diff options
Diffstat (limited to '44542-0.txt')
| -rw-r--r-- | 44542-0.txt | 3094 |
1 files changed, 3094 insertions, 0 deletions
diff --git a/44542-0.txt b/44542-0.txt new file mode 100644 index 0000000..c2ef388 --- /dev/null +++ b/44542-0.txt @@ -0,0 +1,3094 @@ +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 44542 *** + + Nederlandsche Bibliotheek + Onder leiding van L Simons + + + SPROTJE'S VERDER LEVEN + + Vervolg op "Sprotje heeft een dienst," + + + Door + M. SCHARTEN-ANTINK + + + Uitgegeven door de Maatschappij voor + Goede en Goedkoope Lectuur-Amsterdam + + + + + + + +I. + + +De klok in het voorgevel-fronton van het Armen-ziekenhuis had +juist twee uur geslagen: de tijd, dat dien dag de bezoekers werden +toegelaten. + +Stil, met haar lange, lijdzame gezicht zijwaarts in de kussens, +lag vrouw Plas, en wachtte. + +Het was bijna vier weken geleden, dat zij, na veel zwijgend verduurde +pijnen bedlegerig geworden, en eindelijk zelfs geen voedsel meer tot +zich kunnende nemen, naar hier werd overgebracht; 't was maagkanker, +had ze de dokters hooren zeggen; zij wist, dat ze het niet lang meer +maken zou, en zij wachtte nu Sien, die met den middagtrein van drieën +voor haar uit Amersfoort zou overkomen. + +Ant, trouw drie maal in de week, als het bezoekuur vroeg was gesteld +en in haar schafttijd viel, zat dat schaftuur uit aan haar bed; +Merie mocht Dinsdags en Vrijdags een kwartier vroeger uit haar dienst +gaan, en ook zij mankeerde nooit. Eens had zij zelfs den Zondagmiddag +vrijaf weten te krijgen. O! zij waren hartelijk te over voor haar, +en het was een vreugde, iedere maal, dat zij ze weer komen zag. + +En toch, in het voorgevoel nu van den dood, die zoo nabij was, ging +haar grootste liefde niet uit naar die twee, maar naar de andere +dochter, naar Sien--Sien, die eens zonder een goedendag bijna bij haar +uit huis was getrokken, die op den avond van haar trouwen zelfs in +onmin scheiden kon, en die zij eenmaal slechts terug zag nadien: het +korte, koele bezoek tot afscheid, twee maanden later, toen plotseling +het jonge huishouden de stad verliet. + +Ant was zoo oppassend en zoo zorgzaam, en Merie, bij haar zwakke +gezondheid, deed ook zoo braaf haar best in haar moeilijken dienst; +als in een verklaardheid, thans bij 't einde van haar leven, voelde +zij dat zooveel duidelijker en afzonderlijker dan vroeger, en zij was +er zoo dankbaar voor;--maar in de lange, vaag-wakkere nachten zag zij +Siens appel-frissche gezicht en zij hoorde de dartele, eigenzinnige +stem, die nooit veel liefs tegen haar gezegd had, en die haar toch +zoo lief was. Een kwellend verlangen was dan in haar hart, juist naar +de dochter, die haar het minst meer noodig had, en die haar het minst +ook missen zou.... Hoe dat zoo wezen kon? + +Moeilijk verlegde de zieke het hoofd in de kussens; haar pluizig, +zwart haar, in enkele maanden grauw geworden aan de slapen, ging +ver schuil in de strakke, witte ziekenhuis-muts en dat gespannen, +zuivere wit stond schril rond haar ingevallen, hoorn-gele gezicht, +waarop, als een schimmig weggewischte teekening, de nu bleek-purperen +ader-koonen voozig verglommen onder de diepgegroefde oogkassen; +en de lange, vale zijstukken der wangen hadden vreemde schaduwen, +alsof reeds de dood daar langs gestreken kwam. Doch haar eigenlijke +gezicht, haar donkere oogen en haar verweerde mond, zij waren, nu +voor een oogenblik de pijnen uitgestorven schenen, van een rust, +die noch het wachten, noch het verlangen te onteffenen vermochten. + +Er lagen slechts weinig zieken in de zaal, dien tijd. Twee plaatsen +weerszij van haar waren onbezet; verderop, in het donkerder gedeelte, +gonsde een veelstemmig gepraat om het bed van een jonge vrouw, die +ongesteund rechtop zat midden in haar ledikant. Nog meerdere bezoekers +kwamen door de groote middendeur binnen en gingen allen naar dien hoek. + +Vrouw Plas, moeizaam, verlegde opnieuw het hoofd in de kussens, +zag naar de andere zijde der zaal, waar de bedden alle stil waren +of iedereen sliep; rond het laatste hingen de witte gordijnen +dichtgesloten. + +Een zuster, klein en donker, kwam door de lage zijdeur, in het +zaalverschiet, binnen; geluidloos schreed ze langs de voeteneinden der +lange rij ijzeren ledikanten en bij elk der drie hooge nis-vensters +gleed schuin een vleug van gouden Septemberzon over haar blauwe +sergen kap. + +Toen zij dicht bij het bed van vrouw Plas was gekomen, klaagde die +flauwtjes over het helle licht, dat haar oogen zoo vermoeide. Zonder +gerucht liet de zuster het rieten rolgordijn zakken en ging verder. + +"Wel bedankt," mompelde de zieke nog. Dan, in den vredigen schemer, +zakten de ijle, blauwig-doorschenen oogleden zachtjes neer over de +weg-deinende, donkere bollen, en haar gedachten, zonder ontroering +of beklag, vlotten weg langs de weinige wegen van haar afgelegde leven. + +Zij zag zich, kind uit een groot steenbakkersgezin, iederen morgen +met hen allen trekken naar de steenbakkerij aan de rivier, waar zij +in guurte en in regen en in brandende zon de steenen droeg van de +droogschuren naar den oven en van den oven naar de schuit .... Zij +zag zich, vele jaren later, getrouwd met Plas, een vrouw van welstand +opeens voor haar doen, maar altijd druk in de weer toch, omdat het +werken haar in het bloed zat. Dan de geboorten der twee kinderen, +en, na zeven jaren, plotseling het ongeluk. En toen, de jaren door, +zij optornend voor 't gezin, en daartusschen, ongewenscht, als een +overmaat van zorg, de geboorte van 't derde kind, van Merietje .... Zij +dacht aan haar drie groote dochters nu, aan Sien .. Sien, die straks +komen zou .... Even toefde ook haar denken bij de twisterige bruiloft, +waarvan de herinnering haar zoolang een onverteerbaar brok was geweest; +zij dacht nu daaraan zoo onbewogen en ver af, met een vage verwondering +alleen, en zij wist, dat alles in haar hart vergeven was en dat er +geen veete meer bestond. + +Toen zij de oogen opsloeg, wachtte bij de groote middendeur de zuster, +die aan Sien wees, welken kant zij op moest gaan. + +Een blijdschap en een schrik tegelijk flitsten door de zieke heen; +'t was of haar gespannen oogen de jonge vrouw wel naar zich toe +wilden trekken, zooals die, mooi gekleed, maar loom en zwaar, dan +langzaam naderde. + +"Dag Sien," groette de moeder het eerst. + +"Dag moeder," zei Sien; het klonk luid en wel hartelijk, maar haar +oogen zagen ontwijkend ter zijde. + +En toen zij op den kleinen stoel, die naast het bed stond, zitten +ging, en wat bezwaarlijk tegen de achter-overe leuning aanzeeg, +spalkte plotseling de ruime, zwart-stoffen mantel open en haar +breed welvend lichaam van ver-zwangere vrouw kwam onverholen aan +het licht. Een pakje, dat zij bij zich had, lei ze naast zich op het +beddetafeltje neer. + +De zieke kleurde branderig over de vaal-bleeke verslondenheid van +haar gezicht heen. + +"Hoeveel maanden al?" vroeg ze dringend. + +"'k Loop op 't laatst," zei Sien verward, als overrompeld; .... "Acht +maanden." + +Zij waren nog geen half jaar getrouwd. + +De vrouw in het bed sloot de oogen; er kwam een beving om den +weggeslonken mond, en, als voor zichzelf alleen, zoo zacht, zei ze: + +"Dat had niet magge wezen." + +Maar na een oogenblik keek zij weer op; zij zag, onder het kleurige van +den gelen kapothoed en zijn roode rozen, het vreemd geworden gezicht +met de bruinige vlekken aan de slapen, dat gezicht van reeds moeizaam +moederschap, en waarop de smarten der geboorte als aangekondigd +stonden; zij zag de vermagerde, aderige hand, die krampachtig in de +zijde neep, als om een hinder daar te overwinnen. + +Een stil oogenspel, even, was er tusschen hen beiden. De moeder zag +ook, hoe het felle, uitdagende blauw van vroeger als donkerder was +geworden, dieper en inniger, en vol rust, die naar binnen leefde. + +"'k Wou toch nog even komme, om je te zien," zei de dochter. + +De vrouw in het bed knikte. + +En dan, half onverschillig, half vertrouwelijk, begon Sien te +vertellen: + +"Hij wou me eerst niet laten gaan .... hij is bang voor wat z'n +familie zal zeggen .... maar dat 's onzin natuurlijk .... as 't kind +er is weten ze 't toch .... en mijn ook een zorg of ze wat zeggen ...." + +De zieke knikte nog eens; maar 't was of zij meer beâamde een eigen +gedachte, dan de woorden, die zij hoorde. Er was een groote goedheid +over haar gelaat en met de zorg van oud moederdier voor het jonge, +vroeg ze: + +"Jij draagt zwaar .... net as ik in mijn tijd .... maar jij ben ook +gezond, hè?" + +"O! gezond!...." zei Sien, "da's puik!.... maar 'k heb veel lasten." + +"En is 't ie goed voor je?" vroeg de moeder. Zij vroeg het onbevangen, +of nooit het vertrouwen van moeder en kind tusschen hen verstoord +was geweest, en Sien antwoordde, argloos ook: + +"Hij het z'n gebreken, hè?.... maar anders zoo goed as de beste +.... 'k heb geen klagen .... en achttien gulden in de week vast ...." + +"Ik zal 't nie meer beleven," zei de zieke, met een plotselinge +zwenking der gedachten, en voor het eerst kwam er iets van verlangen +en nog hangen aan het leven in haar gelaat. + +Sien was opgeschrikt. "Wat zeit de dokter?" vroeg ze haastig. "Hei +je veel pijn?" + +"Ze hebben 't je geschreven.... 't begin van het eind," zei de zieke; +en verder praatte zij niet over zichzelf. + +Toen gaf zij nog, met dezelfde goedheid van oud, uitgeleefd moederdier +over haar zwakke gezicht, al wat zij wist aan raad voor de aanstaande +bevalling. + +Een lange wijl zaten zij zonder spreken. + +Dan, om wat te zeggen, vroeg Sien naar haar zusters: .... was Merie +wel gezond?.... vree Ant nog met Busselaar? + +"Vrijen en niet vrijen.... zoo'n gangetje, hé?" zei de moeder met +een vagen glimlach, waarin nog iets van haar vroegeren, goelijken +spot kwam doorschijnen. + +Siens uitzicht trok gaandeweg al meer vervallen en overmoe; de bruinige +schaduwen aan de slapen en bij den mond vertoonden zich sterker nu +haar kleur was gezakt; er kwam een schril licht in haar oogen en een +onnoozele trek om den even open mond. + +"Je kon het toch nog wel doen, die reis?" vroeg de moeder met vrees. + +Sien gebaarde iets van:--nou nog mooier! Dan zei ze plotseling: + +"'t Zal zeker een jongen zijn." + +Een lach brak door op 't gezicht van de zieke vrouw. + +"Dat dacht ik ook altijd," zei ze, "de beide keeren.. Maar met Merie +niet meer.... die hield zich altijd koest, net als later." + +Ze zagen elkaar aan, de oude en de aanstaande moeder; er was een +wereld van gelijke zonnige gedachten en van zorgen tusschen hen in. + +"Jij hebt het rijker dan ik het had.... jij mot een dokter +nemen.... geen juffrouw...." zei de zieke nog. + +Toen ging, met het opklinken op eens van nader gekomen stemmen, +wat luidruchtig, de groote middendeur open; een groepje bezoekers +verliet de zaal, en tegelijkertijd, bedeesd langs hen henen, vaaltjes +en bleek in haar grijzen regenmantel, schoof Sprotje naar binnen. + +Zij scheen dadelijk Sien te zien zitten, want zij aarzelde, keek +schichtig terzij, of ze met den laatst heengaande nog weer mee +terugkeeren wou.... Toen die de deur achter zich gesloten had, kwam +zij, ontdaan, op het bed van haar moeder af. + +"Dag Merie," zei Sien ongedwongen en vriendelijk. + +"Dag....," zei Sprotje schuw. Dan groette zij de zieke, gaf haar een +hand en zette zich schutterig neer op den rand van het bed. Schril en +beschaamd gingen haar blikken naar het zwaar uitpuilende figuur der +jonge vrouw; zij dorst er niet naar te kijken en zij kon er de oogen +niet afhouden. Zij kreeg een hooge kleur en voelde een verlegenheid +of zij zou gaan huilen. + +Sien lachte niet; Sien werd niet boos; met een groote rustigheid +zei ze: + +"Je hoeft niet zoo bleu voor je zuster te zijn.... we kenne mekaar +toch langer dan vandaag......" + +"Ben je goed gezond tegenwoordig?" vroeg ze achteraan. + +Sprotje had verrast opgekeken. Zij knikte van ja. + +"'k Ben van 't jaar nog geen dag thuis gebleven en m'n werk ken 'k af." + +"Da's mooi," zei Sien; en tegen de moeder: + +"Goed er uit zien is nog wat anders.... maar as ze zelf voelt, dat +ze sterker wordt...." + +Sprotje nam haar zuster wat vrijmoediger op. Wat was Sien deftig +geworden, dacht ze, net een echte juffrouw, en zoo stil in 'r +mond--.. Maar wat zag 'r gezicht er akelig uit, en wat puilde dat +lijf.... zou dat pijn doen?.... Sprotje voelde een aantrekking en +een afschrik tegelijk, een angst voor iets onafwendbaars, alsof het +haarzelve gold. + +Met een plots zeer klaren blik had de zieke vrouw naar Sprotje gekeken, +zooals die daar zat in haar kalen regenmantel en met haar doffe, +bruingrauwe hoedje op. 't Was haar, of zij nog nooit zoo goed het +gezicht en heel het wezen van haar jongste kind had aangeschouwd, +de smalle, vage wangen, zooals die spits toeliepen naar de kleine, +zwakke kin, en de zachte, grijze oogen onder de bleeke brauwen; +zij zag het plukkige, vaal-blonde haar, dat geen levenskracht scheen +te hebben, en de onzeker verloopende lijn van strakke voorhoofd en +kinderlijke neusje; sloom was de moeizame ronding van haar hals en van +haar ingebogen schouders, maar de mond, flauw-roze en met drie fijne +dwarskerfjes in de bovenlip, sloot vast opeen met een uitdrukking +van smartelijke volharding; en in haar schoot lagen, groot en grof +donkerrood, als dingen die niet pasten bij haar tengerte, de barstige, +zwart-gekerfde en als gezwollen werkhanden aan de nog rauwer-roode, +dunne, knokelige polsen. + +Een groot medelijden, zooals zij nog nooit voor dit kind had gevoeld, +kwam er in het hart der zieke vrouw. + +Zij herinnerde zich de dunne priegelvingertjes van voorheen, zooals die +de ringen naaiden aan de gordijnen van den behanger, en haar dunne, +bloedlooze lippen, die zoo vaak zich sperden in een raar gelach. Zij +voelde, dat dit kind van haar zeer misdeeld was en niet opgekweekt als +het had behoefd; en zij voelde ook, dat niemand daar schuld aan had; +doch het verband van die gedachten kon zij met haar zwakke hoofd niet +rijmen, en afgetobd sloot zij de oogen. + +"Een kinderwagen? leg je 'm daar 's nachts ook in?" vroeg Sprotje. + +"Wel nee, meid," zei Sien, "d'er is een ijzeren wieg met zeegroene +gordijnen en een kanten kleed erover; een burgemeesterskind zou er +in kunnen slapen." + +"Zoo'n hooge, as t'er wel voor de winkelramen staan?.... zou 'k die +graag 's zien!.... En hei je mooie, zachte lakentjes?.... en krijgt +ie een kanten mutsie op?" + +"Da's geen mode meer," zei Sien. + +Toen, met een afschijn van groote vrede en gelukkigheid over haar +gelaat, zag de zieke weer op. Hoor! nu praatten zij eensgezind over het +nieuwe leven, dat op geboren worden stond! nu waren zij niet vijandig +meer! Zij was zeker lang met haar gedachten afwezig geweest. En er +was een verwondering in de vrouw, omdat plotseling het sterven haar +niet droef of vreemd meer leek. + +Ook zag zij, in een nieuwe verklaring, hoe het gezicht van het +meisje, diep-in, geleek op het gezicht van Sien, zooals die daar nu, +vermoeid en tijdelijk afgetakeld door haren staat, naast het bed te +vertellen zat. + +"Je mot zeker gauw weer weg?" vroeg ze dan, maar zonder treurigheid, +alsof er een groote bevrediging was over haar gekomen. + +"'k Zou maar één trein overblijven.... omdat ik anders de familie +niet kan passeeren...." + +Sien zei het benepen-verontschuldigend, trachtend te verzachten, +en zij had gekleurd; maar de zieke vrouw knikte, dat het goed was. + +"As 't afloopt mot je niet weer overkomme.... voor 't kind niet, en +voor jou niet.... maar as je man me wil helpen begraven.... 'k ken +hem eigenlijk wel niet, maar 't is toch me schoonzoon.... en je mot +'m wel de komplementen doen." + +Even werd het Sien te raar om het hart en zij beet op haar lippen om +niet te huilen. + +Toen begon ze druk te vertellen van hoe het bij haar thuis was: +zóó de voorkamer, zóó de achterkamer.... + +De zieke luisterde vaag maar welgevallig. + +"En hoe zal 't kind heeten?" vroeg ze nog, bij een gaping in 't +verhaal. Doch dadelijk knikte zij van nee en maakte een gebaar van +maar niet te antwoorden: zij wist wel, dat zij daarin niet meegeteld +zou worden en dat alles voor de familie van den man zou zijn. Even +schoof er nog een verdrietige schaduw door haar oogen, en Sien, +haastig, vertelde weer door: een keuken met een dubbel raam, en een +gasstel met een oventje erin had ze.... in een ommezien was daar je +eten op gaar. Boven sliepen ze, maar in de achterkamer was nou ook +al een bed gezet, voor as ze most gaan liggen.... + +Telkens drukte ze, met een pijnlijken trek om den mond, de +rechterhandpalm in de zijde en hield even den adem in. + +De klok aan den voorgevel sloeg vijf slagen, en dadelijk daarna +kwam de zuster:--alleen het bezoek van buiten mocht nog blijven; +het gewone uur was verstreken, zei ze zachtzinnig. + +Sprotje stond dadelijk gewillig op, tot vertrekken gereed. Maar ook +Sien was uit haar stoel overeind gekomen.--Vijf uur?.... dan most ze +weg.... om half zes ging haar trein.... Ze liep zoo vlug niet meer.... + +Zij aarzelde. Het was zoo vreemd. Zij kon geen afscheid nemen. Zij +staarde naar de vrouw in bed. Dat was nu haar moeder.... daar lag +ze.... en zij zou ze nooit weerzien. Zij werd heel wit. Zij zag, +hoe haar moeders gezicht was weggeslonken, alsof zij zoo sterven kon. + +Maar vast en klaar zei de zieke nog: + +"Een gelukkige verlossing, kind, en een gelukkig leven verder." + +Een snikken brak in Sien los. Zij bukte zich, gaf een kus op de vale +wangen, een kus op de hand, en gehaast, voorzichtig met haar zware +lichaam, naast Sprotje, die 'r stappen inhield, ging zij de zaal af, +keek nog om bij de deur; zij lachte schril door haar schreien heen, +zij knikte, had een stijven handwuif,--dan waren zij weg. + + + +Toen de begrafenis was afgeloopen, en de eenige oom, die in het Kerspel +woonde, en de schoonbroer uit Amersfoort weer waren vertrokken, zaten +'s avonds, als versuft van al de trieste beslommering, Sprotje en +Ant samen bij de kleine lamp aan hun keukentafel. + +Zij waren beiden dien dag niet naar haar werk geweest, hadden 's +morgens in het ontvangzaaltje van het ziekenhuis gewacht tot de paar +begrafenisgasten kwamen, hadden 's middags koffie geschonken voor de +menschen, die in hun voorkamer zaten. + +Moeders broer was al tegen drieën weggegaan en de zwager een half +uur later; maar een paar buurvrouwen waren nog tot den donker +gebleven, vullend het ontredderde vertrek met een dompig-verwarde +luidruchtigheid. + +Nu, vreemd, in de avondstilte, waren zij met hun tweeën alleen. + +Sprotje zag ontdaan; een doode en een begrafenis, die had zij, met +weet, nog nooit bijgewoond; haar gedachten waren vol afschrik en +veege ontzetting en een werkelijk verdriet drong niet tot haar door. + +Ant was zeer moe; zij hield het breede postuur ineengedrongen, +de armen over de borst gekruist, of zij kleumde; soms knikte met +hortende stootjes haar hoofd voorover en was zij een oogenblik ingedut. + +Maar gauw en heesch begon Sprotje dan iets te zeggen; zij wou niet, +dat de andere sliep, wou aldoor blijven praten, om aan de dwangbeelden +te ontkomen, die haar staken in het hoofd. + +En Ant schrok op, keek dwaas even rond, huiverde en overpraatte met +haar luide stem de stilte, die ook haar benarde. + +Zoolang vrouw Plas in het Ziekenhuis lag, hadden zij al de avonden zoo +bij elkaar gezeten, slaperig beiden en moe, Sprotje van het sjouwen +in haar dienst, Ant door het dubbele werken op haar weverij en bij +hen thuis,--wekenlang had dat geduurd, en nu was er plotseling een +verwezenheid en een nieuwe leegte gekomen, die alleen hun eigen bange +gedachten daar brachten, en die benauwend was te ondergaan. + +Beiden, bij poozen, herinnerden zich ook, wat de man van Sien +bij het heengaan nog zeide, dien middag:--zij hadden veel met +hun moeder overbracht, en 't zou zeker onkosten gegeven hebben +bovendien.... 't beetje, dat er was, konden zij houden.... Sien maakte +geen aanspraak.... + +Uit den toon van zijn stem was wel de geringschatting te hooren geweest +voor het erfenisje van een paar meubelstukken en wat waardeloos geraad; +maar zij vonden het toch vriendelijk, dat hij hun liet, wat zij altijd +gehad hadden,--en alsof er nu eensklaps iets vreemds was gekomen aan +elk ding, en zij daarmede iets anders zouden kunnen doen, dan zij +altijd gedaan hadden, zoo verbaasd en onderzoekend keken zij soms rond. + +Maar dan spraken zij ras daarover heen, om de wreede en slechte +gedachte te verbannen. + +"Ja...." zei Ant eindelijk met een moedelooze afgetrokkenheid: "'t +had zoo ook niet langer gekend, hé?.... werken en koken en dan nog m'n +tien uren op 't fabriek.... jij ken nou eenmaal niet meer bijbrengen, +om te helpen.... maar 't liep mijn over de kop.... net as je oom zei, +we motten een kosthuis zoeken...." + +Sprotje schokte even in de schouders weg. + +Ant was al vaker tot dat besluit gekomen, vorige avonden van +neerslachtigheid en tobberij; en Sprotje, in een ijlen schrik, had +daar dan dadelijk overheen gepraat.... Een kosthuis zoeken, wonen bij +andere, arme menschen als zijzelf, bij vreemden, dat leek haar zoo +zwart en zoo troosteloos, dat al het grauwe van haar eigen thuis er +plotseling bij wegviel; en zij had zich met vage mogelijkheden gepaaid, +die zij maar vaag hield, om er het onmogelijke niet van in te zien.... + +Nu, in de beklemmende leegheid van dezen avond, voelde zij het +onherroepelijke: zij moesten hier weg.... zij moesten onder de +menschen. + +Zij keek Ant aan met het zachte van een weerloos dier in haar kleine, +grijze oogen en ze zei gelaten: + +"Ja.... een kosthuis...." + +"Ze is van middag pas begraven", kwam Ant verdrietig, "we moste daar +eigenlijk nog niet over praten." + +Maar even later, in de zeurige dofheid van haar afgetobd, heet hoofd, +ging zij toch op dezelfde gedachte door: + +--De moeder van Eiltje, die nam kommesalen, maar 't was er zoo'n +herrie, negen kinders over de vloer.... en de menschen van Mastenbroek, +maar daar leien ook kerels van 't spoor in de kost.... misschien was +'t bij Westerweel nog het beste.... + +"En de meubels, die motte we wel verkoope," zei ze dan mistroostig. + +"Verkoope....?" duizelde Sprotje. + +Bij verbijsterende vlagen kwam al de naakte naarheid door haar +denken gejaagd. + +"Maar de latafel toch niet....!" schrok ze opnieuw. + +"En een kosthuis, hoe mot ik dat betalen...." klaagde ze nog flauwtjes +op de eerste overdenking door: "ze vragen wel een daalder in de +week...." + +"Jij zou de latafel kenne houen, as je daar zoo op gesteld ben," zei +Ant goedig; "veel dienstmeissies brengen een kassie mee, hè?.... as +jij later 'ns voor dag en nacht gaat.... En ik neem dan weer wat +anders...." + +"Ik zou de potkachel kenne nemen," zei ze even later, alsof het een +plotselinge vondst van haar was. + +"Waarom de potkachel?" vroeg Sprotje verbaasd. + +Maar onderdoor die verbazing was er eensklaps een schrille vreugde in +haar hart geschoten. De latafel! .... of zij dan nog ooit 'ns, als een +deftige dienstmeid, met 'n kassie bij 'r menschen zou komme....! Of +dat nog 'ns mogelijk zou zijn! + +Met een matter belangstelling vroeg ze nog eens: "Wat zou jij met de +potkachel doen?" + +Doch Ant zweeg, gaf geen naderen uitleg over die keuze. + +Zij zaten stil; zij keken verward, als betrapt voor zich neer.... + +Zij waren plots weer bij de niet te gelooven werkelijkheid terug: +hun moeder was dood, was begraven vandaag.... Ant streek verscheidene +malen met de hand over de oogen. + +Na een poos zag Sprotje haar zitten, met het zorgelijk getrokken +voorhoofd en den ouwelijken rimpelmond, zooals zij wel vaker te +kniezen zat, den laatsten tijd. + +Ant dacht aan Busselaar, aan haar beurtschipper. De vorige maand had +hij een bezoek overgeslagen; gister was het zijn dag geweest en hij +had zich niet vertoond.... maar soms kwam hij er twee, drie later +dan zijn tijd was.... Wat die man toch in zijn schild voerde!.... Zij +brak zich daar vaak het hoofd mee. + +"'t Zal om de begrafenis zijn, dat ie niet gekommen is", zei Sprotje, +radend in een goeiïgheid van willen troosten. + +De andere knikte. + +Wat later, hulpeloos, spraken zij af, dat Ant den volgenden morgen,--'t +was dan juist Zaterdag--de huur van hun huisje zou opzeggen; en Zondag +zou ze werk maken van een kosthuis; ze moest ook bij de uitdragers +langs voor den verkoop van hun boeltje...... + +Dan zwegen zij weer beiden, vervaard voor zooveel moeilijkheden. + +Door de stilte van den avond streek, als een eindelooze zucht uit de +wijde eenzaamheid der weilanden, het geruisch van een trein op den +verren spoordijk; uit de Hanekamp tikkelde telkens, zenuwachtig, het +knikkergeluid der biljardballen; en daar doorheen botste soms een doffe +plomp-klots in de zakken, of flitste het helle ketsen van een queue. + +Ant, met een ruk, stond op van haar stoel, draaide de lamp hooger, +die gezakt was, ging dralende weer zitten. + +"De arme stakkerd", zei ze. + +"Ja", kwam Sprotje zacht; zij werd op eenmaal heel lauw en dacht aan +haar moeder; haar wrange keel wrong omhoog en tranen drongen in haar +oogen; even huilde zij en trachtte te bidden, maar haar leege bidden +werd verschroeid door haar warrig heete gedachten. + +"Kom meid", hoorde ze Ant zeggen, die de hand op 'r schouder lei. De +oogen vol tranen, haar denken dood-gebrand, staarde Sprotje wezenloos +voor zich uit, liet zich door die warmte opbeuren. + +Zij zag vlekkerig rood, en rechtte haar pijnlijken rug. + +Ant, de ellebogen op tafel, de kin in de handpalmen, staarde blind +in de lampevlam. + +Zoo zaten zij een langen tijd. + +Zij verlangden beiden naar bed; zij gingen niet; er was iets stuk +diep in hun hoofden, er stak iets, er schrijnde iets en zij talmden +bij elkaar in den schijn van het lamplicht, dat nog troostte. + +Dan begonnen zij, dof en nuchter van afgematheid, nog eenmaal over +ieders aandeel in de meubelstukken.--De latafel en het potkacheltje, +dat ging niet gelijk-op, vond Sprotje, die slapjes weer kwam +bijgeleefd.--Maar ze nam haar eigen bed ook mee, zei Ant;.... als +Merie dat van Sien wou? + +--.... Nee.... zei Sprotje, rillerig.... in een betrekking kon je +daar toch niet mee ankomme. + +Maar dan herinnerde zij zich plotseling de vriesnachten, op haar +veldbedje onder het dak, bij juffrouw Jonkers. + +--Eén wollen deken kon je misschien in je kastje wel meebrengen, +aarzelde ze.... voor as je eens kouwelijker was, dan de menschen +dachten.... + +Plots schrokken zij beiden; een felle fluitstoot, als een schrei, +kwam over het land gekreschen. Ant zag, hoe Sprotje schril wegtrok +om den neus. + +"'t Is de trein van tienen", zei ze, "we motte naar bed". + +Maar geen van beiden roerde zich om op te staan. Uit den Hanekamp klonk +nog een laatste getikkel der biljardballen; gelach en stemmen-lawaai +van menschen die uiteengaan, galmde over en zweeg. Een nieuwe stilte +viel er over 't land. + +"We motte Sien een gedachtenis geven", zei Sprotje opeens met een +vreemd wakker hoofd. + +En zij keek onbestemd rond naar wat daartoe dienst kon doen. + +Doch Ant zei bitter: + +"As ze niet zoo'n verdriet van Sien had gehad, zou ze der zoo gauw +niet uit zijn geweest.... ze het na de bruiloft geen gezond oogenblik +meer gehad.... En nou weer zóó bij moeder te komme.... daar zal de +ziel ook nog wel...." + +Sprotje dacht aan het afscheid, dien middag in het ziekenhuis; ze +zag weer het uitgeleefde, trouwe gezicht; ze hoorde die zwakke stem +vol sterke liefde: "een gelukkige verlossing, kind, en een gelukkig +leven verder...." + +"Moeder was toch...." wou ze beverig gaan zeggen, maar door het +geluid van haar eigen woorden brak ze plotseling in een zenuwachtig +snikken uit. + +Om half elf zaten ze nog op. Ant stelde voor, samen in de bedstee +te slapen, die nu al twee maanden ongebruikt was geweest, doch dat +deden zij niet. + +'t Was over elven, eer zij dicht achter elkaar aan, met het olielampje, +de ladder opklommen naar hun slaapplaatsen op zolder. + + + +De eerste dagen der volgende week raakte Ant met een kosthuis klaar. 't +Was bij Diepelink dat ze kwamen. Zijzelf moest twee-vijftig kostgeld +geven en tien stuivers kamerhuur, en omdat zij een stel eigen bedgoed +meebrachten, kon Marie voor niets de kamer deelen. Marie had alleen +middageten noodig, kreeg boterhammen in 'r dienst, Marie namen ze +voor vierentwintig stuivers in de week erbij.... 't Was een prikje, +dat moest Ant toegeven.... Maar met een bekommerd hart kwam zij dien +avond Sprotje den uitslag vertellen. + +Sprotje, die in 't vage al zooveel getobd had, schrok toch nog heftig +voor de daadwerkelijkheid van het bedrag. Zij verdiende tachtig centen +in de week. Acht stuivers te kort. En 'r kleeren! En de ziekenbus, +waarvoor zij zelf nu zorgen moest! + +"'k Zal je wel helpen, as 't mot," zei Ant aarzelend. Sprotje knikte +flauw door haar tranen heen. Ant was op den penning geworden sinds +haar verkeering met Busselaar, dat wist ze wel; en voor háár zou +'t leven ook duurder zijn dan hier aan het Dijkje. + +"En de erfenis," troostte Ant weer. + +Sprotje knikte nog eens, overtuigder: "Ja, de erfenis ...." + +Vierentwintig gulden, in een ronde som, had de uitdrager voor hun +boedeltje beloofd. Van haar aandeel, rekende Sprotje uit, kon ze een +half jaar het ontbrekende bijpassen.... Maar dan was het ook op .... En +dan?.... Als ze voor dien tijd eens geen vollen dienst vond!.... Met +wondende stooten herinnerde zij zich al haar vergeefsche tochten, +een anderhalf jaar geleden, de afschuwelijke en vernederende tochten, +als zij met haar doodmoede lichaam telkens weer andere, vreemde +gangen door en trappen opsleepte, en na vijf minuten, die haar toch +een eeuwigheid schenen, alweer buiten stond, met alwéér in haar ooren +de onverschillige terugwijzing of het geveinsd-vriendelijke afschepen +van wel-nader-laten-hooren, dat haar nog smadelijker leek. + +Dagen lang, onder haar werken, onder het gaan naar haar dienst, onder +het gaan weer naar huis, en de avonden, en de nachten, als zij den +slaap maar niet vatten kon, maalde zij over die acht stuivers tekort en +over de twaalf gulden van de erfenis, die zij, acht stuivers bij acht +stuivers, zou moeten uitgeven, zonder dat één stuiver ooit waarlijk +van haar was geweest. + +En onder dien angst en dat tergende tellen, begon, knagender met den +dag, het verdriet in haar op te komen over den dood van haar moeder +.... Als zij 't haar moeder nog maar eens vragen kon .... zij overzag +nu zoo goed, hoe die eerst onvrindelijk zou zijn en smalen op haar +stumperigheid, en dan toch helpen op het eind. + +Soms dacht zij ook: Waarom was zij, met haar zwakke lichaam, maar +niet liever dood gegaan, in plaats van haar moeder, die altijd een +flink mensch was geweest! + +Op het eind van de week, ziek van al het tobben, vroeg ze een onderhoud +met haar Mevrouw. + +--Het was goed .... om vier uur kon ze op het balcon komen .... + +Sprotje had plots een brandende spijt van maar niet dadelijk, op +den man af, te hebben gevraagd wat ze vragen wou,--nu liep zij nog +den ganschen dag met haar nieuwen angst rond. Maar zij dorst al +sinds lang zoo brutaal niet meer te zijn, als ze wel geweest was; +de laatste maanden hadden haar murw gemaakt .... + +Om lang over vieren tikte zij. + +"Binnen," riep Mevrouw ongeduldig. + +Die zat in een roodgeverfden, rieten stoel aan het balconhek. Haar +bolle, witte kuif stond gedegen boven haar sterke, donkere gezicht; +alleen de ontevreden-klaaglijke mondhoeken zeiden iets van zich +ongezond voelen of niet lekker zijn.... Sprotje meende vaak gemerkt +te hebben, den laatsten tijd, dat Mevrouw zich verbeeldde aan dezelfde +kwaal te lijden als haar moeder .... + +Naast haar stond de juffrouw, kleiner en smal en bleek, en als +altijd in een groengrijzige tint van kleeren, die haar nog bleeker +maakte. Boven haar betrokken gezicht met de fletse oogen en de wijde +neusgaten viel het zwarte haar zwaar uiteen en van achter was het +strak opgekamd van den gelig uitgeholden nek. Voor de juffrouw was +Sprotje nog banger dan voor Mevrouw. Zij had er niet op gerekend, +dat die thuis zou zijn. In een nieuwe bedremmeldheid bleef zij staan. + +"Nou, Marie ...." zei Mevrouw. En toen Sprotje nog zweeg: "Je wou +toch niet komen vragen, hoop ik, of je nou voor dag en nacht zou +kunnen dienen? Ik begrijp wel, bij je thuis zal er veel veranderen...." + +En dan plotseling heftig-afwerend, alsof men haar beleedigd had: +"Daar kan niets van inkomen .... ik hou van mijn vrijheid 's avonds +.... 'k heb ook geen ruimte ...." + +"Het leege kamertje boven heb ik noodig voor mijn boeken," zei de +juffrouw minzaam uit de hoogte. + +"'k Wou vragen, Mevrouw," zei Sprotje met een ijle, trillende stem, "of +U mij niet als vroeger op achttien stuivers in de week kon brengen." + +Mevrouw keek verbaasd, dan gebelgd, dan spottend. + +"Je werkt minder dan vroeger," zei ze .... "al sinds een week ligt +er verstelgoed te wachten in de keuken .... je zou de fijne servetten +uitwasschen .... die hangen nog vuil boven ...." + +Maar de juffrouw, met een onverschillig gezicht, had iets gemompeld +van: och .... enfin .... Marie was al zoo lang bij hen .... + +"'k Heb je zóóveel faciliteiten gegeven in de laatste maanden," morde +Mevrouw nog hoogmoedig tegen; "telkens een kwartier vroeger weg, +tweemaal een Zondagmiddag vrij, verleden week een heelen dag ...." + +"Waarom wou je eigenlijk opslag hebben?" vroeg zij dan argwanend. + +"'k Mot een kosthuis nemen .... ze vragen een-twintig in de week +....dat kan 'k niet betalen," zei Sprotje gewurgd. + +De gezichten van moeder en dochter, plots, hadden een spitsing van +aandacht, een uitdrukking van misnoegen daarna .... + +"Als je vierentwintig stuiver moet betalen en je verdient er +hier achttien, dan kom je er toch nog zes te kort .... hoe wou je +daarmee?" vroeg Mevrouw onaangenaam. + +Sprotje stamelde iets van: de meubels .... de erfenis .... Ze zei +het zoo verward, dat zij voelde niet geloofd te worden. + +Mevrouw en de juffrouw hadden elkaar aangekeken; in hun blikken was een +wisseling van raadvraging en waarschuwenden drang. Sprotje kreeg een +hooge kleur; haar handpalmen werden koud en nat; zij had zooveel van +achterdocht in dezen dienst geleerd .... zij wist, dat men dacht: zes +stuivers iedere week te kort,--die zal ook haar slag slaan als ze kan! + +Sprotje had het laatste jaar geen cent oneerlijk meer genomen, maar +met een duizelige schaamte herinnerde zij zich plots hare kleine +bedriegerijen van den winter daarvoor .... Zij voelde zich daar staan, +alsof al haar gedachten en al haar daden zóó naakt aan het licht waren. + +En alweer praatte, met een scherpte, die sneed door haar hersens, +de stem van Mevrouw: + +"Stel, dat ik je op achttien stuivers bracht .... hooger gaan doe ik +in geen geval.... dan zou jij toch nog niet geholpen zijn ...." + +Er was een oogenblik van moeilijke stilte. + +"Nee ....," stootte Sprotje heesch uit. + +"Enfin ....," besloot ongedurig Mevrouw Verscheer, "'t is nog zoo +kort geleden met je moeder, hè ....? we zullen nog eens zien .... ik +zal nog eens zien .... 'k zal er over denken." + +Maar de juffrouw had kribbig met de schouders geschokt, knikte dan +verholen-dringend van nee. + +Mevrouw zag haar vragend aan, even nog besluiteloos. + +En plotseling, onwillig, zei ze: + +"Ja, eigenlijk wil ik ook liever geen dienstmeisje houden, dat niet +het noodige bij mij verdienen kan .... Ik wil je niet haasten, +maar als het staat zooals je zegt, moet je toch liever naar iets +anders uitzien. Laten wij 't op half November houden .... met de zes +weken ...." + +Toen, op haar lijfspreukelijken toon, begon zij nog een klein relaas +over het voordeel van een vollen dienst voor grootere meisjes: meer +gevoel van verantwoordelijkheid, meer opgaan in het werk .... meer +gehechtheid en trouw aan de meesters .... Sprotje knikte star; een +jachtige bleekheid trok haar gezichtje saam, en haastig ging zij heen. + + + +Den Zondag daarop, 's middags na vieren--wat met hun werk het beste +uitkwam--waren Sprotje en Ant verhuisd naar hun zolder-achterkamer aan +de Vliet, bij Diepelink. Het was een laag en niet ruim, maar proper +vertrek. Aan den eenen zijwand lag het meegebrachte kermisbed gespreid, +aan den anderen kant van het kapvenster stond het geel houten ledikant, +dat voor Ant was bestemd, en waarin Sprotje slapen zou. + +"'k Hou m'n eigen spullen," had Ant beslist. + +Er stonden verder alleen maar een tafeltje met waschgerei en twee +stoelen en een oude kist; doch aan den kaligen achtermuur pronkte, +mooi glimmend in zijn donkerbruin hout, met de koperen sleutelgaten en +trekkers, Sprotjes ladekast. De potkachel van Ant, zijn twee korte +pijpstompjes in elkaar gestoken er boven op, school met hun oude +strijkplank in den hoek. + +Onwennig naast elkaar op den rand van het ledikant, zaten de twee. Ze +keken elkaar aan met oogen, die vroegen, wat ze toch begonnen waren, +en hoe zij het leven hier uit zouden houden, hier in dit vreemde +vertrek, waar wat dingen waren zonder verband, en waar zij zitten +konden op die twee stoelen, maar niet aan een tafel. + +Onder het raam, als de have van landverhuizers, bolden de twee +rood-bonte kussentijken, waarin zij hun kleeren hadden meegebracht. + +Werktuigelijk ging Sprotje háár zak losbinden, haalde een paar stukken +er uit, borg die in een schuif van de ladetafel. + +Ant zei: "Hadden we de keukenlamp maar gehouden." + +Zij stond op, verschikte de pijp-eindjes op het kacheldeksel, keek +er na, hoe die aan één kant gedeukt waren bij het overbrengen. + +Voor de uitgetrokken lade op haar knieën liggend, was Sprotje +heimelijk te huilen aangevangen. De dompe angst, die haar bezat sinds +het onderhoud met haar Mevrouw, die werd in dit trieste uur verdoofd +door de nog nijpender pijn van haar verlangen naar hun huisje, dat +zij daareven verlaten hadden. Er was een knagend heimwee in haar hart +naar hun stille, donkere keuken, naar het plaatsje, waar je zoo wijd +over de weilanden zag, naar het plekje bij het voorkamer-raam met +den leunstoel, die nu verkocht was, en de zeildoektafel ook .... De +strijkplank, met vervuilde lappen erom, stond daar in den hoek, +verlaten, zonder zin .... nooit meer zou haar moeder, bedrijvig +tusschen het versche strijkgoed, er achter staan .... haar moeder, +haar moéder, die zij zoo weinig gemist had, toen ze ziek werd, +die ze vroeger zoo weinig had lief gehad! Nu herinnerde zij zich, +als gloed-doorschenen droomen, de middagen, dat zij samen thuis +waren, en, het werk gedaan, vóór in den schemer te praten zaten, +of achter, in den rooden schijn van het stervend kolenvuur .... zij +zag de verweerde hand, die haar het kommetje overreikte, zij zag +de gebogen gestalte, zooals die, de armen gesteund op de knieën, +dan zelve boven haar dampende koffie zat.. zij zag de stille bruine +oogen, die tuurden.. En dat dit nu nooit meer terug kon komen, en +dat die keuken niet meer bestond, dat daar aan het Dijkje nu een +paar kale hokjes waren met niets van haar moeder meer erin .... En +nu was zij hier in deze vreemde kamer, met Ant .... Ant bleef het +eenige, dat haar eigen was, maar 't leek haar of die hier dezelfde +Ant niet meer was, of Ant plots veel losser van haar was geworden, +dan vroeger. Haar moeder, die was de band tusschen hen geweest, +die was ook het vaste àchter haar geweest, dat haar dekte tegen de +menschen, en nu stonden zij ieder alleen, Ant alleen, en zij alleen, +en aan elkaar zouden zij maar zoo luttel steun hebben, en tegen de +wereld had zij geen beschutting meer. + +De heete, wreede tranen al bitterder te borrelen aanvingen. Toen +Sprotje plots voelde, dat achter haar Ant ook op het punt stond te +gaan huilen, droogde zij schielijk haar oogen, kwam beschaamd overeind +en ging voor het raam naar buiten kijken. Zij merkte nauwlijks wat +zij zag. + +Als zij wat later naar haar zuster dorst omzien, zat die in een botte +bedruktheid, als een hond, die zich op een vreemd erf weet ingesloten +en geen uitweg meer ziet. + +Geen van beiden dachten zij eraan, eenige eigen schikking te maken +in de ruimte, die nu voor een maand althans de hunne was. Eindelijk +ging Ant haar kleeren bergen in de kist; Sprotje hurkte weer voor +haar ladekast. + +En plotseling luidde er, kordaat, een tikje tegen de kamerdeur. Sprotje +schrok op, ging kijken. In het zolder-portaaltje stond een jong meisje, +zoo groot als Sprotje zelf; het was een meisje met een aardig, blozend +gezicht en krullend, roodblond haar; zij had groote, vrijmoedige +blauwe oogen en zij keek daar Sprotje zoo goedwillig mee aan, dat +het die plotseling heel wonderlijk te moede werd. + +Het meisje zei: + +"De boterhammen zijn nog niet klaar, maar de kommesale kenne bij ons +altijd benêe komme, as ze der plezier in hebbe...." + +Sprotje keek verrast. Zij kende nog niemand uit het huishouden, en +over dit meisje had Ant haar nauwelijks gesproken. Wat die een lieve +stem had! en wat een vriendelijke oogen!-- + +--Dus ze gingen met haar mee .... ?--vroeg het meisje nog eens. + +Sprotje knikte van ja, keek dan Ant aan. Ant stond op. Gedwee volgden +zij beiden het montere meisje naar beneden. + +Zij moesten omzichtig loopen langs de vreemde trap, die middenin een +scheeve kromming maakte, waarbij men de voeten niet dan dwars kon +zetten op de smalle treden. + +Het meisje, dat in een ommezien onder was, zei: + +"O! de trap zal wel wenne ...." + +"En wij ook ....!" lachte zij. + +Het was Sprotje op eenmaal of, bij dat heldere lachen, haar eigen +ellende lichter werd en zachtjes afliet van haar hart. + +Bijna welgemoed kwam ze de keuken binnen. + +Daar, in den al schemerigen avondstond, zaten twee oude vrouwen +weerszij de tafel. Dat waren de grootmoeder en tante Bartje. + +Sprotje keek gespannen-nieuwsgierig. Zij had bloo goeden dag geknikt +en niets gezegd. + +De twee oude vrouwen, de grootmoeder met haar blanke kornet op, +breed en weldoorvoed en rustig van gebaren, maar met rappe, gewikste +bakers-oogjes, en tante Bartje, mager, slokjes, druk, en kippig +knipperend, omdat zij zich half blind keek op het fijne naaiwerk, +dat zij nog dagelijks afleverde,--de twee oude vrouwen, ieder in een +laaggerugden boerenarmstoel, dien de grootmoeder heelemaal vulde, +en tante Bartje maar half, waren stilbedrijvig in de weer voor het +avondmaal. + +Tante Bartje sneed de boterhammen tegen een doek op haar buik, en de +grootmoeder smeerde. + +Het meisje met het roode krulhaar, dat Hilletje bleek te heeten, +zorgde voor de koffie. + +Moeder Diepelink zelf was er op uit. + +Sprotje voelde, dat zij keek, maar zij kon het niet laten. Zij vond +die twee oude vrouwen zoo eerbiedwaardig en zoo vertrouwd; zij had +dadelijk begrepen, wie van de twee de baker was; die vond zij de +deftigste. Maar tante Bartje leek haar liever, en het liefste vond +zij Hilletje, die maar stil liep te zingen en een gezicht trok of ze +altoos plezier in 'r leven had. + +Het was een huishouden van drie vrouwen, dat van de Diepelinks: +de grootmoeder, de moeder en het dochtertje. De grootmoeder hád +gebakerd, de moeder bakerde nog; de oude en de jonge vrouw Diepelink +heetten ze in de bakerdiensten, al was de jonge zoo jong niet meer, +een goede vijftig, en sinds jaren reeds weduwe zelf. En als moeder +Diepelink aan het bakeren was, kwam grootmoeder Diepelink's zuster, +die op een hofje woonde, zoolang tot hulp in huis; de grootmoeder was +wat zwaar ter been geworden, bukken of tillen, dat ging zoo niet meer +.... en Hilletje was den dag door op de kleermakerij van Werst. + +-- Wat was het hier gezellig in die keuken, dacht Sprotje, en wat +rook de koffie, die zij zetten, lekker. + +Ze was blij, dat zij in dit huis terecht waren gekomen. Toch dorst +zij nog bijna niets te zeggen. + +Ant, met haar wat stugge vrijpostigheid, had zich dadelijk, zonder +veel praatjes, op haar gemak gezet, zei eens wat, of zweeg, en deed +of ze al heelemaal thuis was. De twee oude vrouwen gedroegen zich +ook kalm-bekend tegen háár; zij waren vriendelijk; zij vonden het +blijkbaar een geschikte kostgangster. + +Maar Sprotje kende niemand. Sprotje, met haar bleeke en schuw-glurende +gezicht, werd terdege opgenomen, en men had kennelijk met haar vrij +wat minder op dan met Ant. + +Toen zij, tegen het eind van het boterham-eten, met haar ouwelijke +wijsneuzigheid, en nuffiger sprekend dan ze anders deed, omdat ze +zoo verlegen was, vroeg: hoeveel jaar de grootmoeder wel gebakerd +had,--antwoordde die als terloops en snibbig: "zeker meer jaren dan +jij er oud ben." + +Dat bracht Sprotje nog meer van haar stuk. + +Een tijdje later bleek uit de gesprekken, dat tante Bartje, op haar +hofje, nog altijd den naam had, het fijnste klein-kindergoed van de +heele stad te naaien. Toen voelde zij op eenmaal een groote vereering +voor tante Bartje. Zij had graag meer willen vragen, maar dorst toch +niet, en zij deed maar haar best in het algemeen gepraat kleine, +belangstellende dingen mee te zeggen, die echter niemand oplette. + +Toch vond Sprotje het zoo samen zitten in de schemerige keuken, en +later bij de groote, heldere petroleumlamp, eer prettig dan naar, en +zonder de zwarte zorgen over het geld en over een dienst, zou zij zich +al heel wat getroost hebben gevoeld. Het heerlijkst vond ze, dat, een +enkele maal, Hilletje afzonderlijk iets tot haar zei. Dan kleurde ze, +lachte, en zocht gauw iets even vriendelijks om terug te kunnen zeggen. + +Maar tegen het eind van den avond ontstond er plots een klein geschil, +dat vele dagen daarna nog herhaaldelijk een aanleiding tot stekeligheid +zou blijven aan de maaltijden: de oude vrouwen waren niet tevreden +met de verdeeling der twee slaapgelegenheden tusschen Ant en Marie. + +--De oudste zuster hoorde in het ledikant te liggen, en de jongste +op den grond, niet andersom .... + +'t Was de baker vooral, die haar meening zei met een onverholen +afkeuring voor de aanmatiging van Marie en de toegefelijkheid van Ant. + +--Wie betaalde de kamerhuur? en wie bracht beddegoed mee? De oudste +toch? Gaf dat dan de jongste recht om het beste te nemen? + +--Ja, dat vond tante Bartje ook. + +--In háár tijd zou dat anders geweest zijn, begon de grootmoeder +opnieuw, .... dan hield zij zich in, bedacht dat zij tegen een meisje +sprak, dat nog zoo pas haar moeder verloren had .... + +Maar die bangschieterige wijsneuzigheid kon ze anders niet luchten, +en haar kribbigheid werd weer sterker dan haar goede wil. + +Sprotje moest al 'r best doen om haar tranen in te houden. + +"Kom ...." zei Ant, "'k slaap goed zooals ik slaap .... 'k heb m'n +heele leven geen ledikant gehad...." + +Maar Sprotje werd tot de bekentenis gebracht, dat zij thuis ook op +den grond lag .... Met een vernederende manier om over de schuldig +bevondene heen te praten, doorplozen de grootmoeder en tante Bartje, +spaarzaam van woorden, maar met veelbeteekenende gezichten, het +geval,--tot Hilletje op eens, rood-boos wordend, kattig uitviel: + +"Da' ledekant zou ommers toch te klein zijn voor een groote as Ant +.... Merie ken der maar net in ...." + +Toen Sprotje zich zoo verdedigd voelde, had zij nog meer moeite, +haar tranen te bedwingen, maar zij was Hilletje toch heel dankbaar, +al begreep zij niet, waarom die zoo haar partij koos. + +Boven, alleen met Ant, stelde zij voor nog van slaapplaats te +verwisselen. Maar Ant deed onverschillig:--ze had het al gezegd +.... zij lei waar ze lei .... en ze had maling aan die oude wijven .... + +--Gek! .... hoe kwam het toch, dacht Sprotje, dat Ant tegenwoordig +zoo vaak praten kon, als Sien vroeger deed? + +Zij vond het liggen op de gladde matras, tusschen de keurige geelhouten +beschotjes zoo heerlijk, dat ze de volgende dagen niet meer repte +van veranderen. En dank zij die voor haar ongewoon goede ligging, +sliep zij nu veel rustiger en lieten haar 's nachts ten minste de +zorgen respijt. Driemaal droomde zij van Hilletje. Eens droomde +zij ook van Juffrouw Jonkers. Maar in haar droom, zooals dat gaat, +had zij Hilletje en Juffrouw Jonkers verward; zij zat met de eene +in de keuken van Diepelink en het bleek de andere te zijn. Dat was +een vreemde ervaring, toen zij wakker werd, en zij moest er dien dag +telkens over denken. + +Zij moest hoe langer hoe váker aan Hilletje denken, als zij niet +bij haar was; en het maakte haar iedere maal gelukkiger, wanneer, +tegen een bedekte bemerking der oude vrouwen in, de dan plotseling +bits-bijdehande stem van het roodharige meisje tot haar verdediging +uitviel. + +Sprotje begreep toen al wel, dat het kittige Hilletje haar grootmoeder +en oudtante niet zoo bijster goed gezind was, en het plezieriger +vond als haar meer gulhartige en pretmakende moeder het huishouden +deed,--doch haar dankbaarheid was daar niets minder om. Zij bezon zich +ook verscheidene malen, of zij aan Hilletje niet haar nood zou klagen, +vragen of die geen dienst voor haar wist .... maar dan leek het haar +plots of juist Hilletje de laatste was, bij wie ze met die zwarigheden +moest aankomen, en zij kropte al de angsten op in haar hart. + +Zij had zich, die dagen, weer in twee diensten aangemeld; de eene was +gebleken in een smederij te zijn; de juffrouw had goedig maar heel +bezwaarlijk gedaan .... Nee, ze zocht toch eigenlijk een ouder meisje, +was haar besluit geweest. Het tweede dienstje was bij een juffrouw +met een lange kanten muts op en gouden krullen aan haar slapen; +die gaf twaalf stuivers in de week en de volle kost; zij moest er +den volgenden dag terug komen, maar toen was de juffrouw voorzien. + +De tweede Zondag, dat Sprotje bij Diepelink was, werd een heuglijke +dag voor haar. + +Den avond te voren had Hilletje gevraagd: + +"Hoe laat ben jij morgen vrij? .... dan kom ik je halen." + +"Waarom?" verbaasde zich Sprotje. + +"Om te gaan wandelen," zei Hilletje .... "wat is daar voor geks aan?" + +Met een glansvol hartje had Marie dien avond in bed wakker gelegen; +en den volgenden morgen, pas in haar dienst, moest zij het aan haar +Mevrouw vertellen, tegen wie zij, deze weken, uit zichzelve nog niet +weer gesproken had: + +"Vanmiddag komt me vrindin me afhalen .... om te gaan wandelen!" + +Sprotje had nog nooit een vriendin gehad. + +In een plotselinge oplaaiing van gevoel was zij vol van de liefste +gedachten over het meisje, dat haar zoo goedgezind bleek. Met een bijna +pijndoende teederheid dacht zij aan Hilletjes gezicht, aan haar handen, +haar stem, en tegelijkertijd was er angst in haar hoofd, dat zij niet +vroolijk en niet aardig genoeg zou wezen op zulk een wandeling, bezon +zij zich op verhalen en grapjes, die de andere zouden kunnen vermaken. + +Met een popelend hart wachtte Sprotje dien Zondagmiddag den klokkeslag +van vier. + +Arm in arm, als twee verknochte vriendinnen, wandelden Hilletje en zij +den Waterveldschen weg af.... het eenige, wat Sprotje de heerlijkheid +van dat uur even verduisterde, was, dat zij zichzelf in haar onfraaie +kleeren en met haar mutsje, niet waardig vond, zoo gelijk-op te loopen +naast Hilletje, die een mooie korenblauwe japon droeg, en een hoed +met twee trossen seringen, zóó prachtig, dat ze echt leken. + +Het was een zacht-warme dag in het begin van October. Zij wandelden +langs den Singel, en zaten daar. Op het breede bleekblauwe water +wiegde her en der het warm goudbruin der saamgevlotte najaarsbladen, +en door de ijle, gelende boomen zag de hemel teer glanzig en strak, +als van zachte zijde. + +De meisjes zaten dicht naast-een op de bank, die zoel aanvoelde van +de middag-lange zonnekoestering; zij ondervonden vaag het zomersche +herfstuur en spraken weinig. + +Soms lachte Hilletje plots in een giechertje zacht-luid op en begon +een verhaal. Sprotje luisterde met een verre aandacht vol gelukkigheid. + +Zij dacht, dat zij nog nooit zoo gelukkig was geweest als dezen middag. + +Diep in haar hoofd was nog wel de onrust van iederen dag, maar zij +vergat die bij lange poozen en een uitkomst leek haar zekerder. + +En de gansche week daarop, in den weerglans dier schoone uren, deed +zij luchter en beter haar werk. + +Eenmaal, een avond, ging zij ook met Hilletje mee boodschappen doen, +de stad in, doch dat was zoo heerlijk niet, want zij was te moe van +den dag in haar dienst. + +Langzamerhand waren de twee oude vrouwen, grootmoeder Diepelink +en tante Bartje, beter jegens haar gezind geraakt. Zij wisten nu +wel, dat Marie zwak was, en dat die niet uit luiheid 's avonds zoo +weinig behulpzaam deed. Zij hadden niet meer, als de eerste dagen, +zijdelingsche schimpscheuten tegen jonge bleekneuzen, die altijd +op 'r zeven gemakken waren, en de grootmoeder zei nooit meer, +met haar vinnig-vriendelijke stem, als er iets uit de kast moest +gekregen of van het vuur: "Allé, meisje, rijs jij eens overeind, +dan schimmelen je beenen niet." Met een klein-vergenoegd gezichtje +haalde tante Bartje 's avonds haar duurste en fijnste werk uit de +mand, mikte, pikte, kriebelde haar petieterigste steekjes door de +ragge stof, van te voren al gevleid door het eindelijke, verlegen +vraagje, dat nooit uitbleef .... Sprotje boog begeerig naar voren, +voelde met aarzelende vingers het open zoompje aan, de kantjes, de +stikseltjes:--was dat een pronklakentje? .... een doopmutsje? .... een +dagponnetje? .... hadden overdag de kindertjes van die lange ponnetjes +aan, om beter het luiergoed te bedekken? om netjes te zijn als ze +uit de wieg kwamen? .... + +Sprotje, met een vaag-hevig verlangen, zag al dat kleine, fijne goed +onder haar oogen uitgestald. Zij dacht aan Sien .... iederen dag +konden zij bericht verwachten .... zulk mooi goed zou Sien toch wel +niet hebben! Zij herinnerde zich woord voor woord wat Sien gezegd had, +bij haar moeders bed .... van de zeegroene gordijntjes en het kanten +kleed .... Zij zag Sien zitten met haar zware lichaam en haar vreemde +gezicht .... Zij zag haar moeder, hoorde die spreken, zoo ongekend +zacht en liefdevol, over het kindje, dat geboren zou worden .... Zij +zag zichzelf zitten, 's avonds, bij juffrouw Jonkers ....; zij had +een wollen doek op schoot, en de Juffrouw bracht haar het slapende +Wilmpje .... Zij zag het weeke, witte halsje binnen het flanellen +nachtponkraagje, zij zag het vlassen haartje, en boven de kleine, +roode slaapwang, het flauwe, blauwe oogstreepje, dat knipperde of +hij wakker zou worden en dan wassig-vast weer toeviel .... + +Een mengeling van onverklaarbare, vreemd-zachte en woeste gevoelens +kwam er door Sprotjes hart gevaren .... En dadelijk daarop moest zij +dan aan Hilletje denken. Zij zag Hilletjes ronde, roze wangen, en haar +blauwe oogen met de lange wimpers, en het dichte, roodblonde krulhaar +.... en zij was zeker, dat zij nog nooit van iemand zooveel gehouden +had als zij nu van Hilletje deed, ook zelfs van juffrouw Jonkers niet. + +Maar den volgenden Zondag leek haar de wandeling, die zij samen +maakten, iets minder prettig en iets minder vertrouwelijk, en zij +wist niet, of dit aan Hilletje lag dan wel aan haar. Het weer was +helder en zomersch als de eerste maal, en zijzelf was uitgerust +als iederen Zondagmiddag, wanneer zij in haar stille keuken de twee +lange middaguren boven "Bunyans' Christenreize naar de Eeuwigheid" +had zitten droomen .... misschien tobde zij ditmaal meer over haar +dienst, die verliep, en de nieuwe, die zij maar niet vinden kon +.... 't Was al bijna half October! + +Toch was zij zeker, dat zij dien dag nog meer hield van Hilletje dan +al de dagen ervoor; alleen, het samengaan maakte haar zoo blij niet, +gaf haar een onrustigheid en een zorg, die zij niet verstond. + +En den derden Zondag kwam Hilletje niet langer alleen, om Sprotje af +te halen; er was nog een ander meisje bij, een dat ouder was..--Ook een +vriendin, zei Hilletje,--die had gevraagd eens een keer mee te gaan.. + +Sprotje voelde plots een nijpende teleurstelling;--dan, even ook, een +gevleidheid, dat zij nu nóg een kameraad kreeg, een zoo groot meisje +al .... Maar de teleurstelling bleef het sterkste, maakte haar stug, +en zij praatte heesch, omdat het schreien haar stak in de keel. + +Het nieuwe meisje, donker van uiterlijk en zwaar voor haar jaren, +praatte en lachte druk en luid. Zij deed lange verhalen aan Hilletje, +waarvan Sprotje weinig begreep, maar 't ging over verboden dingen, +dat hoorde zij wel; het maakte haar belust en het vervulde haar met +een vreemde vijandschap voor het nieuwe meisje, en voor Hilletje ook. + +Marie kon Hilletje onder het wandelen nu ook geen arm geven:--dat +stond niet, met je drieën; en zij liepen los naast elkaar, tot, na +een tijdje, in een gegiechel en fluisterend gepraat, de twee anderen +elkaar onder den arm namen, en Sprotje, verlaten en zonder praten, +alleen er naast ging. + +Zij begreep toen, dat Hilletje de stille wandelingetjes met haar alleen +te saai had gevonden; er verhardde iets in 'r hart; maar door den wrok, +die haar brokte in de keel, en haar gekneusden trots, voelde zij hooger +een kwellende liefde en een bitter verdriet. Zij nam zich vast voor, +een volgenden Zondag zulk een wandeling met z'n drieën af te slaan, +maar toen zij 's avonds er op dorst zinspelen, zei Hilletje dadelijk +bits: "nou, graag of niet" en deed zeer beleedigd. + +Den volgenden dag, toen Sprotje uit haar dienst kwam, vond zij plots, +aan den hoek van 't Plantsoen en den Waterveldschen weg, Hein van +der Kamp op haar staan wachten. + +In het begin van den zomer, kort na Siens trouwen, en toen haar moeder +pas ziek was, had zij den jongen vaak gezien; tweemaal was hij ook bij +hen binnen geweest, als hij van zijn oliemolen langs kwam .... Toen +opeens, was hij weggebleven, en tusschen al de lotgevallen van die +tijden door, had Sprotje niet dikwijls meer aan hem gedacht. + +Zij zag dadelijk, dat hij kwaad was; zijn altijd wat rooie en +ongemakkelijke kop stond grimmig naar haar toe en hij kauwde barsch +op zijn snorretje. + +"'k Heb jou gisteren met die meid van Vieredag zien loopen," zei hij; +"da's geen portuur voor een meissie as jij." + +Sprotje op haar beurt werd boos. + +"Dat zal jij zeker weten," beet ze van zich af; "Hilletje van Diepelink +loopt er toch ook mee." + +"Mot die meid van Diepelink zelf weten", zei Hein; "maar die andere +zal jou niet verteld hebben, dat ze vroeger ook op den Waterveldschen +weg het gediend .. omdat ze daar weg is gejaagd." + +Hij begon weer nijdig op z'n wittige snorretje te kauwen. "Da's nou +die meid, waar 'k verkeering mee heb gehad .... maar 'k mocht ze niet +.... en twee maanden later was ze uit 'r dienst gezet...." + +Sprotje kleurde hevig, juist als de eerste maal, toen Hein over die +verkeering praatte; zij voelde zich geheel onzeker, en wist niet, +wat te zeggen, noch hoe te kijken. + +"En waar zitten jullie nou tegenwoordig?" vroeg de jongen, eensklaps +weer goedig en als uitgewoed. + +"Bij vrouw Diepelink," zei Sprotje .... "daar liggen we in de +kost." Zij was nog niet over de ontredderdheid van haar gevoelens heen, +en in die verwarring sprak duidelijker op dan ze wou, een toon van +kleine behaagzucht. Zij was er trotsch op, bij zulke nette menschen +te wonen. + +"'k Was nog wel 's bij je moeder angekomme, toen die zoo ziek lag; +en later, met de begrafenis...," zei de jongen; "maar as 'k dacht: nou +gaan 'k 's, dan dacht ik meteen: most die madam 'r 's zitte!... Want +ik ken ze nog altijd niet uitstaan, die zuster van jou.... En toen +op een dag waren 'r andere mensche in jullie huisie...." + +"Je kwam ook nooit meer 'ns langs," zei Sprotje verwijtend, en met +een blos alweer. + +"'t Wi'k wel geloove...," verweerde zich de jongen; "'k ben nou an de +oliemolen van die broer van m'n baas, buiten de Weteringpoort ... daar +waren 's op ééne keer drie knechten tegelijk ziek ... en later ben +'k der gebleven ... met twee kwartjes opslag na de drie maanden." + +"En nou mot 'k er van door," zei hij dan gehaast; "'k mot gaan eten." + +Hij vroeg nog waar vrouw Diepelink precies woonde. En in een +plotselinge vastklamping aan dit wezen, dat zij zich zoo toegedaan +voelde, zei Sprotje schor en zoo maar verward-fel naar hem heen: + +"Hein, me volk het me opgezeid ... weet jij geen dienst voor mijn?" + +"Die dienst, waar je al drie jaar ben?" vroeg de jongen geschrokken. + +Het meisje knikte. + +"Waarom?" vroeg hij weer. Hij zag ontdaan, of hem iets naars was +overkomen. + +Marie kreeg plots de tranen in de oogen; zij trok schril de schouders +op. + +"Om het loon," zei ze dan. "'k Most meer loon, ... 'k kan der zoo +niet komme ... maar dat woue ze niet." + +Toen werd de jongen heel wonderlijk van binnen, beschaamd en ontroerd +tegelijk, dat dit meisje, dat hij altijd zoo vreemd en teruggetrokken +had gekend, hem nu zoo hulpeloos haar vertrouwen gaf. Maar plotseling, +waarom dat wist hij niet, hij had in geen jaren daar meer aan gedacht, +herinnerde hij zich de twee gulden, waarvoor Merie op dien regenavond +Sien had verraden; en als een stekende pijn en een afkeerig wantrouwen +tegelijk, ging het door hem heen, dat zij misschien oneerlijk was +geweest. Zijn kop werd vuurrood, zijn gedachten verdwaalden door +elkaar.... + +Marie, geheel van streek, zag voor zich neer, veegde zich de haren +van het voorhoofd. + +"Nou, 'k zal zien, dat 'k 's voor je rondkijk," zei de jongen; zijn +stem klonk bijna barsch en toch week, en meteen, na een bruusken knik, +ging hij door. + +Sprotje, de daaropvolgende dagen, leefde in een onontwarbare woeling +van gevoelens en gedachten. Het berouwde haar niet, dat zij Hein over +dien dienst gevraagd had, ofschoon zij niet begreep, waarom hij opeens +zoo boos was geworden en nog minder, hoe Hein een dienst voor haar +zou kunnen vinden; zij moest telkens aan hem denken, maar nog meer +moest zij denken aan Hilletje en hun oneenigheid. Zij dacht ook veel +aan haar moeder, en aan juffrouw Jonkers. Maar geen gevoel kon zij +duidelijk nagaan; zij kon met niets in het rechte komen. Zij meende +een zelfde innigheid te voelen voor juffrouw Jonkers en voor Hilletje, +maar werd zich dan opeens bewust, dat zij nooit zoo aan juffrouw +Jonkers' wangen en oogen had gedacht als aan die van Hilletje. Aan +Heins oogen en wangen had ze ook nooit gedacht, en toch werd ze voor +hem soms dezelfde weekheid gewaar als voor Hilletje, maar meer nog +dacht zij aan hem met de behoefte van bescherming-zoeken, zooals zij +nu, achterna, dacht aan haar moeder. + +Doch al die dierbare en beangstigende gevoelens, wanneer zij, +nieuwsgierig en begeerig en terugschrikkend, ze door zich heen +voelde trekken, werden steeds weer vertroebeld en vergald door den àl +klimmenden angst voor den vijftienden November. Zij was nog weer op +de enkele diensten, die in de "Bode" stonden, afgegaan. Op de Oude +Gracht, in een deftig huis, had zij de Mevrouw niet eens gezien, +was dadelijk afgewezen door de keukenmeid; een zwarte japon en witte +manchetten waren daar vereischte; zij had dat niet begrepen. De +Juffrouw van een galanteriewinkel was heel toeschietelijk geweest, +deed dadelijk of ze haar al gehuurd had, maar toen Sprotje vroeg, +hoeveel ze verdienen kon, bleek het loon maar zestien stuivers te +zijn en de halve kost. Zij begreep niet, hoe en waar ze nog iets zou +moeten vinden. En wat toch, wat toch, als ze niets vond! Ze kon soms +vurig loopen bidden op straat, om redding; andere dagen was zij zoo +moedeloos, dat zij tot een gebed geen macht meer had. + +Den volgenden Zondag ging Sprotje nog eenmaal met Hilletje en Anna +Vieredag uit. Zaterdags-avonds was zij de minste geweest, had, toen +de andere niets zei, zelf gevraagd--haar slapen klopten van angst en +verlangen--of de twee haar weer kwamen halen. "Goed," was Hilletjes +onverschillig antwoord geweest. + +Vaag slechts had Sprotje er zich rekenschap van gegeven, dat zij liever +Hein boos maakte, dan Hilletje voor goed te verliezen; doch tevens +voelde zij zich daar bleek en beverig om, als wie iets schuldigs doet. + +Dien Zondag was de wandeling met hun drieën haar een nog grooter +kwelling dan de eerste maal. Zij begreep hoe langer hoe killer, +dat Hilletje niets om haar gaf; en zij was zoo ongelukkig, dat zij +voortdurend liep te strijden met haar tranen. De meisjes, aldoor +aan 't gekken met elkaar, zagen het niet eens. Toen hoorde Sprotje +plotseling den naam: van der Kamp.--Zij hadden 't over Hein, en +Hilletje, proestend, zei iets, waarover Anna Vieredag, met een knik +in haar middel, leelijk begon te lachen. + +Sprotje voelde heftig haar hart hameren en het bloed naar haar hoofd +jagen; een felle weerzin tegen de twee steeg haar opeens naar de keel +en tegelijk een heet verdriet naar haar oogen. Zij werd als blind en +doof van binnen; zij draaide zich om en liep weg. De twee meisjes, +nog lachend, bleven waaierig staan, riepen haar terug. Hilletje, +bang opeens, dat zij thuis klagen zou, kwam haar achterop geloopen, +en naast haar, met de hand op 'r arm, praatte erg lief en overredend +van "kom meid, wees nou niet zoo flauw, la' we nou prettig verder +wandelen...." Doch toen Sprotje, huilend en wild nee-knikkend, +doorging, liet ze haar met een duw los en schold: "akeligheid!.... 'k +wil nooit meer met je uit, hoor!" + +Maar Sprotje voelde nauwelijks pijn daarvan; brandend huilde ze nog +even; toen liep ze, inwendig als versteend, naar huis. Sinds dien +middag was haar wonde genegenheid voor het roodharige meisje plotseling +saamgeronnen en verkild; en zoo, in enkele weken, verliep de eenige +vriendschap, die zij in haar leven ooit gehad had, of ooit hebben zou. + +Wel bleef zij lang nog in haar droomen van Hilletje vervuld, maar er +was dan altijd iets, dat niet heerlijk uitliep, en dat haar wakker deed +worden met een wrang en stekend gevoel in de keel, of zij bitter had +moeten schreien en niet had gekund. En overdag en 's avonds ontweek +zij Hilletje zooveel dat ging; zij vermeed steeds haar aan te zien +of haar te betrekken in iets, wat zij zei. + +En toen uit Sprotjes leven de plotselinge en zoo korte glans dier +genegenheid was weggevaagd, toen zij 's morgens niet meer kon opstaan +met het verlangen naar Hilletjes klare, vroolijke stem, en den dag +door niet de warmte in haar hartje voelen van een vriendschap zoo +nieuw voor haar, en 's avonds gaan slapen met in haar geheugen, +versch, al hetgeen Hilletje dien dag tegen haar gezegd had,--toen, +in de plotseling weer leege dagen, hernam haar des te heviger de +angst voor de werkeloosheid, die dreigde. + +Met een heimwee-vol verlangen dacht zij nog vaker nu aan haar moeder; +met een vreemd, wee verlangen begon zij ook zich ongerust te maken +over Hein, dien zij in geen tien dagen gezien had. + +Toen de laatste October aanbrak voelde zij zich als van angst +verwurgd. "Over veertien dagen!" dacht ze maar; "over veertien +dagen." Zij wanhoopte iets te vinden. Er waren bijna geen diensten +open, en geen voor een halfwas als zij. Bij een slagersjuffrouw ging +zij zich aanbieden:--of ze wel eens meer had gediend .... ? maar ook in +een drukke zaak .... ? en de slager zelf, die juist in de binnenkamer +een kop koffie slurpte, vroeg met een spottenden lach, of zij er wel +trek in zou hebben een vloer vol bloed aan te dweilen .... + +In de Hanekamp had zij 't geprobeerd:--Ja, uit oude bekendheid .... zei +men daar...., maar in een huishouden met zeven kinderen .... zij moest +zelf maar eens bekennen, of zij dat aan zou durven. Zij had wel willen +zeggen van ja, maar zij voelde, dat zij toch zou worden afgescheept. + +Zij dacht er iederen dag aan, haar Mevrouw te smeeken nog te mogen +blijven. Zij spiedde in huis en luisterde bij de deuren om gewaar te +worden, of er al een ander was genomen .... Toen zij op een morgen +begreep, dat haar plaats was vergeven, leek het haar, of dit nu het +einde was van alles. + +Over geen veertien dagen meer zou de dag komen, dat zij 's morgens niet +naar den Waterveldschen weg had te gaan, dat zij met haar armen over +elkaar bij Diepelink moest blijven, of op straat kon gaan zwerven; dat +zij heel haar kostgeld van haar erfenis zou moeten geven .... en dan, +eindelijk, als een nacht-zwarten afgrond, zag zij den dag, dat zij +niets meer zou kunnen betalen .... een duister, wijd water was het, +dat smorend om haar heen sloot. + +Zij dacht wel vaag: haar voogd .... de oom uit het Kerspel, dien zij +twee- of driemaal had gezien voor haar moeders begrafenis, maar hij +was nog veel armer dan zij ooit geweest waren. Wat zou die helpen? + +Haar gezicht werd zoo minnetjes, dat de oude vrouwen haar vaak met +zorg aankeken, en te vragen begonnen. + +"Niks .... 'k heb niks ....," zei Sprotje angstig ontwijkend. Zij was +doodsbang voor dat vragen. Juist de menschen, waar ze in huis lag, +mochten niets weten, juist die niet. Dat waren de menschen, waar zij +geld aan zou moeten betalen, als zij geen geld meer had. Iedere maal +dat zij voor haar bord middageten aanschoof, had zij 't nijpende +gevoel van ze bij voorbaat al te bedriegen. + +Soms bekende zij zich wel, dat zij verkeerd deed, zoo te zwijgen: +de Diepelinks moesten eens diensten weten! Ze zei telkens: 'k mot +'t zeggen .... Ze kon niet. Soms hoopte zij maar, dat men plotseling +alles weten zou .... + +Ant, sinds weken, zag zij bijna niet. Die kwam aan 't eten te laat, +sloeg haastig wat naar binnen, was weer weg. Wat die toch had? + +"Wat loopt Ant altijd naar de haven?" had Hilletje eens aan tafel +gevraagd. + +En Sprotje was gaan rekenen; veertien dagen vóór haar moeders dood +was Busselaar bij hen geweest; den dag vóór de begrafenis was hij +niet verschenen en de tweede week bij Diepelink evenmin. Zij waren +nu bijna vijf weken in hun kosthuis,--'t was weer de tijd, dat hij +met zijn "Duif" een dag voor anker kwam liggen. + +Ant wachtte .... Ant, na weken van morrelende onrust, was of kwam aan +de haven. Met haar domp-hartstochtelijken aard had zij zich blindweg +en voorgoed als vastgezogen aan den man, die, sinds meer dan twee jaar +nu al, haar in het ongewisse hield. Tijden lang, iedere veertien dagen, +had hij een middag en een avond als een doodgeloopen boot in hun keuken +vastgemeerd gezeten, of hij nooit weer heen zou gaan .... gevreeën +eigenlijk had hij haar niet. Hij had maar koffie gedronken en van +de koeken gegeten, die hij zelf meebracht; soms had hij wijdloopige +verhalen gedaan. Hij had haar 'ns onder de kin gepakt of in de dij +geknepen en gevraagd: "zou jij wel graag op een schip leven?" "zou +jij wel een weduwnaar van over de veertig willen hebben?" "zou jij +wel aan 't roer willen staan, als de knecht eens ziek was?" + +Over haar antwoorden had hij lang nagedacht, doch ze niet verder +besproken; hij had maar, met zijn groote, vleezige handen over zijn +stoppelig schippersbaardje gewreven, of nadenkend het gouden ringetje +in zijn oor betast. En bij een volgend bezoek had hij weer soortgelijke +vragen gedaan. + +Ant, zonder eenige zekerheid ooit, had een oer-fel gevoel van bezit +over hem gekregen, en nu hij tweemaal uitbleef, was er enkel de drift +in haar, hem terug te halen, hem mee te drijven naar waar zij woonde, +hem aan tafel te zetten, koffie te schenken en door haar doening +en blikken aan ieder te zeggen: "die man is van mij." De angst van +haar dagen was, dat hij niet zou weten, waar zij gebleven waren, +en in zijn vreemde lauwhartigheid zich ook geen moeite geven, dat +uit te vinden. Als ze hem maar eerst zag, hem maar in 'r bereik had! + +Doch toen zij na veel wachten en vragen, wanneer de "Duif" toch wel +eindelijk zou binnenloopen, begreep, dat de beurt al voorbij was, +of niet kwam ditmaal, toen verviel zij in een stompe verslagenheid, +die dagen lang duurde. + + + +Den vierden November was het een feest in het huis van de +Diepelinks. Moeder Diepelink kwam terug uit een rijke bakerdienst, +waar zij meer dan zes weken gebleven was. In den namiddag kwam +zij aanzetten, een gezellige, goedlachsche vrouw, met een blozend, +welgedaan gezicht binnen den blauw-blanken schulprand van haar kornet. + +Zij bracht een klapmand en een korfje vol zoetigheden en vleeschwaren +mee, alles presenten uit haar dienst: koeken en hoofdkaas en fijne +appelen, een halve flesch pons en Utrechtsche theerandjes en twee +gerookte palingen .... en zij deed de wonderbaarlijkste verhalen over +het goede leven, dat zij gehad had en over de vijf en tien guldens, +die haar bij 't doopmaal en de kraambezoeken waren toegestopt. Hilletje +was buiten zichzelf van plezier. Haar moeder weer thuis en een tafel +vol om van te smullen! Wat een lol! + +Zij kreeg direct uit den vollen buidel een kwartje cadeau, wat de +twee oude vrouwen afkeurend de hoofden deed schudden--dadelijk weer +verwennen! dadelijk weer geld voor snoepgoed!--doch het verstoorde de +feestvreugde niet. Zelfs Ant werd aangestoken door al die lustigheid, +praatte luid en liet zich door het meisje de kamer rondtollen. + +Sprotje haatte op dat oogenblik Hilletjes uitgelaten stem! Met +een ziekbleek gezicht en een hart vol warsheid van die pret zag zij +toe. Den vierden November! Begreep dan niemand, hoe ellendig zij eraan +toe was? Zag Ant dan niets? Zag tante Bartje dan niets? Zelfs Hein +liet haar in den steek, dacht zij smartelijk .... niemand, die zich +ook maar iets om haar bekommerde! + +Met een verbeten mond en oogen, die telkens vol tranen schoten, +zat zij boven haar avondbrood. + +Ze waren bij Diepelink aan haar vreemde buien wel gewend. "Niks .... 't +is niks ....," lei de grootmoeder stil aan moeder Diepelink uit, +"ze is nou wat verlegen, .... nou der weer een vreemde bij is ...., +dat trekt morgen wel over ...." En zoo, zonder booswil, lieten ze haar, +daar aan 't eind van de tafel, met haar bittere gedachten alleen. + +Maar toen, tegen het slot van den maaltijd, de twee oude vrouwen en +Ant, met glimmende vingers en monden, nog de laatste stukken vette +paling aan 't uitpluizen waren, en achter in de keuken de moeder +en Hilletje, onder veel gegiechel en heimelijke knuffelarijen, +'t druk hadden met de glazen en 't warme water voor de pons, toen +werd het Sprotje op eenmaal te zwaar. Met een ruk ging haar stoel +op zij, en zonder een woord of een groet was zij weg, de deur uit, +op straat. Even was wel een duizelige schrik over die daad door haar +heengeflitst; maar de daad zelf had haar in een staat van uiterste +opwinding gebracht. Met een leeg, heet hoofd liep zij het donkere +grachtje af en er kwam een verdwaasdheid in haar denken, een star +kijken op één ding: Ze moest, ze móést nu een dienst .... er waren +diensten.... zij móest nu den dienst vinden, die voor haar was. + +Zij liep twee, drie straten door. + +Ze moest naar de drukkerij gaan, dacht ze dan weer, waar dadelijk as +ie uit was, de Advertentiebode tegen het raam werd geplakt .... hij +kwám dien avond uit .... 't was Vrijdag .... Altijd stonden daar +troepen jongens en meiden te wachten, die werk zochten .... Je kon +ook naar binnen gaan, en vragen .... + +In een droom voerden de slepende voeten haar voort. + +Toen zij, in de nauwe en duistere steeg, dicht bij de twee felle, +lichtstralende ruiten was geraakt en daarvoor de luidruchtige +bende saamscholen zag, ging zij snel en schuw terug, en sloeg de +Lammerenmarkt op. Met zinlooze oogen tuurde zij de rijïng der duistere +of schemerende gevels langs .... àl die huizen, àl die huizen .... en +waar was het huis, waar waren de menschen, die voor haar dagenlange +sjouwen het beetje geld wouen geven, dat zij noodig had? + +Eens schrok zij van zichzelf .... had zij daar niet de opwelling gehad, +zoo maar als een bedelmensch, te bellen aan een rijklichte voordeur, +en te vragen .... ja, wàt zou ze vragen? + +Zij liep plotseling in 't Plantsoen .... zij werd daar bang, omdat het +er zoo eenzaam was; in de verte, onder een gaslantaren, onderscheidde +zij flauw de bank, waar zij eens, dien eenen heerlijken Zondagmiddag, +met Hilletje gezeten had .... Zij haastte naar de lichte straten terug; +met de mouw van haar jurk veegde zij de tranen weg, die heet over 'r +wangen beefden. Zij kwam in de buurt van de Veen-válkstraat.... Tijd +en duur was plotseling voor haar verzwonden. Zij zag de kamer van +juffrouw Jonkers, 's avonds .... de Juffrouw zat in den rieten stoel +en zij aan den overkant der tafel.... rood scheen het lamplicht over +het rood-en-zwarte wollen kleed, en Wilmpje sliep in zijn wagen, +achter de open kastdeur.. + +Een snikken barstte in haar uit.... toen er menschen naderden, ging +zij schielijk een donker bordesportaal in. Dan liep zij weer terug. + +Er was een angstwekkende wisseling in haar hoofd van schril-duidelijke +herinneringsbeelden en van wemelende, zwarte gapingen, of alle +denken haar begaf; zij werd zóó moe, dat zij, als in een koorts, +op brijzelende voeten liep. + +Bij lange poozen vergat zij het doel van haar doellooze zoeken. "Een +dienst....," vaagde het nog door haar hoofd, doch de eigenlijke +bekommernis van haar hart was zij in haar uitgeputheid vrijwel +vergeten.... een dichterbije angst alleen was gebleven: wat zouden +ze tegen haar zeggen, bij Diepelink, als ze weer terug kwam, straks? + +Toen zij op eenmaal, met een schok van bezinning, zich vond loopen +bij den grooten molen op den Wal, waar laag bij het nachtzwarte +getorente de arbeidershuisjes stonden met een enkel verlicht venstertje +nog maar--toen zag zij plotseling zich daar loopen, als kind, met +haar twee guldens in de hand genepen en haar pak kleeren onder den +arm.... Zij stond stil; een wonderbaarlijke klaarheid was even in +haar ijle hoofd: van toen tot nu, al de jaren door, zag zij haar +leven één ellende en één worsteling; en zij zag, dat dit wel altijd +zoo blijven moest. "Hein!" dacht ze dan. En het vreemde, woeste en +weeke, dat pijn deed en lust gaf, gudste door haar heen. + +Maar plots, in het duister van het eenzame nachtpad, voelde zij +een heeten blos haar kille wangen overtijgen. Zij was nu groot, +volwassen, achttien jaar bijna! Zij mocht hier niet loopen als ze +deed toen ze een kind was...... en zij mocht zulke slechte gedachten +niet hebben.... zij moest goed blijven, eerzaam blijven.. + +Stil en verslagen, als een afgestraft dier, liep zij den langen en +moeizamen weg terug van den molen naar de Vliet, naar het huisje, +waar zij thuis lag. + +Daar, toen het over tienen werd, was het huishouden in rep en roer +geraakt. Hilletje werd naar bed gestuurd; de vrouwen, met haar +wat opgewonden feestvier-hoofden, haalden zich de buitensporigste +onderstellingen in den zin. Ant stelde ze wel gerust.... Merie wás zoo +wat vreemd.... 't was al meer gebeurd....; maar de vrouwen waren niet +tot kalmte te brengen. Als ten leste de onrust geen uitweg meer vond, +werden zij boos. Niemand dorst gaan slapen. + +Doch toen zij Marie, verwezen en schril-wit, plotseling op den +keukendrempel zagen staan, zweeg hun boosheid. Zij schrokken allen +geweldig. Wat was er gebeurd?.. Sprotje werd bij 't fornuis gezet, +kreeg heete pons, werd naar bed gebracht. Den volgenden morgen kon +zij niet naar haar dienst gaan. En Ant dwong haar te spreken. + +"Nee... maar... zoo'n kind!" zei tante Bartje;--waarom in 's hemelsnaam +had ze 't niet eerder gezegd! + +Vrouw Diepelink maakte zich eerst nog kwaad: van de stiekemheid +hield ze niet. Dan kwam haar goedhartige aard toch weer boven. Ze +had bij de halve stad gebakerd, bij de halve stad had ze een wit +voetje....! ze zou zien, wat ze doen kon.... Maar zoo'n meid, die +den tijd liet vergaan en niets zei! Waar vondt je nog iets na één +November?.... Afijn, ze zou 'r best doen.... + +En drie dagen later had Sprotje een dienst. + +"De eene z'n nood, da's de ander z'n brood," zei vrouw Diepelink, +toen zij met het bericht thuis kwam, waar Marie zich aan kon melden. + +'t Was een dienst van buitenshuis slapen, maar zij kreeg éen-twintig +in de week en den vollen kost. Dat was een blijdschap! Ze zou nu +een kwartje aan de kamerhuur meebetalen, werd er uitgemaakt, en +twintig centen geven voor koffie 's avonds en 's morgens; dan hield +ze nog vijftien stuivers over voor haar kleeren en de rest. Wat een +rijkdom! Sprotje tracteerde 's avonds op bolussen, maar ze kon er +zelf niet meer dan één eten, zoo ziekig was ze nog. + +Een laatste week ging zij naar Mevrouw Verscheer ter Gouwe; en toen, +eindelijk, braken er betere dagen voor haar aan. + + + + + + + +II. + + +Nou maar ....," zei Hein, bedremmeld of hij een boos geweten had, +"wat jij goed ben terecht gekomme.." + +'t Was op een Zondagmorgen, bij 't uitgaan van het Luthersche kerkje, +dat hij langs kwam en Marie staande hield. + +Doch het meisje, of zij geen gezindheid voor een praatje voelde, +had alleen afgemeten "dag Hein" gezegd, en wilde doorloopen. + +"De laatste maal, da 'k je zag," bleef de jongen volhouden, "toen +was je der zoo naar aan toe .... daar had 'k toch zoo'n sjagrijn over." + +"He'k weinig van gemerkt," kwam Sprotje koel terug. + +De jongen keek haar vergiffenis-vragend aan. + +"Dat mot je zoo niet opnemen," zei hij, "'k hèb wel voor je rond +gekeken, en gevraagd .... maar 'k kon niks vinden .... en toen 'k +niks vinden kon, wou ik je liever maar niet zien ook." + +"'k Kan niet tegen de narigheid," zei hij dan met een ruk van z'n +rooien kop op zij. + +Marie zag verwijtend naar hem, maar zij kreeg nu ook wel meelij, +zoo bedelend en bedrukt als hij daar voor haar stond. + +"Die narigheid, daar zat ik anders midden in," zei ze toch nog. + +"'k Dacht," zei de jongen, als een uiterste verontschuldiging, "dat +je wat verkeerds gedaan had in je dienst .... net as die andere meid +van mijn .... daar had ik nog de meeste beroerdigheid over .... maar +nou ben je zoo goed beland .... 'k zie nou wel, da 'k dat mis had." + +Met zijn fel-blauwe, naakte oogen keek hij recht en dringend in de +hare, en Sprotje, onder dien blik, voelde weer het vreemde, weeke en +angstige door haar heen duizelen, dat zij zoo goed kende, den laatsten +tijd, en waar zij zoo bang voor was. + +Zij bloosde hevig, zei jachtig iets van: naar huis moeten .... al +laat...., en meteen ging zij door. + +"En héí je 't nou alles naar je zin?" sprak luid de jongen nog achter +haar aan, in een laatste poging tot hartelijkheid. + +"Alles best, hoor!" antwoordde Sprotje over haar schouder. + +En toen zij zoo, blozende en beschaamd, en plots ook verzoend weer, +naar hem omkeek en lachte, had zij een liever gezichtje, dan de jongen +nog ooit van haar zag. + +'t Was in het tweede hotel van het stadje, in "De Cannegieter," +dat Marie, door de voorspraak van vrouw Diepelink, was in dienst +gekomen. "De Cannegieter" was niet zoo voornaam gelegen, en zoo +duur, en zoo deftig beklant als het kleinere "Hof van Holland," maar +'t was er wel tienmaal zoo druk. Alles van de markten kwam daar, +en de handelsreizigers, en er was een café bij, waar 't altijd vol zat. + +Van dat hotel zelf echter en van het café kreeg Sprotje nooit iets +te zien. Om acht uur iederen morgen kwam zij door de zijdeur in het +Schoutensteegje binnen en daalde de bediendentrap af naar de keuken aan +de binnenplaats, waar zij haar dagen doorbracht. En iederen morgen om +acht uur stonden daar, in de bijkeuken, haar twee aanrechten al vol +vuil gerei, dat wachtte.... Sprotje wiesch, Sprotje droogde.... Dat +was haar werk. Zij wiesch de dozijnen koffiekoppen en likeurglaasjes, +die den vorigen avond nog waren leeggedronken, het aardewerk van +een verlaat diner, de vette bordjes van broodjes met ham en gebakken +eieren, waaraan, in de vroegte, bezoekers zich al hadden vergast. + +En al naar zij de stukken wiesch en in de meters-breede, open +muurkasten weer op hun plaats schikte, kwamen nieuwe bladen-vol het +weggeruimde vervangen: 't ontbijt van de handelsreizigers, die er +zoo vroeg niet op uit trokken, het tweede ontbijt van het personeel +boven. En voor zij alle vorken en lepels en de nikkelen kannetjes en +suikerschaaltjes netjes had opgepoetst, en al de messen met messepoeier +blank gewreven, kwamen de bezendingen der vroege koffietafels alweer +in het liftkastje afgezakt. + +Maar te druk had zij het toch nooit. Zij moest maar op haar verdrag +werken, was haar gezegd, en zorgen, dat het aardegoed nooit streperig +zag en het metaal nooit dof. Wat zij brak was voor haar rekening. + +Klein-alleen in de groote, witgekalkte bijkeuken, die, met zijn +bovenramen aan de binnenplaats, wel een leeggedragen catechisatiekamer +leek, of een prachtige kelder,--daar stond het onnoozele Sprotje +te midden der resten van het popelendste leven der kleine stad, +al den afval van avondbrasserijtjes en smulpartijen, van morgen- en +middaggasterijen en goede sier. Zij wiesch en zij droogde, zij rook +aan de glaasjes, wat voor vreemde dranken daar wel in geweest mochten +zijn, zij begluurde de restjes op borden en schalen, proefde met een +vingerlik .... Soms draafde een kellner of een kamermeid binnen. Dan +schrok zij. + +En in de nog uitgestrekter keuken naast-aan, voor het fornuis als een +kamertje zoo groot wel, stond, in zijn witte kleeren, de kok. Uit de +tusschendeur, die op een kier bleef, dreven de geuren binnen. Als zij +voor nieuw heet water aan de koperen fornuiskraan moest zijn, neusde +zij: daar dampten de ijzeren potten met het sissende braadvleesch, +de pannen vol borrelende saus en de ketels vol soep; in groote blikken +vaten op tafel koelde de gekookte melk. + +Soms werd Marie binnengeroepen om te roeren. Dan stond de kok +voor het aanrecht en met zijn bebloede handen kerfde hij, als een +slager, de klompen vleesch; zijn vingers dropen en zijn schort was +besmeurd. Sprotje vond dat een ijselijk gezicht. De eerste maal raakte +zij bijna van haar zelf; dan wende zij er aan. + +Iederen dag zag en leerde zij iets nieuws. Zij kon het niet bevatten +alles. Zij had nooit geweten, dat er zooveel in het leven te koop was, +en bij Diepelink, 's avonds, raakte zij niet uitgepraat. + +Haar dagelijksche verwondering was ook, wie toch wel al dat eten +moest opmaken, dat zij iederen morgen weer verwerken zag. Vaag hoorde +zij iets over een "heerentafel," over de "pladduzjoer," en over de +"buitendinees".... Soms waren er gastmalen van "de Bond." Dan liep +ieders hoofd om. Vóór achten al stond de kok als een zot gele saus +te draaien; de flesch olie hield hij, in een servet, onder den arm; +druppeltje voor druppeltje viel er in de dikke brij.... Dan rolde +hij deeg met een ronde stok, en bakte een pastei. + +En de hoopen eten, die er zoo'n volgenden dag voor hún tafel +overbleven! Soepvleesch zooveel zij maar lustten, en al het overige +naar venant. + +Andere dagen weer sneed de kok al de resten ondereen en maakte daar, +met bruinen wijn en kruiden, een fijnen schotel van voor boven. Dan +kregen zij elk hun afgepaste deel en moesten verder genoeg eten aan +aardappelen en gruttenbrij. Maar lekker dat die aardappelen soms +waren! Sprotje had nog nooit zooiets geproefd: stukjes, of stokjes, +goudgeel en met korstjes, die knisterden en die je toch zóó fijn maalde +in je mond. Een volgenden keer hutste hij boonen en rijst door elkaar, +en gooide er een stuk spek in .... maar gek, zoo'n kok kon het zoo +raar niet klaar maken, of 't was toch altijd nog lekkerder dan wat +je thuis ooit at. + +De gezamenlijke maaltijden aan de groote tafel in het achterhuis waren +Sprotje aanvankelijk wel eerder een kwelling dan een genot. Zij zat er, +de laatste, in een hoekje naast de linnenpers gedrongen, en zij hield +zich maar stil en achteraf, dat men niet op haar letten zou ...., +doch haar kleine, grijze oogen gluurden des te gretiger de schotels +rond, en er was nooit zoo weinig, dat je niet volop kreeg. Maar ze +werd vaak genoeg geplaagd. + +--Ze mosten eens weten, dacht dan Sprotje met evenveel beduchtheid +als stiekeme voldoening, dat verleden week 's avonds Hein weer met +'r was opgeloopen van het Turfgrachtje tot aan de Vliet ....! Ze +mosten eens weten, dat Vrijdag Hein haar had afgewacht in de +Schoutensteeg!... Trouwens, ze was het plagen wel gewend, van vroeger, +thuis. + +Ook haar werk was nu juist niet van het prettigste. Altijd afwasschen +.... altijd afwasschen! haar handen waren overal gebarsten van het +zeepwater en de soda. De kok kommandeerde, de kellners kommandeerden, +de kamermeiden kommandeerden .... Maar binnen twee maanden had ze +een japon overgespaard; zij leefde bij 't vooruitzicht van alles, +wat ze weer zou kunnen koopen; zij voelde ook, dat haar gezondheid +vooruit ging,--geen trappen loopen, geen haast meer--; een kost als een +rijkelui's meid, en vijfenzeventig centen in de week voor haar alleen! + +Viel er in de keuken eens een extra hapje af, dan spaarde zij het +uit haar mond en bracht het aan grootmoeder Diepelink, die zich vaak +beklaagde, dat zij nooit meer 'ns iets bizonders over de tong kreeg, +nu zij niet langer in de fijne diensten uit bakeren kon. + +Sprotje was de Diepelinks zeer dankbaar gebleven. + +De vrouwen thuis, ingepalmd door die kleine vriendelijkheden, +hadden ook wel vaak een vriendelijkheid voor Sprotje terug, en toen +hun eens verteld was, dat Marie zoo dikwijls op straat werd gezien +met een werkman uit den oliemolen van achter de Weteringpoort, toen +verzonnen zij daar kleine, goedige plagerijen op, tante Bartje vooral, +die het vermaak waren van den avond. Sprotje bloosde dan, Sprotje werd +verlegen, maar haar hart zwol van een vreemde heerlijkheid. Zij kon +het nauwelijks gelooven .... zij zag zichzelve nog altoos achterlijk +en min .... Merietje, of Sprot.... en plots was daar nu de erkende +mogelijkheid, dat zij, als alle andere meisjes, verkeering zou hebben; +en met een kerel nog wel als Hein! + +'t Prettigst vond Sprotje die uren, als Ant was uitgegaan en zij +met de twee oude vrouwen alleen bleef; Hilletje was al sinds eenige +weken niet meer thuis. Die, het leven bij 'r opoe en oudtante beu, +met wie ze niet lachen kon als met haar moeder, en die haar te +weinig vrijheid lieten naar 'r zin,--de kommesalen waren ook al +niet meegevallen!--Hilletje had net zoo lang gedreven tot ze een +plaats op een kleermakerij in Amersfoort mocht aannemen, en daar bij +'t groote huishouden van haar oom in den kost kwam. Met een laatste +naschrijning van verdriet en een verluchting tegelijk, had Sprotje +haar zien vertrekken. Iederen dag, onverdeeld, verlangde zij nu +naar de rustige avonden met grootmoeder Diepelink en tante Bartje, +en iederen dag ook verlangde zij naar dat spelletje van stilletjes +plagen en stilletjes zich verweren, dat haar zoo welkom was. + +Het werd een spel van velerhande gewaarwordingen voor Sprotje. In +de tegenwoordigheid der vrouwen was het meest haar kleine, gevleide +ijdelheid die sprak; maar in de uren alleen, daarna, werd het heel +wonderlijk in haar hart van verlangens en vage hoop, die zij zich +ternauwernood bekennen dorst. Toch was het, of 't meer openlijke en +uiterlijke, door dat schertsen aangebracht, haar ontoegankelijker +maakte voor de zwijmelende gevoelens, die haar de laatste maanden zoo +vaak bekropen, in 't geheim, en verontrustten. Ze voelde zich trotsch, +een kriebelende vreugde was soms in haar hoofd, hoewel ze zich dikwijls +genoeg voorhield, dat Hein best niets bizonders bedoelen kon. + +Ze zag er frisscher uit, ze liep niet meer zoo gebogen in de +schouders;--zij werd behaagziek voor haar doen; zij kocht zich de eene +week, van haar spaarbank-geld, een nieuwen winterhoed met schotsche +strikken, en de andere week een bontje van negentig cent. + +Soms, als er niemand was, keek zij in den kleinen spiegel boven het +kastje van de voorkamer: ze had toch al wel een klein beetje kleur, +vond ze, en 'r haar leek ook niet zoo erg onvoordeelig meer .... + +En den derden April, geheel vervaard, kwam Sprotje met het +bijna-niet-te-zeggene thuis: Hein had een briefje voor haar afgegeven +aan het hotel .... hij vroeg, of ze Zondag met hem uitging. + +Dat was een bereddering! De grootmoeder en tante Bartje raakten niet +uitgevraagd: wat had ie precies geschreven? wou ie alleen Zondag met +'r uitgaan? of wou ie verkeering? maar as een jongen je vroeg om +uit te gaan, dan wou ie toch eigenlijk verkeering .. Nou, hadden ze +'t niet gezegd? + +Zij toonden al de kleine en nieuwsgierige belangstelling, die zooveel +oudere vrouwen hebben voor alles wat een jonge liefde aanbelangt. + +Sprotje, in haar verwarring, was ten uiterste gestreeld. + +Tante Bartje praatte vooral over: de verantwoordelijkheid .... een +meisje zonder ouders .... de voogd .. Ook Ant diende gehoord. Ant +zei niet veel ....--Ja, Merie most het zelf weten .... Zij scheen +niet al te best te spreken over het geval. + +Ten slotte werd er beslist, dat Merie nog de jaren niet had, om zonder +zekerheid van verkeering met een jongen uit te gaan, en dat van der +Kamp--ze had dien Zondagmiddag toch niet vrij--des avonds bij hen +kon komen koffiedrinken. + +En zoo gebeurde het. + +Sprotje doorleefde dien avond als een koortsigen maar goeden +droom. Met plekkerig-heete kleuren onder de oogen, van opwinding en +verlegenheid, zat zij naast Hein, en zei zoo goed als niets. Hein zei +weinig méér. Iedereen keek hen aan; zij waren beiden zeer beschaamd +en zagen toch welgemoed. + +Alleen Ant was nukkig, en op het midden van den avond, plotseling, +ging zij uit. Dat werd weinig aardig gevonden. De grootmoeder, met +een knipoogje naar den jongen, zei: "Die is jaloersch." + +Hein kleurde nog feller dan hij aldoor al gedaan had, en hij stotterde +iets, van dat Ant toch met Busselaar vree .... + +Dat gaf een nieuwe bereddering!--Busselaar? was dát die beurtschipper, +waar ze in 't begin wel eens over gehoord hadden? Was het dan toch +waar geweest, laatst, van dat loopen naar de haven? En waarom had Ant +hem nooit eris meegebracht? .... De oude vrouwen, nog nieuwsgieriger +en nog meer belust, raakten opnieuw niet uitgevraagd. + +Sprotje wist niet, of ze spijt had dan wel blij was, dat de grootste +aandacht nu van haar bleef afgeleid. + +Maar toen, na een poos, Hein aanstalten maakte om heen te gaan, +vroeg grootmoeder Diepelink, ten afscheid, heel vriendelijk maar +overrompelend beslist, en met een groote guitige gemeenzaamheid:--of +ze goed had begrepen, dat het voor vast was .... 't meissie had geen +ouwers ....; waarop Hein, of hij al voor den dominé stond, hoogblozend +en bedremmeld, maar vol goeden wil, een "ja" uitbracht. + +Bij 't weggaan kuste hij, beschaamd en bruusk, Marie heftig naast +den mond. + +Sprotje, dien nacht, was overvol van een schreiende verwondering. Het +was haar geheel onbegrijpelijk; zij kon er zich niet indenken, dat zij +verkééring had, en dat ze verkeering had met Hein, dien ze al zóó lang +kende; en toch was het haar juist daarom zoo gewoon en vertrouwd, of +zij altijd wel geweten had, dat met hem haar leven verder zou gaan. Zij +voelde ook weer, bij haar mond, den kus van zijn harde lippen; hij had +haar bijna pijn gedaan, maar nog ging er een scheut van verbijsterende +vreugde door haar heen, als zij er aan dacht. Zij was klaar wakker +en het bloed in 'r hoofd klopte lastig tegen het kussen. Zij kon er +niet aan ontkomen. Zij zag weer Hein's goedigen kop, zoo barstend +rood en trouw, toen grootmoeder Diepelink 't vroeg ....; hoe durfde ze! + +En opeens had Sprotje een voorstelling van hoe haar moeder daar +tegenover Hein zou gezeten hebben, met een bezwaarlijk gezicht en dan +toch weer vol danige goedheid; haar moeder had van Hein gehouden, 't +altijd voor Hein opgenomen, al zag zij toen met Sien weinig toekomst +in de vrijerij .... Maar nou had Hein al zeven-vijftig in de week +.... nou zou 'r moeder wel blij zijn geweest ....; zij zag al, hoe die +'r trekken uit hun stuurschen plooi zouden zijn opengegaan in een +donker-oolijken spotlach .... zij hoorde al die gekscherende stem, +en 't was haar, of bij die warme herinneringen aan 'r moeder, haar +innigheid voor Hein te hechter en te heviger-om-van-te-schreien werd. + +Sprotje, sinds dien Zondagavond, leefde in één verwarring van +gevoelens en ervaringen. Schijnbaar gewoon, alsof er niets gebeurd was, +gingen de lange dagen om in de bijkeuken van "de Cannegieter,"--doch +juist die waren vol van zoete, lachende en verwonderde gedachten; +soms merkte Sprotje, dat zij zacht stond te zingen boven het lichte +gekletter der borden in haar spoelbak .... Maar de avonden met Hein, +die de vervaarlijke werkelijkheid-zelf waren, die bleven vreemd en +schril en geheel uiterlijk. + +Zij voelde voornamelijk het heel erge van met een jongen geärmd +door de straten te gaan, en dat iedereen dat zien mocht. Zij was +buitenmate trotsch en zij schaamde zich tevens. Hein was stil, hij +drukte stevig haar arm, maar hij dorst haar nauwelijks aanzien; dan +grinnikte hij maar eens, en als hij haar thuisbracht, in het donkere +portaaltje bij Diepelink, gaf hij haar zijn harden afscheidskus. En +den verderen avondtijd bij Diepelink eveneens, voelde Sprotje meer +haar nieuwe gewichtigheid van het-meisje-dat-een-beminde-heeft, +dan dat zij bewust gelukkig was. Zij besteedde ook veel tijd en veel +overleggingen aan kleinen opschik, en telkens stak haar het verlangen +en de angst tegelijk, dat in de keukens van "de Cannegieter" haar +verkeering zou bekend worden. + +Den eerstvolgenden Zondagmiddag--Sprotje zelf had dat zoo +gewild--gingen zij naar Heins oude moeder, die inwoonde bij zijn +getrouwde halve zuster. "Och," had Hein gezegd, "wat zalle we d'r +doen ....?" maar bij Diepelink ook was de meening geweest, dat het +zoo hoorde. + +'t Was een van de lage, vervallen huisjes, die achter op het +Turfgrachtje staan, waar dat, omhoekend, doodloopt op een hek langs +het Singelwater. Het oude mensch, in een paars gebloemd jak, die +maar bleef kousen stoppen in haar hoek aan 't raam, had hun niet +eens de hand gegeven. Zij leek in niets op Hein: een smal, groezelig +rimpelgezicht, met glurende, waterig-bruine oogjes, en dun grijs haar +onder een gebreeën wit mutsje uit. Ze keek over haar bril Marie eens +aan en zei: "Zóó, wel-wel, nou-nou ....," toen Hein bazig vertelde, +dat dit dan zijn meisje was. En de stiefzuster, een lange, sluike +vrouw, met een ontevreden uitzicht--zij trok naar de moeder--smaalde, +terwijl zij de borden van het middageten borg: "Afijn hè, de derde +keer de goeie keer...." + +Sprotje voelde zich zoo leeg en ontzet, dat ze niet eens huilen moest; +zij werd heel bleek en haar handen beefden. + +Hein verschoof driftig op zijn stoel, maar hij zei niets; hij zag +vuurrood en ongelukkig. + +Zij stonden gauw weer op en gingen wandelen; 't was een koele, +zonnige Aprildag, en het eerste groen sprong al door de struiken; +maar de nare stemming bleef nog wel een uur hun klemmen in de keel. + +Toen zei de jongen: "Leefde me zus nog maar...., die op 't fabriek +van de Lange het geweest ...." En in het praten dan over die +eenige eigen zuster van Hein, die gestorven was, werd het wel weer +vertrouwelijk. Toch gelukte het hun nog niet, dien dag, het volle +begrip van hun nieuwe verhouding te omvatten. + +Eerst na vele dagen sleet al het bijkomstige, al het ijdele en erge +en schaamachtige, bij Sprotje uit. En toen allengerhand haar gevoel te +bezinken begon, toen was het voornamelijk een dankbare aanhankelijkheid +en een diepe trouw, die zij gewaar werd, en die zich uitte, het meest, +in een onverdroten belangstelling voor alles wat Heins vroeger en +tegenwoordig leven betrof. Na een korten tijd wist zij nauwkeurig +hoeveel uren per dag Hein bij zijn eersten baas had gewerkt en wat +hij verdiende, hoeveel uren hij bij zijn tweeden baas had gewerkt +en wat hij verdiende, en zoo verder; zij kende de namen van al zijn +kosthuizen en vergat geen der verhalen, die hij daarover deed, noch +verwarde ze onderling; van Heins vader, die nu reeds twintig jaar +dood was, wist zij al spoedig alles, wat hij zelf er nog van wist; +zij kende zijn zuster, Gerritje, en haar twee diensten, waarin zij +'t niet had kunnen volhouden, haar komen op 't fabriek van de Lange, +en haar sterven, een jaar nadat zij er gekomen was;--Sprotje ervoer +het, als had zij het zelve doorgemaakt. Zij wist ook alles van de +wreede geschiedenis, hoe Heins moeder bij de stiefzuster in huis was +gegaan en hoe smadelijk hij en Gerritje altijd behandeld waren. Als +hij daarvan vertelde, en zij antwoordde als eene, die het alles al +weet en er geheel in meeleeft, dan, met een innige verteedering, +hield zij het meest van hem. + +Arm in arm en hand op hand, kuierden zij 's avonds van haar dienst +naar huis, liepen nog een Singeltje om .... Zij verwonderde zich, hoe +alles zoo vertrouwd en zoo rustig was, veel vertrouwder en rustiger +dan haar wandelingen met Hilletje. En dan de heerlijke vastheid, dat, +wanneer zij, na den langen werkdag, in den schemerigen lente-avond het +zijpoortje van "de Cannegieter" uitkwam, daar altijd, aan den hoek van +'t Broerekerkplein, Hein stond te wachten. Dadelijk onderscheidde zij +zijn korte, zware gestalte; .... soms zag hij haar niet aankomen, +hij rookte zijn dikke sigaar, sloeg zijn werkbroek nog eens af +.... soms stapte hij dadelijk op haar toe, verschoof zijn pet langs +zijn stijf-scheef kuifje: "dag Merie." Hij was nog altijd wat verlegen +'t eerste oogenblik, en zij niet minder. Zij liepen een huis of tien +zonder veel spreken naast elkaar voort, dan nam zij zijn arm; en als +hij haar, ten afscheid, bij de deur van Diepelink, op de wang kuste, +of als hij steviger, onder het gaan, haar hand in de zijne neep, dan +ondervond zij dat voornamelijk als een echt goed het meenen met elkaar. + +De jongen eveneens leefde in velerlei verwonderingen. In zijn vorige +verkeeringen was 't altijd één onstuimige roezemoes geweest, van +felle verliefdheid voor de eerste, van baloorigheid meer en wreede +lust die aan de meid zelve vreemd bleef, bij de andere,--en ook een +gedurige onzekerheid van luimen en getreiter, waar hij zich niet +tegen opgewassen wist, van koude lacherigheid en heete bevlieging, +die hem verward en ongelukkig maakten; en telkens ook van in den +steek gelaten worden, van vergeefs wachten en jachtig zoeken door de +straten in wrange pijn en machtelooze woede .... + +Voor Marie had hij een heel ander gevoel. Zij had een lief gezichtje, +vond hij, wat bleek, maar zoo vriendelijk .... haar oogen vooral, en +haar mond, als zij stil voor zich uitkeek; maar haar sluike lijfje +maakte weinig in hem wakker, en zij had ook geen woelende haren of +geen weligen hals om het water van in den mond te krijgen! Toch, +zooals zij altijd 's avonds stil-haastig op hem afkwam, mocht hij +haar schuchtere gestalte graag zien. Naast haar gaande, stapten zij +prettig eensgezind, even lang als zij waren, en haar zachte stem +maakte hem kalm, of er iets opklaarde in zijn hoofd. + +"Gek," kon hij soms in een plotselinge verbazing zeggen, "gek, dat +wij nou zoo bij mekaar zijn geraakt.... 'k begrijp zelf nog niet, +hoe 'k er zoo toe gekomme ben ...." + +"'t Zal zijn, da' we mekaar al zoo goed kenden--" peinsde hij nog voor +zichzelf.--"'t Zal zijn, da' we zoo best bij mekaar passen...." zei +hij dan, met een vertrouwelijke overtuiging achterna. + +Nooit had iemand zich werkelijk om zijn welzijn bekreund; hij had +geleefd bij de kijvige heerschzucht van zijn moeder en de hatelijke +minachting van zijn halve broers en zusters--o! hij wist heel goed, +dat hij niet zoo bij de pinken was als die allemaal!--, tot zijn twee +verkeeringen hem wat wilden, schroeierigen gloed, maar geen deugdelijke +koestering hadden gebracht .... De luidruchtige omgang met zijn +kameraads, en de eenvoudige genegenheid van zijn gestorven zuster, dat +was nog het beste, dat hij in zijn leven had gekend! Hoeveel morgens +was hij niet uit zijn triestige kosthuizen zonder een vriendelijk woord +naar zijn werk getogen, en hoeveel avonden niet, dat hij, verlaten, +maar wat door de straten had geslierd, en wat in de kroegen gezeten, +en dan alleen maar weer naar zijn kosthuis was getrokken, om daar, +verdrietig, in zijn bed te kruipen .... Hij was heel ongelukkig +geweest, maar in zijn dompen, harden kop had hij nooit raad geweten, +hoe het te veranderen zou zijn, of hoe het ooit beter worden kon. En +nu had hij Marie! + +'t Werd hem zoo goed en zoo warm van binnen, als hij altijd weer de +groote aanhankelijkheid van het meisje ondervond, die altijd weer +blij was hem te zien, en nooit hem plaagde of uitlachte, en die heel +haar aandacht had voor hem alleen. + +En hij ook luisterde met de grootste belangstelling naar wat Marie hem +vertelde van haar diensten en haar werk. Hij kon het alles niet zoo +onthouden als zij, verontschuldigde hij zich vaak, jongens konden dat +nooit zoo goed en hij had maar een stom hoofd .... doch hij deed wel +zijn best. En Sprotje, niet verwend op dat punt, vond het al heerlijk, +dat iemand met zoo een geduld kon luisteren naar haar beuzelachtigste +verhalen. + + + +Ant, op het eind van dien zomer, was het eindelijk gelukt, haar +beurtschipper bij Diepelink thuis te krijgen. Op een avond in Juni, +na vele maanden wachtens, was zij hem plotseling aan de haven +tegengekomen. + +"Zoo .... meisje ...." had hij gezegd. Hij was kalm vriendelijk +geweest, of hij haar een week te voren nog had bezocht. Maar naar +een vreemd huis meegaan, bij menschen, die hij niet kende, nee, dat +deed ie secuur niet .... Hij vroeg Ant evenmin om aan boord te komen; +ging met haar naar "het Schippertje," bestelde twee glaasjes anijs +en deed een langgerekt verhaal over een extra reis op Ruhrort en een +extra reis op Coblenz. Eindelijk vroeg hij ook: "Zou jij wel in het +Duitsche land kenne wenne? .... zou jij wel ham-pannekoek op een open +vuur kenne bakke?" + +Vele veertien-dagen achtereen kwam trouw, sindsdien, Busselaar met +zijn Duif binnengeloopen en onthaalde Ant op haar glaasje anijs. Eens +zaten zij samen een middag aan het Veerhuis buiten de stad. + +En toen, na een paar malen vergeefs weer wachten, had eindelijk Ant hem +overreed en meegetroond naar de Vliet, bij Diepelink. Onwillig had hij +daar gezeten, met zijn vierkanten, stuurschen schipperskop in elkaar +geknepen, en hij had alles opgenomen of hij een boedelbeschrijver was. + +"Wij hebben verkoopen motte," zei Ant; "alleen de potkachel, die he' +'k gehouwe .... 'k dacht, dat jij daar gesteld op was." + +Omdat ie boven roestte, hadden de Diepelinks het kacheltje in de +voorkamer gezet, waar zij toch nooit zaten. + +Busselaar was mee daarheen gegaan, had naar de potkachel gekeken, +had naar Ant gekeken....; zijn kleine, zijen pet stond achter op zijn +zorgelijke voorhoofd en hij trok nadenkend aan het gouden ringetje +in zijn lange, gele oor. + +"Nee .... meisje....," had h ij eindelijk gezegd, "'k geloof toch niet, +da 'k er toe zal overgaan ...." En vóór Ant nog uit haar ontzetting +zich kon herstellen, had hij bedaard zich omgedraaid, en was binnen +zijn koffie gaan uitdrinken. Ant was nog achter hem aangekomen, de +keuken in; haar gezicht was star vertrokken. Toen waren twee helle +tranen haar uit de oogen gesprongen; zij had zich omgedraaid zonder +een woord en was naar boven geloopen. + +Busselaar had laks even achteromgezien; daarna had hij omstandig +iedereen de hand gedrukt en was weggegaan. + +Toen Sprotje dien avond thuiskwam, vond zij Ant op bed, met groote, +starende oogen; nauwelijks beäntwoordde die haar nachtgroet. En den +volgenden morgen--voor het eerst, zoolang Sprotje zich herinneren +kon--verzuimde Ant 't fabriek. Heel in de vroegte, zonder 'r +boterhammen te hebben aangeraakt, liep zij 't huis uit en kwam eerst +tegen elven terug. Dien middag ging zij weer. + + + +Vier jaar lang had Sprotje verkeering. Bijna heel die vier jaar ook +bleef zij vatenwasschen in de bijkeuken van "de Cannegieter;" eens +kreeg zij een aardig opslag, want men had haar daar graag, omdat zij +handig was en nooit iets brak; zijzelf eveneens vond het er prettig +op den duur. Des zomers was 't er altijd koel aan de schaduw-diepe +binnenplaats, en des winters, als de tusschendeur wijd openstond, +stoofde de hitte van 't groote fornuis er door, met al de heerlijke +geuren, die daar rondwaarden. + +Sprotje snoof, Sprotje keurde, Sprotje trok een kennersneus; ze +onderscheidde als de beste of er weer maderawijn of kerry in de sausen +was gegaan, en of ze boven een chocoladepudding kregen dan wel een +koffievlâ.... Soms neusde zij van den kok een keukengeheim af, hoe +hij dìt klaarmaakte, of op dàt bezuinigde .... dat vertelde zij dan +'s avonds bij Diepelink. + +Een enkele keer maar, al die vier jaren, is het gebeurd, dat Hein niet +des avonds Marie opwachtte bij het hotelpoortje in de Schoutensteeg. 't +Was tweemaal, in den winter, dat ze veertien dagen thuis moest blijven +met de griep, en eens kreeg Hein, voor zijn baas, een karwei van drie +weken buiten de stad. + +Maar alle de overige werkdagen zagen zij elkander dat avonduur, van +"de Cannegieter" naar huis, en liepen een Singeltje om. En altijd +was het hun zelfde vertrouwelijke gaan, met een armdrukje en stil +gepraat.. Sprotje vertelde de vele kleine voorvallen van den dag, +of zij sprak van de toekomst, hoe zij doen zouden, en met het geld. + +Zij was zoo onbevangen voor Hein als zij nog nimmer met een ander +geweest was, maar van een algeheele openheid werd zij toch nooit; +er bleven altijd dingen, van vroeger bij haar thuis en uit haar +eerste diensten, waarover zij zweeg. Hein zag erg tegen Marie op; +hij vond haar verstandig, en zij zou zeker een goede huisvrouw zijn. + +Soms, als het een zachte avond was, zaten ze in het plantsoen op een +bank, zij tegen hem aangeleund, haar hoofd op zijn schouder, in stil +gedroom; zijn verweerde hand streek haar langs de wang, en Sprotje +werd zoo week en zoo dankbaar en zoo heerlijk rustig, wanneer zij +zijn warm naar de buitenlucht geurend lichaam tegen zich voelde. Dan +keek zij teêr naar hem op, en kuste hem op zijn blozende kaak. + +Eens dat zij zoo zaten, moest Hein plots denken aan een avond, lang +geleden, dat hij bij Marietje, een kind nog, in de keuken op Sien had +zitten wachten, en hoe die, toen ze eindelijk thuiskwam, gezeid had: +"Nou, as jij liever met me zussie vrijt ...."--Liever, dacht hij, +liever? .... ja, toch, liever ....--Voelde hij zich niet tevredener +nu dan ooit te voren? En het kwam in hem op, hoe vreemd het was, +dat hij bijna nooit aan Sien meer dacht, en nooit meer met hartzeer. + +"Zit je goed zoo?" vroeg hij met een schorre stem, en haalde haar +zacht nog dichter naar zich toe. + +Maar soms waren er ook dagen, dat Hein opeens anders was, stiller +en vreemder; dat hij verlaten paadjes voor hun wandelingen koos en +plots met een heete heftigheid het meisje tegen zich aandrukte en +haar woest zoende in den hals. Sprotje, in een schrille verwarring, +onderging lijdelijk deze heftigheden, die haar diep ontstelden doch +geen vrees gaven. Er ging een trillend voorgevoelen door haar heen, +maar de juiste herinnering, later, ontvluchtte zij en zij wist niet, +of er zonde bij kwam of dat het zoo zijn moest. + +Zij was alleen wat bloô den volgenden dag, Hein keek verlegen, en +daarna dreef voor dagen de rustige genegenheid tusschen hen weer boven. + +Toen zij, de grootste gebeurtenis uit die tijden, op haar twintigste +jaar werd aangenomen, kocht zij zich een degelijke en fraaie, zwarte +japon ....; ze had daar maanden voor gespaard. En ze had gedacht: +daar trouw ik in. Het zwarte zijden vestje zou ze door een wit van +dunner stof vervangen; dat stond dan wel als voor een bruid. + +En den zonnigen morgen, dat zij, zeer ontroerd en met beschreide +oogen uit de plechtige Paaschkerk kwam, ging zij dadelijk boven zich +uitkleeden en borg de kostbare stukken, tusschen couranten, in een +schuif van haar ladekast. + +Van dien dag af spaarde zij voor de meubels. + +Toen zij een-en-twintig was, had zij op Ant's kamer zes trijpen stoelen +staan, die van haar waren, een spiegeltje en twee boodschapmanden. + +Ook Hein deed wel zijn best. Van zijn loon, vrij groot voor een jongen +alleen, kon hij aardig wat overleggen; toch waren er ook weken, dat +hij alle verdienste voor zichzelf scheen te gebruiken en angstvallig +zijn spaarboekje in den binnenzak van zijn jas hield. Eerst had +Sprotje daar stil verdriet over; later begon zij schuchter hem na te +rekenen, betrapte hem tersluiks. De jongen was daar al vaak kribbig +onder geworden, en toen zij eens, openlijk, hem een ontbrekende paar +gulden verweet, stoof hij woedend op: zoo lang zij niet getrouwd +waren, verdomde hij het, zich op zijn vingers te laten kijken; hij +zou met zijn geld doen, wat ie verkoos ....! Sprotje had hem nog +nooit zoo driftig gezien en zij huilde tot aan huis. Dan zei hij: +"Kom .... Merie ...." en gaf haar een kus. Weerloos liet zij het toe. + +Maar al waren er van die weken, dat Hein geen weerstand had kunnen +bieden aan de overredingen van zijn kameraads,--de jaren door had hij +toch ver over de honderd gulden gepot. Sprotje had een lijst gemaakt +van 't geen zij noodig zouden hebben voor hun inrichting: het zou er +wel van gaan .... en zoodra Hein negen gulden kreeg, konden ze trouwen! + +Het was in het vierde jaar van Sprotje's verkeering, dat, met Mei, +een der beide kamermeisjes van "de Cannegieter" plotseling haar +dienst verliet, en men in het hotel, voor de opengevallen plaats, +aan Marie Plas dacht: die was altijd zoo netjes en gewillig, die keek +nooit stuursch en zou wel goed voldoen. + +Bij Diepelink werd bedenkelijk het hoofd geschud: den heelen dag +bedden maken, water dragen, trappen loopen--; maar Sprotje wou van +geen bezwaren hooren. Honderdtwintig gulden ging ze verdienen, en dan +nog de fooien, die in het zomerseizoen het meest opleverden!.... Zij +kocht zich de drie grijze linnen japonnen, die vereischt werden, de +mutsjes en de zes blauw-en-witte linnen schorten met strooken over +de schouders. + +En met denzelfden strakken wil, waarmede zij eens, als kind, in haar +diensten het werk boven haar krachten had volbracht, volbracht zij +nu de slopende taak van meid te zijn voor twintig vreemden. + +Sprotje's diepste leven, in die dagen, ging met een hevige hebzucht +uit naar alles wat haar aanstaande huisje betrof. Daarvoor werkte +zij, daarvoor spaarde zij. Zij spaarde met hartstocht. Elke aankoop +was weken te voren met duizend overleggingen beraamd; de daad van 't +koopen zelf was een daad van vervoering; eenmaal den koop gesloten, +dan kon zij avonden lang den slaap niet vatten van de buitensporige +vreugde, van angsten ook wel over prijs en hoedanigheid. + +Soms verdriette het haar, dat Hein voor dat alles zooveel koeler +bleef dan zij; soms ook was haar de zelfzuchtig alleen gesmaakte +blijdschap een nog dieper genot. Zij kocht achtereenvolgens twee +blauwe bloempotten met een vlucht roode vogels errond, twee wollen +dekens, een hanglamp, een wekkerklok, en een rieten tafeltje met een +porceleinen bord erin. + +Zij draafde van den morgen tot den avond door de kamers en langs +de groote bovengangen van het hotel; zij sleepte met de matrassen, +klopte de zware, gewatteerde dekens uit, sjouwde met de kitten water +om de lampetkannen te vullen; zij boende de vloeren, lapte de ramen +en de spiegels en de marmerplaten der waschtafels, hield de privaten +schoon .... bij elk tringeltje op het portaal, haastte zij zich naar +het zwarte wijsbord, haastte zich naar de kamer, waar gebeld was, +haastte zich naar het sousterrain, om 't warme water te halen, dat +men verzocht, om kleedingstukken uit te borstelen; zoo'n ganschen +ochtend stond dat niet stil. + +Zij werkte, werkte, nooit nalatig en schijnbaar nooit vermoeid; zij +wou werken, zij wou geld verdienen, en als er iemand wegging, dan, +met haar pijnlijk bleeke gezicht en haar gulzige oogen, als bedelend, +wachtte zij op de gangen, aan de trap .... sommigen gaven haar daar +meer om, anderen minder. Toch, op het einde der drie maanden, had +zij bijna vijfentwintig gulden extra gemaakt; maar tevens moest zij +den nieuwen post opgeven. + +De eigenaar van het hotel was beducht, dat haar te ziekelijk uitzicht +de gasten onaangenaam zou zijn; en zijzelf voelde het ook, er waren +stoornissen in haar gezondheid, waarover zij met niemand dorst te +spreken; zij was vaak koortsig van overspanning, ze kon het niet +bolwerken. + +Toen trof men een schikking, en, als de jaren daarvoor, daalde zij +weer af naar de bijkeuken aan de binnenplaats en wiesch er de vaten +als altijd. + +Haar drie linnen japonnen en haar blauw-en-witte schorten met de +strooken op de schouders, vouwde zij in couranten en sloot ze weg in +de schuif der ladekast, waar ook haar trouwjapon lag .... + +Toen zij weer voor haar aanrechten stond, leek het haar of ze in een +eigen thuis was teruggekeerd, en of het nu wel altijd zoo blijven +moest. + +Iedereen in het hotel had zij zien komen en gaan, alle kellners, de +kamermeisjes, den stalknecht; 't was de tweede kok, voor wien zij nu +soms de sausen mocht roeren; zij voelde zich daar rechten hebben en +zij wist er zich gewaardeerd. + +Dien zomer, dat zij kamermeisje was,--'t zou de laatste zijn van haar +verkeering,--kreeg Marie driemaal een geheelen Zondag vrij. Deze +Zondagen gingen Hein en zij samen naar buiten, maar het waren hun +gelukkigste uitgangen niet. Sprotje wist met zoo een langen dag langs +de wegen weinig raad, omdat het wandelen haar te gauw vermoeide en +de straffe lucht haar hoofdpijn gaf; aan Hein was het zitten in een +weiland-bocht, het liggen kijken naar de graspluimen in de wijde lucht, +en naar de wilde bloemen, of het zoeken van een klaverblad-van-vieren +al evenmin besteed. Zij belandden meest in een uitspanning, waar +Sprotje, toch al wat huiverig voor de lange eenzaamheden, enkel een +glaasje limonade dorst te drinken. Zij voelde zich zoo zwaar in haar +beenen, haar hoofd klopte en zij had wel willen gaan huilen .... + +"Wat is er?" vroeg Hein dan. + +"Och," schokte zij kribbig terug, "'k ben moe." + +"Je most dat werken op die kamers er aan geven," had Hein haar op de +tweede wandeling geraden, omdat zij er telkens slechter ging uitzien. + +"Nee," beet Sprotje bot terug, "'k wil 't." + +"Laten we dan niet meer loopen," stelde Hein goedig voor. + +En dat had hij toen zelf ook het prettigst gevonden: in een warmen +zandkuil den middag te verslapen.... Maar het meisje, rechtop en +doodmoe, dorst de oogen niet te luiken, in een vage, vreemde vrees, +die haar nog het meest vermoeide van alles. + +En aan den laatsten dier uitgangen had zij lang een martelende +gedachtenis behouden. + +Zij waren, op den thuisweg, een verlaten stuk heigrond overgestoken, +en Hein had daar zoo ruw en verwilderd met haar gedaan, dat zij, +bang en heftig-gekwetst, hard met haar handen zijn gezicht van zich +weg had geduwd. De verdere dag was er geheel door vergald geweest, +en nog vele dagen daarna kon Sprotje Heins schrille, heete oogen, +in dat oogenblik, niet van zich afzetten. + +Zij waren het gelukkigst op hun stille wandeltjes de singels langs, als +zij spraken over hun toekomstig huisje en elkaar zoo maar zoetjesweg al +de luttele wederwaardigheden van den afgeloopen dag vertelden,--of op +de koffie-avonden bij Diepelink en in Heins kosthuis, waar de menschen, +sinds hij Marie eens meebracht, veel aardiger voor hem waren geworden, +en telkens vroegen of zij niet nog eens kwámen met hun beiden. Heins +moeder bezochten zij slechts drie of viermaal, en heel kort; die +maakte telkens hatelijke toespelingen op Marie's zwakke gezondheid, +en Hein wou maar liever niet over die bezwaarlijke dingen denken. + +En toen, plotseling, een maand of wat later, kreeg Hein het opslag, +waarover altijd gesproken was. Hij werd eerste werkman. Ze zouden +gaan trouwen. Dat was een overrompeling! + +Sprotje leefde als in de begin-weken van haar verkeering: 't was +alles een droom, en haar gevoelens kon zij beheerschen noch overzien. + +Angstig en toch schril-blij ging zij haar dienst opzeggen. Zij hield +nog meer van Hein dan zij ooit gedaan had, en zij sidderde voor het +komende, dat als een dreiging leek. + +In September was zij de bruid. + +In zulk een roezigheid van gedachten en verwarde instincten ging zij +de dagen door, dat zij tweemaal in één week iets brak, wat nog nimmer +gebeurd was. + +En een vaste, klare vreugde daagde pas in haar aan, toen zij, drie +weken voor de bruiloft, met Hein een huisje was gaan huren .... 't Was +een huisje aan de Zijdveldsche Dwarsstraat, bijna buiten, een huisje, +zooals zij het zich maar had kunnen verlangen, sinds kort gebouwd, +nog netjes in de verf, en het had een plaatsje met een achterhekje +op graslanden. Alles had haar daar heerlijk geleken, het nieuwe en +zindelijke, het lichte bloembehangsel in het kamertje, de blauw-grijze +verf op de keukenwanden, en niet het minst het achteruit, dat was als +bij hun oude huis aan het Dijkje, wat beperkter alleen, maar even vrij +en even frisch; je zag op een weigrondje tusschen boomen, een voetpad +liep dwars daar doorheen naar ommuurde erven van andere huizen, en +links, in de verte, zilverde de rivier, waar Heins oliemolen was .... + +Na enkele dagen nog trokken de bewoners het huisje uit; van toen af +sjouwde Sprotje iederen avond van haar dienst naar de Zijdveldsche +Dwarsstraat, om er met Hein alles op stel te maken. Zij werkte als een +uitzinnige; met haar hevigen wil dreef zij iedereen mee haar te helpen, +te komen kijken, Ant, Tante Bartje, Moeder Diepelink. Zij leefde +geheel op haar zenuwen. En een week voor de bruiloft was alles gereed. + +Als Sprotje onder haar werken in "de Cannegieter," of des nachts, +als zij wakker werd, aan dat huisje dacht, dan was er een toomelooze +vreugde in haar hart, een verlangen zoo dwaas en zoo heerlijk, als +zij nog nooit had gevoeld. Het was een vreugde, die niet sleet, die +in geen maanden nog slijten zou. Als het kostbaarste wat zij bezat, +droeg zij den huissleutel in haar zakdoek gewikkeld bij zich. 's +Nachts lag hij onder haar hoofdkussen. + +Het was er keurig, in dat huisje aan de Zijdveldsche Dwarsstraat. + +In de keuken had Sprotje voor alles haar gerei en gemak, zooals +het maar behoorde! Zij had haar lucifersbakje op den rand van den +schoorsteen staan, en boven den gootsteen haar zeepkommetje van wit +email; zij had haar rekje voor de potlepels en haar rekje voor de +keukendoeken, haar Keulsche potje voor het zout, haar bussen en busjes +voor koffie en peper en kaneel, haar twee houten aardappelbakken, +haar groentemanden en haar teilen en teiltjes voor elk gebruik; +achter de deur hing de krakend-nieuwe mattenklopper. + +Op alle planken van de kast lagen blauwe papieren, die zij sinds +maanden reeds uit de afgedankte van het hotel had bijeengezocht. Haar +keukengordijntjes waren van witte vitrage, op haar tafel lag een +blauw-en-wit geblokt zeildoek, als in de keuken van de Veerbrug. Er +waren twee koperen knoppen aan het rijkelijk fornuis, en al haar pannen +waren van blauw glazuur. Dat alles had zij van Heins geld bekostigd! + +En dan het kamertje! Daar stond Sprotje's ladekast bij het raam, +als eertijds in haar moeders huis .... daar stonden haar zes trijpen +stoelen en de bloempotten, en in den hoek het tafeltje met het +porceleinen bord. De wekkerklok blonk er op den schoorsteen. Hein +had hier een mooie ronde tafel gekocht, in de kleur van de ladekast; +van Sien hingen er, weerszij het spiegeltje, twee prachtige, gekleurde +platen in gouden lijst. De Diepelinks hadden samen een rieten leunstoel +gegeven en Ant een best koffieservies op een zwart gelakt blad. + +Boven, naast den zolder, was het slaapkamertje, met een hoog kapvenster +en twee kasten in den muur. Daarin lagen de lakens en sloopen en +het lijfgoed geschikt, alles van geel katoen, dat Sprotje zelf bij +Diepelink op de haag had wit gebleekt. + +En iedere maal, dat zij, die dagen, nog in de Zijdveldsche Dwarsstraat +kwam, bracht zij iets mee, een matje voor de zoldertrap, een aschbakje +op den kamer-schoorsteen, iets dat zij zich bezonnen had nog te +ontbreken, en dat zij van haar laatste spaargeld dan kocht. Zij +zette het er neer met een vrome bedachtzaamheid, alleen in het stille +huisje, zooals een Roomsch vrouwtje een bloempotje zetten zou voor +een zij-altaar van haar kerk.... + +Als Sprotje goed zich erin dacht, dat zij daar binnen enkele dagen en +voor altijd nu wonen zou, zij de "juffrouw," de bezitster van al dat +heerlijke, dat kostbare, dan kon zij zoo heftig en uitgelaten plots +haar arm om Heins hals slaan en haar hoofd tegen hem aandrukken, +dat het den jongen gansch week en warm om het hart werd. Hij vond, +dat Marie hoe langer hoe gekker op hem werd, nu het maar naar 't +trouwen liep .... "Zoo ging dat nou met de meissies," had hij in z'n +goedigen kop uitgemaakt, en hij was gelukkiger, dan hij ooit gedacht +had nog te zullen worden. + +Alleen, met een plotselingen schrik, meende hij wel telkens te zien, +dat Marie nòg bleeker en nòg magerder begon te worden, dan zij vroeger +al geweest was; maar iedereen zei lachend, dat het door de verliefdheid +kwam, en dat zij maar eerst eens getrouwd moesten wezen .... + +En toen, tegen het eind van September, op een zachten en stralenden +herfstdag, had de bruiloft plaats. In een vigelante reed het paar +bij Diepelink weg; zoo had Sprotje dat bepaaldelijk gewild. Zij had +haar nog altijd gloednieuwe zwarte japon aan, met het pas gemaakte +wit kanten vest er in; ook Hein stak in een zwart pak; hij droeg +de prachtige geelzijden das, die hij van Marie had gekregen, en hij +had een zwarten deukhoed op. Grootmoeder Diepelink keek hen na in de +deur. Moeder Diepelink was met Ant en den oom uit het Kerspel vooruit +gegaan, en Heins moeder zou ook op het stadhuis zijn. Tante Bartje, +wat ziekig, was op haar hofje. + +Eerst toen zij weer bij Diepelink terug waren, om daar met de getuigen +een glaasje te drinken, kwam Sprotje wat tot zich zelf. Op het +stadhuis en in de kerk, als verdoofd en verblind, had zij nauwelijks +geleefd. Zij had alleen maar gedacht: nou is Hein mijn man,--een al +door malende gedachte, of zij ijlde. + +En 's middags om drie uur was het feest in de linnenkamer van "de +Cannegieter:" het geschenk van haar "volk" bij het trouwen. Den +vorigen avond had Sprotje zelf er de tafel voor gedekt. + +Hein en zij zaten midden voor het groote, ovale blad, Ant naast Hein +en moeder Diepelink naast de bruid. Aan den overkant zaten grootmoeder +Diepelink, oom Tinus en de moeder van Hein. + +Die voelde zich niet erg op haar gemak bij dit gezelschap. Zij was +anders niet gauw om een antwoord verlegen, maar nu, in haar gesleten +bruin Zondagsche jak en met haar zwarte wollen kaper, wist ze zich al +te zeer de mindere van de twee zware, deftige bakers, wier welgedane +gelaten, omglansd door de hagelwitte neepjes-mutsen en het witzijden +lint dat daarrond gaat, met meerderheid glimlachten en nauwelijks op +haar letten. + +Sprotjes oom zei evenmin heel veel. Een oolijk buitenmannetje, +met hard-roode geschoren kaken en wollig haar in zijn hals, zijn +zwart-lakensche pet vast op z'n hoofd, zat hij maar leep te luisteren, +en als moeder Diepelink wat ondeugends plaatste over de jonggetrouwden, +gaf hij haar stiekem een knipoogje en zei: "Nèt .... juust ....dà segge +'k ok."-- + +Ant, die 't erg warm had in haar donkerroode jurk, was zeer luidruchtig +en praatte veel en hard tot grootmoeder Diepelink. + +'t Was overigens zoo maar een kalm-genoegelijke bruiloft. + +Sprotje was wel wat stil en wat bleek, maar "dat eurde zoo bie de +bruud'n," zei oom Tinus met een slim lonkje naar Hein. + +En iedereen liet zich het eten best smaken. Hein niet het minst. Die +zat daar dik en stevig, als een blakende bruigom in het midden; zijn +blauwe oogen zonder veel wimper staken sterk in zijn rooden kop; zijn +koonen blonken, en zijn stijf-scheef kuifje leek van zilver in het +late zonlicht, dat over zijn hoofd naar binnen viel. Zijn ruwe mond +was lacherig tegen iedereen, en toen Sprotje hem daar zoo barstend +rood zag zitten, moest zij plotseling denken aan een avond, lang, +lang geleden, dat zij daarover iets heel zots en vies' had gezegd +.... zij bloosde van schaamte, of iedereen aan tafel het wist .... + +Toen de soep was verorberd, een deugdelijke groentesoep met doppertjes +en stukjes wortel en bloemkool erin, zoo'n soep, waar moeder Diepelink +"haar ziel en zaligheid voor verkoopen zou," toen kwam er iets fijns +voor het fijne tongetje van de grootmoeder--Sprotje had zelf het +menu mogen vaststellen, en zij had dat, met veel overleg, naar ieders +bizonderen smaak gedaan. "Een deftige schotel," had zij zoo maar in +'t vage aan den kok besteld, en de kok, die Marie goed gezind was, +had zijn best gedaan. Dat was een schaal vol saus met balletjes en +stukjes vleesch en bruine brokjes, die niemand thuis kon brengen; +maar de grootmoeder wou dit niet weten, praatte er over heen en noemde +vier vijf klinkende namen, waar zij dat vroeger iederen middag gegeten +had! Zij proefde met een zaakkundig gezicht. Er leken ook schijfjes +augurk in te drijven, en oom Tinus zocht die eruit te pikken, de +rest liet hij staan. Ant en Heins moeder trokken al eveneens vieze +gezichten; en deze, toen zij weer zoo'n bruin, vuns brokje in den +mond kreeg, sputterde het terug op haar bord, en schoot eensklaps met +haar voos-heesche stem uit den hoek: "Vos, je sel mijn nie fange dat +dà fleesch is!" + +"Z' 'ebbe mien gesteren mien kàtte geskoot'n," zei oom Tinus langs +zijn neus weg. + +Als ze tot den biefstuk met gebakken aardappelen waren gevorderd--voor +Hein en Ant gevraagd!--kwam de hotelhouder binnen, met Mevrouw, +om het jonge paar geluk te wenschen. + +Vrouw Diepelink was dadelijk zeer gemeenzaam en Mevrouw deed ook lief +en vertrouwelijk met háár:--of ze er nog veel op uit was geweest, den +laatsten tijd?--"Och, menschlief," zei de baker, uit de hoogte, "'k ken +het niet bijhouwen; 't begin van 't jaar he'k twee teleurstellingen +gehad, bij mevrouw Petein en bij mevrouw Sitters .... maar nou ben +'k net van de week bij beron Boetselaar weg .... och, zoo'n lekker +jochie was dat daar, hé? .... 'k ben der negen weken geweest, en nou +te kommende week mot 'k naar notaris van Brakel.... En Sephietje hier, +is die al van de flesch?" + +Sprotje was niet weinig verguld met al die hoogheid van moeder +Diepelink, en ze was volstrekt niet verlegen, toen de hotelhouder +en Mevrouw haar en Hein de hand schudden en feliciteerden, voor ze +weer heengingen. + +Heins moeder echter, die niet dan terloops was gegroet, en die +verscheidene glazen wijn had gedronken, scheen erg uit haar humeur +geraakt; en er kwam even een heel pijnlijk oogenblik, toen zij, +boosaardig, over tafel aan Sprotje vroeg: + +"En je suster uit Amersfoort, most die niet bij de bruiloft weze?" + +Sprotje ontstelde; maar moeder Diepelink keek het oude mensch zoo +fel-verontwaardigd aan, dat die verder haar mond hield. Oom Tinus +kuchte en zag steelswijs eens naar Hein. + +Hein had niets gehoord. Hein zat te smullen aan den biefstuk, een +biefstuk rood als bloed van binnen en van buiten als koffie zoo +bruin! de lillende, dampende lappen bracht hij zoo aan de punt van +zijn mes in den mond en hij smakte van geweld. + +Toen tikte grootmoeder Diepelink, die veel feesten had bijgewoond, +aan haar glas, en met een plotseling luid-uitgezette stem toostte +zij in veel bloemrijke woorden van de huwlijksboot en rozenslingers, +die geen banden waren .... + +Daarna werd er uitvoerig geklonken. + +Maar Sprotje, door de mooie, feestelijke woorden van de grootmoeder, +en door den wijn, was in een stil-gloriënde stemming geraakt. Haar +wangen gloeiden en haar oogen waren heet en licht. Zij voelde zich +verheerlijkt, of zij in een geheel ander leven was gestegen; en toen +zij daarop Hein aanzag, keek die ook juist zoo warm en week naar haar, +dat het haar wonderzoel te moede werd .... Zij begreep niet hoe ze +ooit zoo tegen het trouwen-zelf had opgezien en ze verlangde met Hein +in hun huisje te wezen. + +Een poosje wachtten zij; toen kwam de jongste kellner met de pudding +aangehaast--druk dat het dien middag was in 't café .... ze wisten +niet hoe alles af te loopen ....!--; vlug zette hij de borden rond, +vroeg aan Ant of die even de lepels wou bijleggen. + +Het was de chocoladepudding met vanille-saus, Sprotjes eigen +lievelings-gerecht; een pudding zoo luchtig en zacht als bruine room, +en de vla weelderig-zoet daarover, als een vloeiend geel fluweel. In +een groote verteedering zat Sprotje neêr en proefde stil de smeltende +likjes. + +En tegen het einde van den maaltijd, juist toen het gaslicht aanging, +kwamen de twee kamermeisjes en de kok zelf binnen, om de bruidsuikers +te helpen opeten. En die brachten opeens de rumoerigheid mee! De eene +kamermeid hield een voordracht, en de kok zong liedjes .... Sprotje +keek haar oogen uit, maar het behaagde haar weinig. De eigenlijke +bruiloft was al gauw op den achtergrond, en die drie hadden het +hoogste woord .... + + + +De eerste paar maanden van Sprotje's huwelijk waren voor haar van +een groote gelukkigheid. + +Zij voelde zich wel vaak heel moe en niet sterk, maar ze had weinig +te doen; in het keurige huisje, dat zij met hun tweeën nauwlijks +stoffig maakten, viel bijna niet te werken, hun kleeren waren nieuw, +en in de keuken van "de Cannegieter" had zij, de jaren door, aardig +wat bedrevenheid gekregen in het bereiden van het middagmaal. + +Zij was in haar eigen huis, zij deed zooveel zij kon en wou, en op +de tijden, dat het haar goed dacht. Het was dat vrij-zijn vooral, +dat dag aan dag, en uur aan uur, haar een heerlijkheid bleef van +ongekenden aard. + +Zij ging vaak alle meubelstukken en kleine voorwerpen in haar huisje +rond, betastte ze, wreef ze af met haar schort, bekeek ze in het +licht; zij opende haar kasten en laden, ontvouwde, telde, taxeerde +haar goed. Zij vond zich rijk. Zij verlangde niets meer. + +Zij zag er altijd kraakhelder uit, in haar grijslinnen japon en de +blauw-en-wit gestreepte schort met de strooken op den schouder. De +menschen in de buurt noemden haar Júffrouw van der Kamp. + +Zij kookte lekker voor Hein, veel beter dan hij 't ooit in zijn +kosthuizen was gewend geweest, en zij gaf toch weinig uit. Wel merkte +zij al gauw dat er, van negen gulden in de week, niet kon worden +opgedischt als aan de maaltijden in "de Cannegieter," doch dat vond +ze ook best .... ze at toch altoos genoeg .... en wat ze at was haar +eigen bestel. Iederen namiddag, met haar blinkend nieuwe boodschapmand +onder den arm, haar portemonneetje en haar huissleutel in de mand, +ging zij zelf inkoopen doen; soms kuierde zij nog een eindje naar +den oliemolen op .... + +Hein vond, dat hij een "knap wijfje" had. In zijn wat lompere +gëaardheid moest hij wel, goedig, lachen, als zij zoo preciesjes haar +koffieblaadje schikte, met een doekje onder de melkkan en weer een +kleedje onder het blad, of als zij de boter in een vlootje deed en +met den achterkant van een lepel daar figuurtjes over trok, zooals +zij dat in het hotel had zien doen; dat leek hem wel teuterig, maar +het vleide hem toch. + +Vooral de avonden vond hij heerlijk, als hij, na de boterham, de pet +achter op zijn hoofd en de ellebogen op tafel, onder de lamp zijn +krantje zat te lezen, en Marie hem nog een lekker kommetje schonk. + +En Sprotje genoot; met haar knieën opgetrokken, haar voeten op +de stoof, zat zij te breien naast het koffieblad, waar, onder de +wit-steenen kan, het oliepitje pinkte. Zij dacht aan de avonden bij +juffrouw Jonkers, als die nog een kopje warm hield voor meester. En +nu zat daar Hein aan den overkant, aan hun eigen tafel, zijn goeie +kop onder hun eigen lamp, kalm en tevreden, omdat hij 't zoo goed +bij haar had! Soms keek hij op van zijn krant, vertelde er wat uit, +schaamachtig rood en de oogen naakt van trouw. + +'s Zondags schemerden zij in de voorkamer, bij het flauwe schijnsel +der lantaren, die enkele huizen verder stond; het koffielichtje pinkte +tusschen Ant's beste servies. + +Hein luierde in den rieten stoel en Sprotje schoof haar trijpstoel +naast hem en leunde met haar hoofd op zijn schouder. Zijn ruwe hand +nam dan soms de hare en zij droomde zich terug in de zachte avonden, +dat zij zoo zaten samen op een bank in 't plantsoen. + +"Zit je zoo goed?" hoorde zij in haar gedachten Hein weer zeggen +.... Vreemd, zij bezat hem nu geheel, en zij voelde zich zoo dankbaar, +en toch was het haar of zij iets verloren had. Zij voelde zich droevig +en gelukkig tegelijk, de tranen kwamen haar in de oogen, en zij kuste +hem op zijn blozende kaak. + +Het eenige, wat Marie in haar stille huishouden te zwaar viel, +dat was het doen van de groote wasch. Maar zij wou dat niet aan +Hein bekennen. Heimelijk gaf zij de omvangrijke stukken buitenshuis; +later moest zij knoeien met de betaling .... herhaalde malen knoeide +zij,--tot Hein de ongeregeldheden merkte. Zoo ontstond hun eerste +ongenoegen; en omdat Hein driftig was, verliep dat onmiddellijk in een +ruzie met vloeken en veel geraas. Marie huilde, of zij nooit weer een +gelukkig oogenblik zou kunnen beleven. Maar Hein had al gauw berouw, +en zonder dat Marie een verklaring had gegeven van het ontbrekende +geld, werd de oneenigheid bijgelegd. + +Een andere keer wist zij de geldrekening verwikkelder te maken; +Hein verloor er zijn kop bij, werd wel boos, maar kon met goed recht +niets zeggen, en Sprotje, in een verongelijkte vriendelijkheid, +kreeg haar zin. + +Overigens zorgde zij best voor Hein; geen werkman van den molen kwam +in zoo netjes onderhouden kleeren op karwei als hij; altoos was zijn +eten op tijd klaar en altoos lekker .... zijzelf, ondanks de schralere +kost, werd gezonder van uitzicht dan in de maanden vóór haar trouwen; +'t scheen wel, of zij de overspanning van haar laatsten zomer in +"de Cannegieter" heelemaal zou te boven komen .... + +"Zagen zij 't wel?" zei grootmoeder Diepelink, "en hád zij 't niet +voorspeld?" + +Toen, na drie maanden, begon Marie plots te sukkelen. Zij viel +verscheidene keeren flauw en kon geen eten meer zien. + +Eenige weken later begreep zij, met het al maar rekken der dagen, +dat zij zwanger was. + +Een over-teere, bijna bedwelmende verwondering ontsproot in haar +hart. Maar de meeste dagen, dien eersten tijd, was zij zóó ziek, +dat alle zoete vreugd haar verging. + +'t Was in het midden van den winter dan. Sprotje leed aan een +verkleumdheid of ze geen bloed meer had .... daar was geen warm worden +aan, en dat gevoel van innerlijke verijzing was haar nog ondraaglijker +dan elk ander kwalijk-bevinden, dat haar nieuwe staat meebracht. + +Alle zorgen voor haar huisje waren haar al spoedig te veel; het was er +zoo netjes en zoo vriendelijk niet meer .... Hein zelfs merkte dat op, +doch hij maakte nooit een verwijt. + +Hij was zoo inschikkelijk en zorgzaam, als Sprotje niet gedacht had, +dat hem mogelijk zou zijn; hij nam haar uit de hand wat hij kon, +beurde de zware dingen, pompte de emmers water 's morgens, kreeg +boven uit de kasten, wat zij hebben moest .... + +--Negen maanden .... 't was wel lang, troostte hij haar en zichzelf, +maar als er een paar om waren, werd ze wel weer gezonder .... zoo +hadden alle vrouwen dat .... en na 't eerste kind werden ze altijd +sterker .... + +Hij was gelukkig en trotsch, dat hem een kind zou geboren worden. + +Maar met de weken, die verliepen, werd Marie niet beter. + +Haar gezichtje was oud van trekken geworden en door zijn nietigheid +heel kinderlijk tegelijk; heur haar was krachteloos en zoo vaal +van kleur, dat het grijzig leek, en haar oogen hadden de vragende +smartelijkheid van een dier, dat lijdt, en niet begrijpt wat en waarom. + +Soms, op zon-warme middagen, als ze alleen thuis was en lang had +gerust, voelde zij zich wel beter; dan waren haar gedachten innig en +zacht-opgetogen, en van een hoopvolle gelukkigheid over het groote, +dat haar te gebeuren stond. + +Doch met de vijfde maand was zij zóó zwak geworden, dat er een dokter +diende geraadpleegd. Het was niet dezelfde dokter, die haar vroeger +wel behandeld had; 't was een jong hospitaalarts, maar zeer zorgzaam +ook en begrijpelijk. Hij vroeg haar van allerlei uit haar leven, +van haar kindsheid af; hij scheen haar welgezind te wezen, schreef +medicijnen voor en versterkende middelen, die zij krijgen kon uit +een fonds voor onbemiddelde kraamvrouwen en aanstaande moeders. + +En de eerste weken kwam Sprotje aardig wat bijgeleefd; met nieuwen +moed begon zij aan de kleertjes voor het luiermandje te werken; +Hein herademde. + +Doch toen in de zesde en zevende maand de lasten der zwangerschap +grooter werden, zakte zij weer in. + +De dokter deed moedeloos; wat hij voorschreef, verdroeg zij niet +langer, en voor eieren en melk had zij een weerzin, die niet te +overwinnen was. Hij beval rust aan, rust....--Ze moest wel zeer +ontzien worden, zei hij, afzonderlijk, tegen Hein. + +Nu de eerste, groote beproeving voor dit schamele lichaam aanbrak, +nu bleek het daartegen niet bestand. + +Het begon vreemd spaak te loopen in het keurige huisje aan de +Zijdveldsche Dwarsstraat. Ant, veel minder in zichzelf gekeerd, dan +zij de laatste jaren wel geweest was, kwam meest 's avonds een handje +helpen; 's morgens verscheen vaak grootmoeder Diepelink, erg jichtig +weer en daarom slecht geluimd, maar vol goede bedoelingen toch, en +zij hielp altijd wat uit den weg; zij had ook, uit oude vriendschap, +beloofd, het kind te zullen bakeren, als 't zoover was. Het meeste +wil nog had Sprotje in die dagen van Heins laatste kostvrouw, die +een straat verder woonde, een trouwhartige ziel, die deed wat ze kon, +en meer. + +Zoo sukkelden zij de weken door. + +In het gemoedsleven van Sprotje was een vreemd iets gekomen, waar zij +nooit over sprak. Zij had vaak gehoord van den wonderlijken hang bij +zwangere vrouwen naar een bepaalde lekkernij of naar een bepaalden +drank. Haarzelf was niets dergelijks wedervaren. Maar onafwendbaar en +onontkomelijk, zoodra zij maar even met haar gedachten alleen bleef, +was er, langen tijd, in haar het schreiende en tegelijk zoete verlangen +naar juffrouw Jonkers en naar het kleine Wilmpje. + +Zij gaf er zich wel rekenschap van, dat klein Wilmpje nu een jongen +moest zijn, dien zij niet eens meer kennen zou, dat juffrouw Jonkers +haar al lang vergeten was, en ook niet de juffrouw Jonkers van voor +acht jaar geleden meer kon wezen,--het verlangen bezat haar als een +ziekte en geen redeneering van haar ijl-zwakke hoofd was daartegen +bestand. + +Eens had zij aan Hein gevraagd, of het kind, als het in leven bleef, +Wilmpje mocht heeten.... 't Ging voor een jongen en voor een meisje +.... Meisjes heetten ook vaak Wim of Wilmpje ...., had zij in een +hartstochtelijken drang eraan toegevoegd. Hein, die de verhalen van +bij Jonkers wat vergeten was, begreep niets van de voorliefde voor +dien naam; hij vroeg, dorst niet aandringen, beloofde vaag. Het +dwaas-felle van haar toon had hem hevig verontrust. + +Sprotje zelf, in bezonkener oogenblikken, maakte zich over die vreemde +aanvechtingen wel bezorgd. Op een morgen ondervroeg zij, zijdelings, +grootmoeder Diepelink. + +"Snoepen, en lekker eten alleen? .... wel nee, ziel ...." vertelde +die dadelijk in een rijk relaas uit haar jarenlange ondervindingen; +"je ken het zoo mal niet bedenken, of vrouwen in positie halen het uit; +.... 'k heb er een gekend, die altoos rauwe koffieboonen at .... een +ander wou met geweld een kanarievogel in huis hebben .... een ander +liep iederen dag naar de guldensbazar--dat was een rijke Mevrouw in +Rotterdam--en kocht daar de raarste dingen .... 'k heb er ook een +gekend, die niet ophield, of ze most een horloge hebben, en 'r man +verdiende nog geen zeven gulden in de week ...." + +Sindsdien streed Sprotje niet langer tegen haar zonderlinge begeerten, +doch zij gaf er zich met een groote zorgeloosheid aan over, en vele +middagen verliepen in een vreemd-bewogene en zoet-kwellende mijmerij. + +In de zevende maand werden Sprotje's lasten zeer groot. Haar eigen +lichaam was afgeteerd tot vel over knokels, maar het nieuwe leven in +haar groeide met een angstige voorspoedigheid. Als zij zich bewoog +door huis, zeeg haar magere gezicht met den smartelijken mond en de +vragend starende oogen, schuin voorover op den dunnen, uitgegroefden +hals; haar smalle borst, tusschen de puntig vooruitkomende schouders, +was als weggevreten, zoo nietig en schraal, maar daaronder, geweldig, +bijna afzichtelijk, bolde het wreede, zware lijf. + +Zij moest nu telkens, vooral als zij lang stil zat, met een +plotselingen schok, of iets haar kwetseerde, de hand in de rechterzij +drukken. En zij dacht dan aan Sien, hoe die voor haar moeders bed +had gezeten; zij zag zoo klaar en ijl, of 't in een droom was, Siens +gelaat en houding. Zij merkte vaak met verwondering, dat zij verlangde +naar Sien .... en naar 'r kinderen. + +Het eerste kind was, een jaar oud, gestorven. Zij hadden er nu twee +andere, gezonde, flinke jongens scheen het, een van drie jaar en een +van veertien maanden. Sprotje had geen van beiden gezien. + +Ook aan Ant was zij zeer gehecht in dien tijd. Ant leek zooveel op +moeder. Ieder jaar méér, had die datzelfde uiterlijk gekregen, dezelfde +hoogroode koonen in het wat hoekige gezicht, en dezelfde lange, vale +wangstukken langs de ooren, onder de groote slapen; dat gezicht, dat +geen leeftijd had, altijd bloosde en toch ongezond zag. Maar Ant's +oogen waren niet als moeders donker-stille, vlak-afgetrokken oogen; +die zagen duister-brandend, als aangegloeid door een begeerte of een +wroeging, die niemand kende. + +'t Was in Ant 'r spreken vooral, dat Sprotje haar moeder terug +vond. Met denzelfden goedig-verbaasden spot kon zij een "rare sijs!" of +"malle piet!" van iemand zeggen, en met dezelfde, wat klaaglijke +verongelijktheid een: "Wel-god-nog-en-toe," als zij iets hoorde, +dat haar niet aanstond. + +Sinds haar verkeering met Busselaar was afgesprongen, had zij zich in +een taaie nauwgezetheid op haar werk toegelegd. Zij hoorde al gauw +bij de ploeg meiden, die tot het hoogste loon waren opgeklommen, +en onder het fabrieksvolk werd gezegd, dat Ant Plas nog wel 'ns +opzichteres van haar afdeeling zou worden. + +In die weken toonde zij een nog grootere werkkracht en een nog grootere +gewilligheid vooral, dan in de dagen van haar moeders ziek-zijn, +toen zij het kleine huishouden aan het Dijkje deed. Iederen dag kwam +zij, tusschen haar fabrieksuren, aan de Zijdveldsche Dwarsstraat, +en al haar avonden sleet zij er insgelijks. Zij deed voor Marie +wat er maar te doen viel. Zij kookte het eten, wiesch de vaten, +verstelde de kousen en de werkkleeren van Hein. Al gauw had zij de +hulpvaardigheden van grootmoeder Diepelink en van Heins vroegere +kostvrouw geheel overbodig gemaakt. + +En Hein, onder de zorgen dier gestadige verpleging, begon weer wat +licht in het leven te zien. Hij had soms niet geweten, waar hij het +zoeken moest, toen, na de eerste maanden van krukkeligheid, Marie, +instee van gezonder, maar al zwakker en zieker werd. Die ziekelijkheid +zelf beangstigde hem wel, want hij hield veel van haar, doch hij wilde +toch niet gelooven aan een ernstige dreiging; hij kniesde maar over de +triestigheid om hem heen, hij voelde zich tobberig en verlaten ....: +Marie was zoo stil en zoo verwezen en leefde haars weegs of er niets +anders bestond dan het kind en zij. Hein was ten slotte heelemaal +niet blij meer, dat er een kind komen moest. Hij kon niet tegen +de narigheid. + +Sprotje, als zij hem zoo met z'n goedig-somberen bullekop het huis +uit zag gaan, dacht vaak aan dat oude zeggen van hem, in de dagen toen +zij zoo geworsteld had met het vinden van een dienst. Zij voelde wel, +dat zij nu te kort schoot in zorg voor hem, maar zij kon niet anders; +en zij was Ant dubbel dankbaar, dat die 't weer wat prettig maakte +bij hen thuis. + +Niet altijd twee, drie vreemden over den vloer .... het bed weer +behoorlijk gespreid, en het eten op tijd klaar .... Eigenlijk kwam +Ant's plompere manier van doen en Ant's ruwere wijze van de pot te +schaffen ook nog beter overeen met Heins eigen manieren en Heins +eigen smaak, dan het wat preciese en pietepeuterige, waaraan hij, de +eerste maanden van zijn huwelijk, zich had onderworpen. Hij had zich +altijd wat in moeten houden voor Marie, was, om haar plezier te doen, +trouw voor den eten zijn handen gaan wasschen, en hij at vaak lomp +uit angst op haar heldere servet te knoeien. Bij Ant luisterde dat +allemaal zoo nauw niet; die stond wel altijd met de een of andere +vuile vaatdoek klaar en zei: "daar is 't pompwater goed voor," of +"met een dweil van een dubbeltje kom je ver." + +Sprotje was te ziek, om zich veel van het veranderde huishouden aan +te trekken; zij scheen het niet eenmaal te merken. Zij bracht haar +dagen door, slepende van bed op stoel; met moeite ging zij iederen +mooien middag het hekje van hun achteruit door, op het lapje weiland, +dat daaraan grensde. + +In den uitersten hoek, bij een zwarte schutting, wemelde de zachte +schaduw van een boom uit den tuin daar achter; een stoel en een stoof +hadden Hein of Ant er voor haar heen gebracht. + +Met haar kleine, bleeke hoofd, zoo ijl in het licht, en haar witte, +blauw-beäderde handen naast zich aan de stoelzitting geklemd, zat +zij en koesterde zich in de zon, die door de al dunne boomkruin +kwam gespeeld. + +Haar puilende lichaam scheen wat geslonken deze laatste maand, en +minder afzichtelijk; en als een voorbode van de verlossing reeds, +gevoelde zij minder last. + +Het was September, de maand waarin haar moeder stierf, de maand waarin +zij was getrouwd. + +Er dreef een goudige, vochte teerheid door de lucht; het gras zag +zoo donker-zacht-groen, en aan den hemel kwam een enkele kleine, +bleeke wolk langs gevaren. + +Sprotje staarde voor zich uit, droomde zich weg in het verleden. Zij +zag zich staan aan het hekje van hun oude achteruit, zij zag de wijde +weilanden, waar de touwslager langs zijn deinende draden liep en de +stoomvlokjes zilverden boven de lijn van den verren treindijk. Zij +dacht haar leven na, zij dacht aan haar vader, aan haar moeder;--aan +haar vader, die zoo ongelukkig zijn leven had zien enden; aan haar +moeder, die steenen moest sleepen, toen zij nog maar een kind was, +die later, haar dagen door, zich had afgewerkt voor hen allen, tot +zij er hard en bits van was geworden. Zij dacht aan dat alles, en +zij dacht aan de weinige, lange jaren van haar eigen leven .... Een +algeheele treurigheid overviel haar, en zij peinsde met een groot en +teeder medelij aan het kind, dat uit haar geboren zou moeten worden. + +Lange tijden aaneen kon zij in een vaag en woordenloos maar +smeltend-innig gebed, over dat kind Gods zegen afsmeeken. + +Zij dankte ook wel den Heer, dat hij haar nog de vreugde van haar +eigen huisje en het geluk van Heins trouw gegund had. Doch voor haar +bevalling bad zij zelden. + +"Om en bij den zesden October," had de "juffrouw" gezegd. "Om en +bij den zesden October," zei Sprotje vaak in zichzelf, maar met een +gedachte van afscheid en dood. + +Nu de laatste paar weken van haar zwangerschap waren aangebroken, +was zij er zeker van, dat met het verstrijken van dien tijd ook haar +leven zou geëindigd zijn. + +En sinds die vastheid in haar groeide, was, de uren door, alles wat zij +zeide of dacht van een roerende zorgvuldigheid voor het ongeboren kind, +dat zij voelde leven, en dat zij zeker wist, nooit te zullen zien. + +Haar laatste krachten spande zij in om de kleertjes te schikken en +om klaar te leggen, al wat het eerste noodig zou zijn. Haar witte, +als reeds uitgestorven handen hadden het wiegje voorzien en het +dekje opgeslagen, dat zóó het kindje er in kon neergelegd. In de +kast stond het fleschje fijne, zoete olie, waarmee het de eerste maal +moest afgewasschen worden, en erbij lagen de zachte, linnen lapjes, +om de oogjes en het mondje uit te vegen, en het teere huidje te +drogen. Iederen avond liet zij Ant nog een nieuwe bizonderheid over +de verpleging of de kleertjes vragen aan grootmoeder Diepelink of +aan tante Bartje. + +Zij bepaalde zelf de plaats van het wiegje in de kamer, dat het kindje +geen tocht zou voelen, zij wees het gerei aan, dat bizonderlijk voor +de voeding moest gebruikt worden, zij deed nog een tinnen wiegkruikje +koopen, een doosje talkpoeder en een stukje zachte zeep. Over een +naam sprak zij niet meer. + +Zij zei alles met een zoo klare en verre stem, dat wie haar hoorde, +voelde, dat zij sprak met den dood in het uitzicht. + +Eens zat Hein aan tafel te huilen als een klein kind. + +Er ging in die dagen zulk een liefheid van haar uit, dat het iedereen +een behoefte was, haar iets liefs terug te doen. + +Tante Bartje had nog drie fijne hemdjes genaaid en grootmoeder +Diepelink had zelf wollen sokjes gebreid. Toen moeder Diepelink +juist in dien tijd opnieuw in "de Cannegieter" was gaan bakeren, +kwam vandaar, op een avond, een mooie wollen jurk en een witte kaper. + +Sien had reeds vroeger twee dekentjes voor de wieg gestuurd. + +Vele weken geleden was Sprotje eens een mutsje van witte en roze wol +beginnen te haken; lang was ze te zwak geweest om aan het werk te +vorderen. De laatste dagen, met een koortsigen ijver, was zij opnieuw +daaraan getogen. + +Aan datzelfde, bijna voltooide mutsje werkte zij nog, toen de eerste +pijnen haar overvielen. + +Twee dagen en twee nachten duurde de kamp van het oudere, zwakke +leven, dat het nieuwe moest voortbrengen, en van het nieuwe, sterke, +dat het oude verbrijzelen ging. + +En toen eindelijk, na veel jammer, de strijd was beslecht, toen het +gemartelde moederlichaam plots weggeslonken lag tot de nietigheid +van een kinder-karkasje, toen was daar het nieuwe leven, welvoldragen +en sterk. + +"Een flink kind," zei de vroedvrouw, die den dokter had bijgestaan, +"het aardt naar den vader." + +Op haar laatste, smartelijke verlangen, lei men, zoodra het gewasschen +en gekleed was, het jongetje naast haar op het kussen;--doch zonder +dat ze de kracht meer had het hoofd te wenden en te zien, nog geen +uur na de verlossing, stierf zij. + + + +Het kind werd uitbesteed bij grootmoeder Diepelink. Ant hielp het +verzorgen. + +Hein, alleen in zijn vereenzaamd huis, wist van verdriet en +onwennigheid niet, hoe zijn uren door te komen. + +En op een avond in Maart, dat hij bij Diepelink was geweest, zei Hein +het, met een dompige stem vol goedig schuldgevoel:--Een man met een +huishouden kon niet zonder vrouw.... Als Ant hem wilde.... + +En nog vóór de Mei weer in 't land was, trok Ant met Wilmpje, +die kostelijk was gegroeid, naar het huisje aan de Zijdveldsche +Dwarsstraat. Haar potkachel had ze er den vorigen middag laten brengen. + +En zoo, voor zijn verdere leven, nam Hein de derde nu, Ant, na Sien +en na Marie. + + + + + + + + +End of Project Gutenberg's Sprotje's verder leven, by M. Scharten-Antink + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 44542 *** |
