summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/44088-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '44088-0.txt')
-rw-r--r--44088-0.txt2663
1 files changed, 2663 insertions, 0 deletions
diff --git a/44088-0.txt b/44088-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..9ba3527
--- /dev/null
+++ b/44088-0.txt
@@ -0,0 +1,2663 @@
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 44088 ***
+
+ HET EILAND URK,
+ ZIJN BODEM, VOORTBRENGSELEN EN BEWONERS,
+
+
+ BESCHREVEN
+ DOOR
+ P. HARTING,
+ Hoogleeraar aan de Utrechtsche Hoogeschool.
+
+
+ Met een plaat, kaart en doorsneden.
+
+
+ UTRECHT,
+ VAN PADDENBURG & COMP.
+ 1853.
+
+
+
+
+
+
+
+INLEIDING.
+
+
+Een der merkwaardigste plekjes van onzen vaderlandschen bodem is
+het kleine eilandje Urk. Gelegen midden in de Zuiderzee, heeft het
+sedert eeuwen te kampen gehad met de woede der golven en stormen,
+waaraan het meer dan eenig ander der in de Zuiderzee gelegen eilanden
+is blootgesteld, en, alhoewel het in dien strijd geenszins ongedeerd
+is gebleven, zoo ziet de reiziger, die van de Lemmer naar Amsterdam
+de zee oversteekt, het zich nog altijd als een groene heuvel hoog
+boven het watervlak verheffen, en de schipper vindt ligtelijk geloof,
+als deze hem verzekert, dat het eene rots is.
+
+Inderdaad is die meening onder hen, die de Zuiderzee bevaren, algemeen
+verbreid, en zelfs zoude, volgens eenen schrijver [1], die, door de
+nabijheid zijner woonplaats, beter dan menig ander in de gelegenheid
+was, om met de ware gesteldheid bekend te zijn, de bodem van Urk uit
+graniet bestaan, terwijl een ander [2], die het eiland zelf bezocht,
+uitdrukkelijk zegt, dat de bodem van het westelijk of hooger gelegen
+gedeelte rotsachtig is.
+
+Echter was reeds Wagenaar de waarheid meer nabij geweest, toen hij, in
+zijne beschrijving van Urk [3], zeide, dat het westelijkste gedeelte
+hoog zand is, en dat daarin vele zware steenen worden gevonden. Nog
+juister had zich een onbekend schrijver [4] uitgedrukt, zeggende:
+"de grond is steenachtig en laat met reden vermoeden, dat dezelve
+gevormd is uit granietblokken, wier tusschenruimten zijn aangevuld met
+aarde." Wanneer hij echter hierop laat volgen: "overal is het strand
+bezaaid met grootere en kleinere steenen, waarvan sommige met goud-
+en zilverdeeltjes bezwangerd, echter niet rijk genoeg om ze daaruit
+te halen," dan ontstaat er eenige gegronde twijfel aangaande zijne
+geognostische en mineralogische kennis, en rijst het vermoeden, of
+hij ook de glinsterende goudgele en zilverwitte glimmerblaadjes der
+granieten en glimmerschiefers daarvoor heeft aangezien.
+
+Intusschen mogt men, uit het door hem en Wagenaar medegedeelde, reeds
+met meer dan waarschijnlijkheid, het besluit afleiden, dat een deel van
+Urk tot de diluviale formatie behoort, gelijk dan ook door Dr. Acker
+Stratingh [5] gedaan is, terwijl de gerolde blokken van graniet en
+andere plutonische gesteenten, welke in die formatie zoo veelvuldig
+worden aangetroffen, door hun groot aantal aanleiding hebben gegeven
+tot het zoo algemeen verspreide volksgeloof, dat Urk eene rots is.
+
+Doch er was nog een ander punt, hetwelk opheldering vorderde. Reeds
+lang namelijk was het bekend, dat er op Urk een aantal zoetwaterputten
+gevonden worden. Het bestaan van zoetwaterbronnen op een zoo klein
+eilandje, en derhalve in de onmiddelijke nabijheid der zee, is op zich
+zelf reeds merkwaardig, doch hier komt bij, dat men vindt opgeteekend,
+dat het water in eene dier putten, te gelijk met het tij der zee,
+rijst en daalt, en zelfs dat het daarin hooger of lager zoude staan, al
+naar gelang van den waterstand op de rivier de IJssel bij Kampen [6].
+
+Hoe gebrekkig na ook deze verschillende berigten waren, zoowel
+aangaande den bodem van het eiland als aangaande de daarop voorkomende
+zoetwaterputten, zoo mogt men er toch met eenigen grond uit afleiden,
+dat een nader onderzoek niet onvruchtbaar zoude wezen, en dat Scheltema
+[7] met regt reeds voor vele jaren geklaagd had: "het eiland Urk is
+te weinig door natuurkundigen bezocht."
+
+Toen ik in de lente van het vorige jaar eenigen tijd te Enkhuizen
+doorbragt, besloot ik derhalve een bezoek op dit eiland af te leggen,
+ten einde in de eerste plaats zijne geognostische gesteldheid nader
+te leeren kennen, doch tevens van die gelegenheid gebruik te maken,
+om zoowel door het verzamelen van voorwerpen, als door het inwinnen
+van berigten bij de inwoners, eenige bekendheid te erlangen aangaande
+de planten en dieren, welke dit kleine plekje gronds bewonen.
+
+Den 29sten Maart begaf ik mij, voorzien van de noodige werktuigen tot
+meten en boren, daarheen, in gezelschap van drie jongelieden, door
+wier welwillende hulp het mij mogelijk was in een kort tijdsbestek
+veel af te doen, want reeds den 31sten daaraanvolgende keerden wij
+van daar terug.
+
+Gedurende dit tweedaagsch verblijf, gelukte het mij reeds een tamelijk
+goed inzigt te verkrijgen van de geognostische gesteldheid des bodems
+van het eiland. Intusschen bleven er nog eenige vragen onbeantwoord,
+eensdeels uithoofde van het korte tijdsbestek, anderdeels omdat de
+gebezigde grondboor slechts eene lengte van 3,5 el had, en bovendien,
+na eenige boringen in den zeer vasten en harden leemgrond, geheel
+onbruikbaar was geworden [8]. Welkom was mij derhalve mijne onderwijl
+gevolgde benoeming tot correspondent der Hoofdcommissie voor de
+Geologische kaart van Nederland, waarin ik eene aanleiding vond, om
+aan die Commissie het voorstel te doen van eenige gelden beschikbaar te
+stellen, om op Urk nog op sommige door mij aangewezen punten gravingen
+te doen bewerkstelligen, in welk voorstel door de Commissie dadelijk
+met bereidwilligheid werd toegestemd.
+
+Deze gravingen werden verrigt onder de leiding--en ten deele ook in
+de tegenwoordigheid--van mijnen vriend den heer P. Backer de Wit,
+Apotheker te Enkhuizen, en verders onder het toezigt van den op Urk
+woonachtigen vuurtorenwachter A. Schraal, die zich tevens belastte
+met het verzamelen van monsters der gronden, telkens met verschil van
+O,1 el in diepte, en bovendien van alle grootere en kleinere steenen
+en andere voorwerpen, die bij de gravingen gevonden mogten worden.
+
+Ten einde den graad van juistheid der later mede te deelen uitkomsten
+te kunnen beoordeelen, volgt hier eene optelling van de plaatsen,
+waar geboord of gegraven is, met vermelding van de bereikte diepte
+onder den beganen grond. Deze plaatsen zijn door letters aangeduid
+op de bijgevoegde kaart.
+
+Eerste boring (a) tot op 1,4 el diepte.
+
+Tweede boring (b) tot op 1,5 el diepte.
+
+Deze twee boringen op het hoogste punt (9,2 el boven A. P.) des
+eilands, achter de kerk der Hervormden, en op slechts 10 ellen
+onderlingen afstand, moesten beide gestaakt worden, omdat de boor op
+eenen granietsteen stuitte.
+
+Derde boring (c) tot op 3 ellen diepte, aan de westelijke helling
+van het hooger liggend gedeelte, waar de bodem 3,5 el boven A. P. is
+gelegen.
+
+Vierde boring (d) tot op 3,5 ellen, in het lager liggend gedeelte,
+nabij de grens van het hooger gelegene. De hoogte des bodems boven
+A. P. bedraagt aldaar 0,7 el.
+
+De gravingen zijn alle, slechts met uitzondering van die op het punt
+D, voortgezet totdat het binnendringen van het welwater de verdere
+graving verhinderde, daar op Urk geene middelen voorhanden waren,
+om dit water te lozen.
+
+Bij de eerste en diepste graving (A), aan de westelijke helling van
+het hooger gedeelte, 4,3 el boven A. P. gelegen, was dit het geval,
+toen men tot eene diepte van 5,8 el was doorgedrongen.
+
+Bij de tweede (B), op het driehoekig aangespoeld stuk gronds, tusschen
+den vuurtoren en de haven, bereikte men eene diepte van 1,9 el.
+
+De derde (C), vierde (D) en vijfde (E) graving, alle in het lagere
+gedeelte des eilands, drongen tot eene diepte van 1 el en 1,1 el,
+terwijl men eindelijk op het zesde of laatste punt (F), op den
+zoogenaamden Staart, waar de hoogte boven A. P. niet meer dan 0,2 el
+bedraagt, de graving reeds op 0,3 el staken moest.
+
+Wat de flora van het eiland betreft, zoo waren natuurlijk op het
+tijdstip, waarop ik het eiland bezocht, nog slechts weinige planten
+voorhanden. In deze leemte is echter later door den heer P. Backer de
+Wit voorzien, die zich op mijn verzoek, met dit doel, driemalen naar
+Urk heeft begeven, namelijk op den 24sten Mei, den 14den Junij en den
+26sten Julij, en mij de door hem verzamelde meerendeels bloeijende
+planten heeft overgezonden.
+
+De berigten aangaande de dierlijke bevolking zijn door mij, voor het
+grootste deel, ontleend aan de mededeelingen der bewoners. Alleenlijk
+de optelling van de aan het strand gevonden schelpen van Mollusken
+berust op eigene bevinding.
+
+De opgaven van het getal inwoners sedert de invoering der registers
+van den burgerlijken stand ben ik aan den Burgemeester den heer
+P. Nentjes verschuldigd, even als verscheidene andere mededeelingen,
+die voor de kennis van het eiland van gewigt zijn.
+
+
+
+
+
+
+
+GEOGRAPHISCHE LIGGING, VORM EN GROOTTE VAN HET EILAND.
+
+
+Onder de in de Zuiderzee gelegen eilanden is Urk datgene, hetwelk
+op den grootsten afstand van den vasten wal ligt. De afstand tot
+aan Enkhuizen bedraagt 20280 ellen, tot aan de Lemmer 20340 ellen,
+tot aan het vuur bij Kuinre 18840 ellen, en tot aan het Kampereiland
+en den mond des IJssels 17320 ellen. Het meest in de nabuurschap
+liggende Schokland is er 11400 ellen van verwijderd [9].
+
+Het eiland heeft eenen langwerpigen vorm, liggende de grootste
+afmeting nagenoeg juist in de rigting van het Zuid-Westen naar
+het Noord-Oosten. In deze rigting gemeten, bedraagt de lengte
+van het eiland,--met uitzondering van het smalle aanhangsel
+aan de Noord-Oostpunt, waaraan men den naam van de Staart heeft
+gegeven,--1800 ellen, terwijl de breedte, dat is de grootste afmeting
+van het Zuid-Oosten naar het Noord-Westen, 680 ellen is, en de geheele
+omtrek omstreeks 4230 ellen, dat is ongeveer drie vierde uur gaans. De
+oppervlakte bedraagt, volgens de kadastrale opmeting, 80 bunders 5
+[] roeden en 62 [] ellen, waaronder 74 bunders 36 [] roeden en 44 []
+ellen belastbaar land. Hieronder is niet begrepen het later
+aangespoelde stuk gronds tusschen den vuurtoren en de haven, waarvan
+de oppervlakte 67 [] roeden en 50 [] ellen is, zoodat dan de geheele
+oppervlakte 80 bunders 73 [] roeden en 12 [] ellen beloopt.
+
+Alleen met uitzondering van de op de kaart aangewezen punten, namelijk
+aan de Zuidzijde nabij de haven en langs een gedeelte der Oostkust,
+is het geheele eiland door paalwerk en eene steenen glooijing omgeven,
+ten einde het tegen het geweld der golven te beschermen.
+
+Het bestaat uit twee verschillende gedeelten, waarvan het eene of
+kleinere, het zuidwestelijk deel uitmakend (op de kaart door wit
+aangeduid) zich hoog boven de zee verheft, terwijl het andere of
+grootere (op de kaart licht geharceerd) daarentegen zeer vlak en
+laag is.
+
+Het hoog liggend gedeelte maakt ongeveer een vijfde van het geheel
+uit. De Westkust is het hoogst, en van daar daalt de bodem met eene
+zachte helling noordoostelijk naar het lager liggend gedeelte,
+en zuidoostelijk naar de havenzijde. Het hoogste punt (a) der
+westkust ligt juist achter de Kerk op niet meer dan 45 ellen van
+de zee verwijderd. De hoogte van dit punt boven A. P. bedraagt 9,2
+ellen. Bij den vuurtoren (v) op de zuidwestpunt, 150 ellen van a af
+gelegen, is die hoogte 7,7 ellen. Aan de zee- of westzijde loopt de
+bodem langs dit geheele gedeelte der kust aanvankelijk met eene zeer
+steile helling af, vervolgens zachter glooijend tot aan het paalwerk,
+en zoo onder de steenen glooijing door naar de zee.
+
+Tusschen het havenhoofd en de punt, waarop de vuurtoren staat, is een
+driehoekig stuk gronds (B) gelegen. Dit behoort oorspronkelijk niet
+tot dit hoog liggend gedeelte, maar heeft zich eerst in de laatste
+jaren gevormd, sedert den eersten aanleg der haven in het jaar 1819,
+uit het daar aangespoelde zeezand.
+
+Het laag liggende gedeelte des eilands, ongeveer vier vijfde van
+het geheel bedragende, onderscheidt zich dadelijk van het zoo even
+beschrevene, door dat het nagenoeg geheel vlak is, en zich over het
+algemeen slechts weinig boven de oppervlakte der zee verheft. Het
+eindigt aan de Noord-Oostpunt in den reeds genoemden Staart,
+zijnde eene lange, smalle, eenigzins gebogen strook of zandplaat,
+welker oppervlakte niet meer dan 0,1 tot 0,2 el boven A. P. ligt,
+en de bovenzeesche voortzetting is van het rif, dat het geheele
+eiland omgeeft.
+
+Door de geheele lengte van het laag liggend gedeelte tot aan
+het begin van den Staart, breidt zich een zandrug uit, nagenoeg
+evenwijdig met de Noord-Westkust loopend, op eenen afstand van 35
+tot 40 ellen van de zee. De breedte dezer rug verschilt van 15 tot
+25 ellen, terwijl zij, ter plaatse, waar zij het hoogst is, dat is
+in de nabijheid van het hoog liggend gedeelte des eilands, zich tot
+2,2 el boven A. P. verheft. Volgens mededeeling van den Burgemeester,
+die thans eenen ouderdom van 70 jaren heeft bereikt, is deze zandrug
+haar ontstaan verschuldigd aan de Noord-Wester stormen op den 14den
+en 15den November 1775 en den 20sten November 1776, toen het eiland
+van die zijde nog slechts gebrekkig tegen de zee beschut was.
+
+Aan weerszijde loopt deze rug glooijend af, en wordt dus de bodem
+allengs vlakker en lager, het meest aan de Oostzijde, alwaar het
+middengedeelte tot voor korten tijd een moeras was, dat slechts in
+den allerlaatsten tijd, door het graven van een afwateringskanaal en
+de werking van een' kleinen pompmolen, in droog land is herschapen. In
+1842 is met deze droogmaking een aanvang gemaakt, en in 1851 heeft men
+er den eersten hooioogst ingezameld. Vóór 60 jaren was die kom nog diep
+genoeg om er paling in te visschen, en in 1789 besloeg dit moerassig
+gedeelte, blijkens eene toen door den Stadslandmeter J. Schilling
+vervaardigde kaart, waarop het onder den naam van verdronken land
+staat afgeteekend, eene oppervlakte van 15 morgen en 554 [] roeden
+Amsterdamsche maat, of 12 bunders 39 [] roeden en 80 [] ellen, derhalve
+een zesde gedeelte van het geheele eiland.
+
+
+
+
+
+
+
+GEOGNOSTISCHE GESTELDHEID.
+
+
+De beide zoo even beschreven gedeelten des eilands zijn ook in een
+geognostisch opzigt geheel van elkander onderscheiden. Wij willen
+daarom elk in het bijzonder beschouwen.
+
+
+
+HET HOOG LIGGEND GEDEELTE.
+
+De in het werk gestelde boringen en gravingen tot op eene diepte van
+1,5 el onder A. P. en 10,7 ellen onder het hoogste punt des eilands,
+hebben hier vier verschillende lagen doen kennen.
+
+De eerste en magtigste, op het punt a eene dikte hebbende van 8,3
+ellen, aldaar eindigende op O,9 el en in c op 1,5 el boven A. P.,
+bestaat uit eene over het algemeen geelachtig rood gekleurde leem,
+waarvan echter de geaardheid zoowel als de kleur op verschillende
+punten en diepten nog aan vrij groote afwisselingen is onderworpen,
+hoofdzakelijk ten gevolge van het verschillend gehalte aan
+ijzeroxydhydraat, en het al of niet aanwezig zijn van koolstofzuren
+kalk. Deze ontbreekt algemeen in de hoogere gedeelten der laag,
+doch is daarentegen in grooten overvloed aanwezig in de diepere,
+waar de leem in waren leemmergel overgaat. De grond verkregen bij
+de graving op het punt A, op de diepte van 3 ellen, of van 1,3 el
+boven A. P., vooraf zwak gegloeid, bleek te bevatten 28,83 proc. in
+zoutzuur oplosbare stoffen, waaronder 19,71 proc. koolstofzuren kalk
+en 3,13 proc. ijzeroxyd. In het bovenste gedeelte is de leem ook
+meer zandachtig, lichter van kleur, plaatselijk zelfs geelachtig
+grijs, terwijl benedenwaarts de kleur donkerder wordt, ten deele
+bruinrood en violetrood, al naar gelang van de hoeveelheid aanwezig
+ijzeroxydhydraat, welke stof in hoeveelheid toeneemt met de diepte,
+zoodat het benedenste gedeelte der bedding tot den aard eener ware
+oerbank nadert.
+
+De mikroskopische bestanddeelen zijn gerolde kwartskorreltjes en
+scherpkantig gruis van kristallinische gesteenten, in afwisselende
+betrekkelijke hoeveelheden. Beide deze bestanddeelen zijn algemeen
+doorschijnend en kleurloos. Waar koolstofzure kalk voorkomt,
+bestaat deze meerendeels uit zeer kleine vormlooze ligchaampjes. Het
+ijzeroxydhydraat is er in bevat als zeer kleine moleculen, die alle de
+ruimten tusschen de overige bestanddeelen vullen. Van schelpvezelen
+is geen spoor te zien, evenmin als van Foraminiferen of andere
+mikroskopische organismen.
+
+De hardheid en vastheid dezer geheele laag, doch vooral van hare
+diepere gedeelten, is zeer groot, en wordt inzonderheid veroorzaakt
+door het ijzeroxydhydraat, waardoor de overige deeltjes onderling
+zamengebakken zijn. Reeds is vermeld, dat de gebezigde grondboor
+daarin geheel onbruikbaar is geworden. Bij de derde boring namelijk,
+was aan de overigens uit goed gehard ijzer bestaande boorbuis, reeds
+eene vrij sterke uitwijking der wanden waar te nemen. Ook bij de later
+in het werk gestelde graving, werd de bodem zoo hard bevonden, dat men
+op sommige punten daarin met de spade alleen niet kon voortwerken, maar
+genoodzaakt was een' koevoet te gebruiken, om de brokken los te breken.
+
+Echter heeft deze leem slechts weinig plasticiteit, wanneer zij met
+water wordt aangemengd, hetgeen grootendeels het gevolg is van de
+talrijke tusschen de overige bestanddeelen verstrooide zandkorrels
+en steentjes van allerlei grootte. Deze geringe plasticiteit is ook
+opgemerkt door den tegenwoordigen Hoofdingenieur Jonkh. J. Ortt van
+Schonauwen, die in 1834, bij het verbeteren der haven op de zuidkust,
+dezelfde leem aantrof, en zich genoodzaakt zag de voor het werk
+benoodigde klei van het lager gedeelte des eilands te doen aanvoeren.
+
+In deze geheele bedding is het getal gerolde steenen overgroot. Het
+meerendeel is klein, van één tot eenige duimen in doormeter. Doch er
+komen ook vele merkelijk grootere rolsteenen voor. Ik zelf heb een
+granietblok gezien van nagenoeg ronden vorm en O,7 el in doorsnede,
+hetwelk was opgegraven uit het kerkhof, gelegen ter zijde van de
+kerk, dus in de nabijheid van het hoogste punt. Ook verhaalde mij
+de doodgraver, dat hij eenmaal, bij het maken van een' grafkuil,
+op eenen steen had gestoten, waarvan het zigtbare gedeelte de
+lengte van het geheele graf, zijnde 7 A. voeten of bijna 2 ellen,
+innam. Daar hier nu nimmer dieper gegraven wordt, dan tot op 7 voeten,
+zoo blijkt, dat althans het bovenste gedeelte der bedding rolsteenen
+van zeer aanzienlijke grootte bevat. Dit wordt ook bevestigd door eene
+mededeeling van den Burgemeester, dat namelijk in een huis, gelegen
+aan de Noord-Westzijde, voor eenige jaren, bij het graven van eenen
+kelder, een steen werd gevonden, welke zoo groot was, dat de kozijnen
+van een venster moesten worden uitgebroken, om hem uit het huis te
+verwijderen. Dezelfde berigtte mij in het algemeen, dat men op zeer
+verschillende diepten, van 6, 8, 10, 12, 15, 20 en zelfs meer voeten,
+groote steenen in den grond had gevonden, zoodat hieruit derhalve
+schijnt te volgen, dat zij door de geheele bedding verspreid liggen.
+
+Wat den aard dier steenen betreft, zoo is deze zoo verschillend, dat
+men zonder overdrijving zeggen kan, dat de meeste rotssoorten hier
+door kleinere of grootere fragmenten worden vertegenwoordigd. Men
+vindt er [10]:
+
+1. Graniet. De hieruit bestaande steenen zijn zeer talrijk; zij kunnen
+tot de volgende varieteiten gebragt worden:
+
+a. Zeer fijnkorrelige graniet, met gelijkmatig verdeelde bestanddeelen:
+roode veldspaath, roode kwarts en weinige zwartachtige glimmer. Hieruit
+bestaat de groote, zoo even vermelde uit het kerkhof opgegraven steen.
+
+b. Zeer grofkorrelig, met ongelijkmatig verdeelde bestanddeelen: donker
+vleeschkleurige veldspaath, witte kwarts, ten deele in groote aders,
+en zilverkleurige glimmer in nesten. Stukken van deze zamenstelling
+zijn gevonden, zoowel op het kerkhof, derhalve in het bovenste gedeelte
+der laag, als nabij hare onderste grens in A, vanwaar een stuk van
+ongeveer O,2 el in doormeter tot deze varieteit behoort.
+
+c. Tamelijk fijnkorrelig en gelijkmatig, met veel roode veldspaath,
+witte kwarts en weinige witte glimmer.
+
+d. Tamelijk fijnkorrelig, met roode veldspaath, witte kwarts en
+zwarte glimmer.
+
+e. Tamelijk fijnkorrelig, met roode kwarts, roode veldspaath en
+zwarte glimmer.
+
+f. Fijnkorrelig, met violetblaauwachtige kwarts, zeer weinige
+roodachtige veldspaath, zwarte en witte glimmer.
+
+g. Fijnkorrelig, met witte kwarts, witte veldspaath en zwarte glimmer.
+
+h. Fijnkorrelig, met witte veldspaath, witte kwarts en groene glimmer.
+
+i. Tamelijk fijnkorrelig, met witte veldspaath, witte kwarts en veel
+zilverwitte glimmer.
+
+Onder deze varieteiten zijn die, waarin de veldspaath en ook de
+kwarts geheel of ten deele rood gekleurd zijn, zoodat het gesteente,
+op eenen afstand gezien, zich meer of min gelijkmatig rood vertoont,
+de talrijkste.
+
+2. Syeniet.
+
+a. Met witte kwarts, witte veldspaath, veel zwarte hoornblende en
+zeer weinig glimmer.
+
+b. Met violette kwarts, zwarte hoornblende en weinige witte veldspaath.
+
+c. Met veel roode veldspaath, witte kwarts en hoornblende.
+
+d. Met labrador, violette, bloedroode, granaatroode en gele kwarts,
+hoornblende en weinige zwarte glimmer; deze bestanddeelen zijn
+gelijkmatig dooreengemengd. Een zoodanig stuk is in het bovenste
+gedeelte der laag gevonden.
+
+e. Met vleeschkleurige en witte veldspaath, weinig witte kwarts,
+zwarte hoornblende en bronskleurige glimmer.
+
+f. Met veel gedeeltelijk gekristallizeerde roode en witachtige
+veldspaath, witte kwarts en groene glimmer.
+
+3. Gneis. Mede in verschillende varieteiten, waarvan de merkwaardigste
+zijn:
+
+a. een stuk gneis van O,14 el in doormeter, zijnde een fragment van
+eenen veel grooteren steen, bij het graven van de regenput bij den
+vuurtoren gevonden, veel zilverwitte glimmer bevattende en tusschen
+de massa verspreide edele granaten.
+
+b. Dichroitgneis. Hiertoe behooren drie steenen van 3 tot 4 duimen in
+doormeter, gevonden in de diepere gedeelten der bedding, met daarin
+bevatte dichroit, welk mineraal ook afzonderlijk is aangetroffen.
+
+Het meerendeel dezer graniet-, syeniet-en gneissteenen draagt de
+blijken van sterk en lang gerold te zijn. Eenige echter, en daaronder
+sommige tamelijk groote stukken--gelijk b. v. dat vermeld onder b
+op bl. 13,--hebben nog vrij scherpe kanten en hoeken, en vertoonen
+weinige sporen van afslijting. Ook de graad van verwering is zeer
+verschillende. Bij eenige steenen is daarvan te naauwernood iets te
+bespeuren, zelfs aan de oppervlakte, terwijl daarentegen andere, en
+daaronder stukken van 3 en 4 duimen in doormeter, zoo door en door
+verweerd zijn, dat zij bij de minste drukking tot poeder vergruisd
+worden.
+
+4. Porphier, rood gekleurde. De daaruit bestaande steenen zijn slechts,
+ter grootte van 2 tot 3 duim, in gering aantal gevonden.
+
+5. Veldspaath. Eenige weinige der kleinere gerolde steenen, 1-2 duimen
+in doormeter hebbende, bestaan uit denzelfden rooden veldspaath,
+als die, welke een bestanddeel der meeste granieten uitmaakt.
+
+6. Kwarts. Alhoewel er, gelijk reeds gezegd is (bl. 11), tusschen
+de overige bestanddeelen van de leem dezer bedding talrijke kleine
+(1/20-1/5 streep in doormeter hebbende) gerolde kwartskorreltjes
+voorkomen, zoo is het aantal van grootere gerolde stukken kwarts
+zeer gering. Sommige zijn melkachtig wit (vetkwarts), andere rood
+(ijzerkiezel), slechts zeer weinige helder en doorschijnend. De
+grootste stukken hebben eenen doormeter van 3 duimen.
+
+7. Glimmerschiefer, in vrij talrijke stukken, waarvan de grootste
+5 duim in doormeter hebben, meer of minder kwartsrijk, doorgaans
+fijnbladerig en ten deele verweerd.
+
+8. Chlorietschiefer. Hiervan is slechts één stuk gevonden van eene
+graauwgroene kleur en 2 duim in doormeter.
+
+9. Zandsteen. Brokstukken van zandsteenrotsen zijn door de geheele
+bedding verspreid, en wel als twee hoofdverscheidenheden:
+
+a. glimmervrije zandsteen, eenige stukken geel, andere rood gekleurd,
+veel minder talrijk dan de volgende;
+
+b. glimmerhoudende zandsteen. De meeste hiertoe behoorende stukken zijn
+hetzij lichtgrijs of wel geheel of ten deele door ijzeroxydhydraat
+geel gekleurd. De grootste in deze laag gevonden stukken hebben 4
+duim in doormeter.
+
+Andere in geringer aantal voorkomende glimmerhoudende zandsteenen zijn
+tegelrood en harder dan de vorige. Hiervan zijn stukken aangetroffen
+tot van 8 duim in doormeter.
+
+10. Zwarte kalkhoudende thonschiefer. Slechts eenmaal is een zoodanig
+stuk gevonden, 2 duim groot.
+
+11. Kwartsiet. In geringe hoeveelheid, als roode of roodachtig witte
+gerolde korrels van 1 tot 2 duim in doormeter.
+
+12. Klei. Op verscheidene punten zijn hiervan stukken gevonden van 2
+tot 3 duim in doormeter, eenige bijna zuiver wit als pijpaarde, andere
+roodachtig wit en donkerrood, soms geheel het voorkomen hebbende der
+zoogenaamde Thongallen in zandsteen, en zich, behalve door meerdere
+taaiheid, van de omgevende leem onderscheidend door het geheel
+ontbreken van koolstofzuren kalk. De meeste dezer kleibrokken, zoo
+niet alle, zijn blijkbaar afkomstig van op de plaats zelve verweerden
+graniet, waarvan dikwijls nog kleine herkenbare stukjes zijn ingemengd.
+
+13. Kalkgesteenten. Het aantal rolsteenen, geheel of grootendeels
+uit koolstofzuren kalk bestaande, is hoogst aanzienlijk, en overtreft
+dat van alle andere rotsgesteenten te zamen genomen.
+
+In grootte doen de meeste kalksteenen onder voor vele der uit graniet,
+syeniet en gneis bestaande rolsteenen, doch er zijn toch ook van
+sommige der hieronder genoemde verscheidenheden steenen van eenen
+tamelijk grooten omvang gevonden.
+
+Het getal dier verscheidenheden is vrij aanzienlijk. Men kan hen
+onder de volgende hoofdrubrieken rangschikken:
+
+a. Marmer, als roode en witte of rood en wit geaderde stukken; de
+meeste sterk gerold, sommige eenen doormeter van 4 tot 5 duim hebbende.
+
+b. Vezelige kalksteen. Hiervan is slechts eenmaal een plat stukje
+gevonden van 2 duim lengte.
+
+c. Kalkspaath. Een enkel stuk, halfdoorschijnend, van 3 duim in
+doormeter, is gevonden in het onderste gedeelte der bedding.
+
+d. Vaste lichtgekleurde kalksteen, zeer fijnkorrelig, geheel homogeen
+van zamenstelling, dof en schelpachtig op de breuk, bijna zuiver wit,
+grijsachtig wit of licht geelachtig, in allen deele de kenmerken
+dragende van Jurakalk. De witte en geelachtig gekleurde stemt geheel
+overeen met Portlandkalk.
+
+Het mikroskopische onderzoek leerde, dat deze kalksteenen geheel of
+grootendeels zijn zamengesteld uit zeer kleine (1/200 tot 1/20 streep
+in doormeter hebbende) rhomboëdrische kalkspaathkristalletjes [11]. De
+meeste stukken bevatten geene fossilen. Alleen in een witachtig
+grijs gekleurd stuk werden eenige overblijfselen aangetroffen van
+Pentacrinus pentagonais Goldfuss [12]. Deze soort van kalksteen komt
+tamelijk menigvuldig op alle punten der bedding voor. Alle de daaruit
+bestaande steenen zijn sterk gerold; sommige hebben eenen doormeter
+van 6 tot 7 duimen, doch de meeste zijn kleiner.
+
+e. Blaauwachtig grijze kalksteen, minder fijnkorrelig dan de vorige,
+ruw en oneffen op de breuk, met glinsterende kalkspaathkristallen,
+en zeer talrijke kleine, van 2 tot 3 streep in doormeter hebbende,
+fossilen insluitend, welke behooren tot de familie der Trilobiten. Bij
+beschouwing door de loupe zijn de van facetten voorziene oogen
+duidelijk zigtbaar, doch overigens is eene nadere soortbepaling
+moeijelijk, daar het niet gelukt hen te isoleren, uit hoofde van de
+hardheid der omgevende steenmassa en hunne eigene broosheid. Slechts
+eenmaal is een zoodanig stuk, dat sterk gerold was, gevonden op het
+kerkhof, en dus afkomstig uit het bovenste gedeelte der bedding.
+
+f. Zwartachtig grijze kalksteen, in min of meer plaatvormige stukken,
+met verscheidene ten deele goed bewaarde schelpen van Leptaena
+depressa Dalm. (Productus depressus Sow. [13]), waartusschen talrijke
+exemplaren verspreid liggen van Beyrichia complicata Salt., door
+McCoy [14] onder de Entomostraceën gerangschikt. De tegenwoordigheid
+dezer fossilen, hoe klein ook,--daar zij slechts een' doormeter van
+hoogstens 2 streep hebben,--heeft echter eenige beteekenis, dewijl
+het geslacht Beyrichia, volgens McCoy, tot hiertoe alleen uit het
+silurische stelsel bekend is, en B. complicata zeer menigvuldig,
+en op een aantal verschillende plaatsen, in Engeland voorkomt in
+de schieferachtige kalksteenen, welke tot dit stelsel behooren. Ook
+de platte hoekige vorm der hier voorkomende stukken beantwoordt aan
+dezen oorsprong. Zij zijn vrij talrijk in het onderste gedeelte der
+bedding, terwijl hun doormeter van 3 tot 7 duimen bedraagt. Op één
+dezer stukken neemt men ijzerkieskristallen waar.
+
+g. Graauwe kalksteen, met een indruksel van Terebratula flabellula
+Sow. [15] en een dergelijk stuk, hetwelk een fragment eener grootere
+Terebratula bevat, vermoedelijk T. plicatella Sow. [16], als mede een
+afdruksel van eene Melania of van eene andere schelp behoorende tot
+een daarmede in vorm na overeenkomend geslacht. Stukken meer gerold
+dan de vorige, tot van 5 duim.
+
+h. Bonte kalksteen, violet, rood, vleeschkleurig, wit en zeegroen
+gevlekt, fijnkorrelig, zonder kristallen, minder hard en vast dan de
+Portlandkalk, doch harder dan krijt. Een groot gerold blok van O,45
+el in doormeter, en eenige kleinere stukken zijn in het onderste
+gedeelte der bedding gevonden. Fossilen komen er niet in voor.
+
+i. Wit krijt en vuursteenen. Beide zijn door de geheele bedding
+verspreid. De stukken krijt zijn alle gerold, de grootste van 3
+duim. De daarin voorkomende Foraminiferen zijn Rotalia globosa en
+Textilaria acicularis, dezelfde, die het talrijkst in het Engelsche
+krijt worden aangetroffen. In de nabijheid der vuursteenknollen bevat
+het krijt bovendien vele naalden van zeesponzen. De meeste vuursteenen
+zijn scherpkantige fragmenten. Echter worden er ook verscheidene
+geheele knollen aangetroffen; de grootste heeft eenen doormeter van
+4 duim. Meerendeels zijn zij zwartbruin of bruinachtig geel en half
+doorschijnend, eenige bleekgeel of roodachtig en ondoorschijnend.
+
+Behalve de genoemde kalkgesteenten bevat de bodem nog talrijke
+uit koolstofzuren kalk bestaande rolsteenen, die minder duidelijk
+gekenmerkt zijn, doch gedeeltelijk, tot een der beschreven varieteiten
+(d en g) kunnen gebragt worden; de meesten zijn blaauwachtig grijs
+of grijsachtig wit.
+
+Eindelijk zij hier nog vermeld, dat ik, door tusschenkomst van
+den heer Backer de Wit, van den Mr. metselaar A. Last te Enkhuizen
+ontvangen heb een stuk van Astraea annularis Lam., hetwelk door hem
+in het jaar 1820 bij het bouwen der school op het eiland gevonden is,
+op eene diepte van 8 voeten onder den grond. Volgens zijne mededeeling
+bevonden zich daar ter plaatse nog verscheidene andere dergelijke ten
+deele grootere stukken, die verward door elkander lagen. Het stuk,
+dat ik onder de oogen heb, is 5 duimen lang en bijna 3 duimen dik en
+breed. Het heeft eenigzins afgeronde kanten, en ook de oppervlakte,
+waar zich de cellen bevinden, is glad afgeslepen, terwijl de kleur door
+geinfiltreerd ijzeroxydhydraat geelachtig is geworden, doch overigens
+komt het fossile exemplaar overeen met de nog in de Westindische zee
+levende voorwerpen.
+
+13. Mergel, grijsachtig wit, gedeeltelijk violet, een stuk van 3 duim,
+in aard en kleur geheel overeenstemmend met stukken keupermergel,
+alhier op het mineralogisch kabinet voorhanden.
+
+14. Doleriet, zeer fijnkorrelig, graauw, groen en sterk magnetisch. Een
+stuk van 5 duimen is gevonden in het onderste gedeelte der bedding.
+
+Daar het nuttig kan zijn, voor eene latere vergelijking met
+hetgeen elders in ons vaderland in eenen bodem van overeenkomstige
+zamenstelling voorkomt, de verhouding te weten, waarin elk der
+rotssoorten tot de gezamenlijke hoeveelheid der gevonden steenen staat,
+zoo volgt hier eene lijst met de namen der rotssoorten en het aantal
+der daaruit bestaande steenen, verzameld bij de graving van den 5,8
+ellen diepen kuil op het punt A. Onder dit aantal zijn echter alleen
+zulke steenen begrepen, wier doormeter 1 duim of meer bedraagt. Dewijl
+deze inzameling is geschied door den vuurtorenwachter, die in last
+had ontvangen alle de gevonden steenen zonder onderscheid aan mij
+over te zenden, zoo mag men aannemen, dat hier alle willekeur buiten
+gesloten is geweest, en de cijfers inderdaad vrij juist de verhouding
+uitdrukken, waarin de verschillende steensoorten in dit gedeelte des
+bodems voorkomen.
+
+
+Graniet, a. roode 43 9,4 proc. 27,7 proc.
+Graniet, b. anders gekleurde 36 7,9 proc.
+Syeniet 24 5,3 proc.
+Gneis 23 4,0 proc.
+Porphier 2 0,4 proc.
+Veldspaath 3 0,7 proc.
+Kwarts 6 1,3 proc.
+Glimmerschiefer 9 2,0 proc.
+Chlorietschiefer 1 0,2 proc.
+Zandsteen, a. zonder glimmer, gele 2 0,4 proc. 5,6 proc.
+Zandsteen, b. zonder glimmer, roode 2 0,4 proc.
+Zandsteen, c. glimmerhoudend, gele en 19 4,1 proc.
+grijze
+Zandsteen, d. glimmerhoudend, roode 3 0,7 proc.
+Kalkhoudende thonschiefer 1 0,2 proc.
+Kwartsiet 2 0,4 proc.
+Klei, a. witte 2 0,4 proc.
+Klei, b. roode 6 1,3 proc.
+Kalkgesteenten, a. marmer 15 3,3 proc. 53,8 proc.
+Kalkgesteenten, b. witte en gele 29 6,3 proc.
+Jurakalk
+Kalkgesteenten, c. graauwe, met 12 2,6 proc.
+duidelijke fossilen
+Kalkgesteenten, d. bonte 5 1,1 proc.
+Kalkgesteenten, e. kalkspaath 1 0,2 proc.
+Kalkgesteenten, f. vezelige 1 0,2 proc.
+Kalkgesteenten, g. niet nader bepaald, 183 40,1 proc.
+doch ten deele tot b en c behoorend
+Krijt 15 3,3 proc.
+Vuursteen 10 2,2 proc.
+Mergel 1 0,2 proc.
+Doleriet 1 0,2 proc.
+ ===
+Som 457
+
+
+In deze bedding is ook nog op 2,3 ellen boven A. P. gevonden een
+stukje hout uit eene bruinkoolformatie. Het is ongeveer 2 duimen
+lang, ligt, bruin, doch niet met ijzeroxyd geincrustreerd. Het is
+gemakkelijk snijdbaar en stemt in maaksel zeer na overeen met het
+hout van Taxus baccata, daar de houtcellen van hofstippels en van
+eenen breeden spiraalband voorzien zijn. Het is derhalve afkomstig
+van eenen boom behoorende tot het fossile geslacht Taxites Goeppert.
+
+
+
+De tweede laag, waarvan de dikte hoogstens een el bedraagt, bestaat
+uit eenen zwartachtig grijzen zandigen leemmergel, hier en daar met
+een' geelachtigen of bruinachtigen tint. Zij onderscheidt zich van
+de hoogere, behalve door de kleur, vooral ook door eene meerdere
+gelijkmatigheid en inniger vermenging der bestanddeelen. De diepere
+gedeelten der laag bevatten het meeste zand en hebben eenen losseren
+zamenhang dan de hoogere.
+
+De mikroskopische bestanddeelen zijn dezelfde als die der eerste
+laag, alleen in andere betrekkelijke hoeveelheden. Hetzelfde geldt
+van de scheikundige bestanddeelen. Koolstofzure kalk en ijzeroxyd
+komen er in merkelijk geringere mate in voor. De bodem op 0,3 el
+boven A. P., nagenoeg uit het midden der laag, bevat 8,27 proc. in
+zoutzuur oplosbare deelen, waarvan 4,87 koolstofzure kalk zijn en
+1,29 proc. ijzeroxyd.
+
+Er worden mede een aantal gerolde steenen in aangetroffen, grootendeels
+tot dezelfde rotssoorten behoorende als die in de eerst beschreven
+laag. Steenen van zoo grooten omvang als in deze zijn hier niet
+gevonden. Echter zoude ik niet durven beweren, dat zij er niet in
+voorkomen, daar dit gedeelte des bodems alleen uit de graving in A
+en de boring in c bekend is.
+
+Onder de granietblokken zijn er verscheidene, die rood en groen
+gevlekt zijn, ten gevolge van tusschen de roode veldspaath
+verspreid olivin. Een dier stukken heeft eenen doormeter van 10
+duimen. Buitendien worden de meeste der boven beschreven varieteiten
+ook hier vertegenwoordigd.
+
+De zandsteenen zijn mede dezelfde. Nabij de bovenste grens is er een
+gevonden van 18 duimen in doormeter, plat aan weerszijden, grijs en
+aan de eene zijde door ijzeroxydhydraat geel gekleurd.
+
+Het geheele getal der steenen van één duim of meer in doormeter,
+bij de graving in A uit deze laag verzameld, bedraagt 104, die op de
+volgende wijze verdeeld zijn:
+
+
+Graniet, a. roode 6 5,8 proc. 21,2 proc.
+Graniet, b. anders gekleurde 9 8,7 proc.
+Gneis 4 3,9 proc.
+Veldsteenporphier 1 0,9 proc.
+Veldspaath 2 1,9 proc.
+Kwarts 5 4,8 proc.
+Zandsteen, a. zonder glimmer, gele 1 0,9 proc. 5,7 proc.
+Zandsteen, b. zonder glimmer, roode 1 0,9 proc.
+Zandsteen, c. glimmerhoudend, gele 4 3,9 proc.
+en grijze
+Kalkgesteenten, a. marmer 1 0,9 proc. 24,8 proc.
+Kalkgesteenten, b. Jurakalk 5 4,8 proc.
+Kalkgesteenten, c. bonte 1 0,9 proc.
+Kalkgesteenten, d. niet nader 19 18,2 proc.
+bepaald
+Krijt 5 4,8 proc.
+Vuursteen 40 38,5 proc.
+ ===
+ 104
+
+
+Hieruit blijkt, dat het voornaamste verschil met de vorige laag gelegen
+is in het aanzienlijk getal van vuursteenen, waaronder verscheidene
+groote knollen, tot van 9 duimen in doormeter.
+
+Eindelijk is in deze laag ook nog gevonden een vrij goed bewaard
+fragment eener zuil, vermoedelijk van Actinocrinus laevis Mill.,
+uit tien geledingen bestaande.
+
+
+
+De derde laag wordt gevormd door eenen licht geelachtig grijzen
+leemachtigen zandmergel, in A de dikte van 1,3 el hebbende. Reeds
+is gezegd, dat de leemmergel der tweede laag benedenwaarts allengs
+zandachtiger wordt. Werkelijk is het ook niet wel mogelijk eene
+scherpe grens tusschen deze beide lagen te trekken, die integendeel
+schier onmerkbaar in elkander overgaan, in dier voege, dat de kleur
+al lichter en lichter, en de zamenhang der deelen al losser en losser
+wordt naarmate de diepte toeneemt. Dat deze twee lagen eigenlijk
+bij elkander behooren wordt ook nog daardoor bevestigd, dat in c
+(nabij de vuurtoren) onder de laag zandmergel wederom eene laag
+zwartgrijze leemmergel gevonden wordt, geheel gelijk aan de daar boven
+liggende. Straks zullen wij zien, dat het gevolg hiervan is, dat daar
+ter plaatse eene watergevende wel in de zandmergellaag is gevonden.
+
+Ook deze laag bevat talrijke gerolde steenen, wederom grootendeels
+tot dezelfde rotssoorten behoorende als die in de hoogere lagen.
+
+Onder de granietachtige gesteenten treft men er verscheidene aan, die
+geen waar graniet zijn, maar euriet of granuliet. De hier voorkomende
+zijn rood of wit gestreept.
+
+Zandsteenen, beantwoordende aan de hooger liggende, zijn hier niet
+aangetroffen, maar, in stede daarvan, eenige stukken van eenen
+groveren en vasteren graauwackezandsteen of psammiet, de grootste
+eenen doormeter hebbende van 7 duimen.
+
+Onder de kalksteenen verdienen, als niet in de hoogere lagen
+voorkomende, vermeld te worden: een violetrood en groen gevlekt stuk
+marmer, een geelgrijze harde kleihoudende kalksteen, en bovendien een
+stuk kalkhoudende kieselschiefer, zwartachtig grijs gekleurd, zeer
+fijnkorrelig, schelpachtig op de breuk, zonder fossilen, 7 duimen in
+doormeter hebbende.
+
+Ook zijn hier wederom verscheidene stukken doleriet gevonden en
+desgelijks eenige stukjes anamesiet, ter grootte van 1 tot 2 duimen.
+
+Eindelijk nog een klein fragment van den rand eener schelp, die niet
+nader te bepalen is, doch, te oordeelen naar de witte kleur en de
+geringe fossilificatie, waarschijnlijk uit eene jongere tertiaire
+formatie afkomstig.
+
+Het getal der verzamelde rolsteenen, van meer dan 1 duim doormeter
+bedraagt 118. Hiervan behooren tot:
+
+
+Graniet, a. roode (ten deele euriet) 21 17,9 proc. 24,6 proc.
+Graniet, b. anders gekleurde 4 3,4 proc.
+Gneis 2 1,7 proc.
+Hoornblende 1 0,8 proc.
+Veldsteenporphier 1 0,8 proc.
+Kwarts 8 6,8 proc.
+Glimmerschiefer 7 6,0 proc.
+Kalkhoudende kieselschiefer 1 0,8 proc.
+Kwartsiet 3 2,6 proc.
+Psammiet 4 3,4 proc.
+Kalkgesteenten, a. marmer 1 0,8 proc. 16,0 proc.
+Kalkgesteenten, b. Jurakalk 1 0,8 proc.
+Kalkgesteenten, c. kleihoudende 1 0,8 proc.
+Kalkgesteenten, d. niet nader 16 13,6 proc.
+bepaald
+Krijt 8 6,8 proc.
+Vuursteen 33 28,0 proc.
+Doleriet 3 2,6 proc.
+Anamesiet 3 2,6 proc.
+ ===
+ 118
+
+
+Vergelijken wij nu deze uitkomsten met die der hoogere lagen, dan
+komt men in het algemeen tot het resultaat:
+
+1o. dat het aandeel der plutonische gesteenten zich tamelijk gelijk
+blijft;
+
+2o. dat het aandeel der oudere kalkgesteenten in de bovenste laag
+verreweg het grootst is, en benedenwaarts afneemt;
+
+3o. dat daarentegen het krijt en de daaruit afkomstige vuursteenen
+in de diepere lagen het menigvuldigst zijn;
+
+4o. dat er in geen der lagen fossilen gevonden worden, afkomstig van
+dieren, welke op de plaats zelve geleefd hebben, maar daarentegen
+verscheidene, die aan gesteenten van zeer verschillenden geologischen
+ouderdom eigen zijn.
+
+
+
+De vierde of diepste laag, waartoe men is doorgedrongen, en welke
+in A op 1,5 el onder A. P. eenen aanvang neemt, bestaat uit zand,
+dat geheel vrij is van koolstofzuren kalk, en zich daardoor zeer
+wezenlijk van de hooger liggende lagen onderscheidt.
+
+Bij de graving heeft men slechts een zeer klein gedeelte (0,1 el)
+van deze laag leeren kennen. Hier aan de bovenste grens, is het zand
+zeer fijn en nog niet geheel vrij van ingemengde leemdeelen.
+
+Men mag aannemen, dat deze zandlaag zich onder het geheele hoogere
+gedeelte des eilands uitbreidt, daar,--gelijk later nog nader blijken
+zal,--het meerendeel der putten, zoo niet alle (alleen met uitzondering
+van die bij den vuurtoren) tot in deze laag doordringen en daaruit
+hun water ontvangen. De bodem van de put (p), in het midden van het
+hoogere gedeelte, ligt op 1,5 el onder A. P., dus juist op de diepte,
+waarop de zandlaag in A nabij de kust mede gevonden is (verg. de
+doorsnede in fig. 3), zoodat, alhoewel het waarschijnlijk is, dat
+de bodem van die put zich iets dieper onder de bovenste grens der
+zandlaag aldaar bevindt, hare helling in elk geval zeer gering is.
+
+Of er in deze laag ook gerolde steenen voorkomen, kan ik niet
+beslissen, uit hoofde der te geringe diepte, waartoe men daarin
+gegraven heeft, maar in het daarvan ontvangen monster zijn er geene.
+
+
+
+HET LAAG LIGGEND GEDEELTE.
+
+De geognostische gesteldheid van dit gedeelte verschilt ten eenenmale
+van het hoogere en kondigt dadelijk eene jongere alluviaal-formatie
+aan.
+
+Deze formatie is nog van tweederlei aard, namelijk eensdeels door
+aanspoeling uit de zee, anderdeels in zoet water ontstaan.
+
+De geheele omtrek, voor zoo ver zij aan de zee grenst, wordt door
+zand bedekt. Langs de Noord-Oostkust, waar ook nu nog het paalwerk
+ontbreekt, en vroeger de reede is geweest, alvorens door het graven
+der haven voor eene betere ligplaats der schepen was gezorgd, is het
+strand door zand opgehoogd, ter hoogte van 1 el tot 1,5 el boven A. P.,
+als het ware eene duinvorming op zeer kleine schaal daarstellende. Ook
+de overlangs evenwijdig met de Noord-Westkust loopende rug, welke reeds
+vroeger (bl. 9) vermeld is, bestaat enkel uit zand. Waar thans door
+paalwerk het verder opwerpen van het zand door de zee verhinderd is,
+en derhalve ook op den genoemden rug, daar is het zand op vele plaatsen
+bedekt met een dun laagje teelaarde, doch onmiddelijk daaronder treft
+men het zand aan.
+
+De zoogenaamde Staart,--althans het bovenste gedeelte tot op 0,3 duim
+onder de oppervlakte,--is alweder geheel uit zand gevormd.
+
+Eindelijk behoort hiertoe ook het, alhoewel aan gene zijde van het
+hooge gedeelte gelegen, door aanspoeling nieuw gevormde stuk gronds
+B. Bij eene graving tot op 1,9 el werd daarin niets dan zand gevonden.
+
+De zamenstelling van dit zand is overal dezelfde. Het is tamelijk
+grofkorrelig, en bevat zeer talrijke schelpen (dezelfde die ook nu
+nog de omringende zee bewonen) en gelijke rolsteenen als die, welke
+nog dagelijks door de zee worden opgeworpen, en waarover wij straks
+nader zullen spreken. Alleen vermeld ik hier, als min of meer de grens
+te kennen gevende van de kracht, die de golven der Zuiderzee vermogen
+uit te oefenen, dat op den zandrug, welks midden op eenen afstand van
+omstreeks 50 ellen van de zee is verwijderd, steenen gevonden worden
+tot van 20 duimen in doormeter, die derhalve door de stormen in de
+jaren 1775 en 1776 zijn opgeworpen. Behalve deze schelpen en steenen
+treft men hier en daar, in het zand gravende, ook eene derrieachtige
+massa aan, ten deele naar het schijnt uit losgewoeld veen bestaande.
+
+In de nabijheid der Noord-Westkust, en waarschijnlijk ook aan de
+tegenovergestelde zijde, ligt onder het zand eene kleilaag. In het punt
+C is deze aangetroffen op eene diepte van 1,1 el. Deze klei sluit nog
+vele kleinere en grootere zandkorrels in. Dat ook zij door de zee is
+aangevoerd, wordt bewezen niet alleen door de talrijke daarin bevatte
+fragmenten van schelpen, welke tot dezelfde soorten behooren als die
+in het hooger liggende zand, maar ook worden er de kiezelschalen
+van Coscinodiscus cellosus, van Actinocyclus senarius, van eenen
+Actinoptychus en fragmenten van Nonionina germanica in aangetroffen.
+
+Geheel het middengedeelte wordt daarentegen door eene
+zoetwater-formatie ingenomen. Nabij de oppervlakte treft men, in
+plaats van zand, eene zandige klei aan, plaatselijk afgewisseld met
+dunne veenstrooken, vooral in de nabijheid van het vroeger moerassige
+gedeelte, doch zelden eene grootere dikte hebbende dan van 5 tot
+10 duimen, en grootendeels gevormd door mossen (Sphagnum, Hypnum),
+terwijl men op vele punten de gelegenheid heeft alle de opvolgende
+toestanden van dit zich vormend veen waar te nemen, van de nog frissche
+mosplantjes aan de oppervlakte af, tot aan de onderste geheel in veen
+overgegane laag toe.
+
+Deze zandige klei bevat vrij talrijke kleine kwartskorreltjes en een
+scherpkantig gruis van kristallinische gesteenten; ook komen er vele
+chlorietkorrels in voor, alsmede eenige straalsteenschilfers. Een
+gedeelte van het fijne gruis bestaat uit koolstofzuren kalk, doch van
+overblijfselen van zee-organismen komt geen spoor voor. Daarentegen
+zijn er de kiezelschalen van eene zoetwater-diatomee (Navicula
+Brebissonii Kütz.) op eenige punten in vrij groot aantal in
+aangetroffen, sommige nog eene groene kleurstof bevattende.
+
+Benedenwaarts wordt deze klei allengs minder zandig, tot dat zij
+(in d op 0,25 el onder A. P.) in eenen donker gekleurden taaijen
+kleimergel overgaat, waarvan de mineralogische bestanddeelen
+dezelfde als die van de hooger liggende zijn, doch waarin alleen
+de betrekkelijke hoeveelheid der kwartskorrels minder is. In dezen
+kleimergel, vooral in de diepere gedeelten, treft men vele verveende
+plantenoverblijfselen aan.
+
+Werkelijk rust deze kleimergel ook op eene laag waar veen, waarvan de
+bovenste grens (in d) op 1,5 el onder A. P. ligt, terwijl de onderste
+grens op 2,8 el onder A. P., zijnde het diepste punt der boring aldaar,
+nog niet bereikt is.
+
+Dit veen draagt al de kenmerken van gewoon laag veen. Bij de boring
+zijn, op de grootst bereikte diepte, daaruit verscheidene stukken hout
+opgehaald, welke in allen deele beantwoorden aan dat van den gewonen
+wilgenboom (Salix alba), en daarmede bepaaldelijk in mikroskopisch
+maaksel geheel overeenstemmen. Deze boom, die thans volstrekt niet
+meer op dit gedeelte van het eiland voorkomt, heeft dus daar vroeger
+gegroeid, tenzij het hout er is aangespoeld gedurende de veenvorming,
+hetgeen echter minder waarschijnlijk is, omdat veen alleen in water
+ontstaat, waarin weinig strooming is. Dit hout is wel roodachtig
+bruin gevonden, doch overigens weinig veranderd. Zelfs bezitten de
+houtvezelen nog in hooge mate de taaiheid en buigzaamheid, welke aan
+het wilgenhout eigen zijn.
+
+Op dezelfde plaats en uit gelijke diepte zijn ook eenige fragmenten van
+beenderen opgeboord, welke afkomstig zijn van een rund. Herkenbaar
+zijn: een gedeelte der onderkaak met bijna drie kiesholten, een
+gedeelte der onderste geledingsvlakte van eene tibia, een gedeelte
+van een os hamatum, en een os sesamoideum. Deze beenderen zijn iets
+kleiner dan die van eene tegenwoordige volwassen koe.
+
+Ten slotte blijft mij nog over hier iets te zeggen nopens het voorkomen
+van barnsteen op Urk. Ik heb mij vele vergeefsche moeite gegeven,
+zoowel tijdens mijn verblijf op het eiland, als later, door het meest
+zorgvuldig onderzoek der van daar medegebragte of mij toegezonden
+gronden, om daarvan iets te vinden, zonder dat het mij zelfs gelukt is
+het kleinste mikroskopische brokstukje te ontdekken. De zaak verdiende
+inderdaad dit naauwkeurig onderzoek, omdat het opwerpen van barnsteen
+door de zee tot het vermoeden zoude kunnen leiden, dat zich op geene
+zeer groote diepte onder den zeebodem eene bruinkolenbedding bevindt,
+welke barnsteen bevat, een vermoeden echter, dat nog meer grond zoude
+hebben, indien barnsteen niet zulk eene ligte zelfstandigheid is,
+zoodat de stukken van elders door de zee kunnen zijn aangevoerd.
+
+Hoe het zij, zoo schijnt echter dit punt van genoegzaam gewigt, om, bij
+gebrek van eigene stellige uitkomsten, hier die berigten van anderen
+bijeen te stellen, welke de vraag, of er van tijd tot tijd barnsteen
+op Urk is gevonden, bijna met zekerheid bevestigend doen beantwoorden.
+
+Het eerste berigt daaromtrent vind ik in de reeds vroeger (bl. 3)
+vermelde briefwisseling tusschen N. Witsen en G. Cuper. In eenen brief,
+gedagteekend 18 Aug. 1709, schreef de eerste:
+
+"Op het eiland Urk heb ik weder barnsteen doen zoeken en gevonden:
+'t is bijzonder, men vindt er barnsteen in de aarde, welke ontdekt
+werd als de zee het land afspoelde en wel allerhande soort, witte,
+geele, heldere en donkere van kleur, ja in sommige stukken zie ik
+onreinigheden van bladertjes, als andersins."
+
+Ook het antwoord van Cuper aan Witsen moge hier eene plaats vinden,
+als zijnde kenmerkend voor de meeningen van dien tijd, aangaande den
+aard des barnsteens. Den 23 Augustus van hetzelfde jaar schreef hij:
+
+"Hetgeen UWE. mij schrijft van barnsteen op Urk is zeer opmerkelijk, te
+meer dewijl het mij toeschijnt dat hetzelve wordt gehaald uit den grond
+en uit de aarde van dit eiland, en dat de zee hetzelve afspoelende
+ontdekt waar het ligt. Ik verzoek U dit nader te onderzoeken en te
+doorgronden, omdat het zoo verschilt van het begrip van kenners,
+die vermeenen, dat deze stof liquida uit de aarde komt en opdrijvende
+uit de zee, na zich neemt wat het ontmoet, vliegjes, visschub enzv."
+
+Aan dit berigt sluit zich de volgende brief van Martinet, medegedeeld
+door Le Francq van Berkhey [17], aan wien hij gerigt was.
+
+"De heer Weerman, predikant te Urk, schrijft mij (aan Martinet),
+oudtijds wierden er ware barnsteenen, geel en helder, brandende
+als kaarsjes, op ons Eiland gevonden, dog nooit in menigte. Men
+vond ze alleen nu en dan meer of min. In 't begin dezer Eeuw waren
+de Jongens gewoon dezelve aan strand op te zoeken, voor den Wel
+Ed. Gr. Achtb. Ambachtsheer Nicolaas Witzen, Burgemeester der Stad
+Amsterdam [18], die hier jaarlijks kwam en dezelve van de Jongens
+kogt: dog sedert dien tijd is er geen werk gemaakt om ze op te zoeken,
+en ook weinig meer gevonden, en dus niet mogelijk om ze geredelijk
+te verzorgen. Niet uit schepen die vergaan zijn, maar door de natuur
+zijn ze hier aangespoeld, en wierden gevonden in eene zekere soort
+van zwarte aangespoelde Mollemaarde of molmachtigen Veengrond, gelijk
+ik zelfs, in het begin van mijne Dienst, wanneer nog een groot stuk
+Lands, buitendijks, zich Noordoostwaarts naar de Lemmer uitstrekte,
+een van die soorten van Barnsteen aldaar in aangespoelde Molmaarde of
+Veengrond gevonden heb, een halve vingerkop groot, welke ik aan mijn
+eerwaarden Vader present gedaan heb, maar sedert dat het opgemelde
+agter Buitendijksland weggespoeld en niet meer daar van dan een vlakke
+steenachtige strand overgebleven is, worden die steenen, zooveel mij
+bekend is, niet meer gevonden, enzv."
+
+Behalve op Urk, is ook op het naburige Schokland barnsteen gevonden
+[19].
+
+Ofschoon nu in lateren tijd de barnsteen op geen dezer beide eilanden
+meer is ontmoet, zoo laten echter de daaromtrent medegedeelde berigten
+geenen twijfel over, of het is aldaar vroeger voorgekomen, en wel,
+naar allen schijn, opgeworpen door de zee. Tevens echter blijkt
+daaruit, dat de hoeveelheid ten allen tijde zeer gering geweest
+is. De mollemaarde, waarvan in deze berigten sprake is, zoude het
+vermoeden kunnen versterken, als of deze barnsteen afkomstig was uit
+eene door de zee omgewoelde bruinkolenlaag, doch reeds boven hebben
+wij gezien, dat tusschen het zand, dat het vroegere zeestrand vormde,
+zich veel derrie bevindt. Hoogstwaarschijnlijk was het deze, waarin
+men den barnsteen vond. Deze derrie nu draagt alle de kenmerken van
+losgespoeld veen. Van hout van coniferen, die zoo algemeen in de
+bruinkolenbeddingen voorkomen, en bepaaldelijk in die, welke den
+barnsteen bevatten, is geen spoor te vinden.
+
+Maar bovendien is het genoeg bekend, dat de barnsteen zeer veelvuldig
+voorkomt in zand- en leemgronden, gelijk inzonderheid langs de geheele
+Oostzeekust het geval is. Hij is daarheen gevoerd uit andere tertiaire
+bruinkolenbeddingen, en het zoude derhalve zeer wel mogelijk kunnen
+zijn, dat barnsteen ook hier en daar onder het Zuiderzeestrand ligt,
+zonder dat zulks daarom nog eene nabij zijnde bruinkolenbedding
+verraadt. Het soortelijk gewigt van barnsteen is 1,08; het verschilt
+derhalve zeer weinig van dat van water, en gevolgelijk kunnen stukjes,
+gelijk op Urk gevonden zijn, zeer gemakkelijk van groote afstanden
+daarheen door den stroom der zee zijn overgevoerd.
+
+
+
+DE BODEM DER ZEE RONDOM URK.
+
+Het is den zeevarenden op de Zuiderzee genoeg bekend, dat het vaarwater
+in den onmiddelijken omtrek van Urk zeer onveilig is, uithoofde
+van de geringe diepte der zee in de nabijheid van dit eiland. Deze
+ondiepte, gewoonlijk bekend onder den naam van het Rif van Urk, is
+op de bijgevoegde kaart [20] aangeduid, tevens met de diepten des
+zeebodems onder A. P., volgens de reeds vermelde Zuiderzee-kaart van
+den Luitenant van Rhijn. Alleenlijk zijn de cijfers vermeerderd met
+2 palm, zijnde dit ten naastenbij het verschil tusschen laag water
+en A. P.
+
+Op de hier achter gevoegde plaat, stellen fig. 1, 2, 3 en 4 eene
+reeks van doorsneden voor, volgens de op de kaart door de lijnen O P,
+Q R, S T en U V aangewezen rigtingen. Deze doorsneden zijn, wat de
+horizontale uitbreiding betreft, op dezelfde schaal geteekend als
+de kaart, namelijk op die van 1/20500, terwijl voor de vertikale
+hoogte en diepte de schaal van 1/1000 is gekozen. Alle hellingen
+zijn dus in werkelijkheid ruim 20 maal vergroot voorgesteld. De lijn
+A P duidt in alle figuren de wateroppervlakte aan; de bijgevoegde
+cijfers geven de hoogten en diepten boven en onder A. P. te kennen,
+terwijl door 0 0 de plaatsen worden aangewezen, waar de bodem onder
+de wateroppervlakte daalt en zich in land- en zeebodem scheidt.
+
+Het blijkt, zoowel uit de kaart als uit deze doorsneden, dat het rif
+zich rondom het eiland als een onderzeesch plateau uitbreidt, dat,
+vooral aan de Westzijde, op vele punten digt onder de wateroppervlakte
+is gelegen. Ook gebeurt het bij zeer laag water van tijd tot tijd,
+dat het rif grootendeels droog komt, zoodat de eilandbewoners zich
+tot nabij zijnen rand droogvoets kunnen begeven.
+
+Aan de Oostzijde ligt niet alleen de oppervlakte van het rif in
+het algemeen dieper, maar zij loopt ook langzaam glooijend af tot
+aan het punt, waar de zee hare gewone diepte heeft bereikt welke,
+aan die zijde (tusschen Urk en Schokland), nergens meer dan 4 ellen,
+doorgaans slechts 3,6 tot 3,8 el bedraagt.
+
+Daarentegen is aan de Westzijde de helling aan den rand van het rif
+veel steiler (zie fig. 1 en 2), zoodat de diepte op eenen korten
+afstand van dien rand snel toeneemt. Ook is het daarbuiten gelegen
+gedeelte der zee sedert lang bekend onder den naam van het Val
+van Urk, dat, aan de andere zijde begrensd door het Enkhuizer zand,
+werkelijk eene soort van onderzeesche vallei of dal daarstelt, waarvan
+de grootste diepte 5,6 el bedraagt, zijnde dit tevens de grootste
+diepte der Zuiderzee bezuiden Enkhuizen, alleen met uitzondering van
+een paar punten op de hoogte dier stad zelve, waar de diepte tot 6,2
+el onder A. P. bedraagt.
+
+De bodem van dit geheele rif bestaat uit grof zand met gerolde steenen,
+waaronder vele van buitengewone grootte, vooral op het westelijk
+gedeelte. Ik zelf heb verscheidene dier steenen gezien, welke 1 tot
+1,5 el in doormeter hadden, en waarvan sommige nog slechts fragmenten
+waren van merkelijk grootere steenen, die men, bij laag water, door
+middel van kruid had laten springen. Ook deelde de Burgemeester mij
+mede, dat men in vroegeren tijd steenen had gevonden van 15 voet of
+ruim 4 ellen in doormeter, doch dat steenen van die grootte thans
+zelden meer voorkomen.
+
+Reeds sedert vele jaren hebben de eilanders die steenen van het
+rif opgehaald, ten einde deze te verkoopen voor steenglooijingen
+aan de zeedijken, en het gevolg hiervan is, dat de steenen op dit
+rif allengs zeer in aantal verminderd zijn, en, dewijl alleen die,
+welke aan deszelfs oppervlakte gelegen zijn, worden verzameld, zoo
+kan men hieruit eenigermate besluiten tot de verbazende steenenmassa,
+die hier eenmaal op een kort bestek is bijeen gehoopt geweest [21].
+
+Toen ik het eiland bezocht, vond ik er echter nog vele op een' grooten
+hoop gestapeld aan het strand nabij de haven, die men daar kortelings
+uit de zee had aangebragt, zoodat ik de welkome gelegenheid had,
+om den aard dier steenen nader te kunnen onderzoeken. De aldaar
+verzamelde rolsteenen bestonden uit:
+
+1. Graniet, a. een brokstuk van eenen grooteren rolsteen; de doormeter
+van het fragment bedroeg 1,25 el; de bestanddeelen waren: witte
+veldspaath (olikoglas), witte kwarts, zwartachtig groene glimmer en
+eenige weinige hoornblende, waardoor deze steen tot syeniet nadert.
+
+b. Een brokstuk van 0,75 el in doormeter, met roozenroode veldspaath,
+witte kwarts en donkergroene glimmer; deze bestanddeelen zijn zeer
+ongelijkmatig gemengd.
+
+c. Een geheele rolsteen van 0,85 el in doormeter, bestaande uit
+zeer veel tegelroode veldspaath, weinig graauwe kwarts, en bijna
+geen glimmer.
+
+d. Een geheele rolsteen van 0,5 el in doormeter, fijnkorrelig, met
+graauwwitte veldspaath en kwarts, en zwarte glimmer.
+
+e. Een brokstuk van 0,5 el in doormeter, fijnkorrelig, de hoofdmassa
+bestaande uit witte, roode en groenachtige kwarts; verders uit
+roozenroode veldspaath en weinig groenachtig gekleurde glimmer.
+
+2. Syeniet. Twee brokstukken, van geheel dezelfde rotssoort, die
+waarschijnlijk gedeelten van denzelfden door kruid gesprongen steen
+hebben uitgemaakt. Het grootste heeft eenen doormeter van 1,5 el,
+het kleinste van 0,75 el. De bestanddeelen zijn: roode veldspaath,
+witte kwarts, zwarte glimmer en hoornblende, en bovendien triphaan.
+
+3. Gneis. Een brokstuk van 0,9 el, met gelijke bestanddeelen als 2,
+alleen laagswijze geordend.
+
+4. Euriet, een rolsteen van 0,75 el in doormeter, wit met roode aders,
+granaten insluitend.
+
+5. Lichtgrijze kalksteen, een rolsteen van 0,5 el in doormeter,
+tamelijk homogeen en hard, met onduidelijke fossile schelpen.
+
+Behalve door deze groote blokken, bestond er nog gelegenheid om
+den aard der steenen van het rif te leeren kennen door die, welke
+de zee op het strand geworpen heeft, zoowel op de Staart als langs
+de Noordoostkust en op het nieuwlings aangespoelde stuk gronds bij
+de haven. Natuurlijk zijn deze steenen over het algemeen kleiner,
+doch er bevinden zich toch onder van 0,2 el in doormeter. Zeer
+vele dier steenen stemmen volmaakt overeen met die, welke in den
+bodem van het hoogliggend gedeelte des eilands voorkomen. Men treft
+daaronder aan: verschillende soorten van graniet, waarvan de roode ook
+hier de overhand heeft; ook is daaronder een stuk goed gekenmerkt
+schriftgraniet gevonden; verders syeniet, gneis, waaronder één
+stuk met donkerroode veldspaath en kwarts in zeer duidelijke scherp
+afgescheidene dunne lagen; voorts euriet, veldsteenporphier, witte
+en violetroode kwarts, zwartachtig groene hoornsteen, gele zandsteen,
+marmer, lichtgeelachtig witte Jurakalk, blaauwachtig grijze kalksteen,
+krijt en talrijke vuursteenen.
+
+Bovendien werden er nog, als fossilen uit oudere lagen afkomstig, op
+het strand tusschen de rolsteenen gevonden: eene geheel in kalkspaath
+veranderde Astraea rotularis Michelin, waaraan, ten gevolge der
+afslijting, de cellen alleen nog op sommige plaatsen goed herkenbaar
+zijn, en een steenkern, waarschijnlijk van Melania Zenkeri Dunker.
+
+
+
+OVERZIGT EN GEVOLGTREKKINGEN.
+
+De thans medegedeelde uitkomsten van het onderzoek des bodems van
+Urk en van het rif, dat dit eiland omgeeft, bewijzen voldingend, dat
+het hooger liggende gedeelte met het rif van diluvialen, het lagere
+gedeelte daarentegen van alluvialen oorsprong is.
+
+Merkwaardig is voorzeker de groote magtigheid van de diluviale
+leembank, welke het westelijk gedeelte des eilands vormt, en die
+wel nog uit onderscheidene lagen bestaat, doch welke blijkbaar allen
+eenen gelijken oorsprong hebben gehad, daar de grootere rotsfragmenten
+daarin van gelijken aard zijn, ofschoon zij in het betrekkelijk aantal
+van elke soort verschillen. Wel is waar worden dergelijke leembanken
+op vele andere punten in onzen diluvialen zandbodem gevonden, doch
+doorgaans van eene veel geringere dikte. Echter komen er elders voor,
+die eene nog veel grootere magtigheid hebben [22].
+
+Dat die leembank vroeger eene grootere uitgestrektheid heeft gehad,
+mogen wij als zeker stellen, want, hoe vast de bodem ook zij, zoo is
+zij toch geenszins bestand tegen de door eenen hevigen wind opgeruide
+golven. Tijdens den storm in Februarij 1825, toen de kust door paalwerk
+en steenglooijing nog niet zoo beschut was, als tegenwoordig, werd,
+volgens het verhaal van den Burgemeester, de hooge westzijde zeer
+beschadigd, zoodat op vele plaatsen het benedenste gedeelte geheel door
+de golven was weggeslagen en de kust bijna loodregt was geworden. Ook
+de vuurbaak is, uithoofde van het wegspoelen des bodems, herhaalde
+malen meer binnenwaarts moeten verplaatst worden. Opgerigt in het jaar
+1617, stond zij in 1649 nog 112 voeten of 30 ellen van den zeekant,
+terwijl in 1661, dus slechts twaalf jaren later, die afstand tot op
+30 voeten of 8,5 el verminderd was [23]. Ook zoude er in vroegeren
+tijd, toen het eiland grooter was, ten Zuiden van hetzelve en ten
+Oosten van het Val van Urk, eene kerk gestaan hebben [24], volgens
+anderen [25] zelfs een dorp tusschen het eiland en de houtrib [26],
+waarvan nog bij menschengeheugen overblijfsels bestonden, zelfs zoo
+veel muurwerk, dat de schippers het moesten vermijden.
+
+Dat het eiland ook aan de Oostzijde in omvang verloren heeft,
+zullen wij straks zien, doch het aangevoerde is voldoende ten
+betooge, dat ook het hooge diluviale gedeelte zich vroeger verder
+in zee heeft uitgestrekt. Inderdaad is dan ook de stelling zeer
+waarschijnlijk, dat eertijds het geheele Oostelijk gedeelte van het
+rif daartoe heeft behoort, en dat, terwijl door de zee het fijnere
+slib is weggespoeld, het zand en de steenen op de plaats zijn blijven
+liggen. Hiervoor pleit ook de zonderlinge wigvormige gedaante van dit
+hooge gedeelte, als het ware de helft van eenen vroegeren diluvialen
+heuvel voorstellende, terwijl de andere thans verdwenen helft naar
+de Westzijde waarschijnlijk mede langzaam glooijend afliep.
+
+Wat de wijze aanbelangt, hoe deze leem- en leemmergelbank met de
+groote daarin besloten gerolde rotsblokken op die plaats gekomen is,
+zoo is voorzeker thans de tijd nog niet gekomen, om op goede gronden
+eene keuze te doen uit de vele hypothesen, die, ter verklaring van het
+ontstaan der geheele formatie, waartoe dit gedeelte van het eiland
+behoort, zijn uitgedacht. Alleenlijk kan men eenige waarschijnlijke
+gissingen opperen, aangaande den oorsprong der in den bodem gevonden
+steenen.
+
+Even als veelal in het diluvium,--doch hier te opmerkelijker, uit
+hoofde van de vastheid der massa, waarin zij bedolven liggen,--vinden
+wij gesteenten uit alle tijdvakken, van de oudste plutonische rotsen
+af, tot aan de bruinkool der tertiaire periode toe, in de grootste
+verwarring dooréén liggen. Talrijke varieteiten van graniet, syeniet en
+gneis, kalksteenen, die, blijkens de daarin voorhanden versteeningen
+(Leptaena depressa, Beyrichia complicata, Actinocrinus laevis), tot
+het silurische en devonische stelsel behooren, andere kalksteenen,
+die tijdens de Juraperiode gevormd zijn, en de daaraan eigene fossilen
+(Pentacrinus pentagonalis, Terebratula flabellula, T. plicatella)
+bevatten, verders mergel, zandsteenen van verschillenden aard
+en waarschijnlijk ook van zeer verschillenden ouderdom, krijt en
+vuursteenen, hout van eenen Taxites uit eene tertiaire laag, zelfs de
+uit vulkanische streken afkomstige doleriet en anamesiet,--ziedaar het
+bonte geheel, welks ontcijfering voorzeker altijd uiterst moeijelijk
+zal blijven. Intusschen kunnen wij reeds nu op enkele punten opmerkzaam
+maken. Vooreerst op het zeer in het oogloopend verschil tusschen de
+steenen welke in den Urkschen bodem voorkomen, en die, welke in de
+zuidelijke streken van ons vaderland in diluviale gronden worden
+aangetroffen. Steenen, die eenen zuidelijken of zuidoostelijken
+oorsprong, namelijk van het Ardenner- of Nederrijnsche leigebergte
+zouden verraden, en waarvan op onze Noordbrabandsche, Geldersche en
+Utrechtsche heidevelden velen worden gevonden, komen op Urk nagenoeg
+volstrekt niet voor, en zelfs gelijken de grauwacke-zandsteenen of
+psammieten, die in geringen getale, slechts één op de tweehonderd,
+aldaar zijn aangetroffen, weinig op die, welke in zuidelijker
+streken voorkomen. Daarentegen is de Urksche bodem zeer rijk aan
+kalkgesteenten, zoo zelfs, dat de daaruit bestaande rolsteenen alle
+de overige gezamenlijk in aantal overtreffen, terwijl deze, gelijk
+men weet, in de zuidelijker streken van het diluvium zeer spaarzaam
+gevonden worden.
+
+Meer overeenkomst schijnt het Urksche diluvium te hebben met dat
+van den Hondsrug bij Groningen, gelijk dit door Dr. Ali Cohen [27]
+beschreven is. Echter zoude eene naauwkeurige vergelijking der op de
+beide plaatsen gevonden rotssoorten noodig zijn, om die gelijkheid
+vast te stellen. Ook is er een verschil, dat niet geheel uit het
+oog mag verloren worden, dat men namelijk in den Hondsrug zelden
+vuursteenen aantreft [28], terwijl deze daarentegen in den Urkschen
+bodem in grooten overvloed voorkomen. Eindelijk mag men ook vermoeden,
+dat de diluviale gronden van Steenwijk, van het Roode klif en van het
+hoog liggende gedeelte van het eiland Wieringen, met dit gedeelte
+van Urk eenen gelijken oorsprong hebben gehad, doch slechts later
+onderzoek kan de gegrondheid van dit vermoeden aantoonen.
+
+In de tweede plaats geven de gevonden rotsfragmenten eenige, zij
+het dan ook nog onzekere, gronden aan voor gissingen aangaande de
+oorspronkelijke plaatsen, van waar die steenenmassa afkomstig is.
+
+Dat velen de gerolde rotsblokken, uit graniet enzv. bestaande, en
+welke niet alleen in ons vaderland, maar ook in Engeland en in het
+noorderdeel van Duitschland tot in Rusland toe, een zoo algemeen
+bestanddeel der diluviale formatie uitmaken, als uit Scandinavie
+afkomstig beschouwen, is genoeg bekend. Ook de geaardheid van vele
+der plutonische gesteenten stemt met dit gevoelen overeen. Vooreerst
+pleit daarvoor het zeer veelvuldig voorkomen der roode varieteiten
+van graniet, waarop ook reeds vroeger Hausmann [29] zich beroepen
+heeft. Ten tweede, de tegenwoordigheid van schriftgraniet, en ten
+derde van labrador in sommige der syenieten. Zoowel het eene als de
+andere behooren, zoo al niet uitsluitend, toch vooral in het Noorden te
+huis. Eindelijk heb ik ook nog gelegenheid gehad de Urksche gesteenten
+te vergelijken met uit Noorwegen afkomstige rotsfragmenten in de
+verzameling van den heer F. C. C. Everts, predikant te Enkhuizen, en
+door hem zelven, tijdens zijn verblijf aan de Noorweegsche westkust,
+van de rotsen afgeslagen. Uit die vergelijking is mij gebleken, dat
+er werkelijk tusschen sommige der granieten, syenieten en gneisen
+zoo groote overeenkomst is, dat men hen voor van dezelfde rots
+zoude houden.
+
+Echter ben ik verre van te willen beweeren, dat alle de talrijke
+varieteiten van plutonische gesteenten, die in den bodem van Urk
+voorhanden zijn, stellig eenen noordschen oorsprong hebben. Eenige
+hunner gelijken zoo zeer op dergelijke gesteenten uit Schotland,
+alhier in het mineralogisch kabinet aanwezig, dat men zeer geneigd
+wordt hen als van daar afkomstig te beschouwen. Deze meening wordt
+nog versterkt, door de talrijke vuursteenen en het krijt, dat geheel
+beantwoordt aan het krijt der Engelsche kusten, en waarvan vooral de
+onderste lagen der leembank eene aanzienlijke hoeveelheid bevatten. Ook
+zijn de overige gevonden gesteenten geenszins in strijd met eenen
+westerschen oorsprong, maar sommige schijnen dezen veeleer aan te
+duiden. Bepaaldelijk geldt zulks van de vrij talrijke kalksteenen met
+Beyrichia complicata, hoogstwaarschijnlijk tot het silurische stelsel
+behoorende (zie bl. 17), terwijl het verders niet moeijelijk zoude
+zijn, voor alle de andere gesteenten in Engeland meerdere vindplaatsen
+aan te wijzen, vanwaar men met eenigen grond zoude kunnen vermoeden,
+dat de Urksche steenen gekomen zijn. Doch zulk eene optelling zoude
+voor het oogenblik zeer weinig waarde hebben, te meer, dewijl men,
+welligt met even veel grond, dergelijke vindplaatsen in andere niet
+zeer ver verwijderde oorden zoude kunnen aantoonen. Ik onthoud mij er
+derhalve van, het aan lateren tijd overlatende, om over dit moeijelijke
+vraagstuk meer licht te verspreiden.
+
+
+
+Thans van het hoogere op het lagere, of van het diluviale op
+het alluviale gedeelte des eilands overgaande, herinner ik in de
+eerste plaats, dat het onderzoek geleerd heeft, dat hier het geheele
+middengedeelte uit eene zoetwaterformatie bestaat, namelijk uit veen
+en daarop rustende klei, en dat alleen de randen langs de Noordwest-
+en Oostkust door eene zeeformatie zijn bedekt. Blijkbaar is hier de
+zoetwaterformatie de oudere, en de zeewaterformatie de jongere.
+
+Deze daadzaak, dat de oudere alluviale formatie van Urk in zoet
+water is ontstaan, is niet onbelangrijk. Zij bewijst namelijk
+onwedersprekelijk, dat dit lage gedeelte zich eerst gevormd heeft,
+nadat, door de ophooging der noordelijke en westelijke kusten van ons
+vaderland, er een soort van wal was ontstaan, welke eene lagune omgaf,
+waarvan het meer Flevo, dat het zoete water uit één der Rijnarmen
+ontving, het laatste overblijfsel was [30]. Vóór dien tijd, en zelfs
+lang voor dat er iets van het tegenwoordige Noord- en Zuidholland
+en van het grootste deel van Friesland boven de zee verrezen was,
+of, met andere woorden, op een tijdstip, toen dit geheele gedeelte
+van ons vaderland nog zee was, lag reeds de diluviale kern van Urk
+in die zee, als een eilandje, dat echter, gelijk wij zagen, toen
+eene grootere uitgebreidheid had dan het tegenwoordige hoog liggend
+gedeelte. Eerst nadat de met zoet water gevulde lagune ontstaan was,
+werd die kern het steunpunt voor de latere alluviale formatie, terwijl
+nog later,--toen, ten gevolge van het weder wegspoelen der gronden,
+die vroeger het meer Flevo aan de Noordzijde omzoomden en van de zee
+afsloten, zich de Zuiderzee had gevormd,--het zee-alluvium ontstond,
+dat thans het zoetwater-alluvium als een gordel omgeeft.
+
+Dit bewijst, dat er althans een tijd is geweest, dat Urk een eiland in
+het meer Flevo was, en, daar nu de beide andere in de Zuiderzee gelegen
+eilanden, Marken en Schokland, geheel van alluvialen oorsprong zijn,
+zoo zoude men welligt vermoeden kunnen, dat Urk voor het eiland Flevo
+moet gehouden worden, waarvan Mela gewag maakt, en welks ligging
+nog zoo raadselachtig is, dat niet minder dan vijf uiteenloopende
+meeningen daaromtrent hare verdedigers hebben gevonden [31]. Intusschen
+leert eene nadere overweging weldra, dat het niet hetzelfde eiland
+heeft kunnen zijn, als dat, hetwelk door Mela bedoeld werd, daar
+op den tijd, waarvan hij spreekt, de alluviale streken van onzen
+vaderlandschen bodem reeds bestonden en bewoond werden, en zelfs eene
+grootere uitgebreidheid hadden, dan in onzen tijd. Men moet derhalve
+ook wel aannemen, dat het alluviale gedeelte van Urk niet alleen
+toen reeds aanwezig was, maar zelfs zijn er verscheidene feiten,
+die bewijzen, dat het zich veel verder heeft uitgestrekt dan thans,
+en doen vermoeden, dat het eenmaal met Schokland en welligt daardoor
+met de Overijsselsche kust is vereenigd geweest.
+
+Volgens Wagenaar [32] zoude weleer vrij diep in zee, naar den kant
+van Schokland, eene kerk gestaan hebben, en de plaats hieromtrent
+wordt nog door de zeelieden het Urker kerkhof geheeten. Dit kerkhof
+zoude volgens hem 230 A. roeden of 846 ellen in zee liggen. De heer
+G. Mees Az. heeft in een zeer lezenswaardig opstel over het eiland
+Schokland [33] mede van dit kerkhof gewag gemaakt. Alleenlijk stelt
+hij het veel verder van Urk, namelijk op een derde van den afstand
+tusschen de beide eilanden, en, daar deze 11400 ellen bedraagt, dus
+op 3800 ellen, of ruim vier malen verder, dan het volgens de opgave
+van Wagenaar zoude gelegen zijn.
+
+Toen ik op Urk was, vond ik ook daar de overlevering algemeen, dat
+het eiland eertijds veel grooter was geweest, en wel bepaaldelijk in
+de oostelijke rigting. De Burgemeester verhaalde mij, dat hij voor
+eenige jaren, bij eenen buitengewoon lagen waterstand, tot een vierde
+uurs ver van de Oostkust in zee was gegaan, en toen aldaar een palen
+hoofd had gevonden, zigtbaar ter lengte van minstens 14 ellen. Ik
+herinner hierbij, dat nog tot in het begin dezer eeuw aan denzelfden
+kant van het eiland de reede voor de schepen is geweest.
+
+Dat eindelijk, zelfs nog vóór een betrekkelijk gering aantal jaren
+de bodem van het eiland in de noordoostelijke rigting door de zee
+verloren heeft, blijkt uit den vroeger (bl. 31, 32) medegedeelden
+brief van Ds. Weerman. Later is het echter weinig meer afgenomen;
+althans op de uitvoerige kaart, in 1789 op last der Amsterdamsche
+regering vervaardigd door den Stads-Landmeter J. Schilling, vertoont
+het eiland nagenoeg geheel denzelfden vorm als thans. Alleenlijk
+springt het noordelijkst gedeelte der Noordwestkust iets minder ver
+in zee dan toen, en is, gelijk reeds vroeger is gezegd, sedert het
+aanleggen der haven in 1819, tusschen de zuidwestelijke punt, waarop
+de vuurtoren staat, en het havenhoofd, door aanspoeling van zand,
+een nieuw stuk gronds gevormd. Eindelijk had toen ook de Staart een
+eenigzins ander beloop en splitste zich aan haar uiteinde in twee
+takken, waarvan er thans slechts een is overgebleven.
+
+
+
+HET WATER IN DE PUTTEN.
+
+Er zijn op Urk een twintigtal putten, waarvan het meerendeel bijzonder
+eigendom is van de bewoners der huizen, waar of in welker nabijheid
+zij zich bevinden. Een dier putten, in het midden van het hoog liggend
+gedeelte gelegen (zie de kaart), is echter voor algemeen gebruik
+bestemd. De mond van dezen put ligt op 4,5 el boven A. P. De wanden
+zijn geheel bekleed met rolsteenen van het rif afkomstig, en zijne
+diepte bedraagt 6,1 el; zoodat derhalve zich de bodem 1,6 el onder
+A. P. bevindt. (Zie de doorsnede in fig. 3 p.)
+
+Nabij den vuurtoren, is mede een put. De omgevende grond ligt hier
+op 7,7 el boven A. P. De diepte bedraagt 6,43 el, zoodat derhalve
+de bodem van dien put op 1,27 el boven A. P. is gelegen. (Zie de
+doorsnede in fig. 4 p'.)
+
+Reeds hieruit blijkt, dat het water in deze beide putten zeer
+waarschijnlijk eenen verschillenden oorsprong heeft, daar de bodem
+van den laatsten 2,87 el hooger ligt dan die des eersten, hetgeen,
+op dien korten afstand (omstreeks 380 ellen), tot eene veel grootere
+helling der het water leverende zandlaag zoude doen besluiten, dan
+gewoonlijk in dergelijke gevallen wordt waargenomen.
+
+Werkelijk hebben dan ook de in het werk gestelde boringen en gravingen
+doen zien, dat op het punt A, ter diepte van 1,5 el onder A. P. eene
+zandlaag wordt aangetroffen, dat is slechts weinig hooger, dan de
+bodem van den in het midden gelegen put, terwijl daarentegen in c,
+dat is nabij den vuurtoren, op eene diepte van 1,4 el boven A. P. de
+laag zandmergel eenen aanvang neemt, die benedenwaarts in bijna zuiver
+zand overgaat, en op 1 el boven A. P. wederom van onderen door eene
+laag leemmergel begrensd wordt.
+
+Men mag derhalve veilig aannemen, dat, terwijl de eerstgenoemde put, en
+waarschijnlijk het meerendeel der overige putten, hun water ontvangen
+uit de zandlaag, die zich onder het geheele diluviale gedeelte van
+het eiland uitbreidt, de put nabij den vuurtoren daarentegen gevoed
+wordt door water uit de zandmergellaag, die, wel is waar, ook elders
+wordt aangetroffen, doch zonder de daaronder liggende leemmergellaag,
+die, ten gevolge harer veel geringere doordringbaarheid, het water
+daarin houdt opgesloten.
+
+De hoofdbron van het water in de putten is natuurlijk het regenwater,
+waarvan een gedeelte, op de daken der huizen nedervallende, door
+de inwoners, hetzij in regenbakken of op eene andere wijze wordt
+opgevangen, terwijl het overige in den bodem dringt.
+
+Het water in de wellen is echter verre van zuiver regenwater te
+zijn. Drie omstandigheden oefenen daarop invloed uit:
+
+1o. de oplosbaarheid van sommige stoffen in den bodem, hetzij door
+water alleen, of nadat dit koolstofzuur heeft opgenomen, dat in
+den bodem voorkomt, ten deele als het product van humificerende
+plantaardige stoffen, in de nabijheid der oppervlakte;
+
+2o. de stortzeeën, die bij stormweder vaak over het paalwerk heenslaan,
+zoodat de bodem langs de kust bij zulke gelegenheden door zeewater
+gedrenkt wordt;
+
+3o. het water der omringende zee, dat benedenwaarts in den bodem
+dringt en in de putten opstijgt.
+
+Het spreekt van zelf, dat de laatste omstandigheid den grootsten
+invloed uitoefent op het water in die putten, welker bodem zich onder
+de oppervlakte der zee bevindt, en van daar dan ook een belangrijk
+verschil in de zamenstelling van het water afkomstig uit de beide
+bovengemelde putten, gelijk uit onderstaande uitkomsten der analyse
+blijkt.
+
+In 1000 deelen van het water van den in het midden gelegen put
+zijn bevat:
+
+
+ Vaste stof 2,219 verbrandbaar 0,246
+ onverbrandbaar 1,973
+
+
+Het water van den put bij den vuurtoren bevat in 1000 deelen:
+
+
+ Vaste stof 0,655 verbrandbaar 0,063
+ onverbrandbaar 0,592
+
+
+De zamenstelling der vuurvaste bestanddeelen is de volgende:
+
+
+ Put in het midden. Put bij den vuurtoren.
+
+Chlorsodium 0,866 0,304
+Zwavelzure kalk 0,356 0,085
+Koolstofzure soda 0,197 0,128
+Koolstofzure potasch 0,109 0,006
+Koolstofzure kalk 0,337 0,019
+Koolstofzure magnesia 0,083 0,069
+Kiezelzuur sporen. geringe sporen.
+
+
+De hoeveelheden van het vrije koolstofzuur zijn niet bepaald, doch de
+proef met kalkwater leerde, dat daarvan in het eerste water slechts
+zeer weinig, in het tweede daarentegen tamelijk veel voorhanden is
+[34].
+
+Van ijzer komt in geen der beide wateren een spoor voor, in weerwil
+van den grooten overvloed van dit metaal in den bodem, hetgeen ten
+bewijze strekt, dat het er alleen als ijzeroxydhydraat, en niet ook
+als koolstofzuur ijzeroxydul in aanwezig is.
+
+Aan de verschillende quantitatieve zamenstelling van het water
+der beide putten beantwoordt ook de smaak. Dat van den put bij den
+vuurtoren is vrij goed drinkbaar, doch het bijna viermaal zoo veel
+vaste stoffen bevattende water uit den put in het midden heeft eenen
+onaangenamen ziltigen smaak. Hetzelfde geldt van dat der overige
+putten, en het water van één' dezer bleek, bij een qualitatief
+onderzoek, in zamenstelling zeer na, zoo niet geheel, met dat van den
+laatstgenoemden put overeen te komen. De eilanders bezigen dan ook
+dit water niet, dan bij gebrek van regenwater, als drinkwater, maar
+wel tot bereiding van spijzen en tot andere huisselijke doeleinden,
+als ook tot drenking van het vee.
+
+Ofschoon de temperatuur van het water der putten uit den aard der
+zaak aan afwisseling onderhevig is, zoo teeken ik hier nog aan, dat
+op den 31sten Maart, toen de thermometer in de lucht op 10°,7 C stond,
+het water op den bodem van den put bij den vuurtoren eene temperatuur
+van 6°,5 C had. Een thermometer tot op den bodem van het niet ver
+van daar verwijderde boorgat c nedergelaten, en dus 3 ellen onder den
+beganen bodem of 0,6 el lager dan de diepte van den put, teekende ter
+zelfder tijd mede 6°,5. De temperatuur van de onderste waterlaag en
+van de zich onmiddelijk daaronder bevindende leemmergellaag was dus
+4°,2 lager dan die van de lucht.
+
+Reeds vroeger (bl. 3) hebben wij gezegd, dat het van ouds bekend is,
+dat het water in deze putten niet altijd even hoog staat, en dat het
+zelfs volgens een volksverhaal met dat van den Gelderschen IJssel
+bij Kampen rijzen en dalen zoude.
+
+Mijn verblijf op het eiland is te kort geweest, om daaromtrent zelf
+naauwkeurige waarnemingen te doen, doch hetgeen mij daarvan bekend is
+geworden, is voldoende tot eene algemeene oplossing van het vraagstuk.
+
+Op den 31sten Maart 1852 bevond ik, dat de oppervlakte van het water
+in den put bij den vuurtoren stond op 1,63 el onder den beganen grond,
+dat is 2,13 el onder het hoogste punt van het eiland, en 6,07 el boven
+A. P. Terzelfder tijd bevond zich de oppervlakte van het water in den
+anderen in het midden gelegen put op 5,2 el onder den beganen grond,
+dat is op 9,7 el onder het hoogste punt en op 0,7 el onder A. P.
+
+Ofschoon het nu waar zij, dat, daar het water uit dezen put tot
+algemeen gebruik dient, deze bepalingen geenszins eene juiste
+uitdrukking leveren van de hoogte, waartoe het water zoude kunnen
+stijgen, indien het ongestoord aan zich zelf werd overgelaten,
+zoo is het verschil in waterstand tusschen beide putten toch zoo
+groot, dat men reeds hieruit tot een verschil in oorsprong zoude
+moeten besluiten. Dit verschil bedroeg namelijk op het tijdstip,
+waarop de meting geschied is, niet minder dan 6,77 el, zoodat de
+wateroppervlakte in den eersten put werkelijk 1,57 el boven den mond
+van den anderen put verheven was, en, indien de aardlagen elders
+volkomen gelijk waren aan die, welke bij den eersten put doorboord
+zijn, het water met kracht over den mond zoude uitvloeijen, even als
+bij eene artesische putboring.
+
+Uit de zamenstelling van het water is gebleken, dat het zeewater
+slechts in zeer geringe mate aan de vorming van het water in den put
+nabij den vuurtoren deelneemt. Zelfs zoude men een goed deel van de
+daarin aanwezige zouten nog kunnen toeschrijven aan het bij stormweder
+overstuivende zeewater. In elk geval is het, uit den hoogen stand
+van het water in dien put, duidelijk, dat het niet dan eene zeer
+beperkte gemeenschap met de zee heeft. Volgens mededeeling van den
+vuurtorenwachter heeft dan ook de hoogere of lagere stand der zee geen
+den minsten invloed op den stand van het water in dezen put. Alleen
+bij zeer langdurige droogte vermindert deszelfs hoeveelheid.
+
+Anders is het gelegen met den put in het midden, en, voor zoover mijne
+berigten reiken, ook met de overige putten. Bij zeer lagen waterstand
+der zee, wanneer b. v. bij langdurige Oosten winden het water, gelijk
+somtijds gebeurt, tot 1,3 of 1,4 el beneden dagelijks tij daalt, dan
+worden deze putten droog. Doch van een geregeld dalen en rijzen van het
+water der putten met het tij der zee is aan niemand op Urk iets bekend.
+
+Ten einde daaromtrent tot eenige meerdere zekerheid te komen, is,
+op mijne uitnoodiging, door den vuurtorenwachter Schraal, gedurende
+twee dagen, de hoogte van de zee in verhouding tot A. P. en de hoogte
+der oppervlakte van het water in den gegraven kuil A opgeteekend.
+
+De stand van het water der zee, gemeten op de peilschaal in de
+haven, was:
+
+
+25 Junij, 's morgens ten 6 ure, hoog water, 0,01 el onder A. P.
+25 Junij, 's morgens ten 9 1/2 ure, tusschen tij, 0,86 el onder A. P.
+25 Junij, 's middags ten 12 ure, laag water, 0,19 el onder A. P.
+25 Junij, 's namiddags ten 6 ure, hoog water, 0,00 el onder A. P.
+26 Junij, 's morgens ten 6 1/2 ure, hoog water, 0,21 el onder A. P.
+26 Junij, 's morgens ten 10 1/2 ure, tusschen tij, 0,25 el onder A. P.
+26 Junij, 's namiddags ten 12 1/2 ure, laag water, 0,31 el onder A. P.
+26 Junij, 's namiddags ten 3 1/2 ure, tusschen tij, 0,24 el onder A. P.
+26 Junij, 's namiddags ten 6 1/2 ure, hoog water, 0,07 el onder A. P.
+
+
+In weerwil dat derhalve op die beide dagen de stand van het zeewater
+van 0 tot 31 duimen onder A. P. heeft verschild, is er bij de telkens
+herhaalde gelijktijdige metingen geen het minste verschil waargenomen
+in den stand van het water in den gegraven kuil, hetgeen al dien tijd
+onveranderlijk tot op 4,245 el onder den beganen grond is gebleven,
+dat is slechts 0,055 el onder A. P. Daar nu deze kuil veel digter
+bij het strand was gelegen dan een der bestaande putten, zoo mag men
+veilig aannemen, dat de snelle rijzingen en dalingen der zee, welke
+het gevolg zijn van eb en vloed, op deze ook geenen noemenswaardigen
+invloed hebben, en dat er een tijdsbestek van verscheidene dagen
+wordt vereischt, gedurende hetwelk de zee buitengewoon laag is,
+om het water in de putten eenigzins aanmerkelijk te doen dalen.
+
+Gelijk reeds gezegd is, is zulks vooral het geval bij langdurigen
+Oostenwind, en dan is niet alleen de zee laag, maar ook de daarin
+uitloopende IJssel. Dit geeft de eenvoudige verklaring van het oude
+sprookje betreffende het verband, dat er tusschen de Urksche putten
+en den Gelderschen IJssel zoude bestaan.
+
+
+
+
+
+
+
+DE PLANTENGROEI.
+
+
+Dat op een zoo klein eilandje, midden in zee en van alle zijden open
+en bloot liggend, de plantengroei slechts weinig ontwikkeld is, kan
+niemand verwonderen. Bepaaldelijk geldt zulks van de overblijvende
+planten, boomen en heesters, die er slechts spaarzaam worden
+aangetroffen en wel alleen op het hoog liggend gedeelte, te midden der
+huizen, waar zij nog eenige beschutting tegen den wind vinden. Daar
+ontmoet men voor de woningen hier en daar eenige lindeboomen, wilgen
+en populieren, wier toppen echter zelden boven de daken uitsteken. In
+een paar ommuurde tuintjes zijn ook enkele appel- en peerenboomen,
+en zelfs een wijnstok. Doch alle deze gewassen dragen de blijken van
+in hunnen groei door den wind belemmerd te zijn. In een dier tuintjes
+worden ook aardappelen en eenige moesgroenten gekweekt, ofschoon
+met weinig gevolg, zoodat dan ook in de behoeften der eilanders aan
+voedselgewassen door invoer van elders moet worden voorzien.
+
+De geheele overige bodem is met gras begroeid. Het hoog liggend
+gedeelte wordt als algemeene weide gebezigd, terwijl het laag
+liggend alleen hooi levert. Tusschen het gras staan een aantal
+andere jaarplanten verspreid, welker soorten echter nog verschillen
+naar gelang van de groeiplaats. Men kan vier zulke groeiplaatsen
+onderscheiden, welke in de volgende lijst bij verkorting zijn
+aangeduid, namelijk:
+
+1o. het hoog liggend of diluviale gedeelte;
+
+2o. het nieuw aangespoelde stuk gronds nabij de haven;
+
+3o. het alluviale gedeelte, met uitzondering van:
+
+4o. dat gedeelte, hetwelk het laagst gelegen is, en tot voor korten
+tijd een moeras was.
+
+Het getal der op Urk in het wild groeijend gevonden planten, en welke
+veilig beschouwd kunnen worden, als, met zeer weinige uitzonderingen,
+de geheele phanerogame flora uitmakende, bedraagt 86. Daarvan hebben
+twee, wegens gemis der bevruchtings-organen, niet kunnen bepaald
+worden. De overige zijn:
+
+
+ Gramineae Alopecurus bulbosus Lin., dil., alluv.
+ *Agrostis maritima Lam., alluv.
+ Phalaris arenaria Smith, dil.
+ Phragmites communis Trin., moeras.
+ Cynosurus cristatus Lin., dil.
+ Poa distans Willd, alluv.
+ *Poa maritima Smith, alluv.
+ Poa procumbens Curt., dil.
+ Bromus pratensis Smith, dil.
+ Holcus mollis Lin., dil.
+ Schoenodorus liliaceus Dumort., dil.
+ Festuca duriuscula Lin., dil., alluv.
+ Festuca bromoides Smith, alluv.
+ Lolium perenne Lin., alluv.
+ Lolium arvense Smith, dif.
+ Hordeum marinum Lin., dil.
+ *Rottboellia incurvata Lin., dil.
+ Cyperaceae *Scirpus maritimus Lin., moeras.
+ Carex flava Lin., moeras.
+ Carex stellulata Schreber, moeras.
+ Alismaceae *Triglochin maritimum Lin., alluv., moeras.
+ Juncaceae Juncus squarrosus Lin., alluv.
+ Juncus trifidus Lin., alluv.
+ Najadeae *Ruppia rostellata Koch, moeras.
+ Urticaceae Urtica dioica Lin., dil.
+ Urtica urens Lin., bij de haven.
+ Chenopodeae Atriplex laciniatum Lin., alluv.
+ Atriplex patulum Lin., alluv.
+ *Salsola kali Lin., alluv.
+ *Salicornia herbacea Lin., alluv.
+ *Chenopodium maritimum Lin., dil., alluv.
+ Polygoneae Polygonum aviculare Lin., alluv.
+ Polygonum minus Lin., alluv.
+ Rumex crispus Lin., dil.
+ Plantagineae Plantago major Lin., dil.
+ *Plantago maritima Lin., dil., alluv.
+ Plantago Coronopus Lin., dil., alluv.
+ Plantago lanceolata Lin., dil.
+ Plantago media Lin., bij de haven.
+ Plumbagineae *Armeria maritima Willd., alluv.
+ Compositae *Aster Tripolium Lin., alluv., moeras.
+ Bellis perennis Lin., dil., bij de haven.
+ Achillea millefolium Lin., dil., alluv.
+ *Artemisia maritima Lin., alluv.
+ Senecio vulgaris Lin., dil., bij de haven.
+ Arctium tomentosum Hayne, bij de haven.
+ Onopordium acanthium Lin., alluv.
+ Carduus lanceolatus Lin., dil., alluv., bij de haven.
+ Leontodon taraxacum Lin., dil.
+ Aspargia hispida Hoffm., alluv., bij de haven.
+ Aspargia autumnalis Hoffm., dil.
+ Picris hieracoides Lin., alluv.
+ Sonchus arvensis Lin., dil.
+ Sonchus asper Oeder, alluv.
+ Sonchus oleraceus Lin., dil.
+ Rubiaceae Galium Aparine Lin., bij de haven.
+ Convolvulaceae Convolvulus arvensis Lin., dil.
+ Solaneae Solanum nigrum Lin., alluv.
+ Hyoscyamus niger Lin., alluv.
+ Primulaceae *Glaux maritima Lin., alluv.
+ Umbelliferae Eryngium maritimum Lin., alluv.
+ Crassulaceae Sedum acre Lin., bij de haven.
+ Ranunculaceae Ranunculus acris Lin., dil.
+ Ranunculus repens Lin., alluv.
+ Cruciferae Coronopus vulgaris Dec., dil., alluv.
+ Iberis nudicaulis Lin., alluv.
+ *Lepidium latifolium Lin., alluv.
+ Thlaspi Bursa pastoris Lin., dil., alluv.
+ Erysimum officinale Lin., alluv.
+ Sinapis nigra Lin., dil.
+ Caryophyllaceae *Arenaria marina Smith, dil., alluv., moeras.
+ *Honkenya peploides Ehrh., alluv.
+ Cerastium vulgatum Lin., dil.
+ Cerastium arvense Lin., dil.
+ Alsine media Lin., dil.
+ Malvaceae Malva rotundifolia Lin., dil.
+ Geraniaceae Erodium cicutarium Smith, dil., alluv.
+ Geranium molle Lin., bij de haven.
+ Rosaceae Potentilla anserina Lin., dil., alluv.
+ Papilionaceae Ononis spinosa Lin., dil.
+ Trifolium pratense Lin., dil.
+ Trifolium procumbens Lin., dil.
+ Trifolium repens Lin., alluv., bij de haven.
+ Lotus corniculatus Lin., alluv.
+
+
+Uit deze lijst blijkt, dat het groote meerendeel der op Urk voorkomende
+phanerogame planten tot die soorten behoort, welke zeer algemeen door
+het gansche land verbreid zijn. Alleen die, welke met een * geteekend
+zijn, en ongeveer een vijfde van het geheel uitmaken, kunnen beschouwd
+worden als kenmerkend voor eenen in de nabijheid van de zee gelegen
+bodem. Onder de familien, die hier volstrekt niet vertegenwoordigd
+worden, verdienen genoemd te worden de Liliaceae, Euphorbiaceae,
+Labiatae, Boragineae, Ericaceae en Campanulaceae, terwijl van de
+Umbelliferae en van de Rosaceae van elk slechts eene soort voorkomen.
+
+
+
+
+
+
+
+DE MENSCHELIJKE EN DIERLIJKE BEVOLKING.
+
+
+De bevolking van Urk is inzonderheid daarom merkwaardig, dat het een
+zuiver nagenoeg geheel onvermengd ras is, dat gerekend kan worden van
+de oude bewoners van het eiland schier onveranderd af te stammen,
+want de Urkers trouwen bijna altijd met vrouwen van hun eiland, en
+slechts hoogst zelden gebeurt het, dat vreemdelingen zich aldaar
+nederzetten en hunne nakomelingen een blijvend bestanddeel der
+bevolking worden. Ook hebben allen die overeenkomst, welke hen als
+leden eener familie kenmerkt, dat is: zonder dat juist de een bepaald
+op den ander gelijkt, is er toch in den algemeenen ligchaamsbouw, in
+de gelaatstrekken, in de kleur van het haar, van de oogen enzv. iets,
+dat telkens aan hunne gemeenschappelijke afstamming herinnert.
+
+Over het algemeen zijn het stevig gebouwde, wel gemaakte menschen,
+met breede schouders en heupen, blond haar en blaauwe oogen. Onder
+de vrouwen treft men er vele aan, die aanspraak op schoonheid kunnen
+maken. Vooral munten zij uit door blankheid van vel en door groote
+donker blaauwe oogen met lange wimpers en fraai gebogen wenkbraauwen,
+minder door hunnen overigen ligchaamsvorm, die iets plomps en
+mannelijks heeft. Jammer is het ook dat zeer vele inwoners nog
+de sporen dragen der pokkenepidemie, welke hier in 1844 met groote
+hevigheid geheerscht heeft, ten gevolge van de gebrekkige vaccinatie,
+waaraan de inwoners zich vroeger zelden wilden onderwerpen, totdat
+zij door eene droevige ervaring van hare nuttigheid overtuigd werden.
+
+Daar men, zoo ergens in ons vaderland, dan op Urk hopen mag, de
+onvervalschte type aan te treffen van deszelfs vroegere bewoners,
+zoo is het van eenig belang het maaksel des schedels van de Urkers te
+vergelijken met dat der schedels van andere Nederlanders en van andere
+Europeanen. Ik heb gelegenheid gehad drie schedels, uit het kerkhof van
+Urk afkomstig, te onderzoeken. Twee daarvan was ik verschuldigd aan de
+welwillendheid van den hoogleeraar G. Vrolik. Blijkens den toestand der
+kiezen en tanden is de eene dezer schedels (No. 3 in de bijgevoegde
+tafel) die van een jong nog niet volwassen mensch, vermoedelijk van
+een vrouwelijk individu, terwijl de andere (No. 2) aan een volwassen
+persoon, waarschijnlijk van meer dan middelbaren leeftijd, heeft
+toebehoord. Beide schedels zijn voorzien van onderkaken, doch deze
+schijnen niet werkelijk daartoe te behooren, maar die van andere
+schedels te zijn, welke waarschijnlijk in de nabijheid lagen. De
+derde der door mij onderzochte schedels (No. 1) is afkomstig uit
+de vroegere verzameling van den hoogleeraar Sandifort, waaruit hij
+in der tijd voor het ontleedkundig museum der hoogeschool alhier is
+aangekocht. Het is blijkbaar de schedel van een bejaard persoon. De
+kroon- en pijlnaden zijn geheel vergroeid. De onderkaak ontbreekt.
+
+Het zal ter naauwernood behoeven gezegd te worden, dat het getal
+der onderzochte schedels veel te gering is, om daaruit eenige zekere
+besluiten af te leiden aangaande den schedelvorm der Urkers in het
+algemeen, en bepaaldelijk omtrent de punten, waarin deze van die bij
+de overige Nederlanders en bij andere natiën afwijkt. Echter kunnen
+de in de tafel opgeteekende maten aan hen, die later eene ruimere
+gelegenheid tot voortzetting dezer vergelijking mogten hebben, eenige
+nuttige wenken opleveren.
+
+De overige schedels, waarvan de maten mede in de tafel zijn
+opgeteekend, zijn allen van personen van middelbaren leeftijd, en
+berusten in het ontleedkundig museum alhier. Die van Nederlanders
+zijn nagenoeg allen afkomstig van lijken, welke vroeger ten behoeve
+der ontleedkundige lessen uit Amsterdam gezonden zijn. Het zoude
+dus voorzeker gewaagd zijn daarin de type te willen vinden van het
+maaksel des Nederlandschen schedels, daar nergens de bevolking meer
+gemengd is, dan in eene groote koopstad.
+
+De laatste der schedels (No. 25) is voor de kennis van den schedelbouw
+der oude bewoners van ons vaderland van een bijzonder gewigt. Hij is
+namelijk te gelijk met een aantal andere schedels en menschenbeenderen
+gevonden in den Wageningschen berg, en door den heer Graaf Nahuys aan
+het ontleedkundig museum ten geschenke gegeven [35]. De beenderen van
+den eigenlijken schedel zijn, met uitzondering van een paar gaten,
+die er welligt door de spade bij het uitgraven in ontstaan zijn,
+nagenoeg geheel gaaf, doch de gelaatsbeenderen ontbreken.
+
+De hieronder vermelde toestand, waarin deze menschelijke overblijfselen
+gevonden zijn, maken het meer dan waarschijnlijk, dat daar ter plaatse
+eene begraafplaats geweest is van eenen zeer ouden volksstam, en
+het zal zoo aanstonds blijken, dat dit door het maaksel des schedels
+bevestigd wordt
+
+De genomen maten zijn de volgende:
+
+1o. De omvang (o), gemeten om het voorhoofd over de tubera frontalia,
+de slapen, en zoo verders om het meest uitpuilende gedeelte van
+het achterhoofd.
+
+2o. De welvingslijn (w), eene kromme lijn, gaande van den neuswortel
+over het voorhoofd en de kruin naar het achterhoofd en eindigende
+aan de protuberantia occipitalis.
+
+3o. De lengte (l), van het midden van het voorhoofd tusschen de
+tubera frontalia tot aan het meest uitpuilende gedeelte van het
+achterhoofdsbeen.
+
+4o. De hoogte (h), bepaald door den schedel, na verwijdering der
+onderkaak, op eene tafel te plaatsen, op het hoogste punt des schedels
+eene liniaal te leggen, waarvan de loodregte afstanden aan weerszijden
+tot aan de oppervlakte der tafel werden gemeten. De gemiddelde dezer
+beide maten gaf dan de hoogte aan.
+
+5o. De voorhoofdsbreedte (v), gemeten aan het smalste gedeelte van
+het voorhoofdsbeen.
+
+6o. De achterhoofdsbreedte (a), zijnde tevens de grootste breedte
+des schedels, of de afstand tusschen de meest uitpuilende plaatsen
+der beide wandbeenderen.
+
+7o. De gelaatsbreedte (z), gemeten van het meest uitpuilende gedeelte
+van den eenen arcus zygomaticus naar dat des anderen.
+
+8o. De grondvlaksbreedte (t), zijnde de afstand tusschen de
+buitenvlakten der tubercula articularia op de helft hunner hoogte.
+
+9o. De afstand (p) tusschen de protuberantia occipitalis en de spina
+palatina.
+
+De daaruit afgeleide verhoudingen zijn:
+
+1o. De verhouding tusschen den omvang (o) en de welvingslijn (w). Deze
+verhouding drukt den graad van welving des schedels uit.
+
+2o. De verhouding tusschen de hoogte (h) en de lengte (l).
+
+3o. De verhouding tusschen de voorhoofdsbreedte (a) en de lengte (l).
+
+4o. De verhouding tusschen de voorhoofdsbreedte (v) en de
+achterhoofdsbreedte (a).
+
+5o. De verhouding tusschen den afstand van de beide tubercula
+articularia (t) en de lengte der loodregte daarop staande lijn (p),
+welke den afstand uitdrukt der protuberantia occipitalis tot aan de
+spina palatina.
+
+6o. De verhouding tusschen de geringste voorhoofdsbreedte (v) en de
+grootste breedte van het gelaat (z).
+
+Eindelijk is in de laatste kolom nog de grootte van den Camperschen
+gelaatshoek opgeteekend.
+
+Zonder in alle de bijzonderheden te treden, waartoe deze metingen
+aanleiding geven, willen wij ons alleen bepalen bij eenige hoofdpunten
+der vergelijking van de Urksche schedels met de overigen. Die
+vergelijking is echter des te minder zeker, naar gelang het uit de
+cijfers in de tafel blijkt, dat de drie schedels zelve onderling
+tamelijk veel verschillen. Zoo b. v. is de graad van welving (o : w)
+van den schedel No. 1 beneden, die van No. 2 boven den gemiddelden
+welvingsgraad. De hoofdoorzaak hiervan ligt daarin, dat bij No. 1 het
+voorhoofd zeer laag en sterk terugwijkend is, terwijl daarentegen
+het voorhoofd van No. 2, hoewel evenmin hoog, toch veelmeer naar
+voren gewelfd is. Bij No. 3 is deze verhouding nog gunstiger, en het
+voorhoofd tevens tamelijk hoog, doch de welvingsgraad heeft hier niet
+kunnen bepaald worden, uit hoofde van het ontbreken der protuberantia
+occipitalis.
+
+Bij de beide schedels van volwassenen (No. 1 en 2) zijn de
+wenkbraauwbogen sterk ontwikkeld. Aan de derde zijn deze slechts
+flaauw zigtbaar.
+
+Ook de verhouding tusschen de hoogte en lengte (h : l) is in de
+drie gevallen te zeer uiteenloopend, dan dat zich hieruit iets laat
+besluiten.
+
+Daarentegen duidt de verhouding der achterhoofdsbreedte tot de lengte
+(a : l) bij alle drie de schedels aan, dat de laatste vrij groot is,
+terwijl de eerste (bij de volwassenen) de gemiddelde maat bij de
+overige schedels slechts zeer weinig overtreft.
+
+Een nog meer in het oog vallend verschil levert de breedte van het
+voorhoofdsbeen op, hetwelk bij alle drie de schedels smaller dan
+gewoonlijk is, en, daar de achterhoofdsbreedte de gewone grootte
+heeft, zoo is de verhouding (v : a) tusschen deze beide breedten dan
+ook tamelijk veel afwijkend van de gemiddelde, en hebben de schedels,
+van boven op gezien, eene iets scherper wigvormige gedaante, waartoe
+de platheid en geringe welving van het achterhoofd medewerkt. Ook
+geeft deze geringere breedte van het voorhoofdsbeen, gepaard aan de,
+de gemiddelde grootte iets te boven gaande, breedte van het gelaat,
+waarvan de verhouding is uitgedrukt door v : z, aan het geheele
+aangezigt iets vols en ronds, hetwelk inzonderheid dat der beide
+schedels van volwassenen kenmerkt, doch bij de derde, welke, gelijk
+reeds is opgemerkt, waarschijnlijk aan een jonger vrouwelijk voorwerp
+heeft toebehoord, in merkelijk minderen graad wordt waargenomen.
+
+Tot deze volheid en rondheid van het gelaat werkt mede de breedte van
+de onderkaak. Wel is waar ontbreekt deze, gelijk reeds gezegd is, aan
+de door mij onderzochte schedels, doch eensdeels had ik gelegenheid
+dit op te merken bij het trouwens gering getal van mannen, die zich,
+tijdens mijn bezoek, op het eiland bevonden [36], anderdeels echter
+mag men daartoe ook besluiten uit de meer dan gewone breedte van het
+grondvlak des schedels, terwijl ook de verhouding tusschen die breedte
+en den afstand der protuberantia occipitalis van de spina palatina
+(t:p), althans bij de beide volwassenen, hetzelfde aanduidt.
+
+Eindelijk teeken ik hier nog als eene bijzonderheid aan, dat bij den
+schedel No. 1 de voorvlakten der bovenkaaksbeenderen onder de oogholten
+niet hol, gelijk gewoonlijk, maar vlak, ja zelfs veeleer bol zijn. Deze
+afwijking is echter hoogstwaarschijnlijk slechts eene uitzondering,
+want bij de beide andere schedels wordt zij geenszins aangetroffen.
+
+Het is van eenig gewigt afzonderlijk stil te staan bij den schedel
+No. 25, ten einde dezen te vergelijken met dien der Urkers. Deze
+vergelijking zal leiden tot het besluit, dat er tusschen beiden
+slechts weinig overeenkomst bestaat.
+
+Vooreerst kenmerkt zich deze schedel, van boven gezien, door zijnen
+fraaijen eironden vorm. Niet alleen is de breedte van het voorhoofd
+grooter in verhouding tot dien van het achterhoofd, maar bovendien
+bevinden zich de uitpuilende gedeelten der wandbeenderen meer naar
+beneden en naar voren, en vertoont zich het achterhoofd dien ten
+gevolge merkelijk langer en meer gewelfd. Verders verdient de groote
+lengte van dezen schedel de opmerking. Zij overtreft die van alle
+de overige schedels, terwijl daarentegen de hoogte en desgelijks
+de breedte zoowel van het achterhoofd als van het grondvlak iets
+beneden de middelmatige blijven. Het voorhoofd is tamelijk laag en
+de welvingsgraad dan ook niet meer dan middelmatig, in weerwil van
+het sterk achterwaarts uitpuilend achterhoofd.
+
+Uit het geheele maaksel van dezen schedel laat zich met eene schier
+aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid besluiten, dat hij heeft
+toebehoord aan eenen persoon van den keltischen volksstam. Dit
+maaksel toch beantwoordt geheel aan dat, hetwelk door Retzius [37],
+die gelegenheid gehad heeft verscheidene dergelijke schedels uit
+oude grafheuvels te onderzoeken, als kenmerkend voor den keltischen
+schedel beschreven is.
+
+Dat het verschil met de schedels der bewoners van het eiland Urk
+tamelijk groot is, valt dadelijk in het oog. Doch er zijn nog drie
+andere punten, waardoor zich deze oude schedel niet alleen van de
+Urksche, maar ook van die der meeste thans levende Europeanen, welke
+ik heb kunnen onderzoeken, onderscheidt.
+
+Vooreerst door de voorwaartsche plaatsing van het punt, waar de kroon-
+en pijlnaden elkander ontmoeten. Gewoonlijk valt dit punt nagenoeg
+zamen met de kruin of het hoogst gewelfde deel van het hoofd. Bij
+dezen schedel ligt de kruin ongeveer 55 streepen meer achterwaarts.
+
+Laat men ten tweede uit dit ontmoetingspunt der naden eene loodlijn
+vallen op het grondvlak des schedels, dan komt deze gewoonlijk nog
+eenige streepen binnen den voorsten rand van het foramen magnum,
+gelijk bepaaldelijk ook van de Urksche schedels geldt. Bij dezen
+ouden schedel valt deze lijn niet minder dan 45 streepen buiten
+dezen voorrand. Dit hangt echter mede voor een groot deel af van
+de achterwaartsche stelling van het foramen magnum, gelijk uit het
+volgende tafeltje blijkt:
+
+
+ Van het midden van Van het meest
+ het voorhoofdsbeen uitpuilend gedeelte van
+ tot aan den voorrand het achterhoofdsbeen
+ van het foramen tot aan den achterrand
+ magnum. van het foramen magnum.
+
+ Oude keltische
+ schedel 115 str. 68 str.
+ Schedel van een'
+ Urker No. 1 109 str. 73 str.
+ Schedel van een'
+ Urker No. 2 110 str. 79 str.
+ Schedel van een'
+ Urker No. 3 102 str. 76 str.
+
+
+Eindelijk ten derde onderscheidt zich ook het foramen magnum zelf door
+den veel meer langwerpigen vorm, gelijk blijkt uit de volgende maten:
+
+
+ Lengte. Breedte.
+
+ Oude keltische schedel 40 str. 28 str.
+ Schedel van eenen Urker No. 1 35 str. 31 str.
+ Schedel van eenen Urker No. 2 38 str. 34 str.
+ Schedel van eenen Urker No. 3 37 str. 31 str.
+
+
+Uit een en ander mag men veilig afleiden, dat de bewoners van het
+eiland Urk hoogst waarschijnlijk van geenen keltischen oorsprong zijn,
+hoewel het voorzeker zeer gewaagd zoude wezen reeds nu eenen stap
+verder te gaan, dan deze ontkennende uitkomst. Wij moeten daartoe
+eerst het licht, door verdere onderzoekingen verspreid, afwachten.
+
+
+
+De oudste mij bekende opgave der bevolking van het eiland dagteekent
+van 1637 [38]. Toen bedroeg zij 300 inwoners, waarvan er in datzelfde
+jaar niet minder dan 149 door eene besmettelijke ziekte werden
+weggenomen, zoodat het cijfer tot 151 daalde. In 1750 was het weder
+geklommen tot 389 [39], waarvan 216 tot het mannelijk en 173 tot het
+vrouwelijk geslacht behoorden. De verhouding der beide geslachten was
+derhalve toen 100:80. In 1789 bestond de bevolking uit 520 personen
+[40].
+
+Sedert de invoering der registers van den burgerlijken stand, is de
+gang der bevolking de volgende geweest:
+
+
+ Jaarlijksche toename.
+ In 1814 615 inwoners.
+ In 1819 630 inwoners. 3 0,48 proc.
+ In 1822 642 inwoners. 4 0,62 proc.
+ In 1825 739 inwoners. 32 4,33 proc.
+ In 1830 789 inwoners. 10 1,27 proc.
+ In 1835 857 inwoners. 14 1,63 proc.
+ In 1836 882 inwoners. 25 2,84 proc.
+ In 1837 907 inwoners. 25 2,76 proc.
+ In 1838 945 inwoners. 38 4,02 proc.
+ In 1839 985 inwoners. 40 4,06 proc.
+ In 1840 1011 inwoners. 26 2,57 proc.
+ In 1841 1025 inwoners. 14 1,37 proc.
+ In 1842 1091 inwoners. 66 6,05 proc.
+ In 1843 1105 inwoners. 14 1,27 proc.
+ In 1844 1115 inwoners. 10 0,90 proc.
+ In 1845 1133 inwoners. 18 1,60 proc.
+ In 1846 1137 inwoners. 4 0,35 proc.
+ In 1847 1152 inwoners. 15 1,30 proc.
+ In 1848 1175 inwoners. 23 1,96 proc.
+ In 1849 1194 inwoners. 19 1,61 proc.
+ In 1850 1205 inwoners. 11 0,91 proc.
+ In 1851 1232 inwoners. 27 2,20 proc.
+
+ Gemiddelde jaarlijksche toename 2,15 proc.
+
+
+Van de 1232 inwoners, die er op den laatsten December 1851 geteld
+zijn, behoorden 629 tot het mannelijke en 603 tot het vrouwelijke
+geslacht. De verhouding dier beide cijfers is dus thans als
+100:95,9. Het verschil tusschen de bevolking op den laatsten December
+1813 of den aanvang van 1814 en die op den laatsten December 1851,
+bedraagt 617. In hetzelfde tijdperk zijn geboren 1391 kinderen, waarvan
+716 tot het mannelijke en 675 tot het vrouwelijke geslacht behoorden,
+en dus tot elkander in verhouding stonden als 100:94,3. Gestorven zijn
+720 personen, zoodat het getal der geborenen dat der gestorvenen met
+671 overtreft, en men dus mag aannemen, dat in dienzelfden tijd 54
+personen het eiland verlaten hebben, en elders gestorven zijn.
+
+Het getal der huwelijken, in hetzelfde tijdvak voltrokken, bedraagt
+270, hetgeen tot het cijfer der geboorten staat als 1:5,15. Of er
+onder die geboorten ook onechte voorkomen, is mij niet berigt, doch
+wel, dat geen der huwelijken geregtelijk is gescheiden.
+
+Uit een en ander blijkt, dat de bevolking op Urk buitengewoon snel
+toeneemt en dat die toeneming vooral in den laatsten tijd zeer versneld
+is, gelijk blijkt uit het volgende overzigt.
+
+
+ Van 1638 tot 1750 of in 112 jaren van 1:2,6.
+ Van 1750 tot 1789 of in 39 jaren van 1:1,3.
+ Van 1789 tot 1825 of in 36 jaren van 1:1,4.
+ Van 1825 tot 1852 of in 27 jaren van 1:1,7.
+
+
+Sedert de invoering der registers van den burgerlijken stand is de
+bevolking verdubbeld, terwijl zij van 1638 tot 1852 of in 214 jaren
+achtmaal grooter is geworden. Waarschijnlijk zullen er zeer weinige
+plaatsen in ons vaderland zijn, welke in dit opzigt met Urk kunnen
+wedijveren.
+
+Ongelukkiglijk zijn de middelen van bestaan niet in gelijke mate
+toegenomen. Het bijna eenige bestaansmiddel is de vischvangst op de
+Noord- en Zuiderzee. In 1750 bezigden de Urkers 46 vischschuiten,
+terwijl zij bovendien nog 2 koffen bezaten. Tegenwoordig bedraagt dit
+getal wel is waar 125 vaartuigen, wier gezamenlijke tonnemaat ongeveer
+3400 tonnen is, doch, terwijl de bevolking in dien tijd toegenomen
+is van 1:3,2, is het getal visschersvaartuigen slechts vermeerderd
+in de verhouding van 1:2,7, terwijl het mij niet gebleken is, dat
+hun gemiddelde tonnemaat grooter is dan vroeger, en er thans geene
+koffen meer op het eiland thuis behooren.
+
+De vischvangst begint in Februarij en eindigt doorgaans in
+November. Het zijn vooral schol, schelvisch, tong, tarbot en
+kabeljaauw, die met kornetten gevangen en meestal te Amsterdam, doch
+ook op andere plaatsen langs de Zuiderzee gelegen verkocht worden. Is
+de tijd der visscherij echter voorbij, dan vangt ook, inzonderheid
+in strenge winters, de tijd van gebrek aan, en dan gebeurt het niet
+zelden, dat meer dan de helft der inwoners op kosten der provinciale
+kas moet onderhouden worden, daar het getal der gegoeden in de gemeente
+zelve uiterst gering is.
+
+Alle de woningen en andere gebouwen zijn gelegen op het hoogere
+gedeelte, gelijk op de kaart is aangeduid. Dit herinnert nog geheel
+aan den ouden tijd, toen onze voorouders hunne woningen op eene
+dergelijke wijze enkel op de natuurlijke hoogten des bodems of op
+terpen bouwden. In de plaatsing dier woningen heerscht zeer weinig
+regelmaat, zoodat zij tamelijk verward door elkander staan, en er
+slechts hier en daar eenige der huizen nevens elkander gebouwd zijn,
+welke dan eene korte reeks vormen. Alle deze tusschenruimten zijn met
+gras begroeid, waardoor het geheele dorpje het voorkomen heeft van eene
+weide, waarin men hier en daar een huis heeft neder gezet. Deze huizen,
+meerendeels van slechts ééne verdieping, zijn ten deele van steen,
+ten deele van hout gebouwd op de wijze, die in vele Noordhollandsche
+dorpen gebruikelijk is. De beide kerken, die der Hervormden,--een klein
+doch net gebouw, in 1786 op kosten der stad Amsterdam opgerigt,--en die
+der Christelijk afgescheidenen,--voor een paar jaren gebouwd,--staan
+geheel afzonderlijk en van de overige huizen verwijderd. De grond van
+het eiland is voor drie vierde bijzonder- en voor het overige vierde
+gedeelte gemeente-eigendom. De veestapel bestaat uit 85 runderen,
+18 kalveren en 4 paarden. Deze runderen worden vooral om de melk
+gehouden. Vleesch wordt er door de eilanders slechts zeer weinig
+gegeten; ook is er geen enkele vleeschhouwer, doch tien bakkers,
+terwijl zoowel het rogge- als tarwebrood zeer goed en smakelijk
+zijn. Brood, aardappelen en visch maken dan ook de hoofdvoedsels
+der bevolking uit. Moesgroenten worden er schier niet gegeten; het
+weinige dat daarvan gebruikt wordt, wordt van Enkhuizen aangevoerd.
+
+De kleeding der mannen bestaat uit een zeer wijd wambuis van blaauw
+karsaai en een zwarte broek van dezelfde stof, waarop van voren
+twee groote zilveren gebeeldhouwde knoopen of zilveren muntstukken
+prijken. Zij dragen zwarte wollen kousen en lage schoenen, blaauwe
+wollen ronde mutsen op het hoofd, en een roode puntdoek om den hals.
+
+De kleeding der vrouwen, rok en borstrok, is van dezelfde stof
+vervaardigd. Zij dragen een zwart keurslijf met eenen zoogenaamden
+kroplap en eenen rooden doek om den hals, terwijl twee zilveren spelden
+met groote knoppen in het haar zijn gestoken, doch zonder oorijzers.
+
+De gezondheidstoestand der eilanders is over het algemeen vrij
+voldoende. In weerwil van hun moeijelijk beroep, bereiken velen
+eenen hoogen ouderdom. De meest algemeene ziekten zijn van eenen
+rheumatischen en catarhalen aard, terwijl velen, vooral kinderen,
+ook aan ingewandswormen lijden, iets, dat bij de algemeenheid van
+het vischdiëet, en bij de waarschijnlijkheid van den overgang der
+entozoa uit de visschen in den mensch, opmerkelijk is en een nader
+onderzoek verdient. Tusschenpozende koortsen komen slechts zelden voor.
+
+Wat de verstandelijke beschaving der eilanders betreft, zoo wordt
+daaromtrent door hen, die in de gelegenheid zijn geweest nader met
+hen bekend te worden, een gunstiger getuigenis afgelegd, dan men,
+bij de beperkte gelegenheid, die hiertoe onder hen bestaat, daar op
+de school slechts de eerste kundigheden, lezen, schrijven en rekenen
+worden onderwezen, zoude meenen te mogen verwachten. Gedurende de
+wintermaanden, wanneer alle werkzaamheden stil staan, houden velen
+zich met lezen bezig, en bovendien komen de mannen door hun bedrijf
+dikwerf op andere plaatsen, en in aanraking met velerlei soort van
+menschen. Anders is het met de vrouwen. Daaronder zijn er zeer velen,
+die nimmer aan den vasten wal zijn geweest, en die derhalve van de
+geheele wereld niets anders kennen dan het kleine plekje gronds,
+waarop zij geboren zijn. Zij gevoelen daarvoor dan ook eene groote
+gehechtheid, welke zelfs geenszins verdwijnt, wanneer zij in de
+gelegenheid geweest zijn iets meer van de wereld te zien, zoodat het
+veeleer schijnt, alsof door de vergelijking Urk in hare oogen slechts
+winnen kan. Eene jonge vrouw, die vroeger als dienstmaagd in Amsterdam
+had gewoond, doch later naar haar eiland was teruggekeerd, merkte aan:
+"dat daar, wel is waar, de huizen en vooral de winkels veel fraaijer,
+maar toch de straten erg vuil zijn."
+
+Aangaande hunne zedelijke ontwikkeling kan ik weinig mededeelen, dan
+alleen, dat deze zich vooral uit door een sterk opgewekt godsdienstig
+gevoel, waarvan het alleen te betreuren is, dat het heeft aanleiding
+gegeven tot veel twist en tweedragt onder de bevolking, die, vroeger
+geheel tot de kerk der Hervormden behoorende, thans in twee gemeenten
+van nagenoeg gelijke sterkte is gesplitst, die elk hunnen eigen
+predikant hebben.
+
+Ook verdient nog te worden opgeteekend, dat geen der huizen van
+schellen of kloppers voorzien zijn en evenmin des nachts gesloten
+worden. Ook zoude op het eiland diefstal eene geheel ongehoorde
+zaak zijn, ofschoon wij er moeten bijvoegen, dat, naar men zegt,
+die eerbied voor den eigendom zich minder uitstrekt tot datgene,
+wat de zee op hun strand werpt.
+
+Vroeger was op het eiland een vrij groot aantal honden, doch sedert
+men op elken hond eene belasting van twee gulden heeft gelegd,
+is dit aantal zeer verminderd, en bedraagt thans niet meer dan
+vier. Een dier honden behoort aan den blinden omroeper, die hier van
+eene groote handschel voorzien is. Deze hond is voor zijnen meester
+geheel onmisbaar geworden, want, altijd denzelfden weg volgende,
+geleidt hij dezen, die hem aan een' band vasthoudt, door alle de
+kronkelpaadjes tusschen de verward staande woningen heen.
+
+Eertijds zouden er ook vele konijnen in het wild geleefd hebben [41],
+iets, dat opmerking verdient, omdat deze dieren er thans bezwaarlijk
+hunne holen in den harden leemgrond zouden kunnen graven, hetgeen
+tot het vermoeden leidt, dat een gedeelte van den diluvialen bodem
+vroeger, toen het eiland eene grootere uitgebreidheid had, uit zand
+heeft bestaan.
+
+Thans zijn de eenige wilde viervoetige dieren ratten en muizen, die
+trouwe doch lastige begeleiders van den mensch, waar hij zijne woning
+ook vestigt. Men zeide mij, dat deze dieren hier zeer talrijk zijn, en
+dat daaraan ook het groote aantal van katten moet worden toegeschreven,
+hetwelk door de inwoners gehouden wordt.
+
+In de omringende zee leven vele zeehonden (Phoca vitulina), die des
+nachts op de Staart van het eiland komen slapen en ook zeer dikwijls
+de daar uitgezette haringfuiken berooven, waarin zij echter niet
+zelden zelve gevangen worden.
+
+Behalve de door de inwoners gehouden hoenders, vindt men er musschen
+(Passer domesticus Gessn.), spreeuwen (Sturnus vulgaris L.),
+leeuwrikken (Alauda arvensis L.). Deze zijn de eenige soorten van
+vogelen, die op het eiland eijeren leggen en broeden. Kievieten
+(Vanellus cristatus Meijer en Wolf), tureluurs (Totanus calidris
+Bechst.), lijsters (Turdus musicus L.), watersnippen (Scolopax Galinago
+L.), regenwulpen (Numenius Phaeopus Letham), en verschillende soorten
+van meeuwen (Larus L.) bezoeken wel het eiland op hunne zwerftogten,
+doch broeden er niet. Hetzelfde geldt van de bergeenden (Anas tadorna
+L.) en zwarte zeeëenden (Anas nigra), die ik in Maart in groote
+schoolen in de omringende zee zag zwemmen.
+
+Als eene opmerkenswaardige bijzonderheid zij hier nog vermeld, dat,
+volgens mededeeling van den vuurtorenwachter, het zeer gewoon is,
+dat de vogels des nachts op het licht van den vuurtoren aanvliegen en,
+in hunne vaart stuitend tegen de harde 9 streepen dikke spiegelglazen
+des lantaarns, dood nedervallen, of op den omgang al pikkende tegen
+het glas blijven zitten, totdat zij met de hand gegrepen worden. Op
+eenen enkelen nacht had de wachter 147 vogels op die wijze gevangen,
+meest leeuwrikken, lijsters en spreeuwen. De katten op het eiland
+doen hier ook hun voordeel mede, want, daar er steeds eenige vogels
+naar beneden tuimelen, zoo wordt de vuurtoren elken nacht omsingeld
+door een aantal dezer dieren, welke op hun deel aan den buit wachten.
+
+Wat de in de zee rondom Urk levende dieren betreft, zoo zal men
+hier wel geene volledige opgave daarvan verwachten. Alleen vermeld
+ik nog de op het strand gevonden schelpen van weekdieren. Zij zijn:
+Mya arenaria Lin., Tellina solidula Lam., Cardium edule Lam., Mytilus
+edulis Lam., Buccinum undatum Lin. en Littorina litorea Fer. Van deze
+is de eerste soort verreweg de talrijkste. Eindelijk zijn de steenen
+der glooijing, die tijdens den vloed overstroomd worden, bezet met
+eene menigte zeepuisten, Balanus sulcatus Lam., die desgelijks ook
+vaak op de groote steenen van het rif worden aangetroffen, daar,
+waar deze digt onder de watervlakte liggen.
+
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+[1] Van Wijk Roelandszoon, Aardrijkskundig Woordenboek, in voce.
+
+[2] A. J. van der Aa, in de Vriend des Vaderlands, 1835, IX. bl. 720.
+
+[3] Zie zijne Beschrijving van Amsterdam, Dl. III. bl. 84, en De
+Tegenwoordige Staat der Nederlanden, Dl. VIII. bl. 628.
+
+[4] In een artikel in het Nederlandsch Magazijn, 1834, bl. 218,
+geteekend G. V. S. Vermoedelijk dezelfde, aan wien men ook het artikel
+over Urk in van der Aa's Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden,
+Dl. XI, bl. 396, verschuldigd is. De daar gebezigde bewoordingen zijn
+althans dezelfde.
+
+[5] Aloude Staat en Geschiedenis des Vaderlands, 1847, Dl. I. bl. 239,
+noot.
+
+[6] Het oudste berigt dienaangaande vond ik in de kopij van eenen
+brief van N. Witsen aan G. Cuper, gedagteekend 18 Augustus 1709 en
+voorkomende onder de nagelaten papieren van wijlen Mr. Jac. Scheltema,
+thans berustende bij zijnen neef den Hoogleeraar C. A. Bergsma. Witsen
+schreef daarin: »Men bespeurt mede, dat bij zeer laag water
+omtrent het eiland Wieringen zoet water uit den grond ontspringt,
+hetgeen gewisselijk uit de onderaardsche kanalen komt. Ik meen ook
+aan UEd. gezegd te hebben, dat wij een put op Urk hebben, die met
+den IJssel rijst en daalt." Wagenaar (Beschrijving v. Amsterdam,
+Dl. III. bl. 84,) vermeldt hetzelfde, er echter bijvoegende, dat hem
+verzekerd is, dat het water dezer put regenwater is, hetwelk van
+de hoogte afspoelt, en toe- of afneemt naar dat er veel of weinig
+regen valt. Van der Aa (l. c. p. 725) maakt gewag zoowel van eene
+rijzing en daling van het water in de putten met het tij der zee,
+als van eene beantwoordende aan den waterstand in den IJssel. Alleen
+het laatste wordt vermeld door den ongenoemden schrijver in het
+Nederlandsch Magazijn. De gronden, waarop deze meeningen steunen,
+worden door geen hunner aangegeven.
+
+[7] Geschied- en Letterkundig Mengelwerk. 1834, D. VI. St. 2. bl. 97.
+
+[8] De gebezigde boor was vervaardigd door W. Jenken te Utrecht,
+en voorzien, in plaats van een' lepel, van eene ter zijde opene
+buis, eindigende in eene kegelvormig toeloopende schroef met ruime
+windingen. Deze soort van grondboren heeft het voordeel, dat de
+spiraalwindingen der schroef de in de buis opgeboorde grond als eene
+klep afsluiten en bij het ophalen tegenhouden.
+
+[9] Deze afstanden zijn gemeten op de fraaije en uitvoerige kaart
+der Zuiderzee, vervaardigd door den Luitenant ter Zee eerste Klasse
+A. van Rhijn, 1848 en 1849.
+
+[10] De bepaling van den aard en van de mineralogische bestanddeelen
+der op Urk gevonden steenen is geschied onder de even ijverige als
+welwillende medewerking van mijnen vriend Dr. J. R. E. van Laer.
+
+[11] Eene vergelijking met Portlandkalk van Kandern in Baden, van
+Baune bij Poventruy in Zwitserland, en de lithographische steen van
+Solenhofen, leerde, dat in allen zeer vele der zamenstellende deeltjes
+meer of minder den bovengenoemden vorm hebben, het duidelijkst in
+de eerstgenoemde. Deze zamenstelling is merkwaardig, vooral indien
+men haar vergelijkt met die van het krijt, hetwelk enkel uit amorphe
+moleculen bestaat, waartusschen de Foraminiferen-schalen besloten
+liggen. Uit een vroeger onderzoek (zie Tijdschrift voor Natuurlijke
+geschiedenis en Physiologie 1842, Dl. X. bl. 208) is mij namelijk
+gebleken, dat, terwijl een bij lage temperatuur ontstaan praecipitaat
+van koolstofzuren kalk geheel amorph is, en, in weinig geconcentreerde
+oplossingen gevormd, uit even zulke moleculen bestaande, als die welke
+het krijt zamenstellen, er daarentegen zich bij hoogere temperatuur
+bovendien rhomboëdrische kalkspaathkristalletjes afzetten, en dat,
+bij eene temperatuur die 34° C. te boven gaat, het praecipitaat
+alleen uit zulke kristalletjes bestaat. Dit doet vermoeden, dat ook
+de verschillende vorm der deeltjes, welke de genoemde kalkgesteenten
+zamenstellen, moet worden toegeschreven aan de verschillende
+temperatuur van de zee, waaruit zij zich hebben afgezet.
+
+[12] Abbildung und Beschreibung der Petrefacten
+Deutschlands. Taf. 53. fig. 2.
+
+[13] Mineral Conchology of Great Britain V. T. 459. fig. 3.
+
+[14] Synopsis of the classification of the British palaeozoic rocks,
+by A. Sedgwick, with a detailed systematic description of the British
+palaeozoic fossils, bij F. McCoy, 1851. II. p. 136. T. I. E. fig. 3.
+
+[15] Min. Conch. VI. T. 535. fig. 1.
+
+[16] L. c. V. T. 403. fig. 1.
+
+[17] Natuurlijke Historie van Holland, Dl. II, bl. 413.
+
+[18] In het jaar 1660 werd het eiland door zijnen toenmaligen heer
+Johan van de Werve verkocht aan de Stad Amsterdam. Zie Wagenaar,
+Tegenw. Staat der Nederl. Dl. VIII. bl. 630.
+
+[19] Zie Houttuyn's Natuurlijke Historie volgens het samenstel van
+Linnaeus. Dl. XXXVI. bl. 206.
+
+[20] De kaart van het eiland zelve is vervaardigd naar eene kopij der
+in 1823 gemaakte kadastrale kaart, welke kopij bij den Burgemeester
+van het eiland berust. Ik heb daarin, naar eigene opmetingen op de
+plaats zelve, alleen die kleine wijzigingen aangebragt, welke door
+de sedert genoemd jaar ontstane veranderingen noodig waren geworden,
+en er tevens de door waterpassing gevonden hoogten van eenige punten
+op aangeteekend.
+
+[21] Bij de eilanders bestaat het vaste geloof, dat deze steenen weder
+aangroeijen. Een hunner bragt mij, om mij daarvan te overtuigen,
+bij een groot granietblok , aan welks ééne zijde eene uitpuilende
+verhevenheid gezien werd, die, volgens hem, een uitwas zoude zijn. Het
+zal ter naauwernood behoeven gezegd te worden, dat dit uitwas uit niets
+anders bestond dan uit een stuk kwarts, hetwelk aan de verweêring en
+afslijting meer weêrstand had geboden dan de naburige bestanddeelen.
+
+[22] Zie de Prijsverhandeling van Hausmann, in de Natuurkundige
+verhandelingen van de Holl. Maatschappij, Dl. XIX. bl. 292.
+
+[23] Wagenaar, Tegenw. Staat, Dl. VIII. bl. 630. De tegenwoordige
+vuurtoren, van een draaijend licht met eene Argandsche lamp en drie
+Fresnelsche lenzen voorzien, is, gelijk het opschrift meldt, opgerigt
+in 1844, onder het bestuur van Jonkheer A. C. Twent, Inspecteur van
+het loodswezen.
+
+[24] Wagenaar ibid.
+
+[25] Scheltema, Mengelwerk, Dl. VI. St. 2. bl. 77. Het is ook op grond
+dezer feiten, dat Scheltema vermoed heeft, dat Urk, met het Enkhuizer
+zand vereenigd, het eiland Flevo zoude hebben gevormd. Acker Stratingh
+(L. c. p. 238) houdt deze meening voor onwaarschijnlijk, omdat het Val
+van Urk beide vaneen scheidt. Zonder in het minste partij te trekken
+voor het gevoelen van Scheltema, doe ik hier echter opmerken, dat het
+Val van Urk niet zóó diep is, dat dit eene vroegere aaneensluiting
+onmogelijk zoude maken. De grootste diepte bedraagt 5,6 el, terwijl de
+veenbedding onder Amsterdam op sommige punten eene nog iets grootere
+diepte bereikt.
+
+[26] Eene langwerpige smalle zandplaat, zijnde eene voortzetting van
+het Enkhuizer zand, in eene zuidwestelijke rigting.
+
+[27] Tijdschrift voor Natuurlijke Geschiedenis en Physiologie,
+1842. Dl. IX. bl. 17 en 268.
+
+[28] L. c. bl. 285.
+
+[29] L. c. bl. 342.
+
+[30] Het is bekend (zie onder anderen Vogt's Lehrbuch der Geologie,
+II. s. 38 en verv.), dat elke deltavorming steeds vergezeld gaat van
+het ontstaan van dergelijke lagunen. De door den Nijl en de Po gevormde
+delta's leveren er vooral de duidelijkste voorbeelden van. Wat dat
+gedeelte des bodems van ons vaderland in het bijzonder betreft, hetwelk
+eene deltavorming van den Rijn, de Maas en de Schelde is, zoo kan men,
+steunende op hetgeen de waarneming elders geleerd heeft, en op onze
+kennis aangaande den aard der gronden, welke dien bodem zamenstellen,
+zich van deszelfs ontstaan de volgende algemeene voorstelling vormen.
+
+Toen de bodem der zee door het gestadig afgevoerde rotsgruis was
+opgehoogd tot op eene geringe diepte onder het watervlak, namen de
+verdere ophooging en drooglegging haren aanvang aan de randen der
+delta, derhalve aan de zeezijde. Waar zand den zeebodem bedekte,
+vormden zich duinen uit het zand, dat, tijdens de eb droog geworden,
+door den heerschenden Westen- en Noordwestenwind tot hoopen werd
+opgestuwd. Waar de zeebodem met klei bedekt was, werd deze in fijn
+verdeelden toestand, met het water, gedurende den vloed, aangevoerd,
+en tijdens de eb als slib achtergelaten, hetgeen bevorderd werd door de
+reeds in het ondiepe water groeijende strandplanten, en zoo ontstond
+een schoor wal op dergelijke wijze als zulks, vooral langs de kusten
+onzer noordelijke provinciën, nog heden ten dage plaats grijpt. De
+aldus langs de randen der delta opgehoogde bodem vormde aanvankelijk
+eene reeks of keten van eilanden, die de lagune begrensden, welke
+toen nog met brak water gevuld was. Allengs echter vereenigden zich
+deze eilanden, totdat er eindelijk nog slechts hier en daar opene
+ruimten overbleven, waardoor de zee het water uit de lagune ontving,
+waarin het zoete water der rivieren zich uitstortte. Door dezen meer
+beperkten toegang der zee, hield het water in de lagune eindelijk ook
+op brak te zijn, en toen ontstond op de ondiepste plaatsen der lagune
+eene vegetatie van zoetwaterplanten, welke jaarlijks afstervend, maar
+ook telken jare door eene nieuwe vegetatie opgevolgd, onder den vorm
+van veen, tot de ophooging des bodems krachtig bijdroegen. Deze
+veenvorming, langs den westelijken en noordwestelijken zoom
+aangevangen, strekte zich van lieverlede meer binnenwaarts uit,
+totdat eindelijk van de vroegere lagune slechts een meer overbleef,
+waarin een der Rijnarmen zijn water ontlastte, dat daaruit noordelijk
+zijnen verderen weg naar de zee vond.
+
+[31] Deze meeningen zijn:
+
+1o. Het eiland Flevo bestond uit Urk en Schokland vereenigd (Ortellius,
+Alting, Wagenaar, Acker Stratingh).
+
+2o. Het was het tegenwoordige Vlieland (Junius).
+
+3o. Het lag op de plaats van het tegenwoordige Breezand, dus tusschen
+Texel en de Friesche kust (Cluverius, Engelberts, Arend, van Lennep).
+
+4o. Het nam de plaats in, waar thans het Enkhuizer zand is gelegen,
+en waarmede het eiland Urk vereenigd was (Scheltema).
+
+5o. Het omvatte, behalve het Enkhuizer zand, ook nog een vrij groot
+gedeelte van Noord-Holland (Ottema, Eekhoff).
+
+Het spreekt van zelf, dat bij de vier laatstgenoemde meningen tevens
+wordt aangenomen, dat Urk en Schokland tot den vasten wal behoorden.
+
+De lezer, die over dit onderwerp zich nader wenscht te onderrigten,
+verwijs ik naar Dr. Acker Stratingh's Aloude Staat en Geschiedenis
+des Vaderlands, Dl. I. bl. 240 en vervolg, waar hij tevens de bronnen
+vindt aangegeven.
+
+[32] L. c. p. 629.
+
+[33] Overijsselsche Almanak voor oudheid en letteren 1847, bl. 271. Het
+gewigt der zaak noopt mij daaruit het volgende over te schrijven.
+
+»Tusschen Schokland en Urk op 2/3 van 't eerste en 1/3 van Urk, is eene
+plaats in zee, algemeen onder den naam van het Kerkhof bekend. Nog
+heden zijn er muren van drie voet boven den bodem der zee, en door
+een 80jarig, onlangs overleden man, volgens zijn zeggen, bij laag
+water gezien; en dat men hier tevens aan eene kerk moet denken, wordt
+hoogst waarschijnlijk. Op Schokland leeft thans Bruin Visser, wiens
+vader, in 1842, in 91jarigen ouderdom, is overleden. Deze grijsaard
+was voor 70 jaren (dat is omtrent 1772) met zijn visschuit over het
+Kerkhof gevaren, en had toen in zijne netten een kerkkandelaar, van
+welk metaal wordt niet gemeld, gevonden, en dezelfde man getuigde,
+dat de heden nog in de Roomsche kerk op Emmeland aanwezige doopvont,
+vandaar gehaald was."
+
+Wat de schrijver er verder op laat volgen, aangaande eene uit kei-
+of balsteenen bestaande streep in zee, welke van Schokland, in de
+rigting van dit Kerkhof, ver in zee loopt, en door de visschers een
+straatweg wordt genoemd, schijnt minder bewijzend, daar dergelijke in
+de Zuiderzee menigvuldig voorkomende stroken van meerdere of mindere
+uitgestrektheid (zie ook de Konst- en Letterbode 1847. I. bl. 82)
+hoogstwaarschijnlijk niet anders zijn, dan ontbloote zand- en
+steenruggen, van dergelijken aard als het rif, dat Urk omgeeft,
+gelijk reeds door Acker Stratingh (L. c. p. 245) te regt is opgemerkt.
+
+[34] In het zeewater uit de haven van Urk vond ik in 1000 deelen 5,808
+d. chlor. Uitgaande van de door Mulder (Scheikund. onderzoekingen,
+Dl. VI) bewezen stelling, dat de zouten van het zeewater steeds in
+dezelfde betrekkelijke hoeveelheid voorhanden zijn, en van de door hem
+(bl. 34) aangegeven zamenstelling, dan vindt men, door berekening,
+dat in 1000 deelen van het zeewater bij Urk bevat zijn:
+
+
+ Zwavelzure kalk 0,471
+ Zwavelzure magnesia 0,680
+ Chlormagnesium 0,999
+ Chlormagnesium sodium 8,326
+ Chlormagnesium potassium 0,109
+ Brommagnesium 0,018
+ Koolstofzure kalk 0,004
+ Kiezelzuur 0.001
+ ======
+ Som 10,608
+
+
+[35] Uit den begeleidenden brief van den heer Nahuys aan den
+Hoogleeraar Schroeder van der Kolk ontleen ik het volgende.
+
+»In het jaar 1845 liet de Baron van Lijnden van Hemmen te Wageningen,
+nabij den oprid van den Wageningschen berg, bij het Leksies veer,
+niet ver van den zoogenaamden eersten Christen tempel, aan de
+helling van de Rijnzijde van den berg, een gedeelte van dezen
+zinken, om hetzelve tot een strook bouwland aan te leggen. Bij
+die gelegenheid werden aldaar ook vele menschenbeenderen gevonden,
+hetwelk te meer verwondering baarde, omdat het geheel onbekend was,
+dat aldaar ooit eene begraafplaats geweest was. Dit vernemende, werd
+mijne belangstelling opgewekt, en in de nabijheid (te Oosterbeek)
+zijnde, verzocht ik den Baron van Lijnden de toestemming om aldaar
+oudheidkundige onderzoekingen te mogen doen en des noodig eenige
+vergravingen te mogen doen bewerkstelligen, hetgeen mij door gemelden
+eigenaar niet alleen welwillend werd toegestaan, maar zelfs werden
+eenige arbeiders ter mijner dispositie gesteld, om mij bij het doen
+van onderzoekingen aldaar behulpzaam te wezen.
+
+»Hierop begaf ik mij van Oosterbeek naar gemelde plaats met den
+Baron van Wassenaar tot Catwijck en met den heer Spiering uit
+Tiel. Op het terrein komende overtuigde ik mij niet alleen, dat
+overal menschenbeenderen op den omgezetten grond waren, maar de
+werklieden, die aldaar arbeidden, lieten ons eenige schedels zien,
+en verhaalden ons, dat er nog veel meer gevonden waren, welke zij ook
+maar weder onder den grond gestopt, en sommige aan den rentmeester
+gegeven hadden. Ik liet op verscheidene plaatsen, vooral in den nog
+ongeroerden grond, graven, in de hoop sporen te zullen vinden, hetzij
+door voorwerpen of stukken van dezelve uit het dagelijksch leven,
+of anderzins, ten einde of het tijdperk te kunnen bepalen, in welke
+deze grond tot begraafplaats gediend had, of tot welken volksstam deze
+schedels en beenderen behoorden. Ik werd echter hierin zeer te leur
+gesteld, dewijl ik niets vond, waaruit ik iets bepaalds kon afleiden,
+want enkele stukken (drie of vier) van potscherven van germaanschen
+vorm en bakkelij, en de wijze, waarop deze in den grond lagen, gaven
+mij geen aanleiding genoeg om daarop gevolgtrekkingen te bouwen,
+zelfs niet om daaruit veronderstellingen te maken, vooral omdat ik
+dergelijke scherven op vele plaatsen aldaar in den omtrek gevonden had.
+
+Twee zaken nogthans trokken bijzonder mijne aandacht; vooreerst de
+wijze waarop ik de lijken of liever de beenderen en schedels vond
+liggen, te weten er was geen blijk, dat deze in een kist, noch van
+hout, noch van steen, begraven waren geweest; integendeel zag men bij
+eene doorsnede van den grond, dat die lijken op den grond gelegd waren,
+rondom omgeven met houtskool, aan de eene zijde, even als van boven,
+maar gedekt met puin, en daarover de aarde of het zand. Meer naar boven
+van den berg werden ze boven elkander gevonden, doch in onregelmatige
+rigting. Ten tweede de vorm der schedels, welke nagenoeg van allen
+dezelfde was, en mij hoogst zonderling voorkwam."
+
+Tot hiertoe heb ik vergeefs getracht nog meerdere van deze schedels
+en beenderen te erlangen, doch er bestaat hoop op eenen lateren meer
+gelukkigen uitslag, door de mij vriendelijk toegezegde hulp van de
+heeren Baron Constant de Rebecque, den tegenwoordigen eigenaar des
+Wageningschen bergs, en O. G. Heldring, predikant te Hemmen. Ik voeg
+dus hier alleen nog bij, dat de laatste mij heeft berigt, dat hij
+eenmaal eene steenen wigge, waarschijnlijk van Keltischen oorsprong,
+heeft in handen gehad, welke op den Wageningschen berg gevonden was.
+
+[36] Nagenoeg de geheele mannelijke bevolking was toen ter vischvangst
+op zee. Het gelaat der vrouwen heeft over het algemeen eenen minder
+ronden, meer ovalen vorm.
+
+[37] Muller's Archiv, 1849. s. 573.
+
+[38] Chronyk van Amsterdam, zijnde eene korte en zakelijke beschrijving
+enzv., Dl. II. bl. 391.--Van der Aa, Aardrijkskundig Woordenboek,
+Dl. XI. bl. 400.
+
+[39] Wagenaar, Tegenw. Staat, Dl. VIII. bl. 629.
+
+[40] Aanteekening gevoegd bij de kaart van Schilling.
+
+[41] Chronijk van Amsterdam enzv. Dl. II. bl. 392.
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Het Eiland Urk, by P. Harting
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 44088 ***