zouden de dieren ons zekerlijk in stukken hebben
+gescheurd. Wij begrepen dus wel, dat er aan geen ontkomen te denken
+was, voordat de dieren, het wachten moede, vanzelf optrokken. Met
+een beangst hart zaten wij daar dus. Daarbij kwam nog, dat wij bitter
+door den dorst geplaagd werden en in het hol geen water vinden konden.
+
+"Zoo bleven wij nog ruim twee uur als gevangenen van die leelijke
+bavianen in het hol opgesloten, toen op eens een der dieren een
+gillenden kreet uitstiet, waarop de gansche troep huilend en
+schreeuwend, zoo hard hij kon, op den loop ging.
+
+"Wij wachtten nog eenigen tijd, om te zien, of zij ook terugkomen
+zouden; toen kwam Hastings het eerst voor den dag, keek voorzichtig
+buiten het hol en zeide, dat de gansche troep eindelijk voor goed
+weg en er in het rond niets meer te zien was, dan een Hottentot, die
+op den grond zat en op eenige grazende koeien scheen te passen. De
+een na den ander slopen wij uit het hol en waren recht verheugd over
+onze verlossing.
+
+"Dit was ons eerste avontuur, mijn goede Willem. Wij hadden in 't
+gevolg nog eene menigte andere; maar 't begint nu tijd te worden om
+naar bed te gaan. Ik denk, mijnheer Wilson, dat we morgen een goeden
+dag zullen hebben, maar met zekerheid zeggen kan men zoo iets niet."
+
+"Ik ben brandend nieuwsgierig om te weten wat u later nog al meer is
+overkomen, Flink," verzekerde Willem.
+
+"Nu ja, beste jongen, dat zult gij nog wel te weten komen. Maar alles
+heeft zijn tijd en nu is het tijd om te slapen, als ge niet misschien
+met mij meegaan wilt, Willem. De lucht is opgeklaard en ik zou gaarne
+een paar visschen vangen voor morgen."
+
+"O zeker, Flink, ik ga mee; ik ben volstrekt niet moe."
+
+"Goed dan, hier zijn de lijnen. Goeden nacht, mevrouw; goeden nacht,
+mijnheer! Over een uurtje volgen wij u."
+
+
+
+
+
+
+
+VIJF-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+EEN RUSTDAG.
+
+
+De oude man had zich niet bedrogen. Toen de storm, waarvan wij boven
+gesproken hadden, had uitgewoed, werd het weder fraai en bleef zoo
+ettelijke dagen. Tengevolge van den slag, die haar getroffen had,
+bleef Juno nog eenigen tijd zwak en ontdaan, maar was toch in staat
+het middageten klaar te maken en ander licht werk te doen.
+
+Behalve nu en dan eens eene bui, bleef het weder bijna veertien dagen
+achtereen gunstig, en gedurende al dien tijd werkten mijnheer Wilson,
+Flink en Willem van 's morgens vroeg tot 's avonds laat aan hun
+magazijn en waren zoo verlangend dit tot stand te krijgen, dat zij
+telkens hoogst vermoeid van hun werk thuis kwamen en Willem zelfs
+vergat Flink om de voortzetting van zijne geschiedenis te vragen.
+
+Eindelijk was het pakhuis gereed. Het was met een bladerendak gedekt
+en op drie zijden met gevlochten takken gesloten, doch op de vierde
+open, zoodat de lucht er gedurig vrije speling had. Het benedenste
+gedeelte, dat tot beschutting van de huisdieren bij nacht en gedurende
+den regentijd was ingericht, was insgelijks aan drie zijden gedekt
+en kon het vee behoorlijk tot stalling dienen. Ook was er reeds een
+voetpad door het bosch uitgekapt; doch om de boomwortels uit te graven,
+had het tot hiertoe nog aan tijd ontbroken.
+
+Al de voorraad, dien zij hier hadden, werd daarop in het nieuwe pakhuis
+geborgen en nu eindelijk konden zij weder aan ander werk beginnen
+te denken. Evenwel had men besloten dat de dag na de voltooiing van
+het magazijn in de familie als een feestdag zou gevierd worden,--eene
+verademing, die zij allen ook zeer noodig hadden. Willem ving eenige
+visschen, er was eene schildpad uit den vijver opgehaald en zoo
+was het niet alleen een dag van rust, dien zij hadden, maar een
+wezenlijk feest.
+
+Mijnheer Wilson was met zijne vrouw en kinderen eene wandeling langs
+het strand gaan doen, terwijl Flink met Juno zich met het schoonmaken
+van den schildpad bezighield. Willem liet hun de nieuwgebouwde
+bergplaats met den veestal zien, waarheen nu ook de geit met hare
+vier jongen gebracht was, omdat er geen reden bestond om die langer
+in het woonhuis te houden, Daar het weder zoo schoon was, besloot men
+toen ook nog den tuin te bezoeken. Hier bevonden zij, dat de zaden,
+niettegenstaande den hevigen regen, nog niet begonnen op te komen.
+
+"Ik had toch gedacht, dat het zaad na zooveel regen al verder zou
+zijn," zeide mevrouw Wilson.
+
+"O neen, mijn lieve," antwoordde haar man. "Het heeft meer warmte
+noodig dan de zon in den tegenwoordigen regentijd kan schenken. Nog
+eenige dagen als vandaag en gij zult zien, hoe welig het opschiet."
+
+"Laat ons hier op dezen heuvel wat uitrusten; het is er volmaakt
+droog," verzocht zij. "Ik had nooit gedacht," vervolgde zij, zich
+nederzettende, terwijl ze haar echtgenoot de hand drukte,--"dat ik
+op een verlaten eiland zoo gelukkig kon worden. Wat vliegt de tijd
+hier snel voorbij. Het gemis van boeken moest mij, meende ik in den
+beginne, zeer smartelijk vallen, maar nu merk ik, dat ik tot lezen
+geen tijd zou hebben."
+
+"Werkzaamheid is de bron van geluk, vooral indien men waarlijk nuttig
+werkzaam is," zeide mijnheer Wilson. "Een vlijtig mensch is altijd ook
+een gelukkig mensch, als hij namelijk niet al te ingespannen behoeft
+te arbeiden; en zelfs hij, die oorzaak tot droefheid en kommer heeft,
+zal zijn lijden bij vlijt en arbeid spoediger vergeten. Ik geloof
+zeker, dat een ledigganger nooit werkelijk gelukkig zijn kan en dat
+zelfs overlading met arbeid beter is, dan volslagen gebrek daaraan."
+
+"Maar moeder, wij zullen niet altijd zooveel te doen hebben, als
+tegenwoordig."
+
+"Natuurlijk niet," gaf mijnheer Wilson ten antwoord; "maar dan ook
+zullen wij in onze boeken een nieuwe bron van genot vinden. Ik verlang
+zeer, eens aan de landingsplaats te komen, om daar te zien, wat er
+van onze boeken nog over is en of zij ook erg gehavend zijn. Dat kan
+echter eerst gebeuren, als de regen geheel voorbij is en wij onze
+boot weer gebruiken kunnen."
+
+"Waar zijt gij daar toch mee bezig, Thomas?" vroeg zijne moeder.
+
+"Ik maak torretjes dood," was het antwoord. "O, ik heb er al een
+heelen boel kapotgemaakt."
+
+"Maar waarom maakt gij die arme diertjes toch dood? Ze hebben u immers
+geen kwaad gedaan."
+
+"Ik mag die torren niet lijden."
+
+"Dat is nog geen reden, Thomas; gij moet niet alles doodmaken wat gij
+niet lijden moogt. Als ze u bijten of steken, dan moogt gij ze dooden;
+maar dieren zonder reden te dooden is wreedheid."
+
+"Juno slaat ook wel vliegen dood," zei Thomas.
+
+"Ja, omdat dit somtijds noodig is; maar ze doodt ze zekerlijk niet
+alleen omdat ze juist niets beters te doen heeft. Vergeet niet,
+wat ik u gezegd heb, Thomas."
+
+
+
+
+
+
+
+ZES-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+NOG AL ANDER WERK.--FLINK VERVOLGT ZIJNE GESCHIEDENIS.
+
+
+"Welnu, Flink," vroeg mijnheer Wilson den volgenden dag, "wat moet
+nu na het ontbijt ons eerste werk zijn?"
+
+"Me dunkt, mijnheer, we gaan allen heen en verzamelen de takken en
+twijgen van de gevelde kokosboomen, om ze tot brandstof bijeen te
+hebben. Thomas en Juno hebben al een fikschen hoop opgestapeld en
+tegen den avond, denk ik, kunnen we een houtstapel klaar hebben,
+waarin de regen niet doordringen kan. Daarna zullen we een zoutpan
+aanleggen en ook een vischvijver, daar het weer ons toch wel niet
+toelaten zal voor langen tijd van huis te gaan. Dat zal ons voor 't
+minst eene week kosten; maar dan valt hier vooreerst ook weinig meer
+te doen. Ik geloof, dat wij het ergste van den regentijd reeds achter
+den rug hebben, over veertien dagen misschien reeds kunnen wij ons
+door het bosch wagen en gaan zien, hoe 't met onze schatten aan de
+landingsplaats gesteld is. We zullen de handen vol hebben met alles
+uit te zoeken en terecht te leggen, voordat het mooie weer terugkomt,
+en kunnen het dan dadelijk in onze boot hierheen brengen en in het
+pakhuis bergen."
+
+"En dan doen we eens een reisje over het eiland, niet waar,
+Flink?" vroeg Willem. "Ik verlang daar zeer naar."
+
+"Ja, Willem; maar dat zal wel het laatst aan de beurt komen; want we
+moeten er op rekenen, dat we twee of drie nachten van huis blijven,
+en daartoe moet het weder eerst vast en goed zijn.
+
+"Evenwel zullen wij het nog doen, voordat wij onze goederen in de
+boot hierheen brengen."
+
+"Maar hoe zullen wij met die zoutpan klaarkomen, Flink? Die moet
+immers in de harde rots worden uitgehouwen?"
+
+"Zeker, Willem; maar ik heb daartoe reeds drie of vier zoogenaamde
+steenbeitels uitgezocht,--weet gij, van die korte, dikke, van een
+scherp eind voorziene ijzeren staven, die ginds in ons magazijn
+liggen. Die nemen wij, met een stevigen hamer, en dan zal het werk ons
+gemakkelijker van de hand gaan, dan gij denkt, daar de koraalrotsen,
+die van buiten zoo hard schijnen, inwendig tamelijk broos zijn."
+
+De gansche dag werd verder besteed om de kokostakken tot eene groote
+mijt op te stapelen. Flink maakte die naar de wijze der gewone
+hooibergen van boven spits, zoodat de regen er op afloopen kon.
+
+"Ziezoo," zeide de oude man, toen hij eindelijk de ladder afkwam,
+"daar hebben wij nu een voorraad voor het volgende jaar. We hebben
+nog genoeg over, om er gedurende dezen regentijd mee toe te komen,
+en hebben wij eerst droog weder, dan kunnen wij later den benoodigden
+brand bijeenbrengen. Deze voorraad hier moet tot het naastvolgend
+regenseizoen bespaard blijven."
+
+De heer Wilson zuchtte en zijn gelaat betrok. Flink merkte dit en
+liet er dadelijk op volgen:
+
+"Onze voorzorg zal misschien overtollig zijn, mijnheer; maar
+niettegenstaande dat mogen wij ze toch niet verzuimen. Dat kapitein
+Osborn, als hij nog in leven is, naar ons zal laten zoeken, daar
+twijfel ik geen oogenblik aan, ja, ik geloof zelfs, dat Mackintosh
+het niet zal verzuimen. Maar daarbij moogt gij toch niet vergeten,
+dat allen kunnen vergaan zijn, terwijl wij zelven in het leven zijn
+behouden. Eene kleine boot geeft slechts weinig kans op behoud, als ze
+vele honderden mijlen van land is; en zijn ze werkelijk verongelukt,
+dan kunnen er misschien nog jaren verloopen, voordat wij door 't een
+of ander schip ontdekt worden."
+
+"Ja, Flink, zonder morren moeten wij ons in ons lot trachten te
+schikken. Ik heb er mijzelven reeds menigmaal om beschuldigd; maar
+zulke sombere gedachten komen toch dikwijls terug, ofschoon ik alle
+moeite doe, om ze te onderdrukken."
+
+"Dat vind ik zeer natuurlijk, mijnheer; maar ge moet toch altijd
+het beste hopen. Wildet ge u nog langer kwellen, ge zoudt daardoor
+volstrekt niets beter maken."
+
+"Dat gevoel ik wel, Flink; en als ik zie, hoe tevreden mijne vrouw
+onder al deze beproevingen is, dan erger ik mij nog meer over
+mijzelven."
+
+"Eene vrouw, mijnheer, weet het ongeluk altijd beter te dragen,
+dan een man. De vrouw is enkel liefde, en heeft zij echtgenoot en
+kinderen behouden om zich heen, dan zal zij zich genoegzaam overal
+gelukkig gevoelen. De mannen denken in dat opzicht echter geheel
+anders. Ze kunnen, gelijk gij thans, niet verdragen, zoo geheel van
+de wereld te zijn uitgesloten, en toch zouden zij zich misschien
+gelukkiger gevoelen niet met haar in aanraking te zijn, indien zij
+het maar goed wilden inzien."
+
+"Onze eerzucht is het, die ons ongelukkig maakt," antwoordde de
+heer Wilson. "Maar laat ons nu hiervan zwijgen. De zon is onder;
+wij zullen in huis gaan.--Kom, Willem!"
+
+Na het avondeten werd Flink door Willem gedrongen, zijne geschiedenis
+te vervolgen, wat hij dan ook met de volgende woorden deed:
+
+"Als ik 't wel heb, ben ik gebleven, waar de Hottentot, die de veekudde
+bewaakte, de bavianen, die ons zoozeer beangst hadden, verjoeg. Wij
+verlieten nu dadelijk het hol en zetten ons aan den voet van de rots
+neder, waar de Hottentot ons niet kon zien. Hier hielden wij nu eene
+soort van krijgsraad. Romer was er voor, dat wij terugkeeren en ons
+weer gevangen-geven zouden. Hij zeide, dat het onzinnig, dwaasheid
+was, zoo het land door te zwerven, zonder zelfs een wapen te hebben,
+om ons tegen de wilde dieren te verdedigen. Spoedig, oordeelde hij,
+konden wij nog in veel grooter gevaar komen, dan die ontmoeting met
+de apen geweest was. En waarlijk, de jongen had gelijk. Het zou zeker
+het verstandigst geweest zijn, wat wij in ons geval hadden kunnen
+doen; maar Hastings dacht, dat men ons uitlachen zou, en de vrees
+voor bespotting maakte dus, dat wij eindelijk besloten onze vlucht
+te vervolgen.
+
+"Onthoud wel, Willem, de vrees om uitgelachen te worden verleidt
+niet alleen jongens, maar zelfs volwassen mannen tot uiterst dwaze
+handelingen. Wij hadden verkeerd gedaan en wilden enkel uit vrees
+voor bespotting onze dwaling niet herstellen; ja, wij hadden zelfs
+besloten liever ons leven te wagen en ons alle gevaren te getroosten,
+dan te verdragen, dat men ons om onze dwaasheid, gelijk wij eigenlijk
+verdiend hadden, eens terdege uitlachte. Houd dit goed in uw geheugen,
+Willem, en laat u nooit door de vrees van belachelijk te worden
+verleiden tot iets, dat verkeerd is, of, hebt gij onrecht gedaan,
+u door die vrees afschrikken, om tot uw plicht te keeren."
+
+"Ik dank u voor den raad, vriend, en hoop dat Willem hem nooit
+vergeten zal," sprak mijnheer Wilson. "'t Gebeurt inderdaad meer,
+dat men door spot, dan door overreding tot een misstap verleid wordt."
+
+"Zoo is het mijnheer, en dit was dan ook de reden, waarom wij ons
+dolzinnig plan niet opgaven. Toen wij eens tot dit besluit gekomen
+waren, was het tweede punt van beraadslaging, hoe wij ons wapens
+zouden verschaffen, want zonder deze, begrepen wij wel, was er niets
+voor ons te hopen.
+
+"Terwijl wij daarover nog redeneerden, keek ik eens van achter de
+rots uit, om te zien waar de Hottentot wel mocht wezen. Ik bemerkte,
+dat hij zich in zijn mantel van schaapsvellen gewikkeld en op den
+grond te slapen gelegd had. De hottentotten gaan altijd gewapend
+uit, en zoo hadden wij bij het verlaten van de grot ook wel gezien,
+dat hij toen een geweer in de hand hield. Ik zeide dus tegen Romer
+en Hastings, dat, als de man sliep, wij misschien zijn geweer wel
+ongemerkt in onze handen konden krijgen.
+
+"Dat scheen een goede inval, en Hastings bood zich aan, om op
+handen en voeten naar hem toe te kruipen, terwijl wij achter de rots
+bleven. Uiterst voorzichtig sloop hij nader en vond den man, met het
+hoofd in den mantel, vast in slaap. Zoo had hij dus niets te vreezen,
+want de Hottentotten zijn vadzig en, eens in slaap, moeilijk wakker
+te krijgen, dat wisten we wel.--Hastings pakte eerst het geweer en
+bracht het in veiligheid; toen keerde hij terug, sneed den riem door,
+waaraan de Hottentot zijn kruithoorn en kogelzakje droeg, en kwam
+met alles weer bij ons, zonder dat de man een vinger verroerd had.
+
+"We waren opgetogen van blijdschap over dezen buit en besloten,
+heel zachtjes, op eenigen afstand van den man voorbij te sluipen,
+zoodat hij, ook als hij eens wakker werd, ons niet in het oog kon
+krijgen. Wij keken daarop overal rond, of we misschien ook iemand
+anders ontdekten, en gingen toen recht op de Tafelbaai aan, totdat
+wij op eenmaal voor eene breede rivier stonden.
+
+"Dat was een tweede gelukkige ontdekking, want we waren uitermate
+dorstig. Na gedronken te hebben, zooveel ons lustte, verborgen wij
+ons in de nabijheid van de rivier en hielden een maaltijd van den
+voorraad, dien wij hadden meegenomen."
+
+"Maar, Flink, deedt ge geen kwaad door den Hottentot zoo zijn geweer
+te ontstelen?" vroeg Willem.
+
+"Neen, Willem, in dat geval kon dat niet wel als diefstal beschouwd
+worden. We waren dus bijna evengoed in oorlog met het land, als op
+den tijd, toen men ons tot gevangenen maakte, en hadden ons geweer
+evenmin gestolen, als men van onze vijanden zeggen kon, dat zij ons
+schip gestolen hadden. Heb ik geen gelijk, mijnheer Wilson?"
+
+"Ja, dat komt mij wel zoo voor. Als twee natiën met elkander in
+oorlog zijn, wordt het wederzijdsch eigendom, als het in vijandelijke
+handen valt, steeds als buit beschouwd. [8] In uwe omstandigheden hadt
+gij alle recht om u alles toe te eigenen, wat gij kondet, als het u
+dienstig kon wezen tot de vlucht. Echter geloof ik, dat gij zedelijk
+misdaan zoudt hebben, als gij moord of ook slechts moedwilligen roof
+gepleegd hadt."
+
+"Juist zoo; maar we waren op onze vlucht in de noodzakelijkheid
+gekomen, om ons óf gevangen te geven óf hen, die ons grijpen wilden,
+te verslaan, en dan zou niemand ons beschuldigd hebben, als we onze
+tegenpartij verslagen hadden."
+
+"Toen ge eens gevangen waart, hadt gij, dunkt mij, ook het recht,
+om tot herwinning van uwe vrijheid zelfs het uiterste te baat te
+nemen. Zoo althans is het algemeen gevoelen."
+
+"Ja, mijnheer; maar nu verder. Wij wachtten den avond af en vervolgden
+toen onzen marsch naar de Valsche baai met allen spoed. Wij wisten,
+dat in het dal, of eigenlijk langs de berghelling, enkele boerenhoeven
+verstrooid lagen; daar hoopten wij, met goedheid of met geweld,
+nog twee geweren te krijgen.
+
+"Het was middernacht en de maan scheen helder, toen wij eindelijk
+het water van de Valsche Baai in de verte zagen blinken. Kort daarop
+hoorden wij het blaffen van een hond en ontdekten wij op niet verren
+afstand twee boerenhofsteden met hare veestallen en boomgaarden. Nu
+zagen wij naar eene plaats om, waar wij tot den morgen schuilen
+konden, en vonden eindelijk tusschen eenige rotsblokken een plekje
+juist zooals wij het wenschten.
+
+"Wij kwamen overeen, dat een van ons waken zou, terwijl de twee andere
+sliepen. Hastings nam voor ditmaal dien post op zich. Met het lichten
+van den dag wekte hij ons, en toen gingen we dadelijk aan het ontbijt,
+Uit onzen schuilhoek hadden we een bijna even ruim gezicht, alsof we
+als vogels door de lucht hadden gevlogen. De in de diepte liggende
+boerderijen, met al wat daar voorviel, konden we nauwkeurig opnemen.
+
+"De eene hoeve, die vlak onder ons lag, scheen ons veel kleiner toe,
+dan de beide andere, die we in de verte ontdekten. Wij wachtten,
+totdat wij de menschen buiten zagen komen. Na een half uur vertoonden
+zich eenige Hottentotten, en wij zagen hoe zij hunne ossen voor den
+wagen spanden. Er werden twaalf paar voorgespannen, en toen klom
+de Hottentotsche voerman op den wagen en sloeg den weg in naar de
+Kaapstad. Een Hottentotsche jongen en de groote hond gingen met
+hem mede.
+
+"Een poosje daarna dreef een andere Hottentot de koeien naar het dal,
+om te grazen; vervolgens kwam eene Hollandsche vrouw met twee kinderen
+buiten de deur en voederde het pluimgedierte.
+
+"Wij wachtten nog een uur langer; toen vertoonde zich de huisbaas
+zelf met eene pijp in den mond en zette zich op de bank voor het huis
+neder. Toen zijn pijpje uit was, riep hij, waarop eene Hottentotsche
+meid hem tabak en vuur bracht. Anders zagen wij niemand in de nabijheid
+en daaruit maakten wij op, dat de boer, zijne vrouw en de Hottentotsche
+meid met die beide kinderen de gansche bevolking van de boerderij
+zijn moesten.
+
+"Tegen twee uur 's middags bracht de man zijn paard buiten en reed
+weg. Wij zagen, hoe hij bij het wegrijden met de Hottentotsche vrouw
+sprak, en kort daarop ging deze met eene mand op het hoofd naar den
+kant van het dal.
+
+"Nu, zeide Hastings, was het tijd, om ons te roepen, want nu was er
+alleen nog maar eene vrouw in huis,--die wij gemakkelijk meester konden
+worden. Echter ging dit nog altijd met vrij wat gevaar vergezeld,
+want als zij gerucht maakte en wij vluchten moesten, konden wij licht
+gezien en weer opgevangen worden.
+
+"Wij zagen echter wel, dat er geene andere mogelijkheid voor ons
+bestond, en dus besloten wij omzichtig naar de hoeve af te dalen en
+van de gelegenheid zoo goed mogelijk gebruik te maken. Wij kropen langs
+den heuvel neder en bereikten onbemerkt de heg achter de woning. Hier
+lagen wij ruim een kwartier op de loer, toen wij, tot onze groote
+blijdschap, ook de vrouw, met een kind aan iedere hand, uit het huis
+zagen komen. Ze ging zekerlijk aan een van hare buurvrouwen een bezoek
+brengen, want ze sloeg den weg naar de verder gelegene hoeve in.
+
+"Zoodra zij eenige honderden passen ver was, kroop Hastings voorzichtig
+door de heg en sloop door de achterdeur in het woonhuis. Nu eenige
+oogenblikken vertoonde hij zich weer en wenkte ons, dat wij komen
+konden.
+
+"Wij vonden hem reeds in 't bezit van eene buks en van een geweer,
+die voor den schoorsteen op een rek gelegen hadden. In een ommezien
+namen wij ook de kruithorens en patroonstasschen, die op verschillende
+plaatsen aan den wand hingen, af en hingen die zelven om. Toen we
+deze in ons bezit hadden, plaatste Hastings mij als schildwacht aan
+de voordeur, opdat men ons niet onverhoeds overvallen zou, terwijl
+hij zelf met Romer naar levensmiddelen omzag. Zij vonden drie hammen
+en een brood, wel bijna zoo groot als een waschtobbe.
+
+"Hiermede ruim tevreden, besloten wij zonder lang te dralen, onzen
+schuilhoek weer op te zoeken. Wij tuurden naar alle kanten rond,
+maar ontdekten nergens een sterveling, zoodat wij aannemen konden,
+dat niemand ons gezien had.
+
+"Omstreeks midden op den heuvel verhief zich een steile, naakte
+rotswand, dien wij, om in het dal te komen, noodzakelijk over moesten,
+als wij ons niet al te dicht bij het boerenhuis wilden wagen. Na kort
+beraad kwamen wij overeen, dat het misschien beter zou zijn hem nog
+bij dag te beklimmen, zoodat wij deze zwarigheid op eenmaal overwonnen
+hadden en ook verder van de hoeve verwijderd waren. Wij volvoerden
+terstond ons besluit, vonden eene zeer veilige schuilplaats, waar wij
+ons nederlegden, om na zonsondergang onze reis naar de binnenlanden
+voort te zetten.
+
+"We hadden nog geen uur daar gelegen, toen we op den heuvel, dien
+wij verlaten hadden, het geschreeuw van onze goede vrienden de
+bavianen hoorden. Wij zagen, hoe zij op de boerderij aantrokken,
+in de vruchtboomen klauterden en elkaar met verwonderlijke vlugheid
+de vruchten toewierpen. De listige dieren hadden evengoed als wij
+afgeloerd, dat de kust vrij was, en wilden eene zoo goede gelegenheid
+niet ongebruikt laten.
+
+"Zij waren nog druk aan het werk, toen de Hottentot met de koeien in
+de verte aankwam. Zoodra hij het huis naderde, hieven zij allen een
+schellen kreet aan en maakten zich hals over kop uit de voeten. Na den
+herder zagen wij de boerin terugkomen; zij bleef slechts korten tijd in
+huis en kwam toen op eens met alle teekenen van schrik en ontsteltenis
+buiten de deur. Omtrent één uur vóór zonsondergang kwam de Hollandsche
+boer van zijn rit terug en na weinige minuten begrepen wij uit het
+luid gejammer en misbaar in huis, dat hij zijne vrouw sloeg; want,
+ziet gij, mijnheer (althans zoo stelden wij ons de zaak voor), doordat
+zij van huis was gegaan, hadden de apen 't gewaagd, den boomgaard
+te plunderen en ongetwijfeld dacht men, dat die viervoetige roovers
+ook de andere dingen, die in huis vermist werden, hadden meegepakt,
+daar het wel bekend is, dat zij alles nemen, wat zij krijgen kunnen.
+
+"Zoo waren de bavianen, die de arme vrouw zoo in pijn brachten,
+voor ons van groot nut, daar zij maakten, dat niemand iets van
+ons huisbezoek vermoedde en dus alle gevaar van vervolging van ons
+afweerden. Hoogst tevreden met den dienst, dien zij ons dezen avond
+deden, vergaven wij hun dan ook gaarne den angst, welken zij ons des
+morgens aangejaagd hadden.
+
+"Maar nu, beste Willem, wil ik voor ditmaal afbreken, daar ik zie,
+dat het onder mijn praten tamelijk laat is geworden. Het vervolg dus
+op een anderen avond."
+
+
+
+
+
+
+
+ZEVEN-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+KROKODILLEN, HAAIEN, HYENA'S.
+
+
+Wij verlieten onze vrienden op den avond van den dag, toen zij hun
+stapel brandhout tegen het volgende regenseizoen tot stand gebracht en
+zich het spoedig aanleggen van een vischvijver en van eene zoutpan
+voorgenomen hadden. Met den eersten werd ook reeds dadelijk den
+volgenden morgen een begin gemaakt. Flink, mijnheer Wilson en zijn
+zoon gingen gezamenlijk naar het strand en kozen, na lang zoeken,
+ongeveer honderd schreden van den schildpadvijver, eene plaats, die
+hun tot dit doel het meest geschikt voorkwam. Het water was daar vrij
+ondiep, zoodat op het punt, dat het verst van den oever verwijderd was,
+de diepte niet meer dan drie voet bedroeg.
+
+"Wij hebben hier dus een heel gemakkelijk werk, mijnheer," begon
+Flink. "Al wat we te doen hebben is, dat we steenen en kleine
+rotsblokken verzamelen en die zoo op elkaar stapelen, dat ze
+binnenwaarts als een muur staan, maar naar buiten schuins afloopen,
+om de kracht van de zee te breken, als die onstuimig is. Het water
+zal natuurlijk altijd tusschen de steenen heenspoelen en zoo gedurig
+ververscht worden. 't Is waar, we kunnen meestal wel visch vangen,
+als we die noodig hebben, maar we hebben niet altoos tijd daartoe
+te missen, en zoo is het dus beter een vasten voorraad te hebben,
+waarover we ieder oogenblik beschikken kunnen. Ze vangen en hier in
+den vijver overplanten, kunnen we zoo dikwijls als er niets anders
+te doen valt. Dan kan Juno naderhand altijd maar heengaan en er met
+een spies een uitprikken, als wij niet thuis zijn en zij iets voor
+de keuken noodig heeft. Het is altijd goed, dat men een voorraad
+mondkost tot zijne beschikking klaar heeft."
+
+"Maar, Flink, hier in het rond zie ik slechts weinig steenen; hoe
+maken wij het, om die van zoo ver te halen?" vroeg Willem.
+
+"Daartoe zullen wij onze handkar nemen; daar kan een goede voorraad
+in ééne vracht op."
+
+"Maar hoe ze daarop te houden, Flink?"
+
+"Wij binden eene ton aan de as vast. Ik zal dat dadelijk in orde
+brengen, en kom er dan mee hier. In dien tusschentijd kunt gij met
+uw vader al de steenen oprapen, die hier voor de hand liggen."
+
+De oude man kwam weldra met de kar terug, waaraan hij een vat werkelijk
+zeer handig had vastgemaakt; en met behulp van dit voertuig zagen
+zij nu, dat het bijeenbrengen van steenen hun slechts weinig moeite
+behoefde te kosten. Vader en zoon voerden de bouwstoffen aan, en
+Flink stond in het water, om den muur op te trekken.
+
+"Wij hebben tot hiertoe een ander werk geheel vergeten, wat we toch
+niet verzuimen moesten, mijnheer," zeide Flink, "en de vischvijver
+herinnert mij daaraan."
+
+"En dat is, Flink?"
+
+"Eene badplaats voor de kinderen, of eigenlijk voor ons allen, groot
+en klein. Als de heete dagen aankomen, zullen wij daar behoefte
+aan hebben, maar tegen dien tijd kunnen we er ook gemakkelijk mee
+klaarkomen. Hier, waar het zoo ondiep is, loop ik geen gevaar en kan ik
+gerust aan mijn muur voortbouwen; maar als het water mij tot over de
+knieën kwaam, zou ik mij wel zorgvuldig in acht nemen; want gij hebt
+er geen denkbeeld van, mijnheer, hoe stout en roofzuchtig de haaien
+onder deze breedte zijn. Toen ik de laatste maal op St. Helena was,
+hadden we daar nog een treurig bewijs van."
+
+"Vertel het ons toch eens, Flink," riep Willem.
+
+"Ja zie, ik had zelf niet gedacht, dat het mogelijk was. Ik weet een
+geval van dien aard, toen ik in Oost-Indië was, doch dat was niet
+met een haai, maar met een kaaiman. Een Hollander stond op zekeren
+dag aan het strand en vischte in de haven. Daar komt een kaaiman of
+krokodil regelrecht op hem toezwemmen, totdat hij met zijn snuit nog
+maar een paar voet van den visscher af is. De Hollander stoort zich
+daar echter niet aan, want daar hij op den vasten wal staat, vreest
+hij geen gevaar van het monster. Dit keert zich op eens om, slaat
+met zijn staart den armen man van den oever weg, zoodat hij in zee
+tuimelt, en daar pakt het den ongelukkige aan en duikt met hem onder."
+
+"Vreeselijk! Maar een haai kan toch zoo iets niet doen: kan hij wel,
+Flink?"
+
+"Dat zult gij hooren, mijnheer. Er stonden twee soldaten op Sint
+Helena op een rots vlak aan zee. De rots was nog wel boven het water,
+doch daar de vloed opkwam, sloeg de branding er toch reeds nu en
+dan overheen. Daar kwamen twee haaien op hen toezwemmen, juist als
+die kaaiman, waarvan ik u verteld heb; de een werpt zich plotseling
+om en slingert met een slag van zijn staart een van de soldaten
+in het water, dat zeer diep was. De kameraad van den ongelukkige
+kwam doodelijk ontsteld naar de kazerne loopen, om het gebeurde te
+vertellen. Omtrent eene week later ontdekte men van een schoener in
+de Zandbaai aan de andere zij van het eiland een geweldig zwaren haai
+bij het roer van het schip. Al spoedig werd er een haak uitgeworpen
+met een dik stuk spek daaraan vast, en de knaap raakte gevangen. De
+matrozen sneden hem de buik open en vonden met ontzetting het gansche
+lichaam van den verongelukten soldaat van het hoofd tot aan de knieën
+in zijne maag. Het gedrocht had hem ingeslokt, met uitzondering van
+de beenen, die 't bij 't sluiten van zijne geweldige kinnebakken
+had afgebeten. Ik zag de maag en de ruggegraat van het beest in de
+kazerne, en 't was zekerlijk het grootste monster van die soort,
+dat ik mijn leven lang nog ergens gezien had."
+
+"Ik had niet gedacht, dat die dieren zoo stoutmoedig waren."
+
+"Wat ik u vertelde, mijnheer, is de zuivere waarheid, waarvoor ik kan
+instaan; en daarom kunnen we niet te voorzichtig wezen, als wij in
+het water gaan. Gij hebt immers zelf gezien, hoe schielijk die haai
+het arme varken binnen had."
+
+"En ik mocht toch wel eens weten, hoe het met onze varkens staat,
+Flink," sprak Willem haastig.
+
+"Naar ik gis, zullen ze thans wel biggen hebben; aan voedsel ontbreekt
+het hun zeker niet."
+
+"Kunnen ze dan kokosnoten vreten?"
+
+"De oude zeker niet; maar er vallen immers dagelijks jonge kleine
+noten van de boomen en daar zijn ze zeer graag op. Ook vinden ze
+wortels in overvloed. Als we nog eenigen tijd hier zijn, kunnen we een
+goede jacht op hen maken. Dan dienen we evenwel op onze hoede te zijn,
+Willem; want toen we de varkens aan wal brachten, waren ze wel mak,
+doch in zeer korten tijd worden ze wild en gevaarlijk. Een wild zwijn
+is altijd een vreeselijk dier."
+
+"Dat geloof ik wel," sprak de vader. "Maar hoe zullen wij jacht op
+hen maken?"
+
+"Wel, met de honden mijnheer, die hen opjagen, zoodat wij hen onder
+het schot krijgen. Ik ben blij, dat onze Vixen eerlang kleintjes te
+wachten heeft; we zullen meer honden kunnen gebruiken."
+
+"Ik ben maar bang, dat we zoodoende meer honden krijgen, dan we
+behoorlijk voeden kunnen."
+
+"Wees daar niet bezorgd voor, mijnheer, zoolang wij de zee hebben,
+om ons visch te leveren. Honden houden veel van visch, zelfs als die
+rauw is. In de noordelijke landen krijgen ze zelden iets anders."
+
+"We zullen ook spoedig jonge lammeren krijgen,--is 't niet zoo, Flink?"
+
+"Ja, mij dunkt, dat houdt niet lang meer aan. Ik wenschte, dat wij
+meer voeder voor die dieren hadden: tegenwoordig vooral is het nog een
+schrale tijd voor hen. Aanstaande jaar, als wij meer voeder vinden,
+moeten wij het gras inzamelen, om hooi te hebben tegen den winter, of
+liever tegen den regentijd, want een winter kennen wij hier niet. Ik
+ben vast overtuigd, dat wij aan den zuidkant van ons eiland meer
+vlak land zullen vinden, daar het kokosbosch zich daar zeker niet,
+zooals hier in het noorden, tot aan zee uitstrekt."
+
+"Ik brand van verlangen, om eindelijk eens een ontdekkingsreisje te
+doen," zeide Willem.
+
+"Nog een weinig geduld, vriendje," hernam de oude man, "en dan weet
+ik nog niet zeker, of gij wel meegaat; want wij mogen toch niet alle
+drie tegelijk gaan en uwe moeder alleen laten."
+
+"Neen," zeide mijnheer Wilson, "dat zou zeker niet goed zijn. Een
+van ons moet thuis blijven, gij of ik."
+
+Willem gaf geen antwoord; maar men kon duidelijk bemerken, dat de
+gedachte, dat hij misschien niet van de partij zou zijn, hem weinig
+behaagde.
+
+Zij arbeidden den ganschen dag ijverig door, en de steenen omwalling
+van den vijver rees spoedig boven het water op. Met zonsondergang
+staakten zij het werk en keerden naar huis terug.
+
+Na het avondeten vatte Flink den draad van zijn verhaal weder op
+en vervolgde:
+
+"Wij hielden ons schuil, totdat het donker was, toen wij opbraken en
+onze reis voortzetten. Hastings en Romer droegen ieder een geweer op
+den schouder en een ham op den rug. Ik, als de kleinste, had de buks
+en het groote brood te dragen. Door dit laatste had ik daarvoor een
+gat geboord en er een touw doorgehaald, zoodat ik het met gemak op
+den rug dragen kon.
+
+"Ons plan was, ons naar het noorden te wenden, daar we wisten dat we
+ons in die richting van de kolonie verwijderden, doch Hastings had
+beslist, dat we eerst oostwaarts marcheeren en een omweg maken zouden,
+om onzen vervolgers niet misschien in den mond te loopen. Wij kwamen
+door de diepe zandvlakte van den baai. Toen deze allengs begon te
+rijzen, vertoonde zich meer struikgewas en kreupelhout; doch nergens
+ontdekten wij een spoor van aanbouw, en sedert wij de baai achter
+ons hadden, kwamen wij ook geen enkel huis of hof meer voorbij. Tegen
+twaalf uur in den nacht waren wij zeer vermoeid en snakten naar een
+dronk water, maar konden nergens iets ontdekken, hoewel de heldere
+maneschijn het bijna zoo licht voor ons maakte als midden op den
+dag. Daarentegen hoorden we zeer duidelijk, en dat beviel ons in
+'t geheel niet, het aanhoudend loeien en brullen der wilde dieren,
+dat toenam hoe verder we kwamen. Evenwel kregen we geen beest te zien,
+en dat was nog een troost voor ons.
+
+"Ten laatste waren wij zoo afgemat, dat we ons allen op eene rots
+nederzetten. Ons te slapen leggen, durfden wij niet. Zoo bleven wij
+wakker tot aan den morgen en luisterden naar het gehuil en geloei. Ook
+sprak niemand van ons een enkel woord, en ik ben verzekerd, dat
+Hastings en Romer innerlijk hetzelfde dachten als ik en wel gaarne
+gewenscht hadden, dat wij allen weer veilig en wel tusschen de muren
+onzer gevangenis zaten.
+
+"Eindelijk brak echter toch de dag aan; de wilde dieren werden nu
+stil. Wij gingen voort, totdat we aan een stroom kwamen, waar we
+nederzaten en iets tot ontbijt namen. Eerst toen dit gedaan was,
+keerde ook onze moed terug. Wij braken op en lachten en praatten
+onderweg, zooals wij vroeger ook gedaan hadden.
+
+"We begonnen nu de bergen te beklimmen, die naar het zeggen van
+Hastings, de Zwarte Bergen zijn moesten, waarvan de soldaten ons
+zooveel verteld hadden. Ze mochten wezen en heeten hoe ze wilden,
+maar ze waren heel dor, bar en akelig. Toen de nacht viel, gingen
+wij aan het hout sprokkelen en sneden met onze messen takken af,
+om een vuur aan te leggen, dat we noodig hadden, niet alleen om ons
+te verwarmen, maar ook om de wilde dieren af te weren, wier gehuil
+zich alweer overal hooren liet.
+
+"In den loop van den dag hadden wij er reeds twee of drie gezien,
+die zich op de vlakke rots in de zon lagen te koesteren. Een was
+een panter geweest. We hadden onze geweren geladen, doch onder het
+voorbijgaan liet hij ons slechts zijn witte tanden zien, maar bewoog
+zich niet. De andere waren te ver van ons af, dan dat wij hen duidelijk
+hadden kunnen onderscheiden.
+
+"Zoo staken we dan ons vuur aan en gebruikten ons avondmaal. Van
+het brood was nog maar de helft over. Ook de ham was al duchtig
+aangesproken, zoodat wij wel begrepen, dat wij spoedig alleen op onze
+geweren zouden te rekenen hebben, om ons voedsel te verschaffen. Zoodra
+wij verzadigd waren, legden wij ons dicht bij het vuur neer. Onze
+geweren hadden wij geladen bij ons; onze kruitvoorraad lag zoo ver
+van het vuur, dat daarvan geen ongeluk te vreezen was. Bij onze
+vermoeidheid lagen wij weldra alle drie vast in slaap. De afspraak
+was wel, dat eerst Romer, dan Hastings en eindelijk ik de wacht zou
+houden, maar Romer sliep vast in en het gevolg daarvan was, dat ons
+vuur niet onderhouden werd.
+
+"Het was omtrent middernacht; toen ik door iets dat mij heet in het
+gezicht ademde, gewekt werd; en ik had pas mijne zinnen bij elkaar
+en de oogen geopend, of ik voelde, dat ik bij mijn broeksband werd
+opgetild en de tanden van een dier in mijn vleesch drongen. Ik zocht
+mijne buks te grijpen, maar stak de verkeerde hand uit en kreeg zoo
+een nog brandend stuk hout te vatten, waarmee ik mijn vijand naar de
+oogen stiet. Hij liet mij oogenblikkelijk los en liep heen."
+
+"Aan welk een groot gevaar zijt gij daar ontkomen!" riep mevrouw
+Wilson uit.
+
+"Ja, waarlijk, mevrouw; want het beest was een hyena. Gelukkig is
+dat woeste dier eigenlijk van een lafhartigen aard; maar had ik dat
+brandende hout niet gepakt, dan had het gedrocht mij zeker weggedragen,
+want ik was destijds bijzonder klein en teer en het tilde mij van
+den grond op, alsof ik maar een veer geweest was.
+
+"De gil, dien ik gaf deed Hastings ontwaken, die zijn geweer greep en
+op goed geluk vuur gaf. Ik was doodelijk ontsteld, zooals ge u wel
+kunt voorstellen. Wat Romer aangaat, die werd eerst wakker, toen we
+hem duchtig schudden, zoo vast was hij in de rust. Deze ontmoeting
+maakte ons natuurlijk voorzichtiger en in het vervolg legden wij
+altijd twee vuren aan, waartusschen wij sliepen en een van ons moest
+bestendig wacht houden.
+
+"Zoo ging het eene volle week voort. Zoodra wij eindelijk het gebergte
+beklommen hadden, richten wij ons naar het noorden. Wij hadden thans
+kreupelbosch en rotsen achter ons en zagen eene wijde vlakte voor
+ons. Onze voorraad was geheel op; één dag moesten wij zelfs van den
+ochtend tot den avond geheel vasten. Wij doodden echter spoedig eene
+antilope, die men daar te lande een springbok noemt, en dit gaf ons
+voedsel voor vier of vijf dagen. Over het geheel ontbrak het volstrekt
+niet aan wild, zoodra wij maar in de vlakte waren.
+
+"Maar wacht, daar vergat ik u te vertellen, hoe wij nog eens aan een
+dreigend gevaar ontkwamen. Nog voordat wij het vlakke veld bereikten,
+hadden wij een groot bosch door te trekken, dat zich langs het
+gebergte uitstrekte. We hadden tot aan den middag geloopen en waren
+moe en af. Wij besloten ons middagmaal te gebruiken onder een grooten
+boom en wierpen ons daar in de schaduw op den grond neer. Hastings
+lag op zijn rug en keek in den boom op.--Daar ontdekte hij op eens,
+boven zijn hoofd op een lagen tak, een panter, die zich daar op zijn
+gemak had neergevleid. Met zijn groene, flonkerende oogen keek hij
+ons aan en scheen gereed om op ons neer te springen.
+
+"Hastings greep naar zijn geweer en drukte oogenblikkelijk op het dier
+los; want tot lang mikken was geen tijd meer over. De kogel drong den
+panter door het lijf en trof, naar het scheen ook zijne ruggegraat. Hij
+plofte met luid gebrul op den grond neer, op een afstand van niet
+meer dan drie of vier voet van ons af. Op de aan die dieren eigene
+wijze kromde hij zich nu, om op Romer los te springen,--maar hij kon
+niet meer: zijne ruggegraat was verbrijzeld en hij had alle kracht
+in het achterlijf verloren. Hij wilde zich oprichten, maar zonk
+dadelijk weer achterover neer. Nooit in mijn leven heb ik zooveel
+razernij en woede in een schepsel gezien. Wij waren in den beginne
+te hevig verschrikt, om aan vuren te denken; doch toen wij zagen,
+dat het beest niet springen kon, rukte Hastings den sidderenden Romer
+zijn geweer uit de hand en schoot den panter dwars door den kop.
+
+"Wij waren nu genoodzaakt om tot onderhoud van ons leven op de jacht
+te gaan en werden daardoor van dag tot dag stouter. Onze kleeren waren
+alle in flarden gereten; maar we hadden overvloed van kruit en lood,
+en op de vlakte liepen antilopen en hertebokken bij honderden rond,
+soms in zulke troepen, dat wij ze onmogelijk tellen konden.
+
+"Aan levensmiddelen ontbrak het ons dus volstrekt niet; maar daarvoor
+bracht deze overvloed van wild ons in een nog veel grooter gevaar,
+want nu voor de eerste maal hoorden wij iederen nacht het gebrul der
+leeuwen. Van alle geluiden, die ik ooit hoorde, is dit naar 't mij
+voorkomt wel het allerschrikkelijkste. Wij legden groote vuren aan,
+om hen van ons verwijderd te houden, maar toch kan ik u verzekeren, dat
+we dikwijls nog rilden en beefden, als ze in onze nabijheid kwamen."
+
+"Hebt gij ooit van die dieren bij dag ontmoet, Flink?" vroeg Willem.
+
+"O ja, wij zagen er dikwijls een, doch ze vielen ons toch nooit aan
+en wijzelven waren te bang voor hen, om op hen te vuren. Eens kregen
+wij van heel nabij met zulk een leeuw te doen. Wij hadden een hert
+geschoten en met onze geweren over den schouder drongen wij door het
+hooge gras naar de plaats, waar het liggen moest. Toen wij de plek
+naderden, hoorden wij een gebrul en zagen ons opeens nauwelijks tien
+passen van een leeuw verwijderd, die bij het dier, dat wij gedood
+hadden, op den grond lag. Zijne oogen schoten vuur op ons en hij
+had zich reeds half opgericht, om op ons los te springen. Wij gingen
+allen op den loop, zoo hard als wij konden. Ik had geen moed om naar
+hem te zien, totdat ik geheel buiten adem was geloopen. De leeuw was
+tevreden met onze overhaaste vlucht en nam de moeite niet om ons
+te vervolgen. We moesten dien nacht ons met een hongerige maag te
+slapen leggen.
+
+"We hadden nu zoo al drie weken omgezworven, zonder eigenlijk
+te weten waar of waarheen. Slechts zooveel konden we nagaan, dat
+we eene noordelijke richting gehouden hadden. Wij waren vreeselijk
+vermoeid en uitgeput en kwamen allen overeen, dat wij eene zeer dwaze
+daad begaan hadden en heel blij zouden zijn, als wij den terugweg
+konden wedervinden. Wij trokken den ganschen dag samen voort, zonder
+elkander een woord toe te spreken, dan bij gelegenheid als zich
+eenig wild vertoonde. Ik voor mij was zoo bedrukt en moedeloos, dat
+ik mij maar liefst op den grond neergelegd zou hebben om dadelijk te
+sterven. Het brullen van de leeuwen was mij volstrekt onverschillig
+geworden en ik verlangde soms bijna zelfs, dat een mij oppakte en
+mij maar schielijk verslond.
+
+"Daar ontmoetten wij onverwacht een troep inboorlingen. Wij konden niet
+met elkander spreken, maar zij schenen zeer goedig en vriendschappelijk
+jegens ons gezind. Zij behoorden tot de stam der Karroos, want zij
+wezen op zichzelven en spraken het woord: "Karroos," en dan wezen
+zij op ons en zeiden: "Hollanders!" Wij schoten eenig wild en gaven
+hun dat, waarmede zij zoo waren ingenomen, dat zij vijf of zes dagen
+bij ons bleven.
+
+"Wij zochten door teekens van hen te vernemen, of zich ook een
+Hollandsche post of Hoeve in de nabijheid bevond. Zij begrepen ons
+en gaven ons een toestemmend antwoord, terwijl zij de plaats, als
+noordoostelijk gelegen, met den vinger aanwezen. Wij boden hun een
+geschenk aan, als zij ons den weg wilden wijzen; want wij hadden
+besloten ons weder aan de Hollanders over te geven en in onze
+gevangenis terug te keeren.
+
+"Twee van de mannen toonden zich bereid om met ons mede te gaan. De
+overigen van de stam trokken met vrouwen en kinderen naar het
+zuiden. Den volgenden dag kwamen wij aan een Hollandschen post,
+die Graaf Reinet heette en uit drie of vier hoeven bestond. Wat ons
+verder overkwam, hoort gij op een anderen avond, Willem; want het is
+nu al laat en hoog tijd om te gaan slapen."
+
+
+
+
+
+
+
+ACHT-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+WILLEM WORDT ZIEK.--DE ADERLATING.--FLINKS VERDERE ONTMOETINGEN.
+
+
+Het aanleggen van den vischvijver ging vlug voort en op den derden dag
+was het werk bijna gereed. Zoodra de vier wanden stonden schepte Flink
+zand en gruis uit, zoodat de vijver overal nagenoeg even diep was en
+de visschen dus zooveel water hadden, dat de meeuwen en fregatvogels
+niet neerschieten en hen als prooi meevoeren konden.
+
+Terwijl Flink aldus bezig was, brachten vader en zoon nog meer steenen
+bijeen, opdat de vijver in vier deelen kon worden afgescheiden,
+waarvan het een echter met het ander in verbinding stond. De binnen-
+zoowel als de buitenmuren of wallen werden echter breed genoeg gemaakt,
+dat men daarop loopen kon, en daardoor werd het mogelijk, de visschen,
+wanneer men ze noodig had, alle met den haak te bereiken.
+
+Den dag, nadat de vijver voltooid was, sloeg het weer andermaal om;
+doch de stormvlagen waren thans op verre na zoo hevig niet als bij
+het begin van den regentijd. De regen viel wel in stroomen neer,
+maar was niet meer van zulke vreeselijke bliksem- en donderslagen
+vergezeld. Ook duurden de stormvlagen niet meer zoo lang, maar hadden
+doorgaans reeds na weinige uren uitgewoed. Zoo dikwijls de lucht eens
+weer opklaarde, ging men aan het visschen en had in korten tijd zulk
+eene menigte bijeen, dat de vijver daarvan zeer rijkelijk voorzien was.
+
+Daar had opeens iets plaats, dat alle leden onzer kleine kolonie in
+eene hooge mate verontrustte. Op zekeren avond namelijk voelde Willem
+zich ongesteld, werd koud en huiverig en klaagde vooral over zware
+hoofdpijn. Flink had beloofd op dien avond met zijne geschiedenis
+voort te gaan, maar Willem was te ziek om op te blijven. Hij werd te
+bed gebracht en lag den volgenden morgen in eene hevige koorts.
+
+Zijn vader maakte zich zeer ongerust, want het liet zich van uur tot
+uur zorglijker aanzien. Flink had dien nacht bij den zieke gewaakt,
+doch ging thans met den beangsten vader naar buiten, om met dezen
+over den toestand van zijn zoon te spreken.
+
+"Dat is een erg geval, mijnheer," begon de brave oude man. "De arme
+jongen heeft gisteren onder het werk zijn hoed afgezet en, naar ik
+vrees, daardoor een zonnesteek gekregen. Het is maar ongelukkig,
+dat wij niet iemand hebben, die hem eens laten kan."
+
+"Ik heb een lancet," antwoordde mijnheer Wilson: "maar ik heb van
+mijn leven nog geene aderlating gedaan."
+
+"Ik evenmin, mijnheer; maar als gij een lancet hebt, houd ik het
+voor onzen plicht het te wagen. Als gijzelf u daartoe niet geschikt
+gevoelt, wil ik althans mijn best doen. Het is immers eene zeer
+eenvoudige operatie."
+
+"Ja, Flink, een van beiden moet er toe overgaan, dat zie ik wel in."
+
+"Misschien is mijn hand in dat geval vaster dan de uwe," hernam de
+zeeman. "Ik vrees niets zoozeer, dan dat de koorts naar het hoofd
+overslaat."
+
+"Ja, Flink, ik moet erkennen, het is mij liever als gij de proef nemen
+wilt," antwoordde de vader. "Mijne hand zou allesbehalve vast zijn;
+ik beef immers nu reeds voor mijn dierbaar kind!"
+
+Beiden keerden naar het bed van den zieke terug. Mijnheer Wilson zocht
+zijn lancet, en Flink bond Willem onderwijl den arm. Zoodra de ader
+gezwollen was, hield hij die met zijn duim vast, en dadelijk gelukte
+de eerste proef hem volkomen.
+
+Op Flinks raad werd den lijder eene aanmerkelijke hoeveelheid bloed
+afgetapt, en deze scheen zich daardoor zeer verlicht te gevoelen.
+
+Zijn arm werd nu zorgvuldig verbonden, hij dronk nog wat water,
+waarnaar hij verlangd had, en legde zich toen op zijn kussen neder.
+
+Den volgenden dag was de koorts bijna nog heviger dan te voren. Willem
+werd andermaal gelaten, en zijne beangste moeder waakte aan zijn
+bed en smolt weg in tranen. De arme jongen verkeerde eenige dagen
+in groot gevaar. In het anders zoo vroolijke en levendige huis was
+alles nu even stil en somber.
+
+Het weder werd intusschen van dag tot dag zachter en fraaier, en het
+was bijna onmogelijk den wilden Thomas bedaard in huis te houden. Juno
+ging elken morgen met hem en den kleinen Albert eene wandeling doen
+en hield hem onder haar werk bij zich. Gelukkig had Vixen jongen
+geworpen, en als de goede meid de kleinen niet meer zoet kon houden,
+bracht zij hun twee van de kleine hondjes, om daarmee te spelen. De
+zachte, stille Caroline zat heele dagen in de kamer en hield de hand
+harer lieve moeder in de hare, of paste Willem op en zat met haar
+naaiwerk voor zijn bed.
+
+Flink kon onmogelijk langer ledig blijven; hij nam dus hamer en beitel
+en werkte zoo dikwijls aan de zoutpan, als men zijne diensten in huis
+niet noodig had. Terwijl hij daar zoo op de rotsen bikte, waren zijne
+gedachten gedurig met Willem bezig, dien hij om zijn vriendelijken
+aard en helder verstand liefhad, alsof hij zijn eigen kind was.
+
+Op den negenden dag had eene merkbare verandering ten goede plaats
+en was de koorts veel minder hevig. Na korten tijd had deze geheel
+opgehouden; maar de zieke was zoo zwak, dat hij zich de eerste twee
+of drie dagen nog niet zonder hulp in zijn bed oprichten kon. Eerst
+veertien dagen, nadat de koorts verdwenen was, was hij weder in staat,
+om het huis te verlaten.
+
+De vreugde, die bij deze verandering in het gezin heerschte, kan men
+zich beter voorstellen dan beschrijven.
+
+Daar men gedurende de herstelling van den zieke toch niet wel iets van
+belang ondernemen kon, besloten mijnheer Wilson en Flink, die thans
+weder met opgeruimde harten aan den arbeid gingen, daar de zoutpan
+gereed was, nu ook eene badplaats aan te leggen. Juno was hun daarbij
+behulpzaam en wist zich inderdaad zeer nuttig te maken, daar zij vol
+ijver met de kar de benoodigde steenen en rotsblokken aanvoerde. Ook
+Thomas werd mede naar het werk genomen, opdat men in huis geen last
+van hem zou hebben, terwijl de moeder en Caroline den zieke oppasten.
+
+Toen Willem eindelijk kon uitgaan, was ook de badplaats in orde, zoodat
+men thans niet meer van de haaien te vreezen had, Willem kwam met zijne
+moeder aan het strand en verheugde zich zeer over het volbrachte werk.
+
+"Nu, Flink," zeide hij tot dezen, "nu hebben wij hier om het huis
+alles in orde gebracht. Wat ons nu nog te doen staat, is een tochtje op
+het eiland en naar onzen voorraad bij de landingsplaats te gaan zien."
+
+"Gij hebt gelijk, Willem; het weder is zoo mooi geweest, dat wij het
+over weinige dagen wel wagen kunnen; doch in geen geval, voordat
+gij wat sterker zijt, want ge moogt niet bij uwe moeder alleen
+achterblijven, zoolang gij niet volmaakt wel zijt."
+
+"Wat, Flink, bij moeder blijven! Ik dacht, dat ik mee zou gaan?"
+
+"Neen, beste Willem, dat kan nu niet gebeuren. Stel u eens voor,
+wij werden door een storm overvallen: gij werd doornat en moest in
+uwe natte kleeren slapen,--hoe licht kon de koorts dan terugkomen, en
+dan waart gij ver van huis verwijderd. Gij moet nog langen tijd heel
+voorzichtig zijn, mijn goede jongen. Kom, ga daar op die rots zitten,
+dan kunt ge de frissche zeelucht inademen, en die zal u goeddoen:
+maar ge moogt niet te lang stilzitten."
+
+"O, ik zal mijne vorige krachten spoedig terug hebben, Flink."
+
+"Daar twijfel ik ook niet aan, beste Willem; en waarlijk, we hadden
+u bezwaarlijk kunnen missen. Ik zal eene schildpad uit den vijver
+meenemen, want ge moet thans krachtig voedsel hebben om spoedig weder
+flink en sterk te worden.--"
+
+"Het is al lang geleden, dat we niets meer van uwe historie te hooren
+kregen," begon Willem, nadat het avondeten was afgeloopen; "ik zou
+gaarne hebben, dat ge er thans mee voortgingt, want het luisteren
+vermoeit mij nu zeker niet meer."
+
+"Van harte gaarne," antwoordde de oude man; "maar kunt ge mij nog
+zeggen, waar ik gebleven ben?--Mijn geheugen is niet meer van de
+beste."
+
+"O ja, Flink, weet gij niet, gij waart in gezelschap van die wilden
+op een Hollandschen post aangekomen, die, als ik goed onthouden heb,
+Graaf Reinet heette."
+
+"Juist, juist, mijn jongen. Welnu dan, zoodra hij ons zag aankomen,
+kwam de Hollandsche boer uit zijn huis en vroeg ons wie wij waren. Wij
+vertelden hem, dat wij Engelsche gevangenen waren, die zich weder
+aan de overheid wenschen uit te leveren.
+
+"Hij nam ons de wapens af, en zeide dat hij in dit deel des lands de
+overheid was, die te bevelen had,--hetgeen wij weldra ondervonden,
+dat ten volle waarheid was. "Zonder wapens en munitie zult gij zeker
+niet wegloopen," vervolgde hij. "Naar de Kaap kan ik u deze eerste twee
+maanden nog niet opzenden, en dus, als ge goed te eten wilt hebben,
+moet ge daarvoor ook braaf voor mij werken.
+
+"Wij gaven ten antwoord dat wij heel gaarne in alles ons best zouden
+doen. Hij zond ons daarop een Hottentotsch meisje, dat ons iets te
+eten bracht en ons een klein hok aanwees, waar wij met ons drieën
+slapen konden.
+
+"Wij merkten voor 't overige al spoedig, dat wij met een ruw,
+onbeschoft mensch te doen hadden, die ons zwaar werk in overvloed,
+maar daarvoor bitter weinig te eten gaf. Hij wilde ons onze geweren
+niet weder toevertrouwen, en zoo zond hij zijne Hottentotten met
+het vee uit; maar daarvoor moesten wij in den omtrek van het huis
+zwaren arbeid doen, en ten laatste behandelde hij ons zelfs wreed en
+kwaadaardig. Wanneer hij voor de Hottentotten en de andere slaven,
+die hij in menigte hield, niet meer te eten had, placht hij met andere
+boeren, die in de buurt woonden, op de jacht te gaan en quagga's
+voor hen te schieten. Niemand dan een Hottentot kan nochtans van zulk
+vleesch eten."
+
+"Wat is een quagga?"
+
+"Een wilde ezel, voor een gedeelte gestreept, doch niet zoo fraai als
+de zebra, 't Is een recht sierlijk dier, maar zijn vleesch is ellendig
+slecht van smaak. Verbeeld u nu, mijnheer, hij wilde ons ten laatste,
+evenals aan de Hottentotten, ook niets anders dan quaggavleesch te
+eten geven, terwijl hij met zijne familie--want hij had eene vrouw
+met vijf kinderen--schapen en geitenvleesch in overvloed had, wat
+werkelijk eene heerlijke kost is.
+
+"Wij verzochten hem, ons een geweer te geven, opdat we ons beter
+voedsel verschaffen konden; doch hij roste Romer zoo onbarmhartig af,
+dat hij in geen twee dagen een lid verroeren kon. De arme Hottentotten
+en de slaven kregen bijna dag aan dag slaag. Hij bediende zich daartoe
+van een zweep, die uit het vel van een rhinoceros gesneden was; en
+dat was een vreeselijk ding, dat den armen mensch bij elken slag tot
+diep in het vleesch drong.
+
+"Zoo begon het leven ons werkelijk tot last te worden. Wij kregen
+elken dag zwaarder werk, en elken dag werd het monster wreeder tegen
+ons. Eindelijk kwamen wij overeen, dat wij dit niet langer verdragen
+wilden, en Hastings zeide hem dit op een avond ronduit.
+
+"Dit bracht hem in de hevigste woede: hij riep twee van zijne slaven,
+beval hun Hastings aan een wagenrad te binden en zwoer, hem de huid
+van het lijf te zullen geeselen. Daarop ging hij in huis om zijne
+zweep te halen.
+
+"De slaven grepen Hastings aan en bonden hem aan het rad; want zij
+waagden het niet hun meester ongehoorzaam te zijn. Hastings echter
+zeide tot ons: "Als ik gezweept word, zijn wij allen verloren. Thans
+staat het aan u, om aan ons lijden een einde te maken. Loopt achter
+het huis om, en als hij met de zweep komt, gaat dan in huis en
+haalt de geweren, die altijd geladen zijn. Houdt hem in het vizier,
+totdat ik zelf vrij ben, en dan zullen wij wel een middel vinden,
+om te ontkomen. Gij moet dat doen, want ik ben overtuigd, dat hij mij
+anders doodslaan en u als weggeloopen gevangenen voor den kop schieten
+zal, gelijk hij dat onlangs die beide Hottentotten gedaan heeft."
+
+"Wat Hastings zeide kwam ons beiden maar al te waarschijnlijk
+voor. Toen de boer dus terugkeerde en op Hastings toekwam, die
+op ongeveer twintig passen van het huis was vastgebonden, maakten
+we schielijk, dat we in huis kwamen. De boerin lag juist ziek; wij
+behoefden ons dus aan haar en de kinderen niet te storen. Wij grepen
+twee geweren en een lang mes en kwamen te voorschijn juist op het
+oogenblik, dat de wreedaard den eersten zweepslag uitdeelde, die ook
+zoo geducht neerkwam, dat de arme Hastings als een worm ineenkromp.
+
+"Haastig schoten wij toe; hij keerde zich om en zag ons, die de
+geweren al op hem aangelegd hadden, waarop hij zijne zweep dadelijk
+liet vallen.
+
+"Nog één slag en ik schiet u voor den kop!" riep Romer. "Ja!" riep ik;
+"wij zijn nog maar jongens, doch ge zult zien, dat ge met Engelschen
+te doen hebt."
+
+"Zoo kwamen wij nader. Romer hield zijn geweer voortdurend op den
+boer gericht, terwijl ik met het mes de strikken lossneed, waarmee
+Hastings was vastgebonden.
+
+"De boer verbleekte en sprak geen woord, zoo ontsteld was hij, terwijl
+zijne slaven het terstond op een loopen zetten. Zoodra Hastings los
+was, greep hij een dikken houten hamer, waarmee men gewoonlijk palen
+in den grond sloeg, en met de woorden: "Daar schurk! dat hebt ge
+er voor, dat ge een Engelschman met de zweep durft te lijf gaan,"
+sloeg hij den kapenaar en deed hem ter aarde tuimelen.
+
+"De man lag bewusteloos op den grond. Of hij wezenlijk dood was,
+wisten we niet. We bonden hem aan het wagenrad en gingen toen dadelijk
+weer in huis, waar we kruit, lood en wat wij verder dachten te kunnen
+gebruiken, bij elkaar zochten. Vervolgens liepen wij naar den stal,
+maakten drie van de beste paarden van den boer los, deden voor elk van
+de dieren wat haver in een zak, gebruikten touwen tot halters, stegen
+op en renden toen weg zoo hard als we konden. Daar wij wel begrepen,
+dat men ons vervolgen zou, galoppeerden we eerst in eene oostelijke
+richting, alsof wij naar de Kaapstad wilden gaan. Zoodra wij echter een
+grond bereikt hadden, waarop de paardenhoeven geen sporen achterlieten,
+wendden wij ons in allerijl noordwaarts en namen den weg naar het
+land der Boschjesmannen. Kort nadat wij van koers veranderd waren,
+begon de avond te vallen; maar wij reden den ganschen nacht door, en
+ofschoon wij op eenigen afstand de leeuwen duidelijk hoorden brullen,
+overkwam ons voor ditmaal geen nieuw ongeluk. Met het aanbreken van
+den dag lieten wij onze paarden uitrusten, wierpen hun wat haver voor
+en legden ons toen zelven neder, om ons met de meegebrachten voorraad
+te verkwikken."
+
+"Hoe lang waart gij in het geheel wel bij dien boer te Graaf Reinet
+geweest?"
+
+"Zoo omtrent acht maanden, mijnheer. Wij hadden in dien tijd niet
+alleen vrij wat Hollandsch geleerd, maar konden ons ook door de
+Hottentotten en andere inlanders doen verstaan. Bovendien hadden wij
+eene nauwkeurige kennis van het land verkregen en wisten nu beter
+dan te voren, hoe wij ons op onze reis te gedragen hadden."
+
+"Onder het eten overlegden wij, wat wij thans aanvangen zouden. Dat de
+Hollanders ons doodschieten zouden, zoodra zij ons in handen kregen,
+dat wisten wij zeer goed en wij twijfelden er ook niet aan, of zij
+zouden ons uit al hunne macht vervolgen. Bovendien vreesden wij, dat
+wij den boer hadden doodgeslagen en in dat geval wachtte ons de galg,
+zoodra wij de Kaap bereikten, zoodat wij doodelijk verlegen waren
+wat te doen.
+
+"Eindelijk besloten wij het land van de Boschjesmannen door te trekken
+en ons noordwaarts van de Kaap naar het zeestrand te wenden.
+
+"Na deze afspraak namen wij onze zadels af en bonden onze paarden
+aan eenige boomen, waarbij goed gras voor hen was; want hadden wij
+hen niet vastgebonden, dan zouden zij denkelijk naar hun ouden stal
+terug gegaloppeerd zijn. Wij besloten vooreerst bij voorkeur bij
+nacht en niet bij dag te reizen, om geen gevaar te loopen van door
+onze vijanden te worden gezien. Met deze gedachten legden wij ons
+neder en hadden een langen, vasten slaap.
+
+"Tegen den avond zochten wij water voor onze paarden, gaven hun
+andermaal haver en vervolgden toen onzen tocht. Ik kan niet alles
+vertellen, wat wij zoo veertig dagen achtereen al hadden uit te
+staan. Wij hadden intusschen onze paarden bijna lam en kreupel gereden
+en waren daarom genoodzaakt ons bij een stam van inlanders op te
+houden en den armen dieren eenige rust te vergunnen. Die inboorlingen
+noemden zich Gorraguas, als ik het wel heb en waren een vreedzaam
+en zachtzinnig volkje, dat ons rijkelijk van melk voorzag en ons als
+vrienden behandelde.
+
+"We hadden evenwel enkele avonturen, die mij nog levendig voor den
+geest staan. Zoo, onder andere, kwamen wij eens een bosch door,
+waar opeens een rhinoceros op mijn paard toeschoot, dat het gevaar
+alleen daardoor ontkwam, door ter zijde te springen en het beest in
+den rug te komen; waarop het vreeselijk gedrocht zijn weg vervolgde,
+zonder ons verder te verontrusten.
+
+"Iederen dag schoten wij het een of ander dier tot ons onderhoud: soms
+eens een gnoe(een heel wonderlijk beest, half koe, half antilope),
+of anders een van de hertebokken of wilde geiten, die wij in menigte
+ontmoetten.
+
+"Zoo bleven wij omtrent drie weken bij deze menschen en gaven onze
+paarden tijd om hunne krachten wat te herstellen, waarop de reis
+opnieuw aanving. Wij wendden ons thans meer zuidwaarts en naar de
+kust; want de Gorraguas hadden ons gezegd, dat in het noorden een
+woest volk, de Kaffers, omzwierf, die ons zeker van kant zouden maken,
+als wij in hunne handen vielen.
+
+"Inderdaad wisten wij echter niet, wat wij eigenlijk doen zouden. Als
+echt dwaze en onbezonnen knapen, hadden wij, zonder een bepaald
+plan, de Kaap verlaten, en nu namen de moeilijkheden en bezwaren,
+waaraan wij blootstonden, van dag tot dag toe. Ten laatste hielden
+wij het toch voor het verstandigst, om den weg naar de Kaapstad
+terug te zoeken en ons weder als gevangenen uit te leveren, want wij
+waren dat eeuwige zwerven nu hartelijk moe. Wat wij het allermeest
+vreesden, was, dat wij dien boer te Graaf Reinet, die ons zoo gruwelijk
+mishandeld had, gedood hadden; maar Hastings zeide, dat hij zich daar
+volstrekt niet over bekommerde, dat het zijne zaak was en dat hij de
+verantwoordelijkheid geheel op zich nam.
+
+"Zoo namen wij dan nu afscheid van onze Gorraguas, die zeer verblijd
+waren, dat wij hun al de knoopen, die wij missen konden, tot een
+geschenk gaven. Wij trokken naar het zuidoosten, zoodat wij de zeekust
+bereiken en tegelijk ook zuidwaarts gaan konden.
+
+"En nu, mijne vrienden, kom ik aan een allerdroevigst ongeluk, dat
+ons al spoedig overkwam. Twee dagen nadat wij onze reis weder hadden
+aangevangen, leidde onze weg ons over eene met hoog gras begroeide
+vlakte. Op eens zagen wij daar een leeuw voor ons, die een hert,
+dat hij gedood had, verslond.
+
+"Romer, die Hastings en mij een tiental passen vooruit was, verschrikte
+zoo op dat gezicht, dat hij zijn geweer op het dier afschoot; dit
+was een groote dwaasheid van hem, die wij ook afgesproken hadden,
+altijd te zullen vermijden; want met zulke geringe krachten, als
+wij hadden, was het nooit geraden een zoo machtig dier tegen ons in
+woede te brengen. De leeuw was licht gekwetst. Met een gebrul, dat
+men zekerlijk wel een uur ver hooren kon, sprong hij op Romer los en
+rukte hem door een enkelen slag met zijn klauw uit den zadel en op den
+grond neer. Onze paarden, die beefden van angst, sprongen achteruit,
+terwijl het vreeselijke dier zich kennelijk gereedmaakte, om ook
+ons aan te vallen. De leeuw had reeds een sprong naar ons gedaan,
+doch onze paarden ontrukten ons aan het gevaar, en wij konden hen in
+hunnen loop niet eer tot staan brengen, voordat wij voor het minst
+een half uur van de plaats verwijderd waren.
+
+"Eindelijk kregen wij hen tot staan en zagen in het rond. Daar
+ontdekten wij den leeuw, hoe hij juist Romers paard had neergeworpen
+en het lichaam van dat arme beest in een soort van galop wegsleepte
+alsof hem dat in 't geheel niet zwaar viel. Wij wachtten, tot hij
+ver genoeg verwijderd was, en reden toen naar de plaats terug, waar
+Romer was gevallen. Daar lag onze arme makker bebloed en zonder leven:
+de eerste slag van den leeuwenklauw had hem het hoofd verbrijzeld.
+
+"Wij waren niet eens in staat om onzen ongelukkigen kameraad te
+begraven. Evenwel bedekten we zijn lijk met eenige struiken en keerden
+het met diep bedroefd hart den rug toe. Ik voor mij schreide wel een
+vol uur lang, terwijl wij verder reden. Hastings sprak geen enkel
+woord, totdat het tijd werd, dat wij onze paarden rusten lieten.
+
+"Ik heb vergeten u te zeggen, dat de Gorraguas ons geraden hadden niet
+langer bij nacht, maar bij den dag te reizen; en zoo hadden wij hun
+raad ook opgevolgd. Niettegenstaande het verschrikkelijk ongeluk,
+dat ons getroffen had, geloof ik toch, dat hun raad verstandig en
+goed gemeend was; want wij ondervonden, dat de leeuwen, zoo dikwijls
+wij bij nacht reisden, ons meer dan anders vervolgden.
+
+"Drie dagen na Romers dood kregen wij voor het eerst den wijden
+oceaan weer te zien. Het was ons daarbij alsof wij een ouden vriend
+ontmoetten. Wij hielden ons dicht aan het strand, maar ondervonden
+spoedig, dat wij ons daar niet zoo gemakkelijk als dieper landwaarts
+in van wild tot ons voedsel en van hout tot onze vuren 's nachts
+voorzien konden, en besloten derhalve de kust andermaal te verlaten.
+
+"Wij hadden eene uitgestrekte, eentonige vlakte door te trekken
+en waren door honger reeds geheel uitgeput, want in geen twee
+dagen hadden wij iets over de lippen gehad, toen wij eindelijk een
+struisvogel ontmoetten.
+
+"Hastings maakte er met zijn paard jacht op, maar tevergeefs, want
+de struis kon veel harder loopen dan het paard. Ik bleef achter
+en ontdekte tot mijn groote blijdschap het nest van den vogel, met
+dertien groote eieren daarin.
+
+"Hastings kwam spoedig terug; zijn paard was geheel vermoeid en buiten
+adem. Wij zetten ons neder, maakten vuur aan en braadden twee van de
+eieren, 't geen een heerlijk maal voor ons was. Daarop namen wij nog
+vier eieren mede en braken weder op.
+
+"Nog drie volle weken hadden wij niets dan moeite en ellende door te
+staan. Op zekeren morgen eindelijk kregen wij den Tafelberg in het oog
+en waren zoo verheugd op dat gezicht, alsof wij de witte krijtrotsen
+van Engeland vóór ons hadden gehad. In de hoop van nog vóór den nacht
+in onze oude gevangenis gemakkelijk onder dak te zullen komen, dreven
+wij onze paarden aan, doch toen wij de baai naderden, zagen wij van
+de schepen op de reede de Engelsche vlag waaien.
+
+"Dat te zien verbaasde ons zeer. Een weinigje later ontmoetten wij
+echter een Engelsch soldaat en van dezen vernamen wij, dat de Kaap
+reeds voor ruim zes maanden door onze troepen veroverd was. Welk
+een blijde verrassing dat voor ons was, kunt gij u gemakkelijk
+voorstellen. Wij reden de stad binnen en meldden onszelven dadelijk
+aan bij de hoofdwacht. De gouverneur liet ons bij zich komen, hoorde
+onze geschiedenis en zond ons tot den admiraal, die ons dadelijk aan
+boord van zijn eigen schip opnam.
+
+"En nu, Willem ben ik hier aan eene goede plaats om af te
+breken. Bovendien moet gij thans tamelijk vermoeid zijn en dus zal het
+'t best zijn, dat we allen ons bed opzoeken."
+
+
+
+
+
+
+
+NEGEN-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+FLINKS VERDERE REIZEN EN AVONTUREN.
+
+
+Daar er voor het oogenblik juist geen noodzakelijk werk te doen was,
+namen Flink en mijnheer Wilson den volgenden morgen de vischlijnen op,
+om den voorraad in hun vijver te vermeerderen. Het weder was bijzonder
+fraai, en Willem vergezelde hen, om van de frissche lucht te genieten,
+die tegenwoordig de beste medicijn voor hem was.
+
+Toen zij den tuin voorbijkwamen, bemerkten zij, dat de zaadgewassen
+reeds een of twee duim boven den grond waren opgeschoten en dat,
+naar 't scheen, alles tierig opkwam. Terwijl de beide mannen aan
+'t visschen waren, zat Willem rustig bij hen en vroeg aan zijn vader:
+
+"Van de eilanden hier in de nabuurschap zijn zeker vele bewoond,--is
+'t niet vader?"
+
+"O ja; maar die hier het naast om ons waarschijnlijk niet. Althans
+heb ik nooit van reizigers gehoord, die op de eilanden, op een waarvan
+wij thans wezen moeten, bewoners gevonden hebben."
+
+"Welke soort van menschen zijn toch wel de eilanders in deze zeeën?"
+
+"Ze zijn van heel verschillenden aard. De Nieuw-Zeelanders zijn
+in beschaving het verst gevorderd; maar toch moet men nog altijd
+menscheneters onder hen vinden. De bewoners van van-Diemensland en
+Australië behooren tot denzelfden stam, maar staan op een zeer laag
+standpunt,--waarlijk weinig hooger dan de dieren des velds. Ik geloof,
+dat zij de ruwsten en onbeschaafdsten zijn van heel het menschelijk
+geslacht."
+
+"Met uw verlof, mijnheer," viel Flink hem in de rede, "maar ik heb
+die menschen zelf gezien en geloof toch een volk te kennen, dat
+wel niet zoo talrijk is, maar met de dieren des velds toch nog meer
+overeenkomst heeft dan die Zuidzee-eilanders. Ik heb hen eens van
+mijn leven gezien en hield hen ook wezenlijk op 't eerste gezicht
+voor beesten en niet voor menschelijke wezens."
+
+"Waarlijk, Flink? En waar was dat wel?"
+
+"Op de groote Andamans-eilanden, aan den mond van de Baai van
+Bengalen.--Eens dat het een storm woei, lieten wij het anker vallen te
+Port Cornwallis,--eene zoo kostelijke haven, dat de gansche Engelsche
+vloot er wel in schuilen kon,--en den volgenden morgen ontdekten
+we enkele zwarte schepsels, die onder de boomen het dichtst op het
+strand op handen en voeten omkropen. Wij namen onze kijkers in de
+hand,--want we waren nog wel een paar mijlen van den wal af,--en
+toen ze recht overeind gingen staan, merkten wij eindelijk, dat het
+werkelijk menschen waren."
+
+"Zijt gij ook met hen in nadere aanraking gekomen?"
+
+"Neen, mijnheer, ik zelf niet. Maar te Calcutta ontmoette ik een
+soldaat, die eenmaal met hen verkeerd had. De Oostindische Compagnie
+had namelijk vroeger het plan gehad, om een post op die eilanden achter
+te laten en had daartoe eenige troepen afgezonden. De man vertelde
+mij, dat zij twee van dat volkje hadden opgevangen: die waren niet
+meer dan vier voet lang en uiterst dom en onnoozel. Ze hadden geene
+kleeren of iets aan het lijf, hadden geene huizen of hutten, om in
+te wonen en al wat ze deden was, dat ze wat struiken en takken op
+elkaar stapelden, om daarachter te schuilen tegen het booze weer."
+
+"Hadden zij ook wapens?"
+
+"Ja, mijnheer; ze hadden boog en pijlen, maar die waren zoo ellendig
+en zoo zwak, dat ze er niets anders dan zeer kleine vogels mee dooden
+konden. Bij de landing van ons volk hadden de eilanders al hunne
+pijlen op onze soldaten afgeschoten, maar onze soldaten trokken die
+weer heel bedaard uit hunne kapotjassen, want ze waren niet dieper
+doorgedrongen."
+
+"Nu, naar uwe beschrijving geloof ik zeker, dat die schepsels der
+Andamans-eilanden op een nog lager trap dan de Nieuw-Hollanders
+staan. Maar wat deden onze landslieden met de beide gevangenen,
+die zij toen opgebracht hadden?"
+
+"Zij lieten hen weer loopen, mijnheer, want de stumpers aten niets,
+spraken geen woord en zouden zeker gestorven zijn, als men hen langer
+had vastgehouden."
+
+"Waar kwam het volk, dat deze eilanden bewoonde, vandaan, vader?"
+
+"Dat is moeilijk te zeggen, Willem; men gelooft over het algemeen,
+dat zij zoo langzamerhand, evenals ons eiland hier, bevolkt werden,
+namelijk door lieden, die in booten en kano's de hooge zee op waren
+gedreven en evenals wij hun leven door eene landing in zekerheid
+brachten."
+
+"Ja, ja," zeide Flink, "zoo zal het waarschijnlijk wel geweest
+zijn. Zoo moeten ook de Andamans-eilanden door een slavenschip, dat
+negers aan boord had en gedurende een typhon op de kust schipbreuk
+leed, bevolkt zijn geworden."
+
+"Een typhon, wat is dat, Flink?"
+
+"Zooveel als een orkaan, Willem; hij verheft zich in Indië doorgaans
+bij het omslaan der passaatwinden."
+
+"Ja, ge gebruikt zulke vreemde woorden, passaatwinden, wat zijn
+dat weer?"
+
+"Dat zijn winden, die zekere maanden van het jaar bestendig uit ééne
+hemelstreek blazen en dan omslaan of omspringen, om juist in eene
+tegenovergestelde richting voort te waaien."
+
+"Zijn dat misschien die zelfde passaatwinden, waarvan ik onzen armen
+kapitein Osborn na onze afvaart van het eiland Madera hoorde spreken?"
+
+"Neen, deze zijn eene bijzondere soort van passaatwinden. Zij waaien
+alleen aan den evenaar, eenige graden ten noorden en zuiden er van,
+en houden altijd, den loop der zon volgende, de richting van het
+oosten naar het westen."
+
+"Is het misschien de zon, die deze winden veroorzaakt?"
+
+"Ja, mijn jongen," antwoordde de vader. "De groote hitte in de
+keerkringslanden verdunt de lucht, en zoo ontstaan de passaatwinden
+daardoor, dat bij de omwenteling der aarde frissche lucht in de plaats
+der verdunde treedt. Ook in eene kamer zult gij opmerken dat bij een
+groot vuur een gestadige luchttocht naar den haard plaats vindt. Op
+gelijke wijze is de zonnehitte de oorzaak der passaatwinden in de
+keerkringsstreken."
+
+"Ja, beste Willem, me dunkt, ge begrijpt dat nu wel," nam Flink
+het woord: "en de passaatwinden veroorzaken ook den zoogenaamden
+golfstroom. De winden, die op den Atlantischen Oceaan gedurig den
+loop der zon volgen en in de streek van het oosten naar het westen
+waaien, hebben natuurlijk een grooten invloed op de zee en dringen
+deze in de Golf van Mexico op, waar zij door de kusten van Amerika
+wordt opgehouden, zoodat het water in die golf ettelijke voeten hooger
+is, dan in het oostelijke gedeelte van den Atlantischen Oceaan. Deze
+opeenhooping van water moet natuurlijk ergens een afloop hebben, en
+zoo ontstaat de zoogenaamde golfstroom, waardoor de wateren zich uit de
+Golf noordwaarts uitgieten, langs de kusten van Amerika voortstroomen,
+zich dan naar het westen keeren, zoodat zij niet ver van Newfoundland
+voorbijspoelen, tot eindelijk hun stroom in het noorden van de Azoren
+of Westelijke eilanden nagenoeg ophoudt. Ge zult u wel herinneren,
+op den dag dat wij onze reis berekenden, die eilanden op de kaart
+gezien te hebben."
+
+"De golfstroom," voegde de heer Wilson er bij, "is altijd eenige graden
+warmer, dan de zee over het geheel, en de reden daarvan moet wezen,
+dat het water in de Golf van Mexico door de ongewone zonnehitte, die
+daar heerscht, meer dan andere plaatsen verwarmd wordt. Men herkent
+dien stroom aan het zeegras, dat hij op de oppervlakte van het water
+met zich voert."
+
+"Heel goed, vader. Maar wat verstaat men dan onder de land- en
+zeewinden in West-Indië en andere heete landen?"
+
+"Daaronder verstaat men den wind, die op bepaalde uren van den dag
+eerst van het land naar de zee en dan omgekeerd van deze naar het
+land waait, zoodat hij gedurende de vierentwintig uren regelmatig
+afwisselt. Ook dit verschijnsel is een gevolg van de zonnehitte. De
+zeewind begint des morgens en gaat liggen tegen den middag; waarop
+de landwind een aanvang neemt en tot middernacht aanhoudt."
+
+"En dan zijn er," zeide Flink, "in de nabuurschap van de passaatstreken
+enkele breedten, waar de wind zeer onbestendig is en menig schip al
+weken achtereen in de windstilte moest blijven liggen. Dat is telkens
+eene ware ramp voor de manschap, want het water aan boord wordt dan
+doorgaans geheel opgebruikt en men heeft vreeselijk van de hitte te
+lijden. Men noemt die breedten de paardebreedten--waarom, dat weet ik
+zelf niet recht; ik denk haast, omdat men paarden, als men die aan
+boord heeft en zulk eene windstilte invalt, natuurlijk het eerste
+opoffert, als er gebrek aan water komt. Doch 't wordt tijd, dat wij
+opbreken, en ook Willem mag nu wel weer stilletjes in huis gaan."
+
+Zoo keerden zij gezamenlijk terug naar hunne woning, en na het
+avondeten ging de oude stuurman met zijn verhaal aldus voort:
+
+"Ik ben gebleven bij het oogenblik, dat ik op het admiraalsschip
+gezonden en als kajuitsjongen onder de manschap opgenomen werd. Vier
+jaren omtrent bleef ik op dit schip, kwam in dien tijd van haven tot
+haven, van land tot land, totdat ik een stevige flink uit de kluiten
+gewasschen knaap werd en als matroos in den bezaansmast geplaatst werd.
+
+"Dat beviel mij nu recht goed. Ik deed mijn plicht, en het gevolg was,
+dat ik nooit straf kreeg. Op een oorlogsschip behoeft men namelijk
+nooit voor straffen bevreesd te zijn, als men zijn werk maar doet, en
+dit valt niemand heel zwaar, 't Is heel anders op koopvaardijschepen,
+waar zoo weinig matrozen zijn: daar heeft men de handen altijd vol
+werk. Natuurlijk vindt men ook op oorlogsschepen enkele kapiteins,
+die bijzonder streng en hard zijn, echte bulderbasten, zooals wij
+matrozen ze noemen. Ik had evenwel het geluk om onder een zeer braven,
+menschlievenden kapitein te dienen, die, ofschoon hij geen verzuim
+door de vingers zag, toch heel ongaarne strafte.
+
+"Het eenige, wat mij zwaar op het hart lag, was, dat ik nooit naar
+Engeland komen en mijne moeder terugzien kon. Ik had twee of drie
+brieven geschreven, maar geen antwoord ontvangen. Ten laatste werd
+ik zoo ongeduldig, dat ik besloot, bij de eerste gelegenheid, die
+zich aanbood, op mijn eigen houtje de reis naar huis aan te nemen.
+
+"Onze post was toenmaals in West-Indië en ik hield met Hastings,
+die even vurig als ik verlangde weg te komen, gedurig raad over het
+geval. Wij kwamen eindelijk overeen, dat wij bij de eerste de beste
+kans de hielen zouden lichten.
+
+"Ten laatste kwamen wij in Port-Royal op het eiland Jamaica voor anker.
+
+"Daar lag destijds ook een groot konvooi Westindievaarders, die
+gereed waren, om met hunne lading suiker oogenblikkelijk onder zeil
+te gaan. We wisten, dat men ons, zoodra wij maar op een dier schepen
+komen konden, zorgvuldig tot aan het uur van het anker lichten aan
+boord zou verbergen, omdat daar gebrek aan matrozen was, doordien
+onze kapitein zooveel volk, als hij maar machtig kon worden, voor
+zichzelven geprest had.
+
+"Wij hadden slechts ééne mogelijkheid te ontkomen:--wanneer we namelijk
+bij nacht naar een van die schepen toe zwommen, wat vrij gemakkelijk
+te doen was, daar ze pas honderd meter van ons fregat verwijderd
+lagen. Het eenige, dat we vreesden, waren de haaien, die zich daar
+op de reede in menigte vertoonden. Evenwel waren wij zoo ongeduldig
+om onze vlucht door te zetten, dat wij ons door geen gevaar lieten
+afschrikken, en zoo besloten wij ten laatste, in den nacht vóór het
+uitzeilen der koopvaardijschepen het waagstuk te ondernemen.
+
+"Het was tegen de hondewacht--alles herinner ik mij nog zeer goed en ik
+zal er mijn leven lang aan denken, alsof het gisteren gebeurd was--toen
+wij ons zachtjes bij den boeg van het schip lieten neerzakken. Zoodra
+wij in 't water waren, zwommen wij op den Westinjevaarder aan, die
+het dichtst bij ons lag.
+
+"De schildwacht op de loopplank bemerkte de kabbeling van het water,
+dat door ons zwemmen in beweging kwam, en terstond hoorden wij hem ons
+aanroepen. Wij gaven natuurlijk geen antwoord, maar repten armen en
+beenen wat wij konden, want kort na het aanroepen van den schildwacht
+vernamen wij gerucht en begrepen daaruit heel goed, dat de officier
+van de wacht eene sloep strijken en ons vervolgen zou.
+
+"Ik was Hastings eenige meters vooruit en had juist het kabeltouw van
+den Westinjevaarder in de hand, met het voornemen om er mij bij op te
+halen, toen ik een luiden gil achter mij hoorde. Toen ik mij omkeerde,
+zag ik een haai, die mijn armen Hastings tusschen de tanden greep en
+met hem onderdook.
+
+"Ik was zoo ontsteld, dat ik een tijdlang bijna geen lid kon
+verroeren. Eindelijk raapte ik mijne hersens weer bijeen en begon,
+zoo vlug als ik kon, bij het touw op te klauteren. Ik had dan ook
+waarlijk geen tijd te verliezen, want juist schoot een tweede haai
+op mij los. Ik was wel al meer dan twee voet boven water, maar toch
+sprong hij omhoog en pakte nog even mijn schoen bij den hak, die hij
+terstond mee in de diepte sleepte.
+
+"De schrik gaf mij krachten en twee minuten later was ik dan ook al
+voor de kluisgaten [9]. De matrozen op het schip hadden ons van boven
+gezien, en waren getuigen van Hastings akeligen dood geweest. Zij
+hielpen mij aan boord en verborgen mij terstond omlaag, want de boot
+van het fregat was dicht achter mij.
+
+"Toen de officier van de wacht aan boord kwam, vertelden zij hem,
+hoe zij ons dicht bij hun schip gehoord en gezien hadden, toen wij
+door de haaien werden ingeslokt.--Het volk in de boot had Hastings'
+gillen duidelijk gehoord, en zoo geloofde de officier ook terstond,
+dat wat men hem op de mouw speldde waarheid was, en roeide zonder
+zelfs onderzoek te doen, naar het fregat terug.
+
+"Ik kon hooren, hoe de trom op het fregat al het volk op het dek riep,
+daar men toch eerst weten moest, wie de beide menschen waren, die zoo
+dat wegzwemmen gewaagd hadden. Een minuut of wat daarna werd er weer
+afslag getrommeld, en dus wist ik, dat de namen van mij en van den
+armen Hastings voortaan met een dubbele D op de scheepslijst stonden.
+
+"Maar wat beduidt zoo'n dubbele D.?" vroeg Willem.
+
+"D. alleen beteekent: deserteur; D. D. wil zeggen, dat men ook goed
+en wel dood is.
+
+"Het was wel een wonder, dat ik zoo goed ontkwam, en nog uren nadat het
+gebeurd was, kon ik er mij zelf geen begrip van maken. Ik wou slapen
+maar ik kon niet; het was alsof mij 't hart werd toegeknepen. Telkens,
+als ik zou inslapen, verbeeldde ik mij, dat de haai mij beet had
+gepakt, met luid geschreeuw sprong ik dan op en zocht opnieuw den
+slaap te vatten, maar dit lukte niet.
+
+"De kapitein van mijn nieuw schip vreesde eindelijk, dat mijn
+geschreeuw op het fregat gehoord zou worden, en zond mij een glas
+rum, dat ik uitdrinken moest. Dit bracht mij eindelijk tot rust en
+ik verzonk in diepe slaap.
+
+"Toen ik ontwaakte, had het schip reeds de ankers gelicht en alle
+zeilen bijgezet. Nog wel honderd en meer schepen gingen met ons mede
+en de oorlogsschepen, die ons konvooi vergezelden, losten gedurig
+de stukken en gaven elkaar daar seinen door. Het was wezenlijk een
+prachtig gezicht.
+
+"Zoo stuurden we dan met vroolijk hart op het lieve Oud-Engeland
+aan. Ik gevoelde mij zoo gelukkig, dat ik, om in vrijheid te komen,
+nog gaarne eens al de haaien van de wereld zou hebben getrotseerd. Nu
+ging het op het vaderland aan, nu zou ik, na lange afwezigheid,
+mijne bekenden weer zien en mijne lieve moeder nog eens omarmen!"
+
+"Gedurende de reis deed ik mijn best als voormarsgast op het schip,
+en de kapitein was zeer met mij ingenomen. Aan den onderbootsman,
+die een Schot en een bijzonder vriendelijk en braaf man was, had ik
+mijne avonturen verteld. Hij deed mij begrijpen, hoe dwaas en slecht
+ik gehandeld had, toen ik al, wat mijne moeder en Masterman voor mij
+doen wilden, zoo roekeloos in den wind sloeg. Ik voelde dat hij gelijk
+had, en verlangde vuriger dan ooit mijne moeder weer eens in de armen
+te sluiten en haar vergiffenis te vragen voor al wat ik had misdaan.
+
+"Het schip, waarop ik mij bevond, was naar Glasgow bestemd.
+
+"Bij North Foreland stuurden wij van het groote konvooi af en kwamen
+gelukkig in de haven. De kapitein bracht mij bij het kantoor van het
+schip, dat mij voor mijne diensten gedurende de overvaart vijftien
+pond [10] uitbetaalde. Zoodra ik dat geld in handen had, repte ik mij,
+wat ik kon, naar Newcastle. Ik had boven op den postwagen [11] eene
+plaats genomen en raakte daar al spoedig in gesprek met een heer,
+die naast mij zat. Ik merkte, dat hij te Newcastle thuis behoorde,
+en mijn eerste vraag was, of hij daar ook zekeren mijnheer Masterman,
+den scheepsbouwmeester kende."
+
+"O ja, dien heb ik best gekend; maar hij is nu omtrent een maand of
+drie dood."
+
+"En wie waren zijne erven dan?" vroeg ik. "Hij was immers heel rijk
+en had niemand, die hem in den bloede bestond?"
+
+"Ja, familie had hij niet," gaf die heer mij ten antwoord; "hij
+vermaakte dan ook zijn heele vermogen aan de stad, onder voorwaarde,
+dat men daarvoor zieken- en armhuizen zou oprichten. In den laatsten
+tijd had hij, geloof ik, nog een deelhebber in zijne zaak, en dien gaf
+hij zaak en winkel over, omdat hij geen familie had en 't aan niemand
+anders geven kon. Vroeger was hij, zooals ik zeker weet, van voornemen
+om al zijn geld en goed na te laten aan een knaap, die Flink heette,
+en hem eens uit het water had geholpen, maar die jongen liep weg,
+ging op zee en heeft sedert niets meer van zich laten hooren. Men
+is zijn spoor gevolgd en gelooft, dat hij in gevangenschap bij de
+Hollanders gestorven is. Die dwaze jongen;--hij kon tegenwoordig een
+man van stand en vermogen zijn!"
+
+"Ja waarlijk, hij deed zeer dwaas!" was mijn antwoord.
+
+"Ja, maar niet alleen zichzelven, ook anderen heeft hij daardoor kwaad
+gedaan. Zijne arme moeder was heel sterk aan hem gehecht geweest;
+zij tobde en kwelde zich toen zij zijn verlies vernam, en had rust
+noch duur meer, voordat...."
+
+"Gij wilt toch niet zeggen, dat zij dood is?" riep ik en vatte den
+vreemdeling bij den arm.
+
+"Ja," zeide hij en zag mij verwonderd aan, "zij stierf heel spoedig
+na den heer Masterman."
+
+"Ik zonk op de pakkage neer en zou van den wagen gevallen zijn, als
+de ander mij niet gegrepen had. Hij riep den koetsier toe, dat hij
+moest stilhouden. Samen richtten zij mij toen weer op en brachten
+mij binnen in het rijtuig. Gelukkig was daar niemand in; want ik was
+geheel buiten mijzelven en weende en klaagde luid, zoodat zij diep
+medelijden met mij hadden."
+
+Flink scheen door zijn verhaal zoo aangedaan dat mijnheer Wilson hem
+voorstelde, voor heden af te breken en zich met de overigen ter ruste
+te begeven.
+
+"Ik dank u, mijnheer. Gij hebt gelijk; zoo zal het wel beter zijn,
+want nog gevoel ik, dat mijne oude oogen van tranen overloopen. Het
+is iets vreeselijks, als men zich in later dagen verwijten moet,
+dat eigen dwaze levenswandel den dood van eene zoo goede liefhebbende
+moeder verhaasten moest. Bij mij was dit het geval, mijn beste Willem,
+en uit liefde tot u ben ik daar zoo openhartig voor uitgekomen. Ik
+zeide u vroeger reeds, dat eenige gedeelten mijner levensgeschiedenis
+u tot waarschuwing dienen konden. Zorg dus, dat ik ze u niet tevergeefs
+verteld heb, maar houd ze getrouw in 't geheugen."
+
+
+
+
+
+
+
+VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+FLINKS BEROUW. GELUKKIGE WENDING VAN ZIJN LOT.
+
+
+Den volgenden morgen bracht Juno voor het ontbijt in haar schort zes
+eieren mee, die zij in het hoenderhok gevonden had.
+
+"Kijk, mevrouw, kijk een beetje--kippen eieren leggen--gauw heelen
+boel hebben voor massa Willem en heelen boel voor kleine kippetjes."
+
+"Gij hebt toch niet alle uit de nesten genomen, Juno; dat deedt gij
+immers niet?"
+
+"Neen, mevrouw, ikke laten liggen in ieder nest één, dat oude kip
+zien kan."
+
+"Best, meid; dan zullen wij ze voor onzen Willem klaarmaken, zooals
+gij zegt en hopen dat zij hem zijne krachten teruggeven zullen."
+
+"O, ik ben weer heel gezond en sterk, moeder," gaf Willem ten
+antwoord. "Ik geloof, dat 't beter zou zijn, als ge de eieren aan de
+hoenders tot uitbroeden overliet."
+
+"Neen, Willem, het is van veel meer belang, dat gij recht spoedig
+weer gezond wordt, dan dat wij zoo spoedig kuikens krijgen."
+
+"Thomas ook heel graag eieren lust," begon de kleine mee te spreken.
+
+"Ja, ja; maar Thomas kan er nog dadelijk geen krijgen. Thomas is
+niet ziek."
+
+"Thomas buik doet o zoo zeer," antwoordde de guit.
+
+"Ik vrees zeer, Thomas, dat gij een kleine leugenaar zijt. Ook zouden
+eieren voor die buikpijn zeer nadeelig zijn."
+
+"Thomas krijgt ook hoofdpijn," klaagde de knaap.
+
+"Eieren deugen niet voor hoofdpijn, Thomas," antwoordde zijn vader.
+
+"Ach, Thomas is zoo ziek!" zuchtte de dreumes opnieuw.
+
+"Dan moet Thomas naar bed gaan en een lepel ricinusolie innemen."
+
+"Thomas lust geen ricinusolie; Thomas lust alleen eieren."
+
+"Ja, maar Thomas krijgt geen eieren," gaf de vader ernstig ten
+antwoord; "en dus kan hij zijne jokkens wel voor zich houden. Als wij
+eens eieren genoeg hebben, dan zal Thomas er ook een hebben--als hij
+een brave jongen is, maar anders ook niet."
+
+"Ik heb Caroline het opzicht over de hoenders gegeven," vervolgde de
+vader, "en zoo dunkt mij, behoort ook het bewaren van de eieren tot
+haar post. Mijn kind begint zoo al heel nuttig voor ons te worden."
+
+De twee volgende dagen waren de beide mannen in den tuin met het
+wieden van het onkruid bezig, dat te gelijk met de ontkiemende
+zaaigewassen begon op te schieten. Gedurende dezen tijd ging Willem
+met zijn herstel spoedig vooruit.
+
+De beide eerste dagen bracht Juno regelmatig elken morgen drie eieren
+uit het hoenderhok mede; maar op den derden morgen was er geen enkel
+te vinden. Ook op den vierden dag schenen de vogels niet gelegd te
+hebben, waarover mijnheer Wilson zeer verwonderd was, daar de hennen
+toch gewoonlijk, als zij eens beginnen te leggen, daarmede geregeld
+voortgaan. Op den vijfden morgen zaten allen aan het ontbijt. Slechts
+Thomas kwam niet opdagen, zoodat zijne moeder vroeg, waar hij dan
+toch stak.
+
+"Ik vermoed, mevrouw," zeide de oude Flink lachend, "dat onze sinjeur
+vandaag zoomin aan het ontbijt als aan de middagtafel zal verschijnen."
+
+"Hoe meent gij dat, Flink?" vroeg de moeder.
+
+"Welaan, mevrouw, ik zal 't u vertellen. Het kwam mij vreemd voor, dat
+er nu al een paar ochtenden geen eieren gevonden waren, en ik dacht
+of de hoenders ze ook misschien weggelegd konden hebben, waarom ik
+dan gisterenavond uitging, om er naar te zoeken. Ik kon geen eieren
+ontdekken; maar daarentegen vond ik weldra de doppen, zorgvuldig
+onder wat kokosbladeren weggestopt. Nu begreep ik dadelijk, dat een
+roofdier, als er zoo een op het eiland was en de eieren gekaapt had,
+de doppen althans niet zoo zorgvuldig verbergen zou. Zoo sloot ik
+dan van morgen de deur van het hok en liet slechts het kleine luikje
+open, waardoor de hoenders naar binnen kruipen. Ik zelf plaatste mij,
+nadat zij van stok waren, achter de boomen en wachtte af, wat er
+verder gebeuren zou. Weldra zag ik sinjeur Thomas komen aansluipen
+en op het hok losgaan. Hij wilde eerst de deur openen, maar vond die
+gesloten; zoo kroop hij door het kleine luikje in het hok. Zoodra
+hij daar binnen was, liet ik den grendel vallen, maakte dien met een
+spijker vast en zoo zit Thomas nu in zijn eigen strikken gevangen."
+
+"En hij zal ook den ganschen dag daarin blijven, die kleine
+snoeper!" riep mijnheer Wilson hartelijk lachende.
+
+"Ja, ja, dat is zijn verdiend loon en zal een goede les voor hem zijn,"
+sprak zijne moeder. "We zullen doen, alsof wij niets van hem merken,
+al klaagt en jammert hij ook uren achtereen."
+
+"O massa Thomas, ikke heel blij, dat jij eindelijk betrapt. Mooie
+ding dat, de eiers opslobberen!" jubelde Juno. "Nu jij niets te eten
+krijgt,--jij dat ook prettig vindt, he?"
+
+Mijnheer Wilson, Flink en Willem gingen als gewoonlijk aan hun
+werk. Mevrouw was met Juno en de kleine Caroline te huis bezig. Thomas
+hield zich wel een uur lang doodstil, totdat hij eindelijk luidkeels
+begon te schreeuwen. Dat baatte hem echter weinig, want niemand
+stoorde zich aan hem. Toen de etenstijd naderde, begon hij opnieuw
+te brullen; doch met hetzelfde gevolg. Eerst tegen den avond werd de
+deur van het hoenderhok geopend en kreeg de kleine dief vergunning om
+voor den dag te komen. Hij keek verlegen op zijn neus en zette zich,
+zonder een woord te spreken, in een hoekje neder.
+
+"Nu, jongeheer, hoeveel eieren hebt gij vandaag gediefd?" vroeg Flink.
+
+"Thomas wil geen eieren meer snoepen," was zijn beschaamd antwoord.
+
+"Ja, ja, dat zal ook wèl zoo goed zijn," antwoordde zijn vader;
+"want anders zult ge spoedig ondervinden, dat gij, in plaats van
+meer dan anderen te krijgen, integendeel heel weinig te eten krijgt,
+gelijk dat vandaag het geval is geweest."
+
+"Maar ik heb van middag nog geen eten gehad," zeide Thomas.
+
+"Voor vandaag krijgt gij ook geen middageten, daar kunt gij staat
+op maken. Wij kunnen u onmogelijk middageten en eieren te gelijk
+geven. Begint gij te schreeuwen, dan zal ik u dezen nacht in het
+hoenderhok opsluiten. Gij moet thans geduldig tot het avondeten
+wachten."
+
+Thomas begreep, dat aan de zaak niets te veranderen viel en wachtte
+dus met hangende lip tot het avondmaal op tafel kwam. Toen zocht hij
+zijne scha rijkelijk in te halen.
+
+Na het avondeten ging Flink met zijne geschiedenis aldus voort:
+
+"De laatste maal heb ik u verteld, hoe ik van dien heer op den
+postwagen te weten kwam, dat mijne arme moeder, ten gevolge van
+kwelling en verdriet over mijn weggaan, gestorven was. Hoe 't met
+mij gedurende die reis gesteld was, kan ik niet beschrijven. Ik was
+vreeselijk bedroefd en verslagen totdat wij eindelijk te Newcastle
+aankwamen, waar ik alle omstandigheden omtrent de ziekte en den dood
+van mijne moeder vernemen kon.
+
+"Toen de postwagen stilhield, kwam de heer, die onderwijl buitenop
+was blijven zitten, aan het portier, gaf mij de hand en zei mij:
+
+"Als ik wel heb, zijt gij Masterman Flink, die eens het ruime sop
+ingingt; of vergis ik mij misschien?"
+
+"Neen, mijnheer," zei ik heel verslagen, "ik ben het wezenlijk."
+
+"Welnu, wees dan maar zoo neerslachtig niet, jonkman," antwoordde
+hij mij. "Destijds toen ge van huis liept, waart ge nog een jongen
+zonder verstand en hadt er geen begrip van, dat uwe moeder zooveel
+om u te lijden zou hebben, als ze werkelijk deed. 't Was niet zoozeer
+uw wegloopen, dan wel de tijding van uw dood, wat haar zoo verslagen
+maakte, en daaraan hebt gij geen schuld. Ge moet thans met mij meegaan,
+want ik heb u nog veel dingen te zeggen."
+
+"Ik zal morgen bij u komen, mijnheer," antwoordde ik. "Voordat ik mijne
+oude buren bezocht heb en op 't graf van mijne lieve moeder geweest
+ben, kan ik toch niets aanvangen, 't Is waar, 't was niet opzettelijk,
+dat ik moeder zoo ongelukkig maakte, en aan 't gerucht van mijn dood
+heb ikzelf ook geen schuld; maar toch weet ik wel heel goed, dat zij,
+als ik niet zoo gedaan had, nog wel in het leven gebleven en misschien
+een heel gelukkig mensch wezen zou."
+
+"Uit kleine oorzaken, mijn beste Willem, komen vaak de droevigste
+gevolgen voort, en als wij, bij het doen van iets, eerst nadenken
+wilden, wat er de gevolgen wel van konden zijn, zonden wij ons veel
+wroeging en veel berouw in het leven kunnen besparen.
+
+"Die heer gaf mij zijn adres op, en ik beloofde dat ik den volgenden
+morgen bij hem zou komen. Toen ging ik naar het huis, waar mijne moeder
+gewoond had. Ik wist wel, dat zij daar niet meer was, en toch was 't of
+mijn hart ineenkromp, toen ik daar hardop praten en lachen hoorde. Ik
+gluurde eens naar binnen; want de deur stond juist open. In den hoek,
+waar mijne moeder altijd placht te zitten, stond een groote mangel,
+waaraan twee vrouwen bezig waren. Aan de ronde tafel, die ik ook nog
+kende, stonden twee meisjes te plooien en te stijven en zij riepen
+me toe, "wat er van mijn dienst was?" Ik keerde het huis den rug toe
+en ging bij een buurman, die ik wist dat een goede kennis van mijne
+moeder was geweest.
+
+"De vrouw was thuis, maar herkende mij niet, zoodat ik haar eindelijk
+zeggen moest wie ik was. Zij had mijne moeder tot aan haar sterfuur
+opgepast en vertelde mij al wat ik verlangde te weten.
+
+"Het gaf aan mijn beklemd hart eenige verlichting, toen ik vernam, dat
+mijne arme moeder ook zonder mijne schuld wel niet lang meer geleefd
+zou hebben, daar zij aan een ongeneeslijke kanker leed; doch tegelijk
+vertelde de vrouw mij, dat zij onophoudelijk aan mij gedacht had en dat
+mijn naam het laatste woord op hare lippen geweest was. Ik hoorde ook,
+dat mijnheer Masterman haar veel goedheid en genegenheid betoond had.
+
+"Het goede mensch zette hare muts op en geleidde mij naar het graf der
+overledene, waar zij mij op mijn verlangen alleen liet. Ik zette mij
+op den grasheuvel neder, die het gebeente mijner moeder overdekte. Met
+een getroffen hart zat ik daar en weende lang en bitter.
+
+"Het was reeds geheel donker, toen ik eindelijk het kerkhof verliet
+en naar de vriendelijke vrouw terugkeerde, die mijne moeder had
+opgepast. Ik sprak met haar en haar man tot laat in den nacht, en
+daar zij mij een bed aanboden, bleef ik onder hun dak slapen.
+
+"Den volgenden morgen ging ik uit, om volgens mijne belofte aan
+den heer, met wien ik den vorigen dag gereisd had, een bezoek te
+brengen. Op het bordje aan zijne deur zag ik, dat hij notaris was. Hij
+verzocht mij plaats te nemen, sloot toen de deur zorgvuldig toe en
+deed mij allerlei vragen, om zich te overtuigen, dat ik werkelijk
+Masterman Flink was. Toen berichtte hij mij, dat hij mijnheer
+Masterman's boedel onder zijn beheer gehad en bij het doorzoeken der
+papieren een document gevonden had, dat voor mij van groot gewicht
+was, daar uit dat geschrift bleek, dat de verzekering van het schip,
+'t welk zooals ik vroeger reeds verteld heb, aan mijn vader en mijnheer
+Masterman toebehoord had en vergaan was, niet voor mijnheer Masterman's
+aandeel alleen, maar ook voor dat mijns vaders had gegolden, zoodat
+die mijnheer mijne moeder haar aandeel bedriegelijk onthouden had.
+
+"Hij zeide dat papier korten tijd na mijnheer Masterman's dood
+in eene geheime schuiflade gevonden te hebben. Daar mijne moeder
+nochtans overleden was en hij ook mij voor dood hield, had hij niet
+kunnen besluiten, om eene zoo onaangename zaak bekend te maken;
+maar nu ik weder was opgedaagd, oordeelde hij, dat zijn plicht van
+hem eischte het gansche geval open te leggen. Hij bood zich aan,
+om de zaak voor mij bij de heeren te bezorgen, aan wie mijnheer
+Masterman zijn gansche vermogen had overgedragen, om daarvoor armen-
+en ziekenhuizen te doen bouwen.
+
+"De verzekering van het schip bedroeg, zeide hij, drie-duizend pond;
+een derde deel daarvan kwam aan mijn vader toe, wat alleen duizend,
+en met de renten van zoovele jaren, ver over eene som van tweeduizend
+pond uitmaakte.
+
+"Dit was natuurlijk eene zeer aangename tijding voor mij, en gij kunt
+wel begrijpen, dat ik zijn voorstel dadelijk gretig aannam. Hij ging
+terstond aan het werk, vervoegde zich bij den raad van beheer en legde
+aan de heeren het bewijs voor; en allen stemden aanstonds overeen,
+dat het geld mij eerlijk toekwam en ook zonder uitstel aan mij moest
+worden uitbetaald.
+
+"Zoodra het geld in mijne handen was, begon ik dat op allerlei dwaze
+manieren weg te gooien. Tot mijn geluk, kwam echter in de eerste
+dagen de Schotsche bootsman te voorschijn als de beschermengel,
+die mij redden wilde.
+
+"Zoodra ik hem het voorgevallene verteld had, sprak hij zeer verstandig
+met mij, bracht mij onder het oog, dat ik thans in de gelegenheid
+was, om mij voor mijn gansche leven een zeker bestaan te verschaffen,
+en gaf mij den raad, om voor mijn geld een aandeel in een schip te
+koopen, onder voorwaarde, dat ik er zelf de kapitein van zou wezen.
+
+"Die inval beviel mij zeer goed. Ik zag wel in, dat ik wederom zeer
+onverstandig gehandeld had, en besloot zijn raad te volgen. Eene
+enkele zwarigheid hield mij tegen; ik was namelijk nog zeer jong,
+pas twintig jaren oud, en had vroeger een schip wel heel goed weten
+te sturen, maar mij in den laatsten tijd weinig daarop toegelegd.
+
+"Ik deelde Sanders, zoo heette de bootsman, mijn bezwaar mede; maar
+hij stelde mij gerust en sloeg mij voor, dat, als ik hem als eerste
+stuurman wilde aanstellen, ook die moeilijkheid uit den weg zou zijn
+geruimd, daar hij met het roer goed wist om te gaan en mij terstond
+op de eerste reis de stuurmanskunst wel in den grond zou leeren. Zoo
+kwam dan eindelijk alles in orde.
+
+"Gelukkig had ik nog niet boven de honderd pond van mijn geld verteerd,
+wat evenwel voor dien tijd negentig pond te veel was. Ik keerde naar
+Glasgow terug, in gezelschap van Sanders, en deze gaf zich alle moeite
+om naar een geschikt schip om te zien.
+
+"Eindelijk vond hij er een, dat tot het van stapel loopen gereed en,
+ten gevolge van een door het kantoor, dat het gebouwd had, geleden
+bankroet, te koop was. Hij won berichten en vernam, dat eene zeer
+goede en aanzienlijke firma het vaartuig waarschijnlijk koopen zou,
+en toen deed hij mij een voorslag om een vierde deel in het schip te
+nemen en daarover als kapitein bevel te voeren.
+
+"Sanders was algemeen geacht en bezat ieders vertrouwen. Zijne
+aanbeveling had dan ook tengevolge, dat de onderhandelende partijen
+mij verlangden te zien en te spreken. Hoe jong ik ook was, schenen
+zij toch met mij tevreden, en de koop kwam werkelijk tot stand.
+
+"Ik stortte mijn aandeel, dat in twee-duizend pond bestond. Zoodra
+het schip van stapel was geloopen, deed ik met Sanders, dien ik
+tot eersten stuurman gekozen had, alle moeite om het spoedig geheel
+zeilree te maken. Het huis, dat het schip met mij had aangekocht,
+was eene Westindische firma, en zoo werd onze bodem natuurlijk tot
+de vaart op West-Indië bestemd.
+
+"Na het betalen van mijn aandeel, bleven mij nog drie- of
+vierhonderd pond over. Deze besteedde ik tot den aankoop van
+speculatie-goederen voor mijne eigene rekening en het verschaffen van
+zeemans-instrumenten en dergelijke. Ook aan mijne eigene uitrusting
+liet ik het niet ontbreken. Want ziet gij, Willem, ofschoon Sanders
+mij zoo ernstig vermaand had, voortaan verstandiger te zijn, was ik
+toch bij de gedachte, dat ik nu kapitein van mijn eigen schip was,
+niet weinig opgeblazen. Voor iemand, die kort te voren nog jongen in
+den bezaansmast van een oorlogsschip geweest was, was de verandering
+dan ook werkelijk al te spoedig en te groot.
+
+"Ik kleedde mij zeer netjes, droeg fijne overhemden en ringen
+aan de vingers; ik trok zelfs handschoenen aan, om witte handen te
+krijgen. Inderdaad, als kapitein en deelhebber van een fraai schip was
+ik ook een man van gewicht en werd door de overige scheepseigenaars
+dikwijls aan tafel genoodigd. Bovendien kon ik het zeer goed doen,
+want buiten de winst, die mijn eigen handel afwerpen kon, had ik
+ongeveer tien pond als kapitein en daarbij nog het vierde deel aan
+de gezamenlijke winsten.
+
+"Dezen tijd kan ik als den voorspoedigsten van mijn gansche leven
+beschouwen, en ik zal daar nu bij blijven stilstaan, ofschoon ik wel
+vooruit zeggen kan, dat mijne fortuin niet van langen duur bleef."
+
+
+
+
+
+
+
+EEN-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+SLOT VAN FLINKS VERHAAL.
+
+
+Den volgenden dag waren zij bezig met op het kronkelpad, dat naar
+het magazijn leidde, de wortels der omgehouwen kokosboomen weg te
+ruimen. Zoodra dit gedaan was, richtte Flink nevens dat magazijn een
+bliksemafleider op, gelijk hij er bij het woonhuis reeds een gezet had.
+
+Zij hadden nu eindelijk al het werk, dat zij zich gedurende den
+regentijd voorgenomen hadden, tot stand gebracht. De schapen hadden
+lammeren geworpen; maar die zoowel als de geiten, begonnen gebrek aan
+voeder te krijgen. Eene gansche week lang viel er geen regen meer;
+de zon verspreidde reeds krachtige warmte en Flink was van oordeel,
+dat de regentijd voorbij moest zijn.
+
+Willem was weder volkomen hersteld en kon in zijn ongeduld nauwelijks
+afwachten, dat men het voorgenomen tochtje over het eiland ondernemen
+zou, waaraan hij natuurlijk vurig wenschte deel te nemen. Na rijp
+beraad werd eindelijk besloten, dat Flink en Willem de eerste wandeling
+naar het zuiden doen en zoodra mogelijk terugkeeren zouden, om te
+berichten of zij ook wat nieuws ontdekt hadden.
+
+Op een Zaterdagavond werd dit besluit genomen; des Maandags morgens
+zouden beiden opbreken. De reiszakken werden met gekookt pekelvleesch
+en platte koeken, die Juno bereid had, rijkelijk gevuld. Ieder zou
+zich van een geweer met kruit en lood voorzien; ook zouden zij eene
+wollen deken medenemen, om zich bij nacht daarin te wikkelen. Flink
+vergat ook zijn kompas en handbijl niet, om weder, evenals op hun
+eersten tocht, de boomen in het wond daarmee te merken.
+
+De gansche Zondag werd tot het in orde brengen van het noodige
+besteed. Na het avondeten, begon de goede oude man:
+
+"Nu, Willem, voordat wij onze reis aanvangen, kan ik mijne historie nog
+wel ten einde brengen. Ik heb niet veel meer te vertellen, want mijn
+goed geluk duurde niet lang, en na mijne lange Fransche gevangenschap
+was al mijn volgend leven eene voortdurende verwezenlijking van het
+spreekwoord: Van den regen in den drop, of: Van den wal in de sloot. Ik
+bleef er bij staan, hoe ik dat aandeel in het koopvaardijschip gekocht
+had en naar mijne gedachten op den besten weg was om mijn fortuin te
+maken. Laat mij dus voortgaan.
+
+"Ons schip was eerlang gereed, en zoo zeilden wij in eene groote vloot
+naar Barbados uit. Sanders bewees spoedig een kundig zeeman te zijn,
+en voordat wij te Barbados aankwamen, had ik van hem al de kundigheden
+verkregen, die ik noodig had, om mijn schip zelf behoorlijk te sturen
+en te regeeren.
+
+"Sanders zocht de oude ernstige gesprekken te hernieuwen; maar mijn
+vermogen had mij te ijdel gemaakt, en nu, daar ik mij ook zonder zijn
+bijstand tot mijne taak in staat achtte, hield ik mij niet alleen op
+een afstand van hem, maar zocht zelfs den baas over hem te spelen. Zoo,
+beste Willem, beloonde ik de goedheid, die hij mij altijd had bewezen,
+met den snoodsten ondank. Helaas, dat is in de wereld maar al te
+dikwijls het geval.
+
+"Sanders was daar zeer bedroefd over, en bij onze aankomst te Barbados
+zeide hij mij, dat hij besloten had het schip te verlaten. Ik
+antwoordde hem op hoogen toon, dat hij in alles naar zijne vrije
+verkiezing handelen moest. Wat mij het meest daartoe bewoog, was,
+dat ik in het hart vurig wenschte van hem ontslagen te worden, alleen
+omdat ik gevoelde hem dank verschuldigd te zijn;--met beschaming erken
+ik dat, mijn beste Willem. Zoo verliet hij mij dan ook wezenlijk,
+en ik was uiterst tevreden, dat hij het deed.
+
+"Mijn schip had weldra zijne volle lading suiker en wachtte tot eene
+groote koopvaardijvloot de vaart naar Engeland zou aannemen. Ik had te
+Barbados gelegenheid gevonden om vier metalen kanonnen aan te koopen,
+die ik terstond op mijn dek bracht, terwijl ik mij rijkelijk van
+de noodige munitie voorzag. Ik was geweldig trotsch op mijn schip
+omdat het zich op de heenreis zulk een vluggen zeiler had betoond;
+het had zich werkelijk beter gehouden, dan menig oorlogsschip van ons
+konvooi, en daar ik nu zelfs nog stukken aan boord had, meende ik van
+vijandelijke kaperschepen volstrekt niets meer te duchten te hebben.
+
+"Wij wachtten nog altijd op ons konvooi, dat evenwel misschien nog
+wel een veertien dagen uitblijven kon. In dien tusschentijd brak een
+hevige storm los, die mijn schip met de meeste overige vaartuigen
+van de ankers sloeg en ons allen gezamenlijk uit de Carlislebaai
+dreef. Wij waren genoodzaakt met alle kracht van zeil weer op de
+haven aan te sturen, want de storm hield nog met groote woede aan.
+
+"Ik zelf was 't hartelijk moe, zoo lang op het konvooi te wachten;
+daarbij wist ik nog, dat, als ik vóór de overige Westindievaarders
+in Engeland aankwam, dit mij tot groot voordeel kon strekken, en zoo
+besloot ik dan, om in plaats van andermaal in de baai terug te keeren,
+liever zonder bedekking naar Engeland koers te zetten en mij op de
+snelle vaart van mijne kiel en op de stukken, die ik aan boord had,
+te verlaten. Ik vergat daarbij, dat de verzekering van mijn schip en
+lading in Engeland enkel voor het geval was, dat ik in gezelschap
+voer, en dat, indien ik die voorzorg verzuimde, in geval van een
+ongeluk ook de gansche verzekering nietig zijn zijn moest.
+
+"Dus ging ik dan naar Engeland onder zeil. Drie weken lang ging alles
+uitmuntend: wij ontmoetten slechts zeer weinig schepen. Die, welke
+jacht op ons maakten, waren niet tegen ons opgewassen en konden ons dus
+niets doen. Reeds stuurden wij met den besten wind op het Kanaal aan,
+en ik twijfelde niet meer, of tegen den avond zouden wij de gewenschte
+haven binnenloopen, toen ons een Fransche kaper in het gezicht kwam
+en aanstonds jacht op ons maakte. Wij waren gedwongen, om bij den wind
+te sturen; die woei zeer hard en nam al spoedig onze groote steng weg.
+
+"Dat was voor ons het grootste ongeluk, dat men zich voorstellen
+kon. De kaper kwam nu al nader, achterhaalde ons en tegen den avond
+was ik een doodarm Fransch gevangene, want de verzekeringsgelden had
+ik verbeurd, omdat ik zonder bedekking het ruime sop was ingegaan.
+
+"Ik begreep wel, dat ik al mijn ongeluk aan mijzelven te wijten had. In
+allen gevalle werd ik hard genoeg gestraft, want bijna zes volle jaren
+verzuchtte ik in akelige gevangenschap. Eindelijk waagde ik met drie
+of vier rampgenooten de vlucht te beproeven. Wij hadden duizenderlei
+ellende door te staan en kwamen eindelijk op een Zweedsch schip,
+zonder geld, ja bijna zonder een hemd aan het lijf, om ons tegen de
+koude te bedekken, in Engeland aan.
+
+"Mij bleef natuurlijk niets overig dan op een ander schip naar een
+plaatsje om te zien. Ik wou tweede stuurman worden; maar niemand wilde
+mij aannemen. Ik zag er daartoe al te haveloos en te ellendig uit,
+en om niet van honger en gebrek om te komen, besloot ik dan eindelijk
+mij als gemeen matroos vóór den mast te laten aanwerven.
+
+"Er lag een fraai schip in de haven. Daarheen ging ik, om mijne
+diensten aan te bieden. De bootsman ging om den kapitein te halen,
+en toen deze aan boord kwam, herkende ik--wien denkt gij wel?--niemand
+anders dan Sanders!
+
+"Ik hoopte nog, dat hij mij niet zoo dadelijk zou kennen. Doch bij den
+eersten oogopslag zag hij, wie ik was en reikte mij de hand toe. Ik
+had wel in de zee willen wegzinken! Nooit in mijn leven was ik zoo
+beschaamd en verlegen, als op dat oogenblik.
+
+"Sanders merkte dat wel en bracht mij in zijne kajuit. Daar vertelde
+ik hem alles, wat met mij gebeurd was. Hij scheen vergeten te hebben,
+dat ik mij zoo slecht en gemeen jegens hem gedragen had; hij bood
+mij eene plaats op het schip aan en schoot mij zelfs geld voor,
+om mij weer nieuw in de kleeren te steken.
+
+"Evenwel, of hij mijn vroeger gedrag al vergeten wou, ik kon dat niet
+vergeten. Ik kwam er openlijk voor uit en smeekte hem om vergiffenis.
+
+"Deze brave man bleef, zoolang hij leefde, mijn beste vriend. Ik
+werd na eenigen tijd zijn tweede stuurman en wij raakten weer op een
+vertrouwelijken voet met elkander. Mijn ongeluk had mij nederig en
+deemoedig gemaakt.
+
+"Na zijn dood bleef ik nog een tijdlang tweede stuurman op zijn schip,
+doch in 't eind werd een ander voor mij voorgetrokken. Sedert dien
+tijd diende ik als gemeen matroos op verschillende schepen. Overal
+werd ik geacht en goed behandeld. Ik gevoelde mij, durf ik wel zeggen,
+nergens ongelukkig, want ik zag recht goed in, dat rijkdom mij slechts
+tot dwaasheden verleiden zou.
+
+"Nu, beste Willem, kent gij de historie van Masterman Flink. Ik
+hoop dat zij hier en daar iets bevat, wat voor u op den duur nuttig
+kan worden. Ik ben thans nog maar een oud man, 't leven en de
+vermoeienissen zat; mijne eenige hoop is in vrede te sterven en nog
+tot aan dat oogenblik nuttig te kunnen zijn."
+
+"Nuttig zijt gij werkelijk in eene hooge mate geweest," zeide mevrouw
+Wilson, met tranen in de oogen; "en ik hoop, oude, beste vriend,
+dat gij nog een langen tijd leven en een hoogen, gelukkigen ouderdom
+bereiken zult."
+
+"Dank u wel, mevrouw," hernam Flink; "maar over 't algemeen hebben
+de matrozen geen zeer lang leven. En waarlijk, ik zou 't overschot
+van mijne dagen ook zeer gaarne op dit kleine eilandje ten einde
+brengen. Ik weet, dat gij overigen daar heel anders over denkt, en dat
+is ook zeer natuurlijk. Ik ben al een oud man en heb niets te wachten,
+voor niets te zorgen; al, wat ik begeer, is nuttige bezigheid. Gij
+zijt in vergelijking van mij allen nog jong en wacht nog veel van de
+toekomst. Om uwent-, maar niet om mijnentwil hoop ik van harte, dat
+men ons zoeken en vinden zal, zoodat gij weer in de woelige wereld
+kunt terugkeeren. Ik voor mij zal gaarne 't overschot van mijn leven
+op dit eiland slijten en hoop, dat die kokostakken eens over mijn
+graf zullen wuiven. Ik weet niet, maar ik heb er een zeker voorgevoel
+van, dat dit ook werkelijk zoo gebeuren zal, en ik kan wel zeggen,
+dat die gedachte in zeker opzicht een troost voor mij is."
+
+"Neen, neen, daaraan moet gij volstrekt niet denken!" riep de heer
+Wilson. "Gij moet eens met ons terugkeeren en uw ouderdom in ons
+midden doorbrengen. Gij moet uw zeemansleven opgeven, u aan onzen haard
+nederzetten, als gij wilt, en in onzen tuin u in de zon koesteren. Gij
+hebt behoefte aan rust en ik vertrouw zeker dat gij nog een gelukkigen
+ouderdom zult beleven. In allen gevalle zal het mijne schuld niet zijn,
+als die hoop van mij niet vervuld wordt."
+
+"De mijne evenmin," voegde zijne vrouw er bij; "ik zou ontroostbaar
+zijn, als gij ooit van ons heengingt."
+
+"Ik dank u, mevrouw en ook u, mijnheer, van ganscher harte voor uwe
+goede bedoeling.--Beste Willem, wij moeten voor dag en voor dauw op
+en daar wij allen nog eerst samen ontbijten zouden, wordt het thans,
+dunkt mij, hoog tijd, om eens met ons hoofdkussen te spreken."
+
+"Gij hebt volkomen gelijk," antwoordde mijnheer Wilson.
+
+
+
+
+
+
+
+TWEE-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+TWEEDE UITSTAPJE DOOR HET EILAND.
+
+
+Den volgenden morgen waren allen zeer vroeg op en ontbeten nog met
+elkander. De gebakken visch smaakte kostelijk; Thomas at zoo gulzig,
+dat hij bijna aan eene graat gestikt was, die hem in de keel bleef
+steken. Juno deed lang vergeefsche moeite om er met den vinger bij te
+komen. Mevrouw Wilson was in grooten angst totdat het Juno eindelijk
+gelukte haar met den wijsvinger los te krijgen.
+
+Geweren, reiszakken en al het benoodigde tot de reis waren reeds vooraf
+klaargemaakt, en zoo stonden Willem en Flink eindelijk van tafel op,
+namen hartelijk afscheid van de achterblijvenden en begaven zich
+op weg.
+
+De zon scheen helder, de lucht was reeds tamelijk warm; de dansende
+golven van den oceaan glinsterden in de verte en de kokosboomen
+schommelden hunne gekuifde kruinen in den zachten wind. Met een
+vroolijk hart, braken zij op en riepen de beide herdershonden. Ook
+Vixen wilde meegaan, maar moest tot bewaking van de familie
+achterblijven.
+
+Het magazijn voorbij, ging het den tegenoverliggenden heuvel op,
+het bosch in en weldra werden de bijlen losgemaakt, om de boomen
+daarmede te merken. Flink haalde zijn zakkompas voor den dag en
+regelde daarnaar de richting van den weg, dien zij nemen wilden.
+
+Een tijdlang ging het zoo voort, zonder dat men een woord sprak,
+rechts en links werd de boombast met de bijl geteekend, totdat Flink
+andermaal staan bleef, om naar zijn kompas te zien.
+
+"Mij dunkt, Flink, het bosch is hier dichter, dan ik het nog ergens
+gezien heb," zeide Willem.
+
+"Ja, ja, gij hebt gelijk. Naar 't mij voorkomt, moeten wij thans
+omtrent midden op het eiland in het dichtste deel van het woud
+zijn. Dat zal wel spoedig blijken. We moeten ons wat meer naar
+het Zuiden richten; daarbij zal het goed zijn, dat we stevig
+doorstappen. Hoe verder we komen, des te minder hebben we te doen,
+en we kunnen dan ook rustig samen praten."
+
+Zoo stapten zij een half uur wakker voort. Gelijk Flink gezegd had,
+werd het bosch allengs minder dicht, maar toch konden zij niets dan
+kokosstammen ontdekken. Het was geen lichte arbeid, ieder oogenblik
+nieuwe boomen te merken, en het zweet liep hun tappelings over het
+gezicht, zoo zwaar begon hun dat ten laatste te vallen.
+
+"Me dunkt, Willem, we moesten eens eene minuut of wat uitrusten,
+want anders wordt gij al te moe. Ge zijt nog niet zoo sterk, als gij
+vóór uwe ziekte waart."
+
+"Ik ben niet meer zoo goed aan het werk gewoon als vroeger, en
+daarom ben ik nu gauwer moe, Flink," antwoordde Willem en droogde
+zich het gezicht met zijn zakdoek af, terwijl hij zijn geweer tegen
+een boomstam zette. "Ik heb er niets tegen, dat we eens een poosje
+uitblazen. Hoe lang, denkt ge, zal het nog duren tot we het bosch
+achter den rug hebben?"
+
+"Me dunkt, geen half uur meer; of misschien zijn wij er schielijker
+uit. Ik weet niet, hoe ver het bosch zich in deze richting uitstrekt."
+
+"Wat denkt ge dan zoo al daar achter te vinden?"
+
+"Dat is moeilijk te zeggen. Ik kan alleen zeggen wat ik hoop te
+vinden, namelijk een ruim, vlak grasveld tusschen het bosch en de
+kust, waar onze schapen en geiten weiden kunnen. Dan was het ook
+mogelijk, dat wij buiten de kokossen nog andere boomen, heesters
+en struiken vonden; tot hiertoe hebben wij niets dan kokosboomen
+en ricinusstruiken gezien. Weet gij nog wel Willem, hoe Thomas het
+van de bessen te kwaad gehad heeft? 't Is onmogelijk te bepalen,
+mijn jongen, hoe menigerlei zaadkorrels door vogels of door wind en
+baren wel hierheen gebracht zijn."
+
+"Ja, maar zouden die zaken ook opkomen?"
+
+"Wel zeker, Willem. Ik heb mij wel eens laten vertellen, dat vele
+zaadkorrels honderden jaren onder den grond kunnen zitten en later,
+als de zon er op schijnt, toch nog opkomen!"
+
+"Nu herinner ik mij," antwoordde Willem, "dat mijn vader mij eens
+vertelde, hoe een gerstekorrel, die voor drie of vier duizend jaren
+met eene Egyptische mummie begraven was, zelfs na dien langen tijd
+nog opkwam, nadat men haar in den grond had gestoken."
+
+"Wat is dat eene mummie, Willem? Van Egypte heb ik wel gehoord: dat is
+het land, waar de kinderen Israëls gevangen waren en waar zij later
+uittrokken. Dat alles lezen wij in den Bijbel, en ook van de zeven
+plagen, waarmede Pharao bezocht werd, totdat hij het Joodsche volk
+gaan liet."
+
+"Ja, ja; hij verdronk met zijn gansche leger, omdat hij hen
+achtervolgde en weder terugdrijven wilde.--Eene mummie, Flink, is
+het lijk van een mensch, dat na den dood met verschillende specerijen
+ingebalsemd wordt, om het tegen verrotting te bewaren. Ik heb er nog
+nooit eene gezien, maar weet uit de boeken, dat de Egyptenaren hunne
+lijken zoo plachten in te balsemen.--Maar kom, nu kan ik, dunkt mij,
+wel weer verder gaan."
+
+"Goed, Willem; hoe eer wij het bosch achter ons hebben, des te beter
+voor ons."
+
+Zonder oponthoud zetten zij na hunne wandeling voort, en ze waren
+nog geen kwartier verder, of Willem riep:
+
+"Flink, ik zie den blauwen hemel! We zijn het bosch weldra ten einde,
+en ik ben daar hartelijk blij om, want mijn arm doet mij zeer van
+dat aanhoudend kappen."
+
+"Mij gaat het niet beter, Willem. Ik ben waarlijk even blij als gij;
+want het werken heeft mij ook vermoeid. Evenwel moeten wij daarmee
+nog voortgaan, want anders vinden we onzen weg niet terug, als wij
+dien noodig hebben."
+
+Tien minuten later hadden zij het kokosbosch achter zich en kwamen
+te midden van manshooge struiken zoodat zij niet zien konden, hoe
+ver zij nog van de kust verwijderd waren.
+
+"Nu, Goddank," riep Willem en wierp de bijl op den grond; "ik ben
+blij, dat dit voorbij is. Nu zullen we ons een poosje neerzetten,
+voordat wij verder gaan."
+
+"Dat is mij wel," zeide Flink en nam bij Willem plaats.
+
+"Ik voel mij heden veel meer vermoeid, dan toen wij van de andere
+zijde van het eiland door het bosch kwamen. Ik geloof bijna, dat het
+weer daaraan schuld is. Komt hier honden; koest daar!"
+
+"Het weer is toch heel mooi, Flink."
+
+"Nu, ja zeker; maar ik heb u, meen ik, reeds gezegd, dat de regentijd
+voor de gezondheid zeer nadeelig is, en zoo denk ik wel haast, dat
+ik daarvan nog niet bekomen ben. Gij hebt wezenlijk de koorts gehad
+en kunt u natuurlijk niet zeer sterk voelen; maar men kan toch ook
+zonder koorts aan zijne gezondheid veel geleden hebben. Ik ben een
+oud man, Willem, en begin thans allerlei gebreken te voelen."
+
+"Me dunkt, Flink, voordat wij opbreken, moesten wij ons middagmaal
+houden; dat zal ons zeker goed doen."
+
+"Ja, Willem, wij zullen een vroeg maal houden dan raken wij in allen
+gevalle eene onzer waterflesschen kwijt. Halt! goed, dat ik het
+bedenk. Daar wij toch denzelfden weg terug moeten, konden we onze
+reiszakken en al 't verdere buiten de geweren wel onder deze boomen
+laten liggen. Misschien ook dat wij hier wel overnachten zullen,
+want ik heb uw vader stellig gezegd, dat hij ons vandaag nog niet
+terug wachten moest. Aan uwe moeder wilde ik dat niet zeggen, omdat
+zij altijd zoo bezorgd voor u is."
+
+Hierop werden de knapzakken geopend en het middagmaal gehouden,
+waarvan de beide honden rijkelijk hun deel kregen. Na het eten zetten
+zij hunne ontdekkingsreis opnieuw voort. Wel tien minuten lang moesten
+zij zich door de hooge, dichte struiken een weg banen, totdat zij ten
+laatste den uitgang bereikten en toen eene poos zonder een woord te
+spreken in het rond zagen.
+
+De zee lag op ongeveer een halve mijl afstands voor hen: het
+daartusschen liggende land was eene open vlakte met frisch, heerlijk
+gras overdekt, en vormde eene voortreffelijke weideplaats. Hier en
+daar was de bodem met enkele kleine boomgroepen bezet; de kust vormde
+geen zandvlakte gelijk op de andere zijde, maar de klippen rezen tot
+eene hoogte van twintig tot dertig voet loodrecht uit de zee op en
+waren op vele plaatsen met een vreemde, sneeuwwitte stof overdekt.
+
+"Zie, Flink," begon Willem eindelijk, "daar zou nog voeder genoeg
+voor onze kudde zijn, ook als zij tienmaal zoo sterk werd."
+
+"Ja, ja, mijn jongen; dat is een groot geluk, en wij hebben alle reden
+om dankbaar daarvoor te zijn. Dat is juist wat wij noodig hadden. Laat
+ons nu echter wat verder gaan en die boomgroepen onderzoeken, om te
+zien, waaruit ze bestaan. Ik zie daar een groot, breed blad, dat ik,
+als ik mij niet bedrieg, al dikwijls meer gezien heb.--Ja, Willem,
+ik had wel gelijk," vervolgde hij, nadat zij de boomen, waarop hij
+gewezen had, genaderd waren. "Ziehier, dat is een pisangboom. Hij bot
+juist uit en zal weldra tien of twaalf voet hoog zijn. Zijne vrucht
+smaakt voortreffelijk en zijne bladeren geven een uitmuntend voedsel
+voor het vee."
+
+"Hier is een plant, die ik nog nooit gezien heb,--hier deze kleine,"
+zeide Willem, terwijl hij een takje afbrak en dat zijn ouden vriend
+toonde.
+
+"Maar ik wel, Willem. Men noemt het gewoonlijk vogelpeper en de u
+welbekende Cayennepeper wordt daaruit bereid. Zie, het heeft al loten;
+het zal ons bij het koken goede diensten doen, daar we toch geen peper
+meer overhebben. Juno zal er wat blij mee zijn. Gij kunt daar verder
+uit opmaken, Willem, dat er ook vogels op dit eiland moeten zijn;
+althans is dit zeer waarschijnlijk, want de zaden van al deze planten
+en boomen kunnen slechts door hen hierheen gedragen zijn. Pisang
+en peper dienen vele vogelsoorten tot voedsel. De zaadkorrel, welk
+een dezer vogels vallen liet, is opgekomen en heeft verdere loten om
+zich heen verspreid, die van jaar tot jaar in talrijkheid en grootte
+toenamen. Dit is ook de reden, waarom gij ze alle in afzonderlijke
+groepen hier en daar verstrooid ziet. Kijk, daar schiet eene menigte
+Pisangplanten uit den bodem op; in weinige weken zullen ze een heel
+bosch uitmaken."
+
+"En wat is dat daar voor eene stekelachtige struik, Flink?"
+
+"Ik zie niet zoo scherp als gij Willem, en dus dienen wij wat naderbij
+te treden. Ha, ik zie het al; het is de zoogenaamde Westindische
+stekelbes. Ik ben zeer blij haar gevonden te hebben, want zij kan
+ons van groot nut zijn."
+
+"Is ze goed om te eten, Flink?"
+
+"Dat juist niet; ook prikt ge u met hare stekels licht in de vingers
+en kunt ge ze er moeilijk weer uitkrijgen; voor de afwisseling evenwel
+zal zij zoo kwaad niet smaken. Het hoofdnut brengt die struik nochtans
+als heg om onzen tuin aan, tot bescherming tegen de dieren. Zij geeft
+eene uitmuntende heining en wast zeer snel, zonder oppassing noodig
+te hebben. Zie eens, daar staat een halve akker vol met dat gewas;
+het is juist aan het bloeien toe. Laat ons nu eens naar gindsche
+groep gaan en zien wat het is."
+
+"Wat is dat voor eene plant, Flink?"
+
+"Ik weet het niet, Willem; ik kan niet zeggen, dat ik ze vroeger ooit
+gezien heb."
+
+"Dan, dunkt mij, zal ik 't best doen, al de planten, die gij niet
+kent, te verzamelen en aan vader te brengen. Hij is een groot vriend
+van de kruidkunde en zal ons wel weten te zeggen wat ze zijn."
+
+"Braaf! Dat zullen wij doen; dat is een recht goede inval van u."
+
+Willem plukte een tak van de onbekende plant af en nam dien mede. Bij
+de naaste groep bleef Flink staan en beschouwde haar lang met groote
+opmerkzaamheid.
+
+"Wacht, laat zien," zeide hij eindelijk; "dezen boom geloof ik te
+kennen, althans heb ik hem meer in de heete landen gezien. Ja, ja,
+ik heb 't, Willem; een guayababoom."
+
+"Hoe, dezelfde, uit wiens vruchten men den guayabawijn bereidt?"
+
+"Ja, dezelfde."
+
+"Nu, wat zal Thomas watertanden, als hij daarvan hoort! Kapitein
+Osborn gaf ons op onze reis eens guayabamost te proeven, en Thomas
+wilde er al meer van hebben, zoo smaakte die hem."
+
+"Kleine jongens van Thomas' jaren denken meer aan eten en drinken
+dan aan iets anders; dat is natuurlijk, en wij moeten Thomas daarom
+niet hard vallen. Hij zal mettertijd een fiksche jongen worden;
+geloof dat vrij, Willem!"
+
+"O zeker, dat hoop ik ook, Flink, en ik twijfel er ook in 't geheel
+niet aan. Willen we thans verder gaan?"
+
+"Ja; maar welken kant zoudt ge 't liefst gaan?"
+
+"Laat ons in de richting van deze vijf boomen voortloopen en dan tot
+aan de klippen afdalen. Ik zou gaarne weten hoe het komt, dat die
+zoo wit zijn."
+
+"Komaan dan, als gij het zoo verkiest, beste jongen."
+
+"Hé, Flink! wat is dat voor een rumoer? Luister, dat geschreeuw! Dat
+moeten apen zijn."
+
+"Neen, neen, dat zijn geen apen; ik wil u wel aanstonds zeggen, wat
+het is, ofschoon ik nog niets zie.--Papegaaien zijn 't,--ik ken hen
+aan hun geschreeuw. Zie, Willem, het is niet heel waarschijnlijk,
+dat apen hierheen gedwaald zouden zijn, maar wel vogels, en aan hen
+zijn wij de pisangs en guayaba en al de andere vruchten verschuldigd,
+die wij misschien nog ontdekken zullen."
+
+Zoodra zij onder de boomen kwamen, ontstond er een oorverdoovend
+gefladder en geschreeuw. Meer dan driehonderd papegaaien vlogen
+krijschend op en hunne fraaie groene en blauwe pluimen schitterden
+prachtig in de stralen der zon.
+
+"Zeide ik het niet, Willem? Nu, dat is eene kostelijke ontdekking en
+kan ons van tijd tot tijd aan eene keurige pastei helpen."
+
+"Pastei, Flink? Gebruikt men hen dan tot pasteien?"
+
+"O ja, zij smaken heerlijk; in West-Indië en Zuid-Amerika heb ik er
+mij dikwijls lekker op vergast. Wacht, wacht, laat ons hier nog een
+eindje verder op gaan. Ik zie daar een blad, dat ik gaarne nader
+onderzoeken zou."
+
+"De grond schijnt hier moerassig te worden, Flink, dunkt u dat
+ook niet?"
+
+"Ja, ja; hier onder onze voeten schuilt water genoeg. Des te beter
+voor ons vee; wij graven het dan eenige kommen, als het hierheen
+komt. Ha! ik dacht wel, dat ik mij niet bedriegen zou. Zie eens,
+Willem! dat is het allerbeste, dat we nog gevonden hebben; nu behoeven
+wij niet zoo meer van onze aardappelen af te hangen."
+
+"Ei, wat is het dan, Flink?"
+
+"Yamswortels, mijn jongen, yams- of broodwortels, die men in West-Indië
+in plaats van aardappelen gebruikt. Gij moet namelijk weten, dat de
+aardappelen in heete luchtstreken niet lang hunne oorspronkelijke
+gedaante behouden."
+
+"Hoe meent gij dat, Flink?"
+
+"Na een of twee oogsten veranderen zij in zoogenaamde zoete
+aardappelen; de yamswortels zijn, naar mijn oordeel, in alle gevallen
+beter."
+
+Op dit oogenblik wierpen de honden zich in het door de yamswortels
+gevormde hooge groen en begonnen te blaffen; een poosje daarna hoorde
+men een sterk getrappel en gebrom.
+
+"Wat is dat?" riep Willem, die zich juist op den grond gelegd had,
+om de yamsplant te onderzoeken en bij dat gerucht ontsteld opsprong.
+
+De oude man lachte hartelijk.
+
+"Het is niet de eerste maal, Willem," zeide hij, "dat ze u een schrik
+op het lijf hebben gejaagd."
+
+"Wat! onze varkens zijn het? Wezenlijk?" vroeg de knaap verwonderd.
+
+"Wis en zeker: zij hebben de broodwortels in den neus gekregen en
+smullen er braaf van, dat moogt gij vrij gelooven."
+
+Flink verhief zijne stem en klapte in de handen. Weldra hoorde men
+onder de bladeren een getrappel en geknor en kort daarop sprongen--niet
+zes, maar over de dertig varkens, groote en kleine, uit het groen te
+voorschijn; en snuivend en knorrend stoof de gansche kudde in wilden
+galop langs de vlakte voort, totdat zij het kokosbosch bereikt had
+en daarin verdween.
+
+"Maar wat zijn ze wild, Flink!" riep Willem.
+
+"Ja, en ze worden nog met elken dag wilder. We moeten de yamswortels
+echter tegen hen omheinen, anders blijft er ons niets van over."
+
+"Maar ze zullen de heg vernielen, voordat die nog behoorlijk is
+opgeschoten."
+
+"Dat zouden zij wel; maar daartegen maken wij een stevige omheining
+van kokospalen en planten aan den buitenkant van die stekelbessen,
+welke gij ginds gevonden hebt. Eer nog onze palen vermolmd zijn,
+wassen de stekelbessen tot eene heg omhoog, waardoor geen dier kan
+heenbreken.--Nu, Willem, moeten wij ons echter eens naar de kust
+wenden."
+
+Toen zij de rotsen naderden, die op enkele plaatsen vijftig ellen
+boven den rand des waters uitstaken, merkte Flink aan:
+
+"Nu kan ik u zeggen, jonge vriend, wat de witte plekken ginds op
+de klippen te beduiden hebben. Zij zijn afkomstig van de zeevogels,
+die hier ieder jaar komen nestelen en hunne jongen uitbroeden. Als
+niets hun dat belet, keeren zij telkenreize naar de eigen stee terug."
+
+Zij bereikten weldra het bedoelde punt, dat zich uit de verte zoo
+wit vertoonde; zij vonden het vol veeren en pluimen, met mest en
+drek doormengd.
+
+"Ik zie nergens een nest, Flink: niet eens een spoor van vroegere
+nesten."
+
+"Wel dat is ook niet mogelijk. Hun geheele nest bestaat namelijk
+daarin dat zij een rond gat van een halven duim diep in den grond
+krabben en dicht naast elkander gezeten hunne eieren in de kuilen
+leggen. Spoedig is het tijd dat zij terugkomen; dan zullen wij hun
+een bezoek brengen en van hunne eieren medenemen, zooveel als wij er
+noodig hebben. Die smaken namelijk lang niet leelijk."
+
+"Ei, Flink, wat hebben wij vandaag al eene menigte goede dingen
+gevonden. Ons uitstapje is toch waarlijk heel gelukkig uitgevallen."
+
+"Ja, inderdaad; bedenk slechts, mijn jongen, hoe onze hulpmiddelen hier
+van jaar tot jaar vermeerderd kunnen worden, als wij maar eenigermate
+vlijtig en arbeidzaam zijn."
+
+"Weet ge wat ik daar al dacht, Flink?--We hadden ons huis misschien
+liever hier moeten bouwen."
+
+"O, neen, Willem; we hebben hier niet zulk zuiver water als daar, en
+ook niet het zandige strand, dat ons het voordeel van een schildpad-
+en een vischvijver verleent. Neen, Willem, ons vee kunnen wij hier
+wel laten weiden; we kunnen hier de vruchten in het rond inoogsten en
+met de arme vogels deelen; we kunnen de yamswortels en wat nog verder
+nuttigs hier voor ons groeit inzamelen; maar ons huis, onze woning,
+moet blijven waar het tegenwoordig is."
+
+"Gij hebt gelijk, Flink; maar het zal een lange weg wezen hierheen."
+
+"Ook dat niet, als wij er maar eerst aan gewoon zijn en een behoorlijk
+pad gemaakt hebben. Bovendien kunnen wij misschien onze boot hierheen
+brengen. Ik zal dadelijk maar eens langs de klippen gaan en dat
+onderzoeken."
+
+Zij gingen nu ongeveer een half uur den zeekant langs, totdat zij
+aan een punt kwamen, waar de rotsen niet meer zoo hoog waren. Daar
+ontdekten zij eene kleine kom, die in de klippen was ingesneden en
+slechts een enkelen ingang had.
+
+"Zie eens, Willem, welk eene aardige kleine haven voor onze boot. Van
+hier kunnen wij haar met yamswortels laden en naar onze woonplaats
+brengen, verondersteld dat wij op de zuidzijde eene doorvaart voor
+haar vinden kunnen. Wij hebben daar nog niet naar omgezien, omdat
+wij tot hiertoe zoo iets nog niet noodig hadden."
+
+"Ja, Flink, dat is waarlijk een aardig, rustig plaatsje voor onze
+boot; doch hoe zullen wij het wedervinden, als wij van de andere zij
+van het eiland aankomen?"
+
+"O, heel gemakkelijk, Willem; ik heb slechts een hoogen stok als
+merkteeken op te zetten."
+
+"Wat is dat daar toch voor een ding, Flink?" vroeg Willem en wees op
+een voorwerp in de laagte.
+
+"Aha, ik zie het al, jongen; dat is een zeekreeft, die zeer goed is om
+te eten. 't Is wel mogelijk, dat wij dan ook nog eens een kreeftvijver
+gaan aanleggen; dan kunnen wij hen in menigte vangen en krijgen een
+smakelijk gerecht te meer."
+
+"En wat zijn dan die kleine ruwe dingen daar beneden aan de klippen?"
+
+"Dat is eene zeer kleine soort van oesters, die heel zoet smaken. Ze
+zijn anders dan die in Europa; ze zijn veel malscher en smaken nog
+veel beter."
+
+"Bravo, Flink, dan hebben wij weer twee nieuwe lekkernijen op onze
+tafel," riep Willem verblijd uit. "Wat worden wij nog rijk!"
+
+"Ja, mijn jongen; maar vergeet niet, dat wij ze eerst moeten vangen,
+want zonder moeite en arbeid krijgt men in de wereld niets gedaan."
+
+"Flink," begon Willem plotseling weder, "wij hebben nog drie volle
+uren dag: willen we niet naar huis gaan en vertellen, wat we gezien
+hebben? Moeder zal hartelijk blij wezen, als zij ons wederziet."
+
+"Met hart en ziel mijn jongen. Voor een dag hebben wij vrij wat
+afgedaan; dus kunnen we nu wel terugkeeren en weer eene week te huis
+blijven of althans zoolang men ons daar niet missen kan. Vruchten zijn
+er bovendien toch nog niet; het eenige, waarvoor ik zorg wil dragen,
+zijn de yamswortels, want ik ben bang, dat onze varkens anders met
+het beste wegloopen. Doch laat ons nu op weg gaan en de zaak nader
+met uwen vader overleggen."
+
+Terwijl Willem van het zeestrand naar het kokosbosch terugkeerde,
+plukte hij van iedere plant, die hij voorbijkwam een takje af, om
+dat voor zijne vader mede te nemen. Weldra vonden zij het plaatsje,
+waar zij hunne knapzakken en handbijlen hadden achtergelaten. Van daar
+keerden zij langs het vorige pad door het kokosbosch terug en volgden
+daarbij de merken, die zij 's morgens in de boomen hadden uitgekapt.
+
+Een uur voor zonsondergang kwamen zij bij hunne woning aan en vonden
+mijnheer en mevrouw Wilson voor de deur zitten. Juno was met de beide
+kleinen aan het strand, en de dreumessen hadden dol veel pleizier
+met de schelpen, die zij hier en daar op het zand vonden. Willem gaf
+zijn vader nauwkeurig verslag van al wat hij ontdekt had en liet hem
+de monsters van al de verschillende planten zien, die hij had opgedaan.
+
+"Dit hier," zeide zijn vader, "is eene algemeene bekende plant, en 't
+verwondert mij, dat onze Flink haar niet kent;--'t is immers hennep."
+
+"Dien heb ik nooit anders dan tot touw verwerkt gezien," betuigde
+Flink; "maar het zaad ken ik daarom toch heel wel."
+
+"Nu, als wij er van noodig hebben, kan ik u zeggen hoe men er mee
+moet omgaan," antwoordde mijnheer Wilson. "Laat zien, Willem, wat
+hebt ge nu?"
+
+"Dit vreemde, stekelachtige ding."
+
+"'t Is de eierplant; ze draagt eene vrucht van vorm en kleur geheel
+gelijk een ei. Ik heb wel gehoord, dat die in de heete luchtstreken
+wordt gegeten."
+
+"Ja, mijnheer, dat is ook zoo. Men legt ze in met peper en zout;
+dat noemt men dan bringal. Me dunkt, dat moet het wel wezen."
+
+"Vast wel; ge hebt zeker gelijk," hernam mijnheer Wilson.--"Foei,
+Willem, dat hier moest ge toch kennen."
+
+"Het heeft veel van eene wijndruif."
+
+"Ja; dat is het ook, 't is eene witte druif. In allen gevalle kunnen
+wij ze eten en misschien ook wijn daaruit persen; wie weet!"
+
+"Nu heb ik nog maar ééne plant, vader. Wat is dat?"
+
+"Gij hebt het niet gekend, Willem, omdat het zoo hoog opgeschoten
+is. 't Is niets anders dan de gewone mosterdzaadplant, die wij in
+Europa in menigte aankweeken. Nu, waarlijk gij hebt uw dagwerk goed
+volbracht. Kom, haast u wat, Juno, met de tafel te dekken, meid. We
+gaan dus maar naar binnen; want de zon is reeds aan 't ondergaan en
+over een paar minuten is het donker."
+
+Zoodra zij naar huis teruggekeerd waren, werd over den thans
+onderhanden te nemen arbeid beraadslaagd. Na eenig overleg kwam men
+overeen, dat het raadzaam zou zijn eerst de boot uit het zand op te
+delven. Zoodra deze in orde was gebracht, zouden de klippenreeksen
+aan de zuidzijde onderzocht worden, om te zien of er een doorgang
+door te vinden was, daar het waarschijnlijk veel tijd zou wegnemen,
+als men ze moest omvaren.
+
+Wanneer dit geschied was, wilden mijnheer Wilson, Flink, Willem
+en Juno allen te zamen naar de andere zijde van het bosch gaan en
+eene tent medenemen, die op den nieuw ontdekten grond zou worden
+opgeslagen. Dan wilde men een vlaggestok in de kleine haven planten,
+om de plaats daaraan te kunnen herkennen. Dit alles gaf natuurlijk
+een vrij zwaar dagwerk; maar toch wilden zij nog den eigen avond
+terugkeeren, om mevrouw en de kinderen geen nacht alleen te laten.
+
+Was dit gedaan, dan zouden Flink en Willem assen, raderen en andere
+benoodigde dingen, als b. v. zagen, bijlen en spaden, in de boot
+laden en om het eiland naar de zuidzijde roeien, om de kleine haven
+op te zoeken. Terstond na hunne landing en het in veiligheid brengen
+van de boot, zouden zij dan langs het woudpad naar huis terugkeeren.
+
+Het eerstvolgend werk zou dan zijn, het yamsplantsoen te omheinen en
+tegen de verwoestingen van de varkens te beschutten.
+
+Tegelijk moesten de schapen en geiten door het bosch worden gedreven,
+om op den nieuwen weidegrond hun voedsel te zoeken.
+
+De oude plek zou blijven staan en afgemaaid worden, om hooi te winnen
+tegen den regentijd. Flink en Willem zouden eene genoegzame hoeveelheid
+kokosboomen vellen, om voor de omheining van het yamsplantsoen te
+dienen. Waren de palen eens ingeslagen, dan wilde ook mijnheer Wilson
+komen en hun verder de behulpzame hand bieden.
+
+Dit, hoopten zij, zou alles in eene maand zijn afgedaan. Gedurende
+dezen tijd konden mevrouw Wilson en Juno, die doorgaans te huis moesten
+blijven, het onkruid uit den tuin wieden en de noodige toebereidselen
+maken tot het planten van een heg. Zoodra dit gewichtige werk achter
+den rug was, zou de boot met eene lading stekelbesstruiken voor de
+tuinheg in de baai terugkeeren.
+
+Dan wilden zij hunne opmerkzaamheid op den voorraad richten, die uit
+de schipbreuk gered was geworden en nog altijd aan de bocht, waar
+zij het eerst geland waren, lag opgehoopt. Na alles onderzocht en
+de bruikbare artikelen bijeenvergaderd en in het magazijn gebracht
+te hebben, zouden zij vervolgens eene regelmatige opneming van het
+eiland te land en te water doen en eene teekening daarvan ontwerpen,
+hetgeen mijnheer Wilson zeer goed was toevertrouwd.
+
+Dit waren de plannen voor het schoone jaargetijde, dat thans een
+aanvang had genomen.
+
+
+
+
+
+
+
+DRIE-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+UITZICHT OP REDDING.
+
+
+Als naar gewoonte was Flink den volgenden morgen de eerste, die uit
+het huis kwam. Hij groette Juno, die hem op den voet volgde, en ging
+toen zijne gebruikelijke morgenwandeling doen, om naar het plantsoen
+en den verderen voorraad te zien.
+
+Eerst ging hij in den tuin aan den landpunt. Daar nam hij zich voor,
+om bij de erwten, die reeds zes of zeven duim boven den grond stonden,
+staken te zetten. Vervolgens bezag hij de groote boonen, die voor den
+regentijd gepoot waren, en besloot de aarde er rondom om te woelen;
+want dit gerecht was voor hen van veel waarde en kon gedurende den
+regentijd meermalen de hoofdschotel op hunne tafel worden. Daarna
+zag hij, of de augurken al boven den grond kwamen, en ontdekte tot
+zijne blijdschap, dat zij welig groeiden.
+
+"We hebben, voor zoover ik weet, wel geen azijn om ze in te leggen,"
+dacht hij, "maar dat kan, zooals in Rusland, ook in zout water
+gebeuren. In allen gevalle is het eene aangename afwisseling."
+
+Eindelijk richtte hij zijn oog naar de zee en monsterde, als
+doorgaans, den voor hem liggenden gezichteinder.--Daar meende hij in
+het noordwesten een schip te zien. Hij bracht zijn kijker aan het oog,
+en ziedaar, hij had zich niet bedrogen,--het was inderdaad een schip
+in de verte.
+
+Den ouden man begon het hart hevig te kloppen. Hij nam zijn kijker
+onder den arm en haalde diep adem, voordat hij zich van de ontroering,
+die hem bevangen had, herstellen kon. Na eene minuut zette hij den
+kijker opnieuw aan het oog en thans ontdekte hij, dat eene brik met
+mars- en bramzeilen regelrecht op het eiland aanstuurde.
+
+Flink wendde zich naar de rotspunt, waar zij gewoonlijk hun visch
+plachten te vangen. Daar zette hij zich neder en gaf zich aan zijne
+gedachten over. Was dat schip misschien uitgezonden, om hen in hunne
+verlatenheid op te zoeken, of was het door een bloot toeval tusschen de
+rotsen geraakt? Na kort nadenken, kwam hij echter tot het gevoelen, dat
+slechts het toeval het herwaarts geleid had; want niemand kon immers
+weten, dat zij gered waren geworden, en nog minder, dat zij zich op
+dit eiland bevonden. Dat het schip op het eiland aanhield, was enkel
+omdat het water of iets anders wenschte in te nemen. Misschien wilde
+het ook zijne koers veranderen en het eiland slechts voorbijzeilen.
+
+"Nu dan, er moge gebeuren wat er wil," dacht de oude, "vooreerst
+zal ik Willems ouders niets van de zaak zeggen. Het zou wreed
+zijn eene hoop bij hen op te wekken, die zoo licht nog kan worden
+teleurgesteld. Binnen weinig uren zal 't immers toch beslist zijn. Maar
+Willem moet ik het toevertrouwen,--dat kan niet anders, hij is een
+brave jongen en daarbij ook verstandig, ver boven zijne jaren. Als
+hij in 't leven blijft, zal hij eens een knap en, wat meer is, een
+braaf man worden."
+
+Met deze woorden stond Flink op, monsterde het schip nog eenmaal door
+zijn kijker en ging toen naar huis. Willem was reeds op; de anderen
+daarentegen waren nog bezig met zich aan te kleeden.
+
+"Willem," begon Flink, terwijl beiden het huis verlieten, "ik heb
+u een geheim mede te deelen, dat gij vooreerst nog aan niemand
+moogt verklappen, zooals gij zelf wel kunt inzien. Bovendien zullen
+weinige uren de zaak beslissen." Willem gaf gereedelijk de belofte
+van stilzwijgendheid. "Ginds op zee vertoont zich een schip, dat óf
+een middel kan zijn om ons uit onze ballingschap te verlossen, óf in
+'t ergste geval langs het eiland voorbijvaart, zonder ons gewaar te
+worden. Ware dit laatste zoo, dan zou 't eene grievende teleurstelling
+voor uwe ouders zijn, als zij het te weten kwamen."
+
+Willem staarde Flink in het gezicht en kon een tijdlang geen woord
+uitbrengen, zoo groot was zijne verbazing.
+
+"Ach, Flink, wat zal ik dankbaar zijn! Ik hoop, dat wij eindelijk
+verlost worden, want gij weet niet, hoe mijn arme vader in het geheim
+lijdt--en mijne moeder niet minder."
+
+"Ik weet het wel, Willem, ik weet het zeer goed en vind het ook
+natuurlijk. Zij zoeken hun verdriet zoo goed mogelijk te verbergen,
+en meer kan men van hen niet verlangen.--Maar nu, Willem, komt het
+op een rasch besluit aan: nog vóór het ontbijt moeten wij aan het
+werk. Doch wacht eens,--eerst wil ik u het schip wijzen."
+
+Flink richtte zijn kijker op het schip, liet zijn instrument tegen
+den stam van een kokosboom leunen, en toen bracht Willem zijn oog
+aan het glas.
+
+"Ziet gij het?"
+
+"O ja, Flink; het komt recht op ons aan."
+
+"Ja, ja, het stuurt regelrecht op het eiland los. Maar spreek zoo hard
+niet, mijn jongen. Ik zal den kijker hier laten; wijzelven zullen
+aan het werk gaan; in het voorraadhuis vinden wij eene bijl. Kom,
+Willem, gezwind, jongen, voordat uw vader buiten komt."
+
+Beiden gingen naar het magazijn, om de bijl te halen. Flink zocht
+een zeer dunnen kokosstam aan den oever uit. Deze werd geveld en
+zoodra hij van den kop ontdaan was, met Willems bijstand naar de
+landpunt gebracht.
+
+"Nu, Willem, moet ge eene schop halen en hier een gat graven, waarin
+wij dezen stam als een seinstok zetten kunnen. Is dat gedaan, dan
+haal ik een klein blok en touw, om de vlaggen, zoodra het schip ze
+bemerken kan, aan den stok op te hijschen. Is 't gat diep genoeg,
+dat komt gij aan en doet alsof er niets is voorgevallen. Onder 't
+ontbijt stel ik dan voor, dat wij beiden de boot uit het zand halen en
+onderzoeken. Uw vader krijgt zoolang werk, dat hem binnenshuis houdt."
+
+"Maar de vlaggen, Flink,--zij hangen voor moeders bed. Hoe zullen
+wij die in handen krijgen?"
+
+"Ik zal voorwenden, dat het nu tijd is, om het huis eens behoorlijk
+schoon te maken, en daarbij moeten dan de venster- en bedgordijnen
+afgenomen en op dezen mooien dag buiten gelucht worden. Verzoek
+uw vader daarover het opzicht te houden, terwijl wij de boot
+uitgraven. Dat zal allen in huis wel bezighouden."
+
+"Goed; zoo zal het gaan. Flink."
+
+Onder het ontbijt zeide Flink, dat hij van plan was om vandaag de
+boot uit het zand te graven, en dat Willem hem daarbij best helpen kon.
+
+"En wat zal ik onderwijl bij de hand nemen?" vroeg mijnheer Wilson.
+
+"Wel, mijnheer, daar de regen voorbij is, zou het, dunkt mij, niet
+kwaad zijn, dat wij de bedden eens luchtten. 't Is vandaag een warme,
+mooie dag; als al het beddegoed buiten de deur gebracht en flink
+uitgeklopt werd dan kon men het in de zon laten liggen, en zoo kwam
+er alweder een noodzakelijk werk afgedaan."
+
+"Ja, ja, dat zal zeer goed zijn, Flink," oordeelde mevrouw Wilson;
+"onderwijl kunnen Juno en ik het huis van boven tot beneden uitstoffen
+en schoonmaken."
+
+"Dienden dan de gordijnen ook niet eens afgenomen en in de lucht
+gehangen te worden?" vroeg Willem.
+
+"Ja, waarlijk, dat zou zoo kwaad niet zijn," sprak Flink. "Bij 't
+afnemen der gordijnen en vlaggen willen wijzelven een handje helpen
+en ze dan in de lucht uitleggen. Als mijnheer er niet tegen heeft,
+kan hij het oppertoezicht over de schoonmakerij houden en mevrouw en
+Juno helpen, als zij bijstand noodig hebben."
+
+"Van harte gaarne," was het antwoord. "Welnu, het ontbijt is
+afgeloopen; zoo zullen we dan maar terstond beginnen, als ge
+'t goedvindt."
+
+Flink en Willem namen de gordijnen en vlaggen af en droegen ze naar
+buiten. Op eenigen afstand van de woning werden de eerste op den
+grond uitgespreid; maar met de vlaggen liep Willem haastig naar
+het strand. Flink haalde blok en lijnen om ze aan den seinstok op
+te hijschen.
+
+Flinks krijgslist gelukte volkomen. Zonder door de familie gezien te
+worden, werd de seinpaal opgericht, in den grond gezet en de vlaggen
+tot optrekken gereed gehouden. Vervolgens gingen Flink en Willem
+naar den houtstapel. Ieder nam zooveel rijs, als hij dragen kon,
+om daarmede een rook te verwekken, die de opmerkzaamheid van het
+scheepsvolk trekken moest.
+
+Dit alles nam niet meer dan een uur weg, gedurende welken tijd de brik
+haar koers naar het eiland onafgebroken vervolgde. Toen Flink het
+schip voor 't eerst gezien had, was er slechts weinig wind geweest;
+onderwijl was de bries echter vrij hevig geworden en de brik had
+daarom hare bramzeilen geborgen. Achter het schip was de horizon,
+die in den beginne blauw en helder geweest was, allengs met wolken
+bedekt geworden en de golven aan de klippen die van het eiland in de
+zee uitliepen, werden met wit schuim gekuifd.
+
+"De wind wordt al heviger," begon Flink; "het schip moet nu weldra
+bij ons zijn, als het niet afgeschrikt wordt door de riffen, die het
+thans, nu de golven hoog gaan, duidelijker dan te voren bemerken kan."
+
+"Ik hoop niet, dat ze zich laten afschrikken," hernam Willem. "Hoe
+ver mag de brik nog wel verwijderd zijn?"
+
+"Vijf mijlen omtrent, Willem,--meer niet. De wind is nu meer naar
+het zuiden gedraaid en stapelt de wolken ras op. Ik vrees half,
+dat wij een duchtigen storm krijgen, ofschoon die niet lang duren
+zal. Kom, jongen, laat ons de vlaggen ophijschen; wij mogen niet
+langer talmen. Ze zullen braaf in den wind wapperen, zoodat men ze
+van ginds af wel al zien kan."
+
+Zij heschen eerst den langen wimpel op, vervolgens kwam de breede
+vlag, waarop de naam van hun verloren schip, De Vrede, met reusachtige
+letters geschreven stond.
+
+"Ziedaar," sprak Flink, nadat de touwen waren vastgebonden. "Nu zullen
+we vuur slaan en terdege rook maken. Dat moet in allen gevalle hunne
+opmerkzaamheid trekken."
+
+Zoodra de kokosbladeren in vlam stonden, werd er water op gegoten,
+zoodat zij aan 't smeulen gingen en een dichte rookkolom er uit
+opsteeg.
+
+Het schip naderde in rassche vaart. De beide toeschouwers sloegen het
+met gespannen verwachting gade.--Daar op eenmaal zagen zij vader en
+moeder, met Thomas en Caroline, ook Juno met den kleinen Albert op
+den arm, allen met haastige schreden op het strand toesnellen.
+
+Ziehier, hoe dit kwam. Thomas, den arbeid moede, had het huis
+verlaten en was in zijn eentje naar het strand gestapt. Daar
+bemerkte hij eerst de waaiende vlaggen en eindelijk ook het schip,
+dat naderde. Oogenblikkelijk rende hij naar huis terug, uit al zijn
+macht roepende: "Vader! Moeder! Kapitein Osborn is er; hij komt met
+een groot schip om ons te halen." Op dit bericht ijlden beide ouders
+naar buiten, ontdekten het schip en de in den wind wapperende vlag
+en spoedden zich, gelijk reeds gezegd is, naar Flink en Willem,
+die bij den vlaggestok stonden.
+
+"Och, Flink! waarom hebt ge ons dat niet gezegd?" riep mijnheer Wilson
+reeds van verre, geheel buiten adem.
+
+"Ik wenschte, dat gij het ook thans nog niet vernomen hadt, mijnheer,"
+antwoordde de oude man; "doch dat is te laat. Het geschiedde voor
+'t overige met de beste bedoeling van de wereld."
+
+"Ja, waarlijk, dat is zoo, vader!"
+
+Mevrouw Wilson zeeg op de rots neder en brak in tranen uit; haar
+echtgenoot was niet minder ontroerd en geschokt.
+
+"Heeft het schip ons reeds opgemerkt, Flink?" vroeg de laatste
+eindelijk.
+
+"Neen, mijnheer, nog niet. Dit juist wilde ik afwachten, voordat ik
+u de tijding kwam brengen," was het antwoord.
+
+"De brik verandert haar koers," merkte Willem aan.
+
+"Ja, ja, zij is opgeloefd, waarschijnlijk uit vrees van te na op de
+klippen te zullen komen."
+
+"Zij zal ons toch niet verlaten?" riep mevrouw Wilson angstig.
+
+"Neen, mevrouw; maar men heeft ons nog niet gezien."
+
+"Maar nu--nu ziet men ons!" riep Willem en slingerde zijne muts in
+de hoogte. "Ziet maar, de brik heeft hare vlag geheschen."
+
+"Waarlijk! thans heeft zij ons ontdekt."
+
+Mijnheer Wilson omarmde zijne echtgenoote, die zich snikkend aan
+zijn hals wierp, kuste vol verrukking zijne kinderen en schudde
+den ouden Flink vol dankbaarheid de hand. Hij was geheel uitgelaten
+van vreugde. Willem was niet minder verrukt, Juno weende en lachte,
+alles in één adem, en Thomas vatte de kleine Caroline bij de handjes
+en danste met haar om den vlaggestok rond.
+
+Zoodra het gezelschap iets kalmer geworden was, merkte Flink aan:
+
+"Dat zij ons gezien hebben, mijnheer, daaraan is thans geen twijfel
+meer. Wij hebben nu niets haastigers te doen, dan onze boot uit het
+zand te halen. Wijzelven kennen wel den doorgang door de klippen,
+maar die op het schip niet. Ik twijfel overigens, of zij wel wagen
+zullen, voordat de wind eenigszins bedaard is, eene sloep naar wal
+te sturen. Gij ziet zelf, mijnheer, de wind is op dit oogenblik
+vrij sterk."
+
+"Maar gij gelooft toch niet, Flink, dat het nog harder zal beginnen
+te waaien?"
+
+"Ik moet het u, helaas, bekennen, mijnheer,--ja, dat geloof ik. Naar
+het zuiden ziet de hemel er vrij dreigend uit, en voordat de storm
+voorbij is, kunnen zij zich moeielijk wagen aan een eiland, dat
+gelijk het onze, zoo rondom van de klippen en riffen omgeven is. 't
+Zou inderdaad hoogst roekeloos van hen wezen, als zij het deden. Doch
+dit alles moet zich binnen weinige uren uitwijzen."
+
+"Maar zelfs als de storm losbreekt, zullen zij toch zekerlijk het
+eiland niet verlaten zonder ons mede te nemen?" merkte mevrouw Wilson
+aan. "Nadat de storm voorbij is, keeren zij zeker wel terug."
+
+Flink zeide niets. De brik had intusschen andermaal gewend, alsof
+zij op het eiland wilde aansturen. Weldra echter lag zij weder den
+wal uit met den steven noordwaarts.
+
+"Zij verlaat ons!" riep Willem bedroefd.
+
+"Laaghartige schurken!" viel mijnheer Wilson vertoornd uit.
+
+"Gij geeft hun ten onrechte een zoo harden naam, mijnheer," antwoordde
+Flink. "De storm verheft zich met geweld en 't zou zeer gevaarlijk
+voor hen zijn, als ze daar, waar ze thans zijn, blijven wilden."
+
+Mijnheer Wilson keerde zich tot zijne gade en gaf haar met een
+bedrukt gezicht den arm. Zonder een woord te spreken verlieten zij
+het strand. De overige familie volgde hen,--alleen Flink bleef bij
+den vlaggestok achter. Hoe treurig stak deze doodsche verslagenheid
+bij de luidruchtige vreugde af, waarmede zij het huis hadden verlaten!
+
+
+
+
+
+
+
+VIER-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+SPOREN VAN EILANDERS.
+
+
+Bij zijne thuiskomst vond Flink allen in zoo diepe treurigheid
+verzonken, dat hij het niet raadzaam achtte een enkel woord te
+spreken. Zoo viel de avond en naderde tijd om naar bed te gaan.
+
+Dien ganschen nacht bulderde de storm onophoudelijk door en het water
+werd met emmers uit den hemel gegoten. De kinderen sliepen gerust,
+zooals altijd; maar vader en moeder, Willem en Flink deden geen oog
+toe, luisterden naar de windvlagen en hielden zich ieder met zijne
+eigene gedachten bezig. Sedert hunne komst op het eiland was dit de
+onrustigste nacht, dien zij nog beleefd hadden.
+
+Al vóór dag en dauw was Flink in de kleeren en reeds vóór het opgaan
+der zon stond hij aan het strand. De storm had nu zijne grootste
+hevigheid gehad; maar hoe angstig en scherp hij ook met zijn kijker
+rondzag,--van het schip van gisteren was geen zweem meer te ontdekken.
+
+Hij bleef aan de kust, totdat de tijd van het ontbijt kwam; toen kwam
+Willem, om hem te halen en beiden keerden naar huis terug. Bij zijne
+komst vond hij mijnheer en mevrouw Wilson bedaarder en kalmer, dan zij
+den dag te voren geweest waren. Beiden heetten hun hartelijk welkom.
+
+"Ik vrees, Flink, dat gij ons weinig goede tijding brengt," zeide
+mijnheer Wilson.
+
+"Waarom dat? Voor 't overige kunt gij die ook niet verwachten,
+voordat de storm geheel en al voorbij is."
+
+"Zeg mij, Flink," vroeg mevrouw, "gelooft gij waarlijk, dat het schip
+tot ons zal terugkomen?"
+
+"Ik zal u al onze uitzichten doen kennen, mevrouw; meer kan ik toch
+bezwaarlijk doen. Zoolang de storm aanhield, kon het schip hier
+onmogelijk blijven; dat kunt gij zelve wel begrijpen. Wat de orkaan
+ten gevolge had, weet niemand onzer te zeggen. Misschien is de brik
+in onze nabijheid, als de wind gaat liggen; misschien ook werd zij
+door den wind ettelijke honderden mijlen van ons weggedreven.--Dan,
+mevrouw, komt de tweede mogelijkheid. Uit de nadering van het schip
+tot ons eiland, leid ik af, dat het gebrek aan het water had. Nu is
+de vraag of de kapitein misschien niet geraden acht, om zonder zich
+verder om ons te bekommeren in de voor hem bestemde haven binnen te
+loopen of op eene andere plaats water in te nemen. Gij weet, mevrouw,
+dat een kapitein bovenal op 't belang van zijne reeders heeft te
+letten. Wel geloof ik, dat het schip, als dat zonder nadeel geschieden
+kan, ongetwijfeld zal terugkeeren. De eerste vraag is maar--of het
+kan, dan komt de tweede: of de kapitein menschlievend genoeg is,
+om voor ongelukkige medemenschen iets over te hebben."
+
+"In dat alles ligt maar weinige troost voor ons opgesloten, Flink."
+
+"Maar wat helpt het ook, mijnheer, of wij ons met valsche verwachtingen
+vleien en de oogen verblinden?" was het antwoord. "Evenwel zelfs als
+het schip zijne reis vervolgde en wij het niet meer te zien kregen,
+geloof ik toch dat wij alle reden hebben om blijde te zijn."
+
+"En waarom dan, Flink?"
+
+"Wel, mijnheer, vóór de komst van dat schip wist geen menschelijke
+ziel, of wij nog in leven waren of niet, en zoo zou ook niemand naar
+ons gezocht hebben. Nu evenwel is dit bekend. Uit den scheepsnaam op
+onze vlag weten ze wie we zijn, en als ze nu behouden in de haven
+aankomen, zullen ze niet nalaten daarvan aan onze vrienden bericht
+te brengen. En hebben wij niet alle reden om daarover recht verheugd
+te zijn? 't Kan wezen, dat wij door dit schip niet verlost worden;
+maar dan hebben wij althans alle hoop, dat een tweede naar ons wordt
+uitgezonden."
+
+"Dat is waar, Flink. Dat had ik al vroeger moeten bedenken; maar
+mijne teleurstelling en mijne wanhoop waren gisteren zoo groot,
+dat ik geen redelijk mensch meer was."
+
+De storm hield nog den ganschen dag aan en scheen nog niet te willen
+bedaren, toen zij zich andermaal ter ruste begaven. Den volgenden
+morgen was Flink als naar gewoonte weder vroeg op, en ditmaal
+vergezelde Willem hem naar het strand.
+
+"Flink! Flink!" riep Willem en wees naar de zuidoostelijke punt van
+de klippen. "Wat is dat?--Zie maar! het is eene boot!"
+
+Flink bracht den kijker aan 't oog. "Het is eene kano, Willem; en
+mij dunkt, er zijn menschen in."
+
+"Maar, Flink, waar kunnen die vandaan komen? Zie eens, nu zijn zij
+tusschen de klippen; daar gaan zij immers te gronde. Kom, Flink,
+laat ons hun te gemoet gaan."
+
+Zij snelden beiden naar het strand op het punt aan, waar de boot
+op de branding voortdanste en wachtten totdat deze op den oever
+werd geworpen.
+
+"Willem, die kano moet van het groote eiland ginds hierheen zijn
+gedreven," zeide Flink, wederom door zijn kijker ziende. "Er zijn twee
+menschen in en dat zijn inlanders. De arme schepsels worstelen hard
+om hun leven en schijnen doodelijk uitgeput. Doch 't gevaarlijkste
+gedeelte van de klippen hebben zij toch reeds achter zich!"
+
+"Ja," antwoordde Willem; "spoedig komen ze in stiller water. Die
+branding hier aan het strand is evenwel toch al heel erg."
+
+"Die zal hun geen kwaad doen, als de kracht hun slechts niet
+begeeft. Waarlijk, ze weten recht goed met hun kano om te gaan."
+
+Onder dit gesprek was de kano met snelheid de kust genaderd. Een
+oogenblik later schoot hij door de branding heen en boorde vast in
+het zand. De beide menschen daarin hadden ternauwernood nog kracht
+genoeg gehad, om door de branding heen te roeien; toen dit gebeurd was,
+zegen zij uitgeput op hunne riemen neder.
+
+"Wij zullen den kano verder ophalen, Willem. De arme schepsels kunnen
+geen vinger meer verroeren."
+
+Nu eerst ontdekte Flink, dat de eilanders beiden van het vrouwelijk
+geslacht waren. Hare gezichten waren heel getatoeëerd of met allerlei
+vreemde figuren beprikt, wat haar een vreemd voorkomen gaf; maar voor
+'t overige waren zij nog jong en zagen er lang niet slecht uit.
+
+"Zal ik naar huis loopen en wat eten voor haar halen?" vroeg Willem.
+
+"Ja, jongen, doe dat. Juno zal u wel wat geven, en als 't kan,
+wat warms."
+
+Willem keerde spoedig met eene gortepap terug, die Juno nog van het
+ontbijt had overgehouden en waarvan zij de wilden eenige lepels in den
+mond goten, die daarna weldra eenigszins schenen te bekomen. Hierop
+liet Willem den ouden Flink bij haar achter en liep naar huis, naar
+vader en moeder, om die van de onverwachte gebeurtenis kennis te
+geven. Kort daarna kwam hij met zijne moeder terug. De beide wilden
+waren intusschen zoover gekomen, dat zij zich oprichten konden, en
+allen spanden nu dadelijk hunne krachten in, om den kano zoo ver zij
+konden op het land te trekken, ten einde te verhinderen, dat zij door
+de golven werd in stukken geslagen.
+
+Zij vonden in de boot niets dan eene kleine mat, benevens de beide
+riemen, waarvan de vrouwen zich bediend hadden. De laatste zoowel
+als de boot zelve waren op eene heel wonderlijke wijze gemaakt.
+
+"Ge ziet, mijnheer," zeide Flink tot mijnheer Wilson, "de beide arme
+schepsels waren zekerlijk tot bewaking in den kano achtergebleven
+en zijn nu door den storm van een der zuidoostelijke eilanden
+afgedreven. Ze moeten sinds eergisteren met den orkaan gekampt hebben
+en hebben in al dien tijd denkelijk nat noch droog over de lippen
+gehad. 't Is waarlijk een geluk voor haar, dat zij op ons eiland
+aandreven."
+
+"Ja, inderdaad," hernam mijnheer Wilson. "Voor 't overige moet ik
+evenwel zeggen, dat mij zulk een bezoek niet bijzonder verblijdt. Het
+is een bewijs voor hetgeen wij tot hiertoe nog niet met zekerheid
+geweten hebben, dat wij, namelijk, dichtbij buren hebben, die ons
+misschien wel eens heel ten onpas met een bezoek konden vereeren."
+
+"Dat is licht mogelijk, mijnheer," antwoordde Flink: "maar de arme
+schepsels die zoo bij ons komen aanspoelen, kunnen 't geval noch erger
+noch beter maken. Misschien kan het ons zelfs tot voordeel strekken;
+want als deze twee wilden Engelsch leeren, voordat hare landgenooten
+ons komen opzoeken, kunnen zij ons tot tolken dienen en zoo misschien
+tot de redding van ons leven bijdragen."
+
+"Zou zulk een bezoek dan zoo gevaarlijk voor ons uitvallen Flink?"
+
+"Wel, wilden zijn eens en voor al wilden. Evenals kleine kinderen,
+verlangen zij naar alles wat hun in de oogen blinkt, inzonderheid
+naar zulke dingen, waarvan zij het gebruik kennen, zooals ijzer bij
+voorbeeld. Als zij hierheen kwamen en wij een deel van onze goederen
+verborgen, maar 't overschot aan hen overleverden, dan konden wij
+ons leven misschien nog redden. Evenwel kan men ook in dat geval niet
+veel op hen vertrouwen, en ik zou stellig aanraden ons ook tegen eene
+groote overmacht te verweren, liever dan ons op genade of ongenade
+over te geven."
+
+"Maar, zouden we ons dan ooit met mogelijkheid tegen zulk eene groote
+menigte verdedigen kunnen?"
+
+"We moeten behoorlijk zijn voorbereid, mijnheer. Als we ons maar goed
+verschanst hebben, kunnen we het tegen een paar honderd wel opnemen."
+
+Mijnheer Wilson sloeg de hand aan het voorhoofd.
+
+"'t Is waarlijk niet heel troostrijk," zeide hij, na eene poos,
+"nu op dit oogenblik aan een verdedigingsplan tegen de wilden te
+moeten denken, nadat wij voor twee dagen nog hoop hadden van dit
+eiland verlost te worden. O, dat die brik zich nog weer liet zien!"
+
+"De wind gaat langzamerhand liggen, mijnheer!" antwoordde Flink,
+"nog vóór den avond hebben wij kostelijk weer. We kunnen immers later
+overleggen; in allen gevalle geef ik deze eerste week alle hoop nog
+niet op."
+
+"Eene heele week, Flink! Och, hoe waar is het, dat teleurgestelde
+hoop den mensch geheel wanhopig maakt!"
+
+"'t Is een zware ramp, mijnheer Wilson; evenwel moeten wij ons
+schikken. Voor het tegenwoordige zouden we 't best doen, als wij
+deze arme schepsels maar onder dak brachten en maakten, dat ze weer
+wat bijkwamen."
+
+"Ja, Flink; mij dunkt, teekens zullen ze toch wel verstaan?"
+
+De oude man beduidde haar nu door teekens, dat ze zouden opstaan. Dit
+deden zij ook, hoewel niet zonder zwarigheid. Toen ging hij vooruit
+en gaf haar een teeken, dat ze volgen zouden. Zij begrepen hem
+en poogden te loopen, maar waren zoo zwak, dat zij op den grond
+zouden zijn neergevallen, als mijnheer Wilson en zijn zoon haar niet
+vastgehouden hadden.
+
+Er was een lange tijd noodig, voordat men haar in het woonhuis had
+gebracht. Mevrouw, die van alles onderricht was, ontving haar zeer
+vriendelijk, en Juno had een tafel gedekt, die nu voor haar werd
+nedergezet. Zij aten een weinig en legden zich toen neder, waarop
+zij weldra in diepen slaap verzonken.
+
+"'t Is een geluk voor ons, dat het vrouwen zijn," merkte mijnheer
+Wilson aan; "als het mannen geweest waren, zouden wij er erger aan
+toe zijn geweest."
+
+"Ja, zeker," hernam Flink; "evenwel mogen wij ook de vrouwen in den
+beginne niet al te veel vertrouwen, want ze zijn en blijven altijd
+wilden. Als wij nog langer op dit eiland moeten blijven, kunnen zij
+in vele opzichten nuttig, ja, zelfs van groote waarde voor ons zijn,
+daar zij ons veel werk kunnen helpen verrichten."
+
+"Maar waar zullen wij haar van nacht onder dak brengen, Flink?"
+
+"Ik dacht daar juist over, mijnheer. Ik wenschte, dat wij hier
+dichtbij eene loods of een schuurtje hadden; doch bij gemis daarvan
+moeten wij haar wel in het magazijn laten slapen."
+
+"O ja, dat zal zeer goed gaan."
+
+De vreemde vrouwen hadden zich spoedig van hare uitputting hersteld en
+schenen zeer zacht en handelbaar te zijn. Wat zij doen konden, deden
+zij gaarne en gewillig en ook hadden zij na verloop van veertien dagen
+reeds eenige Engelsche woorden geleerd. Een nieuw tochtje over het
+eiland werd afgesproken en op den aanstaanden Maandag vastgesteld, toen
+hen een nieuwe ramp trof, die al hunne gemaakte plannen overhoop wierp.
+
+Des Zaterdagsmorgens, toen Flink als gewoonlijk zijne ronde deed,
+daalde hij juist naar het strand neer, toen hij den Indiaanschen kano
+vermiste. Hij was geheel uit het water opgehaald geworden en kon dus
+onmogelijk zijn weggedreven.
+
+Flink ontstelde op dat gezicht. Hij richtte zijn kijker naar den
+kant van het groote eiland en meende op verren afstand een donker
+punt op het water te ontdekken. Terwijl hij daar nog stond te turen,
+kwam Willem ook aan het strand en voegde zich bij zijn ouden vriend.
+
+"Ach, Willem," riep Flink, "ik vrees, dat de vrouwen in haren kano
+ontsnapt zijn. Ga schielijk heen en zie of ze ook in het magazijn of
+ergens anders zijn en kom mij dan terstond zeggen, hoe het is."
+
+Willem keerde na weinige minuten ademloos terug en meldde, dat de
+wilden nergens te vinden waren en bovendien nog eene menigte groote
+spijkers en andere stukken ijzerwerk, die in kleine vaatjes in het
+magazijn gestaan hadden, moesten hebben medegenomen.
+
+"Dat is leelijk, Willem,--waarlijk heel leelijk; het is voor ons een
+veel grooter ongeluk, dan dat het schip niet is teruggekomen."
+
+"O, Flink, wij zullen ons zonder haar ook wel redden."
+
+"Ja, dat wel. Maar als de vrouwen tot haar volk terugkeeren en daar
+het ijzer vertoonen, dat ze hebben medegebracht; als ze vertellen,
+dat er bij ons nog veel meer te krijgen is,--dan kunt ge er op rekenen,
+dat wij spoedig een talrijk bezoek van hare landslieden krijgen zullen,
+die meer van ons eigendom halen willen. Ik had daarop bedacht moeten
+zijn en den kano niet hier gelaten of haar zelfs verbrand moeten
+hebben. Wij moeten dadelijk bij uw vader gaan en met hem beraadslagen,
+want hoe eer wij met ons werk aanvangen, des te beter voor ons. Kom,
+Willem, kom;--maar vergeet niet uwe moeder de zaak zoo licht voor te
+stellen als mogelijk is."
+
+Zoodra zij bij mijnheer Wilson waren, deelden zij hem het rampspoedige
+nieuws mede. Hij begreep dadelijk het gevaar, dat er bestond, doch
+achtte het raadzaam zijne vrouw daar terstond mee bekend te maken en
+haar niets te verbergen. Daarna hielden zij een krijgsraad, waarbij
+het volgende plan werd ontworpen.
+
+In de eerste plaats scheen het noodzakelijk het magazijn in een
+blokhuis te veranderen, zoodat het iederen vreemdeling onmogelijk moest
+worden daarin door te dringen. Zoodra de verschansing voltooid was,
+moest de woning naar het magazijn verlegd worden. De voorraad, waarvoor
+in het nieuwe blokhuis geene plaats was, moest in hunne tegenwoordige
+woning bewaard blijven of in het kokosbosch verborgen worden. Eerst
+nadat al deze veiligheidsmaatregelen tegen een onverwachten aanval
+genomen waren, wilde men de vroeger ontworpen plannen ten uitvoer
+brengen. Des Maandags wilden zij aan het werk beginnen.
+
+"Ik weet niet hoe het komt, maar ik gevoel thans, nu er gevaar voor
+oogen is, oneindig meer moed, dan toen er nog weinig of niets te
+vreezen was," zeide mevrouw Wilson.
+
+"Daar twijfel ik volstrekt niet aan, mevrouw. Ik ben integendeel
+overtuigd dat indien uw moed op de proef mocht worden gesteld, gij
+die zekerlijk ook zult blijven toonen."
+
+
+
+
+
+
+
+VIJF-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+KRIJGSRAAD.
+
+
+Niettegenstaande zij in den beginne alles gedaan hadden om elkanders
+moed en vertrouwen op te wekken, bevonden onze vrienden zich nu toch in
+zulk een pijnlijken toestand van angst en verwachting, dat de eerste
+drie weken na het plotseling verdwijnen van het schip, ondanks alle
+plannen en beraadslagingen, in volstrekte werkeloosheid voorbijgingen,
+daar zij zich nu eens met de hoop vleiden, dat het gewenschte schip
+nog terugkeeren kon, en dan weder bezorgde blikken naar het eiland
+wierpen, om zich te overtuigen, dat nog geene groote vloot van kano's
+tot hun verderf in aantocht was.
+
+Zoo waren zij dan ook eens op een morgen met zonsopgang in de nabijheid
+van den schildpadvijver en namen den ganschen gezichtseinder met hun
+kijker op. Toen begon Flink, zich tot mijnheer Wilson wendende:
+
+"Waarlijk, mijnheer, die staat van werkeloosheid mag toch niet langer
+zoo aanhouden. Voorleden nacht kwam ik op een goeden inval en ik
+geloof u thans een voorslag te kunnen doen, dien gij denkelijk zult
+goedkeuren. Zoo, dacht ik, moesten we nu maar terstond een krijgsraad
+houden en tot een besluit zien te komen."
+
+"Van harte gaarne, Flink," antwoordde mijnheer Wilson en zette zich
+op een rotsblok neder. "Gij zijt de oudste en ervarenste van ons
+drieën;--laat ons hooren, wat gij hebt voor te slaan."
+
+"Welnu, mijnheer. Naar 't mij voorkomt, mogen wij niet langer in ons
+huis blijven, want wij konden daar, gelijk ik zeide, ieder uur van
+den nacht door de wilden verrast worden en zijn er tegen overmachtige
+vijanden zonder alle middelen van verdediging."
+
+"Dat zie ik wel in en heb ik reeds geruimen tijd ingezien," was
+het antwoord; "doch wat zullen we doen? Zullen wij naar de westkust
+terugkeeren?"
+
+"Mij dunkt neen, mijnheer," hernam Flink. "Mijn voorslag is deze:
+wij hebben in 't zuiden van 't eiland een ontdekking gedaan, die voor
+ons van groot gewicht is. Ik bedoel daarmee echter niet de vruchten
+en planten, die wij gevonden hebben, want deze zijn wel van veel
+waarde, maar zullen ons slechts gedurende den zomertijd een desnoods
+ontbeerlijk genot aanbieden. Groot nut verleent ons ook het voeder voor
+het vee, dat wij daar ontdekt hebben, vooral gedurende den regentijd,
+maar het hoofdvoordeel brengt ons dat met yamswortels bezet stuk
+land aan, dat ons voedsel voor den winter zal geven. Ze zijn voor ons
+van het grootste belang en we kunnen ze niet spoedig genoeg tegen de
+zwijnen beschutten, die ze ongetwijfeld met wortel en al opwroeten,
+als we dat niet tijdig voorkomen. Nu weet ge zeer goed, mijnheer,
+wat we vroeger besloten, maar niet volvoerd hebben. Ik geloof echter,
+dat de kokosheining nu te veel tijd zal wegnemen en 't wel voldoende
+zal zijn, als wij de yamswortels met sloot en heg omheinen. Als we
+daarbij echter gedurig weer naar ons huis terugkeeren en mevrouw met
+de kleinen alleen laten moesten, zou dat zeer lang aanhouden,--en
+dus stel ik voor, om, daar 't weder zoo geheel is opgeklaard en nu
+wel maanden lang goed blijven zal, onze tenten daar ter plaatse op
+te slaan en met de gansche familie naar de zuidkust te trekken. Zij
+zullen daar binnenkort geheel thuis en in allen gevalle veel veiliger
+zijn, dan als zij zonder eenige verdediging hier achterbleven."
+
+"Een uitmuntende raad, Flink; wij worden daardoor zooals gij opmerkt,
+voorloopig aan het gevaar onttrokken, en zijn wij eenmaal daar,
+dan kunnen wij altijd nog overleggen wat voor ons het beste is."
+
+"Juist, mijnheer. Misschien hebben onze vluchtelingen het eiland in
+'t geheel niet bereikt, want de eerste dagen, nadat zij ons eiland
+verlieten, hadden zij den wind vlak tegen, en bovendien is de stroom in
+deze richting zeer sterk. Zijn ze echter werkelijk behouden aangeland,
+dan moeten wij ons op een bezoek van de wilden voorbereid houden, en
+als die landen, komen zij natuurlijk regelrecht op onze tegenwoordige
+woning aan."
+
+"Gij wilt toch niet, Flink, dat wij dit gedeelte van 't eiland en
+al de gemakkelijke inrichtingen, die wij er tot stand brachten,
+voor altijd verlaten?" vroeg Willem.
+
+"Ei, zeker niet voor altijd, mijn beste Willem; en daarmee kom
+ik tot het tweede gedeelte van mijn voorstel.--Zoodra wij met ons
+yamsplantsoen gereed zijn en alles zoo goed mogelijk in orde hebben,
+laten wij mevrouw en de kinderen achter en gaan hier weder aan
+den arbeid. Zooals bepaald is, moeten wij ons tegenwoordig woonhuis
+opgeven en ons magazijn, dat in het bosch verscholen ligt, tot woning
+inrichten en zoodanig versterken, dat wij tegen elken onverhoedschen
+aanval van de wilden gedekt zijn; want in eene vaste woning moeten
+wij in elk geval terugkeeren, daar wij, als het regenseizoen invalt,
+niet meer onder de tenten kunnen blijven."
+
+"Hoe wilt gij het magazijn dan verschansen, Flink?" vroeg mijnheer
+Wilson. "Daarvan weet ik niets.--Wat is zulk een blokhuis eigenlijk?"
+
+"Dat zal ik u bij gelegenheid uitleggen.--Nu, echter, mijnheer,
+komt er nog velerlei. Als de wilden hierheen komen, moeten wij ons
+in allen gevalle met vuurwapens tegen hen kunnen verdedigen. Een
+enkel man met een geweer achter eene palissade is beter dan twintig,
+die alleen met knotsen en lansen gewapend zijn, en zóó slechts mogen
+wij hopen onze vijanden op de vlucht te slaan."
+
+"Naar het mij voorkomt, is uw plan voortreffelijk, Flink," antwoordde
+mijnheer Wilson. "Hoe spoediger wij daarmee beginnen, des te beter
+zal het voor ons zijn."
+
+"Daar is geen twijfel aan, mijnheer. Het eerste moet wezen, dat
+Willem en ik op deze zijde van de klippen een doorgang voor onze boot
+opzoeken; dan zullen wij naar de kleine haven omzien, die wij reeds
+vroeger ontdekt hebben. Zoodra dit geschied is, keeren wij terug,
+brengen tenten en al het noodige in de boot, en hebben wij die eerst
+opgeslagen en alles behoorlijk in orde gebracht, dan kan mevrouw met de
+kinderen met ons door het bosch trekken en ze in bezit nemen.--Als we
+'t nu over de zaak eens zijn, mijnheer, moesten wij maar zoo spoedig
+mogelijk beginnen, want wij hebben zeer veel te doen en mogen niet
+vergeten, dat wij, voordat wij met het blokhuis aanvangen, eerst
+nog een bezoek op de westkust moeten afleggen, om spijkers en andere
+benoodigdheden te halen, en als wij daar toch eens bij zijn, kunnen
+wij evengoed ook eene geheele monstering over onzen voorraad houden."
+
+"Wij willen geen dag, geen uur verliezen, Flink; er is toch al te
+veel tijd verloren geraakt," antwoordde mijnheer Wilson. "Wat zullen
+wij vandaag bij de hand nemen?"
+
+"Bij het ontbijt zullen wij aan mevrouw ons plan mededeelen; daarna ga
+ik met Willem in de boot en zoek eene doorvaart. Gij zelf, mijnheer,
+kunt hier blijven en de tenten en al de verdere artikelen, die wij
+bij de eerste vaart meenemen, bijeenpakken, en wij zullen, denk ik,
+tegen het middageten terug zijn."
+
+Met deze woorden stonden zij op en gingen op het huis aan. Allen
+voelden zich innerlijk verlicht, nadat het nieuwe arbeidsplan
+ontworpen was, en verheugden zich in het vooruitzicht, dat zij nu alle
+menschelijke kracht zouden inspannen, om het hun dreigend gevaar af
+te wenden.
+
+
+
+
+
+
+
+ZES-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+THOMAS EN DE KREEFT.
+
+
+Het nieuwe plan werd onder 't ontbijt aan mevrouw Wilson medegedeeld,
+en daar zij wel inzag hoe zij daarbij veel veiliger dan tot hiertoe
+zijn zouden, gaf zij van harte gaarne hare toestemming.
+
+Het duurde geen uur, of Flink en Willem hadden de boot in gereedheid,
+waarmee zij tusschen de klippen doorroeiden, om eene doorvaart te
+zoeken, welke zij ook spoedig, pas twee of drie kabelslengten van de
+landpunt, gelukkig ontdekten.
+
+"Dat is een groot geluk, mijn goede Willem," riep Flink, "maar nu
+moeten wij ook een merkteeken zoeken, om den terugweg spoedig te
+vinden. Ziet gij die lange zwarte klip ginds;--zij ligt in eene rechte
+lijn met den tuin, en als wij dus beide op elkaar gericht hebben,
+weten wij dat wij ons in het eigenlijke kanaal bevinden. Nu hebben
+wij nog slechts een teeken recht voor ons uit noodig, om te zien,
+wanneer wij het kanaal moeten inloopen."
+
+"Zie Flink, de punt van den schildpadvijver loopt immers recht op
+den rechterzijwand van ons huis aan," hernam Willem.
+
+"Goed opgemerkt; dat kan ons dienen. Nu zullen wij er wakker op los
+roeien, zoodat wij tijdig terug kunnen zijn."
+
+Zij bevonden zich weldra op de zuidzijde van het eiland en roeiden
+langs den kust voort.
+
+"Hoe ver schat gij den weg te water, Flink?"
+
+"Dat weet ik zoo juist niet, mijn jongen; mij dunkt echter vier of vijf
+mijlen, en zoo mogen wij wel op een goed uur dapper roeiens rekenen. In
+allen gevalle kunnen wij met dezen wind, hoe zwak ook, terugzeilen."
+
+"Wij zijn thans in zeer diep water," merkte Willem na lang zwijgen aan.
+
+"Ja, Willem. Op deze zijde van het eiland kunnen wij dat ook niet
+anders verwachten, want de koralen wassen alleen op de zijde, die
+aan den wind blootstaat. Mij dunkt, wij kunnen van de kleine haven,
+die wij onlangs ontdekten, thans niet ver meer verwijderd zijn. Gij
+ziet, wij hebben het weideland en de boomgroepen reeds voor oogen. We
+zullen een poosje met roeien ophouden en de kust eens bedaard opnemen."
+
+"Daar zijn twee rotsen dicht aan den oever, Flink," riep Willem met
+den vinger wijzende. "Weet gij nog wel: ook aan de buitenste zijde
+van onze haven stonden twee of drie zulke rotsen dicht bij elkander."
+
+"Juist zoo, Willem, en 't zou mij volstrekt niet verwonderen, als
+gij den spijker op den kop had geslagen. Laat ons er eens heen roeien."
+
+Zij deden dit en bevonden, tot hunne groote blijdschap, dat zij
+werkelijk in de haven waren, waar het water zoo glad en effen als in
+een vijver was.
+
+"Welnu, beste jongen, dan zullen wij maar terstond onzen mast opzetten
+en op ons gemak naar huis zeilen."
+
+"Wacht nog een oogenblik, Flink; geef mij den bootshaak eens. Ik zie
+daar wat tusschen de klippen omkrabbelen."
+
+Flink gaf den bootshaak aan Willem, die daarmee in het water roerde
+en met de ijzeren punt een grooten zeekreeft ophaalde, dien hij met
+een ruk in de boot slingerde.
+
+"Dat is weer een kostelijke schotel op onze tafel," zeide Flink. "Wij
+komen dus niet met ledige handen terug en zullen des te meer welkom
+zijn. Doch nu dienen we ons ook te reppen, want we moeten hedennamiddag
+nog eens en dan wel met een volle lading hierheen roeien."
+
+De mast werd opgezet, en zoodra zij met de boot buiten de haven
+waren, werd het zeil opgeheschen. In minder dan een uur hadden zij
+de landingsplaats bij het woonhuis wederom bereikt.
+
+Willem had den zeekreeft, die slechts ééne schaar had, uit de boot
+gebracht en Juno een tweeden waterketel op het vuur gezet, om dien
+als een toegift voor het middagmaal te koken.
+
+Thomas trad met zijn zusje Caroline toe, om het beest te bekijken. Toen
+hij dit echter genoeg bewonderd had, begon hij het, als naar gewoonte,
+te plagen en te kwellen, evenals hij dat op de Kaap ook reeds den
+leeuw had gedaan. Eerst stiet hij het met een stok naar de oogen,
+toen beproefde hij den staart recht te trekken;--het dier sloeg echter
+naar hem en liep weg.
+
+Eindelijk echter wilde hij zijn stok het dier zelfs in den bek steken;
+toen hief dit zijn grooten nijper op, pakte hem bij het gewricht van de
+hand en klemde zich daar zoo stevig aan vast, dat Thomas het van pijn
+uitgilde en als razend met den kreeft aan den arm ronddanste. Gelukkig
+voor hem was het beest reeds zoo lang buiten het water en bovendien
+zoo hevig door de ijzeren punt van den bootshaak getroffen, dat het
+meer dan halfdood was. Anders zou het den knaap zwaar gekwetst hebben.
+
+Flink schoot toe en maakte den kreeft van hem los; doch Thomas was
+zoo ontsteld, dat hij het hazenpad koos en eerst met loopen ophield,
+toen hij wel honderd passen van huis was verwijderd. Daarover schoten
+Flink en Juno zoo hartelijk in den lach, dat de tranen hun over de
+wangen rolden.
+
+Thomas scheen er zeer gebelgd over, dat hij zich op zoodanige
+manier moest laten uitlachen; hij zette zich, na zijne wedloop
+volbracht te hebben, pruilend neer en wachtte, totdat hij het eten
+zag opdragen. Toen kwam hij eindelijk terug, ofschoon nog altijd met
+een benepen gezicht. Den kreeft op tafel ziende komen, scheen hij
+nog voor zijn vijand beangst, ofschoon deze nu dood was.
+
+"Nu, Thomas!" zeide zijn vader, "ik denk dat gij van den kreeft toch
+niet zult willen eten."
+
+"Niet eten?" riep Thomas uit. "O ja, ik wil hem eten, juist omdat
+hij mij opeten wou."
+
+"Wat wilt ge er dan voor een stuk van,--de schaar misschien?" vroeg
+mijnheer Wilson.
+
+"Ja, de schaar! Dat ondeugende dier,--laat het daar eens wat tegen
+doen; om het te plagen wil ik die eten!"
+
+"Waarom hebt gij het beest niet met vrede gelaten, Thomas?" vroeg
+zijn vader. "Hadt gij het niet geplaagd, het zou u niet geknepen
+hebben. Ik weet zelfs niet of ik er u wel van geven zal, als gij er
+van eten wilt om het te plagen."
+
+"O, ik lust hem ook niet,--ik begeer er ook niets van," hernam de
+kleine stijfkop. "Ik eet veel liever pekelvleesch."
+
+"Des te beter; als gij geen kreeft lust, zal men u dat ook zeker
+niet opdringen, jongeheer," antwoordde zijn vader. "Dus zullen wij
+hem maar buiten u onder ons verdeelen."
+
+Thomas was met dit besluit niet bijster in zijn schik, want hij had
+er dolgraag een stuk van gehad. Hij zat dus met een hangende lip aan
+tafel en keek bitter boos, toe de oude Flink hem zoo lachend toevoegde,
+dat hij reeds vóór het eten zijn deel van den kreeft had gehad.
+
+
+
+
+
+
+
+ZEVEN-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+TOEBEREIDSELEN TOT DE VERHUIZING.
+
+
+Terstond na den afloop van den maaltijd hielpen Willem en Juno de
+beide roeiers de tentbekleedsels en staken, benevens schoppen tot
+slechting van den grond en prikken tot het vastzetten der tenten,
+in de boot brengen.
+
+Voordat zij met de boot afstieten, merkte Willem aan:
+
+"Mij dunkt, het zou zoo kwaad niet zijn, als wij voor Flink en mij
+het noodige beddegoed meenamen. Wij konden dan nog van avond eene
+van de tenten opslaan en den nacht daaronder doorbrengen. Morgen
+vroeg konden wij dan de andere in orde brengen en zoo met ons werk
+een goed eind vorderen, voordat wij terugkomen."
+
+"Dat is een zeer goede inval, Willem," antwoordde Flink. "Laat eens
+zien, wat Juno ons te eten mee kan geven; dan zullen wij uw plan
+volvoeren, want hoe eer wij allen daar zijn, des te beter."
+
+Mijnheer Wilson was van hetzelfde gevoelen en Juno pakte een stuk
+pekelvleesch en eenige eierkoeken bijeen, voegde daar nog drie
+of vier flesschen water bij en hielp dit alles, benevens allerlei
+timmermansgereedschappen, in de boot brengen. Flink had ook nog voor
+een touw gezorgd, om de boot aan een paal aan den oever vast te maken.
+
+Eindelijk stieten zij van wal en hadden in korten tijd de riffen
+achter zich. Zij roeiden wakker door, want zij wenschten zoo spoedig
+mogelijk de haven te bereiken, hetgeen ook na verloop van een half
+uur gelukkig geschiedde.
+
+Zoodra zij aan land waren, maakten zij de boot aan het touw vast en
+brachten de lading aan wal; vervolgens droegen zij een deel van het
+tentlinnen en de staken naar het naastbijgelegen boschje, dat uit
+guayababoomen bestond. Daarop keerden zij naar het strand terug, om
+ook het overige te halen, en met drie gangen hadden zij dat verricht.
+
+"Nu moeten wij eens omzien, Willem, waar wij de tent willen opslaan. Te
+dicht bij het kokosbosch mag dat niet zijn, want daar hadden wij te
+ver water te halen."
+
+"Dunkt u niet, Flink, dat de beste plaats bij de benanen zou zijn? De
+grond is daar iets hooger en het water vinden wij, zooals gij weet,
+juist tusschen de benanen en de yamswortels."
+
+Zij begaven zich naar de plaats, waar de benanen hare groote, fraaie
+bladeren ontplooiden en besloten ten noorden daarvan de tenten op te
+slaan, vooreerst omdat men die daar, wegens de boomen, uit zee niet
+zien kon en ook, dewijl het bosschage gedurende de hitte van den dag
+er eene aangename schaduw opleverde.
+
+"Dus moet het dan hier maar zijn, Willem," zeide Flink. "Laat ons
+nu al het noodige gaan halen. Het is hier een goede, droge grond,
+die er juist toe geschikt zal zijn."
+
+Weldra waren zij druk aan het werk en reeds lang voor zonsondergang
+was een der tenten opgeslagen en hadden zij ook hunne bedden daarin
+gespreid.
+
+"Nu, Willem, verbeeld ik mij toch, zult gij wel tamelijk moe zijn,"
+zeide Flink; "ja, ja, zeker, dat moet gij wezen, want gij hebt den
+ganschen dag duchtig gearbeid."
+
+"Ik voel mij juist zoo heel moe niet, Flink; ook is het nu nog geen
+tijd om te gaan slapen."
+
+"Het is nog vroeg; laat ons dan eerst nog onze spaden nemen en een
+gat voor het water graven; dan kunnen wij morgen vroeg zien, of dat
+goed of slecht is."
+
+"Ja, dat kunnen wij nog voor het avondeten doen, en dan zal de rust
+ons dubbel goed smaken."
+
+Met dit besluit gingen zij naar het lager gelegen weideland, waar de
+bodem vochtig en moerassig was. Daar groeven zij twee kuilen, ieder
+ongeveer eene el diep en even breed. Weldra zagen zij het water daarin
+opkomen, en toen zij klaar waren, kwam hun dat reeds over den enkel.
+
+"Aan water zullen wij dus geen gebrek lijden, Flink; als het ook maar
+goed om te drinken is."
+
+"O, daar twijfel ik niet aan, Willem. Overigens hebben wij veel te
+doen, voordat de familie hier naar toe kan komen. Doch voor vandaag
+is onze taak nu ten einde."
+
+Zij keerden hierop in de tent terug en lieten zich het pekelvleesch
+en de eierkoeken kostelijk smaken. Eindelijk legden zij zich op de
+matrassen neder en gaven zich aan de rust over. Na weinige minuten
+lagen zij diep in slaap, daar het zware werk van den dag hen inderdaad
+zeer vermoeid deed zijn.
+
+Den volgenden morgen met zonsopgang waren zij reeds weder op de
+been. Hun eerste werk was naar de waterkuilen om te zien, die zij den
+vorigen avond gegraven hadden. Zij vonden deze tot overvloeiens toe
+vol; het water was volmaakt zuiver en helder, en bij het proeven
+keurden zij het, zoo al niet in alles zoo goed als het andere
+bronwater, toch zeer bruikbaar en smakelijk.
+
+Na zich gewasschen te hebben, keerden zij terug, om te ontbijten,
+en gingen toen aan het opslaan der tweede tent, die voor mevrouw en
+den kleinen bestemd was en dus met meer zorgvuldigheid moest worden
+ingericht. Toen dit gedaan was, werd nog de grond in het rond van het
+hooge gras en de struiken ontdaan en binnen in de tent met de spaden
+vast en effen gemaakt.
+
+"Nu komt weer een ander werk, Willem, namelijk het bouwen van een
+stookplaats voor Juno. Daartoe moeten wij naar het strand gaan en
+steenen opzoeken. Wij zullen dit stuk zeildoek meenemen en kunnen
+daarin in één gang zooveel als wij noodig hebben halen."
+
+Een uur later was ook de vuurhaard gereed, en beiden zagen hun werk
+vergenoegd aan en maakten de noodige toebereidselen tot het verdere
+werk van den dag.
+
+Men besloot 's middags de tafels en stoelen, het keukengereedschap,
+een gedeelte van de kleeren en het beddegoed en levensmiddelen voor
+een paar dagen mede te nemen. Den volgenden morgen zouden Flink en
+Willem tijdig terugkomen, en dan wilden allen gezamenlijk door het
+bosch naar hunne nieuwe woonplaats opbreken.
+
+De kleine Albert kon thans heel goed alleen loopen en moest slechts
+nu en dan een eind ver gedragen worden. Thomas en Caroline moesten
+natuurlijk met Juno gaan; de schapen, lammeren, waarvan men vier
+stuks had, en de oude en jonge geiten zouden de mannen door het bosch
+drijven, waarbij de honden goede diensten konden doen. De hoenders
+en het verdere gevogelte moesten echter in het oude hok blijven,
+daar Flink en Willem, zoo dikwijls zij hier kwamen, wel eens naar
+hen omzien konden.
+
+
+
+
+
+
+
+ACHT-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+VERHUIZING NAAR DE ZUIDKUST.
+
+
+Ditmaal was de boot zwaar bevracht en men had hard te roeien en zwaar
+te werken bij de landing, voordat de verschillende voorwerpen aan den
+oever gebracht waren. Willem en Flink waren derhalve hartelijk blij,
+toen eindelijk hun dagwerk ten einde was; en zoodra zij hun avondmaal
+genuttigd hadden, gingen zij dan ook ter ruste.
+
+Met zonsopgang keerden zij in hunne boot naar de baai terug. Zij
+haalden eerst de boot op het droge en begaven zich toen naar het
+woonhuis, waar zij allen tot vertrekken gereed vonden.
+
+Mijnheer Wilson had de dieren reeds bij elkaar gebracht, en dus brak
+men terstond op. De merken aan de boomen waren nog zeer duidelijk
+en zij konden hun weg gemakkelijk weervinden. Des te grooter moeite
+hadden zij echter met de schapen en geiten, en de kleine karavaan
+kwam dus niet dan langzaam voorwaarts.
+
+Zij hadden drie volle uren noodig, om aan den zoom van het kokosbosch
+te komen, en mevrouw Wilson gevoelde zich uiterst vermoeid. Eindelijk
+hadden zij de nieuwe woonstede bereikt, en mijnheer Wilson en zijne
+vrouw uitten een kreet van bewondering bij het aanschouwen van de
+schilderachtige schoonheid van het bekoorlijk oord.
+
+Ook de plek, waar de tenten bij de banaanboomen waren opgeslagen,
+droeg beider volle goedkeuring weg; want zij was werkelijk bij
+uitstek fraai. Mevrouw Wilson begaf zich in hare tent, om van hare
+vermoeidheid uit te rusten. De schapen en geiten liet men vrij in
+het weideland omloopen, waar zij terstond met graagte op het frissche
+voeder aanvielen. De honden vlijden zich neder en schenen insgelijks
+van den verren weg vermoeid.
+
+Juno bracht den kleinen Albert te bed en zocht toen met Willem
+eenig brandhout op, om het middageten te koken. Flink ging naar
+de putten, om water te halen, terwijl mijnheer Wilson op de vlakte
+rondwandelde en de verschillende boomen en struiken onderzocht, die
+daar groeiden. Caroline was in de tent bij hare moeder, en sinjeur
+Thomas had zich op den grond neergezet en keek met groote oogen
+verbaasd in het rond.
+
+Spoedig kwam Flink met de wateremmers terug, waarna hij de honden
+floot en den weg naar het yamsplantsoen insloeg. Een poosje later
+stond Thomas op en volgde hem.
+
+De honden drongen in het yamsplantsoen door en hieven weldra een
+verwoed geblaf aan, dat Thomas heel aardig vond, zoodat hij in de
+handen klapte en siste, om hen nog meer aan te hitsen. Op eenmaal
+echter kwam de gansche kudde zwijnen uit het dichte groen voor den
+dag en draafde zoo dicht bij Thomas langs, dat hij het van schrik
+uitschreeuwde en zoo lang als hij was op den grond tuimelde.
+
+"Dat had ik wel gedacht, vriendjes, dat gij hier zoudt wezen,"
+mompelde Flink, de varkens naziende. "Het werd waarlijk tijd, dat
+wij den weg eens voor u afsloten."
+
+De zwijnen stoven over het veld voort en verdwenen, evenals de eerste
+maal, in het kokoswoud. Ook Thomas zette het, zoodra hij maar weer op
+de been was, wakker op een loopen. De honden gingen achter de zwijnen
+aan en bleven een geruimen tijd weg. Ten laatste zag men hen vermoeid
+en hijgend terug komen,--een bewijs, dat zij hunne vervolging een
+goed eind ver hadden voortgezet.
+
+Voor dag en dauw waren Flink en Willem den volgenden dag reeds weder
+bij de hand en gingen door het bosch naar hunne vroegere woning,
+om het huisraad, dat daar nog was achtergebleven, in de boot naar
+de zuidkust te brengen. Bij hunne aankomst pakten zij al wat nog in
+huis stond bijeen, haalden gezouten vleesch en meel uit het magazijn
+en maakten hunne lading vol met een van de nog voorhanden zijnde
+schildpadden, die op den rug in de boot werd neergelegd. Tegen het
+ontbijt waren zij reeds weder bij de nieuwe woonplaats, waar Juno
+hen het meegebrachte naar de tenten hielp brengen.
+
+"Wat is dat hier een kostelijk verblijf!" riep mevrouw Wilson
+onwillekeurig uit. "Mij dunkt, wij moesten het altijd tot ons
+zomerkwartier kiezen en eerst tegen den regentijd naar het oude
+huis terugkeeren."
+
+"Het is hier zeker gedurende den zomer veel fraaier en aangenamer;
+maar in ons huis zijn wij beter door het kokosbosch gedekt."
+
+"Ja, dat is waar, en gedurende het regenseizoen is dat voor ons van
+veel belang. In den zomer is het daarentegen ook des te warmer, want
+wij hebben daar niet de verkoelende zeelucht, die wij hier genieten. Ik
+kan u verzekeren, Flink, ik ben met den ruil zeer tevreden en het
+zou mij spijten, als wij daarheen terugkeeren moesten."
+
+"Ik heb van morgen ook zulke mooie papegaaien gezien," zeide de kleine
+Caroline. "Ik wou, dat er één van mij was."
+
+"Nu, beste meid, ik wil bij gelegenheid eens een jong zien te krijgen;
+doch het is er thans nog te vroeg toe," antwoordde Flink. "Nu moet
+ik Juno de schildpad in stukken helpen snijden. Onze voorraadkamer
+dienen wij wel daar onder de banaanboomen te nemen."
+
+"Maar wat zullen wij verder aanvangen, Flink? Wij mogen toch niet
+leegzitten?" vroeg mijnheer Wilson.
+
+"Neen, zeker niet, mijnheer! Dezen dag moeten wij, dunkt mij,
+maar besteden om ieder ding op zijne plaats te brengen en de tenten
+van binnen gemakkelijk in te richten. Voor het oogenblik staan wij
+onder mevrouws orders; morgen zullen wij dan met het graven en het
+omheinen van het yamsplantsoen beginnen. We zullen ons daarmee niet
+zoo te haasten hebben, want ik verbeeld mij, dat de zwijnen zich er
+zoo spoedig niet weer aan wagen zullen, daar ik plan heb onze honden
+'s nachts in de yamsvelden vast te binden, en dan zal hun geblaf hen
+wel op een afstand houden."
+
+"Dat is een goede inval, Flink. Zie eens, welk kostelijk voer onze
+schapen en geiten hier vinden."
+
+"Ja, mijnheer; ze moeten ook in het vervolg gedurende het droge
+jaargetij hier grazen. Morgen vroeg kunnen wij met graven beginnen
+en Willem daarbij wijzen, hoe men de stekken van de stekelbessen,
+waarvan wij onze heg willen maken, poten moet. Dan zou ik voorslaan
+onzen Willem met dit werk alleen bij moeder achter te laten, terwijl
+gij en ik naar de westkust gaan, om onzen voorraad na te zien en al
+wat wij nog gebruiken kunnen hierheen te brengen. Ik meen immers u
+vroeger te hebben hooren zeggen, dat gij zelf daarheen woudt gaan?"
+
+"Ja, Flink, dat is zoo. Mijne vrouw zal er ook geen bezwaar in zien
+eens een dag of drie vier zonder mij te zijn. Als wij eerst alle
+dingen hebben nagezien, zal ik teruggaan en aan u en Willem, die het
+roeien beter gewoon is dan ik, de zorg overlaten om onzen voorraad
+over te brengen. Mij dunkt hierheen zullen wij toch alles niet halen?"
+
+"Neen, mijnheer; het goed moet naar ons magazijn worden
+gebracht. Hebben wij dat werk eerst achter den rug, dan gaan wij met
+alle macht aan de versterking van het blokhuis."
+
+
+
+
+
+
+
+NEGEN-EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+UITSTAPJE NAAR DE WESTKUST.
+
+
+Den volgenden morgen trokken zij met hunne schoppen naar het
+yamsplantsoen en begonnen hun werk. De grond was week en drassig
+en zoo ging de arbeid vlug van de hand. De sloot werd ongeveer een
+schrede breed gemaakt en de uitgedolven aarde aan den binnenkant tot
+een kleinen dam opgeworpen.
+
+Vervolgens ging men naar de plaats, waar de stekelbeziënstruiken
+groeiden. Van deze werden de noodige stekken en afleggers afgesneden
+en boven op het aarden bed ingeplant. Nog was de avond niet gevallen,
+toen zij reeds, op negen of tien dekameters na, met sloot en heg
+gereed waren.
+
+"Ik geloof, als dit eens in orde is, de varkens 't wel laten zullen
+er overheen te springen," sprak Flink. "Bovendien kan Willem daar
+evengoed alleen mee klaar komen, als met behulp van ons beiden."
+
+"Ja, dat wel, Flink,--maar niet zoo vlug."
+
+"Ge behoeft u ook niet overmatig in te spannen, beste Willem. Zorg
+slechts, dat ge de honden 's nachts vastlegt, zooals ik den verloopen
+nacht gedaan heb, en dan twijfel ik geen oogenblik, of de varkens
+zullen na een of twee nieuwe pogingen niet meer terugkomen."
+
+"Ik wil zien, of ik niet een van die beesten schieten kan."
+
+"Goed; maar kies daartoe vooral een van de jongen,--de ouden mogen
+wij niet dooden. Doch nu kunnen wij naar huis gaan; de zon zal spoedig
+onder zijn en Juno wacht ons zeker al met het avondeten."
+
+Voordat mijnheer Wilson en Flink den anderen morgen opbraken, gaf
+de laatste Willem nog allerlei onderrichtingen aangaande de boot,
+de reiszakken waren reeds vooraf van levensmiddelen voorzien, en zoo
+namen zij dan van mevrouw Wilson afscheid en braken op. Beiden waren
+met een geweer gewapend en Flink had nog bovendien eene bijl over
+den schouder geworpen.
+
+Zij hadden een verren weg voor zich, want eerst moesten zij naar het
+oude woonhuis terugkeeren, om van daar het oude pad door het woud op
+te zoeken. Dit was een groote omweg, die nochtans niet kon vermeden
+worden, daar zij niets dan de merken aan de boomen hadden om te volgen.
+
+Bij het woonhuis gekomen, rustten zij een uur uit en gingen toen
+naar den tuin, die op de landtong lag. Aardappelen en erwten stonden
+uitmuntend en ook de uien begonnen goed op te schieten.
+
+"Wat ziet deze plaats er nu doodsch en eenzaam uit, Flink, nu men er
+niets levends meer kan ontdekken," riep mijnheer Wilson. "Laat ons
+verder gaan, 't wordt mij hier nu benauwd om het hart."
+
+Met deze woorden hervatten zij hunne wandeling en hadden na twee
+uren de westkust bereikt, op 't zelfde punt, waar zij 't allereerst
+geland waren. De nabijgelegen klippen waren nog met de overblijfsels
+van het schip bezaaid, die in de zon bleekten of in het zand aan de
+bocht half bedolven lagen.
+
+Zij gingen dadelijk aan 't zoeken, doch konden behalve enkele spieren
+en teertonnen niets vinden, dat eenige waarde voor hen had. Duigen
+en ijzeren hoepels van vaten lagen in menigte in het rond en Flink
+meende, dat men die zeer goed tot eene tuinheining gebruiken kon,
+als men slechts tijd vond om ze zoo ver te vervoeren. Van het strand
+terugkeerende, zetten zij zich neer, om een weinig uit te rusten. Na
+een poos begaven zij zich eindelijk naar de tenten in het kokosbosch,
+waar zij de verschillende goederen, die na het vergaan van het wrak
+waren aangespoeld, geborgen hadden.
+
+"Ei, zie eens! Ook hier zijn de varkens aan den gang geweest,"
+riep Flink; "ze hebben een meelvat opengemaakt. Hoe dat toeging,
+begrijp ik niet recht. Zie maar, mijnheer, er moet een scheur in
+geweest zijn, anders ware 't hun zeker niet gelukt. Het linnen is,
+vrees ik, tot weinig meer nut. Gelukkig hebben we nog eenige nieuwe
+stukken, die ik aan land heb gebracht.--Nu moeten wij eens zien,
+mijnheer, in welken staat onze voorraad zich bevindt. Dit hier zijn
+enkel meelvaten; wij hebben dus geen gevaar te loopen, als wij ze
+openmaken en zien of de inhoud nog bruikbaar is."
+
+Het eerste vat, dat zij openden, had rondom eene steenharde korst;
+toen deze eindelijk met de bijl was doorgekapt, vond men dat het
+binnenste nog zeer goed was gebleven.
+
+"Dat is gelukkig, mijnheer; ik hoop, dat het bij de overige vaten
+evenzoo zal zijn. Het zeewater heeft er eene dikke korst over gemaakt
+en deze heeft het geheel tegen bederf bewaard. Evenwel willen we
+alle, 't een na het ander openmaken. Nu gaan wij ons middagmaal
+houden en vervolgens weer aan het werk. We hebben een paar malen
+gebraden schildpadvleesch, die Juno voor ons heeft ingepakt en die
+smaken zullen."
+
+Na het eten ging men opnieuw aan het werk. "Ik verlang toch te
+zien, wat dáárin mag wezen," zeide mijnheer Wilson op de naaste
+kist wijzende.
+
+Flink begon er dadelijk met zijne bijl aan te breken. Hij rukte het
+deksel open en vond een aantal bordpapieren doozen vol klosjes garen,
+allerlei band en lint, baleinen en lappen katoen, neteldoek, gaas,
+tulle en andere stoffen.
+
+"Dat was zeker voor eene modehandelaarster te Bontany-baai bestemd,"
+zei mijnheer Wilson, "en misschien heeft ze bitter in angst gezeten,
+toen ze het bestemde niet ontving. Evenwel moeten wij het thans voor
+mijne vrouw en Caroline in beslag nemen. Zoodra wij tijd vinden,
+zullen wij het haar brengen en ze zullen er wat blij mee zijn. Nu de
+tweede kist, Flink."
+
+De volgende kist was zonder slot; het deksel werd opengemaakt en
+men vond een dozijn groote vierkante flesschen, die met jenever
+gevuld waren.
+
+"Dat is echte Schiedammer," zeide Flink. "Wat moeten wij daar mee
+aanvangen?"
+
+"Wij zullen ze niet weggooien, Flink, maar ze ook slechts bij
+gelegenheid als geneesmiddel gebruiken," antwoordde mijnheer
+Wilson. "Wij zijn nu reeds zoo lang aan zuiver bronwater gewend,
+dat het zonde zou zijn, als we weer smaak in sterke dranken wilden
+krijgen. Als we er plaats voor vinden, zullen we een paar flesschen
+in het magazijn brengen. Ze kunnen ons misschien nog soms eens goede
+diensten doen."
+
+Het volgende vat was weldra geopend, en men vond een tafelservies van
+gekleurd porselein met vergulde randen, dat inderdaad zeer fraai was.
+
+"Nu mijnheer, dat kan u te pas komen, want het begint ons al
+langzamerhand aan borden en schotels te ontbreken. Evenwel zou gewoon
+steenen goed ons wel dezelfde diensten hebben gedaan."
+
+"Het zou voor onzen tegenwoordigen toestand ook beter passen," was
+het antwoord. "Niettemin is dit fijn Chineesche porselein ons even
+welkom als een eenvoudig stel en mag daarom niet versmaad worden."
+
+"Hier is eene doos met uw naam er op, mijnheer," riep Flink. "Weet gij,
+wat er in is?"
+
+"Neen, dat kan ik niet bedenken; maar zie zelf maar eens na."
+
+De doos werd geopend en alles scheen door het ingedrongen zeewater
+besmet en bedorven. Toen men evenwel het pakpapier had weggenomen,
+vond men allerlei soort van schrijfbehoeften, die, met uitzondering
+van de buitenste bladen, slechts weinig geleden hadden.
+
+"Dat is een ware schat, Flink. Ik herinner mij nu nog zeer goed: het
+bevat papier en pennen met al wat er meer tot schrijven noodig is;
+verder prenteboekjes, teekenvoorbeelden, verfdoozen en zoo al meer,
+dat ik voor mijne kinderen bestemd had."
+
+"Ei, waarlijk mijnheer, dat is een geluk. Nu kunnen wij eene school
+oprichten, en daar die door de gezamenlijke bevolking van het eiland
+bezocht zal worden, moet de beschaving hier weldra algemeen zijn."
+
+"Dat willen wij hopen, vriend.--Nu het volgende vat."
+
+"Wat daarin is kan men van buiten wel zien,--olie, die ons heel welkom
+is, daar onze voorraad kaarsen vrij wat vermindert. Daar zijn evenwel
+nog een paar kaarsenkisten, die wij gebruiken kunnen en bij gelegenheid
+wel zullen overbrengen. Nu evenwel komt het allerkostelijkste gedeelte
+van ons eigendom."
+
+"En dat is?"
+
+"Al die artikelen, welke ik in de boot aan land bracht, voordat
+het schip te gronde ging; want, ziet gij, mijnheer, ijzer drijft
+niet, en daarom was ik toen vooral op ijzerwaren van allerlei
+soort en op nuttige gereedschappen bedacht. Ik heb een kostelijken
+voorraad spijkers: hier drie vaatjes groote en hier twee kleiner
+soort. Bovendien bijlen, hamers, schaven, beitels, zagen, klossen
+bindgaren, was en hier nog eenige rollen fijn linnen, alles in de
+beste orde."
+
+"Dat is werkelijk voor ons van groote waarde, Flink."
+
+"Ja, mijnheer, we zouden er misschien al spoedig gebrek aan gehad
+hebben, daar de beide wilden bij hare vlucht al 't ijzer, dat zij
+meester konden worden, hebben meegepakt. 't Was een geluk voor ons,
+dat zij niet bij al onzen voorraad konden komen.--Daar hebt gij nog
+meer van onzen buit: eenige wateremmers en 't voornaamste gereedschap
+van onzen kok, waar Juno recht blij mee zal wezen. Hier zijn ook twee
+lampen. Mij dunkt, ik heb ook nog eenige pakjes lampepitten op zijde
+gelegd; ja, ja, dat weet ik zeker,--en ze zullen wel weer voor den dag
+komen. Die vaten daar zijn 't een met patronen, het ander met kruit;
+hier is nog een half vat met patronen, alles onbeschadigd. Hier ook
+zes geweren, die evenwel 't poetsen wel noodig hebben. Nu, dat is
+ook bezwaarlijk anders te wachten."
+
+"Dat zijn wezenlijk schatten voor ons, Flink; en toch--hoe goed hebben
+wij ons tot hiertoe ook zonder dat gered."
+
+"O ja, mijnheer; maar des te beter, nu wij ze hebben. Als we
+'t magazijn tot onze woonplaats hebben gemaakt, zijn wij dan ook
+beter in staat, om 't in alle opzichten gemakkelijker in te richten
+dan ons vorig huis geweest is; want, zie maar, mijnheer, daar zijn
+nog al de balken en planken, die Willem en ik in het zand begraven
+hebben.--Daarmee kunnen wij een vloer in het huis leggen en behoorlijke
+kasten en bedsteden maken."
+
+"Och, die had ik geheel vergeten, Flink; zooals ge zegt, de voorraad
+is tot dat alles dubbel voldoende. Als ik mij slechts die vrees voor
+een mogelijken aanval van die wilden uit het hoofd kon zetten,--me
+dunkt, dan zouden we hier zelfs op dit eiland een recht genoeglijk
+leven kunnen leiden."
+
+"Weet gij wel, mijnheer, dat het mij van harte genoegen doet u zoo
+te hooren spreken? Het bewijst, dat gij tegenwoordig tevredener en
+gelukkiger zijt, dan gij vroeger waart."
+
+"Dat ben ik ook, Flink,--althans dat geloof ik. Misschien ook, dat het
+ons van den kant der wilden dreigende gevaar mijne gedachten zoozeer
+aftrekt, dat ik mij bij mijn vroegeren wensch, om van het eiland
+verlost te worden, niet langer zoo bepalen kan. De eene bezorgdheid
+heeft zeker de andere verdrongen en onderdrukt."
+
+"Het zal wezen, zooals gij zegt, mijnheer;--maar laat ons nu met
+ons onderzoek voortgaan. Hier zijn het zeekompas, de scheepslijnen,
+de logrol en het dieplood. We zullen die op onze boot nog wel ergens
+toe gebruiken kunnen."
+
+"Ei, met dat kompas ben ik recht in mijn schik, Flink, want met
+behulp daarvan kan ik eens, als ik tijd heb, een plan van dit eiland
+opmaken. Een zakkompas is te klein daartoe. Ge weet misschien niet,
+dat ik in mijne jonge jaren als landmeter naar Sidney trok?"
+
+"Neen, dat hebt ge mij nog niet gezegd. Ge zult ons dan zeker wel
+nauwkeurig kunnen opgeven, welke ruimte ons weideland beslaat."
+
+"O ja; dat zal ik u zeggen, zoodra wij weer terug zijn. Inmiddels
+zal ik hier eenige opmetingen doen, daar wij denkelijk niet weer zoo
+spoedig hier zullen komen."
+
+
+
+
+
+
+
+VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+BIJNA EEN ONGELUK. EEN NIEUWE BRIEVENPOST.
+
+
+Met het krieken van den dag gingen mijnheer Wilson en Flink weder
+aan het werk en openden achtereenvolgens alle kisten en pakken,
+die nog van het wrak gered waren geworden. Zij vonden kisten met
+kaarsen, drie vaten rijst ten deele goed, ten deele ook beschadigd,
+en eene kist met thee en twee balen koffie, welke Flink van boord had
+meegenomen. Suiker was echter niet voorhanden, want de kleine voorraad,
+dien men gered had, was in den regen weggesmolten.
+
+"Dat is een heel ongeluk, mijnheer. Onze jongeheer Thomas zal geen
+thee of koffie zonder suiker lusten en is er dus slecht aan toe."
+
+"De jongeheer moet zich leeren behelpen, Flink. We kunnen niet
+verwachten hier alles zoo te hebben, alsof de kruidenier vlak naast
+onze deur woonde.--Laat ons nu eens zien, hoe 't met de onder het
+zand begraven dingen gesteld is."
+
+Het zand werd weggeschoffeld en men vond de vaten met pekelvleesch,
+alsook de eiken planken in den besten staat. Veel anders daarentegen
+was ook geheel verrot en bedorven.
+
+Tegen den middag waren zij met hun werk gereed en daar zij nog
+tijd genoeg voor zich hadden, begon mijnheer Wilson met behulp van
+zijn kompas eene opmeting van de verschillende landpunten. Toen dit
+gedaan was, wierpen zij hunne geweren over den schouder. Flink nam
+nog eenige ponden van de beschadigde rijst tot voeder voor de kippen
+mee en daarna begaven zij zich gezamenlijk op weg.
+
+Na twee uur bereikten zij hun voormalig woonhuis, rustten in het
+magazijn een poosje uit en vervolgden toen hun tocht naar de tenten
+bij de weide. Ze waren ongeveer een kwartier gevorderd, toen Flink
+gerucht vernam en mijnheer Wilson een teeken tot stilstaan gaf.
+
+De oude man fluisterde zijn geleider toe, dat de varkens dicht in de
+buurt waren en laadde zijn geweer. Mijnheer Wilson deed hetzelfde
+en beiden slopen zacht op de plaats toe, van waar het gegrom zich
+hooren liet.
+
+Zij kregen de dieren niet in het gezicht, voordat zij die op twintig
+passen genaderd waren. Toen hadden zij de gansche kudde vlak voor
+zich en de beesten staken de koppen verwonderd omhoog. De oude beren
+en zeugen lieten een geknor hooren en snelden op 't oogenblik, dat
+Flink vuur gaf, op de vlucht. Mijnheer Wilson vond geen tijd meer om
+los te drukken; doch Flink had een van de biggen geraakt, die nu met
+den dood worstelende in haar bloed lag te spartelen.
+
+"Een kostelijk stuk gebraad;--daar kunnen we een feestmaal van
+houden!" riep Flink, terwijl zij op het stervende dier toetraden.
+
+"Ja, dat is waar, Flink!" antwoordde mijnheer Wilson. "We moeten nu
+maar zien, hoe we het beest met ons tweeën naar huis brengen."
+
+"We zullen het op onze geweren leggen, dan zal de vracht zoo zwaar
+niet zijn. 't Is zeker pas zes maanden oud en aan de zwaarte kunt
+gij zien of zij hier ook kostelijk voeder vinden!"
+
+Spoedig hadden zij het dier op hunne geweren geladen en vervolgden
+zoo hun weg. Bij het uittreden van het bosch bespeurden zij Willem
+en zijne moeder, die beiden het schot gehoord hadden en hun tegemoet
+waren gegaan. Mevrouw Wilson scheen eenigszins angstig te zijn,
+doch toen zij het varken in het oog kreeg, ried zij oogenblikkelijk
+de oorzaak van het schot.
+
+"Ik moet bekennen, dat ik een beetje ontsteld was, toen ik dat
+geweerschot hoorde," zeide zij, haar echtgenoot omarmende. "Ik kon
+namelijk niet verwachten, dat gij vandaag al terugkeeren zoudt. Wij
+allen zijn volmaakt wel."
+
+Willem nam voor zijn vader het overbrengen van het gevelde wild op
+zich en deze ging met de moeder naar de tenten.
+
+"Nu, beste Willem, welk nieuws is er hier bij u," vroeg Flink.
+
+"O, heel goed nieuws, Flink! Gisteravond, toen ik moe was van den
+arbeid, kwam ik op de gedachte om de boot eens te nemen en te zien,
+of ik in het diepe water op deze zijde van het eiland niet ook wat
+visch vangen kon. Ik kreeg ook wezenlijk drie stuks, die er heel
+anders uitzien, dan die wij tusschen de klippen vingen. Wij hadden er
+één van bij het ontbijt en één des middags en zij smaakten uitmuntend."
+
+"Zijt gij alleen met de boot uit geweest?"
+
+"Neen,--ik nam Juno mee. Moeder zei, dat ze haar wel een paar uren
+missen kon. Zij roeit zoo goed als de beste matroos, Flink."
+
+"Ja, 't is een recht bruikbaar meisje, Willem.--Nu, met onze monstering
+zijn wij ook klaargekomen en wij zullen beiden nu in overvloed werk
+krijgen, maak daar staat op. Ik geloof niet, dat wij in ééne week
+alles zullen kunnen vervoeren, en daarom heb ik gedacht, moeten we
+al aanstonds morgen beginnen. Eerst willen wij evenwel hooren, wat
+uw vader daarvan zegt."
+
+"O, dat is mij wèl, want ik neem veel liever de roeiriemen dan de
+schop in de hand," zeide Willem. "Ik heb er niets tegen, als vader
+het graven en spitten van mij wil overnemen."
+
+"Dat zal hij zeker gaarne doen, daar hij natuurlijk liefst bij moeder
+en de kleinen wil blijven."
+
+Zoodra zij de woning bereikt hadden, hing Flink het varken in de tent,
+waar Willem, mijnheer Wilson, en hij zelf sliepen, aan den kruispaal
+op, zette de geweren tegen den zijwand aan en ging met Willem, om
+zijn mes en eenige spanhouten, die hij bij 't schoonmaken van het
+dier noodig had, te halen.
+
+Terwijl beiden weg waren, kwamen Thomas en Caroline aanloopen, om
+het dier te bezien. Thomas gaf hoog op van zijne tevredenheid, dat
+hij den volgenden dag gebraden varkensribbetjes eten zou, nam één
+van de geweren en riep: "Pas eens op, Caroline, ik zal het varken
+morsdood schieten."
+
+"Och, Thomas, kom toch niet aan dat geweer!" riep zijne zuster. "Vader
+heeft het u immers verboden, en weet ge niet meer hoe 't u daar in
+'t bosch in de hand afging?"
+
+"O, dat was niemendal," antwoordde Thomas; "ik wil u eens wijzen,
+hoe men een varken doodschiet."
+
+"Doe 't niet, Thomas," riep Caroline; "als ge 't doet, ga ik heen en
+zeg 't moeder."
+
+"Dan schiet ik op u," hernam Thomas en zocht met het geweer op haar
+te mikken.
+
+Caroline schrikte daar zóó van, dat zij zoo hard als zij kon wegliep;
+maar Thomas spande al zijne kracht in en zocht het geweer tegen den
+schouder te brengen. Daarbij trof het, dat hij zijn vinger aan den
+trekker bracht en daar hij toevallig het geweer van zijn vader had
+genomen, dat nog geladen was, ging dat af en stiet de kolf hem, die
+het niet vast tegen den schouder aandrukte, in het gezicht, zoodat
+de schok hem twee tanden uitsloeg, de wang kwetste en hem het bloed
+uit den neus deed stroomen.
+
+Thomas was door het afgaan van het schot en den bekomen slag zoo
+onthutst, dat hij het geweer met een luiden gil uit de handen liet
+vallen en naar de tenten liep, waar zijne beide ouders zaten, die
+op het hooren van den knal waren opgesprongen en hem nu ontsteld te
+gemoet vlogen.
+
+Flink en Willem waren ook op het schot oogenblikkelijk toegesneld,
+daar zij vreesden dat er een ongeluk gebeurd was. De oude man liep op
+Thomas toe, wischte den knaap met de hand het bloed van het gezicht
+en ontdekte tot zijne geruststelling, dat deze geene wonde of ander
+gevaarlijk letsel had.
+
+"Hij is niet gewond," riep hij mijnheer Wilson toe, "hij bloedt enkel
+uit den neus. Houd op met schreeuwen en gieren, kwajongen! Wat hadt
+ge weer uwe handen aan een geweer te slaan?"
+
+"Het geweer heeft mij op den grond gegooid," snikte Thomas, terwijl
+het bloed hem steeds uit den mond liep.
+
+"Dan hebt ge uw verdiend loon gekregen. Zult gij u voortaan beter in
+acht nemen en geen geweer meer aanraken?"
+
+"O, ik zal er mijn leven niet meer aankomen," jammerde de kleine. "'t
+Heeft mij haast doodgeschoten."
+
+Juno kwam nu met water, om hem het gezicht af te wasschen, en thans
+eerst ontdekte men, dat hij twee voortanden verloren had en aan wang
+en lippen toch vrij wat bezeerd was. Men kleedde hem uit en legde
+hem te bed, waar hij weldra in diepen slaap zonk.
+
+"Ik had de geweren daar niet moeten laten staan," zeide Flink tot
+Willem; "dat was een verzuim van mij. Ik dacht zeker, dat men den
+kleinen deugniet reeds zoo dikwijls ingeprent had, aan geen vuurwapens
+te raken, dat hij dat zeker niet wagen zou. Maar altijd als er een
+ongeluk valt aan te richten is hij terstond bij de hand."
+
+"Hij mikte op mij en wilde op mij schieten; maar ik ben weggeloopen,"
+zeide Caroline.
+
+"Goedertierende Hemel, welk een geluk!" riep de verschrikte
+moeder. "Had hij losgedrukt, dan was mijn arm, lief kind vermoord
+geworden.--Die afschuwelijke jongen!"
+
+"Hij is ditmaal behoorlijk gestraft, mevrouw, en ik sta er voor in,
+dat hij in den eersten tijd geen geweer meer zal aanraken."
+
+Den volgenden morgen was het gezicht van onzen jongeheer hoogrood
+en gezwollen. Wangen en lippen waren donkerblauw en opgeloopen en
+het verlies der beide voortanden misvormde hem nog meer. Gelukkig
+waren het nog melktanden geweest, want anders hadden de gevolgen nog
+droeviger voor hem kunnen zijn.
+
+Tot het ontbijt werd van het gebraden wild opgedragen en de geur
+daarvan prikkelde Thomas niet weinig in den neus. Toen zijn vader
+hem nu echter nog eens terdege beknorde en hem zeide, dat hij geen
+enkel brok van het gebraad proeven zou, begon hij zoo hard te huilen,
+dat men hem wegbrengen moest, totdat hij met schreeuwen had opgehouden.
+
+Na 't ontbijt zeide Flink, dat hij met Willem in de boot wilde
+gaan, om met het zware werk van de overbrenging der vele goederen
+van de westkust naar het magazijn een begin te maken, waarbij hij
+deed opmerken dat men geen enkelen dag meer te verliezen had. Juno
+had op zijn verlangen reeds eene goede portie varkensvleesch voor
+hen gebraden en tevens een stuk pekelvleesch gekookt, zoodat zij
+behoorlijk van levensmiddelen voorzien waren en dus niets meer hadden,
+dat hen tegenhield. Mijnheer Wilson nam de verdere planting der heg
+op zich en wilde gedurende hunne afwezigheid de sloot rondom het
+yamsplantsoen geheel voltooien.
+
+"Maar hoe lang denkt gij wel met Willem uit te blijven, Flink?" vroeg
+de moeder met kennelijke bezorgdheid.
+
+"Wel, laat eens zien, mevrouw; we hebben vandaag Woensdag,--dan moet
+ge ons niet vóór Zaterdagavond terug verwachten. Wij moeten dat alles
+toch afdoen, en hoe eer het gebeurd is, des te beter voor ons."
+
+"Beste Willem, ik word er wezenlijk angstig onder dat gij zoo lang van
+ons vandaan zult zijn. Daarbij zult gij altijd bij het water wezen, en
+zoo zal ik in gedurige ongerustheid zijn, totdat ik u hier wederzie."
+
+"Nu, moeder, dan dien ik u wel met den post te schrijven, om u te
+doen weten, hoe ik het heb."
+
+"Spot niet met mijn angst, kind. Ik wenschte, dat wij een post hadden
+en dat gij mij iederen dag schrijven kondet."
+
+Flink en Willem maakten alle toebereidselen, die hunne langdurige
+afwezigheid vereischen kon. Zij namen hunne beddedekens mede; zoo ook
+een kleinen ketel, om te koken, en toen eindelijk alles beredderd was,
+zeiden zij mijnheer en mevrouw Wilson hartelijk vaarwel.
+
+Juno hielp hun de bagage in de boot brengen. Zij wilden eerst naar de
+Oostelijke kust roeien, dáár hunne vracht achterlaten en vervolgens
+op het kokosbosch afgaan. Voordat zij van wal stieten, nam Willem
+nog Remus, den hond, in de boot op.
+
+"Waartoe neemt gij den hond mee, Willem?? Hij kan hier van dienst
+wezen, om de zwijnen te verjagen, en wij hebben misschien last
+van hem."
+
+"Och, laat hem, Flink,--ik moet hem bij mij hebben. Er is mij daar
+iets ingevallen--laat mij ditmaal mijn zin doen."
+
+"Goed, Willem: wat mij betreft, moogt gij altijd uw zin hebben. Gij
+wenscht den hond bij u te houden, en daarmee afgedaan."
+
+"Dag, Juno, houd u goed, meid; we zullen u eene schildpad meebrengen."
+
+"Datte vooral doen, massa Flink! Dag, massa Willem! Niet vergeten,
+zaterdag weerom wezen en brengen visch en schildpad mee."
+
+Het zeil werd opgetrokken, en daar er een frissche wind woei, waren zij
+binnen korten tijd in de oostelijke baai. Zij droegen de levensmiddelen
+en verdere benoodigdheden in het huis en sloten de deur toe.
+
+Hierop gingen zij naar het hoenderhok, waar Flink aan de vogels van
+de rijst voorwierp, die hij hierheen had medegenomen. Tot hunne groote
+tevredenheid telden zij thans over de veertig hoenders, alle gezond en
+fiksch, sommige daaronder waren dik en vet, zoodat men hen dadelijk had
+kunnen slachten. Daar zij nochtans overvloed van versche levensmiddelen
+hadden, was men overeengekomen, hun vooreerst nog te ontzien, omdat
+de eieren van meerdere waarde voor hen waren dan de hoenders.
+
+Vervolgens stapten zij weder in de boot en roeiden naar het
+kokosboschje. De wind blies hun vlak tegen en zoo duurde hunne vaart
+vrij lang, doch dit was, gelijk Flink opmerkte, eene zeer gunstige
+omstandigheid, want op deze wijze konden zij met de bevrachte boot
+ook des te sneller naar de baai terugzeilen.
+
+Aan het kokosbosch geland, verloren zij geen tijd, maar gingen
+terstond aan het bevrachten van de boot, zoodat de spijkers benevens
+de verdere ijzeren werktuigen van allerlei aard en de gereedschappen,
+waar Flink destijds van het schip aan land had gebracht, het grootste
+gedeelte van de eerste lading uitmaakten. Een meelvat, eene kist met
+kaarsen en eenige stukken linnen maakten de lading eindelijk vol. Zij
+riepen Remus, die zich op den zandigen oever in de schaduw van het
+geboomte had nedergelegd, en stieten toen af. Het zeil werd geheschen
+en een half uur later hadden zij de klippen reeds weder achter zich
+en landden in de baai.
+
+"Ik ben recht blij, dat wij deze lading gelukkig overgebracht hebben,
+Willem, want ze is voor ons van groote waarde. Nu willen wij het
+een na het ander naar het magazijn brengen en daarmee is dan voor
+vandaag genoeg afgedaan. Morgen zullen we zien, of we twee ladingen
+halen kunnen. Ge denkt toch niet, dat dit u te zwaar zal vallen,
+beste jongen?"
+
+"O, we hebben maar vroeg op te staan, en dan zal het best lukken,"
+gaf Willem ten antwoord. "Wij zullen nu ons maal houden en onzen
+verderen arbeid tot den namiddag uitstellen."
+
+Aan dat maal mocht ook Remus deelnemen, dien Willem van beenderen en
+verderen afval rijkelijk voorzag.
+
+"Maar zeg mij toch, Willem," vroeg Flink, "hoe waart ge er van morgen
+toch zoo bizonder op gesteld om den hond mee te nemen?"
+
+"Dat zal ik u zeggen, Flink. 't Is mogelijk, dat ik mij in hem vergis,
+maar dat geloof ik toch niet. Ik denk namelijk, dat hij moeder wel
+een briefje van mij kan overbrengen. Gij weet, dat hij als men 't hem
+gelast, altijd weer naar huis terugkeert, en nu wil ik eens zien, of
+hij ook van hier den ganschen weg naar de tenten kan terugvinden. Ik
+heb daartoe een stuk papier en potlood meegenomen."
+
+Hij haalde dit dadelijk voor den dag en schreef:
+
+
+ "Lieve moeder!
+
+ "Wij zijn heel wèl en zoo even met de eerste lading
+ voorspoedig aangekomen.
+
+ Uw u hartelijk liefhebbende zoon
+
+ Willem."
+
+
+Willem bond den hond het papier met een eindje touw om den hals,
+lokte hem toen buiten het huis en riep:
+
+"Remus, naar huis, beest!--Marsch, weg! Naar huis, hond!"
+
+De hond keek zijn meester twijfelachtig aan, alsof hij niet recht
+wist wat men van hem verlangde; doch Willem nam een steen en deed
+alsof hij naar hem gooien wilde. Nu liep het dier een eind weegs
+voort en bleef toen weder staan.
+
+"Naar huis, Remus!--Naar huis, hond!" Met deze woorden hief Willem
+den steen weder omhoog, terwijl hij zijn bevel herhaalde en de hond
+ging nu, zoo hard zijne pooten hem dragen konden, op den loop.
+
+"Hij is nu in allen gevalle weg," zeide Willem. "Mij dunkt, hij zal
+de tenten wel wedervinden."
+
+"Dat moet de tijd leeren," hernam Flink. "Daar we met eten gedaan
+hebben, kunnen we nu met het bergen van onze goederen beginnen."
+
+"Waar moeten we die dan bergen, Flink?"
+
+"In het magazijn, beste jongen. Dat zal ons wel wat zweet kosten,
+want deze kisten en vaatjes met spijkers zijn zwaar en wij dienen
+menigen gang te doen, maar het moet toch gebeuren. We hebben echter
+nog een uur of drie, vier dag vóór ons, zoodat we ons niet behoeven
+te overhaasten."
+
+Zoodra de gansche lading in het magazijn geborgen was, brachten zij
+de boot in veiligheid en gingen toen naar het woonhuis, om zich daar
+ter ruste te leggen. Op het oogenblik, dat zij den voet op den drempel
+zetten, kwam Remus met vroolijke sprongen op hen toe; maar gelukkig
+had hij het briefje nog altijd om den hals.
+
+"Daar is de hond, Willem," riep Flink. "Het schijnt, dat hij toch
+niet naar huis heeft willen terugloopen."
+
+"Dat spijt mij recht; ik geloofde stellig en zeker, dat hij het doen
+zou, en nu heb ik mij toch bedrogen. Wij zullen hem niets te vreten
+geven, dan moet hij op 't laatst toch wel gaan. Maar wacht,--wacht
+eens! Kijk, Flink! dat is niet hetzelfde papier, dat ik hem om den
+hals bond. Ik geloof 't althans niet.--Laat eens zien."
+
+Dit zeggende nam Willem den hond het briefje van den hals en las:
+
+
+ "Beste Willem!
+
+ "Uw brief is gelukkig overgekomen en wij zijn recht blij, nu
+ wij weten dat alles wèl met u is. Schrijf ons elken dag. 't Was
+ wezenlijk een recht goede inval van u,--en Remus is een juweel
+ van een hond.
+
+
+ Uwe u liefhebbende moeder
+
+ Selina Wilson."
+
+
+"Inderdaad, de hond is recht schrander," riep Flink. "Waarlijk, ik
+had er niet de minste gedachte op, dat hij gaan, of dat hij nog wel
+op bevel uwer moeder tot ons terugkomen zou."
+
+"Brave Remus!" riep Willem, het dier liefkoozende. "Kom hier, mijn
+jongen; nu zult ge ook lekker smullen van avond, want ge hebt dat
+eerlijk verdiend."
+
+"Dat heeft hij waarlijk. Zie, Willem, daar hebt ge nu een
+postinrichting op ons eiland tot stand gebracht, en dat is eene
+verbetering van belang. In ernst, jongen, ze kan ons recht nuttig
+worden."
+
+"In allen gevalle kan dat eene groote geruststelling voor moeder zijn."
+
+"Ja, vooral dan, als we in 't vervolg met ons drieën hier werken
+moeten, om 't magazijn in orde en in staat van tegenweer te
+brengen.--Nu gaan wij echter terstond slapen, om morgen met den
+leeuwrik weer op te zijn, zooals men bij ons te lande zou zeggen."
+
+"Hier dienden wij te zeggen, met de papegaaien, want die zijn de
+eenige soort van landvogels, die dit eiland rijk schijnt te wezen."
+
+"Gij vergeet de duiven, Willem. Ik heb gisteren een paar in het bosch
+gezien; maar ze zijn thans juist in den broeitijd.--Goeden nacht,
+Willem."
+
+Eenige dagen lang werkten allen ijverig door en Remus ging heen en
+keerde telkens met goede berichten terug, totdat des Zaterdags de
+terugreis werd aanvaard. Bij hunne aankomst vonden zij de gansche
+familie aan de kleine haven verzameld en verlangend naar hen uitziende.
+
+"Welkom thuis, beste Willem!" riep mevrouw Wilson hem vroolijk
+toe. "Nu, gij hebt u een man van uw woord betoond en mij uwe brieven
+met den post gezonden. Welk een kostelijke inval van u! Ik zal mij
+niet meer ongerust maken: ook niet, als gij alle drie eens te zamen
+weg zijt."
+
+"Ik moet Romulus en Vixen ook nog hetzelfde leeren, moeder."
+
+"En ik wil het de jongen leeren," zei Thomas. "Thomas wil ook brieven
+schrijven."
+
+"Ja, ja, Thomas. Tegen dat gij eerst een brief schrijven kunt, zullen
+de jongen wel sterk genoeg zijn, om dien te dragen," antwoordde
+Flink. "Uw gezicht is nog tamelijk geschonden, merk ik. Ge zult nu,
+hoop ik, geen doode varkens meer willen schieten."
+
+"Neen, dat wil ik niet; maar van 't eerste, dat gij nu weer doodmaakt,
+zal ik meer eten, dan ik van dat andere gedaan heb."
+
+"Dat is een verstandig woord van u, beste jongen.--Kom hier, kleine
+Albert! ik zal u weer een beetje op den arm dragen; wij beiden hebben
+nu in zoolang niet samen gespeeld.--Hoe staat het met de heg en den
+greppel, mijnheer?"
+
+"Goed, Flink, twee zijden daarvan zijn ten naastebij klaar. Naar ik
+reken, zal ik tegen het einde der volgende week het gansche plantsoen
+wel behoorlijk omheind hebben."
+
+"O, ge behoeft u niet al te sterk in te spannen, mijnheer; want zoo'n
+groote haast heeft het volstrekt niet. Willem en ik zullen met het
+overige wel nagenoeg klaar worden."
+
+Aan tafel sprak men nog lang van de schranderheid, door Remus bij het
+overbrengen der brieven aan den dag gelegd. Mijnheer Wilson verhaalde
+daarbij onderscheidene voorbeelden van de scherpzinnigheid der dieren,
+totdat Willem zijn vader op eens vroeg, waarin dan eigenlijk het
+verschil tusschen verstand en instinct bestond.
+
+"Dat verschil is zeer groot, zooals ik u terstond zal verklaren. Eerst
+moet ik echter aanmerken, dat men voorheen placht te zeggen, dat de
+mensch door verstand, maar het dier enkel en alleen door zijn instinct
+geleid werd, hetgeen onjuist is. De mensch heeft evengoed als het
+dier zijn instinct en ook de dieren bezitten verstandelijke vermogens,
+ofschoon zij ook meestal enkel aan het instinct gehoorzamen."
+
+"Instinct bij dieren is het gevoel, dat dezen aandrijft om zekere
+dingen zonder voorafgaand overleg of nadenken te verrichten. De zwaluw
+bouwt haar nest, de spin weeft haar web, de bij maakt hare cel in
+alles nog evenzoo als zij het voor vierduizend jaren gedaan hebben. Ik
+kan u hier reeds doen opmerken, dat een der grootste wonderen van het
+instinct in de meetkunstige gedaante der bijencellen bestaat, want men
+heeft door afdoende bewijzen aangetoond, dat deze vorm juist die is,
+welke de minste opoffering van tijd en moeite vordert. De wonderen
+van het instinct vallen bovenal onder zulke dieren in het oog, die
+in groote kudden en zwermen samenleven."
+
+"Verklaar mij dat wat nader, lieve vader."
+
+"Daartoe behooren b. v. de vele soorten van trekvogels, wilde ganzen,
+ooievaars, zeevogels, kraaien en raven. Zij doen hun instinct blijken
+door de tochten, die zij uit het eene werelddeel naar het andere
+ondernemen,--door de wijze, waarop zij vliegen, opdat zij den wind
+zoo weinig mogelijk val en tegenstand bieden. Daarbij houdt elk
+dezer dieren zich aan de hem aangewezen plaats met eene bijzondere
+nauwgezetheid. Als zij slapen, zetten zij schildwachten uit, die voor
+hen waken en hun bij naderend gevaar een teeken geven; datzelfde kan
+men niet alleen bij vogels, maar ook bij andere dieren waarnemen."
+
+"En hoe is het dan met die, welke in troepen of zwermen leven, vader?"
+
+"Daartoe behooren de bijen, de mieren en vele andere insecten en onder
+de viervoetige dieren de bever. Niets is bewonderenswaardiger dan de
+nauwgezetheid, waarmede zij arbeiden, de gemakkelijkheid, waarmede
+zij zich de een den ander verstaanbaar maken en de stiptheid, waarmede
+ieder in het bijzonder zijn werk verricht,--doch Thomas geeuwt, alsof
+hij ons allen wil inslikken en Caroline is al lang in zoete rust."
+
+"Hun verstand en hun instinct zijn dan beide tegen mij," merkte
+Willem lachend aan, "zoodat ik wel geduld moet hebben. Maar ik verlang
+werkelijk zeer over dit punt nog iets meer van u te hooren."
+
+"En ik niet minder, Willem," verzekerde Flink; "ofschoon 't mij nu
+niet onaangenaam is te gaan rusten."
+
+
+
+
+
+
+
+EEN-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+INSTINCT EN VERSTAND.
+
+
+De volgende dag was als Zondag aan de rust gewijd.
+
+Toen de familie des avonds vreedzaam bij elkander zat, verzocht Willem
+zijn vader, om nu van de verstandelijke vermogens der dieren nog iets
+naders te zeggen.
+
+"Dat wil ik gaarne doen," antwoordde mijnheer Wilson. "Daar vinden wij
+dan vooreerst geheugen, en wel inzonderheid een onthouden van personen
+en plaatsen, dat in getrouwheid voor dat van ons menschen zeker niet
+behoeft onder te doen. Een olifant, die uit zijn stal weggeloopen en
+weer in zijne oude bosschen gevlucht was, kende nog na twintig jaren
+zijn voormaligen drijver weder. Wat den plaatselijken zin aangaat,
+zoo zal b. v. een hond de vroegere woning van zijn heer terugvinden,
+ook al was hij er honderd uren ver vandaan geweest. Ook de papegaai
+en de kaketoe bezitten een uitmuntend geheugen.
+
+"Een tweede bewijs voor hun geheugen is, dat de dieren droomen;
+hoe dikwijls hoort gij Romulus en Remus in den slaap niet brommen
+en blaffen?"
+
+"Dat heb ik meermalen opgemerkt, vader."
+
+"Verder doen zij ook opmerkzaamheid blijken. Zie eens eene kat,
+hoe zij uren lang geduldig voor een gat zit en wacht tot de muis
+er uitkomt. Eene spin wacht dagen lang, totdat eindelijk eene vlieg
+in haar net verward raakt; en zoo zult gij het bij elk dier vinden,
+als het op zijne prooi loert.
+
+"Ook een aaneenschakeling van gedachten is bij hen merkbaar,
+en wat is dit anders dan eene werkzaamheid van het verstand? Een
+bewijs daarvan levert de hond; hij zal b. v. een net gekleed mensch
+doodbedaard op zijne deur laten toekomen, terwijl hij dreigend op
+den bedelaar aanvliegt. Heeft hij iets te bewaken, dan zult gij
+altijd merken, dat hij een voorbijganger ongestoord laat gaan, maar
+daarentegen oogenblikkelijk begint te blaffen, als iemand voor hem
+staan blijft. Ik heb in Sidney een hond gekend, die op de plantage van
+zijn meester de wacht moest houden en telkens, als hij een mensch het
+goed hoorde naderen, op den kleinen muur sprong, die de plaats omgaf,
+en den aankomeling op zijde bleef, totdat deze de buurt verlaten had.
+
+"Bij den olifant valt dit vermogen der gedachtenverbinding nog
+duidelijker in het oog; hij verstaat wat men hem zegt veel beter dan
+eenig ander dier;--zijn verstand is werkelijk ongemeen. Men heeft hem
+slechts eene belooning toe te zeggen, en hij zal de verwonderlijkste
+kunststukken verrichten; ook is hij buitengewoon gevoelig voor lof
+of blaam.
+
+"In Indië worden de olifanten tot het vervoer van zwaar geschut
+gebruikt. Eens gebeurde het, dat een van de fraaiste dezer dieren
+vruchteloos zijne krachten inspande, om een kanon door het moeras
+te slepen. "Jaagt het luie dier weg," riep de commandant van den
+legertrein, "en laat een ander komen." De olifant gevoelde zich
+door dit verwijt zoo diep gekrenkt, dat hij 't uiterste beproefde
+om het stuk met zijn kop voort te stooten, totdat hij zich den kop
+verpletterde en dood nederviel.
+
+"Op de beurs te Exeter had men langen tijd een olifant, die Chunny
+heette. Dezen had men geleerd, de kleinste geldstukken met zijn snuit
+van den grond op te rapen. Eens gebeurde het hem, dat hij een shilling
+liet vallen, die daarop tegen den muur aanrolde, zoodat hij er niet
+meer bij kon. Chunny blijft staan, bedenkt zich een poosje en begint
+eindelijk met zijn snuit zoo geweldig te blazen, dat de uitgestooten
+lucht den shilling van den muur af en naar hem toedrijft, zoodat hij
+weder in staat is dien te bereiken.
+
+"De dieren bezitten ook nog andere eigenschappen, zooals onder
+andere een scherpen zin voor de tijdverdeeling. Zoo kende ik twee
+honden, die aan eene dame toebehoorden. Deze dieren mochten altijd
+medegaan, wanneer hunne meesteres in de week met haar rijtuig een
+toertje ging doen; alleen 's Zondags, als deze naar de kerk reed,
+werden zij natuurlijk niet medegenomen. Nu was het vreemd te zien,
+hoe deze beide honden evengoed als hunne meesteres wisten, wanneer het
+Zondag was. In de week als het rijtuig voor de deur stilhield, kwamen
+zij vroolijk aanspringen en waren, zoodra de tree werd neergelaten,
+met een wip daarin; maar 's Zondags was het, alsof zij niets van het
+rijtuig merkten en bleven zij bedaard op hun plaatsje liggen."
+
+"Dit is waarlijk merkwaardig; wat moet dat een verstandig dier geweest
+zijn!" riep Willem verwonderd.
+
+"Ook zijn de dieren voor onderrichting vatbaar, hetgeen blijkbaar
+een nieuw bewijs voor hunne verstandelijke vermogens is. De olifant,
+het paard, de hond en andere dieren, zelfs vogels, kunnen al het
+mogelijke aanleeren. Zoo kan men op kermissen menigmaal kanarievogels
+zien, die kanonnetjes afsteken, zich dood houden en allerlei kunstjes
+verrichten."
+
+"Maar nu weet ik nog altijd niet, waar men de grenslijn tusschen
+verstand en instinct moet trekken, beste vader."
+
+"Ik was juist op het punt om daartoe over te gaan, Willem. Als
+de dieren bij het uitgaan op hun voedsel, het grootbrengen hunner
+jongen en bij hunne voorzorgen tegen gevaren het instinct volgen, dan
+gehoorzamen zij daarbij aan zekere vaste regelen, waarvan zij nooit
+afwijken. Daarbij kunnen echter altijd weer omstandigheden plaats
+hebben, waartegen het instinct hun geen hulpmiddelen verschaft, en
+het is in zulk een geval, dat hun verstand moet worden te baat genomen.
+
+"Ik wil dit gezegde nader ophelderen met het voorbeeld van de bij,
+die een der dieren is, bij wie het instinct zich het werkzaamst
+vertoont. Er is zekere vlinder,--men noemt hem doorgaans den
+doodshoofdvlinder,--die zich zeer gaarne op honig vergast. Het gelukt
+hem somwijlen in een bijenkorf en tot de cellen door te dringen. De
+bijen grijpen dezen vijand dadelijk aan en dooden hem met hare
+angels; doch zijn lijk is zoo groot, dat zij het niet uit den korf
+kunnen brengen, wat bij kleinere insecten, die bij haar indringen,
+regelmatig geschiedt, naardien zij een zeer fijnen reuk schijnen
+te bezitten. Wat doen zij dus, om den stank, die van het verrottend
+lichaam der kapel te vreezen is, te keer te gaan? Zij overtrekken het
+doode diertje met was en balsemen het als 't ware op deze wijze in,
+zoodat zij er volstrekt geen last meer van hebben."
+
+"Ja, maar kan 't ook in dit geval niet haar instinct geweest zijn,
+vader, dat haar zoo handelen deed?" vroeg Willem.
+
+"Als dit geval bij wilde bijen ware voorgekomen, dan kondet gij die
+vraag met recht doen, Willem. Nu echter weet gij, dat bijen in den
+wilden staat in uitgeholde boomen leven en dat in dit geval de opening,
+die naar het hol voert, juist maar even groot genoeg is, dat de eene
+bij er na de andere door kan. Natuurlijk kan er dan geen grooter
+dier meer indringen, en al wilde het dat ook, zoo zou het gemakkelijk
+door den grooten zwerm worden afgeweerd. Ik neem de bijen nu echter
+in haren kunstmatigen toestand, als zij in een bijenkorf met wijde
+opening opgesloten en aldus aan het vermelde geval blootgesteld zijn,
+waarin zij op de gezegde wijze weten te voorzien."
+
+"Nu heb ik het onderscheid begrepen, vader."
+
+"Nog een voorbeeld: Een olifant viel eens in een diepen waterput. Het
+was onmogelijk hem er uit te halen, en hij had er dus in moeten
+omkomen; maar zijn drijver, die wel wist, hoe schrander het dier was,
+gaf den raad om eene menigte zware takkenbossen bijeen te brengen en
+die den olifant in den put toe te werpen. Het dier begreep dan ook
+heel goed, wat men daarmee voorhad. Hij vlijdde de takkebossen op
+den grond neder en plaatste zich daarop; zoo ging hij voort de eene
+laag op de andere te leggen, tot die zulk eene hoogte bereikt hadden,
+dat hij eindelijk uit den kuil komen kon. Er zouden wel menschen zijn,
+die niet begrepen, wat zij in een soortgelijk geval met de takkebossen
+hadden aan te vangen, als men hun dat niet eerst zeide."
+
+Zij arbeidden de volgende gansche week met den grootsten ijver
+door en hadden eindelijk op Zaterdagavond hunne taak verricht. Met
+uitzondering van de geborgen scheepsplanken, was thans al het overige
+naar de oostelijke baai vervoerd. Echter lag er nog veel op het strand
+verstrooid, daar de tijd niet toereikend geweest was om alles in het
+magazijn te bergen.
+
+Zaterdag, in den vroegen morgen, roeiden zij voor de laatste maal naar
+het kokosbosch en Flink zocht onder de wrakhouten, die overal op het
+strand verstrooid lagen, een aantal eiken balken en posten op, die
+zij daarop deels in de boot brachten, deels aan 't achtereind daarvan
+vastmaakten. Dit gaf een zeer zware lading, zoodat de boot, in weerwil
+van de stevige koelte, slechts zeer langzaam door het water ging.
+
+"Nu, Willem," begon Flink, "hebben we een moeilijk werk achter den rug
+en ik moet zeggen, 't is hoog tijd dat wij eindelijk klaarkomen, want
+onze boot begint vrij zwak en bouwvallig te worden, zoodat ik haar,
+zoodra wij eens weer tijd daartoe hebben, zorgvuldig kalefateren moet."
+
+"Wij zullen haar nu ook zoo dikwijls niet meer noodig hebben,"
+antwoordde Willem; "eenige vaarten naar de kleine haven zullen wel
+alles zijn, wat zij voor ons terugkeeren naar de oude woning heeft
+te doen."
+
+"Dat is waar, Willem en zij heeft ook reeds een duchtig lek en dient
+althans spoedig met zorg geteerd te worden. Voor een zoo licht gebouwd,
+gebrekkig ding, heeft zij hare diensten kostelijk gedaan."
+
+"Het heeft mij al dikwijls verwonderd, dat zij zich zoo goed hield,
+Flink. Maar wat dunkt u, zullen we nu aanstaanden Maandag naar het
+magazijn opbreken en daar in het vervolg onzen intrek nemen?"
+
+"Zeker, Willem; we mogen dat volstrekt niet langer uitstellen,"
+antwoordde Flink. "Uw vader heeft intusschen zeker heg en sloot
+rondom het yamsplantsoen klaar, en is dit zoo, dan zal uwe moeder
+toch ook niet alleen met Juno en de kleinen in de tenten willen
+achterblijven. Zoo zullen wij nu het beste doen om naar het oude huis
+terug te keeren, totdat het magazijn geheel in orde is gebracht. Ik
+voor mij zou echter veel liever zien, dat uw moeder stilletjes bij
+de tenten bleef, totdat alles gedaan is."
+
+"Omdat gij een bezoek van de wilden vreest, Flink?"
+
+"Ja, waarlijk, beste jongen, ik wil het niet ontkennen."
+
+"Maar, Flink, als zij komen, dan zien wij dat vroeg genoeg; en is het
+dan niet veel beter, dat wij allen bij elkander zijn, zelfs als wij
+ons voor hen verbergen moesten, omdat we nog niet behoorlijk waren
+voorbereid? Stel u het geval eens voor, dat de wilden het eiland
+overvielen en mijne moeder, mijne broertjes en zusjes geheel zonder
+bescherming vonden, terwijl wijzelven gedwongen waren, ons huis te
+verlaten,--hoe schrikkelijk moest dat zijn!"
+
+"Ja, Willem, ik reken er op, dat wij ons in dat geval nog naar de
+tenten redden zouden."
+
+"Dat kunnen wij echter ook allen gezamenlijk, Flink, als wij maar
+niet bij nacht verrast worden."
+
+"Daar moeten wij met alle zorgvuldigheid tegen zoeken te waken mijn
+jongen. Gelukkig is het licht in het tegenwoordige seizoen weinig
+langer dan drie uren van den hemel. Het komt mij overigens voor,
+dat gij gelijk hebt, Willem. Bovendien kan Juno ons goede diensten
+doen en wij zullen door haar te eer met ons werk klaarkomen."
+
+"'t Zou misschien wel het best zijn, dat wij de beslissing aan vader
+en moeder overlieten."
+
+"Dat is waar.--Nu, daar is eindelijk de landpunt ook; wij zullen onze
+planken gauw aan land brengen en dan dadelijk weer in zee steken,
+want het wordt al tamelijk laat."
+
+Zij bereikten de kleine haven werkelijk veel later dan gewoonlijk,
+waaraan de zware lading schuld was, zoodat de boot niet dan zeer
+langzaam naar de baai was voortgedreven. Bij hunne aankomst stonden
+vader, moeder en de kinderen allen op het strand hen met ongeduld
+te wachten.
+
+"Gij komt van avond laat, vrienden," begon mevrouw Wilson. "Ik begon
+al ongerust te worden, tot ik uwe boot eindelijk in de verte zag."
+
+"Ja, lieve moeder, wij konden het niet anders maken; we hadden nog
+eene zware lading over te brengen, maar nu zijn wij ook met ons werk
+geheel ten einde."
+
+"Dat hoor ik met blijdschap, Willem, want het valt mij hard, u zoo
+dagen achtereen in het geheel niet te zien te krijgen."
+
+"Ook ik ben met mijn werk klaar," zeide de heer Wilson: "dezen morgen
+heb ik de laatste hand aan de omheining gelegd."
+
+"Dat is goed," sprak Flink; "wij moeten dan eens weder een krijgsraad
+houden, die echter nu, denk ik, niet al te lang duren zal."
+
+"Ik hoop het althans niet, Flink; want als men van eenerlei gevoelen
+is, zal dat zelden het geval zijn. Mijne vrouw wil liefst niet alleen
+hier achterblijven en ik zou haar niet gaarne verlaten;--daarom,
+dunkt mij, moeten wij Maandag naar onze woning opbreken."
+
+"Recht gaarne, mijnheer, als gij dat verkiest," gaf Flink ten antwoord.
+
+"Juno, ik hoop toch, dat gij iets goeds te eten hebt?" riep Willem. "Op
+mijn woord, ik heb van avond honger voor tien."
+
+"O ja, massa Willem, gebakken visch heele boel; massa zelf die
+vanmorgen gevangen heeft."
+
+"Ik lust liever schildpadsoep," verklaarde Thomas.
+
+"Ik geloof, dat sinjeur Thomas alles lust behalve ricinusboonen,"
+zeide Flink lachend. "Niet waar, daar wilt gij niet meer van eten?"
+
+"Neen, zeker niet; maar ik wil bananen eten, zoodra ze rijp zijn."
+
+"O, gij hadt ze zeker ook al vroeger geproefd, als gij er maar bij
+had kunnen komen; doch daartoe moet gij eerst nog grooter worden."
+
+"Ik zal ook een man worden," hernam Thomas.
+
+"Dat hoop ik en wel een recht braaf, uitstekend man," antwoordde de
+oude Flink. "Kom, ik zal Juno nu maar eens een handje helpen, om het
+eten op te brengen."
+
+
+
+
+
+
+
+TWEE-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+GROOTHEID VAN HET DIERENRIJK.
+
+
+De volgende dag was weder een Zondag en derhalve aan de rust
+gewijd. Inderdaad hadden onze vrienden die na den ingespannen arbeid
+van de voorgaande week hoog noodig en thans eerst gevoelden zij recht
+duidelijk, hoe weldadig zulk een verademing is.
+
+Na het eten hield men raad en kwam overeen, Maandag alle toebereidselen
+te maken, om de tenten te verlaten en naar de oude woning terug te
+keeren. De schapen en geiten zouden vooreerst aan de zuidkust blijven,
+waar zij uitmuntend voedsel in overvloed hadden. Men wilde slechts
+eene enkele geit medenemen, die het huisgezin genoegzaam van melk
+kon voorzien. Ook besloot men de tenten, met eenig keukengereedschap
+daarin, te laten staan, opdat Willem en Flink, als zij hierheen kwamen,
+om naar de bananen en yamswortels of naar de schapen en geiten om te
+zien, niet onder den blooten hemel zouden behoeven te slapen en de
+middelen mochten vinden om zich een behoorlijk maal te bereiden.
+
+Willem en Flink moesten de bedden enz. in de boot naar de oostkust
+brengen, hetgeen in twee vaarten te doen was. Mijnheer en mevrouw
+Wilson wilden vroeg ontbijten en dan met de verdere familie door het
+bosch op weg gaan.
+
+Des avonds bracht Willem het gesprek weder op de dieren en hunne
+eigenschappen, daar hij zijn vader gaarne over dit onderwerp hoorde
+spreken. In den loop van dit gesprek wierp Willem eensklaps de
+vraag op:
+
+"Ei, vader, men zegt wel eens: "zoo dom als een ezel!" Is de ezel
+dan werkelijk zulk een dom dier?"
+
+"Neen, Willem; integendeel is hij zeer scherpzinnig en die benaming
+wordt hem meer om zijn stroeven, koppigen aard dan om eenige andere
+reden gegeven. Men zegt veelal, "dom als een ezel, dom als een varken
+of als eene gans," doch doet die dieren daarbij groot ongelijk,
+daar geen van hen dien bijnaam verdient.
+
+"Bij den ezel kan hiervan licht de reden zijn, dat wij in ons
+noordelijk vaderland slechts de minste bastaardsoorten bezitten. Klein
+en gebrekkig, gelijk wij hen daar zien, geeft men hun noch haver noch
+eenig ander krachtig voeder, behandelt hen slecht en zoo is het dan
+ook geen wonder, dat zij tot trage, stijfkoppige dieren ontaarden. Het
+klimaat van het noordelijk Europa is veel te koud voor den ezel. In
+het zuiden van Frankrijk, aan de Middellandsche Zee, waar het veel
+warmer is, treffen we den ezel ook als een veel fraaier dier aan.
+
+"Wanneer wij hem echter in al zijn volmaaktheid willen zien, dan
+moeten wij in de warme luchtstreek naar Guinea vlak onder den evenaar
+gaan. Daar, in de heetste streek der aarde, is het vaderland van
+den ezel; daar is hij in zijn natuurstaat een fraai dier, snel als
+de wind."
+
+"Maakt dan het klimaat zulk een groot verschil, vader?"
+
+"Natuurlijk--en dat niet alleen bij dieren, maar ook bij boomen en
+planten en zelfs bij den mensch, totdat hij aan de verwisseling daarvan
+gewoon is. De lascaar, d. i. de inlandsche Indische zeeman, is op de
+warme, zonnige Indische wateren vol vroolijkheid en leven, doch zoodra
+hij in het Britsche Kanaal komt en de vingers hem van koude verkleumen,
+wordt hij traag, onwillig, kortom in alles een beklagenswaardig wezen.
+
+"Onder de dieren vindt men vele, die de verwisseling van klimaat
+goed verdragen en zich zelf aan een hun anders geheel vreemd voedsel
+gewennen kunnen. Het paard b. v. dat oorspronkelijk in Arabië te huis
+behoort, tiert evengoed in de gematigde als in de koude luchtstreek,
+daar het zelfs den harden winter in Noord-Amerika en in Rusland
+verduren kan. Zoo ook andere huisdieren, als koeien, schapen, varkens,
+enz. Eene opmerkelijke bijzonderheid is, dat het rundvee in Canada
+gedurende den winter voor een groot deel met visch wordt gevoed.
+
+"Behalve de reeds opgenoemde, zijn er ook nog andere dieren, b. v. de
+wolf, de vos, de haas en het konijn, die onder elke warmtegraad
+kunnen leven. Bij schapen en geiten ziet men een merkwaardig
+verschijnsel,--blijkbaar ten bewijze, dat zij bestemd zijn, om zich
+overal op de aarde te verbreiden,--dit namelijk, dat zij onder de heete
+hemelstreken hun warm, wollig kleed afwerpen en bijna enkel haren ter
+bedekking overhouden, terwijl zij hunne warmer vacht oogenblikkelijk
+weder aannemen, als zij naar kouder streken worden overgebracht.
+
+"Dit toenemen van het ruige bekleedsel is nog bij vele andere dieren
+merkbaar zoodra zij uit warmer streken meer naar het noorden worden
+overgeplant. Wolven, vossen, hazen en konijnen verkrijgen langzamerhand
+eene witte vacht, hoe verder noordelijk zij zich ophouden. De kleine
+wezel, die bij ons door de veld- en boschwachters gedood en aan de
+schuurdeuren gespijkerd wordt, verandert in Rusland en in andere koude
+landen in dat fraaie, witte hermelijntje, welks pels zoo hooggeschat
+en door keizers en koningen gedragen wordt.
+
+"Hierbij valt alleen op te merken, Willem, dat zulke dieren, welke
+slechts voor een bijzonder werelddeel bestemd werden, ook doorgaans
+zoo zijn toegerust, als zij voor hun land best passen, en daar ook
+het meest geschikte voedsel voor hunne soort vinden. Neem b. v. den
+kameel, een dier, dat uitsluitend voor zijn geboorteland geschapen
+werd en zonder 't welk alle gemeenschap tusschen Azië en Afrika moest
+ophouden. Zijne pooten zijn zoo gevormd, dat hij met gemak door het
+zand waden kan; hij voedt zich met de schrale gewassen en ziltige
+planten, die men daar nog aantreft, en heeft de bijzondere eigenschap,
+dat hij in eene soort van tweede maag een voorraad van water medevoert,
+om in streken, waar men dat niet vindt, er zijn leven bij te houden."
+
+"Er zijn zeker ook vele dieren, die voor den mensch van geen nut
+zijn, vader?"
+
+"Vele althans bij wie dit het geval schijnt te wezen, en enkele zelfs,
+die hem hoogst verderfelijk zijn. Dit behoort nu eenmaal tot ons lot;
+wij mogen hen daarom ook uitroeien en verdelgen, als zij ons lastig
+of gevaarlijk worden, gelijk wij dat den distel op het veld doen. Zoo
+zij echter ook al van geen nut voor ons zijn, verhoogen zij toch de
+schoonheid en rijke verscheidenheid der natuur."
+
+
+
+
+
+
+
+DRIE-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+INRICHTING VAN HET BLOKHUIS.
+
+
+De volgende morgen was zeer druk en onrustig, want nu ging men weer aan
+'t inpakken en aan de toebereidselen tot de verhuizing. Juno werd nu
+hier, dan daar geroepen en moest Carolientje verzoeken op den ketel
+te letten en haar te waarschuwen, als het water begon te koken.
+
+Thomas was, als naar gewoonte, iedereen in den weg. Hij wilde overal
+helpen, doch bracht meer van, dan op zijne plaats. Daar hij het
+evenwel goed meende, werd hij althans ditmaal niet beknord. Eindelijk
+zond Flink, om hem kwijt te worden, hem met een groot pak naar
+het strand. Thomas nam den bundel op zijn schouder: maar toen hij,
+niet weinig hijgende van het verrichte werk terugkwam en Flink hem
+een tweeden last wilde opladen, zei hij toch, dat hij te moe was, en
+zette zich stilletjes neer, totdat het ontbijt werd opgedragen, wat
+echter eerst geschiedde, toen men met alle toebereidselen gereed was.
+
+Terstond na het ontbijt pakte mevrouw Wilson het keuken- en
+tafelgereedschap in een mand bijelkander. Toen begaf de gansche
+familie zich eindelijk op weg en trok, in gezelschap van de honden,
+door het kokosbosch voort.
+
+De kleine Albert kon nu heel goed loopen en moest slechts nu en dan
+door Juno gedragen worden, die hem anders bij de hand had. Caroline
+liep naast haar vader en moeder, maar Thomas was te eigenzinnig om
+met iemand te gaan en stapte in zijn eentje voort.
+
+Willem en Flink verloren geen tijd, om hunne taak af te doen. Tafels,
+stoelen en verder huisraad was het eerste, dat zij in de boot
+hadden. Vervolgens werd de eene geit ingescheept en toen stieten zij
+met volle lading van land en bereikten de baai lang vóór de wandelaars,
+die door het bosch trokken.
+
+Zij brachten de ingeladen goederen spoedig aan land en stieten toen
+opnieuw af, om het beddegoed en wat er verder nog was overgebleven
+af te halen. Tegen drie uren 's namiddags kwamen zij met de tweede
+en laatste lading in de baai aan, waar de familie voor ongeveer een
+uur was aangekomen. Mijnheer Wilson en Juno waren reeds druk bezig
+de uitgeladen stukken naar het huis te dragen.
+
+"Dat zal nu hoop ik, onze laatste vaart geweest zijn voor langen tijd,
+Willem," zeide de oude Flink. "'t Is ook goed, want onze kleine boot
+heeft veel geleden en dient, zooals ik u reeds zeide, eens met zorg
+te worden nagezien."
+
+"Ha, laat mij 't niet vergeten, Flink, ik heb onlangs de duiven bij
+onze erwten gevonden; het wordt dus wel tijd, dat wij ze plukken. De
+duiven zijn al heel schielijk vermeerderd,--ik heb er wel over de
+dertig geteld."
+
+Nog vóór den nacht was alles in huis weder op de oude plaats en even
+gemakkelijk als te voren ingericht. Zij waren dan allen ook recht moede
+geworden en gingen dus vroegtijdig te bed, nadat men voor den volgenden
+dag het noodige had afgesproken. Mevrouw Wilson had zich aangeboden
+om de keuken en het opzicht over de kleinen zelve voor hare rekening
+te nemen, zoodat Juno de mannen den ganschen dag behulpzaam kon zijn.
+
+Voor dag en dauw gingen Willem en Flink naar de schildpadvijver
+en vingen er eene uit, want de tijd naderde, dat men weder nieuwe
+schildpadden vangen en in korten tijd den vijver daarmede vullen
+kon. Het gevangen dier werd geslacht en een deel daarvan in den pot
+gestoken, zoodat mevrouw Wilson het slechts had te braden, en zoodra
+het ontbijt was afgeloopen, ging men onverwijld naar het magazijn in
+het woud.
+
+Ka een kort beraad met mijnheer Wilson, paalde Flink een van
+kokosboomen gevormd vierkant rondom het magazijn af, zoodat op elke
+zijde eene ruimte van ongeveer twintig voet vrij bleef, en dit vierkant
+moest nu door eene schutting geheel worden ingesloten. De kokosboomen
+moesten daarbij tot steunbalken dienen, tusschen welke andere boomen,
+die men eerst vellen wilde, tot eene hoogte van veertien voet zouden
+worden vastgemaakt. Op deze wijze dachten zij eene palissade tot
+stand te brengen, die men niet gemakkelijk beklimmen kon, zoodat zij
+daardoor tegen alle aanvallen der wilden beschut waren.
+
+Zoodra de buitenste reeks van boomen gemerkt was, begonnen zij alle
+boomen binnen deze en naar buiten tot op een afstand van tien roeden om
+te hakken, zoodat zij behoorlijk ruimte tot hun arbeid hadden. Flink
+kapte lange balken welke zij van boom tot boom bevestigden, en nu
+reeds ondervonden zij het voordeel, dat zij van het bewaren der groote
+spijkers hadden, want zonder dezen hadden zij hun werk noch zoo goed
+noch zoo rasch kunnen verrichten.
+
+Mijnheer Wilson velde de boomen, Willem en Juno zaagden ze met
+een groote timmermanszaag op de behoorlijke lengte af en brachten
+de stammen dan bij Flink. Spoedig hadden zij meer omgekapt dan zij
+eigenlijk noodig hadden. De kruinen en takken der gevelde boomen werden
+opgeraapt en als brandhout op een hoop gestapeld, terwijl mijnheer
+Wilson en Flink de palissaden aan de palen begonnen vast te spijkeren.
+
+Zij hadden den ganschen dag zwaar gearbeid en waren verheugd, toen
+de avond hun eindelijk eenige verademing vergunde. Flink was echter
+nog niet tevreden, maar zeide tot Willem:
+
+"Daar wij nu weder hier zijn, komt het mij wel noodzakelijk voor,
+beste jongen, dat wij, om ongeluk te verhoeden, eene soort van
+nachtwacht houden. Ik ga niet te bed, voordat het geheel donker
+wordt, wat zoo ongeveer tegen negen uren is: gedurende dien tijd
+zal ik de zee nauwkeurig opnemen. Wij hebben wel niet te vreezen,
+dat de wilden midden in den nacht komen; maar even voor 't invallen
+van de duisternis of 's morgens vroeg is dit eer te verwachten, en
+zoo moet dus een van ons nog vóór 't aanbreken van den dag--dat is
+tusschen twee of drie uren 's morgens--op de been zijn, om te zien of
+er ook iets van hen te ontdekken is. Is dit niet het geval, dan kunnen
+wij natuurlijk weer te bed gaan, daar zij dan eerst vele uren later
+kunnen aankomen. Ook moeten wij op wind en weer acht geven, of die
+hunne vaart misschien ook begunstigen. Met den wind kan dit niet eer,
+dan met het begin van den regentijd het geval zijn. Hij kan echter ook
+zeer zwak worden, en dan moet er den wilden weinig aan gelegen zijn,
+of hij hun tegen is of niet. Ik heb al veel over de zaak nagedacht,
+beste Willem, en geloof dat, ingeval wij een bezoek van de wilden
+krijgen, dit met het begin van den regentijd wezen zal, want dan
+waait de wind niet regelmatig uit ééne hemelstreek, zooals thans,
+maar springt gedurig om, zoodat zij in hunne kano's zeilen opzetten
+en gemakkelijk hierheen komen kunnen, in plaats van anders veertig
+of vijftig mijlen ver tegen wind en stroom in te moeten roeien, wat
+een allesbehalve lichte arbeid is. Hoe dat zij, wij mogen zelven geen
+voorzorg verzuimen en moeten nu reeds scherp naar de zee uitzien. Ik
+wil uw vader en moeder liefst voor den tijd niet ongerust maken,
+maar u moet ik zeggen, hoe ik er over denk en wat ik meen, dat wij
+te doen hebben."
+
+"Ik geef u volkomen gelijk, Flink, en zal zorg dragen, dat ik vóór
+den dag op ben, om den horizon, zoodra 't begint te schemeren, met
+den kijker zoo scherp mogelijk op te nemen. Neem gij de avondwacht,
+dan zal ik mij wel met de morgenwacht belasten."
+
+"Goed, Willem. Wat voor 't overige dier wacht aangaat, kon ik zeer
+goed beide op mij nemen, maar ik geloof, als gij 's morgens opstaat,
+zullen de anderen dat niet zoo licht als van mij bemerken, en dat ik
+'s avonds nog wat langer dan de familie opblijf, is men meer van
+mij gewoon."
+
+Na dit gesprek hielden Flink en Willem dus gestadig de wacht van den
+morgenschemering af, totdat de volle duisternis was ingevallen.
+
+
+
+
+
+
+
+VIER-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+GROOT GEVAAR.
+
+
+Omstreeks veertien dagen lang werd de arbeid bijna onafgebroken
+voortgezet, toen er plotseling een voorval plaats greep, dat
+de grootste onrust en bezorgdheid wekte. Op zekeren dag, dat de
+arbeidenden voor het middageten terugkwamen, vroeg mevrouw Wilson
+verwonderd:
+
+"Hoe, is Thomas dan niet bij u geweest?"
+
+"Neen," gaf haar man ten antwoord; "hij heeft zich den ganschen
+voormiddag maar even laten zien. Hij ging na het ontbijt met ons mee,
+maar was na een kwartier ook al weer weg."
+
+"Ja, mevrouw, ikke zeggen; jongetje, jij kokosbladeren helpen dragen,
+maar hij toen een, twee, drie, is weggeloopen."
+
+"Mijn God! waar mag hij dan zijn?" riep de moeder in de grootste
+ongerustheid uit.
+
+"Hij zal waarschijnlijk aan 't strand schelpen zoeken, mevrouw,"
+zeide Flink; "misschien ook is hij in den tuin. Ik zal eens naar hem
+gaan zien."
+
+"Ik zal met u gaan, Flink," zeide Willem.
+
+"Ikke zien hem--ach lieve grutte hemeltje! ikke zien hem!" riep Juno
+en wees naar de zee; "hij zitten in de boot en de boot gaan in zee!"
+
+Het was maar al te waar. Thomas zat werkelijk in de boot, die reeds
+van het strand afdreef, en zoo nagenoeg eene kabelslengte daarvan
+verwijderd, midden onder de klippen te zien was.
+
+Willem vloog met de snelheid van den wind naar het strand; evenzoo de
+vader en Flink. De beangste moeder volgde met Juno op eenigen afstand.
+
+En er was ook werkelijk geen tijd te verliezen, want de wind blies
+gestadig van het land en weldra moest de boot in volle zee zijn. Niet
+zoodra was Willem aan het strand gekomen, of hij wierp hoed en buis
+van zich en sprong in 't water. Reeds had hij de helft van den afstand
+tusschen het land en de voortdrijvende boot achter zich, toen de oude
+Flink, die hem gevolgd was, hem bij den arm vatte.
+
+"Keer oogenblikkelijk terug, Willem!" riep deze op gebiedenden
+toon. "Ik zeg, ik gelast het u. Al gaat gij ook verder, kunt gij toch
+niet helpen, daar gij u niet zoo goed als ik weet te redden. Ik zwem
+toch door en zoo loopen wij beiden dubbel gevaar. Mijnheer Wilson,
+roep uw zoon terug. U moet hij gehoorzamen!"
+
+"Willem!" riep zijn vader; "kom oogenblikkelijk terug: ik gelast
+het u."
+
+Willem gehoorzaamde nu en was nog niet uit het water, toen de oude
+man reeds tot de eerste klippen was voortgezwommen en nu over de
+ondiepe plaatsen over het rif op de boot toewaadde.
+
+"O vader!" riep Willem, "als onze goede oude vriend verloren ging,
+zou ik het mijzelven nooit kunnen vergeven. Het is mij, als of ik
+niet goed deed met aan u te gehoorzamen. Zie maar, vader--een, twee,
+drie haaien, daar dicht voor ons. Hij kan hen niet ontwijken. Zie,
+hij is alweer in het diepe water."
+
+Mijnheer Wilson wierp een vluchtigen blik op de haaien, die slechts
+weinige voeten van het strand verwijderd waren, en hield de oogen
+toen weder onafgewend op Flinks verdere bewegingen gericht.
+
+Kon de oude man zich door het diepwater tusschen de klippen heen
+worstelen, dan was hij als gered te beschouwen, daar de boot thans op
+de andere zijde der klippen tegen een rots stiet en vastraakte, waar
+het water ondiep was. Het was een oogenblik van onbeschrijfelijken
+angst.
+
+Eindelijk had Flink het uiterste rif bereikt; hij greep met de handen
+naar een uitstekende rotspunt en klauterde daarbij op.
+
+"Hij is gered, lieve man,--is hij niet?" fluisterde mevrouw Wilson.
+
+"Ja, ik geloof, thans is hij het!" antwoordde haar man, toen Flink de
+rots beklommen had, waar het water hem niet verder dan tot de enkels
+reikte. "Ik denk, dat hij tusschen de plaats, waar hij nu staat en
+de boot geen diep water meer vinden zal."
+
+In het volgende oogenblik zag men Flink reeds buiten de klippen en
+had hij de boot bij het vooreinde aangevat.
+
+"Hij is behouden in de boot!" riep Willem uit eene verruimde borst.
+
+"Ja, God zij gedankt!" herhaalde de vader. "Zie de monsters eens,"
+vervolgde hij, op de haaien wijzende; "hoe onrustig zij heen en weer
+zwemmen; ze hebben hunne prooi in het water geroken. Het is een zegen,
+Willem, dat ze juist hier zijn. Zij hadden evengoed ginds kunnen wezen,
+toen onze vriend door het ondiepe water moest waden."
+
+"Ja, waarlijk, vader. Zie, hij heeft den bootshaak en stoot de boot
+van de klippen af in het ondiepe water. O, nu is hij volkomen in
+zekerheid."
+
+Zoover was het echter nog niet. De boot had vroeger tegen de klippen
+gestooten en van onderen een lek gekregen, zoodat zij, toen Flink
+haar weder in het kanaal bracht, zich terstond met water begon
+te vullen. Flink werkte zoo hard als hij kon met den bootshaak;
+eindelijk trok hij zijn halsdoek af en stopte het lek daarmede zoo
+goed dat gaan wilde.
+
+Dat was beider behoud; maar de boot was bijna tot boven toe volgeloopen
+en had Flink of zelfs Thomas ook maar de kleinste beweging gemaakt,
+dan ware zij oogenblikkelijk omgeslagen. Daarbij kwam, dat zij
+het vaarwater tusschen het strand en de klippen, waar de haaien
+rondzwommen, nog altijd noodzakelijk moesten oversteken.
+
+Flink, die het gevaar bemerkte, riep hun, die op het strand stonden,
+toe, dat zij met alle macht met steenen naar de haaien moesten gooien,
+om die te verjagen. Dat gebeurde terstond. Mijnheer Wilson, Willem
+en Juno wierpen onophoudelijk en zelfs de moeder hielp daarbij,
+daar de angst voor vriend en kind haar kracht verleende.
+
+De steenworpen hadden het gewenschte gevolg. De haaien zwommen weg en
+Flink bereikte behouden het strand op 't oogenblik, dat de boot tot
+den bovensten rand met water gevuld en op het punt was van te zinken.
+
+Flink droeg den kleinen Thomas aan land. Deze was zóó verschrikt en
+verslagen, dat hij niet meer schreien kon. Doodsbleek stond hij daar
+en had mond en oogen wijd opengesperd. Willem vloog daarbij op den
+ouden man toe, drukte hem in zijne armen en riep met snikkende stem:
+"Goddank! gij zijt gered, Flink."
+
+Vader en moeder grepen hem bij de hand en drukten die hartelijk.
+
+Juno wierp eerst Flink een van blijdschap schitterenden blik toe en
+nam vervolgens Thomas bij de hand, om hem weg te brengen.
+
+"Kom hier maar, jij stout, ondeugend jonk! Jij slaag zult krijgen,
+als heele boel over is."
+
+Die bedreiging deed Thomas weder tot zichzelven komen en eene keel
+opzetten, dat men het wijd en zijd had kunnen hooren.
+
+"Ditmaal was er geen tijd te verliezen, Willem," zeide Flink, terwijl
+zij de beide ouders naar huis vooruitgingen. "Wat kan zulk een jongen
+toch een ongeluk en ellende aanrichten!"
+
+"Door zijn doorgestanen angst is hij al zwaar gestraft," sprak
+Willem. "Ik sta er u voor in, dat hij alleen nooit weer een voet in
+de boot zal zetten."
+
+"Neen, dat geloof ik ook niet.--Gij hebt nu echter kunnen zien, hoe
+weinig het scheelde, of ik was met boot en al te gronde gegaan. Maar
+gelooft gij wel, Willem, dat gij de boot evengoed als ik aan het
+strand gebracht hadt, indien gij in mijne plaats daarin geweest waart?"
+
+"Neen, Flink; want ik moet zeggen, nooit zou ik er aan gedacht hebben,
+mijn halsdoek af te doen, om het lek daarmee te stoppen, en had ik
+dat ook al gedaan, dan zou ik toch nooit in staat zijn geweest, om
+de boot zoo goed te besturen, en had dus zeker moeten verdrinken,
+vóórdat ik den oever bereikt had."
+
+"Nu, lieve Willem, ik ben een oud zeeman, hetgeen gij niet zijt,
+en het is dus geen ijdelheid, als ik zeg, dat gij de boot niet zoo
+goed als ik hadt kunnen besturen. Ik zelf had nog maar een of twee
+minuten over, en zoo waart gij dus, gelijk gij zelf zegt, naar alle
+waarschijnlijkheid gezonken. Ik doe u dit slechts opmerken, om u te
+bewijzen, dat ik gelijk had, toen uw vader verzocht u terug te roepen."
+
+"Ja, dat hadt gij zeker, Flink; maar Thomas is mijn broeder en ik
+gevoelde, dat het eer mijn plicht dan de uwe was, het leven voor hem
+te wagen."
+
+Toen men Thomas den volgenden dag vroeg, wat hem er eigenlijk toe
+gebracht had om in de boot te gaan, gaf hij tot aller verbazing ten
+antwoord, dat hij naar de tenten had willen terugvaren en zien, of
+de bananen ook haast rijp waren. Hij had daar bijzonder veel lust in
+gehad, en zou nog vóór het middageten zijn teruggekomen, zoodat men
+hem niet gemist zou hebben.
+
+"Als wij u niet nog gelukkig gezien hadden, denk ik, dat ge wel erger
+honger zoudt hebben moeten doorstaan, voordat gij bananen gekregen
+hadt," zeide Flink.
+
+"Ik zal ook zeker niet meer in de boot gaan," beloofde Thomas.
+
+Het blokhuis was nu bijna gereed. Over de poort was men lang in
+beraad. Ten slotte besloot men, deze van sterke eiken posten te
+maken en aan de binnenzijde, op ongeveer een voet afstands, eene
+tweede rij van deurposten op te richten, zoodat men sterke palen daar
+tusschendoor steken en, zoo noodig, een werkelijke barricade tot stand
+brengen kon. Op die wijze moest de deur even vast en sterk worden,
+als ieder ander deel van de ompaling.
+
+Zoodra dit alles gereed was, moest het magazijn tot woonhuis ingericht
+worden, waartoe men de zij-omheining, die uit kokostakken bestond,
+wegnemen en er een vasten wand van de boomstammen voor in de plaats
+stellen zou.
+
+Nog voordat de week ten einde liep, was de palissade met de poort
+gereed, en thans ging men aan het vellen van boomen, om de zijwanden
+van het huis daarvan op te trekken.
+
+Dit werk ging zeer vlug van de hand. Terwijl de vader, Willem en Juno
+boomen velden en die, op gepaste lengte doorgezaagd, op de kar naar het
+magazijn brachten, was Flink bezig, uit een gedeelte van de verzamelde
+planken een vloer te leggen. In die week moesten zij echter twee dagen
+van hun werk af gaan, om de rijpe tuinvruchten in te zamelen. Zoodra
+dit verricht was, ging men opnieuw aan het blokhuis. Nog twee weken
+liepen op deze wijze onder rusteloozen arbeid ten einde. Eindelijk
+echter was het huis gereed en, met hunne vroegere woning vergeleken,
+kon het bijna een paleis genoemd worden. Het was veel grooter, en
+Flink had het door middel van de scheepsplanken in drie vertrekken
+afgedeeld. Het middelste, dat met de huisdeur in verbinding stond,
+was tot woon- en eetkamer bestemd en had een venster naar achteren. De
+beide zijvertrekken dienden tot slaapkamers, het eene voor mevrouw
+Wilson, Juno en de kleinen, het andere voor de mannelijke helft der
+familie. Deze inrichting maakte het verblijf in de nieuwe woning veel
+gemakkelijker en aangenamer dan in de oude.
+
+"Ziet gij, Willem," sprak de oude man, toen zij alleen waren, "wat
+wij met die scheepsplanken al hebben kunnen uitrichten? Hadden wij
+het hout eerst moeten zagen, om vloer en wanden te krijgen, zoo zou
+daar zeker wel een half jaar over verloopen zijn."
+
+"Ja, en hoe gemakkelijk is het, nu wij overal in den wand kasten
+en bergplaatsen hebben.--Wanneer zullen we nu naar ons nieuw paleis
+verhuizen?"
+
+"Hoe eer hoe liever, Willem. Wij hebben nog wel veel, zeer veel werk
+voor ons, doch we kunnen immers ook buiten het blokhuis arbeiden."
+
+"En wat denkt ge met het oude huis aan te vangen?"
+
+"We zullen misschien het best doen, als we dat gedeelte van onzen
+voorraad, die voor ons de minste waarde heeft, daar laten blijven,
+totdat we in staat zijn om een tweede magazijn binnen de palissade
+op te richten."
+
+"Dan zullen we deze vaten daarheen brengen, want ze nemen ons hier
+te veel plaats weg."
+
+"Alle, behalve dat groote daar. Dat zullen wij noodig hebben en ik
+zal er wel ergens een hoek voor vinden."
+
+"Waartoe dan, Flink?"
+
+"Om er water in te bewaren, mijn jongen."
+
+"Wij zijn hier evenwel nader bij de bron, dan wij in ons ander
+huis waren."
+
+"Dat weet ik wel; maar misschien belet men ons eens, de palissade te
+verlaten, en dan kunnen wij het water hoog noodig hebben."
+
+"Ik begrijp u Flink; gij zijt toch altijd op alles bedacht."
+
+"Als ik op mijne jaren niet een beetje nadenken geleerd had, zou 't
+er leelijk uitzien, Willem. Ge weet niet, hoe hartelijk ik verlang de
+gansche familie hier binnen het blokhuis te zien. Ik zal niet gerust
+zijn, voordat ik mijn wensch vervuld zie."
+
+"En waarom zouden wij het dan maar niet dadelijk betrekken?"
+
+"Waarom?--Omdat wij nog veel werk te doen hebben en ik door zooveel
+haast te maken uwe moeder niet beangstigen wil en in de meening brengen
+dat er dadelijk gevaar ophanden is. Maar, geloof mij, beste Willem,
+gevaar is er wezenlijk, ik heb er een soort van voorgevoel van. De
+gedachte weegt mij zwaar op het hart en ik kan ze niet meer van mij
+afzetten. Ik wilde wel dat gij het voorstel deedt, om allen maar
+dadelijk hierheen te verhuizen. De bedsteden zijn toch ook klaar,
+tot op de gordijnen na, en die kan ik er vandaag nog wel voorhangen."
+
+Tengevolge van dit gesprek stelde Willem aan tafel voor, om den
+volgenden dag met pak en zak naar het blokhuis over te trekken,
+omdat men, behalve dat men er veel beter gehuisvest was, er ook veel
+gemakkelijker arbeiden kon.
+
+Mijnheer Wilson was van hetzelfde gevoelen, terwijl zijne vrouw
+daarentegen beter vond er alles eerst netjes in orde te brengen.
+
+"Juist daarom moeten wij er in trekken, mevrouw; want uw opzicht is
+volstrekt noodig, om alles naar wensch in te richten. Wij mannen
+krijgen niets op zijne rechte plaats, als het niet onder uw oog
+geschiedt."
+
+"Welnu, Flink," was het antwoord, "als ook gij, evenals de overigen,
+tegen mij stemt, moet ik wel toegeven. Als ge 't goedvindt, willen
+we morgen dan maar dadelijk met de verhuizing beginnen."
+
+"In waarheid, mevrouw, dat zal zoo het best zijn. Dit is de laatste
+maand, dat we goed weer te wachten hebben en er blijft ons nog zeer
+veel te doen over. Zijn we eerst over, dan zal alles veel vlugger
+van de hand gaan, daar we het nader onder ons bereik hebben."
+
+"Het zij dan zoo, Flink; gij moet dat het best weten. Morgen zullen
+we dus onze woning in het blokhuis opslaan."
+
+"Goddank!" mompelde de oude man. Alleen Willem, die naast hem zat,
+had deze woorden verstaan.
+
+De volgende dag werd geheel aan de verhuizing gewijd. Bedden, huisraad
+en keukengereedschap werden overgebracht en dien nacht sliep men voor
+de eerste maal onder het nieuwe dak. Flink had voor Juno een aardig
+huisje tot keuken opgeslagen, en de volgende werkzaamheden namen de
+verdere dagen van de week geheel in beslag.
+
+Vooreerst werd de voorraad gemonsterd en geschift. Wat van
+minder belang was, zooals b.v. de zout-en meelvaten, benevens de
+tuingereedschappen, werd in het oude huis geborgen. Ook de kruitvaten
+en het grootste gedeelte van den voorraad patronen werden, tot
+meerdere veiligheid, aldaar achtergelaten. Daarentegen bracht men een
+vat gezouten rund-, een ander met varkensvleesch, een derde met meel,
+benevens al den voorraad spijkers, ijzerwerk en linnen naar het nieuwe
+huis over, waarvan de vloer, toen men het tot magazijn inrichtte,
+vier voet boven den grond gebouwd was, om voor de schapen en geiten
+tot stal te dienen. Daardoor had men een droge en tamelijk ruime plaats
+gewonnen, waar men nu al, wat men maar wilde, bergen kon. Flink vergat
+ook niet, in tusschenuren het groote watervat te vullen; hij had daar
+een kraan in gestoken, waardoor men het water aftappen kon.
+
+"Ziezoo, mijnheer," zeide Flink, toen eindelijk de Zaterdag gekomen
+was. "Wij hebben nu weken achtereen ingespannen gearbeid, maar
+nu hebben wij het laatste harde werk dan ook gelukkig achter den
+rug. Wij zitten nu goed en wel in ons nieuwe huis, al onze voorraad is
+onder dak en tegen het weer beschut,--nu mogen wij wel eens wat adem
+scheppen. Ik moet nu met Willem van tijd tot tijd eenige schildpadden
+vangen, want haar tijd loopt spoedig ten einde. Ook moet ik de boot
+oplappen, zoodat we weer een reisje naar de tenten kunnen doen,
+om naar ons yamplantsoen en de kudde te zien."
+
+"Ook naar de bananen en de guayababoomen!" riep Thomas met drift.
+
+"Ja, waarlijk; die hadden wij geheel en al vergeten," zeide zijn
+moeder.
+
+"'t Is waar, mevrouw, maar dat was geen wonder onder al die drukte. Er
+zal, denk ik, echter nog wel wat van over zijn en zoodra de boot
+weder te water kan, zal ik er heen gaan en al wat er nog voorhanden
+is, meebrengen."
+
+"Ook moeten wij onze aardappelen en zaden nog vóór den regentijd in
+den grond brengen, Flink."
+
+"Dat zal goed zijn, als wij er tijd toe vinden, want het mooie weer
+houdt vast niet heel lang meer aan. Nu wil ik eerst maar eens naar de
+schildpadden omzien. Goeden nacht, mevrouw, slaap rustig; rust wel,
+mijnheer;--kom mee, Willem."
+
+Beiden stapten naar het strand. Onderweg ontmoetten zij Juno, die uit
+de keuken kwam. Flink droeg haar op, zooveel hout op te zamelen als
+zij kon en alles in een hoek binnen de omheining op te stapelen,
+om het nader bij hand te hebben. Dien nacht vingen zij nog zes
+schildpadden bij den reeds vergaderden voorraad. Vervolgens namen
+zij nog met den kijker den ganschen gezichteinder op, keerden terug,
+sloten de deur der palissade en legden zich vermoeid ter ruste.
+
+
+
+
+
+
+
+VIJF-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+DE KANO'S ZIJN IN AANTOCHT.
+
+
+Eene nieuwe week ging voorbij, in welken tijd Flink met de boot bezig
+was en Willem met zijn vader den tuin omspitte.
+
+Ook in huis had men de handen vol met eene groote wasch en met naaien
+en verstellen, waaraan men den laatsten tijd weinig had kunnen
+doen. Mevrouw Wilson, Juno, zelfs de kleine Caroline weerden zich
+best en ook Thomas was van veel dienst, want zoo dikwijls men water
+noodig had, haalde hij dat en paste bovendien ook nog op zijn broertje
+Albert. Hij was wezenlijk zoo handig en vlug, dat de moeder hem bij
+vader roemde, waarop onze kleine wildzang niet weinig trotsch was.
+
+Den Maandag daarop zeilden Willem en Flink in de boot naar de kleine
+haven. De schapen en geiten waren vlug en wel en alles beloofde den
+besten wasdom. Van de bananen en guayabavruchten waren reeds vele
+gerijpt en afgevallen; doch men vond altijd nog genoeg om er de boot
+tot de helft mede te vullen. Op het yamsplantsoen hadden de varkens
+geen aanval meer beproefd en ook de tenten waren in goeden staat.
+
+"Wij kunnen niets beters doen, Willem, dan de schapen en geiten laten,
+waar ze nu zijn. Komt er een storm, dan kunnen ze in het bosch schuilen
+en te eten hebben zij in overvloed, al waren er ook tienmaal zooveel."
+
+"Dat komt mij ook zoo voor."
+
+"Maar over een dag of wat moeten wij hier terugkomen en de tenten
+afhalen, die hier gedurende den geheelen regentijd niet mogen blijven
+staan. Wat dunkt u, Willem, zullen we dan nu maar weer in de boot
+gaan?"
+
+"Ja, in allen gevalle zal Thomas recht blij zijn met hetgeen
+we meebrengen. Maar wilt gij toch niet eerst eenige yamswortels
+uitgraven?"
+
+"Waarlijk, dat was mij geheel door het hoofd gegaan, jongen. Ik ga
+dadelijk een schop halen,--in de andere tent zal er nog wel een staan."
+
+Na dus ook een voorraad yamswortels te hebben ingezameld, keerden zij
+naar huis. Zij hadden hunne woning niet bereikt, toen de hemel begon
+te betrekken; het was alsof er een zwaar onweer ophanden was. Echter
+regende het niet, voordat zij werkelijk geland waren; toen viel er
+eene kleine bui, die de komst van den regentijd aankondigde.
+
+De medegebrachte vruchten waren allen bij uitstek welkom; 't was al
+zoo lang, zoo heel lang, dat zij er geene geproefd hadden. Thomas
+vooral viel er met geduchte gulzigheid op aan en zou zich ziek gegeten
+hebben, als zijne moeder niet wijzer geweest was dan hij en hem niet
+verboden had voor ditmaal er meer van te gebruiken.
+
+Den volgenden dag was het helder weer en alles scheen door den gevallen
+regen verjongd en verfrischt. Er werd besloten, dat Flink en Willem den
+volgenden morgen de tenten van de zuidkust afhalen zouden en dan nog
+zooveel yamswortels als de boot bergen kon, meenemen. Beiden hielden
+als gewoonlijk hunne avond- en morgenwacht en bij die gelegenheid
+ontdekte de oude man, dat de wind thans geheel naar het oosten was
+omgeslagen.
+
+"Dat is leelijk voor onze vaart van morgen, Flink," merkte Willem
+aan. "We kunnen wel met het kleine zeil ginds naar de havenplaats
+komen, maar dan hebben wij de boot met hare volle lading terug
+te roeien."
+
+"Nu, ik hoop dat het nog maar geen erger gevolgen voor ons hebben
+zal," gaf Flink nadenkend ten antwoord. "Laat ons nu naar huis en te
+bed gaan. Ik zal morgen vóór den dag op zijn;--dus kunt gij dan nog
+wel wat blijven liggen."
+
+"Ik word immers toch vóór het daglicht wakker, Flink," zeide Willem;
+"zoodat ik maar dadelijk met u wil opstaan."
+
+"Dat is mij ook goed, beste jongen; gij weet, dat ik u altijd gaarne
+tot gezelschap heb."
+
+Den volgenden morgen, bij het eerste krieken van den dag, openden
+beiden dan ook reeds de deur der palissade en wandelden gezamenlijk
+naar het strand. De wind woei nog altijd, en wel vrij sterk, uit het
+oosten en de lucht was geheel betrokken.
+
+Bij het opgaan der zon nam Flink als naar gewoonte zijn kijker en
+begon den gezichtseinder in het oosten nauwkeurig op te nemen.
+
+"Ziet gij dan iets, Flink, dat gij den kijker zoolang op dat ééne
+punt houdt?" vroeg Willem, toen zijn grijze makker na lang turen nog
+geene beweging maakte om den kijker van het oog te nemen.
+
+"Mijne oude oogen kunnen mij bedriegen; maar ik vrees werkelijk,
+dat ik iets zie," gaf Flink eindelijk ten antwoord. "Binnen weinige
+oogenblikken zal ik het met zekerheid kunnen zeggen."
+
+Aan de oostelijke kim hing nog eene nevelstreep, zoodat men er niet
+duidelijk zien kon. Nauwelijks echter was de zon geheel op, of Flink
+die den kijker juist op dat punt gericht hield, riep driftig uit:
+
+"Ja, ja, Willem, ik heb toch gelijk. Ik dacht dadelijk, die donkere
+punten, die ik zag, konden wel hunne bruine zeilen zijn."
+
+"Zeilen?--Wat zeilen, Flink?" vroeg Willem haastig.
+
+"De zeilen der Indiaansche kano's, Willem; ik wist wel, dat die komen
+zouden. Neem gij den kijker maar eens en zie zelf;--het schemert mij
+voor de oogen, zoo sterk heb ik ze ingespannen."
+
+"Ja, waarlijk--nu heb ik ze," riep Willem, na den kijker gericht te
+hebben. "Maar, Flink, daar zijn althans wel twintig tot dertig."
+
+"En ieder heeft twintig of dertig man in, Willem."
+
+"Genadige hemel! Wat moeten wij dan doen? Ach, wat zal mijne lieve
+moeder ontsteld zijn! Tegen zulk een overmacht kunnen wij immers
+volstrekt niets uitrichten, Flink."
+
+"Ja, ja, Willem, wij kunnen veel uitrichten en moeten ook veel
+uitrichten. Dat eenige honderden wilden tegen ons in aantocht
+zijn,--lijdt thans geen twijfel meer; maar vergeet niet, dat wij een
+blokhuis bezitten, dat niet zoo licht te beklimmen is, dat wij verder
+vuurwapens en kruit en lood genoeg in voorraad hebben en hun wel een
+gevecht leveren en hen misschien afslaan kunnen, daar zij enkel met
+lansen en knotsen gewapend zijn."
+
+"Wat naderen zij spoedig, Flink; zie maar,--op die wijze kunnen zij
+immers in een uur hier zijn."
+
+"O, neen, beste jongen,--niet eens in twee. Hunne kano's zijn zeer
+groot. Maar we hebben geen tijd te verliezen. Ik zal hen nog eens in
+het vizier nemen en hunne sterkte narekenen. Loop gij onderwijl naar
+huis en wenk uw vader, dat hij hier bij mij komt. Dan, Willem, zet
+alle geweren klaar en haal de kruitvaten en de patronen uit het oude
+huis naar het blokhuis. Roep Juno en laat die u helpen. Wij zullen
+nog tijd genoeg hebben om dat alles te doen. Als gij klaar zijt,
+moet gij terstond weer bij ons komen."
+
+Onverwijld ging Willem op weg, en een poosje later stond mijnheer
+Wilson bij Flink aan het strand.
+
+"Flink," begon hij, "er is zeker geen goed nieuws? Willem wilde mij
+niets zeggen, denkelijk om mijne vrouw niet ongerust te maken. Wat
+is er eigenlijk?"
+
+"De wilden zijn in aantocht, mijnheer, en dat wel in groote menigte. Ik
+bereken die op tusschen de vijf- en zeshonderd en we moeten dus met
+inspanning van alle krachten voor ons leven vechten."
+
+"Denkt ge dan, dat ons tegen zulk eene overmacht nog eenige hoop
+overblijft?" vroeg de heer Wilson doodelijk verschrikt.
+
+"O ja, ik twijfel geen oogenblik, of het is mogelijk. Maar een harden,
+dagenlangen strijd hebben wij te wachten,--daarop mogen wij rekenen."
+
+Mijnheer Wilson monsterde de naderende vloot met den kijker.
+
+"Waarlijk, eene vreeselijke overmacht, waartegen wij te worstelen
+zullen hebben!"
+
+"Ja, mijnheer; maar die geweren achter een stevige verschansing kunnen
+het tegen hunne knotsen en lansen opnemen, ingeval maar geen onzer
+gewond wordt."
+
+"Nu, Flink, wij moeten al onze krachten inspannen. Ik zal u naar
+mijn beste vermogen ondersteunen, en ook Willem zal, dat weet ik,
+zijn plicht doen. Ik heb immers alles hier, waarvoor een man ooit
+strijden kan,--vrouw en kind; maar gij, Flink, hebt niet zulke banden."
+
+"Neen, mijnheer; maar daarvoor vecht ik voor mijn leven, dat ik,
+al is het niet van zoo bijzonder veel waarde, toch niet gaarne aan
+die knapen schenken zou. Bovendien vecht ik voor u en uwe familie,
+aan wie ik met hart en ziel verknocht ben.--Maar kom, wij mogen hier
+niet langer staan wachten, daar de tijd tot voorbereiding toch al kort
+is. Wij moeten aan den binnenkant van onze ompaling nog eenige sterke
+eiken posten spijkeren, om bij een aanval daarop te kunnen staan en
+over de omheining te kunnen heenvuren. Eerst gaan we echter nog naar
+ons oude huis, om daar alles vandaan te halen; want het oude huis,
+zullen de wilden het eerst ontdekken, en misschien vernielen zij er
+dan alles, wat ze vinden. De vaten slaan zij zeker in stukken, al ware
+'t enkel om de ijzeren hoepels. In een uur kan er veel geschieden,
+daar de tocht zoo groot niet is. Ik geloof, dat wij vooreerst in
+het blokhuis alles hebben, wat ons dienstig wezen kan. Juno heeft
+brandstof genoeg, en de groote waterton zal het althans wel drie of
+vier weken uithouden. Als er nog tijd overschiet, zullen we ook nog
+met de kar naar het strand gaan en een paar schildpadden halen tot
+vermeerdering van onzen mondvoorraad."
+
+"Me dunkt, het is thans geen tijd om aan de schildpadden te denken."
+
+"Waarom niet, mijnheer? 't Is toch waarlijk beter, dat wijzelven die
+opeten, dan dat de wilden zich er op vergasten. Ik wil er van halen
+zooveel ik vinden kan; als wij ze in de schaduw op den grond leggen,
+kunnen zij nog weken in het leven blijven."
+
+Onder dit gesprek naderden beiden hunne tegenwoordige woning, waar zij
+Willem en Juno vonden, die zoo even het kruit en de patronen hadden
+overgebracht. Mijnheer Wilson ging in de woonkamer, om de noodlottige
+tijding aan zijne vrouw mede te deelen, die daardoor, vreesde hij,
+doodelijk ontsteld zou wezen.
+
+"Men heeft mij vroeger al gezegd, dat wij zoo iets te wachten
+hadden, lieve man," antwoordde zij. "Zoo komt mij die tijding dus
+niet onverwacht, en al wat eene zwakke vrouw doen kan, zal door mij
+geschieden. Ik gevoel, dat het mij tot de verdediging mijner kinderen
+niet aan moed ontbreekt."
+
+"Er valt mij wezenlijk een steen van het hart," riep mijnheer Wilson,
+"nu ik u zoo bedaard en welberaden vind. Nu ken ik geen angst
+meer;--maar wij hebben nog veel te doen."
+
+"Daarom moet ik helpen, beste Wilson. Wat mij aan kracht te kort
+schiet, moet ik door goeden wil vergoeden."
+
+Met deze woorden volgden beiden Willem, Juno en Flink, die naar het
+oude huis op weg waren. De kinderen waren nog alle drie te bed en
+gerust in slaap, zoodat men die niet te bewaken had.
+
+
+
+
+
+
+
+ZES-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+LANDING DER WILDEN.--EERSTE AANVAL.
+
+
+Daar zij bij het oude huis een goed gezicht op de kano's hadden,
+verzuimde Flink niet, zijn kijker op de wilden te richten, zoo
+dikwijls hij een vat naar 't blokhuis heengerold had en weer met
+leege handen terugkwam.
+
+Allen zwoegden zich af. Zelfs mevrouw Wilson deed zooveel, als maar
+in haar vermogen was, en hielp óf vaten voortrollen óf droeg wat voor
+haar krachten niet al te zwaar was. Binnen het uur hadden zij alles,
+waaraan hun bijzonder gelegen was, in het blokhuis, gebracht;--de
+kano's waren nog altijd op een aanmerkelijken afstand van de kust.
+
+"Wij hebben nog een goed uur, voordat zij landen, mijnheer," sprak
+Flink, "en dan kunnen de riffen hen wellicht vrij wat ophouden. Ik
+geloof niet, dat ze binnen de twee uren ontscheept zullen zijn. We
+hebben nog tijd genoeg tot alles wat ons te doen valt. Juno, de kar
+hier.--Willem, neem den bootshaak,--dan willen we nog gauw eenige
+schildpadden in het blokhuis brengen. We kunnen dat zonder u af,
+mijnheer. Als gij dus zoo goed wildet zijn, om de geweren na te zien
+en klaar te maken, konden wij onderwijl onzen gang gaan."
+
+"Ja, en dan moet gij ze laden," zeide mevrouw Wilson, "en ons wijzen
+hoe dat gaat. In 't vervolg kunnen Juno en ik dat dan doen, zoodat
+gij enkel hebt te vuren."
+
+"Dat is een kostelijke inval, mevrouw," hernam Flink; "daarmee kunt
+gij ons wezenlijk een zeer grooten dienst bewijzen."
+
+Binnen een half uur hadden Willem en Juno zes schildpadden
+aangebracht. Een poosje later kwam ook Flink naar het blokhuis terug.
+
+"Ik kan onze geit nergens vinden, Willem," zeide hij; "maar daar
+wij toch ook geen voer voor haar hebben, kan zij evengoed buiten
+blijven. Als zij zulke vreeselijke gedaanten, als die wilden, ontdekt,
+zal zij zeker wel een goed heenkomen zoeken."
+
+De vaten werden nu aan een kant gerold en tegen de wanden der omheining
+opgezet, waarna men er planken overheen legde, op welke men hoog genoeg
+staan kon om over de palissade heen te zien en te vuren. Mevrouw Wilson
+had zich laten wijzen, hoe men de geweren laden moest, en Juno werd
+nu ook in dit werk onderricht.
+
+"Nu, mijnheer, zijn wij op alles voorbereid," zeide de oude
+stuurman. "Mevrouw en Juno kunnen nu eens naar de kinderen omzien en
+zorgen, dat wij iets te eten krijgen."
+
+"Ikke 't al klaar hebben. Water al koken heelen tijd," berichtte Juno.
+
+Zoodra de kinderen waren aangekleed, riep mijnheer Wilson den ouden
+Flink, die buiten was en de kano's gadesloeg, in de woonkamer, en
+gebruikte men haastig een ontbijt, ofschoon allen, gelijk men wel
+denken kan, te zeer gespannen waren om met smaak te kunnen eten. De
+moeder drukte hare kinderen aan haar hart; doch haar moed hield zich
+verwonderlijk goed staande.
+
+"Deze angstige spanning is 't ergste van alles," sprak zij ten
+laatste. "Ik wou, dat zij eindelijk toch maar kwamen."
+
+"Zal ik Flink eens gaan opzoeken, lieve, en hooren hoe 't is? In drie
+minuten ben ik weer bij u."
+
+Hij keerde ook zeer spoedig terug en berichtte, dat de kano's thans
+zeer dicht bij de kust waren. De wilden moesten zekerlijk de doorvaart
+door de klippen kennen, want zij hadden daar regelrecht op aangehouden
+en de zeilen laten vallen. Flink en Willem stonden op den uitkijk,
+maar zorgden wel, dat men hen niet zien kon.
+
+"Ik hoop, dat zij niet te lang uitblijven."
+
+"Maak u over hen niet ongerust, lieve Selina; 't is het best, dat zij
+de bewegingen van den vijand tot op het laatste oogenblik bespieden."
+
+Terwijl vader en moeder dus in het blokhuis wachtten, sloegen Willem
+en Flink de wilden en al hunne bewegingen met de meeste oplettendheid
+gade. Tien of elf kano's hadden nu hunne bemanning ontscheept; de
+anderen volgden dit voorbeeld, zoo vlug als zij konden, en zochten
+zich haastig tusschen de klippen door te werken. De wilden waren
+allen beschilderd, in krijgsmantels, met pluimen op het hoofd. Hunne
+wapens bestonden in lansen en knotsen, en blijkbaar waren zij met
+een allesbehalve vredelievend opzet gekomen.
+
+In den beginne hadden zij het druk met de kano's op het droge te
+trekken, en daar deze zeer groot en zwaar waren, verliep er wel een
+kwartier, voordat dit door allen was geschied. Willem had dus tijd,
+om hen nauwkeurig op te nemen.
+
+"Wat schijnt dat een ruwe, wreede bende booswichten te zijn,
+Flink!" merkte hij aan. "Als zij ons in handen kregen, zouden zij
+ons zeker allen vermoorden."
+
+"Daar behoeven wij volstrekt niet aan te twijfelen, Willem; en
+we moeten ons dus dapper weren en zorgen, dat we uit hunne handen
+blijven. Van kant maken willen zij ons zeker, en ik zou welhaast
+gelooven, dat zij ons dan ook nog opeten zouden; ofschoon dat laatste
+ons dan zooveel niet deren zou."
+
+Willem huiverde bij deze gedachte, maar antwoordde toch op vrij
+vasten toon:
+
+"Ik zal vechten, zoolang ik nog adem heb. Maar zie Flink, nu komen
+zij opzetten, al wat zij loopen kunnen."
+
+"Ja, ja, recht op het oude huis toe. Wij mogen nu niet langer
+wachten.--Kom jongen kom!"
+
+"Ik verbeeldde mij daar straks, toen wij omkeerden, ginds achter het
+landpunt nog een ander schip onder zeil te zien, Flink."
+
+"Licht mogelijk; misschien een kano, die van nacht van de anderen is
+afgeraakt. Kom gauw, Willem.--Luister! ze hebben hun krijgsgeschreeuw
+al aangeheven."
+
+Eene minuut later stonden zij voor de poort van het blokhuis. Zij
+traden binnen, sloten de deur achter zich dicht en verzekerden die
+met sterke balken, die van binnen in posten sloten.
+
+"Nu, hier zijn wij veilig genoeg," sprak Flink. "En nu maar moed
+gehouden en ons dapper geweerd."
+
+Het gillend geschreeuw der wilden vervulde mevrouw Wilson met
+ontzetting en angst. 't Was nog maar goed, dat zij de Indianen niet
+in hunne beschildering en in hun trotschen oorlogspronk gezien had,
+want dan zou zij nog veel meer verschrikt zijn geweest.
+
+De kleine Albert en Caroline klemden zich angstig aan haar hals;
+de ontsteltenis stond op hun gezicht te lezen. Geen van beiden gaf
+een enkel geluid; zij zagen slechts vol verslagenheid rond, als om
+te ontdekken, van waar dat ijzingwekkend gerucht kwam, en drongen
+bevend al dicht bij hunne moeder.
+
+Thomas daarentegen was bijzonder in de weer, daar hij nu over het
+ontbijt, dat de anderen verlaten hadden, geheel alleen baas was
+en niemand zijne gulzigheid te keer ging. Juno was buiten bezig en
+betoonde in alles veel moed en bedaardheid.
+
+Mijnheer Wilson had op zich genomen, in de palissade gaten te boren,
+zoodat men daar juist de trompen van de geweren doorheen steken
+en op de wilden vuren kon, zonder zelf aan gevaar te zijn bloot
+gesteld. Willem en Flink daarentegen stonden met geladen geweren op
+hun post en sloegen de nadering der vijanden gade.
+
+"Ze zijn thans nog bij ons oude huis bezig, mijnheer," zeide Flink;
+"maar daar zullen ze zich zeker niet lang ophouden."
+
+"Daar komen ze," fluisterde Willem. "Zie eens, Flink, is dat niet
+eene van de vrouwen, die ons in haren kano ontsnapten--zie, die daar
+met de beide eerste mannen vooraan gaat? Ja, ja, zij is 't, ik ben
+er zeker van."
+
+"Gij hebt gelijk, het is eene van die twee. Kijk, nu houden ze
+halt.--Aha! op het blokhuis waren ze niet bedacht, dat kan men wel
+merken. Dat heeft hen eenigszins van streek gebracht. Daar, zie
+eens, hoe zij de hoofden bij elkaar steken en druk aan 't redeneeren
+gaan. Zij houden raad over hetgeen er thans gebeuren moet. Die slank
+opgeschoten man moet een van hunne opperhoofden zijn.--Ik zal vechten
+tot mijn laatsten ademtocht, Willem, dat is mijn vast besluit; maar ik
+heb er toch een afkeer van in zulk een geval een begin te maken. Ik
+zal mij dus boven de palissade laten zien. Vallen zij mij aan, dan
+kan ik met een gerust geweten op hen losbranden."
+
+"Maar pas op, Flink, dat zij u niet raken."
+
+"Wees gerust, Willem.--Zie, daar komen zij al."
+
+Met deze woorden stapte Flink op de balken, die van binnen langs de
+palissade liepen, zoodat de wilden hem zien konden. Dezen stieten
+een vreeselijk gehuil aan, en minstens een dozijn speren vlogen
+naar de plaats, waar de oude man stond, en waren zoo goed gericht,
+dat zij hem ongetwijfeld gedood zouden hebben, indien hij zich niet
+oogenblikkelijk had gebukt.
+
+Drie of vier van de speren bleven in de bovensten rand der palissade
+steken; de overige vlogen daar overheen en vielen binnen in de
+omheining aan gene zijde van het woonhuis op den grond neder.
+
+"Nu, Willem, maar scherp gemikt!" Doch voordat Willem nog vuren konde,
+schoot zijn vader zijn geweer af, en het slank gewassen opperhoofd
+tuimelde ter aarde. Mijnheer Wilson had zich namelijk volgens afspraak
+derwijze in een hoek geplaatst, dat hij zien kon, als de wilden zich
+naar eene andere zijde heen wendden.
+
+Flink en Willem vuurden insgelijks, en men zag nog twee wilden onder
+het woest gehuil hunner makkers ter aarde storten. Juno gaf dadelijk
+de geladen geweren over en ontving daarvoor de andere, welke zij en
+mevrouw Wilson opnieuw laadden.
+
+De moeder had aan Caroline het opzicht over haar jongste broertje
+opgedragen. Aan Thomas had zij op het hart gedrukt, dat hij zich heel
+stil en bedaard moest houden, waarna zij de deur toesloot en bij Juno
+kwam, om met deze voor het laden der geweren te zorgen.
+
+Nu suisden de speren der wilden door de lucht en het was een geluk
+voor onze kolonisten, dat zij goed gedekt achter hunne palissade vuren
+konden, daar zij anders onvermijdelijk verloren waren geweest. Het
+geschreeuw en gehuil werd gestadig heviger, en de wilden begonnen
+nu den aanval aan alle zijden. De rapsten en moedigsten onder hen
+klauterden als katten tegen de palissade op en bereikten ook werkelijk
+den bovensten rand; doch zoodra hunne hoofden daar zichtbaar werden,
+trof hen ook onfeilbaar de kogel der verdedigers en stortten zij dood
+of zieltogend aan de buitenzijde neder.
+
+Zoo hield het gevecht veel langer dan een uur aan, totdat de Indianen,
+die reeds een aanmerkelijk verlies geleden hadden, eindelijk van den
+strijd afzagen, waardoor de verdedigers weer tijd kregen om wat adem
+te scheppen.
+
+"Nu, bij dezen eersten aanval hebben zij toch bitter weinig gewonnen,"
+begon Flink. "Wij hebben ons dapper geweerd en vooral gij, Willem,
+hebt u gehouden alsof ge tot soldaat in de wieg waart gelegd. Ik
+geloof niet, dat gij uw doel ook maar ééne enkele maal gemist hebt."
+
+"Denkt gij, dat zij nu aftrekken zullen?" vroeg mevrouw Wilson.
+
+"O, neen, mevrouw, nu nog niet. Ze zullen eerst al 't mogelijke
+beproeven, voordat zij ons voor goed verlaten. Gij hebt zelve wel
+bespeurd, dat het een dapper slag van volk is en men kan zien,
+dat zij met kruit bekend zijn, daar dit hen anders veel erger had
+doen schrikken."
+
+"Dat geloof ik ook," sprak mijnheer Wilson. "Als de wilden den knal
+van geweren voor de eerste maal hooren, zijn zij doorgaans geheel
+verplet en verslagen."
+
+"Ja, mijnheer; maar dat was bij dit volk hier niet het geval, weshalve
+ik geloof, dat het wel niet de eerste keer zal wezen, dat zij met
+Europeanen slaags zijn."
+
+"Zijn zij al weg, Flink?" vroeg Willem, die van de hoogte was
+afgeklommen, om zijne moeder te omhelzen.
+
+"Neen jongen; ik zie hen thans tusschen de boomen. Zij zitten in
+een kring in het rond en houden denkelijk eene gemeenschappelijke
+beraadslaging, zooals dat bij die wilde stammen gebruikelijk is."
+
+"Nu, ik heb een brandenden dorst," zeide Willem. "Juno, breng mij
+toch gauw eens wat water."
+
+De zwarte meid ging naar de waterton, om aan Willems verlangen te
+voldoen, maar kwam na weinige oogenblikken met ledige handen en hevig
+ontsteld terug.
+
+"O, massa! O, mevrouw! geen water! Water allemaal weg!"
+
+"Wat, al 't water weg?" riepen allen in één adem.
+
+"Niet een sikkepitje meer in de ton is!"
+
+"Ik heb die toch tot den rand toe gevuld!" riep Flink. "Ook kon ik
+niet merken, dat ze eenig lek had. Hoe is dat dus mogelijk?"
+
+"O, nu ikke 't al wel begrijpen, mevrouw!" riep Juno. "Gij weet wel,
+wij wasschen voor een dag of drie en toen ikke massa Thomas zenden met
+kleine emmertje water halen uit de bron. Hij toen zoo gauw weerom komen
+en mevrouw toen zeggen, dat hij zoete jongen was en ook vertellen aan
+mijnheer. Nu massa Thomas zeker te lui geweest, om te loopen naar de
+bron en al het water tappen uit het vat, en toen vat is leeggeloopen."
+
+"Ik vrees, dat gij gelijk hebt, Juno," sprak de moeder.
+
+"Wat moeten wij nu aanvangen?"
+
+"Ikke gaan en sinjeur Thomas spreken," riep Juno en vloog in huis.
+
+"Dat is een zeer droevig geval, mijnheer," merkte Flink ernstig aan.
+
+Mijnheer Wilson schudde bedenkelijk het hoofd. Allen zagen het
+hachelijke van hun toestand zeer goed in. Indien de wilden het eiland
+niet verlieten, moesten zij of van dorst omkomen of zich overgeven,
+en in 't laatste geval konden zij er stellig op rekenen, dat hun
+leven verloren was.
+
+Juno kwam terug; haar vermoeden was gegrond geweest. Thomas had zich
+gestreeld gevoeld, dat men hem om zijne vlugheid prees, en had de
+kraan uit het vat getrokken, zoodat al het water wegliep. Hij begon
+nu weer hardop te schreien en beloofde naar gewoonte, dat hij het
+van zijn leven niet weer doen zou.
+
+"Zijne beloften komen te laat!" zuchtte de vader. "Zoo zullen al
+onze zorgvuldige maatregelen en voorzorgen tegen dezen aanval door
+de lichtzinnigheid van een kind verijdeld worden en zullen wij ons in
+'t eind aan onze vijanden moeten overgeven."
+
+"Helaas ja, mijnheer!" zeide Flink. "Wij hebben geen ander vooruitzicht
+meer, dan dat de wilden afgeschrikt worden en het eiland spoedig
+verlaten."
+
+"Als ik maar iets voor de kinderen had; ik zelve zou er mij wel buiten
+behelpen!" klaagde mevrouw Wilson; "maar de arme kleinen zoo te zien
+lijden!--Is dan nog niet ergens een weinigje te vinden, Juno!"
+
+Deze schudde het hoofd. "Allemaal weg, mevrouw; niemendal meer wezen."
+
+De moeder zeide nu, zelve nog eens te willen rondzien, en ging met
+Juno in huis.
+
+"Dat is een vreeselijk, vreeselijk ding, Flink!" merkte mijnheer
+Wilson aan. "Wat zouden wij thans niet voor eene regenbui geven,
+als wij de waterdroppels opvangen konden!"
+
+"De lucht ziet daar niet naar uit, mijnheer," gaf de oude man ten
+antwoord.
+
+"Ik wou, dat de wilden maar weer kwamen opzetten," zeide Willem. "Hoe
+gauwer ze komen, des te eer zal alles beslist zijn."
+
+"Ik geloof niet, dat ze zich vandaag bij licht weer vertoonen
+zullen. In den nacht verwacht ik hen echter zeker en zulk een aanval
+bij nacht vrees ik tienmaal meer, dan een bij dag. In allen gevalle
+moeten wij er onze maatregelen tegen nemen."
+
+"Goed; maar wat kunnen wij doen, Flink?"
+
+"Vooreerst moeten wij boven onze palissade nieuwe planken van den
+eenen boom tot den anderen spijkeren; om onze verschansing aldus
+hooger te maken, zoodat de wilden ze minder gemakkelijk beklauteren
+kunnen. Eenigen waren op het punt van zich er overheen te wringen. Als
+wij dit doen, hebben wij ook geen zoo groote ruimte meer te bewaken
+en te verdedigen. Vervolgens moeten wij een groot vuur ontsteken, om
+niet geheel in het donker te vechten. Dit geeft aan onze vijanden wel
+het voordeel, dat zij door de spleten tusschen de palen heenkijken
+en afloeren kunnen waar wij staan, doch daar zij hunne speren toch
+niet zoo ver doordrijven zullen, kan dat ons zooveel kwaad niet. Het
+vuur moeten wij in 't midden van de palissade aanleggen en er braaf
+teer bijgieten, zoodat het helder brandt, en natuurlijk mogen wij het
+niet aansteken, voordat men ons aanvalt. Dan kunnen wij zien, waar
+zij trachten in te dringen en op welk punt wij dus te vuren hebben."
+
+"Dat voorstel is goed, Flink," antwoordde mijnheer Wilson. "Bestond dat
+ongelukkig gebrek aan water niet, ik zou waarschijnlijk hoop hebben,
+dat alles nog goed ging."
+
+"Wij zullen daardoor zekerlijk veel te lijden hebben, mijnheer;
+maar wie kan weten, wat de dag van morgen aanbrengt?"
+
+"'t Is waar, Flink.--Kunt gij iets van de wilden zien?"
+
+"Neen. Ze hebben de plaats verlaten, waar zij raad hielden en ik
+hoor niets meer van hen. Ik vermoed, dat zij zich op dit oogenblik
+met hunne dooden en gekwetsten bezighouden."
+
+Wat Flink voorspeld had, gebeurde ook werkelijk. Dien dag werd er
+geen nieuwe aanval meer ondernomen en allen waren volijverig bezig
+met het maken van toebereidselen tegen den nacht. Zij spijkerden
+boven de palissade nieuwe posten en planken aan de boomstammen, zoodat
+drie zijden van hunne verschansing althans vijf voet hooger werden en
+moeielijk meer te beklimmen waren. Bovendien werd eene groote teerton
+met kokosbladeren, teer en hout opgevuld, zoodat men tegen dat het
+vereischt werd, een helder vlammend vuur in gereedheid had.
+
+Aan middag- of avondeten mochten zij echter niet denken, want zij
+hadden niets dan pekelvleesch en levende schildpad en Flink gaf hun
+den raad, om liever in het geheel niets te gebruiken, daar eten den
+dorst slechts vermeerderen moest.
+
+De arme kinderen hadden daardoor veel uit te staan; de kleine Albert
+kermde en riep gedurig: "Water, water!" Caroline wist, dat dit er niet
+was, en hield zich stil,--het arme schaap, ofschoon 't gemis haar
+zeer zwaar viel. Thomas echter, de oorzaak van al deze ellende, was
+de ongeduldigste van allen en gierde van tijd tot tijd zoo luid, dat
+Willem, die innerlijk woedend op hem was, hem eindelijk een duchtigen
+oorveeg gaf, waarop hij, uit vrees dat er een andere volgen mocht,
+nog slechts stil bleef voortkreunen.
+
+
+
+
+
+
+
+ZEVEN-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+AANVAL BIJ NACHT.
+
+
+De schemering was nauwelijks gevallen, toen het kermen der kinderen
+op eens door het gillend gehuil der wilden overschreeuwd werd,
+die thans, gelijk Flink wel voorzegd had, een nachtelijken aanval
+beproeven wilden.
+
+Op alle punten te gelijk werd de omheining nu aangevallen en de wilden
+gaven zich alle moeite, om over den wand heen te klauteren. Van tijd
+tot tijd werden er enkele speren geslingerd en het was blijkbaar,
+dat zij zich door hunne overmacht den toegang hoopten te verschaffen.
+
+Het was recht goed, dat Flink de voorzichtigheid had gehad van nieuwe
+planken boven de oorspronkelijke palissade te spijkeren, want anders
+zouden de wilden zonder twijfel hun opzet bereikt hebben. Nog voordat
+het vuur, dat Juno op Flinks bevel ontstoken had, genoeg helderheid
+verspreidde, waren reeds drie of vier van de stormers op de palissade
+geklauterd, maar op het oogenblik dat zij zich daarboven vertoonden,
+door Willem en zijn vader neergeschoten.
+
+Toen het vuur eerst recht helder opvlamde, kon men beter op de
+Indianen mikken, en velen hunner vielen bij de poging om over de
+palissade te komen. De aanval duurde over het uur. Toen schenen
+de wilden in te zien, dat het hun op deze wijze niet zou gelukken,
+en trokken andermaal terug, terwijl zij hunne dooden en gekwetsten
+evenals vroeger medenamen.
+
+"Nu, hoop ik, zullen zij zich toch weder inschepen en het eiland
+verlaten," sprak mijnheer Wilson, zich tot Flink wendende.
+
+"Ik wensch van harte, dat zij dat doen mogen, mijnheer. Het is niet
+zoo heel onmogelijk, ofschoon men 't nog niet met zekerheid zeggen
+kan. Ik heb al nagedacht, of wij hunne verdere bewegingen ook van eenig
+hooggelegen punt bespieden konden. Ziedaar den kokosboom," vervolgde
+hij en wees op een van de boomen, die in hunne palissadenlinie stonden:
+"hij is veel hooger dan al de anderen, en als wij van voet tot voet
+groote spijkers daarin slaan, kunnen wij hem gemakkelijk beklimmen
+en van die hoogte de gansche baai overzien. Dan wisten wij althans
+wat de vijand in zijn schild voert."
+
+"Ja, dat is waar, Flink, maar stelt men zich niet te zeer bloot,
+door daar naar boven te klimmen?"
+
+"O, neen, mijnheer; gij ziet immers, de kokosboomen zijn rondom op
+zulk een afstand van de palissade geveld, dat geen van de wilden
+naderen kan, zonder van dien uitkijk zoo tijdig gezien te worden,
+dat hij, die boven is, weer omlaag kan komen, nog voordat zijn vijand
+in staat is zijne speer te gebruiken."
+
+"In allen gevalle zou ik 't echter niet vóór het aanbreken van den
+dag beproeven, daar wij toch niet weten, of er niet eenigen aan den
+voet van de palissade op den loer liggen."
+
+"Dat is zeker wel mogelijk, mijnheer; en daarom zullen wij het tot
+den vroegen morgen uitstellen. Gelukkig hebben wij nog genoeg groote
+spijkers overgehouden."
+
+Na dit gesprek ging mijnheer Wilson in huis. Flink gaf aan Willem
+den raad, om zich neer te leggen en een paar uren te slapen, terwijl
+hijzelf de wacht zou houden. Als dan mijnheer Wilson tegen den morgen
+weer buitenkwam, kon hijzelf nog eene poos uitrusten.
+
+"Ik kan niet slapen, Flink! Ik kan mijn dorst onmogelijk meer
+overwinnen," gaf Willem geheel verslagen ten antwoord.
+
+"Ja, beste jongen, 't is zekerlijk een zware pijn; ik voel dat evengoed
+als gij. En wat moeten die arme kleinen er niet onder lijden! Ik
+beklaag hen van harte."
+
+"Het meeste medelijden heb ik met moeder, Flink," vervolgde
+Willem. "Het moet vreeselijk voor haar zijn, het lijden der kleinen
+zoo aan te zien en hen toch niet te kunnen helpen."
+
+"Ja, waarlijk, Willem, dat moet voor eene moeder een vreeselijk
+lijden wezen. Misschien hebben de wilden zich echter morgen vroeg
+uit de voeten gemaakt, en dan heeft ons lijden op eens een einde."
+
+"Ik hoop, dat het zoo wezen zal, Flink; evenwel schijnen zij mij
+moedig en vastberaden toe."
+
+"Ja, zeker,--voor hen is ijzer zooveel als goud, en wat doen beschaafde
+menschen al niet om goud te winnen! Kom, kom, Willem, ga toch althans
+een poosje liggen, al kunt gij ook niet slapen."
+
+Intusschen had mijnheer Wilson zijne arme vrouw en kinderen bezocht. De
+kleinen jammerden nog altijd om water, in weerwil van alles wat de
+goede moeder beproefde om hen tot bedaren te brengen, terwijl ze
+tranen van wanhoop vergoot, als ze zich over haar lieven kleinen
+Albert neerboog.
+
+Juno was naar buiten gegaan en had met eene schop zoo diep in den
+grond gegraven, als ze maar kon, in de flauwe hoop van toch misschien
+eenig water te zullen vinden,--maar vruchteloos. Treurig en radeloos
+kwam zij naar huis terug.
+
+Er was geen ander middel dan geduld en volharding. Geduld kon men
+echter van zulke kleine kinderen onmogelijk verwachten. De kleine
+Caroline alleen scheen bedaard en sprak geen woord.
+
+Mijnheer Wilson bleef nog twee of drie uren bij zijn vrouw en hielp
+haar de kinderen stilhouden, zoo goed dat gaan wilde. Eindelijk kwam
+hij buiten en vond Flink nog op zijn post.
+
+"Ach, vriend," zuchtte hij, "ik stond liever honderdmaal een aanval
+van die wilden door, dan dat ik nog vijf minuten langer in huis ware
+gebleven en de ellende van vrouw en kinderen mede had aangezien."
+
+"Dat geloof ik gaarne, mijnheer," antwoordde de oude man. "Maar houd
+moed en laat ons het beste hopen. Ik houd het voor heel waarschijnlijk,
+dat de wilden na deze tweede nederlaag het eiland verlaten zullen."
+
+"Ik wou, dat ik 't zelfde gelooven kon, Flink; het zou mij innig
+gelukkig maken.--Doch ik kom hier, om de wacht van u over te
+nemen. Wilt gij ook niet een poosje rusten?"
+
+"Ja, mijnheer als gij 't goedvindt, ga ik dan ook wat liggen. Over
+twee uren kunt gij mij weer roepen: de dag zal dan juist aanbreken, en
+dan wil ik aan het werk gaan, terwijl gijzelf ook eenige rust geniet."
+
+Mijnheer Wilson nam zijn post op de palissade in en bleef aan zijne
+eigene gedachten overgelaten.
+
+Met het krieken van den dag werd Flink wakker en loste mijnheer
+Wilson af. Deze ging echter niet in huis terug, maar legde zich op
+de boomtakken neder, waar Flink aan Willems zijde had uitgerust.
+
+Zoodra de oude man hamer en spijkers bij de hand had, riep hij Willem
+om hem te helpen en gezamenlijk begonnen zij nu de spijkers in een
+kokosboom te slaan, waarbij een van hen voortdurend naar de wilden
+uitkeek, terwijl de ander het werk voortzette.
+
+In minder dan een uur waren zij tot de bovenste takken onder den kruin
+gevorderd, op welke hoogte zij een uitgestrekt gezicht over de baai
+en het eiland hadden. Willem had het laatste dozijn spijkers in den
+stam geslagen en was de eerste, die boven uitzien kon. Na eenigen
+tijd keerde hij tot zijn ouden vriend terug.
+
+"Ik kan alles overzien, Flink. Ze hebben het oude huis geheel
+omvergehaald; de meeste mannen zijn daar in het rond gelegerd en
+slapen onder hunne krijgsmantels. Sommigen van de vrouwen loopen van
+de kano's heen en weer. De kano's liggen aan het strand."
+
+"Zij hebben het oude huis zeker alleen overhoop gehaald, om althans
+de spijkers mee te nemen. Hebt gij niets van hunne dooden bemerkt?"
+
+"Neen, ik heb niet lang rondgekeken, maar wil nog eens naar boven
+klimmen. Ik kwam beneden, omdat de handen mij zeer deden van het
+lange kloppen, dewijl de hamer zoo zwaar te houden was. Over een paar
+minuten zal ik gemakkelijk weer boven komen. De lippen branden mij,
+Flink; ze zijn geheel opgezwollen en het vel barst mij open. Ik had
+nooit gedacht, dat de dorst zoo iets vreeselijks was. Wezenlijk,
+onze arme Thomas is al meer dan genoeg gestraft."
+
+"Een kind denkt nooit aan de gevolgen, Willem. Ook hadden wij nooit
+kunnen denken, dat zijne onnoozelheid zooveel ellende veroorzaken
+zou. Het was enkel een van zijn kinderachtige streken en wat er ook
+de gevolgen van wezen mogen, moeten we hem die toch nooit hard te
+laste leggen."
+
+"Ik had gehoopt, in de boomen boven nog een paar kokosnooten te vinden;
+maar daar was geen enkele te zien."
+
+"En al hadt ge ook een gevonden, er zou in dit jaargetij toch geen
+melk in zijn. Als de wilden zich evenwel vandaag niet uit de voeten
+maken, Willem, dan moet er iets gedaan worden. Ik wou wel, dat gij
+nog eens naar boven klomt en rondzaagt, of ze nog in het geheel geen
+toebereidselen maken om af te trekken."
+
+Willem klauterde dus nog eens omhoog en bleef daar eenige minuten
+scherp rondkijken.
+
+"Nu zijn zij allen op de been en zwermen als bijen rond," berichtte
+hij, toen hij weder beneden was. "Mannen telde ik twee honderd en
+zestig, met krijgsmantels om en pluimen op het hoofd. De vrouwen gaan
+op en af en halen water bij de bron. Bij de kano's is anders niemand,
+dan acht of tien vrouwen misschien, die zich met de handen tegen het
+hoofd slaan en allerlei vreemde fratsen maken. Ik begrijp niet recht
+wat zij eindelijk uitvoeren; maar allen maken dezelfde wonderlijke
+bewegingen."
+
+"Aha, ik weet al wat zij doen, Willem. Zij snijden zichzelven met
+messen of ander scherp tuig;--dat is zoo het gebruik bij dit volk. Al
+de dooden worden in kano's neergelegd en die vrouwen weeklagen thans
+over hare lijken. Misschien dat zij nu toch aftrekken, omdat de dooden
+reeds in de kano's gebracht zijn;--doch dat moeten wij afwachten."
+
+Men kon uit den top van den kokosboom bespeuren, dat de wilden des
+voormiddags een krijgsraad hielden: want zij zaten allen in een wijden
+kring in het rond en een hunner stond op en hield eene rede, waarbij
+hij met wilde gebaren speer en knots over zijn hoofd rondzwaaide.
+
+Later ging de vergadering uiteen en men zag de wilden overal
+met het vellen van boomen bezig, waarvan zij het rijs zorgvuldig
+bijeenbrachten. Flink sloeg hen een geruimen tijd nauwlettend gade
+en kwam eindelijk vóór zonsondergang weer van zijn boom beneden.
+
+"Mijnheer Wilson," sprak hij, "naar mijn oordeel zal men ons van
+nacht met rust laten, maar hebben wij morgen een ernstigen aanval
+te wachten. De wilden vellen boomen en maken groote takkenbossen
+klaar. Dat gaat wel wat langzaam in zijn werk, omdat hunne bijlen
+van steen en niet al te scherp zijn; maar met hun ijver en hun groot
+aantal handen kunnen zij toch veel af, te meer, daar ik vermoed, dat
+zij den ganschen nacht zullen doorwerken, tot zij zooveel takkenbossen
+bij elkander hebben als noodig is."
+
+"Wat denkt gij dan wel, Flink, dat zij met dat boomen omkappen en
+die takkenbossen van zins zijn?"
+
+"Ze zullen die óf hoog voor onze palissade opstapelen, om zoo daar
+overheen te kunnen komen, óf ze zullen ze op hoopen leggen en in
+brand steken, om ons door vuur uit onze sterkte te verdrijven."
+
+"Denkt gij, dat hun dat gelukken zal?"
+
+"Niet zonder zeer zwaar verlies. Misschien gelukt het ons nog, hen af
+te slaan; doch een harde worsteling is ophanden, veel zwaarder dan wij
+tot hiertoe nog gehad hebben. De vrouwen moeten ons vlijtig de geweren
+helpen laden, zoodat wij zoo snel mogelijk vuren kunnen. Hunne poging
+om onze verschansing in brand te steken, zou ik zooveel niet achten,
+als die rook er maar niet bij was. De kokosstammen, vooral als daar,
+gelijk bij onze palissaden, de bast nog omzit, smeulen eerst langen
+tijd, voordat ze vlam vatten en het vuur der takkenbossen kan niet
+lang aanhouden, al is het in den beginne ook nog zoo geweldig."
+
+"Maar Flink, bedenk eens, hoe kunnen wij bij ons tegenwoordig gebrek
+aan water nog kracht genoeg overhouden om onzen vijand midden in
+een verstikkenden kring van rook en vlammen het hoofd te bieden? Wij
+moeten immers zeker van uitputting bezwijken."
+
+"Wij moeten het beste hopen, mijnheer Wilson, en onze uiterste krachten
+inspannen. Mocht mij in het gevecht iets overkomen, mijnheer,
+vergeet dan niet om, ingeval er geen ander behoud meer opzit,
+van den rook gebruik te maken, om door het woud een uitweg naar de
+zuidkust te zoeken. Ik twijfel niet, of dat zal u wel gelukken. De
+aanval wordt natuurlijk van de oostzijde ondernomen, van waar thans
+de wind waait. Gij moet dus naar het westen zien te ontkomen.--Ik
+heb Willem al gewezen, hoe men door de palissade heen breken kan als
+de nood het vordert. Als de wilden ons blokhuis innemen, zullen zij
+in het eerste oogenblik niet aan u denken. Misschien dat ze zich in
+het geheel niet meer om u bekommeren, als zij eenmaal van alles wat
+in huis is meester zijn."
+
+"Maar waarom zegt gij dat zoo--"als mij iets mocht overkomen,"
+Flink?" vroeg Willem bezorgd.
+
+"Ei, jongen, omdat de wilden mij evengoed als u kwetsen of dooden
+kunnen, als zij de takkenbossen zoo hoog opstapelen, dat het hun
+gelukt, over de palissade heen te komen."
+
+"Natuurlijk," hernam Willem; "maar vooreerst zijn zij hier nog niet
+binnen en het zal hun bloed kosten, voordat zij het zoover hebben
+gebracht."
+
+Flink bood zich nu aan, om de wacht te houden tot twaalf uren,
+wanneer hij den heer Wilson wekken wilde.
+
+Zij hadden gedurende de beide laatste dagen slechts zeer weinig
+gegeten. Men had eene schildpad geslacht en er eenige stukken van
+gebraden; maar het eten vermeerderde hun dorst slechts en zelfs de
+kinderen versmaadden alle spijs. De ellende der familie was thans
+tot eene vreeselijke hoogte geklommen en de arme moeder was der
+wanhoop nabij.
+
+Zoodra mijnheer Wilson in huis terug was gegaan, riep Flink Willem
+en zeide tot hem:
+
+"Luister, Willem; wij moeten noodzakelijk water hebben. Ik kan het
+jammeren der kleinen en den vreeselijken doodsangst van uwe goede
+moeder onmogelijk langer aanzien. Bovendien zouden wij zonder water
+geheel buiten staat zijn, om de wilden morgen af te slaan. Wij
+moeten immers letterlijk stikken, zoodra zij het vuur tegen onze
+palissade leggen. Ik heb daarom besloten, om een van onze tonnen te
+nemen, en ze aan de bron te gaan vullen. Misschien gelukt mij dat,
+misschien ook niet,--maar beproeven moet ik het. Val ik,--nu, dan is
+het niet anders!"
+
+"Waarom wilt gij mij niet liever laten gaan Flink?" vroeg Willem.
+
+"Om vele redenen niet, beste jongen. De voornaamste daarvan is,
+dat ik niet geloof, dat gij er zoo goed toe in staat zoudt zijn,
+als ik mogelijk. Ik zal den mantel en de pluimen van een der
+wilden, die binnen de palissade vielen, nemen en met behulp van die
+verkleeding mijn plan misschien gelukkig volbrengen. Wapens zal ik,
+met uitzondering van een enkele speer, niet meenemen, omdat die mij
+slechts hinderen en de last, dien ik te dragen heb, onnoodig verzwaren
+zouden. Let nu wel op, beste jongen. Gij moet mij de poort uitlaten;
+als ik buiten ben, schuift gij tot meerdere zekerheid een van de
+kruisbalken er voor. Dit zal de poort, ingeval van een aanval, wel
+zoolang doen houden, totdat het gelukt er ook de andere palen voor te
+leggen. Wacht dan mijne terugkomst af en houd u klaar om mij dadelijk
+weer binnen te laten. Zeg, Willem, hebt gij mij goed begrepen?"
+
+"Jawel, Flink; maar ik moet bekennen, dat een doodelijke angst mij
+overvalt.--Als u eens een ongeluk overkwam, wat zou dat een ontzettende
+slag voor ons wezen!"
+
+"Dat is nu eenmaal niet te veranderen, Willem. Water moet er komen,
+als 't maar eenigszins mogelijk is; en nu is het oogenblik daartoe
+gunstiger dan later, als onze vijanden meer op hunne hoede zullen
+zijn."
+
+Flink ging nu eene ton opzoeken, die bij de twee emmers water
+bevatten kon. Vervolgens voorzag hij zich van den mantel en het
+hoofdversiersel van een wilde en nam het vat op den schouder en de
+speer in de hand. Willem schoof de dwarsbalken, die de deur sloten,
+zacht terug, en nadat Flink zich overtuigd had, dat achter de palissade
+niemand verscholen was, drukte hij Willem de hand, stak de open ruimte
+buiten de omheining over en verdween in het kokosbosch.
+
+Willem sloot de deur weder, gelijk hem gezegd was, schoof er
+zekerheidshalve een der dwarsbalken voor en bleef angstig wachtend op
+zijn post. Hij was in een staat van vreeselijke spanning; het minste
+geritsel, zelfs het zachtste suizen van den wind door de takken van
+het geboomte deed hem beven en rillen. Zoo stond hij ettelijke minuten
+met het geweer in de hand en gereed om op het eerste oogenblik vuur
+te geven.
+
+"Nu wordt het tijd, dat hij terugkomt," dacht hij. "De afstand
+is nauwelijks honderd passen en toch heb ik nog geen geluid
+vernomen." Eindelijk meende hij zachte voetstappen te hooren. Ja,
+het was werkelijk zoo; de oude man keerde terug en wel zonder dat
+hem iets was overkomen.
+
+Willem had de hand reeds aan den kruisbalk, om dezen weg te schuiven
+en de poort te openen;--daar hoorde hij plotseling een gerucht, als
+van twee, die aan het worstelen waren en kort daarop een zwaren val.
+
+Oogenblikkelijk rukte hij den balk weg en trok de deur open, juist
+toen Flink hem bij zijn naam riep. Met zijn geweer gewapend sprong
+Willem naar buiten. Daar vond hij Flink op den grond liggen en aan
+'t worstelen met een wilde, die op hem lag en hem zijne speer op de
+borst had gezet. In een ommezien legde Willem zijn geweer aan en gaf
+vuur. De Indiaan plofte dood aan Flinks zijde neder.
+
+"Neem schielijk het water aan, Willem!" riep Flink, met flauwe
+stem. "Ik zal beproeven of ik nog kracht genoeg heb om naar binnen
+te kruipen."
+
+De knaap greep het watervaatje en droeg dat binnen de
+verschansing. Toen vloog hij terug naar den ouden man, die op de
+knieën lag.
+
+Mijnheer Wilson was bij het hooren van dat schot oogenblikkelijk
+opgesprongen en naar buiten gesneld. Toen hij de poort open vond,
+volgde hij zijn zoon en zag, hoe deze den trouwen Flink zocht op te
+richten. Beide namen den braven oude onder een arm en zoo sleepten
+zij hem met moeite naar binnen. De poort werd aanstonds gesloten en
+nu eerst konden zij naar hun ouden vriend omzien.
+
+"Zijt gij gewond, Flink?" vroeg Willem met bevende lippen.
+
+"Ja, beste jongen, dat ben ik,--doodelijk gewond, naar ik vrees. Zijne
+speer heeft mij de borst doorboord.--Water, schielijk, water!"
+
+"Ach, dat wij maar iets voor u hadden!" jammerde mijnheer Wilson.
+
+"Wij hebben het, vader!" riep Willem. "Maar het is duur betaald,"
+voegde hij er treurig bij.
+
+Willem ging een glas halen, nam de spon uit het vat en liet het
+water loopen. Den eersten dronk bracht hij aan Flink, die het vocht
+gretig inzwolg.
+
+"Leg mij nu op deze kokosbladeren neer, mijn jongen.--Ga en geef aan
+den anderen ook wat te drinken; als zij allen gehad hebben, kom dan
+hier bij mij terug. Zeg uwe moeder niets van mijne verwonding.--Ga
+en doe wat ik u verzocht heb."
+
+"Vader, neemt gij het water,--neem, bid ik u," riep Willem. "Ik kan
+mijn Flink niet verlaten."
+
+"Dat zal ik doen, mijn zoon," zeide mijnheer Wilson; "maar drink
+eerst toch zelf een weinig."
+
+Willem, die eene onmacht nabij was, dronk het glas ledig. Terstond
+gevoelde hij zich als opnieuw gesterkt en wendde zich tot den ouden
+man, die voortdurend zwaar ademhaalde, maar geen woord sprak.
+
+De vader vloog heen, om aan vrouw en kinderen den lang gewenschten
+laafdronk te verstrekken.
+
+
+
+
+
+
+
+ACHT-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+ONVERWACHTE UITKOMST.
+
+
+Willem had ondertusschen zijn armen vriend de kleederen uitgetrokken,
+om zijne wonden nader te kunnen onderzoeken. Na eene korte poos kwam
+zijn vader terug, die zijn versmachtend gezin in allerijl gedrenkt had.
+
+"Het zou misschien beter zijn, dat wij hem naar dien anderen hoop
+bladeren droegen, hij zal daar veel gemakkelijker liggen," sloeg
+Willem voor.
+
+Flink fluisterde slechts: "Meer water! Meer water!" De knaap voldeed
+aan zijn verlangen en droeg hem toen, met behulp van zijn vader,
+naar een beter plaatsje. Zoodra zij hem daar neergelegd hadden,
+keerde Flink zich op de andere zijde om en een donkere bloedstroom
+gutste uit zijn borst.
+
+"Nu voel ik mij beter," zeide hij op fluisterenden toon. "Verbind
+de wonde, Willem. Een oud man, zooals ik, heeft niet veel bloed
+te verliezen."
+
+Mijnheer Wilson en Willem schoven zijn hemd ter zijde en onderzochten
+de wonde. De speer was hem diep in de longen gedrongen. Willem trok
+oogenblikkelijk zijn eigen hemd uit, scheurde het in stukken en
+verbond de wonde, zoodat er geen bloed meer uit kon vloeien.
+
+Flink had er, toen men hem van zijn eerste leger had opgenomen,
+zeer machteloos en uitgeput uitgezien; doch nu herstelde hij zich
+langzamerhand en kon weer zacht spreken.--Op dit oogenblik kwam
+mevrouw Wilson uit huis aansnellen.
+
+"Waar is de goede, brave man--onze redder?" riep zij. "Ik moet hem
+zelve danken!"
+
+Mijnheer Wilson vatte haar bij den arm.
+
+"Hij is gewond, lieve vrouw; ik vrees zeer gevaarlijk gewond. Ik
+wilde u dat niet dadelijk zeggen."
+
+Hij zeide haar thans met weinige woorden wat er voorgevallen was en
+bracht haar toen bij Flinks leger. Mevrouw Wilson knielde aan zijne
+zijde neder, nam zijne hand en barstte in tranen uit.
+
+"Ween niet om mij, lieve mevrouw," zeide de oude man. "Mijne uren
+zijn geteld; het bedroeft mij slechts, dat ik u niet meer van dienst
+zal kunnen wezen."
+
+"Lieve, beste vriend!" snikte mevrouw Wilson; "hoe ons lot zich
+ook immer wenden moge, zoolang ik het leven behoud, zal ik nimmer,
+nimmer vergeten wat gij voor mij en de mijnen gedaan hebt."
+
+Met deze woorden boog de bedroefde vrouw zich over den lijder neder,
+kuste hem op het voorhoofd en richtte zich daarna op, om schreiend
+naar huis te keeren.
+
+"Willem," fluisterde Flink, "ik kan nu niet spreken. Beur mijn hoofd
+een weinig op en verlaat mij dan. 't Is beter voor mij, dat gij mij
+alleen laat. Gij hebt al in lang niet meer op den uitkijk gestaan;
+doe dat en kom over een half uur hier weer bij mij. Ga gij ook,
+mijnheer; ik wil zien of ik een weinig rusten kan."
+
+Vader en zoon voldeden aan dit verlangen. Zij traden weer op de planken
+en zagen naar alle kanten scherp rond, of zij ook iets ontdekken
+konden. Zij bespeurden niets en klommen dus weder naar beneden.
+
+"Dat is een onoverkomelijke slag, mijn zoon," begon de vader.
+
+Willem schudde het hoofd. "Hij wilde mij volstrekt niet laten gaan,
+vader," antwoordde hij eindelijk; "en nu wenschte ik, dat ik het
+toch gedaan had. Ik vrees, dat hij zwaar gewond is; dunkt u dat ook
+niet, vader?"
+
+"Ik durf niet hopen, Willem, dat hij er weer van opkomt. Wij zullen
+hem morgen gevoelig missen, als men ons aanvalt. Ik vrees zeer voor
+den afloop."
+
+"Ik weet niet wat ik zeggen moet, vader. Maar dat gevoel ik, sinds
+wij ons weer met water verkwikt hebben, kan ik tweemaal zooveel doen,
+dan waartoe ik anders in staat zou zijn geweest."
+
+"Het gaat mij evenzoo, beste jongen; maar toch, wat kunnen twee
+menschen tegen zulk eene overmacht?"
+
+"Als moeder en Juno de geweren voor ons laden, zullen wij thans voor
+'t minst evenveel kunnen uitrichten, als waartoe wij gisteren in
+onzen uitgeputten toestand met ons drieën in staat waren."
+
+"Dat is wel mogelijk, Willem. In allen gevalle willen wij ons best
+doen, want wij strijden immers voor ons eigen behoud en voor 't leven
+van hen, die ons het liefst op aarde zijn."
+
+Willem sloop zacht op Flinks leger toe en bevond dat de oude man
+sluimerde, zoo hij al niet vast in slaap lag. Hij stoorde hem derhalve
+niet, maar keerde tot zijn vader terug.
+
+Zij droegen het watervat gezamenlijk in huis en stelden het onder het
+opzicht der moeder, opdat geen enkele drup nutteloos mocht verloren
+gaan. Thans eerst nu de dorst gelescht was, begonnen allen ook de
+kwelling van den honger te gevoelen.
+
+Juno en Willem gingen daarom aan het werk, sneden de schildpad in
+stukken en roosterden die bij het vuur. Zij namen allen een hartig
+maal en misschien had het eten hun in hun gansche leven niet zoo
+lekker gesmaakt als ditmaal.
+
+Het was bijna reeds dag, toen Willem, die herhaalde malen zacht naar
+Flink was komen zien om zich te overtuigen, dat hij nog sliep, den
+gewonde eindelijk met de oogen open vond.
+
+"Hoe gaat het, Flink; hoe voelt gij u nu," vroeg hij, vol deelneming.
+
+"Ik voel mij heel licht en wel, Willem, en heb niet veel pijn. Ik
+geloof evenwel, dat het met mij ten einde loopt en dat het niet lang
+meer zal aanhouden. Denk er aan, Willem, dat gij, als gij genoodzaakt
+wordt de versterking te verlaten, u om mij niet bekommeren moogt. Ik
+zal blijven, waar ik nu ben. Langer leven kan ik immers toch niet,
+en als gij mij meesleepen wildet, zou dit mijn einde maar verhaasten."
+
+"Ik zou liever sterven dan u verlaten, Flink!"
+
+"Neen, neen, mijn jongen--dat is dwaas en verkeerd gesproken. Gij
+hebt uwe moeder en de kleinen, die gij redden moet. Beloof mij,
+dat gij doen zult wat ik u gezegd heb."
+
+Willem aarzelde.
+
+"Het is uw plicht, jongen, wat ik van u verlang. Ik ken uw gevoel heel
+wel, maar gij moogt daar ditmaal niet aan toegeven. Beloof mij dat,
+als gij mijn sterfuur niet verzwaren wilt."
+
+Willem drukte zijn ouden vriend de hand. Zijn hart was te vol,--hij
+kon niet spreken.
+
+"Met het aanbreken van den dag zullen zij terugkomen, Willem,--althans
+dat verwacht ik. Gij hebt weinig tijd meer te verliezen. Klim op onzen
+uitkijk en blijf daar, tot het licht aan den hemel komt. Bespied hen,
+zoolang gij dat zonder gevaar doen kunt. Kom dan beneden en zeg mij,
+wat gij gezien hebt."
+
+Flinks stem werd al zwakker en zwakker, daar het vele spreken hem
+reeds al te veel vermoeid had. Hij wenkte Willem, die oogenblikkelijk
+in den boom klauterde en daar, totdat het licht werd, de wacht hield.
+
+Toen de ochtendschemering aanbrak, bemerkte hij, dat de wilden op
+de been kwamen. Zij hadden hunne takkenbossen aan de noordzijde
+bijeengebracht en maakten alle toebereidselen tot een spoedigen
+aanval. Ten laatste zag hij ieder van hen een takkenbos op den schouder
+nemen, en zoo trokken zij in eene lange rij op het blokhuis aan.
+
+Willem was in een ommezien omlaag en riep zijn vader, die juist met
+zijne vrouw sprak. Al de geweren stonden gereed, en mevrouw Wilson
+plaatste zich met Juno dicht bij de palissade, om ze terstond na het
+afvuren opnieuw te laden.
+
+"Wij moeten op hen losbranden, zoodra wij zeker zijn van hen niet te
+missen, mijn jongen," zei de vader. "Hoe langer wij hen van ons lijf
+houden, des te beter voor ons."
+
+Zoodra de eerste wilden op vijftig passen afstands waren gaven beiden
+vuur, en twee van hunne vijanden vielen. Zij gingen voort, de eerste
+tien minuten met veel geluk op de bestormers te schieten; maar nu
+kwamen de wilden in dichter troepen opzetten en gebruikten bovendien
+nog de voorzichtigheid van de takkenbossen voor hun lichaam te houden,
+ten einde bij het naderen der palissade beter bedekt te zijn.
+
+Op deze wijze gelukte het hun werkelijk den voet der palissade zonder
+zwaar verlies te bereiken, en daar begonnen zij hunne takkenbossen op
+een hoop op te stapelen. Vader en zoon onderhielden nog bij voortduring
+een levendig vuur tegen hunne vijanden, maar niet met dezelfde gunstige
+uitwerking als in den beginne.
+
+Er vielen wel ettelijke wilden, doch de takkenbossen rezen al hooger
+en hooger op, totdat ze bijna de gaten in de palissade bereikten,
+waardoor men tot hiertoe gevuurd had. Daarbij gaven de Indianen aan hun
+houtberg eene schuins omloopende richting, zoodat het kennelijk was,
+dat zij langs dezen weg opklimmen en de versterking stormenderhand
+innemen wilden.
+
+Eindelijk schenen de takkenbossen alle te hoop gebracht, want de
+wilden trokken thans weer tot aan den rand van het bosch terug.
+
+"Zij zijn weg, vader," riep Willem; "maar zij zullen terugkomen,
+en ik vrees dat het dan met ons gedaan zal zijn."
+
+"Dat vrees ik ook, mijn dappere jongen," antwoordde mijnheer
+Wilson. "Ze hebben zich allen verwijderd, om zich tot een algemeenen
+storm te ordenen, en nu zal het hun mogelijk zijn in onze verschansing
+door te dringen. Ik had waarlijk liever, dat zij maar de takkenbossen
+hadden aangestoken. Daar hadden wij althans naar Flinks aanwijzing
+kunnen ontkomen. Nu vrees ik, dat geen hoop meer over is."
+
+"Zeg daar moeder toch geen woord van!" bad Willem. "Wij willen ons
+tot het laatst verweren, totdat wij eindelijk bezwijken moeten."
+
+"Ik zou uwe lieve moeder nog gaarne eens tot afscheid omhelzen,"
+sprak de vader. "Maar neen,--nu zou dat zwakheid zijn. Ik zal het
+liever laten. Daar komen zij, Willem! Nu dan, mijn kind, mijn Willem,
+vaarwel!"
+
+De gansche troep wilden rukte thans in een dichte hoop uit het bosch
+op. Zij hieven een vervaarlijk gillend geschreeuw aan, dat mevrouw
+Wilson en Juno met ontzetting vervulde. Niettemin weken de beide
+moedige vrouwen geen oogenblik van hare standplaats.
+
+De Indianen waren nu weder tot op vijftig passen genaderd, en de beide
+verdedigers openden andermaal hun vuur. Dit werd door de wilden met
+woest getier beantwoord, en dezen waren reeds aan den voet van hun
+houthoop gekomen. Doch daar op eens hoorde men onder het knallen der
+geweren en het getier der bestormers een luid gedonder. De boomen in
+het rond kraakten, en beide partijen bleven roerloos van verbazing. Een
+tweede en een derde donderslag volgde. De hoop takkenbossen voor de
+palissade stoof uiteen en de wilden tuimelden bij hoopen ter aarde.
+
+"Dat moeten kanonnen van een schip zijn, vader!" riep Willem. "Wij
+zijn gered! Wij zijn gered!"
+
+"Het is niet anders mogelijk; wij zijn als door een wonder gered,"
+riep ook de vader in de hoogste verbazing.
+
+De wilden, geheel verbijsterd, staakten hun aanval. Nog eens en
+andermaal dreunde het geschutgedonder door de lucht. Kogels en
+kartetsen fluitend en gierend door het woud. Eindelijk kwam er nog
+een volle laag;--toen keerden de wilden om en vluchtten naar hunne
+kano's. Na eenige oogenblikken was er geen enkele meer te zien.
+
+"Wij zijn gered!" riep mijnheer Wilson, sprong van de plank neer en
+drukte zijn vrouw in de armen.
+
+"Een groote schoener, vader! Hij vuurt op de wilden, die reeds bij
+hunne booten zijn. Zij vallen overal neer; daar springen al enkelen in
+'t water! Ginds komt eene sloep vol gewapende matrozen op den oever
+aan.--Zij landt bij den tuin. Drie van de kano's zijn vol met wilden,
+die wegroeien willen.--Daar valt weer eene laag.--Twee kano's zijn in
+den grond geboord, vader!--De boot is geland. Het volk komt regelrecht
+hier naar toe!"
+
+Na deze laatste uitroeping kwam Willem haastig naar beneden. Zoodra
+hij de voeten op den grond had, vloog hij naar de deur der omheining
+en begon de balken weg te schuiven. Hij had juist den laatsten in de
+hand toen hij den tred der bevrijders buiten hoorde. Hij rukte de poort
+open.... en lag een oogenblik later in de armen van--kapitein Osborn.
+
+Men zal zich herinneren, dat reeds ettelijke maanden vroeger eene
+brik in de nabijheid van het eiland verschenen, maar tot grievende
+teleurstelling onzer eilandbewoners weder verdwenen was, zonder terug
+te keeren, hoewel zij de opgeheschen vlag van de Vrede wel herkend
+moest hebben.
+
+Ziehier, hoe het met de zaak was. Het volk aan boord van die brik had
+niet alleen Flink's seinen bemerkt, maar ook den naam van De Vrede op
+de opgehaalde vlag gelezen. De hevige storm, die toen losbrak, had hen
+echter zoo ver zuidwaarts gedreven, dat de kapitein van de brik aan
+zijn plicht jegens zijn patroons dacht te kort te zullen doen, indien
+hij zooveel tijd verloor, als noodig was, om midden door dien storm
+weder naar het eiland op te werken. De lading, die hij aan boord had,
+was van dien aard, dat zij noodzakelijk in waarde verliezen moest,
+wanneer zij niet als eene der eersten op de markt kwam. Hij besloot
+derhalve met volle zeilen op Sidney koers te zetten; dat was namelijk
+de haven, naar welke hij bestemd was.
+
+Uit het begin van ons verhaal zullen onze lezers nog wel weten, hoe
+kapitein Osborn door Mackintosh en de overige matrozen van de Vrede in
+een bewusteloozen toestand in de boot werd gebracht. Hij kwam echter
+langzamerhand weer tot zichzelven en was in een stormachtigen nacht,
+waarin de manschap de grootste moeite had gehad om zich vlot te houden,
+weer in zooverre bekomen, dat hij zich door Mackintosh het vroeger
+gebeurde kon laten verhalen, alsmede de oorzaak waarom hij zich thans
+in eene open boot op zee bevond. Den volgenden morgen ging de storm
+liggen, en zij hadden het geluk een schip te ontmoeten, dat naar
+Van-Diemensland bestemd was en hen allen bereidwillig aan boord nam.
+
+Na het verhaal van Mackintosh twijfelde kapitein Osborn geen oogenblik
+aan den ondergang der familie Wilson, en het vergaan van de Vrede
+en van zijne passagiers werd aan de eigenaars naar behooren bekend
+gemaakt.
+
+Bij zijne aankomst in Van-Diemensland gevoelde kapitein Osborn
+zich door de schoonheid en vruchtbaarheid van dat oord zoodanig
+aangetrokken, dat hij besloot aldaar eenige landerijen aan te koopen
+en er zich vreedzaam als burger neer te zetten. Misschien wel dat
+ook de herinnering van het groote gevaar, dat hij op zijn laatsten
+zeetocht had doorgestaan, bij hem tot de opvatting van dit besluit
+niet weinig had bijgedragen.
+
+Overeenkomstig zijn plan had hij een landgoed aangekocht, waar hij
+de veeteelt op eene groote schaal drijven wilde. Hij was op eene
+schoener naar Sidney gegaan, om daar de aankomst van eene groote
+kudde vee, die hij uit Engeland ontboden had, af te wachten, toen
+de reeds vermelde brik in de haven binnenliep en berichtte, dat men
+op het kleine eiland blanke bewoners ontdekt en op eene door hen
+opgeheschen vlag den naam van De Vrede gelezen had.
+
+Zoodra kapitein Osborn dit vernam, zocht hij den kapitein van de
+brik op en deed bij hem een nauwkeurig onderzoek naar de nadere
+bijzonderheden van zijne ontdekking. Hij bevond, dat de geographische
+lengte en breedte van het eiland zoo tamelijk overeenkwamen met de
+plaats, waar zij hun schip hadden verlaten, en hield zich nu ten volle
+overtuigd, dat de familie Wilson als door een wonder in het leven
+moest zijn gebleven. Terstond begaf hij zich nu naar den gouverneur
+van Nieuw-Zuid-Wales en maakte hem met al de vereischte omstandigheden
+bekend. Deze hoorde hem met belangstelling aan en stelde terstond een
+gewapenden schoener van de regeering tot zijne beschikking, ingeval hij
+zelf mede uitgaan en zijne voormalige scheepsgenooten opzoeken wilde.
+
+Kapitein Osborn was hier terstond toe bereid, daar een korte
+afwezigheid hem bovendien toch niet benadeelde; en reeds weinig dagen
+daarna lichtte de schoener het anker.
+
+Deze kwam in de nabijheid van het eiland aan op denzelfden morgen, dat
+de wilden met hunne vloot van kano's hunne landing bewerkstelligden,
+en had Flink op het oogenblik, toen Willem hem bij het haastig
+terugkeeren van het oude woonhuis verzekerde, "dat hij aan de
+landpunt in de nabijheid van den tuin nog een ander vaartuig onder
+zeil had gezien,"--tijd gehad, om zijn kijker te gebruiken, dan zou
+hij ontdekt hebben, dat het de schoener en niet, zooals hij vermoedde,
+een kano was, die in den nacht van de overige booten was afgeraakt.
+
+De schoener lag op dat oogenblik op het rif aan. Hij wendde toen weder
+van den wal uit en zond eene boot af, om eene geschikte ankerplaats
+op te zoeken.
+
+Terwijl de manschappen in de boot met looden bezig waren, ontdekten
+zij de wilden in hunne kano's en hoorden het geknal der vuurwapens
+gedurende den eersten aanval. Bij hunne terugkomst aan boord berichtten
+zij wat zij gehoord en gezien hadden, en hoe het waarschijnlijk was,
+dat de Europeanen op het eiland door de wilden werden aangevallen.
+
+Daar de boot eerst tegen den avond aan boord was teruggekomen, had
+men geen tijd om nader onderzoek te doen, en thans geschiedde de
+nachtelijke aanval en hoorde men andermaal geweerschoten vallen.
+
+Dit boezemde kapitein Osborn den wensch in, om zoo schielijk mogelijk
+te landen; doch daar de wilden in groote getale op het eiland zijn
+moesten, terwijl de bemanning van den schoener uit niet meer dan
+vijf-en-twintig koppen bestond, hield de commandant van het schip
+dat voor al te onvoorzichtig. Daarom wilde hij den schoener met
+allen spoed voor anker zien te brengen, opdat die de landing dekken
+mocht. Dan zou het den matrozen vergund zijn aan wal te gaan.
+
+De boot had bericht gebracht, dat bij de landpunt aan den tuin ondiep
+water en goede ankergrond te vinden was, en alle toebereidselen werden
+gemaakt, om den volgenden morgen met het aanbreken van den dag op de
+kust aan te loopen. Ongelukkigerwijze ging de wind liggen en bleef
+het 't beste gedeelte van den volgenden dag stil, en zoo kwam het,
+dat zij eerst den ochtend daarna, juist toen de wilden hun laatsten
+aanval beproefden, inloopen konden.
+
+Toen dit geschied was, opende de schoener het vuur van zijne
+stukken. Met welk gevolg, is bekend, de wilden vluchtten naar alle
+richtingen. De boot werd daarop bemand, kapitein Osborn stelde zichzelf
+aan het hoofd der landingstroepen en kwam zoo nog tijdig tot behoud
+der hard bedreigde belegerden opdagen.
+
+Wie kan zich de verrukking van mijnheer Wilson en zijne echtgenoote
+voorstellen, toen deze hun ouden vriend Osborn weer voor hunne oogen
+zagen staan.--Alle gevaar was nu immers geweken. De gelande matrozen
+trokken onder commando van den bootsman uit, om te onderzoeken, of er
+misschien nog van de wilden op het eiland waren. Met uitzondering van
+de dooden en stervenden waren allen echter op eenige van de kleinere
+kano's ontsnapt.
+
+Kapitein Osborn bleef bij de Wilsons achter en verhaalde hun met
+weinig woorden zijne eigen geschiedenis. Zij onderrichtten hem op
+hunne beurt van den toestand van den ouden armen Flink, tot wien
+Willem zich oogenblikkelijk weder begeven had, zoodra hij kapitein
+Osborn met vader en moeder in gesprek zag.
+
+Osborn snelde nu dadelijk toe, om zijn ouden stuurman en vriend te
+zien. Deze herkende hem ook aanstonds, d. i. zijne stem, want de oogen
+van den ouden man waren reeds zoo zwak geworden, dat hij bezwaarlijk
+iets meer onderscheiden kon.
+
+"Dat is kapitein Osborn,--dien ken ik," fluisterde hij, met zwakke
+stem. "Gij zijt nog even bijtijds gekomen, mijnheer. Ik wist wel,
+dat gij komen zoudt, en heb dat ook altijd gezegd. Neem daarvoor den
+dank van een stervende aan."
+
+"Ik hoop, dat het zoo erg niet met u wezen zal, Flink. Wij hebben
+een dokter aan boord, en ik zal hem terstond laten halen."
+
+"Mij kan geen dokter meer helpen," hernam Flink. "Het zal geen uur
+meer duren, of 't is uit met mij. Het is mij een groote blijdschap,
+dat ik mijne lieve vrienden hier nog gered heb gezien."
+
+"Ik zal in allen gevalle om den dokter zenden," zeide kapitein Osborn,
+"ofschoon ik wel zie, dat die weinig helpen kan. De hand des doods
+heeft hem reeds aangevat."
+
+Mijnheer Wilson verliet met vrouw en vriend het leger van den
+stervende; allen waren door het bijgewoonde tooneel uiterst
+getroffen. Alleen Willem bleef bij Flink achter en reikte hem water
+toe, zoo dikwijls hij daarnaar vroeg. Eenige minuten daarna sloeg de
+oude man andermaal de oogen op.
+
+"Zijt gij bij mij, Willem? Ik kan u niet zien. Luister, beste
+jongen. Begraaf mij onder de boomen op den heuvel, boven de bron. Daar
+wensch ik te liggen. De onnoozele kleine Thomas,--laat hem nooit
+weten, dat hij de oorzaak van mijn dood geweest is. Breng hem nog
+eens hier bij mij,--en Juno en Caroline ook. Ik wil allen vaarwel
+zeggen, Willem."
+
+Willem schoten de oogen vol tranen; hij liep naar huis en maakte
+vader en moeder met Flinks verlangen bekend.
+
+Allen kwamen, om het laatste vaarwel van den stervende te
+ontvangen. Flink riep ieder bij zijn naam, den een na den ander. Zij
+knielden toen bij hem neder en kusten hem. Hij zeide hun met zwakke
+stem vaarwel; eindelijk gingen zijne woorden in een onverstaanbaar
+gefluister over. Zoo stonden zij stil en weenend rondom zijn leger
+geschaard. Slechts Willem knielde aan zijne zijde neder en hield zijn
+hoofd omvat. In 't einde liet de stervende dit voorover op de borst
+zinken en--was niet meer.
+
+"Nu is alles voorbij," sprak mijnheer Wilson diep bedroefd. Hierop
+leidde hij zijne vrouw met de kleinen in huis terug; alleen Juno
+en Willem bleven bij het lijk achter. De arme meid barstte zoodra
+haar heer en mevrouw zich verwijderd hadden en zij aan haar gevoel
+den vrijen loop durfde geven, in luide jammertonen uit en wrong als
+radeloos de handen.
+
+Willem drukte hem de oogen toe. Juno haalde de oude scheepsvlag,
+welke zij toen over zijn lijk uitspreidden. Vervolgens gingen beiden
+de familie opzoeken.
+
+In den tijd, dien Willem bij Flink had doorgebracht was de commandant
+van den schoener met een tweede afdeeling geland, die hij insgelijks
+uitzond om het eiland te doorkruisen en verstrooide vluchtelingen
+uit de schaar der wilden op te zoeken, doch er was niemand meer
+te ontdekken.
+
+Kapitein Osborn stelde den commandant aan de familie Wilson voor, en
+men maakte nu dadelijk afspraak tot het inschepen van deze laatste. Den
+volgenden dag zou tot het pakken en inladen van alle goederen besteed
+worden; den dag daarop zou de familie aan boord gaan.
+
+Willem gewaagde van Flinks wensch ten aanzien van zijne begrafenis. De
+commandant van den schoener gaf dadelijk last om eene kist te
+vervaardigen en op de door Willem aangeduide plaats een graf te delven.
+
+Men kwam overeen, dat de geiten en overige dieren, met uitzondering
+van de honden, op het eiland zouden blijven, ten dienste van hen,
+die misschien in de toekomst een dergelijk ongeluk ondergaan mochten,
+als de manschap en de passagiers van De Vrede getroffen had.
+
+De booten kwamen den volgenden morgen tijdig aan land en namen de
+bagage in. Mijnheer Wilson wilde verder niets medenemen, wat voor
+latere schipbreukelingen van waarde kon zijn. Het huisraad, al het
+timmermansgereedschap, ijzerwerk en spijkers, verder pekelvleesch en
+meel, werd in het huis achtergelaten en weggeborgen. Zoo was hetgeen
+men had in te schepen dan ook van weinig omvang en dus weldra aan
+boord gebracht.
+
+
+
+
+
+
+
+NEGEN-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+BESLUIT.
+
+
+De drukte en de haast van de toebereidselen tot het vertrek van het
+eiland, alsmede de snelle opvolging der gebeurtenissen, die zich in
+de tijdruimte van weinige dagen hadden opgedrongen, hadden Willem en
+zijne ouders slechts weinig tijd tot nadenken overgelaten. Eindelijk
+echter was al het noodige beschikt en had de commandant van den
+schoener geen reden meer om hen tot spoed aan te drijven. Zij hadden
+in den loop van den namiddag het laatste aan boord gezonden, en den
+volgenden dag, zoo was de afspraak, zou men onder zeil gaan.
+
+Nu hadden zij rust, om het verlies van hun ouden vriend eerst recht
+diep te gevoelen, en bitter beklaagden zij hun lot, dat hem niet
+veroorloofd had gezamenlijk met hem naar Sidney te stevenen. Zij
+hadden altijd de hoop gekoesterd, dat zij eens van het eiland verlost
+zouden worden, en in deze hoop hadden zij zich er aan gewend den
+eerwaardigen ouden Flink als een lid van hunne toekomstige huishouding
+te beschouwen. Thans, nu hunne vurige wenschen waren bekroond,--nu was
+het gevoel der vreugde en dankbaarheid met diepen kommer vermengd;
+ja, zoo groot was de droefheid over het verlies van hun redder en
+beschermer, dat zij met blijdschap op het eiland zouden gebleven zijn,
+als zij hem daardoor wederom in het leven hadden kunnen roepen.
+
+Kapitein Osborn, de commandant en de matrozen van den schoener hadden
+voor dien nacht afscheid van hen genomen en waren aan boord gegaan,
+na vooraf de noodige beschikkingen gemaakt te hebben tot Flinks
+teraardebestelling, die den volgenden morgen vóór het lichten der
+ankers zou plaats vinden. De kinderen waren te bed gebracht en Juno
+was naar buiten gegaan; de ouders met hun zoon zaten in het nu half
+ledige vertrek, toen Juno weder binnentrad. Het arme meisje had
+blijkbaar bitter geschreid.
+
+"Zeg, Juno," begon mijnheer Wilson, om het pijnlijk stilzwijgen
+af te breken, dat reeds eene poos vóór hare binnenkomst geheerscht
+had. "Zijt gij niet blij, dat wij nu het eiland verlaten zullen?"
+
+"Vroeger ikke heel blij zou zijn geweest, maar nu mij niet sikkepitje
+schelen kan," was het antwoord. "Het eiland heel lieve plaats,--alles
+heel gelukkig, tot de wilden komen. Als zij niet vermoord hadden
+ouden Flink, ik ook niet veel om de wilden geven zou."
+
+"Ja, waarlijk," viel mevrouw Wilson haar in de rede, "dat is voor ons
+allen een harde slag. Ik had altijd gehoopt den goeden Flink in zijn
+ouderdom te kunnen oppassen en hem onze dankbaarheid te bewijzen;
+maar nu...."
+
+"De helft van mijn vermogen gaf ik, als wij hem behouden hadden,"
+sprak de vader.
+
+"Ach, massa!" snikte Juno, "ikke daar effentjes buiten bij hem zitten;
+ikke de vlag oplichten en hem in 't gezicht kijken.--Och, wat goed,
+vriendelijk en gerust zijn gezicht!--Ikke haast denken, dat hij mij
+toelachen,--en ikke hardop schreien moest. O, massa Thomas,--dat
+allemaal om jou, stout jonk!"
+
+"Zijn verlies grieft mij dubbel, omdat zijn dood aan de onnadenkendheid
+van een mijner kinderen te wijten is," hernam mijnheer Wilson. "Welk
+eene vreeselijke les voor Thomas, als hij eens tot de jaren komt,
+om de gevolgen van zijn daad geheel te beseffen!"
+
+"Daar mag hij nooit iets van te weten komen, vader," riep Willem,
+die tot hiertoe treurend in een hoek had gezeten. "Eene van Flinks
+laatste beden was, dat Thomas de oorzaak van zijn dood nooit vernemen
+zou. Ik moest hem dat plechtig beloven."
+
+"Zijne laatste wenschen zullen ons heilig zijn, mijn beste jongen,"
+verzekerde zijn vader; "want wat zijn wij aan den goeden braven man
+al niet verschuldigd! Toen de overigen ons verlieten en ons aan den
+ondergang prijsgaven, bleef hij bij ons, om ons lot te deelen, op een
+oogenblik, dat alle uitzicht bestond, dat de oceaan ons verzwelgen
+zou. Door zijne bekwaamheid en ondervinding werden wij gered en
+bereikten wij gelukkig dit eiland. Hij zorgde voor onze behoeften,
+verplaatste ons in een behagelijken toestand, leerde ons hoe wij onze
+middelen tot ons best aanwenden konden, was in alles onze raadgever,
+en ik mag wel zeggen onze beschermer en redder. Wat zou er zonder
+hem van ons geworden zijn? Zonder zijne zorgvuldigheid hadden wij nog
+in den laatsten tijd onder de knotsen en speren der wilden den dood
+gevonden. Zijne zelfopoffering was het, die ons het water verschafte,
+dat ons leven redde, en juist deze daad was het, waarbij hij zijn
+leven voor ons opofferde. Welk een schoon voorbeeld van moed en
+zelfopoffering heeft hij ons altijd gegeven!"
+
+"Ach! ware hij niet zoo plotseling uit ons midden genomen!--Had
+hij nog slechts weinige dagen geleefd, zoodat wij om zijn sterfbed
+hadden kunnen staan, hem de trouwe oogen in vrede hadden kunnen
+sluiten!...." zeide mevrouw Wilson en schreide aan de borst van
+haar echtgenoot.
+
+Na eenigen tijd waren zij weder eenigszins tot kalmte gekomen, doch
+eene sombere stilte, slechts nu en dan door Juno's zuchten afgebroken,
+bleef in den familiekring heerschen. Willems hart was overvol. Hij
+kon eene geruime poos geen woord uiten. Eindelijk zeide hij met
+gebroken stem:
+
+"Ik gevoel, dat ik een vriend verloren heb, dien ik naast vader en
+moeder boven alles liefhad. Ik kan mijzelven maar niet vergeven,
+dat ik hem dat water halen liet. Het was mijn plicht geweest, en ik
+had voor hem moeten gaan."
+
+"En toch, mijn lieve zoon, zouden wij u ook zwaar gemist hebben. Gij
+hadt er immers ook het leven bij kunnen inschieten," riep zijne moeder.
+
+Den volgenden morgen waren zij vroeg op de been en pakten alles
+bijeen, wat nog mede naar boord moest worden genomen. Weinig woorden
+werden gesproken, want een weemoedige, plechtige ernst heerschte in
+aller gemoed.
+
+Zij wachtten op de komst van kapitein Osborn en van de manschap van den
+schoener, om het lijk van stuurman Flink ter aarde te bestellen. Willem
+was van tijd tot tijd naar buiten gegaan, om naar het schip uit te
+zien. Hij kwam nu binnen en berichtte, dat twee booten op de kust
+aanroeiden.
+
+Weinige minuten later verscheen kapitein Osborn met den commandant
+van het schip. Na een kort onderhoud verlieten beiden het huis,
+om de noodige orders te geven.
+
+Men had de kist mede aan land gebracht. Flinks stoffelijk overschot
+werd daarin neergelegd en zijne laatste woning alstoen gesloten. Willem
+was daarbij tegenwoordig, en de tranen rolden hem langs de wangen,
+toen het deksel dichtviel en hij zijn goeden ouden vriend voor de
+laatste maal gezien had.
+
+Binnen een half uur waren alle toebereidselen gemaakt en werd de
+familie buiten geroepen. Het werd zoo ingericht, dat Willem, zijn
+vader, kapitein Osborn en Juno--de arme meid had er uitdrukkelijk om
+verzocht--de slippen van het lijkkleed te dragen hadden.
+
+De kist, met de koninklijke vlag overdekt, werd door zes matrozen
+op de schouders genomen en ten grave gedragen. Achter haar gingen
+mevrouw Wilson en hare kinderen en vervolgens de commandant van
+den schoener met eenigen van zijn volk. Mijnheer Wilson hield een
+toespraak, slechts nu en dan door Juno's snikken afgebroken en het
+graf werd dichtgemaakt, waarop allen zich stil en treurig verwijderden.
+
+Op Willems verzoek had de commandant een stevig traliehek rondom het
+graf laten zetten; midden op den grafheuvel werd een paal opgericht,
+waarop de naam van den afgestorvene en de dag van zijn dood vermeld
+stonden.
+
+Zoodra dit verricht was, volgde Willem met een diepen zucht den
+commandant naar het huis, om te berichten, dat alles was afgeloopen
+en dat de boot wachtte.
+
+"Kom, lieve vrouw," zeide mijnheer Wilson tot zijne echtgenoote.
+
+"Ik ga, ik ga," antwoordde deze: "maar ik weet niet, hoe het
+komt,--thans, nu het uur geslagen heeft,--dat het mij zooveel kost
+dit eiland te verlaten. Ware Flink nog in leven, mij dunkt, ik zou
+wenschen hier altijd te blijven."
+
+"Ik begrijp, dat gij ontroerd zijt, lieve; maar wij mogen kapitein
+Osborn niet al te lang ophouden."
+
+"Ik wenschte dat wij nog eens tijd hadden om al die lieve plekjes
+van ons verblijf,--den tuin, de bron, de vijvers te bezoeken. Zelfs
+van de dieren zou ik gaarne afscheid nemen, Wilson. Misschien is het
+een zwakheid,--maar ik kan ze niet onderdrukken."
+
+"Laten wij onze geit ook hier, moeder," vroeg Caroline, "en al onze
+aardige kippen?"
+
+"Ja, lieve meid; geiten en vogels blijven achter voor andere menschen,
+die misschien na ons op dit eiland kunnen landen."
+
+"En moeten de schildpadden dan ook in den vijver blijven?" vroeg
+Thomas. "Schildpadsoep is zoo lekker. Ik houd veel van schildpad."
+
+"Dat is geen kwade inval," merkte kapitein Osborn aan. "De schildpadden
+konden wij wel aan boord brengen; dat zal toch zooveel tijd niet
+wegnemen."
+
+"O neen," zeide de commandant. "Kom, haast u, jongens! roeit met eene
+van de booten naar de vijver en brengt de schildpadden aan boord."
+
+Daar dit eenig oponthoud veroorzaakte, ging mevrouw Wilson naar Flinks
+graf, om het hek en het opschrift te zien, waarvan Willem haar gezegd
+had, dat het voorzien was geworden. Zij zou daar nog langer aan den
+arm van haar man vertoefd hebben, als kapitein Osborn niet was komen
+zeggen, dat de sloep nu wachtte.
+
+Dewijl mijnheer Wilson bemerkte, dat de commandant van den schoener
+de eilanden nog vóór het vallen van de duisternis uit het gezicht
+wenschte te hebben, leidde hij zijne vrouw nu zonder verwijl naar
+het strand. Allen stapten in de boot en waren weldra op het dek van
+den schoener. Daar stonden zij met de oogen onafgewend op het eiland
+gericht, terwijl de matrozen de ankers lichtten.
+
+Eindelijk werden de zeilen bijgezet en het schip stuurde langs de
+landpunt bij den tuin voorbij. Eene frissche koelte begunstigde
+hunne vaart en zoo werden alle voorwerpen aan de kust hoe langer hoe
+onduidelijker. Maar nog altijd dwaalden hunne blikken in verschillende
+richting rond.
+
+Juno en Willem stonden op de verschansing. Onze jonge vriend had
+den kijker in de hand en hield dien vast aan het oog gedrukt, toen
+kapitein Osborn hem vroeg, waarop hij tuurde.
+
+"Ik zeg Flinks graf mijn laatst vaarwel," was het antwoord.
+
+"Hij wezenlijk heel goede man was," fluisterde Juno met een diepen
+zucht.
+
+Terwijl ze naar het Westen stuurden, kwamen zij de bocht voorbij,
+waar zij het eerst geland waren, en mijnheer Wilson maakte zijne vrouw
+op dit punt opmerkzaam. Deze zag een tijdlang zwijgend daarheen en
+keerde zich toen om met de woorden:
+
+"Wij zullen zeker nooit gelukkiger wezen, Wilson, dan wij op dit
+eiland waren!"
+
+"Wij mogen inderdaad tevreden zijn, als wij nooit minder gelukkig
+worden, lieve," antwoordde haar echtgenoot.
+
+De schoener kliefde stout de golven en het eiland onttrok zich allengs
+aan hun gezicht. Na eenigen tijd was het aan den horizon verdwenen
+en alleen de toppen der kokosboomen bleven zichtbaar; maar ook deze
+doken eindelijk onder. Juno wachtte tot het laatst, en toen er in
+'t eind niets meer te zien was, wuifde zij met haar zakdoek naar de
+plaats van het eiland, als om dat het laatste vaarwel te zeggen.
+
+De wind bleef voortdurend gunstig, en na eene voorspoedige vaart van
+vier weken, kwamen zij in de haven van Sidney aan, die zij reeds zoo
+lang geleden met het goede schip De Vrede gedacht hadden te zullen
+bereiken.
+
+Mijnheer Wilson vond bij zijne aankomst te Sidney zijne bezittingen en
+kudden aanmerkelijk vermeerderd. Zijn zaakwaarnemer, die de goederen
+gedurende zijne afwezigheid beheerd had, was een vlijtig, eerlijk
+man geweest.
+
+Men had, wel is waar, algemeen geloofd, dat de gansche familie bij
+de schipbreuk was omgekomen en dat de goederen dus op verwijderde
+bloedverwanten zouden overgaan, maar erfeniszaken nemen altijd een
+langen tijd weg, en het duurde vele maanden voordat men stellige
+berichten uit Engeland ontving; en hieraan was het toe te schrijven,
+dat, bij gebrek aan alle zekere doodstijding, de goederen nog niet
+verdeeld, maar altijd nog in handen der executeurs waren.
+
+Mijnheer en mevrouw Wilson beleefden nog het geluk van al hunne
+kinderen volwassen te zien.
+
+Willem erfde het grootste deel van zijns vaders bezittingen, nadat
+hij hem jaren lang in het bestuur daarvan behulpzaam was geweest. Hij
+trouwde en kreeg een talrijk kroost.
+
+Sinjeur Thomas werd, niettegenstaande al zijne zotte kuren, een flink
+man, nadat hij als jongeling in den krijgsdienst was getreden. Hij is
+tegenwoordig majoor en moet in zooverre aan zijne jeugdige gewoonten
+getrouw zijn gebleven, dat hij, ondanks zijn zwaren dienst nog altijd
+een onverdroten tafelmakker is, op wiens fijnen smaak men gerust
+staat kan maken.
+
+Caroline gaf hare hand aan een jongen predikant en werd eene
+voortreffelijke echtgenoote en moeder. De kleine Albert ging in
+zeedienst en staat, terwijl ik dit schrijf, reeds op het punt van
+kapitein te worden.
+
+Mijnheer en mevrouw Wilson zijn reeds beiden dood; maar de trouwe Juno
+leeft nog en woont bij Willem in huis. Haar grootste vermaak is, diens
+kinderen op haar schoot te hebben en hun lange verhalen van het eiland
+te doen, waarbij ze nog bijna altijd in tranen uitbarst, als zij over
+dien goeden ouden stuurman Flink en zijn dood en begrafenis spreekt.
+
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+[1] Moeder Carey is in de taal der Engelsche matrozen de zee zelve,
+die hen van der jeugd af op haren schoot draagt en hun kost en
+onderhoud verschaft.
+
+[2] Eene bezitting der Engelschen in Z. O. gedeelte van Nieuw Holland,
+waar zij hunne misdadigers heen zonden. De hoofdplaats heet Sidney.
+
+[3] Kano's zijn booten, zooals de wilden en Indianen gebruiken.
+
+[4] Eene haven van China, de eenige, die eertijds voor vreemdelingen
+openstond.
+
+[5] Indische matrozen, die men bij gebrek aan Europeesche in dienst
+neemt.
+
+[6] Vroeger, toen wij Hollanders het bezaten, heette dit eiland
+Mauritius, gelijk ook tegenwoordig weder, nu het aan de Engelschen
+toebehoort.
+
+[7] Eene Oostindische munt. Men heeft zilveren ropijen, die ruim twee,
+en gouden, die zestien of zeventien gulden waard zijn.
+
+[8] Het nieuwe oorlogsrecht heeft dezen algemeenen regel wel eenigszins
+gewijzigd.
+
+[9] De linten of gaten, waardoor het ankertouw naar binnenboord gaat.
+
+[10] Ruim f 180.-- Hollandsch.
+
+[11] De postwagens, destijds in Engeland in gebruik, hadden outside
+en inside plaatsen. De eerste, voor den minderen man, minder kostende,
+waren bovenop, in de open lucht.
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Stuurman Flink, by Kapitein Marryat
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK STUURMAN FLINK ***
+
+***** This file should be named 44758-8.txt or 44758-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/4/4/7/5/44758/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
+Gutenberg.
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org/license
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/old/44758-8.zip b/old/44758-8.zip
new file mode 100644
index 0000000..00cacf0
--- /dev/null
+++ b/old/44758-8.zip
Binary files differ
diff --git a/old/44758-h.zip b/old/44758-h.zip
new file mode 100644
index 0000000..4d1db32
--- /dev/null
+++ b/old/44758-h.zip
Binary files differ
diff --git a/old/44758-h/44758-h.htm b/old/44758-h/44758-h.htm
new file mode 100644
index 0000000..e310342
--- /dev/null
+++ b/old/44758-h/44758-h.htm
@@ -0,0 +1,15126 @@
+<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN"
+"http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd">
+<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source on 2014-01-26T11:57:47Z. -->
+<html lang="nl-1900">
+<head>
+<meta name="generator" content=
+"HTML Tidy for Windows (vers 25 March 2009), see www.w3.org">
+<title>Stuurman Flink of de schipbreuk van &bdquo;De
+Vrede&rdquo;</title>
+<meta http-equiv="content-type" content="text/html; charset=us-ascii">
+<meta name="generator" content=
+"tei2html.xsl, see http://code.google.com/p/tei2html/">
+<meta name="author" content="Frederick Marryat (1792&ndash;1848)">
+<link rel="coverpage" href="images/frontcover.jpg">
+<link rel="schema.DC" href=
+"http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/">
+<meta name="DC.Creator" content="Frederick Marryat (1792&ndash;1848)">
+<meta name="DC.Title" content=
+"Stuurman Flink of de schipbreuk van &bdquo;De Vrede&rdquo;">
+<meta name="DC.Language" content="nl-1900">
+<meta name="DC.Format" content="text/html">
+<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg">
+<meta name="DC:Subject" content="#####">
+<style type="text/css">
+body
+{
+font-family: "Times New Roman", Times, serif;
+font-size: 100%;
+line-height: 1.2em;
+margin: 1.58em 16%;
+text-align: left;
+}
+/* Titlepage */
+.titlePage
+{
+border: #DDDDDD 2px solid;
+margin: 3em 0% 7em 0%;
+padding: 5em 10% 6em 10%;
+text-align: center;
+}
+.titlePage .docTitle
+{
+line-height: 3.5em;
+margin: 2em 0% 2em 0%;
+font-weight: bold;
+}
+.titlePage .docTitle .mainTitle
+{
+font-size: 1.8em;
+}
+.titlePage .docTitle .subTitle, .titlePage .docTitle .seriesTitle, .titlePage .docTitle .volumeTitle
+{
+font-size: 1.44em;
+}
+.titlePage .byline
+{
+margin: 2em 0% 2em 0%;
+font-size:1.2em;
+line-height:1.72em;
+}
+.titlePage .byline .docAuthor
+{
+font-size: 1.2em;
+font-weight: bold;
+}
+.titlePage .figure
+{
+margin: 2em 0% 2em 0%;
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+}
+.titlePage .docImprint
+{
+margin: 4em 0% 0em 0%;
+font-size: 1.2em;
+line-height: 1.72em;
+}
+.titlePage .docImprint .docDate
+{
+font-size: 1.2em;
+font-weight: bold;
+}
+/* End Titlepage */
+.transcribernote
+{
+background-color:#DDE;
+border:black 1px dotted;
+color:#000;
+font-family:sans-serif;
+font-size:80%;
+margin:2em 5%;
+padding:1em;
+}
+.advertisment
+{
+background-color:#FFFEE0;
+border:black 1px dotted;
+color:#000;
+margin:2em 5%;
+padding:1em;
+}
+.correctiontable
+{
+width: 75%;
+}
+.width20
+{
+width: 20%;
+}
+.width40
+{
+width: 40%;
+}
+.indextoc
+{
+text-align: center;
+}
+.div0
+{
+padding-top: 5.6em;
+}
+.div1
+{
+padding-top: 4.8em;
+}
+.index
+{
+font-size: 80%;
+}
+.div2
+{
+padding-top: 3.6em;
+}
+.div3, .div4, .div5
+{
+padding-top: 2.4em;
+}
+.footnotes .body,
+.footnotes .div1
+{
+padding: 0;
+}
+.apparatusnote
+{
+text-decoration: none;
+}
+table.alignedtext, table.alignedverse
+{
+border-collapse: collapse;
+}
+table.alignedtext td
+{
+vertical-align: top;
+width: 50%;
+}
+table.alignedverse
+{
+vertical-align: top;
+}
+table.alignedtext td.first, table.alignedverse td.first
+{
+border-width: 0 0.2px 0 0;
+border-color: gray;
+border-style: solid;
+padding-right: 10px;
+}
+table.alignedtext td.second, table.alignedverse td.second
+{
+padding-left: 10px;
+}
+table.alignedverse td.first, table.alignedverse td.second
+{
+width: 45%;
+}
+table.alignedverse td.linenumbers
+{
+width: 10%;
+}
+h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4
+{
+clear: both;
+font-style: normal;
+text-transform: none;
+}
+h3, .h3
+{
+font-size:1.2em;
+line-height:1.2em;
+}
+h3.label
+{
+font-size:1em;
+line-height:1.2em;
+margin-bottom:0;
+}
+h4, .h4
+{
+font-size:1em;
+line-height:1.2em;
+}
+.alignleft
+{
+text-align:left;
+}
+.alignright
+{
+text-align:right;
+}
+.alignblock
+{
+text-align:justify;
+}
+p.tb, hr.tb
+{
+margin-top: 1.6em;
+margin-bottom: 1.6em;
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+text-align: center;
+}
+p.argument, p.note, p.tocArgument
+{
+font-size:0.9em;
+line-height:1.2em;
+text-indent:0;
+}
+p.argument, p.tocArgument
+{
+margin:1.58em 10%;
+}
+p.tocPart
+{
+margin:1.58em 0%;
+font-variant: small-caps;
+}
+p.tocChapter
+{
+margin:1.58em 0%;
+}
+p.tocSection
+{
+margin:0.7em 5%;
+}
+.opener, .address
+{
+margin-top: 1.6em;
+margin-bottom: 1.6em;
+}
+.addrline
+{
+margin-top: 0;
+margin-bottom: 0;
+}
+.dateline
+{
+margin-top: 1.6em;
+margin-bottom: 1.6em;
+text-align: right;
+}
+.salute
+{
+margin-top: 1.6em;
+margin-left: 3.58em;
+text-indent: -2em;
+}
+.signed
+{
+margin-top: 1.6em;
+margin-left: 3.58em;
+text-indent: -2em;
+}
+.epigraph
+{
+font-size:0.9em;
+line-height:1.2em;
+width: 60%;
+margin-left: auto;
+}
+.epigraph span.bibl
+{
+display: block;
+text-align: right;
+}
+.trailer
+{
+clear: both;
+padding-top: 2.4em;
+padding-bottom: 1.6em;
+}
+.figure
+{
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+}
+.floatLeft
+{
+float:left;
+margin:10px 10px 10px 0;
+}
+.floatRight
+{
+float:right;
+margin:10px 0 10px 10px;
+}
+p.figureHead
+{
+font-size:100%;
+text-align:center;
+}
+.figAnnotation
+{
+font-size:80%;
+position:relative;
+margin: 0 auto; /* center this */
+}
+.figTopLeft, .figBottomLeft
+{
+float: left;
+}
+.figTop, .figBottom
+{
+}
+.figTopRight, .figBottomRight
+{
+float: right;
+}
+.hangq
+{
+text-indent: -0.32em;
+}
+.hangqq
+{
+text-indent: -0.40em;
+}
+.hangqqq
+{
+text-indent: -0.71em;
+}
+.figure p
+{
+font-size:80%;
+margin-top:0;
+text-align:center;
+}
+img
+{
+border-width:0;
+}
+p.smallprint,li.smallprint
+{
+color:#666666;
+font-size:80%;
+}
+span.parnum
+{
+font-weight: bold;
+}
+.marginnote
+{
+font-size:0.8em;
+height:0;
+left:1%;
+line-height:1.2em;
+position:absolute;
+text-indent:0;
+width:14%;
+}
+.pagenum
+{
+display:inline;
+font-size:70%;
+font-style:normal;
+margin:0;
+padding:0;
+position:absolute;
+right:1%;
+text-align:right;
+}
+a.noteref, a.pseudonoteref
+{
+font-size: 80%;
+text-decoration: none;
+vertical-align: 0.25em;
+}
+.displayfootnote
+{
+display: none;
+}
+div.footnotes
+{
+font-size: 80%;
+margin-top: 1em;
+padding: 0;
+}
+hr.fnsep
+{
+margin-left: 0;
+margin-right: 0;
+text-align: left;
+width: 25%;
+}
+p.footnote
+{
+margin-bottom: 0.5em;
+margin-top: 0.5em;
+}
+p.footnote .label
+{
+float:left;
+width:2em;
+height:12pt;
+display:block;
+}
+/* Tables */
+tr, td, th
+{
+vertical-align: top;
+}
+td.bottom
+{
+vertical-align: bottom;
+}
+td.label, tr.label td
+{
+font-weight: bold;
+}
+td.unit, tr.unit td
+{
+font-style: italic;
+}
+span.sum
+{
+padding-top: 2px; border-top: solid black 1px;
+}
+/* Table border styles */
+/* Table with borders on the outside and between the table head and data. */
+table.borderOutside
+{
+border-collapse: collapse;
+}
+table.borderOutside td
+{
+padding-left: 4px;
+padding-right: 4px;
+}
+table.borderOutside .cellHeadTop, table.borderOutside .cellTop
+{
+border-top: 2px solid black;
+}
+table.borderOutside .cellHeadBottom
+{
+border-bottom: 1px solid black;
+}
+table.borderOutside .cellBottom
+{
+border-bottom: 2px solid black;
+}
+table.borderOutside .cellLeft, table.borderOutside .cellHeadLeft
+{
+border-left: 2px solid black;
+}
+table.borderOutside .cellRight, table.borderOutside .cellHeadRight
+{
+border-right: 2px solid black;
+}
+/* Table with borders on the vertical inside edges. */
+table.verticalBorderInside
+{
+border-collapse: collapse;
+}
+table.verticalBorderInside td
+{
+padding-left: 4px;
+padding-right: 4px;
+border-left: 1px solid black;
+}
+table.verticalBorderInside .cellHeadTop, table.verticalBorderInside .cellTop
+{
+border-top: 2px solid black;
+}
+table.verticalBorderInside .cellHeadBottom
+{
+border-bottom: 1px solid black;
+}
+table.verticalBorderInside .cellBottom
+{
+border-bottom: 2px solid black;
+}
+table.verticalBorderInside .cellLeft, table.verticalBorderInside .cellHeadLeft
+{
+border-left: 0px solid black;
+}
+/* Table with borders on all edges, outer edges somewhat fatter. */
+table.borderAll
+{
+border-collapse: collapse;
+}
+table.borderAll td
+{
+padding-left: 4px;
+padding-right: 4px;
+border: 1px solid black;
+}
+table.borderAll .cellHeadTop, table.borderAll .cellTop
+{
+border-top: 2px solid black;
+}
+table.borderAll .cellHeadBottom
+{
+border-bottom: 1px solid black;
+}
+table.borderAll .cellBottom
+{
+border-bottom: 2px solid black;
+}
+table.borderAll .cellLeft, table.borderAll .cellHeadLeft
+{
+border-left: 2px solid black;
+}
+table.borderAll .cellRight, table.borderAll .cellHeadRight
+{
+border-right: 2px solid black;
+}
+/* Special purpose tables: */
+table.intralinear
+{
+display: inline;
+border-collapse: collapse;
+}
+table.intralinear td
+{
+font-size: small;
+text-align: center;
+}
+table.ditto
+{
+display: inline;
+border-collapse: collapse;
+vertical-align: bottom;
+}
+table.ditto tr.s
+{
+height: 0;
+color: white;
+line-height: 0;
+}
+table.ditto tr.s td
+{
+padding: 0px;
+}
+table.ditto tr.d td
+{
+text-align: center;
+line-height: 10pt;
+}
+/* Poetry */
+.lgouter
+{
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+display:table; /* used to make the block shrink to the actual size */
+}
+.lg
+{
+text-align: left;
+}
+.lg h4, .lgouter h4
+{
+font-weight: normal;
+}
+.lg .linenum, .sp .linenum, .lgouter .linenum
+{
+color:#777;
+font-size:90%;
+left: 16%;
+margin:0;
+position:absolute;
+text-align:center;
+text-indent:0;
+top:auto;
+width:1.75em;
+}
+p.line
+{
+margin: 0 0% 0 0%;
+}
+span.hemistich /* invisible text to achieve visual effect of hemistich indentation. */
+{
+color: white;
+}
+.versenum
+{
+font-weight:bold;
+}
+/* Drama */
+.speaker
+{
+font-weight: bold;
+margin-bottom: 0.4em;
+}
+.sp .line
+{
+margin: 0 10%;
+text-align: left;
+}
+/* End Drama */
+/* right aligned page number in table of contents */
+span.tocPageNum, span.flushright
+{
+position: absolute;
+right: 16%;
+top: auto;
+}
+table.tocList
+{
+width: 100%;
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+border-width: 0;
+border-collapse: collapse;
+}
+td.tocPageNum, td.tocDivNum
+{
+text-align: right;
+width: 10%;
+border-width: 0;
+}
+td.tocDivNum
+{
+padding-left: 0;
+padding-right: 0.5em;
+}
+td.tocPageNum
+{
+padding-left: 0.5em;
+padding-right: 0;
+}
+td.tocDivTitle
+{
+width: auto;
+}
+span.corr, span.gap
+{
+border-bottom:1px dotted red;
+}
+span.abbr
+{
+border-bottom:1px dotted gray;
+}
+span.measure
+{
+border-bottom:1px dotted green;
+}
+/* Font Styles and Colors */
+.ex
+{
+letter-spacing: 0.2em;
+}
+.sc
+{
+font-variant: small-caps;
+}
+.uc
+{
+text-transform: uppercase;
+}
+.tt
+{
+font-family: monospace;
+}
+.underline
+{
+text-decoration: underline;
+}
+/* overline is actually a bit too high; overtilde is approximated with overline */
+.overline, .overtilde
+{
+text-decoration: overline;
+}
+.rm
+{
+font-style: normal;
+}
+.red
+{
+color: red;
+}
+/* End Font Styles and Colors */
+hr
+{
+clear:both;
+height:1px;
+margin-left:auto;
+margin-right:auto;
+margin-top:1em;
+text-align:center;
+width:45%;
+}
+.aligncenter, div.figure
+{
+text-align:center;
+}
+h1, h2
+{
+font-size:1.44em;
+line-height:1.5em;
+}
+h1.label, h2.label
+{
+font-size:1.2em;
+line-height:1.2em;
+margin-bottom:0;
+}
+h5, h6
+{
+font-size:1em;
+font-style:italic;
+line-height:1em;
+}
+p
+{
+text-indent:0;
+}
+p.firstlinecaps:first-line
+{
+text-transform: uppercase;
+}
+p.dropcap:first-letter
+{
+float: left;
+clear: left;
+margin: 0em 0.05em 0 0;
+padding: 0px;
+line-height: 0.8em;
+font-size: 420%;
+vertical-align:super;
+}
+.lg
+{
+padding: .5em 0% .5em 0%;
+}
+p.quote,div.blockquote, div.argument
+{
+font-size:0.9em;
+line-height:1.2em;
+margin:1.58em 5%;
+}
+.pagenum a, a.noteref:hover, a.hidden:hover, a.hidden
+{
+text-decoration:none;
+}
+ul { list-style-type: none; }
+.castlist, .castitem { list-style-type: none; }
+/* External Links */
+.pglink, .catlink, .exlink, .wplink, .biblink, .seclink
+{
+background-repeat: no-repeat;
+background-position: right center;
+}
+.pglink
+{
+background-image: url(images/book.png);
+padding-right: 18px;
+}
+.catlink
+{
+background-image: url(images/card.png);
+padding-right: 17px;
+}
+.exlink, .wplink, .biblink, .seclink
+{
+background-image: url(images/external.png);
+padding-right: 13px;
+}
+.pglink:hover
+{
+background-color: #DCFFDC;
+}
+.catlink:hover
+{
+background-color: #FFFFDC;
+}
+.exlink:hover, .wplink:hover, .biblink:hover
+{
+background-color: #FFDCDC;
+}
+body
+{
+background: #FFFFFF;
+font-family: "Times New Roman", Times, serif;
+}
+body, a.hidden
+{
+color: black;
+}
+h1, .h1
+{
+padding-bottom: 5em;
+}
+h1, h2, .h1, .h2
+{
+text-align: center;
+font-variant: small-caps;
+font-weight: normal;
+}
+p.byline
+{
+text-align: center;
+font-style: italic;
+margin-bottom: 2em;
+}
+.figureHead, .noteref, .pseudonoteref, .marginnote, p.legend, .versenum
+{
+color: #660000;
+}
+.rightnote, .pagenum, .linenum, .pagenum a
+{
+color: #AAAAAA;
+}
+a.hidden:hover, a.noteref:hover
+{
+color: red;
+}
+h1, h2, h3, h4, h5, h6
+{
+font-weight: normal;
+}
+table
+{
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+}
+.tablecaption
+{
+text-align: center;
+}
+.pagenum, .linenum
+{
+speak: none;
+}
+</style>
+
+<style type="text/css">
+.xd21e120width
+{
+width:489px;
+}
+.xd21e126
+{
+text-align:center;
+}
+.xd21e135width
+{
+width:434px;
+}
+.xd21e1005width
+{
+width:485px;
+}
+.xd21e2918width
+{
+width:487px;
+}
+.xd21e6253width
+{
+width:489px;
+}
+.xd21e6785width
+{
+width:491px;
+}
+</style>
+</head>
+<body>
+
+
+<pre>
+
+The Project Gutenberg EBook of Stuurman Flink, by Kapitein Marryat
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org/license
+
+
+Title: Stuurman Flink
+ De schipbreuk van
+
+Author: Kapitein Marryat
+
+Illustrator: Johan Braakensiek
+
+Translator: J.J.A. Goeverneur
+
+Release Date: January 26, 2014 [EBook #44758]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ASCII
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK STUURMAN FLINK ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
+Gutenberg.
+
+
+
+
+
+
+</pre>
+
+<div class="front">
+<div class="div1 cover"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divBody">
+<p class="first"></p>
+<div class="figure xd21e120width"><img src="images/frontcover.jpg" alt=
+"Oorspronkelijke voorkant." width="489" height="720"></div>
+</div>
+</div>
+<div class="div1 frenchtitle"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divBody">
+<p class="first xd21e126">STUURMAN FLINK<br>
+OF<br>
+DE SCHIPBREUK VAN &bdquo;DE VREDE&rdquo;</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div1 titlepage"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divBody">
+<p class="first"></p>
+<div class="figure xd21e135width"><img src="images/titlepage.png" alt=
+"Oorspronkelijke titelpagina." width="434" height="720"></div>
+</div>
+</div>
+<div class="titlePage">
+<div class="docTitle">
+<div class="mainTitle">STUURMAN FLINK</div>
+<div class="subTitle">OF</div>
+<div class="subTitle">DE SCHIPBREUK VAN &bdquo;DE VREDE&rdquo;</div>
+</div>
+<div class="byline">NAAR HET ENGELSCH<br>
+VAN<br>
+<span class="docAuthor">KAPITEIN MARRYAT</span><br>
+DOOR<br>
+<span class="docAuthor">J. J. A. GOEVERNEUR</span><br>
+Ge&iuml;llustreerd door <span class="docAuthor">JOHAN
+BRAAKENSIEK</span></div>
+<div class="docImprint">NEGENDE DRUK<br>
+AMSTERDAM&mdash;VAN HOLKEMA &amp; WARENDORF</div>
+</div>
+<div class="div1 imprint"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divBody">
+<p class="first xd21e126">Typ. <span class="sc">De Erven H. van Munster
+&amp; Zoon</span>, Amsterdam. <span class="pagenum">[<a id="pb5" href=
+"#pb5" name="pb5">5</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="body">
+<div id="ch1" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">EERSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">HET SCHIP DE VREDE. STUURMAN FLINK.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Het was in de maand October, 18**, dat De Vrede, een
+groot koopvaardijschip, door harden wind gedreven, de wateren kliefde
+van den wijden Atlantischen Oceaan. Het schip had slechts weinig zeil
+bij, want de wind was zoo sterk, dat het doek door de woedende stooten
+en rukken in flarden zou zijn gereten, en pijlsnel schoot het vaartuig
+over de hooggaande golven, die het schuimend volgden en het beurtelings
+ten hemel opbeurden of diep in de holle zee bedolven, zoodat men had
+kunnen denken, dat het daaruit nooit weer zou te voorschijn komen.
+Evenwel was het schip hecht en stevig en de kapitein een goed zeeman,
+die alles deed, wat hij tot behoud van zijn bodem dienstig achtte.</p>
+<p>De kapitein stond bij het stuurrad en hield een wakend oog op de
+mannen aan het roer, want hierop vooral moet men acht geven, als het
+schip recht v&oacute;&oacute;r een harden wind zeilt. Terwijl hij hier
+zoo in het rond en van tijd tot tijd ook naar de lucht zag, neuriede
+hij een oud zeemansliedje, dat begint:</p>
+<div class="lgouter">
+<p class="line"><span class="corr" id="xd21e192" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>&rsquo;t Is alles water, wat men ziet,</p>
+<p class="line">En donkre, zwarte lucht!&rdquo;</p>
+</div>
+<p class="first">En zoo was het ook waarlijk. Zij dobberden midden op
+den oceaan, geen ander vaartuig was te zien, de hemel was overdekt met
+donkere wolken, welke de storm woedend voor zich uit joeg, de golven
+stapelden zich tot bergen op en deden het schuim omhoogspatten, terwijl
+de wind akelig door het want floot en huilde.</p>
+<p>Buiten den scheepskapitein en de beide mannen aan het roer, waren er
+<span class="pagenum">[<a id="pb6" href="#pb6" name=
+"pb6">6</a>]</span>nog twee andere personen op het dek: de eerste een
+knaap van omstreeks twaalf jaren, de ander een oud, verweerd zeeman,
+wiens grijze haren in den wind fladderden, toen hij naar het achterdek
+van het schip ging en overboord keek.</p>
+<p>Op eens zag de knaap, hoe een geweldig zware golf tegen den spiegel
+van het schip kwam aanrollen. Angstig greep hij den oude bij den arm
+vast en riep: &bdquo;Kijk, zal die groote golf niet over ons heele
+schip heen slaan, Flink?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, Willem, wees maar gerust. Merkt ge niet, hoe ze ons
+schip in de hoogte tilt? En kijk, nu is ze al onder ons door gegaan en
+zijn wij gelukkig over haar heen. Maar &rsquo;t kon licht gebeuren, dat
+een tweede golf nog hooger klom, en dan zou het slecht met u afloopen,
+als ik mijzelf en u meteen hier niet stevig vasthield. De zee zou u
+zeker overboord spoelen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik houd niet van de zee, Flink; ik wou wel, dat we weer op
+het vasteland waren,&rdquo; antwoordde de knaap. &bdquo;Zie de golven
+daar recht vooruit;&mdash;is &rsquo;t niet, alsof ze van het schip geen
+stuk heel wilden laten?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, ja, ze zijn vrij wild, en daarbij loeien ze zoo, alsof ze
+boos waren dat zij het schip niet in de diepte begraven kunnen. Maar
+daaraan ben ik gewoon, Willem, en op een goed schip, met een braven
+kapitein en wakker volk, ben ik niet bang voor zulk een
+storm.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar vaak gaan er toch schepen ten gronde, en dan verdrinken
+allen, die er op zijn, niet waar?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, Willem, en soms vergaat wel eens een schip, terwijl het
+volk aan boord daar het minst op bedacht is.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat zijn dat toch voor kleine vogels, die zoo laag over het
+water vliegen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ei, dat zijn moeder Carey&rsquo;s<a class="noteref" id=
+"xd21e220src" href="#xd21e220" name="xd21e220src">1</a> kuikens, zooals
+wij zeelui ze noemen. Ze vertoonen zich alleen bij storm, of als er
+boos weer ophanden is.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zeg, Flink, hebt gij wel eens op een woest eiland schipbreuk
+geleden, zooals Robinson Cruso&euml;?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, jongenlief, ik heb wel al schipbreuk geleden, maar van
+Robinson Cruso&euml; heb ik mijn leven niet gehoord. Er zijn zoovelen,
+die hun schip verloren en zwaren nood hadden door te staan, terwijl nog
+ruim zoovelen daarbij omkwamen en dus van hunne ontmoetingen niet meer
+vertellen konden, dat het niet heel denkelijk is dat ik uit al die
+menigte den man, dien gij daar noemt, zou gekend hebben.&rdquo;
+<span class="pagenum">[<a id="pb7" href="#pb7" name=
+"pb7">7</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;O, dat staat alles in een boek, dat ik gelezen heb. Ik kon
+het u wel alles van stukje tot beetje vertellen&mdash;en wil dat ook
+doen, zoodra de zee weer bedaard is; maar wees nu zoo goed en breng mij
+weer naar beneden, want ik heb moeder beloofd niet al te lang hier
+boven te blijven.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En wat ge beloofd hebt, moet ge als een flinke jongen altijd
+houden,&rdquo; zei de oude man. &bdquo;Kom, geef mij de hand maar, en
+ik zal wel zorgen, dat ge zonder vallen of stooten door het luik komt.
+Als het beter weer is, zult ge van mijne schipbreuk hooren en dan moet
+gij mij ook eens zeggen, wat ge van dien Robinson Cruso&euml;
+weet.&rdquo;</p>
+<p>Met deze woorden bracht de oude zeeman den kleinen Willem tot aan de
+deur der kajuit en keerde toen op het dek terug, waar hij de wacht
+had.</p>
+<p>Stuurman Flink had nu al ruim vijftig jaren op zee rondgezworven;
+hij was nog pas tien jaren oud, toen hij op een kolenschip als
+koksjongen zijn eerste reis deed. Door zijn voortdurend verblijf in de
+open lucht was zijn gezicht donkerbruin gekleurd en diepe rimpels lagen
+in zijne wangen, hoewel hij nog altijd een flink en sterk man was
+gebleven. Hij had jaren achtereen aan boord van een oorlogschip gediend
+en daarop alle werelddeelen bezocht; hij wist dan ook vele vreemde
+geschiedenissen te vertellen. Maar al klonken die ook nog zoo vreemd,
+men mocht hem vrij gelooven, daar nooit een onwaar woord over zijn
+lippen kwam.</p>
+<p>Hij verstond de stuurmanskunst vrij goed, kon dus lezen en schrijven
+en was een verstandig en braaf man. De naam Flink paste zeer goed voor
+hem, want altijd was hij flink en vlug bij de hand en in oogenblikken
+van nood en gevaar zoo welberaden, dat de kapitein hem niet zelden om
+raad vroeg en zich daar gewoonlijk wel bij bevond. Op deze reis
+bekleedde hij den rang van tweeden stuurman.</p>
+<p>Zooals wij reeds weten, was De Vrede een fraai schip van meer dan
+vier honderd tonnen en zoo hecht en sterk gebouwd, dat men het zeer
+goed tegen een hevigen storm bestand kon achten. De tegenwoordige
+bestemming van het vaartuig was Nieuw-Zuid-Wales,<a class="noteref" id=
+"xd21e241src" href="#xd21e241" name="xd21e241src">2</a> waarheen het
+eene kostbare lading Engelsche goederen had over te brengen. De
+kapitein was een bekwaam zeeman en bovendien een braaf mensch van een
+altijd vroolijk en opgeruimd humeur, die de dingen steeds in hun beste
+licht beschouwde en ook, als &rsquo;t geluk hem soms eens tegenliep,
+eer geneigd was daarmee te lachen, dan dadelijk een zuur gezicht te
+trekken. Zijn naam was Osborn. De eerste stuurman <span class=
+"pagenum">[<a id="pb8" href="#pb8" name="pb8">8</a>]</span>heette
+Mackintosh en was een Schot. Ofschoon barsch en ruw van aard, nam hij
+toch zijn dienst aan boord voorbeeldig waar en was een man, op wien
+kapitein Osborn zich verlaten kon, hoewel deze anders niet van hem
+hield. Met Flink hebben wij reeds kennis gemaakt en van de matrozen aan
+boord behoeven wij niet meer te zeggen, dan dat zij in het geheel
+dertien in getal waren. Dit was zekerlijk eene nauwelijks toereikende
+bemanning voor zulk een groot schip en oorspronkelijk waren er ook meer
+geweest; doch op den dag v&oacute;&oacute;r het onder zeil gaan, hadden
+vijf mannen, uit ontevredenheid over de behandeling, die Mackintosh, de
+eerste stuurman, hun aandeed, het schip eensklaps weer verlaten,
+waardoor de kapitein gedwongen was geweest in zee te steken, zonder
+anderen in hunne plaats te hebben aangeworven. Gelijk in het vervolg
+blijken zal, was dit voor het schip eene zeer noodlottige
+omstandigheid.</p>
+</div>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd21e220" href="#xd21e220src" name="xd21e220">1</a></span> Moeder
+Carey is in de taal der Engelsche matrozen de zee zelve, die hen van
+der jeugd af op haren schoot draagt en hun kost en onderhoud
+verschaft.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd21e241" href="#xd21e241src" name="xd21e241">2</a></span> Eene
+bezitting der Engelschen in Z. O. gedeelte van Nieuw Holland, waar zij
+hunne misdadigers heen zonden. De hoofdplaats heet Sidney.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch2" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">TWEEDE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">DE FAMILIE WILSON.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De jonge Willem was de oudste zoon eener <span class=
+"corr" id="xd21e253" title="Bron: famlie">familie</span>, die uit
+vader, moeder en vier kinderen bestond en zich thans in haar geheel aan
+boord van De Vrede bevond. De vader, mijnheer Wilson, was een
+verstandig, welonderricht man, die jaren lang een post bij het bestuur
+te Sidney, de hoofdplaats van Nieuw-Zuid-Wales, bekleed had en nu, na
+een driejarig verlof, uit Engeland derwaarts terugkeerde. Hij had van
+de regeering een duizend of wat morgen land aangekocht; dit was sedert
+aanmerkelijk in waarde gerezen en de schapen en veeteelt, waarop hij
+zich toelegde, hadden hem reeds groote winsten opgeleverd. Gedurende
+zijne afwezigheid in Engeland had zijn rentmeester zijne belangen met
+veel zorg behartigd, en zelf bracht hij nu eene menigte voorwerpen van
+allerlei aard mede, zoo tot verbetering zijner landerijen als tot eigen
+gebruik, b. v. huismeubelen, gereedschappen voor den landbouw,
+verschillende zaden en gewassen, rundvee en nog meer, te veel om op te
+noemen.</p>
+<p>Mevrouw Wilson was een lieve, zachte vrouw, die echter veel sukkelde
+en allesbehalve sterk was. Op den oudsten zoon, Willem, een sterken,
+vluggen knaap, vol geest en leven, volgde Thomas, een door en door
+goede jongen van bij de acht jaar oud, maar zoo dom en onhandig, dat er
+geen <span class="pagenum">[<a id="pb9" href="#pb9" name=
+"pb9">9</a>]</span>voorbeeld van was en men hem geen ommezien alleen
+kon laten. Caroline, een meisje van zeven jaren, was het derde en de
+pas &eacute;&eacute;njarige Albert het jongste kind. Tot oppassing van
+dezen laatste vooral diende een jonge negerin van de Kaap de Goede
+Hoop, die naar Sidney overgekomen en mevrouw Wilson naar Engeland
+gevolgd was. Wij hebben nu al de personen aan boord van De Vrede
+opgenoemd; maar bijna hadden wij onder de levende schepselen twee
+herdershonden van mijnheer Wilson vergeten en een kleinen dashond, die
+de bijzondere lieveling van zijn meester, kapitein Osborn was.</p>
+<p>Eerst op den vierden dag na de losbarsting, begon de storm te
+bedaren en nam allengs af, totdat hij eindelijk in bijna geheele
+windstilte overging. De matrozen, die al dien tijd dag en nacht op het
+dek gewaakt hadden, hingen hunne van regen en zeewater doorweekte
+kleeren in het want te drogen en konden nu zelven rust nemen en hunne
+krachten herstellen. Een zachte wind blies in de zeilen, de zee was
+weer effen en het schip legde in zijne rassche vaart bij de vijf mijlen
+in het uur af. Mevrouw Wilson had een mantel omgeslagen en zat op eene
+bank op het achterdek. Haar man en hare kinderen waren bij haar en
+verheugden zich in het kostelijke weer, toen ook kapitein Osborn die
+met zijn sextant den stand der zon had waargenomen, met een lachend
+gezicht op hen toekwam en riep:</p>
+<p>&bdquo;Wel Thomas, jongen, ge zult zeker wel hartelijk blij zijn,
+dat de storm over is?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O, ik ben niet bang geweest,&rdquo; antwoordde Thomas.
+&bdquo;Ik was maar boos, dat ik altijd mijne soep stortte. Maar Juno is
+eens van haar stoel gerold en lag met broertje op den grond te
+spartelen, totdat eindelijk papa kwam en haar weer ophielp.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Goddank, dat mijn kleine Albert zich niet doodelijk bezeerd
+heeft!&rdquo; zeide de moeder, met een blik vol liefde op haar
+kind.</p>
+<p>&bdquo;En dat zou hij zich zeker gedaan hebben, had Juno niet zoo
+geheel alleen aan het kind en geen oogenblik aan zichzelve
+gedacht,&rdquo; zeide de vader.</p>
+<p>&bdquo;Ja, dat is waar,&rdquo; hernam kapitein Osborn. &bdquo;Zij
+redde het kind, maar zal haar eigen hoofd wel terdeeg gevoeld
+hebben.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ikke een harden bons kreeg op mijn kop,<span class="corr" id=
+"xd21e274" title="Niet in bron">&rdquo;</span> verzekerde Juno en
+grijnsde, dat hare witte tanden tot aan de ooren zichtbaar werden.</p>
+<p>&bdquo;Gelukkig, dat ge er zulk een dik wollig overtreksel over
+hebt,&rdquo; zei de kapitein lachend. <span class="corr" id="xd21e280"
+title="Niet in bron">&bdquo;</span>Maar word niet boos, Juno; waarlijk,
+ge zijt een goed meisje, en wij allen houden veel van u.&rdquo;
+<span class="pagenum">[<a id="pb10" href="#pb10" name=
+"pb10">10</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Het is twaalf uren naar de zon, mijnheer,&rdquo; kwam
+Mackintosh, de eerste stuurman, den kapitein berichten.</p>
+<p>&bdquo;Maak mij dan de breedte op, stuurman, en ik zal terstond de
+lengte berekenen. Over vijf minuten, mijnheer Wilson, zal ik u op de
+kaart aanwijzen, waar wij ons thans op zee bevinden.&rdquo;</p>
+<p><span class="corr" id="xd21e289" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>Ha, daar komen ook onze honden eens boven
+kijken<span class="corr" id="xd21e292" title="Bron: .">,</span>&rdquo;
+riep Willem op eens uit. &bdquo;Ik wed, dat ze met dat mooie weer even
+blij zijn als wij. Hier, Romulus! Remus hier!&rdquo;</p>
+<p><span class="corr" id="xd21e296" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>Ei, mijnheer,&rdquo; zei Flink, die dicht
+bij hen stond, &bdquo;ik heb u al lang eens een vraag willen doen. Uwe
+<span class="corr" id="xd21e299" title="Bron: handen">honden</span>
+daar hebben een paar zulke wonderlijke namen, die ik in mijn leven nog
+niet gehoord heb. Romulus en Remus&mdash;wie waren dat?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zoo heetten twee broeders in den overouden tijd,&rdquo;
+antwoordde de heer Wilson. &bdquo;Zij waren als schaapherders
+opgewassen en bouwden de stad Rome, die naderhand zoo beroemd en zoo
+machtig werd en waarover Romulus als eerste koning regeerde.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En verbeeld u eens, Flink; toen ze nog klein waren, werden
+zij door eene wolvin gezoogd,&rdquo; vervolgde Willem. &bdquo;Wat zegt
+ge van zoo iets, man?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Door eene wolvin? Dat was zeker eene vreemde soort van minne
+voor een paar jonge prinsen,&rdquo; antwoordde Flink.</p>
+<p>&bdquo;En Romulus sloeg zijn broeder dood.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Geen wonder, als men rekent wat zoogster ze hadden,&rdquo;
+merkte Flink aan. &bdquo;Maar waarom deed hij dat?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Omdat Remus zoo goed springen kon,&rdquo; zeide Willem
+lachend.</p>
+<p>&bdquo;De jongeheer wil mij zeker wat wijsmaken?&rdquo; riep Flink
+en zag den vader vragend aan.</p>
+<p>&bdquo;Dat juist niet. De geschiedenis vertelt, dat Remus zijn
+broeder om den lagen stadsmuur, die deze gebouwd had, bespotte en, om
+hem te tergen, daar losweg overheen sprong. Dit moet Romulus zoo euvel
+hebben opgenomen, dat hij hem in drift doodsloeg. Evenwel, op zulke
+oude verhalen kan men niet altijd zoo vast staat maken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En ik wil ook niet hopen, dat beiden werkelijk broeders
+geweest zijn,&rdquo; hernam Flink; &bdquo;hoewel&mdash;&rsquo;t oude
+spreekwoord heeft het zoo mis niet:</p>
+<div class="lgouter">
+<p class="line"><span class="corr" id="xd21e323" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>Twee meesters onder &rsquo;t zelfde
+dak</p>
+<p class="line">Geeft altijd moeite en ongemak.</p>
+</div>
+<p class="first">&bdquo;Men hoort tegenwoordig nog wel eens van Rome
+spreken; is dat misschien nog diezelfde stad?&rdquo; <span class=
+"pagenum">[<a id="pb11" href="#pb11" name="pb11">11</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Ja,&rdquo; antwoordde Willem; &bdquo;het zijn de puinhoopen
+van die oude<span class="corr" id="xd21e333" title=
+"Bron: ,">.</span>&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Een mensch is toch nooit uitgeleerd,&rdquo; zeide Flink.
+&bdquo;Vandaag heb ik weer vrij wat nieuws gehoord, en dat kan men
+altijd en overal, als men zijn mond maar tot vragen weet te gebruiken.
+Ik ben een oud man en weet weinig buiten &rsquo;t geen tot mijn beroep
+behoort; maar toch zou ik veel minder weten, als ik geen onderzoek naar
+de dingen had gedaan, zonder mij te schamen om voor mijne onwetendheid
+uit te komen. Dat is het eenige middel om iets goeds te leeren,
+jongeheer.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Gij geeft daar mijn zoon kostelijken raad, Flink;&mdash;en
+pas op, mijn kind, dat gij dien nooit vergeet,&rdquo; sprak de vader.
+&bdquo;Gij behoeft u nooit te schamen, naar iets te vragen, dat gij
+niet weet of begrijpt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat doe ik ook altijd, vader. Heb ik u niet al naar heel veel
+dingen gevraagd, Flink?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, ja, dat hebt gij; en gij vraagt doorgaans vrij verstandig
+voor een knaap van uwe jaren. Ik wou maar, dat ik uwe vragen beter
+beantwoorden kon, dan ik daar soms toe in staat ben, lieve
+jongen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Nu zou ik toch liefst weer naar beneden willen, lieve,&rdquo;
+zeide mevrouw Wilson eindelijk. &bdquo;Flink zal wel zoo goed zijn den
+kleine voor mij te dragen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Van harte gaarne, mevrouw,&rdquo; antwoordde Flink.
+&bdquo;Komaan dan, Juno, geef mij het kind en ga gij
+vooruit.&mdash;<span class="corr" id="xd21e349" title=
+"Bron: Ruggelinks">Ruggelings</span>, domme meid! Hoe dikwijls moet ik
+u dat nog zeggen? &rsquo;k Voorzie, dat gij nog eens hals over kop de
+trap aftuimelt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En breken mijn nek,&rdquo; zei Juno.</p>
+<p>&bdquo;Ja, of een arm of een been! En wie zal dan het kind
+dragen?<span class="corr" id="xd21e356" title=
+"Niet in bron">&rdquo;</span></p>
+<p>Zoodra allen weder in de kajuit waren, namen de kapitein en mijnheer
+Wilson de kaart voor zich en zochten daarop de plaats, waar het schip
+zich thans bevond. Zij zagen, dat zij nog dertig mijlen van de Kaap de
+Goede Hoop verwijderd waren.</p>
+<p>&bdquo;Als de wind aanhoudt, kunnen wij daar morgen zijn,&rdquo;
+zeide mijnheer Wilson tot zijne vrouw. &bdquo;Misschien kan onze Juno
+daar haar vader en moeder wedervinden.&rdquo;</p>
+<p>De arme Juno schudde het hoofd, en de tranen rolden over hare
+donkere wangen, terwijl zij vertelde, dat hare ouders een Hollandschen
+veeboer toebehoorden, die met hen diep landwaarts in getrokken was. Zij
+was nog maar een klein kind geweest, toen men haar van hare ouders
+afnam, en had alleen in de Kaapstad moeten achterblijven.</p>
+<p>&bdquo;Maar nu zijt gij vrij, Juno,&rdquo; zeide mevrouw Wilson.
+&bdquo;Gij zijt in Engeland <span class="pagenum">[<a id="pb12" href=
+"#pb12" name="pb12">12</a>]</span>geweest, en allen, die dat land eens
+betreden hebben, zijn van dat oogenblik af vrije menschen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, mevrouw, Juno vrij zijn, maar Juno toch geen vader hebben
+en geen moeder,&rdquo; antwoordde het arme meisje en weende bitter. De
+kleine Albert sloeg nu echter de armpjes om haar hals, en weldra lachte
+zij weer en speelde vroolijk met het lieve kind.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch3" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">DERDE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">KAAP DE GOEDE HOOP.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Den volgenden morgen zag men de Kaap voor zich en liet
+in de Tafelbaai het anker vallen.</p>
+<p>&bdquo;Waarom noemt men dit hier de Tafelbaai, Flink?&rdquo; vroeg
+Willem.</p>
+<p>&bdquo;Denkelijk is dat, omdat die groote berg daar de Tafelberg
+heet, jongeheer, gij ziet, hoe zijn top heel vlak is.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja waarlijk, hij is zoo vlak als eene tafel.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar nu en dan ziet men witte wolken zich op eene zonderlinge
+wijze rondom de toppen samenpakken en dan zeggen de zeelieden, dat de
+tafel gedekt wordt, of ook wel, dat de berg zijn pruik opzet. Men ziet
+dat niet graag, omdat er doorgaans ruw en stormachtig weer op
+volgt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dan hoop ik dat die tafel, zoolang wij hier zijn, maar
+ongedekt mag blijven. Wij hebben al storm en onweer genoeg gehad, en
+moeder is er nog zwak en ziek van. Wat is dat eene mooie stad,
+Flink!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wij zullen hier twee dagen voor anker blijven,
+mijnheer,&rdquo; kwam kapitein Osborn den heer Wilson berichten,
+&bdquo;en zoo gij en mevrouw aan wal wenscht te gaan, is daar
+gelegenheid toe.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik zal bij mijne vrouw gaan en het haar vragen,<span class=
+"corr" id="xd21e392" title="Niet in bron">&rdquo;</span> zeide Willems
+vader en ging met dezen in de kajuit.</p>
+<p>Mevrouw Wilson was zeer blijde, dat het schip nu althans eenigen
+tijd stil zou liggen, maar voelde zich te zwak om aan land te gaan. Er
+werd dus besloten, dat zij met de beide jongste kinderen aan boord zou
+blijven, terwijl haar man de beide oudsten, Willem en Thomas, den
+volgenden dag naar de Kaapstad medenam, van waar hij beloofde nog
+v&oacute;&oacute;r den avond terug te zullen zijn.</p>
+<p>Den volgenden morgen liet kapitein Osborn een groote sloep uitzetten
+<span class="pagenum">[<a id="pb13" href="#pb13" name=
+"pb13">13</a>]</span>en zich daarin met mijnheer Wilson, Willem en
+Thomas naar den wal roeien. Thomas had aan zijne moeder beloofd, dat
+hij heel zoet en gehoorzaam zou wezen; maar dat deed hij altijd en had
+het altijd ook weer vergeten, zoodra hij haar maar uit het gezicht was.
+Van de landingsplaats gingen zij naar een vriend van den kapitein, die
+in de stad woonde. Hier bleven zij een half uur, om een glas limonade
+te drinken, want het was zeer warm, en toen besloot men naar den tuin
+van de Compagnie te gaan, om de wilde dieren te zien, die daar bewaard
+werden. Willem was met dit plan zeer ingenomen en zijn broertje klapte
+in de handen van blijdschap.</p>
+<p>&bdquo;Vader, waarom heet die tuin de tuin van de Compagnie?&rdquo;
+vroeg Willem.</p>
+<p>&bdquo;Omdat hij door de Hollandsch-Oostindische Compagnie is
+aangelegd, in den tijd, toen de Kaap nog aan de Hollanders toebehoorde.
+Het is eigenlijk een plantentuin, waar men evenwel ook wilde dieren
+bewaart. Vroeger had men er hier een groote menigte, doch tegenwoordig
+zijn de reizigers er minder nieuwsgierig naar, daar men ze ook in
+Europa genoeg te zien kan krijgen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En wat zullen we dan al zien?&rdquo; vroeg Thomas.</p>
+<p>&bdquo;Gij zult leeuwen zien, mijn jongen, ik weet niet hoeveel wel,
+allemaal in &eacute;&eacute;n hok bijeen,&rdquo; antwoordde kapitein
+Osborn.</p>
+<p>&bdquo;O, dat is goed! Ik heb nog nooit een leeuw gezien.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar pas op, kind, dat gij niet te dicht bij het hok
+komt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, zeker niet,&rdquo; beloofde Thomas.</p>
+<p>Zoodra zij binnen het tuinhek waren wilde Thomas ontloopen, uit
+ongeduld om de leeuwen toch vooral spoedig te zien, maar kapitein
+Osborn haalde hem gelukkig weder in en hield hem nu stevig bij de hand
+vast.</p>
+<p>&bdquo;Hier zijn een paar zonderlinge vogels,&rdquo; zeide de heer,
+die bij hen was. <span class="corr" id="xd21e420" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>Men noemt ze secretarisvogels, om de
+veeren, die hun daar achter aan den kop uitsteken, evenals de veer van
+de pen, die een klerk of schrijver soms wel achter het oor draagt. Het
+zijn echter zeer nuttige dieren, daar zij de slangen dooden en, als zij
+konden, alleen van slangen en adders leven zouden. Zij pakken die
+beesten met hunne klauwen aan en drukken ze met zooveel geweld, dat zij
+in een oogenblik dood zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Vindt men veel slangen in dit land<span class="corr" id=
+"xd21e425" title="Bron: !">?</span>&rdquo; vroeg Willem.</p>
+<p>&bdquo;Ja, en zeer vergiftige slangen,&rdquo; antwoordde zijn vader,
+&bdquo;waarom deze vogels hier dan ook van groot nut zijn. Gij kunt
+daaruit zien<span class="corr" id="xd21e431" title=
+"Niet in bron">,</span> Willem, hoe geen dier, vooral geen van de
+schadelijke soorten, zich al te sterk vermenigvuldigen kan, maar op
+zijne beurt weer de prooi van andere roofdieren wordt. En zoo is het
+overal; in elk land, waar eenig dier in groote menigte <span class=
+"pagenum">[<a id="pb14" href="#pb14" name=
+"pb14">14</a>]</span>voorhanden is, vindt gij ook zeker een tweede,
+&rsquo;t welk dat eerste vervolgt en tot buit maakt. De secretaris
+bewoont dit land, waar slangen in menigte zijn, om deze te dooden; in
+Europa daarentegen, waar minder vergiftige slangen zijn, zou deze vogel
+ook weinig nut doen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar, vader, sommige dieren, zooals de leeuw en de olifant
+zijn zoo groot en sterk, dat andere ze bijna niet vernielen
+kunnen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is waar, maar die grootere dieren vermenigvuldigen zich
+niet zoo sterk als andere en daarom neemt hun aantal ook veel minder
+schielijk toe. Een paar olifanten b. v. krijgt in den tijd van twee of
+meer jaren maar &eacute;&eacute;n enkel jong, terwijl de konijntjes,
+die de buit van zooveel andere dieren en vogels zijn, tot in het
+oneindige vermeerderen zouden, indien hunne toeneming niet op die wijze
+werd te keer gegaan. Ik heb ergens gelezen, dat een paar konijnen met
+hun gebroed, dat zich even snel weer vermeerdert, in een enkel jaar tot
+vele honderden kan aangroeien.&rdquo;</p>
+<p>Onder zulke gesprekken had men het verblijf der leeuwen weldra
+bereikt. Het was een ruim, rond plein, dat, van boven open en rondom
+tusschen hooge muren besloten, slechts eene enkele opening voor de
+toeschouwers had. Deze opening was breed en van boven tot onder met
+hechte ijzeren staven bezet, die echter zoo ver van elkaar afstonden,
+dat de leeuwen er met hunne klauwen wel tusschendoor konden tasten,
+waarom de kinderen dan ook gewaarschuwd werden, er vooral niet te dicht
+bij te komen. Het was kostelijk om te zien, hoe acht of tien van die
+edele dieren daar in allerlei houding in het rond lagen, zich
+koesterden in de heete zon en met hunne breede, borstelige staarten den
+grond zweepten, zonder zich, naar &rsquo;t scheen, aan de menschen daar
+buiten in het minst te storen. Willem bleef op een behoorlijken afstand
+van de tralies staan en keek aandachtig toe. Ook de kleine Thomas zette
+groote oogen op en was in den beginne niet weinig bang; maar dat ging
+over en hij werd spoedig stouter. De heer, die bij hen was en langen
+tijd aan de Kaap gewoond had, verhaalde eenige zeer onderhoudende
+anecdoten aangaande den leeuw, waarnaar het gansche gezelschap zoo
+aandachtig luisterde, dat niemand merkte, hoe Thomas opnieuw ontsnapt
+en naar den ingang van het leeuwenhok teruggeloopen was. Hij stond
+eerst een tijdlang naar de dieren te kijken, maar wilde toen ook, dat
+zij eens wat beweging maken zouden. Om hen hiertoe te dwingen, nam hij
+eindelijk een steen op en wierp dien naar den jongen, nagenoeg
+driejarigen leeuw, die het dichtst bij den ingang lag. Deze scheen dit
+niet te bemerken, want hij verroerde zich niet, ofschoon hij het oog
+niet van den onvoorzichtigen knaap afwendde. Hierdoor werd onze Thomas
+gedurig stouter, wierp <span class="pagenum">[<a id="pb15" href="#pb15"
+name="pb15">15</a>]</span>nog een steen en nog een en kwam daarbij
+telkens dichter bij het hok.</p>
+<p>Op eens hief de leeuw nu een vreeselijk gebrul aan en sprong op
+Thomas los, terwijl hij met zulk een woede tegen de ijzeren staven van
+zijn hok opvloog, dat deze kletterden en dreunden en de kalk op enkele
+plaatsen van de steenen viel. Doodelijk verschrikt, gilde de jongen het
+uit en tuimelde achterover in het gras, &rsquo;t geen zijn behoud was,
+want ware hij voorovergevallen, dan zou het dier hem zekerlijk met
+zijne klauwen hebben aangepakt. Zijn vader en kapitein Osborn schoten
+dadelijk toe en hielpen hem op. Zoodra hij weder adem kon halen, begon
+hij te huilen van angst, terwijl de leeuw voor de tralies stond en
+brullend en loeiend met den staart in het rond sloeg.</p>
+<p>&bdquo;Breng mij weg,&mdash;breng mij weer op het schip!&rdquo;
+kreet Thomas en trilde als een blad.</p>
+<p>&bdquo;Wat hebt gij gedaan, jongen?&rdquo; vroeg kapitein
+Osborn.</p>
+<p>&bdquo;Ik zal u nooit weer met steenen gooien, heer leeuw; neen,
+neen, nooit van mijn leven meer!&rdquo; riep de knaap en zag ontzet
+naar het vergramde dier om.</p>
+<p>De heer Wilson bracht hem zijne onvoorzichtigheid ernstig onder het
+oog, en van lieverlede kwam hij nu tot bedaren, maar was toch niet
+gerust, voordat men van de leeuwen niets meer hooren of zien kon.</p>
+<p>Zij bezochten thans ook nog de overige dieren, die hier te zien
+waren, en van nu af aan hield Thomas zich van alle op een eerbiedigen
+afstand. Zelfs waagde hij het niet bij een schaap te komen, dat op de
+Kaap thuis behoort en een dikken vetstaart van verscheiden ponden
+zwaarte heeft.</p>
+<p>Na alles bekeken te hebben, gingen zij weder naar het huis van den
+vreemden heer, die hun te eten had verzocht, en na den maaltijd keerden
+allen naar het schip terug. Toen Thomas&rsquo; moeder van het avontuur
+hoorde, dat hij met den leeuw had gehad, verzekerde zij, dat zij zulk
+een ongehoorzaam kind nooit weer uit haar gezicht zou laten gaan.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch4" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">VIERDE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">EEN STORM OP ZEE.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Den volgenden morgen werden levensmiddelen en versch
+water aan boord genomen en zette De Vrede opnieuw hare zeilen in top,
+terwijl men alle hoop op eene voorspoedige reis begon op te vatten,
+daar het schip dagen achtereen met goeden wind zijne vaart vervolgde.
+Dit was nochtans <span class="pagenum">[<a id="pb16" href="#pb16" name=
+"pb16">16</a>]</span>niet van duur. Er volgde eene windstilte die bijna
+drie volle dagen aanhield, en gedurende dezen tijd was ook zelfs geen
+schijn van wind op de breede watervlakte te bespeuren. De geheele
+natuur scheen in diepe rust verzonken, en geen ander levend wezen
+vertoonde zich, dan nu en dan een enkele albatros, die met half
+geopende vlerken het schip een tijdlang bijbleef en de stukjes brood
+oppikte, die men overboord uitstrooide.</p>
+<p>&bdquo;Wat is dat voor een groote vogel, Flink?&rdquo; vroeg
+Willem.</p>
+<p>&bdquo;Dat is een albatros, Willem, de grootste zeevogel dien wij
+hebben. Ik zag er eens een schieten, wiens uitgestrekte vlerken van het
+eene tot het andere einde wel ruim elf voet lang waren.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is de eerste, dien ik ooit gezien heb.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Omdat men ze ten noorden van de Kaap ook zelden vindt. Men
+zegt, dat zij onder het vliegen slapen kunnen en zich dan met den kop
+op de vlerken hoog boven in de lucht laten drijven.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hoe komt het, vader,&rdquo; vroeg Willem dezen, die naast hem
+stond, &bdquo;dat onder de vogels de een zwemmen kan en de ander niet?
+Weet gij nog, toen Thomas eens een van onze hoenders in den grooten
+vijver had gejaagd, hoe het arme beest in het water omspartelde tot
+zijne vleugels nat werden en het niet langer kon boven houden, zoodat
+het verdrinken moest? Hoe maakt een zeevogel het dan, om zich zoo lang
+boven water te houden?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;De zwemvogels, mijn jongen, zijn van eene soort van olie
+voorzien, waarmede zij hunne vederen van buiten bestrijken, en deze
+olie maakt dat het water daar niet indringt. Hebt gij nooit van eenden
+op het land gezien, hoe zij met den snavel in hare vederen omplozen?
+Zij gebruiken dan die olie, om de veeren waterdicht te
+maken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hoe vreemd!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, wel merkwaardig.&mdash;Maar, daar komt Juno zeggen, dat
+de thee gezet is.&rdquo;</p>
+<p>Den derden dag na het invallen der stilte meende kapitein Osborn uit
+het diepe dalen van zijn barometer te moeten opmaken, dat er een hevige
+storm ophanden was, en verzuimde dus niet, alle toebereidselen te
+maken, om dien bij zijn losbreken het hoofd te bieden. En inderdaad had
+hij zich niet bedrogen. Tegen middernacht stegen plotseling donkere
+wolken aan den hemel op en pakten zich allengs dichter en dreigender
+opeen. Vlammende bliksemstralen doorkruisten in alle richtingen de
+nachtelijke duisternis, en toen de wolkgevaarten hooger klommen, stak
+ook de wind op, doch aanvankelijk slechts met enkele zware rukken, die
+eerlang weder door doodelijke stilte werden gevolgd. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb17" href="#pb17" name="pb17">17</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Uit wat hoek, Flink, denkt ge, dat wij den wind te wachten
+hebben<span class="corr" id="xd21e489" title="Bron: !">?</span>&rdquo;
+vroeg kapitein Osborn.</p>
+<p>&bdquo;Om u de waarheid te zeggen, kapitein, geloof ik niet, dat hij
+lang in &eacute;&eacute;ne richting blijven zal. Het zal eerst
+misschien duchtig uit het noorden blazen, maar dan, denk ik, zal hij
+wel spoedig naar eene andere streek overslaan en dan ons nog veel
+harder op het lijf vallen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat zegt gij, Mackintosh?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wij zullen wind genoeg hebben en een duchtig aanhoudenden
+storm bovendien,<span class="corr" id="xd21e498" title=
+"Niet in bron">&rdquo;</span> antwoordde deze. &bdquo;Hoe eer wij de
+luiken schalmen, des te beter zal het zijn.&rdquo;</p>
+<p>De heer Wilson had met Willem dit gesprek aangehoord, en daar Flink
+op het gelaat van zijn jongen vriend bij die laatste woorden eenige
+ongerustheid meende te lezen, klopte hij hem op den schouder en
+vermaande hem, zich niet v&oacute;&oacute;r den tijd beangst te
+maken.</p>
+<p>&bdquo;Voor mijzelf ben ik niet bang, Flink,&rdquo; verzekerde de
+moedige knaap; &bdquo;maar moeder is deze beide laatste dagen weer zoo
+zwak geweest, dat ik om h&aacute;&aacute;r wel wenschen zou, dat de
+storm uitbleef.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar, Flink,&rdquo; vroeg de kapitein verder, &bdquo;wat doet
+u denken, dat de wind draaien zal?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Och, ik weet het zelf niet,&rdquo; antwoordde de oude man;
+&bdquo;misschien vergis ik mij ook en kan stuurman Mackintosh gelijk
+hebben. De wind komt uit het noordoosten; zooveel schijnt althans
+zeker.&rdquo; Met deze woorden trad hij op het nachthuisje toe en zag
+opmerkzaam op het kompas. Vader en zoon keerden inmiddels naar de
+kajuit terug, en ook Mackintosh ging, om de noodige orders aan het volk
+te geven. Zoodra allen weg waren, vervoegde Flink zich weder bij den
+kapitein en zeide:</p>
+<p>&bdquo;Kapitein, het past mij niet, den stuurman tegen te spreken,
+maar in een geval als dit moet ieder vrij voor zijn gevoelen uitkomen.
+Ik zou het mijne ook verdedigd hebben, als de vreemde heer met zijn
+zoon er niet bijgestaan hadden; maar nu wil ik u wel zeggen, dat wij
+nog iets ergers dan een storm te wachten hebben. Ik ben vroeger al meer
+onder deze breedte geweest en ben een oud zeeman, zooals gij weet. Daar
+is iets in de lucht, dat bemerkte ik voor drie dagen al. Ik ben zeker,
+dat het niet tot een storm, neen, dat het tot een volslagen orkaan
+komen zal,&mdash;en wat het ergste daarbij is, dat die denkelijk veel
+langer zal aanhouden, dan een storm doorgaans doet. Ik heb nauwkeurig
+op alles gelet en zelfs de vogels zeggen mij zoo, en die bedriegen
+nooit, daar het de natuur zelve is, die hen onderricht. De stilte tot
+hiertoe was niets anders dan de rust van den wind, die altijd
+<span class="pagenum">[<a id="pb18" href="#pb18" name=
+"pb18">18</a>]</span>zijn hevigst woeden voorafgaat.&mdash;En nu weet
+gij mijne vaste overtuiging.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik vrees, man, dat gij maar al te zeer gelijk hebt. Zorg dan,
+dat de bramraas neerkomen en laat al de kleine zeilen in de marsen
+opruimen. Besla den <span class="corr" id="xd21e515" title=
+"Bron: bazaan">bezaan</span> en doe den gaffel strijken. Ik wil zelf
+mee naar voren gaan.&rdquo;</p>
+<p>Er was werkelijk geen tijd te verliezen; want aan deze bevelen was
+nauwelijks voldaan, toen reeds een heftige storm uit het noordoosten
+losbrak. De zee rees met ontzettende snelheid; in allerijl werd het
+eene marszeil na het andere geborgen en het vaartuig vloog, enkel met
+gereefde fok en stormstagzeilen, door den wind gedreven, over de
+donkere golven. Slechts met de grootste inspanning gelukte het den drie
+mannen aan het rad, het roer vast te houden, zoo geweldig sloeg de
+hooggaande zee tegen de zijden van het schip. Niet een enkele onder de
+bij andere <span class="corr" id="xd21e521" title=
+"Bron: gelegenheiden">gelegenheden</span> zoo zorgelooze matrozen
+waagde het gedurende dezen nacht een oog te sluiten, en in angstige
+verwachtingen zagen allen het aanbreken van den dag te gemoet. Tegen
+drie uren in den morgen ging de wind plotseling liggen, doch slechts
+voor eenige minuten, waarop hij, gelijk Flink voorspeld had, weder met
+nieuwe woede uit een anderen hoek het schip bestookte en de laatste
+zeilen aan flarden scheurde, die nog eenigen tijd aan de raas
+fladderden en eindelijk door den storm ver lijwaarts geslingerd
+werden.</p>
+<p>De hemel was in dikke duisternis gehuld en alleen het schuim, dat de
+woelende zee rondom het schip deed opspatten, verspreidde nu en dan een
+zwakken, akeligen lichtglans. De wind was nu naar het west-noordwesten
+gedraaid en zoo moest ook het schip zijn koers veranderen en was men
+gedwongen zich aan het geweld van den orkaan over te geven. Dit
+geschiedde ook, doch hieruit ontstond een nieuw bezwaar, want daar de
+zee&euml;n in de vroegere windrichting uit het noordoosten liepen,
+kreeg het schip die op eenmaal dwars in, gelijk de zeelieden het
+noemen, en sloegen ieder oogenblik stortzee&euml;n overboord, die
+alles, wat niet vaststond, wegspoelden. Zoo werd ook een der matrozen
+van het dek afgerukt en was reddeloos verloren, daar in zulk een orkaan
+aan pogingen tot redding niet te denken viel. Kapitein Osborn stond op
+het achterdek en hield zich aan een van de korvijnagels vast, terwijl
+hij Mackintosh, die bij hem was, toeriep:</p>
+<p>&bdquo;Wat dunkt u, hoe lang kan dat nog duren?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Misschien langer dan het schip zelf,&rdquo; antwoordde de
+stuurman met allen ernst.</p>
+<p>&bdquo;Dat wil ik nog niet hopen,&rdquo; hernam de kapitein;
+&bdquo;en erger kan het toch niet worden. Wat zegt gij,
+Flink?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;We hebben nu meer van ginder boven dan van de zee onder ons
+te <span class="pagenum">[<a id="pb19" href="#pb19" name=
+"pb19">19</a>]</span>vreezen,&rdquo; riep de tweede stuurman en wees
+naar de nokken van de raas, aan beide einden waarvan de electrische
+stof als kleine vuurballen vlamde. &bdquo;Zie die twee wolkjes, die op
+elkaar stooten; als ik....&rdquo;</p>
+<p>Flink had geen tijd om uit te spreken, daar een blauwe bliksemstraal
+den toeschouwers het gezicht verblindde en hen toen eenige seconden
+achtereen in zwarte duisternis hulde. Daarop volgde een vreeselijke
+donderslag, die het schip in zijn gansche lengte deed sidderen en
+schudden. Een dof gekraak&mdash;een ontzettende slag&mdash;een doffe
+kreet werd gehoord, en toen zij de verblinde oogen weer opslaan konden,
+zagen zij den fokkemast als een dun riet tot beneden toe gespleten en
+het schip in lichtelaaien gloed. De mannen aan het rad, geheel verblind
+en verbijsterd door het licht, konden het roer niet langer regeeren;
+het schip loefde op&mdash;krak! daar sloeg de groote mast over
+zij&mdash;en alles was opschudding en verwarring. De Vrede was op
+eenmaal een hulpeloos wrak geworden.</p>
+<p>Gelukkig&mdash;want anders ware alles reddeloos verloren
+geweest&mdash;werd de vlam door de zware golven, die over den bak
+heenrolden, spoedig gebluscht, doch nu lag het schip weerloos, aan de
+golven ten prooi, hevig te stooten tegen de overboord geslagen, slechts
+door het want nog vastgehouden masten. Zoodra zij van hun eersten
+schrik bekomen waren, liepen Flink en de eerste stuurman naar het rad
+en zochten het schip weder voor den wind te brengen; doch hunne poging
+mislukte, want fokkemast en hoofdmast waren weg en alleen de
+bezaansmast was nog over, waardoor het schip juist belet werd naar het
+roer te luisteren. De wakkere Flink liet twee matrozen dit laatste
+aanvatten; terwijl hij Mackintosh een teeken gaf want de wind huilde nu
+te sterk, dan dat men elkanders woorden nog had kunnen verstaan, eene
+bijl opgreep en het bezaanswant van zijn mast loshakte. De kruissteng
+en de top van den bezaansmast stortten overboord en zoo gelukte het hun
+eindelijk, het vaartuig voor den wind te brengen. Het vereischte nu nog
+veel tijd en inspanning, het wrak geheel van zijne masten vrij te
+maken, en toen men eindelijk tijd kreeg om op het dek rond te zien,
+vermiste men vier man, die door den bliksem gedood of onder den
+fokkemast verpletterd waren, zoodat thans, buiten kapitein Osborn en de
+beide stuurlieden, nog maar acht matrozen aan boord overig waren.
+<span class="pagenum">[<a id="pb20" href="#pb20" name=
+"pb20">20</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch5" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">VIJFDE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">HET WRAK.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Een zeeman geeft in het gevaar den moed niet op,
+zoolang hij nog eenige kans ziet om zich door eigen inspanning van het
+verderf te redden. Het verlies van hunne kameraden, die zoo plotseling
+uit hun midden gerukt waren,&mdash;de ellendige toestand van het
+schip,&mdash;de woeste golven, die hen als in een breeden waterkuil
+dreigden te begraven, het huilen van den orkaan,&mdash;de sissende
+bliksem,&mdash;het ratelen van den donder&mdash;dat alles kon hen niet
+weerhouden te doen, wat de nood van hen eischte. Mackintosh, de eerste
+stuurman, verzamelde zijn volk en sloeg zelf de handen aan het werk, om
+een blok en strop aan den nog rookenden stomp van den fokkemast vast te
+maken. Een touw werd door het blok geschoren en het groote bramzeil
+opgeheschen, zoodat het wrak weder met versnelde vaart voor den wind
+uitvloog en beter naar het roer luisterde.</p>
+<p>Het schip was weer voor den wind, en in vergelijking met vroeger
+tamelijk zeker, hoewel de narollende baren het van tijd tot tijd
+geweldig schokten. Andermaal begon de avond te vallen en nog was aan
+geen rust te denken. De manschap was door de onophoudelijke inspanning
+reeds ten hoogste afgemat. Kapitein Osborn en Flink waren meermalen in
+de kajuit geweest, om de beangste passagiers te troosten en gerust te
+stellen. Buiten zichzelven van angst en bezorgdheid, was mevrouw Wilson
+ernstig ongesteld, en haar man waakte aan haar bed. De kinderen werden
+vermaand in de hut bedaard te blijven en de kleine kwam niet uit de
+armen der onvermoeide en zorgdragende Juno.</p>
+<p>Reeds liep de derde dag van den storm ten einde en nog deden zich
+geene geruststellende teekens op. Door het onophoudelijk breken der
+stortzee&euml;n over het achterschip, waren de kompashuisjes
+weggespoeld en men kon nu niet langer den koers, waarin het schip tot
+hiertoe gestuurd was, noch den doorloopen afstand bepalen. Het
+vreeselijk beuken en stooten der golven had reeds een lek
+teweeggebracht en zooveel was met zekerheid vooruit te zien, dat, zoo
+de storm niet spoedig bedaarde, de bodem niet lang meer tegen de zee
+bestand zou zijn.</p>
+<p>Van dit oogenblik af stonden angst en moedeloosheid op des kapiteins
+gelaat te lezen. De verantwoordelijkheid, die op hem rustte, drukte hem
+zwaar;&mdash;zelfs als nog enkelen er het leven afbrachten, had hij een
+kostbaar schip en eene nog veel kostbaarder lading te verliezen. Men
+naderde immers <span class="pagenum">[<a id="pb21" href="#pb21" name=
+"pb21">21</a>]</span>thans een punt, waar de oceaan met lage
+koraalriffen en eilandjes bezaaid was en moest met recht vreezen, in
+den tegenwoordigen hulpeloozen toestand, zonder een enkel middel van
+tegenstand, door wind en golven op een daarvan geworpen te worden.</p>
+<p>De oude stuurman stond naast hem, toen de kapitein zeide:</p>
+<p>&bdquo;Ik heb slechten moed, Flink. Wij loopen het gevaar in den
+mond en hebben geen middel om het te ontwijken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is, helaas, zoo; alle middelen zijn ons
+benomen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Er was menig man,&rdquo; sprak kapitein Osborn met ernst,
+&bdquo;die mij benijdde, toen ik dit fraaie schip onder mij kreeg. Zou
+thans een hunner met mij willen ruilen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik denk voor &rsquo;t naast&mdash;neen, kapitein, ofschoon
+geen mensch weet wat de dag van morgen mee kan brengen. Vol hoop liept
+gij met dit schip het zeegat uit; nu voelt gij, niet zonder grond, zoo
+iets, dat veel van moedeloosheid heeft. Maar wie weet? In allen gevalle
+hebt gij uw plicht gedaan en geen braaf man kan meer doen. Ik wou maar,
+kapitein, dat Mackintosh niet zoo <span class="corr" id="xd21e566"
+title="Bron: schrikkeliijk">schrikkelijk</span> vloekte. Ik verbeeld
+mij altijd, dat de storm er sterker om huilt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Gij hebt gelijk,&rdquo; was het antwoord; &bdquo;maar houd
+vast, Flink: daar komt weer eene zee.&rdquo;</p>
+<p>Onze vriend had nog even tijd, om met beide handen de korvijnagels
+beet te pakken, toen zulk een watervloed zich over het schip
+uitstortte, dat zij een tijdlang met de voeten van boord werden
+gespoeld. Echter lieten zij hun houvast niet los en konden eindelijk
+weer op de been komen.</p>
+<p>&bdquo;Dat heeft hem weer een knauw gegeven, wed ik,&rdquo; zeide
+Flink en nam den hoed af om het water weg te schudden.</p>
+<p>&bdquo;Zoo vrees ik; het beste schip, dat ooit zee bouwde, is tegen
+zulke stooten niet bestand,&rdquo; antwoordde de kapitein. &bdquo;En nu
+juist, met ons doodmoe volk, zie ik geen mogelijkheid, om meer zeil bij
+te krijgen.&rdquo;</p>
+<p>Den geheelen nacht door schoot het schip weder met vogelsnelheid
+over het water voort. Met het krieken van den dag ging de storm liggen
+en werd de verbolgen zee bedaarder; maar nog altijd moest men het schip
+voor den wind houden, want nadat dit reeds zoo geteisterd was, durfde
+men niet bijsteken. Men maakte thans toebereidselen, om noodmasten op
+te richten en de vermoeide matrozen waren daar juist druk mede bezig,
+toen de heer Wilson met zijn zoon Willem op het dek kwam.</p>
+<p>Willem staarde in het rond. Tot zijne verbazing zag hij, hoe de
+slanke <span class="pagenum">[<a id="pb22" href="#pb22" name=
+"pb22">22</a>]</span>masten met al hunne touwen en zeilen verdwenen
+waren en het gansche dek in een staat van wanorde en verwarring voor
+hem lag.</p>
+<p>&bdquo;Zie, mijn jongen,&rdquo; sprak de vader, &bdquo;wat ellende
+en vernieling hier heeft plaats gehad. Zie nu, &rsquo;s menschen
+trotschheid is vernederd.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, Willem,&rdquo; riep Flink hem toe; &bdquo;zie maar eens
+aandachtig rond!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar vader,&rdquo; vroeg Willem na eene poos, &bdquo;hoe
+moeten wij nu zonder masten en zeilen naar Sidney komen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wel, vriend Willem,&rdquo; antwoordde Flink, &bdquo;wij
+moeten alles doen, wat maar in onze macht staat. Wij zeelieden staan
+zelden lang verlegen en, als &rsquo;t goed gaat, zult gij ons
+v&oacute;&oacute;r den nacht wel weer onder een lap of wat zeil zien.
+Wij hebben onze groote masten verloren; daarom moeten wij noodmasten
+opzetten, zooals men ze noemt&mdash;of kleine masten met klein zeil, en
+die brengen ons ook misschien nog wel naar Sidney toe.&mdash;Hoe maakt
+de goede mevrouw het, mijnheer?&rdquo; vervolgde Flink, zich tot den
+vader keerende. &bdquo;Is zij wat beter?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik vrees, dat zij zeer ziek en zwak is,&rdquo; was het
+antwoord. &bdquo;Alleen goed weer kan haar weer eenigszins doen
+bijkomen. Denkt gij, dat het nu opklaren zal?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, mijnheer, om u de waarheid te zeggen, vrees ik, dat het
+nog erger gaat spoken. Ik heb den kapitein mijne gedachten niet gezegd,
+want een mensch kan zich vergissen; maar toch, ik blijf er bij&mdash;ik
+heb niet tevergeefs volle vijftig jaren op zee omgezwalkt. De
+nevelbank, die daar ginder bijeentrekt, bevalt mij niet en &rsquo;t zou
+mij niet verwonderen, als het nog eens uit denzelfden hoek begon te
+blazen en wel nog voordat het nacht wordt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Het zij zoo!&rdquo; sprak de heer Wilson. &bdquo;Echter vrees
+ik zeer voor mijne vrouw, die al zoo door de zeeziekte verzwakt
+is.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Daarover zou ik mij niet al te ongerust maken, mijnheer, want
+ik heb nog nooit gehoord, dat menschen aan die kwaal gestorven zijn,
+hoeveel zij er ook door te lijden hadden.&mdash;Weet gij al Willem, dat
+wij eenigen van ons volk verloren hebben in den tijd, dat gij niet
+boven geweest zijt?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, ik hoorde den kok daar wel iets van mompelen, maar
+wilde hem niet vragen, omdat moeder reeds zoo in angst was.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat was heel braaf van u, mijn jongen; maar denk eens: we
+hebben vijf van onze rapste en beste matrozen verloren. Seevers werd
+overboord geslagen,&mdash;Fennings en Master zijn door den bliksem
+gedood,&mdash;en Jones en Emery zijn door den vallenden fokkemast
+getroffen. Gelooft gij wel, Willem, dat niet &eacute;&eacute;n dezer
+lieden er aan dacht, toen wij de Kaap verlieten of zelfs maar een dag
+of een enkel uur voordat het geschiedde, dat weldra <span class=
+"pagenum">[<a id="pb23" href="#pb23" name="pb23">23</a>]</span>hunne
+lichamen honderden mijlen ver van het land op zee zouden
+omdobberen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik ben van oordeel,&rdquo; zeide mijnheer Wilson, &bdquo;dat
+een zeeman eigenlijk geen recht heeft om te trouwen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is ook altijd mijn gevoelen geweest,&rdquo; antwoordde
+Flink; &bdquo;en zeker, menige arme verlaten matrozenvrouw, als zij
+&rsquo;s nachts op haar bed naar den storm en regen luisterde, heeft
+evenzoo gedacht.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Met mijne toestemming,&rdquo; vervolgde de vader,
+&bdquo;zullen mijn zoons nooit ter zee gaan, zoolang ik nog een andere
+betrekking voor hen vinden kan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En gij hebt gelijk, mijnheer Wilson. Men zegt wel, dat het
+niets helpt, een knaap tegen te houden, wanneer hij zich het varen eens
+in het hoofd heeft gezet;&mdash;maar ik voor mij denk in dat geval
+anders. Ik geloof, dat een vader recht heeft om neen te zeggen; want
+ziet gij, mijnheer, zoo jong als zulk een knaap het baaitje aantrekt,
+heeft hij nog zijn volle verstand en oordeel niet. Ieder stoute,
+moedige jongen wil het zeegat uit,&mdash;dat is heel natuurlijk; maar
+als de meesten onder hen voor de ronde waarheid uitkwamen, zouden zij
+moeten zeggen, dat het niet zoozeer het verlangen naar zee was, dat hen
+verleidde, als wel de wensch, om de school of zelfs het vaderlijk huis
+te verlaten, waar zij onder het opzicht van meesters of ouders
+stonden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Juist, juist, Flink; zij willen onafhankelijk zijn en dat
+hopen zij op zee te worden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar daar bedriegen zij zich geweldig in; want, geloof mij,
+op de gansche wijde wereld wordt geen slaaf zoo gekweld en geplaagd,
+als zulk een arme knaap in de eerste tien jaren van zijn zeeleven. Voor
+&eacute;&eacute;ne berisping, die hij aan land verdient, krijgt hij aan
+boord tiendubbel slagen en nooit vindt zulk een mensch de liefde en de
+genegenheid weder, die hij op vasten wal achterliet. Het is een hard
+leven en er zijn slechts enkelen, die het zich niet bitter beklaagd
+hebben en niet gaarne zouden willen terugkeeren&mdash;als hunne
+schaamte hen daarvan niet terughield.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is de zuivere waarheid, Flink, en daarom geloof ik ook,
+dat een vader ten volle recht heeft, als hij zijn zoon niet toelaat,
+ter zee te gaan, zoolang hij hem op eenige andere wijze een behoorlijk
+bestaan kan verschaffen. Het zal daarom toch nooit aan matrozen
+ontbreken, daar er nog altijd arme jongens in menigte zijn, voor wie
+hunne betrekkingen niet beter zorgen kunnen, en voor zulke lieden is de
+zee zekerlijk de beste keus, daar zij hier geen ander kapitaal dan moed
+en ijver tot hunne bevordering noodig hebben.<span class="corr" id=
+"xd21e622" title="Niet in bron">&rdquo;</span></p>
+<p>&bdquo;Datzelfde heb ik ook steeds gedacht, mijnheer,&rdquo; hernam
+Flink. &bdquo;Maar <span class="pagenum">[<a id="pb24" href="#pb24"
+name="pb24">24</a>]</span>hoe maakt uw zoon Thomas het toch, en de
+andere kleinen en de arme Juno?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Die zijn allen vrij wel, behalve dat zij zich nu en dan door
+uitglijden eens wat zeer deden, als het schip zoo geweldig slingerde.
+Maar ik mag hier niet langer blijven,&rdquo; vervolgde de heer Wilson;
+&bdquo;mijn arme vrouw zal naar mij verlangen. Wilt gij nog langer op
+het dek blijven, Willem?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is beter, dat hij met u omlaag gaat;&rdquo; zeide
+Flink; &bdquo;wij allen hebben hier de handen te vol en ik kan mij niet
+met hem bemoeien. Dezen nacht hebben wij weer geen rust te wachten,
+&rsquo;t moge gaan hoe &rsquo;t wil, daar ons getal thans zoo klein is.
+Goedennacht dan, heerschappen, rust wel!&rdquo;</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch6" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">ZESDE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">ALS HET WATER TOT DE LIPPEN KOMT, IS OOK VAAK UITKOMST
+NABIJ.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Toen vader en zoon in de kajuit kwamen, vonden zij er
+dadelijk handen vol werk. De hofmeester had een schotel erwtensoep voor
+de kinderen gebracht en deze was brandend heet. Thomas, die naast zijn
+zusje in &rsquo;t bed overeind zat, had Juno, die met den rechterarm
+haar kleinen Albert vasthield, het bord uit de linkerhand getrokken en
+dit in zijn ongeduld over de arme Caroline uitgestort, die een kreet
+gaf van pijn; terwijl Juno, vol verlangen om Caroline te helpen,
+opgesprongen en op den grond gevallen was met den kleine, die, hoewel
+niet bezeerd, nu ook een geduchte keel opzette. Tot overmaat van ramp
+was Juno op des kapiteins dashond neergekomen en deze had haar daarvoor
+in het been gebeten, waarop ook Juno het luid uitschreeuwde en mevrouw
+Wilson, bevend en radeloos van angst, zich van hare kussens had
+opgericht en gaarne had willen, maar niet kunnen helpen. Daar kwam haar
+man gelukkig nog juist bijtijds, om Juno met den kleine op te helpen.
+Hij zocht vervolgens de arme Caroline tot bedaren te brengen, die zich,
+gelijk nu bleek, nog niet zoo erg gebrand had, als men verwachtte.</p>
+<p>&bdquo;Massa Thomas ben toch stout ondeugend jonk,<span class="corr"
+id="xd21e642" title="Niet in bron">&rdquo;</span> jammerde de negerin
+en wreef zich het been. De &bdquo;ondeugende jonk&rdquo; oordeelde maar
+&rsquo;t best, zich stil te houden;&mdash;hij werd terdeeg beknord. De
+hofmeester kwam de tafel schoonmaken, en zoo keerde alles eindelijk
+weder tot de vorige orde terug. <span class="pagenum">[<a id="pb25"
+href="#pb25" name="pb25">25</a>]</span></p>
+<p>Onderwijl was men ook op het dek niet werkeloos gebleven. De
+timmerman had eene opening voor een der stengen gemaakt, die den
+grooten mast moest vervangen; terwijl het andere volk het want weder in
+gereedheid bracht. Ongelukkig had het schip een lek gekregen en vier
+handen waren aan de pompen bezig en moesten daar bijna voortdurend
+werkzaam zijn. Gelijk Flink voorzegd had, was ook de nacht niet daar,
+of de wind verhief zich weder, de zee werd holler en woester en het lek
+nam zoo toe, dat men elk ander werk moest opgeven, om alleen bij de
+pompen te blijven. Zoo duurde de storm twee volle dagen lang, totdat de
+<span class="corr" id="xd21e648" title="Bron: geheele">geheel</span>
+uitgeputte matrozen te laatste ook niet meer pompen konden. Aan den
+gang van het schip was te zien, dat er reeds veel water in het ruim was
+binnengedrongen, en thans&mdash;om het ongeluk ten top te
+voeren&mdash;gebeurde er nog eene nieuwe ramp, die de ernstigste
+gevolgen had.</p>
+<p>Kapitein Osborn was v&oacute;&oacute;r op het schip en gaf eenige
+orders aan zijn volk, toen de blokstrop, die de groote bramra aan den
+stomp van den fokkemast vasthield, eensklaps losging, zoodat ra en zeil
+op het dek neerploften en den kapitein bewusteloos deden neervallen.
+Zoolang hij aan hun hoofd had gestaan, hadden de matrozen, vol eerbied
+voor zijne erkende bekwaamheid als zeeman en bemoedigd door het hem
+eigen goed humeur, hunne taak gaarne en gewillig verricht, maar thans,
+nu hij, zoo al niet dood, toch in allen gevalle buiten kennis en tot
+handelen niet in staat was, thans werd het op eenmaal anders en ontbrak
+het geheel aan het vereischte gezag. Mackintosh was bij het volk te
+weinig bemind, dan dat zijne woorden eenigen invloed hadden kunnen
+uitoefenen. Zij sloegen zijn vermaningen en bevelen in den wind en
+staken de hoofden bijeen, om onderling te beraadslagen.</p>
+<p>&bdquo;Het ergste is geleden. De orkaan is gebroken, mannen, en wij
+hebben nu goed weer te wachten,&rdquo; merkte Flink aan en vervoegde
+zich bij de matrozen aan het volkslogies. &bdquo;De wind is haast op,
+zooals gij zelven zien kunt.<span class="corr" id="xd21e655" title=
+"Niet in bron">&rdquo;</span></p>
+<p>&bdquo;Ja, en het schip is ook haast op,&rdquo; antwoordde een
+matroos; &bdquo;daar is nog veel minder aan te twijfelen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Een paar uren stevig aan de pompen gewerkt, dat zou nu goed
+doen,&rdquo; vervolgde Flink. &bdquo;Wat zegt gij, jongens?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Een stevig oorlam zou ons meer goed doen,&rdquo; hernam de
+zeeman. &bdquo;Wat zegt gij, jongens? De kapitein, als hij spreken kon,
+de arme drommel, zou ons dat zeker niet weigeren.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat zijt gij van zins, jongen?&rdquo; vroeg Mackintosh.
+&bdquo;Ge wilt u toch niet dronken drinken, hoop ik?&rdquo;
+<span class="pagenum">[<a id="pb26" href="#pb26" name=
+"pb26">26</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Waarom niet?&rdquo; riep een ander uit den hoop. &bdquo;Het
+schip moet toch spoedig te gronde gaan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is mogelijk,&mdash;ik wil het niet tegenspreken,&rdquo;
+zeide Mackintosh; &bdquo;maar dat is nog geen grond, waarom wij niet
+gered zouden worden. Als ge u nu echter dronken drinkt, is er geen
+denken aan, dat een van ons er het leven zou afbrengen en mij is mijn
+leven lief. Ik ben bereid om u in alles bij te staan, waartoe gij
+besluiten mocht, en gij hebt maar te zeggen wat gebeuren moet; maar
+drank zult gij niet hebben. Zoolang ik het beletten kan, kunt gij daar
+staat op maken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En hoe zoudt gij ons dat beletten?&rdquo; vroeg een der
+matrozen op dreigenden toon.</p>
+<p>&bdquo;Twee vastberaden mannen kunnen veel doen,&mdash;ik mag zeggen
+drie, want in dit geval is stuurman Flink op mijne zijde en ook op den
+passagier in de kajuit kan ik tot bijstand rekenen. Bedenkt, dat alle
+geweren in de kajuit zijn. Maar waarom zouden we samen
+twisten?&mdash;Zegt mij ronduit, wat ge denkt te doen; en als ge nog
+niets besloten hebt, wilt ge dan nog naar mijn voorslag
+luisteren?&rdquo;</p>
+<p>Daar des stuurmans moed en vastberadenheid wel bekend waren,
+beraadslaagden de matrozen nog een tijdlang samen en vroegen hem toen
+naar zijn plan.</p>
+<p>&bdquo;Wij hebben nog een goede boot,&rdquo; antwoordde Mackintosh,
+&bdquo;de nieuwe sloep <span class="corr" id="xd21e680" title=
+"Niet in bron">is</span> behouden. De andere booten, weet gij, zijn
+overboord gespoeld, met uitzondering van de kleine boot achter, die
+nochtans onbruikbaar is, daar de zee ze bijna verbrijzeld heeft. Nu
+kunnen wij niet heel ver meer van de eilanden af wezen, ja, ik geloof
+zelfs dat wij er reeds tusschen zijn. Laten wij de boot van al het
+noodige voorzien en daartoe getroost en vlug te werk gaan. Neemt
+zooveel drank, als gij weet, dat u niet schaden kan en laat ons ook nog
+een goeden voorraad daarvan medenemen. De sloep is met mast, tuig en
+riemen in goeden staat en het moest al vreemd zijn, zoo zij ons niet
+ergens behouden aan land bracht.&mdash;Kameraad Flink, is de raad, dien
+ik hier geef, goed of niet?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Volkomen goed, Mackintosh;&mdash;slechts nog
+&eacute;&eacute;n ding: wat moet er van de kajuitpassagiers, de vrouwen
+en kinderen worden? En wilt gij onzen armen kapitein, die daar ligt te
+ijlen, hulpeloos achterlaten? Of wat wilt gij anders
+aanvangen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wij willen den kapitein niet verlaten!&rdquo; riep een van de
+matrozen.</p>
+<p>&bdquo;Neen&mdash;neen, onze kapitein moet mee!&rdquo; herhaalden de
+overigen.</p>
+<p>&bdquo;En de passagiers?&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb27"
+href="#pb27" name="pb27">27</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Het spijt mij van hen,&rdquo; antwoordde de eerste spreker;
+&bdquo;maar wij zullen genoeg te doen hebben, om ons eigen leven te
+redden. De boot kan ons nauwelijks bergen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik moet u gelijk geven, jongens,&rdquo; sprak Mackintosh.
+&bdquo;Het hemd is nader dan de rok. Welaan dus, wat zegt
+gij?&mdash;Blijft het besloten?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja!&rdquo; riepen de matrozen eenstemmig, en Flink wist wel,
+dat hier iets tegen in te brengen geheel vruchteloos zijn zou.</p>
+<p>Zij gingen nu terstond tot het uitrusten der boot en het aanbrengen
+van den vereischten voorraad over. Beschuit, pekelvleesch, eenige
+tonnen water, een vat met rum werden bij de valreeptrap bijeengebracht.
+Mackintosh haalde zijn octant, een kompas en eenige geweren met kruit
+en lood boven; de timmerman maakte met de hulp van een matroos eene
+opening in de verschansing, om de boot daardoor van boord neer te
+laten; want thans, nu de masten ontbraken, kon men die natuurlijk niet
+daaraan ophijschen. Na verloop van een uur was alles gereed. Een lang
+touw werd aan de boot vastgesjord, deze hierop aan de opening gesleept,
+waardoor zij te water gaan moest en het schip vervolgens dwarswinds
+gebracht. Flink had aan dit werk niet geholpen, maar een-, of tweemaal
+gepeild, om te onderzoeken of het water in het schip ook geklommen was
+en zich daarna bij kapitein Osborn neergezet, die nog altijd
+bewusteloos lag van den slag, die hem op het hoofd had getroffen. Toen
+het schip in den wind was gebracht, kwam mijnheer Wilson boven en zag
+rond.</p>
+<p>Hij zag de boot gereed om af te loopen, water en proviand bij het
+boord en het schip langzaam met de deining
+voortdrijven.&mdash;Eindelijk ontdekte hij Flink, aan de zijde gezeten
+van den kapitein, die daar schijnbaar dood nederlag.</p>
+<p>&bdquo;Wat beduidt dit alles, Flink?&rdquo; vroeg hij. &bdquo;Willen
+zij het schip verlaten<span class="corr" id="xd21e705" title=
+"Niet in bron">?</span> En hebben zij hun kapitein
+omgebracht?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, mijnheer, zoo erg is &rsquo;t nog niet. De arme
+kapitein is door de vallende ra getroffen en ligt sedert buiten kennis;
+maar wat het andere aangaat, ik vrees, dat het zoo besloten is. Gij
+ziet, dat men daar de boot van boord stoot.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar mijne arme vrouw! Zij is nooit in staat om mee te gaan;
+ze kan zich nauwelijks verroeren,&mdash;ze is doodzwak!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik moet u tot mijn leedwezen zeggen, dat die
+d&aacute;&aacute;r ook niet voornemens zijn uzelf of uwe vrouw en uwe
+kinderen mee te nemen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat! ze willen ons hier laten omkomen? Barmhartige Hemel! hoe
+wreed,&mdash;hoe barbaarsch!&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb28"
+href="#pb28" name="pb28">28</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Het is niet menschlievend van hen gehandeld, mijnheer; maar
+ziet gij, zoo is de natuur van den mensch. Als eens &rsquo;t leven er
+mee gemoeid is, dan denkt iedereen aan zichzelf, want het leven is
+zoet. Zij zijn niet harder tegen u, dan zij ook tegen elkaar zijn
+zouden, als zij te sterk in aantal waren en de boot niet allen opnemen
+kon. Ik heb dat al zelf mede beleefd,&rdquo; antwoordde de oude man
+zeer ernstig.</p>
+<p>&bdquo;Mijne vrouw! mijne arme kinderen!&rdquo; riep de wanhopende
+vader en bedekte het gezicht met beide handen. &bdquo;Doch ik wil met
+hen spreken,&rdquo; vervolgde hij; &bdquo;zeker zullen zij naar het
+gebod der menschelijkheid luisteren, en in allen gevalle heeft stuurman
+Mackintosh nog wel eenigen invloed op hen. Gelooft gij dat ook niet,
+Flink?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Daar gij mij dat vraagt, mijnheer, moet ik u zeggen, dat er
+geen harder hart onder hen is, dan dat van Mackintosh en dat het u
+evenmin helpen zal, of gij met hem spreekt of met een van de overigen.
+Ook moet gij die menschen niet te streng beoordeelen: de sloep is klein
+en kan met den voorraad, dien zij meenemen, ook niet meer koppen
+bergen;&mdash;d&aacute;&aacute;r zit de zwarigheid. Wou men u en uwe
+familie nog innemen, dan kon dat de oorzaak van alles zijn. Geloof mij,
+als ik zelf anders dacht, zou ik zeker alles doen, om hen over te
+halen; doch het helpt niets.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar wat dan te doen, Flink? Gaat gij niet met hen
+mede?&rdquo;</p>
+<p><span class="corr" id="xd21e727" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>Neen, mijnheer Wilson. Ik heb het laatste
+uur daarover nagedacht en ben nu besloten bij u achter te blijven. Zij
+willen den armen kapitein meenemen, om hem misschien te redden, en
+vroegen ook mij; maar ik blijf hier.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Om met ons om te komen?&rdquo; was de verbaasde vraag.</p>
+<p>&bdquo;Al naar &rsquo;t God behaagt, mijnheer Wilson. Ik ben oud en
+grijs, aan mij is weinig gelegen; ik hoop ook, dat ik mij zoo goed op
+den dood heb voorbereid, als dat in mijne geringe krachten stond.
+Geloof mij, mijnheer, ik denk veel meer aan uwe kinderen, dan aan
+mijzelven. Het scheelt mij weinig, of ik een paar jaren vroeger of
+later sterf, doch &rsquo;t zou mij diep ter harte gaan, als zulke lieve
+bloempjes al zoo in de eerste lente werden afgesneden. Ik kan van nut
+zijn door mijn blijven, want ik draag een ouden kop op mijne schouders
+en voor geen geld zou ik u aan het verderf overlaten, zoolang gij nog
+misschien gered kunt worden, wanneer ge slechts wist, hoe te doen. Maar
+zie, daar komen de matrozen; de boot is geheel klaar en zij willen nu
+onzen braven kapitein wegdragen.&rdquo;</p>
+<p>De zeelieden traden toe en beurden den nog altijd bewusteloozen
+kapitein op. Onder het weggaan riep een hunner: &bdquo;Kom, stuurman,
+wij hebben geen tijd meer te verliezen.&rdquo; <span class=
+"pagenum">[<a id="pb29" href="#pb29" name="pb29">29</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Denkt niet aan mij, vrienden; ik blijf hier op het
+wrak,&rdquo; antwoordde Flink. &bdquo;Ik wensch u van ganscher harte
+eene behouden vaart. En aan u, Mackintosh, heb ik slechts dit
+&eacute;&eacute;ne verzoek: als gij gered zijt, vergeet dan niet, wie
+ge hier aan boord hebt gelaten en laat ons dan tusschen de eilanden
+opzoeken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Gekheid, Flink, kom mee in de boot!&rdquo; antwoordde de
+eerste stuurman.</p>
+<p>&bdquo;Ik zal hier blijven; kameraad; en ik bid u alleen, dat gij
+doen zult, wat ik van u verlang. Laat aan mijnheer Wilsons vrienden
+weten, wat hier is voorgevallen en waar men ons het best kan opsporen.
+Dat is alles, wat ik van u verlang. Wilt gij mij dit &eacute;&eacute;ne
+beloven?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, Flink, ik wil, wanneer gij dan toch bepaald besloten hebt
+te blijven. <a id="xd21e745" name="xd21e745"></a>Maar,&rdquo; vervolgde
+hij, op Flink toetredende en hem in het oor fluisterende, &bdquo;het is
+waarachtig gekheid:&mdash;kom mee, man!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Vaarwel dan, vriend Mackintosh,&rdquo; antwoordde Flink en
+gaf hem de hand. &bdquo;Gij zult zeker uwe belofte houden?&rdquo;</p>
+<p>Na nog vele verdere vermaningen van de zijde der matrozen waarvoor
+Flink echter doof bleef, stak de boot eindelijk af en stuurde naar het
+noordoosten.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch7" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">ZEVENDE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">DE SCHIPBREUK.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Een tijdlang, nadat de boot het schip verlaten had,
+stond de oude Flink met over elkaar geslagen armen zwijgend uit te
+zien. Mijnheer Wilson stond bij hem. Hij kon geen woord spreken, het
+hart was hem te vol. Naarmate de sloep zich verder van het schip
+verwijderde, scheen ook zijne laatste hoop meer en meer te verdwijnen
+en schenen vrouw en kinderen, hijzelf en de oude man, die aan zijne
+zijde stond, aan een onvermijdelijken ondergang prijsgegeven. Zijne
+gelaatstrekken drukten volslagen moedeloosheid en vertwijfeling uit.
+Ten laatste nam Flink het woord:</p>
+<p>&bdquo;Zij denken zeker, dat zij zichzelven redden en dat wij
+vergaan zullen, mijnheer, doch het kan nog wel anders
+loopen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Het is waar,&rdquo; antwoordde de bedroefde vader;
+<span class="corr" id="xd21e763" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>maar welke hoop ons nog zou overblijven op
+een zinkend schip, met zoovele hulpelooze wezens om ons heen, dat, moet
+ik bekennen, kan ik niet begrijpen.&rdquo; <span class=
+"pagenum">[<a id="pb30" href="#pb30" name="pb30">30</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Wij moeten ons best doen en dan ons aan Gods wil
+onderwerpen,&rdquo; hernam de oude zeeman en ging toen naar achteren,
+waar hij het roer weder oplegde, zoodat het schip andermaal voor den
+wind kwam.</p>
+<p><a id="xd21e770" name="xd21e770"></a>Wat Flink aan de matrozen
+voorspeld had, voordat zij het schip verlieten geschiedde werkelijk; de
+storm had uitgewoed en ook de zee was reeds aanmerkelijk bedaard.
+Niettemin dreef het schip slechts langzaam door het water en na eenigen
+tijd zette Flink het stuurrad vast en kwam weder bij den heer Wilson op
+het voordek. Deze had zich, in een staat van wanhoop naar het scheen,
+op het zeil neergeworpen, waarop kapitein Osborn na zijne verwonding
+gelegd was.</p>
+<p>&bdquo;Het doet mij leed, mijnheer, dat ik u storen moet; maar voelt
+gij u door troosteloosheid overweldigd, dan kan u ik misschien een
+weinig hoop geven.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik heb gebeden,&rdquo; antwoordde Wilson en stond op:
+&bdquo;en sedert heb ik mijn zinnen zooveel mogelijk bijeenverzameld,
+die zekerlijk zeer verward zijn. Wat mij het meest beangst, is, hoe
+onzen hulpeloozen toestand aan mijne lieve vrouw mede te
+deelen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik zou er rond voor uitkomen, indien ik onzen toestand als
+hopeloos beschouwde,&rdquo; hernam Flink; &bdquo;maar hopen blijft
+zelfs in het ergste geval geoorloofd. Doch luister, mijnheer, ik wil
+als zeeman spreken en u zeggen, welke mogelijkheid er thans nog voor
+ons over is. Het schip is half vol water geloopen, daar &rsquo;t geweld
+van den storm de naden opende waardoor het naar binnen drong; maar nu,
+sedert de zee bedaarde, heeft zich dat al vrij wat weer hersteld. Ik
+heb in het ruim gepeild en bevonden, dat het water deze beide laatste
+uren maar een paar duim gewassen is en daar het schip langzamerhand
+zijne naden weder sluit, zal het spoedig nog wel beter worden. Indien
+het goede weder vooreerst aanhoudt, behoeven wij niet te vreezen, dat
+het schip zoo spoedig zinken zal; en daar wij ons nu tusschen de
+eilanden bevinden, is het niet onmogelijk, ja zelfs waarschijnlijk, dat
+wij ons vaartuig op een daarvan zullen kunnen laten stranden en zoo nog
+lijf en leven redden. Dat alles heb ik bedacht, toen ik weigerde in de
+boot te gaan, en ik bedacht ook, mijnheer, dat indien ik u evenals de
+anderen verliet, gij voor uzelf niet in staat zijn zoudt, van zoovele
+gunstige omstandigheden, die tot ons behoud misschien nog bijdragen
+kunnen, behoorlijk partij te trekken.&mdash;Daarom ben ik gebleven en
+hoop het werktuig te worden, dat u en al de uwen uit dezen akeligen
+toestand redt. Mij dunkt, het zou nu &rsquo;t best zijn, dat gij weer
+in de kajuit gingt, uwe arme vrouw met een vroolijk gezicht de gunstige
+verandering van het weer berichttet en haar zeidet, dat wij hoop
+hebben, aan eene of andere veilige kust te landen. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb31" href="#pb31" name="pb31">31</a>]</span>Als zij
+nog niet weet, dat het volk het schip verlaten heeft, moet gij haar
+daar niets van doen merken. Gij kunt immers zeggen, dat de hofmeester
+met de andere matrozen aan het werk is, want dat is hij ook waarlijk,
+en zoo het mogelijk was, zou ik u raden, alles, wat sedert is
+voorgevallen, te verzwijgen. Uw Willem moogt gij het wel toevertrouwen,
+of liever, zend hem boven bij mij en ik zal met hem spreken.&mdash;Zeg
+nu, wat dunkt u van de zaak, mijnheer?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik weet nauwelijks, Flink, wat ik denken of hoe ik u voor uwe
+zelfopoffering in dezen nood behoorlijk danken moet. Wees verzekerd, uw
+raad is voortreffelijk; ik zal hem in alles ten stipste opvolgen, en
+mocht het ons gelukken den dood te ontgaan, die ons thans van alle
+kanten aangrijnst, dan zal mijne dankbaarheid....&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Spreek daar niet van, mijnheer; ik ben een oud man, heb
+slechts weinig behoeften en mijn leven is ook maar van gering nut. Wat
+ik wensch te behouden is de bewustheid, dat ik in dezen toestand mijn
+plicht naar mijn beste vermogen heb zoeken te vervullen. Wat kan de
+wereld veel aanlokkelijks hebben voor een man, die zich altijd met
+moeite door het leven heeft heen geworsteld en thans vrienden noch
+magen bezit, die zich om zijn dood bekommeren! Niettemin dank ik u
+hartelijk, mijnheer Wilson; maar nu zal &rsquo;t beter zijn, dat gij
+naar omlaag gaat, terwijl ik hierboven een wakend oog houd.&rdquo;</p>
+<p>De heer Wilson drukte den braven man met hartelijkheid de hand en
+ging toen naar beneden, zonder verder een woord te spreken. Hij vond
+zijne vrouw in slaap; ook de kinderen lagen rustig in hunne bedden;
+alleen Juno en Willem waren op.</p>
+<p>Willem gaf zijn vader een teeken dat zijn moeder sliep, en zeide
+zachtjes: &bdquo;Ik wou niet uit de kajuit gaan, terwijl gij boven op
+het dek waart; maar de hofmeester heeft zich in geen twee uren meer
+laten zien. Hij kwam nog om de geit te melken en na dien tijd niet
+meer. Geen van ons allen heeft nog ontbijt gehad.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Willem, ga op het dek,&rdquo; antwoordde zijn vader.
+&bdquo;Flink heeft u iets te zeggen. Ik wil zoolang hier
+blijven.&rdquo;</p>
+<p>Onze jonge vriend vervoegde zich bij Flink, die hem in korte woorden
+met den toestand bekendmaakte, waarin zij zich thans bevonden. Hij
+bracht hem onder het oog, hoe noodzakelijk het was dat hij alles
+beproefde wat in zijne macht stond, om zijn vader en hem (Flink) te
+ondersteunen en zijne moeder in haar lijdenden toestand niet te
+verontrusten. Gelijk natuurlijk is, maakte, wat hij hier hoorde, op
+Willem een diepen indruk, <span class="pagenum">[<a id="pb32" href=
+"#pb32" name="pb32">32</a>]</span>doch hij vatte toch spoedig weer moed
+en beloofde in alles zijn best te zullen doen.</p>
+<p>&bdquo;Maar, Flink,&rdquo; zeide hij, &bdquo;de hofmeester, weet ge,
+is nu met de anderen weg, en als moeder wakker wordt, zal hare eerste
+vraag zijn, of wij al ontbijt gehad hebben. Wat kan ik doen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat weet ik niet; maar mij dunkt, ge kunt eene van de geiten
+melken, als ik u dat voorgedaan heb, en onderwijl wil ik voor het
+verdere zorgen. Ik kan wel eens van het dek, want het schip stuurt nu
+zichzelf vrij goed.&mdash;En, Willem, ik heb juist voordat gij kwaamt,
+naar het water omgezien en geloof, dat wij niet veel meer inkrijgen.
+En,&rdquo; vervolgde hij en liet zijne oogen in het rond gaan,
+&bdquo;wij zullen goed weer krijgen en ook nog voor den nacht eene
+kalme zee.&rdquo;</p>
+<p>Daar beiden elkander hielpen, was het ontbijt spoedig gereed,
+terwijl mevrouw Wilson nog voortdurend in een gezonden slaap lag. De
+beweging van het schip was thans zeer gering, daar het ingedrongen
+water zijn diepgang aanmerkelijk had doen toenemen. Zee en wind waren
+bedaard en de zon scheen helder en verwarmend aan den hemel. De boot
+had men reeds eenigen tijd geheel uit het gezicht verloren en het wrak
+stuurde zacht, niet sneller dan drie mijlen in het uur, door het water
+heen, want het had slechts een enkel zeil, het groote bramzeil
+namelijk, dat men op den stomp van den fokkemast had bijgezet.</p>
+<p>Flink was voor eenige oogenblikken in de kajuit gegaan en sloeg
+mijnheer Wilson voor, Juno met de drie kleinen op het dek te zenden.
+&bdquo;Het verveelt hen, hier zoo stil te zijn,&rdquo; zeide hij;
+&bdquo;en daar mevrouw eindelijk eens gerust slaapt, zou het jammer
+zijn, haar te wekken. Daar zij zooveel geleden heeft, kan haar slaap
+nog wel eenige uren aanhouden, en hoe langer, hoe beter, want zij zal
+hare krachten misschien spoedig noodig hebben.&rdquo;</p>
+<p>Mijnheer Wilson keurde dezen voorslag goed en ging met Juno en de
+kinderen op het dek, terwijl hij Willem achterliet, om bij zijne moeder
+te waken. De goede negerin was uiterst verbaasd, toen zij de trap
+opkwam en den staat van het schip en de afwezigheid der matrozen
+ontdekte; doch haar meester verhaalde haar wat er was voorgevallen, met
+de ernstige vermaning, om er zijne vrouw geen woord van te zeggen. Juno
+beloofde dit, ofschoon het arme meisje wel bemerkte in welk gevaar men
+verkeerde, en toen zij den kleinen Albert aan hare borst drukte, rolden
+haar twee zware tranen over de wangen neer. Zij dacht daarbij niet aan
+zichzelve, maar wat er van dat lieve kleine schaap worden moest. Zelfs
+Thomas en Caroline konden <span class="pagenum">[<a id="pb33" href=
+"#pb33" name="pb33">33</a>]</span>niet nalaten te vragen, waar de
+masten en zeilen gebleven waren en waarom kapitein Osborn hun niet wat
+lekkers bracht.</p>
+<p>&bdquo;Zie, zie daar ginder eens, mijnheer!&rdquo; riep Flink en
+wees naar een hoop drijvend zeewier.</p>
+<p>&bdquo;Ik zie het wel,&rdquo; was het antwoord; &bdquo;maar wat zou
+dat?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat alleen zou op zichzelf nog niet veel beteekenen,&rdquo;
+hernam Flink; &bdquo;maar wij zeelieden hebben nog andere merkteekenen,
+waarop wij afgaan. Ziet gij ginder die vogels wel over het water
+heenstrijken?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O ja, zeer duidelijk.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Welnu, die vogels begeven zich nooit ver van land. Thans
+begrijpt ge wat ik meen.&mdash;En nu, mijnheer, ga ik mijn octant eens
+halen en al kan ik onze lengte nog niet dadelijk vinden, zoo kan ik
+toch de breedte wel bepalen. Als wij de kaart raadplegen, kunnen wij
+dan wel ongeveer gissen, waar wij zijn, als wij eens land voor ons
+zien. Het is nu omtrent middag,&rdquo; vervolgde Flink, terwijl hij
+zijne berekening maakte; &bdquo;de zon rijst heel
+langzaam.&mdash;Zoo&rsquo;n kind is toch een gelukkig schepsel! Zie
+eens, mijnheer, spelen uwe kleintjes daar niet zoo vroolijk, alsof er
+geen gevaar in de wereld was en ze thuis in de kinderkamer waren?
+Ofschoon er niets is, dat mij meer leed doet, als het gebeurt denk ik
+toch vaak, mijnheer, dat het een werkelijk geluk voor zulk een wicht
+is, als het al vroeg wordt weggenomen en dat de ouders niet goed doen,
+daar zoo bitter over te klagen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Gij kunt gelijk hebben,&rdquo; gaf de vader ten antwoord en
+wierp daarbij een treurigen blik op zijne lievelingen.</p>
+<p>&bdquo;Het is twaalf uren, mijnheer. Ik ga beneden gauw onze breedte
+berekenen en zal dan de kaart hier meebrengen.&rdquo;</p>
+<p>Mijnheer Wilson bleef boven. Spoedig was hij in diepe, sombere
+gedachten verzonken. Geen wonder ook! Het schip een zinkend, verlaten
+wrak,&mdash;hij alleen op de breede watervlakte met vrouw en
+kinderen,&mdash;niemand tot zijnen bijstand dan een enkel mensch: en
+had ook deze &eacute;&eacute;ne hem eens verlaten, gelijk de overigen
+deden, wat ware dan waarschijnlijk zijn lot geweest? De uiterste
+hulpeloosheid. En nu, wat hadden ze nu te hopen? Hunne stoutste hoop
+was, nog eenig eiland te bereiken en, gelukte dit, wellicht was het dan
+een woest eiland, misschien zelfs wel door wilden bewoond.&mdash;Wat
+was dan het vooruitzicht?&mdash;Vermoord te worden of van honger en
+dorst om te komen! Of gesteld ook, dat zij de middelen tot hun
+levensonderhoud vonden, wat dan nog? Zouden zij hun leven daar slijten
+moeten en onbekend en onbemerkt wegsterven? Het was eerst nadat hij
+deze treurige gedachten als met geweld had verbannen, dat de bedrukte
+<span class="pagenum">[<a id="pb34" href="#pb34" name=
+"pb34">34</a>]</span>man gevoelde moed te bezitten, om elke beproeving,
+die hem nog verder mocht worden opgelegd, als man door te staan.</p>
+<p>&bdquo;Hier is de kaart, mijnheer,&rdquo; riep Flink. &bdquo;Ik heb
+met eene potloodstreep onze breedte aangeduid. Zooals gij ziet, gaat
+zij juist midden door deze groep eilanden, en, naar &rsquo;t mij
+voorkomt, moeten wij er op dit oogenblik reeds tusschenin of er althans
+niet ver meer af zijn. Nu wil ik zorgen, dat wij vanmiddag iets te
+schaften krijgen, en dan moeten wij op den uitkijk, of zich ook land
+vertoont. Wilt gij onderwijl uwe oogen maar gebruiken, vooral naar
+voren en lijwaarts uit?&rdquo;</p>
+<p>De onvermoeide man ging zien, wat hij voor den maaltijd bijeen kon
+brengen; en gebrek daaraan bestond er niet, daar de matrozen bij hun
+vertrek slechts weinig en wat het naast bij de hand lag hadden
+meegenomen. Weldra vond hij een stuk pekelspek en eenige aardappelen,
+die hij in de braadpan legde en waarvan hij zich een voor de
+omstandigheden kostelijk gerecht beloofde.</p>
+<p>Mijnheer Wilson stond nog voorop en zag over den boeg uit, toen de
+stuurman weer bij hem kwam.</p>
+<p>&bdquo;Flink, mij dunkt, ik zie iets, doch ik kan niet met zekerheid
+zeggen, wat het is. Het schijnt in de lucht te hangen en toch kunnen
+het geen wolken zijn. Zie eens, d&aacute;&aacute;r, waar ik met den
+vinger heen wijs.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Gij hebt gelijk, mijnheer,&rdquo; riep Flink; &bdquo;daar is
+iets. Het is niet het land, dat gij ziet, maar &rsquo;t zijn boomen,
+die weerkaatst worden, gelijk men het noemt, waardoor het den schijn
+heeft, of zij in de lucht zweefden. Dit is een eiland; gij kunt daar
+staat op maken. Ik ga mijn kijker halen en dan zullen wij meer
+zien.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Het is werkelijk land mijnheer,&rdquo; verzekerde hij, na het
+door zijn kijker te hebben opgenomen.&mdash;&bdquo;Ja, ja, het is
+zoo,&rdquo; ging hij nadenkend voort. &bdquo;Ik wenschte, dat wij het
+vroeger ontdekt hadden; en toch moeten wij dankbaar zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hoe zoo, Flink?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik meen maar.... daar het schip zoo langzaam over het water
+glijdt, vrees ik, dat wij de kust niet voor den donker halen zullen, en
+ik had die liever nog bij daglicht bereikt, om eene gunstige plaats tot
+stranden te kunnen kiezen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Er is weinig wind op dit oogenblik.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;We willen dan hopen, dat we wat meer krijgen,&rdquo;
+antwoordde Flink; &bdquo;zoo niet, zullen we toch ons best doen. Maar
+nu is mijne plaats aan het roer, want wij moeten recht op het eiland
+aanhouden. Het te laten liggen gaat <span class="pagenum">[<a id="pb35"
+href="#pb35" name="pb35">35</a>]</span>niet, want ofschoon het schip
+niet zooveel water meer maakt, als het gedaan heeft, wil ik u toch wel
+zeggen, dat het zich bezwaarlijk vierentwintig uren meer boven zal
+kunnen houden. Toen ik dezen morgen in het ruim peilde, dacht ik
+anders, maar daareven, bij het halen van het vleesch, ontdekte ik, dat
+wij in grooter gevaar verkeeren, dan ik had geloofd. Het land ligt daar
+nu echter v&oacute;&oacute;r ons en wij hebben alle hoop.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Gelukkig!&rdquo; sprak mijnheer Wilson.</p>
+<p>Flink begaf zich aan het roer en richtte den koers recht op de kust,
+die niet zoo ver af lag, als men in den beginne geloofd had, daar het
+eiland zeer laag en vlak bleek te zijn. Van lieverlede verhief de wind
+zich eenigermate en dreef het schip rasscher voort. Aldra zag men de
+boomen, die eerst in de lucht schenen te zweven, te gelijk met het land
+en kon men dit als een laag, met groepen van kokosboomen overdekt
+koraaleiland onderscheiden. Van tijd tot tijd vertrouwde Flink het roer
+aan mijnheer Wilson toe en ging naar voren, om door zijn kijker te
+turen. Toen zij nog drie of vier mijlen van land verwijderd waren, kwam
+Flink van den bak terug en riep: &bdquo;Ik geloof mijn weg nu vrij
+duidelijk voor mij te zien. Ge ziet, we zijn loefwaarts van het eiland
+en zulke koraalbanken hebben d&aacute;&aacute;r altijd diep water, maar
+de klippen en ondiepten aan lij. We moeten de eene of andere kleine
+kloof in het koraal opzoeken en het schip daar doorheen brengen, omdat
+het anders licht weer van den grond afraakt en in het diepe water
+terugvalt. Mij dunkt, ik heb al een plek in &rsquo;t oog, waar ik het
+schip veilig op het droge kan zetten. Gij ziet daar die kokosboomen
+dicht bij elkander op het strand? Welnu, mijnheer, ik kan ze niet goed
+zien, terwijl ik het roer houd, maar ga gij naar voren en let wel op.
+Moet ik meer rechts sturen, steek dan de rechter-, meer links, steek
+dan de linkerhand op en zijn wij in de juiste richting, dan laat gij de
+hand weer zakken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik begrijp u volkomen,&rdquo; antwoordde mijnheer Wilson, die
+nu naar voren ging en den koers bedachtzaam aangaf. Zoo kwam men
+allengs nader. Op eene halve mijl afstands van de kust verkreeg het
+water eene andere kleur, waarover Flink zich zeer verheugde, doordien
+hij daaruit afleidde, dat de oever in dit geval minder steil dan
+gewoonlijk zijn zou. Niettemin was het toch een beangstigend gevoel,
+zoo op een geheel onbekend strand aan te loopen. Nog slechts eene
+kabelslengte waren zij daarvan af en nog schuurde het schip den grond
+niet. Nog wat verder en een dof gekraak steeg uit de diepte op,
+&rsquo;t was het breken en afbrokkelen der koraalboomen, die in gansche
+wouden onder het water voortwassen.&mdash;Toen opnieuw een gekraak,
+doch ditmaal sterker dan eerst;&mdash;<span class="corr" id="xd21e855"
+title="Bron: Toen">toen</span> herhaalde malen eene slingerende
+<span class="pagenum">[<a id="pb36" href="#pb36" name=
+"pb36">36</a>]</span>schommeling;&mdash;toen een schok, een stoot, die
+het wrak, nu de branding het voor de laatste maal in de hoogte beurde,
+tot in zijn binnenste deed sidderen en kreunen;&mdash;toen bleef het
+vast en onbeweeglijk zitten. Flink liet het roer varen, om zich van de
+ligging van het schip te overtuigen. Hij zag over den boeg naar alle
+zijden rond en bevond, dat het geteisterd wrak van het zoo trotsche
+schip De Vrede op een bed van koraalklippen roerloos vastzat.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch8" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">ACHTSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">TROOST IN HET ONGELUK.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Nauwelijks was dit gebeurd, of Willem kwam uit de
+kajuit aanloopen en riep: &bdquo;Vader, moeder zendt mij bij u. Zij is
+wakker geworden door het gekraak van het schip en zeer ontsteld. Wilt
+gij niet eens bij haar komen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, mijn beste jongen, dadelijk,&rdquo; was het antwoord.</p>
+<p>&bdquo;Wat is er dan toch, lieve, en waar zijt gij allen
+geweest?&rdquo; riep mevrouw Wilson, toen haar man voor haar bed trad.
+&bdquo;Ik ben zoo geweldig verschrikt:&mdash;ik lag gerust in slaap en
+werd door een vreeselijk leven gewekt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wees gerust, lieve,&rdquo; antwoordde haar echtgenoot.
+&bdquo;Wij hebben in groot gevaar verkeerd, maar thans, hoop ik, zijn
+wij behouden. Zeg mij, voelt gij u niet beter na uwe lange
+rust?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O ja, veel beter&mdash;veel sterker; doch zeg mij toch, wat
+er gebeurd is.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Veel, veel, beste vrouw, reeds voordat gij in slaap waart.
+Wij hebben &rsquo;t voor u geheim gehouden; maar thans, nu wij
+denkelijk spoedig aan land zullen gaan&mdash;<span class="corr" id=
+"xd21e877" title="Bron: ..">...</span>&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Aan land gaan?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, aan land. Welnu, wees maar bedaard en laat mij u
+vertellen, wat er al is voorgevallen en hoezeer wij reden hebben om
+dankbaar te zijn.&rdquo;</p>
+<p>Mijnheer Wilson gaf nu een nauwkeurig verslag van al het tot dusver
+gebeurde. Zijne vrouw hoorde hem aan zonder een woord te spreken, maar
+toen hij ge&euml;indigd had, zonk zij in zijn armen en weende
+bitterlijk. Hij deed alles om haar te troosten, tot eindelijk Juno met
+de kinderen terugkwam, want het was vrij laat geworden.</p>
+<p>&bdquo;Nu, mijnheer,&rdquo; riep Flink, toen de heer Wilson weer bij
+hem op het dek kwam, &bdquo;ik heb eens goed rondgekeken en vind, dat
+wij alle reden hebben <span class="pagenum">[<a id="pb37" href="#pb37"
+name="pb37">37</a>]</span>om blij en dankbaar te zijn. Het schip ligt
+vast genoeg en zal zich niet verroeren, totdat er een nieuwe storm komt
+en het in stukken slaat. Zoo iets is echter vooreerst niet te vreezen.
+De weinige wind, die er nu nog is, gaat langzamerhand liggen en nog
+v&oacute;&oacute;r den dag van morgen zullen wij volmaakt stil weer
+hebben.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik geef toe, Flink, dat er geen dadelijk gevaar is; maar hoe
+zullen wij aan wal komen&mdash;en, zijn wij daar, waarvan in de
+toekomst leven?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ook daarover heb ik nagedacht en ik zal uw en zelfs Willems
+bijstand verzoeken, om de kleine boot aan boord te krijgen, waar ik ze
+kalefateren kan. De kiel is beschadigd, maar ik heb het timmermanswerk
+meer bij de hand gehad en met wat dik geteerd zeildoek zal ik haar wel
+zoo waterdicht maken, dat zij ons allen veilig aan land
+brengt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En als wij nu aan land zijn?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ei, mijnheer, waar kokosboomen in zoo groote menigte
+voorhanden zijn, als op het eiland v&oacute;&oacute;r ons, is zeker
+geen hongersnood te vreezen, zelfs als wij niet nog al den proviand van
+ons schip hadden. Leelijker zal het er licht met het water uitzien,
+want het eiland is laag en smal; maar een mensch kan ook niet
+verwachten alles altijd zoo te vinden, als hij het juist
+wenscht.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik dank den hemel voor onze aanvankelijke redding, mijn
+vriend; maar heb toch nog altijd een gevoel van onrust in mijne borst,
+dat ik niet meester kan worden. Wij hebben hier zulk een woest eiland
+voor ons, dat misschien nooit door een ander schip wordt aangedaan,
+zoodat er weinig hoop voor ons is, om het ooit weer te kunnen verlaten.
+Hier zullen wij leven en sterven,&mdash;hier zullen mijne arme kinderen
+opgroeien&mdash;ja zelfs oud worden, nadat zij u en hun vader en moeder
+begraven hebben, en dan zullen zij die volgen in hetzelfde graf. Al
+hunne vooruitzichten en ook de mijne&mdash;ze zijn verijdeld,&mdash;al
+mijne verwachtingen teleurgesteld. O, het is een treurig, ja een wreed
+lot, Flink! Moet gij dat zelf niet erkennen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Mijnheer Wilson, in vergelijking met u ben ik een oud man, en
+als zoodanig mag ik wel zeggen, dat gij u ondankbaar toont, wanneer gij
+op die wijze aan uwe smart toegeeft. En bovendien, wie weet of uit het
+schijnbaar kwaad niet nog veel goeds voor ons kan voortvloeien? Gij
+spreekt daar van uwe kinderen en hunne vooruitzichten, mijnheer; maar
+kunt gij wel zeggen, wat hun lot zou geweest zijn, als zij Sidney
+gelukkig bereikt hadden? Hoevele kinderen geven aanleiding tot de
+schoonste verwachtingen! En als zij tot rijpheid komen, vervullen zij
+dan altijd de hoop hunner ouders? Vergeef mij, mijnheer Wilson, ik hoop
+U niet beleedigd te <span class="pagenum">[<a id="pb38" href="#pb38"
+name="pb38">38</a>]</span>hebben, maar waarlijk, ik voel mij verplicht
+zoo te spreken, als ik gedaan heb.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Gij hebt mij met volle recht bestraft, Flink, en van ganscher
+harte dank ik u daarvoor,&rdquo; antwoordde de ander en drukte den
+zeeman diep bewogen de hand. &bdquo;Ik wil niet langer klagen, neen; ik
+wil mij, zoo goed ik kan, aan mijn lot onderwerpen. Ik moet mij van nu
+af onder uwe orders stellen; want in onzen tegenwoordigen toestand zijt
+gij mijn meerdere: kennis en ervaring is hier zooveel als macht. Kunnen
+wij vandaag nog iets doen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik wel, mijnheer Wilson, maar gij kunt mij morgen vroeg eerst
+helpen. Ofschoon neen, wacht&mdash;gij kunt mij deze twee spieren nog
+naar &rsquo;t achterdek helpen dragen; dan kan ik een bok opzetten en
+alles voor morgen klaarmaken, om de boot in te zetten. Gij ziet zelf,
+met zoo weinig armen aan boord en zonder masten, moeten we onze eigen
+krachten wel beproeven.&rdquo;</p>
+<p>De heer Wilson deed wat van hem verlangd werd. &bdquo;Ga thans
+gerust naar beneden, mijnheer,&rdquo; zeide Flink; &bdquo;maar laat
+Willem vooral de honden losmaken en hun wat te eten geven. De arme
+dieren hebben wij immers geheel vergeten. Ik zal van nacht wacht
+houden, want ik heb nog veel te doen en te overleggen; en dus wel te
+rusten, mijnheer.&rdquo;</p>
+<p>Toen Flink alleen was, bond hij de spieren van boven stevig aan
+elkaar vast en maakte een takel gereed voor den volgenden morgen. Nadat
+dit verricht was, zette hij zich op een der kippenhokken neder en
+verzonk in gepeins. In &rsquo;t eind door waken en vermoeienis
+uitgeput, viel de oude man in diepen slaap. Met het aanbreken van den
+dag werd hij gewekt door de honden, die, door Willem losgelaten en
+nadat ze in het schip de ronde gedaan en niemand gevonden hadden, weder
+naar de kajuit waren teruggekeerd en voor de deur waren ingeslapen.
+Toen zij met zonsopgang weer op het dek kwamen en daar den ouden Flink
+op het hoenderhok slapende vonden, sprongen zij bij hem op en
+<span class="corr" id="xd21e913" title="Bron: lekten">likten</span> hem
+vol blijdschap de handen en het gezicht. &bdquo;Aha,&rdquo; zeide de
+oude man, terwijl hij van zijn hard leger opstond, &bdquo;gij zult alle
+drie van nut zijn, verbeeld ik mij. Koest Viven, koest&mdash;arme dier!
+Gij hebt een goeden meester verloren, naar ik vrees.&rdquo;
+&bdquo;Stil&mdash;laat mij nu eens zien,&rdquo; vervolgde hij, in
+zichzelf sprekende. &bdquo;Eerst,&mdash;maar ik wil de lei en een stuk
+krijt halen en alles opschrijven; want mijn geheugen is niet zoo goed
+meer als in mijne jonge jaren.&rdquo;</p>
+<p>Flink legde de lei op het hoenderhok en schreef daar toen met krijt
+op: <span class="corr" id="xd21e919" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>drie honden, twee geiten en Billy; de big
+(ik meen, dat wij vijf varkens <span class="pagenum">[<a id="pb39"
+href="#pb39" name="pb39">39</a>]</span>hadden in &rsquo;t geheel;
+hoenders die zijn er genoeg); drie of vier paar duiven (zooveel zeker);
+(de koe is gaan liggen en zal wel niet meer opstaan;&mdash;dan moeten
+wij haar slachten); dan het paar merino-schapen, dat mijnheer Wilson
+toekomt. Aan levend vee dus geen gebrek. Nu&mdash;wat hebben we eerst
+noodig, als we allen aan wal zijn?&mdash;Een spier en het
+groot-bramzeil tot een tent, of twee trossen, een paar matrassen voor
+mevrouw en de kleinen, twee bijlen, hamer, boor en spijkers; wat te
+eten&mdash;ja en ook wat om dat te snijden.&mdash;Ziezoo, dat is voor
+een gezin genoeg,&rdquo; besloot Flink zijne alleenspraak. &bdquo;Nu
+wil ik schielijk vuur aanmaken, &rsquo;t water overhangen en, daar ik
+dat toch heb, een paar stukken rund- en varkensvleesch koken om mee aan
+land te nemen. Dan wil ik mijnheer roepen, want ik reken, dat wij een
+zwaren werkdag in het vooruitzicht hebben.<span class="corr" id=
+"xd21e924" title="Niet in bron">&rdquo;</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch9" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">NEGENDE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">HET EILAND.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Zoodra Flink het voorgenomene verricht en de dieren
+gevoederd had, ging hij in de kajuit en wekte vader en zoon. Met
+vereenigde krachten werd de bok opgericht en vastgezet; vervolgens
+haakte men de boot in, maar om deze onbeschadigd over het boord te
+hijschen, werd nog de hulp van een vierden persoon vereischt.</p>
+<p>&bdquo;Willem, loop schielijk naar Juno en zeg haar, dat zij op het
+dek moet komen, om ons te helpen;&mdash;wij moeten allen de handen uit
+de mouw steken! Uw moeder zal de kleinen wel een poosje bij zich
+nemen.&rdquo;</p>
+<p>De knaap was in een ommezien met Juno terug, die eene sterke meid
+was en braaf hielp om de boot uit te zetten, waarna zij naar de kajuit
+terugkeerde.</p>
+<p>De boot werd onderstboven gekeerd en Flink begon zijn arbeid,
+terwijl mijnheer Wilson den teerpot op het vuur zette en alles
+gereedmaakte, om het zeildoek, zoodra &rsquo;t was opgespijkerd,
+behoorlijk te teren. Het liep reeds tegen den middag, toen Flink, die
+er duchtig op los hamerde, met het lappen der boot klaar kwam. Nu moest
+hij die nog met zeildoek bekleeden, dat vooraf door en door goed met
+teer was doortrokken.</p>
+<p>&bdquo;Zoo, denk ik, zal het wel gaan, mijnheer,&rdquo; zeide hij.
+&bdquo;Wij moeten haar <span class="pagenum">[<a id="pb40" href="#pb40"
+name="pb40">40</a>]</span>nu naar den valreep brengen en in zee laten.
+Het is een geluk voor ons, dat zij de verschansing al vroeger
+weggenomen en ons daardoor nu vrij wat moeite bespaard
+hebben.<span class="corr" id="xd21e944" title=
+"Niet in bron">&rdquo;</span></p>
+<p>Er werd een touw aan de boot vastgemaakt. Vervolgens werd zij door
+de beide mannen met vereende krachten neergelaten en scheen, tot hunne
+groote blijdschap, slechts weinig water in te laten.</p>
+<p>&bdquo;Wat dunkt u nu &rsquo;t best, mijnheer: zullen wij eerst de
+kinderen of liever vooraf het noodzakelijkste aan land
+brengen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hoe denkt gij daar zelf over, Flink?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik? Ei, mij dunkt, daar het water nu zoo glad als een spiegel
+is en wij ook overal landen kunnen, moesten gij en ik maar eerst
+overroeien, om de kust eens op te nemen. Het is slechts een klein
+tochtje en zal ons weinig tijd doen verliezen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zeer goed, Flink; maar eerst wil ik dat even aan mijne vrouw
+gaan zeggen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En in dien tusschentijd zal ik het zeil en eenige andere
+dingen in de boot brengen; dan gaat er geen tijd verloren.&rdquo;</p>
+<p>Flink haalde het zeil, eene bijl, een geweer en eenig touwwerk.
+Mijnheer Wilson was spoedig terug. Toen lieten zij zich zakken in de
+boot en roeiden naar het land.</p>
+<p>Bij het betreden van den wal bevonden zij, dat zij van het binnenste
+van het land niets zien konden, wijl de kokosboomen overal zoo dicht
+stonden. Aan hunne linkerhand echter, op ongeveer een vierde mijl
+afstands, ontdekten zij eene kleine zandige bocht, geheel omgeven met
+struikgewas, dat zich tot aan het hooge woud uitstrekte.</p>
+<p>&bdquo;Daar,&rdquo; riep Flink, met den vinger er heen wijzende,
+&bdquo;daar is onze plaats. Laat ons weer in de boot gaan en er heen
+roeien; het is een korte afstand voor ons, maar zou een lange weg zijn,
+indien wij ons goed er naar toe moesten sleepen.&rdquo;</p>
+<p>In weinige minuten bereikten zij de bocht; het water had weinig
+diepte en was zoo helder als kristal, zoodat zij de fraaiste schelpen
+op den bodem ontdekten en zagen hoe de visschen in alle richtingen
+vroolijk voortschoten.</p>
+<p>Het vlakke oeverzand liep bij de vijftig passen landwaarts in en dan
+nam het kreupelbosch een aanvang, dat zich, met hier en daar een
+enkelen kokosboom daartusschen, bijna even ver uitstrekte, tot het ten
+laatste het hooge woud bereikte. Na weinige riemslagen schuurde de boot
+het witte zand en zij stapten aan wal. <span class="pagenum">[<a id=
+"pb41" href="#pb41" name="pb41">41</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Welk eene heerlijke plek is dit!&rdquo; riep de heer Wilson;
+<span class="corr" id="xd21e973" title="Niet in bron">&bdquo;</span>en
+wellicht werd zij nog nooit door een sterveling betreden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zoo gij het goedvindt,&rdquo; antwoordde Flink, &bdquo;willen
+wij het bosch een eind weegs ingaan. Neem echter het geweer mede,
+mijnheer. Niet, dat er veel kans is, dat wij het noodig zullen hebben;
+men vindt zelden een wild dier op deze kleine eilanden, of &rsquo;t
+mochten soms een paar zwijnen zijn, er vroeger aan land
+gezet,&mdash;maar men kan toch niet te voorzichtig zijn. Ik heb vroeger
+met een kapitein gevaren, die zelden een woest eiland aandeed, zonder
+er een paar biggen of eenig ander gedierte tot aanfokking achter te
+laten, voor &rsquo;t geval, dat eens een mensch daar schipbreuk lijden
+mocht. Een mooie trek, niet waar?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat was het zeker, vriend. Ziehier het bosch dan; wat wilt
+gij nu?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik zag naar eene plek uit, om voor het oogenblik eene tent op
+te slaan, mijnheer, en geloof, dat deze kleine hoogte daartoe wel
+geschikt is, totdat wij verder onderzoek doen en een betere woonstee
+vinden kunnen. Nu dadelijk hebben wij echter geen tijd, want wij dienen
+nog vrij wat riemslagen te doen, voordat het avond wordt. Mij dunkt,
+wij moesten het zeil en het andere goed nu eerst maar aan wal brengen
+en dan weer naar boord gaan.&rdquo;</p>
+<p>Onder het terugroeien naar het wrak, zeide Flink: &bdquo;Daar bedenk
+ik, mijnheer, wat mogelijk wel het best zal zijn. Mevrouw zal zich toch
+niet al te ongerust maken, als gij niet bij haar zijt?&mdash;Zoo niet,
+zou ik zeggen, dat wij Juno en den kleinen Thomas eerst aan land
+moesten brengen, omdat zij daar dadelijk van dienst kunnen
+zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik geloof niet, dat zij zich beangst zal maken, als wij haar
+met Willem en de kinderen aan boord achterlaten, wanneer ik maar weer
+bij haar ben, als zij met het kleintje het schip verlaat.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Welnu, zooals gij goedvindt, mijnheer. Wij laten Willem dus
+aan boord en ditmaal zet ik Juno met den kleinen Thomas over. Ook wil
+ik daarbij de honden niet vergeten; zij kunnen tot onze bescherming
+strekken, ingeval er iets gebeuren mocht. Terwijl gij met Juno aan land
+dan bezig zijt, roei ik terug en haal de andere dingen, die wij voor
+een begin noodig hebben.&rdquo;</p>
+<p>Terstond toen zij op het schip aankwamen, snelde mijnheer Wilson
+naar zijne vrouw om haar door het verhaal van wat zij gezien hadden te
+verblijden, en verkreeg ook gereedelijk hare toestemming tot het door
+Flink ontworpen plan. Terwijl de heer Wilson beneden was, had Flink de
+beide spieren, waaruit de bok bestond, losgebonden en ze in &rsquo;t
+water neergelaten, om ze aan een stuk touw aan de boot met deze naar
+den oever te boegseeren. <span class="pagenum">[<a id="pb42" href=
+"#pb42" name="pb42">42</a>]</span>Een paar minuten later verscheen Juno
+met Thomas op het dek. Flink pakte nog eenig timmergereedschap benevens
+een paar spaden in de boot, haalde ten laatste de honden nog, en voor
+de tweede maal landden zij in de zandige bocht. Thomas staarde langen
+tijd als verbijsterd rond, maar sprak geen woord, totdat hij aan het
+strand eenige bonte schelpen ontdekte, waarover hij luide juichkreten
+aanhief en die hij met beide handen begon op te rapen. De honden
+blaften en liepen in hun blijdschap, dat zij eindelijk weer op vasten
+grond waren, als dol en uitgelaten heen en weer. Ook Juno lachte en
+klapte in de handen, toen zij in het rond zag, en zeide tot Flink:
+&bdquo;Wat ijselijk mooi land hier is, hier ikke wel wonen
+wil.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Nu zal ik een tijdlang met u aan land blijven, mijnheer
+Wilson,&rdquo; zeide de oude zeeman. &bdquo;Eerst willen wij het geweer
+laden, en dan moet gij dien kleinen jongeheer eens terechtzetten, die
+merk ik, alles met handen voelen en tasten moet. Wij met ons beiden
+zullen het zeil hierheen dragen; Juno kan het gereedschap nemen, en dan
+hebben wij nog eene vracht aan de spieren, het touw en wat wij meer
+vinden. Kom, kleine handjegauw, gij kunt althans een van de spaden
+dragen en dan zijt gij toch ook tot iets nut. Geen van ons mag vandaag
+luieren.&rdquo;</p>
+<p>Na eene lading op de kleine, vroeger door Flink gekozen hoogte
+gebracht te hebben, keerden zij naar het strand terug en haalden de
+spieren en het verdere gereedschap. Thomas droeg deze tweede reis de
+andere schop en was niet weinig trotsch, dat men hem zoo goed gebruiken
+kon.</p>
+<p>&bdquo;Deze beide boomen zijn volmaakt tot ons doel geschikt,&rdquo;
+zeide Flink, &bdquo;en staan ook juist ver genoeg van elkander. Wij
+moeten de spieren daar bovenaan vastbinden en dan het zeil daarover
+werpen, dat hierop aan weerszijden met pinnen in den grond wordt
+vastgemaakt. Dat is althans voldoende voor een begin; de volgende reis
+breng ik nog meer zeildoek over en dan maken wij tusschen gindsche twee
+boomen nog een tweede tent. Dan hebben we voor &rsquo;t minst toch onze
+twee tenten: de eene voor mevrouw, Juno en de beide jongens, de andere
+voor Willem, onzen knappen Thomas hier en ons beiden. Nu, mijnheer, zal
+ik u de spieren nog helpen vastmaken. Het overige moet ik dan aan uw
+eigen zorg overlaten, om spoedig weer aan boord terug te
+zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hoe kunnen wij echter zoo hoog reiken, Flink?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wel, dat is zeer eenvoudig. Wij binden eerst de eerste spier
+zoo hoog als wij met gemak doen kunnen; dan klimmen wij daarop en
+brengen de volgende waar zij behoort. Ik zal nog eene spier aan wal
+brengen, die voor de tweede tent kan dienen.&rdquo;</p>
+<div class="figure xd21e1005width"><img src="images/p043.jpg" alt=
+"Het kostte vrij wat moeite om allen goed in de boot te krijgen."
+width="485" height="720">
+<p class="figureHead">Het kostte vrij wat moeite om allen goed in de
+boot te krijgen.</p>
+</div>
+<p><span class="pagenum">[<a id="pb43" href="#pb43" name=
+"pb43">43</a>]</span></p>
+<p>Zoodra de spier op de vereischte hoogte vastzat, wierpen zij het
+zeil daarover en bij het uitbreiden daarvan bevonden zij, dat zij eene
+zeer bruikbare tent van behoorlijke hoogte verkregen hadden.</p>
+<p>&bdquo;Nu, mijnheer, ga ik weer naar boord. Gij kunt inmiddels van
+het hout daar prikken snijden en het zeil daarmee in den grond
+vastslaan. Als gij dan met de schop den tentrand met zand bedekt, dat
+de einden neerdrukt, zal alles redelijk goed sluiten. Hier is mijn mes,
+zoo gij er zelf geen bij u hebt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik zal in alles mijn best doen,&rdquo; verzekerde mijnheer
+Wilson. &bdquo;Als ik zoover ben, kan Juno mij het doek vast helpen
+aantrekken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Goed; en onderwijl neemt Juno eene schop en maakt den grond
+onder de tent schoon en effen, ruimt alle dorre kokosbladeren weg en
+ziet daarbij wel toe, dat er niet het een en ander ongedierte onder
+schuilen blijft. Gij kleine Tom, moet niet wegloopen en moogt ook niet
+bij de bijlen komen, want zoodra ge die aanraakt, snijden ze u. Ook
+moeten wij afspraak maken, mijnheer, dat gij, zoodra u iets overkomt en
+gij mij noodig hebt, dadelijk het geweer lost. In een oogenblik ben ik
+dan bij u. Maar dat is wel niet waarschijnlijk,&rdquo; besloot Flink
+eindelijk, ging naar de baai, stapte in de boot en roeide naar het
+schip terug.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch10" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">TIENDE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">LANDING.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Na zijne komst aan boord ging Flink eerst in de
+kajuit, om mevrouw Wilson te vertellen wat er al gedaan was. Deze was
+natuurlijk eenigszins bezorgd, dat haar man zoo alleen was
+achtergebleven; maar Flink stelde haar weder gerust en zeide haar, hoe
+hij met mijn heer Wilson was overeengekomen, dat deze bij het geringste
+onraad door het losbranden van zijn geweer een teeken geven zou.</p>
+<p>Hierop begaf hij zich naar de zeilkooi, om eenig doek, een nieuw
+bramzeil benevens bindtouw, naalden en zeilgaren te halen. Nauwelijks
+had hij dit opgepakt, toen op eens, juist toen hij zijn voet op de trap
+zette, de knal van een geweer gehoord werd en mevrouw Wilson, doodelijk
+verschrikt, uit de kajuit kwam vliegen. De oude man nam oogenblikkelijk
+een ander geweer, liet zich daarmee in de boot afzakken en repte zich,
+wat hij kon, <span class="pagenum">[<a id="pb44" href="#pb44" name=
+"pb44">44</a>]</span>naar de kust. Toen hij geheel buiten adem
+aanlandde, vond hij mijnheer en Juno aan de tent bezig, Thomas zat
+daarbij en schreide en snikte al zijn best. Gelijk nu bleek, was de
+kleine deugniet, terwijl de anderen druk aan &rsquo;t werk waren, naar
+het geweer geslopen, dat men tegen een boom had gezet. Na het een
+poosje van alle kanten bekeken te hebben, kwam hij met de hand aan den
+trekker. Het schot viel. Daar echter de tromp van &rsquo;t geweer
+gelukkig naar boven gericht was, deed het niemand schade, ofschoon het
+den kleinen schutter toch duur te staan had kunnen komen,&mdash;en wee
+onzen Thomas, als die hem op het hoofd ware gevallen! Hij zou er dood
+onder gebleven zijn. Zijn vader, die wel <span class="corr" id=
+"xd21e1030" title="Bron: berijpen">begrijpen</span> kon wat
+ontsteltenis dat schot aan boord veroorzaken moest, had hem duchtig
+onder handen genomen, en daar zat Thomas nu en schreide tranen met
+tuiten, om te toonen, hoe bitter berouw hij had.</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Zal wel het best zijn, dat ik dadelijk terugroei en
+mevrouw zeg wat hier gebeurd is,&rdquo; zeide Flink.</p>
+<p>&bdquo;Ja, doe dat, mijn goede vriend,&rdquo; bad mijnheer Wilson
+hem.</p>
+<p>Dus keerde de oude man naar het schip terug en berichtte het
+<span class="corr" id="xd21e1039" title=
+"Bron: voorgegevallene">voorgevallene</span>. Vervolgens ging hij aan
+zijn arbeid. Vooreerst liet hij des zeilmakers zak met al het noodige,
+als priemen, garen, enz., in de boot neer, vervolgens twee matrassen en
+beddedekens uit de bovenkajuit, de bakpan met het pekelvleesch en
+eindelijk nog een spier, die hij weder achter aan de boot vastmaakte.
+Daarmee had hij zijne lading overvol; doch daar hij anders geen volk
+inhad, kwam hij nog al spoedig over. De twee aan land hielpen hem alles
+naar de hoogte overbrengen en hier werd de nokbalk der tweede tent
+spoedig aan twee andere boomen vastgehecht. Juno had de eerste tent van
+binnen netjes schoongemaakt en daarbij, naar zij verzekerde, geenerlei
+dier of insect onder het dorre loof gevonden. Voordat Flink vertrok,
+gaf hij Thomas een stok in de hand en zeide hem op het vleesch te
+passen en toe te zien, dat de honden daar niet bij kwamen; waarop
+Thomas, die al weer in vroolijk humeur was, zijn stok schouderde en zoo
+parmantig op schildwacht stond als een oud grenadier.</p>
+<p>Onze stuurman roeide nog tweemaal naar het schip en bracht meer
+beddegoed, een zak met scheepsbeschuit, een tweeden met aardappelen,
+borden, messen, lepels, vorken en allerlei keukengereedschap van daar
+mede. Hierop wees hij Juno, hoe zij de einden van de eerste tent met
+het garen en &rsquo;t zeildoek, dat hij had meegebracht, aaneen moest
+hechten; zoodat de tent rondom dicht en goed gesloten werd; en Juno nam
+naald en draad en piekte er dapper op los. Uiterst voldaan, dat het
+meisje zoozeer haar <span class="pagenum">[<a id="pb45" href="#pb45"
+name="pb45">45</a>]</span>best deed en zich zonder vreemde hulp redden
+kon, zei Flink ten laatste: &bdquo;Mijnheer, wij hebben nog maar twee
+uren dag en het begint dus tijd te worden, dat ook mevrouw van het
+schip komt. Als ge &rsquo;t goedvindt, willen we gaan en haar met de
+kinderen halen. Voor den eersten nacht aan land zullen wij het, denk
+ik, vrij goed hebben. Zoo &rsquo;t weer goed blijft, kunnen wij morgen
+een heel stuk verder komen,&mdash;en waarlijk, &rsquo;t is noodig dat
+wij, zoolang het z&oacute;&oacute; blijft, ons uiterste best doen, om
+alles aan wal te krijgen, daar &eacute;&eacute;n duchtige storm het
+wrak waarschijnlijk geheel in stukken zal slaan. Ik heb alles zelf mee
+in het ruim helpen stuwen en weet de meeste dingen daar te vinden
+ofschoon wij er, vrees ik, niet veel meer uit zullen krijgen, dat ons
+van dienst kan zijn.&rdquo;</p>
+<p>Aan boord gekomen, ging mijnheer Wilson zijne vrouw dadelijk het
+voorstel doen, om thans mee aan land te gaan. Zij was zeer aangedaan en
+nog zwak en ongesteld, maar toch hield zij zich recht moedig en kwam,
+ondersteund door haar man, op het dek, waarheen Willem met zijn kleine
+broertje op den arm volgde, terwijl Flink zijne zuster Caroline aan de
+hand leidde. Het koste vrij wat moeite om allen goed in de boot te
+krijgen; maar dit gelukte toch eindelijk. De arme vrouw was echter zoo
+zwak, dat haar man haar in zijne armen overeind moest houden en zijn
+riem aan Willem overgeven. Zij landden gelukkig en brachten de zieke in
+de tent, waar men haar op een der bedden nederlegde. Zij verzocht om
+een weinig water.</p>
+<p>&bdquo;En ik, oude domkop, heb vergeten dat mee te nemen; doch ik ga
+het terstond halen,&rdquo; riep Flink. &bdquo;Zoo druk allen mogelijken
+voorraad over te slepen en toch het allernoodzakelijkste voor den
+mensch te vergeten! Wij moeten zoo spoedig mogelijk hier op dit eiland
+naar water omzien daar dit ons vrij wat moeite kan besparen.&rdquo;</p>
+<p>Flink keerde zoo snel mogelijk naar boord terug en bracht twee
+vaatjes water mede, welke hij en Willem naar de tent rolden.</p>
+<p>&bdquo;Voor vandaag heb ik nu mijne laatste reis gedaan,&rdquo;
+zeide de oude man. &bdquo;Ik ben moe&mdash;doodmoe<span class="corr"
+id="xd21e1055" title="Bron: ,">.</span>&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat geloof ik wel, mijn goede vriend,&rdquo; antwoordde
+mijnheer Wilson. &bdquo;Gij hebt vele nachten achtereen gewaakt en over
+dag hard gearbeid. Aan verder werk moet gij heden niet meer
+denken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En ik heb geen eten geproefd vandaag en zelfs geen druppel
+water over mijne lippen gebracht,&rdquo; vervolgde Flink en zette zich
+op den grond neder.</p>
+<p>&bdquo;Hoe is het, beste Flink, zijt gij niet wel?&rdquo; vroeg
+Willem. <span class="pagenum">[<a id="pb46" href="#pb46" name=
+"pb46">46</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Een beetje flauw, mijn jongen; ik ben niet meer zoo jong als
+vroeger. Kunt ge mij wat water aanreiken?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wacht, Willem, dat zal ik doen,&rdquo; zei zijn vader en
+haalde een tinnen kan, die hij pas voor zijne vrouw gevuld had.
+&bdquo;Hier, Flink, drink en wel bekome &rsquo;t u!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Het zal spoedig beter zijn, mijnheer. Ik zal mij een poosje
+neerleggen en dan een beschuit met wat vleesch gebruiken.&rdquo;</p>
+<p>De goede oude man was werkelijk geheel uitgeput, doch na iets
+gegeten te hebben, voelde hij zich spoedig veel beter. Juno was zeer
+ijverig. Ze had aan de kinderen wat pekelvleesch en beschuit gegeven;
+de jongste, benevens Thomas en Caroline, waren te bed gebracht, en de
+tweede tent was genoegzaam gereed.</p>
+<p>&bdquo;Voor dezen nacht zal het zeer goed gaan, Juno,&rdquo; zeide
+haar meester. &bdquo;Wij hebben vandaag veel afgedaan en de rust zal
+daar goed op smaken.&rdquo;</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch11" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">ELFDE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">HET ONTBIJT.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Mijnheer Wilson was den volgenden ochtend de eerste
+die ontwaakte en opstond. Hij verliet de tent en liet de oogen in het
+rond gaan. De hemel was helder als kristal. Een frisch morgenwindje
+streek over de watervlakte en de kleine golfjes speelden op het witte
+zand van de bocht. Aan de linkerzijde van deze klom het land tot kleine
+heuvels op, boven welke zich de voortzetting van het kokosbosch statig
+verhief. Rechts rees eene lange reeks koraalriffen genoegzaam loodrecht
+uit de zee op en paalde aan het frissche groen der heuvelhelling en aan
+het struikgewas, terwijl het wrak van De Vrede zich, als hoofdfiguur in
+deze schilderij, zwart en roerloos, als een gestrand zeemonster, aan
+den toeschouwer vertoonde. De zon brandde, waar zij hare stralen werpen
+kon, doch onder de kokosboomen, waar Wilson stond, was eene koele
+verkwikkende schaduw.</p>
+<p>De uitnemende schoonheid van dit tooneel, hoewel eenigszins gematigd
+door de treurige vertooning van het gestrande vaartuig, maakte een
+diepen indruk op den bekommerden huisvader, die daar in diep nadenken
+verzonken stond.</p>
+<p>&bdquo;Ja,&rdquo; dacht hij, &bdquo;ware ik de wereld en hare
+beslommeringen moe geweest <span class="pagenum">[<a id="pb47" href=
+"#pb47" name="pb47">47</a>]</span>en had ik een oord gezocht, waar
+vrede en schoonheid om den prijs dingen, ik zou dat hier gevonden
+hebben. Hoe heerlijk is dat gezicht hier! Wat kalmte, wat zoeten
+weemoed wekt het op? Hoe genadig zijn wij bewaard, toen alle hoop reeds
+verdwenen scheen; hoe weldadig werden wij verzorgd na onze werkelijke
+redding&mdash;en toch&mdash;toch waagde ik het te klagen, toen vurige
+dankbaarheid mijn eenig gevoel had behooren te zijn!&rdquo;</p>
+<p>Hij keerde naar zijne tent terug. Willem, Thomas en stuurman Flink
+lagen nog in diepen slaap. &bdquo;Brave oude man,&rdquo; sprak hij bij
+zichzelf, <span class="corr" id="xd21e1090" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>als wij ooit weder in de woelige
+samenleving terugkeeren, zal uwe goedheid haar loon erlangen; voor
+zoover het in mijne macht staat u te vergelden. Een edel hart is hier
+onder de ruwe schors verborgen. Zonder zijne verknochtheid,&mdash;zijne
+voorbeeldelooze zelfopoffering, zou ik, zouden deze lieve hulpelooze
+wezens niet meer bestaan!&rdquo;</p>
+<p>De honden, die in de tent gekropen waren en zich nevens Willem en
+Thomas op de matrassen hadden neergelegd, rezen nu op en naderden
+vleiend hun meester. Deze beweging deed Willem ontwaken. Zijn vader gaf
+hem een wenk, dat hij Flink niet wekken moest, en zachtjes kleedde hij
+zich aan en kwam buiten.</p>
+<p>&bdquo;Zal ik niet liever Juno wekken, vader?&rdquo; vroeg hij.
+&bdquo;Ik kan dat denkelijk wel doen zonder moeder te
+storen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Doe het dan, mijn jongen, ik ga onderwijl zien, wat voor
+keukengereedschap Flink al aan land heeft gebracht.&rdquo;</p>
+<p>Willem was spoedig terug en berichtte, dat moeder nog gezond en vast
+sliep en dat Juno was opgestaan, zonder haar of de beide kleinen wakker
+te maken.</p>
+<p>&bdquo;Goed, dan zullen wij zien, of we niet een ontbijt voor hen
+gereed kunnen maken, Willem. Deze dorre kokosbladeren zullen heerlijk
+branden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar, vader, waar krijgen wij het vuur vandaan? Wij hebben
+geen tondeldoos en ook geen zwam of vuurslag.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, maar er zijn nog andere middelen, mijn zoon, ofschoon
+de tondel meestal daarbij noodig is. De wilden maken vuur door een week
+stuk hout tegen een hard voorwerp aan te wrijven. Ik vrees, dat ons dit
+niet zoo spoedig gelukken zou<span class="corr" id="xd21e1108" title=
+"Bron: :">;</span> maar wij hebben kruit en kunnen dit als tondel
+gebruiken, als wij &rsquo;t nat maken en op een stuk papier of, nog
+beter, op zacht hout wrijven. Het kruit aansteken kunnen wij op
+<span class="corr" id="xd21e1111" title=
+"Bron: twee&euml;rleei">twee&euml;rlei</span> manier: door middel van
+steen en vuurslag, of anders met behulp van een brandglas.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar een brandglas hebben wij niet.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen; maar wij kunnen er een uit een verrekijker nemen als
+wij weer <span class="pagenum">[<a id="pb48" href="#pb48" name=
+"pb48">48</a>]</span>eens aan boord komen. Voor &rsquo;t oogenblik
+hebben wij geen ander middel dan met het geweer.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar, vader, als ons vuur aan is, wat <span class="corr" id=
+"xd21e1122" title="Bron: zulen">zullen</span> wij dan nog koken? Wij
+hebben immers thee noch koffie.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is waar; ik geloof niet, dat wij een van beide rijk
+zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Aardappelen hebben wij wel, vader.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, mijn jongen; maar dunkt het u niet beter, dat wij ons
+vooreerst met koud vleesch en beschuit behelpen en de aardappelen
+sparen? Misschien hebben wij die alle noodig om te poten. Doch waarom
+gaan wij niet zelven aan boord van het schip? Gij kunt de riemen vrij
+goed hanteeren en wij moeten thans leeren arbeiden en niet alles aan
+den braven Flink overlaten. Het zal nog wel een tijd aanhouden, voordat
+wij zoo handig en op alles gevat zijn als de oude man, maar al doende
+leert men, en wij willen ten minste onzen goeden wil toonen. Kom,
+Willem.&rdquo;</p>
+<p>Zij gingen naar de bocht. De kleine boot lag nog aan het strand en
+schommelde zacht op de spelende golven. Zij bonden ze los en stapten er
+in.</p>
+<p>&bdquo;Ik weet, waar de kok zijne thee en koffie bewaarde,
+vader,&rdquo; zei Willem onder het roeien. &bdquo;Moeder zal die gaarne
+bij haar ontbijt hebben, en ik kan ook de geiten melken voor kleinen
+Albert.&rdquo;</p>
+<p>Hoewel geen van beiden in het roeien zeer bedreven, kwamen zij toch
+spoedig aan de zijde van het wrak en klommen zonder moeite aan boord,
+na de boot eerst stevig te hebben vastgebonden.</p>
+<p>Willem liep eerst naar de kajuit om thee en koffie te zoeken en liet
+zijn vader inmiddels andere benoodigdheden bijeenpakken, terwijl bij de
+geiten melkte en de melk in een tinnen schotel deed. Vervolgens goot
+hij ze in een zuivere flesch over, opdat zij niet zuur zou worden en
+keerde toen naar zijn vader terug.</p>
+<p>&bdquo;Ik heb deze beide korven met eene menigte dingen gevuld, die
+uwe moeder zeer welkom zullen zijn, Willem. Wat zullen wij verder nog
+meenemen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dezen verrekijker in allen gevalle, lieve vader; en dan
+willen wij alle kleeren en linnengoed inpakken;&mdash;dat zal moeder
+verrassen. Het linnen ligt in de koffers; wij zullen er zeildoek omheen
+slaan. En dan, vader, zullen we ook eenige van de boeken
+meebrengen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is uitmuntend, Willem,&rdquo; antwoordde de vader.
+&bdquo;Ik wil eerst alles inladen en dan terugkomen en het overschot
+halen.&rdquo;</p>
+<p>Binnen het uur waren zij weer aan land. Daar vonden zij Juno, die
+zich <span class="pagenum">[<a id="pb49" href="#pb49" name=
+"pb49">49</a>]</span>intusschen gewasschen had en nu aan de bocht op
+hen wachtte, om hen bij het lossen behulpzaam te zijn.</p>
+<p>&bdquo;Wel, Juno, hoe hebt gij &rsquo;t van morgen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ikke heel goed, massa,&rdquo; was haar antwoord en op
+&rsquo;t helder water wijzende, vervolgde zij: &bdquo;Daar zwemmen
+geducht veel visch hier.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, als wij maar vischtuig hadden,&rdquo; antwoordde mijnheer
+Wilson. <span class="corr" id="xd21e1156" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>Flink zal wel ergens haken en snoeren voor
+ons weten op te schommelen. Kom, meid, breng dezen bundel linnen naar
+uwe tent; het overige kunnen wij alleen wel bezorgen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En neem ook deze flesch melk, Juno; ik heb haar voor kleinen
+Albert meegebracht,&rdquo; zeide Willem.</p>
+<p>&bdquo;Dankje, dankje wel, massa Willem; datte heel zoet zijn van
+jonk massa.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En haast u maar wat, Juno; want daar is Thomas ook al op de
+been en springt in zijn hemd rond.&rdquo;</p>
+<p>Bij de tenten vonden zij allen wakker, met uitzondering van den
+ouden stuurman, die nog zeer vast scheen te slapen. Mevrouw Wilson had
+een zeer goeden nacht gehad en voelde zich verfrischt en gesterkt.
+Willem wreef een stuk papier met kruit in en bracht het door de glazen
+van den kijker aan het branden, waarop spoedig een helder vuur vroolijk
+opvlamde. Zijn vader had onderwijl aan het strand drie groote steenen
+gezocht, waarop de ketel geplaatst werd; en na een half uur kookte het
+water en was de thee gezet.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch12" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">TWAALFDE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">DE HAAIEN.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Juno had de kinderen naar de bocht meegenomen en, tot
+aan de knie&euml;n in het water wadende, hen daarin gedompeld, als het
+eenvoudigste middel om hen te wasschen. Vervolgens had zij hen
+aangekleed en aan mevrouw overgegeven, waarna zij Willem de kopjes en
+borden voor het ontbijt hielp bijeenzoeken. Alles werd sierlijk en net
+tusschen de beide tenten op den grond uitgezet en toen sloeg Willem
+voor, den goeden ouden Flink te wekken.</p>
+<p>&bdquo;Doe dat mijn jongen, nu is het tijd;&mdash;hij zal ook wel
+iets tot ontbijt willen hebben.&rdquo;</p>
+<p>Willem trad op Flink toe en tikte hem zacht op den schouder.
+<span class="pagenum">[<a id="pb50" href="#pb50" name=
+"pb50">50</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Hoe is &rsquo;t, Flink, hebt gij nu goed uitgeslapen?&rdquo;
+vroeg hij, toen de oude man opstond.</p>
+<p>&bdquo;Ja, beste jongen. Ik ben terdeeg onder zeil geweest, dunkt
+mij<span class="corr" id="xd21e1185" title="Bron: :">;</span> maar nu
+wil ik mij haasten en zien, of ik wat tot ontbijt voor u allen klaar
+kan krijgen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Doe uw best maar,&rdquo; was Willems lachend antwoord.</p>
+<p>Het aankleeden kostte Flink weinig moeite of tijd, daar hij bij
+&rsquo;t slapen gaan enkel zijn buis had uitgetrokken. Hij schoot dit
+weer aan en kwam toen buiten. Hoe vreemd stond hij te kijken, toen hij
+het gansche gezelschap met mevrouw Wilson, die met den kleinen was
+meegekomen, verzameld vond aan &rsquo;t ontbijt, dat op den grond
+gereedstond.</p>
+<p>&bdquo;Goeden morgen, Flink,&rdquo; zeide mevrouw Wilson en reikte
+hem vriendelijk de hand. Ook haar man schudde de zijne en wenschte hem
+goedenmorgen.</p>
+<p>&bdquo;Gij hebt een langen, vasten slaap gehad, Flink,&rdquo; zeide
+hij, &bdquo;en ik wou u na dien zwaren dag van gisteren niet te vroeg
+wekken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik dank u voor uwe goedheid, mijnheer, en ben hartelijk blij,
+mevrouw, dat ik u zoo wel vind,&rdquo; antwoordde de oude man.
+&bdquo;Ik heb geen berouw over mijn lang slapen, nu ik zie, dat gij
+allen u ook zonder mij zoo kostelijk redden kunt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, maar juist dat kunnen wij niet, vrees ik,&rdquo; hernam
+mevrouw Wilson. &bdquo;Wat zou zonder u en zonder uwe goedheid van ons
+geworden zijn?<span class="corr" id="xd21e1201" title=
+"Niet in bron">&rdquo;</span></p>
+<p>&bdquo;Wij kunnen wel een ontbijt zonder u gereedmaken,&rdquo; zeide
+haar man<span class="corr" id="xd21e1206" title="Bron: :">;</span>
+&bdquo;maar zonder u, brave vriend, hadden wij dat op dit oogenblik
+niet meer noodig gehad. Onder het eten zullen wij u alles vertellen wat
+wij gedaan hebben.&rdquo;</p>
+<p>Terwijl zij nu bij elkaar zaten, vertelde Willem zijn vriend, hoe
+zij naar boord geroeid waren en wat zij van daar al hadden
+medegebracht. Hij zeide hem ook, hoe Juno de kleinen in het water had
+laten spartelen en hoe dat zeebad allen zoo goed bevallen was.</p>
+<p>&bdquo;Maar dat mag Juno volstrekt niet meer doen,&rdquo; sprak
+Flink &bdquo;voordat ik eerst goed onderzoek gedaan heb. Gij weet wel,
+dat rondom deze eilanden haaien in menigte loeren en dat het daarom
+hoogst gevaarlijk is, in het water te gaan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Mijn God, lieve man, wat gevaar zijn onze kinderen daar dan
+weer ontkomen!&rdquo; riep de bezorgde moeder met innerlijke
+huivering.</p>
+<p>&bdquo;Dat is waar,&rdquo; vervolgde Flink. &bdquo;Evenwel zijn die
+booze gasten minder talrijk aan de loefzijde van de eilanden, ofschoon
+deze vlakke baai eene al te geschikte plaats voor hen is, dan dat zij
+er niet dikwijls komen zouden. <span class="pagenum">[<a id="pb51"
+href="#pb51" name="pb51">51</a>]</span>Dus, Juno, zou ik u raden, niet
+weer te water te gaan, voordat ik eene plek heb opgezocht, waar gij
+veilig baden kunt. Nu echter is daar nog geen tijd toe, en zoodra wij
+uit het schip alles aan wal hebben, wat ons dienstig is, moeten wij
+eerst overleggen, of wij hier blijven willen of niet.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hier blijven of niet, Flink hoe meent gij dat?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wij hebben hier tot nog toe geen water gevonden en dit is
+toch de eerste behoefte des levens;&mdash;als er op deze zijde van
+&rsquo;t eiland geen water te vinden is, moeten wij onze tenten ergens
+anders opslaan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat begrijp ik, zal noodig wezen<span class="corr" id=
+"xd21e1225" title="Bron: .">,</span>&rdquo; antwoordde de heer
+Wilson.</p>
+<p>&bdquo;Ik wenschte wel, dat wij tijd hadden om eenig onderzoek te
+doen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat kunnen wij ook; maar wij mogen daarom het fraaie weer
+niet ongebruikt laten voorbijgaan. Morgen kan het licht weer stormen en
+dan hebben we geen gelegenheid om iets van boord te krijgen. Het zou
+goed zijn, dat wij thans opbraken, mijnheer: gij, Willem en ik. Gij en
+uw zoon blijven aan boord, om het noodzakelijke bijeen te zoeken en ik
+zal de goederen in de bocht brengen, waar Juno ze afhaalt.&rdquo;</p>
+<p>In den loop van den dag haalden zij nog eene menigte dingen, waarvan
+zij verwachten konden in de toekomst dienst te zullen hebben. Nog
+v&oacute;&oacute;r den middag waren de kleinere zeilen en al het
+touwwerk, bindgaren en doek, verder kleine tonnen, zagen, beitels en
+groote spijkers, eindelijk planken van iepen- en eikenhout aan wal
+gebracht. Na het gebruiken van een hartig maal begonnen zij den arbeid
+opnieuw. Stoelen en tafels uit de kajuit, de gezamenlijke
+kleedingstukken, eenige kisten met kaarsen, twee balen koffie, twee met
+rijst en twee met scheepsbeschuit, verscheidene stukken rund- en
+varkensvleesch, zakken met meel (men had veel moeite gedaan, om een
+geheel vat naar boven te krijgen, doch dit was niet gelukt), dan
+eindelijk de slijpsteen, nog meer drinkwater en mijnheer Wilson&rsquo;s
+huisapotheek werden achtereenvolgens ontscheept. Toen Flink andermaal
+terugkwam, zeide hij: &bdquo;Onze boot begint sterk te lekken en zal
+niet veel reizen meer doen kunnen, voordat ik ze gebreeuwd heb. Ook
+heeft Juno nog niet de helft van &rsquo;t goed naar de tenten gebracht;
+de last is voor &eacute;&eacute;n persoon te zwaar. Me dunkt, we kunnen
+het er heden bij laten, mijnheer Wilson, als wij voor den donker maar
+eerst al de dieren aan land hebben. Ik wil die niet gaarne aan hunne
+eigen zwemkunst overlaten en toch zijn het lastige potentaten in eene
+boot. De koe kunnen wij niet over krijgen; zij ligt altijd nog en zal
+ook wel niet meer opstaan;&mdash;zoo gaat het meestal met de beesten.
+Echter heb ik haar nog rijkelijk hooi voorgestrooid en als zij niet
+opstaat, moet ik haar slachten en het vleesch inzouten.&rdquo;
+<span class="pagenum">[<a id="pb52" href="#pb52" name=
+"pb52">52</a>]</span></p>
+<p>Flink ging in het ruim, en het geknor van het varken liet zich
+weldra hooren. Hij had het over den rug geworpen en hield het bij de
+achterpooten vast. Zoo kwam hij er mee op het dek en liet het toen over
+de verschansing in zee neerploffen. Het zwijn spartelde eenigen tijd
+besluiteloos rond, maar keerde toen den kop van het schip af en zwom op
+het land aan.</p>
+<p>&bdquo;Het gaat regelrecht op den oever los,&rdquo; merkte Flink
+aan, die het met de beide anderen naoogde, maar een oogenblik later
+riep hij:</p>
+<p>&bdquo;Ik heb het wel gevreesd,&mdash;&rsquo;t is
+verloren!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hoe zoo?&rdquo; vroeg mijnheer Wilson.</p>
+<p>&bdquo;Ziet gij dat zwarte ding daar, hoe &rsquo;t pijlsnel over het
+water op het dier toeschiet? Dat is de staart van een haai en nu heeft
+het arme beest zijn langsten tijd van het leven gehad.&mdash;Kijk, daar
+gaat het al!&rdquo; vervolgde Flink, toen het zwijn met een zwaren slag
+onder water verdween. &bdquo;Die is er geweest. Beter dat stomme dier,
+dan uwe lieve kleinen, niet waar, mijnheer Wilson?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, waarachtig!&mdash;Misschien is het monster dicht bij hen
+geweest, toen Juno met hen in het water stond.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;De slokop was zeker niet ver uit de buurt,&rdquo; antwoordde
+Flink; &bdquo;maar nu moet hij zich met dien eenen hap tevreden
+stellen, want meer krijgt hij van ons niet. Wij zullen nu naar omlaag
+gaan en de andere vier varkens de pooten vastbinden; dan brengen wij ze
+in de boot, die met al wat er in is, dan hare behoorlijke lading
+heeft.&rdquo;</p>
+<p>Met de zwijnen in de boot, roeide Flink nu naar land, terwijl vader
+en zoon de schapen en geiten op het dek brachten en voor de volgende
+reis gereed hielden.</p>
+<p>&bdquo;Dat zal voor heden de laatste maal zijn,&rdquo; riep de oude
+man bij zijne terugkomst, &bdquo;en, vergis ik mij niet, de laatste
+maal in vele dagen, daar de wolken hare koppen ginder weer braaf
+beginnen op te steken. We zullen nog een zak met koren voor het vee
+meenemen, en dan zeggen we het schip voor een tijdlang vaarwel. Ik heb
+de koe weer een voorraad water en hooi voorgezet, maar geloof niet, dat
+wij haar nog levend vinden zullen bij onze terugkomst.&rdquo;</p>
+<p>Door de zwaarte van het graan ging de boot ditmaal zeer diep. Echter
+brachten zij het gelukkig nog tot den oever, ofschoon ditmaal niet
+zonder veel water in te krijgen. Willem dreef de schapen en geiten naar
+de tenten, waar zij zich rustig nederlegden; de zwijnen waren
+weggeloopen en ook de hoenders hadden zich verstrooid, &rsquo;t geen
+trouwens niet anders te verwachten <span class="pagenum">[<a id="pb53"
+href="#pb53" name="pb53">53</a>]</span>was. Het strand was geheel
+overdekt met de menigte van goederen, die men heden had
+aangebracht.</p>
+<p>&bdquo;Wij hebben ons vandaag dapper geweerd, mijnheer
+Wilson,&rdquo; zeide Flink met een vergenoegden blik op al dien
+voorraad, &bdquo;en ook de kleine boot heeft zich goed gehouden.
+Voordat ik haar wat heb nagezien, mogen wij ons er echter niet weer in
+wagen.&rdquo;</p>
+<p>Het was hun na het harde dagwerk allesbehalve onaangenaam, dat Juno
+voor koffie had gezorgd, en onder het drinken verhaalden zij mevrouw
+Wilson, hoe het arme varken op eene zoo gruwelijke wijze door den haai
+verslonden was. De moeder drukte bij het hooren hiervan haar zoontje
+onstuimig aan het hart, en toen zij haar hoofd weer ophief, glinsterden
+tranen van dankbaarheid in hare zachte oogen. Ook de goede Juno was
+ontsteld en verzekerde in hare gebroken taal, voortaan wel zorg te
+zullen dragen, dat die booze zeeduivels niet bij hare lieve, kleine
+massa&rsquo;s komen konden.</p>
+<p>&bdquo;Wij zullen hier morgen volop te doen hebben met al dat goed
+uit te zoeken en het eene behoorlijke plaats te geven<span class="corr"
+id="xd21e1265" title="Bron: .">,</span>&rdquo; sprak mijnheer Wilson
+tot Flink.</p>
+<p>&bdquo;Wij zullen een langen tijd de handen nog terdege vol
+hebben,&rdquo; hernam deze. &bdquo;Over een paar maanden omtrent kan de
+regentijd invallen, en zoo er eenigszins mogelijkheid toe is, moeten
+wij nog voor dien tijd onder dak zijn. Zonder eene degelijke
+beschutting kunnen wij dit weer niet afwachten, dat zeker tot het einde
+van het jaar aanhouden zal.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Waarmee moeten wij dan eerst beginnen?&rdquo; vroeg mijnheer
+Wilson.</p>
+<p>&bdquo;Morgen zullen wij &rsquo;t best doen nog een of twee tenten
+op te slaan, om al de aan land gebrachte goederen daaronder te bergen.
+Hierna kunnen wij eens zien, waar wij onzen rijkdom voor de toekomst
+bewaren willen, en ook nagaan, wat ons nogal zoo ontbreekt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zeer goed; en wat moet er dan gebeuren?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dan, mijnheer, dienen wij, dunkt me een klein tochtje naar
+het binnenste van het eiland te doen en de plek uit te zoeken, waar wij
+ons huis zullen opbouwen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Kunnen wij een huis bouwen?&rdquo; riep Willem verbaasd.</p>
+<p>&bdquo;Wel zeker, mijn kind; en dat zal ons minder moeite kosten,
+dan gij u misschien voorstelt. Er is geen nuttiger boom dan de
+kokosboom en daarbij is zijn hout zoo licht, dat wij het gemakkelijk
+van de plaats kunnen krijgen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En waarin bestaat dan het groote nut van dien
+boom<span class="corr" id="xd21e1285" title="Bron: !">?</span>&rdquo;
+vroeg mevrouw Wilson.</p>
+<p>&bdquo;Dat zal ik u vertellen, mevrouw. Vooreerst geeft hij u hout,
+om er een <span class="pagenum">[<a id="pb54" href="#pb54" name=
+"pb54">54</a>]</span>huis van te bouwen; dan hebt gij de schors,
+waaruit ge touw, koord en, zoo gij verkiest, ook vischnetten maken
+kunt; vervolgens de bladeren, om uwe woning en, wilt ge, ook uw hoofd
+daar <span class="corr" id="xd21e1292" title="Bron: meee">mee</span> te
+dekken, want men kan zeer goed hoeden en ook manden daarvan vlechten.
+Verder hebben wij de vrucht, eene noot, die zeer goed te eten en ook
+gekookt voedzaam en lekker is. In de jonge noot is de zeer gezonde melk
+besloten en bovendien geeft zij nog lampolie en hare schil drinknappen
+en veldflesschen, als men die anders niet heeft. Eindelijk kan men nog
+een wijn uit den boom tappen, die versch gebruikt een aangename drank
+is, maar bedwelmt en dronken maakt, als hij langer bewaard wordt; en
+van dezen wijn kan men dan ook een zeer sterken drank brouwen. Oordeel
+nu zelve maar eens, mevrouw: kent gij een anderen boom, die den mensch
+zooveel nut aanbrengt en hem, zooals deze, bijna van al wat hij noodig
+heeft, voorziet?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Waarlijk, daar heb ik nooit iets van geweten,&rdquo; was het
+antwoord.</p>
+<p>&bdquo;In allen gevalle zijn hier boomen in menigte,&rdquo; zeide
+Willem.</p>
+<p>&bdquo;Ja, ja, mijn jongen, daar is hier geen gebrek aan; en dat
+verheugt mij hartelijk, want als er maar weinig waren, zou ik er niet
+gaarne een van omhouwen. Misschien konden in het vervolg nog anderen
+hier schipbreuk lijden en daarbij het noodzakelijkste missen, zoodat
+zij gedwongen waren, geheel alleen van de weinige kokosboomen te
+leven.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar nu, geloof ik, zou &rsquo;t voor allen goed zijn, dat
+wij te bed gingen,&rdquo; zeide mevrouw Wilson.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch13" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">DERTIENDE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">EERSTE VERRICHTINGEN OP HET EILAND.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Wij kunnen voortaan in de geschiedenis van ons
+gezelschap op het eiland niet meer, als tot hiertoe, de dagelijksche
+verrichtingen optellen, daar wij genoeg te doen zullen hebben met de
+belangrijkste voorvallen en ontmoetingen van elken dag behoorlijk te
+vermelden. Den volgenden morgen na het ontbijt zeide Flink:</p>
+<p>&bdquo;Nu, mijnheer Wilson, moeten wij krijgsraad houden en
+aangaande een ontdekkingsreisje op morgen een besluit nemen. Is dit
+bepaald, dan zullen wij wel middel vinden, om dezen dag verder op eene
+nuttige wijze te besteden. De eerste vraag is: wie zullen mee van de
+partij zijn? Mag ik weten, hoe gij daarover denkt?&rdquo; <span class=
+"pagenum">[<a id="pb55" href="#pb55" name="pb55">55</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Wel, vriend,&rdquo; antwoordde mijnheer Wilson, &bdquo;mij
+dunkt, wij beiden, gij en ik, zullen gaan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Toch beiden niet te gelijk, lieve man?&rdquo; viel zijne
+vrouw hem in de rede. &bdquo;Gij kunt u ook wel zonder mijn man redden,
+niet waar, Flink.<span class="corr" id="xd21e1317" title=
+"Niet in bron">&rdquo;</span></p>
+<p>&bdquo;Ik had zeker wel gewenscht mijnheer Wilson en zijn goeden
+raad bij mij te hebben,&rdquo; was het antwoord; &bdquo;maar ik heb er
+ook al over nagedacht en geloof zelf, dat de kleine Willem geene
+toereikende bescherming voor u is; of althans zoudt gij hem daar niet
+voor houden, en dat komt voor uwe bezorgdheid nagenoeg op &rsquo;t
+zelfde uit. Dus, als mijnheer er niet tegen heeft, zal &rsquo;t het
+best zijn, dat hij u gezelschap blijft houden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wilt gij echter geheel alleen gaan, Flink?&rdquo; vroeg de
+heer Wilson.</p>
+<p>&bdquo;Neen mijnheer; ik geloof niet, dat dit goed en verstandig zou
+zijn. Er kon mij immers een ongeluk overkomen, want niemand kan zeggen,
+wat er gebeuren kan. Ofschoon er alle schijn van veiligheid voorhanden
+is. Daarom wenschte ik wel iemand bij mij te hebben; de vraag is maar,
+of dat Willem of Juno zal zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neem mij mee!&rdquo; riep Thomas op eens.</p>
+<p>&bdquo;U meenemen, kleine man!&rdquo; zei Flink lachend;
+<span class="corr" id="xd21e1330" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>dan diende ook Juno mee te gaan, om op u
+te passen. Neen, men kan u hier zeker niet missen; uwe moeder zou
+verlegen staan, als gij weg waart. Gij kunt zoo mooi brandhout en
+drooge prikken opzamelen en op uw zusje en kleine broertje passen, dat
+moeder zonder u geen raad meer weten zou. Dus moet Juno of broer Willem
+met mij gaan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En wien van beiden hadt gij &rsquo;t liefst, Flink?&rdquo;
+vroeg mevrouw Wilson.</p>
+<p>&bdquo;Uw zoon Willem, mevrouw,&mdash;hem verreweg &rsquo;t liefst,
+als gij hem aan mijne zorg wilt toevertrouwen. Ik vreesde enkel, dat
+gij misschien zwarigheid zoudt maken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik heb het liever niet; ik zou mij liever een poos lang
+zonder Juno behelpen,&rdquo; antwoordde de moeder. &bdquo;Maar neen, ik
+heb ongelijk, lieve man,&rdquo; vervolgde zij zich tot haren man
+wendende, die haar bestraffend aanzag. &bdquo;Ja, ik heb ongelijk.
+Ziekte en lijden hebben mij niet alleen zwak en vreesachtig, maar,
+vrees ik, ook zelfzuchtig gemaakt. Ik wil mij daartegen verzetten. Tot
+hiertoe ben ik u lang tot last en bezwaar geweest, maar dat zal, hoop
+ik, eerlang beter worden en dan zal ik mij ook nuttig zoeken te maken.
+Zoo gij &rsquo;t beter acht, lieve Wilson, dat gij zelf, in plaats van
+Willem, met Flink gaat,&mdash;ik ben er nu niet meer tegen, &rsquo;t
+was heusch zeer verkeerd van mij, dat ik er mij een oogenblik tegen
+verzette. Ga dus gerust met onzen vriend mede.&rdquo; <span class=
+"pagenum">[<a id="pb56" href="#pb56" name="pb56">56</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Dat mijnheer meegaat is niet noodig, mevrouw,&rdquo; hernam
+Flink; &bdquo;uw wakkere Willem kan mij dezelfde diensten doen. Geloof
+mij, ik zou van harte gaarne alleen gaan: ik heb geen vrees, dat mij
+iets kwaads bejegenen zal; maar toch weten wij niets van den dag van
+morgen. Ik kon immers ook ziek,&mdash;kon door eenig toeval overvallen
+worden, ik ben een oud man; en dan, dacht ik, als mij een ongeluk trof,
+kondt gij mij missen. Dat is alles;&mdash;ik zeide &rsquo;t niet uit
+eigenbelang.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Daar ben ik volkomen van overtuigd, mijn goede oude
+vriend,&rdquo; antwoordde mevrouw Wilson; &bdquo;maar eene moeder is
+soms al heel dwaas en onverstandig.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Vergeef mij, mevrouw, niet dwaas, zooals gij zegt; slechts
+soms al te bezorgd en angstvallig.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Genoeg, Flink. Onze Willem zal dan met u gaan, dat is bepaald
+en besloten,&rdquo; besliste de vader ten laatste. &bdquo;Wat is nu aan
+de beurt?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Vooreerst moeten wij ons nu tot onzen marsch gereedmaken. Wij
+moeten wat mondkost en wat water bij ons hebben, daarbij een geweer en
+kruit, eene groote bijl voor mij en een kleinere voor mijn reismakker.
+Ook zal het goed zijn, dat Romulus en Remus meegaan; het dashondje kunt
+ge hier bij u houden. Gij, Willem, kunt nu dadelijk vier halve
+fleschjes met water vullen, terwijl ik voor ieder van ons een linnen
+knapzak in elkander naai.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En wat zal <i>ik</i> doen?&rdquo; vroeg mijnheer Wilson.</p>
+<p>&bdquo;Gij, mijnheer, zoudt ons een grooten dienst kunnen doen, als
+gij zoo goed waart, deze twee bijlen op de slijpsteen wat aan te
+scherpen. Thomas zal wel draaien. &rsquo;t Is een sterke, fiksche
+jongen en frisch te arbeiden is altijd zijn lust en zijn leven.&rdquo;
+Thomas stond dadelijk op. Hij was juist sterk genoeg, om den steen rond
+te draaien; maar gewoonlijk wilde hij liever spelen dan werken. Nu de
+oude man echter gezegd had, dat dit laatste zijn lust was wilde hij dat
+ook met de daad bewijzen en sloofde zich af, wat hij kon. Flink zat
+daarbij zijne reiszakken te naaien, en zoo vaak onze jongeheer lust
+gevoelde om het werk te staken, prees Flink hem, dat hij zich zoo
+dapper weerde en vertelde aan zijne moeder welk een knappe jongen hij
+was. Zoo dan ging Thomas, die zich gaarne hoorde prijzen, met zijn werk
+voort, totdat de zweetdruppels hem op het voorhoofd stonden.
+V&oacute;&oacute;r het avond werd, waren de bijlen geslepen, de zakken
+klaar en was alles gereed voor den volgenden morgen.</p>
+<p>&bdquo;Wanneer wilt gij morgen op weg gaan, Flink?&rdquo; vroeg
+mevrouw Wilson.</p>
+<p>&bdquo;Het zal goed zijn, dat wij met het eerste daglicht opbreken,
+daar de hitte zoo vroeg nog niet sterk is.&rdquo; <span class=
+"pagenum">[<a id="pb57" href="#pb57" name="pb57">57</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;En tegen wanneer denkt gij terug te zijn?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, zie, mevrouw, wij hebben voorraad voor drie dagen bij
+ons. Als wij morgen, Woensdag, in de vroegte opstappen, kunnen we
+misschien Vrijdagavond hier terug zijn. In allen gevalle denk ik niet,
+dat het later dan Zaterdagochtend worden zal.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Goeden nacht, dan&mdash;en vaarwel, lieve moeder!&rdquo;
+zeide Willem. &bdquo;Ik zal u morgen vroeg niet meer zien.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;God zegene en behoede u, mijn lief kind!&rdquo; sprak deze.
+&bdquo;Pas toch vooral goed op hem, Flink! En ook gij&mdash;goede reis
+en tot spoedig wederzien!&rdquo;</p>
+<p>De beangste moeder ging in hare tent, om de tranen te verbergen, die
+zij niet kon weerhouden. &bdquo;Het is nog geheel nieuw voor
+haar,&rdquo; merkte Flink aan; &bdquo;als zij er meer aan gewoon is,
+zal eene korte scheiding haar zoo hard niet meer vallen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat vertrouw ik ook,&rdquo; antwoordde haar echtgenoot;
+&bdquo;maar zij is nu nog zenuwachtig en ongesteld; en in aanmerking
+nemende, dat zij tot dusverre zelden langer dan een uur van hare
+kinderen gescheiden is geweest en haar zoon nu weggaat, zonder dat zij
+zelfs weet waarheen,&mdash;houdt zij zich, dunkt mij, nog al vrij
+standvastig.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, waarlijk, mijnheer, dat doet zij,&rdquo; erkende Flink;
+&bdquo;de angst eener moeder is even natuurlijk als hare liefde. In
+allen gevalle wil ik, ook indien ik alles wat ik wenschte niet op
+eenmaal verrichten kan, toch op den bepaalden dag terug zijn en dan
+later nog eens een reisje doen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Doe dat, Flink; dat zal haar geruststellen. En nu, vaarwel;
+wees voorspoedig en moogt gij uw doel bereiken!&rdquo;</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch14" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">VEERTIENDE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">EERSTE UITSTAPJE OP HET EILAND.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Nog v&oacute;&oacute;r de zon was Flink op en wekte
+ook Willem uit den slaap. Zwijgend kleedden zij zich aan en vermeden
+elk gerucht, dat de moeder had kunnen doen ontwaken. Hunne reiszakken
+waren reeds gepakt. In ieder was een portie vleesch, dat zij dadelijk
+onder elkander verdeeld hadden, benevens twee waterfleschjes, in
+kokosbladeren gewikkeld, opdat zij minder licht breken zouden. Flink,
+die den grootsten reiszak droeg, had nog beschuit en verscheidene
+andere dingen bij zich, waarvan hij zich voor het <span class=
+"pagenum">[<a id="pb58" href="#pb58" name="pb58">58</a>]</span>geval
+van nood had voorzien. Om het lijf had hij twee strikken geknoopt, om,
+als dit vereischt werd, de honden daaraan vast te binden.</p>
+<p>Zoodra zij de reiszakken hadden omgehangen, nam Flink bijl en geweer
+en vroeg Willem, of hij wel dacht een kleine spade, die zij te gelijk
+met de schoppen van het wrak gehaald hadden, op den schouder te kunnen
+dragen. De knaap antwoordde toestemmend. De honden, die schenen te
+weten, dat zij meegaan mochten stonden klaar, en nu ging de oude man
+naar een der watertonnen, nam zelf een duchtigen slok, spoorde Willem
+tot hetzelfde aan en liet toen ook de honden drinken, zooveel zij
+lustten. Hierop, juist toen de zon aan den hemel opging, traden zij het
+kokosbosch in en hadden de tenten spoedig uit het gezicht verloren.</p>
+<p>&bdquo;Nu, reiskameraad,&rdquo; begon Flink en stond stil, toen zij
+een twintig schreden ver waren, &bdquo;weet gij ook, op welke wijze wij
+den terugweg vinden kunnen? Gij ziet, in het dichte bosch konden wij
+licht verdwalen en er is geen pad, dat ons dan leiden zou.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, waarlijk, dat weet ik niet; ik dacht daar juist aan,
+toen gij er over begont, en ook Klein Duimpje viel mij in, die
+broodkruimels uitstrooide om zijn weg weerom te vinden, maar hem toch
+niet vond, omdat de vogels zijne kruimels hadden opgepikt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ge ziet dus, dat Klein Duimpje de zaak niet goed overlegd
+had, en wij moeten het hem zoeken te verbeteren. Wij moeten doen,
+zooals de Amerikanen doen in hunne bosschen: wij moeten de boomen
+merken. Dit geschiedt door een enkelen slag met de scherpe bijl een
+kerfje in de schors van den boom te houwen, dat hun tot teeken dient,
+waaraan zij hun weg herkennen. Zij merken daarbij niet elken boom, maar
+altijd den tiende of zoo, die aan hun pad staat, en dan beurtelings een
+aan den rechter- en een aan de linkerhand. Het kost slechts weinig
+moeite; zij doen het onder het gaan, zonder dat het hen een oogenblik
+ophoudt. Laat ons nu ook daarmee beginnen; gij neemt de rechterkant:
+het zal u gemakkelijker vallen de bijl in de rechterhand te houden; ik
+voor mij kan evengoed ook de linker gebruiken. Zie, zoo maakt men
+slechts een kerfje in den bast:&mdash;de zwaarte van de bijl doet het
+bijna alleen en dat kan ons jaren lang tot wegwijzer door het woud
+dienen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is heerlijk bedacht!&rdquo; riep Willem, en beiden
+vervolgden nu hun marsch, terwijl zij de boomen rechts en links op
+gezette afstanden teekenden.</p>
+<p>&bdquo;Ik heb evenwel ook nog een anderen vriend in den zak,&rdquo;
+begon Flink weder, &bdquo;en ik zal dien moeten gebruiken.&rdquo;
+<span class="pagenum">[<a id="pb59" href="#pb59" name=
+"pb59">59</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Wat is dat?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Het zakkompas van den armen kapitein Osborn. Gij ziet,
+Willem, het merken der boomen zal ons wel onzen terugweg aanduiden,
+maar kan ons niet zeggen, in welken koers we thans te sturen hebben. Op
+dit oogenblik weet ik nog, dat wij den rechten weg houden, daar ik door
+het geboomte achter mij heen zien kan: maar dikwijls zal dit niet
+mogelijk zijn en dan moet ik met mijn kompas te rade gaan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat begrijp ik zeer goed; maar zeg mij, Flink, waartoe nemen
+wij die schop mede? Hoe kan ons die van dienst zijn? Gij zeidet er
+gisteren morgen niets van, dat gij er eene mee woudt nemen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, Willem, en ik zweeg er opzettelijk van, omdat ik uwe
+moeder niet beangst wilde maken. U echter durf ik wel zeggen, dat ik
+zelf omtrent &eacute;&eacute;n ding zeer bezorgd ben, en dat is, of
+hier water te vinden is of niet. Is er geen water, dan moeten wij het
+eiland wat vroeger of later toch verlaten, want men kan wel eenig water
+verkrijgen door kuilen in het zand te graven, doch dat is ziltig
+zeewater en zou ons bij voortgezet gebruik allen ziek maken. Van het
+schip hebben wij niet veel meegebracht, en als er stormachtig weer
+komt, kunnen wij er ook niet meer vandaan halen. Nu gebeurt het echter
+dikwijls, dat er ergens zoet water is, zonder dat men het aan den grond
+zien kan,&mdash;men moet er dan naar graven, en daartoe heb ik de spade
+meegebracht.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Gij denkt toch aan alles, Flink.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O neen, mijn goede Willem, dat doe ik niet altijd. &rsquo;t
+Is waar, in onzen tegenwoordigen toestand denk ik meer aan wat noodig
+is, dan misschien uw vader en uwe moeder; maar dat is, omdat zij nog
+nooit geweten hebben, wat het is aan zichzelf alleen te zijn
+overgelaten. Zij zijn nog nooit in &rsquo;t geval geweest, dat zij
+genoodzaakt waren aan zulke dingen te denken; als men echter zijn
+gansche leven op zee zwalkte, zooals ik&mdash;als men schipbreuk heeft
+geleden en rampen en gevaren van allerlei aard doorgestaan<span class=
+"corr" id="xd21e1415" title="Bron: .">,</span>&mdash;als men gedwongen
+was, uitkomst te verzinnen of te gronde te gaan, dan, Willem, verzamelt
+men zich nuttige kundigheden, niet alleen uit zijn eigen lijden, maar
+ook uit het verhaal van anderen, wanneer men hoort, hoe die zich er in
+de ellende hebben weten door te worstelen. Nood, zegt men, is de moeder
+der wijsheid, en dat is werkelijk waar, Willem, want hij scherpt het
+verstand; en het is dikwijls opmerkelijk, wat vele menschen, vooral
+zeelieden, als de nood hen tot handelen drijft, met de eenvoudigste
+middelen tot stand brengen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En waar gaan wij dan nu naar toe, Flink?&rdquo; <span class=
+"pagenum">[<a id="pb60" href="#pb60" name="pb60">60</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Recht op de lijzijde van het eiland aan; en ik hoop, dat wij
+nog v&oacute;&oacute;r het vallen van den donker daar zijn
+zullen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Waarom noemt gij dat de lijzijde van het eiland?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Omdat de wind tusschen deze eilanden genoegzaam altijd uit
+dezelfde richting waait. Wij landden op de windzijde; thans hebben wij
+den wind in den rug; steek uw vinger maar eens op en gij zult hem zelfs
+hier in het bosch nog voelen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, ik merk niets,&rdquo; verzekerde de knaap, terwijl hij
+den vinger omhoog hield.</p>
+<p>&bdquo;Maak uw vinger dan eens nat en beproef het nog
+eens.&rdquo;</p>
+<p><a id="xd21e1432" name="xd21e1432"></a>Willem bevochtigde zijn
+vinger met de tong en stak hem nogmaals op. &bdquo;Ja, nu voel ik het.
+Maar hoe komt dat?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;De wind droogt de vochtigheid van uw hand op; daardoor
+ontstaat koude, en deze is het, die gij voelt.&rdquo;</p>
+<p>Op eenmaal begonnen de honden te knorren, sprongen toen vooruit en
+blaften luid.</p>
+<p>&bdquo;Wat kan dat wezen?&rdquo; riep Willem.</p>
+<p>&bdquo;Blijf staan, jongen,&rdquo; sprak Flink en spande den haan;
+&bdquo;ik zal vooruit gaan en zien.&rdquo; De oude man sloop zachtjes
+voorwaarts, het geweer voorzichtig tegen de heup drukkende. Het geblaf
+der honden verdubbelde, en uit een hoop dorre kokosbladeren stoven daar
+op eenmaal.... al de varkens, die men een paar dagen te voren had laten
+loopen, voor den dag en zetten het op een galoppeeren, met de honden
+achter hen aan.</p>
+<p>&bdquo;Het zijn onze varkens maar, Willem,&rdquo; riep Flink
+lachend, &bdquo;Ik had nooit gedacht, dat een tam zwijn iemand zoo kon
+doen schrikken.&mdash;Hier, Romulus! Koest, Remus<span class="corr" id=
+"xd21e1445" title="Niet in bron">!</span>&rdquo; vervolgde hij, de
+honden roepende. &bdquo;Nu, Willem, daar hebt gij ons eerste
+avontuur.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik hoop, dat wij er geen gevaarlijker beleven zullen,&rdquo;
+gaf de knaap lachend ten antwoord. &bdquo;Evenwel, ik wil wel bekennen,
+dat ik vrij wat ontsteld was.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Geen wonder, want ofschoon al niet waarschijnlijk, zou het
+toch mogelijk zijn, dat zich roofdieren of zelfs wilden op dit eiland
+ophielden. Wij moeten in een onbekend land steeds op het ergste gevat
+zijn, Willem. Men kan verschrikt wezen en daarom toch, evenals gij
+daareven, moedig standhouden. Wie echter bevreesd is, loopt
+weg.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik geloof niet, dat ik ooit wegloopen en u verlaten zal, als
+er gevaar aanwezig is, Flink.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik vertrouw er gerust op, Willem, dat gij dat niet doen zult;
+maar daarom <span class="pagenum">[<a id="pb61" href="#pb61" name=
+"pb61">61</a>]</span>moet gij toch niet onbezonnen en te haastig zijn.
+Wij willen nu verder gaan, als ik eerst mijn haan in rust gezet heb.
+Daar mij dit nu juist invalt, Willem, en gij dikwijls een geweer bij u
+zult hebben,&mdash;denk er toch aan, jongen, dat gij nooit uw haan
+gespannen laat. Ik heb daardoor alleen, dat velen den haan spanden en
+naderhand vergaten hem weder in rust te zetten, meer ongelukken zien
+gebeuren, dan gij u ooit zoudt voorstellen. Span nooit den haan,
+zoolang gij niet vuren wilt;&mdash;dezen raad moet gij altijd in
+gedachten houden. Nu moet ik eens op het kompas zien, want wij hebben
+op eens eene veranderde richting, zoodat ik niet meer weet, welken weg
+in te slaan.&mdash;Ziezoo, nu is alles goed. Vooruit,
+honden!&rdquo;</p>
+<p>Nog langer dan een uur vervolgden de wandelaars hun weg door het
+kokosbosch en vergaten daarbij niet, al voortgaande, de boomen rechts
+en links te teekenen. Eindelijk kozen zij een plekje uit, om er hun
+ontbijt te gebruiken, en de honden strekten zich daarbij nevens hen op
+den grond neer.</p>
+<p>&bdquo;Geef de dieren geen water en geen gezouten vleesch; geef hun
+niets dan beschuit.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar zij zijn zoo dorstig; moet ik hun niet een weinig te
+drinken geven?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen; vooreerst omdat wij alles voor onszelven noodig hebben,
+en bovendien verlang ik juist, dat zij dorstig zijn. En ook gij,
+Willem, volg mijn raad en drink maar weinig water op eens. Weinig is
+volkomen toereikend, om den dorst te lesschen, en hoe meer gij drinkt,
+des te meer voelt gij dorst.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dan dien ik ook wel niet te veel gezouten vleesch te
+eten.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Juist; hoe minder gij eet, des te beter, als wij geen water
+vinden en onze fleschjes weer vullen kunnen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar wij hebben onze bijlen immers en kunnen van tijd tot
+tijd ook eene kokosnoot afslaan en de melk daarvan drinken?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, en het is een geluk voor ons, dat wij die uitkomst altijd
+nog hebben; maar toch zou kokosmelk alleen ons slecht bevallen, ook als
+die het gansche jaar door volop te krijgen ware.&mdash;Nu, Willem,
+willen wij weer opstappen, als gij niet te moe zijt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Volstrekt niet; ik ben alleen moe niets dan de stammen der
+boomen te zien, en zal hartelijk blij zijn, als wij het bosch eens
+achter den rug hebben.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hoe meer wij ons haasten, des te beter dus,&rdquo; antwoordde
+Flink. &bdquo;Voor zoover ik dit eiland bij onze aankomst beoordeelen
+kon, moeten wij thans ongeveer halfweg zijn.&rdquo;</p>
+<p>De wandelaars begaven zich met vernieuwde krachten op weg.
+<span class="pagenum">[<a id="pb62" href="#pb62" name=
+"pb62">62</a>]</span></p>
+<p>Na een half uur bevonden zij, dat de grond niet meer zoo effen was
+als vroeger en beurtelings begon te rijzen en te dalen.</p>
+<p>&bdquo;Het is mij zeer lief, dat ik het eiland hier niet meer zoo
+vlak vind, Willem. Wij hebben zoo meer vooruitzicht om water te
+vinden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ei, zie eens; daar wordt het nog steiler,<span class="corr"
+id="xd21e1489" title="Niet in bron">&rdquo;</span> merkte Willem aan,
+terwijl hij een boom teekende; &bdquo;daar is immers wezenlijk een
+heuvel.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Des te beter;&mdash;wakker voorwaarts<span class="corr" id=
+"xd21e1494" title="Bron: ?">!</span>&rdquo;</p>
+<p>De bodem was thans meer golvend geworden. Echter was hij nog altijd
+met kokosboomen overdekt, die zelfs nog dichter stonden, dan tot dusver
+het geval was geweest. Zij vervolgden hun marsch, waarbij zij van tijd
+tot tijd op het kompas zagen, totdat Willem zijne vermoeidheid niet
+langer verbergen kon, want de weg door het woud was thans nog
+bezwaarlijker geworden dan in den beginne.</p>
+<p>&bdquo;Hoeveel mijlen denkt ge wel, dat we nu al gegaan zijn,
+Flink?&rdquo; vroeg hij ten laatste.</p>
+<p>&bdquo;Acht ongeveer, denk ik.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Niet meer dan acht?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, ik geloof niet, dat we, door elkaar gerekend, meer dan
+twee mijlen in het uur hebben afgelegd. Het gaat maar langzaam, als men
+naar het kompas reist en daarbij altijd de boomen merken moet; maar mij
+dunkt, dat het woud v&oacute;&oacute;r ons lichter wordt, van den top
+van dezen heuvel gezien.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, dat is zoo, Flink; ik verbeeld mij, den blauwen hemel
+weer te zien.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Uwe oogen zijn jonger dan de mijne, Willem, en mogelijk hebt
+gij goed gezien. We zullen dat spoedig vernemen.&rdquo;</p>
+<p>Zij daalden nu in een ravijn neer en klommen vervolgens weer een
+tweeden heuvel op. Zoodra zij boven kwamen, riep Willem overluid:
+&bdquo;De zee, Flink! daar is de zee!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zeer goed, Willem; ik voor mij heb daar volstrekt niets
+tegen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik dacht al, dat wij nooit een einde aan dat donkere bosch
+zouden zien,&rdquo; sprak de knaap en snelde ongeduldig vooruit;
+eindelijk stond hij aan den uitersten zoom van het kokoswoud en bleef
+staan. Flink stond spoedig aan zijne zijde, en beiden vestigden nu
+hunne oogen op het voor hen uitgebreide landschap. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb63" href="#pb63" name="pb63">63</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch15" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">VIJFTIENDE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">DE OOSTZIJDE VAN HET EILAND.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">&bdquo;O hoe heerlijk!&rdquo; riep Willem ten laatste:
+&bdquo;zeker, hier zou moeder recht gaarne wonen. Ik hield de andere
+zij van het eiland voor heel lief, maar zij is toch niets bij deze
+vergeleken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Het is hier werkelijk fraai,&rdquo; antwoordde Flink in diepe
+gedachten.</p>
+<p>Men kan zich trouwens niet licht een liefelijker tooneel
+voorstellen. Het kokoswoud werd ongeveer een vierde mijl van de kust
+eensklaps afgebroken door eene steile helling, die zich bij de dertig
+voeten boven het strand verhief. Dit strand zelf was een golvende, hier
+en daar met struiken begroeide groene vlakte en strekte zich tot op
+ongeveer vijftig schreden afstands van het water uit, waar het in
+verblindend wit zand overging, door &rsquo;t welk enkele smalle
+klippenreeksen van den oever landwaarts opliepen. Het water was van
+eene helder blauwe kleur en brak slechts aan de klippen in wit schuim.
+De riffen strekten zich mijlen ver van den oever in zee uit en op
+enkele plaatsen staken de punten der rotsen boven den rand des waters
+uit. Talrijke scharen van zeevogels hadden zich op die hoogten
+genesteld; anderen wiegden zich in de heldere lucht of schoten van tijd
+tot tijd in de blauwe zee neer, waaruit zij dan met hunne klauwen een
+van de visschen ophaalden, welke in menigte aan de zandbanken speelden
+en dikwijls zelf in vroolijke sprongen uit het water opwipten. De kust
+had de gedaante van een hoefijzer en vormde eene baai, besloten
+tusschen twee boschachtige landtongen, die zich aan weerszijden ver in
+zee uitstrekten. De horizon was helder en scherp tegen de zee
+afgeteekend.</p>
+<p>Flink bleef een tijdlang stom, liet zijne oogen rechts en links
+langs den gezichteinder gaan, monsterde scherp de riffen in de verte en
+wierp toen een vorschenden blik op het land v&oacute;&oacute;r hem.</p>
+<p>&bdquo;Waaraan denkt gij, Flink?&rdquo; vroeg Willem ten
+laatste.</p>
+<p>&bdquo;Ik?&mdash;Ik denk dat wij zoo spoedig mogelijk naar water
+moeten omzien.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar waarom zuchttet gij daareven?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Omdat ik niet, gelijk ik verwacht had, nog een ander eiland
+aan lij ontdekken kan en er dus bijna geene mogelijkheid voorhanden is,
+dat wij dit hier verlaten. Bovendien is deze bocht hoe fraai gelegen
+ook, toch vol riffen, en ik zie nergens een ingang, wat de zaak om
+velerlei redenen hoogst bezwaarlijk maakt. Evenwel kunnen wij niet
+terstond op het eerste gezicht <span class="pagenum">[<a id="pb64"
+href="#pb64" name="pb64">64</a>]</span>oordeelen. Eerst willen wij gaan
+zitten en ons middagmaal houden<span class="corr" id="xd21e1542" title=
+"Niet in bron">,</span> dan kunnen wij verder zien. Halt,
+halt!&mdash;voordat wij van de plaats gaan, moeten wij aan de boomen
+bij den uitgang van het bosch een duidelijk teeken maken; zonder dat,
+zouden wij bij het terugkeeren onze merken moeielijk
+wedervinden.&rdquo;</p>
+<p>Hij sneed twee witte streepen in de stammen der kokosboomen en
+daalde toen met Willem naar het vlakke veld neer, waar zij zich
+neervlijden en hun eenvoudigen maaltijd hielden. Zoodra dit verricht
+was, stonden zij weder op en gingen aan het zeestrand. Flink keerde
+zich naar de landzijde, in de hoop van ergens eene kleine beekbedding
+of holte te ontdekken, die mogelijk zoet water bevatten kon.
+&bdquo;Hier zijn eenige plekken,&rdquo; zeide hij en wees ze met den
+vinger aan, &bdquo;waar het water in den regentijd zijn afloop gehad
+heeft; wij moeten ze zorgvuldig onderzoeken, maar nu niet. Daartoe
+hebben wij morgen tijd genoeg. Eerst moet ik een middel uitvinden om
+onze kleine boot door gindsche klippen heen te krijgen; anders hebben
+wij een vreeselijken arbeid, als wij naar deze plaats verhuizen,
+namelijk, zoo wij al onze bezittingen door het woud aansleepen moesten
+en dat zou ons weken, zoo niet maanden kosten. Dus willen wij vandaag
+de kust goed onderzoeken, Willem, en dan morgen naar zoet water
+omzien.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zie de honden eens, Flink; ze drinken zelfs zeewater, de arme
+beesten!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zij zullen er niet veel van nemen. Zie, ze loopen er al van
+weg.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat zijn die koralen fraai! Zie, ze groeien als jonge boomen
+onder het water.&mdash;Ha, daar is een bloem, die op de rots uit het
+water opschiet.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Raak haar eens met den vinger aan, Willem,&rdquo; sprak
+Flink.</p>
+<p>Willem deed dit, en de bloem, gelijk hij haar noemde, sloot zich
+oogenblikkelijk.</p>
+<p>&bdquo;Hoe, wat is dat? Het is vleesch en leeft!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is het ook. Ik heb ze vroeger meer gezien; men noemt ze,
+meen ik, zee-anemonen, doch ik kon nooit te weten komen, of het
+schelpdieren zijn of niet. De natuur is toch bewonderenswaardig! Maar
+laat ons nu die landtong eens opgaan en zien, of wij ook een doorgang
+door de riffen vinden kunnen. De zon gaat onder en wij hebben nu nog
+maar &eacute;&eacute;n uur licht. Vooraf moeten wij ook nog eene
+slaapplaats opzoeken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar wat is dat?&rdquo; riep Willem en wees naar het
+zand;&mdash;&bdquo;dat ronde, zwarte ding?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Iets, dat ik blij ben hier te zien; eene schildpad. Zij komen
+om dezen tijd tegen den avond aan land, om hare eieren te leggen, die
+zij onder het zand begraven.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb65"
+href="#pb65" name="pb65">65</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Kunnen wij haar niet vangen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O ja; als wij haar slechts stilletjes naderen. Maar vooral
+moogt gij haar niet in den rug komen, want dan werpt zij met haar
+staart en hare achterpooten of vinnen zulk een wolk van zand over u
+heen, dat gij er blind van wordt en zij gemakkelijk kan ontsnappen. Om
+deze beesten te vangen, moet men hen van boven aanvatten en bij een der
+voorvinnen op den rug omwentelen. Dan kunnen zij zich niet meer bewegen
+en blijven stil liggen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Laat ons het dan eens met deze hier beproeven.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat zou zeer onverstandig zijn, mijn beste Willem, daar wij
+het beest toch niet mee kunnen nemen en het morgen in de hitte sterven
+zou, zonder dat iemand er dienst van had. Men mag geen schepsel
+doelloos van het leven berooven, en zoo wij nu deze schildpad
+vermaakshalve dooden wilden, kon het licht gebeuren, dat wij een
+andermaal, als wij ze noodig hadden, er geen vonden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat had ik niet bedacht, Flink. Als wij eens hier wonen,
+kunnen wij ze, hoop ik, zoo dikwijls vangen, als wij
+verkiezen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, dat is niet waarschijnlijk; zij komen alleen gedurende
+den broeitijd aan land. Maar wij willen ergens een schildpadvijver
+aanleggen, die uit zee frisch water krijgt en waaruit zij ons niet
+weder ontsnappen kunnen. Die wij dan vangen, zetten wij in den vijver
+en halen ze er uit, zoo dikwijls wij lust hebben.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is een zeer goed plan,&rdquo; antwoordde Willem.</p>
+<p>Onder zulke gesprekken vervolgden zij hunne wandeling. Zij moesten
+zich met moeite een weg banen door het struikgewas, dat verder den
+landtong op steeds dichter werd, en stonden weldra op den uitersten
+uithoek.</p>
+<p>&bdquo;Wat is dat daar ginder?&rdquo; riep Willem en wees met de
+hand naar de rechterzijde.</p>
+<p>&bdquo;Dat is een tweede eiland, Willem, en ik ben zeer verheugd het
+te zien, ofschoon &rsquo;t al niet gemakkelijk te bereiken zal zijn,
+als wij eens genoodzaakt mochten worden dit eiland hier om gebrek aan
+water te verlaten. Echter is &rsquo;t nog altijd mogelijk, dat dit ons
+gelukken kan. In allen gevalle is het een veel grooter eiland dan het
+onze,&rdquo; vervolgde Flink en mat met de oogen de uitgestrektheid van
+den gezichteinder, aan welks rand hij de toppen der boomen zien kon.
+&bdquo;Kom nu, jonge kameraad; voor onzen eersten dag hebben wij ons
+redelijk goed gehouden. Ik ben vrij moe, en gij, dunkt mij, zult ook
+uwe beenen wel voelen. Laat ons dus omkeeren en naar eene rustplaats
+voor den nacht omzien.&rdquo;</p>
+<p>Zij keerden naar den zoom van het kokosbosch terug. Daar pakten zij
+<span class="pagenum">[<a id="pb66" href="#pb66" name=
+"pb66">66</a>]</span>eenige hoopen dorre bladeren opeen en bereidden
+zich daaruit een zachte legerstede onder de boomen.</p>
+<p>&bdquo;Nu nog een teugje water gedronken en ons dan tot rusten
+neergelegd,&rdquo; zeide de oude man. &bdquo;Zie de lange schaduw,
+Willem, die de boomen in de zon werpen! Binnen een paar minuten zal
+deze geheel onder zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Mag ik onzen honden nu water geven? Zie eens, de arme Remus
+heeft de tong uit den bek hangen en lekt aan de
+flesschen,&mdash;zoo&rsquo;n dorst heeft hij.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, neen, zij krijgen nu niets. Gij zult dit hard vinden,
+maar het moet zoo wezen. Morgen kunnen wij de scherpe zintuigen dezer
+dieren noodig hebben: hun dorst zal hun dan dubbel oplettend maken en
+kan ons van groot nut zijn. Wij weten nooit, welk lot ons boven het
+hoofd hangt. Had gij voor eene maand wel gedacht, dat gij u nu in
+&rsquo;t gezelschap van een oud man op dit eiland bevinden en daar
+onder den blooten hemel slapen zoudt? Als iemand u dat toen voorspeld
+had, zoudt gij het nooit geloofd hebben. En nu goeden nacht, mijn
+jongen!&rdquo;</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch16" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">ZESTIENDE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">WATER.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Willem sliep zoo goed, alsof hij op het zachtste bed
+en in een warm vertrek gerust had, en Flink insgelijks. Beiden
+ontwaakten eerst, toen de zon lang aan den hemel stond. De arme honden
+leden hevige dorst, en het deed Willem zeer aan het hart, te zien hoe
+zij huilend en bijna versmachtend met uitgestrekte tongen tot hem
+opkeken.</p>
+<p>&bdquo;Hoe is &rsquo;t Willem,&rdquo; vroeg Flink hem, &bdquo;willen
+we, voordat we opbreken, ons ontbijt nemen, of zullen wij eerst eene
+wandeling doen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Flink, ik kan waarlijk zelf geen droppel drinken, ofschoon ik
+heel dorstig ben, voordat gij aan deze arme beesten een weinigje water
+geeft.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik heb medelijden met de arme stomme schepsels, zoo goed als
+gij, jongen, en geloof mij, het geschiedt niet uit onbarmhartigheid,
+maar integendeel tot hun eigen en ons aller best, dat ik hun dat nog
+onthoud. Laat ons dan maar dadelijk eens de ronde doen en zien, of wij
+niet ergens water vinden. Daar ginder bij die kleine kloof aan de
+rechterhand willen wij het eerst beproeven, en lukt het daar niet, dan
+gaan wij verder op en zien, waar het water gedurende den regentijd zijn
+afloop gehad heeft.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb67" href=
+"#pb67" name="pb67">67</a>]</span></p>
+<p>De knaap keurde dit dadelijk goed. De honden volgden hen, en Flink
+had nog eene schop bij zich, die hij op den schouder droeg. Spoedig
+kwamen zij in de kleine laagte, waar de dieren den neus aan den grond
+brachten en hijgend rondsnuffelden.</p>
+<p>Het oog van den ouden man volgde aandachtig al hunne bewegingen,
+totdat zij zich eindelijk kreunend nederlegden.</p>
+<p>&bdquo;Wij moeten verder gaan, Willem,&rdquo; zeide hij, in
+gedachten verzonken. Zoo naderden zij eene plaats, waar een afloop van
+het water scheen geweest te zijn; de honden snuffelden hier nog
+ijveriger rond.</p>
+<p>&bdquo;Gij ziet, Willem, de arme dieren verlangen nu zoo geweldig
+naar water, dat zij het zeker oproepen, als het ergens voorhanden is,
+terwijl wij zonder hen nooit iets hadden kunnen vinden. Ik reken niet
+op eene openliggende wel, maar daarom is het toch wel mogelijk, dat
+hier of daar onder den grond water verborgen zit. Dit gedeelte van het
+strand is niet ver genoeg van zee verwijderd, anders zou ik hier in het
+zand daarnaar graven.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;In het zand! Zou dat dan niet zout smaken?&rdquo; vroeg
+Willem.</p>
+<p>&bdquo;Op behoorlijken afstand van het zeestrand niet: want gij moet
+weten, mijn jongen, dat het zand al langzamerhand het zeewater reinigt,
+zoodat men, als de zandige oever breed is, op punten, die het verst van
+het hoogste zeepeil af liggen, bij opgraving dikwijls zoetwater vindt,
+dat wel wat ziltig, maar toch goed om te drinken is. Ik wou wel, dat
+deze omstandigheid onder de zeelieden beter bekend was, dan zij
+werkelijk is;&mdash;menig brave jongen zou daardoor een langzamen
+marteldood ontgaan zijn. Er is niets vreeselijkers dan gebrek aan water
+te lijden. Ik weet wat het is op een pintje elken dag bepaald te zijn
+en hoop dat nooit weer te ondervinden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zie eens, Flink, hoe druk Romulus en Remus met hunne pooten
+daar omlaag den grond opkrabben.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Den Hemel zij dank, mijn goede Willem; gij weet niet, wat
+blijde tijding gij mij daar verkondigt, want om de waarheid te zeggen,
+begon ik mij al ernstig ongerust te maken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar waarom wroeten zij dan toch zoo?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wel omdat daar water is. Nu ziet gij, hoe goed het was, dat
+wij hen eenige uren dorst lieten lijden: &rsquo;t is waarschijnlijk ons
+aller behoud, daar wij eene wel moesten vinden of anders het eiland
+verlaten. Wij zullen de dieren nu met de schop helpen, en spoedig
+zullen ze drinken hebben in overvloed.&rdquo;</p>
+<p>De oude man ijlde op de plaats toe, waar de honden nog altijd met
+wroeten voortgingen. Zij waren tot den vochtigen bodem gekomen en
+werkten zoo ijverig, dat Flink moeite had hen van de stee te
+verdrijven, om zelfs de spade <span class="pagenum">[<a id="pb68" href=
+"#pb68" name="pb68">68</a>]</span>te kunnen gebruiken. Hij had pas twee
+voet diep gegraven, of het water begon te borrelen, en in minder dan
+vijf minuten was er reeds zooveel voorhanden, dat de honden naar
+hartelust drinken konden.</p>
+<p>&bdquo;Zie eens, Willem, hoe hen dat verkwikt. Dit was het eenige,
+dat ons ontbrak: maar ook iets, dat onontbeerlijk is. Thans hebben wij
+alles, wat wij op dit eiland wenschen kunnen, en zoo wij maar tevreden
+zijn, moeten wij hier recht gelukkig worden,&mdash;ja, rijker dan
+menigeen, die zich afslooft om rijkdommen bijeen te schrapen en toch
+niet weet wat gebruik hij er van maken moet. Kijk, onze goede dieren
+hebben nu ten laatste ook genoeg,&mdash;en wat hebben ze zich kogelrond
+gedronken! Wat dunkt u, Willem, zullen we thans omkeeren en zien, dat
+wij wat te eten krijgen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja,&rdquo; antwoordde deze; &bdquo;nu zal mij dat eerst recht
+smaken en wil ik ook weer een duchtigen slok water nemen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dit is hier een rijke bron, daar ben ik zeker van,&rdquo;
+zeide Flink, terwijl zij naar de plaats van hun nachtleger terugkeerden
+en hunne knapzakken onderzochten; &bdquo;maar wij moeten haar hooger op
+onder de boomen nasporen, waar geen zon komt: daar hebben wij het water
+altijd koel en frisch en kan het niet opdrogen.&mdash;We zullen de
+handen vol werk krijgen, en dat voor maanden, indien we hier blijven
+willen. De plaats, waar we nu zijn, zal eene kostelijke gelegenheid
+wezen, om daarop ons huis te bouwen.&rdquo;</p>
+<p>Zoodra zij hun eenvoudig maal genuttigd hadden, stond de oude man
+weer op en zei:</p>
+<p>&bdquo;Kom jongen, nu naar &rsquo;t strand! Ik heb nog geen opening
+tusschen de klippen gevonden, en daar ons bootje altijd dezen kant van
+het eiland langs moet komen, dien ik toch te zien, of er niet een
+behoorlijke doortocht te vinden is. Het komt mij voor, dat de branding
+niet tot dat punt ginds reikt, en als daar een doorvaart is, mochten
+wij ons wel gelukkig rekenen.&rdquo;</p>
+<p>Aan den uithoek van de landtong gekomen, bevonden zij, dat Flink
+zich in zijn vermoeden niet had bedrogen. Het water was diep tot dicht
+aan het strand en vormde een kanaal van ettelijke roeden breedte. De
+zee was zoo effen, het water zoo glad en doorschijnend, dat zij tot op
+den rotsachtigen grond neerzien konden en de visschen in de diepte
+zagen zwemmen.</p>
+<p>&bdquo;Zie eens,&rdquo; riep Willem en wees naar een punt op eenigen
+afstand in zee, &bdquo;daar is een groote haai, Flink.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, ik zie hem wel,&rdquo; antwoordde deze. &bdquo;Hier in
+het rond zijn die zeker in menigte, en gij moet uiterst voorzichtig
+zijn, als gij in het water gaat. De haaien houden zich altijd aan lij
+van de eilanden op, en in plaats van den eenen, dien wij ginds vonden,
+toen Juno uw broertje baadde, kunt gij hier <span class=
+"pagenum">[<a id="pb69" href="#pb69" name="pb69">69</a>]</span>vijftig
+zien. Het eerste, waaraan wij thans denken moeten, is dat wij zoo
+schielijk mogelijk van de andere zijde hierheen zoeken te
+verhuizen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zullen wij vandaag nog teruggaan?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik denk van ja, want hier kunnen wij toch niets doen, terwijl
+uwe moeder zeker reeds in angst en zorgen over u is. Het is nog geen
+middag, naar &rsquo;t mij voorkomt, en wij hebben nog tijd genoeg
+v&oacute;&oacute;r ons, daar wij nu een bekend pad gaan en ons niet met
+merken en zoeken hebben op te houden. Onze bijlen en de schop kunnen
+wij hier laten; ze mee terug te sleepen zou vergeefsche moeite zijn.
+Het geweer zal ik bij mij houden, want ofschoon niet waarschijnlijk,
+kan dat toch te pas komen. Eerst zullen wij nog eens teruggaan en zien,
+of onze wel goed water geeft, en dan trekken wij op.&rdquo;</p>
+<p>Het strand langs gaande, zagen zij vele zeevogels, die dicht om hen
+heen fladderden. Plotseling kwam een zwerm visschen in bonte verwarring
+op den oever schieten; haar volgden eenige grootere, die nu ook op het
+drooge lagen en naar water snakten, totdat de zeevogels op eens dicht
+voor de beide wandelaars neerstreken, de visschen in hunne klauwen
+oppakten en met die prooi ijlings wegvlogen.</p>
+<p>&bdquo;Dat is toch vreemd,&rdquo; riep Willem verwonderd.</p>
+<p>&bdquo;Ja, Willem, dat is het werkelijk. Maar daaraan kunt gij zien,
+hoe het in de wereld gaat: de kleine visschen werden door de grootere
+gejaagd en vluchtten in hunne angst op den oever. Die grootere waren
+zelve zoo begeerig, dat ook zij aan land kwamen, en toen schoten de
+vogels toe en pakten groot en klein op. Daar ligt een goede leering in,
+Willem: als men iets te driftig najaagt, stort men zich licht
+blindelings in gevaar.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar de kleine visschen hadden toch niets, dat zij
+najaagden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, ik bedoelde daarmee de grootere slechts;&mdash;bij de
+kleine was het hier van den regen in den drop,<a id="xd21e1671" name=
+"xd21e1671"></a> zooals het spreekwoord zegt. <a id="xd21e1673" name=
+"xd21e1673"></a>Maar laat ons nu naar de wel gaan.&rdquo;</p>
+<p>Zij vonden het gat, dat Flink gegraven had, geheel met water gevuld,
+en toen zij dit proefden, was het volmaakt zoet en aangenaam van smaak.
+Zeer verheugd over deze ontdekking, legden zij de dingen, die zij
+wilden achterlaten, onder de gemerkte kokosboomen neer, dekten er
+eenige takken en bladeren overheen en namen toen met hunne honden de
+terugreis aan naar de kleine bocht. <span class="pagenum">[<a id="pb70"
+href="#pb70" name="pb70">70</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch17" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">STORM AAN LAND.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De teekens, die zij den vorigen dag gemaakt hadden,
+volgende, kwamen onze landontdekkers zeer spoedig door het woud en
+waren binnen twee uren dicht aan den uitgang, terwijl zij op den
+heenweg bijna acht uren hadden noodig gehad, om denzelfden afstand af
+te leggen.</p>
+<p>&bdquo;Ik voel den wind al, Flink,&rdquo; zeide Willem, &bdquo;en
+wij moeten het bosch nu bijna ten einde zijn. Het komt mij voor, dat
+het zeer donker is.&rdquo;</p>
+<p><span class="corr" id="xd21e1688" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>Dat heb ik daar ook al gedacht,&rdquo;
+antwoordde de oude man, &bdquo;en &rsquo;t zou me niet verwonderen, dat
+er weer een storm in aantocht was. We moeten ons dus haasten, daar uwe
+moeder zeker ongerust zal zijn.&rdquo;</p>
+<p>Het waaien en schudden der boomtakken, nu en dan eene windvlaag,
+waarop een zonderling gehuil en gekraak volgde, dit alles overtuigde
+hem spoedig, dat er werkelijk een storm te vreezen was; en toen zij uit
+het bosch traden, zagen zij den hemel, zoover hun oog reikte, met een
+donkere loodkleur overtrokken en van het vroolijk glanzend blauw,
+waarin hij zich tot hiertoe vertoond had, was geen spoor meer
+overig.</p>
+<p>&bdquo;Daar komt inderdaad een storm, en dat met volle
+zeilen,&rdquo; zeide Flink bij het verlaten van het woud.
+&bdquo;Schielijk naar de tenten, jongen; wij moeten zorgen, dat alles
+zoo zeker zij, als wij het met mogelijkheid maken kunnen.&rdquo;</p>
+<p>De honden liepen vooruit en hun geblaf lokte mijnheer Wilson en Juno
+naar buiten, die zoodra zij de beide aankomenden zagen, aan de moeder,
+die met de kinderen binnen was gebleven, het afgesproken teeken gaven.
+Een oogenblik later lag de knaap in de armen zijner hoogst verheugde
+moeder.</p>
+<p>&bdquo;Ik ben blij, dat gij terug zijt, Flink,&rdquo; sprak mijnheer
+Wilson en schudde hem de hand, nadat hij Willem omhelsd had;
+&bdquo;want ik vrees, dat er boos weer ophanden is.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is zeker,&rdquo; antwoordde Flink, &bdquo;en wij moeten
+ons op een stormachtigen nacht voorbereiden. De hemel ziet er wezenlijk
+schrikwekkend uit. Het zal een van de stormen zijn, die gewoonlijk den
+regentijd voorafgaan. Intusschen brengen wij u goede tijding, mijnheer,
+en moeten dit als eene aansporing beschouwen, om onze verhuizing
+zooveel mogelijk te verhaasten. Na dezen storm zullen wij eene maand of
+daaromtrent goed weder hebben, misschien nu en dan eens met een kleinen
+storm daartusschen. Daartoe moeten wij thans terdeeg aan het werk; en
+als gij &rsquo;t goed vindt, mijnheer, zullen wij <span class=
+"pagenum">[<a id="pb71" href="#pb71" name="pb71">71</a>]</span>nu
+dadelijk den eersten noodigen maatregel van voorzorg nemen en naar het
+strand gaan, gij, Juno, Willem en ik. Daar moeten wij onze boot, zoover
+wij kunnen, op het drooge sleepen, want de zee zal hoog gaan en spoedig
+zal die boot onzen voornaamsten steun uitmaken.&rdquo;</p>
+<p>Flink ging nu de einden der tentsparren afzagen, ten einde ze onder
+de kiel der boot te leggen en zoo als rollen te gebruiken, en daarop
+daalden alle vier van den oever af. Met gezamenlijke krachten gelukte
+het spoedig, de boot hoog op tusschen de struiken te sleepen, waar
+Flink haar inderdaad ten volle in zekerheid verklaarde.</p>
+<p>&bdquo;Ik was eigenlijk voornemens, zonder uitstel aan het oplappen
+er van te gaan,&rdquo; zeide hij: &bdquo;maar nu moet ik wachten, tot
+de storm voorbij is. Ook had ik gehoopt, nog eens aan boord te zullen
+kunnen gaan, om nog eenige dingen te halen, die mij later invielen dat
+ons nuttig konden zijn, en dan te zien, of onze arme koe nog in leven
+is; maar ik vrees zeer,&rdquo; vervolgde hij, naar de lucht ziende,
+&bdquo;dat wij het wrak van De Vrede nooit weer betreden zullen. Hoor
+het loeien van den opkomenden storm, mijnheer; zie, hoe de zeevogels
+rondfladderen en krassen, alsof ze ons onheil te voorspellen hadden!
+Doch we mogen niet te lang dralen, mijnheer;&mdash;de tenten moeten
+steviger worden vastgemaakt, zoodat ze tegen de windstooten bestand
+zijn, want het zou een leelijk ding voor mevrouw en de kleinen zijn,
+als ze eens onverwacht werden opgenomen en naar den boschkant
+heengeblazen.&rdquo;</p>
+<p>Toen zij bij de tenten terugkwamen, vonden zij den kleinen
+Thomas<span class="corr" id="xd21e1710" title="Bron: ;">,</span> die
+met veel deftigheid op hen toetrad.</p>
+<p>&bdquo;Ei, dag, Thomas;&mdash;hoe gaat het u?&rdquo; vroeg
+Willem.</p>
+<p>&bdquo;O, heel goed; ik ben wel en moeder ook; gij hadt gerust weg
+kunnen blijven; ik zorg voor hen allemaal.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Daar twijfel ik geen oogenblik aan, mijn beste jongen; gij
+zult wel goed voor alles gezorgd hebben,&rdquo; gaf Flink ten antwoord.
+&bdquo;Nu moet gij ons helpen, om zeildoek en touw bijeen te zoeken,
+opdat wij den regen beletten in moeders tent te dringen. Zoo, geef mij
+de hand maar en kom mee; wij zullen &rsquo;t aan Willem overlaten, aan
+moeder te vertellen, wat wij onderwijl gedaan hebben.&rdquo;</p>
+<p>Met de hulp van mijnheer Wilson pakte Flink stukken zeildoek en
+touwen, zooveel hij noodig had, bijeen en begon die als een dubbel dek
+tot beschutting tegen den regen over de tenten uit te spreiden. Het
+linnen werd door middel van stevige lijnen en koorden aan de boomen
+vastgemaakt, om te verhinderen dat de tenten omverwoeien, terwijl Juno
+gebruikt werd om de greppel, die reeds om de tenten heen liep, met eene
+schop nog verder <span class="pagenum">[<a id="pb72" href="#pb72" name=
+"pb72">72</a>]</span>uit te diepen, zoodat het water een behoorlijken
+afloop had. Zij werkten ijverig door, totdat alles verricht was, en
+zetten zich toen tot het gebruiken van een eenvoudigen maaltijd neder.
+Al voortarbeidende, had Flink mijnheer Wilson zijne ontdekkingen op het
+jongste verkenningstochtje meegedeeld, en allen hadden hartelijk
+gelachen, toen hij het avontuur met de varkens vertelde.</p>
+<p>Na het ondergaan der zon werd het weder nog dreigender. De wind
+blies reeds hevig, de rotsige bocht werd door de golven gezweept en was
+met wit schuim overdekt, terwijl de branding woest brulde, zoo dikwijls
+zij over het zand van den oever brak. De geheele familie, met
+uitzondering van Flink, was te bed gegaan; deze had gezegd, het weer
+nog een weinig te willen afwachten, voordat hij zich ter ruste legde.
+De oude man ging naar den oever en zette zich op den rand van de boot,
+die zij daar straks eerst tusschen de struiken in veiligheid gebracht
+hadden. Hier bleef hij zitten en liet het scherpe grijze oog rondgaan
+in de verte, die slechts &eacute;&eacute;ne dichte donkere massa
+vormde, waarin alleen het witte schuim van het water nu en dan enkele
+flauwe lichttinten wierp.</p>
+<p>Nog niet lang had hij daar in gedachten verdiept gezeten of een
+vurige bliksemstraal benam den ouden man voor een korten tijd het
+gezicht. &bdquo;De storm zal weldra zijne volle hoogte bereikt
+hebben,&rdquo; dacht hij. &bdquo;Ik zal naar de tenten gaan en zien, of
+die het tegen den wind uithouden kunnen.&rdquo; Hij nam den terugweg
+aan, en nu begon de regen in stroomen neer te plassen en bulderde de
+wind met verdubbelde woede. In weinige minuten nam de duisternis
+zoodanig toe, dat hij het pad naar de hoogte slechts met moeite vinden
+kon. Hij keerde zich in &rsquo;t rond, doch kon niets zien, daar de
+regen hem de oogen verblindde. Daar hij toch niets doen kon, liep hij
+de tent in, om daar te schuilen, maar legde zich niet neer, in de
+verwachting dat zijn bijstand misschien spoedig zou vereischt worden.
+Hoewel al de overigen te bed waren gegaan, hadden slechts Thomas en de
+beide kleinen zich ontkleed, doch vader, moeder, Willem en Juno zich
+gekleed en al ter ruste gelegd.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch18" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">ACHTTIENDE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">NA REGEN VOLGT ZONNESCHIJN.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De storm woedde nu met geweld en bliksem en donder
+wisselden elkaar onophoudelijk af. De kinderen werden wakker en hieven
+een luid gejammer aan, totdat het eindelijk gelukte hen tot bedaren en
+weder in slaap te brengen. <span class="pagenum">[<a id="pb73" href=
+"#pb73" name="pb73">73</a>]</span>De wind loeide verschrikkelijk en
+stond met zijn volle kracht op de tenten, waar de regen kletterend op
+neer sloeg. Het eene oogenblik werd het linnen binnenwaarts gedrukt en
+schuurden en kraakten de touwen, alsof zij dadelijk in stukken zouden
+springen; dan weder dreef de tegenovergestelde luchtstroom het
+fladderende zeildoek naar buiten, terwijl de regen reeds op
+onderscheidene plaatsen begon door te dringen. Het was stikdonker en de
+woede der elementen scheen eindelijk haar toppunt te hebben bereikt.
+Gelijk wij vroeger gezegd hebben, was mevrouw Wilson&rsquo;s tent niet
+zoover van het strand verwijderd als de tweede later opgerichte en
+stond dus ook meer aan den wind blootgesteld. Tegen middernacht scheen
+de gansche natuur in oproer te geraken. Op eens hoorden de mannen een
+luid gekraak, dat dadelijk door het noodgeschrei van mevrouw Wilson en
+Juno gevolgd werd. De tentprikken waren uit den grond gerukt en de
+verschrikte vrouwen zoo op eenmaal van alle dak en beschutting beroofd.
+Terstond vloog de oude man naar buiten en Willem en zijn vader volgden
+hem op den voet. De wind was zoo sterk, de regen sloeg hun zoo heftig
+in het gezicht en de nacht was zoo donker, dat zij alle krachten noodig
+hadden, om de vrouwen en kinderen uit de omvergeworpen tent te
+bevrijden. De kleine Thomas was de eerste, dien Flink beet kreeg. Zijn
+moed was geheel weg, hij gilde van angst en was niet tot bedaren te
+brengen, Willem nam zijn broertje Albert op den arm en droeg hem in de
+andere tent, waar Thomas in zijn doornat hemd op den grond omkroop en
+de jammerlijkste klaagtonen liet hooren. Juno, mevrouw Wilson en de
+kleine Caroline werden het laatst onder de tweede tent in veiligheid
+gebracht. Gelukkig had niemand zich bezeerd, maar allen waren doodelijk
+ontsteld en de kleine schreide en snikte luid, wat echter nauwelijks
+gehoord werd, daar het loeien der zee en het bulderen der windvlagen
+alle andere geluiden geheel verdoofde. Het was een lange vreeselijke
+nacht, dien men zoo in angst en zorg doorbracht, tot eindelijk de lang
+gewenschte morgen aanbrak. Met de eerste schemering verliet Flink de
+tent en bevond tot zijne geruststelling, dat de storm reeds zijne woede
+had uitgeput en merkbaar aan het afnemen was. Nochtans was het heden
+niet zulk een heldere vroolijke morgen, als waaraan zij sinds hunne
+landing op het eiland gewoon waren; de hemel stond nog dreigend, en
+zwart en wild dreven de wolken daaraan rond; de zon bleef onzichtbaar
+en niet een enkel plekje blauw was door de nevelachtige atmosfeer te
+bemerken. Het regende nog voortdurend, ofschoon niet sterk meer, en de
+grond was doorweekt en glibberig. De kleine baai, die nog den avond te
+voren een zoo stil en vreedzaam aanzien had, was thans door
+wildschuimende en loeiende golven opgevuld <span class=
+"pagenum">[<a id="pb74" href="#pb74" name="pb74">74</a>]</span>en de
+branding sloeg ver over het strand heen. De gezichteinder was mistig en
+onduidelijk; men kon den hemel niet van het water onderkennen en het
+gansche eiland scheen in een wijden kring van wit <span class="corr"
+id="xd21e1738" title="Bron: sparrend">spattend</span> zeeschuim
+besloten. Flink wendde zijne oogen naar de plaats, waar het schip op de
+riffen had vastgezeten. Daar was niets meer te zien,&mdash;het wrak was
+op eens verdwenen! slechts hier en daar zag men er de planken en luiken
+van, die met alles, wat in het ruim geborgen was geweest, overal
+ronddreven of nog in de woeste branding het strand beurtelings naderden
+en ontvloden.</p>
+<p>&bdquo;Ik dacht wel, dat het zoo gaan zou,&rdquo; zeide Flink tot
+mijnheer Wilson, die hem gevolgd was, om eens naar het schip om te
+zien; &bdquo;zie maar, de storm heeft het geheel in splinters geslagen.
+Dat kan ons tot aansporing zijn, om hier niet langer te blijven. Wij
+moeten van &rsquo;t goede weer, dat wij voor &rsquo;t invallen van den
+regentijd waarschijnlijk nog hebben zullen, zooveel mogelijk partij
+trekken en mogen volstrekt geen tijd verliezen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik ben dat volkomen met u eens, Flink,&rdquo; antwoordde
+mijnheer Wilson.&mdash;&bdquo;Dat daar is ook eene aanmaning om spoed
+te maken,&rdquo; en hij wees naar de door den wind omvergeworpen tent.
+&bdquo;Het is wezenlijk een geluk, dat geen van de onzen daarbij letsel
+heeft bekomen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, waarlijk, mijnheer; maar de storm is nu gebroken en
+morgen zullen wij weer mooi weer hebben. Laat ons nu eens gaan opnemen,
+wat wij met de tent doen kunnen. Willem en Juno zullen in dien
+tusschentijd wel naar een ontbijt voor ons omzien.&rdquo;</p>
+<p>Met deze woorden gingen zij aan den arbeid. Zij voorzagen de tent
+opnieuw van stevige prikken en touwen en brachten haar weldra weder in
+behoorlijken staat, behalve dat de bedden en dekens nog doornat waren
+en in den wind moesten worden te drogen gehangen. Nadat dit gedaan was,
+zetten zij zich neder tot het ontbijt, waartoe Juno hen juist was komen
+roepen<span class="corr" id="xd21e1749" title="Bron: ,">.</span></p>
+<p>&bdquo;Voor &rsquo;t oogenblik kunnen wij weinig meer doen,
+mijnheer,&rdquo; zeide Flink. &bdquo;Tegen den avond zal het linnen zoo
+nat niet meer zijn, en dan zullen wij er beter mee kunnen omgaan.
+Eindelijk zie ik eene opening in de wolken, die spoedig ander weer
+belooft; de storm was ook al te hevig, om heel lang aan te houden.
+<a id="xd21e1754" name="xd21e1754"></a>En nu<span class="corr" id=
+"xd21e1756" title="Niet in bron">,</span>&rdquo; vervolgde hij,
+&bdquo;willen we nog eerst al onze krachten inspannen, om de
+aangespoelde goederen te redden, die, als ze te lang omdrijven, tegen
+de rotsen worden stukgeslagen. Juno kunnen wij daarbij missen, en ik
+hoop, dat wij ons ook zonder den braven Thomas wel redden zullen. Het
+is beter, dat hij bij moeder blijft en zorgt, dat haar hier geen
+ongeluk overkomt.&rdquo;</p>
+<p>Thomas was echter door het gebeurde van dien nacht nog geheel uit
+zijn humeur en verkoos boe noch ba te zeggen. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb75" href="#pb75" name="pb75">75</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch19" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">NEGENTIENDE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">DE WONDEREN DER NATUUR.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Weldra stonden zij aan het strand. Flink had onder den
+reeds geborgen voorraad een stevig, lang touw opgezocht en daarmede
+werden nu de tonnen en wat meer nog van het verbrijzelde schip door de
+golven werd aangespoeld, vastgebonden en zoover mogelijk op het drooge
+gesleept. Dit werk hield hen gedurende het grootste gedeelte van den
+dag bezig en nog hadden zij niet het vierde deel der goederen
+bijeengebracht, die zich binnen hun bereik ophoopten behalve nog de
+menigte van gereedschappen, die buiten op de zee en aan den ingang der
+bocht omdobberden.</p>
+<p>&bdquo;Kom mijnheer,&rdquo; zeide Flink eindelijk, &bdquo;voor
+vandaag hebben wij onze taak verricht. Morgen zullen wij nog meer
+kunnen uitvoeren, want de zee wordt nu reeds weer effen en de zon komt
+van achter gindsche wolken te voorschijn. Wij moeten nu ook voor onze
+maag zorgen en dan zien, hoe wij ons dezen nacht het best behelpen
+kunnen.&rdquo;</p>
+<p>De eene tent, die door den storm was verschoond gebleven, werd aan
+mevrouw Wilson en hare kinderen afgestaan en de andere, zoo goed het
+geschieden kon, weer inderhaast hersteld. Het beddegoed was nog op
+verre na niet droog, en dus nam men zijne toevlucht tot eenige zeilen,
+die dieper in het bosch minder van den regen hadden te lijden gehad, en
+spreidde die op den grond uit, om er de vermoeide leden gedurende den
+nacht op uit te strekken.</p>
+<p>Den volgenden morgen scheen de zon helder en vroolijk. De lucht was
+geurig en frisch; een zacht windje speelde over het water en er was
+bijna in het geheel geen branding meer. Voortdurend werden allerlei
+overblijfselen van het wrak door den wind aan land gebracht; vele
+goederen waren gedurende den nacht langs het strand opeengehoopt en bij
+eene menigte andere had men slechts geringe moeite noodig om ze geheel
+in veiligheid te brengen. Het scheen wel dat de stroom des waters recht
+op de bocht stond, want van de voorwerpen, die eerst buiten in de zee
+hadden omgedreven, kwamen nu de meeste van lieverlede in deze richting
+aan land gespoeld. De beide mannen werkten tot aan het uur van het
+ontbijt door en hadden toen een aantal tonnen, vaten en kisten aan den
+oever gehaald.</p>
+<p>Dadelijk na het ontbijt keerden zij naar de baai terug om hun arbeid
+voort te zetten.</p>
+<p>&bdquo;Zie eens, Flink, wat is dat?&rdquo; vroeg Willem, die bij hem
+was en op een zwart punt wees, dat langzaam kwam aandrijven.
+<span class="pagenum">[<a id="pb76" href="#pb76" name=
+"pb76">76</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Dat is onze arme koe; en als gij nauwkeuriger toeziet, zult
+gij ook de haaien bemerken, die op het kreng azen. Ziet gij
+wel?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O ja, duidelijk en wat een menigte zijn er!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Er zijn er zeker genoeg om twintig koeien te verslinden; en
+wees dus maar voorzichtig, Willem als gij in het water gaat, en pas op,
+dat Thomas er niet te dicht bij komt, want de haaien geven om geen
+ondiepte, als ze een buit voor zich zien.&mdash;Maar nu moet ik u
+beiden overlaten nog zooveel van het wrak te redden, als gij kunt,
+terwijl ik onze boot nazie en haar weer in orde breng. Wij zullen haar
+binnenkort noodig hebben, en hoe eer wij haar gebruiken kunnen, des te
+beter.&rdquo;</p>
+<p>De oude man ging het gereedschap halen, dat hij tot herstelling van
+de boot noodig had. Inmiddels verzamelden vader en zoon ijverig de
+verschillende voorwerpen, die aan het strand spoelden, en rolden de
+vaten zoo ver opwaarts, als zij konden. De houten en balken van het
+schip lieten zij aan het spel der golven over, omdat zij daarvan reeds
+zulk een voorraad bijeen hadden, als voor den eersten, ja voor langen,
+langen tijd <span class="corr" id="xd21e1789" title=
+"Bron: toerijkend">toereikend</span> kon geacht worden.</p>
+<p>Daar Flink zekerlijk eenige dagen noodig zou hebben, om de boot
+weder waterdicht en bruikbaar te maken, besloot mijnheer Wilson nu ook
+op zijne beurt eens met Willem naar de andere zijde van het eiland te
+gaan; en daar zijne vrouw er geen bezwaar in vond met Flink en Juno
+alleen te blijven, begaven beide zich den derden dag na den storm al
+vroegtijdig op weg. Willem ging vooruit en richtte zich naar de
+teekenen, die op de kokosboomen te zien waren. In twee uren tijds
+hadden zij ditmaal de plaats hunner bestemming bereikt.</p>
+<p>&bdquo;Is het hier niet schoon, vader?&rdquo; riep Willem uit.</p>
+<p>&bdquo;Ja, heerlijk, verrukkelijk, mijn beste jongen,&rdquo; was het
+antwoord.</p>
+<p>&bdquo;Ik kon mij bijna niets fraaiers voorstellen dan het plekje op
+de andere zijde van het eiland, waar wij tot hiertoe woonden, maar dit
+overtreft het nog zoowel in verscheidenheid <span class="corr" id=
+"xd21e1800" title="Bron: al">als</span> in uitgestrektheid.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En nu moeten wij eens naar de wel gaan zien, vader,&rdquo;
+vervolgde Willem en wees den weg dien zij hadden in te slaan.</p>
+<p>De door Flink gegraven kuil en de geheele holte, waarin deze gelegen
+was, stond tot overvloeiens vol en bevatte het heerlijkste water. Na
+zich hiervan overtuigd te hebben, wandelden zij het strand langs naar
+de zandige baai en zetten zich daar op eene koraalklip neder.</p>
+<p>&bdquo;Wie had ooit gedacht, Willem,&rdquo; begon de vader,
+&bdquo;dat dit eiland met zoovele andere, die in menigte in den Stillen
+Oceaan verstrooid liggen, zijn <span class="pagenum">[<a id="pb77"
+href="#pb77" name="pb77">77</a>]</span>ontstaan aan kleine nietige
+insecten kon te danken hebben, die nauwelijks zoo groot als eene
+speldeknop zijn!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Insecten, vader?&rdquo; riep de knaap uit.</p>
+<p>&bdquo;Ja! insecten. Geef mij dat stukje dood koraal eens. Ziet gij
+die honderden ronde kleine gaatjes in elk takje, tot zelfs in het
+kleinste toe? Verbeeld u nu, in ieder dier kleine openingen woonde eens
+een zee-insect, en naarmate die insecten aangroeiden, groeiden ook de
+takken der koraalboomen uit.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, dat begrijp ik wel. Maar hoe kan men weten, dat dit
+eiland door hen gemaakt is? Zoo iets gaat mijn begrip geheel te
+boven.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En toch is het waar, Willem, dat genoegzaam alle eilanden in
+dit gedeelten van den oceaan door den arbeid en den wasdom dezer kleine
+dieren ontstaan zijn. Het koraal was aanvankelijk op den bodem der zee,
+waar het door wind en golven niet gestoord wordt. Al langzamerhand
+schiet het hooger op, tot het eindelijk bijna tot aan de oppervlakte
+des waters reikt. Dan is het juist als die klippen, welke gij ginds
+ziet, Willem, en van nu af wordt het door het geweld van wind en baren,
+die het gedurig afbrokkelen, in zijn groei belemmerd en kan zich daarom
+ook niet boven de zee verheffen; want als dit het geval werd, dan
+moesten de kleine dieren natuurlijk sterven.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar hoe ontstaat daar nog een eiland uit?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat geschiedt slechts zeer langzaam en na verloop van veel
+tijd; ook hangt daarbij veel van het toeval af. Zoo kan b. v. een
+boomstam, die in zee omdrijft en misschien met schelpen en schaaldieren
+overdekt is, op de koraalriffen blijven vastzitten. Zoo iets zou een
+toereikend begin zijn, want het kon boven water blijven en de koralen
+aan de windzijde beschutten, tot zich een vlakke rots, van gelijke
+hoogte met de zee, had vastgezet. De zeevogels zoeken gaarne eene
+plaats om uit te rusten. Zij zouden deze hier schielijk gevonden hebben
+en van hunne uitwerpselen moest dan na verloop van tijd eene kleine
+plek boven water ontstaan, waarop vervolgens ook nog andere drijvende
+voorwerpen konden blijven hechten. Over zee verwaaide landvogels vallen
+daarop neder en de in hunne maag bevatte zaadkorrels schieten, eens
+gevallen, tot struiken en boomen op.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat kan ik goed begrijpen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Welnu dan; op die wijze is de eerste grondslag om het zoo
+eens te noemen tot een eiland gelegd, en eens z&oacute;&oacute;ver,
+neemt dit ook spoedig toe, want thans zijn de koralen tegen den wind
+gedekt en groeien welig op. Merkt gij wel, hoe breed en hoog de
+koraalklippen op deze zijde van het eiland, waar stormvlagen en
+golfslag haar niet zoo deren kunnen, oprijzen, terwijl dit aan de
+windzijde, waar onze tenten staan, zoo geheel anders is? Evenzoo
+onttrekt <span class="pagenum">[<a id="pb78" href="#pb78" name=
+"pb78">78</a>]</span>die eerste kleine plek boven water de
+koraalgewassen aan den wind, en dan neemt het eilandje ras in wasdom
+toe; want de vogels rusten er niet alleen, maar nestelen er ook en
+broeden er jongen uit, zoodat de omvang van jaar tot jaar grooter
+wordt. Ten laatste komt dan nog eene kokosnoot op de golven
+aandrijven&mdash;en die vrucht is juist geschikt, om zich op
+zoo&rsquo;n wijze voort te planten, want hare buitenste schil is hard
+en waterdicht en meteen zoo licht, dat ze op &rsquo;t water drijft en
+daarin, zonder te verrotten, maanden kan blijven liggen. Zij schiet
+wortel, wordt een boom, die zijne breede takken telken jare verder
+uitbreidt en door zijn dorrend loof gedurig meer teelaarde om zich heen
+verzamelt. De rijpe noten vallen in deze vetten bodem, kiemen schieten
+op,&mdash;en zoo gaat het voort, jaar in jaar uit, totdat het eiland
+zoo groot en zoo dicht met boomen bezet is, als dat waarop wij nu op
+dit oogenblik staan. Is dat niet verwonderlijk?<span class="corr" id=
+"xd21e1830" title="Niet in bron">&rdquo;</span></p>
+<p>&bdquo;H&eacute;, hoe merkwaardig!&rdquo; antwoordde Willem.</p>
+<p>Eenige minuten na dit gesprek bleven vader en zoon zwijgend zitten.
+Toen stond de eerste op en zeide: &bdquo;Kom, Willem, laat ons nu
+terugkeeren; wij hebben nog drie uren licht en willen tijdig thuis
+zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja vooral v&oacute;&oacute;r het avondeten, vader,&rdquo;
+antwoordde de knaap, &bdquo;dat ik alle eer zal aandoen. Hoe eer wij er
+zijn, des te beter.&rdquo;</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch20" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">TWINTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">VERHUIZING NAAR DE OOSTZIJDE.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Alles was nu zoover gereed, dat men zonder twijfel met
+het opbreken naar de lijzijde van het eiland beginnen kon. Flink had de
+boot bijna weder klaar; hij had haar geheel vernieuwd en daarbij nog
+van een mast en zeilen voorzien. Mijnheer Wilson en Willem gingen voort
+met het verzamelen van goederen, die nog voortdurend werden
+aangespoeld, en kozen bij voorkeur dezulke, die in de open lucht aan
+bederf onderhevig zijn. Al wat zij van dezen aard vonden, werd naar het
+kokosboschje gebracht, om het althans aan de hitte der zon te
+onttrekken, doch er werd dagelijks zulk een menigte van alles aan land
+geworpen, dat zij nauwelijks wisten, wat zij al bijeen hadden. Echter
+versmaadden zij niets, maar borgen de eene kist na de andere en
+wachtten op eene andere gelegenheid om den inhoud er van te
+onderzoeken. Ten laatste droegen zij het verzamelde op groote hoopen
+<span class="pagenum">[<a id="pb79" href="#pb79" name=
+"pb79">79</a>]</span>en bedekten die behoorlijk met zand, daar het in
+<span class="corr" id="xd21e1848" title="Niet in bron">den</span>
+korten tijd, die hun overig bleef, onmogelijk was de velerlei goederen
+van het strand weg te brengen.</p>
+<p>Ook mevrouw Wilson, die nu weer volkomen hersteld was, en Juno
+bleven niet werkloos. Zij hadden al het noodige zoo goed zij konden in
+pakken saamgebonden, om het gemakkelijk naar de nieuwe woonplaats te
+kunnen overbrengen. Op den achtsten dag na den storm waren <span class=
+"corr" id="xd21e1853" title="Bron: alleen">allen</span> met hun werk
+gereed en nu werd ten besluite eene groote raadsvergadering gehouden.
+Men kwam overeen, dat Flink het beddegoed en het zeildoek van de eene
+tent in de boot pakken en Willem op zijne eerste vaart medenemen zou.
+Na dit vervoerd te hebben, zou hij terugkeeren, om eene tweede vracht
+te laden, en dan moest de familie door het bosch naar de andere zijde
+van het eiland trekken en daar met den heer Wilson blijven, terwijl
+Flink met Willem de tweede tent ging halen. Daarna zou de boot nog
+zooveel reizen doen, als het weder toeliet, tot alles, wat men voor het
+begin noodig had, naar de nieuwe woonstede was overgebracht.</p>
+<p>Het was een lieve stille morgen, toen Flink en Willem met de zwaar
+beladen boot van land stieten. Zoodra zij buiten de bocht waren,
+trokken zij het zeil op en stevenden met gunstigen wind langs de kust
+voort. Binnen twee uren hadden zij de oostkust bereikt. De landtong,
+aan wier spits de doorgang door de klippen zich bevond, was geen mijl
+meer van hen verwijderd, en nu lieten zij het zeil vallen en roeiden in
+het kanaal, om in de zandige baai te landen.</p>
+<p>&bdquo;Gij ziet, Willem, hoe gelukkig het voor ons treft, dat wij
+altijd een goeden wind zullen hebben, als wij met de bevrachte boot
+hierheen gaan, en slechts het leege vaartuig hebben terug te
+roeien.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;<a id="xd21e1862" name="xd21e1862"></a>Ja, dat treft heel
+gelukkig. Hoe ver zou het wel zijn van de bocht ginds tot aan dit
+gedeelte van het eiland?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zes of zeven mijlen, verder niet. Het eiland is lang en smal,
+zooals gij ziet. Laat ons nu ons boeltje aan land dragen, dan kunnen
+wij lang voor donker in onze bocht terug zijn. Uwe moeder zag niet
+bijzonder gaarne, dat gij andermaal op zee gingt, Willem;&mdash;ik heb
+dat wel bemerkt; en wij moeten dus niet lang uitblijven.&rdquo;</p>
+<p>De boot was spoedig gelost; doch het kostte meer tijd de goederen
+ver genoeg op het land te dragen. &bdquo;Zulk een storm, als wij
+onlangs hadden, zullen wij hier denkelijk niet meer hebben uit te
+staan,&rdquo; zeide Flink; &bdquo;want wij zijn daartegen door het
+kokosbosch in zijne gansche diepte gedekt. Van den wind zullen wij
+nauwelijks iets merken, maar des te meer van den regen, die in gansche
+stroomen op ons neerkomen zal.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id=
+"pb80" href="#pb80" name="pb80">80</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Ik moet eens even naar onze bron gaan zien en er een goeden
+dronk uithalen,&rdquo; sprak Willem.</p>
+<p>&bdquo;Doe dat; maar laat mij niet te lang in de boot
+wachten.&rdquo;</p>
+<p>Willem berichtte, dat de bron tot den rand toe vol was en hij in
+zijn leven geen zoo heerlijk water gedronken had. Daarop staken zij van
+wal en waren na ruim twee uren roeiens weder aan den ingang van de
+bocht, waar mevrouw Wilson met Thomas aan de hand op hen wachtte en hun
+reeds van verre met haar zakdoek toewuifde.</p>
+<p>Bij het aan land stappen ontvingen zij de gelukwenschen der gansche
+familie over den gunstigen uitslag van hunne eerste vaart, en allen
+waren blij, dat de afstand zooveel korter was, dan men aanvankelijk
+geloofd had.</p>
+<p>&bdquo;Den volgenden keer ga ik mee,&rdquo; zei Thomas met veel
+deftigheid.</p>
+<p>&bdquo;Alles op zijn tijd; als de jongeheer Thomas nog een weinigje
+grooter is,&rdquo; antwoordde Flink.</p>
+<p>&bdquo;Massa Thomas komen mij help te melken de geit?&rdquo; vroeg
+Juno.</p>
+<p>&bdquo;Ja, ja, de geiten melken<span class="corr" id="xd21e1886"
+title="Bron: ?">!</span>&rdquo; riep de kleine schelm en huppelde
+vroolijk heen.</p>
+<p>&bdquo;Zoo altijd pekelvleesch en scheepsbeschuit moet u toch
+vervelen, mevrouw,&rdquo; zeide Flink, toen zij zich weder tot eten
+nederzetten. &bdquo;Zoodra wij echter in ons nieuw verblijf zijn, hoop
+ik wel wat beter voedsel voor u op te doen. Tegenwoordig is het nog
+hard werk en harde kost.&rdquo;</p>
+<p><span class="corr" id="xd21e1892" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>Zoolang de kinderen er geen hinder van
+hebben, kan ik mij dat heel goed getroosten, ofschoon ik wel bekennen
+wil, dat ik na dien laatsten storm hartelijk verlang hier vandaan te
+komen, vooral na de verleidelijke beschrijving, die Willem mij van onze
+aanstaande woonplaats gegeven heeft. Het moet een waar paradijs zijn!
+Wanneer zullen wij opbreken, Flink?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Niet v&oacute;&oacute;r overmorgen, mevrouw; want, ziet gij,
+ik heb eerst nog eene tweede reis te doen, om het keukengereedschap en
+de bundels, die gij gepakt hebt, over te brengen. Als gij Juno morgen
+missen kunt, moet zij met Willem door het bosch gaan, en dan kunnen wij
+de eene tent voor u en de kinderen opzetten. Uw man kan dan
+achterblijven.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zeer goed, Flink; en zou &rsquo;t niet het best zijn, dat zij
+dan meteen de schapen en de geiten meenamen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik ben blij, mevrouw, dat gij daaraan gedacht hebt; wij
+kunnen daardoor vrij wat tijd besparen.&rdquo; <span class=
+"pagenum">[<a id="pb81" href="#pb81" name="pb81">81</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch21" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">EEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">FLINK EN WILLEM.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De oude man had zijne boot reeds lang weder volgeladen
+en onder zeil gebracht, voordat de overige leden der familie nog op
+waren. Deze waren nog niet aangekleed, toen hij zijne gansche vracht
+reeds gelost had en zich vervolgens neerzette, om zijn ontbijt te
+nuttigen. Daarna droeg hij al de goederen naar de plek, waar hij eene
+tent wilde opslaan, en maakte hiertoe het noodige gereed, terwijl hij
+nog de komst van Willem en Juno wilde afwachten, die hem dan helpen
+konden om de staken vast te binden en het linnen daar overheen te
+trekken.</p>
+<p>Tegen tien uren &rsquo;s morgens verscheen Willem met eene der
+geiten aan een touw, terwijl de overige los volgden. Na hem kwam Juno
+met de schapen, van welke zij er ook een vasthield; de andere hadden
+zich geduldig bij den trein aangesloten.</p>
+<p>&bdquo;Daar zijn wij eindelijk<span class="corr" id="xd21e1913"
+title="Bron: &rsquo;">,</span>&rdquo; riep Willem lachend. &bdquo;Wij
+hebben in het bosch de handen vol werk gehad, want die domme Nanni, de
+geit, liep altijd om de eene zij van den boom, als ik aan de andere
+was, zoodat ik het touw dan wel gedurig moest loslaten. Wij hebben de
+varkens ook weer ontmoet, en ge hadt eens moeten hooren<span class=
+"corr" id="xd21e1916" title="Niet in bron">,</span> Flink, hoe Juno het
+uitgierde.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ikke denken, dat wilde beest loopen in de bosch,&rdquo; zeide
+Juno. &bdquo;O, wat ijselijk mooie plaats hier! Hier massaas zeker
+dolgraag wonen zullen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, het is wezenlijk eene heerlijke plaats, Juno; en hier
+kunt gij ook weer wasschen en plassen, en zult het water niet behoeven
+te ontzien.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Daar denk ik juist over, hoe wij ons gevogelte het best over
+zullen brengen,&rdquo; zeide Willem: &bdquo;het is wel niet heel wild,
+maar laat zich toch niet opvangen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik zal ze morgen meenemen, vriend Willem,&rdquo; zeide
+Flink.</p>
+<p>&bdquo;Maar hoe zult gij ze in handen krijgen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Doodeenvoudig; men wacht, tot ze &rsquo;s avonds op hun tak
+zitten, en dan kan men ze met de hand aanvatten, als men lust
+heeft.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En de duiven en de varkens laten wij in &rsquo;t wild loopen,
+denk ik, en hun eigen kost zoeken?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zeker; het is het beste, wat wij met hen doen kunnen. De
+varkens zullen onder de kokosboomen altijd genoeg voedsel vinden en
+schielijk jongen in menigte krijgen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En dan zullen wij hen schieten, niet waar?&rdquo;
+<span class="pagenum">[<a id="pb82" href="#pb82" name=
+"pb82">82</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Ja, Willem, dat zullen wij, en ook duiven, wanneer die zich
+eerst genoegzaam vermeerderd hebben; zoodat wij, als wij hier zoolang
+blijven, in het vervolg ook onze vrije jacht zullen krijgen. Spoedig
+zullen wij behoorlijk van alles voorzien zijn en levensmiddelen in
+overvloed tot onze beschikking hebben; elk komend jaar zal ons rijker
+maken. Maar nu moet gij de tent helpen opslaan en ieder ding op zijn
+plaats brengen, zoodat uwe moeder bij hare komst alles recht
+gemakkelijk en netjes vindt. Zij zal wel zeer moe wezen, als zij hier
+komt; want de wandeling is voor haar een heel eind.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Moeder is veel beter, dan zij in lang geweest is,&rdquo;
+antwoordde Willem. &bdquo;Ik hoop, dat zij spoedig weder volkomen
+gezond zal zijn, en dat wordt zij zeker, als zij hier maar een poosje
+gewoond heeft.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wij hebben nog zeer veel werk voor ons, meer dan wij
+v&oacute;&oacute;r den regentijd gedaan kunnen krijgen, en dat is
+waarlijk jammer, hoewel &rsquo;t nu eenmaal niet te veranderen is.
+Vandaag over een jaar zullen wij alles hier beter in orde
+hebben<span class="corr" id="xd21e1945" title=
+"Bron: ,">.</span>&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wel, wat hebben wij dan nog te doen, als onze tenten er eens
+staan en wij ons goed overgebracht hebben?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;In de eerste plaats moeten wij een huis bouwen, en dat zal
+ons vrij wat tijd kosten. Wij dienen ons te haasten, opdat het zoo
+schielijk mogelijk klaar kome. Dan moeten wij een kleinen tuin
+aanleggen en de zaden, die uw vader uit Engeland heeft meegebracht, in
+den grond brengen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O, dat is een allerprettigst werk. Waar kan dat het best
+geschieden, Flink?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik heb reeds naar eene geschikte plaats omgezien. Wij moeten
+dwars over die landtong eene omheining aanleggen en al het struikgewas
+met den wortel uitroeien. De grond is er opperbest.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En wat komt dan aan de beurt?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dan moeten wij een pakhuis aanleggen voor al den voorraad,
+dien wij verzameld hebben en die nog in het bosch en op het strand
+verstrooid ligt. Daar moeten wij alles laten, tot wij tijd hebben, om
+het te onderzoeken; en dan dienen wij te overleggen, hoevele reizen wij
+nog met onze kleine boot te doen hebben, om alles hierheen te
+brengen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, dat is alles waar. Valt er dan nog meer te
+doen<span class="corr" id="xd21e1963" title=
+"Bron: !">?</span>&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O, nog werk in overvloed! Wij moeten een vijver voor
+schildpadden een anderen voor visch aanleggen en eene badplaats voor
+Juno zoeken, waar zij de kinderen wasschen kan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, ja, en <span class="corr" id="xd21e1970" title=
+"Bron: ikek">ikke</span> mijzelf ook,&rdquo; zeide Juno.</p>
+<p>&bdquo;Wel, dat is den moriaan gewasschen; ofschoon ik wel weet,
+Juno, dat <span class="pagenum">[<a id="pb83" href="#pb83" name=
+"pb83">83</a>]</span>gij een zindelijk meisje zijt, al is uwe huid ook
+niet heel blank.&mdash;Maar vooreerst, Willem, moeten we onze wel in
+goeden staat brengen, zoodat we altijd rijkelijk versch water hebben.
+En daar hebt ge nu werk genoeg en wel zwaar werk, althans voor een vol
+jaar, en hoe langer wij hier samenwonen, des te meer behoeften zullen
+wij langzamerhand ook ontdekken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Nu, laat moeder en de kleinen maar eerst hier zijn, dan
+zullen wij dapper aan den gang gaan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik wenschte van ganscher harte, dat alles reeds gedaan was,
+mijn beste Willem,&rdquo; vervolgde Flink. &bdquo;In allen gevalle hoop
+ik nog lang genoeg te leven, om dat alles tot stand te zien gebracht.
+Ik zou u allen gaarne in onbezorgde omstandigheden achterlaten en met
+de zekerheid, dat gij u in het vervolg ook zonder mij goed kondet
+redden<span class="corr" id="xd21e1981" title=
+"Bron: ,">.</span>&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar hoe kunt gij zoo spreken, Flink? Gij zijt wel oud, maar
+daarbij toch gezond en sterk.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Nu nog wel, mijn goede jongen; maar gij weet, hoe onzeker het
+leven van den mensch is. Gij zijt jong en gezond en een lang leven
+schijnt voor u weggelegd, maar toch, wie kan zeggen, of gij niet
+misschien morgen reeds heengegaan en door vader en moeder bitter
+beweend zult worden? En zou ik, een oud man, die al zooveel moeite en
+ongemakken heb doorgestaan, dan nog op een lang leven rekenen?
+Neen&mdash;neen, Willem, dat ware in de jeugd dwaasheid, maar bij een
+grijsaard zwakheid en waanzinnigheid. En toch zou ik gaarne hier
+blijven, zoolang ik nog nuttig zijn kan, en dan, dunkt mij, als mijne
+taak ten einde is, kon ik in vrede de oogen sluiten. Ik verlang niet
+dit eiland ooit weer te verlaten en heb een soort van voorgevoel, dat
+mijn gebeente hier eens rusten zal.&rdquo;</p>
+<p>Een tijdlang werkten zij voort zonder een woord te spreken. Het
+linnen voor de tent werd uitgespannen en met prikken in den grond
+vastgeslagen. Eindelijk brak Willem het stilzwijgen <span class="corr"
+id="xd21e1990" title="Bron: at">af</span>.</p>
+<p>&bdquo;Flink, hebt gij mij niet eens gezegd, dat uw voornaam
+Masterman is?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, zoo is het ook, Willem.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is toch een wonderlijke voornaam! Werdt gij misschien
+naar een ander zoo genoemd?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat raadt gij goed; hij was een zeer rijk man, mijn
+peet.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Weet gij wat, Flink!&mdash;ik zou gaarne uwe geschiedenis
+eens hooren vertellen,&mdash;ik meen namelijk uwe gansche
+levenshistorie, van toen gij een kind waart af.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Nu, dat kan nog wel eens gebeuren, Willem, en waarlijk, er
+zijn vele voorvallen in mijn leven, die anderen wel tot eene goede
+leering konden <span class="pagenum">[<a id="pb84" href="#pb84" name=
+"pb84">84</a>]</span>dienen. Dat kan ik echter eerst doen, als wij met
+ons werk klaar zijn, nu is de tijd er te kostbaar toe.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hoe oud zijt gij wel, Flink?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Vier-en-zestig al ruim, mijn jongen. Dat is een hooge
+ouderdom voor een zeeman. Ik had ook geen dienst meer op een schip
+kunnen krijgen, als ik niet met verscheidene kapiteins zoo goed bekend
+was geweest.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar waarom zegt gij, een hoogen ouderdom voor een
+zeeman?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Omdat de matrozen zelden zoo lang leven als andere lieden,
+deels wegens de ongemakken, die zij moeten doorstaan, deels ook door
+eigen schuld, omdat zij te veel sterke drank gebruiken. Daarbij zijn
+zij ook vaak zorgeloos, bekommeren zich al te weinig om hunne
+gezondheid, zoodat hunne levenskracht vroeger uitgeput raakt, dan dit
+op het vasteland gewoonlijk het geval is.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar gij gebruikt tegenwoordig immers geen sterke drank
+meer?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, nooit, Willem; maar in vroeger jaren was ik even dwaas
+als de anderen.&mdash;Kom, Juno, het wachten is alleen op u; breng de
+bedden eens hier. Wij hebben nog maar twee of drie uren tot onze
+beschikking. Wat zullen wij nu &rsquo;t eerst aanvangen
+Willem?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zou &rsquo;t niet goed wezen, dat wij terstond eene
+stookplaats zochten, om den pot te koken? Juno en ik konden daartoe de
+steenen wel aanbrengen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Gij toont overleg, mijn beste jongen;&mdash;juist datzelfde
+wou ik voorslaan, als gij het niet gedaan hadt. Ik zal morgen lang
+v&oacute;&oacute;r u hier zijn en wel zorg dragen, dat gij bij uwe
+aankomst het eten gereed vindt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik heb een flesch met water in mijn reiszak
+meegebracht,&rdquo; vervolgde Willem, <span class="corr" id="xd21e2027"
+title="Niet in bron">&bdquo;</span>niet zoozeer om dat water, als omdat
+ik de geiten melken en de melk voor mijn kleine broertje meenemen
+wou.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Daar hebt gij braaf en broederlijk <span class="corr" id=
+"xd21e2032" title="Bron: aangedaan">aan gedaan</span>. Nu frisch aan
+&rsquo;t werk! Terwijl gij met Juno steenen haalt, zal ik al het
+overige goed <span class="corr" id="xd21e2035" title=
+"Bron: hieronder">hier onder</span> de boomen wegbergen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Kunnen wij de schapen en geiten los laten loopen,
+Flink?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Gerust; ge hebt niet te vreezen, dat ze zullen wegloopen. Het
+groene voeder is hier beter dan op de andere zijde van het eiland en
+daarbij overvloedig voorhanden. Geloof mij, ze zullen heel bedaard hier
+blijven.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Goed dan zal ik Nanni loslaten, zoodra Juno haar gemolken
+heeft; doch dat is vandaag ook ons laatste werk hier.&mdash;Laat ons nu
+eens zien, Juno, hoeveel steenen wij in &eacute;&eacute;n vracht dragen
+kunnen.&rdquo;</p>
+<p>Een uur later was de stookplaats gereed, had Flink zijne taak
+volbracht, <span class="pagenum">[<a id="pb85" href="#pb85" name=
+"pb85">85</a>]</span>waren de geiten gemolken en druk aan &rsquo;t
+grazen en namen Willem en Juno den terugweg door het woud aan.</p>
+<p>Flink keerde naar het strand terug. Toen hij dat langs wandelde, zag
+hij eene kleine schildpad liggen. Behoedzaam sloop hij op haar toe,
+zoodat hij tusschen haar en het water kwam te staan, en toen greep hij
+haar plotseling aan en kantelde haar gelukkig op den rug om.</p>
+<p>&bdquo;Ziezoo, dat is onze hoofdschotel voor morgen,&rdquo; zeide
+hij, terwijl hij in zijne boot klom. Met forsche handen greep hij de
+riemen aan en roeide naar de bocht terug.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch22" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">TWEE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">AANKOMST OP DE NIEUWE WOONPLAATS.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Flink landde in de bocht, trok de boot aan wal en ging
+toen naar de tenten, waar hij het gansche gezelschap bij elkaar vond,
+aandachtig luisterende naar het verhaal, dat door Willem van de
+verrichtingen en ontmoetingen van dien dag gedaan werd. Bij Flinks
+komst werd dadelijk alles voor morgen afgesproken. Toen ging men
+slapen, en alleen de oude man en Willem bleven nog een poosje op, om de
+hoenders te vangen en hun de pooten saam te <span class="corr" id=
+"xd21e2059" title="Bron: bindep">binden</span>, zoodat men ze den
+volgenden ochtend gemakkelijk in de boot vervoeren kon.</p>
+<p>V&oacute;&oacute;r dag en dauw werden de kleinen gewekt en zoo
+schielijk mogelijk aangekleed, omdat Flink de tent, waarin moeder en
+kinderen geslapen hadden, in de boot wilde medenemen. Met uitzondering
+van dezen en van Thomas, die in de vrouwentent&mdash;gelijk men haar
+noemde&mdash;onder dak was, hadden de overigen onder den blooten hemel
+geslapen, op stukken zeildoek, welke men daartoe onder de dichte
+kokosboomen op den grond had uitgespreid. Wat was dat eene drukte en
+eene opschudding op dezen morgen! Alles kwam in rep <span class="corr"
+id="xd21e2064" title="Bron: er">en</span> roer. Zoodra mevrouw Wilson
+gekleed was, werd de tent omvergehaald en met beddegoed en alle verder
+toebehooren in de boot geladen. Na een hartig ontbijt gingen ook
+borden, messen, lepels en andere kleinigheden scheep; toen legde Flink
+de hoenders daar bovenop, en in een ommezien was hij uit het
+gezicht.</p>
+<p>Een weinig later maakte zich ook het verdere gezelschap tot de reis
+door het kokosbosch gereed. Willem ging met de drie honden vooruit en
+wees <span class="pagenum">[<a id="pb86" href="#pb86" name=
+"pb86">86</a>]</span>den weg. Hem volgde zijn vader met Albert op den
+arm, Juno met de kleine Caroline, en eindelijk mevrouw Wilson met
+Thomas aan de hand, die volgens zijn zeggen, op zijne moeder passen
+moest. Met een weemoedig gevoel zeiden zij de plaats vaarwel, die hen
+na zooveel doorgestane gevaren het eerst had opgenomen. Nog eenmaal
+zagen zij naar de bocht en de overblijfsels van het wrak en de
+scheepslading, die naar alle zijden verstrooid lagen om en toen traden
+zij het woud in.</p>
+<p>Flink was in minder dan twee uren aan de nieuw gekozene
+verblijfplaats aangekomen en onverwijld aan land gestapt. Voordat hij
+zijne lading begon te lossen, wilde hij nog naar de schildpad zien, die
+hij den vorigen dag op het strand had omgekeerd. Hij vond het beest
+nog, gelijk hij het gelaten had, doodde het en wiesch het zorgvuldig
+af. Nu ging hij naar de nieuw aangelegde stookplaats, legde het vuur
+aan; vulde den ijzeren ketel met water en zette hem op het vuur te
+koken.</p>
+<p>Hierop sneed hij een stuk van de schildpad af en legde het met
+eenige sneden pekelvleesch in den ketel, dekte dezen en liet alles
+behoorlijk doorkoken. Het overschot van de schildpad hing hij in de
+schaduw op, waarna hij naar het strand terugkeerde, om eindelijk de
+lading uit de boot te brengen. Hij bond de arme hoenders los, welker
+pooten in den beginne heel stijf waren, doch die zich spoedig weer
+herstelden en toen terstond ijverig naar voeder rondzochten.</p>
+<p>Flink nam de schotels, messen, vorken en andere kleinigheden uit de
+boot en droeg ze naar de nieuwe tent, waarna hij naar het vuur omzag en
+nog meer hout onder den ketel legde. Vervolgens haalde hij het
+beddegoed en het linnen voor de tweede tent, benevens de staken, die
+hij achter aan de boot had vastgemaakt. Hij had bijna drie volle uren
+noodig om alles naar de nieuwe woonstede over te brengen, want deze lag
+eenigszins van het strand verwijderd en enkele dingen waren zwaar,
+zoodat de oude man hartelijk blij was, toen hij zijn werk verricht had
+en zich eindelijk kon neerzetten, om wat uit te rusten.</p>
+<p>&bdquo;Me dunkt toch, het is haast tijd, dat zij komen
+konden,&rdquo; dacht Flink; &bdquo;zij moeten nu al bijna vier uren
+onder weg zijn. Maar misschien zijn ze later vertrokken. Het is geen
+gemakkelijk ding, een hoop vrouwen met kinderen in beweging te
+brengen.&rdquo; Zoo wachtte hij nog een kwartier, stookte het vuur op
+en vergat ook niet van tijd tot tijd de soep af te schuimen, tot
+eensklaps de drie honden op hem kwamen toespringen.</p>
+<p>&bdquo;Nu kunnen zij niet ver meer verwijderd zijn,&rdquo; dacht de
+oude man.</p>
+<p>En dat waren zij werkelijk niet; want eenige minuten later verscheen
+<span class="pagenum">[<a id="pb87" href="#pb87" name=
+"pb87">87</a>]</span>het gansche gezelschap, en dat wel zeer verhit en
+afgemat, gelijk hij dan ook niet anders verwacht had. Hij hoorde nu,
+dat de kleine Caroline, na een poosje geloopen te hebben, bitter over
+vermoeidheid geklaagd had, zoodat Juno haar had moeten dragen. Later
+had ook mevrouw Wilson zich doodelijk vermoeid gevoeld en had men een
+kwartiertje moeten rusten. Daarop kwam sinjeur Thomas, die niet bij
+moeder had willen blijven, maar gedurig heen en weer was geloopen en
+verklaarde dat hij moe was en dat men hem dragen moest; en daar er
+niemand was, die dit doen kon, begon hij te schreien en te klagen,
+totdat men besloot andermaal halt te houden, opdat hij eenigermate
+bekomen zou. Eindelijk begon de kleine ongelukkig nog honger te krijgen
+en te schreeuwen. De vreesachtige Caroline werd beangst, toen men zoo
+lang in het donkere bosch omdwalen moest, en weende mee. Thomas, dien
+de goede Willem een eind ver als een zak op den rug had gedragen,
+zette, toen hij eindelijk zijn eigen beenen weer gebruiken moest, eene
+geweldige keel op. Zoo moest men alweer halt maken, en eerst nadat men
+zich door een dronk uit Willem&rsquo;s flesch verkwikt had, ging het
+weer eenigszins beter, tot het gezelschap ten laatste z&oacute;&oacute;
+moe en uitgeput bij Flink aankwam, dat mevrouw Wilson zich met de
+kleinen eenigen tijd in de tent moest nederleggen, voordat zij van de
+plaats, waar zij in het vervolg wonen zouden, ook maar iets had
+gezien.</p>
+<p>&bdquo;Mij dunkt,&rdquo; zeide mijnheer Wilson, na de kleine aan
+Juno te hebben overgegeven, &bdquo;dat de dagreis van heden, hoe klein
+ook, het beste bewijs is, hoe hulpeloos wij zonder u zijn zouden,
+Flink.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik ben recht blij, dat gij eindelijk hier zijt,
+mijnheer,&rdquo; antwoordde de oude man. &bdquo;Het is mij een zwaar
+pak van het hart, want nu eerst zal het met ons allen beter gaan. Me
+dunkt, na eenigen tijd zult gij hier recht genoeglijk kunnen wonen,
+maar daartoe hebben wij nog veel te doen. Zoodra mevrouw wat heeft
+uitgerust, willen wij ons middagmaal gebruiken en dan onze eigene tent
+vastmaken, wat nog werk en omslag genoeg zal wezen. Morgen zullen wij
+dan ernstig met onzen nieuwen arbeid aanvangen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Gaat gij morgen naar onze oude bocht terug, Flink?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja mijnheer. Wij moeten onzen voorraad hier hebben, rund- en
+varkensvleesch, meel en erwten en nog veel andere dingen, die wij niet
+missen kunnen. Met drie reizen heb ik den leeftocht over; het overige
+kunnen wij later onderzoeken en onder dak brengen, als wij er eens tijd
+toe vinden. Zoodra ik deze drie reizen met mijne boot gedaan heb,
+kunnen wij dan gezamenlijk aan het werk gaan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar in dezen tusschentijd kan ik toch ook wel iets
+doen?&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb88" href="#pb88" name=
+"pb88">88</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;O ja, er is werk in overvloed voor u.<span class="corr" id=
+"xd21e2099" title="Niet in bron">&rdquo;</span></p>
+<p>&bdquo;Wilt gij Willem meenemen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, mijnheer; hij zal hier meer van nut zijn, en ik kan mij
+ook zonder hem redden.&rdquo;</p>
+<p>Mijnheer Wilson ging nu in de tent en vond zijne vrouw weer vrij wat
+van hare vermoeidheid bekomen, maar al de kinderen vast in slaap. Men
+wachtte nog een half uur en wekte toen Thomas en Caroline, om
+gezamenlijk aan tafel te kunnen gaan.</p>
+<p>&bdquo;H&eacute;, beste Flink,&rdquo; riep Willem, toen deze het
+deksel van den ketel nam, &bdquo;wat een heerlijke soep hebt gij daar
+toch!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is een zondagskostje, waarop ik u dezen eersten middag
+eens onthalen wou,&rdquo; antwoordde Flink. &bdquo;Ik weet dat gij
+allen het pekelvleesch eindelijk van harte moe zijt, en daarom zult gij
+vandaag eens als aan eene burgermeesterstafel smullen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar zeg, Flink, wat is het?&rdquo; vroeg mevrouw Wilson.
+&bdquo;De reuk er van is heerlijk althans.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Eene schildpadsoep, mevrouw; en ik hoop, dat ze u smaken zal.
+Wanneer ze u bevalt, kan ik haar u, nu wij eens hier zijn, wel meer
+voorzetten.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Waarlijk zij smaakt keurig, maar er moet nog een weinig zout
+in. Gij hebt dat toch nog, Juno?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar sikkepitte meer. Haast altemaal op,&rdquo; antwoordde
+deze.</p>
+<p>&bdquo;Hoe moeten wij het dan maken, als onze zoutvoorraad ten einde
+loopt?&rdquo; vroeg mevrouw Wilson.</p>
+<p>&bdquo;Juno moet ander halen,&rdquo; gaf Flink ten
+antwoord<span class="corr" id="xd21e2125" title="Bron: ,">.</span></p>
+<p>&bdquo;Ikke halen ander?&mdash;Ikke hebben geen zier meer,&rdquo;
+hernam Juno en zag den ouden man verwonderd aan.</p>
+<p>&bdquo;Daar buiten is het in overvloed, Juno,&rdquo; zeide mijnheer
+Wilson en wees naar den zeekant.</p>
+<p>&bdquo;Ikke niets daarvan zien kan,&rdquo; antwoordde zij.</p>
+<p>&bdquo;Hoe meent gij dat, lieve?&rdquo; vroeg mevrouw Wilson
+eindelijk.</p>
+<p>&bdquo;Ik meen alleen, dat wij, als wij zout noodig hebben, ons dat
+zelven bereiden kunnen, zooveel wij verkiezen. Wij hebben slechts
+zeewater in een ketel te koken, of ook tusschen de klippen ginds eene
+drogerij aan te leggen, daar de zon dan het water doet verdampen en het
+zout op den grond achterlaat. Flink weet dat zoo goed als ik. Op een
+dezer beide manieren wordt het zout altijd gewonnen, door uitdampen of
+anders door verkoken, wat eigenlijk hetzelfde is, behalve dat men er
+spoediger mee klaar komt.<span class="corr" id="xd21e2138" title=
+"Niet in bron">&rdquo;</span></p>
+<p>&bdquo;Eerlang zullen wij daar het noodige toe gereed maken,
+mevrouw,&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb89" href="#pb89" name=
+"pb89">89</a>]</span>zeide Flink; &bdquo;en ik zal dan Juno wijzen, hoe
+zij zichzelve altijd redden kan.&rdquo;</p>
+<p>Iedereen vond de soep uitmuntend. Thomas hield zijn bord zoo
+dikwijls bij, dat zijne moeder hem eindelijk niet meer geven durfde. Na
+ge&euml;indigden maaltijd bleef mevrouw Wilson met de kinderen alleen,
+terwijl haar man en Flink met behulp van Juno en Willem de tweede tent
+opsloegen en alles v&oacute;&oacute;r den nacht in gereedheid brachten.
+Het was reeds vrij donker, toen zij hiermee klaar waren.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch23" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">DRIE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">ALGEMEENE TEVREDENHEID MET HET NIEUWE VERBLIJF.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Mijnheer Wilson was den volgenden morgen het eerst op
+en zeide tot Flink, toen deze een poos later uit de tent trad:</p>
+<p>&bdquo;Ik kan u zeggen, vriend, dat ik mij, sedert ik hier ben, veel
+opgeruimder en beter gestemd gevoel dan vroeger. Op de andere zijde van
+het eiland herinnerde alles mij onze schipbreuk en moest ik
+onophoudelijk aan mijn verloren vaderland denken, terwijl het mij hier
+is, of wij er reeds lang te huis waren en er vrijwillig ons verblijf
+gekozen hadden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat gevoel zal van dag tot dag levendiger bij u worden,
+vertrouw ik, mijnheer; want het is doelloos en zelfs dwaas, als de
+mensch onophoudelijk over zijn ongeluk jammert. Wij bovenal hebben alle
+reden om innig dankbaar en tevreden te zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik erken dat volgaarne, brave man<span class="corr" id=
+"xd21e2162" title="Bron: ,">.</span>&mdash;Wat is dan nu het eerste,
+dat gij denkt aan te vangen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Waar wij bovenal behoefte aan hebben, is een toereikende
+voorraad van zoet water en daarom wenschte ik wel, dat gij en uw zoon
+Willem&mdash;d&aacute;&aacute;r komt hij al! Goede morgen, mijn
+jongen!&mdash;ik zei daar, dat gij beiden geen beter werk doen kondet,
+dan de bron verder tot stand te brengen, terwijl ik mij weer op de
+vaart begeef. Ik bracht gisteren nog een schop mee, en zoo kunt gij
+gelijktijdig arbeiden; maar laat ons eerst naar de tent gaan, want
+Juno, zie ik, heeft het ontbijt klaar.&mdash;Ge begrijpt wel, mijnheer,
+dat wij de wel tot in het kokosbosch nasporen moeten, waar zij in de
+schaduw tegen de zon gedekt is. Dat kan licht gebeuren, als gij tegen
+de hoogte aan opwerkt en ziet, hoe het water van boven neerstroomt.
+Hebt ge dat <span class="pagenum">[<a id="pb90" href="#pb90" name=
+"pb90">90</a>]</span>gevonden, dan graaft gij een gat, wijd genoeg, om
+er een van onze watertonnen, die ik van avond mee wil brengen, in neer
+te laten. Is deze behoorlijk in den grond vastgezet, dan zullen wij
+haar altijd vol water vinden, en hoe schielijk wij ze ook leegscheppen,
+zal de wel haar toch bestendig weer aanvallen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik begrijp u zeer goed,&rdquo; antwoordde mijnheer Wilson.
+&bdquo;Dat zal dan heden ons werk zijn, voor zoolang gij afwezig
+zijt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Nu goed; dus heb ik zelf niets meer te doen, dan met Juno
+over het middageten te spreken,&rdquo; hernam Flink. &bdquo;Daarna
+schielijk een mondvol tot ontbijt en dan weg;&mdash;dit kostelijk weder
+mag niet ongebruikt voorbijgaan.&rdquo;</p>
+<p>De oude man zeide Juno, om het varkensvleesch in de braadpan te
+bakken en ook eenige sneden van de schildpad af te snijden en tegen den
+middag te koken, waarbij zij ook de van gisteren overgebleven soep nog
+opwarmen kon; en daarop stapte hij met een beschuit en een stuk
+rundvleesch naar de boot en stak alleen van land. Vader en zoon gingen
+inmiddels ook ijverig aan het werk, en tegen den middag reeds had de
+kuil de breedte en diepte, welke Flink hun had aangewezen<span class=
+"corr" id="xd21e2175" title="Bron: ,">.</span> Eerst toen zij zoover
+waren, staakten zij hun arbeid en gingen naar de tent, waar mevrouw
+Wilson met het herstellen der kleederen van hare kinderen bezig
+was.</p>
+<p>&bdquo;Gij kunt u niet voorstellen, hoeveel beter ik mij gevoel,
+sinds wij hier zijn,&rdquo; zeide zij en drukte de hand van haar man,
+toen die zich aan hare zijde neerzette.</p>
+<p>&bdquo;Ik hoop lieve, dat dit een voorgevoel is van ons toekomstig
+geluk,&rdquo; antwoordde hij. &bdquo;Ik verzeker u, dat ik hetzelfde
+voel en dezen morgen heb ik dit onzen braven Flink ook reeds
+gezegd.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik gevoel, dat ik hier mijn leven lang gelukkig zou kunnen
+zijn, zoo kalm, zoo vreedzaam en daarbij zoo verrukkelijk schoon is het
+hier. Weet gij echter, wat ik mis?&mdash;Er zijn hier geen zangvogels,
+zooals in ons vaderland.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is waar, ik heb tot hiertoe ook nog maar enkel
+zeevogels bemerkt. Hebt gij al andere gezien, Willem?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Eens maar, vader, heb ik in de verte een vlucht gezien. Flink
+was niet bij mij en dus wist ik niet, wat voor vogels het waren. Ze
+schenen mij echter niet zoo klein, als andere zangvogels, maar voor
+&rsquo;t minst van de grootte eener duif.&mdash;Kijk, daar komt Flink
+den hoek om,&rdquo; vervolgde hij. &bdquo;Wat zeilt die kleine boot
+toch hard! En &rsquo;t moet toch wel zwaar werk voor den ouden man
+zijn, zoo heel alleen tegen den stroom op naar de bocht te
+roeien.&mdash;Juno is het eten klaar?&rdquo; <span class=
+"pagenum">[<a id="pb91" href="#pb91" name="pb91">91</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Ja, massa Willem, in een ommezien klaar wezen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wij willen hem tegemoet gaan en hem nog v&oacute;&oacute;r
+den eten van het een en ander ontlasten.&rdquo;</p>
+<p>Zij deden dit, en Willem rolde de ledige waterton, die Flink had
+medegebracht, naar de nieuw gegraven bron.</p>
+<p>De sneden schildpad werden even luid geprezen, als de soep van den
+vorigen avond en inderdaad, nadat men zoo lang op taai <span class=
+"corr" id="xd21e2198" title="Bron: pekelkleesch">pekelvleesch</span>
+gekauwd had, moest eene afwisseling met versche spijzen allen bij
+uitstek gewenscht voorkomen.</p>
+<p>&bdquo;En nu naar de bron; zij moet heden nog klaar,&rdquo; riep
+Willem, zoodra de maaltijd was afgeloopen.</p>
+<p>&bdquo;Gij arbeidt als een dijkgraver, Willem,&rdquo; merkte zijn
+moeder lachend aan.</p>
+<p>&bdquo;Dat moet ik ook, moeder. Ik moet thans leeren alles met mijne
+handen te doen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En spoedig zal het door uwe gewoonte een tweede natuur
+worden,&rdquo; zei Flink.</p>
+<p>Bij de bron gekomen, zagen zij tot hunne verbazing, dat het eerst
+voor een paar uren gegraven gat bijna tot den rand toe met water was
+opgevuld.</p>
+<p>&bdquo;O wee,&rdquo; riep Willem, &bdquo;nu zullen wij eerst al dat
+water dienen uit te scheppen, om de ton er in te krijgen!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Kom, kom, jongen, bedenk u eens goed,&rdquo; zei de vader.
+&bdquo;Het water vloeit zoo sterk, dat zulk uitscheppen geen
+gemakkelijk ding zou zijn. Kunnen wij de zaak niet anders
+aanvatten?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, vader; maar de ton zal toch bovendrijven.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zeker, zooals zij nu is, doet zij dat vast. Doch is er geen
+middel om haar te doen zinken?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O ja, nu begrijp ik het. Wij moeten eenige gaatjes in den
+bodem boren; dan zal zij volloopen en vanzelf naar den grond
+gaan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Heel goed, jongen,&rdquo; sprak Flink. &bdquo;Ik dacht wel,
+dat zoo iets zou moeten gebeuren en heb daarom de groote boor bij mij
+gestoken.&rdquo;</p>
+<p>De oude man boorde vier gaten in den bodem der ton, en terwijl zij
+nu op het water dreef, drong dit langzamerhand naar binnen, zoodat het
+vat al dieper en dieper zonk. Zoodra de rand daarvan met de oppervlakte
+des waters gelijk stond, vulden zij de tusschenruimte behoorlijk met
+zand op en was de bron gereed.</p>
+<p>&bdquo;Morgen als het water goed gezakt is, zal het zoo helder en
+doorschijnend zijn als kristal, en zoo zal het blijven, als men het
+niet moedwillig troebel <span class="pagenum">[<a id="pb92" href=
+"#pb92" name="pb92">92</a>]</span>maakt,&rdquo; voorspelde Flink.
+&bdquo;Alweer dus een stuk werk tot stand gebracht! Nu zullen we nog al
+het overige goed uit de boot halen.&rdquo;</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch24" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">VIER-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">VERDERE VERRICHTINGEN IN DE NIEUWE VOLKPLANTING.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">&bdquo;Daar wij nog zoo velerlei dingen te doen
+hebben,&rdquo; zeide mijnheer Wilson den volgenden morgen tot zijn
+ouden vriend, &bdquo;zullen wij een geregeld plan voor alles ontwerpen.
+Van de wijze, waarop men het aanvat, hangt het welgelukken van een werk
+grootendeels af. Zeg mij dus, welk werk gij ons voor de volgende week
+zoo al zoudt voorslaan. <a id="xd21e2237" name="xd21e2237"></a>Morgen
+is &rsquo;t Zondag, en ofschoon wij dien dag tot nu toe nog niet
+behoorlijk hebben kunnen vieren, geloof ik toch, dat wij hem ditmaal
+kunnen en moeten gedenken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, mijnheer, dat moeten wij en &rsquo;t zelfde zou ik u
+hebben voorgeslagen. Morgen zullen wij van onzen arbeid uitrusten en
+Zondag houden. En wat nu uw voorslag aangaat, mijnheer,&mdash;of zullen
+wij ook eens hooren wat mevrouw zegt?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Gij moet er thans niet om denken, dat gij vrouwen of althans
+fijne dames bij u hebt,&rdquo; viel mevrouw Wilson hem in de rede.
+&bdquo;Mijne gezondheid en kracht keeren meer en meer terug en ik hoop
+u spoedig wezenlijk van nut zijne. Ik neem op mij, Juno in alle
+huiselijke <span class="corr" id="xd21e2243" title=
+"Bron: verrchtingen">verrichtingen</span> te helpen, voor koken en
+wasschen te zorgen, op de kinderen te passen, de kleederen te
+herstellen en alles te doen, wat mijne krachten mij toelaten. Word ik
+sterker, dan zal ik beproeven wat ik meer kan doen, en in alle gevalle
+zult gij, zoo niet den ganschen, toch een groot gedeelte van den dag
+over Juno&rsquo;s diensten kunnen beschikken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Daarmee kunnen wij ons vooreerst ook heel goed vergenoegen,
+mevrouw,&rdquo; hernam de oude zeeman. <span class="corr" id=
+"xd21e2248" title="Niet in bron">&bdquo;</span>Maar nu verder,
+mijnheer. De beide dringendste verrichtingen, na het bouwen van een
+huis, zijn vooreerst het omspitten van een stuk land voor onze
+aardappelen en tuinzaden en dan het aanleggen van een vijver voor
+schildpadden, opdat wij van die dieren vangen en daarin zetten, voordat
+de tijd voorbij is.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Heel goed,&rdquo; was het antwoord; &bdquo;maar wat dient er
+eerst gereed te zijn?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Mij dunkt de vijver daar, die slechts weinige dagen werks
+behoeft te kosten, als gij met Juno en Willem daaraan arbeidt. Ik voor
+mij heb <span class="pagenum">[<a id="pb93" href="#pb93" name=
+"pb93">93</a>]</span>de gansche aanstaande week uw bijstand niet
+noodig. Ik wil eerst eene plek in de buurt opzoeken, waar het hout het
+dichtst staat;&mdash;daar zal ik dan de boomen omhakken en eene ruimte
+maken, waar in het vervolg onze pakhuizen kunnen staan, en zoodra de
+regentijd voorbij is, brengen wij dan al onzen voorraad van ginds naar
+hier over. Dat zal mij wel de geheele week ophouden, daar het vellen en
+op eene behoorlijke lengte afzagen van de boomen voor ons nieuwe huis
+geen gemakkelijk werk is. Ben ik daarmee klaar, dan moeten wij al onze
+krachten vereenigen en terstond tot het opslaan eener woning overgaan.
+Haardstede en vensters kunnen misschien eerst later klaar komen. Het
+voornaamste is, dat wij onder dak zijn en droge slaapplaatsen
+hebben.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Denkt gij dan wezenlijk, dat daar nog kans toe is? Wanneer
+oordeelt gij, moet het regenseizoen invallen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Met drie of vier weken. Het begin staat niet altijd zoo
+geregeld vast, maar veel later wordt het zeker niet. Is de volgende
+week voorbij, dan zal ik waarschijnlijk altijd twee of misschien wel al
+de leden van de familie gebruiken kunnen. Ha! daar valt mij in, dat ik
+toch nog eens naar de bocht terug moet.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Waartoe dat?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Herinnert gij u de kar op twee wielen nog, mijnheer, die in
+stroo was ingepakt en door den storm aan land werd geworpen? Gij
+lachtet, toen gij haar zaagt en dacht, dat zij ons thans maar van
+weinig nut zou zijn; en toch, mijnheer, zullen as en wielen ons nu goed
+te pas komen, daar wij naar de plaats, waar ik de boomen vel, een breed
+pad aanleggen en dan onze stammen veel gemakkelijker voortkruien
+kunnen, dan zoo wij die dragen of sleepen moesten.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is een kostelijke inval, Flink. Zoo zal zeker vrij wat
+werk bespaard worden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat denk ik ook, mijnheer. Willem en ik zullen Maandagmorgen
+al vroeg opbreken, om v&oacute;&oacute;r het ontbijt terug te zijn.
+Vandaag willen wij nog de plekken opzoeken, waar onze tuin aangelegd,
+de vijver gemaakt en het geboomte geveld worden moet. Dat is een werk
+voor ons, mijnheer. Willem en Juno kunnen intusschen de dingen hier wat
+beter oppakken, totdat wij ze gebruiken moeten.&rdquo;</p>
+<p>Terstond daalden de beide mannen naar het strand af, en na de riffen
+aandachtig te hebben opgenomen, zeide Flink: &bdquo;Gij ziet, mijnheer,
+tot een vijver voor schildpadden hebben wij niet veel water noodig,
+want als hij te diep is, kost het ons maar dubbele moeite de beesten op
+te vangen. Alles <span class="pagenum">[<a id="pb94" href="#pb94" name=
+"pb94">94</a>]</span>wat wij verlangen, is eene plaats in het water,
+met een lagen dam van steenen omringd, zoodat de dieren niet ontsnappen
+kunnen, want tot klauteren zijn ze niet in staat, hoewel ze met hunne
+zwempooten heel goed op het afhellende strand kunnen voortspartelen. Nu
+zie, mijnheer, de klip ginds is hoog genoeg boven water; de ruimte
+tusschen haar en het strand is diep genoeg en de rotsen aan den oever
+sluiten deze zijde bijna geheel af en beletten de dieren dus langs den
+oever voort te kruipen, zoodat zij ons niet meer ontkomen kunnen. Wij
+hebben dus weinig meer te doen, dan de beide andere kanten op te
+vullen, en onze vijver is zoo goed als hij wezen moet.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik zie, dat dit niet veel moeite zal kosten, als wij maar
+genoeg losse rotsblokken vinden kunnen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Bijna alle, die op het strand liggen, zijn los,&rdquo;
+verzekerde Flink<span class="corr" id="xd21e2278" title=
+"Bron: :">,</span> &bdquo;en hier dicht v&oacute;&oacute;r ons vinden
+wij ze in menigte. Sommige zijn wel te zwaar om gedragen te worden;
+doch die kunnen wij met breektangen en hefboomen van de plaats
+krijgen;&mdash;wij hebben twee of drie van die dingen bij ons. Nu,
+mijnheer, moesten wij Willem en Juno een teeken geven en hen dadelijk
+aan het werk zetten. V&oacute;&oacute;r den middag kunnen zij nog vrij
+wat afdoen.&rdquo;</p>
+<p>Mijnheer Wilson riep en wenkte met zijn hoed, waarop Willem en de
+negerin dadelijk aankwamen. Juno werd gezonden om twee breekijzers te
+halen, terwijl Willem van Flink vernam wat zij te doen hadden. Toen
+Juno met de werktuigen terug was, bleven de beide mannen nog een
+tijdlang bij hen en hielpen hen aan hun werk, waarna zij verder gingen,
+om eene geschikte plaats voor een tuin op te zoeken</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch25" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">VIJF-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">GEVOLGEN DER ONGEHOORZAAMHEID.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Mijnheer Wilson en Flink vervolgden hunne wandeling
+langs het strand tot aan het punt, dat deze laatste tot het aanleggen
+van een tuin &rsquo;t best geschikt achtte. Wel is waar was de laag
+teelaarde op den rotsigen bodem niet dik, maar de grond was toch vrij
+goed en tamelijk uitgestrekt. Daarenboven was de plaats
+d&aacute;&aacute;r, waar zij aan het andere land vastzat, zeer smal,
+zoodat men geene uitgestrekte omheining noodig had.</p>
+<p>&bdquo;Gij ziet, mijnheer,&rdquo; merkte Flink aan, &bdquo;het
+aanleggen eener heg kunnen wij uitstellen tot de regentijd voorbij is,
+of als het weer dat vergunt, kunnen <span class="pagenum">[<a id="pb95"
+href="#pb95" name="pb95">95</a>]</span>wij er dien toe gebruiken. De
+zaadgewassen en de aardappelen zullen eerst na de regen opkomen, en zoo
+hebben wij niets anders te doen, dan den grond om te spitten en zoo
+schielijk mogelijk aan het poten te gaan. De struiken ginds moeten
+weggeruimd worden; maar dat is weinig moeite, omdat de grond zoo licht
+is. Wij hebben ook maar een deel van uwe zaden uit te strooien, want
+dit jaar kunnen wij nog geen grooten tuin aanleggen; doch onze
+aardappelen moeten alle gepoot worden, al konden wij ook niets anders
+meer uitrichten.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Als we geene omheining te maken hebben,&rdquo; antwoordde de
+heer Wilson, &bdquo;kunnen we dunkt mij, in eene week tijds grond
+genoeg bearbeiden, om alles, wat ons &rsquo;t eerst noodig is, aan te
+planten.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;We dienen eerst het kleine struikgewas uit te roeien en den
+grond om te spitten,&rdquo; vervolgde Flink. &bdquo;De zwaardere
+stammen en stronken kunnen we, als het ons dadelijk aan tijd ontbreekt,
+in den beginne veilig laten staan. Hier kan onze Thomas een handje
+helpen, als gij hem de uitgegraven wortels laat wegdragen.&mdash;Laat
+ons nu in het bosch gaan en eene plaats uitkiezen, waar ik de boomen
+vellen zal. Ik voor mij heb al eene keuze gedaan, zoo gij er
+<span class="corr" id="xd21e2298" title="Bron: niet">niets</span> tegen
+hebt. De plek is d&aacute;&aacute;r, een vijftig roeden op zij van de
+tent. Van hier hebben wij bij de honderd roeden het bosch in te
+gaan.&rdquo;</p>
+<p>Beiden volgden de door Flink aangewezen richting, totdat zij aan
+eene kleine hoogte kwamen, waar de boomen zoo dicht stonden, dat het
+moeite kostte daar een pad door te breken.</p>
+<p>&bdquo;Hier zijn we, waar we wezen moeten, mijnheer,&rdquo; sprak
+Flink. &bdquo;Ik zou voorstellen, al het zware hout, dat wij tot onze
+woning noodig hebben, uit dit gedeelte van het bosch te nemen en eene
+open vierkante plaats uit te houwen, op &rsquo;t midden waarvan wij
+onze pakhuizen kunnen bouwen. Tegenwoordig is de noodzakelijkheid van
+zoo iets niet waarschijnlijk; maar ziet gij, mijnheer, in geval van
+nood kan men deze plek met weinig moeite tot een vast punt van
+verdediging maken; want als wij hier en daar tusschen de boomen nog
+eenige palissaden zetten, hebben wij eene volmaakt goede verschansing,
+zooals men die in West-Indi&euml; tegen de wilden gebruikt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Volkomen waar, mijn goede raadsman. Evenwel hoop ik van
+harte, dat zulke verdedigingsmiddelen ons nooit te pas zullen
+komen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ook ik hoop datzelfde, mijnheer; maar voorzichtigheid gaat
+boven alles. Intusschen hebben we eerst nog veel anders te bedenken en
+te doen. Het eten zal nu wel klaar zijn. Laat ons zien, dat wij ons
+deel krijgen, en dan <span class="pagenum">[<a id="pb96" href="#pb96"
+name="pb96">96</a>]</span>terstond ons werk aanvatten. Ik zie altijd
+gaarne een begin, al is het ook nog zoo gering.&rdquo;</p>
+<p>Ook Willem en Juno kwamen nu aan den maaltijd, die mevrouw Wilson
+bereid had. Beiden stond het gezonde zweet op het voorhoofd, want het
+was hard werk wat zij te doen hadden; maar beider wil was goed en zij
+wilden gedaan krijgen wat eens begonnen was. Thomas was den ganschen
+morgen uiterst oproerig geweest en had overal slechts stoornis
+veroorzaakt. Zijne les had hij niet geleerd, maar daarvoor, ofschoon
+het hem meer dan eens verboden was, met vuur gespeeld en de kleine
+Caroline de hand gebrand. Zoodra zijn vader nu echter van zijne
+ondeugendheid hoorde, werd de stoute jongen tot zijne straf veroordeeld
+om vandaag geen eten te krijgen, en zoo zat hij daar boos en grommend
+de verdwijnende spijzen na te kijken, zonder dat het hem nochtans
+inviel, voor zijne ondeugendheid vergiffenis te vragen. Na het eten nam
+mijnheer Wilson schop en houweel om naar de plaats van hun toekomstigen
+tuin te gaan, en zijne vrouw verzocht hem, Thomas mee te nemen, daar
+zij zeer veel te doen had en niet zoo gemakkelijk op hem als op de
+kleine Caroline passen kon. Zoo vatte de vader den jongen bij de hand
+en nam hem mee naar de plaats, waar hij arbeiden wilde. Daar deed hij
+hem op den grond nederzitten, terwijl hij zelf de struiken begon uit te
+roeien.</p>
+<p>Hij werkte ijverig voort, en toen hij eenigszins gevorderd was, liet
+hij het afgehouwen struikgewas door Thomas wat verder wegdragen en in
+eene hoop op elkaar pakken. De kleine jongen deed dit echter ongaarne,
+daar hij nog altijd in een boos humeur was. Nadat de vader eene vrij
+groote ruimte van struiken ontdaan had, nam hij zijne schop en begon de
+wortels uit te graven, waarbij hij aan Thomas overliet, zich naar eigen
+verkiezing te vermaken. Zoo zag hij niet, waarmee de knaap wel een uur
+lang bezig was, terwijl hij zelf druk voortarbeidde. Toen opeens echter
+hoorde hij een luid kreunen, en op de vraag naar de oorzaak daarvan,
+gaf Thomas geen antwoord, maar jammerde al sterker, tot hij eindelijk
+de handen op de maag legde en zoo hard als hij kon begon te schreeuwen.
+Daar hij zware pijn scheen te lijden, liet de vader zijn arbeid rusten
+en bracht hem naar de tent, waar mevrouw Wilson, door het gekerm
+verontrust, hem te gemoet kwam. Thomas verkoos overigens niet, ergens
+op te antwoorden, en ging met huilen en jammeren voort, zoodat vader en
+moeder niet begrijpen konden, wat er de oorzaak van was. De oude Flink,
+die dat gekerm zoo lang hoorde aanhouden, dacht dat er een ernstig
+ongeluk was voorgevallen, en kwam nu ook aan. Toen hij hoorde wat er
+gebeurd was, zeide hij: <span class="pagenum">[<a id="pb97" href=
+"#pb97" name="pb97">97</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Maak er staat op, mijnheer, de jongen heeft iets gegeten, dat
+hem nu kwalijk bekomt. Zeg, sinjeur Thomas, wat hebt gij in den mond
+gestoken, toen gij daar alleen waart?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Bessen,&rdquo; was het snikkend antwoord.</p>
+<p>&bdquo;Dat dacht ik wel, mevrouw,&rdquo; vervolgde Flink. &bdquo;Ik
+wil eens gaan zien, wat voor soort van bessen het waren.&rdquo;</p>
+<p>De oude man ging ijlings naar de plaats, waar mijnheer Wilson
+gewerkt had. De moeder was inmiddels grootelijks beangst, dat het kind
+iets vergiftigs mocht hebben ingekregen, terwijl de vader uit zijne
+kleine apotheek een fleschje ricinusolie ging halen.</p>
+<p>Flink kwam juist terug, toen ook de heer Wilson in de tent trad met
+het fleschje, waaruit hij den zieken jongen eenige droppels wilde
+ingeven.</p>
+<p>&bdquo;O, neen, mijnheer,&rdquo; zeide de oude man, die een takje in
+de hand hield, toen hij hoorde, welke medicijn het was; &bdquo;daar
+moet gij hem niet van ingeven, want, naar het mij voorkomt, heeft hij
+er al te veel van gebruikt. Zie, als ik &rsquo;t niet mis heb,&mdash;en
+mij dunkt, ik ben vrij zeker van mijne zaak,&mdash;is dit de
+ricinusplant; en hier zijn eenige van de bessen, waarvan onze sinjeur
+gesnoept heeft. Niet waar, Thomas, hiervan hebt gij gegeten?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja.&mdash;O, wat heb ik er eene pijn van!&rdquo; kermde de
+knaap.</p>
+<p>&bdquo;Dat is verdiend loon. Geef hem maar iets warm te drinken
+mevrouw, en het zal wel spoedig beter zijn. Onze jongeheer zal nu
+denkelijk wel onthouden, dat men geen vreemde bessen of vruchten
+plukken mag, zonder vooraf te weten, dat ze goed om te eten
+zijn.&rdquo;</p>
+<p>Gelijk Flink gezegd had, was het ook. Evenwel was Thomas den
+ganschen dag nog ziek en misselijk, en moest al zeer vroeg naar bed
+worden gebracht.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch26" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">ZES-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">EEN ONAARDIG KIND.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Den anderen morgen, toen al de overigen druk aan het
+werk waren, zat mevrouw Wilson voor hare tent. De kleine Albert kroop
+aan hare voeten op den grond om: Caroline was naarstig met hare
+breikous bezig, en sinjeur Thomas groef kuilen in het zand, in elken
+waarvan hij een steentje legde.</p>
+<p>&bdquo;Wat doet gij toch, Thomas?&rdquo; vroeg zijne moeder.</p>
+<p>&bdquo;Spelen, moeder; ik maak een tuin.&rdquo; <span class=
+"pagenum">[<a id="pb98" href="#pb98" name="pb98">98</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Een tuin! Dan moest gij er ook eenige boomen in
+planten.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, ik zaai zaden: zie hier maar,&rdquo; riep Thomas en
+wees op zijne steenen.</p>
+<p>&bdquo;Steenen kunnen niet groeien; niet waar, moeder?&rdquo; vroeg
+de kleine Caroline.</p>
+<p>&bdquo;Neen, lieve meid, dat kunnen zij niet. Steenen schieten niet
+uit de aarde op, maar wel het zaad van planten en bloemen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat weet ik ook wel,&rdquo; zeide Thomas. &bdquo;Ik doe maar
+zoo omdat ik geen zaad heb.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar gij zeidet daar straks toch, dat gij zaad zaaidet en
+geen steenen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O, dat verbeeld ik mij maar zoo, en dan is het ook precies
+&rsquo;t zelfde.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Toch niet zoo precies &rsquo;t zelfde, mijn jongen. Bedenk
+maar eens; als gij gisteren, in plaats van die leelijke bessen te eten,
+u slechts verbeeld hadt, dat gij ze at,&mdash;zou dat niet beter voor u
+geweest zijn?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik wil er ook niet weer van proeven,&rdquo; zeide de
+knaap.</p>
+<p>&bdquo;Neen, van die bessen niet; maar als gij iets anders ziet,
+waar ge trek in krijgt, dan vrees ik half en half dat ge het weer
+proeven zult, en dan kon &rsquo;t licht even erg of nog erger dan
+gisteren gaan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik heb zin in kokosnoten. Waarom krijgen wij daar nooit van?
+Daar boven aan de boomen hangen er toch nog genoeg.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar wie zal zoo hoog klimmen, om ze te plukken? Wilt gij dat
+zelf doen, Thomas?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, maar waarom doet Flink dat niet, of vader, of Willem?
+Waarom stuurt ge Juno niet in den boom? Ik wil kokosnoten
+hebben.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Die zullen er ons wel eens wat van meebrengen, als zij niet
+zooveel meer te doen hebben; maar nu is het geen tijd daartoe. Ziet ge
+niet, hoe druk allen aan het werk zijn?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik lust graag schildpadsoep,&rdquo; vervolgde Thomas.</p>
+<p>&bdquo;Willem en Juno maken een vijver, om daar schildpadden in te
+doen, en dan krijgen we die meer te eten. Ge moet bedenken, dat wij
+niet altijd alles krijgen kunnen, waar we lust in hebben.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Eene schildpad, moeder, wat is dat?&rdquo; vroeg de kleine
+Caroline.</p>
+<p>&bdquo;Dat is eene soort van dier, dat in het water leeft en toch
+geen visch is.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O, gebakken visch, daar houd ik ook veel van,&rdquo; riep
+Thomas weder. &bdquo;Waarom krijgen wij geen gebakken visch?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Omdat iedereen thans te veel werk heeft, om ze te kunnen
+vangen. Naderhand zult ge zeker ook wel nu en dan eens visch krijgen.
+Maar kom, lieve Thomas, ga eens heen en haal uw broertje Albert terug.
+Hij is daar veel te dicht bij onze geit gekropen, en die stoot soms
+wel.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb99" href="#pb99" name=
+"pb99">99</a>]</span></p>
+<p>Thomas deed wat hem gezegd was. De kleine was vlak bij het jonge
+bokje, dat sedert vrij groot was geworden, en Thomas haalde hem daar
+vandaan, maar kon daarbij niet nalaten, eens even met zijn voet naar
+het dier te schoppen.</p>
+<p>&bdquo;Thomas, Thomas, doe dat toch niet; hij kon u stooten en u
+bitter zeer doen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik ben niet bang voor hem,&rdquo; riep Thomas, terwijl hij
+Albert met de eene hand vasthield en voortging naar den bok te
+schoppen. Deze had echter geen lust om dat langer te verdragen. Hij
+dook met den kop neer, sprong op Thomas toe en stiet hem tegen de
+borst, zoodat hij over Albert heen op den grond rolde. De kleine
+schreeuwde, en ook onze mijnheer Thomas riep om hulp. Mevrouw Wilson
+schoot toe en nam haar zoontje op den arm, terwijl Thomas die nu vrij
+wat bang was, zich aan haar japon vasthield en angstig naar den bok
+omzag, die zeer geneigd scheen om zijn aanval te hernieuwen.</p>
+<p>&bdquo;Waarom doet gij ook niet wat men u zegt, Thomas? Ik zei u
+immers wel, dat hij u stooten zou,&rdquo; zeide de moeder en zocht
+Albert gerust te stellen.</p>
+<p>&bdquo;Ik geef niet om tien bokken,&rdquo; antwoordde Thomas, nu hij
+zag dat <span class="corr" id="xd21e2400" title=
+"Bron: het het">het</span> beest hem niet verder volgde.</p>
+<p>&bdquo;Ja, ja, nu de bok weg is, hebt gij verbazend veel moed. Gij
+zijt toch een recht ondeugende jongen, die nooit gehoorzaamt, als men u
+iets zegt. Weet gij nog wel van dien leeuw aan de Kaap?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik ben niet bang voor een leeuw,&rdquo; zei Thomas.</p>
+<p>&bdquo;Dat geloof ik, nu er nergens een te zien is; maar gij zoudt
+niet weinig schrikken en schreeuwen, als er eensklaps een voor u
+stond.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik heb hem toch wel met steenen gegooid,&rdquo; vervolgde de
+knaap.</p>
+<p>&bdquo;Ja, dat hebt gij gedaan; en als gij het gelaten hadt, zou de
+leeuw u niet zoo hebben doen schrikken, evenmin als de bok u daareven
+op den grond zou hebben geworpen,&rdquo; antwoordde de moeder.</p>
+<p>&bdquo;Sik stoot nooit naar mij, moeder,&rdquo; zeide Caroline.</p>
+<p>&bdquo;Neen, lieve, omdat gij hem nooit plaagt! maar Thomas houdt er
+veel van de dieren te kwellen en wordt daar dan ook telkens voor
+gestraft. Het is heel stout van hem, dat hij het doet, vooral daar
+vader en moeder hem gedurig zeggen, dat hij het laten moet. Goede
+kinderen gehoorzamen altijd aan hunne ouders; maar Thomas is geen goed
+kind.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Van morgen, toen ik mijne les zoo goed opzei, zeidet gij
+toch, dat ik een brave jongen was, moeder,&rdquo; zeide Thomas
+beschaamd. <span class="pagenum">[<a id="pb100" href="#pb100" name=
+"pb100">100</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Ja, ja, toen waart gij dat ook; maar gij moet altijd braaf en
+gehoorzaam zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat kan ik niet altijd wezen,&rdquo; antwoordde de knaap.
+&bdquo;Ik heb honger; wanneer krijg ik van middag eten?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Het wordt nu spoedig tijd, jongen; maar ge moet wachten, tot
+allen van het werk terug zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Daar komt Flink met een zak op den schouder,&rdquo; riep
+Thomas. Na weinige oogenblikken stond deze dan ook voor mevrouw Wilson
+en legde zijn zak op den grond neer.</p>
+<p>&bdquo;Ik heb u wat jonge kokosnoten meegebracht en daarbij ook een
+paar oudere,&rdquo; zeide hij. &bdquo;Ze zijn van de boomen, die ik heb
+omgehouwen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ha, kokosnoten, die lust ik graag!&rdquo; riep Thomas en
+klapte in de handen.</p>
+<p>&bdquo;Zeide ik niet, Thomas, dat wij ze mettertijd wel krijgen
+zouden? Kijk, nu komen ze schielijker, dan wij verwacht
+hadden.&mdash;Ge schijnt recht warm, Flink.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, mevrouw,&rdquo; antwoordde deze en wischte zich het zweet
+van het voorhoofd, &bdquo;&rsquo;t Is ook een warm werk, daar in het
+bosch geen koeltje waait. Weet ge ook nog iets, dat ik van onze
+landingsplaats kan meebrengen? Ik ga er dadelijk na het eten naar
+toe.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En om wat te doen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik moet de kar halen, om onze stammen uit het bosch te
+brengen, en daartoe moet ik eerst een behoorlijk pad banen. Maar
+ditmaal heb ik Willem noodig, om mij een handje te helpen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O, Willem zal zeker gaarne meegaan. Dat is eene verademing,
+nadat hij zoo lang met die zware steenen gesleept heeft.&mdash;Ik weet
+op &rsquo;t oogenblik niets meer, dat wij noodig hebben,&rdquo;
+vervolgde mevrouw Wilson. &bdquo;Daar komt Willem met Juno, en ook mijn
+man heeft, zie ik, de schop neergelegd. Kom, lieve Caroline, pas gij nu
+op Albert, terwijl ik het eten voor u allen opdraag.&rdquo;</p>
+<p>De oude man was haar hiertoe behulpzaam. Het eten werd op den grond
+gezet, want hunne stoelen en tafels hadden zij nog niet naar de nieuwe
+woning meegenomen, daar zij die wel dachten te kunnen missen, totdat
+het huis was opgebouwd. Willem berichtte, dat hij den volgenden dag met
+den vijver hoopte klaar te komen. Zijn vader had reeds zooveel grond
+omgespit, dat men den van het wrak geredden halven zak aardappelen
+daarin poten kon, en &rsquo;t was dus vooruit te zien, dat binnen twee
+dagen allen te zamen met vereende krachten tot het vellen en vervoeren
+der boomen zouden kunnen overgaan. <span class="pagenum">[<a id="pb101"
+href="#pb101" name="pb101">101</a>]</span></p>
+<p>Na het eten roeide Flink met Willem in de boot weg en keerde nog
+voor den donker met de kar en eenige andere goederen, die de lading vol
+maakten, terug. Ook hadden zij eenige dikke balken op het sleeptouw
+genomen, die Flink tot deurposten van het huis gebruiken wilde. De heer
+Wilson had voor dien namiddag zijn werk laten rusten en daarvoor Juno
+aan het hare geholpen. Naar zijn zeggen, was de vijver, zoo al nog niet
+klaar, toch reeds zoo ver gevorderd, dat de schildpadden, eens daarin
+zijnde, er niet gemakkelijk zouden uitkomen.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch27" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">ZEVEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">GESPREK TUSSCHEN VADER EN ZOON.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">&bdquo;Nu beste Willem,&rdquo; zeide Flink, &bdquo;als
+ge niet al te slaperig zijt, hebt ge misschien wel lust om van avond
+mee te gaan en te zien, of wij niet eenige schildpadden kunnen vangen.
+De broeitijd loopt spoedig ten einde en dan zullen zij zich niet meer
+op het eiland laten zien.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O ja, Flink, ik wil graag meegaan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Goed dan; maar wij moeten wachten, totdat het donker is. De
+maan zal van nacht niet lang schijnen en dat treft juist goed voor
+ons.&rdquo;</p>
+<p>Zoodra de zon onder was, stapten beiden naar het strand en zetten
+zich daar bedaard op een rotsblok neer. Het duurde niet lang, of Flink
+ontdekte een schildpad, die op het zand voortkrabbelde. Hij wenkte
+Willem, hem stilletjes te volgen en ging behoedzaam naar den waterkant,
+zoodat hij het beest den terugtocht naar zee afsneed.</p>
+<p>Zoodra de schildpad hen gewaar werd, snelde zij op het water toe,
+doch had het geluk niet van te ontkomen, daar Flink haar haastig bij
+een harer voorste zwempooten aanpakte en haar toen zonder moeite op den
+rug omwentelde.</p>
+<p>&bdquo;Z&oacute;&oacute;, Willem, als ik daar deed, moet men de
+schildpadden altijd omdraaien. Gij moet daarbij echter oppassen, dat
+gij niet te dicht bij hare tanden komt, wat u licht een vinger zou
+kosten. Zooals het dier nu ligt, kan het niet meer van de plaats, en
+wij zullen het morgenochtend evenzoo vinden. Laat ons nu eens langs het
+strand voortgaan en zien, of er nog meer te vangen zijn.&rdquo;</p>
+<p>Beiden bleven nog tot middernacht op en vingen in dien tijd zestien,
+deels groote, deels kleine schildpadden. <span class="pagenum">[<a id=
+"pb102" href="#pb102" name="pb102">102</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Mij dunkt, dat is voor ditmaal genoeg,&rdquo; zeide Flink
+toen. &bdquo;Wij hebben in dezen nacht voor langen tijd voorraad
+ingezameld. Over drie of vier dagen willen wij eens zien, of wij onzen
+rijkdom niet nog vermeerderen kunnen, en morgen vroeg brengen wij onze
+vangst in den vijver.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hoe zullen wij die groote dieren echter wegdragen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat behoeft niet veel moeite te kosten. We schuiven hen op
+een stuk oud zeildoek en brengen hen op die wijze van de plaats. Op het
+gladde zand is daar weinig kracht toe noodig.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Waarom vangen we ook niet visschen, Flink? Wij konden die
+immers ook bij de schildpadden in den vijver doen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zij zouden daar niet lang in blijven, Willem, en al deden zij
+dat ook, dan zouden wij er hen toch moeilijk uit kunnen krijgen. Wij
+moeten mettertijd een afzonderlijken vischvijver aanleggen; maar
+vooreerst hebben wij nog wel noodiger dingen te doen. Ik ben al
+voornemens geweest eenige hengelsnoeren klaar te maken, maar kon er
+niet toe komen en ben daar nu al te moe en te slaperig toe. Zoodra het
+huis echter gebouwd is, zullen we eens uitgaan en gij zult
+oppervisschersbaas zijn, als ik u eerst gewezen heb, hoe ge doen
+moet.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En niet waar, bij nacht bijten de visschen ook
+aan<span class="corr" id="xd21e2482" title=
+"Bron: &rdquo;?">?&rdquo;</span></p>
+<p>&bdquo;O ja, en zelfs nog beter, dan bij dag.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Nu goed, bezorg mij dan een snoer en zeg mij, hoe ik doen
+moet. Ik zal elken avond, als &rsquo;t werk af is, nog een uurtje of
+langer visschen, Thomas vraagt al gedurig om gebakken visch, en ik
+weet, dat moeder het gezouten vleesch hartelijk moe is en &rsquo;t ook
+voor Caroline niet gezond vindt. Zij was recht blij, toen gij haar
+eergisteren die kokosnoten bracht.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Goed, goed, mijn jongen. Ik zal morgenavond een stukje kaars
+opzoeken en twee hengelsnoeren voor ons klaarmaken. Maar ik moet bij u
+wezen, vriend Willem. In allen gevallen hebben wij hier niet veel licht
+noodig.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, wij zijn al blij, dat wij eindelijk te bed komen. Daar
+in de bocht staan nog twee of drie kisten met kaarsen, maar hoe moeten
+wij het maken, als die voorraad in &rsquo;t vervolg eens
+opraakt?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dan branden wij kokosnotenolie en daar zal het ons nooit aan
+ontbreken. En nu goeden nacht, mijn jongen.&rdquo;</p>
+<p>Den volgenden ochtend nog v&oacute;&oacute;r het ontbijt waren alle
+handen bezig om de schildpadden in den vijver te brengen, die tegen den
+middag door Willem en Juno geheel voltooid werd. Ook mijnheer Wilson
+had tegen etenstijd eene genoegzame uitgestrektheid gronds ter
+bebouwing gereedgemaakt, en daar zijne vrouw Juno dien middag het
+linnengoed moest laten uitwasschen, <span class="pagenum">[<a id=
+"pb103" href="#pb103" name="pb103">103</a>]</span>kwam men overeen, dat
+Flink met Willem en zijn vader gezamenlijk naar den tuin zouden gaan en
+de aardappelen poten.</p>
+<p>De oude man werkte met de spade, terwijl vader en zoon de
+aardappelen in stukken sneden, zoodat op ieder stuk een oog kwam.
+Terwijl zij op deze wijze bezig waren zeide Willem tot zijn vader in
+den loop van het gesprek onder andere:</p>
+<p>&bdquo;Vader, gij beloofdet mij, den dag nadat wij de Kaap de Goede
+Hoop verlieten, dat gij mij verklaren woudt, waarom deze zoo genoemd
+wordt en dat ik daarbij ook iets over de koloni&euml;n in het algemeen
+hooren zou. Wilt gij nu misschien zoo goed zijn?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Recht gaarne, beste jongen; maar gij moet wel opletten, en
+als gij mij niet goed begrijpt, verzuim dan niet, mij dat terstond te
+zeggen, opdat ik het u duidelijker trachte te verklaren. Gij hebt wel
+meer hooren zeggen, dat de Engelschen tegenwoordig de meesters van de
+zee zijn, en dat is werkelijk zoo, ofschoon dat in alle tijden niet het
+geval is geweest. De vroegste zeevaarders onder de nieuwere volken
+waren de Spanjaarden en Portugeezen. Door de Spanjaarden werd
+Zuid-Amerika, door de Portugeezen werden de Oost-Indi&euml;n ontdekt.
+Destijds, het is nu meer dan driehonderd jaren geleden, was Engeland
+niet de machtige staat, die het thans is en had vergelijkenderwijze
+slechts weinig schepen, ook konden de Engelschen, wat ondernemingsgeest
+betreft, bij de toenmalige Spanjaarden en Portugeezen niet halen. De
+laatsten zochten een weg naar Oost-Indi&euml; te vinden en deden
+daarbij de Kaap de Goede Hoop aan. In die dagen echter waren de
+schepen, in vergelijking met de tegenwoordige, slechts zeer klein te
+noemen en op de hoogte van deze kaap stormde het zoo geweldig, dat zij
+die niet durfden omzeilen en haar daarom den naam van Stormkaap gaven.
+Ten laatste gelukte het hun nochtans om de kaap heen te komen en van
+toen af noemden zij deze Coba da Buona Speranza of Kaap de Goede Hoop.
+Zij bereikten gelukkig het lang gewenschte Indi&euml;, veroverden daar
+verscheidene gewichtige punten en grondvestten een handel, die voor hun
+land een bron van grooten rijkdom werd, Gij begrijpt mij toch,
+Willem?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja vader.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Welnu, weet gij, de mensch is aanvankelijk kind, rijpt
+allengs tot man, bereikt als zoodanig het toppunt zijner kracht, neemt
+weder af, wordt oud en sterft; en gelijk dit met elken mensch in het
+bijzonder het geval is, heeft het ook met geheele volkeren plaats. Het
+Portugeesche volk was toenmaals in zijn mannelijke kracht, maar andere
+nati&euml;n kwamen en groeiden nevens Portugal op, onder anderen de
+Hollanders, die den Portugeezen het eerst <span class="pagenum">[<a id=
+"pb104" href="#pb104" name="pb104">104</a>]</span>den handel op
+Indi&euml; betwistten. Dezen ontrukten hun eindelijk ook de eene
+kolonie na de andere en namen den geheelen handel voor zich in beslag.
+Thans eerst braken de Engelschen zich baan, veroverden zoowel de
+Hollandsche als de Portugeesche koloni&euml;n en handhaafden zich
+sedert grootendeels in haar bezit. Portugal, dat eens door het
+moedigste volk der wereld bewoond was, is thans geheel in het niet
+teruggezonken. Ook de Hollanders hebben veel van hun vroeger zoo
+machtigen invloed verloren, terwijl de zon, gelijk men te recht zegt,
+in het Britsche rijk nimmer ondergaat: want daar zijne koloni&euml;n op
+alle punten der aarde verstrooid zijn, moeten voortdurend eenige
+daarvan door de zon beschenen worden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat alles, beste vader, begrijp ik zeer goed; maar zeg mij nu
+eens, waarom streeft Engeland en elk ander volk zoo ijverig naar het
+bezit der zoogenaamde koloni&euml;n?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Omdat deze op de welvaart van het moederland een
+onberekenbaren invloed uitoefenen. Zoolang zij nog in hare kindsheid
+zijn, veroorzaken zij aan dat moederland doorgaans veel onkosten en
+uitgaven, maar breiden zij zich uit en worden zij sterker, dan zijn zij
+ook al spoedig in staat, om die vroegere schuld af te doen, door hare
+eigene voortbrengselen voor die der nijverheid van het moederland in
+betaling te geven. Deze ruilhandel is voor beide kanten voordeelig. Het
+moederland trekt er echter de meeste winst van, daar dit zichzelf het
+recht voorbehoudt om de koloni&euml;n van al wat zij noodig hebben te
+voorzien en daardoor aan zijne eigene bevolking eene markt tot vertier
+openstelt, waarop geene vreemde mededinging te duchten is. De
+betrekking tusschen beiden kan niet beter vergeleken worden, dan met
+die tusschen ouders en kind. Gedurende hare kindsheid wordt de kolonie
+door het moederland als een kind opgevoed en onderhouden. Naarmate zij
+in bloei en kracht toeneemt, wordt echter ook hare verplichting
+grooter, om het geleende met interest terug te geven. En hiermede houdt
+de vergelijking nog niet op. Zoodra de kolonie sterk genoeg geworden is
+om voor zich zelve te zorgen, werpt zij het juk der overheersching af
+en verklaart zich onafhankelijk, evenals de zoon, die tot man
+opgegroeid, zijns vaders huis verlaat om zijne eigene zaken te beginnen
+en zijn eigen kost te verdienen. Dit wordt even zeker het geval, als
+het zeker is dat de vogel, zoodra hij goed vliegen kan, het ouderlijke
+nest verlaat en op eigen wieken gaat drijven. Wij hebben daar een
+sprekend voorbeeld van in de Vereenigde Staten van Noord-Amerika, die
+v&oacute;&oacute;r vijftig jaren nog <span class="corr" id="xd21e2516"
+title="Bron: kolonien">koloni&euml;n</span> van Groot-Brittanje waren,
+maar nu reeds zelve een der machtigste onafhankelijke nati&euml;n der
+wereld zijn.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb105" href="#pb105"
+name="pb105">105</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Maar vader, is het niet vreeselijk ondankbaar van eene
+kolonie, wanneer zij zoo van het moederland, dat haar zoo lang
+beschermde afvalt, zoodra zij de bescherming niet meer noodig
+heeft?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat schijnt in den beginne werkelijk zoo, Willem; doch als
+wij de zaak van meer nabij beschouwen, zal ons oordeel denkelijk anders
+uitvallen. Het moederland heeft gedurende het lange tijdsverloop, dat
+de kolonie noodig had om tot haar staat van onafhankelijkheid te
+geraken, volkomen gelegenheid gehad, om zich voor alles, wat het
+vroeger voor dezen deed, genoegzaam schadeloos te stellen, en na
+verloop van tijd worden de rechten, die het moederland zich aanmatigt,
+voor de koloni&euml;n ook werkelijk al te drukkend. Gij weet, men mag
+een volwassen mensch niet op dezelfde wijze behandelen als een
+kind.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Nu, vader, heb ik nog eene andere vraag te doen. Gij zeidet,
+dat de volken rijzen en dalen, en hebt daarbij de Portugeezen tot
+voorbeeld aangevoerd. Zal Engeland, dat nu zoo groot is, ooit vallen en
+even onbeduidend worden, als Portugal tegenwoordig?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Die vraag kunnen wij alleen beantwoorden door op de
+geschiedenis te zien, en deze leert ons, dat dit het lot van alle
+volken is. Dus moeten wij verwachten, dat een dergelijk lot ook
+Engeland eens treffen zal. Tegenwoordig zien wij daar nog geen schijn
+van, evenmin als wij van de verborgen kiem des doods in ons eigen
+lichaam iets bespeuren; en toch komt de tijd, dat de mensch sterven
+moet, en evenzoo is het met de volken en landen gelegen. Denkt gij wel,
+dat de Portugeezen, in den tijd, toen zij zoo hoog stonden, ooit
+gedacht hebben, dat zij zoo laag, als zij nu staan, dalen zouden?
+Zouden zij het geloofd hebben, als men het hun voorspeld had? Ja, mijn
+beste jongen, ook de Engelsche natie zal mettertijd het lot ondergaan,
+dat alle andere volken v&oacute;&oacute;r haar heeft getroffen. Er zijn
+velerlei oorzaken, welk dien tijd verhaasten kunnen of langer doen
+uitblijven, maar vroeger of later zal Engeland ophouden de koningin der
+zee te zijn en zijne koloni&euml;n niet langer over alle werelddeelen
+uitstrekken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik hoop evenwel, dat die tijd nog veraf zal zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat hoopt ook ieder echt Engelschman, die zijn vaderland
+waarachtig lief heeft. Herinner u, dat, toen het Romeinsche rijk zijne
+grootste hoogte bereikt had, Groot-Britanje maar enkel door wilden en
+barbaren bewoond was. Het Romeinsche rijk is thans verdwenen en leeft
+alleen nog in de geschiedenis en in de overblijfsels van vroegere
+grootheid, terwijl Engeland zich rangschikt onder de machtigste volken.
+Hoe is het grootste gedeelte van het vasteland van Afrika bevolkt? Met
+negers en barbaren; <span class="pagenum">[<a id="pb106" href="#pb106"
+name="pb106">106</a>]</span>maar wie weet, wat nog in vervolg van tijd
+uit dezen worden kan?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat! zouden die negers ooit een beschaafd volk
+worden?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Op dezelfde wijze hadden ook de Romeinen in vroeger dagen
+kunnen vragen: Hoe! zouden die Britsche barbaren ooit een machtig en
+beschaafd volk worden?<a id="xd21e2539" name="xd21e2539"></a> En gij
+ziet toch, dat zij het werkelijk geworden zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar de negers, vader,&mdash;die zijn immers
+zwart!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat zijn zij; maar wat doet dat ertoe? Wat de donkere kleur
+der huid aangaat, is de meerderheid der Mooren bijna even zwart als de
+negers en toch waren die eens een groote natie en daarbij nog het meest
+verlichte volk van hun tijd, dat zich door allerlei schoone
+hoedanigheden, door adel, grootmoedigheid, door fijnheid van vormen en
+ridderlijken zin onderscheidde. Zij veroverden het grootste gedeelte
+van Spanje en handhaafden zich eeuwen in het bezit daarvan, verbreidden
+er daar toen nog onbekende kunsten en wetenschappen, en betoonden zich
+even dapper en heldhaftig, als zij edel en deugdzaam waren. Hebt gij de
+geschiedenis der Mooren in Spanje nooit gelezen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, vader; maar ik zou ze zeer graag leeren
+kennen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik ben zeker, dat gij haar dan lief krijgen zoudt. Het is
+eene geschiedenis vol avonturen en afwisselende gebeurtenissen, zooals
+gij nog geen andere kent. Ik had haar onder de boeken, die ik voor
+Sidney had meegenomen, maar of ze gered zijn weet ik niet. We zullen
+later wel eens tijd vinden, om daarnaar te zien.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik meen, vader, dat twee kisten met boeken zijn
+aangespoeld.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, twee of drie; maar als ik &rsquo;t w&egrave;l heb, had ik
+er in het geheel vijftien of zestien.&mdash;Ziezoo, wij hebben de
+aardappelen nu in stukken gesneden en zullen Flink helpen, om ze met de
+meegebrachte zaden in den grond te brengen.&rdquo;</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch28" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">ACHT-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">DE VISCHVANGST.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Dien avond bleef Flink nog een paar uren bij
+kaarslicht op, waarbij Willem hem gezelschap hield, en besteedde zijn
+tijd om de vischsnoeren klaar te maken en van lood en haken te
+voorzien. Eindelijk had hij er twee gereed.</p>
+<p>&bdquo;Wat moeten wij tot aas nemen, Flink?&rdquo; <span class=
+"pagenum">[<a id="pb107" href="#pb107" name="pb107">107</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Wel liefst een van de schaaldieren, die in menigte op het
+strand liggen, ofschoon een stuk spek ons, denk ik, evengoed dienen
+kan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En waar ergens zullen wij visschen, Flink?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;De beste plaats zal wel ginds, ver aan &rsquo;t uiterste van
+de landpunt zijn, waar ik met de boot door de klippen kom. Het water is
+daar diep tot aan de rotsen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik heb al eens gedacht, Flink, of die klipganzen en
+fregatvogels ook goed om te eten zouden zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Niet heel best, vriend Willem. Zij zijn taai en hebben een
+sterken vischsmaak. Alleen in &rsquo;t geval, dat wij niets beters
+krijgen kunnen, willen wij er eens de proef van nemen. Nu wij het zaad
+en de aardappelen in den grond hebben, moeten wij van morgen af met
+alle macht aan &rsquo;t vellen en aanvoeren van boomstammen gaan. Uw
+vader en ik zullen, dunkt mij, het vlugst met de bijl kunnen omgaan, en
+gij kunt dan met Juno de stammen op onze kar laden en ze naar de plek
+brengen, waar ons huis zal staan. Maar &rsquo;t is al laat, en wij
+zullen &rsquo;t best doen nu naar bed te gaan.&rdquo;</p>
+<p>Onze Willem had echter in stilte een ander plan gemaakt. Hij wist,
+dat hij zijne moeder met wat visch zeer verblijden kon, en dus besloot
+hij bij den helderen maneschijn eens te beproeven, of hij, voordat hij
+slapen ging, nog niet een zootje vangen kon. Daartoe wachtte hij
+bedaard den tijd af, dat Flink even vast als de anderen in rust was.
+Toen sloop hij voetje voor voetje met zijn vischtuig weg en liep naar
+het strand, waar hij drie of vier schelpen opzocht en tusschen twee
+steenen openbrak, om de diertjes er uit als aas aan zijn haak te
+steken. Hierop ging hij eerst naar het hem aangewezen punt. &rsquo;t
+Was een heerlijke nacht; het water was glad als een spiegel en de
+stralen der maan drongen tot bijna op den grond er van door. Willem
+wierp zijn snoer uit, en zoodra het lood den grond geraakt had, trok
+hij het omtrent een voet in de hoogte, gelijk hem door den ouden
+stuurman gewezen was. Geen halve minuut was zijne lijn nog in het
+water, of daar werd zoo sterk aan getrokken, dat hij, op zoo&rsquo;n
+ruk niet bedacht, bijna het evenwicht had verloren en hals over kop in
+het water was gebuiteld. De visch moest groot en sterk zijn, want de
+lijn slipte hem door de hand en sneed hem in den vinger. Na een poosje
+kreeg hij die echter weer goed vast, trok ze naar zich toe en een
+groote visch met zilveren schubben, van althans negen of tien pond
+zwaar, was zijn eerste vangst. Zoodra hij zijn buit zoover op het land
+had, dat die niet meer in het water kon springen, maakte Willem den
+visch van den hengel los en besloot nog eenmaal zijn geluk te
+beproeven. Zijne lijn was ditmaal niet langer dan de eerste maal
+<span class="pagenum">[<a id="pb108" href="#pb108" name=
+"pb108">108</a>]</span>in het water, toen er weer met geweld aan
+getrokken werd; doch nu was de knaap daarop bedacht, vierde de lijn en
+liet den visch daaraan spartelen, tot hij moe werd; waarop hij hem
+zonder veel moeite optrok en met blijdschap ontdekte, dat deze nog
+zwaarder dan de vorige was. Met zijne vangst tevreden, wond hij de lijn
+weder op, stak een touw door de kieuwen der visschen en sleepte ze zoo
+naar de tenten, waar hij ze aan de tentstang ophing, opdat de honden er
+niet bij zouden komen. Een kwartier later lag hij gerust in slaap. Den
+volgenden morgen was Willem ook weer de eerste, die opstond en met luid
+gejuich zijn buit vertoonde; maar de oude Flink schudde daarover tegen
+verwachting verdrietig het hoofd.</p>
+<p>&bdquo;Gij hebt zeer verkeerd gedaan, Willem,&rdquo; zeide hij,
+&bdquo;met u buiten mijn weten aan een zoo groot gevaar bloot te
+stellen. Als gij besloten hadt uit visschen te gaan, waarom hebt ge mij
+daar dan niet iets van gezegd? Ik zou dan meegegaan zijn. Gij zegt
+zelf, dat de visch u bijna in &rsquo;t water had getrokken. Verbeeld u
+nu eens, dat dat werkelijk gebeurd was; dan waart gij verloren geweest,
+want de rotsen zijn zoo hoog en steil, dat gij er niet uit hadt kunnen
+klauteren, voordat een haai u gepakt had. Stel u nu maar een oogenblik
+het verdriet voor, dat gij uw vader en allen, die u zoo liefhebben,
+veroorzaakt zoudt hebben. Verbeeld u de droefheid en de vertwijfeling
+uwer arme moeder, als ze dat bericht ontving en gij niet meer te vinden
+of te zien geweest waart.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik begrijp &rsquo;t nu wel, ik deed heel verkeerd, Flink;
+maar ik wilde mijne goede moeder zoo graag eens verrassen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is reden genoeg voor ons om u uwe onbedachtzaamheid te
+vergeven; maar doe het toch niet weer. Geloof mij, ik ben altijd bereid
+en gewillig om overal met u mee te gaan. En nu geen woord meer van de
+zaak. Niemand moet vernemen, in welk gevaar ge verkeerd hebt, want nu
+is alles toch gelukkig voorbij. En gij zelf, mijn jongen, moet het een
+oud man ook niet kwalijk nemen, dat hij u eens een beetje hard
+beknort.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, waarlijk, Flink, dat komt niet in mijn hart op, want ik
+weet immers, dat ik onberaden gehandeld heb; maar ik dacht volstrekt
+niet dat er eenig gevaar aan verbonden was.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Daar komt uwe moeder uit hare tent,&rdquo; zeide Flink.
+&bdquo;Goeden morgen mevrouw! Wel gerust? Nu zult ge niet raden, wat
+Willem van nacht voor u gedaan heeft. Kijk hier, daar hangen twee bazen
+van visschen, waaraan wij heerlijk smullen zullen&mdash;dat verzeker ik
+u.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O, daar ben ik recht blij mee!&rdquo; riep mevrouw Wilson.
+&bdquo;Thomas, kom toch gauw eens hier! Hebt ge wel zin in gebakken
+visch?&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb109" href="#pb109" name=
+"pb109">109</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;O, die lust ik zoo graag!&rdquo; zei Thomas.</p>
+<p>&bdquo;Kijk dan eens daar aan den tentstaak.&rdquo;</p>
+<p>Sinjeur Thomas klapte in den handen, danste als een dolleman in het
+rond en hield niet op te roepen: &bdquo;We eten gebakken visch van
+middag,&mdash;Caroline, gebakken visch! Gebakken visch, zooveel we maar
+lusten.&rdquo;</p>
+<p>Na het ontbijt trokken allen naar het bosch, waar Flink de boomen
+gekapt had, en namen onderstel en raderen en een paar stevige touwen
+mede. De beide mannen velden de boomen en bonden ze aan de kar vast,
+die toen door Juno en Willem naar de plaats werd getrokken, waar het
+huis zou worden gebouwd.</p>
+<p>Niemand keek zuur, toen zij tot den maaltijd geroepen werden, want
+allen hadden een zwaar en vermoeiend werk gehad. Alleen Thomas had,
+behalve tot allerlei kattekwaad, geen hand of vinger uitgestoken, maar
+was toch aan tafel zoo gulzig, dat zijne moeder ten laatste zei:
+&bdquo;Neen, jongenlief; men bindt een zak wel eens toe, al is hij nog
+niet vol. De kat zal nu met uw leege maag niet wegloopen, en ziek eten
+moogt ge u hier niet.&rdquo;</p>
+<p>In den nacht, die hierop volgde, stapten Flink en Willem, hoe
+doodmoe zij ook waren, naar het strand en vingen nog acht schildpadden.
+Het verdere gedeelte van de week gingen zij voort met het omkappen en
+vervoeren van kokosboomen, totdat zij eindelijk genoeg meenden te
+hebben, om met het bouwen van het nieuwe huis te beginnen. De Zondag
+werd weder in rust doorgebracht, &rsquo;s Maandagsnachts vingen zij
+weder negen schildpadden en drie zware visschen en &rsquo;s morgens
+daarop sloeg men de eerste hand aan het zetten van de nieuwe
+woning.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch29" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">NEGEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">HET NIEUWE HUIS.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Flink had reeds in voorraad de benoodigde deurposten
+en vensterkozijnen saamgesteld uit het timmerhout, dat van het wrak in
+de bocht was aangespoeld. Nu heide hij dan vier palen, in elken hoek
+een, in den grond en maakte, met hulp van mijnheer Wilson, in elken
+kokosstam boven en beneden eene insnede voor eene tweeden en derden
+stam, die daarmede aan weerszijden overkruis kwam te liggen. De stammen
+werden dan om <span class="pagenum">[<a id="pb110" href="#pb110" name=
+"pb110">110</a>]</span>den ander op elkaar gelegd, zoodat zij goed vast
+sloten, en men had de reten nu nog slechts met kokosbladeren aan te
+vullen, die dicht opeengeperst tusschen de balken werden ingeschoven.
+Dit laatste werk werd aan Willem en Juno opgedragen, en zoo rees het
+nieuwe huis langzamerhand van den grond omhoog. De haard en de
+schoorsteen konden niet te gelijk met de muren worden opgebouwd, want
+daartoe had men of leem te vinden of schelpen tot kalk te branden, om
+ze daarmee en met steenen op te trekken; doch de plaats werd er voor
+opengelaten. Drie weken achtereen arbeidden zij op deze wijze duchtig
+door. Toen de vier muren eens stonden, begon men met het dak en de
+bekleeding daarvan, welke laatste door middel van kokosbladen
+geschiedde, die, in bossen gebonden, door Flink op de wijze van een
+rieten dak saamgevoegd en met stevige prikken aan de balken vastgemaakt
+werden. Tegen het einde der derde week was de woning in zooverre
+gereed, dat zij toereikende beschutting tegen het weder verleende. Dat
+werd nu ook werkelijk hoog tijd, want het weder was allengs anders
+geworden; er begonnen zich wolken saam te pakken en de regentijd nam
+een begin. Na eenige regenvlagen helderde de hemel nog eens weder
+op.</p>
+<p>&bdquo;Nu hebben wij geen tijd meer te verliezen,&rdquo; zeide Flink
+tot mijnheer Wilson. &bdquo;Wij hebben hard gewerkt, <span class="corr"
+id="xd21e2614" title="Bron: moet">maar</span> moeten nu een paar dagen
+nog harder werken. Het binnenste van ons huis dient klaargemaakt te
+worden, zoodat mevrouw er zoo spoedig mogelijk intrekken
+kan.&rdquo;</p>
+<p>De aarde binnen in het huis werd vastgestampt, zoodat men een
+behoorlijken vloer kreeg. Aan weerszijden langs de wanden van het
+gebouw liep eene rij van bedsteden, twee voet hoog boven den grond en
+met katoenen gordijnen, die men &rsquo;s nachts neerlaten kon. Daarna
+deden Flink en Willem nog een laatste reisje naar de bocht, om tafels
+en stoelen te halen, en zij kwamen terug, juist voordat de eerste storm
+van het jaargetijde losbrak. Het beddegoed en al wat men meer noodig
+had, werd nu in het huis gebracht, en bij &rsquo;t grootere zette men
+nog een ander huisje, waar men koken kon, totdat haard en schoorsteen
+gereed zouden zijn.</p>
+<p>Op een laten Zaterdagavond hield de familie eindelijk haar intocht
+in het nieuwe huis, en dat juist van pas, want het zou leelijk gegaan
+zijn, als het toen niet had kunnen gebeuren. &rsquo;s Zondagsmorgens
+toch brak de eerste storm al los. De wind bulderde met geweld en een
+geluk was het voor onze vrienden, dat zij onder dak waren, want de
+windvlagen werden zoo geweldig, dat de kokosboomen zweepten, kraakten
+en de kruinen bogen, alsof zij dunne rietstaven waren. De bliksem
+kronkelde door de lucht, de eene donderslag volgde den anderen, terwijl
+het water in stroomen uit de lucht <span class="pagenum">[<a id="pb111"
+href="#pb111" name="pb111">111</a>]</span>viel en een tweede zondvloed
+in aantocht scheen. Het vee liep van de weide af en zocht eene
+schuilplaats onder het dichte geboomte; de honden kropen onder de
+bedsteden, en ofschoon het pas middag was, werd het toch zoo donker,
+dat men, om iets te zien, de lichten moest aansteken. &bdquo;Daar
+hebben we dus nu den regentijd, waarvan ge ons zooveel verteld hebt,
+Flink,&rdquo; zeide mevrouw Wilson. &bdquo;Blijft dat weer lang zoo?
+Wat moeten we nu doen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, mevrouw, zoo voortduren zal het niet. Tusschenbeide zal
+ook de zon schijnen, maar niet lang. Wij zullen dagelijks wel nu en dan
+eens uit kunnen gaan, maar &rsquo;t kan ook vele dagen zonder ophouden
+regenen, en dan moeten we in huis arbeiden. Ik durf wel zeggen, dat het
+ons nooit aan werk zal ontbreken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wij mogen wel blij zijn, dat wij een dak hebben, waaronder
+wij ons hoofd veilig kunnen neerleggen. In de tenten zou het niet uit
+te houden geweest zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat wist ik wel, mevrouw, en daarom juist had ik geen rust,
+voordat het huis gereed was.&rdquo;</p>
+<p>Hoe hevig de regen ook tegen de muren aansloeg, kon hij toch niet
+door het dak dringen. Flink en Willem gingen naar buiten, om de boot op
+eene plaats te brengen, waar zij niet door den storm kon beschadigd
+worden, en kwamen tot op het hemd toe nat terug. Zij moesten zich thans
+weer met koude spijzen behelpen, maar waren toch gelukkig. De storm
+woedde den ganschen nacht onafgebroken voort; doch zij sliepen gerust
+en droog, en toen zij tegen den morgen door het rollen van den donder
+en de kletterende regenvlagen gewekt werden, waren zij dankbaar, dat
+zij op dit woeste eiland zulk een veilige woonstede gevonden
+hadden.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch30" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">DERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">PLAN VOOR DE TOEKOMST.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Toen zij den tweeden morgen opstonden, was de lucht
+echter weer opgeklaard en scheen de zon vriendelijk en helder. Flink en
+Juno waren de eersten buiten de deur,&mdash;Flink met zijn kijker onder
+den arm, dien hij alleen meenam, als hij des morgens zijn ronde deed,
+zooals hij dat noemde.</p>
+<p>&bdquo;Wel, Juno,&rdquo; zeide Flink, &bdquo;dat is een heerlijke
+morgen na al dat onweer.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb112"
+href="#pb112" name="pb112">112</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Ja, massa Flink, heele mooie morgen, maar hoe ikke vuur aan
+krijg en maak water kook voor dat ontbijt? Warempel, ikke niet weet,
+want sprik en rijs alleboel klesnat.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat geloof ik wel, meid; maar voordat ik gisteren ging
+slapen, dekte ik de kolen met asch toe, lei daar eenige steenen op en
+toen nog een laag van takken en bladeren, zoodat ge, denk ik, nog wel
+wat vuur vinden zult. Ge ziet, Juno; we moeten ons behelpen. We kunnen
+niet alle dingen te gelijk doen; maar toekomende jaar, bij leven en
+welzijn, zullen we een goeden stapel brandhout, met een dak er over,
+tegen den regentijd gereed hebben, zoodat we niet weer verlegen staan.
+Ik wou mijn morgenronde gaan doen, maar wil nu nog wat blijven en u een
+handje helpen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Als &rsquo;t je blief, massa Flink; veel, ijselijke boel
+regen gevallen van nacht.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, Juno, niet weinig. Ge moet ook niet denken, dat het water
+uit de wel van morgen heel helder zal wezen, &rsquo;t Is zelfs wel
+mogelijk, dat ge van de bron in het geheel niets ziet.&mdash;Daar is
+toch nog wat hout, dat niet doornat is.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O, ikke al hebben vuur zatter,&rdquo; riep Juno, die de
+takken en steenen had weggeruimd en nu op hare knie&euml;n lag, om de
+kolen aan te blazen.</p>
+<p>&bdquo;Nu zult ge u dus wel kunnen redden, Juno,&rdquo; zei Flink;
+&bdquo;bovendien zal onze jongeheer Willem wel dadelijk hier zijn,
+zoodat ik kan opstappen.&rdquo;</p>
+<p>De oude man floot de honden, die vroolijk kwamen aanspringen, en
+begon toen zijne morgenwandeling. Hij begaf zich eerst naar de bron in
+de kloof, maar in plaats van de borrelende wel en het kristalheldere
+water, dat anders over de boorden der ton heenstroomde, vond hij een
+drabbige, slijkerige beek, die klotsend van de hoogte neerstortte en
+maakte, dat van de bron in het geheel niets te zien was.</p>
+<p>Flink waadde door den stroom, want hij wilde naar den
+schildpadvijver gaan zien, die nog verderop was gelegen. Hier was alles
+in orde, en nu plaste hij nog eenmaal door het water, dat den zandigen
+oever geheel overstroomd had, totdat hij aan de landtong kwam, waar
+zijne boot geborgen lag. Hij had haar te dien einde achter en voor met
+een stevig touw vastgebonden en een zwaren steen als anker daaraan
+gehangen.</p>
+<p>Van dit punt zag hij als gewoonlijk met zijn kijker uit,&mdash;niet
+omdat hij op de waarschijnlijkheid rekende, dat een schip tusschen deze
+eilanden en klippen verdwalen zou, maar toch, daar die mogelijkheid
+bestond, nam hij doorgaans deze moeite, ofschoon nooit als mijnheer
+Wilson bij hem was, daar hij wel bemerkte, dat deze daardoor bedroefd
+en somber gestemd werd. Als gewoonlijk nam hij ook ditmaal, na gedaan
+onderzoek, zijn <span class="pagenum">[<a id="pb113" href="#pb113"
+name="pb113">113</a>]</span>kijker weer onder den arm en zuchtte:
+&bdquo;Dat helpt immers toch niet.&rdquo;</p>
+<p>Daar de storm van land af had geblazen, bevond hij nu, dat de boot
+zoover was afgedreven, dat hij haar niet meer bereiken kon.</p>
+<p>&bdquo;Dat is wat moois!&rdquo; dacht hij. &bdquo;Hoe kon ik zoo dom
+zijn van dat ding niet aan een touw vast te sjorren? Er naar toe
+zwemmen en een maaltijd voor Jantje Haai worden, wil ik ook niet. Maar
+wacht,&mdash;laat eens zien!&rdquo; Met deze woorden haalde hij de
+lijnen en strengen, die tot de takelage van het scheepje behoorden en
+die hij ergens op een droge plek aan de kust geborgen had en knoopte ze
+aan elkander. Vervolgens bond hij een stuk hout van twee voet lengte
+ongeveer op &rsquo;t midden aan de lijn vast. Dit zocht hij nu door
+middel van het touw in de boot te slingeren en na eenige vergeefsche
+pogingen gelukte hem dit. Het hout raakte onder tusschen de ribben van
+de boot vast en zoo werd het mogelijk, de boot behoedzaam aan land te
+trekken. Nadat hij het water had uitgeloosd, dat zij gedurende den
+storm had ingekregen, verliet hij het strand en ging een bezoek aan den
+tuin brengen.</p>
+<p>&bdquo;Nu moet ik onze schapen en geiten nog opzoeken,&rdquo; zeide
+Flink, &bdquo;en dan is mijne morgenwandeling gedaan.&mdash;Kom,
+Romulus! Kom Remus! Waar zijt gij, jongens?&rdquo;</p>
+<p>De honden schenen te merken wat hij wilde en liepen al snuffelend
+vooruit. Spoedig hadden zij de schapen en twee der geiten dan ook
+opgespoord; maar de derde was nergens te zien.</p>
+<p>&bdquo;Wel, waar kan onze zwarte Nanni dan toch zitten?&rdquo;
+mompelde de oude man, die onderwijl een poosje had uitgerust. Eindelijk
+hoorde hij onder het dichte kreupelhout een geblaat, waarop hij
+dadelijk afging, terwijl de honden hem volgden.</p>
+<p>&bdquo;Dat dacht ik al half,&rdquo; riep hij, toen hij Nanni met
+twee pas geboren jongen bij haar onder de struiken vond liggen.
+&bdquo;Komt, kleine beestjes, we moeten een betere plaats voor u
+vinden,&rdquo; zeide hij en nam op iederen arm een. &bdquo;Koest,
+Romulus, koest dan!&rdquo; dreigde hij den hond, die naar de diertjes
+opsprong. &bdquo;Wat zijn dat voor kuren? Koest!&mdash;Ha ha, daar ligt
+ge al en hebt nu uw verdiend loon.&rdquo;</p>
+<p>En zoo was het ook; want Nanni, die niet dulden wou, dat de hond
+hare jongen te na kwam, was op hem toegesprongen en had hem zoo
+gestooten, dat hij hals over kop op den grond buitelde.</p>
+<p>Met de geitjes op den arm wandelde Flink nu naar huis terug en werd
+door de moeder op den voet gevolgd. Hij vond mijnheer en mevrouw Wilson
+en al de kinderen reeds aangekleed. Caroline en Thomas juichten van
+blijdschap, <span class="pagenum">[<a id="pb114" href="#pb114" name=
+"pb114">114</a>]</span>toen zij de jonge geitjes zagen, en zelfs de
+kleine Albert kraaide het uit. Zoodra Flink ze op den grond legde,
+hadden ook Thomas en Caroline al spoedig een van de aardige diertjes op
+den arm.</p>
+<p>&bdquo;Ik heb een aanwas voor de familie meegebracht,
+mevrouw,&rdquo; zeide Flink, &bdquo;en moet u wel verzoeken, de
+kleintjes in huis te dulden, totdat ik eene andere geschikter plaats
+voor hen vinden kan. Dat is echter maar een begin; ik verwacht, dat wij
+spoedig meer zullen hebben.&rdquo;</p>
+<p>Zoodra men de kleinen bewegen kon, de geitjes over te geven, werd
+Nanni in een hok vastgebonden, waar ze zeer tevreden scheen en hare
+kleinen zoogde en likte. Juno en Willem brachten het ontbijt binnen, en
+na den afloop daarvan zeide mijnheer Wilson:</p>
+<p>&bdquo;Nu Flink, dienden we wel eens raad te houden, om aan ieder
+van ons zijne bijzondere werkzaamheden en verrichtingen gedurende den
+regentijd aan te wijzen. Wij hebben zeer veel te doen en kunnen geen
+leegloopers zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja mijnheer, wij hebben zeer veel te doen, en om met alles
+klaar te komen, moeten wij met orde en naar een geregeld plan te werk
+gaan. Ik ben al oud genoeg om te weten, hoeveel tijd men door een
+regelmatige verdeeling zijner uren winnen kan. Zoo, bij voorbeeld,
+wordt op een goed bestuurd oorlogsschip veel meer gedaan, dan men op
+een koopvaardijschip in dubbel zooveel tijd uitvoert. En hoe dat zoo?
+Omdat ieder ding op zijne plaats en er eene bijzondere plaats voor
+ieder ding is. Heeft men dus iets noodig, dan behoeft men zijn tijd
+althans niet met zoeken te verliezen, daar ieder weet, waar hij het
+zijne halen moet. Bovendien weet ieder ook wat hij te doen heeft en dus
+kan er nooit verwarring ontstaan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik ben &rsquo;t volkomen met u eens, Flink,&rdquo; viel
+mevrouw Wilson hem in de rede; &bdquo;orde is de hoofdzaak. Terwijl een
+slordig meisje nog naar haar vingerhoed zoekt, heeft een ander, dat
+beter op hare zaken past, haar werk al lang af; en ik beloof u, zoodra
+de bergplanken en kastjes klaar zijn, zal ik zorgen, dat hier
+binnenshuis ieder ding op zijne plaats, en dat ook eene bijzondere
+plaats voor elk ding zal wezen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik vraag verschooning, mevrouw, als ik te veel praat; maar ik
+kan u verzekeren, dat ik nooit zou geweten hebben, hoeveel men met orde
+en stiptheid kan uitrichten, als ik niet aan boord van een oorlogsschip
+gediend had. Ik had al een langen tijd op koopvaardijschepen gevaren,
+waar altijd, zelfs als er niets te doen is, drukte en verwarring
+heerscht; maar hier vond ik, dat alles in stilte en geregeld werd
+afgedaan. Nooit had iemand een woord te spreken, dan alleen de
+officier, die juist den dienst had. Ieder man was <span class=
+"pagenum">[<a id="pb115" href="#pb115" name="pb115">115</a>]</span>op
+zijn post; ieder had een touw op te hijschen of er een te vieren. De
+bootsman floot, en in een ommezien was ieder zeil bijgezet of gereefd,
+al naar dat het gebeuren moest. In &rsquo;t begin scheen mij dat wel
+hekserij toe. En gij zult begrijpen, mijnheer Wilson, dat bij zooveel
+orde en tucht ieder man in &rsquo;t bijzonder van groot gewicht is,
+want de minste nalatigheid, waaraan &eacute;&eacute;n zich schuldig
+maakt, hindert ook dadelijk al de overigen in hun werk en doet alles
+verkeerd gaan. Daarbij kan de schuldige ook altijd verzekerd wezen, dat
+hij de verdiende straf niet ontgaat. Al had ik aan boord van dat
+oorlogsschip ook niet anders geleerd dan mijn tijd en mijne krachten op
+de beste wijze te gebruiken, dan had ik daarbij voor mijn volgend leven
+al genoeg gewonnen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Gij hebt volkomen gelijk, Flink, en gij moet ons nu leeren,
+evenzoo te arbeiden,&rdquo; antwoordde mijnheer Wilson.</p>
+<p>&bdquo;Wij hebben zooveel te doen, dat ik haast niet weet, waar te
+beginnen. Wij moeten werken, zoo goed en zooveel wij kunnen, totdat wij
+de dingen een weinig beter in orde hebben gebracht. Tot hiertoe hebben
+wij allen braaf ons best gedaan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat denkt gij, dat wij het eerst doen moeten,
+Flink?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wel, mijnheer, ons eerste werk dient te zijn, dat wij de boot
+wat hooger ophalen en zorgen, dat ze geen schade lijdt. Ik reken het
+vooreerst toch niet veilig naar de andere zij van het eiland te gaan,
+daar er op den duur te veel branding staat en &rsquo;t weer ook te
+onzeker is, om er voor een uur op te rekenen. Zoo zal het best zijn,
+dat wij de boot half in &rsquo;t zand begraven en ze dan daarmee geheel
+overdekken.</p>
+<p>&bdquo;Dat komt mij zeer goed voor. En wat volgt dan?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, ziet gij, de tenten mogen wij ook niet laten staan. We
+moeten ze opbreken en ze, als ze goed droog zijn, op eene geschikte
+plaats bewaren, daar ze in het vervolg nog goed te pas kunnen
+komen.&mdash;Dan, mijnheer, moeten we een ruim pakhuis voor
+levensmiddelen en verderen voorraad bouwen, met een rieten dak en met
+den vloer zoo wat vier voet boven den grond, zoodat onze schapen en
+geiten daaronder bij boos weer eene schuilplaats kunnen vinden. Daarmee
+kunnen wij schielijk klaar komen; wij hebben slechts drie kanten dicht
+te maken, en dat kost met kokosbladeren zooveel moeite niet. Later,
+mijnheer, valt er nog een vischvijver aan te leggen en eene zoutpan in
+de rotsen uit te houwen; doch dat doen wij eerst, als er geen
+dringender werk meer is.&mdash;Daarna komen nog twee gewichtige dingen.
+Vooreerst moeten wij al, wat wij nog aan de overzijde hebben, nazien,
+schriften en terechtleggen, zoodat wij het terstond na den regentijd
+<span class="pagenum">[<a id="pb116" href="#pb116" name=
+"pb116">116</a>]</span>hierheen kunnen halen. Het tweede is, dat wij
+een ontdekkingsreisje door het gansche eiland doen en onderzoeken, wat
+het al zoo voortbrengt; want tot hiertoe, mijnheer, weten wij daar nog
+bitter weinig van. Wij kunnen misschien nog veel vinden, dat ons van
+nut kan zijn; b. v. boomen en vruchten, en ik hoop ook wat meer gras en
+voeder voor ons vee, want gij begrijpt licht, mijnheer<span class=
+"corr" id="xd21e2709" title="Niet in bron">,</span> als dit zoo
+vermeerderen zal, dat we er wezenlijk nut van trekken, zullen wij hier
+geen voedsel genoeg voor de dieren hebben.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Al wat gij daar zegt, is volkomen waar, Flink,&rdquo;
+antwoordde mijnheer Wilson. &bdquo;En hoe zullen wij thans onze
+krachten verdeelen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Voorshands, mijnheer, zullen wij aan geen verdeeling denken.
+Juno heeft met mevrouw binnenshuis volop te doen. Onze Willem, gij en
+ik zullen eerst de boot in zekerheid brengen en de tenten en wat er nog
+zoo meer is, wegbergen. Dan beginnen wij met het pakhuis en haasten ons
+daarmee, zooveel wij kunnen. Heeft Juno soms eens wat tijd over, dan
+moet ze kokosbladeren opzamelen tot brand voor den haard. De kleine
+Thomas zal wel met haar meegaan en haar wijzen, hoe ze doen
+moet.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, ja, dat zal ik haar wel wijzen,&rdquo; zei Thomas en
+zette eene hooge borst.</p>
+<p>&bdquo;Nu aanstonds nog niet, jongeheer,&rdquo; hernam Flink;
+&bdquo;eerst als moeder u en Juno missen kan, dan moet gij het haar
+wijzen.&mdash;Kom, mijnheer,&rdquo; vervolgde hij, &bdquo;wij mogen
+thans de paar uren goed weer niet verzuimen, want voordat de dag ten
+einde is, krijgen wij zeker nog veel meer regen. Als ge &rsquo;t
+<span class="corr" id="xd21e2721" title="Bron: geod">goed</span> vindt,
+zal ik even de schoppen halen en maar naar de boot vooruitgaan, waar ik
+u wacht. Gij en Willem kunt eenige touwen meenemen, een stevigen bos
+kokostakken bij elkander binden, dien op de kar laden en daarmee dan
+naar het strand komen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;We zullen u niet laten wachten, Flink,&rdquo; antwoordde
+mijnheer Wilson.&mdash;&bdquo;Kom, Willem, kom!&rdquo;</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch31" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">EEN-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">FLINK VERHAALT ZIJNE LEVENSGESCHIEDENIS.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Daar men tot het bouwen van het huis zooveel
+kokosboomen geveld had, lagen er nog takken in overvloed in het rond
+verstrooid, en vader en zoon hadden er spoedig genoeg bij elkaar.</p>
+<p>Aan het strand gekomen, vonden zij dat Flink de boot reeds op het
+droge <span class="pagenum">[<a id="pb117" href="#pb117" name=
+"pb117">117</a>]</span>gehaald en er ook de rollen reeds ondergeschoven
+had, om ze later van de plaats te brengen. Met weinig moeite werd zij
+een el of tien hooger op het strand getrokken, totdat Flink verzekerde,
+dat de afstand volkomen toereikend was. Toen groeven zij met hunne
+schoppen zoo diep, dat het kleine vaartuig halverwege in het zand
+wegzonk. Daarop wierpen zij de uitgegraven aarde daarin, totdat de boot
+geheel vol was, bedekten die toen zorgvuldig met de meegebrachte takken
+en bezwaarden ook deze weder met zand, zoodat zij niet door den wind
+konden worden weggeblazen.</p>
+<p>&bdquo;Ik begrijp eigenlijk niet, waarom gij de boot zoo toedekt,
+Flink,&rdquo; merkte Willem aan. &bdquo;De regen zou haar immers geen
+kwaad doen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, de regen zou er weinig aan bederven, jonge vriend; maar
+wel de zon, als zij van tijd tot tijd eens weer voor den dag mocht
+komen. De zon heeft verbazend veel kracht en kon door haar gloed mijn
+arme boot licht geheel in stukken doen springen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O ja, daaraan had ik zoo gauw niet gedacht,&rdquo; antwoordde
+Willem. &bdquo;Wat dient er nu bij de hand gevat, Flink?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wel, daar we nog twee uren v&oacute;&oacute;r etenstijd
+hebben, zoudt gij de vischlijnen nog wel eens kunnen gaan halen, en dan
+zullen wij zien wat het geeft.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar wij kunnen toch niet alle drie met twee lijnen
+<span class="corr" id="xd21e2747" title=
+"Bron: vischen">visschen</span>?&rdquo; zeide mijnheer Wilson.</p>
+<p>&bdquo;Neen, mijnheer; maar daar uw zoon er al zeer handig mee is,
+moest gij, dunkt mij, hier bij hem blijven, terwijl ik Juno nog wat
+hout en prikken help inzamelen. De goede meid was dezen morgen
+doodverlegen, toen dit nog zoo nat was; maar is het eens opgestapeld,
+dan zal het spoedig drogen. Wees toch vooral voorzichtig, mijnheer
+Wilson, en houd de lijnen niet al te stijf vast, daar ge anders gevaar
+loopt zelf in &rsquo;t water te worden getrokken. Ik heb onzen Willem
+vroeger al gewaarschuwd; maar &rsquo;t zal toch goed zijn, dat ge een
+wakend oog op hem houdt, want hij is jong en wat driftig.&rdquo;</p>
+<p>Daar de oude man Willem met de lijnen juist tegenkwam, herinnerde
+hij hem nog eens met een paar woorden het gevaar, dat hij de laatste
+maal bij het visschen geloopen had, en ging toen zelf aan het werk, dat
+hij zich nog had voorgenomen te doen.</p>
+<p>Vader en zoon waren in hunne vangst zeer gelukkig. Voordat de twee
+uren om waren, hadden zij acht groote visschen gevangen, die zij aan
+den bootshaak hingen en zoo in triomf naar huis droegen. Sinjeur Thomas
+juichte overluid, toen hij den voorraad zag en wilde dat men terstond
+aan &rsquo;t koken en bakken zou gaan. Daar de vangst zoo overvloedig
+was, besloot men dan <span class="pagenum">[<a id="pb118" href="#pb118"
+name="pb118">118</a>]</span>ook werkelijk het eten uit te stellen,
+totdat een gedeelte van de visch was toebereid. Dit was een uitstel,
+waarover zich niemand rouwig betoonde, daar zij anders niets dan
+pekelvleesch tot middagkost gehad zouden hebben.</p>
+<p>Men had zich nauwelijks aan tafel gezet, of de regen kletterde op
+het dak neer en binnen een kwartier was de orkaan weer even geweldig en
+waren donder en bliksem even vreeselijk als den dag te voren. Al het
+werk buitendeurs was dus opeens weer gedaan. Mevrouw Wilson, Juno en
+Caroline namen haar naaiwerk, want er viel in overvloed te lappen en te
+stoppen, en Flink vond bezigheid voor de rest. Willem en zijn vader
+kregen een dik touw te pluizen, waarvan Flink dunner en bruikbaarder
+draden maken wilde. De oude man zelf vatte zijne naaipriemen op en
+boorde gaten in de venstergordijnen (die maar inderhaast waren
+opgehangen), zoodat men ze nu naar welgevallen open en dicht kon
+trekken. Ook Thomas kreeg een verward kluwen garen uiteen te haspelen,
+wat hij, het leegzitten in het eind toch moe, ook heel geduldig
+deed.</p>
+<p>Zoodra Flink de gordijnen in orde had, haalde hij een dik pak van
+onder de bedstede voor den dag en maakte dat open.</p>
+<p>&bdquo;Ik wil mevrouws slaapplaats nu wat opschikken,&rdquo; zei de
+goede man<span class="corr" id="xd21e2765" title="Bron: :">;</span>
+<span class="corr" id="xd21e2768" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>die dient toch wel wat mooier te wezen dan
+die van de anderen.&rdquo;</p>
+<p>Het pak bestond uit de geredde scheepsvlag, die rood van kleur was,
+en uit nog eene andere vierkante gele vlag, waarop de naam van het
+schip, &bdquo;De Vrede,&rdquo; in groote zwarte letters te lezen stond.
+Deze beide hing Flink in sierlijke kronkels voor de bedstede op, zoodat
+het eene heel aardige vertooning maakte en tevens de ruwe wanden van de
+hut geheel aan het oog onttrok.</p>
+<p>&bdquo;Waarlijk, vriend, ge maakt me bijna beschaamd,&rdquo; zei
+mevrouw Wilson, toen hij gedaan had. &bdquo;Het is bijna al te mooi
+voor deze plaats.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is toch het beste gebruik, dat we er hier van maken
+konden,&rdquo; zei Flink.</p>
+<p>&bdquo;Och ja, dat vrees ik ook,&rdquo; merkte mijnheer Wilson
+zuchtend aan.</p>
+<p>&bdquo;Flink,&rdquo; zei Willem, toen het licht op was, &bdquo;gij
+beloofdet mij eens half en half, dat ge mij uwe geschiedenis zoudt
+vertellen; ik wou wel, dat ge er ons nu iets van hooren liet, om ons
+zoodoende den avond te korten.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Welnu, vriend Willem, ik heb het beloofd en ik zal woord
+houden. Na &rsquo;t hooren van mijne historie zult ge zeggen, dat ik in
+mijn tijd heel dwaas en onverstandig gedaan heb; maar dat zal eene
+waarschuwing voor u wezen en kan in allen gevalle van eenig nut
+zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;We zullen u met groot genoegen aanhooren,&rdquo; verzekerde
+de moeder.</p>
+<p>&bdquo;Komaan, mevrouw, als gij dan maar luisteren wilt.&rdquo; Met
+deze woorden begon Flink zijne historie, gelijk hier volgt.
+<span class="pagenum">[<a id="pb119" href="#pb119" name=
+"pb119">119</a>]</span></p>
+<div id="xd21e2789" class="div2 section"><span class=
+"pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h3 class="main">GESCHIEDENIS VAN DEN OUDEN FLINK.</h3>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">&bdquo;Natuurlijk zult ge eerst verlangen te weten,
+wie mijne ouders waren. Nu, dat is gauw verteld. Mijn vader was
+kapitein van een kof, die van Londen op Hamburg voer; en mijne arme
+moeder, God zegene haar! was de dochter van een gepensionneerd
+luitenant te land, die een paar maanden na haar trouwen al kwam te
+sterven. Het weinige, dat de oude heer haar naliet, kwam bij hetgeen
+mijn vader al in de kof had, zoodat hem daar een derde van toekwam; de
+beide andere parten behoorden aan een rijken scheepsbouwmeester en
+reeder, met name Masterman. Met de profijten van zijn aandeel in het
+schip en het geld, dat hij als kapitein verdiende, kon mijn vader het
+tamelijk goed stellen. Mijnheer Masterman, die veel met mijn vader
+ophad en door vaders overleg en goed oppassen vrij wat geld verdiende,
+was er bij, toen vader trouwde; en na mijn geboorte, zoo wat een jaar
+daarna, stond hij als peet over mij. Iedereen begreep, dat dit een goed
+ding voor mij was, en men wenschte er vader en moeder geluk mee, want
+de oude heer Masterman was ongetrouwd en al bij de zestig jaren en had
+kind noch kraai in de wereld. De menschen wilden wel zeggen, dat hij
+wat heel sterk op geld gesteld was; maar dat was er, zeiden ze, niet
+minder om voor mij, want hij kon zijn geld toch onmogelijk in het graf
+meenemen.</p>
+<p>&bdquo;Gij zult zien, wat er op die gedachten van de menschen valt
+staat te maken, Willem; want een jaar na mijne geboorte verloor mijn
+vader zijn leven op zee, bij eene schipbreuk voor Texel, waar zijn
+schip met man en muis verging, en mijne moeder bleef weduwe met een
+kind pas van de borst, en ze was maar twee-en-twintig jaren oud, de
+arme vrouw.</p>
+<p>&bdquo;Daar &rsquo;t schip voor twee derden van de waarde was
+verzekerd geweest dacht men, dat mijne moeder nog genoeg zou krijgen,
+om van te leven: maar tot ieders verwondering kwam mijnheer Masterman
+op en zocht te bewijzen, dat alleen zijne twee derde aandeelen in het
+vaartuig verzekerd waren geweest.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar wat is dat, verzekering?&rdquo; vroeg Willem.</p>
+<p>&bdquo;Dat zal ik u zeggen, mijn beste jongen,&rdquo; antwoordde
+zijn vader. &bdquo;Verzekering of assurantie is, als men aan menschen,
+die men assuradeurs noemt, eene zekere som betaalt, waarover zij dan,
+als &rsquo;t gebeuren mocht dat een schip of de lading verging of
+schade leed, aan de eigenaars van schip en lading de waarde vergoeden
+moeten. Men betaalt al naar gelang van &rsquo;t gevaar, dat men te
+vreezen heeft. In oorlogstijden b. v. betaalt men tien
+percent,&mdash;dat is, tien gulden voor iedere honderd, die men
+verzekert. Vooronderstel <span class="pagenum">[<a id="pb120" href=
+"#pb120" name="pb120">120</a>]</span>nu eens, dat ge tienduizend gulden
+op een schip en lading verzekeren wilt en men daarvoor tien percent
+verlangt, dan hebt ge duizend gulden aan de assuradeurs te betalen,
+waartegen dezen u, in geval het schip verloren gaat, de gansche som,
+die ge verzekerd hebt en dus tienduizend gulden zullen moeten
+vergoeden. Hebt ge het nu gevat, Willem?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O ja, heel goed, vader. Evenwel begrijp ik nog niet, hoe een
+verzekeraar daarmee geld kan verdienen, want in oorlogstijd worden veel
+schepen in den grond geschoten en gekaapt, en dan heeft hij immers
+zulke groote sommen te betalen!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ge moet bedenken, Willem, dat voor een enkel schip, dat
+verloren gaat, misschien vijftig of meer behouden binnenkomen, en daar
+de verzekeraars voor die alle toch betaald worden, doen zij meestal
+goede zaken; want dat doen zij zeker, daar er anders niet zooveel
+verzekeraars en assurantie-maatschappijen bestaan zouden.&mdash;</p>
+<p>&bdquo;Neem mij niet kwalijk, Flink, dat ik u daar zoo in de rede
+ben gevallen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O volstrekt niet, mijnheer; men moet geen gelegenheid
+verzuimen, om jongelieden onderricht te geven en ik moet zeggen, dat ge
+hier nu ook de ouden wijzer gemaakt hebt, daar de zaak mij nog nooit
+zoo duidelijk geweest is, als op dit oogenblik. Maar om voort te gaan:
+of mijnheer Masterman &rsquo;t recht op zijne zijde had of niet, kon op
+dat oogenblik geen mensch zeggen; doch dit weet ik, dat de heele wereld
+er schande over riep. Het gevolg was, dat mijne moeder weinig of niets
+meer van haar weinigje goed overhield, maar ze vond gelukkig vrienden,
+en wist er zich, met wat ze door naaien en borduren verdiende, gelukkig
+door te slaan, tot ik mijn achtste of negende jaar bereikt
+had.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar uwe peet, mijnheer Masterman, kwam die dan uwe moeder
+niet te hulp?&rdquo; vroeg mijnheer Wilson.</p>
+<p>&bdquo;Neen, mijnheer. Het klinkt vreemd, maar dat deed hij niet; en
+dit maakte, dat hij nog meer over de tong ging. Ik denk, dat het juist
+deze beschuldigingen waren, waarvan hij zelf toch ook wel iets hooren
+moest en welke hij waarschijnlijk aan mijne moeder toeschreef, die hem
+afkeerig van ons maakten. Misschien was het ook zijn geweten; want men
+zal altijd zien, dat wij degenen haten die wij benadeeld hebben en
+verstoord op hen zijn, inplaats van het op onszelven te
+wezen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ongelukkig is er veel waars in uwe opmerking<span class=
+"corr" id="xd21e2819" title="Bron: .">,</span>&rdquo; sprak mijnheer
+Wilson; &bdquo;maar toch was het hoogst vreemd, dat hij zoo iets
+deed.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat was het werkelijk, mijnheer,&mdash;althans zoo dacht men
+er toen ter <span class="pagenum">[<a id="pb121" href="#pb121" name=
+"pb121">121</a>]</span>tijd algemeen over, doch hij was zeer aan
+&rsquo;t geld gehecht en verbitterd over geruchten, die van hem in
+omloop waren.&mdash;Maar ik zal verder vertellen.</p>
+<p>&bdquo;Ik was een sterke, vlugge, levendige knaap. Zoo dikwijls ik
+mijne moeder of de school ontloopen kon, vond men mij vast aan den
+waterkant of aan boord van een schip, want alles, wat de zeevaart
+aanging, was mijn hoogste lust. In den zomertijd was ik den halven dag
+in het water en zoo werd ik een goed zwemmer. Mijne moeder bemerkte
+mijn lust in het varen en deed alles, om mij <span class="corr" id=
+"xd21e2828" title="Bron: daavan">daarvan</span> terug te brengen. Zij
+vertelde mij van de moeiten en gevaren, waaraan een zeeman is
+blootgesteld, en eindigde altijd met mijns vaders dood en met een vloed
+van tranen.</p>
+<p>&bdquo;Indien mijne moeder zich niet zoo tegen mijn naarzeegaan
+verzet had, geloof ik wezenlijk, dat ik aan wal gebleven zou zijn. Als
+kind was ik echter trotsch en hardnekkig van aard. Ik moet dat zeker
+van mijn vader gehad hebben, want mijne arme moeder, ach! die was de
+zachtzinnigheid zelve. Ik kon niet velen, dat een andere jongen deed
+wat ik niet doen kon; en om dingen te verrichten, die geen ander wagen
+dorst, volvoerde ik soms zulke halsbrekende kunsten, dat het, naar
+aller zeggen, wonder boven wonder was, dat ik er niet honderdmaal mijn
+leven bij inschoot. Mijne moeder hoorde gedurig van gevaren, waarin ik
+verkeerd had, en was dan buiten zichzelve van zorg en angst. In den
+beginne beknorde zij mij telkens en smeekte mij toch niet zoo&rsquo;n
+waaghals te zijn; maar later ging ze doorgaans naar haar kamertje en
+schreide daar in stilte, want ik was haar eenige troost, hare laatste
+hoop en alles wat zij nog op aarde had. Ik heb later dikwijls zelf niet
+kunnen begrijpen, hoe ik in dien tijd zoo ongevoelig en hardnekkig kon
+zijn. Ik was te jong om te bedenken, welke kwelling ik haar aandeed en
+hoe de gedurige bezorgdheid over mij aan haar leven knaagde. Kinderen
+voelen dat zoo niet. Deden zij dat, ze zouden anders handelen, want
+onze harten zijn op dien leeftijd nog niet verhard, maar worden dat
+eerst later.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Gij hebt wel gelijk, Flink,&rdquo; merkte mijnheer Wilson
+aan. &bdquo;Als kinderen werkelijk wisten, hoeveel hunne ouders door
+hunne verkeerdheden te lijden hebben, hoezeer ieder bewijs van boosheid
+hen verontrust,&mdash;zij zouden waarlijk beter zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wij zien het doorgaans eerst in, als het te laat is,&rdquo;
+ging Flink voort. Ik was ruim negen jaren oud, toen eens op een dag,
+dat er vrij wat wind woei en het water hol stond, een kabel, waarmede
+een schip aan het hoofd vastzat, met een geweldigen slag sprong. Het
+losgescheurde eind trof een man, die dicht aan den waterkant gestaan
+had en slingerde hem met geweld in het water. Ik hoorde hem schreeuwen
+en zag, hoe de menschen op het <span class="pagenum">[<a id="pb122"
+href="#pb122" name="pb122">122</a>]</span>hoofd en van de schepen hem
+touwen toewierpen; maar hij kon die niet grijpen, daar hij weinig van
+&rsquo;t zwemmen verstond en de zee hol ging. Daar pakte ik een touw,
+dat juist werd opgetrokken en sprong hals over kop van het hoofd in
+&rsquo;t water.</p>
+<p>&bdquo;Hoe jong ook, kon ik zwemmen als een eend en &rsquo;t gelukte
+mij, hem het touw in handen te geven op het oogenblik, dat hij op punt
+was van te zinken. Hij klemde zich daar met alle macht aan vast en werd
+zoo tot aan de palen voortgetrokken; een poosje later kwam er ook eene
+boot, die men inderhaast te water had gebracht en nam ons beiden
+behouden op. Wij werden naar eene herberg gebracht en kropen te bed,
+totdat men droge kleeren voor ons gehaald had. Toen eerst ontdekte ik,
+dat de drenkeling, dien ik gered had, mijn peet, mijnheer Masterman
+was.</p>
+<p>&bdquo;Iedereen roemde mij zeer, en waarlijk ofschoon ik dat
+misschien zelfs niet zoo zeggen moest, het was ook een stout stuk
+geweest voor een jongen van mijne jaren. De matrozen droegen mij als in
+triomf naar moeders huis terug. Toen de goede vrouw hoorde wat ik
+gedaan had, drukte zij mij vast in hare armen en dan weende zij ook
+bitter, als ze aan het gevaar dacht, dat ik had doorgestaan, en zich
+daarbij voorstelde, dat mijne stoutmoedigheid mij licht in nog veel
+grooter gevaar brengen kon.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar zij beknorde u ditmaal toch niet om hetgeen gij gedaan
+had?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O neen, Willem; zij gevoelde, dat ik mijn plicht jegens mijn
+medemensch vervuld had: misschien ook, dat ik in dit geval het kwade
+met eene goede daad had vergolden; maar van dit laatste zei ze toch
+geen woord. Den volgenden dag kwam mijnheer Masterman ons een bezoek
+brengen. Hij keek heel beschaamd en verlegen, toen hij naar zijn
+petekind vroeg, dat hij zoolang vergeten had. Mijne moeder, die wel
+begreep hoe nuttig hij worden kon, ontving hem heel vriendelijk, maar
+ik had reeds te dikwijls van zijne verwaarloozing van mij en mijne
+moeder en van zijn naar alle waarschijnlijkheid afschuwelijk gedrag
+jegens mijn vader hooren spreken en had daardoor een hevigen weerzin
+tegen hem opgevat. Zoo kwam het, dat ik zijn vriendelijkheid heel
+koeltjes opnam. Ik was wel blij, dat ik hem het leven had gered; maar
+ofschoon mijn gevoel mij destijds nog niet recht duidelijk was, moet ik
+toch met schaamte bekennen, dat mijne blijdschap niet uit de bewustheid
+voortkwam van eene goede daad verricht te hebben, doch veeleer uit
+zekere bevredigde wraak, daar ik nu een man, die mij eens zoo slecht
+behandelde, tot dankbaarheid jegens mij verplicht had. Dat kwam voort
+uit mijn trotschen geest, dien mijne moeder niet buigen kon. Ge ziet,
+jongeheer Willem; er stak weinig verdienste in wat ik gedaan
+<span class="pagenum">[<a id="pb123" href="#pb123" name=
+"pb123">123</a>]</span>had, daar ik na &rsquo;t verrichten der daad aan
+een gevoel toegaf, dat ik had moeten onderdrukken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Mij dunkt, ik zou in uw geval evenzoo gedacht hebben als gij,
+Flink,&rdquo; gaf Willem ten antwoord.</p>
+<p>&bdquo;Kwaad met goed te vergelden is de groote plicht van een
+Christenmensch, en had ik mijnheer Masterman gered met de zekerheid dat
+hij het was, dan zou dat prijzenswaardig geweest zijn; maar nu kende ik
+hem niet, toen ik hem redde, en het bleef nog altijd de vraag, of ik,
+als ik geweten had wie daar in het water omspartelde, mijn leven dan
+wel voor hem zou hebben gewaagd. Of, als ik het toch gedaan had, zou
+dat dan niet misschien met hetzelfde gevoel geschied zijn, dat mij nu
+nog vervulde, nadat ik hem werkelijk gered had,&mdash;het gevoel, dat
+ik mij voor zijn gedrag jegens mij op hem wreken wilde; want er bestaat
+wel geen grooter wraak dan deze, dat men zijn vijand tot dankbaarheid
+verplicht.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Gij beoordeelt uzelven zeer streng, brave Flink,&rdquo; zeide
+mijnheer Wilson, &bdquo;en mij dunkt bijna, dat gij uzelven onrecht
+aandoet.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Toch niet, mijnheer,&rdquo; hernam de oude man. &bdquo;Mijn
+eerste gevoel, dat dat mij tot handelen aanspoorde, was goed; maar dat,
+<span class="corr" id="xd21e2858" title="Bron: waarvan">waaraan</span>
+ik later toegaf, nam al de verdienste van mijne daad weder weg. Ik zeg
+juist wat ik denk dat waarheid is, en een oud man kan zonder
+partijdigheid, maar niet zonder berouw, op het verleden
+terugzien.&mdash;Doch ik wil nu voortgaan met mijne geschiedenis.</p>
+<p>&bdquo;Mijnheer Masterman&rsquo;s bezoek duurde niet heel lang. Hij
+zeide mijne moeder, dat hij voortaan zorg voor mij zou dragen en mij,
+zoodra ik oud genoeg was om de school te verlaten bij eene
+scheepstimmerman in de leer zou doen. Tot daartoe bood hij aan, al de
+kosten van mijne opvoeding op zich te nemen. Mijne arme moeder was zeer
+dankbaar en schreide vreugdetranen. Toen mijnheer Masterman weg was,
+omarmde ze mij en zeide mij, dat ze zich nu eerst gelukkig gevoelde,
+dat ik eene kostwinning te land krijgen en niet op zee gaan zou. Om
+mijn peet recht te doen wedervaren, moet ik zeggen, dat hij trouw zijn
+woord hield. Hij zond mijne moeder geld, zoodat ze het beter stellen en
+meer genot van haar leven hebben kon. Iedereen wenschte haar ook geluk
+en ze kuste mij en plachte altijd te zeggen, <a id="xd21e2863" name=
+"xd21e2863"></a>ze dat alles aan mij alleen had te danken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ach, Flink, wat moet dat u gelukkig gemaakt hebben!&rdquo;
+riep Willem, vol hartelijkheid.</p>
+<p>&bdquo;Ja, jongeheer, dat deed het, maar het maakte mij ook heel
+trotsch. Het is vreemd maar toch waar; ik kon mijn afkeer van mijnheer
+Masterman <span class="pagenum">[<a id="pb124" href="#pb124" name=
+"pb124">124</a>]</span>niet overwinnen; ik had dien te lang in mijn
+hart omgedragen. Ik kon nauwelijks verdragen, dat mijne moeder
+verplichting aan hem had, of dat hij het schoolgeld voor mij betalen
+zou. Hoe jong ik ook was, krenkte die gedachte mijne trotschheid toch
+al te zeer, en al was mijne moeder ook nog zoo gelukkig, ik was dat
+niet. Daar ik bovendien op een betere school gebracht was en men mij
+dwong, bij de andere jongens te blijven, kon ik niet meer, zooals te
+voren, aan den havenkant omzwerven en op de schepen gaan, zoodat ik van
+mijn liefste genot was beroofd. Destijds zag ik niet in, zooals
+tegenwoordig, dat dit alles tot mijn eigen best was. Het verbitterde
+mij veeleer, en ik gevoelde mij ongelukkig, enkel omdat ik gedwongen
+was, mijn aandacht op de lessen te richten en men mij niet langer mijn
+eigen weg liet gaan.</p>
+<p>&bdquo;De meester klaagde over mij; mijnheer Masterman liet mij
+roepen en haalde mij terdeeg door. Dit maakte mij nog koppiger, en zoo
+werd ik, op mijnheer Masterman&rsquo;s verlangen, gevoelig gekastijd.
+Deze behandeling maakte mij zoo weerspannig, dat ik besloot weg te
+loopen en op zee te gaan.</p>
+<p>&bdquo;Gij ziet, Willem, dat ik in dit alles ongelijk had; en dat
+hebben alle knapen, die zoo eigenzinnig zijn, als ik te voren was, en
+alles beter meenen te weten dan zij, die voor hen zorgen willen. Nu,
+stel u eens voor beste jongen, wat door mijn dwaas gedrag
+waarschijnlijk voor mij verloren ging. Ik zeg waarschijnlijk, want
+niemand kan vooruit zien en zeggen wat de toekomst zal aanbrengen. Naar
+allen schijn echter had ik groot vooruitzicht om eene goede opvoeding
+te ontvangen,&mdash;om later mijnheer Masterman in zijne zaken op te
+volgen en, hoogst waarschijnlijk, ook zijn groot vermogen te erven,
+zoodat ik mettertijd een gezeten man zou geworden zijn. Misschien had
+ik eene goede vrouw gevonden, had kinderen gekregen om mijn geluk nog
+grooter te maken,&mdash;en in plaats van dat alles ben ik nu een arm,
+oud, afgeleefd zeeman op een eenzaam verlaten eiland. Ik maak u daar
+opmerkzaam op, Willem, om u te toonen, hoe een enkele onberaden stap in
+de jeugd al onze vooruitzichten voor de toekomst kan verijdelen, zoodat
+we, in plaats van met gunstig tij te varen, ons leven lang tegen den
+stroom der tegenspoeden hebben op te worstelen. Dit was bij mij het
+geval, zooals ge uit het vervolg van mijn verhaal zien zult.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is inderdaad een goede les, Flink,&rdquo; zeide de
+vader.</p>
+<p>&bdquo;Ja, wel eene goede les, mijnheer, en zoo heb ik ook niet over
+mijn lot te klagen, ofschoon mij ook de dwalingen berouwen, die mij
+zoover gebracht hebben. Ik ben niet ontevreden met mijn lot, want dat
+zou zonde wezen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Uw ongeluk is voor ons allen een onschatbare weldaad
+geworden,&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb125" href="#pb125"
+name="pb125">125</a>]</span>zeide mevrouw Wilson tot den ouden man;
+&bdquo;want waart gij niet op zee gegaan, waart gij niet aan boord
+geweest,&mdash;wat zou er van ons geworden zijn, nadat al de anderen
+ons verlaten hadden?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Nu ja, mevrouw, het is altijd nog een troost, te mogen denken
+dat zoo&rsquo;n oud, afgeleefd matroos als ik toch ergens nog nuttig
+toe is geweest.&mdash;Maar nu, mevrouw, is het de tijd, dat we
+doorgaans naar bed gaan, en daarom, dunkt mij, zal &rsquo;t het best
+zijn, dat ik voor heden afbreek en morgenavond met mijne historie
+voortga.&rdquo;</p>
+</div>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div id="ch32" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">TWEE-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">VERVOLG VAN FLINKS GESCHIEDENIS.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Het blaten der geiten maakte hen den anderen morgen
+vroeger dan gewoonlijk wakker. De lucht was zeer opgeklaard, de zon
+scheen helder en Flink liet Nanny en haar jongen vrij loopen.</p>
+<p>Het gezin had een kostelijk ontbijt van gebakken visch, en daarna
+gingen de mannen met Willem terstond weer aan den arbeid. De beide
+eerste haalden de tenten omver en spreidden het doek op den grond uit,
+om te drogen, terwijl Willem het gevogelte ging opsporen, dat zich in
+geen paar dagen had laten zien. Na een half uur zoekens, hoorde hij den
+haan in het kokosbosch kraaien en vond spoedig allen bij elkander. Hij
+strooide hun een handvol erwten voor, die hij in zijn zak had gestoken,
+want het koren had men besloten te sparen, om het zoodra men maar meer
+grond had omgespit, uit te zaaien. Als het meel dan ook mocht opraken,
+hadden zij aan de landingsplaats nog eenige vaten daarvan over, die bij
+de stranding gered waren, en er was dus nog zoo spoedig geen dadelijk
+gebrek te vreezen. De hoenders waren zeer hongerig en liepen Willem tot
+aan huis na, waar hij hen liet, om naar zijn vader en Flink om te
+zien.</p>
+<p>&bdquo;Onze tenten kunnen nu drogen, vriend Willem,&rdquo; voegde de
+oude man hem toe; &bdquo;zoodat we nu, als uw vader het goedvindt, met
+alle macht aan &rsquo;t werk willen gaan om een hoenderhok tot stand te
+brengen. &rsquo;t Zal niet meer dan een dag kosten, en de arme beesten
+hebben dan ook een dak. Daar staan vier dikke kokosboomen hier dicht
+bij huis; wij willen daaronder een hok bouwen, en dat kan spoedig
+gereed zijn.&rdquo;</p>
+<p>Mijnheer Wilson keurde dit plan volkomen goed, en dus ging men
+dadelijk <span class="pagenum">[<a id="pb126" href="#pb126" name=
+"pb126">126</a>]</span>aan het werk. Van de boomen, die tot het huis
+gediend hadden, waren nog eene menigte dunne toppen over; deze
+gebruikten zij tot latten en spijkerden ze aan de vier boomstammen,
+zoodat zij een regelmatig vierkant vormden, waarna zij nog de sparren
+opzetten tot een stevig afloopend dak.</p>
+<p>&bdquo;Dat is nu alleen maar het ruwe werk,&rdquo; zei Flink;
+&bdquo;we moeten nu een of twee stokken voor de hoenders maken, en dan
+de zijden sluiten en het dak met kokosbladeren stevig dekken. Maar
+kijk, daar gaat Juno al aan het opscheppen, zoodat we nu maar eerst
+schaften moeten.&rdquo;</p>
+<p>Na den maaltijd begon men opnieuw. Mijnheer Wilson verzamelde de
+takken, terwijl Flink en Willem de zijden en het dak met bladeren
+dekten, zoodat het hoenderhok nog v&oacute;&oacute;r den avond volmaakt
+in orde kwam. Willem lokte de hoenders met eenige erwten, en toen zij
+onder dak waren, liet hij hen rustig pikken en ging in huis.</p>
+<p>&bdquo;Nu, mijnheer, denk ik, zullen ze spoedig hun weg daarheen
+weten te vinden,&rdquo; sprak Flink, &bdquo;en later als ik eens tijd
+daartoe vind, zal ik ook eene deur voor den ingang maken. Mij dunkt,
+dan kunnen wij het opzicht over ons gevogelte veilig aan juffer
+Caroline toevertrouwen. Ze zal voor de oude hoenders en de jongen, als
+we die eens hebben, zeker wel behoorlijk zorg dragen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, ja, dat moet haar post worden,&rdquo; riep Willem.
+&bdquo;Ze zal wat blij wezen, als ze koningin wordt van het hoenderhok.
+En nu, dunkt me, moeten we aan het oprollen van de zeilen gaan; wij
+hebben vandaag een kostelijken dag gehad en misschien zijn we morgen
+niet weer zoo gelukkig.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Gij hebt volkomen gelijk; wij willen ze onder dak brengen en
+onder de bedstede bergen, waar nog ruimte voor alles in overvloed
+is.&rdquo;</p>
+<p>Toen men dit alles verricht had, was de zon intusschen ondergegaan,
+en zoo keerden ook allen in hunne woning terug. Al spoedig werd Flink
+nu verzocht, met zijn historie voort te gaan, en hij deed dit, als
+volgt:</p>
+<p>&bdquo;Ik zeide gisteravond, dat ik het besluit nam, om van mijne
+kostschool weg te loopen en op zee te gaan; doch hoe ik dat plan
+volvoerde, hebt gij nog niet gehoord.&mdash;Het was mij niet mogelijk,
+onbemerkt te ontsnappen, voordat de overige jongens al te bed waren. De
+kamer, waar ik sliep, was op de tweede verdieping; de deuren, dat wist
+ik, waren gesloten, maar daar was nog een zolderluik, waardoor men op
+het dak kon komen. Het was van binnen gegrendeld, en langs eene ladder
+kon men er bij klimmen. Zoo besloot ik dan, langs dien weg de vlucht te
+beproeven. Zoodra de andere jongens gerust snorkten, stond ik op,
+kleedde mij heel bedaard aan en sloop de kamer uit.</p>
+<div class="figure xd21e2918width"><img src="images/p126.jpg" alt=
+"Ik zag de schepen in de haven en de zee in de verte." width="487"
+height="720">
+<p class="figureHead">Ik zag de schepen in de haven en de zee in de
+verte.</p>
+</div>
+<p><span class="pagenum">[<a id="pb127" href="#pb127" name=
+"pb127">127</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Het was heldere maneschijn, en dat was een geluk voor mij,
+want zoo kon ik zonder gestommel het luik bereiken. Het kostte mij veel
+moeite dat op te lichten, want voor een knaap van mijne jaren was het
+heel zwaar; maar eindelijk lukte het toch, en ik kwam gelukkig op het
+dak van &rsquo;t huis.</p>
+<p>&bdquo;Toen ik in de goot stond, keek ik rond. Ik zag de schepen in
+de haven en de zee in de verte, zoodat ik mij verbeeldde al vrij te
+zijn en niet bedacht, hoe ver ik nog van den grond was. Eindelijk begon
+ik toch te overleggen, hoe daar te komen. Ik ging eenige malen op en
+neer, en besloot toen, langs een looden pijp, die van de dakgoot tot
+den grond reikte, naar omlaag te klauteren. Ze was juist zoover van den
+muur, dat ik haar met mijne dunne vingers omvatten kon, ik was destijds
+nog licht als een veer en vlug en lenig als eene kat. Ik klom over den
+rand van het dak, klemde mij met handen en knie&euml;n aan den looden
+pijp en liet mij zachtjes omlaag glijden, tot ik behouden beneden
+stond.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is wel een wonder, dat gij niet hals en beenen
+braakt,&rdquo; zeide mevrouw Wilson.</p>
+<p>&bdquo;Ja, waarlijk, mevrouw, dat was het ook,&mdash;zoo denk ik nog
+dikwijls&mdash;maar toen dacht ik alleen aan de uitvoering van mijn
+onberaden plan. Zoodra ik op het daaronder liggend bloembed te land was
+gekomen, liep ik naar het ijzeren traliehek van den tuin, was met een
+wip daar overheen en stond zoo op straat. Ik was zonder hoed of pet;
+want onze petten hingen beneden in de school aan de
+kapstokken,&mdash;doch daar bekommerde ik mij niet over. Ik liep, wat
+ik loopen kon, naar de haven. Aan het hoofd gekomen, ontdekte ik een
+schip dat zijn zeilen al los had gemaakt en op de juist invallende eb
+scheen te wachten. De matrozen zongen een vroolijk liedje, terwijl zij
+de ankers v&oacute;&oacute;rdraaiden. Zoo stond ik daar en bespiedde
+elke beweging van het vaartuig. Reeds overlegde ik of ik er niet naar
+toe zou zwemmen, toen ik een man in de jol zag klimmen en naar het
+hoofd toe roeien. Ik liep op hem toe, zoodra hij aanlegde om het touw
+van een der palen van het hoofd los te maken; en nog eer hij dit gedaan
+had, sprong ik, zonder een woord te spreken, in zijne boot.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat wil je, kleine dreumes,&rdquo; vroeg de matroos.</p>
+<p>&bdquo;Ik wil mee naar zee,&rdquo; antwoordde ik hijgend;
+&bdquo;neem mij aan boord,&mdash;ik bid u om Gods wil.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;&bdquo;Goed,&rdquo; zei de man; &bdquo;ik heb mijn kapitein
+hooren zeggen, dat hij nog wel een kajuitsjongen gebruiken kon. Kom dus
+maar mee, kleine deugniet.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hij roeide naar het schip terug, en ik klom haastig aan
+boord.</p>
+<p>&bdquo;&bdquo;Wie zijt ge?&rdquo; vroeg de kapitein. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb128" href="#pb128" name="pb128">128</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Ik gaf ook hem &rsquo;t zelfde antwoord, namelijk, dat ik ter
+zee wou varen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;&bdquo;Gij zijt nog te klein en te jong.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;&bdquo;O neen, neen, vast niet,&rdquo; was mijn <span class=
+"corr" id="xd21e2949" title="Bron: antwooord">antwoord</span>.</p>
+<p>&bdquo;&bdquo;Wat, denkt ge dan, dat ge al in den mast kunt
+klimmen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat zult ge dadelijk zien,&rdquo; riep ik en klauterde als
+eene kat langs de touwen op, tot aan de bramra.</p>
+<p>&bdquo;Toen ik weer omlaag bij den kapitein kwam, zeide deze:</p>
+<p>&bdquo;&bdquo;Nu, ik denk, dat ge mettertijd een goed zeeman kunt
+worden. Ik wil u dan aannemen, en zoodra ik te Londen kom, zal ik u als
+scheepsjongen inschrijven. Waar is uw pet?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;&bdquo;Die heb ik thuis gelaten,&rdquo; was mijn
+antwoord.</p>
+<p>&bdquo;&bdquo;Dat komt er ook niet op aan; een roode slaapmuts doet
+nog beter diensten,&rdquo; zeide de kapitein en ging in zijne kajuit,
+om mij er eene te halen.</p>
+<p>&bdquo;Het vaartuig, waarop ik mij nu bevond, was een kolenschip.
+Binnen een half uur waren wij de haven uit en met het opgaan der zon
+dobberde ik op wijde zee, die voortaan mijn verblijf zou zijn.</p>
+<p>&bdquo;Zoodra de eerste drukte en werkzaamheid van het ankerlichten
+voorbij was, ondervroeg de kapitein mij nader naar mijne betrekkingen.
+Hij scheen een ruw en barsch man te zijn en nog voordat de dag ten
+einde was, voelde ik bijna berouw over den stap, dien ik gedaan had.
+Toen ik mij eindelijk s&rsquo;avonds doornat en koud, op een paar oude
+zeilen neerlei, dacht ik op eens aan mijne moeder en aan het verdriet,
+dat ik haar veroorzaken zou. Ik schreide bittere tranen; maar nu was
+het te laat.&mdash;Ik heb vaak gedacht, mijnheer Wilson, dat het leven
+vol zorgen en gevaren, dat ik sinds dien tijd doorworstelen moest,
+slechts eene verdiende straf was voor de wreedheid die ik beging door
+mijne moeder zoo te verlaten. Ik was immers haar eenige kind: ze had
+niemand op de wereld, om lief te hebben, buiten mij, en ik.... brak
+haar het hart, tot loon voor &agrave;l de liefde en goedheid, die ze
+mij van jongsaf had bewezen. Deed ik niet slecht, Willem?&rdquo;</p>
+<p>Hier hield de oude man eene poos op, en ook niemand van de overigen
+het een woord hooren. Willem, die het naast bij zijne moeder zat, sloeg
+zijn arm om haar hals en kuste haar.</p>
+<p>&bdquo;Ik ben blij dat te zien, mijn beste Willem,&rdquo; begon
+Flink nu weder. &bdquo;Ik zie daaruit, dat mijne geschiedenis voor u
+niet verloren is, en beschouw dien kus als eene plechtige belofte, dat
+ge uwe ouders nooit zult verlaten.&rdquo;</p>
+<p>De tranen rolden mevrouw Wilson over de wangen en vurig beantwoordde
+zij de omhelzing van haar zoon.</p>
+<p>&bdquo;Ik wil nu liefst maar afbreken,&rdquo; zeide Flink; &bdquo;ik
+ben niet gestemd om <span class="pagenum">[<a id="pb129" href="#pb129"
+name="pb129">129</a>]</span>voort te gaan; mijn hart wordt telkens vol,
+als ik mij dat dwaas en slecht bestaan uit mijne jonge dagen
+herinner.&rdquo;</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch33" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">DRIE-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">THOMAS, WAAR IS DE VINGERHOED?</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Den volgenden morgen was het uitstekend schoon weer en
+terstond na het ontbijt trok men met de kar naar den schildpadvijver.
+Flink had eene stevige piek met een scherpen weerhaak meegenomen en
+spietste daarmee den schildpad uit den vijver, die daarop aan land werd
+getrokken, op de kar geladen en naar huis overgebracht.</p>
+<p>Na het dooden van den schildpad, werd ze in stukken gesneden, en
+onder Flinks toezicht koos Juno toen zooveel reepen uit, als ze voor de
+soep noodig had. Toen de pot te vuur stond, trokken Flink, mijnheer
+Wilson en Willem met zagen en bijlen het bosch in, om de noodige boomen
+te vellen voor de voorgenomen bergplaats van hun voorraad, zoodra deze
+van de landingsplaats kon worden afgehaald.</p>
+<p>&bdquo;Ik denk, dat het hier in tijd van gevaar onze schuilplaats
+wezen moet,&rdquo; merkte Flink aan. &bdquo;Daarom heb ik ook deze plek
+van het woud uitgekozen; ze is niet al te ver van ons huis af, en als
+we het pad er heen met wat kronkels en bochten uithouwen, moet ze wel
+voor het gezicht verborgen wezen. Daarbij moeten wij het pad maar zoo
+breed maken, dat de kar er even langs kan: ook moeten we de wortels van
+de omgekapte boomen uitgraven, daar anders de tronken de aandacht
+konden trekken. Niet dat ik denk dat het ons ooit zal te pas komen,
+maar toch kan voorzichtigheid nooit schaden en bovendien kost het ons
+weinig moeite.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik ben het volkomen met u eens,&rdquo; antwoordde mijnheer
+Wilson; &bdquo;&rsquo;t is in alle gevalle goed, want men weet toch
+nooit wat er gebeuren kan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Onder ons, mijnheer, kan ik u wel zeggen, dat de inlanders in
+dezen hoek van de wereld de gewoonte hebben van in hunne
+kano&rsquo;s<a class="noteref" id="xd21e2994src" href="#xd21e2994"
+name="xd21e2994src">1</a> van &rsquo;t eene eiland naar het andere te
+gaan, om kokosnoten in te zamelen. Ik kan niet verzekeren, dat de
+andere eilanden hier in den omtrek bewoond zijn, maar dat is toch wel
+waarschijnlijk en dan blijft altijd de vraag, van welken aard
+<span class="pagenum">[<a id="pb130" href="#pb130" name=
+"pb130">130</a>]</span>dat volk om ons heen is. Ik durf u dat gerust
+zeggen, maar &rsquo;t is beter dat mevrouw er niets van te weten komt.
+Gij zult toch ook wel zwijgen, beste Willem?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O, wees daar gerust op, Flink; ik zal geen woord zeggen, dat
+moeder ongerust maakt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wij zijn nu dicht bij de plek. Ge ziet, mijnheer, dat de
+boomen hier op dezen heuvel zeer dicht bij elkander staan. Welnu, een
+weinigje verder, wat meer in de laagte, moesten we, dacht me, eene hut
+bouwen, die men daar zeker niet zoo gemakkelijk vinden zal.&mdash;Ik
+geloof,&rdquo; vervolgde de oude man, toen zij nog een poosje waren
+voortgegaan, &bdquo;dat hier zoo ten naastenbij de rechte plek is; want
+we hebben omtrent twee derden van de hoogte achter ons en de helling is
+hier nog wel zoo sterk dat het water een vrijen afloop
+vindt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En hoe ver zouden we nu wel van huis zijn, Flink? Mij dunkt,
+nog zoo heel ver niet.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik reken nog niet meer dan anderhalven kilometer, in eene
+rechte lijn, ofschoon de weg door al zijne bochten wel dubbel zoo ver
+moet wezen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dan, geloof ik, zal deze plaats de beste zijn, en hoe eer wij
+beginnen, des te beter.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik wil nog maar enkel de boomen merken, die staan blijven
+mijnheer, en dan die gekapt moeten worden op den stam na, tot op bij de
+vier voet hoog van den grond. Vriend Willem, wilt ge zoo goed
+zijn<span class="corr" id="xd21e3012" title="Bron: .">,</span> om het
+andere eind van de lijn eens aan te vatten?&rdquo;</p>
+<p><a id="xd21e3016" name="xd21e3016"></a>Zoodra nu de omvang van het
+gebouw behoorlijk was afgemeten, waren bijl en zaag ook spoedig druk
+aan het werk en werd de eene boom na den anderen geveld. Onze drie
+vrienden arbeidden tot etenstijd dapper door en verheugden zich niet
+weinig in het vooruitzicht, dat na gedaan werk eene lekkere
+schildpadsoep hunne belooning wezen zou.</p>
+<p>&bdquo;Willem!&rdquo; riep mevrouw Wilson, toen zij tegen den middag
+thuis kwamen, &bdquo;en ook gij, beste man! gij zijt door en door nat
+van zweet,&mdash;ge moet u niet al te zeer vermoeien.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, lieve moeder, dat boomen kappen is een warm werk,&rdquo;
+antwoordde Willem; &bdquo;en hard werken doet een mensch zooveel kwaad
+niet, vooral niet als hem een maaltje schildpadsoep wacht. Wij zijn
+hongerig als wolven en zullen Juno&rsquo;s keuken alle eer aandoen.
+H&eacute;, Thomas, kom hier, jongen! Ge kijkt zoo zwart. Wat hapert er
+aan?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Thomas en ik kunnen het niet samen vinden<span class="corr"
+id="xd21e3024" title="Bron: .">,</span>&rdquo; antwoordde mevrouw
+<span class="pagenum">[<a id="pb131" href="#pb131" name=
+"pb131">131</a>]</span>Wilson, terwijl Thomas enkel zijne lip liet
+hangen. &bdquo;Van morgen zat ik te naaien, goed en wel met mijn
+vingerhoed aan de hand, toen Juno mij buiten riep. Ik nam Caroline aan
+de hand mee en onze sinjeur Thomas bleef zoolang in huis alleen. Toen
+ik terugkwam, stond hij voor de deur, en toen ik mijn werk weer opnam
+was mijn vingerhoed nergens te vinden. Ik vroeg hem, of hij dien gehad
+had; hij zei, dat hij er naar zien zou. Dat deed hij ook, maar bracht
+hem niet weerom. Ik vroeg hem onderscheiden malen, of hij den
+vingerhoed had weggenomen; maar zijn eenig antwoord was, dat die wel
+weer terecht zou komen. Ik ben overtuigd, dat hij hem verloren heeft,
+maar hij wil dat volstrekt niet bekennen. Het gevolg was, dat ik den
+heelen ochtend heb moeten zitten zonder een steek te kunnen
+doen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hoor eens hier, Thomas,&rdquo; zei mijnheer Wilson op
+ernstigen toon: &bdquo;hebt gij den vingerhoed weggenomen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hij zal wel weer terechtkomen, vader.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is geen antwoord, jongeheer. Hebt ge den vingerhoed
+weggenomen en verloren misschien?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik weet heel zeker, dat hij vandaag wel weer terechtkomt,
+vader<span class="corr" id="xd21e3037" title=
+"Bron: &rdquo;,">,&rdquo;</span> riep Thomas snikkend.</p>
+<p>&bdquo;Dat is alles wat hij mij tot hiertoe geantwoord heeft,&rdquo;
+zeide de moeder.</p>
+<p>&bdquo;Goed, heel goed dan. Daarvoor zal hij ook niets te eten
+hebben, voordat wij ook zeker weten, dat de vingerhoed vandaag weer in
+moeders handen is.&rdquo;</p>
+<p>Op &rsquo;t hooren van deze woorden, begon Thomas te schreien wat
+hij kon. Juno verscheen nu juist met de schildpadsoep, die een
+aangenamen geur verspreidde. Toen men zich aan tafel neergezet had,
+schreide Thomas nog harder. Allen waren zeer hongerig en Willem liet
+zijn bord gauw nog eens vullen. Pas had hij echter eenige happen
+gedaan, toen hij zijn vinger in den mond stak en daar iets
+uithaalde.</p>
+<p>&bdquo;Ha, moeder, daar is de vingerhoed in mijne soep,&rdquo; riep
+hij, &bdquo;en ik was op het punt van hem door te slikken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Geen wonder, dat onze sinjeur zei, dat hij wel weer terecht
+zou komen,&rdquo; sprak Flink lachend. &bdquo;Hij dacht hem zekerlijk
+wel op te visschen uit hetgeen van onzen maaltijd overbleef. Welnu,
+mevrouw, ofschoon ik niet zeggen wil, dat Thomas een zoete jongen is,
+moet men toch erkennen, dat hij, toen hij niet zeggen wou waar de
+vingerhoed was, er geen leugens bij gebruikte.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, neen, jokken deed hij niet,&rdquo; riep Willem.
+&bdquo;Ik hoop, dat, nu het ding gevonden is, vader hem ook wel
+vergeven zal, als hij daarom verzoekt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Thomas, kom hier!&rdquo; sprak mijnheer Wilson. &bdquo;Zeg
+mij: waarom hebt gij den vingerhoed in de soep geworpen?&rdquo;
+<span class="pagenum">[<a id="pb132" href="#pb132" name=
+"pb132">132</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Ik wou de soep eens proeven; ik wou den vingerhoed vol
+scheppen. Toen brandde ik mij de vingers en liet ik den vingerhoed bij
+ongeluk in den ketel vallen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Nu, een vingerhoed vol was toch ook de heele wereld
+niet,&rdquo; merkte Flink aan. &bdquo;Maar waarom zeidet gij uwe moeder
+niet, waar de vingerhoed was?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Och, ik was bang, dat moeder dan al de soep zou weggooien, en
+dan kreeg ik er niets van.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ei, ei, was het geval z&oacute;&oacute;?&rdquo; sprak de
+vader. &bdquo;Welnu, ik zeide, dat gij niets te eten zoudt hebben,
+voordat de vingerhoed gevonden was; daar die nu terug is, kunt gij ook
+aan tafel komen. Als u echter in het vervolg weer iets gevraagd wordt
+en gij geen antwoord geeft komt gij er zoo gemakkelijk niet af, dat
+verzeker ik u.&rdquo;</p>
+<p>Thomas was blij, dat de bestraffing voorbij was, en nog blijder dat
+hij een bord soep voor zich kreeg. Het eerste had hij spoedig leeg, en
+toen hij om een tweede verzocht, zeide hij: &bdquo;Thomas zal er geen
+vingerhoed weer ingooien; Thomas zal naderhand een kopje
+nemen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Massa Thomas, jij nemen moet naderhand niemendal,&rdquo;
+beknorde hem Juno, die naast hem zat. &bdquo;Jij afblijven moet met de
+vingers van de pot,&mdash;klein snoepsch jong!&rdquo;</p>
+<p>Na afloop van den maaltijd gingen zij weder aan den arbeid en
+keerden eerst tegen het donker terug.</p>
+<p>&bdquo;De wolken komen met drift opzetten, mijnheer,&rdquo; zeide
+Flink; &bdquo;we zullen van nacht weer onweer krijgen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat vrees ik ook; maar we moeten het afwachten.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja mijnheer, en nu en dan zal de regen en het onweder
+voortaan ook wel eens dagen achtereen aanhouden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Flink,&rdquo; zeide mevrouw Wilson, &bdquo;als ge niet al te
+vermoeid zijt, zoudt ge dan niet met uwe geschiedenis willen
+voortgaan?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Heel gaarne, mevrouw, als gij dat verlangt,&rdquo; was het
+antwoord. &bdquo;Ik brak <span class="corr" id="xd21e3081" title=
+"Bron: gsteren">gisteren</span> af bij mijne komst aan boord van het
+kolenschip, dat naar Londen bestemd was. Wij hadden een goeden wind en
+liepen een goede vaart. Ik was heel zeeziek, totdat wij aan den mond
+van de Theems kwamen. Daar werd ik weer beter en was, zooals ge wel
+denken kunt, zeer verbaasd over de ontelbare menigte schepen, die
+onophoudelijk op de rivier heen en weder voeren. Maar mijn kapitein
+beviel mij volstrekt niet. Hij was uiterst onbeschoft tegen zijn volk,
+en de eene jongen, die aan boord was, ried mij zelfs mijne biezen te
+pakken en een ander schip op te zoeken. <span class="pagenum">[<a id=
+"pb133" href="#pb133" name="pb133">133</a>]</span>Hij zeide, dat ik mij
+voor geen geld aan dezen kapitein verbinden moest; want anders zou hij
+mij ook alle dagen slaan en mij even slecht behandelen, als hij zijne
+vroegere koksjongens gedaan had. Dat dit zoo was, wist ik wel; want ik
+zag meer dan twintigmaal op een dag, hoe de kapitein hem duwen en
+stooten gaf, zoodat de arme jongen er soms dagen lang blauwe plekken
+van overhield. De matrozen zeiden, dat hij mij vooreerst nog wat
+genadiger behandelde, uit vrees dat ik anders nog weigeren zou mij voor
+vast bij hem te verbinden, doch dat, als ik dat eens gedaan had, mijn
+lot geen haar beter wezen zou. Zoo besloot ik dan, niet langer op het
+kolenschip te blijven, en daar de kapitein aan wal was gegaan, had ik
+tijd genoeg, om eens rond te zien. V&oacute;&oacute;r ons, midden op
+den stroom, lag een vrij groot schip zeilree. Ik sprak met twee
+jongens, die aan den valreep stonden, en hoorde van hen, dat ze het
+heel goed aan boord hadden en dat de kapitein nog twee of drie jongens
+zocht. Ik ging dan bij hem aan boord en bood hem mijne diensten
+aan.</p>
+<p>&bdquo;De kapitein deed mij eene menigte vragen. Ik zeide hem de
+waarheid en ook de reden, waarom ik niet op het kolenschip blijven
+wilde. Hij was gewillig om mij aan te nemen, en ik ging met hem aan
+land, waar hij mij van een behoorlijk stel kleeren liet
+voorzien.&mdash;Twee dagen later gingen wij onder zeil naar Bombay en
+China.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar gij schreeft toch eerst aan uwe moeder, Flink?&rdquo;
+vroeg Willem.</p>
+<p>&bdquo;Ja, beste jongen, dat deed ik, want de kapitein verlangde het
+en schreef zelf eenige regels onder mijn brief, om de goede vrouw te
+troosten; maar ongelukkig heeft zij dien brief, die door den hofmeester
+naar den wal werd gezonden, nooit ontvangen. Of hij hem verloor of tot
+ons vertrek vergat en toen verscheurde,&mdash;dat weet ik niet; maar,
+zooals ik later vernam, heeft moeder dien nooit in handen
+gekregen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Het was uwe schuld dan toch niet, dat de brief niet goed
+overkwam,&rdquo; zeide mevrouw Wilson.</p>
+<p>&bdquo;Neen mevrouw, dat was zeker mijne schuld niet, de eigenlijke
+schuld had ik al vroeger op mij geladen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Gij moet u niet langer bij dat deel van uwe geschiedenis
+ophouden, Flink; vertel ons liever, wat u op uwe vaart naar
+Oost-Indi&euml; zoo al overkwam.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Welnu dan. Ik was toen heel vlug en levendig voor mijne jaren
+en werd weldra de algemeene lieveling, vooral bij de dames, die wij als
+passagiers aan boord hadden, enkel omdat ik nog zoo&rsquo;n kleine
+dreumes was. Wij kwamen behouden in Bombay, waar onze passagiers aan
+land gingen, en drie weken <span class="pagenum">[<a id="pb134" href=
+"#pb134" name="pb134">134</a>]</span>later zeilden we door de straat en
+op China aan. Het was juist oorlogstijd en zoo werden we door Fransche
+kapers gejaagd; maar we hadden veel volk aan boord en een menigte
+stukken, zoodat geen hunner &rsquo;t waagde ons aan te vallen. Weldra
+kwamen we voorspoedig te Macao<a class="noteref" id="xd21e3103src"
+href="#xd21e3103" name="xd21e3103src">2</a> aan, waar we onze lading
+losten en thee daarvoor innamen.</p>
+<p>&bdquo;We moesten een tijdlang wachten, omdat er een groot konvooi
+bijeen was, en toen gingen we weer naar Engeland onder zeil. Toen we
+Isle de France voorbij waren, werd de vloot door een storm verstrooid.
+Drie dagen later werden we door een Fransch fregat aangevallen en na
+zijn vuur met eenige schoten beantwoord te hebben, waren we gedwongen
+onze vlag te strijken.</p>
+<p><span class="corr" id="xd21e3109" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>Een luitenant met veertien man werd bij
+ons aan boord gezonden, om ons gevangen te nemen, want we waren een
+zeer rijke prijs voor hen. Onze kapitein en de meesten van het volk
+werden op het fregat overgebracht; maar tien Lascaren<a class="noteref"
+id="xd21e3112src" href="#xd21e3112" name="xd21e3112src">3</a> en de
+scheepsjongens bleven op den <span class="corr" id="xd21e3115" title=
+"Bron: Oostindievaarder">Oostindi&euml;vaarder</span> om het schip naar
+Isle de France<a class="noteref" id="xd21e3118src" href="#xd21e3118"
+name="xd21e3118src">4</a> te brengen, dat destijds in de handen der
+Franschen was.</p>
+<p>&bdquo;Het kwam me wel wat hard voor, dat ik zoo pas twaalf jaren
+oud al naar de gevangenis moest kuieren; maar ik tobde daar toch niet
+lang over en was weldra weer zoo vroolijk en dartel als ooit te voren.
+Wij waren reeds in &rsquo;t gezicht van het eiland en stuurden met eene
+frissche koelte op de haven aan, toen zich op eens te loever een schip
+vertoonde.</p>
+<p>&bdquo;Ik kon wel niet verstaan wat de Franschen zeiden, maar merkte
+toch, dat ze het onderling bijster druk hadden en ijverig met de
+kijkers in de weer waren. Jack Romer, mijn kameraad, die al drie jaren
+gevaren had, fluisterde mij eindelijk in &rsquo;t oor: &bdquo;Daar is
+nog kans, dat we de gevangenschap ontsnappen, want ik moest me al zeer
+vergissen, als dat geen Engelsch linieschip is.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Eindelijk kwam het op korten afstand, heesch de Engelsche
+vlag en deed een schot. De Franschen zochten ons schip voor den wind te
+brengen; doch dat hielp hun weinig. De Engelschman won gedurig op ons,
+en daar de Franschen dit merkten, pakten zij hunne kleeren met al het
+goed, dat zij onzen kapitein en ons volk hadden afgenomen, bijeen. Er
+werd ons een kogel toegezonden, die dicht over onze hoofden heen
+snorde: de Franschen <span class="pagenum">[<a id="pb135" href="#pb135"
+name="pb135">135</a>]</span>lieten toen het roer los, waarop Jack Romer
+dat aangreep en met hulp van mij het schip bij den wind bracht. De
+Engelschen zonden eene boot aan boord en namen onzen koopvaarder in
+bezit, zoodat wij de gevangenschap vooreerst gelukkig ontsnapt
+waren.</p>
+<p>&bdquo;Toen de kapitein van &rsquo;t Engelsche fregat hoorde, hoe de
+Franschen zich tegen ons gedragen hadden, liet hij al hunne bagage
+zorgvuldig onderzoeken en hun alles wat zij geplunderd hadden terstond
+weer afnemen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hij zou het recht gehad hebben de Franschen daarvoor al hun
+goed af te nemen,&rdquo; riep Willem.</p>
+<p>&bdquo;Jawel, Willem, daartoe had de kapitein zeker het recht gehad;
+maar, wel beschouwd, zou dat toch onrecht geweest zijn, want in dat
+geval had hij even oneerlijk gehandeld als zijne vijanden. De kapitein
+ontnam hun niets van hun goed, maar liet hun beneden in &rsquo;t ruim
+opsluiten, waar men geen last van hen had.</p>
+<p>&bdquo;De Engelschen zonden een cadet als prijsmeester aan boord van
+ons schip en lieten ons allen, evenals wij door de Franschen genomen
+waren, op onzen koopvaarder blijven. De kapitein wou niet meer van zijn
+volk missen, dan volstrekt noodig was, en liet dus aan onszelven over
+het schip in de haven te brengen.</p>
+<p>&bdquo;Na een kort verblijf vervolgden wij onzen tocht naar Engeland
+en waren hartelijk blij, dat wij aan de Franschen ontkomen waren.
+Evenwel was onze vreugde niet lang van duur, daar we spoedig merkten,
+dat in plaats van eene Fransche gevangenis eene Hollandsche ons lot
+moest zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hoe meent ge dat?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Luister maar. Twee dagen later, toen wij juist de Kaap
+omzeilden, kwam er een ander Fransch vaartuig op ons af en nam ons.
+Ditmaal vonden wij geen helpenden vriend in onzen nood, maar werden
+aanstonds in de Tafelbaai opgebracht. De kaap de Goede Hoop was
+namelijk in &rsquo;t bezit van de Hollanders, die evenals de Franschen,
+met Engeland in oorlog waren.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar, Flink, gij zijt toch recht ongelukkig
+geweest!<span class="corr" id="xd21e3146" title=
+"Niet in bron">&rdquo;</span> riep mevrouw Wilson op medelijdenden toon
+uit.</p>
+<p><span class="corr" id="xd21e3150" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>Ja, mevrouw, dat waren we zeker. Maar ik
+was jong en luchthartig en wist mij spoedig in mijn ongeluk te
+troosten. Maar kom, &rsquo;t is nu tijd om te gaan slapen. Caroline is
+al diep in de rust en sinjeur Thomas deed het laatste half uur niets
+dan gapen, zoodat we voor van avond hier maar afbreken zullen.&rdquo;
+<span class="pagenum">[<a id="pb136" href="#pb136" name=
+"pb136">136</a>]</span></p>
+</div>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd21e2994" href="#xd21e2994src" name="xd21e2994">1</a></span>
+Kano&rsquo;s zijn booten, zooals de wilden en Indianen gebruiken.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd21e3103" href="#xd21e3103src" name="xd21e3103">2</a></span> Eene
+haven van China, de eenige, die eertijds voor vreemdelingen
+openstond.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd21e3112" href="#xd21e3112src" name="xd21e3112">3</a></span> Indische
+matrozen, die men bij gebrek aan Europeesche in dienst neemt.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd21e3118" href="#xd21e3118src" name="xd21e3118">4</a></span> Vroeger,
+toen wij Hollanders het bezaten, heette dit eiland Mauritius, gelijk
+ook tegenwoordig weder, nu het aan de Engelschen toebehoort.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch34" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">VIER-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">DIE ARME JUNO!&mdash;FLINK VERTELT VERDER.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Ze hadden nog maar korten tijd gerust, of er brak een
+hevig onweder boven hunne hoofden los. Het bliksemde zoo sterk, dat het
+licht zelfs door de reten van de deur en vensters heendrong, en de
+donder ratelde zoo hevig door de lucht, dat allen wakker schrikten en
+aan geen slapen meer te denken was. De kleinen kreten en sidderden van
+angst in de armen van mevrouw Wilson en Juno, die zelven bijna niet
+minder ontsteld waren.</p>
+<p>&bdquo;Dat is een vreeselijk weder!&rdquo; sprak mijnheer Wilson tot
+Flink, want beiden waren opgestaan.</p>
+<p>&bdquo;Waarlijk, mijnheer, ik heb nog nooit erger weder
+beleefd.&rdquo;</p>
+<p>Bij deze woorden werden beiden, half bedwelmd, op den grond
+geslingerd. Een bliksemstraal viel op het huis, zoodat dit met al wat
+er in was dreunde en schudde. Een zwavelreuk verspreidde zich overal,
+en zoodra de twee weder op hunne voeten stonden, ontdekten zij met
+schrik, dat het gansche huis vol rook was. Daarbij kwam nog een
+gejammer der vrouwen en het gillen der kinderen, dat zich uit de
+bedsteden hooren liet.</p>
+<p>&bdquo;God erbarme zich onzer!&rdquo; riep Flink, die het eerst
+weder tot zijn bewustzijn kwam en nu begon te onderzoeken welke
+gevolgen het inslaan wel had gehad; <span class="corr" id="xd21e3170"
+title="Niet in bron">&bdquo;</span>de slag heeft ons getroffen en ik
+vrees, dat het huis ergens in brand staat.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Vrouw!&mdash;kinderen!&rdquo; schreeuwde de doodelijk
+ontstelde vader.</p>
+<p>&bdquo;Gij zijt toch allen onbezeerd?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, ja!&rdquo; riep zijne vrouw, &bdquo;allen lieve man.
+Thomas komt daar juist bij mij.&mdash;Maar waar is
+Juno?&mdash;Juno!&rdquo;</p>
+<p><a id="xd21e3180" name="xd21e3180"></a>Juno gaf geen antwoord.
+Willem vloog naar den anderen hoek van het huis. Daar vond hij haar
+roerloos op den grond uitgestrekt liggen.</p>
+<p>&bdquo;Ze is dood, vader!<span class="corr" id="xd21e3185" title=
+"Niet in bron">&rdquo;</span> riep hij, hevig verschrikt.</p>
+<p>&bdquo;Help mij haar naar buiten dragen, mijnheer!&rdquo; riep
+Flink, die het arme meisje onderwijl in zijn armen had genomen.
+&bdquo;Ze kan licht alleen maar bedwelmd zijn.&rdquo;</p>
+<p>Gezamenlijk droegen zij het lichaam nu in de open lucht. De regen
+kletterde in stroomen neder.</p>
+<p>De oude man verliet hen voor eene minuut, om zich te overtuigen, dat
+het huis nergens vuur had gevat. Hij bevond, dat het aan den uitersten
+hoek in vlam had gestaan; doch deze was door den regen weer uitgedoofd.
+<span class="pagenum">[<a id="pb137" href="#pb137" name=
+"pb137">137</a>]</span>Toen keerde hij dadelijk naar mijnheer Wilson en
+zijn zoon, die zich met Juno bezighielden, terug.</p>
+<p>&bdquo;Ik zal bij &rsquo;t meisje blijven, mijnheer,<span class=
+"corr" id="xd21e3198" title="Niet in bron">&rdquo;</span> zeide Flink.
+&bdquo;Ga gij maar met Willem in huis. Mevrouw sterft van schrik, als
+ge haar bij al die akeligheid alleen laat.<span class="corr" id=
+"xd21e3201" title="Bron: &mdash;&mdash;">&mdash;</span>Kijkt, kijkt,
+vriendin Juno is niet dood: ze begint al weer adem te halen.&mdash;Ja,
+ja, we hadden de goede meid hier ook al slecht kunnen
+missen.&rdquo;</p>
+<p>Vader en zoon volgden Flinks raad. Zij vonden mevrouw Wilson bijna
+onmachtig van angst en schrik. De heuglijke tijding, die zij
+overbrachten, dat Juno niet dood was, bracht echter veel bij om haar
+weer eenigszins te doen bekomen. Willem zocht den kleinen Albert tot
+bedaren te brengen; en Thomas was na korten tijd vast in slaap in
+vaders armen.</p>
+<p>Het onweer bedaarde nu van lieverlede en bij het aanbreken van den
+dag kwam Flink ook weder met Juno terug. Zij was in zooverre weer
+hersteld, dat ze, door hem ondersteund, naar de kamer kon stappen, en
+toen werd ze aanstonds te bed geholpen.</p>
+<p>Daarop verlieten Flink en mijnheer Wilson het huis om te onderzoeken
+of er ook nog verdere schade was aangericht. De bliksem was in de
+voorzijde van het huis ingeslagen, juist op de plaats, waar men later
+een schoorsteen bouwen wilde. Ze bevonden, dat de hitte den ijzeren
+ketel gedeeltelijk had doen smelten; maar wat nog grooter verlies
+was&mdash;hunne geit, de zwarte Nanni, was gedood; doch hare jongen
+waren ongedeerd gebleven.</p>
+<p><span class="corr" id="xd21e3211" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>We zijn inderdaad voor een groot ongeluk
+behoed gebleven,&rdquo; sprak mijnheer Wilson eindelijk.</p>
+<p>&bdquo;Ja, mijnheer!&rdquo; antwoordde Flink. &bdquo;Ik dacht al,
+dat de arme Juno verloren was.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Als ik &rsquo;t wel heb, Flink, hebben wij eene rol dik
+koperdraad, niet waar?<span class="corr" id="xd21e3218" title=
+"Niet in bron">&rdquo;</span> vroeg mijnheer Wilson.</p>
+<p>&bdquo;Ja, mijnheer, ik dacht daar ook al aan. Het eerste, waaraan
+wij denken moeten, is een bliksemafleider.&rdquo;</p>
+<p>Middelerwijl was het helder dag geworden. Mevrouw Wilson kleedde
+zichzelve en de kinderen aan. Willem nam vervolgens op zich, voor het
+ontbijt te zorgen, en Flink nam uit den onder de bedsteden geborgen
+voorraad de bedoelde rol koperdraad op. Hij rolde deze los en boog ze
+recht; toen haalde hij de ladder, die op de plaats stond, waar zij
+bezig waren hun magazijn te bouwen.</p>
+<p>Terstond na het ontbijt ging men aan het werk, om den afleider vast
+<span class="pagenum">[<a id="pb138" href="#pb138" name=
+"pb138">138</a>]</span>te zetten. Inmiddels moest Willem Juno&rsquo;s
+arbeid verrichten, want deze lag nog te bed en scheen in diepen slaap
+verzonken.</p>
+<p>&bdquo;Ik geloof, mijnheer,&rdquo; zeide Flink, &bdquo;dat
+&eacute;&eacute;n dezer beide boomen, die zoo dicht naast elkander
+staan, het best tot ons doel passen. Zij zijn niet al te dicht bij het
+huis en staan juist zoo, dat de draad den bliksem nog aantrekken
+kan.&rdquo;</p>
+<p><span class="corr" id="xd21e3233" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>Dat komt mij ook zoo voor, Flink; wij
+mogen echter beiden niet laten staan.<span class="corr" id="xd21e3236"
+title="Niet in bron">&rdquo;</span></p>
+<p>&bdquo;Neen, mijnheer. Eerst zullen wij echter beiden nog noodig
+hebben, om naar boven te klimmen en den draad vast te maken. Is dit
+gedaan, dan zullen wij er een omkappen.&rdquo;</p>
+<p>Flink zette de ladder tegen een der beide boomen, nam den hamer en
+een zak vol groote spijkers en sloeg een daarvan zoo in den stam, dat
+hij de zwaarte van zijn eigen lichaam dragen konde. Boven den eersten
+sloeg hij een tweede in, en zoo ging hij voort, totdat hij den top van
+den boom bereikt had, waar de beide kruinen bijna in elkander waren
+gegroeid. Toen klom hij naar beneden, nam eene zaag en eene handbijl
+mede, klom weer naar boven en binnen den tijd van tien minuten was de
+kruin van den boom geveld, zoodat nog slechts de slanke, naakte stam
+overbleef.</p>
+<p>&bdquo;Wees voorzichtig, Flink, dat gij behouden weer op den grond
+komt!&rdquo; riep mijnheer Wilson angstig.</p>
+<p>&bdquo;Wees volkomen gerust,&rdquo; klonk de stem van den ouden man
+uit de hoogte. &bdquo;Ik ben wel niet zoo vlug meer als in mijne jonge
+jaren, maar heb toch al te dikwijls in vrij wat hooger masten dan deze
+gezeten, om &rsquo;t klimmen geheel verleerd te zijn.&rdquo;</p>
+<p>Flink kwam dan ook behouden weer beneden en sneed een dunnen stok
+met een sterk stuk puntig koperdraad aan het einde, dien hij vervolgens
+daarboven aan den kokosstam wilde vastbinden. Nu voor de laatste maal
+omhoog klauterende, bond hij den stok stevig aan den boom vast,
+vervolgens het eind van het koperdraad aan de daaraan gescherpte
+bovenste punt en klom toen af. De andere boom daarnaast werd terstond
+geveld en het benedeneinde van het koperdraad aan den voet van den
+boom, die den afleider droeg, diep in de aarde begraven.</p>
+<p>&bdquo;Nu hebben we een noodzakelijk werk tot stand gebracht,&rdquo;
+sprak de oude man en wischte zich het zweet van het voorhoofd.</p>
+<p>&bdquo;Ja,&rdquo; antwoordde de mijnheer Wilson; <span class="corr"
+id="xd21e3254" title="Niet in bron">&bdquo;</span>maar bij ons magazijn
+moeten we er nu ook nog een zetten, daar anders onze voorraad gevaar
+kon loopen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat zal zoo spoedig mogelijk gebeuren.&rdquo; <span class=
+"pagenum">[<a id="pb139" href="#pb139" name="pb139">139</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Ge begrijpt toch wel het doel van zulk een afleider,
+Willem?&rdquo; vroeg zijne vader.</p>
+<p>&bdquo;O ja, vader. De bliksem wordt door het metaal aangetrokken en
+moet nu, in plaats van het huis, de spits aan den afleider treffen, bij
+den draad nederschieten en op zijn hoogst den grond eens wat opwoelen.
+Gij hebt mij dat al vroeger verklaard.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, en gij hebt het goed gevat en niet weer vergeten,&rdquo;
+sprak Flink met welgevallen.&mdash;&bdquo;Het onweer komt terug en
+misschien nog wel zwaarder,&rdquo; vervolgde de oude man. &bdquo;Ik
+vrees, dat we vandaag weinig zullen kunnen werken. Ik zal nu eens
+spoedig naar ons vee en gevogelte omzien. Naar ik hoop, hebben we geen
+verder verlies geleden. Heb gij onderwijl de goedheid, mijnheer, met
+Willem de arme geit te begraven. Dat kan nog licht geschieden, voor dat
+de storm opnieuw losbreekt.&rdquo;</p>
+<p>Zij trokken Nanni bij de pooten uit de kooi en begroeven haar aan
+den voet van den afleider. Juist toen zij gedaan <span class="corr" id=
+"xd21e3268" title="Bron: haddenl">hadden,</span> kwam ook Flink terug.
+Hij had de geiten en schapen gelukkig gevonden en eene der beide
+overige geiten meegebracht, die gedurende het onweder jongen had
+geworpen.</p>
+<p>&bdquo;Ik was al bang,&rdquo; zeide Flink, &bdquo;dat wij de arme
+geitjes na &rsquo;t verlies der moeder geen voedsel meer zouden kunnen
+geven; maar nu kan deze geit hier alle vier te gelijk zoogen. &rsquo;t
+Zal haar wel zwaar vallen; doch het kan niet anders. Wij moeten haar
+maar rijkelijk voeren.&rdquo;</p>
+<p>Met deze woorden bracht hij de tweede geit ook in de kooi, waar ze
+terstond de plaats van de zwarte Nanni innam. Daarop zette men zich aan
+tafel. Juno was nu ook weer op en voelde zich volkomen wel, behalve dat
+ze voortdurend over zware hoofdpijn klaagde.</p>
+<p>Wat Flink voorspeld had, gebeurde ook; de regen keerde met
+verdubbelde hevigheid terug, en het was volstrekt onmogelijk iets
+buitenshuis te verrichten. Op Willems verzoek ging de oude stuurman met
+zijn verhaal voort.</p>
+<p>&bdquo;Zoodra wij met het Fransche schip in de Tafelbaai voor anker
+waren gekomen, werden wij allen ontscheept en in eene gevangenis dicht
+bij den tuin van den gouverneur opgesloten. Wij werden niet heel streng
+bewaakt, daar aan ontvluchten voor ons toch bijna niet te denken viel,
+en ik moet zeggen, wij werden in alle opzichten goed behandeld. Daarbij
+zei men ons echter dat wij met het eerste oorlogsschip, dat in de Baai
+aankwam, naar Holland zouden worden opgezonden, en dit vooruitzicht
+beviel ons maar volstrekt niet.</p>
+<p>&bdquo;Gelijk ik vroeger al gezegd heb, waren buiten mij nog eenige
+andere knapen gevangen, die tot den Oostindi&euml;vaarder behoorden.
+Wij hechtten <span class="pagenum">[<a id="pb140" href="#pb140" name=
+"pb140">140</a>]</span>ons aan elkander, niet alleen omdat wij van
+gelijke jaren, maar vooral omdat wij reeds zoo lang scheepskameraden
+geweest waren. Twee van die jongens, Jack Romer, van wien ge reeds
+gehoord hebt, en Wim Hastings waren mijne bijzondere vrienden.</p>
+<p><span class="corr" id="xd21e3285" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>Toen wij op zekeren dag tegen onze
+gevangenismuur aanzaten en, om ons in de zon te warmen&mdash;want het
+was winter,&mdash;recht dicht bij elkaar kropen, begon Romer:</p>
+<p>&bdquo;Wat zou &rsquo;t ons toch weinig moeite kosten van hier te
+ontsnappen, als we maar wisten, waarheen we dan gaan
+moesten.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja,&rdquo; zei Hastings; &bdquo;waar konden we anders
+heengaan dan naar de Hottentotten en de bloeddorstige wilden? En als we
+daar waren, wat zouden we dan aanvangen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ei wat!&rdquo; zei ik eindelijk. &bdquo;Ik wil liever als
+vrij mensch onder wilden leven, dan hier zoo in de gevangenis
+opgesloten zitten.</p>
+<p>&bdquo;Dit was ons eerste gesprek over dit onderwerp, maar voortaan
+kwamen wij er gedurig op terug. Daarbij trof het gelukkig voor ons, dat
+twee of drie Hollandsche soldaten van onze gevangeniswacht Engelsch
+verstonden, zoodat wij, die ook al iets van het Hollandsch wisten, door
+vragen nog al wat van hen te weten konden komen. Zij hadden namelijk al
+zeer dikwijls aan de grenzen van de kolonie gelegen en konden ons de
+beste inlichtingen geven omtrent den weg, dien men daarheen te nemen
+had.</p>
+<p>&bdquo;Zoo gingen wij twee maanden lang voort met vragen te doen en
+over ons plan te spreken. Eindelijk besloten wij de vlucht werkelijk te
+beproeven.</p>
+<p>&bdquo;Gij begrijpt zelf, Willem, dat dit ook alweder een dwaze
+streek was en opnieuw bewijst, hoe weinig knapen in staat zijn, om over
+hun eigen best te oordeelen. We konden ons immers slechts in ellende en
+gevaar begeven, zonder ook maar eenige kans op ontkomen te hebben. We
+hadden veel beter gedaan met te blijven, waar wij waren; maar wat zal
+ik zeggen&mdash;&rsquo;t verstand komt eerst met de jaren; en men kan
+geen oud hoofd op jonge schouders zetten.</p>
+<p>&bdquo;Wij bewaarden onzen mondkost, kochten eenige lange
+Hollandsche messen en pakten onze weinige kleeren in een bundel bij
+elkaar. Toen het eindelijk eens een donkere avond was, zochten we
+ongemerkt op het plein achter te blijven, terwijl de overige gevangenen
+in hunne cellen werden opgesloten, en dit gelukte ons. Wij namen een
+langen paal, die in een hoek lag, en zetten dien tegen den muur op,
+zoodat hij tot bovenaan reikte. Klimmen konden wij opperbest, en zoo
+ontkwamen wij werkelijk en zochten zoo spoedig mogelijk naar den
+Tafelberg te ontkomen.<span class="corr" id="xd21e3302" title=
+"Niet in bron">&rdquo;</span> <span class="pagenum">[<a id="pb141"
+href="#pb141" name="pb141">141</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Wat reden hadt gij, om daarheen te gaan, Flink?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hastings, die de oudste en ook de welberadenste onder ons
+drie&euml;n was, oordeelde dat wij ons daar eerst eenige dagen
+verborgen konden houden, totdat we vast bepaald hadden wat we dan
+eigenlijk wilden aanvangen. Daarenboven moesten we ook zien, of we ons
+niet een paar geweren met kruit en lood verschaffen konden. Wij hadden
+namelijk eenig geld bij ons, want toen ons schip voor de eerste maal
+genomen werd, had de kapitein vooraf een vaatje ropijen,<a class=
+"noteref" id="xd21e3310src" href="#xd21e3310" name="xd21e3310src">1</a>
+dat hij aan boord had, naar gelang van &rsquo;t geen zij te goed hadden
+onder de officieren en matrozen verdeeld, daar hij het beter vond, dat
+zijn volk dat geld in handen had, dan dat de Franschen &rsquo;t
+wegnamen, hetgeen anders ongetwijfeld het geval zou zijn geweest.
+Gedurende onze gevangenschap hadden wij zeer weinig van ons geld
+verteerd; want drank werd niet toegelaten, en aan tabak pruimen en
+rooken hadden wij jongens ons nog niet gewend.</p>
+<p><span class="corr" id="xd21e3314" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>Hastings had ook nog eene andere reden,
+waarom hij ons aanried op den Tafelberg aan te gaan, te weten: zoodra
+onze vlucht bekend werd, zou men ons, dacht hij, patrouilles nazenden,
+en deze zouden, naar alle waarschijnlijkheid, den weg naar de
+binnenlanden inslaan, zoodat wij, als de eerste nasporing zonder gevolg
+geschied was, minder gevaar te vreezen hadden van weer te worden
+opgepakt. De soldaten hadden ons van beren en andere wilde dieren
+verteld en ons gezegd, hoe gevaarlijk daar te lande het reizen
+was;&mdash;nu meende Hastings, dat zij, ons niet vindende, denken
+zouden, dat we door die beesten verscheurd waren, en dat ze zoo geen
+verder onderzoek naar ons zouden doen.</p>
+<p>&bdquo;Ge merkt, Willem, we gebruikten nog al eene zeker soort van
+overleg, hoewel we toch maar onverstandige jongens waren.<span class=
+"corr" id="xd21e3320" title="Niet in bron">&rdquo;</span></p>
+<p>&bdquo;Onverstandig, zeker!&rdquo; merkte mevrouw Wilson
+aan;&mdash;&bdquo;zonder te weten waarheen, zoo een land in te gaan,
+dat vol wilde menschen en dieren is!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Gij hebt gelijk, mevrouw,&rdquo; antwoordde de oude man;
+&bdquo;dat zult gij hooren, als ik u vertel, wat ons, toen wij pas
+eenige uren op weg waren, overkwam.</p>
+<p>&bdquo;Eerst liepen wij op een draf, totdat wij geheel buiten adem
+waren, en toen gingen wij zoo snel als onze beenen ons konden dragen.
+Wij liepen niet regelrecht op den berg aan, maar namen eene eenigszins
+schuinsche richting naar het zuidwesten en meer naar den kant van de
+Valsche Baai, zoodat <span class="pagenum">[<a id="pb142" href="#pb142"
+name="pb142">142</a>]</span>wij ons verder van de stad verwijderden.
+Gij weet nog wel, Willem, ik wees u die baai, toen wij de Kaap
+voorbijkwamen.<span class="corr" id="xd21e3331" title=
+"Niet in bron">&rdquo;</span></p>
+<p>&bdquo;Ja, ja, ik herinner het mij nog heel goed, Flink.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;We waren zoowat vier uren op weg en begonnen moe te worden,
+toen de dag aanbrak. Thans zagen we natuurlijk naar eene plaats om,
+waar wij ons verbergen konden. We vonden spoedig een hol met een nauwen
+ingang, juist ruim genoeg om een half dozijn zulke knapen, als wij
+waren, te bevatten en daar kropen wij binnen. De grond was volmaakt
+droog, en daar wij heel moe waren, legden wij ons neder.</p>
+<p>&bdquo;Met ons hoofd op onze bundels, wilden we zien, of we ons door
+eenige uren slapens verkwikken konden.</p>
+<p>&bdquo;Wij lagen echter pas en hadden de oogen gesloten, toen we op
+eens zulk een wonderlijk blaffen, janken en kwetteren hoorden, dat wij
+hevig verschrikt weer opsprongen. Dadelijk gluurde Hastings eens daar
+buiten en begon te lachen. Ook Romer en ik keken uit en zagen.... wel
+honderd-vijftig groote bavianen, die zulke wonderbaarlijke sprongen en
+cabriolen maakten, als ik ooit van mijn leven nog gezien had. Zij waren
+grooter dan wijzelven&mdash;ja, als ze op de achterpooten stonden,
+wonnen ze het in lengte ver van ons en daarbij hadden zij groote witte
+tanden. Eenigen onder den troep waren wijfjes en droegen hare jongen op
+den rug; overigens huppelden die even vlug en vroolijk als de
+mannetjes. Ten laatste vertoonden ze zulke potsierlijke kuren en
+grappen, dat wij allen het van lachen uitschateren moesten. Op eens,
+terwijl we ons nog den buik vasthielden, ontdekten we de grijnzende
+tronie van een der grootsten uit den heelen troep op zeer korten
+afstand van ons.</p>
+<p>&bdquo;Die knaap was, als door een wonder, boven van de rots tot ons
+afgekomen. We sprongen alle drie heel ontsteld in de grot terug, want
+de baviaan had vreeselijke tanden en was woest en wild van uitzicht.
+Hij liet een gillend geluid hooren; en weldra zagen wij al de anderen,
+zoo hard ze maar loopen konden, op het gerucht aankomen.</p>
+<p>&bdquo;Ik zeide straks al, dat het hol ruim genoeg was, om een stuk
+of zes, zeven van ons te bergen. Achter dit volgde echter nog eene
+kleinere grot, waarin we nog niet geweest waren en die een veel
+nauweren ingang had. Romer riep: &bdquo;Laat ons in dat achterste hol
+vluchten; als we de een na den anderen door het gat kruipen, komen wij
+er wel.&rdquo;</p>
+<p><span class="corr" id="xd21e3347" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>Met deze woorden wrong hij zelf zich door
+de opening. Hastings volgde met zijn bundel en ik kwam er ook
+door,&mdash;juist nog bijtijds, want de bavianen hadden eerst buiten
+een halve minuut met elkaar gesnaterd, en drongen <span class=
+"pagenum">[<a id="pb143" href="#pb143" name="pb143">143</a>]</span>toen
+het voorste hol binnen op &rsquo;t zelfde oogenblik, dat ik mij in het
+achterste redde. Vijf of zes van die beesten vertoonden zich, allen
+mannetjes en naar &rsquo;t scheen, van de allergrootsten.<a id=
+"xd21e3352" name="xd21e3352"></a></p>
+<p>&bdquo;Het eerste, wat zij deden was, dat zij op Romers knapzak
+aanvielen. In een ommezien was die opengemaakt. Eerst kwam de mondkost
+die terstond in hunne wijde muilen verdween. Toen kwam het overige aan
+de beurt en werd eerst terdege besnuffeld en daarna in flarden
+gescheurd.</p>
+<p>&bdquo;Zoodra ze hiermee gedaan hadden, naderden twee van de
+monsters het achterste hol, waar ze ons in het oog kregen. Een hunner
+stak zijne lange pooten naar binnen, om ons naar zich toe te halen,
+maar Hastings stak den baviaan met zijn mes, waarop deze zijne armen in
+een wip terugtrok. Het was kluchtig te zien, hoe hij aan de overigen
+zijn poot vertoonde en dan het bloed met zijne tong aflikte. Een
+geschreeuw, zooals toen werd aangeheven, heb ik in mijn leven niet meer
+gehoord. Ze waren allen blijkbaar geweldig boos: er kwamen gedurig meer
+in het hol en tierden en gierden met de anderen.</p>
+<p>&bdquo;Eindelijk stak een tweede zijn poot uit, maar kreeg een prik,
+nog wel zoo raak als de eerste. Ten laatste poogden twee of drie te
+gelijk ons aan te pakken; doch wij weerden ons wakker met onze messen
+en brachten hun zware wonden toe. Zoo zetten zij wel een uur lang hun
+aanval voort. Toen verlieten zij eensklaps het hol, maar bleven huilend
+en jankend voor den ingang wacht houden.<a id="xd21e3361" name=
+"xd21e3361"></a></p>
+<p>&bdquo;Langzamerhand werden wij de grap hartelijk moe, en Romer zei
+al, dat hij liever in de gevangenis was dan hier. Ik voor mij dacht
+hetzelfde, maar wij konden ons onmogelijk naar buiten wagen. Hadden wij
+dat gedaan, dan zouden de dieren ons zekerlijk in stukken hebben
+gescheurd. Wij begrepen dus wel, dat er aan geen ontkomen te denken
+was, voordat de dieren, het wachten moede, vanzelf optrokken. Met een
+beangst hart zaten wij daar dus. Daarbij kwam nog, dat wij bitter door
+den dorst geplaagd werden en in het hol geen water vinden konden.</p>
+<p>&bdquo;Zoo bleven wij nog ruim twee uur als gevangenen van die
+leelijke bavianen in het hol opgesloten, toen op eens een der dieren
+een gillenden kreet uitstiet, waarop de gansche troep huilend en
+schreeuwend, zoo hard hij kon, op den loop ging.</p>
+<p>&bdquo;Wij wachtten nog eenigen tijd, om te zien, of zij ook
+terugkomen zouden; toen kwam Hastings het eerst voor den dag, keek
+voorzichtig buiten het hol en zeide, dat de gansche troep eindelijk
+voor goed weg en er in het rond niets meer te zien was, dan een
+Hottentot, die op den grond zat en op eenige <span class=
+"pagenum">[<a id="pb144" href="#pb144" name=
+"pb144">144</a>]</span>grazende koeien scheen te passen. De een na den
+ander slopen wij uit het hol en waren recht verheugd over onze
+verlossing.</p>
+<p>&bdquo;Dit was ons eerste avontuur, mijn goede Willem. Wij hadden in
+&rsquo;t gevolg nog eene menigte andere; maar &rsquo;t begint nu tijd
+te worden om naar bed te gaan. Ik denk, mijnheer Wilson, dat we morgen
+een goeden dag zullen hebben, maar met zekerheid zeggen kan men zoo
+iets niet.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik ben brandend nieuwsgierig om te weten wat u later nog al
+meer is overkomen, Flink,&rdquo; verzekerde Willem.</p>
+<p>&bdquo;Nu ja, beste jongen, dat zult gij nog wel te weten komen.
+Maar alles heeft zijn tijd en nu is het tijd om te slapen, als ge niet
+misschien met mij meegaan wilt, Willem. De lucht is opgeklaard en ik
+zou gaarne een paar visschen vangen voor morgen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O zeker, Flink, ik ga mee; ik ben volstrekt niet
+moe.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Goed dan, hier zijn de lijnen. Goeden nacht, mevrouw; goeden
+nacht, mijnheer! Over een uurtje volgen wij u.&rdquo;</p>
+</div>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd21e3310" href="#xd21e3310src" name="xd21e3310">1</a></span> Eene
+Oostindische munt. Men heeft zilveren ropijen, die ruim twee, en
+gouden, die zestien of zeventien gulden waard zijn.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch35" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">VIJF-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">EEN RUSTDAG.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De oude man had zich niet bedrogen. Toen de storm,
+waarvan wij boven gesproken hadden, had uitgewoed, werd het weder fraai
+en bleef zoo ettelijke dagen. Tengevolge van den slag, die haar
+getroffen had, bleef Juno nog eenigen tijd zwak en ontdaan, maar was
+toch in staat het middageten klaar te maken en ander licht werk te
+doen.</p>
+<p>Behalve nu en dan eens eene bui, bleef het weder bijna veertien
+dagen achtereen gunstig, en gedurende al dien tijd werkten mijnheer
+Wilson, Flink en Willem van &rsquo;s morgens vroeg tot &rsquo;s avonds
+laat aan hun magazijn en waren zoo verlangend dit tot stand te krijgen,
+dat zij telkens hoogst vermoeid van hun werk thuis kwamen en Willem
+zelfs vergat Flink om de voortzetting van zijne geschiedenis te
+vragen.</p>
+<p>Eindelijk was het pakhuis gereed. Het was met een bladerendak gedekt
+en op drie zijden met gevlochten takken gesloten, doch op de vierde
+open, zoodat de lucht er gedurig vrije speling had. Het benedenste
+gedeelte, dat tot beschutting van de huisdieren bij nacht en gedurende
+den regentijd was ingericht, was insgelijks aan drie zijden gedekt en
+kon het vee behoorlijk <span class="pagenum">[<a id="pb145" href=
+"#pb145" name="pb145">145</a>]</span>tot stalling dienen. Ook was er
+reeds een voetpad door het bosch uitgekapt; doch om de boomwortels uit
+te graven, had het tot hiertoe nog aan tijd ontbroken.</p>
+<p>Al de voorraad, dien zij hier hadden, werd daarop in het nieuwe
+pakhuis geborgen en nu eindelijk konden zij weder aan ander werk
+beginnen te denken. Evenwel had men besloten dat de dag na de
+voltooiing van het magazijn in de familie als een feestdag zou gevierd
+worden,&mdash;eene verademing, die zij allen ook zeer noodig hadden.
+Willem ving eenige visschen, er was eene schildpad uit den vijver
+opgehaald en zoo was het niet alleen een dag van rust, dien zij hadden,
+maar een wezenlijk feest.</p>
+<p>Mijnheer Wilson was met zijne vrouw en kinderen eene wandeling langs
+het strand gaan doen, terwijl Flink met Juno zich met het schoonmaken
+van den schildpad bezighield. Willem liet hun de nieuwgebouwde
+bergplaats met den veestal zien, waarheen nu ook de geit met hare vier
+jongen gebracht was, omdat er geen reden bestond om die langer in het
+woonhuis te houden, Daar het weder zoo schoon was, besloot men toen ook
+nog den tuin te bezoeken. Hier bevonden zij, dat de zaden,
+niettegenstaande den hevigen regen, nog niet begonnen op te komen.</p>
+<p>&bdquo;Ik had toch gedacht, dat het zaad na zooveel regen al verder
+zou zijn,&rdquo; zeide mevrouw Wilson.<a id="xd21e3400" name=
+"xd21e3400"></a></p>
+<p>&bdquo;O neen, mijn lieve,&rdquo; antwoordde haar man. &bdquo;Het
+heeft meer warmte noodig dan de zon in den tegenwoordigen regentijd kan
+schenken. Nog eenige dagen als vandaag en gij zult zien, hoe welig het
+opschiet.<span class="corr" id="xd21e3404" title=
+"Niet in bron">&rdquo;</span></p>
+<p><span class="corr" id="xd21e3408" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>Laat ons hier op dezen heuvel wat
+uitrusten; het is er volmaakt droog,&rdquo; verzocht zij. &bdquo;Ik had
+nooit gedacht,&rdquo; vervolgde zij, zich nederzettende, terwijl ze
+haar echtgenoot de hand drukte,&mdash;&bdquo;dat ik op een verlaten
+eiland zoo gelukkig kon worden. Wat vliegt de tijd hier snel voorbij.
+Het gemis van boeken moest mij, meende ik in den beginne, zeer
+smartelijk vallen, maar nu merk ik, dat ik tot lezen geen tijd zou
+hebben.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Werkzaamheid is de bron van geluk, vooral indien men waarlijk
+nuttig werkzaam is,&rdquo; zeide mijnheer Wilson. &bdquo;Een vlijtig
+mensch is altijd ook een gelukkig mensch, als hij namelijk niet al te
+ingespannen behoeft te arbeiden; en zelfs hij, die oorzaak tot
+droefheid en kommer heeft, zal zijn lijden bij vlijt en arbeid
+spoediger vergeten. Ik geloof zeker, dat een ledigganger nooit
+werkelijk gelukkig zijn kan en dat zelfs overlading met arbeid beter
+is, dan volslagen gebrek daaraan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar moeder, wij zullen niet altijd zooveel te doen hebben,
+als tegenwoordig.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb146" href=
+"#pb146" name="pb146">146</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Natuurlijk niet,&rdquo; gaf mijnheer Wilson ten antwoord;
+<span class="corr" id="xd21e3419" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>maar dan ook zullen wij in onze boeken een
+nieuwe bron van genot vinden. Ik verlang zeer, eens aan de
+landingsplaats te komen, om daar te zien, wat er van onze boeken nog
+over is en of zij ook erg gehavend zijn. Dat kan echter eerst gebeuren,
+als de regen geheel voorbij is en wij onze boot weer gebruiken
+kunnen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Waar zijt gij daar toch mee bezig, Thomas?<span class="corr"
+id="xd21e3424" title="Niet in bron">&rdquo;</span> vroeg zijne
+moeder.</p>
+<p>&bdquo;Ik maak torretjes dood,&rdquo; was het antwoord. &bdquo;O, ik
+heb er al een heelen boel kapotgemaakt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar waarom maakt gij die arme diertjes toch dood? Ze hebben
+u immers geen kwaad gedaan.<span class="corr" id="xd21e3431" title=
+"Niet in bron">&rdquo;</span></p>
+<p>&bdquo;Ik mag die torren niet lijden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is nog geen reden, Thomas; gij moet niet alles doodmaken
+wat gij niet lijden moogt. Als ze u bijten of steken, dan moogt gij ze
+dooden; maar dieren zonder reden te dooden is wreedheid.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Juno slaat ook wel vliegen dood,&rdquo; zei Thomas.</p>
+<p>&bdquo;Ja, omdat dit somtijds noodig is; maar ze doodt ze zekerlijk
+niet alleen omdat ze juist niets beters te doen heeft. Vergeet niet,
+wat ik u gezegd heb, Thomas.&rdquo;</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch36" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">ZES-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">NOG AL ANDER WERK.&mdash;FLINK VERVOLGT ZIJNE
+GESCHIEDENIS.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">&bdquo;Welnu, Flink,<span class="corr" id="xd21e3449"
+title="Niet in bron">&rdquo;</span> vroeg mijnheer Wilson den volgenden
+dag, &bdquo;wat moet nu na het ontbijt ons eerste werk zijn?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Me dunkt, mijnheer, we gaan allen heen en verzamelen de
+takken en twijgen van de gevelde kokosboomen, om ze tot brandstof
+bijeen te hebben. Thomas en Juno hebben al een fikschen hoop
+opgestapeld en tegen den avond, denk ik, kunnen we een houtstapel klaar
+hebben, waarin de regen niet doordringen kan. Daarna zullen we een
+zoutpan aanleggen en ook een vischvijver, daar het weer ons toch wel
+niet toelaten zal voor langen tijd van huis te gaan. Dat zal ons voor
+&rsquo;t minst eene week kosten; maar dan valt hier vooreerst ook
+weinig meer te doen. Ik geloof, dat wij het ergste van den regentijd
+reeds achter den rug hebben, over veertien dagen misschien reeds kunnen
+wij ons door het bosch wagen en gaan zien, hoe &rsquo;t met onze
+schatten aan de landingsplaats gesteld is. We zullen de handen vol
+hebben <span class="pagenum">[<a id="pb147" href="#pb147" name=
+"pb147">147</a>]</span>met alles uit te zoeken en terecht te leggen,
+voordat het mooie weer terugkomt, en kunnen het dan dadelijk in onze
+boot hierheen brengen en in het pakhuis bergen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En dan doen we eens een reisje over het eiland, niet waar,
+Flink?&rdquo; vroeg Willem. &bdquo;Ik verlang daar zeer
+naar.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, Willem; maar dat zal wel het laatst aan de beurt komen;
+want we moeten er op rekenen, dat we twee of drie nachten van huis
+blijven, en daartoe moet het weder eerst vast en goed zijn.</p>
+<p><span class="corr" id="xd21e3461" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>Evenwel zullen wij het nog doen, voordat
+wij onze goederen in de boot hierheen brengen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar hoe zullen wij met die zoutpan klaarkomen, Flink? Die
+moet immers in de harde rots worden uitgehouwen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zeker, Willem; maar ik heb daartoe reeds drie of vier
+zoogenaamde steenbeitels uitgezocht,&mdash;weet gij, van die korte,
+dikke, van een scherp eind voorziene ijzeren staven, die ginds in ons
+magazijn liggen. Die nemen wij, met een stevigen hamer, en dan zal het
+werk ons gemakkelijker van de hand gaan, dan gij denkt, daar de
+koraalrotsen, die van buiten zoo hard schijnen, inwendig tamelijk broos
+zijn.&rdquo;</p>
+<p>De gansche dag werd verder besteed om de kokostakken tot eene groote
+mijt op te stapelen. Flink maakte die naar de wijze der gewone
+hooibergen van boven spits, zoodat de regen er op afloopen kon.</p>
+<p>&bdquo;Ziezoo,&rdquo; zeide de oude man, toen hij eindelijk de
+ladder afkwam, &bdquo;daar hebben wij nu een voorraad voor het volgende
+jaar. We hebben nog genoeg over, om er gedurende dezen regentijd mee
+toe te komen, en hebben wij eerst droog weder, dan kunnen wij later den
+benoodigden brand bijeenbrengen. Deze voorraad hier moet tot het
+naastvolgend regenseizoen bespaard blijven.&rdquo;</p>
+<p>De heer Wilson zuchtte en zijn gelaat betrok. Flink merkte dit en
+liet er dadelijk op volgen:</p>
+<p>&bdquo;Onze voorzorg zal misschien overtollig zijn, mijnheer; maar
+niettegenstaande dat mogen wij ze toch niet verzuimen. Dat kapitein
+Osborn, als hij nog in leven is, naar ons zal laten zoeken, daar
+twijfel ik geen oogenblik aan, ja, ik geloof zelfs, dat Mackintosh het
+niet zal verzuimen. Maar daarbij moogt gij toch niet vergeten, dat
+allen kunnen vergaan zijn, terwijl wij zelven in het leven zijn
+behouden. Eene kleine boot geeft slechts weinig kans op behoud, als ze
+vele honderden mijlen van land is; en zijn ze werkelijk verongelukt,
+dan kunnen er misschien nog jaren verloopen, voordat wij door &rsquo;t
+een of ander schip ontdekt worden.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id=
+"pb148" href="#pb148" name="pb148">148</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Ja, Flink, zonder morren moeten wij ons in ons lot trachten
+te schikken. Ik heb er mijzelven reeds menigmaal om beschuldigd; maar
+zulke sombere gedachten komen toch dikwijls terug, ofschoon ik alle
+moeite doe, om ze te onderdrukken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat vind ik zeer natuurlijk, mijnheer; maar ge moet toch
+altijd het beste hopen. Wildet ge u nog langer kwellen, ge zoudt
+daardoor volstrekt niets beter maken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat gevoel ik wel, Flink; en als ik zie, hoe tevreden mijne
+vrouw onder al deze beproevingen is, dan erger ik mij nog meer over
+mijzelven.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Eene vrouw, mijnheer, weet het ongeluk altijd beter te
+dragen, dan een man. De vrouw is enkel liefde, en heeft zij echtgenoot
+en kinderen behouden om zich heen, dan zal zij zich genoegzaam overal
+gelukkig gevoelen. De mannen denken in dat opzicht echter geheel
+anders. Ze kunnen, gelijk gij thans, niet verdragen, zoo geheel van de
+wereld te zijn uitgesloten, en toch zouden zij zich misschien
+gelukkiger gevoelen niet met haar in aanraking te zijn, indien zij het
+maar goed wilden inzien.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Onze eerzucht is het, die ons ongelukkig maakt,&rdquo;
+antwoordde de heer Wilson. &bdquo;Maar laat ons nu hiervan zwijgen. De
+zon is onder; wij zullen in huis gaan.&mdash;Kom, Willem!&rdquo;</p>
+<p>Na het avondeten werd Flink door Willem gedrongen, zijne
+geschiedenis te vervolgen, wat hij dan ook met de volgende woorden
+deed:</p>
+<p>&bdquo;Als ik &rsquo;t wel heb, ben ik gebleven, waar de Hottentot,
+die de veekudde bewaakte, de bavianen, die ons zoozeer beangst hadden,
+verjoeg. Wij verlieten nu dadelijk het hol en zetten ons aan den voet
+van de rots neder, waar de Hottentot ons niet kon zien. Hier hielden
+wij nu eene soort van krijgsraad. Romer was er voor, dat wij
+terugkeeren en ons weer gevangen-geven zouden. Hij zeide, dat het
+onzinnig, dwaasheid was, zoo het land door te zwerven, zonder zelfs een
+wapen te hebben, om ons tegen de wilde dieren te verdedigen. Spoedig,
+oordeelde hij, konden wij nog in veel grooter gevaar komen, dan die
+ontmoeting met de apen geweest was. En waarlijk, de jongen had gelijk.
+Het zou zeker het verstandigst geweest zijn, wat wij in ons geval
+hadden kunnen doen; maar Hastings dacht, dat men ons uitlachen zou, en
+de vrees voor bespotting maakte dus, dat wij eindelijk besloten onze
+vlucht te vervolgen.</p>
+<p>&bdquo;Onthoud wel, Willem, de vrees om uitgelachen te worden
+verleidt niet alleen jongens, maar zelfs volwassen mannen tot uiterst
+dwaze handelingen. Wij hadden verkeerd gedaan en wilden enkel uit vrees
+voor bespotting onze dwaling niet herstellen; ja, wij hadden zelfs
+besloten liever ons leven te <span class="pagenum">[<a id="pb149" href=
+"#pb149" name="pb149">149</a>]</span>wagen en ons alle gevaren te
+getroosten, dan te verdragen, dat men ons om onze dwaasheid, gelijk wij
+eigenlijk verdiend hadden, eens terdege uitlachte. Houd dit goed in uw
+geheugen, Willem, en laat u nooit door de vrees van belachelijk te
+worden verleiden tot iets, dat verkeerd is, of, hebt gij onrecht
+gedaan, u door die vrees afschrikken, om tot uw plicht te
+keeren.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik dank u voor den raad, vriend, en hoop dat Willem hem nooit
+vergeten zal,&rdquo; sprak mijnheer Wilson. &bdquo;&rsquo;t Gebeurt
+inderdaad meer, dat men door spot, dan door overreding tot een misstap
+verleid wordt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zoo is het mijnheer, en dit was dan ook de reden, waarom wij
+ons dolzinnig plan niet opgaven. Toen wij eens tot dit besluit gekomen
+waren, was het tweede punt van beraadslaging, hoe wij ons wapens zouden
+verschaffen, want zonder deze, begrepen wij wel, was er niets voor ons
+te hopen.</p>
+<p>&bdquo;Terwijl wij daarover nog redeneerden, keek ik eens van achter
+de rots uit, om te zien waar de Hottentot wel mocht wezen. Ik bemerkte,
+dat hij zich in zijn mantel van schaapsvellen gewikkeld en op den grond
+te slapen gelegd had. De hottentotten gaan altijd gewapend uit, en zoo
+hadden wij bij het verlaten van de grot ook wel gezien, dat hij toen
+een geweer in de hand hield. Ik zeide dus tegen Romer en Hastings, dat,
+als de man sliep, wij misschien zijn geweer wel ongemerkt in onze
+handen konden krijgen.<a id="xd21e3503" name="xd21e3503"></a></p>
+<p>&bdquo;Dat scheen een goede inval, en Hastings bood zich aan, om op
+handen en voeten naar hem toe te kruipen, terwijl wij achter de rots
+bleven. Uiterst voorzichtig sloop hij nader en vond den man, met het
+hoofd in den mantel, vast in slaap. Zoo had hij dus niets te vreezen,
+want de Hottentotten zijn vadzig en, eens in slaap, moeilijk wakker te
+krijgen, dat wisten we wel.&mdash;Hastings pakte eerst het geweer en
+bracht het in veiligheid; toen keerde hij terug, sneed den riem door,
+waaraan de Hottentot zijn kruithoorn en kogelzakje droeg, en kwam met
+alles weer bij ons, zonder dat de man een vinger verroerd had.</p>
+<p>&bdquo;We waren opgetogen van blijdschap over dezen buit en
+besloten, heel zachtjes, op eenigen afstand van den man voorbij te
+sluipen, zoodat hij, ook als hij eens wakker werd, ons niet in het oog
+kon krijgen. Wij keken daarop overal rond, of we misschien ook iemand
+anders ontdekten, en gingen toen recht op de Tafelbaai aan, totdat wij
+op eenmaal voor eene breede rivier stonden.</p>
+<p>&bdquo;Dat was een tweede gelukkige ontdekking, want we waren
+uitermate dorstig. Na gedronken te hebben, zooveel ons lustte,
+verborgen wij ons in de nabijheid van de rivier en hielden een maaltijd
+van den voorraad, dien wij hadden meegenomen.&rdquo; <span class=
+"pagenum">[<a id="pb150" href="#pb150" name="pb150">150</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Maar, Flink, deedt ge geen kwaad door den Hottentot zoo zijn
+geweer te ontstelen?&rdquo; vroeg Willem.</p>
+<p>&bdquo;Neen, Willem, in dat geval kon dat niet wel als diefstal
+beschouwd worden. We waren dus bijna evengoed in oorlog met het land,
+als op den tijd, toen men ons tot gevangenen maakte, en hadden ons
+geweer evenmin gestolen, als men van onze vijanden zeggen kon, dat zij
+ons schip gestolen hadden. Heb ik geen gelijk, mijnheer
+Wilson?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, dat komt mij wel zoo voor. Als twee nati&euml;n met
+elkander in oorlog zijn, wordt het wederzijdsch eigendom, als het in
+vijandelijke handen valt, steeds als buit beschouwd.<a class="noteref"
+id="xd21e3518src" href="#xd21e3518" name="xd21e3518src">1</a> In uwe
+omstandigheden hadt gij alle recht om u alles toe te eigenen, wat gij
+kondet, als het u dienstig kon wezen tot de vlucht. Echter geloof ik,
+dat gij zedelijk misdaan zoudt hebben, als gij moord of ook slechts
+moedwilligen roof gepleegd hadt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Juist zoo; maar we waren op onze vlucht in de
+noodzakelijkheid gekomen, om ons &oacute;f gevangen te geven &oacute;f
+hen, die ons grijpen wilden, te verslaan, en dan zou niemand ons
+beschuldigd hebben, als we onze tegenpartij verslagen
+hadden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Toen ge eens gevangen waart, hadt gij, dunkt mij, ook het
+recht, om tot herwinning van uwe vrijheid zelfs het uiterste te baat te
+nemen. Zoo althans is het algemeen gevoelen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, mijnheer; maar nu verder. Wij wachtten den avond af en
+vervolgden toen onzen marsch naar de Valsche baai met allen spoed. Wij
+wisten, dat in het dal, of eigenlijk langs de berghelling, enkele
+boerenhoeven verstrooid lagen; daar hoopten wij, met goedheid of met
+geweld, nog twee geweren te krijgen.</p>
+<p>&bdquo;Het was middernacht en de maan scheen helder, toen wij
+eindelijk het water van de Valsche Baai in de verte zagen blinken. Kort
+daarop hoorden wij het blaffen van een hond en ontdekten wij op niet
+verren afstand twee boerenhofsteden met hare veestallen en boomgaarden.
+Nu zagen wij naar eene plaats om, waar wij tot den morgen schuilen
+konden, en vonden eindelijk tusschen eenige rotsblokken een plekje
+juist zooals wij het wenschten.</p>
+<p>&bdquo;Wij kwamen overeen, dat een van ons waken zou, terwijl de
+twee andere sliepen. Hastings nam voor ditmaal dien post op zich. Met
+het lichten van den dag wekte hij ons, en toen gingen we dadelijk aan
+het ontbijt, Uit onzen schuilhoek hadden we een bijna even ruim
+gezicht, alsof we als vogels door <span class="pagenum">[<a id="pb151"
+href="#pb151" name="pb151">151</a>]</span>de lucht hadden gevlogen. De
+in de diepte liggende boerderijen, met al wat daar voorviel, konden we
+nauwkeurig opnemen.<a id="xd21e3534" name="xd21e3534"></a></p>
+<p>&bdquo;De eene hoeve, die vlak onder ons lag, scheen ons veel
+kleiner toe, dan de beide andere, die we in de verte ontdekten. Wij
+wachtten, totdat wij de menschen buiten zagen komen. Na een half uur
+vertoonden zich eenige Hottentotten, en wij zagen hoe zij hunne ossen
+voor den wagen spanden. Er werden twaalf paar voorgespannen, en toen
+klom de Hottentotsche voerman op den wagen en sloeg den weg in naar de
+Kaapstad. Een Hottentotsche jongen en de groote hond gingen met hem
+mede.</p>
+<p>&bdquo;Een poosje daarna dreef een andere Hottentot de koeien naar
+het dal, om te grazen; vervolgens kwam eene Hollandsche vrouw met twee
+kinderen buiten de deur en voederde het pluimgedierte.</p>
+<p>&bdquo;Wij wachtten nog een uur langer; toen vertoonde zich de
+huisbaas zelf met eene pijp in den mond en zette zich op de bank voor
+het huis neder. Toen zijn pijpje uit was, riep hij, waarop eene
+Hottentotsche meid hem tabak en vuur bracht. Anders zagen wij niemand
+in de nabijheid en daaruit maakten wij op, dat de boer, zijne vrouw en
+de Hottentotsche meid met die beide kinderen de gansche bevolking van
+de boerderij zijn moesten.</p>
+<p>&bdquo;Tegen twee uur &rsquo;s middags bracht de man zijn paard
+buiten en reed weg. Wij zagen, hoe hij bij het wegrijden met de
+Hottentotsche vrouw sprak, en kort daarop ging deze met eene mand op
+het hoofd naar den kant van het dal.</p>
+<p>&bdquo;Nu, zeide Hastings, was het tijd, om ons te roepen, want nu
+was er alleen nog maar eene vrouw in huis,&mdash;die wij gemakkelijk
+meester konden worden. Echter ging dit nog altijd met vrij wat gevaar
+vergezeld, want als zij gerucht maakte en wij vluchten moesten, konden
+wij licht gezien en weer opgevangen worden.</p>
+<p>&bdquo;Wij zagen echter wel, dat er geene andere mogelijkheid voor
+ons bestond, en dus besloten wij omzichtig naar de hoeve af te dalen en
+van de gelegenheid zoo goed mogelijk gebruik te maken. Wij kropen langs
+den heuvel neder en bereikten onbemerkt de heg achter de woning. Hier
+lagen wij ruim een kwartier op de loer, toen wij, tot onze groote
+blijdschap, ook de vrouw, met een kind aan iedere hand, uit het huis
+zagen komen. Ze ging zekerlijk aan een van hare buurvrouwen een bezoek
+brengen, want ze sloeg den weg naar de verder gelegene hoeve in.</p>
+<p>&bdquo;Zoodra zij eenige honderden passen ver was, kroop Hastings
+voorzichtig door de heg en sloop door de achterdeur in het woonhuis. Nu
+eenige oogenblikken vertoonde hij zich weer en wenkte ons, dat wij
+komen konden. <span class="pagenum">[<a id="pb152" href="#pb152" name=
+"pb152">152</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Wij vonden hem reeds in &rsquo;t bezit van eene buks en van
+een geweer, die voor den schoorsteen op een rek gelegen hadden. In een
+ommezien namen wij ook de kruithorens en patroonstasschen, die op
+verschillende plaatsen aan den wand hingen, af en hingen die zelven om.
+Toen we deze in ons bezit hadden, plaatste Hastings mij als schildwacht
+aan de voordeur, opdat men ons niet onverhoeds overvallen zou, terwijl
+hij zelf met Romer naar levensmiddelen omzag. Zij vonden drie hammen en
+een brood, wel bijna zoo groot als een waschtobbe.</p>
+<p>&bdquo;Hiermede ruim tevreden, besloten wij zonder lang te dralen,
+onzen schuilhoek weer op te zoeken. Wij tuurden naar alle kanten
+<span class="corr" id="xd21e3555" title="Bron: zond">rond</span>, maar
+ontdekten nergens een sterveling, zoodat wij aannemen konden, dat
+niemand ons gezien had.</p>
+<p>&bdquo;Omstreeks midden op den heuvel verhief zich een steile,
+naakte rotswand, dien wij, om in het dal te komen, noodzakelijk over
+moesten, als wij ons niet al te dicht bij het boerenhuis wilden wagen.
+Na kort beraad kwamen wij overeen, dat het misschien beter zou zijn hem
+nog bij dag te beklimmen, zoodat wij deze zwarigheid op eenmaal
+overwonnen hadden en ook verder van de hoeve verwijderd waren. Wij
+volvoerden terstond ons besluit, vonden eene zeer veilige schuilplaats,
+waar wij ons nederlegden, om na zonsondergang onze reis naar de
+binnenlanden voort te zetten.</p>
+<p>&bdquo;We hadden nog geen uur daar gelegen, toen we op den heuvel,
+dien wij verlaten hadden, het geschreeuw van onze goede vrienden de
+bavianen hoorden. Wij zagen, hoe zij op de boerderij aantrokken, in de
+vruchtboomen klauterden en elkaar met verwonderlijke vlugheid de
+vruchten toewierpen. De listige dieren hadden evengoed als wij
+afgeloerd, dat de kust vrij was, en wilden eene zoo goede gelegenheid
+niet ongebruikt laten.</p>
+<p>&bdquo;Zij waren nog druk aan het werk, toen de Hottentot met de
+koeien in de verte aankwam. Zoodra hij het huis naderde, hieven zij
+allen een schellen kreet aan en maakten zich hals over kop uit de
+voeten. Na den herder zagen wij de boerin terugkomen; zij bleef slechts
+korten tijd in huis en kwam toen op eens met alle teekenen van schrik
+en ontsteltenis buiten de deur. Omtrent &eacute;&eacute;n uur
+v&oacute;&oacute;r zonsondergang kwam de Hollandsche boer van zijn rit
+terug en na weinige minuten begrepen wij uit het luid gejammer en
+misbaar in huis, dat hij zijne vrouw sloeg; want, ziet gij, mijnheer
+(althans zoo stelden wij ons de zaak voor), doordat zij van huis was
+gegaan, hadden de apen &rsquo;t gewaagd, den boomgaard te plunderen en
+ongetwijfeld dacht men, dat die viervoetige roovers ook de andere
+dingen, die in huis vermist werden, hadden meegepakt, daar het wel
+bekend is, dat zij alles nemen, wat zij krijgen kunnen. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb153" href="#pb153" name="pb153">153</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Zoo waren de bavianen, die de arme vrouw zoo in pijn
+brachten, voor ons van groot nut, daar zij maakten, dat niemand iets
+van ons huisbezoek vermoedde en dus alle gevaar van vervolging van ons
+afweerden. Hoogst tevreden met den dienst, dien zij ons dezen avond
+deden, vergaven wij hun dan ook gaarne den angst, welken zij ons des
+morgens aangejaagd hadden.</p>
+<p>&bdquo;Maar nu, beste Willem, wil ik voor ditmaal afbreken, daar ik
+zie, dat het onder mijn praten tamelijk laat is geworden. Het vervolg
+dus op een anderen avond.&rdquo;</p>
+</div>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd21e3518" href="#xd21e3518src" name="xd21e3518">1</a></span> Het
+nieuwe oorlogsrecht heeft dezen algemeenen regel wel eenigszins
+gewijzigd.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch37" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">ZEVEN-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">KROKODILLEN, HAAIEN, HYENA&rsquo;S.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Wij verlieten onze vrienden op den avond van den dag,
+toen zij hun stapel brandhout tegen het volgende regenseizoen tot stand
+gebracht en zich het spoedig aanleggen van een vischvijver en van eene
+zoutpan voorgenomen hadden. Met den eersten werd ook reeds dadelijk den
+volgenden morgen een begin gemaakt. Flink, mijnheer Wilson en zijn zoon
+gingen gezamenlijk naar het strand en kozen, na lang zoeken, ongeveer
+honderd schreden van den schildpadvijver, eene plaats, die hun tot dit
+doel het meest geschikt voorkwam. Het water was daar vrij ondiep,
+zoodat op het punt, dat het verst van den oever verwijderd was, de
+diepte niet meer dan drie voet bedroeg.</p>
+<p>&bdquo;Wij hebben hier dus een heel gemakkelijk werk,
+mijnheer,&rdquo; begon Flink<span class="corr" id="xd21e3579" title=
+"Bron: ,">.</span> &bdquo;Al wat we te doen hebben is, dat we steenen
+en kleine rotsblokken verzamelen en die zoo op elkaar stapelen, dat ze
+binnenwaarts als een muur staan, maar naar buiten schuins afloopen, om
+de kracht van de zee te breken, als die onstuimig is. Het water zal
+natuurlijk altijd tusschen de steenen heenspoelen en zoo gedurig
+ververscht worden. &rsquo;t Is waar, we kunnen meestal wel visch
+vangen, als we die noodig hebben, maar we hebben niet altoos tijd
+daartoe te missen, en zoo is het dus beter een vasten voorraad te
+hebben, waarover we ieder oogenblik beschikken kunnen. Ze vangen en
+hier in den vijver overplanten, kunnen we zoo dikwijls als er niets
+anders te doen valt. Dan kan Juno naderhand altijd maar heengaan en er
+met een spies een uitprikken, als wij niet thuis zijn en zij iets voor
+de keuken noodig heeft. Het is altijd goed, dat men een voorraad
+mondkost tot zijne beschikking klaar heeft.&rdquo; <span class=
+"pagenum">[<a id="pb154" href="#pb154" name="pb154">154</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Maar, Flink, hier in het rond zie ik slechts weinig steenen;
+hoe maken wij het, om die van zoo ver te halen?&rdquo; vroeg
+Willem.</p>
+<p>&bdquo;Daartoe zullen wij onze handkar nemen; daar kan een goede
+voorraad in &eacute;&eacute;ne vracht op.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar hoe ze daarop te houden, Flink?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wij binden eene ton aan de as vast. Ik zal dat dadelijk in
+orde brengen, en kom er dan mee hier. In dien tusschentijd kunt gij met
+uw vader al de steenen oprapen, die hier voor de hand
+liggen.&rdquo;</p>
+<p>De oude man kwam weldra met de kar terug, waaraan hij een vat
+werkelijk zeer handig had vastgemaakt; en met behulp van dit voertuig
+zagen zij nu, dat het bijeenbrengen van steenen hun slechts weinig
+moeite behoefde te kosten. Vader en zoon voerden de bouwstoffen aan, en
+Flink stond in het water, om den muur op te trekken.</p>
+<p>&bdquo;Wij hebben tot hiertoe een ander werk geheel vergeten, wat we
+toch niet verzuimen moesten, mijnheer,&rdquo; zeide Flink, &bdquo;en de
+vischvijver herinnert mij daaraan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En dat is, Flink?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Eene badplaats voor de kinderen, of eigenlijk voor ons allen,
+groot en klein. Als de heete dagen aankomen, zullen wij daar behoefte
+aan hebben, maar tegen dien tijd kunnen we er ook gemakkelijk mee
+klaarkomen. Hier<span class="corr" id="xd21e3600" title=
+"Bron: .">,</span> waar het zoo ondiep is, loop ik geen gevaar en kan
+ik gerust aan mijn muur voortbouwen; maar als het water mij tot over de
+knie&euml;n kwaam, zou ik mij wel zorgvuldig in acht nemen; want gij
+hebt er geen denkbeeld van, mijnheer, hoe stout en roofzuchtig de
+haaien onder deze breedte zijn. Toen ik de laatste maal op St. Helena
+was, hadden we daar nog een treurig bewijs van.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Vertel het ons toch eens, Flink,&rdquo; riep Willem.</p>
+<p>&bdquo;Ja zie, ik had zelf niet gedacht, dat het mogelijk was. Ik
+weet een geval van dien aard, toen ik in Oost-Indi&euml; was, doch dat
+was niet met een haai, maar met een kaaiman. Een Hollander stond op
+zekeren dag aan het strand en vischte in de haven. Daar komt een
+kaaiman of krokodil regelrecht op hem toezwemmen, totdat hij met zijn
+snuit nog maar een paar voet van den visscher af is. De Hollander
+stoort zich daar echter niet aan, want daar hij op den vasten wal
+staat, vreest hij geen gevaar van het monster. Dit keert zich op eens
+om, slaat met zijn staart den armen man van den oever weg, zoodat hij
+in zee tuimelt, en daar pakt het den ongelukkige aan en duikt met hem
+onder.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Vreeselijk! Maar een haai kan toch zoo iets niet doen: kan
+hij wel, Flink?&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb155" href=
+"#pb155" name="pb155">155</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Dat zult gij hooren, mijnheer. Er stonden twee soldaten op
+Sint Helena op een rots vlak aan zee. De rots was nog wel boven het
+water, doch daar de vloed opkwam, sloeg de branding er toch reeds nu en
+dan overheen. Daar kwamen twee haaien op hen toezwemmen, juist als die
+kaaiman, waarvan ik u verteld heb; de een werpt zich plotseling om en
+slingert met een slag van zijn staart een van de soldaten in het water,
+dat zeer diep was. De kameraad van den ongelukkige kwam doodelijk
+ontsteld naar de kazerne loopen, om het gebeurde te vertellen. Omtrent
+eene week later ontdekte men van een schoener in de Zandbaai aan de
+andere zij van het eiland een geweldig zwaren haai bij het roer van het
+schip. Al spoedig werd er een haak uitgeworpen met een dik stuk spek
+daaraan vast, en de knaap raakte gevangen. De matrozen sneden hem de
+buik open en vonden met ontzetting het gansche lichaam van den
+verongelukten soldaat van het hoofd tot aan de knie&euml;n in zijne
+maag. Het gedrocht had hem ingeslokt, met uitzondering van de beenen,
+die &rsquo;t bij &rsquo;t sluiten van zijne geweldige kinnebakken had
+afgebeten. Ik zag de maag en de ruggegraat van het beest in de kazerne,
+en &rsquo;t was zekerlijk het grootste monster van die soort, dat ik
+mijn leven lang nog ergens gezien had.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik had niet gedacht, dat die dieren zoo stoutmoedig
+waren.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat ik u vertelde, mijnheer, is de zuivere waarheid, waarvoor
+ik kan instaan; en daarom kunnen we niet te voorzichtig wezen, als wij
+in het water gaan. Gij hebt immers zelf gezien, hoe schielijk die haai
+het arme varken binnen had.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En ik mocht toch wel eens weten, hoe het met onze varkens
+staat, Flink,&rdquo; sprak Willem haastig.</p>
+<p>&bdquo;Naar ik gis, zullen ze thans wel biggen hebben; aan voedsel
+ontbreekt het hun zeker niet<span class="corr" id="xd21e3620" title=
+"Bron: ,">.</span>&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Kunnen ze dan kokosnoten vreten?&rdquo;</p>
+<p><span class="corr" id="xd21e3626" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>De oude zeker niet; maar er vallen immers
+dagelijks jonge kleine noten van de boomen en daar zijn ze zeer graag
+op. Ook vinden ze wortels in overvloed. Als we nog eenigen tijd hier
+zijn, kunnen we een goede jacht op hen maken. Dan dienen we evenwel op
+onze hoede te zijn, Willem; want toen we de varkens aan wal brachten,
+waren ze wel mak, doch in zeer korten tijd worden ze wild en
+gevaarlijk. Een wild zwijn is altijd een vreeselijk dier.&rdquo;</p>
+<p><span class="corr" id="xd21e3631" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>Dat geloof ik wel,&rdquo; sprak de vader.
+&bdquo;Maar hoe zullen wij jacht op hen maken?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wel, met de honden mijnheer, die hen opjagen, zoodat wij hen
+onder <span class="pagenum">[<a id="pb156" href="#pb156" name=
+"pb156">156</a>]</span>het schot krijgen. Ik ben blij, dat onze Vixen
+eerlang kleintjes te wachten heeft; we zullen meer honden kunnen
+gebruiken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik ben maar bang, dat we zoodoende meer honden krijgen, dan
+we behoorlijk voeden kunnen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wees daar niet bezorgd voor, mijnheer, zoolang wij de zee
+hebben, om ons visch te leveren. Honden houden veel van visch, zelfs
+als die rauw is. In de noordelijke landen krijgen ze zelden iets
+anders.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;We zullen ook spoedig jonge lammeren krijgen,&mdash;is
+&rsquo;t niet zoo, Flink?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, mij dunkt, dat houdt niet lang meer aan. Ik wenschte, dat
+wij meer voeder voor die dieren hadden: tegenwoordig vooral is het nog
+een schrale tijd voor hen. Aanstaande jaar, als wij meer voeder vinden,
+moeten wij het gras inzamelen, om hooi te hebben tegen den winter, of
+liever tegen den regentijd, want een winter kennen wij hier niet. Ik
+ben vast overtuigd, dat wij aan den zuidkant van ons eiland meer vlak
+land zullen vinden, daar het kokosbosch zich daar zeker niet, zooals
+hier in het noorden, tot aan zee uitstrekt.<span class="corr" id=
+"xd21e3646" title="Niet in bron">&rdquo;</span></p>
+<p>&bdquo;Ik brand van verlangen, om eindelijk eens een
+ontdekkingsreisje te doen,&rdquo; zeide Willem.</p>
+<p>&bdquo;Nog een weinig geduld, vriendje,&rdquo; hernam de oude
+man<span class="corr" id="xd21e3653" title="Bron: :">,</span> &bdquo;en
+dan weet ik nog niet zeker, of gij wel meegaat; want wij mogen toch
+niet alle drie tegelijk gaan en uwe moeder alleen laten.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen,&rdquo; zeide mijnheer Wilson, &bdquo;dat zou zeker niet
+goed zijn. Een van ons moet thuis blijven, gij of ik<span class="corr"
+id="xd21e3658" title="Bron: ,">.</span>&rdquo;</p>
+<p>Willem gaf geen antwoord; maar men kon duidelijk bemerken, dat de
+gedachte, dat hij misschien niet van de partij zou zijn, hem weinig
+behaagde.</p>
+<p>Zij arbeidden den ganschen dag ijverig door, en de steenen omwalling
+van den vijver rees spoedig boven het water op. Met zonsondergang
+staakten zij het werk en keerden naar huis terug.</p>
+<p>Na het avondeten vatte Flink den draad van zijn verhaal weder op en
+vervolgde:</p>
+<p>&bdquo;Wij hielden ons schuil, totdat het donker was, toen wij
+opbraken en onze reis voortzetten. Hastings en Romer droegen ieder een
+geweer op den schouder en een ham op den rug. Ik, als de kleinste, had
+de buks en het groote brood te dragen. Door dit laatste had ik daarvoor
+een gat geboord en er een touw doorgehaald, zoodat ik het met gemak op
+den rug dragen kon.</p>
+<p>&bdquo;Ons plan was, ons naar het noorden te wenden, daar we wisten
+dat we ons in die richting van de kolonie verwijderden, doch Hastings
+had beslist, dat we eerst oostwaarts marcheeren en een omweg maken
+zouden, om onzen <span class="pagenum">[<a id="pb157" href="#pb157"
+name="pb157">157</a>]</span>vervolgers niet misschien in den mond te
+loopen. Wij kwamen door de diepe zandvlakte van den baai. Toen deze
+allengs begon te rijzen, vertoonde zich meer struikgewas en
+kreupelhout; doch nergens ontdekten wij een spoor van aanbouw, en
+sedert wij de baai achter ons hadden, kwamen wij ook geen enkel huis of
+hof meer voorbij. Tegen twaalf uur in den nacht waren wij zeer vermoeid
+en snakten naar een dronk water, maar konden nergens iets ontdekken,
+hoewel de heldere maneschijn het bijna zoo licht voor ons maakte als
+midden op den dag. Daarentegen hoorden we zeer duidelijk, en dat beviel
+ons in &rsquo;t geheel niet, het aanhoudend loeien en brullen der wilde
+dieren, dat toenam hoe verder we kwamen. Evenwel kregen we geen beest
+te zien, en dat was nog een troost voor ons.</p>
+<p>&bdquo;Ten laatste waren wij zoo afgemat, dat we ons allen op eene
+rots nederzetten. Ons te slapen leggen, durfden wij niet. Zoo bleven
+wij wakker tot aan den morgen en luisterden naar het gehuil en geloei.
+Ook sprak niemand van ons een enkel woord, en ik ben verzekerd, dat
+Hastings en Romer innerlijk hetzelfde dachten als ik en wel gaarne
+gewenscht hadden, dat wij allen weer veilig en wel tusschen de muren
+onzer gevangenis zaten.</p>
+<p>&bdquo;Eindelijk brak echter toch de dag aan; de wilde dieren werden
+nu stil. Wij gingen voort, totdat we aan een stroom kwamen, waar we
+nederzaten en iets tot ontbijt namen. Eerst toen dit gedaan was, keerde
+ook onze moed terug. Wij braken op en lachten en praatten onderweg,
+zooals wij vroeger ook gedaan hadden.</p>
+<p>&bdquo;We begonnen nu de bergen te beklimmen, die naar het zeggen
+van Hastings, de Zwarte Bergen zijn moesten, waarvan de soldaten ons
+zooveel verteld hadden. Ze mochten wezen en heeten hoe ze wilden, maar
+ze waren heel dor, bar en akelig. Toen de nacht viel, gingen wij aan
+het hout sprokkelen en sneden met onze messen takken af, om een vuur
+aan te leggen, dat we noodig hadden, niet alleen om ons te verwarmen,
+maar ook om de wilde dieren af te weren, wier gehuil zich alweer overal
+hooren liet.</p>
+<p>&bdquo;In den loop van den dag hadden wij er reeds twee of drie
+gezien, die zich op de vlakke rots in de zon lagen te koesteren. Een
+was een panter geweest. We hadden onze geweren geladen, doch onder het
+voorbijgaan liet hij ons slechts zijn witte tanden zien, maar bewoog
+zich niet. De andere waren te ver van ons af, dan dat wij hen duidelijk
+hadden kunnen onderscheiden.</p>
+<p>&bdquo;Zoo staken we dan ons vuur aan en gebruikten ons avondmaal.
+Van het brood was nog maar de helft over. Ook de ham was al duchtig
+aangesproken, zoodat wij wel begrepen, dat wij spoedig alleen op onze
+geweren <span class="pagenum">[<a id="pb158" href="#pb158" name=
+"pb158">158</a>]</span>zouden te rekenen hebben, om ons voedsel te
+verschaffen. Zoodra wij verzadigd waren, legden wij ons dicht bij het
+vuur neer. Onze geweren hadden wij geladen bij ons; onze kruitvoorraad
+lag zoo ver van het vuur, dat daarvan geen ongeluk te vreezen was. Bij
+onze vermoeidheid lagen wij weldra alle drie vast in slaap. De afspraak
+was wel, dat eerst Romer, dan Hastings en eindelijk ik de wacht zou
+houden, maar Romer sliep vast in en het gevolg daarvan was, dat ons
+vuur niet onderhouden werd.</p>
+<p>&bdquo;Het was omtrent middernacht; toen ik door iets dat mij heet
+in het gezicht ademde, gewekt werd; en ik had pas mijne zinnen bij
+elkaar en de oogen geopend, of ik voelde, dat ik bij mijn broeksband
+werd opgetild en de tanden van een dier in mijn vleesch drongen. Ik
+zocht mijne buks te grijpen, maar stak de verkeerde hand uit en kreeg
+zoo een nog brandend stuk hout te vatten, waarmee ik mijn vijand naar
+de oogen stiet. Hij liet mij oogenblikkelijk los en liep
+heen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Aan welk een groot gevaar zijt gij daar ontkomen!&rdquo; riep
+mevrouw Wilson uit.</p>
+<p>&bdquo;Ja, waarlijk, mevrouw; want het beest was een hyena. Gelukkig
+is dat woeste dier eigenlijk van een lafhartigen aard; maar had ik dat
+brandende hout niet gepakt, dan had het gedrocht mij zeker weggedragen,
+want ik was destijds bijzonder klein en teer en het tilde mij van den
+grond op, alsof ik maar een veer geweest was.</p>
+<p>&bdquo;De gil, dien ik gaf deed Hastings ontwaken, die zijn geweer
+greep en op goed geluk vuur gaf. Ik was doodelijk ontsteld, zooals ge u
+wel kunt voorstellen. Wat Romer aangaat, die werd eerst wakker, toen we
+hem duchtig schudden, zoo vast was hij in de rust. Deze ontmoeting
+maakte ons natuurlijk voorzichtiger en in het vervolg legden wij altijd
+twee vuren aan, waartusschen wij sliepen en een van ons moest bestendig
+wacht houden.</p>
+<p>&bdquo;Zoo ging het eene volle week voort. Zoodra wij eindelijk het
+gebergte beklommen hadden, richten wij ons naar het noorden. Wij hadden
+thans kreupelbosch en rotsen achter ons en zagen eene wijde vlakte voor
+ons. Onze voorraad was geheel op; &eacute;&eacute;n dag moesten wij
+zelfs van den ochtend tot den avond geheel vasten. Wij doodden echter
+spoedig eene antilope, die men daar te lande een springbok noemt, en
+dit gaf ons voedsel voor vier of vijf dagen. Over het geheel ontbrak
+het volstrekt niet aan wild, zoodra wij maar in de vlakte waren.</p>
+<p>&bdquo;Maar wacht, daar vergat ik u te vertellen, hoe wij nog eens
+aan een dreigend gevaar ontkwamen. Nog voordat wij het vlakke veld
+bereikten, hadden wij een groot bosch door te trekken, dat zich langs
+het gebergte uitstrekte. <span class="pagenum">[<a id="pb159" href=
+"#pb159" name="pb159">159</a>]</span>We hadden tot aan den middag
+geloopen en waren moe en af. Wij besloten ons middagmaal te gebruiken
+onder een grooten boom en wierpen ons daar in de schaduw op den grond
+neer. Hastings lag op zijn rug en keek in den boom op.&mdash;Daar
+ontdekte hij op eens, boven zijn hoofd op een lagen tak, een panter,
+die zich daar op zijn gemak had neergevleid. Met zijn groene,
+flonkerende oogen keek hij ons aan en scheen gereed om op ons neer te
+springen.</p>
+<p>&bdquo;Hastings greep naar zijn geweer en drukte oogenblikkelijk op
+het dier los; want tot lang mikken was geen tijd meer over. De kogel
+drong den panter door het lijf en trof, naar het scheen ook zijne
+ruggegraat. Hij plofte met luid gebrul op den grond neer, op een
+afstand van niet meer dan drie of vier voet van ons af. Op de aan die
+dieren eigene wijze kromde hij zich nu, om op Romer los te
+springen,&mdash;maar hij kon niet meer: zijne ruggegraat was
+verbrijzeld en hij had alle kracht in het achterlijf verloren. Hij
+wilde zich oprichten, maar zonk dadelijk weer achterover neer. Nooit in
+mijn leven heb ik zooveel razernij en woede in een schepsel gezien. Wij
+waren in den beginne te hevig verschrikt, om aan vuren te denken; doch
+toen wij zagen, dat het beest niet springen kon, rukte Hastings den
+sidderenden Romer zijn geweer uit de hand en schoot den panter dwars
+door den kop.</p>
+<p>&bdquo;Wij waren nu genoodzaakt om tot onderhoud van ons leven op de
+jacht te gaan en werden daardoor van dag tot dag stouter. Onze kleeren
+waren alle in flarden gereten; maar we hadden overvloed van kruit en
+lood, en op de vlakte liepen antilopen en hertebokken bij honderden
+rond, soms in zulke troepen, dat wij ze onmogelijk tellen konden.</p>
+<p>&bdquo;Aan levensmiddelen ontbrak het ons dus volstrekt niet; maar
+daarvoor bracht deze overvloed van wild ons in een nog veel grooter
+gevaar, want nu voor de eerste maal hoorden wij iederen nacht het
+gebrul der leeuwen. Van alle geluiden, die ik ooit hoorde, is dit naar
+&rsquo;t mij voorkomt wel het allerschrikkelijkste. Wij legden groote
+vuren aan, om hen van ons verwijderd te houden, maar toch kan ik u
+verzekeren, dat we dikwijls nog rilden en beefden, als ze in onze
+nabijheid kwamen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hebt gij ooit van die dieren bij dag ontmoet, Flink?&rdquo;
+vroeg Willem.</p>
+<p>&bdquo;O ja, wij zagen er dikwijls een, doch ze vielen ons toch
+nooit aan en wijzelven waren te bang voor hen, om op hen te vuren. Eens
+kregen wij van heel nabij met zulk een leeuw te doen. Wij hadden een
+hert geschoten en met onze geweren over den schouder drongen wij door
+het hooge gras naar de plaats, waar het liggen moest. Toen wij de plek
+naderden, hoorden wij een gebrul en zagen ons opeens <span class="corr"
+id="xd21e3711" title="Bron: nauwelijk">nauwelijks</span> tien passen
+van een leeuw <span class="pagenum">[<a id="pb160" href="#pb160" name=
+"pb160">160</a>]</span>verwijderd, die bij het dier, dat wij gedood
+hadden, op den grond lag. Zijne oogen schoten vuur op ons en hij had
+zich reeds half opgericht, om op ons los te springen. Wij gingen allen
+op den loop, zoo hard als wij konden. Ik had geen moed om naar hem te
+zien, totdat ik geheel buiten adem was geloopen. De leeuw was tevreden
+met onze overhaaste vlucht en nam de moeite niet om ons te vervolgen.
+We moesten dien nacht ons met een hongerige maag te slapen leggen.</p>
+<p>&bdquo;We hadden nu zoo al drie weken omgezworven, zonder eigenlijk
+te weten waar of waarheen. Slechts zooveel konden we nagaan, dat we
+eene noordelijke richting gehouden hadden. Wij waren vreeselijk
+vermoeid en uitgeput en kwamen allen overeen, dat wij eene zeer dwaze
+daad begaan hadden en heel blij zouden zijn, als wij den terugweg
+konden wedervinden. Wij trokken den ganschen dag samen voort, zonder
+elkander een woord toe te spreken, dan bij gelegenheid als zich eenig
+wild vertoonde. Ik voor mij was zoo bedrukt en moedeloos, dat ik mij
+maar liefst op den grond neergelegd zou hebben om dadelijk te sterven.
+Het brullen van de leeuwen was mij volstrekt onverschillig geworden en
+ik verlangde soms bijna zelfs, dat een mij oppakte en mij maar
+schielijk verslond.</p>
+<p>&bdquo;Daar ontmoetten wij onverwacht een troep inboorlingen. Wij
+konden niet met elkander spreken, maar zij schenen zeer goedig en
+vriendschappelijk jegens ons gezind. Zij behoorden tot de stam der
+Karroos, want zij wezen op zichzelven en spraken het woord:
+&bdquo;Karroos,&rdquo; en dan wezen zij op ons en zeiden:
+&bdquo;Hollanders!&rdquo; Wij schoten eenig wild en gaven hun dat,
+waarmede zij zoo waren ingenomen, dat zij vijf of zes dagen bij ons
+bleven.</p>
+<p>&bdquo;Wij zochten door teekens van hen te vernemen, of zich ook een
+Hollandsche post of Hoeve in de nabijheid bevond. Zij begrepen ons en
+gaven ons een toestemmend antwoord, terwijl zij de plaats, als
+noordoostelijk gelegen, met den vinger aanwezen. Wij boden hun een
+geschenk aan, als zij ons den weg wilden wijzen; want wij hadden
+besloten ons weder aan de Hollanders over te geven en in onze
+gevangenis terug te keeren.</p>
+<p>&bdquo;Twee van de mannen toonden zich bereid om met ons mede te
+gaan. De overigen van de stam trokken met vrouwen en kinderen naar het
+zuiden. Den volgenden dag kwamen wij aan een Hollandschen post, die
+Graaf Reinet heette en uit drie of vier hoeven bestond. Wat ons verder
+overkwam, hoort gij op een anderen avond, Willem; want het is nu al
+laat en hoog tijd om te gaan slapen.&rdquo; <span class=
+"pagenum">[<a id="pb161" href="#pb161" name="pb161">161</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch38" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">ACHT-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">WILLEM WORDT ZIEK.&mdash;DE ADERLATING.&mdash;FLINKS
+VERDERE ONTMOETINGEN.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Het aanleggen van den vischvijver ging vlug voort en
+op den derden dag was het werk bijna gereed. Zoodra de vier wanden
+stonden schepte Flink zand en gruis uit, zoodat de vijver overal
+nagenoeg even diep was en de visschen dus zooveel water hadden, dat de
+meeuwen en fregatvogels niet neerschieten en hen als prooi meevoeren
+konden.</p>
+<p>Terwijl Flink aldus bezig was, brachten vader en zoon nog meer
+steenen bijeen, opdat de vijver in vier deelen kon worden afgescheiden,
+waarvan het een echter met het ander in verbinding stond. De binnen-
+zoowel als de buitenmuren of wallen werden echter breed genoeg gemaakt,
+dat men daarop loopen kon, en daardoor werd het mogelijk, de visschen,
+wanneer men ze noodig had, alle met den haak te bereiken.</p>
+<p>Den dag, nadat de vijver voltooid was, sloeg het weer andermaal om;
+doch de stormvlagen waren thans op verre na zoo hevig niet als bij het
+begin van den regentijd. De regen viel wel in stroomen neer, maar was
+niet meer van zulke vreeselijke bliksem- en donderslagen vergezeld. Ook
+duurden de stormvlagen niet meer zoo lang, maar hadden doorgaans reeds
+na weinige uren uitgewoed. Zoo dikwijls de lucht eens weer opklaarde,
+ging men aan het visschen en had in korten tijd zulk eene menigte
+bijeen, dat de vijver daarvan zeer rijkelijk voorzien was.</p>
+<p>Daar had opeens iets plaats, dat alle leden onzer kleine kolonie in
+eene hooge mate verontrustte. Op zekeren avond namelijk voelde Willem
+zich ongesteld, werd koud en huiverig en klaagde vooral over zware
+hoofdpijn. Flink had beloofd op dien avond met zijne geschiedenis voort
+te gaan, maar Willem was te ziek om op te blijven. Hij werd te bed
+gebracht en lag den volgenden morgen in eene hevige koorts.</p>
+<p>Zijn vader maakte zich zeer ongerust, want het liet zich van uur tot
+uur zorglijker aanzien. Flink had dien nacht bij den zieke gewaakt,
+doch ging thans met den beangsten vader naar buiten, om met dezen over
+den toestand van zijn zoon te spreken.</p>
+<p>&bdquo;Dat is een erg geval, mijnheer,&rdquo; begon de brave oude
+man. &bdquo;De arme jongen heeft gisteren onder het werk zijn hoed
+afgezet en, naar ik vrees, daardoor een zonnesteek gekregen. Het is
+maar ongelukkig, dat wij niet iemand hebben, die hem eens laten
+kan.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb162" href="#pb162" name=
+"pb162">162</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Ik heb een lancet,&rdquo; antwoordde mijnheer Wilson:
+&bdquo;maar ik heb van mijn leven nog geene aderlating
+gedaan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik evenmin, mijnheer; maar als gij een lancet hebt, houd ik
+het voor onzen plicht het te wagen. Als gijzelf u daartoe niet geschikt
+gevoelt, wil ik althans mijn best doen. Het is immers eene zeer
+eenvoudige operatie.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, Flink, een van beiden moet er toe overgaan, dat zie ik
+wel in.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Misschien is mijn hand in dat geval vaster dan de uwe,&rdquo;
+hernam de zeeman. &bdquo;Ik vrees niets zoozeer, dan dat de koorts naar
+het hoofd overslaat.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, Flink, ik moet erkennen, het is mij liever als gij de
+proef nemen wilt,&rdquo; antwoordde de vader. &bdquo;Mijne hand zou
+allesbehalve vast zijn; ik beef immers nu reeds voor mijn dierbaar
+kind!&rdquo;</p>
+<p>Beiden keerden naar het bed van den zieke terug. Mijnheer Wilson
+zocht zijn lancet, en Flink bond Willem onderwijl den arm. Zoodra de
+ader gezwollen was, hield hij die met zijn duim vast, en dadelijk
+gelukte de eerste proef hem volkomen.</p>
+<p>Op Flinks raad werd den lijder eene aanmerkelijke hoeveelheid bloed
+afgetapt, en deze scheen zich daardoor zeer verlicht te gevoelen.</p>
+<p>Zijn arm werd nu zorgvuldig verbonden, hij dronk nog wat water,
+waarnaar hij verlangd had, en legde zich toen op zijn kussen neder.</p>
+<p>Den volgenden dag was de koorts bijna nog heviger dan te voren.
+Willem werd andermaal gelaten, en zijne beangste moeder waakte aan zijn
+bed en smolt weg in tranen. De arme jongen verkeerde eenige dagen in
+groot gevaar. In het anders zoo vroolijke en levendige huis was alles
+nu even stil en somber.</p>
+<p>Het weder werd intusschen van dag tot dag zachter en fraaier, en het
+was bijna onmogelijk den wilden Thomas bedaard in huis te houden. Juno
+ging elken morgen met hem en den kleinen Albert eene wandeling doen en
+hield hem onder haar werk bij zich. Gelukkig had <span class="corr" id=
+"xd21e3765" title="Bron: Vixem">Vixen</span> jongen geworpen, en als de
+goede meid de kleinen niet meer zoet kon houden, bracht zij hun twee
+van de kleine hondjes, om daarmee te spelen. De zachte, stille Caroline
+zat heele dagen in de kamer en hield de hand harer lieve moeder in de
+hare, of paste Willem op en zat met haar naaiwerk voor zijn bed.</p>
+<p>Flink kon onmogelijk langer ledig blijven; hij nam dus hamer en
+beitel en werkte zoo dikwijls aan de zoutpan, als men zijne diensten in
+huis niet noodig had. Terwijl hij daar zoo op de rotsen bikte, waren
+zijne gedachten gedurig met Willem bezig, dien hij om zijn
+vriendelijken aard en helder verstand liefhad, alsof hij zijn eigen
+kind was.</p>
+<p>Op den negenden dag had eene merkbare verandering ten goede plaats
+en was de koorts veel minder hevig. Na korten tijd had deze geheel
+opgehouden; <span class="pagenum">[<a id="pb163" href="#pb163" name=
+"pb163">163</a>]</span>maar de zieke was zoo zwak, dat hij zich de
+eerste twee of drie dagen nog niet zonder hulp in zijn bed oprichten
+kon. Eerst veertien dagen, nadat de koorts verdwenen was, was hij weder
+in staat, om het huis te verlaten.</p>
+<p>De vreugde, die bij deze verandering in het gezin heerschte, kan men
+zich beter voorstellen dan beschrijven.</p>
+<p>Daar men gedurende de herstelling van den zieke toch niet wel iets
+van belang ondernemen kon, besloten mijnheer Wilson en Flink, die thans
+weder met opgeruimde harten aan den arbeid gingen, daar de zoutpan
+gereed was, nu ook eene badplaats aan te leggen. Juno was hun daarbij
+behulpzaam en wist zich inderdaad zeer nuttig te maken, daar zij vol
+ijver met de kar de benoodigde steenen en rotsblokken aanvoerde. Ook
+Thomas werd mede naar het werk genomen, opdat men in huis geen last van
+hem zou hebben, terwijl de moeder en Caroline den zieke oppasten.</p>
+<p>Toen Willem eindelijk kon uitgaan, was ook de badplaats in orde,
+zoodat men thans niet meer van de haaien te vreezen had, Willem kwam
+met zijne moeder aan het strand en verheugde zich zeer over het
+volbrachte werk.</p>
+<p>&bdquo;Nu, Flink,&rdquo; zeide hij tot dezen, &bdquo;nu hebben wij
+hier om het huis alles in orde gebracht. Wat ons nu nog te doen staat,
+is een tochtje op het eiland en naar onzen voorraad bij de
+landingsplaats te gaan zien.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Gij hebt gelijk, Willem; het weder is zoo mooi geweest, dat
+wij het over weinige dagen wel wagen kunnen; doch in geen geval,
+voordat gij wat sterker zijt, want ge moogt niet bij uwe moeder alleen
+achterblijven, zoolang gij niet volmaakt wel zijt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat, Flink, bij moeder blijven! Ik dacht, dat ik mee zou
+gaan?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, beste Willem, dat kan nu niet gebeuren. Stel u eens
+voor, wij werden door een storm overvallen: gij werd doornat en moest
+in uwe natte kleeren slapen,&mdash;hoe licht kon de koorts dan
+terugkomen, en dan waart gij ver van huis verwijderd. Gij moet nog
+langen tijd heel voorzichtig zijn, mijn goede jongen. Kom, ga daar op
+die rots zitten, dan kunt ge de frissche zeelucht inademen, en die zal
+u goeddoen: maar ge moogt niet te lang stilzitten.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O, ik zal mijne vorige krachten spoedig terug hebben,
+Flink.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Daar twijfel ik ook niet aan, beste Willem; en waarlijk, we
+hadden u bezwaarlijk kunnen missen. Ik zal eene schildpad uit den
+vijver meenemen, want ge moet thans krachtig voedsel hebben om spoedig
+weder flink en sterk te worden.&mdash;&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Het is al lang geleden, dat we niets meer van uwe historie te
+hooren <span class="pagenum">[<a id="pb164" href="#pb164" name=
+"pb164">164</a>]</span>kregen,&rdquo; begon Willem, nadat het avondeten
+was afgeloopen; &bdquo;ik zou gaarne hebben, dat ge er thans mee
+voortgingt, want het luisteren vermoeit mij nu zeker niet
+meer.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Van harte gaarne,&rdquo; antwoordde de oude man; &bdquo;maar
+kunt ge mij nog zeggen, waar ik gebleven ben?&mdash;Mijn geheugen is
+niet meer van de beste.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O ja, Flink, weet gij niet, gij waart in gezelschap van die
+wilden op een Hollandschen post aangekomen, die, als ik goed onthouden
+heb, Graaf Reinet heette.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Juist, juist, mijn jongen. Welnu dan, zoodra hij ons zag
+aankomen, kwam de Hollandsche boer uit zijn huis en vroeg ons wie wij
+waren<span class="corr" id="xd21e3803" title="Bron: ,">.</span> Wij
+vertelden hem, dat wij Engelsche gevangenen waren, die zich weder aan
+de overheid wenschen uit te leveren.</p>
+<p>&bdquo;Hij nam ons de wapens af, en zeide dat hij in dit deel des
+lands de overheid was, die te bevelen had,&mdash;hetgeen wij weldra
+ondervonden, dat ten volle waarheid was. &bdquo;Zonder wapens en
+munitie zult gij zeker niet wegloopen,&rdquo; vervolgde hij.
+&bdquo;Naar de Kaap kan ik u deze eerste twee maanden nog niet
+opzenden, en dus, als ge goed te eten wilt hebben, moet ge daarvoor ook
+braaf voor mij werken.</p>
+<p>&bdquo;Wij gaven ten antwoord dat wij heel gaarne in alles ons best
+zouden doen. Hij zond ons daarop een Hottentotsch meisje, dat ons iets
+te eten bracht en ons een klein hok aanwees, waar wij met ons
+drie&euml;n slapen konden.</p>
+<p>&bdquo;Wij merkten voor &rsquo;t overige al spoedig, dat wij met een
+ruw, onbeschoft mensch te doen hadden, die ons zwaar werk in overvloed,
+maar daarvoor bitter weinig te eten gaf. Hij wilde ons onze geweren
+niet weder toevertrouwen, en zoo zond hij zijne Hottentotten met het
+vee uit; maar daarvoor moesten wij in den omtrek van het huis zwaren
+arbeid doen, en ten laatste behandelde hij ons zelfs wreed en
+kwaadaardig. Wanneer hij voor de <span class="corr" id="xd21e3813"
+title="Bron: Hottotten">Hottentotten</span> en de andere slaven, die
+hij in menigte hield, niet meer te eten had, placht hij met andere
+boeren, die in de buurt woonden, op de jacht te gaan en quagga&rsquo;s
+voor hen te schieten. Niemand dan een Hottentot kan nochtans van zulk
+vleesch eten.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat is een quagga?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Een wilde ezel, voor een gedeelte gestreept, doch niet zoo
+fraai als de zebra, &rsquo;t Is een recht sierlijk dier, maar zijn
+vleesch is ellendig slecht van smaak. Verbeeld u nu, mijnheer, hij
+wilde ons ten laatste, evenals aan de Hottentotten, ook niets anders
+dan quaggavleesch te eten geven, terwijl hij met zijne
+familie&mdash;want hij had eene vrouw met vijf kinderen&mdash;schapen
+en geitenvleesch in overvloed had, wat werkelijk eene heerlijke kost
+is. <span class="pagenum">[<a id="pb165" href="#pb165" name=
+"pb165">165</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Wij verzochten hem, ons een geweer te geven, opdat we ons
+beter voedsel verschaffen konden; doch hij roste Romer zoo onbarmhartig
+af, dat hij in geen twee dagen een lid verroeren kon. De arme
+Hottentotten en de slaven kregen bijna dag aan dag slaag. Hij bediende
+zich daartoe van een zweep, die uit het vel van een rhinoceros gesneden
+was; en dat was een vreeselijk ding, dat den armen mensch bij elken
+slag tot diep in het vleesch drong.</p>
+<p>&bdquo;Zoo begon het leven ons werkelijk tot last te worden. Wij
+kregen elken dag zwaarder werk, en elken dag werd het monster wreeder
+tegen ons. Eindelijk kwamen wij overeen, dat wij dit niet langer
+verdragen wilden, en Hastings zeide hem dit op een avond ronduit.</p>
+<p>&bdquo;Dit bracht hem in de hevigste woede: hij riep twee van zijne
+slaven, beval hun Hastings aan een wagenrad te binden en zwoer, hem de
+huid van het lijf te zullen geeselen. Daarop ging hij in huis om zijne
+zweep te halen.</p>
+<p>&bdquo;De slaven grepen Hastings aan en bonden hem aan het rad; want
+zij waagden het niet hun meester ongehoorzaam te zijn. Hastings echter
+zeide tot ons: &bdquo;Als ik gezweept word, zijn wij allen verloren.
+Thans staat het aan u, om aan ons lijden een einde te maken. Loopt
+achter het huis om, en als hij met de zweep komt, gaat dan in huis en
+haalt de geweren, die altijd geladen zijn. Houdt hem in het vizier,
+totdat ik zelf vrij ben, en dan zullen wij wel een middel vinden, om te
+ontkomen. Gij moet dat doen, want ik ben overtuigd, dat hij mij anders
+doodslaan en u als weggeloopen gevangenen voor den kop schieten zal,
+gelijk hij dat onlangs die beide Hottentotten gedaan heeft.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat Hastings zeide kwam ons beiden maar al te waarschijnlijk
+voor. Toen de boer dus terugkeerde en op Hastings toekwam, die op
+ongeveer twintig passen van het huis was vastgebonden, maakten we
+schielijk, dat we in huis kwamen. De boerin lag juist ziek; wij
+behoefden ons dus aan haar en de kinderen niet te storen. Wij grepen
+twee geweren en een lang mes en kwamen te voorschijn juist op het
+oogenblik, dat de wreedaard den eersten zweepslag uitdeelde, die ook
+zoo geducht neerkwam, dat de arme Hastings als een worm ineenkromp.</p>
+<p>&bdquo;Haastig schoten wij toe; hij keerde zich om en zag ons, die
+de geweren al op hem aangelegd hadden, waarop hij zijne zweep dadelijk
+liet vallen.</p>
+<p>&bdquo;Nog &eacute;&eacute;n slag en ik schiet u voor den
+kop!&rdquo; riep Romer. &bdquo;Ja!&rdquo; riep ik; &bdquo;wij zijn nog
+maar jongens, doch ge zult zien, dat ge met Engelschen te doen
+hebt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zoo kwamen wij nader. Romer hield zijn geweer voortdurend op
+den <span class="pagenum">[<a id="pb166" href="#pb166" name=
+"pb166">166</a>]</span>boer gericht, terwijl ik met het mes de strikken
+lossneed, waarmee Hastings was vastgebonden.</p>
+<p>&bdquo;De boer verbleekte en sprak geen woord, zoo ontsteld was hij,
+terwijl zijne slaven het terstond op een loopen zetten. Zoodra Hastings
+los was, greep hij een dikken houten hamer, waarmee men gewoonlijk
+palen in den grond sloeg, en met de woorden: &bdquo;Daar schurk! dat
+hebt ge er voor, dat ge een Engelschman met de zweep durft te lijf
+gaan,&rdquo; sloeg hij den kapenaar en deed hem ter aarde tuimelen.</p>
+<p>&bdquo;De man lag bewusteloos op den grond. Of hij wezenlijk dood
+was, wisten we niet. We bonden hem aan het wagenrad en gingen toen
+dadelijk weer in huis, waar we kruit, lood en wat wij verder dachten te
+kunnen gebruiken, bij elkaar zochten. Vervolgens liepen wij naar den
+stal, maakten drie van de beste paarden van den boer los, deden voor
+elk van de dieren wat haver in een zak, gebruikten touwen tot halters,
+stegen op en renden toen weg zoo hard als we konden. Daar wij wel
+begrepen, dat men ons vervolgen zou, galoppeerden we eerst in eene
+oostelijke richting, alsof wij naar de Kaapstad wilden gaan. Zoodra wij
+echter een grond bereikt hadden, waarop de paardenhoeven geen sporen
+achterlieten, wendden wij ons in allerijl noordwaarts en namen den weg
+naar het land der Boschjesmannen. Kort nadat wij van koers veranderd
+waren, begon de avond te vallen; maar wij reden den ganschen nacht
+door, en ofschoon wij op eenigen afstand de leeuwen duidelijk hoorden
+brullen, overkwam ons voor ditmaal geen nieuw ongeluk. Met het
+aanbreken van den dag lieten wij onze paarden uitrusten, wierpen hun
+wat haver voor en legden ons toen zelven neder, om ons met de
+meegebrachten voorraad te verkwikken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hoe lang waart gij in het geheel wel bij dien boer te Graaf
+Reinet geweest?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zoo omtrent acht maanden, mijnheer. Wij hadden in dien tijd
+niet alleen vrij wat Hollandsch geleerd, maar konden ons ook door de
+Hottentotten en andere inlanders doen verstaan. Bovendien hadden wij
+eene nauwkeurige kennis van het land verkregen en wisten nu beter dan
+te voren, hoe wij ons op onze reis te gedragen hadden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Onder het eten overlegden wij, wat wij thans aanvangen
+zouden. Dat de Hollanders ons doodschieten zouden, zoodra zij ons in
+handen kregen, dat wisten wij zeer goed en wij twijfelden er ook niet
+aan, of zij zouden ons uit al hunne macht vervolgen. Bovendien vreesden
+wij, dat wij den boer hadden doodgeslagen en in dat geval wachtte ons
+de galg, zoodra wij de Kaap bereikten, zoodat wij doodelijk verlegen
+waren wat te doen. <span class="pagenum">[<a id="pb167" href="#pb167"
+name="pb167">167</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Eindelijk besloten wij het land van de Boschjesmannen door te
+trekken en ons noordwaarts van de Kaap naar het zeestrand te
+wenden.</p>
+<p>&bdquo;Na deze afspraak namen wij onze zadels af en bonden onze
+paarden aan eenige boomen, waarbij goed gras voor hen was; want hadden
+wij hen niet vastgebonden, dan zouden zij denkelijk naar hun ouden stal
+terug gegaloppeerd zijn. Wij besloten vooreerst bij voorkeur bij nacht
+en niet bij dag te reizen, om geen gevaar te loopen van door onze
+vijanden te worden gezien. Met deze gedachten legden wij ons neder en
+hadden een langen, vasten slaap.</p>
+<p>&bdquo;Tegen den avond zochten wij water voor onze paarden, gaven
+hun andermaal haver en vervolgden toen onzen tocht. Ik kan niet alles
+vertellen, wat wij zoo veertig dagen achtereen al hadden uit te staan.
+Wij hadden intusschen onze paarden bijna lam en kreupel gereden en
+waren daarom genoodzaakt ons bij een stam van inlanders op te houden en
+den armen dieren eenige rust te vergunnen. Die inboorlingen noemden
+zich Gorraguas, als ik het wel heb en waren een vreedzaam en
+zachtzinnig volkje, dat ons rijkelijk van melk voorzag en ons als
+vrienden behandelde.</p>
+<p>&bdquo;We hadden evenwel enkele avonturen, die mij nog levendig voor
+den geest staan. Zoo, onder andere, kwamen wij eens een bosch door,
+waar opeens een rhinoceros op mijn paard toeschoot, dat het gevaar
+alleen daardoor ontkwam, door ter zijde te springen en het beest in den
+rug te komen; waarop het vreeselijk gedrocht zijn weg vervolgde, zonder
+ons verder te verontrusten.</p>
+<p>&bdquo;Iederen dag schoten wij het een of ander dier tot ons
+onderhoud: soms eens een gnoe(een heel wonderlijk beest, half koe, half
+antilope), of anders een van de hertebokken of wilde geiten, die wij in
+menigte ontmoetten.</p>
+<p>&bdquo;Zoo bleven wij omtrent drie weken bij deze menschen en gaven
+onze paarden tijd om hunne krachten wat te herstellen, waarop de reis
+opnieuw aanving. Wij wendden ons thans meer zuidwaarts en naar de kust;
+want de Gorraguas hadden ons gezegd, dat in het noorden een woest volk,
+de Kaffers, omzwierf, die ons zeker van kant zouden maken, als wij in
+hunne handen vielen.</p>
+<p>&bdquo;Inderdaad wisten wij echter niet, wat wij eigenlijk doen
+zouden. Als echt dwaze en onbezonnen knapen, hadden wij, zonder een
+bepaald plan, de Kaap verlaten, en nu namen de moeilijkheden en
+bezwaren, waaraan wij blootstonden, van dag tot dag toe. Ten laatste
+hielden wij het toch voor het verstandigst, om den weg naar de Kaapstad
+terug te zoeken en ons weder als gevangenen uit te leveren, want wij
+waren dat eeuwige zwerven <span class="pagenum">[<a id="pb168" href=
+"#pb168" name="pb168">168</a>]</span>nu hartelijk moe. Wat wij het
+allermeest vreesden, was, dat wij dien boer te Graaf Reinet, die ons
+zoo gruwelijk mishandeld had, gedood hadden; maar Hastings zeide, dat
+hij zich daar volstrekt niet over bekommerde, dat het zijne zaak was en
+dat hij de verantwoordelijkheid geheel op zich nam.</p>
+<p>&bdquo;Zoo namen wij dan nu afscheid van onze Gorraguas, die zeer
+verblijd waren, dat wij hun al de knoopen, die wij missen konden, tot
+een geschenk gaven. Wij trokken naar het zuidoosten, zoodat wij de
+zeekust bereiken en tegelijk ook zuidwaarts gaan konden.</p>
+<p>&bdquo;En nu, mijne vrienden, kom ik aan een allerdroevigst ongeluk,
+dat ons al spoedig overkwam. Twee dagen nadat wij onze reis weder
+hadden aangevangen, leidde onze weg ons over eene met hoog gras
+begroeide vlakte. Op eens zagen wij daar een leeuw voor ons, die een
+hert, dat hij gedood had, verslond.</p>
+<p>&bdquo;Romer, die Hastings en mij een tiental passen vooruit was,
+verschrikte zoo op dat gezicht, dat hij zijn geweer op het dier
+afschoot; dit was een groote dwaasheid van hem, die wij ook afgesproken
+hadden, altijd te zullen vermijden; want met zulke geringe krachten,
+als wij hadden, was het nooit geraden een zoo machtig dier tegen ons in
+woede te brengen. De leeuw was licht gekwetst. Met een gebrul, dat men
+zekerlijk wel een uur ver hooren kon, sprong hij op Romer los en rukte
+hem door een enkelen slag met zijn klauw uit den zadel en op den grond
+neer. Onze paarden, die beefden van angst, sprongen achteruit, terwijl
+het vreeselijke dier zich kennelijk gereedmaakte, om ook ons aan te
+vallen. De leeuw had reeds een sprong naar ons gedaan<span class="corr"
+id="xd21e3874" title="Bron: .">,</span> doch onze paarden ontrukten ons
+aan het gevaar, en wij konden hen in hunnen loop niet eer tot staan
+brengen, voordat wij voor het minst een half uur van de plaats
+verwijderd waren.</p>
+<p>&bdquo;Eindelijk kregen wij hen tot staan en zagen in het rond. Daar
+ontdekten wij den leeuw, hoe hij juist Romers paard had neergeworpen en
+het lichaam van dat arme beest in een soort van galop wegsleepte alsof
+hem dat in &rsquo;t geheel niet zwaar viel. Wij wachtten, tot hij ver
+genoeg verwijderd was, en reden toen naar de plaats terug, waar Romer
+was gevallen. Daar lag onze arme makker bebloed en zonder leven: de
+eerste slag van den leeuwenklauw had hem het hoofd verbrijzeld.</p>
+<p>&bdquo;Wij waren niet eens in staat om onzen ongelukkigen kameraad
+te begraven. Evenwel bedekten we zijn lijk met eenige struiken en
+keerden het met diep bedroefd hart den rug toe. Ik voor mij schreide
+wel een vol uur lang, terwijl wij verder reden. Hastings sprak geen
+enkel woord, totdat het tijd werd, dat wij onze paarden rusten lieten.
+<span class="pagenum">[<a id="pb169" href="#pb169" name=
+"pb169">169</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Ik heb vergeten u te zeggen, dat de Gorraguas ons geraden
+hadden niet langer bij nacht, maar bij den dag te reizen; en zoo hadden
+wij hun raad ook opgevolgd. Niettegenstaande het verschrikkelijk
+ongeluk, dat ons getroffen had, geloof ik toch, dat hun raad verstandig
+en goed gemeend was; want wij ondervonden, dat de leeuwen, zoo dikwijls
+wij bij nacht reisden, ons meer dan anders vervolgden.</p>
+<p>&bdquo;Drie dagen na Romers dood kregen wij voor het eerst den
+wijden oceaan weer te zien. Het was ons daarbij alsof wij een ouden
+vriend ontmoetten. Wij hielden ons dicht aan het strand, maar
+ondervonden spoedig, dat wij ons daar niet zoo gemakkelijk als dieper
+landwaarts in van wild tot ons voedsel en van hout tot onze vuren
+&rsquo;s nachts voorzien konden, en besloten derhalve de kust andermaal
+te verlaten.</p>
+<p>&bdquo;Wij hadden eene uitgestrekte, eentonige vlakte door te
+trekken en waren door honger reeds geheel uitgeput, want in geen twee
+dagen hadden wij iets over de lippen gehad, toen wij eindelijk een
+struisvogel ontmoetten.</p>
+<p><span class="corr" id="xd21e3890" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>Hastings maakte er met zijn paard jacht
+op, maar tevergeefs, want de struis kon veel harder loopen dan het
+paard. Ik bleef achter en ontdekte tot mijn groote blijdschap het nest
+van den vogel, met dertien groote eieren daarin.</p>
+<p>&bdquo;Hastings kwam spoedig terug; zijn paard was geheel vermoeid
+en buiten adem. Wij zetten ons neder, maakten vuur aan en braadden twee
+van de eieren, &rsquo;t geen een heerlijk maal voor ons was. Daarop
+namen wij nog vier eieren mede en braken weder op.</p>
+<p>&bdquo;Nog drie volle weken hadden wij niets dan moeite en ellende
+door te staan. Op zekeren morgen eindelijk kregen wij den Tafelberg in
+het oog en waren zoo verheugd op dat gezicht, alsof wij de witte
+krijtrotsen van Engeland v&oacute;&oacute;r ons hadden gehad. In de
+hoop van nog v&oacute;&oacute;r den nacht in onze oude gevangenis
+gemakkelijk onder dak te zullen komen, dreven wij onze paarden aan,
+doch toen wij de baai naderden, zagen wij van de schepen op de reede de
+Engelsche vlag waaien.</p>
+<p>&bdquo;Dat te zien verbaasde ons zeer. Een weinigje later ontmoetten
+wij echter een Engelsch soldaat en van dezen vernamen wij, dat de Kaap
+reeds voor ruim zes maanden door onze troepen veroverd was. Welk een
+blijde verrassing dat voor ons was, kunt gij u gemakkelijk voorstellen.
+Wij reden de stad binnen en meldden onszelven dadelijk aan bij de
+hoofdwacht. De gouverneur liet ons bij zich komen, hoorde onze
+geschiedenis en zond ons tot den admiraal, die ons dadelijk aan boord
+van zijn eigen schip opnam. <span class="pagenum">[<a id="pb170" href=
+"#pb170" name="pb170">170</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;En nu, Willem ben ik hier aan eene goede plaats om af te
+breken. Bovendien moet gij thans tamelijk vermoeid zijn en dus zal het
+&rsquo;t best zijn, dat we allen ons bed opzoeken.&rdquo;</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch39" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">NEGEN-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">FLINKS VERDERE REIZEN EN AVONTUREN.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Daar er voor het oogenblik juist geen noodzakelijk
+werk te doen was, namen Flink en mijnheer Wilson den volgenden morgen
+de vischlijnen op, om den voorraad in hun vijver te vermeerderen. Het
+weder was bijzonder fraai, en Willem vergezelde hen, om van de frissche
+lucht te genieten, die tegenwoordig de beste medicijn voor hem was.</p>
+<p>Toen zij den tuin voorbijkwamen, bemerkten zij, dat de zaadgewassen
+reeds een of twee duim boven den grond waren opgeschoten en dat, naar
+&rsquo;t scheen, alles tierig opkwam. Terwijl de beide mannen aan
+&rsquo;t visschen waren, zat Willem rustig bij hen en vroeg aan zijn
+vader:</p>
+<p>&bdquo;Van de eilanden hier in de nabuurschap zijn zeker vele
+bewoond,&mdash;is &rsquo;t niet vader?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O ja; maar die hier het naast om ons waarschijnlijk niet.
+Althans heb ik nooit van reizigers gehoord, die op de eilanden, op een
+waarvan wij thans wezen moeten, bewoners gevonden hebben.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Welke soort van menschen zijn toch wel de eilanders in deze
+zee&euml;n?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ze zijn van heel verschillenden aard. De Nieuw-Zeelanders
+zijn in beschaving het verst gevorderd; maar toch moet men nog altijd
+menscheneters onder hen vinden. De bewoners van van-Diemensland en
+Australi&euml; behooren tot denzelfden stam, maar staan op een zeer
+laag standpunt,&mdash;waarlijk weinig hooger dan de dieren des velds.
+Ik geloof, dat zij de ruwsten en onbeschaafdsten zijn van heel het
+menschelijk geslacht.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Met uw verlof, mijnheer,&rdquo; viel Flink hem in de rede,
+&bdquo;maar ik heb die menschen zelf gezien en geloof toch een volk te
+kennen, dat wel niet zoo talrijk is, maar met de dieren des velds toch
+nog meer overeenkomst heeft dan die Zuidzee-eilanders. Ik heb hen eens
+van mijn leven gezien en hield hen ook wezenlijk op &rsquo;t eerste
+gezicht voor beesten en niet voor menschelijke wezens.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Waarlijk, Flink? En waar was dat wel?&rdquo; <span class=
+"pagenum">[<a id="pb171" href="#pb171" name="pb171">171</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Op de groote Andamans-eilanden, aan den mond van de Baai van
+Bengalen.&mdash;Eens dat het een storm woei, lieten wij het anker
+vallen te Port Cornwallis,&mdash;eene zoo kostelijke haven, dat de
+gansche Engelsche vloot er wel in schuilen kon,&mdash;en den volgenden
+morgen ontdekten we enkele zwarte schepsels, die onder de boomen het
+dichtst op het strand op handen en voeten omkropen. Wij namen onze
+kijkers in de hand,&mdash;want we waren nog wel een paar mijlen van den
+wal af,&mdash;en toen ze recht overeind gingen staan, merkten wij
+eindelijk, dat het werkelijk menschen waren.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zijt gij ook met hen in nadere aanraking gekomen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, mijnheer, ik zelf niet. Maar te Calcutta ontmoette ik
+een soldaat, die eenmaal met hen verkeerd had. De Oostindische
+Compagnie had namelijk vroeger het plan gehad, om een post op die
+eilanden achter te laten en had daartoe eenige troepen afgezonden. De
+man vertelde mij, dat zij twee van dat volkje hadden opgevangen: die
+waren niet meer dan vier voet lang en uiterst dom en onnoozel. Ze
+hadden geene kleeren of iets aan het lijf, hadden geene huizen of
+hutten, om in te wonen en al wat ze deden was, dat ze wat struiken en
+takken op elkaar stapelden, om daarachter te schuilen tegen het booze
+weer.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hadden zij ook wapens?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, mijnheer; ze hadden boog en pijlen, maar die waren zoo
+ellendig en zoo zwak, dat ze er niets anders dan zeer kleine vogels mee
+dooden konden. Bij de landing van ons volk hadden de eilanders al hunne
+pijlen op onze soldaten afgeschoten, maar onze soldaten trokken die
+weer heel bedaard uit hunne kapotjassen, want ze waren niet dieper
+doorgedrongen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Nu, naar uwe beschrijving geloof ik zeker, dat die schepsels
+der Andamans-eilanden op een nog lager trap dan de Nieuw-Hollanders
+staan. Maar wat deden onze landslieden met de beide gevangenen, die zij
+toen opgebracht hadden?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zij lieten hen weer loopen, mijnheer, want de stumpers aten
+niets, spraken geen woord en zouden zeker gestorven zijn, als men hen
+langer had vastgehouden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Waar kwam het volk, dat deze eilanden bewoonde, vandaan,
+vader?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is moeilijk te zeggen, Willem; men gelooft over het
+algemeen, dat zij zoo langzamerhand, evenals ons eiland hier, bevolkt
+werden, namelijk door lieden, die in booten en kano&rsquo;s de hooge
+zee op waren gedreven en evenals wij hun leven door eene landing in
+zekerheid brachten.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, ja,&rdquo; zeide Flink, &bdquo;zoo zal het waarschijnlijk
+wel geweest zijn. Zoo moeten ook de Andamans-eilanden door een
+slavenschip, dat negers aan <span class="pagenum">[<a id="pb172" href=
+"#pb172" name="pb172">172</a>]</span>boord had en gedurende een typhon
+op de kust schipbreuk leed, bevolkt zijn geworden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Een typhon, wat is dat, Flink?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zooveel als een orkaan, Willem; hij verheft zich in
+Indi&euml; doorgaans bij het omslaan der passaatwinden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, ge gebruikt zulke vreemde woorden, passaatwinden, wat
+zijn dat weer?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat zijn winden, die zekere maanden van het jaar bestendig
+uit &eacute;&eacute;ne hemelstreek blazen en dan omslaan of omspringen,
+om juist in eene tegenovergestelde richting voort te waaien.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zijn dat misschien die zelfde passaatwinden, waarvan ik onzen
+armen kapitein Osborn na onze afvaart van het eiland Madera hoorde
+spreken?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, deze zijn eene bijzondere soort van passaatwinden. Zij
+waaien alleen aan den evenaar, eenige graden ten noorden en zuiden er
+van, en houden altijd, den loop der zon volgende, de richting van het
+oosten naar het westen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Is het misschien de zon, die deze winden
+veroorzaakt?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, mijn jongen,&rdquo; antwoordde de vader. &bdquo;De groote
+hitte in de keerkringslanden verdunt de lucht, en zoo ontstaan de
+passaatwinden daardoor, dat bij de omwenteling der aarde frissche lucht
+in de plaats der verdunde treedt. Ook in eene kamer zult gij opmerken
+dat bij een groot vuur een gestadige luchttocht naar den haard plaats
+vindt. Op gelijke wijze is de zonnehitte de oorzaak der passaatwinden
+in de keerkringsstreken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, beste Willem, me dunkt, ge begrijpt dat nu wel,&rdquo;
+nam Flink het woord: &bdquo;en de passaatwinden veroorzaken ook den
+zoogenaamden golfstroom. De winden, die op den Atlantischen Oceaan
+gedurig den loop der zon volgen en in de streek van het oosten naar het
+westen waaien, hebben natuurlijk een grooten invloed op de zee en
+dringen deze in de Golf van Mexico op, waar zij door de kusten van
+Amerika wordt opgehouden, zoodat het water in die golf ettelijke voeten
+hooger is, dan in het oostelijke gedeelte van den Atlantischen Oceaan.
+Deze opeenhooping van water moet natuurlijk ergens een afloop hebben,
+en zoo ontstaat de zoogenaamde golfstroom, waardoor de wateren zich uit
+de Golf noordwaarts uitgieten, langs de kusten van Amerika
+voortstroomen, zich dan naar het westen keeren, zoodat zij niet ver van
+Newfoundland voorbijspoelen, tot eindelijk hun stroom in het noorden
+van de Azoren of Westelijke eilanden nagenoeg ophoudt. Ge zult u wel
+herinneren, op den dag dat wij onze reis berekenden, die eilanden op de
+kaart gezien te hebben.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb173"
+href="#pb173" name="pb173">173</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;De golfstroom,&rdquo; voegde de heer Wilson er bij, &bdquo;is
+altijd eenige graden warmer, dan de zee over het geheel, en de reden
+daarvan moet wezen, dat het water in de Golf van Mexico door de
+ongewone zonnehitte, die daar heerscht, meer dan andere plaatsen
+verwarmd wordt. Men herkent dien stroom aan het zeegras, dat hij op de
+oppervlakte van het water met zich voert.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Heel goed, vader. Maar wat verstaat men dan onder de land- en
+zeewinden in West-Indi&euml; en andere heete landen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Daaronder verstaat men den wind, die op bepaalde uren van den
+dag eerst van het land naar de zee en dan omgekeerd van deze naar het
+land waait, zoodat hij gedurende de vierentwintig uren regelmatig
+afwisselt. Ook dit verschijnsel is een gevolg van de zonnehitte. De
+zeewind begint des morgens en gaat liggen tegen den middag; waarop de
+landwind een aanvang neemt en tot middernacht aanhoudt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En dan zijn er,&rdquo; zeide Flink, &bdquo;in de nabuurschap
+van de passaatstreken enkele breedten, waar de wind zeer onbestendig is
+en menig schip al weken achtereen in de windstilte moest blijven
+liggen. Dat is telkens eene ware ramp voor de manschap, want het water
+aan boord wordt dan doorgaans geheel opgebruikt en men heeft vreeselijk
+van de hitte te lijden. Men noemt die breedten de
+paardebreedten&mdash;waarom, dat weet ik zelf niet recht; ik denk
+haast, omdat men paarden, als men die aan boord heeft en zulk eene
+windstilte invalt, natuurlijk het eerste opoffert, als er gebrek aan
+water komt. Doch &rsquo;t wordt tijd, dat wij opbreken, en ook Willem
+mag nu wel weer stilletjes in huis gaan.&rdquo;</p>
+<p>Zoo keerden zij gezamenlijk terug naar hunne woning, en na het
+avondeten ging de oude stuurman met zijn verhaal aldus <span class=
+"corr" id="xd21e3978" title="Bron: poort">voort</span>:</p>
+<p>&bdquo;Ik ben gebleven bij het oogenblik, dat ik op het
+admiraalsschip gezonden en als kajuitsjongen onder de manschap
+opgenomen werd. Vier jaren omtrent bleef ik op dit schip, kwam in dien
+tijd van haven tot haven, van land tot land, totdat ik een stevige
+flink uit de kluiten gewasschen knaap werd en als matroos in den
+bezaansmast geplaatst werd.</p>
+<p>&bdquo;Dat beviel mij nu recht goed. Ik deed mijn plicht, en het
+gevolg was, dat ik nooit straf kreeg. Op een oorlogsschip behoeft men
+namelijk nooit voor straffen bevreesd te zijn, als men zijn werk maar
+doet, en dit valt niemand heel zwaar, &rsquo;t Is heel anders op
+koopvaardijschepen, waar zoo weinig matrozen zijn: daar heeft men de
+handen altijd vol werk. Natuurlijk vindt men ook op oorlogsschepen
+enkele kapiteins, die bijzonder streng en hard zijn, echte
+bulderbasten, zooals wij matrozen ze noemen. Ik had evenwel het
+<span class="pagenum">[<a id="pb174" href="#pb174" name=
+"pb174">174</a>]</span>geluk om onder een zeer braven, menschlievenden
+kapitein te dienen, die, ofschoon hij geen verzuim door de vingers zag,
+toch heel ongaarne strafte.</p>
+<p>&bdquo;Het eenige, wat mij zwaar op het hart lag, was, dat ik nooit
+naar Engeland komen en mijne moeder terugzien kon. Ik had twee of drie
+brieven geschreven, maar geen antwoord ontvangen. Ten laatste werd ik
+zoo ongeduldig, dat ik besloot, bij de eerste gelegenheid, die zich
+aanbood, op mijn eigen houtje de reis naar huis aan te nemen.</p>
+<p>&bdquo;Onze post was toenmaals in West-Indi&euml; en ik hield met
+Hastings, die even vurig als ik verlangde weg te komen, gedurig raad
+over het geval. Wij kwamen eindelijk overeen, dat wij bij de eerste de
+beste kans de hielen zouden lichten.</p>
+<p>&bdquo;Ten laatste kwamen wij in Port-Royal op het eiland Jamaica
+voor anker.<a id="xd21e3993" name="xd21e3993"></a></p>
+<p><span class="corr" id="xd21e3996" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>Daar lag destijds ook een groot konvooi
+Westindievaarders, die gereed waren, om met hunne lading suiker
+oogenblikkelijk onder zeil te gaan. We wisten, dat men ons, zoodra wij
+maar op een dier schepen komen konden, zorgvuldig tot aan het uur van
+het anker lichten aan boord zou verbergen, omdat daar gebrek aan
+matrozen was, doordien onze kapitein zooveel volk, als hij maar machtig
+kon worden, voor zichzelven geprest had.</p>
+<p>&bdquo;Wij hadden slechts &eacute;&eacute;ne mogelijkheid te
+ontkomen:&mdash;wanneer we namelijk bij nacht naar een van die schepen
+toe zwommen, wat vrij gemakkelijk te doen was, daar ze pas honderd
+meter van ons fregat verwijderd lagen. Het eenige, dat we vreesden,
+waren de haaien, die zich daar op de reede in menigte vertoonden.
+Evenwel waren wij zoo ongeduldig om onze vlucht door te zetten, dat wij
+ons door geen gevaar lieten afschrikken, en zoo besloten wij ten
+laatste, in den nacht v&oacute;&oacute;r het uitzeilen der
+koopvaardijschepen het waagstuk te ondernemen.</p>
+<p>&bdquo;Het was tegen de hondewacht&mdash;alles herinner ik mij nog
+zeer goed en ik zal er mijn leven lang aan denken, alsof het gisteren
+gebeurd was&mdash;toen wij ons zachtjes bij den boeg van het schip
+lieten neerzakken. Zoodra wij in &rsquo;t water waren, zwommen wij op
+den Westinjevaarder aan, die het dichtst bij ons lag.</p>
+<p>&bdquo;De schildwacht op de loopplank bemerkte de kabbeling van het
+water, dat door ons zwemmen in beweging kwam, en terstond hoorden wij
+hem ons aanroepen. Wij gaven natuurlijk geen antwoord, maar repten
+armen en beenen wat wij konden, want kort na het aanroepen van den
+schildwacht vernamen wij gerucht en begrepen daaruit heel goed, dat de
+officier van de wacht eene sloep strijken en ons vervolgen zou.
+<span class="pagenum">[<a id="pb175" href="#pb175" name=
+"pb175">175</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Ik was Hastings eenige meters vooruit en had juist het
+kabeltouw van den Westinjevaarder in de hand, met het voornemen om er
+mij bij op te halen, toen ik een luiden gil achter mij hoorde. Toen ik
+mij omkeerde, zag ik een haai, die mijn armen Hastings tusschen de
+tanden greep en met hem onderdook.</p>
+<p>&bdquo;Ik was zoo ontsteld, dat ik een tijdlang bijna geen lid kon
+verroeren. Eindelijk raapte ik mijne hersens weer bijeen en begon, zoo
+vlug als ik kon, bij het touw op te klauteren. Ik had dan ook waarlijk
+geen tijd te verliezen, want juist schoot een tweede haai op mij los.
+Ik was wel al meer dan twee voet boven water, maar toch sprong hij
+omhoog en pakte nog even mijn schoen bij den hak, die hij terstond mee
+in de diepte sleepte.</p>
+<p>&bdquo;De schrik gaf mij krachten en twee minuten later was ik dan
+ook al voor de kluisgaten<a class="noteref" id="xd21e4013src" href=
+"#xd21e4013" name="xd21e4013src">1</a>. De matrozen op het schip hadden
+ons van boven gezien, en waren getuigen van Hastings akeligen dood
+geweest. Zij hielpen mij aan boord en verborgen mij terstond omlaag,
+want de boot van het fregat was dicht achter mij.</p>
+<p>&bdquo;Toen de officier van de wacht aan boord kwam, vertelden zij
+hem, hoe zij ons dicht bij hun schip gehoord en gezien hadden, toen wij
+door de haaien werden ingeslokt.&mdash;Het volk in de boot had
+Hastings&rsquo; gillen duidelijk gehoord, en zoo geloofde de officier
+ook terstond, dat wat men hem op de mouw <span class="corr" id=
+"xd21e4018" title="Bron: spelde">speldde</span> waarheid was, en roeide
+zonder zelfs onderzoek te doen, naar het fregat terug.</p>
+<p>&bdquo;Ik kon hooren, hoe de trom op het fregat al het volk op het
+dek riep, daar men toch eerst weten moest, wie de beide menschen waren,
+die zoo dat wegzwemmen gewaagd hadden. Een minuut of wat daarna werd er
+weer afslag getrommeld, en dus wist ik, dat de namen van mij en van den
+armen Hastings voortaan met een dubbele D op de scheepslijst
+stonden.</p>
+<p>&bdquo;Maar wat beduidt zoo&rsquo;n dubbele D.?&rdquo; vroeg
+Willem.</p>
+<p>&bdquo;D. alleen beteekent: deserteur; D. D. wil zeggen, dat men ook
+goed en wel dood is.</p>
+<p>&bdquo;Het was wel een wonder, dat ik zoo goed ontkwam, en nog uren
+nadat het gebeurd was, kon ik er mij zelf geen begrip van maken. Ik wou
+slapen maar ik kon niet; het was alsof mij &rsquo;t hart werd
+toegeknepen. Telkens, als ik zou inslapen, verbeeldde ik mij, dat de
+haai mij beet had gepakt, met luid geschreeuw sprong ik dan op en zocht
+opnieuw den slaap te vatten, maar dit lukte niet. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb176" href="#pb176" name="pb176">176</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;De kapitein van mijn nieuw schip vreesde eindelijk, dat mijn
+geschreeuw op het fregat gehoord zou worden, en zond mij een glas rum,
+dat ik uitdrinken moest. Dit bracht mij eindelijk tot rust en ik
+verzonk in diepe slaap.</p>
+<p>&bdquo;Toen ik ontwaakte, had het schip reeds de ankers gelicht en
+alle zeilen bijgezet. Nog wel honderd en meer schepen gingen met ons
+mede en de oorlogsschepen, die ons konvooi vergezelden, losten gedurig
+de stukken en gaven elkaar daar seinen door. Het was wezenlijk een
+prachtig gezicht.</p>
+<p>&bdquo;Zoo stuurden we dan met vroolijk hart op het lieve
+Oud-Engeland aan. Ik gevoelde mij zoo gelukkig, dat ik, om in vrijheid
+te komen, nog gaarne eens al de haaien van de wereld zou hebben
+getrotseerd. Nu ging het op het vaderland aan, nu zou ik, na lange
+afwezigheid, mijne bekenden weer zien en mijne lieve moeder nog eens
+omarmen!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Gedurende de reis deed ik mijn best als voormarsgast op het
+schip, en de kapitein was zeer met mij ingenomen. Aan den
+onderbootsman, die een Schot en een bijzonder vriendelijk en braaf man
+was, had ik mijne avonturen verteld. Hij deed mij begrijpen, hoe dwaas
+en slecht ik gehandeld had, toen ik al, wat mijne moeder en Masterman
+voor mij doen wilden, zoo roekeloos in den wind sloeg. Ik voelde dat
+hij gelijk had, en verlangde vuriger dan ooit mijne moeder weer eens in
+de armen te sluiten en haar vergiffenis te vragen voor al wat ik had
+misdaan.</p>
+<p>&bdquo;Het schip, waarop ik mij bevond, was naar Glasgow
+bestemd.</p>
+<p>&bdquo;Bij North Foreland stuurden wij van het groote konvooi af en
+kwamen gelukkig in de haven. De kapitein bracht mij bij het kantoor van
+het schip, dat mij voor mijne diensten gedurende de overvaart vijftien
+pond<a class="noteref" id="xd21e4043src" href="#xd21e4043" name=
+"xd21e4043src">2</a> uitbetaalde. Zoodra ik dat geld in handen had,
+repte ik mij, wat ik kon, naar Newcastle. Ik had boven op den
+postwagen<a class="noteref" id="xd21e4046src" href="#xd21e4046" name=
+"xd21e4046src">3</a> eene plaats genomen en raakte daar al spoedig in
+gesprek met een heer, die naast mij zat. Ik merkte, dat hij te
+Newcastle thuis behoorde, en mijn eerste vraag was, of hij daar ook
+zekeren mijnheer Masterman, den scheepsbouwmeester kende.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O ja, dien heb ik best gekend; maar hij is nu omtrent een
+maand of drie dood.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En wie waren zijne erven dan?&rdquo; vroeg ik. &bdquo;Hij was
+immers heel rijk en had niemand, die hem in den bloede bestond?&rdquo;
+<span class="pagenum">[<a id="pb177" href="#pb177" name=
+"pb177">177</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Ja, familie had hij niet,&rdquo; gaf die heer mij ten
+antwoord; &bdquo;hij vermaakte dan ook zijn heele vermogen aan de stad,
+onder voorwaarde, dat men daarvoor zieken- en armhuizen zou oprichten.
+In den laatsten tijd had hij, geloof ik, nog een deelhebber in zijne
+zaak, en dien gaf hij zaak en winkel over, omdat hij geen familie had
+en &rsquo;t aan niemand anders geven kon. Vroeger was hij, zooals ik
+zeker weet, van voornemen om al zijn geld en goed na te laten aan een
+knaap, die Flink heette, en hem eens uit het water had geholpen, maar
+die jongen liep weg, ging op zee en heeft sedert niets meer van zich
+laten hooren. Men is zijn spoor gevolgd en gelooft, dat hij in
+gevangenschap bij de Hollanders gestorven is. Die dwaze
+jongen;&mdash;hij kon tegenwoordig een man van stand en vermogen
+zijn!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja waarlijk, hij deed zeer dwaas!&rdquo; was mijn
+antwoord.</p>
+<p>&bdquo;Ja, maar niet alleen zichzelven, ook anderen heeft hij
+daardoor kwaad gedaan. Zijne arme moeder was heel sterk aan hem gehecht
+geweest; zij tobde en kwelde zich toen zij zijn verlies vernam, en had
+rust noch duur meer, voordat....&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Gij wilt toch niet zeggen, dat zij dood is?&rdquo; riep ik en
+vatte den vreemdeling bij den arm.</p>
+<p><span class="corr" id="xd21e4072" title=
+"Bron: ,">&bdquo;</span>Ja,&rdquo; zeide hij en zag mij verwonderd aan,
+&bdquo;zij stierf heel spoedig na den heer Masterman.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik zonk op de pakkage neer en zou van den wagen gevallen
+zijn, als de ander mij niet gegrepen had. Hij riep den koetsier toe,
+dat hij moest stilhouden. Samen richtten zij mij toen weer op en
+brachten mij binnen in het rijtuig. Gelukkig was daar niemand in; want
+ik was geheel buiten mijzelven en weende en klaagde luid, zoodat zij
+diep medelijden met mij hadden.&rdquo;</p>
+<p>Flink scheen door zijn verhaal zoo aangedaan dat mijnheer Wilson hem
+voorstelde, voor heden af te breken en zich met de overigen ter ruste
+te begeven.</p>
+<p>&bdquo;Ik dank u, mijnheer. Gij hebt gelijk; zoo zal het wel beter
+zijn, want nog gevoel ik, dat mijne oude oogen van tranen overloopen.
+Het is iets vreeselijks, als men zich in later dagen verwijten moet,
+dat eigen dwaze levenswandel den dood van eene zoo goede liefhebbende
+moeder verhaasten moest. Bij mij was dit het geval, mijn beste Willem,
+en uit liefde tot u ben ik daar zoo openhartig voor uitgekomen. Ik
+zeide u vroeger reeds, dat eenige gedeelten mijner levensgeschiedenis u
+tot waarschuwing dienen konden. Zorg dus, dat ik ze u niet tevergeefs
+verteld heb, maar houd ze getrouw in &rsquo;t geheugen.&rdquo;
+<span class="pagenum">[<a id="pb178" href="#pb178" name=
+"pb178">178</a>]</span></p>
+</div>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd21e4013" href="#xd21e4013src" name="xd21e4013">1</a></span> De
+linten of gaten, waardoor het ankertouw naar binnenboord gaat.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd21e4043" href="#xd21e4043src" name="xd21e4043">2</a></span> Ruim
+&fnof; 180.&ndash; Hollandsch.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd21e4046" href="#xd21e4046src" name="xd21e4046">3</a></span> De
+<span class="corr" id="xd21e4048" title=
+"Bron: postwagen">postwagens</span>, destijds in Engeland in gebruik,
+hadden <i>outside</i> en <i>inside</i> plaatsen. De eerste, voor den
+minderen man, minder kostende, waren bovenop, in de open lucht.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch40" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">VEERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">FLINKS BEROUW. GELUKKIGE WENDING VAN ZIJN LOT.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Den volgenden morgen bracht Juno voor het ontbijt in
+haar schort zes eieren mee, die zij in het hoenderhok gevonden had.</p>
+<p>&bdquo;Kijk, mevrouw, kijk een beetje&mdash;kippen eieren
+leggen&mdash;gauw heelen boel hebben voor massa Willem en heelen boel
+voor kleine kippetjes.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Gij hebt toch niet alle uit de nesten genomen, Juno; dat
+deedt gij immers niet?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, mevrouw, ikke laten liggen in ieder nest
+&eacute;&eacute;n, dat oude kip zien kan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Best, meid; dan zullen wij ze voor onzen Willem klaarmaken,
+zooals gij zegt en hopen dat zij hem zijne krachten teruggeven
+zullen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O, ik ben weer heel gezond en sterk, moeder,&rdquo; gaf
+Willem ten antwoord. &bdquo;Ik geloof, dat &rsquo;t beter zou zijn, als
+ge de eieren aan de hoenders tot uitbroeden overliet.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, Willem, het is van veel meer belang, dat gij recht
+spoedig weer gezond wordt, dan dat wij zoo spoedig kuikens
+krijgen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Thomas ook heel graag eieren lust,&rdquo; begon de kleine mee
+te spreken.</p>
+<p>&bdquo;Ja, ja; maar Thomas kan er nog dadelijk geen krijgen. Thomas
+is niet ziek.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Thomas buik doet o zoo zeer,&rdquo; antwoordde de guit.</p>
+<p>&bdquo;Ik vrees zeer, Thomas, dat gij een kleine leugenaar zijt. Ook
+zouden eieren voor die buikpijn zeer nadeelig zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Thomas krijgt ook hoofdpijn,&rdquo; klaagde de knaap.</p>
+<p>&bdquo;Eieren deugen niet voor hoofdpijn, Thomas,&rdquo; antwoordde
+zijn vader.</p>
+<p>&bdquo;Ach, Thomas is zoo ziek!&rdquo; zuchtte de dreumes
+opnieuw.</p>
+<p>&bdquo;Dan moet Thomas naar bed gaan en een lepel <span class="corr"
+id="xd21e4119" title="Bron: rucinusolie">ricinusolie</span>
+innemen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Thomas lust geen ricinusolie; Thomas lust alleen
+eieren.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, maar Thomas krijgt geen eieren,&rdquo; gaf de vader
+ernstig ten antwoord; &bdquo;en dus kan hij zijne jokkens wel voor zich
+houden. Als wij eens eieren genoeg hebben, dan zal Thomas er ook een
+hebben&mdash;als hij een brave jongen is, maar anders ook
+niet.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik heb Caroline het opzicht over de hoenders gegeven,&rdquo;
+vervolgde de vader, <span class="corr" id="xd21e4128" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>en zoo dunkt mij, behoort ook het bewaren
+van de eieren tot haar post. Mijn kind begint zoo al heel nuttig voor
+ons te worden.&rdquo;</p>
+<p>De twee volgende dagen waren de beide mannen in den tuin met het
+<span class="pagenum">[<a id="pb179" href="#pb179" name=
+"pb179">179</a>]</span>wieden van het onkruid bezig, dat te gelijk met
+de ontkiemende zaaigewassen begon op te schieten. Gedurende dezen tijd
+ging Willem met zijn herstel spoedig vooruit.</p>
+<p>De beide eerste dagen bracht Juno regelmatig elken morgen drie
+eieren uit het hoenderhok mede; maar op den derden morgen was er geen
+enkel te vinden. Ook op den vierden dag schenen de vogels niet gelegd
+te hebben, waarover mijnheer Wilson zeer verwonderd was, daar de hennen
+toch gewoonlijk, als zij eens beginnen te leggen, daarmede geregeld
+voortgaan. Op den vijfden morgen zaten allen aan het ontbijt. Slechts
+Thomas kwam niet opdagen, zoodat zijne moeder vroeg, waar hij dan toch
+stak.</p>
+<p>&bdquo;Ik vermoed, mevrouw,&rdquo; zeide de oude Flink lachend,
+&bdquo;dat onze sinjeur vandaag zoomin aan het ontbijt als aan de
+middagtafel zal verschijnen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hoe meent gij dat, Flink?&rdquo; vroeg de moeder.</p>
+<p>&bdquo;Welaan, mevrouw, ik zal &rsquo;t u vertellen. Het kwam mij
+vreemd voor, dat er nu al een paar ochtenden geen eieren gevonden
+waren, en ik dacht of de hoenders ze ook misschien weggelegd konden
+hebben, waarom ik dan gisterenavond uitging, om er naar te zoeken. Ik
+kon geen eieren ontdekken; maar daarentegen vond ik weldra de doppen,
+zorgvuldig onder wat kokosbladeren weggestopt. Nu begreep ik dadelijk,
+dat een roofdier, als er zoo een op het eiland was en de eieren gekaapt
+had, de doppen althans niet zoo zorgvuldig verbergen zou. Zoo sloot ik
+dan van morgen de deur van het hok en liet slechts het kleine luikje
+open, waardoor de hoenders naar binnen kruipen. Ik zelf plaatste mij,
+nadat zij van stok waren, achter de boomen en wachtte af, wat er verder
+gebeuren zou. Weldra zag ik sinjeur Thomas komen aansluipen en op het
+hok losgaan. Hij wilde eerst de deur openen, maar vond die gesloten;
+zoo kroop hij door het kleine luikje in het hok. Zoodra hij daar binnen
+was, liet ik den grendel vallen, maakte dien met een spijker vast en
+zoo zit Thomas nu in zijn eigen strikken gevangen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En hij zal ook den ganschen dag daarin blijven, die kleine
+snoeper!&rdquo; riep mijnheer Wilson hartelijk lachende.</p>
+<p>&bdquo;Ja, ja, dat is zijn verdiend loon en zal een goede les voor
+hem zijn,&rdquo; sprak zijne moeder. &bdquo;We zullen doen, alsof wij
+niets van hem merken, al klaagt en jammert hij ook uren
+achtereen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O massa Thomas, ikke heel blij, dat jij eindelijk betrapt.
+Mooie ding dat, de eiers opslobberen!&rdquo; jubelde Juno. &bdquo;Nu
+jij niets te eten krijgt,&mdash;jij dat ook prettig vindt,
+he?&rdquo;</p>
+<p>Mijnheer Wilson, Flink en Willem gingen als gewoonlijk aan hun werk.
+Mevrouw was met Juno en de kleine Caroline te huis bezig. Thomas hield
+<span class="pagenum">[<a id="pb180" href="#pb180" name=
+"pb180">180</a>]</span>zich wel een uur lang doodstil, totdat hij
+eindelijk luidkeels begon te schreeuwen. Dat baatte hem echter weinig,
+want niemand stoorde zich aan hem. Toen de etenstijd naderde, begon hij
+opnieuw te brullen; doch met hetzelfde gevolg. Eerst tegen den avond
+werd de deur van het hoenderhok geopend en kreeg de kleine dief
+vergunning om voor den dag te komen. Hij keek verlegen op zijn neus en
+zette zich, zonder een woord te spreken, in een hoekje neder.</p>
+<p>&bdquo;Nu, jongeheer, hoeveel eieren hebt gij vandaag
+gediefd?&rdquo; vroeg Flink.</p>
+<p>&bdquo;Thomas wil geen eieren meer snoepen,&rdquo; was zijn
+beschaamd antwoord.</p>
+<p>&bdquo;Ja, ja, dat zal ook w&egrave;l zoo goed zijn,&rdquo;
+antwoordde zijn vader; &bdquo;want anders zult ge spoedig ondervinden,
+dat gij, in plaats van meer dan anderen te krijgen, integendeel heel
+weinig te eten krijgt, gelijk dat vandaag het geval is
+geweest.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar ik heb van middag nog geen eten gehad,&rdquo; zeide
+Thomas.</p>
+<p>&bdquo;Voor vandaag krijgt gij ook geen middageten, daar kunt gij
+staat op maken. Wij kunnen u onmogelijk middageten en eieren te gelijk
+geven. Begint gij te schreeuwen, dan zal ik u dezen nacht in het
+hoenderhok opsluiten. Gij moet thans geduldig tot het avondeten
+wachten.&rdquo;</p>
+<p>Thomas begreep, dat aan de zaak niets te veranderen viel en wachtte
+dus met hangende lip tot het avondmaal op tafel kwam. Toen zocht hij
+zijne scha rijkelijk in te halen.</p>
+<p>Na het avondeten ging Flink met zijne geschiedenis aldus voort:</p>
+<p>&bdquo;De laatste maal heb ik u verteld, hoe ik van dien heer op den
+postwagen te weten kwam, dat mijne arme moeder, ten gevolge van
+kwelling en verdriet over mijn weggaan, gestorven was. Hoe &rsquo;t met
+mij gedurende die reis gesteld was, kan ik niet beschrijven. Ik was
+vreeselijk bedroefd en verslagen totdat wij eindelijk te <span class=
+"corr" id="xd21e4171" title="Bron: New-castle">Newcastle</span>
+aankwamen, waar ik alle omstandigheden omtrent de ziekte en den dood
+van mijne moeder vernemen kon.</p>
+<p>&bdquo;Toen de postwagen stilhield, kwam de heer, die onderwijl
+buitenop was blijven zitten, aan het portier, gaf mij de hand en zei
+mij:</p>
+<p>&bdquo;Als ik wel heb, zijt gij Masterman Flink, die eens het ruime
+sop ingingt; of vergis ik mij misschien?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, mijnheer,&rdquo; zei ik heel verslagen, &bdquo;ik ben
+het wezenlijk.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Welnu, wees dan maar zoo neerslachtig niet, jonkman,&rdquo;
+antwoordde hij mij. &bdquo;Destijds toen ge van huis liept, waart ge
+nog een jongen zonder verstand en hadt er geen begrip van, dat uwe
+moeder zooveel om u te lijden zou hebben, als ze werkelijk deed.
+&rsquo;t Was niet zoozeer uw wegloopen, dan wel de tijding van uw dood,
+wat haar zoo verslagen maakte, en daaraan <span class="pagenum">[<a id=
+"pb181" href="#pb181" name="pb181">181</a>]</span>hebt gij geen schuld.
+Ge moet thans met mij meegaan, want ik heb u nog veel dingen te
+zeggen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik zal morgen bij u komen, mijnheer,&rdquo; antwoordde ik.
+&bdquo;Voordat ik mijne oude buren bezocht heb en op &rsquo;t graf van
+mijne lieve moeder geweest ben, kan ik toch niets aanvangen, &rsquo;t
+Is waar, &rsquo;t was niet opzettelijk, dat ik moeder zoo ongelukkig
+maakte, en aan &rsquo;t gerucht van mijn dood heb ikzelf ook geen
+schuld; maar toch weet ik wel heel goed, dat zij, als ik niet zoo
+gedaan had, nog wel in het leven gebleven en misschien een heel
+gelukkig mensch wezen zou.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Uit kleine oorzaken, mijn beste Willem, komen vaak de
+droevigste gevolgen voort, en als wij, bij het doen van iets, eerst
+nadenken wilden, wat er de gevolgen wel van konden zijn, zonden wij ons
+veel wroeging en veel berouw in het leven kunnen besparen.</p>
+<p>&bdquo;Die heer gaf mij zijn adres op, en ik beloofde dat ik den
+volgenden morgen bij hem zou komen. Toen ging ik naar het huis, waar
+mijne moeder gewoond had. Ik wist wel, dat zij daar niet meer was, en
+toch was &rsquo;t of mijn hart ineenkromp, toen ik daar hardop praten
+en lachen hoorde. Ik gluurde eens naar binnen; want de deur stond juist
+open. In den hoek, waar mijne moeder altijd placht te zitten, stond een
+groote mangel, waaraan twee vrouwen bezig waren. Aan de ronde tafel,
+die ik ook nog kende, stonden twee meisjes te plooien en te stijven en
+zij riepen me toe, &bdquo;wat er van mijn dienst was?&rdquo; Ik keerde
+het huis den rug toe en ging bij een buurman, die ik wist dat een goede
+kennis van mijne moeder was geweest.</p>
+<p>&bdquo;De vrouw was thuis, maar herkende mij niet, zoodat ik haar
+eindelijk zeggen moest wie ik was. Zij had mijne moeder tot aan haar
+sterfuur opgepast en vertelde mij al wat ik verlangde te weten.</p>
+<p>&bdquo;Het gaf aan mijn beklemd hart eenige verlichting, toen ik
+vernam, dat mijne arme moeder ook zonder mijne schuld wel niet lang
+meer geleefd zou hebben, daar zij aan een ongeneeslijke kanker leed;
+doch tegelijk vertelde de vrouw mij, dat zij onophoudelijk aan mij
+gedacht had en dat mijn naam het laatste woord op hare lippen geweest
+was. Ik hoorde ook, dat mijnheer Masterman haar veel goedheid en
+genegenheid betoond had.</p>
+<p>&bdquo;Het goede mensch zette hare muts op en geleidde mij naar het
+graf der overledene, waar zij mij op mijn verlangen alleen liet. Ik
+zette mij op den grasheuvel neder, die het gebeente mijner moeder
+overdekte. Met een getroffen hart zat ik daar en weende lang en
+bitter.</p>
+<p>&bdquo;Het was reeds geheel donker, toen ik eindelijk het kerkhof
+verliet en naar de vriendelijke vrouw terugkeerde, die mijne moeder had
+opgepast. <span class="pagenum">[<a id="pb182" href="#pb182" name=
+"pb182">182</a>]</span>Ik sprak met haar en haar man tot laat in den
+nacht, en daar zij mij een bed aanboden, bleef ik onder hun dak
+slapen.</p>
+<p>&bdquo;Den volgenden morgen ging ik uit, om volgens mijne belofte
+aan den heer, met wien ik den vorigen dag gereisd had, een bezoek te
+brengen. Op het bordje aan zijne deur zag ik, dat hij notaris was. Hij
+verzocht mij plaats te nemen, sloot toen de deur zorgvuldig toe en deed
+mij allerlei vragen, om zich te overtuigen, dat ik werkelijk Masterman
+Flink was. Toen berichtte hij mij, dat hij mijnheer Masterman&rsquo;s
+boedel onder zijn beheer gehad en bij het doorzoeken der papieren een
+document gevonden had, dat voor mij van groot gewicht was, daar uit dat
+geschrift bleek, dat de verzekering van het schip, &rsquo;t welk zooals
+ik vroeger reeds verteld heb, aan mijn vader en mijnheer Masterman
+toebehoord had en vergaan was, niet voor mijnheer Masterman&rsquo;s
+aandeel alleen, maar ook voor dat mijns vaders had gegolden, zoodat die
+mijnheer mijne moeder haar aandeel bedriegelijk onthouden had.</p>
+<p>&bdquo;Hij zeide dat papier korten tijd na mijnheer
+Masterman&rsquo;s dood in eene geheime schuiflade gevonden te hebben.
+Daar mijne moeder nochtans overleden was en hij ook mij voor dood
+hield, had hij niet kunnen besluiten, om eene zoo onaangename zaak
+bekend te maken; maar nu ik weder was opgedaagd, oordeelde hij, dat
+zijn plicht van hem eischte het gansche geval open te leggen. Hij bood
+zich aan, om de zaak voor mij bij de heeren te bezorgen, aan wie
+mijnheer Masterman zijn gansche vermogen had overgedragen, om daarvoor
+armen<span class="corr" id="xd21e4205" title="Niet in bron">-</span> en
+ziekenhuizen te doen bouwen.</p>
+<p>&bdquo;De verzekering van het schip bedroeg, zeide hij, drie-duizend
+pond; een derde deel daarvan kwam aan mijn vader toe, wat alleen
+duizend, en met de renten van zoovele jaren, ver over eene som van
+tweeduizend pond uitmaakte.</p>
+<p>&bdquo;Dit was natuurlijk eene zeer aangename tijding voor mij, en
+gij kunt wel begrijpen, dat ik zijn voorstel dadelijk gretig aannam.
+Hij ging terstond aan het werk, vervoegde zich bij den raad van beheer
+en legde aan de heeren het bewijs voor; en allen stemden aanstonds
+overeen, dat het geld mij eerlijk toekwam en ook zonder uitstel aan mij
+moest worden uitbetaald.</p>
+<p>&bdquo;Zoodra het geld in mijne handen was, begon ik dat op allerlei
+dwaze manieren weg te gooien. Tot mijn geluk, kwam echter in de eerste
+dagen de Schotsche bootsman te voorschijn als de beschermengel, die mij
+redden wilde.</p>
+<p>&bdquo;Zoodra ik hem het voorgevallene verteld had, sprak hij zeer
+verstandig met mij, bracht mij onder het oog, dat ik thans in de
+gelegenheid was, om mij voor mijn gansche leven een zeker bestaan te
+verschaffen, en gaf mij <span class="pagenum">[<a id="pb183" href=
+"#pb183" name="pb183">183</a>]</span>den raad, om voor mijn geld een
+aandeel in een schip te koopen, onder voorwaarde, dat ik er zelf de
+kapitein van zou wezen.</p>
+<p>&bdquo;Die inval beviel mij zeer goed. Ik zag wel in, dat ik wederom
+zeer onverstandig gehandeld had, en besloot zijn raad te volgen. Eene
+enkele zwarigheid hield mij tegen; ik was namelijk nog zeer jong, pas
+twintig jaren oud, en had vroeger een schip wel heel goed weten te
+sturen, maar mij in den laatsten tijd weinig daarop toegelegd.</p>
+<p>&bdquo;Ik deelde Sanders, zoo heette de bootsman, mijn bezwaar mede;
+maar hij stelde mij gerust en sloeg mij voor, dat, als ik hem als
+eerste stuurman wilde aanstellen, ook die moeilijkheid uit den weg zou
+zijn geruimd, daar hij met het roer goed wist om te gaan en mij
+terstond op de eerste reis de stuurmanskunst wel in den grond zou
+leeren. Zoo kwam dan eindelijk alles in orde.</p>
+<p>&bdquo;Gelukkig had ik nog niet boven de honderd pond van mijn geld
+verteerd, wat evenwel voor dien tijd negentig pond te veel was. Ik
+keerde naar Glasgow terug, in gezelschap van Sanders, en deze gaf zich
+alle moeite om naar een geschikt schip om te zien.</p>
+<p>&bdquo;Eindelijk vond hij er een, dat tot het van stapel loopen
+gereed en, ten gevolge van een door het kantoor, dat het gebouwd had,
+geleden bankroet, te koop was<span class="corr" id="xd21e4227" title=
+"Bron: ,">.</span> Hij won berichten en vernam, dat eene zeer goede en
+aanzienlijke firma het vaartuig waarschijnlijk koopen zou, en toen deed
+hij mij een voorslag om een vierde deel in het schip te nemen en
+daarover als kapitein bevel te voeren.</p>
+<p>&bdquo;Sanders was algemeen geacht en bezat ieders vertrouwen. Zijne
+aanbeveling had dan ook tengevolge, dat de onderhandelende partijen mij
+verlangden te zien en te spreken. Hoe jong ik ook was, schenen zij toch
+met mij tevreden, en de koop kwam werkelijk tot stand.</p>
+<p>&bdquo;Ik stortte mijn aandeel, dat in twee-duizend pond bestond.
+Zoodra het schip van stapel was geloopen, deed ik met Sanders, dien ik
+tot eersten stuurman gekozen had, alle moeite om het spoedig geheel
+zeilree te maken. Het huis, dat het schip met mij had aangekocht, was
+eene Westindische firma, en zoo werd onze bodem natuurlijk tot de vaart
+op West-Indi&euml; bestemd.</p>
+<p>&bdquo;Na het betalen van mijn aandeel, bleven mij nog drie- of
+vierhonderd pond over. Deze besteedde ik tot den aankoop van
+speculatie-goederen voor mijne eigene rekening en het verschaffen van
+zeemans-instrumenten en dergelijke. Ook aan mijne eigene uitrusting
+liet ik het niet ontbreken. Want ziet gij, Willem, ofschoon Sanders mij
+zoo ernstig vermaand had, <span class="pagenum">[<a id="pb184" href=
+"#pb184" name="pb184">184</a>]</span>voortaan verstandiger te zijn, was
+ik toch bij de gedachte, dat ik nu kapitein van mijn eigen schip was,
+niet weinig opgeblazen. Voor iemand, die kort te voren nog jongen in
+den bezaansmast van een oorlogsschip geweest was, was de verandering
+dan ook werkelijk al te spoedig en te groot.</p>
+<p>&bdquo;Ik kleedde mij zeer netjes, droeg fijne overhemden en ringen
+aan de vingers; ik trok zelfs handschoenen aan, om witte handen te
+krijgen. Inderdaad, als kapitein en deelhebber van een fraai schip was
+ik ook een man van gewicht en werd door de overige scheepseigenaars
+dikwijls aan tafel genoodigd. Bovendien kon ik het zeer goed doen, want
+buiten de winst, die mijn eigen handel afwerpen kon, had ik ongeveer
+tien pond als kapitein en daarbij nog het vierde deel aan de
+gezamenlijke winsten.</p>
+<p>&bdquo;Dezen tijd kan ik als den voorspoedigsten van mijn gansche
+leven beschouwen, en ik zal daar nu bij blijven stilstaan, ofschoon ik
+wel vooruit zeggen kan, dat mijne fortuin niet van langen duur
+bleef.&rdquo;</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch41" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">EEN-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">SLOT VAN FLINKS VERHAAL.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Den volgenden dag waren zij bezig met op het
+kronkelpad, dat naar het magazijn leidde, de wortels der omgehouwen
+kokosboomen weg te ruimen. Zoodra dit gedaan was, richtte Flink nevens
+dat magazijn een bliksemafleider op, gelijk hij er bij het woonhuis
+reeds een gezet had.</p>
+<p>Zij hadden nu eindelijk al het werk, dat zij zich gedurende den
+regentijd voorgenomen hadden, tot stand gebracht. De schapen hadden
+lammeren geworpen; maar die zoowel als de geiten, begonnen gebrek aan
+voeder te krijgen. Eene gansche week lang viel er geen regen meer; de
+zon verspreidde reeds krachtige warmte en Flink was van oordeel, dat de
+regentijd voorbij moest zijn.</p>
+<p>Willem was weder volkomen hersteld en kon in zijn ongeduld
+nauwelijks afwachten, dat men het voorgenomen tochtje over het eiland
+ondernemen zou, waaraan hij natuurlijk vurig wenschte deel te nemen. Na
+rijp beraad werd eindelijk besloten, dat Flink en Willem de eerste
+wandeling naar het zuiden doen en zoodra mogelijk terugkeeren zouden,
+om te berichten of zij ook wat nieuws ontdekt hadden.</p>
+<p>Op een Zaterdagavond werd dit besluit genomen; des Maandags morgens
+<span class="pagenum">[<a id="pb185" href="#pb185" name=
+"pb185">185</a>]</span>zouden beiden opbreken. De reiszakken werden met
+gekookt pekelvleesch en platte koeken, die Juno bereid had, rijkelijk
+gevuld. Ieder zou zich van een geweer met kruit en lood voorzien; ook
+zouden zij eene wollen deken medenemen, om zich bij nacht daarin te
+wikkelen. Flink vergat ook zijn kompas en handbijl niet, om weder,
+evenals op hun eersten tocht, de boomen in het wond daarmee te
+merken.</p>
+<p>De gansche Zondag werd tot het in orde brengen van het noodige
+besteed. Na het avondeten, begon de goede oude man:</p>
+<p>&bdquo;Nu, Willem, voordat wij onze reis aanvangen, kan ik mijne
+historie nog wel ten einde brengen. Ik heb niet veel meer te vertellen,
+want mijn goed geluk duurde niet lang, en na mijne lange Fransche
+gevangenschap was al mijn volgend leven eene voortdurende
+verwezenlijking van het spreekwoord: Van den regen in den drop, of: Van
+den wal in de sloot. Ik bleef er bij staan, hoe ik dat aandeel in het
+koopvaardijschip gekocht had en naar mijne gedachten op den besten weg
+was om mijn fortuin te maken. Laat mij dus voortgaan.</p>
+<p>&bdquo;Ons schip was eerlang gereed, en zoo zeilden wij in eene
+groote vloot naar Barbados uit. Sanders bewees spoedig een kundig
+zeeman te zijn, en voordat wij te Barbados aankwamen, had ik van hem al
+de kundigheden verkregen, die ik noodig had, om mijn schip zelf
+behoorlijk te sturen en te regeeren.</p>
+<p>&bdquo;Sanders zocht de oude ernstige gesprekken te hernieuwen; maar
+mijn vermogen had mij te ijdel gemaakt, en nu, daar ik mij ook zonder
+zijn bijstand tot mijne taak in staat achtte, hield ik mij niet alleen
+op een afstand van hem, maar zocht zelfs den baas over hem te spelen.
+Zoo, beste Willem, beloonde ik de goedheid, die hij mij altijd had
+bewezen, met den snoodsten ondank. Helaas, dat is in de wereld maar al
+te dikwijls het geval.</p>
+<p>&bdquo;Sanders was daar zeer bedroefd over, en bij onze aankomst te
+Barbados zeide hij mij, dat hij besloten had het schip te verlaten. Ik
+antwoordde hem op hoogen toon, dat hij in alles naar zijne vrije
+verkiezing handelen moest. Wat mij het meest daartoe bewoog, was, dat
+ik in het hart vurig wenschte van hem ontslagen te worden, alleen omdat
+ik gevoelde hem dank verschuldigd te zijn;&mdash;met beschaming erken
+ik dat, mijn beste Willem. Zoo verliet hij mij dan ook wezenlijk, en ik
+was uiterst tevreden, dat hij het deed.</p>
+<p>&bdquo;Mijn schip had weldra zijne volle lading suiker en wachtte
+tot eene groote koopvaardijvloot de vaart naar Engeland zou aannemen.
+Ik had te Barbados gelegenheid gevonden om vier metalen kanonnen aan te
+koopen, <span class="pagenum">[<a id="pb186" href="#pb186" name=
+"pb186">186</a>]</span>die ik terstond op mijn dek bracht, terwijl ik
+mij rijkelijk van de noodige munitie voorzag. Ik was geweldig trotsch
+op mijn schip omdat het zich op de heenreis zulk een vluggen zeiler had
+betoond; het had<a id="xd21e4272" name="xd21e4272"></a> zich werkelijk
+beter gehouden, dan menig oorlogsschip van ons konvooi, en daar ik nu
+zelfs nog stukken aan boord had, meende ik van vijandelijke
+kaperschepen volstrekt niets meer te duchten te hebben.</p>
+<p>&bdquo;Wij wachtten nog altijd op ons konvooi, dat evenwel misschien
+nog wel een veertien dagen uitblijven kon. In dien tusschentijd brak
+een hevige storm los, die mijn schip met de meeste overige vaartuigen
+van de ankers sloeg en ons allen gezamenlijk uit de Carlislebaai dreef.
+Wij waren genoodzaakt met alle kracht van zeil weer op de haven aan te
+sturen, want de storm hield nog met groote woede aan.</p>
+<p>&bdquo;Ik zelf was &rsquo;t hartelijk moe, zoo lang op het konvooi
+te wachten; daarbij wist ik nog, dat, als ik v&oacute;&oacute;r de
+overige Westindievaarders in Engeland aankwam, dit mij tot groot
+voordeel kon strekken, en zoo besloot ik dan, om in plaats van
+andermaal in de baai terug te keeren, liever zonder bedekking naar
+Engeland koers te zetten en mij op de snelle vaart van mijne kiel en op
+de stukken, die ik aan boord had, te verlaten. Ik vergat daarbij, dat
+de verzekering van mijn schip en lading in Engeland enkel voor het
+geval was, dat ik in gezelschap voer, en dat, indien ik die voorzorg
+verzuimde, in geval van een ongeluk ook de gansche verzekering nietig
+zijn zijn moest.</p>
+<p>&bdquo;Dus ging ik dan naar Engeland onder zeil. Drie weken lang
+ging alles uitmuntend: wij ontmoetten slechts zeer weinig schepen. Die,
+welke jacht op ons maakten, waren niet tegen ons opgewassen en konden
+ons dus niets doen. Reeds stuurden wij met den besten wind op het
+Kanaal aan, en ik twijfelde niet meer, of tegen den avond zouden wij de
+gewenschte haven binnenloopen, toen ons een Fransche kaper in het
+gezicht kwam en aanstonds jacht op ons maakte. Wij waren gedwongen, om
+bij den wind te sturen; die woei zeer hard en nam al spoedig onze
+groote steng weg.</p>
+<p>&bdquo;Dat was voor ons het grootste ongeluk, dat men zich
+voorstellen kon<span class="corr" id="xd21e4282" title=
+"Bron: ,">.</span> De kaper kwam nu al nader, achterhaalde ons en tegen
+den avond was ik een doodarm Fransch gevangene, want de
+verzekeringsgelden had ik verbeurd, omdat ik zonder bedekking het ruime
+sop was ingegaan.</p>
+<p>&bdquo;Ik begreep wel, dat ik al mijn ongeluk aan mijzelven te
+wijten had. In allen gevalle werd ik hard genoeg gestraft, want bijna
+zes volle jaren verzuchtte ik in akelige gevangenschap. Eindelijk
+waagde ik met drie of vier rampgenooten de vlucht te beproeven. Wij
+hadden duizenderlei ellende <span class="pagenum">[<a id="pb187" href=
+"#pb187" name="pb187">187</a>]</span>door te staan en kwamen eindelijk
+op een Zweedsch schip, zonder geld, ja bijna zonder een hemd aan het
+lijf, om ons tegen de koude te bedekken, in Engeland aan.</p>
+<p>&bdquo;Mij bleef natuurlijk niets overig dan op een ander schip naar
+een plaatsje om te zien. Ik wou tweede stuurman worden; maar niemand
+wilde mij aannemen. Ik zag er daartoe al te haveloos en te ellendig
+uit, en om niet van honger en gebrek om te komen, besloot ik dan
+eindelijk mij als gemeen matroos v&oacute;&oacute;r den mast te laten
+<span class="corr" id="xd21e4291" title=
+"Bron: aanwerpen">aanwerven</span>.</p>
+<p>&bdquo;Er lag een fraai schip in de haven. Daarheen ging ik, om
+mijne diensten aan te bieden. De bootsman ging om den kapitein te
+halen, en toen deze aan boord kwam, herkende ik&mdash;wien denkt gij
+wel?&mdash;niemand anders dan Sanders!</p>
+<p>&bdquo;Ik hoopte nog, dat hij mij niet zoo dadelijk zou kennen. Doch
+bij den eersten oogopslag zag hij, wie ik was en reikte mij de hand
+toe. Ik had wel in de zee willen wegzinken! Nooit in mijn leven was ik
+zoo beschaamd en verlegen, als op dat oogenblik.</p>
+<p>&bdquo;Sanders merkte dat wel en bracht mij in zijne kajuit. Daar
+vertelde ik hem alles, wat met mij gebeurd was. Hij scheen vergeten te
+hebben, dat ik mij zoo slecht en gemeen jegens hem gedragen had; hij
+bood mij eene plaats op het schip aan en schoot mij zelfs geld voor, om
+mij weer nieuw in de kleeren te steken.</p>
+<p>&bdquo;Evenwel, of hij mijn vroeger gedrag al vergeten wou, ik kon
+dat niet vergeten. Ik kwam er openlijk voor uit en smeekte hem om
+vergiffenis.</p>
+<p>&bdquo;Deze brave man bleef, zoolang hij leefde, mijn beste vriend.
+Ik werd na eenigen tijd zijn tweede stuurman en wij raakten weer op een
+vertrouwelijken voet met elkander. Mijn ongeluk had mij nederig en
+deemoedig gemaakt.</p>
+<p>&bdquo;Na zijn dood bleef ik nog een tijdlang tweede stuurman op
+zijn schip, doch in &rsquo;t eind werd een ander voor mij
+voorgetrokken. Sedert dien tijd diende ik als gemeen matroos op
+verschillende schepen. Overal werd ik geacht en goed behandeld. Ik
+gevoelde mij, durf ik wel zeggen, nergens ongelukkig, want ik zag recht
+goed in, dat rijkdom mij slechts tot dwaasheden verleiden zou.</p>
+<p>&bdquo;Nu, beste Willem, kent gij de historie van Masterman Flink.
+Ik hoop dat zij hier en daar iets bevat, wat voor u op den duur nuttig
+kan worden. Ik ben thans nog maar een oud man, &rsquo;t leven en de
+vermoeienissen zat; mijne eenige hoop is in vrede te sterven en nog tot
+aan dat oogenblik nuttig te kunnen zijn.&rdquo; <span class=
+"pagenum">[<a id="pb188" href="#pb188" name="pb188">188</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Nuttig zijt gij werkelijk in eene hooge mate geweest,&rdquo;
+zeide mevrouw Wilson, met tranen in de oogen; &bdquo;en ik hoop, oude,
+beste vriend, dat gij nog een langen tijd leven en een hoogen,
+gelukkigen ouderdom bereiken zult.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dank u wel, mevrouw,&rdquo; hernam Flink; &bdquo;maar over
+&rsquo;t algemeen hebben de matrozen geen zeer lang leven. En waarlijk,
+ik zou &rsquo;t overschot van mijne dagen ook zeer gaarne op dit kleine
+eilandje ten einde brengen. Ik weet, dat gij overigen daar heel anders
+over denkt, en dat is ook zeer natuurlijk. Ik ben al een oud man en heb
+niets te wachten, voor niets te zorgen; al, wat ik begeer, is nuttige
+bezigheid. Gij zijt in vergelijking van mij allen nog jong en wacht nog
+veel van de toekomst. Om uwent-, maar niet om mijnentwil hoop ik van
+harte, dat men ons zoeken en vinden zal, zoodat gij weer in de woelige
+wereld kunt terugkeeren. Ik voor mij zal gaarne &rsquo;t overschot van
+mijn leven op dit eiland slijten en hoop, dat die kokostakken eens over
+mijn graf zullen wuiven. Ik weet niet, maar ik heb er een zeker
+voorgevoel van, dat dit ook werkelijk zoo gebeuren zal, en ik kan wel
+zeggen, dat die gedachte in zeker opzicht een troost voor mij
+is.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, neen, daaraan moet gij volstrekt niet denken!&rdquo;
+riep de heer Wilson. &bdquo;Gij moet eens met ons terugkeeren en uw
+ouderdom in ons midden doorbrengen. Gij moet uw zeemansleven opgeven, u
+aan onzen haard nederzetten, als gij wilt, en in onzen tuin u in de zon
+koesteren. Gij hebt behoefte aan rust en ik vertrouw zeker dat gij nog
+een gelukkigen ouderdom zult beleven. In allen gevalle zal het mijne
+schuld niet zijn, als die hoop van mij niet vervuld wordt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;De mijne evenmin,&rdquo; voegde zijne vrouw er bij; &bdquo;ik
+zou ontroostbaar zijn, als gij ooit van ons heengingt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik dank u, mevrouw en ook u, mijnheer, van ganscher harte
+voor uwe goede bedoeling.&mdash;Beste Willem, wij moeten voor dag en
+voor dauw op en daar wij allen nog eerst samen ontbijten zouden, wordt
+het thans, dunkt mij, hoog tijd, om eens met ons hoofdkussen te
+spreken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Gij hebt volkomen gelijk,&rdquo; antwoordde <span class=
+"corr" id="xd21e4322" title="Bron: mijn heer">mijnheer</span>
+Wilson.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch42" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">TWEE-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">TWEEDE UITSTAPJE DOOR HET EILAND.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Den volgenden morgen waren allen zeer vroeg op en
+ontbeten nog met elkander. De gebakken visch smaakte kostelijk; Thomas
+at zoo gulzig, <span class="pagenum">[<a id="pb189" href="#pb189" name=
+"pb189">189</a>]</span>dat hij bijna aan eene graat gestikt was, die
+hem in de keel bleef steken. Juno deed lang vergeefsche moeite om er
+met den vinger bij te komen. Mevrouw Wilson was in grooten angst totdat
+het Juno eindelijk gelukte haar met den wijsvinger los te krijgen.</p>
+<p>Geweren, reiszakken en al het benoodigde tot de reis waren reeds
+vooraf klaargemaakt, en zoo stonden Willem en Flink eindelijk van tafel
+op, namen hartelijk afscheid van de achterblijvenden en begaven zich op
+weg.</p>
+<p>De zon scheen helder, de lucht was reeds tamelijk warm; de dansende
+golven van den oceaan glinsterden in de verte en de kokosboomen
+schommelden hunne gekuifde kruinen in den zachten wind. Met een
+vroolijk hart, braken zij op en riepen de beide herdershonden. Ook
+Vixen wilde meegaan, maar moest tot bewaking van de familie
+achterblijven.</p>
+<p>Het magazijn voorbij, ging het den tegenoverliggenden heuvel op, het
+bosch in en weldra werden de bijlen losgemaakt, om de boomen daarmede
+te merken. Flink haalde zijn zakkompas voor den dag en regelde daarnaar
+de richting van den weg, dien zij nemen wilden.</p>
+<p>Een tijdlang ging het zoo voort, zonder dat men een woord sprak,
+rechts en links werd de boombast met de bijl geteekend, totdat Flink
+andermaal staan bleef, om naar zijn kompas te zien.</p>
+<p>&bdquo;Mij dunkt, Flink, het bosch is hier dichter, dan ik het nog
+ergens gezien heb,&rdquo; zeide Willem.</p>
+<p>&bdquo;Ja, ja, gij hebt gelijk. Naar &rsquo;t mij voorkomt, moeten
+wij thans omtrent midden op het eiland in het dichtste deel van het
+woud zijn. Dat zal wel spoedig blijken. We moeten ons wat meer naar het
+Zuiden richten; daarbij zal het goed zijn, dat we stevig doorstappen.
+Hoe verder we komen, des te minder hebben we te doen, en we kunnen dan
+ook rustig samen praten.&rdquo;</p>
+<p>Zoo stapten zij een half uur wakker voort. Gelijk Flink gezegd had,
+werd het bosch allengs minder dicht, maar toch konden zij niets dan
+kokosstammen ontdekken. Het was geen lichte arbeid, ieder oogenblik
+nieuwe boomen te merken, en het zweet liep hun tappelings over het
+gezicht, zoo zwaar begon hun dat ten laatste te vallen.</p>
+<p>&bdquo;Me dunkt, Willem, we moesten eens eene minuut of wat
+uitrusten, want anders wordt gij al te moe. Ge zijt nog niet zoo sterk,
+als gij v&oacute;&oacute;r uwe ziekte waart.&rdquo;<a id="xd21e4350"
+name="xd21e4350"></a></p>
+<p>&bdquo;Ik ben niet meer zoo goed aan het werk gewoon als vroeger, en
+daarom ben ik nu gauwer moe, Flink,&rdquo; antwoordde Willem en droogde
+zich het gezicht met zijn zakdoek af, terwijl hij zijn geweer tegen een
+boomstam zette. &bdquo;Ik heb er niets tegen, dat we eens een poosje
+uitblazen. Hoe lang, <span class="pagenum">[<a id="pb190" href="#pb190"
+name="pb190">190</a>]</span>denkt ge, zal het nog duren tot we het
+bosch achter den rug hebben?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Me dunkt, geen half uur meer; of misschien zijn wij er
+schielijker uit. Ik weet niet, hoe ver het bosch zich in deze richting
+uitstrekt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat denkt ge dan zoo al daar achter te vinden?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is moeilijk te zeggen. Ik kan alleen zeggen wat ik hoop
+te vinden, namelijk een ruim, vlak grasveld tusschen het bosch en de
+kust, waar onze schapen en geiten weiden kunnen. Dan was het ook
+mogelijk, dat wij buiten de kokossen nog andere boomen, heesters en
+struiken vonden; tot hiertoe hebben wij niets dan kokosboomen en
+ricinusstruiken gezien. Weet gij nog wel Willem, hoe Thomas het van de
+bessen te kwaad gehad heeft? &rsquo;t Is onmogelijk te bepalen, mijn
+jongen, hoe menigerlei zaadkorrels door vogels of door wind en baren
+wel hierheen gebracht zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, maar zouden die zaken ook opkomen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wel zeker, Willem. Ik heb mij wel eens laten vertellen, dat
+vele zaadkorrels honderden jaren onder den grond kunnen zitten en
+later, als de zon er op schijnt, toch nog opkomen<span class="corr" id=
+"xd21e4367" title="Bron: ?">!</span>&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Nu herinner ik mij,&rdquo; antwoordde Willem, &bdquo;dat mijn
+vader mij eens vertelde, hoe een gerstekorrel, die voor drie of vier
+duizend jaren met eene Egyptische mummie begraven was, zelfs na dien
+langen tijd nog opkwam, nadat men haar in den grond had
+gestoken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat is dat eene mummie, Willem? Van Egypte heb ik wel
+gehoord: dat is het land, waar de kinderen Isra&euml;ls gevangen waren
+en waar zij later uittrokken. Dat alles lezen wij in den Bijbel, en ook
+van de zeven plagen, waarmede Pharao bezocht werd, totdat hij het
+Joodsche volk gaan liet.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, ja; hij verdronk met zijn gansche leger, omdat hij hen
+achtervolgde en weder terugdrijven wilde.&mdash;Eene mummie, Flink, is
+het lijk van een mensch, dat na den dood met verschillende specerijen
+ingebalsemd wordt, om het tegen verrotting te bewaren. Ik heb er nog
+nooit eene gezien, maar weet uit de boeken, dat de Egyptenaren hunne
+lijken zoo plachten in te balsemen.&mdash;Maar kom, nu kan ik, dunkt
+mij, wel weer verder gaan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Goed, Willem; hoe eer wij het bosch achter ons hebben, des te
+beter voor ons.&rdquo;</p>
+<p>Zonder oponthoud zetten zij na hunne wandeling voort, en ze waren
+nog geen kwartier verder, of Willem riep:</p>
+<p>&bdquo;Flink, ik zie den blauwen hemel! We zijn het bosch weldra ten
+einde, en ik ben daar hartelijk blij om, want mijn arm doet mij zeer
+van dat aanhoudend kappen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Mij gaat het niet beter, Willem. Ik ben waarlijk even blij
+als gij; want <span class="pagenum">[<a id="pb191" href="#pb191" name=
+"pb191">191</a>]</span>het werken heeft mij ook vermoeid. Evenwel
+moeten wij daarmee nog voortgaan, want anders vinden we onzen weg niet
+terug, als wij dien noodig hebben.&rdquo;</p>
+<p>Tien minuten later hadden zij het kokosbosch achter zich en kwamen
+te midden van manshooge struiken zoodat zij niet zien konden, hoe ver
+zij nog van de kust verwijderd waren.</p>
+<p>&bdquo;Nu, Goddank,&rdquo; riep Willem en wierp de bijl op den
+grond; &bdquo;ik ben blij, dat dit voorbij is. Nu zullen we ons een
+poosje neerzetten, voordat wij verder gaan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is mij wel,&rdquo; zeide Flink en nam bij Willem
+plaats.</p>
+<p>&bdquo;Ik voel mij heden veel meer vermoeid, dan toen wij van de
+andere zijde van het eiland door het bosch kwamen. Ik geloof bijna, dat
+het weer daaraan schuld is. Komt hier honden; koest daar!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Het weer is toch heel mooi, Flink.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Nu, ja zeker; maar ik heb u, meen ik, reeds gezegd, dat de
+regentijd voor de gezondheid zeer nadeelig is, en zoo denk ik wel
+haast, dat ik daarvan nog niet bekomen ben. Gij hebt wezenlijk de
+koorts gehad en kunt u natuurlijk niet zeer sterk voelen; maar men kan
+toch ook zonder koorts aan zijne gezondheid veel geleden hebben. Ik ben
+een oud man, Willem, en begin thans allerlei gebreken te
+voelen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Me dunkt, Flink, voordat wij opbreken, moesten wij ons
+middagmaal houden; dat zal ons zeker goed doen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, Willem, wij zullen een vroeg maal houden dan raken wij in
+allen gevalle eene onzer waterflesschen kwijt. Halt! goed, dat ik het
+bedenk. Daar wij toch denzelfden weg terug moeten, konden we onze
+reiszakken en al &rsquo;t verdere buiten de geweren wel onder deze
+boomen laten liggen. Misschien ook dat wij hier wel overnachten zullen,
+want ik heb uw vader stellig gezegd, dat hij ons vandaag nog niet terug
+wachten moest. Aan uwe moeder wilde ik dat niet zeggen, omdat zij
+altijd zoo bezorgd voor u is.&rdquo;</p>
+<p>Hierop werden de knapzakken geopend en het middagmaal gehouden,
+waarvan de beide honden rijkelijk hun deel kregen. Na het eten zetten
+zij hunne ontdekkingsreis opnieuw voort. Wel tien minuten lang moesten
+zij zich door de hooge, dichte struiken een weg banen, totdat zij ten
+laatste den uitgang bereikten en toen eene poos zonder een woord te
+spreken in het rond zagen.</p>
+<p>De zee lag op ongeveer <span class="corr" id="xd21e4408" title=
+"Bron: eenhalve">een halve</span> mijl afstands voor hen: het
+daartusschen liggende land was eene open vlakte met frisch, heerlijk
+gras overdekt, en vormde eene voortreffelijke weideplaats. Hier en daar
+was de bodem met <span class="pagenum">[<a id="pb192" href="#pb192"
+name="pb192">192</a>]</span>enkele kleine boomgroepen bezet; de kust
+vormde geen zandvlakte gelijk op de andere zijde, maar de klippen rezen
+tot eene hoogte van twintig tot dertig voet loodrecht uit de zee op en
+waren op vele plaatsen met een vreemde, sneeuwwitte stof overdekt.</p>
+<p>&bdquo;Zie, Flink,&rdquo; begon Willem eindelijk, &bdquo;daar zou
+nog voeder genoeg voor onze kudde zijn, ook als zij tienmaal zoo sterk
+werd.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, ja, mijn jongen; dat is een groot geluk, en wij hebben
+alle reden om dankbaar daarvoor te zijn. Dat is juist wat wij noodig
+hadden. Laat ons nu echter wat verder gaan en die boomgroepen
+onderzoeken, om te zien, waaruit ze bestaan. Ik zie daar een groot,
+breed blad, dat ik, als ik mij niet bedrieg, al dikwijls meer gezien
+heb.&mdash;Ja, Willem, ik had wel gelijk,&rdquo; vervolgde hij, nadat
+zij de boomen, waarop hij gewezen had, genaderd waren. &bdquo;Ziehier,
+dat is een pisangboom. Hij bot juist uit en zal weldra tien of twaalf
+voet hoog zijn. Zijne vrucht smaakt voortreffelijk en zijne bladeren
+geven een uitmuntend voedsel voor het vee.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hier is een plant, die ik nog nooit gezien heb,&mdash;hier
+deze kleine,&rdquo; zeide Willem, terwijl hij een takje afbrak en dat
+zijn ouden vriend toonde.</p>
+<p>&bdquo;Maar ik wel, Willem. Men noemt het gewoonlijk vogelpeper en
+de u welbekende Cayennepeper wordt daaruit bereid. Zie, het heeft al
+loten; het zal ons bij het koken goede diensten doen, daar we toch geen
+peper meer overhebben. Juno zal er wat blij mee zijn. Gij kunt daar
+verder uit opmaken, Willem, dat er ook vogels op dit eiland moeten
+zijn; althans is dit zeer waarschijnlijk, want de zaden van al deze
+planten en boomen kunnen slechts door hen hierheen gedragen zijn.
+Pisang en peper dienen vele vogelsoorten tot voedsel. De zaadkorrel,
+welk een dezer vogels vallen liet, is opgekomen en heeft verdere loten
+om zich heen verspreid, die van jaar tot jaar in talrijkheid en grootte
+toenamen. Dit is ook de reden, waarom gij ze alle in afzonderlijke
+groepen hier en daar verstrooid ziet. Kijk, daar schiet eene menigte
+Pisangplanten uit den bodem op; in weinige weken zullen ze een heel
+bosch uitmaken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En wat is dat daar voor eene stekelachtige struik,
+Flink?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik zie niet zoo scherp als gij Willem, en dus dienen wij wat
+naderbij te treden. Ha, ik zie het al; het is de zoogenaamde
+Westindische stekelbes. Ik ben zeer blij haar gevonden te <span class=
+"corr" id="xd21e4425" title="Bron: hebbenl">hebben,</span> want zij kan
+ons van groot nut zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Is ze goed om te eten, Flink?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat juist niet; ook prikt ge u met hare stekels licht in de
+vingers en kunt ge ze er moeilijk weer uitkrijgen; voor de afwisseling
+evenwel zal zij <span class="pagenum">[<a id="pb193" href="#pb193"
+name="pb193">193</a>]</span>zoo kwaad niet smaken. Het hoofdnut brengt
+die struik nochtans als heg om onzen tuin aan, tot bescherming tegen de
+dieren. Zij geeft eene uitmuntende heining en wast zeer snel, zonder
+oppassing noodig te hebben. Zie eens, daar staat een halve akker vol
+met dat gewas; het is juist aan het bloeien toe. Laat ons nu eens naar
+gindsche groep gaan en zien wat het is.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat is dat voor eene plant, Flink?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik weet het niet, Willem; ik kan niet zeggen, dat ik ze
+vroeger ooit gezien heb.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dan, dunkt mij, zal ik &rsquo;t best doen, al de planten, die
+gij niet kent, te verzamelen en aan vader te brengen. Hij is een groot
+vriend van de kruidkunde en zal ons wel weten te zeggen wat ze
+zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Braaf! Dat zullen wij doen; dat is een recht goede inval van
+u.&rdquo;</p>
+<p>Willem plukte een tak van de onbekende plant af en nam dien mede.
+Bij de naaste groep bleef Flink staan en beschouwde haar lang met
+groote opmerkzaamheid.</p>
+<p>&bdquo;Wacht, laat zien,&rdquo; zeide hij eindelijk; &bdquo;dezen
+boom geloof ik te <span class="corr" id="xd21e4447" title=
+"Bron: kenen">kennen</span>, althans heb ik hem meer in de heete landen
+gezien. Ja, ja, ik heb &rsquo;t, Willem; een guayababoom.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hoe, dezelfde, uit wiens vruchten men den guayabawijn
+bereidt?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, dezelfde.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Nu, wat zal Thomas watertanden, als hij daarvan hoort!
+Kapitein Osborn gaf ons op onze reis eens guayabamost te proeven, en
+Thomas wilde er al meer van hebben, zoo smaakte die hem.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Kleine jongens van Thomas&rsquo; jaren denken meer aan eten
+en drinken dan aan iets anders; dat is natuurlijk, en wij moeten Thomas
+daarom niet hard vallen. Hij zal mettertijd een fiksche jongen worden;
+geloof dat vrij, Willem<span class="corr" id="xd21e4458" title=
+"Bron: &rdquo;!">!&rdquo;</span></p>
+<p>&bdquo;O zeker, dat hoop ik ook, Flink, en ik twijfel er ook in
+&rsquo;t geheel niet aan. Willen we thans verder gaan?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja; maar welken kant zoudt ge &rsquo;t liefst
+gaan?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Laat ons in de richting van deze vijf boomen voortloopen en
+dan tot aan de klippen afdalen. Ik zou gaarne weten hoe het komt, dat
+die zoo wit zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Komaan dan, als gij het zoo verkiest, beste
+jongen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;H&eacute;, Flink! wat is dat voor een rumoer? Luister, dat
+geschreeuw! Dat moeten apen zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, neen, dat zijn geen apen; ik wil u wel aanstonds
+zeggen, wat het is, ofschoon ik nog niets zie.&mdash;Papegaaien zijn
+&rsquo;t,&mdash;ik ken hen aan hun geschreeuw. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb194" href="#pb194" name="pb194">194</a>]</span>Zie,
+Willem, het is niet heel waarschijnlijk, dat apen hierheen gedwaald
+zouden zijn, maar wel vogels, en aan hen zijn wij de pisangs en guayaba
+en al de andere vruchten verschuldigd, die wij misschien nog ontdekken
+zullen.&rdquo;</p>
+<p>Zoodra zij onder de boomen kwamen, ontstond er een oorverdoovend
+gefladder en geschreeuw. Meer dan driehonderd papegaaien vlogen
+krijschend op en hunne fraaie groene en blauwe pluimen schitterden
+prachtig in de stralen der zon.</p>
+<p>&bdquo;Zeide ik het niet, Willem? Nu, dat is eene kostelijke
+ontdekking en kan ons van tijd tot tijd aan eene keurige pastei
+helpen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Pastei, Flink? Gebruikt men hen dan tot pasteien?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O ja, zij smaken heerlijk; in <span class="corr" id=
+"xd21e4484" title="Bron: West Indi&euml;">West-Indi&euml;</span> en
+Zuid-Amerika heb ik er mij dikwijls lekker op vergast. Wacht, wacht,
+laat ons hier nog een eindje verder op gaan. Ik zie daar een blad, dat
+ik gaarne nader onderzoeken zou.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;De grond schijnt hier moerassig te worden, Flink, dunkt u dat
+ook niet?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, ja; hier onder onze voeten schuilt water genoeg. Des te
+beter voor ons vee; wij graven het dan eenige kommen, als het hierheen
+komt. Ha! ik dacht wel, dat ik mij niet bedriegen zou. Zie eens,
+Willem! dat is het allerbeste, dat we nog gevonden hebben; nu behoeven
+wij niet zoo meer van onze aardappelen af te hangen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ei, wat is het dan, Flink?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Yamswortels, mijn jongen, yams- of broodwortels, die men in
+West-Indi&euml; in plaats van aardappelen gebruikt. Gij moet namelijk
+weten, dat de aardappelen in heete luchtstreken niet lang hunne
+oorspronkelijke gedaante behouden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hoe meent gij dat, Flink?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Na een of twee oogsten veranderen zij in zoogenaamde zoete
+aardappelen; de yamswortels zijn, naar mijn oordeel, in alle gevallen
+beter.&rdquo;</p>
+<p>Op dit oogenblik wierpen de honden zich in het door de yamswortels
+gevormde hooge groen en begonnen te blaffen; een poosje daarna hoorde
+men een sterk getrappel en gebrom.</p>
+<p>&bdquo;Wat is dat?&rdquo; riep Willem, die zich juist op den grond
+gelegd had, om de yamsplant te onderzoeken en bij dat gerucht ontsteld
+opsprong.</p>
+<p>De oude man lachte hartelijk.</p>
+<p>&bdquo;Het is niet de eerste maal, Willem,&rdquo; zeide hij,
+&bdquo;dat ze u een schrik op het lijf hebben <span class="corr" id=
+"xd21e4508" title="Bron: gelaagd">gejaagd</span>.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat! onze varkens zijn het? Wezenlijk?<span class="corr" id=
+"xd21e4513" title="Niet in bron">&rdquo;</span> vroeg de knaap
+verwonderd. <span class="pagenum">[<a id="pb195" href="#pb195" name=
+"pb195">195</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Wis en zeker: zij hebben de broodwortels in den neus gekregen
+en smullen er braaf van, dat moogt gij vrij gelooven.&rdquo;</p>
+<p>Flink verhief zijne stem en klapte in de handen. Weldra hoorde men
+onder de bladeren een getrappel en geknor en kort daarop
+sprongen&mdash;niet zes, maar over de dertig varkens, groote en
+<span class="corr" id="xd21e4521" title="Bron: klein">kleine,</span>
+uit het groen te voorschijn; en snuivend en knorrend stoof de gansche
+kudde in wilden galop langs de vlakte voort, totdat zij het kokosbosch
+bereikt had en daarin verdween.</p>
+<p>&bdquo;Maar wat zijn ze wild, Flink!&rdquo; riep Willem.</p>
+<p>&bdquo;Ja, en ze worden nog met elken <span class="corr" id=
+"xd21e4528" title="Bron: dag dag">dag</span> wilder. We moeten de
+yamswortels echter tegen hen omheinen, anders blijft er ons niets van
+over.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar ze zullen de heg vernielen, voordat die nog behoorlijk
+is opgeschoten.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat zouden zij wel; maar daartegen maken wij een stevige
+omheining van kokospalen en planten aan den buitenkant van die
+stekelbessen, welke gij ginds gevonden hebt. Eer nog onze palen
+vermolmd zijn, wassen de stekelbessen tot eene heg omhoog, waardoor
+geen dier kan heenbreken.&mdash;Nu, Willem, moeten wij ons echter eens
+naar de kust wenden.&rdquo;</p>
+<p>Toen zij de rotsen naderden, die op enkele plaatsen vijftig ellen
+boven den rand des waters uitstaken, merkte Flink aan:</p>
+<p>&bdquo;Nu kan ik u zeggen, jonge vriend, wat de witte plekken ginds
+op de klippen te beduiden hebben. Zij zijn afkomstig van de zeevogels,
+die hier ieder jaar komen nestelen en hunne jongen uitbroeden. Als
+niets hun dat belet, keeren zij telkenreize naar de eigen stee
+terug.&rdquo;</p>
+<p>Zij bereikten weldra het bedoelde punt, dat zich uit de verte zoo
+wit vertoonde; zij vonden het vol veeren en pluimen, met mest en drek
+doormengd.</p>
+<p>&bdquo;Ik zie nergens een nest, Flink: niet eens een spoor van
+vroegere nesten.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wel dat is ook niet mogelijk. Hun geheele nest bestaat
+namelijk daarin dat zij een rond gat van een halven duim diep in den
+grond krabben en dicht naast elkander gezeten hunne eieren in de kuilen
+leggen. Spoedig is het tijd dat zij terugkomen; dan zullen wij hun een
+bezoek brengen en van hunne eieren medenemen, zooveel als wij er noodig
+hebben. Die smaken namelijk lang niet leelijk.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ei, Flink, wat hebben wij vandaag al eene menigte goede
+dingen gevonden. Ons uitstapje is toch waarlijk heel gelukkig
+uitgevallen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, inderdaad; bedenk slechts, mijn jongen, hoe onze
+hulpmiddelen hier van jaar tot jaar vermeerderd kunnen worden, als wij
+maar eenigermate vlijtig en arbeidzaam zijn.&rdquo; <span class=
+"pagenum">[<a id="pb196" href="#pb196" name="pb196">196</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Weet ge wat ik daar al dacht, Flink?&mdash;We hadden ons huis
+misschien liever hier moeten bouwen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O, neen, Willem; we hebben hier niet zulk zuiver water als
+daar, en ook niet het zandige strand, dat ons het voordeel van een
+schildpad- en een vischvijver verleent. Neen, Willem, ons vee kunnen
+wij hier wel laten weiden; we kunnen hier de vruchten in het rond
+inoogsten en met de arme vogels deelen; we kunnen de yamswortels en wat
+nog verder nuttigs hier voor ons groeit inzamelen; maar ons huis, onze
+woning, moet blijven waar het tegenwoordig is.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Gij hebt gelijk, Flink; maar het zal een lange weg wezen
+hierheen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ook dat niet, als wij er maar eerst aan gewoon zijn en een
+behoorlijk pad gemaakt hebben. Bovendien kunnen wij misschien onze boot
+hierheen brengen. Ik zal dadelijk maar eens langs de klippen gaan en
+dat onderzoeken.<span class="corr" id="xd21e4560" title=
+"Niet in bron">&rdquo;</span></p>
+<p>Zij gingen nu ongeveer een half uur den zeekant langs, totdat zij
+aan een punt kwamen, waar de rotsen niet meer zoo hoog waren. Daar
+ontdekten zij eene kleine kom, die in de klippen was ingesneden en
+slechts een enkelen ingang had.</p>
+<p>&bdquo;Zie eens, Willem, welk eene aardige kleine haven voor onze
+boot. Van hier kunnen wij haar met yamswortels laden en naar onze
+woonplaats brengen, verondersteld dat wij op de zuidzijde eene
+doorvaart voor haar vinden kunnen. Wij hebben daar nog niet naar
+omgezien, omdat wij tot hiertoe zoo iets nog niet noodig
+hadden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, Flink, dat is waarlijk een aardig, rustig plaatsje voor
+onze boot; doch hoe zullen wij het wedervinden, als wij van de andere
+zij van het eiland aankomen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O, heel <span class="corr" id="xd21e4571" title=
+"Bron: gemakelijk">gemakkelijk</span>, Willem; ik heb slechts een
+hoogen stok als merkteeken op te zetten.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat is dat daar toch voor een ding, Flink?&rdquo; vroeg
+Willem en wees op een voorwerp in de laagte.</p>
+<p>&bdquo;Aha, ik zie het al, jongen; dat is een zeekreeft, die zeer
+goed is om te eten. &rsquo;t Is wel mogelijk, dat wij dan ook nog eens
+een kreeftvijver gaan aanleggen; dan kunnen wij hen in menigte vangen
+en krijgen een smakelijk gerecht te meer.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En wat zijn dan die kleine ruwe dingen daar beneden aan de
+klippen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is eene zeer kleine soort van oesters, die heel zoet
+smaken. Ze zijn anders dan die in Europa; ze zijn veel malscher en
+smaken nog veel beter.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Bravo, Flink, dan hebben wij weer twee nieuwe lekkernijen op
+onze tafel,&rdquo; riep Willem verblijd uit. &bdquo;Wat worden wij nog
+rijk!&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb197" href="#pb197" name=
+"pb197">197</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Ja, mijn jongen; maar vergeet niet, dat wij ze eerst moeten
+vangen, want zonder moeite en arbeid krijgt men in de wereld niets
+gedaan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Flink,&rdquo; begon Willem plotseling weder, &bdquo;wij
+hebben nog drie volle uren dag: willen we niet naar huis gaan en
+vertellen, wat we gezien hebben? Moeder zal hartelijk blij wezen, als
+zij ons wederziet.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Met hart en ziel mijn jongen. Voor een dag hebben wij vrij
+wat afgedaan; dus kunnen we nu wel terugkeeren en weer eene week te
+huis blijven of althans zoolang men ons daar niet missen kan. Vruchten
+zijn er bovendien toch nog niet; het eenige, waarvoor ik zorg wil
+dragen, zijn de yamswortels, want ik ben bang, dat onze varkens anders
+met het beste wegloopen. Doch laat ons nu op weg gaan en de zaak nader
+met uwen vader overleggen.&rdquo;</p>
+<p>Terwijl Willem van het zeestrand naar het kokosbosch terugkeerde,
+plukte hij van iedere plant, die hij voorbijkwam een takje af, om dat
+voor zijne vader mede te nemen. Weldra vonden zij het plaatsje, waar
+zij hunne knapzakken en handbijlen hadden achtergelaten. Van daar
+keerden zij langs het vorige pad door het kokosbosch terug en volgden
+daarbij de merken, die zij &rsquo;s morgens in de boomen hadden
+uitgekapt.</p>
+<p>Een uur voor zonsondergang kwamen zij bij hunne woning aan en vonden
+mijnheer en mevrouw Wilson voor de deur zitten. Juno was met de beide
+kleinen aan het strand, en de dreumessen hadden dol veel pleizier met
+de schelpen, die zij hier <span class="corr" id="xd21e4596" title=
+"Bron: een">en</span> daar op het zand vonden. Willem gaf zijn vader
+nauwkeurig verslag van al wat hij ontdekt had en liet hem de monsters
+van al de verschillende planten zien, die hij had opgedaan.</p>
+<p><span class="corr" id="xd21e4600" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>Dit hier,&rdquo; zeide zijn vader,
+&bdquo;is eene algemeene bekende plant, en &rsquo;t verwondert mij, dat
+onze Flink haar niet kent;&mdash;&rsquo;t is immers hennep.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dien heb ik nooit anders dan tot touw verwerkt gezien,&rdquo;
+betuigde Flink; &bdquo;maar het zaad ken ik daarom toch heel
+wel.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Nu, als wij er van noodig hebben, kan ik u zeggen hoe men er
+mee moet omgaan,&rdquo; antwoordde mijnheer Wilson. &bdquo;Laat zien,
+Willem, wat hebt ge nu?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dit vreemde, stekelachtige ding.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is de eierplant; ze draagt eene vrucht van vorm en
+kleur geheel gelijk een ei. Ik heb wel gehoord, dat die in de heete
+luchtstreken wordt gegeten.<span class="corr" id="xd21e4611" title=
+"Niet in bron">&rdquo;</span></p>
+<p>&bdquo;Ja, mijnheer, dat is ook zoo. Men legt ze in met peper en
+zout; dat noemt men dan bringal. Me dunkt, dat moet het wel
+wezen.<span class="corr" id="xd21e4616" title=
+"Niet in bron">&rdquo;</span></p>
+<p>&bdquo;Vast wel; ge hebt zeker gelijk,&rdquo; hernam mijnheer
+Wilson.&mdash;&bdquo;Foei, Willem, dat hier moest ge toch
+kennen.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb198" href="#pb198" name=
+"pb198">198</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Het heeft veel van eene wijndruif.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja; dat is het ook, &rsquo;t is eene witte druif. In allen
+gevalle kunnen wij ze eten en misschien ook wijn daaruit persen; wie
+weet!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Nu heb ik nog maar &eacute;&eacute;ne plant, vader. Wat is
+dat?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Gij hebt het niet gekend, Willem, omdat het zoo hoog
+opgeschoten is. &rsquo;t Is niets anders dan de gewone
+mosterdzaadplant, die wij in Europa in menigte aankweeken. Nu, waarlijk
+gij hebt uw dagwerk goed volbracht. Kom, haast u wat, Juno, met de
+tafel te dekken, meid. We gaan dus maar naar binnen; want de zon is
+reeds aan &rsquo;t ondergaan en over een paar minuten is het
+donker.<span class="corr" id="xd21e4631" title=
+"Niet in bron">&rdquo;</span></p>
+<p>Zoodra zij naar huis teruggekeerd waren, werd over den thans
+onderhanden te nemen arbeid beraadslaagd. Na eenig overleg kwam men
+overeen, dat het raadzaam zou zijn eerst de boot uit het zand op te
+delven. Zoodra deze in orde was gebracht, zouden de klippenreeksen aan
+de zuidzijde onderzocht worden, om te zien of er een doorgang door te
+vinden was, daar het waarschijnlijk veel tijd zou wegnemen, als men ze
+moest omvaren.</p>
+<p>Wanneer dit geschied was, wilden mijnheer Wilson, Flink, Willem en
+Juno allen te zamen naar de andere zijde van het bosch gaan en eene
+tent medenemen, die op den nieuw ontdekten grond zou worden opgeslagen.
+Dan wilde men een vlaggestok in de kleine haven planten, om de plaats
+daaraan te kunnen herkennen. Dit alles gaf natuurlijk een vrij zwaar
+dagwerk; maar toch wilden zij nog den eigen avond terugkeeren, om
+mevrouw en de kinderen geen nacht alleen te laten.</p>
+<p>Was dit gedaan, dan zouden Flink en Willem assen, raderen en andere
+benoodigde dingen, als b. v. zagen, bijlen en spaden, in de boot laden
+en om het eiland naar de zuidzijde roeien, om de kleine haven op te
+zoeken. Terstond na hunne <span class="corr" id="xd21e4640" title=
+"Bron: lading">landing</span> en het in veiligheid brengen van de boot,
+zouden zij dan langs het woudpad naar huis terugkeeren.</p>
+<p>Het eerstvolgend werk zou dan zijn, het yamsplantsoen te omheinen en
+tegen de verwoestingen van de varkens te beschutten.</p>
+<p>Tegelijk moesten de schapen en geiten door het bosch worden
+gedreven, om op den nieuwen weidegrond hun voedsel te zoeken.</p>
+<p>De oude plek zou blijven staan en afgemaaid worden, om hooi te
+winnen tegen den regentijd. Flink en Willem zouden eene genoegzame
+hoeveelheid kokosboomen vellen, om voor de omheining van het
+yamsplantsoen te dienen. Waren de palen eens ingeslagen, dan wilde ook
+mijnheer Wilson komen en hun verder de behulpzame hand bieden.</p>
+<p>Dit, hoopten zij, zou alles in eene maand zijn afgedaan. Gedurende
+dezen <span class="pagenum">[<a id="pb199" href="#pb199" name=
+"pb199">199</a>]</span>tijd konden mevrouw Wilson en Juno, die
+doorgaans te huis moesten blijven, het onkruid uit den tuin wieden en
+de noodige toebereidselen maken tot het planten van een heg. Zoodra dit
+gewichtige werk achter den rug was, zou de boot met eene lading
+stekelbesstruiken voor de tuinheg in de baai terugkeeren.</p>
+<p>Dan wilden zij hunne opmerkzaamheid op den voorraad richten, die uit
+de schipbreuk gered was geworden en nog altijd aan de bocht, waar zij
+het eerst geland waren, lag opgehoopt. Na alles onderzocht en de
+bruikbare artikelen bijeenvergaderd en in het magazijn gebracht te
+hebben, zouden zij vervolgens eene regelmatige opneming van het eiland
+te land en te water doen en eene teekening daarvan ontwerpen, hetgeen
+mijnheer Wilson zeer goed was toevertrouwd.</p>
+<p>Dit waren de plannen voor het schoone jaargetijde, dat thans een
+aanvang had genomen.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch43" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">DRIE-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">UITZICHT OP REDDING.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Als naar gewoonte was Flink den volgenden morgen de
+eerste, die uit het huis kwam. Hij groette Juno, die hem op den voet
+volgde, en ging toen zijne gebruikelijke morgenwandeling doen, om naar
+het plantsoen en den verderen voorraad te zien.</p>
+<p>Eerst ging hij in den tuin aan den landpunt. Daar nam hij zich voor,
+om bij de erwten, die reeds zes of zeven duim boven den grond stonden,
+staken te zetten. Vervolgens bezag hij de groote boonen, die voor den
+regentijd gepoot waren, en besloot de aarde er rondom om te woelen;
+want dit gerecht was voor hen van veel waarde en kon gedurende den
+regentijd meermalen de hoofdschotel op hunne tafel worden. Daarna zag
+hij, of de augurken al boven den grond kwamen, en ontdekte tot zijne
+blijdschap, dat zij welig groeiden.</p>
+<p>&bdquo;We hebben, voor zoover ik weet, wel geen azijn om ze in te
+leggen,&rdquo; dacht hij, &bdquo;maar dat kan, zooals in Rusland, ook
+in zout water gebeuren. In allen gevalle is het eene aangename
+afwisseling.&rdquo;</p>
+<p>Eindelijk richtte hij zijn oog naar de zee en monsterde, als
+doorgaans<span class="corr" id="xd21e4671" title=
+"Niet in bron">,</span> den voor hem liggenden
+gezichteinder.&mdash;Daar meende hij in het noordwesten <span class=
+"pagenum">[<a id="pb200" href="#pb200" name="pb200">200</a>]</span>een
+schip te zien. Hij bracht zijn kijker aan het oog, en ziedaar, hij had
+zich niet bedrogen,&mdash;het was inderdaad een schip in de verte.</p>
+<p>Den ouden man begon het hart hevig te kloppen. Hij nam zijn kijker
+onder den arm en haalde diep adem, voordat hij zich van de ontroering,
+die hem bevangen had, herstellen kon. Na eene minuut zette hij den
+kijker opnieuw aan het oog en thans ontdekte hij, dat eene brik met
+mars- en bramzeilen regelrecht op het eiland aanstuurde.</p>
+<p>Flink wendde zich naar de rotspunt, waar zij gewoonlijk hun visch
+plachten te vangen. Daar zette hij zich neder en gaf zich aan zijne
+gedachten over. Was dat schip misschien uitgezonden, om hen in hunne
+verlatenheid op te zoeken, of was het door een bloot toeval tusschen de
+rotsen geraakt? Na kort nadenken, kwam hij echter tot het gevoelen, dat
+slechts het toeval het herwaarts geleid had; want niemand kon immers
+weten, dat zij gered waren geworden, en nog minder, dat zij zich op dit
+eiland bevonden. Dat het schip op het eiland aanhield, was enkel omdat
+het water of iets anders wenschte in te nemen. Misschien wilde het ook
+zijne koers veranderen en het eiland slechts voorbijzeilen.</p>
+<p>&bdquo;Nu dan, er moge gebeuren wat er wil,&rdquo; dacht de oude,
+<span class="corr" id="xd21e4682" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>vooreerst zal ik Willems ouders niets van
+de zaak zeggen. Het zou wreed zijn eene hoop bij hen op te wekken, die
+zoo licht nog kan worden teleurgesteld. Binnen weinig uren zal &rsquo;t
+immers toch beslist zijn. Maar Willem moet ik het
+toevertrouwen,&mdash;dat kan niet anders, hij is een brave jongen en
+daarbij ook verstandig, ver boven zijne jaren. Als hij in &rsquo;t
+leven blijft, zal hij eens een knap en, wat meer is, een braaf man
+worden.&rdquo;</p>
+<p>Met deze woorden stond Flink op, monsterde het schip nog eenmaal
+door zijn kijker en ging toen naar huis. Willem was reeds op; de
+anderen daarentegen waren nog bezig met zich aan te kleeden.</p>
+<p>&bdquo;Willem,&rdquo; begon Flink, terwijl beiden het huis
+verlieten, &bdquo;ik heb u een geheim mede te deelen, dat gij vooreerst
+nog aan niemand moogt verklappen, zooals gij zelf wel kunt inzien.
+Bovendien zullen weinige uren de zaak beslissen.&rdquo; Willem gaf
+gereedelijk de belofte van stilzwijgendheid. &bdquo;Ginds op zee
+vertoont zich een schip, dat &oacute;f een middel kan zijn om ons uit
+onze ballingschap te verlossen, &oacute;f in &rsquo;t ergste geval
+langs het eiland voorbijvaart, zonder ons gewaar te worden. Ware dit
+laatste zoo, dan zou &rsquo;t eene grievende teleurstelling voor uwe
+ouders zijn, als zij het te weten kwamen.&rdquo;</p>
+<p>Willem staarde Flink in het gezicht en kon een tijdlang geen woord
+uitbrengen, zoo groot was zijne verbazing.</p>
+<p>&bdquo;Ach, Flink, wat zal ik dankbaar zijn! Ik hoop, dat wij
+eindelijk verlost <span class="pagenum">[<a id="pb201" href="#pb201"
+name="pb201">201</a>]</span>worden, want gij weet niet, hoe mijn arme
+vader in het geheim lijdt&mdash;en mijne moeder niet minder.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik weet het wel, Willem, ik weet het zeer goed en vind het
+ook natuurlijk. Zij zoeken hun verdriet zoo goed mogelijk te verbergen,
+en meer kan men van hen niet verlangen.&mdash;Maar nu, Willem, komt het
+op een rasch besluit aan: nog v&oacute;&oacute;r het ontbijt moeten wij
+aan het werk. Doch wacht eens,&mdash;eerst wil ik u het schip
+wijzen.&rdquo;</p>
+<p>Flink richtte zijn kijker op het schip, liet zijn instrument tegen
+den stam van een kokosboom leunen, en toen bracht Willem zijn oog aan
+het glas.</p>
+<p><span class="corr" id="xd21e4701" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>Ziet gij het?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O ja, Flink; het komt recht op ons aan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, ja, het stuurt regelrecht op het eiland los. Maar spreek
+zoo hard niet, mijn jongen. Ik zal den kijker hier laten; wijzelven
+zullen aan het werk gaan; in het voorraadhuis vinden wij eene bijl.
+Kom, Willem, gezwind, jongen, voordat uw vader buiten komt.&rdquo;</p>
+<p>Beiden gingen naar het magazijn, om de bijl te halen. Flink zocht
+een zeer dunnen kokosstam aan den oever uit. Deze werd geveld en zoodra
+hij van den kop ontdaan was, met Willems bijstand naar de landpunt
+gebracht.</p>
+<p>&bdquo;Nu, Willem, moet ge eene schop halen en hier een gat graven,
+waarin wij dezen stam als een seinstok zetten kunnen. Is dat gedaan,
+dan haal ik een klein blok en touw, om de vlaggen, zoodra het schip ze
+bemerken kan, aan den stok op te hijschen. Is &rsquo;t gat diep genoeg,
+dat komt gij aan en doet alsof er niets is voorgevallen. Onder &rsquo;t
+ontbijt stel ik dan voor, dat wij beiden de boot uit het zand halen en
+onderzoeken. Uw vader krijgt zoolang werk, dat hem binnenshuis
+houdt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar de vlaggen, Flink,&mdash;zij hangen voor moeders bed.
+Hoe zullen wij die in handen krijgen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik zal voorwenden, dat het nu tijd is, om het huis eens
+behoorlijk schoon te maken, en daarbij moeten dan de venster- en
+bedgordijnen afgenomen en op dezen mooien dag buiten gelucht worden.
+Verzoek uw vader daarover het opzicht te houden, terwijl wij de boot
+uitgraven. Dat zal allen in huis wel bezighouden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Goed; zoo zal het gaan. Flink.&rdquo;</p>
+<p>Onder het ontbijt zeide Flink, dat hij van plan was om vandaag de
+boot uit het zand te graven, en dat Willem hem daarbij best helpen
+kon.</p>
+<p>&bdquo;En wat zal ik onderwijl bij de hand nemen?&rdquo; vroeg
+mijnheer Wilson.</p>
+<p>&bdquo;Wel, mijnheer, daar de regen voorbij is, zou het, dunkt mij,
+niet kwaad <span class="pagenum">[<a id="pb202" href="#pb202" name=
+"pb202">202</a>]</span>zijn, dat wij de bedden eens luchtten. &rsquo;t
+Is vandaag een warme, mooie dag; als al het beddegoed buiten de deur
+gebracht en flink uitgeklopt werd dan kon men het in de zon laten
+liggen, en zoo kwam er alweder een noodzakelijk werk
+afgedaan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, ja, dat zal zeer goed zijn, Flink,&rdquo; oordeelde
+mevrouw Wilson; <span class="corr" id="xd21e4729" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>onderwijl kunnen Juno en ik het huis van
+boven tot beneden uitstoffen en schoonmaken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dienden dan de gordijnen ook niet eens afgenomen en in de
+lucht gehangen te worden?&rdquo; vroeg Willem.</p>
+<p>&bdquo;Ja, waarlijk, dat zou zoo kwaad niet zijn,&rdquo; sprak
+Flink. &bdquo;Bij &rsquo;t afnemen der gordijnen en vlaggen willen
+wijzelven een handje helpen en ze dan in de lucht uitleggen. Als
+mijnheer er niet tegen heeft, kan hij het oppertoezicht over de
+schoonmakerij houden en mevrouw en Juno helpen, als zij bijstand noodig
+hebben.<span class="corr" id="xd21e4736" title=
+"Niet in bron">&rdquo;</span></p>
+<p>&bdquo;Van harte gaarne,&rdquo; was het antwoord. &bdquo;Welnu, het
+ontbijt is afgeloopen; zoo zullen we dan maar terstond beginnen, als ge
+&rsquo;t goedvindt.&rdquo;</p>
+<p>Flink en Willem namen de gordijnen en vlaggen af en droegen ze naar
+buiten. Op eenigen afstand van de woning werden de eerste op den grond
+uitgespreid; maar met de vlaggen liep Willem haastig naar het strand.
+Flink haalde blok en lijnen om ze aan den seinstok op te hijschen.</p>
+<p>Flinks krijgslist gelukte volkomen. Zonder door de familie gezien te
+worden, werd de seinpaal opgericht, in den grond gezet en de vlaggen
+tot optrekken gereed gehouden. Vervolgens gingen Flink en Willem naar
+den houtstapel. Ieder nam zooveel rijs, als hij dragen kon, om daarmede
+een rook te verwekken, die de opmerkzaamheid van het scheepsvolk
+trekken moest.</p>
+<p>Dit alles nam niet meer dan een uur weg, gedurende welken tijd de
+brik haar koers naar het eiland onafgebroken vervolgde. Toen Flink het
+schip voor &rsquo;t eerst gezien had, was er slechts weinig wind
+geweest; onderwijl was de bries echter vrij hevig geworden en de brik
+had daarom hare bramzeilen geborgen. Achter het schip was de horizon,
+die in den beginne blauw en helder geweest was, allengs met wolken
+bedekt geworden en de golven aan de klippen die van het eiland in de
+zee uitliepen, werden met wit schuim gekuifd.</p>
+<p>&bdquo;De wind wordt al heviger,&rdquo; begon Flink; &bdquo;het
+schip moet nu weldra bij ons zijn, als het niet afgeschrikt wordt door
+de riffen, die het thans, nu de golven hoog gaan, duidelijker dan te
+voren bemerken kan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik hoop niet, dat ze zich laten afschrikken,&rdquo; hernam
+Willem. &bdquo;Hoe ver mag de brik nog wel verwijderd zijn?&rdquo;
+<span class="pagenum">[<a id="pb203" href="#pb203" name=
+"pb203">203</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Vijf mijlen omtrent, Willem,&mdash;meer niet. De wind is nu
+meer naar het zuiden gedraaid en stapelt de wolken ras op. Ik vrees
+half, dat wij een duchtigen storm krijgen, ofschoon die niet lang duren
+zal. Kom, jongen, laat ons de vlaggen ophijschen; wij mogen niet langer
+talmen. Ze zullen braaf in den wind wapperen, zoodat men ze van ginds
+af wel al zien kan.&rdquo;</p>
+<p>Zij heschen eerst den langen wimpel op, vervolgens kwam de breede
+vlag, waarop de naam van hun verloren schip, De Vrede, met reusachtige
+letters geschreven stond.</p>
+<p>&bdquo;Ziedaar,&rdquo; sprak Flink, nadat de touwen waren
+vastgebonden. <span class="corr" id="xd21e4759" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>Nu zullen we vuur slaan en terdege rook
+maken. Dat moet in allen gevalle hunne opmerkzaamheid
+trekken.&rdquo;</p>
+<p>Zoodra de kokosbladeren in vlam stonden, werd er water op gegoten,
+zoodat zij aan &rsquo;t smeulen gingen en een dichte rookkolom er uit
+opsteeg.</p>
+<p>Het schip naderde in rassche vaart. De beide toeschouwers sloegen
+het met gespannen verwachting gade.&mdash;Daar op eenmaal zagen zij
+vader en moeder, met Thomas en Caroline, ook Juno met den kleinen
+Albert op den arm, allen met haastige schreden op het strand
+toesnellen.</p>
+<p>Ziehier, hoe dit kwam. Thomas, den arbeid moede, had het huis
+verlaten en was in zijn eentje naar het strand gestapt. Daar bemerkte
+hij eerst de waaiende vlaggen en eindelijk ook het schip, dat naderde.
+Oogenblikkelijk rende hij naar huis terug, uit al zijn macht
+roepende<span class="corr" id="xd21e4768" title="Bron: ;">:</span>
+&bdquo;Vader! Moeder! Kapitein Osborn is er; hij komt met een groot
+schip om ons te halen.&rdquo; Op dit bericht ijlden beide ouders naar
+buiten, ontdekten het schip en de in den wind wapperende vlag en
+spoedden zich, gelijk reeds gezegd is, naar Flink en Willem, die bij
+den vlaggestok stonden.</p>
+<p>&bdquo;Och, Flink! waarom hebt ge ons dat niet gezegd?&rdquo; riep
+mijnheer Wilson reeds van verre, geheel buiten adem.</p>
+<p>&bdquo;Ik wenschte, dat gij het ook thans nog niet vernomen hadt,
+mijnheer,&rdquo; antwoordde de oude man; &bdquo;doch dat is te laat.
+Het geschiedde voor &rsquo;t overige met de beste bedoeling van de
+wereld.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, waarlijk, dat is zoo, vader!&rdquo;</p>
+<p>Mevrouw Wilson zeeg op de rots neder en brak in tranen uit; haar
+echtgenoot was niet minder ontroerd en geschokt.</p>
+<p>&bdquo;Heeft het schip ons reeds opgemerkt, Flink?&rdquo; vroeg de
+laatste eindelijk.</p>
+<p>&bdquo;Neen, mijnheer, nog niet. Dit juist wilde ik afwachten,
+voordat ik u de tijding kwam brengen,&rdquo; was het antwoord.</p>
+<p>&bdquo;De brik verandert haar koers,&rdquo; merkte Willem aan.
+<span class="pagenum">[<a id="pb204" href="#pb204" name=
+"pb204">204</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Ja, ja, zij is opgeloefd, waarschijnlijk uit vrees van te na
+op de klippen te zullen komen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zij zal ons toch niet verlaten?&rdquo; riep mevrouw Wilson
+angstig.</p>
+<p>&bdquo;Neen, mevrouw; maar men heeft ons nog niet gezien.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar nu&mdash;nu ziet men ons!&rdquo; riep Willem en
+slingerde zijne muts in de hoogte. &bdquo;Ziet maar, de brik heeft hare
+vlag geheschen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Waarlijk! thans heeft zij ons ontdekt.&rdquo;</p>
+<p>Mijnheer Wilson omarmde zijne echtgenoote, die zich snikkend aan
+zijn hals wierp, kuste vol verrukking zijne kinderen en schudde den
+ouden Flink vol dankbaarheid de hand. Hij was geheel uitgelaten van
+vreugde. Willem was niet minder verrukt, Juno weende en lachte, alles
+in &eacute;&eacute;n adem, en Thomas vatte de kleine Caroline bij de
+handjes en danste met haar om den vlaggestok rond.</p>
+<p>Zoodra het gezelschap iets kalmer geworden was, merkte Flink
+aan:</p>
+<p>&bdquo;Dat zij ons gezien hebben, mijnheer, daaraan is thans geen
+twijfel meer. Wij hebben nu niets haastigers te doen, dan onze boot uit
+het zand te halen. Wijzelven kennen wel den doorgang door de klippen,
+maar die op het schip niet. Ik twijfel overigens, of zij wel wagen
+zullen, voordat de wind eenigszins bedaard is, eene sloep naar wal te
+sturen. Gij ziet zelf, mijnheer, de wind is op dit oogenblik vrij
+sterk.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar gij gelooft toch niet, Flink, dat het nog harder zal
+beginnen te waaien?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik moet het u, helaas, bekennen, mijnheer,&mdash;ja, dat
+geloof ik. Naar het zuiden ziet de hemel er vrij dreigend uit, en
+voordat de storm voorbij is, kunnen zij zich moeielijk wagen aan een
+eiland, dat gelijk het onze, zoo rondom van de klippen en riffen
+omgeven is. &rsquo;t Zou inderdaad hoogst roekeloos van hen wezen, als
+zij het deden. Doch dit alles moet zich binnen weinige uren
+uitwijzen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar zelfs als de storm losbreekt, zullen zij toch zekerlijk
+het eiland niet verlaten zonder ons mede te nemen?&rdquo; merkte
+mevrouw Wilson aan. &bdquo;Nadat de storm voorbij is, keeren zij zeker
+wel terug.&rdquo;</p>
+<p>Flink zeide niets. De brik had intusschen andermaal gewend, alsof
+zij op het eiland wilde aansturen. Weldra echter lag zij weder den wal
+uit met den steven noordwaarts.</p>
+<p>&bdquo;Zij verlaat ons!&rdquo; riep Willem bedroefd.</p>
+<p>&bdquo;Laaghartige schurken!&rdquo; viel mijnheer Wilson vertoornd
+uit.</p>
+<p>&bdquo;Gij geeft hun ten onrechte een zoo harden naam,
+mijnheer,&rdquo; antwoordde Flink. &bdquo;De storm verheft zich met
+geweld en &rsquo;t zou zeer gevaarlijk voor hen zijn, als ze daar, waar
+ze thans zijn, blijven wilden.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id=
+"pb205" href="#pb205" name="pb205">205</a>]</span></p>
+<p>Mijnheer Wilson keerde zich tot zijne gade en gaf haar met een
+bedrukt gezicht den arm. Zonder een woord te spreken verlieten zij het
+strand. De overige familie volgde hen,&mdash;alleen Flink bleef bij den
+vlaggestok achter. Hoe treurig stak deze doodsche verslagenheid bij de
+luidruchtige vreugde af, waarmede zij het huis hadden verlaten!</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch44" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">VIER-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">SPOREN VAN EILANDERS.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Bij zijne thuiskomst vond Flink allen in zoo diepe
+treurigheid verzonken, dat hij het niet raadzaam achtte een enkel woord
+te spreken. Zoo viel de avond en naderde tijd om naar bed te gaan.</p>
+<p>Dien ganschen nacht bulderde de storm onophoudelijk door en het
+water werd met emmers uit den hemel gegoten. De kinderen sliepen
+gerust, zooals altijd; maar vader en moeder, Willem en Flink deden geen
+oog toe, luisterden naar de windvlagen en hielden zich ieder met zijne
+eigene gedachten bezig. Sedert hunne komst op het eiland was dit de
+onrustigste nacht, dien zij nog beleefd hadden.</p>
+<p>Al v&oacute;&oacute;r dag en dauw was Flink in de kleeren en reeds
+v&oacute;&oacute;r het opgaan der zon stond hij aan het strand. De
+storm had nu zijne grootste hevigheid gehad; maar hoe angstig en scherp
+hij ook met zijn kijker rondzag,&mdash;van het schip van gisteren was
+geen zweem meer te ontdekken.</p>
+<p>Hij bleef aan de kust, totdat de tijd van het ontbijt kwam; toen
+kwam Willem, om hem te halen en beiden keerden naar huis terug. Bij
+zijne komst vond hij mijnheer en mevrouw Wilson bedaarder en kalmer,
+dan zij den dag te voren geweest waren. Beiden heetten hun hartelijk
+welkom.</p>
+<p>&bdquo;Ik vrees<span class="corr" id="xd21e4836" title=
+"Niet in bron">,</span> Flink, dat gij ons weinig goede tijding
+brengt,&rdquo; zeide mijnheer Wilson.</p>
+<p>&bdquo;Waarom dat? Voor &rsquo;t overige kunt gij die ook niet
+verwachten, voordat de storm geheel en al voorbij is.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zeg mij, Flink,&rdquo; vroeg mevrouw, &bdquo;gelooft gij
+waarlijk, dat het schip tot ons zal terugkomen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik zal u al onze uitzichten doen kennen, mevrouw; meer kan ik
+toch bezwaarlijk doen. Zoolang de storm aanhield, kon het schip hier
+onmogelijk blijven; dat kunt gij zelve wel begrijpen. Wat de orkaan ten
+gevolge had, <span class="pagenum">[<a id="pb206" href="#pb206" name=
+"pb206">206</a>]</span>weet niemand onzer te zeggen. Misschien is de
+brik in onze nabijheid, als de wind gaat liggen; misschien ook werd zij
+door den wind ettelijke honderden mijlen van ons
+weggedreven.&mdash;Dan, mevrouw, komt de tweede mogelijkheid. Uit de
+nadering van het schip tot ons eiland, leid ik af, dat het gebrek aan
+het water had. Nu is de vraag of de kapitein misschien niet geraden
+acht, om zonder zich verder om ons te bekommeren in de voor hem
+bestemde haven binnen te loopen of op eene andere plaats water in te
+nemen. Gij weet, mevrouw, dat een kapitein bovenal op &rsquo;t belang
+van zijne reeders heeft te letten. Wel geloof ik, dat het schip, als
+dat zonder nadeel geschieden kan, ongetwijfeld zal terugkeeren. De
+eerste vraag is maar&mdash;of het kan, dan komt de tweede: of de
+kapitein menschlievend genoeg is, om voor ongelukkige medemenschen iets
+over te hebben.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;In dat alles ligt maar weinige troost voor ons opgesloten,
+Flink.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar wat helpt het ook, mijnheer, of wij ons met valsche
+verwachtingen vleien en de oogen verblinden?&rdquo; was het antwoord.
+&bdquo;Evenwel zelfs als het schip zijne reis vervolgde en wij het niet
+meer te zien kregen, geloof ik toch dat wij alle reden hebben om blijde
+te zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En waarom dan<span class="corr" id="xd21e4854" title=
+"Niet in bron">,</span> Flink?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wel, mijnheer, v&oacute;&oacute;r de komst van dat schip wist
+geen menschelijke ziel, of wij nog in leven waren of niet, en zoo zou
+ook niemand naar ons gezocht hebben. Nu evenwel is dit bekend. Uit den
+scheepsnaam op onze vlag weten ze wie we zijn, en als ze nu behouden in
+de haven aankomen, zullen ze niet nalaten daarvan aan onze vrienden
+bericht te brengen. En hebben wij niet alle reden om daarover recht
+verheugd te zijn? &rsquo;t Kan wezen, dat wij door dit schip niet
+verlost worden; maar dan hebben wij althans alle hoop, dat een tweede
+naar ons wordt uitgezonden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is waar, Flink. Dat had ik al vroeger moeten bedenken;
+maar mijne teleurstelling en mijne wanhoop waren gisteren zoo groot,
+dat ik geen redelijk mensch meer was.&rdquo;</p>
+<p>De storm hield nog den ganschen dag aan en scheen nog niet te willen
+bedaren, toen zij zich andermaal ter ruste begaven. Den volgenden
+morgen was Flink als naar gewoonte weder vroeg op, en ditmaal
+vergezelde Willem hem naar het strand.</p>
+<p>&bdquo;Flink! Flink!&rdquo; riep Willem en wees naar de
+zuidoostelijke punt van de klippen. &bdquo;Wat is dat?&mdash;Zie maar!
+het is eene boot!&rdquo;</p>
+<p>Flink bracht den kijker aan &rsquo;t oog. &bdquo;Het is eene kano,
+Willem; en mij dunkt, er zijn menschen in.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar, Flink, waar kunnen die vandaan komen? Zie eens, nu zijn
+zij <span class="pagenum">[<a id="pb207" href="#pb207" name=
+"pb207">207</a>]</span>tusschen de klippen; daar gaan zij immers te
+gronde<span class="corr" id="xd21e4871" title="Bron: ,">.</span> Kom,
+Flink, laat ons hun te gemoet gaan.&rdquo;</p>
+<p>Zij snelden beiden naar het strand op het punt aan, waar de boot op
+de branding voortdanste en wachtten totdat deze op den oever werd
+geworpen.</p>
+<p>&bdquo;Willem, die kano moet van het groote eiland ginds hierheen
+zijn gedreven,&rdquo; zeide Flink, wederom door zijn kijker ziende.
+&bdquo;Er zijn twee menschen in en dat zijn inlanders. De arme
+schepsels worstelen hard om hun leven en schijnen doodelijk uitgeput.
+Doch &rsquo;t gevaarlijkste gedeelte van de klippen hebben zij toch
+reeds achter zich!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja,&rdquo; antwoordde Willem; &bdquo;spoedig komen ze in
+stiller water. Die branding hier aan het strand is evenwel toch al heel
+erg.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Die zal hun geen kwaad doen, als de kracht hun slechts niet
+begeeft. Waarlijk, ze weten recht goed met hun kano om te
+gaan.&rdquo;</p>
+<p>Onder dit gesprek was de kano met snelheid de kust genaderd. Een
+oogenblik later schoot hij door de branding heen en boorde vast in het
+zand. De beide menschen daarin hadden ternauwernood nog kracht genoeg
+gehad, om door de branding heen te roeien<span class="corr" id=
+"xd21e4885" title="Bron: ,">;</span> toen dit gebeurd was, zegen zij
+uitgeput op hunne riemen neder.</p>
+<p>&bdquo;Wij zullen den kano verder ophalen, Willem. De arme schepsels
+kunnen geen vinger meer verroeren.&rdquo;</p>
+<p>Nu eerst ontdekte Flink, dat de eilanders beiden van het vrouwelijk
+geslacht waren. Hare gezichten waren heel getatoe&euml;erd of met
+allerlei vreemde figuren beprikt, wat haar een vreemd voorkomen gaf;
+maar voor &rsquo;t overige waren zij nog jong en zagen er lang niet
+slecht uit.</p>
+<p>&bdquo;Zal ik naar huis loopen en wat eten voor haar halen?&rdquo;
+vroeg Willem.</p>
+<p>&bdquo;Ja, jongen, doe dat. Juno zal u wel wat geven, en als
+&rsquo;t kan, wat warms.&rdquo;</p>
+<p>Willem keerde spoedig met eene gortepap terug, die Juno nog van het
+ontbijt had overgehouden en waarvan zij de wilden eenige lepels in den
+mond goten, die daarna weldra eenigszins schenen te bekomen. Hierop
+liet Willem den ouden Flink bij haar achter en liep naar huis, naar
+vader en moeder, om die van de onverwachte gebeurtenis kennis te geven.
+Kort daarna kwam hij met zijne moeder terug. De beide wilden waren
+intusschen zoover gekomen, dat zij zich oprichten konden, en allen
+spanden nu dadelijk hunne krachten in, om den kano zoo ver zij konden
+op het land te trekken, ten einde te verhinderen, dat zij door de
+golven werd in stukken geslagen.</p>
+<p>Zij vonden in de boot niets dan eene kleine mat, benevens de beide
+riemen, waarvan de vrouwen zich bediend hadden. De laatste zoowel als
+de boot zelve waren op eene heel wonderlijke wijze gemaakt.
+<span class="pagenum">[<a id="pb208" href="#pb208" name=
+"pb208">208</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Ge ziet, mijnheer,&rdquo; zeide Flink tot mijnheer Wilson,
+&bdquo;de beide arme schepsels waren zekerlijk tot bewaking in den kano
+achtergebleven en zijn nu door den storm van een der zuidoostelijke
+eilanden afgedreven. Ze moeten sinds eergisteren met den orkaan gekampt
+hebben en hebben in <span class="corr" id="xd21e4903" title=
+"Bron: aldien">al dien</span> tijd denkelijk nat noch droog over de
+lippen gehad. &rsquo;t Is waarlijk een geluk voor haar, dat zij op ons
+eiland aandreven.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, inderdaad,&rdquo; hernam mijnheer Wilson. &bdquo;Voor
+&rsquo;t overige moet ik evenwel zeggen, dat mij zulk een bezoek niet
+bijzonder verblijdt. Het is een bewijs voor hetgeen wij tot hiertoe nog
+niet met zekerheid geweten hebben, dat wij, namelijk, dichtbij buren
+hebben, die ons misschien wel eens heel ten onpas met een bezoek konden
+vereeren.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is licht mogelijk, mijnheer,&rdquo; antwoordde Flink:
+&bdquo;maar de arme schepsels die zoo bij ons komen aanspoelen, kunnen
+&rsquo;t geval noch erger noch beter maken. Misschien kan het ons zelfs
+tot voordeel strekken; want als deze twee wilden Engelsch leeren,
+voordat hare landgenooten ons komen opzoeken, kunnen zij ons tot tolken
+dienen en zoo misschien tot de redding van ons leven
+bijdragen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zou zulk een bezoek dan zoo gevaarlijk voor ons uitvallen
+Flink?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wel, wilden zijn eens en voor al wilden. Evenals kleine
+kinderen, verlangen zij naar alles wat hun in de oogen blinkt,
+inzonderheid naar zulke dingen, waarvan zij het gebruik kennen, zooals
+ijzer bij voorbeeld. Als zij hierheen kwamen en wij een deel van onze
+goederen verborgen, maar &rsquo;t overschot aan hen overleverden, dan
+konden wij ons leven misschien nog redden. Evenwel kan men ook in dat
+geval niet veel op hen vertrouwen, en ik zou stellig aanraden ons ook
+tegen eene groote overmacht te verweren, liever dan ons op genade of
+ongenade over te geven.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar, zouden we ons dan ooit met mogelijkheid tegen zulk eene
+groote menigte verdedigen kunnen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;We moeten behoorlijk zijn voorbereid, mijnheer. Als we ons
+maar goed verschanst hebben, kunnen we het tegen een paar honderd wel
+opnemen.&rdquo;</p>
+<p>Mijnheer Wilson sloeg de hand aan het voorhoofd.</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is waarlijk niet heel troostrijk,&rdquo; zeide hij,
+na eene poos, &bdquo;nu op dit oogenblik aan een verdedigingsplan tegen
+de wilden te moeten denken, nadat wij voor twee dagen nog hoop hadden
+van dit eiland verlost te worden. O, dat die brik zich nog weer liet
+zien<span class="corr" id="xd21e4923" title=
+"Bron: ?">!</span>&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;De wind gaat langzamerhand liggen, mijnheer!&rdquo;
+antwoordde Flink<span class="corr" id="xd21e4928" title=
+"Niet in bron">,</span> &bdquo;nog v&oacute;&oacute;r den avond hebben
+wij kostelijk weer. We kunnen immers later overleggen; in allen gevalle
+geef ik deze eerste week alle hoop nog niet op.&rdquo; <span class=
+"pagenum">[<a id="pb209" href="#pb209" name="pb209">209</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Eene heele week, Flink! Och, hoe waar is het, dat
+teleurgestelde hoop den mensch geheel wanhopig maakt!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is een zware ramp, mijnheer Wilson; evenwel moeten
+wij ons schikken. Voor het tegenwoordige zouden we &rsquo;t best doen,
+als wij deze arme schepsels maar onder dak brachten en maakten, dat ze
+weer wat bijkwamen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, Flink; mij dunkt, teekens zullen ze toch wel
+verstaan?&rdquo;</p>
+<p>De oude man beduidde haar nu door teekens, dat ze zouden opstaan.
+Dit deden zij ook, hoewel niet zonder zwarigheid. Toen ging hij vooruit
+en gaf haar een teeken, dat ze volgen zouden. Zij begrepen hem en
+poogden te loopen, maar waren zoo zwak, dat zij op den grond zouden
+zijn neergevallen, als mijnheer Wilson en zijn zoon haar niet
+vastgehouden hadden.</p>
+<p>Er was een lange tijd noodig, voordat men haar in het woonhuis had
+gebracht. Mevrouw, die van alles onderricht was, ontving haar zeer
+vriendelijk, en Juno had een tafel gedekt, die nu voor haar werd
+nedergezet. Zij aten een weinig en legden zich toen neder, waarop zij
+weldra in diepen slaap verzonken.</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is een geluk voor ons, dat het vrouwen zijn,&rdquo;
+merkte mijnheer Wilson aan; &bdquo;als het mannen geweest waren, zouden
+wij er erger aan toe zijn geweest.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, zeker<span class="corr" id="xd21e4947" title=
+"Niet in bron">,</span>&rdquo; hernam Flink; &bdquo;evenwel mogen wij
+ook de vrouwen in den beginne niet al te veel vertrouwen, want ze zijn
+en blijven altijd wilden. Als wij nog langer op dit eiland moeten
+blijven, kunnen zij in vele opzichten nuttig, ja, zelfs van groote
+waarde voor ons zijn, daar zij ons veel werk kunnen helpen
+verrichten.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar waar zullen wij haar van nacht onder dak brengen,
+Flink?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik dacht daar juist over, mijnheer. Ik wenschte, dat wij hier
+dichtbij eene loods of een schuurtje hadden; doch bij gemis daarvan
+moeten wij haar wel in het magazijn laten slapen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O ja, dat zal zeer goed gaan.&rdquo;</p>
+<p>De vreemde vrouwen hadden zich spoedig van hare uitputting hersteld
+en schenen zeer zacht en handelbaar te zijn. Wat zij doen konden, deden
+zij gaarne en gewillig en ook hadden zij na verloop van veertien dagen
+reeds eenige Engelsche woorden geleerd. Een nieuw tochtje over het
+eiland werd afgesproken en op den aanstaanden Maandag vastgesteld, toen
+hen een nieuwe ramp trof, die al hunne gemaakte plannen overhoop
+wierp.</p>
+<p>Des Zaterdagsmorgens, toen Flink als gewoonlijk zijne ronde deed,
+daalde hij juist naar het strand neer, toen hij den Indiaanschen kano
+vermiste. <span class="pagenum">[<a id="pb210" href="#pb210" name=
+"pb210">210</a>]</span>Hij was geheel uit het water opgehaald geworden
+en kon dus onmogelijk zijn weggedreven.</p>
+<p>Flink ontstelde op dat gezicht. Hij richtte zijn kijker naar den
+kant van het groote eiland en meende op verren afstand een donker punt
+op het water te ontdekken. Terwijl hij daar nog stond te turen, kwam
+Willem ook aan het strand en voegde zich bij zijn ouden vriend.</p>
+<p>&bdquo;Ach, Willem,&rdquo; riep Flink, &bdquo;ik vrees, dat de
+vrouwen in haren kano ontsnapt zijn. Ga schielijk heen en zie of ze ook
+in het magazijn of ergens anders zijn en kom mij dan terstond zeggen,
+hoe het is.&rdquo;</p>
+<p>Willem keerde na weinige minuten ademloos terug en meldde, dat de
+wilden nergens te vinden waren en bovendien nog eene menigte groote
+spijkers en andere stukken ijzerwerk, die in kleine vaatjes in het
+magazijn gestaan hadden, moesten hebben medegenomen.<a id="xd21e4968"
+name="xd21e4968"></a></p>
+<p>&bdquo;Dat is leelijk, Willem,&mdash;waarlijk heel leelijk; het is
+voor ons een veel grooter ongeluk, dan dat het schip niet is
+teruggekomen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O, Flink, wij zullen ons zonder haar ook wel
+redden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, dat wel. Maar als de vrouwen tot haar volk terugkeeren en
+daar het ijzer vertoonen, dat ze hebben medegebracht; als ze vertellen,
+dat er bij ons nog veel meer te krijgen is,&mdash;dan kunt ge er op
+rekenen, dat wij spoedig een talrijk bezoek van hare landslieden
+krijgen zullen, die meer van ons eigendom halen willen. Ik had daarop
+bedacht moeten zijn en den kano niet hier gelaten of haar zelfs
+verbrand moeten hebben. Wij moeten dadelijk bij uw vader gaan en met
+hem beraadslagen, want hoe eer wij met ons werk aanvangen, des te beter
+voor ons. Kom, Willem, kom;&mdash;maar vergeet niet uwe moeder de zaak
+zoo licht voor te stellen als mogelijk is.<span class="corr" id=
+"xd21e4977" title="Niet in bron">&rdquo;</span></p>
+<p>Zoodra zij bij mijnheer Wilson waren, deelden zij hem het
+rampspoedige nieuws mede. Hij begreep dadelijk het gevaar, dat er
+bestond, doch achtte het raadzaam zijne vrouw daar terstond mee bekend
+te maken en haar niets te verbergen. Daarna hielden zij een krijgsraad,
+waarbij het volgende plan werd ontworpen.</p>
+<p>In de eerste plaats scheen het noodzakelijk het magazijn in een
+blokhuis te veranderen, zoodat het iederen vreemdeling onmogelijk moest
+worden daarin door te dringen. Zoodra de verschansing voltooid was,
+moest de woning naar het magazijn verlegd worden. De voorraad, waarvoor
+in het nieuwe blokhuis geene plaats was, moest in hunne tegenwoordige
+woning bewaard blijven of in het kokosbosch verborgen worden. Eerst
+nadat al deze veiligheidsmaatregelen tegen een onverwachten aanval
+genomen waren, wilde <span class="pagenum">[<a id="pb211" href="#pb211"
+name="pb211">211</a>]</span>men de vroeger ontworpen plannen ten
+uitvoer brengen. Des Maandags wilden zij aan het werk beginnen.</p>
+<p>&bdquo;Ik weet niet hoe het komt, maar ik gevoel thans, nu er gevaar
+voor oogen is, oneindig meer moed, dan toen er nog weinig of niets te
+vreezen was,&rdquo; zeide mevrouw Wilson.</p>
+<p>&bdquo;Daar twijfel ik volstrekt niet aan, mevrouw. Ik ben
+integendeel overtuigd dat indien uw moed op de proef mocht worden
+gesteld, gij die zekerlijk ook zult blijven toonen.&rdquo;</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch45" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">VIJF-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">KRIJGSRAAD.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Niettegenstaande zij in den beginne alles gedaan
+hadden om elkanders moed en vertrouwen op te wekken, bevonden onze
+vrienden zich nu toch in zulk een pijnlijken toestand van angst en
+verwachting, dat de eerste drie weken na het plotseling verdwijnen van
+het schip, ondanks alle plannen en beraadslagingen, in volstrekte
+werkeloosheid voorbijgingen, daar zij zich nu eens met de hoop vleiden,
+dat het gewenschte schip nog terugkeeren kon, en dan weder bezorgde
+blikken naar het eiland wierpen, om zich te overtuigen, dat nog geene
+groote vloot van kano&rsquo;s tot hun verderf in aantocht was.</p>
+<p>Zoo waren zij dan ook eens op een morgen met zonsopgang in de
+nabijheid van den schildpadvijver en namen den ganschen gezichtseinder
+met hun kijker op. Toen begon Flink, zich tot mijnheer Wilson
+wendende:</p>
+<p>&bdquo;Waarlijk, mijnheer, die staat van werkeloosheid mag toch niet
+langer zoo aanhouden. Voorleden nacht kwam ik op een goeden inval en ik
+geloof u thans een voorslag te kunnen doen, dien gij denkelijk zult
+goedkeuren. Zoo, dacht ik, moesten we nu maar terstond een krijgsraad
+houden en tot een besluit zien te komen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Van harte gaarne, Flink,&rdquo; antwoordde mijnheer Wilson en
+zette zich op een rotsblok neder. &bdquo;Gij zijt de oudste en
+ervarenste van ons drie&euml;n;&mdash;laat ons hooren, wat gij hebt
+voor te slaan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Welnu, mijnheer. Naar &rsquo;t mij voorkomt, mogen wij niet
+langer in ons huis blijven, want wij konden daar, gelijk ik zeide,
+ieder uur van den nacht door de wilden verrast worden en zijn er tegen
+overmachtige vijanden zonder alle middelen van verdediging.&rdquo;
+<span class="pagenum">[<a id="pb212" href="#pb212" name=
+"pb212">212</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Dat zie ik wel in en heb ik reeds geruimen tijd
+ingezien,&rdquo; was het antwoord; &bdquo;doch wat zullen we doen?
+Zullen wij naar de westkust terugkeeren?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Mij dunkt neen, mijnheer,&rdquo; hernam Flink. &bdquo;Mijn
+voorslag is <span class="corr" id="xd21e5011" title=
+"Bron: : deze">deze:</span> wij hebben in &rsquo;t zuiden van &rsquo;t
+eiland een ontdekking gedaan, die voor ons van groot gewicht is. Ik
+bedoel daarmee echter niet de vruchten en planten, die wij gevonden
+hebben, want deze zijn wel van veel waarde, maar zullen ons slechts
+gedurende den zomertijd een desnoods ontbeerlijk genot aanbieden. Groot
+nut verleent ons ook het voeder voor het vee, dat wij daar ontdekt
+hebben, vooral gedurende den regentijd, maar het hoofdvoordeel brengt
+ons dat met yamswortels bezet stuk land aan, dat ons voedsel voor den
+winter zal geven. Ze zijn voor ons van het grootste belang en we kunnen
+ze niet spoedig genoeg tegen de zwijnen beschutten, die ze ongetwijfeld
+met wortel en al opwroeten, als we dat niet tijdig voorkomen. Nu weet
+ge zeer goed, mijnheer, wat we vroeger besloten, maar niet volvoerd
+hebben. Ik geloof echter, dat de kokosheining nu te veel tijd zal
+wegnemen en &rsquo;t wel voldoende zal zijn, als wij de yamswortels met
+sloot en heg omheinen. Als we daarbij echter gedurig weer naar ons huis
+terugkeeren en mevrouw met de kleinen alleen laten moesten, zou dat
+zeer lang aanhouden,&mdash;en dus stel ik voor, om, daar &rsquo;t weder
+zoo geheel is opgeklaard en nu wel maanden lang goed blijven zal, onze
+tenten daar ter plaatse op te slaan en met de gansche familie naar de
+zuidkust te trekken. Zij zullen daar binnenkort geheel thuis en in
+allen gevalle veel veiliger zijn, dan als zij zonder eenige verdediging
+hier achterbleven.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Een uitmuntende raad, Flink; wij worden daardoor zooals gij
+opmerkt, voorloopig aan het gevaar onttrokken, en zijn wij eenmaal
+daar, dan kunnen wij altijd nog overleggen wat voor ons het beste
+is.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Juist, mijnheer. Misschien hebben onze vluchtelingen het
+eiland in &rsquo;t geheel niet bereikt, want de eerste dagen, nadat zij
+ons eiland verlieten, hadden zij den wind vlak tegen, en bovendien is
+de stroom in deze richting zeer sterk. Zijn ze echter werkelijk
+behouden aangeland, dan moeten wij ons op een bezoek van de wilden
+voorbereid houden, en als die landen, komen zij natuurlijk regelrecht
+op onze tegenwoordige woning aan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Gij wilt toch niet, Flink, dat wij dit gedeelte van &rsquo;t
+eiland en al de gemakkelijke inrichtingen, die wij er tot stand
+brachten, voor altijd verlaten?&rdquo; vroeg Willem.</p>
+<p>&bdquo;Ei, zeker niet voor altijd, mijn beste Willem; en daarmee kom
+ik tot het tweede gedeelte van mijn voorstel.&mdash;Zoodra wij met ons
+yamsplantsoen <span class="pagenum">[<a id="pb213" href="#pb213" name=
+"pb213">213</a>]</span>gereed zijn en alles zoo goed mogelijk in orde
+hebben, laten wij mevrouw en de kinderen achter en gaan hier weder aan
+den arbeid. Zooals bepaald is, moeten wij ons tegenwoordig woonhuis
+opgeven en ons magazijn, dat in het bosch verscholen ligt, tot woning
+inrichten en zoodanig versterken, dat wij tegen elken onverhoedschen
+aanval van de wilden gedekt zijn; want in eene vaste woning moeten wij
+in elk geval terugkeeren, daar wij, als het regenseizoen invalt, niet
+meer onder de tenten kunnen blijven.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hoe wilt gij het magazijn dan verschansen, Flink?&rdquo;
+vroeg mijnheer Wilson. &bdquo;Daarvan weet ik niets.&mdash;Wat is zulk
+een blokhuis eigenlijk?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat zal ik u bij gelegenheid uitleggen.&mdash;Nu, echter,
+mijnheer, komt er nog velerlei. Als de wilden hierheen komen, moeten
+wij ons in allen gevalle met vuurwapens tegen hen kunnen verdedigen.
+Een enkel man met een geweer achter eene palissade is beter dan
+twintig, die alleen met knotsen en lansen gewapend zijn, en
+z&oacute;&oacute; slechts mogen wij hopen onze vijanden op de vlucht te
+slaan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Naar het mij voorkomt, is uw plan voortreffelijk,
+Flink,&rdquo; antwoordde mijnheer Wilson. &bdquo;Hoe spoediger wij
+daarmee beginnen, des te beter zal het voor ons zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Daar is geen twijfel aan, mijnheer. Het eerste moet wezen,
+dat Willem en ik op deze zijde van de klippen een doorgang voor onze
+boot opzoeken; dan zullen wij naar de kleine haven omzien, die wij
+reeds vroeger ontdekt hebben. Zoodra dit geschied is, keeren wij terug,
+brengen tenten en al het noodige in de boot, en hebben wij die eerst
+opgeslagen en alles behoorlijk in orde gebracht, dan kan mevrouw met de
+kinderen met ons door het bosch trekken en ze in bezit nemen.&mdash;Als
+we &rsquo;t nu over de zaak eens zijn, mijnheer<span class="corr" id=
+"xd21e5033" title="Niet in bron">,</span> moesten wij maar zoo spoedig
+mogelijk beginnen, want wij hebben zeer veel te doen en mogen niet
+vergeten, dat wij, voordat wij met het blokhuis aanvangen, eerst nog
+een bezoek op de westkust moeten afleggen, om spijkers en andere
+benoodigdheden te halen, en als wij daar toch eens bij zijn, kunnen wij
+evengoed ook eene geheele monstering over onzen <span class="corr" id=
+"xd21e5036" title="Bron: vooraad">voorraad</span> houden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wij willen geen dag, geen uur verliezen, Flink; er is toch al
+te veel tijd verloren geraakt,&rdquo; antwoordde mijnheer Wilson.
+&bdquo;Wat zullen wij vandaag bij de hand nemen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Bij het ontbijt zullen wij aan mevrouw ons plan mededeelen;
+daarna ga ik met Willem in de boot en zoek eene doorvaart. Gij zelf,
+mijnheer, kunt hier blijven en de tenten en al de verdere artikelen,
+die wij bij de eerste <span class="pagenum">[<a id="pb214" href=
+"#pb214" name="pb214">214</a>]</span>vaart meenemen, bijeenpakken, en
+wij zullen, denk ik, tegen het middageten terug zijn.&rdquo;</p>
+<p>Met deze woorden stonden zij op en gingen op het huis aan. Allen
+voelden zich innerlijk verlicht, nadat het nieuwe arbeidsplan ontworpen
+was, en verheugden zich in het vooruitzicht, dat zij nu alle
+menschelijke kracht zouden inspannen, om het hun dreigend gevaar
+<span class="corr" id="xd21e5047" title="Bron: of">af</span> te
+wenden.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch46" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">ZES-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">THOMAS EN DE KREEFT.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Het nieuwe plan werd onder &rsquo;t ontbijt aan
+mevrouw Wilson medegedeeld, en daar zij wel inzag hoe zij daarbij veel
+veiliger dan tot hiertoe zijn zouden, gaf zij van harte gaarne hare
+toestemming.</p>
+<p>Het duurde geen uur, of Flink en Willem hadden de boot in
+gereedheid, waarmee zij tusschen de klippen doorroeiden, om eene
+doorvaart te zoeken, welke zij ook spoedig, pas twee of drie
+kabelslengten van de landpunt, gelukkig ontdekten.</p>
+<p>&bdquo;Dat is een groot geluk, mijn goede Willem,&rdquo; riep Flink,
+&bdquo;maar nu moeten wij ook een merkteeken zoeken, om den terugweg
+spoedig te vinden. Ziet gij die lange zwarte klip ginds;&mdash;zij ligt
+in eene rechte lijn met den tuin, en als wij dus beide op elkaar
+gericht hebben, weten wij dat wij ons in het eigenlijke kanaal
+bevinden. Nu hebben wij nog slechts een teeken recht voor ons uit
+noodig, om te zien, wanneer wij het kanaal moeten inloopen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zie Flink, de punt van den schildpadvijver loopt immers recht
+op den rechterzijwand van ons huis aan,&rdquo; hernam Willem.</p>
+<p>&bdquo;Goed opgemerkt; dat kan ons dienen. Nu zullen wij er wakker
+op los roeien, zoodat wij tijdig terug kunnen zijn.&rdquo;</p>
+<p>Zij bevonden zich weldra op de zuidzijde van het eiland en roeiden
+langs den kust voort.</p>
+<p>&bdquo;Hoe ver schat gij den weg te water, Flink?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat weet ik zoo juist niet, mijn jongen; mij dunkt echter
+vier of vijf mijlen, en zoo mogen wij wel op een goed uur dapper
+roeiens rekenen. In allen gevalle kunnen wij met dezen wind, hoe zwak
+ook, terugzeilen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wij zijn thans in zeer diep water,&rdquo; merkte Willem na
+lang zwijgen aan.</p>
+<p>&bdquo;Ja, Willem. Op deze zijde van het eiland kunnen wij dat ook
+niet anders <span class="pagenum">[<a id="pb215" href="#pb215" name=
+"pb215">215</a>]</span>verwachten, want de koralen wassen alleen op de
+zijde, die aan den wind blootstaat. Mij dunkt, wij kunnen van de kleine
+haven, die wij onlangs ontdekten, thans niet ver meer verwijderd zijn.
+Gij ziet, wij hebben het weideland en de boomgroepen reeds voor oogen.
+We zullen een poosje met roeien ophouden en de kust eens bedaard
+opnemen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Daar zijn twee rotsen dicht aan den oever, Flink,&rdquo; riep
+Willem met den vinger wijzende. &bdquo;Weet gij nog wel: ook aan de
+buitenste zijde van onze haven stonden twee of drie zulke rotsen dicht
+bij elkander.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Juist zoo, Willem, en &rsquo;t zou mij volstrekt niet
+verwonderen, als gij den spijker op den kop had geslagen. Laat ons er
+eens heen roeien.&rdquo;</p>
+<p>Zij deden dit en bevonden, tot hunne groote blijdschap, dat zij
+werkelijk in de haven waren, waar het water zoo glad en effen als in
+een vijver was.</p>
+<p>&bdquo;Welnu, beste jongen, dan zullen wij maar terstond onzen mast
+opzetten en op ons gemak naar huis zeilen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wacht nog een oogenblik, Flink; geef mij den bootshaak eens.
+Ik zie daar wat tusschen de klippen omkrabbelen.<span class="corr" id=
+"xd21e5088" title="Niet in bron">&rdquo;</span></p>
+<p>Flink gaf den bootshaak aan Willem, die daarmee in het water roerde
+en met de ijzeren punt een grooten zeekreeft ophaalde, dien hij met een
+ruk in de boot slingerde.</p>
+<p>&bdquo;Dat is weer een kostelijke schotel op onze tafel,&rdquo;
+zeide Flink. &bdquo;Wij komen dus niet met ledige handen terug en
+zullen des te meer welkom zijn. Doch nu dienen we ons ook te reppen,
+want we moeten hedennamiddag nog eens en dan wel met een volle lading
+hierheen roeien.&rdquo;</p>
+<p>De mast werd opgezet, en zoodra zij met de boot buiten de haven
+waren, werd het zeil opgeheschen. In minder dan een uur hadden zij de
+landingsplaats bij het woonhuis wederom bereikt.</p>
+<p>Willem had den zeekreeft, die slechts &eacute;&eacute;ne schaar had,
+uit de boot gebracht en Juno een tweeden waterketel op het vuur gezet,
+om dien als een toegift voor het middagmaal te koken.</p>
+<p>Thomas trad met zijn zusje Caroline toe, om het beest te bekijken.
+Toen hij dit echter genoeg bewonderd had, begon hij het, als naar
+gewoonte, te plagen en te kwellen, evenals hij dat op de Kaap ook reeds
+den leeuw had gedaan. Eerst stiet hij het met een stok naar de oogen,
+toen beproefde hij den staart recht te trekken;&mdash;het dier sloeg
+echter naar hem en liep weg.</p>
+<p>Eindelijk echter wilde hij zijn stok het dier zelfs in den bek
+steken; toen hief dit zijn grooten nijper op, pakte hem bij het
+gewricht van de hand en klemde zich daar zoo stevig aan vast, dat
+Thomas het van pijn uitgilde en als razend met den kreeft aan den arm
+ronddanste. Gelukkig voor hem was <span class="pagenum">[<a id="pb216"
+href="#pb216" name="pb216">216</a>]</span>het beest reeds zoo lang
+buiten het water en <span class="corr" id="xd21e5106" title=
+"Bron: bovenndien">bovendien</span> zoo hevig door de ijzeren punt van
+den bootshaak getroffen, dat het meer dan halfdood was. Anders zou het
+den knaap zwaar gekwetst hebben.</p>
+<p>Flink schoot toe en maakte den kreeft van hem los; doch Thomas was
+zoo ontsteld, dat hij het hazenpad koos en eerst met loopen ophield,
+toen hij wel honderd passen van huis was verwijderd. Daarover schoten
+Flink en Juno zoo hartelijk in den lach, dat de tranen hun over de
+wangen rolden.</p>
+<p>Thomas scheen er zeer gebelgd over, dat hij zich op zoodanige manier
+moest laten uitlachen; hij zette zich, na zijne wedloop volbracht te
+hebben, pruilend neer en wachtte, totdat hij het eten zag opdragen.
+Toen kwam hij eindelijk terug, ofschoon nog altijd met een benepen
+gezicht. Den kreeft op tafel ziende komen, scheen hij nog voor zijn
+vijand beangst, ofschoon deze nu dood was.</p>
+<p>&bdquo;Nu, Thomas!&rdquo; zeide zijn vader, &bdquo;ik denk dat gij
+van den kreeft toch niet zult willen eten.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Niet eten?&rdquo; riep Thomas uit. &bdquo;O ja, ik wil hem
+eten, juist omdat hij mij opeten wou.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat wilt ge er dan voor een stuk van,&mdash;de schaar
+misschien?&rdquo; vroeg mijnheer Wilson.</p>
+<p>&bdquo;Ja, de schaar! Dat ondeugende dier,&mdash;laat het daar eens
+wat tegen doen; om het te plagen wil ik die eten!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Waarom hebt gij het beest niet met vrede gelaten,
+Thomas?&rdquo; vroeg zijn vader. &bdquo;Hadt gij het niet geplaagd, het
+zou u niet geknepen hebben. Ik weet zelfs niet of ik er u wel van geven
+zal, als gij er van eten wilt om het te plagen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O, ik lust hem ook niet,&mdash;ik begeer er ook niets
+van,&rdquo; hernam de kleine stijfkop. &bdquo;Ik eet veel liever
+pekelvleesch.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Des te beter; als gij geen kreeft lust, zal men u dat ook
+zeker niet opdringen, jongeheer,&rdquo; antwoordde zijn vader.
+&bdquo;Dus zullen wij hem maar buiten u onder ons verdeelen.&rdquo;</p>
+<p>Thomas was met dit besluit niet bijster in zijn schik, want hij had
+er dolgraag een stuk van gehad. Hij zat dus met een hangende lip aan
+tafel en keek bitter boos, toe de oude Flink hem zoo lachend toevoegde,
+dat hij reeds v&oacute;&oacute;r het eten zijn deel van den kreeft had
+gehad. <span class="pagenum">[<a id="pb217" href="#pb217" name=
+"pb217">217</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch47" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">ZEVEN-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">TOEBEREIDSELEN TOT DE VERHUIZING.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Terstond na den afloop van den maaltijd hielpen Willem
+en Juno de beide roeiers de tentbekleedsels en staken, benevens
+schoppen tot slechting van den grond en prikken tot het vastzetten der
+tenten, in de boot brengen.</p>
+<p>Voordat zij met de boot afstieten, merkte Willem aan:</p>
+<p>&bdquo;Mij dunkt, het zou zoo kwaad niet zijn, als wij voor Flink en
+mij het noodige beddegoed meenamen. Wij konden dan nog van avond eene
+van de tenten opslaan en den nacht daaronder doorbrengen. Morgen vroeg
+konden wij dan de andere in orde brengen en zoo met ons werk een goed
+eind vorderen, voordat wij terugkomen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is een zeer goede inval, Willem,&rdquo; antwoordde Flink.
+&bdquo;Laat eens zien, wat Juno ons te eten mee kan geven; dan zullen
+wij uw plan volvoeren, want hoe eer wij allen daar zijn, des te
+beter.&rdquo;</p>
+<p>Mijnheer Wilson was van hetzelfde gevoelen en Juno pakte een stuk
+pekelvleesch en eenige eierkoeken bijeen, voegde daar nog drie of vier
+flesschen water bij en hielp dit alles, benevens allerlei
+timmermansgereedschappen, in de boot brengen. Flink had ook nog voor
+een touw gezorgd, om de boot aan een paal aan den oever vast te
+maken.</p>
+<p>Eindelijk stieten zij van wal en hadden in korten tijd de riffen
+achter zich. Zij roeiden wakker door, want zij wenschten zoo spoedig
+mogelijk de haven te bereiken, hetgeen ook na verloop van een half uur
+gelukkig geschiedde.</p>
+<p>Zoodra zij aan land waren, maakten zij de boot aan het touw vast en
+brachten de lading aan wal; vervolgens droegen zij een deel van het
+tentlinnen en de staken naar het naastbijgelegen boschje, dat uit
+guayababoomen bestond. Daarop keerden zij naar het strand terug, om ook
+het overige te halen, en met drie gangen hadden zij dat verricht.</p>
+<p>&bdquo;Nu moeten wij eens omzien, Willem, waar wij de tent willen
+opslaan. Te dicht bij het kokosbosch mag dat niet zijn, want daar
+hadden wij te ver water te halen.<span class="corr" id="xd21e5151"
+title="Niet in bron">&rdquo;</span></p>
+<p>&bdquo;Dunkt u niet, Flink, dat de beste plaats bij de benanen zou
+zijn? De grond is daar iets hooger en het water vinden wij, zooals gij
+weet, juist tusschen de benanen en de yamswortels.&rdquo;</p>
+<p>Zij begaven zich naar de plaats, waar de benanen hare groote, fraaie
+bladeren ontplooiden en besloten ten noorden daarvan de tenten op te
+slaan, <span class="pagenum">[<a id="pb218" href="#pb218" name=
+"pb218">218</a>]</span>vooreerst omdat men die daar, wegens de boomen,
+uit zee niet zien kon en ook, dewijl het bosschage gedurende de hitte
+van den dag er eene aangename schaduw opleverde.</p>
+<p>&bdquo;Dus moet het dan hier maar zijn, Willem,&rdquo; zeide Flink.
+&bdquo;Laat ons nu al het noodige gaan halen. Het is hier een goede,
+droge grond, die er juist toe geschikt zal zijn.&rdquo;</p>
+<p>Weldra waren zij druk aan het werk en reeds lang voor zonsondergang
+was een der tenten opgeslagen en hadden zij ook hunne bedden daarin
+gespreid.</p>
+<p>&bdquo;Nu, Willem, verbeeld ik mij toch, zult gij wel tamelijk moe
+zijn,&rdquo; zeide Flink; &bdquo;ja, ja, zeker, dat moet gij wezen,
+want gij hebt den ganschen dag duchtig gearbeid.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik voel mij juist zoo heel moe niet, Flink; ook is het nu nog
+geen tijd om te gaan slapen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Het is nog vroeg; laat ons dan eerst nog onze spaden nemen en
+een gat voor het water graven; dan kunnen wij morgen vroeg zien, of dat
+goed of slecht is.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, dat kunnen wij nog voor het avondeten doen, en dan zal de
+rust ons dubbel goed smaken.&rdquo;</p>
+<p>Met dit besluit gingen zij naar het lager gelegen weideland, waar de
+bodem vochtig en moerassig was. Daar groeven zij twee kuilen, ieder
+ongeveer eene el diep en even breed. Weldra zagen zij het water daarin
+opkomen, en toen zij klaar waren, kwam hun dat reeds over den
+enkel.</p>
+<p>&bdquo;Aan water zullen wij dus geen gebrek lijden, Flink; als het
+ook maar goed om te drinken is.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O, daar twijfel ik niet aan, Willem. Overigens hebben wij
+veel te doen, voordat de familie hier naar toe kan komen. Doch voor
+vandaag is onze taak nu ten einde.&rdquo;</p>
+<p>Zij keerden hierop in de tent terug en lieten zich het pekelvleesch
+en de eierkoeken kostelijk smaken. Eindelijk legden zij zich op de
+matrassen neder en gaven zich aan de rust over. Na weinige minuten
+lagen zij diep in slaap, daar het zware werk van den dag hen inderdaad
+zeer vermoeid deed zijn.</p>
+<p>Den volgenden morgen met zonsopgang waren zij reeds weder op de
+been. Hun eerste werk was naar de waterkuilen om te zien, die zij den
+vorigen avond gegraven hadden. Zij vonden deze tot overvloeiens toe
+vol; het water was volmaakt zuiver en helder, en bij het proeven
+keurden zij het, zoo al niet in alles zoo goed als het andere
+bronwater, toch zeer bruikbaar en smakelijk. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb219" href="#pb219" name="pb219">219</a>]</span></p>
+<p>Na zich gewasschen te hebben, keerden zij terug, om te ontbijten, en
+gingen toen aan het opslaan der tweede tent, die voor mevrouw en den
+kleinen bestemd was en dus met meer zorgvuldigheid moest worden
+ingericht. Toen dit gedaan was, werd nog de grond in het rond van het
+hooge gras en de struiken ontdaan en binnen in de tent met de spaden
+vast en effen gemaakt.</p>
+<p>&bdquo;Nu komt weer een ander werk, Willem, namelijk het bouwen van
+een stookplaats voor Juno. Daartoe moeten wij naar het strand gaan en
+steenen opzoeken. Wij zullen dit stuk zeildoek meenemen en kunnen
+daarin in &eacute;&eacute;n gang zooveel als wij noodig hebben
+halen.&rdquo;</p>
+<p>Een uur later was ook de vuurhaard gereed, en beiden zagen hun werk
+vergenoegd aan en maakten de noodige toebereidselen tot het verdere
+werk van den dag.</p>
+<p>Men besloot &rsquo;s middags de tafels en stoelen, het
+keukengereedschap, een gedeelte van de kleeren en het beddegoed en
+levensmiddelen voor een paar dagen mede te nemen. Den volgenden morgen
+zouden Flink en Willem tijdig terugkomen, en dan wilden allen
+gezamenlijk door het bosch naar hunne nieuwe woonplaats opbreken.</p>
+<p>De kleine Albert kon thans heel goed alleen loopen en moest slechts
+nu en dan een eind ver gedragen worden. Thomas en Caroline moesten
+natuurlijk met Juno gaan; de schapen, lammeren, waarvan men vier stuks
+had, en de oude en jonge geiten zouden de mannen door het bosch
+drijven, waarbij de honden goede diensten konden doen. De hoenders en
+het verdere gevogelte moesten echter in het oude hok blijven, daar
+Flink en Willem, zoo dikwijls zij hier kwamen, wel eens naar hen omzien
+konden.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch48" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">ACHT-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">VERHUIZING NAAR DE ZUIDKUST.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Ditmaal was de boot zwaar bevracht en men had hard te
+roeien en zwaar te werken bij de landing, voordat de verschillende
+voorwerpen aan den oever gebracht waren. Willem en Flink waren derhalve
+hartelijk blij, toen eindelijk hun dagwerk ten einde was; en zoodra zij
+hun avondmaal genuttigd hadden, gingen zij dan ook ter ruste.</p>
+<p>Met zonsopgang keerden zij in hunne boot naar de baai terug. Zij
+haalden <span class="pagenum">[<a id="pb220" href="#pb220" name=
+"pb220">220</a>]</span>eerst de boot op het droge en begaven zich toen
+naar het woonhuis, waar zij <span class="corr" id="xd21e5206" title=
+"Bron: alleen">allen</span> tot vertrekken gereed vonden.</p>
+<p>Mijnheer Wilson had de dieren reeds bij elkaar gebracht, en dus brak
+men terstond op. De merken aan de boomen waren nog zeer duidelijk en
+zij konden hun weg gemakkelijk weervinden. Des te grooter moeite hadden
+zij echter met de schapen en geiten, en de kleine karavaan kwam dus
+niet dan langzaam voorwaarts.</p>
+<p>Zij hadden drie volle uren noodig, om aan den zoom van het
+kokosbosch te komen, en mevrouw Wilson gevoelde zich uiterst vermoeid.
+Eindelijk hadden zij de nieuwe woonstede bereikt, en mijnheer Wilson en
+zijne vrouw uitten een kreet van bewondering bij het aanschouwen van de
+schilderachtige schoonheid van het bekoorlijk oord.</p>
+<p>Ook de plek, waar de tenten bij de banaanboomen waren opgeslagen,
+droeg beider volle goedkeuring weg; want zij was werkelijk bij uitstek
+fraai. Mevrouw Wilson begaf zich in hare tent, om van hare vermoeidheid
+uit te rusten. De schapen en geiten liet men vrij in het weideland
+omloopen, waar zij terstond met graagte op het frissche voeder
+aanvielen. De honden vlijden zich neder en schenen insgelijks van den
+verren weg vermoeid.</p>
+<p>Juno bracht den kleinen Albert te bed en zocht toen met Willem eenig
+brandhout op, om het middageten te koken. Flink ging naar de putten, om
+water te halen, terwijl mijnheer Wilson op de vlakte rondwandelde en de
+verschillende boomen en struiken onderzocht, die daar groeiden.
+Caroline was in de tent bij hare moeder, en sinjeur Thomas had zich op
+den grond neergezet en keek met groote oogen verbaasd in het rond.</p>
+<p>Spoedig kwam Flink met de wateremmers terug, waarna hij de honden
+floot en den weg naar het yamsplantsoen insloeg. Een poosje later stond
+Thomas op en volgde hem.</p>
+<p>De honden drongen in het yamsplantsoen door en hieven weldra een
+verwoed geblaf aan, dat Thomas heel aardig vond, zoodat hij in de
+handen klapte en siste, om hen nog meer aan te hitsen. Op eenmaal
+echter kwam de gansche kudde zwijnen uit het dichte groen voor den dag
+en draafde zoo dicht bij Thomas langs, dat hij het van schrik
+uitschreeuwde en zoo lang als hij was op den grond tuimelde.</p>
+<p>&bdquo;Dat had ik wel gedacht, vriendjes, dat gij hier zoudt
+wezen,&rdquo; mompelde Flink, de varkens naziende. &bdquo;Het werd
+waarlijk tijd, dat wij den weg eens voor u afsloten.&rdquo;</p>
+<p>De zwijnen stoven over het veld voort en verdwenen, evenals de
+eerste <span class="pagenum">[<a id="pb221" href="#pb221" name=
+"pb221">221</a>]</span>maal, in het kokoswoud. Ook Thomas zette het,
+zoodra hij maar weer op de been was, wakker op een loopen. De honden
+gingen achter de zwijnen aan en bleven een geruimen tijd weg. Ten
+laatste zag men hen vermoeid en hijgend terug komen,&mdash;een bewijs,
+dat zij hunne vervolging een goed eind ver hadden voortgezet.</p>
+<p>Voor dag en dauw waren Flink en Willem den volgenden dag reeds weder
+bij de hand en gingen door het bosch naar hunne vroegere woning, om het
+huisraad, dat daar nog was achtergebleven, in de boot naar de zuidkust
+te brengen. Bij hunne aankomst pakten zij al wat nog in huis stond
+bijeen, <span class="corr" id="xd21e5230" title=
+"Bron: haalde">haalden</span> gezouten vleesch en meel uit het magazijn
+en maakten hunne lading vol met een van de nog voorhanden zijnde
+schildpadden, die op den rug in de boot werd neergelegd. Tegen het
+ontbijt waren zij reeds weder bij de nieuwe woonplaats, waar Juno hen
+het meegebrachte naar de tenten hielp brengen.</p>
+<p>&bdquo;Wat is dat hier een kostelijk verblijf!&rdquo; riep mevrouw
+Wilson onwillekeurig uit. &bdquo;Mij dunkt, wij moesten het altijd tot
+ons zomerkwartier kiezen en eerst tegen den regentijd naar het oude
+huis terugkeeren.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Het is hier zeker gedurende den zomer veel fraaier en
+aangenamer; maar in ons huis zijn wij beter door het kokosbosch
+gedekt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, dat is waar, en gedurende het regenseizoen is dat voor
+ons van veel belang. In den zomer is het daarentegen ook des te warmer,
+want wij hebben daar niet de verkoelende zeelucht, die wij hier
+genieten. Ik kan u verzekeren<span class="corr" id="xd21e5239" title=
+"Bron: .">,</span> Flink, ik ben met den ruil zeer tevreden en het zou
+mij spijten, als wij daarheen terugkeeren moesten.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik heb van morgen ook zulke mooie <span class="corr" id=
+"xd21e5244" title="Bron: papagaaien">papegaaien</span> gezien,&rdquo;
+zeide de kleine Caroline. &bdquo;Ik wou, dat er &eacute;&eacute;n van
+mij was.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Nu, beste meid, ik wil bij gelegenheid eens een jong zien te
+krijgen; doch het is er thans nog te vroeg toe,&rdquo; antwoordde
+Flink. &bdquo;Nu moet ik Juno de schildpad in stukken helpen snijden.
+Onze voorraadkamer dienen wij wel daar onder de banaanboomen te
+nemen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar wat zullen wij verder aanvangen, Flink? Wij mogen toch
+niet leegzitten?&rdquo; vroeg mijnheer Wilson.</p>
+<p>&bdquo;Neen, zeker niet, mijnheer! Dezen dag moeten wij, dunkt mij,
+maar besteden om ieder ding op zijne plaats te brengen en de tenten van
+binnen gemakkelijk in te richten. Voor het oogenblik staan wij onder
+mevrouws orders; morgen zullen wij dan met het graven en het omheinen
+van het yamsplantsoen beginnen. We zullen ons daarmee niet zoo te
+haasten hebben, want ik verbeeld mij, dat de zwijnen zich er zoo
+spoedig niet weer aan <span class="pagenum">[<a id="pb222" href=
+"#pb222" name="pb222">222</a>]</span>wagen zullen, daar ik plan heb
+onze honden &rsquo;s nachts in de yamsvelden vast te binden, en dan zal
+hun geblaf hen wel op een afstand houden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is een goede inval, Flink. Zie eens, welk kostelijk voer
+onze schapen en geiten hier vinden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, mijnheer; ze moeten ook in het vervolg gedurende het
+droge jaargetij hier grazen. Morgen vroeg kunnen wij met graven
+beginnen en Willem daarbij wijzen, hoe men de <span class="corr" id=
+"xd21e5259" title="Bron: steken">stekken</span> van de stekelbessen,
+waarvan wij onze heg willen maken, poten moet. Dan zou ik voorslaan
+onzen Willem met dit werk alleen bij moeder achter te laten, terwijl
+gij en ik naar de westkust gaan, om onzen voorraad na te zien en al wat
+wij nog gebruiken kunnen hierheen te brengen. Ik meen immers u vroeger
+te hebben hooren zeggen, dat gij zelf daarheen woudt gaan?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, Flink, dat is zoo. Mijne vrouw zal er ook geen bezwaar in
+zien eens een dag of drie vier zonder mij te zijn. Als wij eerst alle
+dingen hebben nagezien, zal ik teruggaan en aan u en Willem, die het
+roeien beter gewoon is dan ik, de zorg overlaten om onzen voorraad over
+te brengen. Mij dunkt hierheen zullen wij toch alles niet
+halen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, mijnheer; het goed moet naar ons magazijn worden
+gebracht. Hebben wij dat werk eerst achter den rug, dan gaan wij met
+alle macht aan de versterking van het blokhuis.&rdquo;</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch49" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">NEGEN-EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">UITSTAPJE NAAR DE WESTKUST.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Den volgenden morgen trokken zij met hunne schoppen
+naar het yamsplantsoen en begonnen hun werk. De grond was week en
+drassig en zoo ging de arbeid vlug van de hand. De sloot werd ongeveer
+een schrede breed gemaakt en de uitgedolven aarde aan den binnenkant
+tot een kleinen dam opgeworpen.</p>
+<p>Vervolgens ging men naar de plaats, waar de
+stekelbezi&euml;nstruiken groeiden. Van deze werden de noodige stekken
+en afleggers afgesneden en boven op het aarden bed ingeplant. Nog was
+de avond niet gevallen, toen zij reeds, op negen of tien dekameters na,
+met sloot en heg gereed waren.</p>
+<p>&bdquo;Ik geloof, als dit eens in orde is, de varkens &rsquo;t wel
+laten zullen er overheen te springen,&rdquo; sprak Flink.
+&bdquo;Bovendien kan Willem daar evengoed alleen mee klaar komen, als
+met behulp van ons beiden.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb223"
+href="#pb223" name="pb223">223</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Ja, dat wel, Flink,&mdash;maar niet zoo vlug.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ge behoeft u ook niet overmatig in te spannen, beste Willem.
+Zorg slechts, dat ge de honden &rsquo;s nachts vastlegt, zooals ik den
+verloopen nacht gedaan heb, en dan twijfel ik geen oogenblik, of de
+varkens zullen na een of twee nieuwe pogingen niet meer
+terugkomen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik wil zien, of ik niet een van die beesten schieten
+kan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Goed; maar kies daartoe vooral een van de jongen,&mdash;de
+ouden mogen wij niet dooden. Doch nu kunnen wij naar huis gaan; de zon
+zal spoedig onder zijn en Juno wacht ons zeker al met het
+avondeten.&rdquo;</p>
+<p>Voordat mijnheer Wilson en Flink den anderen morgen opbraken, gaf de
+laatste Willem nog allerlei onderrichtingen aangaande de boot, de
+reiszakken waren reeds vooraf van levensmiddelen voorzien, en zoo namen
+zij dan van mevrouw Wilson afscheid en braken op. Beiden waren met een
+geweer gewapend en Flink had nog bovendien eene bijl over den schouder
+geworpen.</p>
+<p>Zij hadden een verren weg voor zich, want eerst moesten zij naar het
+oude woonhuis terugkeeren, om van daar het oude pad door het woud op te
+zoeken. Dit was een groote omweg, die nochtans niet kon vermeden
+worden, daar zij niets dan de merken aan de boomen hadden om te
+volgen.</p>
+<p>Bij het woonhuis gekomen, rustten zij een uur uit en gingen toen
+naar den tuin, die op de landtong lag. Aardappelen en erwten stonden
+uitmuntend en ook de uien begonnen goed op te schieten.</p>
+<p>&bdquo;Wat ziet deze plaats er nu doodsch en eenzaam uit, Flink, nu
+men er niets levends meer kan ontdekken,&rdquo; riep mijnheer Wilson.
+&bdquo;Laat ons verder gaan, &rsquo;t wordt mij hier nu benauwd om het
+hart.&rdquo;</p>
+<p>Met deze woorden hervatten zij hunne wandeling en hadden na twee
+uren de westkust bereikt, op &rsquo;t zelfde punt, waar zij &rsquo;t
+allereerst geland waren. De nabijgelegen klippen waren nog met de
+overblijfsels van het schip bezaaid, die in de zon bleekten of in het
+zand aan de bocht half bedolven lagen.</p>
+<p>Zij gingen dadelijk aan &rsquo;t zoeken, doch konden behalve enkele
+spieren en teertonnen niets vinden, dat eenige waarde voor hen had.
+Duigen en ijzeren hoepels van vaten lagen in menigte in het rond en
+Flink meende, dat men die zeer goed tot eene tuinheining gebruiken kon,
+als men slechts tijd vond om ze zoo ver te vervoeren. Van het strand
+terugkeerende, zetten zij zich neer, om een weinig uit te rusten. Na
+een poos begaven zij zich eindelijk naar de tenten in het kokosbosch,
+waar zij de verschillende goederen, die na het vergaan van het wrak
+waren aangespoeld, geborgen hadden. <span class="pagenum">[<a id=
+"pb224" href="#pb224" name="pb224">224</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Ei, zie eens! Ook hier zijn de varkens aan den gang
+geweest,&rdquo; riep Flink; &bdquo;ze hebben een meelvat opengemaakt.
+Hoe dat toeging, begrijp ik niet recht. Zie maar, mijnheer, er moet een
+scheur in geweest zijn, anders ware &rsquo;t hun zeker niet gelukt. Het
+linnen is, vrees ik, tot weinig meer nut. Gelukkig hebben we nog eenige
+nieuwe stukken, die ik aan land heb gebracht.&mdash;Nu moeten wij eens
+zien, mijnheer, in welken staat onze voorraad zich bevindt. Dit hier
+zijn enkel meelvaten; wij hebben dus geen gevaar te loopen, als wij ze
+openmaken en zien of de inhoud nog bruikbaar is.&rdquo;</p>
+<p>Het eerste vat, dat zij openden, had rondom eene steenharde korst;
+toen deze eindelijk met de bijl was <span class="corr" id="xd21e5305"
+title="Bron: doorgekopt">doorgekapt</span>, vond men dat het binnenste
+nog zeer goed was gebleven.</p>
+<p>&bdquo;Dat is gelukkig, mijnheer; ik hoop, dat het bij de overige
+vaten evenzoo zal zijn. Het zeewater heeft er eene dikke korst over
+gemaakt en deze heeft het geheel tegen bederf bewaard. Evenwel willen
+we alle, &rsquo;t een na het ander openmaken. Nu gaan wij ons
+middagmaal houden en vervolgens weer aan het werk. We hebben een paar
+malen gebraden schildpadvleesch, die Juno voor ons heeft ingepakt en
+die smaken zullen.&rdquo;</p>
+<p>Na het eten ging men opnieuw aan het werk. &bdquo;Ik verlang toch te
+zien, wat d&aacute;&aacute;rin mag wezen,&rdquo; zeide mijnheer Wilson
+op de naaste kist wijzende.</p>
+<p>Flink begon er dadelijk met zijne bijl aan te breken. Hij rukte het
+deksel open en vond een aantal bordpapieren doozen vol klosjes garen,
+allerlei band en lint, baleinen en lappen katoen, neteldoek, gaas,
+tulle en andere stoffen.</p>
+<p>&bdquo;Dat was zeker voor eene modehandelaarster te Bontany-baai
+bestemd,&rdquo; zei mijnheer Wilson, <span class="corr" id="xd21e5316"
+title="Niet in bron">&bdquo;</span>en misschien heeft ze bitter in
+angst gezeten, toen ze het bestemde niet ontving. Evenwel moeten wij
+het thans voor mijne vrouw en Caroline in beslag nemen. Zoodra wij tijd
+vinden, zullen wij het haar brengen en ze zullen er wat blij mee zijn.
+Nu de tweede kist, Flink.&rdquo;</p>
+<p>De volgende kist was zonder slot; het deksel werd opengemaakt en men
+vond een dozijn groote vierkante flesschen, die met jenever gevuld
+waren.</p>
+<p>&bdquo;Dat is echte Schiedammer,&rdquo; zeide Flink. &bdquo;Wat
+moeten wij daar mee aanvangen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wij zullen ze niet weggooien, Flink, maar ze ook slechts bij
+gelegenheid als geneesmiddel gebruiken,&rdquo; antwoordde mijnheer
+Wilson. &bdquo;Wij zijn nu reeds zoo lang aan zuiver bronwater gewend,
+dat het zonde zou zijn, als we weer smaak in sterke dranken wilden
+krijgen. Als we er plaats voor vinden, zullen we een paar flesschen in
+het magazijn brengen. Ze kunnen ons misschien nog soms eens goede
+diensten doen.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb225" href=
+"#pb225" name="pb225">225</a>]</span></p>
+<p>Het volgende vat was weldra geopend, en men vond een tafelservies
+van gekleurd porselein met vergulde randen, dat inderdaad zeer fraai
+was.</p>
+<p>&bdquo;Nu mijnheer, dat kan u te pas komen, want het begint ons al
+langzamerhand aan borden en schotels te ontbreken. Evenwel zou gewoon
+steenen goed ons wel dezelfde diensten hebben gedaan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Het zou voor onzen tegenwoordigen toestand ook beter
+passen,&rdquo; was het antwoord. &bdquo;Niettemin is dit fijn
+Chineesche porselein ons even welkom als een eenvoudig stel en mag
+daarom niet versmaad worden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hier is eene doos met uw naam er op, mijnheer,<span class=
+"corr" id="xd21e5335" title="Niet in bron">&rdquo;</span> riep Flink.
+&bdquo;Weet gij, wat er in is?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, dat kan ik niet bedenken; maar zie zelf maar eens
+na.&rdquo;</p>
+<p>De doos werd geopend en alles scheen door het ingedrongen zeewater
+besmet en bedorven. Toen men evenwel het pakpapier had weggenomen, vond
+men allerlei soort van schrijfbehoeften, die, met uitzondering van de
+buitenste bladen, slechts weinig geleden hadden.</p>
+<p>&bdquo;Dat is een ware schat, Flink. Ik herinner mij nu nog zeer
+goed: het bevat papier en pennen met al wat er meer tot schrijven
+noodig is; verder prenteboekjes, teekenvoorbeelden, verfdoozen en zoo
+al meer, dat ik voor mijne kinderen bestemd had.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ei, waarlijk mijnheer, dat is een geluk. Nu kunnen wij eene
+school oprichten, en daar die door de gezamenlijke bevolking van het
+eiland bezocht zal worden, moet de beschaving hier weldra algemeen
+zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat willen wij hopen, vriend.&mdash;Nu het volgende
+vat.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat daarin is kan men van buiten wel zien,&mdash;olie, die
+ons heel welkom is, daar onze voorraad kaarsen vrij wat vermindert.
+Daar zijn evenwel nog een paar kaarsenkisten, die wij gebruiken kunnen
+en bij gelegenheid wel zullen overbrengen. Nu evenwel komt het
+allerkostelijkste gedeelte van ons eigendom.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En dat is?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Al die artikelen, welke ik in de boot aan land bracht,
+voordat het schip te gronde ging; want, ziet gij, mijnheer, ijzer
+drijft niet, en daarom was ik toen vooral op ijzerwaren van allerlei
+soort en op nuttige gereedschappen bedacht. Ik heb een kostelijken
+voorraad spijkers: hier drie vaatjes groote en hier twee kleiner soort.
+Bovendien bijlen, hamers, schaven, beitels, zagen, klossen bindgaren,
+was en hier nog eenige rollen fijn linnen, alles in de beste
+orde.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is werkelijk voor ons van groote waarde,
+Flink.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, mijnheer, we zouden er misschien al spoedig gebrek aan
+gehad hebben, <span class="pagenum">[<a id="pb226" href="#pb226" name=
+"pb226">226</a>]</span>daar de beide wilden bij hare vlucht al &rsquo;t
+ijzer, dat zij meester konden worden, hebben meegepakt. &rsquo;t Was
+een geluk voor ons, dat zij niet bij al onzen voorraad konden
+komen.&mdash;Daar hebt gij nog meer van onzen buit: eenige wateremmers
+en &rsquo;t voornaamste gereedschap van onzen kok, waar Juno recht blij
+mee zal wezen. Hier zijn ook twee lampen. Mij dunkt, ik heb ook nog
+eenige pakjes lampepitten op zijde gelegd; ja, ja, dat weet ik
+zeker,&mdash;en ze zullen wel weer voor den dag komen. Die vaten daar
+zijn &rsquo;t een met patronen, het ander met <span class="corr" id=
+"xd21e5361" title="Bron: kruid">kruit</span>; hier is nog een half vat
+met patronen, alles onbeschadigd. Hier ook zes geweren, die evenwel
+&rsquo;t <span class="corr" id="xd21e5364" title=
+"Bron: poesten">poetsen</span> wel noodig hebben. Nu, dat is ook
+bezwaarlijk anders te wachten.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat zijn wezenlijk schatten voor ons, Flink; en
+toch&mdash;hoe goed hebben wij ons tot hiertoe ook zonder dat
+gered.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O ja, mijnheer; maar des te beter, nu wij ze hebben. Als we
+&rsquo;t magazijn tot onze woonplaats hebben gemaakt, zijn wij dan ook
+beter in staat, om &rsquo;t in alle opzichten gemakkelijker in te
+richten dan ons vorig huis geweest is; want, zie maar, mijnheer, daar
+zijn nog al de balken en planken, die Willem en ik in het zand begraven
+hebben.&mdash;Daarmee kunnen wij een vloer in het huis leggen en
+behoorlijke kasten en bedsteden maken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Och, die had ik geheel vergeten, Flink; zooals ge zegt, de
+voorraad is tot dat alles dubbel voldoende. Als ik mij slechts die
+vrees voor een mogelijken aanval van die wilden uit het hoofd kon
+zetten,&mdash;me dunkt, dan zouden we hier zelfs op dit eiland een
+recht genoeglijk leven kunnen leiden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Weet gij wel, mijnheer, dat het mij van harte genoegen doet u
+zoo te hooren spreken? Het bewijst, dat gij tegenwoordig tevredener en
+gelukkiger zijt, dan gij vroeger waart.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat ben ik ook, Flink,&mdash;althans dat geloof ik. Misschien
+ook, dat het ons van den kant der wilden dreigende gevaar mijne
+gedachten zoozeer aftrekt, dat ik mij bij mijn vroegeren wensch, om van
+het eiland verlost te worden, niet langer zoo bepalen kan. De eene
+bezorgdheid heeft zeker de andere verdrongen en onderdrukt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Het zal wezen, zooals gij zegt, mijnheer;&mdash;maar laat ons
+nu met ons onderzoek voortgaan. Hier zijn het zeekompas, de
+scheepslijnen, de logrol en het dieplood. We zullen die op onze boot
+nog wel ergens toe gebruiken kunnen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ei, met dat kompas ben ik recht in mijn schik, Flink, want
+met behulp daarvan kan ik eens, als ik tijd heb, een plan van dit
+eiland opmaken. Een zakkompas is te klein daartoe. Ge weet misschien
+niet, dat ik in mijne jonge jaren als landmeter naar Sidney
+trok?&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb227" href="#pb227" name=
+"pb227">227</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Neen, dat hebt ge mij nog niet gezegd. Ge zult ons dan zeker
+wel <span class="corr" id="xd21e5385" title=
+"Bron: nauw keurig">nauwkeurig</span> kunnen opgeven, welke ruimte ons
+weideland beslaat.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O ja; dat zal ik u zeggen, zoodra wij weer terug zijn.
+Inmiddels zal ik hier eenige opmetingen doen, daar wij denkelijk niet
+weer zoo spoedig hier zullen komen.&rdquo;</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch50" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">BIJNA EEN ONGELUK. EEN NIEUWE BRIEVENPOST.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Met het krieken van den dag gingen mijnheer Wilson en
+Flink weder aan het werk en openden achtereenvolgens alle kisten en
+pakken, die nog van het wrak gered waren geworden. Zij vonden kisten
+met kaarsen, drie vaten rijst ten deele goed, ten deele ook beschadigd,
+en eene kist met thee en twee balen koffie, welke Flink van boord had
+meegenomen. Suiker was echter niet voorhanden, want de kleine voorraad,
+dien men gered had, was in den regen weggesmolten.</p>
+<p>&bdquo;Dat is een heel ongeluk, mijnheer. Onze jongeheer Thomas zal
+geen thee of koffie zonder suiker lusten en is er dus slecht aan
+toe.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;De jongeheer moet zich leeren behelpen, Flink. We kunnen niet
+verwachten hier alles zoo te hebben, alsof de kruidenier vlak naast
+onze deur woonde.&mdash;Laat ons nu eens zien, hoe &rsquo;t met de
+onder het zand begraven dingen gesteld is.&rdquo;</p>
+<p>Het zand werd weggeschoffeld en men vond de vaten met pekelvleesch,
+alsook de eiken planken in den besten staat. Veel anders daarentegen
+was ook geheel verrot en bedorven.</p>
+<p>Tegen den middag waren zij met hun werk gereed en daar zij nog tijd
+genoeg voor zich hadden, begon mijnheer Wilson met behulp van zijn
+kompas eene opmeting van de verschillende landpunten. Toen dit gedaan
+was, wierpen zij hunne geweren over den schouder. Flink nam nog eenige
+ponden van de beschadigde rijst tot voeder voor de kippen mee en daarna
+begaven zij zich gezamenlijk op weg.</p>
+<p>Na twee uur bereikten zij hun voormalig woonhuis, rustten in het
+magazijn een poosje uit en vervolgden toen hun tocht naar de tenten bij
+de weide. Ze waren ongeveer een kwartier gevorderd, toen Flink gerucht
+vernam en mijnheer Wilson een teeken tot stilstaan gaf. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb228" href="#pb228" name="pb228">228</a>]</span></p>
+<p>De oude man fluisterde zijn geleider toe, dat de varkens dicht in de
+buurt waren en laadde zijn geweer. Mijnheer Wilson deed hetzelfde en
+beiden slopen zacht op de plaats toe, van waar het gegrom zich hooren
+liet.</p>
+<p>Zij kregen de dieren niet in het gezicht, voordat zij die op twintig
+passen genaderd waren. Toen hadden zij de gansche kudde vlak voor zich
+en de beesten staken de koppen verwonderd omhoog. De oude beren en
+zeugen lieten een geknor hooren en snelden op &rsquo;t oogenblik, dat
+Flink vuur gaf, op de vlucht. Mijnheer Wilson vond geen tijd meer om
+los te drukken; doch Flink had een van de biggen geraakt, die nu met
+den dood worstelende in haar bloed lag te spartelen.</p>
+<p>&bdquo;Een kostelijk stuk gebraad;&mdash;daar kunnen we een
+feestmaal van houden!&rdquo; riep Flink, terwijl zij op het stervende
+dier toetraden.</p>
+<p>&bdquo;Ja, dat is waar, Flink!&rdquo; antwoordde mijnheer Wilson.
+&bdquo;We moeten nu maar zien, hoe we het beest met ons twee&euml;n
+naar huis brengen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;We zullen het op onze geweren leggen, dan zal de vracht zoo
+zwaar niet zijn. &rsquo;t Is zeker pas zes maanden oud en aan de
+zwaarte kunt gij zien of zij hier ook kostelijk voeder
+vinden!&rdquo;</p>
+<p>Spoedig hadden zij het dier op hunne geweren geladen en vervolgden
+zoo hun weg. Bij het uittreden van het bosch bespeurden zij Willem en
+zijne moeder, die beiden het schot gehoord hadden en hun tegemoet waren
+gegaan. Mevrouw Wilson scheen eenigszins angstig te zijn, doch toen zij
+het varken in het oog kreeg, ried zij oogenblikkelijk de oorzaak van
+het schot.</p>
+<p>&bdquo;Ik moet bekennen, dat ik een beetje ontsteld was, toen ik dat
+geweerschot hoorde,&rdquo; zeide zij, haar echtgenoot omarmende.
+&bdquo;Ik kon namelijk niet verwachten, dat gij vandaag al terugkeeren
+zoudt. Wij allen zijn volmaakt wel.&rdquo;</p>
+<p>Willem nam voor zijn vader het overbrengen van het gevelde wild op
+zich en deze ging met de moeder naar de tenten.</p>
+<p>&bdquo;Nu, beste Willem, welk nieuws is er hier bij u,&rdquo; vroeg
+Flink.</p>
+<p>&bdquo;O, heel goed nieuws, Flink! Gisteravond, toen ik moe was van
+den arbeid, kwam ik op de gedachte om de boot eens te nemen en te zien,
+of ik in het diepe water op deze zijde van het eiland niet ook wat
+visch vangen kon. Ik kreeg ook wezenlijk drie stuks, die er heel anders
+uitzien, dan die wij tusschen de klippen vingen. Wij hadden er
+&eacute;&eacute;n van bij het ontbijt en &eacute;&eacute;n des middags
+en zij smaakten uitmuntend.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zijt gij alleen met de boot uit geweest?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen,&mdash;ik nam Juno mee. Moeder zei, dat ze haar wel een
+paar uren missen kon. Zij roeit zoo goed als de beste matroos,
+Flink.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb229" href="#pb229" name=
+"pb229">229</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Ja, &rsquo;t is een recht bruikbaar meisje, Willem.&mdash;Nu,
+met onze monstering zijn wij ook klaargekomen en wij zullen beiden nu
+<span class="corr" id="xd21e5436" title="Niet in bron">in</span>
+overvloed werk krijgen, maak daar staat op. Ik geloof niet, dat wij in
+&eacute;&eacute;ne week alles zullen kunnen vervoeren, en daarom heb ik
+gedacht, moeten we al aanstonds morgen beginnen. Eerst willen wij
+evenwel hooren, wat uw vader daarvan zegt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O, dat is mij w&egrave;l, want ik neem veel liever de
+roeiriemen dan de schop in de hand,&rdquo; zeide Willem. &bdquo;Ik heb
+er niets tegen, als vader het graven en spitten van mij wil
+overnemen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat zal hij zeker gaarne doen, daar hij natuurlijk liefst bij
+moeder en de kleinen wil blijven.&rdquo;</p>
+<p>Zoodra zij de woning bereikt hadden, hing Flink het varken in de
+tent, waar Willem, mijnheer Wilson, en hij zelf sliepen, aan den
+kruispaal op, zette de geweren tegen den zijwand aan en ging met
+Willem, om zijn mes en eenige spanhouten, die hij bij &rsquo;t
+schoonmaken van het dier noodig had, te halen.</p>
+<p>Terwijl beiden weg waren, kwamen Thomas en Caroline aanloopen, om
+het dier te bezien. Thomas gaf hoog op van zijne tevredenheid, dat hij
+den volgenden dag gebraden varkensribbetjes eten zou, nam <span class=
+"corr" id="xd21e5448" title="Bron: een">&eacute;&eacute;n</span> van de
+geweren en riep: &bdquo;Pas eens op, Caroline, ik zal het varken
+morsdood schieten.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Och, Thomas, kom toch niet aan dat geweer!&rdquo; riep zijne
+zuster. &bdquo;Vader heeft het u immers verboden, en weet ge niet meer
+hoe &rsquo;t u daar in &rsquo;t bosch in de hand afging?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O, dat was niemendal,&rdquo; antwoordde Thomas; &bdquo;ik wil
+u eens wijzen, hoe men een varken doodschiet.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Doe &rsquo;t niet, Thomas,&rdquo; riep Caroline; &bdquo;als
+ge &rsquo;t doet, ga ik heen en zeg &rsquo;t moeder.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dan schiet ik op u,&rdquo; hernam Thomas en zocht met het
+geweer op haar te mikken.</p>
+<p>Caroline schrikte daar z&oacute;&oacute; van, dat zij zoo hard als
+zij kon wegliep; maar Thomas spande al zijne kracht in en zocht het
+geweer tegen den schouder te brengen. Daarbij trof het, dat hij zijn
+vinger aan den trekker bracht en daar hij toevallig het geweer van zijn
+vader had genomen, dat nog geladen was, ging dat af en stiet de kolf
+hem, die het niet vast tegen den schouder aandrukte, in het gezicht,
+zoodat de schok hem twee tanden uitsloeg, de wang kwetste en hem het
+bloed uit den neus deed stroomen.</p>
+<p>Thomas was door het afgaan van het schot en den bekomen slag zoo
+onthutst, dat hij het geweer met een luiden gil uit de handen liet
+vallen en naar <span class="pagenum">[<a id="pb230" href="#pb230" name=
+"pb230">230</a>]</span>de tenten liep, waar zijne beide ouders zaten,
+die op het hooren van den knal waren opgesprongen en hem nu ontsteld te
+gemoet vlogen.</p>
+<p>Flink en Willem waren ook op het schot oogenblikkelijk toegesneld,
+daar zij vreesden dat er een ongeluk gebeurd was. De oude man liep op
+Thomas toe, wischte den knaap met de hand het bloed van het gezicht en
+ontdekte tot zijne geruststelling, dat deze geene wonde of ander
+gevaarlijk letsel had.</p>
+<p>&bdquo;Hij is niet gewond,&rdquo; riep hij mijnheer Wilson toe,
+&bdquo;hij bloedt enkel uit den neus. Houd op met schreeuwen en gieren,
+kwajongen! Wat hadt ge weer uwe handen aan een geweer te
+slaan?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Het geweer heeft mij op den grond gegooid,&rdquo; snikte
+Thomas, terwijl het bloed hem steeds uit den mond liep.</p>
+<p>&bdquo;Dan hebt ge uw verdiend loon gekregen. Zult gij u voortaan
+beter in acht nemen en geen geweer meer aanraken?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O, ik zal er mijn leven niet meer aankomen,&rdquo; jammerde
+de kleine. &bdquo;&rsquo;t Heeft mij haast doodgeschoten.&rdquo;</p>
+<p>Juno kwam nu met water, om hem het gezicht af te wasschen, en thans
+eerst <span class="corr" id="xd21e5478" title=
+"Bron: ondekte">ontdekte</span> men, dat hij twee voortanden verloren
+had en aan wang en lippen toch vrij wat bezeerd was. Men kleedde hem
+uit en legde hem te bed, waar hij weldra in diepen slaap zonk.</p>
+<p>&bdquo;Ik had de geweren daar niet moeten laten staan,&rdquo; zeide
+Flink tot Willem; &bdquo;dat was een verzuim van mij. Ik dacht zeker,
+dat men den kleinen deugniet reeds zoo dikwijls ingeprent had, aan geen
+vuurwapens te raken, dat hij dat zeker niet wagen zou. Maar altijd als
+er een ongeluk valt aan te richten is hij terstond bij de
+hand.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hij mikte op mij en wilde op mij schieten; maar ik ben
+weggeloopen,&rdquo; zeide Caroline.</p>
+<p>&bdquo;Goedertierende Hemel, welk een geluk!&rdquo; riep de
+verschrikte moeder. &bdquo;Had hij losgedrukt, dan was mijn arm, lief
+kind vermoord geworden.&mdash;Die afschuwelijke jongen!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hij is ditmaal behoorlijk gestraft, mevrouw, en ik sta er
+voor in, dat hij in den eersten tijd geen geweer meer zal
+aanraken.&rdquo;</p>
+<p>Den volgenden morgen was het gezicht van onzen jongeheer hoogrood en
+gezwollen. Wangen en lippen waren donkerblauw en opgeloopen en het
+verlies der beide voortanden misvormde hem nog meer. Gelukkig waren het
+nog melktanden geweest, want anders hadden de gevolgen nog droeviger
+voor hem kunnen zijn.</p>
+<p>Tot het ontbijt werd van het gebraden wild opgedragen en de geur
+daarvan <span class="pagenum">[<a id="pb231" href="#pb231" name=
+"pb231">231</a>]</span>prikkelde Thomas niet weinig in den neus. Toen
+zijn vader hem nu echter nog eens terdege beknorde en hem zeide, dat
+hij geen enkel brok van het gebraad proeven zou, begon hij zoo hard te
+huilen, dat men hem wegbrengen moest, totdat hij met schreeuwen had
+opgehouden.</p>
+<p>Na &rsquo;t ontbijt zeide Flink, dat hij met Willem in de boot wilde
+gaan, om met het zware werk van de overbrenging der vele goederen van
+de westkust naar het magazijn een begin te maken, waarbij hij deed
+opmerken dat men geen enkelen dag meer te verliezen had. Juno had op
+zijn verlangen reeds eene goede portie varkensvleesch voor hen gebraden
+en tevens een stuk pekelvleesch gekookt, zoodat zij behoorlijk van
+levensmiddelen voorzien waren en dus niets meer hadden, dat hen
+tegenhield. Mijnheer Wilson nam de verdere planting der heg op zich en
+wilde gedurende hunne afwezigheid de sloot rondom het yamsplantsoen
+geheel voltooien.</p>
+<p>&bdquo;Maar hoe lang denkt gij wel met Willem uit te blijven,
+Flink?&rdquo; vroeg de moeder met kennelijke bezorgdheid.</p>
+<p>&bdquo;Wel, laat eens zien, mevrouw; we hebben vandaag
+Woensdag,&mdash;dan moet ge ons niet v&oacute;&oacute;r Zaterdagavond
+terug verwachten. Wij moeten dat alles toch afdoen, en hoe eer het
+gebeurd is, des te beter voor ons.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Beste Willem, ik word er wezenlijk angstig onder dat gij zoo
+lang van ons vandaan zult zijn. Daarbij zult gij altijd bij het water
+wezen, en zoo zal ik in gedurige ongerustheid zijn, totdat ik u hier
+wederzie.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Nu, moeder, dan dien ik u wel met den post te schrijven, om u
+te doen weten, hoe ik het heb.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Spot niet met mijn angst, kind. Ik wenschte, dat wij een post
+hadden en dat gij mij iederen dag schrijven kondet.&rdquo;</p>
+<p>Flink en Willem maakten alle toebereidselen, die hunne langdurige
+afwezigheid vereischen kon. Zij namen hunne beddedekens mede; zoo ook
+een kleinen ketel, om te koken, en toen eindelijk alles beredderd was,
+zeiden zij mijnheer en mevrouw Wilson hartelijk vaarwel.</p>
+<p>Juno hielp hun de bagage in de boot brengen. Zij wilden eerst naar
+de Oostelijke kust roeien, d&aacute;&aacute;r hunne vracht achterlaten
+en vervolgens op het kokosbosch afgaan. Voordat zij van wal stieten,
+nam Willem nog Remus, den hond, in de boot op.</p>
+<p>&bdquo;Waartoe neemt gij den hond mee, Willem?? Hij kan hier van
+dienst wezen, om de zwijnen te verjagen, en wij hebben misschien last
+van hem.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Och, laat hem, Flink,&mdash;ik moet hem bij mij hebben. Er is
+mij daar iets ingevallen&mdash;laat mij ditmaal mijn zin doen.&rdquo;
+<span class="pagenum">[<a id="pb232" href="#pb232" name=
+"pb232">232</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Goed, Willem: wat mij betreft, moogt gij altijd uw zin
+hebben. Gij wenscht den hond bij u te houden, en daarmee
+afgedaan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dag, Juno, houd u goed, meid; we zullen u eene schildpad
+meebrengen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Datte vooral doen, massa Flink! Dag, massa Willem! Niet
+vergeten, zaterdag weerom wezen en brengen visch en schildpad
+mee.&rdquo;</p>
+<p>Het zeil werd opgetrokken, en daar er een frissche wind woei, waren
+zij binnen korten tijd in de oostelijke baai. Zij droegen de
+levensmiddelen en verdere benoodigdheden in het huis en sloten de deur
+toe.</p>
+<p>Hierop gingen zij naar het hoenderhok, waar Flink aan de vogels van
+de rijst voorwierp, die hij hierheen had medegenomen. Tot hunne groote
+tevredenheid telden zij thans over de veertig hoenders, alle gezond en
+fiksch, sommige daaronder waren dik en vet, zoodat men hen dadelijk had
+kunnen slachten. Daar zij nochtans overvloed van versche levensmiddelen
+hadden, was men overeengekomen, hun vooreerst nog te ontzien, omdat de
+eieren van meerdere waarde voor hen waren dan de hoenders.</p>
+<p>Vervolgens stapten zij weder in de boot en roeiden naar het
+kokosboschje<span class="corr" id="xd21e5530" title="Bron: ,">.</span>
+De wind blies hun vlak tegen en zoo duurde hunne vaart vrij lang, doch
+dit was, gelijk Flink opmerkte, eene zeer gunstige omstandigheid, want
+op deze wijze konden zij met de bevrachte boot ook des te sneller naar
+de baai terugzeilen.</p>
+<p>Aan het kokosbosch geland, verloren zij geen tijd, maar gingen
+terstond aan het bevrachten van de boot, zoodat de spijkers benevens de
+verdere ijzeren werktuigen van allerlei aard en de gereedschappen, waar
+Flink destijds van het schip aan land had gebracht, het grootste
+gedeelte van de eerste lading uitmaakten. Een meelvat, eene kist met
+kaarsen en eenige stukken linnen maakten de lading eindelijk vol. Zij
+riepen Remus, die zich op den zandigen oever in de schaduw van het
+geboomte had nedergelegd, en stieten toen af. Het zeil werd geheschen
+en een half uur later hadden zij de klippen reeds weder achter zich en
+landden in de baai.</p>
+<p>&bdquo;Ik ben recht blij, dat wij deze lading gelukkig overgebracht
+hebben, Willem, want ze is voor ons van groote waarde. Nu willen wij
+het een na het ander naar het magazijn brengen en daarmee is dan voor
+vandaag genoeg afgedaan. Morgen zullen we zien, of we twee ladingen
+halen kunnen. Ge denkt toch niet, dat dit u te zwaar zal vallen, beste
+jongen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O, we hebben maar vroeg op te staan, en dan zal het best
+lukken,&rdquo; gaf Willem ten antwoord. &bdquo;Wij zullen nu ons maal
+houden en onzen verderen arbeid tot den namiddag uitstellen.&rdquo;
+<span class="pagenum">[<a id="pb233" href="#pb233" name=
+"pb233">233</a>]</span></p>
+<p>Aan dat maal mocht ook Remus deelnemen, dien Willem van beenderen en
+verderen afval rijkelijk voorzag.</p>
+<p>&bdquo;Maar zeg mij toch, Willem,&rdquo; vroeg Flink, &bdquo;hoe
+waart ge er van morgen toch zoo bizonder <span class="corr" id=
+"xd21e5544" title="Bron: opgesteld">op gesteld</span> om den hond mee
+te nemen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat zal ik u zeggen, Flink. &rsquo;t Is mogelijk, dat ik mij
+in hem vergis, maar dat geloof ik toch niet. Ik denk namelijk, dat hij
+moeder wel een briefje van mij kan overbrengen. Gij weet, dat hij als
+men &rsquo;t hem gelast, altijd weer naar huis terugkeert, en nu wil ik
+eens zien, of hij ook van hier den ganschen weg naar de tenten kan
+terugvinden. Ik heb daartoe een stuk papier en potlood
+meegenomen.&rdquo;</p>
+<p>Hij haalde dit dadelijk voor den dag en schreef:</p>
+<div class="blockquote">
+<p class="first salute">&bdquo;Lieve moeder!</p>
+<p>&bdquo;Wij zijn heel w&egrave;l en zoo even met de eerste lading
+voorspoedig aangekomen.</p>
+<p class="signed">Uw u hartelijk liefhebbende zoon</p>
+<p class="signed">Willem.&rdquo;</p>
+</div>
+<p>Willem bond den hond het papier met een eindje touw om den hals,
+lokte hem toen buiten het huis en riep:</p>
+<p>&bdquo;Remus, naar huis, beest!&mdash;Marsch, weg! Naar huis,
+hond!&rdquo;</p>
+<p>De hond keek zijn meester twijfelachtig aan, alsof hij niet recht
+wist wat men van hem verlangde; doch Willem nam een steen en deed alsof
+hij naar hem gooien wilde. Nu liep het dier een eind weegs voort en
+bleef toen weder staan.</p>
+<p>&bdquo;Naar huis, Remus!&mdash;Naar huis, hond!&rdquo; Met deze
+woorden hief Willem den steen weder omhoog, terwijl hij zijn bevel
+herhaalde en de hond ging nu, zoo hard zijne pooten hem dragen konden,
+op den loop.</p>
+<p>&bdquo;Hij is nu in allen gevalle weg,&rdquo; zeide Willem.
+&bdquo;Mij dunkt, hij zal de tenten wel wedervinden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat moet de tijd leeren,&rdquo; hernam Flink. &bdquo;Daar we
+met eten gedaan hebben, kunnen we nu met het bergen van onze goederen
+beginnen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Waar moeten we die dan bergen, Flink?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;In het magazijn, beste jongen. Dat zal ons wel wat zweet
+kosten, want deze kisten en vaatjes met spijkers zijn zwaar en wij
+dienen menigen gang te doen, maar het moet toch gebeuren. We hebben
+echter nog een uur of drie<span class="corr" id="xd21e5578" title=
+"Niet in bron">,</span> vier dag v&oacute;&oacute;r ons, zoodat we ons
+niet behoeven te overhaasten.&rdquo;</p>
+<p>Zoodra de gansche lading in het magazijn geborgen was, brachten zij
+<span class="pagenum">[<a id="pb234" href="#pb234" name=
+"pb234">234</a>]</span>de boot in veiligheid en gingen toen naar het
+woonhuis, om zich daar ter ruste te leggen. Op het oogenblik, dat zij
+den voet op den drempel zetten, kwam Remus met vroolijke sprongen op
+hen toe; maar gelukkig had hij het briefje nog altijd om den hals.</p>
+<p>&bdquo;Daar is de hond, Willem,&rdquo; riep Flink. &bdquo;Het
+schijnt, dat hij toch niet naar huis heeft willen
+terugloopen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat spijt mij recht; ik geloofde stellig en zeker, dat hij
+het doen zou, en nu heb ik mij toch bedrogen. Wij zullen hem niets te
+vreten geven, dan moet hij op &rsquo;t laatst toch wel gaan. Maar
+wacht,&mdash;wacht eens! Kijk, Flink! dat is niet hetzelfde papier, dat
+ik hem om den hals bond. Ik geloof &rsquo;t althans niet.&mdash;Laat
+eens zien.&rdquo;</p>
+<p>Dit zeggende nam Willem den hond het briefje van den hals en
+las:</p>
+<div class="blockquote">
+<p class="first salute">&bdquo;Beste Willem!</p>
+<p>&bdquo;Uw brief is gelukkig overgekomen en wij zijn recht blij, nu
+wij weten dat alles w&egrave;l met u is. Schrijf ons elken dag.
+&rsquo;t Was wezenlijk een recht goede inval van u,&mdash;en Remus is
+een juweel van een hond.</p>
+<p class="signed">Uwe u liefhebbende moeder</p>
+<p class="signed">Selina Wilson.&rdquo;</p>
+</div>
+<p>&bdquo;Inderdaad, de hond is recht schrander,&rdquo; riep Flink.
+&bdquo;Waarlijk, ik had er niet de minste gedachte op, dat hij gaan, of
+dat hij nog wel op bevel uwer moeder tot ons terugkomen zou.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Brave Remus!&rdquo; riep Willem, het dier liefkoozende.
+&bdquo;Kom hier, mijn jongen; nu zult ge ook lekker smullen van avond,
+want ge hebt dat eerlijk verdiend.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat heeft hij waarlijk. Zie, Willem, daar hebt ge nu een
+postinrichting op ons eiland tot stand gebracht, en dat is eene
+verbetering van belang. In ernst, jongen, ze kan ons recht nuttig
+worden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;In allen gevalle kan dat eene groote geruststelling voor
+moeder zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, vooral dan, als we in &rsquo;t vervolg met ons
+drie&euml;n hier werken moeten, om &rsquo;t magazijn in orde en in
+staat van tegenweer te brengen.&mdash;Nu gaan wij echter terstond
+slapen, om morgen met den leeuwrik weer op te zijn, zooals men bij ons
+te lande zou zeggen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hier dienden wij te zeggen, met de papegaaien, want die zijn
+de eenige soort van landvogels, die dit eiland rijk schijnt te
+wezen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Gij vergeet de duiven, Willem. Ik heb gisteren een paar in
+het bosch gezien; maar ze zijn thans juist in den
+broeitijd.&mdash;Goeden nacht, Willem.&rdquo; <span class=
+"pagenum">[<a id="pb235" href="#pb235" name="pb235">235</a>]</span></p>
+<p>Eenige dagen lang werkten allen ijverig door en Remus ging heen en
+keerde telkens met goede berichten terug, totdat des Zaterdags de
+terugreis werd aanvaard. Bij hunne aankomst vonden zij de gansche
+familie aan de kleine haven verzameld en verlangend naar hen
+uitziende.</p>
+<p>&bdquo;Welkom thuis, beste Willem!&rdquo; riep mevrouw Wilson hem
+vroolijk toe. &bdquo;Nu, gij hebt u een man van uw woord betoond en mij
+uwe brieven met den post gezonden. Welk een kostelijke inval van u! Ik
+zal mij niet meer ongerust maken: ook niet, als gij alle drie eens te
+zamen weg zijt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik moet Romulus en Vixen ook nog hetzelfde leeren,
+moeder.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En ik wil het de jongen leeren,&rdquo; zei Thomas.
+&bdquo;Thomas wil ook brieven schrijven.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, ja, Thomas. Tegen dat gij eerst een brief schrijven kunt,
+zullen de jongen wel sterk genoeg zijn, om dien te dragen,&rdquo;
+antwoordde Flink. &bdquo;Uw gezicht is nog tamelijk geschonden, merk
+ik. Ge zult nu, hoop ik, geen doode varkens meer willen
+schieten.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, dat wil ik niet; maar van &rsquo;t eerste, dat gij nu
+weer doodmaakt, zal ik meer eten, dan ik van dat andere gedaan
+heb.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is een verstandig woord van u, beste jongen.&mdash;Kom
+hier, kleine Albert! ik zal u weer een beetje op den arm dragen; wij
+beiden hebben nu in zoolang niet samen gespeeld.&mdash;Hoe staat het
+met de heg en den greppel, mijnheer?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Goed, Flink, twee zijden daarvan zijn ten naastebij klaar.
+Naar ik reken, zal ik tegen het einde der volgende week het gansche
+plantsoen wel behoorlijk omheind hebben.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O, ge behoeft u niet al te sterk in te spannen, mijnheer;
+want zoo&rsquo;n groote haast heeft het volstrekt niet. Willem en ik
+zullen met het overige wel nagenoeg klaar worden.&rdquo;</p>
+<p>Aan tafel sprak men nog lang van de schranderheid, door Remus bij
+het overbrengen der brieven aan den dag gelegd. Mijnheer Wilson
+verhaalde daarbij onderscheidene voorbeelden van de scherpzinnigheid
+der dieren, totdat Willem zijn vader op eens vroeg, waarin dan
+eigenlijk het verschil tusschen verstand en instinct bestond.</p>
+<p>&bdquo;Dat verschil is zeer groot, zooals ik u terstond zal
+verklaren. Eerst moet ik echter aanmerken, dat men voorheen placht te
+zeggen, dat de mensch door verstand, maar het dier enkel en alleen door
+zijn instinct geleid werd, hetgeen onjuist is. De mensch heeft evengoed
+als het dier zijn instinct en ook de dieren bezitten verstandelijke
+vermogens, ofschoon zij ook meestal enkel aan het instinct
+gehoorzamen.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb236" href="#pb236"
+name="pb236">236</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Instinct bij dieren is het gevoel, dat dezen aandrijft om
+zekere dingen zonder voorafgaand overleg of nadenken te verrichten. De
+zwaluw bouwt haar nest, de spin weeft haar web, de bij maakt hare cel
+in alles nog evenzoo als zij het voor vierduizend jaren gedaan hebben.
+Ik kan u hier reeds doen opmerken, dat een der grootste wonderen van
+het instinct in de meetkunstige gedaante der bijencellen bestaat, want
+men heeft door afdoende bewijzen aangetoond, dat deze vorm juist die
+is, welke de minste opoffering van tijd en moeite vordert. De wonderen
+van het instinct vallen bovenal onder zulke dieren in het oog, die in
+groote kudden en zwermen samenleven.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Verklaar mij dat wat nader, lieve vader.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Daartoe behooren b. v. de vele soorten van trekvogels, wilde
+ganzen, ooievaars, zeevogels, kraaien en raven. Zij doen hun instinct
+blijken door de tochten, die zij uit het eene werelddeel naar het
+andere ondernemen,&mdash;door de wijze, waarop zij vliegen, opdat zij
+den wind zoo weinig mogelijk val en tegenstand bieden. Daarbij houdt
+elk dezer dieren zich aan de hem aangewezen plaats met eene bijzondere
+nauwgezetheid. Als zij slapen, zetten zij schildwachten uit, die voor
+hen waken en hun bij naderend gevaar een teeken geven; datzelfde kan
+men niet alleen bij vogels, maar ook bij andere dieren
+waarnemen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En hoe is het dan met die, welke in troepen of zwermen leven,
+vader?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Daartoe behooren de bijen, de mieren en vele andere insecten
+en onder de viervoetige dieren de bever. Niets is bewonderenswaardiger
+dan de nauwgezetheid, waarmede zij arbeiden, de gemakkelijkheid,
+waarmede zij zich de een den ander verstaanbaar maken en de stiptheid,
+waarmede ieder in het bijzonder zijn werk verricht,&mdash;doch Thomas
+geeuwt, alsof hij ons allen wil inslikken en Caroline is al lang in
+zoete rust.<span class="corr" id="xd21e5652" title=
+"Niet in bron">&rdquo;</span></p>
+<p>&bdquo;Hun verstand en hun instinct zijn dan beide tegen mij,&rdquo;
+merkte Willem lachend aan, &bdquo;zoodat ik wel geduld moet hebben.
+Maar ik verlang werkelijk zeer over dit punt nog iets meer van u te
+hooren.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En ik niet minder, Willem,&rdquo; verzekerde Flink;
+&bdquo;ofschoon &rsquo;t mij nu niet onaangenaam is te gaan
+rusten.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb237" href="#pb237" name=
+"pb237">237</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch51" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">EEN-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">INSTINCT EN VERSTAND.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De volgende dag was als Zondag aan de rust gewijd.</p>
+<p>Toen de familie des avonds vreedzaam bij elkander zat, verzocht
+Willem zijn vader, om nu van de verstandelijke vermogens der dieren nog
+iets naders te zeggen.</p>
+<p>&bdquo;Dat wil ik gaarne doen,&rdquo; antwoordde mijnheer Wilson.
+&bdquo;Daar vinden wij dan vooreerst geheugen, en wel inzonderheid een
+onthouden van personen en plaatsen, dat in getrouwheid voor dat van ons
+menschen zeker niet behoeft onder te doen. Een olifant, die uit zijn
+stal weggeloopen en weer in zijne oude bosschen gevlucht was, kende nog
+na twintig jaren zijn voormaligen drijver weder. Wat den plaatselijken
+zin aangaat, zoo zal b. v. een hond de vroegere woning van zijn heer
+terugvinden, ook al was hij er honderd uren ver vandaan geweest. Ook de
+papegaai en de <span class="corr" id="xd21e5671" title=
+"Bron: kakatoe">kaketoe</span> bezitten een uitmuntend geheugen.</p>
+<p>&bdquo;Een tweede bewijs voor hun geheugen is, dat de dieren
+droomen; hoe dikwijls hoort gij Romulus en Remus in den slaap niet
+brommen en blaffen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat heb ik meermalen opgemerkt, vader.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Verder doen zij ook opmerkzaamheid blijken. Zie eens eene
+kat, hoe zij uren lang geduldig voor een gat zit en wacht tot de muis
+er uitkomt. Eene spin wacht dagen lang, totdat eindelijk eene vlieg in
+haar net verward raakt; en zoo zult gij het bij elk dier vinden, als
+het op zijne prooi loert.</p>
+<p>&bdquo;Ook een aaneenschakeling van gedachten is bij hen merkbaar,
+en wat is dit anders dan eene werkzaamheid van het verstand? Een bewijs
+daarvan levert de hond; hij zal b. v. een net gekleed mensch
+doodbedaard op zijne deur laten toekomen, terwijl hij dreigend op den
+bedelaar aanvliegt. Heeft hij iets te bewaken, dan zult gij altijd
+merken, dat hij een voorbijganger ongestoord laat gaan, maar
+daarentegen oogenblikkelijk begint te blaffen, als iemand voor hem
+staan blijft. Ik heb in Sidney een hond gekend, die op de plantage van
+zijn meester de wacht moest houden en telkens, als hij een mensch het
+goed hoorde naderen, op den kleinen muur sprong, die de plaats omgaf,
+en den aankomeling op zijde bleef, totdat deze de buurt verlaten
+had.</p>
+<p>&bdquo;Bij den olifant valt dit vermogen der gedachtenverbinding nog
+duidelijker in het oog; hij verstaat wat men hem zegt veel beter dan
+eenig ander dier;&mdash;zijn verstand is werkelijk ongemeen. Men heeft
+hem slechts eene <span class="pagenum">[<a id="pb238" href="#pb238"
+name="pb238">238</a>]</span>belooning toe te zeggen, en hij zal de
+verwonderlijkste kunststukken verrichten; ook is hij buitengewoon
+gevoelig voor lof of blaam.</p>
+<p>&bdquo;In Indi&euml; worden de olifanten tot het vervoer van zwaar
+geschut gebruikt. Eens gebeurde het, dat een van de fraaiste dezer
+dieren vruchteloos zijne krachten inspande, om een kanon door het
+moeras te slepen. &bdquo;Jaagt het luie dier weg,&rdquo; riep de
+commandant van den legertrein, &bdquo;en laat een ander komen.&rdquo;
+De olifant gevoelde zich door dit verwijt zoo diep gekrenkt, dat hij
+&rsquo;t uiterste beproefde om het stuk met zijn kop voort te stooten,
+totdat hij zich den kop verpletterde en dood nederviel.</p>
+<p>&bdquo;Op de beurs te Exeter had men langen tijd een olifant, die
+Chunny heette. Dezen had men geleerd, de kleinste geldstukken met zijn
+snuit van den grond op te rapen. Eens gebeurde het hem, dat hij een
+shilling liet vallen, die daarop tegen den muur aanrolde, zoodat hij er
+niet meer bij kon. Chunny blijft staan, bedenkt zich een poosje en
+begint eindelijk met zijn snuit zoo geweldig te blazen, dat de
+uitgestooten lucht den shilling van den muur af en naar hem toedrijft,
+zoodat hij weder in staat is dien te bereiken.</p>
+<p>&bdquo;De dieren bezitten ook nog andere eigenschappen, zooals onder
+andere een scherpen zin voor de tijdverdeeling. Zoo kende ik twee
+honden, die aan eene dame toebehoorden. Deze dieren mochten altijd
+medegaan, wanneer hunne meesteres in de week met haar rijtuig een
+toertje ging doen; alleen &rsquo;s Zondags, als deze naar de kerk reed,
+werden zij natuurlijk niet medegenomen. Nu was het vreemd te zien, hoe
+deze beide honden evengoed als hunne meesteres wisten, wanneer het
+Zondag was. In de week als het rijtuig voor de deur stilhield, kwamen
+zij vroolijk aanspringen en waren, zoodra de tree werd neergelaten, met
+een wip daarin; maar &rsquo;s Zondags was het, alsof zij niets van het
+rijtuig merkten en bleven zij bedaard op hun plaatsje
+liggen.<span class="corr" id="xd21e5693" title=
+"Niet in bron">&rdquo;</span></p>
+<p>&bdquo;Dit is waarlijk merkwaardig; wat moet dat een verstandig dier
+geweest zijn!&rdquo; riep Willem verwonderd.</p>
+<p>&bdquo;Ook zijn de dieren voor onderrichting vatbaar, hetgeen
+blijkbaar een nieuw bewijs voor hunne verstandelijke vermogens is. De
+olifant, het paard, de hond en andere dieren, zelfs vogels, kunnen al
+het mogelijke aanleeren. Zoo kan men op kermissen menigmaal
+kanarievogels zien, die kanonnetjes afsteken, zich dood houden en
+allerlei kunstjes verrichten.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar nu weet ik nog altijd niet, waar men de grenslijn
+tusschen verstand en instinct moet trekken, beste vader.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik was juist op het punt om daartoe over te gaan, Willem. Als
+de dieren bij het uitgaan op hun voedsel, het grootbrengen hunner
+jongen en bij hunne voorzorgen tegen gevaren het instinct volgen, dan
+gehoorzamen zij daarbij <span class="pagenum">[<a id="pb239" href=
+"#pb239" name="pb239">239</a>]</span>aan zekere vaste regelen, waarvan
+zij nooit afwijken. Daarbij kunnen echter altijd weer omstandigheden
+plaats hebben, waartegen het instinct hun geen hulpmiddelen verschaft,
+en het is in zulk een geval, dat hun verstand moet worden te baat
+genomen.</p>
+<p>&bdquo;Ik wil dit gezegde nader ophelderen met het voorbeeld van de
+bij, die een der dieren is, bij wie het instinct zich het werkzaamst
+vertoont. Er is zekere vlinder,&mdash;men noemt hem doorgaans den
+doodshoofdvlinder,&mdash;die zich zeer gaarne op honig vergast. Het
+gelukt hem somwijlen in een bijenkorf en tot de cellen door te dringen.
+De bijen grijpen dezen vijand dadelijk aan en dooden hem met hare
+angels; doch zijn lijk is zoo groot, dat zij het niet uit den korf
+kunnen brengen, wat bij kleinere insecten, die bij haar indringen,
+regelmatig geschiedt, naardien zij een zeer fijnen reuk schijnen te
+bezitten. Wat doen zij dus, om den stank, die van het verrottend
+lichaam der kapel te vreezen is, te keer te gaan? Zij overtrekken het
+doode diertje met was en balsemen het als &rsquo;t ware op deze wijze
+in, zoodat zij er volstrekt geen last meer van hebben.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, maar kan &rsquo;t ook in dit geval niet haar instinct
+geweest zijn, vader<span class="corr" id="xd21e5710" title=
+"Bron: .">,</span> dat haar zoo handelen deed?&rdquo; vroeg Willem.</p>
+<p>&bdquo;Als dit geval bij wilde bijen ware voorgekomen, dan kondet
+gij die vraag met recht doen, Willem. Nu echter weet gij, dat bijen in
+den wilden staat in uitgeholde boomen leven en dat in dit geval de
+opening, die naar het hol voert, juist maar even groot genoeg is, dat
+de eene bij er na de andere door kan. Natuurlijk kan er dan geen
+grooter dier meer indringen, en al wilde het dat ook, zoo zou het
+gemakkelijk door den grooten zwerm worden afgeweerd. Ik neem de bijen
+nu echter in haren kunstmatigen toestand, als zij in een bijenkorf met
+wijde opening opgesloten en aldus aan het vermelde geval blootgesteld
+zijn, waarin zij op de gezegde wijze weten te voorzien.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Nu heb ik het onderscheid begrepen, vader.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Nog een voorbeeld: Een olifant viel eens in een diepen
+waterput. Het was onmogelijk hem er uit te halen, en hij had er dus in
+moeten omkomen; maar zijn drijver, die wel wist, hoe schrander het dier
+was, gaf den raad om eene menigte zware takkenbossen bijeen te brengen
+en die den olifant in den put toe te werpen. Het dier begreep dan ook
+heel goed, wat men daarmee voorhad. Hij vlijdde de takkebossen op den
+grond neder en plaatste zich daarop; zoo ging hij voort de eene laag op
+de andere te leggen, tot die zulk eene hoogte bereikt hadden, dat hij
+eindelijk uit den kuil komen kon. Er zouden wel menschen zijn, die niet
+begrepen, wat zij in een soortgelijk geval met de takkebossen hadden
+aan te vangen, als men hun dat niet eerst zeide.&rdquo; <span class=
+"pagenum">[<a id="pb240" href="#pb240" name="pb240">240</a>]</span></p>
+<p>Zij arbeidden de volgende gansche week met den grootsten ijver door
+en hadden eindelijk op Zaterdagavond hunne taak verricht. Met
+uitzondering van de geborgen scheepsplanken, was thans al het overige
+naar de oostelijke baai vervoerd. Echter lag er nog veel op het strand
+verstrooid, daar de tijd niet toereikend geweest was om alles in het
+magazijn te bergen.</p>
+<p>Zaterdag, in den vroegen morgen, roeiden zij voor de laatste maal
+naar het kokosbosch en Flink zocht onder de wrakhouten, die overal op
+het strand verstrooid lagen, een aantal eiken balken en posten op, die
+zij daarop deels in de boot brachten, deels aan &rsquo;t achtereind
+daarvan vastmaakten. Dit gaf een zeer zware lading, zoodat de boot, in
+weerwil van de stevige koelte, slechts zeer langzaam door het water
+ging.</p>
+<p>&bdquo;Nu, Willem,&rdquo; begon Flink, &bdquo;hebben we een moeilijk
+werk achter den rug en ik moet zeggen, &rsquo;t is hoog tijd dat wij
+eindelijk klaarkomen, want onze boot begint vrij zwak en bouwvallig te
+worden, zoodat ik haar, zoodra wij eens weer tijd daartoe hebben,
+zorgvuldig kalefateren moet.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wij zullen haar nu ook zoo dikwijls niet meer noodig
+hebben,&rdquo; antwoordde Willem; &bdquo;eenige vaarten naar de kleine
+haven zullen wel alles zijn, wat zij voor ons terugkeeren naar de oude
+woning heeft te doen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is waar, Willem en zij heeft ook reeds een duchtig lek en
+dient althans spoedig met zorg geteerd te worden. Voor een zoo licht
+gebouwd, gebrekkig ding, heeft zij hare diensten kostelijk
+gedaan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Het heeft mij al dikwijls verwonderd, dat zij zich zoo goed
+hield, Flink. Maar wat dunkt u, zullen we nu aanstaanden Maandag naar
+het magazijn opbreken en daar in het vervolg onzen intrek
+nemen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zeker, Willem; we mogen dat volstrekt niet langer
+uitstellen,&rdquo; antwoordde Flink. &bdquo;Uw vader heeft intusschen
+zeker heg en sloot rondom het <span class="corr" id="xd21e5735" title=
+"Bron: yamplantsoen">yamsplantsoen</span> klaar, en is dit zoo, dan zal
+uwe moeder toch ook niet alleen met Juno en de kleinen in de tenten
+willen achterblijven. Zoo zullen wij nu het beste doen om naar het oude
+huis terug te keeren, totdat het magazijn geheel in orde is gebracht.
+Ik voor mij zou echter veel liever zien, dat uw moeder stilletjes bij
+de tenten bleef, totdat alles gedaan is.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Omdat gij een bezoek van de wilden vreest, Flink?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, waarlijk, beste jongen, ik wil het niet
+ontkennen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar, Flink, als zij komen, dan zien wij dat vroeg genoeg; en
+is het dan niet veel beter, dat wij allen bij elkander zijn, zelfs als
+wij ons voor hen verbergen moesten, omdat we nog niet behoorlijk waren
+voorbereid? Stel u het geval eens voor, dat de wilden het eiland
+overvielen en mijne moeder, mijne broertjes en zusjes geheel zonder
+<span class="corr" id="xd21e5744" title=
+"Bron: beschermng">bescherming</span> vonden, terwijl wijzelven
+<span class="pagenum">[<a id="pb241" href="#pb241" name=
+"pb241">241</a>]</span>gedwongen waren, ons huis te verlaten,&mdash;hoe
+schrikkelijk moest dat zijn!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, Willem, ik reken er op, dat wij ons in dat geval nog naar
+de tenten redden zouden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat kunnen wij echter ook allen gezamenlijk, Flink, als wij
+maar niet bij nacht verrast worden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Daar moeten wij met alle zorgvuldigheid tegen zoeken te waken
+mijn jongen. Gelukkig is het licht in het tegenwoordige seizoen weinig
+langer dan drie uren van den hemel. Het komt mij overigens voor, dat
+gij gelijk hebt, Willem. Bovendien kan Juno ons goede diensten doen en
+wij zullen door haar te eer met ons werk klaarkomen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Zou misschien wel het best zijn, dat wij de
+beslissing aan vader en moeder overlieten.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is waar.&mdash;Nu, daar is eindelijk de landpunt ook; wij
+zullen onze planken gauw aan land brengen en dan dadelijk weer in zee
+steken, want het wordt al tamelijk laat.&rdquo;</p>
+<p>Zij bereikten de kleine haven werkelijk veel later dan gewoonlijk,
+waaraan de zware lading schuld was, zoodat de boot niet dan zeer
+langzaam naar de baai was voortgedreven. Bij hunne aankomst stonden
+vader, moeder en de kinderen allen op het strand hen met ongeduld te
+wachten.</p>
+<p>&bdquo;Gij komt van avond laat, vrienden,&rdquo; begon mevrouw
+Wilson. &bdquo;Ik begon al ongerust te worden, tot ik uwe boot
+eindelijk in de verte zag.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, lieve moeder, wij konden het niet anders maken; we hadden
+nog eene zware lading over te brengen, maar nu zijn wij ook met ons
+werk geheel ten einde.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat hoor ik met blijdschap, Willem, want het valt mij hard, u
+zoo dagen achtereen in het geheel niet te zien te krijgen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ook ik ben met mijn werk klaar,&rdquo; zeide de heer Wilson:
+&bdquo;dezen morgen heb ik de laatste hand aan de omheining
+gelegd.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is goed,&rdquo; sprak Flink; &bdquo;wij moeten dan eens
+weder een krijgsraad houden, die echter nu, denk ik, niet al te lang
+duren zal.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik hoop het althans niet, Flink; want als men van eenerlei
+gevoelen is, zal dat zelden het geval zijn. Mijne vrouw wil liefst niet
+alleen hier achterblijven en ik zou haar niet gaarne
+verlaten;&mdash;daarom, dunkt mij, moeten wij Maandag naar onze woning
+opbreken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Recht gaarne, mijnheer, als gij dat verkiest,&rdquo; gaf
+Flink ten antwoord.</p>
+<p>&bdquo;Juno, ik hoop toch, dat gij iets goeds te eten hebt?&rdquo;
+riep Willem. &bdquo;Op mijn woord, ik heb van avond honger voor
+tien.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb242" href="#pb242" name=
+"pb242">242</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;O ja, massa Willem, gebakken visch heele boel; massa zelf die
+vanmorgen gevangen heeft.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik lust liever schildpadsoep,&rdquo; verklaarde Thomas.</p>
+<p>&bdquo;Ik geloof, dat sinjeur Thomas alles lust behalve
+ricinusboonen<span class="corr" id="xd21e5786" title=
+"Bron: .">,</span>&rdquo; zeide Flink lachend. &bdquo;Niet waar, daar
+wilt gij niet meer van eten?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, zeker niet; maar ik wil bananen eten, zoodra ze rijp
+zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O, gij hadt ze zeker ook al vroeger geproefd, als gij er maar
+bij had kunnen komen; doch daartoe moet gij eerst nog grooter
+worden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik zal ook een man worden,&rdquo; hernam Thomas.</p>
+<p>&bdquo;Dat hoop ik en wel een recht braaf, uitstekend man,&rdquo;
+antwoordde de oude Flink. &bdquo;Kom, ik zal Juno nu maar eens een
+handje helpen, om het eten op te brengen.&rdquo;</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch52" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">TWEE-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">GROOTHEID VAN HET DIERENRIJK.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De volgende dag was weder een Zondag en derhalve aan
+de rust gewijd. Inderdaad hadden onze vrienden die na den ingespannen
+arbeid van de voorgaande week hoog noodig en thans eerst gevoelden zij
+recht duidelijk, hoe weldadig zulk een verademing is.</p>
+<p>Na het eten hield men raad en kwam overeen, Maandag alle
+toebereidselen te maken, om de tenten te verlaten en naar de oude
+woning terug te keeren. De schapen en geiten zouden vooreerst aan de
+zuidkust blijven, waar zij uitmuntend voedsel in overvloed hadden. Men
+wilde slechts eene enkele geit medenemen, die het huisgezin genoegzaam
+van melk kon voorzien. Ook besloot men de tenten, met eenig
+keukengereedschap daarin, te laten staan, opdat Willem en Flink, als
+zij hierheen kwamen, om naar de bananen en yamswortels of naar de
+schapen en geiten om te zien, niet onder den blooten hemel zouden
+behoeven te slapen en de middelen mochten vinden om zich een behoorlijk
+maal te bereiden.</p>
+<p>Willem en Flink moesten de bedden enz. in de boot naar de oostkust
+brengen, hetgeen in twee vaarten te doen was. Mijnheer en mevrouw
+Wilson wilden vroeg ontbijten en dan met de verdere familie door het
+bosch op weg gaan.</p>
+<p>Des avonds bracht Willem het gesprek weder op de dieren en hunne
+<span class="pagenum">[<a id="pb243" href="#pb243" name=
+"pb243">243</a>]</span>eigenschappen, daar hij zijn vader gaarne over
+dit onderwerp hoorde spreken. In den loop van dit gesprek wierp Willem
+eensklaps de vraag op:</p>
+<p>&bdquo;Ei, vader, men zegt wel eens: &bdquo;zoo dom als een
+ezel!&rdquo; Is de ezel dan werkelijk zulk een dom dier?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, Willem; integendeel is hij zeer scherpzinnig en die
+benaming wordt hem meer om zijn stroeven, koppigen aard dan om eenige
+andere reden gegeven. Men zegt veelal, &bdquo;dom als een ezel, dom als
+een varken of als eene gans,&rdquo; doch doet die dieren daarbij groot
+ongelijk, daar geen van hen dien bijnaam verdient.</p>
+<p>&bdquo;Bij den ezel kan hiervan licht de reden zijn, dat wij in ons
+noordelijk vaderland slechts de minste bastaardsoorten bezitten. Klein
+en gebrekkig, gelijk wij hen daar zien, geeft men hun noch haver noch
+eenig ander krachtig voeder, behandelt hen slecht en zoo is het dan ook
+geen wonder, dat zij tot trage, stijfkoppige dieren ontaarden. Het
+klimaat van het noordelijk Europa is veel te koud voor den ezel. In het
+zuiden van Frankrijk, aan de Middellandsche Zee, waar het veel warmer
+is, treffen we den ezel ook als een veel fraaier dier aan.</p>
+<p><span class="corr" id="xd21e5819" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>Wanneer wij hem echter in al zijn
+volmaaktheid willen zien, dan moeten wij in de warme luchtstreek naar
+Guinea vlak onder den evenaar gaan. Daar, in de heetste streek der
+aarde, is het vaderland van den ezel; daar is hij in zijn natuurstaat
+een fraai dier, snel als de wind.<span class="corr" id="xd21e5822"
+title="Niet in bron">&rdquo;</span></p>
+<p>&bdquo;Maakt dan het klimaat zulk een groot verschil,
+vader?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Natuurlijk&mdash;en dat niet alleen bij dieren, maar ook bij
+boomen en planten en zelfs bij den mensch, totdat hij aan de
+verwisseling daarvan gewoon is. De lascaar, d. i. de inlandsche
+Indische zeeman, is op de warme, zonnige Indische wateren vol
+vroolijkheid en leven, doch zoodra hij in het Britsche Kanaal komt en
+de vingers hem van koude verkleumen, wordt hij traag, onwillig, kortom
+in alles een beklagenswaardig wezen.</p>
+<p>&bdquo;Onder de dieren vindt men vele, die de verwisseling van
+klimaat goed verdragen en zich zelf aan een hun anders geheel vreemd
+voedsel gewennen kunnen. Het paard b. v. dat oorspronkelijk in
+Arabi&euml; te huis behoort, tiert evengoed in de gematigde als in de
+koude luchtstreek, daar het zelfs den harden winter in Noord-Amerika en
+in Rusland verduren kan. Zoo ook andere huisdieren, als koeien,
+schapen, varkens, enz. Eene opmerkelijke bijzonderheid is, dat het
+rundvee in Canada gedurende den winter voor een groot deel met visch
+wordt gevoed.</p>
+<p>&bdquo;Behalve de reeds opgenoemde, zijn er ook nog andere dieren,
+b. v. de wolf, de vos, de haas en het konijn, die onder elke
+warmtegraad kunnen <span class="pagenum">[<a id="pb244" href="#pb244"
+name="pb244">244</a>]</span>leven. Bij schapen en geiten ziet men een
+merkwaardig verschijnsel,&mdash;blijkbaar ten bewijze, dat zij bestemd
+zijn, om zich overal op de aarde te verbreiden,&mdash;dit namelijk, dat
+zij onder de heete hemelstreken hun warm, wollig kleed afwerpen en
+bijna enkel haren ter bedekking overhouden, terwijl zij hunne warmer
+vacht oogenblikkelijk weder aannemen, als zij naar kouder streken
+worden overgebracht.<a id="xd21e5836" name="xd21e5836"></a></p>
+<p>&bdquo;Dit toenemen van het ruige bekleedsel is nog bij vele andere
+dieren merkbaar zoodra zij uit warmer streken meer naar het noorden
+worden overgeplant. Wolven, vossen, hazen en konijnen verkrijgen
+langzamerhand eene witte vacht, hoe verder noordelijk zij zich
+ophouden. De kleine wezel, die bij ons door de veld- en boschwachters
+gedood en aan de schuurdeuren gespijkerd wordt, verandert in Rusland en
+in andere koude landen in dat fraaie, witte hermelijntje, welks pels
+zoo hooggeschat en door keizers en koningen gedragen wordt.</p>
+<p>&bdquo;Hierbij valt alleen op te merken, Willem, dat zulke dieren,
+welke slechts voor een bijzonder werelddeel bestemd werden, ook
+doorgaans zoo zijn toegerust, als zij voor hun land best passen, en
+daar ook het meest geschikte voedsel voor hunne soort vinden. Neem b.
+v. den kameel, een dier, dat uitsluitend voor zijn geboorteland
+geschapen werd en zonder &rsquo;t welk alle gemeenschap tusschen
+Azi&euml; en Afrika moest ophouden. Zijne pooten zijn zoo gevormd, dat
+hij met gemak door het zand waden kan; hij voedt zich met de schrale
+gewassen en ziltige planten, die men daar nog aantreft, en heeft de
+bijzondere eigenschap, dat hij in eene soort van tweede maag een
+voorraad van water medevoert, om in streken, waar men dat niet vindt,
+er zijn leven bij te houden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Er zijn zeker ook vele dieren, die voor den mensch van geen
+nut zijn, vader?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Vele althans bij wie dit het geval schijnt te wezen, en
+enkele zelfs, die hem hoogst verderfelijk zijn. Dit behoort nu eenmaal
+tot ons lot; wij mogen hen daarom ook uitroeien en verdelgen, als zij
+ons lastig of gevaarlijk worden, gelijk wij dat den distel op het veld
+doen. Zoo zij echter ook al van geen nut voor ons zijn, verhoogen zij
+toch de schoonheid en rijke verscheidenheid der natuur.<span class=
+"corr" id="xd21e5846" title="Niet in bron">&rdquo;</span> <span class=
+"pagenum">[<a id="pb245" href="#pb245" name="pb245">245</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch53" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">DRIE-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">INRICHTING VAN HET BLOKHUIS.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De volgende morgen was zeer druk en onrustig, want nu
+ging men weer aan &rsquo;t inpakken en aan de toebereidselen tot de
+verhuizing. Juno werd nu hier, dan daar geroepen en moest Carolientje
+verzoeken op den ketel te letten en haar te waarschuwen, als het water
+begon te koken.</p>
+<p>Thomas was, als naar gewoonte, iedereen in den weg. Hij wilde overal
+helpen, doch bracht meer van, dan op zijne plaats. Daar hij het evenwel
+goed meende, werd hij althans ditmaal niet beknord. Eindelijk zond
+Flink, om hem kwijt te worden, hem met een groot pak naar het strand.
+Thomas nam den bundel op zijn schouder: maar toen hij, niet weinig
+hijgende van het verrichte werk terugkwam en Flink hem een tweeden last
+wilde opladen, zei hij toch, dat hij te moe was, en zette zich
+stilletjes neer, totdat het ontbijt werd opgedragen, wat echter eerst
+geschiedde, toen men met alle toebereidselen gereed was.</p>
+<p>Terstond na het ontbijt pakte mevrouw Wilson het keuken- en
+tafelgereedschap in een mand bijelkander. Toen begaf de gansche familie
+zich eindelijk op weg en trok, in gezelschap van de honden, door het
+kokosbosch voort.</p>
+<p>De kleine Albert kon nu heel goed loopen en moest slechts nu en dan
+door Juno gedragen worden, die hem anders bij de hand had. Caroline
+liep naast haar vader en moeder, maar Thomas was te eigenzinnig om met
+iemand te gaan en stapte in zijn eentje voort.</p>
+<p>Willem en Flink verloren geen tijd, om hunne taak af te doen.
+Tafels, stoelen en verder huisraad was het eerste, dat zij in de boot
+hadden. Vervolgens werd de eene geit ingescheept en toen stieten zij
+met volle lading van land en bereikten de baai lang v&oacute;&oacute;r
+de wandelaars, die door het bosch trokken.</p>
+<p>Zij brachten de ingeladen goederen spoedig aan land en stieten toen
+opnieuw af, om het beddegoed en wat er verder nog was overgebleven af
+te halen. Tegen drie uren &rsquo;s namiddags kwamen zij met de tweede
+en laatste lading in de baai aan, waar de familie voor ongeveer een uur
+was <span class="corr" id="xd21e5867" title=
+"Bron: aangekokmen">aangekomen</span>. Mijnheer Wilson en Juno waren
+reeds druk bezig de uitgeladen stukken naar het huis te dragen.</p>
+<p>&bdquo;Dat zal nu hoop ik, onze laatste vaart geweest zijn voor
+langen tijd, Willem,&rdquo; zeide de oude Flink. &bdquo;&rsquo;t Is ook
+goed, want onze kleine boot heeft veel geleden en dient, zooals ik u
+reeds zeide, eens met zorg te worden nagezien.&rdquo; <span class=
+"pagenum">[<a id="pb246" href="#pb246" name="pb246">246</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Ha, laat mij &rsquo;t niet vergeten, Flink, ik heb onlangs de
+duiven bij onze erwten gevonden; het wordt dus wel tijd, dat wij ze
+plukken. De duiven zijn al heel schielijk vermeerderd,&mdash;ik heb er
+wel over de dertig geteld.&rdquo;</p>
+<p>Nog v&oacute;&oacute;r den nacht was alles in huis weder op de oude
+plaats en even gemakkelijk als te voren ingericht. Zij waren dan allen
+ook recht moede geworden en gingen dus vroegtijdig te bed, nadat men
+voor den volgenden dag het noodige had afgesproken. Mevrouw Wilson had
+zich aangeboden om de keuken en het opzicht over de kleinen zelve voor
+hare rekening te nemen, zoodat Juno de mannen den ganschen dag
+behulpzaam kon zijn.</p>
+<p>Voor dag en dauw gingen Willem en Flink naar de schildpadvijver en
+vingen er eene uit, want de tijd naderde, dat men weder nieuwe
+schildpadden vangen en in korten tijd den vijver daarmede vullen kon.
+Het gevangen dier werd geslacht en een deel daarvan in den pot
+gestoken, zoodat mevrouw Wilson het slechts had te braden, en zoodra
+het ontbijt was afgeloopen, ging men onverwijld naar het magazijn in
+het woud.</p>
+<p>Ka een kort beraad met mijnheer Wilson, paalde Flink een van
+kokosboomen gevormd vierkant rondom het magazijn af, zoodat op elke
+zijde eene ruimte van ongeveer twintig voet vrij bleef, en dit vierkant
+moest nu door eene schutting geheel worden ingesloten. De kokosboomen
+moesten daarbij tot steunbalken dienen, tusschen welke andere boomen,
+die men eerst vellen wilde, tot eene hoogte van veertien voet zouden
+worden vastgemaakt. Op deze wijze dachten zij eene palissade tot stand
+te brengen, die men niet gemakkelijk beklimmen kon, zoodat zij daardoor
+tegen alle aanvallen der wilden beschut waren.</p>
+<p>Zoodra de buitenste reeks van boomen gemerkt was, begonnen zij alle
+boomen binnen deze en naar buiten tot op een afstand van tien roeden om
+te hakken, zoodat zij behoorlijk ruimte tot hun arbeid hadden. Flink
+kapte lange balken welke zij van boom tot boom <span class="corr" id=
+"xd21e5884" title="Bron: bevestigde">bevestigden</span>, en nu reeds
+ondervonden zij het voordeel, dat zij van het bewaren der groote
+spijkers hadden, want zonder dezen hadden zij hun werk noch zoo goed
+noch zoo rasch kunnen verrichten.</p>
+<p>Mijnheer Wilson velde de boomen, Willem en Juno zaagden ze met een
+groote timmermanszaag op de behoorlijke lengte af en brachten de
+stammen dan bij Flink. Spoedig hadden zij meer omgekapt dan zij
+eigenlijk noodig hadden. De kruinen en takken der gevelde boomen werden
+opgeraapt en als brandhout op een hoop gestapeld, terwijl mijnheer
+Wilson en Flink de palissaden aan de palen begonnen vast te
+spijkeren.</p>
+<p>Zij hadden den ganschen dag zwaar gearbeid en waren verheugd, toen
+<span class="pagenum">[<a id="pb247" href="#pb247" name=
+"pb247">247</a>]</span>de avond hun eindelijk eenige verademing
+vergunde. Flink was echter nog niet tevreden, maar zeide tot
+Willem:</p>
+<p>&bdquo;Daar wij nu weder hier zijn, komt het mij wel noodzakelijk
+voor, beste jongen, dat wij, om ongeluk te verhoeden, eene soort van
+nachtwacht houden. Ik ga niet te bed, voordat het geheel donker wordt,
+wat zoo ongeveer tegen negen uren is: gedurende dien tijd zal ik de zee
+nauwkeurig opnemen. Wij hebben wel niet te vreezen, dat de wilden
+midden in den nacht komen; maar even voor &rsquo;t invallen van de
+duisternis of &rsquo;s morgens vroeg is dit eer te verwachten, en zoo
+moet dus een van ons nog v&oacute;&oacute;r &rsquo;t aanbreken van den
+dag&mdash;dat is tusschen twee of drie uren &rsquo;s morgens&mdash;op
+de been zijn, om te zien of er ook iets van hen te ontdekken is. Is dit
+niet het geval, dan kunnen wij natuurlijk weer te bed gaan, daar zij
+dan eerst vele uren later kunnen aankomen. Ook moeten wij op wind en
+weer acht geven, of die hunne vaart misschien ook begunstigen. Met den
+wind kan dit niet eer, dan met het begin van den regentijd het geval
+zijn. Hij kan echter ook zeer zwak worden, en dan moet er den wilden
+weinig aan gelegen zijn, of hij hun tegen is of niet. Ik heb al veel
+over de zaak nagedacht, beste Willem, en geloof dat, ingeval wij een
+bezoek van de wilden krijgen, dit met het begin van den regentijd wezen
+zal, want dan waait de wind niet regelmatig uit &eacute;&eacute;ne
+hemelstreek, zooals thans, maar springt gedurig om, zoodat zij in hunne
+kano&rsquo;s zeilen opzetten en gemakkelijk hierheen komen kunnen, in
+plaats van anders veertig of vijftig mijlen ver tegen wind en stroom in
+te moeten roeien, wat een allesbehalve lichte arbeid is. Hoe dat zij,
+wij mogen zelven geen voorzorg verzuimen en moeten nu reeds scherp naar
+de zee uitzien. Ik wil uw vader en moeder liefst voor den tijd niet
+ongerust maken, maar u moet ik zeggen, hoe ik er over denk en wat ik
+meen, dat wij te doen hebben.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik geef u volkomen gelijk, Flink, en zal zorg dragen, dat ik
+v&oacute;&oacute;r den dag op ben, om den horizon, zoodra &rsquo;t
+begint te schemeren, met den kijker zoo scherp mogelijk op te nemen.
+Neem gij de avondwacht, dan zal ik mij wel met de morgenwacht
+belasten.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Goed, Willem. Wat voor &rsquo;t overige dier wacht aangaat,
+kon ik zeer goed beide op mij nemen, maar ik geloof, als gij &rsquo;s
+morgens opstaat, zullen de anderen dat niet zoo licht als van mij
+bemerken, en dat ik &rsquo;s avonds nog wat langer dan de familie
+opblijf, is men meer van mij gewoon.&rdquo;</p>
+<p>Na dit gesprek hielden Flink en Willem dus gestadig de wacht van den
+morgenschemering af, totdat de volle duisternis was ingevallen.
+<span class="pagenum">[<a id="pb248" href="#pb248" name=
+"pb248">248</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch54" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">VIER-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">GROOT GEVAAR.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Omstreeks veertien dagen lang werd de arbeid bijna
+onafgebroken voortgezet, toen er plotseling een voorval plaats greep,
+dat de grootste onrust en bezorgdheid wekte. Op zekeren dag, dat de
+arbeidenden voor het middageten terugkwamen, vroeg mevrouw Wilson
+verwonderd:</p>
+<p>&bdquo;Hoe, is Thomas dan niet bij u geweest?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen,&rdquo; gaf haar man ten antwoord; &bdquo;hij heeft zich
+den ganschen voormiddag maar even laten zien. Hij ging na het ontbijt
+met ons mee, maar was na een kwartier ook al weer weg.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, mevrouw, ikke zeggen; jongetje, jij kokosbladeren helpen
+dragen, maar hij toen een, twee, drie, is weggeloopen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Mijn God! waar mag hij dan zijn?&rdquo; riep de moeder in de
+grootste ongerustheid uit.</p>
+<p>&bdquo;Hij zal waarschijnlijk aan &rsquo;t strand schelpen zoeken,
+mevrouw,&rdquo; zeide Flink; &bdquo;misschien ook is hij in den tuin.
+Ik zal eens naar hem gaan zien.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik zal met u gaan, Flink,&rdquo; zeide Willem.</p>
+<p>&bdquo;Ikke zien hem&mdash;ach lieve grutte hemeltje! ikke zien
+hem!&rdquo; riep Juno en wees naar de zee; &bdquo;hij zitten in de boot
+en de boot gaan in zee!&rdquo;</p>
+<p>Het was maar al te waar. Thomas zat werkelijk in de boot, die reeds
+van het strand afdreef, en zoo nagenoeg eene kabelslengte daarvan
+verwijderd, midden onder de klippen te zien was.</p>
+<p>Willem vloog met de snelheid van den wind naar het strand; evenzoo
+de vader en Flink. De beangste moeder volgde met Juno op eenigen
+afstand.</p>
+<p>En er was ook werkelijk geen tijd te verliezen, want de wind blies
+gestadig van het land en weldra moest de boot in volle zee zijn. Niet
+zoodra was Willem aan het strand gekomen, of hij wierp hoed en buis van
+zich en sprong in &rsquo;t water. Reeds had hij de helft van den
+afstand tusschen het land en de voortdrijvende boot achter zich, toen
+de oude Flink, die hem gevolgd was, hem bij den arm vatte.</p>
+<p>&bdquo;Keer oogenblikkelijk terug, Willem!&rdquo; riep deze op
+gebiedenden toon. &bdquo;Ik zeg, ik gelast het u. Al gaat gij ook
+verder, kunt gij toch niet helpen, daar gij u niet zoo goed als ik weet
+te redden. Ik zwem toch door en zoo loopen wij beiden dubbel gevaar.
+Mijnheer Wilson, roep uw zoon terug. U moet hij gehoorzamen!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Willem!&rdquo; riep zijn vader; &bdquo;kom oogenblikkelijk
+terug: ik gelast het u.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb249"
+href="#pb249" name="pb249">249</a>]</span></p>
+<p>Willem gehoorzaamde nu en was nog niet uit het water, toen de oude
+man reeds tot de eerste klippen was voortgezwommen en nu over de
+ondiepe plaatsen over het rif op de boot toewaadde.</p>
+<p>&bdquo;O vader!&rdquo; riep Willem, &bdquo;als onze goede oude
+vriend verloren ging, zou ik het mijzelven nooit kunnen vergeven. Het
+is mij, als of ik niet goed deed met aan u te gehoorzamen. Zie maar,
+vader&mdash;een, twee, drie haaien, daar dicht voor ons. Hij kan hen
+niet ontwijken. Zie, hij is alweer in het diepe water.&rdquo;</p>
+<p>Mijnheer Wilson wierp een vluchtigen blik op de haaien, die slechts
+weinige voeten van het strand verwijderd waren, en hield de oogen toen
+weder onafgewend op Flinks verdere bewegingen gericht.</p>
+<p>Kon de oude man zich door het diepwater tusschen de klippen heen
+worstelen, dan was hij als gered te beschouwen, daar de boot thans op
+de andere zijde der klippen tegen een rots stiet en vastraakte, waar
+het water ondiep was. Het was een oogenblik van onbeschrijfelijken
+angst.</p>
+<p>Eindelijk had Flink het uiterste rif bereikt; hij greep met de
+handen naar een uitstekende rotspunt en klauterde daarbij op.</p>
+<p>&bdquo;Hij is gered, lieve man,&mdash;is hij niet?&rdquo; fluisterde
+mevrouw Wilson.</p>
+<p>&bdquo;Ja, ik geloof, thans is hij het!&rdquo; antwoordde haar man,
+toen Flink de rots beklommen had, waar het water hem niet verder dan
+tot de enkels reikte. &bdquo;Ik denk, dat hij tusschen de plaats, waar
+hij nu staat en de boot geen diep water meer vinden zal.&rdquo;</p>
+<p>In het volgende oogenblik zag men Flink reeds buiten de klippen en
+had hij de boot bij het vooreinde aangevat.</p>
+<p>&bdquo;Hij is behouden in de boot!&rdquo; riep Willem uit eene
+verruimde borst.</p>
+<p>&bdquo;Ja, God zij gedankt!&rdquo; herhaalde de vader. &bdquo;Zie de
+monsters eens,&rdquo; vervolgde hij, op de haaien wijzende; &bdquo;hoe
+onrustig zij heen en weer zwemmen; ze hebben hunne prooi in het water
+geroken. Het is een zegen, Willem, dat ze juist hier zijn. Zij hadden
+evengoed ginds kunnen wezen, toen onze vriend door het ondiepe water
+moest waden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, waarlijk, vader. Zie, hij heeft den bootshaak en stoot de
+boot van de klippen af in het ondiepe water. O, nu is hij volkomen in
+zekerheid.&rdquo;</p>
+<p>Zoover was het echter nog niet. De boot had vroeger tegen de klippen
+gestooten en van onderen een lek gekregen, zoodat zij, toen Flink haar
+weder in het kanaal bracht, zich terstond met water begon te vullen.
+Flink werkte zoo hard als hij kon met den bootshaak; eindelijk trok hij
+zijn halsdoek af en stopte het lek daarmede zoo goed dat gaan
+wilde.</p>
+<p>Dat was beider behoud; maar de boot was bijna tot boven toe
+volgeloopen <span class="pagenum">[<a id="pb250" href="#pb250" name=
+"pb250">250</a>]</span>en had Flink of zelfs Thomas ook maar de
+kleinste beweging gemaakt, dan ware zij oogenblikkelijk omgeslagen.
+Daarbij kwam, dat zij het vaarwater tusschen het strand en de klippen,
+waar de haaien rondzwommen, nog altijd noodzakelijk moesten
+oversteken.</p>
+<p>Flink, die het gevaar bemerkte, riep hun, die op het strand stonden,
+toe, dat zij met alle macht met steenen naar de haaien moesten gooien,
+om die te verjagen. Dat gebeurde terstond. Mijnheer Wilson, Willem en
+Juno wierpen onophoudelijk en zelfs de moeder hielp daarbij, daar de
+angst voor vriend en kind haar kracht verleende.</p>
+<p>De steenworpen hadden het gewenschte gevolg. De haaien zwommen weg
+en Flink bereikte behouden het strand op &rsquo;t oogenblik, dat de
+boot tot den bovensten rand met water gevuld en op het punt was van te
+zinken.</p>
+<p>Flink droeg den kleinen Thomas aan land. Deze was z&oacute;&oacute;
+verschrikt en verslagen, dat hij niet meer schreien kon. Doodsbleek
+stond hij daar en had mond en oogen wijd <span class="corr" id=
+"xd21e5970" title="Bron: opengespred">opengesperd</span>. Willem vloog
+daarbij op den ouden man toe, drukte hem in zijne armen en riep met
+snikkende stem: &bdquo;Goddank! gij zijt gered, Flink.&rdquo;</p>
+<p>Vader en moeder grepen hem bij de hand en drukten die hartelijk.</p>
+<p>Juno wierp eerst Flink een van blijdschap schitterenden blik toe en
+nam vervolgens Thomas bij de hand, om hem weg te brengen.</p>
+<p>&bdquo;Kom hier maar, jij stout, ondeugend jonk! Jij slaag zult
+krijgen, als heele boel over is.&rdquo;</p>
+<p>Die bedreiging deed Thomas weder tot zichzelven komen en eene keel
+opzetten, dat men het wijd en zijd had kunnen hooren.</p>
+<p>&bdquo;Ditmaal was er geen tijd te verliezen, Willem,&rdquo; zeide
+Flink, terwijl zij de beide ouders naar huis vooruitgingen. &bdquo;Wat
+kan zulk een jongen toch een ongeluk en ellende aanrichten!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Door zijn doorgestanen angst is hij al zwaar gestraft,&rdquo;
+sprak Willem. &bdquo;Ik sta er u voor in, dat hij alleen nooit weer een
+voet in de boot zal zetten.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, dat geloof ik ook niet.&mdash;Gij hebt nu echter kunnen
+zien, hoe weinig het scheelde, of ik was met boot en al te gronde
+gegaan. Maar gelooft gij wel, Willem, dat gij de boot evengoed als ik
+aan het strand gebracht hadt, indien gij in mijne plaats daarin geweest
+waart?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, Flink; want ik moet zeggen, nooit zou ik er aan gedacht
+hebben, mijn halsdoek af te doen, om het lek daarmee te stoppen, en had
+ik dat ook al gedaan, dan zou ik toch nooit in staat zijn geweest, om
+de boot zoo goed te besturen, en had dus zeker moeten verdrinken,
+v&oacute;&oacute;rdat ik den oever bereikt had.&rdquo; <span class=
+"pagenum">[<a id="pb251" href="#pb251" name="pb251">251</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Nu, lieve Willem, ik ben een oud zeeman, hetgeen gij niet
+zijt, en het is dus geen ijdelheid, als ik zeg, dat gij de boot niet
+zoo goed als ik hadt kunnen besturen. Ik zelf had nog maar een of twee
+minuten over, en zoo waart gij dus, gelijk gij zelf zegt, naar alle
+waarschijnlijkheid gezonken. Ik doe u dit slechts opmerken, om u te
+bewijzen, dat ik gelijk had, toen uw vader verzocht u terug te
+roepen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, dat hadt gij zeker, Flink; maar Thomas is mijn broeder en
+ik gevoelde, dat het eer mijn plicht dan de uwe was, het leven voor hem
+te wagen.&rdquo;</p>
+<p>Toen men Thomas den volgenden dag vroeg, wat hem er eigenlijk toe
+gebracht had om in de boot te gaan, gaf hij tot aller verbazing ten
+antwoord, dat hij naar de tenten had willen terugvaren en zien, of de
+bananen ook haast rijp waren. Hij had daar bijzonder veel lust in
+gehad, en zou nog v&oacute;&oacute;r het middageten zijn teruggekomen,
+zoodat men hem niet gemist zou hebben.</p>
+<p>&bdquo;Als wij u niet nog gelukkig gezien hadden, denk ik, dat ge
+wel erger honger zoudt hebben moeten doorstaan, voordat gij bananen
+gekregen hadt,&rdquo; zeide Flink.</p>
+<p>&bdquo;Ik zal ook zeker niet meer in de boot gaan,&rdquo; beloofde
+Thomas.</p>
+<p>Het blokhuis was nu bijna gereed. Over de poort was men lang in
+beraad. Ten slotte besloot men, deze van sterke eiken posten te maken
+en aan de binnenzijde, op ongeveer een voet afstands, eene tweede rij
+van deurposten op te richten, zoodat men sterke palen daar tusschendoor
+steken en, zoo noodig, een werkelijke barricade tot stand brengen kon.
+Op die wijze moest de deur even vast en sterk worden, als ieder ander
+deel van de ompaling.</p>
+<p>Zoodra dit alles gereed was, moest het magazijn tot woonhuis
+ingericht worden, waartoe men de zij-omheining, die uit kokostakken
+bestond, wegnemen en er een vasten wand van de boomstammen voor in de
+plaats stellen zou.</p>
+<p>Nog voordat de week ten einde liep, was de palissade met de poort
+gereed, en thans ging men aan het vellen van boomen, om de zijwanden
+van het huis daarvan op te trekken.</p>
+<p>Dit werk ging zeer vlug van de hand. Terwijl de vader, Willem en
+Juno boomen velden en die, op gepaste lengte doorgezaagd, op de kar
+naar het magazijn brachten, was Flink bezig, uit een gedeelte van de
+verzamelde planken een vloer te leggen. In die week moesten zij echter
+twee dagen van hun werk af gaan, om de rijpe tuinvruchten in te
+zamelen. Zoodra dit verricht was, ging men opnieuw aan het blokhuis.
+Nog twee weken liepen op deze wijze onder rusteloozen arbeid ten einde.
+Eindelijk echter was het huis gereed en, met hunne vroegere woning
+vergeleken, kon het bijna een paleis <span class="pagenum">[<a id=
+"pb252" href="#pb252" name="pb252">252</a>]</span>genoemd worden. Het
+was veel grooter, en Flink had het door middel van de scheepsplanken in
+drie vertrekken afgedeeld. Het middelste, dat met de huisdeur in
+verbinding stond, was tot woon- en eetkamer bestemd en had een venster
+naar achteren. De beide zijvertrekken dienden tot slaapkamers, het eene
+voor mevrouw Wilson, Juno en de kleinen, het andere voor de mannelijke
+helft der familie. Deze inrichting maakte het verblijf in de nieuwe
+woning veel gemakkelijker en aangenamer dan in de oude.</p>
+<p>&bdquo;Ziet gij, Willem,&rdquo; sprak de oude man, toen zij alleen
+waren, &bdquo;wat wij met die scheepsplanken al hebben kunnen
+uitrichten? Hadden wij het hout eerst moeten zagen, om vloer en wanden
+te krijgen, zoo zou daar zeker wel een half jaar over verloopen
+zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, en hoe gemakkelijk is het, nu wij overal in den wand
+kasten en bergplaatsen hebben.&mdash;Wanneer zullen we nu naar ons
+nieuw paleis verhuizen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hoe eer hoe liever, Willem. Wij hebben nog wel veel, zeer
+veel werk voor ons, doch we kunnen immers ook buiten het blokhuis
+arbeiden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En wat denkt ge met het oude huis aan te vangen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;We zullen misschien het best doen, als we dat gedeelte van
+onzen voorraad, die voor ons de minste waarde heeft, daar laten
+blijven, totdat we in staat zijn om een tweede magazijn binnen de
+palissade op te richten.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dan zullen we deze vaten daarheen brengen, want ze nemen ons
+hier te veel plaats weg.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Alle, behalve dat groote daar. Dat zullen wij noodig hebben
+en ik zal er wel ergens een hoek voor vinden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Waartoe dan, Flink?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Om er water in te bewaren, mijn jongen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wij zijn hier evenwel nader bij de bron, dan wij in ons ander
+huis waren.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat weet ik wel; maar misschien belet men ons eens, de
+palissade te verlaten, en dan kunnen wij het water hoog noodig
+hebben.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik begrijp u Flink; gij zijt toch altijd op alles
+bedacht.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Als ik op mijne jaren niet een beetje nadenken geleerd had,
+zou &rsquo;t er leelijk uitzien, Willem. Ge weet niet, hoe hartelijk ik
+verlang de gansche familie hier binnen het blokhuis te zien. Ik zal
+niet gerust zijn, voordat ik mijn wensch vervuld zie.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En waarom zouden wij het dan maar niet dadelijk
+betrekken?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Waarom?&mdash;Omdat wij nog veel werk te doen hebben en ik
+door zooveel haast te maken uwe moeder niet beangstigen wil en in de
+meening brengen dat er dadelijk gevaar ophanden is. Maar, geloof mij,
+beste Willem, gevaar is er wezenlijk, ik heb er een soort van
+voorgevoel van. De gedachte weegt <span class="pagenum">[<a id="pb253"
+href="#pb253" name="pb253">253</a>]</span>mij zwaar op het hart en ik
+kan ze niet meer van mij afzetten. Ik wilde wel dat gij het voorstel
+deedt, om allen maar dadelijk hierheen te verhuizen. De bedsteden zijn
+toch ook klaar, tot op de gordijnen na, en die kan ik er vandaag nog
+wel voorhangen.&rdquo;</p>
+<p>Tengevolge van dit gesprek stelde Willem aan tafel voor, om den
+volgenden dag met pak en zak naar het blokhuis over te trekken, omdat
+men, behalve dat men er veel beter gehuisvest was, er ook veel
+gemakkelijker arbeiden kon.</p>
+<p>Mijnheer Wilson was van hetzelfde gevoelen, terwijl zijne vrouw
+daarentegen beter vond er alles eerst netjes in orde te brengen.</p>
+<p>&bdquo;Juist daarom moeten wij er in trekken, mevrouw; want uw
+opzicht is volstrekt noodig, om alles naar wensch in te richten. Wij
+mannen krijgen niets op zijne rechte plaats, als het niet onder uw oog
+geschiedt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Welnu, Flink,&rdquo; was het antwoord, &bdquo;als ook gij,
+evenals de overigen, tegen mij stemt, moet ik wel toegeven. Als ge
+&rsquo;t goedvindt, willen we morgen dan maar dadelijk met de
+verhuizing beginnen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;In waarheid, mevrouw, dat zal zoo het best zijn. Dit is de
+laatste maand, dat we goed weer te wachten hebben en er blijft ons nog
+zeer veel te doen over. Zijn we eerst over, dan zal alles veel vlugger
+van de hand gaan, daar we het nader onder ons bereik hebben.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Het zij dan zoo, Flink; gij moet dat het best weten. Morgen
+zullen we dus onze woning in het blokhuis opslaan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Goddank!&rdquo; mompelde de oude man. Alleen Willem, die
+naast hem zat, had deze woorden verstaan.</p>
+<p>De volgende dag werd geheel aan de verhuizing gewijd. Bedden,
+huisraad en keukengereedschap werden overgebracht en dien nacht sliep
+men voor de eerste maal onder het nieuwe dak. Flink had voor Juno een
+aardig huisje tot keuken opgeslagen, en de volgende werkzaamheden namen
+de verdere dagen van de week geheel in beslag.</p>
+<p>Vooreerst werd de voorraad gemonsterd en geschift. Wat van minder
+belang was, zooals b.v. de zout-en meelvaten, benevens de
+tuingereedschappen, werd in het oude huis geborgen. Ook de kruitvaten
+en het grootste gedeelte van den voorraad patronen werden, tot meerdere
+veiligheid, aldaar achtergelaten. Daarentegen bracht men een vat
+gezouten rund-, een ander met varkensvleesch, een derde met meel,
+benevens al den voorraad spijkers, ijzerwerk en linnen naar het nieuwe
+huis over, waarvan de vloer, toen men het tot magazijn inrichtte, vier
+voet boven den grond gebouwd was, om voor de schapen en geiten tot stal
+te dienen. Daardoor had men een droge en <span class="pagenum">[<a id=
+"pb254" href="#pb254" name="pb254">254</a>]</span>tamelijk ruime plaats
+gewonnen, waar men nu al, wat men maar wilde, bergen kon. Flink vergat
+ook niet, in tusschenuren het groote watervat te vullen; hij had daar
+een kraan in gestoken, waardoor men het water aftappen kon.</p>
+<p>&bdquo;Ziezoo, mijnheer,&rdquo; zeide Flink, toen eindelijk de
+Zaterdag gekomen was. &bdquo;Wij hebben nu weken achtereen ingespannen
+gearbeid, maar nu hebben wij het laatste harde werk dan ook gelukkig
+achter den rug. Wij zitten nu goed en wel in ons nieuwe huis, al onze
+voorraad is onder dak en tegen het weer beschut,&mdash;nu mogen wij wel
+eens wat adem scheppen. Ik moet nu met Willem van tijd tot tijd eenige
+schildpadden vangen, want haar tijd loopt spoedig ten einde. Ook moet
+ik de boot oplappen, zoodat we weer een reisje naar de tenten kunnen
+doen, om naar ons yamplantsoen en de kudde te zien.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ook naar de bananen en de guayababoomen!&rdquo; riep Thomas
+met drift.</p>
+<p>&bdquo;Ja, waarlijk; die hadden wij geheel en al vergeten,&rdquo;
+zeide zijn moeder.</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is waar, mevrouw, maar dat was geen wonder onder al
+die drukte. Er zal, denk ik, echter nog wel wat van over zijn en zoodra
+de boot weder te water kan, zal ik er heen gaan en al wat er nog
+voorhanden is, meebrengen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ook moeten wij onze aardappelen en zaden nog
+v&oacute;&oacute;r den regentijd in den grond brengen,
+Flink.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat zal goed zijn, als wij er tijd toe vinden, want het mooie
+weer houdt vast niet heel lang meer aan. Nu wil ik eerst maar eens naar
+de schildpadden omzien. Goeden nacht, mevrouw, slaap rustig; rust wel,
+mijnheer;&mdash;kom mee, Willem.&rdquo;</p>
+<p>Beiden stapten naar het strand. Onderweg ontmoetten zij Juno, die
+uit de keuken kwam. Flink droeg haar op, zooveel hout op te zamelen als
+zij kon en alles in een hoek binnen de omheining op te stapelen, om het
+nader bij hand te hebben. Dien nacht vingen zij nog zes schildpadden
+bij den reeds vergaderden voorraad. Vervolgens namen zij nog met den
+kijker den ganschen gezichteinder op, keerden terug, sloten de deur der
+palissade en legden zich vermoeid ter ruste. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb255" href="#pb255" name="pb255">255</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch55" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">VIJF<span class="corr" id="xd21e6085" title=
+"Niet in bron">-</span>EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">DE KANO&rsquo;S ZIJN IN AANTOCHT.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Eene nieuwe week ging voorbij, in welken tijd Flink
+met de boot bezig was en Willem met zijn vader den tuin omspitte.</p>
+<p>Ook in huis had men de handen vol met eene groote wasch en met
+naaien en verstellen, waaraan men den laatsten tijd weinig had kunnen
+doen. Mevrouw Wilson, Juno, zelfs de kleine Caroline weerden zich best
+en ook Thomas was van veel dienst, want zoo dikwijls men water noodig
+had, haalde hij dat en paste bovendien ook nog op zijn broertje Albert.
+Hij was wezenlijk zoo handig en vlug, dat de moeder hem bij vader
+roemde, waarop onze kleine wildzang niet weinig trotsch was.</p>
+<p>Den Maandag daarop zeilden Willem en <span class="corr" id=
+"xd21e6096" title="Bron: Filnk">Flink</span> in de boot naar de kleine
+haven. De schapen en geiten waren vlug en wel en alles beloofde den
+besten wasdom. Van de bananen en guayabavruchten waren reeds vele
+gerijpt en afgevallen; doch men vond altijd nog genoeg om er de boot
+tot de helft mede te vullen. Op het yamsplantsoen hadden de varkens
+geen aanval meer beproefd en ook de tenten waren in goeden staat.</p>
+<p>&bdquo;Wij kunnen niets beters doen, Willem, dan de schapen en
+geiten laten, waar ze nu zijn. Komt er een storm, dan kunnen ze in het
+bosch schuilen en te eten hebben zij in overvloed, al waren er ook
+tienmaal zooveel.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat komt mij ook zoo voor.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar over een dag of wat moeten wij hier terugkomen en de
+tenten afhalen, die hier gedurende den geheelen regentijd niet mogen
+blijven staan<span class="corr" id="xd21e6105" title="Bron: ,">.</span>
+Wat dunkt u, Willem, zullen we dan nu maar weer in de boot
+gaan?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, in allen gevalle zal Thomas recht blij zijn met hetgeen
+we meebrengen. Maar wilt gij toch niet eerst eenige yamswortels
+uitgraven?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Waarlijk, dat was mij geheel door het hoofd gegaan, jongen.
+Ik ga dadelijk een schop halen,&mdash;in de andere tent zal er nog wel
+een staan.&rdquo;</p>
+<p>Na dus ook een voorraad yamswortels te hebben ingezameld, keerden
+zij naar huis. Zij hadden hunne woning niet bereikt, toen de hemel
+begon te betrekken; het was alsof er een zwaar onweer ophanden was.
+Echter regende het niet, voordat zij werkelijk geland waren; toen viel
+er eene kleine bui, die de komst van den regentijd aankondigde.</p>
+<p>De medegebrachte vruchten waren allen bij uitstek welkom; &rsquo;t
+was al zoo lang, zoo heel lang, dat zij er geene geproefd hadden.
+Thomas vooral viel er met geduchte gulzigheid op aan en zou zich ziek
+gegeten hebben, <span class="pagenum">[<a id="pb256" href="#pb256"
+name="pb256">256</a>]</span>als zijne moeder niet wijzer geweest was
+dan hij en hem niet verboden had voor ditmaal er meer van te
+gebruiken.</p>
+<p>Den volgenden dag was het helder weer en alles scheen door den
+gevallen regen verjongd en verfrischt. Er werd besloten, dat Flink en
+Willem den volgenden morgen de tenten van de zuidkust afhalen zouden en
+dan nog zooveel yamswortels als de boot bergen kon, meenemen. Beiden
+hielden als gewoonlijk hunne avond- en morgenwacht en bij die
+gelegenheid ontdekte de oude man, dat de wind thans geheel naar het
+oosten was omgeslagen.</p>
+<p>&bdquo;Dat is leelijk voor onze vaart van morgen, Flink,&rdquo;
+merkte Willem aan. &bdquo;We kunnen wel met het kleine zeil ginds naar
+de havenplaats komen, maar dan hebben wij de boot met hare volle lading
+terug te roeien.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Nu, ik hoop dat het nog maar geen erger gevolgen voor ons
+hebben zal,&rdquo; gaf Flink nadenkend ten antwoord. &bdquo;Laat ons nu
+naar huis en te bed gaan. Ik zal morgen v&oacute;&oacute;r den dag op
+zijn;&mdash;dus kunt gij dan nog wel wat blijven liggen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik word immers toch v&oacute;&oacute;r het daglicht wakker,
+Flink,&rdquo; zeide Willem; &bdquo;zoodat ik maar dadelijk met u wil
+opstaan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is mij ook goed, beste jongen; gij weet, dat ik u altijd
+gaarne tot gezelschap heb.&rdquo;</p>
+<p>Den volgenden morgen, bij het eerste krieken van den dag, openden
+beiden dan ook reeds de deur der palissade en wandelden gezamenlijk
+naar het strand. De wind woei nog altijd, en wel vrij sterk, uit het
+oosten en de lucht was geheel betrokken.</p>
+<p>Bij het opgaan der zon nam Flink als naar gewoonte zijn kijker en
+begon den gezichtseinder in het oosten nauwkeurig op te nemen.</p>
+<p>&bdquo;Ziet gij dan iets, Flink, dat gij den kijker zoolang op dat
+&eacute;&eacute;ne punt houdt?&rdquo; vroeg Willem, toen zijn grijze
+makker na lang turen nog geene beweging maakte om den kijker van het
+oog te nemen.</p>
+<p>&bdquo;Mijne oude oogen kunnen mij bedriegen; maar ik vrees
+werkelijk, dat ik iets zie,&rdquo; gaf Flink eindelijk ten antwoord.
+&bdquo;Binnen weinige oogenblikken zal ik het met zekerheid kunnen
+zeggen.&rdquo;</p>
+<p>Aan de oostelijke kim hing nog eene nevelstreep, zoodat men er niet
+duidelijk zien kon. Nauwelijks echter was de zon geheel op, of Flink
+die den kijker juist op dat punt gericht hield, riep driftig uit:</p>
+<p>&bdquo;Ja, ja, Willem, ik heb toch gelijk. Ik dacht dadelijk, die
+donkere punten, die ik zag, konden wel hunne bruine zeilen
+zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zeilen?&mdash;Wat zeilen, Flink?&rdquo; vroeg Willem
+haastig.</p>
+<p>&bdquo;De zeilen der Indiaansche kano&rsquo;s, Willem; ik wist wel,
+dat die komen <span class="pagenum">[<a id="pb257" href="#pb257" name=
+"pb257">257</a>]</span>zouden. Neem gij den kijker maar eens en zie
+zelf;&mdash;het schemert mij voor de oogen, zoo sterk heb ik ze
+ingespannen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, waarlijk&mdash;nu heb ik ze,&rdquo; riep Willem, na den
+kijker gericht te hebben. &bdquo;Maar, Flink, daar zijn althans wel
+twintig tot dertig.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En ieder heeft twintig of dertig man in, Willem.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Genadige hemel! Wat moeten wij dan doen? Ach, wat zal mijne
+lieve moeder ontsteld zijn! Tegen zulk een overmacht kunnen wij immers
+volstrekt niets uitrichten, Flink.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, ja, Willem, wij kunnen veel uitrichten en moeten ook veel
+uitrichten. Dat eenige honderden wilden tegen ons in aantocht
+zijn,&mdash;lijdt thans geen twijfel meer; maar vergeet niet, dat wij
+een blokhuis bezitten, dat niet zoo licht te beklimmen is, dat wij
+verder vuurwapens en kruit en lood genoeg in voorraad hebben en hun wel
+een gevecht leveren en hen misschien afslaan kunnen, daar zij enkel met
+lansen en knotsen gewapend zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat naderen zij spoedig, Flink; zie maar,&mdash;op die wijze
+kunnen zij immers in een uur hier zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O, neen, beste jongen,&mdash;niet eens in twee. Hunne
+kano&rsquo;s zijn zeer groot. Maar we hebben geen tijd te verliezen. Ik
+zal hen nog eens in het vizier nemen en hunne sterkte narekenen. Loop
+gij onderwijl naar huis en wenk uw vader, dat hij hier bij mij komt.
+Dan, Willem, zet alle geweren klaar en haal de kruitvaten en de
+patronen uit het oude huis naar het blokhuis. Roep Juno en laat die u
+helpen. Wij zullen nog tijd genoeg hebben om dat alles te doen. Als gij
+klaar zijt, moet gij terstond weer bij ons komen.&rdquo;</p>
+<p>Onverwijld ging Willem op weg, en een poosje later stond mijnheer
+Wilson bij Flink aan het strand.</p>
+<p>&bdquo;Flink,&rdquo; begon hij, &bdquo;er is zeker geen goed nieuws?
+Willem wilde mij niets zeggen, denkelijk om mijne vrouw niet ongerust
+te maken. Wat is er eigenlijk?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;De wilden zijn in aantocht, mijnheer, en dat wel in groote
+menigte. Ik bereken die op tusschen de vijf- en zeshonderd en we moeten
+dus met inspanning van alle krachten voor ons leven vechten.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Denkt ge dan, dat ons tegen zulk eene overmacht nog eenige
+hoop overblijft?&rdquo; vroeg de heer Wilson doodelijk verschrikt.</p>
+<p>&bdquo;O ja, ik twijfel geen oogenblik, of het is mogelijk. Maar een
+harden, dagenlangen strijd hebben wij te wachten,&mdash;daarop mogen
+wij rekenen.&rdquo;</p>
+<p>Mijnheer Wilson monsterde de naderende vloot met den kijker.</p>
+<p>&bdquo;Waarlijk, eene vreeselijke overmacht, waartegen wij te
+worstelen zullen hebben!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, mijnheer; maar die geweren achter een stevige
+verschansing kunnen <span class="pagenum">[<a id="pb258" href="#pb258"
+name="pb258">258</a>]</span>het tegen hunne knotsen en lansen opnemen,
+ingeval maar geen onzer gewond wordt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Nu, Flink, wij moeten al onze krachten inspannen. Ik zal u
+naar mijn beste vermogen ondersteunen, en ook Willem zal, dat weet ik,
+zijn plicht doen. Ik heb immers alles hier, waarvoor een man ooit
+strijden kan,&mdash;vrouw en kind; maar gij, Flink, hebt niet zulke
+banden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, mijnheer; maar daarvoor vecht ik voor mijn leven, dat
+ik, al is het niet van zoo bijzonder veel waarde, toch niet gaarne aan
+die knapen schenken zou. Bovendien vecht ik voor u en uwe familie, aan
+wie ik met hart en ziel verknocht ben.&mdash;Maar kom, wij mogen hier
+niet langer staan wachten, daar de tijd tot voorbereiding toch al kort
+is. Wij moeten aan den binnenkant van onze ompaling nog eenige sterke
+eiken posten spijkeren, om bij een aanval daarop te kunnen staan en
+over de omheining te kunnen heenvuren. Eerst gaan we echter nog naar
+ons oude huis, om daar alles <span class="corr" id="xd21e6183" title=
+"Bron: van daan">vandaan</span> te halen; want het oude huis, zullen de
+wilden het eerst ontdekken, en misschien vernielen zij er dan alles,
+wat ze vinden. De vaten slaan zij zeker in stukken, al ware &rsquo;t
+enkel om de ijzeren hoepels. In een uur kan er veel geschieden, daar de
+tocht zoo groot niet is. Ik geloof, dat wij vooreerst in het blokhuis
+alles hebben, wat ons dienstig wezen kan. Juno heeft brandstof genoeg,
+en de groote waterton zal het althans wel drie of vier weken uithouden.
+Als er nog tijd overschiet, zullen we ook nog met de kar naar het
+strand gaan en een paar schildpadden halen tot vermeerdering van onzen
+mondvoorraad.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Me dunkt, het is thans geen tijd om aan de schildpadden te
+denken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Waarom niet, mijnheer? &rsquo;t Is toch waarlijk beter, dat
+wijzelven die opeten, dan dat de wilden zich er op vergasten. Ik wil er
+van halen zooveel ik vinden kan; als wij ze in de schaduw op den grond
+leggen, kunnen zij nog weken in het leven blijven.<span class="corr"
+id="xd21e6190" title="Niet in bron">&rdquo;</span></p>
+<p>Onder dit gesprek naderden beiden hunne tegenwoordige woning, waar
+zij Willem en Juno vonden, die zoo even het kruit en de <span class=
+"corr" id="xd21e6195" title="Bron: patronnen">patronen</span> hadden
+overgebracht. Mijnheer Wilson ging in de woonkamer, om de noodlottige
+tijding aan zijne vrouw mede te deelen, die daardoor, vreesde hij,
+doodelijk ontsteld zou wezen.</p>
+<p>&bdquo;Men heeft mij vroeger al gezegd, dat wij zoo iets te wachten
+hadden, lieve man,&rdquo; antwoordde zij. &bdquo;Zoo komt mij die
+tijding dus niet onverwacht, en al wat eene zwakke vrouw doen kan, zal
+door mij geschieden. Ik gevoel, dat het mij tot de verdediging mijner
+kinderen niet aan moed ontbreekt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Er valt mij wezenlijk een steen van het hart,&rdquo; riep
+mijnheer Wilson, <span class="pagenum">[<a id="pb259" href="#pb259"
+name="pb259">259</a>]</span>&bdquo;nu ik u zoo bedaard en welberaden
+vind. Nu ken ik geen angst meer;&mdash;maar wij hebben nog veel te
+doen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Daarom moet ik helpen, beste Wilson. Wat mij aan kracht te
+kort schiet, moet ik door goeden wil vergoeden.&rdquo;</p>
+<p>Met deze woorden volgden beiden Willem, Juno en Flink, die naar het
+oude huis op weg waren. De kinderen waren nog alle drie te bed en
+gerust in slaap, zoodat men die niet te bewaken had.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch56" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">ZES-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">LANDING DER WILDEN.&mdash;EERSTE AANVAL.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Daar zij bij het oude huis een goed gezicht op de
+kano&rsquo;s hadden, verzuimde Flink niet, zijn kijker op de wilden te
+richten, zoo dikwijls hij een vat naar &rsquo;t blokhuis heengerold had
+en weer met leege handen terugkwam.</p>
+<p>Allen zwoegden zich af. Zelfs mevrouw Wilson deed zooveel, als maar
+in haar vermogen was, en hielp &oacute;f vaten voortrollen &oacute;f
+droeg wat voor haar krachten niet al te zwaar was. Binnen het uur
+hadden zij alles, waaraan hun bijzonder gelegen was, in het blokhuis,
+gebracht;&mdash;de kano&rsquo;s waren nog altijd op een aanmerkelijken
+afstand van de kust.</p>
+<p>&bdquo;Wij hebben nog een goed uur, voordat zij landen,
+mijnheer,&rdquo; sprak Flink, &bdquo;en dan kunnen de riffen hen
+wellicht vrij wat ophouden. Ik geloof niet, dat ze binnen de twee uren
+ontscheept zullen zijn. We hebben nog tijd genoeg tot alles wat ons te
+doen valt. Juno, de kar hier.&mdash;Willem, neem den
+bootshaak,&mdash;dan willen we nog gauw eenige schildpadden in het
+blokhuis brengen. We kunnen dat zonder u af, mijnheer. Als gij dus zoo
+goed wildet zijn, om de geweren na te zien en klaar te maken, konden
+wij onderwijl onzen gang gaan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, en dan moet gij ze laden,&rdquo; zeide mevrouw Wilson,
+&bdquo;en ons wijzen hoe dat gaat. In &rsquo;t vervolg kunnen Juno en
+ik dat dan doen, zoodat gij enkel hebt te vuren.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is een kostelijke inval, mevrouw,&rdquo; hernam Flink;
+&bdquo;daarmee kunt gij ons wezenlijk een zeer grooten dienst
+bewijzen.&rdquo;</p>
+<p>Binnen een half uur hadden Willem en Juno zes schildpadden
+aangebracht. Een poosje later kwam ook Flink naar het blokhuis
+terug.</p>
+<p>&bdquo;Ik kan onze geit nergens vinden, Willem,&rdquo; zeide hij;
+&bdquo;maar daar wij toch ook geen voer voor haar hebben, kan zij
+evengoed buiten blijven. Als <span class="pagenum">[<a id="pb260" href=
+"#pb260" name="pb260">260</a>]</span>zij zulke vreeselijke gedaanten,
+als die wilden, ontdekt, zal zij zeker wel een goed heenkomen
+zoeken.&rdquo;</p>
+<p>De vaten werden nu aan een kant gerold en tegen de wanden der
+omheining opgezet, waarna men er planken overheen legde, op welke men
+hoog genoeg staan kon om over de palissade heen te zien en te vuren.
+Mevrouw Wilson had zich laten wijzen, hoe men de geweren laden moest,
+en Juno werd nu ook in dit werk onderricht.</p>
+<p>&bdquo;Nu, mijnheer, zijn wij op alles voorbereid,&rdquo; zeide de
+oude stuurman. &bdquo;Mevrouw en Juno kunnen nu eens naar de kinderen
+omzien en zorgen, dat wij iets te eten krijgen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ikke &rsquo;t al klaar hebben. Water al koken heelen
+tijd,&rdquo; berichtte Juno.</p>
+<p>Zoodra de kinderen waren aangekleed, riep mijnheer Wilson den ouden
+Flink, die buiten was en de kano&rsquo;s gadesloeg, in de woonkamer, en
+gebruikte men haastig een ontbijt, ofschoon allen, gelijk men wel
+denken kan, te zeer gespannen waren om met smaak te kunnen eten. De
+moeder drukte hare kinderen aan haar hart; doch haar moed hield zich
+verwonderlijk goed staande.</p>
+<p>&bdquo;Deze angstige spanning is &rsquo;t ergste van alles,&rdquo;
+sprak zij ten laatste. &bdquo;Ik wou, dat zij eindelijk toch maar
+kwamen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zal ik Flink eens gaan opzoeken, lieve, en hooren hoe
+&rsquo;t is? In drie minuten ben ik weer bij u.&rdquo;</p>
+<p>Hij keerde ook zeer spoedig terug en berichtte, dat de kano&rsquo;s
+thans zeer dicht bij de kust waren. De wilden moesten zekerlijk de
+doorvaart door de klippen kennen, want zij hadden daar regelrecht op
+aangehouden en de zeilen laten vallen. Flink en Willem stonden op den
+uitkijk, maar zorgden wel, dat men hen niet zien kon.</p>
+<p>&bdquo;Ik hoop, dat zij niet te lang uitblijven.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maak u over hen niet ongerust, lieve Selina; &rsquo;t is het
+best, dat zij de bewegingen van den vijand tot op het laatste oogenblik
+bespieden.&rdquo;</p>
+<p>Terwijl vader en moeder dus in het blokhuis wachtten, sloegen Willem
+en Flink de wilden en al hunne bewegingen met de meeste oplettendheid
+gade. Tien of elf kano&rsquo;s hadden nu hunne bemanning ontscheept; de
+anderen volgden dit voorbeeld, zoo vlug als zij konden, en zochten zich
+haastig tusschen de klippen door te werken. De wilden waren allen
+beschilderd, in krijgsmantels, met pluimen op het hoofd. Hunne wapens
+bestonden in lansen en knotsen, en blijkbaar waren zij met een
+allesbehalve vredelievend opzet gekomen.</p>
+<div class="figure xd21e6253width"><img src="images/p260.jpg" alt=
+"Blijkbaar waren zij met een alles behalve vredelievend opzet gekomen."
+width="489" height="720">
+<p class="figureHead">Blijkbaar waren zij met een alles behalve
+vredelievend opzet gekomen.</p>
+</div>
+<p>In den beginne hadden zij het druk met de kano&rsquo;s op het droge
+te trekken, <span class="pagenum">[<a id="pb261" href="#pb261" name=
+"pb261">261</a>]</span>en daar deze zeer groot en zwaar waren, verliep
+er wel een kwartier, voordat dit door allen was geschied. Willem had
+dus tijd, om hen nauwkeurig op te nemen.</p>
+<p>&bdquo;Wat schijnt dat een ruwe, wreede bende booswichten te
+zijn<span class="corr" id="xd21e6263" title="Bron: .">,</span>
+Flink!&rdquo; merkte hij aan. &bdquo;Als zij ons in handen kregen,
+zouden zij ons zeker allen vermoorden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Daar behoeven wij volstrekt niet aan te twijfelen, Willem; en
+we moeten ons dus dapper weren en zorgen, dat we uit hunne handen
+blijven. Van kant maken willen zij ons zeker, en ik zou welhaast
+gelooven, dat zij ons dan ook nog opeten zouden; ofschoon dat laatste
+ons dan zooveel niet deren zou.&rdquo;</p>
+<p>Willem huiverde bij deze gedachte, maar antwoordde toch op vrij
+vasten toon:</p>
+<p>&bdquo;Ik zal vechten, zoolang ik nog adem heb. Maar zie Flink, nu
+komen zij opzetten, al wat zij loopen kunnen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, ja, recht op het oude huis toe. Wij mogen nu niet langer
+wachten.&mdash;Kom jongen kom!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik verbeeldde mij daar straks, toen wij omkeerden, ginds
+achter het landpunt nog een ander schip onder zeil te zien,
+Flink.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Licht mogelijk; misschien een kano, die van nacht van de
+anderen is afgeraakt. Kom gauw, Willem.&mdash;Luister! ze hebben hun
+krijgsgeschreeuw al aangeheven.&rdquo;</p>
+<p>Eene minuut later stonden zij voor de poort van het blokhuis. Zij
+traden binnen, sloten de deur achter zich dicht en verzekerden die met
+sterke balken, die van binnen in posten sloten.</p>
+<p>&bdquo;Nu, hier zijn wij veilig genoeg,&rdquo; sprak Flink.
+<span class="corr" id="xd21e6283" title=
+"Bron: &rdquo; ">&bdquo;</span>En nu maar moed gehouden en ons dapper
+geweerd.&rdquo;</p>
+<p>Het gillend geschreeuw der wilden vervulde mevrouw Wilson met
+ontzetting en angst. &rsquo;t Was nog maar goed, dat zij de Indianen
+niet in hunne beschildering en in hun trotschen oorlogspronk gezien
+had, want dan zou zij nog veel meer verschrikt zijn geweest.</p>
+<p>De kleine Albert en Caroline klemden zich angstig aan haar hals; de
+ontsteltenis stond op hun gezicht te lezen. Geen van beiden gaf een
+enkel geluid; zij zagen slechts vol verslagenheid rond, als om te
+ontdekken, van waar dat ijzingwekkend gerucht kwam, en drongen bevend
+al dicht bij hunne moeder.</p>
+<p>Thomas daarentegen was bijzonder in de weer, daar hij nu over het
+ontbijt, dat de anderen verlaten hadden, geheel alleen baas was en
+niemand zijne gulzigheid te keer ging. Juno was buiten bezig en
+betoonde in alles veel moed en bedaardheid. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb262" href="#pb262" name="pb262">262</a>]</span></p>
+<p>Mijnheer Wilson had op zich genomen, in de palissade gaten te boren,
+zoodat men daar juist de trompen van de geweren doorheen steken en op
+de wilden vuren kon, zonder zelf aan gevaar te zijn bloot gesteld.
+Willem en Flink daarentegen stonden met geladen geweren op hun post en
+sloegen de nadering der vijanden gade.</p>
+<p>&bdquo;Ze zijn thans nog bij ons oude huis bezig, mijnheer,&rdquo;
+zeide Flink<span class="corr" id="xd21e6298" title="Bron: :">;</span>
+&bdquo;maar daar zullen ze zich zeker niet lang ophouden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Daar komen ze,&rdquo; fluisterde Willem. &bdquo;Zie eens,
+Flink, is dat niet eene van de vrouwen, die ons in haren kano
+ontsnapten&mdash;zie, die daar met de beide eerste mannen vooraan gaat?
+Ja, ja, zij is &rsquo;t, ik ben er zeker van.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Gij hebt gelijk, het is eene van die twee. Kijk, nu houden ze
+halt.&mdash;Aha! op het blokhuis waren ze niet bedacht, dat kan men wel
+merken. Dat heeft hen eenigszins van streek gebracht. Daar, zie eens,
+hoe zij de hoofden bij elkaar steken en druk aan &rsquo;t redeneeren
+gaan. Zij houden raad over hetgeen er thans gebeuren moet. Die slank
+opgeschoten man moet een van hunne opperhoofden zijn.&mdash;Ik zal
+vechten tot mijn laatsten ademtocht, Willem, dat is mijn vast besluit;
+maar ik heb er toch een afkeer van in zulk een geval een begin te
+maken. Ik zal mij dus boven de palissade laten zien<span class="corr"
+id="xd21e6305" title="Niet in bron">.</span> Vallen zij mij aan, dan
+kan ik met een gerust geweten op hen losbranden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar pas op, Flink, dat zij u niet raken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wees gerust, Willem.&mdash;Zie, daar komen zij al.&rdquo;</p>
+<p>Met deze woorden stapte Flink op de balken, die van binnen langs de
+palissade liepen, zoodat de wilden hem zien konden. Dezen stieten een
+vreeselijk gehuil aan, en minstens een dozijn speren vlogen naar de
+plaats, waar de oude man stond, en waren zoo goed gericht, dat zij hem
+ongetwijfeld gedood zouden hebben, indien hij zich niet oogenblikkelijk
+had gebukt.</p>
+<p>Drie of vier van de speren bleven in de bovensten rand der palissade
+steken; de overige vlogen daar overheen en vielen binnen in de
+omheining aan gene zijde van het woonhuis op den grond neder.</p>
+<p>&bdquo;Nu, Willem, maar scherp gemikt!&rdquo; Doch voordat Willem
+nog vuren konde, schoot zijn vader zijn geweer af, en het slank
+gewassen opperhoofd tuimelde ter aarde. Mijnheer Wilson had zich
+namelijk volgens afspraak derwijze in een hoek geplaatst, dat hij zien
+kon, als de wilden zich naar eene andere zijde heen wendden.</p>
+<p>Flink en Willem vuurden insgelijks, en men zag nog twee wilden onder
+het woest gehuil hunner makkers ter aarde storten. Juno gaf dadelijk de
+geladen geweren over en ontving daarvoor de andere, welke zij en
+mevrouw Wilson opnieuw laadden. <span class="pagenum">[<a id="pb263"
+href="#pb263" name="pb263">263</a>]</span></p>
+<p>De moeder had aan Caroline het opzicht over haar jongste broertje
+opgedragen. Aan Thomas had zij op het hart gedrukt, dat hij zich heel
+stil en bedaard moest houden, waarna zij de deur toesloot en bij Juno
+kwam, om met deze voor het laden der geweren te zorgen.</p>
+<p>Nu suisden de speren der wilden door de lucht en het was een geluk
+voor onze kolonisten, dat zij goed gedekt achter hunne palissade vuren
+konden, daar zij anders onvermijdelijk verloren waren geweest. Het
+geschreeuw en gehuil werd gestadig heviger, en de wilden begonnen nu
+den aanval aan alle zijden. De rapsten en moedigsten onder hen
+klauterden als katten tegen de palissade op en bereikten ook werkelijk
+den bovensten rand; doch zoodra hunne hoofden daar zichtbaar werden,
+trof hen ook onfeilbaar de kogel der verdedigers en stortten zij dood
+of zieltogend aan de buitenzijde neder.</p>
+<p>Zoo hield het gevecht veel langer dan een uur aan, totdat de
+Indianen, die reeds een aanmerkelijk verlies geleden hadden, eindelijk
+van den strijd afzagen, waardoor de verdedigers weer tijd kregen om wat
+adem te scheppen.</p>
+<p>&bdquo;Nu, bij dezen eersten aanval hebben zij toch bitter weinig
+gewonnen,&rdquo; begon Flink. &bdquo;Wij hebben ons dapper geweerd en
+vooral gij, Willem, hebt u gehouden alsof ge tot soldaat in de wieg
+waart gelegd. Ik geloof niet, dat gij uw doel ook maar
+&eacute;&eacute;ne enkele maal gemist hebt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Denkt gij, dat zij nu aftrekken zullen?&rdquo; vroeg mevrouw
+Wilson.</p>
+<p>&bdquo;O, neen, mevrouw, nu nog niet. Ze zullen eerst al &rsquo;t
+mogelijke beproeven, voordat zij ons voor goed verlaten. Gij hebt zelve
+wel bespeurd, dat het een dapper slag van volk is en men kan zien, dat
+zij met kruit bekend zijn, daar dit hen anders veel erger had doen
+schrikken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat geloof ik ook,&rdquo; sprak mijnheer Wilson. &bdquo;Als
+de wilden den knal van geweren voor de eerste maal hooren, zijn zij
+doorgaans geheel verplet en verslagen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, mijnheer; maar dat was bij dit volk hier niet het geval,
+weshalve ik geloof, dat het wel niet de eerste keer zal wezen, dat zij
+met Europeanen slaags zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zijn zij al weg, Flink?&rdquo; vroeg Willem, die van de
+hoogte was afgeklommen, om zijne moeder te omhelzen.</p>
+<p>&bdquo;Neen jongen; ik zie hen thans tusschen de boomen. Zij zitten
+in een kring in het rond en houden denkelijk eene gemeenschappelijke
+beraadslaging, zooals dat bij die wilde stammen gebruikelijk
+is.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Nu, ik heb een brandenden dorst,&rdquo; zeide Willem.
+&bdquo;Juno, breng mij toch gauw eens wat water.&rdquo;</p>
+<p>De zwarte meid ging naar de waterton, om aan Willems verlangen te
+<span class="pagenum">[<a id="pb264" href="#pb264" name=
+"pb264">264</a>]</span>voldoen, maar kwam na weinige oogenblikken met
+ledige handen en hevig ontsteld terug.</p>
+<p>&bdquo;O, massa! O, mevrouw! geen water! Water allemaal
+weg!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat, al &rsquo;t water weg?&rdquo; riepen allen in
+&eacute;&eacute;n adem.</p>
+<p>&bdquo;Niet een sikkepitje meer in de ton is!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik heb die toch tot den rand toe gevuld!&rdquo; riep Flink.
+&bdquo;Ook kon ik niet merken, dat ze eenig lek had. Hoe is dat dus
+mogelijk?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O, nu ikke &rsquo;t al wel begrijpen, mevrouw!&rdquo; riep
+Juno. &bdquo;Gij weet wel, wij wasschen voor een dag of drie en toen
+ikke massa Thomas zenden met kleine emmertje water halen uit de bron.
+Hij toen zoo gauw weerom komen en mevrouw toen zeggen, dat hij zoete
+jongen was en ook vertellen aan mijnheer. Nu massa Thomas zeker te lui
+geweest, om te loopen naar de bron en al het water tappen uit het vat,
+en toen vat is leeggeloopen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik vrees, dat gij gelijk hebt, Juno,&rdquo; sprak de
+moeder.</p>
+<p>&bdquo;Wat moeten wij nu aanvangen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ikke gaan en sinjeur Thomas spreken,&rdquo; riep Juno en
+vloog in huis.</p>
+<p>&bdquo;Dat is een zeer droevig geval, mijnheer,&rdquo; merkte Flink
+ernstig aan.</p>
+<p>Mijnheer Wilson schudde bedenkelijk het hoofd. Allen zagen het
+hachelijke van hun toestand zeer goed in. Indien de wilden het eiland
+niet verlieten, moesten zij of van dorst omkomen of zich overgeven, en
+in &rsquo;t laatste geval konden zij er stellig op rekenen, dat hun
+leven verloren was.</p>
+<p>Juno kwam terug; haar vermoeden was gegrond geweest. Thomas had zich
+gestreeld gevoeld, dat men hem om zijne vlugheid prees, en had de kraan
+uit het vat getrokken, zoodat al het water wegliep. Hij begon nu weer
+hardop te schreien en beloofde naar gewoonte, dat hij het van zijn
+leven niet weer doen zou.</p>
+<p>&bdquo;Zijne beloften komen te laat!&rdquo; zuchtte de vader.
+&bdquo;Zoo zullen al onze zorgvuldige maatregelen en voorzorgen tegen
+dezen aanval door de lichtzinnigheid van een kind verijdeld worden en
+zullen wij ons in &rsquo;t eind aan onze vijanden moeten
+overgeven.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Helaas ja, mijnheer!&rdquo; zeide Flink. &bdquo;Wij hebben
+geen ander vooruitzicht meer, dan dat de wilden afgeschrikt worden en
+het eiland spoedig verlaten.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Als ik maar iets voor de kinderen had; ik zelve zou er mij
+wel buiten behelpen!&rdquo; klaagde mevrouw Wilson; &bdquo;maar de arme
+kleinen zoo te zien lijden!&mdash;Is dan nog niet ergens een weinigje
+te vinden, Juno!&rdquo;</p>
+<p>Deze schudde het hoofd. &bdquo;Allemaal weg, mevrouw; niemendal meer
+wezen.&rdquo;</p>
+<p>De moeder zeide nu, zelve nog eens te willen rondzien, en ging met
+Juno in huis.</p>
+<p>&bdquo;Dat is een vreeselijk, vreeselijk ding, Flink!&rdquo; merkte
+mijnheer Wilson <span class="pagenum">[<a id="pb265" href="#pb265"
+name="pb265">265</a>]</span>aan. &bdquo;Wat zouden wij thans niet voor
+eene regenbui geven, als wij de waterdroppels opvangen
+konden!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;De lucht ziet daar niet naar uit, mijnheer,&rdquo; gaf de
+oude man ten antwoord.</p>
+<p>&bdquo;Ik wou, dat de wilden maar weer kwamen opzetten,&rdquo; zeide
+Willem. &bdquo;Hoe gauwer ze komen, des te eer zal alles beslist
+zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik geloof niet, dat ze zich vandaag bij licht weer vertoonen
+zullen. In den nacht verwacht ik hen echter zeker en zulk een aanval
+bij nacht vrees ik tienmaal meer, dan een bij dag. In allen gevalle
+moeten wij er onze maatregelen tegen nemen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Goed; maar wat kunnen wij doen, Flink?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Vooreerst moeten wij boven onze palissade nieuwe planken van
+den eenen boom tot den anderen spijkeren; om onze verschansing aldus
+hooger te maken, zoodat de wilden ze minder gemakkelijk beklauteren
+kunnen. Eenigen waren op het punt van zich er overheen te wringen. Als
+wij dit doen, hebben wij ook geen zoo groote ruimte meer te bewaken en
+te verdedigen. Vervolgens moeten wij een groot vuur ontsteken, om niet
+geheel in het donker te vechten. Dit geeft aan onze vijanden wel het
+voordeel, dat zij door de spleten tusschen de palen heenkijken en
+afloeren kunnen waar wij staan, doch daar zij hunne speren toch niet
+zoo ver doordrijven zullen, kan dat ons zooveel kwaad niet. Het vuur
+moeten wij in &rsquo;t midden van de palissade aanleggen en er braaf
+teer bijgieten, zoodat het helder brandt, en natuurlijk mogen wij het
+niet aansteken, voordat men ons aanvalt. Dan kunnen wij zien, waar zij
+trachten in te dringen en op welk punt wij dus te vuren
+hebben.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat voorstel is goed<span class="corr" id="xd21e6399" title=
+"Niet in bron">,</span> Flink,&rdquo; antwoordde mijnheer Wilson.
+&bdquo;Bestond dat ongelukkig gebrek aan water niet, ik zou
+waarschijnlijk hoop hebben, dat <span class="corr" id="xd21e6402"
+title="Bron: alle">alles</span> nog goed ging.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wij zullen daardoor zekerlijk veel te lijden hebben,
+mijnheer; maar wie kan weten, wat de dag van morgen
+aanbrengt?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is waar, Flink.&mdash;Kunt gij iets van de wilden
+zien?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen. Ze hebben de plaats verlaten, waar zij raad hielden en
+ik hoor niets meer van hen. Ik vermoed, dat zij zich op dit oogenblik
+met hunne dooden en gekwetsten bezighouden.&rdquo;</p>
+<p>Wat Flink voorspeld had, gebeurde ook werkelijk. Dien dag werd er
+geen nieuwe aanval meer ondernomen en allen waren volijverig bezig met
+het maken van toebereidselen tegen den nacht. Zij spijkerden boven de
+palissade nieuwe posten en planken aan de boomstammen, zoodat drie
+zijden van hunne verschansing althans vijf voet hooger werden en
+moeielijk meer te <span class="pagenum">[<a id="pb266" href="#pb266"
+name="pb266">266</a>]</span>beklimmen waren. Bovendien werd eene groote
+teerton met kokosbladeren, teer en hout opgevuld, zoodat men tegen dat
+het vereischt werd, een helder vlammend vuur in gereedheid had.</p>
+<p>Aan middag- of avondeten mochten zij echter niet denken, want zij
+hadden niets dan pekelvleesch en levende schildpad en Flink gaf hun den
+raad, om liever in het geheel niets te gebruiken, daar eten den dorst
+slechts vermeerderen moest.</p>
+<p>De arme kinderen hadden daardoor veel uit te staan; de kleine Albert
+kermde en riep gedurig: &bdquo;Water, water!&rdquo; Caroline wist, dat
+dit er niet was, en hield zich stil,&mdash;het arme schaap, ofschoon
+&rsquo;t gemis haar zeer zwaar viel. Thomas echter, de oorzaak van al
+deze ellende, was de ongeduldigste van allen en gierde van tijd tot
+tijd zoo luid, dat Willem, die innerlijk woedend op hem was, hem
+eindelijk een duchtigen oorveeg gaf, waarop hij, uit vrees dat er een
+andere volgen mocht, nog slechts stil bleef voortkreunen.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch57" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">ZEVEN-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">AANVAL BIJ NACHT.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De schemering was nauwelijks gevallen, toen het kermen
+der kinderen op eens door het gillend gehuil der wilden overschreeuwd
+werd, die thans, gelijk Flink wel voorzegd had, een nachtelijken aanval
+beproeven wilden.</p>
+<p>Op alle punten te gelijk werd de omheining nu aangevallen en de
+wilden gaven zich alle moeite, om over den wand heen te klauteren. Van
+tijd tot tijd werden er enkele speren geslingerd en het was blijkbaar,
+dat zij zich door hunne overmacht den toegang hoopten te
+verschaffen.</p>
+<p>Het was recht goed, dat Flink de voorzichtigheid had gehad van
+nieuwe planken boven de oorspronkelijke palissade te spijkeren, want
+anders zouden de wilden zonder twijfel hun opzet bereikt hebben. Nog
+voordat het vuur, dat Juno op Flinks bevel ontstoken had, genoeg
+helderheid verspreidde, waren reeds drie of vier van de stormers op de
+palissade geklauterd, maar op het oogenblik dat zij zich daarboven
+vertoonden, door Willem en zijn vader neergeschoten.</p>
+<p>Toen het vuur eerst recht helder opvlamde, kon men beter op de
+Indianen mikken, en velen hunner vielen bij de poging om over de
+palissade te komen. De aanval duurde over het uur. Toen schenen de
+wilden in te zien, dat het <span class="pagenum">[<a id="pb267" href=
+"#pb267" name="pb267">267</a>]</span>hun op deze wijze niet zou
+gelukken, en trokken andermaal terug, terwijl zij hunne dooden en
+gekwetsten evenals vroeger medenamen.</p>
+<p>&bdquo;Nu, hoop ik, zullen zij zich toch weder inschepen en het
+eiland verlaten,&rdquo; sprak mijnheer Wilson, zich tot Flink
+wendende.</p>
+<p>&bdquo;Ik wensch van harte, dat zij dat doen mogen, mijnheer. Het is
+niet zoo heel onmogelijk, ofschoon men &rsquo;t nog niet met zekerheid
+zeggen kan. Ik heb al nagedacht, of wij hunne verdere bewegingen ook
+van eenig hooggelegen punt bespieden konden. Ziedaar den
+kokosboom,&rdquo; vervolgde hij en wees op een van de boomen, die in
+hunne palissadenlinie stonden: &bdquo;hij is veel hooger dan al de
+anderen, en als wij van voet tot voet groote spijkers daarin slaan,
+kunnen wij hem gemakkelijk beklimmen en van die hoogte de gansche baai
+overzien. Dan wisten wij althans wat de vijand in zijn schild
+voert.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, dat is waar, Flink, maar stelt men zich niet te zeer
+bloot, door daar naar boven te klimmen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O, neen, mijnheer; gij ziet immers, de kokosboomen zijn
+rondom op zulk een afstand van de palissade geveld, dat geen van de
+wilden naderen kan, zonder van dien uitkijk zoo tijdig gezien te
+worden, dat hij, die boven is, weer omlaag kan komen, nog voordat zijn
+vijand in staat is zijne speer te gebruiken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;In allen gevalle zou ik &rsquo;t echter niet
+v&oacute;&oacute;r het aanbreken van den dag beproeven, daar wij toch
+niet weten, of er niet eenigen aan den voet van de palissade op den
+loer liggen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is zeker wel mogelijk, mijnheer; en daarom zullen wij het
+tot den vroegen morgen uitstellen. Gelukkig hebben wij nog genoeg
+groote spijkers overgehouden.&rdquo;</p>
+<p>Na dit gesprek ging mijnheer Wilson in huis. Flink gaf aan Willem
+den raad, om zich neer te leggen en een paar uren te slapen, terwijl
+hijzelf de wacht zou houden. Als dan mijnheer Wilson tegen den morgen
+weer buitenkwam, kon hijzelf nog eene poos uitrusten.</p>
+<p>&bdquo;Ik kan niet slapen, Flink! Ik kan mijn dorst onmogelijk meer
+overwinnen,&rdquo; gaf Willem geheel verslagen ten antwoord.</p>
+<p>&bdquo;Ja, beste jongen, &rsquo;t is zekerlijk een zware pijn; ik
+voel dat evengoed als gij. En wat moeten die arme kleinen er niet onder
+lijden! Ik beklaag hen van harte.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Het meeste medelijden heb ik met moeder, Flink,&rdquo;
+vervolgde Willem. &bdquo;Het moet vreeselijk voor haar zijn, het lijden
+der kleinen zoo aan te zien en hen toch niet te kunnen helpen.&rdquo;
+<span class="pagenum">[<a id="pb268" href="#pb268" name=
+"pb268">268</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Ja, waarlijk, Willem, dat moet voor eene moeder een
+vreeselijk lijden wezen. Misschien hebben de wilden zich echter morgen
+vroeg uit de voeten gemaakt, en dan heeft ons lijden op eens een
+einde.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik hoop, dat het zoo wezen zal, Flink; evenwel schijnen zij
+mij moedig en vastberaden toe.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, zeker,&mdash;voor hen is ijzer zooveel als goud, en wat
+doen beschaafde menschen al niet om goud te winnen! Kom, kom, Willem,
+ga toch althans een poosje liggen, al kunt gij ook niet
+slapen.&rdquo;</p>
+<p>Intusschen had mijnheer Wilson zijne arme vrouw en kinderen bezocht.
+De kleinen jammerden nog altijd om water, in weerwil van alles wat de
+goede moeder beproefde om hen tot bedaren te brengen, terwijl ze tranen
+van wanhoop vergoot, als ze zich over haar lieven kleinen Albert
+neerboog.</p>
+<p>Juno was naar buiten gegaan en had met eene schop zoo diep in den
+grond gegraven, als ze maar kon, in de flauwe hoop van toch misschien
+eenig water te zullen vinden,&mdash;maar vruchteloos. Treurig en
+radeloos kwam zij naar huis terug.</p>
+<p>Er was geen ander middel dan geduld en volharding. Geduld kon men
+echter van zulke kleine kinderen onmogelijk verwachten. De kleine
+Caroline alleen scheen bedaard en sprak geen woord.</p>
+<p>Mijnheer Wilson bleef nog twee of drie uren bij zijn vrouw en hielp
+haar de kinderen stilhouden, zoo goed dat gaan wilde. Eindelijk kwam
+hij buiten en vond Flink nog op zijn post.</p>
+<p>&bdquo;Ach, vriend,&rdquo; zuchtte hij, &bdquo;ik stond liever
+honderdmaal een aanval van die wilden door, dan dat ik nog vijf minuten
+langer in huis ware gebleven en de ellende van vrouw en kinderen mede
+had aangezien<span class="corr" id="xd21e6473" title=
+"Bron: ,">.</span>&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat geloof ik gaarne, mijnheer,&rdquo; antwoordde de oude
+man. &bdquo;Maar houd moed en laat ons het beste hopen. Ik houd het
+voor heel waarschijnlijk, dat de wilden na deze tweede nederlaag het
+eiland verlaten zullen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik wou, dat ik &rsquo;t zelfde gelooven kon, Flink; het zou
+mij innig gelukkig maken.&mdash;Doch ik kom hier, om de wacht van u
+over te nemen. Wilt gij ook niet een poosje rusten?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, mijnheer als gij &rsquo;t goedvindt, ga ik dan ook wat
+liggen. Over twee uren kunt gij mij weer roepen: de dag zal dan juist
+aanbreken, en dan wil ik aan het werk gaan, terwijl gijzelf ook eenige
+rust geniet.<span class="corr" id="xd21e6482" title=
+"Niet in bron">&rdquo;</span></p>
+<p>Mijnheer Wilson nam zijn post op de palissade in en bleef aan zijne
+eigene gedachten overgelaten.</p>
+<p>Met het krieken van den dag werd Flink wakker en loste mijnheer
+Wilson af. Deze ging echter niet in huis terug, maar legde zich op de
+<span class="pagenum">[<a id="pb269" href="#pb269" name=
+"pb269">269</a>]</span>boomtakken neder, waar Flink aan Willems zijde
+had uitgerust.</p>
+<p>Zoodra de oude man hamer en spijkers bij de hand had, riep hij
+Willem om hem te helpen en gezamenlijk begonnen zij nu de spijkers in
+een kokosboom te slaan, waarbij een van hen voortdurend naar de wilden
+uitkeek, terwijl de ander het werk voortzette.</p>
+<p>In minder dan een uur waren zij tot de bovenste takken onder den
+kruin gevorderd, op welke hoogte zij een uitgestrekt gezicht over de
+baai en het eiland hadden. Willem had het laatste dozijn spijkers in
+den stam geslagen en was de eerste, die boven uitzien kon. Na eenigen
+tijd keerde hij tot zijn ouden vriend terug.</p>
+<p>&bdquo;Ik kan alles overzien, Flink. Ze hebben het oude huis geheel
+omvergehaald; de meeste mannen zijn daar in het rond gelegerd en slapen
+onder hunne krijgsmantels. Sommigen van de vrouwen loopen van de
+kano&rsquo;s heen en weer. De kano&rsquo;s liggen aan het
+strand.<span class="corr" id="xd21e6497" title=
+"Niet in bron">&rdquo;</span></p>
+<p>&bdquo;Zij hebben het oude huis zeker alleen overhoop gehaald, om
+althans de spijkers mee te nemen. Hebt gij niets van hunne dooden
+bemerkt?&rdquo;</p>
+<p><span class="corr" id="xd21e6504" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>Neen, ik heb niet lang rondgekeken, maar
+wil nog eens naar boven klimmen. Ik kwam beneden, omdat de handen mij
+zeer deden van het lange kloppen, dewijl de hamer zoo zwaar te houden
+was. Over een paar minuten zal ik gemakkelijk weer boven komen. De
+lippen branden mij, Flink; ze zijn geheel opgezwollen en het vel barst
+mij open. Ik had nooit gedacht, dat de dorst zoo iets vreeselijks was.
+Wezenlijk, onze arme Thomas is al meer dan genoeg gestraft.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Een kind denkt nooit aan de gevolgen, Willem. Ook hadden wij
+nooit kunnen denken, dat zijne onnoozelheid zooveel ellende veroorzaken
+zou. Het was enkel een van zijn kinderachtige streken en wat er ook de
+gevolgen van wezen mogen, moeten we hem die toch nooit hard te laste
+leggen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik had gehoopt, in de boomen boven nog een paar kokosnooten
+te vinden; maar daar was geen enkele te zien.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En al hadt ge ook een gevonden, er zou in dit jaargetij toch
+geen melk in zijn. Als de wilden zich evenwel vandaag niet uit de
+voeten maken, Willem, dan moet er iets gedaan worden. Ik wou wel, dat
+gij nog eens naar boven klomt en rondzaagt, of ze nog in het geheel
+geen toebereidselen maken om af te trekken.&rdquo;</p>
+<p>Willem klauterde dus nog eens omhoog en bleef daar eenige minuten
+scherp rondkijken.</p>
+<p>&bdquo;Nu zijn zij allen op de been en zwermen als bijen
+rond,&rdquo; berichtte hij, toen hij weder beneden was. &bdquo;Mannen
+telde ik twee honderd en zestig, met <span class="pagenum">[<a id=
+"pb270" href="#pb270" name="pb270">270</a>]</span>krijgsmantels om en
+pluimen op het hoofd. De vrouwen gaan op en af en halen water bij de
+bron. Bij de kano&rsquo;s is anders niemand, dan acht of tien vrouwen
+misschien, die zich met de handen tegen het hoofd slaan en allerlei
+vreemde fratsen maken. Ik begrijp niet recht wat zij eindelijk
+uitvoeren; maar allen maken dezelfde wonderlijke bewegingen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Aha, ik weet al wat zij doen, Willem. Zij snijden zichzelven
+met messen of ander scherp tuig;&mdash;dat is zoo het gebruik bij dit
+volk. Al de dooden worden in kano&rsquo;s neergelegd en die vrouwen
+weeklagen thans over hare lijken. Misschien dat zij nu toch aftrekken,
+omdat de dooden reeds in de kano&rsquo;s gebracht zijn;&mdash;doch dat
+moeten wij afwachten.&rdquo;</p>
+<p>Men kon uit den top van den kokosboom bespeuren, dat de wilden des
+voormiddags een krijgsraad hielden: want zij zaten allen in een wijden
+kring in het rond en een hunner stond op en hield eene rede, waarbij
+hij met wilde gebaren speer en knots over zijn hoofd rondzwaaide.</p>
+<p>Later ging de vergadering uiteen en men zag de wilden overal met het
+vellen van boomen bezig, waarvan zij het rijs zorgvuldig <span class=
+"corr" id="xd21e6525" title=
+"Bron: bijeenbrachtten">bijeenbrachten</span>. Flink sloeg hen een
+geruimen tijd nauwlettend gade en kwam eindelijk v&oacute;&oacute;r
+zonsondergang weer van zijn boom beneden.</p>
+<p>&bdquo;Mijnheer Wilson,&rdquo; sprak hij, &bdquo;naar mijn oordeel
+zal men ons van nacht met rust laten, maar hebben wij morgen een
+ernstigen aanval te wachten<span class="corr" id="xd21e6530" title=
+"Niet in bron">.</span> De wilden vellen boomen en maken groote
+takkenbossen klaar. Dat gaat wel wat langzaam in zijn werk, omdat hunne
+bijlen van steen en niet al te scherp zijn; maar met hun ijver en hun
+groot aantal handen kunnen zij toch veel af, te meer, daar ik vermoed,
+dat zij den ganschen nacht zullen doorwerken, tot zij zooveel
+takkenbossen bij elkander hebben als noodig is.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat denkt gij dan wel, Flink, dat zij met dat boomen omkappen
+en die takkenbossen van zins zijn?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ze zullen die &oacute;f hoog voor onze palissade opstapelen,
+om zoo daar overheen te kunnen komen, &oacute;f ze zullen ze op hoopen
+leggen en in brand steken, om ons door vuur uit onze sterkte te
+verdrijven.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Denkt gij, dat hun dat gelukken zal?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Niet zonder zeer zwaar verlies. Misschien gelukt het ons nog,
+hen af te slaan; doch een harde worsteling is ophanden, veel zwaarder
+dan wij tot hiertoe nog gehad hebben. De vrouwen moeten ons vlijtig de
+geweren helpen laden, zoodat wij zoo snel mogelijk vuren kunnen. Hunne
+poging om onze verschansing in brand te steken, zou ik zooveel niet
+achten, als die rook er maar niet bij was. De kokosstammen, vooral als
+daar, gelijk bij onze palissaden, de bast nog omzit, smeulen eerst
+langen tijd, voordat ze <span class="pagenum">[<a id="pb271" href=
+"#pb271" name="pb271">271</a>]</span>vlam vatten en het vuur der
+takkenbossen kan niet lang aanhouden, al is het in den beginne ook nog
+zoo geweldig.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar Flink, bedenk eens, hoe kunnen wij bij ons tegenwoordig
+gebrek aan water nog kracht genoeg overhouden om onzen vijand midden in
+een verstikkenden kring van rook en vlammen het hoofd te bieden? Wij
+moeten immers zeker van uitputting bezwijken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wij moeten het beste hopen, mijnheer Wilson, en onze uiterste
+krachten inspannen. Mocht mij in het gevecht iets overkomen, mijnheer,
+vergeet dan niet om, ingeval er geen ander behoud meer opzit, van den
+rook gebruik te maken, om door het woud een uitweg naar de zuidkust te
+zoeken. Ik twijfel niet, of dat zal u wel gelukken. De aanval wordt
+natuurlijk van de oostzijde ondernomen, van waar thans de wind waait.
+Gij moet dus naar het westen zien te ontkomen.&mdash;Ik heb Willem al
+gewezen, hoe men door de palissade heen breken kan als de nood het
+vordert. Als de wilden ons blokhuis innemen, zullen zij in het eerste
+oogenblik niet aan u denken. Misschien dat ze zich in het geheel niet
+meer om u bekommeren, als zij eenmaal van alles wat in huis is meester
+zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar waarom zegt gij dat zoo&mdash;&bdquo;als mij iets mocht
+overkomen,<span class="corr" id="xd21e6550" title=
+"Niet in bron">&rdquo;</span> Flink?&rdquo; vroeg Willem bezorgd.</p>
+<p>&bdquo;Ei, jongen, omdat de wilden mij evengoed als u kwetsen of
+dooden kunnen, als zij de takkenbossen zoo hoog opstapelen, dat het hun
+gelukt, over de palissade heen te komen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Natuurlijk,&rdquo; hernam Willem; &bdquo;maar vooreerst zijn
+zij hier nog niet binnen en het zal hun bloed kosten, voordat zij het
+zoover hebben gebracht.&rdquo;</p>
+<p>Flink bood zich nu aan, om de wacht te houden tot twaalf uren,
+wanneer hij den heer Wilson wekken wilde.</p>
+<p>Zij hadden gedurende de beide laatste dagen slechts zeer weinig
+gegeten. Men had eene schildpad geslacht en er eenige stukken van
+gebraden; maar het eten vermeerderde hun dorst slechts en zelfs de
+kinderen versmaadden alle spijs. De ellende der familie was thans tot
+eene vreeselijke hoogte geklommen en de arme moeder was der wanhoop
+nabij.</p>
+<p>Zoodra mijnheer Wilson in huis terug was gegaan, riep Flink Willem
+en zeide tot hem:</p>
+<p>&bdquo;Luister, Willem; wij moeten noodzakelijk water hebben. Ik kan
+het jammeren der kleinen en den vreeselijken doodsangst van uwe goede
+moeder onmogelijk langer aanzien. Bovendien zouden wij zonder water
+geheel buiten staat zijn, om de wilden morgen af te slaan. Wij moeten
+immers letterlijk stikken, zoodra zij het vuur tegen onze palissade
+leggen. Ik heb daarom <span class="pagenum">[<a id="pb272" href=
+"#pb272" name="pb272">272</a>]</span>besloten, om een van onze tonnen
+te nemen, en ze aan de bron te gaan vullen. Misschien gelukt mij dat,
+misschien ook niet,&mdash;maar <span class="corr" id="xd21e6568" title=
+"Bron: beproven">beproeven</span> moet ik het. Val ik,&mdash;nu, dan is
+het niet anders!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Waarom wilt gij mij niet liever laten gaan Flink?&rdquo;
+vroeg Willem.</p>
+<p>&bdquo;Om vele redenen niet, beste jongen. De voornaamste daarvan
+is, dat ik niet geloof, dat gij er zoo goed toe in staat zoudt zijn,
+als ik mogelijk. Ik zal den mantel en de pluimen van een der wilden,
+die binnen de palissade vielen, nemen en met behulp van die verkleeding
+mijn plan misschien gelukkig volbrengen. Wapens zal ik, met
+uitzondering van een enkele speer, niet meenemen, omdat die mij slechts
+hinderen en de last, dien ik te dragen heb, onnoodig verzwaren zouden.
+Let nu wel op, beste jongen. Gij moet mij de poort uitlaten; als ik
+buiten ben, schuift gij tot meerdere zekerheid een van de kruisbalken
+er voor. Dit zal de poort, ingeval van een aanval, wel zoolang doen
+houden, totdat het gelukt er ook de andere palen voor te leggen. Wacht
+dan mijne terugkomst af en houd u klaar om mij dadelijk weer binnen te
+laten. Zeg, Willem, hebt gij mij goed begrepen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Jawel, Flink; maar ik moet bekennen, dat een doodelijke angst
+mij overvalt.&mdash;Als u eens een ongeluk overkwam, wat zou dat een
+ontzettende slag voor ons wezen!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is nu eenmaal niet te veranderen, Willem. Water moet er
+komen, als &rsquo;t maar eenigszins mogelijk is; en nu is het oogenblik
+daartoe gunstiger dan later, als onze vijanden meer op hunne hoede
+zullen zijn.&rdquo;</p>
+<p>Flink ging nu eene ton opzoeken, die bij de twee emmers water
+bevatten kon. Vervolgens voorzag hij zich van den mantel en het
+hoofdversiersel van een wilde en nam het vat op den schouder en de
+speer in de hand. Willem schoof de dwarsbalken, die de deur sloten,
+zacht terug, en nadat Flink zich overtuigd had, dat achter de palissade
+niemand verscholen was, drukte hij Willem de hand, stak de open ruimte
+buiten de omheining over en verdween in het kokosbosch.</p>
+<p><a id="xd21e6582" name="xd21e6582"></a>Willem sloot de deur weder,
+gelijk hem gezegd was, schoof er zekerheidshalve een der dwarsbalken
+voor en bleef angstig wachtend op zijn post. Hij was in een staat van
+vreeselijke spanning; het minste geritsel, zelfs het zachtste suizen
+van den wind door de takken van het geboomte deed hem beven en rillen.
+Zoo stond hij ettelijke minuten met het geweer in de hand en gereed om
+op het eerste oogenblik vuur te geven.</p>
+<p>&bdquo;Nu wordt het tijd, dat hij terugkomt,&rdquo; dacht hij.
+&bdquo;De afstand is nauwelijks honderd passen en toch heb ik nog geen
+geluid vernomen.&rdquo; Eindelijk meende hij zachte voetstappen te
+hooren. Ja, het was werkelijk zoo; de <span class="pagenum">[<a id=
+"pb273" href="#pb273" name="pb273">273</a>]</span>oude man keerde terug
+en wel zonder dat hem iets was overkomen.</p>
+<p>Willem had de hand reeds aan den kruisbalk, om dezen weg te schuiven
+en de poort te openen;&mdash;daar hoorde hij plotseling een gerucht,
+als van twee, die aan het worstelen waren en kort daarop een zwaren
+val.</p>
+<p>Oogenblikkelijk rukte hij den balk weg en trok de deur open, juist
+toen Flink hem bij zijn naam riep. Met zijn geweer gewapend sprong
+Willem naar buiten. Daar vond hij Flink op den grond liggen en aan
+&rsquo;t worstelen met een wilde, die op hem lag en hem zijne speer op
+de borst had gezet. In een ommezien legde Willem zijn geweer aan en gaf
+vuur. De Indiaan plofte dood aan Flinks zijde neder.</p>
+<p>&bdquo;Neem schielijk het water aan, Willem!&rdquo; riep Flink, met
+flauwe stem. &bdquo;Ik zal beproeven of ik nog kracht genoeg heb om
+naar binnen te kruipen.&rdquo;</p>
+<p>De knaap greep het watervaatje en droeg dat binnen de verschansing.
+Toen vloog hij terug naar den ouden man, die op de knie&euml;n lag.</p>
+<p>Mijnheer Wilson was bij het hooren van dat schot oogenblikkelijk
+opgesprongen en naar buiten gesneld. Toen hij de poort open vond,
+volgde hij zijn zoon en zag, hoe deze den trouwen Flink zocht op te
+richten. Beide namen den braven oude onder een arm en zoo sleepten zij
+hem met moeite naar binnen. De poort werd aanstonds gesloten en nu
+eerst konden zij naar hun ouden vriend omzien.</p>
+<p>&bdquo;Zijt gij gewond, Flink?&rdquo; vroeg Willem met bevende
+lippen.</p>
+<p>&bdquo;Ja, beste jongen, dat ben ik,&mdash;doodelijk gewond, naar ik
+vrees. Zijne speer heeft mij de borst doorboord.&mdash;Water,
+schielijk, water!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ach, dat wij maar iets voor u hadden!&rdquo; jammerde
+mijnheer Wilson.</p>
+<p>&bdquo;Wij hebben het, vader!&rdquo; riep Willem. &bdquo;Maar het is
+duur betaald,&rdquo; voegde hij er treurig bij.</p>
+<p>Willem ging een glas halen, nam de spon uit het vat en liet het
+water loopen. Den eersten dronk bracht hij aan Flink, die het vocht
+gretig inzwolg.</p>
+<p><span class="corr" id="xd21e6610" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>Leg mij nu op deze kokosbladeren neer,
+mijn jongen.&mdash;Ga en geef aan den anderen ook wat te drinken; als
+zij allen gehad hebben, kom dan hier bij mij terug. Zeg uwe moeder
+niets van mijne verwonding.&mdash;Ga en doe wat ik u verzocht
+heb.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Vader, neemt gij het water,&mdash;neem, bid ik u,&rdquo; riep
+Willem. &bdquo;Ik kan mijn Flink niet verlaten.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat zal ik doen, mijn zoon,&rdquo; zeide mijnheer Wilson;
+&bdquo;maar drink eerst toch zelf een weinig.&rdquo;</p>
+<p>Willem, die eene onmacht nabij was, dronk het glas ledig. Terstond
+gevoelde <span class="pagenum">[<a id="pb274" href="#pb274" name=
+"pb274">274</a>]</span>hij zich als opnieuw gesterkt en wendde zich tot
+den ouden man, die voortdurend zwaar ademhaalde, maar geen woord
+sprak.</p>
+<p>De vader vloog heen, om aan vrouw en kinderen den lang gewenschten
+laafdronk te verstrekken.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch58" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">ACHT-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">ONVERWACHTE UITKOMST.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Willem had ondertusschen zijn armen vriend de
+kleederen uitgetrokken, om zijne wonden nader te kunnen onderzoeken. Na
+eene korte poos kwam zijn vader terug, die zijn versmachtend gezin in
+allerijl gedrenkt had.</p>
+<p>&bdquo;Het zou misschien beter zijn, dat wij hem naar dien anderen
+hoop bladeren droegen, hij zal daar veel gemakkelijker liggen,&rdquo;
+sloeg Willem voor.</p>
+<p>Flink fluisterde slechts: &bdquo;Meer water! Meer water!&rdquo; De
+knaap voldeed aan zijn verlangen en droeg hem toen, met behulp van zijn
+vader, naar een beter plaatsje. Zoodra zij hem daar neergelegd hadden,
+keerde Flink zich op de andere zijde om en een donkere bloedstroom
+gutste uit zijn borst.</p>
+<p>&bdquo;Nu voel ik mij beter,&rdquo; zeide hij op fluisterenden toon.
+&bdquo;Verbind de wonde, Willem. Een oud man, zooals ik, heeft niet
+veel bloed te verliezen.&rdquo;</p>
+<p>Mijnheer Wilson en Willem schoven zijn hemd ter zijde en
+onderzochten de wonde. De speer was hem diep in de longen gedrongen.
+Willem trok oogenblikkelijk zijn eigen hemd uit, scheurde het in
+stukken en verbond de wonde, zoodat er geen bloed meer uit kon
+vloeien.</p>
+<p>Flink had er, toen men hem van zijn eerste leger had opgenomen, zeer
+machteloos en uitgeput uitgezien; doch nu herstelde hij zich
+langzamerhand en kon weer zacht spreken.&mdash;Op dit oogenblik kwam
+mevrouw Wilson uit huis aansnellen.</p>
+<p>&bdquo;Waar is de goede, brave man&mdash;onze redder?&rdquo; riep
+zij. &bdquo;Ik moet hem zelve danken!&rdquo;</p>
+<p>Mijnheer Wilson vatte haar bij den arm.</p>
+<p>&bdquo;Hij is gewond, lieve vrouw; ik vrees zeer gevaarlijk gewond.
+Ik wilde u dat niet dadelijk zeggen.&rdquo;</p>
+<p>Hij zeide haar thans met weinige woorden wat er voorgevallen was en
+bracht haar toen bij Flinks leger. Mevrouw Wilson knielde aan zijne
+zijde neder, nam zijne hand en barstte in tranen uit. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb275" href="#pb275" name="pb275">275</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Ween niet om mij, lieve mevrouw,&rdquo; zeide de oude man.
+&bdquo;Mijne uren zijn geteld; het bedroeft mij slechts, dat ik u niet
+meer van dienst zal kunnen wezen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Lieve, beste vriend!&rdquo; snikte mevrouw Wilson; &bdquo;hoe
+ons lot zich ook immer wenden moge, zoolang ik het leven behoud, zal ik
+nimmer, nimmer vergeten wat gij voor mij en de mijnen gedaan
+hebt.&rdquo;</p>
+<p>Met deze woorden boog de bedroefde vrouw zich over den lijder neder,
+kuste hem op het voorhoofd en richtte zich daarna op, om schreiend naar
+huis te keeren.</p>
+<p>&bdquo;Willem,&rdquo; fluisterde Flink, &bdquo;ik kan nu niet
+spreken. Beur mijn hoofd een weinig op en verlaat mij dan. &rsquo;t Is
+beter voor mij, dat gij mij alleen laat. Gij hebt al in lang niet meer
+op den uitkijk gestaan; doe dat en kom over een half uur hier weer bij
+mij. Ga gij ook, mijnheer; ik wil zien of ik een weinig rusten
+kan.&rdquo;</p>
+<p>Vader en zoon voldeden aan dit verlangen. Zij traden weer op de
+planken en zagen naar alle kanten scherp rond, of zij ook iets
+ontdekken konden. Zij bespeurden niets en klommen dus weder naar
+beneden.</p>
+<p>&bdquo;Dat is een onoverkomelijke slag, mijn zoon,&rdquo; begon de
+vader.</p>
+<p>Willem schudde het hoofd. &bdquo;Hij wilde mij volstrekt niet laten
+gaan, vader,&rdquo; antwoordde hij eindelijk; &bdquo;en nu wenschte ik,
+dat ik het toch gedaan had. Ik vrees, dat hij zwaar gewond is; dunkt u
+dat ook niet, vader?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik durf niet hopen, Willem, dat hij er weer van opkomt. Wij
+zullen hem morgen gevoelig missen, als men ons aanvalt. Ik vrees zeer
+voor den afloop.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik weet niet wat ik zeggen moet, vader. Maar dat gevoel ik,
+sinds wij ons weer met water verkwikt hebben, kan ik tweemaal zooveel
+doen, dan waartoe ik anders in staat zou zijn geweest.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Het gaat mij evenzoo, beste jongen; maar toch, wat kunnen
+twee menschen tegen zulk eene overmacht?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Als moeder en Juno de geweren voor ons laden, zullen wij
+thans voor &rsquo;t minst evenveel kunnen uitrichten, als waartoe wij
+gisteren in onzen uitgeputten toestand met ons drie&euml;n in staat
+waren.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is wel mogelijk, Willem. In allen gevalle willen wij ons
+best doen, want wij strijden immers voor ons eigen behoud en voor
+&rsquo;t leven van hen, die ons het liefst op aarde zijn.&rdquo;</p>
+<p>Willem sloop zacht op Flinks leger toe en bevond dat de oude man
+sluimerde, zoo hij al niet vast in slaap lag. Hij stoorde hem derhalve
+niet, maar keerde tot zijn vader terug. <span class="pagenum">[<a id=
+"pb276" href="#pb276" name="pb276">276</a>]</span></p>
+<p>Zij droegen het watervat gezamenlijk in huis en stelden het onder
+het opzicht der moeder, opdat geen enkele drup nutteloos mocht verloren
+gaan. Thans eerst nu de dorst gelescht was, begonnen allen ook de
+kwelling van den honger te gevoelen.</p>
+<p>Juno en Willem gingen daarom aan het werk, sneden de schildpad in
+stukken en roosterden die bij het vuur. Zij namen allen een hartig maal
+en misschien had het eten hun in hun gansche leven niet zoo lekker
+gesmaakt als ditmaal.</p>
+<p>Het was bijna reeds dag, toen Willem, die herhaalde malen zacht naar
+Flink was komen zien om zich te overtuigen, dat hij nog sliep, den
+gewonde eindelijk met de oogen open vond.</p>
+<p>&bdquo;Hoe gaat het, Flink; hoe voelt gij u nu,<span class="corr"
+id="xd21e6687" title="Niet in bron">&rdquo;</span> vroeg hij, vol
+deelneming.</p>
+<p>&bdquo;Ik voel mij heel licht en wel, Willem, en heb niet veel pijn.
+Ik geloof evenwel, dat het met mij ten einde loopt en dat het niet lang
+meer zal aanhouden. Denk er aan, Willem, dat gij, als gij genoodzaakt
+wordt de versterking te verlaten, u om mij niet bekommeren moogt. Ik
+zal blijven, waar ik nu ben. Langer leven kan ik immers toch niet, en
+als gij mij meesleepen wildet, zou dit mijn einde maar
+verhaasten.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik zou liever sterven dan u verlaten, Flink!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, neen, mijn jongen&mdash;dat is dwaas en verkeerd
+gesproken. Gij hebt uwe moeder en de kleinen, die gij redden moet.
+Beloof mij, dat gij doen zult wat ik u gezegd heb.&rdquo;</p>
+<p>Willem aarzelde.</p>
+<p>&bdquo;Het is uw plicht, jongen, wat ik van u verlang. Ik ken uw
+gevoel heel wel, maar gij moogt daar ditmaal niet aan toegeven. Beloof
+mij dat, als gij mijn sterfuur niet verzwaren wilt.&rdquo;</p>
+<p>Willem drukte zijn ouden vriend de hand. Zijn hart was te
+vol,&mdash;hij kon niet spreken.</p>
+<p>&bdquo;Met het aanbreken van den dag zullen zij terugkomen,
+Willem,&mdash;althans dat verwacht ik. Gij hebt weinig tijd meer te
+verliezen. Klim op onzen uitkijk en blijf daar, tot het licht aan den
+hemel komt. Bespied hen, zoolang gij dat zonder gevaar doen kunt. Kom
+dan beneden en zeg mij, wat gij gezien hebt.&rdquo;</p>
+<p>Flinks stem werd al zwakker en zwakker, daar het vele spreken hem
+reeds al te veel vermoeid had. Hij wenkte Willem, die oogenblikkelijk
+in den boom klauterde en daar, totdat het licht werd, de wacht
+hield.</p>
+<p>Toen de ochtendschemering aanbrak, bemerkte hij, dat de wilden op de
+been kwamen. Zij hadden hunne takkenbossen aan de noordzijde
+bijeengebracht <span class="pagenum">[<a id="pb277" href="#pb277" name=
+"pb277">277</a>]</span>en maakten alle toebereidselen tot een spoedigen
+aanval. Ten laatste zag hij ieder van hen een takkenbos op den schouder
+nemen, en zoo trokken zij in eene lange rij op het blokhuis aan.</p>
+<p>Willem was in een ommezien omlaag en riep zijn vader, die juist met
+zijne vrouw sprak. Al de geweren stonden gereed, en mevrouw Wilson
+plaatste zich met Juno dicht bij de palissade, om ze terstond na het
+afvuren opnieuw te laden.</p>
+<p>&bdquo;Wij moeten op hen losbranden, zoodra wij zeker zijn van hen
+niet te missen, mijn jongen,&rdquo; zei de vader. &bdquo;Hoe langer wij
+hen van ons lijf houden, des te beter voor ons.&rdquo;</p>
+<p>Zoodra de eerste wilden op vijftig passen afstands waren gaven
+beiden vuur, en twee van hunne vijanden vielen. Zij gingen voort, de
+eerste tien minuten met veel geluk op de bestormers te schieten; maar
+nu kwamen de wilden in dichter troepen opzetten en gebruikten bovendien
+nog de voorzichtigheid van de takkenbossen voor hun lichaam te houden,
+ten einde bij het naderen der palissade beter bedekt te zijn.</p>
+<p>Op deze wijze gelukte het hun werkelijk den voet der palissade
+zonder zwaar verlies te bereiken, en daar begonnen zij hunne
+takkenbossen op een hoop op te stapelen. Vader en zoon onderhielden nog
+bij voortduring een levendig vuur tegen hunne vijanden, maar niet met
+dezelfde gunstige uitwerking als in den beginne.</p>
+<p>Er vielen wel <span class="corr" id="xd21e6721" title=
+"Bron: ettelijk">ettelijke</span> wilden, doch de takkenbossen rezen al
+hooger en hooger op, totdat ze bijna de gaten in de palissade
+bereikten, waardoor men tot hiertoe gevuurd had. Daarbij gaven de
+Indianen aan hun houtberg eene schuins omloopende richting, zoodat het
+kennelijk was, dat zij langs dezen weg opklimmen en de versterking
+stormenderhand innemen wilden.</p>
+<p>Eindelijk schenen de takkenbossen alle te hoop gebracht, want de
+wilden trokken thans weer tot aan den rand van het bosch terug.</p>
+<p>&bdquo;Zij zijn weg, vader,&rdquo; riep Willem; &bdquo;maar zij
+zullen terugkomen, en ik vrees dat het dan met ons gedaan zal
+zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat vrees ik ook, mijn dappere jongen,&rdquo; antwoordde
+mijnheer Wilson. &bdquo;Ze hebben zich allen verwijderd, om zich tot
+een algemeenen storm te ordenen, en nu zal het hun mogelijk zijn in
+onze verschansing door te dringen. Ik had waarlijk liever, dat zij maar
+de takkenbossen hadden aangestoken. Daar hadden wij althans naar Flinks
+aanwijzing kunnen ontkomen. Nu vrees ik, dat geen hoop meer over
+is.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zeg daar moeder toch geen woord van!&rdquo; bad Willem.
+&bdquo;Wij willen ons tot het laatst verweren, totdat wij eindelijk
+bezwijken moeten.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb278" href=
+"#pb278" name="pb278">278</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Ik zou uwe lieve moeder nog gaarne eens tot afscheid
+omhelzen,&rdquo; sprak de vader. &bdquo;Maar neen,&mdash;nu zou dat
+zwakheid zijn. Ik zal het liever laten. Daar komen zij, Willem! Nu dan,
+mijn kind, mijn Willem, vaarwel!&rdquo;</p>
+<p>De gansche troep wilden rukte thans in een dichte hoop uit het bosch
+op. Zij hieven een vervaarlijk gillend geschreeuw aan, dat mevrouw
+Wilson en Juno met ontzetting vervulde. Niettemin weken de beide
+moedige vrouwen geen oogenblik van hare standplaats.</p>
+<p>De Indianen waren nu weder tot op vijftig passen genaderd, en de
+beide verdedigers openden andermaal hun vuur. Dit werd door de wilden
+met woest getier beantwoord, en dezen waren reeds aan den voet van hun
+houthoop gekomen. Doch daar op eens hoorde men onder het knallen der
+geweren en het getier der bestormers een luid gedonder. De boomen in
+het rond kraakten, en beide partijen bleven roerloos van verbazing. Een
+tweede en een derde donderslag volgde. De hoop takkenbossen voor de
+palissade stoof uiteen en de wilden tuimelden bij hoopen ter aarde.</p>
+<p>&bdquo;Dat moeten kanonnen van een schip zijn, vader!&rdquo; riep
+Willem. &bdquo;Wij zijn gered! Wij zijn gered!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Het is niet anders mogelijk; wij zijn als door een wonder
+gered,&rdquo; riep ook de vader in de hoogste verbazing.</p>
+<p>De wilden, geheel verbijsterd, staakten hun aanval. Nog eens en
+andermaal dreunde het geschutgedonder door de lucht. Kogels en
+kartetsen fluitend en gierend door het woud. Eindelijk kwam er nog een
+volle laag;&mdash;toen keerden de wilden om en vluchtten naar hunne
+kano&rsquo;s. Na eenige oogenblikken was er geen enkele meer te
+zien.</p>
+<p>&bdquo;Wij zijn gered!&rdquo; riep mijnheer Wilson, sprong van de
+plank neer en drukte zijn vrouw in de armen.</p>
+<p>&bdquo;Een groote schoener, vader! Hij vuurt op de wilden, die reeds
+bij hunne booten zijn. Zij vallen overal neer; daar springen al enkelen
+in &rsquo;t water! Ginds komt eene sloep vol gewapende matrozen op den
+oever aan.&mdash;Zij landt bij den tuin. Drie van de kano&rsquo;s zijn
+vol met wilden, die wegroeien willen.&mdash;Daar valt weer eene
+laag.&mdash;Twee kano&rsquo;s zijn in den grond geboord,
+vader!&mdash;De boot is geland. Het volk komt regelrecht hier naar
+toe!&rdquo;</p>
+<p>Na deze laatste uitroeping kwam Willem haastig naar beneden. Zoodra
+hij de voeten op den grond had, vloog hij naar de deur der omheining en
+begon de balken weg te schuiven. Hij had juist den laatsten in de hand
+toen hij den tred der bevrijders buiten hoorde. Hij rukte de poort
+open.... en lag een oogenblik later in de armen van&mdash;kapitein
+Osborn. <span class="pagenum">[<a id="pb279" href="#pb279" name=
+"pb279">279</a>]</span></p>
+<p>Men zal zich herinneren, dat reeds ettelijke maanden vroeger eene
+brik in de nabijheid van het eiland verschenen, maar tot grievende
+teleurstelling onzer eilandbewoners weder verdwenen was, zonder terug
+te keeren, hoewel zij de opgeheschen vlag van de Vrede wel herkend
+moest hebben.</p>
+<p>Ziehier, hoe het met de zaak was. Het volk aan boord van die brik
+had niet alleen Flink&rsquo;s seinen bemerkt, maar ook den naam van De
+Vrede op de opgehaalde vlag gelezen. De hevige storm, die toen losbrak,
+had hen echter zoo ver zuidwaarts gedreven, dat de kapitein van de brik
+aan zijn plicht jegens zijn patroons dacht te kort te zullen doen,
+indien hij zooveel tijd verloor, als noodig was, om midden door dien
+storm weder naar het eiland op te werken. De lading, die hij aan boord
+had, was van dien aard, dat zij noodzakelijk in waarde verliezen moest,
+wanneer zij niet als eene der eersten op de markt kwam. Hij besloot
+derhalve met volle zeilen op Sidney koers te zetten; dat was namelijk
+de haven, naar welke hij bestemd was.</p>
+<p>Uit het begin van ons verhaal zullen onze lezers nog wel weten, hoe
+kapitein Osborn door Mackintosh en de overige matrozen van de Vrede in
+een bewusteloozen toestand in de boot werd gebracht. Hij kwam echter
+langzamerhand weer tot zichzelven en was in een stormachtigen nacht,
+waarin de manschap de grootste moeite had gehad om zich vlot te houden,
+weer in zooverre bekomen, dat hij zich door Mackintosh het vroeger
+gebeurde kon laten verhalen, alsmede de oorzaak waarom hij zich thans
+in eene open boot op zee bevond. Den volgenden morgen ging de storm
+liggen, en zij hadden het geluk een schip te ontmoeten, dat naar
+Van-Diemensland bestemd was en hen allen bereidwillig aan boord
+nam.</p>
+<p>Na het verhaal van Mackintosh twijfelde kapitein Osborn geen
+oogenblik aan den ondergang der familie Wilson, en het vergaan van de
+Vrede en van zijne passagiers werd aan de eigenaars naar behooren
+bekend gemaakt.</p>
+<p>Bij zijne aankomst in Van-Diemensland gevoelde kapitein Osborn zich
+door de schoonheid en vruchtbaarheid van dat oord zoodanig
+aangetrokken, dat hij besloot aldaar eenige landerijen aan te koopen en
+er zich vreedzaam als burger neer te zetten. Misschien wel dat ook de
+herinnering van het groote gevaar, dat hij op zijn laatsten zeetocht
+had doorgestaan, bij hem tot de opvatting van dit besluit niet weinig
+had bijgedragen.</p>
+<p>Overeenkomstig zijn plan had hij een landgoed aangekocht, waar hij
+de veeteelt op eene groote schaal drijven wilde. Hij was op eene
+schoener naar Sidney gegaan, om daar de aankomst van eene groote kudde
+vee, die hij uit Engeland ontboden had, af te wachten, toen de reeds
+vermelde brik in de haven binnenliep en berichtte, dat men op het
+kleine eiland blanke <span class="pagenum">[<a id="pb280" href="#pb280"
+name="pb280">280</a>]</span>bewoners ontdekt en op eene door hen
+opgeheschen vlag den naam van De Vrede gelezen had.</p>
+<p>Zoodra kapitein Osborn dit vernam, zocht hij den kapitein van de
+brik op en deed bij hem een nauwkeurig onderzoek naar de nadere
+bijzonderheden van zijne ontdekking. Hij bevond, dat de geographische
+lengte en breedte van het eiland zoo tamelijk overeenkwamen met de
+plaats, waar zij hun schip hadden verlaten, en hield zich nu ten volle
+overtuigd, dat de familie Wilson als door een wonder in het leven moest
+zijn <span class="corr" id="xd21e6770" title=
+"Bron: gebleken">gebleven</span>. Terstond begaf hij zich nu naar den
+gouverneur van Nieuw-Zuid-Wales en maakte hem met al de vereischte
+omstandigheden bekend. Deze hoorde hem met belangstelling aan en stelde
+terstond een gewapenden schoener van de regeering tot zijne
+beschikking, ingeval hij zelf mede uitgaan en zijne voormalige
+scheepsgenooten opzoeken wilde.</p>
+<p>Kapitein Osborn was hier terstond toe bereid, daar een korte
+afwezigheid hem bovendien toch niet benadeelde; en reeds weinig dagen
+daarna lichtte de schoener het anker.</p>
+<p>Deze kwam in de nabijheid van het eiland aan op denzelfden morgen,
+dat de wilden met hunne vloot van kano&rsquo;s hunne landing
+bewerkstelligden, en had Flink op het oogenblik, toen Willem hem bij
+het haastig terugkeeren van het oude woonhuis verzekerde, &bdquo;dat
+hij aan de landpunt in de nabijheid van den tuin nog een ander vaartuig
+onder zeil had gezien,&rdquo;&mdash;tijd gehad, om zijn kijker te
+gebruiken, dan zou hij ontdekt hebben, dat het de schoener en niet,
+zooals hij vermoedde, een kano was, die in den nacht van de overige
+booten was afgeraakt.</p>
+<p>De schoener lag op dat oogenblik op het rif aan. Hij wendde toen
+weder van den wal uit en zond eene boot af, om eene geschikte
+ankerplaats op te zoeken.</p>
+<p>Terwijl de manschappen in de boot met looden bezig waren, ontdekten
+zij de wilden in hunne kano&rsquo;s en hoorden het geknal der
+vuurwapens gedurende den eersten aanval. Bij hunne terugkomst aan boord
+berichtten zij wat zij gehoord en gezien hadden, en hoe het
+waarschijnlijk was, dat de Europeanen op het eiland door de wilden
+werden aangevallen.</p>
+<p>Daar de boot eerst tegen den avond aan boord was teruggekomen, had
+men geen tijd om nader onderzoek te doen, en thans geschiedde de
+nachtelijke aanval en hoorde men andermaal geweerschoten vallen.</p>
+<div class="figure xd21e6785width"><img src="images/p280.jpg" alt=
+"Het volk komt regelrecht hier naar toe." width="491" height="720">
+<p class="figureHead">Het volk komt regelrecht hier naar toe.</p>
+</div>
+<p>Dit boezemde kapitein Osborn den wensch in, om zoo schielijk
+mogelijk te landen; doch daar de wilden in groote getale op het eiland
+zijn moesten, terwijl de bemanning van den schoener uit niet meer dan
+vijf-en-twintig <span class="pagenum">[<a id="pb281" href="#pb281"
+name="pb281">281</a>]</span>koppen bestond, hield de commandant van het
+schip dat voor al te onvoorzichtig. Daarom wilde hij den schoener met
+allen spoed voor anker zien te brengen, opdat die de landing dekken
+mocht. Dan zou het den matrozen vergund zijn aan wal te gaan.</p>
+<p>De boot had bericht gebracht, dat bij de landpunt aan den tuin
+ondiep water en goede ankergrond te vinden was, en alle toebereidselen
+werden gemaakt, om den volgenden morgen met het aanbreken van den dag
+op de kust aan te loopen. Ongelukkigerwijze ging de wind liggen en
+bleef het &rsquo;t beste gedeelte van den volgenden dag stil, en zoo
+kwam het, dat zij eerst den ochtend daarna, juist toen de wilden hun
+laatsten aanval beproefden, inloopen konden.</p>
+<p>Toen dit geschied was, opende de schoener het vuur van zijne
+stukken. Met welk gevolg, is bekend, de wilden vluchtten naar alle
+richtingen. De boot werd daarop bemand, kapitein Osborn stelde zichzelf
+aan het hoofd der landingstroepen en kwam zoo nog tijdig tot behoud der
+hard bedreigde belegerden opdagen.</p>
+<p>Wie kan zich de verrukking van mijnheer Wilson en zijne echtgenoote
+voorstellen, toen deze hun ouden vriend Osborn weer voor hunne oogen
+zagen staan.&mdash;Alle gevaar was nu immers geweken. De gelande
+matrozen trokken onder commando van den bootsman uit, om te
+onderzoeken, of er misschien nog van de wilden op het eiland waren. Met
+uitzondering van de dooden en stervenden waren allen echter op eenige
+van de kleinere kano&rsquo;s ontsnapt.</p>
+<p>Kapitein Osborn bleef bij de Wilsons achter en verhaalde hun met
+weinig woorden zijne eigen geschiedenis. Zij onderrichtten hem op hunne
+beurt van den toestand van den ouden armen Flink, tot wien Willem zich
+oogenblikkelijk weder begeven had, zoodra hij kapitein Osborn met vader
+en moeder in gesprek zag.</p>
+<p>Osborn snelde nu dadelijk toe, om zijn ouden stuurman en vriend te
+zien. Deze herkende hem ook aanstonds<span class="corr" id="xd21e6803"
+title="Niet in bron">,</span> d. i. zijne stem, want de oogen van den
+ouden man waren reeds zoo zwak geworden, dat hij bezwaarlijk iets meer
+onderscheiden kon.</p>
+<p>&bdquo;Dat is kapitein Osborn,&mdash;dien ken ik,&rdquo; fluisterde
+hij, met zwakke stem. &bdquo;Gij zijt nog even bijtijds gekomen,
+mijnheer. Ik wist wel, dat gij komen zoudt, en heb dat ook altijd
+gezegd. Neem daarvoor den dank van een stervende aan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik hoop, dat het zoo erg niet met u wezen zal, Flink. Wij
+hebben een dokter aan boord, en ik zal hem terstond laten halen.&rdquo;
+<span class="pagenum">[<a id="pb282" href="#pb282" name=
+"pb282">282</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Mij kan geen dokter meer helpen,&rdquo; hernam Flink.
+&bdquo;Het zal geen uur meer duren, of &rsquo;t is uit met mij. Het is
+mij een groote blijdschap, dat ik mijne lieve vrienden hier nog gered
+heb gezien.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik zal in allen gevalle om den dokter zenden,&rdquo; zeide
+kapitein Osborn, &bdquo;ofschoon ik wel zie, dat die weinig helpen kan.
+De hand des doods heeft hem reeds aangevat.&rdquo;</p>
+<p>Mijnheer Wilson verliet met vrouw en vriend het leger van den
+stervende; allen waren door het bijgewoonde tooneel uiterst getroffen.
+Alleen Willem bleef bij Flink achter en reikte hem water toe, zoo
+dikwijls hij daarnaar vroeg. Eenige minuten daarna sloeg de oude man
+andermaal de oogen op.</p>
+<p>&bdquo;Zijt gij bij mij, Willem? Ik kan u niet zien. Luister, beste
+jongen. Begraaf mij onder de boomen op den heuvel, boven de bron. Daar
+wensch ik te liggen. De onnoozele kleine Thomas,&mdash;laat hem nooit
+weten, dat hij de oorzaak van mijn dood geweest is. Breng hem nog eens
+hier bij mij,&mdash;en Juno en Caroline ook. Ik wil allen vaarwel
+zeggen, Willem.&rdquo;</p>
+<p>Willem schoten de oogen vol tranen; hij liep naar huis en maakte
+vader en moeder met Flinks verlangen bekend.</p>
+<p>Allen kwamen, om het laatste vaarwel van den stervende te ontvangen.
+Flink riep ieder bij zijn naam, den een na den ander. Zij knielden toen
+bij hem neder en kusten hem. Hij zeide hun met zwakke stem vaarwel;
+eindelijk gingen zijne woorden in een onverstaanbaar gefluister over.
+Zoo stonden zij stil en weenend rondom zijn leger geschaard. Slechts
+Willem knielde aan zijne zijde neder en hield zijn hoofd omvat. In
+&rsquo;t einde liet de stervende dit voorover op de borst zinken
+en&mdash;was niet meer.</p>
+<p>&bdquo;Nu is alles voorbij,&rdquo; sprak mijnheer Wilson diep
+bedroefd. Hierop leidde hij zijne vrouw met de kleinen in huis terug;
+alleen Juno en Willem bleven bij het lijk achter. De arme meid barstte
+zoodra haar heer en mevrouw zich verwijderd hadden en zij aan haar
+gevoel den vrijen loop durfde geven, in luide jammertonen uit en wrong
+als radeloos de handen.</p>
+<p>Willem drukte hem de oogen toe. Juno haalde de oude scheepsvlag,
+welke zij toen over zijn lijk uitspreidden. Vervolgens gingen beiden de
+familie opzoeken.</p>
+<p>In den tijd, dien Willem bij Flink had doorgebracht was de
+commandant van den schoener met een tweede afdeeling geland, die hij
+insgelijks uitzond om het eiland te doorkruisen en verstrooide
+vluchtelingen uit de schaar der wilden op te zoeken, doch er was
+niemand meer te ontdekken.</p>
+<p>Kapitein Osborn stelde den commandant aan de familie Wilson voor, en
+men maakte nu dadelijk afspraak tot het inschepen van deze laatste.
+<span class="pagenum">[<a id="pb283" href="#pb283" name=
+"pb283">283</a>]</span>Den volgenden dag zou tot het pakken en inladen
+van alle goederen besteed worden; den dag daarop zou de familie aan
+boord gaan.</p>
+<p>Willem gewaagde van Flinks wensch ten aanzien van zijne begrafenis.
+De commandant van den schoener gaf dadelijk last om eene kist te
+vervaardigen en op de door Willem aangeduide plaats een graf te
+delven.</p>
+<p>Men kwam overeen, dat de geiten en overige dieren, met uitzondering
+van de honden, op het eiland zouden blijven, ten dienste van hen, die
+misschien in de toekomst een dergelijk ongeluk ondergaan mochten, als
+de manschap en de passagiers van De Vrede getroffen had.</p>
+<p>De booten kwamen den volgenden morgen tijdig aan land en namen de
+bagage in. Mijnheer Wilson wilde verder niets medenemen, wat voor
+latere schipbreukelingen van waarde kon zijn. Het huisraad, al het
+timmermansgereedschap, ijzerwerk en spijkers, verder pekelvleesch en
+meel, werd in het huis achtergelaten en weggeborgen. Zoo was hetgeen
+men had in te schepen dan ook van weinig omvang en dus weldra aan boord
+gebracht.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch59" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">NEGEN-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">BESLUIT.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De drukte en de haast van de toebereidselen tot het
+vertrek van het eiland, alsmede de snelle opvolging der gebeurtenissen,
+die zich in de tijdruimte van weinige dagen hadden opgedrongen, hadden
+Willem en zijne ouders slechts weinig tijd tot nadenken overgelaten.
+Eindelijk echter was al het noodige beschikt en had de commandant van
+den schoener geen reden meer om hen tot spoed aan te drijven. Zij
+hadden in den loop van den namiddag het laatste aan boord gezonden, en
+den volgenden dag, zoo was de afspraak, zou men onder zeil gaan.</p>
+<p>Nu hadden zij rust, om het verlies van hun ouden vriend eerst recht
+diep te gevoelen, en bitter beklaagden zij hun lot, dat hem niet
+veroorloofd had gezamenlijk met hem naar Sidney te stevenen. Zij hadden
+altijd de hoop gekoesterd, dat zij eens van het eiland verlost zouden
+worden, en in deze hoop hadden zij zich er aan gewend den eerwaardigen
+ouden Flink als een lid van hunne toekomstige huishouding te
+beschouwen. Thans, nu hunne vurige wenschen waren bekroond,&mdash;nu
+was het gevoel der vreugde en dankbaarheid met diepen kommer vermengd;
+ja, zoo groot was de droefheid <span class="pagenum">[<a id="pb284"
+href="#pb284" name="pb284">284</a>]</span>over het verlies van hun
+redder en beschermer, dat zij met blijdschap op het eiland zouden
+gebleven zijn, als zij hem daardoor wederom in het leven hadden kunnen
+roepen.</p>
+<p>Kapitein Osborn, de commandant en de matrozen van den schoener
+hadden voor dien nacht afscheid van hen genomen en waren aan boord
+gegaan, na vooraf de noodige beschikkingen gemaakt te hebben tot Flinks
+teraardebestelling, die den volgenden morgen v&oacute;&oacute;r het
+lichten der ankers zou plaats vinden. De kinderen waren te bed gebracht
+en Juno was naar buiten gegaan; de ouders met hun zoon zaten in het nu
+half ledige vertrek, toen Juno weder binnentrad. Het arme meisje had
+blijkbaar bitter geschreid.</p>
+<p>&bdquo;Zeg, Juno,&rdquo; begon mijnheer Wilson, om het pijnlijk
+stilzwijgen af te breken, dat reeds eene poos v&oacute;&oacute;r hare
+binnenkomst geheerscht had. &bdquo;Zijt gij niet blij, dat wij nu het
+eiland verlaten zullen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Vroeger ikke heel blij zou zijn geweest, maar nu mij niet
+sikkepitje schelen kan,&rdquo; was het antwoord. &bdquo;Het eiland heel
+lieve plaats,&mdash;alles heel gelukkig, tot de wilden komen. Als zij
+niet vermoord hadden ouden Flink, ik ook niet veel om de wilden geven
+zou.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, waarlijk,&rdquo; viel mevrouw Wilson haar in de rede,
+&bdquo;dat is voor ons allen een harde slag. Ik had altijd gehoopt den
+goeden Flink in zijn ouderdom te kunnen oppassen en hem onze
+dankbaarheid te bewijzen; maar nu....&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;De helft van mijn vermogen gaf ik, als wij hem behouden
+hadden<span class="corr" id="xd21e6862" title=
+"Bron: &rsquo;">,</span>&rdquo; sprak de vader.</p>
+<p>&bdquo;Ach, massa!&rdquo; snikte Juno, &bdquo;ikke daar effentjes
+buiten bij hem zitten; ikke de vlag oplichten en hem in &rsquo;t
+gezicht kijken.&mdash;Och, wat goed, vriendelijk en gerust zijn
+gezicht!&mdash;Ikke haast denken, dat hij mij toelachen,&mdash;en ikke
+hardop schreien moest. O, massa Thomas,&mdash;dat allemaal om jou,
+stout jonk!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zijn verlies grieft mij dubbel, omdat zijn dood aan de
+onnadenkendheid van een mijner kinderen te wijten is,&rdquo; hernam
+mijnheer Wilson. &bdquo;Welk eene vreeselijke les voor Thomas, als hij
+eens tot de jaren komt, om de gevolgen van zijn daad geheel te
+beseffen!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Daar mag hij nooit iets van te weten komen, vader,&rdquo;
+riep Willem, die tot hiertoe treurend in een hoek had gezeten.
+&bdquo;Eene van Flinks laatste beden was, dat Thomas de oorzaak van
+zijn dood nooit vernemen zou. Ik moest hem dat plechtig
+beloven.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zijne laatste wenschen zullen ons heilig zijn, mijn beste
+jongen,&rdquo; verzekerde zijn vader; &bdquo;want wat zijn wij aan den
+goeden braven man al niet verschuldigd! Toen de overigen ons verlieten
+en ons aan den ondergang <span class="pagenum">[<a id="pb285" href=
+"#pb285" name="pb285">285</a>]</span>prijsgaven, bleef hij bij ons, om
+ons lot te deelen, op een oogenblik, dat alle uitzicht bestond, dat de
+oceaan ons verzwelgen zou. Door zijne bekwaamheid en ondervinding
+werden wij gered en bereikten wij gelukkig dit eiland. Hij zorgde voor
+onze behoeften, verplaatste ons in een behagelijken toestand, leerde
+ons hoe wij onze middelen tot ons best aanwenden konden, was in alles
+onze raadgever, en ik mag wel zeggen onze beschermer en redder. Wat zou
+er zonder hem van ons geworden zijn? Zonder zijne zorgvuldigheid hadden
+wij nog in den laatsten tijd onder de knotsen en speren der wilden den
+dood gevonden. Zijne zelfopoffering was het, die ons het water
+verschafte, dat ons leven redde, en juist deze daad was het, waarbij
+hij zijn leven voor ons opofferde. Welk een schoon voorbeeld van moed
+en zelfopoffering heeft hij ons altijd gegeven!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ach! ware hij niet zoo plotseling uit ons midden
+genomen!&mdash;Had hij nog slechts weinige dagen geleefd, zoodat wij om
+zijn sterfbed hadden kunnen staan, hem de trouwe oogen in vrede hadden
+kunnen sluiten!....&rdquo; zeide mevrouw Wilson en schreide aan de
+borst van haar echtgenoot.</p>
+<p>Na eenigen tijd waren zij weder eenigszins tot kalmte gekomen, doch
+eene sombere stilte, slechts nu en dan door Juno&rsquo;s zuchten
+afgebroken, bleef in den familiekring heerschen. Willems hart was
+overvol. Hij kon eene geruime poos geen woord uiten. Eindelijk zeide
+hij met gebroken stem:</p>
+<p>&bdquo;Ik gevoel, dat ik een vriend verloren heb, dien ik naast
+vader en moeder boven alles liefhad. Ik kan mijzelven maar niet
+vergeven, dat ik hem dat water halen liet. Het was mijn plicht geweest,
+en ik had voor hem moeten gaan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En toch, mijn lieve zoon, zouden wij u ook zwaar gemist
+hebben. Gij hadt er immers ook het leven bij kunnen inschieten,&rdquo;
+riep zijne moeder.</p>
+<p>Den volgenden morgen waren zij vroeg op de been en pakten alles
+bijeen, wat nog mede naar boord moest worden genomen. Weinig woorden
+werden gesproken, want een weemoedige, plechtige ernst heerschte in
+aller gemoed.</p>
+<p>Zij wachtten op de komst van kapitein Osborn en van de manschap van
+den schoener, om het lijk van stuurman Flink ter aarde te bestellen.
+Willem was van tijd tot tijd naar buiten gegaan, om naar het schip uit
+te zien. Hij kwam nu binnen en berichtte, dat twee booten op de kust
+aanroeiden.</p>
+<p>Weinige minuten later verscheen kapitein Osborn met den commandant
+van het schip. Na een kort onderhoud verlieten beiden het huis, om de
+noodige orders te geven.</p>
+<p>Men had de kist mede aan land gebracht. Flinks stoffelijk overschot
+werd daarin neergelegd en zijne laatste woning alstoen gesloten. Willem
+was <span class="pagenum">[<a id="pb286" href="#pb286" name=
+"pb286">286</a>]</span>daarbij tegenwoordig, en de tranen rolden hem
+langs de wangen, toen het deksel dichtviel en hij zijn goeden ouden
+vriend voor de laatste maal gezien had.</p>
+<p>Binnen een half uur waren alle toebereidselen gemaakt en werd de
+familie buiten geroepen. Het werd zoo ingericht, dat Willem, zijn
+vader, kapitein Osborn en Juno&mdash;de arme meid had er uitdrukkelijk
+om verzocht&mdash;de slippen van het lijkkleed te dragen hadden.</p>
+<p>De kist, met de koninklijke vlag overdekt, werd door zes matrozen op
+de schouders genomen en ten grave gedragen. Achter haar gingen mevrouw
+Wilson en hare kinderen en vervolgens de commandant van den schoener
+met eenigen van zijn volk. Mijnheer Wilson hield een toespraak, slechts
+nu en dan door Juno&rsquo;s snikken afgebroken en het graf werd
+dichtgemaakt, waarop allen zich stil en treurig verwijderden.</p>
+<p>Op Willems verzoek had de commandant een stevig traliehek rondom het
+graf laten zetten; midden op den grafheuvel werd een paal opgericht,
+waarop de naam van den afgestorvene en de dag van zijn dood vermeld
+stonden.</p>
+<p>Zoodra dit verricht was, volgde Willem met een diepen zucht den
+commandant naar het huis, om te berichten, dat alles was afgeloopen en
+dat de boot wachtte.</p>
+<p>&bdquo;Kom, lieve vrouw,&rdquo; zeide mijnheer Wilson tot zijne
+echtgenoote.</p>
+<p>&bdquo;Ik ga, ik ga,&rdquo; antwoordde deze: &bdquo;maar ik weet
+niet, hoe het komt,&mdash;thans, nu het uur geslagen heeft,&mdash;dat
+het mij zooveel kost dit eiland te verlaten. Ware Flink nog in leven,
+mij dunkt, ik zou wenschen hier altijd te blijven.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik begrijp, dat gij ontroerd zijt, lieve; maar wij mogen
+kapitein Osborn niet al te lang ophouden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik wenschte dat wij nog eens tijd hadden om al die lieve
+plekjes van ons verblijf,&mdash;den tuin, de bron, de vijvers te
+bezoeken. Zelfs van de dieren zou ik gaarne afscheid nemen, Wilson.
+Misschien is het een zwakheid,&mdash;maar ik kan ze niet
+onderdrukken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Laten wij onze geit ook hier, moeder,&rdquo; vroeg Caroline,
+&bdquo;en al onze aardige kippen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, lieve meid; geiten en vogels blijven achter voor andere
+menschen, die misschien na ons op dit eiland kunnen landen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En moeten de schildpadden dan ook in den vijver
+blijven?&rdquo; vroeg Thomas. &bdquo;Schildpadsoep is zoo lekker. Ik
+houd veel van schildpad.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is geen kwade inval,&rdquo; merkte kapitein Osborn aan.
+&bdquo;De schildpadden <span class="pagenum">[<a id="pb287" href=
+"#pb287" name="pb287">287</a>]</span>konden wij wel aan boord brengen;
+dat zal toch zooveel tijd niet wegnemen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O neen,&rdquo; zeide de commandant. &bdquo;Kom, haast u,
+jongens! roeit met eene van de booten naar de vijver en brengt de
+schildpadden aan boord.&rdquo;</p>
+<p>Daar dit eenig oponthoud veroorzaakte, ging mevrouw Wilson naar
+Flinks graf, om het hek en het opschrift te zien, waarvan Willem haar
+gezegd had, dat het voorzien was geworden. Zij zou daar nog langer aan
+den arm van haar man vertoefd hebben, als kapitein Osborn niet was
+komen zeggen, dat de sloep nu wachtte.</p>
+<p>Dewijl mijnheer Wilson bemerkte, dat de commandant van den schoener
+de eilanden nog v&oacute;&oacute;r het vallen van de duisternis uit het
+gezicht wenschte te hebben, leidde hij zijne vrouw nu zonder verwijl
+naar het strand. Allen stapten in de boot en waren weldra op het dek
+van den schoener. Daar stonden zij met de oogen onafgewend op het
+eiland gericht, terwijl de matrozen de ankers lichtten.</p>
+<p>Eindelijk werden de zeilen bijgezet en het schip stuurde langs de
+landpunt bij den tuin voorbij. Eene frissche koelte begunstigde hunne
+vaart en zoo werden alle voorwerpen aan de kust hoe langer hoe
+onduidelijker. Maar nog altijd dwaalden hunne blikken in verschillende
+richting rond.</p>
+<p>Juno en Willem stonden op de verschansing. Onze jonge vriend had den
+kijker in de hand en hield dien vast aan het oog gedrukt, toen kapitein
+Osborn hem vroeg, waarop hij tuurde.</p>
+<p>&bdquo;Ik zeg Flinks graf mijn laatst vaarwel,&rdquo; was het
+antwoord.</p>
+<p>&bdquo;Hij wezenlijk heel goede man was,&rdquo; fluisterde Juno met
+een diepen zucht.</p>
+<p>Terwijl ze naar het Westen stuurden, kwamen zij de bocht voorbij,
+waar zij het eerst geland waren, en mijnheer Wilson maakte zijne vrouw
+op dit punt opmerkzaam. Deze zag een tijdlang zwijgend daarheen en
+keerde zich toen om met de woorden:</p>
+<p>&bdquo;Wij zullen zeker nooit gelukkiger wezen, Wilson, dan wij op
+dit eiland waren!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wij mogen inderdaad tevreden zijn, als wij nooit minder
+gelukkig worden, lieve,&rdquo; antwoordde haar echtgenoot.</p>
+<p>De schoener kliefde stout de golven en het eiland onttrok zich
+allengs aan hun gezicht. Na eenigen tijd was het aan den horizon
+verdwenen en alleen de toppen der kokosboomen bleven zichtbaar; maar
+ook deze doken eindelijk onder. Juno <span class="corr" id="xd21e6944"
+title="Bron: wachtten">wachtte</span> tot het laatst, en toen er in
+&rsquo;t eind niets meer te zien was, wuifde zij met haar zakdoek naar
+de plaats van het eiland, als om dat het laatste vaarwel te zeggen.
+<span class="pagenum">[<a id="pb288" href="#pb288" name=
+"pb288">288</a>]</span></p>
+<p>De wind bleef voortdurend gunstig, en na eene voorspoedige vaart van
+vier weken, kwamen zij in de haven van Sidney aan, die zij reeds zoo
+lang geleden met het goede schip De Vrede gedacht hadden te zullen
+bereiken.</p>
+<p>Mijnheer Wilson vond bij zijne aankomst te Sidney zijne bezittingen
+en kudden aanmerkelijk vermeerderd. Zijn zaakwaarnemer, die de goederen
+gedurende zijne afwezigheid beheerd had, was een vlijtig, eerlijk man
+geweest.</p>
+<p>Men had, wel is waar, algemeen geloofd, dat de gansche familie bij
+de schipbreuk was omgekomen en dat de goederen dus op verwijderde
+bloedverwanten zouden overgaan, maar erfeniszaken nemen altijd een
+langen tijd weg, en het duurde vele maanden voordat men stellige
+berichten uit Engeland ontving; en hieraan was het toe te schrijven,
+dat, bij gebrek aan alle zekere doodstijding, de goederen nog niet
+verdeeld, maar altijd nog in handen der executeurs waren.</p>
+<p>Mijnheer en mevrouw Wilson beleefden nog het geluk van al hunne
+kinderen volwassen te zien.</p>
+<p>Willem erfde het grootste deel van zijns vaders bezittingen, nadat
+hij hem jaren lang in het bestuur daarvan behulpzaam was geweest. Hij
+trouwde en kreeg een talrijk kroost.</p>
+<p>Sinjeur Thomas werd, niettegenstaande al zijne zotte kuren, een
+flink man, nadat hij als jongeling in den krijgsdienst was getreden.
+Hij is tegenwoordig majoor en moet in zooverre aan zijne jeugdige
+gewoonten getrouw zijn gebleven, dat hij, ondanks zijn zwaren dienst
+nog altijd een onverdroten tafelmakker is, op wiens fijnen smaak men
+gerust staat kan maken.</p>
+<p>Caroline gaf hare hand aan een jongen predikant en werd eene
+voortreffelijke echtgenoote en moeder. De kleine Albert ging in
+zeedienst en staat, terwijl ik dit schrijf, reeds op het punt van
+kapitein te worden.</p>
+<p>Mijnheer en mevrouw Wilson zijn reeds beiden dood; maar de trouwe
+Juno leeft nog en woont bij Willem in huis. Haar grootste vermaak is,
+diens kinderen op haar schoot te hebben en hun lange verhalen van het
+eiland te doen, waarbij ze nog bijna altijd in tranen uitbarst, als zij
+over dien goeden ouden stuurman Flink en zijn dood en begrafenis
+spreekt.</p>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="back">
+<div class="div1" id="toc">
+<h2 class="main">Inhoudsopgave</h2>
+<ul>
+<li><a href="#ch1">HET SCHIP DE VREDE. STUURMAN
+FLINK.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class="tocPageNum"><a class=
+"pageref" href="#ch1">5</a></span></li>
+<li><a href="#ch2">DE FAMILIE WILSON.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;
+<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href=
+"#ch2">8</a></span></li>
+<li><a href="#ch3">KAAP DE GOEDE HOOP.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;
+<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href=
+"#ch3">12</a></span></li>
+<li><a href="#ch4">EEN STORM OP ZEE.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;
+<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href=
+"#ch4">15</a></span></li>
+<li><a href="#ch5">HET WRAK.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class=
+"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch5">20</a></span></li>
+<li><a href="#ch6">ALS HET WATER TOT DE LIPPEN KOMT, IS OOK VAAK
+UITKOMST NABIJ.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class=
+"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch6">24</a></span></li>
+<li><a href="#ch7">DE SCHIPBREUK.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;
+<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href=
+"#ch7">29</a></span></li>
+<li><a href="#ch8">TROOST IN HET ONGELUK.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;
+<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href=
+"#ch8">36</a></span></li>
+<li><a href="#ch9">HET EILAND.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class=
+"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch9">39</a></span></li>
+<li><a href="#ch10">LANDING.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class=
+"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch10">43</a></span></li>
+<li><a href="#ch11">HET ONTBIJT.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;
+<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href=
+"#ch11">46</a></span></li>
+<li><a href="#ch12">DE HAAIEN.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class=
+"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch12">49</a></span></li>
+<li><a href="#ch13">EERSTE VERRICHTINGEN OP HET
+EILAND.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class="tocPageNum"><a class=
+"pageref" href="#ch13">54</a></span></li>
+<li><a href="#ch14">EERSTE UITSTAPJE OP HET
+EILAND.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class="tocPageNum"><a class=
+"pageref" href="#ch14">57</a></span></li>
+<li><a href="#ch15">DE OOSTZIJDE VAN HET
+EILAND.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class="tocPageNum"><a class=
+"pageref" href="#ch15">63</a></span></li>
+<li><a href="#ch16">WATER.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class=
+"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch16">66</a></span></li>
+<li><a href="#ch17">STORM AAN LAND.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;
+<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href=
+"#ch17">70</a></span></li>
+<li><a href="#ch18">NA REGEN VOLGT
+ZONNESCHIJN.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class=
+"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch18">72</a></span></li>
+<li><a href="#ch19">DE WONDEREN DER NATUUR.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;
+<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href=
+"#ch19">75</a></span></li>
+<li><a href="#ch20">VERHUIZING NAAR DE
+OOSTZIJDE.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class=
+"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch20">78</a></span></li>
+<li><a href="#ch21">FLINK EN WILLEM.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;
+<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href=
+"#ch21">81</a></span></li>
+<li><a href="#ch22">AANKOMST OP DE NIEUWE
+WOONPLAATS.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class=
+"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch22">85</a></span></li>
+<li><a href="#ch23">ALGEMEENE TEVREDENHEID MET HET NIEUWE
+VERBLIJF.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class=
+"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch23">89</a></span></li>
+<li><a href="#ch24">VERDERE VERRICHTINGEN IN DE NIEUWE
+VOLKPLANTING.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class=
+"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch24">92</a></span></li>
+<li><a href="#ch25">GEVOLGEN DER
+ONGEHOORZAAMHEID.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class=
+"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch25">94</a></span></li>
+<li><a href="#ch26">EEN ONAARDIG KIND.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;
+<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href=
+"#ch26">97</a></span></li>
+<li><a href="#ch27">GESPREK TUSSCHEN VADER EN
+ZOON.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class="tocPageNum"><a class=
+"pageref" href="#ch27">101</a></span></li>
+<li><a href="#ch28">DE VISCHVANGST.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;
+<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href=
+"#ch28">106</a></span></li>
+<li><a href="#ch29">HET NIEUWE HUIS.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;
+<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href=
+"#ch29">109</a></span></li>
+<li><a href="#ch30">PLAN VOOR DE TOEKOMST.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;
+<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href=
+"#ch30">111</a></span></li>
+<li><a href="#ch31">FLINK VERHAALT ZIJNE
+LEVENSGESCHIEDENIS.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class=
+"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch31">116</a></span>
+<ul>
+<li><a href="#xd21e2789">GESCHIEDENIS VAN DEN OUDEN
+FLINK.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class="tocPageNum"><a class=
+"pageref" href="#xd21e2789">119</a></span></li>
+</ul>
+</li>
+<li><a href="#ch32">VERVOLG VAN FLINKS
+GESCHIEDENIS.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class=
+"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch32">125</a></span></li>
+<li><a href="#ch33">THOMAS, WAAR IS DE
+VINGERHOED?</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class=
+"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch33">129</a></span></li>
+<li><a href="#ch34">DIE ARME JUNO!&mdash;FLINK VERTELT
+VERDER.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class="tocPageNum"><a class=
+"pageref" href="#ch34">136</a></span></li>
+<li><a href="#ch35">EEN RUSTDAG.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;
+<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href=
+"#ch35">144</a></span></li>
+<li><a href="#ch36">NOG AL ANDER WERK.&mdash;FLINK VERVOLGT ZIJNE
+GESCHIEDENIS.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class=
+"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch36">146</a></span></li>
+<li><a href="#ch37">KROKODILLEN, HAAIEN,
+HYENA&rsquo;S.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class=
+"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch37">153</a></span></li>
+<li><a href="#ch38">WILLEM WORDT ZIEK.&mdash;DE
+ADERLATING.&mdash;FLINKS VERDERE
+ONTMOETINGEN.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class=
+"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch38">161</a></span></li>
+<li><a href="#ch39">FLINKS VERDERE REIZEN EN
+AVONTUREN.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class=
+"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch39">170</a></span></li>
+<li><a href="#ch40">FLINKS BEROUW. GELUKKIGE WENDING VAN ZIJN
+LOT.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class="tocPageNum"><a class=
+"pageref" href="#ch40">178</a></span></li>
+<li><a href="#ch41">SLOT VAN FLINKS
+VERHAAL.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class="tocPageNum"><a class=
+"pageref" href="#ch41">184</a></span></li>
+<li><a href="#ch42">TWEEDE UITSTAPJE DOOR HET
+EILAND.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class="tocPageNum"><a class=
+"pageref" href="#ch42">188</a></span></li>
+<li><a href="#ch43">UITZICHT OP REDDING.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;
+<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href=
+"#ch43">199</a></span></li>
+<li><a href="#ch44">SPOREN VAN EILANDERS.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;
+<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href=
+"#ch44">205</a></span></li>
+<li><a href="#ch45">KRIJGSRAAD.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;
+<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href=
+"#ch45">211</a></span></li>
+<li><a href="#ch46">THOMAS EN DE KREEFT.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;
+<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href=
+"#ch46">214</a></span></li>
+<li><a href="#ch47">TOEBEREIDSELEN TOT DE
+VERHUIZING.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class=
+"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch47">217</a></span></li>
+<li><a href="#ch48">VERHUIZING NAAR DE
+ZUIDKUST.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class=
+"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch48">219</a></span></li>
+<li><a href="#ch49">UITSTAPJE NAAR DE
+WESTKUST.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class=
+"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch49">222</a></span></li>
+<li><a href="#ch50">BIJNA EEN ONGELUK. EEN NIEUWE
+BRIEVENPOST.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class=
+"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch50">227</a></span></li>
+<li><a href="#ch51">INSTINCT EN VERSTAND.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;
+<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href=
+"#ch51">237</a></span></li>
+<li><a href="#ch52">GROOTHEID VAN HET
+DIERENRIJK.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class=
+"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch52">242</a></span></li>
+<li><a href="#ch53">INRICHTING VAN HET
+BLOKHUIS.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class=
+"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch53">245</a></span></li>
+<li><a href="#ch54">GROOT GEVAAR.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;
+<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href=
+"#ch54">248</a></span></li>
+<li><a href="#ch55">DE KANO&rsquo;S ZIJN IN
+AANTOCHT.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class=
+"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch55">255</a></span></li>
+<li><a href="#ch56">LANDING DER WILDEN.&mdash;EERSTE
+AANVAL.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class="tocPageNum"><a class=
+"pageref" href="#ch56">259</a></span></li>
+<li><a href="#ch57">AANVAL BIJ NACHT.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;
+<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href=
+"#ch57">266</a></span></li>
+<li><a href="#ch58">ONVERWACHTE UITKOMST.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp;
+<span class="tocPageNum"><a class="pageref" href=
+"#ch58">274</a></span></li>
+<li><a href="#ch59">BESLUIT.</a>&nbsp;&nbsp;&nbsp;&nbsp; <span class=
+"tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch59">283</a></span></li>
+</ul>
+</div>
+<div class="transcribernote">
+<h2 class="main">Colofon</h2>
+<h3 class="main">Beschikbaarheid</h3>
+<p class="first">Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen
+overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het
+kopi&euml;ren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de
+<a class="exlink xd21e51" title="Externe link" href=
+"http://www.gutenberg.org/license" rel="license">Project Gutenberg
+Licentie</a> bij dit eBoek of on-line op <a class="exlink xd21e51"
+title="Externe link" href=
+"http://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>.</p>
+<p>Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd
+correctieteam op <a class="exlink xd21e51" title="Externe link" href=
+"http://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>.</p>
+<p>De scans waarmee dit eBoek is gemaakt zijn beschikbaar op het
+Internet Archive (<a class="seclink xd21e51" title="Externe link" href=
+"https://archive.org/details/StuurmanFlink">link</a>).</p>
+<p>Dit boek is een vertaling van <i lang="en"><a class="pglink xd21e51"
+title="Link naar Project Gutenberg eboek" href=
+"http://www.gutenberg.org/ebooks/21552">Masterman Ready: The Wreck of
+the &ldquo;Pacific&rdquo;</a></i>.</p>
+<h3 class="main">Codering</h3>
+<p class="first">Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke
+schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn
+stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn
+verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het
+einde van dit boek.</p>
+<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3>
+<ul>
+<li>2013-12-13 Begonnen.</li>
+</ul>
+<h3 class="main">Externe Referenties</h3>
+<p>Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn
+dat deze links voor u niet werken.</p>
+<h3 class="main">Verbeteringen</h3>
+<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p>
+<table class="correctiontable" summary=
+"Overzicht van verbeteringen aangebracht in de tekst.">
+<tr>
+<th>Bladzijde</th>
+<th>Bron</th>
+<th>Verbetering</th>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e192">5</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e280">9</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e289">10</a>, <a class="pageref" href="#xd21e296">10</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e323">10</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e420">13</a>, <a class="pageref" href="#xd21e727">28</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e763">29</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e919">38</a>, <a class="pageref" href="#xd21e973">41</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e1090">47</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e1156">49</a>, <a class="pageref" href="#xd21e1330">55</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e1688">70</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e1892">80</a>, <a class="pageref" href="#xd21e2027">84</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e2248">92</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e2768">118</a>, <a class="pageref" href="#xd21e3109">134</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e3150">135</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e3170">136</a>, <a class="pageref" href="#xd21e3211">137</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e3233">138</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e3254">138</a>, <a class="pageref" href="#xd21e3285">140</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e3314">141</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e3347">142</a>, <a class="pageref" href="#xd21e3408">145</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e3419">146</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e3461">147</a>, <a class="pageref" href="#xd21e3626">155</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e3631">155</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e3890">169</a>, <a class="pageref" href="#xd21e3996">174</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e4128">178</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e4600">197</a>, <a class="pageref" href="#xd21e4682">200</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e4701">201</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e4729">202</a>, <a class="pageref" href="#xd21e4759">203</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e5316">224</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e5819">243</a>, <a class="pageref" href="#xd21e6504">269</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e6610">273</a></td>
+<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td class="width40 bottom">&bdquo;</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e253">8</a></td>
+<td class="width40 bottom">famlie</td>
+<td class="width40 bottom">familie</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e274">9</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e356">11</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e392">12</a>, <a class="pageref" href="#xd21e498">17</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e622">23</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e642">24</a>, <a class="pageref" href="#xd21e655">25</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e924">39</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e944">40</a>, <a class="pageref" href="#xd21e1201">50</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e1317">55</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e1489">62</a>, <a class="pageref" href="#xd21e1830">78</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e2099">88</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e2138">88</a>, <a class="pageref" href="#xd21e3146">135</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e3185">136</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e3198">137</a>, <a class="pageref" href="#xd21e3218">137</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e3236">138</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e3302">140</a>, <a class="pageref" href="#xd21e3320">141</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e3331">142</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e3404">145</a>, <a class="pageref" href="#xd21e3424">146</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e3431">146</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e3449">146</a>, <a class="pageref" href="#xd21e3646">156</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e4513">194</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e4560">196</a>, <a class="pageref" href="#xd21e4611">197</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e4616">197</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e4631">198</a>, <a class="pageref" href="#xd21e4736">202</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e4977">210</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e5088">215</a>, <a class="pageref" href="#xd21e5151">217</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e5335">225</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e5652">236</a>, <a class="pageref" href="#xd21e5693">238</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e5822">243</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e5846">244</a>, <a class="pageref" href="#xd21e6190">258</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e6482">268</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e6497">269</a>, <a class="pageref" href="#xd21e6550">271</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e6687">276</a></td>
+<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td class="width40 bottom">&rdquo;</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e292">10</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e1225">51</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e1265">53</a>, <a class="pageref" href="#xd21e1415">59</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e2819">120</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e3012">130</a>, <a class="pageref" href="#xd21e3024">130</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e3600">154</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e3874">168</a>, <a class="pageref" href="#xd21e5239">221</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e5710">239</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e5786">242</a>, <a class="pageref" href="#xd21e6263">261</a></td>
+<td class="width40 bottom">.</td>
+<td class="width40 bottom">,</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e299">10</a></td>
+<td class="width40 bottom">handen</td>
+<td class="width40 bottom">honden</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e333">11</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e1055">45</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e1749">74</a>, <a class="pageref" href="#xd21e1945">82</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e1981">83</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e2125">88</a>, <a class="pageref" href="#xd21e2162">89</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e2175">90</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e3579">153</a>, <a class="pageref" href="#xd21e3620">155</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e3658">156</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e3803">164</a>, <a class="pageref" href="#xd21e4227">183</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e4282">186</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e4871">207</a>, <a class="pageref" href="#xd21e5530">232</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e6105">255</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e6473">268</a></td>
+<td class="width40 bottom">,</td>
+<td class="width40 bottom">.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e349">11</a></td>
+<td class="width40 bottom">Ruggelinks</td>
+<td class="width40 bottom">Ruggelings</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e425">13</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e489">17</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e1285">53</a>, <a class="pageref" href="#xd21e1963">82</a></td>
+<td class="width40 bottom">!</td>
+<td class="width40 bottom">?</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e431">13</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e1542">64</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e1756">74</a>, <a class="pageref" href="#xd21e1916">81</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e2709">116</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e4671">199</a>, <a class="pageref" href="#xd21e4836">205</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e4854">206</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e4928">208</a>, <a class="pageref" href="#xd21e4947">209</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e5033">213</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e5578">233</a>, <a class="pageref" href="#xd21e6399">265</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e6803">281</a></td>
+<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td class="width40 bottom">,</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e515">18</a></td>
+<td class="width40 bottom">bazaan</td>
+<td class="width40 bottom">bezaan</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e521">18</a></td>
+<td class="width40 bottom">gelegenheiden</td>
+<td class="width40 bottom">gelegenheden</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e566">21</a></td>
+<td class="width40 bottom">schrikkeliijk</td>
+<td class="width40 bottom">schrikkelijk</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e648">25</a></td>
+<td class="width40 bottom">geheele</td>
+<td class="width40 bottom">geheel</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e680">26</a></td>
+<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td class="width40 bottom">is</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e705">27</a></td>
+<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td class="width40 bottom">?</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e745">29</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e770">30</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e1432">60</a>, <a class="pageref" href="#xd21e1673">69</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e1754">74</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e1862">79</a>, <a class="pageref" href="#xd21e2237">92</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e3016">130</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e6582">272</a></td>
+<td class="width40 bottom">&bdquo;</td>
+<td class="width40 bottom">[<i>Verwijderd</i>]</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e855">35</a></td>
+<td class="width40 bottom">Toen</td>
+<td class="width40 bottom">toen</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e877">36</a></td>
+<td class="width40 bottom">..</td>
+<td class="width40 bottom">...</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e913">38</a></td>
+<td class="width40 bottom">lekten</td>
+<td class="width40 bottom">likten</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1030">44</a></td>
+<td class="width40 bottom">berijpen</td>
+<td class="width40 bottom">begrijpen</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1039">44</a></td>
+<td class="width40 bottom">voorgegevallene</td>
+<td class="width40 bottom">voorgevallene</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1108">47</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e1185">50</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e1206">50</a>, <a class="pageref" href="#xd21e2765">118</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e6298">262</a></td>
+<td class="width40 bottom">:</td>
+<td class="width40 bottom">;</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1111">47</a></td>
+<td class="width40 bottom">twee&euml;rleei</td>
+<td class="width40 bottom">twee&euml;rlei</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1122">48</a></td>
+<td class="width40 bottom">zulen</td>
+<td class="width40 bottom">zullen</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1292">54</a></td>
+<td class="width40 bottom">meee</td>
+<td class="width40 bottom">mee</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1445">60</a></td>
+<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td class="width40 bottom">!</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1494">62</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e1886">80</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e4367">190</a>, <a class="pageref" href="#xd21e4923">208</a></td>
+<td class="width40 bottom">?</td>
+<td class="width40 bottom">!</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1671">69</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e2539">106</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e3352">143</a>, <a class="pageref" href="#xd21e3361">143</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e3400">145</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e3503">149</a>, <a class="pageref" href="#xd21e3534">151</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e3993">174</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd21e4968">210</a>, <a class="pageref" href="#xd21e5836">244</a></td>
+<td class="width40 bottom">&rdquo;</td>
+<td class="width40 bottom">[<i>Verwijderd</i>]</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1710">71</a></td>
+<td class="width40 bottom">;</td>
+<td class="width40 bottom">,</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1738">74</a></td>
+<td class="width40 bottom">sparrend</td>
+<td class="width40 bottom">spattend</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1789">76</a></td>
+<td class="width40 bottom">toerijkend</td>
+<td class="width40 bottom">toereikend</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1800">76</a></td>
+<td class="width40 bottom">al</td>
+<td class="width40 bottom">als</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1848">79</a></td>
+<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td class="width40 bottom">den</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1853">79</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e5206">220</a></td>
+<td class="width40 bottom">alleen</td>
+<td class="width40 bottom">allen</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1913">81</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e6862">284</a></td>
+<td class="width40 bottom">&rsquo;</td>
+<td class="width40 bottom">,</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1970">82</a></td>
+<td class="width40 bottom">ikek</td>
+<td class="width40 bottom">ikke</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e1990">83</a></td>
+<td class="width40 bottom">at</td>
+<td class="width40 bottom">af</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2032">84</a></td>
+<td class="width40 bottom">aangedaan</td>
+<td class="width40 bottom">aan gedaan</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2035">84</a></td>
+<td class="width40 bottom">hieronder</td>
+<td class="width40 bottom">hier onder</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2059">85</a></td>
+<td class="width40 bottom">bindep</td>
+<td class="width40 bottom">binden</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2064">85</a></td>
+<td class="width40 bottom">er</td>
+<td class="width40 bottom">en</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2198">91</a></td>
+<td class="width40 bottom">pekelkleesch</td>
+<td class="width40 bottom">pekelvleesch</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2243">92</a></td>
+<td class="width40 bottom">verrchtingen</td>
+<td class="width40 bottom">verrichtingen</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2278">94</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e3653">156</a></td>
+<td class="width40 bottom">:</td>
+<td class="width40 bottom">,</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2298">95</a></td>
+<td class="width40 bottom">niet</td>
+<td class="width40 bottom">niets</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2400">99</a></td>
+<td class="width40 bottom">het het</td>
+<td class="width40 bottom">het</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2482">102</a></td>
+<td class="width40 bottom">&rdquo;?</td>
+<td class="width40 bottom">?&rdquo;</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2516">104</a></td>
+<td class="width40 bottom">kolonien</td>
+<td class="width40 bottom">koloni&euml;n</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2614">110</a></td>
+<td class="width40 bottom">moet</td>
+<td class="width40 bottom">maar</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2721">116</a></td>
+<td class="width40 bottom">geod</td>
+<td class="width40 bottom">goed</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2747">117</a></td>
+<td class="width40 bottom">vischen</td>
+<td class="width40 bottom">visschen</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2828">121</a></td>
+<td class="width40 bottom">daavan</td>
+<td class="width40 bottom">daarvan</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2858">123</a></td>
+<td class="width40 bottom">waarvan</td>
+<td class="width40 bottom">waaraan</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2863">123</a></td>
+<td class="width40 bottom">dat</td>
+<td class="width40 bottom">[<i>Verwijderd</i>]</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e2949">128</a></td>
+<td class="width40 bottom">antwooord</td>
+<td class="width40 bottom">antwoord</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3037">131</a></td>
+<td class="width40 bottom">&rdquo;,</td>
+<td class="width40 bottom">,&rdquo;</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3081">132</a></td>
+<td class="width40 bottom">gsteren</td>
+<td class="width40 bottom">gisteren</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3115">134</a></td>
+<td class="width40 bottom">Oostindievaarder</td>
+<td class="width40 bottom">Oostindi&euml;vaarder</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3180">136</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e4272">186</a></td>
+<td class="width40 bottom">,</td>
+<td class="width40 bottom">[<i>Verwijderd</i>]</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3201">137</a></td>
+<td class="width40 bottom">&mdash;&mdash;</td>
+<td class="width40 bottom">&mdash;</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3268">139</a></td>
+<td class="width40 bottom">haddenl</td>
+<td class="width40 bottom">hadden,</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3555">152</a></td>
+<td class="width40 bottom">zond</td>
+<td class="width40 bottom">rond</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3711">159</a></td>
+<td class="width40 bottom">nauwelijk</td>
+<td class="width40 bottom">nauwelijks</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3765">162</a></td>
+<td class="width40 bottom">Vixem</td>
+<td class="width40 bottom">Vixen</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3813">164</a></td>
+<td class="width40 bottom">Hottotten</td>
+<td class="width40 bottom">Hottentotten</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e3978">173</a></td>
+<td class="width40 bottom">poort</td>
+<td class="width40 bottom">voort</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4018">175</a></td>
+<td class="width40 bottom">spelde</td>
+<td class="width40 bottom">speldde</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4048">176</a></td>
+<td class="width40 bottom">postwagen</td>
+<td class="width40 bottom">postwagens</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4072">177</a></td>
+<td class="width40 bottom">,</td>
+<td class="width40 bottom">&bdquo;</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4119">178</a></td>
+<td class="width40 bottom">rucinusolie</td>
+<td class="width40 bottom">ricinusolie</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4171">180</a></td>
+<td class="width40 bottom">New-castle</td>
+<td class="width40 bottom">Newcastle</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4205">182</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e6085">255</a></td>
+<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td class="width40 bottom">-</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4291">187</a></td>
+<td class="width40 bottom">aanwerpen</td>
+<td class="width40 bottom">aanwerven</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4322">188</a></td>
+<td class="width40 bottom">mijn heer</td>
+<td class="width40 bottom">mijnheer</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4350">189</a></td>
+<td class="width40 bottom">&rsquo;</td>
+<td class="width40 bottom">[<i>Verwijderd</i>]</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4408">191</a></td>
+<td class="width40 bottom">eenhalve</td>
+<td class="width40 bottom">een halve</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4425">192</a></td>
+<td class="width40 bottom">hebbenl</td>
+<td class="width40 bottom">hebben,</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4447">193</a></td>
+<td class="width40 bottom">kenen</td>
+<td class="width40 bottom">kennen</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4458">193</a></td>
+<td class="width40 bottom">&rdquo;!</td>
+<td class="width40 bottom">!&rdquo;</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4484">194</a></td>
+<td class="width40 bottom">West Indi&euml;</td>
+<td class="width40 bottom">West-Indi&euml;</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4508">194</a></td>
+<td class="width40 bottom">gelaagd</td>
+<td class="width40 bottom">gejaagd</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4521">195</a></td>
+<td class="width40 bottom">klein</td>
+<td class="width40 bottom">kleine,</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4528">195</a></td>
+<td class="width40 bottom">dag dag</td>
+<td class="width40 bottom">dag</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4571">196</a></td>
+<td class="width40 bottom">gemakelijk</td>
+<td class="width40 bottom">gemakkelijk</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4596">197</a></td>
+<td class="width40 bottom">een</td>
+<td class="width40 bottom">en</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4640">198</a></td>
+<td class="width40 bottom">lading</td>
+<td class="width40 bottom">landing</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4768">203</a></td>
+<td class="width40 bottom">;</td>
+<td class="width40 bottom">:</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4885">207</a></td>
+<td class="width40 bottom">,</td>
+<td class="width40 bottom">;</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e4903">208</a></td>
+<td class="width40 bottom">aldien</td>
+<td class="width40 bottom">al dien</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5011">212</a></td>
+<td class="width40 bottom">: deze</td>
+<td class="width40 bottom">deze:</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5036">213</a></td>
+<td class="width40 bottom">vooraad</td>
+<td class="width40 bottom">voorraad</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5047">214</a></td>
+<td class="width40 bottom">of</td>
+<td class="width40 bottom">af</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5106">216</a></td>
+<td class="width40 bottom">bovenndien</td>
+<td class="width40 bottom">bovendien</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5230">221</a></td>
+<td class="width40 bottom">haalde</td>
+<td class="width40 bottom">haalden</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5244">221</a></td>
+<td class="width40 bottom">papagaaien</td>
+<td class="width40 bottom">papegaaien</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5259">222</a></td>
+<td class="width40 bottom">steken</td>
+<td class="width40 bottom">stekken</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5305">224</a></td>
+<td class="width40 bottom">doorgekopt</td>
+<td class="width40 bottom">doorgekapt</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5361">226</a></td>
+<td class="width40 bottom">kruid</td>
+<td class="width40 bottom">kruit</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5364">226</a></td>
+<td class="width40 bottom">poesten</td>
+<td class="width40 bottom">poetsen</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5385">227</a></td>
+<td class="width40 bottom">nauw keurig</td>
+<td class="width40 bottom">nauwkeurig</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5436">229</a></td>
+<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td class="width40 bottom">in</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5448">229</a></td>
+<td class="width40 bottom">een</td>
+<td class="width40 bottom">&eacute;&eacute;n</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5478">230</a></td>
+<td class="width40 bottom">ondekte</td>
+<td class="width40 bottom">ontdekte</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5544">233</a></td>
+<td class="width40 bottom">opgesteld</td>
+<td class="width40 bottom">op gesteld</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5671">237</a></td>
+<td class="width40 bottom">kakatoe</td>
+<td class="width40 bottom">kaketoe</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5735">240</a></td>
+<td class="width40 bottom">yamplantsoen</td>
+<td class="width40 bottom">yamsplantsoen</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5744">240</a></td>
+<td class="width40 bottom">beschermng</td>
+<td class="width40 bottom">bescherming</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5867">245</a></td>
+<td class="width40 bottom">aangekokmen</td>
+<td class="width40 bottom">aangekomen</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5884">246</a></td>
+<td class="width40 bottom">bevestigde</td>
+<td class="width40 bottom">bevestigden</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e5970">250</a></td>
+<td class="width40 bottom">opengespred</td>
+<td class="width40 bottom">opengesperd</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e6096">255</a></td>
+<td class="width40 bottom">Filnk</td>
+<td class="width40 bottom">Flink</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e6183">258</a></td>
+<td class="width40 bottom">van daan</td>
+<td class="width40 bottom">vandaan</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e6195">258</a></td>
+<td class="width40 bottom">patronnen</td>
+<td class="width40 bottom">patronen</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e6283">261</a></td>
+<td class="width40 bottom">&rdquo;</td>
+<td class="width40 bottom">&bdquo;</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e6305">262</a>,
+<a class="pageref" href="#xd21e6530">270</a></td>
+<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td class="width40 bottom">.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e6402">265</a></td>
+<td class="width40 bottom">alle</td>
+<td class="width40 bottom">alles</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e6525">270</a></td>
+<td class="width40 bottom">bijeenbrachtten</td>
+<td class="width40 bottom">bijeenbrachten</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e6568">272</a></td>
+<td class="width40 bottom">beproven</td>
+<td class="width40 bottom">beproeven</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e6721">277</a></td>
+<td class="width40 bottom">ettelijk</td>
+<td class="width40 bottom">ettelijke</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e6770">280</a></td>
+<td class="width40 bottom">gebleken</td>
+<td class="width40 bottom">gebleven</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd21e6944">287</a></td>
+<td class="width40 bottom">wachtten</td>
+<td class="width40 bottom">wachtte</td>
+</tr>
+</table>
+</div>
+</div>
+
+
+
+
+
+
+
+<pre>
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Stuurman Flink, by Kapitein Marryat
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK STUURMAN FLINK ***
+
+***** This file should be named 44758-h.htm or 44758-h.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/4/4/7/5/44758/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
+Gutenberg.
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org/license
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+
+</pre>
+
+</body>
+</html>
diff --git a/old/44758-h/images/book.png b/old/44758-h/images/book.png
new file mode 100644
index 0000000..963d165
--- /dev/null
+++ b/old/44758-h/images/book.png
Binary files differ
diff --git a/old/44758-h/images/card.png b/old/44758-h/images/card.png
new file mode 100644
index 0000000..1ffbe1a
--- /dev/null
+++ b/old/44758-h/images/card.png
Binary files differ
diff --git a/old/44758-h/images/external.png b/old/44758-h/images/external.png
new file mode 100644
index 0000000..ba4f205
--- /dev/null
+++ b/old/44758-h/images/external.png
Binary files differ
diff --git a/old/44758-h/images/frontcover.jpg b/old/44758-h/images/frontcover.jpg
new file mode 100644
index 0000000..3d9b0ec
--- /dev/null
+++ b/old/44758-h/images/frontcover.jpg
Binary files differ
diff --git a/old/44758-h/images/p043.jpg b/old/44758-h/images/p043.jpg
new file mode 100644
index 0000000..a9dbfe5
--- /dev/null
+++ b/old/44758-h/images/p043.jpg
Binary files differ
diff --git a/old/44758-h/images/p126.jpg b/old/44758-h/images/p126.jpg
new file mode 100644
index 0000000..480c6ee
--- /dev/null
+++ b/old/44758-h/images/p126.jpg
Binary files differ
diff --git a/old/44758-h/images/p260.jpg b/old/44758-h/images/p260.jpg
new file mode 100644
index 0000000..3c60d74
--- /dev/null
+++ b/old/44758-h/images/p260.jpg
Binary files differ
diff --git a/old/44758-h/images/p280.jpg b/old/44758-h/images/p280.jpg
new file mode 100644
index 0000000..1df38e6
--- /dev/null
+++ b/old/44758-h/images/p280.jpg
Binary files differ
diff --git a/old/44758-h/images/titlepage.png b/old/44758-h/images/titlepage.png
new file mode 100644
index 0000000..2f1dedb
--- /dev/null
+++ b/old/44758-h/images/titlepage.png
Binary files differ