summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/44542-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '44542-0.txt')
-rw-r--r--44542-0.txt3094
1 files changed, 3094 insertions, 0 deletions
diff --git a/44542-0.txt b/44542-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..c2ef388
--- /dev/null
+++ b/44542-0.txt
@@ -0,0 +1,3094 @@
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 44542 ***
+
+ Nederlandsche Bibliotheek
+ Onder leiding van L Simons
+
+
+ SPROTJE'S VERDER LEVEN
+
+ Vervolg op "Sprotje heeft een dienst,"
+
+
+ Door
+ M. SCHARTEN-ANTINK
+
+
+ Uitgegeven door de Maatschappij voor
+ Goede en Goedkoope Lectuur-Amsterdam
+
+
+
+
+
+
+
+I.
+
+
+De klok in het voorgevel-fronton van het Armen-ziekenhuis had
+juist twee uur geslagen: de tijd, dat dien dag de bezoekers werden
+toegelaten.
+
+Stil, met haar lange, lijdzame gezicht zijwaarts in de kussens,
+lag vrouw Plas, en wachtte.
+
+Het was bijna vier weken geleden, dat zij, na veel zwijgend verduurde
+pijnen bedlegerig geworden, en eindelijk zelfs geen voedsel meer tot
+zich kunnende nemen, naar hier werd overgebracht; 't was maagkanker,
+had ze de dokters hooren zeggen; zij wist, dat ze het niet lang meer
+maken zou, en zij wachtte nu Sien, die met den middagtrein van drieën
+voor haar uit Amersfoort zou overkomen.
+
+Ant, trouw drie maal in de week, als het bezoekuur vroeg was gesteld
+en in haar schafttijd viel, zat dat schaftuur uit aan haar bed;
+Merie mocht Dinsdags en Vrijdags een kwartier vroeger uit haar dienst
+gaan, en ook zij mankeerde nooit. Eens had zij zelfs den Zondagmiddag
+vrijaf weten te krijgen. O! zij waren hartelijk te over voor haar,
+en het was een vreugde, iedere maal, dat zij ze weer komen zag.
+
+En toch, in het voorgevoel nu van den dood, die zoo nabij was, ging
+haar grootste liefde niet uit naar die twee, maar naar de andere
+dochter, naar Sien--Sien, die eens zonder een goedendag bijna bij haar
+uit huis was getrokken, die op den avond van haar trouwen zelfs in
+onmin scheiden kon, en die zij eenmaal slechts terug zag nadien: het
+korte, koele bezoek tot afscheid, twee maanden later, toen plotseling
+het jonge huishouden de stad verliet.
+
+Ant was zoo oppassend en zoo zorgzaam, en Merie, bij haar zwakke
+gezondheid, deed ook zoo braaf haar best in haar moeilijken dienst;
+als in een verklaardheid, thans bij 't einde van haar leven, voelde
+zij dat zooveel duidelijker en afzonderlijker dan vroeger, en zij was
+er zoo dankbaar voor;--maar in de lange, vaag-wakkere nachten zag zij
+Siens appel-frissche gezicht en zij hoorde de dartele, eigenzinnige
+stem, die nooit veel liefs tegen haar gezegd had, en die haar toch
+zoo lief was. Een kwellend verlangen was dan in haar hart, juist naar
+de dochter, die haar het minst meer noodig had, en die haar het minst
+ook missen zou.... Hoe dat zoo wezen kon?
+
+Moeilijk verlegde de zieke het hoofd in de kussens; haar pluizig,
+zwart haar, in enkele maanden grauw geworden aan de slapen, ging
+ver schuil in de strakke, witte ziekenhuis-muts en dat gespannen,
+zuivere wit stond schril rond haar ingevallen, hoorn-gele gezicht,
+waarop, als een schimmig weggewischte teekening, de nu bleek-purperen
+ader-koonen voozig verglommen onder de diepgegroefde oogkassen;
+en de lange, vale zijstukken der wangen hadden vreemde schaduwen,
+alsof reeds de dood daar langs gestreken kwam. Doch haar eigenlijke
+gezicht, haar donkere oogen en haar verweerde mond, zij waren, nu
+voor een oogenblik de pijnen uitgestorven schenen, van een rust,
+die noch het wachten, noch het verlangen te onteffenen vermochten.
+
+Er lagen slechts weinig zieken in de zaal, dien tijd. Twee plaatsen
+weerszij van haar waren onbezet; verderop, in het donkerder gedeelte,
+gonsde een veelstemmig gepraat om het bed van een jonge vrouw, die
+ongesteund rechtop zat midden in haar ledikant. Nog meerdere bezoekers
+kwamen door de groote middendeur binnen en gingen allen naar dien hoek.
+
+Vrouw Plas, moeizaam, verlegde opnieuw het hoofd in de kussens,
+zag naar de andere zijde der zaal, waar de bedden alle stil waren
+of iedereen sliep; rond het laatste hingen de witte gordijnen
+dichtgesloten.
+
+Een zuster, klein en donker, kwam door de lage zijdeur, in het
+zaalverschiet, binnen; geluidloos schreed ze langs de voeteneinden der
+lange rij ijzeren ledikanten en bij elk der drie hooge nis-vensters
+gleed schuin een vleug van gouden Septemberzon over haar blauwe
+sergen kap.
+
+Toen zij dicht bij het bed van vrouw Plas was gekomen, klaagde die
+flauwtjes over het helle licht, dat haar oogen zoo vermoeide. Zonder
+gerucht liet de zuster het rieten rolgordijn zakken en ging verder.
+
+"Wel bedankt," mompelde de zieke nog. Dan, in den vredigen schemer,
+zakten de ijle, blauwig-doorschenen oogleden zachtjes neer over de
+weg-deinende, donkere bollen, en haar gedachten, zonder ontroering
+of beklag, vlotten weg langs de weinige wegen van haar afgelegde leven.
+
+Zij zag zich, kind uit een groot steenbakkersgezin, iederen morgen
+met hen allen trekken naar de steenbakkerij aan de rivier, waar zij
+in guurte en in regen en in brandende zon de steenen droeg van de
+droogschuren naar den oven en van den oven naar de schuit .... Zij
+zag zich, vele jaren later, getrouwd met Plas, een vrouw van welstand
+opeens voor haar doen, maar altijd druk in de weer toch, omdat het
+werken haar in het bloed zat. Dan de geboorten der twee kinderen,
+en, na zeven jaren, plotseling het ongeluk. En toen, de jaren door,
+zij optornend voor 't gezin, en daartusschen, ongewenscht, als een
+overmaat van zorg, de geboorte van 't derde kind, van Merietje .... Zij
+dacht aan haar drie groote dochters nu, aan Sien .. Sien, die straks
+komen zou .... Even toefde ook haar denken bij de twisterige bruiloft,
+waarvan de herinnering haar zoolang een onverteerbaar brok was geweest;
+zij dacht nu daaraan zoo onbewogen en ver af, met een vage verwondering
+alleen, en zij wist, dat alles in haar hart vergeven was en dat er
+geen veete meer bestond.
+
+Toen zij de oogen opsloeg, wachtte bij de groote middendeur de zuster,
+die aan Sien wees, welken kant zij op moest gaan.
+
+Een blijdschap en een schrik tegelijk flitsten door de zieke heen;
+'t was of haar gespannen oogen de jonge vrouw wel naar zich toe
+wilden trekken, zooals die, mooi gekleed, maar loom en zwaar, dan
+langzaam naderde.
+
+"Dag Sien," groette de moeder het eerst.
+
+"Dag moeder," zei Sien; het klonk luid en wel hartelijk, maar haar
+oogen zagen ontwijkend ter zijde.
+
+En toen zij op den kleinen stoel, die naast het bed stond, zitten
+ging, en wat bezwaarlijk tegen de achter-overe leuning aanzeeg,
+spalkte plotseling de ruime, zwart-stoffen mantel open en haar
+breed welvend lichaam van ver-zwangere vrouw kwam onverholen aan
+het licht. Een pakje, dat zij bij zich had, lei ze naast zich op het
+beddetafeltje neer.
+
+De zieke kleurde branderig over de vaal-bleeke verslondenheid van
+haar gezicht heen.
+
+"Hoeveel maanden al?" vroeg ze dringend.
+
+"'k Loop op 't laatst," zei Sien verward, als overrompeld; .... "Acht
+maanden."
+
+Zij waren nog geen half jaar getrouwd.
+
+De vrouw in het bed sloot de oogen; er kwam een beving om den
+weggeslonken mond, en, als voor zichzelf alleen, zoo zacht, zei ze:
+
+"Dat had niet magge wezen."
+
+Maar na een oogenblik keek zij weer op; zij zag, onder het kleurige van
+den gelen kapothoed en zijn roode rozen, het vreemd geworden gezicht
+met de bruinige vlekken aan de slapen, dat gezicht van reeds moeizaam
+moederschap, en waarop de smarten der geboorte als aangekondigd
+stonden; zij zag de vermagerde, aderige hand, die krampachtig in de
+zijde neep, als om een hinder daar te overwinnen.
+
+Een stil oogenspel, even, was er tusschen hen beiden. De moeder zag
+ook, hoe het felle, uitdagende blauw van vroeger als donkerder was
+geworden, dieper en inniger, en vol rust, die naar binnen leefde.
+
+"'k Wou toch nog even komme, om je te zien," zei de dochter.
+
+De vrouw in het bed knikte.
+
+En dan, half onverschillig, half vertrouwelijk, begon Sien te
+vertellen:
+
+"Hij wou me eerst niet laten gaan .... hij is bang voor wat z'n
+familie zal zeggen .... maar dat 's onzin natuurlijk .... as 't kind
+er is weten ze 't toch .... en mijn ook een zorg of ze wat zeggen ...."
+
+De zieke knikte nog eens; maar 't was of zij meer beâamde een eigen
+gedachte, dan de woorden, die zij hoorde. Er was een groote goedheid
+over haar gelaat en met de zorg van oud moederdier voor het jonge,
+vroeg ze:
+
+"Jij draagt zwaar .... net as ik in mijn tijd .... maar jij ben ook
+gezond, hè?"
+
+"O! gezond!...." zei Sien, "da's puik!.... maar 'k heb veel lasten."
+
+"En is 't ie goed voor je?" vroeg de moeder. Zij vroeg het onbevangen,
+of nooit het vertrouwen van moeder en kind tusschen hen verstoord
+was geweest, en Sien antwoordde, argloos ook:
+
+"Hij het z'n gebreken, hè?.... maar anders zoo goed as de beste
+.... 'k heb geen klagen .... en achttien gulden in de week vast ...."
+
+"Ik zal 't nie meer beleven," zei de zieke, met een plotselinge
+zwenking der gedachten, en voor het eerst kwam er iets van verlangen
+en nog hangen aan het leven in haar gelaat.
+
+Sien was opgeschrikt. "Wat zeit de dokter?" vroeg ze haastig. "Hei
+je veel pijn?"
+
+"Ze hebben 't je geschreven.... 't begin van het eind," zei de zieke;
+en verder praatte zij niet over zichzelf.
+
+Toen gaf zij nog, met dezelfde goedheid van oud, uitgeleefd moederdier
+over haar zwakke gezicht, al wat zij wist aan raad voor de aanstaande
+bevalling.
+
+Een lange wijl zaten zij zonder spreken.
+
+Dan, om wat te zeggen, vroeg Sien naar haar zusters: .... was Merie
+wel gezond?.... vree Ant nog met Busselaar?
+
+"Vrijen en niet vrijen.... zoo'n gangetje, hé?" zei de moeder met
+een vagen glimlach, waarin nog iets van haar vroegeren, goelijken
+spot kwam doorschijnen.
+
+Siens uitzicht trok gaandeweg al meer vervallen en overmoe; de bruinige
+schaduwen aan de slapen en bij den mond vertoonden zich sterker nu
+haar kleur was gezakt; er kwam een schril licht in haar oogen en een
+onnoozele trek om den even open mond.
+
+"Je kon het toch nog wel doen, die reis?" vroeg de moeder met vrees.
+
+Sien gebaarde iets van:--nou nog mooier! Dan zei ze plotseling:
+
+"'t Zal zeker een jongen zijn."
+
+Een lach brak door op 't gezicht van de zieke vrouw.
+
+"Dat dacht ik ook altijd," zei ze, "de beide keeren.. Maar met Merie
+niet meer.... die hield zich altijd koest, net als later."
+
+Ze zagen elkaar aan, de oude en de aanstaande moeder; er was een
+wereld van gelijke zonnige gedachten en van zorgen tusschen hen in.
+
+"Jij hebt het rijker dan ik het had.... jij mot een dokter
+nemen.... geen juffrouw...." zei de zieke nog.
+
+Toen ging, met het opklinken op eens van nader gekomen stemmen,
+wat luidruchtig, de groote middendeur open; een groepje bezoekers
+verliet de zaal, en tegelijkertijd, bedeesd langs hen henen, vaaltjes
+en bleek in haar grijzen regenmantel, schoof Sprotje naar binnen.
+
+Zij scheen dadelijk Sien te zien zitten, want zij aarzelde, keek
+schichtig terzij, of ze met den laatst heengaande nog weer mee
+terugkeeren wou.... Toen die de deur achter zich gesloten had, kwam
+zij, ontdaan, op het bed van haar moeder af.
+
+"Dag Merie," zei Sien ongedwongen en vriendelijk.
+
+"Dag....," zei Sprotje schuw. Dan groette zij de zieke, gaf haar een
+hand en zette zich schutterig neer op den rand van het bed. Schril en
+beschaamd gingen haar blikken naar het zwaar uitpuilende figuur der
+jonge vrouw; zij dorst er niet naar te kijken en zij kon er de oogen
+niet afhouden. Zij kreeg een hooge kleur en voelde een verlegenheid
+of zij zou gaan huilen.
+
+Sien lachte niet; Sien werd niet boos; met een groote rustigheid
+zei ze:
+
+"Je hoeft niet zoo bleu voor je zuster te zijn.... we kenne mekaar
+toch langer dan vandaag......"
+
+"Ben je goed gezond tegenwoordig?" vroeg ze achteraan.
+
+Sprotje had verrast opgekeken. Zij knikte van ja.
+
+"'k Ben van 't jaar nog geen dag thuis gebleven en m'n werk ken 'k af."
+
+"Da's mooi," zei Sien; en tegen de moeder:
+
+"Goed er uit zien is nog wat anders.... maar as ze zelf voelt, dat
+ze sterker wordt...."
+
+Sprotje nam haar zuster wat vrijmoediger op. Wat was Sien deftig
+geworden, dacht ze, net een echte juffrouw, en zoo stil in 'r
+mond--.. Maar wat zag 'r gezicht er akelig uit, en wat puilde dat
+lijf.... zou dat pijn doen?.... Sprotje voelde een aantrekking en
+een afschrik tegelijk, een angst voor iets onafwendbaars, alsof het
+haarzelve gold.
+
+Met een plots zeer klaren blik had de zieke vrouw naar Sprotje gekeken,
+zooals die daar zat in haar kalen regenmantel en met haar doffe,
+bruingrauwe hoedje op. 't Was haar, of zij nog nooit zoo goed het
+gezicht en heel het wezen van haar jongste kind had aangeschouwd,
+de smalle, vage wangen, zooals die spits toeliepen naar de kleine,
+zwakke kin, en de zachte, grijze oogen onder de bleeke brauwen;
+zij zag het plukkige, vaal-blonde haar, dat geen levenskracht scheen
+te hebben, en de onzeker verloopende lijn van strakke voorhoofd en
+kinderlijke neusje; sloom was de moeizame ronding van haar hals en van
+haar ingebogen schouders, maar de mond, flauw-roze en met drie fijne
+dwarskerfjes in de bovenlip, sloot vast opeen met een uitdrukking
+van smartelijke volharding; en in haar schoot lagen, groot en grof
+donkerrood, als dingen die niet pasten bij haar tengerte, de barstige,
+zwart-gekerfde en als gezwollen werkhanden aan de nog rauwer-roode,
+dunne, knokelige polsen.
+
+Een groot medelijden, zooals zij nog nooit voor dit kind had gevoeld,
+kwam er in het hart der zieke vrouw.
+
+Zij herinnerde zich de dunne priegelvingertjes van voorheen, zooals die
+de ringen naaiden aan de gordijnen van den behanger, en haar dunne,
+bloedlooze lippen, die zoo vaak zich sperden in een raar gelach. Zij
+voelde, dat dit kind van haar zeer misdeeld was en niet opgekweekt als
+het had behoefd; en zij voelde ook, dat niemand daar schuld aan had;
+doch het verband van die gedachten kon zij met haar zwakke hoofd niet
+rijmen, en afgetobd sloot zij de oogen.
+
+"Een kinderwagen? leg je 'm daar 's nachts ook in?" vroeg Sprotje.
+
+"Wel nee, meid," zei Sien, "d'er is een ijzeren wieg met zeegroene
+gordijnen en een kanten kleed erover; een burgemeesterskind zou er
+in kunnen slapen."
+
+"Zoo'n hooge, as t'er wel voor de winkelramen staan?.... zou 'k die
+graag 's zien!.... En hei je mooie, zachte lakentjes?.... en krijgt
+ie een kanten mutsie op?"
+
+"Da's geen mode meer," zei Sien.
+
+Toen, met een afschijn van groote vrede en gelukkigheid over haar
+gelaat, zag de zieke weer op. Hoor! nu praatten zij eensgezind over het
+nieuwe leven, dat op geboren worden stond! nu waren zij niet vijandig
+meer! Zij was zeker lang met haar gedachten afwezig geweest. En er
+was een verwondering in de vrouw, omdat plotseling het sterven haar
+niet droef of vreemd meer leek.
+
+Ook zag zij, in een nieuwe verklaring, hoe het gezicht van het
+meisje, diep-in, geleek op het gezicht van Sien, zooals die daar nu,
+vermoeid en tijdelijk afgetakeld door haren staat, naast het bed te
+vertellen zat.
+
+"Je mot zeker gauw weer weg?" vroeg ze dan, maar zonder treurigheid,
+alsof er een groote bevrediging was over haar gekomen.
+
+"'k Zou maar één trein overblijven.... omdat ik anders de familie
+niet kan passeeren...."
+
+Sien zei het benepen-verontschuldigend, trachtend te verzachten,
+en zij had gekleurd; maar de zieke vrouw knikte, dat het goed was.
+
+"As 't afloopt mot je niet weer overkomme.... voor 't kind niet, en
+voor jou niet.... maar as je man me wil helpen begraven.... 'k ken
+hem eigenlijk wel niet, maar 't is toch me schoonzoon.... en je mot
+'m wel de komplementen doen."
+
+Even werd het Sien te raar om het hart en zij beet op haar lippen om
+niet te huilen.
+
+Toen begon ze druk te vertellen van hoe het bij haar thuis was:
+zóó de voorkamer, zóó de achterkamer....
+
+De zieke luisterde vaag maar welgevallig.
+
+"En hoe zal 't kind heeten?" vroeg ze nog, bij een gaping in 't
+verhaal. Doch dadelijk knikte zij van nee en maakte een gebaar van
+maar niet te antwoorden: zij wist wel, dat zij daarin niet meegeteld
+zou worden en dat alles voor de familie van den man zou zijn. Even
+schoof er nog een verdrietige schaduw door haar oogen, en Sien,
+haastig, vertelde weer door: een keuken met een dubbel raam, en een
+gasstel met een oventje erin had ze.... in een ommezien was daar je
+eten op gaar. Boven sliepen ze, maar in de achterkamer was nou ook
+al een bed gezet, voor as ze most gaan liggen....
+
+Telkens drukte ze, met een pijnlijken trek om den mond, de
+rechterhandpalm in de zijde en hield even den adem in.
+
+De klok aan den voorgevel sloeg vijf slagen, en dadelijk daarna
+kwam de zuster:--alleen het bezoek van buiten mocht nog blijven;
+het gewone uur was verstreken, zei ze zachtzinnig.
+
+Sprotje stond dadelijk gewillig op, tot vertrekken gereed. Maar ook
+Sien was uit haar stoel overeind gekomen.--Vijf uur?.... dan most ze
+weg.... om half zes ging haar trein.... Ze liep zoo vlug niet meer....
+
+Zij aarzelde. Het was zoo vreemd. Zij kon geen afscheid nemen. Zij
+staarde naar de vrouw in bed. Dat was nu haar moeder.... daar lag
+ze.... en zij zou ze nooit weerzien. Zij werd heel wit. Zij zag,
+hoe haar moeders gezicht was weggeslonken, alsof zij zoo sterven kon.
+
+Maar vast en klaar zei de zieke nog:
+
+"Een gelukkige verlossing, kind, en een gelukkig leven verder."
+
+Een snikken brak in Sien los. Zij bukte zich, gaf een kus op de vale
+wangen, een kus op de hand, en gehaast, voorzichtig met haar zware
+lichaam, naast Sprotje, die 'r stappen inhield, ging zij de zaal af,
+keek nog om bij de deur; zij lachte schril door haar schreien heen,
+zij knikte, had een stijven handwuif,--dan waren zij weg.
+
+
+
+Toen de begrafenis was afgeloopen, en de eenige oom, die in het Kerspel
+woonde, en de schoonbroer uit Amersfoort weer waren vertrokken, zaten
+'s avonds, als versuft van al de trieste beslommering, Sprotje en
+Ant samen bij de kleine lamp aan hun keukentafel.
+
+Zij waren beiden dien dag niet naar haar werk geweest, hadden 's
+morgens in het ontvangzaaltje van het ziekenhuis gewacht tot de paar
+begrafenisgasten kwamen, hadden 's middags koffie geschonken voor de
+menschen, die in hun voorkamer zaten.
+
+Moeders broer was al tegen drieën weggegaan en de zwager een half
+uur later; maar een paar buurvrouwen waren nog tot den donker
+gebleven, vullend het ontredderde vertrek met een dompig-verwarde
+luidruchtigheid.
+
+Nu, vreemd, in de avondstilte, waren zij met hun tweeën alleen.
+
+Sprotje zag ontdaan; een doode en een begrafenis, die had zij, met
+weet, nog nooit bijgewoond; haar gedachten waren vol afschrik en
+veege ontzetting en een werkelijk verdriet drong niet tot haar door.
+
+Ant was zeer moe; zij hield het breede postuur ineengedrongen,
+de armen over de borst gekruist, of zij kleumde; soms knikte met
+hortende stootjes haar hoofd voorover en was zij een oogenblik ingedut.
+
+Maar gauw en heesch begon Sprotje dan iets te zeggen; zij wou niet,
+dat de andere sliep, wou aldoor blijven praten, om aan de dwangbeelden
+te ontkomen, die haar staken in het hoofd.
+
+En Ant schrok op, keek dwaas even rond, huiverde en overpraatte met
+haar luide stem de stilte, die ook haar benarde.
+
+Zoolang vrouw Plas in het Ziekenhuis lag, hadden zij al de avonden zoo
+bij elkaar gezeten, slaperig beiden en moe, Sprotje van het sjouwen
+in haar dienst, Ant door het dubbele werken op haar weverij en bij
+hen thuis,--wekenlang had dat geduurd, en nu was er plotseling een
+verwezenheid en een nieuwe leegte gekomen, die alleen hun eigen bange
+gedachten daar brachten, en die benauwend was te ondergaan.
+
+Beiden, bij poozen, herinnerden zich ook, wat de man van Sien
+bij het heengaan nog zeide, dien middag:--zij hadden veel met
+hun moeder overbracht, en 't zou zeker onkosten gegeven hebben
+bovendien.... 't beetje, dat er was, konden zij houden.... Sien maakte
+geen aanspraak....
+
+Uit den toon van zijn stem was wel de geringschatting te hooren geweest
+voor het erfenisje van een paar meubelstukken en wat waardeloos geraad;
+maar zij vonden het toch vriendelijk, dat hij hun liet, wat zij altijd
+gehad hadden,--en alsof er nu eensklaps iets vreemds was gekomen aan
+elk ding, en zij daarmede iets anders zouden kunnen doen, dan zij
+altijd gedaan hadden, zoo verbaasd en onderzoekend keken zij soms rond.
+
+Maar dan spraken zij ras daarover heen, om de wreede en slechte
+gedachte te verbannen.
+
+"Ja...." zei Ant eindelijk met een moedelooze afgetrokkenheid: "'t
+had zoo ook niet langer gekend, hé?.... werken en koken en dan nog m'n
+tien uren op 't fabriek.... jij ken nou eenmaal niet meer bijbrengen,
+om te helpen.... maar 't liep mijn over de kop.... net as je oom zei,
+we motten een kosthuis zoeken...."
+
+Sprotje schokte even in de schouders weg.
+
+Ant was al vaker tot dat besluit gekomen, vorige avonden van
+neerslachtigheid en tobberij; en Sprotje, in een ijlen schrik, had
+daar dan dadelijk overheen gepraat.... Een kosthuis zoeken, wonen bij
+andere, arme menschen als zijzelf, bij vreemden, dat leek haar zoo
+zwart en zoo troosteloos, dat al het grauwe van haar eigen thuis er
+plotseling bij wegviel; en zij had zich met vage mogelijkheden gepaaid,
+die zij maar vaag hield, om er het onmogelijke niet van in te zien....
+
+Nu, in de beklemmende leegheid van dezen avond, voelde zij het
+onherroepelijke: zij moesten hier weg.... zij moesten onder de
+menschen.
+
+Zij keek Ant aan met het zachte van een weerloos dier in haar kleine,
+grijze oogen en ze zei gelaten:
+
+"Ja.... een kosthuis...."
+
+"Ze is van middag pas begraven", kwam Ant verdrietig, "we moste daar
+eigenlijk nog niet over praten."
+
+Maar even later, in de zeurige dofheid van haar afgetobd, heet hoofd,
+ging zij toch op dezelfde gedachte door:
+
+--De moeder van Eiltje, die nam kommesalen, maar 't was er zoo'n
+herrie, negen kinders over de vloer.... en de menschen van Mastenbroek,
+maar daar leien ook kerels van 't spoor in de kost.... misschien was
+'t bij Westerweel nog het beste....
+
+"En de meubels, die motte we wel verkoope," zei ze dan mistroostig.
+
+"Verkoope....?" duizelde Sprotje.
+
+Bij verbijsterende vlagen kwam al de naakte naarheid door haar
+denken gejaagd.
+
+"Maar de latafel toch niet....!" schrok ze opnieuw.
+
+"En een kosthuis, hoe mot ik dat betalen...." klaagde ze nog flauwtjes
+op de eerste overdenking door: "ze vragen wel een daalder in de
+week...."
+
+"Jij zou de latafel kenne houen, as je daar zoo op gesteld ben," zei
+Ant goedig; "veel dienstmeissies brengen een kassie mee, hè?.... as
+jij later 'ns voor dag en nacht gaat.... En ik neem dan weer wat
+anders...."
+
+"Ik zou de potkachel kenne nemen," zei ze even later, alsof het een
+plotselinge vondst van haar was.
+
+"Waarom de potkachel?" vroeg Sprotje verbaasd.
+
+Maar onderdoor die verbazing was er eensklaps een schrille vreugde in
+haar hart geschoten. De latafel! .... of zij dan nog ooit 'ns, als een
+deftige dienstmeid, met 'n kassie bij 'r menschen zou komme....! Of
+dat nog 'ns mogelijk zou zijn!
+
+Met een matter belangstelling vroeg ze nog eens: "Wat zou jij met de
+potkachel doen?"
+
+Doch Ant zweeg, gaf geen naderen uitleg over die keuze.
+
+Zij zaten stil; zij keken verward, als betrapt voor zich neer....
+
+Zij waren plots weer bij de niet te gelooven werkelijkheid terug:
+hun moeder was dood, was begraven vandaag.... Ant streek verscheidene
+malen met de hand over de oogen.
+
+Na een poos zag Sprotje haar zitten, met het zorgelijk getrokken
+voorhoofd en den ouwelijken rimpelmond, zooals zij wel vaker te
+kniezen zat, den laatsten tijd.
+
+Ant dacht aan Busselaar, aan haar beurtschipper. De vorige maand had
+hij een bezoek overgeslagen; gister was het zijn dag geweest en hij
+had zich niet vertoond.... maar soms kwam hij er twee, drie later
+dan zijn tijd was.... Wat die man toch in zijn schild voerde!.... Zij
+brak zich daar vaak het hoofd mee.
+
+"'t Zal om de begrafenis zijn, dat ie niet gekommen is", zei Sprotje,
+radend in een goeiïgheid van willen troosten.
+
+De andere knikte.
+
+Wat later, hulpeloos, spraken zij af, dat Ant den volgenden morgen,--'t
+was dan juist Zaterdag--de huur van hun huisje zou opzeggen; en Zondag
+zou ze werk maken van een kosthuis; ze moest ook bij de uitdragers
+langs voor den verkoop van hun boeltje......
+
+Dan zwegen zij weer beiden, vervaard voor zooveel moeilijkheden.
+
+Door de stilte van den avond streek, als een eindelooze zucht uit de
+wijde eenzaamheid der weilanden, het geruisch van een trein op den
+verren spoordijk; uit de Hanekamp tikkelde telkens, zenuwachtig, het
+knikkergeluid der biljardballen; en daar doorheen botste soms een doffe
+plomp-klots in de zakken, of flitste het helle ketsen van een queue.
+
+Ant, met een ruk, stond op van haar stoel, draaide de lamp hooger,
+die gezakt was, ging dralende weer zitten.
+
+"De arme stakkerd", zei ze.
+
+"Ja", kwam Sprotje zacht; zij werd op eenmaal heel lauw en dacht aan
+haar moeder; haar wrange keel wrong omhoog en tranen drongen in haar
+oogen; even huilde zij en trachtte te bidden, maar haar leege bidden
+werd verschroeid door haar warrig heete gedachten.
+
+"Kom meid", hoorde ze Ant zeggen, die de hand op 'r schouder lei. De
+oogen vol tranen, haar denken dood-gebrand, staarde Sprotje wezenloos
+voor zich uit, liet zich door die warmte opbeuren.
+
+Zij zag vlekkerig rood, en rechtte haar pijnlijken rug.
+
+Ant, de ellebogen op tafel, de kin in de handpalmen, staarde blind
+in de lampevlam.
+
+Zoo zaten zij een langen tijd.
+
+Zij verlangden beiden naar bed; zij gingen niet; er was iets stuk
+diep in hun hoofden, er stak iets, er schrijnde iets en zij talmden
+bij elkaar in den schijn van het lamplicht, dat nog troostte.
+
+Dan begonnen zij, dof en nuchter van afgematheid, nog eenmaal over
+ieders aandeel in de meubelstukken.--De latafel en het potkacheltje,
+dat ging niet gelijk-op, vond Sprotje, die slapjes weer kwam
+bijgeleefd.--Maar ze nam haar eigen bed ook mee, zei Ant;.... als
+Merie dat van Sien wou?
+
+--.... Nee.... zei Sprotje, rillerig.... in een betrekking kon je
+daar toch niet mee ankomme.
+
+Maar dan herinnerde zij zich plotseling de vriesnachten, op haar
+veldbedje onder het dak, bij juffrouw Jonkers.
+
+--Eén wollen deken kon je misschien in je kastje wel meebrengen,
+aarzelde ze.... voor as je eens kouwelijker was, dan de menschen
+dachten....
+
+Plots schrokken zij beiden; een felle fluitstoot, als een schrei,
+kwam over het land gekreschen. Ant zag, hoe Sprotje schril wegtrok
+om den neus.
+
+"'t Is de trein van tienen", zei ze, "we motte naar bed".
+
+Maar geen van beiden roerde zich om op te staan. Uit den Hanekamp klonk
+nog een laatste getikkel der biljardballen; gelach en stemmen-lawaai
+van menschen die uiteengaan, galmde over en zweeg. Een nieuwe stilte
+viel er over 't land.
+
+"We motte Sien een gedachtenis geven", zei Sprotje opeens met een
+vreemd wakker hoofd.
+
+En zij keek onbestemd rond naar wat daartoe dienst kon doen.
+
+Doch Ant zei bitter:
+
+"As ze niet zoo'n verdriet van Sien had gehad, zou ze der zoo gauw
+niet uit zijn geweest.... ze het na de bruiloft geen gezond oogenblik
+meer gehad.... En nou weer zóó bij moeder te komme.... daar zal de
+ziel ook nog wel...."
+
+Sprotje dacht aan het afscheid, dien middag in het ziekenhuis; ze
+zag weer het uitgeleefde, trouwe gezicht; ze hoorde die zwakke stem
+vol sterke liefde: "een gelukkige verlossing, kind, en een gelukkig
+leven verder...."
+
+"Moeder was toch...." wou ze beverig gaan zeggen, maar door het
+geluid van haar eigen woorden brak ze plotseling in een zenuwachtig
+snikken uit.
+
+Om half elf zaten ze nog op. Ant stelde voor, samen in de bedstee
+te slapen, die nu al twee maanden ongebruikt was geweest, doch dat
+deden zij niet.
+
+'t Was over elven, eer zij dicht achter elkaar aan, met het olielampje,
+de ladder opklommen naar hun slaapplaatsen op zolder.
+
+
+
+De eerste dagen der volgende week raakte Ant met een kosthuis klaar. 't
+Was bij Diepelink dat ze kwamen. Zijzelf moest twee-vijftig kostgeld
+geven en tien stuivers kamerhuur, en omdat zij een stel eigen bedgoed
+meebrachten, kon Marie voor niets de kamer deelen. Marie had alleen
+middageten noodig, kreeg boterhammen in 'r dienst, Marie namen ze
+voor vierentwintig stuivers in de week erbij.... 't Was een prikje,
+dat moest Ant toegeven.... Maar met een bekommerd hart kwam zij dien
+avond Sprotje den uitslag vertellen.
+
+Sprotje, die in 't vage al zooveel getobd had, schrok toch nog heftig
+voor de daadwerkelijkheid van het bedrag. Zij verdiende tachtig centen
+in de week. Acht stuivers te kort. En 'r kleeren! En de ziekenbus,
+waarvoor zij zelf nu zorgen moest!
+
+"'k Zal je wel helpen, as 't mot," zei Ant aarzelend. Sprotje knikte
+flauw door haar tranen heen. Ant was op den penning geworden sinds
+haar verkeering met Busselaar, dat wist ze wel; en voor háár zou
+'t leven ook duurder zijn dan hier aan het Dijkje.
+
+"En de erfenis," troostte Ant weer.
+
+Sprotje knikte nog eens, overtuigder: "Ja, de erfenis ...."
+
+Vierentwintig gulden, in een ronde som, had de uitdrager voor hun
+boedeltje beloofd. Van haar aandeel, rekende Sprotje uit, kon ze een
+half jaar het ontbrekende bijpassen.... Maar dan was het ook op .... En
+dan?.... Als ze voor dien tijd eens geen vollen dienst vond!.... Met
+wondende stooten herinnerde zij zich al haar vergeefsche tochten,
+een anderhalf jaar geleden, de afschuwelijke en vernederende tochten,
+als zij met haar doodmoede lichaam telkens weer andere, vreemde
+gangen door en trappen opsleepte, en na vijf minuten, die haar toch
+een eeuwigheid schenen, alweer buiten stond, met alwéér in haar ooren
+de onverschillige terugwijzing of het geveinsd-vriendelijke afschepen
+van wel-nader-laten-hooren, dat haar nog smadelijker leek.
+
+Dagen lang, onder haar werken, onder het gaan naar haar dienst, onder
+het gaan weer naar huis, en de avonden, en de nachten, als zij den
+slaap maar niet vatten kon, maalde zij over die acht stuivers tekort en
+over de twaalf gulden van de erfenis, die zij, acht stuivers bij acht
+stuivers, zou moeten uitgeven, zonder dat één stuiver ooit waarlijk
+van haar was geweest.
+
+En onder dien angst en dat tergende tellen, begon, knagender met den
+dag, het verdriet in haar op te komen over den dood van haar moeder
+.... Als zij 't haar moeder nog maar eens vragen kon .... zij overzag
+nu zoo goed, hoe die eerst onvrindelijk zou zijn en smalen op haar
+stumperigheid, en dan toch helpen op het eind.
+
+Soms dacht zij ook: Waarom was zij, met haar zwakke lichaam, maar
+niet liever dood gegaan, in plaats van haar moeder, die altijd een
+flink mensch was geweest!
+
+Op het eind van de week, ziek van al het tobben, vroeg ze een onderhoud
+met haar Mevrouw.
+
+--Het was goed .... om vier uur kon ze op het balcon komen ....
+
+Sprotje had plots een brandende spijt van maar niet dadelijk, op
+den man af, te hebben gevraagd wat ze vragen wou,--nu liep zij nog
+den ganschen dag met haar nieuwen angst rond. Maar zij dorst al
+sinds lang zoo brutaal niet meer te zijn, als ze wel geweest was;
+de laatste maanden hadden haar murw gemaakt ....
+
+Om lang over vieren tikte zij.
+
+"Binnen," riep Mevrouw ongeduldig.
+
+Die zat in een roodgeverfden, rieten stoel aan het balconhek. Haar
+bolle, witte kuif stond gedegen boven haar sterke, donkere gezicht;
+alleen de ontevreden-klaaglijke mondhoeken zeiden iets van zich
+ongezond voelen of niet lekker zijn.... Sprotje meende vaak gemerkt
+te hebben, den laatsten tijd, dat Mevrouw zich verbeeldde aan dezelfde
+kwaal te lijden als haar moeder ....
+
+Naast haar stond de juffrouw, kleiner en smal en bleek, en als
+altijd in een groengrijzige tint van kleeren, die haar nog bleeker
+maakte. Boven haar betrokken gezicht met de fletse oogen en de wijde
+neusgaten viel het zwarte haar zwaar uiteen en van achter was het
+strak opgekamd van den gelig uitgeholden nek. Voor de juffrouw was
+Sprotje nog banger dan voor Mevrouw. Zij had er niet op gerekend,
+dat die thuis zou zijn. In een nieuwe bedremmeldheid bleef zij staan.
+
+"Nou, Marie ...." zei Mevrouw. En toen Sprotje nog zweeg: "Je wou
+toch niet komen vragen, hoop ik, of je nou voor dag en nacht zou
+kunnen dienen? Ik begrijp wel, bij je thuis zal er veel veranderen...."
+
+En dan plotseling heftig-afwerend, alsof men haar beleedigd had:
+"Daar kan niets van inkomen .... ik hou van mijn vrijheid 's avonds
+.... 'k heb ook geen ruimte ...."
+
+"Het leege kamertje boven heb ik noodig voor mijn boeken," zei de
+juffrouw minzaam uit de hoogte.
+
+"'k Wou vragen, Mevrouw," zei Sprotje met een ijle, trillende stem, "of
+U mij niet als vroeger op achttien stuivers in de week kon brengen."
+
+Mevrouw keek verbaasd, dan gebelgd, dan spottend.
+
+"Je werkt minder dan vroeger," zei ze .... "al sinds een week ligt
+er verstelgoed te wachten in de keuken .... je zou de fijne servetten
+uitwasschen .... die hangen nog vuil boven ...."
+
+Maar de juffrouw, met een onverschillig gezicht, had iets gemompeld
+van: och .... enfin .... Marie was al zoo lang bij hen ....
+
+"'k Heb je zóóveel faciliteiten gegeven in de laatste maanden," morde
+Mevrouw nog hoogmoedig tegen; "telkens een kwartier vroeger weg,
+tweemaal een Zondagmiddag vrij, verleden week een heelen dag ...."
+
+"Waarom wou je eigenlijk opslag hebben?" vroeg zij dan argwanend.
+
+"'k Mot een kosthuis nemen .... ze vragen een-twintig in de week
+....dat kan 'k niet betalen," zei Sprotje gewurgd.
+
+De gezichten van moeder en dochter, plots, hadden een spitsing van
+aandacht, een uitdrukking van misnoegen daarna ....
+
+"Als je vierentwintig stuiver moet betalen en je verdient er
+hier achttien, dan kom je er toch nog zes te kort .... hoe wou je
+daarmee?" vroeg Mevrouw onaangenaam.
+
+Sprotje stamelde iets van: de meubels .... de erfenis .... Ze zei
+het zoo verward, dat zij voelde niet geloofd te worden.
+
+Mevrouw en de juffrouw hadden elkaar aangekeken; in hun blikken was een
+wisseling van raadvraging en waarschuwenden drang. Sprotje kreeg een
+hooge kleur; haar handpalmen werden koud en nat; zij had zooveel van
+achterdocht in dezen dienst geleerd .... zij wist, dat men dacht: zes
+stuivers iedere week te kort,--die zal ook haar slag slaan als ze kan!
+
+Sprotje had het laatste jaar geen cent oneerlijk meer genomen, maar
+met een duizelige schaamte herinnerde zij zich plots hare kleine
+bedriegerijen van den winter daarvoor .... Zij voelde zich daar staan,
+alsof al haar gedachten en al haar daden zóó naakt aan het licht waren.
+
+En alweer praatte, met een scherpte, die sneed door haar hersens,
+de stem van Mevrouw:
+
+"Stel, dat ik je op achttien stuivers bracht .... hooger gaan doe ik
+in geen geval.... dan zou jij toch nog niet geholpen zijn ...."
+
+Er was een oogenblik van moeilijke stilte.
+
+"Nee ....," stootte Sprotje heesch uit.
+
+"Enfin ....," besloot ongedurig Mevrouw Verscheer, "'t is nog zoo
+kort geleden met je moeder, hè ....? we zullen nog eens zien .... ik
+zal nog eens zien .... 'k zal er over denken."
+
+Maar de juffrouw had kribbig met de schouders geschokt, knikte dan
+verholen-dringend van nee.
+
+Mevrouw zag haar vragend aan, even nog besluiteloos.
+
+En plotseling, onwillig, zei ze:
+
+"Ja, eigenlijk wil ik ook liever geen dienstmeisje houden, dat niet
+het noodige bij mij verdienen kan .... Ik wil je niet haasten,
+maar als het staat zooals je zegt, moet je toch liever naar iets
+anders uitzien. Laten wij 't op half November houden .... met de zes
+weken ...."
+
+Toen, op haar lijfspreukelijken toon, begon zij nog een klein relaas
+over het voordeel van een vollen dienst voor grootere meisjes: meer
+gevoel van verantwoordelijkheid, meer opgaan in het werk .... meer
+gehechtheid en trouw aan de meesters .... Sprotje knikte star; een
+jachtige bleekheid trok haar gezichtje saam, en haastig ging zij heen.
+
+
+
+Den Zondag daarop, 's middags na vieren--wat met hun werk het beste
+uitkwam--waren Sprotje en Ant verhuisd naar hun zolder-achterkamer aan
+de Vliet, bij Diepelink. Het was een laag en niet ruim, maar proper
+vertrek. Aan den eenen zijwand lag het meegebrachte kermisbed gespreid,
+aan den anderen kant van het kapvenster stond het geel houten ledikant,
+dat voor Ant was bestemd, en waarin Sprotje slapen zou.
+
+"'k Hou m'n eigen spullen," had Ant beslist.
+
+Er stonden verder alleen maar een tafeltje met waschgerei en twee
+stoelen en een oude kist; doch aan den kaligen achtermuur pronkte,
+mooi glimmend in zijn donkerbruin hout, met de koperen sleutelgaten en
+trekkers, Sprotjes ladekast. De potkachel van Ant, zijn twee korte
+pijpstompjes in elkaar gestoken er boven op, school met hun oude
+strijkplank in den hoek.
+
+Onwennig naast elkaar op den rand van het ledikant, zaten de twee. Ze
+keken elkaar aan met oogen, die vroegen, wat ze toch begonnen waren,
+en hoe zij het leven hier uit zouden houden, hier in dit vreemde
+vertrek, waar wat dingen waren zonder verband, en waar zij zitten
+konden op die twee stoelen, maar niet aan een tafel.
+
+Onder het raam, als de have van landverhuizers, bolden de twee
+rood-bonte kussentijken, waarin zij hun kleeren hadden meegebracht.
+
+Werktuigelijk ging Sprotje háár zak losbinden, haalde een paar stukken
+er uit, borg die in een schuif van de ladetafel.
+
+Ant zei: "Hadden we de keukenlamp maar gehouden."
+
+Zij stond op, verschikte de pijp-eindjes op het kacheldeksel, keek
+er na, hoe die aan één kant gedeukt waren bij het overbrengen.
+
+Voor de uitgetrokken lade op haar knieën liggend, was Sprotje
+heimelijk te huilen aangevangen. De dompe angst, die haar bezat sinds
+het onderhoud met haar Mevrouw, die werd in dit trieste uur verdoofd
+door de nog nijpender pijn van haar verlangen naar hun huisje, dat
+zij daareven verlaten hadden. Er was een knagend heimwee in haar hart
+naar hun stille, donkere keuken, naar het plaatsje, waar je zoo wijd
+over de weilanden zag, naar het plekje bij het voorkamer-raam met
+den leunstoel, die nu verkocht was, en de zeildoektafel ook .... De
+strijkplank, met vervuilde lappen erom, stond daar in den hoek,
+verlaten, zonder zin .... nooit meer zou haar moeder, bedrijvig
+tusschen het versche strijkgoed, er achter staan .... haar moeder,
+haar moéder, die zij zoo weinig gemist had, toen ze ziek werd,
+die ze vroeger zoo weinig had lief gehad! Nu herinnerde zij zich,
+als gloed-doorschenen droomen, de middagen, dat zij samen thuis
+waren, en, het werk gedaan, vóór in den schemer te praten zaten,
+of achter, in den rooden schijn van het stervend kolenvuur .... zij
+zag de verweerde hand, die haar het kommetje overreikte, zij zag
+de gebogen gestalte, zooals die, de armen gesteund op de knieën,
+dan zelve boven haar dampende koffie zat.. zij zag de stille bruine
+oogen, die tuurden.. En dat dit nu nooit meer terug kon komen, en
+dat die keuken niet meer bestond, dat daar aan het Dijkje nu een
+paar kale hokjes waren met niets van haar moeder meer erin .... En
+nu was zij hier in deze vreemde kamer, met Ant .... Ant bleef het
+eenige, dat haar eigen was, maar 't leek haar of die hier dezelfde
+Ant niet meer was, of Ant plots veel losser van haar was geworden,
+dan vroeger. Haar moeder, die was de band tusschen hen geweest,
+die was ook het vaste àchter haar geweest, dat haar dekte tegen de
+menschen, en nu stonden zij ieder alleen, Ant alleen, en zij alleen,
+en aan elkaar zouden zij maar zoo luttel steun hebben, en tegen de
+wereld had zij geen beschutting meer.
+
+De heete, wreede tranen al bitterder te borrelen aanvingen. Toen
+Sprotje plots voelde, dat achter haar Ant ook op het punt stond te
+gaan huilen, droogde zij schielijk haar oogen, kwam beschaamd overeind
+en ging voor het raam naar buiten kijken. Zij merkte nauwlijks wat
+zij zag.
+
+Als zij wat later naar haar zuster dorst omzien, zat die in een botte
+bedruktheid, als een hond, die zich op een vreemd erf weet ingesloten
+en geen uitweg meer ziet.
+
+Geen van beiden dachten zij eraan, eenige eigen schikking te maken
+in de ruimte, die nu voor een maand althans de hunne was. Eindelijk
+ging Ant haar kleeren bergen in de kist; Sprotje hurkte weer voor
+haar ladekast.
+
+En plotseling luidde er, kordaat, een tikje tegen de kamerdeur. Sprotje
+schrok op, ging kijken. In het zolder-portaaltje stond een jong meisje,
+zoo groot als Sprotje zelf; het was een meisje met een aardig, blozend
+gezicht en krullend, roodblond haar; zij had groote, vrijmoedige
+blauwe oogen en zij keek daar Sprotje zoo goedwillig mee aan, dat
+het die plotseling heel wonderlijk te moede werd.
+
+Het meisje zei:
+
+"De boterhammen zijn nog niet klaar, maar de kommesale kenne bij ons
+altijd benêe komme, as ze der plezier in hebbe...."
+
+Sprotje keek verrast. Zij kende nog niemand uit het huishouden, en
+over dit meisje had Ant haar nauwelijks gesproken. Wat die een lieve
+stem had! en wat een vriendelijke oogen!--
+
+--Dus ze gingen met haar mee .... ?--vroeg het meisje nog eens.
+
+Sprotje knikte van ja, keek dan Ant aan. Ant stond op. Gedwee volgden
+zij beiden het montere meisje naar beneden.
+
+Zij moesten omzichtig loopen langs de vreemde trap, die middenin een
+scheeve kromming maakte, waarbij men de voeten niet dan dwars kon
+zetten op de smalle treden.
+
+Het meisje, dat in een ommezien onder was, zei:
+
+"O! de trap zal wel wenne ...."
+
+"En wij ook ....!" lachte zij.
+
+Het was Sprotje op eenmaal of, bij dat heldere lachen, haar eigen
+ellende lichter werd en zachtjes afliet van haar hart.
+
+Bijna welgemoed kwam ze de keuken binnen.
+
+Daar, in den al schemerigen avondstond, zaten twee oude vrouwen
+weerszij de tafel. Dat waren de grootmoeder en tante Bartje.
+
+Sprotje keek gespannen-nieuwsgierig. Zij had bloo goeden dag geknikt
+en niets gezegd.
+
+De twee oude vrouwen, de grootmoeder met haar blanke kornet op,
+breed en weldoorvoed en rustig van gebaren, maar met rappe, gewikste
+bakers-oogjes, en tante Bartje, mager, slokjes, druk, en kippig
+knipperend, omdat zij zich half blind keek op het fijne naaiwerk,
+dat zij nog dagelijks afleverde,--de twee oude vrouwen, ieder in een
+laaggerugden boerenarmstoel, dien de grootmoeder heelemaal vulde,
+en tante Bartje maar half, waren stilbedrijvig in de weer voor het
+avondmaal.
+
+Tante Bartje sneed de boterhammen tegen een doek op haar buik, en de
+grootmoeder smeerde.
+
+Het meisje met het roode krulhaar, dat Hilletje bleek te heeten,
+zorgde voor de koffie.
+
+Moeder Diepelink zelf was er op uit.
+
+Sprotje voelde, dat zij keek, maar zij kon het niet laten. Zij vond
+die twee oude vrouwen zoo eerbiedwaardig en zoo vertrouwd; zij had
+dadelijk begrepen, wie van de twee de baker was; die vond zij de
+deftigste. Maar tante Bartje leek haar liever, en het liefste vond
+zij Hilletje, die maar stil liep te zingen en een gezicht trok of ze
+altoos plezier in 'r leven had.
+
+Het was een huishouden van drie vrouwen, dat van de Diepelinks:
+de grootmoeder, de moeder en het dochtertje. De grootmoeder hád
+gebakerd, de moeder bakerde nog; de oude en de jonge vrouw Diepelink
+heetten ze in de bakerdiensten, al was de jonge zoo jong niet meer,
+een goede vijftig, en sinds jaren reeds weduwe zelf. En als moeder
+Diepelink aan het bakeren was, kwam grootmoeder Diepelink's zuster,
+die op een hofje woonde, zoolang tot hulp in huis; de grootmoeder was
+wat zwaar ter been geworden, bukken of tillen, dat ging zoo niet meer
+.... en Hilletje was den dag door op de kleermakerij van Werst.
+
+-- Wat was het hier gezellig in die keuken, dacht Sprotje, en wat
+rook de koffie, die zij zetten, lekker.
+
+Ze was blij, dat zij in dit huis terecht waren gekomen. Toch dorst
+zij nog bijna niets te zeggen.
+
+Ant, met haar wat stugge vrijpostigheid, had zich dadelijk, zonder
+veel praatjes, op haar gemak gezet, zei eens wat, of zweeg, en deed
+of ze al heelemaal thuis was. De twee oude vrouwen gedroegen zich
+ook kalm-bekend tegen háár; zij waren vriendelijk; zij vonden het
+blijkbaar een geschikte kostgangster.
+
+Maar Sprotje kende niemand. Sprotje, met haar bleeke en schuw-glurende
+gezicht, werd terdege opgenomen, en men had kennelijk met haar vrij
+wat minder op dan met Ant.
+
+Toen zij, tegen het eind van het boterham-eten, met haar ouwelijke
+wijsneuzigheid, en nuffiger sprekend dan ze anders deed, omdat ze
+zoo verlegen was, vroeg: hoeveel jaar de grootmoeder wel gebakerd
+had,--antwoordde die als terloops en snibbig: "zeker meer jaren dan
+jij er oud ben."
+
+Dat bracht Sprotje nog meer van haar stuk.
+
+Een tijdje later bleek uit de gesprekken, dat tante Bartje, op haar
+hofje, nog altijd den naam had, het fijnste klein-kindergoed van de
+heele stad te naaien. Toen voelde zij op eenmaal een groote vereering
+voor tante Bartje. Zij had graag meer willen vragen, maar dorst toch
+niet, en zij deed maar haar best in het algemeen gepraat kleine,
+belangstellende dingen mee te zeggen, die echter niemand oplette.
+
+Toch vond Sprotje het zoo samen zitten in de schemerige keuken, en
+later bij de groote, heldere petroleumlamp, eer prettig dan naar, en
+zonder de zwarte zorgen over het geld en over een dienst, zou zij zich
+al heel wat getroost hebben gevoeld. Het heerlijkst vond ze, dat, een
+enkele maal, Hilletje afzonderlijk iets tot haar zei. Dan kleurde ze,
+lachte, en zocht gauw iets even vriendelijks om terug te kunnen zeggen.
+
+Maar tegen het eind van den avond ontstond er plots een klein geschil,
+dat vele dagen daarna nog herhaaldelijk een aanleiding tot stekeligheid
+zou blijven aan de maaltijden: de oude vrouwen waren niet tevreden
+met de verdeeling der twee slaapgelegenheden tusschen Ant en Marie.
+
+--De oudste zuster hoorde in het ledikant te liggen, en de jongste
+op den grond, niet andersom ....
+
+'t Was de baker vooral, die haar meening zei met een onverholen
+afkeuring voor de aanmatiging van Marie en de toegefelijkheid van Ant.
+
+--Wie betaalde de kamerhuur? en wie bracht beddegoed mee? De oudste
+toch? Gaf dat dan de jongste recht om het beste te nemen?
+
+--Ja, dat vond tante Bartje ook.
+
+--In háár tijd zou dat anders geweest zijn, begon de grootmoeder
+opnieuw, .... dan hield zij zich in, bedacht dat zij tegen een meisje
+sprak, dat nog zoo pas haar moeder verloren had ....
+
+Maar die bangschieterige wijsneuzigheid kon ze anders niet luchten,
+en haar kribbigheid werd weer sterker dan haar goede wil.
+
+Sprotje moest al 'r best doen om haar tranen in te houden.
+
+"Kom ...." zei Ant, "'k slaap goed zooals ik slaap .... 'k heb m'n
+heele leven geen ledikant gehad...."
+
+Maar Sprotje werd tot de bekentenis gebracht, dat zij thuis ook op
+den grond lag .... Met een vernederende manier om over de schuldig
+bevondene heen te praten, doorplozen de grootmoeder en tante Bartje,
+spaarzaam van woorden, maar met veelbeteekenende gezichten, het
+geval,--tot Hilletje op eens, rood-boos wordend, kattig uitviel:
+
+"Da' ledekant zou ommers toch te klein zijn voor een groote as Ant
+.... Merie ken der maar net in ...."
+
+Toen Sprotje zich zoo verdedigd voelde, had zij nog meer moeite,
+haar tranen te bedwingen, maar zij was Hilletje toch heel dankbaar,
+al begreep zij niet, waarom die zoo haar partij koos.
+
+Boven, alleen met Ant, stelde zij voor nog van slaapplaats te
+verwisselen. Maar Ant deed onverschillig:--ze had het al gezegd
+.... zij lei waar ze lei .... en ze had maling aan die oude wijven ....
+
+--Gek! .... hoe kwam het toch, dacht Sprotje, dat Ant tegenwoordig
+zoo vaak praten kon, als Sien vroeger deed?
+
+Zij vond het liggen op de gladde matras, tusschen de keurige geelhouten
+beschotjes zoo heerlijk, dat ze de volgende dagen niet meer repte
+van veranderen. En dank zij die voor haar ongewoon goede ligging,
+sliep zij nu veel rustiger en lieten haar 's nachts ten minste de
+zorgen respijt. Driemaal droomde zij van Hilletje. Eens droomde
+zij ook van Juffrouw Jonkers. Maar in haar droom, zooals dat gaat,
+had zij Hilletje en Juffrouw Jonkers verward; zij zat met de eene
+in de keuken van Diepelink en het bleek de andere te zijn. Dat was
+een vreemde ervaring, toen zij wakker werd, en zij moest er dien dag
+telkens over denken.
+
+Zij moest hoe langer hoe váker aan Hilletje denken, als zij niet
+bij haar was; en het maakte haar iedere maal gelukkiger, wanneer,
+tegen een bedekte bemerking der oude vrouwen in, de dan plotseling
+bits-bijdehande stem van het roodharige meisje tot haar verdediging
+uitviel.
+
+Sprotje begreep toen al wel, dat het kittige Hilletje haar grootmoeder
+en oudtante niet zoo bijster goed gezind was, en het plezieriger
+vond als haar meer gulhartige en pretmakende moeder het huishouden
+deed,--doch haar dankbaarheid was daar niets minder om. Zij bezon zich
+ook verscheidene malen, of zij aan Hilletje niet haar nood zou klagen,
+vragen of die geen dienst voor haar wist .... maar dan leek het haar
+plots of juist Hilletje de laatste was, bij wie ze met die zwarigheden
+moest aankomen, en zij kropte al de angsten op in haar hart.
+
+Zij had zich, die dagen, weer in twee diensten aangemeld; de eene was
+gebleken in een smederij te zijn; de juffrouw had goedig maar heel
+bezwaarlijk gedaan .... Nee, ze zocht toch eigenlijk een ouder meisje,
+was haar besluit geweest. Het tweede dienstje was bij een juffrouw
+met een lange kanten muts op en gouden krullen aan haar slapen;
+die gaf twaalf stuivers in de week en de volle kost; zij moest er
+den volgenden dag terug komen, maar toen was de juffrouw voorzien.
+
+De tweede Zondag, dat Sprotje bij Diepelink was, werd een heuglijke
+dag voor haar.
+
+Den avond te voren had Hilletje gevraagd:
+
+"Hoe laat ben jij morgen vrij? .... dan kom ik je halen."
+
+"Waarom?" verbaasde zich Sprotje.
+
+"Om te gaan wandelen," zei Hilletje .... "wat is daar voor geks aan?"
+
+Met een glansvol hartje had Marie dien avond in bed wakker gelegen;
+en den volgenden morgen, pas in haar dienst, moest zij het aan haar
+Mevrouw vertellen, tegen wie zij, deze weken, uit zichzelve nog niet
+weer gesproken had:
+
+"Vanmiddag komt me vrindin me afhalen .... om te gaan wandelen!"
+
+Sprotje had nog nooit een vriendin gehad.
+
+In een plotselinge oplaaiing van gevoel was zij vol van de liefste
+gedachten over het meisje, dat haar zoo goedgezind bleek. Met een bijna
+pijndoende teederheid dacht zij aan Hilletjes gezicht, aan haar handen,
+haar stem, en tegelijkertijd was er angst in haar hoofd, dat zij niet
+vroolijk en niet aardig genoeg zou wezen op zulk een wandeling, bezon
+zij zich op verhalen en grapjes, die de andere zouden kunnen vermaken.
+
+Met een popelend hart wachtte Sprotje dien Zondagmiddag den klokkeslag
+van vier.
+
+Arm in arm, als twee verknochte vriendinnen, wandelden Hilletje en zij
+den Waterveldschen weg af.... het eenige, wat Sprotje de heerlijkheid
+van dat uur even verduisterde, was, dat zij zichzelf in haar onfraaie
+kleeren en met haar mutsje, niet waardig vond, zoo gelijk-op te loopen
+naast Hilletje, die een mooie korenblauwe japon droeg, en een hoed
+met twee trossen seringen, zóó prachtig, dat ze echt leken.
+
+Het was een zacht-warme dag in het begin van October. Zij wandelden
+langs den Singel, en zaten daar. Op het breede bleekblauwe water
+wiegde her en der het warm goudbruin der saamgevlotte najaarsbladen,
+en door de ijle, gelende boomen zag de hemel teer glanzig en strak,
+als van zachte zijde.
+
+De meisjes zaten dicht naast-een op de bank, die zoel aanvoelde van
+de middag-lange zonnekoestering; zij ondervonden vaag het zomersche
+herfstuur en spraken weinig.
+
+Soms lachte Hilletje plots in een giechertje zacht-luid op en begon
+een verhaal. Sprotje luisterde met een verre aandacht vol gelukkigheid.
+
+Zij dacht, dat zij nog nooit zoo gelukkig was geweest als dezen middag.
+
+Diep in haar hoofd was nog wel de onrust van iederen dag, maar zij
+vergat die bij lange poozen en een uitkomst leek haar zekerder.
+
+En de gansche week daarop, in den weerglans dier schoone uren, deed
+zij luchter en beter haar werk.
+
+Eenmaal, een avond, ging zij ook met Hilletje mee boodschappen doen,
+de stad in, doch dat was zoo heerlijk niet, want zij was te moe van
+den dag in haar dienst.
+
+Langzamerhand waren de twee oude vrouwen, grootmoeder Diepelink
+en tante Bartje, beter jegens haar gezind geraakt. Zij wisten nu
+wel, dat Marie zwak was, en dat die niet uit luiheid 's avonds zoo
+weinig behulpzaam deed. Zij hadden niet meer, als de eerste dagen,
+zijdelingsche schimpscheuten tegen jonge bleekneuzen, die altijd
+op 'r zeven gemakken waren, en de grootmoeder zei nooit meer,
+met haar vinnig-vriendelijke stem, als er iets uit de kast moest
+gekregen of van het vuur: "Allé, meisje, rijs jij eens overeind,
+dan schimmelen je beenen niet." Met een klein-vergenoegd gezichtje
+haalde tante Bartje 's avonds haar duurste en fijnste werk uit de
+mand, mikte, pikte, kriebelde haar petieterigste steekjes door de
+ragge stof, van te voren al gevleid door het eindelijke, verlegen
+vraagje, dat nooit uitbleef .... Sprotje boog begeerig naar voren,
+voelde met aarzelende vingers het open zoompje aan, de kantjes, de
+stikseltjes:--was dat een pronklakentje? .... een doopmutsje? .... een
+dagponnetje? .... hadden overdag de kindertjes van die lange ponnetjes
+aan, om beter het luiergoed te bedekken? om netjes te zijn als ze
+uit de wieg kwamen? ....
+
+Sprotje, met een vaag-hevig verlangen, zag al dat kleine, fijne goed
+onder haar oogen uitgestald. Zij dacht aan Sien .... iederen dag
+konden zij bericht verwachten .... zulk mooi goed zou Sien toch wel
+niet hebben! Zij herinnerde zich woord voor woord wat Sien gezegd had,
+bij haar moeders bed .... van de zeegroene gordijntjes en het kanten
+kleed .... Zij zag Sien zitten met haar zware lichaam en haar vreemde
+gezicht .... Zij zag haar moeder, hoorde die spreken, zoo ongekend
+zacht en liefdevol, over het kindje, dat geboren zou worden .... Zij
+zag zichzelf zitten, 's avonds, bij juffrouw Jonkers ....; zij had
+een wollen doek op schoot, en de Juffrouw bracht haar het slapende
+Wilmpje .... Zij zag het weeke, witte halsje binnen het flanellen
+nachtponkraagje, zij zag het vlassen haartje, en boven de kleine,
+roode slaapwang, het flauwe, blauwe oogstreepje, dat knipperde of
+hij wakker zou worden en dan wassig-vast weer toeviel ....
+
+Een mengeling van onverklaarbare, vreemd-zachte en woeste gevoelens
+kwam er door Sprotjes hart gevaren .... En dadelijk daarop moest zij
+dan aan Hilletje denken. Zij zag Hilletjes ronde, roze wangen, en haar
+blauwe oogen met de lange wimpers, en het dichte, roodblonde krulhaar
+.... en zij was zeker, dat zij nog nooit van iemand zooveel gehouden
+had als zij nu van Hilletje deed, ook zelfs van juffrouw Jonkers niet.
+
+Maar den volgenden Zondag leek haar de wandeling, die zij samen
+maakten, iets minder prettig en iets minder vertrouwelijk, en zij
+wist niet, of dit aan Hilletje lag dan wel aan haar. Het weer was
+helder en zomersch als de eerste maal, en zijzelf was uitgerust
+als iederen Zondagmiddag, wanneer zij in haar stille keuken de twee
+lange middaguren boven "Bunyans' Christenreize naar de Eeuwigheid"
+had zitten droomen .... misschien tobde zij ditmaal meer over haar
+dienst, die verliep, en de nieuwe, die zij maar niet vinden kon
+.... 't Was al bijna half October!
+
+Toch was zij zeker, dat zij dien dag nog meer hield van Hilletje dan
+al de dagen ervoor; alleen, het samengaan maakte haar zoo blij niet,
+gaf haar een onrustigheid en een zorg, die zij niet verstond.
+
+En den derden Zondag kwam Hilletje niet langer alleen, om Sprotje af
+te halen; er was nog een ander meisje bij, een dat ouder was..--Ook een
+vriendin, zei Hilletje,--die had gevraagd eens een keer mee te gaan..
+
+Sprotje voelde plots een nijpende teleurstelling;--dan, even ook, een
+gevleidheid, dat zij nu nóg een kameraad kreeg, een zoo groot meisje
+al .... Maar de teleurstelling bleef het sterkste, maakte haar stug,
+en zij praatte heesch, omdat het schreien haar stak in de keel.
+
+Het nieuwe meisje, donker van uiterlijk en zwaar voor haar jaren,
+praatte en lachte druk en luid. Zij deed lange verhalen aan Hilletje,
+waarvan Sprotje weinig begreep, maar 't ging over verboden dingen,
+dat hoorde zij wel; het maakte haar belust en het vervulde haar met
+een vreemde vijandschap voor het nieuwe meisje, en voor Hilletje ook.
+
+Marie kon Hilletje onder het wandelen nu ook geen arm geven:--dat
+stond niet, met je drieën; en zij liepen los naast elkaar, tot, na
+een tijdje, in een gegiechel en fluisterend gepraat, de twee anderen
+elkaar onder den arm namen, en Sprotje, verlaten en zonder praten,
+alleen er naast ging.
+
+Zij begreep toen, dat Hilletje de stille wandelingetjes met haar alleen
+te saai had gevonden; er verhardde iets in 'r hart; maar door den wrok,
+die haar brokte in de keel, en haar gekneusden trots, voelde zij hooger
+een kwellende liefde en een bitter verdriet. Zij nam zich vast voor,
+een volgenden Zondag zulk een wandeling met z'n drieën af te slaan,
+maar toen zij 's avonds er op dorst zinspelen, zei Hilletje dadelijk
+bits: "nou, graag of niet" en deed zeer beleedigd.
+
+Den volgenden dag, toen Sprotje uit haar dienst kwam, vond zij plots,
+aan den hoek van 't Plantsoen en den Waterveldschen weg, Hein van
+der Kamp op haar staan wachten.
+
+In het begin van den zomer, kort na Siens trouwen, en toen haar moeder
+pas ziek was, had zij den jongen vaak gezien; tweemaal was hij ook bij
+hen binnen geweest, als hij van zijn oliemolen langs kwam .... Toen
+opeens, was hij weggebleven, en tusschen al de lotgevallen van die
+tijden door, had Sprotje niet dikwijls meer aan hem gedacht.
+
+Zij zag dadelijk, dat hij kwaad was; zijn altijd wat rooie en
+ongemakkelijke kop stond grimmig naar haar toe en hij kauwde barsch
+op zijn snorretje.
+
+"'k Heb jou gisteren met die meid van Vieredag zien loopen," zei hij;
+"da's geen portuur voor een meissie as jij."
+
+Sprotje op haar beurt werd boos.
+
+"Dat zal jij zeker weten," beet ze van zich af; "Hilletje van Diepelink
+loopt er toch ook mee."
+
+"Mot die meid van Diepelink zelf weten", zei Hein; "maar die andere
+zal jou niet verteld hebben, dat ze vroeger ook op den Waterveldschen
+weg het gediend .. omdat ze daar weg is gejaagd."
+
+Hij begon weer nijdig op z'n wittige snorretje te kauwen. "Da's nou
+die meid, waar 'k verkeering mee heb gehad .... maar 'k mocht ze niet
+.... en twee maanden later was ze uit 'r dienst gezet...."
+
+Sprotje kleurde hevig, juist als de eerste maal, toen Hein over die
+verkeering praatte; zij voelde zich geheel onzeker, en wist niet,
+wat te zeggen, noch hoe te kijken.
+
+"En waar zitten jullie nou tegenwoordig?" vroeg de jongen, eensklaps
+weer goedig en als uitgewoed.
+
+"Bij vrouw Diepelink," zei Sprotje .... "daar liggen we in de
+kost." Zij was nog niet over de ontredderdheid van haar gevoelens heen,
+en in die verwarring sprak duidelijker op dan ze wou, een toon van
+kleine behaagzucht. Zij was er trotsch op, bij zulke nette menschen
+te wonen.
+
+"'k Was nog wel 's bij je moeder angekomme, toen die zoo ziek lag;
+en later, met de begrafenis...," zei de jongen; "maar as 'k dacht: nou
+gaan 'k 's, dan dacht ik meteen: most die madam 'r 's zitte!... Want
+ik ken ze nog altijd niet uitstaan, die zuster van jou.... En toen
+op een dag waren 'r andere mensche in jullie huisie...."
+
+"Je kwam ook nooit meer 'ns langs," zei Sprotje verwijtend, en met
+een blos alweer.
+
+"'t Wi'k wel geloove...," verweerde zich de jongen; "'k ben nou an de
+oliemolen van die broer van m'n baas, buiten de Weteringpoort ... daar
+waren 's op ééne keer drie knechten tegelijk ziek ... en later ben
+'k der gebleven ... met twee kwartjes opslag na de drie maanden."
+
+"En nou mot 'k er van door," zei hij dan gehaast; "'k mot gaan eten."
+
+Hij vroeg nog waar vrouw Diepelink precies woonde. En in een
+plotselinge vastklamping aan dit wezen, dat zij zich zoo toegedaan
+voelde, zei Sprotje schor en zoo maar verward-fel naar hem heen:
+
+"Hein, me volk het me opgezeid ... weet jij geen dienst voor mijn?"
+
+"Die dienst, waar je al drie jaar ben?" vroeg de jongen geschrokken.
+
+Het meisje knikte.
+
+"Waarom?" vroeg hij weer. Hij zag ontdaan, of hem iets naars was
+overkomen.
+
+Marie kreeg plots de tranen in de oogen; zij trok schril de schouders
+op.
+
+"Om het loon," zei ze dan. "'k Most meer loon, ... 'k kan der zoo
+niet komme ... maar dat woue ze niet."
+
+Toen werd de jongen heel wonderlijk van binnen, beschaamd en ontroerd
+tegelijk, dat dit meisje, dat hij altijd zoo vreemd en teruggetrokken
+had gekend, hem nu zoo hulpeloos haar vertrouwen gaf. Maar plotseling,
+waarom dat wist hij niet, hij had in geen jaren daar meer aan gedacht,
+herinnerde hij zich de twee gulden, waarvoor Merie op dien regenavond
+Sien had verraden; en als een stekende pijn en een afkeerig wantrouwen
+tegelijk, ging het door hem heen, dat zij misschien oneerlijk was
+geweest. Zijn kop werd vuurrood, zijn gedachten verdwaalden door
+elkaar....
+
+Marie, geheel van streek, zag voor zich neer, veegde zich de haren
+van het voorhoofd.
+
+"Nou, 'k zal zien, dat 'k 's voor je rondkijk," zei de jongen; zijn
+stem klonk bijna barsch en toch week, en meteen, na een bruusken knik,
+ging hij door.
+
+Sprotje, de daaropvolgende dagen, leefde in een onontwarbare woeling
+van gevoelens en gedachten. Het berouwde haar niet, dat zij Hein over
+dien dienst gevraagd had, ofschoon zij niet begreep, waarom hij opeens
+zoo boos was geworden en nog minder, hoe Hein een dienst voor haar
+zou kunnen vinden; zij moest telkens aan hem denken, maar nog meer
+moest zij denken aan Hilletje en hun oneenigheid. Zij dacht ook veel
+aan haar moeder, en aan juffrouw Jonkers. Maar geen gevoel kon zij
+duidelijk nagaan; zij kon met niets in het rechte komen. Zij meende
+een zelfde innigheid te voelen voor juffrouw Jonkers en voor Hilletje,
+maar werd zich dan opeens bewust, dat zij nooit zoo aan juffrouw
+Jonkers' wangen en oogen had gedacht als aan die van Hilletje. Aan
+Heins oogen en wangen had ze ook nooit gedacht, en toch werd ze voor
+hem soms dezelfde weekheid gewaar als voor Hilletje, maar meer nog
+dacht zij aan hem met de behoefte van bescherming-zoeken, zooals zij
+nu, achterna, dacht aan haar moeder.
+
+Doch al die dierbare en beangstigende gevoelens, wanneer zij,
+nieuwsgierig en begeerig en terugschrikkend, ze door zich heen
+voelde trekken, werden steeds weer vertroebeld en vergald door den àl
+klimmenden angst voor den vijftienden November. Zij was nog weer op
+de enkele diensten, die in de "Bode" stonden, afgegaan. Op de Oude
+Gracht, in een deftig huis, had zij de Mevrouw niet eens gezien,
+was dadelijk afgewezen door de keukenmeid; een zwarte japon en witte
+manchetten waren daar vereischte; zij had dat niet begrepen. De
+Juffrouw van een galanteriewinkel was heel toeschietelijk geweest,
+deed dadelijk of ze haar al gehuurd had, maar toen Sprotje vroeg,
+hoeveel ze verdienen kon, bleek het loon maar zestien stuivers te
+zijn en de halve kost. Zij begreep niet, hoe en waar ze nog iets zou
+moeten vinden. En wat toch, wat toch, als ze niets vond! Ze kon soms
+vurig loopen bidden op straat, om redding; andere dagen was zij zoo
+moedeloos, dat zij tot een gebed geen macht meer had.
+
+Den volgenden Zondag ging Sprotje nog eenmaal met Hilletje en Anna
+Vieredag uit. Zaterdags-avonds was zij de minste geweest, had, toen
+de andere niets zei, zelf gevraagd--haar slapen klopten van angst en
+verlangen--of de twee haar weer kwamen halen. "Goed," was Hilletjes
+onverschillig antwoord geweest.
+
+Vaag slechts had Sprotje er zich rekenschap van gegeven, dat zij liever
+Hein boos maakte, dan Hilletje voor goed te verliezen; doch tevens
+voelde zij zich daar bleek en beverig om, als wie iets schuldigs doet.
+
+Dien Zondag was de wandeling met hun drieën haar een nog grooter
+kwelling dan de eerste maal. Zij begreep hoe langer hoe killer,
+dat Hilletje niets om haar gaf; en zij was zoo ongelukkig, dat zij
+voortdurend liep te strijden met haar tranen. De meisjes, aldoor
+aan 't gekken met elkaar, zagen het niet eens. Toen hoorde Sprotje
+plotseling den naam: van der Kamp.--Zij hadden 't over Hein, en
+Hilletje, proestend, zei iets, waarover Anna Vieredag, met een knik
+in haar middel, leelijk begon te lachen.
+
+Sprotje voelde heftig haar hart hameren en het bloed naar haar hoofd
+jagen; een felle weerzin tegen de twee steeg haar opeens naar de keel
+en tegelijk een heet verdriet naar haar oogen. Zij werd als blind en
+doof van binnen; zij draaide zich om en liep weg. De twee meisjes,
+nog lachend, bleven waaierig staan, riepen haar terug. Hilletje,
+bang opeens, dat zij thuis klagen zou, kwam haar achterop geloopen,
+en naast haar, met de hand op 'r arm, praatte erg lief en overredend
+van "kom meid, wees nou niet zoo flauw, la' we nou prettig verder
+wandelen...." Doch toen Sprotje, huilend en wild nee-knikkend,
+doorging, liet ze haar met een duw los en schold: "akeligheid!.... 'k
+wil nooit meer met je uit, hoor!"
+
+Maar Sprotje voelde nauwelijks pijn daarvan; brandend huilde ze nog
+even; toen liep ze, inwendig als versteend, naar huis. Sinds dien
+middag was haar wonde genegenheid voor het roodharige meisje plotseling
+saamgeronnen en verkild; en zoo, in enkele weken, verliep de eenige
+vriendschap, die zij in haar leven ooit gehad had, of ooit hebben zou.
+
+Wel bleef zij lang nog in haar droomen van Hilletje vervuld, maar er
+was dan altijd iets, dat niet heerlijk uitliep, en dat haar wakker deed
+worden met een wrang en stekend gevoel in de keel, of zij bitter had
+moeten schreien en niet had gekund. En overdag en 's avonds ontweek
+zij Hilletje zooveel dat ging; zij vermeed steeds haar aan te zien
+of haar te betrekken in iets, wat zij zei.
+
+En toen uit Sprotjes leven de plotselinge en zoo korte glans dier
+genegenheid was weggevaagd, toen zij 's morgens niet meer kon opstaan
+met het verlangen naar Hilletjes klare, vroolijke stem, en den dag
+door niet de warmte in haar hartje voelen van een vriendschap zoo
+nieuw voor haar, en 's avonds gaan slapen met in haar geheugen,
+versch, al hetgeen Hilletje dien dag tegen haar gezegd had,--toen,
+in de plotseling weer leege dagen, hernam haar des te heviger de
+angst voor de werkeloosheid, die dreigde.
+
+Met een heimwee-vol verlangen dacht zij nog vaker nu aan haar moeder;
+met een vreemd, wee verlangen begon zij ook zich ongerust te maken
+over Hein, dien zij in geen tien dagen gezien had.
+
+Toen de laatste October aanbrak voelde zij zich als van angst
+verwurgd. "Over veertien dagen!" dacht ze maar; "over veertien
+dagen." Zij wanhoopte iets te vinden. Er waren bijna geen diensten
+open, en geen voor een halfwas als zij. Bij een slagersjuffrouw ging
+zij zich aanbieden:--of ze wel eens meer had gediend .... ? maar ook in
+een drukke zaak .... ? en de slager zelf, die juist in de binnenkamer
+een kop koffie slurpte, vroeg met een spottenden lach, of zij er wel
+trek in zou hebben een vloer vol bloed aan te dweilen ....
+
+In de Hanekamp had zij 't geprobeerd:--Ja, uit oude bekendheid .... zei
+men daar...., maar in een huishouden met zeven kinderen .... zij moest
+zelf maar eens bekennen, of zij dat aan zou durven. Zij had wel willen
+zeggen van ja, maar zij voelde, dat zij toch zou worden afgescheept.
+
+Zij dacht er iederen dag aan, haar Mevrouw te smeeken nog te mogen
+blijven. Zij spiedde in huis en luisterde bij de deuren om gewaar te
+worden, of er al een ander was genomen .... Toen zij op een morgen
+begreep, dat haar plaats was vergeven, leek het haar, of dit nu het
+einde was van alles.
+
+Over geen veertien dagen meer zou de dag komen, dat zij 's morgens niet
+naar den Waterveldschen weg had te gaan, dat zij met haar armen over
+elkaar bij Diepelink moest blijven, of op straat kon gaan zwerven; dat
+zij heel haar kostgeld van haar erfenis zou moeten geven .... en dan,
+eindelijk, als een nacht-zwarten afgrond, zag zij den dag, dat zij
+niets meer zou kunnen betalen .... een duister, wijd water was het,
+dat smorend om haar heen sloot.
+
+Zij dacht wel vaag: haar voogd .... de oom uit het Kerspel, dien zij
+twee- of driemaal had gezien voor haar moeders begrafenis, maar hij
+was nog veel armer dan zij ooit geweest waren. Wat zou die helpen?
+
+Haar gezicht werd zoo minnetjes, dat de oude vrouwen haar vaak met
+zorg aankeken, en te vragen begonnen.
+
+"Niks .... 'k heb niks ....," zei Sprotje angstig ontwijkend. Zij was
+doodsbang voor dat vragen. Juist de menschen, waar ze in huis lag,
+mochten niets weten, juist die niet. Dat waren de menschen, waar zij
+geld aan zou moeten betalen, als zij geen geld meer had. Iedere maal
+dat zij voor haar bord middageten aanschoof, had zij 't nijpende
+gevoel van ze bij voorbaat al te bedriegen.
+
+Soms bekende zij zich wel, dat zij verkeerd deed, zoo te zwijgen:
+de Diepelinks moesten eens diensten weten! Ze zei telkens: 'k mot
+'t zeggen .... Ze kon niet. Soms hoopte zij maar, dat men plotseling
+alles weten zou ....
+
+Ant, sinds weken, zag zij bijna niet. Die kwam aan 't eten te laat,
+sloeg haastig wat naar binnen, was weer weg. Wat die toch had?
+
+"Wat loopt Ant altijd naar de haven?" had Hilletje eens aan tafel
+gevraagd.
+
+En Sprotje was gaan rekenen; veertien dagen vóór haar moeders dood
+was Busselaar bij hen geweest; den dag vóór de begrafenis was hij
+niet verschenen en de tweede week bij Diepelink evenmin. Zij waren
+nu bijna vijf weken in hun kosthuis,--'t was weer de tijd, dat hij
+met zijn "Duif" een dag voor anker kwam liggen.
+
+Ant wachtte .... Ant, na weken van morrelende onrust, was of kwam aan
+de haven. Met haar domp-hartstochtelijken aard had zij zich blindweg
+en voorgoed als vastgezogen aan den man, die, sinds meer dan twee jaar
+nu al, haar in het ongewisse hield. Tijden lang, iedere veertien dagen,
+had hij een middag en een avond als een doodgeloopen boot in hun keuken
+vastgemeerd gezeten, of hij nooit weer heen zou gaan .... gevreeën
+eigenlijk had hij haar niet. Hij had maar koffie gedronken en van
+de koeken gegeten, die hij zelf meebracht; soms had hij wijdloopige
+verhalen gedaan. Hij had haar 'ns onder de kin gepakt of in de dij
+geknepen en gevraagd: "zou jij wel graag op een schip leven?" "zou
+jij wel een weduwnaar van over de veertig willen hebben?" "zou jij
+wel aan 't roer willen staan, als de knecht eens ziek was?"
+
+Over haar antwoorden had hij lang nagedacht, doch ze niet verder
+besproken; hij had maar, met zijn groote, vleezige handen over zijn
+stoppelig schippersbaardje gewreven, of nadenkend het gouden ringetje
+in zijn oor betast. En bij een volgend bezoek had hij weer soortgelijke
+vragen gedaan.
+
+Ant, zonder eenige zekerheid ooit, had een oer-fel gevoel van bezit
+over hem gekregen, en nu hij tweemaal uitbleef, was er enkel de drift
+in haar, hem terug te halen, hem mee te drijven naar waar zij woonde,
+hem aan tafel te zetten, koffie te schenken en door haar doening
+en blikken aan ieder te zeggen: "die man is van mij." De angst van
+haar dagen was, dat hij niet zou weten, waar zij gebleven waren,
+en in zijn vreemde lauwhartigheid zich ook geen moeite geven, dat
+uit te vinden. Als ze hem maar eerst zag, hem maar in 'r bereik had!
+
+Doch toen zij na veel wachten en vragen, wanneer de "Duif" toch wel
+eindelijk zou binnenloopen, begreep, dat de beurt al voorbij was,
+of niet kwam ditmaal, toen verviel zij in een stompe verslagenheid,
+die dagen lang duurde.
+
+
+
+Den vierden November was het een feest in het huis van de
+Diepelinks. Moeder Diepelink kwam terug uit een rijke bakerdienst,
+waar zij meer dan zes weken gebleven was. In den namiddag kwam
+zij aanzetten, een gezellige, goedlachsche vrouw, met een blozend,
+welgedaan gezicht binnen den blauw-blanken schulprand van haar kornet.
+
+Zij bracht een klapmand en een korfje vol zoetigheden en vleeschwaren
+mee, alles presenten uit haar dienst: koeken en hoofdkaas en fijne
+appelen, een halve flesch pons en Utrechtsche theerandjes en twee
+gerookte palingen .... en zij deed de wonderbaarlijkste verhalen over
+het goede leven, dat zij gehad had en over de vijf en tien guldens,
+die haar bij 't doopmaal en de kraambezoeken waren toegestopt. Hilletje
+was buiten zichzelf van plezier. Haar moeder weer thuis en een tafel
+vol om van te smullen! Wat een lol!
+
+Zij kreeg direct uit den vollen buidel een kwartje cadeau, wat de
+twee oude vrouwen afkeurend de hoofden deed schudden--dadelijk weer
+verwennen! dadelijk weer geld voor snoepgoed!--doch het verstoorde de
+feestvreugde niet. Zelfs Ant werd aangestoken door al die lustigheid,
+praatte luid en liet zich door het meisje de kamer rondtollen.
+
+Sprotje haatte op dat oogenblik Hilletjes uitgelaten stem! Met
+een ziekbleek gezicht en een hart vol warsheid van die pret zag zij
+toe. Den vierden November! Begreep dan niemand, hoe ellendig zij eraan
+toe was? Zag Ant dan niets? Zag tante Bartje dan niets? Zelfs Hein
+liet haar in den steek, dacht zij smartelijk .... niemand, die zich
+ook maar iets om haar bekommerde!
+
+Met een verbeten mond en oogen, die telkens vol tranen schoten,
+zat zij boven haar avondbrood.
+
+Ze waren bij Diepelink aan haar vreemde buien wel gewend. "Niks .... 't
+is niks ....," lei de grootmoeder stil aan moeder Diepelink uit,
+"ze is nou wat verlegen, .... nou der weer een vreemde bij is ....,
+dat trekt morgen wel over ...." En zoo, zonder booswil, lieten ze haar,
+daar aan 't eind van de tafel, met haar bittere gedachten alleen.
+
+Maar toen, tegen het slot van den maaltijd, de twee oude vrouwen en
+Ant, met glimmende vingers en monden, nog de laatste stukken vette
+paling aan 't uitpluizen waren, en achter in de keuken de moeder
+en Hilletje, onder veel gegiechel en heimelijke knuffelarijen,
+'t druk hadden met de glazen en 't warme water voor de pons, toen
+werd het Sprotje op eenmaal te zwaar. Met een ruk ging haar stoel
+op zij, en zonder een woord of een groet was zij weg, de deur uit,
+op straat. Even was wel een duizelige schrik over die daad door haar
+heengeflitst; maar de daad zelf had haar in een staat van uiterste
+opwinding gebracht. Met een leeg, heet hoofd liep zij het donkere
+grachtje af en er kwam een verdwaasdheid in haar denken, een star
+kijken op één ding: Ze moest, ze móést nu een dienst .... er waren
+diensten.... zij móest nu den dienst vinden, die voor haar was.
+
+Zij liep twee, drie straten door.
+
+Ze moest naar de drukkerij gaan, dacht ze dan weer, waar dadelijk as
+ie uit was, de Advertentiebode tegen het raam werd geplakt .... hij
+kwám dien avond uit .... 't was Vrijdag .... Altijd stonden daar
+troepen jongens en meiden te wachten, die werk zochten .... Je kon
+ook naar binnen gaan, en vragen ....
+
+In een droom voerden de slepende voeten haar voort.
+
+Toen zij, in de nauwe en duistere steeg, dicht bij de twee felle,
+lichtstralende ruiten was geraakt en daarvoor de luidruchtige
+bende saamscholen zag, ging zij snel en schuw terug, en sloeg de
+Lammerenmarkt op. Met zinlooze oogen tuurde zij de rijïng der duistere
+of schemerende gevels langs .... àl die huizen, àl die huizen .... en
+waar was het huis, waar waren de menschen, die voor haar dagenlange
+sjouwen het beetje geld wouen geven, dat zij noodig had?
+
+Eens schrok zij van zichzelf .... had zij daar niet de opwelling gehad,
+zoo maar als een bedelmensch, te bellen aan een rijklichte voordeur,
+en te vragen .... ja, wàt zou ze vragen?
+
+Zij liep plotseling in 't Plantsoen .... zij werd daar bang, omdat het
+er zoo eenzaam was; in de verte, onder een gaslantaren, onderscheidde
+zij flauw de bank, waar zij eens, dien eenen heerlijken Zondagmiddag,
+met Hilletje gezeten had .... Zij haastte naar de lichte straten terug;
+met de mouw van haar jurk veegde zij de tranen weg, die heet over 'r
+wangen beefden. Zij kwam in de buurt van de Veen-válkstraat.... Tijd
+en duur was plotseling voor haar verzwonden. Zij zag de kamer van
+juffrouw Jonkers, 's avonds .... de Juffrouw zat in den rieten stoel
+en zij aan den overkant der tafel.... rood scheen het lamplicht over
+het rood-en-zwarte wollen kleed, en Wilmpje sliep in zijn wagen,
+achter de open kastdeur..
+
+Een snikken barstte in haar uit.... toen er menschen naderden, ging
+zij schielijk een donker bordesportaal in. Dan liep zij weer terug.
+
+Er was een angstwekkende wisseling in haar hoofd van schril-duidelijke
+herinneringsbeelden en van wemelende, zwarte gapingen, of alle
+denken haar begaf; zij werd zóó moe, dat zij, als in een koorts,
+op brijzelende voeten liep.
+
+Bij lange poozen vergat zij het doel van haar doellooze zoeken. "Een
+dienst....," vaagde het nog door haar hoofd, doch de eigenlijke
+bekommernis van haar hart was zij in haar uitgeputheid vrijwel
+vergeten.... een dichterbije angst alleen was gebleven: wat zouden
+ze tegen haar zeggen, bij Diepelink, als ze weer terug kwam, straks?
+
+Toen zij op eenmaal, met een schok van bezinning, zich vond loopen
+bij den grooten molen op den Wal, waar laag bij het nachtzwarte
+getorente de arbeidershuisjes stonden met een enkel verlicht venstertje
+nog maar--toen zag zij plotseling zich daar loopen, als kind, met
+haar twee guldens in de hand genepen en haar pak kleeren onder den
+arm.... Zij stond stil; een wonderbaarlijke klaarheid was even in
+haar ijle hoofd: van toen tot nu, al de jaren door, zag zij haar
+leven één ellende en één worsteling; en zij zag, dat dit wel altijd
+zoo blijven moest. "Hein!" dacht ze dan. En het vreemde, woeste en
+weeke, dat pijn deed en lust gaf, gudste door haar heen.
+
+Maar plots, in het duister van het eenzame nachtpad, voelde zij
+een heeten blos haar kille wangen overtijgen. Zij was nu groot,
+volwassen, achttien jaar bijna! Zij mocht hier niet loopen als ze
+deed toen ze een kind was...... en zij mocht zulke slechte gedachten
+niet hebben.... zij moest goed blijven, eerzaam blijven..
+
+Stil en verslagen, als een afgestraft dier, liep zij den langen en
+moeizamen weg terug van den molen naar de Vliet, naar het huisje,
+waar zij thuis lag.
+
+Daar, toen het over tienen werd, was het huishouden in rep en roer
+geraakt. Hilletje werd naar bed gestuurd; de vrouwen, met haar
+wat opgewonden feestvier-hoofden, haalden zich de buitensporigste
+onderstellingen in den zin. Ant stelde ze wel gerust.... Merie wás zoo
+wat vreemd.... 't was al meer gebeurd....; maar de vrouwen waren niet
+tot kalmte te brengen. Als ten leste de onrust geen uitweg meer vond,
+werden zij boos. Niemand dorst gaan slapen.
+
+Doch toen zij Marie, verwezen en schril-wit, plotseling op den
+keukendrempel zagen staan, zweeg hun boosheid. Zij schrokken allen
+geweldig. Wat was er gebeurd?.. Sprotje werd bij 't fornuis gezet,
+kreeg heete pons, werd naar bed gebracht. Den volgenden morgen kon
+zij niet naar haar dienst gaan. En Ant dwong haar te spreken.
+
+"Nee... maar... zoo'n kind!" zei tante Bartje;--waarom in 's hemelsnaam
+had ze 't niet eerder gezegd!
+
+Vrouw Diepelink maakte zich eerst nog kwaad: van de stiekemheid
+hield ze niet. Dan kwam haar goedhartige aard toch weer boven. Ze
+had bij de halve stad gebakerd, bij de halve stad had ze een wit
+voetje....! ze zou zien, wat ze doen kon.... Maar zoo'n meid, die
+den tijd liet vergaan en niets zei! Waar vondt je nog iets na één
+November?.... Afijn, ze zou 'r best doen....
+
+En drie dagen later had Sprotje een dienst.
+
+"De eene z'n nood, da's de ander z'n brood," zei vrouw Diepelink,
+toen zij met het bericht thuis kwam, waar Marie zich aan kon melden.
+
+'t Was een dienst van buitenshuis slapen, maar zij kreeg éen-twintig
+in de week en den vollen kost. Dat was een blijdschap! Ze zou nu
+een kwartje aan de kamerhuur meebetalen, werd er uitgemaakt, en
+twintig centen geven voor koffie 's avonds en 's morgens; dan hield
+ze nog vijftien stuivers over voor haar kleeren en de rest. Wat een
+rijkdom! Sprotje tracteerde 's avonds op bolussen, maar ze kon er
+zelf niet meer dan één eten, zoo ziekig was ze nog.
+
+Een laatste week ging zij naar Mevrouw Verscheer ter Gouwe; en toen,
+eindelijk, braken er betere dagen voor haar aan.
+
+
+
+
+
+
+
+II.
+
+
+Nou maar ....," zei Hein, bedremmeld of hij een boos geweten had,
+"wat jij goed ben terecht gekomme.."
+
+'t Was op een Zondagmorgen, bij 't uitgaan van het Luthersche kerkje,
+dat hij langs kwam en Marie staande hield.
+
+Doch het meisje, of zij geen gezindheid voor een praatje voelde,
+had alleen afgemeten "dag Hein" gezegd, en wilde doorloopen.
+
+"De laatste maal, da 'k je zag," bleef de jongen volhouden, "toen
+was je der zoo naar aan toe .... daar had 'k toch zoo'n sjagrijn over."
+
+"He'k weinig van gemerkt," kwam Sprotje koel terug.
+
+De jongen keek haar vergiffenis-vragend aan.
+
+"Dat mot je zoo niet opnemen," zei hij, "'k hèb wel voor je rond
+gekeken, en gevraagd .... maar 'k kon niks vinden .... en toen 'k
+niks vinden kon, wou ik je liever maar niet zien ook."
+
+"'k Kan niet tegen de narigheid," zei hij dan met een ruk van z'n
+rooien kop op zij.
+
+Marie zag verwijtend naar hem, maar zij kreeg nu ook wel meelij,
+zoo bedelend en bedrukt als hij daar voor haar stond.
+
+"Die narigheid, daar zat ik anders midden in," zei ze toch nog.
+
+"'k Dacht," zei de jongen, als een uiterste verontschuldiging, "dat
+je wat verkeerds gedaan had in je dienst .... net as die andere meid
+van mijn .... daar had ik nog de meeste beroerdigheid over .... maar
+nou ben je zoo goed beland .... 'k zie nou wel, da 'k dat mis had."
+
+Met zijn fel-blauwe, naakte oogen keek hij recht en dringend in de
+hare, en Sprotje, onder dien blik, voelde weer het vreemde, weeke en
+angstige door haar heen duizelen, dat zij zoo goed kende, den laatsten
+tijd, en waar zij zoo bang voor was.
+
+Zij bloosde hevig, zei jachtig iets van: naar huis moeten .... al
+laat...., en meteen ging zij door.
+
+"En héí je 't nou alles naar je zin?" sprak luid de jongen nog achter
+haar aan, in een laatste poging tot hartelijkheid.
+
+"Alles best, hoor!" antwoordde Sprotje over haar schouder.
+
+En toen zij zoo, blozende en beschaamd, en plots ook verzoend weer,
+naar hem omkeek en lachte, had zij een liever gezichtje, dan de jongen
+nog ooit van haar zag.
+
+'t Was in het tweede hotel van het stadje, in "De Cannegieter,"
+dat Marie, door de voorspraak van vrouw Diepelink, was in dienst
+gekomen. "De Cannegieter" was niet zoo voornaam gelegen, en zoo
+duur, en zoo deftig beklant als het kleinere "Hof van Holland," maar
+'t was er wel tienmaal zoo druk. Alles van de markten kwam daar,
+en de handelsreizigers, en er was een café bij, waar 't altijd vol zat.
+
+Van dat hotel zelf echter en van het café kreeg Sprotje nooit iets
+te zien. Om acht uur iederen morgen kwam zij door de zijdeur in het
+Schoutensteegje binnen en daalde de bediendentrap af naar de keuken aan
+de binnenplaats, waar zij haar dagen doorbracht. En iederen morgen om
+acht uur stonden daar, in de bijkeuken, haar twee aanrechten al vol
+vuil gerei, dat wachtte.... Sprotje wiesch, Sprotje droogde.... Dat
+was haar werk. Zij wiesch de dozijnen koffiekoppen en likeurglaasjes,
+die den vorigen avond nog waren leeggedronken, het aardewerk van
+een verlaat diner, de vette bordjes van broodjes met ham en gebakken
+eieren, waaraan, in de vroegte, bezoekers zich al hadden vergast.
+
+En al naar zij de stukken wiesch en in de meters-breede, open
+muurkasten weer op hun plaats schikte, kwamen nieuwe bladen-vol het
+weggeruimde vervangen: 't ontbijt van de handelsreizigers, die er
+zoo vroeg niet op uit trokken, het tweede ontbijt van het personeel
+boven. En voor zij alle vorken en lepels en de nikkelen kannetjes en
+suikerschaaltjes netjes had opgepoetst, en al de messen met messepoeier
+blank gewreven, kwamen de bezendingen der vroege koffietafels alweer
+in het liftkastje afgezakt.
+
+Maar te druk had zij het toch nooit. Zij moest maar op haar verdrag
+werken, was haar gezegd, en zorgen, dat het aardegoed nooit streperig
+zag en het metaal nooit dof. Wat zij brak was voor haar rekening.
+
+Klein-alleen in de groote, witgekalkte bijkeuken, die, met zijn
+bovenramen aan de binnenplaats, wel een leeggedragen catechisatiekamer
+leek, of een prachtige kelder,--daar stond het onnoozele Sprotje
+te midden der resten van het popelendste leven der kleine stad,
+al den afval van avondbrasserijtjes en smulpartijen, van morgen- en
+middaggasterijen en goede sier. Zij wiesch en zij droogde, zij rook
+aan de glaasjes, wat voor vreemde dranken daar wel in geweest mochten
+zijn, zij begluurde de restjes op borden en schalen, proefde met een
+vingerlik .... Soms draafde een kellner of een kamermeid binnen. Dan
+schrok zij.
+
+En in de nog uitgestrekter keuken naast-aan, voor het fornuis als een
+kamertje zoo groot wel, stond, in zijn witte kleeren, de kok. Uit de
+tusschendeur, die op een kier bleef, dreven de geuren binnen. Als zij
+voor nieuw heet water aan de koperen fornuiskraan moest zijn, neusde
+zij: daar dampten de ijzeren potten met het sissende braadvleesch,
+de pannen vol borrelende saus en de ketels vol soep; in groote blikken
+vaten op tafel koelde de gekookte melk.
+
+Soms werd Marie binnengeroepen om te roeren. Dan stond de kok
+voor het aanrecht en met zijn bebloede handen kerfde hij, als een
+slager, de klompen vleesch; zijn vingers dropen en zijn schort was
+besmeurd. Sprotje vond dat een ijselijk gezicht. De eerste maal raakte
+zij bijna van haar zelf; dan wende zij er aan.
+
+Iederen dag zag en leerde zij iets nieuws. Zij kon het niet bevatten
+alles. Zij had nooit geweten, dat er zooveel in het leven te koop was,
+en bij Diepelink, 's avonds, raakte zij niet uitgepraat.
+
+Haar dagelijksche verwondering was ook, wie toch wel al dat eten
+moest opmaken, dat zij iederen morgen weer verwerken zag. Vaag hoorde
+zij iets over een "heerentafel," over de "pladduzjoer," en over de
+"buitendinees".... Soms waren er gastmalen van "de Bond." Dan liep
+ieders hoofd om. Vóór achten al stond de kok als een zot gele saus
+te draaien; de flesch olie hield hij, in een servet, onder den arm;
+druppeltje voor druppeltje viel er in de dikke brij.... Dan rolde
+hij deeg met een ronde stok, en bakte een pastei.
+
+En de hoopen eten, die er zoo'n volgenden dag voor hún tafel
+overbleven! Soepvleesch zooveel zij maar lustten, en al het overige
+naar venant.
+
+Andere dagen weer sneed de kok al de resten ondereen en maakte daar,
+met bruinen wijn en kruiden, een fijnen schotel van voor boven. Dan
+kregen zij elk hun afgepaste deel en moesten verder genoeg eten aan
+aardappelen en gruttenbrij. Maar lekker dat die aardappelen soms
+waren! Sprotje had nog nooit zooiets geproefd: stukjes, of stokjes,
+goudgeel en met korstjes, die knisterden en die je toch zóó fijn maalde
+in je mond. Een volgenden keer hutste hij boonen en rijst door elkaar,
+en gooide er een stuk spek in .... maar gek, zoo'n kok kon het zoo
+raar niet klaar maken, of 't was toch altijd nog lekkerder dan wat
+je thuis ooit at.
+
+De gezamenlijke maaltijden aan de groote tafel in het achterhuis waren
+Sprotje aanvankelijk wel eerder een kwelling dan een genot. Zij zat er,
+de laatste, in een hoekje naast de linnenpers gedrongen, en zij hield
+zich maar stil en achteraf, dat men niet op haar letten zou ....,
+doch haar kleine, grijze oogen gluurden des te gretiger de schotels
+rond, en er was nooit zoo weinig, dat je niet volop kreeg. Maar ze
+werd vaak genoeg geplaagd.
+
+--Ze mosten eens weten, dacht dan Sprotje met evenveel beduchtheid
+als stiekeme voldoening, dat verleden week 's avonds Hein weer met
+'r was opgeloopen van het Turfgrachtje tot aan de Vliet ....! Ze
+mosten eens weten, dat Vrijdag Hein haar had afgewacht in de
+Schoutensteeg!... Trouwens, ze was het plagen wel gewend, van vroeger,
+thuis.
+
+Ook haar werk was nu juist niet van het prettigste. Altijd afwasschen
+.... altijd afwasschen! haar handen waren overal gebarsten van het
+zeepwater en de soda. De kok kommandeerde, de kellners kommandeerden,
+de kamermeiden kommandeerden .... Maar binnen twee maanden had ze
+een japon overgespaard; zij leefde bij 't vooruitzicht van alles,
+wat ze weer zou kunnen koopen; zij voelde ook, dat haar gezondheid
+vooruit ging,--geen trappen loopen, geen haast meer--; een kost als een
+rijkelui's meid, en vijfenzeventig centen in de week voor haar alleen!
+
+Viel er in de keuken eens een extra hapje af, dan spaarde zij het
+uit haar mond en bracht het aan grootmoeder Diepelink, die zich vaak
+beklaagde, dat zij nooit meer 'ns iets bizonders over de tong kreeg,
+nu zij niet langer in de fijne diensten uit bakeren kon.
+
+Sprotje was de Diepelinks zeer dankbaar gebleven.
+
+De vrouwen thuis, ingepalmd door die kleine vriendelijkheden,
+hadden ook wel vaak een vriendelijkheid voor Sprotje terug, en toen
+hun eens verteld was, dat Marie zoo dikwijls op straat werd gezien
+met een werkman uit den oliemolen van achter de Weteringpoort, toen
+verzonnen zij daar kleine, goedige plagerijen op, tante Bartje vooral,
+die het vermaak waren van den avond. Sprotje bloosde dan, Sprotje werd
+verlegen, maar haar hart zwol van een vreemde heerlijkheid. Zij kon
+het nauwelijks gelooven .... zij zag zichzelve nog altoos achterlijk
+en min .... Merietje, of Sprot.... en plots was daar nu de erkende
+mogelijkheid, dat zij, als alle andere meisjes, verkeering zou hebben;
+en met een kerel nog wel als Hein!
+
+'t Prettigst vond Sprotje die uren, als Ant was uitgegaan en zij
+met de twee oude vrouwen alleen bleef; Hilletje was al sinds eenige
+weken niet meer thuis. Die, het leven bij 'r opoe en oudtante beu,
+met wie ze niet lachen kon als met haar moeder, en die haar te
+weinig vrijheid lieten naar 'r zin,--de kommesalen waren ook al
+niet meegevallen!--Hilletje had net zoo lang gedreven tot ze een
+plaats op een kleermakerij in Amersfoort mocht aannemen, en daar bij
+'t groote huishouden van haar oom in den kost kwam. Met een laatste
+naschrijning van verdriet en een verluchting tegelijk, had Sprotje
+haar zien vertrekken. Iederen dag, onverdeeld, verlangde zij nu
+naar de rustige avonden met grootmoeder Diepelink en tante Bartje,
+en iederen dag ook verlangde zij naar dat spelletje van stilletjes
+plagen en stilletjes zich verweren, dat haar zoo welkom was.
+
+Het werd een spel van velerhande gewaarwordingen voor Sprotje. In
+de tegenwoordigheid der vrouwen was het meest haar kleine, gevleide
+ijdelheid die sprak; maar in de uren alleen, daarna, werd het heel
+wonderlijk in haar hart van verlangens en vage hoop, die zij zich
+ternauwernood bekennen dorst. Toch was het, of 't meer openlijke en
+uiterlijke, door dat schertsen aangebracht, haar ontoegankelijker
+maakte voor de zwijmelende gevoelens, die haar de laatste maanden zoo
+vaak bekropen, in 't geheim, en verontrustten. Ze voelde zich trotsch,
+een kriebelende vreugde was soms in haar hoofd, hoewel ze zich dikwijls
+genoeg voorhield, dat Hein best niets bizonders bedoelen kon.
+
+Ze zag er frisscher uit, ze liep niet meer zoo gebogen in de
+schouders;--zij werd behaagziek voor haar doen; zij kocht zich de eene
+week, van haar spaarbank-geld, een nieuwen winterhoed met schotsche
+strikken, en de andere week een bontje van negentig cent.
+
+Soms, als er niemand was, keek zij in den kleinen spiegel boven het
+kastje van de voorkamer: ze had toch al wel een klein beetje kleur,
+vond ze, en 'r haar leek ook niet zoo erg onvoordeelig meer ....
+
+En den derden April, geheel vervaard, kwam Sprotje met het
+bijna-niet-te-zeggene thuis: Hein had een briefje voor haar afgegeven
+aan het hotel .... hij vroeg, of ze Zondag met hem uitging.
+
+Dat was een bereddering! De grootmoeder en tante Bartje raakten niet
+uitgevraagd: wat had ie precies geschreven? wou ie alleen Zondag met
+'r uitgaan? of wou ie verkeering? maar as een jongen je vroeg om
+uit te gaan, dan wou ie toch eigenlijk verkeering .. Nou, hadden ze
+'t niet gezegd?
+
+Zij toonden al de kleine en nieuwsgierige belangstelling, die zooveel
+oudere vrouwen hebben voor alles wat een jonge liefde aanbelangt.
+
+Sprotje, in haar verwarring, was ten uiterste gestreeld.
+
+Tante Bartje praatte vooral over: de verantwoordelijkheid .... een
+meisje zonder ouders .... de voogd .. Ook Ant diende gehoord. Ant
+zei niet veel ....--Ja, Merie most het zelf weten .... Zij scheen
+niet al te best te spreken over het geval.
+
+Ten slotte werd er beslist, dat Merie nog de jaren niet had, om zonder
+zekerheid van verkeering met een jongen uit te gaan, en dat van der
+Kamp--ze had dien Zondagmiddag toch niet vrij--des avonds bij hen
+kon komen koffiedrinken.
+
+En zoo gebeurde het.
+
+Sprotje doorleefde dien avond als een koortsigen maar goeden
+droom. Met plekkerig-heete kleuren onder de oogen, van opwinding en
+verlegenheid, zat zij naast Hein, en zei zoo goed als niets. Hein zei
+weinig méér. Iedereen keek hen aan; zij waren beiden zeer beschaamd
+en zagen toch welgemoed.
+
+Alleen Ant was nukkig, en op het midden van den avond, plotseling,
+ging zij uit. Dat werd weinig aardig gevonden. De grootmoeder, met
+een knipoogje naar den jongen, zei: "Die is jaloersch."
+
+Hein kleurde nog feller dan hij aldoor al gedaan had, en hij stotterde
+iets, van dat Ant toch met Busselaar vree ....
+
+Dat gaf een nieuwe bereddering!--Busselaar? was dát die beurtschipper,
+waar ze in 't begin wel eens over gehoord hadden? Was het dan toch
+waar geweest, laatst, van dat loopen naar de haven? En waarom had Ant
+hem nooit eris meegebracht? .... De oude vrouwen, nog nieuwsgieriger
+en nog meer belust, raakten opnieuw niet uitgevraagd.
+
+Sprotje wist niet, of ze spijt had dan wel blij was, dat de grootste
+aandacht nu van haar bleef afgeleid.
+
+Maar toen, na een poos, Hein aanstalten maakte om heen te gaan,
+vroeg grootmoeder Diepelink, ten afscheid, heel vriendelijk maar
+overrompelend beslist, en met een groote guitige gemeenzaamheid:--of
+ze goed had begrepen, dat het voor vast was .... 't meissie had geen
+ouwers ....; waarop Hein, of hij al voor den dominé stond, hoogblozend
+en bedremmeld, maar vol goeden wil, een "ja" uitbracht.
+
+Bij 't weggaan kuste hij, beschaamd en bruusk, Marie heftig naast
+den mond.
+
+Sprotje, dien nacht, was overvol van een schreiende verwondering. Het
+was haar geheel onbegrijpelijk; zij kon er zich niet indenken, dat zij
+verkééring had, en dat ze verkeering had met Hein, dien ze al zóó lang
+kende; en toch was het haar juist daarom zoo gewoon en vertrouwd, of
+zij altijd wel geweten had, dat met hem haar leven verder zou gaan. Zij
+voelde ook weer, bij haar mond, den kus van zijn harde lippen; hij had
+haar bijna pijn gedaan, maar nog ging er een scheut van verbijsterende
+vreugde door haar heen, als zij er aan dacht. Zij was klaar wakker
+en het bloed in 'r hoofd klopte lastig tegen het kussen. Zij kon er
+niet aan ontkomen. Zij zag weer Hein's goedigen kop, zoo barstend
+rood en trouw, toen grootmoeder Diepelink 't vroeg ....; hoe durfde ze!
+
+En opeens had Sprotje een voorstelling van hoe haar moeder daar
+tegenover Hein zou gezeten hebben, met een bezwaarlijk gezicht en dan
+toch weer vol danige goedheid; haar moeder had van Hein gehouden, 't
+altijd voor Hein opgenomen, al zag zij toen met Sien weinig toekomst
+in de vrijerij .... Maar nou had Hein al zeven-vijftig in de week
+.... nou zou 'r moeder wel blij zijn geweest ....; zij zag al, hoe die
+'r trekken uit hun stuurschen plooi zouden zijn opengegaan in een
+donker-oolijken spotlach .... zij hoorde al die gekscherende stem,
+en 't was haar, of bij die warme herinneringen aan 'r moeder, haar
+innigheid voor Hein te hechter en te heviger-om-van-te-schreien werd.
+
+Sprotje, sinds dien Zondagavond, leefde in één verwarring van
+gevoelens en ervaringen. Schijnbaar gewoon, alsof er niets gebeurd was,
+gingen de lange dagen om in de bijkeuken van "de Cannegieter,"--doch
+juist die waren vol van zoete, lachende en verwonderde gedachten;
+soms merkte Sprotje, dat zij zacht stond te zingen boven het lichte
+gekletter der borden in haar spoelbak .... Maar de avonden met Hein,
+die de vervaarlijke werkelijkheid-zelf waren, die bleven vreemd en
+schril en geheel uiterlijk.
+
+Zij voelde voornamelijk het heel erge van met een jongen geärmd
+door de straten te gaan, en dat iedereen dat zien mocht. Zij was
+buitenmate trotsch en zij schaamde zich tevens. Hein was stil, hij
+drukte stevig haar arm, maar hij dorst haar nauwelijks aanzien; dan
+grinnikte hij maar eens, en als hij haar thuisbracht, in het donkere
+portaaltje bij Diepelink, gaf hij haar zijn harden afscheidskus. En
+den verderen avondtijd bij Diepelink eveneens, voelde Sprotje meer
+haar nieuwe gewichtigheid van het-meisje-dat-een-beminde-heeft,
+dan dat zij bewust gelukkig was. Zij besteedde ook veel tijd en veel
+overleggingen aan kleinen opschik, en telkens stak haar het verlangen
+en de angst tegelijk, dat in de keukens van "de Cannegieter" haar
+verkeering zou bekend worden.
+
+Den eerstvolgenden Zondagmiddag--Sprotje zelf had dat zoo
+gewild--gingen zij naar Heins oude moeder, die inwoonde bij zijn
+getrouwde halve zuster. "Och," had Hein gezegd, "wat zalle we d'r
+doen ....?" maar bij Diepelink ook was de meening geweest, dat het
+zoo hoorde.
+
+'t Was een van de lage, vervallen huisjes, die achter op het
+Turfgrachtje staan, waar dat, omhoekend, doodloopt op een hek langs
+het Singelwater. Het oude mensch, in een paars gebloemd jak, die
+maar bleef kousen stoppen in haar hoek aan 't raam, had hun niet
+eens de hand gegeven. Zij leek in niets op Hein: een smal, groezelig
+rimpelgezicht, met glurende, waterig-bruine oogjes, en dun grijs haar
+onder een gebreeën wit mutsje uit. Ze keek over haar bril Marie eens
+aan en zei: "Zóó, wel-wel, nou-nou ....," toen Hein bazig vertelde,
+dat dit dan zijn meisje was. En de stiefzuster, een lange, sluike
+vrouw, met een ontevreden uitzicht--zij trok naar de moeder--smaalde,
+terwijl zij de borden van het middageten borg: "Afijn hè, de derde
+keer de goeie keer...."
+
+Sprotje voelde zich zoo leeg en ontzet, dat ze niet eens huilen moest;
+zij werd heel bleek en haar handen beefden.
+
+Hein verschoof driftig op zijn stoel, maar hij zei niets; hij zag
+vuurrood en ongelukkig.
+
+Zij stonden gauw weer op en gingen wandelen; 't was een koele,
+zonnige Aprildag, en het eerste groen sprong al door de struiken;
+maar de nare stemming bleef nog wel een uur hun klemmen in de keel.
+
+Toen zei de jongen: "Leefde me zus nog maar...., die op 't fabriek
+van de Lange het geweest ...." En in het praten dan over die
+eenige eigen zuster van Hein, die gestorven was, werd het wel weer
+vertrouwelijk. Toch gelukte het hun nog niet, dien dag, het volle
+begrip van hun nieuwe verhouding te omvatten.
+
+Eerst na vele dagen sleet al het bijkomstige, al het ijdele en erge
+en schaamachtige, bij Sprotje uit. En toen allengerhand haar gevoel te
+bezinken begon, toen was het voornamelijk een dankbare aanhankelijkheid
+en een diepe trouw, die zij gewaar werd, en die zich uitte, het meest,
+in een onverdroten belangstelling voor alles wat Heins vroeger en
+tegenwoordig leven betrof. Na een korten tijd wist zij nauwkeurig
+hoeveel uren per dag Hein bij zijn eersten baas had gewerkt en wat
+hij verdiende, hoeveel uren hij bij zijn tweeden baas had gewerkt
+en wat hij verdiende, en zoo verder; zij kende de namen van al zijn
+kosthuizen en vergat geen der verhalen, die hij daarover deed, noch
+verwarde ze onderling; van Heins vader, die nu reeds twintig jaar
+dood was, wist zij al spoedig alles, wat hij zelf er nog van wist;
+zij kende zijn zuster, Gerritje, en haar twee diensten, waarin zij
+'t niet had kunnen volhouden, haar komen op 't fabriek van de Lange,
+en haar sterven, een jaar nadat zij er gekomen was;--Sprotje ervoer
+het, als had zij het zelve doorgemaakt. Zij wist ook alles van de
+wreede geschiedenis, hoe Heins moeder bij de stiefzuster in huis was
+gegaan en hoe smadelijk hij en Gerritje altijd behandeld waren. Als
+hij daarvan vertelde, en zij antwoordde als eene, die het alles al
+weet en er geheel in meeleeft, dan, met een innige verteedering,
+hield zij het meest van hem.
+
+Arm in arm en hand op hand, kuierden zij 's avonds van haar dienst
+naar huis, liepen nog een Singeltje om .... Zij verwonderde zich, hoe
+alles zoo vertrouwd en zoo rustig was, veel vertrouwder en rustiger
+dan haar wandelingen met Hilletje. En dan de heerlijke vastheid, dat,
+wanneer zij, na den langen werkdag, in den schemerigen lente-avond het
+zijpoortje van "de Cannegieter" uitkwam, daar altijd, aan den hoek van
+'t Broerekerkplein, Hein stond te wachten. Dadelijk onderscheidde zij
+zijn korte, zware gestalte; .... soms zag hij haar niet aankomen,
+hij rookte zijn dikke sigaar, sloeg zijn werkbroek nog eens af
+.... soms stapte hij dadelijk op haar toe, verschoof zijn pet langs
+zijn stijf-scheef kuifje: "dag Merie." Hij was nog altijd wat verlegen
+'t eerste oogenblik, en zij niet minder. Zij liepen een huis of tien
+zonder veel spreken naast elkaar voort, dan nam zij zijn arm; en als
+hij haar, ten afscheid, bij de deur van Diepelink, op de wang kuste,
+of als hij steviger, onder het gaan, haar hand in de zijne neep, dan
+ondervond zij dat voornamelijk als een echt goed het meenen met elkaar.
+
+De jongen eveneens leefde in velerlei verwonderingen. In zijn vorige
+verkeeringen was 't altijd één onstuimige roezemoes geweest, van
+felle verliefdheid voor de eerste, van baloorigheid meer en wreede
+lust die aan de meid zelve vreemd bleef, bij de andere,--en ook een
+gedurige onzekerheid van luimen en getreiter, waar hij zich niet
+tegen opgewassen wist, van koude lacherigheid en heete bevlieging,
+die hem verward en ongelukkig maakten; en telkens ook van in den
+steek gelaten worden, van vergeefs wachten en jachtig zoeken door de
+straten in wrange pijn en machtelooze woede ....
+
+Voor Marie had hij een heel ander gevoel. Zij had een lief gezichtje,
+vond hij, wat bleek, maar zoo vriendelijk .... haar oogen vooral, en
+haar mond, als zij stil voor zich uitkeek; maar haar sluike lijfje
+maakte weinig in hem wakker, en zij had ook geen woelende haren of
+geen weligen hals om het water van in den mond te krijgen! Toch,
+zooals zij altijd 's avonds stil-haastig op hem afkwam, mocht hij
+haar schuchtere gestalte graag zien. Naast haar gaande, stapten zij
+prettig eensgezind, even lang als zij waren, en haar zachte stem
+maakte hem kalm, of er iets opklaarde in zijn hoofd.
+
+"Gek," kon hij soms in een plotselinge verbazing zeggen, "gek, dat
+wij nou zoo bij mekaar zijn geraakt.... 'k begrijp zelf nog niet,
+hoe 'k er zoo toe gekomme ben ...."
+
+"'t Zal zijn, da' we mekaar al zoo goed kenden--" peinsde hij nog voor
+zichzelf.--"'t Zal zijn, da' we zoo best bij mekaar passen...." zei
+hij dan, met een vertrouwelijke overtuiging achterna.
+
+Nooit had iemand zich werkelijk om zijn welzijn bekreund; hij had
+geleefd bij de kijvige heerschzucht van zijn moeder en de hatelijke
+minachting van zijn halve broers en zusters--o! hij wist heel goed,
+dat hij niet zoo bij de pinken was als die allemaal!--, tot zijn twee
+verkeeringen hem wat wilden, schroeierigen gloed, maar geen deugdelijke
+koestering hadden gebracht .... De luidruchtige omgang met zijn
+kameraads, en de eenvoudige genegenheid van zijn gestorven zuster, dat
+was nog het beste, dat hij in zijn leven had gekend! Hoeveel morgens
+was hij niet uit zijn triestige kosthuizen zonder een vriendelijk woord
+naar zijn werk getogen, en hoeveel avonden niet, dat hij, verlaten,
+maar wat door de straten had geslierd, en wat in de kroegen gezeten,
+en dan alleen maar weer naar zijn kosthuis was getrokken, om daar,
+verdrietig, in zijn bed te kruipen .... Hij was heel ongelukkig
+geweest, maar in zijn dompen, harden kop had hij nooit raad geweten,
+hoe het te veranderen zou zijn, of hoe het ooit beter worden kon. En
+nu had hij Marie!
+
+'t Werd hem zoo goed en zoo warm van binnen, als hij altijd weer de
+groote aanhankelijkheid van het meisje ondervond, die altijd weer
+blij was hem te zien, en nooit hem plaagde of uitlachte, en die heel
+haar aandacht had voor hem alleen.
+
+En hij ook luisterde met de grootste belangstelling naar wat Marie hem
+vertelde van haar diensten en haar werk. Hij kon het alles niet zoo
+onthouden als zij, verontschuldigde hij zich vaak, jongens konden dat
+nooit zoo goed en hij had maar een stom hoofd .... doch hij deed wel
+zijn best. En Sprotje, niet verwend op dat punt, vond het al heerlijk,
+dat iemand met zoo een geduld kon luisteren naar haar beuzelachtigste
+verhalen.
+
+
+
+Ant, op het eind van dien zomer, was het eindelijk gelukt, haar
+beurtschipper bij Diepelink thuis te krijgen. Op een avond in Juni,
+na vele maanden wachtens, was zij hem plotseling aan de haven
+tegengekomen.
+
+"Zoo .... meisje ...." had hij gezegd. Hij was kalm vriendelijk
+geweest, of hij haar een week te voren nog had bezocht. Maar naar
+een vreemd huis meegaan, bij menschen, die hij niet kende, nee, dat
+deed ie secuur niet .... Hij vroeg Ant evenmin om aan boord te komen;
+ging met haar naar "het Schippertje," bestelde twee glaasjes anijs
+en deed een langgerekt verhaal over een extra reis op Ruhrort en een
+extra reis op Coblenz. Eindelijk vroeg hij ook: "Zou jij wel in het
+Duitsche land kenne wenne? .... zou jij wel ham-pannekoek op een open
+vuur kenne bakke?"
+
+Vele veertien-dagen achtereen kwam trouw, sindsdien, Busselaar met
+zijn Duif binnengeloopen en onthaalde Ant op haar glaasje anijs. Eens
+zaten zij samen een middag aan het Veerhuis buiten de stad.
+
+En toen, na een paar malen vergeefs weer wachten, had eindelijk Ant hem
+overreed en meegetroond naar de Vliet, bij Diepelink. Onwillig had hij
+daar gezeten, met zijn vierkanten, stuurschen schipperskop in elkaar
+geknepen, en hij had alles opgenomen of hij een boedelbeschrijver was.
+
+"Wij hebben verkoopen motte," zei Ant; "alleen de potkachel, die he'
+'k gehouwe .... 'k dacht, dat jij daar gesteld op was."
+
+Omdat ie boven roestte, hadden de Diepelinks het kacheltje in de
+voorkamer gezet, waar zij toch nooit zaten.
+
+Busselaar was mee daarheen gegaan, had naar de potkachel gekeken,
+had naar Ant gekeken....; zijn kleine, zijen pet stond achter op zijn
+zorgelijke voorhoofd en hij trok nadenkend aan het gouden ringetje
+in zijn lange, gele oor.
+
+"Nee .... meisje....," had h ij eindelijk gezegd, "'k geloof toch niet,
+da 'k er toe zal overgaan ...." En vóór Ant nog uit haar ontzetting
+zich kon herstellen, had hij bedaard zich omgedraaid, en was binnen
+zijn koffie gaan uitdrinken. Ant was nog achter hem aangekomen, de
+keuken in; haar gezicht was star vertrokken. Toen waren twee helle
+tranen haar uit de oogen gesprongen; zij had zich omgedraaid zonder
+een woord en was naar boven geloopen.
+
+Busselaar had laks even achteromgezien; daarna had hij omstandig
+iedereen de hand gedrukt en was weggegaan.
+
+Toen Sprotje dien avond thuiskwam, vond zij Ant op bed, met groote,
+starende oogen; nauwelijks beäntwoordde die haar nachtgroet. En den
+volgenden morgen--voor het eerst, zoolang Sprotje zich herinneren
+kon--verzuimde Ant 't fabriek. Heel in de vroegte, zonder 'r
+boterhammen te hebben aangeraakt, liep zij 't huis uit en kwam eerst
+tegen elven terug. Dien middag ging zij weer.
+
+
+
+Vier jaar lang had Sprotje verkeering. Bijna heel die vier jaar ook
+bleef zij vatenwasschen in de bijkeuken van "de Cannegieter;" eens
+kreeg zij een aardig opslag, want men had haar daar graag, omdat zij
+handig was en nooit iets brak; zijzelf eveneens vond het er prettig
+op den duur. Des zomers was 't er altijd koel aan de schaduw-diepe
+binnenplaats, en des winters, als de tusschendeur wijd openstond,
+stoofde de hitte van 't groote fornuis er door, met al de heerlijke
+geuren, die daar rondwaarden.
+
+Sprotje snoof, Sprotje keurde, Sprotje trok een kennersneus; ze
+onderscheidde als de beste of er weer maderawijn of kerry in de sausen
+was gegaan, en of ze boven een chocoladepudding kregen dan wel een
+koffievlâ.... Soms neusde zij van den kok een keukengeheim af, hoe
+hij dìt klaarmaakte, of op dàt bezuinigde .... dat vertelde zij dan
+'s avonds bij Diepelink.
+
+Een enkele keer maar, al die vier jaren, is het gebeurd, dat Hein niet
+des avonds Marie opwachtte bij het hotelpoortje in de Schoutensteeg. 't
+Was tweemaal, in den winter, dat ze veertien dagen thuis moest blijven
+met de griep, en eens kreeg Hein, voor zijn baas, een karwei van drie
+weken buiten de stad.
+
+Maar alle de overige werkdagen zagen zij elkander dat avonduur, van
+"de Cannegieter" naar huis, en liepen een Singeltje om. En altijd
+was het hun zelfde vertrouwelijke gaan, met een armdrukje en stil
+gepraat.. Sprotje vertelde de vele kleine voorvallen van den dag,
+of zij sprak van de toekomst, hoe zij doen zouden, en met het geld.
+
+Zij was zoo onbevangen voor Hein als zij nog nimmer met een ander
+geweest was, maar van een algeheele openheid werd zij toch nooit;
+er bleven altijd dingen, van vroeger bij haar thuis en uit haar
+eerste diensten, waarover zij zweeg. Hein zag erg tegen Marie op;
+hij vond haar verstandig, en zij zou zeker een goede huisvrouw zijn.
+
+Soms, als het een zachte avond was, zaten ze in het plantsoen op een
+bank, zij tegen hem aangeleund, haar hoofd op zijn schouder, in stil
+gedroom; zijn verweerde hand streek haar langs de wang, en Sprotje
+werd zoo week en zoo dankbaar en zoo heerlijk rustig, wanneer zij
+zijn warm naar de buitenlucht geurend lichaam tegen zich voelde. Dan
+keek zij teêr naar hem op, en kuste hem op zijn blozende kaak.
+
+Eens dat zij zoo zaten, moest Hein plots denken aan een avond, lang
+geleden, dat hij bij Marietje, een kind nog, in de keuken op Sien had
+zitten wachten, en hoe die, toen ze eindelijk thuiskwam, gezeid had:
+"Nou, as jij liever met me zussie vrijt ...."--Liever, dacht hij,
+liever? .... ja, toch, liever ....--Voelde hij zich niet tevredener
+nu dan ooit te voren? En het kwam in hem op, hoe vreemd het was,
+dat hij bijna nooit aan Sien meer dacht, en nooit meer met hartzeer.
+
+"Zit je goed zoo?" vroeg hij met een schorre stem, en haalde haar
+zacht nog dichter naar zich toe.
+
+Maar soms waren er ook dagen, dat Hein opeens anders was, stiller
+en vreemder; dat hij verlaten paadjes voor hun wandelingen koos en
+plots met een heete heftigheid het meisje tegen zich aandrukte en
+haar woest zoende in den hals. Sprotje, in een schrille verwarring,
+onderging lijdelijk deze heftigheden, die haar diep ontstelden doch
+geen vrees gaven. Er ging een trillend voorgevoelen door haar heen,
+maar de juiste herinnering, later, ontvluchtte zij en zij wist niet,
+of er zonde bij kwam of dat het zoo zijn moest.
+
+Zij was alleen wat bloô den volgenden dag, Hein keek verlegen, en
+daarna dreef voor dagen de rustige genegenheid tusschen hen weer boven.
+
+Toen zij, de grootste gebeurtenis uit die tijden, op haar twintigste
+jaar werd aangenomen, kocht zij zich een degelijke en fraaie, zwarte
+japon ....; ze had daar maanden voor gespaard. En ze had gedacht:
+daar trouw ik in. Het zwarte zijden vestje zou ze door een wit van
+dunner stof vervangen; dat stond dan wel als voor een bruid.
+
+En den zonnigen morgen, dat zij, zeer ontroerd en met beschreide
+oogen uit de plechtige Paaschkerk kwam, ging zij dadelijk boven zich
+uitkleeden en borg de kostbare stukken, tusschen couranten, in een
+schuif van haar ladekast.
+
+Van dien dag af spaarde zij voor de meubels.
+
+Toen zij een-en-twintig was, had zij op Ant's kamer zes trijpen stoelen
+staan, die van haar waren, een spiegeltje en twee boodschapmanden.
+
+Ook Hein deed wel zijn best. Van zijn loon, vrij groot voor een jongen
+alleen, kon hij aardig wat overleggen; toch waren er ook weken, dat
+hij alle verdienste voor zichzelf scheen te gebruiken en angstvallig
+zijn spaarboekje in den binnenzak van zijn jas hield. Eerst had
+Sprotje daar stil verdriet over; later begon zij schuchter hem na te
+rekenen, betrapte hem tersluiks. De jongen was daar al vaak kribbig
+onder geworden, en toen zij eens, openlijk, hem een ontbrekende paar
+gulden verweet, stoof hij woedend op: zoo lang zij niet getrouwd
+waren, verdomde hij het, zich op zijn vingers te laten kijken; hij
+zou met zijn geld doen, wat ie verkoos ....! Sprotje had hem nog
+nooit zoo driftig gezien en zij huilde tot aan huis. Dan zei hij:
+"Kom .... Merie ...." en gaf haar een kus. Weerloos liet zij het toe.
+
+Maar al waren er van die weken, dat Hein geen weerstand had kunnen
+bieden aan de overredingen van zijn kameraads,--de jaren door had hij
+toch ver over de honderd gulden gepot. Sprotje had een lijst gemaakt
+van 't geen zij noodig zouden hebben voor hun inrichting: het zou er
+wel van gaan .... en zoodra Hein negen gulden kreeg, konden ze trouwen!
+
+Het was in het vierde jaar van Sprotje's verkeering, dat, met Mei,
+een der beide kamermeisjes van "de Cannegieter" plotseling haar
+dienst verliet, en men in het hotel, voor de opengevallen plaats,
+aan Marie Plas dacht: die was altijd zoo netjes en gewillig, die keek
+nooit stuursch en zou wel goed voldoen.
+
+Bij Diepelink werd bedenkelijk het hoofd geschud: den heelen dag
+bedden maken, water dragen, trappen loopen--; maar Sprotje wou van
+geen bezwaren hooren. Honderdtwintig gulden ging ze verdienen, en dan
+nog de fooien, die in het zomerseizoen het meest opleverden!.... Zij
+kocht zich de drie grijze linnen japonnen, die vereischt werden, de
+mutsjes en de zes blauw-en-witte linnen schorten met strooken over
+de schouders.
+
+En met denzelfden strakken wil, waarmede zij eens, als kind, in haar
+diensten het werk boven haar krachten had volbracht, volbracht zij
+nu de slopende taak van meid te zijn voor twintig vreemden.
+
+Sprotje's diepste leven, in die dagen, ging met een hevige hebzucht
+uit naar alles wat haar aanstaande huisje betrof. Daarvoor werkte
+zij, daarvoor spaarde zij. Zij spaarde met hartstocht. Elke aankoop
+was weken te voren met duizend overleggingen beraamd; de daad van 't
+koopen zelf was een daad van vervoering; eenmaal den koop gesloten,
+dan kon zij avonden lang den slaap niet vatten van de buitensporige
+vreugde, van angsten ook wel over prijs en hoedanigheid.
+
+Soms verdriette het haar, dat Hein voor dat alles zooveel koeler
+bleef dan zij; soms ook was haar de zelfzuchtig alleen gesmaakte
+blijdschap een nog dieper genot. Zij kocht achtereenvolgens twee
+blauwe bloempotten met een vlucht roode vogels errond, twee wollen
+dekens, een hanglamp, een wekkerklok, en een rieten tafeltje met een
+porceleinen bord erin.
+
+Zij draafde van den morgen tot den avond door de kamers en langs
+de groote bovengangen van het hotel; zij sleepte met de matrassen,
+klopte de zware, gewatteerde dekens uit, sjouwde met de kitten water
+om de lampetkannen te vullen; zij boende de vloeren, lapte de ramen
+en de spiegels en de marmerplaten der waschtafels, hield de privaten
+schoon .... bij elk tringeltje op het portaal, haastte zij zich naar
+het zwarte wijsbord, haastte zich naar de kamer, waar gebeld was,
+haastte zich naar het sousterrain, om 't warme water te halen, dat
+men verzocht, om kleedingstukken uit te borstelen; zoo'n ganschen
+ochtend stond dat niet stil.
+
+Zij werkte, werkte, nooit nalatig en schijnbaar nooit vermoeid; zij
+wou werken, zij wou geld verdienen, en als er iemand wegging, dan,
+met haar pijnlijk bleeke gezicht en haar gulzige oogen, als bedelend,
+wachtte zij op de gangen, aan de trap .... sommigen gaven haar daar
+meer om, anderen minder. Toch, op het einde der drie maanden, had
+zij bijna vijfentwintig gulden extra gemaakt; maar tevens moest zij
+den nieuwen post opgeven.
+
+De eigenaar van het hotel was beducht, dat haar te ziekelijk uitzicht
+de gasten onaangenaam zou zijn; en zijzelf voelde het ook, er waren
+stoornissen in haar gezondheid, waarover zij met niemand dorst te
+spreken; zij was vaak koortsig van overspanning, ze kon het niet
+bolwerken.
+
+Toen trof men een schikking, en, als de jaren daarvoor, daalde zij
+weer af naar de bijkeuken aan de binnenplaats en wiesch er de vaten
+als altijd.
+
+Haar drie linnen japonnen en haar blauw-en-witte schorten met de
+strooken op de schouders, vouwde zij in couranten en sloot ze weg in
+de schuif der ladekast, waar ook haar trouwjapon lag ....
+
+Toen zij weer voor haar aanrechten stond, leek het haar of ze in een
+eigen thuis was teruggekeerd, en of het nu wel altijd zoo blijven
+moest.
+
+Iedereen in het hotel had zij zien komen en gaan, alle kellners, de
+kamermeisjes, den stalknecht; 't was de tweede kok, voor wien zij nu
+soms de sausen mocht roeren; zij voelde zich daar rechten hebben en
+zij wist er zich gewaardeerd.
+
+Dien zomer, dat zij kamermeisje was,--'t zou de laatste zijn van haar
+verkeering,--kreeg Marie driemaal een geheelen Zondag vrij. Deze
+Zondagen gingen Hein en zij samen naar buiten, maar het waren hun
+gelukkigste uitgangen niet. Sprotje wist met zoo een langen dag langs
+de wegen weinig raad, omdat het wandelen haar te gauw vermoeide en
+de straffe lucht haar hoofdpijn gaf; aan Hein was het zitten in een
+weiland-bocht, het liggen kijken naar de graspluimen in de wijde lucht,
+en naar de wilde bloemen, of het zoeken van een klaverblad-van-vieren
+al evenmin besteed. Zij belandden meest in een uitspanning, waar
+Sprotje, toch al wat huiverig voor de lange eenzaamheden, enkel een
+glaasje limonade dorst te drinken. Zij voelde zich zoo zwaar in haar
+beenen, haar hoofd klopte en zij had wel willen gaan huilen ....
+
+"Wat is er?" vroeg Hein dan.
+
+"Och," schokte zij kribbig terug, "'k ben moe."
+
+"Je most dat werken op die kamers er aan geven," had Hein haar op de
+tweede wandeling geraden, omdat zij er telkens slechter ging uitzien.
+
+"Nee," beet Sprotje bot terug, "'k wil 't."
+
+"Laten we dan niet meer loopen," stelde Hein goedig voor.
+
+En dat had hij toen zelf ook het prettigst gevonden: in een warmen
+zandkuil den middag te verslapen.... Maar het meisje, rechtop en
+doodmoe, dorst de oogen niet te luiken, in een vage, vreemde vrees,
+die haar nog het meest vermoeide van alles.
+
+En aan den laatsten dier uitgangen had zij lang een martelende
+gedachtenis behouden.
+
+Zij waren, op den thuisweg, een verlaten stuk heigrond overgestoken,
+en Hein had daar zoo ruw en verwilderd met haar gedaan, dat zij,
+bang en heftig-gekwetst, hard met haar handen zijn gezicht van zich
+weg had geduwd. De verdere dag was er geheel door vergald geweest,
+en nog vele dagen daarna kon Sprotje Heins schrille, heete oogen,
+in dat oogenblik, niet van zich afzetten.
+
+Zij waren het gelukkigst op hun stille wandeltjes de singels langs, als
+zij spraken over hun toekomstig huisje en elkaar zoo maar zoetjesweg al
+de luttele wederwaardigheden van den afgeloopen dag vertelden,--of op
+de koffie-avonden bij Diepelink en in Heins kosthuis, waar de menschen,
+sinds hij Marie eens meebracht, veel aardiger voor hem waren geworden,
+en telkens vroegen of zij niet nog eens kwámen met hun beiden. Heins
+moeder bezochten zij slechts drie of viermaal, en heel kort; die
+maakte telkens hatelijke toespelingen op Marie's zwakke gezondheid,
+en Hein wou maar liever niet over die bezwaarlijke dingen denken.
+
+En toen, plotseling, een maand of wat later, kreeg Hein het opslag,
+waarover altijd gesproken was. Hij werd eerste werkman. Ze zouden
+gaan trouwen. Dat was een overrompeling!
+
+Sprotje leefde als in de begin-weken van haar verkeering: 't was
+alles een droom, en haar gevoelens kon zij beheerschen noch overzien.
+
+Angstig en toch schril-blij ging zij haar dienst opzeggen. Zij hield
+nog meer van Hein dan zij ooit gedaan had, en zij sidderde voor het
+komende, dat als een dreiging leek.
+
+In September was zij de bruid.
+
+In zulk een roezigheid van gedachten en verwarde instincten ging zij
+de dagen door, dat zij tweemaal in één week iets brak, wat nog nimmer
+gebeurd was.
+
+En een vaste, klare vreugde daagde pas in haar aan, toen zij, drie
+weken voor de bruiloft, met Hein een huisje was gaan huren .... 't Was
+een huisje aan de Zijdveldsche Dwarsstraat, bijna buiten, een huisje,
+zooals zij het zich maar had kunnen verlangen, sinds kort gebouwd,
+nog netjes in de verf, en het had een plaatsje met een achterhekje
+op graslanden. Alles had haar daar heerlijk geleken, het nieuwe en
+zindelijke, het lichte bloembehangsel in het kamertje, de blauw-grijze
+verf op de keukenwanden, en niet het minst het achteruit, dat was als
+bij hun oude huis aan het Dijkje, wat beperkter alleen, maar even vrij
+en even frisch; je zag op een weigrondje tusschen boomen, een voetpad
+liep dwars daar doorheen naar ommuurde erven van andere huizen, en
+links, in de verte, zilverde de rivier, waar Heins oliemolen was ....
+
+Na enkele dagen nog trokken de bewoners het huisje uit; van toen af
+sjouwde Sprotje iederen avond van haar dienst naar de Zijdveldsche
+Dwarsstraat, om er met Hein alles op stel te maken. Zij werkte als een
+uitzinnige; met haar hevigen wil dreef zij iedereen mee haar te helpen,
+te komen kijken, Ant, Tante Bartje, Moeder Diepelink. Zij leefde
+geheel op haar zenuwen. En een week voor de bruiloft was alles gereed.
+
+Als Sprotje onder haar werken in "de Cannegieter," of des nachts,
+als zij wakker werd, aan dat huisje dacht, dan was er een toomelooze
+vreugde in haar hart, een verlangen zoo dwaas en zoo heerlijk, als
+zij nog nooit had gevoeld. Het was een vreugde, die niet sleet, die
+in geen maanden nog slijten zou. Als het kostbaarste wat zij bezat,
+droeg zij den huissleutel in haar zakdoek gewikkeld bij zich. 's
+Nachts lag hij onder haar hoofdkussen.
+
+Het was er keurig, in dat huisje aan de Zijdveldsche Dwarsstraat.
+
+In de keuken had Sprotje voor alles haar gerei en gemak, zooals
+het maar behoorde! Zij had haar lucifersbakje op den rand van den
+schoorsteen staan, en boven den gootsteen haar zeepkommetje van wit
+email; zij had haar rekje voor de potlepels en haar rekje voor de
+keukendoeken, haar Keulsche potje voor het zout, haar bussen en busjes
+voor koffie en peper en kaneel, haar twee houten aardappelbakken,
+haar groentemanden en haar teilen en teiltjes voor elk gebruik;
+achter de deur hing de krakend-nieuwe mattenklopper.
+
+Op alle planken van de kast lagen blauwe papieren, die zij sinds
+maanden reeds uit de afgedankte van het hotel had bijeengezocht. Haar
+keukengordijntjes waren van witte vitrage, op haar tafel lag een
+blauw-en-wit geblokt zeildoek, als in de keuken van de Veerbrug. Er
+waren twee koperen knoppen aan het rijkelijk fornuis, en al haar pannen
+waren van blauw glazuur. Dat alles had zij van Heins geld bekostigd!
+
+En dan het kamertje! Daar stond Sprotje's ladekast bij het raam,
+als eertijds in haar moeders huis .... daar stonden haar zes trijpen
+stoelen en de bloempotten, en in den hoek het tafeltje met het
+porceleinen bord. De wekkerklok blonk er op den schoorsteen. Hein
+had hier een mooie ronde tafel gekocht, in de kleur van de ladekast;
+van Sien hingen er, weerszij het spiegeltje, twee prachtige, gekleurde
+platen in gouden lijst. De Diepelinks hadden samen een rieten leunstoel
+gegeven en Ant een best koffieservies op een zwart gelakt blad.
+
+Boven, naast den zolder, was het slaapkamertje, met een hoog kapvenster
+en twee kasten in den muur. Daarin lagen de lakens en sloopen en
+het lijfgoed geschikt, alles van geel katoen, dat Sprotje zelf bij
+Diepelink op de haag had wit gebleekt.
+
+En iedere maal, dat zij, die dagen, nog in de Zijdveldsche Dwarsstraat
+kwam, bracht zij iets mee, een matje voor de zoldertrap, een aschbakje
+op den kamer-schoorsteen, iets dat zij zich bezonnen had nog te
+ontbreken, en dat zij van haar laatste spaargeld dan kocht. Zij
+zette het er neer met een vrome bedachtzaamheid, alleen in het stille
+huisje, zooals een Roomsch vrouwtje een bloempotje zetten zou voor
+een zij-altaar van haar kerk....
+
+Als Sprotje goed zich erin dacht, dat zij daar binnen enkele dagen en
+voor altijd nu wonen zou, zij de "juffrouw," de bezitster van al dat
+heerlijke, dat kostbare, dan kon zij zoo heftig en uitgelaten plots
+haar arm om Heins hals slaan en haar hoofd tegen hem aandrukken,
+dat het den jongen gansch week en warm om het hart werd. Hij vond,
+dat Marie hoe langer hoe gekker op hem werd, nu het maar naar 't
+trouwen liep .... "Zoo ging dat nou met de meissies," had hij in z'n
+goedigen kop uitgemaakt, en hij was gelukkiger, dan hij ooit gedacht
+had nog te zullen worden.
+
+Alleen, met een plotselingen schrik, meende hij wel telkens te zien,
+dat Marie nòg bleeker en nòg magerder begon te worden, dan zij vroeger
+al geweest was; maar iedereen zei lachend, dat het door de verliefdheid
+kwam, en dat zij maar eerst eens getrouwd moesten wezen ....
+
+En toen, tegen het eind van September, op een zachten en stralenden
+herfstdag, had de bruiloft plaats. In een vigelante reed het paar
+bij Diepelink weg; zoo had Sprotje dat bepaaldelijk gewild. Zij had
+haar nog altijd gloednieuwe zwarte japon aan, met het pas gemaakte
+wit kanten vest er in; ook Hein stak in een zwart pak; hij droeg
+de prachtige geelzijden das, die hij van Marie had gekregen, en hij
+had een zwarten deukhoed op. Grootmoeder Diepelink keek hen na in de
+deur. Moeder Diepelink was met Ant en den oom uit het Kerspel vooruit
+gegaan, en Heins moeder zou ook op het stadhuis zijn. Tante Bartje,
+wat ziekig, was op haar hofje.
+
+Eerst toen zij weer bij Diepelink terug waren, om daar met de getuigen
+een glaasje te drinken, kwam Sprotje wat tot zich zelf. Op het
+stadhuis en in de kerk, als verdoofd en verblind, had zij nauwelijks
+geleefd. Zij had alleen maar gedacht: nou is Hein mijn man,--een al
+door malende gedachte, of zij ijlde.
+
+En 's middags om drie uur was het feest in de linnenkamer van "de
+Cannegieter:" het geschenk van haar "volk" bij het trouwen. Den
+vorigen avond had Sprotje zelf er de tafel voor gedekt.
+
+Hein en zij zaten midden voor het groote, ovale blad, Ant naast Hein
+en moeder Diepelink naast de bruid. Aan den overkant zaten grootmoeder
+Diepelink, oom Tinus en de moeder van Hein.
+
+Die voelde zich niet erg op haar gemak bij dit gezelschap. Zij was
+anders niet gauw om een antwoord verlegen, maar nu, in haar gesleten
+bruin Zondagsche jak en met haar zwarte wollen kaper, wist ze zich al
+te zeer de mindere van de twee zware, deftige bakers, wier welgedane
+gelaten, omglansd door de hagelwitte neepjes-mutsen en het witzijden
+lint dat daarrond gaat, met meerderheid glimlachten en nauwelijks op
+haar letten.
+
+Sprotjes oom zei evenmin heel veel. Een oolijk buitenmannetje,
+met hard-roode geschoren kaken en wollig haar in zijn hals, zijn
+zwart-lakensche pet vast op z'n hoofd, zat hij maar leep te luisteren,
+en als moeder Diepelink wat ondeugends plaatste over de jonggetrouwden,
+gaf hij haar stiekem een knipoogje en zei: "Nèt .... juust ....dà segge
+'k ok."--
+
+Ant, die 't erg warm had in haar donkerroode jurk, was zeer luidruchtig
+en praatte veel en hard tot grootmoeder Diepelink.
+
+'t Was overigens zoo maar een kalm-genoegelijke bruiloft.
+
+Sprotje was wel wat stil en wat bleek, maar "dat eurde zoo bie de
+bruud'n," zei oom Tinus met een slim lonkje naar Hein.
+
+En iedereen liet zich het eten best smaken. Hein niet het minst. Die
+zat daar dik en stevig, als een blakende bruigom in het midden; zijn
+blauwe oogen zonder veel wimper staken sterk in zijn rooden kop; zijn
+koonen blonken, en zijn stijf-scheef kuifje leek van zilver in het
+late zonlicht, dat over zijn hoofd naar binnen viel. Zijn ruwe mond
+was lacherig tegen iedereen, en toen Sprotje hem daar zoo barstend
+rood zag zitten, moest zij plotseling denken aan een avond, lang,
+lang geleden, dat zij daarover iets heel zots en vies' had gezegd
+.... zij bloosde van schaamte, of iedereen aan tafel het wist ....
+
+Toen de soep was verorberd, een deugdelijke groentesoep met doppertjes
+en stukjes wortel en bloemkool erin, zoo'n soep, waar moeder Diepelink
+"haar ziel en zaligheid voor verkoopen zou," toen kwam er iets fijns
+voor het fijne tongetje van de grootmoeder--Sprotje had zelf het
+menu mogen vaststellen, en zij had dat, met veel overleg, naar ieders
+bizonderen smaak gedaan. "Een deftige schotel," had zij zoo maar in
+'t vage aan den kok besteld, en de kok, die Marie goed gezind was,
+had zijn best gedaan. Dat was een schaal vol saus met balletjes en
+stukjes vleesch en bruine brokjes, die niemand thuis kon brengen;
+maar de grootmoeder wou dit niet weten, praatte er over heen en noemde
+vier vijf klinkende namen, waar zij dat vroeger iederen middag gegeten
+had! Zij proefde met een zaakkundig gezicht. Er leken ook schijfjes
+augurk in te drijven, en oom Tinus zocht die eruit te pikken, de
+rest liet hij staan. Ant en Heins moeder trokken al eveneens vieze
+gezichten; en deze, toen zij weer zoo'n bruin, vuns brokje in den
+mond kreeg, sputterde het terug op haar bord, en schoot eensklaps met
+haar voos-heesche stem uit den hoek: "Vos, je sel mijn nie fange dat
+dà fleesch is!"
+
+"Z' 'ebbe mien gesteren mien kàtte geskoot'n," zei oom Tinus langs
+zijn neus weg.
+
+Als ze tot den biefstuk met gebakken aardappelen waren gevorderd--voor
+Hein en Ant gevraagd!--kwam de hotelhouder binnen, met Mevrouw,
+om het jonge paar geluk te wenschen.
+
+Vrouw Diepelink was dadelijk zeer gemeenzaam en Mevrouw deed ook lief
+en vertrouwelijk met háár:--of ze er nog veel op uit was geweest, den
+laatsten tijd?--"Och, menschlief," zei de baker, uit de hoogte, "'k ken
+het niet bijhouwen; 't begin van 't jaar he'k twee teleurstellingen
+gehad, bij mevrouw Petein en bij mevrouw Sitters .... maar nou ben
+'k net van de week bij beron Boetselaar weg .... och, zoo'n lekker
+jochie was dat daar, hé? .... 'k ben der negen weken geweest, en nou
+te kommende week mot 'k naar notaris van Brakel.... En Sephietje hier,
+is die al van de flesch?"
+
+Sprotje was niet weinig verguld met al die hoogheid van moeder
+Diepelink, en ze was volstrekt niet verlegen, toen de hotelhouder
+en Mevrouw haar en Hein de hand schudden en feliciteerden, voor ze
+weer heengingen.
+
+Heins moeder echter, die niet dan terloops was gegroet, en die
+verscheidene glazen wijn had gedronken, scheen erg uit haar humeur
+geraakt; en er kwam even een heel pijnlijk oogenblik, toen zij,
+boosaardig, over tafel aan Sprotje vroeg:
+
+"En je suster uit Amersfoort, most die niet bij de bruiloft weze?"
+
+Sprotje ontstelde; maar moeder Diepelink keek het oude mensch zoo
+fel-verontwaardigd aan, dat die verder haar mond hield. Oom Tinus
+kuchte en zag steelswijs eens naar Hein.
+
+Hein had niets gehoord. Hein zat te smullen aan den biefstuk, een
+biefstuk rood als bloed van binnen en van buiten als koffie zoo
+bruin! de lillende, dampende lappen bracht hij zoo aan de punt van
+zijn mes in den mond en hij smakte van geweld.
+
+Toen tikte grootmoeder Diepelink, die veel feesten had bijgewoond,
+aan haar glas, en met een plotseling luid-uitgezette stem toostte
+zij in veel bloemrijke woorden van de huwlijksboot en rozenslingers,
+die geen banden waren ....
+
+Daarna werd er uitvoerig geklonken.
+
+Maar Sprotje, door de mooie, feestelijke woorden van de grootmoeder,
+en door den wijn, was in een stil-gloriënde stemming geraakt. Haar
+wangen gloeiden en haar oogen waren heet en licht. Zij voelde zich
+verheerlijkt, of zij in een geheel ander leven was gestegen; en toen
+zij daarop Hein aanzag, keek die ook juist zoo warm en week naar haar,
+dat het haar wonderzoel te moede werd .... Zij begreep niet hoe ze
+ooit zoo tegen het trouwen-zelf had opgezien en ze verlangde met Hein
+in hun huisje te wezen.
+
+Een poosje wachtten zij; toen kwam de jongste kellner met de pudding
+aangehaast--druk dat het dien middag was in 't café .... ze wisten
+niet hoe alles af te loopen ....!--; vlug zette hij de borden rond,
+vroeg aan Ant of die even de lepels wou bijleggen.
+
+Het was de chocoladepudding met vanille-saus, Sprotjes eigen
+lievelings-gerecht; een pudding zoo luchtig en zacht als bruine room,
+en de vla weelderig-zoet daarover, als een vloeiend geel fluweel. In
+een groote verteedering zat Sprotje neêr en proefde stil de smeltende
+likjes.
+
+En tegen het einde van den maaltijd, juist toen het gaslicht aanging,
+kwamen de twee kamermeisjes en de kok zelf binnen, om de bruidsuikers
+te helpen opeten. En die brachten opeens de rumoerigheid mee! De eene
+kamermeid hield een voordracht, en de kok zong liedjes .... Sprotje
+keek haar oogen uit, maar het behaagde haar weinig. De eigenlijke
+bruiloft was al gauw op den achtergrond, en die drie hadden het
+hoogste woord ....
+
+
+
+De eerste paar maanden van Sprotje's huwelijk waren voor haar van
+een groote gelukkigheid.
+
+Zij voelde zich wel vaak heel moe en niet sterk, maar ze had weinig
+te doen; in het keurige huisje, dat zij met hun tweeën nauwlijks
+stoffig maakten, viel bijna niet te werken, hun kleeren waren nieuw,
+en in de keuken van "de Cannegieter" had zij, de jaren door, aardig
+wat bedrevenheid gekregen in het bereiden van het middagmaal.
+
+Zij was in haar eigen huis, zij deed zooveel zij kon en wou, en op
+de tijden, dat het haar goed dacht. Het was dat vrij-zijn vooral,
+dat dag aan dag, en uur aan uur, haar een heerlijkheid bleef van
+ongekenden aard.
+
+Zij ging vaak alle meubelstukken en kleine voorwerpen in haar huisje
+rond, betastte ze, wreef ze af met haar schort, bekeek ze in het
+licht; zij opende haar kasten en laden, ontvouwde, telde, taxeerde
+haar goed. Zij vond zich rijk. Zij verlangde niets meer.
+
+Zij zag er altijd kraakhelder uit, in haar grijslinnen japon en de
+blauw-en-wit gestreepte schort met de strooken op den schouder. De
+menschen in de buurt noemden haar Júffrouw van der Kamp.
+
+Zij kookte lekker voor Hein, veel beter dan hij 't ooit in zijn
+kosthuizen was gewend geweest, en zij gaf toch weinig uit. Wel merkte
+zij al gauw dat er, van negen gulden in de week, niet kon worden
+opgedischt als aan de maaltijden in "de Cannegieter," doch dat vond
+ze ook best .... ze at toch altoos genoeg .... en wat ze at was haar
+eigen bestel. Iederen namiddag, met haar blinkend nieuwe boodschapmand
+onder den arm, haar portemonneetje en haar huissleutel in de mand,
+ging zij zelf inkoopen doen; soms kuierde zij nog een eindje naar
+den oliemolen op ....
+
+Hein vond, dat hij een "knap wijfje" had. In zijn wat lompere
+gëaardheid moest hij wel, goedig, lachen, als zij zoo preciesjes haar
+koffieblaadje schikte, met een doekje onder de melkkan en weer een
+kleedje onder het blad, of als zij de boter in een vlootje deed en
+met den achterkant van een lepel daar figuurtjes over trok, zooals
+zij dat in het hotel had zien doen; dat leek hem wel teuterig, maar
+het vleide hem toch.
+
+Vooral de avonden vond hij heerlijk, als hij, na de boterham, de pet
+achter op zijn hoofd en de ellebogen op tafel, onder de lamp zijn
+krantje zat te lezen, en Marie hem nog een lekker kommetje schonk.
+
+En Sprotje genoot; met haar knieën opgetrokken, haar voeten op
+de stoof, zat zij te breien naast het koffieblad, waar, onder de
+wit-steenen kan, het oliepitje pinkte. Zij dacht aan de avonden bij
+juffrouw Jonkers, als die nog een kopje warm hield voor meester. En
+nu zat daar Hein aan den overkant, aan hun eigen tafel, zijn goeie
+kop onder hun eigen lamp, kalm en tevreden, omdat hij 't zoo goed
+bij haar had! Soms keek hij op van zijn krant, vertelde er wat uit,
+schaamachtig rood en de oogen naakt van trouw.
+
+'s Zondags schemerden zij in de voorkamer, bij het flauwe schijnsel
+der lantaren, die enkele huizen verder stond; het koffielichtje pinkte
+tusschen Ant's beste servies.
+
+Hein luierde in den rieten stoel en Sprotje schoof haar trijpstoel
+naast hem en leunde met haar hoofd op zijn schouder. Zijn ruwe hand
+nam dan soms de hare en zij droomde zich terug in de zachte avonden,
+dat zij zoo zaten samen op een bank in 't plantsoen.
+
+"Zit je zoo goed?" hoorde zij in haar gedachten Hein weer zeggen
+.... Vreemd, zij bezat hem nu geheel, en zij voelde zich zoo dankbaar,
+en toch was het haar of zij iets verloren had. Zij voelde zich droevig
+en gelukkig tegelijk, de tranen kwamen haar in de oogen, en zij kuste
+hem op zijn blozende kaak.
+
+Het eenige, wat Marie in haar stille huishouden te zwaar viel,
+dat was het doen van de groote wasch. Maar zij wou dat niet aan
+Hein bekennen. Heimelijk gaf zij de omvangrijke stukken buitenshuis;
+later moest zij knoeien met de betaling .... herhaalde malen knoeide
+zij,--tot Hein de ongeregeldheden merkte. Zoo ontstond hun eerste
+ongenoegen; en omdat Hein driftig was, verliep dat onmiddellijk in een
+ruzie met vloeken en veel geraas. Marie huilde, of zij nooit weer een
+gelukkig oogenblik zou kunnen beleven. Maar Hein had al gauw berouw,
+en zonder dat Marie een verklaring had gegeven van het ontbrekende
+geld, werd de oneenigheid bijgelegd.
+
+Een andere keer wist zij de geldrekening verwikkelder te maken;
+Hein verloor er zijn kop bij, werd wel boos, maar kon met goed recht
+niets zeggen, en Sprotje, in een verongelijkte vriendelijkheid,
+kreeg haar zin.
+
+Overigens zorgde zij best voor Hein; geen werkman van den molen kwam
+in zoo netjes onderhouden kleeren op karwei als hij; altoos was zijn
+eten op tijd klaar en altoos lekker .... zijzelf, ondanks de schralere
+kost, werd gezonder van uitzicht dan in de maanden vóór haar trouwen;
+'t scheen wel, of zij de overspanning van haar laatsten zomer in
+"de Cannegieter" heelemaal zou te boven komen ....
+
+"Zagen zij 't wel?" zei grootmoeder Diepelink, "en hád zij 't niet
+voorspeld?"
+
+Toen, na drie maanden, begon Marie plots te sukkelen. Zij viel
+verscheidene keeren flauw en kon geen eten meer zien.
+
+Eenige weken later begreep zij, met het al maar rekken der dagen,
+dat zij zwanger was.
+
+Een over-teere, bijna bedwelmende verwondering ontsproot in haar
+hart. Maar de meeste dagen, dien eersten tijd, was zij zóó ziek,
+dat alle zoete vreugd haar verging.
+
+'t Was in het midden van den winter dan. Sprotje leed aan een
+verkleumdheid of ze geen bloed meer had .... daar was geen warm worden
+aan, en dat gevoel van innerlijke verijzing was haar nog ondraaglijker
+dan elk ander kwalijk-bevinden, dat haar nieuwe staat meebracht.
+
+Alle zorgen voor haar huisje waren haar al spoedig te veel; het was er
+zoo netjes en zoo vriendelijk niet meer .... Hein zelfs merkte dat op,
+doch hij maakte nooit een verwijt.
+
+Hij was zoo inschikkelijk en zorgzaam, als Sprotje niet gedacht had,
+dat hem mogelijk zou zijn; hij nam haar uit de hand wat hij kon,
+beurde de zware dingen, pompte de emmers water 's morgens, kreeg
+boven uit de kasten, wat zij hebben moest ....
+
+--Negen maanden .... 't was wel lang, troostte hij haar en zichzelf,
+maar als er een paar om waren, werd ze wel weer gezonder .... zoo
+hadden alle vrouwen dat .... en na 't eerste kind werden ze altijd
+sterker ....
+
+Hij was gelukkig en trotsch, dat hem een kind zou geboren worden.
+
+Maar met de weken, die verliepen, werd Marie niet beter.
+
+Haar gezichtje was oud van trekken geworden en door zijn nietigheid
+heel kinderlijk tegelijk; heur haar was krachteloos en zoo vaal
+van kleur, dat het grijzig leek, en haar oogen hadden de vragende
+smartelijkheid van een dier, dat lijdt, en niet begrijpt wat en waarom.
+
+Soms, op zon-warme middagen, als ze alleen thuis was en lang had
+gerust, voelde zij zich wel beter; dan waren haar gedachten innig en
+zacht-opgetogen, en van een hoopvolle gelukkigheid over het groote,
+dat haar te gebeuren stond.
+
+Doch met de vijfde maand was zij zóó zwak geworden, dat er een dokter
+diende geraadpleegd. Het was niet dezelfde dokter, die haar vroeger
+wel behandeld had; 't was een jong hospitaalarts, maar zeer zorgzaam
+ook en begrijpelijk. Hij vroeg haar van allerlei uit haar leven,
+van haar kindsheid af; hij scheen haar welgezind te wezen, schreef
+medicijnen voor en versterkende middelen, die zij krijgen kon uit
+een fonds voor onbemiddelde kraamvrouwen en aanstaande moeders.
+
+En de eerste weken kwam Sprotje aardig wat bijgeleefd; met nieuwen
+moed begon zij aan de kleertjes voor het luiermandje te werken;
+Hein herademde.
+
+Doch toen in de zesde en zevende maand de lasten der zwangerschap
+grooter werden, zakte zij weer in.
+
+De dokter deed moedeloos; wat hij voorschreef, verdroeg zij niet
+langer, en voor eieren en melk had zij een weerzin, die niet te
+overwinnen was. Hij beval rust aan, rust....--Ze moest wel zeer
+ontzien worden, zei hij, afzonderlijk, tegen Hein.
+
+Nu de eerste, groote beproeving voor dit schamele lichaam aanbrak,
+nu bleek het daartegen niet bestand.
+
+Het begon vreemd spaak te loopen in het keurige huisje aan de
+Zijdveldsche Dwarsstraat. Ant, veel minder in zichzelf gekeerd, dan
+zij de laatste jaren wel geweest was, kwam meest 's avonds een handje
+helpen; 's morgens verscheen vaak grootmoeder Diepelink, erg jichtig
+weer en daarom slecht geluimd, maar vol goede bedoelingen toch, en
+zij hielp altijd wat uit den weg; zij had ook, uit oude vriendschap,
+beloofd, het kind te zullen bakeren, als 't zoover was. Het meeste
+wil nog had Sprotje in die dagen van Heins laatste kostvrouw, die
+een straat verder woonde, een trouwhartige ziel, die deed wat ze kon,
+en meer.
+
+Zoo sukkelden zij de weken door.
+
+In het gemoedsleven van Sprotje was een vreemd iets gekomen, waar zij
+nooit over sprak. Zij had vaak gehoord van den wonderlijken hang bij
+zwangere vrouwen naar een bepaalde lekkernij of naar een bepaalden
+drank. Haarzelf was niets dergelijks wedervaren. Maar onafwendbaar en
+onontkomelijk, zoodra zij maar even met haar gedachten alleen bleef,
+was er, langen tijd, in haar het schreiende en tegelijk zoete verlangen
+naar juffrouw Jonkers en naar het kleine Wilmpje.
+
+Zij gaf er zich wel rekenschap van, dat klein Wilmpje nu een jongen
+moest zijn, dien zij niet eens meer kennen zou, dat juffrouw Jonkers
+haar al lang vergeten was, en ook niet de juffrouw Jonkers van voor
+acht jaar geleden meer kon wezen,--het verlangen bezat haar als een
+ziekte en geen redeneering van haar ijl-zwakke hoofd was daartegen
+bestand.
+
+Eens had zij aan Hein gevraagd, of het kind, als het in leven bleef,
+Wilmpje mocht heeten.... 't Ging voor een jongen en voor een meisje
+.... Meisjes heetten ook vaak Wim of Wilmpje ...., had zij in een
+hartstochtelijken drang eraan toegevoegd. Hein, die de verhalen van
+bij Jonkers wat vergeten was, begreep niets van de voorliefde voor
+dien naam; hij vroeg, dorst niet aandringen, beloofde vaag. Het
+dwaas-felle van haar toon had hem hevig verontrust.
+
+Sprotje zelf, in bezonkener oogenblikken, maakte zich over die vreemde
+aanvechtingen wel bezorgd. Op een morgen ondervroeg zij, zijdelings,
+grootmoeder Diepelink.
+
+"Snoepen, en lekker eten alleen? .... wel nee, ziel ...." vertelde
+die dadelijk in een rijk relaas uit haar jarenlange ondervindingen;
+"je ken het zoo mal niet bedenken, of vrouwen in positie halen het uit;
+.... 'k heb er een gekend, die altoos rauwe koffieboonen at .... een
+ander wou met geweld een kanarievogel in huis hebben .... een ander
+liep iederen dag naar de guldensbazar--dat was een rijke Mevrouw in
+Rotterdam--en kocht daar de raarste dingen .... 'k heb er ook een
+gekend, die niet ophield, of ze most een horloge hebben, en 'r man
+verdiende nog geen zeven gulden in de week ...."
+
+Sindsdien streed Sprotje niet langer tegen haar zonderlinge begeerten,
+doch zij gaf er zich met een groote zorgeloosheid aan over, en vele
+middagen verliepen in een vreemd-bewogene en zoet-kwellende mijmerij.
+
+In de zevende maand werden Sprotje's lasten zeer groot. Haar eigen
+lichaam was afgeteerd tot vel over knokels, maar het nieuwe leven in
+haar groeide met een angstige voorspoedigheid. Als zij zich bewoog
+door huis, zeeg haar magere gezicht met den smartelijken mond en de
+vragend starende oogen, schuin voorover op den dunnen, uitgegroefden
+hals; haar smalle borst, tusschen de puntig vooruitkomende schouders,
+was als weggevreten, zoo nietig en schraal, maar daaronder, geweldig,
+bijna afzichtelijk, bolde het wreede, zware lijf.
+
+Zij moest nu telkens, vooral als zij lang stil zat, met een
+plotselingen schok, of iets haar kwetseerde, de hand in de rechterzij
+drukken. En zij dacht dan aan Sien, hoe die voor haar moeders bed
+had gezeten; zij zag zoo klaar en ijl, of 't in een droom was, Siens
+gelaat en houding. Zij merkte vaak met verwondering, dat zij verlangde
+naar Sien .... en naar 'r kinderen.
+
+Het eerste kind was, een jaar oud, gestorven. Zij hadden er nu twee
+andere, gezonde, flinke jongens scheen het, een van drie jaar en een
+van veertien maanden. Sprotje had geen van beiden gezien.
+
+Ook aan Ant was zij zeer gehecht in dien tijd. Ant leek zooveel op
+moeder. Ieder jaar méér, had die datzelfde uiterlijk gekregen, dezelfde
+hoogroode koonen in het wat hoekige gezicht, en dezelfde lange, vale
+wangstukken langs de ooren, onder de groote slapen; dat gezicht, dat
+geen leeftijd had, altijd bloosde en toch ongezond zag. Maar Ant's
+oogen waren niet als moeders donker-stille, vlak-afgetrokken oogen;
+die zagen duister-brandend, als aangegloeid door een begeerte of een
+wroeging, die niemand kende.
+
+'t Was in Ant 'r spreken vooral, dat Sprotje haar moeder terug
+vond. Met denzelfden goedig-verbaasden spot kon zij een "rare sijs!" of
+"malle piet!" van iemand zeggen, en met dezelfde, wat klaaglijke
+verongelijktheid een: "Wel-god-nog-en-toe," als zij iets hoorde,
+dat haar niet aanstond.
+
+Sinds haar verkeering met Busselaar was afgesprongen, had zij zich in
+een taaie nauwgezetheid op haar werk toegelegd. Zij hoorde al gauw
+bij de ploeg meiden, die tot het hoogste loon waren opgeklommen,
+en onder het fabrieksvolk werd gezegd, dat Ant Plas nog wel 'ns
+opzichteres van haar afdeeling zou worden.
+
+In die weken toonde zij een nog grootere werkkracht en een nog grootere
+gewilligheid vooral, dan in de dagen van haar moeders ziek-zijn,
+toen zij het kleine huishouden aan het Dijkje deed. Iederen dag kwam
+zij, tusschen haar fabrieksuren, aan de Zijdveldsche Dwarsstraat,
+en al haar avonden sleet zij er insgelijks. Zij deed voor Marie
+wat er maar te doen viel. Zij kookte het eten, wiesch de vaten,
+verstelde de kousen en de werkkleeren van Hein. Al gauw had zij de
+hulpvaardigheden van grootmoeder Diepelink en van Heins vroegere
+kostvrouw geheel overbodig gemaakt.
+
+En Hein, onder de zorgen dier gestadige verpleging, begon weer wat
+licht in het leven te zien. Hij had soms niet geweten, waar hij het
+zoeken moest, toen, na de eerste maanden van krukkeligheid, Marie,
+instee van gezonder, maar al zwakker en zieker werd. Die ziekelijkheid
+zelf beangstigde hem wel, want hij hield veel van haar, doch hij wilde
+toch niet gelooven aan een ernstige dreiging; hij kniesde maar over de
+triestigheid om hem heen, hij voelde zich tobberig en verlaten ....:
+Marie was zoo stil en zoo verwezen en leefde haars weegs of er niets
+anders bestond dan het kind en zij. Hein was ten slotte heelemaal
+niet blij meer, dat er een kind komen moest. Hij kon niet tegen
+de narigheid.
+
+Sprotje, als zij hem zoo met z'n goedig-somberen bullekop het huis
+uit zag gaan, dacht vaak aan dat oude zeggen van hem, in de dagen toen
+zij zoo geworsteld had met het vinden van een dienst. Zij voelde wel,
+dat zij nu te kort schoot in zorg voor hem, maar zij kon niet anders;
+en zij was Ant dubbel dankbaar, dat die 't weer wat prettig maakte
+bij hen thuis.
+
+Niet altijd twee, drie vreemden over den vloer .... het bed weer
+behoorlijk gespreid, en het eten op tijd klaar .... Eigenlijk kwam
+Ant's plompere manier van doen en Ant's ruwere wijze van de pot te
+schaffen ook nog beter overeen met Heins eigen manieren en Heins
+eigen smaak, dan het wat preciese en pietepeuterige, waaraan hij, de
+eerste maanden van zijn huwelijk, zich had onderworpen. Hij had zich
+altijd wat in moeten houden voor Marie, was, om haar plezier te doen,
+trouw voor den eten zijn handen gaan wasschen, en hij at vaak lomp
+uit angst op haar heldere servet te knoeien. Bij Ant luisterde dat
+allemaal zoo nauw niet; die stond wel altijd met de een of andere
+vuile vaatdoek klaar en zei: "daar is 't pompwater goed voor," of
+"met een dweil van een dubbeltje kom je ver."
+
+Sprotje was te ziek, om zich veel van het veranderde huishouden aan
+te trekken; zij scheen het niet eenmaal te merken. Zij bracht haar
+dagen door, slepende van bed op stoel; met moeite ging zij iederen
+mooien middag het hekje van hun achteruit door, op het lapje weiland,
+dat daaraan grensde.
+
+In den uitersten hoek, bij een zwarte schutting, wemelde de zachte
+schaduw van een boom uit den tuin daar achter; een stoel en een stoof
+hadden Hein of Ant er voor haar heen gebracht.
+
+Met haar kleine, bleeke hoofd, zoo ijl in het licht, en haar witte,
+blauw-beäderde handen naast zich aan de stoelzitting geklemd, zat
+zij en koesterde zich in de zon, die door de al dunne boomkruin
+kwam gespeeld.
+
+Haar puilende lichaam scheen wat geslonken deze laatste maand, en
+minder afzichtelijk; en als een voorbode van de verlossing reeds,
+gevoelde zij minder last.
+
+Het was September, de maand waarin haar moeder stierf, de maand waarin
+zij was getrouwd.
+
+Er dreef een goudige, vochte teerheid door de lucht; het gras zag
+zoo donker-zacht-groen, en aan den hemel kwam een enkele kleine,
+bleeke wolk langs gevaren.
+
+Sprotje staarde voor zich uit, droomde zich weg in het verleden. Zij
+zag zich staan aan het hekje van hun oude achteruit, zij zag de wijde
+weilanden, waar de touwslager langs zijn deinende draden liep en de
+stoomvlokjes zilverden boven de lijn van den verren treindijk. Zij
+dacht haar leven na, zij dacht aan haar vader, aan haar moeder;--aan
+haar vader, die zoo ongelukkig zijn leven had zien enden; aan haar
+moeder, die steenen moest sleepen, toen zij nog maar een kind was,
+die later, haar dagen door, zich had afgewerkt voor hen allen, tot
+zij er hard en bits van was geworden. Zij dacht aan dat alles, en
+zij dacht aan de weinige, lange jaren van haar eigen leven .... Een
+algeheele treurigheid overviel haar, en zij peinsde met een groot en
+teeder medelij aan het kind, dat uit haar geboren zou moeten worden.
+
+Lange tijden aaneen kon zij in een vaag en woordenloos maar
+smeltend-innig gebed, over dat kind Gods zegen afsmeeken.
+
+Zij dankte ook wel den Heer, dat hij haar nog de vreugde van haar
+eigen huisje en het geluk van Heins trouw gegund had. Doch voor haar
+bevalling bad zij zelden.
+
+"Om en bij den zesden October," had de "juffrouw" gezegd. "Om en
+bij den zesden October," zei Sprotje vaak in zichzelf, maar met een
+gedachte van afscheid en dood.
+
+Nu de laatste paar weken van haar zwangerschap waren aangebroken,
+was zij er zeker van, dat met het verstrijken van dien tijd ook haar
+leven zou geëindigd zijn.
+
+En sinds die vastheid in haar groeide, was, de uren door, alles wat zij
+zeide of dacht van een roerende zorgvuldigheid voor het ongeboren kind,
+dat zij voelde leven, en dat zij zeker wist, nooit te zullen zien.
+
+Haar laatste krachten spande zij in om de kleertjes te schikken en
+om klaar te leggen, al wat het eerste noodig zou zijn. Haar witte,
+als reeds uitgestorven handen hadden het wiegje voorzien en het
+dekje opgeslagen, dat zóó het kindje er in kon neergelegd. In de
+kast stond het fleschje fijne, zoete olie, waarmee het de eerste maal
+moest afgewasschen worden, en erbij lagen de zachte, linnen lapjes,
+om de oogjes en het mondje uit te vegen, en het teere huidje te
+drogen. Iederen avond liet zij Ant nog een nieuwe bizonderheid over
+de verpleging of de kleertjes vragen aan grootmoeder Diepelink of
+aan tante Bartje.
+
+Zij bepaalde zelf de plaats van het wiegje in de kamer, dat het kindje
+geen tocht zou voelen, zij wees het gerei aan, dat bizonderlijk voor
+de voeding moest gebruikt worden, zij deed nog een tinnen wiegkruikje
+koopen, een doosje talkpoeder en een stukje zachte zeep. Over een
+naam sprak zij niet meer.
+
+Zij zei alles met een zoo klare en verre stem, dat wie haar hoorde,
+voelde, dat zij sprak met den dood in het uitzicht.
+
+Eens zat Hein aan tafel te huilen als een klein kind.
+
+Er ging in die dagen zulk een liefheid van haar uit, dat het iedereen
+een behoefte was, haar iets liefs terug te doen.
+
+Tante Bartje had nog drie fijne hemdjes genaaid en grootmoeder
+Diepelink had zelf wollen sokjes gebreid. Toen moeder Diepelink
+juist in dien tijd opnieuw in "de Cannegieter" was gaan bakeren,
+kwam vandaar, op een avond, een mooie wollen jurk en een witte kaper.
+
+Sien had reeds vroeger twee dekentjes voor de wieg gestuurd.
+
+Vele weken geleden was Sprotje eens een mutsje van witte en roze wol
+beginnen te haken; lang was ze te zwak geweest om aan het werk te
+vorderen. De laatste dagen, met een koortsigen ijver, was zij opnieuw
+daaraan getogen.
+
+Aan datzelfde, bijna voltooide mutsje werkte zij nog, toen de eerste
+pijnen haar overvielen.
+
+Twee dagen en twee nachten duurde de kamp van het oudere, zwakke
+leven, dat het nieuwe moest voortbrengen, en van het nieuwe, sterke,
+dat het oude verbrijzelen ging.
+
+En toen eindelijk, na veel jammer, de strijd was beslecht, toen het
+gemartelde moederlichaam plots weggeslonken lag tot de nietigheid
+van een kinder-karkasje, toen was daar het nieuwe leven, welvoldragen
+en sterk.
+
+"Een flink kind," zei de vroedvrouw, die den dokter had bijgestaan,
+"het aardt naar den vader."
+
+Op haar laatste, smartelijke verlangen, lei men, zoodra het gewasschen
+en gekleed was, het jongetje naast haar op het kussen;--doch zonder
+dat ze de kracht meer had het hoofd te wenden en te zien, nog geen
+uur na de verlossing, stierf zij.
+
+
+
+Het kind werd uitbesteed bij grootmoeder Diepelink. Ant hielp het
+verzorgen.
+
+Hein, alleen in zijn vereenzaamd huis, wist van verdriet en
+onwennigheid niet, hoe zijn uren door te komen.
+
+En op een avond in Maart, dat hij bij Diepelink was geweest, zei Hein
+het, met een dompige stem vol goedig schuldgevoel:--Een man met een
+huishouden kon niet zonder vrouw.... Als Ant hem wilde....
+
+En nog vóór de Mei weer in 't land was, trok Ant met Wilmpje,
+die kostelijk was gegroeid, naar het huisje aan de Zijdveldsche
+Dwarsstraat. Haar potkachel had ze er den vorigen middag laten brengen.
+
+En zoo, voor zijn verdere leven, nam Hein de derde nu, Ant, na Sien
+en na Marie.
+
+
+
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's Sprotje's verder leven, by M. Scharten-Antink
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 44542 ***