summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/44513-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '44513-0.txt')
-rw-r--r--44513-0.txt2408
1 files changed, 2408 insertions, 0 deletions
diff --git a/44513-0.txt b/44513-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..54a646e
--- /dev/null
+++ b/44513-0.txt
@@ -0,0 +1,2408 @@
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 44513 ***
+
+ WERELDBIBLIOTHEEK
+
+ Onder leiding van L. Simons
+
+
+
+ UITGEGEVEN DOOR: DE MAATSCHAPPIJ VOOR
+ GOEDE EN GOEDKOOPE LECTUUR--AMSTERDAM
+
+
+
+
+
+
+
+ SPROTJE
+
+ Door
+ M. SCHARTEN-ANTINK
+
+
+ VIJFDE DRUK, 16e-18e DUIZEND
+
+
+
+
+
+
+
+
+Toen om even voor vieren, met een uitjoel van vrijgelaten baldadigheid,
+de zwerm deerns de school kwam uitgestoven, bleef achter in de plots
+huiver-leege gang, aan de schemere deur-opening van 't lokaal, dat
+voor naaikamer diende, een bleekneuzig kind in een bruin jurkje nog
+staan talmen, haar pak onder den arm.
+
+'t Was de laatste les van den cursus geweest, en de grooten, die niet
+weerom zouden komen, hadden haar bedeeling gekregen, een lap goed
+voor een katoenen japon, een lap voor twee blauwe schorten, een lap
+voor twee witte.... Dat werd het "uitzet" genoemd, 't eerst-noodige
+voor een dienstbodenplaatsje.
+
+Met een schichtige onrust in haar kleine, fletse oogbollen, zag het
+kind telkens verstolen naar de zonnige licht-reep der half-open
+straatdeur,--de woelige bende dólde nog buiten--, keek dan weer,
+stil, met een verdrietig vraag-mondje, het verlaten naai-lokaal in:
+"Als 't goed gemaakt is, Marie Plas," zei terloops, achter uit het
+vertrek, de naai-juffrouw, die druk bezig was op te ruimen, "dan
+mot je maar 's komme.... 's avonds tusschen zeven en acht.... met je
+nieuwe spullen an.... zulle we wel 's kijke.... voor 'n dienstje....",
+en met 'n korten knik, schuin uit haar bukken op, zonder aankijken,
+gaf ze 't kind haar afscheid.
+
+Die, even opgemonterd, bleef nog aarzelend staan luisteren in de
+gang. Verder-af reeds rumoerde het klossen van al de klompevoeten,
+het schreeuw-gepraat.... plotseling werd er als een groot brok uit
+het lawaai weggebroken: "Dat zijn de meiden van de Weert, die de
+Kepélsteeg ingaan," dacht het kind, en de zorgelijkheid streek wat weg
+uit haar spitse gezichtje. Maar ze wachtte nog even. De helpster, die
+'n paar maal de gang door kwam, scheen niet op haar te letten. Dan,
+in de dichte voordeur-helft, klepte met 'n licht-flits de brievenbus
+open, en was weer zwart tegelijk met den plons van wat wits achter
+het glaasje; de postbode, het deur-open voorbij, stak de stoep over,
+was weg....
+
+Als zijn stappen verklonken waren, was de straat zonder gedruisch
+geraakt.
+
+Met een slim, bleek lachje nam het kind den sitsen zak vol naai-gerei
+van den kapstok-haak, en als een muisje schoof ze de gang door,
+slipte langs de wit-heete zonnevlakken over muur en vloer bij de
+straatdeur, en daardoorheen ineens in de wijde zoelte van den Meidag,
+liep ze buiten.
+
+Aan de overzij, in de schaduw der hooge olmen langs de gracht, kwam in
+de verte een vrouw, die een kinderwagen duwde; op tintelende wielen,
+tegen een zachte overglijding van zonne-vlokken in, naderde het; en
+druk met blikken bussen en een netje, liepen en hurkten twee jongens
+aasjes te visschen op de steenrichel aan den waterkant.
+
+Zij stak de keien-straat niet over, maar hield in de lekkere
+middag-warmte op haar eentje de zonne-klinkers, waar de
+verst-uitwiegende boombladeren een dansend glij-schaduwtje streken
+over haar zwart-strooien flaphoedje en het piekerig-blonde vlechtje,
+dat stil hing op 't warm-bruin van haar kleinen rug.
+
+Ze liep stilletjes gauw-aan, in jacht om naar huis te komen,
+haar sitsen bengel-zak aan den eenen arm, haar pak in den andere,
+voorzichtig het omhoogdringend telkens tusschen elleboog en heup,
+bang dat het uitschieten zou.
+
+Een vriendelijk, pips gezichtje was het, met een bloedloos dun mondje,
+en dun haar, en met twee bruinige sproeten-veegjes onder de kleine
+grijze oogen; 'n ouwelijk gezichtje, omdat het schamel postuurtje,
+minner nog lijkend in de korte jurk, die ze afdragen moest, lang niet
+haar dertien jaren aangaf.
+
+Ze was blij en 'n beetje verdrietig tegelijk.
+
+"Leukies," zei ze bij zichzelf, en ze maakte een zacht tong-klakkertje
+achterna, als ze dacht aan het zoo lang begeerde kleeren-goed, dat ze
+nu eindelijk in haar bezit had, dat ze nu naar huis droeg, een pak zoo
+groot en zwaar, dat het telkens onderdoor gleed uit haar moeden arm.
+
+Maar ze had ook een àl zachtjes morrelend verdriet over dat nu
+voorgoed gedaan-zijn van de naaischool, 't jaartje naaischool tóe na
+den kinder-schooltijd tot 'r twaalfde;.... nu was ze inééns groot,
+nu moest ze mee opwerken en verdienen met de anderen.... èchies! ze
+wóu wel!.... toch, 'n vage angst.... hoe zou dat gáán?--groot, ineens,
+nu,.... en ze had 'n raar en zielig gevoel, of ze als 'n ander kind
+langs 'n ander grachtje liep, en ze moest maar weer eens "salig"
+denken en 'n tong-klakkertje maken, om zich 't huilerige gewring uit
+de keel te houden.
+
+En toch had ze maanden naar dit einde verlangd. Nu nóóit meer de
+kwelling van elken dag komen en gaan tusschen de hurrie der dertig
+kinders en meiden, groote, sterke, plagerige meiden, waar ze bang
+voor was en zich weerloos tegen wist in de schrielte van haar
+achterlijken groei en in de schuchtere verbouwereerdheid van haar
+stillen aard. Het leeren zelf en het werken, dat had ze wel prettig
+gevonden, prettig vooral als ze in een hoekje van stille of kleinere
+meisjes had gezeten, waar ze dan, ongemoeid, haar taak kon afmaken,
+wat bedaardjes en knusjes babbelend. Dan was ook haar kind-zijn
+wel weer boven gekomen in kleine giechelarijtjes en heimelijke,
+wat bloohartige grapjes van mekaars klosjes verstoppen en mekaars
+schortebanden los-frutsen. Maar schuw-benauwd en dood-ongelukkig was
+ze geweest de keeren, dat ze was terechtgekomen tusschen de groote,
+woeste deerns, die met klompvoeten stompten naar elkaar, elkander
+uit de bank reden of met spelden in de kuiten prikten....
+
+Het kind was geboren toen al sinds twee jaar haar vader, na verminking
+bij een trein-ongeluk, zijn thuis-zittend prutsleven leidde, en aan
+zijn vrouw moest overlaten, bij te verdienen, wat ze op het karige
+pensioentje, eerst nog maar met hun vieren, dan met hun vijven,
+te kort kwamen. Die paar dubbeltjes van zijn lijstjes-snijden, z'n
+beuzelige karton-plakkerij, dat kon niet meetellen.
+
+Van een degelijk werkman, altijd al wat stijf en teuterig door overmaat
+van ordentelijkheid, was hij gauw genoeg, in zijn gedwongen niets-doen,
+door al 't medelijden van de menschen en het zelfbeklag, verweekelijkt
+tot een soort burgermenheer, teemerig en kniezend, terwijl zijn vrouw,
+optornend voor 't heele gezin, verheiebeide in 't slovig werk.
+
+Het nakommertje had toen de man zelf verzorgd; hij had de flesschen
+gespoeld, de papjes gekookt, de flokkers gemaakt, later er speelgoed
+voor geknutseld; de tien lange jaren, dat hij het nog uithield, was
+'t zijn tijdpasseering geweest en zijn eenig plezier.
+
+En het kind, aldoor levend om en bij den lijzigen invalide, meedeelend
+in de lekkere hapjes, die de rijken uit de buurt stuurden, als ze
+hem weer voorbij hadden zien komen met zijn strompelend kunstbeen
+en zijn misvormde hand,--het kind, onvoordeelig al bij de geboorte,
+was altijd een nietig poppetje gebleven, verwend en eenzelvig, en
+met een ouwelijken angst voor wilde spelen en lawaai.
+
+Vader-en-Marietje, dat was met de jaren in de huishouding van 't
+goedig-ploeterend wasch- en werk-wijf, en de twee gezonde bonken van
+aankomende deerns, het aparte geworden, dat men ontzien moest en met
+omzichtigheid behandelen.
+
+Vader-en-Marietje,--vóór het ongeluk had hij er minder om gegeven,
+en met de vrouw mee waren de meisjes "geriffermeerd" geworden; maar
+later, door zijn "domeni" drukker bezocht, en meer aan den godsdienst
+doende, was hij weer geregeld naar zijn Luthersche kerkje gegaan, en,
+toen Marietje kwam, had hij 'r Luthersch willen hebben, wat de moeder
+best vond: 't maakte geen onderscheid;--Vader-en-Marietje hadden
+hun aparte geloofje, hun aparten scheur-kalender met plaatjes van
+Luther en den Wartburg, boven zijn stoel naast 't raam; gingen samen
+'s Zondags naar 't kleine, verwarmde kerkje op de Steengracht.
+
+Vader-en-Marietje hadden ook hun aparte spulletjes. Vader dronk
+niet uit een kom, maar had z'n eigen knevel-kop, waarop in blauwe
+letters "Leendert" stond; Marietje had 'r eigen bordje, met binnen
+een wit-glimmenden korrel-rand een vaal-zwart schilderijtje van een
+vrouwtje, dat barrevoets naast een ezel door 't water stapte.... "le
+gue" stond er onder, en geen van allen had ooit geweten wat dat wilde.
+
+Vader, met z'n stijve hout-stomp, kon zich niet redden aan 't lage
+ijzeren pompje op de plaats, had zijn wasch-teiltje, waarin Marietje,
+schuw voor de kouwe pomp-plenzen, ook zich mocht wasschen.
+
+En hoe minder de vader werken kon, hoe meer hij ver-heerde; hij werd
+lastig op z'n onderkleeren, kamde tienmaal per dag z'n nattige haren,
+en als maar even de lijm aan zijn vingers pikte, moest Marietje
+hem z'n waschboel halen, en poetste hij met het borsteltje in de
+drie strak-rood-vliezige vinger-kootjes van z'n overreden hand, de
+geel-hoornige nagels van de gezonde linker. Het kind vond dat een
+spelletje, stil genoegelijk, en dee mee van netjes handjes wasschen,
+haartje kammen....
+
+Toen, na haar vaders dood, en hun verhuizing, was al gauw het
+bizondere leventje gedaan geweest, was ze ziek geworden, lang ziekig
+gebleven van onwennigheid, moest ze iederen morgen naar een kliniek,
+waar ze fleschjes lekkere melk kreeg en waar een dokter en juffrouwen
+vriendelijk voor 'r waren. Ze had dagenlang stilletjes gehuild, toen
+'t gedaan was geweest; maar niemand had daar iets van gemerkt.
+
+Dan, van de school, waar ze alleen bangheid had gekend voor de
+meesters, was ze naar "'t naaien" gegaan; zijzelf had erom gebedeld,
+maar moeder had 't ook billijk gevonden.... Ant was naar 't naaien
+geweest.... Sien was naar 't naaien geweest.... Marietje zou hebben wat
+'r zusters hadden gehad, ook al waren ze nou armer; dat dubbeltje in
+de week zou d'r nog wel komme; en dan, als 't jaar om was, dan ging
+ze naar 't fabriek.
+
+Maar 't kind, met haar naaischool, had heimelijk heel wat anders
+voorgehad.... Tegen Mei, dan kwamen de mevrouwen, die een knap
+dagmeisje zochten bij de naai-juffrouw, en als je dan maar goed had
+opgepast, dan hielp die je.... nou, en hàd ze dan 'n dienstje, dan
+zou moeder toch wel....!
+
+'t Fabriek.... dat was voor 't kind een begrip van enkel verschrikking:
+kwam ze er wel eens langs, dan liep ze gauw dóór bij 't hooren
+van 't aanhoudend-snorrende, stommelende, metaal-klonkende
+geraas,--vlijmde de angst door haar hoofd, wanneer ze achter de
+vettig-doffe, grauw-bestoven ruitjes der nauwe ramen, duister een
+vliegwiel zag ijlen in de rondte,--wee-pijnde 'r hart, wanneer, door
+een scherf-hoekend gat in 't brosse glas, een felle riem, als inééns
+vlàk bij haar, duizel-snel en trillend voorbijsneed! O! 't fabriek,--de
+gore, hooge holten, die ze wel eens éven door 'n kierende deur had
+ingekeken, terwijl 'n zure stank, door 'n bitteren roet-walm heen,
+haar in de keel sloeg,--als ze daar in moest, tusschen de troepen
+vuile kerels en ruwe meiden, zooals zij ze, van school komend,
+dikwijls naar buiten had zien drommen in 't schaftuur!.... Nee,
+nee, niet naar 't fabriek.... een dienstje, een stil dienstje,
+bij vriendelijke, bedaarde menschen, waar ze haar kleine keukentje
+zou hebben en kalmpjes-aan den dag doorwerken, om alles proper te
+houden en ordelijk...., waar ze dan binnen zou worden geroepen, bij
+een juffrouw of een mevrouw, die haar zachtzinnig zou toespreken en
+vragen, of ze dit nog eens wou doen of dat....
+
+Nu, met haar bengelenden sits-zak en haar pak present-gekregen
+kleerengoed, deed zij haar laatsten gang van de naaischool naar
+huis, liep zij daar door den warmen Mei-middag in de wisselende
+schaduw-en-zon over haar flaphoedje met het verkleurde roode lint, en
+haar gelapt jurkje van bruin merinos, liep zij het Turfgrachtje af,
+dan de Singelbrug over, en door de wijde nog ongeplaveide straten
+der nieuwe arbeiders-wijk, naar de Buitenkant, waar ze woonde, aan
+het Dijkje.
+
+De naaischool was toch zoo best geweest, dacht 't kind, al hàdden
+de meiden 'r geplaagd; de naai-juffrouw was óók best geweest, en
+de helpster had tegen háár nooit gesnauwd; ze had 's winters vaak
+'t langst bij de kachel mogen zitten, en 's zomers mocht ze altijd
+gaan drinken op de plaats, omdat zij niet morste met 't water; en puik
+naaien had ze geleerd, en nou had ze zooveel goed kedo gehad.... en
+zulk mooi goed.... mooi blauw met witte klaverblaadjes.... zoo
+leukies.... en nou was 't leeren voorgoed gedaan...
+
+"Leukies jammer," zei ze dan opeens bij zichzelf, met den wonderlijken
+zin dien ze had, om stil op haar eentje woord-grapjes te maken.... Ze
+had bijna gehuild, maar dáár moest ze nu weer pret om hebben,
+en ze lachte met het plotselinge en geluidlooze, zenuwachtige
+mond-sperrinkje, dat altijd haar lachen was, en waarom de jongens op
+straat haar scholden voor "Sprot."
+
+Doch gauw stond 'r bleeke gezichtje weer in plooi van ernst. Ze
+had ook véél zorg en zwarigheid! Als Marietje van school kwam,
+was er altijd gezegd, dan moest ze mee inbrengen.... en met 'n
+ouwelijke angstvalligheid hield ze daaraan vast; 't was immers ook
+redelijk.... ze at zoogoed 'r boterham als de anderen.. Maar o! o! als
+ze maar niet naar 't fabriek hoefde! En voor een dienstje moest ze
+eerst kleeren hebben.... ze had nou 't goed.... maar 't màken! Ze
+had wel naaien geleerd, en stoppen en mazen, maar daar had ze die
+japon niet mee in mekaar.... Daar moest ze zelf voor sparen, want
+van thuis kreeg ze 't niet.... En wàt of 'r moeder nou wel willen
+zou, dat ze mee-inbracht? Ant gaf twee gulden kostgeld, en Sien gaf
+'n daalder.... zij was nog maar 'n kleintje.... als zij nou eens
+met 'n gulden hielp.... tjee, tjee, een gulden, dat zou ze maar net
+kunnen verdienen met 'r los werk.... Wat kreeg ze nou te doen? van den
+behanger gordijnen naaien, en breiwerk dat 'r moeder uit d'r werkhuizen
+meebracht.... voor 'n gulden moest ze véél werk hebben, hard naaien
+den heelen dag.... hoe zou ze dan nog sparen?.... en sparen, ze moest
+sparen, gauw sparen.... anders waren de dienstjes weg....
+
+Zoo, tobbend, was zij buiten de stad gekomen, en sloeg den knerpenden
+kolen-weg op, die gesmoord-glanzerig in de zon, tusschen een boordevol
+vaartje en lage, week-groene weilanden, naar 'n olie-molen ver in
+'t land liep.
+
+Een zoele voorjaars-wind woei er ruimer; het water vergleed met
+'n zonne-vleug op haar toe, of het vloeiende licht het smalle
+gras-randje zóó overstroomen ging.... Ze voelde nu even niets dan
+de goede lente-warmte en den zachten wind; en in haar hoofd was de
+vrije leegte, gelaten door wat voorbij is, voor het nieuwe komt....
+
+Dan, rechts, met hun bruine steentjes en dof-blauwe pannen, gestoofd
+in 't licht, en toch als iets donkers erin, waren daar de huisjes al;
+met de zakkerige dak-lijn laag aan de diep-blauwe lucht, stonden ze,
+even omneer het dijkje, als afgedrast naar het vochtige weiland.
+
+Daar woonde ze. Beneden de kleine klei-glooiing met 'n paar scheeve
+vakken afgeloopen gras, was 't langs het brokkelig klinkerstraatje
+telkens 'n smalle groene planken-deur en 'n vierkant raam van kleine
+ruitjes in 't verweerd kozijn-hout. Het raam van haar moeder,
+hagelblank begordijnd, blonk dadelijk als een vriendelijke vlek
+tusschen de andere, groezelige vensters uit. Klaar blauw-wit en
+kreukeloos-stijf, groenig bevierkant door 'n enkel oud ruitje, stonden
+de prachtige, rankende kant-bloemen achter het glimmend-gepoetste
+glas. Even schuin, over twee houtklossen, helde 't àf van de ruiten
+en van de bloempotten in 't vensterbankje.
+
+Dat gordijn,--je moest eraan zien, waar "de waschvrouw" woonde--was
+de trots van het kind.
+
+Thuis, dat was, in haar denken als ze op straat liep of op de
+naaischool zat, nooit het keukentje waar ze huisden, achter, met de
+havelooze kleptafel, de donkere kast met etenslucht uit grauw-bekrast
+aardewerk, de matten stoelen waar de biezen onderuit plukten; dat was
+niet het plaatsje, versperd van de tobben broeiend waschgoed, met de
+rauw-vies riekende dweilen over 'n touwtje; 't was niet de vliering
+met in 't miezerig licht door 'n besiepeld dak-raampje, de sjofele
+kermisbedden van haar zusters, een paar kisten, wat stoffige rommel;
+thuis, dat was zelfs niet 't voorkamertje, dat wel aan kant moèst zijn,
+omdat 'r moeder er streek, maar waar 't achterin toch bijna altijd
+donker was, een enkele kale stoel tegen den kalen muur schooierde,
+en waar nooit, uit de diepe bedstee, de vunzige slaaplucht eens frisch
+wegtrekken kon....
+
+Thuis, het plezierige thuis, het prettigste van heel de buurt,
+dat was, in de gedachten van het kind, het zomer en winter
+smettelooze raam, het kunstig geblauwseld en gesteven gordijn voor
+de zorgzaam-gereinigde ruitjes, achterlangs de twee geraniums
+in hun schoongeschrobde rood-bruine potjes op aarden schotels;
+'s winters pronkte er een blinkend-blauw vaasje met een bos zijige,
+roze-en-witte stroo-bloempjes.
+
+Haar thuis, dat ze liefhad, dat was nog meer het rustige kamer-plekje
+vlak àchter het gordijn; naast die blankte, en tusschen het la-kastje
+aan den muur en de donkerbruine wasdoek-tafel half voor het raam,
+daar stond de oude leunstoel van vader, met de zwart-gladde zitting en
+rug van paardehaar, zwart-glimmerende blokjes over doffer geribbel,
+in randen van bleek mahoniehout.... 't was de plaats van 'r moeder,
+àls die 's zitten kon; meest was 't de hare.
+
+Daar, een uur later, zat ze nu ook, een zware rol
+grijs-en-rood-gestreept, stijf, glanzend linnen naast zich in den
+stoel, een schoteltje met koperen ringetjes op schoot....
+
+Draadje afknippen... draadje aanhechten... "zessetachtig" telde
+ze. 't Waren een soort gordijnen; waarvoor ze moesten dienen, wist
+ze eigenlijk niet, maar ze had op iedere streep een ringetje te
+zetten; dien avond moest 't nog naar den behanger.... er zouden er
+wel tweehonderd aan gaan....
+
+"Haast je maar niet zoo," zei de moeder.... "'k breng 't niet voor
+tien uur weg. Als 't af is, hei je toch niks meer te doen."
+
+Het kind zat stil in haar hoekje, een afzonderlijk kamertje in de
+kamer, nu haar moeders strijkplank, van het koude potkacheltje naar
+de tafel gelegd, het afsloot van den daarachter verschemerenden
+bedstee-kant.
+
+Er hing een opwekkend-frissche geur door 't vertrekje, een zoet-fijne
+stijfsellucht en een zoele wasem van uitdampend, helder-gewasschen,
+in zonne-warmte gebleekt linnengoed.
+
+Links van het kind stond de kanten blankheid, blauwig en blond
+doorplooid, van het zonne-raam; en rechts, op de wit-omzwachtelde plank
+en voor haar op tafel, was al het vlekkeloos-reine strijkgeraad. Als
+weer een versche bout suizelend over een nieuw stuk nattig goed gleed
+en, als kokend plotseling, het vocht in een wolkje opjoeg, dan, even,
+met een vage vleug, schoot wel kleurig een zonnestraal dwars door
+dien damp....
+
+Draadje afknippen.... draadje aanhechten.... "achtetachtig."
+
+Het kind had het wonder in den zin.
+
+Achter haar, verstopt op het lâkastje, met er voor de portretjes en
+'t blauwe vaasje, lag onopengemaakt in den hoek, het pak cadeau
+gekregen kleeren.
+
+Stil werkten ze beide.
+
+De moeder was een groote, breedgebouwde, hoekige vrouw; hoogroode
+koonen, strak netwerk van barstige aartjes over het jukbeen, stonden
+scherp-afgescheiden op haar gelig gezicht, het verweerde gezicht
+met de groote slapen en langs de ooren de lange vale zijstukken der
+wangen; over de koonen, onder het bolle voorhoofd, waren de stille
+zwarte oogen, vlak en als altijd afgetrokken; en het dichte zwarte
+haar, van voren schuin-weg in vlakke golfjes, waaruit de grove,
+droge haartjes wriemelend sprongen, werd op de kruin gekroond met het
+zwart-wollen frommeltje van 'n muts, die van achter op een breed-uit
+en los vastgestoken, warrige dot rustte.
+
+Zij kon wel midden in de veertig en wel achter in de vijftig
+zijn. Een lang zwart jak droeg ze, en een grijs-zwarte schort, een
+weeshuis-schort, als 't kind zei.
+
+Met felle sissertjes tikte telkens 'r natgelikte vinger tegen het
+zilverig-blinkend bout-vlak; als 't sissen dofte, haalde ze 'n nieuw
+ijzer van het keukenvuur.
+
+De tafel lag vol luchtig uitgelegde, nog opstijvende, witte en
+gekleurde manshemden, stapeltjes gevouwen zakdoeken en losse
+boordjes,--'t was voor ongetrouwde arbeiders en klerken bij
+'t spoor meest, dat ze werkte,--en met een wondere fijnheid van
+aanvatten, zonder één rimpeltje te maken of één deuk, tastten de
+stokkerige, werk-gekerfde vingers tusschen al dat teer te hanteerene,
+kreukeloos-blanke.
+
+"Hei je geen meidewaschje van de week?" vroeg plotseling het kind.
+
+"Meidewaschje!.. meidewaschje," teemde de moeder haar na, "hoor nou
+die aap met 'r meidewaschje!"
+
+En in haar zwaar, stram gestap haastte ze nijdig de openstaande keuken
+binnen, om weer een heeten bout te krijgen.
+
+Wàs dat nou niet om giftig te worden.... eeuwig dat gezanik over 'n
+meidewaschje.... mutsjes passen.... mutsjes dragen.... allemachtig,
+ze zou nog zoo'n spul krijgen met dat kind.... zoo'n kleine
+pest.... als er bij geluk nou gauw eris 'n plaatsje kwam op 't
+fabriek zij zou d'r nog niet ééns heen willen!.... 'n dienstje,
+'n dienstje hebben.... zoo'n Luthersche stijfkop!.... was daar nou
+eer aan te behalen?.... als ze d'r nog heil in zag, 't kind er
+goed mee af was.... maar wat nou?.. een kakdienstje van zestien
+stuivers in de week, en 's avonds twee kale boterhammen mee naar
+huis.... en nog komplimente van d'r volk ook.... witte schorten,
+mutsen, lichte jurken.... wie kon d'r voor mevrouw d'r meissie aan
+de waschtob staan?.... zoo'n kind was al genoeg afgejakkerd.... de
+móeder, o zoo!.... Ant ging op 't fabriek, en Sien ging op 't
+fabriek.... klaagden die nou ooit over 't werk?.... waarom dan Merie
+niet?.... ze waren maar weduw-kinderen, hoor!.... Zijzelf werkte toch
+ook tot ze d'r bijna bij neerviel..?
+
+Nog een tijdje foeterde ze zoo in 'r zelve na, terwijl met
+behendig-zwenkende wendingen het suizelend ijzer over de laatste
+linnen-stukken streek.
+
+Maar de stille gemoedelijkheid van 't kind was door het smalen van
+de moeder niet verstoord, en de nabroeiende brommigheid merkte ze niet.
+
+Draadje afknippen.... draadje aanhechten.... "honderd-en-vier."
+
+Stilletjes overleggend dwaalden haar denkinkjes weer rond en rond het
+zoo vaak overpeinsde geldzorgje.... de schorten, die ging ze lekkertjes
+zelf maken, maar de jurk.... knippen had ze nooit geleerd.... d'r
+moeder en d'r zusters konden 't ook niet.... Achttien stuivers
+vroegen ze voor 't maken.... en acht voor de voering, en nog wel
+zes voor verschot.... en een mutsje van tachtig cente.... eer kon
+je tòch niet bij de naai-juffrouw komme.... achtenveertig stuivers
+was 't bij mekaar.... tjee, achtenveertig stuivers.... daar zou ze
+wel achtenveertig weken voor moeten sparen.... achtenveertig weken,
+tòe maar!.... en plotseling, met haar geluidloos mond-sperrinkje en
+haar krampige schoudertrekkinkjes, zat ze, over haar werk gebogen,
+zoo te lachen, dat 'r moeder, opkijkend, moest meelachen van de
+weeromstuit....: wat of die malle piet nou weer had.... En met goedige,
+spotvragende oogen keek ze naar het kind, maar die naaide door....
+
+"Kijk ze nou eris werken," dacht ze dan, "'t is toch zoo'n goed
+schaap...."
+
+Draadje afknippen.... 'r schaar gleed weer tinkelend onder den rand van
+'t schoteltje in 'r schoot; ze nam het klosje van tafel, wikkelde
+wijd den draad af; dan, met 'n handig vinger-strengelingetje,
+rukte ze 'm stuk, belikte 't eind, draaide 't in een puntje,
+en hield draad en naald tegen 't licht.... de oogjes half dicht
+knijpend met een bibberig schuin-optrekken van 'r linker-wangetje,
+mikte ze dan.... en de derde maal glipte fijn het witte spietsje door
+'t smalle staal-splitje heen....
+
+Hè, als je 's avonds op straat die meiden zag, de meiden uit de deftige
+diensten.... ze deed niets liever dan dáárnaar kijken.... brandhelder,
+die meiden, in de lichte, stijf gestreken japonnen met de witte
+schorten, waarin de blokjes nog zaten der vouwlijnen, en met de
+glanzig gepepen tulen mutsjes op 't gladde haar! Daar moest je dan de
+fabrieksmeiden naast zien, hàar zusters, met 'r flodderige jurken van
+valige wollen stof, 'r slordige wollen doeken, 'r lorrig-opgemaakte
+hoeden.
+
+Ze was zelf ook zoo gekleed, nog wel in een uitgestukte aflegger
+van Sien, maar of ze alles, tot in de kleinste bizonderheden toe,
+van die zoo hevig begeerde meiden-kleeding af wist! In een oogwenk
+onderscheidde ze, als zoo'n meid, kieskeurig, met 'r boodschappenmandje
+onder den arm, haar voorbij ging, of 'r muts een enkelen of een
+dubbelen gepijpten rand had, en, naardat de tule haar fijner of
+ordinairder leek, raadde ze binnen die schulp-krans een effen bodempje
+of eentje van gebloemd batist.... Wat zij zou willen, dat had ze al
+lang uitgemaakt: niet zoo'n groote, die stond ouwelijk, en ook niet
+zoo'n hooge prop, net of-i zoo op je haar gewaaid is, nee, er waren er
+die prachtig als een kroon, los en recht op 't hoofd pasten, met een
+zwarte hoedespeld door den haarknoet gestoken:... zóó een; maar dan
+nog mèt de mutsebanden!.... dat blank-gestevene, fijne wit vlak onder
+'r gezicht, dat ze zelf zou kunnen zien, als ze naar omlaag keek,
+en voelen aan 'r kaken... ze zou er wel iederen dag schoone moeten
+aanspelden, om altijd ordentelijk te zijn.
+
+Lang kon ze voor de winkel-ruiten staan kijken naar al de patroontjes
+voor de katoenen japonnen; je hadt blauw-en-witte en zwart-en-witte
+ruitjes; streepjesgoed met witte of blauwe erwtjes, met slangetjes,
+ankertjes, of klaverblaadjes van vieren; ook gespikkeld donker marine,
+dat niet zoo gauw vuil wordt, en voor 's-avonds, als 't grof werk
+aan kant is, het effen licht-blauw en licht-grijs....
+
+En dan de schorten! Ze wist er wel fijne, met kantjes onderaan, met
+tusschenzetseltjes boven den zoom, met festons rondom. Die met een
+hartje, dat op de borst wordt gespeld, waren maar flutterig; als je
+wat degelijks wou hebben, dan nam je een galgeschort, met van die
+banden, die kruiselings over den rug gingen.... had zij maar vast
+een paar gewone, dacht ze dan, met een opnaaiseltje of twee!
+
+Honderdveertig.... Honderdeeneveertig.... Het schoteltje op haar
+schoot liet, door de schaarschere gulden kringetjes heen, al het
+rood-en-groen haantje kleuren, dat in den bodem stond.
+
+Als zij eindelijk opkeek, was langzaam-aan de zon gezakt tot laag boven
+de verre badhuis-boomen. Het roode daakje en de witte muur-stukjes,
+die met het lente-ijle olmen-rijtje zacht-ver over het groen-duistere
+dijkje te kijk lagen, waren als met teeren schemer beslagen onder de
+blakende goud-bank, waardoor nog de zon zijn felle straal-kern boorde.
+
+Door het kamertje viel, schuin aan den achterwand, langs de gele
+bedstee-deuren, en met een hoekje over de roode tichels van den
+keukenvloer, een breede baan rood-goudige gloed, waarin lang en dwars
+gerekt het kleine ruitwerk van het raam schaduwde en fijn-zwart de
+bloem-figuren van het gordijn.
+
+Het kind, onderuit gegleden in haar wijden stoel, had de zware
+rol linnen nu voor zich op tafel liggen, en bewreef haar vingers,
+dunne vingertjes met kortgeknipte nagels aan de vierkante toppen,
+die pijn-prikten van 't pikken door de harde stof.
+
+Haar stille muizen-oogen, grooter en donkerder nu in 't warm-bezonkene
+avond-licht, volgden spiedend haar moeders doening, hoe die de laatste
+ijzerhalen over het laatst te vouwen boezeroen streek, luchtigjes
+het linnen in stapeltjes deelde en handig in de manden schikte; dan
+ging ze haar plank en haar bouten bergen, en rinkelde in de keuken
+met kommetjes en een waterketel.
+
+Het kind, met een schrijn-schurend geluid over de hard-gladde
+zitting, schoof nog verder onderuit in den stoel, trok de tafel
+naar zich toe, over haar knieën heen; met haar spitse ellebogen op
+de twee paardenharen armkussentjes, en haar inééngevingerde handen
+over de ingedrukte borst gespannen, lag zij dan lekkertjes-lui
+rechtuit-gestrekt.
+
+Nu ging 't weer eens goed worden.... nu was 'r moeder aan
+'t koffiezetten, kregen ze een kopje vooraf, voor de zusters
+kwamen.... Zij hoorde het knisterend brijzelen der boontjes in den
+molen, het bruisend watergutsen in de tinnen kan.
+
+Met halfdichte oogjes snoof zij den geur op, die hartig doordrong,
+en bleef vaag kijken naar de donkere gedaante van haar moeder, die nog
+kwam en ging door 't roodige licht, dat in de open keukendeur stond.
+
+Vrouw Plas bracht één kommetje voor, dan nog een.... met de dampende
+kommetjes in de hand zaten zij nu samen, de vrouw vlakbij geschoven,
+haar voeten op de breede richel van 't potkacheltje,--het kind, weer
+overeind-gewerkt, vóór in den stoel, met een klein-ronden rug, waarover
+'r haarstaartje, een rossig hagedisje, nog juist wat goud ving.
+
+Zij spraken zacht, met droomerige stemmen en met lange poozen
+van eensgezinde stilte. De vrouw dacht aan 't afgedane werk, aan
+'t rondbrengen, dien avond, van de waschjes; het kind, diep in haar
+hoofd, zag aldoor de kleur en de teekening van het jurkegoed, dat
+zij dien middag gekregen had, dat water-heldere blauw met de takjes
+van drie fijne witte blaadjes daarover gespreid....
+
+"Je zal wel moe zijn," zei het kind, "twee zulke manden vol...."
+
+"Och.... zóó...." zei de vrouw.
+
+Dan zwegen zij weer, lipten voorzichtig aan 't heete vocht, zaten
+peinzend te kijken in den opkrinkenden damp.
+
+"Als 't alle dagen nog Zaterdag was," herbegon mijmerend de
+vrouw.... "je kon alle dagen je waschjes brengen, je geldje halen...."
+
+"Waschjes op je eige is niet veel meer tegenwoordig," zei ouwelijk-wijs
+en bedenkelijk-knikkend het kind.
+
+En later de vrouw weer: "Je mot dichter bij de rijke buurte
+wone.... bekender wone.... 't Dijkje, dat willen ze niet.... En de
+inrichtingen...."
+
+"De inrichtingen, die doen véél scha," peinsde het kind. Ze vond
+'t heerlijk, zoo stil met haar moeder te praten, als twee groote
+menschen, en wat warms drinken, in den schemer, en 't huisje in rust;
+wàt ze praatten, dat gaf niet, als ze maar zoetjes zoo wat zeiden,
+om beurten....
+
+"De Antwerpsche wasscherij.... en de Hoop.... en de Nieuwe
+strijkinrichting...." vaagde, met lange rusten, de stem van de vrouw
+weer door 't lage kamertje, waar het scheidende zonne-rood in een
+laatste verdwaalde veeg nog de bruine zoldering bestreek....
+
+"En de wasscherij op de Steengracht...." ging zachtjes de kinderstem.
+
+De vrouw zat flauwtjes, langzaam-nadenkend te knikken, boven haar
+leege kommetje, stond op en goot beiden nog een warm scheutje bij.
+
+Dan dronken ze weer en zwegen een langen tijd.
+
+Ze zaten hoe langer hoe meer weggewischt voor elkaar in den winnenden
+schemer; het kind zag nog klaar haar moeders gezicht, en de moeder
+de kleine handen, die het kind nu in elkaar hield op den tafelrand.
+
+Het licht aan den zolderhoek was weggeslonken, en het kamertje waasde
+in één grijzige bruinheid van avondduister.
+
+Maar buiten, over het open dijkje en de donkere badhuisboomen,
+waartusschen zooeven de dof-roode vuur-drop in lood-grijs versmolten
+was, stond nog de wijde hemel van wonder schemer-rood gepluimte
+volgewaaid.
+
+"Wát 'n lánge dagen al," zuchtte tevreden de moeder.
+
+"En 't spaart je nog al geen olie uit...." femelde zoetjes de stem van
+'t kind terug.
+
+Toen, óver half acht,--'t was Zaterdag--kwamen, vlak na elkaar, de
+twee zusters thuis van 'r fabrieken; eerst Sien, die in de plooien
+van 'r kleeren altijd de scherp goor-zure lucht meebracht van 'r
+azijn-makerij, dan Ant, uit 't tricot-fabriek.
+
+Dat was opeens een herrie en volte in 't stille huisje, een lawaaiig
+loopen, waterkletsen aan de pomp op 't plaatsje, roepen om koffie,
+om boterhammen.
+
+En de moeder dadelijk in de weer.
+
+In de keuken geelden de muren aan, doofden weer even, stonden dan
+kalm-belicht. En het kind, uit het voorkamertje komend, keek met
+een schichtig-knipperende gluring der weer verfletste oogjes in de
+scherpe lampe-vlam, waar het kapje nog niet over was gezet.
+
+"Dáár hei je Sprot!" lachte plagerig Sien, die 't kleintje niet erg
+lijden mocht.
+
+Zij zei niets terug, wachtte nog even bij de deur, tot de moeder geen
+licht meer noodig had in de kast, en ze alle drie goed en wel zàten
+aan de nu rustig-overschenen kleptafel. Dan sleepte ze haar stoel aan,
+en hield zich stil, klein en minnetjes tusschen de gezonde posturen van
+'r twee zusters,--Ant, breedgebouwd, mager en donker als haar moeder,
+Sien, blonder, blanker, wat smaller maar molliger ook, en met sterke
+staal-blauwe oogen onder de zwarte wenkbrauw-streepjes.
+
+Het kind, zonder een woord, zat haar avondbrood te eten, dat zij met
+zorgvuldig overleg in reepen en blokjes sneed, en in haar aangelengde
+koffie doopte. Zij scheen daar wel al haar gedachten bij te hebben,
+niets te hooren van wat Ant en Sien zaten op te praten tegen elkaar
+en tegen de moeder over een ruzie, waar ze bij waren geweest, tusschen
+Sien d'r vrijer en z'n famielje.
+
+"En als je dan eindelijk dacht, dat 't gedaan was," vertelde Ant,
+"dan zeit dat ouwe wijf: "vos, je zel mij nie vange," en dan begon
+'t spektakel weer van voren af aan."
+
+"Hein ken d'r genéén van z'n eige femilie an," mokte Sien, met 'n
+teleurgesteld-minachtend lippen-pufje achterna.
+
+Dan aten ze zwijgend een oogenblik.
+
+Toen, opeens, zei het kind, raar van boven haar bord oploenzend naar
+den vensterhoek, zonder iemand aan te zien, en pratend met een fijn,
+vies mondje:
+
+"Hein.... die ziet 'r net uit, oftie altijd 'n poepje mot late."
+
+"Vèrrek! hoor háár nou!.... hóór d'r nou...." schaterde Ant, die
+stampvoette van 't lachen. Ook de moeder lachte met haar goedigen
+spotlach van: hei je nou ooit!
+
+Maar Sien, felrood op eens, beet van zich af met een venijnig
+gescholden "Sprot! Zòt!"
+
+"Nou......" zei de moeder, "ze dòet je toch niks?"
+
+'t Kind, haar hoofd weer laag over haar bord, zat moeilijk haar
+lach-sperrinkjes te verbijten; alleen het zenuwachtig saamtrekken
+van 'r schriele schouwertjes verried haar plezier; en zoo duurde
+haar stiekeme lolletje tot, na 't eten, ze Sien het voorkamertje zag
+ingaan en op 't lâ-kastje kijken. Plotseling vloog ze, angst-gestoken,
+overeind; om klaterde de stoel.
+
+"Kleerkoop!.... kleerkoop!" zong tergend Siens schelle stem, en ze
+hield hoog boven haar hoofd het pak, terwijl de holle schuit van het
+afgescheurde papier naar omlaag zeilde.
+
+"Wat?.... wat?" vroeg de moeder....
+
+Het kind, met doodsbleeke wangen en een trillend-verkrompen mondje,
+kreet, schor van drift, of de klanken haar niet uit de keel wilden.
+
+"Van mij! Van mij!" krijschte ze.
+
+"Toe! laat maar...." goelijkte Ant, die 't van andere meiden d'r
+zusjes gehoord had, "'t is van de bedeeling op de naaischool...."
+
+Maar dan de moeder aan 't lamenteeren: en God nog en toe, en had ze
+nou niet een uur wel zitten praten met 'r, en koffie met 'r zitten
+drinken.... en zou zoo'n naarheid nou ook eens een bek opendoen,
+eris wat vertellen.... 't eris laten kijken aan d'r moeder? Geen
+kik had ze gegeven, niet eens gezeid, dat 't de laatste keer was van
+'t naaien! was 't nou niet God geklaagd....
+
+"As gluiperdje dood is...." sarde Sien, 't kind voorbij de keuken
+inschietend, en Ant, die nu ook boos op 'r werd, zei schamper,
+terwijl ze, omkijkend, achter tegen haar elleboog tikte: "Nou! jij
+heb ze hier, hoor!"
+
+De drie vrouwen, bijeengedrongen, neusden om het goed, dat Sien nog
+hoog hield voor de grijpvingers van het kleintje, bewreven en bestreken
+de afgerolde einden, gristen de lappen door elkaar; zwaar vulden de
+drie groot-breede lichamen het midden van de keuken.... en klein,
+in hun schaduw, een paar stappen af, stond het kind 't aan te zien,
+zonder een woord meer of een beweging. Maar 'r oogjes staken kwaad,
+valsch de schrille pupillen, en haar bleeke mondje was in verbetenheid
+tezaam geperst...... Zouden ze haar helpen met 'n dienstje? zouden
+ze haar geld geven voor de naaister?.... dan ging hun dat goed toch
+ook niet aan?.... 't was haar goed.... van haar alleen.... ze hóefde
+'t toch niet te laten kijken, als ze niet wou....?
+
+Toen, met een plotseling genoeg hebben van de pret, plof, liet Sien 't
+heele pak vallen, en liep dan zingende 't schemer-donkere voorkamertje
+door en de deur uit.
+
+Het kind, zenuw-haastig, scharrelde het los-gevouwene in haar armen
+bij elkaar, sloeg, terwijl zij de keuken uitvloog, beschermend haar
+jurk-rokje er rondheen, en door de deur, die Sien opengegooid gelaten
+had, strompelde ze de smalle treedjes op van de vliering-trap, die,
+als een ladder met breede sporten dadelijk om den hoek der kamerdeur
+in het portaaltje steil omhoog stond.
+
+Boven bleef ze eerst versuft in het duffe donker, waar alleen 'n plekje
+sidderend licht, van de eenige lantaren buiten, bij het dakraampje
+aan de balken weifelde.
+
+De tranen sprongen haar fel in de oogen. "'t Is gemeen, 't is gemeen,"
+grijnde ze en schopte tegen de vale bult van Sien 'r afgehaalde bed.
+
+Zoo stond ze nog een oogenblik, trillend-gespannen van machtelooze
+woede, snikkend, 'r twee handen verstijfd aan 'r rokje met 't
+builende pak.
+
+Plots dan voelde ze wàt ze daar droeg,.... óch-Gód dat goed, dat op die
+smerige grond was gevallen, dat ze hadden geknoeid en beduimeld.... en
+met al haar gedachten dáár ineens bij, liep ze op 't raampje toe,
+kroop op de kist die daarvóór onder de donkere dak-schuining school,
+en op 'r knieën bij het drein-wiebelend licht, dat achter de twee
+smalle, grijs-bedropen ruitjes waasde, bekeek ze de lappen-hoop,
+streek een voor een de stukken uit, veegde ze glad, en paste en
+plooide, tot haar mooie goedje weer kreukeloos in de vouwen zat,
+zooals ze 't had gekregen.... Gelukkig, er was niets aan bedorven!
+
+Dan lei ze het voorzichtig naast zich op de kist, liet zich omdraaiend
+neer-glijen, en bleef zoo zitten, langzamerhand tot 'r zelve komend,
+zonder veel gedachten meer.
+
+
+
+Toen sinds een tijd al het kind beneden zich het huisje gehoord had
+als een putje van stilte tusschen de kleine, bekende geluiden der
+buurt, nam ze haar goed op, en, 't voor zich uit houdend, tastte ze de
+vliering-trap weer af, luisterend toch telkens nog, of wel werkelijk
+iedereen uit was.
+
+In de keuken brandde als een gloeiend spijkertje de lamp, die ze
+gauw ging opdraaien. Ze had nu geen trek in vóór zitten, want de
+luiken waren opengebleven, en naar buiten gaan om ze dicht te doen,
+dat dorst ze eigenlijk niet goed.
+
+Met knussigheidjes van bedisselen liet zij dan het keukengordijn
+zakken, zette een schoon blad van de kleptafel op, lei daar nog de
+Advertentie-bode over, haalde zich de minst doorgezeten stoel en de
+hoogste stoof, ging even haar naaizak uit 't kamertje krijgen; dan,
+de lamp vlak achter zich, zat zij opzij van de tafel, haar knieën
+opgetrokken, haar hoofd wat kouwelijk diep in de schouders, haar
+halve haartje en haar eene sproetenwang goudig in den lichtschijn.
+
+Nu, eindelijk, op haar verdrag, kon ze dan genieten van haar
+schatten....
+
+Ze hield 't blank-blauwe katoen, een slag of wat uitgerold, onder
+haar kinnetje, langs haar borst, streek 't omzichtigjes glad, keek,
+schuin van boven af, er langs neer.... 't was héél mooi....; dan
+liet ze het lager, opzij langs haar been afvallen, keek weer, haar
+bovenlijf scheef achteruit.... keek lang, lachte er tegen; nuffige
+neepjes van plooivalling gaf ze, poefte de stof op, aaide ze weer
+effen langs 'r smalle heup.... 't was héél mooi....!
+
+Dan, tusschen haar twee duimen en wijsvingers, vlak met 'r neus erop,
+wreef ze 'n hoekje van 't katoen, hield het gewrevene onder de lamp:
+"niks geen pap.... dóórgedrukt.... deugdelijk goed.... wel acht
+stuivers de el," dacht ze.
+
+Nu kreeg haar witte schortegoed een beurt, en dan het bonte.... "bijna
+niks geen pap," zei ze nog eens.
+
+Ze liet alles breed-uit voor zich op de schoone krant liggen; ze had
+alle tijd: 'r moeder was met de grootste van de twee waschmanden uit;
+'r zusters kwamen 's Zaterdagsavonds nooit voor tienen thuis.
+
+Ze zat in een genoegelijke verademing van zekere rust.
+
+Het licht, onder de deukige, zwart-gelakte kap uit, lag, om de
+kern-schaduw der platte porceleinen peer, in een bochtige schijf
+over tafel en half over haar heen; achter haar stond het in grillige
+vakking over den tichelvloer en een eindweegs tegen den muur op.
+
+'t Was heel stil in 't keukentje; de buurmenschen van weerszij
+leken wel allemaal op Zaterdagavond-boodschappen uit; alleen klonk
+bij poozen, dof lang, als een gedempte donder, 't balrollen in de
+kegelbaan van de Hanekamp, de groote uitspanning, die om den hoek van
+'t Dijkje lag.
+
+En friemel-plooiend de stof tusschen haar dunne vingertjes, begon
+juist het kind een zoom te leggen aan haar eerste blauwe schort, als
+er plotseling een driftig klink-rammelen ging aan de voordeur, en met
+een paar nijdig-wijde stappen Siens vrijer op den keuken-drempel stond.
+
+"Is Sien uit?" vroeg hij barsch.
+
+'t Was een korte, zware jongen, met een rood, stevig gezicht, en met
+bolle blauwe oogen zonder veel wimper.
+
+Het kind was wel even geschrokken, maar gek, voor die Hein was ze
+nooit bang; "tjee," lachte ze in 'r zelf, "kijkt-ie weer drukke."
+
+"Is Sien er of niet?" herhaalde de jongen, kwaadaardiger nog dan de
+eerste maal.
+
+"Nee, ze is uit," zei het kind eindelijk....
+
+"Ze is al wel een uur uit," zei ze nog achterna, toen haar lachertje
+bezonk; en de jongen, die al weg was, trok met een vloek de voordeur
+dreunend achter zich dicht.
+
+"Tjee, die Sien!" dacht het kind, "nou zal ze ruzie krijgen!" en
+door 'r kleine, groenig beslagen tandjes, gedrukt in de onderlip,
+haalde ze "ffff" de lucht op, terwijl ze, schoudertjes omhoog, even
+met bedenkelijke oogen groot-strak onderuit keek.... "Nou efijn" zei
+ze dan, en de nijvere handjes priegelden alweer aan het schortegoed,
+plooiend den zoom precies op het ruitje af, met 'r eene hand de
+vouwtjes opeen-voegend tusschen het telkens zich openende kneepje
+van de andere wijsvinger en duim.
+
+Vijf minuten later was de jongen al weer terug, kwam nu bedaarder
+de keuken binnen, tot bij de tafel, die warm het lamplicht in zijn
+gezicht opscheen.
+
+"Zeg nou 's, Merie, waar is Sien heen?" vroeg hij, probeerend zijn
+stem vriendelijk te maken.
+
+Maar 't kind, niet denkend dat hij 't weer zijn kon, was bij 't klikken
+van de klink erger geschrokken dan de eerste maal, had instinctmatig
+het goed bijeen gepakt, de krant er over geslagen.
+
+Schichtig trok ze de schouders op.
+
+"Toe, je weet 't wel," zei de jongen, "wanneer is ze dan uitgegaan?"
+
+Het kind maakte eerst nog een schutterig beweginkje van niet-weten,
+zei dan plots:
+
+"Ze hadden me getreiterd, toen ben ik naar boven geloopen, en toen
+ik weer beneden kwam, waren ze allemaal uit...."
+
+"Zoo, had ze je getreiterd...." zei de jongen.
+
+Zij haalde haar bonte schortegoed weer uit de krant, rolde die rond
+'t andere heen, om er gauw mee weg te kunnen, nam haar naaizak....
+
+De jongen was op een stoel achter de tafel gaan zitten, keek met zijn
+felle, naakte oogen schril in de lampevlam, terwijl zijn gave, gevulde
+wangen van te hoogrood vleesch even zacht blonken op de koonen, en de
+kaken, fijn-blond-overdonsd, een glanzigen schemer vingen óver hun
+blakende kleur; onder z'n dun, wittig snorretje zat zijn rauw-roode
+mond met een kwade groef naar beneden getrokken.
+
+'t Kind vond hem raar en griezelig als altijd, maar ze had nu ook
+wel medelij met 'm.
+
+"Wou je wachten tot Sien thuis kwam?" vroeg ze, bedeesd voorkomend,
+"je ken wel hier wachten...."
+
+Hij zei eerst niets, bleef in de lampevlam staren tot zijn oogen
+knipperden, keek dan naar 't kind, dat steelsgewijs naar hem keek.
+
+"Je ken toch altijd zoo gek doen, Sprotje," zei hij op eens.... "zoo
+gek lachen.... maar je meent het niet kwaad."
+
+Het kind, dat begonnen was 'r zoom-steekjes te leggen, bleef diep over
+haar werk gebogen zitten; ze vond 't niet aardig, dat hij 'r bij d'r
+scheldnaam noemde, maar hij deed 't zóó vrindelijk, dat 't toch wel
+prettig was. En te verlegen om op te kijken, zat ze bij zichzelf stil
+berouw te hebben, dat ze zoo leelijk over hem gedacht had, strakjes.
+
+Een uitval van den jongen deed haar plotseling opschokken.
+
+"Een kreng is je zuster.... een krèng!" snauwde hij, met zijn fellen
+kop vooruit naar de deuropening, zijn twee vuisten gebald op zijn
+knieën, "een groot kreng...."
+
+"Ze weet veel te goed, dat ze zoo mooi is!".... mokte hij achterna.
+
+Daar hadt je 't nou weer, dacht 't kind, nou was Sien weer mooi; die
+wilde, rooie Sien, met haar waaierige haren, die altijd zoo zuur rook,
+en zulke groote rare tanden had.... net een jodenkerkhof.... als die
+nou mooi was!
+
+"Ik vin me zusters niks mooi," zei ze met een vies mondje.
+
+De jongen keek haar goedig aan.... "Ant niet, maar Sien.... Sien is
+'n mooie meid, Sprotje.... jezes, zoo'n mooie meid! Maar ze weet
+'t te goed, ze het lak aan de jongens, ze kan d'r krijge zooveel ze
+maar wil. Na mijn weer 'n ander. Ze geeft er om geneen wat. Ze mot
+een jonge hebbe, die cente het...."
+
+"Weet je wat ze nou wil," zei hij opeens vertrouwelijk over de tafel
+leunend, "ze wil 'n goue kettinkie van drievijvetwintig hebbe.... Als
+ik de cente nou niet heb, ken ik toch zoo'n kettinkie nie koope.... en
+dan zeit ze maar, Jan Aalders zou 't wèl geve.... en 'n andere dag
+weer, die jonge van Bertels zou 't wèl geve.... makkelijk genog,
+die z'n vader het de guldens maar voor 't opscheppe.... die kan mooi
+geve.... ik heb de cente niet...."
+
+"Jij verdien nog nie veel, wel?" vroeg 't kind.
+
+"Vijf gulde," zei de jongen. Hij zuchtte, en zijn rooie gezicht werd
+nog rooier.
+
+"Vijf gulde, da's nie veel.... en da's wèl veel" zei nadenkend 't kind,
+met klem van spreken.
+
+Dan, plotseling, moest ze lachen, omdat hij zoo'n kleur gekregen had.
+
+"Toe," zei de jongen kregel, "begin nou niet weer.... doe nou niet
+zoo gek!"
+
+"En jij dan?" had 't kind al gezegd voor ze 't wist; toen bloosde ze
+zelf tot op 'r voorhoofd, en bukte snel weer over 'r werk.
+
+Er was een lange stilte in het keukentje.
+
+Zij, al priegel-pikkend, luisterde aandachtig, of moeder of Ant nog
+niet terugkwamen. Ze begon 't eng te vinden.
+
+De jongen zat weer te staren in de lampevlam.... nou had-ie nog al z'n
+nieuwe boezeroen angedaan met dat rood-zije koretje, en z'n goeie pak,
+omdat 't Zaterdagavond was.... lamme meid!
+
+Hij schoof z'n pet achterover, zoodat zijn kortgeknipt wit haar met
+een stijf-scheef kuifje er onder uit kwam plukken; dan wreef hij met
+zijn paarsig-roode hand langs z'n voorhoofd:
+
+"'k Ben wel stapel, dat 'k hier zit te wachte," zei ie, maar hij
+bleef zitten.
+
+"'k Ga 'n pot bier drinke," zei ie een tijdje later, maar hij bleef
+nòg al zitten.
+
+Hij haalde een zwarte dikke sigaar uit z'n buiten-bovenzak, draaide
+'m rond tusschen z'n lippen, bekeek 'm, stak 'm weer weg.
+
+Het kind begon hard te verlangen, dat er nu een eind aan zou komen;
+ze was moe, en branderig in 'r gezicht, en rillerig tegelijk....
+
+Het rustige onweer van de kegelbaan pomde nog altijd los met lange,
+zachte uitrommeling.... In de verte was het dof geruisch, als een
+eindelooze zucht door wijde eenzaamheden, van een trein; en een vaag
+gekrijt schreide toen op, vlood met een kort flauw fluitje.
+
+"Kwamen ze nou maar thuis," dacht 't kind.
+
+De jongen begon te schuiven op z'n stoel, wreef met z'n handen over
+z'n knieën....
+
+"Je zou d'r.... je zou d'r...." barstte hij dan los. Maar hij hield
+zich in; dat kind had 'm toch niks gedaan.... en hij streek maar eens
+met z'n zwart-nagelige vinger over 'n hoekje van 't blauwe katoen,
+dat uit de krant piepte: "netjes," zei ie.... "fijn...."
+
+"Pas op, pas op!" schrok het kind "'t is me goed van de bedeeling,
+op 't naaien."
+
+"Fijn," zei de jongen nog eens, "maar licht, zal gauw vuil worde op
+'t fabriek."
+
+"'k Gà niet naar 't fabriek," zei 't kind fel, met ronde schrikoogjes
+hem aankijkend.
+
+"Zoo," zei de jongen alleen.
+
+"'k Gà niet naar 't fabriek," zei 't kind nog eens, "'k ga dienen."
+
+"Dienen is ook hard werken," kwam nu de jongen bij, "me zus het
+gediend, maar ze het 't niet kenne volhoue.... ze is nou op 't fabriek
+van de Lange.... Waarom wou jij niet naar 't fabriek, Sprotje?"
+
+Hij vroeg 't weer zacht-vriendelijk, in een soort ondergrondsche
+vertrouwelijkheid, omdat hij aldoor dat kind met zich gevoeld had,
+tegen Sien.
+
+En het kind voelde ook wel de goedgezindheid van den jongen,
+begon zachtjes klagend te vertellen, dat zij zoo bang was voor
+'t fabriek, zoo vrééselijk bang....: "altijd zoo'n leven om je
+heen, en allemaal tussche vreemde," ze ging haast huilen van moeie
+opwinding.... "allemaal vreemde, en altijd opzichters achter je aan,
+en overal groote wielen...."
+
+Ze sidderde, kneep 'r handen in elkaar, terwijl ze doorklaagde, wat
+kalmer weer: "en zoo zwart.... en zoo smerig.... en al de manne,
+as die er uitkomme... ze zou'e je doodloope.... ik droom er soms
+van.... altijd vloeke en lol...."
+
+"Hoho maar," zei de jongen, die 'r als een gek had zitten aankijken,
+"die lol, die kenne ze wel op. Hard werken en 'n beetje verdienste...."
+
+Toen schoot het kind opeens in haar plooi van plezierige
+oud-vrouwtjes-praat. Ze borg haar spullen in de krant, haar naaigerei
+in den sitszak, zat kleintjes gedoken, met kouwelijk 'r handen
+kruiselings onder de oksels, doodmoe van den langen dag, van al de
+opwinding en al 't verdriet, haar oogjes slaperig flets, en diepe,
+blauwige kringen ingezakt boven het strakgespannen vel der jukbeenen.
+
+"Een beetje verdienste.... en een groot huishou'e," kwam ze zachtjes
+bij-femelen, "armoe lij'e.... en dan worden 't sociale...."
+
+"Niet allemaal," zei de jongen.... "ikke niet."
+
+"Jij dan niet... maar later... as ze getrouwd zijn..."
+
+"En dán," zei de jongen, "'n werkman mag toch wel voor z'n rechte
+opkomme...."
+
+"Nou.... ja...." rekte zeurig-bedenkelijk de kinderstem.
+
+Toen, met blinkende oogen en bebloosde wangen van den frisschen
+avondwind, kwam Sien binnen-gevallen.
+
+Ze ontstelde wel even, als ze Hein zag zitten, maar dadelijk was ze
+klaar met 'n brutaal-spottend:
+
+"Nou, as jij liever met me zussie vrijt...."
+
+De jongen stoof op! Zoo'n beest.... nou dorst ze nog zoo te
+beginnen.... had hij niet 'n uur op 'r loopen wachten?.... een heel uur
+op en neer geloopen?.... nou hier nog 'n uur zitten wachten....? Gemeen
+kreng!
+
+Het kind, met wakker-geschrikte oogjes, was achteruit geschuurd,
+de stoof omver trappend, had 'r pak gegrepen, stond achter de
+tafel 't aan te zien.... hoe dorst ze, die Sien,.... nou nog
+terug te schreeuwen.... en die stakkerd van 'n Hein, hij had toch
+gelijk.... Kijk-tie paars worden in z'n gezicht.... en die astrante
+meid.... die was nou mooi, die meid!.... oogen waar je bang van
+werdt, en die ragebol van dat haar, en die tanden met dat tandvleesch
+allemaal bloot als ze lachte.... nou lachte ze weer.... kijk nou.... ze
+lacht 'm in z'n gezicht uit.... en tjee, kijk die Hein nou woeiend
+worden.... als-t-ie maar nie slaan ging, tjééee....!
+
+Dan, klak, klak, vielen de luiken van 't kamerraam dicht,.... daar
+hadt je moeder!
+
+Sien, Hein 'r achterna, 't kamertje door, liep in 't portaaltje de
+vrouw tegen 't lijf....
+
+"Heila! waar mot jij na toe?" baasde die ruw; maar Sien, dol, gilde
+van lol en angst door elkaar, "hij slaat me! help! hij slaat me!" en
+rende door de open deur het dijkje op.
+
+En Hein, die even had willen gaan sussen: "Hoor nou, vrouw
+Plas...." razend 'r achterna.... "Sien! toe nou, Sien!" hoorde 't
+kind hem nog roepen.
+
+"Wel voor den donder," gromde de moeder, die 'r leege mand ijlings
+neerzette, de volle greep.
+
+"Ben jij daar, Merie?"
+
+"Ja moeder."
+
+Maar ze haastte zich al 't portaal door, de twee achteraan, de deuren
+openlatend.
+
+Even klonken nog hooge stemmen langs den dijkweg, dan lag het huisje
+leeg-stil in huivere holheid.
+
+"Hu!" zuchtte 't kind door 'n rillertje heen: "zullie liever dan ik!"
+
+Wat verwezen was ze op den stoel bij de kamerdeur gaan zitten, voelde
+dan weer, in de nacht-kilte, de rillingen over haar pijnlijke ruggetje
+loopen; haar oogen staken van den slaap.
+
+Het pak had ze nog op schoot; dat ging ze eerst vóór, op den stoel bij
+'t bedstee-deurtje leggen. Dan kwam zij de lamp van de keukentafel
+halen, droeg 'm met twee handen, voorzichtig over den drempel stappend,
+op de tafel voor 't raam .... hèèè, daar lag die rol gordijnen
+nou.... die nare Sien ook.... en "ffff" zoog ze de lucht weer door
+'r tanden: de voordeur stond open....!
+
+Op 'r teenen sloop ze òm langs den muur, leunde tegen den post
+van de kamerdeur, en helde met 'r uitgestrekten arm 't portaaltje
+in.... Net bereikte 'r hand de voordeur.... met twee vingertoppen
+trok ze 'm moeielijk aan, keek even huiverig naar buiten--'t was
+koud.... nachtvorsten.... dacht ze--en duwde 'm zachtjes, gauw, in
+'t slot. Ook de kamerdeur sloot ze goed, ging dan de bedsteedeurtjes
+openzetten.
+
+Van binnen waren die, als het achterbeschot en de beddeplank, donker
+gras-groen geverfd. Daartusschen, als in een groen-afgeschut kamertje,
+den stoel met haar pak tegen het voeteneind-deurtje naast zich,
+voelde ze zich veilig, ging zich snel uitkleeden.
+
+'t Bruine merinos-jakje, met de lichtere lapjes op de ellebogen en
+onder de oksels, wou nooit dan met omzichtig en stroef trekken uit;
+dan hing ze 't over de stoel-leuning als over een kapstok; 't rokje
+was al uitgegleden.... de grijs-en-blauw baaien onderrok zakte na;
+ze stapte er uit, en stopte ze zorgvuldig om haar kostelijke pak.
+
+De laarzen waren gauw losgeveterd, de roodbruine kousen afgestroopt
+en omgetrokken.
+
+En nu, vaal-wit schimmetje in 'r groen-schemerigen hoek buiten
+den lampe-schijn, stond ze op 'r bleeke voetjes voor de bedstee,
+die kleine Sprot.... 't Staartje, langs den dunnen bruinigen hals,
+puntte neer over het witte keper, dat 'r smalle lijfje omspande;
+uit de half-lange mouwen van dat borstrokje pijpten de magere armen;
+en sluik om 'r heupjes weg, viel plooiend 'r gestreept wit-katoenen
+onderbroekje tot laag op de dunne kuiten.
+
+Even stond ze zoo, 't kippevel op 'r armen.... Ze schoot haar
+nachtjakje aan, sloeg het dek open; dan, met een geeuwtje draaide
+ze zich om naar de kamer toe, tilde zich op den bedstee-rand, en
+met 't zelfde vieze vissche-snoetje, dat ze elken avond trok als
+ze in bed kwam, wipte ze om, en schoof zich op haar plekje tegen
+het keukenbeschot.
+
+Maar slapen kon ze niet.... hè, als ze nou later is 'n groote dienst
+had, en ze had 'r eigen bed, een open ledikantje met lekker beddegoed,
+op een lief zolderkamertje,.... en d'r eigen kastje.... als er nou
+maar gauw een dienstje kwàm, al was 't dan maar voor dagmeisje 't
+eerste jaar.... En zoo dwaalden al 'r zorgjes 'r door 't hoofd.... de
+achteveertig stuivers.... wat er Maandag voor werk zou zijn.... of
+ze nog wat mee zou krijgen van 't ringen naaien van dien middag....
+
+Dan dacht ze er aan, dat 't morgen Zondag was.... het witte kerkje
+zou wel vol zon staan.... in de zijbanken, waar behalve zij nog maar
+twee of drie menschen zaten, in haar hoekje dat de stovenzetster
+'r altijd gaf, zou ze wegduiken in den koesterenden groen-gouden
+schemer van het toegehaalde saaien gordijn.... als ze noù nog 's een
+nieuwe jurk had om aan te trekken.... ze zou maar vroeg gaan.... lang
+het orgel hooren voor domeni binnen kwam, het orgel, waarin zoo'n
+heerlijk-zacht fluitje kon kwinkeleeren... en zoo sliep ze in.
+
+
+
+Den volgenden Maandag-middag, opgewonden, kwam Ant met nieuws uit
+'t fabriek.
+
+Ze waren met 'r drieën op 't kleine, bruine klinker-plaatsje,
+dat aan het weiland grensde; Ant stond in de open keukendeur, de
+moeder, in den schaduwhoek bij 't pleetje, was aan 't tobben boenen,
+en warmpjes in de zon, leunde Marietje met de handen op 'r rug tegen
+het achterhekje, een grijs-geverfd staketseltje, dat even wiebelend
+meeboog onder haar zwaarte.
+
+"Die meid van de Nijs.... die is nou al wéér gesnapt"--vertelde Ant,
+"van mòrgen vroeg;.... die zalle we óók niet werom zien.... de patroon,
+die is op stelen.... nou!.... en zoo astrant.... weer in 'r vuile
+schort gepakt.... een heele kluit wol.... d'r broertje stond aan de
+poort te wachten...."
+
+"Tjee, hoe durft ze!" deed Marietje overdreven méé met het
+verhaal, om het voort te dringen en voorbij de oppering van een
+mogelijkheid.... maar ze moest slikken onder 't zeggen; haar grijze
+oogjes sperden bang in 't smalle gezicht.
+
+Toen--daar wás 't--voelde het kind zich koud worden en heet tegelijk;
+het bloed schoot weg uit haar hoofdje, dat raar en ijl stond op
+'r zinderend lijf.... Onder het verder-vertellen van Ant had zij
+haar moeder zich half zien oprichten van de druipende tobbe, even
+hoofd-wenken háár kant uit, en dan, vragend met 'r oogen, kijken
+naar Ant....
+
+"O! O!" kermde het kind inwendig, alsof zij kromp van 'n plots
+in-vlijmende pijn.
+
+Maar Ant, goddank, knikte van nee.
+
+"Nee," zei ze, "'t is een meid van zestien, en groot voor d'r
+jaren.... Merietje ken d'r wel drie keer uit!... en werken dat die
+meid kon!"
+
+Ant praatte nog door, de moeder gaf antwoord en vroeg, maar het
+kind had zich afgewend, stond stijf-aangedrukt tegen het hekje,
+'r handen geklemd om de schilfer-splinterige punten, tuurde duizelig
+uit in het bezinken van den angst-schok.... wat 'r hart klopte!.... 't
+bloed voelde ze bonzend jagen langs het hout.... parelige sliertjes
+versprongen en tril-dreven over de helle lucht....
+
+Dan, langzamerhand, kwam ze tot een leege, gedachtelooze rust, waarin
+'n vage naarheid zachtjes verdreinde, bleef ze staan kijken, zonder
+wil, naar al de bekende dingen van hun achteruit....
+
+In de Hanekamp hoorde ze de ringen van den schommel knarsen; ze boog
+wat over; rechts, boven de hooge haag, wist ze het zware paalwerk
+opstaan tusschen de loover-dakjes der prieelen. De touwen zwingden
+hevig toe en weg, en een hoed tuimelde telkens boven het groen uit.
+
+De timmerwerf naast de uitspanning blaakte in de middagzon, laag
+met zijn platte, open schuren vol stapeling van blanke planken;
+er liep niemand....
+
+Maar van-achter die werf, onder de bolle kruinen van een rij
+kastanjes-in-bloei, kwam de lijnbaan een eindweegs het weiland
+ingehoekt; daar, onder het lage, lichte gebladerte, door-strepeld van
+roomgele kaarsjes, zag het kind den touwslager, handfrutselend boven
+zijn wijde schort vol gevezelte, langzaam stappend de baan afkomen,
+keeren bij 't zwart-houten huisje aan 't eind, en terug-gaan weer
+onder het boomen-groen langs de deinende touw-lijnen.
+
+In de verte waren er woninkjes achter zwart-geteerde schuttingen,
+en een zwart terrein met kolen-loodsen van 't spoor.
+
+Doch recht voor haar uit tot aan den nauw-zichtbaren trein-dijk, en
+links-af zoo ver het oog maar mat, wemelde, groen en vlijend zilver
+in zon en zachte wind, de vlakke wijdheid der weiden, waar alleen
+diep-weg wat flauwe vlekken waren van blank vee.
+
+Het gras stond malsch en hoog, met kleine pluimen in den top. Over
+een paar weken zouden ze wel gaan maaien, dacht het kind. Dan kregen
+ze misschien weer zoo'n hooge hooiberg vlak voor hun hekje, als 't
+laatste jaar. Dat rook nog lekkerder dan een schoone wasch.... ze
+zouen nou wel gauw maaien gaan....
+
+En met dat plezierige gedachtetje op streek weer, liep ze 't huis in.
+
+De moeder en Ant hadden het stille kind nagekeken, moesten even lachen
+om dat sluike wegloopen.
+
+"Ze zal nog wel 's loskomme," zei Ant, "ze is bijdehand genog,.... laat
+ze eerst maar 's op 't fabriek weze...."
+
+Een evene besluiteloosheid kwam over 't gezicht van de vrouw:
+
+"'k Had anders net zoo gedacht, van morrege...." zei ze, "às Merietje
+nou 'r heele hart op diene heit gezet.... wat zou jij nou zegge....?"
+
+"Malligheid," zei Ant, beslist, "je mot er geen bang-schieter van
+maken.... wat hei je nou voor leve as je dien.... altijd alleen.... ze
+telle je de aardappels in je mond.... En je mot ommers zoo'n kind
+niet toegeven, om 'r bestwil."
+
+"Nee," zei de moeder, "dat mòt je ook niet."
+
+Hoog en breed stonden de twee vrouwen in de schaduw-en-zon van het
+plaatsje. Beiden hadden hetzelfde soort grof-pluizig, zwart krulhaar
+boven een hoog voorhoofd, dezelfde beenig-breede, koonen-gezichten, de
+moeder wat geliger alleen, en dezelfde mager-forsche vormen van lijf.
+
+Met leege staar-oogen bleven ze vaag over de verre weilanden kijken,
+zoo, zonder dat zij 't zelf wisten, doende uitrusten even hun lichamen
+van den langen morgen hard werk.
+
+Dan, bijna tegelijk, met een diepen, zuchtenden ademhaal en een
+stijf-rukkende lende-rekking, zetten zij zich weer in postuur, als
+paarden, die aan-trekken in 't gareel. Even verstreek door de oogen
+der vrouw een vleug van vreemde verdrietelijkheid. En dan, achter
+elkander aan, gingen zij het keukentje binnen.
+
+Het kind naaide dien dag haar schort af, omdat er geen ander werk
+voor haar was.
+
+Den volgenden morgen mocht ze wiegelakentjes letteren voor de vrouw
+uit de Hanekamp, die op bevallen stond, en verdiende een kwartje.
+
+'s Middags deed ze een boodschap voor de buurmenschen en kreeg
+drie centen. De drie centen waren voor haar, maar 't kwartje moest
+ze afgeven.
+
+Den dag daarop bracht haar moeder uit een werkhuis een pak kapotte
+kousen mee. In één avond stopte ze alle gaten en gaatjes dicht, ging
+'s and'rendaags ze terugbrengen, kreeg dertig centen; ze mocht er
+niets van houden.
+
+Ze had daar wel hartzeer van, maar 't was ook billijk vond ze, en ze
+zei geen woord van beklag.
+
+Toen kwam er weer een dag, dat er géén werk voor haar was, dat ze
+maar stil in veilige hoekjes, op 't plaatsje, op de vliering, aan
+'r schorten zat te pikken, telkens haar rol goed ergens anders
+verstekend. Ze sleepte er mee, zei Ant, als een kat met 'r jong.
+
+Maar ook Vrijdags was er weer geen uitkijk op een verdienstetje....
+
+"Je mot vragen, wanneer dàt wurm eris zal verdienen als de anderen,"
+praatte ineens, ongewoon bits, de vrouw hardop, terwijl zij in 't
+keukentje de vaten van den vorigen dag stond te wasschen, en 't kind,
+muis-stil achter in den stoel aan het voorkamerraam, haar vragen voor
+de catechisatie leerde.
+
+"Zou je niet eens opkomme.... zou je je moeder niet eris helpe," begon
+de vrouw weer, ongeduldig, met een boozen blik schuin het kamertje
+in.... Er was die week acht stuivers op de huur tekort, omdat ze
+een werkhuis had gemist; ze tobde daar in haar eentje over....; en
+nou zat dat kind maar thuis, en had nog wat te commandeeren van dit
+niet willen en dàt motten; dat zat maar te dreinen over een dienstje,
+al zei ze niks, en over een lichte jurk.... kè-je begrijpe, as-t-er
+niet eens genog voor de huur was!
+
+"Zeg! hóór je me niet?" snauwde ze nu ruw.
+
+'t Kind kwam onwillig overeind; 'n mokkend-koppige uitdrukking was er
+op haar bleeke gezichtje. Zij gleed het vragenboekje in 'r jurkzak
+en met een vinnige genepenheid in 'r flets-grijze oogjes, ging ze
+naar achter.
+
+Verdienen.... verdienen.... had ze niet, op die drie centen na, alles
+afgegeven wat ze die week verdiend had, heel de elf stuivers?.. had ze
+niet gewerkt wat ze kon?.... en zij was er zelf toch ook nog.... aan
+háár dacht niemand.... moest die japon van háár niet gemaakt worden?
+
+Een vijandige geslotenheid trok haar heele gezichtje strak; zonder één
+woord tegen elkaar, redderden de vrouw en het kind den keukenrommel
+aan kant.
+
+Toen het klaar was, ging ze weer vóór haar vragen leeren.
+
+Zachtjes-raffelend fluister-las ze aldoor hetzelfde, aldoor hetzelfde;
+maar eerst drongen tusschen en dwars-over die toonlooze woord-reeksjes
+nog telkens haar verbitterde gedachten van daareven, herhaalde ze
+zonder den zin te vatten; langzaam dan begon 't geen aan dat klein,
+blank-bladig boekje verbonden was, het dénkbeeld van: de catechisatie,
+het witte boogramen-zaaltje naast de kerk, de damping en de vale reuk
+van domeni's pijp, de goedige stem van domeni, het te winnen,--en ze
+leerde nu ijverig, keek even omhoog met half-dichte oogjes, dreunde
+op uit het hoofd: "Gij zult niet stelen, wat is dat, wij moeten God
+vreezen en liefhebben, dat wij onzen naaste zijn geld niet...." tot
+ze steken bleef, even neer-oogde: "o-ja, dat wij onzen naaste zijn
+geld of goed.... niet nemen, noch het door valsche waar....," turend
+onder het door-ruddelen, zonder zien, naar den bovenpost van de deur.
+
+En als eindelijk, met 't dun, grijs boekje dicht op tafel,
+zoo stoorloos-vlot 'lijk een vlietend watertje, de rijtjes
+catechismus-woorden door haar geheugen liepen, zij zonder één hapering
+kon afprevelen: "Het zevende gebod, gij zult niet stelen, wat is dat,
+wij moeten God vreezen en liefhebben, dat wij onzen naasten zijn geld
+of goed niet nemen, noch het door valsche waar of handelingen aan ons
+brengen, maar hem zijn goed en nering helpen verbeteren en bewaren;
+het achtste gebod, gij zult geen valsche getuigenis spreken tegen
+uwen naaste, wat is dat,".... als zij ten slotte het "of goed" niet
+meer vergat en elken keer dacht om de "handelingen," dan was alle
+spanning weggetrokken van haar hersens.
+
+Montertjes ging zij in den namiddag naar haar catechisatie; nog
+monterder kwam ze er weer uit. Ze ging graag naar catechisatie,
+luisterde graag naar de vertellingen van domeni, veel mooier als-'t-ie
+'t in de kerk dee, en als ze dan haar beurten goed wist en domeni,
+onder een haal aan zijn pijp, knikte goedkeurend....
+
+Nu óók had ze haar vraag pront gekend, en 'r gezichtje stond stil-open
+opgeruimd, toen, in den vooravond door de leege kleine-stads-straten
+naar huis gaand, zij àl maar de woordrijtjes nog in haar hoofdje
+voelde na-vlotten, "het zevende gebod, gij zult niet stelen, wat is
+dat".... maar zij had nu geen zin in haar geboden, en als van zelf,
+in de guldene klaarheid om haar heen, gingen 'r gedachtetjes zich
+rijen in het rhythme van 'r versje van deze week:
+
+
+ Daar is uit 's werelds duistere wolken
+ Een Licht der lichten opgegaan.
+ Komt tót zijn schijnsel àlle volken!
+ En gij, mijn ziele, bíd het aan!
+ Het komt de schaduwen beschijnen
+ De zwarte schaduw ván den dood,
+ De nacht der zónde zal verdwijnen
+ Genàde spreidt haar mòrgenrood.
+
+
+Ze vond 't een erg mooi versje, vroeger had ze 't in de kerk ook
+wel eens gezongen, en 'r moeder had 't ook écht mooi gevonden, toen
+ze 't Zondagavond zat te leeren. 'r Versje, dat leerde ze altijd
+dadelijk,--'t was veel gemakkelijker te onthouden, en ze vond 't ook
+te prettig, om er tot 't lest van de week mee te wachten. Ze kon er
+nu al zooveel, ook van vroeger van zondagschool! Dat van verleden week
+
+
+ Hoog omhoog, het hart naar boven,
+
+
+dat was ook erg mooi; hartverheffend was 't, had domeni gezegd;
+en dat van onderlaatst
+
+
+ Zoo blij de landman móe van 't ploegen,
+
+
+maar dat begreep ze eigenlijk niet goed.
+
+Zoo, door de lange, verlaten buiten-straat, waarin alleen haar
+zachte pasjes even verklonken,--in de avond-kalme atmosfeer vol
+voorjaars-zoelte en verschen groen-geur uit de tuintjes vóór en
+tusschen de lage huizen, liep het kind genoegelijk haar versjes op
+te zeggen, stil in-zich-zelf, met nauw-bewegende lippen, òm 't andere
+regeltje, mee met haar ademing, inhalend met hijg-geluid.
+
+Zoetjes-aan kuierde ze voort; 't was lekker buiten, ze had geen haast
+om naar huis te keeren....
+
+Toen, voor 'r schrik-verbaasde oogen, liepen plotseling, een huis
+of tien voor haar uit in de stille straat, twee meiden in lichte
+japonnen, uit een zij-steeg gekomen.... Oooo! kreunde 't kind.... 't
+waren naaischool-meiden; ze hadden 'r uitzetkleeren aan; die gingen
+naar de naai-juffrouw; die gingen om een dienstje.... Ze kende ze
+goed; 't was de meid van de Weert en de meid van Karseboom.... 't
+waren de robbedoezigste en slonzigste meiden van heel de naaischool
+geweest.... en kijk ze nou groot lijken in die lange jurken....
+
+"Hèèè, kijk nou toch...." zei het kind zacht-hardop. Ze had zoo'n
+verdriet! "Kijk ze nou loopen," dacht ze dan weer.
+
+Midden op de straat, even van elkaar af, om elkanders gloednieuwe
+jurken niet te kreuken, gingen de meiden met gauwe, stramme passen,
+recht-op, en keken recht voor zich uit, de hoofden stijf en schuin
+geheven. Met de volle hand, maar nauw het goed aanrakend toch, hielden
+ze beide gelijkelijk, als samen vooraf geleerd, de jurken een ietsje
+van den grond. Ze hadden tulen mutsjes op, en 'r haarvlechtjes zaten nu
+in keurige, vaste knoetjes tusschen het japon-kraagje en den mutsrand
+gedraaid; 't leken gróóte meiden.... volwàssen meiden....
+
+"Och-och, hoe mooi," zei het kind nog eens. Het schreien kropte
+haar heet in de keel. Zij zag zichzelf loopen in haar korte,
+gelapte merinos-jurk, onder haar flaphoedje met verkleurd lint, en
+haar staartje op den rug. Ze vond zich 't armoedigste meisje van de
+heele stad....
+
+Een van de twee meiden zag even om, keek dan weer met 'r trotschig,
+stijf-schuin geheven hoofd recht-uit.
+
+Haar gang inhoudend kwam het kind met een groot, mokkend verdriet
+achter de twee aan.
+
+Niets was er voor haar in de straat dan die twee benijde lichtheden.
+
+En toen de meiden al de zij-steeg naar het Turfgrachtje waren
+ingeslagen, bleef het kind, langzamer loopend, zonder weten, met
+hopeloos-begeerige oogen staren, of nog altijd dat klare water-blauw
+en dat glanzende wit voor haar uit deinde.
+
+Maar de zij-steeg langs komend, keek zij er niet meer binnen......
+
+Thuis zaten ze al om de tafel; ze zei niemand goeden dag, ging met
+een strak-bleek gezichtje aanzitten, om haar avondbrood te eten. De
+zusters letten er niet op; vrouw Plas zei: "Kè je niet genavond
+zeggen? mot je niet bidden? leer je dat op catechisatie?" maar ze
+lei 'r toch, een oogenblik later, nog een boterham op 'r bord, omdat
+'t wicht zoo pips zag.
+
+'s Avonds, in den flauwen lantaren-schijn op de vliering, lag 't kind
+op de knieën bij haar lap goed, die ze uitlei en vouwde en mat.... maar
+ze zag wel, dat het niet gaan zou, en toen begon er een ander plan
+te broeien in haar hoofd.
+
+Daar liep ze dan vele dagen mee rond, vele dagen van moeizaam overleg
+in haar moeë, pijn-zware hersens.
+
+Ze zou naar de naai-juffrouw gaan, zóó als ze was, ze zou zeggen,
+dat 'r schorten al klaar waren, en dat 'r japon ook wel gauw gemaakt
+zou worden.... òf de juffrouw nou niet een dienstje open had.... als
+moeder maar wist dat ze een dienstje kòn krijgen, ziet u, dat dàn
+de kleeren wel gemaakt zouen worden.... als ze had kunnen knippen,
+nou dat wist de juffrouw wel, dan zou de japon al wel een week af
+wezen, de schorten had ze ook zelf gemaakt, de juffrouw moest maar
+'s zien of 't netjes was.... Dat zou ze zeggen; ze zou de schorten
+in een rolletje meenemen.... ze zou goed haar woord doen....
+
+Maar als ze dan, een oogenblik, volkomen zich wegdacht midden in de
+gebeurtenis: hoe ze zou aanbellen, binnen gaan, in de kamer komen bij
+de juffrouw, hoe die met het strenge gezicht, dat ze zoo goed kende,
+zou vragen: zoo Marie Plas, en wat kom jij doen?--dan voelde ze weer,
+dat ze toch nooit zou durven....
+
+Tot, op een middag, feller dan ooit, de gedachte in haar neersloeg,
+dat straks, of morgen, of overmorgen, Sien of Ant moest thuis komen
+met de boodschap, dat er een plaats was op 'r fabriek, dat er een
+plaats was op de fabriek van 'n vrindin.... dat ze dan mee zou
+moèten,.... dat ze dan onherroepelijk naar de fabriek ging....
+
+En dien middag liet de angst haar niet meer los.
+
+'r Moeder was uit werken en ze was alleen thuis.
+
+Bij het keuken-aanrecht, te zenuwachtig om voort te komen, ging ze
+haar toebereidselen maken tot den grooten tocht.
+
+Ze begon met zich te wasschen, haar jurklijfje uit; ze poetste haar
+gezichtje en haar hals, poetste en wreef, eerst met groene zeep, dan
+nà met de rauw-natte handdoekpunt, boende moeilijk zich droog met den
+dunnen lap, tot het vel heet-roodig beet over de koonen, en er onder
+haar gloeiende oortjes, waarin van binnen de kneukeltjes jeukten,
+fijne pijn-striemen brandden in haar schrielen hals.
+
+Dan ving het haar-opmaken aan, de toch al erge levensverandering van
+'t "opgestoken" haar, waarmee ze voor 't eerst zou worden gezien,
+gek-anders en oud, voor 't eerst op straat zou loopen, raar-trotsch
+en akelig-naakt tegelijk; nu, door de àl-beslissende rol, die 't
+zou hebben te vervullen, een angst-droom, waarin ze met krampachtige
+inspanning iets moèst bereiken. En 't was zoo moèilijk! 'r Bevende
+vingers togen wriemelend aan 't werk. Ze had 't al zoo vaak, heimelijk,
+geprobeerd, sinds ze dien avond de twee naaischool-meiden voor zich
+uit zag loopen. Maar meestal ging 't niet!
+
+De drie stugge achterhoofd-strengetjes van 'r vlecht, die kon ze
+maar niet gelijkelijk, met de kam-halen mee, omhoog krijgen; en àls
+zij al 't achterhaar gladjes in haar linkerhand tot aan de kruin had
+opgegrepen, dan zakten de voor-haren aan de slapen weer als piekerige
+slierten uit 't vastgehouden bosseltje los; hàd ze dan eindelijk al
+'t haar stijf beet, dat rond voorhoofd en nek 't alles in roodige
+pukkeltjes weggetrokken zat, dan wisten 'r ongewende vingers nog maar
+amper om het dunne haar-bundeltje het bandje te strikken.
+
+Telkens en telkens moest ze het overdoen.
+
+Ten leste hing het; 't zweet, met een zwoel-opslaande wàlm van
+warmte, brak haar uit, prikkelde hittig op 't strakke vel; schokkerig
+schikten en wonden de handen dan het knoetje rond, lagen het uit op
+'t achterhoofd, staken het vast met de paar haarspelden, die er in
+Siens naai-doosje over waren.
+
+Bij het raam, want 't begon al te schemeren, keek ze in 't krom-golvig
+spiegeltje van den deksel; nog altijd sprongen er zij-haren los;
+en òm er maar netjes uit te zien, plakte zij met haast-dringerige
+streekjes van water ze tusschen de andere vast; donkere vegen liepen
+over 't bleeke blond omhoog.
+
+Dan krabde en veegde ze alle vlekjes en spatjes uit haar jurk,
+borstelde en blies haar hoedje af, stofte haar schoenen schoon,
+waschte nog eens haar handen, vijlde het vuil, dat er door 't smerige
+bombazijn-naaien van dien morgen ingezwart was, met puimsteen weg.
+
+Zij was wel een uur bezig; en willens hield ze al haar denken zoo
+sterk ze kon bij dat werk, om te vergeten, waartoe het gebeurde.
+
+Toen ging ze op weg.
+
+Zij liep maar, jachtig, wetend wel, dat ze niet tot kalmte moest komen,
+want dat ze dan niet durven zou.
+
+Haar smalle gezichtje, met de vlekkerig-trekkende waschplekken
+onder de heete oogjes, was aan de kaken nog spitser dan anders,
+nu elk piekertje haar, nat-gekleefd, naar het dunne knoetje hoog op
+het achterhoofd weggespannen was. In haar hevige ontdaanheid voelde
+ze de velschroeiing ternauwernood: "'t is niks," dacht ze, "dan zie
+'k er gezonder uit."
+
+Soms merkte ze, aan de avond-koelte die er fijntjes in-streek, 'r nu
+kale, even uitgeholde nekje; en ook hinderde haar wel 't onwennig en
+onvast voorover staan, door 't hooge haardotje, van 'r hoed, waarvan
+de rand scherp op 't voorhoofd drukte.
+
+En terwijl de beenen zwoegend voort-repten, was in haar
+wonderlijk-klaar hoofd een vlucht van woorden en stukjes gesprek,
+heele einden verhaal, dat ze houden zou, straks, als ze voor de
+juffrouw stond.
+
+Toen ze dicht bij het Turfgrachtje kwam, begon ze schichtig te kijken
+naar de menschen, die haar langs gingen, maar te haastiger liep ze
+door, het hoofd neer, even de oogen onder den hoed-rand uit.
+
+Hier was 't; zonder bedenken stapte ze de stoep op, trok de bel over.
+
+Hoog boven haar geelde de daklijst nog aan den wit-groenen hemel, maar
+de stoep met de grijs-arduinen paaltjes stond al in schemer-vaalte.
+
+Een meisje deed open, het dienstmeisje van de menschen, bij wie de
+juffrouw in huis was. Die liet haar in de gang komen, een hooge,
+witte gang, òveral weifelig licht-doorreikt van het kaarsje, dat,
+in een hooge glazen ballon aan koperen kettingen, helder brandde.
+
+Voor den tweeden keer vroeg het meisje, wie ze zeggen moest, dat
+er was.
+
+Het kind fluisterde, kortaf, haar naam, en de meid ging heen,
+onhoorbaar tredend over den zachten looper.
+
+Toen, van het oogenblik af, dat zij daar stond, alleen, in de hooge,
+bevend-blanke gang, kwam er een bedwelmende bewondering over haar,
+waarin al haar denken en bewegen als verstolde, en waarin zij maar
+vaag meer wist van den angst, die haar gedreven had tot dezen tocht.
+
+Ze zag een oude juffrouw de gang inkomen, als recht op haar toe, haar
+aankijken, even knikken, wenden en de trap opgaan; zij was bewegeloos
+gebleven, zonder goedendag-zeggen, met een verbijsterde staring in
+de starre oogbollen.
+
+Zonder gedachten stond ze, de voeten vast aaneengesloten, op de
+deurmat.
+
+De meid, die in 't verschiet van 't smaller en donkerder gang-einde
+een kamer was binnengegaan, kwam weer naar buiten, de deur achter zich
+latende aanstaan, liep als de juffrouw van daareven eerst op haar toe,
+en zei dan, wendend ook naar de trap, met een wijsknik van het hoofd
+achterom: "daar mot je wezen." Toen ging ze de trap op.
+
+Het kind, weer alleen in het licht-wemerende voorhuis, dorst zich niet
+te verroeren; de gang-blankte sloot als een betoovering om haar toe;
+met dezelfde schril-verdwaasde oogjes bleef zij staan turen.
+
+Dan klonk achter uit de op een kier gelaten deur een ongeduldige roep,
+de roep van haar naam, door een stem, die ze kende.
+
+En dat bekende verbrak eensklaps de benauwing. Vanzelf zetten zich
+nu haar voeten in beweging, kwam zij de dood-stille, kerkachtige
+blankte door, en het vertrouwelijker halflicht van de achtergang,
+tot aan het schijnsel voor de schelle kier. En opeens was de deurknop
+in haar hand, en stond ze op den drempel der kamer.
+
+Het kind zag een groot vertrek, waarin laag sterk licht was, veel
+rood in dat licht, en boven schemer. Aan den wand vóór haar zag ze
+een zwart scherm met gouden vogels; tusschen het laatste schotje en
+den muur vaagde iets wits van een bed.
+
+Toen, van achter de deur, kwam nog eenmaal de bekende stem-klank:
+"Nou, Marie Plas...."
+
+Het kind sloot werktuigelijk de deur, en stond in 't volle licht voor
+de tafel. Ze dorst niet opzien.
+
+"Zoo" .... zei de stem weer, maar snijdend-bits nu, zooals ze 't
+vaak tegen de ondeugende meiden gehoord had: "Kom je nou zóó bij
+mij.... dat had ik anders verwacht...."
+
+'t Kind stond als in een ijlte, zonder den grond te voelen onder haar
+voeten, en de stem kwam van ver, in een droom. Als vervluchtigende
+vlokken vielen de bestraffende klanken in haar wonderlijk-leeg hoofd.
+
+Zij bracht geen woord uit, bleef strak vóór zich kijken.
+
+"Wat kwam je nu eigenlijk doen?" vroeg de stem opnieuw, maar wat
+aanmoedigender.
+
+Het kind waagde een blik.
+
+Op een schuin in den hoek gezetten canapé, achter tafel, zat de
+juffrouw. Zij leunde met de beide voorarmen, de ellebogen uiteen,
+de handen bij elkaar, op het donker-mahonihouten blad, en ze droeg
+dezelfde bruin-en-zwarte japon, die ze vaak in de naai-les aanhad. De
+licht-en-schaduw-scheiding van den lampekap-rand viel midden over haar
+gezicht. Als ze wat onderuit keek, om, onder de lamp door, het kind
+op te nemen, kwam het licht-lijntje tot schuin over haar oogen. Zij
+knipperde even, en, terug met 't hoofd, zat ze weer als te voren.
+
+Met schrille, genepen oogjes moest het kind naar die verschuivende
+licht-en-schaduw-lijn kijken. Toen voelde zij, dat ze zelf in den
+baren lampeschijn stond, als naakt in haar sjofele kleeren.
+
+En in die plotselinge schaamte kwam zij tot haar volle bewustzijn.
+
+"De schorten zijn wel klaar," zei ze met een haperende stem, "maar
+de jurk is nog niet gemaakt...."
+
+"Zoo...." zei de juffrouw "en waarom niet?"
+
+Nu, gesteld voor die vlakke vraag in 't schelle licht, was 't kind weer
+heelemaal in de war. Al haar duidelijke en begrijpelijke verklaringen
+was ze vergeten. Ze was duizelig.
+
+"Nou, waarom kon die japon niet gemaakt worden?"
+
+"'k Had geen tijd, juffrouw."
+
+Zonder begrip te hebben van wat ze zei, viel dàt uit haar mond.
+
+"Hadt je geen tijd om dat goed weg te brengen? En heb je wel tijd,
+om hier in je ouwe kleeren te komen?"
+
+"Nee juffrouw," zei het kind.
+
+"Hè?" vroeg de juffrouw.
+
+"Nee, juffrouw, me moeder wou 't niet," bracht het kind uit.
+
+De juffrouw begreep 't niet wel. 't Verwonderde haar. Ze had altijd
+gemeend, dat ze 't van Plas nog al goed hadden, wist van d'r vaders
+ongeluk, van de flinke moeder.... zij had voor een paar stille, knappe
+dienstjes vaak aan dit kind gedacht, dat altijd zoo netjes op school
+was geweest, zoo oppassend en gewillig....
+
+"Zóo," zei de juffrouw, "kon je moeder dat geld niet missen....?"
+
+'t Kind kleurde fél.
+
+"Nou, vertel nou maar eens," drong de juffrouw aan, wat korzelig.
+
+Zij had ook dikwijls iets tègen dat kind gehad,.... dat kind had iets
+stiekems, iets wonderlijks; wat stond ze nu weer raar onder dien hoed
+uit te kijken. Je wist nooit recht wat je aan 'r had....
+
+Toen, met een rilling door 'r schouwertjes, een schok-scheut in
+'r beenen, zei 't kind:
+
+"Me moeder wil, dat ik naar 't fabriek ga; me zusters zijn er ook op;
+me moeder wil niet, dat 'k ga dienen."
+
+'t Gezicht van de juffrouw trok bedenkelijk: Jaaa... als 't zóó
+zat.... Haar wat bol-uitstaande, bruine oogen tuurden, half-neer,
+naar den uitersten tafelhoek.
+
+'t Kind, midden door haar verwarring heen, voelde toch, dat ze iets
+verkeerds had gezegd.
+
+De juffrouw rimpelde het voorhoofd op....
+
+Even gingen, aan de rusten-blijvende polsen, de beide vleezige
+handen omhoog, vielen dan, met een plofje, op de vingertoppen
+weer neer.... ja.... als 't zóó zat.... als de ouders, als de
+moeder niet meewerkte.... dáár kon zij niet tegen-ingaan.... zij
+kon die kinderen niet tegen hun ouders op gaan zetten.... zij kon
+niet zeggen: kind, ga niet naar de fabriek.... de menschen schenen
+daar niets meer in te vinden.... vroeger, een fatsoenlijk meisje,
+niewaar?.... maar tegenwoordig.... dit kind scheen nou liever te gaan
+dienen.... maar zij kon er de dames toch niet in laten loopen.... ze
+kwamen bij haar om wat knaps te krijgen.... die bij haar om zoo'n kind
+kwamen, deden 't ook al niet uit overdaad.... zoo'n kind moest toch
+allereerst fatsoenlijk voor den dag komen.... kostte eerst meer dan
+ze verdiende.... bonte japonnen, mutsjes.... pantoffels.... tegen 't
+winter een regenmantel.... ja, als de moeder niet wou meewerken.... 't
+was jammer.... 't was toch geen kwaad kind.... 't was erg jammer....
+
+En nog eens, met een schouderbeweging van "niets aan te doen,"
+gingen de beide breede handen aan de rustende polsen op, vielen
+met een nadrukkelijk, afdoend plofje der vingertoppen op tafel weer
+neer.... 't was geen sterk kind.... wat bloed-arm.... in een stil
+dienstje zou ze.... maar als de moeder 'r naar de fabriek wou....
+
+De bolle bruine oogen keken dan recht het kind aan, dat zich niet te
+bergen wist onder dien blik, zoo vernederd als zij zich voelde.... voor
+hoe arm moest de juffrouw hun wel aanzien....
+
+"Moeder zoù 't geld voor de japon wel kunnen geven...." stootte ze
+nog uit.
+
+"Ja, juist...." zei, practisch, de juffrouw.
+
+Even keken de bruine oogen en de kleine grijze in elkaar.
+
+"Wil je moeder nog eens bij me komen?" vroeg de juffrouw.
+
+Heftig knikte het kind van nee.
+
+Toen schoof er voor de starre pupilletjes plotseling een
+fel-glinsterend waas, en zonder een woord meer of een knik draaide
+het kind zich om en liep, de kamerdeur openlatend, de gang in.
+
+"Je mag zelf óók nog wel eens terugkomen over een tijdje," riep de
+juffrouw, die opgestaan was, in de open kamerdeur haar na.
+
+'t Kind morrelde even, met trillende handen, aan het voordeur-slot,
+kreeg het open. En toen liep ze weer op straat.
+
+Ze liep, ze liep, gauw naar huis, als om bescherming en troost te
+zoeken dáár, vanwaar ze de angst-vervolging ontvlucht was; ze kon
+niet meer denken, hoe alles eigenlijk was, en 'r heele hoofd was vol
+heet geschrei.
+
+Diep-neer met 'r gezichtje liep ze, dat de menschen niet zien zouen
+hoe ze huilde.
+
+Toen ze thuis kwam, wat bedaard, maar met brandende oogen en een zoute
+keelpijn van 't schreien, vond ze haar bordje met boterhammen op een
+hoekje der alweer opgeredderde kleptafel, en de vrouwen, bij elkaar,
+er achter, saam aan een groot werk bezig.
+
+De moeder en Sien hielpen Ant met het afhechten der draadjes aan de
+gebreide kleeren, waarvan zij een gestampte mudzak vol, als overwerk,
+mee naar huis had gekregen.
+
+Over hun wijde schooten met goed zaten ze gebogen, terwijl de vingers
+friemelden, om de korte eindjes wol, onhandelbaar aan de groote
+stukken, in de stopnaalden te krijgen.
+
+Op tafel lag al een stapel afgewerkte borstrokken en lijfjes. En
+boven den zak, opstaande tegen den wal van hun knieën, bewogen groot
+in het kleine bestek de zes bedrijvige handen.
+
+"Eet maar gauw, Merietje," zei Ant, "dan mag je meedoen; d'r zalle
+nog wel een paar centen op overschieten voor je."
+
+De vrouw was aan 't vertellen geweest, vertelde door:
+
+"Nou, en toen zeit je oom, nee, zeit-ie, dat doen ik niet, en je
+vader kwaad; die was te fesoendelijk; die had nou graag...."
+
+"Heeremejeetje!" schetterde opeens Sien 'r schelle stem door 't
+verhaal heen, "kijk die Sprot er uitzien!"
+
+'t Kind, aan de andere zijde der tafel, met haar roode oogen en
+bleek-getrokken, vlekkerig gezichtje, bukte nog dieper boven haar bord,
+voelde het bloed opjagen onder de blikken der drie vrouwen.
+
+"Háár, waar mot je met dat kind naar toe!" gilde Sien weer, en
+werktuigelijk tastten Marietje's handen naar het kleine knoetje,
+waarvan de plukjes sprietsel rondom uitpiekten.... en plotseling
+voelde ze nu ook aan haar slapen en midden op 't voorhoofd de prikkende
+trekking der te strak gespannen haartjes, en de weeë pijn, die daarvan
+klopte hoog in 'r hoofd.
+
+"Kind, wat mòt dat?" had de moeder gevraagd, met haar blik van
+goedigen spot.
+
+"Ze lijkent wel een stekelverreken," relde Sien.
+
+"Ik wed...." plaagde Ant, die in haar sas was over het buitenkansje
+van de fabriek, "ik wèd.... dat jij op een dienstje ben uitgeweest!"
+
+"Toe," zei Sien, "ga door! zoo'n klein merakel, wie zou daaran willen?"
+
+En Ant er weer tegen in: "de kleintjes motte d'r ook weze, wat zeg jij,
+Merietje? En de een krijg veel haar van onze lieve Heer, en de ander
+weinig.... kom, allé meid, laat Sien praten, help maar gauw mee...."
+
+Doch Ants wijdloopige troosterigheid maakte de maat vol; de dikke
+tranen sprongen 't kind in de oogen; een laatste, uitgebeten boterham
+viel terug naast haar bordje; losbarstend in gesnik vluchtte zij het
+plaatsje op.... En terwijl in een bevenden grijns haar lippen wijd om
+de klapperende tandjes trokken, vloog links de eene haarspeld tegen de
+steenen, tikkelde rechts de andere neer. In de zwakke licht-geling door
+'t keuken-gordijn hing als een dun, asch-bleek, sluik-sliertig vachtje
+het haar 'r tot even over de schouders. Al snikkend vlocht ze het
+weer in een staartje, en dan, gedrukt tegen het staketsel aan, huilde
+ze nog lang, stiller en milder, tot ze zag, hoe in haar tranen de
+lantarens op den singel achter de "Hanekamp" goudene sterren geleken,
+die wijd-uit trillende stralen schoten, en ze daar naar ging kijken....
+
+Zoo stond ze in donker te suffen. Ze had hoofdpijn, pijn overal.
+
+Een uurtje later, toen het werk voor de fabriek af was, kwam Ant eens
+kijken. Die lachte wat met haar, troonde haar mee naar binnen. Sien
+was uit, hoor!
+
+"Zeg," zei ze tegen het kind, "heb jij gezien, dat Sien een goue
+kettinkie had?.... Hein was er.... 'n opstand dat die maakte.... hei
+je niks gehoord? hij zei maar, dat Sien nou tòch 'n goue kettinkie
+had,.... op de azijnmakerij had ze 't angehad,.... 'n jongen had 't
+'m verteld.... en hij wou weten van wie ze 't had..."
+
+"Fff" trok het kind haar adem op tusschen de tanden. Dan volgde ze
+willig, huiverig van 't huilen en 't lange staan in den frisschen
+meinacht, waardoor nog 'n vinnig windje sneed.
+
+
+
+Maar den Zondag daarop was heel de ruzie tusschen Sien en Hein weer
+bijgelegd. Hein kwam om vier uur een kommetje koffie drinken, en de
+moeder gaf--ze had een goede week gehad--er 'n snee zoete koek bij,
+en Sien was welgemutst, en Hein zei, dat hij voor 'n kettinkie spaarde,
+en hij liet twee nieuwe guldens zien, die hij in een papiertje in zijn
+vestjeszak droeg. Driemaal liet hij dien middag de guldens rinken,
+en ieder was in zijn schik.
+
+Alleen de oogen van het kind hadden een zonderlinge gluring....
+
+En ook nà dien Zondag bleef een ongewone gedachten-broeiing bij
+haar omgaan.
+
+Als een licht-schuw rotje kon ze tijden in den duisteren hoek bij de
+bedstee zitten, zóó stil, dat de moeder, die haar uit dacht, schrok,
+als ze een beweging maakte.
+
+En de zachte avonden, dat ze allen hun stoelen buiten haalden,
+schoof zij haar lage tabouret zoo ver mogelijk van de anderen af,
+en haar stijfgenepen lippen waren van 't zelfde flets-bleek als haar
+wangetjes, waar nog geen sproeten die kleurden. Twee gleufjes diepten
+er dan tusschen de wenkbrauwen, van 't tobbend gedenk; en den ganschen
+dag door stonden haar oogjes zoo bloo-verschrikt, hadden plots zoo'n
+schichtigheid van betrapt-worden, dat Ant, onwillekeurig, op een morgen
+"kleine Judas" tegen haar zei.
+
+Dat was wat geweest! 't Kind had zóó onbedaarlijk gehuild, dat de
+moeder, die eerst van de fratsen niets weten wilde, met kopjes water
+haar zenuwen weer onder bedwang moest krijgen.
+
+Een dag lang had zij toen haar best gedaan, om opgeruimd te wezen
+en gewoon met de anderen mee. Maar den volgenden morgen, toen ze op
+boodschappen uit was, had ze weer een naaischoolkind in 'r nieuwe
+kleeren gezien.
+
+"Heb jij nog geen dienst?" had die gevraagd, "ikke wel.... bij twee
+dames.... twaalf stuivers in de week, en de halve kost...."
+
+"Hei je 'n mooi keukentje?" vroeg 't kind belust.
+
+"Nou!--en wat 'n groote!" gichelde de ander, "je ken der je net in
+keeren.... maar 't is een lief keukentje hoor!.... netjes.... kopere
+knoppe aan 't fornuis, en twee kopere krane.... en een kopere
+poffertjespan aan de muur.... en een spiegeltje op de schoorsteen....
+
+"Hei je 'n mooi kamertje?" vroeg het kind weer, in nog grooter
+spanning.
+
+"Nee ommers.... 'k ben er niet voor dag en nacht... maar later
+wel.... als ik goed beval.... dan krijg ik een kamertje op
+zolder.... met een groot raam en rooie blommen op 't behang...."
+
+Toen was 't bleeke snoetje van het kind saamgetrokken in een strakke
+spichtigheid van onverzettelijk besluit.
+
+En heel den weg over naar huis had haar gezichtje dien trek als
+ingegroefd gehouden.
+
+Dien avond--'t was een druilig-koude avond met telkens buien van
+motregen--wachtte het kind bij den ingang van een doodloopend paadje
+naast de Hanekamp, Sien 'r vrijer op.
+
+Tusschen de twee hooge hagen stond ze, opzij in 't gras, waar de
+kringende wiebel-schijn van de singellantaren niet meer viel. Er
+kwam daar nooit iemand dan overdag kinderen. Achterin was een altijd
+op-slot-zittend hekje, dat in den tuin van de Hanekamp uitkwam,
+en er lag kolengruis en vuilnis.
+
+'r Voeten koud in 't drassig gras, 'r goed klam van den stofregen,
+'r hoofdje heet, wachtte ze....
+
+"Hein!" riep ze, "Hein!" toen de jongen eindelijk langs kwam om het
+Dijkje op te gaan, "Hein!"
+
+De jongen, die zachtjes te fluiten liep langs den eenzamen singel-weg,
+keek, opgeschrikt, om zich heen, ontwaarde dan, achter den
+lantarenschijn, het kind, sluik in 'r natte kleeren, tusschen de hagen.
+
+Haar oogen, als twee flakkerende kooltjes, koortsten hem tegemoet.
+
+"....Nou?.... wat wou je......?" vroeg hij, onwillig, met een paar
+ingehouden stappen het pad opkomend.
+
+"Sien.... ik weet wat van Sien...." stootte schor 't kind uit, en
+haar oogen waren strak naar 't gezicht van den naderende.
+
+De jongen, ontstellend, keek gespannen terug haar aan, vroeg fél met
+zijn oogen....
+
+"Sien vrijt met een ander," stootte nog eens 't kind uit.
+
+"Godver...." De jongen beet zijn vloek af; dan streek hij verbijsterd
+met zijn hand over zijn oogen. Het kind was achteruit geweken, trapte
+door 't gruis tusschen de schemerige hagen.
+
+Met een bruusken hoofd-gooi kwam de jongen weer tot bezinning: kóm,
+en Zondag dan!....
+
+"Je liegt," snauwde hij van zich af, en hij maakte 'n beweging,
+of hij terug wou gaan.
+
+Maar het wonderlijk-helle kijken van het kind trok hem nog verder
+het wegje in.
+
+"Wat?.... wat dan....?" hakkelde hij, weer van streek geraakt.
+
+"Sien.... het een andere jongen.... al een week... ik weet
+'t.... verleden Zaterdag.... 'k heb 'n briefie gevonden," stamelde
+'t kind, en haar genepen hand bibberde tegen haar jurk, waar papier
+kraakte achter het merinos.
+
+De jongen schoot naar voren: "Hier! geef op...."
+
+Maar het kind, met de uiterste stuwing van haar opgedreven wil,
+weerstond de uitbarsting.
+
+"'k Mot geld hebben," joeg het uit haar verwrongen mondje.
+
+"Wat? geld?"
+
+"De twee guldens," fluisterde ze, heet-heesch.
+
+"O!" smaalde de jongen, opeens weer bedaard, "o!... is 't dáárom te
+doen?.... Ozóó....!"
+
+Hij weifelde; zijn rood voorhoofd trok moeilijk van gedachten, die
+hij ontwarren moest.
+
+"Je liegt," zei hij dan nog eens.
+
+Het kind zag hem omdraaien en met groote zomp-stappen het hagenpad
+uitgaan.
+
+Even was dat een verademing; duizel-licht van hoofd zuchtte ze diep
+en in een oogenblikkelijke zenuw-uitviering sperde haar mondje tot een
+flauwen grijns, die half haar lachen was en half een sidderende snik.
+
+Dan, kijkend weer, zag zij, aan de weghelling onder den lantarenschijn,
+den jongen den singel opslaan; zijn hand ging in het vestzakje,
+als voelend naar de gespaarde guldens, die hij daar borg....; dan
+was hij weg.
+
+Het geld! het geld!.... ze moest hem na.... ze moest hem
+achterna.... ze moest.... ze moest het geld.... Maar toen ze, met 'n
+wanhopige krachts-inspanning, haar bevende beenen in draf zette, kwam,
+'t zelfde oogenblik, de jongen het pad weer op.... Ze schrok achteruit.
+
+"Wàt weet je van Sien?.... toe.... Merietje....," smeekte hij.
+
+"'k Heb 'n briefie," zei het kind weer met stuggen drang.
+
+"Wàt toch voor briefie?"
+
+En toen, heet in één adem, kwam 't verhaal: ze had een briefje
+gevonden, Zaterdag-avond.... op Sien 'r bed.... zeker uit 'r
+zak gevallen.... Sien ging met 'n andere jongen vrijen.... Barend
+heette-d-ie.... meer wist ze er niet van.... als zij de twee gulden
+kreeg, dan kreeg hij het briefje....
+
+"Als 't waar is, zàl je ze hebben," zei de jongen wild.
+
+"Zal je geen herrie maken, Hein, zal je mij niet noeme.... zal je me
+niet verraje?" smeekte op haar beurt het kind.
+
+"Geef dan op! hier!" bulderde nu de jongen, en in zijn rooien
+kop staken als van 'n stier de lichte, naakte oogen. Hij deed een
+boosaardigen greep naar den arm van het kind.
+
+Opschreiend ineens van angst, week die terug. "'k Heb niks.... 'k heb
+niks.." griende ze, doodsbang, den brief met het knuistje verfrommelend
+in haar zak.
+
+"Verdomme!" donderde nog eens de jongen; met een driftigen vinger-graai
+haalde hij 't pakje uit zijn vestzak, ketste het op 't kolen-pad. 't
+Papiertje scheurde in den nijdigen worp; even tolden, al kantelend, de
+geldstukken over den grond; dan, twee blinkende witte schijfjes, lagen
+ze, onder 't veeg lantaren-licht, stil in 't doorgruisde gras terzijde.
+
+'t Kind, door die twee witte vlekjes van heftige begeerte als bezeten,
+had de oogen er niet af. Werktuigelijk ging haar hand vooruit, het
+brief-flardje er nog in. Hij greep haar bij den pols in een stalen
+omklemming. Ze liet het vallen. Maar voor hij 't op kon rapen,
+had zij al de twee geldstukken van den grond gegrist, en rende,
+ze klemmend in haar vuist, den weg op naar huis.
+
+"Nou heb ik 't geld!" dacht ze met een woeste vreugde.... "nou ga ik
+naar de naaister!.... nou heb ik 't geld!" Doch nauwlijks de Hanekamp
+voorbij, hoorde zij de zware gramme stappen van Hein al klatsen achter
+zich aan.
+
+Bij hun deur had hij haar ingehaald.
+
+"Niet zegge.... niet zegge, Hein," fluisterde het kind.
+
+De jongen grauwde alleen een onverstaanbaar woord terug, rukte,
+dol van woede, de kamerdeur open.
+
+"O God!" zei het kind.
+
+Toen, klappertandend, sloop ze de krakende treedjes van de vlieringtrap
+op....
+
+In het hoekje, achter de kist waar haar rol jurkegoed verstopt
+lag, bleef ze gehurkt zitten. Ze wist vaag dat er iets vreeselijks
+gebeuren ging.
+
+Van beneden klonk, na een eerste spoedig gedempte los-tiering,
+'n dof gerucht; 't schenen enkel de zware stemmen van moeder en Hein.
+
+'t Kind rilde in die stilte, die haar nog onheilspellender leek dan
+'t aanvankelijk geweld.
+
+Ze luisterde met ingehouden adem; ze kon niets onderscheiden.
+
+Haar rechter, stijfgenepen hand hield ze tegen haar borst gedrukt;
+in de linker zaten de twee guldens geklemd.
+
+Dan klapte weer de voordeur open.... het stemmengeluid in de keuken
+sloeg even neer, brak dadelijk er na opnieuw uit in een opgier van
+geraas.... God! nou was Sien thuis.... Sien schreeuwde.... toen was
+er een bolderend gestommel.... een woest geschrei.... schreeuwen van
+moeder, schreeuwen van Ant.... God! hij had 'r geslagen....
+
+Weer een stilte, die het kind in ijskoude gudsing langs den rug schoot.
+
+En plotseling, uit die stilte op, hoorde ze Ant, die zei: "Waar zit
+die Judas?"
+
+"O God! O Onze-Lieve-Heer! ik ben zoo slecht geweest," bad het kind,
+radeloos. "O God, help mij toch.... vergeving, God, o lieve Heere
+Jezus, o God...."
+
+En eenmaal de uitzinnige bidwoorden van haar lippen gehijgd, bleef
+ze, tegen het weer oploeiend krakeel van beneden in, vol angst en
+zelf-afschuw de aanroepen uit-stamelen, zonder ophouden.
+
+Een enkele maal deed een snerpende stem, een verstaanbaar-opklinkend
+woord, even den kreunenden woord-deun tot staan komen. Dan, met
+een nog krampiger in haar borst gedrukt vuistje, bad weer haar
+angst-verschroeide stem in vertwijfeling....
+
+Als een gloeiend schijfje sneden de guldens een pijncirkel in 'r
+nijpende hand:
+
+"O God, die twee guldens, o God, o God! ik zal 't niet weer doen,
+o lieve Jezus, lieve Heere Jezus, ze hebben me Judas genoemd! o
+God ik heb Sien verkocht voor zilverlingen, o lieve Jezus, o God,
+genade, genade...."
+
+"Sprot...." hoorde ze plotseling, met een nijdigen krijsch, boven
+het geruzie uit.
+
+Tweemaal na elkaar werd ook haar naam gezegd: "Merie...."
+
+Telkens, met starre ontzetting, meende ze de vlieringtrap te hooren
+kraken, iemand naar boven te hooren komen.... dan wrong ze zich nog
+dieper in haar hoekje weg.
+
+Eens werd er aan de knop van 't kamerdeurtje
+gescharreld.... "Oooo!" kermde ze.
+
+Toen ze de tweede maal, duidelijker, dit gerucht hoorde, kwam een wilde
+schrik in haar opgestoven.. ijlings greep ze haar pak goed van-achter
+de kist.... en het pak onder den arm, de twee guldens nog in de hand
+geklemd, sloop ze sidderend de vlieringtrap af.... vloog het Dijkje op.
+
+In éénen hol, zonder om te zien, liep ze door tot voor de Hanekamp.
+
+Toen zij, steunend, daar even stilstond, sloeg het negen uur op de
+groote stads-toren.
+
+De regen had opgehouden; de enkele lantarens brandden stil-klaar en
+klein in 't donker van den verlaten singel.
+
+Als een zinnelooze snelde het kind verder, den weg in, die voor haar
+lag. En met schokkenden adem bad ze nog al: "God! o Vader, o lieve
+heere Jezus, o God..."
+
+Ze zou nooit weer thuis durven komen. Ze moest weg, voort, waarheen
+wist ze niet.
+
+Ze liep den donkeren singel af; ze liep hard, hard, of ze nagezeten
+werd.
+
+Toen het station met zijn electrische booglampen dichtbij kwam,
+sloeg zij de Vaartlaan in.
+
+Waarom had ze 't gedaan?.... Waarom....?
+
+Zachtjes begon weer de motregen neer te stuivelen.
+
+Een àl grooter dofheid ging 'r hersens bevangen.
+
+Soms bad ze nog maar werktuigelijk:
+
+"Och, onze-lieve-Heer, help me.... vergeef me o God, o God vergeef
+me...."
+
+Niet meer op een draf, maar met strak-wijde, snelle stappen, liep
+ze nog altijd door.... Ze kon bijna niet meer vóórt.... platen van
+stramme verlamming pijnden in 'r schenen, waar haar doornatte rokje
+met elken stap zwaar tegenaan klakte.
+
+Toen het half tien sloeg, liep ze aan den anderen kant van 't stadje,
+bij 't Plantsoen.
+
+Zij voelde tot hoog in 'r arm een stekende sinteling van uit de
+vingers, die de geldstukken omknelden.
+
+"Ze zullen 't nóóit vergeven," dacht ze.
+
+Als in 't Plantsoen de wind over de weien weer killer den stofregen
+aanblies, ging zij een steeg binnen.
+
+Dan, als uit een valen slaap opgeschrikt, liep ze in een
+winkelstraat. Menschen met parapluën op gingen langs 't trottoir,
+heen-wadend door de licht-banen, die uit de stralende winkelkasten
+stonden, 't Eerste stille zijstraatje schoof het kind weer in.
+
+Een oogenblik kwam 't tot haar bewustzijn, dat ze het japongoed nu
+nóg naar de naaister zou kunnen brengen.... het kon immers.... ze had
+het geld.... maar, als een vaste waarheid, wist ze tegelijkertijd,
+dat het niet kon.
+
+Zij verdroeg dan niet langer de snijdende bijting der muntranden in
+haar kou-verstijfde palm, liet de twee geldstukken, of 't waardelooze
+dingen waren, in haar jurkzak glijden.
+
+Toen het tien uur sloeg, dwaalde ze bij den grooten molen op den wal.
+
+De arbeiders-huisjes, in de hoogte klein om het nacht-zwarte getorente,
+stonden al donker, met uitgebluschte vensters, en er was niemand
+meer buiten.
+
+Ze was nu zoo moe, dat ze schreide zonder het te weten.
+
+Eens gleed het pak uit haar gevoelloozen arm op den morsigen
+weg.... Zij raapte het op, als in een droom, voelde even de nattigheid
+van het bemodderde papier tegen haar arm, vergat 't dan weer.
+
+Verwezen liep ze, al maar verder.... ze was nu buiten de stad.
+
+Toen een man haar daar langs ging, op den duisteren weg, werd ze
+plotseling bang, en ze liep weer terug naar de stad.
+
+De guldens had ze opnieuw in haar hand geklemd.
+
+Ze ging door vele, breede, rechthoekende straten van een nieuwe wijk,
+en langs een gracht en door een rij van stegen....
+
+'t Sloeg half elf, toen zij was op de Markt.
+
+'t Liefst zou ze zoo maar op een stoep neerzakken om te slapen.
+
+Ze dacht opeens klaar aan huis.... ze waren anders al naar bed op
+dit uur.... zouen ze nu wachten op haar?.... wat zouen ze denken? Wat
+zouen ze haar doen, als ze haar zagen....
+
+Flitsen van gedachte-helderheid kwamen haar door de hersens geschoten:
+zij was gemeen geweest.... ze had 'r zuster verraden.... maar 'r zuster
+was gemeen tegen 'r jongen geweest.... nog véél gemeener.... Daar
+moest ze nu maar aan vasthouden.
+
+Wat later vond ze zich, schrikkend weer, onder de helle straling der
+electrische booglampen op de spoorlijn, aan een hekje, dicht bij het
+station; ze keerde terug.
+
+Een poos stond ze rillend ergens tegen een boom geleund, maar de
+felle nachtkou joeg 'r op.
+
+Toen kwam het duidelijk tot haar bezinning, dat ze naar huis terug
+moest.... Ze kon niet anders dan weer naar huis gaan....
+
+Haar voeten brandden van de pijn. Bij iederen stap leek een mes-punt
+in 'r zolen te dringen; haar rug deed pijn, haar beenen, haar armen
+deden pijn. 't Was telkens, of ze heel klein inkromp en dan weer
+uitzwol van de hevige pijn overal.
+
+Toen het elf uur sloeg, was ze dicht bij de Hanekamp.
+
+"'k Mot 't geld teruggeven," dacht ze.
+
+"'k Mot vergiffenis vragen," dacht ze nog eens.
+
+Maar ze dorst het Dijkje niet op, uit angst dat ze naar haar op den
+uitkijk zouden staan.
+
+Als ze maar ergens liggen kon.... slapen....
+
+Ze moest naar huis.... ze wou naar huis, al zouden ze 'r ook slaan....
+
+Zoo kwam ze ten leste toch 't Dijkje op.... 't kamerraam was licht nog,
+maar 't deurtje was donker.
+
+Tot driemaal toe hield zij haar stappen in, wou nòg terug gaan....
+
+Aarzelend, eindelijk, sloop zij het grashellinkje af, aarzelend stak
+zij de hand aan den knop....
+
+"Bè je daar, Merie?" riep gespannen-angstig de stem van 'r moeder.
+
+Zij kwam binnen.
+
+"God nog en toe," zei de vrouw.
+
+'t Kind, zonder een woord, lei de twee guldens op tafel, lei haar
+natgeregend, bemodderd pak ernaast. Op 'r knieën viel ze er bij neer,
+'t hoofd op 'r armen, met een enkele verdwaalde snik....
+
+"God nog en toe," zei de vrouw nog eens.... "wat zie je d'r uit...."
+
+Zij haalde de pruttelende koffiekan van het keukenfornuis, schonk
+'r een groote kom vol.
+
+"Hier," zei ze, "toe, sta nou op."
+
+'t Kind zat verwezen voor de bedstee-deurtjes. Tusschen een willooze
+snik-trekking door, dronk ze, gulzig, de koffie.
+
+Dan, werktuigelijk, ging ze zich uitkleeden.
+
+"Maak maar dat je erin ligt als je zusters komen," zei de vrouw,
+"ze zijn je aan 't zoeken.... 't is wat moois...."
+
+Bijna dadelijk viel 't kind in 'n angst-zwaren uitputtingsslaap.
+
+
+
+Den Zondag daarop was het erdoor; Sien vree niet meer met Hein,
+Sien vree met den jongen van Bertels.
+
+Zoo'n klein wurm, had ze achter Marietjes rug gezegd, die moest nou
+de knoop nog doorhakken.... 't was eigenlijk maar goed geweest....
+
+In 'r gezicht had Sien, den eersten morgen, haar een paar maal
+voor "gluiperd" en "genieperd" gescholden,--dat, en nog 'n enkel
+vermaan-woord van 'r moeder was 't eenige, wat ze over dien
+vreeselijken avond te hooren kreeg.
+
+Ant bracht de twee guldens terug aan Hein. Ant alleen bleef, dagen
+lang nog, met stil-verwijtende oogen 'r aanzien.
+
+Maar 't kind was te suf en te ziek-moe om er veel van te merken,
+merkte ook niet de stille zorg, waarmee de moeder, bekommerd over
+'r slechte uitzien, 'r nog eens wat buiten 't gewone voedsel toestopte.
+
+Langzaam kwam ze weer wat bij.
+
+Toen, 's Woensdagsmiddags, was er een loopjongetje gekomen, van de
+menschen bij wie de naai-juffrouw inwoonde; die had gevraagd, of
+'t meissie eens aankomen wou....
+
+Marietje was net in de Hanekamp, helpen borden wasschen van een
+bruiloft van den vorigen dag.
+
+Toen ze om half vijf thuis kwam, zei de moeder 't, en 's avonds,
+klokkeslag zeven, stond ze bij de juffrouw op stoep.
+
+De juffrouw was heel vrindelijk. Een van de dames patronessen, vertelde
+zij, had naar Marie Plas gevraagd, en zij had gezegd, dat die nog
+geen dienst had, want dat 'r kleeren nog niet gemaakt waren. Nou,
+en toen had die mevrouw weer gezegd, dat zij het dan wel geven wou,
+dan moest dat meisje het later maar afbetalen.... En hier had ze nou
+een rijksdaalder, om alles netjes te laten maken....
+
+Stil stond het kind voor de groote mahonihouten tafel; een bange
+trilling kwam in 'r moeë oogen, toen de breede hand van de juffrouw,
+over het blinkende tafelblad heen, haar de groote zilverschijf
+toereikte.
+
+Als ze niet dadelijk aannam, lei de juffrouw het klinkende stuk neer,
+schoof het met den gestrekten wijsvinger tot aan den tafelrand vlak
+voor haar.
+
+"Nou?" zei ze met een onwillige kortaangebondenheid: "ben je niet
+blij?"
+
+Een flauw lachje kwam er over het wezen van het kind.
+
+"En krijg ik nu ook een dienstje?" vroeg ze dan, met een genepen stem.
+
+"Jaa...." zei de juffrouw, "....we hebben al Juli op 't
+oogenblik.... de dienstjes zijn vergeven.... tenminste van de
+dames, die bij mij zijn geweest.... maar als je moeder nou eris wat
+hoort.... afijn, je mot zelf ook maar 's rondkijke, hè?"
+
+"Ja juffrouw," zei het kind stil. Ze nam den rijksdaalder van tafel,
+mompelde nog iets, en ging dan.
+
+Toen haar, dien avond, de maat werd genomen bij de naaister, kon ze
+bijna niet recht staan van de pijn in 'r lenden.
+
+
+
+En vóór nog de japon af was, kwam Ant met de boodschap thuis, dat er
+een plaats was voor 'r zusje op 't fabriek van Hoogeboom; dat was de
+tweede tricot-weverij uit het stadje.
+
+--Wat moest je nou doen?.... vond de moeder; je kon toch niet voor
+'t plezier van die japon zoo'n meevallertje laten passeeren! Maar ze
+moest toch zelf nog eens naar de naai-juffrouw gaan....
+
+Die wist niets. Zij hoorde hier en daar in een winkel.... zij hoorde
+ook in een van haar werkhuizen--ja! je diende je toch wat moeite
+te getroosten, die dame had toch die rijksdaalder gegeven!--maar
+de meiden daar wisten ook niets. De juffrouw uit de Hanekamp, na
+'r bevalling, wou Marietje wel een tijdje hebben, in de morgenuren,
+en dan tegen twaalf stuivers in de week.... Ja.... als 't nou nog
+voor vast was! .... op 't fabriek verdiende ze dadelijk veertien,
+en je klom gauw op.
+
+Dus, 's avonds, werd er uitgemaakt, dat Marietje naar Hoogeboom zou.
+
+'t Kind was te verdoft-gedwee voor een klacht tegen. Wel had ze
+dadelijk gedacht: toch gelukkig niet die fabriek met die wielen voor
+de ruiten.....
+
+En toen de nieuwe japon thuis kwam, keek ze er bijna niet naar om.
+
+'t Was al overlegd, dat ze in die japon naar 't fabriek moest. 't
+Afleggertje, had moeder gezegd, daar leek ze te min in....
+
+En met de nieuwe week, 's morgens om kwart voor zeven, ging zij, in
+'t mooie water-blauwe katoen met de klaverblaadjes, naast Ant op weg.
+
+De japon was op de groei gemaakt, viel sluik-ruim over 'r platte
+borstje, bultte onder de schouderbladen in een bolle dwarskreuk op.
+
+Zoo, blootshoofds, 't gladgestreken haar recht-weg naar 't knoetje
+getrokken, de handen onwennig uit de te lange mouwen, en onwennig
+loopend in de belemmering van 'r voor 't eerst lange kleeren, kwam
+zij de gracht op, waar, vlak na elkaar, van vier fabrieken de bellen
+luidden.
+
+Bij de eerste fabriek moest Ant van haar weg.
+
+De vriendin van Ant, die bij Hoogeboom werkte, wachtte daar, en naast
+de vreemde meid, zonder te spreken, liep ze door de volte van werkvolk
+'t lange eind, tot voorbij de brug.
+
+Een troepje deerns giechelde plotseling op over de rare nieuweling in
+'r lichte japon....
+
+"Sprot, Sprot," riep een jongen, die haar kende.
+
+Toen, als in een hallucinatie, ging zij de wijde fabriekspoort binnen.
+
+
+
+ EINDE.
+
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Sprotje, by M. Scharten-Antink
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 44513 ***